^ondagavoiidiircn
KCET TEKCXJIS-
TWBEDE TIENTAL SCHRIFTBESCHOUWINGEN
J. VAN BEIJEREN.
ZONDAGAVONDUREIST
in
BiBUOTHEEK NEO. HERV. KERK
'S-GRA.VENHAGE,
Firma H. J. GEKKETSEX.
HET TEHUIS.
TWEEDE TIENTAL SCHRIFTBESCHOUWINGEN,
door
J. VAN BEIJEREjNj__
schenking uit de
bibliotheek van h.m. de koningin
LEIDEN: BOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN N1FTERIK HZ.
VRIENDELIJKE LEZER!
Aangezien al de hoeJcwerlcjes van mijne hand zijn uit-verJcocht, en mij van verschillende zijden verzocht werd de â Zondagavondurenquot; te laten herdrukken, besloot ik liever een tweede tiental in het licht te geven.
Mogen de boeltjes even spoedig geplaatst, en met even veel zegen als het eerste tientul worden gelezen.
Het boekje zij bovendien voor menigen bezoeker van het Tehuis in vroeger of later tijd, een aangename herinnering aan onze van God gezegende Zondagavonduren.
Vw Heilwenschende Vriend,
J. VAN BEIJEREN.
's-Gravenhage, 1 October 1887.
INHOUD.
Bladz.
1. Ziet Hij komt!...................... 5
2. De Paradijsbelofte....................11
3. De God Israels, de Heiland................20
4. Alles nieuw geworden..................30
5. God is liefde.......................35
6. De Godsopenbaring op Thabor...............43
7. De merkwaardige aanraking................54
8. Liefde het eerste en grootste gebod............66
9. Hoe Simon Jona's zoon aan de hand van Jezus Petrus werd. 75 10. Een avondwandeling met Jezus Christus..........83
Ziet Hij komt!
MALÃAC1I1 3:1.
Toespraak gehouden op den Iste» Advend.
Vier duizend jaren lang is er één gebed gebeden, met be-wnstheid door Israël, onbewust door de heidenen; hel groote Advendsgebed: »Odi of Gij uwe hemelen scheurdel en dat Gij naderkwaamL!quot;
Vier duizend jaren is er op een Verlosser, een Heiland, een Zaligmaker gewacht en gehoopt, naar Zijne komst verlangend nilgezien, in Zijne komst geloofd, en geslacht aan geslacht is in dat geloof gestorven. Geheel het Oude Testament gelijkt mij op eene onafzienbare rij geloofshelden die als Jakob zich geschikt hebben om le sterven, maar met het woord op de lippen: »Op uwe zaligheid wacht ik o Heer.
Het is niet meer vier duizend, maar nu vier honderd jaren voor Christus: daar staat de laatste der profeten van den Ouden dag en verheft zijne stern om de komst van den lang verwachten Messias te melden.
liet volk van Juda is uit zijne ballingschap verlost, naar Jeruzalem wedergekeerd, heeft stad en tempel herbouwd, maar wie Salomo's tempel gezien hebben weenen, omdat de
(i
nieuwe tempel niet zoo schoon zal wezen als de eerste.
Ilaggaï en Zacharia hebben liet volk reeds vertroost met profetiën heenwijzende naar de komst van den Messias, door Daniël en anderen vroeger voorspeld. Maar Maleachie komt inzonderheid met de blijmare duidelijker dan iemand ooit te voren. Alzoo zegt de Ileere Heere: Ziet ik zend mijnen Engel, die voor mijn aangezicht heen den weg bereiden zal, en snellijk zal tot zijnen tempel komen die Ileere dien gijlieden zoekt, te weten, de Engel des verbonds, aan welken gij lust hebt; ziet Hij komt, zegt de lieer der Ileirscharen.
God zou dus weder een Engel zenden om eene nieuwe openbaring eene nieuwe boodschap des heils tot zijn volk te brengen; dat hadden de Engelen ten allen tijde gedaan; maar de Engel, die nu stond te komen, had eenen geheel eenigen last en zending, hij moest de Heraut, de wegbereider zijn van den grooten Koning die komen zou; en Maleachi zegt van Hem dat Hij nu snellijk zal komen.
Hij zal komen tot zijn tempel.
Hij zal komen dien men heeft gezocht.
Hij zal komen als Engel des verbonds.
Hij zal komen aan wien Gods volk lust heeft; en het is niet een mensch, ook zelfs geen profeet, ook geen Engel uit den hemel, maar de Heer der Ileirscharen die het zegt: Ziet Hij komt! O heerlijk vreugdewekkend woord: Hij komt!
Is liet wonder dat do moed herleefde, do hoop vermeerderd, liet geloof versterkt, de blijdschap overvloedig word? is hot wonder dat de gemeente van Christus de laatste vier weken voor het Kerstfeest »Ad vendquot; heeft genoemd?
Dio vier weken herinneren aan de vier duizend jaren van Adam lot Christus, aan de vier honderd jaren van Maleachi af tot 's Hoeren komst in het vleesch. Die vier weken dienen om de gemeente er bij te bepalen wie Hij is die komen zou.
7
en tot welk doel Hij komen zou: om zoo le meer te waar-deeren dat Hij gekomen is.
Gode is een eeuw één uur, één dag als duizend jaren, en wien zijn Geest is ingevaren, meet de afstanden, als Hij, met Goddelijken blik.
Bij den vier duizendjarigen Advend vergeleken, kan Maléachi wel van het laatste tijdperk als van een korten tijd spreken, en zeggen «snellijk zal Hij komenquot;, toch duurt dal «snellijkquot; voor het vervuld is, nog vier honderd jaren.
En welk een vierhonderd tal; het omvat den geheelen lijdens-tijd onder Antiochus Epifanes, den strijd van de Macabeeuwsche helden. Voorwaar voorwaar, voor de morgen des heils aanbrak, werd het eerst nog éénmaal nachtelijk duister; maar in dien lijdensnacht blonk als een noodster, als een ster der hope, de belofte uit den mond van Maléachi: «Ziet Hij komt snellijk tot zijn tempel.quot; Nu was het toch maar goed, nietwaar, dat die tempel was herbouwd door Zerubabel; al was die tempelbouw ook eerst in zijne oogeii geweest, gelijk aan eenen groo-ten berg vol moeielijkheden.
Maar bepalen wij ons eerst tot dat woord «tempelquot;. De Heer zal komen tot zijn tempel; laat ons zien wat dat in zich sluit. God wil zich zeiven een tempel bouwen en schept daartoe de aarde als voorhof voor alle volken die geboren zullen worden; maar in de landstreek Eden daar wordt het Heilige gevonden, en in die landstreek Eden den Hof dien wij gewoon zijn hel Paradijs te noemen; daar is het Heilige der Heiligen, daar woont God. daar kent men Hem aan den wind des daags, daar spreekt het Eeuwige Woord door wien alle dingen gemaakt zijn tot de menschen in wie Hij zijne vermakingen vindt.
Maar de slang is in het Paradijs gekomen, de zonde in de wereld, de dood in het menschenhart; en de tempel van Jehova werd een woonplaats des satans, de tempel van God
8
werd verwoest en een kuil van moordenaren. Kaïn doodde zijnen broeder, en Lamecli doodde een jongeling om een buil en een man om zijne wonden; en voor Ada en Zilla liezong hij de kracht van zijn zwaard waardoor Kaïn zevenvoudig gewroken zou worden. Toch wil God een tempel op aarde.
Uit alle geslachten verkiest Hij zich het geslacht van Abraham, uit alle volken het volk van Israël. Dat volk in zijn geheel is de voorhof, de stam van Levie is het Heilige, de Hoogepriester in Israël is het Heilige der Heiligen, en het volk dat dit alles begrijpt, zingt in latere tijden »des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze, wij zijn Abrahams zaad, wij zijn Mozes discipelen.quot;
lu het midden van dat volk staat eerst de tabernakel der woestijn, dan de tempel van Salomo, en eindelijk na de Babylonische ballingschap de tempel van Zerubabel; maar als de Heer eindelijk komt tot zijn tempel is er een snoer van touwtjes noodig, want liet huis des gebeds is huis van koophandel geworden. En als Hij later dienzelfden tempel binnentreedt, en andermaal het snoer van touwtjes te baat neemt, dan is het huis Gods een moordenaarskuil geworden, want Pilatus heeft het bloed der Galileërs met het bloed van hunne offers gemengd.
De Heer is gekomen, de lang verwachte; Hij is gekomen tot het Zijne, tot Zijn tempel, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Voor Hem was bij zijn komst geen plaats in de Herberg, slechts een kribbe en een stal was voor Hem beschikbaar bij zijne geboorte. En hoewel Hij het land is doorgegaan goed doende, en genezende alle krankheden en kwalen onder het volk, ja hoewel Hij de dooden heelt levend gemaakt, men tracht niet alleen Hem, maar ook Lazarus te dooden. Er was een Lazarus opgestaan uit de dooden, maar de broeders van den rijken man lieten zich niet gezeggen. Het leven van den Christus eindigt aan een kruis, en de
9
menschheitl heeft zich andermaal als een Kaïn aan Abel vergrepen, en de handen met broederbloed bevlekt. Nu staat Rome gereed op den drempel. Hij die de wellust van het nienschdom werd genoemd, komt stad en tempel verwoesten, het volk verstrooien en Rome bouwt een triumfboog voorden verwoester van de Heilige Stad. Israël zit nu reeds vele dagen zonder koning of vorst, zonder tempel of priester, zonder opgericht beeld ja, maar ook zonder Ephod, het is een volk geworden verdeeld en verstrooid onder allo volken, en allen volken tot een vloek, terwijl liet een licht der wereld had moeten zijn en worden.
En toch wil God een tempel. Allo tempels mogen zinken. Hij bouwt tempels in don Geest, on de verworpen Stoon wordt oen Hoofd des hoeks. Jezus Christus wordt de rotsteen dor behoudenis voor alle geslachten, de hoofd- en hoeksteen van het groote Godsgebouw door don Opporbouwheor door allo lijdon voortgezet en in den dag van Jezus toekomst voleindigd.
Ue Heer zal komen, zoo klonk het woord van Maléachi en Hij kwam in het vleosch. Deze Jezus zal alzoo komen, klonk het woord der Engelen van den top des olijfsbergs, en Hij kwam in don Geest. Wol kunnen nu allen tot Hem komen, maar toch de gemeente wenscht bij Hem te zijn en bidt reeds achttien eeuwen: Amen ja kom Heore Jezus! en Hij antwoordt: »Zie ik kom haastiglijkquot;. Voorwaar, voorwaar wij zijn achttien eeuwen dichter bij Zijne wederkomst, en voor ons geldt hot woord in dubbele mate: »Zic ik kom haastiglijk!quot; en als Hij wederkomt worden de volken die in het licht van de Godsstad wandelen hot Voorhof. Hot bekeerde Israël als priester-volk wordt het Heilige; en do Gemeente, do bruid dos Lams, wordt hot Heilige der Heiligen waar God woont. Het woord van Maléachi hooft voor ons dubbele betoekenis. Jezus komt! 'lij is gekomen, altijd voller wordt het licht. Do gemeente weet hot: »Do Hoer zal komen. Hij zal komen tot zijn tem-
10
pel.quot; Vrede zal er zijn op aarde, vrede ook onder de dieren des velds, vrede Uisschen Juda en Israël, vrede lussclien de Gemeente en de wereld, want alle volken komen buigen voor Davids zoon op Davids troon, de Engel des verbonds, de Engel waarin Gods naam is, de mensch Jezus Christus. Hij zal komen; gelukkig als liet van ons gelden mag «aan denwelken gij lust hebt.quot;
Want wie zal den dag zijner toekomst verdragen en wie zal bestaan als Hij verschijnt. Hij zal zijn als bet louterende vuur van den goudsmid, en als de reinigende zeep van den voller. Niet eer zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem hem zoet wezen, voordat de kinderen van Levie gereinigd zijn. De redder wordt eenmaal rechter, en in dien dag zal Hij zelf ten oordeel naderen en een snel getuige zijn tegen de toovenaars entegen de overspelers, en tegen dengene die valschelijk zweert, en tegen degenen die den loon der daglooners met geweld inbonden, en tegen degenen die bet recht verkeeren van den wees, de weduwe en den vreemdeling; kortom, tegen allen die Mij niet vreezen, zegt de Heere der heirscharen.
O als Hij tegen ons getuigt, Hij die alle dingen weet; op duizend vragen zullen we niet één kunnen antwoorden. Welzalig bij die in zijn rechter zijn redder zal vinden. Welzalig hij die bevonden zal worden een levende steen te zijn aan het levende Godsgebouw, waaraan zoo min de eenvoudige vloersteen als de sierlijke muursteen mag ontbreken. De Heer komt! Hij komt tot zijnen tempel. Hij komt de Engel des verbonds, Hij komt aan wien gij lust hebt. God geve dat dit laatste woord golden moge van u en van mij, dan zullen we niet beschaamd worden in Zijne toekomst, maar den Heer des tempels aanschouwen tot Zijn tempel komende, om bet buis Gods te vervullen met zijn heerlijkheid. Amen.
De ParadijslDelofte.
GENESIS 3:13.
Noem mij cén woord mijne hoorders waardoor meer weemoedige herinneringen worden opgewekt, maar waardoor ook de schoonste verwachtingen voor het oog des geloofs worden ontsluierd dan door liet woord «Paradijsquot;.
Waarschijnlijk van Perzischen oorsprong, is dit woord door de Joden overgenomen, Het beteekent letterlijk «lusthof en komt volstrekt in Genesis niet voor, maar wordt toch in hel Oude Testament éénmaal gevonden, en wel in Hooglied 4 :13. In het Nieuwe Testament komt hel woord Paradijs, of hel Grieksche »Paradeisosquot; driemaal voor in figuurlijken zin als verblijfplaats der gelukzaligen. Hel eerst in do lijdensgeschiedenis, als de Heer aan den hoetvaardigen moordenaar belooft: lieden zult gij mei mij in hel Paradijs zijn. Later komt bel woord voor in 2 Cor. 12:4 als Paulus zegt opgetrokken geweest te zijn in het Paradijs; en eindelijk vinden we hel woord Paradijs nog eenmaal in Openbaringen 2: 7 waar de Heer aan de gemeente te Epheze zegt: Die overwint Ik zal hem geven le eten van den boom des levens die in hel midden van het Paradijs Gods is.
12
Hoewel dat woord nu niel éénmaal in het Scheppingsver-haal Afoorkomt, slechts éénmaal in letterlijken zin in het Oude, en driemaal in figuurlijken zin in het Nieuwe Testament; toch hebben we dat woord zoo lief, en blijven den hof van Eden steeds het Paradijs noemen; omdat die schoonste van alle lusthoven op aarde, de bakermat der menschheid geweest is, en als zoodanig steeds blijft voortleven in de gewijde herinnering van alle volken en van iedere menschenjeugd.
Dr. J. II. Gunning heeft eenmaal gezegd «het schoonste Proza is nog maar de afval van de Poëzie; aan dat woord gedachtig, ontleen ik gaarne aan onzen vaderlandschen dichter Ten Kate de volgende beschrijving van het Paradijs.
Omhoog door een mantling van rotsen omgeven.
Daar schuilt, daar ontluikt, uit de groenende sprei
De kroon en het hart van de hemelsche dreven.
Een lustoord der almacht, een woudervallei.
Wat immer de zinnen verrukt en de zielen.
Met geuren, en kleuren, of lijnen, of klank,
't Is al hier bijéén, waar een Engel zou knielen.
Om de aarde te kussen in spraakloozeu dank!
In 't West â draalt de zon aan een wolkloozen hemel;
In 't Oost â slaan de starren den vreugdenhof ga:
De bodem omlaag bootst het starrengewemel
In 't Prachtmozaiek van zijn bloemknoppen na.
De boschjens doorstrenglen elkaar tot één tente.
Met klimop en rozen te zamen gestrikt.
Doorstroomt met de lucht eener eeuwige lente.
Die rein alles reinigt, en 't leven verkwikt;
Door 't slaperig loover beur koelte doet spelen.
Het zand uit de bloem schudt, den graankorrel zaait,
De dauwpaarlen rijgt aan de dorstende stelen,
13
En trilt van Muziek, die ,haar treft, waar ze waait. Muziek, uit de (oppen der murmlende Ceders, Uit palmen en mirten, doorruisclit nacht en dag Van schomlende nestjens en klapprende veders.
Van 't tortelgekir en den nachtegaalslag.
Muziek uit de waatren nu nedergeschoten In schuimenden val, dan, als zilver zoo klaar Eén springenden straal, ginds in beekjens vervloten, Die fluistren en lisplen, als roepen zo elkaar.
Zij kabblen in schaüw van gehoomt uit wier schorsen Welriekendheid wasemt, of honigzeem dauwt;
Wier takken gebukt door den last dien ze torsen Een vruchtenoogst wiegen van goud, groeiend goud. En tusschen do takken, daar wandelt, daar slingert De wijnstok alom, met zijn groengeele huif.
En huwt er den olm aan den dartelen wingerd. De sneeuw van d'Amandcl, aan 't purper der druif. Zoo ergens de wereld één plekje kan toonen.
Te rein voor de zonde, te schoon voor den dood. Een beeld van het land waar de zaligen wonen, O Erzurums beemden 't is hier in uw schoot.
Hoe jammer niet waar dat in dat schoone Paradijs de slang is ingekomen? Niet de slang in den natuurlijken zin, maar de slang in geestelijke beteekenis, de oude slang de Duivel. Die vijandige macht bestond; en kon haar invloed doen gelden, daarom gebood God aan Adam, dat hij den hof moest bebouwen en bewaren.
Een klein meisje op de zondagschool zeide zeer naïef: «maar Adam had ook Eva moeten bewaren en hij liet haar alleen, toen snoepte zij van den appel. Dat kinderlijk woord is waar; God inspireert vaak onze kinderen om ons groote waarheden
14
te leeren. De vrouw is eerst verleid, niet de man, toch begint tie val bij ons stamhoofd Adam.
De slang is een schepsel Gods, even wonderbaar geformeerd als ieder ander schepsel. Is de slang listig? Andere dieren zijn hatelijk, haatdragend, wreed, toornig, wellustig, vraatzuchtig en wat niet al? Noem mij één zonde die door menschen bedreven wordt, tot de zelfmoord toe, en er is een dier aan te wijzen waarin dat kwaad hoofdtrek, ja hartstocht kan genoemd worden.
De mensch is na zijn val samenvatting van al wat kwaad is, maar wordt door Gods genade bij zijne wedergeboorte samenvatting van al wat goed is. En al dat goede vindt ge óók, verbrokkeld, wel is waar, in de dierenwereld terug, tot zelfs de zich zeiven opofferende liefde in den Pelikaan die zijn jongen voedt met zijn eigen bloed.
Ook de slang heeft haar goed zoowel als haar kwaad. De schoonheid van Gods schepping wordt ook in hare schitterende kleuren geopenbaard; en is de harmonie eene dochter des hemels; voor maat en melodie is de slang zelfs zeer gevoelig. Elke ondeugd die in haar wordt gevonden is slechts afspiegeling van het kwaad wonende in den onzichtbaren verleider onder wiens macht zij gekomen is.
