Do rrcdikanten-Yereeniging
IN DE
Classis HOORN.
j^ERINNERINGEN EN /VIEDEDEELINGEN
.BIJ DE HERDENKING VAN HAAlt
nilïHWfAlïà 'MWiM
(1849-1889),
DOOR HET LID DEE VEREENIGING
A. MAAGH KNIPHUISEN.
rGedrukt voor belangstellende Vrienden.)
Snelpersdruk van P. GBERTS, te Iluorii.
T
\ :rquot;ir\
]a
32 O
De Predikanten-Yereeniging
IN DE
Classis HOORN
Herinneringen en ^Aededeelingen
BIJ DE HERDENKING VAN HAAR
(1849-1889),
DOOR HET LID DER VEREENIGIiVG
A. MAAGH KNIPHUISEN.
(Gedrukt voor belangstellende Vrienden.)
Soelpersdruk van P. GEERTS, te Ho ri
BiBLIOTHEEK NED. HERV. KERK
7 7) /0.
fit
Men heeft mij verzocht, achterstaande inededeeliugeu omtrent de Hoornsche Predikanten-Vereeuiging, door mij voorgelezen in de Vergadering van -3 Juni 1.1., ter meer blijvende herinnering, door den druk gemeen te maken. Kwam mij het onderwerp daartoe van wel wat weinig algemeen belang voor, zoo heb ik nogtans gemeend aan dit verzoek in zooverre te mogen voldoen, dat ik eenige afdrukken, voor belangstellende vrienden, heb laten in gereedheid brengen, ik geef nu het gesprokene, wat mij het eigenaardigst voorkwam, zonder eenige noemenswaardige verandering.
K.
Mijne Tleeren !
De Predikanten-Vereertiging in de Classis Hoorn herdenkt haar veertigjarig bestaan. Dat dit heugelijk feit, in onze samenkomst van heden, niet geheel onopgemerkt behoorde voorbij te gaan, stemt gij mij toe, en werd reeds, in onze laatst-gehonden vergaderingen, in bevestigenden zin besproken. Zoo vereerend als voor mij uwe uitnoodiging was, met u een blik terug te slaan in het verleden, en u het een en ander uit de geschiedenis onzer Vereeniging te verhalen, zoo waren nogtans aan die taak ook hare eigenaardige moeiten en bezwaren voor mij verbonden. Als van zelf moest zich hier wel de keus op mij vestigen, die (en ik heb mij daaraan dan ook niet willen onttrekken), het voorrecht heb, al die veertig jaren lid uwer Vereeniging te zijn geweest, haar, naar mijn zwakke krachten, mede te. hebben gesteund, en â nu nog de éénige overgeblevene, uit die dagen harer oprichting, in uw midden! Ik waardeer dat voorrecht en ben er dankbaar voor.
Maar nu ik gereed sta, mijne belofte te vervullen, mag ik toch ook niet zwijgen van de eigenaardige bezwaren, die de mij opgedragen taak voor mij medebracht, en ben ik min of meer huiverig, u, bij misschien te hoog gestelde verwachtingen, eene teleurstelling te zullen bereiden. In veel, het is waar, kon mij mijn geheugen uit die veertig jaren te hulp komen. Maar (want een menschen geheugen omvat niet alles), het weinig verkwikkelijk werk van het doorzoeken van oude notulen, actm en medecleelingen was daaraan toch ook onafscheidelijk voor mij verbonden.
En zoo de bronnen, waaruit de verslaggever eene geschiedenis van veertig jaren heeft samen te stellen, nu ook maar altijd even rijkelijk gevloeid hadden! Dit laatste was echter.
4
op verre na, het geval niet. Daar zijn wakkere Secretarissen . onzer Vereeniging geweest, wier nauwkeurigheid, in het teboek stellen van hare fata, boven mijn lof is verheven; maar daar waren ook anderen, die die taak licht genoeg opnamen, en over veel een ,/prr.fundum silentiumquot; bewaard hebben. Daarenboven: de sloopende hand des tijds heeft, bij min zorgvuldige bewaring, hier ook veel doen verloren gaan. Zoodat ik voor het bedenkelijk feit stond, dat van zes jaren (1862â1868) meest alle aanteekeningen ontbraken, terwijl van de vier volgende jaren (1868â1873) elk spoor, wat betreft eenige aanteekening uit dien tijd, is uitgewischt. Reeds stond ik dan ook op het punt, de mij opgedragen taak op te geven, ware het niet, dat een welteverklaren vasthoudendheid van uw hooggeachten Voorzitter en van onzen wakkeren Secretaris mij, onverbiddelijk, aan mijn woord had-de gehouden. Ik heb dien aandrang niet willen weerstaan. Laat ons hopen, dat, wat ik geven kau, (want /,-ultro posse nemo obligaturquot;) nu niet tezeer beneden uwe verwachting moge blijven!
Ik ga, zonder verdere inleiding, tot mijn taak over, en wil u eerst iets verhalen van
het ontstaan der Vereeniging; daarna van haren eersten jeugdigen bloei, welke valt in de jaren 1849â1860;
van hare middaghoogte, maar ook van de daarop zich voordoende sporen van kwijning en verval (1860â1872); eindelijk van
het nieuwe leven der als uit den doodstaat verrezene (1878 â 1889).
Veel zal ik slechts kunnen aanstippen; hier en 'laar eene enkele opmerking bijvoegen; en mij, zooveel mogelijk, bevlijtigen , u het vervelende eener dorre en kroniekmatige schets te besparen.
6
I.
Het was in het jaar 1848, dat, in de in dat jaar gehouden Classikale Vergadering, de zaak van het oprichten eener Predikanten-Vereeniging in de Classis Hoorn het eerst ter sprake kwam, en dit tot eene voorloopige samenkomst, den 14 Augustus daaraanvolgende, leidde.
