HET
NIEUWE TESTAMENT
OF
AL DE BOEKEN DES NIEUWEN VERBONDS
VAN ONZEN HEER
JEZUS CHRISTUS.
OP LAST TAN DE
STATEN-GENEEAAL DEK YEEEENIGDE NEDERLANDEN,
ÃN VOLGENS HET BESLUIT VAN DE NATIONALE SYNODE GEHOUDEN TE DORDRECHT IN DE JAREN MDCXVIII EN MDCXIX, UIT DE OORSPRONKELIJKE (GRIEKSCHE) TAAL IN ONZE NEDERLANDSCHE GETROUW OVERGEZET.
MET AANWIJZING VAN GELIJKLUIDENDE PLAATSEN.
^BÃB.ITotICA
PiM- -V quot; - quot;quot;
BiBLIOT!-!EEK DER RUKSUi JiVERSiTEIT UTRECHT
COLL THOMAASSE
UITGEGEVEN DOOR HET
NEDEELANDSCH BIJBELGENOOTSCHAP. 1885.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
Ten aanzien van dezo uitgaaf met gelijkluidende plaatsen is door het Nedebxasdsch Bijbelgenootschap voldaan aan art. 10 der Wet van 28 Juny 1881, Sthl. n0. 124.
Typ. DE BRAKKE GROND, Amsterdam.
REGISTER
VAN DE BOEKEN
DES NIEUWEN TESTAMENTS.
Bladz.
Hot Erangelie van Mattlieüs............................1â 63
Het Evangelie van Marcus..............64â103
Het Evangelie van Lucas...............103â168
Het Evangelie van Joliannes..............169â316
De Handelingen der Apostelen.............217â380
BEIEYEN VAN PA1JLÃS:
Aan de Eomeinen..................................380â305
Eerste aan de CorintMërs..............................306â330
Tweede aan de Corintliiërs............................330â346
Aan de Gralatiërs....................................347â355
Aan de Efeziërs....................................355â363
Aan de Filippenzen..................................364â369
Aan de Colossenzen..................................370â375
Eerste aan de Thessalonicenzen.......... . . 376â380
Tweede aan de Tliessalonicenzen........................381â383
Eerste aan Timotlieiis................................384â390
Tweede aan Timotheüs................................391â395
Aan Titus........................................395â398
Aan Eilémon......................................398, 399
Aan de HeLreërs....................................400â419
ALGEMEENE BEIEVEN:
Van Jacobus...................419â426
Eerste van Petrus..............' . . . 436â433
Tweede van Petrus . ... .........................433â437
Eerste van Joliannes.................437â44,4
Tweede van Johannes................444 ^ 445
quot;Derde van Joliannes..................................445, 446
Van Judas........................................446â448
449â478
De Openbaring van Joliannes
HET NIEUWE TESTAMENT.
HET HEILIG EVANGELIE
naar DE BESCHRIJVING VAN
M A T T H E ü S
|
IIOOPDSTUK 1. 1 Het boek des geslaclits van Jezus Chbistus, den zoon van David, den zoon Abraliams. Lc. 3 : 23-38. 3 Abraham gewon Tsaiik, en Isaiik gewon Jakob, en Jakob gewon Juda en zijne broeders; 3 en Juda gewon Fares en Zarr. bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram; 4 en Aram gewon Amina-dab, en Aminadab gewon Naliasson, en Nahasson gewon Salmon; 5 en Salmon gewon Boöz bij Eacliab, en Boöz gewon Obed bij Eutli, en Obed gewon Jesse; 6 en Jesse gewon David den koning. En David de koning gewon Salomo, bij degene die Uria's vrouw was geiceest; |
7 en Salomo gewon Robo-am, en Eoboam gewon Abia, en Abia gewon Asa; 8 en Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ozias; 9 en üzias gewon Joatham, en Joatliam gewon Acliaz, en Aeliaz gewon Ezekias; 10 en Ezekias gewon Ma-nasse, en Manasse gewon Amen, en Amon gewon Josias; 11 en Josias gewon Jecho-nias en zijne broeders, omtrent de Babylonisclie overvoering. 13 En na de Babylonisclie overvoering gewon Jeclio-nias Salatliiel, en Salathiël gewon Zorobabel; 13 en Zorobabel gewon A-biud, en Abind gewron Elja-kim, en Eljakim gewon Azor; 14 en Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Acliim, en Aollim gewon Elind; 15 en Elind gewon Eleazar, |
1
MATTHEÃS 2.
s
|
en Eleazar gewon Mattlian, en Mattlian gewon Jakob; 16 en Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is Jezus gezegd Christus. 17 Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten, en van David tot de Babylonische overvoering zijn veertien geslachten, en van de Babylonische overvoering tot Christus zijn veertien geslachten. Lc. 1:26-35; 18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus. Want als Maria zijne moeder met Jozef ondertrouwd was, eer zij tezamengekomen waren werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. 19 Jozef nu, haar man, al-zoo hij regtvaardig was en haar niet wilde openbaar te schande maken, was van wille haar heimelijk te verlaten. 30 En alzoo hij deze dingen in den zin had , zie, de engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zoon Davids, wees niet bevreesd Maria uwe vrouw tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest; 21 en zij zal een zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Jezus; want hij zal zijn volk zaligmaken van hunnezonden. 22 En dit alles is geschied, opdat vervuld zoude worden 'tgeen van den Heer gesproken is door den profeet, zeggende : |
23 Zie, de maagd zal Jes. 7:14. zwanger worden en een zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Emma n u e 1; 't welk is, overgezet zijnde, God met ons. 24 Jozef dan opgewekt zijnde van den slaap, deed gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijne vrouw tot zich genomen , 25 en bekende haar niet, totdat zij dezen haren eerstgeboren zoon gebaard had, en heette zijnen naam J e zus. HOOFDSTUK 2. 1 Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, geler/en in Lc. 2:4. Judéa, in de dagen van den koning Herodes, zie, eeniye wijzen van het oosten zijn te Jeruzalem aangekomen, 2 zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien zijne ster in 't oosten, en zijn gekomen om hem te aanbidden. 3 De koning Herodes nu dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem; 4 en bijéénvergaderd hebbende, al de overpriesters en schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zoude geboren worden. 5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judéa ye-lerjen; want alzoo is geschreven door den profeet: 6 En gij Bethlehem, Micha5:i; yij land van Juda, zijt Jh-7:42- |
MATTIIEÃS 2.
S
|
geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkom en die mijn volk Israel wei den zal. 7 Toen lieeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstig van lien den tijd wanneer de ster verselienen was; 8 en lien naar Betileliem zendende, zeide: Eeist henen en onderzoekt naarstig naar dat kindeken, en als gij liet zult gevonden liebben, boodscliapt liet mij, opdat ik óók kome en datzelve aan-bidde. 9 En zij den koning gehoord hebbende, zijn henen-gereisd ; en zie, de ster die zij in 't oosten gezien hadden ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats waar het kindeken was. 10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde; 11 en in het huis gekomen zijnde, vonden zij het kindeken met Maria zijne moeder, en nedervallende liebben zij hetzelve aangebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, bragten zij hem geschenken, goud en wierook en mirre. 13 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land. |
13 Toen zij nu vertrokken waren, zie, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het kindeken en zijne moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar totdat ik het u zeggen zal; want ITerodes zal het kindeken zoeken, om 't zelve te dooden. 14 Hij dan opgestaan zijnde , nam het kindeken en zijne moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte, 15 en was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zoude 'worden 't geen van den Heer gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb ik mij- Hos. 11; 1. nen Zoon geroepen. 16 Als Herodes zag dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en eeniyen afgezonden hebbende, heeft hij omgebragt al de kinderen die binnen Bethlehem en in al deszelfs landpalen lotiren, van twee jaren oud en daaronder, naaiden tijd dien hij van de wijzen naarstig onderzocht had. 17 Toen is vervuld geworden 't geen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende : 18 Een stem is in Rama Jer. 31:15. gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Eachel beweende hare kinderen,en wilde niet vertroost wezen, omdat ze niet zijn. |
MATTHEÃS 3.
4
|
19 Toen Herodes nu gestorven was, zie, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte, 20 zeggende: Sta op, neem het kindeken en zijne moeder tot u, en trek in 't land Israels; want zij zijn gestorven die de ziel des kindekens zocliten. 31 Hij dan opgestaan zijnde, heeft tot zicli genomen het kindeken en zijne moeder, en is gekomen in 't land Israels. 33 Maar als hij hoorde dat Archelaüs in Judéa koning was, in de plaats van zijnen vader Herodes, vreesde hij daarhenen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is bij vertrokken in de deelen van Galiléa. 33 En daar gekomen zijnde, nam hij zijne woonplaats in de stad genaamd Nazareth; opdat vervuld zoude worden wat door de pro-Jes. 11:1. feten gezegd is, dat hij Na-zarener zal geheeten worden. HOOFDSTUK 3. Mc. 1:2-8; 1 En in die dagen kwam Jh. l-s'vv.'Johannes de Dooper, predikende in de woestijn van Judéa, 3 en zeggende: Bekeert u, want het koningrijk der hemelen is nabij gekomen. 3 Want deze is 't van den-welke gesproken is door Je-saja den profeet, zeggende: Jes. 40:3. De stem des roependen in de woest ij n: |
Bereidt den weg des (j. Heeren, maakt zijne paden r e g t. 4 En deze Johannes had zijne kleeding van kemelshaar , en een lederen gordel om zijne lende; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig. 5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judca en 't geheele land rondom den Jordaan; 6 en zij werden van hem gedoopt -in den Jordaan , belijdende hunne zonden. 7 Hij dan ziende velen van de farizeërs en saddu-cecrs tot zijnen doop komen, sprak tot hen: Gij ad-derengebroedsels, wie heelt u aangewezen te vlieden van 4 den toekomenden toorn? 8 Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig; 9 en meent niet bij uzelve te zeggen: AA'ij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. 10 En ook is aireede de bijl aan den wortel der boo-men gelegd: alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt wordt uitgehouwen en in 't vuur geworpen. 11 Ik doop u wel met wa- Hd. 1:5; i-ii- r 11:16; 13:25. f ter tot bekeering; maar die ' na mij komt is sterker dan ik, wiens schoenen ik niet waardig ben hem «atedragen: die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen; 13 wiens wan in zijne hand |
MATTHEUS 4.
|
is, en hij zal zijnen dorsch-vloer dóórzniveren, en zijne tarwe in zijne schuur teza-menbrengen, en zal het kaf met onnitblusschelijk vuur verbranden. sic. 1:9-11; 13 Toen kwam Jezus van Jh.l -lkS Galiléii naar den Jordaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. 14 Doch Johannes w-eiger-de hem zeer, zeggende: Mij is noodig van u gedoopt te worden, en komt gij tot mij? 15 Maar Jezus antwoordende zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle geregtigheid te vervullen. Toen liet hij van hem af. ⦠16 En Jezus gedoopt zijn de, is terstond opgeklommen uit het water; en zie, de hemelen werden hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen gelijk een duif, en op hem komen. 17 En zie, een stem uit de hemelen, zeggende : Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwelke ik mijn welbehagen heb. HOOFDSTUK 4. Mc. 1:12,13. 1 Toen werd Jezus van den Lc. 4 : -1-13. Q-gest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel. 2 En als hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde hem ten laatste. 3 En de verzoeker tot hem H. 17:5; Jes. 42; 1. |
gekomen zijnde, zeide: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg 'dat deze steenen brooden worden. 4 Doch hij antwoordende zeide: Er is geschreven: De nt. 8;3. m e n s c h zal b ij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat. 5 Toen nam hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde hem op de tinne des tempels, 6 en zeide tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, werp u-zelven nederwaarts; want er is geschreven, dat hij zij-Ps.91:11,12. ne engelen van u bevelen zal, en dat zij ii op de handen zullen nemen, opdat g ij niet te eeniger tijd luwen voet aan een steen aanstoot. j 7 Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Gij Dt. 6:16. zult den Heer uwen God niet verzoeken. 8 Wederom nam hem de duivel mede op een zeer hoogen berg, en toonde hem ' al de koningrijken der wereld en hunne heerlijkheid, 9 en zeide tot hem: Al j deze dingen zal ik u geven, indien gij nederval- ' lende mij zult aanbidden. ! 10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg satan, want er staat geschreven: Den Dt. 6:13. |Heer uwen God zult 1 gij aanbidden en hem alleen dienen. |
é
MATTHEÃS 5.
6
|
11 Toen liet de duivel van hem af; en zie, de engelen zijn toegekomen en dienden liem. h. 14;3; 13 Als nu Jezus gelioord Mc 1:14 15 * Lc'. 4; 14-16.'had dat Johannes overgeleverd was, is hij wedergekeerd naar Galiléa. 13 En Nazareth verlaten hebbende, is hij komen wonen te Kapernaüm, gelegen aan de zee, in de landpalen van Zebulon en Naftali; 1-t opdat vervuld zoude worden 't geen gesproken is door Jesaja den profeet, zeggende: Jes.8:23;9:l, 15 Het land Zobulon en het land Naftali, aan den weg der zee over den Jordaan, Galiléa der volkeren, 16 het volk dat in duisternis zat heeft een groot licht gezien; en degenen die zaten in het land en de schaduw des doods, denzelven is een licht opgegaan. 17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken, en te zeggen: Eekeert u, want het koningrijk der hemelen is nabij gekomen. Mc. 1:16-20; 18 En Jezus wandelende aan Jh! i5; 35-43. zee van Gflüéa, zag twee broeders, namelijk Simon gezegd Petrus, en Andréas zijnen broeder, het net in de zee werpende, (want zij waren visschers); 19 en hij zeide tot hen: |
Yolgt mij na, en ik zal u visschers der menschen maken. 30 Zij dan terstond de netten verlatende, zijn hem nagevolgd. 31 En hij vandaar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jacobus den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, in het schip met hunnen vader Zebedeüs hunne netten vermakende, en heeft hen geroepen. â 33 Zij dan terstond verlatende het schip en. hunnen vader, zijn hem nagevolgd. 33 En Jezus omginar Keheel H. 9:35: i . Mc 3-7 8* Galiléa, leerende in hunne lc. 4:14;' synagogen, en predikende het ü;1'- evangelie des koningrijks, en genezende alle ziekte en alle kwaal onder het volk. 34 En zijn gerucht ging raw-daar uit in geheel Svrië; en I .. . j zij bragten tot hem allen die kwalijk gesteld waren, met verscheiden ziekten eu pijnen j bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken , en geraakten; en hij genas dezelve. 35 En vele scharen volgden hem na, van Galiléa, en van Decapolis, en van Jeruzalem, en van Judéa, en van over den Jordaan. HOOFDSTUK 5. 1 En Jezus scharen zien-Lc. 6:17-49; de, is geklommen op een berg, ^il-la-ll13' en als hij nedergezeten was. |
MATTHEUS 5.
7
|
kwamen zijne discipelen tot hem. 3 En zijnen mond geopend hebbende leerde liij lien, zeggende : 3 Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koningrijk der hemelen. 4 Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden. 5 Zalig zijn de zachtmoe-Ps. 37:11. digen, want zij zullen het aardrijk beërven. 6 Zalig zijn die hongeren en dorsten nam- de geregtig-heid, want zij zullen verzadigd worden. 7 Zalig zijn de barmharti-Jc. 2; 13. gen, want hun zal barmhartigheid geschieden. 8 Zalig zijn de reinen van Heb. 12:14;hart, want zij zullen God 1 Jh. 3:2,3.zien_ 9 Zalig zijn de vreedza-meu, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. 1 Pet. 3:14. 10 Zalig zijn die vervolgd worden om der geregtigheid wil, want hunner is het koningrijk der hemelen. i Pet. 4:14. 11 Zalig zijt gij als u de menschen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om mijnentwil. 13 Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzoo hebben zij vervolgd de profeten die vóór u geweest zijn. 13 Gij zijt het zout der Mc. 9:50; aarde: indien nu het zout Lc. 14:34,35. smakeloos wordt, waarmede |
zal het gezouten worden ? Het deugt nergens meer toe, dan om buitengeworpen en van de menschen vertreden te worden. 1-1 Gij zijt het licht der we- fü. 2:15. reld: een stad boven op een berg liggende kan niet ver- borgen zijn; 15 noch men steekt een Mc. 4:2^; kaars aan en zet die onder ii -.ès. ' een korenmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen die in het huis zijn. 16 Laat uw licht alzóó schijnen voor de menschen, dati Pet. 2:12. zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Tader die in de hemelen is verheerlijken. 17 Meent niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg ik u, totdat de hemel en de Lc. 16:17 aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van [ de wet voorbijgaan, totdat j het alles zal zijn geschied. j 19 Zoowie dan één van deze minste geboden zal ontbonden, en de menschen alzóó zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in 't koningrijk der hemelen; | maar zoowie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in 't koningrijk der hemelen. 20 Want ik zeg u, tenzij uwe geregtigheid overvloediger zij t dan der schriftgeleerden en Lc. 18:11,12. |
MATTHEÃS 5.
s
|
der farizeërs, dat gij in 't koningrijk der liemelen geenszins zult ingaan. 31 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Ex. 20:13. Gij zult niet dooden; maar zoowie doodt, die zal strafbaar zijn door het gerigt. i Jh. 3:15. 32 Doch ik zeg u, zoowie ten onregte op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door 't gerigt; en wie tot zijnen broeder zegt: Kaka, die zal strafbaar zijn door den grooten raad; maar wie zegt: Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het helsche vuur. 23 Zoo gij dan uwe gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt dat uw broeder iets tegen u heeft, 24 laat daar uwe gave voor het altaar, en ga henen, verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dan en offer uwe gave. Lo. 12:58,59. 23 Wees haastelijk welgezind jeyens uwe wederpartij , terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den regter overlevere, en de reg-ter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt. 26 Voorwaar ik zeg u, gij zult daar geenszins uitkomen, h. 18: ai. totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben. 37 Gij hebt gehoord dat van de ouden gezegd is: Ex. 20:14. Gij zult geen overspel doen. |
28 Maar ik zeg u, dat zoowie een vrouw aanziet om dezelve te begeeren, die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan. 29 Indien dan uw regter-iH. 18:8, 9; oog u ergert, trek het uitMc' 'j-43quot;i8é en werp het van u; want het is u nut dat één uwer leden verga, en niet uw ge-heele ligchaam in de hel geworpen worde. 30 En indien uwe regter-hand u ergert, houw ze af en werp ze van u; want het is u nut dat één uwer leden verga, en niet uw geheele ligchaam in de hel geworpen worde. 31 Er is ook gezegd: Zoo- ot. 21:1; wie zijn vrouw veria-511, 19:7'9-ten zal, die geve haar een scheidbrief. 32 Maar ik zeg u, dat zoowie zijn vrouw verlaten zal anders dan uit oorzaak van hoererij , die maakt dat zij overspel doet; en zoowie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. 33 Wederom hebt gij gehoord dat van de ouden gezegd is: Gij zult den Lev. 19:12; eed niet breken, maar Ex-20:7-gij zult den Heer uwe eeden houden. 34 Maar ïk zeg u, zweert Jc. 5:12; ganschelijk niet; noch bij den Mt'23:16'22, hemel, omdat hij is de troon Gods; 33 noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des grooten Konings; |
MATTHEÃS 6.
|
36 noch bij uw lioofd zult gij zweren, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken. 37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen: wat boven deze is, dat is uit den booze. 3S Gij hebt gehoord dat ge-Ex. 21:24. zegd is: Oog om oog en tand om tand. 39 Maar ik zeg u, dat gij Spr. 24:20. den booze niet wederstaat; maar zoowie u op de regter-wang slaat, keer hem ook de andere toe; 40 en zoo iemand met u rigten wil, en uwen rok nemen , laat hem ook den mantel; 41 en zoowie u zal dwingen één mijl te gaan, ga met hem twee mijlen. 43 Geef dengeen die iets van u bidt, en keer u niet af van dengeen die van u leenen wil. 43 Gij hebt gehoord dat er Lev. 19:18. gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten. 44 Maar ik zeg u, hebt uwe vijanden lief, zegent ze die u vervloeken, doet wèl dengenen die u haten, en bidt voor degenen die u geweld doen en die u vervolgen; 45 opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders die in de hemelen is; want hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over regtvaardigen en onregtvaar-digen. 46 Want indien gij liefhebt wie u liefhebben, wat loon |
hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 47 En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzoo? 48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die Ef. 5:1. in de hemelen is volmaakt is. HOOFDSTUK 6. 1 Hebt acht dat gij uwe aalmoes niet doet vóór de menschen, om van hen gezien te worden: anders hebt gij geen loon bij uwen Vader die in de hemelen is. 2 Wanneer gij dan aalmoes doet, zoo laat vóór u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat ze van de menschen geëerd mogen worden: voorwaar zeg ik u, zij hebben hun loon weg. 3 Maar als gij aalmoes doet, zoo laat uwe linker//a«rf niet weten wat uwe regter doet, 4 opdat uwe aalmoes in 't verborgen zij: en uw Vader die in 't verborgen ziet, die zal 't u in 't openbaar vergelden. 5 En wanneer gij bidt, zoo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne in de synagogen en op de hoeken der straten staande te bidden, opdat zij van de menschen mogen ge- O O zien worden: voorwaar ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. 6 Maar gij wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkamer, en |
MATTHEÃS 6.
10
|
uwe deur gesloten kebben-de, bid uwen Vader die in 't verborgen is: en uw Vader, die in 't verborgen ziet, zal 't u in 't openbaar vergelden. 7 En als gij bidt, zoo gebruikt geen ijdel verbaal van woorden gelijk de lieide-nen; want zij meenen dat zij door bunne veelheid van woorden zullen verboord worden. 8 Wordt dan bun niet gelijk; want uw Vader weet wat gij van noode bebt eer gij bem bidt. Lc. 11:2-4. 9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd ; 10 uw koningrijk kome; uw wil geschiede gelijk in den hemel alzóó ook op de aarde; 11 geef ons heden onsdage-lijksch brood; 12 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; 13 en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze; want uw is het koningrijk en de kracht en de heerlijkheid, in eeuwigheid. Amen. Mc.li: 25,26; 14 Want indien gij den men- Mt. 18: 2i-3o. sc]^en hunne misdaden vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook u vergeven; 15 maar indien gij den men-sclien hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal ook uw Vader uws misdaden niet vergeven. 16 En wanneer gij vast, toont geen droevig gezigt |
gelijk de geveinsden; want Jes. 58:5. * zij mismaken hunne aange- zigten, opdat zij van de men- schen mogen gezien worden als zij vasten: voorwaar ik zeg u dat zij hun loon weg hebben. 17 Maar gij als gij vast, zalf uw hoofd en wasch uw aan-gezigt, 18 opdat het van de men-schen niet gezien worde als gij vast, maar van uw Vader die in 't verborgen is: en uw Vader, die in 't verborgen ziet, zal 't u in 't openbaar vergelden. 19 Vergadert u geen schat-Lc. 12:33,34 ten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; 20 maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. 21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 22 De kaars des ligchaamsLc.il:34-36. is het oog: indien dan uw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheele ligchaam verlicht wezen; 28 maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel uw ligchaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, j duisternis is, hoegroot zal de duisternis zelve zijn. 24 Niemand kan twee hee- lc. 16:13; ren dienen; want of hij zali jh. 2:15. den éénen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den éénen aanhangen en den gt; |
MATTHEÃS 7.
11
|
* anderen veracliten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon. Lc. 12:22-31; 35 Daarom zes ik u, znt niet Fil. 4:6; , , o gt; J i Pet. 5; 7. bezorgd voor uw leven, wat gij eten en wat gij drinken ^ zult, noch. voor uw ligcliaam, waarmede gij u kleeden zult: is het leven niet meer dan liet voedsel, en liet ligcliaam dan de kleeding? 26 Aanziet de vogelen des liemels, dat zij niet zaaijen, nooli maaijen, noch. verzamelen in de scliuren, en uw liemelsclie Vader voedt nog- H. 10:31. taus dezelve: gaat gij dezelve niet zeer veel teboven? 27 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el tot zijne lengte toedoen? 28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleeding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen: zij arbeiden niet en spinnen niet, 29 en ik zeg u, dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest gelijk een van deze. 30 Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzóó bekleedt, zal hij u niet veelmeer kleeden , gij kleingeloovigen ? } 31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? 32 Want al deze dingen zoeken de heidenen; want lt; uw hemelsche Vader weet |
dat gij al deze dingen behoeft. 33 Maar zoekt eerst het koningrijk Gods en zijne ge-regtigheid, en al deze dingen zullen ii toegeworpen worden. 34« Zijt dan niet bezorgd tegen deu morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen: elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. HOOFDSTUK 7. 1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u weder- Mc. 4:24. gemeten worden. 3 En wat ziet gij den splinter die in het oog uws broeders is, maar den balk die in uw oog is merkt gij niet? 4 Of hoe zult gij tot uwen broeder zeggen: Laat toe dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog. 5 Gij geveinsde, werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uit uws broeders oog uit-tedoen. 6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eeniger tijd dezelve met hunne voeten vertreden, en ziek omkeerende u verscheuren. 7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult |
MATTHEÃS 7.
13
|
vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 8 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en wie zoekt, die vindt; en wie klopt, dien zal opengedaan worden. 9 Of wat menseli is er onder u, zoo zijn zoon liem zoude bidden om brood, die liem een steen zal geven, 10 en zoo bij liem om een viscb zoude bidden, die bem een slang zal geven? 11 Indien dan gij die boos zijt weet uwen kinderen goede gaven te geven, boeveeltemeer zal uw quot;Vader die in de hemelen is goede gaven geven dengenen die ze van bem bidden. 12 Alle dingen dan die gij wilt dat u de mensclien zouden doen, doet gij bun ook alzoo; want dat is de wet en de profeten. Lc. 13:24. 13 Gaat in door de enge poort; wrant wijd is de poort en breed is de weg die tot bet verderf leidt, en velen zijn er die door denzeive ingaan ; 14 want de poort is eng en de weg is naauw die tot liet leven leidt, en weinigen zijn er die denzelven vinden. 15 Maar wacbt u van de H. 24:24. valscbe profeten, dewelke in i Jh. 4:16. gc|iaapS]deecb!ren tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven. 16 Aan liunne vrucbten zult ge ze kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? h. 12:33. 17 Alzóó iedere goede boom |
brengt voort goede vruchten, * en een kw7ade boom brengt voort kwade vrucbten. 18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19 Iedere boom die geen h. 3:10; t goede vrucht voortbrengt,Lc'13 ;7quot; wordt uitgehouwen en in 't vuur geworpen. 30 Zoo zult gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen. 31 Niet een iegelijk die tot lc. 6:46 mij zegt 'Heere, Heere, zal ingaan in 't koningrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Yaders die in de hemelen is. 33 Velen zullen te dien dage tot mij zeggen: Heere, Heere, lc.13:25-27. hebben wij niet in uwen naam f geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan ? 23 En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb uh.25:12,41. nooit gekend: gaat weg van mij, gij die de ongeregtig-heid werkt. 34 Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzigtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; 35 en er is slagregen neder-gevallen, en de waterstroo-men zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid en zijn tegen dat huis aangevallen: en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. ⦠|
MATTHEÃS 8.
13
|
« 26 En een iegelijk die deze mijne woorden lioort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn liuis op liet zand gebouwd lieeft; 27 en de slagregen is neder-f gevallen, en de waterstroo- men zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen ; en het is gevallen, en zijn val was groot. 28 En het is geschied als Jezus deze woorden geëindigd Mc. 1:22; had, dat de scharen zich ont-zetteden over zijne leer; 29 want hij leerde hen als magthebbende, en niet als de schriftgeleerden. HOOFDSTUK 8. 1 Toen hij nu van den berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd. Mc. 1:40-44 ; 2 En zie, een melaatsche Lc. 5. 2-4. en afmi3aci tem, zeg gende : Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. 3 En Jezus de hand uitstrekkende heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd hij' van zijne melaatsch-heid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hem; Zie dat gij dit niemand zegt; . maar ga henen, toon uzelven den priester, en offer do Lev. 14; lo, gave Mozes geboden 21,22. heeft, hun tot een getuigenis. Lc. 7; l-io. 5 Als nu Jezus te Kaper-, naüm ingegaan was, kwam |
tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem, 6 en zeggende; Heer, mijn knecht ligt tehuis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 En de hoofdman over honderd antwoordende zeide: Heer, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben óók een mensch onder de magt van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht : Doe dat, en hij doet het. 10 Jezus nu dit hoorende, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen die hem volgden: Voorwaar zeg iku, ik heb zelfs in Israel zoogroot een geloof niet gevonden. 11 Doch ik zeg u, dat velen Lc. 13:28.20 zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham en Isaiik en Jakob aanzitten in het koningrijk der hemelen; 12 en de kinderen des koningrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis : aldaar zal weening zijn en knersing der tanden. 13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Gra henen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht |
MAÃTHEÃS 6.
10
|
uwe deur gesloten hebbende, bid uwen Vader die in 't verborgen is: en uw Vader, die in 't verborgen ziet, zal 't u in 't openbaar vergelden. 7 En als gij bidt, zoo gebruikt geen ijdel verbaal van woorden gelijk de heidenen; want zij meenen dat zij door hunne veelheid van woorden zullen verhoord worden. 8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet wat gij van noode hebt eer gij hem bidt. Lc. 11:2-4. 9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; 10 uw koningrijk kome; uw wil geschiede gelijk in den hemel alzóó ook op de aarde; 11 geef ons heden ons dage-lijksch brood; 12 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; 13 en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze; want uw is het koningrijk en de kracht en de heerlijkheid, in eeuwigheid. Amen. Mc.ii:25,26; 14 Want indien gij den men- Mt. 18.21-35. gghen hunne misdaden vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook u vergeven; 13 maar indien gij den men-schen hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal ook uw Vader uwe misdaden niet vergeven. 16 En wanneer gij vast, toont geen droevig gezigt |
gelijk de geveinsden; want Jes. 58;5. ⦠zij mismaken hunne aange- zigten, opdat zij van de men- schen mogen gezien worden als zij vasten: voorwaar ik zeg u dat zij hun loon weg hebben. 17 Maar gij als gij vast, zalf if-uw hoofd en wasch uw aan- gezigt, 18 opdat het van de men-schen niet gezien worde als gij vast, maar van uw Vader die in 't verborgen is : en uw Vader, die in 't verborgen ziet, zal 't u in 't openbaar vergelden. 19 Vergadert u geen schat-Lc. 12:33,34 ten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; 20 maar vergadert n schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft , en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. 21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 22 De kaars des ligchaams Lo.ll: 34-36. is het oog: indien dan uw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheele ligchaam verlicht wezen; 23 maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel uw ligchaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, y duisternis is, hoegroot zal de duisternis zelve zijn. 24 Niemand kan twee hee- lc. 16:13; ren dienen; want of hij zal 1 1-ik den éénen haten en den anderen liefhebben, öf hij zal den éénen aanhangen en den i |
MATTHEÃS 7.
11
|
* anderen veracliten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon. Lc. 12:22-31; 33 Daarom zes; ik n, zilt niet Fil. 4:6; , , o gt; J i Pet. 5:7. bezorgd voor uw leven, wat gij eten en wat gij drinken ''Tr zult, nocli voor uw ligcliaam, waarmede gij u kleeden zult: is het leven niet meer daa liet voedsel, en liet ligcliaam dan de kleeding? 26 Aanziet de vogelen des kemels, dat zij niet zaaijen, noch maaijen, iiooh. verzamelen in de sckuren , en uw liemelsclie Yader voedt noff-h. 10:31. tans dezelve: gaat gij dezelve niet zeer veel teboven? 37 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el tot zijne lengte toedoen? 38 En wat zijt gij bezorgd voor de kleeding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet en spinnen niet, 29 en ik zeg u, dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest gelijk een van deze. 30 Indien nu God bet gras des velds, dat beden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzóó bekleedt, zal bij u niet veelmeer kleeden, gij kleingeloovigen ? 1 31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? 33 Want al deze dingen zoeken de heidenen; want ⦠uw bemelsche Vader weet |
dat gij al deze dingen behoeft. 33 Maar zoekt eerst het koningrijk Gods en zijne ge-regtigheid, en al deze dingen zullen ii toegeworpen worden. 34 Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen: elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. HOOFDSTUK 7. 1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 3 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u weder- Mc. 4:24. gemeten worden. 3 En wat ziet gij den splinter die in het oog uws broeders is, maar den balk die in uw oog is merkt gij niet? 4 Of hoe zult gij tot uwen broeder zeggen: Laat toe dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog. 5 Gij geveinsde, werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uit uws broeders oog uit-tedoen. 6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eeniger tijd dezelve met hunne voeten vertreden, eu zic/t omkeerende u verscheuren. 7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en. gij zult |
MATTHEÃS 7.
12
|
vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 8 Want een iegelij k die bidt, die ontvangt; en wie zoekt, die vindt; en wie klopt, dien zal opengedaan worden. 9 Of wat menscL, is er onder u, zoo zijn zoon tem zonde bidden om brood, die hem een steen zal geven, 10 en zoo liij liem om een viscli zoude bidden, die liem een slang zal geven? 11 Indien dan gij die boos zijt weet uwen kinderen goede gaven te geven, lioeveeltemeer zal viw Vader die in de lieme-len is goede gaven geven dengenen die ze van bem bidden. 12 Alle dingen dan die gij wilt dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo; want dat is de wet en de profeten. Lc. 13:21 13 Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg die tot liet verderf leidt, en velen zijn er die door denzelve ingaan ; 14 want de poort is eng en de weg is naauw die tot bet leven leidt, en weinigen zijn er die denzelven vinden. 15 Maar wacht van de H. 24:24. valsche profeten, dewelke in i Jh-4:'ifc-gehaapskleederen tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven. 16 Aan hunne vruchten zult ge ze kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? H. 12:33. 17 Alzóó iedere goede boom |
brengt voort goede vruchten, * en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. 18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen , noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19 Iedere boom die geen h. 3:10; f goede vrucht voortbrengt, Lc'13:7' wordt uitgehouwen en in 't vuur gewTorpen. 20 Zoo zult gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen. 31 Niet een iegelijk die tot Lc. 6:46 mij zegt Heere, Heere, zal ingaan in 't koningrijk der hemelen , maar die daar doet den wil mijns Yaders die in de hemelen is. 22 Yelen zullen te dien dage tot mij zeggen; Heere, Heere, lc.13:25-27. hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan ? 23 En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb uh.2ö:12,41 nooit gekend: gaat weg van mij, gij die de ongeregtig-heid werkt. 24 Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzigtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; 25 en er is slagregen neder- ^ gevallen, en de waterstroo- men zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid en zijn tegen dat huis aangevallen: en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. ' |
MATTHEÃS 8.
13
|
* 26 En een iegelijk die deze mijne woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn tuis op het zand gebouwd heeft; 27 en de slagregen is neder-^ gevallen, en de waterstroo- men zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen : en het is gevallen, en zijn val was groot. 28 En het is geschied als Jezus deze woorden geëindigd Lc 4 : 32 ^ sc^larel1 on^' zetteden over zijne leer; 29 want hij leerde hen als magthebbende, en niet als de schriftgeleerden. HOOFDSTUK 8. r 1 Toen hij nu van den berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd. Mc. 1:40-44; 2 En zis, een melaatsche Lc. 5:12-14. i i i i Kwam en aanbad hem, zeg- gtudo: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. 3 En Jezus de hand uitstrekkende heeft hem aan- | geraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond * werd hij van zijne melaatsch- ! heid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hem: ! Zie dat gij dit niemand zegt; maar ga henen, toon uzelven den priester, en ofler de i.ev. 14:10, Save die Mozes geboden 21,22. heeft, hun tot een getuigenis. Lc. 7: i-io. 5 Als nu Jezus te Kaper-naüm ingegaan was, kwam |
tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem, 6 en zeggende: Heer, mijn knecht ligt tehuis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 En de hoofdman over honderd antwoordende zeide: Heer, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben óók een mensch onder de magt van anderen , hebbende onder mij krijgsknechten, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom , en hij komt; en tot mijnen dienstknecht : Doe dat, en hij doet het. 10 Jezus nu dit hoerende, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen die hem volgden: Yoorwaar zeg ik u, ik heb zelfs in Israel zoogroot een geloof niet gevonden. 11 Doch ik zeg u, dat velen Lc. 13:28,2a zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham en Isaak en Jakob aanzitten in het koningrijk der hemelen; 12 en de kinderen des koningrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis: aldaar zal weening zijn en knersing der tanden. 13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga henen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht |
MATTHEÃS 8.
14
|
is gezond geworden te dier-zelfder ure. Mc. 1:29-34; 14 En Jezus gekomen zijnde Lc. 4:38-40. ^ ^ van pe^ras ^ zag zijne vrouwsmoeder fe fee? liggen, liebtende de koorts. 15 En hij raakte liare hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen. 16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot hem ge-bragt, en hij wierp de hooze geesten nit met het woord, en hij genas allen die kwalijk gesteld waren; 17 opdat vervuld zoude worden wat gesproken was door Jesaja den profeet, zeggende: Jes. 53:4. Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. 18 En Jezus vele scharen rondom zich ziende, beval aan de andere zijde overtevaren. Lc. 9:57-60. 19 En er kwam een zeker schriftgeleerde tot hem, en zeide tot hem: Meester, ik zal u volgen waar gij ook henengaat. 20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des men-sche.n heeft niet waar hij 't hoofd nederlegge. 21 En een ander uit zijne discipelen zeide tot hem: Heer, laat mij toe dat ik eerst he-nenga en mijnen vader be-grave. |
22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg mij, en laat de doo-den hunne dooden begraven. 23 En als hij in't schip ge-Mc. 4:35-41; 1 â¢â¢ i ⢠Lc 8*22 ^ gaan was, zijn liem zijne dis-cipelen gevolgd. 24 En zie, er ontstond een groote onstuimigheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd; doch hij sliep. 35 En zijne discipelen bij Jiern komende, hebben hem opgewekt, zeggende: Heer, behoed ons, wij vergaan. 26 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen? Toen stond hij op en bestrafte de winden en de zee, en er werd groote stilte. 27 En de menschen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee hem gehoorzaam zijn! 28 En als hij aan de overzijde Mc. 5 :1-17; was gekomen in het land der Lc' 8'26'37-Gergesénen, zijn hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan. 39 En zie, zij riepen, zeggende: Jezus, gij Zoon Gods, wat hebben wij met u te doen? Zijt gij hier gekomen I om ons te pijnigen vóór den l tijd? 30 En verre van hen was een kudde van vele zwijnen weidende; |
MATTHEÃS 9.
15
|
31 en de duivelen baden hem, zeggende: Indien gij ons uitwerpt, laat ons toe dat wij in die kudde zwijnen varen. 32 En liij zeide tot lien: Gaat lienen. En zij uitgaande voeren lienen in de kudde zwijnen; en zie, de geheele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, er, zij stierven in 't water. 33 En die ze weidden zijn gevlugt; en als zij in de stad gekomen waren, bood.scliap-ten zij al deze dingen, en wat den bezetenen geschied was. 34 En zie, de geheele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij hem zagen, baden zij dat hij uit hunne landpalen wilde vertrekken. HOOFDSTUK 9. 1 En in het schip gegaan zijnde, voer hij over en kwam Jio. 2:1-12; in zijne stad. En zie, zijbrag- Lc. o.i8-26. j.en een geraakte,op een bed liggende. 3 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven. 3 En zie, sommigen dei-schriftgeleerden zeiden in zichzelve: Deze lastert God. 4 En Jezus ziende hunne gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uwe harten? 5 Want wat is ligter, te zeggen: De zonden zijnu vergeven , of te zeggen : Sta op en wandel? 6 Doch opdat gij moogt |
weten, dat de Zoon des menschen magt heeft op de aarde de zonden te vergeven (toen zeide hij tot den geraakte) : Sta op, neem uw bed op, en ga henen naar uw huis. 7 Eu hij opgestaan zijnde, ging henen naar zijn huis. 8 De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zoodanige magt den menschen gegeven had. 9 En Jezus vandaar voort-Mc. 2:14-17 ⢠Lc 5' â39 gaande, zag een mensch in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs, en zeide tot hem: Volg mij. En liij opstaande volgde hem. 10 En het geschiedde als hij in 't huis van Mattheüs aanzat, zie, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan met Jezus en zijne discipelen. 11 En de farizeërs dat ziende, zeiden tot zijne discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en zondaren ? 12 Maar Jezus zullts hoo-rende, zeide tot hen: Wie gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar wie ziek zijn. 13 Do quot;h gaat henen en leert wat het zij: Ik wil barm- Hos. 6:6; hartigheid, en niet of- Mt' 12:7' f e r a n d e; want ik ben niet gekomen om te roepen regt-vaardigen, maar zondaars tot bekeering. |
MATTHEÃS 9.
16
|
Mc.2:18-22; 14 ïoen kwamen de disci-Lc. 5:33-38. â , T , , , 1 pelen van Johannes tot hem, zeggende: Waarom vasten wij en de farizecrs veel, en uwe discipelen vasten niet? 15 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren zoolang de bruidegom bij lien is? Maar de dagen zullen komen wanneer de bruidegom van lien zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten. 16 Ook zet niemand een lap ongevold laken op een oud kleed; want deszelfs aangezette lap sclieurt af van liet kleed, en er wordt een erger scheur. 17 En men doet geen nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders bersten de lederen zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar men doet nieuwen wijn in nieuwe lederen zakken, en beide tezamen worden behouden. 18 Als hij deze dingen tot Mc. 5:22-43;hen sprak, zie, een overste Lc. 8:41-56. },wam en aanbacl bem, zeggende : Mijne dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg uwe handen op haar, en zij zal leven. 19 En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en zijne discipelen. 20 (En zie, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeijen gehad had, komende tot hem H. 14:36. van achteren, raakte den zoom zijns kleeds aan; |
31 want zij zeide in zich-zelve: Indien ik alleenlijk zijn kleed aanraak, zoo zal ik gezond worden. 33 En Jezus zich omkee-rende en haar ziende, zeide: Wees welgemoed dochter; uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van die ure af.) 33 En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare, 34 zeide hij tot hen: Yer-trekt; -want het dochterken is niet dood, maar slaapt. Jh. 11:11. En zij belachten hem. 35 Als nu de schare uitgedreven was, ging hij in, en greep hare hand; en het dochterken stond op. 36 En dit gerucht ging uit door dat geheele land. 37 En als Jezus vandaar voortging, zijn hem twee blinden gevolgd, roependeen zeggende: Gij Zoon Davids, ontferm u onzer. 38 En als hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot hem, en Jezus zeide tot hen: Gelooft gij dat ik dat doen kan? Zij zeiden tot hem: Ja Heer. 39 Toen raakte hij hunne oogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof. 30 En hunne oogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer strengelijk verboden, zeggende: Ziet dat het niemand wete. 31 Maar zij uitgegaan zijnde , hebben hem ruchtbaar |
MATTHEUS 10.
17
|
gemaakt door dat gekeele land. 33 Als deze nu uitgingen, Lc.ii:i4,i5.zie, zoo bragten zij tot liem een menscli die stom en van den duivel bezeten was. 33 En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zicli, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israel gezien. H. 12:24; 34 Maar de f'arizeërs zeiden: Mc. 3.22. jj-jj werpt de duivelen uit door den overste der duivelen. h. 4:23. 35 En Jezus omging al de steden en vlekken, leerende in kunne synagogen, en predikende liet evangelie des Hd. 10:38. koningrijks, en genezende alle ziekte en alle kwaal onder het volk. 36 En hij de scharen zien-Me. 6:34. de, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat ze vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen die geen herder hebben. 37 Toen zeide hij tot zijne Lc. 10:2. discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; 38 bidt dan den Heer des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote. EOOFDSTÃK 10. 1 En zijne twaalf discipelen tot zich geroepen hebbende, heeft hij hun magt gegeven Mc.3:14-19; over de onreine geesten, om Le. 6:13-16; , , Hd 113 dezelve uittewerpen, en om |
alle ziekte en alle kwaal te genezen. 2 De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste , Simon gezegd Petrus, en Andreas zijn broeder. Jacobus de zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broeder; 3 Eilippus en Bartholomeüs, Thomas en Mattheüs de tollenaar, Jacobus de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs toege-naamd Thaddeüs; 4 Simon Kananites, en Judas Iskariot, die hem ook verraden heeft, 5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet henengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in eenige stad der Samaritanen; 6 maar gaat veelmeer henen tot de verloren schapen van jj 15.24, het huis Israels. 7 En henengaande predikt, zeggende; Het koningrijk der Lc. 9:1, 2. hemelen is nabij gekomen. 8 Geneest de kranken, reinigt de melaatschen, wrekt de dooden op, werpt de duivelen uit. Gij hebt het omniet ontvangen, geeft het omniet. 9 Yerkrijgt u noch goudMc 6.8.11; noch zilver noch koperde? in L'-- , , 1 ^ 10:4-12. uwe gordels; 10 noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de ar-^ Tim. beider is zijn voedsel waardig. 11 En in wat stad of vlek gij |
2
MATTHEÃS 10.
18
|
zult inkomen, onderzoekt wie daarin waardig is; en blijft aldaar totdat gij daar uitgaat. 12 En als gij in liet huis gaat, zoo groet lietzelve. 13 En indien dat kuis waardig- is, zoo kome uw vrede over hetzelve; maar indien het niet waardig is, zoo keere uw vrede weder tot u. 14 En zoo iemand u niet zal ontvangen, noch uwe woorden hooren, uitgaande uit Hd. 13:51; dat huis of uit die stad schudt 1K'6' het stof uwer voeten af. 15 Voorwaar zeg ik u, het H. n: 24. zal den lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan die stad. Lc. 10:3. 16 Zie, ik zend u als scha- ; pen in 't midden der wol- j ven: zijt dan voorzigtig ge- | lijk de slangen, en opregt gelijk de duiven. 17 Maar wacht u voor de Lc. 21:12; menschen; want zij zullen â ih, 16:2. u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hunne synagogen zullen zij u gee-selen; 18 en gij zult ook voor stadliouders en koningen geleid worden om mijnentwil, hun en den heidenen tot getuigenis. Mc. 13:11; 19 Doch wanneer zij u 'il 1l'5,2; overleveren, zoo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden, wat gij spreken zult; 20 want gij zijt het niet die spreekt, maar 't is de |
Geest uws Vaders die in u spreekt. 31 En de eene broeder zalLc'^i-iei?' den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen ze dooden. 33 En gij zult van allen ge-H. 24:9,13. haat worden om mijnen naam; maar wie volstandig zal blijven tot den einde, die zal zalig worden. 33' Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zeg ik u, gij zult mee reis door de steden Israels niet geëindigd hebben, of de Zoon des menschen zal gekomen zijn. 34 De discipel is niet boven Lc-6â:40; J h x3 * 10 * den meester, noch de dienst- 15:20. knecht boven zijnen heer. 35 Het zij den discipel genoeg dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den heer des huizes Beëlzebul hebben geheeten, hoeveeltemeer zijne huisge-nooten. 36 Vreest dan hen niet; Lc. 12:2-9. want er is niets bedekt 't welk niet zal ontdekt worden, en verborgen 't welk niet zal geweten worden. 37 't Geen ik u zeg in de duisternis, zegt het in 't licht; en 't geen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken. 38 En vreest niet voor degenen die het ligchaam dooden, en de ziel niet kun- |
MATTHEÃS 11.
19
|
nen dooden; maar vreest j Jc. 4:12«. veelmeer hem die beide ziel en ligohaam kan verderven in de kei. 29 Worden niet twee musoli-kens om een penningsken verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uwen Vader. 30 En ook uwe haren des hoofds zijn alle geteld. H. 6:26. 31 Vreest dan niet: gij gaat j vele mnschkens teboven. 33 Een iegelijk dan die mij j belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader die in de hemelen is; 33 maar zoowie mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal ik ook verloochenen voor mijnen Vader die in de hemelen is. Lc.12:51-53. 34 Meent niet dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 35 Want ik ben gekomen Micha 7:6. om den mensch tweedragtig te maken tegen zijnen vader, en de dochter tegen hare moeder, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder; Lc. 9 : 26: 2Tim. 2:126, 36 en zij zullen des menschen vijanden worden, die zijne huisgenooten zijn. 37 Wie vader of moeder liefheeft boven mij, is mijns niet waardig; en wie zoon of doch- 1 ter liefheeft boven mij, is { mijns niet waardig; H. 16:24,25. 38 en wie zijn kruis niet op Lc. 14:26,27; Mt. 19:29. |
zich neemt en mij navolgt, is mijns niet waardig. 39 Wie zijne ziel vindt, Lc-9:24; 17: zal dezelve verliezen; en wie *' ' zijne ziel zal verloren hebben om mijnentwil, zal dezelve vinden. Mc. 9: 41; Mt. 25:40. 40 Wie u ontvangt, ontvangt mij; en wie mij ontvangt, ontvangt hem die mij gezonden heeft. 41 Wie een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en wie een regtvaardige ontvangt in den naam eens regtvaardigen, zal het loon eens regtvaardigen ontvangen. 42 En zoowie één van deze kleinen te drinken geeft alleen een beker kond water, in den naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen. HOOFDSTUK 11. 1 En het is geschied toen Jezus geëindigd had zijnen twaalf discipelen bevelen te geven, dat hij vandaar voortging om te leeren en te prediken in hunne steden. Jh. 13:20; Lc. 10:16. 2 En Johannes in de ge van-lc. 7:18-35. genis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijne discipelen, 3 en zeide tot hem: Zijt gij degeen die komen zoude, of verwachten wij een ander? 4 En Jezus antwoordde en |
MATTHEÃS 11.
20
|
zeide tot hen: Gaat lienen en boodscliapt Joliannes weder lietgeen gij hoort en ziet: Jes. 35:5,6; 5 de blinden worden ziende 29:l8;6i:i.en kreupelen wandelen, de melaatschen worden gereinigd en de dooven hooren, de dooden worden opgewekt en den armen wordt het evangelie verkondigd; 6 en zalig is hij die aan mij niet zal geërgerd worden. 7 Als nu deze henengin-aren, heeft Jezus tot de scha- O ' ren beginnen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt? 8 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mensch met zachte kleederen bekleed? Zie, die zachte Idee-deren dragen zijn in der koningen huizen. 9 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. 10 Want deze is 't van denwelke geschreven staat; Mal. 3:1. Zie, ik zend mijnen engel voor uw aange-zigt, die uwen weg bereiden zal voor u henen. 11 Voorwaar zeg ik u, onder degenen die van vrouwen geboren zijn is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Dooper; doch wie de minste is in het koningrijk der hemelen, is meerder dan hij. |
12 En van de dagen van Lc. 16:10. Johannes den Dooper tot nu toe wordt het koningrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld. 13 Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd. 14 En zoo gij het wilt aan- Mal. 4:5; nemen, hij is Elia die komen zoude. 15 Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. 16 Doch waarbij zal ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk de kinderkens die op de markten zitten en hunnen gezellen toeroepen, 17 en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst, wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend. 18 Want Johannes is gekomen noch etende noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft den duivel. 19 De Zoon des menschen is gekomen etende en drinkende , en zij zeggen: Ziedaar een mensch die een vraat en wijnzuiper is, een vriendh.9:10, li: van tollenaren en zondaren. Lc' 15'2' Doch de wijsheid is geregt-vaardigd geworden van hare kinderen. 20 Toen begon hij de ste-lc.io â¢, 13-15. den, in dewelke zijne krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat ze zich niet bekeerd hadden: 21 Wee u Chorazin, wee u Bethsaïda! Want zoo in ïyrus |
MATTHEÃS 12.
21
|
en Sidon de kraclitei'. waren geschied die in u gescliied zijn, zij zouden zioh eertijds in zak en ascli bekeerd lieb-ben. 22 Docli ik zeg vi, bet zal Tyrus en Sidon verdragelij-ker zijn in den dag des oordeels dan nlieden. h. 4:13. 23 En gij Kapernaüm, dat tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestooten worden; want zoo in Sodom die krachten waren geschied die in u geschied zijn, het zoude tot op den huidigen dag gebleven zijn. h. 10:15. 24 Doch ik zeg u, dat het den lande van Sodom ver-dragelijker zal zijn in den dag des oordeels dan u. Lc.i0;2i,22. 25 In dien tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank u Vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze iCor 1:27,28. dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinder-kens geopenbaard; 26 ja Vader, want alzóó is geweest het welbehagen voor u. h. 28:18. 27 Alle dingen zijn mij overgegeven van mijnen Vader; en niemand kent den Zoon Jh. 1:18; dan de Vader, noch iemand 3.35, 6.46. jgjj vacier c|an dg Zoon, en wien het de Zoon wil openbaren. 28 Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven. |
29 Neemt mijn juk op u, en leert van mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden je.-, 6:16. voor uwe zielen. 30 Want mijn juk is zacht i jh. 5:3b. en mijn last is ligt. HOOFDSTUK 12. 1 In dien tijd ging Jezus Mc.2:23-28; op een sabbatdag door het Lc-6-'1'0-gezaaide, en zijne discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken en te eten. 2 En de farizeërs dat ziende, zeiden tot hem: Zie, uwe discipelen doen wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat. 3 Maar hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen wat David gedaan heeft, toen hem isam.2i:3-6. hongerde en hun die met hem waren ? â¢1 hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbrooden gegeten heeft, die'them niet geoorloofd was te eten, noch ook hun die met hem waren, maar den priesteren alleen? 5 Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den Num. 28:9, sabbat ontheiligen in den 10' tempel op de sabbatdagen, en nogtans onschuldig zijn? 6 En ik zeg u, dat een, meerder dan de tempel, hier is. 7 Doch zoo gij geweten hadt wat het zij: Ik wil barm- Hos. 6:6; hartigheid, en niet of- Mt-9:'13-ferande, gij zoudt de on-sehuldigen niet veroordeeld hebben. 8 Want de Zoon des men- |
|
22 MATTï schen is een Heer ook van den sabbat. Mc. 3:1-6; 9 En vandaar voortsfaande Lc. 6 ; 0-11., i â¢â¢ ⢠i, kwam hij m hunne synagoge. 10 En zie, er was een mensch die een dorre hand had; en zij vraagden hem, zeggende: Lc. 14:3. Is 't ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij hem mogten beschuldigen.) 11 En hij zeide tot hen; Wat mensch zal er onder u zijn , die één schaap heeft, en zoo datzei ve op een sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheften? 12 Hoeveel gaat nu een mensch een schaap teboven! Zoo is 't dan op de sabbatdagen geoorloofd weltedoen. 13 Toen zeide hij tot dien mensch: Strek uwe hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld gezond gelijk de andere. 14 En de farizecrs uitgegaan zijnde, hielden tezamen raad tegen hem, hoe zij hem dooden mogten. 15 Maar Jezus dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden hem; en hij genas ze allen, 16 en gebood hun scherpe-lijk dat zij hem niet openbaar maken zouden; 17 opdat vervuld zoude worden 't geen gesproken is door Jesaja den profeet, zeggende: Jes. 42:1-4. 18 Zie, mijn knecht |
EÃS 12. welken ik verkoren heb, mijn beminde in welken mijne ziel een welbehagen heeft; ik zal mijnen Geest op hem leggen, en hij zal het oordeel den heidenen verkondigen. 19 Hij zal niet twisten noch roepen, en er zal niemand zijne stem op de straten hooren. 30 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek zal hij niet uit-blusschen, totdat hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning. 21 En in zijnen naam zullen de heidenen ho pen. 22 Toen werd tot hem ge- Lc.ll^li-M, bragt een van den duivel be-quot; ze ten, die blind en stom?M«; en hij genas hem, alzoo dat de blinde en stomme beide sprak en zag. 23 En al de scharen ontzet-teden zich, en zeiden: Is niet deze de Zoon Davids? 34 Maar de farizecrs dit h. 9:34. gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit dan door Beëlzebul den overste der duivelen. 35 Doch Jezus kennende hunne gedachten, zeide tot hen: Ieder koningrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en iedere stad of huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan; |
MATTHEÃS 12.
23
|
26 en indien de satan den satan uitwerpt, zoo is hij tegen ziclizelven verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan? 27 En indien ik door Beël-zebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uwe zonen uit? Daarom zullen die uwe regters zijn. 28 Maar indien ik door den , Geest Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan liet koningrijk Gods tot u gekomen. 29 Of lioe kan iemand in 't liuis eens sterken inkomen en zijne vaten ontrooven, tenzij liij eerst den sterke gebonden liebbe? en alsdan zal hij zijn buis berooven. Mc. 9:40; 30 Wie met mij niet is, Lc. 9; 50. ^|e ja ^gen mij; en wie met mij niet vergadert, die verstrooit. Mc. 3:28-30. 31 Daarom zeg ik u, alle zonde en lastering zal den mensoben vergeven worden, maar de lastering tegen den Geest zal den mensehen niet vergeven worden. Lc. 12:10. 32 En zoowie eenig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensehen, het zal hem vergeven worden; maar zoowie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw noch in de toekomende. h. 7:16-18; 33 Of maakt den boom goed Lc.6:43, 44. en zjjne goed, óf maakt den boom kwaad en zijne vrucht kwaad; want uit |
de vrucht wordt de boom gekend. 34 Gij adderengebroedsels, hoe kunt gij goede dingen spreken daar gij boos zijt? Want uit den overvloed des Lc. ö: 45. harten spreekt de mond. 35 De goede mensch brengt goede dingen voort uit den goeden schat des harten, en de booze mensch brengt booze dingen voort uit den boozen schat. 36 Maar ik zeg u, dat van elk ij del woord 't welk de mensehen zullen gesproken hebben, zij van 't zelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels. 37 Want uit uwe woorden zult gij geregtvaardigd worden , en uit uwe woorden zult gij veroordeeld worden. 38 Toen antwoordden som-Lc. 11;29-32. migen der schriftgeleerden en farizeërs, zeggende: Meester, wij wilden van u wel een tee-ken zien. 39 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en h. 16:4. overspelig geslacht verzoekt een teek en, en hun zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den profeet. 40 Want gelijk Jona drie Jona 1:17. dagen en drie nachten was in den buik van den wal-visch, alzóó zal de Zoon des mensehen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. 41 De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel |
1
MATTHEUS 13.
24
|
met dit geslacht, eu zullen 't zelve veroordeelen; want Jona 3:5. zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona: en zie, meer dan Jona is hier. 43 De koningin van 't zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en 't zelve veroordeelen; want lKon.lO;l,2. zij is gekomen van de einden der aarde om te hooren de wijsheid Salomo's: en zie, meer dan Salomo is hier. Lc.ll; 24-26. 43 En wanneer de onreine geest van den mensch uitgegaan is, zoo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet. 44 Dan zegt hij: Ik zal wederkeeren in mijn huis j vanwaar ik uitgegaan ben; en komende vindt hij liet ledig, met bezemen geveegd en versierd. 45 Dan gaat hij henen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf, en ingegaan zijnde wonen 2Pet.2:20b. ze aldaar; en het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste. Alzoo zal het ook met dit boos geslacht zijn. Mc. 3:31-35; ^ En als hij nog tot de Lc. 8:10-21. scharen sprak, zie, zijne moeder en broeders stonden buiten , zoekende hem te spreken. 47 En iemand zeide tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders staan daarhui-ten, zoekende u te spreken. 48 Maar hij antwoordende zeide tot dengeen die hem |
dat zeide: Wie is mijne moeder en wie zijn mijne broeders? 49 En zijne hand uitstrekkende over zijne discipelen, zeide hij: Zie, mijne moeder en mijne broeders. 50 Want zoowie den wil mijns Yaders doet die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder. HOOFDSTUK 13. 1 En te dien dage Jezus uit V0-4,;1:2?.; , . .. . ... Lc. 8:4-15. t huis gegaan zijnde, zat bij de zee; 2 en tot hem vergaderden vele scharen, zoodat hij in een schip ging en nederzat; en al de schare stond op den oever. 3 En hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Zie, een zaaijer ging uit om te zaaijen. 4 En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op. 5 En een ander deel viel op steenachtige^ZaafeeM, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had; 6 maar als de zon opgegaan was, zoo is 't verbrand geworden, en omdat het geen wortel had is het verdord. 7 En een ander deel viel in de doornen, en de doornen wiessen op en verstikten hetzelve. 8 En een ander deel viel in |
-
f
MATTHEUS 13.
25
|
cle goede aarde, en gaf vrucbt, het één honderd-, het ander zestig-, en het ander dertig-wnd. 9 Wie ooren heeft om te hoo-ren, die hoore. 10 En de discipelen tot hem komende, zeiden tot ;iem: Waarom spreekt gij tot hen door gelijkenissen? 11 En hij antwoordende zei-de tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het koningrijk der hemelen te weten, maar dien is 't niet gegeven. H. 25:29; 12 Want wie Leeft, dien zal 'l.c'. 8-18- gegeven worden, en hij zal 19;26. overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. 13 Daarom spreek ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en hoorende niet hooren noch ook verstaan. 14 En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die Jes. ü:9,lu;zegt: Met het gehoor Jh. 12:40: , Hd.28:26,27.zu 11 gij hooren en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins bemerken. 15 Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de ooren zwaarlijk gehoord, en hunne oogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eeni-ger tijd met de oogen zouden zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan, en |
zich bekeeren, en ik hen geneze. 16 Doch uwe oogen zijn za-Lc. 10 : 23,24. lig omdat zij zien, en uwe ooren omdat zij hooren. 17 Want voorwaar ik zeg u, dat vele profeten en regt-vaardigen nebben begeerd te zien de dingen die gij ziet, en hebben ze niet gezien, en te hooren de dingen die gij hoort, en hebben ze niet ge- | hoord. | 18 Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaijer. 19 Als iemand het woord des koningrijks hoort en niet verstaat, zoo komt de booze en rukt weg 't geen in zijn hart gezaaid was: deze is degeen die bij den weg bezaaid is. 20 Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degeen die het woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt; 21 doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd, en als verdrukking of vervolging komt om des woords wil, zoo wordt hij terstond geërgerd. 22 En die in de doornen bezaaid is, deze is degeen die het woord hoort, en de zorgvuldigheid dezer wereld en de verleiding des rijkdoms verstikt het woord, en het wordt onvruchtbaar. 23 Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degeen die het woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één hou- |
MATTHEÃS 13.
26
31 Een andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld,
zeggende: Het koningrijk der Mc. 4:31,32; hemelen is gelijk het mos- Lc-1319-taardzaad, 't welk een mensch heeft genomen en in zijnen akker gezaaid;
33 hetwelk wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgewassen is,
dan is 't het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzoo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijne takken.
33 Een andere gelijkenis sprak hij tot hen, zeggende:
Het koningrijk der hemelen Lc. 13:21. is gelijk een zuurdeesem,
welken een vrouw nam en verborg in drie maten meel, tot dat het geheel gezuurd was.
34 Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en Mc.4:33, Si.
[ zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet;
35 opdat vervuld zoude wrorden wat gesproken is door den profeet, zeggende:
; I k zal m ij n e n mond Ps. 78:2.
opendoen door gel ij ke-] nissen, ik zal voortbrengen dingen die 'verborgen waren van I de grondlegging der j wereld.
36 Toen nu Jezus de scharen van zich gelaten had, ging hij naar huis. En zijne discipelen kwamen tot hem,
derd-, de ander zestig-, en de ander dertigrcwrf.
24 Een andere gelijkenis heeft liij hun voorgesteld, zeggende; Het koningrijk dei-hemelen is gelijk een mensoh [ die goed zaad zaaide in zijnen | akker;
25 en als de menschen slie- i pen, kwam zijn vijand en | zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.
26 Toen het nu tot kruid opgeschoten wTas en vrucht voortbragt, toen openbaarde | zich ook het onkruid.
27 En de dienstknechten | van den heer des huizes gingen en zeiden tot hem: j Heer, hebt gij niet goed zaad in uwen akker gezaaid? Vanwaar heeft hij dan dit onkruid ?
28 En hij zeidetothen: Een vijandig mensch heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan dat wij henengaan en datzelve vergaderen ?
29 Maar hij zeide; Neen, opdat gij het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.
30 Laat ze beide tezamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaijers zeggen: Vergadert eerst het onkruid en bindt het in bossen, om 't zelve te verbranden; maar brengt de tarwe in mijne schuur.
MATTHEÃS 13.
27
|
zeggende: Verklaar ons de gelijkenis van liet onkruid des akkers. 37 En liij antwoordende zei-de tot lien: Die liet goede zaad zaait, is de Zoon des menschen; 38 en de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen des koningrijks ; en liet onkruid zijn de kinderen des boozcn; 39 en de vijand die hetzelve gezaaid lieeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding der wereld; en de mnaijers zijn de engelen. 40 Gelijkerwijs dan liet onkruid vergaderd en met vuur verbrand wordt, alzóo zal liet ooh zijn in de voleinding dezer wereld: 41 de Zoon des mensclien zal zijne engelen uitzenden, en zij zullen uit zijn koningrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen die de ongeregtigheid doen, 43 en zullen dezelve in den vurigen oven werpen: daar zal weening zijn en knersing der tanden. 43 Dan zullen de regtvaar-digen blinken gelijk de zon in 't koningrijk huns Vaders. Wie ooren heeft om te hoo-ren, die hoore. 44 Wederom is het koningrijk der hemelen gelijk een schat in den akker verborgen, welken een mensch gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelve gaat hij henen en verkoopt alwat hij heeft, en koopt dien akker. |
45 Wederom is het koningrijk der hemelen gelijk een koopman die schoone paarlen zoekt; 46 dewelke hebbende eene parel van groote waarde gevonden, ging henen en verkocht alwat hij had, en kocht dezelve. 47 Wederom is het koningrijk der hemelen gelijk een net geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vis-scJien tezamenbrengt; 48 hetwelk dé tisscJiers, wanneer het vol geworden is, aan den oever optrekken, en ne-derzittende lezen zij het goede uit in hnnne vaten, maar het kwade werpen zij weg. 49 Alzoó zal het in de voleinding der eeuwen wezen: de engelen zullen uitgaan en de boezen uit het midden der regtvaardigen afscheiden, 50 en zullen dezelve in den vurigen oven werpen: daar zal zijn weening en knersing der tanden. 51 En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot hem: Ja Heer. 52 Eu hij zeide tot hen: Daarom een iegelijk schriftgeleerde in het koningrijk der hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes, die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. |
MA.TTHEÃS 14.
28
|
53 En liet is geschied als Jezus deze gelijkenissen ge-eindigd had, vertrok hij vandaar. Mc. 6:1-6; 54 En gekomen zijnde in Lc. 4:16-30,zijn vaderland, leerde hij ze in hunne synagoge, zoodat zij zich ontzetteden en zeiden: Vanwaar leomt dezen die wijsheid en die krachten? 55 Is deze niet de zoon des timmermans? En is zijne moeder niet genaamd Maria, en zijne broeders Jacobus en Joses en Simon en Judas? 56 En zijne zusters, zijn ze niet allen bij ons ? quot;Vanwaar homt dan dezen dit alles? 57 En zij werden aan hem o-eërsrerd. Maar Jezus zeide Jh. 4:44. tot hen: Een profeet is met ongeëerd dan in zijn vaderland en in zijn kuis. 58 En hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan van wege hun ongeloof. HOOFDSTUK 14. Mc. 6:14-29; 1 Te dierzelfder tijd hoor-L3;19720.' de Herodes de viervorst het gerucht van Jezus, 2 en zeide tot zijne knechten: Deze is Johannes de Dooper; hij is opgewekt van de dooden, en daarom werken die krachten in hem. 3 Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden en in den kerker gezet, om den wille van Herodias de huisvrouw van Filippus zijnen broeder; 4 want Johannes zeide tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben. |
5 En willende hem dooden vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet. 6 Maar als de dag van Herodes geboorte gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde Herodes: 7 waarom hij haar meteede 1 beloofde te geven wat zij ook eischen zoude. 8 En zij tevoren onder-rigt zijnde van hare moeder, I zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Dooper. 9 En de koning werd be-! droefd; doch om de eeden en degenen die met hem \ aanzaten, gebood hij dat het [ haar zoude gegeven worden, I 10 en zond henen en ont-| hoofdde Johannes in den kerker. 11 En zijn hoofd werd ge-bragt in een schotel, en aan het dochterken gegeven; en zij droeg het tot hare moeder. 12 En zijne discipelen kwamen , en namen het ligchaam weg, en begroeven hetzelve, en gingen en boodschapten het Jezus. 13 En als Jezus dit hoorde, vertrok hij vandaar te scheep naar een woeste plaats alleen; en de scharen dat hoorende, zijn hem te voet O* evolgd uit de steden. O ~ 14 En Jezus uitgaande zag een groote schare, en werd innerlijk met ontferming over Mc. 6: »-44; Lc. 0:10-17; Jh. O1.1-13; Mt.15,32-39. Mc. Jh. |
MA.TTHEÃS 14.
29
|
hen bewogen, en genas liun-ne kranken. 15 En als liet nu avond werd kwamen zijne discipelen tot hem, zeggende : Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan: laat de scharen van u, opdat zij henengaan in de vlekken en zich-zelven spijs koopen. 16 Maar Jezus zeide tot hen: 't Is hun niet van noode henentegaan: geeft gij hun te eten. 17 Doch zij zeiden tot hem: quot;VVij hebben hier niet dan vijf brooden en twee visschen. 18 En hij zeide: Brengt mij dezelve hier. 19 En hij beval de scharen nedertezitten op het gras, en nam de vijf brooden en de twee visschen, en opwaarts ziende naar den hemel zegende hij dezelve; en als hij ze gebroken had, gaf hij de brooden aan de discipelen, en de discipelen aan de scharen. 20 En zij aten allen en werden verzadigd; en zij namen op het overschot der brokken, twaalf volle korven. 21 Die nu gegeten hadden waren omtrent vijfduizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. Mc. 6:45-56; 22 En terstond dwong Je-Jh. 6:i6-2i.zus zjjne discipelen in het schip te gaan, en vóór hem aftevaren naar de andere zijde, terwijl hij de scharen van zich zoude laten. |
23 En als hij nu de scharen van zich gelaten had, klom hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zoo was hij daar alleen. 24 En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen. 25 Maar ter vierde nachtwaak kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. 26 En de discipelen ziende hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel; en zij schreeuwden van vrees. 27 Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, ik ben 't, vreest niet. 28 En Petrus antwoordde hem en zeide: Heer, indien gij het zijt, zoo gebied mij tot u te komen op het water. 29 En hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water om tot Jezus te komen. 30 Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon nedertezinken riep hij , zeggende: Heer, behoud mij. 31 En Jezus terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Grij kleingeloovige, waarom hebt gij gewankeld? 32 En als zij in 't schip geklommen waren, stilde de wind. 33 Die nu in 't schip waren |
MATTHEÃS 15.
30
|
kwamen en aanbaden liem, j zeggende: quot;VYaarlijk gij zijt ] Gods Zoon. Mc. 6:53-56. 84 En overgevaren zijnde | kwamen zij in liet land Gen-nésarcth. 35 En als de mannen van die plaats liem werden ken-nende, zonden zij in dat ge- | heele omliggende land, en bragten tot liem allen die | kwalijk gesteld waren, 36 en baden liem dat zij ' H. 9:20. alleen den zoom zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zoovelen als hem aanraakten werden gezond. HOOFDSTUK 15. Mo. 7:1-23. 1 Toen kwamen tot Jezus eenuje schriftgeleerden en fari-zeërs die van Jeruzalem im-ren, zeggende: 3 Waarom overtreden uwe discipelen de inzetting der ouden? Want zij wassoben hunne handen niet, wanneer zij brood zullen eten. 3 Maar hij antwoordende zeide tot lien: Waarom overtreedt ook gij liet gebod Gods door uwe inzetting? 4 Want God heeft gebo-Ex. 20:12. ^en gt; zeggende : Eer u- wen vader en uwe moe-Ex. 21:17. der; en, Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. 5 Maar gij zegt: Zoowie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zoowat u van mij zoude kunnen ten nutte komen, en zijnen vader of zijne moeder geenszins zal eeren, die voldoet. |
6 En gij hebt alzéó Gods gebod krachteloos gemaakt door uwe inzetting. 7 Gij geveinsden, wèl heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: 8 Dit volk genaakt Jes. 29:13. mij met liunnen mond en eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zicb verre van m ij; 9 doch tevergeefs eeren zij mij, leerende le er in gen die geboden van menschen zijn. 10 En als hij de schare tot zicli geroepen liad, zeide hij tot hen: Hoort en verstaat: 11 't geen ten monde in- Hd.i0:i5; slc-gaat ontreinigt den mensch niet; maar 't geen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mensch. 12 Toen kwamen zijne discipelen tot hem, en zeiden tot hem: Weet gij toel, dat de farizeërs deze rede hoo-rende geërgerd zijn geweest? 13 Maar hij antwoordende zeide: Alle plant die mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. 14 Laat ze varen, zij zijn blinde leidslieden der blinden: indien nu de blinde den Lc. ⡠39. H. blinde leidt, zoo zullen zij beiden in de gracht vallen. 15 En Petrus antwoordende zeide tot hem: Verklaar ons deze gelijkenis. |
MATTHEÃS 13.
31
|
16 Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetend? 17 Verstaat gij nog niet, dat alwat ten monde ingaat in den buik komt, en in de heimelijklieid wordt uitgeworpen ? 18 Maar die dingen die ten monde uitgaan komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mensch. 19 Want uit het hart komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen: 20 deze dingen zijn 't die den mensch ontreinigen, maar het eten met ongewas-schen handen ontreinigt den mensch niet. Mc. 7; 24-30. 31 En Jezus vandaar gaande, vertrok naar de deelen van Tyrus en Sidon. |
22 En zie, eenKananeesche vrouw uit die landpalen ko-| zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te ne-1 men en den hondekens voor-j tewerpen. 1 27 En zij zeide: Ja Heer, doch de hondekens eten ook van de brokskens die er vallen , van de tafel hunner heeren. | 38 Toen antwoordde Jezus ( en zeide tot haar: O vrouw, groot is uw geloof: u geschiede gelijk gij wilt. En hare dochter werd gezond van j diezelfde ure. 39 En Jezus vandaar vertrekkende, kwam aan de zee van Galiléa, en klom op den i berg en zat daar neder. 30 En vele scharen zijn tot hem gekomen, hebbende bij j zich kreupelen, blinden, stom-' men, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de I voeten van Jezus; en hij ge-j nas dezelve: 31 alzoo dat de scharen zich Mc. 7; 31. |
mende, riep tot lipm, zeg- verwonderden,ziendedestom-
gende: Heer, gij Zoon Davids , ontferm u mijner; mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.
33 Doch hij antwoordde haar niet een woord. En zijne discipelen tot hem komende, ba- 33 En Jezus zijne discipelen h. 14; 15-21; den hem, zeggende: Laat ze : tot zich geroepen hebbende, j1^6-5-13.' van u, want zij roept ons na. zeide: Ik word innerlijk met
H. 11:5.
men sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende , en de blinden ziende; en zij verheerlijkten den God Israels.
|
34 Maar hij antwoordende zeide: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israels. 35 En zij kwam en aanbad hem, zeggende: Heer, help mij. |
26 Doch hij antwoordde en ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij mij gebleven zijn, en niet hebben wat zij eten zouden; en ik wil ze niet nuchteren van mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken. H. 10:6. |
MATTHEUS 16.
33
|
33 En zijne discipelen zeiden tot liem: Vanwaar zullen wij zoovele broeden in de woestijn beJeomen, dat wij zulk een ! groote schare zouden verza- | digen? 34 En Jezus zeide tot lien: Hoeveel brooden liebt gij ? Zij zeiden: Zeven, en weinige visclikens. 35 En liij gebood de scharen nedertezitten op de aarde. 36 En hij nam de zeven brooden en de vissclien, en als liij j gedankt had brak hij ze, en j gaf ze aan zijne discipelen, en de discipelen gaven ze aan de schare. 37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op het overschot der brokken, zeven volle manden. 38 En die gegeten hadden waren vierduizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. 39 En de scharen van zich gelaten hebbende, ging hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala. HOOFDSTUK 16. Mc. 8:11-13; 1 En de farizeërs en saddu-Mt. 12:38,39.cegrg ^0(- ]lem gekomen zijnde, en hein verzoekende, begeerden van hem dat hij hun een teeken uit den hemel zoude toonen. 2 Maar hij antwoordde en Lc. 12:54-56.zeide tot hen: Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder, want de hemel is rood; 3 en des morgens: Heden onweder, want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden. |
het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de teekenen der tijden niet onderscheiden? 4 Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken; en hmi zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den profeet. En hen verlatende ging hij weg. 5 En als zijne discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten sic. s; 14-21. brooden medetenemen. 6 En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van Lc.i2:i. den zuurdeesem der farizeërs en saddueeërs. 7 En zij overleiden bij zich-zelve, zeggende: 7 Is omdat wij geen brooden medegenomen hebben. 8 En Jezus dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzelve, gij kleinge-loovigen, dat gij geen brooden Meegenomen hebt? 9 Yerstaat gij nog niet, en gedenkt gij niet aan de vijf brooden der vijfduizend man- H. 14:17-21. nen, en hoeveel korven gij opnaamt ? 10 noch aan de zeven broo-h. 15:32-38. den der vierduizend mannen , en hoeveel manden gij opnaamt? 11 Hoe verstaat gij niet, dat ik u van geen brood gesproken heb, als ik zeide dat gij u wachten zoudt van den zuurdeesem der farizeërs en saddueeërs ? 12 Toen verstonden zij dat hij niet gezegd had, dat zij ,Mc Lc |
MATTHEÃS 16.
33
|
zicli wachten zouden van den zuurdeesetn des broods, maar van de leer der farizeërs en sadduceërs. .Mc. 8; 27-30; 13 Als nu Jezus gekomen ' was in de deelen van Cesa-réa Filippi, vraagde liij zijne discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensohen dat Dan.7; 13. ik, de Zoon des mensohen, ben? 14 En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Dooper; h. 11:14. en anderen: EHa; en anderen: Jeremia of een van de profeten. 15 Hij zeide tot lien: Maar gij, wie zegt gij dat ik ben? IC En Simon Petrus ant-Jh. 6:69. woordende zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. 17 En Jezus antwoordende zeide tot liem: Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona; want vleesch en bloed lieeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is. 18 En ik zeg u ook, dat Jh. 1:43. gij zijt Petrus, en op deze petra zal ik mijn gemeente bouwen, en de pooi'ten der hel zullen dezelve niet overweldigen. 19 En ik zal u geven de sleutelen van het koningrijk h 18-is- (ier hemelen; en zoowat gij Jh. 20:23. zult binden op de aarde, zal in de liemelen gebonden zijn; en zoowat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. 30 Toen verbood hij zijne discipelen, dat zij niemand |
zeggen zouden dat hij was Jezus de Christus. 31 Yan toen aan begon Jezus Mc. 8 zijnen discipelen te vertoonen, lc ^ dat hij moest henengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van H-17:22,23; . . 20:18 19, de ouderlingen en overpries- teren en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden. 33 En Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen, zeggende: Heer, wees u genadig: dit zal u geenszins geschieden. 33 Maar hij zich omkeeren-de, zeide tot Petrus: Ga weg achter mij, satan, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn. 34 Toen zeide Jezus tot zijne discipelen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloo-chene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge mij. H. 10:38,39. 35 Want zoowie zijn leven zal willen behouden, die zal't Lc.l7;33; zelve verliezen; maar zoowie Jh- 12:25' zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal 't zelve vinden. 36 Want wat baat 't oen mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade aan zijne ziel? Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel? 37 Want de Zoon des men- h. 25:31. schen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijne engelen, en alsdan zal hij een iegelijk vergelden naar zijn 2Cor.5:io. doen. 31-38; i; 22-27. |
MATTHEÃS 17.
34
|
28 Voorwaar zeg ik u, er zijn sommigen van wie liier staan, welke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des mensclien zullen hebben zien komen in zijn koningrijk. HOOFDSTUK 17. Mc. 9:2-9; 1 En na zesdagen nam Jezus Lc. .1.28-30. mgt zieli Petrus, en Jacobus, en Joliannes zijnen broeder, en bragt ze op een lioogen berg alleen. 3 En hij werd voor hen veranderd van gedaante; en zijn nangezigt blonk gelijk de zon, en zijne kleederen werden wit gelijk het licht. 3 En zie, van hen werden gezien Mozes en Elia, met hem tezamensp rekende. 4 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Heer, 't is goed dat wij hier zijn; zoo gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor u een, en voor Mozes een, en een voor Elïa. 5 Terwijl hij nog sprak, zie, een lichtende wolk heeft hen overschaduwd; en zie, een H.3; 17; stem uit de wolk, zeggende: 2 Pet. 1:17. j)eze jg jjjjp geliefde Zoon, in denwelke ik mijn welbehagen heb: hoort hem. 6 En de discipelen dit hoo-rende, vielen op hun aange-zigt en werden zeer bevreesd. 7 En Jezus bij hen komende, raakte ze aan, en zeide: Staat op en vreest niet. 8 En hunne oogen opheffende , zagen zij niemand dan Jezus alleen. |
9 Eu als zij van den bergaf kwamen , gebood hun Jezus , zeggende: Zegt niemand dit gezigt, totdat de Zoon des menschen zal opgestaan zijn uit de dooden. 10 En zijne discipelen vraag- Mc. 9:11-13. den hem, zeggende: Wat zeggen dan de schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen? Mal. 4:5. 11 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: Elïa zal wel eerst komen, en alles weder- h oprigten; L 13 maar ik zeg u dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan alwat zij hebben gewild: alzóó zal ook de Zoon des menschen van hen lijden. 18 Toen verstonden de discipelen dat hij hun van Jo- jic hannes den Dooper gespro- Lc ken bad. h 2( 14 En als zij bij de schare jic, 9:14-29; gekomen wTaren, kwam totLc'9:37quot;42-hem een mensch, vallende voor hem op de knieën, en zeggende: 15 Heer, ontferm u over mijn zoon, want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in 't vuur E en menigmaal in 't water; 16 en ik heb hem tot uwe discipelen gebragt, en zij hebben hem niet kunnen genezen. 17 En Jezus antwoordende zeide: O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoelang zal ik nog met ulieden zijn, hoe- |
MATTHEÃS 18.
85
|
lang zal ik \i nog verdragen ? Brengt hem mij liier. 18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van liem uit, en het kind werd genezen van die ure af. 19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden : Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 20 En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg ik u, zoo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudttot dezen berg zeggen: Ga henen vanhier derwaarts, en hij zal henen-gaan; en niets zal u onmogelijk zijn. 21 Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. 22 En als zij in Galiléa verkeerden , zeide Jezus tot hen : De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen, 23 en zij zullen hem dooden, en ten derden dage zal hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. 24 En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: TJw Meester, betaalt hij de didrachmen niet ? 25 Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon? de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hunne zonen of van de vreemden? H. 21:21; Lc. 17:6. Mc. 9; 30-32: Lc. 9: 'i3-45. H.16 :21; 20: 18,10. Ex. 30:13. |
26 Petrus zeide tot hem: Yan de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zoo zijn dan de zonen vrij. 37 Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga henen naar de zee, werp den angel uit, en neem den eersten visch die opkomt; en zijnen mond geopend hebbende zult gij een stater vinden: neem dien en geef hem aan hen, voor mij en u. HOOFDSTUK 18. 1 Te dierzelfder ure k\va-Mc. 0 : 33-37, men de discipelen tot Jezus, lc.49: 46-48. zeggende: Wie is toch de meeste in 't koningrijk dei-hemelen ? 2 En Jezus een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dat in 't midden van hen, 3 en zeide: Voorwaar zeg ik u, indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kin-derkens, zoo zult gij in het h.19:14. koningrijk der hemelen geenszins Ingaan. 4 Zoowie dan zichzelven zal vernederen gelijk dit kindeken, deze is de meeste in 't koningrijk der hemelen; 5 en zoowie zoodanig een kindeken ontvangt in mijnen naam, die ontvangt mij. 6 Maar zoowie één van deze Lc. 17: i, 2. kleinen die in mij gelooven ergert , het ware hem nutter dat een molensteen aan zijnen hals gehangen , en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. |
MATTHEÃS 18.
36
|
7 Wee der wereld van de ergernissen; want liet is noodzakelijk dat de ergernissen komen, docli wee dien menscli door welken de ergernis komt. h. 5:29,30. 8 Indien dan uwe hand of' uw voet u ergert, liouw ze af en werp ze van u: liet is u beter tot liet loven in-tegaan kreupel of verminkt zijnde, dan twee lianden of twee voeten hebbende in 't eeuwige vuur geworpen te worden. 9 En indien uw oog u ergert, trek het uit en werp het van u: het is u heter maar één oog hebbende tot het leven integaan, dan twee oogen hebbende in 't helsche vuur geworpen te worden. 10 Ziet toe dat gij niet één van deze kleinen veracht; want ik zeg ulieden, dat hunne engelen in de hemelen altijd zien het aangezigt mijns Vaders die in de hemelen is. Lc. 19:10. 11 Want de Zoon des men-sohen is gekomen om zalig-temaken wat verloren was. Lc. 13:4-7. 13 Wat dunkt u? indien eenig menscli honderd schapen had, en één uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negenennegentig laten, en op de bergen henen gaande het afgedwaalde zoeken? 13 En indien het geschiedt dat hij hetzelve vindt, voorwaar ik zeg u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negenennegentig |
die niet afgedwaald zijn geweest. 14 Alzóo is de wil niet uws Vaders die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren ga. 15 Maar indien uw broeder lc. 17 : 3. tegen u gezondigd heeft, ga henen en bestraf hem tus-schen u en hem alleen; indien hij u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen; 16 maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog één of twee met u, opdat in den Dt. 19:15; ! ,, , . 2Cor.l3:l; mond van twee oi drie ge- jh.8;i7. tuigen alle woord besta. 17 En indien hij denzei ven geen gehoor geeft, zoo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 18 Voorwaar zeg ik u, al wat gij op de aarde binden zult, h. 16:19. zal in den hemel gebonden wezen; en alwat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen. 19 Wederom zeg ik u, indien er twee van u tezamen-stemmen op de aarde, over eenige zaak die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader die in de hemelen is; 30 want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in 't midden van hen. 31 Toen kwam Petrus tot hem en zeide; Heer, boe- |
MATTHEÃS 19.
37
|
menigmaal zal mij a broeder j tegen mij zondigen en ik ! hem vergeven ? Tot zevenmaal? 32 Jezus zeide tot hem: Ik Le. 17:4. zeg u niet tot zevenmaal, j maar tot zeventigmaal zeven- â maal. 33 Daarom wordt het koningrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning , j die rekening met zijne dienstknechten houden wilde. 3i Als hij nu begon te reke- ! nen, werd tot hem gebragt | een die hem schuldig was | tienduizend talenten. 35 En als hij niet had om te betalen, beval zijn heer dat men hem zoude verkoo-pen, en zijne vrouw en kinderen, en alwat hij had, en dat de schuld zoude betaald worden. 36 De dienstknecht dan ne-dervallende aanbad hem, zeggende : Heer , wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles i betalen. 37 En de heer van dezen j dienstknecht met barmhar- | tigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen en de schuld hem kwijtgescholden. 38 Maar die dienstknecht uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende greep hij hem bij de keel, zeggende: Betaal mij wat gij schuldig zijt. 39 Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijne | |
voeten, bad hem , zeggende; quot;VVees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. 30 Doch hij wilde niet, maar ging henen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zoude betaald hebben. 31 Als nu zijne mededienstknechten zagen 't geen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden, en komende verklaarden zij hunnen heer alwat er geschied was. 33 ïoen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Grij booze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt: 33 behoordet gij ook niet u over uwen mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb? Sé En zijn heer vertoornd zijnde, leverde hem. den pij-nigers over, tot dat hij zoude betaald hebben alwat hij hem schuldig was. 35 Alzüó zal ook mijn hemel-sche Vader u doen, indien h. c : 15. gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijnen broeder zijne misdaden. HOOFDSTUK 19. 1 En het geschiedde toen jic. lo: 1-12. Jezus deze woorden geëindigd had, dat hij vertrok van Galiléa, en kwam óver den J ordaan , in de landpalen van Judéa. 3 En vele scharen volgden hem, en hij genas ze aldaar. 3 En de farizeërs kwamen |
MATTHEÃS 19.
38
|
tot liem, verzoekende liem, en zeggende tot liem: Is liet een mensck geoorloofd zijne vrouw te verlaten om allerlei oorzaak ? 4 Doch liij antwoordende zeide tot lien; Hebt gij niet Gen.2:21-24. gelezen, die van den beginne den mensch gemaakt lieeft, dat hij ze gemaakt lieeft man en vrouw, 5 en gezegd heeft: Daar-Ef. 5:31. om zal een menscli vader en moeder ver 1 a-ten, en zal zijne vrouw aanhangen,en die twee zullen tot één vleesch zijn: Ef. 5:28. 6 alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. 't Geen dan God tezamen-gevoegd heeft, scheide de mensch niet. 7 Zij zeiden tot hem: Wnar-Dt. 24:1; om heeft dan Mozes geboden, Mt. o. 31. eell te geven en haar te verlaten? 8 Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uwe vrouwen te verlaten; maar van den beginne is 't alzóó niet geweest. 9 Maar ik zegu, datzoowie H. 5:32; zijn vrouw verlaat anders dan Lc. 16:18. om ) en een andere trouwt, die doet overspel; en wie de verlatene trouwt doet oo^- overspel. 10 Zijne discipelen zeiden tot hem: Indien de zaak des menschen met de vrouw alzóó staat, zoo is 't niet oorbaar te trouwen. 11 Doch hij zeide tot hen: |
Allen vatten dit woord niet, maar wien het gegeven is. 13 quot;Want er zijn gesnedenen die uit moeders lijf alzóó geboren zijn, en er zijn gesnedenen die van de menschen gesneden zijn, en er zijn gesnedenen die zichzelve gesneden hebben om het koningrijk der hemelen: wie dU vatten kan, vatte /te(. 13- Toen werden kinderkens Mc.10:13-16; tot hem gebragt, opdat LLâ¢18â¢lJquot;1'â de handen hun zoude opleggen , en bidden; en de discipelen bestraften dezelve. 14 Maar Jezus zeide: Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot mij te komen; want derzulken is het koningrijk der heme- H. 18:3. len. 15 En als hij hun de handen opgelegd had, vertrok hij vandaar. 16 En zie, er kwam een Mc. 10:17-31; , . , -i x i. i Lc. 18:18-30. tot hem, eu zeide tot hem: Goede meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe ? 17 Eu hij zeide tot hem: quot;Wat noemt gij mij goed ? Niemand is goed dan één, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden. 18 Hij zeide tot hem: Welke? Eu Jezus zeide: Leze: gij zult niet d o o de n; Ex.20:12-16. gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen va 1-sche getuigenis seven; |
MATTHEÃS 30.
39
|
19 eer uwen vader en uwe moeder, en g ij Lev. 19:18.zu 11 uwen naaste liefhebben als u zei ven. 20 De jongeling zeide tot hem: Al deze dingen heb ik onderbonden van mijne jonkheid af: wat ontbreekt mij nog ? 21 Jezus zeide tot hem: Zoo gij wilt volmaakt zijn, Lc. 12:33. ga henen, verkoop wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij. 22 Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen. 23 Eu Jezus zeide tot zijne discipelen: Voorwaar ik zeg u, dat een rijke bezwaarlijk in het koningrijk der hemelen zal ingaan. 24 En wederom zeg ik n, het is ligter dat een kemel ga door het oog van een 1 Tim.6:9. naald, dan dat een rijke inga in het koningrijk Gods. 25 Zijne discipelen nu dit hoorende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden? 26 En Jezus Uen aanziende, zeide tot hen: Bij de men-schen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. 27 Toen antwoordde Petrus en zeide tot hem: Zie, wij Lc. 5:11. hebben alles verlaten en zijn u gevolgd: wat zal ons dan geworden? 28 En Jezus zeide tot hen; |
Voorwaar ik zeg u, dat gij die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf troonen, Lc. 22 : 30. oordeelende de twaalf geslachten Israels. 29 En zoowie zal verlaten hebben huizen, of broeders of zusters, of vader of moeder , of vrouw of kinderen, of akkers, om mijns naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven. 30 Maar vele eersten zullen h. 20:16 'â de laatsten zijn, en véle laat- Lc.'i3':3o! sten de eersten. HOOFDSTUK 20. 1 Want het koningrijk dei-hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging om arbeiders te huren in zijnen wijngaard. 2 En als hij met de arbeiders ééns geworden was voor een penning 's daags, zond hij ze henen in zijnen wijngaard. 8 En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen ledig staande op de markt; 4 en hij zeide tot dezelve: Gaat gij óók henen in den wijngaard, en zoowat regt is zal ik u geven. En zij gingen. 5 Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en ne- |
MATTHEUS 20.
|
gentle ure, deed liij desgelijks. 6 En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot lien; Wat staat gij Mer den gelieelen dag ledig ? 7 Zij zeiden tot liem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij henen in den wijngaard, en zoowat regtis zult gij ontvangen. S Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards tot zijnen rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. 9 En als zij kwamen die ter elfder ure gehmird waren, ontvingen zij ieder een penning. 10 En de eersten komende meenden dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelve ontvingen óók elk een penning. 11 En dien ontvangen hebbende murmureerden zij tegen den heer des huizes, 12 zeggende: Deze laatsten hebben maar één uur gearbeid , en gij hebt ze óns gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben. 13 Doch hij antwoordende zeide tot een van hen: Vriend, ik doe u geen onregt: zijt gij niet met mij ééns geworden voor een penning? 14 Neem het uwe en ga henen; ik wil dezen laatste ook geven gelijk als u. |
15 Of is 't mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil? Of is uw oog-boos omdat ik goed ben? 16 Alzóó zullen de laatsten h^19:30 de eersten zijn, en de eersten jjc. de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. 17 En Jezus opgaande naar Mc.io: 32-34; Jeruzalem, nam tot zich de Iquot;cl8'31'3j' twaalf discipelen alleen op den weg, en zeide tot hen: 18 Zie, wij gaan op naar H. 10:21; J 0 1 17-22 23 Jeruzalem, en de Zoon des ⢠⢠menschen zal den overpries- teren en schriftgeleerden overgeleverd worden , en zij zullen hem ter dood veroor- deelen; 19 en zij zullen hem deu heidenen overleveren, om hem te bespotten en te gee-selen en te kruisigen; en ten derden dage zal hij we-deropstaan. 20 Toen kwam de moeder J[c-10:35-45; Lc.22:24-2/. der zonen van Zebedeüs tot hem met hare zonen, hem aanbiddende, en begeerende wat van hem. 21 En hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot hem: Zeg- dat deze mijne twee zonen zitten mogen de één tot uwe regter- en de ander tot uwe linker^aw^ in uw koningrijk. 22 Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken Jh. I8: m. dien ik drinken zal, en |
MATTHEÃS 21.
41
|
Lc. 12; DO. met ^611 «loop gedoopt worden waarmede ik gedoopt word? Zij zeiden tot liem: Wij kunneu. 23 En hij zeide tot hen: Mijnen drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop waarmede ik gedoopt word zult gij gedoopt worden ; maar het zitten tot Vs. 26, 27. mijne regter- en tot mijne lin-kerto»^ staat bij mij niet te geven, maar het zal gegeven worden wien liet bereid is van mijnen Vader. 34 En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders. 25 En als ben Jezus tot zich geroepen had, zeide hij: Gij weet dat de oversten dei-volkeren heerschappij voeren over hen, en de grooten gebruiken magt over hen. 36 Doch alzóó zal 't onder u niet zijn; maar zoowie h. 23: H; onder u zal willen groot wor-Mc. 9:35. ^ zjj uw dienaar; 27 en zoowie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht: Jh. 13:14; 28 gelijk de Zoon des men-FU. 2:5-8. gg^en niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te 1 Tim. 2; 6. geven tot een rantsoen voor velen. Mc.10:46-52; 39 En als zij van Jericho Lc.18:35-43. uitgingen, is hem een groote schare gevolgd. 80 En zie, twee blinden zittende aan den weg, als zij hoorden dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: |
Heer, gij Zoon Davids, ontferm u onzer. 31 En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden ; maar zij riepen temeer, zeggende: Ontferm u onzer. Heer, gij Zoon Davids. 33 En Jezus stöstaande riep ! ze en zeide: Wat wilt gij dat ik ii doe? 33 Zij zeiden tot hem: Heer, dat onze oogen geo- 1 pend worden. 34 En Jezus innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hunne oogen aan; en terstond werden hunne oogen ziende, en zij volgden hem. H00FDSÃUK 21. 1 En als zii nu Jeruzalem Mc. 11:1-10 , , , Lc. 19:28-38 genaakten, en gekomen waren jh. 12:12-15 te Bethfagé aan den Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: 2 Gaat henen in het vlek dat tegen u over ligt, en gij zult terstond een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar: ontbindt ze en brengt ze tot mij. 3 En indien u iemand iets zegt, zoo zult gij zeggen dat de Heer deze van noode heeft, en hij zal ze terstond zenden. 4 Dit alles nu is geschied opdat vervuld worde 't geen gesproken is door den profeet, zeggende: 5 Zegt der d ochter Zach. 9:0. Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een |
MAÃTHEÃS 31.
42
|
ezelin en een veulen, zijnde een jong eener j ukdragende ezelin. 6 En de discipelen henen-gegaan zijnde, en gedaan lieLbende gelijk Jezus hun bevolen liad, 7 bragten de ezelin en liet veulen, en leiden liunne kleedereu op dezelve, en zetteden hem daarop. 8 En de meeste scliare spreidden limine kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de boo-men en spreidden ze op den weg. 9 En de scliaren die voorgingen en die volgden riepen , zeggende: Hosanna Ps. 118;26. den Zoon Davids! Grezegend is hij die komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen / 10 En als hij te Jeruzalem inkwam, werd de geheele stad beroerd, zeggende: Wie is deze? 11 En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de profeet van Nazaretli in Galiléa. Mc. H;is-17; 13 En Jezus ging in den Jh^9-14-17 tempel Gods, en dreef uit allen die verkochten en kochten in den tempel, en keerde de tafels der wisselaars om, en de zitstoelen dergenen die de duiven verkochten; 13 en hij zeide tot hen: Er Jes. 56:76;is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebed s genaamd worden; maar gij hebt dat tot een Jer. 7:11. moordenaarskuil gemaakt. |
14 En er kwamen blinden en kreupelen tot hem in den tempel, en hij genas dezelve. 15 Als nu de overpriesters en schriftgeleerden zagen de , wonderheden die hij deed, ' en de kinderen roepende in den tempel, en zeggende: , Hosanna den Zoon Davids! namen zij dat zeer kwalijk, 16 en zeiden tot hem: Hoort gij wel wat deze zeggen? En j Jezus zeide tot hen: Ja: hebt gij nooit gelezen: Uit jden mond der jonge j kinderen en der zuigelingen hebt gij u lof toebereid? 17 En hen verlatende ging ! hij vandaar uit de stad naar Bethanië, en overnachtte al- Mc. 11:11. I daar. i 18 En des morgens vroeg als | hij wederkeerde naar de stad, hongerde hem. 19 En ziende een vijgeboom [ aan den weg, ging hij naar 1 hem toe, en vond niets aan denzeive dan alleen bladeren, en zeide tot hem: Uit u wor-i de geen vrucht meer in eeuwigheid. En de vijgeboom verdorde terstond. 20 En de discipelen dat ziende verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zoo terstond verdord? 31 Doch Jezus antwoorden-I de zeide tot hen: Voorwaar j zeg ik u, indien gij geloof H. 17:20. I hadt en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleen doen 't geen den vijgebooni is (je-I schied, maar indien gij ook Ps. 8:3. |
MATTHEÃS 21.
43
|
tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen, liet zoude gescliieden; h. 7:7; 32 en ahvat gij zult begeeren Jc. 1:6. ^ ge|3ec|) geloovende, zult gij ontvangen. Mc.11:27-29; 23 En als hij in den tenroel Lc. 20:1-8. , , , gekomen was, kwamen tot hem, terwijl Mj leerde, de overj)riesters en de ouderlingen des volks, zeggende : Jh. 2: ia Door wat magt doet gij deze dingen, en wie beeft u deze magt gegeven ? 24 En Jezus antwoordende zeide tot lien: Ik zal u ook één woord vragen, 't welk indien gij mij zult zeggen, zoo zal ik u ook zeggen door wat magt ik deze dingen doe: 25 de doop van Johannes, vanwaar was die, uit den hemel of uit de menschen? En zij overleiden bij zichzelve en zeiden: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zoo zal hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? 26 En indien wij zeggen: Uit de menschen, zoo vreezen H. 14:5. wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een profeet. 27 En zij Jezus antwoordende zeiden: Wij weten 't niet. En hij zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet door wat magt ik dit doe. 28 Maar wat dunkt u? Een menseh had twee zonen, en gaande tot den eerste zeide hij: Zoon, ga henen, werk heden in mijnen wijngaard. |
29 Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende ging hij henen. 30 En gaande tot den tweede zeide hij desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga heer; en hij ging niet. 31 Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar ik zeg, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in 't koningrijk Gods. 32 Want Johannes is tot u gekomen in den weg der ge-regtigheid, en gij hebt hem Lc, 7:29, 30.quot; niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doch gij zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad , om hem te gelooven. 33 Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des hui- jic, 12:1-12. zes die een wijngaard plant-Lc,20:9 ' te, en zette een tuin daarom, Jes.5:i,2. en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buitens- lands. 34 Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijne dienstknechten tot de landlieden om zijne vruchten te ontvangen. 35 En de landlieden nemende zijne dienstknechten, heb- h. 23: 34-37 ben den één geslagen, en den ander gedood, en den derde gesteenigd. 36 Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in yetal |
MATTHEÃS 22.
|
dan de eerste: en zij deden j hnn desgelijks. 37 En ten laatste zond liij tot | lien zijnen zoon, zeggende: j Zij zullen mijnen zoon ontzien, j 38 Maar de landlieden den [ zoon ziende, zeiden onder elk- j ander: Deze is de erfgenaam : komt, laat ons liem dooden en zijne erfenis ami ons be- j houden. 39 En liem nemende wier- | pen zij /tem uit buiten den j wijngaard, en doodden /iem. 40 Wanneer dan de lieer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen? 41 Zij zeiden tot hem: Hij zal de kwaden een kwaden i dood aandoen, en zal den wijngaard anderen landlieden verhuren, die hem de vruchten op hare tijden zullen geven. 43 Jezus zeide tot hen: Hebt j gij nooit gelezen in de Schrif-Ps.i'lS;22,23.ten: De steen dien de bouwlieden verworpen j hebben, deze is geworden tot een hoofd des i hoeks; van den Heer is dit geschied, en het is wonder 1 ij k in onze ooge n? 43 Daarom zeg ik ulieden, { dat het koningrijk Gods van j u zal weggenomen worden, j en aan een volk gegeven dat zijne vruchten voortbrengt. 44 En wie op dezen steen Jes. 8:14. valt, die zal verpletterd worden ; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. 45 En als de overpriesters j en farizeërs deze zijne gelijkenissen hoorden, verstonden ! |
zij dat hij van hen sprak. 46 En /.oekende hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze hem hielden voor een profeet. HOOFDSTUK 22. 1 En Jezus antwoordende sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende: 2 Het koningrijk der heme-Lc. 14:16-len is gelijk een zeker koning die zijnen zoon een bruiloft bereid had, 3 en zoud zijne dienstknechten uit om de genooden ter bruiloft te roepen, en zij wilden niet komen. 4 Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genooden: Zie, ik heb mijn middagmaal bereid, mijn ossen en de gemeste heesten zijn geslagt, en alle dingen zijn gereed: komt tot de bruiloft. 5 Maar zij zulks niet achtende , zijn henengegaan, deze tot zijnen akker, gene tot zijne koopmanschap; 6 en de anderen grepen zijne dienstknechten, deden hun smaadheidaan, en doodden ze. 7 Als nu de koning dat hoorde , werd hij toornig, en zijne krijgsheiren zendende heeft hij die doodslagers vernield en hunne stad in brand gestoken. 8 Toen zeide hij tot zijne dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genooden waren 't niet waardig. 9 Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zoo- |
MATTHEUS 22.
45
|
velen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. 10 En die dienstknecliten uitgaande op de wegen, vergaderden allen die zij vonden, beide kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten. 11 En als de koning ingegaan was om de aanzittende (jasten te overzien, zag hij aldaar een menscli niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed , 12 en zeide tot liem: Yriend, hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed Aanhebbende? En hij verstomde. 13 Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijne handen en voeten, neemt hem weg, en werpt Uevi uit in de buitenste duisternis: daar zal zij.n weening en knersing der tanden. h. 20:16. 14 Want velen zijn geroepen , maar weinigen uitverkoren. Mc.i2:i3-17; 1° Toen gingen de farizeërs LSv20:.?0;26:lienen en hielden tezamen Mc-3:6. , raad, hoe zij hem verstrikken zouden in zijne rede. 16 En zij zonden uit tot hem hunne discipelen met de herodianen, zeggende: Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, en den weg Gods in waarheid leert, en naar niemand vraagt; want gij ziet den persoon der men-schen niet aan: 17 zeg ons dan, wat dunkt u, is het geoorloofd den keizer schatting te geven of niet? |
18 Maar Jezus bekennende hunne boosheid, zeide: 19 Gij geveinsden, wat verzoekt gij mij ? Toont mij den schattingpenning. En zij brag-ten hem een penning. 20 En hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift? 21 Zij zeiden tot hem: Des keizers. Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den keizer Hom. 13:7. wat des keizers is, en Gode wat Gods is. 22 En zij dit hoorende verwonderden zich, en hem verlatende zijn zij weggegaan. 23 Te dienzelfden dage kwa- mc.12:18-27; men tot hem de sadduceërs, Lc'20:27'40-die zeggen dat er geen op- Hd. 23:8. standing is, en vraagden hem, 24 zeggende: Meester, Mo- zes heeft gezegd: Indien Dt. 25:5. iemand sterft geen kinderen hebbende, zoo zal zijn broeder des zelfs vrouw trouwen en zijnen broeder kroost verwekken. 25 Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste een vrmnc getrouwd hebbende stierf, en dewijl hij geen kroost had zoo liet hij zijn vrouw voor zijnen broeder. 26 Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot den zevende toe. 27 Ten laatste na allen is ook de vrouw gestorven. 28 In de opstanding dan wiens vrouw zal zij wezen van die zeven ? want zij hebben ze allen gehad. |
MATTHEÃS 23.
46
|
29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot lien: Gij dwaalt, niet wetende de Scliriften nocli de kraclit Grods. 30 Want in de opstanding-nemen zij niet ten huwelijk, en worden niet ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in den hemel. 31 En wat aangaat de opstanding der dooden, hebt gij niet gelezen 't geen van God tot ulieden gesproken is, die zegt: Ex. 3:6. 82 Ik ben de God Abrahams en de God Isaiiks en de God Jakobs? God is niet een God der dooden maar der levenden. 33 En de scharen dit hoo-rende, werden verslagen over zijne leer. Mc.12:28-31; 34 En de farizeërs gehoord Lc.10:25-28. hebbende dat hij den saddu-oeërs den mond gestopt had, zijn tezamen bijéénvergaderd; 35 en één uit hen, zijnde een wetgeleerde, heeft gevraagd , hem verzoekende, en zeggende: 36 Meester, welk is het groote gebod in de wet? 37 En Jezus zeide tot hem: Dt. 6:5. Gij zult liefhebben den Heer uwen God met geheel uw hart en met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand. 38 Dit is het eerste en het groote gebod. 39 En het tweede daaraan Lev. 19 :18.gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als u zei ven. |
40 Aan deze twee geboden Rom. 13:9; hangt de gansche wet en de Gal-5:14-profeten. 41 Als nu de farizeërs teza-Mc.12:35-37; menvergaderd waren, vraaa-Lc-20:41quot;4!l' 'O , de hen Jezus 42 en zeide: Wat dunkt u van den Christus? wiens zoon is hij? Zij zeiden tot hem: Davids zoon. 43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt hem dan David in den Geest zijnen Heer, zeggende : 44 De Heer heeft ge- Ps. 110:1. zegd tot mijnen Heer: Zit aan mijne regter-hand, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 45 Indien hem dan David noemt zijnen Heer, hoe is hij zijn zoon? 46 En niemand kon hem een woord antwoorden, en niemand durfde hem van dien dag aan iets meer vragen. HOOFDSTUK 23. 1 Toen sprak Jezus tot de scharen en tot zijne discipelen, 2 zeggende: De schriftgeleerden en de farizeërs zijn gezeten op den stoel van Mozes. 3 Daarom alwat zij u zeggen dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hunne werken; want zij zeggen 't, en doen't niet. 4 Want zij binden lasten Lc. 11:46 |
MATTHEÃS 23.
47
|
die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen eter menselien; maar zij willen die met liunnen vinger niet verroeren. 5 En al hunne werken doen zij om van de mensehen gezien te worden; want zij make a hunne gedenkcedels breed, en maken de zoomen van hunne kleederen groot. Mc.12; 38,39; 6 En zij beminnen de voor- L2Ch4a'3aanzitting bij de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen, 7 ook de begroetingen op de markten, en om van de menschen genaamd te worden Rabbi, Kabbi. 8 Doch gij zult niet Kabbi genaamd worden; want één is uw Meester, namelijk Christus, en gij zijt allen broeders. 9 En gij zult niemand u-wen vader noemen op de aarde; want één is uw Vader, namelijk die in de hemelen is. 10 En gij zult niet mees- I ters genoemd worden; want één is uw Meester, namelijk Christus. h. 20:26. 11 Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. Lc. 14:11; 13 En wie zichzelven ver-18:14. hoogen zal, die zal vernederd j worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden. Lc. 11:52. 13 Maar wee u gij schriftgeleerden en farizeërs, gij geveinsden; want gij sluit het 3:9; 14. 5-37; 1-45. |
koningrijk der hemelen voor de menschen,overmitsgij daar niet ingaat, en degenen die ingaan zouden niet laat ingaan. 14 Wee u gij schriftgeleerden en farizeërs, gij geveinsden; want gij eet de huizen Mc. 12:40; der weduwen op, en dat onder Lc' 20quot; 7quot; den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. 15 Wee ii gij schriftgeleerden en farizeërs, gij geveinsden; want gij omreist zee en land om éénen Jodegenoot te maken ; en als hij 't geworden is, zoo maakt gij hem een kind der hel, tweemaal meer dan gij z'jt- 16 Wee u gij blinde leidslieden , die zegt: Zoowie ge- h. 5 : 33 - 36. zworen zal hebben bij den tempel, dat is niets, maar zoowie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig. 17 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud of de tempel die het goud heiligt? 18 En zoowie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zoowie gezworen zal hebben bij de gave die daarop is, die is schuldig. 19 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave of het altaar dat de gave heiligt? 20 Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve en bij alwat daarop is; |
I
MATTHEUS 28.
48
|
zweert bij den zweert bij dendien die daarin zweert bij den zweert bij den en bij dien die Lc. li ; 42. 23 Wee u gij soliriftgeleer-den en farizeërs, gij geveinsden ; want gij vertient de kruizemunt en de dille en den komijn, en gij laat na liet zwaarste der wet, namelijk liet oordeel en de barmhartigheid en het geloof. Deze dingen moest men doen en de andere niet nalaten. 24 Gij blinde leidslieden, die de mug uitzij gt en den kemel doorzwelgt. 25 Wee u gij schriftgeleerden en farizeërs, gij geveinsden; Lc.li:39,40. want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn ze vol van roof en onmatigheid. 26 Gij blinde farizeër, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde. Lc. 11:44. 27 Wee u gij schriftgeleerden en farizeërs, gij geveinsden; want gij zijt den witge-pleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn ze vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. 28 Alzoo ook schijnt gij wel den menschen van buiten 31 en wie tempel, die zelve en bij woont; 22 en wie hemel, die troon Gods daarop zit. |
1 regtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongeregtigheid. 29 Wee u gij schriftgeleer-Lc.ii:47,48. I den en farizeërs, gij geveinsden; want gij bouwt de graven | der profeten op, en versiert de grafteekencn der regtvaar-1 digen, 1 30 en zegt: Indien wij ten j tijde onzer vaderen waren j geweest, wij zouden met hen j geen gemeenschap gehad heb-[ ben aan het bloed der pro-1 feten. j 31 Aldus getuigt gij teyen ! uzelve, dat gij kinderen zijt dergenen die de profeten 1 gedood hebben. 32 Gij dan ook, vervult de maat uwer vaderen. 33 Gij slangen, gij adderen-gebroedsels, hoe zoudt gij de helsche verdoemenis ontvlieden? 84 Daarom zie, ik zend Lc.U: 49-51. tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen dooden en kruisigen, en sommiyeu uit dezelve zult gij geeselen in uwe synagogen, en zult ze vervolgen van stad tot stad; 35 opdat op u kome al het regtvaardige bloed dat vergoten is op de aarde, van het bloed des regtvaardigen Gen. 4; 3,10. Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van 2 Kr. 24:20, Barachia, welken gij gedood21-hebt tusschen den tempel en het altaar. 36 Voorwaar zeg ik u, al Lc.13 Mc.' Lc. |
MATTHEÃS 24.
49
|
deze dingen zullen komen over dit geslacht. Lc 13:3435. ^ Jeruzalem, Jeruzalem, 47,48. gij die de profeten doodt, en steenigt die tot u gezonden zijn, lioemenigmaal lieh ik uwe kinderen willen l)ij-éénvergaderen, gelijkerwijs een hen hare kiekens Mjeen-yergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild. 38 Zie, uw huis wordt u woest gelaten. 39 Want ik zog u, gij zult mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Geze- : Ps. lis :26. gend is hij die komt in den naam des Heeren. HOOFDSTUK 24. Mc. 13:1-13; 1 En Jezus ging uit en 'vertrok van den tempel; en zijne discipelen kwamen bij hem, om hem de gebouwen '-51. des tempels te toonen. 2 En Jezus zeide tot hen; Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg ik u, hier zal Lc. 19:44. niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 3 En als hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer 10. zullen deze dingen zijn? En welk zal het teeken zijn van 20, uwe toekomst en van de vol einding der wereld? 4 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Ziet toe dat u niemand verleide; |
5 want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende : Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden. 6 En gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen: ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet. 7 Want het ééns volk zal tegen het andere volk opstaan, en het éène koningrijk tegen het andere koningrijk; en er zullen zijn hon-gersnooden, en pestilentiën, en aardbevingen in verscheiden plaatsen. 8 Doch al die dingen zijn maar een begin der smarten. 9 Alsdan zullen zij u over- h. 10:17. leveren in verdrukking, en zullen u dooden, en gij zult gehaat worden van alle volkeren om mijns naams wil. 10 En dan zullen er velen geërgerd worden, en zullen elkander overleveren en elkander haten. 11 En vele valsche profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. 12 En omdat de ongeregtig-heid vermenigvuldigd zal worden, zoo zal de liefde van velen verkouden. 13 Maar wie volharden zal h. 10:22: tot den einde, die zal zalig 0P- 2:10b-worden. 14 En dit evangelie des koningrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volkeren; en dan zal het einde komen. |
4
MATTHEÃS 24.
50
|
Mc.13; 14-20; 15 Wanneer srii dan zult Lc,21:20-26. ⢠i Ti zien den gruwel der verwoesting-, waarvan gesproken is Dan. 9:2quot;. door Daniël den profeet, staande in de heilige plaats, (wie het leest, die merke daarop), 16 dat alsdan wie in Judea zijn, vlieden op de bergen; Lc. 17:31. lï wie op het dak is, kome niet af om iets uit zijn liuis wegtenemen; 18 en wie op den akker is, keere niet weder terug om zijne kleederen wegtenemen. 19 Maar wee den bevruchten en den zogenden wouwen in die dagen. 30 Doch bidt dat uwe vlugt niet geschiede des winters noch op een sabbat; 21 want alsdan zal ergroote Dan. 12: l. verdrukking wezen, hoeda- nige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. 22 En zoo die dagen niet verkort werden, geenvleesch zoude behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden. Mc. 13:21-23. 23 Alsdan zoo iemand tot Lc. 17; 23. ulieden zal zeggen: Zie hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. 2-1 Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en zullen groote teekenen en wonderheden doen, alzoo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden |
25 Zie, ik heb het u voorzegd. 26 Zoo zij dan tot u zullen zeggen: Zie, hij is in de woestijn, gaat niet uit; Zie, hij is in de binnenka-meren, gelooft het niet. 27 Want gelijk de bliksem Lc. 17:24. uitgaat van het oosten en schijnt tot het westen, alzóó zal ook de toekomst van den Zoon des menschen wezen. 28 Want alwaar het doodejob39:336; ligchaam zal zijn, daarznllen Lc'17:a'-de arenden vergaderd worden. 29 En terstond na de ver- Mc.l3:24-3',; drukking dier dagen, zal (JeLc-2i: zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel i niet geven, en de sterren j zullen van den hemel vallen, i en de krachten der hemelen j zullen bewogen worden. [ 30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teekennan 7.,13, j van den Zoon des menschen; Mt- 26 : 64. en dan zullen al de geslacli-ten der aarde weenen, en zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid. 31 En hij zal zijne engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden , van het eéne uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve. 32 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teêr wordt |
MATTHEÃS 24.
51
|
en de bladeren uitspriiiten, zoo weet gij dat de zomer nabij ia: 33 alzoó ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zoo weet dat het nabij is voor de deur. 34 Voorwaar ik zeg u, dit : 24. h. 16:28. geslaclit zal geenszins voorbijgaan totdat al deze dingen zullen geschied zijn. Jes. 51:6. 35 De liemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mij- S'Sh: ne woorden zullen geens- 37 zins voorbijgaan. Mc. 13:32; 36 Docli van die dag en -31; â ⢠ure weej njemailc[) 00]^ niet de engelen der hemelen, dan mijn Yader alleen. Lc.17:26,27 . 37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzóó zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen. 38 Want gelijk zij waren in de dagen vóór den zondvloed, ;; etende en drinkende, trou wende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe op welken Noach in de ark ging. 39 en bekenden 't niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam: alzóó zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen. Lc. 17:30,35. 40 Alsdan zullen er twee op den akker zijn: de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden; 41 er zullen twee vrouwen malen in den molen: de ééne zal aangenomen en de andere zal verlaten worden. |
] 42 Waakt dan, want gij weet h. 25:13; | niet in welke ure uw Heer Mc-13:35' komen zal. { 43 Maar weet dit, dat zoo Lc.12:39-40. de heer des huizes geweten had in welke nachtwaak de â dief komen zoude, hij zoude gewaakt hebben en zoude zijn huis niet hebben laten door-j graven. ! 44 Daarom zijt ook gij bereid , want in welke ure gij 1 Th. 5:2. 't niet meent zal de Zoon des menschen komen. 45 ie is dan de getrouwe en voorzigtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijne dienstboden gesteld heeft, om hunlieden hun voedsel te geven ter regter tijd? 46 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer komende zal vinden alzóó doende. 47 Voorwaar ik zeg u dat H. 25:21. hij hem zal zetten over al zijne goederen. 48 Maar zoo die kwade dienstknecht in zijn hart zoude zeggen: Mijn heer vertoeft te komen, 49 en zoude beginnen zijne mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards: 50 zoo zal de heer dezes dienstknechts komen ten dage op welken hij hem niet verwacht , en ter ure die hij niet weet, 51 en zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden: daar zal weening zijn en knersing der tanden. |
MATTHEÃS 35.
52
|
HOOFDSTUK 25. Lc.i2:35-38; 1 Alsdan zal het koning-13 â 25- j.jjjj (jgj. liemelen zijn gelijk tien maagden, welke liare lampen namen en gingen uit, den bruidegom tegemoet. 2 En vijf van haar waren wijzen en vijf waren dwazen. 3 Die dwaas maren, hare lampen nemende, namen geen olie met zich; 4 maar de wijzen namen olie in hare vaten, met hare lampen. 5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig en vielen in slaap. 6 En te middernacht geschiedde er een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet. 7 Toen stonden al die maagden op en bereidden hare lampen. 8 En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit. 9 Doch de wijzen antwoordden , zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de ver-koopers en koopt voor uzelve. 10 Als zij nu henengingen om te koopen, kwam de bruidegom; en die gereed tcaren gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. 11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open. |
12 En hij antwoordende zei-de: Voorwaar zeg ik u, ik ken u niet. 13 Zoo waakt dan, want gij h. 24:42; weet den dag niet noch de Mc l3 -30-ure, in dewelke de Zoon des menschen komen zal. 14 Want het is gelijk een Lc.ig: 12-27; mensch, die buitenslands rei- Mc-13:34-zende zijne dienstknechten riep, en gaf hun zijne goederen over; 15-en den één gaf hij vijf talenten, en den ander twee, en den derde één, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond. 16 Die nu de vijf talenten ontvangen had ging henen en handelde daarmede, en won vijf andere talenten. 17 Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook twee andere. 18 Maar die het ééne ontvangen had ging henen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heeren. 19 En na een langen tijd kwam de heer van die dienstknechten, en hield rekening met hen. 20 En die de v^f talenten ontvangen had, kwam en bragt tot hem vijf andere talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, vijf andere talenten hel) ik boven dezelve gewonnen. 21 En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u |
MATTHEÃS 25.
53
|
zetten: ga in in de vreugde liws lieeren. 23 En die de twee talenten ontvangen liad kwam óók tot hem, en zeide: lieer, twee talenten hebt gij mij gegeven ; zie, twee andere talenten lieb ik boven dezelve gewonnen. 23 Zijn heer zeide tot liem: Wèl, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest , over veel zal ik u zetten: ga in in de vreugde uws heeren. 24 Maar die het ééne talent ontvangen liad kwam óók, en zeide: Heer, ik kende u dat gij een bard mensch zijt, maaijende waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende vandaar waar gij niet gestrooid hebt; 25 en bevreesd zijnde ben ik henengegaan en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, gij hebt het uwe. 26 Maar zijn heer antwoordende zeide tot hem: Gij booze en luije dienstknecht, gij wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb. en vandaar vergader waar ik niet gestrooid heb: 27 zoo moest gij dan mijn geld bij de wisselaren gedaan hebben, en ik komende zoude het mijne wedergenomen hebben met winst. 28 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene die de tien talenten heeft. 39 Want een iegelijk die |
heeft, dien zal gegeven wor- h. 13:12,â den, en hij zal overvloedig ïlc g-isquot; hebben; maar van dengeen die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. 30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis: daar zal weening zijn en knersing der tanden. 31 En wanneer de Zoon h. 16:27. des mensclien komen zal in zijne heerlijkheid, en al de heilige engelen met hem, dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid; 33 en vóór hem zullen al de volkeren vergaderd worden, en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt; 33 en hij zal de schapen tot zijne regter/Mtó zetten, maar de bokken tot zijne Xvakerliand. 34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen die tot zijne regiamp;rfiaud zijn: Komt gij gezegenden mijns Vaders, beërft het koningrijk 't welk u bereid is van de grondlegging der wereld; 85 want ik ben hongerig jes.58:7. geweest en gij hebt mij te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mij te drinken gegeven, ik was een vreemdeling en gij hebt mij geherbergd, 36 ik was naakt en gij hebt mij gekleed, ik ben krank geweest en gij hebt mij be- |
MATTHEÃS 26.
54
|
zoclit, ik was in de gevangenis en gij zijt tot mij gekomen. 37 Dan zullen de regt-vaardigen hem antwoorden, zeggende: Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien, en gespijzigd? of dorstig, en te drinken gegeven ? 38 En wanneer hebben wij u een vreemdeling gezien, en geherbergd? of naakt, en gekleed? 39 En wanneer hebben wij u krank gezien, of in de gevangenis , en zijn tot u gekomen ? 40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg ik u, voorzoo- H. 10:42. veel, gij dit één van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaan. 41 Dan zal hij zeggen ook ^ tot degenen die ter linker-hand zijn: Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur 't welk den duivel en zijnen engelen bereid is; 43 want ik ben hongerig geweest en gij hebt mij niet te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mij niet te drinken gegeven, 43 ik was een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd, naakt en gij hebt mij niet gekleed, krank en in de gevangenis en gij hebt mij niet bezocht. 44 Dan zullen ook deze hem antwoorden, zeggende: Heer, wanneer hebben wij ti hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of |
krank, of in de gevangenis, en hebben u niet gediend? 45 Dan zal hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg ik u, voor zooveel gij (föeén van deze minsten niet gedaan hebt, zoo hebt gij het mij óók niet gedaan. 46 En deze zullen gaan in Jh. 5:29, de eeuwige jnjn, maar de regtvaardigen in het eeuwige leven. HOOFDSTUK 26. 1 En het is geschied als Jezus al deze woorden geëindigd had, dat hij tot zijne discipelen zeide: 2 Gij weet dat na twee da- Mc. 14:1,2; gen het pascha is, en de Zoon Lc' 22:1' 2' des menschen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden. 3 Toen vergaderden de over-priesters en de schriftgeleerden en de ouderlingen des volks in de zaal des hooge-priesters die genaamd was Kajafas, 4 en beraadslaagden tezamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en dooden zouden. 5 Doch zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk. 6 Als nu Jezus te Bethanië Mc. 14:3-9 was, ten huize van Simon den Jil'12 ' 1quot;8' melaatsche, 7 kwam tot hem eene vrouw hebbende een albasten fiesch met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op zijn hoofd, daar hij aan tafel zat. |
MATÃHEÃS 26.
55
|
8 En zijne discipelen dat ziende, namen 't zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies? 9 Want deze zalf liad dunr kunnen verkoclit en de penningen den armen gegeven worden. 10 Maar Jezus zulks verstaande, zeide tot lien: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Want zij lieeft een goed werk aan mij gedaan. Dt, lii-.n. 11 Want de armen hebt gij altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd. 12 Want als zij deze zalf op mijn ligcliaam gegoten lieeft, zoo lieeft zij liet gedaan tot een worhereiding van mijne begrafenis. 13 Voorwaar zeg ik u, alwaar dit evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van 't geen zij gedaan lieeft. Mc. 14:10,11; Toen ging een van de Lc. 22 : 3-6. twaalf, genaamd Judas Iska-riot, tot de overpriesters, 15 en zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal liem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren ningen. 16 En van toen af zocht hij gelegenheid dat hij hem overleveren mogt. Mc.14:12-16; 17 En op den eersten dag l^x2|2; ,7^3- der ongezuurde hrooden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot hem: Waar wilt |
gij dat wij u bereiden het pascha te eten? 18 En hij zeide: Gaat henen in de stad tot zulk eenen, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, ik zal bij u het pascha houden met mijne discipelen. 19 En de discipelen deden gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha. 20 En als het avond gewor-Mc.14: n-21; den was zat hij aan met de Jhjl-lilloi twaalf. 21 Eu toen zij aten zeide hij: Voorwaar ik zeg u, dat een van u mij zal verraden. 23 En zij zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot hem te zeggen: Een ik 't Heer? 23 En hij antwoordende zeide: Die de hand met mij in den schotel indoopt, die zal mij verraden. 24 De Zoon des menschen gaat wel henen gelijk van hem geschreven is, maar wee dien mensch door welken de Zoon des menschen verraden wordt: het ware hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest. 25 En Judas die hem verried antwoordde en zeide': Ben ik 't Eabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. 26 En als zij aten nam Je-mc.14:22-25; zus het brood, en gezegend Ycoi-.1!??' hebbende brak hij het, en 23-25. gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn ligcliaam. |
MATTHEÃS 36.
56
|
27 En liij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende gaf linn dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; 28 want dat is mijn bloed, bet bloed des nieuwen testaments, 't welk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden. 29 En ik zeg u, dat ik van nu aan niet zal drinken van deze vmcbt des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik met u dezelve nieuw zal drinken in 't koningrijk mijns Vaders. Mc.14: 26-31. 30 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. 31 Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan mij geërgerd worden in dezen nacht; Zach. 13 : 7. want er is geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. 32 Maar nadat ik zal opgestaan zijn , zal ik u voorgaan naar Galilca. Lc.22:31-34; 33 Doch Petrus antwoor- jh. 13:30-38. tot ⢠jy -yye,.. den zij ook allen aan u ge-ergerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. 34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, mij driemaal zult verloochenen. 35 Petrus zeide tot hem: Al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik u geenszins |
verloochenen. Desgelijks zeiden ook al de discipelen. 36 Toen ging Jezus met hen mc.i4:32-42; in een plaats genaamd Geth- Ljh2i8^46' semané, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder totdat ik henenga en aldaar zal gebeden hebben. 37 En met zich nemende Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, begon hij droevig en zeer beangst te worden. 38 Toen zeide hij tot hen: Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe: blijft hier en waakt met mij. 39 En een weinig voortgegaan zijnde viel hij op zijn aangezigt, biddende en zeggende: Mijn Vader, indienJh. 12:27,28. 't mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbij- h. 20:22. gaan; doch niet gelijk ik wil, maar gelijk gij wilt. 40 En hij kwam tot de discipelen en vond ze slapen- [ de, en zeide tot Petrus: Kunt | gijlieden dan niet één uur met mij waken? 41 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt: de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. 42 Wederom ten tweeden male henengaande bad hij, zeggende: Mijn Vader, indien deze drinkbeker van mij niet voorbij kan gaan tenzij dat ik hem drinke, uw wil geschiede. 43 En komende hij hen, vond hij ze wederom slapende; want hunne oogen waren bezwaard. |
MATTHEÃS 26.
57
|
â t4 En ten latende ging hij wederom henen en bad ten derden male, zeggende de-:32-42; zelfde woorden, is.-i. ' 45 Toen kwam hij tot zijne discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust; zie, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensclien wordt overgeleverd in de handen der zondaren. 46 Staat op, laat ons gaan: zie, hij is nabij die mij verraadt. Me.14:43-50; -17 En als hij nog sprak, jh tó-2-l?'z^e' Judas, een van de twaalf, kwam, en met hem een groote schare met zwaarden en stokken, yezonden van de 7.28. overpriesteren en ouderlin gen des volks. 22. 48 En die hem verried had hun een teeken gegeven, zeggende: Wien ik zal kussen, die is 't: grijpt hem. 49 En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet Eabbi; en hij kuste hem. 50 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen hem. 51 En zie, een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hooge-priesters, hieuw zijn oor af. 52 Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijne plaats; want allen die 1 het zwaard nemen, zullen |
door het zwaard vergaan. 53 Of meent gij dat ik mijnen Vader nu niet kan bidden , en hij zal mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten? 54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het alzóó geschieden moet? 55 Te dier ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om mij te vangen: dagelijks zat ik bij u, lee-rende in den tempel, en gij hebt mij niet gegrepen; 56 doch dit alles is geschied opdat de Schriften der profeten zouden vervidd worden. Toen vlugtten al de discipelen, hem verlatende. 57 Die nu Jezus gevangen Mc. 14:33-65; hadden, leidden hem henen ^.quot;ti;04' tot Kajafas den hoogepriester, Jh.i8:i2,i3, alwaar de schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren. 58 En Petrus volgde hem van verre tot aan de zaal des hoogepriesters, en binnengegaan zijnde zat hij bij de dienaren, om het einde te zien. 59 En de overpriesters en de ouderlingen en de geheele groote raad zochten valsche getuigenis tegen Jezus, opdat zij hem dooden mogten, en vonden niet; 60 en hoewel er vele valsche getuigen toegekomen waren, zoo vonden zij toch niet. |
MATTHEÃS 37.