Hoe men betwijfelen kan of de slang heeft gesproken is mij een raadsel. Elk schepsel heeft zijn eigen taal, die zeker voor de eerste menschen verstaanbaar was, toen zij God kenden aan den wind des daags; en evenzoo zullen alle stemmen der schepping wel weder voor de menschen verstaanbaar zijn in de wederoprichting aller dingen.
Gelukkig heeft God in zijne groote genade vijandschap gesteld tusschen den mensch en zijn verleider, waar de mensch in de dwaling zijns harten vriendschap gesloten had.
Maar toch, de slang is op het tooneel dezer wereld geko-
15
men en speeU hare rol in de schepping meesterlijk. Elk jaar worden er honderden vogelen, dieren, menschen, en duizende kinderen door slangen gedood; vooral in Engelsch Indië, Maar ook in de geschiedenis heeft de slang hare heteekenis gekregen. De oude slang, de duivel, heeft het zoover gebracht, dat sommige volken de slang als eene godheid vereeren en aanbidden.
De Scandinaviërs die »Ortnudsquot; den god des lichts aanbaden, kenden toch ook »Ahrimanquot; den god der duisternis en offerden aan den god des kwaads, óók al geloofden zij dat Sosiosch de zoon der maagd eenmaal geboren zou worden om Ahriman te overwinnen, en de eeuw van bloed en ijzer te doen plaats maken voor eene eeuw van vrede en geluk.
Maar ook in de profetie heeft de slang hare beteekenis gekregen. De stervende Jakob zegt in zijnen zegen over de stammen Israels van den stam »üanquot; het volgende: Dan is een slang, een adderslang aan den weg, bijtende in des paards verzenen zoodat de ruiter achterover valt. En dan laat de aartsvader terstond het schoone woord des geloofs daar op volgen: Op uwe zaligheid wacht ik o lieer! Zóó zijn verraad en zaligheid saam vereenigd in den zegen des Aartsvaders, evenals zij vereenigd zijn in het lijtien en sterven van Jezus Christus. Judas Is-karioth, dat is de man van Karioth, dus uit den stam van Dan, wordt de verrader van den Zoon des menschen Jezus Christus, van wien de Psalmdichter zegt; Rijdtvoorspoediglijk op het woord der waarheid en der rechtvaardigen zachtmoedigheid, o Held, en uwe rechterhand zal uw vreeselijke dingen leeren. liet woord der waarheid, dat is het witte paard uit »De Openbaringquot; waarop Christus rijdt; dat paard wordt door de adderslang in de verzenen gebeten, Judas verraadt zijn Meester en de ruiter valt, de Christus sterft, maar der slange kop wordt vermorzeld.
l(i
Er is door geheel de geschiedenis der menschen een slangenzaad en een vrouwenzaad aan le wijzen. Reeds in de eerste zonen van het menschenpaar wordt dit openbaar. Kaïn staat met zijn doodelijk hrandhout tegenover Abel, evenals de latere volken staan tegenover Israël. De Egyptenaren verdrukken, de Moabieten verleiden, de Midianieten vernederen, de Assyriërs teisteren, de Babyloniërs overweldigen, de Romeinen vertreden Israël. Waarlijk, waarlijk, Israël is door alle lijden henen hel lijdende volk van God, de lijdende knecht des Heeren, en het behoeft ons niet te verwonderen dat de Joden in onzen tijd elke Messiaansche voorzegging op Israël toepassen.
Israëls lijden is heenwijzing naar het lijden van Israëls Koning. Tegen hem vergaderden beide Ilerodes en Pontius Pilatus om te doen al wat God te voren bepaald had. Zij waren instrumenten van de oude slang die het vrouwezaad de verzenen ging vermorzelen, maar om zelf den kop vermorzeld le worden.
De Paradijsbelofte is wel aanvankelijk maar (och heerlijk vervuld geworden.
Het woord hetwelk den nacht van Eden heeft verhelderd, en van der Schepping morgenstond tot den ondergang dei-eerste wereld de harten der menschen heeft getroost, verlicht, gesterkt, bemoedigd; datzelfde woord heeft den strijd der eeuwen geteekend. Niet alleen de strijd der eeuwen vóór maar ook na Jezus Christus. Dloedstroomen hebben gegutst, brandstapels gerookt. Christenen zijn geradbraakt, geroosterd, verdronken, verbrand, maar toch hun bloed werd het zaad der kerke, de slangenbeet werd gevoeld, maar der slange kop werd verpletterd. Verpletterd door het zaad der vrouw en zóó wordt ons in de Paradijsbelofte de heerlijkheid des Heeren gepredikt.
De Heer moest lijden, nameloos lijden, vermorzeling der
17
verzenen, in zoo uilgehreiden zin dat wij het ons niet kunnen doordenken; maar nadat Hij heeft geworsteld in het stof van Gethsemané, als een vloek hangende aan het kruis heeft geklaagd: Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? is toch het woord van verlossing voor den lijdenden Verlosser, het trinmfwoord voor God in den hemel, hef woord van zaligheid voor de menschen op aarde vernomen: Het is volbracht! Ik zal vijandschap zetten. God zij dank en eere! dat is geschied. Do mensch doet de zonde en haat toch ook weder het kwaad, tenzij hij als Kaïn, Ezau en Judas tot het slangezaad behoore. En dan nog hoort ge van Kaïns lippen: Mijn misdaad is grooter dan dat zij vergeven worde, ik zal dolende zijn op aarde, en al wie mij vindt zal mij doodslaan. Dan nog hoort ge Ezau's bittere klacht: «Zegen mij, ook mij mijn vader, hebt ge dan niet meer dan eenen zegen? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En dan nog hoort ge Judas in wanhoop jammeren: Ik heb verraden onschuldig bloed.
God zij dank en eere, de diepste achtergrond van ons wezen is God. Het is terecht gezegd: De ziel des menschen is Christin van nature, daarom vindt onze ziel ook geen rust dan in God alleen.
Ik zal vijandschap zetten tusschen u en deze vrouw. Dat woord is geloofd, op die belofte is gehoopt, en bij de geboorte van haren eersteling heeft Eva gejuicht: Ik heb een man van den Heere verkregen. Arme, arme moeder, uw zoon is niet de slangvertreder, maar een slangezaad; niet uw beloofde Verlosser, maar een broedermoorder. In de weemoed uws harten hebt ge uwen tweeden lieveling «Abelquot; dat is ijdelheid genoemd, en wal zal u overblijven als ge uwe beide kinderen verliezen zult op éénen dag? Niets dan de Paradijsbelofte die den nacht van Eden verhelderen kon, en opnieuw den nacht uws harten verhelderen zal, als in Seth u een nieuw zaad
18
gezet wordt, dat God zal vreezen en het in handel en wandel in woord en daad zal toonen het woord van God te verstaan. Ik zal vijandschap zetten tusschen u en deze vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad, dat zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen. Abel is jong gevallen, zijn levensloop was vroeg voleindigd, maar hij voer op als de arenden en onder de Cherubims was hem een plaals bereid. In het betere Paradijs was hem een plaats bereid; daar was hij de eerste mensch; de vertegenwoordiger van alle menschen die als Abels zielen hem zouden volgen.
En riep zijn bloed van de aarde om wraak, eenmaal zou het bloed van den waren Abel vloeien, het bloed van den Grooten Herder der schapen hetwelk om barmhartigheid roept, en blijll roepen totdat de laatste Ahelziel is binnen gekomen. Zoo is in de Paradijsbelofte die Edensnacht heeft verhelderd, waarin de strijd der eeuwen werd geteekend, ook do heerlijkheid van Jezus Christus gepredikt.
Ue weg van het hoofd is de weg van de leden, de weg van den Godmensch is de weg van de menschen Gods.
De Paradijsbelofte wijst de bestemming aan der menschheid.
Allen die Godzalig willen wandelen zullen verdrukt worden; houdt u dan niet vreemd over de verdrukking die over u komt u ten goede, want alzoo is het gegaan met uwe broederen die voor u geweest zijn. Maar weet het ook dat gij meer dan overwinnaars zult zijn door Hem die u heeft liefgehad. Hij zegt wel: »in de wereld zult gij verdrukking hebbenquot;, maar Hij laat er op volgen: «Hebt goeden moed Ik heb de wereld overwonnenquot;. Wij hebben met een overwonnen vijand te doen. De slangenkop is vermorzeld, alleen slaat hij nog met zijn staart, en bij dien staart zal hij gevat worden door den Zoon des menschen, aan liet einde der tijden, als de menschheid hare bestemming bereikt heeft, en God door
1!)
Christus alles zal geworden zijn in allen. De zegepraal der toekomst is verzekerd.
De Vader heeft gezegd: Het is volbracht. De Zoon heeft geroepen: Het is volbracht. En de Heilige Geest zal zeggen: Het is geschied. De Koninkrijken dezer wereld zijn geworden van onzen God en van Zijnen Christus!
Voorwaar! voorwaar!
Als de Heere God in allen.
En in allen alles is;
Dan zal quot;t licht zijn.
Eeuwig licht zijn.
Licht iii,t licht en duisternis.
In de taal des hemels is het woord «vijandschapquot; onbekend, daar worden geen verzenen meer vermorzeld, daar buigt zich elke knie voor Jezus, daar belijdt iedere tong Hem als den Heer, lot heerlijkheid Gods des Vaders. En die hemelsche toestanden worden overgebracht op de aarde, dan met den hemel vereenigd; het kind van God verlangende naar dien heerlijken schoonen dag der toekomst bidt: Amen, ja kom Heere Jezus! En juicht met den dichter van den 104lkl1 Psalm; De zondaren zullen van de aarde verdaan worden en de goddeloozen zullen niet meer zijn. Looft den Heer mijn ziel. Hallelujah!
In dien dag zal de Paradijsbelofte tot hare vervulling zijn gekomen. Verhaast dien heildag Heer! en houdt ons bereid voor uw toekomst. Amen.
De God Israels, de Heiland.
Jesaja 43:13.
«Niets zonder arbeidquot;, deze en dergelijke spreuken stonden in vroeger tijd op de gevels der huizen te lezen. Dat spreuken op de gevels plaatsen is nu wel geen mode meer, maar de waarheid van deze spreuk is aan geen mode onderworpen.
De diepte der wetenschap eischt studie, de rijkdom der natuur vraagt onderzoek, en om de diepten Gods te leeren kennen is er noodig een leven des gebeds.
Men vindt geen diamanten aan de boomen, geen goud op de aarde, geen paarlen in het slijk, maar goud en diamanten haalt men uit de aarde en paarlen uil de diepte der zee.
Zoeken is noodzakelijk maar niet onvruchtbaar, want nog altijd geldt het woord van den lieer: zoekt en gij zuil vinden.
God is een God die zich laat vinden, ja, die ons zoekt eer wij naar Hem vragen; en wie in waarheid zoekt is eigenlijk reeds gevonden.
Wat God ons laat vinden is goddelijk, schoon en altijd verrassend. Maar wij zoeken vaak op de verkeerde plaats; wij zoeken in het Oosten wat gevonden wordt in het Westen. Wij zoeken hel geluk heneden terwijl het alleen boven ge-
21
vonden wordt. God laat ons zoeken, opdat wij door vinden zalig zonden worden, en meer zouden zoeken en steeds meer zonden vinden, want God is eene eeuwige Bronwel van alle goed.
Hoe meer wij Gods woord onderzoeken, hoe meer liet ons duidelijk wordt, dat er eene eeuwigheid noodig is om den eeuwigen God te kennen. Zijn Zoon in alle openbaringen te zien, Zijn woord in ieder opzicht te verstaan. Gode zij dank, er is voor dit alles een eeuwig leven geschonken. Gods wezen is een geopenbaarde verborgenheid. Zijne openbaring is gelijk aan een diamant zoo groot als de aarde. Zijn woord is gelijk aan liet kristal, waarvan elk gedeelte, wanneer ge het geheel stuk slaat, evenveel passen vertoond als het geheel vertoond heeft. Zoo is de Bijbel in zijn geheel het Woord van God en als geschreven Woord photografie van het vleeschgeworden Woord. Daarom vindt ge overal den Christus terug. In de dagen der schepping, in het leven en de daden der Aartsvaders, in de geschiedenis van Israël, in het leven en in de werkzaamheden van Mozes en Jozua, in de namen en bet werk der richters, in Israels wetten, feesten en oilers, in Psalmodie en Profetie. O, ik zou wenschen over dit onderwerp een boek vol te schrijven, want ik zocht en vond om nu eeuwig te zoeken en te vinden, mijn Heiland en lieer.
Voorwaar, voorwaar. Hij is een God die zich verborgen houdt en toch, de God Israels, de Heiland; dat is, de God die zich verborgen houdt is toch de God der Openbaring. Want God is verborgen door hetgeen Hem openbaart. De natuur zegt ons wat Hij is, maar niet wie Hij is. De natuur openbaart Hem, want van de Schepping der wereld afaan wordt Zijne kracht en goddelijkheid uit de schepselen verstaan en doorzien, en toch, de natuur verbergt Hem. want de heidenen zoeken of zij God lasten of vinden mochten.
Ten Kate, »in de zevende zang van zijn schepping,quot; zegt:
Met de midd'len, mot de wegen
Van zijn wijsheid, van zijn macht, Komt de Algoede zijn geslacht
Op den hangen dwaalweg tegen. En daar straalt een spoor van zegen
Door de wanorde en den nacht. Wat al kreten Hem bestormen.
Door den wanklank ongestoord.
Werkt de Vader liefdrijk voort.
En in duizendvoude vormen.
Kleedt Hij Zijn welsprekend woord.
Leesbaar staat het aan dien hemel, Met zijn ongerimpeld blauw
Lovend de onbezweken trouw. Met zijn vonklend stargewemel,
Prijzend als op d' eersten dag 't Eenig en Alhoog Gezag.
Hoorbaar klinkt het uit de stroomen. Uit de velden, uit de hoomen,
In een eindloos lofkoraal.
Want het schepsel al te maal
Houdt niel op zijn God le roemen Ieder in zijn eigen taal
AVO den naam des Scheppers noemen. Lente schrijft Hem op de bloemen
Met een gouden zonnestraal;
Zomer kranst Hem met festoenen,
Vol van blozende overvloed;
En als knop noch bot meer groenen,
Weeft de winter voor uw voet In zijn sneeuwkleed; »God is goed!quot;
23
Zoo is de natuur eene Godsopenbaring, maar ongenoegzaam lol onze zaligheid.
In eenen anderen zang heeft de dichter gesproken van Gods Voorzienigheid.
Daar wandelt door uw heiligdom Een ongeziene Macht,
Een goddelijke Kracht,
Ze gaat als door heur werkplaats om.
Ze schept, herschept, bewerkt, bereidt.
't Is â de Voorzienigheid.
Zijt ons gezegend, Groote God!
Uw zorg, Uw raad, Uw hand.
Schikt alles in verband;
Elk leven met zijn levenslot.
Elk heden met zijn jongst verleen.
Elke eeuw met eeuwigheên.
En toch is die Voorzienigheid ongenoegzaam tot ons heil, Avant waar zij ons God openbaart, wordt Hij toch ook door haar verborgen gehouden. Wij zien bergen en dalen, bosschen en stroomen, bloemen en planten, visschen en vogelen, dieren en menschen, door God geschapen en onderhouden; alles wordt bestuurd met wijs beleid en we roepen uit: God is groot! maar we moeten er bijvoegen: »wij begrijpen Hein nietquot;.
De Vader werkt alles verborgen in de pijllooze diepte der eeuwigheid; de Zoon komt het werk des Vaders in den lijd openbaren ten aanschouwe van de aarde en den hemel, en de Heilige Geest voltooit met onzichtbare werking het werk des Vaders en des Zoons, óók in het hart des menschen en voert den zondaar als een verloste de zalige eeuwigheid in.
Dal er een zalige hemel is werd ons geopenbaard; waar
24
dezelve gevonden wordl bleef ons verborgen. De hemel is een plaats voorzeker, maar ook een toestand, en een klein meisje uit Engeland zeide eenmaal wel terecht; »'t verschil is waarlijk niet zoo groot, op aarde of in den hemel.quot; Hare van vreugde stralende oogen bewezen dat bij het uitspreken van die woorden de hemel woonde in haar hart. Toch moeten we met die toestand niet vergeten dat de hemel evenzeer een plaats is. Bij ons sterfuur zullen we echter eerst weten wat ons nu nog bleef verborgen.
Onze God woont in den hemel en Hij doel al wat Hem behaagt, Jezus Christus is opgenomen in den hemel tot de wederoprichting van alle dingen; toch komen beiden woning maken bij biddende harten die in de waarheid willen blijven.
Jezus Christus zeide: Het is u nul dat Ik heenga; en bij des Geestes komst hebben we hel nul van dat heengaan verslaan en kunnen er voor danken; maar wij danken ook voor liet woord: Zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.
Hij ging heen en we zijn van Hem gescheiden, dat is waar, maar we zijn slechts van Hem gescheiden door een wolk, waarop Hij straks weder komt, dat is gelukkig niet minder waar. God hield zich verborgen en toch ook Hij openbaarde zich in de natuur, in de geschiedenis en in de H. Schrift.; in de geschiedenis der menschen zoowel als in de geschiedenis der wereld en in de geschiedenis van hel Godsrijk op aarde. God bleef verborgen, maar heeft zich toch geopenbaard in den persoon en hel werk van Christus, en door Zijn Woord en Geest in de Gemeente, en door die Gemeente wederom aan de wereld. Voorwaar, Hij is een God die zich verborgen houdt, maar Hij heeft zich geopenbaard in Scheppingsrijk, geestenrijk, en Godsrijk, en Hij zal geopenbaard worden in de volheid der heidenen, in de zaligheid van Israël, in de verheerlijking der
Gemeente, in do opstanding der menschen, in het heil van alle verlosten, in hel nieuwe Jeruzalem, op de nieuwe aarde, in den nieuwen hemel.
Verborgen hleef God, maar elk leven en lot zijn woorden der groote openbaring. Gods rechtvaardigheid en genade zijn leesbaar in de geschiedenis van Adam, de gemeenschap tusschen God en menschen in Ilenochs leven, de trouw en de ontferming in Noachs redding. Hij is een God die zich verborgen houdt, maar toch de God Israels, de God der openbaring. Ja, de God Israels en juist als zoodanig de God der openbaring, want Hij openbaarde zich aan Abraham en zijn nakroost als God de Almachtige, als Ileere der Heirscharen, als God des Verbonds. Hij openbaarde zich door Zijne wonderen in Egypte, straks door het schelden van de Schelfzee, door de wetgeving op Sinaï, waarop de geheele geschiedenis van Israël berust. Frederik de Groote zeidc lol zijnen vromen Generaal von Ziethen; Mijn waarde Generaal, geef mij één kort afdoend bewijs voor de waarheid van den Bijbel. De Generaal stond op en naar buileii wijzende zeide hij: Sire, ziedaar een jood. Dat was waarlijk goed gezegd, want aan de joden heeft God zich geopenbaard ; in de woestijn door zegeningen en straffen, door manna des hemels, door water uit de rotssteen, door vuur uit de aarde, door hel zwaard van Amelek, door het sterven van Jozef, door het leven van Mozes, door de overwinningen van Jozua, door den zegen geschonken in de richters, door den vloek over Saul.