Aanleiding had gegeven een schrijven van den Ring Monnikendam, (mede aan de overige Classen in deze provincie), houdende uitnoodiging tot het oprichten van eene provinciale Noord- llollandsche Predikanten-Vereeniging. De zaak der Predikanten-Vereenigingen in de verschillende provinciën (ook op het voetspoor der in Duitschland zoo veelvuldig voorkomende Prediger-Vereine en Prediger-Conferenzen) was destijds in hare opkomst. Die Noord-tlollandsche Predikanten-Vereeniging, welke hare vergaderingen te Amsterdam hield, is dan ook later tot stand gekomen, doch in 1860, wegens gebrek aan genoegzame deelneming, ontbonden. Trouwens, voor ons gewest in het bijzonder leverde, wegens de verre afstanden, en de destijds nog zoo primitieve vervoermiddelen, het bijwonen van zulk eene gewestelijke samenkomst zijne eigenaardige bezwaren op. Meer kans van slagen meende men te zullen hebben, zoo men zich tot den engeren kring van eene Classis bepaalde, gelijk dan ook, dienovereenkomstig, in de reeds door mij genoemde voorloopige bijeenkomst van 14 Augustus 1848, besloten werd. De grondslagen onzer Vereeniging waren daarmede gelegd. Vijftien predikanten in deze Classis traden al aanstonds toe; in die voorloopige vergadering, onder leiding van Ds. Van Balen Blanken van Wognum gehouden, werd een //reglement van orde en werkzaamhedenquot; aangeboden en gearresteerd, een Bestuur gekozen, en besloten alsnu de eerste vergadering van de aldus geconstitueerde Predikanten-Vereeniging in de Classis Hoorn te doen plaats hebben in de eerste helft der maand Mei des volgenden jaars.
6
Ik wil u liier niet met eene optelling van namen vermoeien. Vermeld mag echter worden, dat van hen, die alzoo als stichters onzer Vereeniging optraden (ik zelf kwam eerst in December van dat jaar in de Classis), voor zoover mij bekend is, nog alleen in leven zijn de HIL J. C. ien Brnm-meler Andnesse, destijds predikant te Hoorn, C. S. Adama van Scheltema, insgelijks te Hoorn, K. Boon, toeu predikant te Berkhout, en A. W. van Campen, destijds predikant te Opperdoes.
II.
Kn zoo was onze Predikanten-Vereeniging in het leven getreden, wier eerste vergadering, nu veertig jaren geleden, volgens het vroeger daaromtrent bepaalde, gehouden werd den 7 Mei 1819. Als eerste president trad op de heer Van Balen Blanken. Vergaderplaats was //De Doelenquot; te Hoorn, wat sedert, nu en dan, wel met eenige andere lokaliteit is afgewisseld, maar â (on revient toujours a ses premiers amours!) ons nu toch het eigenaardige genoegen schenkt, dat wij, na veertig jaren, hier nog mogen samen komen. Zeventien nieuwe leden, waaronder ik zelf, traden al aanstonds toe, en die hier wel eene afzonderlijke vermelding verdient, onder deze, de wakkere J. A. Mensinga, vooral bekend, behalve door zijne ,/Maria-Veree^ingquot;, door ^ijne critieken onder den pseudoniem ,/Meiis ingenua Deo grataquot;, destijds predikant te Sijbecarspel, later als Remonstrantsch leeraar werkzaam te Friedrichstad a, d. Eider, en, op 't oogen-blik nog, als rustend predikant, woonachtig te Flensburg. Men eerde al aanstonds zijne verdiensten, door hem het Secretariaat der Vereeniging aan te bieden, 't welk hij, tot aan zijn vertrek uit het vaderland, twee jaren later, met allen ijver en toewijding heeft waargenomen.
Ik kan nu, natuurlijk, al de vergaderingen der jeugdige Vereeniging niet op den voet volgen. Zij hier al aanstonds geconstateerd, dat zij, van stonden aan, liet doel harer oprichting uitnemend heeft in het oog gehouden, zoo als dit in een van hare eerste reglementen staat uitgedrukt: ,/liet toehalen der banden eeuer vriendschappelijke betrekking tus-schen de predikanten in deze Classis, en de bevordering eener vruchtbare werkzaamheid, vooral wat betreft het ambtsleven van deu predikant, en daardoor van de belangen der Protestantsche Kerk, door onderlinge en broederlijke samen-sprekingenquot;. Van de Prolesiantsche Kerk; ik leg op dat woord hier bijzonder den nadruk. Onze Vereeniging heeft zich toch, van stonden aan, op een breeden grondslag geplaatst, en â het strekt haar tot eere! â reeds in eene van hare eerste vergaderingen besloten, niet enkel (gelijk het oorspronkelijke ontwerp luidde) samenkomsten van Hervormde predikanten te houden, maar tot haar ook de leeraren van de andere Protestantsche Kerkgenootschappen uit te noodigen. Dissenters (in den zin, waarin dat woord eertijds gold, en misschien ook nu nog wel, hier of daar, gebezigd wordt), hebben wij. God lol! in onze Vereeniging nooit gekend.
Ik sprak van haar jeugdigen bloei, en heb u, als deze, vooral genoemd de jaren 1849â1860. De zaak der Predikanten-Vereenigingen was, gelijk ik zeide, toen in haar opkomen. Er werd met veel ijver en opgewektheid ewerkt, en de vergaderingen waren doorgaans zeer bevredigend bezocht; meestal met eene presentielijst van tusschen de twintig en derlig leden, plus de gewenschte tegenwoordigheid van gasten uit den vreemde, of uit naburige Classen, vooral uit de Classis Edam.
Féne zaak heeft mij, bij het doorbladeren van de notulen, of bij het opfrisschen van mijn eigen memorie, vooral ge-trotten. Het is, dat de veertig jaren, waarop wij heden te-
rug zien, ons als het ware een spiegel voorhouden van hetgeen er in dien tijd is doorleefd, en van de vragen, die, vroeger en later, de geesten hebben bezig gehouden. Dit kon trouwens ook wel niet anders. De Hoornsche Predikanten-Vereeniging is met haren tijd meegegaan. Misschien is zij, gelijk wij straks zien zullen, soms wel wat al te meegaand den tijdstroom gevolgd!