58
|
61 Maar ten laatste kwamen twee valscke getuigen, en zeiden: Deze lieeft ge- Jh. 2:19. zegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen. 63 En de boogepriester opstaande zeide tot bem: Antwoordt gij niets? Wat getuigen deze tegen u? 63 Docb Jezus zweeg stil. En de boogepriester antwoordende zeide tot bem: Ik .bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt of gij zijt de Christus, de Zoon Gods? 64 Jezus zeide tot bem: Gij hebt bet gezegd. Docb ik zeg ulieden, van nu aan zult h. 24:30; gij zien den Zoon des men- Ps. 110-1 ⢠0 Dan, 7 :'l3! scben zittende ter regterJiand der kracbt Gods, en komende op de wolken desbemels. 65 Toen verscheurde de boogepriester zijne kleederen, zeggende: Hij heeft God ge- Lev. 24:16. lasterd: wat hebben wij nog getuigen van noode? Zie, nu hebt gij zijne f/olt;Mastering geboord: 66 wat dunkt ulieden? En zij antwoordende zeiden: Hij is des doods schuldig. 67 Toen spuwden zij in zijn aangezigt, en sloegen hem met vuisten; 68 en anderen gaven hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is 't die u geslagen heeft? Mc.i4:C6-72; 69 En Petrus zat buiten in Ljh2isfivf'quot;l® zaal; en een dienstmaagd 20-27. kwam tot bem, zeggende: |
Gij waart óók met Jezus den Galileër. 70 Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet wat gij zegt. 71 En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zeide tot degenen die aldaar ica-ren: Deze was óók met Jezus den Nazarener. 73 En hij loochende het wederom met een eed, zeggende : Ik ken den mensch niet. 73 En een weinig daarna, die er stonden bijkomende zeiden tot Petrus: Waarlijk gij zijt óók van die, want ook uwe spraak maakt u openbaar. 74 Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den mensch niet. 75 En terstond kraaide de liaan; en Petrus werd in- Vs. 34 dachtig aan het woord van Jezus, die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben zult gij mij driemaal verloochenen. En naarbuiten gaande weende hij bitterlijk. HOOFDSTUK 27. 1 Als het nu morgenstond Mc. 15:1; geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks tezamen raad genomen tegen Jezus, dat zij hem dooden zouden; 3 en hem gebonden hebbende, leidden zij hem weg, en gaven hem over aan Pontius Pilatus den stadhouder. |
MATTHEUS 27.
59
|
3 Toen lieeft Judas die hem verraden had, ziende dat hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen, den over-priesteren en den ouderlingen wedergebragt, 4 zeggende: Ik heb gezondigd , verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien. 5 En als hij de zilveren ningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en henen-gaande verworgde zichzelven. 6 En de overpriesters de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is. 7 En tezamen raad genomen hebbende, kochten zij Hd. 1:18,19. daarmede den akker des potte-bakkers, tot eene begrafenis voor de vreemdelingen. 8 Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds tot op den Imidigen dag. 9 Toen is vervuld geworden 't geen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: zach. 11:12, En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde van den gewaardeerde der kinderen Israels, denwelken zij gewaardeerd hebben, 10 en hebben dezelve gegeven voor den akker des pottebakkers; volgens 't geen mij de Heer bevolen heeft. 13. |
11 En Jezus stond voor Mc. 13:2-5, den stadhouder; en de stad- jh.'i8:'33-3b houder vraagde hem, zeg-gende: Zijt gij de Koning der Joden ? En Jezus zeide hem: Gij zegt het. 13 En als hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde hij niets. 13 Toen zeide Pilatus tot hem: Hoort gij niet hoevele zaken zij tegen u getuigen? 14 Maar hij antwoordde hem niet op een éénig woord, alzoo dat de stadhouder zich zeer verwonderde. 15 En op het feest was de Mc. 15:6-15; stadhouder gewoon den volke Jh. 18:39,40; een gevangene lostelaten, welken zij wilden. 16 En zij hadden toen een welbekenden gevangene, genaamd Barabbas. 17 Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij dat ik u zal loslaten, Barabbas of Jezus die genaamd wordt Christus? 18 Want hij wist dat zij hem door nijdigheid overgeleverd hadden. 19 En als hij op den reg-terstoel zat, zoo heeft zijne huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niets te doen met dien regtvaardige, want ik heb heden veel geleden in den droom om zijnentwil. 20 Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben de scharen aangeraden, dat zij |
MATTHEÃS 27.
60
|
zouden Barabbas begeeren en Jezus dooden. 31 En de stadhouder antwoordende zeide tot lien: Welken van deze twee wilt gij dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Barabbas. 22 Pilatus zeide tot lien: Wat zal ik dan doen met Jezus die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat hij gekruisigd worden. 23 Doch de stadhouder zeide: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? En zij riepen temeer, zeggende: Laat hij gekruisigd worden. 24 Als nu Pilatus zag dat hij niets vorderde, maar dat er veel meer oproer werd, nam hij water en wiesch de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes regt-vaardigen: gijlieden moogt toezien. 35 En al het volk antwoordende zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen. 26 Toen liet bij hun Barabbas los, maar Jeziis gegeeseld hebbende, gaf hij hem over om gekruisigd te worden. Me.15:16-20; 27 ïoen namen de krijgs-Jh. 19:2,3. knechten des stadhouders Jezus met zich in het regthuis, en vergaderden over hem de gansche bende. 28 En als zij hem ontkleed hadden, deden zij hem een purperen mantel om; |
29 en een kroon van doornen gevlochten hebbende, zet-teden zij die op zijn hoofd, en een rietstok in zijne regter-Jicmd; en vallende op hunne knieën voor hem, bespotteden zij hem, zeggende: Wees gegroet gij Koning der Joden; 30 en op hem gespuwd hebbende , namen zij den rietstok en sloegen op zijn hoofd. 31 En toen zij hem bespot hadden, deden zij hem den mantel 'af, en deden hem zijne kleederen aan, en leidden hem henen om te kruisigen. 33 En uitgaande vonden zii Mc.15:21-26; Lc 93 * 26 een man van Cyrene, met name 33,'se, 38;' Simon; dezen dwongen zij dat Jhâ¢19:16'2/,⢠hij zijn kruis droeg. 33 En gekomen zijnde tot de plaats genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats , 34 gaven zij hem te drinken edik met gal gemengd; en als hij dien geproefd had, wilde hij niet drinken. 35 Toen zij nu hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, het lot werpende; opdat vervuld zoude worden 't geen gezegd is door den profeet: Zij heb- Ps. 22:19. ben mijne klee deren onder zich verdeeld en hebben het lot over mijne kleeding geworpen. 36 En zij nederzittende bewaarden hem aldaar. 37 En zij stelden boven zijn hoofd zijne beschuldiging geschreven: Deze is Jezus de Koning der Joden. |
MATTHEÃS 27.
61
|
iMc.15:27-32; 38 ïoen werden met hem a3quot;C35237,339. twee moordenaars gekruisigd, één ter regter- en één ter linkersycfe. 39 En die voorbijgingen lasterden liem, schuddende hunne hoofden 40 en zeggende: Gij die h. 26:61. den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos uzelven; indien gij de Zoon Gods zijt, zoo kom af van liet kruis. 41 En desgelijks ook de overpriesters met de scbrift-geleerden en ouderlingen en farizeërs hem bespottende, zeiden: 43 Anderen beeft liij verlost, hij kan zichzelven niet verlossen; indien hij de Koning Israels is, dat hij nuafkome van het kruis, en wij zullen hem gelooven. 43 Hij heeft op God betrouwd : dat hij hem nu verlosse, indien hij hem roei wil; want hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. Lc. 23:39-43. 44 En hetzelfde verweten hem ook de moordenaars die met hem gekruisigd waren. Mc.15:33-37; 45 En van de zesde ure aan Lc.23:44,46. wer(j er duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe. 46 En omtrent de negende ure riep Jezus met een groote stem, zeggende: Ps, 22:2. Eli, Eli, lama sabach-tani, dat is: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten! 47 En sommigen van wie |
daar stonden zulles lioorende, zeiden: Deze roept Elia. 48 En terstond een van hen Jh. 19:28-30. tóoopende nam een spons, en die met edik gevuld hebbende stak ze op een riet-stok, en gaf hem te drinken. 49 Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien of Elia komt om hem te verlossen. 50 En Jezus wederom met een groote stem roepende, gaf den geest. 51 En zie, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden, en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden, 53 en de graven werden geopend, en vele ligchamen der heiligen die ontslapen waren werden opgewekt; 53 en uit de graven uitgegaan zijnde na zijne opstanding , kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen. 54 En de hoofdman over Mc.15:39; honderd, en die met hem Lc'23:^7' Jezus bewaarden, ziende de aardbeving en de dingen die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk deze was Gods Zoon. 55 En aldaar waren vele Mc.15:40,41; vrouwen van verre aanschou- j^'ig^ wende, die Jezus gevolgd waren van Galiléa om hem te dienen; 56 onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus en Joses, |
MATTHEÃS 28.
63
|
en de moeder der zonen van Zebedeüs. Mc.15:42-47; 57 En als liet avond ge-38^1'worden was, kwam een rijk man van Arimatkéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was: 58 deze kwam tot Pilatus en begeerde liet ligchaam van Jezus. Toen beval Pilatus dat hem liet ligcliaam gegeven zoude worden. 59 En Jozet liet ligchaam nemende, wond lietzelve in een zuiver fijn lijnwaad, 60 en leide dat in zijn nieuw graf, 't welk liij in een steenrots uitgeliouwen kad; en een grooten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging bij weg. 61 En aldaar was Maria Magdalenn en de andere Maria, zittende tegenover liet graf. 63 Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeërs tot Pilatus, 63 zeggende: Heer, wij zijn indachtig dat deze verleider nog levende gezegd heeft: H. 16:216. Na drie dagen zal ik opstaan. 64 Beveel dan dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen bij nacht en hem stelen, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de dooden: en zoo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste. |
65 En Pilatus zeide tot hen: Gij hebt eene wacht: gaat henen, verzekert liet gelijk gij 't verstaat. 66 En zij henengaande verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende. HOOFDSTUK 28. 1 En laat na den sabbat, Mc. 16:1-8; als bet begon te lichten tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena en de andere Maria om het graf te bezien. 3 En zie, er geschiedde een groote aardbeving; want een engel des Heeren nederdalende uit den hemel, kwam toe en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelve. 3 En zijne gedaante was gelijk een bliksem, en zijne kleeding wit gelijk sneeuw. 4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als dooden. 5 Maar de engel antwoordende zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet dat gij zoekt Jezus die gekruisigd was. 6 Hij is hier niet; want hij is opgestaan, gelijk hij gezegd h. 20:19. heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heer gelegen heeft. 7 En gaat haastig henen en zegt zijnen discipelen, dat hij opgestaan is van de dooden; en zie, hij gaat u vóór naar Galiléa: daar zult H. 20:32. |
MATTHEÃS 28.
63
|
gij liem zien. Zie, ik heb het ulieden gezegd. 8 En haastig uitgaande van het graf, met vrees en groote blijdschap, liepen zij henen om H zelve zijnen discipelen te boodschappen. 9 En als zij henengingen om zijnen discipelen te boodschappen , zie, Jezus is haar ontmoet, zeggende: quot;VYeest gegroet. En zij tot hem komende grepen zijne voeten en aanbaden hem. 10 Toen zeide Jezus tot haar: Jh. 20:17.1 Vreest niet; gaat henen, boodschapt mijnen broederen, dat zij henengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij mij zien. 11 En als zij henengingen, zie, eenigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten den overpriesters al de dingen die geschied waren. 13 En zij vergaderd zijnde met de ouderlingen, en tezamen raad genomen hebbende , gaven zij den krijgsknechten veel geld, 13 en zeiden: Zegt: Zijne discipelen zijn des nachts ge- |
I komen en hebben hem gestolen , als wij sliepen. 14 En indien zulks komt gehoord te worden van den stadhouder, wij zullen hem tevredenstellen en maken dat gij zonder zorg zijt. 15 En zij het geldgenomen hebbende, deden gelijk zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op den huldigen dag. 1G En de elf discipelen zijn henengegaan naar Galiléa, Vs. 7, 10. naar den berg waar Jezus hen bescheiden had. 17 En als zij hem zagen, baden zij hem aan; doch sommigen twijfelden. 18 En Jezus bij hen komende sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle magt in hemel Jh. 3; 35. en op aarde. 19 Gaat dan henen, onder- Mc. wijst al de volkeren, dezelve doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb. 20 En zie, ik benmetulie- Jh. 14:18. den al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen. |
Mt.4 Lc. 4
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR DE BESCHRIJVING VAN
MARCUS.
Mt. Lc
|
HOOFDSTUK 1. Mt. 3:1-12; 1 Het begin des evangelies 'jh i-e-s8'van JEZUS Christus den Zoon 15-28. ' Grods. 3 Gelijk gesckreven is in Mal. 3:1. de profeten: Zie, ik zend mijnen engel voor uw aangezigt, die uwen weg voor u henen bereiden zal: Jes. 40:3. 3 de stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Hee-ren, maakt zijne paden regt. 4 Joliannes was doopende in de woestijn, en predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden. 5 En al het .Toodsche land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem, en werden allen van hem gedoopt in de rivier den Jordaan, belijdende hunne zonden. 6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijne lende, en at sprinkhanen en wilden honig. |
7 En hij predikte, zeggen-j de: Na mij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waar-dig ben nederbukkende den riem zijner schoenen te ontbinden. 8 Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar hij zal u doopen met den Heiligen Geest. 9 En het geschiedde in die Mt.3:13-17: Lc 3:21 22 * dagen dat Jezus kwam van Jh. 1:32-34! Nazareth, gelegen in Galiléa, en werd van Johannes gedoopt in den Jordaan. 10 En terstond als hij uit het water opklom, zag hij de hemelen opengaan, en den Geest gelijk een duif op hem nederdalen. 11 En er geschiedde eene stem uit de hemelen: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in den-welke ik mijn welbehagen heb. 12 En terstond dreef hem Mt. 4:1-11: de Geest uit in de woestijn. Lc'4:1quot;13' 13 En hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan, en was bij de wilde gedierten, en de engelen dienden hem. |
MARCUS 1.
65
|
: Mt.4:i2,i7; 14 En nadat Joliannesover- Lc. 4:14, ia. gejever(j \VaSj kwam Jezus in Galiléa, predikende liet evangelie vun het koningrijk Gods, 15 en zeggende: De tijd is vervuld, en het koningrijk G ods nabij gekomen: bekeert u en gelooft het evangelie. Mt. 4:18-22; 16 En wandelende bij de Ga- Lc 5*1-11 . â¢â¢ ei* ' lileesclie zee, zag liij Simon en Andreas zijnen broeder, werpende het net in de zee, (want zij waren visschers); 17 en Jezus zeide tot hen: Yolgt mij na, en ik zal maken dat gij visschers der menschen zult worden. 18 En zij terstond hunne netten verlatende, zijn hem gevolgd. 19 En vandaar een weinig voortgegaan zijnde, zag hij Jacobus den zoon van Zebe-deüs, en Johannes zijnen broeder, en dezelve in het schip hunne netten vermakende: 20 en terstond riep hij ze; en zij latende hunnen vader Zebedeils in het schip met de huurlingen, zijn hem nagevolgd. Lc. 4:31-37. 21 En zij kwamen binnen Kapernaiim; en terstond op den sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde hij. . Mt. 7:28,29. 23 En zij stonden verslagen over zijne leer, want hij leerde hen als raagthebbende, en niet als de schriftgeleerden. 23 En er was in hunne synagoge een mensch met een on-reinen geest, en hij riep uit, »â 24 zeggende: Laat af, wat |
hebben wij met u te doen, gij Jezus Nazarener? Zijt gij gekomen om ons te verderven? Ik ken u wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods. 23 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil en ga uit van hem. 26 En de onreine geest hem scheurende, en roepende met een groote stem, ging uit van hem. 27 En zij werden allen verbaasd, zoodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat hij met magt ook den onrelnen geesten gebiedt, en zij hem gehoorzaam zijn! 28 En zijn gerucht ging ter- Mt. 4:24. stond uit in 't geheele omliggende land van Galiléa. 29 En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, Mt kwamen zij in het huis vanLc- -t-38,39. Simon en Andreas, met Jacobus en Johannes. 30 En Simons vrouwsmoeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij hem van haar. 31 En hij tot haar gaande vatte hare hand, en rigtte ze op; en terstond verliet haaide koorts, en zij diende hen. 32 Als het nu avond gewor-Lc. 4:40,41; den was, toen de zon onder- ML 8 ging, bragten zij tot hem allen die kwalijk gesteld en van den duivel bezeten waren. 33 En de geheele stad was bijéénvergaderd omtrent de deur. |
MARCUS 2.
66
|
34 En hij genas er velen die door verscheiden ziekten kwalijk g-esteld waren, en wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij hem kenden. Lc. 4:42-44, 35 En 's morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde ging hij uit en ging henen in een woeste plaats, en bad aldaar. 36 En Simon en die met hem waren zijn hem nagevolgd. 37 En zij hem gevonden hebbende, zeiden tot hem: Zij zoeken u allen. 38 En hij zeide tot hen: Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat ik ook daar predike; want daartoe ben ik nitgegaan. 39 En hij predikte in hunne synagogen, door geheel Gali-léa, en wierp de duivelen uit. Mf._ 8:1-4; 40 En tot hem kwam een Lc. o: 12-16. meiaatsche, biddende hem en vallende voor hem op de knieën, en tot hem zeggende: Indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. 41 En Jezus met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd. 42 En als hij dit gezegd had, ging de melaatschheid terstond van hem, en hij werd gereinigd. 43 En als hij hem streng verboden had, deed hij hem terstond van zich gaan, 44 en zeide tot hem: Zie dat |
gij niemand iets zegt; maar ga henen en vertoon uzelven den priester, en offer voor uwe reiniging hetgeen Mozes Lev. i4:io, geboden heeft, hun tot een 21' 22' getuigenis. 45 Maar hij uitgegaan zijnde begon vele dingen te verkondigen en dat woord te verbreiden, alzoo dat hij niet meer openlijk in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen, en zij kwamen tot hem van alle kanten. HOOFDSTUK 2. 1 En na sommige dagen is hij Mt- g. 1.8. wederom binnen Kapernaüm ®: gekomen. En het werd gehoord dat hij in huis was; 2 en terstond vergaderden daar velen, alzoo dat ook zelfs de plaatsen omtrent de deur Jien niet meer konden bevatten; en hij sprak het woord tot hen. 3 En er kwamen sortimiyen tot hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd. 4 En niet kunnende tot hem genaken wegens de schare, ontdekten zij het dak waar hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder waar de geraakte op lag. 5 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uwe zonden zijn u vergeven. 6 En sommigen van de schriftgeleerden zaten aldaar, |
MAECUS 2.
67
|
cn overdachten in hunne harten: 7 Wat spreekt deze aldus r/Offelasteringen ? Wie kan de zonden vergeven dan alleen God? 8 En Jezus terstond in zijnen geest bekennende dat zij alzóó in zichzelve overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uwe harten? 9 Wat is ligter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en neem uw beddeken op, en wandel? 10 Doch opdat gij moogt weten dat de Zoon des menschen magt heeft om de zonden op de aarde te vergeven (zeide hij tot den geraakte) : 11 Ik zeg u, sta op en neem uw beddeken op, en ga henen naar uw huis. 12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zoodat zij zich allen ontzetteden, en verheerlijkten God, zeggende : Wij hebben nooit zulks gezien. 13 En hij ging wederom uit naar de zee; en de geheele schare kwam tot hem, en hij ; leerde ze. Mt. 9:9-13: 14 En voorbijgaande, zag i Lc. 5:27-32. i , â , . f hij Levi den zoon van Al-feüs zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg mij. En hij opstaande volgde hem. 15 En het geschiedde als hij ; |
aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en zijne discipelen; want zij waren velen, en waren hem gevolgd. 16 En de schriftgeleerden en de farizeërs, ziende hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot zijne discipelen : Wat is H, dat hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt? 17 En Jezus dat hoorende, zeide tot hen: Wie gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar wie ziek zijn. Ik ben niet gekomen om te roepen regt-vaardigen, maar zondaars tot bekeering. 18 En de discipelen van Mt. 9:14-17; Johannes en van de farizeërsLc' o:33quot;38' vastten; en zij kwamen en zeiden tot hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en van de farizeërs, en uwe discipelen vasten niet? 19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten terwijl de bruidegom bij hen is? Zoolan-gen tijd zij den bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten; 20 maar de dagen zullen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in die dagen. 21 En niemand naait een lap ongevold laken op een oud kleed; anders scheurt des-zelfs nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed. |
MARCUS 3.
68
|
en er wordt een erger scheur. 23 En niemand doet nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders doet de nieuwe wijn de lederen zakken ' bersten, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven ; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen. iit. 12; 1-8; 33 En liet gescliiedde dat Lc 6* 1-5 .. hij op een sabbatdag door liet gezaaide ging, en zijne discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken. 34 En de farizeërs zeiden tot liem; Zie, waarom doen zij op den sabbatdag wat niet geoorloofd is? 35 En hij zeide tot lien: Hebt gij nooit gelezen wat 1 Sam. 21:6. David gedaan lieeft, als liij nood liad, en hem hongerde en dengenen die met hem waren ? 36 hoe hij ingegaan is in het huis Gods, ten tijde van Abjathar den hooge-priester, en de toonbrooden gegeten heeft, die 't niemand geoorloofd is te eten dan den priesteren, en ook gegeven heeft dengenen die met hem waren ? 27 En hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den mensch, niet de mensch om den sabbat: 28 zoo is dan de Zoon des menschen een Heer ook van den sabbat. |
HOOFDSTUK 3. 1 En hij ginar wederom in Mt. 12:9-14; i th 11 Lc.C:G-ll. de synagoge. En aldaar was een mensch hebbende een verdorde hand; 2 en zij namen hem waar, of hij op den sabbat hem genezen zoude, opdat zij hem beschuldigen mogten. 3 En hij zeide tot den mensch die de verdorde hand had: Sta op in het midden. 4 En hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatda- , gen goedtedoen of kwaadte-doen? een mensch te behouden of te dooden? En zij zwegen stil. 5 En als hij ze met toorn rondom aangezien had, metéén bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide hij tot den mensch: Strek uwe hand uit; en zijne hand werd hersteld gezond gelijk de andere. 6 En de farizeërs uitgegaan zijnde, hebben terstond met de herodianen tezamen raad gehouden tegen hem, hoe zij hem zouden dooden. 7 En Jezus vertrok met Lc. 6:17-19; ,. . , , Mt.12:15,16. zijne discipelen naar de zee, en hem volgde een groote menigte van Galiléa, en van Judéa, 8 en van Jeruzalem, en van Iduméa, en van over den Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, een groote menigte, gehoord hebbende hoegroote dingen hij deed, kwamen tot hem. |
MARCUS 3.
69
|
9 En hij zeide tot zijne .Q_14. discipelen, dat een sclieep-6-«.' leen steeds omtrent kern blijven zoude, om der scbare wil, opdat zij liem niet zouden verdringen; 10 want hij had er velen genezen, alzoo dat al degenen die eenige kwalen hadden hem overvielen, opdat zij hem mogten aanraken. 11 En de onreine geesten, als zij hem zagen, vielen voor hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zoon Gods. 13 En hij gebood hun scher-pelijk dat zij hem niet zouden openbaar maken. Lc.6:12-16; 13 En hij klom op den berg, Mt. 10:1-5. en riep zich wie hij wilde; en zij kwamen tot hem. 14 En hij stelde er twaalf, opdat ze met hem zouden zijn, en opdat hij dezelve Lc.9 ;2.1. zoude uiteenden om te prediken , 15 en om magt te hebben de ziekten te genezen en de duivelen uittewerpen. 16 En Simon gaf hij den foenaam Petrus; 17 en Jacobus den zoon van Zebedeüs, en Johannes den broeder van Jacobus, en gaf hun toenamen Boanerges, 't welk is, zonen des donders; gt; 18 en Andreas, en Eilip- pus, en Bartholomeüs, en Mattheüs, en Thomas, en Jacobus den zoon van Al-feüs, en Thaddeiis, en Simon Kananites, |
19 en Judas Iskariot, die hem ook verraden heeft. 20 En zij kwamen in huis, en er vergaderde wederom een schare, alzoo dat zij ook zelfs niet konden brood eten. H- 6:31. 21 En als degenen die hem bestonden dit hoorden, gingen zij uit om hem vastte-houden; want zij zeiden; Hij is buiten zijn zinnen. 22 En de schriftgeleerden die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft lc Beëlzebul, en door den overste der duivelen werpt hij de duivelen uit. 23 En hen tot zich geroepen hebbende, zeide hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen? 24 En indien een koningrijk tegen zichzelf verdeeld is, zoo kan dat koningrijk niet bestaan; 25 en indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zoo kan dat huis niet bestaan; 26 en indien de' satan tegen zichzelven opstaat en verdeeld is, zoo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde. 27 Er kan niemand in het huis van een sterke ingaan en zijne vaten ontrooven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis berooven. 28 quot;Voorwaar ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der menschen zullen vergeven worden, en al- |
MAECUS 4.
70
lerlei lastering-en waarmede zij zullen gelasterd liebben;
29 maar zoovvie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.
30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.
Lc^S'igquot;')?' ^00 kwamen dan zijne broeders en zij ne moeder, en bulten staande zonden zij tot hem en riepen hem. 33 En de schare zat rondom hem; en zij zeiden tot Mt. 13:55. hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders daarbuiten zoeken u.
33 En hij antwoordde hun, zeggende: quot;VVie is mijne moeder of mijne broeders?
34 En rondom overzien hebbende die om hem zaten, zeide hij: Zie, mijne moeder en mijne broeders.
35 Want zoo wie den wil Gods doet, die is mijn broeder en mijne zuster en moeder.
HOOFDSTUK 4.
Lc *8 ⢠Vtó' ^ ^11 begon wederom ^te leeren omtrent de zee; en er vergaderde een groote schare bij hem, alzoo dat hij in het schip gegaan zijnde nederzat op de zee; en de geheele schare was op het land aan de zee.
3 En hij leerde hun vele dingen door gelijkenissen, en : hij zeide in zijne leering tot hen:
3 Hoort toe. Zie, een zaai- i
' jer ging uit om te zaaijen.
4 En het geschiedde in het zaaijen, dat het ééne deel van het zcicid viel bij den weg;
en de vogelen des hemels kwamen en aten het op.
5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had;
6 maar als de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had zoo is het verdord.
7 En het andere viel in de doornen, en de doornen wies-sen op en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.
8 En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies, en het ééne droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honierdvoud.
9 En hij zeide tot hen: Wie ooren heeft om te hooren, die hoore.
10 En als hij nu alleen was,
vraagden hem degenen die omtrent hem waren, met de twaalf, naar de gelijkenis.
11 En hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het koningrijk Gods; maar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen,
12 opdat zij ziendejes.6:y la zien en niet bemerken, en hoorende hooren en niet verstaan,
opdat zij zich niet te
MARCUS 4.
71
|
eeniger tijd bekeeren en Hun de zonden vergeven worden. 13 En liij zeide tot lien: Weet gij deze gelijkenis niet, en lioe zult gij al de gelijkenissen verstaan? 14 De zaaijer is die liet woord zaait. 15 En deze zijn die bij den weg bezaaid worden, waarin liet woord gezaaid wordt, en als zij liet gelioord liebben , zoo komt de satan terstond en neemt het woord weg 't welk in hunne harten gezaaid was. 16 En deze zijn desgelijks die op de steenachtige^Zató-6-en bezaaid worden, welke als zij het woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen, 17 en hebben geen wortel in ziohzelve, maar zijn vooreen tijd; daarna als verdrukking of vervolging komt om des woords wil, zoo worden zij terstond geërgerd. 18 En deze zijn die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen die het woord hooren, 19 en de zorgvuldigheden dezer wereld en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen inkomende, verstikken het woord, en het wordt onvruchtbaar. 20 En deze zijn die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het woord hooren en aannemen, en dragen vruchten, het ééne dertig-, en het |
andere zestig-, en het andere honderdcotó. 21 En hij zeide tot hen:Lc. 8:16-18. Komt ook de kaars opdat ze Mt, ^: 15; onder de korenmaat of onder het bed gezet worde? Is H niet opdat ze op den kandelaar gezet worde ? 22 quot;VVant er is niets verbor- Mt. ity 28; gen dat niet geopenbaard zal worden, en er is niets geschied om verborgen te zijn, maar opdat het in 't openbaar zoude komen. 23 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 24 En hij zeide tot hen: Ziet wat gij hoort. Met wat maat gij meet zal u geme- Lc'etla ten worden, en u die hoort zal meer toegelegd worden. 25 Want zoowie heeft, dien Mt. 13:12; . 25:29 * zal gegeven worden; en wie Lc. 19:26. niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. 26 En hij zeide: Alzóó is het koningrijk Gods, alsof een mensch het zaad in de aarde wierp, 27 en voorts sliep en opstond, nacht en dag, en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe; 28 want de aarde brengt vanzelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. 29 En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daiir is. |
MARCUS 5.
72
|
Mt. 13; 31.32; 30 En hij zeide: Waarbij Lc. 13:18.19. zullen wij nel koningrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve gelijken ? 31 Namelijk bij een mostaardzaad, hetwelk wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden die op de aarde zijn; 32 en wanneer het gezaaid is, gaat het op en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt groote takken , alzoo dat de vogelen des hemels onder zijne schaduw kunnen nestelen. Mt. 13:34. 33 En door vele zulke gelijkenissen sprak hij tot hen het woord, naardat zij het hooren konden; 34 en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet; maar hij verklaarde alles zijnen discipelen in 't bijzonder. Jit. 8:18, 35 En op dien dag, als 't 23-27; i , n ' Lc. 8:22-25.nl1 avond geworden was, zeide hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. 36 En zij de schare gelaten hebbende, namen hem mede, gelijk hij in het schip was; en er waren nog andere scheepkens met hem. 37 En er werd een groote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzoo dat dat het nu vol werd. 38 En hij was in het achterschip slapende op een oorkussen; en zij wekten hem op en zeiden tot hem: Meester, bekommert het u niet dat wij vergaan? |
39 En hij opgewekt zijnde bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil: en de wind ging liggen, en er werd groote stilte. 40 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij zoo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof? 41 En zij vreesden met groote vrees, en zeiden tot elkander: quot;VVie is toch deze, dat ook de- wind en de zee hem gehoorzaam zijn! HOOFDSTUK 5. 1 En zij kwamen over op ut. 8:28-34; de andere zijde der zee, in Lc-8:26-37. het land der Gadarenen. 2 En als hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette hem uit de graven een mensoh met een onreinen geest; 3 dewelke zijne woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen; 4 want hij was menigmaal met boeijen en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken en de boeijen verbrijzeld, en niemand was magtig om hem te temmen; 5 en hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met steenen. 6 Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe en aanbad hem; 7 en met een groote stem roepende, zeide hij : Wat heb ik met u te doen, Jezus, gij Zoon Gods des Allerhoogsten? |
MAECUS 5.
73
|
Ik bezweer ii bij God dat gij mij niet pijnigt. 8 (Want hij zeide tot liem: Gij onreine geest, ga uit van den menscli.) 9 En hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde , zeggende: Mijn naam is Legio, want wij zijn velen. 10 En hij bad hem zeer, dat hij hen buiten dat land niet wegzond. 11 En aldaar aan de bergen was een groote kudde zwijnen weidende; 12 en al de duivelen baden hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij inde-zelve mogen varen. 13 En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee, (er waren er nu omtrent tweeduizend), en versmoorden in de zee. 14 En die de zwijnen weidden zijn gevlugt, en boodschapten zulks in de stad en op het land; en zij gingen uit om te zien wat het was dat er geschied was. 15 En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende en gekleed en wèl bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd. 16 En die het gezien hadden vertelden hun wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen. 17 En zij begonnen hem te |
bidden dat hij van hunne landpalen wegging. 18 En als hij in het schip Lc. 8:38,39. ging, bad hem degeen die bezeten was geweest, dat hij met hem mogt zijn. 19 Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga henen naar uw huis tot de iiwen, en boodschap hnn wat groote dingen u de Heer gedaan heeft, en hoe hij zich uwer ontfermd heeft. 20 En hij ging henen, en begon te verkondigen in 't land van Decapolis wat groote dingern hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen. 21 En als Jezns wederom 5It-9:18-25; i , i . Lc. 8; 40-56. m liet schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een groote schare bij hem; en hij was bij de zee. 22 En zie, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jaïrus; en hem ziende viel hij aan zijne voeten, 23 en bad hem zeer, zeggende : Mijn dochterken is in haar uiterste; ik bid u dat gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leveia. 24 En hij ging met hem, en een groote schare volgde hem, en zij verdrongen hem. 25 En een zekere vronw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had, 26 en veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste ge- |
MAECUS G.
74
|
legd en geen baat gevonden liad, maar met welke het veeleer erger geworden was, 27 deze van Jezus hoorende, kwam onder de scliare van achteren, en raakte zijn kleed aan; 38 want zij zeide: Indien ik maar zijne kleederen mag aanraken, ik zal gezond worden. 39 En terstond is de fontein liaars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar ligchaam, dat zij van die kwaal genezen was. 80 En terstond Jezus bekennende in zichzelven de kracht die van hem uitgegaan was, keerde zich om in de schare, en zeide: Wie heeft mijne kleederen aangeraakt? 31 En zijne discipelen zeiden tot hem; Gij ziet dat de schare ii verdringt, en zegt gij: Wie heeft mij aangeraakt? 33 En hij zag rondom, om haar te zien die dat gedaan had. 33 En de vrouw vreezende en bevende, wetende wat aan haar geschied was, kwam en viel voor hem neder, en zeide hem al de waarheid. 34 En hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede, en wees genezen van deze uwe kwaal. 85 Terwijl hij nog sprak, kwamen eenigeu van het huis van den overste der synagoge, zeggende: Uwe dochter is gestorven, wat zijt gij den Meester nog moeijelijk? 86 En Jezus terstond gehoord |
hebbende het woord dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet, gelooi'alleenlijk. 37 En hij liet niemand toe hem te volgen dan Petrus, en Jacobus, en Johannes den broeder van Jacobus; 38 en kwam in het huis van den overste der synagoge, en zag de beroerte en degenen die zeer weenden en huilden; 89 en ingegaan zijnde zeide hij tot hen: Wat maakt gij beroerte en wat weent gij ? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt. 40 En zij belachten hem;. maar hij, als hij ze allen had uitgedreven, nam bij zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met hem waren, en ging binnen waar het kind lag. 41 En hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar:Ta-litha kumi, 't welk is, overgezet zijnde: Gij dochterken, (ik zeg xi) sta op. 43 En terstond stond het dochterken op en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetteden zich met groote ontzetting. 43 En hij gebood hun zeer dat niemand dat zoude weten, en zeide dat men haar zoude te eten geven. HOOFDSTUK 6. 1 En hij ging vandaar weg, Mt ^^ en kwam in zijn vaderland, Lc-4:16-30. en zijne discipelen volgden hem. 2 En als het sabbat ge- |
1
MAKCUS 6.
75
|
worden was, begon hij in de synagoge te leeren ; en velen die hem lioorden ontzetteden /.ich, zeggende: Yanwaar komen dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit die hem gegeven is, dat ook zulke krachten door zijne handen geschieden ? 3 Is deze niet de timmerman , de zoon van Maria, en de broeder van Jacobus en Joses, en van Judas en Simon? En zijn zijne zusters niet hier bij ons? En zij werden aan hem geërgerd. 4 En Jezus zeide tot hen: Jh. 4:44. Een profeet is niet onge- eerd dan in zijn vaderland en onder zijne magen en in zijn huis. 5 En hij kon aldaar geen kracht doen; dan hij leide weinigen zieken de handen op en genas ze. 6 En hij verwonderde zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, leerende. Mt.10:1,5-15; 7 En hij riep tot zich de Lc. 9 : 1-6. twaalf, en begon hen uitte-zenden twee en twee, en gaf hun magt over de onreine geesten; 8 en hij gebood hun dat zij niets zouden nemen tot den weg dan alleen een staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel; 9 maar dat ze schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn. 10 En hij zeide tot hen: |
Zoowaar gij in een huis zult ingaan, blijft daar totdat gij vandaar uitgaat. 11 En zoowie u niet zullen ontvangen noch u hoeren, vertrekkende vandaar schudt het stof af dat onderaan uwe voeten is, hun tot een getuigenis. quot;Voorwaar zeg ik u, het zal Sodom of Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan die stad. 13 En uitgegaan zijnde predikten zij dat zij zich zouden bekeeren; 13 en zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten ze gezond. Jc. 5:14. 14 En de koning Herodes jit. 14:1, 2; hoorde het (want zijn naam Lc i):7-9-was openbaar geworden) en zeide: Johannes die doopte is van de dooden opgewekt, en daarom werken die krachten in hem; 15 anderen zeiden: Hij is Ella; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of al? een der profeten. 16 Maar als Herodes het hoorde, zeide hij: Deze is Johannes dien ik onthoofd heb; die is van de dooden opgewekt. 17 Want deze Herodes eeni- Mt. 14:3-12; (jeu uitgezonden hebbende, Lc-3 â¢19'20' had Johannes gevangen genomen en hem in de. gevangenis gebonden, uit ooröaak , van Herodias de huisvrouw ' quot; I van zijnen broeder Filippus, |
A
MARCUS 6.
76
|
omdat hij haar getrouwd liad; 18 want Johannes zeide tot Herodes: Het is n niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben. 19 En Herodias leide op hem toe en wilde hem doo-den, en kon niet; 20 want Herodes vreesde Johannes, wetende dat hij een regtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne. 31 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes op den dag zijner geboorte een maaltijd aan-rigtte voor zijne grooten en de oversten over duizend en de voornaamsten van Galiléa; 32 en als de dochter van deze Herodias inkwam en danste, en Herodes en dengenen die medeaanzaten behaagde , zoo zeide de koning tot het dochterken: Eisoh van mij wat gij ook wilt, en ik zal 't u geven; 28 en hij zwoer haar: Zoowat gij van mij zult eischen zal ik u geven, ooi: tot de helft mijns koningrijks. 34 En zij uitgegaan zijnde zeide tot hare moeder: Wat zal ik eischen ? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Dooper. 25 En zij terstond met haast ingaande tot den koning, heeft 'tgeëischt, zeggende: Ik wil dat gij mij nu terstond in een schotel geeft het hoofd van Johannes den Dooper. |
26 En de koning zeer bedroefd geworden zijnde, mg-tans om de eeden en degenen die medeaanzaten, wilde hij haar H zelve niet afslaan; 27 en de koning zond terstond een scherpregter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging henen en onthoofdde hem in de gevangenis, 28 en bragt zijn hoofd in een schotel, en gaf 't zelve j het dochterken, en het doch- [ terken gaf 't zelve hare moe- j der. 29 En als zijne discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood ligchaam weg, en leiden dat in een graf. [ 30 En de apostelen kwa-Mt. 14:13-21; 1 men weder tezamen tot Jezus, e-i-ïa' en boodschapten hem alles, beide wat zij gedaan hadden en wat zij geleerd hadden. 31 En hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten. 82 En zij vertrokken in een schip naar een woeste plaats alleen. 88 En de scharen zagen ze henen varen, en velen werden hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun vóór, en gingen tezamen tot hem. 34lt; En Jezus uitgaande zag |
MAEÃUS 6.
77
|
ju. 9; 36. een groote soliare, en werd | innerlijk met ontferming bewogen over lien, ivant zij waren als scliapen die geen herder hebben; en hij begon hun vele dingen te leeren. 35 En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen zijne discipelen tot hem en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag: 36 laat ze van u, opdat ze henengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en brooden voor zichzelve mogen koopen; want zij hebben niet wat ze eten zullen. 37 Maar hij antwoordende zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot hem: Zullen wij henengaan en koopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven? 38 En hij zeide tot hen: Hoeveel brooden hebt gij ? Gaat henen en beziet het. En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee visschen. 39 En hij gebood hun dat zij ze allen zouden doen ne-derzitten bij gezelschappen op het groene gras. 40 En zij zaten neder in gedeelten, bij honderd tezamen en bij vijftig tezanaen. 4lt;1 En als hij de vijf brooden en de twee visschen genomen had, zag hij op naar den hemel, zegende, en brak de brooden, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen; en |
de twee visschen deelde hij voor allen. 43 En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden; 43 en zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de visschen. 44 En die de brooden gegeten hadden waren omtrent vijfduizend mannen. 45 En terstond dwong hij Mt. 14:22-33; . jh. 6: 14-21. zijne discipelen in het schip te gaan, en vooruittevaren naar de andere zijde tegen- om- Bethsaïda, terwijl hij de schare van zich zoude laten. 46 En als hij denzei ven hun afscheid gegeven had, ging hij op den berg om te bidden. 47 En als het nu avond was geworden, zoo was het schip in 't midden van de zee, en hij was alleen op het land. 48 En hij zag dat zij zich zeer pijnigden om H schip voortte-krijgen (want de wind was hun tegen); en omtrent de vierde nachtwaak kwam hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan. 49 En zij ziende hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer; 50 want zij zagen hem allen, en werden ontroerd. En terstond sprak hij met hen, en zeide tot hen: Zijt welgemoed, ik ben 't, vreest niet. 51 En hij klom tot hen in 't schip, en de wind stilde; en zij ontzetteden zich boven- |
|
mate zeer in zichzelve, en waren verwonderd. 53 Want zij hadden niet gelet op het wonder der broo-den; want hun hart was verhard. Mt.14:34-36. 53 ]jn ajs zij overgevaren waren, kwamen zij in 'tland Gennésareth, en havenden aldaar. 54 En als zij uit het schip gegaan waren, werden zij terstond hem kennende. 5 5 Fm het geheele omliggende land doorloopende, begonnen zij op beddekens degenen die kwalijk gesteld waren omtedragen, ter plaatse waar zij hoorden dat hij was. 56 En zoowaar hij kwam, in vlekken of steden of dorpen, daar leiden zij de kranken op de markten, en baden hem dat zij maar den zoom zijns kleeds aanraken mog-ten; en zoovelen als er hem aanraakten werden gezond. HOOFDSTUK 7. Mt. 15; 1-20. 1 En tot hem vergaderden de farizeërs en sommigen der schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren; 2 en ziende dat sommigen van zijne discipelen met onreine, dat is met ongewas-schen handen brood aten, berispten zij hen. 3 quot;Want de farizeërs en al de Joden eten niet tenzij dat zij eerst de handen dikwijls w7as-schen, houdende de inzetting der ouden; 4 en van de markt kmneude |
:us 7. eten zij niet tenzij dat ze eerst gewassohen zijn; en vele andere dingen zijn er die zij aangenomen hebben te houden , namelijk de wasschingen der drinkbekers en kannen en koperen vaten en bedden. 5 Daarna vraagden hem de farizeërs en de schriftgeleerden : quot;V\ aarom wandelen uwe discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewasschen handen ? 6 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja van u geveinsden geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert mij met Jes. 29:13. de lippen, maar hun hart houdt zich verre van. mij; 7 doch tevergeefs eeren zij mij, leerende leeringen die geboden zijn der menschen; 8 want nalatende 't gebod Gods, houdt gij de inzettingen der menschen, namelijk wasschingen der kannen en drinkbekers, en andere dergelijke dingen doet gij vele. 9 En hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wèl teniet, opdat gij uwe inzetting zoudt onderhouden. 10 Want Mozes heeft gezegd : Eer uwen v a d e r Ex. 20:12. en uwe moeder, en. Wie vader of moeder vloekt, ex. 21:17. die zal den dood sterven. 11 Maar gijlieden zegt: Zoo een mensch tot vader of moeder zegt: Het ü korban (dat |
MAHCUS 7.
79
|
is te zeggen, een gave), zoowat ii van mij zoude kunnen ten nutte komen, die voldoet; 13 en gij laat liem niet meer toe iets aan zijnen vader of zijne moeder te doen, 13 makende alzóó Gods woord krachteloos door uwe inzetting die gij ingezet hebt; en dergelijke dingen doet gij vele. 14 En tot zich de gansche schare geroepen hebbende, zeide hij tot hen: Hoort mij allen en verstaat: 15 er is niets van buiten den mensch in hem ingaande, 't welk hem kan ontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zij n 't welke den mensch ontreinigen. 16 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 17 En toen hij van de schare in huis gekomen was, vraagden hem zijne discipelen van de gelijkenis. 18 En hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzóó onwetend ? Verstaat gij niet, dat alwat van buiten in den mensch ingaat hem niet kan ontreinigen? 19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen. 20 En hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mensch, dat ontreinigt den mensch. 21 TVant van binnen uit het hart der menschen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererij en, doodslagen, |
32 dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid , een boos oog, lastering , hoovaardij, onverstand: 33 al deze booze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mensch. 34 En vandaar opstaande Mt.i5:2l-28. ging hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon: en in een huis gegaan zijnde, wilde hij niet dat het iemand wist, en hij kon nogtans niet verborgen zijn. 35 Want een vrouw welker dochterken een onreinen geest had, van hem gehoord hebbende , kwam en viel neder aan zijne voeten. 36 Deze nu was een Griek-sche vrouw, van geboorte uit Syro-Eenicië; en zij bad hem dat hij den duivel uitwierp uit hare dochter. 27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk, dat men het brood der kinderen neme en den hondekens roonverpe. 28 Maar zij antwoordde en zeide tot hem: Ja Heer, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen. 29 En hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga henen: de duivel is uit uwe dochter uitgevaren. 30 En als zij in haar huis kwam, vond zij dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed. 31 En hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, |
MARCUS 8.
8Ã
|
kwam aan de zee van Galiléa, door het midden der landpalen van Deeapolls. 33 En zij bragten tot liem een doove, die zwaarlijk sprak, en baden hem dat hij de hand op hem leide. 33 En hem van de schare alléén genomen hebbende, stak hij zijne vingeren in zijne ooren, en gespuwd hebbende raakte hij zijne tong aan; 34 en opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte hij, en zeide tot hem: Efl'atha, dat is, word geopend. 35 En terstond werden zijne ooren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak regt. 36 En bij gebood hun dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat hij hun ook gebood, zoo verkondigden zij het destemeer. Jit. 15:31 37 En zij ontzetteden zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wèl gedaan, en hij maakt dat de doo-ven hooren en de stommen spreken. HOOFDSTUK 8. Mt. 15:32-38 ^ dagen, als er een zeer groote schare was, en 1 zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne dis- { cipelen tot zich, en zeide tot hen: 2 Ik word innerlijk met ! ontferming bewogen over de schare, want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en \ hebben niet wat zij eten zouden; |
3 en indien ik ze nuch-teren naar hun huis laat gaan, zoo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre. 4 En zijne discipelen antwoordden hem: Vanwaar zal iemand deze met brooden hier in de woestijn kunnen verzadigen ? 5 En hij vraagde hun: Hoeveel brooden hebt gij ? En zij zeiden: Zeven. 6 En hij gebood de schare nedertezitten op de aarde. En hij nam de zeven brooden, en gedankt hebbende brak hij ze, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen, en zij leiden ze der schare voor. 7 En zij hadden weinige vischkens; en als hij gezegend had, zeide hij dat zij ook die zouden voorleggen. 8 En zij hebben gegeten en zijn verzadigd geworden; en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden. 9 Die nu gegeten hadden waren omtrent vierduizend; en hij liet ze gaan. 10 En terstond in het schip Mt. 15:39, gegaan zijnde met zijne dis- 16:1quot;12-cipelen, is hij gekomen in de deelen van Dalmanutha. 11 En de farizeërs gingen uit en begonnen met hem te twisten, begeerende van hem een teeken van den hemel, hem verzoekende. 13 En hij zwaar zuchtende in zijnen geest, zeide: Wat |
MAECUS 8.
81
|
begeert dit geslaclit een teeken? Voorwaar ik zeg u, zoo aan dit geslacht een teeken gegeven zal worden! 13 En liij verliet lien, en wederom in 't schip gegaan zijnde voer hij weg naar de andere zijde. 14 En zijne discipelen hadden vergeten brood medete-nemen, en hadden niet dan één brood met zich in bet schip. 15 En hij gebood hun, zeg-Lc. 12:1. gende: Ziet toe, waclit u van den zuurdeesem der fa-rizeërs en van den zuurdeesem van Herodes. 16 En zij overleiden onder elkander, zeggende: Is omdat wij geen brooden hebben. 17 En Jezus dat bekennende, zeide tot ben: Wat overlegt gij dat gij geen brooden bebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet? bebt gij nog uw verbard hart? 18 Oogen hebbende ziet gij niet, en ooren hebbende boort gij niet? 19 En gedenkt gij niet, toen H.6:38-44. ik de vijf brooden brak onder de vijfduizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeggen hem: Twaalf. vs. 5-8. 20 En toen ik de zeven Irak onder de vierduizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven. 21 En hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet ? |
23 En hij kwam te Beth-saïda, en zij bragten tot hem een blinde, en baden hem dat bij hem aanraakte. 23 En de hand des blinden genomen hebbende, leidde hij hem uit buiten het vlek, en spuwde in zijne oogen, en Jh.9:6. leide de handen op hem, en vraagde hem of hij iets zag. 24 En hij opziende zeide; Ik zie de menschen, want ik zie ze als boomen, wandelen. 25 Daarna leide hij de handen wederom op zijne oogen, en deed hem opzien; en hij werd hersteld, en zag ze allen, ver en klaar. 26 En hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek. 27 En Jezus ging uit en )Iti6:13.27; zijne discipelen naar de vlek- Lc. 0:i8-2ö. ken van Gesaréa Eilippi; en op den weg vraagde hij zijne discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de menschen dat ik ben ? 28 En zij antwoordden: Johannes de Dooper; en anderen : Elia; en anderen: Een van de profeten. 2!) En hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat ik ben? En Petrus antwoordende zeide tot hem: Gij zijt de Christus. 30 En hij gebood hun scher-pelijk, dat zij 't niemand zouden zeggen van hem. 31 En hij begon bun te leeren, dat de Zoon des menschen veel moest lijden, en |
6
MARCUS 9.
82
|
verworpen worden van de j ouderlingen en overpriesteren en schriftgeleerden, en ge- j dood worden, en na drie | dagen wederopstaan; 32 en dit woord sprak hij vrijuit. En Petrus hem tot | zich genomen hebbende, be- [ gon hem te bestraffen. 33 Maar hij zich omkeeren-de en zijne discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende : Ga henen achter mij, satan, want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn. 84 En tot zich geroepen hebbende de schare met zijne discipelen, zeide hij tot hen: Zoowie achter mij wil komen , die verloochene zich-Mt. 10:38,39. zei ven, en neme zijn kruis op en volge mij. Lc. 17:33. 35 Want zoowie zijn leven zal willen behouden, die zal 't zelve verliezen; maar zoo- I wie zijn leven zal verliezen I om mijnentwil en om des evangelies wil, die zal 't zelve behouden. 36 Want wat zoude het den mensch baten, zoo hij de ge-heele wereld won en aan zijne ziel schade leed? 37 Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel? Mt. 10:33 : 38 Want zoowie zicli mijns Lc. 12:9. â¢â¢ 11 en mijner woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal zich de Zoon des menschen óók schamen, wanneer hij zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige engelen. |
HOOFDSTUK 9. 1 En hij zeide tot hen: Mt. 16:28: Voorwaar ik zeg u, dat er Lc' 9:27' sommigen zijn van degenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien dat het koningrijk Gods met kracht' gekomen is. Mt. M L 2 Pet. 1: 17, 18. 2 En na zes dagen Jezus met zich Petrus en Jacobus en Johannes, en bragt ze op een hoogen berg bezijden alleen. En hij werd voor hen van gedaante veranderd; 3 en zijne kleederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde zóó wit maken kan. 4 En van hen werd gezien Elia metMozes, en zij spraken met Jezus. 5 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Eabbijhetis goed dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken, voor u een, en voor Mozes een, en voor Elia een. 6 Want hij wist niet wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd. 7 En er kwam een wolk die ze overschaduwde, en eene stem kwam uit de wolk, zeggende : Deze is mijn geliefde Zoon; hoort hem. 8 En haastelijk rondomziende, zagen zij niemand meer dan Jezus alleen bij zich. 9 En als zij van den berg nam Mt.l7:l-9; Lc. 9:28-30. |
I
MAKCXJS 9.
83
|
afkwamen, gebood hij hun | dat zij niemand verhalen zouden 't geen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des menschen uit de dooden zoude opgestaan zijn. 10 En zij behielden dit woord bij zichzelve, vragende onder elkander wat het was, uit de dooden opstaan? vraagden liem, Z1,l -9: -36. Mt.17:10-13. 11 En zeggende; Waarom zeggen de Mal. 4:5. schriftgeleerden dat Elia eerst komen moet? 13 En hij antwoordende zei-de tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles wederoprig-ten ; en zalyeschieden gelijk geschreven is van den Zoon des menschen, dat hij veel lijden zal en veracht worden. 13 Maar ik zeg u dat ook Elia gekomen is, en zij hebben hem gedaan alwat zij gewild hebben, gelijk van hem geschreven is. Mt.17:14-21; 14 En als hij bij de disci- Lc. 9:37-42. , i , pelen gekomen was, zag hij een groote schare rondom hen, en eeniye schriftgeleerden met hen twistende. 15 En terstond de gebeele schare liem ziende werd verbaasd , en toeloopende groetten zij hem. 16 En hij vraagde de schriftgeleerden : Wat twist gij met deze? 17 En een uit de schare antwoordende zeide: Meester, ik heb mijnen zoon tot u ge-bragt, die een stommen geest heeft; : 2S: 27. |
18 en waar hij hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst met zijne tanden en verdort; en ik heb uwen discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij konden niet. 19 En hij antwoordde hem en zeide: O ongeloovig geslacht, hoelang zal ik nog bij ulieden zijn, hoelang zal ik u nog verdragen? Brengt hem tot mij. 20 En zij bragten denzel-ven tot hem; en als hij hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. 21 En hij vraagde zijnen vader; Hoelangen tijd is 't dat hem dit overkomen is? En hij zeide: Van zijne kindschheid af; 22 en menigmaal heeft hij hem ook in 't vuur en in 't water geworpen, om hem te verderven; maar zoo gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons. â 23 En Jezus zeide tot hem: Zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft. 24 En terstond de vader des kinds roepende met tranen zeide: Ik geloof Heer, kom mijne ongeloovigheid te hulp. 25 En Jezus ziende dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinengeest, zeggende tot hem: Gij stomme en doove geest, ik beveel u, ga uit van hem |
MARCUS 9.
84
|
en kom niet meer in liem. 26 En hij roepende, en hem zeer scheurende, ging uit; en het hind werd als dood, alzoo dat velen zeiden dat het gestorven was. 27 En Jezus hem bij de hand grijpende, rigtte hem op, en hij stond op. 28 En als hij in huis gegaan was, vraagden hem zijne discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 29 En hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door bidden en vasten. Mt. 17:22,23; 30 En vandaar weggaande, Lc. 9:43-45. reisden zij door Galiléa, en hij wilde niet dat het iemand wist; 31 want hij leerde zijne discipelen en zeide tot hen: De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen, en zij zullen hem dooden, en gedood zijnde zal hij ten derden dage wederopstaan. 33 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden hem te vragen. Mt. 18:1-9; 33 En hij kwam te Kaper-Lc. 9:4-SO-naüm) en in ]m;s gekomen zijnde, vraagde hij hun: Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg? 34 Doch zij zwegen; want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de meeste zoude zijn. 35 En nedergezeten zijnde riep hij de twaalf, en zeide |
tot hen: Indien iemand wilh. 10:43,44; de eerste zijn, die zal deMt' 20'2,;-27-laatste van allen zijn, en aller dienaar. 36 En nemende een kindeken , stelde hij dat midden onder hen, en omving het met zijne armen, en zeide tot hen: 37 Zoo wie één van zoodanige kinderkens zal ontvangen in mijnen naam, die ontvangt mij: en zoowie mij zal Mt. 10:40; ,a T , / â Jh. 13:20. ontvangen, die ontvangt mij niet, maar dien die mij gezonden heeft. 38 En Johannes antwoordde hem , zeggende: Meester, wij hebben eenen gezien die de duivelen uitwierp in uwen naam, welke ons niet volgt; en wij hebben 't hem verboden , omdat hij ons niet volgt. 39 Doch Jezus zeide: Verbiedt hem niet; want er is niemand die eene kracht doen zal in mijnen naam, enhaas-telijk van mij zal kunnen kwalijk spreken. 40 Want wie tégen ons niet is, die is vóór ons. 41 Want zoowie ulieden een Mt. 10; 42. beker water te drinken zal geven in mijnen naam, omdat gij discipelen van Christus zijt, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen. 42 En zoowie één van deze lc. 17; 2. kleinen die in mij gelooven ergert, het ware hem beter dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware. 43 En indien uwe hand uMt.5:29,30. |
%
MARCUS 10.
85
|
ergert, liouw ze af: liet is u beter verminkt tot het leven integaan, dan de twee lianden hebbende lienentegaan in de hel, in het onuitblusschelijk vuur, Jes. 66:24. 44 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt. 45 En indien uw voet u ergert, houw hem af: het is u beter kreupel tot het leven integaan, dan de twee voeten hebbende geworpen te worden in de hel, in'het onuitblusschelijk vuur, 46 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt. 47 En indien uw oog u ergert, werp het uit: het is u beter maar één oog hebbende in het koningrijk Gods integaan, dan twee oogen hebbende in het helsche vuur geworpen te worden, 4 8 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt. 49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en Lev. 2:13. iedere offerande zal met zout gezouten worden. Lc. 14:34; 50 Het zout is goed; maar Mt. o: 13. inc[ien ilet 20ut onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelve , en houdt vrede onder elkander. HOOFDSTUK 10. Mt. 19:1-9. 1 En vandaar opgestaan zijnde, ging hij naar de landpalen van Judéa, door de overzijde van den Jordaan; 43, 44; : 26.27. : 40; ; 20. |
en de scharen kwamen wederom tezamen bij hem, en gelijk hij gewoon was, leerde hij ze wederom. 2 En de farizeërs tot hem komende, vraagden hem of het een man geoorloofd is zijne vrouw te verlaten, hem verzoekende. 3 Maar hij antwoordende zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden? 4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten, een te schrijven en /eaar te verlaten. 5 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft j hij ulieden dat gebod geschreven ; 6 maar van het begin der schepping heeft God ze manGen'2:21'24-en vrouw gemaakt. 7 Daarom zal een mensch zijn vader en j moeder verlaten, en I zal zijne vrouw aanhan-I gen, 8 en die twee zullen tot één vleesch zijn: alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. 9 't Geen dan God tezamen-gevoegd heeft, schelde de mensch niet. 10 En in het huis vraagden hem zijne discipelen wederom van hetzelve. 11 En hii zeide tot hen: Zoo- Jit. 5:32; .. J , , Lc. 16:18. wie zijn vrouw verlaat en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar. 12 En indien een vrouw haren man zal verlaten en met scheldbrief ^.24:^; |
MAKCUS 10.
86
|
een ander trouwen, die doet overspel. Mt. 19:13-15. 13 En zij bragten kinder- Lc. 18.10-17. ^ ]lem^ opdat hij ze aanraken zoude; en de discipelen bestraften degenen die ze tot hem bragten. 14 Maar Jezus dat ziende, nam liet zeer kwalijk, en zeide tot lien; Laat de kinder-kens tot mij komen, en verhindert ze niet; want derzul-ken is het koningrijk Grods. 15 Voorwaar zeg iku, zoowie het koningrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan. 16 En hij omving ze met zijne armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende hij dezelve. Jit,i9:16-30; 17 En als hij uitginff op Lc.18:18-29. i P , ? 1 clen weg, liep een tot hem, en voor hem op de knieën vallende, vraagde hem: Goede meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve? 18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan één, namelijk God. Ex.20; 12-16. 19 Gij weet de geboden : gij zult geen overspel doen; g ij zult niet d o o d e n; gij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenisgeven; gij zult niemand tekortdoen; eer uwen vader en uwe moeder. 20 Doch hij antwoordende |
zeide tot hem: Meester, al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af. 21 En Jezus hem aanziende beminde hem, en zeide tot hem: Eén ding ontbreekt u: ga henen, verkoop alles wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem 'het kruis op en volg mij. 22 Maar hij treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen. 23 En Jezus rondomziende, zeide tot zijne discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben in het koningrijk Gods inkomen. 24 En de discipelen werden verbaasd over deze zijne woorden. Maar Jezus wederom antwoordende zeide tot hen: Kinderen, hoe zwaar is 't, dat degenen die op het goed hun betrouwen zetten in 't koningrijk Gods ingaan: 25 het is ligter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het koningrijk Gods inga. 26 En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden? 27 Doch Jezus hen aanziende, zeide: Bij de menschen is 't onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God. 28 En Petrus begon tot hem te zeggen: Zie, wij hebben |
MARCUS 10.
87
|
alles verlaten en zijn u gevolgd. 29 En Jezus antwoordende zeide: Voorwaar zeg ik n-lieden, er is niemand die verlaten heeft liuis, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen , of akkers, om mijnentwil en des evangelies wil, 30 of liij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd huizen, en broeders en zusters, en moeders en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. Mt. 20:16; 31 Maar vele eersten zul-Lc. 13:30. jen c|e iaa^en zijn) euvelen die de laatsten zijn de eersten. Mt.20:17-19; 33 En zij waren op den weg, Lc.i8:3i-33.0pgaalu].e naar Jeruzalem, en Jezus ging vóór hen; en zij waren verbaasd, en hem volgende waren zij bevreesd. En de twaalf wederom tot zich nemende, begon hij hun te zeggen de dingen die hem overkomen zouden, 33 zeggende: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal den overpriesteren en den schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen, en hem den heidenen overleveren; Mt.20:20-28. 34 en zij zullen hem bespotten , en hem geeselen, en hem bespuwen, en hem dooden; en ten derden dage zal hij wederopstaan. |
35 En tot hem kwamen Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, zeggende: Meester, wij wilden wel dat gij ons deedt zoowat wij be-geeren zullen. 36 En hij zeide tot hen: Wat wilt gij dat ik u doe? 37 En zij zeiden tot hem: Geef ons dat wij mogen zitten de één aan uwe regter-hand en de ander aan uwe linkertozrf in uwe heerlijkheid. 38 Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet wat gij begeert; kunt gij den drink- Jh. 18:11. beker drinken dien ik drink, en met den doop gedoopt Lc. 12:50. worden waar ik mede gedoopt word? 89 En zij zeiden tot hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker dien ik drink zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden waar ik mede gedoopt word; 40 maar het zitten tot mijne regter- en tot mijne linker-hand staat bij mij niet te geven, maar het zal gegeven tcorden wien het bereid is. 41 En als de andere tien Lc,22:24-26. dit hoorden, begonnen zij het van Jacobus en Johannes zeer kwalijk te nemen. 43 Maar Jezus hen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet dat degenen die geacht worden oversten te zijn der volkeren, heerschappij voeren over hen, en hunne grooten gebruiken magt over hen. 43 Doch alzóó zal 't onder |
MAECUS 11.
|
u niet zijn; maar zoowie on-H. 9 : 35. der u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn; 44 en zoowie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn. 45 Want ook de Zoon des mensclien is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Mt.20:29-34; 46 En zij kwamen te Jeri-Lc.l8:3o-43. CJ10_ £n a]s yj en zjjne (|is_ cipelen en een groote schare van Jericlio uitging, zat de zoon van Timeüs, Eartimeüs de blinde, aan den bedelende. 47 En lioorende dat liet Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, gij Zoon Davids, ontferm u mijner. 48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zoude; maar hij riep zooveeltemeer: Gij Zoon Davids, ontferm u mijner. 49 En Jezus tó/staande zei-de dat men hem roepen zoude ; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed, sta op, hij roept u. 50 En hij zijnen mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus. 51 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Wat wilt gij dat ik u doen zal? En de blinde zeide tot hem: Eab-boni, dat ik ziende mag worden. weg, |
52 En Jezus zeide tot hem: Gra henen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg. HOOFDSTUK 11. 1 En toen zij Jeruzalem ge-naakten, te Bethfagé en Betha-nië aan den Olijfberg, zond hij twee van zijne discipelen uit, 3 en zeide tot hen: Gaat henen in het vlek dat tegen u over is, en terstond als gij in 'tzelve komt, zult gij vinden een veulen gebonden, op hetwelk geen mensch gezeten heeft: ontbindt het en brengt het. 3 En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? zoo zegt dat de Heer hetzelve van noode heeft, en hij zal't terstond herwaarts zenden. 4 En zij gingen henen, en vonden het veulen gebonden bij de deur buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve. 5 En sommigen van degenen die aldaar stonden zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt? 6 Doch zij zeiden tot hen gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten ze gaan. 7 En zij bragten het veulen tot Jezus, en wierpen hunne kleederen daarop; en hij zat op hetzelve. 8 En velen spreidden hunne kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van |
MAECUS 11.
89
|
de boomen en spreidden ze op den weg. 9 En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Ps. 118:26. Hosanna, gezegend is liij die komt in den naam des Hee-ren! 10 Gezegend zij het koningrijk van onzen vader David, 't welk komt in den naam des Heeren! Hosanna in de liooaste hemelen! 11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem en in den tempel; en als hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond Mt. 21:17. was, ging hij uit naar Betha-nië met de twaalf. Mt.21:18,19. 13 En des anderen daags, als zij uit Bethanië gingen, hongerde hem. 13 En ziende van verre een vijgeboom die bladeren had, ging hij om te zien of hij ook iets op denzelve zoude vinden ; en daarbij gekomen zijnde, vond hij niets dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet. 14 En Jezus antwoordende zeide tot denzelve : Niemand ete eeuif/e vrucht meer van u in eeuwigheid. En zijne discipelen hoorden 't. Mt.21:12-17; 15 En zij kwamen te Jeruza- Jh* 2^W-Ãt!' lem; en Jezus in den tempel gegaan zijnde, begon degenen die in den tempel verkochten en kochten uittedrijven, en de tafels der wisselaars en de zitstoelen dergenen die de duiven verkochten keerde hij om, 16 en liet niet toe dat iemand |
eenig vat door den tempel droeg; 17 en hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een Jes.56;76. huis des g e b e d s genaamd worden allen volken? Maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren Jer. 7 : 11. gemaakt. 18 En de schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten hoe zij hem dooden zouden; want zij vreesden hem, omdat de gansche schare ontzet was over zijne leer. 19 En als het nu laat geworden was, ging hij uit buiten de stad. 20 En des morgens vroeg voorbijgaande, zagen zij dat de vijgeboom verdord was van Mt. 21:20-22 de wortels af. 31 En Petrus zulks indachtig geworden zijnde, zeide tot hem: Eabbi , zie, de vijgeboom dien gij vervloekt hebt is verdord. 33 En Jezus antwoordende zeide tot hen : Hebt geloof op God. 33 Want voorwaar zeg ik u, dat zoowie tot dezen berg zal Mt. 17:20. zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal gelooven dat 't geen hij zegt geschieden zal, het zal hem geworden zoowat hij zegt. 31 Daarom zeg ik u, alle dingen die gij biddende begeert, gelooft dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. |
MAECÃS 12.
90
|
25 Eu wanneer gij staat om te bidden, vergeeft indien gij iets hebt tegen iemand; opdat Mt. 6:14,15. ook uw Vader die in de lie-melen is ulieden uwe misdaden vergeve. 26 Maar indien gij niet vergeeft, zoo zal uw Vader die in de hemelen is ook uwe misdaden niet vergeven. Mt. 21:23-27; 27 En zij kwamen wederom 'te Jeruzalem. En als liij in den tempel wandelde, kwamen tot liem de overpriesters en de schriftgeleerden en de ouderlingen, 28 en zeiden tot hem: Door wat magt doet gij deze dingen , en wie heeft u deze magt gegeven, dat gij deze dingen doen zoudt? 29 Maar Jezus antwoordende zeide tot hen: Ik zal u ook één woord vragen; antwoordt mij ook, en zoo zal ik u zeggen door wat magt ik deze dingen doe: 30 de doop van Johannes, was die uit den hemel of uit de meuschen? Antwoordt mij. 31 En zij overleiden onder elkander, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zoo zal hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd ? 32 Maar indien wij zeggen: Uit de menschen, zoo vreezen wij het volk; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een profeet was. 33 En antwoordende zeiden zij tot Jezus: quot;VVij weten 't niet. En Jezus antwoordende zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook |
niet door wat magt ik deze dingen doe. HOOFDSTUK 12. 1 En hij begon door gelii-Mt. 21:33-46 , . , , ? , Lc. 20:9-19.; Kemssen tot hen te zeggen: Een mensch plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en' reisde buitenslands. 3 En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards; 3 maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig henen. 4 Eu hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien steenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde. 5 En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen en sommigen doodden. 6 Als hij dan nog oenen zoon had, die hem lief was, zoo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijnen zoon ontzien. 7 Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam: komt, laat ons hem dooden, en de erfenis zal ons zijn. 8 En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit buiten den wijngaard. |
MARCUS 12.
91
|
9 Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen en de landlieden verderven , en den wijngaard aan anderen geven. 10 Hebt gij ook deze Schrift Ps.H8:22,23. niet gelezen; De steen dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; 11 van den Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen?j 13 En zij zochten hem te | vangen, maar zij vreesden de j schare; want zij verstonden 1 dat hij die gelijkenis op hen i sprak; en zij verlieten hem en gingen weg. Mt.22; 16-22; 13 En zij zonden tot hem Lc. 20:20-26. . , , eemgen der tanzeers en der { herodianen, opdat zij hem in zijne rede vangen zouden. 14 Deze nu kwamen en zeiden tot hem: Meester, wij weten dat gij waarachtig zij t, en naar niemand vraagt; want gij ziet den persoon der men-schen niet aan, maar gij leert | den weg Gods in waarheid: is het geoorloofd den keizer j schatting te geven of niet? Zullen wij geven of niet geven? 15 En hij wetende hunne geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij mij ? Brengt mij een penning, dat ik hem zie. 16 En zij bragten er een. En hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift? En zij zeiden tot hem: Des keizers. |
17 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. En zij verwonderden zich over hem. IS En de sadduceërs kwa-Mt.22:23-32; , , , ,, Lc. 20:27-38. men tot hem, welke zeggen dat er geen opstanding is, en vraagden hem, zeggende: 19 Meester, Mozes heeft ons geschreven, indien ie- Dt. 25 : 5. mands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat z ij n broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijnen broeder kroost verwekken. 20 Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en stervende Het geen kroost na. 21 De tweede nam haar óók, en is gestorven, en ook deze liet geen kroost na, en de derde desgelijks; 22 en al de zeven namen dezelve, en lieten geen kroost na. De laatste van allen is ook de vrouw gestorven. 23 In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij zijn van deze? want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad. 24 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom dat gij de Schriften niet weet noch de kracht Gods? 25 Want als zij uit de dooden zullen opgestaan zijn, zoo |
|
92 MAKG trouwen zij niet, nocli worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen die in de hemelen zijn. 26 Doch aangaande de doo-den, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornbosch tot hem gesproken heeft, zeg- Ex. 3:6. gende: Ik ben de God Abrahams en de God Isailks en de God Ja-k o b s ? 27 God is niet een GW der dooden maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer. Mt.22;34-40; 28 En een der schriftgeleer-Lc 10:20-28. ^en ^ zjj tezamen in woorden waren, en wetende dat hij hun wèl geantwoord had, kwam tot hem en vraagde hem: Welk is het eerste gebod van alle? 29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de Dt. 6;4,5. geboden is: Hoor Israel, de Heer onze God is een éénig Heer; 30 en gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uwe ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uwe kracht. Dit is het eerste gebod. 31 En het tweede hieraan Lev. 19 :18. gelijk, is dit: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod grooter dan deze. 32 En de schriftgeleerde zei-de tot hem: Meester, gij hebt |
JS 12. wèl in waarheid gezegd, dat er een éénig God is, en er is geen ander dan hij; 33 en hem lieftehebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de ziel en uit geheel de kracht, en den naaste lieftehebben als zichzelven, is meer dan al de brandoft'eren en de slagt-ofleren; 34 En Jezus ziende dat hij verstandig geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet ver van het koningrijk Gods. En niemand durfde hem meer vragen. 35 En Jezus antwoordde en Mt.22:41-45; zeide, leerende in den tem-Ll'20 ^1quot;44' pel: Hoe zeggen de schriftgeleerden , dat de Christus een zoon Davids is? 36 Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heer heeft ge- Ps. 110:1. zegdtot mijnen Heer: Zit aan mijne regter-h and, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 3 7 David dan zelf noemt hem zijnen Heer, en hoe is hij zijn zoon? En de menigte dei-schare hoorde hem gaarne. 38 En hij zeide tot hen in zijne leer: Wacht u voor de Lc.20:46,41; schriftgeleerden, die gaarne Mt-23:5-7'M-willen wandelen in lange kleederen , en gegroet zijn op de markten, 39 en de voorgestoelten Jielbeu in de synagogen, en de voor- |
MARCUS 13.
93
|
aanzittingen bij de maaltijden; 40 welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den scliijn van lang te bidden: deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. Lc. 21:1-4. 41 En Jezus gezeten zijnde tegenover de scliatkist, zag hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. 42 En er kwam een arme weduw, die wierp twee kleine penningen daarin, 't welk is een oort. 48 En Jezus zijne discipelen tot zich geroepen hebbende , zeide tot hen: Voorwaar ik zeg u, dat deze arme weduw meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben; 44 want zij allen hebben van hunnen overvloed daarin geworpen; maar déze heeft van haar gebrek alwat zij had daarin geworpen, haren ganschen leeftogt. HOOFDSTUK 13. Lc.'lis-ia 1 En als kij uit den tempel ging, zeide een van zijne discipelen tot hem: Meester, zie, hoedanige steenen en hoedanige gebouwen! 2 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Ziet gij deze groote gebouwen? Er zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 3 En als hij gezeten was op den Olijfberg, tegen den tempel over, vraagden hem Petrus en Jacobus en Johannes en Andréas alleen: |
4 Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teeken, wanneer deze dingen alle voleindigd zullen worden? 5 En Jezus hun antwoordende, begon te zeggen: Ziet toe dat u niemand verleide; 6 want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus, en zullen velen verleiden. 7 En wanneer gij zult hoeren van oorlogen en geruchten van oorlogen, zoo wordt niet verschrikt; want dit moet geschieden, maar nog is het einde niet. 8 Want het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ééne koningrijk tegen het andere koningrijk ; en er zullen aardbevingen zijn in verscheiden plaatsen, en er zullen hongers-nooden wezen en beroerten. Deze dingen zijn maar een begin der smarten. 9 Maar ziet gij voor uzelve toe; want zij zullen u over-Mt.10:17-22. leveren in de raadsvergaderingen en in de synagogen; gij zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden om mijnentwil, hun tot een getuigenis. 10 En het evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken. 11 Doch wanneer zij u lei-lc.12:11,12. den zullen om u overteleve- ren, zoo zijt tevoren niet be- |
MAKCUS 13.
94
|
zorgd wat gij spreken zult, en bedenkt liet niet; maar zoowat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want gij zijt liet niet die spreekt, maar de Heilige Geest. 13 En de eéne broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader liet kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen ze dooden. 18 En gij zult gehaat worden van allen om mijns naams wil; maar wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden. Mt. 24; 15-25; 14 Wanneer gij dan zult Lc. 21:20-24. ⢠i ? , zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den pro-Dan. 9 :27. feet Daniël gesproken is, staande waar liet niet behoort, (wie het leest, die merke daarop), alsdan wie in Judéa zijn, dat ze vlieden op de bergen; Lc. 17:31. 15 en wie op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in om iets uit zijn huis wegtenemen; 16 en wie op den akker is, keere niet weder terug om zijn kleed te nemen. 17 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen. 18 Doch bidt datuwevlugt niet geschiede des winters; 19 want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van 't begin der schepselen die God geschapen heeft, tot |
nu toe, en ook niet zijn zal. 20 En indien de Heer de dagen niet verkort had, geen vleesch zoude behouden worden; maar om der uitverkorenen wil die hij heeft uitverkoren, heeft hij de dagen verkort. 31 En alsdan zoo iemand tot ulieden zal zeggen: Zie Lc. 17:23. hier ïs de Christus, of zie hij is daar, gelooft het niet. 32 Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en zullen teekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen. 33 Maar gijlieden, ziet toe: zie, ik heb u alles voorzegd. 24 Maar in die dagen, na Mt24:29-35; die verdrukking, zal de zon Lc'21:25'33' verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, 25 en de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten die in de hemelen zijn zullen bewogen worden. 26 En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien, komende in de wolken met groote kracht en heerlijkheid. 27 En alsdan zal hij zijne engelen uitzenden, en zal zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde tot het uiterste des hemels. 38 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teêr wordt en de bladeren uitspruiten, |
i
MAECUS 14.
95
|
zoo weet gij dat de zomer nabij is: 29 alzóó ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien ge-scliieden, zoo weet dat het nabij voor de deur is. 30 Voorwaar ik zeg n, dat H. 9;i dit geslacht niet zal voorbijgaan totdat al deze dingen zullen geschied zijn. 31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. Mt. 24:36. 33 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader. 24 : 42 ; 33 Ziet toe, waakt en bidt, Lc. 12: 'io. want gij weet niet wanneer de tijd is. 34 Gelijk een mensch buitenslands reizende zijn huis verliet, en zijnen dienstknechten magt gaf, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood dat hij zoude waken: 35 zoo waakt dan, (want Lc. 12:38. gij weet niet wanneer de heer des huizes komen zal, des avonds laat, of te middernacht, of met het hanege-kraai, of in den morgenstond) , 36 opdat hij niet onvoorziens kome en u slapende vinde. 37 En 't geen ik ü zeg, dat zeg ik allen: waakt. HOOFDSTUK 14. 23. Mt. 26 :1-5; 1 En het pascha en het feest der ongezuurde hrooden Lc. 22 : 1 2. |
was na twee dagen; en de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij hem met listigheid vangen en dooden zouden. 2 Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat er niet misschien oproer onder het volk worde. 3 En als hij te BethaniëJ^-^ S-iS was in het huis van Simon den melaatsche, daar hij aan tafel zat, kwam een vrouw hebbende een albasten flesch met zalf van onvervalschten nardus van grooten prijs; en de albasten flesch gebroken hebbende, goot die op zijn hoofd. 4 En er waren sommigen die dat zeer kwalijk namen bij zichzelve, en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalf geschied? 5 Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die den armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar. 6 Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan mij gedaan. 7 Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt kunt gij hun weldoen; maar mij hebt gij niet altijd. 8 Zij heeft gedaan 't geen zij kon: zij is voorgekomen om mijn ligchaam te zalven, tot een voorhereiding ter begrafenis. 9 Voorwaar zeg ik u, alwaar â 13; â 8. |
1
MAECÃS 14.
96
|
dit evangelie gepredikt zal worden in de gelieele wereld, daar zal ook tot hare ge-dachtenis gesproken worden van 't geen zij gedaan heeft. Mt.26:14-16; 10 En Judas Iskariot, een Lc. 22 : 3-6. van (|e twaalf, ging henen tot de overpriesters, opdat hij hem hun zoude overleveren. 11 En zij dat hoorende waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht hoe hij hem bekwame-lijk overleveren zoude. Mt.26:17-19; 13 En op den eersten dag Lc. 22: /-13. ^ ongezuur(ie irooffe», wanneer zij het pascha slagtten, zeiden zijne discipelen tot hem: Waar wilt gij dat wij henengaan en bereiden, dat gij het pascha eet? 13 En hij zond twee van zijne discipelen uit, enzeide tot hen; Gaat henen in de stad, en u zal een mensch ontmoeten, dragende een kruik water; volgt dien; 14 en zoowaar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes; De Meester zegt; Waar is de eetzaal, waar ik het pascha met mijne discipelen eten zal? 15 En hij zal u wijzen een groote opperzaal, toegerust en gereed; bereidt het ons aldaar. 16 En zijne discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het gelijk hij hun gezegd had, en bereidden het pascha. |
17 En als het avond ge-Mt.26:20-25; n , , . Lc. 22:14, worden was, kwam mj met 21-23; de twaalf. Jh. 13:21-30. 18 En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus; Voorwaar ik zeg u, dat een van u, die met mij eet, mij zal verraden. 19 En zij begonnen bedroefd te worden , en de één na den ander tot hem te zeggen; Ben ik 't ? en een ander; Ben ik 't ? 20 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: H Is een uit de twaalf, die met mij in den schotel indoopt. 21 De Zoon des menschen gaat wel henen gelijk van hem geschreven is, maar wee dien mensch door welken de Zoon des menschen verraden wordt: het ware hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest. 22 En als zij aten nam Je- Mt.26:26-29; , 1 11,quot; Lc.22:15-20; zus brood, en als hij geze- 1 Cor 11. gend had brak hij het, en 23_20' gaf het hun, en zeide; Neemt, eet, dat is mijn lig-chaam. 23 En hij nam den drinkbeker , en gedankt hebbende gaf hun dien, en zij dronken allen uit denzelve. 24 En hij zeide tot hen; Dat is mijn bloed, het bloed des nieuwen testaments, 't welk voor velen vergoten wordt. 25 Voorwaar ik zeg u, dat ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik dezelve nieuw zal drinken in het koningrijk Gods. 26 En als zij den lofzang Mt.26:30-35. Zaol Lc.S Jh.1 Mt. Lc. Jl |
MARCUS 14.
97
|
,. gezongen hadden, gingen zij 3: ,|0 uit naar den Olijfberg. 37 En Jezus zeide tot lien; Gij zult in dezen nacht allen aan mij geërgerd worden; want er is geschreven: Ik Zanh. 13:7. zal den herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden. 38 Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik u voorgaan naar Galilea. Lc.22:31-34; 39 En Petrus zeide tot hem: Jh. 13:36-38. Ofschoon zij allen geërgerd wierden, zoo zal ik toch niet geërgerd worden. 30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar ik zeg u, dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben , gij mij driemaal zult verloochenen. 31 Maar hij zeide nog des-IJ®; temeer: Al moest ik met u 1:' sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen. Mt.26:36-46; 33 En zii kwamen in een Lc 22* 39-46* Jh. is: 1. ' plaats welker naam was Geth-semané, en hij zeide tot zijne discipelen: Zit hier neder totdat ik gebeden zal hebben. 33 En hij nam met zich Petrus en Jacobus en Johannes, en begon ontzet en zeer beangst te worden, 34lt; en zeide tot hen: Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe: blijft hier en waakt. 35 En een weinig voortgegaan zijnde viel hij op de i5- aarde, en bad, zoo het mo |
gelijk ware, dat die ure van hem voorbijginge. 36 En hij zeide: Abba,Jh-12:27,28. Vader, alle dingen zijn u mogelijk: neem dezen drinkbeker van mij weg; doch niet wat ik wil, maar wat gij toilt. 37 En hij kwam en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij ? Kunt gij niet één uur waken ? 38 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. 39 En wederom henenge-gaan zijnde, bad hij, sprekende dezelfde woorden. 40 En wedergekeerd zijnde, vond hij ze wederom slapende , want hunne oogen waren bezwaard; en zij wisten niet wat zij hem antwoorden zouden. 41 En hij kwam ten derden male, en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust: het is genoeg , de ure, is gekomen ; zie, de Zoon des men-schen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. 43 Staat op , laat ons gaan: zie, die mij verraadt is nabij. 43 En terstond als hij nog Mt. 26:47-56; sprak, kwam Judas aan, diejh.'H-l-ïi3' een was van de twaalf, en met hem een groote schare met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en de schriftgeleerden en de ouderlingen. 44 En die hem verried had |
7
*
|
hun een onderling teeken gegeven, zeggende: Wien ik kussen zal, die is 't: grijpt liem, en leidt hem zekerlijk henen. 45 En als hij gekomen was, ging hij terstond tot hem, en zeide; Rabbi, Rabhi, en kuste hem; 46 en zij sloegen hunne handen aan hem, en grepen hem. 47 En een dergenen die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des hoogepriesters en hieuw hem zijn oor af. 48 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar om mij te vangen ? 49 Dagelijks was ik bij ulie-den in den tempel leerende, en gij hebt mij niet gegrepen; maar dit geschiedt opdat de Schriften vervuld zouden worden. 30 En zij hem verlatende zijn allen gevloden. 51 En een zeker jongeling volgde hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem; 53 en hij het lijnwaad verlatende is naakt van hen gevloden. Mt.26^57-68; 53 En zij leidden Jezus he-63-7i' nen tot den hoogepriester, J^«en bij hem vergaderden al de overpriesters en de ouderlingen en de schriftgeleerden. |
iJS 14. 54 En Petrus volgde hem van verre tot binnen in de zaal des hoogepriesters, en hij was medezittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur. 55 En de overpriesters en de geheele raad zochten getuigenis tegen Jezus, om hem te dooden, en vonden niet; 56 want velen getuigden. valschelijk tegen hem, en de getuigenissen waren niet eenparig. 57 En eenigen opstaande getuigden valschelijk tegen hem, Jh. zeggende: 58 Wij hebben hem hooren zeggen: Ik zal dezen tem- Jh. 2:19. pel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen. 59 En ook alzoo was hunne getuigenis niet eenparig. 60 En de hoogepriester in 't midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt gij niets ? Wat getuigen deze tegen u ? 61 Maar hij zweeg stil en antwoordde niets. Wederom vraagde hem de hoogepriester en zeide tot hem: Zijt gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods? 62 En Jezus zeide: Ik ben't; en gijlieden zult den Zoon n. i;);2G; des menschen zien zitten 7 ; la ter regter/^a^rf der kracht ps. U0:l. Gods, en komen met de wolken des hemels. 63 En de hoogepriester verscheurende zijne kleederen. |
MARCUS 15.
99
Mt.2(i: 69-75; Lc.22:55-62: Jh. 18:15-18. 25-27.
6 En
liet hij Mt.27:15-26; 1 quot;quot; 17-25; 39, -M.
op
zeide: Wat hebben wij nog getuigen van noode?
64 Gij liebt de lt;/c«Mastering gehoord: wat dunkt ulieden ? En zij allen veroordeelden hem des doods schuldig- te zijn.
65 En sommigen begonnen hem te bespuwen, en zijn aangezigt te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot hem te zeggen: Profeteer; en de dienaars gaven hem kinnebakslagen.
: 66 En als Petrus beneden in ;de zaal was, kwam een van de dienstmaagden des hooge-priesters;
67 en ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zeide: Ook gij waart met Jezus den Nazarener.
68 Maar hij heeft het geloochend, zeggende: Ik ken Jiem niet, en ik weet niet wat gij zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de liaan kraaide.
69 En de dienstmaagd hem wederom ziende, begon te zeggen tot degenen die daarbij stonden: Deze is één van die.
70 Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna die daarbij stonden zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk gij zijt één van die; want gij zijt óók een Galileër, en uwe spraak gelijkt.
71 En hij begon zichzelven te vervloeken, en te zweren: Ik ken dezen mensch niet dien gij zegt.
73 En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd
indachtig aan het woord 't welk Jezus tot hem gezegd had: Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben zult gij mij driemaal verloochenen.
En hij zich vandaar makende,
weende.
HOOFDSTUK 15.
1 En terstond des morgens Mt.27:i,2, vroeg hielden de overpriesters tezamen raad met de ouder-Jh-18:28 quot;⢠lingen en schriftgeleerden, en de geheele raad; en Jezus gebonden hebbende, bragten zij hem henen, en gaven hem, aan Pilatus over.
3 En Pilatus vraagde hem:
Zijt gij de Koning der Joden? En hij antwoordende zeide tot hem; Gij zegt het.
3 En de overpriesters beschuldigden hem van vele zaken, maar hij antwoordde niets.
4 En Pilatus vraagde hem wederom, zeggende; Antwoordt gij niets? Zie hoevele zaken zij tegen u getuigen.
5 En Jezus heeft niets meer geantwoord, zóodat Pilatus zich verwonderde.
zij ook begeerden.
7 En er was een genaamd Barabbas, gevangen met au-dere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan hadden.
8 En de schare riep uit, en begon te begeeren dat hij deed gelijk hij hun altijd gedaan had.
hun een gevangene los, wien jh'il-17'25
het feest
MAECUS 15.
100
|
9 En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt gij dat ik u den Koning der Joden loslate ? 10 (Want hij wist dat hem de overpriesters door nijd overgeleverd hadden.) 11 Maar de overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Barabbas zoude loslaten. 13 En Pilatus antwoordende zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan dat ik met hem doen zal, dien gij een Koning der Joden noemt? 13 En zij riepen wederom : Kruis hem. 14 Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? En zij riepen temeer: Kruis hem. 15 Pilatus im willende der schare genoegen doen, heeft hun Barabbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij hem gegeeseld had, om gekruist te worden. Mt.27:27-31; 16 En de krijgsknechten Jh.i9:2,3. ]lem binnen in de zaal, welke is het regthuis, en riepen de gansche bende tezamen; 17 en deden hem een purperen mantel aan, en eene doornenkroon gevlochten hebbende, zetteden hem die op; 18 en begonnen hem te groeten, zeggende: Wees gegroet gij Koning der Joden; 19 en sloegen zijn hoofd met een rietstok, en bespuwden hem, en vallende op de knieën aanbaden hem. |
20 En als zij hem bespot hadden, deden zij hem den purperen mantel af, en deden hem zijne eigene kleederen aan, en leidden hem uit om hem te kruisigen. 21 En zij dwongen eenen Mt,27:32-38; Simon van Cyrene, die cte?'32-34^36,38; voorbijging, komende van den Jh-19:17-24-akker, den vader van Alexander en Kufus, dat hij zijn kruis droeg. 22 En zij bragten hem tot de plaats Golgotha, 't welk is overgezet zijnde Hoofdschedelplaats. 23 En zij gaven hem ge-mirreden wijn te drinken: maar hij nam dien niet. 24 En als zij hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zoude. 25 En het was de derde ure, en zij kruisigden hem. 26 En het opschrift zijner beschuldiging was boven hem geschreven: De Koning der Joden. 27 En zij kruisigden met hem twee moordenaars, één aan zijne regter- en één aan zijne linker^'cfe. 28 En de Schrift is vervuld geworden, die zegt: En hij Jes. 53:-12. is met de misdadigen ge rekend. 29 En die voorbijgingen las-Mt.27:39-44; Lc 23 â 35 terden hem, schuddende hun- 37, 39. ' ne hoofden, en zeggende: Ha, gij die den tempel afbreekt h, 14:58. en in drie dagen opbouwt, M Li |
â
MAKCUS 15.
101
|
30 belioud uzelven en kom af van liet kruis. 31 En insgelijks ook de overpriesters met de schriftgeleerden zeiden tot elkander al spottende: Hij heeft anderen verlost, ziclizelven kan liij niet verlossen; 32 de Christus, de Koning Israels kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en gelooven mogen. Ook die met hem gekruist waren smaadden hem. Mt.27;45-54 ; 33 En als de zesde ure ge- Lc.23:4'»-47. waS) Werd er duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe. 3-1 En ter negende ure riep Jezus met groote stem, Ps. 22:2. zeggende : E1 o ï , E1 o ï, lamma sabachtani, 't welk is overgezet zijnde: m ij n God, m ij n God, waarom hebt gij mij ver 1 aten! 35 En sommigen van wie daarbij stonden clii hoorende, zeiden: Zie, hij roept Elia. Jh. 19:29,30. 36 En er liep een en vulde een spons met edik, en stak ze op een rietstok, en gaf hem te drinken, zeggende: Houdt stil, laat ons zien of Elia komt om hem afte-nemen. 37 En Jezus een groote stem van zic/i gegeven hebbende, gaf den geest. 38 En het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden. |
39 En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover hem stond, ziende dat hij alzoo roepende den geest gegeven had, zeide:Waarlijk deze mensch was Gods Zoon. ;-38; 26, 1-2A. 40 En er waren ook vrou-Mt.27:55,56; wen van verre dit aanschou- wende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus den kleine en van Joses, en Salome, 41 welke ook, toen hij in Ga-liléa was, hem waren gevolgd en hem gediend hadden, en vele andere vrouwen die met hem naar Jeruzalem opgekomen waren. 43 En als het nu avond was Mt.27:57-61; geworden, dewijl het de voor- jh.'i9:'38-42.' bereiding was, welke is de vóórsabbat, 43 kwam Jozef die van Arimathéa was, een aanzienlijk raadsheer, die ook zelf het koningrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende ging hij in tot Pilatus en begeerde het ligchaam van Jezus. 44 En Pilatus verwonderde zich dat hij aireede gestorven was, en den hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem of hij lang gestorven was; 45 en als hij 't van den hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het ligchaam. 46 En hij kocht fijn lijnwaad, en hem afgenomen hebbende, wond /iem in dat fijne lijnwaad, en leide hem in een graf 't welk uit een steenrots |
MAKCUS 16.
102
|
gehouwen was, en hij wentelde een steen tegen de deur des grafs. 47 En Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses aanschouwden waar hij gelegd werd. HOOFDSTUK 16. Mt. 28:1-8; 1 En als de sabbat voor-Lc ' 1 10 â ' quot; quot;bijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en hem zalfden. 3 En zeer vroeg op den eersten day der week kwamen zij tot het graf, als de zon opging, 3 en zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen ? 4 (En opziende zagen zij dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot. 5 En in 't graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling zittende ter regtergycfe, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd. 6 Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd. Gij zoekt Jezus den Nazarener die gekruist was: hij is opgestaan, hij is hier niet; zie, de plaats waar zij hem gelegd hadden. 7 Doch gaat henen, zegt zijnen discipelen en Petrus, dat hij u voorgaat naar Ga-liléa: aldaar zult gij hem zien, h. 14:28. gelijk hij ulieden gezegd heett. 8 En zij haastig uitgegaan |
zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd. 9 En als Jezus opgestaan was 's morgens vroeg op den eersten dag der week, verscheen hij eerst aan Maria Jh.20:11-18. Magdalena, uit welke hij zeven duivelen uitgeworpen had. 10 Deze henengaande boodschapte het dengenen die met hem geweest waren, welke treurden en weenden. 11 En als deze hoorden dat hij leefde en van haar gezien was, geloofden zij 't niet. 13 En nadezen is hij geopenbaard in een andere gedaante aan twee van hen,Lc.24:i3-35. daar zij wandelden en in het veld gingen. 18 Deze ook henengaande boodschapten 't den anderen, maar zij geloofden ook die niet. 14 Daarna is hij geopenbaard aan de elf daar zij aanzaten, en verweet hun hunne ongeloovigheid en hardigheid der harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen die hem gezien hadden nadat hij opgestaan was. 15 En hij zeide tot hen: Gaat henen in de geheele Mt. 28:19; wereld, predikt het evange- Lc-2i-47-j lie allen creaturen. 16 Wie geloofd zal hebben, Jh.3:5,18. j en gedoopt zal zijn, zal zalig i worden; maar wie niet zal |
LUCAS 1.
103
|
geloofd hebben, zal verdoemd worden. 17 En degenen die geloofd zullen Lebben, zullen deze teekenen volgen: in mij-h. 3:15. nen naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuvre tongen zullen zij spreken; Lc. 10:19. 18 slangen zullen zij opnemen ; en al is 't dat zij iets doodelijks zullen drinken, dat zal liun niet seliaden; op kranken zullen zij de banden |
leggen, en zij zullen gezond worden. 19 De Heer dan nadat liij Lc. 24:50,51; tot lien gesproken had, is Hd'1:9' opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de regter/inwrf Gods. 30 En zij uitgegaan zijnde predikten overal, en de Heer werkte mede, en bevestigde liet woord door teekenen die daarop volgden. Amen. |
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR DE BESCHRIJVING VAN
LUCAS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Naardemaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen die on- I 0 der ons volkomen zekerheid hebben, 9 2 gelijk ons overgeleverd a'. hebben die van den be ginne zelve aanschonwers en dienaars des woords ge-18 â¢â¢ weest zijn: 3 zoo heeft het ook mij |
goedgedoclit, hebbende alles Hd. 1:1,2. van voren aan naarstig on-derzoclit, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Tlieofilus, 4 opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen waarvan gij onderwezen zijt. 5 In de dagen van Herodes den koning van Judea was er een zeker priester met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijne 1 Kr. 24:10. |
LUCAS 1.
104
|
vrouw was uit de docliteren Aarons, en haar naam Eliza-bet. 6 En zij waren beiden regt-vaardig voor God, wandelende in al de geboden en regten des Heeren onberispelijk. 7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruolitbaar was en zij beiden ver op hunne dagen gekomen waren. 8 En het geschiedde dat als hij het priesterambt bediende voor God in de beurt zijner dagorde, 9 naar de gewoonte der priesterlijke bediening, op hem het lot was gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel Ex. 30: 7. des Heeren om te reukofferen; 10 en al de menigte des volks was buiten biddende, ter ure des reukoffers. 11 En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter regterzijde van het altaar des reukoffers. 12 En Zacharias kern ziende werd ontroerd, en vrees is op hem gevallen. 13 Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet Zacharias, want uw gebed is verhoord, en uwe vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult ! zijnen naam heeten Johannes; ' 14 en u zal blijdschap en ' verheuging zijn, en velen zullen zich over zijne ge- â boorte verblijden. 15 Want hij zal groot zijn voor den Heer: noch wijn noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den |
Heiligen Geest vervuld worden, ook van den moederschoot af; 16 en hij zal velen der kinderen Israels bekeeren tot den Heer hunnen God; 17 en hij zal vóór hem henengaan in den geest en de kracht van Elia, om te be- Mal. 4:5,6. keereu de harten der vaders tot de kinderen, en de on-gehoorzamen tot de voorzig-tigheid der regtvaardigen, om den Heer te bereiden een toegerust volk. 18 En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijne vrouw is ver op hare dagen gekomen. 19 En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen; 30 en zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot op den dag dat deze dingen geschied zullen zijn; omdat gij mijne woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hunnen tijd. 21 En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd dat hij zoolang vertoefde in den tempel. 22 En als hij uitkwam kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden dat hij een ge-zigt in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom. 23 En het geschiedde als |
|
de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn liuis ging. 24 En na die dagen werd Elizabet zijne vrouw bevrucht; en zij verborg zich. vijf maanden, zeggende: 35 Alzóó heeft mij de Heer gedaan, in de dagen in welke Wj mij aangezien heeft, om mijne versmaadheid onder de menschen wegtenemen. 26 En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galiléa, genaamd Nazareth, Mt. 1:18. 27 tot een maagd, die ondertrouwd was met een man wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria. 28 En de engel tot haar ingekomen zijnde , zeide: Wees gegroet gij begenadigde; de Heer is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen. 29 En als zij Jiem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overleide hoedanig deze groetenis mogt zijn. 30 En de engel zeide tot haar: Vrees niet Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. 31 En zie, gij zult bevracht worden, en een zoon baren, Mt. 1:21. en zult zijnen naam heeten Jezus. 32 Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten ge- 2 Sam. 7: naamd worden, en God de 12,13. Heer zal hem den troon van zijnen vader David geven; 33 en hij zal over het huis |
.S 1. 105 Jakobs Koning zijn in eeuwigheid, en aan zijn koningrijk zal geen einde zijn. 34 En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geenen man beken ? 35 Eu de engel antwoordende zeide tot haar: De Heilige Geest zal over ukomen, Mt. 1 :18,20. en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen: daarom ook dat heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. 36 En zie, Elizabet uwe nicht is ook zelve bevrucht met een zoon in haren ouderdom ; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was , de zesde; 37 want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. 38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren: mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar. 39 En Maria opgestaan zijnde in die dagen, reisde met haast naar het .gebergte in een stad van Juda, 40 en kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet. 41 En 't geschiedde als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zoo sprong het kindeken op in haren schoot; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest, 42 en riep uit met groote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws schoots. |
LUCAS 1.
106
|
43 En vanwaar homt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? 44 Want zie, als de stem uwer groetenis in mijne ooren gescMedde, zoo sprong liet kindeken van vreugde op in mijnen schoot. 45 En zalig is zij die geloofd heeft; want de dingen die haar van den Heer gezegd zijn, zullen volbragt worden. 46 En Maria zeide: Mijn 1 Sam. 2: ziel maakt groot den Heer, 1'10, 47 en mijn geest verheugt zich in God mijnen Zaligmaker, 48 omdat hij de geringheid zijner dienstmaagd heeft aangezien ; want zie, van nu aan zullen mij zaligspreken al de geslachten; 49 want groote dingen heeft aan mij gedaan hij die mag-tig is, en heilig is zijn naam, 50 en zijne barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen die hem vreezen. 51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door zijnen arm; hij heeft verstrooid de hoog-moedigen in de gedachten hunner harten; 53 hij heeft magtigen van de troonen afgetrokken, en nederigen heeft hij verhoogd j 53 hongerigen heeft hij met goederen vervuld, en rijken heeft hij ledig weggezonden. 54 Hij heeft Israel zijnen knecht opgenomen, opdat hij gedachtig ware der barmhartigheid , 5 5 (gelijk hij gesproken heeft |
tot onze vaderen, namelyle tot Abraham en zijn nageslacht), Gen. 22:18. in eeuwigheid. 56 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis. 57 En de tijd van Elizabet werd vervuld dat zij baren zoude, en zij baarde een zoon. 58 En die daar rondom woonden en hare magen hoorden, dat de Heer zijne barmhartigheid grootelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd. 59 En het geschiedde dat zij Lev. 12: 3. op den achtsten dag kwamen om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacharias naar den naam zijns vaders. 60 En zijne moeder antwoordde en zeide: Nietrtfeoo, maar hij zal Johannes heeten. 61 En zij zeiden tot haar: Vs. 1 . Er is niemand in uw maagschap die met dien naam genaamd wordt. 63 En zij wenkten zijnen vader, hoe hij wilde dat hij genaamd zoude worden. 63 En als hij een schrijftafelken geëischt had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. 64 En terstond werd zijn mond geopend en zijne tong losgemaakt, en hij sprak, God lovende. 65 En er kwam vrees over allen die rondom hen woonden ; en in het geheele gebergte van Judca werd veel gesproken van al deze dingen. 66 En allen die het hoorden |
f
|
namen het ter Larte, zeggende : Wat zal tocli dit kindeken wezen? En de liand des Heeren was met liem. 67 En Zacharias zijn vader werd vervuld met den Heiligen Geest en profeteerde, zeggende: 68 Geloofd zij de Heer de God Israels, want liij lieeft bezocht, en verlossing teweeg-gebragt zijnen volke, 69 en heeft een hoorn der zaligheid ons opgerigt in het huis van David zijnen knecht, 70 gelijk hij gesproken heeft door den mond zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn, 71 nmnelijJc eene verlossing van onze vijanden en van de hand al dergenen die ons haten; 73 opdat hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan zijn heilig verbond, Gen. 22 : 73 en aan den eed dien hij ' ' Abraham onzen vader gezworen heeft, om ons te geven 74 dat wij verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, hem dienen zouden zonder vrees, 75 in heiligheid en gereg-tigheid voor hem, al de dagen onzes levens. 76 En gij kindeken zult een profeet des Allerhoogsten ge- Mal. 3:1. naamd worden; want gij zult voor het aangezigt des Heeren henengaan om zijne wegen te bereiden, 77 om zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden, |
S 2. 107 78 door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit Mal. 4:2. de hoogte, 79 om te verschijnen dengenen die gezeten zijn in duis- Jes. 9:1. ternis en schaduw des doods, om onze voeten te rigten op den weg des vredes. 80 En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de woestijnen tot den dag zijner vertooning aan Israel. HOOFDSTUK 2. 1 En het geschiedde in die dagen dat er een gebod uitging van den keizer Augustus , dat de geheele wereld beschreven zoude worden. 3 Deze eerste beschrijving geschiedde als Gyrenius over Syrië stadhouder was. 3 En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad. 4 En Jozef ging ook op van Galiléa, uit de stad Nazareth, naar Judea tot de stad Da-i sam.l6:4; vids die Bethlehem genaamd Mlcha5:l. wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht Davids was), 5 om beschreven te worden met Maria zijne ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was. 6 En het geschiedde als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zoude; 7 en zij baarde haren eerst-jit,i;25;2;i. geboren zoon, en wond hem in doeken, en leide hem ne- |
LUCAS 3.
108
|
der in de krib, omdat voor hen geen plaats was in de herberg. 8 En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hunne kudde. 9 En zie, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen ze, en zij vreesden met groote vrees. 10 En de engel zeide tot hen: Yreest niet, want zie, ik verkondig u groote blijdschap , die al den volke wezen zal, 11 namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heer, in de stad Davids. 12 En dit zal u het teeken zijn: gij zult het kindeken vinden in doeken gewonden en liggende in de krib. 13 En van stonde aan was daar met den engel een menigte des hemelschen heir-legers, prijzende God en zeggende : 14 Eere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde , in de menschen een welbehagen. 15 En het geschiedde als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden ; Laat ons dan henengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord dat er geschied is, 't welk de Heer ons heeft verkondigd. 16 En zij kwamen met haast. |
en vonden Maria en Jozef, en het kindeken liggende in de krib. 17 En als zij het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord dat hun van dit kindeken gezegd was. 18 En allen die het hoorden verwonderden zich over hetgeen hun van de herders gezegd werd; 19 doch Maria bewaarde deze woorden alle tezamen, overleggende die in haar hart. 20 En de herders keerden weder, verheerlijkende en prijzende God over alles wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. 21 En als acht dagen ver- Lev. 12:3. vuld waren dat men het kindeken besnijden zoude, zoo werd zijn naam genaamd Je- h. i:3L züs , welke genaamd was van den engel eer hij in het lig-chaam ontvangen was. 22 En als de dagen harer Lev. 12:4. reiniging vervuld waren naar de wet van Mozes, bragten zij hem te Jeruzalem, opdat zij hem den Heere voorstelden, 23 (gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat Ex. 13:2. mannelijk is dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden), 24 en opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren gezegd is, Lev. 12:8. een paar tortelduiven of twee jonge duiven. 25 En zie, er was een menscli te Jeruzalem wiens naam was Simeon; en deze mensch was |
|
regtvaardig en godvreezend, verwachtende de vertroosting Israels, en de Heilige Geest was op hem; 26 en hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude eer hij den Christus des Heeren zoude zien. 37 En hij kwam door den Geest in den tempel, en als de ouders het kindeken Jezus inbragten, om naar de gewoonte der wet met hem te doen, 28 zoo nam hij hetzelve in zijne armen, en loofde God, en zeide: 29 Nu laat gij Heer uwen dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord; 30 want mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien, 31 die gij bereid hebt voor het aangezigt van al de volkeren ; Jes. 42:6; 32 een licht tot verlichting 52 :10. dgr heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israel. 33 En Jozef en zijne moeder verwonderden zich over 't geen van hem gezegd werd. 3'i En Simeon zegende hen, en zeide tot Maria zijne moe-Jes.8:14,15;der; Zie, deze wordt gezet fpet.' 2-e-s' t0t een val en opstanding van velen in Israel, en tot een teeken dat wedersproken zal worden, 35 (en ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan), opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden. 36 En daar was Anna een |
^.S 2. 109 profetes, een dochter Fanuels, uit den stam Aser; deze was tot grooten ouderdom gekomen, welke met haren man zeven jaren had geleefd van haren maagdom af; 37 en zij was een weduw van omtrent vierentachtig jaren, dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden God dienende nacht en dag. 38 En deze te dier ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heer beleden, en sprak van hem tot allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten. 39 En als zij alles voleindigd hadden wat naar de wet des Heeren te doen was, keerden zij weder naar Galiléa Mt.2:22,23. tot hunne stad Nazareth. 40 En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest en vervuld met wijsheid, en de genade Gods was over liem. 41 En zijne ouders reisden alle jaren naar Jeruzalem op het feest van pascha. 42 En toen hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag, 43 en de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en zijne moeder wisten 't niet; 44 maar meenende dat hij in 't gezelschap op den weg was, gingen zij een dagreis, en zochten hem onder de magen en onder de bekenden. 43 En als zij hem niet vonden, keerden zij weder naar |
LUCAS 3.
110
|
Jeruzalem, hem zoekende. 46 En liet geschiedde na drie dagen, dat zij hem vonden in den tempel, zittende in het midden der leeraren, hen hoerende en hen ondervragende; 47 en allen die hem hoorden ontzetteden zich over zijn verstand en antwoorden. 48 En zij hem ziende werden verslagen, en zijne moeder zeide tot hem: Kind, waarom hebt gij ons zóó gedaan? Zie, uw vader en ik hebben u met angst gezocht. 49 En hij zeide tot hen: Wat is H dat gij mij gezocht hebt? Wist gij niet dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders? 50 En zij verstonden het woord niet dat hij tot hen sprak. 51 En hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En zijne moeder bewaarde al deze dingen in haar hart. 52 En Jezus nam toe in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de menschen. HOOFDSTUK 3. Mt.3 : 1-12; 1 En in het vijftiende jaar 15-28. ^er regering van den keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judca, en Herodes een viervorst over Galiléa, enFilippuszijn broeder een viervorst over Iturca en over het landTrachonltis, en Lysanias een viervorst over Abiléne, 2 onder de hoogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het woord Gods tot Johannes |
den zoon van Zaeharias in de woestijn; 3 en hij kwam in al het omliggende land des Jordaans, predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden, 4 gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja den profeet, zeggende: De stem des roependen inJes' 40 de woestijn: Bereidt den weg des He eren, maakt zijne paden regt: 5 alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme ie e (jen zullen tot een regten teeg worden, en de oneffene tot effene wegen; 6 en alle vleesch zal de zaligheid Gods zien. 7 Hij zeide dan tot de scharen die uitkwamen om van hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn? 8 Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig; en begint niet te zeggen bij uzel- ve: Wij hebben Abraham tot Jh. 8: een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. 9 En de bijl ligt ook aireede aan den wortel der boomen: alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 10 En de scharen vraagden |
LUCAS 3.
Ill
|
liem, zeggende: Wat zullen wij dan doen? 11 En liij antwoordende zei-de tot lien: Wie twee rokken lieeft deele liem mede die er geen heeft, en wie spijze lieeft doe desgelijks. 13 En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester, wat zullen wij doen? 13 En liij zeide tot lien: Eisclit niets meer dan 't geen u gezet is. 11 En liem vraagden ook de krijgslieden, zeggende; En wij, wat zullen wij doen? En liij zeide tot lien: Doet niemand overlast en ontvreemdt niemand liet zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen. 15 En als bet volk verwachtte , en allen in hunne harten overleiden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware, 16 zoo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water, maar hij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben den riem van zijne schoenen te ontbinden: déze zal u doopen met den Heiligen Geest en met vuur; 17 wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorsch-vloer dóórzuiveren, en de tarwe zal hij in zijne schuur tezamenbrengen, maar het kaf zal hij met onuitblussche-lijk vuur verbranden. 18 Hij dan ook nog vele |
andere dingen vermanende, verkondigde den volke het evangelie. 19 Maar als Herodes gg' viervorst van hem bestraft werd, om den wille van Herodias de vrouw van Eilip-pus zijnen broeder, en over alle booze stuJcJcen die Herodes deed, 20 zoo heeft hij ook dit nog boven alles daartoe gedaan , dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft. 21 En het geschiedde toen ^ al het volk gedoopt werd, en Jh. 1; 32-34. Jezus óók gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd, 32 en dat de Heilige Geest op hem nederdaalde in lig-chamelijke gedaante gelijk een duif, en dat er een stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in u heb ik mijn welbehagen. 33 En hij Jezus begon om- Mt-1: trent dertig jaren oud te wezen , zijnde (alzoo men meende) de zoon van Jozef, den zoon van Heli, 34 den zoon van Matthat, den zoon van Levi, den zoon van Melohi, den zoon van Jannas, den zoon van Jozef, 35 den .zoo» van Mattathias, den zoon van Amos, den zoon van Naiim, den zoon van Esli, den zoon van Naggai, 26 den zoon van Maath, den zoon van Mattathias, den zoon van Semeï, den zoon van Jozef, den zoon van Juda, |
LUCAS 4.
112
|
27 den zoon van Johannas, den zrjou van Rliesa, den zoon van Zorobabel, den zoon van Salathiël, den zoon vanNeri, 28 den zoon van Melclii, den zoon van Addi, den zoon van Kosam, den zoon van Elmo-dam, den zoon van Er, 29 den zoon van Joses, den zoon van Eliëzer, den zoon van Jorim, den zoon van Matthat, den zoon van Levi, 30 den zoon van Simeon, den zoon van Jnda, den zoon van Jozef, den zoon van Jo-nan, den zoon van Eljakim, 31 den zoon van Meleas, den zoon van Maïnan, den zoon van Mattatlia, den zoon van Nathan, den zoon van David, 32 den zoon van Jesse, den zoon van Obed, den zoon van Boöz, den zoon van Salmon, den zoon van Nabasson, 33 den zoon van Aminadab, den zoon van Aram, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda, 34 den zoon van Jakob, den zoon van Isaak, den zoon van Abraham, den zoon van Thara, den zoon van Nachor, 35 den zoon van Saruch, den zoon van Ragau, den zoon van Falek, den zoon van He-ber, den zoon van Sala, 36 den zoon van Kaïnan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem, den zoon van No-ach, den zoon van Lamech, 37 den zoon van Mathu-sala, den zoon van Enoch, den zoon van Jared, den zoon van Malaleël, den zoon van Kaïnan, |
38 den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God. HOOFDSTUK 4. 1 En Jezus vol des gen Geestes keerde weder van den Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn, 2 en werd veertig dagen verzocht van den duivel, en at gansch niet in die dagen; en als dezelve geëindigd waren, zoo hongerde hem ten laatste. 3 En de duivel zeide tol; hem: Indien gij Gods Zoon. zijt, zeg tot dezen steen dat hij brood worde. 4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mensch bij brood Dt. 8:3. alleen niet zal leven, maar b ij alle woord Gods. 5 En als hem de duivel geleid had op een hoogen berg, toonde hij hem al de koningrijken der wereld in een oogenblik tijds; 6 en de duivel zeide tot hem: Ik zal u al deze magt en de heerlijkheid dier koningrijleen geven; want zij is mij overgegeven , en ik geef ze wien ik ook wil; 7 indien gij dan mij zult aanbidden, zoo zal alles het uwe zijn. 8 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Ga weg van mij, satan; want er is geschreven: Gij zult den Heer Dt. 6:13. Heili- Mt. 4 : i-ii Mc, 1:12.13; |
LUCAS 4.
113
|
uwen God aanbidden, en hem alleen dienen. 9 En Lij leidde liem naar Jeruzalem en stelde liem op de tinne des tempels, en zeide tot liem: Indien gij de Zoon Gods zijt, werp nzelven vanhier nederwaarts; 10 want er is geschreven, Ps.91-.11,12.dat hij zijne engelen van u bevelen zal, dat zij u bewaren zullen, 11 en dat zij u op de handen nemen zullen, opdat gij uwen voet niet te eeniger tijd aan een steen stoot. 12 En Jezus antwoordende zeide tot hem; Er is gezegd: Dt. 6:16. Gij zult den lieer uwen God niet verzoeken. 13 En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van hem voor een tijd. 8:3. Bit. 4:12,23; 14 En Jezus keerde weder 24;Mc.l:i4.door jg iiracl,t des Geestes naar Galiléa; en het gerucht van hem ging uit door het geheele omliggende land. 15 En hij leerde in hunne svnagogen, en werd van allen geprezen. Mt.13:54-58. 16 En hij kwam te Nazareth, Mc. 6:1-6. waar jjij opgevoed was, en ging, naar zijne gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge, en stond op om te lezen. 17 En hem werd gegeven het boek van den profeet Je-saja; en als hij het boek opengedaan had, vond hij de plaats waar areschreven was: 4 :1-11; 1:12.13, |
18 De Geest des Hee-Jes. 61:1,2; â¢â¢ i 42:1. ren is op m ij, d a a r o m heeft hij mij gezalfd; hij heeft mij gezonden om den armen het evangelie te verkondigen, om te genezen wie gebroken zijn van hart, 19 om den gevangenen te prediken loslating en den blinden het ge-zigt, om de verslagenen henentezenden in vrijheid, om te prediken het aangename jaar des H e e r e n. 20 En als hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had , zat hij neder; en de oogen van allen in de synagoge waren op hem geslagen. 21 En hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld. 22 En zij gaven hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden die uit zijnen mond voortkwamen , en zeiden: Is deze jh, e: 42. niet de zoon Jozefs? 23 En hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester, genees nzelven; al wat wij gehoord heb-jh. 4:46-52. ben dat in Kapernaüni geschied is, doe dat ook hier in uw vaderland. 24 En hij zeide: Voorwaar ik zeg u, dat geen pro- jh. 4:44. feet aangenaam is in zijn vaderland. 25 Maar ik zeg u in waarheid, er waren vele wedu- |
8
|
â - iU LUC wen in Israel in de dagen iKon.i7:i,9. van Ella, toen de liemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zoodat er groo-te hongersnood werd over het gelieele land: 26 en tot geen van haar werd Elia gezonden dan naar Sarepta Sidonis, tot een vrouw die weduwe roas. 27 En er waren vele me-laatschen in Israel ten tijde 2Kon.5:l-14. van den profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd dan Nailman de Syriër. 28 En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden; 39 en opstaande wierpen zij hem uit buiten de stad, en leidden hem op den top des bergs op denwellce hunne stad gebouwd was, om hem van de steilte aftewer-pen; 30 maar hij door het midden van hen doorgegaan zijnde ging weg. Mc. i:2!-28. 31 En hij kwam af naar Kapernaiim, een stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen. Mt. 7 : 28,29. 82 En zij stonden verslagen over zijne leer, want zijn woord was met magt. 83 En in de synagoge was een mensch hebbende een geest eens onreinen duivels, en hij riep uit met groote stem, 34 zeggende: Laat af, wat hebben wij met u te doen, gij Jezus ÃNazarener? Zijt gij gekomen om ons te verder-.S 4. |
ven? Ik ken u wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods. 35 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil en ga van hem uit. En de duivel hem in 't midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen. 36 En er kwam een verbaasdheid over allen, en zij spraken tezamen tot elkander , zeggende: Wat woord is dit, dat hij met magt en kracht den onreinen geesten gebiedt en zij varen uit! 37 En het gerucht van hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden lands. 88 En Jezus opgestaan zijn-Mt. 8:14,15: de uit de synagoge, ging in Mc-^1-29-31-het huis van Simon; en Simons vrouwsmoeder was met een groote koorts bevangen, en zij baden hem voor haar. 39 En staande boven haar, bestrafte hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande diende hen. 40 En als de zon onderging, Mc. 1:32-34; bragten allen die kranken Mt'8 ,lc'' hadden, met verscheiden ziekten bevangen, die tot hem, en hij leide een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve. 41 En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende , en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zoon Gods. En hen bestrafienue, liet hij die niet spreken, omdat zij |
LUCAS 5.
115
|
wisten dat hij de Christus was. IJ Mc. 1:35-3!). 43 En als het dag werd, ging hij uit en trok naar een woeste plaats; en de scharen zochten hem, en kwamen tot bij hem, en hielden hem op, dat hij van hen niet zoude weggaan. 43 Maar hij zeide tot hen: Ik moet ook aan andere steden het evangelie van het koningrijk Gods verkondigen, want daartoe ben ik uitgezonden. 44 En hij predikte in de synagogen van Galiléa. HOOFDSTUK 5. . 14 15. 1 En het geschiedde ais de :29-31 M schare op hem aandrong om het woord Gods te hooren, j Mt. 4; 18-22; dat hij stond bij het meer v Mc' ': ^-20' Genncsareth; 2 en hij zag twee schepen aan den oever van 't meer liggende , en de visschers waren daaruit gegaan en spoelden de netten. 3 En hij ging in een van die schepen hetwelk van Si- 32-34; : ; mon was, en bad hem dat :16- hij een weinig van 't land afstak; en nederzittende leerde hij de scharen uit het schip. 4 En als hij afliet van spreken, zeide hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werpt uwe netfen uit om te vangen. 5 En Simon antwoordde en zeide tot hem : Meester, wij hebben den geheelen nacht |
over gearbeid en niets gevangen; doch op uw woord zal ik het net uitwerpen. 6 En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een groote menigte visschen, en hun net scheurde. 7 En zij wenkten hunne me-degenooten die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen; en zij kwamen, en vulden beide de schepen, zoodat zij bijna zonken. 8 En Simon Petrus dat ziende , viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch. 9 Want verbaasdheid had hem bevangen en allen die met hem waren, over de vangst der visschen die zij gevangen hadden; 10 en desgelijks ook Jaco-Inis en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die Simons medegenooten waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensehen vangen. 11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij' alles en volgden hem. 12 En het geschiedde als j[C i .40.3.-,; hij in een dier steden was, Mt- 8:2quot;4-zie, er tvas een man vol me-laatschheid; en Jezus ziende viel hij op het aangezigt, en bad hem, zeggende: Heer, zoo gij wilt, gij kunt mij reinigen. 13 En hij de hand uitstrek- |
â
LUCAS 3.
116
|
kende raakte lieni aan, en zeide; Ik wil, word gereinigd. En terstond ging de melaatsclilieid van tem. 14 En hij gebood hem dat hij het niemand zeggen zoude; maar ga henen, zeide hij, vertoon uzelven den priester, en offer voor uwe reiniging gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. 15 Maar liet gerucht van hem ging temeer voort, en vele scharen kwamen tezamen om hem te hoeren, en door hem genezen te worden van hunne krankheden; 16 maar hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar. 17 En 't geschiedde op een dier dagen dat hij leerde, en er zaten, farizeërs en leeraars der wet, die van alle vlekken van Galiléa en Judéa en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heerenwas daar om hen te genezen. 18 En zie, eenige mannen bragten op een bed een mensch die geraakt was, en zochten hem intebrengen en vóór hem te leggen. 19 En niet vindende waardoor zij hem inbrengen mog-ten, wegens de schare, zoo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tigchelen neder met het beddeken, in het midden, vóór Jezus. 20 En hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mensch, uwe zonden zijn u vergeven. |
21 En de schriftgeleerden en farizeërs begonnen te overdenken, zeggende: quot;Wie is deze, die yoiMastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven dan God alleen? Lev, M : 10, 21, 22. Mt. 9:1-8; Mc. 2 : 1-12, 32 Maar Jezus hunne overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen: Wat overdenkt gij in uwe harten? 23 Wat is ligter, te zeggen; Uwe zonden zijn u vergeven , of te zeggen: Sta op en wandel? 24 Doch opdat gij moogt weten dat de Zoon des men-schen magt heeft op de aarde de zonden te vergeven (zeide hij tot den geraakte): Ik zeg u, sta op en ga henen naar uw huis. 35 En hij terstond vóór hen opstaande, en opgenomen hebbende 't geen waar hij op gelegen had, ging henen naar zijn huis, God verheerlijkende. 36 En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees, zeggende: Wij hebben heden ongeloofe-lijke dingen gezien. 37 En nadezen ging hij uit, jrt. 9 ; 9. en zag een tollenaar, metMc'2:13 name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem Yolg mij. ^ 38 En hij alles verlatende stond op en volgde hem. 39 En Levi rigtte hem een grooten maaltijd aan in zijn huis; en er was een groote schare van tollenaren en van anderen die met hen aanzaten. â¢13; â 17. |
LUCAS 6,
117
|
30 En hunne schriftgeleerden en de farizeërs murmureerden tegen zijne discipelen , zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren? 31 En Jezus antwoordende zeide tot hen; Wie gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar wie ziek zijn. 33 Ik ben niet gekomen om te roepen regtvaardigen, maar zondaren tot bekeering. mi.9:14-17; 33 En zij zeiden tot hem: pc- 2:18quot;22-Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen der farizeërs, maar de uwe eten en drinken ? 31 Doch hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen terwijl de bruidegom bij hen is doen vasten? 35 Maar de dagen zullen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn: dan zullen zij vasten in die dagen. 36 En hij zeide ook tot hen ; 9_-j3; een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overéén. 3 7 En niem and doet nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders zal de nieuwe wijn de lederen zakken doen bersten, en de wijn zal uitgestort worden, en de lederen zakken zullen verderven; |
88 maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen, en zij worden beide tezamen behouden. 39 En niemand die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij zegt: De oude is beter. HOOFDSTUK 6. 1 En het geschiedde op Mt. 12:1-8; den tweeden eersten sabbat, dat hij door het gezaaide ging; en zijne discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen. 2 En sommigen der farizeërs zeiden tot hen : Waarom doet gij wat niet geoorloofd is te doen op de sabbaten? 3 En Jezus hun antwoordende zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, 't welk David deed wanneer hem 1 Sam. 21:6. hongerde en dengenen die met hem waren? 4 hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toon-brooden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen die met hem waren, welke het niet geoorloofd is te eten dan alleen den pries- Lev. 24:9. teren? 5 En hij zeide tot hen; De Zoon des menschen is een Heer ook van den sabbat. 6 En het geschiedde ook op Mt.12: 9-14; een anderen sabbat, dat hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mensch, en zijne regterhand was dor; 7 en de schriftgeleerden en |
LUCAS 6.
118
|
de farizeërs namen liem waar, of liij op den sabbat genezen zoude, opdat zij eenige beschuldiging tegen liem inog-ten vinden. 8 Docb bij kende liunne gedachten , en zeide tot den menscli die de dorre liand liad: Hijs op en sta in 't midden. En hij opgestaan zijnde stond overeind. 9 Zoo zeide dan Jezus tot hen; Ik zal u vragen, wat is geoorloofd op de sabbaten, goedtedoen of kwaadtedoen? een mensch te behouden of te verderven? 10 En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide hij tot den mensch: Strek uwe hand uit; en hij deed alzoo, en zijne hand werd hersteld gezond gelijk de andere. 11 En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken tezamen met elkander, wat zij Jezus doen zouden. sic. 3:13-19; 12 En het geschiedde in die Mt. 10; 1-4. dagen dat hij uitging naar den berg om te bidden, en hij bleef den nacht over in het gebed tot God. 13 En als het dag was geworden, riep hij zijne discipelen tot zich, en verkoos er twaalf uit hen, die hij ook apostelen noemde; Hd. 1:13. 14 namelijk Simon, welken hij ook Petrus noemde, en Andréas zijnen broeder. Jacobus en Johannes, Pilippus en Bartholomeiis; 13 Mattheiis en Thomas, Jacobus den zoon van Alfeüs, |
en Simon genaamd Zelotes; 16 Judas Jacobi, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. 17 En met hen afgekomen Mc. 3 :7-12; zijnde, stond hij op een vlakkequot; ' plaats, en met hem de schare zijner discipelen, en een groote menigte des volks van geheel Judéa en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrüs en Sidon, 18 die gekomen waren om hem te hooren en om van hunne ziekten genezen te worden , en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen. 19 En al de schare zocht hem aan teraken; want er ging kracht van hem uit, en hij genas ze allen. 20 En hij zijne oogen op- Mt. 5; I-li slaande over zijne discipelen, zeide: Zalig zijt gij armen, want uwer is het koningrijk Gods. 31 Zalig zijt gij die nu hongert, want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij die nu weent, want gij zult lagchen. 33 Zalig zijt gij wanneer u de menschen haten, en wanneer zij u afscheiden en smaden , en uwen naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des menschen wil. 33 Yerblijdt u te dien dage en zijt vrolijk; want zie, uw loon is groot in den hemel; want hunne vaderen deden desgelijks den profeten. |
LUCAS 6.
|
24 Maar wee ii gij rijken, want gij hebt uwen troost weg. 25 quot;Wee u die verzadigd zijt, want gij zult liongeren. 3 :7.i2: : Wee u die nu laclit, want k24,25. ii gjj treuren en weenen. 26 quot;VYee u wanneer al de mensclien wèl van u spraken, want liunne vaderen deden desgelijks den valsclien profeten. 27 Maar ik zeg ulieden die Mt. 5:44. dit lioort, liebt uwe vijanden lief, doet wèl dengenen die u haten, 28 zegent degenen die u vervloeken, en bidt voor degenen die n geweld doen. Mt. 5 : 39-42. 39 Dengene die u op de wang slaat, bied ook de andere ; en dengeen die u den mantel neemt, verhinder ook ; 1.12 ïl den rok niet te nemen; 30 maar geef een iegelijk die van a begeert, en van dengeen die het uwe neemt eisch niet weder. Mt. 7:12. 31 En gelijk gij wilt dat u de mensehen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks. Mt. 5:43-48. 32 En indien gij lief hebt wie u liefhebben , wat dank hebt gij ? Want ook de zondaars hebben lief degenen die hen liefhebben. 33 En indien gij goeddoet dengenen die u goeddoen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde. 34« En indien gij leent dengenen van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat |
dank hebt gij ? Want ook de zondaars leenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen. 35 Maar hebt uwe vijanden lief, en doet goed, en leent zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Aller-hoogsten zijn; want hij is goedertieren over de ondankbaren en boozen. 36 Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. 37 En oordeelt niet, en gij Mt. 7:1,2. zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden; 38 geeft, en u zal gegeven worden: een goede, neêrge-drukte en geschudde en over-looponde maat zal men in uwen schoot geven; want met dezelfde mant waarmede mc. 4:24. gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden. 39 En hij zeide tot hen een Mt. 15:14 gelijkenis: Kan ook wel een blinde eenen blinde op den weg leiden? ⢠Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? 40 De discipel is niet boven Mt. 10:24; zijnen meester; maar een ie-Jh'15^16 gelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester. 41 En wat ziet gij den splin- Mt. 7:3-5. ter die in uws broeders oog is, en den balk die in uw eigen oog is merkt gij niet? 42 Of hoe kunt gij tot uwen broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik den splinter die |
LUCAS 7.
120
|
in uw oog is uitdoe, daar gij zelf den balk die in uw oog is niet ziet? Gij geveinsde, doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uittedoen die in uws broeders oog is. Mt. 7; 16-18; Want liet is geen goede 12:33. Tjooni, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vruolit voortbrengt. -t-i Want elke boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen. Mt. 12:34,35. 45 De goede mensch brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten , en de kwade mensch brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond. 46 En wat noemt gij mij Heere, Heere, en doet niet hetgeen ik zeg? 47 Een iegelijk die tot mij komt en mijne woorden hoort en dezelve doet, ik zal u toonen wien hij gelijk is. 48 Hij is gelijk een mensch die een huis bouwde, en groef, en uitdiepte, en leide het fundament op een steenrots: als nu de hooge vloed kwam, zoo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond. 49 Maar wie ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mensch die een huis bouwde op de aarde zonder fundament: tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, |
en het viel terstond, en de val van dat huis was groot. HOOFDSTUK 7. 1 Nadat hij nu al zijne woor- Mt. 8:5-13. den voleindigd had ten aan- hoore des volks, ging hij in te Kapernaüm. 2 En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde lag op zijn sterven. 3 En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot hem de ouderlingen der Joden, hem biddende dat hij wilde komen en zijnen dienstknecht gezond maken. 4 Deze nu tot Jezus gekomen zijnde, baden hem ernstig, zeggende: Hij is waardig dat gij hem dat doet; 5 want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd. 6 En Jezus ging met hen. En als hij nu niet ver van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot hem eenirje vrienden , en zeide tot hem: Heer, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen: 7 daarom heb ik ook mij-zelven niet waardig geacht om tot u te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 8 Want ik ben óók een mensch onder de magt van |
LUCAS 7.