God openbaarde zich aan David in den strijd, aan Salomo in den vrede. Hij wilde zich openbaren aan Israël en door Israël aan de volken, maar Israël heeft Zijne roeping niet begrepen en niet volbracht, door de afsluiting van de wereld waarvoor het een licht, waarvoor het de Godsopenbaring moest geweest zijn. Dal maakte Christus' komst nog meer noodzakelijk. In
2C
het verborgen maakt God liet plan gereed voor schepping, verlossing eu verheerlijking, in het openbaar wordt dat Godsplan volvoerd.
De Schepping alleen reeds openbaart Gods wijsheid onmeetbaar als het Heelal, Zijn grootheid ondenkbaar als de Eeuwigheid, Zijn goedheid hoog als de Hemel, Zijn liefde onpeilbaar als de Oceaan.
Toch aanschouwt gij Zijn wijsheid in het planetenstelsel. Zijne grootheid in de microscopische bewoners van een waterdruppel, Zijne goedheid in elke sneeuwvlok, Zijne zorgende liefde in de onderhouding van het kleinste insect. God verkiest zich uit de geslachten der oude wereld één geslacht dat in de ark wordt geborgen en gered, en uit dat geslacht wordt eenmaal de Redder geboren die daar neder ligt in de kribbe van Bethlehem. Uit alle volken wordt één volk uitverkoren, in Abraham verborgen, tot openbaring gekomen in al zijn luister onder Salomo's bestuur.
God denkt in den hemel aan Israël en verlost het op aarde uit Egypte. De God die zich verborgen houdt is de Gods Israels, de Heiland geworden. Hel heilsplan in de eeuwigheid beraamd wordt in de volheid des tijds door den Heiland uitgewerkt, die ons een eeuwig heil verwierf aan het kruis.
God zij eeuwig dank en eere! De mensch is wel gevallen, maar redding werd aangebracht; genade vergeeft de zonde om niet. In een nieuw zaad is een nieuw leven der menschheid geschonken toen de eeuwige Godsgedachte vleesch werd. God spreekt en het is er, zóó was dat zaad ook aanwezig bij Gods belofte aan Eva, het ging voort door Sem, werd door Abraham van verre gezien, door Jacob stervende vermeld, door eiken vrome geloofd, door eiken zanger bezongen, dooi' eiken Godsgezant voorspeld, uit Maria geboren. De God die zich verborgen houdt, de God Israels, is de Heiland van zondaren, de Redder
27
der wereld, de Vorsl des vredes, de sterke God, de Vader deiquot; eeuwigheid. Hij liondl zicli verborgen, maar wordt in Zijne openbaring door liet geloof aanschouwd als de Heiland. Hij wordt geboren in een stal, Hij woont in Nazareth, zwerft rond door Palestina, vernacht op de bergen, heeft, geen peluw voor het hoofd, wordt gesmaad door de joden, bespot door de heidenen en sterft aan een kruis. Toch is het Schepsel in de kribbe de Schepper van het Heelal, de Zuigeling van Bethlehem is de Rechter die komt op de wolken. Ue knaap in den tempel is de Zoon des eeuwigen Vaders, de worm in Getsemané is de Koning der Schepping, de gevangene van Gabbatha is de Koning van het Godsrijk, de kruiseling van Golgotha is de Koning der eeuwen; maar â de God die zich verborgen houdt, de God Israels, de Heiland.
Die arm werd is de rijkdom der gezaligden. Hij die diende is aller meester, Hij die gast was is aller gastheer, Hij die dorstte geeft het levende water. Hij die hongerde is het ware manna. Die smarten leed is de Heer onze heelmeester, die stierf aan het kruis is het leven zelf. Godslasteraar werd Hij genoemd, toch is hij de Koning der waarheid. Ue gevloekte Nazarener is de gezegende des Vaders; voor den verachte door allen buigt zich straks elke knie, als elke tong zal belijden dat Christus de Heer is, de God die zich verborgen houdt, de God Israels, de Heiland.
Zijne gemeente is Zijn lichaam, geredde zondaren zijn Zijne leden, maar zij zijn verborgen als Hij zelf. Hoor niets onderscheiden onderscheiden zij alles; menschen als alle andere menschen vertoont hun wandel het kindschap Gods. Bedelaars zijn ze, toch koningen, onreinen toch priesters, dwazen in eigen oog, toch wijzer dan menig profeet. Men noemt hen verleiders, toch zijn ze waarachtigen. Zij sterven en ziet zij leven, zij worden getuchtigd, maar hun dood is kostelijk in Gods oogen. Zij zijn
28
droevig toch altijd blijde, arm maar velen rijk makende, niets hebbende toch alles bezittende, want de God die zich verborgen houdt, de Gods Israels is hun Heiland.
Als zij buigen in hel stof stijgen zij biddende op ten hemel, men sleurt hen door het slijk toch is hun wandel hier boven, vandaar verwachten zij hun Heiland. Zij bidden: «Amen, ja kom Heere Jezus, kom haastelijk,quot; en ziet, Hij komt op de wolken, alle oog zal TIem zien, ook uw oog, ook het mijne, ook het oog dergenen die Hem doorstoken hebben.
Maar dan is Hij niet meer de God die zich verborgen houdt, dan is Hij niet meer de Heiland, maar de Rechter op de wolken die het verborgene kent, die het hart doorziet, die de nieren proeft. Dan is Hij niet meer de God Israels, niet meer de Zaligmaker der heidenen, niet meer de Heiland. Dan is Hij niet meer te zoeken, niet meer te vinden, dan is het voor eeuwig te laat. Te laat om te bidden, te smeeken, gered te worden. Voor eeuwig te laat! O, de eeuwigheid, waar zult gij ze doorbrengen? «Eeuwigheidquot;, verstaat ge dat woord? het is een donderslag voor de goddeloozen, het is hemelmuziek voor Gods kinderen. De fabel van Promotheus, aan de rots gekluisterd en eiken dag van gieren de lever doorknaagd, is een Hauw beeld van het lijden der verlorenen. O, onbekeerd hart, zoek toch naar Jezus, opdat gij ook vinden moogt den God die zich wel verborgen houdt, maar die toch is de Heiland.
Zoek niet in de natuur, gij vindt er wel Gods almacht, grootheid en wijsheid, maar niet den God dien gij behoeft. Zoek niet in u zeiven, want ge vindt er onmacht en ellende, dwaasheid en doemwaardigheid, zonde en schuld, smet en gruwelen. Goddeloosheden zult gij vinden, maar niet God uw Heiland. Zoek niet in de geschiedenis, ge vindt er heidensche wijsheid, menschelijke dwaasheid, helsche gruwelen, duivels bedrog, maar niet de God der openbaring, uiet uw Heiland.
29
Zoek het niet hij menschen, ge vindt er redeneeringen van een verstand dat verduisterd is, het zijn ellendige troosters. Zoek liet niet hij de vromen, ge vindt er vele gebreken, veel oneenigheid, veel onheiligheid, veel verschil van gevoelens en meeningen, het zijn zwakke vertroosters. Zoek het niet in uwe werken, want ze zijn niet vol maar bedorven, wegwerpelijk voor den God die zich verborgen houdt, de Heiland. Zoekt llcm en leeft! de Heiland en niemand anders. Zijn heil en niets anders, zoekt en gij vindt.
Zuekt Hem in Zijn woord, in Zijn huis, op Zijn troon. Zoekt TTem in uwe binnenkamer. Zoeken is hier vinden, wie zoekt is reeds gevonden en zal straks juichen: Zie, God is mijn heil! ik zal vertrouwen en niet vreezen, want de Heer is mijn sterkte en mijn psalm en Hij is mij tot heil geworden; dan slaat ge dankbaar het oog naar boven en zegt: Voorwaar, Gij zijt een God die zich verborgen houdt, maar toch zijt Gij de God Israels, de Heiland, ook mijn Heiland, Amen.
Alles nieuw geworden.
2 Corintiie d ; 17b.
Toespraak gehouden op den Nieuwe jaarsdag.
Het oude is voorbijgegaan, ziet het is alles nieuw geworden. Nadenkende over dit woord, ook in het verband waar het voorkomt, zeggen we: ja waarlijk.
Alles nieuw in de wereldgeschiedenis.
Alles nieuw in de geschiedenis des heils.
Alles nieuw in ons leven en lot.
In het groote Romeinsche rijk vierde men den Nieuwejaars-dag op 1 Maart en wijdde alzoo al de dagen des jaars door dansen, oilers en feesten aan Mars, den God van den oorlog. En waarlijk geen wonder, want Romulus, de stichter van Rome. had den God Mars tot vader gehad, en Rhea Silvia, een Ves-taalsche maagd, eene priesteres der aarde en van het huisgezin, die nooit mocht huwen, was hem tot moeder geworden. De eerste Januari, de dag der naamgeving van Jezus Christus, wijst terug op de geboorte van Hem, die den God des vredes tot Vader en de maagd Maria lot moeder heeft gehad. Hij kwam niet om het zwaard te trekken, maar om te zeggen: Steek het
31
zwaard in de schede, want allen die hel zwaard trekken, zullen door het zwaard vergaan. Hij stichtte geen rijk, gevestigd op bloed en ijzer; maar een vrederijk, in Zijne kruisliefde geworteld en gegrond. Hij stichtte niet de stad op zeven heuvelen die de groote hoer der aarde genoemd kan worden, dronken van het bloed van Gods heiligen; maar Hij bouwt door alle tijden heen de Godsstad, het hemelsch Jeruzalem, de Vrede-stichting, waarin ïïij als Vredevorst regeeren zal, eeuw uit, eeuw in, om Zijn naam waarheid te maken. Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst.
De dag van Zijne naamgeving, onze christelijke Nieuwejaars-dag, is nu gewijd aan den Koning der eeuwen, evenals op de vroegere Nieuwejaarsdag »Janusquot;, de God der tijden, met zijne twee aangezichten vereerd werd.
Vierde hel heidendom feesten op aarde die den hemel een walging moesten wezen? bij de geboorte van Christus ontsluit zich de hemel en de engelen komen op aarde zingen: Eere zij God in den hooge, vrede op aarde, in menschen een welbehagen ; en jaar aan jaar wordt het lied der engelen in Ephratha's velden door de kinderen en de ouderen met feestvreugde herhaald en hernieuwd.
De christelijke Nieuwejaarsdag, de dag der besnijdenis van Christus ten 8,t,:n dage, de eerste dag eener nieuwe week, is zinnebeeld geworden van het nieuwe leven na de aardsche lijdensweek. Zinnebeeld der aflegging van den ouden mensch om voortaan in nieuwheid des levens te wandelen. Die besnijdenis van Christus is de eerste borgtochtelijke daad, vergezeld van de eerste bloedstorting van Jezus Christus. Die besnijdenis is de opname van den mensch Jezus Christus, in het verbond van Gods genade als hoofd der gansche Gemeente, die Dij vertegenwoordigt voor God.
De naam Jezus Christus op den 'lsten dag des jaars uitge-
32
roepen over al de volgende dagen des jaars, doet de jaren worden, jaren onzes Heeren Jezus Christus, aan wien alle dagen gewijd moeten zijn.
Het jaar onzes Heeren Jezus Christus, ja, want door Zijne komst in de wereld, werd al het oude verouderd en alle dingen werden nieuw in de geschiedenis der wereld. Na Zijne komst werd eene nieuwe jaartelling ingevoerd. Eene kribhe en een slal zijn tot een paleis geworden, waar de Koning der eeuwen de geslachten der wereld audiëntie verleent, waar herders en wijzen, koningen en onderdanen elkander ontmoeten.
Een slavenhout der schande, een folterpaal, een moordschavot is middenpunt der wereldgeschiedenis, middenpunt der geschiedenis des heils, uitgangspunt van alle ware Godsvereering, verzamelplaats der Gemeente uit alle talen en volken geworden. Het kruis werd teeken van den vloek door de menschheid zich op den hals gehaald, teeken van Gods liefde voor eene verloren wereld, teeken der overwinning over het rijk der duisternis behaald.
Het kruis werd banier van Rome, onder den eersten chris-tenkeizer Constantijn door het Hoe Signum Vincit, door dit teeken zult gij overwinnen. Het kruis werd sieraad der tee-derslen, eereteeken voor den dapperste en verdienstelijkste. Vorsten zijn begonnen het te plaatsen boven hunne kronen. Dichters hebben het bezongen en door kunstenaars werd het op het doek getooverd of in marmer uitgebeiteld. De gekruiste is geworden Koning der Koningen en Heer der Heeren, want allen buigen voor Zijn zetel. Alles is nieuw geworden in de geschiedenis des heils, â⢠want de Godsopenbaring aan enkelen is tot allen gekomen.
Maakte God in vroeger jaren,
Jakob slechts Zijn woord bekend,
33
Nu wil Hij zich openbaren.
Zelfs tot 's werelds uiterst end.
Kall'er, Moor en Indiaan Bidden ook den Heiland aan.
Er is een volk Gods verdeeld en verstrooid onder alle volken, maar er is ook een Godsvolk uit alle volken verzameld. De muren waarbinnen bel Hebt van den gouden kandelaar lichtte zijn gevallen en bel licbt der openbaring schijnt nu over de breedte der aarde.
De duizende oilers hebben plaats gemaakt voor het groote oiler van Golgotha. De Goden der volken zijn gevallen voor het kruis als Dagon voor de arke Gods. Do profetie is vervuld, de schaduwen zijn verdwenen, de typen zijn werkelijkheid geworden, de tempel van steen en balken maakte plaals voor den tempel Gods in den geest, waarvan Apostelen en Profeten de grondslagen zijn en Jezus Christus de hoofd- en hoeksteen is geworden; al bet oude is voorbijgegaan, ziet, hel is alles nieuw geworden.
In plaats van in steenen tafelen schrijft God nu Zijn wet in vleeschen tafelen des harten; en was de weg der zaligheid, en waren de groote waarheden des Bijbels verzinnelijkt voorgesteld voor het vleeschelijk oog? het is alles nieuw geworden, óók in bet «zalig zijn zij die niet zullen gezien maar geloofd hebben.quot; Het oor is geestelijk, terwijl bet oog zinnelijk is. Nu is het geloof door bel gehoor en hel gehoor door het woord Gods. Als Hij Zijn goddelijk »Effalhaquot; spreekt, dan hooren wij en bewaren wat wij hooren. Dan wordt het verstand verlicht, het geweten verteederd, de wil vernieuwd, de zonde gekend en erkend, met tranen beleden, gebeden om vergeving, en straks in de vergevende liefde geloofd. Voorwaar, voorwaar, dan is alles nieuw geworden in ons, en rondom ons, en boven
3
34
ons. In ons, want wat een lust was wordt een last, wat een last was wordt een lust.
De erfwachter der hel is een erfgenaam des hemels geworden. Waren we eerst onder de macht van het bederf dat in de wereld is, nu worden we een zout omdat verderf te weren, en trachten te redden wat ons mogelijk zal zijn. Ons leven krijgt beteekenis voor ons zeiven, voor de wereld, en voor het eeuwig blijvend koninkrijk. En was eerst de hemel hoven ons gesloten, nu is het Paradijs ons geopend, en we weten dat in den hemel een Vaderhuis ons wacht, een Vaderhart voor ons klopt, waarheen eene trouwe vriendenhand ons geleidt. Alles nieuw door het groote nieuws: God heeft in den mensch behagen. Eenmaal wacht de nieuwe menschheid een nieuwen hemel, een nieuwe aarde, dan zal uit den mond der ongetelde schare van zaligen in het nieuwe lichaam nog eenmaal het schoone woord worden vernomen, wat. God geve het, hier ons laatste woord moge zijn; »het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.quot; Amen.
God is liefde.
1 Joh. 4 : 8''.
Geliefden! Laat ons elkander liefhebben, want de liefde is nit God; en een iegelijk die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde. Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijnen eenig geboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.
Ziedaar het verband u aangewezen, waarin het drietal woorden voorkomt, door ons tot tekst genomen. God is liefde. Drie woorden slechts, maar zij bevatten in zich eenen oneiudigen rijkdom en ondoorgrondelijke raadselen, waarvan wij u iets gaan aanwijzen.
Liefde, openbaart zich in de eerste plaats als goedheid door God aan Zijne schepselen betoond. In de tweede plaats als barmhartigheid in het zich nederbuigen tot het lijdende, ongelukkige, gevallene en zondige schepsel. In de derde plaats als genade, in het vergeven van schuld, en het onthellën van straf, en het schenken van geluk in plaats van vroegere ellende. Ten vierde als geduld, waar God aan zondaren tijd laat tot bekeering en de zwakken draagt in hunne zwakheden. Ten
3«
vijfde als lankmoedigheid in het uitstellen Zijner rechtvaardige stralTen en oordeelen, en waar Hij straft is het om te genezen, waar Ilij kastijdt, het is opdat wij Zijne heiligheid zouden deelachtig worden.
God is liefde â dat is geheel enal eenNieuw Testamentisch woord en dan nog wel een Johanneïsch woord. Hij is de Apostel der liefde.
De liefde Gods gaat over al het geschapene. De Heer is aan allen goed en Zijne barmhartigheden zijn over al Zijne werken. In het bijzonder gaat Zijne liefde over de menschen, maar ook dan nog inzonderheid over Zijne geloovigen. De Heer is een behouder aller menschen, maar allermeest Zijner geloovigen. Zij zijn Zijne kinderen, wier zonden Hij vergeeft, aan wie Hij Zijne weldaden bewijst, en die Hij de eeuwige zaligheid deelachtig maakt.
Maar boven alles en boven allen heeft God zichzelven lief, en builen zichzelven Christus, als zijn ander Ik. Hem had Hij lief van voor de grondlegging der wereld. Alleen om Christus wil kan God ons liefhebben; Hij heeft ons lief in Hem den geliefden Zoon Zijns welbehagens. De liefde Gods tot ons moet ons hart ontvonken tot wederliefde. Wederliefde, dat is de innige begeerte naar God en Christus als het hoogste goed om te bezitten, door ons geheel aan Hem over te geven. De ware liefde is. God niet lief te hebben om Zijne gave, maar om Hem zeiven, omdat Hij het allerlievenswaardigste Wezen is. Die liefde geeft vertrouwen en sluit de vrees uit. Zij is een welgevallen in Gods woord, Gods wegen, Gods wezen, Gods werken. En die liefde openbaart zich in gehoorzaamheid aan Gods bevel en haat tegen alle zonden. Zij openbaart zich in eenswillend-heid met God, ook in lijden, en in oprechte liefde tot den even-mensch. Die niet liefheeft die heeft God niet gekend, want God is liefde!
37
God is liefde, ja mijn ziel,
God is liefde, aanbid en kniel.
Hij wil u lot liefde wekken.
Al uw wanbedrijven dekken.
Met de vleug'len der gena God is liefde, ja, o ja!
Liefde, heerlijk woord, liefhebben, edele deugd; geliefd le worden, welk een genot; te kunnen liefhebben welk een zegen; van God ons geliefd te welen, welk een hemel voor het arme rnenschenhart.