Maar bepalen wij ons tot hare eerste levensjaren. Ik meen haar karakter, in dien tijd, door en door practüch te mogen noemen. Misschien komt ons nu wel eens een glimlach om de lippen, bij het vernemen van de vragen, toen op de agenda gesteld; toch was hare werkzaamheid er licht niet minder vruchtbaar om! Het decennium van 1850â1860 was voor de theologie nog een tijdperk van rustige rust, maar andere vragen waren toen aan de orde, en trokken de aandacht. Vergunt mij, u al aanstonds eenige van deze te noemen, die in onze vergaderingen aan de orde werden gesteld. Toen, in het jaar 1848, eene strooming, die om meer vrijheid in het staatkundige leven vroeg, zich ook in de Kerk deed gevoelen, (de Kerk is, in dat opzicht, doorgaans den Staat gevolgd, en dit niet altijd tot haar best!) waren vragen, als die naar de rechtstreeksche beroeping van predikanten, en de benoeming van Kerkeraadsleden door de geheele gemeente, hier aan de orde. Men pleitte voor het recht der gemeente, wel eens wat doctrinair, en zonder de schaduwzijden van het algemeen stemrecht in het oog te vatten, zooals latere tijden die voor de Kerk hebben aan het licht gebracht â Toen in 1853 de herstelling der bisschoppelijke Hierarchic in Nederland, en de daardoor uitgelokte April-beiveging, geheel het Protestantsche Nederland in spanning brachten, was het geen wonder, dat op de agenda vragen voorkwamen, als die naar ;/de gedragslijn, welke de Protestantsche Kerk heeft te volgen tegenover de Roomsche
A
Kerkquot;, en, een weinig later, een krachtig pleidooi voor de toen pas opgerichte ,/Evangelische Maatschappij.quot; â Bij de Schoolwet van 1857 bleet ook toeu reeds de godsdienstige zijde van het vraagstuk niet buiten bespreking, en Boonacker van Enkhuizen gaf een belangrijk referaat over //de verhouding van de School,tot de Kerkquot;. Zoo zou ik meer kunnen noemen. De //emancipatie der slaven'', het ,/arinen-patronaatquot;, het wenschelijke van de oprichting eener //Nederlandsche tak van de Gustaaf-Adolf-Vereenigiagquot;, waren toen vragen des tijds, en werden in onzen kring besproken.
Meent echter niet, dat het meer algemeene er om vergeten werd. Theologie kwam, in die dagen, in onze en andere Predikanten-Vereenigingen, nog minder aan de orde, en het heeft mijne aandacht getrokken, dat in de reeds door mij genoemde jaren, 184lt;9â1860, geen enkele eigenlijk gezegde theologische kwestie hier is behandeld, of het moest zijn eene polemiek tegen de destijds opkomende Neologische richting, vertegenwoordigd door het tijdschrift âDe Dageraadquot;. Des te overvloediger waren echter de vragen van practischen aard, vooral die het ambtelijk leven van den predikant betreffen. Laat mij ook hier, uit den rijken voorraad, er eenige mogen noemen.
Daar waren, op het gebied der liturgiek, en het kerkelijk leven betretf'ende, vragen, als die over: de inrichting der Doopsbediening, het wenschelijke eener meer algemeene viering van den Goeden Vrijdag, over Eergestoelten in de kerkgebouwen, en zooveel meer.
Andere golden de homiletiek en behandelden: de analytische en synthetische preekmethode, de voor- en nadoelen van het zoogenaamde Pericopenverband, over Bijbelsch preeken enz.
Van de Catechetiek besprak men: de opvolging van de leerstof bij het godsdienstonderwijs, en den godsdienstigen en
10
zedekundigen inhoud van het Oude Verbond, met betrekking tot dat onderwijs.
Eene ruime plaats namen vooral de vragen van pastoralen aard in, als over: de kerkelijke tucht, het huis- en kranken-bezoek, de taak van den predikant bij begrafenissen, over den invloed door dezen uit te oefenen op de lectuur zijner gemeenteleden, het optreden bij staatkundige verkiezingen, en andere.
Ik kan ook hier niel alles noemen. De philantropie bleef niet vergeten, en Cats Wor pleitte voor de toen nog jeugdige n Afschaffings-V ereenigingquot;.
Belangrijk, reeds om den tijd, waarin zij voorkwamen, waren vragen als de door Harting beantwoorde: //in hoeverre geloofsbelijdenissen noodig zijn en waarde kunnen hebben voor een Protestantsch Kerkgenootschapquot;; of wel het door een anderen broeder geleverde referaat: //tnag een predikant zich, in zijne terminologie, op den kansel, schikken naar de godsdienstige denkwijze en het van het zijne verschillende standpunt zijner gemeente?quot;
Onwillekeurig heb ik reeds enkele namen genoemd. Ondoenlijk zou het zijn, uit de breede lijst ook maar enkelen te vermelden, zonder daarbij aan zoovelen, wier namen ik hier met stilzwijgen moet voorbijgaan, onrecht te doen. Een krachtigen steun aan onze Yereeniging boden, gedurende eene lange reeks van jaren, de reeds door mij genoemde Enkhuizer broeders: Harting en Cats Wor. En mij dunkt, namen als die van Schuuring, Van Bell, Slotemaker, Knappert, Schetter, Van Hoorn, Hooijer, Kemman, Kerbert, en uit lateren tijd: De fioode, Tydeman en Wijbrands, die, gedurende langeren of korteren tijd, leden onzer Vereeniging waren, zijn toch ook namen van goeden klank.