131
|
anderen gesteld, liebbende krijgsknecliten onder mij, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en liij komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat, en hij doet het. 9 En Jezus dit hoorende, verwonderde zich over hem, en zich omkeerende zeide tot de schare die hem volgde: Ik zeg ulieden, ik heb zoogroot een geloof zelfs in Israel niet gevonden. 10 En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond. 11 En het geschiedde op den volgenden day, dat hij ging naar een stad genaamd Naïn, en met hem gingen velen van zijne discipelen en een groote schare. 12 En als hij de poort der stad genaakte, ziedaar, een doode werd uitgedragen , die een eeniggeboren zoon zijner moeder was, en zij xcas weduw, en een groote schare van de stad was met haar. 13 En de Heer haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet. 14 En hij ging toe en raakte de baar aan, (de dragers nu stonden stil), en hij zeide: Jongeling, ik zeg u, sta op. 15 En de doode zat overeind en begon te spreken; en hij gaf hem aan zijne moeder. |
16 En vrees beving ze allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft zijn volk bezocht. 17 En dit gerucht van hem ging uit in geheel Judéa en in al het omliggende land. 18 Eu de discipelen van Jo-Mt. 11:2-11. hannes boodschapten hem van al deze dingen. 19 En Johannes zekere twee van zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zond ze tot Jezus, zeggende: Zijt gij degeen die komen zoude, of verwachten wij een ander? 20 En als de mannen tot hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes deDooperheeft ons tot u afgezonden, zeggende: Zijt gij die komen zoude , of verwachten wij een ander? 31 En in die ure genas hij er velen van ziekten en kwalen en booze geesten , en velen blinden gaf hij het gezigt. 32 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Gaat henen en boodschapt Johannes wéder de dingen die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de me-laatschen gereinigd worden, de dooven hooren, de doo-den opgewekt worden, den armen het evangelie verkondigd wordt; 23 en zalig is hij die aan mij niet zal geërgerd worden. 24 Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon hij van Johannes tot de scharen te zeggen: Wat |
LUCAS 7.
|
zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanscliouwen ? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt? 35 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een menscli met zaclite kleederenbekleed? Zie, die in heerlijke kleeding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke koven. 36 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. 27 Deze is 't van welken Mal. 3 ; 1; geschreven is; Zie, ik zend Mc. 1:2. â¢â¢ 1 mijnen engel voor uw aangezigt, die uwen weg voor ii henen bereiden zal. 28 Want ik zeg ulieden, onder die van vrouwen geboren zijn is niemand meerder profeet dan Johannes de Dooper; maar de minste in het koningrijk Gods is meerder dan hij. 29 En al het volk hem hoo-rende, en de tollenaars die met den doop van Johannes gedoopt waren, regtvaardig-den God; 30 maar de farizeërs en de wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelve verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. Mt. 11:16-19. 31 En de Heer zeide: Bij wien zal ik dan de mensohen van dit geslacht vergelijken, en wien zijn zij gelijk? 32 Zij zijn gelijk de kinderen die op de markt zitten en elkander toeroepen, en |
zeggen; Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst, wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend. 33 Want Johannes de Dooper is gekomen noch brood etende noch wijn drinkende, en gij zegt: Hij heeft den duivel. Si De Zoon des menschen is gekomen etende en drinkende , en gij zegt: Ziedaar een menscli die een vraat en wijnzuiper ü, een vriend van tollenaren en zondaren. 35 Doch de wijsheid is ge-regtvaardigd geworden van al hare kinderen. 36 En een der farizeërs bad hem dat hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des farizeërs huis zat hij aan. 37 En zie, een vrouw inde stad welke een zondares was, verstaande dat hij in des farizeërs huis aanzat, bragt een albasten flesch met zalf; 38 en staande achter aan zijne voeten weenende, begon zij zijne voeten nattemaken met tranen, en zij droogde ze af met liet haar van haar hoofd, en kuste zijne voeten, en zalfde ze met de zalf. 39 En de farizeër die hem genood had znlks ziende, sprak bij zichzelven, zeggende; Deze indien hij een profeet ware, zoude wel weten, wat en hoedanige vrouw deze is die hem aanraakt, want zij is een zondares. 40 En Jezus antwoordende |
LUCAS 8.
123
|
zeide tot tern: Simon, ik lieb u wat te zeggen. En Lij sprak: Meester, zeg het. 41 Jezus zeide: Een zeker sclinldlieer Lid twee schuldenaars ; de één was solruldig vijfhonderd penningen, en de ander vijftig; 42 en als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun heiden kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben ? 43 En Simon antwoordende zeide: Ik acht dat hij 't is wien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En hij zeide tot hem: Gij hebt regt geoordeeld. 44 En hij zich omkeerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen: water hebt gij niet tot mijne voeten gegeven; maar deze heeft mijne voeten met tranen natgemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd. 45 Gij hebt mij geen kus gegeven; maar deze, vandat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten mijne voeten te kussen. 46 Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft mijne voeten met zalf gezalfd. 47 Daarom zeg ik u, hare zonden zijn Uaar vergeven die vele waren, want zij heeft veel liefgehad; maar wien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief. 48 En hij zeide tot haar: Uwe zonden zijn « vergeven. |
49 En die medeaanzaten begonnen te zeggen bij zich-zelve: Wie is deze die ook de zonden vergeeft? 50 Maar hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga henen in vrede. HOOFDSTUK 8. 1 En het geschiedde daarna dat hij reisde van de ééne stad en vlek tot de andere, predikende en verkondigende het evangelie van het koningrijk Gods; en de twaalf «we» met hem, 3 en sommige vrouwen die van booze geesten en krankheden genezen waren, namelijk Maria genaamd Magda- Mt.27 : 56; lena, van welke zeven dui- iIcjg15g:40' velen uitgegaan waren, 3 en Johanna de huisvrouw van Chuzas den rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele andere, die hem dienden van hare goederen. 4 Als nu een groote schare jit. 13:1-23; bijéénvergaderde, en zij yan-Mc'4:'1'20-alle steden tot hem kwamen, zoo zeide hij door gelijkenis: 5 Een zaaijer ging uit om zijn zaad te zaaijen; en als hij zaaide viel het ééne bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op; 6 en het andere viel op een steenrots, en opgewassen zijnde is het verdord, omdat het geen vochtigheid had; 7 en het andere viel in 't midden van de doornen, en |
LUCAS 8.
de doornen medeopwassende verstikten lietzelve;
8 en liet andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde bragt liet lionderdvou-dige vruclit voort. Dit zeggende riep liij: M ie ooren lieeft om te liooren, die lioore.
9 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: quot;Wat mag deze gelijkenis wezen ?
10 En liij zeide; U is 't gegeven de verborgenheden van het koningrijk G-ods te verstaan*, maar tot de anderen spreek ik in gelijkenissen, op-
Jes. 6:9. dat zij ziende niet zien, en hoorende niet verstaan.
11 Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods.
12 En die bij den weg he-zaaid worden zijn deze die hooren; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden gelooven en zalig worden.
13 En die op de steenrots bezaaid worden zijn deze, die wanneer zij 't gehoord hebben, het woord met vreugd ontvangen; en deze hebben geen wortel, die maar voor een tijd gelooven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af.
14 En dat in de doornen valt, deze zijn die gehoord hebben, en henengaande verstikt worden door de zorgvuldig heden en rijkdom en wellusten des levens, en voldragen geen vrucht.
15 En dat in de goede aarde valt zijn deze, die het woord
124.
gehoord hebbende, 't zelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen.
16 En niemand die een kaars jic. 4:-21-2b, g ontsteekt, bedekt dezelve met h. 11: 33; een vat of zet ze onder een Mtquot; 0'la -bed, maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen die inkomen het licht zien mogen.
17 Want er is niets verbor- H. 12:2^ â gen dat niet openbaar zal worden, noch heimelijk dat niet bekend zal worden en in 't openbaar komen.
18 Ziet dan hoe gij hoort;
want zoowie heeft, dien zal R gegeven worden; en zoowie 25:29. niet heeft, ook 't geen hij meent te hebben zal van hem genomen worden.
19 En zijne moeder en NiU2:40-y);| broeders kwamen tot hem, en ⢠yj {3. ^ | konden bij hem niet komen vanwege de schare.
30 En hem werd geboodschapt van eeniyen die zeiden: Uwe moeder en uwe broeders staan daarbuiten, be-geerende u te zien.
31 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Mijne moeder en mijne broeders zijn deze, die Grods woord hooren en hetzelve doen.
22 En het geschiedde op een i
van die dagen dat hij in een Mc.quot;4:35-il| schip ging, en zijne discipelen Met hem ; en hij zeide tot hen:
Laat ons overvaren aan de andere zijde des meers. En zij staken af.
i Mt.
Imc.
I
LUCAS 8.
135
|
33 En als zij voeren, viel liij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol waler en waren in nood. 34 En zij gingen tot liem en wekten liem op, zeggende : Meester, Meester, wij vergaan. En hij opgestaan zijnde bestrafte den wind en de watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte. 35 En hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij bevreesd zijnde verwonderden zich, zeggende tot elkander: quot;Wie is toch deze, dat hij ook de winden en het water gebiedt en zij zijn hem gehoorzaam ! bit. 8:28-34; 36 En zij voeren voort naar sic. .1,1-20. jan[[ ^er Gadarenen, hetwelk is tegenover Galiléa. 37 En als hij aan het land uitgegaan was, ontmoette hem een zeker man uit de stad, die sedert langen tijd met duivelen was bezeten gewreest; en hij was met geen kleederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven. 38 En hij Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor hem neder, en zeide met een groote stem: Wat heb ik met u te doeu, Jezus, gij Zoon Gods des Allerhoogsten? Ik bid u dat gij mij niet pijnigt. 39 Want hij had den on-reinen geest geboden dat hij van den mensch zoude uitvaren ; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad, en hij werd met ketenen en met boeijen gebonden om bewaard te zijn, en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen. 1:21-2;, 11:33; 5:15. 12:2; 10:2a 19:26; .13:12; 15:29. ; 12:46-60; I 3:3t-:Al . 13:D.v i [t. 8:18,1 23-27; I 4:35-41 |
30 En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide: Legio; want ! vele duivelen waren in hem gevaren. 81 Eu zij baden hem, dat hij hun niet gebieden zoude I in den afgrond henente-varen. 33 En aldaar was een kudde van vele zwijnen weidende op den berg; en zij : baden hem, dat hij hun wilde toelaten in dezelve te varen; en hij liet het hun toe. 33 En de duivelen uitva-! rende van den mensch, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer, en versmoorde. 34 En die ze weidden, ziende 't geen geschied was, zijn gevlngt, en henengaande boodschapten 't in de stad en op het land. 35 En zij gingen uit om te zien 't geen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mensch van welken de duivelen uitgevaren waren, zittende aan de voeten van Jezus, gekleed en welbij zijn verstand; en zij werden bevreesd. 36 En ook die het gezien hadden verhaalden hun hoe de bezetene was verlost geworden. 37 En de geheele menigte van het omliggende land der |
â
LUCAS 8.
126
|
Gadarenen bad liem dat hij van lien wegging, want zij waren met groote vrees bevangen; en hij in liet scliip gegaan zijnde keerde weder. 38 En de man van welken de duivelen uitgevaren waren, bad liem dat liij mogt bij hem zijn. Maar Jezus liet liem van zieh gaan, zeggende : 39 Keer weder naar uw liuis, en vertel wat groote dingen u God gedaan heeft. En hij ging henen, door de geheele stad verkondigende wat groote dingen Jezus liem gedaan had. Mc. 5:21-43; 40 En het geschiedde als Mt. 9'. 18-26.jeZUs wederkeerde, dat hem de schare ontving; want zij waren allen hem verwachtende. 41 En zie, er kwam een man wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad hem dat hij in zijn huis wilde komen; 42 want hij had een éénige dochter van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als hij henen-ging zoo verdrongen hem de scharen. 43 En een vrouw die twaalf jaren lang den vloed des hloeds gehad had, welke al haren leeftogt aan medicijnmeesters ten koste gelegd had, en van niemand had kunnen genezen worden, 44 van achteren tot hem komende, raakte den zoom |
zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds. 45 En Jezus zeide: Wie is 't die mij heeft aangeraakt? En als zij 't allen ontkenden, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen u, en zegt gij: Wie is 't die mij aangeraakt heeft? 46 En Jezus zeide: Iemand heeft mij aangeraakt; want ik heb bekend dat kracht van mij uitgegaan is. 47 De vrouw nu ziende dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor hem neder-vallende verklaarde hem voor al het volk, om wat oorzaak zij hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was. 48 En hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede. 49 Als hij nog sprak, kwam er een van het huis van den overste der synagoge, zeggende tot hem: Uwe dochter is gestorven; wees den Meester niet moeijelijk. 50 Maar Jezus rfa^hoorende antwoordde hem, zeggende: Yrees niet; geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden. 51 En als hij in het huis kwam, liet hij niemand inkomen dan Petrus en Jacobus en Johannes, en den vader en de moeder des kinds. 52 En zij schreiden allen en maakten misbaar over haar. En hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven, maar zij slaapt. |
LUCAS 9.
127
|
53 En zij belacliten hem, wetende dat zij gestorven was. 54 Maar als liij ze allen uitgedreven had, greep hij hare hand en riep, zeggende: Kind, sta op. 55 En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan ; en hij gebood dat men haar te eten geven zoude. 56 En hare ouders ontzet-teden zich; en hij beval hun dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was. HOOFDSTUK 9. jtc, 6:7-13; 1 En zijne twaalf discipelen Mt.10:1.5-14. , J ii,i tezamengeroepen hebbende, gaf hij hun kracht en magt over al de duivelen, en om ziekten te genezen, 2 en zond ze henen om te prediken het koningrijk Gods, en dekranken gezondtemaken. 8 En hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben. 4 En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat vandaar uit. 5 En zoowie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad schudt ook het stof af van uwe voeten, tot een getuigenis tegen hen. 6 En zij uitgaande doorgingen al de vlekken, verkondigende het evangelie en genezende de zieleen overal. Mc.6:14-16: ^ En Herodes de viervorst w. 14:1.2. hooj-de ai Je dinsen die van |
hem geschiedden, en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de dooden was opgestaan; 8 en van sommigen, dat El ia verschenen was; en van anderen, dat een profeet van de ouden was opgestaan. 9 En Herodes zeide: Johannes heb ik onthoofd: wie is nu deze, van welken ik zulke dingen koor? En hij zocht hem te zien. 10 En de apostelen weder-Mc. ti: 30-44; gekeerd zijnde, verhaalden hem alwat zij gedaan hadden. En hij nam ze mede, en vertrok alleen in een woeste plaats der stad genaamd Bethsaïda. 11 En de scharen dat verstaande, volgden hem; en hij ontving ze, en sprak tot hen van het koningrijk Gods; en wie genezing van noode hadden maakte hij gezond. 12 En de dag begon te dalen; en de twaalf tot hem komende, zeiden tot hem: Laat de schare van u, opdat zij henengaande in de omliggende vlekken en dorpen herberg nemen mogen, en spijs vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats. 13 Maar hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf brooden en twee vis-schen; tenzij dan dat wij henengaan en spijs koopen voor al dit volk. 14 Want er waren omtrent |
|
128 1jLi^ vijfduizend mannen. Doclilüj zeide tot zijne discipelen; Doet hen nederzitten bij af-deelingen, elk van vijftig. 15 En zij deden alzoo, en deden ze allen nederzitten. 16 En bij de vijf brooden en de twee visschen genomen hebbende, zag op naar den hemel en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen om ze der schare voorteleggen. 17 En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen 't geen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven. Mt. 16:13-23; 18 En het geschiedde als hij j'h'e-es'ea alleerl was biddende, dat de discipelen met hem waren, en hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de scharen dat ik ben? 19 En zij antwoordende zeiden: Johannes de Dooper; en anderen, Ella; en anderen, dat eenig profeet van de ouden opgestaan is. 20 En hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat ik ben? En Petrus antwoordende zeide: De Christus Gods. 21 En hij gebood hun scher-pelijk en beval dat zij dit niemand zeggen zouden, 22 zeggende : De Zoon des menschen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden, en gedood en ten derden dage opgewekt worden. |
.S 9. 23 En hij zeide tot allen: Mt.16:24-28 Zoo iemand achter mij wilg1^®'3'quot;38' komen, die verloochene zich-zelven, en neme zijn kruis *^14:2^ dagelijks op en volge mij. 24lt; Want zoowie zijn leven behouden wil, die zal het jh. 12:23! verliezen; maar zoowie zijn leven verliezen zal om mijnentwil , die zal het behouden. 25 Want wat baat het een mensch die de geheele wereld zoude winnen, en zich-zelven verliezen of schade aan zicltzelven lijden? 26 Want zoo wie zich mijns h. 12:9; en mijner woorden zal ge- Mt 10:3i schaamd hebben, diens zal de Zoon des menschen zich schamen, wanneer hij komen zal in zijne heerlijkheid en in de heerlijkheid des Vaders en der heilige engelen. 27 En ik zeg u waarlijk, er zijn sommigen dergenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het koningrijk Gods zullen gezien hebben. 28 En het geschiedde om- jut.iquot;;!-? trent acht dagen na deze Mc. 9:2-9. woorden, dat hij medenam Petrus en Johannes en Jacobus, en klom op den berg om te bidden. 29 En als hij bad, werd de gedaante zijns aangezigts veranderd, en zijne kleeding wit en zeer blinkende. 30 En zie, twee mannen spraken met hem, welke waren Mozes en Elia; 31 dewelke gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden zijnen |
LUCAS 9.
139
|
uitgang dien liij zoude volbrengen te Jeruzalem. 33 Petrus nu en die met liem icaren, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde zagen zij zijne lieerlijklieid en de twee mannen die bij liem stonden. 33 En liet geschiedde als zij van hem afselieidden, zoo zeide Petrus tot Jezus: Meester, het is goed dat wij hier zijn; en laat ons drie tabernakelen maken, voor u een, en voor Mozes een, en voor Elia een, niet wetende wat hij zeide. 34 Als hij nu dit zeide, kwam een wolk en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen. 2Pet.i:i7,i8. 85 En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon: hoort hem. 36 En als de stem geschiedde, zoo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van 't geen zij gezien hadden. ! Mt.17:14-23- 37 En het geschiedde des Mc. 9:14-32.daags daaraan, als zij van den berg afkwamen, dat hem een groote schare in 't ge-moet kwam. 38 En zie, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid u, zie toch mijnen zoon aan, want hij is mij een eeniggeborene: 39 en zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept i:2'i-28 3:3'i-38; 14:27; t 10:38, i 17:;«; 10:39; 12:23. [. 12:9; 1 10:33 vlt. 17:1-5| lie. 9:2-S| |
hij, en hij scheurt hem dat hij schuimt, en wijkt naauwe-lijks van hem, en verplettert hem; 40 en ik heb uwe discipelen gebeden dat zij hem zouden uitwerpen, en zij konden niet. 41 En Jezus antwoordende zeide: O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoelang zal ik nog bij ulieden zijn en ulieden verdragen ? Breng uwen zoon hier. 43 En nog als hij naar hem toekwam, scheurde hem de duivel en verscheurde hem ; maar Jezus bestrafte den on-reinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijnen vader weder. 43 En zij werden allen verslagen over de grootdadig-heid Gods. En ais zij allen zich verwonderden over al de dingen die Jezus gedaan had, zeide hij tot zijne discipelen : 44 Legt gij deze woorden in uwe ooren: Want de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in der menschen handen. 45 Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzoo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord hem te vragen. 46 En er rees een overleg- jic. 9:33-40 â ging onder hen, namelijk wie Mt- 18:1quot;5-van hen de meeste ware. 47 Maar Jezus ziende de overlegging hunner harten, |
I
9
LUCAS 10.
130
|
nam een kindeken en stelde dat bij zich, 48 en zeide tot lien: Zoowie dit kindeken ontvangen zal in mijnen naam die ontvangt mij; en zoowie mij ontvangen zal, die ontvangt hem die mij gezonden heeft. Want wie de minste onder u allen is, die zal groot zijn. 49 En Johannes antwoordde en zeide: Meester , wij hebben eenen gezien die in uwen naam de duivelen uitwierp, en wij hebben 't hem verboden, omdat hij u met ons niet volgt. 50 En Jezus zeide tot hem: Mt. 12:30. Verbiedt liet niet; want wie tégen ons niet is, die is vóór ons. 51 En het geschiedde als de dagen zijner opneming vervuld werden, zoo rigtte hij zijn aangezigt om naar Jeruzalem te reizen; 53 en hij zond boden uit voor zijn aangezigt; en zij henengereisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor hem herlerg te bereiden. Jh. 4:9. 53 En zij ontvingen hem niet, omdat zijn aangezigt was ah reizende naar Jeruzalem. 54 Als nu zijne discipelen Jacobus en Johannes dat zagen , zeiden zij: Heer, wilt gij dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale en 2 Kon. i:io.deze verslinde, gelijk ook Elia gedaan heeft? 55 Maar zich omkeerende bestrafte hij ze, en zeide: Gij |
weet niet van hoedanigen geest gij zijt; 56 want de Zoon des men-schen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven , maar om te behouden. En zij gingen naar een ander vlek. 57 En het geschiedde op sit. 8:19-22. den weg als zij reisden, dat een tot hem zeide: Heer, ik zal u volgen waar gij ook henengaat. 58 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd nederlegge. 59 En hij zeide tot een ander: Volg mij. Doch hij zeide: Heer, laat mij toe dat ik henenga en eerst mijnen vader begrave. 60 Maar Jezus zeide tot hem: Laat de dooden hunne doo-den begraven; doch gij, ga henen en verkondig het koningrijk Gods. 61 En ook een ander zeide: Heer, ik zal u volgen; maar laat mij eerst toe dat ik afscheid neme van degenen die in mijn huis zijn. 63 En Jezus zeide tot hem: Niemand die zijne hand aan den ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het koningrijk Gods. HOOFDSTUK 10. 1 En nadezen stelde de Heer nog zeventig anderen, en zond ze henen voor zijn aan- |
LUCAS 10.
131
|
gezigt, twee en twee, in iedere stad en plaats waar hij komen zoude. 3 Hij zeide dan tot hen: Mt. 9 :37,38. De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom bidt den Heer des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote. Mt. 10:9-16; 3 Gaat henen: zie, ik zend Lc. 9:3-5.'u als lammeren in 't midden der wolven. 4 Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen, en groet niemand op den weg. 5 En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: quot;Vrede.z»? dezen huize. 6 En indien aldaar een zoon des vredes is, zoo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zoo zal mo vrede tot u wederkeeren. 7 En blijft in dat huis, etende en drinkende 't geen van hen voorgezet wordt; want de 1 Tim. 5:18. arbeider is zijns loons waardig. Gaat niet over van H eene huis in H andere huis. 8 En in wat stad gij zult ingaan en zij u ontvangen, eet hetgeen ulieden voorgezet wordt, 9 en geneest de k ranken die daarin zijn, en zegt tot hen: Het koningrijk Gods is nabij u gekomen. 10 Maar in wat stad gij zult ingaan en zij u niet ontvangen , uitgaande op hare straten zoo zegt: 11 Ook het stof dat uit uwe stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nogtans weet dit, dat het |
koningrijk Gods nabij u gekomen is. 12 En ik zeg u, dat het voor die van Sodom verdra-gelijker wezen zal in dien dag dan voor die stad. 13 Wee u Chorazin, wee UMt. 11:21-23. Bethsaïda! Want zoo in Ty- rus en Sidon de krachten geschied waren die in u geschied zijn, zij zouden eertijds in zak en asch zittende zich bekeerd hebben. 14 Doch het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel dan ulieden. 15 En gij Kapernaüm, dat tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestooten worden. 16 Wie u hoort die hoort Mt. 10:40; , Jh. 13:20. mij, en wie u verwerpt die verwerpt mij; en wie mij verwerpt die verwerpt dengeen die mij gezonden heeft. 17 En de zeventig zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende : Heer, ook de duivelen zijn ons onderworpen in uwen naam. 18 En hij zeide tot hen: Ik zag den satan als een bliksem uit den hemel vallen. 19 Zie, ik geef u de magt om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u eenigzins beschadigen. 30 Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veelmeer dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen. |
LUCAS 10.
133
|
31 Te dier ure verheugde zich Jezus in den geest, en Mt. 11:25-27. zeide; Ik dank u Vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja Yader, want alzóó is geweest het welbehagen voor u. 32 Alle dingen zijn mij van mijnen Yader overgegeven; en niemand weet wie de Zoon is dan de Vader, en wie de Vader is dan de Zoon, en wien het de Zoon zal willen openbaren. 23 En zich keerende naar de discipelen, zeide hij tot Mt. 13:16,17.Jien alleen: Zalig zijn de oogen die zien 't geen gij ziet. 24 Want ik zeg u dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien 't geen gij ziet, en hebben 't niet gezien, en te hooren 't geen gij hoort, en hebben 't niet gehoord. Mt.22 : 35-40; 25 En zie, een zeker wet- MC.12:28-34-gejeel,^e stont[ 0p) llem verzoekende, en zeggende: Meester , wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? 26 En hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven ? Hoe leest gij ? 37 En hij antwoordende zei-Dt. 6:5. de: Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uwe ziel en uit geheel uwe kracht en uit geheel uw ver- Lev. 19:18. s t a n d, en u w en na a s-te als uzelven. |
38 En hij zeide tot hem: Gij hebt regt geantwoord: doe dat, en gij zult leven. Lev. 18:5, 39 Maar hij willende zich-zelven regtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste? 30 En Jezus antwoordende zeide: Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke hem ook uitgeplunderd en daartoe zware slagen gegeven hebbende, henengingen, en lieten hem halfdood liggen. 81 En bij geval kwam een zeker priester dien weg af, en hem ziende ging hij tegenover Item voorbij. 33 En desgelijks ook een leviet, als bij was bij die plaats kwam hij en zag hem, en ging tegenover hem voorbij. 33 Maar een zeker Samaritaan reizende kwam omtrent hem, en bem ziende werd hij met innerlijke ontferming bewogen; 34 en hij tot hem gaande verbond zijne wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zij neigen beest, voerde hij hem in de herberg en verzorgde hem. 35 En des anderen daags weggaande, haalde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem; en zoowat gij meer aan Item ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven als ik wederkom. 36 Wie dan van deze drie |
LUCAS 11.
133
|
dunkt ii de naaste geweest te zijn desgenen die onder de moordenaars gevallen was? 37 En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zoo zeide dan Jezus tot hem: Ga henen en doe gij desgelijks. 38 En het geschiedde als zij reisden , dat hij kwam in een jh.tl:i; vlek; en een zekere vrouw 12:1quot;3' met name Martha ontving hem in haar huis. 39 En deze had een zuster genaamd Maria, welke' ook zittende aan de voeten van Jezus zijn woord hoorde. 40 Doch Martha was zeer bezig met veel dienen, en daar bijkomende zeide zij: Heer, trekt gij u dat niet aan, dat mijne zuster mij alléén laat dienen? Zeg dan haar dat zij mij helpe. 41 Eu Jezus antwoordende zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen, 43 maar één ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. HOOFDSTUK 11. 1 En het geschiedde toen hij in een zekere plaats was biddende, als hij ophield, dat een van zijne discipelen tot hem zeide: Heer, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijnen discipelen geleerd heeft. 2 En hij zeide tot hen: quot;Wanneer gij bidt, zoo zegt: Onze I |
Vader die in de hemelen ayï, Mt. 6:9-13. uw naam worde geheiligd; uw koningrijk kome; uw wil geschiede gelijk in den hemel alzóó ook op aarde; 3 geef ons eiken dag ons dagelijksch brood; 4 en vergeef ons onze zonden , want ook wij vergeven aan een iegelijk die ons schuldig is; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. 5 En hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal te middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend, leen mij drie broo-den, 6 overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet wat ik hem voorzette: 7 en dat die van binnen antwoordende zoude zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijne kinderen zijn met mij in de slaapkamer: ik kan niet opstaan om u te geven. 8 Ik zeg ulieden, hoewel hij niet zoude opstaan en hem geven omdat hij zijn vriend is, nogtans om zijner onbeschaamdheid wil zal hij opstaan en hem geven zoovele als hij er behoeft. 9 En ik zeg ulieden, bidt, en u zal gegeven worden ;Mt. 7:7-11. zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 10 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en wie zoekt, die vindt; en wie |
LUCAS 11.
134
|
klopt, dien zal opengedaan worden. 11 En wat vader onder u dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven? of ook om een visck, zal hem voor een viscb een slang geven? 13 Of zoo hij ook om een ei zoude bidden , zal hij hem een schorpioen geven? 13 Indien dan gij die boos zijt weet uwen kinderen goéde gaven te geven, hoeveelte-meer zal de liemelsclie Vader den Heiligen Geest geven dengenen die hem bidden. Mt. 12; 22-30; 14 En hij wierp een duivel Mcquot;32quot;^-*27 u^j en die was stom; en het geschiedde als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak. En de scharen verwonderden zich; 15 maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul den overste der duivelen. 16 En anderen hem verzoekende , begeerden van hem een teeken uit den hemel. 17 Maar hij kennende hunne gedachten, zeide tot hen: Ieder koningrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt: 18 indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan ? Dewijl gij zegt dat ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp. 19 En indien ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze uwe zonen |
uit? Daarom zullen déze uwe regters zijn. 30 Maar indien ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp , zoo is dan het koningrijk Gods tot u gekomen. 31 Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zoo is oAvat hij heeft in vrede; 33 maar als een daarover komt die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijne geheele wapenrusting- waar hij op vertrouwde, en deelt zijnen roof uit. 33 Wie mèt mij niet is, die h. 9;50; . .. . .. Mc. 9;40. is tegen mij; en wie met mij niet vergadert, die verstrooit. 3-1 Wanneer de onreine geest Mt.i2:43-4i van den mensch uitgevaren is, zoo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en die niet vindende zegt hij: Ik zal wederkeeren in mijn huis waar ik uitgevaren ben; 35 en komende vindt hij het met bezemen geveegd en versierd. 36 Dan gaat hij henen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde wonen zij aldaar; en het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste. 37 En het geschiedde als hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw de stem verheffende uit de schare, tot hem zeide: Zalig is de schoot die u gedragen heeft, en de borsten die gij hebt gezogen. |
LUCAS 11.
135
|
28 Maar hij zeide: Ja zalig zijn degenen die het woord Gods hooren en hetzelve be- ; Mt. 12:38-42, 39 En. als de scharen digt bijéénvergaderden, begon hij te zeggen: Dit is een boos ] geslacht: het verzoekt een j teeken, en hun zal geen tee-ken gegeven worden dan het ' teeken van Jona den profeet. 30 Want gelijk Jona den Ni- j neviten een teeken geweest j is, alzóó zal ook de Zoon des menschen zijn voor dit geslacht. 31 De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordee-len; want zij is gekomen van de einden der aarde om te hooren de wijsheid Salomo's: en zie, meer dan Salomo is hier. 33 De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen 't zelve veroordeelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona: en zie, meer dan Jona is hier. H. 8:15; Mt. 5:15; Mc. 4:21. Mt. 6:22,23. 33 En niemand die een kaars ontsteekt, zet die in 't verborgen noch onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen die inkomen het licht zien mogen. 34 De kaars des ligchaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zoo is ook uw geheele ligchaam verlicht; maar zoo het boos is, zoo is ook uw yeJieele ligchaam duister. 9:50: . 9:40. 12:43-45 |
35 Zie dan toe, dat niet het licht 't welk in u is duisternis zij. 36 Indien dan uw ligchaam geheel verlicht is, niet hebbende eenig deel dat duister is, zoo zal 't geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht. 37 Als hij nu dit sprak , bad hem een zeker farizeër dat hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde zat hij aan. 38 En de farizeër dat ziende, verwonderde zich dat hij niet eerst vóór het middagmaal zich gewasschen had. 39 En de Heer zeide tot hem: Nu gij farizeërs, gij reinigt het buitenste des drink- Mt. 23:25. bekers en des schotels, maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid. 40 Gij onverstandigen, die het buitenste heeft gemaakt, heeft hij ook niet het binnenste gemaakt? 41 Doch geeft tot aalmoezen hetgeen daarin is, en zie, alles is u rein. 43 Maar wee u farizeërs, Mt. 23:23. want gij vertiènt kruizemunt en wijnruit en alle moeskruid , en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen en het andere niet nalaten. 43 Wee u farizeërs, want gij bemint het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten. 44 Wee u gij schriftgeleerden en farizeërs, gij geveins- Mt. la:2; Mc. 7 :2, 3,. H. 20:46; Mt. 23:6, 7. Mt. 23:27. |
LUCAS 12.
136
|
den; want gij zijt gelijk de graven die niet openbaar zijn, en de menschen die daarover wandelen weten 't niet. 4-5 En een van de wetgeleerden antwoordende zeide tot hem: Meester, als gij deze dingen zegt, zoo doet gij ook ons smaadheid aan. 46 Docli hij zeide: Wee ook Mt. 23:4. u wetgeleerden, want gij belast de mensclien met lasten zwaar om te dragen, en zelve raakt gij die lasten niet aan met één van uwe vingeren. Mt.23:29-31. 47 Wee ii, want gij bouwt de graven der profeten, en uwe vaderen liebben dezelve gedood. 48 Zoo getuigt gij dan dat gij medebeliagen hebt aan de werken uwer vaderen; want zfj hebben ze gedood, en gij bouwt hunne graven. 49 Waarom ook de wijsheid Mt.23:34-36. Gods zegt: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen dooden, en sommigen zullen zij uitjagen, 50 opdat van dit geslacht afgeëischt worde het bloed van al de profeten dat vergoten is van de grondlegging der wereld af. Gen. 4:8,10. 51 van het bloed Abels tot 2Kr.24:20,2l. bloed van Zacharia, die gedood is tusschen het altaar en het huis Gods; ja zeg ik u, het zal afgeëischt worden van dit geslacht. Mt. 23:13. 52 Wee u gij wetgeleerden , want gij hebt den sleutel der kennis weggenomen: gij zelve zijt niet ingegaan, en wie |
ingingen hebt gij verhinderd. 53 En als hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de schriftgeleerden en farizeërs hard aantehouden, en hem van vele dingen te doen spreken, 54 hem lagen leggende, en zoekende iets uit zijnen mond te bejagen, opdat zij hem beschuldigen mogten. HOOFDSTUK 12. 1 Als intusschen vele duizenden der schare bijéénvergaderd waren, zoodat zij elkander vertraden, begon hij te zeggen tot zijne discipelen: voor Mt. 16:6; Vooreerst wacht uzelve den zuurdeesem der farizeërs, Mc- 8:15-welke is geveinsdheid. 2 En er is niets bedekt dat H. 8:17; niet zal ontdekt worden, en^c^i^2' verborgen dat niet zal geweten worden. 3 Daarom alwat gij in de duisternis gezegd hebt zal in 't licht gehoord worden, en wat gij in het oor gesproken hebt in de binnenkamers zal op de daken gepredikt worden. 4 En ik zeg u mijnen vrienden , vreest niet voor degenen Mt. 10:28-33. die het ligchaam dooden, en daarna niets méér kunnen doen; 5 maar ik zal u toonen wien gij vreezen zult: vreest dien, die nadat hij gedood heeft J3. /,. ooic magt heeft in de hel te werpen; ja ik zeg u, vreest dien. 6 Worden niet vijf musch-kens verkocht voor twee pen- |
LUCAS 12.
137
|
ningskens? En niet één van die is voor God vergeten. 7 Ja ook de haren uws lioofds zijn alle geteld. Vreest dan niet: gij gaat vele imisch-kens teboven. 8 En ik zeg u, een iegelijk die mij belijden zal voor de mensclien, dien zal ook de Zoon des mensclien belijden voor de engelen Gods; 9 maar wie mij verlooclie-nen zal voor de mensclien, die zal verloocliend worden voor de engelen Gods. 511.12:32; 10 En een iegelijk die eenig Me. 3:29. w00r(j spreken zal tegen den Zoon des menscten, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden. Mt. 10:19,20; 11 En wanneer zij n henen-Lc.'2lfi2-15. brengen zullen in de synagogen en tot de overheden en de magten, zoo zijt niet bezorgd, hoe of wat gij tot verantwoording zeggen of wat gij spreken zult; 12 want de Heilige Geest zal u in die ure leeren 't geen gij spreken moet. 13 En een uit de schare zeido tot hem: Meester, zeg mijnen broeder dat hij met mij de erfenis deele. 14 Maar hij zeide tot hem: Mensch, wie heeft mij tot een regter of scheidsman over ulieden gesteld? 15 En hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid; want het is niet in den overvloed geleyen, |
dat iemand leeft van zijne goederen. 16 En hij zeide tot hen een gelijkenis, en sprak: Eens rijken menschen land had wèl gedragen; 17 en hij overleide bij zich-zelven, zeggende: Wat zal ik doen ? want ik heb niet waarin ik mijne vruchten zal verzamelen. 18 En hij zeide: Dit zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen , en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas en deze mijne goederen, 19 en ik zal tot mijne ziel zeggen: Ziel, gij hebt vele goederen die opgelegd zijn voor vele jaren: neem rust, eet, drink, wees vrolijk. 20 Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziel van u af-eischen; en 't geen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? 21 Alzoo is H met dien die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God. 22 En hij zeide tot zijne discipelen: Daarom zeg ik u, zijt Mt. 6:23-33. niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het ligchaam, waarmede gij u kleeden zult: 23 het leven is meer dan het voedsel, en het ligchaam dan de kleeding. 24 Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaijen noch maaijen, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve: hoeveel gaat gij de vogelen teboven! |
LUCAS 12.
138
|
25 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el tot zijne lengte toedoen? 26 Indien gij dan ook liet minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd? 27 Aanmerkt de leliën, hoe zij wassen: zij arbeiden niet en spinnen niet, en ik zeg u, ook Salomo in al zijne heerlijkheid is niet bekleed geweest als een van deze. 28 Indien nu God het gras', dat heden op het veld is en morgen in den oven geworpen wordt, alzóó bekleedt, hoe-veeltemeer n, gij kleingeloo-vigen! 29 En gijlieden , vraagt niet wat gij eten of wat gij drinken zult, en weest niet wankelmoedig ; 30 want al deze dingen zoeken de volkeren der wereld; maar uw Yader weet dat gij deze dingen behoeft. 31 Maar zoekt het koningrijk Gods, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. 32 Vrees niet, gij klein kuddeken, want het is uws Ya-ders welbehagen, ulieden het koningrijk te geven. 33 Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes; maakt uzelven buidels die niet ver- Mt.6:19-21. ouden, een schat die niet afneemt in de hemelen, waar de dief niet bijkomt noch de mot verderft. 34 Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn. |
35 Laat uwe lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende; 36 en zijt gij den menschen gelijk die op hunnen heer wachten , wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen. 37 Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer als hij komt zal wakende vinden: voorwaar ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal ze doen aanzitten, en bijkomende zal hij hen dienen. 38 En zoo hij komt in de 111.24:42-44. tweede nacldwamp;ak., en komt in de derde waak, en vindt ze alzóó, zalig zijn die dienstknechten. 39 Maar weet dit, dat indien de heer des huizes geweten had in welke ure de dief zoude komen, hij zoude gewaakt hebben en zoude zijn huis niet hebben laten doorgraven. 40 Gij dan, zijt óók bereid, want in welke ure gij het niet meent zal de Zoon des menschen komen. 41 En Petrus zeide tot hem: Heer, zegt gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen ? 42 En de Heer zeide: Wie is Mt.24:45-51. dan de getrouwe en voorzig- tige huisbezorger, dien de heer over zijne dienstboden zal zetten, om Jiun ter regter tijd het bescheiden deel spijze te geven? 43 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer als hij komt zal vinden alzóó doende: 44 waarlijk ik zeg ulieden |
LUCAS 12,
139
|
dat hij hem over al zijne goederen zetten zal. 45 Maar indien die dienstknecht in zijn hart zoude zeggen: Mijn heer vertoeft te komen, en zoude beginnen de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken en dronken te worden, 46 zoo zal de heer van dien dienstknecht komen ten dage op welken hij hem niet verwacht en ter ure die hij niet weet, en zal hem afscheiden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen. Jc. 4:17. 47 En die dienstknecht welke geweten heeft den wil zijns heeren, en zich niet bereid noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden; 48 maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. En een iegelijk wien veel gegeven is, van dien zal veel geëischt worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eischen. Mt.10; 34-36. 49 Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen; en wat wil ik, indien het aireede ontstoken is? Mt. 20:22. 50 Maar ik moet meteen doop gedoopt worden, en hoe word ik geperst, totdat 't volbragt zij! 51 Meent gij dat ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde ? Neen zeg ik u. |
maar veeleer verdeeldheid. 53 Want van nu aan zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee, eu twee tegen drie; 53 de vader zal tegen den Micha 7:8. zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen hare schoondochter , en de schoondochter tegen hare schoonmoeder. 54 En hij zeide ook tot de Mt. 16; 1-3. scharen: Wanneer gij een wolk ziet opgaan van het westen, terstond zegt gijlieden: Er komt regen; en het geschiedt alzoo; 55 en wanneer gij den zui-dewind ziet waaijen, zoo zegt gij : Er zal hitte zijn; en het geschiedt. 56 Gij geveinsden, het aanschijn der aarde en des hemels weet gij te beproeven, en hoe beproeft gij dezen tijd niet? 57 En waarom oordeelt gij ook van uzelve niet 't geen regt is? 58 Want als gij henengaatMt.5:25, 26. met uwe wederpartij voor de overheid, zoo benaarstigu op den weg om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor den regter trekke, en de regter u den geregtsdienaar overlevere, en de geregtsdienaar n in de gevangenis werpe. 59 Ik zeg u, gij zult vandaar geenszins uitgaan, tot- |
140 LUC
dat gij ook liet laatste penningsken betaald zult hebben.
HOOrDSTÃK 13.
1 En er waren te dier tijd eenigen tegenwoordig, die hem boodscliapten van de Gra-lileërs, welker bloed Pilatus met hunne offeranden gemengd had.
2 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Meent gij dat deze Galileërs zondaars zijn. geweest boven al de Galileërs, omdat zij zulks geleden hebben?
3 Ik zeg u, neen ze; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen desgelijks vergaan.
4 Of die achttien op welke de toren in Siloam viel en doodde ze, meent gij dat deze schuldenaars zijn geweest boven alle menschen die in Jeruzalem wonen?
5 Ik zeg u, neen ze; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen insgelijks vergaan.
6 En hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijnen wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.
7 En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kom nu drie jaren zoekende vrucht op dezen vijgeboom , en vind ze niet; houw hem uit: waartoe beslaat hij ook nutteloos de aarde?
8 En hij antwoordende zeide tot hem: Heer, laat hem
S 13.
ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;
9 en indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan ;
maar indien niet, zoo zult gij hem later uithouwen.
10 En hij leerde op den sabbat in een der synagogen.
11 En zie, er was een vrouw die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was tezamenge-bogen en kon zich gansche-lijk niet oprigten.
12 En Jezus haar ziende riep ze tot zich, en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uwe krankheid.
13 En hij leide de handen op haar, en zij werd terstond weder regt, en verheerlijkte God.
14 En de overste der synagoge , kwalijknemende dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen op welke men moet werken; komt dan op dezelve en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats.
15 Be Heer dan antwoordde
hem en zeide: Gij geveinsde, h. U:5-, maakt niet een iegelijk van u Mt*12:11-op den sabbat zijnen os of ezel van de krib los, en leidt hem henen om hem te doen drinken?
16 En deze die een dochter Abrahams is, welke de satan, zie, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band op den dag des sabbats ?
|
17 En als liij dit zeide, werden zij allen beschaamd die zich tegen liem stelden, en al de scliare verblijdde zicli over al de heerlijke dingen die van hem geschiedden. Mc. 4:30-32; 18 En hij zeide: Waaraan is Mt, 13.31,32.-^et Grods gelijk, en waarbij zal ik 't zelve vergelijken ? 19 Het is gelijk een mostaardzaad, 't welk een mensch genomen en in zijnen hof geworpen heeft; en het wies op en werd tot een grooten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijne takken. Mt. 13:33. 20 En hij zeide wederom: Waarbij zal ik 't koningrijk Gods vergelijken? 21 Het is gelijk een zuur-deesem, welken een vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was. 22 En hij reisde van de ééne stad en vlek tot de andere, leerende, en rigtende zijne reis naar Jeruzalem. 23 En er zeide een tot hem: Heer, zijn er ook weinigen die zalig worden? En hij zeide tot hen: Mt. 7:13,14. 34 Strijdt om integaan door de enge poort; want velen (zeg ik u) zullen zoeken integaan , en zullen niet kunnen; 25 namelijk nadat de heer des huizes zal opgestaan zijn Mt.25:io-i2. en de deur zal gesloten hebben , en gij zult beginnen buitentestaan en aan de deur |
S 13. 141 te kloppen, zeggende: Heer, heer, doe ons open; en hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet vanwaar gij zijt. 26 Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten, geleerd. 27 En hij zal zeggen: Ik zeg u, ik ken u niet van- Mt. 7:23. waar gij zijt: wijkt van mij af, alle gij werkers der on-geregtigheid. 28 Aldaar zal zijn weening Mt. 8:12, U. en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham en Isaiik en Jakob en al de profeten in het koningrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen. 29 En er zullen er komen van oosten en westen, en van noorden en zuiden, en zullen aanzitten in het koningrijk Gods. 30 En zie, er zijn laatsten Mt. 19:30 die de eersten zullen zijn, en M^0 'iq6: 31. er zijn eersten die de laatsten zullen zijn. 31 Te dien dage kwamen er eenige farizeërs, zeggende tot hem: Ga weg en vertrek vanhier, want Herodes wil u dooden. 32 En hij zeide tot hen: Gaat henen en zegt dien vos: Zie, ik werp duivelen uit en maak gezond, heden en morgen, en ten derden dage word ik voleindigd. 33 Doch ik moet heden en |
|
142 LiUCA morgen en den volgenden dag reizen, want het gebeurt niet dat een profeet gedood wordt Luiten Jeruzalem. Mt.23:37-39. 34 Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en steenigt die tot u gezonden zijn, lioemenigmaal heb ik uwe kinderen willen bijéén vergaderen , gelijkerwij s een ben liare kiekens onder de vleugelen very adert, en gijlieden liebt niet gewild. 35 Zie, uw huis wordt u-lieden woest gelaten. En voorwaar ik zeg n dat gij mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn als gij Ps. 118:26. zult zeggen: Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. HOOFDSTUK 14. 1 En het geschiedde als hij gekomen was in het huis van een der oversten der farizeërs, op den sabbat, om brood te eten, dat zij hem waarnamen. M 12:10-12. 2 En zie, er was een zeker waterzuchtig mensch vóór hem. 3 En Jezus antwoordende zeide tot de wetgeleerden en farizeërs, en sprak: Is 't ook geoorloofd op den sabbat ge-zondtemaken? 4 Maar zij zwegen stil. En hij nam /tem en genas hem, en liet hem gaan. 5 En hij hun antwoordende li. 13:15. zeide: Wiens ezel of os van ulieden zal in een put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats? |
5 14. 6 En zij konden hem daarop niet wederantwoorden. 7 En hij zeide tot de genoo-den een gelijkenis, aanmerkende hoe zij de vooraanzit- H. 20:46. tingen verkozen, zeggende tot hen: 8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zoo zet u niet op de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij, 9 en hij komende die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats, en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden. 10 Maar wanneer gij ge-Spr. 25:6,7, nood zult zijn, ga henen en zet u op de laatste plaats; opdat wanneer hij komt die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, gahoogerop: alsdan zal 't u eer zijn voor degenen die met u aanzitten. 11 Want een iegelijk die ^ ^ii zichzelven verhoogt zal vernederd worden , en wie zichzelven vernedert zal verhoogd worden. 13 En hij zeide ook tot dengeen die hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden , zoo roep niet uwe vrien- H. 6:32-34. den, noch uwe broeders, noch uwe magen, noch uwe rijke geburen, opdat ook dezelve n niet te eeniger tijd wedernooden en u vergelding geschiede. 13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zoo |
ri â f
LUCAS 14.
143
|
nood armen, verminkten, kreupelen, blinden: 14 en gij zult zalig zijn, omdat zij niet liebben om u te vergelden; want liet zal u vergolden worden in de opstanding der regtvaardigen. 15 En als een van degenen die medeaanzaten deze dingen boorde, zeide bij tot bem: Zalig is bij die brood eet in 't koningrijk Gods. 16 Maar bij zeide tot bem: Mt.^22j2-D, Een zeker menscb bereidde een groot avondmaal, en bij noodde er velen; 17 en bij zond zijnen dienstknecht uit ter ure des avond-maals, om den genooden te zeggen: Komt, want alle i dingen zijn nu gereed. 18 En zij begonnen allen zich eendragtig te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is noodig dat ik uitga en bem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. 19 En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga henen om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. 20 En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. 21 En die dienstknecht we-atergekomen zijnde boodschapte deze dingen zijnen heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijnen dienstknecht: Ga haaste-lijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de |
armen en verminkten en kreupelen en blinden hier in. 22 En de dienstknecht zeide: Heer, het is geschied gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats. 23 En de beer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen, en dwing ze intekomen, opdat mijn huis vol worde; 24 want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen die genood waren mijn avondmaal smaken zal. 25 En vele scharen gingen met hem; en hij zich omkee-rende zeide tot ben: 26 Indien iemand tot mij Mt. 10:37,38-komt, en niet haat zijn vader en moeder, en vrouw en kinderen, en broeders en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn; 27 en wie zijn kruis niet draagt en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn. 28 Want wie van u willende een toren bouwen, zit niet eerst neder en overre-kent de kosten, of hij ook heeft 't geen tot volmaking noodig is? 29 opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft en niet kan voleindigen, allen die het zien hem beginnen te bespotten, 30 zeggende: Deze menscb heeft beginnen te bouwen, en beeft niet kunnen voleindigen. 31 Of wat koning gaande naar den krijg om tegen een |
15.
|
anderen koning te strijden, zit niet eerst neder en beraadslaagt', of hij magtig is met tienduizend te ontmoeten dengeen die met twintigduizend tegen liem komt? 33 Anders zendt hij gezanten uit, terwijl gene nog verre is, en begeert 't geen tot vrede dient. 83 Alzóó dan een iegelijk van u die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan mijn discipel niet zijn. Mt. 5:13; 34 Het zout is goed; maar Mc. 9:50. in(]jen het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden? 35 Het is noch voor het land noch voor den mesthoop geschikt: men werpt het weg. quot;Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. HOOFDSTUK 15. 1 En al de tollenaars en de zondaars naderden tot hem om hem te hooren. H. 5:30. 2 En de farizeërs en de schriftgeleerden murmureerden , zeggende; Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen. 3 En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: Mt.l8:12-14. 4 quot;Wat mensch onder u hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negenennegentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij 't zelve vindt? 5 En als hij 't gevonden heeft, legt hij 't op zijne |
schouders, verblijd zijnde; 6 en tehuis komende roept hij de vrienden en de gebu-ren tezamen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was. 7 Ik zeg ulieden, dat er alzóó blijdschap zal zijn in den hemel over éénen zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig h. 5:32. regtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben. 8 Of wat vrouw hebbende tien penningen, indien zij éénen penning verliest, ontsteekt niet een kaars, en veegt het huis met hezemen, en zoekt naarstig totdat zij dien vindt? 9 En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen tezamen, zeggende: Weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden dien ik verloren had. 10 Alzóó (zeg ik ulieden) is er blijdschap voor de en-Vs. 7,23,32. gelen Gods over éénen zondaar die zich bekeert. 11 En hij zeide: Een zeker mensch had twee zonen. 12 En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed. 13 En niet vele dagen daarna , de jongste zoon alles bijéénvergaderd hebbende, is weggereisd in een vvcyelegen land, en heeft aldaar zijn |
LUCAS 15.
145
|
goed doorgebragt, levende overdadig. 14 En als liij liet alles verteerd liad, werd er een groo-te hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden; 15 en bij ging henen en voegde zich bij een van do burgers van dat land, en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden; 16 en hij begeerde zijn buik te vullen met den draf dien de zwijnen aten, en niemand gaf hem dien. 17 En tot zichzelven gekomen zijnde, zeidehij: Hoe-vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger. 18 Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: quot;Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, 19 en ik ben niet meer waardig iiw zoon genaamd te worden: maak mij als een van uwe huurlingen. 20 En opstaande ging hij naar zijnen vader. En als hij nog verre van Item was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen, en tóéloopende viel hij hem om zijnen hals en kuste hem. 31 En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. 22 Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten: Brengt |
hier vóór het beste kleed en doet het hem aan, en geeft eeu ring aan zijne baud en schoenen aan de voeten, 23 en brengt- het gemeste kalf, en slagt bet, en laat ons eten en vrolijk zijn; 24 want deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden, en hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn. 25 En zijn oudste zoon was in 't veld, en als hij kwam en het huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei; 26 en tot zich geroepen hebbende een van de kneebten, vraagde wat dat mogt zijn. 37 En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader beeft het gemeste kalf geslagt, omdat hij hem gezond wederontvangen beeft. 28 Maar bij werd toornig en wilde niet ingaan. Zoo Vs. 2. ging dan zijn vader uit, en bad hem. 29 Doch hij antwoordende zeide tot den vader: Zie, ik dien u nv, zoovele jaren en heb nooit uw gebód overtreden, en gij hebt mij nooit een boksken gegeven, opdat ik met mijne vrienden mogt vrolijk zijn; 30 maar als deze liw zoon gekomen is, die uw goed met boeren doorgebragt heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslagt. 31 En hij zeide tot bem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is bet uwe: |
10
LUCAS 16.
146
|
32 men belioorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden, ! en liij was verloren en is gevonden. HOOFDSTUK 16. 1 En kij zeide ook tot zijne discipelen: Er was een zeker rijk menscli, welke een rentmeester liad ; en deze werd bij hem verklaagd als die zijne goederen doorbragt. 2 En liij riep liem en zeide tot kern: Hoe hoor ik dit van ii? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want gij zult niet meer rentmeester kunnen zijn. 3 En de rentmeester zeide bij zichzelven: TV at zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. 4 Ik weet wat ik doen zal, opdat wanneer ik van 't rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hunne huizen ontvangen. 5 En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eerste: Hoeveel zijt gij mijnen heer schuldig? 6 En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende schrijf haas-telijk vijftig. 7 Daarna zeide hij tot een ander: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En |
hij zeide tot hem: Neem uw handschrift en schrijf tachtig. 8 En de heer prees den onregtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzigtig gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzigtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht. 9 En ik zeg ulieden, maakt uzelven vrienden uit den onregtvaardigen Mammon, op- I dat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen inde j eeuwige tabernakelen. 10 Wie getrouw is in 't minste, die is ook in'tgroo-te getrouw; en wie in het minste onregtvaardig is, die is ook in het groote onregtvaardig. 11 Zoo gij dan in den on-! regtvaardigen Mammon niet I getrouw zijt geweest, wie zal I het ware vertrouwen? j 12 En zoo gij in eens an-! ders (joed niet getrouw zijt j geweest, wie zal u het uwe | geven? 13 Geen huisknecht kan Mt. 6:24. i twee heeren dienen; want of \ hij zal den éénen haten en den anderen liefhebben, óf | hij zal den éénen aanhangen I en den anderen verachten. Gij kunt God niet dienenen 1 den Mammon. 14 En al deze dingen hoorden ook de farizeërs die geldgierig waren, en zij beschimp- i ten hem. 15 En hij zeide tot hen: Gij zijt het die uzelve regt- i vaardigt voor de menschen, maar God kent uwe harten; |
LUCAS 16.
147
want wat hoog is onder cle menschen, is een gruwel voor God.
Mt. 11:12,13. 16 De wet en de profeten zijn tot op Joliannes; van dien tijd afwordt het koningrijk G-ods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve.
Mt. 5:18. 17 En liet is ligter dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat één tittel der wet valle.
Mt. 5:32; 18 Een iegelijk die zijn vrouw verlaat en een andere tromvt, die doet overspel; en een iegelijk die de verlatene van den man trouwt, die doet óuh overspel.
19 En er was een zeker rijk mensch, en hij was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende alle dagen vrolijk en prachtig.
20 En er was een zeker bedelaar met name Lazarus, welke lag voor zijn poort, vol zweren,
21 en begeerde verzadigd te worden van de kruimkens die van de tafel des rijken vielen; maar ook de honden kwamen en likten zijne zwieren.
23 En het geschiedde dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in den schoot Abrahams.
23 En de rijke stierf óók, en werd begraven. En als hij in de hel zijne oogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijnen schoot. 24« En hij riep en zeide:
j Yader Abraham, ontferm u mijner en zend Lazarus, dat | hij het uiterste zijns vingers in het water doope, en ver-koele mijne tong; want ik j lijd smarten in deze vlam. i 25 Maar Abraham zeide: | Kind, gedenk dat gij uw j goed ontvangen hebt in uw I leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten.
I 26 En boven dit alles, tus-schen ons en ulieden is een groote kloof gevestigd, zoodat degenen die vanhier tot i ii willen overgaan, niet zou-j den kunnen, noch ook die j daar zijn, vandaar tot ons ! overkomen.
i 37 En hij zeide: Ik bid u dan vader, dat gij hem zendt | tot mijns vaders huis; | 38 want ik heb vijf broe-j ders: dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging. 39 Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten: dat ze die hooren. 30 En hij zeide: Neen vader Abraham, maar zoo iemand van de dooden tot hen henen-ging, zij zouden zich bekee-ren.
81 Doch Abraham zeide tot hem: Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware 'tdat er iemand uit de dooden opstond , zich niet laten gezegden.
in: 9.
|
148 LUtJ HOOFDSTUK 17. 1 En tij zeide tot de dis-Mt. 18:7,6; oipelen; Het kan niet wezen Mc. 9:42. ^ er âeen ergernissen komen , doek wee hem door welken zij komen; 3 liet zonde kern nutter zijn dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en kij in de zee geworpen, dan dat kij één van deze kleinen zoude ergeren. Mt. 18:15, 3 Wackt uzelve. En indien 21' 22' uw broeder tegen u zondigt, zoo bestraf kem; en indien ket kem leed is, zoo vergeef ket kem. 4 En indien kij zevenmaal 's daags tegen u zondigt, en zevenmaal 's daags tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed, zoo zult gij 't kem vergeven. 5 En de apostelen zeiden tot den Heer: Vermeerder ons ket geloof. 6 Eu de Heer zeide: Zoo Mt. 17:20; gij een geloof kadt als een 21'21' mostaardzaad, gij zoudt tegen dezen moerbeziënboom zessen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zoude u gekoorzaam zijn. 7 En wie van u keeft een dienstkneckt ploegende of de beesten koedende, die tot kem als kij van den akker inkomt terstond zal zeggen: Kom bij en zit aan? 8 Maar zal kij niet tot kem zeggen: Bereid wat ik te avond zal eten, en omgord u en dien mij, totdat ik |
S 17. zal gegeten en gedronken kebben, en eet en drink gij daarna ? 9 Dankt kij ook dien dienstkneckt , omdat kij gedaan keeft 't geen kem bevolen was? Ik meen, neen. 10 Alzóó ook gij, wanneer gij zult gedaan kebben al ketgeen u bevolen is, zoo zegt: Wij zijn onnutte dienst-kneckten, want wij kebben maar gedaan 'tgeen wij sekul-dig waren te doen. 11 En ket gesckiedde als kij naar Jeruzalem reisde, dat kij door ket midden van Sa-marië en Galiléa ging. 13 En als kij in een zeker vlek kwam, ontmoetten kem tien melaatsoke mannen, welke van verre stonden; 13 en zij verhieven hunne stem, zeggende: Jezus, Meester, ontferm u onzer. 14 En als hij ze zag, zeide hij tot hen: Graat kenen en vertoont uzelve den pries- Lev. 14: teren. En ket gesckiedde terwijl zij henengingen, dat zij gereinigd werden. 15 En één van hen ziende dat hij genezen was, keerde weder, met groote stem God verkeerlijkende; 16 en kij viel op ket aan-gezigt voor zijne voeten, kem dankende: en deze was een Samaritaan. 17 En Jezus antwoordende zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen? 18 Zijn er geene gevonden die wederkeeren om Gode |
LUCAS 17.
149
|
eer te geven, dan deze vreemdeling ? 19 En hij zeide tot tem: Sta op en ga lienen; uw geloof heeft ii behouden. 30 En gevraagd zijnde van de farizeërs, wanneer het koningrijk Gods komen zoude, heeft hij hun geantwoord en gezegd: Het koningrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat , 21 en men zal niet zeggen; j Zie hier of zie duur; want zie, het koningrijk Gods is binnen ulieden. Mt. 24; 15-28, 33 En hij zeide tot 'de dis- 1 Mc.13'; 14-21. cipelen; Er zullen dagen ko- j men, wanneer gij zult be-geeren één der dagen van den Zoon des mensohen te | zien, en gij zult dien niet | zien. 33 En zij zullen tot u zeg- 1 gen; Zie hier of zie daar is hij; gaat niet henen, en volgt niet. 34 Want gelijk de bliksem, die van 't ééne einde onder den hemel bliksemt, tot het ; ' I andere onder den hemel I schijnt, alzóó zal ook de j Zoon des mensehen wezen 1 in zijnen dag. h. 9; 22. 35 Maar eerst moet hij veel [ lijden, en verworpen worden ] van dit geslacht. 26 En gelijk het geschied j is in de dagen van Noach, ' alzóó zal het ook zijn in de ! dagen van den Zoon des j mensclien: 37 zij aten, zij dronken, zij ; namen ten huwelijk, zij wer- i |
den ten huwelijk gegeven, tot den dag op welken NoacliGen-7:1 quot;-23-in de ark ging, en de zondvloed kwam en verdierf ze allen. 38 Desgelijks ook gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; 39 maar op den dag op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en zwavel Gen. 19; 24, van den hemel, en verdierf 0' ze allen; 30 even alzóó zal het zijn in den dag op welken de Zoon des mensehen geopenbaard zal worden. 31 In dien dag wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af om hetzelve wegtenemen; en wie op den akker zijn zal, die keere desgelijks niet naar hetgeen achter is. 33 Gedenkt aan de vrouw Gen. 19; 26. van Lot. 33 Zoowie zijn leven zal h. 9:24. zoeken te behouden, die zal Mt.'io'lg' 't verliezen; en zoowie het- l6:®: zelve zal verliezen, die zal het in 't leven behouden. 34 Ik zeg u, in dien nacht zullen twee op één bed zijn: de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. 35 Twee vrmtcen zullen tezamen malen; de ééne zal aangenomen en de andere zal verlaten worden. 36 Twee zullen op den akker zijn; de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. |
LUCAS IS.
150
|
37 En zij antwoordden en zeiden tot hem: Waar Heer? En hij zeide tot lien: Waar het ligchaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden. HOOFDSTUK 18. 1 En liij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strek- Rom,i2:i2; dat men altijd bidden Col. 4:2; -it i Th. 5:17. moet en niet vertragen, 3 zeggende: Er was een zeker regter in een stad, die God niet vreesde en geen mensch ontzag. 3 En er was een zekere weduw in die stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij regt tegen mijne wederpartij. 4- En hij wilde voor een toi-gen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vrees en geen mensch ontzie, 5 nogtans omdat deze weduw mij moeijelijk valt, zoo zal ik haar regt doen, opdat zij niet eindelijk kome en mij het hoofd breke. 6 En de Heer zeide: Hoort wat de onregtvaardige regter zegt; 7 zal God dan geen regt doen zijnen uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen, hoewel hij lankmoedig is over hen? 8 Ik zeg u dat hij hun haastig regt doen zal. Doch de Zoon des menschen als hij komt, zal hij ook geloot'vinden op de aarde? |
9 En hij zeide ook tot sommigen die bij zichzelve vertrouwden dat zij regtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis: 10 Twee menschen gingen op in den tempel om te bidden : de één was een farizeür en de ander een tollenaar. 11 De farizeër staande bad dit bij zichzelven: O God, ik dank u dat ik niet ben gelijk de andere menschen, roovers, onregtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar: 13 ik vast tweemaal ter week, ik geef tienden van alles wat ik bezit. 13 En de tollenaar van verre staande wilde ook zelfs de oogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende: O God, wees mij zondaar genadig. l-i Ik zeg ulieden, deze ging af geregtvaardigd in zijn huis meer dan die; want een j ieder die zichzelven verhoogt ^ 1 zal vernederd worden, en wie j zichzelven vernedert zal ver-i hoogd worden. i 15 En zij bragten ook d6 ! kinderkens tot hem, opdat hij die zoude aanraken; en de discipelen dat ziende bestraften dezelve. 16 Maar Jezus riep die kin-j derkens tot zich, en zeide: i Laat de kinderkens tot mij j komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het koningrijk Gods. 17 Voorwaar zeg ik u, zoowie het koningrijk Gods niet Mt-18; 3- ; zal ontvangen als een kinde- jlo.10 Ex.20 |
LUCAS 18.
131
|
ken, die zal geenszins inket-zelve komen. Mt.i9:i6-29; 18 En een zeker overste Mc.io 17quot;30-yraagjg jlem^ zeggende: Goede meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? 19 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan één, namelijk Grod. 20 Gij weet de geboden: Ex.20:12-16.gij zult geen overspel doen; gij zult niet doo-den; gij zult niet stelen; gij zult geen val-sche getuigenis geven; eer uwen vader en uwe moeder. 31 En hij zeide: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid aan. 23 Doch Jezus dit hoerende zeide tot hem: Nog één ding ontbreekt u: verkoop alles wat gij hebt en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij. 23 Maar als hij dit hoorde werd hij zeer droevig; want hij was zeer rijk. 2*1 Jezus nu ziende dat hij zeer droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben in het koningrijk Gods ingaan; 25 want het is ligter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in 't koningrijk Gods inara. i-.H; 3:12. ; 13-15; :13,14. 18:3. |
26 En die dit hoorden zeiden : quot;Wie kan dan zalig worden? 27 En hij zeide : De dingen j die onmogelijk zijn bij de j menschen, zijn mogelijk bij ; God. i 38 En Petrus zeide: Zie, j wij hebben alles verlaten en j zijn u gevolgd. j 29 En hij zeide tot hen: i Voorwaar ik zeg ulieden, dat | er niemand is die verlaten ' heeft huis, of ouders of broe-j ders, of vrouw of kinderen, om het koningrijk Gods, 30 die niet zal veelvoudig wederontvangen in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. 31 En hij nam de twaalf Mt. 20:17-19; bij zich, en zeide tot hen: llc'10:32'34' Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles vol- bragt worden aan den Zoon des menschen, wat geschreven is door de profeten; 32 want hij zal den heidenen overgeleverd worden, en hij zal bespot worden en smadelijk behandeld worden en bespuwd worden, 33 en hem gegeeseld hebbende zullen zij hem dooden; en ten derden dage zal hij wederopstaan. 34 En zij verstonden geen van deze dingen, en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet 't geen gezegd werd. | 35 En het geschiedde als hij Mt. 20:29-34; : nabij Jericho kwam, dat eenMc-'10:i6-';'2- H. 9:45. |
|
152 LUCA zeker blinde aan den weg zat, bedelende. 36 En deze hoorcnde de schare voorbijgaan, vraagde wat dat was. 37 En zij boodscbapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging. 38 En bij riep, zeggende: Jezus, gij Zoon Davids, ontferm u mijner. 39 En die voorbijgingen bestraften hem, opdat Hj zwijgen zoude; maar bij riep zoo-veeltemeer; Zoon Davids, ontferm u mijner. 40 En Jezus stöstaande beval dat men denzelven tot bem brengen zoude; en als bij nabij hem gekomen was, vraagde bij hem, 41 zeggende: Wat wilt gij dat ik u doen zal? En hij zeide: Heer, dat ik ziende mag worden. 42 En Jezus zeide tot hem: Word ziende: uw geloof heeft u behouden. 43 En terstond werd hij ziende, en volgde hem, Godver-beerlijkende. En al het volk dat ziende, gaf Gode lof. HOOFDSTUK 19. 1 En Jezus ingekomen zijnde , ging door Jericho. 2 En zie, er was een man met name geheeten Zacheüs; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk; 3 en hij zocht Jezus te zien, wie hij was, en kon niet vanwege de schare, omdat liij klein van persoon was. 4 En vooruitloopende klom |
5 19. hij op een wilden vijgeboom , opdat hij hem mogt zien; want hij zoude langs dien wey voorbijgaan. 5 En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende zag hij hem, en zeide tot hem: Zacheüs, haast u en komaf, want ik moet heden in uw huis blijven. 6 En hij haastte zich en kwam af, en ontving hem 'met blijdschap. 7 En allen die 't zagen murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan om te herbergen. 8 En Zacheüs stond en zeide tot den Heer: Zie, de helft van mijne goederen. Heer, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. 9 En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, naardemaal ook deze een zoon Abrahams is; 10 want de Zoon des men- Mt. 18:11: schen is gekomen om te zoe-1 Tim-1:1a ken en zaligtemaken wat verloren was. 11 En als zij dat hoorden , Mt. 25:14-30 voegde hij daarbij en zeide een gelijkenis, omdat hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden dat het koningrijk Gods terstond zoude openbaar worden. 12 Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een wvgelegen land, om voor zichzelven een koningrijk te |
LUCAS 19.
153
|
ontvangen, en dan wederte-keeren. 13 En geroepen hebbende zijne tien dienstknechten, gaf hij kun tien ponden, en zei-de tot hen: Doet handeling totdat ik kom. 14 En zijne burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet dat deze over ons koning zij. 15 En het geschiedde toen hij wederkwam, als hij het koningrijk ontvangen had, dat liij zeide dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden , wien hij het geld gegeven had, opdat hij weten mogt wat een iegelijk met handelen gewonnen had. 16 En de eerste kwam en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden daarenboven gewonnen. 17 En hij zeide tot hem: Wol, gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest, zoo heb magt over tien steden. 18 En de tweede kwam en zeide: Heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen. 1!) En hij zeide ook tot dezen: En gij, wees over vijf steden. 20 En een ander kwam zeggende : Heer, zieJtier uw pond, 't welk ik in een zweetdoek weggelegd liad; 21 want ik vreesde u, omdat gij een straf menscli zijt; gij neemt weg wat gij niet gelegd hebt, en gij maait wat gij niet gezaaid hebt. |
22 Maar hij zeide tot hem: U it uwen mond zal ik u oordeelen, gij booze dienstknecht. Gij wist dat ik een straf mensch ben, wegnemende wat ik niet gelegd heb, en maaijende wat ik niet gezaaid lieb: 23 waarom hebt gij dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik komende had hetzelve met winst mogen eischen? 24 En hij zeide tot degenen die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geeft het dien die de tien ponden heeft. 25 En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft tien ponden. 26 Want ik zeg u, dat eenen iegelijk die heeft zal h. 8:18; gegeven worden; maar van dengeen die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. 27 Doch deze mijne vijanden, die niet hebben gewild dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier en slaat ze hier vóór mij dood. 28 En dit gezegd hebbende Mt. 21:1-11; reisde hij voor hen henen, jh.'i2:12'lö'. en ging op naar Jeruzalem. 29 En het geschiedde als hij nabij Bethfagé en Eethanië gekomen was, aan den berg genaamd de Olijfberg, dat hij twee van zijne discipelen uitzond , 30 zeggende: Gaat henen in dat vlek dat tegen u over is, in 't welk inkomende zult gij een veulen gebon- |
LUCAS 19.
154
|
den vinden, waarop geen mensoh ooit lieef't gezeten: ontbindt hetzelve en brengt liet. 31 En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat? zoo zult gij alzoo tot hem zeggen: Omdat de Heer oo het van noode heeft. 33 En die uitgezonden wa- j ren henengegaan zijnde, vonden 't gelijk hij hun gezegd j had. 33 En als zij het veulen j ontbonden, zeiden de heeren van hetzelve tot hen: Waar- [ om ontbindt gij het veulen? j 34 En zij zeiden: De Heer heeft het van noode. 35 En zij bragten hetzelve j tot Jezus; en hunne kleede- i ren op het veulen geworpen j hebbende, zetteden zij Jezus daarop. 36 En als hij rooróreisde, 1 spreidden zij hunne kleede- [ ren onder hém op den weg. 37 En als hij nu genaakte aan den afgang des Olijf- : bergs, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met groote stem, vanwege al de krachtige daden die zij gezien hadden, 38 zeggende: Gezegend m de Koning die komt in den naam des Heeren! Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen! 39 En sommigen der fari-zeërs uit de schare zeiden tot hem: Meester, bestraf uwe discipelen. 40 En hij antwoordende Ps. 118:26. |
zeide tot hen: Ik zeg ulie-den, dat zoo deze zwijgen, de steenen haast roepen zullen. 41 En als hij nabij kwam en de stad zag, weende hij over haar, 43 zeggende: Och of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, 't geen tot uwen vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uwe oogen. 43 Want er zullen dagen h. 21:6,20 over u komen, dat uwe vij- ' ~ anden een wal rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen en u van alle zijden benaauwen, 44 en zullen u tot den grond nederwerpen, en uwe kinderen in u, en zij zullen in u den ééuen steen op den anderen steen niet laten, daarom dat gij den tijd u-wer bezoeking niet bekend hebt. 12, IS 15-r 14-lc' Ãt.21r3: Hc. 12:1 45 En gegaan zijnde indenMt.21 00 quot; Mc.11 tempel, begon hij uittedrij-jh.'2 ven degenen die daarin verkochten en kochten, 46 zeggende tot hen: Er is geschreven : M ij n huis Jes. 56:7. is een huis des gebeds; maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren ge- Jar. 7:11. maakt. 47 En hij leerde dagelijks in den tempel; en de over- mo.11;18, priesters en de schriftgeleerden en de oversten des volks i zochten hem te dooden, 48 en zij vonden niet wat i zij doen zouden; want al Mt.21:2 Mc.11:2 |
LUCAS 30.
155
|
liet volk hing hem aan en hoorde hem. HOOFDSTUK 20. 111.21:23-27; 1 En het geschiedde op een Mc.ll. 27-3u. van j-g (Jagen ) a^s Jjij jn (2en tempel het volk leerde en het evangelie verkondigde, dat de overpriesters en schriftgeleerden met de ouderlingen daarover kwamen, 3 en spraken tot hem, zeggende; Zeg ons door wat niagt gij deze dingen doet, of wie hij is die u deze magt heeft gegeven? 3 En hij antwoordende zeide tot hen: Ik zal u ook één woord vragen, en zegt mij: 4 de doop van Johannes, was die uit den hemel of uit de menschen ? 5 En zij overleiden onder elkander, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zoo zal hij zeggen: Waarom j hebt gij dan hem niet ge- | loofd ? 6 En indien wij zeggen: Uit i de menschen, zoo zal ons al het volk steenigen; want zij | houden voor zeker, dat Johannes een profeet was. 7 En zij antwoordden, dat zij niet wisten vanwaar die [ was. 8 En Jezus zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet door wat magt ik deze dingen doe. ït.21; 33-46; 9 En hij begon tot het volk Sc. 12.i-igt;. gelijkenis te zeggen: Een zeker mensch plantte een j wijngaard, en hij verhuurde ! |
dien aan landlieden, en trok een langen tijd buitenslands. 10 En als 't de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzei ven, en zonden hevi ledig henen. 11 En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij liemi ledig henen. 13 En wederom zond hij nog een derden; maarzij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit. 13 En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijnen geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende zullen zij hem ontzien. 14 Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam: komt laat ons liem dooden, opdat de erfenis ons worde. 15 En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen? 16 Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden zeiden zij: Dat zij verre. 17 Maar hij zag ze aan, en zeide: Wat is dan dit 't welk geschreven staat: De steen ps.U8:22. dien de bouwlieden |
r
LUCAS 20.
156
het volk, en zich verwonderende over zijn antwoord zwe-I gen zij stil.
; 27 En tot hem kwamen som- mc.12:18-2; i migen der sadduceërs, welkequot; '
tegensprekende zeggen dat er ^ geen opstanding is, en vraagden hem,
; 28 zeggende: Meester, Mo-zes heeft ons geschreven, zoo iemands broeder Dt. 25:5,i ; sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal en zijnen broeder kroost verwekken.
29 Er'waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen.
30 En de tweede nam die vrouw, en oolc deze stierf zonder kinderen.
31 En de derde nam die vrome, en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven.
32 En ten laatste na allen stierf ook de vrouw.
33 In de opstanding dan wiens vrouw van deze zal zij zijn? want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad.
34 En Jezus antwoordende zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen en worden ten huwelijk uitgegeven;
35 maar wie waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit
} de dooden, zullen nochtrou-
verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden?
18 Een iegelijk die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.
Mt. 21:44.
Mt.22:15-22; 19 En de overpriesters en 110.12:13-17.^ gg^jftgejeerden zochten te i dier ure de handen aan hem te slaan, maar zij vreesden het volk; want zij verstonden dat hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.
20 En zij namen hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelve veinsden regt-vaardig te zijn, opdat zij hem in zijne rede vangen mogten, om hem aan de heerschappij en de magt des stadhouders overtele veren.
21 En zij vraagden hem, zeggende ; Meester, wij weten dat gij règt spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in waarheid:
22 is 't ons geoorloofd den keizer schatting te geven of niet?
23 En hij hunne arglistigheid bemerkende, zeide tot hen; Wat verzoekt gij mij?
24 Toont mij een penning; wiens heeld en opschrift heeft hij ? En zij antwoordende zeiden; Des keizers.
25 En hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is.
26 En zij konden hem in zijn woord niet vatten voor
Ex. 3
411. 22: Mc. 12
Mc. 12:3 Mt.22:4
Ps. 110
llc.l2:a Mt. 23: 14.
LUCAS 21.
157
|
wen nocli ten liuwelijk uitgegeven worden; 36 want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn. 37 En dat de dooden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij liet doornboseli, als liij den Heer Ex. 3:6. noemt den God Abrahams en den God Isailks en den God Jakobs: 38 God nu is niet een God der dooden maar der levenden ; want zij leven hem allen, 39 En sommigen der schriftgeleerden antwoordende zeiden: Meester, gij hebt wel gezegd. 40 En zij durfden hem niet meer iets vragen. JU. 22;4C; Mc, 12:34. ilt, 22:41-45. Mc, 12:35-37; 41 En hij zeide tot hen: Hoe dat de Christus âeggen zij Davids zoon is? 43 En David zelfzegtin het Ps. 110:1. boek der psalmen: De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: Zit aan mijne legtethand, 43 totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 44 David dan noemt hem zijnen Heer, en hoe is hij zijn zoon? »c.i2:38-40; 45 En daar al het volk het ml 23:6,7, boorde, zeide hij tot zijne discipelen : |
46 Wacht u van de schriftgeleerden, die willen wandelen in lange kleederen, en beminnen de groetingen op h, n: 43, de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen bij de maaltijden; 2 ⢠18-2quot; ;2:2:3-ïi 25:5, C. 47 die der weduwen huizen opeten, en ondereen schijn lange gebeden doen: deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. HOOEDSÃÃK 21. 1 En opziende zag hij de rij-Mc.12:41-44. ken hunne gaven in de schatkist werpen. 2 En hij zag ook een zekere arme weduw twee kleine pen-ninrjsJcens daarin werpen; 3 en hij zeide; Waarlijk ik zeg u, dat deze arme weduw meer dan allen heeft wge-worpen; 4 want die allen hebben van hunnen overvloed «geworpen tot de gaven Gods, maar déze heeft van haar gebrek al den leeftogt dien zij had daarin geworpen. 5 En als sommigen zeiden Mt. 24:1-6; van den tempel, dat hij met Jlc'13:1quot;7' achoone steenen en begiftigingen versierd was, zeide hij: 6 IVat deze dingen aangaat die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken. 7 En zij vraagden hem, zeggende : Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn? en welk is het teeken wanneer |
LUCAS 21.
158
|
deze dingen zullen gescHe-den? 8 En liij zeide: Ziet dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus, en de tijdis nabij gekomen: gaat danlien niet na. 9 En wanneer gij zult lioo-ren van oorlogen en beroerten, zoo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden, maar nog is terstond het einde niet. 10 Toen zeide hij tot hen: Het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het éene koningrijk tegen het andere koningrijk; 11 en er zullen groote aardbevingen wezen in verscheiden plaatsen, en hongersnoo-den, en pestilentiën; er zullen ook schrikkelijke dingen en groote teekenen van den hemel geschieden. 12 Maar vóór dit alles zullen zij hunne handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om mijns naams wil; 13 en dit zal u overkomen tot een getuigenis. 14 Neemt dan in uwe harten voor, van tevoren niet te overdenken hoe gij u verantwoorden zult; 15 want ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken I l'i. lie. 13:8-13: Mt. 24 7-9; 10:17-22. H. 12:11.12, |
noch wederstaan allen die zich tegen u zetten. 16 En gij zult overgeleverd ; worden ook van ouders en broeders en magen en vrienden, en zij zullen er sommigen uit u dooden, 17 en gij zult van all en gehaat worden om mijns naams ! wil. 18 Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan. 19 Bezit uwe zielen in uwe lijdzaamheid. i 30 Maar wanneer gij zien Mt. 24:15-19, . 29-31 * zult dat Jeruzalem van heir-Me.l3:14-K, ! legers omsingeld wordt, zoo H_ ^43' ^ weet alsdan dat hare verwoesting nabij gekomen is. 21 Alsdan wie in Judéa zijn, , dat ze vlieden naar de ber-j gen; en wie in 't midden van 1 dezelve zijn, dat ze daar uittrekken ; en wie op de velden I zijn, dat ze in dezelve niet komen; 22 want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde wat geschreven is. 23 Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen; want er zal groote nood zijn in het land, en toorn : over dit volk; j 24 en zij zullen vallen door 1 de scherpte des zwaards, en j gevankelijk weggevoerd wor-j den onder alle volken; en ! Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld I zullen zijn. 25 En er zullen teekenen zijn in de zon en maan en sterren. 1.24:32 0.13:28, |
LUCAS 22.
159
|
en op de aarde benaauwdheid der volkeren, mettwijfelmoe-diglieid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven, 26 en den mensclien het liart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen die het aardrijk zullen overkomen ; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden. 27 En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien komen in een wolk met groote kracht en heerlijkheid. 28 Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zoo ziet omhoog en heft uwe hoofden opwaarts, omdat uwe verlossing nabij is. :'-24:3|-35; 29 En hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom en al de boomen: 80 wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zoo weet i gij uit uzelve dat de zomer nu uabij is: 81 alzóó ook gij, wanneer | gij deze dingen zult zien ge- | schieden, zoo weet dat het { koningrijk Gods nabij is. 82 Voorwaar ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voor- j bijgaan totdat alles zal ge- j schied zijn. 88 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mij- I ne woorden zullen geenszins voorbijgaan. |
84 En wacht uzelve, dat uwe j harten niet te eeniger tijd bezwaard worden met bras-j serij en dronkenschap en zorg-[ vuldigheden dezes levens, en j dat u die dag niet onvoorziens otwkome. Ã-.lö-W, 9-31; 3:14-17, 4-27; J: 43,44. 85 Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen die op den ganschen aardbodem gezeten zijn. 36 Waakt dan te aller tijd biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des menschen. 37 Des daags nu was hij lee-rende in den tempel; maar I des nachts ging hij uit, en Mt.2i;i7. ! vernachtte op den berg genaamd de Olijföery. 38 En al het volk kwam Jh.8:l,2. ! 's morgens vroeg tot hem in den tempel, om hem te hooren. HOOFDSTUK 22. 1 En het feest der ongezuur- j\lc. 14: l, 2; de broaden, genaamd pascha, Mt'2(i: 1quot;5' was nabij; 2 en de overpriesters en de schriftgeleerden zochten hoe zij hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk. 8 En de satan voer in JudasMt.26:i4-i6; die toegenaamd n\as Iskariot, zijnde uit het getal der twaalf; 4 en hij ging henen en sprak met de overpriesters 'en de hoofdmannen, hoe hij hem hun zoude overleveren. 5 En zij waren verblijd, en zijn 't ééns geworden dat zij hem geld geven zouden. 6 En hij beloofde het, en |
LUCAS 32.
160
|
zocht gelegenheid om kern hun overteleveren zonder op- Mt.26:17-19; 1 En de dag der ongezunr-ijc.14.1-* 16. hrooden kwam, op den-welke het pascha moest ge-slagt worden. 8 En hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat henen en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen. 9 En zij zeiden tot hem: Waar wilt gij dat wij het bereiden? 10 En hij zeide tot hen: Zie, als gij in de stad zult gekomen zijn, zoo zal u een mensch ontmoeten, dragende een kruik water: volgt hem in het huis waar hij ingaat; 11 en gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, waar ik het pascha met mijne discipelen eten zal? 13 En hij zal u een groote toegeruste opperzaal wijzen: bereidt het aldaar. 13 En zij henengaande vonden 't gelijk hij hun gezegd had, en bereidden het pascha. Mt. 26:20-29; 14lt; En als de ure gekomen Mc.l4:17-25. was ) Jjjj aan en Je twaalf apostelen met hem. 15 En hij zeide tot hen: Ik heb grootelijks begeerd dit pascha met u te eten eerdat ik lijd; 16 want ik zeg u dat ik niet meer daarvan eten zal, totdat |
het vervuld zal zijn in het koningrijk Gods. 17 En als hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide hij: Neemt dezen en deelt /iem onder ulieden; 18 want ik zeg u, dat ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het koningrijk Gods zal gekomen zijn. 19 En hii nam brood, en 1 Cor. 11: als hij gedankt had brak hij het, en gaf 't hun, zeggende: Dat is mijn ligchaam 't welk voor u gegeven wordt: doet dat tot mijne gedachtenis. 30 Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in mijn bloed, 't welk voor u vergoten wordt. 31 Doch zie, de hand des-jh.i3:2i-S genen die mij verraadt is met mij aan de tafel; 33 en de Zoon des men-schen gaat wel henen gelijk besloten is, doch wee dien mensch door welken hij verraden wordt. 33 En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch mogt zijn die dat doen zoude. 34 En er werd ook twisting h. 9:4«. onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn. 35 En hij zeide tot hen: De koningen der volken heer-Mt.20:25-; i i ⢠Mc 10 * 4^4 scheri over hen, en die magt' ' ' over lien liebben worden weldadige heeren genaamd. Jh.13; Mt. 26: Mc.14: Jh.13: H. 9 |
LUCAS 22.
161
|
26 Doch gij niet alzoo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste; en die voorganger is, als een die dient. 37 Want wie is meerder, die aanzit of die dient? Is 't niet die aanzit? Maar ik Jb. 13:13,14. ben in 't midden van u als een die dient. 28 En gij zijt degenen die met mij steeds gebleven zijt in mijne verzoekingen. 29 En ik verordineer u liet koningrijk, gelijkerwijs mijn Vader mij dat verordineerd beeft; 30 opdat gij eet en drinkt aan mijne tafel in mijn ko- Mt. 19:28. ningrijk, en zit op troonen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. 31 En de Heer zeide; Simon, Simon, zie, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; 32 maar ik heb voor u gebeden , dat xiw geloof niet ophoude: en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broeders. Mt.26:33-35; 33 En hij zeide tot hem: Jh'.is-srjaHeer, ik ben bereid met u ook in de gevangenis en in den dood te gaan. 34 Maar hij zeide: Ik zeg u Petrus, de haan zal heden niet kraaijen, eer gij driemaal zult geloochend hebben dat gij mij kent. 3a En hij zeide tot hen: Als h. 9:3. ik u uitzond zonder buidel en male en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets. 36 Hij zeide dan tot hen: :oi\ li 23-25. lc»:2i- . 9:40. 20:25--.10:424 |
Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male, en wie er geen heeft, die verkoope zijn kleed eu koope een zwaard. 37 Want ik zeg u, dat nog dit 't welk geschreven is in mij moet volbragt worden, namelijk; En hij is metJes. 53:12; , . i T- Mc, 15:28. de misdadigen gerekend; want ook die dingen die van mij gescJireven zijn hebben een einde. 38 En zij zeiden: Heer, ziehier twee zwaarden. En hij zeide tot hen; Het is genoeg. 39 En uitgaande vertrok hij, Mt. 26:36-46; gelijk hij gewoon was, naarMc'14:32'42, den Olijfberg; en hem volgden ook zijne discipelen. 40 En als hij aan die plaats gekomen was, zeide hij tot hen; Bidt dat gij niet in verzoeking komt. 41 En hij scheidde zich van hen af, omtrent een steenworp, en knielde neder en bad, 42 zeggende: Vader, of gij wildet dezen drinkbeker van mij wegnemen! Doch niet mijn wil maar de uwe geschiede. 43 En van hem werd gezien een engel uit den hemel die hem versterkte. 44 En in zwaren strijd zijnde, bad hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk groote druppelen bloed die op de aarde afliepen. 45 En als hij van het gebed |
11
LUCAS 22.
162
|
opgestaan was, kwam liij tot zijne discipelen, en vond lien slapende van droef'lieid; 46 en liij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. Mt.26;47-57: 47 En als Mi nog sprak, Mc.14:43-ö3; ⢠i i, jh.is: 143. ziedaar een schare; en een van de twaalf', die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus om hem te kussen. 48 En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des menschen met een kus? 49 En die bij hem waren, ziende wat er geschieden zoude, zeiden tot hem: Heer, zullen wij met het zwaard slaan ? 50 En een uit hen sloeg den dienstknecht des hooge-priesters en hieuw hem zijn regteroor af. 51 En Jezus antwoordende zeide: Laat ze tot hiertoe gemor den , en raakte zijn oor aan en heelde hem. 52 En Jezus zeide tot de overpriesters en de hoofdmannen des tempels en de ouderlingen, die tegen hem gekomen waren: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar? 53 Als ik dagelijks met u was in den tempel, zoo hebt gij de handen tegen mij niet uitgestoken; maar dit is uwe ure en de magt der duisternis. 54 En zij grepen hem en |
leidden hem, weg, en bragten hem in het huis des hooge-priesters. En Petrus volgde van verre; Mt. 26:58, 55 en als zij vuur ontstoken Mc. 14:54, hadden in 't midden van de Jh 1? zaal, en zij tezamen neder- 25-27. zaten, zat Petrus in 't midden van hen. 56 En een zekere dienstmaagd ziende hem bij het vuur zitten, en hare oogeu op hem houdende, zeide: Ook deze was met hem. 57 Maar hij verloochende hem, zeggende: Vrouw, ik ken hem niet. 58 En kort daarna een ander hem ziende , zeide: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Mensch, ik ben niet. 59 En als 't omtrent één uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In waarheid ook deze was met hem, want hij is ook een Galileër. 60 Maar Petrus zeide: Mensch, ik weet niet wat gij zegt. En terstond als hij nog sprak kraaide de haan; 61 en de Heer zich omkee-rende zag Petrus aan, en Petrus werd indachtig aan het woord des Heeren, hoe hij hem gezegd had; Eer de haan zal gekraaid hebben zult gij mij driemaal verloochenen. 62 En Petrus naarbuiten gaande weende bitterlijk. 63 En de mannen die Jezus Mt.26 : 67,68; hielden bespotteden hem, en Mc l4:65. sloegen hem; 64 en als zij hem overdekt |
LUCAS 23.
163
|
hadden, sloegen zij hem op 't aangezigt, en vraagden hem, zeggende; Profeteer, wie het is die geslagen heeft? 65 En vele andere dingen zeiden zij tegen hem lasterende. Mt.26:63-66; 66 En als het dag'geworden Mc.14:61-64. i i ? ^ was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de over-priesters en schriftgeleerden, en bragten hem in hunnen raad, 67 zeggende: Zijt gij de Christus ? zeg het ons. En hij zeide tot hen: Indien ik't u zeg, gij zult het niet gelooven; 68 en indien ik ook vraag, gij zult mij niet antwoorden of loslaten. 69 Van nu aan zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de regtertoi^ der kracht Gods. 70 En zij zeiden allen: Zijt gij dan de Zoon Gods? En . ^ hij zeide tot hen: Gij zegt dat ik het ben. 71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van noode ? Want wij zelve hebben 't uit zijnen mond gehoord. HOOFDSTUK 23. Mt. 27:1,2, 1 En de geheele menigte van Mc.isfi-ö- 'Leu stond op en leidde hem Jh. 18:28-38. tot Pilatus. 2 En zij begonnen hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden dat deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende dat hij zelf Christus de Koning is. |
3 En Pilatus vraagde hem, zeggende: Zijt gij de Koning der Joden? En hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het. 4 En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen mensch. 5 En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk , loerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galiléa tot hiertoe. 6 Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, vraagde hij of die mensch een Galileer was; 7 en verstaande dat hij uit het gebied van Herodes was, H.3:1,19,20. zond hij hem henen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was. 8 En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was sedert lang begeerig geweest hem te zien, omdat hij veel van hem hoorde, en h. 9:9. hoopte eenig teeken te zien dat van hem gedaan zoude worden. 9 En hij vraagde hem met vele woorden; doch hij antwoordde hem niets. 10 En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden en beschuldigden hem heftig. 11 En Herodes met zijne krijgslieden hem veracht en bespot hebbende, deed hem een blinkend kleed aan, en zond hem weder tot Eilatus. 12 En op dien dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander; want zij waren |
|
164 LUCj tevoren in vijandschap tegen elkander. Mc. 15:6-15; 13 En als Pilatns de over-Mt. 27:15-26: . , i , Jh. 18:38-40. priesters en de oversten en het volk bij ééngeroepen had, zeide hij tot hen: 14 Gij hebt dezen mensch tot mij gebragt als een die het volk afkeerig maakt; en zie, ik heb hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen mensch geen schuld gevonden van 't geen waar gij hem mede beschuldigt; 15 ja ook Hcrodes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden , en zie, er is van hem niets gedaan dat des doods waardig is: 16 zoo zal ik hem dan kastijden en loslaten. 17 En hij moest hun op het feest, eenen loslaten. 18 Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met dezen, en laat ons Bar-abbas los: 19 dewelke was om zeker oproer dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen. 20 Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten. 21 Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis hem, kruis hem. 22 En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in hem gevonden: zoo zal ik |
S 23. hem dan kastijden en loslaten. 23 Maar zij hielden aan met groot geroep, eischende dat hij zoude gekruist worden, en hun en der overpriesteren geroep werd geweldiger. 24 En Pilatus oordeelde dat hun eisch geschieden zoude; 25 en hij liet hun los dengeen die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëischt hadden, maar Jezus gaf hij over tot hunnen wil. 26 En als zii hem wegleid-Mt.27:31,32; , .. q. Mc.l5:20,21; den, namen zij eenen Simon Jh.i9;i6.i7. van Cyrene, komende van den akker, en leiden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg. 27 En een groote menigte van volk en van vrouwen volgde hem, welke ook weenden en hem beklaagden. 28 En Jezus zich tot haar keerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar weent over uzelve en over uwe kinderen; 29 wantzie, er komen dagen h. 19:43,«; in welke men zeggen zal: Za- 21' lig zijn de onvruchtbaren, en de schooten die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben. 30 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen : Valt op ons, en tot de hen- Hos. 10: Hb. velen: Bedekt ons; 31 want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden ? |
LUCAS 23.
165
|
Mt.27:33-43; 33 En er werden ook twee Jh. 19:17-24! anderen, zijnde kwaaddoeners , geleid om met hem gedood te worden. 33 En toen zij kwamen op de plaats genaamd Koofd-sc\ieAe\plaats, kruisigden zij hem aldaar, en de kwaaddoeners, den één ter regter- en den ander ter linkerryrfe. 84 En Jezus zeide: Vader, vergeef liet hun, want zij weten niet wat zij doen. En verdeelende zijne kleederen, wierpen zij het lot. 35 En het volk stond en zag het aan; en ook de oversten met hen beschimpten hem, zeggende : Anderen heeft hij verlost, dat hij nu zichzelven verlosse, zoo hij is de Christus, de uitverkorene Gods. 36 En ook de krijgsknechten tot hem, komende bespotteden hem, en bragten hem edik, 37 en zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven. 38 En er was ook een opschrift boven hem geschreven , met Grieksche en Eo-meinsche en Hebreeuwsche letters: Deze is de KoNING DER J ODEN. Mt.27; 44;' 39 En één van de kwaaddoe- Mc. 15:32b. i ⢠i t ners die gehangen waren lasterde hem, zeggende: Indien gij de Christus zijt, verlos u-zelven en ons. 40 Maar de andere antwoordende bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? 41 En wij toch regtvaardig- { |
lijk, want wij ontvangen stmf waardig 't geen wij gedaan hebben; maar deze heeft niets i onbehoorlijks gedaan. 43 En hij zeide tot Jezus: I Heer, gedenk mijner als gij | in uw koningrijk zult gekomen zijn. 43 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij in het paradijs zijn. 44 En het was omtrent de Mt.27;45-56; zesde ure, en er werd duis-Mc,lo:33'41' ternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe; 45 en de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde middendoor. 46 En Jezus roepende met groote stem zeide: Tader^n Ps. 31:6. uwe handen beveel ik mijnen geest. En als hij dat gezegd had, gaf hij den geest. 47 Als nu de hoofdman over honderd zag wat er geschied was, verheerlijkte hij God en zeide: Waarlijk deze mensch was regtvaardig. 48 En al de scharen die teza-mengekomen , waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen die geschied waren, keerden weder, slaande op hunne borsten. 49 En al zijne bekenden stonden van verre, ook de vrouwen die hem tezamen jh, 19:25. gevolgd waren van Galiléa, en zagen dit aan. 50 En zie, een man metint.27;57-61; name Jozef, zijnde een raads- heer, een goed en regtvaardig man. |
LUCAS 34.
166
|
51 (deze had niet mede bewilligd in hunnen raad en handel), van Arimathea een. stad der Joden, en die ook zelf het koningrijk Gods verwachtte : 52 deze ging tot Pilatus en begeerde het ligchaam van Jezus. 53 En als hij 't zelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en leide het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was. 5i En het was de dag dei-voorbereiding, en de sabbat kwam aan. 55 En ook de vrouwen, die met hem gekomen waren uit Graliléa, volgden, en aanschouwden het graf, en hoe zijn ligchaam gelegd werd. 56 En wedergekeerd zijnde Mc. 16:1. bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat Ex. 20:10. rustten zij naar het gebod. HOOFDSTUK 24. Mc. 16: i-ii; 1 -En 0P den eersten dag ^Jh 20'^1-12 ^er week) zeer vroeg in den morgenstond , gingen zij naar het graf, dragende de specerijen die zij bereid hadden, en sommigen met haar. 3 En zij vonden den steen afgewenteld van het graf; 3 en ingegaan zijnde vonden zij het ligchaam des Hee-ren Jezus niet. 4 En het geschiedde als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende kleederen ; |
5 en als zij zeer bevreesd werden en het aangezigt naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den levende bij de dooden? 6 Hij is hier niet, maar hij is opgestaan. Gedenkt hoe hij tot u gesproken heeft als hij nog in Galiléa was, 7 zeggende: De Zoon des h. 18:32, 33. menschen moet overgeleverd worden in de handen der zondige menschen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wederopstaan. 8 En zij werden indachtig aan zijne woorden; 9 en wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan de elf en aan al de anderen. 10 En deze waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria de moeder van Jacobus, en de anderen met haar, die dit tot de apostelen zeiden. 11 En hare woorden schenen voor hen als ij del geklap , en zij geloofden haar niet. 13 Doch Petrus opstaande liep tot het graf, en neder-bukkende zag hij de linnen doeken liggende alléén, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelven over 't geen geschied was. 13 En zie, twee van hen Mc. 16:12. gingen op dien dag naar een vlek dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaiis; 14 en zij spraken tezamen onder elkander van al deze |
LUCAS 24.
167
|
dingen die er gebeurd waren. 15 En het gescliiedde terwijl zij tezamen spraken en elkander ondervraagden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met lien ging: 16 en liunne oogen werden gehouden, dat zij hem niet kenden. 17 En hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig ? 18 En de één, wiens naam was Kleopas, antwoordende zeide tot hem: Zijt gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem , en weet niet de dingen die deze dagen daarin geschied zijn? 19 En hij zeide tot hen; Welke? En zij zeiden tot hem: De dingen aangaande Jezus den Nazarener, welke een profeet was krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk; 20 en hoe onze overpries-ters en oversten denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en hem gekruisigd hebben. 21 En wij hoopten dat hij was degeen die Israel verlossen zoude; doch ook benevens dit alles is quot;t heden de derde dag van dat deze dingen geschied zijn. 22 Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld , die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn; |
23 en zijn ligchaam niet vindende kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezigt van engelen gezien hadden, die zeggen dat hij leeft. 24 En sommigen dergenen die met ons zijn gingen henen tot het graf, en bevonden 't alzóó gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar hem zagen zij niet. 25 En hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart om te gelooven al hetgeen de profeten gesproken hebben, 26 moest de Christus niet deze dingen lijden , en alzóó in zijne heerlijkheid ingaan? 27 En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, leide hij hun uit in al de Schriften 't geen van hem geschreven was. 28 En zij kwamen nabij het vlek waar zij naartoe gingen, en hij hield zich alsof hij verder gaan zoude; 29 en zij dwongen hem, zeggende: Blijf met ons, want het is bij den avond en de dag is gedaald. En hij ging in, om met hen te blijven. 30 En het geschiedde als hij met hen aanzat, dat hij het brood nam en het zegende ; en als hij het gebroken had gaf hij het hun: 31 en hunne oogen werden geopend, en zij kenden hem; en hij kwam weg uit hun gezigt. 32 En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als hij tot |
LUCAS 24.
168
|
ons sprak op den weg en als hij ons de Schriften opende? 33 En zij opstaande te dier ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elf tezamenvergaderd, en die met hen waren, 34 welke zeiden: De Heer is waarlijk opgestaan, en is 1 Cor. 15 ;5.van Simon gezien. 35 En zij vertelden 't geen op den weg gescJiied was, en hoe hij hun bekend was geworden in 't breken des broods. Mc. 16:14. 36 En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus zelf in 't midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulie-den. 37 En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden dat zij een geest zagen. 38 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uwe harten? Jh. 20:20. 39 Ziet mijne handen en mijne voeten, want ik ben 't zelf; tast mij aan en ziet, want een geest heeft geen vleesch en been, gelijk gij ziet dat ik heb. 40 En als hij dit zeide, toonde hij hun de handen en de voeten- 41 En toen zij 't van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden, zeide hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten? 42 En zij gaven hem een stuk van een gebraden visch, | en van honigraten. |
43 en hij nam 't en at het voor hunne oogen. 44 En hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden die ik tot n sprak als ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden wat van mij geschreven is in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen. 45 Toen opende hij hun verstand , opdat zij de Schriften verstonden, 46 en zeide tot hen: Alzoo is er geschreven, en alzoo moest de Christus lijden, en-van de dooden opstaan ten derden dage, 47 en in zijnen naam gepredikt worden bekeering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. 48 En gij zijt getuigen van deze dingen. 49 En zie, ik zend de belofte mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruza- Hd. 1:4. lem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte. 50 En hij leidde hen bui- mc. 16:19; ten tot aan Bethanië, enHd' zijne handen opheffende zegende hij hen. 51 En het geschiedde als hij ze zegende, dat hij van hen scheidde en werd opgenomen in den hemel. 53 En zij aanbaden hem, en keerden weder naar Jeruzalem met groote blijdschap. 53 En zij waren te allen tijde in den tempel lovende en dankende God. Amen. |
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR DE BESCHRIJVING VAN
O H A N N E S.
J
|
HOOFDSTUK 1. 1 In den beginne was liet quot;Woord, en liet Woord was bij God, en liet Woord was God. 3 Dit was in den beginne bij God. Col. 1:16; 3 Alle dingen zijn door liet-Heb. 1.2. zejve gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is. 4 In lietzelve was liet leven, en liet leven was liet liclit der menschen; 5 en liet licht scliijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. Mt 3. .j. 6 Er was een mensch van Lc3.:|; Gkquot;! gezonden, wiens naam was Johannes: 7 deze kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat zij allen door hem gelooven zouden. 8 Hij was het licht niet, maar teas gezonden opdat hij van het licht getuigen zoude. 9 Dit was het waarachtige licht, 't welk verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld. |
10 Hij was in de wereld, en de wereld is door hem Vs. 3. gemaakt; en de wereld heeft hem niet gekend. 11 Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen. 13 Maar zoovelen hem aan- Uh. 3:1,2; 5*1 genomen hebben, dien heeft hij magt gegeven kinderen Gods te worden, namelyk die in zijnen naam gelooven; 13 welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. 14 En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als van den Ee-nig geborene des Yaders) vol van genade en waarheid. 15 Johannes getuigt van hem en heeft geroepen, zeggende: Deze was 't van welken ik zeide: Die na mij Vs. 27,30, komt is vóór mij geworden, want hij was eer dan ik. |
|
170 JOH AIS 16 Eu uit zijne vollieid lieb-ben wij allen ontvangen, ook genade voor genade; 17 want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. H. 6:46; is Niemand heeft ooit God 14:9. gezien: de eeniggeboren Zoon die in den schoot des Vaders is, die heeft hem ons verklaard. 19 En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden eenige priesters en leviten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: quot;VYie rijt gij? 20 En hij beleed, en loochende liet niet, en beleed: Ik ben de Christus niet. 31 En zij vraagden hem: Mal. 4;5. Wat dan? Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben die niet. Dt.l8:15. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen. 32 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij ? opdat wij antwoord geven mogen dengenen die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven? 23 Hij zeide: Ik ben de Jes. 40:3. stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren regt, gelijk Jesaja de profeet gesproken heeft. 34 En do afgezondenen waren uit de farizeërs; 35 en zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zoo gij de Christus niet zijt, noch Elia, noch de profeet? 36 Johannes antwoordde |
NES 1. hun, zeggende: Ik doop met Mt. 3:11; water, maar hij staat midden lo.'3:16; onder ulieden dien gij niet Hd.l3:25. kent: 37 dezelve is 't die na mij komt, welke vóór mij geworden is, wien ik niet waardig ben dat ik zijnen schoenriem zoude ontbinden. 38 Deze dingen zijn geschied in Bethabara over den Jor-daan, waar Johannes was doo-pende. 29 Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komen, en zeide: Zie,hetLam jg'ss'||.;7 Gods dat de zonde der wereld wegneemt. 30 Deze is 't van welken ik gezegd heb: Na mij komt Vs. lö, 27. een man die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik. 31 En ik kende hem niet; maar opdat hij aan Israel zoude geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen doo-pende met het water. 33 En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest Mt. 3:16; Mc. 1 'quot;lOi zien nederdalen uit den he- lc. 3:22.' mei gelijk een duif, en hij bleef op hem. 33 En ik kende hem niet; maar die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is 't die met den Heiligen Geest doopt. 34 En ik heb gezien en heb getuigd, dat deze de Zoon Gods is. 35 Des anderen daags we- |
|
derom stond Johannes, en twee uit zijne discipelen; 36 en ziende op Jezus daar wandelende, zeide hij: Zie, Vs. 29. liet Lam Gods. 37 En die twee discipelen hoorden hem dai spreken, en zij volgden Jezus. 38 En Jezus zich omkee-rende en ziende hen volgen, zeide tot hen: 39 Wat zoekt gij? En zij zeiden tot hem: Eabbi ('t welk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont gij? 40 Hij zeide tot hen: Komt en ziet. Zij kwamen en zagen waar hij woonde, en bleven dien dag bij hem; en het was omtrent de tiende ure. 41 Andréas de broeder van Simon Petrus was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden en hem gevolgd waren: 43 deze vond eerst zijnen broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias, 't welk is, overgezet zijnde, de Christus. 43 En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus hem aanziende zeide: Gij zijt Simon de zoon van Jona: gij zult Mt. 16:18. genaamd worden Cefas, 't welk overgezet wordt Petrus. 44 Des anderen daags wilde Jezus henengaan naar Galilda, en vond Eilippus en zeide tot hem: Tolg mij. 45 Eilippus nu was van Bethsaïda, uit de stad van Andreas en Petrus. quot; 21:2- 46 Eilippus vond Nathanaël |
â NES 2. 171 en zeide tot hem: Wij hebben dien gevonden, van welken Mozes in de wet geschre- Dt. is: 15. ven heeft, en de profeten, namelijk Jezus den zoon Jozefs, van Nazareth. 47 En Nathanaël zeide tot hem: Kan er uit Nazareth iets goeds zijn? Eilippus zeide tot hem: Kom en zie. 48 Jezus zag Nathanaël tot zich komen, en zeide van hem: Zie waarlijk een Israeliet in welken geen bedrog is. 49 Nathanaël zeide tot hem: Vanwaar kent gij mij ? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Eilippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag ik u. 50 Nathanaël antwoordde en zeide tot hem: Eabbi, gij zijt de Zoon Gods, gij zijt de Koning Israels. 51 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat ik u gezegd heb: Ik zag u onder den vijgeboom, zoo gelooft gij: gij zult grooter dingen zien dan deze. 53 En hij zeide tot hem: quot;V oorwaar, voorwaar zeg ik u-lieden, van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmen- Gen. 28:12. de en nederdalende op den Zoon des menschen. HOOFDSTUK 2. 1 En op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Galiléa, en de moeder van Jezus was aldaar; 3 en Jezus was óók genood, |
JOHANNES 2.
|
en zijne discipelen, tot de bruiloft. 3 En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot tem: Zij hebben geen wijn. 4 Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat lieb ik met u te doen? Mijne ure is nog niet gekomen. 5 Zijne moeder zeide tot de dienaars: Zoowat liij ulieden zal zeggen, doet dat. 6 En al daar waren zes steenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metréten. 7 Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe. 8 En hij zeide tot hen; Schept nu en draagt het tot den hofmeester. En zij droe-gen 't. 9 Als nu de hofmeester liet water dat wijn gewwden was geproefd had, (en hij wist niet vanwaar de wijn was, maar de dienaren die het water geschept hadden wisten 't) zoo riep de hofmeester den bruidegom , 10 en zeide tot hem: Alleman zet eerst den goeden wijn op , en wanneer men wèl gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gfj hebt den goeden wijn tot nn toe bewaard. 11 Dit begin der teekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilua, en heeft zijne heerlijkheid geopenbaard; en zijne discipelen geloofden in hem. |
13 Daarna ging hij af naar Kapernaüm, hij en zijne moeder en zijne broeders en zijne discipelen, en zij bleven aldaar niet vele dagen. 13 En het pascha der Joden Mt.2l:i2,13; was nabij, en Jezus ging op Lc,l9:45,tó naar Jeruzalem. 14 En hij vond in den tempel die ossen en schapen en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende; 15 en een geesel van touw-kens gemaakt hebbende, dreef hij ze allen uit den tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte hij uit, en keerde de tafels om; 16 en hij zeide tot degenen die de duiven verkochten: Neemt deze dingen vanhier weg, maakt niet het huis mijns Vaders tot een huis van koophandel. 17 En zijne discipelen werden indachtig dat er geschreven is: De ijver van uw Ps. 69:10. huis heeft mij verslonden. 18 De Joden antwoordden dan en zeiden tot hem: Wat teeken toont gij ons, dat gij deze dingen doet? 19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen Mt. 26:«i. tempel, en in drie dagen zal ik denzei ven oprigten. 20 De Joden zeiden dan; Zesenveertig jaren is over dezen tempel gebouwd, en gij, zult gij dien in drie dagen oprigten ? |
JOHANNES 3.
173
|
21 Maar liij zeide dit van den tempel zijns ligcliaams. 23 Daarom als hij opgestaan was van de dooden, werden zijne discipelen gedachtig dat hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had. 23 En als hij te Jeruzalem was op het pascha, op het feest, geloofden velen in zijnen naam, ziende zijne teekenen die hij deed; 34 maar Jezus zelf betrouwde hun zichzelven niet, omdat hij ze allen kende, h. 6:64. 35 en omdat hij niet van noode had dat iemand getuigen zoude van den mensch; want hij zelf wist wat in den mensch was. HOOFDSTUK 3. 1 En er was een mensch uit de farizeërs, wiens naam was h. 7:50; Nicodemus, een overste der 19:39. T 1 J oden: 2 deze kwam des nachts ' tot Jezus , en zeide tot hem: [ Rabbi, wij weten dat gij zijt een leeraar van God gekomen; h. 2:23. want niemand kan deze teekenen doen die gij doet, zoo God met hem niet is. 3 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, tenzij dat iemand 1 Pet, 1:23. wederom geboren worde, hij kan het koningrijk Gods niet â zien. 4 Nicodemus zeide tot hem: Hoe kan een mensch geboren worden, nn oud zijnde? Kan hij ook andermaal in den ! |
schoot zijner moeder ingaan en geboren worden? 5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, zoo iemand niet geboren wordt Tit- 3:5-uit water en Geest, hij kan in het koningrijk Gods niet ingaan. 6 Hetgeen uit het vleesch geboren is, dat is vleesch, en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 7 Verwonder u niet dat ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8 De wind blaast waarhenen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij henengaat: alzóo is een iegelijk die uit den Geest geboren is. 9 Nicodemus antwoordde en zeide tot hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? 10 Jezus antwoordde en zei-de tot hem: Zij t gij een leeraar Israels en weet gij deze dingen niet? 11 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, wij spreken wat wij we- vs. 32; ten, en getuigen wat wij ge-H-8:26.28gt;38. zien hebben, en gijlieden neemt onze getuigenis niet aan. 12 Indien ik ulieden de aardsche dingen gezegd heb en gij niet gelooft, hoe zult gij gelooven indien ik ulieden de hemelsche zoude zeggen? 13 En niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemel nedergekomen is, h.1;18;6:38. namelijk de Zoon des men-schen die in den hemel is. |
T
JOHANNES 3.
174
|
Num.21; 8,9. 14 En gelijk Mozes de slang-in de woestijn verlioogd heeft, H.8:28; alzoo moet de Zoon desmen-12:32,33. go^en verhoogd worden, Vs. 36. 15 opdat een iegelijk die in hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe; Rom. 5:8; 16 want alzóó lief heeft God 1 Jh.4;9. (Je wereld gehad, dat hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in hem gelooft niet ver-derve maar het eeuwige leven hebbe. h. 12:47. 17 Want God heeft zijnen Zoon niet gezonden in de wereld opdat hij de wereld ver-oordeelen zoude, maar opdat de wereld door hem zoude behouden worden. H. 5:24; 18 Wie in hem gelooft wordt 12:48. n-ej. yeroorcieei(i j maar wie niet gelooft is aireede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den naam van den eeniggeboren Zoon Gods. 19 En dit is het oordeel, h. i : 5; dat het licht in de wereld 12:46' gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hunne werken waren boos. 20 Want een iegelijk die kwaaddoet, haat het licht, en Ef. 5:13. komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden; 31 maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden dat zij in God gedaan zijn. 32 Nadezen kwam Jezus en zijne discipelen in het land van Judéa, en onthield zich |
aldaar met hen, en doopte, h. 4:!. 23 En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar en werden gedoopt; 24 want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25 Er rees dan een vraag â can eenigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging; 26 en zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: Eabbi, die met u was over h. i : 29-36. den Jordaan, welken gij getuigenis gaaft, zie, die doopt en zij komen allen tot hem. 37 Johannes antwoordde en zeide; Een mensch kan geen ding aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven is. 28 Gij zelve zijt mijne getuigen dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar h. 1:20,23. dat ik voor hem henen uitgezonden ben. 29 Wie de bruid heeft is de ml 9:15. bruidegom; maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zoo is dan deze mijne blijdschap vervuld geworden. 30 Hij moet wassen, maar ik minder worden. 31 Die van boven komt is boven allen. Wie uit de aar- h. 8:23. de is voortgehomen, die is uit de aarde en spreekt uit de aarde: die uit den hemel komt is boven allen; 32 en 't geen hij gezien en I H.3 : H. li Mt. 11 Vs. UIU H.3: Gen. 4 |
JOHANNES 4.
175
|
H. ü: 19,20; ffelioord lieeft, dat sjetuia-t 8:28. f.. .. I ⢠. a. hij, en zijn getuigenis neemt niemand aan. 33 Wie zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft bezegeld dat God waarachtig is; 34 want dien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods, want God geeft hem den Geest niet met mate. 35 De Vader heeft den Zoon jh l'l â li en heeft alle dingen in zijne hand gegeven. Vs. 18; 36 Wie in den Zoon gelooft, quot;J' die heeft het eeuwige leven; maar wie den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. HOOFDSTUK 4. 1 Als dan de Heer verstond dat de farizeërs gehoord hadden, dat Jezus meer discipe- h. 3:22,26. len maakte en doopte dan Johannes, 2 (hoewel Jezus zelf niet doopte, maar zijne discipelen), 3 zoo verliet hij Judéa en ging wederom henen naar Galiléa. 4 En hij moest door Sama-rië gaan. 5 Hij kwam dan in een stad van Samarië genaamd Sichar, nabij het stuk land 't welk Gen. 48; 22. Jakob zijnen zoon Jozef gaf; 6 en aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan vermoeid zijnde van de reis, zat alzoo neder nevens de fontein; het was omtrent de zesde ure. 7 Er kwam een vrouw uit Samarië om water te putten. |
Jezus zeide tot haar; Geef mij te drinken. 8 (Want zijne discipelen waren henengegaan in de stad, opdat zij spijs zouden koopen.) 9 Zoo zeide dan de Sama- ritaansohe vrouw tot hem: Hoe begeert gij, die een Jood zijt, van mij te drinken die een Samaritaansche vrouw ben? Want de Joden hou- h. 8;48. i i .Lc. 9:52,53. den geen gemeenscliap met de Samaritanen. 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar; Indien gij de gave Gods kendet, en wie hij is die tot u zegt; Geef mij te drinken, zoo zoudt gij van hem hebben begeerd, en hij zoude u levend water gegeven hebben. 11 De vrouw zeide tot hem; Heer, gij hebt niets om mede te putten, en de put is diep; vanwaar hebt gij dan het levend water? 13 Zijt gij meerder dan onze vader Jakob die ons den put gegeven heeft, en hij zelf heeft daaruit gedronken, en zijne kinderen, en zijn vee? 13 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder die van dit water drinkt zal wederom dorsten; 14 maar zoowie gedronken H. 6:35; 7'37 38 zal hebben van het water dat ' ' ' ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water dat ik hem zal geven zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. |
|
15 De vrouw zcide tot licm: Heer, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik Mer niet moet komen om te putten. 16 Jezus zeide tot haar; Ga henen, roep uwen man en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wèl gezegd: Ik heb geen man; 18 want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt is uw man niet: dat hebt gij met waarheid gezegd. 19 De vrouw zeide tot hem: Heer, ik zie dat gij een profeet zijt. 20 Onze vaderen hebben op dezen berg aangebeden, en gijlieden zegt dat te Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden. 31 Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof mij, de ure komt, wanneer gijlieden noch Hd. 17:24. op dezen berg noch te Jeruzalem den Vader zult aanbidden. 23 Gijlieden aanbidt wat gij niet weet, wij aanbidden wat Rom. 9:4,5. wij weten, want de zaligheid is uit de Joden; 23 maar de ure komt en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook zulken die hem alzóó aanbidden. 3-i God is een geest, en wie hem aanbidden, moeten hem aanbidden in geest en waarheid. |
NES 4. 35 De vrouw zeide tot hem: Ik weet dat de Messias komt (die genaamd wTordt Christus); wanneer die zal gekomen zijn, zoo zal hij ons alle dingen verkondigen. 36 Jezus zeide tot haar: Ik ben 't, die met u spreek. 37 En daarop kwamen zijne discipelen, en verwonderden zich dat hij met een vrouw sprak. Nogtans zeide niemand: Wat vraagt gij, of wat spreekt gij met haar? 38 Zoo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging henen in de stad, en zeide tot de lieden: 29 Komt, ziet een mensch die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is deze niet de Christus? 30 Zij dan gingen uit de stad en kwamen tot hem. 31 En ondertusschen baden hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet. 33 Maar hij zeide tot hen: Ik heb een spijs om te eten die gij niet weet. 33 Zoo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft hem iemand te eten gebragt? 34 Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is, dat ik doe den wil h. 9; desgenen die mij gezonden heeft, en zijn werk volbrenge. 35 Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden en dan komt de oogst? Zie, ik zeg u, heft uwe oogen op en aanschouwt de landen, want zijMt. 9:3-zijn aireede wit om te oogsten. 36 En die maait ontvangt |
JOHANNES 4.
177
|
loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven, opdat zich tezamen verblijde beide die zaait en die maait; 37 want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is 't die zaait en een ander die maait. 38 Ik heb u uitgezonden om te maaijen 't geen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben 't bearbeid, en gij zijt tot hunnen arbeid ingegaan. |
39 En velen der Samarita-op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan. 46 Zoo kwam dan Jezus wederom te Kana in Gali- léa, waar hij het water wijn h. 2;-i-io. gemaakt had. En er was een zeker koninklijk Ime-ling, wiens zoon krank was, te Kapernaüm: 47 deze gehoord hebbende dat Jezus uit Judéa in Galiléa kwam, ging tot hem en bad hem dat hij afkwame en zij nen uit die stad geloofden i nen zoon gezondmaakte; want in hem, om het woord der ! hij lag op zijn sterven. vrouw die getuigde: Hij heeft 48 Jezus dan zeide tot hem: |
|
mij gezegd alles wat ik gedaan heb. 40 Als dan de Samaritanen tot hem gekomen waren, baden zij hem dat hij bij hen bleve, en hij bleef aldaar twee dagen. 41 En er geloofden er veel meerderen om zijns woords wil, 42 en zeiden tot de vrouw: Wij gelooven niet meer om uws zeggens wil, want wij zelve hebben hem gehoord, en weten dat deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld. 48 En na de twee dagen ging hij vandaar, en ging henen naar Galiléa; 44 want Jezus heeft zelf ge-Mc1!-!'' ^ een profeet in zijn Lc. 4-24. eigen vaderland geen eer heeft. 45 Als hij dan in Galiléa kwam, ontvingen hem de Ga-lileërs, gezien hebbende al de dingen die hij te Jeruzalem |
Tenzij dat gijlieden teekenen en wonderen ziet, zoo zult gij niet gelooven. 49 De koninklijke hoveling zeide tot hem: Heer, kom af eer mijn kind sterft. 50 Jezus zeide tot hem: Ga henen, uw zoon leeft. En de mensch geloofde het woord dat Jezus tot hem zeide, en ging benen. 51 En als hij nu afging, kwamen hem zijne dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft. 53 Zoo vraagde hij dan van hen de ure in welke het beter met hem geworden was, en zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven uur verliet hem de koorts. 53 De vader bekende dan , dat het in die ure was in dewelke Jezus tot hem gezegd bad: Uw zoon leeft; en hij geloofde zelf, en zijn ge-heele huis. |
12
JOHANNES 5.
178
|
H. 2:11. 54 Dit tweede teek en heeft Jezus wederom gedaan als hij uit Judéa in Galiléa gekomen was. HOOFDSTUK 5. 1 Nadezen was er een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem. 3 En er is te Jeruzalem aan de Scliaaps/joo;^ een badwater, 't welk in 't Hebreeuwsch. toegenaamd wordt Betbesda, hebbende vijf zalen. 3 In dezelve lag een groote menigte van k ranken, blinden , kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters; 4 want een engel daalde neder op zekeren tijd in het badwater, en beroerde het water: wie dan het eerst daarin kwam na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. 3 En aldaar was een zeker mensch, die achtendertig jaren krank gelegen had. 6 Jezus ziende dezen liggen, en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem : Wilt gij gezond worden? 7 De kranke antwoordde hem: Heer, ik heb geen mensch om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zoo daalt een ander vóór mij neder. 8 Jezus zeide tot hem: Sta Mt. 9:6, op, neem uw beddeken op en wandel. 9 En terstond werd de |
mensch gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op dien dag. H, 9:14. 10 De Joden zeiden dan tot dengeen die genezen was: Het is sabbat, 't is u niet Ex.20:10. geoorloofd het beddeken te dragen. 11 Hij antwoordde hun: Die mij gezondgemaakt heeft, die heeft mij gezegd : Neem uw beddeken op en wandel. 13 Zij vraagden hem dan: Wie is de mensch die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op en wandel? 13 En die gezondgemaakt was wist niet wie hij was; want Jezus was ontweken, alzoo er een groote schare in die plaats was. 14 Daarna vond hem Jezus in den tempel en zeide tot hem; Zie, gij zijt gezond geworden : zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. 15 De mensch ging henen en boodschapte den Joden, dat het Jezus was die hem gezondgemaakt had. 16 En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten hem te dooden, omdat hij deze dingen op den sabbat deed. 17 En Jezus antwoordde hun: Mijn Yader werkt tot H. 9:4. nu toe, en ik werk óók. 18 Daarom zochten dan de h. 7 19; Joden temeer hem te doo- den, omdat hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide dat God zijn eigen Vader was, zichzelven Gode evengelijk makende. |
JOHANNES 5.
179
|
19 Jezus dan antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, de Zoon kan Vs. 30; niets van zichzelven doen, tenzij hij den Yader dat ziet doen; want zoowat die doet, 't zelve doet ook de Zoon desgelijks. h. 3:35. 20 Want de Vader heeft den Zoon lief, en toont hem alles wat liij doet, en hij zal hem grooter werken toonen dan deze, opdat gij u verwondert. 21 Want gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend wie hij wil. 23 Want ook de Tader oordeelt niemand, maar heeftal het oordeel den Zoon gegeven, 23 opdat zij allen den Zoon eeren gelijk zij den Vader eeren. Wie den Zoon niet H. 15;23; eert, eert den Vader niet i Jh. 2. ^3. c]je gezont[ell heeft. 24 Voorwaar, voorwaarzeg h. 3:18; ik u, wie mijn wroordhoort, 8.4/, 8:51. en geboft jjem die mjj gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven , en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven. 25 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, de ure komt en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem van den Zoon Gods, en wie ze gehoord hebben zullen leven; h. 6:57. 26 want gelijk de Vader het leven heeft in zichzelven, al-zoo heeft hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelven, H. 8 :28. |
27 en heeft hem magt ge-| geven ook gerigt te houden, omdat hij des menschen Zoon is. 28 V erwondert u daar niet | over; want de ure komt, in j welke allen die in de graven Dan. 12:2; I zijn zijne stem zullen hooren, Mt-2j '46- 29 en zullen uitgaan, wie I het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en I wie het kwade gedaan heb-I ben tot de opstanding der verdoemenis. 30 Ik kan van mijzei ven niets Vs. 19. I doen: gelijk ik hoor, oordeel : ik, en mijn oordeel is regt-I vaardig; want ik zoek niet h. c : 38. mijnen wil, maar den wil des Vaders die mij gezonden heeft. 31 Indien ik van mijzei ven h. 8:13,18. getuig, mijn getuigenis is niet waarachtig: 32 er is een ander die van mij getuigt, en ik weet dat de getuigenis welke hij van mij getuigt waarachtig is. 33 Gijlieden hebt tot Johan- h. 1:19-27. nes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven ; 34 doch ik neem geen getuigenis van een mensch, maar dit zeg ik opdat gijlieden zoudt behouden worden. 33 Hij was een brandende en lichtende kaars, en gij hebt u voor een korten tijd in zijn licht willen verheugen; 36 maar ik heb een getuigenis meerder dan die van Johannes; want de werken die mij de Vader gegeven heeft om'die te volbrengen, die werken die ik doe, ge il. 10:25; 1 Jh. 5:9. |
JOHANNES 6.
180
|
tuigen van mij dat mij de Vader gezonden lieeft. 37 En de Vader die mij gezonden heeft, die heeft zelf van mij getuigd: gij hebt noch zijne stem ooit gehoord noch zijn gedaante gezien, 38 en zijn woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft dien niet, dien hij gezonden heeft. 39 Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn 't die van mij getuigen; 40 en gij wilt tot mij niet komen opdat gij 't leven moogt hebben. 41 Ik neem geen eer van menschen; 43 maar ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in uzelve niet hebt. 43 Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan; zoo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen. 44 Hoe kunt gij gelooven, h. 12:43, gij die eer van elkander neemt, en de eer die van God alleen is niet zoekt? 45 Meent niet dat ik u verklagen zal bij den Vader: die u verklaagt is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. 46 Want indien gij Mozes geloofdet, zoo zoudt gij mij Dt. 18; 15; gelooven; want hij heeft van Lc. 24;2/. gescllreven- 47 Maar zoo gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden gelooven? |
HOOFDSTUK 6. 1 Nadezen vertrok Jezus Mt. 14:13-21; over de zee van Galiléa, welke lc.' 9 â 10-17! is de zee van ïiberias; 3 en hem volgde een groote schare, omdat zij zijne teekenen zagen die hij deed aan de kranken. 3 En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met zijne discipelen. 4 En het pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Jezus dan de oogen opheffende en ziende dat een groote schare tot hem kwam, zeide tot Eilippus: Vanwaar zullen wij brooden koopen, opdat deze eten mogen? 6 (Doch dit zeide hij hem beproevende, want hij wist zelf wat hij doen zoude.) 7 Eilippus antwoordde hem: Voor tweehonderd penningen brood is dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme. 8 Een van zijne discipelen, namelijk Andréas de broeder van Simon Petrus, zeide tot hem: 9 Hier is een jongsken dat vijf gerstebrooden heeft, en twee vischkens; maar wat zijn deze onder zoovelen? 10 En Jezus zeide: Doet de menschen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zoo zaten dan de mannen neder, omtrent vijfduizend in getal. 11 En Jezus nam de brooden , en gedankt hebbende deelde hij ze den discipelen |
JOHANNES 6.
181
|
uit, en de discipelen dengenen die nedergezeten waren; desgelijks ook van de viseli-kens zooveel zij wilden. 13 En als zij verzadigd waren, zeide hij tot zijne discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga. 13 Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerste-brooden, welke overgesclioten waren dengeneiv die gegeten hadden. 14 De menschen dan gezien hebbende het teeken dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze Dt. 18; 15. is waarlijk de profeet die in de wereld komen zoude. 15 Jezus dan wetende dat zij zouden komen, en hem met geweld nemen opdat zij hem koning maakten, ontweek wederom op den berg, hij zelf alleen. Vs. 3. Mt. 14;22-34; 16 En als het avond ge-Mc. 6:45-53. wor(jen waS] gingen zijne discipelen af naar de zee; 17 en in het schip gegaan zijnde kwamen zij óver de zee naar Kapernaüm. En het was aireede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen; 18 en de zee verhief zich, overmits er een groote wind waaide. 19 En als zij omtrent vijfentwintig of dertig stadiën gevaren waren, zagen zij Jezus wandelende op de zee en komende bij het schip, en zij werden bevreesd. 4:13-21; 6:32-41; ?: 10-17. â |
30 Maar hij zeide tot hen: Ik ben 't, zijt niet bevreesd. 31 Zij hebben dan hem gewillig in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het lar;.d waar zij naartoe voeren. 33 Des anderen daags de schare die aan de andere zijde der zee stond, ziende dat aldaar geen ander scheep-ken was dan dat ééne waar zijne discipelen ingegaan waren , en dat Jezus met zijne discipelen in dat scheepken niet was gegaan, maar dat zijne discipelen alléén weggevaren waren; 33 (doch er kwramen andere scheepkens van Tiberias nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden als de Heer gedankt had); 34 toen dan de schare zag, dat Jezus aldaar niet was noch zijne discipelen, zoo gingen zij óók in de schepen, en kwamen te Kapernaüm, zoekende Jezus; 35 en als zij hem gevonden hadden óver de zee, zeiden zij tot hem: Eabbi, wanneer zijt gij hier gekomen? 36 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voonvaar zeg ik u, gij zoekt mij niet omdat gij teekenen gezien hebt, maar omdat gij van de brooden gegeten hebt en verzadigd zijt. 37 Werkt niet om de spijs die vérgaat, maar om de spijs die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des menschen ulieden geven zal; |
I
JOHANNES 6.
