-ocr page 1-

SondaffaYonduren

IN

HET TEHUIS.

TIENTAL SCHRIFTBESCHOUWINGEN

DOOK

J. VAN BEU EREN.

S GRAVENHAGE,

H .T G^ERKETSEN.

-ocr page 2-
-ocr page 3-

lt;1*

/

/

ZondagaYonduren

IN

HET TEHUIS.

TIENTAL SCHRIFTBESCHOUWINGEN,

DOOR

J. VAN BEIJEROL

. f

Mêmm.

v ik*quot;?-

BiBLiOïHEEK NEO. HERV. KERK

S GRAVENHAGE,

H. J. GEERETSEN. 1884

S n

/oyjS 6/ f

-ocr page 4-

SCHENKING UIT DS BIBLIOTHEEK VAN HJVI. DE KONINGIN

leiden: boekdrukkerij van l. van nifterik hz.

-ocr page 5-

QVctards S£ezer!

Bijna zestien jaren mocht ik het voorrecht hehben, des Zondags avonds een gedeelte der Heilige Schrift te hespreken voor de bezoekers van het Tehuis voor Militairen.

Veel van het besprokene iverd door mij op schrift bewaard, en van tijd tot tijd iets daarvan in het licht gegeven. Zoo verscheen in 1874 een boekje getiteld: Alles wat adem heeft love den Heer! inhoudende een zevental toespraken. Een viertal toespraken werden opgenomen in Woord en Dicht in 1880. Dertien Bijbellezingen handelende over den Hebreënbrief werden uitgegeven in 1SS2. In datzélfde jaar nog een viertal toespraken, onder den titel: Woorden van een Heiden of de Bijbel in het klein. Tivee bundeltjes gedichten allen door mij aan onze

-ocr page 6-

IV

Militairen voorgedragen, verschenen in 1883 en 1884.

Al deze werltjes gijn echter uitvcrhocht, en daar ik een herdruk nog niet noodig acht, besloot ïk liever weder een hundeltje Schriftheschomvingen door mij op verschillende Zondagavonden gehouden, in het licht te geven.

Moge dit hoeJcje even vriendelijk ontvangen ivorden, en even gezegend zijn, als de vorige werkjes voor menig hart geweest zijn, dan zal ik mij dankbaar verblijden.

Voor de bezoekers van het Tehuis welke in den laat-sten tijd zijn vertrokken, zij dit boekje een vriendelijk aandenken aan onze gezegende en aangename Zondag-avonduren, die in het ouderlijk huis nog tvel eens zullen herdacht worden.

J. VAN BEIJEREN.

's Gravenhage, Oct. 1884.

-ocr page 7-

INHOUD.

Bladz.

De Goede Herder. Ezechiël 34 : li—23..............7

Bekommering en vertroosting. Psalm 94 : 19......-16

De strijd van den Christus. Luk. 11 :14—28......24

Het ontstaan en de openbaring van het geloof. Hebreen 11: 30,31 . 30

De Doornenkroon. Matth. 27 :11—31........30

Christus de gekruisigde. 1 Cor. 1 : 23, 24 ..............43

Jezus de Levensvorst. Joh. 14 :19i.........50

Des Christens wapenrusting. Efeze 6 :11—19......57

Een eeuwige volheid of een eeuwig bankroet. Matth. 25 : 29 . 65

De Apostolische zegenbede. 2 Cor 13 ; 13.......73

-ocr page 8-
-ocr page 9-

De Goede Herder.

Ezeciiiël 34 ; 11—23.

De gansclie aarde is van Gods heerlijkheid vol! Zoo zingen Gods Engelen in den hemel, en zoo betuigen allen op aarde, die God leerde zien in de natuur; onder de leiding van Hem, die de schepping orakels hoorde spreken, die zij in teeken en beeld verborg. De Herder met zijne schapen; welk Christen kent dit schoone zinnebeeld des Bijbels niet? De Bijbel begint met den goeden Herder »Abelquot; zoo jong gestorven, maar als eersteling in den hemel, de vertegen-woordiger der gezaligde menschheid. En de Heilige Schrift eindigt met de voorstelling van Hem die zijne schapen aan de levende fonteinen der wateren zal leiden.

Abraham, Izaak, Jakob, Jozef, Mozes, David en Amos waren allen Herders, de herdersstand is van ouden adel. Wij zien den Herder met zijne schapen in grazige weiden, of de schapen volgende de voetstappen der herderen, onder het geluid der klokjes, en de muziek der herdersfluit. Wij zien het bevende lam in des herders armen of op zijne schouders ' quot;?dragen. Wij zien het verloren schaap door den Goeden Her-

-ocr page 10-

8

der gezocht en tot de schaapskooi gebracht. Wie denkt niet aan den Herder in Bethlehemsvelden, met zijn koninklijk lied en zijn koninklijk hart? Hij verslaat leeuw en beer en stelt zijn leven voor zijn schapen.

Maar de opperste Herder der schapen is Jezus. Zijne kudde is de grootste van alle Herders op aarde.

Van die kudde wordt gezegd: Wij dwaalden allen als schapen; wij keerden ons een iegenlijk naar zijnen weg.

Behoort gij ook nog tot die dwalende schapen? Zoo ween dan, maar weet het, dat de Herder heeft beloofd: Ik, ja Ik, zal naar Mijne schapen vragen, en zal ze opzoeken. Dat kan Hij, de Goede Herder, niet laten, want wat mensch, hebbende honderd schapen, en uen van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, tot dat hij het zelve vindt? En als hij het gevonden heeft, legt hij 't op zijn schouderen, verblijd zijnde. En thuis komende, roept hij zijne vrienden en geburen te zamen en zegt: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was. Alzoo zal er blijdschap zijn, bij de Engelen Gods, over éénen zondaar die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben.