Liefde, dat woord is een toon die weerklank vindt in het hart van God en van al Gods kinderen. God is liefde evenals Hij licht is en leven.
Menschelijke liefde voor God zien wij op Moria; Goddelijke liefde voor den mensch zien wij op Golgotha. »Alzoo lief heeft God de wereld gehad,quot; dat woord is het wonderwoord dei-eeuwen, een woord zóó rijk, zóó diep, zóó schoon, dat wij het op aarde slechts leeren spellen, maar in den hemel eerst zullen verstaan.
Plaats u onder het kruis van Golgotha, en hoor in de drie urigen duisternis het druppen van het bloed van Christus, en Zijne bange kruisklacht. Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? en Huister dan diep bewogen »het is al voor mij geschied,quot; dan zult gij iets verstaan van dit woord: God is liefde! Die liefde is hooger dan de hemelen, dieper dan de Oceaan, ruim als het heelal, oneindig als de eeuwigheid. Gij kunt die liefde niet begrijpen, maar wel er in verzinken, dat is, de zaligheid geheel uw wezen doen doorstroomen, en zij zal u een hemelling op aarde maken.
quot;Ziedaar de oneindige rijkdom u eeniger mate getoond.
Maar nu óók de ondoorgrondelijke raadselen.
38
Indien God liefde is, hoe kan Hij dan toelaten dat door eenen menscli de zonde in de wereld komt, en door de zonde de dood, en al de jammeren en ellende die over de aarde en door de menschenwereld heen golven? Waarom? God is liefde, en liefde laat zich niet opleggen, laat zich niet dwingen, zij kan niet in al haar schoonheid gezien worden zonder vrijheid.
Omdat God nu de hoogste liefde is, is Hij ook de hoogste vrijheid. Dat geschenk gaf Hij, ja moest Hij geven aan den mensch dien Hij schiep naar Zijn beeld.
De kroon van den koning der schepping kon in waarheid niet anders zijn dan vrije wederliefde voor de hoogste liefde.
Om vatbaar te kunnen zijn voor het hoogste geluk, moest de mensch ook noodwendig vatbaar zijn voor de diepste ellende.
Vrijheid is de koningswaarde die den mensch boven het slof, en boven alle andere schepselen verhief.
God dwong zelfs Adam niet om gelukkig te zijn. Hij dwingt u evenmin.
Gij zijl zoo vrij dat ge verloren kunt gaan als ge dat wilt, en zalig kunt worden als ge het waarlijk begeert. Maar weet het wel, als ge wilt verloren gaan zal hel u veel moeite kosten, terwijl gij kunt zalig worden uit genade zonder dal er van uwe zijde iels is te doen, want Jezus deed alles. Hel is volbracht. Nu de mensch is gevallen buigt Gods liefde zich nog dieper, om hel diepst gezonkene op te zoeken, en daardoor zich zeiven nog meer te verheerlijken.
De verlostte zondaar vermeldt meer dan de Engelen het kunnen dat God liefde is. De zaligheid van den verlosten zondaar is grooler dan die van Adam voor den val, en zij is zekerder ook, want zij is in Christus gewaarborgd. De groote Newton leidde in zijn jeugd een losbandig leven en werd matroos. Eenmaal als matroos des nachts op post zijnde had hij het volgende visioen; Een engel kwam tol hem om hem
3!)
de verzekering te geven van zijne zaligheid, en als onderpand daarvan, bood hij hem eenen gouden ring aan, stak hem die aan den vinger en verdween. Spoedig daarop kwam een ander bovenaardse!) wezen in een lichtgloed gehuld tot hem en zeide: gelooft gij nu dat deze ring het onderpand is van uw kindschap Gods? het is alles inbeelding en zinsbedrog, werp den ring van u in de diepte der zee. Newton deed alles wat hem bevolen was, maar hoorde op het zelfde oogenblik toen de geest uit zijne oogen verdween, een helschen schaterlach. Daar stond hij, in de diepste droefheid, overtuigd dat hij de dupe was der verleiding. Maar terwijl de tranen hem over de wangen stroomden en hij God om vergeving bad, kwam de eerste Engel weder lot hem, en zeide: wat hebt gij gedaan?gij hebt het onderpand van uw kindschap weggeworpen. Toen wierp de Engel zich in de baren, dook onder, en dook daarna weder op, met den ring in handen en sprak: van nu voortaan wordt gij in de kracht Gods bewaard tot de zaligheid die geopenbaard zal worden in den laatsten tijd. Dit visioen heeft ons iets te zeggen. Wij worden bewaard tot de zaligheid en de zaligheid wordt bewaard voor ons, daarom is ons heil zoo zeker.
Indien God liefde, is zegt de arme, waarom moet ik dan gebrek lijden, en tegenspoed verdragen zonder ophouden? waarom werd mij mijne lieve vrouw ontnomen? waarom ontnam God mij mijnen man, der kinderen zorgdragende vader? waarom moest ik mijn eenigst kind, de lust mijner oogen, mijn hoop voor mijn ouden dag missen? zoo vragen velen, en weder anderen betuigen: »Ik wil leven tot Gods eer en tol nut en heil van anderen, maar juist daarom begrijp ik niet waarom God mij een krank en zwak lichaam doel omdragen. Zwijg, o zwijg sterveling. God zegt: Ik heb het gedaan om u te leeren bidden, te leeren hopen, te leeren ge-
40
looven. Ik lieb het gedaan om u voor den hemel te vormen. Indien Ik u niet liefhad Ik zou u niet kastijden. God kastijdt geen bastaard maar zonen.
Een vader zeide op zekeren avond tot zijn zoontje dat hij niet meer op straat mocht gaan spelen, het was reeds wat laat; de knaap verliet echter toch de ouderlijke woning en vond op de straat spoedig een speelmakker, maar was toch niet gerust. Ik mocht niet meer uitgaan, zeide hij, als ik in huis kom zal ik straf krijgen. O, zeide de straatjongen, dat is niets, volg mijn raad maar dan slaat uw vader u nooit meer. Wanneer ge een klap krijgt moet ge zeggen: dat is er één, als ge er nog een krijgt, zegt ge dat is twee, krijgt ge er nog een, zeg dan maar dat is er drie, dan zal uw vader wel ophouden en ik wed dat hij u nooit meer slaat. Het kind kwam thuis, de vader strafte hem en de knaap zeide: dat is één, dat zijn er twee, dat zijn er drie. Toen hield de vader op en zeide: zoo jongen, ben je al zóó diep gezonken dat je mijn klappen telt? nu straf ik u nooit meer, maar gij zijt van dit oogenblik aan ook mijn kind niet meer.
Dat was te veel voor het kinderhart, de knaap viel op de knieën en riep o God! o God! toen kroop iiij naar zijn vader, omhelsde diens knieën en riep: Vader, sla me maar liever dood, maar laat me uw kind toch blijven.
De toepassing van dit verhaal is deze: De hardheid der liefde is juist hare teederheid. God zoekt niet allereerst ons tijdelijk genot, maar onze eeuwige behoudenis; Hij weet wat voor onze zaligheid noodig is, en daarom laat Hij ons liever gelijk Job wegzinken in de ellende, dan voor eeuwig verloren gaan. Maar, zoo gaan de vragers voort, indien God liefde is, waarom dan die pestilentiën, die oorlogen, die stormen, die onweders? Omdat het liefde van God is als Hij den dampkring zuivert, ook al wordt daarbij een schip of akker verwoest. En als Gods oor-
41
deelen op aarde zijn, loeren de volken der wereld gerechtigheid. Bij pestilenlien en oorlog worden er meer menschen lot God bekeerd, dan in tijden van gezondheid en vrede.
Als God liefde is, hoe kan Hij dan Zijne schepselen verloren laten gaan? voor eeuwig verloren voor de zonde van dit korte leven? Waarom? omdat God u liefde toont, u redding biedt, en gij nu uwe vrijheid misbruikt om die liefde te hoonen en de aangeboden redding te verwerpen. Met de eeuwige straf wordt gij gedreigd om u te waarschuwen en tol hekeering te roepen eer het voor eeuwig te laat is. Gods liefde laat het vonnis verkondigen om des te zekerder te behouden, wat behouden wenscht te zijn.
Schijnbaar zegepraalt de zonde, vooral op Golgotha. Hoe kan God Zijn zoon verlaten als God liefde is? Juist omdat Hij hem zóó liefhad gaf Hij hem over, om hem nu door alle eeuwigheden heen vreugde te kunnen schenken over de redding van millioenen zielen door Zijn dierbaar bloed.
Voorwaar, voorwaar, nooit had God Zijn zoon meer lief dan toen Hij hem liet sterven aan een kruis. Nooit had God ons meer lief dan toen Hij de wereld verzoende door den dood van Zijn zoon Jezus Christus.
Al de verlosten vormen te zamen de gemeente waarvan Christus gezegd heeft; Ik zal uwen lof vertellen in het midden van vele broederen, in eene groote gemeente zal ik u prijzen. Op den heuvel Golgotha worden alle raadselen van Gods liefde verklaard en het boek met zeven zegelen geopend. Daar zien wij in Gods licht het licht; daar wordt het licht over het verleden, het heden en de toekomst. De kruisheuvel met zijn Goddelijk Offerlam verkondigt aan al de verbaasde eeuwen, ja aan het gansch heelal, God is liefde! Dat kruis spreekt ook lot uw hart, die liefde wil ook uw hart veroveren en vervullen.
42
Sta Gods liefde niet legen, of gij kiest uzelven den dood.
In de liefde is het eeuwig leven.
Het werd gevonden, liet is gegeven.
Gegeven óók voor u.
O, hoor die hemelmuziek, dat troostwoord, dat Evangeliewoord, dat eenen ganschen Bijbel in zich bevat; »God is liefde!quot; Amen.
De Godsopenbaring op Thate.
Toespraak gehouden op den l^ten Trinitatus-Zondag.
Na de viering der drie groole christenfeesten, Kerstfeest, Paaschfeest en Pinksterfeest, komt de Trinitatus-Zondag om ons nog eenmaal te plaatsen bij de kribbe van Bethlehem, het kruis van Golgotha, en in de opperzaal te Jeruzalem bij de eerste christengemeente. Eerst hooren we in de fluistering des Geestes het woord: Gij weet do genade van onzen lleere Jezus Christus, die daar Hij rijk was arm is geworden, opdat gij door Zijne armoede rijk worden zoudt. Dan wordt ons het woord herinnerd: Hij die gestorven is voor onze zonden, heeft God opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. En eindelijk: niemand kan zeggen Jezus den Heer te zijn dan door den H. Geest, en zoovelen er door den Geest Gods geleid worden die zijn kinderen Gods.
Het vorige jaar mocht ik u bepalen bij de Apostolische zegenbede, laat mij ditmaal den christelijken kanselgroet mogen bezigen als tekstverdeeling, waar ik uwe aandacht ga bepalen bij de Godsopenbaring op Thabor, naar aanleiding van Mattheus 17 : 1â8.
Vergun mij, hel verband van deze tekstwoorden u aan le
44
wijzen en eenige opmerkingen over de gelezen Schi'iflwoorden te maken, om u daarna le bepalen bij de genade van Jezus Christus op Thabor geopenbaard.
De liefde Gods des Vaders op Tliabor ontsluierd, de gemeenschap des Heiligen Geestes op Thabor gesmaakt.
Mattheus 17 vangt aan met de woorden: En na zes dagen; laat ons dus zien wat er zes dagen te voren geschied was.
De Heer was gekomen in de deelen van Cesarea Filippi, een stad door den viervorst Filippus gebouwd, ter eere van Cesar Augustus en ter herinnering aan zijnen eigenen naam meteen. De stad was gelegen aan den voet van den Libanon, een berg, zoo schoon, dat do Arabier er van zeide: Hij draagt den winter op zijn kruin, den herfst op zijn schouders, de lente in zijn schoot en den zomer ligt aan zijn voet.
In die schoone landstreek was de Heer tot Zijne discipelen gekomen met de vraag: Wie zeggen de menschen dat Ik de Zoon des menschen ben? En de discipelen antwoordden: Sommigen zeggen dat Gij Johannes de Dooper zijt, die weder is opgestaan uit den doode.
We begrijpen dat dit gezegd werd door de Herodianen, omdat door Herodes werd gezegd: Dit is Johannes de Dooper dien ik onthoofd heb, hij is uit de dooden opgestaan, daarom werken zulke krachten in hem.
Anderen hadden gezegd: dat Hij Elias was, die naar luid der Profetie van Maleachie zal komen, eer de groote en vreese-lijke dag des Heeren komt.
Weder anderen, zoo zeiden de Discipelen, meenen dat Gij Jeremia zijt of ten minste één der Profeten. Maar nu komt de Heer met de alles beslissende vraag tot zijne Discipelen: maar gij, wie zegt gij dat ik ben? En Petrus spreekt uit aller naam de belijdenis uit, die de »Petraquot;, de rotssteen, der gemeente geworden is en door alle eeuwen zal blijven; Gij zijt
43
de Christus de zoon des levenden Gods! en hij mag uit zijns Meesters mond het woord vernemen: Zalig zijl gij Simon, zoon van Jona, want vleesch en bloed heeft u dit niet geopenbaard maar mijn Vader die in de hemelen is. En ik zeg u ook, gij zijt Petrus, gij zijl een rotsman, en uwe belijdenis is de Petra, de rotssteen waarop Ik mijne gemeente zal bouwen en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. Zie dat was geschied voor zes dagen, en nu werd na de belijdenis des geloofs de zegen des geloofs ervaren, en de heerlijkheid van Christus aanschouwd. Alleen na eenvoudig geloof en besliste belijdenis kan de zalige bevinding der Discipelen volgen.
De lieer nam met zich Petrus, Jacobus en Johannes, het goddelijk klaverblad des Nieuwen Testaments, dat ons geloof, hoop en liefde doet aanschouwen. De Evangeliën spreken ons van meer dan 500 broederen, van 70 Discipelen, van 12 Apostelen, en de Heer had allen lief, maar Petrus, Jacobus en Johannes had Hij toch bijzonder lief; zij waren bij de opwekking van Jairus dochtertje, zij mogen nu Zijn heerlijkheid zien op Tabor, en later tegenwoordig zijn bij Zijn lijden in Getsemané.
Hij bracht hen op een hoogen berg alleen; wij weten dat die hooge berg de Tabor is. De schoonste berg van Galilea, versierd met het weelderigste groen, zijn kruin verheffende in de wolken. Nergers vindt men zulk een grootsch en bekoorlijk uitzicht als op den lop van den Tabor. De berg heeft een omtrek van een uur gaans; in de vlakte van Jisrëel, nabij Nazareth en Kana wordt hij gevonden, en van den Tabor aansciiouwt men den Karmel, den Libanon, en den Ilermon, het gebergte van Samaria, de Middellandsche zee en de zee van Tiberias.
Op een hoogen berg â o wel terecht heeft onze dichter Ten Kate gezegd;
4G
De God des hemels mint de bergen dezer aarde.
En koos ze zich ter woon als 's aardrijks verste grens Waarop Hij nêerdaalt tot den inensch Die tot Hem opklimt........
Hij bracht hen op een hoogen berg alleen. Neen niet in het gewoel van de wereld, niet in het gewoel eener markt, maar met Jezus alleen; dan wordt de gemeenschap met Jezus gesmaakt, dan wordt Zijne heerlijkheid aanschouwd. Dat is genade. Do Heer werd voor hen veranderd van gedaante. Hij was echter van eeuwigheid wie Hij hier toonde te wezen: De Heer dor heerlijkheid. Zijn aangezicht blonk gelijk de zon; Hij is dan ook de zon der gerechtigheid, opgegaan over de wereld bij het vierde Scheppingsduizend, even als de zon in de natuur op den vierden dag. Zijne kleederen werden wit gelijk het licht; Hij is dan ook het licht der wereld, en bedekt zich met het licht als met een gewaad.
Daar ontsluit zich de hemel, en Mozes en Elia dalen neder op den Tabor. Mozes Israels wetgever en Elia Israels hervormer, maar Jezus is Israels Koning. Mozes de man der heiligheid, Elia de man der rechtvaardigheid, maar Jezus is de man der genade.
Mozes de man van Sinai met zijn bliksemen en donderslagen, Elia de man van Karmel met het verteerend hemelvuur; maar Jezus is de man van Golgotha, de groote schuldverzoener door Zijne genade.
»Heerquot; zegt Petrus bij het aanschouwen van Jezus heerlijkheid, «het is goed dat wij hier zijn, laat ons drie tabernakelen maken, voor U eenen, voor Mozes eenen en eenen voor Elia.quot; Het was den jongeren goed op Tabor. het was hun altijd goed bij hun Heer, maar nu bovenal. Met Jezus alleen te mogen zijn, Jezus heerlijkheid te mogen aanschouwen, de zaligheid des hemels
47
zich reeds op aarde door de ziel te voelen stroomen, dat is onuitsprekelijk groote genade.
Daar daalt eene wolk neder, en allen gaan in de wolk »op den hoogen Tabor was dit niets vreemds,quot; maar uit de wolk klinkt eene stem, de Stem des Eeuwigen Vaders: Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb. Hoort Hem!
i)e stem van Jezus te hooren; en door Hem des Vaders woord te leeren verstaan, den Vader te leercn kennen en liefhebben; zie dat is genade.
üe Discipelen werden bevreesd toen zij de stem van den driemaal heiligen God hoorden, maar Jezus liefde verbant onze vreeze. Bij hen komende raakte Hij hen aan en zeide: Staat op en vreest niet. Die vreest heeft pijn; die vreest kan Jezus niet in de oogen zien. De vrees moet door de volmaakte liefde buiten gesloten worden, opdat wij in kinderlijk vertrouwen, en met kinderlijke vreugde zouden roepen: Abba lieve Vader! zie dat is onuitsprekelijk heerlijke genade.
De Discipelen hadden den verheerlijkten Jezus aanschouwd, de gemeenschap met den volzaligen Jezus ervaren, nu leeren zij Hem als den algenoegzameu Jezus kennen, want als zij hunne oogen opheffen zien zij niemand dan Jezus alleen.
Jezus alleen, want Mozes en Elia zijn verdwenen. Jezus alleen, de algenoegzaine Jezus blijft hun over, dat is genade! O mijne vrienden daar moeten wij allen loe komen; de heiligheid Gods is geschonden, de rechtvaardigheid Gods eischt straf, maar genade treedt tusschen beide om beide voldoening te geven. Met Mozes komt ge er niet, met Elia komt ge er niet, maar aan Jezus alleen hebt gij genoeg voor tijd en eeuwigheid.
Niet uw deugd en niet uwe werken, niet uw geloof, uw hope, uwe liefde, niet uwe ervaring, en niet uwe gebedsver-hooringen kunnen uwe grond voor de eeuwigheid zijn, maar
48
Jezus alleen, en die Jezus is de atgenoegzame in den rijkdom zijner genade, die we ook in ons lied willen verheerlijken.
Gods liefde met ons leed begaan,
Zag 't schuldig kroost van Adam aan.
En Jezus werd geboren.