183
|
H.i; 33; 5; 37. want dezen keeft God de Vader bezegeld. 38 Zij zeiden dan tot hem: Wat znllen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? 39 Jezus antwoordde en zei-de tot lien: Dit is liet werk 1 Jh. 3:23. Gods, dat gij gelooft in kern dien liij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot hem: h. 2:18; Wat teek en doet gij dan,op-Mt. 12:38; . , , . 1 16:1. dat wij het mogen zien en u gelooven? Wat werkt gij? 31 Onze vaderen hebben het Ex. 16:4. manna gegeten in de woestijn, gelijk geschreven is: Ps. 78 : 24. Hij gaf hun 't brood uit den hemel te eten. 33 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u. Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel; 33 want het brood Gods is hij die uit den hemel nederdaalt, en die der wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot hem; Heer, geef ons altijd dit brood. 35 En Jezus zeide tot hen: Vs. 48-51; Ik ben het brood des levens: H' 4'14' wie tot mij komt zal geenszins hongeren, en wie in mij gelooft zal nimmermeer dorsten. 36 Maar ik heb u gezegd, dat gij mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet. Vs. 44, 65. 37 Al wat mij de Vader geeft zal tot mij komen, en wie tot mij komt zal ik geenszins uitwerpen. |
38 Want ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat ik mijnen wil zoude doen, h._ 4^34; maar den wil desgenen die mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil des Vaders die mij gezonden heeft, dat alwat hij mij gegeven heeft, ik daaruit niet ver- lieze, maar hetzelve opwekke Vs. 44, 54 ten uitersten dage. 40 En dit is de wil desgenen die mij gezonden heeft, dat een iegelijk die den Zoon. aanschouwt eu in hem gelooft , het eeuwige leven heb-be, en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 41 De Joden dan murmureerden over hem, omdat hij gezegd had; Ik ben het brood dat uit den hemel nedergedaald is; 43 en zij zeiden: Is deze Mt. 13 â 55. niet Jezus de zoon Jozefs, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald? 43 Jezus antwoordde dan en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander. 44 Niemand kan tot mij ko- Vs. Squot;quot;, 65. men, tenzij dat de Vader die mij gezonden heeft hem trekke; en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen Jes. 54:13. allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot mij; 46 niet dat iemand den Va- h. 1:18. |
JOHANNES 6.
183
|
der gezien Leeft dan die van God is: deze heeft den Vader gezien. Voorwaar, voorwaar zeg H. 3:16,36. ik u, wie in mij gelooft keeft het eeuwige leven. 48 Ik ben het brood des levens. 49 Uwe vaderen hebben het Vs. 31. manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven: 50 dit is het brood dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mensch daarvan ete en niet sterve. 51 Ik ben het levende brood dat uit den hemel nedergedaald is: zoo iemand van dit h. ii: 25. brood eet, die zal in eeuwigheid leven; en het brood dat ik geven zal is mijn vleesch, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld. 53 De Joden dan streden onder elkander, zeggende: Hoe kan ons deze zi/n vleesch te eten geven ? 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden, tenzij dat gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uzelve. 54 Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, en ik zal hem opwekken ten uitersten dage; 55 want mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank. 56 Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem. |
57 Gelijker wijs mij de le- h. 5:26, vende Vader gezonden heeft en ik leef door den Vader, alzoo wie mij eet, dezelve zal leven, door mij. 58 Dit is het brood dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uwe vaderen het manna gegeten hebben en zijn gestorven: wie dit brood eet zal in eeuwigheid leven. 59 Deze dingen zeide hij in de synagoge, leerende te Kapernaüm. 60 Velen dan van zijne discipelen dit hoorende, zeiden: Deze rede is hard, wie kan dezelve hoeren! 61 Jezus nu wetende bij zichzelven dat zijne discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit? 62 Wat zoude Y dan zijn zoo gij den Zoon des men- h. 3:13. schen zaagt opvaren waar hij tevoren was? 63 De geest is't die levend- 2Cor.3:6. maakt, het vleesch is niets nut: de woorden die ik tot u spreek zijn geest en zijn leven. 64 Maar er zijn sommigen van ulieden die niet geloo- ven. Want Jezus wist van h. 2:2D. den beginne wie zij waren die niet geloofden, en wie hij was die hem verraden zoude. 65 En hij zeide: Daarom heb ik u gezegd, dat nie- Vs. 44. mand tot mij komen kan tenzij dat het hem gegeven zij van mijnen Vader. 66 Van toen afgingen velen |
JOHANNES 7.
184.
|
zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met liem. 67 Jezus dan zeide tot de twaalf: Wilt gijlieden óók niet weggaan? 68 Simon Petrus dan antwoordde hem: Heer, tot wlen zullen wij lienengaan? Gij liebt de woorden des eeuwigen levens; 69 en wij tebben geloofd en Mt.16:16. bekend, dat gij zijt de Cbris- tus, de Zoon des levenden Gods. 70 Jezus antwoordde Imn: Heb ik niet n twaalf uitverkoren? en één uit u is een duivel. 71 En hij zeide dit van Ju-h. 13:21,26. das Simons zoon Iskariot; want deze zoude hem verraden, zijnde een van de twaalf. HOOFDSTUK 7. 1 En nadezen wandelde Jezus in Galiléa; want hij wilde in Judéa niet wandelen, om- h 5:18. ^ Joden hem zochten te dooden. 2 En het feest der Joden, Lev. 23:34. namelijk de foo/huttenzetting, was nabij. 3 Zoo zeiden dan zijne broeders tot hem: Yertrek vanhier en ga henen in Judéa, opdat ook uwe discipelen uwe werken mogen aanschouwen die gij doet; 4 want niemand doet iets in 't verborgen, en zoekt zelf dat men openlijk van hem spreke. Indien gij deze dingen doet, zoo openbaar uzelven aan de wereld. |
5 Want ook zijne broeders Mc. 3:21. geloofden niet in hem. 6 Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet daar, maar uw tijd is altijd bereid. 7 De wereld kan ulieden niet haten, maar mij haatH- , , , 3:19,20. zij, omdat ik van dezelve getuig dat hare werken boos zijn. 8 Gaat gijlieden op tot dit feest: ik ga nog niet op tot dit feest, want mijn tijd is nog niet vervuld. 9 En als hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef hij in Galiléa. 10 Maar als zijne broeders opgegaan waren, toen ging hij ook zelf op tot het feest, niet openlijk maar als in 't verborgen. 11 De Joden dan zochten hem op het feest, en zeiden: Waar is hij ? 12 En er was veel gemompel van hem onder de scharen; sommigen zeiden: Hij is goed; H. 9:16; en anderen zeiden: Neen, 10-19'21-maar hij verleidt de schare. 13 Nogtans sprak niemand h. 9:22: vrijmoedig van hem, om de vrees der Joden. 14 Doch als het nu in het midden van het feest was, zoo ging Jezus op in den tempel en leerde. 15 En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Mt. 13:54. deze do Schriften, daar hij ze niet geleerd heeft? 16 Jezus antwoordde liunen zeide: Mijne leer is de mijne h. 14:24. niet, maar desgenen die mij gezonden heeft: |
JOHANNES 7.
185
|
17 zoo iemand wil cleszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen of zij uit God is, dan of ik van mijzei ven spreek. 18 Wie van ziclizelven spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar wie de eer zoekt desgenen die liem gezonden heeft, die is waaraclitig en geen on-geregtiglieid is in liem. 19 Heeft Mozes n niet de wet gegeven? en niemand van n doet de wet. Wat zoekt gij mij te dooden? 20 De scliare antwoordde en zeide: Gij hebt den duivel: wie zoekt u te dooden? 31 Jezus antwoordde en zei-de tot lien: Eén werk heb ik gedaan, en gij verwondert u allen. 22 Daarom Mozes heeft ulie-den de besnijdenis gegeven, (niet dat ze uit Mozes is, Gen. 17:10. maar uit de vaderen), en gij besnijdt een mensch op den sabbat. 23 Indien een mensch de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet verbroken worde, zijt gij toornig op mij, dat ik een geheelen mensch ge-zondgemaakt heb op den sabbat? 24 Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een regtvaardig oordeel. 25 Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is deze H. 5:18. niet wien zij zoeken te dooden ? 26 En zie, hij spreekt vrijmoedig en zij zeggen hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat deze waarlijk is de Christus? H. 8; 47. H. 5:45; Hd. 7:53. H. 8:48; 10:20. H. 5:5-9. Lev. 12:3. |
27 Doch van dezen weten wij Mt. 13:55,56. vanwaar hij is; maar de Christus wanneer hij komen zal, zoo zal niemand weten vanwaar hij is. 28 Jezus dan riep, in den tempel leerende en zeggende: En gij kent mij, en gij weet vanwaar ik ben; en ik ben van mijzelven niet gekomen, maar hij is waarachtig die mij gezonden heeft, welken gijlieden niet kent; 29 maar ik ken hem, want ik ben van hem, en hij heeft mij gezonden. 30 Zij zochten hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan hem, want zijne ure was nog niet gekomen. 31 En velen uit de schare geloofden in hem, en zei-h.8:30; 3:2. den; Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal hij ook meer teekenen doen dan die welke deze gedaan heeft? 32 De farizeërs hoorden dat de schare dit van hem mompelde; en de farizeërs en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij hem grijpen zouden. 33 Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd ben ik h. i6:i6. bij u, en ik ga henen tot dengeen die mij gezonden heeft. 34 Gij zult mij zoeken en gij zult mij niet vinden, en waar ik ben kunt gij niet komen. 35 De Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal deze henengaan, dat wij hem niet H. 8:14, 42, 55. H. 8:20. H. 8:21; 13:33. |
JOHANNES 8.
1S6
|
zullen vinden ? Zal hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leeren ? 36 Wat is dit voor een rede die liij gezegd lieef't: Gij zult mij zoeken en zult viij niet vinden, en waar ik ben kunt gij niet komen? 36. 37 En op den laatsten dag, zijnde de groote day van het feest, stond Jezus en riep, h. 4:14; zeggende: Zoo iemand dorst. Op. 22:1 lb, (|je j.0(. mjj en 38 Wie in mij gelooft, gelij-j Jes. 58:11. kerwijs de Schrift zegt, stroo- j men des levenden wa- j ters zullen uit zijn bin- j nenste vloeijen. 39 (En dit zeide hij van den | Joel 2:28. Geest, denwelken ontvangen I zouden wie in hem gelooven; I want de Heilige Geest was nog niet, overmits J ezus nog 1 niet verheerlijkt was.) 40 Velen dan uit de schare deze rede hoorende, zeiden: Deze is waarlijk de profeet; 41 anderen zeiden: Deze is de Christus; en anderen zeiden : Zal dan de Christus uit Galiléa komen? 43 Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den Micha 5:1; zade Davids, en van het vlek ju. 2: o, (i. 'fjetlilehem, waar David was ? 43 Er werd dan tweedragt onder de schare om zijnentwil; 44 en sommigen van hen wilden hem grijpen, maar niemand sloeg de handen aan hem. 45 De dienaars dan kwamen tot de overpriesters en farizeërs; en die zeiden tot Lev. H. 16:7. H. 1:21; Dt. 18:13. Vs. 30. Vs. 32. |
hen: Waarom hebt gij hem niet gehragt? 46 De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mensch Mt. 7:28,29, alzoo gesproken gelijk deze mensch. 47 De farizeërs dan antwoordden hun: Zijt ook gijlieden verleid? 48 Heeft iemand uit de oversten in hem geloofd, of uit quot;de farizeërs? 49 Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt. 50 Nicodemus zeide tot hen, H.3:l;19:39. welke des nachts tot hem gekomen was, zijnde een uit hen: 51 Oordeelt ook onze wet Dt. 19:15-18. den mensch, tenzij dat ze eerst van hem gehoord heeft en verstaat wat hij doet? 52 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt gij óók uit Galiléa? Onderzoek en zie, dat uit Galiléa geen profeet opgestaan is. 53 En een iegelijk ging henen naar zijn huis. HOOFDSTUK 8. 1 Maar Jezus ging naar den Olijfberg. 2 En des morgens vroeg kwam hij wederom in den tempel, en al het volk kwam tot hem; en nedergezeten zijnde leerde hij hen. 3 En de schriftgeleerden en de farizeërs bragten tot hem een vrouw in overspel gegrepen ; 4 en haar gesteld hebbende in 't midden, zeiden zij tot hem : Meester, deze vrouw is |
JOHANNES 8.
1S7
|
op de daad zelve gegrepen, overspel begaande; Lev. 20:10. 5 en Mozes lieeft ons in de wet geboden, dat dezulken gesteenigd znllen worden: gij dan, wat zegt gij ? 6 En dit zeiden zij hem verzoekende, opdat zij iets liad-den om hem te bescliuldigen. Maar Jezus nederbnkkende schreef met den vinger in de aarde; 7 en als zij hem bleven vragen , rigtte hij zich op en zeide tot hen: Wie vannlie-den zonder zonde is, werpe het eerst den steen op haar. 8 En wederom nederbnkkende schreef hij in de aarde. 9 Maar zij dit hoorende, en van hunne conscientie overtuigd zijnde, gingen uit, de één na den ander, beginnende van de oudsten tot de laat-sten; en Jezus werd alléén gelaten, en de vrouw in 't midden staande. 10 En Jezus zich oprigtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar: Vrouw, waar zijn deze uwe beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld? 11 En zij zeide: Niemand Heer. En Jezus zeide tot haar: Zoo veroordeel ik u ook niet: ga henen en zondig niet meer. 13 Jezus dan sprak wederom n.i;9;9:5 tothen, zeggende: Ikbenhet 12:35. licljt der wereld: wie mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. 13 De farizeërs dan zeiden tot hem: Gij getuigt van uzel-ven, uw getuigenis is niet H. 5:31. waarachtig. |
14 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hoewel ik van mijzei ven getuig, zoo is noy-taus mijn getuigenis waarachtig, want ik weet vanwaar ik gekomen ben en waar ik he- h. 16:28. nenga; maar gijlieden weet niet vanwaar ik kom en waar ik henenga. 15 Gij oordeelt naar het h. 7;24. vleesch, ik oordeel niemand. H. 3:17. 16 En indien ik ook oordeel, mijn oordeel is waarachtig ; want ik ben niet al- vs. 20; leen, maar ik en de Vader H-16:32amp;-die mij gezonden heeft. 17 En er is ook in uwe wet geschreven, dat de getuigenis van twee menschen waar- Dt. 19:15; , ,. . Mt. 18:16. achtig is: 18 ik ben 't die van mijzei ven getuig, en de Vader die mij gezonden heeft getuigt H. 5:37. van mij. lit Zij dan zeiden tot hem: Waar is uw vader? Jezus antwoordde: Gij kent noch h. 16:3. mij noch mijnen Vader; indien gij mij kendet, zoo zoudt h. 14:9. gij ook mijnen Vader kennen. 20 Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, leerende in den tempel; en niemand greep hem; want zijne ure h, 7:30. was nog niet gekomen. 31 Jezus dan zeide wederom tot hen: Ik ga henen, en gij h. 7:33-36 zult mij zoeken, en in uwe zonde zult gij sterven; waar ik henenga kunt gijlieden niet komen. 33 De Joden dan zeiden: Zal hij ook zichzelven doo- |
JOHANNES 8.
188
|
den, omdat liij zegt: Waar lie lienenga kunt gijlieden niet komen? 33 En tij zeide tot ken: h. 3:31. Gijlieden zijt van beneden, ik quot;ben van boven; gij zijt uit deze wereld, ik ben niet uit deze wereld. 34 Ik heb u dan gezegd dat gij in uwe zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft dat ik die ben, gij zult in uwe zonden sterven. 35 Zij zeiden dan tot liem; Wie zijt gij ? En Jezus zeide tot hen: Wat ik van den beginne ulieden ook zeg. 36 Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordeelen; maar die mij gezonden heeft is waarachtig, en de dingen h. 12:49,50. die ik van hem gehoord heb, dezelve spreek ik tot de wereld. 37 Zij verstonden niet dat hij hun van den Vader sprak. 38 Jezus dan zeide tot hen : Wanneer gij den Zoon des H. 3:14. menschen zult verhoogd hebben , dan zult gij verstaan dat ik die ben, en dat ik van mijzelven niets doe, maar deze dingen spreek ik gelijk mijn Yader mij geleerd heeft. Vs. 16; 39 En die mij gezonden heeft h. 16:32t). me^ jjjjj. Vader heeft mij niet alléén gelaten, want ik doe altijd wat hem beha-gelijk is. 30 Als hij deze dingen sprak geloofden velen in hem. 31 Jezus dan zeide tot de Joden die in hem geloofden: Indien gijlieden in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen, |
33 en zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. 33 Zij antwoordden hem: Mt.3:9. Wij zijn Abrahams kroost, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt gij dan: Gij znlt vrij worden? 34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, een iegelijk die de zonde doet is een dienstknecht der zonde; 35 en de dienstknecht blijft Gen. 21; 10. niet eeuwig in het huis, de zoon blijft er eeuwig. 36 Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo Rom. 8:2. zult gij waarlijk vrij zijn. 37 Ik weet dat gij Abrahams kroost zijt; maar gij zoekt mij te dooden, want mijn woord heeft in u geen plaats. 38 Ik spreek wat ik bij mij- H. 3:11,32, nen Vader gezien heb: gij doet dan ook wat gij bij uwen vader gezien hebt. 39 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen Kom. 9 7. waart, zoo zoudt gij de werken Abrahams doen; 40 maar nu zoekt gij mij te dooden, een mensch die ude waarheid gesproken heb, welke ik van God gehoord heb: dat deed Abraham niet. 41 Gij doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben éénen vader, namelijk God. 43 Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw vader ware, |
JOHANNES 8.
189
|
zoo zoudt gij mij liefhebben; want ik ben van God uitgegaan en kom van hem; H. 7:28,29. want ik ben ook van mijzeiven niet gekomen, maar hij lieeft mij gezonden. 43 Waarom kent gij mijne h. 6:44. spraak niet? Tiet u omdat gij mijn woord niet kunt liooren. Uh. 3:8. 44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. Die was een menscliemoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zoo spreekt hij uit het zijne; want hij is een leugenaar en de vader der leugen. 45 Maar mij, omdat ik u de waarheid zeg, gelooft gij niet. i Jh. 3:56. 46 Wie van u overtuigt mij van zonde? En indien ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij mij niet? nis: 376. 47 Wie uit God is hoort de iJh. 4:6. woon] eu Grods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt. 48 De Joden dan antwoordden en zeiden tot hem: Zeggen wij niet wèl, dat gij een h. 10:20. Samaritaan zijt en den duivel hebt? 49 Jezus antwoordde: Ik heb den d ai vel niet, maar ik eer mijnen Vader, en gij onteert mij. h. 5:41. 50 Doch ik zoek mijne eer niet: er is een die ze zoekt en oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar zeg |
ik u, zoo iemand mijn woord h. 5:24: zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in eeuwigheid. 53 De Joden dan zeiden tot hem: Nu bekennen wij dat gij den duivel hebt. Abraham is gestorven , en de profeten , en zegt gij: Zoo iemand mijn woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in eeuwigheid? 53 Zijt gij meerder dan onze vader Abraham, welke gestorven is? En de profeten zijn gestorven: wien maakt gij uzelven? 54 Jezus antwoordde: Indien ik mijzelven eer, zoo is mijne eer niets: mijn Vader is 't die mij eert, welke gfj zegt dat uw God is, 55 en gij kent hem niet; maar ik ken hem, en indien ik zeg dat ik hem niet ken, zoo zal ik ulieden gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar ik ken hem en bewaar zijn woord. 56 Abraham uw vader heeft met verheuging verlangd, opdat hij mijnen dag zien zoude, en hij heeft /tem gezien en is verblijd geweest. 57 De Joden dan zeiden tot hem: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt gij A-braham gezien? 58 Jezus zeide tot hen: Voorwaar , voorwaar zeg ik u, eer Abraham was ben ik. h. 17:5. 59 Zij namen dansteenenop, H. 10:31. dat zij ze op hem wierpen; maar Jezus verborg zich, en ging uit den tempel, gaande Vs. 41. |
JOHANNES 9.
190
|
door liet midden van hen, en ging alzóó voorbij. HOOFDSTUK 9. 1 En voorbijgaande zag hij een mensch blind van de geboorte af. 2 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Eabbi, Lc. 13:2. wie heeft er gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind zonde geboren worden? 3 Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd noch zijne ouders, maar dit is ge- H. li; 4. schied opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. 4 Ik moet werken de werken desgenen die mij gezonden heeft, zoolang het dag is: de nacht komt, wanneer niemand werken kan. 5 Zoolang ik in de wereld H. 8:1-2; ben, ben ik het licht der 12 ; 3o. wereld. 6 Dit gezegd hebbende Mc. 8; 23. spuwde hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de oogen des blinden, 7 en zeide tot hem: Ga henen, wasch u in het badwater Siloam ('t welk overgezet wordt Uitgezonden). Hij dan ging henen en wiesch zich, en kwam ziende. 8 De geburen dan, en die hem tevoren gezien hadden dat hij blind was, zeiden: Is deze niet die zat en bedelde ? Anderen zeiden: 9 Hij is 't; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben 't. |
10 Zij dan zeiden tot hem; Hoe zijn u de oogen geopend? 11 Hij antwoordde en zeide; De mensch genaamd Jezus maakte slijk, en bestreek mijne oogen, en zeide tot mij : Ga henen naar het badwater Siloam en wasch u. En ik ging henen en wiesch mij, en ik werd ziende. 13 Zij dan zeiden tot hem: ~\Vaar is die? Hij zeide: Ik weet het niet. 13 Zij bragten hem tot de farizeërs, hem namelijk die tevoren blind geweest was. 14 En het was sabbat als H. 5 a Jezus het slijk maakte en zijne oogen opende. 15 De farizeërs dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was; en hij zeide tot hen: Hij leide slijk op mijne oogen, en ik wiesch mij, en ik zie. 16 Sommigen dan uit de farizeërs zeiden: Deze mensch is van God niet, want hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mensch die een zondaar is zulke teekenen doen? En er was tweedragt onder hen. 17 Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij , wat zegt gij van hem, dewijl hij uwe oogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een profeet. Lc. 7:16. 18 De Joden dan geloofden van hem niet dat hij blind geweest was en ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen die ziende geworden was; |
JOHANNES 9.
191
|
19 en zij vraagden lien, zeggende : Is deze uw zoon welke gij zegt dat blind geboren is? Hoe ziet liij dan nu? 20 Zijne ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is; 31 maar lioe hij nu ziet weten wij niet, of wie zijne oogen geopend heeft weten wij niet; hij heeft zijnen ouderdom , vraagt hem zeiven: hij zal van ziehzelven spreken. 33 Dit zeiden zijne ouders h. 7:13 omdat zij de Joden vreesden; 12' quot;*2' want de Joden hadden aireede tezamen een besluit gemaakt, zoo iemand hem beleed Christus te zijn, dat die uit de synagoge zoude geworpen worden; 33 daarom zeiden zijne ouders: Hij heeft zijnen ouderdom, vraagt hem zei ven. 34 Zij dan riepen voor de tweede maal den mensch die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eer: wij â weten dat deze mensch een zondaar is. 35 Hij dan antwoordde en zeide: Of hij een zondaar is weet ik niet: één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie. 36 En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft hij u gedaan, hoe heeft hij uwe oogen geopend? 37 Hij antwoordde hun: Ik heb 't u alreede gezegd en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij 't wederom hoo-ren? Wilt gijlieden óók zijne discipelen worden? |
38 Zij gaven hem dan sclield-woorden, en zeiden: Gij zijt zijn discipel, maar wij zijn discipelen van Mozes; 39 wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van dezen weten wij niet vanwaar hij is. 30 He mensch antwoordde en zeide tot hen: Hierin is immers rcat wonders, dat gij niet weet vanw aar hij is, en nogtans heeft hij mijne oogen geopend. 31 En wij weten dat God de zondaars niet hoort; maar spi'.28:9; zoo iemand godvruchtig is lo:29-en zijnen wil doet, dien hoort hij. 32 Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen oogen geopend heeft. 33 Indien deze van God Vs. 16. niet ware, hij zoude niets kunnen doen. 34 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren, en Vs. 2. leert gij ons? En zij wierpen hem uit. 35 Jezus hoorde dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende zeide hij tot hem: Gelooft gij in den Zoon Gods ? 36 Hij antwoordde en zeide: Wie is hij. Heer, opdat ik in hem mag gelooven? 37 En Jezus zeide tot hem: En gij hebt hem gezien, en die met u spreekt, dezelve h. 4:26. is 't. 38 En hij zeide: Ik geloof, |
JOHANNES 10.
192
|
Heer; en liij aanbad hem. 39 En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen die Mt. 11:25. niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. 40 En dit hoorden eenigen uit de farizeërs die bij hem waren, en zeiden tot hem; Zijn wij dan óók blind? 41 Jezus zeide tot hen: In-H. 15:22,24.dien gij blind waart, zóo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien : zoo blijft dan uwe zonde. HOOFDSTUK 10. 1 Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden, wie niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar ; 3 maar wie door de deur ingaat is een herder der schapen. 3 Dezen doet de deurwachter open, en de schapen hooren zijne stem, en hij roept zijne schapen bij name, en leidt ze uit. 4 En wanneer hij zijne schapen uitgedreven heeft, zoo gaat hij voor hen henen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijne stem kennen; 5 maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden, overmits zij de stem der vreemden niet kennen. 6 Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen, maar zij verstonden niet wat het was dat hij tot hen sprak. |
7 Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, ik ben de deur dei-schapen. 8 Allen, zoovelen als er vóór mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord. 9 Ik ben de deur: indien iemand door mij ingaat, die zal behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. 10 De dief komt niet dan opdat hij stele en slagte en verderve: ik ben gekomen opdat zij het leven hebben en overvloed hebben. 11 Ik ben de goede Herder. Jes. 40:11 De goede Herder stelt zijn Heb'13--11 leven voor de schapen; 13 maar de huurling en die geen herder is, wien de schapen niet toebehooren, ziet den wolf komen en verlaat de schapen, en vliedt, en de wolf grijpt ze en verstrooit de schapen; 13 en de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen. 14 Ik ben de goede Herder, en ik ken de mijnen en word van de mijnen gekend. 15 Gelijker wijs de Vader mij Mt. 11:27 kent, alzoo ken ik ook den Vader; en ik stel mijn leven Mt. 20:28-voor de schapen. 16 Ik heb nog andere scha- Mt. 8:11. pen, die van dezen stal niet zijn: deze moet ik óók toebrengen; en zij zullen mijne stem hooren , en het zal worden één kudde en één herder. |
JOHANNES 10.
193
|
17 Daarom heeft mij de Vader lief, overmits ik mijn leven afleg, opdat ik 't zelve wederom neme. 18 Niemand neemt hetzelve van mij , maar ik leg liet van mijzelven af: ik lieb niagt hetzelve afteleggen en heb magt hetzelve wederom te nemen; dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangen. h. 7:43; 19 Er werd dan wederom 9' 16 tweedragt onder de Joden om dezer woorden wil; 20 en velen van hen zeiden; h. 7: 20; Hij heeft den duivel en is uitzinnig : wat hoort gij hem ? 21 Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden eens bezetenen; h. 9:6,7,32. kan ook de duivel der blinden oogen openen? 22 En het was het feest der vernieuwing des tempels te Jeruzalem, en het was winter; 23 en Jezus wandelde in den tempel, in het voorhof Salome's. 2-i De Joden dan omringden hem, en zeiden tot hem: Hoelang houdt gij onze ziel op? Indien gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit. 25 Jezus antwoordde hun: Ik heb 't u gezegd en gij ge- Vs. 37, 38; looft het niet. De werken die b. 5.3t). jn (jgjj naam mijns Vaders, die getuigen van mij; 26 maar gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van mijne schapen, gelijk ik u gezegd heb. H. 8:47. 27 Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken dezelve, en zij volgen mij, H. 17:2. 28 en ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit h. 6:39. mijne hand rukken. i. 40:11: b. 13:20, 11:27, ij 20:2)-, 8:11. I |
29 Mijn Vader, die ze mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders. 30 Ik en de Vader zijn één. 31 De Joden dan namen wederom steenen op om hem te h. 8:59. steenigen. 32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van mijnen Vader: om welk van die werken steenigt gij mij ? 33 De Joden antwoordden hem, zeggende: Wij steenigen u niet over eeniy goed werk , maar over yoifelastering, en omdat gij een mensch zijnde H- S:!8-uzelven God maakt. Si Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uwe wet: Ik heb gezegd: Gij Ps. 82:6. zijt goden? 35 Indien de toet diegenen goden genaamd heeft tot welke het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan verbroken worden, 36 zegt gijlieden iot mij, dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God, omdat ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? 37 Indien ik niet doe de werken mijns Vaders, zoo ge- H, 5; 19. looft mij niet; 38 maar indien ik ze doe, en zoo gij mij niet gelooft, zoo gelooft de werken; opdat gij |
13
JOHANNES 11.
194
|
h. 14:11. moogt uckenuen en gelooven dat de Vader in mij is, en ik in liem. h. 7; 30. 39 Zij zochten dan wederom liem te grijpen, en hij ontging uit hunne hand. 40 En hij ging wederom over den Jordaan, tot de h. i: 28. plaats waar Johannes eerst doopte, en hij hleef aldaar. 41 En velen kwamen tot hem en zeiden: Johannes deed wel geen teeken, maar alles wat Johannes van dezen zeide was waar. 42 En velen geloofden aldaar in hem. HOOFDSTUK 11. 1 En er was een zeker man \ krank, genaamd Lazarus, van j Lo.10:38-42. Bethanië, uit het vlek van 1 Maria en hare zuster Martha. 3 (Maria nu was degene die den Heer gezalfd heeft met zalf, en zijne voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lazarus krank was.) 3 Zijne zusters dan zonden tot hem, zeggende: Heer , zie, dien gij liefheht is krank. 4 En Jezus dat hoorende zeide; Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods door dezelve verheerlijkt worde. 5 Jezus nu had Martha en hare zuster en Lazarus lief. 6 Als hij dan gehoord had dat hij krank was, toen bleef hij nog twee dagen op de plaats waar hij was; 7 daarna zeide hij verder tot H. 12:3. Vs. 40; H. 913. |
de discipelen: Laat ons wederom naar Judéa gaan. 8 De discipelen zeiden tot hem: Eabbi, de Joden hebben u nu onlanys zoeken te h. I0:3i. steenigen, en gaat gij wederom derwaarts? 9 Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag ? Indien iemand in den dag wandelt, zoo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet; 10 maar indien iemand in den nacht wandelt, zoo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is. 11 Dit sprak hij, en daarna zeide hij tot hen: Lazarus onze vriend slaapt, maar ik Mt. 9:24. ga henen om hem uit den slaap optewekken. 13 Zijne discipelen dan zeiden: Heer, indien hij slaapt zoo zal hij gezond worden. 13 Doch Jezus had gesproken van zijnen dood; maar zij meenden dat hij sprak van de rust des slaaps. 14 Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven, 15 en ik ben blijde om uwentwil dat ik daar niet geweest ben, opdat gij gelooven moogt; doch laat ons tot hem gaan. 16 Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijne medediscipelen : Laat ons óók gaan, opdat wij met hem sterven. 17 Jezus dan gekomen zijnde vond dat hij nu vier dagen in het graf geweest was. 18 (Bethanië nu was nabij |
JOHANNES 11.
195
|
Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën ymdaar.) 19 En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden, over haren broeder. 30 Martha dan, als zij hoorde dat Jezus kwam, ging hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten. 21 Zoo zeide Martha dan tot Jezus: Heer, waart gij hier vs. 32. geweest, zoo ware mijn broeder niet gestorven; 22 maar ook nu weet ik, dat alles wat gij van God begee-ren zult, God het u geven zal. 33 Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan. 34 Martha zeide tot hem: Ik h. 5:29; weet dat hij opstaan zal in de Dan. 12; 2. opstanding ten laatsten dage. 35 Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het le- H. 5:24. wie in mij gelooft zal leven al ware hij ook gestorven; 26 en een iegelijk die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid: gelooft gij dat? 27 Zij zeide tot hem: Ja Heer, ik heb geloofd dat gij JU 'ie Christus, de Zoon Gods die in de wereld komen zoude. 28 En dit gezegd hebbende ging zij henen, en riep Maria hare zuster heimelijk, zeggende : De Meester is daar en hij roept u. 29 Deze als zij dat hoorde, stond haastig op en ging tot hem. 30 (Jezus nu was nog in het |
vlek niet gekomen, maar was op de plaats waar hem Martha tegemoetgekomen was.) 31 De Joden dan die met haar in het huis waren en haar vertroostten, ziende Maria dat zij haastig opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar weene. 33 Maria dan als zij kwam waar Jezus was, en hem zag, viel aaa zijne voeten, zeggende tot hem: Heer, indien gij hier geweest waart, zoo ware Vs. 21. mijn broeder niet gestorven. 33 Jezus dan als hij haar zag weenen, en de Joden die met haar kwamen óók weenen , werd zeer bewogen in den geest en ontroerde zich-zelven, 34 en zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot hem: Heer, kom en zie het. 35 Jezus weende. Lc. 19:41. 36 De Joden dan zeiden: Zie hoe lief hij hem had. 37 En sommigen uit hen zeiden: Kon hij, die de oogen h. 9:6. des blinden geopend heeft, niet maken dat ook deze niet gestorven ware? 38 Jezus dan wederom in zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd. 39 Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha de zuster des gestorvenen zeide tot hem: Heer, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen al- Vs. 7, daar gelegen. 40 Jezus zeide tot haar: Heb |
JOHANNES 11.
196
|
ik u niet gezegd, dat zoo gij vs. 4. gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult? 41 Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag, en Jezus hief de oogen opwaarts en zeide: Vader, ik dank u dat gij mij gehoord hebt. 43 Doch ik wist dat gij mij altijd hoort; maar om der schare wil die rondom staat heb ik dit gezegd, opdat zij zouden gelooven dat gij mij gezonden hebt. 43 En als hij dit gezegd had, riep hij met groote stem: Lazarus kom uit. 44 En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezigt was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem en laat hem henengaan. 45 Velen dan uit de Joden Vs. 19. die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden 't geen Jezus gedaan had, geloofden in hem; 46 maar sommigen van hen gingen tot de farizeërs, en zeiden tot hen 't geen Jezus gedaan had. Mt 26:3,4. ^ -'-'e overpriesters dan en de farizeërs vergaderden den raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? Want deze mensch doet vele teekenen. 48 Indien wij hem alzóó laten geworden, zij zullen allen in hem gelooven, en de Ko-nieinen zullen komen en wegnemen beide onze plaats en volk. |
49 En een uit hen, namelijk Kajafas, die de hooge-priester van dat jaar was, zeide tot hen: Gij verstaat niets, 50 en gij bedenkt niet dat het ons nut is, dat één mensch sterve voor het volk, en het geheele volk niet verloren ga. 51 En dit zeide hij niet uit zichzelven, maar zijnde de hoogepriester van dat jaar, profeteerde hij dat Jezus sterven zoude voor het volk; 53 en niet alleen voor dat volk, maar opdat hij ook de h. 10:16.; kinderen Gods, die verstrooid waren, totéén zoude vergaderen. 53 Van dien dag af beraadslaagden zij tezamen, dat zij hem dooden zouden. 54 Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden, maar ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar de stad genaamd Efraïm, en verkeerde aldaar met zijne discipelen. 55 En het pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem vóór het pascha, opdat zij ziehzelve reinigden. 56 Zij zochten dan Jezus, en h. 7:ii, zeiden onder elkander, staande in den tempel: Wat dunkt u? Dunkt dat hij niet komen zal tot het feest? 57 De overpriesters nu en de farizeërs hadden een gebod gegeven, dat zoo iemand wist waar hij was, hij het zoude te kennen geven, opdat zij hem mogten vangen. Mt. 26 * Mc. 1 H. 1 Lc. ' |
JOHANNES 12.
197
|
HOOFDSTUK 12. Mt. 20:6-12; 1 Jezus dan kwam zes dagen .Mc.14 â 3quot;9- vóór liet pascha te Bethanië, waar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken liij H. 11:43. opgewekt liad uit de dooden. 2 Zij bereidden hem dan al-Lc. 10:40. daar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen die met liem aanzaten. 3 Maria dan genomen hebbende een pond zalf van on-vervalschten zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haren zijne voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf. 4 Zoo zeide dan een van zijne discipelen, namelijk Judas Simons soo;i Iskariot, die hem verraden zoude: 5 Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen, en den armen gegeven ? 6 En dit zeide hij niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een h. 13:29. dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd. 7 Jezus dan zeide: Laat af van haar: zij heeft dit bewaard tegen den dag mijner begrafenis. Dt.i5:ii. 8 Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd. 9 Een groote schare dan der Joden verstond dat hij aldaar was; en zij kwamen |
niet alleen om Jezus wil, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien hij uit de dooden opgewekt had. 10 En de overpriesters beraadslaagden dat zij ook Lazarus dooden zouden; 11 want velen van de Joden H.ii:45. gingen henen om zijnentwil en geloofden in Jezus. 13 Des anderen daags een Mt. 21:1-11 Mc 11 â 1-10 ⢠groote schare die tot het feest lc.w ; 29-38! gekomen was, hoorende dat Jezus naar Jeruzalem kwam, 13 nam de takken van palm-boomen, en zij gingen uit hem tegemoet, en riepen: Hosanna, gezegend is hij die -Ps. 118 :26. komt in den naam des Hee- ren, hij die is de Koning Israels ! 14 En Jezus vond een jongen ezel en zat daarop, gelijk geschreven is: 15 Vrees niet gij doch- Zach. 9:9. ter Sions: zie, uw Koning komt, zittende op het veulen eener ezelin. 16 Doch dit verstonden zijne discipelen in. 't eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig dat dit van hem geschreven was, en dat zij hem dit gedaan hadden. 17 De schare dan die met hem wras, getuigde dat hij La- h. n: 45, zarus uit het graf geroepen en hem uit de dooden opgewekt had. 18 Daarom ging ook de schare hem tegemoet, overmits zij gehoord had dat hij dat teeken gedaan had. |
JOHANNES 13.
198
|
h. 11:47,48. 19 De farizeërs dan zeiden onder elkander: Ziet gij teel dat gij ganscli niet vordert? Zie, de (jeheele wereld gaat liem na. 20 En er waren sommige Grieken, uit degenen die opgekomen waren opdat zij op Let feest zouden aanbidden: 21 deze dan gingen tot Eilip-h. i: 45. pus die van Betlisaïda in G'a- lüea was, en baden hem, zeggende : Heer, wij wilden Jezus wel zien. 22 Eilippus kwam en zeide 't Andreas, en Andreas en Eilippus wederom zeiden 't Jezus. 23 Maar Jezus antwoordde bun, zeggende: De ure is H. 13:31,32;gekomen, dat de Zoon des 17 ⢠1 ' ' menscben zal verheerlijkt worden. 24 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, indien liet tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft betzelve alléén; maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort. Mt. 10 ; 39; 25 Wie zijn leven liefheeft, L^. zal 't zelve verliezen; en wie 17:33.' ziju leven haat in deze wereld , zal 't zelve bewaren tot het eeuwige leven. 26 Zoo iemand mij dient, die h. 14:3; volge mij, en waar ik ben, 17:24- aldaar zal ook mijn dienaar zijn. En zoo iemand mij dient, de Vader zal hem eeren. Mt.26; 37-39; 27 Nu is mij n ziel ontroerd, Le. 12:50. en zai ik zeggen? Vader, verlos mij uit deze ure? Maar hierom ben ik in deze ure gekomen. |
28 Vader, verheerlijk uwen H. 17 :l. â naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En ik heb hem verheerlijkt, en ik zal hem wederom verheerlijken. 29 De schare dan die er stond en dit hoorde, zeide i dat er een donderslag geschied | was; anderen zeiden; Een | engel heeft tot hem ge-i sproken. j 30 Jezus antwoordde en zeide : Niet om mijnentwil is j deze stem geschied, maar om j uwentwil. [ 31 Nu is het oordeel dezer wereld: nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden; 32 en ik, zoo wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal h 3:14;8;28. ze allen tot mij trekken. 33 (En dit zeide hij betee-kenende hoedanigen dood hij sterven zoude). 34 De schare antwoordde hem: Wij hebben uit de wet gehoord dat de Christus blijft Ps. 110:4; in eeuwigheid, en hoe zegt gij dat de Zoon des menschen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des menschen? 35 Jezus dan zeide tot hen; Nog een kleinen tijd is het licht bij ulieden; wandelt ter-h. 1:9;8:12. wijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange; en wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij he-nengaat. 36 Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn. Deze dingen sprak H. 16; 11; 14:30. 14. |
JOHANNES 13.
19!)
|
Jezus, en weggaande verborg liij zicli van lien. 37 En hoewel hij zoovele teekenen voor hen gedaan had, nogtans geloofden zij in hem niet, 38 opdat het woord van Jesaja den profeet vervuld wierd, dat hij gesproken heeft: Jes. 53:1: Heer, wie heeft onze ncim.-io.in.ppediking geloofd, en w i e n is de arm des Heeren geopenbaard? 39 Daarom konden zij niet gelooven , dewijl Jesaja wederom gezegd heeft: Jes.6:9,10; 40 Hij heeft hunne oo- Hd28:26,27;»en verblind en hun hart verhard, opdat zij met de oogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd w orden, en ik hen geneze. 41 Dit zeide Jesaja, toen hij jes.6:1. zijne heerlijkheid zag en van hem sprak. 42 Nogtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in H.7:13;9:22.hem; maar om der farizeërs wil beleden zij 't niet, opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden; H. 5:44. 43 want zij hadden de eer der menschen lief, meer dan de eer Gods. 44 En Jezus riep en zeide: Wie in mij gelooft, gelooft in mij niet, maar in dengeen die mij gezonden heeft; h.8:19;14:9. 45 en wie mij ziet, die ziet dengeen die mij gezonden heeft. H, 8; 12. 46 Ik ben een licht in de wereld gekomen, opdat een |
iegelijk die in mij gelooft in de duisternis niet blijve. 47 En indien iemand mijne H. 3:17-19. woorden gehoord en niet geloofd zal hebben, ik oordeel hem niet; want ik ben niet gekomen opdat ik de wereld oordeele, maar opdat ik de wereld zaligmake. 48 Wie mij verwerpt en mijne woorden niet ontvangt, heeft wie hem oordeelt: het woord dat ik gesproken heb, dat zal hem oordeelen ten laatsten dage. 49 Want ik heb uit mijzei-H.7:i6;l4:lt). ven niet gesproken; maar de Vader die mij gezonden heeft, die heeft mij een gebod gegeven , wat ik zeggen zal en wat ik spreken zal. 50 En ik weet dat zijn gebod het eeuwige leven is. h. 6:63. Hetgeen ik dan spreek, dat spreek ik alzóó gelijk mij de Vader gezegd heeft. HOOFDSTUK 13. 1 En vóór het feest van het pascha, Jezus wetende dat Mt. 26:2. zijne ure gekomen was, dat hij uit deze' wereld zoude overgaan tot den Vader, alzóó hij de zijnen die in de wereld waren liefgehad had, zoo heeft hij ze liefgehad tot den einde. 2 En als het avondmaal gedaan was, (toen nu de duivel in het hart van Judas vs. 2quot; Simons zoon Iskariot gegeven had dat hij hem verraden zoude), 3 Jezus wetende dat de i Vader hem alle dingen in H. 3:35. |
JOHANNES 13.
200
|
de handen gegeven had, en h. 16:28. dat hij van God uitgegaan was en tot God henenging, 4 stond op van het avondmaal , en leide zijne kleederen af, en nemende een linnen doek, omgordde zich-zelven; 5 daarna goot hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te was-schen, en aftedroogen met den linnen doek waarmede hij omgord was. 6 Hij dan kwam tot Simon Petrus, en die zeide tot hem: Heer, zult gij mij de voeten wasschen? 7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat ik doe weet gij nu niet, maar gij zult het nadezen verstaan. 8 Petrus zeide tot hem: Gij zult mijne voeten niet wasschen in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Indien ik u niet wasch, gij hebt geen deel met mij. 9 Simon Petrus zeide tot hem: Heer, niet alleen mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd. 10 Jezus zeide tot hem : Wie gewasschen is heeft niet van noode dan de voeten te wasschen, maar is geheel rein; h. 15:3. en gijlieden zijt rein, doch niet allen. h. 6:64. 11 Want hij wist wie hem verraden zoude; daarom zeide hij: Gij zijt niet allen rein. 12 Als hij dan hunne voeten gewasschen en zijne kleederen genomen had, zat hij | |
wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij wat ik u-lieden gedaan heb ? 13 Gij heet mij Meester en Heer, en gij zegt wèl, want Mt. 23:8,10, ik ben 't. 14 Indien dan ik, de Heer en de Meester, uwe voetenLc.22:24-21 gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te wasschen; 15 want ik heb u eenexem- 1 Pet. 2:21. pel gegeven, opdat gelijker- wijs ik u gedaan heb, gijlieden óók doet. 16 Voorwaar, voorwaar zeg h. 15:20; ik u, een dienstknecht is niet ml0;24-meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft. 17 Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zoo gij dezelve doet. 18 Ik zeg niet van u allen: ik weet welke ik uitverkoren heb; maar dit (jescldedt opdat de Schrift vervuld worde: Die met mij het Ps. 41:10. brood eet, heeft tegen mij zijn verze opgeheven. 19 Van nu zeg ik het u- h 14:29. lieden eer het geschied is, opdat wanneer het geschied zal zijn, gij gelooven moogt dat ik 't ben. 20 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, zoo ik iemand zend, wie dien ontvangt, die ont- Mt.i0:40; vangt mij; en wie mij ont- Lc. 9:48 vangt, die ontvangt hem die mij gezonden heeft. 21 Jezus deze din gen gezegd M'-26:21-25; , , , , -i -i quot; Mc. 14:18-21; hebbende, werd ontroerd mLc.22;21-23. den geest, en betuigde en zei- H. 12:27. |
JOHANNES 14.
201
|
de: Voorwaar, voorwaar ik zeg u, dat een van tilieden mij zal verraden. 22 De discipelen dan zagen 23:8,io. op elkander, twijfelende van wien hij dat zeide. 23 En een van zijne disci--: 24-2quot; pelen was aanzittende in den H 19.26- schoot van Jezus, welken Je-| 20:2;2l':7,20 zus liefhad: ⢠24 Simon Petrus danwenk-*.2:21. â te dezen dat hij vragen zou de, wie hij toch ware van welken hij dit zeide. 25 En deze vallende op de 5:20; borst van Jezus, zeide tot 10'hem: Heer, wie is 't? 26 Jezus antwoordde: Deze is 't, wien ik de bete, als ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als hij de bete ingedoopt had, gaf hij ze Judas Simons zoon Iskariot. 27 En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastig. : io. 28 En dit verstond niemand dergenen die aanzaten, waartoe hij hem dat zeide; 29 want sommigen meen-h. 12:6. den, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop 't geen wij van noode hebben tot het feest; of dat hij den armen wat geven zoude. 30 Hij dan de bete genomen hebbende, ging terstond 40; uit; en het was nacht. '1 31 Als hij dan uitgegaan was zeide Jezus: Nu is de 'jtf. h. 12:23; Zoon des menschen verheer- -23' 17;1' lijkt, en God is in hem ver- !7. 1 heerlijkt. |
32 Indien God in hem verheerlijkt is, zoo zal ook God hem verheerlijken in zichzel-ven, en hij zal hem terstond verheerlijken. 33 Kinderkens, nog een h. 7:33,34; . .. .. 8*21. kleinen tijd ben ik bij u. Gij zult mij zoeken, en gelijk ik den Joden gezegd heb: Waar ik henenga kunt gij niet komen, alzoo zeg ik ulieden nu ook. 34 Een nieuw gebod geef h. 15; 12,17. ik u, dat gij elkander lief- hebt; gelijk ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. 35 Hieraan zullen zij allen bekennen dat gij mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander. 36 Simon Petrus zeide tot hem: Heer, waar gaat gij henen? Jezus antwoordde hem : Waar ik henenga kunt gij mij nu niet volgen, maar gij zult mij later volgen. 37 Petrus zeide tot hem: Heer, waarom kan ik u nu Mt.26:33,34; . . 1 0 n 1 1 Mc.l4:29,30; niet volgen? Ik zal mijn ie-LC,22:33,34. ven voor 11 zetten. 38 Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg ik u, de haan zal niet kraaijen totdat gij mij driemaal verloochend zult hebben. HOOFDSTUK 14. 1 Uw hart worde niet ont- Vs. 276. roerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij. 2 In het huis mijns Vaders zijn vele woningen; anders zoude ik het u gezegd heb- |
I
JOHANNES 14.
302
H.12:26; 17:24.
H. 10:5,28.
H. 15:7;
16; 23 ; Mt 21:22.
H. 15:10.
Vs. 26; 15:26; 10:7.13.
1 Cor. 2:14,
Vs. 23: H. 16:22.
H. 16 :16.
H. 10:30: 12 :45.
H. 17:21.
Vs. 24; H. 12:49.
Vs. 15.
in mij is
Lc. 6:16.
H. 10:37.38.
ben; ik ga henen om u plaats te bereiden.
3 En zoowanneer ik henen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zoo kom ik weder en zal u tot mij nemen, opdat gij óók zijn moogt waar ik ben.
4 En waar ik henengaweet gij, en den weg weet gij.
5 Thomas zeide tot liem: Heer, wij weten niet waar gij henengaat, en lioe kunnen wij den weg weten?
6 Jezus zeide tot liem: Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven: niemand komt tot den Vader dan door mij.
7 Indien gijlieden mij gekend hadt, zoo zoudt gij ook mijnen Vader gekend hebben ; en van nu aan kent gij hem en hebt hem gezien.
8 Filippus zeide tot hem; Heer, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.
9 Jezus zeide tot hem; Ben ik zoolangen tijd met ulie-den, en hebt gij mij niet gekend Filippus ? Wie mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien: en hoe zegt gij: Toon ons den Vader?
10 Gelooft gij niet dat ik in den Vader hen, en de Vader
tot ulieden spreek, spreek ik van mijzelven niet, maar de Vader die in mij blijft, die doet de werken.
11 Gelooft mij dat ik in den Vader hen, en de Vader in mij is; en indien niet, zoo gelooft mij om de werken zelve.
? De woorden die ik
12 Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden, wie in mij gelooft, de werken die ïk doe zal hij óók doen, en zal meerdere doen dan deze; want ik ga henen tot mijnen Vader,
13 en zoo wat gij begeeren zult in mijnen naam, dat zal ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde.
14 Zoo gij iets begeeren zult in mijnen naam, ik zal 't doen.
16 Indien gij mij lief hebt, zoo bewaart mijne geboden:
16 en ik zal den Vader bidden, en bij zal u een anderen Trooster geven, opdat hij bij u blijve in eeuwigheid,
17 namelijk den Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet hem niet en kent hem niet; maar gij kent hem, want hij blijft bij ulieden en zal in u zijn.
18 Ik zal u geen weezen laten, ik kom toeder tot u.
19 Nog een kleine tijd en de wereld zal mij niet meer zien; maar gij zult mij zien, want ik leef en gij zult leven.
20 In dien dag zult gij bekennen dat ik in mijnen Vader hen, en gij in mij, en ik in u.
31 Wie mijne geboden heeft en dezelve bewaart, die is 't die mij liefheeft; en wie mij liefheeft zal van mijnen Vader geliefd worden, en ik zal hem liefhebben, en ik zal mijzelven aan hem openbaren.
32 Judas, niet de Iskariot, zeide tot hem; Heer, wat is het, dat gij uzelven aan ons
JOHANNES 13.
203
|
zult openbaren en niet aan de wereld? 33 Jezus antwoordde en zei-de tot liem : Zoo iemand mij liefheeft, die zal mijn woord bewaren; en mijn Vader zal liem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken. 3-i Wie mij niet liefheeft, die bewaart mijne woorden niet; en het woord dat gij-h. 7:16. lieden hoort is het mijne niet, maar des quot;Vaders die mij gezonden heeft. 35 Deze dingen heb ik tot u gesproken, bij ublijvende; H. 16:13. 26 maar de Trooster, de Heilige Geest, welken de Vader zenden zal in mijnen naam, die zal n alles leeren, en zal ii indachtig maken alles wat ik u gezegd heb. h. 16:33. 37 Vrede laat iku, mijnen vrede geef ik u: niet gelij-kerwijs de wereld hem geeft. Vs. i. geef ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd. 38 Gij hebt gehoord dat ik Vs. 3, ia tot u gezegd heb: Ik ga henen en kom weder tot u. Indien gij mij lief ha dt, zoo zoudt gij u verblijden omdat ik gezegd heb: Ik ga henen tot den Vader; want mijn Vader is meerder dan ik. H. 13:19. 39 En nu heb ik het u gezegd eer het geschied is, opdat wanneer het geschied zal zijn, gij gelooven moogt. 30 Ik zal niet veel meer met HM2:31; u spreken; want de overste ' ' dezer wereld komt, en heeft aan mij niets; |
31 maar opdat de wereld wete dat ik den Vader liefheb, en alzóódoe gelijkerwijs mij de Vader geboden heeft. H. 10:18. Staat op, laat ons vanhier gaan. HOOFDSTUK 15. 1 Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman. 3 Alle rank die in mij geen vrucht draagt, die neemt liij weg, en alle die vrucht draagt, die reinigt hij opdat zij meer vrucht drage. 3 Gijlieden zijt nu rein om h. 13:10. het woord dat ik tot u gesproken heb: 4 blijft in mij, en ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zich-zelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft, alzóó ook gij niet, zoo gij in mij niet blijft. 5 Ik ben de wijnstok en gij de ranken: wie in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder mij kunt gij niets doen. 6 Zoo iemand in mij niet blijft, die is buitengeworpen gelijkerwijs derank, en is verdord ; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in 't Mt- 3:10-vuur, en zij worden verbrand. 7 Indien gij in mij blijft en mijne woorden in u blijven, zoowat gij wilt zult gij be- h. 14:13. geeren, en het zal u geschieden. 8 Hierin is mijn Vader ver- Mt. 5:16. heerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult mijne discipelen zijn. 9 Gelijkerwijs de Vader mij |
JOHANNES 15.
20-1
|
liefgehad heeft, heb ik ook u liefgehad: blijft in deze mijne liefde. 10 Indien gij mijne geboden bewaart, zoo zult gij in mijne liefde blijven, gelijkerwijs ik de geboden mijns Taders bewaard heb en blijf in zijne liefde. 11 Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat mijne blijdschap in n blijve, en uwe blijdschap vervuld worde. 12 Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt gelijkerwijs ik u liefgehad heb. 13 Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden. 14 Gij zijt mijne vrienden, zoo gij doet wat ik u gebied. 13 Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weetniet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd, want alwat ik van mijnen Vader gehoord heb, dat heb ik u bekendgemaakt. 16 Gij hebt mij niet uitverkoren, maar ik heb u uitverkoren, en ik heb u gesteld dat gij zoudt henengaan en vrucht dragen, en dat uwe vrucht blijve; opdat zoowat gij van den Vader begeeren zult in mijnen naam, hij u dat geve. 17 Dit gebied ik u, opdat gij elkander liefhebt. 18 Indien de wereld haat, zoo weet dat zij mij eer dan u gehaat heeft. 19 Indien gij van de -wereld H. 14:15. H. 17:13. H. 13:34. 1 .Ih. 3:16. H. 8:31. H. 8:26. H. 6:70; 13:18. H. 14:13. V?, 12. H. 7:7; 1 Jh. 3:13. |
waart, zoo zoude de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet h. 17:14. zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. 20 Gedenkt aan het woord dat ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder H. 13.-ia dan zijn heer. Indien zij mij vervolgd hebben, zij zullenh. 16:2, 33. ook u vervolgen; indien zij mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. 21 Maar al deze dingen zul- H. 16:3. len zij u doen om mijns naams wil, omdat zij hem niet kennen die mij gezonden heeft. 22 Indien ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hunne zonde. 33 Wie mij haat, die haat ook mijnen Vader. 24 Indien ik de werken onder hen niet had gedaan die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beide mij en mijnen Vader gehaat. 35 Maar dit geschiedt opdat het woord vervuld worde dat in hunne wet geschreven is: Zij hebben mij zonder Ps. 69:5. oorzaak gehaat. 36 Maar wanneer deTroos- H. 14:16. ter zal gekomen zijn, dien ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid die van den Vader uitgaat, die zal van mij getuigen ; H. C H. 1 H. H. 9:41. H. 5:23. H. 7:1 10:37, 1; |
JOHANNES 16.
205
|
Hd. 1:8. 37 en gij zult óók getuigen, want gij zijt van den beginne met mij geweest. HOOFDSTUK 16. 1 Deze dingen lieb ik tot u gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt. h. 0:22. 3 Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja de ure komt, dat een iegelijk die u zal doo-den, zal meenen Gode een dienst te doen. h. 15:21. 3 En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij denYader niet gekend liebben nocli mij. 4 Maar deze dingen lieb ik h. 13:19. tot u gesproken, opdat wanneer de ure zal gekomen zijn, gij aan dezelve moogt gedenken dat ik ze u gezegd lieb. Doch deze dingen lieb ik u van 't begin niet gezegd, omdat ik bij ulieden was; Vs.10,16,28. 5 en nu ga ik benen tot dengeen die mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt mij: Waar gaat gij henen? 6 Maar omdat ik deze dingen tot u gesproken heb, zoo heeft de droefheid uw hart vervuld. 7 Doch ik zeg u de waarheid, het is u nut dat ik wegga, want indien ik niet h. 14; 1g. wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien ik henenga, zoo zal ik hem tot u zenden. 8 En die gekomen zijnde zal de wereld overtuigen van zonde, en van geregtigheid , en van oordeel: |
9 van zonde, omdat zij in h. 3: is. mijquot; niet gelooven; 10 en van geregtigheid, omdat ik tot mijnen Yader henenga, en gij zult mij niet meer zien; 11 en van oordeel, omdat de h. 12:31. overste dezer wereld geoordeeld is. 12 Nog vele dingen heb ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen; 13 maar wanneer die zal gekomen zijn, namelijk de Geest h. 14:26. der waarheid, hij zal u in al de waarheid leiden; want hij zal van zichzelven niet spreken, maar zoowat hij zal gehoord hebben zal hij spreken, en de toekomende dingen zal hij u verkondigen. 14 Die zal mij verheerlijken; want hij zal 't uit het mijne nemen, en zal 't u verkondigen. 15 Al wat de Vader heeft is h. 17:10. het mijne: daarom heb ik gezegd dat hij 't uit het mijne zal nemen en u verkondigen. 16 Een kleine tijd en gij h. 14.19. zult mij niet zien, en wederom een kleine tijd en gij zult mij zien; want ik ga henen tot den Vader. 17 Sommigen dan uit zijne discipelen zeiden tot elkander; Wat is dit dat hij tot ons zegt; Een kleine tijd en gij zult mij niet zien, en wederom een kleine tijd en gij zult mij zien; en, Want ik ga henen tot den Vader? 18 Zij zeiden dan; Wat is dit dat hij zegt; Een Wemetijd? Wij weten niet wat hij zegt. |
JOHANNES 17.
206
|
19 Jezus dan bekende dat zij liem wilden vragen, en zeide tot lien: Vraagt gij daarvan onder elkander, dat ik gezegd lieb: Een kleine tijd en gij zult mij niet zien, en wederom een kleine tijd en gij zult mij zien ? 20 Voorwaar, voorwaar ik zeg u, dat gij zult schreijen en klagelijk weenen, maar de wereld zal zich. verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal tot blijdschap worden. 21 Een vrouw wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zoo gedenkt zij de benaauwdheid niet meer, om de blijdschap dat een mensch ter wereld geboren is. 22 En gij dan hebt nu wel droefheid, maar ik zal u H. 14:19,23. wedeczien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen; 23 en in dien dag zult gij mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar ik zeg u, al wat gij h. 14:13, den Vader zult bidden in mijnen naam, dat zal hij u geven. 24 Tot nogtoe hebt gij niets gebeden in mijnen naam: bidt en gij zult ontvangen, opdat h. I5:ii; uwe blijdschap vervuld zij. 17:13- 25 Deze dingen heb ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar de ure komt dat ik niet meer door gelijkenissen tot ii spreken zal, maar u vrijuit van den Vader zal verkondigen. |
26 In dien dag zult gij in mijnen naam bidden; en ik zeg u niet dat ik den Vader voor u bidden zal; 27 want de Vader zelfheeft h. 14:21; u lief, dewijl gij mij liefgehad hebt, en hebt geloofd dat ik van God ben uitgegaan. 28 Ik ben van den Ya- H. 13:3. der uitgegaan en ben in de â wereld gekomen, wederom verlaat ik de wereld en ga henen tot den Vader. 29 Zijne discipelen zeiden tot hem: Zie, nu spreekt gij vrijuit en zegt geen gelijke- Vs- 25-nis; 30 nu weten wij dat gij alle dingen weet, en gij hebt niet van noode dat u iemand vrage: hierom gelooven wij dat gij van God uitgegaan zijt. 31 Jezus antwoordde hun: Gelooft gij nu? 32 Zie, de ure komt en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden een iege-Mt.28:31,55. lijk naar het zijne, en gij mij alleen zult laten. En nogtans ben ik niet alleen, want de h. 8:23. Vader is met mij. 33 Deze dingen heb ik tot ii gesproken, opdat gij in mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnen. h. 16: li. HOOFDSTUK 17. 1 Dit heeft Jezus gesproken, en hij hief zijne oogen op naar den hemel, en zeide: Vader, â . ' H. 12 :23; de ure is gekomen, verheerlijk 13:31, 32. |
JOHANNES 17.
207
|
uwen Zoon, opdat ook uw Zoon u verlieerlijke, H. 3:35. 3 gelijkerwijs gij hern magt gegeven hebt over alle vleescli, opdat alwat gij kem gegeven liebt, hij hun het eeuwige leven geve. h. 5:24; 3 En dit is het eeuwige â iJh. o:20. jeven; zij ll kennen den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus dien gij gezonden hebt. 4 Ik heb u verheerlijkt op H 4.34 de aarde, ik heb voleindigd het werk dat gij mij gegeven hebt om te doen: 5 en nu verheerlijk mij, gij Vader, bij uzelven, met de heerlijkheid die ik bij u had eer de wereld was. 6 Ik heb uwen naam geopenbaard den menschen die gij mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren de uwen, en gij hebt mij dezelve gegeven, en zij hebben uw woord bewaard. 7 Nu hebben zij bekend dat alles wat gij mij gegeven hebt van u is; 8 want de woorden die gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben Vs. 2D; waarlijk bekend dat ik vanu h. 10:27. uitgegaan ben, en hebben geloofd dat gij mij gezonden hebt. h. 14: ie. 9 Ik bid voor hen; ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die gij mij gegeven hebt, want zij zijn de uwen; 10 en al het mijne is het H. ie: 15. viwe, en het uwe is het |
mijne; en ik ben in hen verheerlijkt. 11 En ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en ïk kom tot u. Heilige Vader, bewaar ze in uwen naam, die gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn vs. 22. gelijk als wij. 13 Toen ik met hen in de wereld was, bewaarde ik ze in uwen naam: wie gij mij gegeven hebt heb ik bewaard, en niemand uit hen is verlo- h. 13; 18. ren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde. 13 Maar nu kom ik tot u, en spreek dit in de wereld, opdat zij mijne blijdschap ver- h. 15:11. vuld mogen hebben in zich-zelve. 14 Ik heb hun uw woord gegeven; en de wereld heeft h. 15:19. ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als ik van de wereld niet ben. 15 Ik bid niet dat gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat gij hen bewaart van den booze. 16 Zij zijn niét van de wereld, gelijkerwijs ik van de wereld niet beu. 17 Heilig ze in uwe waarheid: uw woord is de waarheid. 18 Gelijkerwijs gij mij ge- H 2à 21 zonden hebt in de wereld, alzoo heb ik hen ook in de wereld gezonden; 19 en ik heilig mijzei ven Heb. 2:U. voor hen, oj)dat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. 20 En ik bid niet alleen |
JOHANNES IS.
208
|
voor deze, maar ook voor degenen die door liun woord in mij gelooven znllen: 21 opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs gij Vader in mij, en ik in n, dat ook zij in ons één zijn; opdat de wereld geloove dat gij mij gezonden hebt. 32 En ik heb hun de lieer-lijklieid gegeven die gij mij gegeven hebt, opdat zij 'één zijn gelijk als wij één zijn: 23 ik in hen, en gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne dat gij mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt gelijk gij mij liefgehad hebt. 24 Vader, ik wil dat waar ik ben, ook die bij mij z;jn die gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die gij mij gegeven hebt, want gij hebt mij liefgehad vóór de snnff der wereld. O O 25 üegtvaardige Vader, de ; wereld heeft u niet gekend; maar ik heb u gekend, en deze hebben bekend dat gij mij gezonden hebt; 26 en ik heb hun uwen naam bekendgemaakt en zal hem. bekendmaken, opdat de liefde waarmede gij mij liefgehad hebt in hen zij, en ik in hen. HOOFDSTUK 18. Mt. 26:30-36, 1 Jezus dit gezegd hebbende, ging uit met zijne discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken hij ging en zijne discipelen. Vs. 11. Vs. 5. Vs. 11. H. 12; 26 14:3. Tondleg- H. 13:21 16:3. Vs. 8. H. 15:9, |
2 En Judas die hem verried wist óók die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls verga-Lc. 21:37. Bw. 26 derd was geweest met zijne discipelen: 3 Judas dan genomen heb-bende de bende hrijgshiecli- lc'. 22 : 47, ten en eenige dienaars van de overpriesters en farizeërs, kwam aldaar met lantaarnen en fakkelen en wapenen. 4 Jezus dan wetende alles wat hem overkomen zoude, ging uit en zeide tot hen: Wien zoekt gij? 5 Zij antwoordden hem: Jezus den Nazarener. Jezus zei-de tot hen: Ik ben 't. En Judas die hem verried stond óók bij hen. 6 Als hij dan tot hen zeide ⢠Ik ben 't, gingen zij achterwaarts en vielen ter aarde. 7 Hij vraagde hun dan wederom : Wien zoekt gij ? En zij zeiden: Jezus den Nazarener. 8 Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat ik 't ben: indien gij dan mij zoekt, zoo laat deze henengaan. 9 Opdat het woord vervuld zoude worden dat hij gezegd had: Uit degenen die gij mij h. 17 12. rreseven hebt heb ik niemand o o verloren. 10 Simon Petrus dan heb-Mt.26:51,521 , . , Mc. 14:4.: bende een zwaard, trok t Lc. 22:50, zelve uit, en sloeg des hooge- priesters dienstknecht en hieuw zijn regteroor af; en de naam van den dienstknecht was Malchus. 11 Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de scheede. De drinkbeker dien Mt. 26:42 !i -rquot;c- U â lc. 2; ü Lc- ' 1 Hd. â I H, 11 Ml. H. s gt;.26 pit. |
ii
JOHANNES 18.
209
|
mij de Vader gegeven lieeft, zal ik dien niet drinken? 13 De bende dan en de overste over duizend en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk en bonden liem, 13 en leidden hem henen, eerst tot Annas; want li ij was de vrouwsvader van Kajafas, welke de lioogepriester van dat jaar was: li Kajafas nu was degeen die den Joden geraden liad, dat bet nut was datéénmenscli voor liet volk stierve. 15 En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel: deze discipel nu was den hoo-gepriester bekend, en ging met Jezus in des boogepries-ters zaal; 16 en Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan die den boogepries-ter Lekend was, ging uit en sprak met de deurwaarster, en bragt Petrus in. i!t.26:69,70. 17 X)e dienstmaagd dan die de deurwaarster was zeide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen menscb? Hij zeide: Ik ben niet. 18 En de dienstknecbten en de dienaars stonden,bebbende een kolenvuur gemaakt, omdat liet koud was, en warmden zicb; en Petrus stond bij ben en warmde zicb. 19 De boogepriester dan vraagde Jezus van zijne discipelen en van zijne leer. 20 Jezus antwoordde bem: Ik hel) vrijuit gesproken tot de wereld; ik heb altijd geleerd in de svnagoge Mt. 26:57; Mc. 14:53; Lc. 22 : 54. Lc. 3: fid. 4: H. 11:50. Mt. 26 : 53. fi. 20:2. W. 26 : 55. |
en in deu tempel, waar de Joden van alle plaatsen teza-menkomen, en in 't verborgen heb ik niets gesproken: 21 wat ondervraagt gij mij ? Ondervraag degenen die 't geboord hebben, wat ik tot hen gesproken heb; zie, deze weten wat ik gezegd heb. 22 En als hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag , zeggende: Antwoordt gij alzóó den boogepriester ? 23 Jezus antwoordde hem: Indien ik kwalijk gesproken I heb , betuig van het kwade ; en indien wèl, waarom slaat gij mij? 34 (Annas dan had hem gebonden gezonden tot Kajafas den boogepriester). 35 Eu Simon Petrus stond Mt.26:71-75; 7 ⢠, .. ., , Mc. 14:69-72; en warmde zich; zij zeiden dan lc.22:58 02! tot bem: Zijt ook gij niet uit zijne discipelen ? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet. 26 Een van de dienstknecbten des hoogepriesters, die maagschap was' van dengeen wien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den bof'met bem? 37 Petrus dan loochende bet wederom; en terstond kraaide de haan. H. 13: 38. Mt. 27 : 2; Mc. 15 - 1; Lc. 23 ; 1. 38 Zij dan leidden Jezus van Kajafas in bet regthuis; en het was 's morgens vroeg. En zij gingen niet in het regthuis, opdat zij niet veront-14 |
JOHANNES 19.
210
|
reinigd zouden worden, maar opdat zij het pasclia eten mogten. 29 Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat be-schuldiging brengt gij tegen dezen mensch? 30 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien deze geen kwaaddoener was, zoo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben. 31 Pilatus dan zeide tot hen; Neemt gij hem en oordeelt hem naar uwe wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te dooden. 32 Opdat het woord van H. 12:32; Jezus vervuld wierd, dat Mt. 20:19. i^j geZegd had beteekenende hoedanigen dood hij sterven zoude. 33 Pilatus dan ging wederom in het regthuis, en riep Mt. 27:11; Jezus, en zeide tot hem: Zijt Lc.23:i: gij de Koning der Joden? 34 Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben 't u anderen van mij gezegd ? 35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben u aan mij overgeleverd; wat hebt gij gedaan? 36 Jezus antwoordde: Mijn koningrijk is niet van deze wereld: indien mijn koningrijk van deze wereld was, zoo h. 18:11«. zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is juijn koningrijk niet vanhier. |
37 Pilatus dan zeide tot hem: Zijt gij dan een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt dat ik een koning ben. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, opdat ik der waarheid getuigenis geven zoude. Een iegelijk die uit de waarheid is H. 8:47. hoort mijne stem. 38 Pilatus zeide tot hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geen H. 19:4,6;! schuld in hem. 39 Doch gij hebt een ge- Mt.27:15-aJ woonte, dat ik u op het pa- Lc.^'m-scha eenen loslate: wilt gri dan dat ik u den Koning der Joden loslate? 40 Zij dan riepen allen wederom , zeggende: Niet dezen, maar Barabbas. En Barabbas was een moordenaar. HOOFDSTUK 19. 1 Toen nam Pilatus dan Je-Mt.27:26-3(1 , 7 Mc.l5;15-1?! zus en geeselde hem. Lc. 23:16. |' 3 En de krijgsknechten een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetteden die op zijn hoofd, en wierpen hem een purperen kleed om , 3 en zeiden: Wees gegroet gij Koning der Joden; en rij gaven hem kinnebakslagen. 4 Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Zie, ik breng hem tot ulie-den uit, opdat gij weet dat ik in hem geen schuld vind. H. 18: i 5 Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon en het purperen kleed; en Pi- |
JOHANNES 19.
211
|
latus zeide tot lien: Zie, de menscli. 6 Als hem dan de over-priesters en de dienaars zagen , riepen zij, zeggende; Kruis hem, kruis hem. Pila-tus zeide tot lien: Neemt h. 18:31. gijlieden liem en kruist hem, want ik vind in liem geen schuld. 7 De Joden antwoordden liem: Wij hebben een wet, Lev. 24:16; 611 :naar onze wet moet hij â V'g18; sterven, want hij heeft zich-jjit. 26:63,64. zei ven Gods Zoon gemaakt. 8 Toen Pilatus dan dit woord hoorde werd hij meer bevreesd, 9 en ging wederom in het regthuis, en zeide tot Jezus: Vanwaar zijt gij? Maar Jezus Mt.27:13.14: gaf hem geen antwoord. ^Lc.^éta' Pilatus dan zeide tot hem: Spreekt gij tot mij niet? Weet gij niet dat ik magt heb u te kruisigen en magt heb u lostelaten ? 11 Jezus antwoordde; Gij zoudt geen magt hebben tegen mij, indien het u niet van boven gegeven was: daarom die mij aan u heeft overgeleverd, heeft grooter zonde. 12 Van toen af zocht Pilatus hem lostelaten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien gij dezen loslaat, zoo zijt gij des keizers vriend niet: een iegelijk die zich-zelven koning maakt, weder-spreekt den keizer. 13 Als Pilatus dan dit woord hoorde, bragt hij Jezus uit, en zat neder op den regter-stoel, in de plaats genaamd |
Lithostrótos, en in 't He-breeuwsch Gabbatha. 14 En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Zie, uw Koning. 15 Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis hem. Pilatus zeide tot hen: Zal ik uwen Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning dan den keizer. 16 Toen gaf hij hem dan hun over, opdat hij gekruist zoude worden. En zij namen Jezus en leid- Mt.27;32-38; den I/pui wpo*⢠Mc.15:21-27; 1 /l/em AV eö gt; LC.23 ; 32-34, 17 en hij dragende zijn kruis, 38-ging uit naar de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, welke in 't Hebreeuwsch genoemd wordt Golgotha; 18 alwaar zij hem kruisten, en met hem twee anderen, aan elke zijde één , en Jezus in 't midden. 19 En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: Jezus de Nazare-n EK, de Koning dee Joden. 20 Dit opschrift dan lazen velen van de Joden, want de plaats waar Jezus gekruist werd was nabij de stad; en het was geschreven in 't Hebreeuwsch , in 't Grieksch, en in 't Latijn. 21 De overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der |
JOHANNES 19.
212
|
Joden, maar dat hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden. 32 Pilatns antwoordde: Wat ik geschreven heb, dal heb ik geschreven. 23 De krijgsknechten dan als zij Jezus gekruist hadden, namen zijne kleederen (en maakten vier deelen, voor eiken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af uit één stuk geweven; 34 zij dan zeiden tot elkander : Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, voor wien die zijn zal; opdat de Schrift vervuld wor- Ps. 22:19. ^egt; di® zegt: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en over mijne kleeding hebben zij het lot geworpen.Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan. 35 En bij het kruis van Mt.27:55,56. Jezus stonden zijne moeder, en zijne moederszuster Maria de wouw van Klopas, en Maria Magdalena. 36 Jezus nu ziende zijne moeder, en den discipel dien h.20:2:21:7.hij liefhad daarbij staande, zeide tot zijne moeder: Vrouw, zie, uw zoon. 37 Daarna zeide hij tot den discipel: Zie, uwe moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn Jiuis. 38 Hierna Jezus wetende dat nu alles volbragt was, Ps. 69 : 22. opdat de Schrift zoude vervuld worden, zeide: Mij dorst. |
39 Er stond dan een vat vol edik, en zij vulden een spons Mt. 27: 4amp; met edik, en omleiden ze met hysop, en bragten ze aan zijnen mond. 30 Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide hij : Het is volbragt, en het hoofd bui- h. 17:4. gende gaf hij den geest. Mt. 27: öo,B 31 De Joden dan, opdat de :ji. 3: ligchamen niet aan liet kruis Dt. 21:22,23|l zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbe-mc. 15:42.p reiding was, (want die dag des sabbats was groot), baden Pilatus dat hunne beenen zouden gebroken en zij weggenomen worden. 32 De krijgsknechten dan kwamen, en braken wel de beenen des eersten en des anderen die met hem gekruist was, 33 maar komende tot Jezus, als zij zagen dat hij nu gestorven was, zoo braken zij zijne beenen niet, 34 maar een der krijgsknechten doorstak zijne zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit. 35 En die het gezien heeft die heeft het getuigd, en zijn h. 21:24.|. getuigenis is waarachtig, en hij weet dat hij zegt 't geei Mt. waar is, opdat ook gij ge- quot;c.' looven moogt. 36 Want deze dingen zijn geschied opdat de Schrift vervuld worde: Gr e e u been Ps. 34:21 van hem zal verbroken worden; »11.27 37 en wederom zegt een an- h dere Schrift: Zij zullen zach.iari B zien in welken zij ge stoken hebben. |
JOHANNES 30.
218
|
Kt.27:57-61; 38 En daarna Jozef van Ari- tcis: 50^56.' m^théa (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vrees der Joden) bad Pila-tus dat bij mogt bet lig-cbaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet bet toe. Hij dan ging en nam bet lig-cbaam van Jezus weg. h.3:i;7:50. 89 En Nicodemuskwam óók, (die des nacbts tot Jezus bet eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloë, omtrent bonderd ponden gewigt. 40 Zij namen dan bet lig-cbaam van Jezus en bonden dat in linnen doeken met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte bebben van begraven. 41 En er was in de plaats waar bij gekruist was een bof, en in den bof een nieuw graf, in betwelk nog nooit iemand gelegd was geweest: 42 aldaar dan leiden zij Jezus , om de voorbereiding der Joden, overmits bet graf nabij was. HOOFDSTUK 20. Mt. 28: i-io 1 En op den eersten dan Mc 16 ⢠1-11 ⢠. . Lc. 21:1-12! d-er week ging Maria Mag-dalena vroeg, als bet nog duister was, naar bet graf, en zag den steen van bet graf weggenomen. 2 Zij liep dan en kwam tot Simon Petrus en tot den an- H, 13:23. deren discipel, welken Jezus lief bad, en zeide tot ben: Zij bebben den Heer weggenomen uit bet graf, en wij weten niet waar rij bem gelegd bebben. |
3 Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot bet graf; 4 en deze twee liepen tegelijk. En de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam bet eerst tot bet graf; 5 en als bij nederbukte zag bij de doeken liggen, nogtans ging bij er niet in. 6 Simon Petrus dan kwam en volgde bem, en ging in bet graf, en zag de doeken liggen; 7 en den zweetdoek, die op h, 19 :40. zijn boofd geweest was, zcuj hij niet bij de doeken liggen, maar afzonderlijk in een andere plaats tezamengerold. 8 Toen ging dan ook de andere discipel er in, die bet eerst tot bet graf gekomen was, en zag bet en geloofde; 9 want zij wisten nog de Scbrift niet, dat bij van de Lc. 24:40. dooden moest opstaan. 10 De discipelen dan gingen wederom naarbuis. 11 En Maria stond buiten bij bet graf weenende. Als zij dan weende, bukte zij in bet graf, 12 en zag twee engelen in witte Ideederen zitten, één aan het boofd en één aan de voeten, waar betligcbaam van Jezus gelegen bad. 13 En die zeiden tot haar: Vrouw, wat weent gij? Zij zeide tot ben: Omdat zij mijnen Heer weggenomen heb- |
JOHANNES 20.
214
|
ben, en ik weet niet waar zij liem gelegd liebben. 14 En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, h. 21:4. en zij wist niet dat het Jezus was. 15 Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij meenende dat het de hovenier was, zeide tot hem: Heer, zoo gij hém fwygedragen hebt, zeg mij waar gij hem gelegd hebt, en ik zal hem wegnemen. 16 Jezus zeide tot haar: Maria! Zij zich omkeerende zeide tot hem; Rabboimi, 't welk is gezegd Meester. 17 Jezus zeide tot haar: Eaak mij niet aan, want ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader; maar ga henen tot mijne broeders, h. 16:28. en zeg hun: Ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, en tot mijnen God en uwen God. 18 Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen , dat zij den Heer gezien had, en dat hij haar dit gezegd had. Lc.24:36-39, ^ Als het dan avond was .. 'liquot;4.9/ op dien eersten dag der week, Mc.16:14-16. r , , , en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren, om de vrees der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen; Vrede zij ulieden. 20 En dit gezegd hebbende toonde hij hun zijne handen en zijne zijde. De discipelen |
dan werden verblijd als zij den Heer zagen. 21 Jezus dan zeide wederom tot hen; Vrede zij ulieden: gelijkerwijs mij de Va- H. 17:18, der gezonden heeft, zend ik ook ulieden. 22 En als hij dit gezegd had, blies hij op hen, en zeide tot hen; Ontvangt den Heiligen Geest. 23 Zoo gij iemands zonden Mt.l8:i8. vergeeft, dien worden ze vergeven ; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn ze gehouden. 24 En Thomas, een van de h. 11:10. twaalf, gezegd Didymus, was met hen niet toen Jezus daar kwam. 25 De andere discipelen dan zeiden tot hem; Wij hebben den Heer gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in zijne handen niet zie het teeken der nagelen, en mijnen vinger steek in het teeken der nagelen, en steek mijne hand in zijne zijde, ik zal geenszins ge-looven. 26 En na acht dagen waren zijne discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden. 27 Daarna zeide hij tot Thomas; Breng uwen vinger hier, en zie mijne handen, en breng uwe hand en steek ze in mijne zijde, en wees niet ongeloovig maar geloovig. |
JOHANNES 21,
215
|
28 En Thomas antwoordde en zeide tot hem: Mijn heer en mijn God. 29 Jezus zeide tot hem: Omdat gij mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd: zalig zijn ze die niet i pet. 1:8. zullen gezien hebben en nog-tans zullen geloofd hebben. h. 21:25. 30 Jezus dan heeft nog wel vele andere teekenen in de tegenwoordigheid zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; 31 maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon Gods, en opdat gij gelooven-de het leven hebt in zijnen naam. HOOFDSTUK 21. 1 Nadezen openbaardeJezus zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias; en hij openbaarde zich aldus. 2 Er waren tezamen Simon Petrus, en Thomas gezegd Didymus, en Nathanaël die van Kana in Galiléa was, en de zonen van Zebedeüs, en twee andere van zijne discipelen. 3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga visschen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip, en in dien nacht vingen zij niets. 4 En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de dis- h. 20:14. cipelen wisten niet dat het Jezus was. |
5 Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet eenige toespijs? Zij antwoordden hem: Neen. 6 En hij zeide tot hen: Werpt het net aan de regter-zijde van 't schip, en gij zult vinden. Zij wierpen 't dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der visschen. 7 De discipel dan welken h. 13:23. Jezus liefhad zeide tot Petrus : Het is de Heer. Simon Petrus dan hoorende dat het de Heer was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt) en wierp zichzelven in de zee. 8 En de andere discipelen kwamen met het scheepken, (want zij waren niet ver van 't land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de visschen. 9 Als zij dan aan 't land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en visch daarop liggen, en brood. 10 Jezus zeide tot hen: Brengt van de visschen die gij nu gevangen hebt. 11 Simon Petrus ging op en trok het net op het land, vol groote visschen, tot honderd drieënvijftig; en hoewel er zoovele waren, zoo scheurde het net niet. 12 Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde hem vragen: Wie zijt gij ? wetende dat het i de Heer was. i 13 Jezus dan kwam, en |
JOHANNES 21.
216
|
nam het brood, en gaf liet hun, en den visch desgelijks. h. 20:19,26. 14 Dit was nu de derde maal dat Jezus zijnen discipelen geopenbaard is, nadat hij van de dooden opgewekt was. 15 Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon Jona's zoon, hebt gij mij liever dan deze ? Hij zeide tot hem: Ja Heer, gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: quot;Weid mijne lammeren. 16 Hij zeide wederom tot hem ten tweeden male : Simon Jona's zoon, hebt gij mij lief? Hij zeide tot hem : Ja Heer, gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed mijne schapen. 17 Hij zeide tot hem ten derden male: Simon Jona's zoon, hebt gij mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij mij lief? en zeide tot hem: Heer, gij weet alle dingen, gij weet dat ik u liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid mijne schapen. IS Yoorwaar, voorwaar zeg ik u, toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven en wan-deldet alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud gewor-h. 13 :36. den zijn, zoo zult gij uwe handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en brengen waar gij niet wilt. |
19 En dit zeide hij, beteeke-nende met hoedanigen dood hij God verheerlijken zoude. En dit gesproken hebbende zeide hij tot hem: Volg mij. 20 En Petrus zich omkee-rende zag den discipel volgen welken Jezus liefhad, die ook h. 13:23-ï aan het avondmaal op zijne borst gevallen was en gezegd had: Heer, wie is 't die u verraden zal? 31 Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus : Heer, maar wat zal deze? 22 Jezus zeide tot hem: Indien ik wil dat hij blijve tot- Mt dat ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij mij. 23 Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zoude sterven; en Jezus had tot hem niet gezegd dat hij niet sterven zoude, maar: Indien ik wil dat hij blijve totdat ik kom, wat gaat het u aan ? 24 Deze is de discipel die van deze dingen getuigt en h. 19:35. deze dingen geschreven heeft, en wij weten dat zijn getuigenis waarachtig is. 25 En er zijn nog vele andere h. 20:30. dingen die Jezus gedaan heeft, welke zoo ze elk in 't bijzonder geschreven werden, ik acht dat ook de wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten. Amen. |
DE HANDELINGEN
DER
APOSTELEN,
BESCHREVEN DOOK LUCAS.
13; 23-2;
|
HOOFDSTUK 1. Lc. 1:1-4. 1 Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al betgeen Jezus begonnen beeft beide te doen en te leeren, 2 tot op den dag op welken hij opgenomen is, nadat hij door den Heiligen Geest aan de apostelen, die hij uitverkoren bad, bevelen had gegeven; h. lo: 41. 3 aan welke hij ook, nadat hij geleden had, zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse ken teekenen, veertig dagen lang, zijnde van ben gezien, en sprekende van de dingen die het koningrijk Gods aangaan. 4 En als hij met hen verga-Lc. 24:49. derd was, beval hij hun dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij [zeide hij) van mij gehoord hebt; 5 want Johannes doopte wel Lc. 3; 16. met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden niet lang na deze dagen. 16; 28. 9: 35. |
6 Zij dan die tezamengeko-men waren vraagden hem, zeggende: Heer, zult gij in dezen tijd aan Israel het koningrijk wederoprigten? 7 En hij zeide tot hen: Het komt ii niet toe te weten de Mt. 24:36. tijden of gelegenheden, die de Yader in zijn eigene magt gesteld beeft; 8 maar gij zult ontvangen Lc.24:48-51. de kracht des Heiligen Gees- tes die over u komen zal, en gij zult mijne getuigen zijn , zoo te Jeruzalem als in geheel Judéa en Samarië, en tot aan het uiterste der aarde. 9 En als hij dit gezegd had , werd hij opgenomen daar zij Mc. 16:19. het zagen, en een wolk nam hem weg van hunne oogen. 10 En als zij hunne oogen naar den hemel hielden terwijl hij benenveer, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleeding, 11 welke ook zeiden: Gij Ga-lileesche mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel ? Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal |
*
HANDELINGEN 1.
218
|
Lc. 21:27; alzoo komen gelijkerwijs gij 0pquot;1'7' tem naar den hemel hebt zien henenvaren. Lc. 24; 52. 12 Toen keerden zij weder naar Jeruzalem, van den berg die genaamd wordt de Olijf-henj, welke is nabij Jeruzalem , liggende vandaar een sabbatsreis. 13 En als zij ingekomen waren , gingen zij op in de opperzaal waar zij bleven, na- :\it. 10:2-4. melijk Petrus en Jacobus, en Johannes, en Andreas, Filip-pus en Thomas, Bartholo-meiis en Mattteiis, Jacobus de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, en Judas de broeder van Jacobus. 14 Deze allen waren een-dragtig volhardende in 't bidden en smeek en, met de vrouwen, en Maria de moe- Mc. 0:3. der van Jezus, en met zijne broeders. 15 En in die dagen stond Petrus op in 't midden der discipelen , en sprak (er was nu een schare bijéén van omtrent honderd en twintig personen): 16 Mannen broeders, deze Vs. 20. Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen die Jezus vingen; 17 want hij was met ons gerekend en had het lot dezer bediening verkregen. Mt. 27:5-8. 18 Deze dan heeft verworven een akker door het loon der ongeregtigheid, en voor-overgevallen zijnde is midden opgeborsten, en al zijne ingewanden zijn uitgestort; |
19 en het is bekend geworden allen die te Jeruzalem wonen, alzoo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is een akker des bloeds. 30 quot;Want er staat geschreven in 't boek der psalmen : Z ij n e woonstede Ps. 69 : 26. â worde woest, £n er zij niemand die in dezelve wone; en: Een ander Ps. 109:8. neme zijn opzienersambt. 21 Het is dan noodig dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al den tijd in welken de Heer Jezus onder ons in- en uitgegaan is, 22 beginnende van den doop van Johannes, tot den dag toe op welken hij van ons opgenomen is, één derzeive met ons getuige worde zijner opstanding. 23 En zij stelden er twee. Jozef genaamd Barsabas, die toegenaamd was Justus, en Matthias. 24 En zij baden en zeiden: Gij Heer, gij kenner der harten van allen, wijs van deze twee één aan dien gij uitverkoren hebt, 25 om te ontvangen het lot van deze bediening en dit apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, dat hij henen-ging in zijn eigen plaats. 26 En zij wierpen hunne loten , en het lot viel op Matthias, en hij werd met alge- |
HANDELINGEN 2.
219
|
meene toestemming tot de elf apostelen gekozen. HOOFDSTUK 2. 1 En als de dag van liet bt. t6;9, lo.pinkster/fefts^ vervuld werd, waren zij allen eendragtig bijéén. 2 En er geschiedde liaas-telijk uit den liemel een geluid, gelijk als van een geweldigen gedreven wind, en vervulde liet gelieele liuis waar zij zaten; 3 en van lien werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen; h. i: 5. 4 en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uittespreken. 5 En er waren Joden te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen die onder den hemel zijn: 6 en als deze stem geschied was, kwam de menigte tezamen en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken. 7 En zij ontzetteden zich allen en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Zie, zijn niet alle deze die daar spreken Galileërs ? 8 En hoe hooren wij ze een iegelijk in onze eigen taal in welke wij geboren zijn? 9 Parthers en Meders en Ela-miten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judéa, |
en Gappadocië, Pontus en Azië, 10 en Erygië, enPamfylië, Egypte, en de deelen van Libye hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandsche Romeinen, beide Joden en Jode-genooten, 11 Gretenzen en Arabieren, wij hooren ze in onze talen de groote werken Gods spreken. 13 En zij ontzetteden zich allen en werden twijfelmoedig, zeggende de één tegen den ander: Wat wil toch dit zijn? 13 En anderen spottende zeiden: Zij zijn vol zoeten wijn. 14 Maar Petrus staande met de elf, verhief zijne stem en sprak tot hen: Gij Joodsche mannen, en gij allen die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan. 15 Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van den dag; 1 16 maar dit is het wat gesproken is door den profeet Joël: 17 En het zal zijn in Joël2;28-32. de laatste dagen (zegt ; God), ik zal uitstorten van mijnen Geest op alle vleesch, en uwe i zonen en uwe dochters zullen profeteren, en uwe j on ge ling en zul-|len gezigten zien, en uwe ouden zullen droo-men droomen; 18 en ook op mijne |
HANDELINGEN 3.
220
|
dienstknecliten en op mijne dienstmaagden zal ik in die dagen van mijnen Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. 19 En ik zal wonderen geven in den hemel boven, en teekenen op de aarde beneden, bloed en vuur en rookdamp. 20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eerdat de groo-te en doorluchtige dag-des Heeren komt. Rom. 10;13. 21 En liet zal zijn dat een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. 22 Gij Israëlitische mannen, boort deze woorden: Jezus h. 10:38. de Nazarener, een man van God onder ulieden betoond door krachten en wonderen en teekenen, die God door hem gedaan heeft in 't midden van u, gelijk ook gij zelve weet: h. 4:28. 23 dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der onregtvaardigen aan H kruis gehecht en gedood: 24 welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was dat hij van denzelve zoude gehouden worden. 25 Want David zegt van Ps. 16:8-n.hem: Ik zag den Heer te allen tijde vóór mij; |
want hij is aan mijne regter/lt;flMrf, opdat ik niet bewogen worde. 26 Daarom is mijn hart verblijd en mijn tong verheugt zich, ja ook mijn vleesch zal rusten in hope; 27 want gij zult mijne ziel in de hel niet verlaten, en zult uwen Heilige niet overgeven om verderving te zien. 28 Gij hebt mij de we-sen des levens bekend-gemaakt; gij zult mij vervullen met verheuging door uw aange-zigt. 29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven h. 13: 3i\ is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. 30 Alzoo hij dan een profeet was, en wist dat God hem met eede gezworen had, ps. 89:4,5. dat hij uit de vrucht zijner lende, zooveel het vleesch aangaat, den Christus verwekken zoude, om hem op zijnen troon te zetten, 31 zoo heeft hij dit voorziende gesproken van de opstanding van Christus, dat zijne ziel niet is verlaten in de hel noch zijn vleesch verderving heeft gezien. 32 Dezen Jezus heeft God h. 3:15;5; opgewekt, waarvan wij allen 30 i10: ^0-getuigen zijn. 33 Hij dan door de regter- |
HANDELINGEN 3.
331
|
hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort wat gij nn ziet en hoort. 34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; ps. 110:1; maar hij zegt: De Heer Mt. 22 : 44. ijggft gesproken tot mijnen Heer: Zit aan mijne r egter 35 totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 36 Zoo wete dan zekerlijk het gansche huis Israels, dat God hem tot een Heer en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus dien gij gekruist hebt. 37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? 38 En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. 39 Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen, en Ef.2:13. allen die verre zijn, zoovelen als er de Heer onze God toe roepen zal. 40 En met veel meer andere woorden betuigde hij en vermaande ze, zeggende: Fil. 2:15. Wordt behouden van dit verkeerd geslacht. |
41 Wie dan zijn woord gaarne aannamen werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drieduizend zielen. 42 En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. 43 En een vrees kwam over alle ziele, en vele wonde- H. 5:12. ren en teekenen geschiedden door de apostelen. 44 En allen die geloofden H. 4:32-35. waren bijéén, en hadden alle dingen gemeen; 45 en zij verkochten hunne goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naardat elk van noode had; 46 en dagelijks eendragtig in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij tezamen met verheuging en eenvoudigheid des harten, 47 en prezen God en hadden genade bij het gansche volk. En de Heer deed da-H.5;i4;6:7 11 * 01 gelijks tot de gemeente die zalig werden. HOOFDSTÃK 3. 1 Petrus nu en Johannes gingen tezamen op naar den tempel omtrent de ure des gebeds, zijnde de negende ure. 2 En een zeker man, die kreupel was van den moederschoot af, werd gedragen, welken zij dagelijks zetteden aan de deur des tempels genaamd de Schoon e, |
HANDELINGEN 3.
222
|
om een aalmoes te begeeren van degenen die in den tempel gingen; 3 welke Petrus en Johannes ziende als zij in den tempel zouden ingaan, bad dat hij een aalmoes mogt ontvangen. 4 En Petrus sterk op hem ziende, met Johannes, zeide : Zie op ons. 5 En hij hield de oogen op hen, verwachtende dat hij iets van hen zoude ontvangen. 6 En Petrus zeide; Zilver en goud heb ik niet, maar 't geen ik heb dat geef ik u: in den naam van Jezus Christus den Nazarener, sta op en wandel. 7 En hem grijpende bij de regterhand, rigtte hij hem op: en terstond werden zijne voeten en enkels vast, 8 en hij opspringende stond en wandelde, en ging met hen in den tempel, wandelende en springende en lovende God. 9 En al het volk zag hem wandelen en God loven; 10 en zij kenden hem dat hij die was, die om een aalmoes gezeten had aan de Schoone poort des tempels, en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hem geschied was. 11 En als de kreupele, die gezondgemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof 't welk h. 5:12. Salomo's morhof genaamd wordt, verbaasd zijnde. |
12 En Petrus dat ziende, antwoordde tot het volk: Gij Israëlitische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat ziet gij zoo sterk op ons, alsof wij door onze eigene kracht of godzaligheid dezen hadden doen wandelen? 13 De God Abrahams en Isaaks en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft zijn kind Jezus verheerlijkt, welken gij overgeleverd hebt, en hebt hem verloochend voor het aan-gezigt van Pilatus, als hij oordeelde dat men hem zoude loslaten; 14 maar gij hebt den Heilige en Eegtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u een man die een doodslager was zoude geschonken worden; 13 en den Torst des levens hebt gij gedood: welken God opgewekt heeft uit de dooden, h. 2: ai waarvan wij getuigen zijn. 16 En door het geloof in zijnen naam heeft zijn naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof dat door hem is heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven , in ii aller tegenwoordigheid. 17 En nu broeders, ik weet dat gij 't door onwetendheid Lc. 23:34. gedaan hebt, gelijk als ook uwe oversten; 18 maar God heeft alzóó vervuld 't geen hij door den Lc, 24: ai,27. mond van al zijne profeten tevoren verkondigd had, dat de Christus lijden zoude. 19 Betert u dan en bekeert h. 2:38. |
HANDELINGEN 4.
223
|
u, opdat uwe zonden mogen uitgewischt worden, wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van liet aan-gezigt des Heeren, 20 en liij gezonden zal lieb-ben Jezus Christus, die u tevoren gepredikt is: 21 welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprigting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al zijne heilige profeten van alle eeuw. 22 Want Mozes heeft tot de Dt. 18:18,19; vaderen gezegd: D e H e e r Hd. 7:37. n J 1 uw (iod zal u een profeet verwekken uit uwe broederen gelij k mij: dien zult gij hooren in alles wat liij tot u spreken zal; 23 en het zal geschieden dat alle ziele die dezen profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk. 24 En ook al de profeten van Samuel aan, en die daarna gevolgd zijn, zoovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen tevoren verkondigd. 25 Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des verbonds 't welk God met onze vaderen opgerigt heeft, zeggende tot 2n: i8 â Abraham: En in uwen 631.3:8. zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. |
26 God opgewekt hebbende zijn kind Jezus, heeft den-zelven het eerst tot u gezonden, dat hij ulieden zegenen zoude , daarin dat hij een iegelijk van u afkeere van uwe boosheden. HOOFDSTUK 4. 1 En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de priesters en de hoofdman des tempels en de saddu-ceërs, 2 zeer ontevreden zijnde omdat zij het volk leerden en verkondigden in Jezus de opstanding uit de dooden, 3 en zij sloegen de handen h. 5:18. aan hen en zetteden ze in bewaring tot den anderen dag; want het was nu avond. 4 En velen van degenen die h. 2:41. het woord gehoord hadden geloofden, en het getal der mannen werd omtrent vijfduizend. 5 En het geschiedde des anderen daags, dat hunne oversten en ouderlingen en schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden, 6 en Annas de hoogepries-ter, en Kajafas en Johannes en Alexander, en zoovelen er van het hoogepriesterlijk geslacht waren; 7 en als zij ze in het midden gesteld hadden, vraagden zij: Door wat kracht of door wat Mt. 21:23i/. naam hebt gijlieden dit gedaan ? 8 Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks en gij ouderlingen Israels, 9 alzoo wij heden geregtelijk |
HANDELINGEN 4.
324
|
onderzocht worden over de weldaad aan een kra nk mensch. geschied, waardoor hij gezond geworden is, 10 zoo zij aan u allen kennelijk en aan het gansche volk H. 3:16. Israels, dat door den naam van Jezus Christus den Na-zarener, dien gij gekruist hebt, welken God van de doo-den heeft opgewekt, door hem zeg ik staat deze hier vóór u' gezond. 11 Deze is de steen die van u, de bouwlieden, veracht is, welke tot een hoofd des hoeks geworden is. 13 En de zaligheid is in geen ander; want er is ook onder den hemel geen anderenaam die onder de mensohen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. 13 Zij nu ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende dat zij ongeleerde en eenvoudige mensohen waren, verwonderden zich, en kenden hen dat zij met Jezus geweest waren; 14 en ziende den mensch bij hen staan die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen. 15 En hun geboden hebbende uittegaan buiten den raad, overleiden zij met elkander, 16 zeggende: Wat zullen wij dezen menschen doen ? Want dat er een bekend tee-ken door hen geschied is, is openbaar aan allen die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen 't niet loochenen; 17 maar opdat het niet meer H. 3:( Ps. 118:22; Mt. 21:42. Jh. 14:6; 1 Tim. 2 :5. Jh. 11:47. |
en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherp dreigen, dat zij niet meer tot eenig mensch in dezen naam spreken. 18 En als zij ze geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganschelijk niet zouden spreken noch leeren in den naam van Jezus. 19 Maar Petras en Johannes antwoordende zeiden tot hen; Oordeelt gij of het regt is voor God, ulieden meer te hooren dan God; 30 want wij knnnen niet laten te spreken 't geen wij gezien en gehoord hebben. 31 Maar zij dreigden ze nog nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende hoe zij ze straffen zouden, om des volks wil; want zij verheerlijkten allen God over hetgeen er geschied was; 33 want de mensch was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teeken der genezing geschied was. 33 En zij losgelaten zijnde kwamen tot de hunnen, en verkondigden alwat de over-priesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden. 34 En als deze dat hoorden, hieven zij eendragtig hunne stem op tot God en zeiden; Heer, gij zijt de God die gemaakt hebt den hemel en de aarde en de zee en alle dingen die in dezelve zijn; 35 die door den mond van David uwen knecht gezegd hebt: Waarom woeden Ps. 2 de heidenen en heb- H. H. 5; 29. 1. 2. |
HANDELINGENquot; 5.
225
|
ben de volken ij dele dingen bedacht? 26 De koningen der aarde zijn tezamen opgestaan, en de oversten zijn bij é én ver ga de rd tegen den Heer en tegen zijnen Gezalfde. 27 Want in waarheid zijn vergaderd tegen uw heilig kindJezus, welken gij gezalfd hebt, beide Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israels, H, 3:18. 28 om te doen al wat uwe hand en uw raad tevoren bepaald had dat geschieden zoude. 29 En nu dan Heer, zie op hunne dreigingen, en geef uwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, 30 daarin dat gij uwe hand uitstrekt tot genezing, en dat teekenen en wonderen geschieden door den naam van uw heilig kind Jezus. 31 En als zij gebeden hadden, werd de plaats in welke zij vergaderd waren bewogen, h. 2:4. en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid. 33 En der menigte van degenen die geloofden was één hart en één ziel, en niemand zeide dat iets van 't geen hij had zijn eigendom was, maar h. 2; 44. alle dingen waren hun gemeen. 33 En de apostelen gaven met groote kracht getuigenis van de opstanding des Hee-ren Jezus; en er was groote genade over hen allen. |
34 Want er was ook niemand onder hen die gebrek had; want zoovelen als er bezitters waren van landen of h. 2 : 44, 45. huizen, die verkochten zij, en bragten den prijs der verkochte goederen en leiden dien aan de voeten der apostelen; 35 en aan een iegelijk werd uitgedeeld naardat elk van noode had. 36 En Joses, van de apostelen toegenaamd Barnabas, ('t welk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting), h. u : 24. een leviet, van geboorte uit Cyprus, 37 alzoo hij een akker had, verkocht dien, en bragt het geld en leide het aan de voeten der apostelen. HOOFDSTUK 5. 1 En een zeker man met name Ananias, met Saffira zijne vrouw, verkocht een have, 3 en onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw, en bragt een zeker deel en leide dat aan de voe- h. 4:34. ten der apostelen. 3 En Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands? 4 Zoo het gebleven was, bleef het niet het uwe, en verkocht zijnde, was het niet in uwe magt? Wat is 't dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den |
15
|
226 HANDEL mensclien niet gelogen maar Gode. 5 En Ananias deze woorden hoerende viel neder en gaf den geest. En er kwamgroo-te vrees over allen die dit lioorden. 6 En de jongelingen opstaande scliikten liem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem. 7 En liet was omtrent drie uren daarna, dat ook zijne vroxiw daar inkwam, niet wetende wat er gescliied was. 8 En Petrus antwoordde liaar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zóóveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zóóveel. 9 En Petrus zeide tot haar: Wat is 't dat gij onder u hebt overééngestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen die uwen man begraven hebben zijn voor de deur, en zullen u uitdragen. 10 En zij viel terstond neder voor zijne voeten, en gaf den geest; en de jongelingen ingekomen zijnde vonden ze dood, en droegen ze uit, en begroeven ze bij haren man. 11 En er kwam groote vrees over de geheele gemeente en over allen die dit hoorden. 12 En door de handen der apostelen geschiedden vele teekenen en wonderen onder het volk. En zij waren allen H. 3:11. eendragtig in het voorhof Salomo's; 13 eu van de anderen durf- |
JNb-liJN o. de niemand zich bij hen voegen. Maar het volk hield ze H. 2:47. in groote achting; 14 en er werden er meer en meer toegedaan die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen: 15 alzoo dat zij de kranken Mc. 6:55,56. uitdroegen op de straten en leiden op bedden en beddekens, opdat als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mogt. 16 En ook de menigte uit de omliggende steden kwam gezamenlijk te J eruzalem, brengende kranken en die van onreine geesten gekweld waren, welke allen genezen werden. 17 En de hoogepriester stond op, en allen die met hem waren, (welke was de sekte der saddueeërs), en werden ver- h. 4:1-3. vuld met nijdigheid, 18 en sloegen hunne handen aan de apostelen, en zetteden ze in de algemeene gevangenis. 19 Maar de engel des Heeren H. 12; 7-10. opende des nachts de deuren der gevangenis, en leidde ze uit, en zeide: 20 Gaat henen, en staat en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens. 21 Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen den morgenstond in den tempel en leerden. Maar de hoogepriester , en die met hem waren, gekomen zijnde riepen den raad tezamen, en |
HANDELINGEN 5.
227
|
al de oudsten der kinderen Israels, en zonden naar den kerker om lien te lialen. 22 Docli als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden weder en boodscliap-ten dit, 23 zeggende: Wij vonden wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren, maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen. 24 Toen uu de ^ooj/spriester en de hoofdman des tempels en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zoude. 23 En er kwam een en boodschapte hun, zeggende: Zie , de mannen die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in den tempel en leeren het volk. 26 Toen ging de hoofdman henen met de dienaren, en bragt ze, doch niet met ge- H. 4:21. weid; (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gesteenigd wierden), 27 en als zij hen gebragt hadden, stelden zij ze voor den raad; en de hoogepriester vraagde hen en zeide; h. 4:18. 28 Hebben wij u niet ernstig aangezegd dat gij in dezen naam niet zoudt leeren? En zie, gij hebt met deze uwe leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen mensch over ons brengen. H. 4:19. 29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: |
Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen. 30 De God onzer vaderen H. 2:23, 24. heeft Jezus opgewekt, welken gij omgebragt hebt, hangende Jiem aan het hout. 31 Dezen heeft God door h. 2:33. zijne regter^awa? verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israel te geven bekeering en vergeving der zonden. 32 En wij zijn zijne getuigen h. 3:15. van deze woorden, en ook de Heilige Geest, welken God gegeven heeft dengenen die hem gehoorzaam zijn. 33 Als zij nu dit hoorden borst hun H hart, en zij hielden raad om hen te dooden. 34 Maar een zeker farizeër stond op in den raad, met name Gamaliel, een leeraar h. 22; 3. der wet in waarde gehouden bij al het volk, en gebood dat men de apostelen een weinig zoude doen buiten-staan, 35 en zeide tot hen: Gij Israëlitische mannen, ziet vóór ii, wat gij doen zult aangaande deze menschen. 30 Want vóór deze dagen stond Theudas op, zeggende dat hij wat was, wien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing: welke is omgebragt, en allen die b.em gehoor gaven zijn verstrooid en tot niet geworden. 37 Na hem stond op Judas de Galileër, in de dagen dei-beschrijving, en maakte veel volk afvallig achter zich: en deze is óók vergaan, en allen |
HANDELINGEN 6.
328
|
die hem gehoor gaven zijn : verstrooid geworden. 38 En nn zeg ik ulieden, houdt af van deze menschen en laat ze gaan; want indien , Mt. 15; 13. deze raad of dit werk uit { menschen is, zoo zal het ver- I broken worden; 39 maar indien het uit God is, zoo kunt gij dat niet ver- ! breken; opdat gij niet mis- | schien sevonden wordt ook tegen God te strijden. 40 En zij gaven hem ge- { hoor; en als zij de apostelen j tot zich geroepen hadden, geeselden zij dezelve, en geboden hun dat ze niet zouden spreken in den naam van Jezus, en lieten ze gaan. 41 Zij dan gingen henen van het aangezigt des raads, ver- Mt. 5:11,12; blijd zijnde dat zij waren l Pet.4:14«. waarc[jg geacht geweest, om zijns naams wil smaadheid te lijden; 43 en zij hielden niet óp alle dagen in den tempel en bij de huizen te leeren en Jezus Christus te verkondigen. HOOFDSTUK 6. 1 En in die dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond er een murmurering der Grieksehen tegen de Hebreërs, omdat hunne weduwen in de dage-lijksche bediening verzuimd werden. 2 En de twaalf riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet behoorlijk dat wij het woord |
Gods nalaten en de tafels dienen. 3 Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goéde getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zaak; 4 maar wij zullen volharden in het gebed en in de bediening des woords. 5 En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij verkozen Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en Eilippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timen, en Parmenas, en Nicolaüs, een Jodegenoot van Antiochië; 6 welke zij voor de apostelen stelden; en deze, als zij gebeden hadden, leiden hun H. 8:17; de handen op. 13 19'6' 7 En het woord Gods wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer, en een groote schare der priesteren werd den ge-loove gehoorzaam. 8 En Stefanus, vol geloof en kracht, deed wonderen en groote teekenen onder het volk. 9 En er stonden bp sommigen die waren van de synagoge genaamd der Libertijnen , en der Cyreneërs , en der Alexandrijnen, en dergenen die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus ; 10 en zij konden niet we- lc.21:15. derstaan de wijsheid en |
HANDELINGEN 7.
229
|
den Geest door welken liij sprak. Mt. 26:59-61. 11 Toen maakten zij mannen op die zeiden: Wij hebben hem booren spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God; 12 en zij beroerden het volk en de ouderlingen en de schriftgeleerden, en hem aanvallende grepen zij hem en leidden hem voor den raad, 13 en stelden valsche getuigen die zeiden: Deze mensch houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet; 14 want wij hebben hem hooren zeggen, dat deze Jezus de Nazarener deze plaats zal verbreken, en dat hij de zeden veranderen zal die ons Mozes overgeleverd heeft. 15 En allen die in den raad zaten, de oogen op hem houdende, zagen zijn aange-zigt als het aangezigt eens engels. HOOFDSTUK 7. 1 En de hoogepriester zei-de: Zijn dan deze dingen alzóó ? 2 En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham nori zijnde in Mesopota-mië, eer hij woonde in Ha-ran, 3 en zeide tot hem: Ga uit Gen. 12:1. uw land en uit uw maagschap , en kom in een land dat ik u wijzen zal. 4 Toen ging hij uit het land |
der Chaldeërs, en woonde in Haran. En vandaar, nadat Ge». 12:5. zijn vader gestorven was, bragt hij hem over in dit land waar gij nu in woont; 5 en hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap, en beloofde dat hij hem 't zelve tot een be- Gen. 12; 7. zitting geven zoude, en aan zijn nageslacht na hem, als hij noy geen kind had. 6 En God sprak alzóó, dat zijn nageslacht vreemdeling Gen. 15: zijn zoude in een vreemd land, 13'14' en dat zij het zouden dienstbaar maken en kwalijk behandelen vierhonderd jaren; 7 en het volk dat zij dienen zullen zal ik oordeelen, sprak God, en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen mij dienen in deze plaats. 8 En hij gaf hem het ver- Gen. 17:10. bond der besnijdenis; en alzóó gewon hij Isailk, en besneed hem op den achtsten Gen. 21:4. dag; en Isaiik geioon Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen. 9 En de patriarchen nijdig zijnde verkochten Jozef o»i Gen. 37:28 naar Egypte gehrayt te worden ; en God was met hem, Gen. 39:2. 10 en verloste hem uit al zijne verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Earao den koning van Egypte; en hij stelde hem tot een Gen. 41:40. overste over Egypte en zijn geheele huis. 11 En er kwam een hen- Gen. 41: 54. gersnood over het geheele land van Egypte en Kanaan, |
HANDELING-EN 7.
230
|
en groote benaauwdlieid, en onze vaderen vonden geen spijs. Gen.42:l,2. 12 Maar als Jakob lioorde i dat in Egypte koren was, zond hij onze vaderen de eer- I ste maal uit; Gen. 45:1. 13 en bij de tweede reis | werd Jozef zijnen broederen bekend, en bet geslacbt van Jozef werd aan Earao openbaar. Gen. 45:9, 14 En Jozef zond kenen en ontbood zijnen vader Jakob, en al zijn geslacbt, bestaande Gen. 46:27. in vijfenzeventig zielen. 15 En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, bij zelf en onze vaderen; Gen. 50:13. 16 en zij werden overgebragt naar Sicbem, en gelegd in Gen. 33 ; liet graf, 't welk Abraham ge-18'19- koobt bad voor een som geld , van de zonen van Hemor den vader van Sicbem. 17 Maar als nu de tijd der belofte die God aan Abraham gezworen bad genaakte, wies Ex. 1: 7-10, volk en vermenigvuldig-22, de in Egypte; 18 totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had. 19 Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zoodat ze hunne jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden ver-menig vul di gen. Ex. 2:2-10. 20 In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders; |
21 en als bij weggeworpen was, nam hem de dochter van Earao op, en voedde bem voor zichzelve op tot een zoon. 23 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyp-tenaren, en was magtig in woorden en in werken. 23 Als hem nu de tijd van Ex. 2:11-15. veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart zijne broeders de kinderen Israels te bezoeken. 24 En ziende eenen die on-regt leed, beschermde hij hem, en wreekte dengeen wien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar. 25 En hij meende dat zijne broeders zouden verstaan, dat God door zijne band bun verlossing geven zoude; maar zij hebben 't niet verstaan. 26 Eu den volgenden dag-werd hij van hen gezien daar zij vochten, en hij drong ze ! tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders: waarom doet gij elkander ongelijk? 27 En die zijnen naaste ongelijk deed verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en regter over ons gesteld? 28 Wilt gij mij óóit ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebragt hebt ? 29 En Mozes vlugtte op dat woord, en werd een vreemdeling in het land Mi- dian , waar hij twee zonen Ex. 18; 3, h. gewon. 30 En als veertig jaren ver- Ex. 3:1-10. vuld waren, verscheen hem |
HANDELINGEN 7.
231
|
de Engel des Heeren in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammend vuur van het doornbosch. 31 Mozes nu dat ziende verwonderde zich. over liet ge-zigt; en alsliij derwaarts ging om dat te bezien, zoo geschiedde een stem des Heeren tot hem, 32 zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams en de God Isaiiks en de God .Takobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien. 33 En de Heer zeide tot liem: Ontbind de schoenen van uwe voeten, want de plaats op welke gij staat is heilig land. 34 Ik heb duidelijk gezien de mishandeling mijns volks dat in Egypte is, en ik heb hun zuchten gehoord, en ben nedergekomen om hen daaruit te verlossen; en nu kom herwaarts, ik zal u naar Egypte zenden. 35 Dezen Mozes welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en regter gesteld? dezen zeg ik heeft God tot een overste en verlosser gezonden door de hand des engels die hem verschenen was in het doornbosch. 36 Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en teekenen in 't land van Egypte, en in de Hoode zee, en in de woestijn , veertig jaren. 37 Deze is die Mozes die tot de kinderen Israels a'ezesrd |
heeft: De Heer uw God zal u een profeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij: dien zult gij hooren. 38 Deze is 't die in de vergadering des volks in de woes-tijn was met den engel die Ex. 19:3. tot hem sprak op den berg | Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven; j 39 den welke onze vaderen niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen Jtem, en keerden met hunne harten weder naar Egypte, 40 zeggende tot Ailron: Ex. 32:i-cgt;. Maak ons goden die voor ons uitgaan; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat hem geschied is. 41 En zij maakten een kalf in die dagen, en bragten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen. 42 En God keerde zich , en gaf hen over dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Hebt gij ook Amos 5: slagtofferen en offe-randen mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels? 43 Ja gij hebt opgenomen den tabernakel Molochs, en het gesternte van uwen god Remfan, de afbeeldingen die gij gemaakt H, 3:22; Dt. 18:15. |
HANDELINGEN 7.
233
hebt om die te aanbidden; en ik zal u overvoeren op gene zij de van Babylonië.
44 De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd liad Mj die tot Mozes zeide, dat liij denzel-
Ex. 25:9. ven maken zoude naar de afbeelding die liij gezien liad:
45 welken ook onze vaderen ontvangen hebbende, met
Joz. 3;14. Jozua gebragt hebben in 't land dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezigt onzer vaderen, tot de dagen Davids toe:
46 dewelke voor God genade gevonden heeft, en begeerd
2 Sam. 7; 2. beeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.
i Kon. 6:1. 47 En Salomo bouwde hem een huis.
h. 17:24. 48 Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt, gelijk de profeet zegt;
Jes. 66:1,2. 49 De hemel is mij een troon, en de aarde een voetbank mijner voeten; hoedanig huis zult gij mij bouwen, zegt de Heer, of welke is de plaats mijner rust?
50 Heeft niet mij ne hand al deze dingen gemaakt?
51 Gij hardnekkigen en on-besnedenen van hait en ooren, gij quot;wederstaat altijd den Heiligen Geest, gelijk uwe vaderen alzuó ook gij.
Mt.23:29-35. 53 Wien van de profeten hebben uwe vaderen niet ver- I
volgd? En zij hebben gedood degenen die tevoren verkondigd hebben de komst des Eegtvaardigen, van welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt,
53 a-ii die de wet ontvangen Gal. 3:19;
.1 Heb 2 ⢠2 hebt door bestellingen der
engelen, en hebt ze niet
gehouden.
j 54 Als zij nu dit hoorden,
borsten hunne harten, en zij
⢠knersten de tanden tegen
hem.
i 55 Maar hij vol zijnde des Heiligen Geestes, en de oogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter regter/M«rf Gods;
56 en hij zeide: Zie, ik zie
de hemelen geopend, en den Mt. 26:64. Zoon des menschen staande ter regterAató Gods.
57 Maar zij roepende met groote stem, stopten hunne ooren, en vielen eendragtig op hem aan,
58 en wierpen hem ter stad uit, en steenigden hem. En de getuigen leiden hunne kleederen af aan de voeten eens jongelings genaamd Sau-lus,
59 en zij steenigden Stefa-nus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang Lc.23i46. mijnen geest.
60 En vallende op de knieën riep hij met groote stem:
Heer, reken hun deze zonde L;. 23 34. niet toe. En als hij dat gezegd had ontsliep hij.
HANDELINGEN 8.
233
|
HOOFDSTUK 8, 1 En. Saulns had mede een h. 22:20. welbehagen aan zijnen dood. En er werd te dien dage een groote vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem was, en zij werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samarië, behalve de apostelen. 3 En eenige godvruchtige mannen droegen Stefanus tezamen ten grave, en maakten grooten rouw over hem. h. 22:4. 3 En Saulus verwoestte de gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hij ze over in de gevangenis. h. 11:19. 4 Zij dan nu die verstrooid waren, gingen het land door en verkondigden het woord. h. 6 ;5. 5 En Eilippus kwam af in de stad van Samarië, en predikte hun Christus. 6 En de scharen hielden zich eendragtig aan 't geen van Eilippus gezegd werd, dewijl zij hoorden en zagen de teekenen die hij deed. 7 Want van velen die onreine geesten hadden gingen dezelve uit, roepende met groote stem, en vele geraakten en kreupelen werden genezen; 8 en er werd groote blijdschap in die stad. 9 En een zeker man met name Simon was tevoren in de stad plegende tooverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samarië, zeggende van zichzelven dat hij wat groots was; |
! 10 welken zij allen aanhin-{ gen, van den kleine tot den groote, zeggende: Deze is de groote kracht Gods. 11 En zij hingen hem aan, omdat hij een langen tijd met tooverijen hunne zinnen verrukt had. 12 Maar toen zij Eilippus geloofden, die het evangelie van het koningrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen. 13 En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde bleef voortdurend bij Eilippus; en ziende de teekenen en groote krachten die er geschiedden, ontzette hij zich. 14 Als nu de apostelen die te Jeruzalem waren hoorden, dat Samarië het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes, 15 dewelke afgekomen zijnde baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mogten; 16 (want hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in den naam des Hee-ren Jezus.) 17 Toen leiden zij de han- H. 19:6. den op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest. 18 En als Simon zag dat door de oplegging van de handen der apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zoo bood hij hun geld aan, 19 zeggende: Geeft ook mij deze magt, opdat zoowien |
8.
|
ik de handen opleg, liij den Heiligen Geest ontvange. 20 Maar Petrus zeide tot liem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend Mt. 10: Sb. liebt dat de gave Gods door geld verkregen wordt. 21 Gij liebt geen deel noeli lot in dit woord, want uw liart is niet regt voor God. 33 Bekeer u dan van deze uwe booslieid, en bid God, of misseMen u deze overlegging uws liarten vergeven wierd; 23 want ik zie dat gij zijt in eene zeer bittere gal en teza-menknooping der ongeregtig-beid. 24 Docli Simon antwoordende zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heer, opdat niets mij overkome van 't geen gij gezegd bebt. 25 Zij dan nu, als zij bet woord des Heeren betuigd en gesproken liadden, keerden weder naar Jeruzalem, en verkondigden 't evangelie in vele vlekken der Samaritanen. 26 En een engel des Heeren sprak tot Tilippus, zeggende: Sta op en ga benen tegen bet zuiden, op den weg die van Jeruzalem afdaalt naar G-aza, welke woest is. 27 En bij stond op en ging benen. En zie, een Moorman, een kamerling en een magtig beer van Candacé de koningin der Mooren, die over al baren scbat was, welke was gekomen om aan-tebidden te Jeruzalem; 28 en hij keerde weder, en |
zat op zijnen wagen, en las den profeet Jesaja. 29 En de Geest zeide tot Filippus; Ga toe en voeg u bij dezen wagen. 30 En Eilippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesaja lezen, en zeide: quot;Verstaat gij ook 't geen gij leest? 31 Ãn hij zeide: Hoe zoude ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderrigt? En hij bad Filippus dat bij zoude opkomen en bij hem zitten. 32 En de plaats der Schriftuur die hij las was deze: Hij is gelijk een schaap Jes. 53: ter slagting geleid; en gelijk een lam stemme-loos is voor dien die het scbeert, alzóó doet hij zijnen mond niet open. 33 In zijne vernedering is zijn oordeel weggenomen, en wie zal zijn geslacht verhalen? AVant zijn leven wordt van de aarde weggenomen. 34 En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van wien zegt de profeet dit, van zicbzelven of van iemand anders? 35 En Eilippus deed zijnen mond open, en beginnende van die Schrift, verkondigde bij bem Jezus. 36 En als zij overweg reisden kwamen zij aan een zeker water, en de kamerling zeide: Ziedaar water: wat verhindert mij gedoopt te worden? |
HANDELINGEN 9.
235
|
37 En Filippus zeide: Indien gij van gansclier liarte gelooft, zoo is 't geoorloofd. En liij antwoordende zeide: Ik geloof dat Jezus Cliristus de Zoon Gods is. 38 En hij gebood den wagen stiltehouden, en zij daalden beiden af in liet water, zoo Eilippus als de kamerling, en hij doopte hem. 39 En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Eilippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijnen weg met blijdschap. 40 Maar Eilippus werd gevonden te Azótus; en H land doorgaande, verkondigde hij liet evangelie in alle steden, totdat hij te Cesaréa kwam. HOOFDSTUK 9. h. 22: 3-1g; 1 En Saulus blazende nog ~ dreiging en moord tegen de i dor.lü';9;discipelen des Heeren, ging 'a '1' tot den hoogepriester, 2 en begeerde brieven van hem naar Damascus aan de synagogen . opdat zoo hij eeni-gen die van dien weg waren vond, hij dezelve, beide mannen en vrouwen, zoude gebonden brengen naar Jeruzalem. 3 En als hij reisde is 't geschied dat hij nabij Damascus kwam, en liem omscheen snellijk een licht van den hemel; 4 en ter aarde gevallen zijnde, boorde hij een stem die tot hem zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ? |
5 En hij zeide: Wie zijt gij Heer? En de Heer zeide: Ik ben Jezus dien gij ver-1 Cor. 15:8; volgt: het is u hard de ver- quot;quot;1 zenen tegen de prikkels te slaan. 6 En hij bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heer, wat wilt gij dat ik doen zal? En de Heer zeide tot hem: Sta op en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden wat gij doen moet. 7 En de mannen die met hem overweg reisden stonden verbaasd, hoorende wel de stem maar niemand ziende. 8 En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijne oogen opendeed, zag hij niemand ; en zij bem bij de hand leidende, bragten bem te Damascus. 9 En hij was drie dagen dat hij niet zag, en niet at noch dronk. 10 En er was een zeker discipel te Damascus, met name Ananias; en de Heer zeide tot hem in een gezigt: Ananias! En hij zeide: Zie Jner hen ik, Heer. 11 En de Heer zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat genaamd de Eegte, en vraag in het huis van Judas naar eenen met name Saulus van Tarsus; want zie, hij bidt, 13 en hij heeft in een gezigt gezien, dat een man met name Ananias inkwam en hem de hand opleide, opdat hij wederom ziende wierd. |
336
HANDELINGEN 9.
13 En Ananias antwoordde: Heer, ik lieb uit velen ge-lioord van dezen man, lioe-veel kwaad lüj uwen heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;
14: en hij heeft hier magt van de overpriesters, om te binden allen die uwen naam aanroepen.
15 Maar de Heer zeide tot hem: Ga henen, want deze is mij een uitverkoren vat, om mijnen naam te dragen voor de heidenen en de koningen en de kinderen Israels ;
: 16 want ik zal hem toonen hoeveel hij lijden moet om mijnen naam.
17 En Ananias ging henen en kwam in het huis, en de handen op hem leggende, zeide hij: Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, namelijk Jezus die u verschenen is op den weg dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.
18 En terstond vielen af van zijne oogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende, en stond op, en werd gedoopt;
19 en als hij spijs genomen had, werd hij versterkt.
H. 13:2; 22:21; Gal. 1:16
2 Cor. 11 23-27.
2 Cor. 11; 32, 33.
H. 22:17; Gal. 1:18-
En Saulus was sommige dagen bij de discipelen die te Damascus waren;
20 en hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat hij de Zoon Gods is.
21 En zij ontzetteden zich allen die het hoorden, en
zeiden: Is deze niet de-geen die te Jeruzalem verstoorde wie dezen naam aanriepen , en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zoude brengen tot de overpriesters?
22 Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden die te Damascus woonden, bewijzende dat deze de Christus is.
23 En als vele dagen ver-loopen waren, zoo hielden de Joden tezamen raad om hem te dooden;
34 maar hunne lage werd Saulus bekend. En zij bewaarden de poorten, heide des daags en des nachts, opdat zij hem dooden mogten;
25 doch de discipelen namen hem des nachts en lieten hem, neder door den muur, hem aflatende in een mand.
36 Saulus nu te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelooveude dat hij een discipel was.
37 Maar Barnabas hem tot zich nemende, leidde lieu tot de apostelen, en verhaalde hun hoe hij op den weg den Heer gezien had, en dat hij tot hem gesproken had, en hoe hij te Damascus vrijmoedig gesproken had in den naam van Jezus.
38 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeru-
| zalem;
39 en vrijmoedig sprekende in den naam des Heeren Je-
HANDELINGEN 10.
337
|
zus, sprak liij ook en handelde tegen de Grieksclie Joden; maar deze trachtten hem te dooden. 30 Docli de broeders dit verstaande, geleidden liem tot Cesaréa, en zonden liem af naar Tarsus. 31 De gemeenten dan door geheel Judéa en Galilea en Samarië hadden vrede, er. werden gesticht; en wandelende in de vreeze des Hee-ren en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden zij vermenigvuldigd. 33 En het geschiedde als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen die te Lydda woonden. 33 En aldaar vond hij een zeker mensch met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was. 34 En Petrus zeide tot iK-3:6. hem: Eneas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het hed. En hij stond terstond op; 35 en zij zagen hem allen die te Lydda en Sarona woonden , dewelke zich bekeerden tot den Heer. 36 En te Joppe was een zekere discipelin met name ïabitha, hetwelk overgezet zijnde is gezegd Dorcas: deze was vol van goede werken en aalmoezen die zij deed. 37 En het geschiedde in die dagen dat zij krank werd en stierf; en als zij ze gewas-schen hadden, leiden zij haar in de opperzaal. |
88 En alzoo Lydda nabij Joppe was, de discipelen hoorende dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende dat hij niet zoude vertoeven tothenover-tekomen. 39 En Petrus stond op en ging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden ; en al de weduwen stonden bij hem, weenende en toonende de rokken en kleederen, die Dorcas gemaakt had als zij bij haar was. 40 Maar Petrus hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad; en zich keerende tot het ligchaam zeide hij: Tabitha, sta op. En zij deed hare oogen open, en Petrus gezien hebbende zat zij overeind; 41 en hij gaf haar de hand en rigtte ze op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij ze levend vóór hen. 43 En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in den Heer. 43 En het geschiedde dat hij vele dagen te Joppe bleef bij een zekeren Simon, een lederbereider. HOOFDSTUK 10. 1 En er was een zeker man te Cesaréa met name Cornelius , een hoofdman over honderd, uit do bende genaamd de Italiaansche, 3 godzalig, en vreezende God met geheel zijn huis, |
HANDELINGEN 10
en doende vele aalmoezen aan liet volk, en God gedurig biddende.
3 Deze zag in een gezigt klaarlijk omtrent de negende ure des daags een engel Gods tot liem inkomen, en tot liem zeggende: Cornelius!
4 En liij de oogen op liem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is 't Heer? En bij zeide tot bem: Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.
5 En nu zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon die toegenaamd wordt Petrus.
G quot;deze ligt tehuis bij eeuen Simon, een lederbereider, die zijn huis heeft bij de zee-, deze zal u zeggen wat gij doen moet.
7 En als de engel die tot Cornelius sprak weggegaan was, riep hij twee van zijne dienstknechten, en een godzaligen krijgsknecht van degenen die voortdurend bij hem waren;
8 en als hij hun alles verhaald had, zond hij ze naar Joppe.