Ik eindig hiermede het eerste gedeelte van mijn overzicht, waarbij ik, uit den aard der zaak, langer heb moeten stil-
11
staan. Vergunt mij daarbij nog enkele opmerkingen ten slotte. Het was toen een opgewekt leven in onzen kring, het gevolg zeker mede van de frischheid der eerste jeugd bij Ver-eenigingen als de onze. Aan vraagpunten op de Agenda â dat schrikbeeld van latere Moderarnina, met name van onze Secretarissen, â geen gebrek! Misschien werkte hiertoe mede de goede gewoonte, (zoude zij ook nu nog overweging verdienen?) dat in elke bijeenkomst een lid werd aangewezen, die zich verbond tot het opgeven van vragen in de eerstvolgende vergadering. Eiken referent stonden één of twee coreferenten ter zijde. â Eene correspondentie werd geopend met andere Predikanten-Vereenigingen en, over en weer, had eene uitwisseling van agenda of van de gedrukte verslagen dier Vereenigingen plaats. Zoo nam men kennis van elkanders werkzaamheden. Nog heugen mij, uit die jaren, een paar interessante rapporten, het eene van Harting, het andere door Boonacker uitgebracht, over de in de verschillende Pre-dikanten-Vereenigingen ter sprake gebrachte en behandelde onderwerpen. Was het op grond hiervan, dat van onze Ver-eeniging het voorstel uitging, tot het in het leven roepen van eene (éénmaal 's jaars te houden) ahjemeene Neclerlandsche Predikanten- Vereemging ? De zaak, door Harting ter sprake gebracht, vond ook elders sympathie. Aanvankelijk met zorg voorbereid, stuitte zij echter daarna op een drietal bezwaren af, onder welke ik hier al aanstonds noem: het financieele bezwaar, en eene vroeger in die richting ondernomen mislukte poging. Op een derde bezwaar kom ik zoo aanstonds terug. Gij ziet het: aan opgewekt leven, in menigerlei richting, ontbrak het dus niet. Ik zou hierbij nog kunnen noemen eene poging lot het organiseeren eener jaarlijksche bijeenkomst, voor de belangen van Bijhei- en Zendinggenootschap in deze Classis, eene poging, die, schoon niet in den voorgestelden zin geslaagd, echter, in vermeerderde en verleven-
12
digde belangstelling, beide Genootschappen zeker is ten goede gekomen.
Soms trad de lioornsche Predikanten-Vereeniging ook handelend op na ir huiten, iu adressen, hetzij aan de Synode over het drukkende van het destijds (1849) geëischte Staatsexamen voor aanstaande theologanten, en tot aanbeveling eener kerkelijke viering van den Goeden Vrijdag, â of aan Z. M. den Koning over de pensioneeriug der weduwen van Hervormde predikanten.
Laat mij hier nu nog de namen der Voorzitten onzer Vereeniging, in dit tijdperk, mogen noemen; de H(1. Van Balen Blanken, De Blauw, Coenen, Van Campen, Harting, Schuuring en Cats Wor, en de hun ter zijde staande Secretarissen : Mensinga, Boonacker, Leemhuis, Begeman, Kemman, Van der Koer en Van der Hoeve.
m.
Ik korn thans tot eene tweede phase, door onze Vereeniging doorleefd. Zij omvat de jaren 1860â18? 2. Vloeien hier de bronnen voor uw verslaggever minder rijkelijk, en ontbreken met name van de vier laatste jaren de aanteeko-ningen geheel, laat tnij trachten, ook uit eigen heugenis, u een zooveel mogelijk getrouwen indruk van het geheel te geven. Als voorzitters uit die jaren noem ik u al aanstonds mijn eigen persoon, die in 1861 en 1862 de vergaderingen leidde, en vooral mijn verdienstelijken opvolger, den te vroeg gestorven predikant van Hoogcarspsl, Ds. P. J. de lloode. Meent niet, dat ik deze nieuwe aera onzer Predikanten-Vereeniging willekeurig heb gesteld. Er is een groot en in het oog vallend verschil met de elf eerste jaren: het natuurlijk gevolg van het ontwaakte nieuwe leven op wetenschap-
13
pel'tjk gebied, en van de opkomst der Moderne theologie. De Moderne theologie! Sedert Huet de oudere, door zijn ;/ Wenken op zie kt ens Moderne theologiequot;, dezen wel wat odieusen naam had in het leven geroepen, trok zij hier al aanstonds de aandacht, en bracht de geesten in beweging. De prakti-tische vragen werden verdrongen door de meer wetenschappelijke. Trouwens, reeds vroeger hadden zich hiervan de voorteekenen voorgedaan. In 1859 las Ds. Van der Hoeve, van Spanbroek, een hoogst belangrijk rapport over ,/de preeken van Colaniquot;, wel allereerst uit homiletisch oogpunt, maar toch ook zoo, dat daarbij de geheele Straatburgsche Theologie, gekend vooral uit de n Revuequot;, en de richting van Colani en Scherer, als hare eerste woordvoerders, ter sprake kwam. De theologie zat, van toen aan, in de lucht. Zij bewoog zich steeds meer in liberale banen in onzen kring, zoodat het ook daarbuiten soms de aandacht trok. Wilt gij bewijs? Een getrouw relaas van het in deze vergaderingen behandelde werd, sedert jaren, in de Kerkelijke Courant opgenomen. Toen nu deze courant in scherpe polemiek tegen de ,/nieuwe richtingquot; optrad, lokte zulks, in eene onzer vergaderingen, een ernstig protest, bij monde van Cats Wor, uit, en het einde was, dat besloten werd, geene verslagen van het in de Hoornsche Predikanten-Vereeniging behandelde meer in de Kerkelijke Courant te doen opnemen. Nu volgden elkander de vragen, in de door mij aangegeven richting, in onze bijeenkomsten op. Er was iets van de geestdrift voor het nieuwe, om niet te zeggen eene zekere overspanning, in dit alles te bespeuren. Cats Wor beantwoordde de vraag: //welken invloed heeft de beschouwingswijze der Moderne theologie op de verdediging des Christendoms?quot; Van Hoorn de daaraan verwante: //Wat is, volgens de beschouwingswijze der Moderne theologie, het wezen der Christendoms?quot; Kniphuisen behandelde, naar aanleiding van Pécaut's pas verschenen geschrift;
14
ule Christ et la Consciencequot;, (later gevolgd door Gouda Quint's daartegen gerichte dissertatie over //.Jezus Christus, als den zoirleloozequot;), in twee achtereenvolgende bijeenkomsten de vraag: ,/iii hoeverre staat of valt het Christelijk geloof met de aanneming of verwerping der volstrekte zondeloosheid van Jezus?quot; Nog werd door Prins de Jong de aandacht gevestigd op de vraag: //iu hoeverre de gemeente van den kansel met de resultaten der nieuwe richting zij bekend te maken?quot; Doch ik mag zoo niet voortgaan, 't Is duidelijk; er Was eene nieuwe strooming m onze Predikanten-Yereeniging gekomen. Toen dan ook het straks reeds door mij genoemde plan, tot oprichting van eene //.-Ugemeene Nederlandsche Predikanten-Vereenigingquot;, was ter sprake gebracht, stuitte dit, behalve op het reeds door mij genoemde, vooral ook af op het bezwaar, dat de zaak minder kans van slagen zou hebben, nu het voorstel daartoe uitging van onze Ver-eeniging, als liggende deze onder de verdenking van zware heterodoxie! Er was trouwens wel eenige aanleiding toe.