Geboren, om door Zijn leven. Zijn lijden en sterven een brug te slaan over den gapenden afgrond die daar was tus-schen het liefdehart Gods en de verloren menschheid. God is liefde! en de liefde van God den Vader voor zijn eigen werk en wezen openbaart zich in onze behoudenis ter eere Zijns naams.
Daar is eene liefde des Vaders voor zijnen Zoon Jezus Christus als voor Zijn ander Ik; en die liefde openbaart zich op Tabor in de verheerlijking van Christus, in de nederdaling van Mozes en Elia om met Hem zamen te spreken over Zijnen uitgang, die Hij hebben zou te Jeruzalem. Die liefde openbaart zich in de versterking van het geloof van Jezus Christus in Zijn zoonschap Gods,, door het woord: «Deze is mijn geliefde Zoon in wien Ik een welbehagen heb, hoort Hem!
Die liefde openbaart zich op Tabor in de voorbereiding van Jezus Christus voor Zijn lijden, wanl aan den voet van den Olijfberg wacht Hem Gethsemané. Denk u ïabor weg uit de levensgeschiedenis van Christus en naar den mensch gesproken wordt de lijdensgeschiedenis een onmogelijkheid. Mozes en Elia moesten komen om met Christus te spreken over Zijnen uitgang dien Hij hebben zou te Jeruzalem.
Maar de liefde des Vaders openbaart zich ook in de verheerlijking van Christus door alle tijden heen. In de veelheid der onderdanen is des Konings heerlijkheid. In de toebrenging van zondaren wordt het woord des Vaders ver-
49
vuld: Ik hob Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken.
Jezus Christus wordt verheerlijkt in de gemeente en dooide gemeente aan wie Hij de liefde des Vaders bekend heeft gemaakt. En die gemeente verheugt zich in het woord van haren Heer: Ik en de Vader zullen u liefhebben en woning bij u maken. De Gemeente ondervindt de liefde des Vaders, waar Hij haar de heerlijkheid van Christus doet aanschouwen en ook doet deelachtig worden. Die liefde des Vaders blijkt ook waar Hij de verloren menscbheid in Christus alles schenkt wat tot zaligheid noodig is.
De liefde des Vaders heeft ons Christus geschonken lot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomen verlossing. Wie Christus kent en bezil, behoeft niet te verlangen Hem op Thabor gezien te hebben, maar kan vroolijk juichen; Wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond. En telkenmale als het noodig is schenkt God ook op zijn levensweg een Thabor waarvan hij getuigt: Het is goed dat wij hier zijn, Heere laat ons hier tabernakelen bouwen.
Bedenken wij het echter wel, op een Thabor volgt doorgaans een Gethsemané. De feesturen zijn de hoogtepunten des levens om ons voor te bereiden tot een nieuwen strijd die ons wacht, waarin wij alleen door de genade van Christus, de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes staande blijven, om straks als overwinnaars uit den strijd weder te keeren. Sla nog eenmaal den blik naar Thabor. Daar staal Jezus Christus Gods zoon, daar boort ge de stem des Vaders, daar ziet ge de strijdende Kerk vertegenwoordigd door Petrus, Jacobus en Johannes; daar ziet ge de triumfeerende gemeente vertegenwoordigd door Mozes en Elia. Mozes die dood was en zie hij leeft, en hij ziet nu zijn gebed verboord, 2000 jaren te voren gebeden, en toen hem geweigerd: »Toon mij nu uwe
4
so
heerlijkheid, en laai mij loch overgaan om dal goede land le bezien. Daar slaal Elia die den dood niet gezien, niel gesmaakt heeft, maar veranderd is geworden in een punt des lijds en opgenomen in heerlijkheid, evenals de gemeente zal worden opgenomen in Jezus toekomst.
Waarlijk, waarlijk, Thabor geeft ons de volkomenslo Godsopenbaring te aanschouwen op aarde. De genade van Jezus Christus, de liefde van God, en de gemeenschap des Ileilgen Geesles. Daar was de luchtige wolk een zinnebeeld van, waar allen in gingen, en die allen overschaduwde. Daar is de Vader die den Heiligen Geest beloofd en gezonden heeft. Daar is de Zoon die de volheid des Geesles heeft ontvangen bij den doop in de Jordaan. Daar is de gemeente waarin die Geest komt wonen en werken, en waardoor Hij de wereld komt overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. De gemeente die door Hem zal worden geleid, geleerd, getroost en indachtig gemaakt wat Jezus heeft gesproken. De gemeenle waarin Hij geluigt van het kindschap Gods, en wien hij alle dingen, zelfs de diepten Gods leert onderzoeken; de gemeenle aan wien Hij al den rijkdom Zijner genadegaven schenkt en die Hij bekwaam zal maken al de vruchten des Geestes le openbaren: liefde, vrede, blijdschap, geloof, goedertierenheid, goedheid, ootmoed, geduld, zachtmoedigheid, matigheid en al de edele vruchten die den Godsboom versieren.
En nu mijne vrienden, gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, die daar Hij rijk was, arm is geworden, opdat wij door Zijne armoede rijk worden zouden. Hij verliet de heerlijkheid die Hij bij den Vader had eer de wereld was, en kwam op deze aarde vol zonde en dood. Hij verruilde de aanbidding der Engelen met de bespotting der menschen en Zijn hemeltroon en kroon met een kribbe en een kruis. 'I Gapend graf werd lol een woning van den Hemelkoning!
51
Dat is genade rijk ea vrij.
Wier palm voor allen groent;
Naar zulk een Midd'laar smachten wij.
Die God en inensch verzoent.
Die Godmensch, God en mensch hereend. Die voor ons bidt, die met ons weent.
Die, zelf des Vaders heerlijkst kind.
Ons 't kindschap Gods herwint.
Ziet hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk, dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Ja, arme zondaar, dat kunt gij worden, een kind van God, een erfgenaam Gods, een medeerfgenaam van Christus. En die erfenis is zóó groot, dat gij er hier al den rijkdom nooit van zult bevatten en alle eeusvigheden noodig zult hebben om het recht in te zien hoe rijk de liefde van God u deed worden. Maar naast de genade van Jezus Christus, en de liefde van God, hebt gij dit alles te danken aan het werk, den invloed, de gemeenschap des Heiligen Geestes. O, eert dan den Heiligen Geest! Waakt en bidt opdat gij nooit zijn invloed wederstaat; bedroeft Hem niet, en inzonderheid, bluscht den Geest niet uit.
Men kan het licht wel blusschen,
Hoe fel de vlam ook brandt.
Maar eindlijk moet men wonen,
In een zeer duister land.
Daar zal met bliksemschichten.
Op donderwolken staan;
»Hier zal geen dag meer lichten.
Geen dageraad breekt aan.quot;
Geen dageraad meer! God moge het verhoeden! God geve dat het tegenovergestelde waarheid zij, en het van een ieder onzer waarheid zijn moge wat van Jakob geschreven staat:
S2
En de zon ging hem op als hij door Pniël gegaan was. Indien wij tot Jezus kwamen, laat ons bij Hem blijven; laat ons de genade vasthouden door welke wij Gode mogen dienen met eerbied en godvruchtigheid.
Indien wij de liefde Gods leerden kennen, dat we dan ook die liefde dankbaar waardeeren en met wederliefde beantwoorden. Wij moeten gelijk zijn aan de kaars die licht gevende verteert. Gezegend tot een zegen: Wiens ik ben Dien ik dien! dat zij onze leuze. Zoo staan we Gods Geest niet tegen, maar worden medewerkers Gods bevonden. Biddende om de komst van het Godsrijk, arbeidende aan het heil van anderen, uitziende naar den schoonen tijd als de gansche aarde één Thabor zal geworden zijn.
Dan zal in de gezaligde Gemeente de liefde des Vaders, in het geredde Israël de genade des Zoons, en in de volken die zalig worden de gemeenschap des Heiligen Geestes zich ontplooien. Dan zal er niet meer zijn een strijdende en een triuni-feerende gemeente, maar het zal zijn eene kudde onder den zachten herderstaf van den eenigen herder Jezus Christus, den verheerlijkten, den volzaligen, den algenocgzamcn Jezus. Hij zegene u met genade, vrede en barmhartigheid. Hij geve u menigmaal een Thabor op uwen weg, inzonderheid als ook op uw pad een Gethsemané ligt te wachten. Gesterkt door de zaligheid op Thabor gesmaakt, zult gij elk Gethsemané doorkomen door de genade van Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap des Heiligen Geestes.
Evenals op Thabor voor Christus, ontsluit zich voor ieder christen eenmaal de hemel; dan dalen niet Mozes en Elia neder, maar:
Dan dalen onder zangen Om zijne ziel te ontvangen Gods Englen om hem heen.
S3
Hij stemt in hunne kooren.
Doel d' eer zijns Konings hooren,
Door hem als Redder aangebeên.
Dan ontsluiert de liefde Gods ons de heerlijkheid van Christus; een heerlijkheid veel grooter dan die op Thabor, veel grooter dan die hij Zijne verschijningen na de opstanding; veel grooter dan die welke Stefanus aanschouwde bij zijn marleldood; veel grooter dan die welke Saulus aanschouwde op den weg naar Damaskus; veel grooter zelfs dan die door Johannes aanschouwd werd op Patmos.
Dan zal de Heer wellicht nog eenmaal ook lot ons komen om ons te zeggen: Vreest niet! en opziende zullen we niemand zien dan Jezus alleen, ook al is Hij dan omstuwd door eene schare niet te tellen, uit alle natiën en geslachten, talen en volken, die allen door alle eeuwigheden heen hunne zaligheid danken aan do genade van Jezus Christus, de liefde van Cod en de gemeenschap des Heiligen Geestes. Amen.
De wonderbare aanraking.
Mark. o : 30â34.
Er is geen eeuw aan te wijzen zoo rijk aan groote woorden, groote gebeurtenissen, groote ondernemingen, groote veranderingen, en groote ontdekkingen op velerlei gebied dan de 19le eeuw. Maar terwijl wij al deze dingen kunnen aanwijzen, zal liet toch voor ons nageslacht bewaard blijven de groote mannen dezer eeuw aan te wijzen.
Groote mannen; o de wereld heeft hen zien optreden op het gebied van staatkunde, krijgskunde, letterkunde, kunst en industrie, en zij zijn met den eernaam van »de grootequot; vaak versierd geworden. Anderen werden niet »de grootequot; maar »de goedequot; genoemd, en de ware grootheid is eigenlijk in het waarlijk goede gelegen. Men noemt zulke menschen echter in onzen tijd niet de groote of de goede, maar spreekt van »een bijzonder mensch, een merkwaardige persoonlijkheid, een origineel manquot;, en meer zoodanige benamingen.
De wereldgeschiedenis wijst ons vele groote mannen aan; we denken om er maar eenigen te noemen aan helden als: Nimrod, Gideon, Jeftha, Simson, David, Judas de Macabeër. Alexander van Macedonië, Constantijn de Groote, Theodosius,
bo
Leo en Cregorius de groote; Karei, Frederik en Peter de groole. Men spreekt zelfs van Herodes den groote, evenals men den waanzinnigen Anüochns Epifanes voor hem, en den bleeken Corsikaan Napoleon honderde jaren na hem groot heefl genoemd. Zoo hebben we liier dan reeds een reeks namen van heerschers op wereldlijk of op kerkelijk gebied. Grootheden die men bewondert, maar naast ben ook grootheden die men veracht, ook al hebben zij den naam van groot te zijn verkregen.
En zijn andere namen waaraan niet dat woord »de groolequot; verbonden is, maar die ons toch aan groote mannen op ander gebied doen denken. Dichters als Salomo, Homerus, Pnhlius Virgilius Maro, en Dante in vroeger tijd; Goethe, Schiller, Helmers, Bilderdijk en Da Costa in lateren tijd. Kunstenaars als een Guido René, Raphael en anderen. Wijsgeeren als Aristoteles, Socrates en Plato in de heidensche en lal van wijsgeeren uil de Christelijke wereld. En toch al deze grootheden, die wij niet willen miskennen maar eeren om heigeen waarlijk groot was: zij verdwijnen in de schaduw van dien eene die groot was en goed Jezus Christus den Nazarener, Gods zoon en der menschen zoon. Van Hem heeft een Enge-lenmond gezegd; Deze zal groot zijn!
quot;ij kon doen wat Hij wilde, en Hij wilde slechts datgene wat goed was, dat is ware grootheid. Zij die hem niet erkennen in hetgeen Hij is «Gods Zoonquot;, eeren Hem nog om hetgeen TI ij deed. en noemen Hem: onze groote Meester.
De prediking van het Evangelie is dan ook niet een prediking van leerstukken, ook niet een prediking van feiten uit de gewijde geschiedenis, maar prediking van een leven, het leven van de merkwaardigste persoonlijkheid die op aarde geleefd heeft. Ja waarlijk, ons tekstverhaal wijst op Hem als op een merkwaardige persoonlijkheid, spreekt ons van eene
56
merkwaardige aanraking, en doet ons hooren een merkwaardige vraag.
Yan niet één persoon op aarde, hoe groot en hoe goed hij ware, kan er worden gezegd wat van Christus waar is; Hij is de eeuwige Zoon des Vaders, die eer en heerlijkheid had eer de wereld was; Hij is des menschen zoon geworden in de volheid des tijds, opdat Hij de menschheid zou redden. De koning der eeuwen werd een kind des tijds aan de borst van de zaligste moeder.
Der Engelen Heer en Koning werd de dienaar zijner jongeren, wien Hij eenen dienst bewees, gewoonlijk door slaven verricht.
Wonderlijk is Zijn naam, wonderlijk Zijne geboorte; en wonderen doet Hij zonder tal, overal, om Zijne heerlijkheid te openbaren.
De wonderen die wij dezen persoon zien verrichten zijn eene geheel afzonderlijke openbaring van Zijne merkwaardige persoonlijkheid, een openen van Zijnen Koningsmantel om Zijne heerlijkheid en macht aanschouwelijk te maken.
quot;ij geneest kranken, geeft blinden het gezicht, dooven het gehoor, stommen de spraak, kreupelen het gebruik van hunne ledematen weder; melaatschen worden gereinigd en dooden worden opgewekt. En wat Hij deed, doet Hij nog nu. Melaatschen door de zonden worden gereinigd in Zijn bloed, blinden voor hunne ellende en de goedheid van God geeft Hij verlichte oogen des verstands, dooven voor Zijn woord en de Goddelijke roepstemmen hooren Zijn Goddelijk »Effatha!'r Die als Jakob hinkende aan hunne heup door het leven kwamen, leert quot;ij gaan in de volle kracht der vrijgemaakte kinderen; elke ziekte en iedere zielskwaal wordt genezen, en menige Lazarus verrijst uil zijn graf. Voorwaar voorwaar, de wereld werd een groot ziekenhuis hebbende vijf zalen, maar
b7
Christus heeft door Zijne komst die Wereld tot een Belhesda een huis van Barmhartigheid gemaakt. Zie het in ons tekst-verhaal:
Nauwelijks heeft hij den man uit de Gaderenen uit de macht des duivels gered of Ja'irus koml tot Hem met de bede »Zijn dochtertje te genezenquot;, en op weg naar Jaïrus' huis wordt de vrouw genezen waar ons tekstverhaal van spreekt.
Somtijds deed de Heer kracht van zich uitgaan door een woord te spreken, menigmaal door aanraking van kranken en lijdenden met Zijne vinger of hand. Hier bij deze vrouw stroomde die kracht zelfs uit Zijn gewaad. Die met Hem in aanraking kwamen werden gezond van wat ziekte zij ook bevangen waren. En in elk wonder was een leering verborgen, elk wonder was een beeld van geestelijke zegeningen die Hij kwam schenken, ja elk wonder was een prediking van de kostelijkste waarheden.
En Jezus Christus is gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde. Zijn liefdehart verheugt zich als velen tot Hem komen, maar verheugt zich ook als er eene enkele ziel door de menigte heendringt om Zijn kleed aan te raken en genezing te vinden.
Van krankheden was quot;ij steeds omgeven, en Hij toonde dezelve te kunnen genezen. Hij heeft onze krankheden op zich genomen en genezing in de dorrende aderen der mensch-heid gestort. Hij heeft den dood in zich opgenomen om het leven en de onverderfelijkheid aan het licht te brengen. Onze zonde heeft Hij gedragen en de zaligheid ons verworven aan het kruis.
En hoewel Hij gestorven is aan hot kruis, toch zegt Hij tot Zijne gemeente; Vreest niet, hebt goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen.
O wonderbaar merkwaardige persoonlijkheid van Jezus
38
Cliristus. Die de hemelen heeft uitgespannen als een doek, liet zelf in doeken zich winden. Die de aarde heeft gegrondvest, werd zelf moede en mat, maar verleent ons de kracht om het kruis te dragen en tegen wereld en duivel Ie strijden, en uit eiken heeten strijd ook legen hoezemzonden, als meer dan overwinnaars te voorschijn te komen.
De hoogmoedigen maakt Hij nederig, de hardnekkigen maakt Hij gewillig, de onreinen maakt Hij rein. de wanho-pigen leert Hij juichen, de lafhartigen geeft Hij heldenmoed, de zwartgalligen maakt Hij vriendelijk, de wraakzuchtigen maakt Hij vergevensgezind. De zelfzuchligen leert quot;ij zellverlooche-ning, de tragen maakt Hij ijverig voor Gods dienst en Gods rijk.
Wanneer Hij op één onzer straten of pleinen stond om zieken te genezen, een golvende, menigte zou voorzeker naar Hem heenstroomen om genezing te vinden.
Maar, hoe kostelijk de gezondmaking van ons lichaam is. de redding van onze ziel is van nog oneindig grooter waarde.
En toch â â- men heeft de zinsbegoocheling meer lief dan deze heerlijke werkelijkheid.
En nu, waar zal ik eindigen om u te wijzen op het wonderbare, op het merkwaardige van de persoonlijkheid van Jezus Christus? quot;Vele uren zouden noodig zijn om u te zeggen wie Hij was van eeuwigheid, wie Hij werd in den tijd, wat Hij deed op aarde, wat Hij leed aan het kruis, hoe Hij stierf ons len leven, wie Hij is voor de Zijnen, wie Hij zijn zal in Zijn toekomst en eeuwig voor al Zijn volk zal blijven.
Nog eenmaal, waar zal ik eindigen om u Ie wijzen op Zijne heerlijke persoonlijkheid, Zijn heerlijk werk. Zijn Godverheer-lijkend doel.
Laat mij u mogen wijzen niet alleen op de merkwaardige persoonlijkheid van Jezus Christus, maar ook op eene merkwaardige aanraking waar ons tekstverhaal van spreekt.
59
Wal is dat met iemand in aanraking komen?
Gij hebt van een zeker persoon gehoord dingen die u in hem aantrekken; en onwillekeurig begint gij belang in dien persoon te stellen, hem te achten, ja zelfs hern lief le hebben ook al zaagt ge hem nooit. Gij begint te verlangen hem eens te zien, en te leeren kennen.