9 En des anderen daags, terwijl deze reisden en nabij de stad kwamen, klom Petrus op 't dak om te bidden, omtrent de zesde ure.
10 En hij werd hongerig en begeerde te eten; en terwijl zij het bereidden, over-
H. 11:5 vv. viel bem een vertrekking-van zinnen,
11 en hij zag den hemel geopend, en een zeker vat
2S8
tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier boeken gebonden, en nedergelaten op de aarde, 12 in hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.
. 13 En er geschiedde een stem tot hem : Sta op Petrus, slagt en eet.
li Maar Petrus zeide; Geenszins Heer, want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of
onrein was.
13 En een stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: 't Geen God gereinigd heeft zult gij niet gemeen maken.
16 En dit geschiedde tot driemaal; en liet vat werd wederom opgenomen in den hemel.
17 En als Petrus bij zich-zelven twijfelde wat toch het o-ezigt mogt zijn dat bij gezien had, zie, de mannen die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort;
18 en iemand geroepen hebbende vraagden zij, of Simon toegenaamd Petrus daar te-
huislag.
19 En als Petrus over dat o-ezigt nadacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen
zoeken u:
20 daarom sta op, gaat, en reis met hen, niet twijfelende; want ik heb hen gezonden.
Vs. 30-32.
H. 9; 43.
HANDELINGEN 10.
239
|
21 En Petras ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zei-de: Zie, ik ben 't dien gij gij zoekt; wat is de oorzaak waarom gij Her zijt? 23 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een regtvaardig man, en vreezende God, en die yoede getuigenis heeft van het gansohe volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van een heiligen engel, dat hij u zoude ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zalvj-heid zoude booren. 23 Als hij ze dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Doch des anderen daags ging Petrus met hen henen, en sommigen der broederen die van Joppe waren gingen met hem. 24! En des anderen daags kwamen zij te Cesaréa; en Cornelius verwachtte hen, tezamengeroepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden. 23 En als 't geschiedde dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijne voeten aanbad hij. 26 Maar Petrus rigtte hem H. 14: is, op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mensch. 27 En met hem sprekende ging hij in, en vond er velen die tezamengekomen waren; 28 en hij zeide tot hen: Gij weet hoe het een Joodschen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een |
vreemde; doch God heeft mij getoond dat ik geen Vs. 15. mensch zoude gemeen of onrein heeten: 29 daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zoo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden ? 30 En Cornelius zeide: Sedert vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter negende ure bad ik in mijn huis; 31 en zie, een man stond vóór mij in een blinkend kleed, en zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord en uwe aalmoezen zijn voor God gedacht geworden. 32 Zend dan naar Joppe en ontbied Simon die toege-naamd wordt Petrus: deze ligt tehuis in het huis van Simon den lederbereider aan de zee, welke hier gekomen zijnde tot u spreken zal. 33 Zoo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt wèl gedaan dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te hooren al hetgeen u van God bevolen is. 34- EnPetrus den mond opendoende zeide: Ik verneem in waarheid dat God geen aan-Rom. 2:11 i ⢠1 Pet i ⢠n nemer des persoons is; . 35 maar in allen volke is wie hem vreest en geregtig-heid werkt hem aangenaam. 36 Bit is het woord dat hij gezonden heeft den kindereu Israels, verkondigende vrede Ef. 2:17. f |
240
door Jezus Christus: deze is een Heer van allen.
37 Gijlieden weet de zaak die gescliied is door gelieel
Lc. 23:5, Judóa, beginnende van Gali-léa, na den doop welken Joliannes gepredikt heeft,
38 aangaande Jezus van Nazareth , hoe hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; welke het land doorgegaan is goeddoende, en genezende allen die van den duivel overweldigd waren; want God was met hem.
h. 2:32. 39 En wij zijn getuigen van al hetgeen hij gedaan heeft, beide in het Joodsche land en te Jeruzalem; welken zij gedood hebben, hem hangende aan een kout.
40 Dezen heeft God opge-wekt ten derden dage, en â gegeven dat hij openbaar i zoude worden,
41 niet al den volke, maar H, 1:3. den getuigen die van God
tevoren verkoren waren, ons Lc. 24:41-43. namelijk die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de dooden opgestaan was;
43 en hij heeft ons geboden den volke te prediken en te H. 17:31. betuigen, dat hij is degeen die van God verordineerd is tot een Eegter van levenden en dooden.
43 Dezen geven al de profeten getuigenis, dat een iegelijk die in liem gelooft vergeving
Lc.24:47. der zonden ontvangen zal door zijnen naam.
44 Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Hei-
HANDELINGEN 11.
lige Geest op allen die het w7oord hoorden.
45 En de geloovigen die uit de besnijdenis waren, zoo-velen als er met Petrus waren gekomen, ontzetteden zich dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd;
46 want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God grootmaken. Toen antwoordde Petrus:
47 Ivan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij?
48 En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den naam des Heeren. Toen baden zij hem dat hij eenige dagen bij hen wilde blijven.
H. 8:36.
H. 2:4.
HOOFDSTUK 11.
1 De apostelen nu en de broeders die in Judéa waren hebben geboord, dat ook de heidenen het woord Gods aangenomen hadden.
2 En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen die uit de besnijdenis waren,
3 zeggende: Gij zijt ingegaan h. 10:28. tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten.
4 Maar Petrus beginnende verhaalde het kun vervolgens,
zeggende:
5 Ik was in de stad Joppen. 10:9 vv. biddende, en zag in een vertrekking van zinnen een ge-zigt, namelijk een zeker vat,
HANDELINGEN 11.
241
|
gelijk een groot linnen laken, nederdalende, bij de vier lioe-ken nedergelaten uit den hemel, en liet kwam tot bij mij; 6 op welk lahen als ik de oogen Weid, zoo merkte ik en zag de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des liemels. 7 En ik boorde eene stem die tot mij zeide : Sta op Petrus, slagt en eet. 8 Maar ik zeide: Geenszins Heer, want nooit is iets dat gemeen of onrein was in mijnen mond ingegaan. 9 Docli de stem antwoordde mij ten tweeden male uit den hemel: Hetgeen God gereinigd heeft zult gij niet gemeen maken. 10 En dit geschiedde tot driemaal; en alles werd wederom opgetrokken in den liemel. 11 En zie, terzelfder ston-h. 10:7. den er drie mannen voor het liuis waar ik in was, die van Cesaréa tot mij afgezonden waren. h. 10:19,20. 12 En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan zoude, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in des mans huis ingegaan; iyj-S, 13 ell inj lieeft ons verhaald hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond en tot hem zeide: Zend mannen naar .Toppe, en ontbied Simon die toegenaamd is Petrus, 14 die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult |
zalig worden, en geheel uw huis. 15 En als ik begon te spre-H. 10:44-4amp;, ken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin. 16 En ik werd gedachtig aan het woord des Heeren, hoe hij zeide: Johannes doopte wel h. i : 5. met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest. 17 Indien dan God hun evengelijke gave gegeven heeft als ook ons die in den Heer Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch die God kon weren? 18 En als zij dit hoorden waren zij tevreden en verheerlijkten God, zeggende: Zoo heeft dan God ook den heidenen de bekeering gegeven ten leven. 19 Degenen nu die ver- H. 8:1,4. strooid waren door de verdrukking die om Stefanus geschied was, gingen land door tot Eenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het woord sprekende dan alleen tot de Joden. 20 En er waren eenige Cyprische en Cyreneïsche mannen uit hen, welke te Antiochië gekomen zijnde, spraken tot de Griekschen, verkondigende den Heer Jezus. 21 En de hand des Heeren was met hen, en een groot getal geloofde en bekeerde zich tot den Heer. 22 En het gerucht van hen kwam tot de ooren der gemeente die te Jeruzalem was, |
16
HANDELINGEN 13.
242
|
en zij zonden Barnabas nit, dat hij land doorging tot Antiochië toe: 23 dewelke daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, verblijd werd, ea ze allen vermaande, dat zij met een voornemen des harten bij den Heer zouden blijven; h. 4:36. 24 want hij was een goed man, en vol desHeiligen Grees-tes en des geloofs. En er werd een groote schare den Heere toegevoegd. 25 En Barnabas ging uit H. 9:30. naar Tarsus om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bragt hij hem te Antiochië. 26 En het is geschied dat zij een geheel jaar tezamen vergaderden in de gemeente, en een groote schare leerden, en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genaamd werden. 27 En in die dagen kwamen eeuvje profeten af van Jeruzalem te Antiochië; 28 en één uit hen met name h. 21:10. Agabus stond op, en gaf te kennen door den Geest, dat er een groote hongersnood zoude wezen over degeheele wereld; dewelke ook gekomen is onder den keizer Claudius. 29 En naardat een iegelijk der discipelen vermogt, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste der broederen die inJudéa woonden: 30 hetwelk zij ook deden, H. 12:25. en zonden 't tot de ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus. |
HOOFDSTUK 12. 1 En omtrent dien tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de gemeente, om die kwalijk te behandelen. 3 En hij doodde Jacobus den broeder van Johannes met het zwaard; 3 en toen hij zag dat het den Joden behagelijk was, voer hij voort ook Petrus te vangen; (en het waren de dagen der ongezuurde hroo-deti); 4 denwelken hij ook gegrepen hebbende, in de gevangenis zette, en gaf Jiem Jh. 21:18, over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaren, willende na het paasch/eftrf hem voorbrengen voor het volk. 5 Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan. 6 ïoen hem nu Horodes zoude voorbrengen, sliep Petrus dien nacht tusschen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis. 7 En zie, een engel des h. 5;ia Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus wekte hij hem op, zeggende: Sta haastig op. En zijne ketenen vielen af van de handen. 8 En de engel zeide tot |
HANDELINGENquot; 13.
243
|
liem; Omgord u en bind uwe schoenzolen alt;in. En hij deed alzoo. En hij zeide tot hem: Werp uwen mantel om en volg mij. 9 En uitgaande volgde hij hem, en wist niet dat het waarachtig was 't geen door den engel geschiedde, maar hij meende dat hij een ge-zigt zag. 10 En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort die naar de stad leidt, dewelke vanzelf hun geopend werd; en uitgegaan zijnde gingen zij ééne straat voort en terstond scheidde de engel van hem. 11 En Petrus tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarlijk dat de Heer zijuen engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes en uit al de verwachting van het volk der Joden. 12 En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes die toege-naamd was Marcus, alwaar velen tezamenvergaderd en | biddende waren. 13 En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte , kwam een dienstmaagd | vóór om te luisteren, met name Eliode; I 14 en zij de stem van Petrus bekennende, deed van | blijdschap de voorpoort niet ⢠open, maar liep naarbinnen | en boodschapte dat Petrus i j voor de voorpoort stond. |
15 En zij zeiden tot baar: ; Gij raast. Doch zij bleef er I sterk bij dat het alzoo was. ! Eu zij zeiden: Het is zijn i engel. 16 Maar Petrus bleef kloppen; en als zij opengedaan | hadden, zagen zij hem en j ontzetteden zich. 17 En als hij hun met de j hand gewenkt had dat ze j zwijgen zouden, verhaalde hij hun hoe hem de Heer j uit de gevangenis uitgeleid had, en zeide: Bood-| scbapt dit aan Jacobus en de I broederen. En hij uitgegaan zijnde reisde naar een andere ' plaats. i 18 En als het dag was ge-I worden, was er geen kleine | beroerte onder de krijgsknech-I ten, wat toch aan Petrus mogt ; geschied zijn. 19 En als Herodes hem j gezocht had en niet vond, en de wachters geregtelijk ondervraagd had, gebood hij dat ze weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judéa naar Cesaréa, en hield zich aldaar. 20 En Herodes had in den zin tegen de Tyriërs en Sido-niërs te krijgen; maar zij kwamen eendragtig tot hem, en Blastus, die des konings kamerling was, overreed hebbende, begeerden zij vrede, omdat hun land gespijzigd werd van des konings land. 21 En op een gezetten dag Herodes een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op |
HANDELINGEN 13.
244
|
den regterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot lien; 23 en liet volk riep hem toe : Een stem Gods en niet eens menschen! 23 En van stonde aansloeg liem een engel des Heeren, daarom dat liij Gode de eer niet gaf, en liij werd van de wormen gegeten en gaf den geest. H. 6:7. 24 En liet woord Gods wies en vermenigvuldigde. 25 Barnabas nu en Sanlus H, 11; 30. keerden weder van Jeruzalem, als zij den dienst volbragt liad-den, medegenomen hebbende ook Joliannes die toegenaamd werd Marcus. HOOFDSTUK 13. 1 En er waren te Antiochië, in de gemeente die daar was, eenige profeten en leeraars, namelijk Barnabas, en Simeon genaamd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manalien die met Herodes den viervorst opgevoed was, en Saulus. 2 En als zij den Heer dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert mij af H g. ^ beide Barnabas en Saulus tot het werk waartoe ik ze geroepen lieb. 3 Toen vastten en baden H. 6:6. zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij ze gaan. 4 Deze dan uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af naar Seleuoië, en vandaar voeren zij af naar Cyprus; |
5 en gekomen zijnde te Sa-lamis, verkondigden zij het woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar. h. 12: 6 En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij een zekeren too-venaar,een valschen profeet, H. 8:9 een Jood wiens naam was Barjezus, . 7 welke was bij den stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het woord Gods te hooren; 8 maar Elymas de toove-naar (want alzoo wordt zijn naam overgezet) wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof aftekeeren. 9 Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is) vervuld met den Heiligen Geest, en de oogen op hem houdende, zeide: 10 O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en van alle arglistigheid, vijand van alle geregtighcid, zult gij niet ophouden te verkeeren de regte wegen des Heeren? 11 En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn en de zon niet zien voor een tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis, en rondom gaande zocht hij die Jiem met de hand mogten leiden. 12 Als de stadhouder zag 't geen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren. |
HANDELINGEN 13.
245
|
13 En Paulus en die met liem wnren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Per-ge, een stad in Pamfylië; maar H. 15:38. Joliannes van ten scheidende keerde weder naar Jeruzalem. 14 En zij van Perge 7 land doorgaande, kwamen te An-tiocMë, een stad in Pisidië; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder. 15 En na liet lezen der wet en der profeten zonden de oversten der synagoge tot lien, zeggende: Mannen broeders, indien er eeniy woord van vertroosting tot liet volk in u is, zoo spreekt. 16 En Paulns stond op en wenkte met de liand, en zei-de: Gij Israelitiselie mannen en gij die God vreest, lioort toe. 17 De God van dit volk Israel lieeft onze vaderen uitverkoren, en liet volk verhoogd als zij vreemdelingen waren in 't land van Egypte, en heeft ze met een hoogen arm daaruit geleid; Dt. 18 en heeft omtrent den tijd van veertig jaren hunne zeden verdragen in de woestijn; Dt. 7:i. 19 en zeven volkeren uitgeroeid hebbende in het land Kanailn, heeft hij hun door het lot het land derzelve uitgedeeld; 20 en daarna, omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf hij hm rigters, tot op Samuel den profeet. |
21 En van toen aan begeerden zij een koning, en God gaf hun Saul den zoon van Kis, een man uit den stam Benjamin, veertig jaren; 23 en dezen afgezet hebbende, verwekte hij hun David tot een koning; denwelkehij ps. 89:21. ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden David den zoon van Isai, een man naar mijn hart, die al mijnen wil zal doen. 23 Yan het zaad van dezen heeft God Israel, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus, 24 als Johannes eerst al den volke Israels vóór zijne aankomst gepredikt had den doop Lc. 3:3. der bekeering. 25 Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wie meent gijlieden dat ik ben? Ik ben de Christus niet; maar jh. 1 ;20,27. zie, hij komt na mij, wien ik niet waardig ben de schoenen zijner voeten te ontbinden. 26 Mannen broeders, kinderen van 't geslacht Abrahams, en wie onder u God vreezen, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden. 27 Want die te Jeruzalem wonen , en hunne oversten, dezen niet kennende, hebben ook h. 3:17, 18. de stemmen der profeten, die op eiken sabbafafey gelezen worden, hem veroordeelende, vervuld; 28 en geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pi- Lc.23:23. latus begeerd dat hij zoude gedood worden; 29 en als zij alles volbragt hadden wat van hem geschre- |
HANDELINGEN 13.
346
|
Lc. 23:53. ven was, namen zij hem af van het kout en leiden hem in het graf. 30 Maar God heeft hein uit de dooden opgewekt; 31 welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen die met liem opgekomen waren van Galiléa naar Jeruzalem, die zijne getuigen zijn bij het volk. 33 En wij verkondigen u de belofte die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons hunne kinderen, als hij Jezus verwekt heeft: 33 gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd. 34 En dat liij hem uit de dooden heeft opgewekt, alzoo dat hij niet meer zal tot verderving keeren, heeft kij Jes. 55:3. aldus gezegd: Ik zal ulie-den de weldadigheden Davids geven, die getrouw zij n: 35 waarom hij ook in een Ps. 16:10. anderenjwtó»zegt: Gij zult uwen Heilige niet overgeven om verderving te zien. h.2:29-31. 36 Want David, als hij in zijnen tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijne vaderen gelegd, en heeft wèl verderving gezien; 37 maar hij, dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien. 38 Zoo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door H. 1:3. Ps. 2:7; Heb. 1:5. |
dezen u vergeving der zonden h. io : 43. verkondigd wordt; 39 en dat van alles, waarvan gij niet kondt geregtvaar- digd worden door de wet ^ van Mozes, door dezen een iegelijk die gelooft geregt-vaardigd wordt. 40 Ziet dan toe dat over ulieden niet kome 't geen gezegd is in de profeten: 41 Ziet, gij verachters, Hab. 1:5. en verwondert u, en ve r d wij n t; want ik werk een werk in uwe | dagen, een werk 'twelk ; gij niet zult gelooven zoo het u iemand verhaalt. 43 En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen dat tegen den naasten sabbat kun die woorden zouden gesproken worden. 43 En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodegenooten Pau-lus en Barnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods. 44 Eu op den volgenden sabbat kwam bijna de geheele stad tezamen om het woord Gods te hooren. 45 Doch de Joden de scharen ziende werden met nijdigheid vervuld, en weder-spraken hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende. 46 Maar Paulus en Barnabas vrijmoedigheid gebruikende zeiden: Het was noodig dat Mt. 10; 6. |
HANDELINGENquot; 14.
247
|
eerst tot u liet woord Gods gesproken zoude worden; docli h. 18:6; naardemaal gij hetzelve ver-Mt. 21.43. s^00j.; en uzeive (Jeg eeuwigen levens niet waardig oordeelt, zie, wij keeren ons tot de heidenen. 47 Want alzoo lieeft ons Je Heer geboden, zerjgen- jes. 49:6. de: Ik kei) u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde. 48 Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het woord des Heeren, en er geloofden zoovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven; 49 en het woord des Heeren werd door het geheele land uitgebreid. 50 Maar de Joden maakten de godsdienstige en aanzienlijke vrouwen en de voor-naamsten van de stad op, en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen ze uit hunne landpalen. Lc. 9:5. 51 Doch zij schuddeden het stof van hunne voeten af tegen dezelve, en kwamen te Ico-nium; 52 en de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest. HOOFDSTUK 14. 1 En het geschiedde te Ico-nium, dat zij tezamen gingen in de synagoge der Joden,en alzoó spraken, dateengroote |
menigte beide van Joden en Grieken geloofde. 2 Maar de Joden die ongehoorzaam waren ontstaken en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders. 3 Zij verkeerden dan aldaar een langen tijd, vrijmoedig sprekende in den Heer, die getuigenis gaf aan het woord 0.. 0 ? PT,, Heb. 2:4. zijner genade, en gat dat teekenen en wonderen geschiedden door hunne handen. 4 En de menigte der stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de apostelen. 5 En als er een oploop geschiedde beide van heidenen en van Joden, met hunne oversten, om hun smaadheid aantedoen en hen te steeni-gen, 6 zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlugt naar de steden van Lycaonië, namelijk Lystra en Derbe, en het omliggende land, 7 en verkondigden aldaar het evangelie. 8 En een zeker man te Lys- H. 3:2-8. tra zat onmagtig aan de voeten, kreupel zijnde van den moederschoot af, die nooit had gewandeld. 9 Deze hoorde Paulus spreken; welke de oogen op hem houdende, en ziende dat hij geloof had om gezond te worden, 10 zeide met groote stem: Sta regt op uwe voeten. En hij sprong op en wandelde. 11 En de scharen ziende 't geen Paulus gedaan had. |
HANDELINGEN 14.
248
|
verhieven hunne stemmen en zeiden in 't Lycaoniscli: De H. 28 :6. goden zijn den menschen gelijk geworden en tot ons nedergekomen; 13 en zij noemden Barnabas Jupiter, en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde. 13 En de priester van Jupiter die vóór huune stad was, als hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebragt had, wilde hij offeren met de scharen. 14 Maar de apostelen Barnabas en Paulus dat hooren-de, scheurden hunne kleederen en sprongen onder de schare, roepende 15 en zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? h. 10:26. Wij zijn óók menschen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ij dele dingen bekeeren tot den levenden God, die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en al 't geen in dezelve is: 16 welke in de verledene tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hunne wegen; h. 17:27; 17 hoewel hij nogtans zich-Rom.l;l9.20. zeiyen jjjg); onbetuigd gelaten heeft, goeddoende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid. 18 En dit zeggende wederhielden zij naauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden. |
19 Maar daarover kwamen Joden van Antiochië en Ico-nium, en overreedden de scharen, en steenigden Pau-2Cor.ii:25. lus, en sleepten hem buiten de stad, meenende dat hij dood was. 20 Doch als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op en kwam in de stad. En des anderen daags ging hij met Barnabas uit naar Derbe. 21 En als zij aan die stad het evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystra en Iconium en Antiochië, 23 versterkende de zielen der discipelen, en vermanende dat ze zouden blijven '^g11,^23' in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koningrijk Gods. 23 En als zij hun in elke gemeente met opsteken der handen ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij ze den Heer in welken zij geloofd hadden. 34 En Pisidië doorgereisd hebbende kwamen zij in Pam-fylië; 25 en als zij te Perge het woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attalië; 26 en vandaar voeren zij af naar Antiochië, vanwaar zij h. 13:1-3. der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk dat zij volbragt hadden. 27 En daar gekomen zijn- |
HANDELINGEN 15.
249
|
de, en de gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij wat groote dingen God met hen gedaan had, en dat 16:9. hij den heidenen de deur des geloofs geopend had. 38 En zij verkeerden aldaar geen kleinen tijd met de discipelen. HOOFDSTUK 15. 1 En sommigen die afgekomen waren van Judea leerden de broederen, zeyyende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze vanMo-zes, zoo kunt gij niet zalig worden. 3 Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde van Paulus en Barnabas tegen hen, zoo heb-2:1. ben zij geordineerd dat Paulus en Barnabas en eenige anderen \iit hen zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, wegens deze vraag. 3 Zij dan van de gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Feniciö en Samarië, verhalende de bekeering der heidenen, en deden al den broederen groote blijdschap aan. 4 En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de gemeente en de apostelen en de ouderlingen ; en zij verkondigden wat groote dingen God met hen gedaan had. 5 Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der farizeërs, |
die geloovig zijn geworden, zeggende dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. 6 En de apostelen en de ouderlingen vergaderden tezamen om op deze zaak te letten. 7 En als daarover groote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet dat God sedert langen tijdn. I0:9vv. onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijnen mond het woord des evangelies zouden hooren en geloo-ven. 8 En God de kenner der harten heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest gelijk als h. 10:44,45. ook ons, 9 en heeft geen onderscheid gemaakt tusschen ons en hen, gereinigd hebbende hunne harten door het geloof. 10 Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals Vs. 28; der discipelen te leggen, 't welk noch onze vaderen noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar wij 'gelooven door de genade des Heeren Jezus Christus zalig te worden op zulke wijze als ook zij. 13 En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen, wat groote teekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. 13 En nadat deze zwegen, antwoordde Jacobus, zeggen- Gal. 1; 19; 2 ⢠9 de: Mannen broeders, hoort mij. |
HANDELINGEN 15.
250
|
14 Simeon lieeft verhaald lioe Grod eerst de lieidenen lieeft Lezoolit, om uit hen een volk aantenemen voor zijnen naam. 15 En hiermede stemmen overéén de woorden der pro- | feten, gelijk geschreven is: Amos 9: 16 Nadezen zal ik we-| quot; derkeeren enwederop-l bouwen den taberna-j kei Davids die verval- j len is, en 't geen daarvan verbroken is we-deropbouwen, en ik zal denzelven wederoprig-ten, 17 opdat de overblijvende mensohen den Heer zoeken, en al de heidenen over welke mijn naam aangeroepen is, spreekt de Heer die dit alles doet. IS Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend. 19 Daarom oordeel ïk, dat men degenen die uit de heidenen zich tot God bekeeren niet beroere, 20 maar hen zal aanschrijven, dat zij zich onthouden 1 Cor. 10; van de dingen die door de 19'21quot; afgoden besmet zijn, en van 1 Th. 4:8. hoererij, en van het verstikte, Gen. 9:4. en van bloed. 21 Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad die hem prediken, en hij wordt op eiken sabbat in de synagogen gelezen. 22 Toen heeft het den apostelen en den ouderlingen met de geheele gemeente goedge-docht, eenii/e mannen uit zich |
te verkiezen en met l'anlus en Barnabas te zenden naar Antiochië, namelijk Judas die toegenaamd wordt Barsabas, en Silas, mannen die voorgangers waren onder de broeders; 33 en zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen en de ouderlingen en de broeders toenschen den broederen uit de heidenen, die in Antiochië en Syrië en Cilicië zijn, zaligheid. 34 Naardemaal wij gehoord hebben dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben, en uwe zielen wankelend gemaakt, zeggende dat gij moet Vs. 1. besneden worden en de wet onderhouden, welken wij dat niet bevolen hadden, 25 zoo heeft het ons een-dragtig tezamen zijnde goed-gedocht, eenige mannen te verkiezen en tot u te zenden met onze geliefden Barnabas en Paulus, 26 menschen die hunne zie- 13^50; len overgegeven hebben voor den naam onzesHeeren Jezus Christus. 27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die óók met den mond hetzelfde zullen verkondigen. 28 Want het heeft den Heiligen Geest en ons goedge-docht, ulieden geen meerderen last opteleggen dau deze noodzakelijke dingen: 29 namelijk dat gij u ont- vs. 20. houdt van 't geen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van |
HANDELINGEN 16.
251
|
hoererij; van welke dingen indien gij uzelve wacht, zoo ; zult gij wel doen. Taartwei. 30 Deze dan liun afsclieid ontvansren hebbende, kwamen ; te Antiochië; en de menigte ! vergaderd hebbende, gaven zij den brief over. 31 En zij dien gelezen heb- : bende verblijdden zich over de vertroosting. 33 Judas nu en Silas, die ook zelve profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten ze. 33 En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders wederom gaan met vrede, tot de apostelen. 84 Maar hetdocht Silas goed aldaar te blijven. 35 En Panlus en Barnabas onthielden zich te Antiochië, leerende en verkondigende met nog vele anderen het woord des Heeren. 36 En na eenige dagen zei-de Paulus tot Barnabas: Laat ons nu wederkeeren, en bezoeken onze broeders in elke stad in welke wij het woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het hebben. 37 En Barnabas ried dat zij Johannes die genaamd is Marcus zouden medenemen; 38 maar Paulus achtte billijk dat men dien niet zoude mede-nemen, die van Pamfylië af H. 13:13. van hen was afgeweken , en met hen niet was gegaan tot het werk. 39 Er ontstond dan een verbittering, alzoo dat zij van elkander gescheiden zijn, en |
dat Barnabas Marcus mede-nam en naar Cyprus afvoer. 40 Maar Paulus verkoos Si-las , eu reisde henen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde; 41 en hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de gemeenten. HOOFDSTUK 16. 1 En hij kwam te Derbe en Lystra. En zie, aldaar was een zeker discipel met name ïimotheüs, zoon van eene ge-1 cor. 4:17; loovige Joodsche vrouw, maar 2 .. van een Griekschen vader; 2 welken goede getuigenis gegeven werd van de broederen te Lystra en Iconium. 3 Deze wilde Panlus dat met hem zoude reizen; en hij nam en besneed hem, om der Jo- 1 Cor. 9:20. den wil die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijnen vader dat hij een Griek was. 4 En als zij de steden doorreisden, gaven zij hun de ordonnantiën over, die van de H. 15:23-29. apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goedgevonden waren, om die te onderhouden. 5 De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal. 6 En als zij Erygië en het Gal. 4:13. land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het woord in Azië te spreken; 7 en aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithy- |
HANDELINGEN 16.
353
|
nië te reizen, en de Geest liet liet hun niet toe; 8 enzij Mysië voorbijgereisd zijnde, kwamen af naar ïroas. 9 En van Paulus werd in den naclit een gezigt gezien: er was een Maoedoniscli man staande, die lieni bad en zei-de: Kom over in Macedonië en lielp ons. 10 Als liij nu dit gezigt gezien liad, zoo zochten wij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heer geroepen had om denzelven het evangelie te verkondigen. 11 Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij regt naar Samothrace, en den volgenden dag naar Neapolis; 13 en vandaar naar Eilippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië, een kolonie; en wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen. 13 En op den dag des sab-bats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed plagt te geschieden, en neder-gezeten zijnde spraken wij tot de vrouwen die tezamengeko-men waren. 14 En een zekere vrouw met name Lydia, een purperverkoopster van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heer heeft geopend, dat zij achtnam op hetgeen van Paulus gesproken werd. 15 En als zij gedoopt was en haar huis, bad zij ons, zeggende: Indien gij hebt geoordeeld dat ik den Heer |
getrouw ben, zoo komt in mijn huis en blijft er; en zij dwong ons. 16 En het geschiedde als wij tot het gebed henengingen, dat een zekere dienstmaagd, hebbende een waarzeggenden geest, ons ontmoette, welke haren heeren groot gewin toebragt met waarzeggen. 17 Deze volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze menschen zijn Mc. 3:11. dienstknechten Gods des Al-lerlioogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen. 18 En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus daarover ontevreden zijnde, keerde zich om en zeide tot den geest: Ik gebied u in den naam van Jezus Christus dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit terzelfder ure. 19 Als nu de heeren van dezelve zagen dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas en trokken ze naar de markt voor de oversten; 30 en als zij ze tot de hoofdmannen gebragt hadden, zeiden zij: Deze menschen be- H.17;3; roeren onze stad, daar zij 21'quot;' Joden zijn; 21 en zij verkondigen zeden die het ons niet geoorloofd is aantenemen of te doen, alzoo wij Eomeinen zijn. 33 En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen hun de kleede-ren afgescheurd hebbende, bevalen ze te geeselen; 2Cor.ii:25; .. 1 Th- 2; 2. 33 en als zij hun vele slagen |
HANDELINGENquot; 17.
353
|
gegeven liadden, wierpen zij ze in de gevangenis, en gelio-den den stokbewaarder daUdj ze zekerlijk bewaren zoude: 24 dewelke zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp lien in den binnensten kerker en verzekerde hunne voeten in den stok. 35 En omtrent middernacbt baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen, en de gevangenen hoorden naar hen. 36 En er geschiedde snellijk een groote aardbeving, alzoo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden; en ter- H 5 â go'- stond werden al de deuren 12:7. geopend, en de banden van allen werden los. 37 En de stokbewaarder wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard en zoude zichzelven omgebragt hebben, raeenende dat de gevangenen ontvloden waren. 38 Maar Paulus riep met groote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad, want wij zijn allen hier. 39 En als liij licht geëisclit had , sprong hij naarbinnen, en werd zeer bevende en viel neder aan de voeten van Paulus en Silas; 30 en hen buiten gebragt hebbende, zeide hij: Lieve heeren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde? Jh. 3:16. 31 En zij zeiden: Geloof in den Heer Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. |
33 En zij spraken tot hem het woord des Heeren, en tot allen die in zijn buis waren. 33 En hij nam hen tot zicli in die ure des nachts, en wlesch hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen; 34 en hij bragt ze in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zicli dat hij met al zijn huis aan God geloovig geworden was. 35 En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die menschen los. 36 En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden dat gij zoudt losgelaten worden: gaat dan nu uit en reist henen in vrede. 37 Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons die Eo- h. 22; 25. meinen zijn on veroordeeld in 't openbaar gegeeseld en in de gevangenis geworpen , en werpen ze ons nu heimelijk daaruit? Niet alzoo; maar dat ze zelve komen en ons uitleiden. 38 En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom den hoofdmannen; en zij werden bevreesd, hoorende dat zij Eomeinen waren; 39 en zij komende baden hen, en als zij ze uitgeleid hadden, begeerden zij dat ze uit de stad gaan zouden. 40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in |
|
254 Vs. 14. bij Lydia; en de broeders gezien hebbende, vertroostten zij dezelve, en gingen uit de stad. HOOFDSTUK 17. 1 En door Anifipolis en Apol-lonia hunnen weg genomen hebbende, kwamen zij te Thes-salonica, alwaar een synagoge der Joden was. 3 En Panlus, gelijk Hj geil. 13 :itó. woon was, ging tot ben in, en drie sabbaten lang handelde Mj met lien uit de Schriften, 3 dezelve openende, en voor Lc. 24:26,46. ooyeu stellende dat de Christus moest lijden en opstaan uit de dooden, en dat deze Jezus is de Christus, dien ik, zeide hij, ulieden verkondig. 4 En sommigen uit hen geloofden en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een groote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige. lTh.2:15,16. 5 Maar de Joden die ongehoorzaam waren dit benijdende, namen tot zich eenige booze mannen uit de markt-boeven, en maakten dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis Jasons aanvallende, zochten zij ze tot het volk te brengen; 6 en als zij ze niet vonden, trokken zij Jason en eenige broeders voor de oversten der stad, roepende: Deze H. 16:20. die de wereld in beroering |
hebben gebragt, zijn ook hier gekomen, 7 welke Jason in zijn huis genomen heeft; en alle deze doen tegen de geboden des keizers, zeggende dat er een Lc. 23 andere koning is, namelijk Jezus. 8 En zij beroerden de schare en de oversten der stad die dit hoorden; 9 doch als zij van Jason en de anderen voldoening ontvangen hadden, lieten zij ze gaan. 10 En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Beréa; welke daar gekomen zijnde gingen henen naar de synagoge der Joden: 11 en deze waren edeler dan die te ïhessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Jh. 5: Schriften, of deze dingen al- zoo waren. 13 Velen dan uit hen geloofden , en van de Grieksche aanzienlijke vrouwen en van de mannen niet weinige; 13 maar als de Joden van Thessalonica verstonden dat het woord Gods ook te Beréa van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen. 14 Doch de broeders zonden toen van stonde aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timo-theüs bleven aldaar. 15 En die Paulus geleidden bragten hem tot Athene HANDELINGEN 17. |
HANDELINGEN 17.
253
|
toe, en als zij bevel gekregen h. 18; 5. liadden voor Silas en Timo-tlieüs, dat zij op liet spoedigst tot liem zouden komen, vertrokken zij. 16 En terwijl Paulus lien te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende dat de stad zoozeer afgodisch was. 17 Hij handelde dan in de synagoge met de Joden en met degenen die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen die hem voorkwamen. 18 En sommigen van de Epicureïsche en Stoïsche filosofen streden met hem, en sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeggen? maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden, omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde. 19 En zij namen hem en bragten hem op de plaats ye-naamd Areopagus, zeggende: Kunnen wij niet weten welke deze nieuwe leer is waar gij van spreekt? 20 Want gij brengt eenige vreemde dingen voor onze ooren: wij willen dan weten wat toch dit zijn wil. 21 (Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen die zich daar onthielden, besteedden hunnen tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te hooren.) 22 En Paulus staande in 't midden van A.eplaats genaamd Areopagus, zeide: Gij mannen van Athene, ik bemerk dat gij allezins gelijk als gods-dienstiger zijt; |
23 want de stad doorgaande, en aanschouwende uwe heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden op hetwelk een opschrift stond: Den onbekenden God. Dezen dan, dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden. Sé De God die de wereld h. -14:15. gemaakt heeft en alles wat daarin is, deze zijnde een Heer des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met h. 7:48; handen gemaakt, 25 en wordt ook van men-schehanden niet gediend als iets behoevende, alzoo hij zelf allen het leven en den adem en alle dingen geeft; 26 en heeft uit één bloed het gansche geslacht der men-schen gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden tevoren geordineerd, en de bepalingen van hunne woning, 37 opdat zij den Heer zouden zoeken, of zij hem immers tasten en vinden mogten, hoewel hij niet ver is van een iegelijk van ons. 28 Want in hem leven wij, en bewegen wij ons, en zijn wij, gelijk ook eenigen van uwe poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook zijn geslacht. 29 Wij dan zijnde Gods geslacht , moeten niet meenen jes. 48:5,6. dat de Godheid goud of zilver of steen gelijk zij, welke |
HANDELINGEN 18.
256
door mensclie-kunst en bedenking gesneden zijn. H. 14:16. 30 God dan de tijden der onwetendheid voorbijgezien lieb-Lc. 24 : 47. bende, verkondigt nu allen mensclien alom dat zij zicli bekeeren:
81 daarom dat hij een dag gesteld heeft op welken hij den aardbodem regtvaardig zal oordeelen, door een h. 10; 42. man dien hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl hij hem uit de dooden opgewekt heeft.
32 Als zij nu van de opstanding der dooden hoorden, spotteden sommigen daarmede, en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan hooren.
33 En alzoo is Paulus uit het midden van hen weggegaan;
34 doch sommige mannen hingen hem aan en geloofden, onder welke ook Dionysius de Areopagiet was, en een vrouw met name Da-maris, en anderen met dezelve.
HOOFDSTUK 18.
1 En nadezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Corinthe,
2 en vond een zekeren vs. 18.26; Jood met name Aquila, van
Rom, 16.3,4. ge^)oor^e Pontus, die
onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla zijne vrouw, (omdat Claudius bevolen had dat al de Joden uit Eome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;
3 en omdat hij van't zelfde handwerk was, bleef hij bij hen en werkte; want zij waren tentemakers van handwerk.
4 En hij handelde op eiken sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken.
5 En als Silas en Timotheüs H. 17:15. van Macedonië afgekomen waren , werd Paulus door den
Geest gedrongen, betuigende den Joden dat Jezus is de Christus.
6 Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde H. 13:51. hij zijne kleederen af en zeide
tot hen: Uw bloed zij op uw H. 20:26, hoofd; ik ben rein, en van nu af zal ik tot de heidenen henengaan.
7 En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de synagoge.
En Crispus de overste der 1 Cor.i;ii synagoge geloofde aan den Heer met geheel zijn huis, en velen van de Corinthiërs hem hooreude geloofden en werden
gedoopt.
9 En de Heer zeide tot H. 23:11. Paulus door een gezigt in
den nacht: Wees niet bevreesd, maar spreek, en zwijg niet;
10 want ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaadtedoen,
want ik heb veel volk in deze stad.
11 En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maan-
HANDELINGEN 18.
257
|
den, leerende onder hen liet woord Gods. 1.3 Maar als Gallio stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eendragtig tegen Fan lus op, en bragten hem voor den regterstoel, 13 zeggende: Deze raadt de menschen aan, dat ze God â 17:15- zouden dienen tegen de wet. 14 En als Paulus zij ven mond zoude opendoen, zeide Gallio tot de Joden: Zoo er eenig ongelijk of kwaad stuk hegaan ware, o Joden, zoo zoude ik met reden ulieden verdragen; .13:51. h. 23:29; 15 maar indien er geschil is j Jh. 18:30. over een woor,[ en namen en . 20:26. â over t]e wet die onder u is, zoo zult gij zelve toezien, want ik wil over deze dingen geen regter zijn. 16 En hij dreef ze weg van den regterstoel. 17 Maar al de Grieken namen Sosthenes den overste der synagoge en sloegen J/em Cot.I:!' voor den regterstoel; en Gal lio trok zich geen van deze dingen aan. 18 En als Paulus daar nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, 1.23:11 S en voer vandaar naar Syrië, en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Cenchrea â N'um. 6:18. geschoren hebbende, want hij had een gelofte gedaan. 19 En bij kwam te Efeze aan, en liet ze aldaar; maar hij ging in de synagoge en handelde met de Joden. 20 En als zij baden dat hij langer bij hen blijven zoude, bewilligde hij 't niet, |
21 maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet noodzakelijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkee-ren, zoo God wil. En hij voer weg van Efeze. 22 En als hij te Cesaréa was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochië; 23 en als hij aldaar eenigen tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en h. ia: 6. ^ Frygië, versterkende al de discipelen. 24« En een zekere Jood met name Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Efeze, magtig zijnde in de Schriften. 25 Deze was in den weg des Heeren onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstig de zaken des Heeren, wetende alleen den doop van Johannes; H. 19:3. 26 en deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich en leiden hem den weg Gods naauwkeuriger uit. 27 En als hij wilde naar Achaje reizen, schreven de broeders, hem vermaand hebbende , aan de discipelen dat zij hem ontvangen zouden; welke daar gekomen zijnde veel heeft toegebragt aan de-1 Cor.3:5,6. genen die geloofden door de genade. |
17
258 HANDELINGEN 19.
28 Want liij overtuigde de j de zaken van het koningrijk Joden met grooten ernst in 't i Gods.
openbaar, bewijzende door de 9 Maar als sommigen ver-Schriften dat Jezus de Chris- hard werden en ongehoor-tus was. zaam waren, kwaadsprekende
van den weg des Heeren voor
HOOFDSTUK 19. ! menigte, week hij van hen
en scheidde de discipelen af, 1 En 't geschiedde terwijl j dagelijks handelende in de Apollos te Corinthe wTas, dat I school van zekeren Tyrannus.
|
Paulus de bovenste deelen des lands doorreisd hebbende H. 18:19-21.te Efeze kwam; en eenige discipelen aldaar vindende, 2 zeide hij tot hen; Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord of er een Heilige Geest is. 3 En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? H. 18;25. En zij zeiden: In den doop van Johannes. 4 Maar Paulus zeide: Jo- H. 10: 46. H.l:5;ll:16; 13:24,25. hannes heeft wel gedoopt den doop der bekeering, zeggende tot het volk dat zij gelooven zouden in dengeen die na hem kwam, dat is in Christus Jezus. 5 En die hem hoorden werden gedoopt in den naam des Heeren Jezus; 6 en als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen, en zij spraken met vreemde talen en profeteerden. 7 En alle deze waren omtrent twaalf mannen. 8 En hij ging in de synagoge en sprak vrijmoedig drie maanden lang, met hen handelende en kun aanradende |
10 En dit geschiedde twee jaren lang, alzoo dat allen die in Azië woonden het woord des Heeren Jezus hoorden, beide Joden en Grieken. 11 En God deed ongewone h. 5:12,15,16;h krachten door de handen van Paulus, 12 alzoo dat ook van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken en de booze geesten van hen uitvoeren. 13 En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde (feiV^bezweerders, Lebbeu zich onderwonden den naam des Heeren Jezus te noemen over degenen die booze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus dien Paulus predikt. 14 Deze nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsch overpriester, die di: deden. 15 Maar de booze geest antwoordende zeide: Jezus ken ik, en wie Paulus is weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij? 16 En de mensch in welken de booze geest was sprong 14:3. H. 16:17. Mc. 1:24. |
HANDELINGEN 19.
259
|
op hen, en hen meester geworden zijnde kreeg hij de overhand tegen hen, alzoo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden. 17 En dit werd allen bekend, beide Joden en Grieken die te Efeze woonden, en een vrees overviel hen allen, en de naam des Heeren Jezus werd grootgemaakt; 18 en velen dergenen die geloofden kwamen, belijdende en verkondigende hunne daden. 19 Velen ook dergenen die ij dele kunsten gepleegd hadden, bragten de boeken bijéén en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid , en berekenden de waarde derzelve, en bevonden die vijftigduizend zilveren penningen. h. 6:7; 20 Alzoo wies het woord des 12 '2 '' Heeren met magt en nam de overhand. 21 En als deze dingen vol-bragt waren, nam Paulus voor in den geest, Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende naar Jeruzalem te reizen, zeggende; Nadat ik Rom.15; aldaar zal geweest zijn, moet quot;2'29' ik ook Eome zien. 22 En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen die hem dienden, namélvjk Timotheüs en Eras-tus, bleef hij zelf een tijd lang in Azië. 23 Maar op dien tijd ont-2 Cor. i: 8. stond er geen kleine beroerte vanwege den weg des Heeren. 24 Want een met name |
Demetrius, een zilversmid die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, bragt dien van die kunst geen klein gewin toe : 35 welke hij tezamenverga-derd hebbende met de handwerkers van dergelijke dingen, zeide: Mannen, gij weet h. 16:16-19. dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben; 26 en gij ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk niet alleen van Efeze maar ook bijna van geheel Azië overreed en afgekeerd heeft, zeggende dat het geen goden h. n; 29. zijn die met handen gemaakt worden; 37 en wij zijn niet alleen in gevaar dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van degroote godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook hare majesteit zal tenondergaan, aan welke gansch Azië en de geheele wereld godsdienst bewijst. 38 Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid en riepen, zeggende: Groot is de Diana der Efe-ziërs! 39 En de geheele stad werd vol verwarring, en zij liepen met een gedruisch eendrag-tig naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus h. 20:4. en Aristarchus, Macedoniërs, medgezellen van Paulus op de reis. 30 En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten 't hem de discipelen niet toe; |
HANDELINGENquot; 20.
1
260
|
31 en sommigen ook der oversten van Azië, die zijne vrienden waren, zonden tot hem en baden dat hij zioli-selven op de schouwplaats niet zonde begeven. S3 Zij riepen dan de een dit, de ander wat anders; want de vergadering was verward, en 't meeren(tó wist niet om wat oorzaak zij tezaihen-gekomen waren. 33 En zij deden Alexander uit de scliare voorkomen, al-zoo hem de Joden voortstieten; en Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen. 34 Maar als zij verstonden dat hij een Jood was, werd er ééne stem van allen, roepende omtrent twee uren lang: Groot is de Diana der Efeziërs! 35 En als de sterfsschrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Efeze , wat mensch is er toch die niet weet, dat de stad der Efeziërs de tempelbewaarster is van de groote godin Diana, en van het beeld dat uit den hemel gevallen is? 36 Dewijl dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, zoo is 't behoorlijk dat gij stil zijt en niets onbedachts doet. 37 Want gij hebt deze mannen hier gebragt, die noch kerkroovers zijn noch uwe godin lasteren. 38 Indien dan nu Demetrius , en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand |
eenige zaak hebben, de regts-dagen worden gehouden en er zijn stadhouders: laat ze elkander verklagen. 39 En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in een wettelijke vergadering beslecht worden. 40 Want wij staan in gevaar dat wij van oproer zullen verklaagd worden om den (to? van heden, alzoo er geen oorzaak is waardoor wij reden zullen kunnen geven van dezen oploop. En dit fezea'd hebbende liet hij de O o vergadering gaan. H. 19:21. H. 19; 21 HOOFDSTUK 20. 1 Nadat nu het oproer gestild was, Paul us de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit cm naar Macedonië te reizen. 3 En als hij die deelen doorgereisd en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland; 3 en als hij aldaar drie maanden doorgebragt had, en hem van de Joden lagen gelegd werden als hij naar Syrië zoude varen, zoo werd hij van zin wedertekeeren door Macedonië. 4 En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Be-réa, en van de Thessalonicen-zen Aristarchus en Secundus, en Gajus van Derbe, en Ti-motheüs, en van die van Azië Tychicus en Trofimus: 5 deze vooruitgegaan zijnde wachtten ons te ïroas. 6 Wij nu voeren af van |
I
HANDELINGEN 20.
261
|
rilippi na de dagen der ongezuurde hrooden, en kwamen in vijf' dagen bij lien te Troas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden. 7 En op den eersten day der week, als de discipelen bij-ééngekomen waren om brood te breken , liandelde 1'au-lus met lien, zullende des anderen daags verreizen; en liij strekte zijne rede uit tot middernaclit; 8 en er waren vele lichten in de opperzaal waar zij vergaderd waren. 9 En een zeker jongeling met name Eutychus zat in het venster, en met een diepen slaap overvallen zijnde, alzoo Paulus lang tot hen sprak, door den slaap nederstortende viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen. 10 Doch Paulus afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende zeide hij: Weest niet beroerd, want zijne ziel is in hem. 11 En als hij weder boven gegaan was, en brood gebroken en wat gegeten had, en lang tot den dageraad toe met hen gesproken had, vertrok hij alzoo. 12 En zij bragten den knecht levend, en waren bovenmate vertroost. IS Maar wij vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het alzóó bevolen, en hij zelfzoude te voet gaan. |
14 En als hij zich te Assus bij ons gevoegd had , namen wij hem in, en kwamen te Mityléne; 15 en vandaar afgevaren zijnde kwamen wij den volgenden day tegen Chios over, en des anderen daags leiden wij aan te Samos, en bleven te Trogyllium, en den dag daaraan kwamen wij te Miléte. 16 Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in Azië zoude verslijten; want hij spoedde zich, om (zoo het hem mogelijk ware) op den pinksterdag te Jeruzalem te zijn. 17 Maar hij zond van Miléte naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen der gemeente; 18 en als zij tot hem gekomen waren zeide hij tot hen: Gijlieden weet, van den eersten dag af dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u den gansohen tijd geweest H. 19:10. ben, 19 dienende den Heer met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden; 20 hoe ik niets achtergehouden heb van 't geen nuttig was, dat ik u niet zoude verkondigd en u geleerd hebben , in 't openbaar en bij de huizen, 31 betuigende beide Joden en Grieken de bekeering tot God en het geloof in onzen Heer Jezus Christus. H. 18 :21; 19:21. |
HANDELINGEN 21.
263
|
32 En nu zie, gebonden h. 19:21. zijnde door den Geest reis ik naar Jeruzalem, niet wetende wat mij daar ontmoeten zal, h. 21:4. li. 23 dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. 24 Maar ik aclit op geen h. 2i;i3. ding, en lioud mijn leven niet dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijnen loop met blijdscliap mag volbrengen, en den dienst welken ik van den Heer Jezus ontvangen Leb, om te betuigen bet evangelie der genade Gods. 35 En nu zie, ik weet dat gij allen, waar ik doorgegaan ben predikende bet koningrijk Gods, mijn aangezigt niet meer zien zult. 36 Daarom betuig ik ulie-den op dezen huidigen dag, h. 18:6. dat ik rein ben van het bloed van u allen; 37 want ik lieb niets acli-tergehouden, dat ik u niet zoude verkondigd hebben al den raad Gods. 38 Zoo hebt dan acht op i Pet. 5; 2. uzelve, en op de geheele kud de over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods Tit. 2:14. te weiden, welke hij verkregen heeft door zijn eigen bloed. 39 Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen; 30 en uit u zelve zullen mannen opstaan sprekende verkeerde dingen, om de discipelen aftetrekken achter zich. |
31 Daarom waakt, en gedenkt dat ik drie jaren lang H. 19:10 nacht en dag niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. 33 En nu broeders, ik beveel u Gode en den woorde zijner genade, die magtig is u opte-bouwen en u een erfdeel te geven onder al de geheilig-den. 33 Ik heb niemands zilver of goud of kleeding begeerd ; 34 en gij zelve weet, dat deze handen tot mijne nooddruft, H. 18:3. en dengenen die met mij waren, gediend hebben. 35 Ik heb u in alles getoond, dat men alzoo arbeidende de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden des Heeren Jezus, dat hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen. 36 En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden. 37 En er werd een groot geween van Jien allen, en zij vallende om den hals van Paulus kusten hem, 38 zeerbedroefdzijnde,allermeest over het woord dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezigt niet meer zien zouden. En zij geleidden hem naar het schip. HOOFDSTUK 21. 1 En als het geschiedde dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zoo liepen wij regtuit en kwamen te Cos, en den dag daaraan te Eho-dus, en vandaar te Patara. |
..
HANDELINGEN 21.
263
|
2 En een soliip gevonden hebbende dat naar Feuicic overvoer, gingen wij er in en voeren af. 3 En als wij Cyprus in 't gezigt gekregen en dat aan de linker^a?iö! gelaten hadden , voeren wij naar Sy-ië, en kwamen aan te Tyrns; want het schip zoude aldaar den last ontladen. 4 En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paiüus zeiden door den Geest, H. 20:22,23. jjjgj z011(je opgaan naar Jeruzalem. 5 Toen het nu geschiedde dat wij deze dagen door-gebragt hadden, gingen wij uit en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad, en aan den oever nederknielende hebben wij gebeden; 6 en als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip, maar zijlieden keerden weder elk naar het zijne. 7 Wij nu de vaart volbragt hebbende van Tyrns, kwamen aan te Ptolemaïs, en de broeders gegroet hebbende, bleven één dag bij hen. 8 En des anderen daags gingen Paulus en wij die met hem waren vandaar en kwamen te Cesaréa, en gegaan zijnde in h. 6:5;8;5.het huis van Eilippus den evangelist, (die een was van de zeven), bleven wij bij hem. 9 Deze nu had vier dochters, noy maagden, die profeteerden. 19:10 I 18:3, IS Vs. 12; H. 20 : 36. H. 2:17. |
10 En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker profeet af van Judéa, H. 11:28. met name Agabus; 11 en hij kwam tot ons, en nam den gordel van Paulus, en zichzelven handen en voeten gebonden hebbende, zei-de: Dit zegt de Heilige Geest: Den man wiens deze gordel is zullen de Joden alzóó te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen. 12 Als wij nu dit hoorden, baden beide wij en die van die plaats waren, dat hij niet zoude opgaan naar Jeru- vs. 4. zalem. 13 Maar Paulus antwoordde: Wat doet gij dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen ge- H. 20 : 24. bonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den naam des Heeren Jezus. 14 En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden , zeggende: De wil des Hoeren geschiede. 15 En na die dagen maakten wij ons gereed en gingen op naar Jeruzalem; 16 en met ons gingen ook sommigen der discipelen van Cesaréa, leidende met zich een zekeren Mnason van Cyprus, een ouden discipel, bij denwelke wij zouden tehuis liggen. 17 En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk. 18 En den volgenden dag gina: Paulus met ons in tot lil |
HANDELINGEN 21.
264
|
Jacobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen. 19 En als hij ze gegroet liad, h. 15; 4,12. verhaalde hij van stuk tot stuk , wat God onder de heidenen door zijnen dienst gedaan had. 20 En zij dat gehoord hebbende , loofden den Heer, en zeiden tot hem: Gij ziet broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn die gelooven, en zij zijn allen ij veraars voor de wet; 21 en zij zijn aangaande u berigt, dat gij al de Joden die onder de heidenen zijn leert van Mozes afvallen, zeggende dat zij de kinderen niet zouden besnijden noch naar de wijzen der wet wandelen. 22 Wat is er dan te doen ? Het is zeer noodig dat de menigte tezamenkome; want zij zullen hooren dat gij gekomen zijt. 23 Doe dan 't geen wij u zeggen. Wij hebben vier man- h. 18:18; nen die een gelofte gedaan Num. 6:21. 24) neem deze tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten nevens hen, opdat zij het hoofd bescheren mogen ; en allen mogen weten, dat er niets is aan 't geen waarvan zij aangaande u berigt zijn, maar dat gij alzóó wandelt, dat gij ook zelf de wet onderhoudt. 25 Doch van de heidenen h. 15 : 23-29. die gelooven hebben wij geschreven en goedgevonden, dat zij niets dergelijks zouden |
onderhouden, dan dat zij zich wachten van 't geen den afgoden geotterd is, en van bloed, en van 't verstikte, en van hoererij. 26 Toen nam Paulus de mannen met zich, en den dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in den tempel, en verkondigde dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daar totdat voor een iegelijk van hen de offerande geofferd was. 27 Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden. zagen hem de Joden van h. 24:18. Azië in den tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem, 38 roepende: Gij Israëlitische mannen, komt te hulp! Deze is de mensch die tegen het volk en de wet en deze plaats allen overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den tempel gebragt, en heeft deze heilige plaats ontheiligd. 29 Want zij hadden tevoren ïrofimus den Efeziër met h. 20:4. hem in de stad gezien, welken zij meenden dat Paulus in den tempel gebragt had. 30 En de geheele stad kwam in beroering, en het volk liep tezamen, en z;j grepen Paulus en trokken hem huiten den tempel, en terstond werden de deuren gesloten. 31 En als zij hem zochten te dooden, kwam het gerucht tot den overste der bende, dat |
HANDELINGEN 22.
265
|
geheel Jeruzalem in verwarring was; 32 welke terstond krijgs-knecliten en hoofdmannen over honderd tot ziek nam, en liep af naar hen toe. Zij nu den overste en de krijgsknechten ziende, hielden op van Pauhis te slaan. 33 Toen naderde de overste eu greep hem, en beval dat Vs. u. men hem, met twee ketenen zoude binden, en vraagde wie hij was en wat hij gedaan had. 34 En onder de schare riep de een dit, de ander wat anders; doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij dat men hem in de legerplaats zoude brengen. 35 En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het dat hij van de krijgsknechten gedragen werd, vanwege het geweld der schare; 36 want de menigte des volks volgde, al roepende: Weg met hem! 37 En als Paulus nu in de legerplaats zoude geleid worden , zeide hij tot den overste: Is 't mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zeide: Kent gij Grieksch? 38 Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die vóór deze dagen oproer verwekte en de vierduizend moordenaars naar de woestijn uitleidde? 39 Maar Paulus zeide: Ik ben een Joodsch man van Tarsus, een burger van eene niet onvermaarde stad in Cili-cië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. |
40 En als hij 't toegelaten had, Paulus staande op de trappen wenkte met de hand tot het volk; en als er groote stilte geworden was, sprak hij ze aan in de Hebreeuwsche taal, zeggende: HOOFDSTUK 22. 1 Mannen broeders en va- h.9:1-18; ders, hoort mijne verantwoor- 2 ⢠quot; ⢠ding die ik tegenwoordig tot u doen zal. 2 (Als zij nu hoorden dat hij in de Hebreeuwsche taal hen aansprak, hielden zij zich temeer stil. En hij zeide:) 3 Ik ben een Joodsch man, h. 21:39. te Tarsus in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten Gamaliels on- h. 5: 3i, derwezen naar de naauwge- zetste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ij veraar Gods Gal. 1:14. gelijkerwijs gij allen heden zijt; 4 die dezen weg vervolgd h. 8:3; heb tot den dood, bindende Gal- 1:13' en in de gevangenissen overleverende beide mannen en vrouwen: 5 gelijk mij ook de hooge-priester getuige is, en de geheele raad der ouderlingen, van dewelke ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damascus gereisd, om ook degenen die daar waren gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. 6 Maar het geschiedde mij |
HANDELINGEN 22.
266
|
als ik reisde en Damascus genaakte, omtrent den middag, dat snellijk uit den hemel een groot liclit mij rondom omsclieen; 7 en ik viel ter aarde, en ik lioorde eene stem tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij? 8 En ik antwoordde: Wie zijt gij Heer? En hij zeidetot mij: Ik ben Jezus de Naza-rener welken gij vervolgt. 9 En die met mij waren zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd, maar de stem desgenen die tot mij sprak hoorden zij niet. 10 En ik zeide: Heer, wat zal ik doen? En de Heer zei-de tot mij : Sta op en ga henen naar Damascus, en aldaar zal met u gesproken worden van al hetgeen u geordineerd is te doen. 11 En als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, zoo werd ik bij de hand geleid van degenen die met mij waren, en kwam te Damascus. 12 En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, (joede getuigenis hebbende van al de Joden die daar woonden, 13 kwam tot mij, en bij mij staande zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende. En terzelfder ure werd ik ziende op hem. 14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u tevoren verordineerd om zijnen wil te kennen, en den Eegtvaardige |
te zien, en de stem uit zijnen mond te hooren; 15 want gij zult zijn getuige zijn bij alle menschen van 'tgeen gij gezien en gehoord hebt. 16 En nu wat vertoeft gij? Sta op, en laat u doopen en uwe zonden afwasschen, aanroepende den naam des Hee-ren. 17 En het gebeurde mij als ik te Jeruzalem wedergekeerd h. 9:26: was en in den tempel bad, Galquot;1:18 dat ik in een vertrekking van zinnen was, 18 en dat ik hem zag, en hij tot mij zeide: Spoed u en ga in haast uit Jeruzalem, want zij zullen uwe getuigenis van mij niet aannemen. 19 En ik zeide: Heer, zij weten dat ik in de gevangenis wierp en in de synagogen geeselde wie in u geloofden ; 20 en toen het bloed vann.7:58;8: Stefanus uwen getuige vergoten werd, dat ik daar óók bijstond, en mede een welbehagen had in zijnen dood, en de kleedereu bewaarde dergenen die hem doodden. 21 En hij zeide tot mij: Ga henen, want ik zal u ver tot h, 9. de heidenen afzenden. 22 Zij hoorden hem nu toi dit woord toe; en zij verhieven hunne stem, zeggende : Weg van de aarde met zulk n, 21:36. een, want het is niet behoorlijk dat hij leve. 23 En als zij riepen en de |
HANDELINGEN 23.
367
|
kleederen van zich. smeten en stof in de lucht wierpen, 24 zoo beval de overste dat men hern, in de legerplaats zoude brengen, en zeide dat men hem met geesels onderzoeken zoude, opdat hij verstaan mogt om wat oorzaak zij alzoo over liem riepen. 25 En als zij bera met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd die daar stond: Is 't ulie- h. 16:37. den geoorloofd een Ilomein-schen mensch, en dien onver-oordeeld, te geeselen? 26 Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe en boodschapte het den overste, zeggende: Zie wat gij ie doen hebt, want deze mensch is een Komein. 27 En de overste kwam toe en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Eomein? En hij zeide: Ja. 28 En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerregt voor een groote som yeld verkregen. En Paulus zeide: Maar ik ben ook een burger geboren. 29 Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zonden onderzocht hebben; en de overste werd óók bevreesd, toen hij verstond dat hij een Eomein was, en dat hij hem had gebonden. 30 En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval dat de overpriesters en |
hun geheele raad zouden komen ; en Paulus afgebragt hebbende stelde hij hern vóór hen. HOOFDSTUK 23. 1 En Paulus de oogen op den raad houdende, zeide: Mannen broeders, ik heb met alle goede conscientie voor h. 24:16. God gewandeld tot op dezen dag. 3 Maar de hoogepriesterJh. 18:22,23. Ananias beval degenen die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan. 3 Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand. Zit gij ook om mij te oordeelen naar de wet, en beveelt gij tegen de wet dat men mij zal slaan? 4 En die daarbij stonden zeiden: Scheldt gij den hoo-gepriester Gods? 5 En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders, dat het de hoogepriester was; want er is geschreven: Den over- Ex.22:28. ste uws volks zult gij niet vloeken. 6 En Paulus- wetende dat het ééne deel was van de sadduceërs en het andere van de farizeërs, riep in den raad: Mannen broeders, ik ben een farizeër. eens farizeërs zoon: ik word over de hoop en it. 24:21; opstanding der dooden geoor- 26:6' deeld. 7 En als hij dit gesproken had, ontstond er tweedragt tusschen de farizeërs en de sadduceërs, en de menigte werd verdeeld. |
HANDELINGEN 23.
268
|
Lc. 20:27. 8 Want de sadduceërs zeggen dat er geen opstanding is, nooli engel of geest; maar de farizeërs belijden liet beide. 9 En er geschiedde een groot geroejj; en de schriftgeleerden van de zijde der farizeërs stonden op en streden, zeggende ; Wij vinden geen kwaad in dezen mensoh, en indien een geest tot hem gesproken heeft of een engel, laat ons H. 5:39. tegen God niet strijden. 10 En als er groote twree-dragt ontstaan was, de overste vreezende dat Paulus van hen verscheurd mogt worden, gebood dat het krijgsvolk zoude afkomen en hem uit het midden van hen wegrukken en in de legerplaats brengen. 11 En den volgenden nacht h. 18:9. stond de Heer bij hem, en zeide: Heb goeden moed Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van mij betuigd h. 19:216. hebt, alzóó moet gij ook te Kome getuigen. 12 En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een tezamen-rotting, en vervloekten zich-zelve, zeggende dat zij noch eten noch drinken zouden totdat zij Paulus zouden gedood hebben. 13 En zij waren meer dan veertig die dezen eed tezamen gedaan hadden; 14 dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen , en zeiden: Wij hebben onszelve met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen totdat wij Paulus zullen [ gedood hebben. |
15 Gij dan nu, laat den overste weten met den raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nader kennis zoudt nemen van zijne zaken; en wij zijn bereid hem omtebrengen eer hij bij n komt. 16 En als de zoon van Paulus zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus. 17 En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling henen tot den overste, want hij heeft hem wat te boodschappen. 18 Deze dan nam hem en bragt Jiem tot den overste, en zeide: Paulus de gevangene heeft mij tot zich geroepen, en begeerd dat ik dezen jongeling tot u zoude brengen, die u wat heeft te zeggen. 19 De overste nu nam hem bij de hand, en terzijde gegaan zijnde vraagde hij: Wat is 't dat gij mij hebt te boodschappen? 20 En hij zeide: De Joden zijn overééngekomen om van u te begeeren, dat gij Paulus morgen in den raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. 21 Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelve met een vervloeking verbonden hebben, |
HANDELINGEN 24.
269
|
noch te eten noch te drinken totdat zij hem zullen omge-bragt hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u. 22 De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt. 23 En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesaréa trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen de derde ure des nachts; 24 en laat ze zaamp;Zbeesten bestellen , opdat zij Paulus daarop zetten en behouden overbrengen tot den stadhouder Felix. 25 En hij schreef een brief, hebbende dezen inhoud: 26 Claudius Lysias aan den magtigsten stadhouder Felix groetenis. 27 Alzoo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebragt zoude geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk , en heb hem hun ontnomen, berigt zijnde dat hij een Eo-mein is; 28 en willende de zaak weten waarover zij hem beschuldigden , bragt ik hem af in hunnen rnad: 29 welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet, maar geen beschuldiging tegen hem te |
zijn die den dood of banden waardig is. 80 En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen dezen man gelegd zoude worden, zoo heb ik hem terstond aan u gezonden, gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen 't geen zij tegen hem hadden. Vaarwel. 31 De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus en bragten hem des nachts tot Antipatris; 32 en des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij weder naar de legerplaats. 33 Dewelke als zij te Cesaréa gekomen waren en den brief den stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus vóór hem gesteld. 34 En de stadhouder den brief gelezen hebbende, vraagde uit wat provincie hij was; en verstaande dat hij van Cilicië was, 35 zeide hij: Ik zal u hooren als ook uwe beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval dat hij in het regt-huis van Herodes zoude bewaard worden. HOOFDSTUK 24. 1 En vij f dagen daarna kwam de hoogepriester Ananias af H. 23:2. met de ouderlingen en een zekeren voorspraak genaamd ïertullus, dewelke verschenen voor den stadhouder tegen Paulus. |
2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te be-scliuldigen, zeggende:
3 Dat wij grooten vrede door u bekomen., en dat véle loffelijke diensten dezen volke gesoliieden door uwe voorzig-tiglieid, magtigste Eelix, nemen wij gansolielijk en overal met alle dankbaarlieid aan.
4 Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u dat gij ons, naar uwe billijkheid, kortelijk lioort.
H. 21:28-31. 5 Want wij hebben dezen man bevonden te zijn een pest, en een die oproer verwekt onder al de Joden door de gm-scJie wereld, en een oppersten voorstander van de sekte der Nazareners;
6 die ook gepoogd beeft den tempel te ontheiligen; welken wij ook gegrepen hebben en naar onze wet hebben willen oordeelen.
7 Maar Lysias de overste h. 21; 35. daarover komende, heeft hem
met groot geweld uit onze handen weggebragt,
H. 23; 30b, S gebiedende zijne beschuldigers tot u te komen: van denwelke gij zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen waarvan wij hem beschuldigen.
9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen alzoo waren.
10 Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had dat hij zoude spreken, antwoordde; Dewijl ik weet dat gij nu vele jaren over dit volk reg-ter geweest zijt, zoo verant-
NGEN 24.
woord ik mijzelven met«feste beteren moed:
11 alzoo gij kunt weten dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem.
13 En zij hebben mij noch in den tempel gevonden tot iemand sprekende of eenige tezamenrotting des volks makende, noch in de synagogen,
noch in de stad;
13 en zij kunnen niet bewijzen waarvan zij mij nu beschuldigen.
14 Maar dit beken ik u, dat ik, naar dien weg welken zij
sekte noemen, den God der Vs. a vaderen alzóó dien, geloo-vende alles wat in de wet en in de profeten geschreven is,
15 hebbende hoop op God,
welke deze ook zelve verwach- h 23:6. ten, dat er een opstanding
der dooden wezen zal, beide der regtvaardigen en der on-regtvaardigen;
16 en hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijke consoientie te hebben H. 23:1 bij God en de menschen.
17 Doch na vele jaren beu ik gekomen om aalmoezen te
doen aan mijn volk, en ofle- 25. 26. randen:
18 temidden waarvan mij gevonden hebben, geheiligd H. 21:27 zijnde, in den tempel, niet
met volk noch met beroerte,
eenige Joden uit Azië ;
19 welke behoorden hier vóór u tegenwoordig te zijn en Tdij te beschuldigen, indien zij iets tegen mij hadden.
HANDELINGEN 25.
271
|
20 Of dat deze zelve zeggen, of zij eenig onregt in mij gevonden liebben als ik voor den raad stond, 21 dan van dit éénig woord, 't welk ik riep staande onder H. 23:6. lien: Over de opstanding der dooden word ik lieden van ulieden geoordeeld. 23 Toen nu Eelix dit gehoord liad, stelde liij ze uit, zeggende: Als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben, wanneer Lysias de overste zal afgekomen zijn, zoo zal ik volle kennis nemen van uwe zaken. 23 En hij beval den hoofdman over honderd dat Paulus zoude bewaard worden, en verligting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zonde beletten hem te dienen of tot hem te komen. 24 En na sommige dagen Eelix daar gekomen zijnde met Drusilla zijne vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus. 25 En als bij handelde van regtvaardigheid en matigheid en van het toekomend oordeel, Eelix zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Yoor ditmaal ga henen, en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen , zoo zal ik u tot mij roepen; 26 en tegelijk ook hopende, dat hem_ van Paulus geld gegeven zoude worden opdat hij hem losliet; waarom Jiij hem ook dikwijls ontbood, en sprak met hem. |
27 Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Eelix Por-eius Eestus in zijne plaats; en Eelix willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen. HOOFDSTUK 25. 1 Eestus dan in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesaréa op naar Jeruzalem; 2 en de hoogepriester en de voornaamsten der Joden verschenen vóór hem tegen Paulus, en baden hem, 3 begeerende gunst tegen hem, opdat hij hem zoude doen komen te Jeruzalem, leggende eene lage om hem h. 23:15. op den weg omtebrengen. 4 Doch Eestus antwoordde dat Paulus te Cesaréa bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zoude verreizen: 5 Wie dan, zeidehij, onder \i kunnen, dat zij medeafrei-zen , en zoo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen. 6 En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorge-bragt had, kwam hij af naar Cesaréa; en des anderen daags op den regterstoel gezeten zijnde, beval hij dat Paulus zoude roorgebragt worden. 7 En als hij daar gekomen was, stonden de Joden die van Jeruzalem afgekomen waren rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen H- 24:5,g. Paulus inbrengende, die zij niet konden bewijzen; 8 dewijl hij zich verantwoor- |
|
(lende zeide: Ik heb nocli tegen de wet der Joden, nocli tegen den tempel, nocli tegen den keizer iets gezondigd. 9 Maar Eestus willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Panlus en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan , en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden ? 10 En Paulns zeide: Ik sta voor den regterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onregt gedaan, gelijk gij ook zeer wel weet. 11 Want indien ik onregt doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is aan 't geen waarvan deze mij beschuldigen, zoo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer. 12 Toen antwoordde Ees-tus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen, gij zult tot den keizer gaan. 13 En als eenige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning AgrippaenHermcete Cesaréa om Eestus te begroeten. 14 En toen zij aldaar vele dagen doorgebragt hadden, heeft Eestus de zaken van Paulus aan den koning verhaald , zeggende: Hier is een zeker man van Eelix gevangen gelaten; |
15 om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de over-priesters en de ouderlingen der Joden verschenen, be-geerende vonnis tegen hem: 272 H. 24:12. H. 24:27. 16 aan dewelke ik antwoordde , dat de Eomeinen de gewoonte niet hebben eenig mensch uit gunst ter dood overtegeven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenover zich heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldi- erin O*. O O 17 Als zij clan gezamenlijk alhier gekomen waren, zoo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan mij op den regterstoel gezet, en beval dat de man zoude poor-gebragt worden: 18 over welken de beschuldigers hier staande geen zaak hebben ingebragt waarvan ik vermoeden had, 19 maar hadden tegen hem eenige vragen van hunnen godsdienst, en van zekeren Jezus die gestorven was, welken Paulus zeide te leven. 20 En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden. 21 En als Paulus zich beriep dat men hem tot de kennisneming des keizers bewaren zoude, zoo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden ter tijd toe dat ik hem tot den keizer zenden zoude. 22 En Agrippa zeide tot Eestus: Ik wilde ook zelf dien mensch icel hooren. En hij HANDELINGEN 25. |
HANDELINGEN 26.
273
|
zeide: Morgen zult gij hem liooren. 23 Des anderen daags dan als Agrippa gekomen was en Bermce met groote pracht, en als zij ingegaan waren in liet regthuis met de oversten over duizend en de mannen die de voornaamsten der stad waren, werd Paulas op bevel van Festus roorgebragt. 24 En Eestus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen alle, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de gansclie menigte der Joden beeft aangesproken, beide te Jeruzalem en h. 22:22. Mar, roepende dat hij niet meer behoort te leven. 25 Maar ik bevonden lieb- h. 23 : 29; bende dat hij niets des doods quot;G'3I' waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden. 36 Yan welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebragt, en meest voor u , koning Agrippa , opdat ik, na gedane onderzoeking, wat hebbe te schrijven; 27 want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden , en niet ook de beschuldigingen die tegen hem zijn te kennen te geven. HOOFDSTUK 26. 1 En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelven te spreken. Toen strekte Paulus de |
hand uit, en verantwoordde zich aldus: 3 Ik acht mijzelven gelukkig , o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles waarover ik van de Joden beschuldigd word; 3 allermeest dewijl ik weet dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen die onder de Joden zijn: daarom bid ik u dat gij mij lankmoedig hoort. 4 Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden, 5 als die sedert lang mij tevoren gekend hebben, (indien zij 't wilden getuigen), dat ik naar de naauwgezetste H 2, .3. sekte van onzen godsdienst fü. 3:5. als een farizeër geleefd heb. 6 En nu sta ik en word geoordeeld over de hoop der h. 13:32. belofte, die van God tot de vaderen geschied is; 7 tot dewelke onze twaalf geslachten, gedurig nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd. 8 Wat? Wordt het bij ulieden ongeloofelijk geoordeeld dat God de dooden opwekt? 9 Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen den h.8:3;9: naam van Jezus van Nazareth 'â 2; 22:4,5. vele wederpartijdige dingen moest doen; 10 't welk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb IS |
|
274 HANULLl velen van de heiligen in de gevangenissen opgesloten, de magt van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebragt werden, stemde ik het toe; 11 en door al de synagogen heb ik ze dikwijls gestraft en gedwongen te lasteren; en bovenmate tegen hen woedende, heb ik ze vervolgd ook tot in de hwitenlandsclie steden. h. 9:3-16; 12 En als ik daarvoor ook 1 ?or?quot;i5:8. naar Damascus reisde, met magt en last welke ik van de overpriesters 7iad, 13 zag ik, o koning, in 't midden van den dag op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel ir ij en degenen die met mij reisden omschijnende; 14 en als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik eene stem tot mij sprekende, en zeggende in de He-breenwsche taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ? Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan. 15 En ik zeide: Wie zij t gij Heer? En hij zeide: Ik ben Jezus dien gij vervolgt. 16 Maar rigt u op en sta op uwe voeten; want biertoe ben ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke ik u nog zal verschijnen, 17 verlossende u van dit volk en van de heidenen, tot dewelke ik u nu zend 18 om hunne oogen te ope- |
S'G-EN 26. nen, en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht, en van de magt des satans tot (rod; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel H. 20:32; onder de geheiligden, door ^1'1quot; 12quot;U het geloof in mij. 19 Daarom, o koning Agrip-pa, ben ik dat hemelsch ge-zigt niet ongehoorzaam geweest , 20 maar heb, eerst dengenen h. 9:20, die te Damascus waren, en 29-te Jeruzalem, en in't geheele land van Judéa, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren en tot God bekeeren, werken doende der bekeering waardig. 21 Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den tem-H. 21:27,30, pel gegrepen en pogen om-tebrengen. 22 Dan hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot, niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gespro- h. 17:2,3. ken hebben dat geschieden zoude: 23 namelijk dat de Christus lijden moest, en dat hij de eerste uit de opstanding der dooden zijnde, een licht zoude verkondigen aan dit volk en aan de heidenen. 24 En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Eestus met groote stem : Gij raast Paulus, de groote geleerdheid brengt u tot razernij. 25 Maar hij zeide: Ik raas niet, magtigste Eestus, maar |
HANDELINGEN 27.
273
|
ik spreek woorden van waarheid en van gezond verstand. 26 Want de koning' weet van deze dingen, tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet dat hem iets van deze dingen verborgen is, want dit is in geen lioek geschied. 27 Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft. 28 En Agrippa zcide tot Paulns: Gij beweegt mij bijna [h. 11:26; een Christen te worden. 29 En Paulus zeide: Ik wensehte wel van God, dat èn bijna èn geheel, niet alleen gij maar ook allen die mij heden hooren, zoodanigen wierden gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden. 30 En als bij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren ; 31 en terzijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeg- 3 H. 23:29; gende: Deze mensch doet niets | 2o: 2o. cles doods of der banden waardig. 32 En Agrippa zeide tot Festus : Deze mensch kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen. HOOFDSTUK 27. 1 En als het besloten was m H. 25:12. dat wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus en eenige andere gevangenen over aan een hoofdman over honderd met name Julius, van de keizerlijke bende. ;32:| 12-14,1 1 Pet. 4:16. 17, 30.] 2,3. |
2 En in een Adramytteensch schip gegaan zijnde, alzoo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus de Macedoniër h. 19:29. van Thessalonica was met ons. 3 En des anderen daags kwamen wij aan te Sidon; en Julius vriendelijk met Paulus handelende, liet 7iem toe tot de vrienden te gaan om van hen verzorgd te worden. 4 En vandaar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus henen, omdat de winden ons tegen waren; 5 en de zee die langs Cilicië en Pamfylië is doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te Myra in Lycië. 6 En de hoofdman aldaar een schip gevonden hebbende van Alexandrië, dat naar Italië voer, deed ons in hetzelve overgaan. 7 En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en ternaau-wernood tegenover Cnidus gekomen waren, overmits de wind bet ons niet toeliet, zoo voeren wij onder Creta henen, tegenover Salmóne; 8 en hetzelve ternaauwer-nood voorbijzeilende, kwamen wij in een zekere plaats genaamd Schoone havens, waar de stad Lasea nabij was. 9 En als er veel tijd ver-loopen en de vaart nu zorgelijk was, omdat ook de vaste nu voorbij was, vermaande ze Paulus 10 en zeide tot hen: Mannen, ik zie dat de vaart zal geschieden met hinder en aroote |
HANDELINGEN 27.
276
|
schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven. 11 Doch de hoofdman geloofde meer den stuurmanen den schipper dan 't geen van Paulus gezegd werd. 13 En alzoo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerencteeZ geraden ook vandaar te varen, of zij soms te Eenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde een haven in Creta, strekkende tegen het zuidwesten en tegen het noordwesten. 13 En alzoo de zuidewind zacht waaide, meenden zij hun voornemen verkregen te hebben, en afgevaren zijnde zeilden zij digt voorbij Creta henen. 14 Maar niet lang daarna sloeg tegen hetzelve een stormwind genaamd Euroclydon, 15 en als het schip daarmede weggerukt werd, en niet tegen den wind kon opzeilen, gaven wij het op en dreven henen. 16 En loopende onder een zeker eilandeken genaamd Clauda, konden wij naauwe-lijks de boot magtig worden; 17 dewelke opgehaald hebbende , gebruikten zij alle hulpmiddelen, het schip on-dergordende; en alzoo zij vreesden dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil en dreven alzoo henen; 18 en alzoo wij van 't on-weder geweldig geslingerd |
werden, deden zij den volgenden dag een uitworp, 19 en den derden dag wierpen wij met onze eigene handen het scheepsgereed-schap uit; 30 en als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen, en geen klein onwe-der ons drukte, zoo werd ons voorts alle hoop van behouden te worden benomen. 31 En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in 't midden van hen, en zeide: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben en van Creta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben. 32 Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u, maar alleen van het schip. 33 Want dezen zelfden nacht h. 23:11. heeft bij mij gestaan een engel Gods, wiens ik ben, welken ik ook dien, Uom. 1:9. 34 zeggende: Vrees niet Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen die met u varen. 35 Daarom zijt goedsmoeds mannen, want ik geloof Gou, dat het alzóó zijn zal gelij-kerwijs het mij gezegd is. 36 Doch wij moeten opeen zeker eiland vervallen. h. 28 :i. 37 Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzoo wij in de Adriatische zee her- |
HANDELINGEN 27.
277
|
waarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden des naclits, vermoedden de scheepslieden dat liun eenig land naderde. 28 En liet dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vademen; 29 en vreezende dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mogten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wenschten dat het dag wierd. 30 Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden, en de boot neder-lieten in de zee, onder den schijn alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen , 31 zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten ; Indien deze in het schip niet blijven, kunt gij niet behouden worden. 32 Toen hieuwen de krijgsknechten de touwen af van de boot en lieten haar afvallen. 33 En tegen dat het dag zoude worden, vermaande Paulus hén allen dat zij zouden spijs nemen, en zeide; Het is heden de veertiende dag, dat gij verwachtende blijft zonder eten en niets hebt genomen: 34 daarom vermaan ik u spijs te nemen, want dat dient tot uw behoud; want niemand Lc. 21:18. van u zal een haar van het hoofd vallen. |
35 En als hij dit gezegden brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid, en H zelve gebroken hebbende, begon hij te eten. 36 En zij allen goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zelve spijs. 37 Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zesenzeventig zielen. 38 En als zij met spijs verzadigd waren, ligtten zij het schip en wierpen het koren uit in de zee. 39 En toen het dag werd kenden zij het land niet; maar zij merkten een zekeren inham die een oever had, tegen denwelke zij geraden vonden, zoo zij konden, het schip aan-tezetten. 40 En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, metéén de roerbanden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe. 41 Maar vervallende op een plaats die aan beide zijden de zee had, zetteden zij het schijD daarop; en het voorschip vast- 2 Cor. 11:25. zittende bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren. 42 De raadslag nu der krijgslieden was, dat zij de gevangenen zouden dooden, opdat niemand ontzwommen zijnde zoude ontvlieden; 43 maar de hoofdman willende Paulus behouden, belette hun dat voornemen, |
HANDELINGEN 28.
378
|
en beval dat degenen die zwemmen konden zicli liet eerst zouden afwerpen en aan land komen, 44 en de anderen, sommigen op planken, en sommigen op eenige stukken van 't scliip. En alzoo is 't geschied dat zij allen behouden aan land gekomen zijn. HOOFDSTUK 28. â 1 En als zij ontkomen wa-h. 27; 26,39. ren, toen verstonden zij dat liet eiland Melite lieette. 2 En de barbaren bewezen ons ongemeene vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om den regen die opkwam en om de koude. 3 En als 1'aulus een hoop rijs bijééngeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er een adder uit door de hitte en vatte zijne hand. 4 En als de barbaren het beest aan zijne hand zagen hangen, zeiden zij tot elkander : Deze mensch is gewis een doodslager, welken de wraak niet laat leven, daar hij uit de zee ontkomen is. Mc. 16:18; 5 Maar hij schudde het beest Lc. 10:19. jlej. vuur ^ en Jee(^ nje^s kwaads; 6 en zij verwachtten dat hij zoude opzwellen of terstond dood nedervallen. Maar als zij lang verwacht hadden en zagen dat geen ongemak hem overkwam, veranderden zij en h. 14 ;ii. zeiden dat hij een god was. 7 En hier omtrent die plaats |
had de voornaamste van 't eiland met name Publius zy-ne landhoeven, die ons ontving en drie dagen vriendelijk herbergde. 8 En het geschiedde dat de vader van Publius, met koortsen en den rooden loop bevangen zijnde, te bed lag; tot den welke Paulus inging, en als hij gebeden had leide hij de handen op hem, en maakte hem gezond. 9 Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen die krankheden hadden op het eiland, en werden genezen: 10 die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zonden, bestelden zij ons 't geen van noode was. 11 En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandrië, dat op 't land overwinterd had, hebbende tot een teeken Castor en Pollux. 12 En als wij te Syracuse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie dagen; 13 vanwaar wij omvoeren, en kwamen aan te llheginm; en alzoo na één dag de wind zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te Puteoli; 14 alwaar wij broeders vonden, en werden gebeden zeven dagen bij hen te blijven; en alzoo gingen wij naar Home. 15 En vandaar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt en de |
HANDELINGEN 28.
279
|
Drie tabernen; welke Paulus ziende, dankte liij God en greep moed. 16 En toen wij te Eome gekomen waren, gaf de lioofd-man de gevangenen over aan den overste des legers; maar aan Paulus werd toegelaten op ziclizelven te wonen met den krijgskneclit die liem bewaarde. 17 En bet geschiedde na drie dagen dat Paulus teza-menriep degenen die de voor-naamsten der Joden waren, en als zij tezamengekomen waren zeide hij tot ben: Mannen broeders, ik die niets gedaan beb tegen bet volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de banden der Romeinen, h. 25 : 25«. 18 dewelke mij onderzocht hebbende, mij wilden loslaten, omdat geen scbuld des doods in mij was; 19 maar als de Joden zulks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen, doch niet alsof ik mijn volk van iets te beschuldigen had. 20 Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aantespreken; want vanwege de hoop Israels ben ik met deze keten omvangen. 21 Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judéa ontvangen, noch iemand van de broeders bier gekomen zijnde heeft van u iets kwaads Vs. 30. h. 23:66: 26 :6, 7. |
geboodschapt of gesproken. 22 Maar wij begeeren wel van u te hooren, wat gij gevoelt; want wat deze sekte aangaat, ons is bekend dat ze overal tegengesproken wordt. lc. 2:34. 23 En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijne woonplaats; denwelken hij het koningrijk Gods uitleide , en betuigde , en poogde hen te bewegen tot het geloof van Jezus, beide uit de wet van Mozes h. 24: 44. en de profeten, van 's morgens vroeg tot den avond toe. 24 En sommigen geloofden wel hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet; 25 en tegen elkander oneens zijnde scheidden zij, als Paulus dit ééne woord gezegd had, namelijk: Wèl heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja den profeet tot onze vaderen, 26 zeggende: Ga henen Jes. 6:9; ,, Mt. 13:14,15; tot dit volk, en zeg: jh. 12:40. Met het gehoor zult gij hooren en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins b emerken; 27 want het hart dezes volks is dik geworden, en met de ooren hebben zij z waarlijk gehoord, en hunne oogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eeni-ger tijd met de oogen zouden zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan, en | \ | I I I i i |
ROMEINEN 1.
280
|
zij zich bekeeren en ik hen geneze. 28 Het zij n dan bekend, dat de zaliglieid Gods den h. 13; 46. heidenen gezonden is, en déze zullen hooren. 29 En als hij dit gezegd had gingen de Joden weg, veel twisting hebbende onder elkander. |
30 En Paulus bleef twee ge- heele jaren in zijn eigen ge- Vs. 16. huurde woning, en ontving allen die tot hem kwamen, 31 predikende het koningrijk Gods, en leerende van den Heer Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd. |
1)E BEIEÃ VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
ROMEINEN.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus een dienstknecht van Jezus Christus, een ge- Gai.i:l5,16.roepen apostel, afgezonderd tot het evangelie Gods, 2 (hetwelk hij tevoren beloofd had door zijne profeten, in de heilige Schriften), 3 van zijnen Zoon, (die ge-2 Tim. 2; 8. worden is uit den zade Davids naar het vleesch; 4 die krachtig bewezen is te zijn de Zoon Gods naaiden Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doo-den), namelijk Jezus Christus onzen Heer: 5 (door welken wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de h. i5 ; 16. heidenen , voor zijnen naam; |
6 onder welke gij óók zijt, geroepenen van Jezus Christus) : 7 allen die te Eome zijt, geliefden Gods, en geroejien heiligen, genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heer Jezus Christus. 8 Eerstelijk dank ik mijnen God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof ver- i rh. i: 8. kondigd wordt in degeheele wereld. 9 Want God is mijn getuige, fu. i; 8. welken ik dien in mijnen geest, in het evangelie zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten Ef. 1; 16. uwer gedenk, 10 altijd in mijne gebeden |
ROMEINEN 1.
281
|
biddende, of mogelijk mij nog te eeniger tijd goede gele-I ii is ⢠23 ⢠genheid gegeven wierd door | 19:21. den wil Gods om tot ulieden te komen. 11 Want ik verlang om u te zien, opdat ik u eenige |h. 15:29,32. geestelijke gave mogt mede-deelen, teneinde gij versterkt zoudt worden: 12 dat is, om mede vertroost te worden onder u, door liet onderling geloof, zoo liet uwe als liet mijne. 13 Doch. ik wil niet dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen, (en i H, 15:22. ben tot nogtoe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u eenige vrucht zoude hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen. h. 15:16; 14 Beide Grieken en bar-i Gor. 9:16. iJaren j ijeide wijZen enonwij-zen ben ik esn schuldenaar: 15 alzoo 't geen in mij is, dat is volvaardig om u ook die te Eome zijt het evangelie te verkondigen. 16 Want ik schaam mij des | evangelies van Christus niet; 1 Cor. 1: want het is een kracht Gods 18' 24' tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek. H. 3:21. 17 Want de regtvaardigheid Gods wordt in 't zelve geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven is: Hab. 2;4D; Maar de regtvaardige Heb. ló^skhet geloof leven. Ef. 6:6. 18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongeregtigheid der menschen, als die de waarheid in ongeregtigheid ten-onderhouden : |
19 overmits hetgeen van Hd. 14:17; God kennelijk is in hen open- 17:27' baar is, want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want ziine onzienlijke Ps. 19:2; Jes. 40 ⢠26 dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn: 21 omdat zij God kennende vs. 28, 32. hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar zijn verijdeld geworden in hunne overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. 22 Zich uitgevende voor wij-1 cor. i;20; zen, zijn zij dwaas geworden, Jer-10:1't- 23 en hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds vau een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten. 24 Daarom heeft ze God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hunne ligchamen onder elkander te onteeren: 25 als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het sehejisel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, die te prijzen is in eeuwigheid, amen. 26 Daarom heeft ze God |
ROMEINEN 2.
382
|
overgegeven tot oneerbare bewegingen; want ookbunne vrouwen bebben bet natuurlijk gebruik veranderd in bet gebruik tegen natuur, 27 en insgelijks ook de mannen nalatende bet natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in bunnen lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hunne dwaling die daartoe beboorde in zichzelve ontvangende. 28 En gelijk het bun niet goedgedocbt heeft God in erkentenis te bouden, zoo heeft God ze overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen die niet betamen: Gal.5:19-21; 39 vervuld zijnde met alle 2Tim 3*'2-4 ongeregtigbeid, hoererij,boosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid ; 30 oorblazers, achterklappers, haters van God, smaders, hoovaardigen, laatdunken-den, uitvinders van kwade dingen, den ouders ongeboor-zaam; 31 onverstandigen, verbond-brekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, on-barmhartigen: 32 dewelke daar zij het regt Gods weten, {namelijk dat H. 2:2. degenen die zulke dingen doen des doods waardig zijn), niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen die ze doen. |
HOOFDSTUK 2. 1 Daarom zijt gij niette ver-ontscbuldigen o mensch, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij u-zelven; want gij die anderen oordeelt doet dezelfde dingen. 2 En wij weten dat bet oordeel Gods naar waarheid is over degenen die zulke dingen doen: 3 en denkt gij dit, o menscb, die oordeelt degenen die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden? 4 Of veracht gij den rijkdom zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoe- dio-heid, niet wetende datde2Pet.3 . . Lc 13 goedertierenheid Gods u tot bekeering leidt? 5 Maar naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij uzelven toorn als een schat in den dag des toorns en der openbaring van bet regtvaar-dig oordeel Gods, 6 welke een iegelijk vergel- Ps. 62:13!;. den zal naar zijne werken; 7 dengenen wel, die met volharding in goeddoen heerlijkheid en eer en onverder-felijkbeid zoeken, het eeuwige leven; 8 maar dengenen die twist- 2 Th. 1:8. j gierig zijn, en die der waar- beid ongehoorzaam docb der ongeregtigbeid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden: 9 verdrukking en benaauwd-beid over alle ziele des men- H. 1 H. 14: Mt. 7: 10; 1.2. H. 1 2 Kr. Hd. 1 9,15: j : 6-9. i Mt.2 Jh.5 H. H. |
ROMEINEN 2.
283
|
sclien die liet kwade werkt, h. 1:166. eerst van den Jood, en ooJc van den Griek; 10 maar lieerlijklieid en eer en vrede een iegelijk die liet h. 1:166. goede werkt, eerst den Jood, en ook den Griek. 2Kr.i9:76; H Want er is seen aanne-hd. 10:34. . , 0 , , mmg des persoons bij {;rod. 12 Want zoovelen als er zonder wet gezondigd liebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zoovelen als er onder de wet gezondigd kebben, zullen door de wet geoordeeld worden: jc. 1:22. X3 (want de hoorders der wet zijn niet regtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen geregtvaardigd worden; 14 want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die der wet zijn, deze de wet niet hebbende zijn zich-zelven een wet, 15 als die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten, hunne conscientie medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ont-schuldigende): mt. 25:31-46; 16 in den dag wanneer Jii.o.28,20. q0(2 de verborgen dingen der menschen zal oordeelen door h. 16:25. Jezus Christus, naar mijn evangelie. 17 Zie, gij wordt een Jood H. 9:4,5. genaamd, en rust op de wet, en roemt op God; 18 en gij weet zijnen wil, en beproeft de dingen die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet; â : 10; :1.2. : 9,15:1 : 6-9.1 â AU. 1:8. |
19 en gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blin- Mt. 15:14. den, een licht dergenen die in duisternis zijn, 20 een onderrigterderonwij-zen en een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet: 21 die dan een ander leert, Mt. 23:2,3. leert gij uzelven niet? Die predikt dat men niet stelen zal, steelt gij ? 22 Die zegt dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige? 28 Die op de wet roemt, onteert gij God door de overtreding der wet? 24 Want de naam Gods Jes. 52:5; li i. ⢠i Ez. 36 â¢.22,23. wordt om uwentwil ge- ' lasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is. 25 Want de besnijdenis is wel nut indien gij de wet doet, maar indien gij een overtreder der wet zijt, zoo ICor. 7:19. is uwe besnijdenis voorhuid geworden. 26 Indien dan de voorhuid de regten der wet bewaart, zal niet zijne voorhuid tot een besnijdenis gerekend worden, 27 en zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt u niet oordeelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt? 28 Want die is niet een Jh. 8:39. Jood, die 't in 't openbaar is, noch die is de besnijdenis. I I' | (I â M Ml |
2
ROMEINEN 3.
284
|
die 't in 't openbaar in liet vleescli is; 39 maar die is een Jood, die 't in 't verborgen is; en de besnijdenis des liarten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is nit de mensohen maar uit God. Fil. 3:3; Col. 2:41; Dt. 10:16; Jer. 4:4. H. 9:4; Ps. 147; 19, 20. H. 9: HOOFDSTUK 3. 1 Welk is dan liet voordeel van den Jood, of welke is de nuttigheid der besnijdenis? 2 Yeel in alle manier. Want dit is wel liet eerste, dat liun de woorden Gods zijn toebe-trouwd. 3 Want wat is 't, al zijn sommigen ongeloovig ge- 2 Tim, 2; 13. weest ? Zal Imnne ongeloovig-lieid liet geloof Gods tenietdoen? 4 Dat zij verre; doek God Tit. 1:2. zij waarachtig, maar alle menscli leugenaclitig, gelijk Ps. 51:66. alsgesclirevenis: Opdat gij geregtvaardigd wordt in uwe woorden, en overwint wanneer gij oordeelt. 5 Indien nu onze ongereg-tiglieid Gods geregtiglieid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onregtvaardig als bij toorn over ons brengt? (ik spreek naar den menscli:) 6 dat zij verre; anders lioe zal God de wereld oordeelen? 7 Want indien de waarheid Gods door mijne leugen overvloediger is geworden tot zijne heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld. |
8 en zeggen toij niet lieve (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen dat wij zeggen): Laat ons het h. 6; L kwade doen, opdat het goede daaruit kome? Welker verdoemenis regtvaardig is. 9 Wat dan? Zijn wij uit-nemender? Ganschelijk niet; want wij hebben tevoren be- h. 2:12, schuldigdbeide Joden enGrie- ken, dat ze allen onder de h. li: 32; i ., Gal. 3:21 zonde zijn, 10 gelijk geschreven is: Er ps.i4:2,3; is niemand regtvaar- 53:4-dig, ook niet één; 11 er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt; 12 allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden, er is niemand die goeddoet, er is er ook niet tot één toe; 13 hun keel is een ps. 5:10; , p . , 140â 4 geopend grai; met hun- quot; ne tongen plegen zij bedrog; slangevenijn is onder hunne lippen; 14 welker mond vol is Ps. 10:7. van vervloeking en bitterheid; 15 hunne voeten snel om bloed te gieten; 16 vernieling en ellende is in hunne wegen, 17 en den weg des vre-des hebben zij niet gekend: 18 er is geen vreeze ps.36:2i;-Gods voor hunne oogen. 19 Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt Zij HJeï..59:7.S; ver- sPr-1:la |
ROMEINEN i.
385
|
tot degenen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde en de g-elieele wereld voor God verdoemelijk zij: r,a\ 2:16- 20 daarom zal uit de werken Ps. 143 ;2. (|er we^ geen vleesch geregt-vaardigd worden voor hem; H. 7:7, want door de wet is dekennis der zonde. h. 1:17. 21 Maar nn is de regtvaar-diglieid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten : 33 namelijk de regtvaardig-heid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en h. 10:12. over allen die gelooven; want er is geen onderscheid. 33 Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, 34 en worden omniet ge-Ef. 2:8. regtvaardigd uit zijne genade door de verlossing die in Christus Jezus is, uh. 2:2; 35 welken God voorgesteld - Gores': 21. heeft tot een verzoening door het geloof in zijn bloed, tot een betooning van zijne regt-vaardigheid door de vergeving der zonden, die tevoren ïid. 17:30. geschied z^jn onder de verdraagzaamheid Gods, 26 tot een betooning van zijne regtvaardigheid in dezen te-genwoordigen tijd; opdat hij regtvaardig zij, en regtvaar-digende dengeen die uit het geloof van Jezus is. Sf. 2:9, 37 Waar is dan de roem? liij is uitgesloten. Door wat wet? Der werken? Neen, maar door de wet des geloofs. 38 Wij besluiten dan dat de |
mensch door het geloof ge- Gal. 2: ig. regtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. 39 Is God een God der Joden alleen, en is hij 't niet ook der heidenen? Ja ookRora. 4:11; der heidenen; 30 naardemaal hij een éénig God is, die de besnijdenis regtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof. 31 Doen wij dan de wet teniet door het geloof? Dat zij verre, maar wij bevestigen de wet. HOOFDSTUK 4. 1 Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham onze vader verkregen heeft naar het vleesch ? 2 Want indien Abraham uit de werken geregtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde Gen. 15:6; /~ii i i. * i Gal. 316; God, en het is h em ge- jc. 2:23. rekend tot regtvaardig- hei d. 4 Nu, dengeen die werkt wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld; 5 doch dengeen die niet werkt, maar gelooft in hem die den goddelooze regtvaar-digt, wordt zijn geloof gerekend tot regtvaardigheid, 6 gelijk ook David den mensch zaligspreekt welken God de regtvaardigheid toerekent zonder werken, 7 zeggende: Zalig zijn ze Ps. 32:1,2. |
ROMEINEN 4.
geworden en de beloftenis tenietgedaan.
15 Want de wet werkt toorn;
want waar geen wet is daar H. 5:13,20;
. i o.
is ook geen overtreding.
16 Daarom is ze uit het geloof, opdat ze zij naar gena-| de, teneinde de belofte vast ; zij voor al het nageslacht,
niet alleen dat uit de wet is,
maar ook dat uit het geloof Gal. 3; 9. | 1 Abrahams is, welke is een
vader van ons allen,
' 17 (gelijk geschreven staat:
j Ik heb u tot een vader Gen.n:5. | van vele volken ge-! steld;) voor hem aan wel-! ken hij geloofd heeft, na-1 melijk God die de dooden 1 levendmaakt, en roept de din-' gen die niet zijn alsot ze waren.
18 Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zoude worden een vader van vele volken, volgens 't geen o-ezeffd was: Alzóó zal uw Gen. 15:5.
o O
nakroost wezen;
19 en niet verzwakt zijnde in 't geloof, heeft hij zijn eigen ligehaam niet aangemerkt dat aireede verstorven was, alzooGen. 17:1quot;. hij omtrent honderd jaren oud
was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was;
20 en hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in 't geloof,
gevende God de eer,
21 en ten volle verzekerd Heb. U: zijnde dat hij ook magtigwas 17, la te doen hetgeen beloofd was.
22 Daarom is het hem ook tot regtvaardigheid gerekend.
: Ef. 2
! 3:
Kom.
Jc. 1:
â Vs. 1 Pet.
zijn,
8 zalig is de man welken de Heer de zonde niet toerekent.
9 Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis of ook over de voor-
Vs. 3. huid? Want wij zeggen dat aan Abraham het geloof gerekend is tot regtvaardigheid.
10 Hoe is 't hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.
Gen. n Ai. 11 En hij heeft het teeken der besnijdenis ontvangen M een zegel der regtvaardigheid des geloofs, die Item in de voorhuid was toegerekend, opdat hij zoude zijn een vader van allen die gelooven in de voorhuid zijnde, teneinde ook hun de regtvaardigheid toegerekend worde,
12 en een vader der besnijdenis, dengenen namelijk die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen desgeloofs van onzen vader Abraham, 't welk in de voorhuid was.
13 Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn nageslacht cjeschied, na-
Gen. 22 ; melijk dat hij een erfgenaam
.n, 18. (|e[. Wereld zoude zijn, maar door de regtvaardigheid des geloofs.
Gal. 3:18. 14 Want indien degenen die uit de wet zijn erfgenamen zijn, zoo is het geloof ijdel
286
welker ongeregtighe-den vergeven zijn en welker zonden bedekt
Gen.
I
ROMEINEN 3.
287
|
23 Nu is 't niet alleen om zijnentwil gesclireven, dat liet Gen. 15:6. hem toegerekend is, 24 maar ook om onzentwil, welken liet zal toegerekend worden, namelijk dengenen die gel ooven in hem die Jezus onzen Heer uit de dooc.en opgewekt heeft, 25 welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze regtvaardigmaking. 3:9. 1.17:5. 17, 18. HOOFDSTUK 5. 1 Wij dan geregtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heer Jezus Christus; â Ef. 2:18; 2 door welken wij ook de 3:12. toeleiding hebben door 't geloof tot deze genade in welke Bom. 8:18. wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. 3 En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen , wetende dat de n. 15:5. 'rc- 1:2' 3' verdrukking lijdzaamheid werkt, 4 en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop; 5 en de hoop beschaamt :n. 17:1quot;. li n^' om(iat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest die ons is gegeven, vs. 8; 6 Want Christus, als wij 1 Pet. 3 18. n0g. krachteloos waren, is te zijner tijd voor de goddeloo-zen gestorven. 7 Want naauwelijks zal ie-Heb u: mand voor een regtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven; 8 maar God bevestigt zijne 13,20; |
liefde jegens ons, dat Chris- h. 8:32; tus voor ons gestorven is als / wij nog zondaars waren: 9 veelmeer dan, zijnde nu geregtvaardigd door zijn bloed, zullen wij door hem behouden worden van den toorn. 10 Want indien wij vijanden zijnde met God verzoend zijn door den dood zijns Zoons, veelmeer zullen wij verzoend zijnde behouden worden door zijn leven; 11 en niet alleen dit, maar wij roemen ook in God door H. 8 :3ó-3a onzen Heer Jezus Christus, door welken wij nu de verzoening gekregen hebben. 12 Daarom gelijk door éénen menseh de zonde in de we- Gen. 2 : 17; reld ingekomen is, en door 3-6'19-de zonde de dood, en alzóo de dood tot alle mensehen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben; 13 want tot de wet was de zonde in de wereld; maar do zonde wordt niet toegere- ^ kend als er geen wet is; 14 maar de dood heeft ge-heerseht van Adam tot Mo-zes toe, ook over degenen die niet gezondigd hadden inde gelijkheid der overtreding- van Adam, welke een voor-lCor.i5:45. beeld is desgenen die komen zoude. 15 Doch niet gelijk demisdaad, alzóo is ook de genadegift. Want indien door de misdaad van éénen velen gestorven zijn, zoo is veelmeer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van éénen mensch Jezus Chris- |
ROMEINEN 6.
288
|
tus, overvloedig geweest over velen. 16 En niet gelijk de schuld was door den éénen die gezondigd lieeft, alzóó is de gift. Want de solmld is wel uit ééne misdaad tot verdoemenis , maar de genadegift is uit vele misdaden tot regt-vaardigmaking. 17 Want indien door de misdaad van éénen dé doöd geteersclit heeft door dien éénen, veelmeer zullen degenen die den overvloed der genade en der gave der regt-vaardigheid ontvangen, in liet leven heersclien door dien éénen, namelijk Jezus Christus. iCor.i5:22. 18 Zoo dan gelijk door ééne misdaad de schuld gel-omen is over alle menschen tot verdoemenis, alzoo ook door ééne regtvaardigbeid komt de genade over alle menschen tot regtvaardigmaking des levens ; 19 want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensoh velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzóó zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen tot regtvaardigen gesteld worden. 20 Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de H. 4:15; misdaad te meerder worde: en waar de zonde meerder Gal. 3:19. . . geworden is, daar is de ge-nade veel meer overvloedig geweest; 21 opdat gelijk de zonde ge-heerscht heeft tot den dood, |
alzóó ook de genade zoude heersclien door regtvaardig-heid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heer. HOOFDSTUK 6. 1 Wat zullen wij dan zeggen ? Zullen wij in de zonde h. 3: a j blijven, opdat de genade te meerder worde? 2 Dat zij verre. Wij die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven ? 3 Of weet gij niet, dat zoo- velen als wij in Christus Je- Gal. 3:21 zus gedoopt zijn, wij in fijnen dood gedoopt zijn? 4 Wij zijn dan met hem Col. 2:ii| begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot de heerlijkheid des Yaders, alzóó ook wij in nieuwheid des levens wan- Ef. 4:23,24; delen zouden. Co1' 3:10' 5 W ant indien wij met hem ééne plant geworden zijn in de gelijkmaking zijns doods, fü. 3:io. zoo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking zijner opstanding, 6 dit wetende dat onze oude mensch met hem ge- Ef. 4 22: kruisigd is, opdat het lig- Gal. 2:20. chaam der zonde tenietgedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen; 7 want wie gestorven is, 1 pet. 4:1 die is geregtvaardigd van de zonde. 8 Indien wij nu met Chris- 2 Tim. 2:». tus gestorven zijn, zoo ge-looven wij dat wij ook met hem zullen leven, Ãp. 1:18: Beb. 10:1 Vs. 19 H. 12: Gal. |
ROMEINEN 7.
3S9
|
9 wetende dat Christus opgewekt zijnde uit de dooden niet meer sterft: de dood heerscht niet meer over hem. 10 Want wat Mj gestorven is, dat is hij der zonde éénmaal gestorven; en wat hij leeft, dat leeft hij Gode. 11 Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onzen Heer. 13 Dat dan de zonde niet heersche in uw sterfelijk lig-chaam, om haar te gehoorzamen in deszelfs begeerlijkheden ; 13 en stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongeregtigheid, maar stelt uzelve Gode als uit de dooden levend geworden zijnde, en stelt uwe leden Gode tot wapenen der geregtigheid. 14 Want de zonde zal over u niet heersohen; want gij zijt Gal. 5:18. niet onder de wet maar onder de genade. 15 Wat dan? Zullen wij zondigen , omdat wij niet zijn onder de wet maar onder de genade? Dat zij verre. 16 Weet gij niet, dat wien gij uzelve stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen wien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood, óf der gehoorzaamheid tot geregtigheid? 17 Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam gewor-j den zijt aan het voorbeeld : der leer tot hetwelk gij over-1 gegeven zijt, 4:18; 10:12.; r. 3:8. 1. 3:27, . 2:12. , 19: 12:1. : 23,21: 3:10. 3:10. i: 20. 4:1 |
18 en vrijgemaakt zijnde i van de zonde, zijt gemaakt j dienstknechten der geregtig-! lieid. 19 Ik spreek op mensche-lijke wijs, om den wil der zwakheid uws vleesches; want gelijk gij uwe leden gesteld Vs. 13. hebt om dienstbaar te zijn der onreinigheid en der ongeregtigheid tot ongeregtigheid , alzóó stelt nu uwe leden om dienstbaar te zijn der geregtigheid tot heiligmaking. 30 Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van de geregtigheid. 31 Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen waarover gij u nu schaamt? Want hetH. 7: 5;8:6; einde derzelve is de dood. Fil-3:19- 32 Maar nu van de zonde vrijgemaakt zijnde , en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot hei-1 Pet. 1:9. ligmaking, en het einde het eeuwige leven. 33 Want de bezoldiging der h. 5:12; zonde is de dood, maar de Jc-1:15-genadegift Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heer. HOOFDSTUK 7. 1 Weet gij niet broeders, (want ik spreek tot degenen die de wet verstaan), dat de wet heerscht over den mensch zoolangen tijd als hij leeft? 3 Want een vrouw die onder 19 |
: 11.
ROMEINEN 7.
390
|
den man staat is aan den 1 Cor. 7:39. levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. 3 Daarom dan indien zij eens anderen mans wordt terwijl de man leeft, zoo zal zij een Mt. 5:32. overspeelster genaamd worden ; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrij van de wet, alzoodatzij gèen overspeelster is als zij eens anderen mans wordt. 4 Zoo dan mijne broeders, Gal. 2:19,20. gij zijt ook der wet gedood door bet ligcbaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens anderen, namelijk desgenen die van de dooden opgewekt is, opdat wij Grode vruchten dragen zouden. 5 Want toen wij in liet vleeseb waren, werkten de bewegingen der zonden die door de wet zijn in onze leden, om Jc. 1; 15. den dood vruchten te dragen; 6 maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn onder welken wij gehouden waren, 2 Cor. 3; 6. alzoo dat wij dienen in nieuw heid des geestes, en niet in de oudheid der letter. 7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat H. 3:20. zij verre; ja ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn. Ex. 20; 17. indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeeren. 8 Maar de zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewerkt; want zonder de wet is de zonde h.4;15;ö: dood. |
9 En zonder de wet, zoo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zoo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven , 10 en het gebod dat ten leven was, 't zelve is mij ten dood bevonden. 11 Want de zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid en door hetzelve gedood. 13 Alzoo is dan de weti Tim. i heilig, en het gebod is heilig en regtvaardig en goed. 13 Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre; maar de zonde is mij de dood geworden, opdat zij zoude openbaar worden zonde te zijn, werkende mij door het goede den dood, opdat de zonde bovenmate wierd zondigende door het gebod. 14 Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde. 15 Want 't geen ik doe, dat ken ik niet; want 't geen ik wil, dat doe ik niet, maar 't geen ik haat, dat doe ik. 16 En indien ik 't gene doe dat ik niet wil, zoo stem ik de wet toe dat zij goed is: 17 ik dan doe datzeive nu niet meer, maar de zonde die in mij woont. 18 Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont. Want het wil- |
EOMEINEN 8.
391
|
len is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet; 19 want liet goede dat ik wil doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. 20 Indien ik 't gene doe dat ik niet wil, zoo doe ik nu 't zelve niet meer, maar de zonde die in mij woont. 21 Zoo vind ik dan deze wet in mij, als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt; 22 want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch. Vs. is. 23 maar ik zie een andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde die in mijne leden is. 24 Ik ellendig mensch, wie j zal mij verlossen uit het lig-chaam dezes doods? |i Cor. 15:57. 25 Ik dank God door Jezus Christus onzen Heer. 26 Zoo dan ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vleesch de wet der zonde. HOOFDSTUK 8. 1 Zoo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest. 2 Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus Jb.8:36; heeft mij vrijgemaakt van de Gal. 5:1. (Jgj. zon^e en Jgg (looc[s. |
3 Want 't geen der wet onmogelijk was, dewijl zij door Gal. quot;: 21. het vleesch krachteloos was, heeft God zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zon- Fil. 2:7. digen vleesches, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch; 4 opdat het regt der wet vervuld zoude worden in ons, die niet naar het vleesch wan- Gal. 5:18. delen maar naar den Geest. 5 Want wie naar het vleesch zijn bedenken wat des vleesches is, maar wie naar den Geest zijn bedenken wat des Geestes is; 6 want het bedenken des vleesches is de dood, maar h. 6:21. het bedenken des Geestes is het leven en vrede; 7 daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet; 8 en wie in het vleesch zijn kunnen Gode niet behagen. 9 Doch gijlieden zijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo namelijk de Geest Gods 1 Cor. 3:16. in u woont; maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe. 10 En indien Christus in u-lieden is, zoo is wel het lig-chaam dood om der zonde wil, maar de geest is leven om der geregtigheid wil. 11 En indien de Geest desgenen die Jezus uit de dooden opgewekt heeft in u woont, zoo zal hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, 1 Cor. 6:14. ook uwe sterfelijke ligchamen |
KOMEESTEN 8.
293
Fil. 3:21a. leveiulmakendoor zijnen Geest
die in u woont.
12 Zoo dan broeders, wij zijn scliuldenaars niet aan liet Tleesoli om naar het vleescli te leven.
Vs. 6. 13 Want indien gij naar liet vleescli leeft, zoo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des ligcliaams doodt, zoo zult gij leven.
14 quot;Want zoo velen als er door den Geest Gods geleid
Gal. 3;2ö. worden, die zijn kinderen Gods.
15 Want gij liebt niet ontvangen den geest der dienst-baarlieid wederom tot vrees,
Gal. 4:6: maar gij liel:,t ontvangen den 2 Tim. i :*7. Q-gest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, quot;Vader!
â¢2 Cor.l: 22; 16 Deze Geest getuigt met Et. I:!3'14. onZen geest dat wij kinderen Gods zijn;
Gal. 4:7. 17 en indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Cliris-tus; zoo wij namelijk met 2 Tim. 2: hem lijden, opdat wij ook met 11'12- hem verheerlijkt worden.
18 Want ik boud 't daar-2 Cor.4:17: T00rgt; dat bet lijden dezes ïpet. 4:13. tegenwoordigen tijds als niets
is te waarderen tegen de beerlijkbeid die aan ons zal geopenbaard worden.
19 Want bet schepsel, als 2Pet.3:i2,i3. met opgestoken hoofd, verwacht de openbaring der kinderen Gods.
20 Want het schepsel is der ij delheid onderworpen.
niet gewillig, maar om diens wil die het der ijdeUieid onderworpen heeft;
21 op hoop dat ook bet schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods.
22 Want wij weten dat het gansche schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe.
23 En niet alleen dit, maar ook wij zelve die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelve zeg ik zuchten in onszelve, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes ligchaams.
24 Wrant wij zij n in hope zalig
o-eworden. De hoop nu c.ie ⢠⢠1 gezien wordt is geen uoop;
want 't geen iemand ziet,
waarom zal hij 't ook hopen ?
25 Maar indien wij hopen 't geen wij niet zien, zoo verwachten wij 't met lijdzaamheid.
26 En desgelijks komt cok de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen;
27 en die de harten doorzoekt , weet welke de meening des Geestes zij, dewijl hij naar God voor de heiligen bidt.
28 En wij weten, dat dengenen die God liefhebben
2 Gor.5:2. 1 Gor.15 53, 54,
2Gor. 5:Ã
H. 5:
EOMEINEN 9.
293
|
om diens dheid on- ook het ijgemaakt tbaarlieicl t de vrij-dieid der n dat liet tezamen ds in ba-toe. dit, maar ie eerste-i hebben, i zuchten 2cor-5:,',. litende de 1 Cor'1 H. 5:8; 'Jh. 3:16; . jh. 4:9. Jes. 50:8. 1 Pet. 3:22. Heb. 7; 25. Vs. 39. 8 Cor. 6:4,5. 53, 54, eren, nans onzes liope zalig p nu die 2Cor. 5:i sen hoop; and ziet, )k hopen ? rvij hopen zien, zoo met lijd- komt cok wakheden wij weten en zullen maar de r ons met erzuchtin- rten door-s meening ie wijl hij i heiligen dat den- h. 5: iefhebben 1 Cor. 15:49 Col. 1 :18. |
alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen die naar zijn voornemen geroepen zijn. 29 Want die hij tevoren gekend heeft, die heeft hij ook tevoren verordineerd den beelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broederen; 30 en die hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft hij ook geroepen; en die hij geroepen heeft, deze heeft hij ook geregtvaardigd; en die hij geregtvaardigd heeft, deze heeft hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen ? Zoo God vóór ons is, wie zal tégen ons zijn? 32 Die ook zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft hem voor ons allen overgegeven , hoe zal hij ons ook met hem niet alle dingen schenken ? 33 Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is 't die regtvaardig maakt. 34 Wie is 't die verdoemt? Christus is 't die gestorven is, ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter reg-tamp;chand Gods is, die ook voor ons bidt. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benaauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard ? |
36 (gelijk geschreven is: Want om uwentwil^®,-44;2?; 2 Cor. 4:11. worden wij den gan-schen dag gedood, wij zijn geacht als schapen der slag ting.) 37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door hem die ons liefgehad heeft. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch magten noch tegenwoordige noch toekomende dingen, 39 noch hoogte noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de Vs.35. liefde Gods welke is in Christus Jezus onzen Heer. HOOFDSTUK 9. 1 Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet, (mijn1; conscientie mij mede-getui-1 Tim. 2: 7. genis gevende door den Heiligen Geest), 2 dat het mij een groote droefheid en mijn hart een gedurige smart is. 3 Want ik zoude zelf roei h. 10:1; wenschen verbannen te zijn Ex' 32:32-van Chrisius voor mijne broederen, die mijn maagschap zijn naar het vleesch; 4 welke Israeliten zijn, welker is de aanneming tot kin- h. 3:1,2; deren, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloftenissen; 5 welker zijn de vaderen, en uit welke Christus is zoo- h. 1:3. veel het vleesch aana-aat. de- |
1
ROMEINEN 9.
294
|
welke is God boven allen te | prijzen in eeuwiglieid, amen. h. 3:3; 6 Doch ik zeq dit niet alsof 2 Tim. 2:13. ' liet woord Gods ware uitge- h. 2:28,29. vallen. Want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn; 7 nocli omdat zij Abraliams kroost zijn, zijn zij allen kin- Gen. 21; 12; deren, maar, In Isaak zal Heb. ll;l8.u genoemd worden; 8 dat is, niet de kinderen des vleesclies, die zijn kinderen Gods; maar de kin- Gal. 4:28. deren der beloftenis worden voor bet kroost gerekend. 9 Want dit is bet woord Gen. 18:10. der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal ik komen, en Sara zal een zoon bebben. 10 En niet alleen deze, maar Gen. 25; 21. ook Eebekka is daarvan een bewijs, als zij uit éénen be-vrucbt was, namelijk Isaiik onzen vader. 11 Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat bet voornemen Gods dat naar de verkiezing is m^bleve, niet uit de werken maar uit den roepende, 13 zoo werd tot baar gezegd; Gen. 25;23.De meerdere zal den mindere dienen; 13 gelijk geschreven is: Mal. 1:2, 3. Jakob beb ik liefgehad, en Esau heb ik gebaat. 14 Wat zullen wij dan zeggen? Is er onregtvaardigheid bij God? Dat zij verre. 15 Want hij zegt tot Mozes; Ex. 33:196.Ik zal mij ontfermen wiens ik mij ontferm, |
en zal barmhartig zijn wien ik barmhartig be n. 16 Zoo is 't dan niet desgenen die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. 17 Want de Schrift zegt tot Earao: Hiertoe heb ik u Ex. 9:16.1 verwekt, opdat ik in u mijne kracht bewijzen zoude, en opdat mijn naam verkondigd worde op de ganscbe aarde. 18 Zoo ontfermt hij zich dan wiens hij wil, en verhardt Ex. 7:3. wien bij wil. 19 Gij zult dan tot mij zeggen; Wat klaagt bij dan nogquot;: want wie beeft zijnen wil wederstaan? 20 Maar toch, o mensch, wie zijt gij die tegen God antwoordt? Zal ook bet maak- .i es. 45:9: sel tot dengeen die 't gemaakt Ter'ls: 15 beeft zeggen; Waarom hebt gij mij alzoo gemaakt? 21 Of beeft de pottebakker geen magt over bet leem, om uit denzelfden klomp te maken bet eene vat ter eere en 2 Tim. 2: bet andere ter oneere? 22 En of God willende zijnen toorn bewijzen en zijne magt bekendmaken, met veel lankmoedigheid verdragen beeft de vaten des toorns, tot bet verderf toebereid; 23 en opdat bij zoude bekendmaken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die hij tevoren bereid heeft tot heerlijkheid? Hos. i 1 Pet. ! Jes.lO: Jes. |
ROMEINEN 10.
295
|
34 Welke hij ook geroepen ] lieeft, namélijTe ons, niet alleen uit de Joden maar ook uit de lieidenen: 25 gelijk liij ook in Hoséa Hos.2:22. zegt: Ik zal 't geen mijn volk niet was mijn volk noemen, en die niet bemind was mijne beminde; Hos. 1:106. 26 en liet zal zijn in i Pet. 2:10.^e piaats waar tot lien gezegd was: Gij lie den zijt mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Grods genaamd worden. 27 En Jesaja roept over Is-Jes.10:22,23.rael: Al ware liet getal der kin de ren Israels gelijk bet zand der zee, zoo zal bet overblijfsel bebouden worden. 28 Want bij voleindt een zaak en snijdt ze af'in regtvaardiglieid; want de Heer zal een afgesneden zaak doen op de aarde. 29 En gelijk Jesaja tevoren Jes. 1:9. gezegd beeft: Indien de Heer Zebaótb ons geen kroost bad overgelaten, zoo waren wij als Sodom geworden, en Gomor-ra gelijkgemaakt geweest. 30 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de beidenen, die de regtvaardigbeid niet zochten, de regtvaardigbeid verkregen bebben, docb de regt- 1 vaardigheid die uit bet ge- j loof is; h. ii:7. 31 maar Israel, dat de wet ! |
der regtvaardigbeid zocbt, is tot de wet der regtvaardigbeid niet gekomen. 83 Waarom? Omdat ze die zochten niet uit bet geloof, maar als uit de werken der wet; want zij bebbenzicbge-stooten aan den steen des aanstoots , 33 gelijk gesebreven is: Zie, ik leg in Sion een Jes. 8:14; steen des aanstoots en 1 pgt:1|.;6 een rots der ergernis, en een iegelijk die in bem gelooft zal niet beschaamd worden. HOOFDSTUK 10. 1 Broeders, de toegenegenheid mijns harten en het gebed dat ih tot God voor Israel doe, is tot toiwe zaligheid. 2 Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God Hd. 22:3. hebben, maar niet met verstand. 3 Want alzoo zij de regt- Fil. 3:9. vaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen geregtig- heid zoeken opterigten, zoo zijn zij der regtvaardigbeid Gods niet onderworpen. 4 Want het einde der wet is Gal. 3:24. Christus, tot regtvaardigbeid een iegelijk die gelooft. 5 Want Mozes beschrijft de regtvaardigbeid die uit de wet is, zeggende: De mensch QeJ g®^|; die deze dingen doet zal door dezelve leven. 6 Maar de regtvaardigbeid die uit het geloof is spreekt aldus: Zeg niet in uw Dt.30:11-14. hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Dat |
KOMEINEN 11.
296
|
is Christus van hoven afbrengen. 7 Of wie zal in den afgrond nederdalen? Dat is Christus nit de dooden opbrengen. 8 Maar wat zegt ze ? N a-bij u is het woord, in uwen mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs 't welk wij prediken: 9 namelijk, indien gij met uwen mond zult belijden den Heer Jezus, en met uw hart gelooven dat God hem uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden; 10 want met het hart gelooft men ter regtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid. 11 Want de Schrift zegt: Jes.2èfl6kEen ieoelijk die in ^em gelooft, die zal niet beschaamd worden. h. 3:226,29; 12 Want er is geen onder-^'is-g4,35'scheid noch van Jood noch van Griek; want dezelfde is Heer van allen, rijk zijnde over allen die hem aanroepen. Joel 2:32; 13 Want een iegelijk Hd.quot;2:21. 1 ⢠! J XT die den naam des Hee- ren zal aanroepen, zal zalig worden. 14 Hoe zullen zij dan hem aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben ? En hoe zullen zij in hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij hoo-ren, zonder wie hun predikt? 15 En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk ge- Jes. 52:7. schreven is: Hoe liefelijk |
zijn de voeten dergenen die vrede verkondigen, dergenen die het goede verkondigen! 16 Doch zij zijn niet allen het evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heer, wie heeft onze jes.53;i;i prediking geloofd? 17 Zoo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods. 18 Maar ik zeg: hebben zij 't niet gehoord: Ja toch, hun Ps. 19:5, geluid is over de gehee-le aarde uitgegaan, en hunne woorden tot de einden der wereld. 19 Maar ik zeg: heeft Israel het niet verstaan ? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot Dt. 32:21; jaloersehheid verwekken door d eg enen die geen volk zijn, door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken. 20 En Jesaja verstout zich en zegt: Ik ben gevon- Jes. 65:1. den van degenen die mij niet zochten, ik ben openbaar geworden dengenen die naar mij niet vraagden. 21 Maar tegen Israel zegt hij: Den geheelen dag Jes. 6ö:2, heb ik mijne handen uitgestrekt tot een or-gehoorzaam en tegensprekend volk. HOOFDSTUK 11. 1 Ik zeg dan: heeft God j^;9^'37. zijn volk verstoeten? Dat zii 9 Cor 11' 22. verre; want ik ben óók eenquot;Fii.'3:5r |
ROMEINEN 11.
297
|
Israeliet, uit liet geslacht A-braliams , van den stam Een-jamin. 3 God heeft zijn volk niet verstooten, 't welk hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet wat de Schrift zegt van Elia? hoe hij Grod aanspreekt tegen Israel, zeggende : 11Kon. 19:10. 3 Heer, zij hebben uwe profeten gedood en uwe altaren omgeworpen, en ik ben alleen overgebleven, en zij zoeken mijne ziel. 4 Maar wat zegt tot hem 1 Kon. 19; 18. het Goddelijk antwoord? Ik heb mij zeiven noy zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baiil niet gebogen hebb en. 5 Alzoo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd h. 9:27. een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. h. 4:4, 5. 6 En indien het door genade is, zoo is 't niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zoo is 't geen genade meer; anders is het werk geen werk meer. 7 Wat dan? Hetgeen Israel h. 9 : 30-32. zoekt, dat heeft het niet verkregen ; maar de uitverkorenen hebben 't verkregen, en de anderen zijn verhard geworden, Jes.29:10; 8 (gelijk geschreven is: God Dt. 29:4. t e e f t hun s: e o- e v e n |
een geest des diepen slaaps, oogen om niet te zien, en ooren om niet te hoeren), tot op den huidigen dag. 9 En David zegt: Hunps.69:23,24. tafel worde tot een strik en tot een val en tot een aanstoot en tot een vergelding voor hen; 10 dat hunne oogen verduisterd worden om niet te zien, en verkrom hunnen rug te allen tij de. 11 Zoo zeg ik dan: hebben zij gestruikeld opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hunnen val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersch- H. 10:19. beid te verwekken. 12 En indien hun val de rijkdom is der wereld, eu hunne vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel-temeer hunne volheid. 13 Want ik spreek tot u, heidenen: voor zooveel ik H-15:16; Hd. 22:21; der heidenen apostel ben, Gai. 1:16;' maak ik mijne bediening 2:8'9' heerlijk, 14 of ik soms mijn vleesch tot jaloerschheid verwekken en eenigen uit hen behouden mogt. 15 Want indien hunne verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de dooden? 16 En indien de eerste- Num. 13: lingen heilig zijn, zoo is ook het deeg heilig; en indien |
EOMEINEN 11.
298
|
de wortel lieilig is, zoo zijn ook de takken heilig. 17 En zoo eenige der takken afgebroken zijn, en gij een wilde olijfboom zijnde in derzei ver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettiglieid des olijfbooms inededeelachtig zijt geworden, 18 zoo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u. 19 Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zoude ingeënt worden. 20 't Is wèl; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door liet geloof. Wees niet liooggevoelende, maar Trees; 21 want is 't dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat Mj ook mogelijk u niet spare. 22 Zie dan de goedertierenheid en de gestrengheid Gods: de gestrengheid wel over degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij afgehouwen worden. 23 Maar ook zij, indien ze in liet ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is magtig dezelve weder inteëuten. 24 Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt, hoeveeltemeer zullen déze, die natuurlijke |
takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden! 25 Want ik wil niet, broeders, dat n deze verborgenheid onbekend zij, (opdat gij niet wijs zijt bij uzelve), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn; 26 en alzóó zal geheel Israel zalig worden; gelijk geschre- venis: De Verlosser zal Jes. 59;af| 27 * 9 uit Sion komen, en zal quot; quot; h. 16 de goddeloosheden afwenden van Jakob: 27 en dit is hun verbond van mij, als ikJ hunne zonden zal wegnemen. 28 Zoo zijn zij wel vijanden wat aangaat het evangelie, om uwentwil, maar wat aangaat de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil; 29 want de genadegiften en de roeping Gods zijn onbe-rouwelijk. 30 Want gelijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door de ongehoorzaamheid van deze, 31 alzóó zijn ook deze nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uwe barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen; 32 want God heeft ze allen H. 3:23; onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat hij hun allen zoude barmhartig zijn. 33 O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der ken- Jes. 40 1 Cor. 2 Job 41 | Cor. 6 3 n Jer.31:31-S Heb. H. 6 1 Pet Cor Gal. 3:21 ICoi Ef, / |
EOMEINEN 12.