Niet dat de praktische vragen of die van eene meer al-gemeene strekking, in dien tijd, geheel uit het oog zouden zijn verloren. Onder de tijdvragen trokken die over het //Darbysmequot;, en over de (toen reeds ten ondergang neigende) //wereldlijke macht des Pausenquot; de aandacht. â De homiletiek was aan het woord in referaten over het //impro-viseeren op den kanselquot;, en over //populair predikenquot;; catechetiek in de door Snellebrand ingeleide vraag, over //de waarde van en de meerdere uitbreiding te geven aan het onderricht in de kerkgeschiedenis, bij het godsdienstonderwijsquot;. â Over het geheel gingen zelfs de praktische vragen toen echter reeds niet geheel meer om buiten de theologie, maar deed de laatste daarop haar invloed gevoelen. Ten bewijze noem ik u een beoordeelend verslag van Reville's, toen pas verschenen u Manuel d'instruction religieusequot; â , debatten over
15
//de catechese op Modern staudpuutquot;, over ,/de Modernen en liet Zendeliuggenootschap,', en over het vbegrip van Kerkquot;,, naar aanleiding van Pierson's geruchtmakende brochure, die de Kerk door vrije vereenigingen, een soort van godsdienstige séances, vervangen wilde hebben, waartegen Reville toen juist, in een warm pleidooi voor de oude Kerk der martelaren, ~quot; zijn //Jeruzalem, zoo ik n vergete!quot; had doen hooren.
Zoo leefden wij hier met onzen tijd mee. Of de theologische wetenschap echter wel niet wat veel aan het woord was, ten koste van hetgeen eene Predikanten-Vereenigiug toch eigenlijk bedoelt en zijn moet3 Oordeelt zelf uit deze staalkaart van vragen, voorkomende op de agenda uit dien tijd: //wordt 2 Corinth. VUL: 9 de prae-existentie geleerd?quot; Over //de Parousie in het Mattheus-Evangeliequot;; //leert de vierde Evangelist het reëele voorbestaan van den Logos ?quot; over //de waarde, van de Clementinen voor de kennis van liet oudste Christendomquot;; Kenan's //leven van Jezusquot;; van denzelfden //de Apostelenquot;; Scheukel's //Characterbild Jesuquot;; Keim's hypothese, en Straatman's forsche tekst-revisiën van Paulus' brieven enz. enz
Gij ziet, de Hoornsche Predikanten-Vereeniging was zoo zoetjes aan op weg, om een godgeleerd gezelschap te worden. De strijdvragen en theelogische geschillen traden daarbij niet het minst op den voorgrond, 't Zal u genoegen doen te vernemen, dat zich daaronder toch ook, nu en dan, meer irenische stemmen deden hooren, zooais in de door Knappert ingeleide vraag: //hoe openbaart zich de overeenstemming van geest in de Cbristelijlie Kerk, en wat kan er gedaan worden, om haar te bevorderen ?quot; of in die van De Roode: //is er, bij alle verschil van inzichten, toch ook niet veel overeenstemming in hoofdzaken bij de onderscheiden richtingen in de Neder-landsch Protestantsche Kerk ?quot;
Intusschen, het feit lag er toe. Wij waren de baan der
1«
theologie ingestuwd, en dan laat dat een mensch zoo spoedig niet weer los! Zie ik dan ook wel, dat dit een der oorzaken van de kwijning, en van het zoo straks reeds, met een enkel woord, door mij genoemde verval onzer Vereeniging is geworden? Alle eenzijdigheid wreekt zich zelf, en zoo ging het ook hier. 't Is misschien maar goed, dat van die laatste jaren de aanteekeningen ontbreken, en dat er slecht werd genotuleerd. Het radicalisme maakte zich, bij monde van enkelen, van het debat in onze vergaderingen meester. Nog heugen mij, uit die dagen, de lofredenen op de wijsbegeerte van het Positivisme, en eene ontvouwing der stelsels van Comte en Littré. Alleen van de uiterste linkerzijde, zoo meende men, was het heil te wachten. quot;Van Scholteu en anderen heette het, dat zij de uiterste consequentiën van hunnen eigen stellingen niet aandurfden. Dit beviel aan velen niet. De vergaderingen werden steeds schaarscher bezocht. Wie, die niet in alles met zulk eene uiterste richting kan meegaan, hoort ook gaarne de beschuldiging tegen zich gericht, van maar tot //de halvenquot; te behooren, en niet veel meer dan een medelijdend schouder-ophalen waard zijn? Ik zelf bezocht, in dien laatsten tijd, de vergaderingen niet meer. En zoo is het geschied, dat, in het jaar onzes Heereu 1872, de Hoorn-sche Predikanten-Vereeniging hare laatste vergadering hield, en, bij gebrek aan genoegzame deelneming, de rustige rust van een schijnbaren doodstaat inging!
IV.