Daar doet zich een gelegenheid voor dat ge uw wensch verkrijgt â gij komt dien persoon te ontmoeten, gij hoort hem spreken, gij spreekt zelf met hem, en zijn persoon, zijn woord, zijne omgeving, zijn werkzaamheid alles maakt op u eenen aangenamen indruk, en gij voelt u zoo gemeenzaam met hem, zoo gelukkig bij hem, dat gij hem tot uw vriend verkiest, ja tot uw boezemvriend maakt, voor wien ge uw hart zelfs bloot legt.
Hier in Nederland zijnde geeft ge hem uw hand, zoo ge in üuitschland waart zoudt ge hem een kus geven; dat is het zinnebeeld van twee menschenlevens die vereenigd worden, die samenvloeien tot een geheel.
Ziedaar wat het is met iemand in aanraking te komen.
Zóó hoort gij nu ook van Jezus Christus, van Zijne liefde en macht, van Zijne gewilligheid om zondaren zalig te maken; van Zijn heerlijk werk, van Zijne heerlijke persoonlijkheid, van Zijn heerlijk doel. Van Jezus kruis en lijden, van Zijne opstanding en hemelvaart, van al wat Tlij is en deed en doel. Gij begint Hem te achten, lief te hebben, naar Hem le verlangen, te zoeken, en gij zoekt totdat gij Jezus gevonden hebt. Gij hebt Zijn woord gehoord en het gewaagt tot Hem te spreken; gij schenkt Hem uw vertrouwen en Hij â Hij vat u bij de hand. Hij spreekt naar uw hart en eindelijk geeft gij Hem niet alleen uw hand, maar uw hart, uw leven. Gij kust den Zoon en verzoent u daardoor met God, die in Christus de wereld met zichzelven verzoenende was en nu uwe zonden
60
u niet meer toerekent. Nu gevoelt gij u onuitsprekelijk gelukkig in het bezit van Zijne vriendschap, Zijne liefde, Zijne gemeenschap. Zoo was het nu ook met deze vrouw.
Zij was zeer ongelukkig en gevoelde zich ook zoo erg ongelukkig. want zij was lijdende aan een kwaal en al wat zij bezat had zij reeds aangewend om gezond te worden, maar bij de medicijnmeesters was zij leleurgesteld, ja het was erger met haar geworden. Haar beurs was ledig, haar lichaam krank, haar hoop verdwenen en haar toekomst donker als de nacht. Maar zij heeft van Jezus gehoord, veel goeds van Hem vernomen en nu wil zij Hem zoeken. Hem zien en hooren, met Hem in aanraking komen. O, indien zij maar Zijn kleed, den zoom van Zijn gewaad mag aanraken, dan zul zij genezen zijn. Zóó spreekt haar hart, haar geloof en Godsbetrouwen. Zij begeeft zich op weg, zij ziet de groote schare die Hem omringt, maar zij ontziet zich niet. Hoe zwak en uitgeput toch doet zij alle moeite om door het volk heen te komen, heen te dringen, Jezus te naderen; en eindelijk is haar doel bereikt, zij is vlak bij Hem. Maar nu durft zij Hem niet staande houden, niet aanroepen, niet aanspreken, maar zij zal Hem aanraken, den zoom slechts van Zijn kleed; zij doet het, en o wonder, zij is gered, zij is genezen, volkomen genezen in hetzelfde oogenblik. O wonderbare aanraking!
En nu nog eenmaal: Ook gij zijt ongelukkig, zondig, verloren, en al hadt gij nog duizendmaal meer zonde gedaan dan gij deedt, en gij deedt er genoeg, gij zoudt toch niet meer verloren kunnen zijn dan gij zijt. Indien gij dit nu weet, gelooft, gevoelt, o ga dan tot Jezus! Gij hoort van Jezus, van Zijn persoon en werk, van Zijn liefde, goedheid en macht, van de trouw aan Zijn woord. O, hoor dan niet te vergeefs! Leer Hem zoeken, ga naar Hem vragen, tracht Hem te ontmoeten, leer Hem kennen, tot Hem spreken, met Hem om-
(51
gaan, leer Hem volgen; raak, o raak Hem aan en gij zult gered, gij zult van uwe zielekrankheid genezen wezen. Geef Hem uw hand. Hij zal u leiden, geef Hem uw hart voor gij het aan iemand of aan iets anders geeft, het behoort Hem toe.
Wijd Hem uw leven en Hij zal uw leven vereeuwigen. Kus den Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op den weg zoudt vergaan, wanneer Zijn toom maar een weinig zou ontbranden.
Niets is vreeselijker dan de toorn des Lams.
Indien gij Hem kust zal Zijn leven met het uwe samenvloeien, gij zult der Goddelijke natuur van Christus deelachtig worden, gij zult u genezen gevoelen en gevoelen dat gij van de macht des doods verlost zijt en het leven en de onver-derfelijkheid deelachtig zijt geworden.
Laat mij u eenige Bijbelsche aanwijzingen voor het in aanraking komen met Jezus mogen geven. Hij zegt : Neig uw ooien kom tol Mij en uwe ziel zal leven en Ik zal u geveu de gewisse weldadigheden Davids die getrouw zijn.
Wendt u naar mij en wordt behouden, o alle gij einden der aarde, want ik ben God en niemand meer.
Zie en leef! leg uwe hand op het offer van Golgotha en spreek op het «Volbrachtquot; van Christus uw «Amenquot;! Gij werd met Christus in aanraking gebracht door uwe ouders bij uw doop, door uw leeraar bij het onderwijs voor uwe belijdenis, straks in het vieren van het Heilig Avondmaal, maar die aanraking baat u nog niet ten leven.
Zelf moet gij tol Jezus komen, opzettelijk Hem aanraken; aanraken met, een God gewijd doel. Zie in deze vrouw hoe zij tot Jezus kwam; waarom zij tot Jezus kwam en wat vrucht haar komen voor haar zeiven en anderen gehad heeft.
Zie in deze vrouw wat het geloof aangrijpt, wat vrucht dat aangrijpen heeft en hoe de Heer dal geloovig aangrijpen ver heerlijkl. Deze vrouw kwam, hoe zwak en hulpbehoevend
62
ook, tol Jezus. Zij kwam tot Hem in het gevoel harer ellende en in het geloof aan Zijne liefde. Zij zelf vond genezing en anderen hoorden van des Heilands macht. Zij greep het kleed aan van Jezus, haar vertrouwen werd niet beschaamd en haar geloof werd verheerlijkt in de verheerlijking van Jezus.
O kom ook gij alzoo tot Jezus, kom nu, en zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid en geef ons het goede, zoo zullen wij U betalen de varren onzer lippen. Zoek den Heere en leef, zeg Hem dat gij Hem wilt leeren kennen, liefhebben en volgen. Hij zal u hooren, vriendelijker dan iemand op aarde dat doet. Zijl gij krank, Hij zal u genezen, zijl gij treurig Hij zal u troosten, zijl gij zondig Hij zal u reinigen, zijl gij ongelukkig Hij zal u zalig maken, want Zijn naam is Jezus en Zijn wensch is uw geluk. En nu eindelijk â eene merkwaardige vraag: Wie is het die mij heeft aangeraakt?
Die vraag werd door den Heer gedaan aan die vrouw; die vraag doel Hij aan Zijne gemeente; die vraag doel Hij ook aan ons.
Deze vrouw zou zeer waarschijnlijk stil zijn heengegaan naar hare woning, met een hart vol dankbaarheid voor hare genezing. Niet meer langzaam wegstervende, maar met een nieuw en krachtig leven.
Daar keert de Heer zich om, en doet de merkwaardige vraag: Wie is hel die mij heeft aangeraakt? Hij doet die vraag hoewel dezelve schijnbaar bespottelijk klinkt. Hij doel die vraag waarover zelfs de Discipelen zich verwonderen. Maar de Heer doel die vraag, opdat de vrouw te voorschijn zou komen, en opdat zij zelf zou belijden voor de gansche menigte, hoe zij was gekomen, waarom zij was gekomen en welk gevolg haar komen gehad heeft.
De vrouw voor Hem nedervallende zeide Hem al de waarheid in aller tegenwoordigheid.
63
Verwondert het u als ik in die vrouw aan de voeten van Jezus een type zie van de gemeente van Christus?
Die gemeente weet te spreken van ellende waarin zij verzonken lag, van medicijnmeesters waarmede zij het beproefd heeft van de ellende verlost te worden, van het achteruitgaan in plaats van vooruit tot de laatste penning was uitgegeven; en daarbij een toestand beschreven door hel woord der Profetie: het gansche hoofd is krank, en het gansche hart is mat.
Maar op het nachtelijk duister volgde liet morgenrood, op de hellevaart der zelfkennis volgde de hemelvaart der Godskennis; op de diepste ellende volgde de heerlijkste verlossing bij het in aanraking komen met Jezus Christus. Die gemeente voelde ook dat het wegvloeiende leven veranderd werd in een nieuw en krachtig leven toen de krachten der eeuwigheid uit den Christus haar door de aderen stroomden.
De Heer heeft gezegd: Gij zult mijne getuigen zijn dat Ik God ben. Welnu een getuige heeft niets te doen dan de waarheid te zeggen; al de waarheid en niets dan de waarheid.
Dat deed de vrouw aan de voeten van Jezus; dat doet de gemeente in aanbidding knielende voor haren Heer. Al de waarheid zeggen, geen waarheid achterhouden, geen waarheid halveeren of verminken.
Al de waarheid voor Zijn aangezicht uitspreken, te midden der schare: dat deed die vrouw. Al de waarheid uitspreken voor de geheele wereld, dat doet de verloste gemeente uit dankbare liefde door alle eeuwen heen.
De vrouw sprak nu met Jezus; haar redder werd haar vriend, en dat is Hij eeuwig gebleven. Zij zal dat oogenblik nooit vergeten, maar wel altijd God gedankt hebben voor de verlossing uil hare ellende, maar óók voor deze vraag: Wie is het die mij heeft aangeraakt?
64
En wal de Heer aan die vrouw heefl gevraagd, en blijft vragen aan Zijne gemeente, dat vraagt Hij ook aan ons persoonlijk. Hij wil dat wij Zijn naam zullen belijden, Zijn lof zullen verkondigen van dag tot dag, want Hij doet alles om Zijns naams wil. Laat dan geen stilzwijgen bij u wezen, en beroof God niet van Zijn eer die Hem toekomt en die ons betaamt.
Het is voor sommige menschen zeer moeielijk te gelooven, dat zij arme zondaren zijnde toch kinderen van God kunnen worden. En waarlijk het is geen wonder, want het geloof verplaatst u in eene andere wereld, namelijk in de wereld des wonders, waar de levenskrachten niet meer wegvloeien maar u tegenstroomen; en waar gij uitroepen kunt: Wij waren stervende en ziet wij leven!
Wanneer eens een doode opstond die hier voor honderd jaren geleefd had, die zich nog met zwavelstokken had moeten behelpen en hij zag onze lucifers ontvlammen, en in plaats van uren lang te moeten zitten tegenover een schilder om een portret te verkrijgen, nu in enkele seconden een photo-grafie uitmuntend zag slagen; of hij zag in plaats van de oud-vaderlijke trekschuit en diligence, de stoomboot over de wateren, en den spoortrein langs zijne rails stoomen, en men zeide hem dan dat langs de telegraaf in zeer korten tijd berichten werden overgeschreven naar de nieuwe wereld of naar Oost-Indië, hij zou immers gelooven niet meer op de oude aarde, maar in eene andere wereld te zijn, en enkel verwondering worden ?
Nu zoo gaat het met elk die met Jezus in aanraking komt. Wonderen op wonderen onthullen zich op geestelijk gebied en in liet dagelijksch leven voor zijn oog. zoodat hij eiken dag vol verwondering, dat is vol aanbidding uitroept:
65
Voor mij zijn Goils wegen.
Waar heen Hij ze richt,
Uit wondren geweven.
Met sterren verlicht!
En eindelijk terwijl dit omhulsel hem ontzinkt; en de hemelen zich ontsluiten, juicht hij vol verwondering:
Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen: de lof en de eer, de aanbidding en de dankzegging lot in alle eeuwigheid. Amen!
5
Liefde het eerste en grootste gebod.
Matth. 22 : 3aâ40.
Ziet wij gaan op naar Jeruzalem; zóó had de Heiland der wereld gesproken, toen Hij Jericho verliet om voor de laatste maal op aarde het Pascha te gaan vieren, cn dan zelf voor alle eeuwen het Paaschlam te worden. Ziet wij gaan op naar Jeruzalem, en daar in Jeruzalem zal de Zoon des menschen worden overgeleverd in de handen der overpriesters en schriftgeleerden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen. En zij zullen hem den heidenen overleveren, om hem te bespotten, en te geeselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal hij weder opstaan. Zóó kende Jezus Christus het lijden dat hij tegen ging; nadat hij met Mozes en Elia had gesproken over zijn uitgang dien hij hebben zou te Jeruzalem. En hij geloofde zich van dien tijd af aan door dood en graf heen naar den heerlijken opstandingsmorgen.
Zoo er van Jezus Christus gezegd kan worden:»nooit heeft één mensch gesproken, als deze Menschquot;, dan is het ook waar; «nooit heeft één mensch geloofd als deze Menschquot;; want ook bij den Christus gold het woord : »Ik heb geloofd, daarom heb Ik gesprokenquot;.
67
Gesproken, met kalmte, met berusting, met eenswillend-heid, over een lijden zoo diep, zoo smartelijk, zoo smadelijk, als nooit iemand daarvoor of daarna geleden heeft.
Welk een geloofsmoed is daar reeds voor noodig, het lijden vooruit te kennen en het toch moedig tegen te treden. Welk een geloofstaal met den kruisberg in het gezicht toch juichend uit te roepen: »Ik leef en gij zult leven! Ik ben de opstanding en het leven!quot;
Zoudt gij het gelooven dat Hij Getsemané, Gabbatha en Golgotha tegentreed wanneer ge ziet in Matth. hoe Hij Jeruzalem binnen komt, gezeten op eene ezelin, rijdende over de palmen die men voor zijne voeten strooit, omringd door een golvende menigte die daar roept: «Hosanna in de hoogste hemelen!quot; En toch llij weet het dat deze juichtoon zal verstommen, en plaats maken voor het »Weg met hem! Kruist hem!quot; En al wist hij het niet, toch zou het hem duidelijk zijn geworden dat hij als het ware wandelde op eenen vulca-nischen bodem die straks zijne vlammen hem tegen spuwen zou. Want als hij den vijgenboom doet verdorren komt men met de trotsche vraag tot hem: «Door wat macht doet Gij deze dingen? en wie heeft ü deze macht gegeven?quot;
Als Hij gesproken heeft van de booze landlieden, wil men Hem vangen. Als Hij gesproken heeft van het bruiloftsmaal dat door do genooden versmaad werd, maar door lieden uit heggen en wegen geroepen genoten werd, dan houden de farizeën raad hoe zij hem verstrikken zullen in zijne rede. Maar zij zullen de waarheid ondervinden van het woord: Hij vangt de wijzen in hunne arglistigheid.
Daar gaan dan de Discipelen van de farizeën, met de Hero-dianen tol Jezus. «Meester,quot; zeggen zij, »wij weten dat Gij waarachtig zijt, en den weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt: want Gij ziet den persoon des men-
68
schcn niet aan.quot; Welk een taal op de lippen van menschen met zulke booze harten! Maar het is waar wal een eenvon-dig vroom man gewoon was te zeggen: Do duivel gebruikt altijd een waarheid als locomotief om er een gansche trein vol leugen en boosheid mede door te jagen. Jezus Christus was de waarachtige en getrouwe, en Hij leerde den weg Gods in der waarheid, maar dat Hij als mensch naar niemand zou vragen was een leugen, want Hij onderwierp zich wel degelijk als Israëliet aan de wel, en belaalde als burger zijne schalling, ook al moest Petrus er eerst den wondervisch voor vangen die den stater in den bek droeg. Juist hel eenige wonder door den Heer gedeeltelijk ten Zijnen behoeve gedaan. Nü vragen de farizeën en Herodianen: »Zeg ons, wat dunkt U ? is hel geoorloofd den Keizer schalling te geven of niet?quot; Maar later zullen zij het antwoord van den Heer: »Geef den Keizer wat des Keizers is, en Gode wal Gods isquot; verloochenen en zeggen: »Deze verbiedt den Keizer schatting te geven zeggende dal Hij zelf Christus, de Koning is.quot;
Niet te vergeefs slaat hier in Matth. 22: Jezus bekennende huune boosheid, zeide: Geveinsden! wal verzoekt gij mij ? en antwoordde door eenen schatlingpenning te vragen en hen te wijzen op hel beeld en opschrift des Keizers.
Nu kwamen de Sadduceën, de loochenaars der opstanding, die niet geloofden noch in Engelen noch in het beslaan van geesten.
Zij willen dal de Heer zal uilmaken, aan wien in den dag der opstandig eene vrouw zal toebehooren, die hier op aarde eenmaal gehuwd zijnde, zesmaal door Levivaalshuwelijk de vrouw van een ander werd. De Heer gebruikt deze gelegenheid om hen te doen gevoelen: hunne dwaling, hun onwetendheid in de Heilige Schrift, en de dwaasheid hunner ontkenningen van de opstanding die zij toch door hunne vraag erkennen.
(59
De schare, Christus antwoord vernemende, werd verslagen over Zijne leer; maar de Farizeën hoorende dat Hij den Sadduceën den mond gestopt had, zijn te zamen vergaderd. En één uit hen, zijnde een wetgeleerde en wetende dat hij hun goed geantwoord had komt nu met een vraag om den lieer te verzoeken: Hij wil weten of die Rabbi uit Nazareth waarlijk zoo geleerd is, en doet hem dus naar zijne meening eene zeer moeielijke vraag; Meester, welk is het groot gebod in de wel ? Ik zeg, deze vraag achtte de wetgeleerde zeer moeielijk; ik zal u zeggen waarom; de Joden leeren dat een mensch drie honderd vijf en zestig leden heeft in zijn lichaam, en dat hij zes honderd en vier aderen door het lichaam heeft. Wanneer men nu die twee getallen te zamen voegt, vormen zij hel getal negen honderd negen en zestig. Dat is het gelal der wetten door God aan Mozes, en door Mozes aan Israël gegeven. Wanneer men dit weet wordt het begrijpelijk dat deze wetgeleerde meent Christus voor een moeielijk vraagstuk te plaatsen; maar de man vergeet in zijn farizeeschen ijver dat hij het antwoord vlak voor het lijf draagt, bestaande in de twee texten: «Deuteronomium 6; 5 en 10; 12quot; en wat het tweede gebod aangaat, ook dat woord uit Leviticus 19 vers 18 had de wetgeleerde op zijn gedenkcedel staan. Al was het nu niet waar geweest wal daar van Christus geschreven staat: »De wet mijns Gods is in het binnenste mijns ingewandsquot;; dan had zijn oog nog kunnen rusten op de woorden der Schrift: Gij zult liefhehben den Ileere uwen God, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand.
De Heer zegt: Dit is het eerste en het groote gebod. En het tweede daaraan gelijk, is; Gij zult uwen naasten liefhebben als u zeiven. Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de Profeten.