299
|
nis Gods! Hoe ondoorzoeke- lijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen! jes. 40:13; 34 Want wie heeft den 4' Cor. 216. ⢠i quot;tjt i i zm des neeren gekend, of wie is zijn. raadsman geweest? job 41:2. 35 Of wie lieeft hem eerst gegeven, en Let zal kern wedervergol-den worden? | Cor. 8:6. 36 Want uit hem, en door reS97?9:2 hem, en tot hem zijn alle h. 16:27. dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. H. 6:13; HOOFDSTUK 12. 1 Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe ligchamen stelt iPet. 2:5. een levende, heilige e» Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst; i Jh. 2:15. 3 en wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieu-⢠wing uws gemoeds, opdat gij lp. 5:10,17. moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij. 3 Want door de genade die mij gegeven is zeg ik een iegelijk die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn, maar dat hij wijs zij tot matigheid, 1 Cor. 7:17. gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs fo«gedeeld 'i3^® heeft. li. 3:22j|i r-.iCor.i2:i2; 4 Want gelijk wij in één Ef'l^10'16,ligehaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werking hebben, 5 alzóó zijn wij velen één lig- er.31:31-;i [eb. 8:8-11 |
chaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden. 6 Hebbende nu verscheiden gaven, naar de genade die ons gegeven is, 7 zoo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leeren; 8 hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. 9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het booze, en hangt het goede aan. 10 Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde, met eere de één den ander voorgaande. 11 Zijt niet traag in 't benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heer. 12 Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. 13 Deelt mede tot de behoeften der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid. 14 Zegent ze die u vervolgen: zegent, en vervloekt niet. 15 Verblijdt u met de blijden, en weent met de weenenden. 16 Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hooge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelve. 17 Vergeldt niemand kwaad 1 Cor. 12: 4-11. Ef. 4:11: lPet.4:1041. 1 Pet. 1: 22. ITh.5:16,17. Lc. 18:1. 1 Cor. 16; 1. Heb. 13:2; 1 Pet. 4: 9. Mt. 5:44. 1 Th. 5:15: Mt. 5:38,39. |
EOMEINEN 13.
300
|
2 Cor. 8:21. voor kwaad. Bezorgt 't geen eerlijk is voor alle menscken. 18 Indien liet mogelijk is, Heb. 12:14. zooveel in u is, liondt vrede met alle mensclien. 19 Wreekt uzelve niet, beminden , maar geeft den toorn plaats; want er is gesclireven: Df' 3?n:3Si, Mii komt de wraak toe. Heb. 10:30. v J , ' ik zal t vergelden, zegt de Heer. Spr. 25: 30 Indien dan uwen 91 22 â¢â¢ni i * vijand hongert,zoo spij-zig tem; in dien liem dorst, zoo geef hem te drinken; want dat doende z n 11 g ij kolen vuur op zijn lioofd lioopen. 21 Word van liet kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door liet goede. HOOFDSTUK 13. 1 Pet. 2: 1 Alle ziele zij den magten Tit' a7 'l ovei' ^aar gesteld onderworpen; want er is geen magt Spr.8:15,16.dan van God, en de magten die er zijn, die zijn van God geordineerd: 3 alzoo dat wie zicli tegen de magt stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en wie ze wederstaan, zullen over zicli-zelve een oordeel lialen. 3 Want de oversten zijn niet tot een vrees den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de magt niet vreezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben, 4 want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaaddoet, zoo vrees, want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want |
zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene die kwaaddoet. 5 Daarom is 't noodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straf maar ook om der consoientie wil. 6 Want daarom betaalt gij ook schatting; want zij zijn dienaars Gods, hierin voortdurend bezig zijnde. 7 Zoo geeft dan een iegelijk mt22:2i. wat gij schuldig zij t, schatting wien gij de schatting, tol wien gij den tol, vrees wien gij de vrees, eer wien gij de eer sclmldiy zijt. 8 Zijt niemand iets schuldig, dan elkander liefteheb-ben; want wie den ander liefheeft, die heeft de wetMt.22:37-4ö. vervuld. 9 Want dit: Gij zultEx.20:i3-i7; geen overspel doen, gjj Mt 19:18.19- | zult niet dooden, gij zult niet stelen, gij zult geen valse he getuigenis geven, gij zult niet begeeren, en zoo er eenig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: lov.19;186; Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk uz elven. 10 De liefde doet den naaste geen kwaad: zoo is-i cor. 13:4; dan de liefde de vervulling1 Tim- 1;a der wet. 11 En dit zey ik temeer, de-i Th. 5:4-8; wijl wij de gelegenheid des Ef'5:11-14 tijds weten, dat het de ure is dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid |
ROMEINENquot; 14.
301
|
is ons nu nader dan toen wij het eerst geloofd hebben. 13 De naclit is voorbijgegaan en de dag is nabij gekomen : laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des liobts; 13 laat ons, als in den dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en dronkensoliap-pen, niet in slaapkameren en ontuchtiglieden, niet in twist en nijdigheid; Gal. 3:27. 14 maar doet aan den Heer Jezus Christus, en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden. HOOFDSTUK 14. ^O0.1^-^3' 1 Degeen nu die zwak is in h. 15; 1,7. 't geloof, neemt hem aan, maar niet tot twistige tezamenspre-kingen. 2 De één gelooft wel dat men alles eten mag, maar wie zwak is eet moeskruiden. 3 Wie eet verachte hem niet die niet eet, en wie niet eet oordeele hem niet die eet; want God heeft hem aangenomen. 4 Wie zijt gij die eens anders huisknecht oordeelt? Hij staat of hij valt zijnen eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is magtig hem vasttestellen. 5 De één acht wel den eenen dag boven den anderen dag, maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten-volle verzekerd. |
Vs. 236. 6 Wie den das waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en wie den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Col. 2: IC. Vs. 10; Jc. 4:12. Gal. 4:10. Wie eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en wie niet eet, die eet den Heere niet, en hij dankt God. 7 Want niemand van onsacor. 5:15; leeft zichzelven, en niemand 2 '20' sterft zichzelven; 8 want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere, hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere : hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren. 9 Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan en weder levend geworden, opdat hij beide over dooden en levenden heerschen zoude. 10 Maar gij, wat oordeelt gij vs. 4. uwen broeder? Of ook gij, wat veracht gij uwen broeder? Want wij zullen allen voor 2 Cor. 5:10. den regterstoel van Christus gesteld worden; 11 want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heer; ^«^5:23; voor mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. 12 Zoo dan een iegelijk van Gal. 6:5. ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven. 13 Laat ons dan elkander Mt. 7; 1. niet meer oordeelen; maar oordeelt dit liever, namelijk dat gii den broeder geen aan-1 Cor-10:32; , .5J , . 2 Cor. 6 3; stoot ot ergernis geelt. Mt. 18:6. 14 Ik weet en ben verzekerd in den Heer Jezus Chris- |
ROMEINEN 15.
302
|
Vs. 20; tus, dat seen dins onrein is Mt 15 ⢠11 ⢠⢠⢠⢠Hd.'io-is'; in zichzelf; dan wie acht iets 1 Tim. 4:4-onrein te zijn, dien is 't onrein. 15 Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zoo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien l Cor. 8:11. niet met uwe spijs, voor welken Christus gestorven is. 16 Dat dan uw goed niet gelasterd worde. 1 Cor. 8:8. 17 Want het koningrijk Grods is niet spijs en drank, maar regtvaardigheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. 18 Want wie Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk en aangenaam den menschen. 19 Zoo dan laat ons najagen 't geen tot den vrede en 't geen tot de stichting onder elkander dient. 30 Verbreek het werk Gods niet om der spijze wil. Alle Tit. 1:15. dingen zijn wel rein, maar het is kwaad voor den mensch die met aanstoot eet. 1 Cor. 8:13. 21 Het is goed geen vleesch te eten noch wijn te drinken, noch iets waaraan uw broeder zich stoot of geërgerd wordt, of waarin hij zwak is. 22 Hebt gij geloof, heb dat bij uzelven voor God: zalig is hij die zichzelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt. Vs. 56. 23 Maar wie twijfelt indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet; en alwat uit het geloof niet is, dat is zonde. |
HOOFDSTUK 15. 1 Maar wij die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden i c'or.VU der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen. 2 Dat dan een iegelijk van ons zijnen naaste behage ten i Cor. 10:33. goede, tot stichting. 3 Want ook Christus heeft zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De Ps.69:106. smaadheden dergenen die u smaden zijn op mij gevallen. 4 Want alwat tevoren geschreven is, dat is tot onze leering tevoren geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden. 5 Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind Fil. 2:2-4 zijt onder elkander naar Christus Jezus, 6 opdat gij eendragtig met éénen mond moogt verheerlijken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus. 7 Daarom neemt elkander h. 14:1. aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft tot de heerlijkheid Gods. 8 En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis vanwege de waarheid Gods, opdat hij bevestigen zoude de beloftenissen der vaderen, 9 en de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ?s. 18:Sa ik u belijden onder de |
KOMEINEN 15.
303
|
heidenen, en uwen naam lofzingen. 10 En wederom zegt liij: Dt. 32:43. Weest vrolijk gij heidenen met zijn volk. Ps. 117:1. 11 En wederom: Looft d en Heer alle gij heidenen, en prijst hem alle gij volk en. 12 En wederom zegt Jesa-Jes. 11:10; ja: Er zal zijn dewor-Mt. 12:21. j,ej van isai, en een die opstaat om over de heidenen te gebieden: op hem zullen de heidenen hopen. 18 De God nu der hope vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in 't gelooven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes. 14 Doch mijne broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelve vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, magtig om ook elkander te vermanen; 15 maar ik heb u eenigzins stoutmoediger geschreven, broeders, u als wederom dit indachtig makende, om de genade die mij van God gegeven is, 16 opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het evangelie Gods bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest. 17 Zoo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen die God aangaan. |
18 Want ik zoude niet durven iets zeggen, 't welk Christus door mij niet gewerkt heeft tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken, 19 door kracht van teekenen 2 Coi-. 12:12. en wonderen, en door de kracht van den Geest Gods, zoodat ik van Jeruzalem af en rondom, tot Illyrië toe, het evangelie van Christus vervuld heb; 20 en alzoo zeer begeerig geweest ben om het evangelie 2 Gor. 10:16. te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fundament zoude bouwen; 21 maar gelijk geschreven is: Denwelken van hem Je3.52:156. niet was geboodschapt, die zullen 't zien, en dewelke het niet gehoord hebben, die zullen 't verstaan. 22 Waarom ik ook menig- H. 1:9,13: maal verhinderd geweest ben tot u te komen; 23 maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en sedert vele jaren groot verlangen hebbende om tot u te komen, 24 zoo zal ik wanneer ik naar Spanje reis tot u komen; want ik hoop in 't doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder tegen-woordi/jJieid eenigzins verzadigd zal zijn. 25 Maar nu reis ik naar Hd.24;i7. Jeruzalem, dienende den heiligen. |
ROMEINEN 16.
304
|
lCor.16 :i-5' 26 Want liet lieeft dien van Cor. 8.1-4. ^j;ace(j0I1jg en Acliaje goed- gedocht, een algemeene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen die te Jeruzalem zijn. 27 Want het heeft liun zoo goedgedoclit; ook zijn zij liun- 1 Cor. 9:H;ne soliuldenaars; want indien Güi. 6. . heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zoo zijn zij ook schuldig hen van ligchame-lijke goederen te dienen. 28 Als ik dan dit volbragt en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zoo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen; 29 en ik weet dat ik tot u H. 1:15,16. komende, met vollen zegen des evangelies van Christus komen zal. 30 En ik bid u broeders, door onzen Heer Jezus Christus en door de liefde des 2 Th. 3:1.2. Geestes, dat gij met mij strij dt in de gebeden tot God voor mij; 31 opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorza-men in Judéa, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangegenaam zij den heiligen; 32 opdat ik met blijdschap door den wil Gods tot u mag H. 1:12. komen en met u verkwikt worden. 33 En de God des vredes zij met u allen. Amen. HOOFDSTUK 16. 1 En ik beveel u Eebe onze zuster, die een dienares is |
der gemeente die te Cenchrea is; 2 opdat gij haar ontvangt in den Heer gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat in wat zaak zij u zoude mogen van noode hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mij zeiven. 3 Groet Priscilla en Aquila, Hd.i8:2,3,26. mijne medewerkers in Christus Jezus, 4 die voor mijn leven hunnen hals gesteld hebben; dewelke niet alleen ik dank, maar ook al de gemeenten der heidenen. 5 Gi-oet ook de gemeentel Cor. 16:19. in hun huis. Groet Epénetus mijnen beminde, die de eersteling is van Aehaje in Christus. 6 Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft. 7 Groet Andromcus en Ju-nias, mijne magen en mijne medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook vóór mij in Christus geweest zijn. 8 Groet Amplias mijnen beminde in den Heer. 9 Groet ürbanus onzen medearbeider in Christus, en Stachys mijnen beminde. 10 Groet Apelles die beproefd is in Christus. Groet ze die van het huisgezin van Aristobülus zijn. 11 Groet Herodion die van mijn maagschap is. Groet ze die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk die in den Heer zijn. |
ROMEINEN 16.
305
|
12 Groet Tryfena en Try-fosa, vrouwen die in den Heer arbeiden. Groet Persis de beminde zuster, die veel gearbeid heeft in den Heer. sic, 15:21, 13 Groet Eufns den uitverkorene in den Heer, en zijne moeder en de mijne. 14 Groet Asyncritns, Elegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders die met hen zijn. 15 Groet Pilologns en Julia, Nereus en zijne zuster, en Olympas, en al de heiligen die met hen zijn. 1 Cor. 16:20; 16 Groet elkander met een heiligen kus. De gemeenten 1 Pet. 5:14. yan Christus groeten ulie- den. 17 En ik bid u broeders, Tit. 3:10; neemt acht op degenen die 2 jh. 1011- tweedragt en ergernissen aan- rigten tegen de leer die gij van ons geleerd hebt, en wijkt af van dezelve; Fii. 3:18,19. 18 want dezulken dienen onzen Heer Jezus Christus niet, maar hunnen buik, en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der een-voudigen. 19 Want uwe gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijd mij dan uwenthalve; en ik wil dat 1 Cor. 14:20.gij wijs zijt in liet goede, doch onnoozel in het kwade. |
20 En de God des vredes zal den satan haast onder uwe voeten verpletteren. De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met ulieden. Amen. 21 U groeten Timotheiis â¢^16^1^3 mijn medearbeider, en Lu- na. 13:1 cius en Jason en Sosipater Hd. 17:5; mijne bloedverwanten. 20:4- 22 Ik Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den Heer. 23 U groet Gajus, de liuis-1 Cor. 1:14. waard van mij en van de ge- heele gemeente. U groet Eras- Hd.l9:22; tus de rentmeester der stad, 2 rim-4:20-en de broeder Quartus. 24 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. 25 Hem nu die magtig is Ef. 3:20,21; u te bevestigen, naar mijn Jud-24.25-evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgen- Ef. 3; 9, 10 heid die van de tijden der Col-1:26-eeuwen verzwegen is geweest, 26 maar nu geopenbaard is, en door de profetisclie Schriften , naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de heidenen bekend is gemaakt; 27 liem , den alleen wijzen h. 11:366; God, zij door Jezus Chris-1 Tim-1:17-tus de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. |
20
DE EERSTE BRIEF YAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
CORINTHIÃRS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus een geroepen apos- | tel van Jezusj Christus door den wil Gods, en Sostlienes I de broeder 2 aan de': gemeente Gods die te Corinthe is, den geheilig-den in Christus Jezus, den geroepen heiligen, met allen die den naam van onzen Heer Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hunnen en onzen Heer: Rom. 1:7. 3 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heer Jezus Christus. 4 Ik dank mijnen God altijd over u, vanwege de genade Gods die u gegeven is in Christus Jezus, 2Cor. 8:7. 5 dat gij in alles zijt rijk geworden in hem, in alle rede en alle kennis, 5 gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u; 7 alzoo dat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtende de openbaring onzes Hee-ren Jezus Christus: 8 welke God u ook zal bevestigen tot den einde toe, om |
onstraffelijk te 2?^« in den dagiTh.5;23,2i onzes Heeren Jezus Christus. 9 God is getrouw, door welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van zijnen Zoon Jezus Christus onzen Heer. 10 Maar ik bid u broeders, door den naam onzes Heeren Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat er Fil. 2:2. onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij tezamenge-voegd zijt in denzelfden zin en in hetzelfde gevoelen. 11 Want mij is van u bekendgemaakt, mijne broeders, door die van Chloë's huisgezin zijn, dat er twisten onder u zijn. 13 En dit zeg ik dat een h. 3:4,21 iegelijk van u zegt: Ik beu van Paulus, en ik vanApol-Hi3,18:24-ï los, en ik van Cefas, en ïk van Christus. 13 Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus naam gedoopt? 14 Ik dank God dat ik niemand van ulieden gedoopt heb dan Crispus en Gajus; Hd. 18:8; 15 opdat niet iemand zegge Rom'115 |
1 CORESTTHIÃKS 2.
307
dat ik doopt heb. 16 Doch. ik
JS
huisgezin
H. 16:15.
h.5:23,2;
2 Gor. 2 :15. Jes. 29:14.
'il. 2:2.
Mt. 11; 25.
.3:4,22. 1.18; 24-2?
: Mt. 12:38.
H. 1:17.
i I
fd. 18:8: )m. 16:2
heb ook van Stefanas gedoopt; voorts weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb.
1 7 Want Christus heeft mij niet gezonden om te doopen, maar om het evangelie te ver-H.2:1,2. kondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde.
18 Want het woord des kruises is wel dengenen die verloren gaan dwaasheid,
Rom. 16; maar ons die behouden worden is het een kracht Gods;
19 want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der ver-standigen zal ik teniet-maken.
20 Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw ? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?
21 Want naardemaal in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zoo heeft het God behaagd door de dwaasheid der prediking zaligtemaken die gelooven:
23 overmits de Joden een teeken begeeren, en de Grieken wijsheid zoeken;
23 doch wij prediken Christus den gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid;
24 maar hun die geroepen
het
m mijnen naam ge-
zijn, beide Joden en Grieken,
prediken wij Christus de kracht Gods en de wijsheid Gods.
25 \\ ant het dwaze Gods is wijzer dan de menschen, en het zwakke Gods is sterker dan de mensehen.
26 Want gij ziet uwe roeping , broeders, dat gij niet
vele wijzen zijt naar het Jh. 7:48. vleesch, niet vele magtigen,
niet vele edelen;
27 maar het dwaze der we- Mt. il: 25. reld heeft God uitverkoren,
opdat hij de wijzen beschamen zoude; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat hij het sterke zoude beschamen;
28 en het onedele der wereld Jc. 2: 5. en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets
is, opdat hij 't geen iets is teniet zoude maken;
39 opdat geen vleesch zoude roemen voor hem.
30 Maar uit hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en regtvaardigheid en heiligmaking en verlossing;
31 opdat liet zij gelijk geschreven is: Wie roemt,
roeme in den Heer.
HOOFDSTUK 2.
1 En ik, broeders, als ik tot u gekomen ben, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden of van wijsheid u verkondigende de getuigenis Gods;
3 want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder
Jer. 9:24: 2 Gor. 10:17.
1 COB.INTHIÃRS 3.
308
|
H. 1:23; u dan Jezus Christus, en dien Gal. 6.14. ge];;ru;sjgCl- 3 En ik was bij ulieden in 2 Cor. 10; 10. zwakheid en in vrees en in vele beving, 4 en mijne rede en mijne prediking was niet in bewegelijke woorden der menscbe-lijke wijsheid, maar in betooning des geestes en der kracht; 1 Th. 1:5. 5 opdat uw geloof niet zoude zijn in wijsheid der menscben, maar in de kracht Gods. 6 En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch eene wijsheid niet dezer wereld , noch der oversten dezer wereld die teniet worden; 7 maar wij spreken de wijs-Ef.3:5,8-n. beid Grods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God tevoren verordineerd beeft tot beerlijkbeid van ons, eer de wereld was: 8 welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze ge- Hd. 3:17. kend badden, zoo zouden zij den Heer der beerlijkbeid niet gekruist hebben; 9 maar gelijk geschreven Jes. 64:4. is: 't Geen het oog niet heeft gezien en het oor niet beeft gehoord, en in het hart des menscben niet is opgeklommen, 'tgeen God bereid heeft dien die bem liefhebben; 10 doch God heeft het ons geopenbaard door zijnen Geest. Want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. |
11 Want wie van de menscben weet hetgeen des menscben is, dan de geest des menschen die in hem is ? Al-zoo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. 12 Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn; 13 dewelke wij ook spreken , niet met woorden die Vs. 4. demenschelijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke teza-menvoegende. 14 Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid , en hij kan ze niet ver- Jh. 5.4:17. staan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden. 15 Doch de geestelijke mensch onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden. 16 Want wie beeft den Jes.40:i3: zin des Heeren gekend, Ronl'11 :ai' die hem zoude onder-rigten? Maar wij hebben den zin van Christus. HOOFDSTUK 3. 1 En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als totvleesche-lijken, als tot jonge kinderen in Christus. 2 Ik heb u met melk ge- Heb. 5:12. voed, en niet met spijs. |
1 CORINTHIÃRS 3.
509
|
want gij vermogt toen nog niet; ja gij vermoogt ook nu nog niet, 3 want gij zijt nog vleesche-lijk; want dewijl er onder u H. 1:11,12. nijd is en twist entweedragt, zijt gij niet vleesclielijk en wandelt gij niet naar den mensch ? 4 Want als de één zegt: Ik ben van Paulus, en een ander: Ik hen van Apollos, zijt gij niet vleesclielijk ? 5 Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars door welke gij geloofd liebt, en dat gelijk de Heer aan een iegelijk gegeven lieeft? 6 Ik lieb geplant, Apollos heeft natgemaakt, maar God heeft den wasdom gegeven: 7 zoo is dan noch hij die plant iets, noch hij die natmaakt, maar God die den wasdom geeft. 8 En die plant en die natmaakt zijn één; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid. 9 Want wij zijn Gods mede-Ef. 2:20-22;arbeiders: Gods akkerwerk, 1 Pet.2:5. geljomv zijt gij. 10 Naar de genade Gods die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe hoe hij daarop bouwt. 11 Want niemand kan een Ef. 2:20. ander fundament leggen dan 't geen gelegd is, 't welk is Jezus Christus. 12 En indien iemand op dit |
fundament bouwt, goud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppelen, 13 eens iesjelijks werk zal h. 4:5; , Mt 3quot;12 openbaar worden; want de 1 ' dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven. 14 Zoo iemands werk blijft dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen; 15 zoo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzóó als door vuur. 16 Weet gij niet dat gij Gods 2 Cor. 6:16. tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont? 17 Zoo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt. 18 Niemand bedriege zich-zelven: zoo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas opdat hij wijs mag wrorden. 19 Want de wijsheid dezer h. 1:25. wereld is dwaasheid bij God. Want er is geschreven: Hij Job 5:13. vat de wijzen in hunne arglistigheid; 20 en wederom: De Heer ps. 94:11. kent de overleggingen der wijzen dat ze ijdel zijn. 21 Niemand dan roeme op h. 1:31. menschen, want alles is het uwe: 22 hetzij Paulus hetzij Apollos hetzij Cefas, hetzij de we- : reld hetzij leven hetzij dood, |
1 COEINTHIÃES 4.
310
|
hetzij tegenwoordige hetzij toekomende dingen, zij zijn alle de uwe; iV J1 i 3c; 23 docli gij zijt van Chris- tf. 1:17«. ^ tus, en Glinstus is Gods. HOOFDSTUK 4. 1 Alzoo lioude ons een ieder menscli als dienaars van Chris-1 Pet. 4:10. tus en uitdeelers der verborgenheden Gods. 3 En voorts wordt in de Lc. 12:42. uitdeelers vereisclit, dat elk g'etrouw bevonden worde. 3 Docli mij is 't voor liet minst dat ik van nlieden geoordeeld worde, of van een mensolielijk oordeel; ja ik oordeel ook mijzei ven niet; 4 want ik ben mijzelven van geen ding bewust, docb ik ben daardoor niet geregt-vaardigd; maar die mij oordeelt is de Heer. 5 Zoo dan oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heer zal gekomen zijn, welke ook in Kom. 2:16.'t licht zal brengen 't geen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten: en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God. 6 En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelven en Apol-los bij gelijkenis toegepast om uwentwil, opdat gij aan ons zoudt leeren niet te gevoelen Rom.12:3. boven't geen geschreven is, dat gij niet, de één om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen den ander. 7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen ? En zoo |
gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij alsof gij het niet ontvangen hadt? 8 Aireede zijt gij verzadigd, aireede zijt gij rijk geworden , zonder ons hebt gij geheerscht; en och of gij heerschtet, opdat ook wij met u heerschen mogten. 9 \\ ant ik acht dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot Rom. 8; 36. den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld en den engelen en den menschen. 10 Wij zy» dwazen om Christus wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken , maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten. 11 Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger 2 cor.6:4,5; en lijden wij dorst, en zijn 11:23-27-naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats, 12 en arbeiden , werkende Hd. 20; 34. met onze eigene handen; wij worden gescholden en wij zegenen, wij worden vervolgd en wij verdragen, 13 wij worden gelasterd en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe. 14 Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen ver-1 Th. 2:11. maan ik u. 15 Want al hadt gij tienduizend leermeesters in Christus, zoo heht gij toch niet vele vaders; want in Chris- |
1 COEINTHIÃES 5.
311
|
Gal. 4:19. tus Jezus heb ik u door 't evangelie verwekt. 16 Zoo vermaan ik u dan, H. 11:1. zijt mijne navolgers. h. 16:10. 17 Daarom lieb ik Timo-tlieiis tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heer, welke u zal indachtig maken mijne wegen die in Christus zijn, gelij-kerwijs ik alom in alle gemeenten leer. 18 Doch sommigen zijn opgeblazen, alsof ik totulieden niet komen zoude; H. 16:7. 19 maar ik zal haast tot u komen, zoo de Heer wil, en ik zal dan verstaan niet de woorden dergenen die opgeblazen zijn, maar de kracht; Rom. 14:17. 20 want het koningrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht. 21 Wat wilt gij ? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in den geest der zachtmoedigheid ? HOOFDSTUK 5. 1 Men hoort voor zeker dat er hoererij onder u is, en zoodanige hoererij die ook onder de heidenen niet genaamd wordt, alzoo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft: 2 en zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veelmeer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde die deze daad begaan heeft ? 3 Doch ik, als wel met het Col. 2:5. ligchaam afwezend maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb aireede , also/quot; ik tegenwoordig ware, dengeen |
die dat alzoo bedreven heeft besloten, 4 in den naam onzes Heeren Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest tezamen vergaderd zullen zijn, met de kracht onzes Heeren Jezus Christus, 5 denzulke overtegeven den i Tim. l: 20. satan tot verderf des vlee- sches, opdat de geest behouden mag worden in den dag des Heeren Jezus. 6 Uw roem is niet goed. Weet gij niet dat een weinig Gal. 5:9. zuurdeesem het geheele deeg zuur maakt? 7 Zuivert dan den ouden zuurdeesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons pascha is voor ons ge-slagtquot;, namelijk Christus: 8 zoo dan laat ons feest-houden, niet in den ouden zuurdeesem, noch in den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde hrooden der op-regtheid en der waarheid. 9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen niet de hoereerders; 10 doch niet geheel met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de roovers, of met de afgodendienaars ; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan. 11 Maar nu heb ik u geschreven dat gij u niet zult ver-2Th.3:6,14: mengen, namelijk indien ie- Mt-18:17-mand een broeder genaamd zijnde een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgo- |
1 CORINTHIÃRS 6,
312
|
dendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een roo-ver, dat gij met zoodanig een ook niet zult eten. 13 Want wat heb ik ook wie buiten zijn te oordeel en? Oordeelt gijlieden niet wie binnen zijn? 13 Maar wie buiten zijn oor-Dt. 17; 7. deelt God. En doet gij dezen booze uit ulieden weg. HOOFDSTUK 6. 1 Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te regt gaan voor de onregtvaardigen, en niet voor de heiligen? 2 Weet gij niet dat de hei-Mt. 19:28. ligen de wereld oordeelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste regt-zaken? 3 Weet gij niet dat wij de engelen oordeelen zullen, lioe-veeltemeer de zaken die dit leven aangaan? 4 Zoo gij dan regtzaken hebt die dit leven aangaan, zet die daarover die in de gemeente het minst geacht zijn. 5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzoo onder u geen die wijs is, ook niet één, die zoude kunnen oordeelen tus-schen zijne broeders? 6 Maar de ééne broeder gaat met den anderen broeder te regt, en dat voor ongeloo-vigen. 7 Zoo is er dan nu gan-schelijk het gebrek onder u, dat gij met elkander regtzaken Mt. 5:39,40. hebt. Waarom lijdt gijniet |
liever ongelijk, waarom lijdt gij niet liever schade? 8 Maar gijlieden doet ongelijk en doet schade, en dat den broederen. 9 Of weet gij niet dat de onregtvaardigen het koningrijk Gai-5:19-21. Gods niet zullen beërven ? 10 Dwaalt niet: noch hoereerders , noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen roovers zullen het koningrijk Gods beërven. 11 En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewas- Tit. 3:5-7. schen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt geregtvaardigd in den naam des Heeren Jezus en door den Geest onzes Gods. 12 Alle dingen zijn mij ge- h. 10:23. oorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder geen magt mij laten brengen. 13 De spijzen zijn voor den buik, en de buik is voor de spijzen; maar God zal beide dezen en die tenietdoen. Doch het ligchaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heer, en de Heer voor het ligchaam ; 14 en God heeft ook den Rom. 8 : U. Heer opgewekt, en zal ons opwekken door zijne kracht. 15 Weet gij niet dat uwe ligchamen leden van Chris- h. 12:27. tus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen en maken |
1 CORINTHIÃRS 7.
|
ze leden eener lioer? Dat zij verre. 16 Of weet gij niet, dat wie de lioer aanhangt één ligchaam met haar is? Want Gen.2:24. die twee, zegt hij, zullen tot één vleescli wezen. 17 Maar wie den Heer aanhangt is één geest met hem. 18 Vliedt de hoererij. Alle zonde die de mensch doet is huiten het ligchaam; maar wie hoererij bedrijft, die zondigt tegen zijn eigen ligchaam. h. 3:16: 19 Of weet gij niet, dat ulie-2 Cor. 6 â 16. ^er een tempel is des Heiligen Geestes die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij van uzelve niet zijt? h. 7:23 : 20 Want gij zijt duur ge-1 Pei9.1 18' kocht: zoo verheerlijkt dan God in uw ligchaam en in uwen Geest, welke Gods zijn. HOOFDSTUK 7. 1 Aangaande nu de dingen waarvan gij mij geschreven hebt, het is een mensch goed geen vrouw aanteraken; 2 maar om der hoererijen wil zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijke vrouw zal haren eigen man hebben. 3 De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen , en desgelijks ook de vrouw aan den man. 4 De vrouw heeft de magt niet over haar eigen ligchaam, maar de man; en desgelijks |
ook de man heeft de magt niet over zijn eigen ligchaam, maar de vrouw. 5 Onttrekt n elkander niet, tenzij dan met heider toestemming voor een tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijéén, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden. 6 Doch dit zeg ik uit toelating , niet uit bevel. 7 Want ik wilde dat alle menschen waren gelijk als ik zelf hen; maar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de ander alzóó. 8 Doch ik zeg den onge-trouwden en den weduwen; het is hun goed indien zij blijven gelijk als ik; 9 maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat ze trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden. 10 Doch den getrouwden gebied niet ik, maar de Heer, Mt. 5:32; dat de vrouw van den manMaléfil-ia niet scheide; 11 en indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of zich met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate. 12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heer: indien eenig broeder een ongeloo-vige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate; 18 en een vrouw die een ongeloovigen man heeft, en |
1 COEINTHIÃES 7.
814
|
hij tevreden is bij haar te wonen , dat zij liem niet verlate. 14 Want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig. 15 Maar indien de ons:e-loovige scheidt, dat hij schei-de: de broeder of de zuster wordt in zoodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt. Maar God heeft ons tot vrede geroepen. 16 Want wat weet gij vrouw, of gij den man zult zaligma-ken? Of wat weet gij man, of gij de vrouw zult zalig-maken ? 17 Doch gelijk God aan een iegelijk heeft toebedeeld, gelijk de Heer een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzóó wandele; en alzóó ordineer ik in al de gemeenten. 18 Is iemand besneden zijnde geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand in de voorhuid zijnde geroepen, die late zich niet besnijden. 19 De besnijdenis is niets en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods. 30 Een iegelijk blijveindie roeping waarin hij geroepen is. 21 Zijt gij een dienstknecht zijnde geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever. Gal. 5:6; 6:15. Vs. 24. I |
32 Want wie in den Heer Hoin.6;i8-aj. geroepen is een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; desgelijks ook wie vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus. 23 Gij ziit duur gekocht: H. 6:20; . IPet 1*1819 wordt geen dienstknechten ' ' ' 1 der mensohen. 24 Een iegelijk waarin hij Vs. 20, geroepen is, broeders, die blij ve in 't zelve bij God. 25 Aangaande nu de maagden heb ik geen bevel des Heeren; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heer gekregen heb om getrouw te zijn. 26 Ik houd dan dit goed te Vs. 29. zijn om den aanstaanden nood, i dat het zeg ik den mensch goed is alzóó te zijn. 27 Zijt gij aan een vrouw verbonden , zoek geen onthin- j ding; zijt gij niet verbonden | aan een vrouw, zoek geen vrouw. 28 Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien een maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vleesch, en ik spaar ulieden. 29 Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook wie vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; 80 en wie weenen, als niet weenende; en wie blijde zijn, als niet blijde zijnde; en wie koopen, als niet bezittende; 81 en wie deze wereld ge- |
4'
'
i if :1
1 COMNTHIÃES 8.
315
|
bruiken, als niet misbruiken-1 Jb. 2:17. de; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij. 33 En ik wil dat gij zonder bekommernis zijt. De ongetrouwde bekommert zicb met de dingen des Heeren, boe liij den Heer zal beliagen; 33 maar wie getrouwd is bekommert zicli met de dingen der wereld, boe hij de vrouw zal bebagen. 34 Een vrouw en een maagd zijn onderscbeiden: de ongetrouwde bekommert zicbmet de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij beide naar lig-chaam en naar geest; maar die getrouwd is bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen. 35 En dit zeg ik tot uw eigen voordeel, niet opdat ik een strik over u zoude werpen, maar om u te leiden tot hetgeen wèl voegt en bekwaam is om den Heer wèl aantehangeu, zonderherwaarts en derwaarts getrokken te worden. 36 Maar zoo iemand aoht dat hij niet gevoegelijk handelt met zijne maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het alzoo moet geschieden, die doe wat hij wil, hij zondigt niet: dat ze trouwen. 37 Doch wie vaststaat in zijn hart, geen noodzaak hebbende , maar magt heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft dat hij zijne maagd zal bewaren, die doet wèl. |
38 Alzoo dan wie haar ten huwelijk uitgeeft, die doet wèl; en wie ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter. 39 Een vrouw is door de wet Rom. 7:2. verbonden zoolangen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zoo is zij vrij om te trouwen wien zij wil, alleenlijk in den Heer. 40 Maar zij is gelukkiger indien zij alzóó blijft, naar mijn gevoelen: en ik meen ook den Geest Gods te hebben. HOOFDSTUK 8. 1 Aangaande nu de dingen Bom. 14. die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat wij allen tezamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. 2 En zoo iemand meent iets Gal. 6:3. te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen; 3 maar zoo iemand God liefheeft , die is van hem gekend. 4 Aangaandedanhet eten dei-dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat een afgod niets is in de wereld, h. lu: 10. en dat er geen ander God is dan één. 5 Want hoewel er ook zijn die godeu genaamd worden, 't zij in den hemel 't zij op de aarde, (gelijk er vele goden en vele heeren zijn), 6 nogtans hebben wij Rom. li :36; éénen God, den Vader, uiti Vim. 2f5. welken alle dingen zijn en wij tot hem, en maar éénen Heer, Jezus Christus, door welken |
1 COEINTHIÃES 9.
316
|
alle dingen zijn en wij door hem. 7 Doch in allen is de ken-h. 10:28,29. nis niet; maar sommigen met een conscientie des afgods tot nogtoe, eten het als iets dat den afgoden geofferd is; en hunne conscientie zwak zijnde wordt bevlekt. Rom. 14:17. 8 De spijs nu maakt ons Gode niet aangenaam; want 't zij dat wij eten, wij hebben geen overvloed; en 't zij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek. 9 Maar ziet toe, dat deze uwe magt niet eenigerwijs H. 10:32; een aanstoot worde dengenen Rom. 14:13. ,. , .. 0 die zwak zijn. 10 Want zoo iemand u die de kennis hebt ziet in der afgoden tempel aanzitten, zal de conscientie van hem die zwak is niet gestijfd worden om te eten de dingen die den aigoden geofterd zijn, Rom. 14:15. 11 en zal de broeder die zwak is door uwe kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven is? 12 Doch gijlieden alzoo tegen de broeders zondigende en hunne zwakke conscientie kwetsende, zondigt tegen Christus. Rom. 14:21. 13 Daarom indien de spijs mijnen broeder ergert, zoo 1 zal ik in eeuwigheid geen vleesch eten, opdat ik mijnen broeder niet ergere. HOOFDSTUK 9. 1 Ben ik niet een apos-vs. 19. tel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus onzen |
Heer gezien ? Zijt gijlieden h. 15 :8: niet mijn werk in den Heer ? ⢠⢠2 Zoo ik anderen geen apostel ben, nogtans ben ik 't u-lieden; want het zegel mijns 2 Cor. 3:i apostelschaps zijt gijlieden in den Heer. 3 Mijne verantwoording aan degenen die onderzoek over mij doen is deze. 4 Hebben wij niet magt om Vs. 11 te eten en te drinken? 5 Hebben wij niet magt om eene vrouw een zuster zijnde met ons omteleiden, gelijk ook de andere apostelen en de broeders des Heeren en Cefas? 6 Of hebben alleen ik en Mt8:i4. Barnabas geen magt van niet h. 4:12; te werken? Hd-18:1 7 Wie dient ooit in den krijg op eigen bezoldiging? Wie plant een wijngaard, en eet niet van zijne vrucht? Of wie weidt een kudde, en eet niet van de melk der kudde? 8 Spreek ik dit naar den mensch, of zegt ook de wet dit niet? 9 Want in de wet van Mo- zes is geschreven; Gij zult Dt.25:4 een dorschenden os niet muilbanden. Zorgt God ook voor de ossen? 10 Of zegt hij dat ganschelij k om onzentwil? Want om onzen twil is dat geschreven; overmits wie ploegt op hope moet ploegen, en wie op hope dorscht moet zijner hoop deelachtig worden. 11 Indien wij ulieden het Gal. 6:6; geestelijke gezaaid hebben,R01'110quot; 1 Tim. 5:18. |
1 CORINTHIÃRS 9.
317
|
is het een groote zaak zoo wij het uwe dat ligcliamelijk is maaijen? 12 Indien anderen dezer magt over u deelachtig zijn, waarom niet veelmeer wij ? Doch wij 2 Th. S: 8,9. hebben deze magt niet gebruikt, maar wij verdragen 't alles, opdat wij niet eenige verhindering geven aan het evangelie van Christus. 13 Weet gij niet dat dege-Dt. 18:1; nen die de heilige dingen Nam. 18.31. ]jet[jenen) yan heilige eten, en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar deelen? Mt. 10:10; 14, Alzoo heeft ook de Heer geordineerd dengenen die het evangelie verkondigen, dat zij van het evangelie leven. 15 Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven opdat het alzóó aan mij geschieden zoude; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijnen roem zoude ij-del maken. 16 Want indien ik het evangelie verkondig, 't is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd, en wee mij indien ik het evangelie niet verkondig. 17 Want indien ik dat gewillig doe, zoo heb ik loon; maar indien onwillig, de uitdeeling is mij evenwel toebetrouwd. 18 Wat loon heb ik dan? Na-melijh dat ik het evangelie verkondigende, het evangelie van Christus kosteloos stel, om mijne magt in het evangelie niet te misbruiken. 19 Want daar ik van allen vrij was, heb ik mij zei ven |
allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zoude winnen; 20 en ik ben den Joden ge- Hd. 1C:3; worden als een Jood, opdat ik 21: de Joden winnen zoude; dengenen die onder de wet zijn hen ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen die onder de wet zijn winnen zoude; 21 dengenen die zonder de Gal. 2:3-5. wet zijn hen ik geicorden als zonder de wet zijnde, (voor God nogtans zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen die zonder de wet zijn winnen zoude; 22 ik ben den zwakken ge- h. 10:33; worden als een zwakke, opdatRom-15:1' ik de zwakken winnen zoude: allen ben ik alles geworden, opdat ik immers eenigen be- Rom. 11:14. houden zoude. 23 En dit doe ik om des evangelies wil, opdat ik hetzelve mededeelachtig zoude worden. 24 Weet gijlieden niet, dat Fil.3:12-14; wie in de loopbaan loopen, Heb' 12 â 1''-allen wel loopen, maar dat één den prijs ontvangt? Loopt alzóó , dat gij dien moogt verkrijgen. 25 En een iegelijk die om prijs strijdt onthoudt zich in alles. Déze dan doen wel dit opdat zij een verderfelijke kroonzouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. 2 Tim. 4 :8. 26 Ik loop dan alzóó niet als op 't onzekere; ik kamp alzóó niet als de lucht slaande ; 27 maar ik bedwing mijn |
1 COEINTHIÃES 10.
318
|
ligchaam en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet soms daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde. HOOiDSïUK 10. 1 En ik wil niet, broeders, dat gij onwetend zijt, dat Ex. 13:21. onze vaderen allen onder de wolk waren, en allen door Ex. 14; 22. de zee doorgegaan zijn, S en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee. Ex. 16:15. 3 en allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben, Ex. 17:6. 4 en allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben ; want zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde, en de steenrots was Christus. 5 Maar in 't mezxendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn Num. 14:29; in de woestijn ternederge-26 : 65- slagen. 6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelij- Num. 11:4, kerwijs als zij lust gehad heb-33' ben. 7 En wordt geen afgodendienaars gelijker wijs als sommigen van hen, gelijk ge- Ex. 32:6. schreven staat: Het volk zat neder om te eten en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. 8 En laat ons niet hoe- Num.25:i-9.reren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en |
er vielen op éénen dag drieëntwintigduizend. 9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommi- Num.2l:5,f.. gen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. 10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen Num. 14:2 gemurmureerd hebben, en37; 16:41'49, werden vernield van den ver-derver. 11 En deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeel- Vs. 6; den, en zijn beschreven totRom' 5' ^ waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen Hei. 9:26ii. gekomen zijn. 13 Zoo dan wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle. 13 Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan men-schelijke; doch God is ge- h. 1:9; trouw, welke u niet zal ]a. 1Th-5:23'2t ten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt, maar hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen. 14 Daarom mijne geliefden, vliedt van den afgodendienst. 1 Jh. 5:21. 15 Als tot verstandigen spreek ik: oordeelt gij't geen ik zeg. 16 De drinkbeker der dank-H. 11:23-29. zegging dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des ligchaams van Christus ? 17 Want één brood is het, zóó zijn wij velen één lig- Rom. 12:5. |
1 CORINTHIÃRS 11.
319
|
chaam, dewijl wij allen ééns broods deelaclitig zijn. 18 Ziet Israel dat naar liet vleescli is: hebben niet degenen die de offeranden eten ge-meenscliap met liet altaar? 19 Wat zeg ik dan ? Dat een H. 8:4. afgod iets is, of dat liet afgodenoffer iets is? 20 Ja ilc zeg dat 't geen de heidenen offeren, zij het den Lev. 17: 7;duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet dat gij met de duivelen gemeenschap hebt. 31 Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn der tafel des Heeren en der tafel der duivelen. 22 Of tergen wij den Heer? Zijn wij sterker dan hij? 23 Alle dingen zijn mij geoorloofd , maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. 24 Niemand zoeke wat zijns-zelfs is, maar een iegelijk zoelee wat des anderen is. 25 Eet al wat in het vleesch-Imis verkocht wordt, niets ondervragende om der consciëntie wil; Ps.24:i. 26 want de aarde is des Heeren, en de volheid derzei ve. 27 En indien u iemand van de ongeloovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet alwat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende om der conscientie wil. |
28 Maarzoo iemand tot ulie-den zegt: Dat is afgodenoffer, H. 8:7. eet Jiet niet, om desgenen wil die u dat te kennen gegeven heeft, en om der conscientie wil; want de aarde is des Heeren en de volheid derzelve. 1.21:,VI i. 14:2 3:41-49. Dt. 32:17. 5. 6; .15:4. 9:26b. H. 6:12. 1:9; : 23,21 Fil, 2:4. 5:21. I3-29. 29 Doch ik zeg om de conscientie , niet van uzelven maar des anderen; want waarom wordt mijne vrijheid geoordeeld van een andere conscientie? 30 En indien ik door genade der spijze deelachtig hen, waarom word ik gelasterd over 't geen waarvoor ik 1 Tim. 4 :4. dankzeg ? 31 Hetzij dan dat gijlieden Col. 3:17. eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter eere Gods. 32 Weest zonder aanstoot te Rom. 14:13. geven, èn den Joden, èn den Grieken, èn der o-emeente Gods: 33 gelijkerwijs ik ook in h. 9:22. alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mogten behouden worden. HOOrDSTM 11. 1 Weest mijne navolgers, h. 4:16. gelijkerwijs ook ik van Christus. 2 En ik prijs u broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt gelijk ik u die overgegeven heb. 3 Doch ik wil dat gij weet, dat Christus het hoofd is eens iegelijken mans, en de man Ef. 5:23. |
1 CORINTHIÃRS 11.
320
|
het lioofd der vrouw , en God 1 Cor. 3:23. ket lioofd van Cliristus. 4 Een iegelijk man die bidt of profeteert liebbende zefe op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd; 5 maar een iegelijke vrouw die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is één en 't zelfde alsof het haar afgesneden ware. 6 Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het leelijk is voor een vrouw, gesehoren te zijn of 't haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. 7 Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. 8 Want de man is uit de Gentris,21.vrouw niet, maar de vrouw uit den man; 9 want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. 10 Daarom moet de vrouw een magt op het hoofd hebben, om der engelen wil. 11 Nogtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man in den Heer; 13 want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzóó is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God. 13 Oordeelt gij onder uzelve, is het betamelijk dat de vrouw ongedekt God bidde? |
14 Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zoo een man lang haar draagt, het hem een oneer is, 15 maar zoo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is, omdat haar het lange haar voor een deksel is gegeven ? 16 Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeenten Gods. 17 Dit nu 't geen ik u aanzeg prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter maar tot erger tezamenkomt. 18 Want eerstelijk, als gij tezamenkomt in de gemeente, zoo hoor ik dat er scheurin-h. 1 11; 3:3. gen zijn onder u, en ik geloof het ten deele. 19 Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen die opregt zijn open- i Jh. 2 19. baar mogen worden onder u. 20 Als gij dan tezamen bijéénkomt, dat is niet des Hee-ren avondmaal eten; 21 want in het eten neemt vs. 33. een iegelijk tevoren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de ander is dronken. 23 Hebt gij dan geen hui- Vs. 34. zen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de gemeente Gods, en beschaamt gij degenen die niet hebben'' Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Indezen prijs ik u niet. 33 Want ik heb van den lc.22:19,20; Heer ontvangen 't geen ik ook Mc. ilJü u overgegeven heb, dat de Heer Jezus in den nacht in |
1 CORINTflIÃRS 12.
321
|
welken bij verraden werd het brood nam, 24 en als hij gedankt had brak hij 't, enzeide: Neemt, eet, dat is mijn ligchaam dat voor u gebroken wordt: doet dat tot mijne gedachtenis. 25 Desgelijks nam hij ook den drinkbeker na het eten des a vondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in mijn bloed: doet dat, zoodikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. 26 TVant zoodikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Hee-ren, totdat hij komt. 27 Zoo dan wie onwaardig dit brood eet of den drinkbeker des Heeren drinkt, die H. 10:16. zal schuldig zijn aan het ligchaam en bloed des Heeren. 28 Maar de mensch beproeve zichzelven, en ete alzóó van het brood en drinke van den drinkbeker; 29 want wie onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het ligchaam des Heeren. 30 Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen. 31 Want indien wij onszelve oordeelden, zoo zouden wij niet geoordeeld worden; 32 maar als wij geoordeeld worden, zoo worden wij van den Heer getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. 11:3:3, 2 19. . 33. 34. 19,20; 26-28; 22-24. |
83 Zoo dan mijne broeders, als gij tezamenkomt om te eten, verwacht elkander. 34 Doch zoo iemand hongert, dat hij tehuis ete, opdat gij niet tot een oordeel tezamenkomt. De overige dingen nu zal ik ordineren als ik zal gekomen zijn. HOOFDSTUK 12. 1 En van de geestelijke ya-ven, broeders, wil ik niet dat gij onwetend zijt. 2 Gij weet dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden henengetrokken naardat gij geleid werdt. 3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand die door deniJh. 4:2,3 Geest Gods spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen Jezus den Heer te zijn, dan door den Heiligen Geest. 4 En er is verscheidenheid Rem. 12:6; , j i. v. x â j 1 Pet. 4:10. der gaven, doch het is dezelfde Geest; 5 en er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heer; 6 en er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God die alles in allen werkt. 7 Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Gees-tes gegeven tot hetgeen oorbaar is. 8 Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der -wijsheid, en aan een ander het woord der kennis, door denzelfden Geest; 9 en aan een ander hetge- . |
21
1 COEINTHIÃRS 12.
322
|
loof', door denzelfden Geest; en aan een ander de gaven der gezondmakingen, door denzelfden Geest; 10 en aan een ander de werkingen der krachten; en aan een ander profetie; en aan een ander onderselieidingen der geesten; en aan een ander menigerlei talen; en aan een ander uitlegging der talen; 11 doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, toedeelende aan een iegelijk in 't bijzonder gelijkerwijs liij wil. 12 Want gelijk liet ligchaam één is en vele leden lieeft, en al de leden van dit ééne ligchaam vele zijnde maar één ligchaam zijn, alzóó ook Christus; Gal. 3:27,28; 13 want ook wij allen zijn door éénen Geest tot een ligchaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij dienstknechten hetzij vrijen; en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt. 14 Want ook het ligchaam is niet één lid, maar vele leden. 15 Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zoo ben ik van het ligchaam niet, is die daarom niet van het ligchaam? 16 En indien het oor zeide: Dewijl ik het oog niet ben, zoo ben ik van het ligchaam niet, is het daarom niet van het ligchaam ? 17 Ware het geheele ligchaam het oog, waar zoude H. 6:15: Rom. 12:4.5; Ef. 4:4-7. Ef. 4:4«. |
het gehoor zijn ? W are het geheele ligchaam gehoor, wraar zoude de reuk zijn? 18 Maar nu heeft God de leden gezet, elk van dezelve in het ligchaam gelijk hij gewild heeft. 19 En waren ze allen maar één lid, waar zoude het ligchaam zijn? 20 Maar nu zijn er wel vele leden, doch maar één ligchaam. 21 En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van noode, of wederom het hoofd tot de voeten: Ik. heb u niet van noode. 22 Ja veeleer, de leden die ons dunken de zwakste des ligchaams te zijn, die zijn noodig; 23 en die ons dunken de minst aanzienlijke leden des ligchaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eer aan, en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering. 24 Doch onze sierlijke hebben 't niet van noode; maar God heeft het ligchaam alzóó \ tezamengevoegd, gevende j overvloediger eer aan 't geen j gebrek aan dezelve heeft, i 25 opdat geen tweedragt in i het ligchaam zij, maar de leden voor elkander gelijke j zorg zouden dragen. i 26 En hetzij dat één lid Rom. 12 } lijdt, zoo lijden al de leden i mede; 'tzij dat één lid ver-! heerlij kt wordt, zoo verblijden zich al de leden mede. ! 27 En gijlieden zijt het lig- |
1:
1 COEINTHIÃRS 13.
323
|
ohaam van Christus, en leden in 't bijzonder. 28 En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten , ten derde leeraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, luilpbewijzingen, regeringen, menigerlei talen. 29 Zijn ze allen apostelen? Zijn ze allen profeten ? Zijn ze allen leeraars ? Zijn ze allen krachten? 30 Hebben ze allen gaven der gezondmakingen ? Spreken ze allen met menigerlei talen? Zijn ze allen uitleggers? h. 14:1 31 Doch ijvert naar de beste gaven; en ik -«'ijs u een weg die nog uitnemender is. Rom.l3:8-lü; Jh.13:34.35. 21:21. m. 12:15.:) Mt. 6:1, o. HOOFDSTUK 13. 1 Al ware 't dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of hiidende schel geworden. 3 En al ware 't dat ik de (jme der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap, en al ware 't dat ik al het geloof Mt. 17:20; had, zoodat ik bergen verzette , en de liefde niet had, zoo ware ik niets. 8 En al ware 't dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware 't dat ik mijn ligchaam overgaf opdat ik verbrand zoude worden, en had de liefde niet, zoo zoude 't mij geen nuttigheid geven. â Vs. 12; ||Rom. 12 :5. 1 Vs. 9. 10; Rom. 12:6-8 â Ef. 4:11. |
4 De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet ligtvaardig, zij is niet opgeblazen; 5 zij handelt niet ongeschikt, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad; 6 zij verblijdt zich niet in de ongeregtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid; 7 zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. 8 De liefde vergaat nimmermeer; maar 't zij profetiën, zij zullen tenietgedaan worden; 't zij talen, zij zullen ophouden ; 't zij kennis, zij zal tenietgedaan worden. 9 quot;Want wij kennen ten deele en wij profeteren ten deele; 10 doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten deele is tenietgedaan worden. 11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, over-leide ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben , zoo heb ik tenietgedaan 't geen eens kinds was. 12 Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezigt tot aangezigt; nvi ken ik ten deele, maar t| 11 H. 8:16. H. 10:24; Fil. 2:4. |
|
324 1 COEINT H 8.3 alsdan zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben. i Th. 1:3; 13 En nu blijft geloof, boop Col^ 'i 5 eri meeste van deze is de liefde. HOOrDSTUK 14. 1 Jaagt de liefde na, en H. 12; 31. ijvert om de geestelijke maar meest dat gij moogt profeteren. ; 3 Want wie een vreemde vs. 5b. taal spreekt, spreekt niet den mensoben maar Grode; want niemand verstaat liet, docb met den geest spreekt bij verborgenheden; 3 maar wieprofeteert,spreekt den menscben stichting en vermaning en vertroosting. 4 Wie een vreemde taal spreekt, die sticbt zicbzelven; maar wie profeteert, die sticbt de gemeente. 5 En ik wil wel dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer dat gij profeteert; want wie profeteert is meerder dan wie vreemde talen spreekt, tenzij dan dat bij 't Vs. 13. uitlegge, opdat de gemeente stichting mag ontvangen. 6 En nu broeders, indien ik tot u kwam en sprak vreemde talen, wat nuttigheid zoude ik u doen, zoo ik tot u niet sprak of in openbaring, of in kennis, öf in profetie, bfinleering? 7 Zelfs ook de levenlooze dingen die geluid geven, 't zij fluit 't zij citer, zoo zij geen onderscheid met klank geven, hoe zal bekend |
IIERS 14. worden 't geen op de fluit of op de citer gespeeld wordt? 8 Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden? 9 Alzoo ook gijlieden indien gij niet door de taal een duidelijke rede geeft, hoe zal verstaan worden 't geen gesproken wordt? Want gij zult zijn als die in de lucht spreekt. 10 Er zijn, naar het voorvalt, zoovele soorten van stemmen in de wereld, en geen der-zelve is zonder stem: 11 indien ik dan de kracht der stem niet weet, zoo zal ik hem die spreekt barbaarsch zijn, en hij die spreekt zal bij mij barbaarsch zijn. 12 Alzoo ook gij, dewijl gij ijverig zijt naar geestelijke gaven, zoo zoekt dat gij moogt overvloedig zijn tot stichting der gemeente. 13 Daarom wie in een vreemde taal spreekt, die bidde dal bij 't mag uitleggen; 14 want indien ik in een vreemde taal bid, mijn geest bidt wel, maar mijn verstand is zonder vrucht. 15 Wat is 't dan ? Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden; ik zal wel met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen. 16 Anders indien gij dankzegt met den geest, hoe zal de-geen die de plaats eens on-geleerden vervult amen zeg-Neh. 8:6 gen op uwe dankzegging, dewijl hij niet weet wat gij zegt? |
f 11
1 COEINTHIEES 14.
325
|
17 Want gij dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticlit. 18 Ik dank mijnen God dat ik meer vreemde talen spreek dan gij allen; 19 maar ik wil liever in de gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen mag onderwijzen, dan tienduizend woorden in een vreemde taal. 20 Broeders, wordt geen kinderen in liet verstand, maar zijt kinderen in de boos-lieid, en wordt in het verstand volwassen. 31 In de wet is geschreven: Jes.28; 11.12.Ik zal door lieden van andere talen en door andere lippen tot dit volk spreien, en ook alzuó zullen zij mij niet hooren, zegt de Heer. 22 Zoo dan, de vreemde talen zijn tot een teeken niet dengenen die gelooven, maar den ongeloovigen; en de profetie niet den ongeloovigen, maar dengenen die gelooven. 23 Indien dan de geheele gemeente bijéénvergaderd ware, en zij allen in vreemde talen spraken, en eenige on-geleerden of ongeloovigen inkwamen, zonden zij niet zeggen dat gij uitzinnig waart? 24 Maar indien zij allen profeteerden, en een onge-loovige of ongeleerdeinkwam, die wordt van allen overtuigd en bij wordt van allen geoordeeld, 25 en alzóó worden de verborgen dingen zijns harten ; Rom. 10:19; I Ef, 4:14. eh. 8:6-B |
openbaar; en alzóó vallende op zijn aangezigt zal hij God aanbidden, en verkondigen dat God waarlijk onder n is. 26 Wat is 't dan broeders? Wanneer gij tezamenkomt, een iegelijk van u heeft hij een psalm, heeft hij eene leer, heeft hij eene vreemde taal, heeft hij eene openbaring, heeft hij eene uitlegging, laat alle dingen geschieden tot stichting. 27 En zoo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee of ten meeste drie geschiede, en bij beurte, en dat één het uitlegge; 28 maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeente, doch dat hij tot zichzelven spreke en tot God. 29 En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordeelen; 30 doch indien eenen ander die er zit iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge; 31 want gij kunt allen de één na den ander profeteren, opdat zij allen leeren en allen getroost worden. 32 En de geesten der profeten zijn den profeten onderworpen ; 33 want God is geen God van verwarring maar van vre- Rom. 15:33. de, gelijk in al de gemeenten der heiligen. 34 Dat uwe vrouwen in de i Tim. 2:11. gemeenten zwijgen; want het 12' is haar niet toegelaten te spreken, maar levolen onder- ' ( l |
J
326
|
Gen. 3; 166. worpen te zijn, de wet zegt. 35 En zoo zij iets willen leeren, laat ze tehuis liare eigene mannen vragen; want het staat leelijk voor de vrouwen dat zij in de gemeente spreken. 36 Is het woord Gods van u uitgegaan, of is het tot u alléén gekomen ? 3 7 Indien iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, die erkenne dat 't geen ik u schrijf des Heeren geboden zijn; 38 maar zoo iemand onwetend is, die zij onwetend. 39 Zoo dan broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken. 40 Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. HOOFDSTUK 15. Gal. 1:11. 1 Voorts broeders, ik maak u bekend het evangelie dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in 't welk gij ook staat, 2 door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zoodanige wijs als ik het u verkondigd heb, tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt. 3 Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven 't geen ik ook ontvangen heb , dat Christus gestorven is voor Lc. 24:27. onze zonden, naar de Schriften; 4 en dat hij is begraven, en dat hij is opgewekt ten |
derden dage, naar de Schriften; 3 en dat hij is van Cefas Lc^4:34, gezien, daarna van de twaalf, jh. 20:'l9. 6 Daarna is hij gezien van meer dan vijfhonderd broederen op éénmaal, van welke het meerencferf nog overig is, en sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is hij gezien van Jacobus, daarna van al deMt.28;i6-2( apostelen. 8 En ten laatste van allen is hij ook van mij als van H. 9:1: een ontijdig geborene gezien. 9 Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb: 10 doch door de genade Gods ben ik wat ik ben; en zijne genade die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gear-Rom^iö: beid dan zij allen; doch met o Cor. 12: ik, maar de genade Gods die met mij is. 11 Hetzij dan ik hetzij zijlieden, alzóó prediken wij en alzóó hebt gij geloofd. 13 Indien nu Christus gepredikt wordt dat hij uit de dooden opgewekt is., hoe zeggen sommigen onder u dat er geen opstonding der dooden is? 13 En indien er geen opstanding der dooden is, zoo is Christus óók niet opgewekt; 14 en indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze 1 C0RINTH1ÃRS 15. gelijk ook Hd.'9 ; 3, d Ef. 3:8; i Gal. 1:13: Hd. 9:1,2 26:9-11. Rom, |
1 C0RINTHIÃR3 15.
327
|
prediking ijdel, enijdelisook uw geloof; 15 en zoo worden wij ook bevonden valsohe getuigen Gods, want wij hebben van God getuigd dat hij Christus opgewekt heeft, dien hij niet heeft opgewekt, zoo namelijk de dooden niet opgewekt worden. 16 Want indien de dooden niet opgewekt worden, zoo is ook Christus niet opgewekt; 24 : 34, 36-39; i. 20:19.1 ,28;16-ïf: â |
heerschappij en alle magt en kracht. 25 Want hij moet als Koning heerschen, totdat hii Ps. 110:1; ij â¢â¢ i i Mt 22 ⢠44* ai de vijanden onder Heb. 1:13'; zijne voeten zal gelegd 10:^13-hebben. 26 De laatste vijand die te- Op. 20:14. nietgedaan wordt is de dood. 27 Want hij heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen. Doch wanneer hij zegt dat hem alle Ps. 8:76; Ef. 1 :22: Heb. 2:8. 17 en indien Christus niet j dingen onderworpen zijn, |
n. 9: i:
l. 9 :3,1quot;
Ef. 3:8; al. 1:13: d. 9:1,! 26:9-11.
Bom.
Vs. 23; | Col. 1:18 Op. 1:5.
om. 15:1
19; Cor. 12:11
Rom. 5: 12-19.
heid
't
mij
opgewekt is, zoo is uw geloof tevergeefs, zoo zijt gij ;25. nog in uwe zonden;
18 zoo zijn dan ook verloren wie in Christus ontslapen zijn.
19 Indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste van alle menschen.
20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de dooden, en is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn.
21 Want dewijl de dood door een mensch is, zoo is ook de opstanding der dooden door een mensch.
22 Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzóó zullen ze ook in Christus allen le-vendgemaakt worden;
23 maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna wie van Christus zijn in zijne toekomst;
24 daarna zal het einde zijn, wanneer hij het koningrijk aan God en den Yader zal overgegeven hebben, wanneer hij zal tenietgedaan hebben alle
is 't openbaar dat hij uitgenomen wordt die hem alle dingen onderworpen heeft;
28 en wanneer hem alle dingen zullen onderworpen zijn,
dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden dien die hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.
29 Anders wat zullen zij doen die voor de dooden gedoopt worden? Indien de dooden ganschelijk niet opgewekt worden, waarom worden zij voor de dooden ook gedoopt ?
30 Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?
31 Ik sterf alle dagen, Rom. 8:36. welk ik letuig bij onzen roem
dien ik heb in Christus Jezus onzen Heer.
32 Zoo ik naar den mensch 2 Cor. 1: S tegen de beesten gevochten
heb te Efeze, wat nuttig
dooden niet opgewekt worden, laat ons eten en Jes. 22:136. drinken, want morgen sterven wij.
? Indien de
Hl
COEINTHIÃRS 15.
43 Alzoo zal ook de opstanding der dooden zijn. Het ligchaam wordt gezaaid in verderfelijkheid , het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;
43 het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht;
44 een natuurlijk ligchaam wordt er gezaaid, een geestelijk ligchaam wordt er opgewekt; er is een natuurlijk ligchaam en er is een geestelijk ligchaam.
45 Alzóó is er ook geschreven: De eerste menschGen. 2:76.1 Adam is geworden tot een levende ziel, de laatste Adam tot een levend-Rom- 5 : makenden geest.
46 Doohhetgeestelijkeisniet eerst, maar het natuurlijke,
daarna het geestelijke.
47 De eerste mensch is uit de aarde aardsch, de tweede mensch is de Heer uit den hemel.
48 Hoedanig de aardsche is,
zoodanig zijn ook de aard-schen; en hoedanig de hemelsche is, zoodanig zijn ook de hemelschen:
49 en gelijkerwijs wij het beeld des aardschen gedragen hebben, alzuó zullen wij ook het beeld des hemelschen Fil- 3:211 dragen.
50 Doch dit zeg ik broeders, dat vleesch en bloed het koningrijk Gods niet be-erven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.
1
328
33 Dwaalt niet. Kwade teza-mensprekingen verderven goede zeden.
34 Waakt öp regtvaardig, en zondigt niet; want sommigen hebben de kennis Gods niet. Ik zeg 't u tot schaamte.
35 Maar, zal iemand zeggen, hoe zullen de dooden opgewekt worden, en met hoedanig een ligchaam zullen zij komen ?
36 Gij dwaas, 't geen gij Jh. 12:24. zaait wordt niet levend tenzij
dat het gestorven zij;
37 en 't geen gij zaait, tfaar-van zaait gij het ligchaam niet dat worden zal, maar een bloot graan, naar het
lTh.4;
Mt. 2!
voorvalt, van tarwe of van eenig der andere granen;
38 maar God geeft aan hetzelve een ligchaam gelijk hij wil, en aan ieder zaad zijn eigen ligchaam.
39 Alle vleesch is niet hetzelfde vleesch; maar een ander is het vleesch der men-schen, en een ander is't vleesch der beesten, en een ander der visschen, en een ander der vogelen;
40 en er zijn hemelsche ligchamen en er zijn aard-sche ligchamen, maar een andere is de heerlijkheid der hemelsche en een andere der aardsche.
41 Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de éène ster verschilt in heerlijkheid van de andéi'e ster.
Jes.:
Eos. 1
Rom. 7:
H. 6 :13«: Mt 22:Mi
Rom 2 C
1 COEINTHIEES 16.
329
|
lTh.4:15-17. 51 Zie, ik zeg u eene verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, 53 in een punt des tijds, in een oogenblik, met de laatste Mt.24:3i. bazuin; want de bazuin zal slaan, en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden , en wfj zullen veranderd worden. 53 quot;VVant dit verderfelijke moet on verderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54 En wanneer dit verderfelijke onverderfelijkheid zal aangedaan hebben, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aangedaan hebben, alsdan zal 1; het woord geschieden datge- Jes.25:8. schreven is: De dood is verslonden tot overwin-ning. Hos. 13:14. 55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning ? Rom. 6:23«; 56 De prikkel nu des doods T . T Q t is de zonde, en de kracht der zonde is de wet; 57 maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heer Jezus Christus. 7:7,1 58 Zoo dan mijne geliefde broeders, zijt standvastig, onbewegelijk , altijd overvloedig zijnde in het werk des Hee-ren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in den Heer. l. 3:21. 6:13a;| 22:30,1 HOOFDSTUK 16. Rom. 15:26; 1 Aangaande nu de inza-I 2 en'g 8 meling die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de |
gemeenten in Galatië verordineerd heb, doet ook gij alzoo. 2 Op eiken eersten dag der week legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naardat hij welvaart verkregen heeft; opdat de inzamelingen alsdan niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn. 3 En wanneer ik zal gekomen zijn, zoowie gij zult bekwaam achten door brieven, dezelve zal ik zenden om uwe gave naar Jeruzalem overte-dragen; 4 en indien het de moeite waardig mogt zijn dat ik ook zelf reizen zoude, zoo zullen zij met mij reizen. 5 Doch ik zal tot u komen 2 Cor. 1:15, wanneer ik Macedonië doorgegaan zijn (want ik zal door Macedonië gaan), 6 en ik zal mogelijk bij u blijven of ook overwinteren, Hd. 20:3. opdat gij mij moogt geleiden waar ik zal henenreizen. 7 Want ik wil u nu niet zien in 't voorbijgaan, maar ik hoop eenigen tijd bij u te blijven, indien 't de Heer zal toelaten. 8 Maar ik zal te Efeze blij- Hd. 19:8. ven tot den pinkstenfoy; 9 want mij is een groote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders. 10 Zoo nu Timotlieiis komt, ziet dat hij buiten vreeze bij u zij; want hij werkt het werk des Heeren gelijk als ik : 11 dat hem dan niemand ver-1 Tim.4:i2. achte, maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; 711 16! zal Hd. 20 : 1,2. H. 4:17; Hd. 19:22. |
2 CORINTHIÃES 1.
830
|
want ik verwacht liem met de broederen. H.i; 12;3:5; 13 En wat aangaat Apollos Hd. 19.1. jen Jjglj Jjgjjj Zger gebeden dat hij met de broederen tot u komen zoude; maar het was ganschelijk zijn wil niet dat hij nu zoude komen, doch hij zal komen wanneer het hem w'elgelegen zal zijn. 13 Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk. 14 Dat al uw« dingen in liefde geschieden. 15 En ik bid u broeders, gij H. 1:16. kent het huis van Stefanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zichzelve den heiligen ten dienste hebben gesteld, 16 dat gij ook u aandezoo-danigen onderwerpt, en aan een iegelijk die medewerkt en arbeidt. 17 En ik verblijd mij over |
de aankomst van Stefanas en Eortunatus en Achaïcus, want deze hebben vervuld 't geen mij aan u ontbrak; 18 want zij hebben mijnen geest verkwikt, en ook den uwen. Erkent dan de zoo-danigen. 19 U groeten de gemeenten van Azië. U groeten zeer in den Heer Aquila en Priscilla, Rora.i6:3-3: ⢠Hd 18 ' 2 met de gemeente die te hun- ' ' 5 nen huize is. 20 U groeten al de broeders. Groet elkander met een Rom. 16:16; heiligen kus. 21 De groetenis met miine Col. 4:18; hand: Paulus. 2 Th' 3'1' 22 Indien iemand den Heer Jezus Christus niet lief heeft, die zij een vervloeking: Ma- Gal 1:8. ranatha. 23 De genade des Heeren Jezus Christus zij met u. 24 Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen. Ef. 1: H. 7:6 |
DE TWEEDE BBIEF VAN DEN APOSTEL PADLUS
ICor
CORINTHIÃES.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Cor.i: 1-3. 1 Paulus een apostel van Jezus Christus door den wil Gods enTimotheüs de broeder |
aan de gemeente Gods die te Corinthe is, met al de heiligen die in geheel Achaje zijn: 3 genade zij u en vrede van |
2 CGKINTHIÃRS 1.
331
|
God onzeu Vader en den Heer Jezus Christus. Ef. i ;3. 3 Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, de Vader derbarm-liartiglieden en de God aller vertroosting, «.7; 6, 7. 4 die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting met welke wij zelve van God vertroost worden; 5 want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzoo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. 6 Doch 't zij dat wij verdrukt worden, het is tot uwe vertroosting en zaligheid, die gewerkt wordt in de lijdzaamheid van hetzelfde lijden 't welk wij óók lijden; 't zij dat wij vertroost worden, het is tot uwe vertroosting en zaligheid ; 7 en onze hoop van u is vast, als die weten dat gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook alzóó r/emeen-schap helt aan de vertroosting. 8 Want wij willen niet, broeders, dat gij onwetend zijt van !Cor.iS:32. onze verdrukking die ons in Azië overkomen is, dat wij uitermate bezwaard zijn geweest boven onze magt, alzoo dat wij zeer in twijfel waren ook van het leven. 9 Ja wij zelve hadden al in onszelve het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelve vertrouwen zouden, maar op |
God die de dooden opwekt; 10 die ons uit zoogrooten dood verlost heeft en nor/ verlost, op welken wij hopen dat hij ons ook nog verlossen zal : 11 alzoo gijlieden ook mede-30. arbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave door H. 4:15. vele personen aan ons toe-gebragt, ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde. 13 Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis onzer conscientie, dat wij in een- m. 4:2; voudigheid en opregtheid Gods, niet in vleeschelijke wijsheid maar in de genade Gods, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij u-lieden. 13 Want wij schrijven u geen andere dingen dan die gij kent of ook erkent; en ik hoop dat gij ze ook tot den einde toe erkennen zult, 14 gelijkerwijs gij ook ten deele ons erkend hebt dat wij uw roem zijn, gelijk gij i Th. 2:19. ook de onze zijt in den dag des Heeren Jezus. 15 En op dit betrouwen wilde ik tevoren tot u komen, opdat gij een tweede genade zoudt hebben, 16 en door uwe stad naari Cor. 16:5. Macedonië gaan, en wederom van Macedonië tot u komen, en van ulieden naar .Judéa geleid worden. 17 Als ik dan dit voorgenomen heb , heb ik ook ligt-vaardigheid gebruikt? Of neem ik naar het vleesch voor 't geen ik voorneem, opdat |
2 COKINTHIÃES 2.
333
|
bij mij zoude wezen ja ja, en neen neen? 18 Doch. God is getrouw, dat ons woord 't welk tot u is geschied niet is geweest ja en neen; 19 want de Zoon Gods Jezus Christus, die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij en Silvanus en Timo-thei'is, was niet ja en neen, maar is geweest ja in liem ; 20 want zoovele beloften Gods als er zijn, die zijn in hem ja, en zijn in hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons. 1 Cor. 1:8,9. 21 Maar die ons met u bevestigt in Christus, en die 1 Jh. 2;20. ons gezalfd heeft, is God; h. 5:5; 22 die ons ook heeft varze-4:^30. geld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven. 23 Doch ik roep God aan tot een getuige over mijne ziel, dat ik om u te sparen nog te Corinthe niet ben gekomen. 1 Pet. 5:3. 24 Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap; want gij staat door het geloof. HOOFDSTUK 2. 1 Maar ik heb dit bij mijzelven voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zoude; 2 want indien ik ulieden bedroef, wie is 't toch die mij zal vrolijk maken, dan degeen die van mij bedroefd is geworden? |
3 En dit heb ik u geschreven , opdat ik komende niet zoude droefheid hebben van degenen van welke ik moest verblijd worden: vertrouwende van u allen, dat mijne blijdschap u aller blijdschap is. 4 Want ik heb ulieden uit veel verdrukking en be-naauwdlieid des harten met vele tranen geschreven, niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt verstaan die ik overvloedig tot u heb. 5 Doch indien iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten deele (opdat ik hem niet bezware) ulieden allen. 6 Den zoodanige is deze i Cor.5:3-bestraffing genoeg, die van velen geschied is: 7 alzoo dat gij daarentegen hem liever moet vergeven en vertroosten , opdat de zoodanige door alte overvloedige droefheid niet soms worde verslonden. 8 Daarom bid ik u dat gij de liefde aan hem bevestigt; 9 want daartoe heb ik ook geschreven , opdat ik uwe beproeving mogt verstaan, of gij in alles gehoorzaam zijt. 10 Wien gij nu iets vergeeft, dien vergeef ik ook; want zoo ik ook iets vergeven beb , ivien ik vergeven heb, heb ik H vergeven om uwentwil, voor het aangezigt van Christus, opdat de satan over ons geen voordeeik rij ge; 11 want zijne gedachten zijn ons niet onbekend. |
2 COEINTHIÃES 3.
333
|
H. 7:5; L2 quot;Voorts als ik te Troas Hd. 1G: 8-l2. ]jwaln onl ilet evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in den Heer, zoo heb ik geen rust gehad voor mijnen Geest, omdat ik ïitus mijnen broeder niet vond; 13 maar afsclieid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonië. 14 En Gode zij dank, die ons altijd doet triomferen in Christus, en den reuk zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen; 15 want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen die zalig worden en in degenen die verloren gaan; iCor.i:i8; 16 dezen wel een reuk des Lc. 2.34. j.e;n maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam ? 17 quot;Want wij dragen niet gelijk velen het woord Gods H. 4:2. te loop; maar als uit opregt-heid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus. ÃÃOOFDSÃÃK 3. h. 5; 12; 1 Beginnen wij onszeive we-10'^8' derom n aanteprijzen ? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen , brieven van aanbeveling aan u, of brieven van aanbeveling van u? i Cor.9:2. 2 Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle menschen; |
3 als die openbaar zijt geworden dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt maar door den Geest des levenden Gods, niet in steenen tafelen maar in vleeschen tafelen des har- Jer. 31:33. ten. 4 En zoodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God. 5 Niet dat wij van onszelve bekwaam zijn iets te denken als uit onszelve, maar onze bekwaamheid is uit God; 6 die ons ook bekwaam gemaakt heeft om te zijn dienaars des nieuwen testaments. Heb. 8:0-13. niet der letter maar des Gees- tes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. Joh. 6:C3. 7 En indien de bediening des doods, in letters bestaande en in steenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzoo dat de kinderen Israels het Ex. 34:30. aangezigt van Mozes niet konden sterk aanzien om de heerlijkheid zijns aangezigts, die tenietgedaan zoude worden, 8 hoe zal niet veelmeer de bediening dés Geestes in heerlijkheid zijn! 9 Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veelmeer is de bediening der regtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid. 10 Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen deele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid. 11 Want indien 't geen tenietgedaan wordt in heerlijk- |
2 COMNTHIÃRS 4.
334
|
heid Avas, veelmeer is hetgeen blijft in lieerlijklieid. 12 Dewijl wij dan zoodanige lioop Lebben, zoo gebruiken wij veel vrijmoediglieid in 't spreken , 18 en doen niet gelijkerwijs Ex. 34 : 33. Mozes, die een deksel op zijn aangezigt leide, opdat de kinderen Israels niet zouden sterk zien op het einde van hetgeen tenietgedaan wordt. Rom.ii:7,8. 14 Maar hunne zinnen zijn verhard geworden; want tot op deii dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des ouden testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus tenietgedaan wordt; 15 maar tot den huldigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart; Kom. 11:23. 16 doch zoowanneer het tot den Heer zal bekeerd zijn, zoo wordt het deksel weggenomen. 17 De Heer nu is de Geest; Rom. 8:15; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid. 18 En wij allen metongedek-ten aangezigte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. HOOFDSTUK 4. 1 Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid die ons se-schied is, zoo vertragen wij niet, Jh. 8 :36. |
2 maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het woord H. 2:17; Gods vervalschende, maar1Th'2 3quot;quot; door openbaring der waarheid onszei ve aangenaam makende bij alle conscientiën der men-schen, in de tegenwoordigheid Gods. 8 Doch indien ook ons evangelie bedekt is, zoo is hetü. 2:15, iti; bedekt in degenen die ver-1 co^V-5!» loren gaan: 4 in dewelke de god dezer h. 3:14. eeuw de zinnen verblind heeft, Ef' 2: ^ namelijk der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is. 5 Want wij prediken niet onszelve, maar Christus Jezus den Heer; en onszei ve, dat mij uwe dienaren zijn om 1 Cor. 3:5. Jezus wil. 6 TV ant God die gezegd heeft Gen. 1:3-dat het licht uit de duisternis zoude schijnen, is degeendie in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting Jh. 8; 12. van de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezigt van Jezus Christus. 7 Maar wij hebben dezen Vs. 16. schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht 1 Ccr. 2:5. zij Gods en niet uit ons: 8 als die in alles verdrukt H. 6:4-10. worden doch niet benaauwd, twijfelmoedig doch niet mismoedig , 9 vervolgd doch niet daarva. |
2 COEINTHIÃES 5.
335
|
verlaten, nedergeworpen dooli niet verdorven, 10 altijd de dooding des Hee-Col. 1:24. ren Jezus in liet ligchaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons ligchaam zoude geopenbaard worden. 11 Want wij die leven wor-Rom. 8 : 36. den altijd in den dood overgegeven om Jezus wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vleesch zoude geopenbaard worden. 12 Zoo dan de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden. 18 Dewijl wij nu denzelfden geest des geloofs hebben, Ps. 116:10. gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, zoo gelooven wij ook, daarom spreken wij ook, li wetende dat hij die den Heer Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken en met ulieden daar zal stellen. 15 Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade door H. i: li. de dankzegging van velen overvloedig worde ter heerlijkheid Gods. 16 Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mensch verdorven wordt, zoo wordt nogtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. Kom. 8 : is. 17 Want onze ligte verdrukking , die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewigt der heerlijkheid; |
18 dewijl wij niet aanmerken do dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; Heb. U; want de dingen die men ziet 1' 27ftquot; zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet zijn eeuwig. HOOFDSTUK 5. 1 Want wij weten dat zoo ons aardsche huis dezes taber- 2 Pet. 1:14. nakels verbroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt , maar eeuwig, in de hemelen. 2 Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze Rom. 8:23. woonstede die uit den hemel is overkleed te worden, 3 zoo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden. 4 Want ook wij die in dezen tabernakel zijn, zuchten bezwaard zijnde; naardemaal wij niet willen ontkleed maar overkleed worden, opdat het 1 cor.15:53. sterfelijke van het leven verslonden worde. 5 Die ons nu hiertoe bereid heeft is God, die ons ook het onderpand des Geestes h. 1; 22; gegeven heeft. Ef'1:13'14' 6 Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten dat wij inwonende in het ligchaam, uitwonen van den Heer; Heb. 11:13. 7 (want wij wandelen door geloof en niet door aanschou- Rom. 8 : 24. wen); 8 maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het ligchaam uittewonen en bij den Heer fü. 1:23 intewonen. 9 Daarom zijn wij ook zeer |
2 CORINTHIÃRS 6.
336
|
begeerig, lietzij inwonende hetzij uitwonende, om liem welbeliagelijk te zijn. Rom.i4:i0fc; 10 Want wij allen moeten ge-Mt'l® '2'⢠openbaard worden voor den regterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage 't geen door het ligohaam ge-scïiiedt, naardat hij gedaan heeft, 't zij goed 't zij kwaad. 11 Wij dan wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensohen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; H. 4; 2. doch ik hoop ook in uwe con-scientiën geopenbaard te zijn. h. 3:1. 13 Want wij prijzen onszelve u niet wederom aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij sfo/zoudt hebben tegen degenen die in het aangezigt roemen en niet in het hart. H, ii: 16. 13 Want 't zij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn 't Gode; 't zij dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn'tulieden. 14 Want deliefde van Christus dringt ons: Rom. 6:8; 15 als die dit oordeelen, dat Gal 2-lb in(^en voor allel1 gestorven is, zij dan allen gestorven zijn; en hij is voor allen gestorven , opdat degenen die leven niet meer zichzelven zouden leven, maar dien die voor hen gestorven en opgewekt is. 16 Zoo dan wij kennen van nu aan niemand naar het Jh. 6 :62,63. vleesch; en indien wij ook Christus naar het vleesch gekend hebben, nogtans kennen wij 7iem nu niet meer vaar het vkesch. |
17 Zoo dan indien iemand in Christus jis, die is een Gal. 6:13, nieuw schepsel: het oude is voorbijgegaan, zie, het isJes. 65;n. alles nieuw geworden. 18 En al deze dingen zijn uit God, die ons met zich- 1:20 zei ven verzoend heeft door io, ii.' Jezus Christus, en ons de bediening ven heeft; 19 want God was in Christus de wereld met zichzel ven verzoenende , hunne zonden hun niet toerekenende, en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. 20 Zoo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen. 31 Want dien die geen zonde i Pet. 2: . 22-24* gekend heeft, heeft hij zonde gu. 3:13; voor ons gemaakt, opdat wij Ronl' 8:3 zouden worden regtvaardig- heid Gods in hem. HOOFDSTUK 6. 1 En wij als medearbei- i Cor. 3:9. dende bidden u ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben; 2 want hij zegt: In den .les. 49:8. aangenamen tijd heb ik u verhoord, en in den dag der zaligheid heb ik u geholpen: zie, nu Lc. 4:21 is 't de welaangename tijd, zie, nu is 't de dag der zaligheid. 3 Wij geven geen aanstoot 1 Cor. 10 in eenig ding, opdat de be- 321 diening niet gelasterd worde; 4 maar wij als dienaars Gods H. 4:8 11:23-l Cor. 4:! der verzoening gege- lit. 1 |
2 COEINTHIÃES 7.
337
|
maken onszelve in alles aan-H. 4:8-10; genaam, in veel verdraag-1 CoTA:9-i3. zaamheid, in verdrukkingen, in nooden, in benaauwdhe-den, 5 in slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten; 6 in reinheid, in kennis, in lankmoedigkeid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, 7 in het woord der waarheid, in de kracht Gods; door de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de lin-Yexzijde, 8 door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en noy-tans waarachtigen, 9 als onbekenden en noytans bekend, als stervende en zie wij leven, als getuchtigd en niet gedood, 10 als droevig zijnde doch altijd blijde, als armen doch velen rijk makende, als niets hebbende en nogtans alles bezittende. 11 Onze mond is opengedaan tegen u o Corinthiërs, ons hart is uitgebreid: 12 gij zijtnietnaauwinons, maar gij zijt naauw in uwe ingewanden: 13 nu, om dezelfde vergelding te doen, (ik spreek als tot mijne kinderen), zoo wordt gij óók uitgebreid. igt;t. 22:10. 14 Trekt niet een ongelijk juk aan met de ongeloovigen; want wat deelgenootschap heeft de geregtigheid met de |
ongeregtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met Ef. 5: n. de duisternis? 15 En wat tezamenstemming 1 Cor. 10: heeft Christus met Belial, of ^20'22' wat deel heeft de geloovige met den ongeloovige? 16 Of wat tezamenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt del Cor. 3:16. tempel des levenden Gods, gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen enLev. 26:12: ik zal onder hen wan-Hebquot; 8:10, delen, en ik zal hun God zijn en zij zullen mij een volk zijn. 17 Daarom gaat uitJes.52;ll,l2. het midden van hen en scheidt u af, zegt de Heer, en raakt niet aan 't geen onrein is, en ik zal ulieden aannemen, 18 en ik zal u tot een Jer. 31:1. Vader zijn, en gij zult mij tot zonen en doch-teren zijn, zegt de Heer de Almagtige. ÃÃOOrDSTTJK 7. 1 Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelve reinigen van alle be- Rom. 12:1. smetting des vleesches en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods. 2 Geeft ons plaats: wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons h. 12:17; voordeel gezocht. Hd.20;33. 3 Ik zeg dit niet tot uwe veroordeeling; want ik heb tevoren gezegd dat gij in onze H. 6:11-13. |
22
a CORTNTHIERS 7.
338
|
harten zijt, om tezamen te sterven en tezamen te leven. 4 Ik lieb veel vrijmoedigheid in 't spreken tegen u, ik heb veel roem over u; ik ben vervuld met vertroosting, ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdruk-king. 5 Want ook als wij in Macedonië gekomen zija, zoo H. 2:12. heeft ons vleesch geen rust gehad, maar wij waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vrees. 6 Doch God, die de nederi- H. 1:4. gen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus; 7 en niet alleen door zijne komst, maar ook door de vertroosting met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uwenijver voor mij; alzoo dat ik temeer verblijd ben geweest. 8 Want hoewel ik u in den zendbrief bedroefd heb, 't berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; want ik zie dat die zendbrief, hoewel voor een kleinen tijd, u bedroefd heeft: 9 nu verblijd ik mij, niet H, 2:4. omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot bekeering; want gij zijt bedroefd geweest naar God, zoodat gij in geen ding schade van ons geleden hebt. Lc. 18:13; 10 Want de droefheid naar Mt. 26 : 756. Q-0([ werkt een onberouwe-lijke bekeering tot zaligheid. |
maar de droefheid der wereld Mt. 27; 3-5. werkt den dood. 11 Want zie, dit, dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoegroote naarstigheid heeft het in u gewerkt, ja verantwoording, ja onlust, ja vrees, ja verlangen, ja ij ver, ja wraak: in alles hebt gij uzelve bewezen rein te zijn in deze zaak. 12 Hoewel ik dan aan u geschreven heb, dat is niet om diens wil die onregt gedaan had, noch om diens wil wien onregt gedaan was, maar opdat onze zorg voor u openbaar bij u zoude worden, in de tegenwoordigheid Gods. 13 Daarom zijn wij vertroost geworden over uwe vertroosting; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden; 14 want indien ik iets bij hem over u geroemd heb, n. n: 2. zoo ben ik niet beschaamd geworden; maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, alzóó is ook onze roem dien ik bij Titus geroemd heb waarheid geworden. 15 En zijne innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jegens u, als hij u aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe gij hem met vrees en beveti hebt ontvangen. 16 Ik verblijd mij dan dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben. |
2 COEINTHIÃES 8.
339
|
HOOFDSTUK 8. 1 Voorts maken wij u bekend , broeders, de genade Rom. 15: Gods die in de gemeenten lCOT,16:i-3.van Macedonië gegeven is: 3 dat in veel beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap en hunne zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid. 3 Want zij zijn naar vermogen (ik betuig 't) ja boven vermogen gewillig geweest, 4 ons met veel vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening die voor de heiligen geschiedt; 5 en zij deden niet alleen gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelve eerst aan den Heer en daarna, aan ons, door den wil Gods: Vs. 16,17. 6 alzoo dat wij Titus vermaanden , dat gelijk hij tevoren begonnen had, hij ook alzóó nog deze gave bij u voleinden zoude. 1 Cor. 1:5. 7 Zoo dan gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof' en in woord en in kennis en in alle naarstigheid, en in uwe liefde tot ons, ziet dat gij ook in deze gave overvloedig zijt. 8 Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de opregtheid mver liefde beproevende ; 9 want gij weet de genade onzes Heeren Jezus Christus, f'il. 2:6,7. dat hij om uwentwil is arm |
geworden daar hij rijk was, opdat gij door zijne armoede zoudt rijk worden. 10 En ik zeg indezen mijne meening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen maar ook het willen sedert een jaar tevoren hebt begonnen; 11 maar nu voleindigt ook het doen, opdat gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzóó zij het voleindigen uit hetgeen gij hebt. 13 Want indien tevoren de Me. 12:43. volvaardigheid des gemoeds daar is, zoo is iemand aangenaam naar 't geen hij heeft, niet naar 't geen hij niet heeft. 13 Want dit zeg ik niet opdat anderen zouden verligtiug hebben, en gij verdrukking; 14 maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde; 15 gelijk geschreven is: Wie veel verzameld Jtad, Ex. 16:18. had niet over, en wie weinig verzameld Jtad, had niet te weinig. 16 Doch Grode zij dank, die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft, 17 dat hij de vermaning-heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde gewillig tot u gereisd is. 18 En wij hebben ook met |
2 COEINTHIÃKS 9.
340
|
hem gezonden dea broeder, die lof lieeft in liet evangelie door al de gemeenten; 19 en dat niet alleen, maar hij is ook van de gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren zei ven en de volvaardigheid uws ge-moeds: 30 dit verhoedende, dat ons H. 6:3. niemand moge lasteren in dezen overvloed die van ons | wordt bediend: Rom.i2:i7b. 21 als die bezorgen 't geen eerlijk is, niet alleen voor i den Heer maar ook voor de menschen. 22 Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikwijls beproefd hebben dat hij naarstig is, en nu veel naar-stiger door het groot vertrouwen dat hij heeft tot ulieden. 23 Hetzij dan Titus, hij is mijn medgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der gemeenten en een eer van Christus. 24 Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde en van H. 7; 14. onzen roem van u, ook voor het aangezigt der gemeenten. HOOFDSTUK 9. H. 8:4. 1 Want van de bediening die voor de heiligen geschiedt is het mij onnoodig aan u te schrijven; 2 want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedoniërs, dat Achaje |
sedert een jaar bereid is ge- H. 8; 10. weest, en de ijver van u begonnen heeft er velen opgewekt. 3 Maar ik heb deze broe- H. 8:16-22. ders gezonden, opdat onze roem dien wij over u heblen niet zoude ij del gemaakt worden in dezen deele, opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn, 4 en dat niet mogelijk zoo de Macedoniërs met mij kwamen en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen gij) beschaamd worden in dezen vasten grond van roemen. 5 Ik heb dan noodig geacht deze broeders te vermanen, H. s: 6. dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uwen tevoren aangedienden zegen; opdat die gereed zij alzoo als een zegen, en niet als eene vrekheid. 6 En dit zeg ik, wie spaarzaam zaait zal ook spaarzaam Gal. 6:7. maaijen, en wie in zegeningen zaait zal ook in zegeningen maaijen. 7 Een iegelijk doe gelijk hij in zijn hart voorneemt, niet uit droefheid of uit nooddwang ; want God heeft een blij moedigen gever lief. 8 En God is magtig alle genade te doen overvloedig zijn in u, opdat gij in alles altijd alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn, 9 gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij Ps. 112:9. heeft den armen gege- |
2 COEINTHIÃES 10.
341
|
ven, zijne geregtiglieid blijft in eeuwigheid, jes. 55:10. 10 Docli die het zaad den zaaijer verleent, die verleene ook brood tot spijs, en ver-menigvuldige uw zaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer geregtigheid; 11 dat gij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, welke door ons werkt dankzegging tot God. 12 quot;Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God; 13 dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer belijdenis onder het evangelie van Christus, en over de goeddadigheid der mededeeling aan hen en aan allen; 14 en door hun gebed voor u, welke naar vi verlangen, om de uitnemende genade Gods over u. 15 Doch Gode zij dank voor zijne onuitsprekelijke gave. HOOFDSTUK 10. 1 Voorts ik Paulus zelf bid u door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Chris- Vs. 10, tus, die tegenwoordig zijnde wel gering ben onder u, maar afwezend stout ben tegen u; 2 ik bid dan, dat ik tegenwoordig zijnde niet stout mag zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stoutmoedig gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons |
achten alsof wij naar het vleescli wandelden. 3 Want wandelende in het vleesch voeren wij den krijg niet naar het vleesch; 4 want de wapenen van Ef. 6:11-17. onzen krijg zijn niet vlee-schelijk, maar krachtig door God tot nederwerping der sterkten; 5 dewijl wij de overleggingen ternederwerpen, en alle hoogte die zich verheft tegen de kennis Gods, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus, 6 en gereed hebben V geen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uwe gehoorzaamheid zal vervuld zijn. 7 Ziet gij aan wat voor oogen is? Indien iemand bij zich-zelven betrouwt dat hij van Christus is, die denke dit wederom uit zichzelven, dat gelijkerwijs hij van Christus is, alzoo wij óók van Christus zijn. 8 AYant indien ik ook iets h. 12:6. overvloediger zoude roemen van onze magt, welke de h. 13:10. Heer ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uwe nederwerping, zoo zal ik niet beschaamd worden: 9 opdat ik niet zoude schijnen alsof ik u door de brieven wilde verschrikken. 10 Want de brieven (zeggen zij) zijn wel gewigtig en krachtig, maar de tegenwoor- vs. 1. digheid des ligchaams is zwak en de rede is verachtelijk. |
2 COKINTHIÃES 11.
342
|
H. 18:2. 11 Dezulke bedenke dit, dat lioedanigen wij zijn in liet woord door brieven als wij afwezig zijn, wij ookzoo-danigen zijn in de daad als wij tegenwoordig zijn. 12 Want wij durven onszeive niet rekenen of vergelijken h.3:1;5:12. met sommigen die ziclizelve prijzen; maar deze verstaan niet dat zij ziclizelve met ziclizelve meten en ziclizelve met ziclizelve vergelijken. 13 Doet wij zullen niet roemen buiten de maat, maar daarin dat wij naar de maat des regels, welke maat God ons toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen; 14 want wij strekken ons-zelve niet te wijd uit, als die tot u niet zouden komen; want wij zijn ook gekomen tot u toe in liet evangelie van Cliristus; Rom. 15; 15 niet roemende buiten de 2°, 21. jnaat in anderer arbeid, maar hebbende hoop, als uw geloof zal gewassen zijn, dat wij onder ulieden overvloedig zullen vergroot worden naar onzen regel, 16 om het evangelie te verkondigen in de plaatsen die aan gene zijde van u gelegen zijn, niet om te roemen in eens anders regel over hetgeen aireede bereid is. Jer. 9:24; 17 Doch wie roemt, die 1 Cor. 1:31. . , TJ roeme m den Heer; Spr. 27:2. 18 want niet wie zich zei ven prijst, maar wien de Heer prijst, die is beproefd. |
HOOFDSTUK 11. 1 Och of gij mij een weinig verdroegt in de onwijsheid; Vs. 18,19; ja ook verdraagt mij. 12:6' 2 Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om Et. 5:25-27. u als een reine maagd aan éénen man voortestellen , namelijk aan Christus; 8 doch ik vrees dat soms gelijk de slang Eva door hare Gen. 3:4-6 arglistigheid bedrogen heeft, alzóó uwe zinnen bedorven worden, om aftewijken van de eenvoudigheid die in Christus is. 4 Want indien degeen die Gal. 1:8,9. komt een anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen Geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zoo verdroegt gij hem met regt; 5 want ik acht dat ik ner- h. 12: lib. gens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen. 6 En indien ik ook onbedreven ben in woorden, nog-tans ben ik 't niet in wetenschap ; maar allezins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden. 7 Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het evangelie Gods omniet ver- h. 12:13; kondigd heb? 1 Cor' J'12 8 Ik heb andere gemeenten beroofd, bezoldiging raw haar |
2 CORINTHIERS 11.
343
|
nemende om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen; 9 want mijn gebrek hebben Hd. 18; 5. de broeders vervuld die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog alzoo houden. 10 De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden. 11 Waarom? Is 'tomdat ik u niet liefheb ? God weet het. 13 Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak aftesnijden dengenen die oorzaak hebben willen, opdat zij in 't geen zij roemen bevonden mogten worden gelijk als wij. 13 Want zulke valscheapostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. 14 En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts: 15 zoo is 't dan niets groots indien ook zijne dienaars zich veranderen als waren ze dienaars der geregtigheid; van welke het einde zal zijn naar hunne werken. 16 Ik zeg wederom, dat niemand meene dat ik on-wijs ben; doch zoo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik óók een weinig mag roemen. 17 Wat ik spreek, spreek ik niet naar den Heer, maar als |
in onwijsheid, in dezen vasten grond van roemen. 18 Dewijl velen roemen naar het vleesch, zoo zal ik óók roemen. 19 Want gij verdraagt gaarne de omvijzen, dewijl gij wijs zijt; 20 want gij verdraagt het zoo iemand u dienstbaar maakt, zoo iemand u opeet, zoo iemand van u neemt, zoo zich iemand verheft, zoo iemand u in het aangezigt slaat. 31 Ik zeg dit naar oneer, alsof wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is, (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik óók stout. Fil. 3:4,5. 33 Zijn zij Hebreërs? Ik ook. Zijn zij Israeliten? Ik ook. Zijn zij het geslacht Abrahams? Ik ook. 33 Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde:) ik ben boven/«?»; in arbeid overvloediger, in sla- h, 4:8-11; gen uitnemender, in gevan- j cfo'r^g-is. genissen overvloediger, in doodsyet-acw- menigmaal; 34 van dé Joden heb ik veertig dagen min één vijf- Dt. 25:3. maal ontvangen; 25 driemaal ben ik met roe- Hd. 16:22. den gegeeseld geweest, ééns ben ik gesteenigd, driemaal Hd. 14:19. heb ik schipbreuk geleden, een ganschen nacht en dag heb ik op de diepte doorge-bragt; 26 in 't reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in 2 Tim. 3:11. gevaren van de heidenen, in |
2 CORINÃHIEKS 12.
344
|
gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de Gal. 2:4. valsclie broeders; 27 in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid. 28 Behalve de dingen die van buiten zijn overvalt mij dagelijks de zorg van al de gemeenten. i Cor.-9;22. 29 quot;Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt 1 Cor. 8:13. er geërgerd , dat ik niet brand ? 30 Indien men moet roe-h. 12:5. men, zoo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid. 31 De God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die geprezen is in eeuwigheid, Gal. 1:20. weet dat ik niet lieg. 32 De stadhouder van den koning Aretas in Damascus Hd. 9; 24,25. bezette de stad der Damas-ceners, willende mij vangen; 33 en ik werd door een venster in een mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijne handen. HOOFDSTUK 12. h. ii;30. 1 Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezigten en openbaringen des Heeren. 2 Ik ken een mensch in Christus, vóór veertien jaren, (of het geschied zij in het ligchaam weet ik niet, of buiten het ligchaam, weetik niet, God weet het), dat de zoodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel; |
3 en ik ken een zoodanig mensch, (of het in het ligchaam of buiten het ligchaam geschied zij weet ik niet, God weet het), 4 dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mensch niet geoorloofd is te spreken. 5 Van den zoodanige zal ik roemen, doch van mijzelven zal ik niet roemen dan in h. 11; 30. mijne zwakheden. 6 Want zoo ik roemen wil, ik h. 10: s. zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik onthoud mij daarvan, opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet dat ik ben, of dat hij uit mij hoort. 7 En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zoude verheften, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude, opdat ik mij niet zoude verheften. 8 Hierover heb ik den Heer driemaal gebeden, opdat hij van mij zoude wijken; 9 en hij heeft tot mij gezegd : Mijne genade is u ge-1 cor. 15:10. noeg, want mijne kracht wordt in zwakheid volbragt. Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. 10 Daarom heb ik een wel- |
2 COEINTHIÃES 13.
345
|
1 Cor.4:9. behagen in zwakheden, in smaadheden, in nooden, in vervolgingen, in benaauwd-heden, om Christus wil; want als ik zwak ben, dan ben ik magtig. 11 Ik ben roemende onwijs geworden: gij hebt mij genoodzaakt; want ik behoorde van u geprezen te zijn; want h. li: 5. ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben. 1 Cor. 9:2. 13 De merkteekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met teekenen en wonderen en krachten. 13 Want wat is er waarin gij minder geweest zijt dan de andere gemeenten, anders h. 11:7-9. dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk. h. 13:1. 14 Zie, ik ben ten derden male gereed om tot u te komen , en zal u niet lastig zijn; want ik zoek niet het uwe maar u; want de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen. 15 En ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uwe 1 Th. 2:8. zielen ten koste gegeven worden; hoewel ik u overvloediger beminnende minder bemind word. 16 Doch het zij zoo: ik heb u niet bezwaard, maar alzoo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen. 17 Heb ik door iemand der-genen die ik tot u gezonden 11 :30. 10:8. 15:10. |
heb van u mijn voordeel gezocht? 18 Ik heb Titus gebeden, h. 8:ö. en den broeder medegezon- den: heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in denzelfden geest gewandeld? Hehhen wij niet (jeicmdeld in dezelfde voetstappen ? 19 Meent g^j wederom dat wij ons bij u verontschuldigen ? Wij spreken in de tegen- h. 2:17. woordigheid Gods in Christus; en dit alles, geliefden, tot uwe stichting. 20 Want ik vrees, dat als ik gekomen zal zijn, ik u soms niet zal vinden zoodanigen als ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zoodanig als gij niet wilt; dat er soms zijn twisten, nijdigheden, icor.3:3; toorn, gekijf, achterklap, oor- Gal. 5:20. blazingen, opgeblazenheden, beroerten : 21 opdat wederom als ik zal gekomen zijn, mijn (rod mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen die tevoren gezondigd heb- h. 13:2. ben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onrei-nigheid en hoererij en ontuchtigheid die zij gedaan hebben. HOOFDSTUK 13. 1 Dit is de derde maal dat h. 12:14. iktotukom: in den mond Dt. 19:15. van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. 2 Ik heb het tevoren gezegd , en zeg het tevoren als tegenwoordig zijnde de |
2 COEENTHIÃRS 13.
346
|
tweede maal, en ik sclirijf liet nu afwezend aan degenen die tevoren gezondigd hebben, en aan al de anderen, dat zoo ik wederkom, ik hen niet zal sparen; 3 dewijl gij zoekt een proeve van Christus die in mij spreekt, welke in u niet zwak is, maar krachtig is onder u. 4 Want hoewel hij gekruist is door zwakheid, zoo leeft hij nogtans door de kracht H. 4:10, li. Gods; want ook wij zijn zwak in hem, maar zullen met hem leven door de kracht Gods in u. 1 Cor. 11:28. 5 Onderzoekt uzelve of gij in het geloof zijt, beproeft uzelve. Of kent gij uzelve niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij eenigzins verwerpelijk zijt. 6 Doch ik hoop dat gij zult verstaan dat wij niet verwerpelijk zijn. 7 En ik wensch van God dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat gij het goede zoudt |
doen en wij als verwerpelijk zouden zijn. 8 Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid. 9 Want wij verblijden ons wanneer wij zwak zijn en gij sterk zijt; en wij wenschen ook dit, namelijk uwe volmaking. 10 Daarom schrijf ik afwezend deze dingen, opdat ik niet tegenwoordig zijnde gestrengheid zoude gebruiken, naar de magt die mij de H. 10: a Heer gegeven heeft tot opbouwing en niet tot neder-werping. 11 Yoorts broeders, zijt blijde, wordt volmaakt, zijt getroost, zijt eensgezind, leeft in vrede: en de God der liefde en des vredes zal met u zijn. 13 Groet elkander met een Romje ;i6(i. heiligen kus. U groeten al de heiligen. 13 De genade des Heeren i cor. 12: Jezus Christus en de liefde 4quot;6' Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Amen. |
DE Mm VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAK DE
GALATIÃRS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus een apostel ( tjeroe-Vs. li, 12. pen niet van mensclien, nocli door een menseh, maar door Jezus Christus, en God den Yader die liem uit de dooden opgewekt lieeft), 3 en al de broeders die met Hd. 16:6; mij zijn, aan de gemeenten Rom/f-T.' van Galatië: 3 genade zij u en vrede van God den Vader en onzen Heer Jezus Christus ; h. 2; 20(/; 4 die zichzelven geareven Tit. 2 *14 heeft voor onze zonden, opdat hij ons trekken zoude uit deze tegenwoordige booze wereld, naar den wil van onzen God en Vader, 5 denwelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 6 Ik verwonder mij, dat gij zoo haast wijkende van dengeen die u in de genade van Christus geroepen heeft, over-gebragt wordt tot een ander evangelie, 7 daar er geen ander is; h. 5:io6- maar er zijn sommigen die Hd. i5:i, u ontroeren en het evangelie |
van Christus willen ver-keeren. 8 Doch al ware 't ook dat wij, of een engel uit den hemel u een evangelie verkondigde buiten 't geen wij u verkondigd hebben, die zij 1 Cor.i6;22. vervloekt. 9 Gelijk wij tevoren gezegd hebben, zoo zeg ik ook nu wederom: indien n iemand 2 Cor. li: 4 een evangelie verkondigt buiten 't geen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt. 10 Want predik ik nu de menschen of God ? Of zoek ik mensehen te behagen? Want i Th. 2:4. indien ik nog menschen behaagde , zoo ware ik geen dienstknecht van Christus. 11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie 't welk van mij verkondigd is, niet is naar den mensch; 12 want ik heb ook hetzelve niet van een mensch ontvangen noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus. 13 Want gij hebt mijnen omgang gehoord die eertijds in het Jodendom was, dat ril. 3:5,6. |
GALA.TIÃR3 2.
348
|
m. 8:3. ik de gemeente Gods uitermate vervolgde en dezelve verwoestte, 14 en dat ik in liet Jodendom toenam boven velen van mijnen ouderdom in mijn geslaclit, zijnde overvloedig ijverig voor mijne vaderlijke inzettingen. Hd. 9:15. 15 Maar wanneer het Gode behaagd heeft, die mij van den moederschoot af heeft afgezonderd, en geroepen door zijne genade, Hd. 9:1-25. 16 zijnen Zoon in mij te openbaren, opdat ik denzelven door het evangelie onder de heidenen zonde verkondigen, zoo ben ik terstond niet te Mt. 16:17. rade gegaan met vleesch en bloed, 17 en ben niet wederge-gaan naar Jeruzalem tot degenen die vóór mij apostelen waren, maar ik ging henen naar Arabië, en keerde wederom naar Damascus. 18 Daarna kwam ik na drie Hd. 9:20. jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen, 19 en zag geen ander van Mt. 13:55. de apostelen dan Jacobus den broeder des Heeren. 20 Hetgeen nu dat ik u schrijf, zie, ü getuig voor God dat ik niet lieg. 21 Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrië h. 9:30; en van Cilicië. li. 2j. 22 En ik was van aangezigt onbekend aan de gemeenten in Judéa die in Christus zijn; |
23 maar zij hadden alleen gehoord dat men zeide: De-geen die ons eertijds vervolgde verkondigt nu het geloof 't welk hij eertijds verwoestte ; 24 en zij verheerlijkten God in mij. HOOFDSTUK 2. 1 Daarna ben ik na veertien jaren wederom naar Jeruza- Hd. 15:1 lem opgegaan met Barnabas, ook Titus medegenomen hebbende ; 2 en ik ging op door een openbaring, en stelde hun het evangelie voor dat ik predik onder de heidenen, en in 't bijzonder dengenen die in achting waren, opdat ik niet soms tevergeefs zoude ril. 2 ia loopen of geloopen hebben. 3 Maar ook Titus die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden: 4 en dat om den wil der ingeslopen valsche broederen, die van terzijde ingekomen waren om te verspieden onze vrijheid die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen: 5 voor welke wij ook niet een uur zijn geweken met onderwerping, opdat de waarheid des evangelies bij u zoude verblijven. 6 En van degenen die geacht waren wat te zijn, hoe-danigen zij eertijds waren verschilt mij niet: God neemt Rom. 2 :11 den persoon des menschen niet aan; want die geacht |
GALATIÃES 2.
349
|
waren liebben mij niets toe-gebragt; 7 maar daarentegen, als zij zagen dat mij het evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dai der besnijdenis; 8 (want die in Petrus krachtig werkte tot het apostelschap der besnijdenis, die werkte ook krachtig in mij onder de heidenen); 9 en als Jacobus en Cefas en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade die mij gegeven was bekenden, gaven zij mij en Barnabas de regterM«rf der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen en zij tot de besnijdenis zouden gaan; Bom. 15:25; 10 alleen dat wij de armen . Cor. 8 en 9. Z0U(jell gedenken, hetwelk ik mij ook benaarstigd heb te doen. 11 En toen Petrus te An-tiochië gekomen was, wederstond ik hem in het aange-zigt, omdat hij te bestraffen was. 13 Want eer sommigen van Jacobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vreezende degenen die uit de besnijdenis waren; 13 en ook de andere Joden veinsden met hem, alzoo dat ook Barnabas medeafgetrokken werd door hun veinzen. 14 Maar als ik zag dat zij niet règt wandelden naar de waarheid des evangelies, |
zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij die een Jood zijt naar hei-densche wijze leeft en niet naar Joodsche wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naaide Joodsche wijze te leven? 15 Wij zij n van nat ure Jo den, en niet zondaars uit de heidenen; 16 doch wetende dat de mensch niet geregtvaardigd H. 3:11; wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zoo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden geregtvaardigd worden uit het geloof van Christus en niet nit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vleesch zal geregtvaardigd worden. 17 Maar indien wij , die in Christus zoeken geregtvaardigd te worden, ook zelve zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde ? Dat zij verre; 18 want indien ik 't geen ik afgebroken heb wederom opbouw, zoo stel ik mijzelven tot een overtreder. 19 Want ik ben door de wet der wet gestorven, op- Rom. 7:4. dat ik Gode leven zoude. 20 Ik ben met Christus ge- Rom. 6; kruist; en ik leef, doch niet QaiMt meer ik, maar Christus leeft in mij; en 't geen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij liefgehad heeft en zichzelven voor mij overgegeven heeft. |
GALATIÃES 3.
350
|
21 Ik doe de genade Gods niet teniet; want indien de regtvaardigheid door de wet is, zoo is dan Christus tevergeefs gestorven. HOOFDSTUK 3. 1 O gij uitzinnige Galatiërs, h. 5:7. wie lieeft u betooverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn, denwelken Jezus Christus voordeoogen tevoren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? 2 Dit alleen wil ik van u Vs. 14;/; leeren, hebt gij den Geest f. 1:13' ontvangen uit de werken der wet of uit de prediking des geloofs ? 3 Zijt gij zóó uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vleesch ? 4 Hebt gij zóóveel tevergeefs geleden ? indien ook maar tevergeefs! 5 Die u dan den Geest verleent en krachten onder u werkt, doet h'j dat uit de werken der wet of uit de prediking des geloofs? Gen. 15:6; 6 gelijkerwijs Abraham rjâ¢242:33: Gode gBlööfd heeft, en het is hem tot regtvaardigheid gerekend. 7 Zoo verstaat gij dan, dat Hom. 4:16. degenen die iiit het geloof zijn Abrahams kinderen zijn. 8 En de Schrift tevoren ziende dat God de heidenen uit het geloof zoude regtvaardi-gen, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd, .⢠In u zullen |
al de volkeren geze-Gen. 12:36 gend worden. hd. 3;25. 9 Zoo dan die uit het geloof zijn worden gezegend met den geloovigen Abraham. 10 Want zoovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven :Vervloekt Dt. 27:25. is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in hetboek der wet, om dat te doen. 11 En dat niemand door de h, 2: io wet geregtvaardigd wordtRom' 3: ^ voor God, is openbaar; want de regtvaardige zal uit Hat. 2:46; het geloof leven, Heb!io:38a! 12 doch de wet is niet uit het geloof, maar de mensch Lev. 18:56 die deze dingen doetRom 10:a zal door dezelve leven. 13 Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iege- m. 21:23. lijk die aan het hout hangt: 14 opdat de zegening Abrahams tot de heidenen komen zoude in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des vs. 2; Geestes verkrijgen zouden Ef. 1:13. door liet geloof. 15 Broeders, ik spreek naar den mensch: zelfs eens men-schen verbond dat bevestigd is doet niemand teniet, noch iemand doet daartoe. 16 Nu zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En Gen. 13:15. |
GALATIÃRS 4.
351
|
u w en z a d e, hetwelk is Christus. 17 En dit zeg ik: het verbond dat tevoren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet die na Ex. 12:40. vierhonderd en dertig jaren gekomen is niet krachteloos gemaakt om de beloftenis teniettedoen. Hom. 4 :14. 18 Want indien de erfenis uit de wet is, zoo is ze niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadig gegeven. 19 Waartoe is dan de wet? Rom. 5: 20. Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zoude gekomen zijn wien het beloofd was; en zij Hd. 7:53; is door de engelen besteld in de hand des middelaars. 20 En de middelaar is niet middelaar van éénen, maar God is één. 21 Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre. Want indien er een wet gegeven ware diemagtig was levendtemaken, zoo zoude waarlijk de regtvaardigheid uit de wet zijn; 22 maar de Schrift heeft het Rom. u; 32. alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus den geloovigen zoude gegeven worden. 23 Doch eer het geloof kwam waren wij onder de wet in bewaring gesteld', en zijn be- Rom. 10:4. sloten geweest tot op het geloof dat geopenbaard zoude worden. |
24 Zoo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden geregtvaardigd worden; 25 maar nu het geloof gekomen is, zoo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. 26 Want gij zijt allen kin- h. 4:5. deren Gods door het geloof in Christus Jezus; 27 want zoo velen als gij in Bom. 6:3. Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. Rom.i3;i4a. 2 8 Daarin is noch Jood noch 1 Cor.12:13; Griek, daarin is noch dienst- '0 ⢠⢠⢠bare noch vrije, daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus. 29 En indien gij van Christus zijt, zoo zijt gij dan Abra- Rom. 9:8. hams geslacht, en naar de beloftenis erfgenamen. HOOFDSTUK 4. 1 Doch ik zeg, zoolangen tijd als de erfgen-aam een kind is, zoo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; 2 maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader tevoren gesteld. 3 Alzóó wij ook toen wij kinderen waren, zoo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der we- vs 9-reld ; Col. 2:20. 4 maar wanneer de volheid Ef. 1:10. des tijds gekomen is, heeft G-od zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, 5 opdat hij degenen die onder de wet waren verlossen h. 3:13. |
GAIATIÃRS 4.
352
zoude, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.
Hom. 8:15. 6 En overmits gij kinderen zijt, zoo lieeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader!
7 Zoo dan gij zijt niet meer een dienstkneclit maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zoo zijt gij ook een erfgenaam Gods door Christus.
8 Maar toen daar gij God niet kendet, diendet gij de-
i Cor. 8; 4. genen die van nature geen goden zijn;
9 en nu daar gij God kent, ja veelmeer van God gekend zijt, boe keert gij u wederom
Vs. 3; tot de zwakke en arme eerste Col. 2;20. -beginselen, welke gij weder om van voren aan wilt dienen?
Col. 2:16. 10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.
11 Ik vrees voor u, dat ik soms tevergeefs aan u gearbeid heb.
13 Weest gij als ik, want ook ik ben als gij: broeders, ik bid u. Gij hebt mij geen ongelijk gedaan;
13 en gij weet dat ik u door zwakheid des vleesches het evangelie de eerste maal verkondigd heb,
14 en mijne verzoeking die in mijn vleesch geschiedde hebt gij niet veracht noch verfoeid, maar gij naamt mij aan als eenen engel Gods, ja als Christus Jezus.
15 Welke was dan uwe ge-
lukachting ? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zoo het mogelijk ware, uwe oogen zoudt uitgegraven en mij gegeven hebben.
16 Ben ik dan uw vijaud geworden, u de waarheid zeggende?
17 Zij ijveren niet regt over u, maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren.
18 Doch in het goede altijd te ijveren is goed, en niet alleen als ik bij u tegenwoordig ben,
19 mijne kinderkens, die ik wederom in arbeid ben tel Cor baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.
20 Doch ik wilde dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijne stem mogt veranderen; want ik ben in twijfel over u.
21 Zegt mij, gij die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet?
23 Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had.
4:15.
één uit de dienstmaagd enGeai6:i! één uit de vrije.
33 Maar gene die uit de
dienstmaagd was, is naar het
vleesch geboren geweest; doch
deze die uit de vrije was, door Gen. 17: t . Rom. 9-iL
de belottenis.
34 Hetwelk dingen zijn die een andere beduiding hebben. Want deze zijn de twee verbonden: het ééne van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Hagar;
35 want dit, namelijk Hagar, is Sinaï, een berg inArabië, en komt overéén met Jeru-
GALATIÃES 5.
353
|
zalem dat nu is, en dienstbaar is met liare kinderen. Heb. 12:22; 36 Maar Jeruzalem dat Loop. 3:12b. ven ^ |g vrjj ^ is ons aller moeder; 27 want er is geschreven: Jes. 54:l. Wees vrolijk, gij onvruchtbare die niet baart; breek uit en roep, gij die geen barensnood hebt; want de kinderen der eenzame zijn veel, meer dan dergene die den m an heeft. 28 Maar wij, broeders, zijn Hom. 9:7, a kinderen der belofte, als Isaak was. 29 Doch gelijkerwijs toen die naar het vleesch geboren Gen.21:9,10. was dengeen vervolgde die naar den geest geboren was, alzóó ook nu. 30 Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haren zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der v rij e. 31 Zoo dan broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd maar der vrije. HOOFDSTUK 5. 1 Staat dan in de vrijheid met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet Hd. 15:10. wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. 2 Zie, ik Paulus zeg u, zoo gij u laat besnijden, dat Christus u niets nut zal zijn; 3 en ik betuiac wederom aan or. 4:15, m. 16; lc 21:2. en. 17; 1' lom. 9: |
een iegelijk mensch die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de geheele wet te doen. 4 Christus is u ijdel geworden, die door de wet geregt-vaardigd wilt worden : gij zijt van de genade vervallen. 5 Want wij verwachten door den Geest uit het geloof de hoop der regtvaardigheid. 6 Want in Christus Jezus h. 6:15; heeft noch besnijdenis eenige1 Cor- 7:19-kracht, noch voorhuid, maar het geloof door de liefde werkende. 7 Gij liept wèl: wie heeft u a b:i. verhinderd der waarheid gehoorzaam te zijn ? 8 Uit gevoelen is niet uit hem die u roept. 9 Een weinig zuurdeesem i Cor. 5: es. verzuurt het geheele deeg. 10 Ik vertrouw van u in den lieer, dat gij niets anders zult gevoelen; maar wie u ontroert zal het oordeel dra- h. 1:7. gen, wie hij ook zij. 11 Maar ik, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zoo is dan de erger-1 cor. 1:23. nis des kruises vernietigd. 12 Och of zij ook afgesneden wierden die u onrustig maken. 13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleen gebruikt de vrijheid niet tot i Pet. 2:16. een oorzaak voor het vleesch, maar dient elkander door de liefde. 14 Want de geheele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit; Gij zuItMt.22:39,40! |
23
GALA.TIÃRS 6.
354
|
uwen naaste liefliebben gelijk uzelven. 15 Maar indien gij elkander bijt en verslindt, ziet toe dat gij van elkander niet verteerd wordt. 16 En ik zeg, wandelt door den Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleesches niet. 17 Want het vleesch begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vleesch; en deze staan tegen elkander over, alzoo dat gij niet doet hetgeen gij wildet. Rom. 6:14; 18 Maar indien gij door den 8:14' Geest geleid wordt, zoo zijt gij niet onder de wet. 19 De werken des vleesches nu zijn openbaar: welke zijn Rom. 1: overspel, hoererij, onreinig-1 Coramp;X ^' ontuchtigheid, 20 afgoderij, vergiftiging, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedragt, ketterijen, 21 nijd, moord, dronken-schappen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u tevoren zeg, gelijk ik ook tevoren gezegd heb, dat wie zulke dingen doen het koningrijk Gods niet zullen beërven. Ef. 5:9. 22 Maar de vrucht des Gees-tes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid , goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. 23 Tegen de zoodanigen is de wet niet. 24 Maar wie van Christus h 2 -20- zïn hebben het vleesch ge- Rom. 6:6. kruist met de bewegingenen begeerlijkheden. |
25 Indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen. 26 Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende. HOOrDSTÃK 6. 1 Broeders, indien ook een mensch overvallen ware door eenige misdaad, gij die geestelijk zijt, brengt den zoodanige teregt met den geest der zachtmoedigheid: ziende op uzelven, opdat ook gij niet 1 Cor.io :12. verzocht wordt. 2 Draagt elkanders lasten, Rom. 15: i. en vervult alzoo de wet van Christus. 3 Want zoo iemand meent iets te zijn daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed. 4 Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een ander; 5 want een iegelijk zal zijn Rom. 14:12. eigen pak dragen. 6 En wie onderwezen wordt 1 Cor. 9:11: ⢠i . j i i i Rom. 15127. in het woord deele mede van alle goederen dengene die hem onderwijst. 7 Dwaalt niet. God laat zich niet bespotten. Want zoo wat de mensch zaait, dat zal hijSpr. 22:8«. ook maaijen; 8 want wie in zijn eigen vleesch zaait zal uit 't vleesch Ron- 8: ^ verderfenis maaijen, maar wie in den geest zaait zal uit den geest het eeuwige leven maaijen. 9 Doch laat ons goeddoende 2; Th. 3:13. |
EFEZIÃES 1.
355
|
niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaijen, zoo wij niet verslappen. 10 Zoo dan terwijl wij tijd hebben, laat ons goeddoen aan allen, maar meest aan de buisgenooten des geloofs. 11 Ziet boegrooten brief ik ii geschreven heb met rnijne hand. 12 Al degenen die een schoon gelaat willen toonen naar het vleesch, die noodzaken ii besneden te worden, alleen opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. 13 Want ook zij zelve die besneden worden houden de wet niet, maar zij willen dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vleesch roemen zouden. |
14 Maar het zij verre van mij dat ik zoude roemen an- 1 Cor. 2:2. ders dan in het kruis onzes Heeren Jezus Christus, door welken de wereld mij ge- ii.2:20a. kruisigd is en ik der wereld; 15 want in Christus Jezus h. 5:6; heeft noch besnijdenis eenige1 Co1'' 7:19' kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. 2 Cor. 5:17. 16 En zoovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over h. 3:29; het Israel Gods. Rom. 9:7,8. 17 Voorts niemand doe mij moeite aan; want ik draag de lidteekenen des Heeren 2 Cor. 4:10. Jezus in mijn ligchaam. 18 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met uwen geest, broeders. Amen. |
DE BEIEr VAN DEN APOSTEL PAULÃS
aan de
EFEZIERS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus een apostel van Jezus Christus door den wil Gods aan de heiligen die te Efeze zijn en geloovigen in Christus Jezus: 2 genade zij u en vrede |
van God onzen Yader en den Heer Jezus Christus. 3 Gezegend zij de God en 2-cor. 1; Vader onzes Heeren Jezus '1Pet-1: Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus, |
EPEZIÃBS 1.
356
|
4 gelijk hij ons uitverkoren lieeft in hem vóór de grondlegging der wereld, H. 2:10; opdat wij zouden lieilig en Col. 1:22. onberispelijk zijn voor tem in de liefde; Rom. 8:29. 5 die ons tevoren verordineerd lieeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Cliris-tus in ziclizelven, naar het welbehagen van zijnen wil, 6 tot prijs der heerlijkheid zijner genade door welke hij ons begenadigd heeft in den Geliefde, Rom. 3: 7 in welken wij hebben de c(^4quot;i®i4 verlossing door zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom zijner genade, 8 met welke hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzigtigheid, H.3:3; 'â¢) ons bekendgemaakt heb-Coi. 1:26. |3enc[e de verborgenheid van zijnen wil, naar zijn welbehagen 't welk hij voorgenomen had in zichzelven, 10 om in de bedeeling van Gal. 4:4. de volheid der tijden wederom alles totéén te vergaderen Col. i: 20. in Christus, beide wat in den hemel is en wat op de aarde is, 11 in hem in welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij die tevoren verordineerd H 3:11. waren naar het voornemen desgenen die alle dingen werkt naar den raad van zijnen wil, 12 opdat wij zouden zijn tot prijs zijner heerlijkheid, wij die eerst in Christus gehoopt hebben: |
IS in welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid , namelijk het evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte, 14 die het onderpand is van onze erfenis tot de verkregen verlossing, tot prijs zijner heerlijkheid. 15 Daarom ook gehoord hebbende het geloof in den Heer Jezus dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen, 16 houd ik niet op voor u te danken, gedenkende uwer in mijne gebeden, 17 opdat de GodonzesHee-ren Jezus Christus , de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in zijne kennis, 18 namelijk verlichte oogen uws verstands, opdat gij moogt weten welke zij de hoop van zijne roeping, en welke de rijkdom zij van de heerlijkheid zijner erfenis in de heiligen ; 19 en welke de uitnemende grootheid zijner kracht zij aan ons die gelooven, naar de werking der sterkte zijner magt, 30 die hij gewerkt heeft in Christus, als hij hem uit de dooden heeft opgewekt en hem heeft gezet tot zijne reg-ievJiand in den hemel, 21 ver boven alle overheid en magt en kracht en heerschappij , en allen naam die genaamd wordt niet alleen |
EFEZIEES 2.
357
8:7; .15:27.
Ps. 1 Cor
Rom. 3: 23-28.
H. 4:30: Cor. 1; 22 5:5.
4 ; 12; . 12:5; 1 :18.
H.
Bi Rom, â Col.
H. 4:24; 2 Gor. 5:17.
'1.1:3,4,!lt;i
Rom. 2:2 6.
3 : 10-19:1 â 1:9-ls j
10:1: 15:23.
in deze wereld maar ook in de toekomende,
23 en lieeft alle dingen zijnen voeten onderworpen, en heeft bem der gemeente gegeven tot een hoofd boven alle dingen,
23 welke zijn ligchaam is, en de vervulling desgenen die alles in allen vervult.
HOOFDSTUK 2.
Col. 2:13. 1 u heeft kij mede-levend-(jemaaM, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden ,
Col. 3:7. 2 in welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw
h. 6:12. dezer wereld, naar den overste van de magt der lucht, van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid ,
3 onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten, en wij waren van nature kinderen des toorns gelijk ook de anderen;
4 maar God, die rijk is in barmhartigheid, heeft door zijne groote liefde waarmede hij ons liefgehad heeft.
Col. 2:13. 5 ook toen wij dood waren door de misdaden, ons levend-gemaakt met Christus, (uit genade zijt gij zalig geworden),
6 en heeft ons medeopge-wekt, en heeft ons medege-
Fii. 3:20. zet in den hemel in Christus Jezus:
7 opdat hij zoude betoenen in de toekomende eeuwen
den uitnemenden rijkdom zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.
8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave;
9 niet uit de werken, opdat niemand roeme;
10 want wij zijn zijn maaksel , geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft opdat wij in dezelve zouden wandelen.
11 Daarom gedenkt, dat gij die eertijds heidenen waart in het vleesch, en die voorhuid genaamd werdt van degenen die genaamd zijn besnijdenis in het vleesch die met handen geschiedt,
13 dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels Rom. 9:4. en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld;
13 maar nu in Christus Jezus zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus.
14 Want luj is onze vrede, Hd. 10:36. die deze beide één gemaakt
heeft, en den middelmuur des afscheidsels verbroken hebbende,
15 heeft hij de vijandschap
in zijn vleesch tenietgemaakt. Col. 2:14. namelijk de wet der geboden in inzettingen lestaande, opdat hij die twee in zichzelven tot éénen nieuwen mensch
EFEZIÃRS 3.
358
|
Col. 1:20. zoude scheppen, vrede makende , 16 en opdat hij die beiden met God in één ligchaam zoude verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. 17 En komende heeft hij Jes. 57:19; door het evangelie vrede verkondigd u die verre waart en dien die nabij waren; H, 3:12; 18 want door hem hebben Rom. 0.2. wjj ijgjdgjj Jen toegang door éénen Geest tot den Vader. 19 Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, H. 3:6. maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods, 1 Cor. 3: 30 gebouwd op het funda-10' ^ l1quot;61, ment der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, h. 4:16; 31 op welken het geheele ge-1 Cor. 3:16. |)0UW) bekwamelijk tezamen-gevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heer, 23 op welken ook gij mede-gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest. HOOrDSïüK 3. 1 Om deze oorzaak hen ik H. 4:1. Paulus de gevangene van Christus Jezus voor u die heidenen zijt: 3 indien gij maar gehoord Vs. 8. hebt van de bedeeling der genade Gods die mij gegeven is aan u, h. 1: 9; 3 dat hij mij door openba-Gai i, i- rjnâ, hegft bekendgemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden tevoren geschreven heb, |
4 waaraan gij dit lezende kunt bemerken mijne wetenschap in deze verborgenheid van Christus), 5 welke in andere eeuwen. Col. 1:26,2; den kinderen der menschen niet is bekendgemaakt, gelijk ze nu is geopenbaard aan zijne heilige apostelen en profeten door den Geest: 6 namelijk dat de heidenen zijn medeërfgenamen, en van 't zelfde ligchaam, en mede-deelgenooten zijner belofte in Christus door het evangelie, 7 waarvan ik een dienaar Col. 1:25. geworden ben naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is naar de werking' zijner kracht. 8 Mij den allerminste vani Cor. 15; 9.' al de heiligen is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het evangelie te verkondigen den onnaspeur- lijken rijkdom van Christus, 9 en allen te verlichten, (M ze mogen verstaan welke de gemeenschap der verborgen-Hom. 16:2; heid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus, 10 opdat nu door de gemeente bekendgemaakt worde aan de overheden en de mag-ten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods, 11 naar het eeuwig voor-n. i: 9, H. nemen dat hij gemaakt heeft in Christus Jezus onzen Heer, 13 in deuwelke wij hebben de vrijmoedigheid en den toe- h. 2:18: gang met vertrouwen, door Rom'0--het geloof aan hem. Col. 1:26. |
EFEZIÃRS 4.