//Schijnbaarquot; zeg ik. Onze Vereeniging had toch de oude liefde van vele van hare vroegere leden niet verloren. Men betreurde het, dat de zaken dien loop hadden genomen, en
17
sprak de wenschelijkheid van opnieuw samen te komen uit. Die wensch werd daad, cn den 10 October van het jaar 1878 (dus zes jaren later) kwamen, onder leiding van Cats Wor, acht belangstellenden samen, tot voorloopige bespreking en regeling der zaak. Wat wilde men? Eene nieuwe Vereeni-ging stichten? In dat geval zouden wij heden ons veertigjarig bestaan niet kunnen herdenken. Maar ik lees in de aanteekeningen van genoemde voorloopige bijeenkomst, en ik constateer het met blijdschap: ./de vergadering besluit, de oude Predikanten- Fereeniging te doen voortbestaan, met aanvaarding van haren activa en passiva, doch met ontwerping van een nieuw reglementquot;.
Onze Vereeniging was dus als de schoone Slaapster geweest, wachtende slechts op de aanraking van den toover-staf van den prins, die haar tot een nieuw leven zou doen ontwaken. Of wilt ge, zij was ondergegaan, maar om nu, als een Phenix, uit hare asch te herrijzen. Misschien dunkt u deze laatste beeldspraak wat stout, 't Is waar, de oude geestdrift kon niet zoo terstond, in al de afmetingen van vroeger, weer ontwaken. Maar als ik u zeg, dat de eerstvolgende vergadering, in April 1879, reeds door twintig leden werd bezocht, en de presentielijst sedert gemiddeld op een getal van tusschen de twaalf en twintig opgekomenen wees, meenen wij reden te hebben, om, zoo al niet dankbaar en voldaan, dan toch tevreden te. zijn. Ik mag mij van de taak ontslagen rekenen, u nu ook nog uitvoerig de geschiedenis van die tien laatste jaren te verhalen. Dit alles ligt nog versch in het geheugen, en de meesten uwer hebben die campagne-jaren medegemaakt. Genoeg, dat, onder de leiding van de daartoe achtereenvolgens aangewezen Voorzitters: Oats Wor, Harting, Kniphuisen, Ter Plegt en Bakker, nevens de Secretarissen: Wijbrands, Garpentier Alting, Post en Schuurman, de samenkomsten geregeld werden gehouden, en
14
ule Christ et la Consciencequot;, (later gevolgd door Gouda Quint's daartegen gerichte dissertatie over ,/Jezus Christus, als den zoivleloozequot;), in twee achtereenvolgende bijeenkomsten de vraag: //in hoeverre staat of valt het Christelijk geloof met de aanneming of verwerping der volstrekte zondeloosheid van Jezus?quot; Nog werd door Prins de Jong de aandacht gevestigd op de vraag: //in hoeverre de gemeente van den kansel met de resultaten der nieuwe richting zij bekend te maken?quot; Doch ik mag zoo niet voortgaan, 't Is duidelijk: er was eene nieuwe strooming iu onze Predikanten-Vereeniging gekomen. Toen dan ook het straks reeds door mij genoemde plan, tot oprichting var. eene //.llgemeene Nederlandsche Predikanten-Vereenigingquot;, was ter sprake gebracht, stuitte ditj behalve op het reeds door mij genoemde, vooral ook af op het bezwaar, dat de zaak minder kans van slagen zou hebben, nu het voorstel daartoe uitging van onze Ver-eeniging, als liggende deze onder de verdenking van zware heterodoxie! Er was trouwens wel eenige aanleiding toe,
Niet dat de praktische vragen of die van eene meer al-geineene strekking, in dien tijd, geheel uit het oog zouden zijn verloren. Onder de tijdvragen trokken die over het //Darbysmequot;, en over de (toen reeds ten ondergang neigende) //wereldlijke macht des Pausenquot; de aandacht. â De homiletiek was aan het woord in referaten over het ,/impro-viseeren op den kanselquot;, en over //populair predikenquot;; catechetiek in de door Snellebrand ingeleide vraag, over //ie waarde van en de meerdere uitbreiding te geveu aan het onderricht in de kerkgeschiedenis, bij het godsdienstonderwijsquot;. â Over het geheel gingen zelfs de praktische vragen toen echter reeds niet geheel meer om buiten de theologie, maar deed de laatste daarop haar invloed gevoelen. Ten bewijze noem ik u een beoordeelend verslag van Tieinlle's, toen pas verschenen âManuel d' instruction religiensequot; â , debatten over
vJo catechese op Modern standpuntquot;, over //de Modernen en het Zendelinggenootschapquot;, en over het //begrip van Kerkquot;, naar aanleiding van Pierson's geruchtmakende brochure, die de Kerk door vrije vereenigingen, een soort van godsdienstige séances, vervangen wilde hebben, waartegen Reville toen juist, in een warm pleidooi voor de oude Kerk der martelaren, zijn //Jeruzalem, zoo ik u vergete!quot; had doen hooren.