70
Wat de wetgeleerde voor liet eerste en groote gebod gehouden heeft weten wij niet; wel weten wij uit Lukas 10 : 30â37, dat de Heer als verklaring van liet woord «naastequot;, de wonderschoone onvergetelijke gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan heeft medegedeeld.
De Joden hebben voor cijfers, letters; de Aleph is als cijfer 1, Beth 2, Gimel 3, Daleth 4, enz. en nu hebben zij zeer spitsvondig in één text uil het boek Numeri, hoofdstuk 25 vers 7 de drie getallen der ledematen, der bloedaderen en der wetten van Mozes gevonden, en in de drie laatste woorden van dat Schriftwoord: wajikach raumach bejaudoo de vervulling van de gansche wet door Pinehas gezien.
liet christendom leert ons echter één woord kennen, en in dat eene woord «de liefdequot; wordt Gods geheele wet volbracht,
«Gij zult liefhebben den lleere uwen God, met geheel uw hart en geheel uwe ziel en geheel uw verstand en met at uw krachten,quot; dit is het eerste en groote gebod in oudiieid, in waardigheid en in uitnemendheid; het eerste en groote gebod in rechtvaardigheid, in genoegzaamheid en vruchtbaarheid, in kracht, in wijde strekking, in noodwendigheid en duur. Het eerste gebod is dan ook grondbeginsel, toonbeeld en einddoel van het tweede gebod; evenals het tweede gebod, uitwerksel, beeld, en waarteeken is van hel eerste gebod.
God van ganscher harte lief te hebben, dat is. Hem te zoeken als de adelaar het luchtruim, de bloemkelk de zon, en de zuigeling de moederborst. God van ganscher harte lief te hebben; dat is, zich aan God te hechten als de klimop aan den eik, zich op Hem le verlaten als het kind dat zich met volle gerustheid aan de vaderarmen toevertrouwt. God van ganscher harte lief te hebben dat is. Hem niet lief te hohben om hetgeen Hij geeft of doet maar om Zijne eigene
71
beminnenswaRrdigheid. Het is in God zijn vermaak te vinden en in niets dan in hetgeen met Zijn wil overeenkomt, aan Zijne vereering kan dienstbaar zijn, en in liet belang is van onze zaligheid en het heil en welzijn van onze naasten. Al onze overdenkingen en voornemens, onze begeerten en gemoedsbewegingen, onze daden en verrichtingen moeten de liefde tot God tol beginsel, Zijn wet tot richtsnoer en Zijn heerlijkheid lot einddoel hebben. Gij kunt er van op aan dat het gelal die God alzóó. liefhebben boven alles, veel geringer is dan men denkt. Wat zal er toch worden van hen van wie het in den grooten dag zal blijken dat zij niets dan hunne driften, hun eigen wil tot beginsel, en niets dan eigenbelang tot doel en oogmerk hadden. Van de tweede tafel der wet kan men misschien nog wel met den rijken jongeling zeggen: al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af aan, maar aan de eersle tafel der wet zijn wij allen schuldig. Gij zult God liefhebben mot geheel uw hart; dal is het oudste gebod, want het is zoo oud als de wereld, en het staat geschreven op don bodem van elk meu-schenhart.
Hel is het eerste en grootste gebod in waardigheid, omdat het allereerst betrekking heeft op God, en op niets en niemand anders.
Het is het eerste en grootste gebod in uitnemendheid, want het is niet alleen Oud-Teslamentisch maar ook geheel Nieuw-Testamentisch, het kan alleen vervuld worden door hem die weet den Geest der aanneming tot kinderen te bezitten en die dus het »abba lieve Vaderquot; kan stamelen. Het is het eerste en grootste gebod in rechtvaardigheid; want do liefde tot God geeft aan God wat Godes is, dat is den ge-heelen mensch terug.
Het is het eerste en groolste gebod in algenoegzaamheid,
72
want de liefde tot God alleen is genoegzaam om ons heilig en zalig te maken. Het is het eerste en grootste gebod in vruchtbaarheid, want het sluit alle geboden in, leert ons alle geboden onderhouden en dan nog met blijdschap getuigen: Zijne geboden zijn niet zwaar en in hel houden van die is grooten loon!
liet is het eerste en grootste gebod in kracht, want het verbindt Gods hart aan het measchenhart en doet God als Koning in ties menschen hart heerschen. Het is het eerste en grootste gebod in wijde strekking, want het laat niets aan het schepsel over, maar voert alle schepselen tol den Schepper terug.
Het is hel eerste en grootste gebod in noodwendigheid en duur, want de liefde tol God is onmisbaar en verliest nooit zijne kracht of beteekenis op aarde, en in den hemel blijven geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de meeste van deze is de liefde.
En nu; dal eerste gebod is grondbeginsel van het tweede gebod, want de liefde tol den naaste kan niet anders dan in de liefde tot God wortelen. En het tweede gebod vindt in het eerste gebod zijn toonbeeld en einddoel. Die liefheeft die geboren zijn, die heeft ook lief die geboren heeft. In hel liefhebben van den naaste loonen wij dal wij God liefhebben, en indien God ons zoo heeft liefgehad dat Hij Zijn Zoon voor ons overgegeven heeft, zoo zijn wij ook schuldig voor de broeders hel leven te geven.
De liefde voor den naaste vindt in de liefde tot God zijn einddoel, want de liefde tracht den naaste te redden, te zegenen, maar bovenal tot God terug te voeren. Zóó is het tweede gebod uitwerksel van het eerste, openbaring aan de menschen van wat er woont in onze harten. In de liefde voor den naaste moet de christen aan de wereld een beeld van de
73
liefde Gods le aanschouwen geven, en in de liefde die wij anderen betoonen, hebben wij zelf een onbedriegelijk waar-leeken dat wij God liefhebben. Hieraan weten wij dat wij overgegaan zijn uit den dood tot het leven, indien wij de broeders liefhebben. Zoo wordt de zegenende ziel zelf vet gemaakt en die nat maakt wordt tot een vroegen regen. Hebt uwe naasten lief als uzelven, dat is zooals gij uzelven liefhebben moest, en niet zooals gij vaak uzelven lief hebt, als gij de inblazingen van zinnelijke neigingen volgt. De ware liefde heeft God lief in den naaste, en heeft den naaste lief om Godes wil en tot Zijn eer.
De gansche bijbel bevat eigenlijk niets en gebiedt eigenlijk niets dan liefde. Liefde is de vervulling van wet en Profeten. Liefde is hel woord der zaligheid. Liefde is de weg der zaligheid. Liefde is de Bijbel voor onkundigen leesbaar, en het eenige studieboek voor de geleerdste mannen op aarde, en het is nooit door hen uitgestudeerd. Moge de Heilige Geest, de Goddelijke wet der liefde, door Christus ons geschonken, in onze harten schrijven, en ons ook bekwaam maken die in ons leven te belichamen, opdat wij voor de wereld leesbare brieven van Christus bevonden worden.
De wereld buigt voor daden, zelfs daar, waar zij niet hooren wil naar woorden.
Daartoe schenke God ons de genade, in al onze plannen en bij al onze daden steeds voor oogen te houden dat eerste en grootste gebod: Gij zult God liefhebben boven alles, met geheel uw hart, met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand; en het tweede daaraan gelijk; gij zult uwe naasten liefhebben als uzelven. Toen de Apostel Johannes na van Patmos wedergekeerd te zijn, in zijne geliefde gemeente te Epheze zoo oud was geworden dat men hem dragen moest naar de vergadering, en hij bijna niet meer kon spreken, zeide hij telkens weder:
74
Kirulerkens hebt elkander hartelijk lief! en toen hem eenmaal gevraagd werd, «waarom hij dat woord altijd herhaaldequot;, gaf hij ten antwoord: omdat er anders niets noodig is, want de liefde is de vervulling van wet en Profeten.
Omdat er anders niets noodig is; laat ons dat woord vasthouden, want wie liefheeft is uit God geboren. Amen.
Hoe Simon Jona'szoon aan de hand van Jezus Petrus werd.
Jon. 1 : 3bâ43.
Er is een klein land op deze wereld, waarmode alle andere landen le rekenen hebben; waarin alle volken belang moeten stellen; waarin menig eenvoudig christen beter thuis is dan in zijn eigen vaderland. J)at land is Palestina, niet ten onrechte »Hel heilige landquot; geheeten, omdat de Heiland der wereld daar rondgewandeld heeft. En in dat heilige land wordt een Meer gevonden, bij eiken bijbellezer bekend; het is het Meer van Genesaretb of de zee van Galilea.
Het bevallige Meer dat met een lach van moederlijk ontfermen den jeugdigen Jordaan in bet koele bed ontvangt, om na hem gestreeld en in de armen opgehouden te hebben, hom weder te ontslaan, maar om hem met stil gepeins na te staren, want straks vaart hij den open muil der Doode zee binnen. O het moet schoon, zeer schoon geweest zijn in vroeger eeuwen, dat donkerblauwe, klare Meer te aanschouwen, omzoomd met gersl en havervelden met bloemen vermengd, terwijl beek bij beek zich in het Meer kwam uitstorten.
7G
Maar trolscli en ontzagwekkend kon dal Meer ook zijne golven omhoog verheffen, als de wind in het hooge gebergte ontwaakte, en verbitterd door het oponthoud in de kloven der steenrotsen, de wateren dol van schrik en wit van schuim kwam opjagen. Maar toch die stormen gingen voorbij en van der bergen top was het weldra weder lieflijk om te zien, dat schoone Meer omringd door dichtbevolkte steden, wijngaarden, korenvelden en dadelbosschen, waarbij zich de olijvenhof aansloot, terwijl elke maand de wandelaar opnieuw genood werd op vijgen en druiven. En op het Meer, o daar krielde het bij dag en bij nacht van bruine zeilen, gevuld door den wind evenals hel hart der visschers gevuld was met moed om den levensnood en de arbeidstaak te aanvaarden.
Onder die eenvoudige en trouwhartige visschers aan de boorden van hel Meer was ook de visscherman opgevoed over wien we in dit uur u wilden spreken: Simon de zoon van Jona. Met de wateren vertrouwd, werd hij door God bewaard, die voor den nederigen visscher een last en een taak bewaarde, maar ook een kroon die in den hemel en op aarde zou schitteren.
Welk een eeuwig gedenkwaardige dag in het leven van Simon Jona'szoon, als zijn lieve broeder Andréas daar lol hem komt en zegt; O mijn broeder kom mede! Wij hebben den Messias gevonden van wien Mozes en de Profeten gesproken hebben. Lieve Andréas, in den hemel wacht u het loon den getrouwen bereid; gij hebt Sirnon tot Jezus mogen voeren. En de Heiland zag Simon aan en doorzag hem geheel, want Hij zag in dien Simon een Petrus.
Een beeldhouwer stond peinzend voor een groot blok wil marmer, toen daar een kleine knaap tot hem kwam met de vraag: Lieve mijnheer, wat ziet u toch dat marmerblok aan? En de beeldhouwer antwoordde: lief kind, ik zie in dat sluk
77
marmer een schoone Engel, maar ik moet véél lalen wegvallen eer hij er uit komt; maar kom over een maand eens terug, dan zult gij hem zien.
En de Engel kwam uil het marmerblok nadat er veelweg-gevallen was. Zoo is het met Simon Jona'szoon gegaan. Ei-moest eerst wel veel wegvallen, maar aan de hand van Jezus is Simon Jona'szoon toch Petrus geworden.
Een Petrus, o dat is veel meer dan een Engel. Een Petrus dat is een knecht, neen een kind van God, een Apostel dei-Joden, een bode des heils van Christus geworden met den martelpalm in het haar. Het was een schoone dag toen Simon aan de zijde van Andreas in het stille Meer het vischnet uil-wierp op des Heeren woord, en het optrok zóó vol dat de netten scheurden. Toen kwam het woord van den Meester tot de Jongeren; Volgt mij en ik zal u visschers der men-schen maken. O, visschers der menschen, dal kunnen zij alleen zijn, wier hart zoo vol van ootmoed is als hel hart van Simon was, toen hij aan Jezus voelen nederzonk met hel woord op de lippen: Heere ga uit van mij want ik ben een zondig mensch! De Heiland had Simon's hand geval en Simon had aan Jezus zijn hart gegeven, en hij wijdde ook zijn scheepje aan den dienst van Jezus als de Heer van het scheepje tot het volk wilde spreken woorden des levens en der kracht. Wal zeg ik? Simon Jona's zoon wijdde zijn leven aan Jezus. De zoon der Zee volgde den Meester met bereidwilligheid en liefde: maar de Zee mocht hij nog vaak wederzien, en op die Zee ook des Heeren wondermacht en liefde aanschouwen.
Hel zal stormen op die Zee, en stormen in de zielen der jongeren, zoodal zij den noodkreet zullen slaken: Heere behoed ons want wij vergaan! Dan zal de Meester ontwaken, en spreken: Wat, zijl gij zoo vreesachtig gij kleingeloovigen?
78
Maar Zijn woord tol de Zee doel de opgeruide golven zwijgen en er wordl groole slilte.
De afgrond verzwelgl den lieer der geraeenle niel, en ook in hel midden van den slorm zijn Zijne jongeren veilig. Jezus aan boord, alles aan boord, schepelingen looft nu Zijn liefde!
Hel zal stormen op Zee in hel nachtelijk uur als Jezus niel aan boord wordl gevonden; maar van der bergenlop slaat Hij hen gade. De Heer vergeel de Zijnen niel. In de laatste nachtwaak zal Hij komen, de golven zijn Hem lot een pad. Hij hoort uit het scheepje de angstkreet; Een spooksel! maar Hij beantwoordt dien angstkreet niet hel vriendelijk woord; Hebt goeden moed, vreest niet. Ik ben hel! De vrees maakt plaats voor het woord des geloofs; Heer, indien Gij hel zijt, zoo laat mij tol U komen! Eén wenk is genoeg en Petrus staat op de baren, één blik op die baren en Simon zinkt; maar hij roept tol zijn Heiland; Heere behoud mij! Hoe kan een Simon zinken als Jezus zijn hand heeft gevat?
Al moet hij het woord vernemen; Gij kleingeloovige waarom hebt gij gewankeld? de slotsom is toch; Waarlijk, Gij zijl Gods Zoon!
Had Jezus Simon's hand niet gevat, de Petra was door den afgrond ingezwolgen. Simon Jonas' zoon heeft de opwekking van Jaïrus' dochtertje gezien, hij heeft Lazarus uit het graf zien verrijzen, hij heeft op Thabor des Heeren heerlijkheid aanschouwd en wil van niets dan van een Messias in heerlijkheid weten, en nooit wil hij hooren van een Christus met een kruis.
Als Jezus over Zijn kruis en lijden gaal spreken, moet de man die Jezus Godheid reeds heeft beleden hel ontzettende woord nog hooren; Ga weg achter mij Satanas gij zijt mij een aanstoot, gij verzint niet de dingen die Gods maar die
79
der menschen zijn. Ue man die heeft uilgeroepen: Waar zouden wij heengaan, Gij liebl de woorden des eeuwigen levens; moet later nog vernemen: In dezen nacht zult gij Mij driemaal verloochenen. Hij die met zijn Meester in de gevangenis en in den dood wilde gaan, gebruikte zeer onhandig het zwaard en vluchtte; om straks in Cajaphas' zaal gekomen in de zeef des duivels te geraken, en het vreeselijk woord te spreken: »Ik ken dien Mensch niet!quot; Toen was het ook nacht; toen wilde Petrus ook tol Jezus komen en hij zonk weg in de golven, maar de blik van den Meester was de hand die verhoedde dat de afgrond den Petra verzwolg. üie blik zag in Simon nog het geloof in het midden van zijne zonden; die blik las nog het »niijn Jezusquot; in het hart van hem op wiens lippen het »Ik ken dien Mensch nietquot; werd gevonden.
Petrus ging naar buiten en weende bitterlijk, en die tranen waren voor Petrus een doop, een bad der wedergeboorte, waarin hij achter liet den hoogmoed en den overmoed die hem tol mismoedigheid brachten; maar een bad óók waaruit hij medebracht de zachtmoedigheid en laugmoedigheid, den ootmoed en den mannenmoed die later zijn leven versierden, en hem bekwaam maakten zijn Meester te belijden, voor ziju Meester te lijden, ja te sterven aan een kruis.
Jezus vergeet Petrus niet, zelfs niet in het rijk der doo-den; en als het graf zich ontsluit aan den Paaschmorgen is één der eerste woorden van den verrezen Levensvorst: Zeg het mijnen broederen en zeg hel Petrus. En Jezus is van Simon gezien, en Simon heeft van zijti Meester woorden gehoord zóó schoon, dat wij ze eersl in den hemel mogen weten. Maar hier op aarde is de juichtoon der jongeren hel Paasch-lied der gemeente geworden; Ue Heer is waarlijk opgestaan en Hij is van Simon gezien! Ja van Simon gezien, niet aan
80
den Paaschmorgen alleen, maar later nog eenmaal aan de zee van Tiberias; bij een wonderbare viscbvangst, maar waarbij toen bel net niet scbeurde. Stel u dien morgen voor den geest zoo gij kunt. Hij die van Simon's scbeepje gelijkenissen beeft gesproken staat daar beleden door Johannes als »De Heerquot;, door Thomas als »zijn Heer en zijn Godquot;, maar voor Petrus is Hij »de lieve schuldvergevende Heilandquot;. Hij verlaat bet schip om tot Jezus te komen. Jezus aan den oever van het Meer en Petrus aan de voeten van Jezus, dat is een onderwerp het penseel van den besten schilder waard. Petrus, aan de voelen van dien Jezus, die eenmaal zijn band vatte om langs dezen weg van Simon Jona's zoon een Petrus te maken.
Simon Jona's zoon, dien naam moet hij nog eens, neen driemaal hooren:
Hebt gij Mij lief? zoo vraagt de Heer,
En Petrus hoort die vraag herhalen;
Hij ziet in 't oog des Meesters weêr,
Waar heil'ge liefde en ernst uit stralen.
Hij weet hel wat de Heer bedoelt;
Terwijl die vragen 't hart doordringen, Hij antwoordt: «Gij weet allo dingen,
Gij weet dat ik ü liefheb Heer!quot;
Hebt gij mij lief? tot driewerf toe
Heeft Jezus reeds dit woord gesproken, Hoe werd de jonger toen te moê.
Zijn «zelfvertrouwen'' werd gebroken;
Zijn bitteren val herdenkt hij weer,
Terwijl die vragen 't hart doordringen; Hij antwoordt: «Gij weet alle dingen,
Gij weel dat ik U liefheb Heer!quot;
81
«Weid mijne schapen!quot; klinkt nu 'l woord,
En Pelrus mag tot Jezus komen,
Is weer als Jonger aangenomen
Nn hij dat woord des Meesters hoort.
En «volg mij!quot; voegt de Heer er bij.
En Petrus volgt zijns Meesters schreden;
Eens wacht wie Jezus naam beleden Na 't kruis de kroon, verlost en vrij.
Simou de zoon van Jona heeft zijn eerste liefde verlaten, maar in zijn tranendoop heeft hij zijn tweede liefde gevonden; en die tweede liefde was beter, geboren uit de edelste smart.