359
|
13 Daarom bid ik dat gij niet vertraagt in mijne verdrukkingen voor u, 't welk is uwe heerlijklieid. 14 Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader onzes Heeren Jezus Cliristus, 15 uit welken al bet geslacht in de liemelen en op de aarde genaamd wordt, 16 opdat bij u geve, naar den rijkdom zijner lieerlijkheid, H. 6:10; met kraobt versterkt te wor-coi. i. li. (jen c|00r z;jnen Geest in den inwendigen menseb, 17 opdat Christus door het geloof in uwe harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; H. 1:18. 18 opdat gij ten volle kondet begrijpen, met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij, 19 en bekennen de liefde van Christus die de kennis tebovengaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods. Bom. 16: 30 Hem nu die magtig is 25-27. meer (lan overvloedig te doen boven alwat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt, 21 hem zeg ik zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen. HOOFDSTUK 4. 1 Zoo bid ik u dan, ik de h. 3:1. gevangene in den Heer, dat Col. i:io. gij wandelt waardiglijk der |
roeping met welke gij geroepen zijt, 3 met alle ootmoedigheid Coi.3:12,13. en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde, 3 u benaarstigende te behouden de eenigheid des Geestes door den band des vredes. 4 Ãén ligchaam is het enRom.ia^S; één Geest, gelijkerwijs gij ook 12,13.'' geroepen zijt tot ééne hoop uwer roeping; 5 één Heer, één geloof, één lCor.8:6. doop; 6 één God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen en in u allen; 7 maar aan elk van ons is de genade gegeven naar delCor.l2:ll. maat der gave van Christus. 8 Daarom zegt hij: Als Ps. 68:19. hij opgevaren is in de hoogte, heeft hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den raenschen gaven gegeven. 9 Nu dit: Hij is opgevaren, wat is 't, dan dat hij ook eerst is nedergedaald ju. 3:13. in de benedenste deelen der aarde? 10 Die nedergedaald is, is dezelfde ook die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat hij alle dingen vervul- h. 1:23. len zoude. 11 En deze heeft gegeven 1 cor. 12:28. sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars, |
EFEZIERS 4.
360
|
12 tot de volmaking der heiligen tot het werk der bediening, tot opbouwing des ligcliaanis van Christus, 13 totdat wij allen zullen komen tot de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de maat van de grootte der vollieid van Christus; lCor.l4:20. 14 opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de Heb. 13:9. vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der menschen, door arglistigheid om listig tot dwaling te bren-gen, 15 maar de waarheid betrachtende in liefde, allezins h. 2; 21; zouden opwassen in hem die het lioofd is, namelijk Christus, 16 uit welken het gelieele Hgchaam, bekwamelijk teza-mengevoegd en tezamen vastgemaakt zijnde door alle voeg-selen der toebrenging, naar de werking van ieder deel in zijne maat, den wasdom des ligchaams bekomt, tot opbouwing van zichzelf in de liefde. 17 Ik 'zeg dan dit en betuig het in den Heer, dat gij niet l Pet. 4:3. meer wandelt gelijk als de andere heidenen wandelen in de ij delheid huns gemoeds, Rom. 1 : 24, 18 verduisterd in het ver-Coi2i':2i. stand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding huns harten : |
19 welke ongevoelig geworden zijnde, zichzelve hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid begeerig te bedrijven. 20 Doch gij hebt Christus alzóó niet geleerd, 21 indien gij maar hem gehoord hebt en door hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is, 22 te weten dat gij zoudtcol, 3: s-ioi afleggen, aangaande den vo- rigen wandel, den ouden mensch die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding, 23 en dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds 24 en den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware regtvaar-digheid en heiligheid. 25 Daarom legt af de leugen , en spreekt de waarheid zach. 8:16. een iegelijk met zijnen naaste; want wij zijn elkanders leden. 26 Wordt toornig en zon- ps. 4:5. digt niet: de zon ga niet onder over uwe toornigheid, 27 en geeft den duivel geen Jc. 4:7. plaats. 28 Wie gestolen heeft stele niet meer, maar arbeide liever, werkende wat goed is i Th. 4:11. met de handen, opdat hij hebbe medetedeelen dengene die nood heeft. 29 Geen vuile rede ga uit col. 3:8; uwen mond, maar zoo er 4:6' eenige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien die ze hooren. H. 1 :â¢! Cor. 1 3: S | Col. 3 Mt. 6:1 Ml. Jh. Gal. 1 .lh C.ol IC |
EFEZIERS 5.
861
|
80 En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing. 31 Alle bitterheid en toornigheid en gramscliap en geroep en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid; â Col. 3:13; 82 maar zijt jegens elkander : Mt. 6.14, goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijker-wijs ook God in Christus ulleden vergeven heeft. HOOFDSTUK 5. .\u. 5:48. 1 Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen; i Jh. 13:34; 3 en wandelt in de liefde, ?jh.23:2i6. gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en zicbzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slagtoffer, Gode tot een wel-riekenden reuk. Col. 3: 5,6. 3 Maar laat hoererij en alle onreinigheid of gierigheid onder u ook niet genaamd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt; â¢4 noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen, maar veelmeer dankzegging. ^Gor. 6: MO; 5 Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het koningrijk van Christus en van God. 6 Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. H. 1:13; 2 Cor. 1; 22; |
7 Zoo zijt dan hunne mede-genooten niet. 8 Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heer: wandelt als kinderen des lichts, 9 (want de vrucht des Gees- Gal. 5:22. tes is in alle goedheid en regtvaardigheid en waarheid), 10 beproevende wat den Rom. 12:26. Heer welbehagelijk zij; 11 en hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer. 13 Want hetgeen heimelijk van hen geschiedt is schandelijk ook te zeggen. 13 Maar al deze dingen van het licht bestraft zijnde worden openbaar; want al wat openbaar maakt is licht. 14 Daarom zegt hij; Ontwaak gij die slaapt en sta op uit de dooden, en Christus zal over u lichten. 15 Ziet dan hoe gij voor-zigtig wandelt, niet als on-wijzen maar als wijzen, 16 den tijd uitkoopende, dewijl de dagen boos zijn. 17 Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat welke de wil des Heeren zij. 18 En wordt niet dronken van wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest, 19 sprekende onder elkan-Coi.3:i6,i7. der met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende en psalmende den Heer in uw hart, 20 dankende altijd over alle dingen God en den Vader in 1 Th. 5:5. l Jh. 3: 20,21. Rom. 13:11; 1 Th. 0:6. Col. 4:5. |
EFEZIÃRS 6.
362
|
den naam onzes Heeren Jezus Cliristus, 1 Pet. 5 ;5. 21 elkander onderdanig zijnde in de vreeze Gods. Col. 3:18; 22 Gij vrouwen, weest uw l Pet, 3:l.ejgen maimen onderdanig, gelijk den Heer; iCor. ii:3. 23 want de man is het hoofd h. 1:22. der vrouw, gelijk ook Christus het hoofd der gemeente is; en hij is de behouder des ligchaams. 24 Daarom gelijk de gemeente Christus onderdanig is, alzóó ook de vrouwen haren eigen mannen in alles. 25 Gij mannen, hebt uwe eigene vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en ziohzelven voor haar heeft overgegeven, 26 opdat hij ze heiligen zou-l Pet. 3:21. de, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het woord, 27 opdat hij ze ziohzelven heerlijk zoude voorstellen, een gemeente die geen vlek of rimpel heeft of iets dergelijks , maar dat zij zoude heilig zijn en onberispelijk. 28 Alzóó zijn de mannen schuldig hunne eigene vrouwen lieftehebben gelijk hunne eigene ligchamen. Wie zijne eigene vrouw liefheeft, die heeft ziohzelven lief; 29 want niemand heeft ooit zijn eigen vleesoh gehaat, maar hij voedt het en onderhoudt het, gelijkerwijs ook de Heer de gemeente; 1 Cor. 12:27. 30 want wij zijn leden zijns ligchaams, van zijn vleesoh en van zijn been. Col. 3:19; 1 Pet. 3 :7. 2 Cor. 11:2 Col. 1:22. |
31 Daarom zal e e n Gen. 2:24; , , Mt. 19:5. mensch zijn vader en moeder verlaten en zal zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleesoh wezen. 32 Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit ziende op Christus en op de gemeente. 33 Zoo dan ook gijlieden elk in 't bijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw alzóó lief als ziohzelven, en de vrouw zie dat zij den man vreeze. HOOFDSTUK 6. 1 Gij kinderen, zijt uwen Col. 3:20. ouders gehoorzaam in den Heer ; want dat is regt. 2 Eer uwen vader en uwe moeder, (hetwelk het eerste gebod is met een belofte) , 3 opdat het u wèl ga en dat gij lang leeft op aarde. 4 En gij vaders, verwekt Col. 3:21. uwe kinderen niet tot toorn, maar voedt ze op in de leering en vermaning des Heeren. 5 Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam aan moe heeren naar het vleesch, met vrees en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus, 6 niet naar oogendienst als mensohenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil Gods van harte, 7 dienende met goedwillig- 20 :12 5: IC. E::. Dt. Col. Tlt. 3:22; 2; 9, , 1 Cor , Col. 3 . ;: -â : 23.24. |
EFEZIÃRS 6.
363
|
heid den Heer en niet de mensclien, 8 wetende dat zoowat goed een iegelijk gedaan zal lieb-ben, liij dat van den Heer zal ontvangen, hetzij dienstknecht hetzij vrije. Col. 4:1. 9 En gij heeren , doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging, als die weet dat ook uw eigen Heer in de heme-Rom. 2:ii.len is, en dat er geen aanneming des persoons bij hem is. 10 Toorts mijne broeders, wordt krachtig in den Heer en in de sterkte zijner magt. Roin.i3:i2i). 11 Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige 1 Pet.5:8. omleidingen des duivels; 12 want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de magten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. 13 Daarom neemt aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaanin den boozen dag, en alles ver-rigt hebbende staande blijven. 14 Staat dan uwe lende omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gereg-tigheid, 15 en de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het evangelie des vredes; 16 bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs. H. 2:2. Jes. 59:17: 1 Th. 5:8. |
met hetwelk gij al de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen. 17 En neemt den helm der i Th. 5: Sb. zaligheid, en het zwaard des Heb.4:12. Geestes, 't welk is Gods woord; 18 met alle bidding en smeeking biddende te allen tijde in den geest, en daartoe wakende met alle gedurigheid en smeeking voor al de heiligen, 19 en voor mij, opdat mij het woord gegeven worde bij het openen mijns monds, met vrijmoedigheid om de verborgenheid des evangelies be-kendtemaken, 30 waarom ik een gezant ben in een keten ; opdat ik H. in 't zelve vrijmoedig mag spreken gelijk mij betaamt te spreken. 21 En opdat ook gij moogt weten 't geen mij aangaat en wat ik doe, dat alles zal u ïychicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heer, bekendmaken; 22 denwelken ik te dien einde tot u gezonden heb, opdat gij onze zaken zoudt weten en hij uwe harten zoude vertroosten. 23 Vrede zij den broederen en liefde met geloof, van 1 Tim. 1:14. God den Vader en den Heer Jezus Christus. 24 De genade zij met al degenen die onzen Heer Jezus Christus liefhebben in onver-derfelijkheid. Amen. Col. 4:2-4. , 3:1:4:1. Col. 4:7; Hd. 20: 4. |
DE BRIEÃ VAN DEN APOSTEL PAÃLUS
AAN DE
F I L I P P E N Z E K
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus en ïimotteüs, dienst knecliten van Jezus Christus, aan al de heiligen Hd.i6;i2vv. in Christus Jezus die te Fi-lippi zijn met de opzieners en diakenen: 3 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heer Jezus Christus. 3 Ik dank mijnen God zoodikwijls als ik uwer gedenk, 4 (altijd in al mijn gebed voor u allen met hlijdsehap 't gebed doende), 5 over uwe gemeenschap aan het evangelie, van den eersten dag af tot nu toe: 6 dit vertrouwende, dat hij die in u een goed werk be- â¢l Cor. 1:8. gonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus; 7 gelijk het bij mij regt is dat ik van u allen dit gevoel, omdat ik in mijn hart houd dat gij, beide in mijne banden en in mijne verantwoording en bevestiging des evangelies, gij allen zeg ik mijner genade mededeelaclitig zijt. |
8 Want God is mijn ge-Rom. 1:9. tuige, hoezeer ik begeerig ben naar u allen met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. 9 En dit bid ik God, dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen, 10 opdat gij beproeft de dingen die daarvan verschillen, opdat gij opregt zijt en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus, 11 vervuld met vruchten der geregtigheid die door Jezus Christus zijn, tot heerlijkheid en prijs van God. 13 En ik wil dat gij weet, broeders, dat 'tgeen aan mij is (jeschied meer tot bevordering des evangelies gekomen is: 13 alzoo dat mijne banden Hd. 28:16. in Christus openbaar geworden zijn in 't gansche regt- huis en aan alle anderen, 14 en dat het meeremfee/ der broederen in den Heer, door mijne banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het woord onbevreesd durft spreken. |
FILIPPENZEN 3.
365
|
15 Sommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid; 16 gene verkondigen wel Christus nit twisting niet zuiver, meenende aan mijne banden verdrukking toete-brengen; 17 doch deze uit liefde, dewijl zij weten dat ik tot verantwoording des evangelies gezet ben. 18 Wat dan ? Nogtans wordt Christus op allerlei wijs, hetzij onder een deksel hetzij in waarheid, verkondigd, en daarin verblijd ik mij, ja ik zal mij ook verblijden; 19 want ik weet dat dit mij Cor. 1:11«. ter zaligheid gedijen zal door uw gebed en toebrenging des Geestes van Jezus Christus, 30 volgens mijne ernstige verwachting en hoop, dat ik in geen zaak zal beschaamd worden, maar dat in alle vrijmoedigheid, gelijk altijd alzoo ook nu, Christus zal grootgemaakt worden in mijn ligchaam, hetzij door het leven hetzij door den dood. Gal. 2:20. 21 Want bet leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. 33 Maar te leven in het vleesch, of dit mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet. 33 Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende 2 Cor. 5:8. begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn, want dat is zeer verbet beste: |
34 maar in het vleesch te blijven is noodiger om uwentwil. 25 En dit vertrouw en weet H. 2:24. ik, dat ik zal blijven en met u allen zal verblijven tot uwe bevordering en blijdschap des geloofs, 36 opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijne tegenwoordigheid wederom bij u. 37 Alleen wandelt waardig- Ef. 4:1: lijk het evangelie van Christus, opdat 't zij ik kom en u zie, 't zij ik afwezig ben, ik van uwe zaken mag hooren, dat gij staat in éénen geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des evangelies, 28 en dat gij in geen ding verschrikt wordt van degenen die tegenstaan: hetwelk hun wel een bewijs is des verderfs, maar u der zaligheid, en dat van God; 39 want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus , niet alleen in hem te gelooven maar ook voor hem sa. 5 41. te lijden, 30 denzelfden strijd hebbende , hoedanigen gij in mij gezien hebt en nu in mij hoort. HOOFDSTUK 2. 1 Indien er dan eenige vertroosting is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er eenige gemeenschap is des Geestes, indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn, |
FILIPPENZEN 2.
366
|
3 zoo vervult mijne blijd- 1 Cor. 1; 10, schap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde. 3 Boet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door Ef. 4; 2,3. ootmoedigheid acbte de één den ander uituemender dan ziclizelven. 1 Cor. 10:24. 4 Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op 't geen der anderen is. Jh. 13:14.15; 5 Want dat gevoelen zij in Mt. li. 29. u qqJ, |n Christus Jezus was, 6 die in de gestaltenis Gods zijnde geen roof geacht beeft Gode evengelijk te zijn, Mt. 20; 28; 7 maar heeft zichzelven ver-' nietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den menschen gelijk geworden; 8 en in gedaante gevonden als een mensch, heeft hij zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja den dood des kruises. Ef. 1: 20-22. 9 Daarom heeft God hem ook uitermate verhoogd, en heeft hem een naam gegeven welke boven allen naam is, 10 opdat in den naam van Jes. 45:23; Jezus zich zoude buigen alle 'knie dergenen die in den hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, 11 en alle tong zoude belijden dat Jezus Christus de Heer is tot heerlijkheid Gods des Vaders. |
12 Alzoo dan mijne geliefden, gelijk gij altijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijne tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uwe eigene zaligheid met vrees en beven; Rom. 14:11., 13 want het is God die in 2Cor.3:5 u werkt beide het willen en het werken, max zijn welbehagen. 14 Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken, 15 opdat gij moogt onberispelijk enopregtzijn, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in 't midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten \lt. 5: u. in de wereld, 16 Jiun voorhoudende het woord des levens, mij tot een roem tegen den dag van 2 Cor. i :14. Christus, dat ik niet tever- Gal. 2:25. geefs heb geloopen noch tevergeefs gearbeid. 17 Ja indien ik ook tot een drankoflér geofl'erd word over 2 Tim. 4: tide offerande en bediening uws geloofs, zoo verblijd ik mij en verblijd mij met u allen: 18 en om datzelfde verblijdt gij u óók en verblijdt u ook met mij. 19 En ik hoop in den Heer Jezus, Timotheüs haast tot Hd. 16 :1-3. u te zenden, opdat ik óók welgemoed mag zijn als ik uwe zaken zal verstaan hebben. 20 Want ik heb niemand die evenzoo gemoed is, dewelke opregtelijk uwe zaken zal bezorgen; 21 want zij zoeken allen het |
PILIPPENZEN 3.
367
|
hunne, niet't geen van Christus Jezus is. 22 En gij weet zijne beproe-Tfm. 1 :2. ving, dat hij als een kind zijnen vader, met mij gediend heeft in het evangelie. 23 Ik hoop dan wel dezen van stonde aan te zenden, zoohaast als ik in mijne zaken zal voorzien hebben; H. i: 25. 24 doch ik vertrouw in den Heer, dat ik ook zelf haast tot u komen zal. 25 Maar ik heb noodig ge-H. 4:18. acht tot u te zenden Epafro- ditus, mijnen broeder en medearbeider en medestrijder, en uwen afgezondene en bedienaar mijner nooddruft, 26 dewijl hij zeer begeerig was naar u allen, en zeer beangst was, omdat gij gehoord hadt dat hij krank was. 27 En hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft zich zijner ontfermd, en niet alleen zijner maar ook mijner, opdat ik niet droefheid op droefheid zoude hebben. 28 Zoo heb ik dan hem te spoediger gezonden, opdat gij hem ziende wederom u zoudt verblijden, en ik te minder droevig zoude zijn. 29 Ontvangt hem dan in den Heer met alle blijdschap, en Th. 5; 12. houdt dezulken in waarde; 30 want om het werk van Christus was hij tot nabij den dood gekomen, zijn leven niet achtende, opdat hij het gebrek uwer bediening aan mij vervullen zoude. |
HOOFDSTUK 3. 1 Voorts mijne broeders, verblijdt u in den Heer. De- h. 1:25, . .. 2 ⢠18 â 4 ⢠4 zelfde dingen aan u te schrij- ⢠â ⢠⢠ven is mij niet verdrietig, en het is u zeker. 2 Ziet op de honden, ziet op Op. 22:15a. de kwade arbeiders, ziet op de versnijding. 3 Want wij zijn de besnij- Rora. 2: ding, wij die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vleesch betrouwen: 4 hoewel ik heb dat ik ook in het vleesch betrouwen mogt. Indien iemand anders 2 Cm-, n; meent te betrouwen in het 21'23' vleesch, ik nog meer, 5 besneden ten achtsten dage, uit het geslacht Israels, van den stam Benjamin, een Hebreër uit de Hebreërs, naar de wet een farizeër, 6 naar den ijver een vervol-Gal. 1:13,14. ger der gemeente, naar de regtvaardigheid die in de wet is zijnde onberispelijk. 7 Maar 't geen mij gewin was, dat heb ik om Christus wil schade geacht. 8 Ja gewis, ik acht ook alle Mt.i3;45,46; dingen schade te zijn om de 16 â 25-uitnemendheid der kennis van Christus Jezus mijnen Heer, om wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen , 9 en in hem bevonden worde niet hebbende mijne regtvaardigheid die uit de wet is, maar die door 't ge- |
FILIPPENZEN 4.
368
|
Hom,3:2l,22;loof van Christus is, name-Ga2ü6.'18' l'jk de regtvaardiglieid die uit God is door liet geloof; 10 opdat ik hem kenne, en de kracht zijner opstanding, Kom, 8 Alb. en de gemeenschap zijns lij-dens, zijnen dood gelijkvormig wordende: 11 of ik soms moge komen tot de wederopstanding der dooden. 13 Niet dat ik het aireede gekregen heb of alreede volmaakt ben; maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mogt, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. 13 Broeders, ik acht niet dat ik zelf liet gegrepen heb; l Cor. 9: 14 maar één ding doe ik, ver-2 â nmArSs. geteiule 't geen achter is, en strekkende mij tot hetgeen vóór is, jaag ik naar het wit tot den prijs der roeping Gods die van boven is in Christus Jezus. 15 Zoovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen ; en indien gij iets anders gevoelt, ook dat zal God u openbaren. 16 Doch waar wij toegekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen , laat ons hetzelfde gevoelen. 1 Cor.4:16; ^ Weest mede mijne navolgers, broeders, en merkt op degenen, die alzóó wandelen gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. 18 quot;Want velen wandelen öjM-ders, van dewelke ik u dikwijls gezegd heb en nu ook weenende zeg, dat ze vijanden des kruises van Christus Rom. 1« 11 : l. |
17, 18. zijn: 19 welker einde is het verderf, welker God is de buik , en welker heerlijkheid is in hunne schande, dewelke aard-sche dingen bedenken. 20 Maar onze wandel is Col. 3:1,2, in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwach-1 Th. i: lu, ten, namelijk den Heer Jezus Christus, 31 die ons vernederd lig- i Cor. 15; chaam veranderen zal, opdat 42-44' M hetzelve gelijkvormig worde aan zijn heerlijk ligchaam, naar de werking waardoor hij ook alle dingen zichzelven kan onderwerpen. HOOFDSTUK 4. 1 Zoo dan mijne geliefde en zeer gewenschte broeders, mijne blijdschap en kroon, i Th. 2:19 [ staat alzóó in den Heer, geliefden. 3 Ik vermaan Euodia en ik vermaan Syntyché, dat zij eensgezind zijn in den Heer. 3 En ik bid ook u, gij mijn opregte medgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het evangelie, ook met Clemens en mijne andere medearbeiders, welker namen zijn in lc,10:20, het boek des levens. 0lJ' 31 ^ 4 Verblijdt u in den Heer h, 3:1, altijd; wederom zeg ik, verblijdt u. 5 Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend. De Heer is nabij. Jc. 5:9, 6 Weest in geen ding be- Mt, 6:25; zorgd, maar laat uwe begeer- 1 Pet- 5: jh. 1 Col, |
miPPENZEN 4.
369
|
ten in alles door bidden en smeeken, met dankzegging, bekend worden bij God; jii, 14:27; 7 en de vrede Gods, die alle verstand tebovengaat, zal uwe liarten en uwe zinnen bewaren in Cliristus Jezus. S Voorts broeders, alwat waarachtig is, alwat eerlijk is, alwat regtvaardig is, alwat rein is, alwat liefelijk is, alwat wèl luidt, zoo er eenige deugd is en zoo er eenige lof is, bedenkt dat. 9 Hetgeen gij ook geleerd en ontvangen en gelioord en in mij gezien liebt, doet dat: en de God des vredes zal met u zijn. 10 En ik ben grootelijks verblijd geweest in den Heer, dat gij nu eenmaal wederom ver-wakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedaclit liebt, maar gij liebt de gelegenheid niet gehad. 11 Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb 1 Tim. 6: 8. geleerd vergenoegd te zijn in 't geen ik ben; 13 en ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; allezins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. 2 Cor. 12: IS Ik vermag alle dingen 9 10* ⢠... i Tim. 1:12 door Christus die mij kracht geeft. 14 Nogtans hebt gij wèl gedaan dat gij met mijne lom. l(j 17, 18. Col. 3; 15. â¢1. 3:1, 2. 'h. 1 ; lü. Cor. 15: 1-44, 49. h. 2 : 19, 10:20. i. 3:5. 3:1 5:9. |
verdrukking gemeenschap gehad hebt. 15 En ook gij Filippenzen weet, dat in het begin des evangelies, toen ik van Macedonië vertrokken ben, geen gemeente mij iets medege-2 Cor, u :9. deeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen; 16 want ook in Thessalo-nica hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden tot mijne nooddruft, 17 Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht die overvloedig is tot uwe rekening. 18 Maar ik heb alles ontvangen , en ik heb overvloed ; ik ben vervuld gewerden als ik van Epafroditus ontvangen heb wat van u gezonden was, als een wTelrie-kenden reuk, een aangename offerande, Gode welbehage-Heb. 13 :16. lijk. 19 Doch mijn God zal naar 2 Cor. 9:8. zijnen rijkdom vervullen al uwe nooddruft, in heerlijkheid door Christus Jezus. 20 Onzen God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 21 Groet alle heiligen in Christus Jezus. TJ groetende broeders die met mij zijn. 22 Al de heiligen groeten u, en meest die van het huis des keizers zijn. 23 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen, Amon. |
6:25; t. 5:'.
I
24
DE EEIEP VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
COLOSSEN ZEN.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus een apostel van Jezus Christus door den wil Gods en Timotlieüs de broeder Rom. 1:7. 2 aan de heilige en geloo-vige broederen in Christus die te Colosse zijn: genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heer Jezus Christus. Ef.i; 15,16. 3 Wij danken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, altijd voor u biddende ; 4 alzoo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde die gij hebt tot alle heiligen, 5 om de hoop die u weg-i Pet. 1:4. gelegd is in de hemelen, van welke gij tevoren gehoord hebt Ef. 1:13. door het woord der waarheid, namelijk des evangelies; 6 hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de geheele wereld ; en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van dien dag af dat gij het gehoord hebt en de genade Gods in waarheid bekend hebt: 7 gelijk gij ook geleerd hebt |
van Epafras onzen geliefden H. 4:12; mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u, 8 die ons ook verklaard heeft uwe liefde in den Geest. 9 Waarom ook wij, van dien Ef-1:15,16. dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand, 10 opdat gij moogt wande- Ef. 4;i len waardiglijk den Heer tot Fil-1:-' alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende , en wassende in de kennis Gods; 11 met alle kracht bekrach- Ef. 3:16-tigd zijnde, naar de sterkte zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap; 12 dankende den Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft om HwXtehelben in de erve Hd. 25;18. der heiligen in het licht; 13 die ons getrokken heeft uit de magt der duisternis, en overgezet heeft in hetko- |
COLOSSENZEN 1.
371
|
ningrijk van den Zoon zijner liefde, E f.l:7. 14 in den welke wij de verlossing liebben door zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden; ^Jh. 14:9;^ 15 dewelke het beeld is des quot;neb.' 1:3.' onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creature. Jh. l :3j 16 Want door liem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij troonen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij magten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen; 17 en hij is vóór alle din-Heb, 1:3. gen, en alle dingen bestaan tezamen door hem, Ef. 1:22. 18 en hij is het hoofd des ligchaams, namelijk der gemeente, hij die het begin is, de icor. 15:20. eerstgeborene uit de dooden, opdat hij in allen de eerste zoude zijn. 19 Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in H. 2:9; hem al de volheid wonen Jh. 1:14,16. 1 zoude, 20 en dat hij door hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door Ef. 1:10; hem zen ik alle dingen ver- 2 Cor 5â¢48 i ⢠i i ' zoenen zoude tot zichzelven, hetzij de dingen die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn. 21 En hij heeft u die eer-Ef. 4:18. tijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de booze werken, nu ook verzoend 22 in het ligchaam zijns Heb. 1:26. |
vleesches door den dood, op- Ef. 1:4: dat hij u heilig en onbens- 0 :2,1' pelijk en onbestraö'elijk vóór zich zoude stellen: 23 indien gij maar blijft in 't geloof gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope des evangelies dat gij gehoord hebt, hetwelk gepredikt is onder al de creature die onder den hemel is; van 't welk ik Paulus een die- Ef. 3:7. naar geworden ben; 24 die mij nu verblijd in Fil. 2:17. mijn lijden voor u, en vervul in mijn vleesch de overblijf-2 Cor. 4:10. selen der verdrukkingen van Christus voor' zijn ligchaam, 't welk is de gemeente; 25 welker dienaar ik gewor- Rom. 15:16. den ben naar de bedeeling Ef. 3:2. Gods, die mij gegeven is aan u om te vervullen het woord Gods: 26 namelijk de verborgen- Ef. 3:9;_ heid, die verborgen is ge- Rom'16'25' weest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan zijne heiligen , 27 aan wie God heeft willen bekendmaken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid Et.3:8; 1:18. dezer verborgenheid onder de heidenen , welke is Christus onder u, de hoop der heerlijkheid; 28 denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mensch en leerende een iegelijk mensch in alle wijsheid, opdat wij een iegelijk mensch volmaakt zouden stel- Ef. 4:13. len in Christus Jezus: 29 waartoe ik ook arbeid. |
COLOSSENZEX 2.
872
|
strijdende naar zijne werking die in mij werkt met kracht. HOOFDSTUK 2. 1 Want ik wil dat gij weet hoegrooten strijd ik voor n heb, en voor degenen die te H. 4:13. Laodicéa zijn, en zoovelen als er mijn aangezigt in het vleesch. niet hebben gezien, 3 opdat hunne harten vertroost mogen worden, en zij tezamengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der H. 1; 27. verborgenheid van God en den Vader, en van Christus, 3 in denwelke al de schat-l Cor. 2:7. ten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. 4 En dit zeg ik opdat niet iemand u misleide met beweegredenen die een schijn hebben; 1 Cor. 5:3. 5 want hoewel ik met het vleesch van u ben, nogtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uwe goede orde en de vastheid uws geloofs in Christus. 6 Gelijk gij dan Christus Jezus den Heer hebt aangenomen, wandelt alzóó in hem, Ef. 3:17. 7 geworteld en opgebouwd in hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve met dankzegging. 8 Ziet toe dat niemand n als een roof vervoere door de filosofie en ijdele verleiding, naar de overlevering der menschen, naar selen der naar Christus; |
9 want in hem woont al de volheid der Godheid ligcha-melijk; 10 en gij zijt in hem volmaakt, die het Hoofd is van 11e overheid en magt; 11 in welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis die zonder handen geschiedt, in het uittrekken van het ligchaam der zonden des vleesches, door de besnijdenis van Christus: 13 zijnde met hem begraven Rom. 6:4, in den doop, in welken gij ook met hein opgewekt zijt Et. 2:5,6, door het geloof der werking Gods, die hem uit de dooden opgewekt heeft. 13 En hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden Et. 2:1,; en in de voorhuid uws vleesches , mede-levendgemaakt met hem, al uwe misdaden u vergevende; 14 uitgewischt hebbende het Et. 2:15, handschrift dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, 't welk zeg ik eenigerwijze tegen ons was , en heeft dat uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende; 15 en de overheden en de Ef. 6:12 . Jh. 12:31 magten uitgetogen hebbende, heeft hij die in 't openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd. 16 Dat u dan niemand oor-Rom.14:34 deele in spijs of in drank, of in het stuk des feestaV/i- of de eerste begin- Vs. 20; ,j ⢠.Gal. 4:3, S wereld, en niet H. 1:19' Jh. 1 :14. Et. 3:19. Et. 1:21. Rom. 2: 28. 29. |
COLOSSENZEN 3.
373
|
der nieivwemaan of der sab-baten; Heb. 8:5; 17 welke zijn een schaduw 10 der toekomende dingen, maar het ligchaam is van Christus. 18 Dat niemand u over-heersche naar zijnen wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in 't geen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vlee-sches, Ef. 4:15,16. 19 en het hoofd niet behoudende, uit hetwelk het geheele ligchaam, door de te-zamenvoegselen en tezamen-bindingen voorzien en teza-mengevoegd zijnde, opwast met Goddelijken wasdom. 20 Indien gij dan met Chris-Gal. 4; 3,9. tus de eerste beginselen der wereld ziit afgestorven, wat wordt gij, alsof gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast, 21 namelijk: Eaak niet, en smaak niet, en roer niet aan? 32 welke dingen alle verderven door het gebruik, Mt. 15:9. ingevoerd naar de gebodenen leeringen der menschen; 23 dewelke wel hebben eene scAywrede van wijsheid in eigen willigen ^osfedienst, en nederigheid, en in het ligchaam niet te sparen, doch iTim.4:3,8.niet in eenige waarde zijn, maar tot verzadiging des vleesehes. |
HOOFDSTUK 3. 1 Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt Ef. 2:8; de dingen die boven zijn, Fil'3: '0' waar Christus is zittende aan de regteT/ea?td Gods: 2 bedenkt de dingen die Mt. 6:19-21, .... 83 boven zijn, niet die op de ys 5_g aarde zijn. | 3 Want gij zijt gestorven, i en uw leven is met Christus | verborgen in God: 4 wanneer nu Christus zal | geopenbaard zijn, die ons j leven is, dan zult ook gij met hem geopenbaard wor-| den in heerlijkheid. 5 Doodt dan uwe leden die : op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schan- Ef. 5:3-6. delijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst: 6 om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid; 7 in dewelke ook gij eer- Ef. 2:2. : tijds hebt gewandeld, toen ! gij in dezelve leefdet. 8 Maar nu, legt ook gü Ef. 4:31,29; . 'o o j ^ pe^ 0 . | dit alles af, namelijk gramschap , toornigheid, kwaadheid, lastering, vuilspreken uit uwen mond; 9 liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt denEf. 4:22-25. ouden mensch met zijne werken , 10 en aangedaan hebt den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld desgenen die ⢠hem geschapen heeft; 11 waarin niet is Griek en Gal. 3:28. |
COLOSSENZEN 4.
374
|
Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scy th, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles en in allen. 12 Zoo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke Et. 4:2,32. bewegingen der barmhartigheid , goedertierenheid, ootmoedigheid , zachtmoedigheid, lankmoedigheid: 13 verdragende eikanderen vergevende de één den ander, zoo iemand tegen iemand eenige klagt heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzoo. 14 En boven dit alles, doet Ef. 4:3; de liefde, dewelke is de Jh.13:35. ijanci dep volmaaktheid. Fil. 4;7. 15 Eu de vrede Gods heer-sche in uwe harten, tot welken gij ook geroepen zijt in één ligchaam; en weest dankbaar. 16 Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant Ef. 5:19. elkander met psalmen en lof- i zangen en geestelijke liede- i kens, zingende den Heer met aangenaamheid in uw hart; 1 Cor.10:31. 17 en al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den naam des Ef. 5:20. Heeren Jezus, dankende G od en den Vader door hem. Ef. 5:22; 18 Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig', gelijk het betaamt in den Heer. 19 Gij mannen, hebt uwe en wordt niet verbitterd tegen haar. Ef. 6:1. 20 Gij kinderen, zijt uwen ouders gehoorzaam in alles, 1 Pet. 3:1. Ef. 5:25; 1 Pet. 3:7. vrouwen Jje£ |
want dat is den Heer wel-behagelijk. 21 Gij vaders, tergt uwe Ef. 6:4, kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. 22 Gij dienstknechten, zijt Ef. 6:5 in alles gehoorzaam «wew i'pgt2^9j8 heeren naar het vleesch, niet met oogendiensten als men-schenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vree-zende God. 23 En alwat gij doet, doet Vs. 17; dat van harte als den Heere ' B en niet den menschen, 24 wetende dat gij van den Heer zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heer Christus. 25 Maar wie onregt doet, die zal het onregt dragen dat hij gedaan heeft, en er is geen aanneming des persoons. Ef. 6:9, ïïoofdstue: 4. 1 Gij heeren, doet uwen ef.6:9. dienstknechten regt en gelijk, wetende dat ook gij een Heer hebt in de hemelen. 2 Houdt sterk aan in hetEf. 6:18-20. gebed, en waakt in 't zelve met dankzegging; 3 biddende metéén ook voor ons, dat God ons de deur des woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben, 4 opdat ik dezelve mag openbaren gelijk ik moet spreken. 5 Wandelt met wijsheid Et. 5:15.16. bij degenen die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkoo-pende. |
COLOSSENZEN 4.
87ó
|
6 Uw woord zij altijd in aangenaamlieid, met zout be-sprengd, opdat gij moogt weten lioe gij een iegelijk moet antwoorden. Ef. 6:21,22. 7 Al mijne zaken zal u bekendmaken Tycliicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar en mededienstknecbt in den Heer, 8 denwelken ik te dien einde tot u gezonden beb, opdat hij uwe zaken wete en uwe barten vertrooste, 9 metOnésimus dongetrouwen en geliefden broeder, dewelke uit de uwen is; zij zullen u alles bekendmaken wat bier is. 10 U groet Aristarchus mijn medegevangene, en Marcus de neef van Barnabas, (aangaande welken gij bevelen ontvangen bebt: zoo bij tot u komt, ontvangt bem), 11 en Jezus gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn: deze alleen zijn mijne medearbeiders in bet koningrijk Gods, die mij een vertroosting geweest zijn. 12 U groet Epafras die uit de uwen is, een dienstknecht Fil. 10. Hd. 27:2. Hd. 15: 37-39. H. 1:7. |
van Christus altijd strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil Gods. 13 Want ik geef hem getuigenis dat hij grooten ijver heeft over u en degenen die in Laodicéa zijn en degenen die in Hierapolis zijn. 14 U groet Lucas de medi- Fil. 24. cijnmeester, de geliefde, en Demas. 2 Tim. 4:10. 15 Groet de broederen die in Laodicéa zijn, en Xymfas, en de gemeente die in zijn huis is. 16 En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt dat die ook in de gemeente der Laodicenzen gelezen worde, en dat ook gij dien leest die uit Laodicéa geschreven is. 17 En zegt aan Archippus: Fil. 2. Zie op de bediening die gij aangenomen bebt in den Heer, dat gij die vervult. 18 De groetenis met mijne 2 Th. 3:17; hand: Paulus. Gedenkt mijne1 Cor'16:21-banden. De genade zij met u. Amen. |
*
DE EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
THESSALONICENZEN.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus en Silvanus en Timotlieüs aan de gemeente Hd. 17; 1 vv. der ïhessalonicenzen, wélke is in God den Vader en den Heer Jezus Christus: genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heer Jezus Cliristus. Co!. 1:3-5- ^ Wij danken God altijd 2 Th. 1:3,4. oyer u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden; 3 zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heer Jezus Christus, voor onzen God en Vader; â¢i wetende, geliefde broeders, uwe verkiezing van God. 5 Want ons evangelie is on-1 Cor. 4:20. der u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid, gelijk gij weet hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil; 6 en gij zijt onze navolgers geworden en des Heeren, het woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met |
blijdschap des Heiligen Gees-tes, 7 alzoo dat gij voorbeelden geworden zijt al den geloo-vigen in Macedonië en Achaje. 8 Want van u is het woord des Heeren ruclitbaar geworden niet alleen in Macedonië en Achaje, maar ook in alle plaatsen is uw geloof dat gij op God helit uitgegaan, zoodat wij niet van noode hebben iets daarvm te spreken; 9 want zij zelve verkondigen van ons , hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de Hd. 14:15. afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen, 10 en zijnen Zoonuitdehe- Fil. 3:20. melen te verwachten, denwelken hij uit de dooden opgewekt heeft, namely!: Jezus die ons verlost van den toekomenden toorn. HOOFDSTUK 2. 1 Want gij weet zelve, broeders, onzen ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest; 2 maar hoewel wij tevoren Hd,l6:22,23. geleden hadden, en ook ons |
1 THESSALONICENZEN 2.
377
|
smaadlieid aangedaan was , gelijk gij weet, te Filippi, zoo Hd. 17: MO. hebben wij noytans vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het evangelie Gods tot u te spreken in veel strijd. 3 Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding, noch uit onreinigheid, noch met bedrog; â¢i maar gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het evangelie zoude toe-betrouwd worden, alzóó spre-Gai. 1:10. ken wij, niet als menschen behagende, maar Gode die onze harten beproeft. 5 Want wij hebben nooitmet pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk gij weet, noch met eenig bedeksel van gierigheid, God is getuige; Jh. 5:41,44. 6 noch zoekende eer uit menschen , noch van u noch van anderen; hoewel wij u tot last konden zijn als Christus apostelen; 7 maar wij zijn vriendelijk geweest in 't midden van u. Gelijk als een voedster hare kinderen koestert, 8 alzóó wij tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededeelen niet alleen het evangelie Gods, maar ook onze eigene zielen, daarom dat gij ons lief geworden waart. 9 Want gij gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; 2 Th. 3; 8; want nacht en dag werkende, 20:33.35.' opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het evangelie Gods onder u gepredikt. |
10 Gij zijt getuigen en God, hoe heilig en regtvaardig en onberispelijk wij u die gelooft geweest zijn : 11 gelijk gij weet, hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijne kinderen, vermaanden en vertroostten, 13 en bet uigden dat gij zoudt wandelen waardiglijk Gode, Ef. 4:1. die u roept tot zijn koningrijk en heerlijkheid. 13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat als gij het woord der prediking Gods van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt niet als der menschen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods woord, dat ook werkt in u die gelooft. 14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der gemeenten Gods die in Judéa zijn in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uwe eigene medeburgers, gelijk als zij van de Joden; 15 welke ook gedood hebben Hd. 7:52; den Heer Jezus en hunne Mt'23 â¢37-eigene profeten, en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen menschen tegen zijn, 16 en ons verhinderen te Hd. 17:5,13. spreken tot de heidenen, dat zij zalig mogten worden; opdat zij altijd hunne zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde. 17 Maar wij, broeders, van u beroofd geweest zijnde voor een kleine wijle tijds, naar het aangezigt, niet naar het hart, |
1 THESSALONIOENZEN 3, 4.
378
|
hebben ons te overvloediger benaarstigd om uwaangezigt te zien, met groote begeerte. Rom. 1:13. 18 Daarom liebben wij tot u willen komen (immers ik Pau-lus) eenmaal en andermaal, maar de satan heeft het ons belet. 19 Want welke is onze hoop Fil. 4:1. 0f blijdschap of kroon des roems? Zijt gij die ook niet-, voor onzen Heer Jezus Christus in zijne toekomst? 20 Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap. HOOFDSTUK 3. 1 Daarom deze begeerte niet langer kunnende verdragen, Hd. 17; 15. hebben wij gaarne te Athene willen alléén gelaten woorden, Rom.16:21. 2 en hebben gezondenTimo-theüs, onzen broeder, en Gods dienaar, en onzen medearbeider in het evangelie van Christus, om u te versterken en u te vermanen aangaande uw geloof, 3 opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen ; want gij weet zelve dat wij hiertoe gesteld zijn. 4 Want ook toen wij bij u waren, voorzeiden wij u Hd. 14:22. dat wij zouden verdrukt worden , gelijk ook geschied is, en gij weet het. 5 Daarom ook deze begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik hem gezonden om uw geloof te verstaan, of niet misschien de verzoeker u zoude verzocht hebben en onze arbeid ijdel zoude wezen. Hd. 18:5. 6 Maar als Timotheüs nu van |
ulieden tot ons gekomen was, en ons de goede boodschap gebragt had van uw geloof en liefde, en dat gij altijd goede gedachtenis van ons hebt, zeer begeerigzijnde om ons te zien, gelijk wij ook om ulieden: 7 zoo zijn wij daarom, broe-2 Cor. 7:13 ders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof; 8 want nu leven wij, indien gij Pflsfetaat in den Heer. 9 Want wat dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven voor u, vanwege al de blijdschap waarmede wij ons om uwentwil verblijden voor onzen God, 10 nacht en dag zeer over- H. 2:17; vloedig biddende om uw aan- gezigt te mogen zien, en te volmaken 't geen aan uw geloof ontbreekt. 11 Doch onze God en Vader zelf en onze Heer Jezus Christus rigte onzen weg tot u; 12 en de Heer vermeerdere H. 5:23; , , ,. . Fil. 1:9-11. u en make it overvloedig in de liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u; 13 opdat hij uwe harten Tersterke om onberispelijk te zijn in heiligmaking voor onzen God en Vader, in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus met al zijne heiligen. HOOFDSTUK 4. 1 Voorts dan broeders, wij bidden en vermanen u in den Heer Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt hoe gij moet |
1 ÃHESSALONICENZEN 5.
379
|
wandelen en Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt. 2 quot;Want gij weet wat bevelen wij u gegeven hebben door den Heer Jezus. 3 Want dit is de wil Grods, uwe heiligmaking: dat gij u 1 Cor. 6:18.onthoudt van de hoererij, 4 dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer, 5 niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen die God niet kennen; 6 dat niemand zijnen broeder vertrede noch bedriege in zijne handeling; want de Heer is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook tevoren gezegd en betuigd hebben. 7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking. Lc. 10:16. g Zoo dan wie dit verwerpt, die verwerpt geen mensch, maar God die ook zijnen Heiligen Geest in ons heeft gegeven. 9 Van de broederlijke liefde nu hebt gij niet van noode dat ik u schrijve, want gij zelve zijt van God geleerd om elkander liefteliebben; 10 want gij doet ook hetzelve aan al de broederen die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u broeders, dat gij meer overvloedig wordt, 11 en dat gij u benaarstigt stil te zijn, en uwe eigene 2 Th. 3: dingen te doen, en te werken Ef. met uwe eigene handen, gelijk wij u bevolen hebben, |
12 opdat gij eerbaar wandelt bij degenen die buiten zijn, en geen ding van noode hebt. 13 Doch broeders, ik wil niet dat gij onwetend zijt van degenen die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt gelijk als de anderen die geen Ef. 2:12amp;. lioop hebben. 14 Want indien wij gelooven dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzoo zal ook Godl Cor. 6:14. degenen die ontslapen zijn in Jezus ?wcfe?-brengen met hem. 15 Want dat zeggen wij u i Cor. 15; door het woord des Heeren, 51' 52' dat wij die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen vóórkomen degenen die ontslapen zijn; 16 want de Heer zelf zal met een geroep, met de stem des archangels en met de bazuin Gods, nederdalen van den hemel; en wie in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 17 daarna wij die lerend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heer tegemoet, in de lucht; en alzoo zullen wij altijd met den Heer wezen. 18 Zoo dan vertroost elkander met deze woorden. HOOFDSTUK 5. 1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders, hebt gij niet van noode dat men u schrijve; 2 want gij weet zelve zeer |
1 THESSALONICENZEN 5.
380
|
2 Pet. 3:10; wel, dat de dag des Heeren Hd.2!: ?6' alzoo zal komen gelijk een dief in den naclit. 3 Want wanneer zij zullen Ez. 13:10. zeggen: Het is vrede en zonder gevaar, dan zal een liaas-tig verderf hen overkomen, gelijk de barensnood eene bevruchte vrouw, en zij zullen 't geenszins ontvlieden. 4 Maar gij broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zoude overvallen; 5 gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags, wij zijn niet des nachts noch der duisternis. 6 Zoo laat ons dan niet slapen gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuch-teren zijn. 7 Want wie slapen, slapen des nachts, en wie dronken zijn, zijn des nachts dronken; 8 maar wij die des dags zijn, laat onsnuchteren zijn, Ef. 6:14-1quot;. aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm de hoop der zaligheid. 9 Want God heeft ons niet H. 1:10. gesteld tot toorn, maar tot 2 Th. 2:14. verkrijging der zaligheid door onzen Heer Jezus Christus, 2 Cor. 5:15. 10 die voor ons gestorven is, opdat wij, 't zij dat wij waken 't zij dat wij slapen, tezamen met hem leven zouden. 11 Daarom vermaant elkander, en sticht de één den ander, gelijk gij ook doet. 12 En wij bidden u broe-Heb. 13: n. ders, erkent degenen die onder u arbeiden en uwe voorstanders zijn in den Heer en u vermanen, Ef. 5:8; Rom. 13: 11-14. |
18 en acht ze zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander. 14 En wij bidden u broeders, vermaant de ongeregel-: den, vertroost de kleinmoedi-gen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen. 1' 15 Ziet dat niemand kwaad Rom. 12: n. I voor kwaad iemand vergelde, 1 maar jaagt altijd het goede j na, zoo jegens elkander als jegens allen. 16 Verblijdt u altijd. 17 Bidt zonder ophouden, j 18 Dankt God in alles; want dit is de wil Gods in Chris-| tus Jezus over u. ! 19 Bluscht den Geest niet uit. 1 30 Veracht de profetiën niet. i 21 Beproeft alle dingen: 1 Jh. 4:1. behoudt het goede. 1 22 Onthoudt u van allen schijn des kwaads. . 23 En de God des vredes zelf heilige u geheel en al, j en geheel uw opregte geest en ziel en ligchaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus. 24 Hij die u roept is ge- iCor.i:9. trouw, die het ook doen zal. 25 Broeders, bidt voor ons. 26 Groet aide broeders met Rom. iö:iö. een heiligen kus. 27 Ik bezweer ulieden bij den Heer, dat deze zendbrief al den heiligen broederen gelezen worde. 28 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met ulieden. Amen. Fil. 4 4. Lc. 18:1. Ef. 5:20. H. 3:13; Heb. 13 20, 21. |
DE TWEEDE BRIEF VAN DEN APOSTEL PATJLUS
AAN DE
THESSALONICENZEK
|
SOOMSTÃK 1. 1 Th. 1:1. 1 Paulus en Silvanus en ïimotlieüs aan de gemeente der Tliessalonicenzen, welke is in God onzen Vader en den Heer Jezus Christus: 3 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heer Jezus Christus. 1 Th. 1:2,3. 3 Wij moeten God altijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde van een iegelijk van u allen jegens elkander overvloedig wordt, i Th. 1:6,7. 4 alzoo dat wij zelve van u roemen in de gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid en geloof in al uwe vervolgingen en verdrukkingen die gij verdraagt : Fil. 1:28. 5 een bewijs van Gods regt-vaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het koningrijk Gods voor hetwelk gij ook lijdt; 6 alzoo het regt is bij God, Rom.2-,6-i0. verdrukking te vergelden dengenen die n verdrukken, 7 en u die verdrukt wordt verkwikking met ons, in de |
openbaring des Heeren Jezus van den hemel met de engelen zijner kracht, 8 met vlammend vuur wraak doende over degenen die God niet kennen, en over degenen die het evangelie onzes Heeren Jezus Christus niet gehoorzaam zijn; 9 dewelke zullen tot straf lijden het eeuwig verderf van het aangezigt des Heeren en van de heerlijkheid zijner sterkte, 10 wanneer hij zal gekomen zijn om verheerlijkt te worden in zijne heiligen, en wonderbaar te worden in allen die gelooven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag. 11 Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het weibeha-1 Th., gen zijner goedheid, en het werk des geloofs met kracht; 13 opdat de naam onzes Heeren Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in hem, naar de genade van :12,13. |
2 THESSALONICENZEN 2.
382
|
onzen God en den Heer Jezus Christus. HOOFDSTUK 2. 1 En wij bidden u broeders, bij de toekomst onzes Heeren Jezus Christus en onze toe-vergadering tot hem, 2 dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief als van ons gescltre- i Th. 5:2. ven, alsof de dag van Christus aanstaande ware. 3 Dat u niemand verleide op eenigerlei wijs; want die Mt.24:10-12; niet tenzij dat eerst de Uh. 2; 18. f , .. , , atval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des ver- derfs, Dan. 11:36; 4 die zich tegenstelt en ver- JE2.128 :24'heft boven alwat God genaamd of als God geëerd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertoonende dat hij God is. 5 Gedenkt gij niet dat ik nog bij u zijnde u deze dingen gezegd heb? 6 En nu wat hem wederhoudt weet gij, opdat hij geopenbaard worde op zijn eigen tijd. 7 Want de verborgenheid der ongeregtigheid wordt aireede gewerkt; alleen die hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden totdat hij uit het midden zal weggedaan worden ; 8 en alsdan zal de ongereg-tige geopenbaard worden, |
Jes. 11 ; 46. denwelken de Heer verderven zal door den geest zijns monds, en tenietmaken door de verschijning zijner toekomst , 9 hem zeg ik wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht en teekenen en Mt 24:24; wonderen der leugen, Op.13.13,14. 10 en in alle verleiding der onregtvaardigheid in degenen 2 Gor. 4:3. die verloren gaan, daarom dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. 11 En daarom zal God hun Rom. 1:24. zenden eene kracht der dwaling dat zij de leugen zouden gelooven; 12 opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongeregtigheid. 18 Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders die van den Heer bemind zijt, dat God u van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes en geloof der waarheid; 14 waartoe hij u geroepen heeft door ons evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid onzes Heeren Jezus Christus. 15 Zoo dan broeders, staat vast, en houdt de inzettingen i cor. 11:2. die u geleerd zijn, hetzij door ons woord hetzij door onzen zendbrief: 16 en onze Heer Jezus Chris- iTh.3:i2,il tus zelf, en onze God en Vader die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige |
3 THESSALONICENZEN 3.
383
|
vertroosting en goede hoop in genade, 17 vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goed woord en werk. HOOFDSTUK 3. i Th. 5:25; 1 Voorts broeders, bidt voor Co1' ' ' ons, opdat het woord des Hee-ren zijnen loop liebbe, en verheerlijkt worde gelijk ook bij u, Rom. 15:31. 3 en opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en booze menschen; want het geloof is niet aller. i Th. 5; 24, 3 Maar de Heer is getrouw, die u zal versterken en bewaren van den booze. 4 En wij vertrouwen van u in den Heer, dat gij hetgeen wij u bevelen ook doet en doen zult. 5 Doch de Heer rigte uwe harten tot de liefde Gods en tot de lijdzaamheid van Christus. 6 En wij bevelen u broeders , in den naam onzes Hee- vs, 14. ren Jezus Christus, dat gij u f Cor 15 ⢠i? 0Ilttrekt aai1 een ^roequot; ' der die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting die hij van ons ontvangen heeft. 7 Want gij zelve weet hoe men ons behoort natevolgen; t Th.2:9 io. want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u, 8 en wij hebben geen brood bij iemand gegeten voorniet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn: |
9 niet dat wij de magt niet 1 Cor.9:4. hebben, maar opdat wij ons- Fil. 3:17. zelve u geven zouden tot een voorbeeld om ons natevolgen. 10 quot;VVant ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ete. 11 Want wij hooren dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende maar ijdele dingen doende. 12 Doch de zoodanigen bevelen en vermanen wij door onzen Heer Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende 1 Th. 4:11. hun eigen brood eten. 13 En gij broeders, vertraagt Gal. 6:9. niet in goedtedoen. 14 Maar indien iemand ons Vs. 6. woord, door dezen brief ye-schreven, niet gehoorzaam is, teekent dien, en vermengt u i Cor. 5:11, niet met hem, opdat hij beschaamd worde; 15 en houdt hem niet als een vijand, maar vermaant i hem als een broeder. 16 De Heer nu des vredes i Th. 5:23. zelf geve u vrede altijd op allerlei wijs. De Heer zij met ; u allen. 17 De groetenis met mijne i cor.i6:2i; hand: Paulus; hetwelk is een teeken in iederen zendbrief: alzoo schrijf ik. 18 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. Col. 4:18. |
1 Cor.
Lc. 22
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus een apostel van Jezus Christus, naar het hevel van God onzen Zaligmaker, en den Heer Jezus Christus die onze hope is, Hd. 16:1-3; 2 aan Timotheüs mijnen o^-1 Cor. 4:1;. reg^en zocm jn ]le)- gel00f: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God onzen Vader en Christus Jezus onzen Heer. S Gelijk ik u vermaand heb dat gij te Efeze zoudt Hd. 20:1. blijven, als ik naar Macedonië reisde, zoo vermaan ik het v. nog, opdat gij sommigen beveelt geen andere leer te leeren, 4 noch zich te begeven tot fabelen en oneindige geslachtrekeningen, welke meer fcwi!vragen voortbrengen dan stichting Gods die in het geloof is; Gal. 5:14. 5 maar het einde des ge-bods is liefde uit een rein hart en uit een goede consciëntie en uit een ongeveinsd geloof; |
6 waarvan sommigen afsje-weken zijnde, zich gewend hebben tot ijdelspreken; Tit. 1:14; 3:9. 7 willende leeraars der wet zijn, niet verstaande noch wat zij zeggen noch wat zij bevestigen. 8 Doch wij weten dat de Rom. 7 wet goed is, zoo iemand die wettelijk gebruikt, 9 en hij dit weet, dat den regtvaardige de wet niet is Gal. 5: gezet, maar den ongeregtigen en den halsstarrigen, den goddeloozen en den zondaren, den onheiligen en den ongod-delijken, den vadermoorders en den moedermoordera, den doodslagers, 10 den hoereerders, dien die bij mannen liggen, den menscbedieven, den leugenaars, den meineedigen, en zoo er iets anders tegen de gezonde leer is, 11 naar liet evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij toebetrouwd is. 12 En ik dank hem die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus onzen Heer, dat hij mij getrouw geacht heeft, mij in de be- 23. |
i
1 TIMOTHEÃS 2.
385
|
H. 2:7. diening gesteld hebbende, 13 die tevoren een yoamp;las-â 1 Cor. 15:9. teraar was en een vervolger en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetend gedaan heb in mijne ongeloo-vigheid; 14 doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde die in Christus Jezus is. 15 Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, Lc. 19:10. dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zaligtemaken, van welke ik de voornaamste ben; 16 maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al zijne lankmoedigheid zoude betoenen, tot een voorbeeld dergenen die in hem gelooven zullen ten eeuwigen leven. 17 Den Koning nu der eenwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen Grod, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 18 Dit gebod beveel ik u, mijn zoon ïimotheüs, dat gij naar de profetiën die over u voorafgegaan zijn, in dezelve H. 6:12. den goeden strijd strijdt, H. 3:9, 19 houdende het geloof, en een goede conscientie ; welke sommigen verstooten hebbende, in het geloof schipbreuk geleden hebben; 2 Tim. 2:17. 30 onder welke is Hyme-néüs en Alexander, die ik 1 Cor. 5:5.den satan overgegeven heb, Lc. 23 : 34. |
opdat zij zouden leeren niet meer te lasteren. HOOFDSTUK 2. 1 Ik vermaan dan vooralle dingen, dat er gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen, 2 voor koningen en allen die in hoogheid zijn, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. 3 Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker, 4 welke wil dat alle menschen zalig worden ea tot kennis der waarheid komen. 5 Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus, 6 die zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijuer tijd; 7 waartoe ik gesteld ben eta prediker en apostel, (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), een leeraar der heidenen in geloof en waarheid. 8 Ik wil dan dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting; 9 desgelijks ook dat de vrouwen in een eerbaar gewaad met schaamte en matigheid zichzelve versieren, niet in vlechtingen des kaars, of goud, of paarlen, of kostelijke kleeding, 2 Pet. 3 :96. Ef. 4 :6. Heb. 9 : 15; 12:24. Tit. 2:14; Mt. 20 : 28. 2 Tim. 1:11. Rom. 9 :1. 1 Pet. 3: 3. |
25
1 TIMOTHEÃS 3.
386
i hij niet opgeblazen worde ! en in het oordeel des duivels i valle.
7 En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid en in den strik des duivels.
8 De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet twee-tongig, niet die zich tot veel
I wijn begeven, geen vuilge-winzoekers;
9 houdende de verborgen- H. 1:19a. heid des geloofs in een reine
i conscientie.
: 10 En dat deze ook eerst | beproefd worden, en dat ze ! daarna dienen, zoo zij on.be-
straiïelijk zijn.
! 11 De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geen las- Tit. 2 i. teraarsters, wakker, getrouw in alles.
13 Dat de diakenen ééner vrouwe mannen zijn, die hunne kinderen eu hunne eigene huizen wel regeren.
13 Want die wèl gediend hebben verkrijgen zichzel-ven een goeden opgang en veel vrijmoedigheid in het o-eloof 't welk is in Christus
O
Jezus.
14 Deze dingen schrijf iku, hopende zeer haast tot u te komen;
15 maar zoo ik vertoef, opdat gij moogt weten hoe men in het huis Gods moet ver-keeren, hetwelk is de ge-2 Cor. 6: meente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid.
16 En buiten allen twijfel,
10 maar ('t welk de vrouwen betaamt die de god-vruclitiglieid belijden) door goede werken.
1 Cor. 14: 11 Een vrouw late zich lee-ren in stilheid, in alle onderdanigheid ;
12 doch ik laat de vrouw niet toe dat ze leere, noch over den man heerschermaar wil dat ze in stilheid zij.
13 Want Adam is eerst ge-Gen. 2:22. maakt, daarna Eva;
14 en Adam is niet verleid Gen. 3:6. geworden, maar de vrouw
verleid zijnde is in overtreding geweest;
15 doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zoo zij blijft in geloof en liefde en heiligmaking met matigheid.
HOOFDSTUK 3.
1 Dit is een getrouw woord: zoo iemand tot het ambt eens opzieners lust heeft, die begeert een treffelijk werk. Tit. 1:6-9: 3 Een opziener dan moet 12PTtirn.:2f; onberispelijk zijn, ééner vrou-24,25. we man, wakker, matig, eerbaar, herbergzaam, bekwaam om te leeren;
3 niet geneigd tot den wijn, geen smijter, geen vuilgewin-zoeker, maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig;
â¢i die zijn eigen huis wel regeert, zijne kinderen in onderdanigheid houdende met alle stemmigheid; H. 5:8. 5 (want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren , hoe zal hij voor de gemeente Gods zorgdragen?)
6 geen nieuweling, opdat
1 TIMOTHEÃS 4, 3.
387
|
de verborgenlieid der godza- Jh. 1:14. ligheid is groot: God is geopenbaard in het vleesch, is geregtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is T Hd. 1:11. opgenomen in heerlijkheid. HOOFDSTUK 4. 1 Doch de Geest zegt dui- 2 Tim. 3:1. delijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen 1:1*,. â van het geloof, zich bege vende tot verleidende geesten en leeringen der duivelen, 2 door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hunne eigene conscientie als naet een brandijzer toegeschroeid; 3 verbiedende te huwen, it. 2 3. gebiedende van spijzen te ont- Oen. 9:3. houden die God geschapen heeft tot nuttiging met dankzegging, voor de geloovigen en wie de waarheid hebben bekend; Rom. 14:14. -i want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; 5 want het wordt geheiligd door het woord Gods en door het gebed. 6 Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zoo zult gij een goed dienaar vanJe- 2 Tim. 3: zus Christus zijn, opgevoed 1 10'14- in de woorden des geloofs en der goede leer welke gij Cori 6;ü achtervolgd hebt; H. 1:4. 7 maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfsche fabelen. En oefen uzelven tot godzaligheid ; |
8 want de ligohamelijke oefening is tot weinig nut, maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens. 9 Dit is een getrouw woord h. 1:15. en alle aanneminsr waardis:. lt;3 O 10 Want hiertoe arbeiden wij ook en worden gesmaad, omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, die een behouder is aller menschen, maar allermeest der geloovi-gen. 11 Beveel deze dingen en leer ze. 13 Niemand verachte uwe Tit. 2:15, 7. jonkheid; maar wees een voorbeeld der geloovigen in het woord, in wandel, in liefde, in den geest, in geloof, in reinigheid. 18 Houd aan in 't lezen, in 't vermanen, in 't leeren, totdat ik kom. 14 Yerzuim de gave niet die 2 Tim. 1:6. in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen door de ouderlingschap. 15 Bedenk deze dingen, wees hierin hezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles. 16 Heb acht op uzelven en op de leer, volhard hierin; want dat doende zult gij èn uzelven behouden èn wie u hooren. hoofdstuk: 5. 1 Bestraf een ouden man niet hard, maar vermaan hem als eenen vader, de jonge als broeders, H. 1:18. |
.
1 TIMOTHEÃS 3.
388
|
2 de oude vrouwen als moeders, de jonge als zusters in alle reiniglieid. 3 Eer de weduwen die waarlijk weduwen zijn. 4 Maar zoo eenige weduw kinderen keeft of kindskin- Ef. 6:1,2. deren, dat die leeren eerst aan kun eigen kuis godzalig-keid te oefenen, en den voorouderen wedervergelding te doen; want dat is goeden aangenaam voor God. 5 Die nu waarlijk weduw is en alléén gelaten, die koopt Lc. 2:37. op God, en blijft in smeekingen en gebeden nacht en dag; 6 maar die karen wellust volgt, die is levend gestorven. 7 En beveel dit, opdat zij , onberispelijk zijn. 8 Doek zoo iemand de zijnen en voornamelijk zijne kuisge-nooten niet verzorgt, die keeft ket geloof verloockend en is erger dan een ongeloovige. 9 Dat een weduw gekozen worde niet minder dan van H. 3:2. zestig jaren, welke ééns mans vrouw geweest is, ,10 getuigenis kebbendevan goede werken, zoo zij kinderen opgevoed keeft, zoo zij kerbergzaam is geweest, zoo zij der keiligen voeten keeft gewasscken, zoo zij den verdrukten genoegzame kuip gedaan keeft, zoo zij alle goed werk nagestreefd keeft. 11 Maar neem de jonge weduwen niet aan; want als zij weelderig geworden zijn tegen | Ckristus, zoo willen zij ku- | wen. |
12 hebbende haar oordeel, omdat zij haar eerste geloot hebben tenietgedaan; 13 en metéén, ook leeren zij ledig omgaan bij de kuizen, en zijn niet alleen ledig, maar ook klapacktig en ijdele dingen doende, sprekende 't geen niet betaamt. 14 Ik wil dan dat de jonge weduwen kuwen, kinderen telen, het kuis regeren, geen oorzaak van lastering aan de wederpartij geven; 15 want eenigen kebben ziek aireede afgewend achter den satan. 16 Zoo eenig geloovig man of geloovige vromo weduwen heeft, dat die kaar genoegzame hulp doe, en dat de gemeente niet bezwaard worde , opdat zij aan degenen die waarlijk weduwen zijn genoegzame kuip doen mag. 17 Dat de ouderlingen die wèl regeren dubbele eer waar-1 Th. 5:12. dig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in ket woord en de leer; 18 want de Schrift zegt: Een dorschenden os Dt.25:4; ! , â¢. . , ⢠i T 1 Cor. 9:9. zult gij met muiluau- den, en: De arbeider Lc. 10:7. is zijn loon waardig. 19 Neem tegen een ouderling geen beschuldiging aan, anders dan onder twee of Dt.i9:i5. drie getuigen. 20 Bestraf wie zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vrees mogen hebben. 21 Ik betuig voor God en 2 Tim. 4:1. den Heer Jezus Christus en Ef. Tit |
1 TIMOTHEÃS 6.
389
|
de uitverkoren engelen, dat gij deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 22 Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden. Bewaar uzelven rein. 23 Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uwe maag en uwe menigvuldige zwakheden. 24 Van sommige menschen zijn de zonden tevoren openbaar, en gaan vooraf tot hunne veroordeeling, en in sommigen ook volgen zij na: 25 desgelijks ook de goede werken zijn tevoren openbaar, en die waar 't anders mede gelegen is kunnen niet verborgen worden. HOOFDSTUK 6. Ef. 6:5: 1 De dienstknechten zoo- Tit. 2*9 velen als er onder het juk zijn, zullen hunne heeren alle eer waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet gelasterd worde. 3 En die geloovige heeren hebben, zullen ze niet verachten omdat ze broeders zijn , maar zullen ze temeer dienen, omdat zij geloovig en geliefd zijn, als die dezer weldaad mededeelachtig zijn. Leer en vermaan deze dingen. 3 Indien iemand een andere leer leert, en niet overéénkomt met de gezonde woorden onzes Heeren Jezus Christus , en met de leer die naar de godzaligheid is, 4 die is opgeblazen en weet |
niets, maar hij raast omtrent fetóvragen en woordenstrijd; H. 1:4. uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade bedenkingen, 5 verkeerde krakeelingen van menschen die een verdorven verstand hebben en van de waarheid beroofd zijn, meenende dat de godzaligheid een gewin zij. Wijk af van dezulken. 6 Doch de godzaligheid is een groot gewin met verge- Fil. 4;il. noeging. 7 Want wij hebben niets in Job 1:21. de wereld gebragt: het is openbaar dat wij ook niet iets daaruit kunnen dragen; 8 maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn. 9 Doch wie rijk willen wor- Vs. 17; 1 nl . , . Mt. 6:19; den, vallen in verzoeking en 13; 22; in den strik, en vele dwaze 1®: 2 en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en onder-gang. 10 Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad: tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelve met vele smarten doorstoken. 11 Maar gij omenschGods, 2Tim.3:i7. vlied deze dingen, en jaag naar geregtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid. 12 Strijd den goeden strijd H. 1; 18. des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. |
2 TIMOTHEUS 1.
390
|
H. 5:21, 13 Ik beveel u voor God die alle ding levendmaakt, en voor Christus Jezus die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, 14 dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, Tit 2:13. tot op de verschijning onzes Heeren Jezus Christus; 15 ivelke te zijner tijd ver-toonen zal de zalige en alleen Op.-19:16. magtige Heer, de Koning der koningen en Heer der heeren, 16 die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegan-kelijk licht bewoont, demvel-ken geen mensch gezien heeft noch zien kan; welken zij eer en eeuwige kracht. Amen. 17 Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld dat zij niet hoogmoedig zijn, noch Lc.12:16-21. hunne hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, |
maar op den levenden God die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten; 18 dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededeelende en gemeenzaam zijn; 19 leggende zichzelven weg Mt. 6:20. tot een schat een goed fundament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen. 20 O Timotheiis, bewaar 2 Tim. 1; 14. het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel geroep, en van de tegenstellingen der 2 Tim. 2:23. valschelijk genaamde wetenschap ; 31 dewelke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen. |
BE TWEEDE BEIEE VAN DEN APOSTEL PAÃLUS
AAN
TIMOTHEÃS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus een apostel van Jezus Christus door den wil Gods, naar de belofte des levens dat in Christus Jezus is, |
3 aan Timotheiis mijnen ge-1 Tim. 1 :2. liefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader en Christus Jezus onzen Heer. 3 Ik dank God, dien ik van |
2 TIMOTHEUS 2.
391
|
mijne voorouderen af in een Hd. 23:1. reine conscientie dien, gelijk Rom.-i;9.io. ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijne geheden nacht en dag, 4 zeer begeerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uwe tranen, opdat ik met blijdschap mag vervuld worden, 5 als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uwe groot- Hd. 16:1. moeder Loïs en uwe moeder Eunice, en ik ben verzekerd dat het ook in u woont. 6 Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is door de oplegging mijner handen. 7 Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht en der liefde en der gematigdheid. Rom. l : 16. 8 Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns die zijn gevangene ben; h. 2:3;4:5. maar lijd verdrukkingen met het evangelie naar de kracht Gods, Tit. 3:4, 5; 9 die ons heeft zaliggemaakt Ef. 2:9. 10. , , -v en geroepen met eene heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen, Pet. 1: 10 doch nu geopenbaard is door de verschijning onzes Zaligmakers Jezus Christus, die den dood heeft tenietgedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan 't licht t. 6:20. m. 1 'Ai. m. 2:23. rs 1. i :2. 20, 21. |
gebragt door het evangelie, 11 waartoe ik gesteld ben eeni Tim. 2 prediker en een apostel en een leeraar der heidenen; 12 om welke oorzaak ik ook deze dingen lijd, maar ik word niet beschaamd; want ik weet wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd dat hij magtig is mijn pand bij hem, Vs. 14; 3 Æ 1, ' . ,1 Tim. b: 20. weggelegd te bewaren tot dien dag. 13 Houd het voorbeeld der H. 3:14. gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde die in Christus Jezus is: 14 bewaar het goede pand dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest die in ons woont. 15 Gij weet dit, dat allen die in Azië zijn zich van mij afgewend hebben, onder dewelke is Eygellus en Hermo- 1 genes. 16 l)e Heer geve den huize H. 4 19. van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dik- 1 wijls verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd ; 17 maar als hij te Rome 1 gekomen was, heeft hij mij zeer naarstig gezocht, en heeft 1 mij gevonden. i 18 De Heer geve hem dat hij barmhartigheid vinde bij den Heer in dien dag; en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft weet gij zeer wel. HOOFDSTUK 2. 1 Gij dan mijn zoon, word gesterkt in de genade die in Christus Jezus is; |
2 TIMOTHEÃS 2.
392
|
2 en 't geen gij van mij gehoord liebt onder vele getuigen , betrouw dat aan getrouwe mensclien, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren. H. 1:8; 4:5. 3 Gij dan lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus. 4 Niemand die in den krijg dient wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftogts, opdat hij dien moge behagen die hem tot den krijg aangenomen heeft. 5 En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond zoo hij niet wettelijk heeft gestreden. iCor. 9:10. 6 De landman als hij arbeidt, moet alzoo het eerst de vruchten genieten. 7 Merk 't geen ik zeg; doch de Heer geve u verstand in alle dingen. 8 Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt, welke is uit den zade Davids, naar mijn evangelie , 9 om 'twelk ik verdrukkingen lijd tot de banden toe als een kwaaddoener, maar het woord Gods is niet gebonden. 10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid. 11 Dit is een getrouw woord; Rom. 6:8. want indien wij met hem gestorven zijn, zoo zullen wij ook met hem leven; Rom.8:17b. 12 indien wij verdragen, Rora.l: 3. Hd. 28:31. |
wij zullen ook met hem. heer-schen; indien wij hem ver- Mt. 10:33.' loochenen, hij zal ons óók verloochenen; 13 indien wij ontrouw zijn, hij blijft getrouw, hij kan zichzelven niet verloochenen. 14 Breng deze dingen in gedachtenis, en betuig voor den Heer dat zij geen woor-i Tim, 6:4; denstrijd voeren, 7 welk tot Tltquot; 3:a geen ding nut is dan tot verkeering der toehoorders. 15 Benaarstig u om uzelven Tit, 2 : 7,8, Gode beproefd voortestellen, als een arbeider die niet beschaamd wordt, die het woord der waarheid règt snijdt. 16 Maar stel u tegen het on-1 Tim. 6:20, goddelijk ijdel geroep; want zij zullen in meerder goddeloosheid toenemen, 17 en hun woord zal voorteten gelijk de kanker. Onder welke is Hymenéiis en M-1 Tim. 1:20, létus, 18 die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende dat de opstanding aireede geschied is, en het geloof van sommigen verkeeren. 19 Evenwel het vaste fun-1 Tim. 3:15. dament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heer kent degenen die de zijnen Jh. 10:14. zijn, en: Een iegelijk die der. Mt, 7:23. naam van Christus noemt sta af van ongeregtigheid. 20 Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten, en sommige ter eere, maar sommige Rom, 9: 21, ter oneere: 21 indien dan iemand zich- |
3 TIMOTHEUS 3.
393
|
zei ven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter eere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid. 22 Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid, en l Tim. 6:11. jaag naar regtvaardigbeid, geloof, liefde, vrede niet degenen die den Heer aanroepen uit een rein bart. 1 Tim^ 6^: 4; 23 En verwerp de vragen die dwaas en zonder leering zijn, wetende dat ze twistingen voortbrengen; 24 en een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, 1 Tim. 3:2,3. maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leeren, en die de kwaden kan verdragen ; 23 met zachtmoedigheid onderwijzende degenen die tegenstaan, of bun God te eeniger tijd bekeering gave tot erkentenis der waarheid, 26 en zij wederom ontwaken iTim.3:6,7.mogten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil. HOOFDSTUK 3. 1 Tim. 4:1. 1 En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. 2 Want de menscben zullen zijn eigenlievend, geldgierig, laatdunkend, boovaardig, lasteraars , den ouders ongehoorzaam , ondankbaar, onheilig , 3 zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers. 10:3a. .6:4: i:9. : 7, f 3:20. : 20. 15. |
onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, 4 verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbende de wellusten dan Gfod, 5 hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze. 6 Want onder deze zijn wie in de buizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen die met zonden beladen zijn en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden , 7 vrouwkens die altijd leeren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen. 8 Gelijkerwijs nu Jannes en Ex. 7:ii Jambres Mozes tegenstonden, alzóó staan ook deze de waarheid tegen, menschen verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk wat aangaat het geloof. 9 Maar zij zullen niet meer toenemen; want hunne uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook dié van gene geworden is. 10 Maar gij hebt achtervolgd mijn leer, wijze van doen, voornemen, geloof, lankmoedigheid, liefde, lijdzaamheid, 11 mijne vervolgingen, mijn lijden, zooals mij overkomen is in Antiocbië, in Iconium Hd. 13:50; en in Lystra: hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heer heeft mij uit alle verlost. 12 En ook allen die god-zalia: willen leven in Christus 14:5, 19. |
2 TIMOTHEÃS 4.
394
|
Jh. 15:20; Jezus, die zullen vervolffd Hd. 14:226. , worden. 13 Docli de booze mensclien en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en verleid wordende. H. 1:13. 14 Maar blijf gij in 't geen gij geleerd liebt en waarvan u verzekering gedaan is, wetende van wien gij liet geleerd hebt, h. 1:5. 15 en dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof 't welk in Christus Jezus is. 2 Pet. 1:21. 16 Al de Schrift is van God ingegeven , en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de regtvaardig-heid is; 1 Tim.6:11. 17 opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust. HOOFDSTUK 4. 1 Tim. 5:21. 1 Ik betuig dan voor God en den Heer Jezus Christus, die 2 Cor. 5:10. de levenden en dooden oor- deelen zal in zijne verschijning en in zijn koningrijk: 2 predik het woord; houd aan tijdig, ontijdig; wederleg, bestraf', vermaan in alle lankmoedigheid en leer. 3 Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leeraars opgamp;ren naar hunne eigene begeerlijkheden, 4 en zullen Jiun gehoor van de waarheid afwenden, en |
zullen zich keeren tot fabelen. 5 Maar gij wees wrakker in alles, lijd verdrukkingen, H. 2:3. doe het werk van een evangelist , maak dat men van uwen dienst tenvolle verzekerd zij. 6 Want ik word nu tot een Fil. 2:n, drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. 7 Ik heb den goeden strijd i Tim.6:12, gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden: 8 voorts is mij weggelegd de kroon der regtvaardigheid, jc. 1:12 welke de Heer, de regtvaar- 1 Pet'''' dige Eegter, mij in dien dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen die zijne verschijning liefgehad hebben. 9 Benaarstig u haastelijk tot mij te komen; 10 want Demas heeft mij Col. 4:14, verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd, Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië: 11 Lucas is alleen met mij. Coi.4:i4. Neem Marcus mede en brerg Col,4:i0 hem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst. 13 Maar Tychicus heb ik Col.4:7 naar Efeze gezonden. 13 Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Carpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten. 14 Alexander de kopersmid i Tim. i: 20. heeft mij veel kwaad be- |
TITUS 1.
395
|
toond: de Heer vergelde liem naar zijne werken. 15 Wacht gij u óók van dezen, want liij heeft onze woorden zeer tegengestaan. 16 In mijne eerste verantwoording is niemand bij mij h. 1:15. geweest, maar zij hebben mij allen verlaten: liet worde liun niet toegerekend ; Lc.21:15. 17 maar de Heer heeft mij bijgestaan en heeft mij bekrachtigd, opdat men door mij tenvolle zoude verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelve zouden hooren; en ik ben uit den muil des leeuws verlost. |
18 En de Heer zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot zijn hemelsclx koningrijk; denwelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 19 Groet Prisca en Aquila Hd. 18:2. en het huis van Onesiforus. H. 1:16. 20 Erastus is te Corinthe Rom. 16:23. gebleven, en Trofimus heb ik Hd. 20:4: . , 21 * 29 te Miléte krank gelaten. 31 Benaarstig u om vóór den winter te komen. U groet Eubülus, en Pudens, en Linus, en Claudia, en al de broeders. 23 De Heer Jezus Christus zij met uwen geest. De genade zij met ulieden. Amen. |
DE BEIEF VAN DEN APOSTEL PAÃLU8
AAN
T I T U S.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus een dienstknecht Gods en een apostel van Jezus Christus naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid dienaar de godzaligheid is, 3 in de hoop des eeuwigen levens, welke God die niet 2 Tim. i: liegen kan beloofd heeft vóór de tijden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te zijner tijd, |
3 namelijk zijn woord, door de prediking die mij toebe-i Tim.l :li. trouwd is, naar het bevel van God onzen Zaligmaker, aan Titus mijnen opregten zoon 2 Cor. 2:12; naar het gemeenschappelijk7:6;8; 16'17-geloof: 4 genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader en den Heer Jezus Christus onzen Zaligmaker. |
TITUS 2.
396
|
5 Om die oorzaak lieb ik u in Creta gelaten, opdat gij lietgeen nog ontbrak voorts zoudt leregtbrengen, en dat gij van stad tot stad ouderlingen zoudt aanstellen, gelijk ik u bevolen lieb: 6 indien iemand onberispelijk is, ééner vrouwe man, geloovige kinderen hebbende, die niet te besclmldigen zijn van overdadigbeid, noch. ongehoorzaam zijn. 7 Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig, niet geneigd tot toornigheid, niet geneigd tot den wijn, geen smijter, geen vuilgewinzoeker; 8 maar die herbergzaam is, die de goeden liefheeft, matig, regtvaardig, heilig, kuiscb; 9 die vasthoudt aan het getrouwe woord dat naar de leer is, opdat hij magtig zij beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te wederleggen. 10 Want er zijn ook vele ongeregelden, ijdelheidsprekers, en verleiders van zinnen , inzonderheid die uit de besnijdenis zijn, 11 wrelken men den mond moet stoppen; die geheele buizen verkeeren, leerende wat niet behoort om vuilge-wins wil. 12 Een uit hen, zijnde hun eigen profeet, heeft gezegd: De Cretenzen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luije buiken. 1 Tim. 3:2,4. IGor. 4 :1,2. 1 Tim. 3 :3. 1 Tim. 3:2. H. 3:9: 1 Tim.1 ;6,7, 2 Tim. 3:6 |
13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf ze scherp, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof, 14 en zich niet begeven toti Tim. 1:4; Joodsche fabelen en geboden der menschen die zich van de waarheid afkeeren. 15 Alle dingen ziin wel Rom. 14 20b rein den reinen, maar den bevlekten en ongeloovigen is geen ding rein , maar beide hun verstand en conscientie zijn bevlekt. 16 Zij belijden dat ze Grod2Tim.3:5,amp; kennen, maar zij verloochenen hem met de werken, alzoo zij afschuwelijk zijn en ongehoorzaam en tot alle goed werk ongeschikt. HOOFDSTUK 2. 1 Doch gij spreek 't geen de gezonde leer betaamt: 2 dat de oude mannen nuchter zijn, stemmig, voorzigtig, gezond in 't geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid; 3 de oude vrouwen insgelijks, dat zij in hare dragt zijn 1 Tim. ? gelijk den heiligen betaamt, dat ze geen lasteraarsters zijn, zich niet tot veel wijn begevende, maar leeraressen zijn van 't goede; 4 opdat zij de jonge vrouwen leeren voorzigtig tezijn, hare mannen lieftehebben,iTim.5:i4. hare kinderen lieftehebben, 5 matig te zijn, kuisch te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen man- i pet. 3 1 nen onderdanig te zijn, opdat het woord Gods niet gelasterd worde. |
TITUS 3.
397
|
6 Vermaan de jonge mannen insgelijks dat zij matig zijn. Tim.4:i2. 7 Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken; betoon in de leer onver-valsclitheid, deftigheid, op-regtheid, 8 liet woord gezond en on- iPet.2:i2,i5.v®rwerPeliik' opdat degeen die daartegen is besctaamd worde en niets kwaads van uliedeu te zeggen liebbo. i Tim. 6:1; 9 Vermaan de dienstknecli-Ef. 6,5, . eigenlieeren onderdanig zijn, dat ze in alles welbehagelijk zijn, niet tegensprekende, 10 niets onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God onzen Zaligmaker in alles mogen versieren. 11 Want de zaligmakende i Tim. 2:4. genade Gods is verschenen aan alle menschen, 12 en onderwijst ons, dat Ef. 2; 3; 1:4. wij de goddeloosheid en de wereldsche begeerlijkheden verzakende, matig en regt-vaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld, 4 Cor. l;7i). 13 verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den grooten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus, Gal. i:4; 14 die zichzelven voor ons 1 Seoevel1 heeft, opdat hij ons zoude verlossen van alle on-geregtigheid, en zichzelven een eigen volk zoude reinigen, ijverig in goede werken. 15 Spreek dit, en vermaan |
en bestraf met allen ernst. 1 Tim. 4; H 19 Dat niemand u verachte. HOOFDSTUK 3. 1 Vermaan hen dat zij den Rom. 13: overheden en magten onderdanig zijn, dat ze daaraan gehoorzaam zijn, dat ze tot alle goed werk bereid zijn, 2 dat ze niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle menschen. 3 Want ook wij waren eer- Ef. 2:1-3. tijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende; 4 maar wanneer de goeder- h. 2:11. tierenheid van God onzen Zaligmaker en zywe liefde tot de menschen verschenen is, 5 heeft hij ons zaliggemaakt, Ef. 2:9; niet uit de werken der regt- quot; rirn' 1: 9* vaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar zijne barmhartigheid , door het bad der 1 Cor. 6:11. wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, 6 denwelken hij over ons Hd. 2:33. rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus onzen Zaligmaker ; 7 opdat wij geregtvaardigd Hom. 3 : 24. zijnde door zijne genade, erfgenamen zouden worden Rom. 8:17. naar de hope des eeuwigen levens. 8 Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik dat gij ernstig bevestigt, opdat degenen die aan God geloo- |
PILÃMON.
aas
|
ven zorgdragen om goede werken voortestaan. Deze dingen zijn 't die goed en nuttig zijn den menschen; H. l; 14; 9 wedersta de dwaze 1 Tim. 1:4. , 1 , ⢠vragen en geslachtrekeningen en twistingen en strijdvoerin- gen over de wet, want zij zijn onnut en ijdel. Rom. 16:17; 10 Yerwerp een ketterschen Mt. 18:17. . / , . , 1 mensen na de eersteen tweede vermaning, 11 wetende dat de zoodanige verkeerd is en zondigt, zijnde bij zichzelven veroordeeld. 13 Als ik Artemas tot u 2 Tim. 4:12. zal zenden of ïycliieus, zoo |
benaarstig u tot mij te komen te Xicopolis, want aldaar lieb ik voorgenomen te overwinteren. 13 Geleid Zenas den wetgeleerde en Apollos zorgvul- Hd.iSza. dig, opdat hun niets ont-breke. 14 En dat ook de onzen lee- ren goede werken voortestaan Vs. 84. tot noodig gebruik , opdat zij niet onvruchtbaar zijn. 15 Die met mij zijn groeten u allen. Groet ze die ons liefhebben in 't geloof. De genade zij met u allen. Amen. i |
DE BRIEE YAN DEN APOSTEL PAULÃS
AAN
F I L Ã M O N.
|
1 Paulus een gevangene van Christus Jezus en ïimofheüs de broeder aan Pilémon den geliefde en onzen medearbeider, 2 en aan Appia de geliefde, Col. 4:17. en aan Archippus onzen medestrijder, en aan de gemeente die te uwen huize is : 3 genade zij ulieden en vrede van God onzen Vader en den Heer Jezus Christus. Ef. 3:1. |
4 Ik dank mimen God, uwer Ef. I:i5,lti ^..J ! ,:â â¢â¢ 1 ⢠CoLl:3,i altijd gedachtig zijnde m mijne gebeden, 5 alzoo ik hoor uw liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heer Jezus en jegens al de heiligen, 6 opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van al het goede 't welk in ulieden is door Christus Jezus. |
FILÃMON.
399
|
7 Want wij hebben groote vreugde en vertroosting over uwe liefde, dat de ingewanden der keiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder, id. 18:21 g Daarom lioewel ik groote vrijmoedigheid heb in Christus om u te bevelen 't geen betamelijk is, Vs. 8o. 9 zoo bid ik nogtans liever door de liefde, daar ik zoodanig een ben, te weten Pau-lus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus: 10 ik bid uote voor mijnen 1 Cor. 4:15.zoon, denwelken ik in mijne banden heb verwekt, name-Col. 4:9. lijk Onésimus; 11 die eertijds u onnut ---âM was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik weder-gezonden heb. 12 Doch gij, neem hem, dat is mijne ingewanden, weder aan; 13 denwelken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zoude in de banden des evangelies ; 14 maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, 1:15,161 opdat uwe goeddadigheid niet zoude zijn als naar bedwang , maar naar vrijwilligheid. 15 quot;Want veelligt is hij daarom voor een kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zoudt weder-hebben: |
16 nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij , hoeveeltemeer dan u, beide in het vleesch en in den Heer. 17 Indien gij mij dan houdt voor een medgezel, zoo neem hem aan gelijk als mij. 18 En indien hij u iets verongelijkt heeft of schuldig is, reken dat mij toe. 19 Ik Paulus heb het geschreven met deze mijne hand : ik zal het betalen; opdat ik u niet zegge dat gij mij ook uzelven daarenboven schul-1 Cor. 9:11. dig zijt. 30 Ja broeder, laat mij uwer hierin genieten in den Heer; verkwik mijne ingewanden in den Heer. 31 Ik heb aan u geschreven vertrouwende op uwe gehoorzaamheid , en ik weet dat gij doen zult ook boven 'tgeen ik zeg. 33 En bereid mij ook tegelijk een herberg; want ik fü. 1-25-hoop dat ik door uwe ge- 2:24-beden ulieden zal geschonken worden. 33 à groeten Epafras mijn col. 1:7; medegevangene in Christns 4:12' Jezus, 34 Marcus, Aristarchus, coi.4; 10,14. Demas, Lucas, mijne medearbeiders. 33 De genade onzesHeeren Jezus Christus zij met uwen geest. Amen. |
I
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
HEBREÃRS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 God voortijds veelmaal en op velerlei wijs tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, lieeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon, H. 2; 8. 3 welken hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, Jh. 1; 3. door welken hij ook de wereld gemaakt heeft: Col.i: 15-17. 3 dewelke alzoo hij is het afschijnsel heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord zijner kracht, nadat hij de reinigmaking onzer zonden door zichzelven teweeggebragt H.8:1;12;2. heeft, is gezeten aan de regter-hand der Majesteit in de hoogste hemelen, 4 zooveel treffelijker geworden dan de engelen, als hij uitnemender naam boven hen geërfd heeft. 5 Want tot wien van de engelen heeft hij ooit ge- H. 5:5: zegd: Gij zijtmijn Zoon, ps.2:7. ijeden heb ik u gegenereerd? En wederom: |
Ik zal hem tot een Va^Sam.quot;^. der zijn en hij zal mij tot een Zoon zijn? 6 En als hij wederom den eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt hij: En dat Ps.97:76. alle engelen Gods hem aanbidden. 7 En tot de engelen zegt hij wel: Die zijne enge- Ps. 104:4. len maakt geesten, en zijne dienaars een vlam des vuurs; 8 maar tot den Zoon zegt hij; Uw troon o G o d Ps. 45 7 8 is in alle eeuwigheid; de scepter uws koningrijks is een regte scepter; 9 gij hebt regtvaar-digheid liefgehad en ongeregtigheid gehaat; daarom heeft u, o God, uw God gezalfd met olie der vreugde boven uwe medegenoo-ten. 10 En: Gij Heer hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken uwer handen: Ps. Mt. Ps. 102: 26-28. |
HEBllEÃES 3.
401
|
11 dezelve zullen vergaan, maar gij blijft altijd; en zij zullen alle als een kleed verouden, 12 en als een dekkleed zult gij ze in-é enroll en, en zij zullen veranderd worden; maar gfj zij t dez elfde, eu uwe jaren zullen niet opliouden. 13 En tot welken der engelen heeft hij ooit gezegd: Mt'. aan mijne regter- Jtaud, totdat ik uwe vijanden zal gezet lieb-ben tot een voetbank uwer voeten? 14 Zijn ze niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil die de zaliglieid beërven zullen? HOOFDSTUK. 2. 1 Daarom moeten wij ons temeer houden aan betgeen van ons geboord is, opdat wij niet te eeniger tijd door-vloeijen. 3 Want indien bet woord Gal. 3:'19.' ^00r ell8'elei1 gesproken vast is geweest, en alle overtreding en ongeboorzaambeid regtvaardige vergelding ontvangen beeft, h. 12:25. 8 boe zullen wij ontvlieden, indien wij op zoogroote zaligheid geen acht nemen? Dewelke begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heer, aan ons bevestigd is geworden van degenen die hem gehoord hebben, |
4 God bovendien medege-tuigende door teekenen en Mc. 6:20. wonderen en menigerlei krachten, en bedeelingen des Heiligen Geestes naar zijnen wil. 5 Want bij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken. 6 Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: W a t i s Ps. 8:5-7. de menseb dat gij zijner gedenkt, of des uien-sehen Zoon dat gij hem bezoekt! 7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, met heerlijkheid en eer hebt gij hem gekroond, en gij hebt hem gesteld over de werken uwer handen: 8 alle dingen hebt gij 1 Cor.l5:27. onder zijne voeten onderworpen. Want daarin dat hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft hij niets uitgezonderd dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet dat hem alle dingen onderworpen zijn. 9 Maar wij zien Jezus met Fil. 2:7-9. heerlijkheid en eer gekroond, die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege bet lijden des doods, opdat hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zoude. 10 Want het betaamde hem, om welken alle dingen zijn aom. 11:36. eu door welken alle dingen zijn, dat hij vele kinderen H.5:». 9. tot de heerlijkheid leidende, |
26
HEBREÃES S.
402
|
den oversten Leidsman Imn-ner zaligheid door lijden zoude heiligen. 11 Want èn liij die heiligt èn zij die geheiligd worden zijn allen uit één; om welke oorzaak hij zich niet schaamt hen broeders te noemen, Ps. 22:23. 13 zeggende; Ik zal uwen naam mijnen broederen verkondigen, in 't midden der gemeente zal ik u lofzingen; Jes.8:i7,18. 13 en wederom: Ik zal mijn betrouwen op hem stellen; en wederom; Ziedaar, ik en de kinderen die mij God gegeven heeft. Ié Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat hij door den dood tenietdoen zoude dengeen die 't geweld des doods had, dat is den duivel, 15 en verlossen zoude al degenen die met vrees des doods door al hun leven dei-dienstbaarheid onderworpen waren. 16 Want waarlijk hij neemt de engelen niet aan, maar hij neemt het zaad Abrahams aan. H, 4:15,16. 17 Waarom hij in alles den broederen moest gelijk worden , opdat hij een barmhartig en een getrouw Hooge-priester zoude zijn in de dingen die bij God te doen icaren, om de zonden des volks te verzoenen. 18 Want in 't geen hij zelf |
verzocht zijnde geleden heeft kan hij degenen die verzocht worden te bulp komen. HOOFDSTUK 3. 1 Hierom, heilige broeders, die der hetnelsche roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis Christus Jezus, 3 die getrouw is den gene die hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis Num. 12:7. was. 3 Want deze is zooveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degeen die het huis gebouwd beeft meerder eer heeft dan het huis. 4- Want ieder huis wordt van iemand gebouwd, maar die dit alles gebouwd heelï is God. 5 En Mozes is wel getrouw Num. 12:7. geweest in geheel zijn buis als een dienaar, tot getuigenis der dingen die daarna gesproken zouden worden, 6 maar Christus als de Zoon over zijn eigen huis, wiens huis wij zijn , indien wij maar Vs. 14, de vrijmoedigheid en den roem der hoop tot den einde toe vasthouden. 7 Daarom gelijk de Heilige Geest zegt; Heden in di en Ps. 95:7-11. gij zijne stem hoort, 8 zoo verhardt uwe harten niet, gelijk /je^Ex. 17 :1-7. geschied is in de verbittering ten dage der verzoeking in de woestijn. |
iL_,
HEBEEÃKS 4.
403
|
9 a 1 wa ar mij uwe vaderen verzocht hebben; zij hebben mij beproefd, en hebben mij n e werken gezien veertig jaren lang; 10 daarom was ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben mijne wegen niet gekend; 12:7. 11 zoo heb ik dan ge zworen in mijnen toorn: Num.l4:23.Indien zij in mijne rust zullen ingaan! 12 Ziet toe broeders, dat niet te eeniger tijd in iemand van u zij een boos ongeloovig hart, om aftevvijken van den levenden God; 13 maar vermaant elkander te allen dage, zoolang als het 12:7, heden genaamd wordt, opdat niet iemand vut u verhard worde door de verleiding der zonde. 14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zoo wij Vs' namelijk het begin van dezen 14. vasten grond tot den einde toe vasthouden , 15 terwijl er gezegd wordt: Heden indien gij zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet, i :7-11. ! ge 1 ijk in de verbitte ring geschied is. 16 Want sommigen als zij : I--. die gehoord hadden , hebben hem verbitterd, doch niet al- : len die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn. |
17 Over welke nu is hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen Num. 14: die gezondigd hadden, wel-1 cfon 10:5 ker ligchamen gevallen zijn in de woestijn? 18 En welken heeft hij gezworen dat zij in zijne rust niet zouden ingaan, anders dan dengenen die ongehoorzaam geweest waren ? 19 En wij zien dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. HOOFDSTUK 4. 1 Laat ons dan vreezen, dat niet te eeniger tijd de belofte van in zijne rust integaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. 2 Want ook ons is het evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met hetgeloof niet gemengd was in degenen die het gehoord hebben. 3 Want wij die geloofd hebben gaan in de rust, gelijk hij gezegd heeft: Zoo heb Ps. 95:11. ik dan gezworen in mijnen toorn: Indien zij zullen ingaan in mijne rust! hoewel zijne werken van de grondlegging der wereld af al volbragt waren. 4 Want hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: En God heeft Gen. 2:2. op den zevenden dag van al z ij n e werken gerust. 5 En in deze plaats wederom : Indien zij in m ij ne rust zullen ingaan! |
HEBKEÃES 5.
404
|
6 Dewijl dan blijft, dat sommigen in die rmt ingaan, en degenen wien liet evangelie tet eerst verkondigd H. 3; 19. was niet ingegaan zijn vanwege de ongelioorzaamheid, 7 zoo bepaalt liij wederom een zekeren dag, namelijk beden, door David zeggende zoolangen tijd daarna (gelij- H. 3:15; kenvijs gezegd is): Heden P®-8. jnt[jell âij zijne stem boort, zoo verhardt uwe harten niet. 8 Want indien Jozna hen in de rust gebragt heeft, zoo bad bij daarna niet gesproken van een anderen dag. 9 Er blijft dan een rust over voor bet volk Gods. 10 Want wie ingegaan is in zijne rust, die heeft zelf óók van zijne werken gerust, gelijk God van de zijne. 11 Laat ons dan ons benaarstigen om in die rust inte-gaan, opdat niet iemand in betzelfde exempel der onge-loovigheid valle. 12 Want bet woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat dóór tot de verdeeling der ziel en des geestes, en der tezamen-voegselen en des mergs, en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des barten; Ps. 139:1-4. 13 en er is geen schepsel onzigtbaar voor hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen desgenen met welken wij te doen bebben. |
14 Dewijl wij dan een groo- ten Hoogepriester hebben, H. 3:1; 8: l. die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus den Zoon Gods, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geen h. 2:17,18; hoogepriester die niet kan 0: -medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doelt, zonder zonde. 16 Laat ons dan met vrij- h. 10:22. moedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd. HOOFDSTUK 5. 1 Want alle hoogepriester H. 8:3. uit de menschen genomen wordt gesteld voor de menschen in de zaken die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slagtofleren voor de zonden; 3 die behoorlijk medelijden h. 4:15. kan bebben met de onwe- Lev. 5:18, tenden en dwalenden, overmits bij ook zelf met zwakheid omvangen is; 3 en om dier zwakheid wil moet Mi, gelijk voor 'tvolk, h. 7:27: , j' » J Lev. 16:6. alzoo ook voor zichzerren offeren voor de zonden. 4 En niemand neemt zich-zelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Ailron. 5 Alzóó beeft ook Christus ziohzelven niet verheerlijkt om hoogepriester te worden, Ex. 28:1 |
HEBEEÃRS 6.
405
|
maar die tot liem gesproken Ps. 2:7; Leeft: Gij zijt mijn Zoon, Heb. 1.5. ]le(jen jjej] jjj- u gegenereerd; 6 gelijk liij ook op een an-Ps. 110:4; dere plaats zegt: Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening Mel-cliizédeks. 7 Die in de dagen zijns vlee-Mt. 26:39. selies gebeden en smeekingen tot dengeen die hem uit den dood kou verlossen, met sterk geroep en tranen, geofferd li ebbende, eu verhoord zijnde uit de vrees, 8 hoewel hij de Zoon was, ni. 2:8, nogtans gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen hij heeft geleden, 9 en geheiligd zijnde, is hij allen die hem gehoorzaam zijn een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden, 10 en is van God genaamd een Hoogepriester naar de ordening Melchizédeks. 11 Van denwelke wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen; dewijl gij traag om te hooren geworden zijt. 12 quot;Want gij, daar gij leeraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van noode dat men u leere welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij 1 Cor. 3:2. zijt geworden als wie melk van noode hebben en niet 28:1. H vaste spijs. 13 Want een iegelijk die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gereg-tigheid, want hij is een kind; ;8:1, 7, 18: Heb. 7 :17. 0:22. J:3. : 15. 5:18. : 27: 16:13. |
14 maar der volmaakten is de vaste spijs, die door de gewoonte de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads. HOOFDSTUK 6. 1 Daarom nalatende de beginselen der leer van Christus , laat ons tot de volmaaktheid voortvaren, niet wederom leggende het fundament van de bekeering van doode werken, en van het geloof in God, 3 van de leer der doopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der dooden, en van het eeuwig oordeel. 8 En dit zullen wij ooJc doen, indien God het toelaat. 4 Want het is onmogelijk, h. 10:26; degenen die ééns verlicht 22oe212: geweest zijn, en de hemelsche gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, 5 en gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, 6 en afvallig worden, die zeg ik wederom te vernieuwen tot bekeering, als welke zichzelven den Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken. 7 Want de aarde die den regen menigmaal op haar komende indrinkt, en geschikt kruid voortbrengt voor degenen door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; |
HEBKEÃKS 7.
406
8 maar die doornen en dis-telen draagt, die is verwerpelijk en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.
9 Maar geliefden, wij verzekeren ons aangaande u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, lioewel wij alzóo spreken.
10 Want God is nietonregt-vaardig, dat liij uw werk zoude vergeten, en den arbeid der
h. 10:34; liefde die gij aan zijnen naam Mt. 25:40. jjewezen liebt, als diedeliei-ligen gediend liebt en nog dient.
11 Maar wij begeeren, dat een iegelijk van u dezelfde | naarstiglieid bewijze tot de j volle verzekerdheid der hoop, j tot den einde toe;
12 opdat gij niet traag j wordt, maar navolgers zijt | dergenen die door geloof en j lankmoedigheid de belofte- | nissen beërven.
13 Want als God Abraham i de belofte deed, dewijl hij bij | niemand die meerder was | had te zweren, zoo zwoer hij j bij zichzelven,
14 zeggende: Waarlijk,] zegenende zal ik u ze-! genen, en vermenlg-j vuldigende zal ik u vermenigvuldigen:
15 en alzóo lankmoedig verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen.
16 Want de menschen zweren wel bij den meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreking:
17 waarin God willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid zijns raads,
met een eed daartnsseben is gekomen;
18 opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke liet onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk die de toevlugt genomen hebben om de voorgestelde hoop vasttehouden;
19 welke wij hebben als een anker der ziel, 't welk zekeren vast is, en ingaat tot bin- h. 9:24. nen het voorhangsel,
30 waar de voorlooper voor jh. 14 :2, 3. ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening Mel- h. 6:6,10. chizédeks een Hoogepriestei:
geworden zijnde in eeuwigheid.
HOOFDSTUK 7.
1 Want deze Melchizédek :
was koning van Salem, een priester des allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet-ging als hij wederkeerde van het verslaan der koningen,
en hem zegende;
3 aan welken ook Abraham van alles de tiende toedeelde: die vooreerst overgezet wordt koning der geregtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, 't welk is een koning des vredes;
3 zonder vader, zonder moeder , zonder geslachtrekening,
noch begin der dagen noch einde des levens hebbende;
! maar den Zoon Gods gelijk
Gen. 22: 16, 17.
HEBREÃES 7.
407
leeft. 9 En om zoo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tiende gegeven; 10 want hij was nog in de lende des vaders, als hem Melchizédek tegemoetging. Vs. 19. 11 Indien dan nu de volkomenheid door het levitische priesterschap ware, (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was 't nog, dat een ander priester naar de ordening |
Melchizédeks zoude opstaan, en die niet zoude gezegd worden te zijn naar de ordening Aarons? 13 Want het priesterschap veranderd zijnde, zoo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet. 13 Want hij aangaande wien deze dingen gezegd wTorden, behoort tot een anderen stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft; 14 want liet is openbaar dat onze Heer uit Juda gesproten op. 5 :56. is, aangaande welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap. 15 En dit is nog veel meer openbaar, zoo er naar de ge- h. 6; 20. lijkenis van Melchizédek een ander priester opstaat, 16 die dit niet naar de wet des vleeschelijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onvergankelijken levens. 17 Want hij getuigt: Gij Ps. 110:4. zijt priester in eeuwigheid naar de ordening- Mei chizé deks. 18 Want de vernietiging-van het voorgaande gebod geschiedt om deszelfs zwakheids en onprofijtelijkheids wil; 19 want de wet heeft geen h. 10:1; ding volmaakt, maar de aan- Rom-8:3-leiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken. 30 En voor zooveel het niet zonder eedz wering is geschied, (want géne zijn wel zonder eedzwering priesters geworden. |
HEBREÃRS 8.
408
|
21 maar déze met eedzwe-rintf door dien die tot liem [ Ps. H0:4. gezegd heeft: De Heerj lieeft gezworen, en liet zal hem niet heron- j wen: Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening Melchizé-d e k s): H. 8:6. 22 van een zooveel heter verbond is Jezus horg quot;geworden. 33 En géne zijn wel vele priesters geworden, omdat zij ] door den dood verhinderd werden altijd te blijven; 24 maar déze, omdat hij in eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk priesterschap: 25 waarom hij ook volkomen kan zaligmaken degenen die door hem tot God gaan, alzoo 1 Jh. 2:1; hij altijd leeft om voor hen te Rom.8:34c.bidden h. 4:14. 26 Want zoodanig een Hoo-gepriester betaamde ons, heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hooger dan de hemelen geworden; (t. 5:3; 27 wien het niet alle da- 9: 2o, 26. gen n00[[jg was) gelijk den hoogepriesters, eerst voor zijne eigene zonden slagtofl'eren op-teofferen, daarna voor de zonden des volks; want dat heeft hij éénmaal gedaan, als hij zichzelven opgeofferd heeft. 28 Want de wet stelt tot hoogepriesters menschen die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt den Zoon die in eeuwigheid geheiligd is. |
ÃÃOOFDSïTIK 8. 1 De hoofdsom nu der dingen waarvan wij spreken is, dat wij hebben zoodanigen Hoogepriester, die gezeten is h. i: 3. aan de re^evJtand van den troon der Majesteit in de hemelen, 2 een bedienaar des heilig- h. 9: n. doms, en des waren tabernakels, welken de Heer heeft opgerigt, en geen mensch. 8 Want een iegelijk hooge- h. 5:1. priester wordt gesteld om gaven en slagtotferen te offeren ; waarom het noodzakelijk was dat ook deze iets had wat hij zoude offeren. 4 Want indien hij op aardei ware, zoo zoude hij zelfs geen priester zijn, dewijl priesters zijn die naar de wet gaven offeren; 5 welke het vóórbeeld en h. 10:1; de schaduw der hemelsche Go1' 2'17' dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den tabernakel volmaken zoude; want zie, zegt hij, dat gij ex.25 : 40; het alles maakt naar Hd-7:44-de afbeelding die u op den berg getoond is. 6 En nu heeft hij zooveel uitnemender bediening gekregen , als hij ook eens be- Hi 7 : 22; teren verbonds Middelaar is, 12:24. 't welk in betere beloftenissen bevestigd is. 7 Want indien dat eerste verhand onberispelijk geweest ware, zoo zoude voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest. |
HEBREEES 9.
409
|
8 \Yant hen berispende zegt jer. 31: liij tot hen: Zie, de da- 31'34' gen komen, spreekt de Heer, en ik zal over liet huis Israels en over het linis van Juda een nieuw verbond op-rigten, 9 niet naar het verbond dat ik met hunne vaderen gemaakt heb ten dage als ik hen bij de hand nam om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit mijn verbond niet gebleven, en ik heb op hen niet geacht, zegt de Heer. 10 Want dit is het verbond dat ik met het huis Israels maken zal na die dagen, zegt de Heer: ik zal mijne wetten in hun verstand geven, en in hunne harten zal ik die in sclirijven: en ik zal hun tot een God zijn en zij zullen mij tot een volk zij n; 11 en zij zullen niet leeren een iegelijk zijnen naaste en een iegelijk zijnen broeder, zeggende; Ken den Heer; want zij zullen mij allen kennen, van den kleine onder hen tot den groote onderhen; 12 want ik zal hunne ongeregtigheden genadig zijn, en hunne zonden en hunne overtredingen zal ik geenszins meer gedenken. |
18 Als hij zegt: Een nieuw ver hond, zoo heeft hij het eerste oud gemaakt: wat nu oud gemaakt is en veroudert, is nabij de verdwijning. H00EDSTÃK 9. 1 Zoo had dan wel ook het eerste verhond regten des (/oafodienstes, en het wereldlijk heiligdom. 2 Want de tabernakel was Ex. 25:9.31. toebereid, namelijk de eerste, in welken was de kandelaar en de tafel van de toonbroo- Lev. 24,: 5,6. den, welke genaamd wordt het heilige. 3 Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel genaamd het heilige der heiligen, 4 hebbende een gouden wie- Ex. 30: i. rookvat, en de ark des ver-Ex.25:10.11. bouds alom met goud overdekt, in welke was de gou- Ex. 16:33, den kruik waar liet manna in was, en de staf Aarons die Num. 17:10. gebloeid had, en de tafelen Ex. 34:29. des verbonds; 5 en boven over deze ark waren de 'cherubs der heer- Ex. 25:18. lijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden: van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen. 6 Deze dingen nu aldus toebereid zijnde, zoo gingen wel de priesters in den eersten tabernakel te allen tijde om de goddiensten te volbrengen ; 7 maar in den tweeden tabernakel ging alleen de hooge-priester éénmaal des jaars. Ex. 30:10. niet zonder bloed, hetwelk |
m
|
JncjüxvJlil liij offerde voor ziclizelven en voor des volks misdaden: 8 waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was zoolang de eerste tabernakel nog be- j stond, h. 10 :1. 9 welke was een afbeelding voor dien tegenwoordigentijd, in welken gaven en slagt-offeren geotterd werden die dengeen die den dienst pleegde niet konden heiligen naar | de conscientie , 10 bestaande alleen in spij- I zen, en dranken, en versoliei- ' den wasseliingen, en regt- i vaardigmakingen des vlee- j sclies, tot op den tijd der j verbetering opgelegd. 11 Maar Christus de Hooge- 1 priester der toekomende goe- ; deren gekomen zijnde, is door h. 8; 2. den meerderen en volmaak-teren tabernakel, niet met lianden gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, 12 noch. door 't bloed der bokken en kalveren maar Hd. 20 : 28. door zijn eigen bloed, een-Vs. 26. maal ingegaan in het heiligdom , een eeuwige verlossing teweeggebragt hebbende. 13 Want indien het bloed h. 10: 4; der stieren en bokken, en Num. H. 19. ^ asc]1 der jonge koe be-sprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid des vleesches: 14 hoeveeltemeer zal 't bloed Tit. 2:14. van Christus, die door den eeuwigen Geest zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uwe conscientie rei-3RS 9. |
nigen van doode werken, om den levenden God te dienen. 15 En daarom is hij de Middelaar des nieuwen testaments, opdat, de dood daar-tusschen gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen die onder het eerste testament waren, degenen die geroepen zijn de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden. 16 Want waar een testament is, daar is het noodzaak dat de dood des testamentmakers tusscJien\omQ-, 17 want een testament is vast in de dooden, dewijl liet Gal. 3; 15. nog geen kracht heeft wanneer de testamentmaker leeft: 18 waarom ook het eerste niet zonder bloed is inge- Ex. 24:6, s wijd. 19 Want als al de geboden naar de wet van Mozes lot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water en purperen wol en hysop, en besprengde beide het boek zelf en al het volk, 20 zeggende: Dit is het bloed des testaments 't welk God aan u] leden heeft geboden 21 En hij besprengde des- lot. 8:15. gelijks ook den tabernakelen al de vaten van den dienst met het bloed. 22 En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd Lev. 17: li naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. 23 Zoo was het dan noodzaak, dat wel de vóórbeel- |
HEBEBÃES 10.
411
|
dingen der dingen die in de liemelen zijn door deze dingen gereinigd werden, maar de liemelsclie dingen zelve door beter offeranden dan | deze. 24 quot;Want Cliristus is niet ingegaan in het lieiligdom dat met handen gemaakt is, 't welk is een tegenbeeld van h. 8:2. het ware, maar in den hemel h. 7 25. zeiven, om nu te verschijnen voor het aangezigt Gods voor ons; 35 noch ook opdat hij zich-zelven dikwijls zoude opoffe-Vs. 7. ren, gelijk de hoogepriester alle jaren in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; 26 (anders had hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der wereld af); maar h. 7:27. nu is hij éénmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde teniet-tedoen door zichzelven te offeren. 27 En gelijk het den men-schen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel , 28 alzóó zal ook Christus, éénmaal geofferd zijnde om 1 Pet. 2; 24. veler zonden wegtenemen, ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen die hem verwachten tot zaligheid. HOOFDSTUK 10. 1 Want de wet, hebbende h. 8:5- een schaduw der toekomende Col. 2:17. goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden die zij alle jaren |
gedurig opofferen nimmermeer heiligen degenen die daar toegaan: 2 anders zouden zij opgehouden hebben geofferd te worden, omdat degenen die den dienst pleegden geen conscientie meer zouden hebben der zonden, éénmaal gereinigd geweest zijnde; 8 maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden; 4 want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. 5 Daarom komende in de wereld zegt hij: S1 a g t o f- Ps. 40 :7-9. fer en offerande hebt gij niet gewild, maar gij hebt mij het lig-chaam toebereid; 6 brandofferen en offer voor de zonde hebben uniet behaagd: 7 toen sprak ik: Zie, ik kom (in het begin des boeks is van mij geschreven) om uwen wil te doen, o God. 8 Als hij tevoren gezegd had: Slagtoffer en offerande en brandoffers e n offe r voor de zonde hebt gij niet gewild noch hebben u behaagd, (dewelke naar de wet geofferd worden), 9 toen sprak hij: Zie, ik kom om uwen wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen: 10 in welken wil wij geheiligd zijn door de offerande |
HEBREÃRS 10.
412
|
vs. 14; desligcliaams van Jezus Cliris-H' 9' 12é tus éénmaal geschied. 11 En een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slagtofferen dikwijls offerende, die de zon-Vs. 4. den nimmermeer kunnen wegnemen; 13 maar deze, één slagtoffer voor de zonden geofferd lieb-H, 1:13; bende, is in eeuwigheid ge-Ps. 110:1. zeten aan de regtcrAcwrf Gods, 13 voorts waclitende totdat zijne vijanden gesteld worden tot een voetbank zijner voeten. 14 Want met ééne offerande lieeft liij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. 15 En de Heilige Geest getuigt liet ons óók; 16 want nadat hij tevoren h. 8:10; gezegd had: Dit is het Jer. 31:33. yei.bond dat ik met maken zal na die dagen, zegt de Heer: Ik zal mijne wetten geven in hunne harten, en ik zal die inschrij ven i n hunne verstanden; H. 8:12; 17 en hunne zonden en Jer. 31:3-'ib. ]lun ne o n ger egtigli e-den zal ik geenszins meer gedenken. 18 Waar nu vergeving der-zelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde. 19 Dewijl wij dan, broeders. Et. 3:12. vrijmoedigheid hebben om integaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 20 op een verschen en levenden weg, welken hij ons H. 9 :11,12. ingewijd lieeft door het voorhangsel, dat is door zijn vleescli, |
31 en dewijl wij hehhen een grooten Priester over het huis Gods, 33 zoo laat ons toegaan met h. 4:1amp; een waarachtig liart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde H. 9:14. van de kwade eonseientie, en het ligchaam gewasschen zijnde met rein water; 33 laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop houden; (want die het beloofd heeft is getrouw); 34 en laat ons op elkander achtnemen, tot opsoher-ping der liefde en der goede werken; 35 en laat ons onze onderlinge bijéénkomst niet nalaten , gelijk sommigen de gewoonte hebben , maar elkander vermanen: en dat zoo-veeltemeer als gij ziet dat de vs. 37. dag nadert. 36 Want zoo wij willens H. 12:18-29. zondigen, nadat wij de ken- h. 6 :4-6. nis der waarheid ontvangen hebben, zoo blijft er geen slagtoffer meer over voor do zonden, 27 maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden. 38 Als iemand de wet van Mozes heeft tenietgedaan, die sterft zonder barmhartigheid Dt. 17:6. onder twee of drie getuigen: 29 hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal bij waardig geacht worden, die den Zoon |
HEBKEERS 11.
413
|
Gods vertreden lieeft, en liet bloed des testaments onrein geaclit lieeft, waardoor Lij gelieiligd was, en den Geest der genade smaadheid lieeft aangedaan ? 80 Want wij kennen liem Dt.32:35,36; die a'ezea'd heeft: Mijn is Rom. 12:19. t I i de wraak, ik zal t ver- gelden, spreekt de Heer. En wederom: De lieer zal zijn volk oordeel e n. 31 Yreesselijk is liet te vallen in de Landen des levenden Gods. 32 Doch gedenkt der vorige dagen, in dewelke nadat gij verlicLt zijt geweest, gij veel strijd des lijdens Lebt verdragen, 33 ten deele als gij door smaadLeden en verdrukkingen een scLouwspel geworden zijt, en ten deele als gij ge-meenscliap gehad Lebt met degenen die alzoo behandeld werden. 34 Want gij Lebt ook over mijne banden medelijden geliad, en den roof u wer goe- Mt. 5:12; deren met blijdscLap aange-ü:20' nomen, wetende dat gij Lebt in uzelve een beter en blijvend goed in de hemelen. 35 Werpt dan uwe vrijmoedigheid niet weg, welke een groots vergelding des loons heeft. Lc.2l:i9. 36 Want gij hebt lijdzaamheid van noode, opdat gij den wil Gods gedaan' hebbende , de beloftenis moogt wegdragen; |
37 want nog een zeer weinig tijds, e)i hij die teHab. 2:3.4; komen staat zal komen Ronl'1 A'b' en niet vertoeven; 38 maar de regtvaar-dige zal uit het geloof leven; en zoo iemand zich onttrekt, mij ne ziel heeft in hem geen behagen. 39 Maar wij zijn niet van degenen die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen die gelooven tot behoud der ziel. HOOFDSTUK 11. 1 Het geloof nu is een vaste Hom. 4: grond der dingen die nien 2Coi:.^:;7. Loopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet. 3 Want door 't zelve hebben de ouden getuigenis bekomen. 3 Door Let geloof verstaan wij dat de wereld door Let Ps. 33:6. woord Gods is toebereid, al-zoo dat de dingen die men ziet niet geworden zijn uit dingen die gezien worden. 4 Door hét geloof heeft Abel Geu. 4:4. een meerdere ofl'erande Gode geofferd dan Kain, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft dat Lij regtvaardig was, alzoo God over zijne gaven getuigenis gaf; en door dat (jeloof spreekt hij nog nadat hij gestorven is. 5 Door het geloof is Henoch weggenomen geweest. Gen. 5:24. opdat Lij den dood niet zoude 1 zien, en hij werd niet gevon-| den, daarom dat God hem i weggenomen Lad. Want vóór |
|
414 HEBRE zijne wegneming lieeft liij getuigenis geliad dat liij Gode beliaagde; 6 maar zonder geloof is liet onmogelijk Gode te behagen; want wie tot God komt, moet gelooven dat liij is, en een belooner is dergenen die bem zoeken. Gen.6:9w. 7 Door liet geloof lieeft Noacb, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde aangaande de dingen die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde , de ark toebereid tot bebond van zijn hnisgezin; door welke ark bij de wereld beeft veroordeeld , en is geworden een erfgenaam der regtvnardig-lieid die naar liet geloof is. Gen. 12:4. 8 Door bet geloof is Abraham geroepen zijnde gehoorzaam geweest, om uittegaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zoude , en hij is uitgegaan niet wetende waar hij komen zonde. 9 Door het geloof is hij een Gen. 12:8. inwoner geweest in het land der belofte als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond, met Isaiik en Jakob die medeërfgenamen waren derzelfde belofte; 10 want hij verwachtte de Vs. 16. stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. 11 Door het geloof heeft Gen. 17:19. ook Sara zelve kracht ontvangen om kroost te geven, en boven den tijd haars ouder-doms heeft zij gebaard, overmits zij hem getrouw heeft |
]RS 11. geacht die het beloofd had. 12 Daarom ziin ook van Gen. 22 :i7; 1 , Rom. 4; eenen, en dat van een ver- 18-21. storvene, zoovelen in menigte geboren als de sterren des hemels, en als het zand dat aan den oever der zee is, 't welk ontelbaar is. 13 Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden dat zij gasten en vreemde- Gen- 23: t lingen op de aarde waren. 14 Want wie zulke dingen zeggen, betoonen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken. 15 En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden van 't welk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben om wedertekeeren; 16 maar nu zijn zij begee- Vs. 10. rig naar een beter, dat is naar het hemelsche. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te wor- Ex. 3:6. den; want hij had hun een stad bereid. 17 Door het geloof heeft Gen.22;ivv. Abraham, als hij verzocht werd, Isaak geofferd, en hij die de beloften ontvangen had heeft zijnen eeniggebo-rene geoiferd, 18 (tot denwelke gezegd was: In Isaiik zal u h et Gen. 21:126; i . 1 Rom. 9:7. kroost genaamd wor- den), overleggende dat God magtig was hem ook uit de dooden optewekken; 19 waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft. |
HEBREÃRS 11.
415
|
20 Door liet geloof lieeft Gen. 27:28, Isaiilc zijne zonen Jakob en 29, 39, . j;sau gezegeiKi aangaande toekomende dingen. Gen. 48: 21 Door liet geloof heeft Ja-15' 1C' kob stervende een iegelijk der zonen Jozefs gezegend, en heeft aangebeden, leunende op Gen. 47:31. het opperste van zijnen staf. Gen. 50 : 24. 23 Door het geloof heeft Jozef stervende melding gemaakt van den uitgang der kinderen Israels, en heeft bevel gegeven aangaande zijn gebeente. 23 Door het geloof werd Ex. 2:2; Mozes toen hij geboren was drie maanden lang van zijne ouders verborgen , overmits zij zagen dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet. 24 Door het geloof heoft Mozes , nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Parao's dochter genaamd te j worden: ' 25 verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben: 26 achtende de versmaad-heid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vree- 1 zende den toorn des konings; i want hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke. 28 Door het geloof heeft hij j Ex.l2;i-27. het pascha aangerigt, en de j besprenging des bloeds, op- ! dat de verderver der eerst-j geborenen hen niet raken ! zoude. Hd. 7:20. |
29 Door het geloof zijn zij j de Eoode zee doorgegaan als Ex.l4:22-28. I door het drooge; hetwelk de ! Egyptenaars óók beproeven-{ de, zijn verdronken. 30 Door het geloof zijn de | muren van Jericho gevallen, Joz. 6:20. als ze tot zeven dagen toe i omringd waren geweest. ! 31 Door het geloof is Ea-Joz. 6:17,23. I chab de hoer niet omgeko-i men met de ongehoorzamen, [ als zij de verspieders met gt;. I vrede had ontvangen. 32 En wat zal ik nog meer \ zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zoude ik verhalen van Gideon, en Barak, en Sirason, en Jefta, en David, en Samuel, en de profeten; 33 welke door hetgeloofko-ningrijken hebben overwonnen, geregtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toe- Dan. 0:23. gestopt, 34 de kracht des vuurs heb- Dan. 3:25, ben uitgebluscht, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zijn, heir-legers der vreemden op de vlugt hebben gebragt; 35 de vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding «wafergekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden; 36 en anderen hebben be- |
i
HEBREERS 12.
416
|
spottingen en geeselingen geleden, en ook banden en gevangenis; 37 zijn gesteenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door liet zwaard ter dood gebragt, liebben gezworven in scliaapsvellen en in gei-tevellen, verlaten, verdrukt, kwalijk behandeld zijnde, 38 (welker de wereld niet waardig was), hebben in woestijnen gedoold en op bergen en in spelonken en in de holen der aarde. Vs, 13. 39 En deze allen hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen, 40 alzoo God iets beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden. HOOFDSTUK 12. 1 Daarom dan ook, alzoo wij zoogroot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last en de zonde die ons ligtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loo- 1 Cor. 9:24- Pel1 de loopbaan die ons voor- 2 Tim. 4:7,8. gesteld is, 3 ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus, dewelke voor de vreugde die hem voor- H. i; Sb. gesteld was het kruis heeft verdragen en de schande veracht, en is gezeten aan de regtevjiand van den troon Gods. |
3 Want aanmerkt dezen, die zoodanig een tegenspreken van de zondaren tegen zich heeft verdragen, opdat gij niet verflaauwt en bezwijkt in uwe zielen. 4 Gij hebt nog ten bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde; jes. 5 en gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen sjjreekt: Mijn zo o n, Spr.8:lia.v Spr. acht niet klein de kastijding des Heeren, en b e z wij k ni e t als gij van hem bestraft wordt; 6 want wien de Heer Küm liefheeft kastijdt hij, en hij geeselt een iege-1 ij ken zoon dien hij aanneemt. 7 Indien gij de kastijding verdraagt, zoo gedraagt zich Dt. God jegens u als zonen; (want wat zoon is er dien de vader niet kastijdt?) 8 maar indien gij zonder kastijding zijt, welker allen deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij dan bastaarden en niet zonen. 9 Voorts wij hebben de vaders onzes vleesches wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen ze: zullen wij dan niet veelmeer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? 10 Want géne hebben ons wel voor een korten tiju naar-dat het hun goeddocht gekastijd, maar déze kastijdt! Pet. l Mi; ons tot ons nut, opdat wij Rom'0' zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 11 En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt G |
HEBEEÃES 12.
417
|
geen zaak van vreugde maar van droefheid te zijn; doek daarna geeft zij van zicli eene vreedzame vrucht der gereg-tigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn. 12 Daarom rigt weder op de trage Landen en de slappe knieën, 13 en maakt regte paden voor uwe voeten, opdat hetgeen kreupel is niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde. Bom. 12:18. 14 Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heer zien zal: 15 toeziende dat niet iemand verachtere van de genade â¢iSb.Gods; dat niet eenige wortel der bitterheid opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden; 16 dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige gelijk Esau, die om ééne spijze het regt van zijne eerstgeboorte weggaf. 17 Want gij weet, dat hij ook daarna de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des beronws, hoewel hij dezelve met tranen zocht. Geii. 27 ; 38. 1:6.:. 18 Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, Dt. 4:11. en 't brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en on weder, Jes. 35:3. 'Pi'. 3:11 Spr. 4; 26. Dt. 29 : Gen. 25: 29-34. 19 en tot het geklank der bazuin, en de stem der woor- H. 10: 26-31. |
den, welke die ze hoorden , Dt. 5:24,25. baden dat het woord tot hen niet meer zoude gedaan worden; 21) (want zij konden niet dragen 't geen er geboden werd: Indien ook eenEx.ia: 12,13. gedierte den berg aanraakt, het zal gestee-nigd of met een pijl doorschoten worden; 21 en Mozes, zóó vreesselijk was het gezigt, zeide: Ik Dt. 9:19. ben zeer bevreesd en bevende); 22 maar gij zijt gekomen tot den bers; Sion en de stad Op. 14:1; 21 * 10 des levenden Gods, tot het ' ' hemelsche Jeruzalem en de vele duizenden der engelen, 23 tot de algemeene vergadering eu de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemeleu opgeschreven zijn, Lc. I0:20i/. en tot God den Eegter over allen, en de geesten der volmaakte regtvaardigen, 24 en tot den Middelaar des nieuwen testaments Je- zns, en het bloed der be-lPet. 1:2. sprenging dat betere dingen spreekt dan Abel. Geu- 4:lü- 25 Ziet toe dat gij dien die spreekt niet verwerpt; want H. 2 :2,3. indien deze niet zijn ontvloden, die dengeeu verwierpen welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvlieden, zoo wij ons van dien afkeeren die van de hemelen is; 26 wiens stem toen de aarde bewoog, maar nu heeft hij verkondigd, zeggende: Nog Hagg. 2:7 éénmaal zal ik bewe- |
I
27
HEBEEERS 13.
418
|
gen niet alleen de aarde maar ook denliemel. 37 En dit woord nog éénmaal wijst aan de verandering der bewegelijke dingen als welke gemaakt waren; opdat blijven zouden de dingen die niet bewegelijk zijn. 28 Daarom alzoo wij een onbewegelijk koningrijk ontvangen , laat ons de genade ccwfliouden, door dewelke wij God welbehagelijk mogen dienen, met eerbied en godvruchtiglieid. Dt. 4:24. 29 Want onze God is een verterend vnur. HOOFDSTUK 13. Rom. 12:10. 1 Dat de broederlijke liefde blijve. Rom. 12 :13. 3 Vergeet de herbergzaam-Gen.H. 18 niet; want bierdoor lieb- en 19. ijen sommigen onwetend engelen gelierbergd. Mt. 25:36. 3 Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede-gevangen waart, en dergenen die kwalijk behandeld worden, alsof gij ook zelve in 't ligcliaam kwalijk behandeld waart. 4 Het liuwelijk is eerbaar onder allen, en liet bed onbevlekt; maar lioereerders en overspelers zal God oordeelen. 1 Tim. G: 10. 5 Uto wandel zij zonder geldgierigheid, en zijt vergenoegd met liet tegenwoordige; Joz. 1:56. want hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en ik zal u niet verlaten: 6 zoodat wij vrijmoedig dur-Ps. 118:6. ven zeggen; De Heer is mij een helper, en ik |
zal niet vreezen wat mij een mensch zal doen. 7 Gedenkt uwer voorgangeren, die u het woord Gods gesproken hebben ; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hunnen wandel. 8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid. 9 Wordt niet omgevoerd Ef. 4:14 met verscheiden en vreemde leeringen; want het is goed dat het hart gesterkt worde door genade, niet door spij-Rom.l4:ii zen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben wie daarin gewandeld hebben. 10 Wij hebben een altaar, van hetwelk geen magt hebben te eten die den tabernakel dienen. 11 Want van de dieren.,Lev. 16;27 welker bloed voor de zonde 4:12 gedragen werd in het heiligdom door den hoogepries- ter, werden de ligchamen verbrand buiten de legerplaats. 13 Daarom heeft ook Jezus, opdat hij door zijn eigen bloed het volk zoude heiligen, buiten de poort geleden. Jh.19:17,18. 13 Zoo laat ons dan tot hem uitgaan buiten de legerplaats, zijne smaadheid dragende; H. 11:26. 14 want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoe-h.ll: 10,14, ken de toekomende. 16; 12:22. 15 Laat ons dan door hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen die zijnen naam belijden. 16 En vergeet de welda- |
JACOBUS 1.