Zoo leefden wij hier met onzen tijd mee. Of de theologische wetenschap echter wel niet wat veel aan het woord was, ten koste van hetgeen eene Predikauten-Vereeniging toch eigenlijk bedoelt en zijn moet3 Oordeelt zelf uit deze staalkaart van vragen, voorkomende op de agenda uit dien tijd: //wordt 2 Corinth. VIIl: 9 de prae-exislentie geleerd?quot; Over //de Parousie in het Mattheus-Evangeliequot;; //leert de vierde Evangelist het reëele voorbestaan van den Logos?quot; over //de waarde van de Clementinen voor de kennis van het oudste Christendomquot;; Kenan's //leven van Jezusquot;; van denzelfden //de Apostelenquot;; Schenkel's //Characterbild Jesuquot;; Keim's hypothese, en Straatman's forsche tckst-revisiën van Paulus' brieven enz. enz
Cij ziet, de tloornsche Predikanten-Vereeniging was zoo zoetjes aan op weg, om een godgeleerd gezelschap te worden. De strijdvragen en theelogische geschillen traden daarbij niet het minst op den voorgrond, 'quot;t Zal u genoegen doen te vernemen, dat zich daaronder toch ook, nu en dan, meer irenische stemmen deden hooren, zooals in de door Knappert ingeleide vraag; //hoe openbaart zich de overeenstemming van geest in de Christelijlie ICerk, en wat kan er gedaan worden, om haar te bevorderen ?quot; of in die van De Roode: «is er, bij alle verschil van inzichten, toch ook niet veel overeenstemming in hoofdzaken bij de onderscheiden richtingen in de Neder-landsch Protestantsche Kerk ?quot;
Intusschen, het feit lag er toe. Wij waren de baan der
16
theologie ingestuwd, en dan laat dat een mensch zoo spoedig niet weer los! Zie ik dan ook wel, dat dit een der oorzaken van de kwijning, en van het zoo straks reeds, met een enkel woord, door mij genoemde verval onzer Vereeniging is geworden? Alle eenzijdigheid wreekt zich zelf, en zoo ging het ook hier. 'i Is misschien maar goed, dat van die laatste jaren de aanteekeningen ontbreken, en dat er slecht werd genotuleerd. Het radicalisme maakte zich, bij monde van enkelen, van het debat in onze vergaderingen meester. Nog heugen mij, uit die dagen, de lofredenen op de wijsbegeerte van het Positivisme, en eene ontvouwing der stelsels van Comte en Littré. Alleen van de uiterste linkerzijde, zoo meende men, was het heil le wachten. quot;Van Scholten en anderen heette het, dat zij de uiterste consequentiën van hunnen eigen stellingen niet aandurfden. Dit beviel aan velen niet. De vergaderingen werden steeds schaarscher bezocht. Wie, die niet in alles met zulk eene uiterste richting kan meegaan, hoort ook gaarne de beschuldiging tegen zich gericht, van maar tot ,/de halvenquot; te behooren, en niet veel meer dan een medelijdend schouder-ophalen waard zijn? Ik zelf bezocht, in dien laatsten tijd, de vergaderingen niet meer. En zoo is het geschied, dat, in het jaar onzes Heeren 1872, de Hoorn-sche Predikanten-Vereeniging hare laatste vergadering hield, en, bij gebrek aan genoegzame deelneming, de rustige rust van een schijnbaren doodstaat inging!
IV.
//Schijnbaarquot; zeg ik. Onze Vereeniging had toch de oude liefde van vele van hare vroegere leden niet verloren. Men betreurde het, dat de zaken dien loop hadden genomen, en
17
sprak de wensohelijkheid van opnieuw samen te komen uit. Die wensch werd daad, en deu 10 October van liet jaar 1878 (dus zes jaren later) kwamen, onder leiding vau Cats Wor, acht belangstellenden samen, tot voorloopige bespreking en regeling der zaak. Wat wilde men? Eene nieuwe Vereeni-ging stichten? lu dat geval zouden wij heden ons veertigjarig bestaan niet kunnen herdenken. Maar ik lees in de aanteekeningen van genoemde voorloopige bijeenkomst, en ik constateer het met blijdschap: âde vergadering besluit, de oude Predikanten-Fereeniging te doen voortbestaan, met aanvaarding van haren activa en passiva, doch met ontwerpintj van een nieuw reglementquot;.
Onze Vereeniging was dus als de schoone Slaapster geweest, wachtende slechts op de aanraking van den toover-staf van deu prins, die haar tot een nieuw leven zou doen ontwaken. Of wilt ge, zij was ondergegaan, maar om uu, als een Phenix, uit hare asch te herrijzen. Misscliien dunkt u deze laatste beeldspraak wat stout, 't Is waar, de oude geestdrift kon niet zoo terstond, in al de afmetingen van vroeger, weer ontwaken. Maar als ik u zeg, dat de eerstvolgende vergadering, in April 1879, reeds door twintig leden werd bezocht, en de presentielijst sedert gemiddeld op een getal van tusschen de twaalf en twintig opgekomenen wees, meeuen wij reden te hebben, om, zoo al niet dankbaar en voldaan, dan toch tevreden te. zijn. Ik mag mij van de taak ontslagen rekenen, u nu ook nog uitvoerig de geschiedenis van die tien laatste jaren te verhalen. Dit alles ligt nog versch in het geheugen, en de meesten uwer hebben die campagne-jaren medegemaakt. Genoeg, dat, onder de leiding van de daartoe achtereenvolgens aangewezen Voorzitters: Cats Wor, Harting, Kniphuisen, Ter Plegt en Bakker, nevens de Secretarissen: Wij brands, Carpentier Alting, Post en Schuurman, de samenkomsten geregeld werden gehouden, en
18
hier menige belangrijke vraag ter sprake werd gebracht. Wel spiegelden zich. daarin ook nu de tijdverschijnselen, beide op maatschappelijk eu wetenschappelijk gebied, af. Voor de criti-sche, kwamen nu meer de wijsgeerige en sociologische vragen aan de orde. In referaten, als die van Post â over ,/armenzorgquot;, en over den //predikant tegenover de sociale uooden en eischenquot;, alsmede in Snellebrand's beschouwingen naar aanleiding van Quak's //sociale rechtvaardigheidquot;, werden zeker wel zeer actueele onderwerpen behandeld. Op godgeleerd gebied was het de Ethische richting, ons door Van der Linde in hare verschillende nuances ontvouwd, en de Lobman-hypothese (ik herinner u Haverkamp's referaat over //Christelijke godsdienstprediking en de jongste critiekquot;), die onze aandacht bezig hielden. Gij ziet het, de Hoornsche Predikanten-Vereeniging kon hare oude liefde tot de theologie niet verloochenen. Ten bewijze noem ik u nog van Carpentier Alting; over //het zelfstandig bestaan der mensche-lijke ziel, van het standpunt der exacte wetenschappenquot;; Gorter's verslag eener studie over yde onsterfelijkheids-hypothese, iu verband met de evolutie-theoriequot;; het //min of meer aanwijsbare eener grenslijn tusschen Kanonieke en apo-crijfe Evangeliënquot;, en zooveel meer. Toch giug het niet zoo sterk, als wel vroeger, om uitsluitend theoretische beschouwingen. De praktijk kwam meer tot haar recht. Bruinwold Riedel brak eene lans voor den ,/Nederlaudschen Protestantenbondquot;, en Van der Meulen prees de yweezen-verplegiug in het huisgezinquot; aan. Kerkelijke vragen werden besproken, hetzij meer in het algemeen, als //der Modernen |)licht tot meerdere deelneming aan den arbeid van het Nederlandsche Zendelinggenootschapquot;, en, op catechetisch gebied, //onze verhouding tot het Supranaturalisme des Bijbels, bij het Godsdienstonderwijsquot;, of ook wel, waar het tijdvragen op dit gebied gold, over: ,/gemeente-autonomiequot;, het welbekende
19
//voorstel Fledderusquot; enz. Ik kan ook hier slechts het voornaamste noemen. Een sterk sprekend voorbeeld zeker, dat met de tijdvragen rekening werd gehouden, (of stond men hier misschien aan de grens van 'i streven naar 't actueele?) leverden Schuuring's beschouwingen over //Sexueele Moraal en het Malthusianismequot;.