Simon Jona's zoon is Petrus geworden, en toen hij bekeerd was versterkte hij zijne broederen.
Zijne liefde wankelt niet meer, roemt niet meer, verloochent ook niet meer.
Simon Jona's zoon. Petrus geworden aan Jezus hand, zoekt geen kracht meer in zich zeiven maar in Jezus alleen.
Hij vond de kracht om te staan en alles gedaan hebbende staande te blijven. Hij volgde den Gekruisde. Hij volgde hel Lam Gods waar het ook mocht heengaan.
Een ander gordde hem aan het einde zijns levens en bracht Pelrus waar Simon niet wilde zijn, aan het kruis als zijn Meester, maar te sterven als zijn Meester was voor den jonger te veel eer.
Met het hoofd naar beneden stierf hij den marteldood en bezegelde met zijn bloed de belijdenis; Heer Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik ü liefheb.
Ue Engel is uit het marmerblok gekomen. Simon Jona's zoon werd aan Jezus hand Petrus. De Galileesche visscher werd Discipel, werd Apostel, werd Martelaar. Neen niet op
6
82
het hoofd van zijne opvolgers te Rome, maar op het hoofd van den gezaligden Jonger prijkt eene drievoudige kroon. Zijn liefde kwam in de smeltkroes en na zevenmaal gelouterd te zijn kwam zij er uit om nu te prijken in de kroon van Jezus.
De Galileesche visscher, een visscher van menschen, een parel in de kroon van Christus zijn Heer. Wat zult gij eenmaal zijn? Geef op die vraag een antwoord aan uw hart, en aan uw Heer; aan den Heiland van Petrus die ook uw Heiland wil wezen. Amen.
Eene avondwandeling met Jezus Christus.
Lr kas 24:13â43.
Zalig zijn zij die niet zullen gezien en nochtans zullen geloofd hebben; zoo heeft de Levensvorst tot Thomas gesproken, omdat hij niet had willen gelooven in de waarachtige opstanding van Christus. Maar dat woord tot Thomas gesproken blijft van kracht voor alle tijden, ook voor onzen tijd. Het geldt de menschen die wel gelooven in de waarheid der opstanding, maar die nog de kracht der opstanding niet kennen; zoowel als degenen die niet gelooven; maar het geldt ook velen die weten door het geloof gerechtvaardigd te zijn, maar die afgedwaald zijn van den weg, verach-terd in de genade, door zich over te geven aan den invloed van de dingen dezer wereld; of die door nooden en zorgen en droefenissen hun hemel verduisterd zien, zoodat het vrije doorzicht belemmerd is geworden op de heerlijkheid hun beloofd.
In dien toestand waren de wandelaars naar Emmaus.
Zij hadden de boodschap der opstanding van Jezus gehoord, maar de smart der laatste drie dagen drukte hen zoo ter neder dat zij het opstandingsevangelie niet geloofden.
8'i.
ITel was bij den avond, de dag was gedaald, zij wandelden in een wolk van twijfel die zich legerde op hun pad, maar Jezus kwam, en wandelde met hen, en op deze wandeling kwam Hij het woord waarheid maken: liet zal geschieden ten tijde des avonds dat het licht zal wezen.
Zoo wil Hij wandelen met een ieder onzer en onze leidsman zijn op den levensweg. Hij schenkt licht in elke duisternis, en voor allen die zich door Jezus laten leiden is het einde van den weg de hemel in het zalige Vaderhuis.
Laat mij u mogen spreken over de avondwandeling der Emmaüsgangers met Jezus Christus. Heeft het Paaschfeest ons gezegd wat de opstanding is voor ons, dit Evangelie zegt ons wat de opstanding is in ons. Nu Christus is opgewekt uit de dooden is de dood overwonnen, en Jezus is aan onze zijde als de Levensvorst; maar om Hem zóó te kennen moeten wij met Hem wandelen en onze harten voor Hem openen als de Emmaüsgangers. De wandeling naar Emmaus is beeld onzer levensreize en Jezus te vinden is van onze levensreize het doel.
De wandeling naar Emmaus toont ons, hoe Jezus zich aan de zijnen openbaart.
Het zijn te Emmaus toont ons hoe de zijnen Hem leeren kennen.
De terugtocht naar Jeruzalem zegt ons hoe het een hart gaat dat Jezus gevonden heeft. De aankomst te Jeruzalem is zinnebeeld van de aankomst der zaligen in den hemel.
Moge onze weg hemelwaarts gaan, en Jezus steeds onze leidsman worden bevonden, opdat het ook voor ons ten tijde des avonds licht zijn moge. Amen.
De wandeling naar Emmaus moet plaats gehad hebben tusschen den namiddag en den avond. Het vlek Emmaus lag
83
van Jeruzalem cirka 3 uren verwijderd. Alleen van één der Emmaüsgangers «Cleopasquot; is ons de naam in de Heilige Schrift bewaard. Men vermoedt dal hij de man was van Maria's zuster. Maar geen bloedverwantschap is oorzaak dat de Heer zich aan dit tweetal openbaart, want aan Zijne moeder verscheen de Heer geen enkele maal afzonderlijk. De sleutel van dit verhaal ligt in het woord: mvat redenen zijn dit die gij wandelende onder elkander verhandeltquot; ? en »waarom ziet gij droevigquot;?
Jezus Christus heeft vele ambten. Hij is de Koning van het scheppingsrijk, van het geestenrijk en van het Godsrijk. Hij is onze hoogste Profeet en Leeraar. Hij is de groote Hoogepriester onzer belijdenis. De trouwe getuige, het begin der schepping Gods, de Overste van de koningen der aarde, de trouwe Vriend der zijnen, het Hoofd der gemeente, de Verlosser der wereld, de Rechter der toekomst; maar bij dit alles is Hij »de Trooster van de treurigen Zions.quot; Daartoe is Hij gezalfd, om te genezen de gebrokenen van hart, om de gevangenen te prediken loslating, om alle treurigen Zions te troosten, dat hun gegeven worde sieraad voor asch, het gewaad des lofs voor een benauwden geest, en vreugde-olie voor treurigheid.
Tot de treurigen Zions behoorde Maria Magdalena, zij was eene dankbare geloovige, maar aan den morgen der opstanding een bedroefde ziel, die meende dat men baar Heer had weggenomen: maar Jezus verscheen haar, en was werkelijk de hovenier die de rozen deed ontluiken door Zijn woord «Mariaquot;! want daardoor werd zij getroost.
Petrus is bedroefd over zijn zonden maar wordt door de aanschouwing van Jezus getroost.
En de droefheid van deze mannen?
Zij ontstaat door «teleurgestelde hoop,quot; die hun tot twijfel
86
en ongeloof brengt, maar Jezus zal op den weg naar Emmaus hen troosten. Is hier ook een bedroefde die meent datJezus weggenomen is? Als Maria zal Jezus u troosten. Is hier ook een bedroefde als Petrus, schreiende om de verloochening van zijn Heer? bedroefd van wege zijne zonden, van wege zijne zonden legen beter weten begaan? Weet dan dat die droefheid de edelste smart is waaruit een beter leven wordt geboren. Jezus komt tot de verbrokenen van harl, Hij komt de treurigen Zions troosten.
Zijn hier treurigen als de Emmaüsgangers die in aardsche verwachtingen zijn beschaamd, omdat zij eerst het hemelsche moeten zoeken? Jezus zal hen troosten op Zijn tijd en Zijne wijze, gelijk een die zijn moeder troost. De wolk van twijfel zal van uw pad verdwijnen en gij zult wandelen in het licht, ook al zou het zijn ten tijde des avonds. Weet het, o weel het Jezus is getrouw. Maar leer dan ook doen als de Emmaüsgangers, zij klagen Jezus al wat hun drukt en bedroeft, dal is de weg om van alle droefheid verlosl te worden en tot blijdschap te komen.
Menschen zijn vaak moeielijke troosters, als er een men-schenharl vol is meenen zij er toch hunne vertroosting in te kunnen brengen. Ach leer toch troosten van uwen Heer. Met een vraag tot de Emmaüsgangers gericht maakt Hij een opening in hun hart opdat hel zich eerst kan uil-storten. Wal redenen zijn dit die gij wandelende onder elkander verhandelt? en waarom ziel gij droevig? Doe dan als Hij. Indien gij bij treurigen komt om hen te troosten, zet u dan bedaard bij hen neder, richt enkele vragen lol bun harl, en hoor dan geduldig eerst aan al wat zij u verhalen willen, dan ontlast zich hun hart, en als zij eerst hun harl hebben uitgestort, kom dan met uwe vertroostingen, en gij zult too-nen het Psalmwoord te verstaan; Welgelukzalig is hij die
87
zich versLaiulig gedraagt bij een ellendig tiiensch. Indien gij anders handelt zal de bedroefde straks klagen; de menschen willen mij troosten en doen mij niets dan last, er is toch niemand bij wien ik mijn hart eens kan uitstorten dan bij God alleen.
De Emmaüsgangers spraken over Jezus, en terwijl kwam Jezus bij hen. Zóó gaat het nog. Spreek over kerken, genootschappen, richtingen, dogma's cn uw hart zal koud worden en uw hoofd warm. Leerstukken maken vaak dat ons hart een stuk leêr wordt, men kan er op slaan maar hel voelt niet meer, het leven is er uit. Maar spreek over Jezus en Hij zal tot u komen en uw hart zal brandende worden in het binnenste van u.
De Heer begint met vragen, om hun de gelegenheid te geven tot klagen, ja al wat hen drukt. De Emmaüsgangers gelooven in Jezus den Nazarener als in een Profeet, krachtig in werken en woorden voor God en al het volk; later gelooven zij in Hem als in den Levensvorst en den zaligmaker huns harten.
In het leeren kennen van Jezus is altijd een Goddelijke orde. Jezus te leeren kennen is de zalige taak voor de eeuwigheid die hier op aarde echter moet aanvangen.
De Emmaüsgangers meenden dal hun hoop beschaamd was, juist toen die hoop veel heerlijker hare vervulling had gekregen; want de verlossing was voor Israël aangebracht van veel erger vijand dan Rome; de verlossing van Satan en zonde, dood, graf en hel. En die verlossing was nu niet voor Israël alleen, maar voor de geheele menschheid.
De Emmaüsgangers zijn onlsleld geworden door hetgeen hen had moeten verblijden. «Sommige vrouwen uil ons,quot; zeggen zij, «hebben ons ontsteld, want zij zeiden een gezicht van Engelen gehad te hebben die zeggen dat Hij leeft.quot; Wat
88
ons verheugen moet jaagt óók ons vaak eerst vreeze aan, evenals eenmaal de Jongeren, die op zee een spooksel meenden te zien en het was hun vriendelijken Heiland. Zoo gaat het m:t nog altijd als de Heer tot ons komt over de baren der levenszee.*? Maar Jezus weet tragen van hart en onverstandigen om te gelooven te genezen door middel van Gods woord.
Een der kerkvaders heeft gezegd: drie dingen heb ik begeerd te zien; Rome in zijn bloei, Paulus in zijn welsprekendheid en Christus in het vleescb. Het laatste is zeker het beste; maar ik zou wenschen Christus gehoord te hebben als Hij Bijbellezing houdt voor de Emmaüsgangers op deze avondwandeling. quot;ij leide hen uit in al de Schriften hetgeen van Hem geschreven was. Daarom werden hunne oogen gehouden dat zij Hem niet kenden; opdat de Heiland hen eerst ongestoord onderwijzen zou. Welk een liefde, zulk een prediking te willen houden voor »tweequot; toehoorders. Ook hier is Jezus ten voorbeeld, waarvan wij nabeelden moeten worden; de predicatie voor twee toehoorders werd ook voor twee zielen ten zegen.
Zij kwamen nabij het vlek en Hij hield zich alsof Hij verder wilde gaan. Jezus wil ons niet verlaten, maar Hij houdt zich zóó opdat wij zouden bidden: Heere blijf bij ons, want de dag is gedaald en het is bij den avond.
En Hij ging in om met hen te blijven, altijd met hen te blijven, óók op hunnen terugweg, al zagen zij Hem niet.
O, zalig dat huis waar Jezus ingaat om er te blijven. Waar Jezus in huis komt daar zit Hij mede aan: daar ontvangt men het dagelijksch brood uit Zijne doorboorde handen; het door Hem gezegende brood. Daar smaakt men dat de Heere goed is, die door Zijn liefde ons zoowel het aardsche brood verwierf als de hemelsche zaligheid.
Rampzalig dat huis waar Jezus niet woont, daar is ook de
8!)
zegen niet, daar smaakt het brood niet naar Zijne hand; daar valt het geld in een doorboorden buidel, of wordt opgestapeld als geld waar bloed aankleeft.
En hunne oogen werden geopend. Zie de hardheid des harten is onze schuld; maar het openen der oogen is hel genadewerk van Christus, En zij kenden Hem. O hemel van zaligheid Jezus te kennen; dat is de voorsmaak van de zaligheid. In dat oogenblik als het voor onze ziel is: en zij kenden Hem, dan is onze ziel gered en onze tranen worden tranen van vreugde.
Gelukkige Emmaüsgangers, gelukkige Christenen, het doel van uw leven is bereikt als dit waar is geworden: en zij kenden Jezus.
Zij kenden Hem; nu niet meer als Profeet, maar als den goeden Leidsman en Medgezel op den levensweg, als den goeden Huisvriend, als den Vorst des levens, als den Zaligmaker hunner zielen. Kent gij Jezus ook alzoo? Dan zegt gij met den dichter:
'k Verdiende niets dan vloek en toorn.
Toch wil mij God genadig zijn;
Met God verzoend en weergeboren.
Maakt Tlij door 't bloed Zijns Zoons mij rein.
Vanwaar mij dit? hoe is 't geschied?
Erbarming is 't en anders niet.
En Hij kwam weg, zegt de Evangelist, uit hun gezicht. De heilgeheimen Gods duren hier op aarde oogenblikken, maar in den hemel eeuwigheden. Daar zit Jezus met ons aan. daar raakt Hij nooit meer uit ons gezicht, daar zien wij eeuwig de wonden van het geslachte Lam, den levenden Heer, die de Zijnen zoo trouw geleidt op den levensweg en Zich openbaart aan hunne harten door Zijn woord, zóó dat die harten brandende worden van liefde en dankbaarheid voor Hem. Eu nu â de Emmaüsgangers blijven niet te Emmaus, zij houden
90
het groote nieuws niel voor zich alleen. Zij gaan weder ter zelfder ure terug naar Jeruzalem. De drie uren schijnen drie minuten, want de Schrift spreekt niet één woord van de terugreis.
Zoo zal ook de reis naar de eeuwigheid ons niet lang vallen, we zullen spoedig bij Jezus zijn. De Emmaüsgangers doen, wat de Psalmist heeft gezongen en wat elke geredde ziel doet. Zij zeggen tot anderen: Komt luistert toe gij Godgezinden, gij die den lieer van harte vreest.
Zij komen te Jeruzalem en vinden de elven te zamen vergaderd, zij vertellen wie Jezus voor hen is, hoe zij Hem hebben leeren kennen, hoe Hij met hen wandelde op den weg en hun de Schriften verklaarde; hoe Hij te Emmaus verder wilde gaan, maar op hunne bede inkwam in hun huis, hoe zij in de wonden Zijner handen, in de breking des broods Hem herkenden; wat zaligheid hunnen harten doorstroomde en hoe wonderbaar Hij verdween uit hun gezicht. En de elven zij juichen; De lieer is waarlijk opgestaan, en quot;ij is van Simon gezien. En terwijl zij zich verheugen met onuitsprekelijke vreugde, staat Jezus in hun midden en zegt: »Vrede zij ulieden!quot;
Waar over Jezus gesproken wordt daar komt Hij in het midden. Spreek daarom zelden over u zeiven, spreek nooit over anderen; spreek altijd over Jezus, en gij zult meer Zijn vredewoord hooren. Zijne zalige gemeenschap ervaren, en Hij zal u Zijne wonden toonen als de teekenen Zijner eeuwige liefde.
Jezus onze leidsman op den weg door dit leven naar Gods zaligen hemel, wil met ons wandelen zooals Hij eenmaal wandelde met de Emmaüsgangers. Deze waarheid is zeer troostrijk voor ons hart.
Wat zou de vrucht van Jezus dood en opstanding ons
91
baten, wanneer wij niet door het wandelen met Hem de kracht verkregen ons die toe te eigenen? Door de gemeenschap met Jezus worden wij sterk om den strijd te kunnen strijden zonder welke niemand in den hemel wordt gekroond. En strijd is er tegen menigen vijand in ons, rondom ons, boven ons.
Er zijn oogenblikken waarin de geest zich voelt nedergedrukt alsof de Heiland niet voor ons ware gestorven, alsof de heiverwinnaar niet ware opgestaan, alsof wij nog in de macht der vijanden waren.
Paulus klaagde eenmaal: Ik ellendig mensch wie zal mij verlossen van dit lichaam dezes doods! Maar Jezus troost Zijne treurigen op den weg door dit leven; zij leeren allen Mem kennen in Zijne liefde en trouw als Leidsman door dit leven; en het einde van den weg met Jezus gewandeld is het Jeruzalem boven, liet Jeruzalem boven met stralen van goud, met poorten van paarlen, met een zee van kristal, en diamanten grondvesten.
Waarlijk, waarlijk, van die Godstad mag het woord gelden:
O zaligheid niet af te meten;
O vreugd die alle smart verbant;
Daar is de vreemdlingschap vergeten;
En wij, wij zijn in 't Vaderland.
Daar in het Jeruzalem boven ontmoeten wij ook de elven, en de Emmaüsgangers, en allen die van Jezus zijn van alle tijden en plaatsen. Een groote schare, niet te tellen; met koningskroon en priesterkleed, en den palm der overwinning. Daar deelen wij elkander mede wie Jezus voor ons was op den levensweg; hoe Hij ons Zijn woord heeft verklaard; hoe Hij gekomen is in onze huizen; hoe quot;ij ons brood heeft gezegend; en inzonderheid, hoe Hij ons Zijne wonden toon-
92
f D / f/
de als de zegeteekenen Zijner liefde. En terwijl we dat alles elkander mededeelen komt Jezus in het midden om het woord te doen hooren: Vrede zij met nlieden; en om Zijne wonden ons te toonen. Dan ziet ons oog Hem, dan aanbidt onze ziel Hem, dan looft onze mond Hem die trouw de Zijnen geleidt en de treurigen Zions vertroost. Dan wandelen wij niet naar Emmaus, noch naar Jeruzalem, maar door de Palmen en Cederen en Mirtelanen van het Hemelsche Paradijs, aan de levende fonteinen der wateren, of aan de boorden van de kristalleine zee. Dan raakt Jezus nooit meer weg uit ons gezicht, nooit meer uit onze woning, nooit meer uit ons hart, neen, nooil meer. Eeuwig, eeuwig, blijft die trouwe Leidsman, die goede Huisvriend, die vriendelijke Zaligmaker bij de Zijnen. En door al de zalen van het groote Vaderhuis blijft door alle eeuwigheden heen het woord van de lippen van den verrezen Levensvorst klinken: Vrede zij ulieden! Amen.
i