419
|
diglieid en de mededeelzaam-lieid niet; want aan zoodanige ofl'eranden heeft God een welbehagen. 17 Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen: opdat zij dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig. 18 Bidt voor ons; want wij vertrouwen dat wij een goede conscientie hebben, als die in alles eerlijk willen wandelen. 19 En ik bid m temeer dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden mag wedergegeven worden. |
20 De God nu des vredes, die den grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen testaments uit de dooden heeft wedergebragt, namelijk onzen Heer Jezus Christus, Fil. 4:186. 1 Th. 5: â¢12, 13. 4: li 1.14:17. 16:27 12. H. 9:12; 11 Pet. 5:10. 31 die volmake u in alle goed werk, opdat gij zijnen wil moogt doen: werkende in u 't geen voor hem wel-behagelijk is door Jezus Christus , denwelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 32 Doch ik bid u broeders, verdraagt het woord dezer vermaning; want ik heb u in 't kort geschreven. 33 Weet dat de broeder Timotheüs losgelaten is, met welken (zoo hij haast komt) ik u zal zien. 34 Groet al uwe voorgangeren en al de heiligen. U groeten die van Italië zijn. 35 De genade zij met u allen. Amen. |
DE ALGEMENE BRIEF
17,18,
26.
VAN DEN
APOSTEL JACOBUS.
), 14, 22.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Jacobus een dienstknecht Gods en des Heeren Jezus Christus aan de twaalf stammen die in de verstrooijing 1 Pet. 1: l. zijn, zaligheid. |
3 Acht het voor groote vreug- Lc. 6 :22. de, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; |
â
JACOBUS 1.
430
|
Rom. 5:3; 3 wetende dat de beproe-1 F®4'1 ⢠7. ving uws geloofs lijdzaam-lieid werkt. 4 Docli delijdzaamlieidlieb-be een volmaakt werk, opdat Mt. 5:48. gij moogt volmaakt zijn en geheel opregt, in geen ding gebrekkelijk. 5 En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat bij ze Spr. 2:6. van Grod begeere, die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt: en zij zal bem gegeven worden. 6 Maar dat hij ze begeere Mt. 21:21. in geloof, niet twijfelende; want wie twijfelt is een baar der zee gelijk, die van den wird gedreven en op- en neergeworpen wordt; 7 want die mensch meene niet dat hij iets ontvangen zal van den Heer. 8 Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijne wegen. 9 Maar de broeder die nederig is roeme in zijne boog-beid, 10 en de rijke in zijne vernedering, want bij zal als een bloem van het gras voorbijgaan. 11 Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft Jes. 40:6,7;het gras dor gemaakt, en 1 Pet. 1:24. .. . ' zijn bloem is afgevallen, en de schoone gedaante baars aansehijns is vergaan: alzóó zal ook de rijke in zijne wegen verwelken. h. 5:11. 13 Zalig is de man die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, 2 Tim. 4 :8. zoo zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de |
Heer beloofd heeft dengenen die hem liefhebben. 13 Niemand als hij verzocht wordt zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en hij zelf verzoekt niemand. 14 Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijne Mt. 15:18 eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt: 15 daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde, en de zonde volein-Rom. 6:23» digd zijnde baart den dood. 16 Dwaalt niet, mijne geliefde broeders. 17 Alle goede gave en alle volmaakte gift is van beven, van den Yader der licuten afkomende, bij welken geen verandering is of schaduw van omkeering. 18 Naar zijnen wil heeft hij ons gebaard door het woord i Pet. i;2i ; der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen zijner schepselen. 19 Zoo dan mijne geliefde broeders, een iegelijk mensch zij rascb om te hooren, traag om te spreken, traag tot i'ied. 5:1 toorn; 20 want de toorn des mans werkt Gods geregtigheid niet. 31 Daarom afgelegd heb- Rom.l3:i2; bende alle vuilheid en over- 1 P0'1 quot; ' vloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het woord dat in u geplant wordt, 't welk uwe zielen kan zalig-maken. 33 En zijt daders des woords, Mt. 7:21; en niet alleen hoorders,Rom' 2 l3, |
JACOBUS 3.
431
|
uzelve met valsche overlegging bedriegende. 33 Want zoo iemand een hoorder is des woords, en niet een dader, die is een man gelijk welke zijn aangeboren aangezigt bemerkt in een spiegel; 34 want hij heeft ziclizelven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten hoedanig hij was. 35 Maar wie inziet in de volmaakte wet die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze geen vergefelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze zeg ik zal gelukzalig zijn in dit zijn doen. 36 Indien iemand onder u dunkt dat hij godsdienstig is, en hij zijne tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, diens godsdienst is ij del. Mi.23:34-40; 37 De zuivere en onbevlekte Rquot;m j2' 'â godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld. HOOFDSTUK 2. 1 Mijne broeders, hebt niet het geloof van onzen Heer Jezus Christus, den Heer der Lev. 19:15. heerlijkheid, met aanneming des persoons. 3 Want zoo in uwe vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleeding, en er kwam ook een arm man Mt. 15:15 om. G;23d Vs. 19; H. 3:2. St. 1:21 i. 5:1 13:12; . 2: i. 21: : 13. |
in met een slechte kleediug. 3 en gij zoudt aanzien dengeen die de sierlijke kleeding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een aanzienlijke plaats, en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar, of zit hier onder mijne voetbank : 4 hebt gij dan niet in uzelve een onderscheid gemaakt, en zijt regters geworden van kwade overleggingen? 5 Hoort, mijne geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in 't geloof, en erfgenamen des koningrijks 't welk hij belooft dengenen die hem liefhebben? 6 Maar gij hebt den arme oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken ze u niet voor de reg-terstoelen? 7 Lasteren zij niet den goeden naam die over u aangeroepen is? 8 Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: â G ij zult uwen Lev. 19 186; i i â .r i i i i Mt. 22:39. naaste lietliebben als uz elv en, zoo doet gij wèl; 9 maar indien gij den persoon aanneemt, zoo doet gij zonde en wordt van de wet bestraft als overtreders. 10 Want wie de geheele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle. 11 Want die gezegd heeft:Ex.20:14,13. Gij zult geen overspel doen, die heeft ook gezegd: Gij zult niet dooden. 1 Cor. 1: 27?. 28. |
JACOBUS 3.
422
|
Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult dooden, zoo zijt gij een overtreder dei-wet geworden. 12 Spreekt alzóó en doet h. 1:25. alzóó, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden. Mt. 5:7; 13 Want een onbarmhartig 18'35' oordeel zal gaan over dengeen die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. Mt. 7:21. 14 Wat nuttigheid is het, mijne broeders, indien iemand zegt dat hij het geloof heeft, en heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zalig-maken ? iJh. 3:17. 15 Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijksch voedsel, 16 en iemand van u tot hen zoude zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm en wordt verzadigd, en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruft des ligchaams, wat nuttigheid is dat? Vs. 26. 17 Alzóó ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood. 18 Maar, zal iemand zeggen, gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uwe werken, en ik zal u uit mijne werken mijn geloof toonen. 19 Gij gelooft dat God een éénig God is; gij doet wèl: de duivelen gelooven 't ook, en zij sidderen. 20 Maar wilt gij weten, o |
ij del mensch, dat het geloof zonder de werken dood is? 21 Abraham onze vader, is hij niet uit de werken ge-regtvaardigd, als hij Isaak Gen. 22:10. zijnen zoon geofferd heeftop het altaar? 33 Ziet gij wel dat het geloof medegewerkt heeft met zijne werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken? 23 En de Schrift is vervuld geworden, die zegt: En Abraham geloofdeGen. 15 : 6; God, en het is hem tot aVe. regt v a ardighei d gerekend, en hij is een vriend Gods genaamd ge we est. 24 Ziet gij dan nu dat een mensch uit de werken ge-regtvaardigd wordt, en niet alleen uit het geloof? 3 5 En desgelijks ook Eachab de hoer, is zij niet uit de werken geregtvaardigd geweest , als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een joz.2:i6,2ia; anderen weg uitgelaten ? 11 :31- 26 Want gelijk het ligchaam zonder geest dood is, alzóó is ook het geloof zonder de werken dood. HOOFDSTUK 3. 1 Zijt niet vele meesters, Mt. 23:8. mijne broeders, wetende dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen. 2 Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in h. 1:26; woorden niet struikelt, die r,s-3414' is een volmaakt man, mag-tig om ook het geheele lig- |
JACOBUS 4.
433
|
diaam in den toom te liouden. ! 3 Zie, wij leggen den paarden toornen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede liun gelieele ligcliaam om; 4 zie, ook de schepen, hoewel ze zoo groot zijn en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stnnr-ders wil: 5 alzoo is ook de tong een klein lid, en roemt nogtans groote dingen. Zie, een klein vuur, hoegrooten hoop hout het aansteekt. 6 De tong is óók een vuur, een wereld der ongeregtig-heid : alzóó is de tong onder onze leden gesteld, welke het geheele ligchaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel. 7 Want alle natuur beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de mensehelijke naünir; 8 maar de tong kan geen mensch temmen: zij is een onbedwingelijk kwaad, vol Ps. 140:4. van doodelijk venijn. 9 Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de menschen Gen. 1:26, die naar de gelijkenis Gods 2', 9.6t. gemaakt zijn: 10 uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijne |
broeders, alzoo niet geschieden. 11 Welt ook een fontein nit een zelfde ader het zoet en het bitter? 12 Kan ook, mijne broeders, een vijgeboom olijven Mt. 7:16. voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzóó kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen. 18 Wie is wijs en verstandig onder u? Die bewijze uit zijnen goeden wandel zijne werken, in zachtmoedige wijsheid. 14 Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zoo roemt en liegt niet tegen de waarheid. 15 Deze is de wijsheid niet die van boven afkomt, maar H. 1: lquot;. is aardsch, natuurlijk, dui-velsch. 16 Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle booze handel. 17 Maar de wijsheid die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, Gal. 5:22. bescheiden , gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordeelende, en ongeveinsd. 18 En de vrucht der regt-vaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen die Mt. 5:9. vrede maken. HOOFDSTUK 4. 1 Vanwaar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen ze niet hiervan, namelijk uit uwe wellusten die in uwe ^ pet_ 2;ii leden strijdvoeren ? Rom- 7:5' |
JACOBUS 5.
424
|
2 Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen ; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt; 14. 3 gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uwe wellusten doorbrengen zoudt. 4 Overspelers en overspeel-sters, weet gij niet dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zoowie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand Gods gesteld. 5 Of meent gij dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest die in ons woont, heeft die lust tot nijdigheid? 6 Ja hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hoo-vaardigen, ma ar den nederigen geeft hij ge-n a d e. 7 Zoo onderwerpt n dan 1 Pet. 5:8,9. Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van n vlieden; 8 naakt tot God, en hij zal Jes. i: is. tot u naken. Reinigt de handen gij zondaars, en zuivert de harten gij dubbelharti-gen. 9 Gedraagt u als ellendigen en treurt en weent; uw lag-chen worde veranderd in treuren, en moe blijdschap in bedroefdheid. 10 Vernedert n voor den Heer, en hij zal u verhoogen. 11 Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Wie van zijnen broeder kwalijk 1 .Th. 5 Mt. 12 :39; Ps. 73:27. Mt. 6:24; Rom. R :7. Spr, 3: 34; 1 Pet. 5:5. Mt. 23:12; 1 Pet. 5:6. |
spreekt en zijnen broeder oor- Mt. 7:1, deelt, die spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet: indien gij nn de wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der wet, maar een regter. 13 Er is een éénig Wetge- Mt. 10 : 286. ver, die behouden kan en verderven: docli wie zijt gij,Rom,i4:4a. die een ander oordeelt? 18 Welaan nu gij die zegt: Wij zullen heden of morgen Spr, 27 :i. naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven en winst doen , 14 gij die niet weet wat morgen geschieden zal; want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt: 15 in plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heer wil Hd, 18 :216. en wij leven zullen, zoo zullen wij dit of dat doen. 16 Maar nu roemt gij in uwen hoogmoed: alle zoodanige roem is boos. 17 Wie dan weet goed te Lc, 12:47. doen en het niet doet, dien is het zonde. HOOFDSTUK 5. 1 Welaan nu gij rijken,Lc, 6:24,25. weent en huilt over uwe ellenden die over u komen. 2 Uw rijkdom is verrot, en Mt. 6:19. uwe kleederen zijn van de motten gegeten geworden; 3 uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vleesch als een vuur verteren; Lev, V. Lc.tR: H, 1 |
JACOBUS 5.
435
|
gij liebt scliatten vergaderd in de laatste dagen. Lev. 19; 13. 4 Zie, liet loon der werklieden die uwe landen gemaaid hebben, 't welk van u verkort is, roept, en liet geschrei dergenen die geoogst hebben is gekomen tot in de ooren des Heeren Zebaoth. Lc,i6:10,23. 5 Gij hebt weelderig geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uwe harten gevoed als in een dag der slagting. 6 Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den regtvaar-dige, en hij wederstaat u niet. 7 Zoo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Zie, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen: 8 weest gij óók lankmoedig, versterkt uwe harten, want de toekomst des Heeren genaakt. 9 Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt: zie, de Eegter staat voor de deur. 10 Mijne broeders, neemt tot een exempel des lijdens en der lankmoedigheid de profeten, die t/i den naam des Heeren gesproken hebben. 11 Zie, wij honden ze gelukzalig die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de t. 7:1. 10 ; 28ft. .U:in. 27 :1. H. 2tf :21ft. 47, Mt. 5:12; 23:35. Job 1:21: 42:10. |
Heer zeer barmhartig is en Ps. 103:8. een ontfermer. 12 Doch vóór alle dingen, Mt-5:34-37. mijne broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch eenigen anderen eed; maar uw ja zij ja, en het neen neen, opdat gij in geen oordeel valt. 13 Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds, dat hij psalmzin ge. 14 Is iemand krank onder u, dat hij tot zich roepe de ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Mc. 6:13. naam des Heeren: 15 en het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heer zal hem oprigten, en zoo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden. 16 Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt: een krachtig gebed des regtvaar-digen vermag veel. 17 El ia was een mensch van gelijke bewegingen als wij, en hij bad een gebed dat 1 Kon. 17:1. het niet zoude regenen, en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden ; 18 en hij bad wederom, i Kcm._l8: en de hemel gaf regen, en ' ' de aarde bragt hare yrucht voort. 19 Broeders, indien iemand Mt. 18:15. onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert. |
1 PETRUS 1.
426
|
20 die wete, dat degeen die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, eene |
ziel van den dood zal behouden, en menigte der zondeni Pet 4:6 zal bedekken. Spr. 10 ; 12. |
DE EERSTE ALGEMEENE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL PETRUS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Petrus een apostel van Jezus Cbristus aan de vreemdelingen verstrooid in Pon-tus, Galatië, Cappadocië, Azië en quot;Bitliynië, 2 aan de uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot geboorzaam-beid en besprenging des bloeds van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. 8 Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die naar zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden, 4 tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwel- Coi. 1:5. kelijke erfenis, die in de lie-melen bewaard is voor u, |
5 die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof, Jc. 1:1. 2 Cor. 1: i Ef. 1:3. tot de zaligheid die bereid is Rom. 8; 18. om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. 6 In welken gij u verheugt, Jc. 1:2. nu een weinig tijds (zoo het noodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; 7 opdat de beproeving uws h. 4:12,13. geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud 't welk vergaat en door het vuur beproefd wTordt, bevonden worde te zijn tot lof en eer en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus; 8 denwelken gij niet gezien Jh. 20:29. hebt en nogtans lief hebt; in den welke gij nu, hoewel niet ziende, maar geloovends, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, 9 verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen. 10 Van welke zaligheid on- Mt. 13:17. dervraaard en onderzocht heb- |
1 PETKUS 1.
427
|
ben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade aan u geschied, 11 onderzoekende op welken of lioedanigen tijd de Geest van Christus, die in Len was, beduidde en tevoren getuigde het lijden dat op Cliristus komen zoude, en de heerlijkheid daarna volgende: 13 aan dewelke geopenbaard is, dat zij niet zichzelven maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn door degenen die u het evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest, die van den hemel gezonden is; in welke dingen de engelen be-geerig zijn intezien. 13 Daarom opschortende de lendenen uws verstands, en nuchteren zijnde, hoopt volkomen op de genade die u toegebragt wordt in de openbaring van Jezus Christus. 14 Wordt, als gehoorzame kinderen, niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden die Ef. 4:17,18. tevoren in uwe onwetendheid waren; 15 maar gelijk hij die u geroepen heeft heilig is, zoo wordt ook gij zelve heilig in al uwen wandel, 16 daarom dat er geschreven Lev. 19-. 2. is: Zijt heilig, wantik ben heilig. 17 En indien gij tot een Vader aanroept dengeen die Rom. 2:11. zonder aanneming des per-soons oordeelt naar eensiege-lijks werk, zoo wandelt in Fii. 2:126. vreeze den tijd uwer inwoning, it. 4:8; 10 : 12. 8:18. Lc. 12:35. 1:2. 2,13. Rom. 7:5; 29. |
18 wetende dat gij niet door 1 Cor. 6:20: vergankelijke dingen, zilver 7'23' of goud, verlost zijt uit uwen ij delen wandel die u van de vaderen overgeleverd is, 19 maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestrafi'elijk en onbe- Jh, 1: 29. vlekt lam; 20 dewelke wel vóórgekend2Tini.l:9,-10. is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil, 21 die door hem gelooft in God, welke hem opgewekt heeft uit de dooden, en hem heerlijkheid gegeven heeft, fii. 2:9. opdat uw geloof en hoop op God zijn zoude. 22 Hebbende dan uwe zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zoo hebt Rom. 12:10. elkander vurig lief uit een rein hart, 23 gij die wedergeboren ^ Jc.^i: 18; zijt, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende woord Gods. 24 Want alle vleesch is Jes. 40:0-8; , lil Jc. 1: 10,11. ais gras, en alle heerlijkheid des menschen is als een bloem van het gras: het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen; 25 maar het woord des Heeren blijft in eeuwigheid. En dit is het woord dat onder u verkondigd is. |
17.
1 PETEIJS 2.
428
|
IIOOrDSTÃK 2, 1 Zoo legt dan af alle kwaadheid en alle bedrog en geveinsdheid en nijdigheid en alle achterklappingen; 2 en zijt, als nieuwgeboren kinderkens, zeer begeerig naaide redelijke onvervalsehte melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen; 3 indien gij namelijk gesmaakt hebt dat de Heer goedertieren is. 4 Tot welken komende als Ef. 2; 206. tot een levenden steen, van de menschen wel verworpen maar bij God uitverkoren en dierbaar, 5 zoo wordt ook zelve als levende steenen gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om gees- Rom. 12 : i; teliike offeranden opteoffei-en. Heb. 12:286. t n â â i die Crode aangenaam zijn door Jezus Christus. 6 Daarom is ook vervat in Jes. 28:16;de Schrift: Zie, ik leg in Rom. 9! 33. o ⢠* i. 4. i i bion een ui ter sten lioek- steen,die uitverkoren en dierbaar is; en wie in hem gelooft zal niet beschaamd worden. 7 U dan die gelooft is hij dierbaar; maar den onge- Ps. 118:22; hoorzamen wordt gezegd: De Mt8'!-!!' steen dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; 8 dengenen namelijk die zich aan het woord stooten, Col. 3:8; Jc. 1:21. H. 1 ;23. Ps,34:9. |
ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. 9 Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk Ex. 10:6; priesterdom, een heilig volk, 0p'1'6' een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10 gij die eertijds geen volk Hos. 2:22; waart, maar nu Gods volk Rom' ^ '2 zij t, die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden. 11 Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelin- h, 1:17. gen, dat gij u onthoudt van de vleeschelijke begeerlijk- Jc. 4:1. heden, welke krijgvoeren tegen de ziel; 12 en houdt uwen wandel eerlijk onder de heidenen, opdat in 't geen zij kwalijk van h. 3:16. u spreken als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken Mt. 5:15. die zij in u zien God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking. 18 Zijt dan alle menschelijke Rom. 13: i ordening onderdanig om des Heeren wil, hetzij den koning, als de opperste magt hebbende , 14 hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden tot straf wel der Rom. 13: a kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen die goeddoen. 15 Want alzoo is 't de wil Gods, dat gij weldoende den ut. 2:8. mond stopt aan de onwetendheid der dwaze menschen ; 16 als vrijen, en niet de Gal.5:13. |
1 PETRUS 3.
JÃ29
|
vrijheid liebbende tot een deksel der boosheid, maar als dienstknechten Gods. Rom. 12:10. ^ ^ -^er^ 6611 ^d-6 Spr 24-21 broederschap lief; vreest God; eert den koning. Ef. 6:5; 18 Gij huisknechten, zijt met Col. 3.22. vreeg 0I1(Jer(ianig den heeren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden. 19 Want dat is genade, indien iemand om de consciëntie voor God zwarigheid verdraagt , lijdende ten onregte. 20 Want wat lof is het, indien gij verdraagt als gij zondigt en daarover geslagen wordt ? Maar indien gij verdraagt als gij wèl doet en daarover lijdt, dat is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij ge-11.3:18;4:1.roepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons Jh. 13:15; een exempel nalatende, opdat 1 2'5' gij zijne voetstappen zoudt navolgen; Jes. 53; 9. 22 die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in zijnen mond gevonden; Mt.27 : 39-43. 23 die als hij gescbolden werd niet wederschold, en als hij leed niet dreigde, maar gaf het over aan dien die regt-vaardig oordeelt; Jes. 53:4.5; 24 die zelf onze zonden in Tit. 2:14. z-jn ligQjjaam gedragen heeft op het hout, opdat wij den zonden afgestorven zijnde, der geregtigheid leven zouden; door wiens striemen g\j genezen zijt. Jes. 53:6. 25 Want gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt |
nu bekeerd tot den Herder H. 5: 4a. en Opziener uwer zielen. HOOFDSTUK 3. 1 Desgelijks gij vrouwen, Ef. 5:22; zijt uw eigen mannen onder- Cul' danig, opdat ook zoo eenigen den woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel dei-vrouwen zonder woord mogen gewonnen worden, 3 als zij zullen ingezien hebben uwen kuischen wandel in vreeze. 3 Welker versiersel zij, uieti Tim. 2:9. 't geen uiterlijk is, hedaande in liet vlechten des haars, en omliangen van goud, of van kleederen aantetrekken, 4 maar de verborgen mensch des harten, in het onverderfelijk versiersel vaneenzacht-moedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God. 5 Want alzoo versierden zichzelve eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig: 6 gelijk Sara Abraham gehoorzaam is geweest, hem GeiU8,12ij_ noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, en niet vreest voor eenige verschrikking. 7 Gij mannen insgelijks, Ef. 5:25; woont bij haar met verstand, Co1' 3; 19' aan het vrouwelijke vat als het zwakste eere gevende, als die ook medeërfgenamen der genade des levens met haar zyt, opdat uwe gebeden niet verhinderd worden. 8 En eindelijk, zijt allen h. i:2-i eensgezind, medelijdend, de |
1 PETRUS 4.
430
|
broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen , vriendelijk; Hom. 12:17. 9 vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven. Ps.34; 13-17. 10 Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijne lippen dat ze geen bedrog spreken ; 11 die wijke afvan het kwaad, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na; 12 want de oogen des He eren zijn over de regtvaardigen, en zijne ooren tot kun gebed; maar het aangezigt des Heeren is tegen degenen die kwaaddoen. 13 En wie is 't die u kwaaddoen zal, indien gij navolgers zijt van het goede ? ^20: 14 Maar indien gij ook lijdt Mt.'ö; 10. om der geregtigheid wil, zoo zijt gij zalig; en vreest niet uit vrees van hen, en wordt niet ontroerd; 15 maar heiligt God den Heer in uwe harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap afeischt van de hoop die in u is, met zachtmoedigheid en vrees. 16 En hebt een goede con-H. 2:12. scientie, opdat in 't geen zij kwalijk van u spreken als |
van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden die uwen goeden wandel in Christus lasteren. 17 Want het is beter dat gij H. 2:20. weldoende (indien 't de wil Gods wil) lijdt, dan kwaaddoende ; 18 want Christus heeft ook H. 2:21; ,, t T , , Rom. 5:6, . eens voor de zonden geleden, hij regtvaardig voor de on- regtvaardigen, opdat hij ons tot God zoude brengen; die wel is gedood in het vleesch, Rom. 6 :10. maar levendgemaakt door den Geest. 19 In denwelke hij ook he-nengegaan zijnde den geesten die in de gevangenis zijn gepredikt heeft, 20 die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lank- Mt.24:37-39. moedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd, waarin weinige (datGen.7:1,13; is acht) zielen behouden wer- 2 Pet' 2quot;5' den door het water. 21 Waarvan het tegenbeeld de doop ons nu ook behoudt, Ef. 5:26. niet die een aflegging is der vuilheid des ligchaams, maar die een vraag is eener goede conscientie tot God, door de opstanding van Jezus Christus ; 23 welke is aan de regter- Ef. l: 20. hand Gods, opgevaren ten hemel, de engelen en magten Fil. 2:18. en krachten hem onderdanig gemaakt zijnde. HOOFDSTUK 4. 1 Dewijl dan Christus voor h. 3:186; ons in het vleesch geleden Rom'6:6'7' |
1 PETRUS 4.
431
|
heeft, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in liet vleescb geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde. Gal. 2:20. 2 om nu niet meer naar de begeerlijkheden der menschen maar naar den wil Gods den tijd die overig is in het vleesch te leven. 8 Want het is ons genoeg, Ef. 4:17. dat wij den voorgaanden tijd des levens der heidenen wil volbragt hebben, en gewan-Rom. 13:13. deld hebben in ontuchtigheden , begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen , drinkerijen en gruwelijke afgoderijen: 4 waarin zij zich vreemd houden, als gij niet mede-loopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren ; 5 dewelke zullen rekenschap geven dengene die bereid staat om te oordeeleu de levenden en de dooden. 6 Want daartoe is ook den H. 3:19. dooden het evangelie verkondigd geworden, opdat zij wrel zouden geoordeeld worden naar den mensch in het vleesch, maar leven zouden naar God in den geest. Jc. 5: 8b. 7 En het einde aller dingen is nabij: zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden. 8 Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de Jo. 5 : 206. liefde zal menigte van zonden bedekken. Heb. 13:2. 9 Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murmu- |
10 Een iegelijk gelijk hij Rom.i2:6-8. gave ontvangen heeft, alzóó bediene hij dezelve aan den ander, als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods. 11 Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient, die diene als uit kracht die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, welken toekomt de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 13 Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u ge- H. 1; 7. schiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwam; 13 maar gelijk gij gemeen-Rom. 8 :17. schap hebt aan het lijden van Christus, alzoo verblijdt u: opdat gij ook in de openbaring zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen. 14 Indien gij gesmaad wordt h. 2:20; om den naam van Christus, ut stil. zoo zijt gij zalig, want de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods rust op u. Wat hen aangaat, hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, hij wordt verheerlijkt. 15 Doch dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een die zich met eens anders doen bemoeit; 16 maar indien iemand lijdt 2 Tim. 1:12. als een Christen, die schame Hd. ll :26.' zich niet, maar verheerlijke God ia dezen deele. 17 Want het is de tijd dat |
1 PETRUS 5.
432
|
liet oordeel beginne van liet huis Gods; en indien liet Lc. 23; 31; eerst van ons leyint, welk zal 2 rh. 1.8. kgj, ejn(^e zjjn (lergenen die bet evangelie Gods ongeboor-zaam zijn? Spr. 11:31. 18 En indien de regt-vaardige naauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verso bijnen? h. 3:17. 19 Zoo dan ook wie lijden naar den wil Gods, dat zij bunne zielen hem als den getrouwen Schepper bevelen met wèl doen. HOOFDSTUK 5. rrim.3:2-7. 1 De ouderlingen die onder u zijn vermaan ik, die een mede-ouderling en getuige des lijdens van Christus ben, en deelachtig der heerlijkheid die geopenbaard zal worden: hd. 20; 28. 3 weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzigt daarover niet uit bedwang maar gewillig, noch om vuil-gewin maar met een volvaar-dig gemoed, 2 Cor. 1:24. 3 noch als heerschappij voerende over het erfdeel des l Tim. 4:12; Heer en, maar als voorbeelden Tit. 2:7. der kudde geworden zijnde; H. 2:25. 4 en als de overste Herder verschenen zal zijn, zoo zult Jc. 1:12. gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen. 5 Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en KI. 5:21. zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedig-Spr. 3:34- heid bekleed; want God Jc. 4:6. wederstaat de hoovaar-digeu, maar den nederige n geeft hij genade. |
6 Vernedert u dan onder de Jc. 4:10. krachtige hand Gods, opdat bij u verbooge te zijner tijd. 7 Werpt al uwe bekommer- Ps. 55:23 nis op hem, want hij zorgt ' 'b' voor u. 8 Ziit nuchteren en waakt; h 4:7; .. .1 Th 5:6. want uw tegenpartij de duivel gaat om als een briesohende leeuw, zoekende wien bij zoude mogen verslinden: 9 denwelken wederstaat, vast Jc-4 7. zijnde in het geloof, wetende dat hetzelfde lijden aan uwe broederschap die in de wereld is volbragt wordt. 10 De God nu aller genade, die ons geroepen heeft tot zijne eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, bij volmake, beves-tige, versterke en fundere ulieden. 11 Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 13 Door Silvanus die ueen2 Cor. 1 ia. getrouw broeder is, zoo ik acht, heb ik met weinige woorden geschreven, vermanende en betuigende dat deze is de waarachtige genade Gods in welke gij staat. 13 U groet de mede-uitverkoren (jemeente die iu Baby-Ion is, en Marcus mijn zoon. 14 Groet elkander met een kus der liefde. Vrede zij u allen die in Christus Jezus zijt. Amen. |
DE TWEEDE ALGEMEENE BEIEF
4:10.
55:23 . 4:6.
APOSTEL PETEÃS.
4:7; . 5:6.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Simeon Petrus een dienst-kneolit en apostel van Jezus Cliristus aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de regtvaardigheid onzes Gods en Zaligmakers Jezus Christus: i Pet. i: 26. 2 genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God en van Jezus onzen Heer, 3 gelijk ons zijne Goddelijke kracht alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort geschonken heeft, door de kennis desgenen die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; 4 door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid. 5 En gij tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende , voegt bij uw geloof deugd. 4 7. 1 19. |
en bij de deugd kennis, 6 en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, 7 en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen. 8 Want zoo deze dingen bij u zijn en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis onzes Heeren Jezus Christus; 9 want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden. 10 Daarom broeders, benaar-stigt u temeer om uwe roeping en verkiezing vastte-1 Jh. 3:196. maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen; 11 want alzóó zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig koningrijk onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. 12 Daarom zal ik niet ver-| zuimen u altijd daarvan te |
28
2 PETRUS 3.
434
|
Jud. vs. 5. vermanen, hoewel gij het weet en in de tegenwoordige waarheid versterkt zijt. 13 En ik acht het regt te zijn, zoolang ik in dezen ta-h. 3:1. bernakel hen, dat ik n op-wekke door vermaning, 2 Tim. 4:6. 14 alzoo ik weet dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, gelijkerwijs ook jh. 21:19. onze Heer Jezus Christus mij heeft geopenbaard. 13 Doch ik zal ook naarstigheid doen bij alle gelegenheid , dat gij na mijnen uitgang van deze dingen gedachtenis moogt hebben. 16 Want wij zijn geen kunstig verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekendgemaakt hebben de kracht en toekomst onzes Heeren Jezus Christus, maar wij zijn aan-schouwers geweest van zijne majesteit. 17 Want hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zoodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot hem gebragt Mt. 17:5. werd: Deze is mijn geliefde Zoon, in den-welke ik mijn welbehagen héb. 18 En deze stem hebben wij gehoord, als zij van den hemel gebragt is geweest, Mt. 17:1. toen wij met hem op den heiligen berg waren. 19 En wij hebben het profetische woord dat zeer vast is, en gij doet wèl dat gij daarop achthebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aan-lichte, en de morgenster opga in uwe harten: |
20 dit eerst wetende dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; 21 want de profetie is voor- 2 Tim. 3:16. tijds niet voortgebragt door den wil eens menschen, maaide heilige menschen Grods van den Heiligen Geest gedreven zijnde hebben re gesproken. HOOFDSTUK 2. 1 En er zijn ook valsche profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valsche Mt. 24:li; leeraars zijn zullen, die ver-1 Tira' 4:1' derfelijke ketterijen bedekte-lijk invoeren zullen, ook den Heer die hen gekocht heeft Jud. vs. 46. verloochenende , en een haastig verderf over zichzelve brengende; 3 en velen zullen hunne verdorvenheden navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; 3 en zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel sedert lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet. 4 Want indien God de en- Jud. vs. 6. gelen die gezondigd hebben niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; 5 en de oude wereld niet h. 3:6; heeft gespaard, maar Noach Gen-H'7' den prediker der geregtig- |
2 PETEUS 2.
435
|
Iieid zijn achttal bewaard heeft, als hij den zondvloed over de wereld der godde-loozen heeft gebragt; Gen. 19: 6 en de steden Sodom en 24 25' im. 3:16, juij,'vs.'7. Gomorra tot asch verbrandende met omkeering veroordeeld heeft, en tot een exempel gezet dengenen die goddeloos zouden leven; Gen. 19:29. 7 en den regtvaardigen Lot, die vermoeid was van den | ontuchtigen wandel der gruwelijke menschen, daaruit verlost heeft: 8 (want deze regtvaardige man wonende onder hen, heeft dag op dag zijne regtvaardige ziel gekweld door het zien en hooren van hunne ongeregtige werken): 9 zoo weet de Heer de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onregtvaar-digen te bewaren tot den dag des oordeels om gestraft te worden; 10 maar allermeest dege-Jud. vs. 8. nen die naar het vleesch in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschajspij verachten: die stout zijn, zich-zelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren, Jud, vs. 9. 11 daar de engelen, in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen haar voor den Heer voortbrengen; Jud. vs. 10. 12 maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen en voortgebragt zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren 24:11; tn. 4:1 vs. 4amp;. i. 7. |
hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne verdorvenheid verdorven worden, 13 en zullen verkrijgen het loon der ongeregtigheid, als die de dagelij ksche weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn Jud. vs. 12. weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn; 14 hebbende de oogen vol overspel en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid , kinderen der vervloeking; 15 die den regten weg verlaten hebbende, zijn ver-Jud. vs. li: dwaald, en volgen den weg Num'22'17-van Bileam den zoon Beors, die het loon der ongeregtigheid liefgehad heeft; 16 maar hij heeft de bestraffing zijner ongeregtigheid gehad; want het juk- Num. 22: dragende stomme dier, spre- 22quot;30quot; kende met menschestem, heeft des profeten dwaasheid verhinderd. 17 Deze zijn waterlooze fon-Jud.vs.12,13. teinen , wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in eeuwigheid bewaard wordt. 18 Want zij zeer opgeblazene ij delheid sprekende, verlokken door de begeerlijkheden des vleesehes, en door ontuchtigheden, degenen die waarlijk ontvloden waren van degenen die in dwaling wandelen, 19 belovende hun vrijheid, |
â Hi
2 PETRUS 3.
436
|
Jh. 8:34; daar zij zelve dienstknechten Rom. (3:16. z-jn ([er verdorvenheid; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt. Heb. 10:26. 20 Want indien zij, nadat ze door de kennis des Hee-ren en Zaligmakers Jezus Christus de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste; 21 want het ware hun beter dat zij den weg der gereg-tigheid niet gekend hadden, dan dat zij dien gekend hebbende, zich weder afkeeren van het heilig gebod dat hun overgegeven was. 23 Maar hun is overkomen 't geen met een waarspreek-Spr. 26:11. woord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraak-sel, en de gewasschen zeug tot de wenteling in het slijk. HOOFDSTUK 3. 1 Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan h. i: 13. u, in welke heide ik door vermaning uw opregt gemoed opwek, Jud. vs. 17. 2 opdat gij gedachtig zijt aan de woorden die van de heilige profeten tevoren gesproken zijn, en aan ons gebod , die des Heeren en Zaligmakers apostelen zijn: 3 dit allereerst wetende, dat Jud. vs. 18; in 't laatste der dagen spot-i Tim. 4:1. ters zullen, die naar Mt. 12:45b. |
hunne eigene begeerlijkheden zullen wandelen, 4 en zeggen: Waar is de belofte zijner toekomst? want van dien dag dat de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen alzóó gelijk van het begin der schepping. 5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van ouds af geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water Gen. 1; 26. bestaande; 6 door welke de wereld die h. 2:5; toen was, met het water van Gen-7:10'21-den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is; 7 maar de hemelen die nu Vs. 10,12. zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels en der verder- Jud. vs. 15. ving der goddelooze men- schen. 8 Doch deze ééne zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij den Heer is Ps. 90:4. als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. 9 De Heer vertraagt de belofte niet, (gelijk eenigenaW traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat ze al-1 Tim. 2:4. len tot bekeering komen. 10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de Jes. Op. Ror Vs. 4. Vs. 15. 1 Tb. 5:2; Mt. 24:44. Jh. |
1 JOHANNES 1.
437
|
werken die daarin zijn zullen verbranden. 11 Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid, 13 verwachtende en haastende tot de toekomst van Vs. 7, io. den dag Gods, in welken de hemelen door vuur ontstoken zijnde zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. 13 Maar wij verwachten, 17; naar zijne belofte, nieuwe 'â hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke geregtigheid woont. 14 Daarom geliefden, verwachtende deze dingen, be-naarstigt u dat gij onbevlekt en onbestraflelijk van hem bevonden moogt worden in vrede; |
15 en acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid, gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus naar de wijsheid die hem gegeven is ulieden geschreven heeft, \:1b. 2:5; : 10,21. Jes. 65 Op. 21 0, 12. vs. 15. Rom. 2: 16 gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensclien verdraai-jen, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf. 17 Gij dan geliefden, zulles 3-üA. vs. 20. tevoren wetende, wacht u dat gij niet door de verleiding der gruwelijke menschenme-deafgerukt wordt, en uitvalt van uwe vastigheid; 18 maar wast cp in de genade en kennis onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, Jud. vs. 2d. beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen. fl il l! il |
DE EERSTE ALGEJIEENE BEIEE
x): 4. i
15.
5:2; 1:44.
APOSTEL JOHANNES.
[ben, 't geen wü gezien heb-HOOFDSTllK 1. | ben met onze oogen, 't geen Jh, lil, 2. 1 Hetgeen van den beginne j wij aanschouwd hebben en was, 't geen wij gehoord heb- j onze handen getast hebben
1 JOHANNES 3.
438
|
van liet Woord des levens: 3 (want liet leven is geopenbaard, en wij liebben 't gezien, en wij getuigen en verkondigen nlieden dat eeuwige leven, 't welk bij den Vader was en ons is geopenbaard): 3 't geen wij dm gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenscliap zoudt liebben, en deze onze gemeenscliap ook zij met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus. 4 En deze dingen schrijven wij u, opdat uwe blijdschap vervuld zij. 5 En dit is de verkondiging die wij van hem gehoord hebben en wij u verkondigen, Mc. 10; iSb. dat God een licht is en gansch geen duisternis in hem is. 6 Indien wij zeggen dat wij gemeenschap met hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij en doen de waarheid niet; Ef. 5:8. 7 maar indien wij in het licht wandelen, gelijk hij in het licht is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander. Vs. 9; en het bloed van Jezus Chris-f Pet9i is'tus zynel1 Zoon reinigt ons van alle zonde. Vs. 10; 8 Indien wii zegden dat wii Jc 3-9« ^ 00 ^ geen zonde hebben, zoo verleiden wij onszelve en de waarheid is in ons niet. Ps. 32:5. 9 Indien wij onze zonden belijden, hij is getrouw en regtvaardig, dat hij ons de zonden vergeve en ons rei-nige van alleongeregtigheid. |
10 Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zoo maken wij hem tot een leugenaar en zijn woord is niet in ons. HOOFDSTUK 2. 1 Mijne kinderkens, ik schrijf u deze dingen opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij Rom.8:34f); den Vader, Jezus Christus ' 'quot;J' den regtvaardige; 2 en hij is een verzoening h. 4:10(); 1 ⢠, Rom. 3 :25; voor onze zonden, en met Heb. 2:9b. alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der ge- heele wereld. 8 En hieraan kennen wij dat wij hem gekend hebben, zoo wij zijne geboden be- jh. 15:10. waren. 4 Wie zegt: Ik ken hem, h. i: G. en zijne geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet; 3 maar zoowie zijn woord be- Jh. 14:21 waart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden. Hieraan kennen wij dat wij in hem zijn. 6 Wie zegt dat hij in hem H. 3 :3,16; blijft, die moet ook zelf alzóo wandelen gelijk hij gewandeld heeft. 7 Broeders, ik schrijf u geen h. 3:ii; nieuw gebod, maar een oud 2 J1'' J' gebod, dat gij van den beginne gehad hebt: dit oude gebod is het woord dat gij van den beginne gehoord hebt. 8 Wederom schrijf ik u een Jh. 13:34. nieuw gebod; 't geen waarachtig is in hem, zij ook in |
1 JOHAÃOfES 2.
439
|
u waarachtig; want de duis- i ternis gaat voorbij en het waaraclitige liolit schijnt nu. j 9 Wie zegt dat hij in het | licht is, en zijnen broeder [ haat, die is in de duisternis tot nogtoe. 10 Wie zijnen broeder lief- Jh, li:9,10.heeft blijft in het licht, en geen ergernis is in hem; 11 maar wie zijnen broeder haat, is in de duisternis en Jh. 12:35. wandelt in de duisternis, en weet niet waar hij henen-gaat; want de duisternis heeft zijne oogen verblind. 13 Ik schrijf u, kinder-kens, want de zonden zijn u vergeven om zijns naams wil. 13 Ik schrijfu, vaders, want gij hebt hem gekend die van den beginne is. Ik schrijfu, H. 5:4,18. jongelingen, want gij hebt den booze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend. 14 Ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt hem gekend die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het woord Gods blijft in u, en gij hebt den booze overwonnen. Rom.l2;2a. 15 Hebt de wereld niet lief noch 't geen in de wereld is: zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem; 16 want alwat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens, is Rom. 13:12. H. 3:14: 4:20, 21. H. 1:9; Jes. 43:25. H. 1:1. Jc. 4:4. |
niet uit den Vader maar is uit de wereld. 17 En de wereld gaat voorbij 1 Gor. 7:31 b. en hare begeerlijkheid, maar wie den wil Gods doet blijft in eeuwigheid. IS Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt dat de antichrist vs. 22; 4:3; komt, zoo zijn er ook nu vele 2 Th'^a antichristen geworden; waaruit wij kennen dat het de laatste ure is. 19 Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zoo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied opdat icor. 11:19-ze zouden openbaar worden dat ze niet allen uit ons Doch gij hebt de zal- vs. 27; ;| H. 4:3; 2 Jh. 7. 2 Jh. 9: Jh. 15:23. H. 2:7. zijn. 20 â ving van den Heilige, en gij |^0[ó *éloi weet alle dingen. 31 Ik heb u niet geschreven omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is. 32 Wie 'is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus is de Christus ? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent. 33 Een iegelijk die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet. 34 'tGeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft wat gij van den beginne gehoord hebt, zoo zult gij ook in den Zoon en in den Vader blijven. 1 '11 1 Uil |
1 JOHANNES 3.
440
|
25 En dit is de belofte die hij ons beloofd heeft, name- H. 5: li; lijk het eeuwige leven. Jh. 'Jt. gg ]j;t hel) il^ u geschreven van degenen die u verleiden. Vs. 20. 27 En de zalving die gijlieden van hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van noode dat iemand n leere; Jh 16 quot;is maar 8'eHik dezelfde zalving u leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in hem blijven. 28 En nu kinderkens, blijft in hem, opdat wanneer hij H.4; 17. zal geopenbaard zijn, wij vrij-raoediglieid hebben, en wij van hem niet beschaamd gemaakt worden in zijne toekomst. 29 Indien gij weet dat bij regtvaardig is, zoo w^eet gij h. 3:7. dat een iegelijk die de regt-vaardiglieid doet uit hem geboren is. lOOPDSTÃK 3. 1 Ziet hoegroote liefde ons de Yader gegeven heeft, na- Jh. 1:12. rnelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Jh. 17:25. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij hem niet kent. 2 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten Col. 3:4. dat als hij zal geopenbaard i zijn, wij hem zullen gelijk wezen, want wij zullen hem j zien gelijk hij is. 3 En een iegelijk die deze hoop op hem heeft, die rei- i |
nigt zichzelven, gelijk hij Mt. 5:8. rein is. 4 Een iegelijk die de zonde doet, die doet ook de onge- H. 5:17. regtigheid; want de zonde is de ongeregtigheid. 5 En gij weet dat hij geopenbaard is opdat hij onze jh. i;29; zonden zoude wegnemen, en1Pet-2:24-2'i geen zonde is in hem. 6 Een iegelijk die in hem blijft, die zondigt niet; een iegelijk die zondigt, die heeft 3 Jh. 116. hem niet gezien en heeft hem niet gekend. 7 Kinderkens, dat u niemand verleide. Wie de regt- H. 2:29. vaardigheid doet, die is regtvaardig, gelijk hij regtvaardig is; 8 wie de zonde doet is uit den duivel, want de dui- jh. 8:44. vel zondigt van den beginne : hiertoe is de Zoon Gods geopenbaard, opdat hij de wer- jh. 12:31. ken des duivels verbreken zoude. 9 Een iegelijk die uit God h. ö 18. geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 10 Hierin zijn de kinderen Gods eu de kinderen des duivels openbaar: een iegelijk die de regtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, Jh. 8:47. en wie zijnen broeder niet liefheeft. 11 Want dit is de verkon- H. 2:7: diging die gij van den be- ginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben : |
1 JOHANNES 4.
441
|
12 niet gelijk Kain, die uit den booze was en zijnen Gen. 4:8. broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij bem dood? Omdat zijne werken boos waren, en die zijns broeders regtvaardig. Jh. 15:48. 13 Verwondert u niet, mijne broeders, zoo u de wereld baat. Jh. 5:24. 14 Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in bet leven, dewijl wij de broeders liefhebben: wie zijnen broeder niet liefheeft, blijft in den dood. Mt. 5:22. 15 Een iegelijk die zijnen broeder haat is een doodslager , en gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende. 16 Hieraan hebben wij de Jh. 15:13. liefde gekend, dat hij zijn leven voor ons gesteld heeft; Jh.i3:i5,34. en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. 17 Zoowie nu het goed der Jc. 2:15,16. wereld heeft, en ziet zijnen broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? 18 Mijne kinderkens, laat ons niet liefhebben met het woord noch met de tong, maar met de daad en waarheid. 19 En hieraan kennen wij dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor hem; 20 want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en hij kent alle dingen. |
21 Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zoo hebben wij vrijmoedigheid h.2:28;4:17. tot God, 23 en zoowat wij bidden, h. 5:14; ontvangen wij van liem, de- '7' wijl wij zijne geboden bewaren en doen 't geen beha-gelijk is voor hem. 23 En dit is zijn gebod, dat wij gelooven in den naam zijns Zoons Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk hij ons een gebod gegeven heeft. 24 En wie zijne geboden bewaart, blijft in hem, en hij in denzeive. En hieraan h. 4:13; kennen wij dat hij in ons 2 Cor' 1' blijft, namelijk uit den Geest dien hij ons gegeven heeft. HOOFDSTUK 4. 1 Geliefden, gelooft niet Mt. 7:15,16. iederen geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn; want vele valsche pro- 2 Jh. 7. feten zijn uitgegaan in de wereld. 2 Hieraan kent gij den Geest Gods: alle geest die belijdt Vs. 15; dat Jezus Christus in het Jh' 1: ll' vleesch gekomen is, die is uit God; 3 en alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist, h. 2:18, 22. welke geest gij gehoord hebt dat komen zal, en nu aireede in de wereld is. 4 Kinderkens, gij zijt uit |
1 JOHANNES 4.
442
|
H,2:13;5:4. Grod, en hebt hen overwonnen; want liij is meerder die in u is, dan die in de wereld is. Jh. 8:23. 5 Zij zijn nit de wereld: daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen. Jh. 8:47. 6 Wij zijn uit God: wie God kent hoort ons, wie uit God niet is hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid en den geest der dwaling. 7 Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God, en een iegelijk die liefheeft is uit God geboren en kent God. 8 Wie niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want Vs. 16. God is liefde. Jh. 3:16; 9 Hierin is de liefde Gods Rom. 5:8. jegeng oris geopenbaard, dat God zijnen eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door hem. 10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad heb- Vs. 19. ben, maar dat hij ons lief heeft gehad, en zijnen Zoon h. 2:2. gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. 11 Geliefden, indien God ons alzóó lief heeft gehad, zoo zijn ook wij schuldig elkander lieftehebben. Jh. i: 18; 12 Niemand heeft ooit God 1 Tim. 6:16. aanscl10uwcl: indien wij elkander liefhebben, zoo blijft God H. 2:5. in ons, en zijne liefde is in ons volmaakt. H, 3:246. 13 Hieraan kennen wij dat wij in hem blijven, en |
hij in ons, omdat hij ons van zijnen Geest gegeven heeft. 14 En wij hebben 't aan- H, 1; 1. sohouwd en getuigen, dat de Vader zijnen Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld. 15 Zoowie beleden zal heb- Vs. 2. ben dat Jezus de Zoon Gods is. God blijft in hem en hij in God. 16 En wij hebben gekend en geloofd de liefde die God tot ons heeft. God is liefde, Vs. 7, 8. en wie in de liefde blijft, die blijft in God en God :n hem. 17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrij- H. 2:28. moedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk hij is, wij H. 3:3. óók zijn in deze wereld. 18 Er is in de liefde geen Rom. 8 :15. vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en wie vreest is niet volmaakt in de liefde. 19 Wij hebben hem lief, omdat hij ons eerst liefgehad Vs. 10. heeft. 20 Indien iemand zegt: Ik Vs. 12; 2:4,9. heb God lief, en zijnen broeder haat, die is een leugenaar ; want wie zij nen broeder niet liefheeft dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben dien hij niet gezien heeft? 21 En dit gebod hebben wij h. 3:23. van hem, namelijk dat wie God liefheeft ook zijnen broeder liefhebbe. |
1 JOHANNES 5.
443
|
HOOFDSTUK 5. H. 4; 2,15 1 Een iegelijk die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk die liefheeft dengeen die geboren heeft, die heeft ook lief dengeen die uit hem geboren is. 3 Hieraan kennen wij dat wij de kinderen Gods liefhebben , wanneer wij God liefhebben en zijne geboden bewaren. H. 2:5: 3 Want dit is de liefde 2 Jh. 6. Q.ot|s ^ wij zijne geboden Mt.n-30 bewaren. En zijne geboden zijn niet zwaar; 4 want alwat uit God ge-Jh. 16:33. boren is overwint de wereld. En dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof. 5 Wie is 't die de wereld overwint, dan wie ge- H. ».ij. j00£j. jezug dg Zoon Gods? 6 Deze is 't die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus de Christus: niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is 't die getuigt dat de geest de waarheid is. 7 Want drie zijn er die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord, en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. 8 En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één. 9 Indien wij de getuigenis der mensohen aannemen, de |
getuigenis Gods is meerder; Jh. 5 : 36,37. want dit is de getuigenis Gods, welke hij van zijnen Zoon getuigd heeft. 10 Wie in den Zoon Gods gelooft, heeft de getuigenis jh. 3:33; in zichzelven; wie God niet110111, 8 : l6' gelooft, heeft hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van zijnen Zoon. 11 En dit is de getuigenis, namelijk dat God ons het Jh. 6:40. eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in zijnen Zoon. 13 Wie den Zoon heeft, die Jh. 3:36. heeft het leven; wieden Zoon Gods niet heeft, die heeft het leven niet. 13 Deze dingen heb ik u Jh. 20:31. geschreven, die gelooft in den naam van den Zoon Gods, opdat gij weet dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den naam van den Zoon Gods. 14 En dit is de vrijmoedigheid die wij tot hem hebben, dat zoo wij iets bidden h. 3:22: naar zijnen wil, hij ons ver- Jhig^313' hoort. 15 En indien wij weten dat hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zoo weten wij dat wij de beden verkrijgen die wij van hem gebeden hebben. 16 Indien iemand zijnen broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal God bidden, en hij zal hem het leven geven, dengenen zeg ik die zondigen |
3 JOHANNES.
|
Mt. 12:31,32; niet tot den dood. Er is een Heb. b . i-6. zon[[e (ien ([00(|. voor die zonde zeg ik niet dat hij zal bidden. 17 Alle ongeregtigheid is zonde, en er is zonde niet tot den dood. h. 3:9. 18 Wij weten, dat een iegelijk die uit God geboren is niet zondigt; maar wie uit God geboren is bewaart zicli-zelven, en de booze vat hem niet. h. 4:4. 19 Wij weten dat wij uit |
God zijn, en dat de geheele wereld in het booze ligt; 20 doeh. wij weten dat de Zoon Gods gekomen is, en ons het verstand gegeven Jh. i; 18. heeft dat wij den Waarach- Jh. 17:3. tige kennen; en wij zijn in Jh. 17:26. den Waarachtige, namelijk in zijnen Zoon Jezus Christus: deze is de waarachtige God lTim,6:l6^ en het eeuwige leven. 31 Kinderkens, bewaart uzel-1 Cor.10:14. ve van de afgoden. Amen. |
DE TWEEDE BEIEE
VAN DEy
APOSTEL JOHANNES.
|
1 De ouderling aan de uitverkoren vrouw en aan hare kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid gekend hebben, 2 om der waarheid wil die in ons blijft, en met ons zal zijn in eeuwigheid: 3 genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden van God den Vader en van den Heer Jezus Christus, den Zoon des Vaders, in waarheid en liefde. |
4 Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uwe kinderen gevonden heb die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van den Vader. 5 En nu bid ik u, uüver- leoren vrouw, niet als u schrij- 1 Jh. 2 : i. vende een nieuw gebod, maar 't geen wij gehad heb- i Jh. 3 ml ben van den beginne, nawe-lijh dat wij elkander liefhebben. 6 En dit is de liefde, dat i Jh. 5:3. wij wandelen naar zijne ge- |
3 JOHANNES.
445
|
boden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen; 1 Jh. 2 :18; 7 want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen , die niet belijden dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is: deze is de verleider en de antichrist. 8 Ziet toe voor uzelve, dat wij niet verliezen 't geen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen. 9 Een iegelijk die overtreedt, en niet blijft in de 1 Jh. 2 ; 23. leer van Christus, die heeft God niet; wie in de leer van Christus blijft, deze heeft beide den Vader en den Zoon. |
10 Indien iemand tot ulie-flom.iO:i7; den komt en deze leer niet Gal-inbrengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Wees gegroet; 11 want wie tot hem zegt: Wees gegroet, die heeft gemeenschap aan zijne booze werken. 12 Ik heb veel aan uliedenS Jh. is, 14. te schrijven, doch ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen mag zijn. 18 U groeten de kindereu van uwe zuster de uitverkorene. jVmen. |
DE DERDE BEIEE
VAN DEN
APOSTEL JOHANNES.
|
1 De ouderling aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid liefheb. 2 Geliefde, vóór alle dingen wensch ik dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uwe ziel welvaart. 2 Jh. 4. 3 Want ik ben zeer verblijd |
geweest, als de broeders kwamen en getuigden van uwe waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt. 4 Ik heb geen meerdere blijdschap dau hierin, dat ik hoor dat mijne kinderen in de waarheid wandelen. |
JUDAS.
446
|
5 Geliefde, gij doet trou-welijk in al 't geen gij doet aan de broederen en aan de vreemdelingen, 6 die getuigd hebben van uwe liefde, in de tegenwoordigheid der gemeente; welken indien gij geleide doet gelijk het Gode waardig is, zoo zult gij wèl doen. 7 Want zij zijn voor zijhen naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen. Heb. 13; 2a. 8 Wij dan zijn schuldig de zoodanigen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid. 9 Ik heb aan de gemeente geschreven ; maar Diotrefès, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan. 10 Daarom, indien ik kom, zoo zal ik in gedachtenis brengen zijne werken die hij doet, met booze woorden razende |
tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zoo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen die 't willen doen, en werpt ze uit de gemeente. 11 Geliefde, volg het kwade niet na, maar het goede. Wie goeddoet is nit God, maar wie kwaaddoet heeft God niet â ) Jh. 3:6. gezien. 13 Aan Demetrius wordt getuigenis gegeven van allen, en van de waarheid zelve; en wij getuigen óók , en gij Jh- 21:24. weet dat onze getuigenis waarachtig is. 13 Ik had veel te schrijven. 2 Jh. 12. maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen; 14 maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond spreken. 15 Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden met name. |
DE ALGEMEENS BBIEE
VAN DEN
APOSTEL JUDAS.
1 Judas een dienstknecht j roepenen die door God den van Jezus Christus, en broe- j Vader geheiligd zijn, en door der van Jacobus, aan de ge- ! Jezus Christus bewaard:
JUDAS.
447
2 barmliartiglieid en vrede en liefde zij u vermenigvuldigd.
3 Geliefden, alzoo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de o»s gemeens zaligheid, zoo heb ik noodzaak gehad aan n te schrijven, en u te vermanen dat gij strijdt voor het geloof dat eenmaal den heiligen overgele- i verd is.
2Pet. 2:1,2. 4 Want er zijn sommige | menschen ingeslopen, die | eertijds tot dit oordeel te- I voren opgeschreven zijn, god-deloozen, die de genade on- i zes Gods veranderen in 1 ontuchtigheid, en den eeni-gen Heerscher God en onzen Heer Jezus Christus verloochenen.
5 Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heer het volk Num. 14:35; uit Egypteland verlost heb-1^ Co?110 ^5 bende, wederom degenen die niet geloofden verdorven heeft;
2 Pet. 2:4. 6 en de engelen die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft i hij tot het oordeel des groo- [ ten dags met eeuwige banden onder de duisternis be- j waard:
Gen. 19: 7 gelijk Sodom en Gomorra | 2 Pet. 2:6. en steden rondom de-j zelve, die op gelijke wijze als | deze gehoereerd hebben en ander vleesch zijn nagegaan, [ tot een exempel voorgesteld | zijn, dragende de straf des] eeuwigen vuurs.
8 Desgelijks evenwel ook deze in slaap gebragt zijnde, verontreinigen het vleesch, 2 Pet. 2:10. en verwerpen de heerschappij , en lasteren de heerlijkheden.
9 Maar Michaël de archan- Dan. 12; 1. gel toen hij met den duivel twistte, en handelde van
j het ligchaam van Mozes,
durfde geen oordeel van las- 2 Pet. 2; li. tering tegen hem voortbrengen , maar zeide: De Heer bestrafte u.
10 Maar deze 't geen zijPet. 2; 12. niet weten, dat lasteren zij;
en 't geen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in 't zelve verderven zij zich.
11 Wee hun, want zij zijn den weg Kains ingegaan, en
door de verleiding van het2 Pet 2:15:
i. .. Num. 22:17.
loon Bileams zijn zij henen-gestort, en zijn door de tegen- Num. 16; spreking Korachs vergaan.
13 Deze zijn vlekken in uwe 2 Pet. 2; 13 liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelve zonder vrees;
zij zijn waterlooze wolken Pet.2:17a die van de winden omgedreven worden; zij zijn als boomen in 't afgaan van den herfst, onvruchtbaar, twee-maai verstorven, en ontworteld;
13 wilde baren der zee, hun Jes. 57:20. eigen schande opsckuimende;
dwalende sterren, denwel- 2 Pet. 2; 176. ken de donkerheid der duisternis in eeuwigheid bewaard
wordt.
14 En van deze heeft ook Henoch, de zevende van Gen. 5:18.
JUDAS.
448
|
Adam, geprofeteerd, zeggende : Zie, de Heer is gekomen met zijne vele duizende heiligen , 15 om gerigt te lionden tegen allen, en te strafl'en allegod-deloozen onder lien, vanwege al hunne goddelooze werken die zij goddeloos gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden die de goddelooze zondaars tegen hem gesproken hebben. 16 Deze zijn murmureerders, klagers over hunnen staat, wandelende naar hunne be- 2 Pet. 2:18. geerlijkheden, en hun mond spreekt zeer opgeblazene dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil. 2 Pet. 3:2, 17 Maar geliefden, gedenkt gij der woorden die voorzegd zijn van de apostelen on zes Heeren Jezus Christus: 18 dat zij u gezegd heb- 2 Pet, 3 ; 3. ben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hunne goddelooze begeerlijkheden wandelen zullen. |
19 Deze zijn 't die ziclizelve afscheiden, natuurlijke meyi- i Cor. 2; schen, den Geest niet heb- l4' 1'Jquot; bende. 20 Maar geliefden, bouwt2 Pet. 3:17; gij uzelve op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest; 31 bewaart uzelve in de liefde Gods, verwachtende de Tit- 2 :1:-!-barmhartigheid onzes Heeren Jezus Christus ten eeuwigen leven. 33 En ontfermt u wel over eenigen, onderscheid makende ; 33 maar behoudt anderen door vrees, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok die van het vleesch bevlekt is. 34 Hem nu die maetiar is Rom. 16; 1 25 27 u van struikelen te bewa- ' ren, en onstralfelijk te stellen voor zijne heerlijkheid in vreugde, 35 den alleen wijzen God onzen Zaligmaker zij heerlijkheid en majesteit, kracht en magt, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen. |
}or. 2: i, 15.
DE
it. 3:17; I. 2:7.
OPENBARING
2 :13.
JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. 1 De openbaring van Jezus Christus, die God liem gegeven heeft, om zijnen dienstknechten. te toonen de dingen die haast geschieden moeten, en die hij door zijnen engel gezonden en zijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft: 3 dewelke het woord Gods hetuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en alwat hij gezien heeft. 3 Zalig is hij die leest en zijn zij die hoeren de woorden dezer profetie, en die bewaren 't geen in dezelve geschreven is ; want de tijd is nabij. 4 Johannes aan de zeven gemeenten die in Azië zijn; genade zij u en vrede van hem die is en die was en die komen zal, en van de zeven geesten die vóór zijnen troon zijn, 5 en van Jezus Christus, H. 22: e m. 16: ), 27. H. 22: 7. H. 22:10b. Vs. 11. Vs. 8. H. 4:5. |
die de getrouwe getuige is, H. 3:14. de eerstgeborene uit de doo- Col. 1:18. den, en de Overste van de koningen der aarde. Hem die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewasschen i Jh, i: 7. heeft in zijn bloed, 6 en die ons gemaakt heeft H. 5:10; tot koningen en priesters 1 petA9^ Gode en zijnen Vader, hem zeg ih zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 7 Zie, hij komt niet de wol- Dan. 7:13. ken, en alle oog zal hem zien, Zach. 12; 10; ook degenen die hem door- 5It-24:30-stoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over hem rouwbedrijven; ja amen. 8 Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde, zegt de Heer, die is en die was en die komen zal, de Al-magtige. 9 Ik Johannes, die ook uw broeder ben en medegenoot in de verdrukking en in het koningrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was H. 22:13; Jes. 44:6. H. 22 : S. |
29
OPENBAEING 2.
450
|
op het eiland genaamd Patmos, om liet woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus. H. 4:2a. 10 JSn ik was in den geest op den dag des Heeren, en ik hoorde achter mij een groote stem als eener bazuin, 11 zeggende: Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste; en 't geen gij ziet, schrijf dat in een boek, en Vs. 4. zend het aan de zeven gemeenten die in Azië zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatira, en naar Sardas, en naar Filadelfia, en naar Laodicéa. 12 En ik keerde mij om, om te zien de stem die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende zag ik zeven gouden kandelaren, 13 en in het midden van de zeven kandelaren eenen Dan. 7:13. den Zoon des menschen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; Dan. 7:9. 14 en zijn hoofd en haar was wit gelijk als witte wol, gelijk sneeuw, en zijne oogen gelijk een vlam vuurs; Dan.-10:6. 15 en zijne voeten waren blinkend koper gelijk, en j gloeiden als in een oven; en Ez. 43:2. zijne stem als eene stem van vele wateren; 16 en hij had zeven sterren ! in zijne regterhand; en uit Jes. 49 : 2a-zijnel1 mond ging een twee- { Heb.4:12. snijdend scherp zwaard; en zijn aangezigt was gelijk de ! |
zon schijnt in hare kracht. 17 En toen ik hem zag viel ik als dood aan zijne voeten; en hij leide zijne regterhand op mij, zeggende tot mij: Trees niet; ik ben de eerste Jes. 48:12(). en de laatste, 18 en die leef; en ik hen dood geweest, en zie, ik ben H- 2:8. levend in alle eeuwigheid, amen. En ik heb de sleutels h. 20:i. der hel en des doods. 19 Schrijf 't geen gij gezien Vs. 11. hebt, en 't geen is, en 't geen geschieden zal nadezen: 20 de verborgenheid der Vs. 16. zeven sterren die gij gezien hebt in mijne regierJiand, en de zeven gouden kandelaren. Vs. 12. De zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten , en de zeven kandelaren die gij gezien hebt zijn de zeven gemeenten. HOOFDSTUK 2. 1 Schrijf aan den engel der gemeente van Efeze: Uit zegt hij die de zeven sterren in h. 1:16. zijne regierhmd houdt, die in het midden der zeven h. l: 13 gouden kandelaren wandelt: 2 Ik weet uwe werken , sn uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en dat gijdek'va-den niet kunt verdragen, en dat gij beproefd hebt degenen die voorgeven dat zij apos-2 Cor.li: 13. telen zijn, en zij zijn 't niet, en hebt ze leugenaars bevonden; 3 en gij hebt verdragen en hebt geduld, en gij hebt om mijns naams wil gearbeid, en zijt niet moede geworden. l Gf H. J 1 ] |
OPENBARING 2.
451
|
4 Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde liebt verlaten. 5 Gedenk dan waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zoo niet, ik zal haastelijk tot u komen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert. 6 Maar dit liebt gij, dat gij de werken der Nicolaïten haat, welke ik óók haat. 7 Wieooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt: Wie overwint , ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is. 8 En schrijf aan den engel der gemeente van die van H. 1:17,18. Smyrna: Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en weder levend is geworden: 9 Ik weet uwe werken, en verdrukking, en armoede, (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen die zeggen dat ze Joden zijn en zijn 't niet, maar zijn een synagoge des satans. 10 Vrees geen der dingen die gij lijden zult. Zie, de duivel zal eenigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt, en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot den dood, en ik zal u geven de kroon des levens. 11 Wie ooren heeft, die hoore 8:126. 2:8. 0:1. U. I 46. 12. Vs. 14, 15. H. 22 : 2; Gen. 2 :9. Vs. 2. Jc. 2: 5. If. 3:9. 1:13. Jc. 1:12; 1 Pet. 5:4. |
wat de Geest tot de gemeenten zegt: Wie overwint zal van den tweeden dood niet bescha- h. 20:14. digd worden. 13 En schrijf aan den engel der gemeente die in Perga-mus is: Dit zegt hij die het tweesnijdend scherp zwaard H. 1:16. heeft: 13 Ik weet uwe werken, en waar gij woont, namelijk waar de troon des satans is; en gij houdt mijnen naam, en hebt mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen in welke Antipas mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden waar de satan woont. 14 Maar ik heb eenuje weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt die de leering Bileams houden, die Balak leerde den kinderen Israels een aanstoot voortewerpen, opdat ze zouden afgodenoffer Num- 25:2; eten en hoereren. 15 Alzóó hebt ook gij die de leering der Nicolaïten houden, 't welk ik haat. 16 Bekeer u; en zoo niet, ik zal haastelijk tot u komen, en zal tegen hen krijgvoeren met het zwaard mijns H. 1:16. monds. 17 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt: Wie overwint, ik zal hem geven te eten van het manna dat verborgen is, en ik zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam h. 19;12. geschreven, welken niemand kent dan wie hem ontvangt. Vs. a, 14. |
OPENEAETNCr 3.
452
|
18 En sclirijf aan den engel der gemeente te Thyatira: Dit zegt de Zoon (rods, die H. 1:14, 15. zijne oogen heeft als een vlam vmvrs, en zijne voeten zijn blinkend koper gelijk: 19 Ik weet uwe werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uwe lijdzaamheid, en uwe werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste. 20 Maar ik Leb eenige weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Izébel, die zichzelve zegt een profetes te zijn, laat leeren en mijne dienstknecli-ten verleiden dat ze hoereren en afgodenoffer eten. 21 En ik heb haar tijd gegeven opdat zij zich zoude bekeeren van hare hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd. 22 Zie, ik werp haar te bed, en wie met haar overspel bedrijven, in groote verdrukking, zoo zij zich niet bekeeren van hunne werken. 28 En hare kinderen zal ik door den dood ombrengen, en al de gemeenten zullen weten dat ik het ben die nieren en harten onderzoek; en ik zal ulieden geven een iegelijk naar uwe werken. 24 Doch ik zeg tot ulieden, en tot de anderen die te Thyatira zijn, zoovelen als er deze leer niet hebben, en die de diepten des satans niet gekend hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u geen anderen last opleggen; 25 maar 't geen gij hebt, houdt dat totdat ik zal ko- Vs. 14. 1 Kon.16:31; 2 Kon. 9 :22 Ps. 7:10b; Jer. 17:10. .Ter. 17:10; Rom. 2: E H. 3:11. |
26 En wie overwint en wie mijne werken tot den einde toe bewaart, ik zalhemmagt Ps. 2:8,9. geven over de heidenen, 27 en hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottebakkersvaten vermorzeld worden, gelijk ook ik van mijnen Yader ontvangen heb; 28 en ik zal hem de morgenster geven. 29 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. HOOFDSTUK 3. 1 En schrijf aan den eng-el der gemeente die te Sardes is: Dit zegt die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood. 2 Wees wakende, en versterf het overige dat sterven zoude; want ik heb uwe werken niet vol gevonden voor God. 3 Gedenk dan hoe gij 't ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. In- i dien gij dan niet waakt, zoo j zal ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten op wat ure ik over u komen zal. 4 Doch gij hebt eenige weinige namen ook te Sardes, die hunne kleederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met mij wandelen in witte H.6:11; Ideederen, overmits zij 't waardig zijn. 5 Wie overwint, die zal be-[ kleed worden met witte klee-i deren; en ik zal zijnen naam Dan. 12:3; Mt. 13 : 43. H. Jes. H. 1:4. H. 1:16. 20. Jc. 2:17. Ef. 5:14. H. 16:15; Mt. 24: 44; 1 Th. 5: 2. 7:9. |
OrENBAMNG 3.
45S
|
geenszins uitdoen uit liet boek des levens, en ik zal zijnen Mt. 10:32. naam belijden voor mijnen Vader en voor zijne engelen. (5 TVie ooren heeft, die lioore wat de Geest tot de gemeenten zegt. 7 En sclirijf aan den engel der gemeente die in Eiladel-fia is: l)it zegt de Heilige, de W'aaracktige, die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, en bij sluit en niemand opent: 8 Ik weet uwe werken; zie, ik keb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt mijn woord bewaard en hebt mijnen naam niet verloochend. 9 Zie, ik geef u eeHif/enuii de synagoge des satans, dergenen die zeggen dat ze Joden zijn, en zijn 't niet maar liegen ; zie, ik zal maken dat zij zullen komen en aanbidden voor uwe voeten, en bekennen dat ik u liefheb. Mt.24:13,21. lo Omdat gij het woord mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de geheele wereld komen zal om te verzoeken wie op de aarde wonen. 11 Zie, ik kom haastelijk; hond wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme. 12 Wie overwint, ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel mijns Gods, en hij zal niet meer daar uitgaan; en ik zal op hem schrijven den H. 20:12. H. 1 :18: Jes. 22 ; 22 H. 2:13«. HU. 14: 27. H. 2 : 9. H. 22 :7. H. 2:25. Jes. 5(3:5. |
naam mijns Gods, en den naam van de stad mijns Gods, H. 21:2,10. namelijk van het nieuwe Jeruzalem dat uit den hemel van mijnen God afdaalt, en ooJe mijnen nieuwen naam. 13 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. 14 En schrijf aan den engel van de gemeente der Laodi-cenzen: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige H. 1:5. Getuige, het begin der schep- Col. 1:15. ping Gods: 15 Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zij t noch heet: och of gij koud waart of heet! 16 Zoo dan omdat gij laauw zijt, en noch koud noch heet, ik zal u uit mij nen mond spuwen. 17 Want gij zegt: Ik ben Jh. 9:41. rijk, en verrijkt geworden, en heb geena dings gebrek; en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt. 18 Ik raad u dat gij van mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte vs. 5. kleederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt. 19 Zoo wie ik liefheb, die Spr. 3^12^: bestraf en kastijd ik: wees dan ijverig en bekeer u. 20 Zie, ik sta aan de deur en ik klop: indien iemand mijne stem zal hooren en de deur opendoen, ik zal tot hem li 11 11 if li tl I |
OPENBAEING 4, -5.
454
|
inkomen, en ik zal met hem avondmaal houden, en hij met mij. 21 Wie overwint, ik zal Mt. 19:28 hem geven met mij te zitten in mijnen troon, gelijk als ik overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in zijnen troon. 33 Wie ooren heeft, . die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. HOOFDSTUK 4. 1 Nadezen zag ik, en zie, een deur was geopend in den H. l; 10. hemel; en de eerste stem die ik gehoord had als eener bazuin met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en ik zal u H. i; i; toonen 't geen nadezen ge-22; 6b. scijieden moet. 3 En terstond werd ik in den geest; en zie, er was een Ez. l: 26. troon gezet in den hemel, en er zat een op den troon; 3 en die daarop zat, was in 't aanzien den steen jaspis en sardius gelijk; en een h 10:1; regenboog was rondom den Ez 1:28. troon, iu 't aanzien den smaragd gelijk. 4 En rondom den troon waren vierentwintig troonen; en h. li: 16. op de troonen zag ik de vierentwintig ouderlingen zittende, bekleed met witte kleederen, en zij hadden gouden kroonen op hunne hoofden. 5 En van den troon gingen H. 8:56; bliksemen en donderslagen 11:19 , ., 0 en stemmen uit; en zeven H. l: 12. ⢠, , vurige lampen waren brandende vóór den troon, welke zijn de zeven geesten Gods; |
6 en vóór den troon was een h. 15:2a. glazen zee, kristal gelijk; en in het midden des troons en rondom den troon vier die- Ez. 1:5; .. i i Dan. 7:3. ren, zijnde vol oogen van voren en van achteren. 7 En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier was van aanzien als een mensoh, en het vierde dier was een vliegenden arend gelijk. 8 En de vier dieren hadden jes. 6; 2, a. elk voor zichzelf zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol oogen; en zij hebben geen rust dag en nacl.t, zeggende: Heilig, heilig,heilig is de Heere God, c'e Almagtige, die was en die n, i; 8. is en die komen zal. 9 En wanneer de dieren heerlijkheid en eer en dankzegging gaven hem die op den troon zat, die in alle eeuwigheid leeft, 10 zoo vielen de vierentwin- h. 19: 4. tig ouderlingen vóór hem die op den troon zat, en aanbaden hem die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hunne kroonen vóór den troon, zeggende: 11 Gij Heer zijt waardig te h. 5; 12. ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht; wan; gij H 10 .6 hebt alle dingen geschapen en door uwen wil zijn zij en zijn ze geschapen. HOOFDSTUK 5. 1 En ik zag in de regter- Ez. 2:9,10. hand desgenen die op den troon zat een boek, beschre- Dan Vs Fil Ge Jes Je J |
OPENBARING 5.
455
|
ven van binnen en van bui-Dan. 12:9. ten, verzegeld met zeven zegelen. 2 En ik zag een sterken engel, uitroepende met een groote stem: Wie ia waardig liet boek te openen eu zijne zegelen opentebreken ? Vs. 13«; 3 En niemand in den liemel, nocli op de aarde, nocli onder de aarde, kon het boek openen noch hetzelve iwzien. 4 En ik weende zeer, dat er niemand waardig gevonden was om dat boek te openen en te lezen, noch hetzelve Mitezien. 5 En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; Gen. 49:9. zie, de Leeuw die uit den Jes. 11:1,10.stam Juda is, de wortel Davids , heeft overwonnen, om het boek te openen en zijne zeven zegelen opentebreken. 6 En ik zag, en zie, in het midden van den troon en van de vier dieren en in het midden van de ouderlingen Jes. 53:7; een Lam staande als geslagt, Jh, 1:29. ]le|jijen(je Zeven hoornen en zeven oogen, dewelke zijn de h. 4:5b. zeven geesten Gods die uitgezonden zijn in alle landen. 7 En het kwam, en heeft het boek genomen uit de regter-lumd desgenen die op den troon zat. 8 En als het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen zijnde vol H. 8:3; reukwerk, welke zijn de ge-Ps. 141:2. ]jec[eu [lej- heiligen. |
9 En zij zongen een nieuw H. 14:3. lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen en zijne zegelen te openen; want gij zijt geslagt, en hebt onsl Pet. 1.19. Gode gekocht met uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie; 10 en gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen H. 1:6; 0. . -il 20:6b; en pnesteren, en wij zuilen Ex. 19:6: als koningen heerschen op de 1 Pet' 2: 'J- aarde. 11 En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom den troon en de dieren en de ouderlingen, en hun getal was tienduizendmaal Dan. 7:10. tienduizenden en duizendmaal duizenden, 13 zeggende met een groote stem: Het Lam dat geslagt is, is waardig te ontvangen H. 4:11. de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging. 13 En alle schepsel dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem die op den troon zit en het Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. 14 En de vier dieren zeiden H. 4 : 9,10: amen, en de vierentwintig 1J'4' ouderlingen vielen neder en aanbaden dengeen die leeft in alle eeuwigheid. |
OPENBARING 6.
456
|
HOOFDSTUK 6. 1 En ik zag, toen liet Lam één van de zegelen geopend had, en ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie. 2 En ik zag, en zie , een h. 19:11. wit paard, en die daarop zat had een boog, eu hem is een kroon gegeven, eu hij ging uit overwinnende, en opdat hij overwonne. '6 Eu toeu het 't tweede zegel geopend had, hoorde ik het Kom en zie. 4 En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien die daarop zat werd mafft Mt. 24:6. gegeven den vrede te nemen van de aarde, en dat zij elkander zouden dooden; en hem werd een groot zwaard gegeven. 5 En toeu het 't derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen : Kom en zie. Eu ik zag, en zie, een zwart paard, en die daarop zat had een weegschaal in zijne hand. B En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maat 2Kon. 6:25.tarwe voor een penning, en drie maten gerst voor een penning; en beschadig de olie en den wijn niet. 7 En toen het 't vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie. tweede dier zeggen: |
8 En ik zag, en zie, een vaal paard, en die daaroj) zat, zijn naam was de dood, en de hel volgde hem na; eu hun werd magt gegeven om te dooden tot het vierdeafe^ der aarde toe, met zwaard en met hou- Ez. 14:21: ger en met den dood en door Mt' 24 : de wilde beesten der aarde. 9 En toen het 't vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen die gedood waren om het woord Gods en om de getuigenis die zij hadden. 10 En zij riepen met groote stem, zeggende: Hoelang, o Hab. 1:2: . . p- fi n o heilige en wraarachtige Heer-scher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen? 11 En aan een iegelijk werden lange witte kleederen gegeven, en hun werd gezegd dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hunne mededienstknechten en hunne broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden gelijk als zij. 12 En ik zag toen het 't zesde zegel geopend had, en zie, er werd een groote aardbeving, en de zon werd zwart als een .les. 60:3; haren zak, en de maan werd als bloed, 13 eu de sterreu des hemels vielen oji de aarde, gelijk een vijgeboom zijne onrijpe Jes. 34:4. vijgen afwerpt, als hij van een grooten wind geschud wordt; 14 en de hemel is wegge-weken, als een boek dat toegerold wordt; en alle bergen Jes. Hos. Lc. 2 h. 20; 4. Ps. 13:2, 3. Nah. H. 7:9. Zacl Ez H. |
OPENBARING 7.
457
|
en eilanden zijn bewogen uit kunne plaatsen. 15 En de koningen der aarde, en de grooten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de magtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelve in de spelonken en in de steenrotsen der bergen, 16 en zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezigt desgenen die op den troon zit, en van den toorn des Lams; 17 want de groote dag zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? HOOFDSTUK 7. 1 En nadezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zoude waaijen op de aarde, noch op de zee, noch tegen eenigenboom. 2 En ik zag een anderen engel opkomen van den opgang der zon , hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met een groote stem tot de vier engelen welken magt gegeven was de aarde en de zee te beschadigen, H. 9:4. 3 zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de boomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods Ez. 9:4. zullen verzegeld hebben aan hunne voorhoofden. 4 En ik hoorde het getal dergenen die verzegeld wall, li:l. ren: honderdvierenveertia;-duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israels. Jes. 2:19. Hos. 10:8; Lc. 23:30. 2, 3. Nah. 1:0. : 9. H. 20:8. Zach. 6: 5. : 3; 31 : :2J. |
5 Uit het geslacht Juda waren twaalfduizend verzegeld , uit het geslacht 11 u-ben waren twaalfduizend verzegeld , uit het geslacht Gad waren twaalfduizend verzegeld, 6 uit het geslacht Aser waren twaalfduizend verzegeld, uit het geslacht Naftali waren twaalfduizend verzegeld, uit het geslacht Ma-nasse waren twaalfduizend verzegeld, 7 uit het geslacht Simeon waren twaalfduizend verzegeld , uit het geslacht Levi waren twaalfduizend verzegeld , uit het geslacht Issa-schar waren twaalfduizend verzegeld, 8 uit liet geslacht Zebuloa waren twaalfduizend verzegeld, uit het geslacht Jozef waren twaalfduizend verzegeld, uit het geslacht Benjamin waren twaalfduizend verzegeld. 9 Nadezen zag ik, eu zie, een groote schare die niemand tellen kon, uit alle h, 5:8. natie en geslachten en volken en talen, staande vóór den troon en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte h. 6:11. kleederen, eu -palmtakken waren in hunne handen; 10 en zij riepen met groote stem, zeggende: Be zalig- h. 5:13. heid zij onzen God die op den troon zit, en het Lam. 11 Eu al de enseleu ston- |
OPENBAEING 8.
458
|
H. 5:11. den rondom den troon en rondom de ouderlingen en de H. 11:16. vier dieren, en vielen vóór den troon neder op liun aan-gezigt, en aanbaden God, 13 zeggende: Amen, de lof en de lieerlijklieid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen. 13 En een uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Deze die bekleed zijn met de lange witte kleederen, wie zijn zij en vanwaar zijn ze gekomen? li En ik sprak tot hem: Heer, gij weet het. En hij zeide tot mij: Deze zijn 't die uit de groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen en hebben hunne lange klee-H. 1:5. deren wit gemaakt in het bloed des Lams. 15 Daarom zijn zij vóór den troon Gods, en dienen hem dag en nacht in zijnen tempel; en die op den troon zit zal hen overschaduwen. Jes. 49:10. 16 Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen noch eenige hitte; 17 want het Lam dat in 't midden des troons is zal ze weiden, en zal hun een leidsman zijn tot levende fonteinen H. 21:4; der wateren; en God zal alle Jes. 25.8. (-canen van hunne oogen af-wisschen. H. 5:12. |
HOOFDSTUK 8. 1 En toen het 't zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur. 3 En ik zag de zeven engelen die voor God stonden, en Lc. l: 19. hun werden zeven bazuinen gegeven. 8 En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar , hebbende een gouden wierookvat; en hem weid veel reukwerk gegeven, opdat H. 5:8. hij 't met de gebeden aller heiligen zoude leggen op het gouden altaar dat vóór den troon is. 4 En de rook des reuk- werks met de gebeden der Ps. 141 2. heiligen ging op van de Land des engels vóór God. 5 En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp 't op de aarde; en er geschiedden stemmen en dondersla- H 4:5a gen en bliksemen en aard-beving. 6 En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bi.zui-nen. 7 En de eerste engel beeft gebazuind, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met ex. 9:24.25; bloed, en zij zijn op de aarde Joël '^30-geworpen: en het AerAvdeeL der boomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand. 8 En de tweede engel heeft gebazuind, en er werd iets als een groote berg, van vuur brandende, in de zee gewor- Ex.7 H. Ex. |
OPENBARING 9.
459
|
pen: en liet derdeaM der zee Ex.7-.20,21.is bloed geworden, 9 en het AerAedeel der schepselen in de zee die leven hebben is gestorven, en Let derdeafeeZ der schepen is vergaan. 10 En de derde engel heeft gebazuind, en er is een groote ster, brandende als een fakkel , gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde-deel der rivieren en op de fonteinen der wateren. 11 En de naam der ster wordt genaamd alsem; en het derdecfeeZ der wateren werd tot alsem , en vele men-schen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden. 13 En de vierde engel heeft gebazuind, en het derderfee^ der zon werd geslagen, en het derdezee/ der maan, en het derdeafeZ der sterren, opdat het derdedeel derzelve zoude verduisterd worden, en dat het derdedeel van den dag niet zoude lichten, en van den nacht desgelijks. 13 En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in 't midden des hemels, zeggende met groote stem: Wee, wee, wee dengenen die op de aarde wonen, vanwege de overige stemmen der bazuin der drie engelen die nog bazuinen zullen. HOOFDSTUK 9. 1 En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster gevallen uit den hemel op de aarde , en haar werd gegeven de sleutel van den put des af-gronds. 1:19. 5:8. 141 2. H. 6:12: Ex. 10:22. : oa 19b. 24.25; 2:30. H. 8:10. |
2 En zij heeft den put des afgronds geopend; en er is rook opgegaan uit den put, als rook van een grooten oven; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts. 3 En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en Ex. 10:14,15. hun werd magt gegeven gelijk de schorpioenen der aarde magt hebben. 4 En hun werd gezegd, dat H. 6:6; 7:3. zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch eenig groen, noch eenigen boom, dan de menschen alleen die het zegel Gods aan hunne voorhoofden niet hebben. 5 En hun werd magt gegeven, niet dat zij ze zouden dooden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijfmaanden; en hunne pijniging was als de pijniging van een schorpioen wanneer hij een mensch gestoken heeft. 6 En in die dagen zullen de ] menschen den dood zoeken en zullen dien niet vinden, en zij zullen begeeren te sterven en de dood zal van hen vlieden. 7 En de sprinkhanen waren den paarden gelijk die tot den oorlog bereid zijn; en op hunne hoofden waren als kroonen het goud gelijk; en hunne aangezigten als aangezigten van menschen; H. 20:1. Ez. 9:4. I H. 6:15,16; Jer. 8:3. gedaanten der Joëi 2:4. |
__
OPENBAEING 10.
4ti0
|
8 en zij liadden liaar als liaar der vrouwen; en kunne tanden waren als tanden der leeuwen; 9 en zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; Joël 2:5. en liet gedruiseli hunner vleugelen was als een gedruisch der wagenea, wanneer vele paarden naar den strijd loo- peu; 1à en zij hadden staarten den schorpioenen gelijk, en er waren angels in hunne staarten; en hunne magt was de menschen te beschadigen vijf maanden; 11 en zij hadden over zich tot een koning den engel des al'gronds: zijn naam was in 't Hebreeuwsch Abaddon, en in de Grieksche taal had hij den naam Apollyon. 13 Het écne wee is weggegaan : zie, er komen nog twee weeën nadezen. 13 En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde eéne stem uit de vier hoornen des gouden altaars dat vóór God was, 14 zeggende tot den zesden engel die de bazuin had: Ontbind de vier engelen die gebonden zijn bij de groote rivier den Eufraat. 15 En de vier engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure en dag en maand en jaar, opdat zij het derdectó der menschen zouden dooden. 16 En het getal van de heirlegers der ruiterij was tweemaal tienduizenden der Joël 1:6. H. 8:13; 11:14. H. 8:3. H. 16:12. |
tienduizenden; en ik hoorde hun getal. 17 En ik zag alzóó de paarden in dit gezigt, en die daarop zaten, hebbende vurige en hemelsblaauwe en zwavelver-wige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hunne monden ging vuur en rook en zwavel uit. 18 Door deze drie werd het derdecferf der menschen gedood, namelijk door het vuur en door den rook en door den zwavel die uit hunne monden uitging. 19 quot;Want hunne magt is in hunnen mond en in hunne staarten; want hunne staarten zijn den slangen gelijk, en hebben hoofden, en zij beschadigen met dezelve. 20 En de overige menschen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet be- H. 16:116. keerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen, en de gouden en zilveren en Ps. 115:4-7. koperen en steenen en houten afgoden, die noch zien kunnen , noch hooren, noch wandelen; 21 en hebben zich ook niet bekeerd van hunne doodslagen, uoch van hunne vergiftigingen, noch van hunne hoererij, noch van hunne dieverijen. H. 5:2. HOOFDSTUK 10. 1 En ik zag een anderen sterken engel afkomende van den hemel, die bekleed was H. 4 H. 5 Dan. 1 Dan. |
OPENBAEIXG 11.
4R1
|
h. 4:3. met een wolk, en een regenboog was boven zijn hoofd, en zijn aangezigt was als de zon, en zijne voeten waren als pilaren van vuur, h. 5:1. 2 en hij bad in zijne hand een boeksken dat geopend was. En hij zette zijnen reg-tervoet op de zee, en den linker op de aarde; 3 en hij riep met een groote stem, gelijkerwijs een leeuw brult. En als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hunne stemmen. 4 En toen de zeven donderslagen hunne stemmen gesproken hadden, zoo zoude ik ze geschreven hebben; en ik hoorde eene stem \iit den hemel, die tot mij zeide; Ver- I Dan. 12; 4,9. zegel 't geen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. 5 En de engel, dien ik zag staan op de zee en op de | Dan. 12:7. aarde, hief zijne hand op naar den hemel, 6 en hij zwoer bij dien die ; leeft in alle eeuwigheid, die den hemel geschapen heeft en 't geen daarin is, en de aarde en 't geen daarin is, en de zee en 't geen daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn; 7 maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo Am. 3:7. zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk hij zijnen dienstknechten den profeten verkondigd heeft. 8 En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, |
sprak wederom met mij en zeide: Ga henen, neem het boeksken dat geopend en in de hand des engels is, die op de zee en op de aarde staat. 9 En ik ging henen tot den engel, zeggende tot hem; Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij: Neem dat en Ez. 3:1-3. eet het op; en het zal uwen buik bitter maken, maar in uwen mond zal het zoet zijn als honig. 10 En ik nam dat boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het was in mijnen mond zoet als honig, en als ik het gegeten had werd mijn buik bitter. 11 En hij zeide tot mij: Gij moet wederom profeteren voor vele volken en natiën en talen en koningen. HOOFDSTUK 11. 1 En mij werd een rietstok h. 21:15; gegeven, eene wee^roede ge- Ez' '0'3' lijk; en de engel stond en zeide : Sta op, en meet den tempel Gods, en het altaar, en degenen die daarin aanbidden. 2 En laat den voorhof uit, die van buiten den tempel is, en meet dien niet; want hij is den heidenen gegeven , en zij zullen de heilige Lo. 21:246. stad vertreden tweeënveertig H. 13:56. maanden. 3 En ik zal mijnen twee getuigen magt geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed. 4 Deze zijn de twee olijf-Zach. 4:3.14. |
OPENBAJRING 11.
462
|
boomen en de twee kandelaren, die vóór den God der aarde staan. 5 En zoo iemand die wil 2 Kon. 1: beschadigen, een vuur zal uit 10 12. . ' ' kunnen mond uitgaan en zal liunne vijanden verslinden; en zoo iemand ben wil beschadigen, die moet alzóó gedood worden. 6 Deze hebben magt den 1 Kon. 17:1.hemel te sluiten, opdat er geen regen regene in de dagen hunner profetering; en Ex. 7:20. zij hebben magt over de wateren, om die in bloed te ver-keeren, en de aarde te slaan met allerlei plaag, zoomenig-maal als zij zullen willen. 7 En als zij hunne getuigenis zullen geëindigd hebben, H. 13:-!, 7; zal het beest dat uit den af- Dan.7.7,2i. a;roncj. opkomt hun krijg aan- t doen, en het zal ze overwin nen en zal ze dooden. 8 En hunne doode ligcha-men zullen liggen op de straat der groote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Heer gekruist is. 9 En de menscJien uit de volken en geslachten en talen en natiën zullen hunne doode ligchamen zien drie dagen en een halven, en zullen niet toelaten dat hunne doode ligchamen in graven gelegd worden. 10 En die op de aarde wonen , die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden, omdat deze twee profeten degenen |
die op de aarde wonen gepijnigd hadden. 11 En na die drie dagenen een hal ven is een geest des Ez. 37:10. levens uit God in hen gegaan, en zij stonden op hunne voeten , en er is groote vrees h. 15 gevallen op degenen die hen aanschouwden. 12 En zij hoorden een groote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk, en hunne vijanden aanschouwden ze. H. 15 13 En in die ure geschiedde een groote aardbeving, en het tienderfec/ der stad is gevallen , en er zijn in de aard- H.i6: beving gedood zevenduizend namen van menschen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven. 14 Het tweede wee is weg- H. 9:12. gegaan: zie, het derde wee komt baast. 15 En de zevende engel beeft gebazuind, en er geschiedden groote stemmen in den hemel, zeggende: De koninffriiken der wereld zijn H. 12:10; Ps. 110:1. geworden van onzen Heer en van zijnen Christus, en hij zal als Koning beersehen in alle eeuwigheid. 16 En de vierentwintig ou- H. 4:4. derlingen , die vóór God zit- ten op hunne troonen, vielen neder op hunne aangezigten en aanbaden God, 17 zeggende: Wij danken u Heere God almagtig, die is en die was en die komen |
OPENBAE[NG 12.
4.63
|
zal, dat a;ij uwe grootekraclit lielit aangenomen en als Koning hebt geheerscht: 18 en de volkeren waren toornig geworden, en uw toorn is gekomen, en de tijd der H. 19:2. dooden om geoordeeld te worden, en om het toon te geven aan uwe dienstknecliten de profeten en de heiligen ea degenen die uwen naam vreezen, de kleinen en de grooten, en om te verderven degenen die de aarde verdierven. H. 15:5. 19 En de tempel Gods in den bemel is geopend geworden, en de ark zijns verbonds is gezien in zijnen tempel, H. i6:18,21 en er werden bliksemen en stemmen en donderslagen en aardbeving en groote hagel. Hoopusim 1 En er werd een groot teeken gezien in den hemel, namelijk een vrouw bekleed met de zon, en de mnan was onder hare voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; 2 en zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. '6 En er werd een ander teeken gezien in den hemel, en zie, er was een groote roode draak, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijne hoofden zeven koninklijke hoeden; 4 en zijn staart trok het der-dedeel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond vóór de 37:10. 1:12. ï:10 ; 10:1. 4: 4. H. 13:1. |
vrouw die baren zoude, opdat liij haar kind zoude verslinden wanneer zij het zoude gebaard hebben. 5 En zij baarde een manne-lijken zoon, die al de heidenen zoude hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en zijnen troon. 6 En de vrouw vlugtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had haar van God bereid, opdat zij ze aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. 7 En er werd krijg in den hemel: Michaël en zijne en- Dan. 12:1 gelen krijgden tegen den draak. Eu de draak krijgde óók en zijne engelen; 8 en zij hebben niets ver-moogd, en hunne plaats is niet meer gevonden in den hemel. 9 En de groote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satan, die de ge-heele wereld verleidt, hij is zeg ik geworpen op de aarde, en zijne engelen zijn met hem geworpen. lü En ik hoorde een groote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid en H. 11:15. de kracht en het koningrijk geworden onzes Gods, en de magt van zijnen Christus; want de verklager onzer broe- Job 1:9. deren, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht, is nedergeworpen, 11 en zij hebben hem overwonnen door het bloed des H. 2:27; Ps. 2:9. Vs. 14. H. li:3. H. 20:2; Gen. 3:1; Lc. 10:18 t V I i |
OPENBARING- 13.
4fi4
|
Lams en door liet woord liim-ner getuigenis, en zij hebben Hd.-15:26; bun leven niet liefgehad tot 'â 0'24quot; den dood toe. 13 Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen en gij die daarin H. 8:13. woont. Wee dengenen die de aarde en de zee bewonen; want de duivel is tot n afgekomen, en heeft grooten toorn, wetende dat hij een kleinen tijd heeft. 13 En toen de draak zag dat hij op de aarde geworpen was, zoo heeft hij de vrouw vervolgd die het jongsken gebaard had. 14 En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen eens grooten arends, opdat zij Vs. 6. zoude vliegen in de woestijn, in hare plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een hal ven tijd, buiten het gezigt der slang. 15 En de slang wierp uit haren mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zoude doen wegvoeren. 16 En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haren mond en verzwolg de rivier welke de draak uit zijnen mond had geworpen. 17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging henen om krijgtevoeren tegen de overigen van haar geslacht, h. 14:126. die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben. 18 En ik stond op het zand der zee. T)an. 7:25. |
HOOFDSTUK 13. 1 En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende ze- TT 17 ' 3; ven hoofden en tien hoornen. Dan. 7 :7. en op zijne hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijne hoofden was een naam van yorf-slastering. 2 En het beest dat ik zag was een pardel gelijk, en zijne voeten als de voeten eens beers, en zijn mond als de mond eens leeuws. En de draak gaf hem zijne kracht en zijnen troon en groote magt; 3 en ik zag één van zijne hoofden als tot den dood gewond, en zijne doodelijke wond werd genezen. En de geheele aarde verwonderde H. 17:8. zich achter het beest, 4 en zij aanbaden den draak, die het beest magt gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? Wie kan krijgvoeren tegen hetzelve? 5 En aan hetzelve werd een mond gegeven om groote dingen en (/oefolasteringen te spreken, en aan hetzelve werd magt gegeven om zrd'is te doen tweeënveertig maanden. 6 En het opende zijnen mond tot lastering tegen God, om zijnen naam te lasteren, en zijnen tabernakel', en die in den hemel wonen. 7 En aan 't zelve werd magt gegeven om den heiligen krijg aantedoen, en om die te overwinnen; en aan 't zelve werd magt gegeven over alle geslacht en taal en volk. H. H. Mt. Mt. H. 1 H. 1' H. 18:18. H. 1 2 Th H. 11:2. H. 1£ Mt. 2 H. 11: 7; 12:17. |
OPENBAEING 14.
463
|
8 En allen die op de aarde wonen zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens des Lams dat ge-slagt is, van de grondlegging der wereld. 9 Indien iemand ooren heeft, die hoore. 10 Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal dooden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen. 11 En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het bad twee hoornen, des lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak. 13 En het oefent al de magt van 't eerste beest in tegenwoordigheid van hetzelve, en bet maakt dat de aarde en wie daarin wonen het eerste beest aanbidden, welks doode-lijke wond genezen was. 13 En het doet groote teekenen, zoodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde vóór de menschen; 14 en verleidt degenen die op de aarde wonen, door de teekenen die aan 't zelve te doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest, zeggende tot degenen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest, dat de wond des zwaards had en weder leefde, een beeld zouden maken. 15 En aan 't zelve werd magt H. 17: 7:3; 7:7. H. 2:7a; Mt. 11:15. Mt. 26:52. H. 14:12. 17:S 18 : IS, H. 19:20. Vs. 3. H. 16:14; 2 Th. 2:9. 11:2. H. 19:20; Mt. 24:24. f. 11 :7; 12:1quot;. |
| gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zoude spreken, en maken dat allen die het beeld van Dan. 3:5,6 het beest niet zouden aanbidden gedood zouden worden. 16 En het maakt dat het aan allen, kleinen en grooten, en h. 19:18. rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merktee-ken geeft aan hunne regter- Hi9;a). hand of aan hunne voorhoofden , 17 en dat niemand mag koo-pen of verkoopen dan wie dat merkteeken heeft, of den naam van het beest, of het h. 14:ut; getal zijns naams. 15:2. 18 Hier is de wijsheid: wie h. 17:9. bet verstand heeft berekene het getal van het beest; want het is een getal eens menschen, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig. HOOFDSTUK 14. 1 En ik zag, en zie, het Lam stond op den berg Sion, en met hem honderdvierenveer- h. 7:4. 3. tigduizend, hebbende den naam zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden. 3 En ik hoorde een stem uit h, 19:6. den hemel, als een stem van vele wfrteren en als een stem van een grooten donderslag. En ik hoorde een stem van citerspelers, spelende op hunne citers; 3 en zij zongen als een nieuw h. 5:9. gezang vóór den troon en vóór de vier dieren en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leeren dan de hon-30 |
OPENBAEING 14.
466
|
derdrierenveertig'duizend die van de aarde gekocht waren. 4 Deze zijn 't die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden. Deze zijn 't die liet Lam volgen waar het ook henengaat. Deze zijn gekocht uit de menschen, tot eerstelingen voor God en het Lam; Zef. 3:13. 5 en in hunnen mond is geen bedrog gevonden, want zij zijn Ef. 1:4. onberispelijk vóór den troon Gods. 6 En ik zag een anderen ; engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwig evangelie, om te verkondigen aan degenen die op de aarde wonen, en aan alle natie en geslacht entaal en volk, 7 zeggende met een groote stem: Vreest God en geett hem heerlijkheid, want de ure zijns oordeels is gekomen; en Hd. 14:15. aanbidt hem die den hemel en de aarde en de zee en de fonteinen der wateren gemaakt heeft. 8 En er is een andere engel h. 18:2; gevolgd, zeggende: Zij isge- Jer.' 51 ⢠8.' vallen, zij is gevallen, Baby- Ion die groote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt. 9 En een derde engel is hen gevolgd, zeggende met een H. 13:15,16.groote stem: Tndien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merk-teeken aan zijn voorhoofd of aan zijne hand, 10 die zal óók drinken uit |
den wijn van den toorn Gods, h. 16:19; . , Ps. 75; 9. die ongemengd ingesclionken is in den drinkbeker zijns toorns; en hij zal gepijnigd H. 20:10. worden met vuur en zwavel voor de heilige engelen en voor het Lam. 11 En de rook van hunne h. 19:3; .... , ⢠Jes. 3i :10. pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zoo iemand het merkteeken zijns naams ontvangt. 12 Hier is de lijdzaamheid H. 13; 106. der heiligen; hier zijn ze die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus. 13 En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf: Zalig zijn de dooden die in den Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid; en hunne werken volgen met hen. 14 En ik zag, en zie, een witte wolk, en op de wolk was een gezeten, des menschen Zoon gelijk, hebbende op zijn hoofd een gouden kroon en in zijne hand een scherpe sikkel. 15 En een andere engel kwam uit den tempel, roepende met een groote stem tot dengeen die op de wolk zat: Zend uwe sikkel en maai; Joël 3:13, want de ure om te maaijen is voor u gekomen, dewijl de Mt. 13:39. oogst der aarde is rijp ge- woorden. 16 En die op de wolk zat, H. i H. 19:9. Jes. H. 1 -Aó; Dan. 7:13. H. 4; |
OPENBARING 15, 16.
467
|
zond zijne sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid. 17 En een andere engel kwam uit den tempel die in den liernel is, liebljende ook zelf een scherpe sikkel; 18 en een andere engel kwam uit van het altaar, die magt had over het vuur, en hij riep met een groot geroep tot dengeen die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uwe scherpe sikkel en snijd af de druivetakken van den wijngaard der aarde, want zijne druiven zijn rijp. 19 En de engel zond zijne sikkel op de aarde, en sneed de druiven af van dec wijngaard der aarde, en wierp ze h. 19:156. in den grooten wijnpersbak van den toorn Gods. Jes. 63 : 2,3 . 20 En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit den wijnpersbak gekomen, tot aandetoo-men der paarden, duizend zeshonderd stadiën ver. HOOFDSTUK 15. 1 En ik zag een ander groot en wonderlijk teeken in den hemel, namelijk zeven engelen hebbende de zeven laatste plagen ; want in deze is de toorn Gods geëindigd. h. 4:6a. 3 En ik zag als een glazen zee met vuur gemengd; en die de overwinning hadden van het beest en van zijn beeld en van zijnmerkteeken en van het getal zijns naams, welke stonden aan de glazen zee, hebbende de citers Gods. : 19; ; 9. 10. : 3; i;10. 10i/. 19:9. 1 :13; . 7:13. 1 3:13. , 13:39. |
| 3 En zij zongen het gezang | van Mozes den dienstknecht Ex. 15:1. Gods, en het gezang des Lams, zeggende : Groot en Ps. lil: ia. | wonderlijk zijn uwe werken , : Heer, gij almagtige God; regt-i vaardig en waarachtig zijn Ps. 145:17. uwe wegen, gij Koning der heiligen. 4 TV ie zoude u niet vree- Jer. 10:7. zen Heer, en uwen naam niet verheerlijken? Want gij zijt alleen heilig; want alle p g6 g volkeren zullen komen en vóór u aanbidden; want uwe oordeelen zijn openbaar geworden. 5 En nadezen zag ik, en zie, de tempel van den taber- H. 11:19. nakel der getuigenis in den hemel werd geopend; 6 en de zeven engelen die de zeven plagen hadden, kwamen uit den tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels. 7 En een van de vier die- H. 4:66. ren gaf den zeven engelen zeven gouden fiolen, vol van den toorn Gods, die in alle eeuwigheid leeft. 8 En de tempel werd ver-Ex. 40:34,35: vuld met rook uit de heer- 1 iK,on;.®: 10, 11. lijkheid Gods en uit zijne kracht; en niemand kon in j den tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven engelen geëindigd waren. HOOFDSTUK lö. 1 En ik hoorde een groote stem uit den tempel, zeggende tot de zeven engelen: H. 15:6. 7. Gaat benen en giet de zeven |
OPENBAKING 16.
468
fiolen van den toorn Gods uit op de aarde.
2 En de eerste ging henen en goot zijne fiool uit op de
Ex. 9:10. aarde; en er ontstonden kwade en booze zweren aan de h. 13:15,16. mensclien die liet merkteeken van liet beest liadden en die j zijn beeld aanbaden.
3 En de tweede engel goot zijne fiool uit in de zee: en j
H. 8; 8,9. zij werd bloed als van een !
doode, en alle levende ziel is gestorven in de zee.
4 En de derde engel goot j zijne fiool uit in de rivieren
' en in de fonteinen der wate- | ren: en de wateren werden | bloed.
5 En ik hoorde den engel der wateren zeggen; Gij zijt regtvaardig Heer, die is en
H. 11:17. die was en die zijn zal, dat gij dit geoordeeld liebt;
6 dewijl zij liet bloed der heiligen en der profeten vergoten liebben, zoo liebt gij bun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn 't waar-dig.
7 En ik hoorde eenen ander van het altaar zeggen; Ja
h. 15:3. Heer, gij almagtige God, uwe oordeelen zijn waarachtig en regtvaardig.
8 En de vierde engel goot zijne fiool uit op de zon: en haar is magt gegeven de menschen te verhitten door vuur;
9 en de menschen werden verhit met groote hitte, en
Vs. 11,21. lasterden den naam Gods, die magt heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich
niet om hem heerlijkheid te geven.
10 En de vijfde engel goot
zijne fiool uit op den troon H. 13:2!». van het beest: en zijn rijk is verduisterd geworden, en zij beten hunne tongen van pijn,
11 en zij lasterden den God des hemels vanwege hunne pijnen en vanwege hunne zweren, en zij bekeerden zich niet van hunne werken.
12 En de zesde engel goot
zijne fiool uit op de groote g 9.14, rivier den Eufraat: en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zoude worden de weg der koningen, die van den opgang der zon komen zullen.
18 En ik zag uit den mond des draaks en uit den mond H. 12:3. van het beest en uit den mond H. 13:1, 11. van den valschen profeet drie onreine geesten gaan, den vorschen gelijk;
14 want het zijn geesten der duivelen, en zij doen teeke-H. 19; 19,20, nen welke uitgaan tot de koningen der aarde en der geheele wereld, om die te ver-
O '
gaderen tot den krijg van dien grooten dag des almagtigen Gods.
15 Zie, ik kom als een dief: 3 :3;
H. H.
H.
Ex. 7:20,21.
II. 1
Jer.
H. (
H. 1-Ex.
1 Th. 5:2. H. 3:18.
zalig is hij die waakt en zijne kleederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en men zijne schaamte niet zie.
16 En zij hebben ze vergaderd in de plaats welke in 't Hebreeuwsch genaamd
wordt Armageddon. Rigt. 5:19
17 En de zevende engel goot zijne fiool uit in de lucht:
en er kwam een groote stem
Jer. I
H. 15 Nah.
OPENBARING 17.
463
|
uit den tempel des hemels, â â van den troon, zeararende: Het H. 21: 6a. . , . , ' 00 is geschied. H. 4:5a. 18 En er geschiedden stemmen en donderslagen en blik-h. 11:13a. semen, en er gesckiedde een groote aardbeving, lioedanige niet is geschied van dat de mensolien op de aarde geweest zijn, namelijk een zoodanige aardbeving en zoogroot. H. 14:8. 19 En de groote stad is in drie deelen gescheurd, en de steden der heidenen zijn gevallen. En het groote Babyion is gedacht geworden voor God, om haar te geven h. 14:10; den drinkbeker van den wijn Jer. 25:15 .. des toorns zijner gramschap. H. 6:146. 20 En alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden. 21 En groote hagel, als een talent zwaar, viel neder uit den hemel op de menschen; en de menschen lasterden God vanwege de plaag des hagels, want deszelfs plaag was zeer groot. ÃÃOOrDSTÃK 17. 1 En een uit de zeven engelen die de zeven fiolen hadden kwam en sprak met mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u toonen het oordeel der groote hoer, Jer. 51:13. die zit op vele wateren; h. .i8i3; 2 met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben, en wie de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij. 3 En hij bragt mij weg in 3:2b. 9:14. 12:3. 3:1, 11. H. 11:196; Ex. 9:24. 3:19,20. . 3 :3; [â¢h. 5:2. . 3:18. Nah. 3:4. ;t. 5:19 |
j een woestijn, in den geest: | en ik zag een vrouw zittende op een scharlakenrood beest, dat vol was van namen der ytftMastering, en zeven hoofden had en tien hoornen. 4 En de vrouw was bekleed h. 18:16. met purper en scharlaken, en versierd met goud en kostelijk gesteente en paarlen, en had in hare hand een gouden Jer. 51:7. drinkbeker, vol van gruwelen en van onreinigheid harer hoererij; 5 en op haar voorhoofd was een naam geschreven, na-melijJc: Yerborgenheid, het groote Babyion, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. 6 En ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed H. 18:24. der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij als ik ze zag, met groote verwondering. 7 En de engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid van de vrouw en vtm het beest dat haar draagt, 't welk de zeven hoofden heeft en de tien hoornen. 8 Het beest dat gij gezien hebt, was en is niet, en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan; en wie op de aarde wonen (wel- h. 13:8. ker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld) zullen verwonderd zijn, ziende het beest dat was en niet is, hoewel het is. h. 13:1. H. 14:8. |
OPENBARING 18.
470
|
h. 13:18. 9 Hier is 't verstand dat h. 13:1. wijsheid heeft. Dezevenhoofden zijn zeven bergen op welke de vrouw zit. 10 En het zijn ooit zeven koningen: de vijf zijn gevallen , en de één is, de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven. vs. 8. 11 En het beest dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven, en gaat ten verderve. h. 13:1; 13 En de tien hoornen die Dan. 7:24. gezien hebt, zijn tien koningen, die het koningrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen magt ontvangen op ééne ure met het beest. Vs. 17. 18 Deze hebben éénerlei meening, en zullen hunne kracht en magt aan het beest overgeven. h. 19:16-21. 14 Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal ze overwinnen, (want het is een Heer der heeren en een Koning der koningen), en wie met hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en geloovigen. 15 En hij zeide tot mij: De wateren die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken en scharen en natiën en tongen. 16 En de tien hoornen die gij gèzien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en h. 18:8. zullen ze woest maken en naakt, en zij zullen haar vleesch eten, en zullen ze met vuur verbranden. |
17 Want God heeft Jmn in hunne harten gegeven, dat zij jj zijne meening doen, en dat zij éénerlei meening doen, en Vs. 13. dat zij hun koningrijk aan Jer- het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zul- h. 10: i. len zijn. 18 En de vrouw die gij gezien hebt, is de groote stad h. 16:19. die het koningrijk heeft over de koningen der aarde. HOOFDSTUK 18. 1 En nadezen zag ik een an- h. 10:1. Jes deren engel afkomen uit den hemel, hebbende groote magt, en de aarde is verlicht geworden van zijne heerlijkheid. Jes. 3 En hij riep krachtig met een groote stem, zeggende : Zij is gevallen, zij is gevallen, h. 14:8; h'1 de groote stad Babylon, e:a is Jes' 21:9-geworden een woonstede der jes. 13 ; 21; duivelen, en een bewaar- 34:14'15-plaats van alle onreine gees- 11 â ten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte; Ez-2( 3 dewijl uit den wijn des h. 14:8; toorns harer hoererij alle vol- '' ' keren gedronken hebbel1., en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk H. 1 zijn geworden uit de kracht harer weelde. 4 En ik hoorde een andere stem uit den hemel, zeggen- Ez.: de : Gaat uit van haar, mijn jer, 51 ;0; volk, opdat gij aan hare zon-2 Colquot;-6:1' den geen gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen Ez. 2' niet ontvangt; 5 want hare zonden zijn de |
OPENBARrNG 18.
â i71
|
èéne op de andere gevolgd tot u .i/. m den hemel toe, en God is H. 16:19. ' harer ongeregtigheden gedachtig geworden. Jer. 50:156. 6 Vergeldt haar gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar hare werken; in den drinkbeker waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel. 7 Zooveel als zij ziohzelve verheerlijkt heeft en weelde gehad heeft, zoogroote pijniging en rouw doet haar aan; Jes. 47:8. want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduw, en zal geen rouw zien. Jes. 47:9. 8 Daarom zullen hare plagen op één dag komen, namelijk dood en rouw en hon-H. 17:16. ger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God die haar oordeelt. H. 17:2. 9 En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen Ez. 26:16,17.ze beweenen en rouw over haar bedrijven, wanneer zij den rook haars brands zullen zien, 10 van verre staande uit vrees van hare pijniging, zeg-H. 14:8. gende: Wee, wee, de groote stad Babyion, de sterke stad, want uw oordeel is in één uur gekomen. Ez. 27: S6. 11 En de kooplieden der aarde zullen weenen en rouw maken over haar, omdat niemand hunne waar meerkoopt: Ez. 27:7-24. 13 waar van goud en van zilver en van kostelijk gesteente en van paarlen, en |
van fijn lijnwaad en van purper en van zijde en van scharlaken, en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostelijkste hout en van koper en van ijzer en van marmersteen , 13 en kaneel en reukwerk en welriekende zalf en wierook, en wijn en olie, en meelbloem en tarwe, en lastbeesten en schapen, en van paarden en van koetswagens, en van ligehamen, en de zielen der menschen. 14 En de vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van u weggegaan, en al wat lekker en wat heerlijk was is van u weggegaan, en gij zult dat niet meer vinden. 15 De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vrees van hare pijniging, weenende en rouw makende, 16 en zeggende : Wee, wee, de groote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad en pur- h. 17:4. per en scharlaken, en versierd met goud en met kostelijk gesteente en met paarlen; want in één uur is zoogroote rijkdom verwoest. 17 En alle stuurlieden, en Ez.27:29-32. al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen die ter zee handelen, stonden van verre, 18 en riepen, ziende den rook van haren brand, en zeggende: Wat stad was deze groote stad gelijk? |
OPENBAR IXGr 19.
4,72
|
19 En zij wierpen stof op hunne lioofden, en riepen, weenende en rouwbedrij ven-de, zeggende: Wee, wee, de groote stad, in dewelke allen die scliepen in zee kadden, van liare kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in één uur verwoest geworden. h. 12:12a. 20 Bedrijf vreugde over kaar gij hemel, en gij heilige apostelen en gij profeten, want h. 11:18. God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld. 21 En een sterke engel hief 1 Jer. 51: een steen op als een grooten 63, 64. molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de groote stad Babylon met geweld geworpen worden en zal niet meer worden gevonden. Jer. 25:10. 23 En de stem der citerspelers en der zangers en der fluitspelers en der bazuinblazers zal niet meer in u gehoord worden, en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden, en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden, 23 en het licht der kaars zal in u niet meer schijnen, en de stem eens bruidegoms en eener bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uwe kooplieden waren de grooten der aarde, want door uwe tooverij zijn alle volken verleid geweest; 24! en in dezelve is gevon-H. 17:6. den het bloed der profeten en der heiligen en van al degenen die gedood zijn op de aarde. |
HOOFDSTUK 19. 1 En nadezen hoorde ik als H. 12:10. een groote stem eener groote schare in den hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid en de heerlijkheid en de eer h. en de kracht zij den Heer onzen God; 2 want zijne oordeelen zijn h. 16 ;7. waarachtig en regtvaardig, 2 dewijl hij de groote hoer ge- H. 17:1. oordeeld heeft, die de aarde h. 2 verdorven heeft met hare hoererij , en hij het bloed zijner dienaren van hare hand gewroken beeft. 3 En zij zeiden ten tweeden male: Halleluja; en haar rook h. 18:18; gaat op in alle eeuwigheid. Jes. 34:10. 4 En de vierentwintig ouder- H. 5:14. lingen en de vier dieren vielen neder en aanbaden God die op den troon zat, zeg- h. gende: Amen, halleluja. 5 En een stem kwam uit den h. troon, zeggende: Looft onzen God, gij alle zijne dienstknechten en gij die hem h. vreest, beide klein en groot. 6 En ik hoorde als een stem h. 14; 2. eener groote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, Jes. want de Heer de almagtige H. 11:17. God heeft als Koning ge-heerscht. H. 1 7 Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven, en hem Mt. de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is ge-H. 21:2,9: komen, en zijne vrouw heeft zichzelve bereid; 8 en haar is gegeven dat Hos. 2:18. |
OPENBARING 19.
473
|
zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad. quot;VVant dit fijn lijnwaad zijn de regtvaardigmakingen der heiligen. 9 En liij zelde tot mij: Schrijf: Zalig zijn ze die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams. En hij zeide tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden Gods. 10 En ik viel neder voor zijne voeten om hem te aanbidden, en hij zeide tot mij: Zie dat gij dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en die uwer broederen die de getuigenis van Jezus hebben: aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie. 11 En ik zag den hemel geopend : en zie, een wit paard, en die op hetzelve zat was genaamd Getrouw en Waarachtig, en hij oordeelt en voert krijg in geregtigheid. 12 En zijne oogen waren als een vlam vuurs, en op zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en hij had een naam geschreven, dien niemand wist dan hij zelf; 13 en hij was bekleed met een kleed dat met bloed ge-verwd was; en zijn naam wordt genaamd het Woord Gods. 14 En de heirlegers in den hemel volgden hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad. 15 En uit zijnen mond ging een scherp zwaard, opdat hij H, 14:13. H. 21:5; H. 22 :8, 9, H. 12:176. H. C: 2. H. 3:14. H. 1:14. H. 2:17. Jes. 63:1,2. H. 1:1, 2. Mt. 25:31. H. 1:16. |
daarmede de heidenen slaan zoude. En hij zal ze hoeden H. 12:5. met een ijzeren roede; en hij treedt den wijnpersbak van Jes. 63:3. den wijn des toorns en der gramschap des almagtigen Gods. 16 En hij heeft op zijn kleed en op zijne dij dezen naam geschreven: Koning h. 17:14. der koningen en Heer der heeren. 17 En ik zag een engel staande in de zon; en hij riep met een groote stem, zeggende tot al de vogelen die Ez. 39:17,18. in 't midden des hemels vlogen : Komt herwaarts en vergadert u tot het avondmaal des grooten Gods, 18 opdat gij eet het vleesch der koningen, en het vleesch der oversten over duizend, en het vleesch der sterken, en het vleesch der paarden en dergenen die daarop zitten, en het vleesch van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen en grooten. 19 En ik zag het beest en h. 13:1. de koningen der aarde en h. 17:12-14. hunne heirlegers vergaderd om krijgtevoeren tegen hem die op het paard zat, en tegen zijn heirleger. 20 En het beest werd gegre- H. 13:11-16. pen, en met hetzelve de val- sche profeet, die de teekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had die het merkteeken van het beest ontvangen hadden en die des-zelfs beeld aanbaden: deze twee zijn levend geworpen in H. 20:10. |
OPENBAETNG 20.
474.
|
den poel des vuurs die met zwavel brandt. 31 En de overigen werden gedood met liet zwaard desgenen die op het paard zat, 't welk uit zijnen mond ging; Jer. 34:20amp;. en al de vogelen werden verzadigd van hun vleesch. HOOFDSTUK 20. 1 En ik zag een engel afkomen uit den liemel, lieb-H. 9:1. bende den sleutel des afgronds en een groote keten in zijne hand; H. 12:9. 2 en hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satan, en bond hem duizend jaren, Jud. vs. 6. 3 en wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volkeren niet meer verleiden zoude, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn; en daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden. Dan. 7:9; 4 En ik zag troonen, en zij Mt. 19.28. za^en 0p dgzgiye . en het oordeel werd hun gegeven; en h. 6:9. ih zay de zielen dergenen die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus en om het woord Gods, en die het beest ' en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteeken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hunne hand; en zij leefden en heerschten als koningen met Christus de duizend jaren. 5 Maar de overigen der dooden werden niet weder h. 13:15,16. |
levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding. 6 Zalig en heilig is hij die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de Vs 14 tweede dood geen magt, maar h. 2:ii. zij zullen priesters van God H- 5:10-en Christus zijn, en zij zullen met hem als koningen heer-schen duizend jaren. 7 En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijne gevangenis ontbonden worden, 8 en hij zal uitgaan om de volken te verleiden die in de vier hoeken der aarde zijn, Gog en Magog, om hen te Ez. 38:2. vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee. 9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats dei-heiligen en de geliefde stad ; en er kwam vuur neder van Ez. 38:22. j God uit den hemel, en heeft | ze verslonden. j 10 En de duivel die hen verleidde werd geworpen in den poel van vuur en zwavel, alwaar het beest en de valsche H. 19: £0. 1 profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. 11 En ik zag een grooten | witten troon, en dengeen die Dan. 7:9. daarop zat, van wiens aan-gezigt de aarde en de hemel 2 Pet. 3:10. wegvlood, en geen plaats is voor die gevonden. 13 En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God , en de boeken werden Dan. 7: l(». Mal. Mt. i Rom ICor. Vs Jes. 6 2 Pet. Vs. h. a Heb. Gal. Ez. 3 2 Cor. H. 7: Jes. \ |
OPENBAEING 31.
475
|
Mal. 3:16. geopend; en een ander boek werd geopend dat des levens is; en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hnnne werken. 13 En de zee gaf de dooden die in haar waren, en de dood en de hel gaven de dooden die in hen waren, en zij werden geoordeeld een iegelijk naar zijne werken. 1 Cor. 15:26. 14 En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vimrs: dit is de tweede dood. 15 En zoo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vunrs. HOOFDSTUK 21. Jes. 65:17; 1 En ik zas; een nieuwen 2 Pet 3:13., , ⢠, hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. 3 En ik Johannes zag de vs. 10; heilige stad, het nieuwe Jeru-Heb 3i2-22;2- zaleln5 nederdalende van God Gal. 4:26. uit den hemel, toebereid als een bruid die voor haren man versierd is. 3 En ik hoorde een groote stem uit den hemel, zeggen- Ez. 37:27; de: Zie, de tabernakel Gods 2 Cor. 6.16. Jg jjjj mensc]len) en ^jj zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen en hun God zijn; h. 7:17b; 4 en God zal alle tranen van Jes. 25:8. ]lunne ooge^ afwisschen, en de dood zal niet meer zijn, Mt. 16:27; Rom. 2: 6. 14: ; 11. ; 10. Vs. 6. 38:2. !;22. 19: £0. 7:9. .. 3: 10. 7: 10». |
noch rouw noch gekrijt noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. i 5 En die op den troon zat K. 4:2. zeide: Zie, ik maak alle din- Jes. 43:19. ' gen nieuw. En hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woor- H. 19:9; den zijn waarachtig en ge- ' | trouw. 6 En hij sprak tot mij: Het h. 16:17. is geschied. Ik ben de alfa H. l: 8. j en de omega, het begin en het einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voorniet. 7 Wie overwint zal alles beërven , en ik zal hem een, God zijn en hij zal mij een zoon zijn. 8 Maar den vreesachtigen, en ongeloovigen, engruwelij-ken, en doodslagers, en hoereerders, en too venaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel die brandt van vuur h. 20:14,15. en zwavel; 't welk is de tweede dood. 9 En tot mij kwam een van de zeven engelen die de zeven h. 15:7. holen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij , zeggende: Kom herwaarts , ik zal u toonen de bruid, de vrouw des Lams. H'19:76' 1à En hij voerde mij weg in Ez. 40:2. den geest op een grooten en hoogen berg, en hij toonde mij de groote stad, het hei- Vs. 2. lige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God; 11 en zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den Jes. 55:1. 2 Cor. 6:18. |
OPENBAEING 21.
470
|
allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als de steen jaspis, blinkende gelijk kristal. 13 En zij had een grooten en hoogen nnmr, en liad twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop gesclireven, welke zijn de namen van de twaalf ge-slacliten der kinderen Israels. 13 Van 't oosten waren drie poorten, van 't noorden drie poorten, van 't zuiden drie poorten, van 't westen drie poorten. 14 En de muur der stad had Ef. 2:20. twaalf fundamenten, en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams. 15 En liij die met mij sprak Zach.2:i, 2;liad een gouden rietstok, opdat liij de stad zoude meten, en hare poorten, en haren muur. 16 En de stad lag vierkant, en hare lengte was zoogroot als hare breedte; en hij mat de stad met den rietstok op tw-aalfduizend stadiën, de lengte en de breedte en de hoogte derzelve waren even-gelijk. 17 En hij mat haren muur op honderd vierenveertig ellen, naar de maat eens men-schen, welke des engels was. 18 En het gebouw van haren muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk, 19 En de fundamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd; het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chaleédon, Ez. 48: 31-34. Ez. 40:5. Jes. 54: 11, 12. Ex. 28: 17-20. |
het vierde smaragd, 20 het vijfde sardonyx, het zesde sardius, het zevende chrysolieth, het achtste beryl, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacinth, het twaalfde amethyst. 21 En de twaalf poorten waren twaalf paarlen : iedere poort was uit ééne parel; en de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorschijnend glas. 23 En ik zag geen tempel Jh. 4:21,24. in dezelve; want de Heer de almagtige God is haar tempel, en het Lam. 33 En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft ze verlicht, en het Lam is hare kaars. 24 En de volkeren die zalig worden, zullen in haar licht Jes. 60:3. wandelen; en de koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid en eer in dezelve; 35 en hare poorten zullen Jes. niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn; 26 en zij zullen de heerlijkheid en de eer der volkeren daarin brengen. 27 En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt, maar die geschreven h. 20:12. zijn in het boek des levens des Lams. h. H. Gei Ez.lt; Zacl h. 22:5; Jes. 60:19. h. K. Jes. 11. Dai h. 22:5. H. h. 22:15; Jes. 52:16. |
-
OPENBAEING 22.
477
|
HOOFDSTUK 22. 1 En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams. 2 In 't midden van hare straat, en op de ééne en de andere zijde der rivier, was de boom des levens, voort- Ez. 47:7,12. brengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen. Zach. 14:11. 3 En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn. En de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en zijne dienstknechten zullen hem dienen 4 en zullen zijn aangezigt H. 3:12. zien , en zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn. K. 21:23; 5 En aldaar zal geen nacht Jes. 60:19. zjjn^ en zjj zuiien geen kaars noch licht der zon van noode hebben; want de Heere God verlicht ze, en zij zullen als Dan. 7:18. koningen heerschen in alle eeuwigheid. 6 En hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heer, de God der heilige profeten, heeft zijnen engel gezonden, om zijnen dienstknechten te too-nen 't geen haast moet geschieden. 7 Zie, ik kom haastelijk. Zalig is hij die de woorden der profetie dezes boeks bewaart. |
8 En ik Johannes ben de-geen die deze dingen gezien H. 4:6 H. 2 ;7; Gen. 2:9. H. 21:5. H. 1:1. H. 1 :3. en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neder om te aanbidden H. 19:10. voor de voeten des engels die mij deze dingen toonde. 9 En hij zeide tot mij: Zie dat gij 't niet doet, want ik ben uw mededienstknecht, en die van uwe broederen de profeten, en van degenen die de woorden dezes boeks bewaren ; aanbid God. 10 En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij. h. 1:3. 11 Wie onregt doet, dat hij nog onregt doe; en wie vuil is, dat hij nog vuil worde ; en wie regtvaardig is, dat hij nog geregtvaardigd worde; en wie heilig is, dat hij nog geheiligd worde. 12 En zie, ik kom haaste- Vs. 7. lijk, en mijn loon is met mij, Jes. 62:11. om een iegelijk te vergelden gelijk zijn werk zal zijn. 13 Ik ben de alfa en de H. 1:8; i.i ⢠i . ⢠Jes. 44:6; omega, liet begin en netein- 48;i2igt;. de, de eerste en de laatste. 14 Zalig zijn ze die zijne geboden doen, opdat hunne magt zij aan den boom des Vs. 2. levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad. 15 Maar buiten zullen zijn h. 21:8; de honden, en de toove- Ef'0quot;5' naars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars , en een iegelijk die de leugen liefheeft en doet. 16 Ik Jezus heb mijnen H. 1: i. engel gezonden, om ulieden H. 21:27. |
OPENBAEINGr 22.
478
|
deze dingen te getuigen in H. 5:5. de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht Davids, H. 2:28. de blinkende morgenster. 17 En de Geest en de bruid zeggen: Kom. En wie het H 21-6- köört zegge: Kom. En wie Jes. 65:i; dorst heeft kome; en wie wil, neme het water des levens omniet. 18 Want ik betuig een iegelijk die de woorden der profetie dezes boeks hoort: in- Dt 4 :2; dien iemand tot deze dingen toedoet. God zal over hem 12:32. |
! toedoen de plagen die in dit boek geschreven zijn; 19 en indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie. God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is. 20 Die deze dingen getuigt, Vs.i6;H.i -.9. zegt: Ja ik kom haastelijk, Vs. 7,12. amen. Ja kom Heere Jezus. 21 De genade onzes Hee- H. 1:4. ren Jezus Christus zij met u allen. Amen. |
EINDE DES NIEUWEN TESTAMENTS.
DRUKFEILEN.
1 Cor. 5:11. De eerste aanhaling aldus te lezen: 2 Th. 3: 6, 14.
2 Tim. 1:11, Aanhaling aldus te lezen: 1 Tim. 2:7.
â â 4:8. Tweede aanhaling aldus te lezen: 1 Pet. 5: 4. Tit. 2:3. Aanhaling aldus te lezen: 1 Tim. 2:9.
Hebr. 1Ã : 22. Tweede aanhaling aldus te lezen: H. 9:14. 11:13. Aanhaling aldus te lezen: Gen. 23:4.
--
--
: ' , V â
V â '7' - - : . ⢠' tquot; ; : ; A::i
J
-j ' ' .'
/â
; . ^gt;.
; â
⢠- J-kT
-