Ik ben hiermede aan bet einde van mijn overzicht gekomen. In welk eene bonte rij ging daarbij veel en velerlei aan ons nadenken voorbij ! ïe belangrijker, voor wie dit alles mede heeft doorleefd, en zich nu rekenschap geeft van den veelbewogen tijd van die laatste veertig jaren. Vatten wij alles samen, en maken wij de slotsommen op; mij dunkt wij mogen getuigen, dat de Hoornsche Predikanten-Vereeni-ging niet te vergeefs veertig jaren heeft bestaan en gewerkt. Met hare jongere zuster, de Alkmaarsche Predikanten-Ver-eeniging (nu haast tien jaren oud), heeft zij de eer van Noord-Holland, wat betreft het samenleven en samenwerken van ons predikanten, opgehouden.
Ik wil hier niet (al is die manier ous predikanten anders zoo vreemd niet) met eene toepassing eindigen. Toch â //his-toria vitae in agist raquot;, dat gelde ook hier, en kan misschien voor het voortbestaan onzer Vereeniging, eenige gewenschte vrucht afwerpen. In die drie elkander opvolgende phasen, waarin ik u haar schetste, ligt menige vingerwijzing. Eerst waren wij (laat mij het nu zoo maar noemen,) eene kerkelijke vergadering; eene Predikanten-vereeniging in den ouden, eigenlijken zin des woords. Menige vraag, ons ambtelijk leven betreffende, kwam hier ter sprake. Als ik u zeg, dat, in die dagen, onze vergaderingen met gebed geopend werden, dan was dat zeker geheel in het kader, en niemand onzer, die er anders aan gedacht, of het anders zou gewenscht hebben.
20
Daarna werden wij een theologisch gezelschap, eene godgeleerde debating-club. De eenzijdigheid had kwijning ten gevolge, eerst in de laatste tien jaren, door vereeniging der beide elementen, het wetenschappelijke en het praktische, gedeeltelijk overwonnen. Ik geloof dan ook, dat de praktijk van het Predikanten-leven in onze vergaderingen niet te zeer op den achtergrond moet treden. In liefde tot de wetenschap wensch ik voor niemand onder te doen. Maar een mensch zal toch ook alleen bij dit brood niet leven! Laat ons niet vergeten, dat niet allen, vooral zij niet, dia met een druk ambt zijn bezwaard, zich altijd even gemakkelijk op de hoogte van soms zoo ingewikkelde en splinterige theologische kwesties kunnen stellen. En ook deze moeten wij behouden en trekken. Laat er meer gedachten wisseling plaats hebben, ook naar aanleiding van praktische vragen, en het zal eene Vereeniging als de onze, naar haar oorspronkelijk doel, zeker ten goede komen.
Of zouden wij haar niet noodig hebben? Die vriendschap-pelijke en broederlijke samenkomsten, die, afgescheiden ook van het dadelijk nut, dat zij afwerpen, ons nader tot elkander brengen, en ons de gelegenheid geven, elkander hier van tijd tot tijd te ontmoeten? Ik acht dat voorrecht niet gering. Niet gaarne zou ik het hier een beroemd man nazeggen , dat //in ons isolement onze kracht ligtquot;. Ik dank aan de Hoornsche Predikanten-Vereeniging zoo menig aangenaam en genotvol uur; zoo menig mij later lief gebleven kennismaking; hetzij in onze vergaderingen, hetzij aan den eenvou-digen maaltijd daarna, die, schoon niet altijd even druk bezet, nu toch ook al, sedert 1851, tot het menu onzer vergaderingen behoorende.
't Was mij daarom eene aangename taak, ook in weerwil van de bezwaren, van welke ik in den beginne sprak, u dit overzicht te mogen aanbieden. Zal ik het u daarbij behoeven
21
te zeggen ? Weemoedig stemde mij ook soms het doorbladeren van die oude notulen- en acteboeken. Wat breede rij van vrienden, die reeds zijn heengegaan! Ik dacht aan Steen-meijer's overschoone inleiding tot zijne nBrieven over ck Kansehoelsprekendheidquot; waar hij nog eens al de oude vrienden, hem voor en na ontvallen, aan zijne verbeelding ziet voorbijtrekken.
Maar ik wil zoo niet eindigen. Als de oudste in uw midden, uit ik den wensch : laat ons de broeder- en vriendschapsbanden sterken, ook tusschen ouderen en jongeren! En zeker, zoolang het mij vergund wordt, zal ik gaarne de mij nog overige krachten ook ten dienste dezer Vereeniging stellen, en zal, met u, tot mijne liefste wenschen behooren:
da hloei der Hoornsche Predikanten- Fereeniging!
Abbekebk, A. MAAGH KNIPHU1SEN.
â¢3 Juni 1889.
?fef4amp;S