Is er reeds blijdschap geweest in den hemel over u? Of zouden, als er in den hemel tranen waren, de Engelen over u nog weenen? Kan er reeds van u worden gezegd: Gij waart eertijds, als dwalende schapen, maar nu zijt gij bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen?

O, wel u dan, blijf, ja blijf bij uwen goeden Herder. Hij deed voor u zoo veel, hij heeft u zoo lief. Laat het doolzieke schaap zich van den Herder afkeeren, en de Verloren zoon, zwijnendraf verkiezen te eten, maar dat wij toch niet

-ocr page 11-

9

ondankbaar tegen den goeden Herder zijn. Hij lieeft zijn leven moeten geven, om ons te redden, toen het woord werd vervuld: Zwaard ontwaak tegen mijnen Herder en tegen den man, die mijn medgezel is. De Herder zal geslagen worden, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Van Zijne eigene lippen is het woord vernomen: Ik ben de Goede Herder; de Goede Herder stelt zijn leven voor de schapen. Hij zeide het, en Hij deed het. O, vestig uw oog op Zijn kruis. Zijn bloed. Zijne wonden; geslagen om uw schuld. Wie in Zijn schaapskooi is, die is veilig:

Veilig in Jezus armen.

Veilig aan Jezus hart.

Hij is de Herder, en tevens de deur. Wie door Hém ingaat, zal behouden worden, ingaan, en uitgaan, en weide vinden. Hij gaat Zijn kudde voor. Hij roept Zijne schapen bij name, en leidt ze uit, Hij riep ook u, hebt gij het niet gehoord? Hij roept u nog, nog heden. O, hoor de stem van Jezus, die lieflijke stem. Hij gaat Zijne kudde voor, en de schapen volgen Hem, omdat zij Zijne stem kennen.

Hier aan zult gij het weten, of gij een schaap Zijner kudde, het eigendom van Jezus zijt; Zijn stem hooren, en Hem volgen, getrouw Hem volgen, blijmoedig Hem volgen, bestendig Hem volgen, Jezus alleen. Alle andere herders kunnen goed zijn, maar de Opperherder is de beste. Hij gaf Zijn leven. Andere herders geven hunnen schapen maar brood, en het is nog mooi, als zij geen steenen geven voor brood, of zich zeiven weiden, in plaats van hunne schapen. Herders uit de menschen mogen zeggen: »weest onze navolgers, broeders,quot; als zij er bij kunnen voegen: »gelijk wij navolgers zijn, van Christus.quot; Gods merkteeken is het ge-

-ocr page 12-

10

tuigenis, aan Kaleb gegeven: Hij volhardde, in het navolgen van zijnen God. Zulke schapen zijn zij, waarvan het geldt, het zal zijn éene kudde, en een Herder. Onvoorwaardelijk volgen, is wat de Heer van Zijne schapen wil.

Van de vrijgekochten hier boven, geldt het woord: Deze zijn het, die het Lam volgen, waar het ook heen gaat. Ook als Gods weg door duisternis gaat, toch Jezus volgen. Hoe duister de weg ook zij, de Herder is goed en trouw. Gij kent het lied van den Goeden Herder. »Psalm drie en twintigquot; leer dan zeggen: De Heer is mijn Herder; dan zijt gij gered; mij zal niets ontbreken, want de Heer is goed. Dat is de taal van 't geloofsvertrouwen, dat verheerlijkt God, die al ons vertrouwen waard is. O, rampzalige toestand, als men zeggen moet: mij ontbreekt alles; vrede, vreugde, vrijheid, en hoop voor de toekomst. Armzalig is het leven buiten Christus, wanhopig het sterven buiten Hem. Maar wie spreekt het geluk uit, gelegen in het woord: Hij doet mij nederliggen, in grazige weiden, aan de oevers van zeer stille wateren; en als ik eenmaal de doodsjordaan doorga, Jezus gaat vóór; Hij zegt: Ik zal met u zijn. Hij draagt Zijne lammeren naar de groene weide des hemels, om voor eeuwig aan hemelsche stroomen hunnen dorst te lessen. Eenmaal brengt Hij al zijne schapen in den hemelschen stal, maar zoo lang wij hier zijn, ligt er een wereld van troost in het woord: Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid,om Zijns naams wil. Hij leidt mij; als ik mij laat leiden, dan kom ik nooit terecht in de doornen van de wet, of van het kwade geweten. Hij leidt mij, dat maakt elke moeielijkheid licht, elke smart dragelijk. Hij leidt mij. Hij weet wat goed voor mij is. Hij kent het naaste pad, hetzij wij gaan door lijden of vreugde.

-ocr page 13-

11

Wandel dan achter uw herder, en elk pad is veilig voor uwen voet. Ik zal naar mijne schapen vragen, en ze opzoeken ten dage der wolken, en der donkerheid, zegt Hij. Ik zal 't verlorene zoeken, en het weggedrevene wederbrengen, het gebrokene verbinden, het kranke sterken. Welk een goede Herder! nooit kan er eén beter zijn dan Jezus. De diepste wond wordt geheeld door den balsem der genade, van dien trouwen Heiland. Het zwakke lam vindt een plaats in Zijn schoot, en het zogende wordt zachtkens geleid.

De ontfermende Heiland zoekt. O laat ons niet verder afdolen, laat ons niet behooren onder degenen, voor wien het woord als grafschrift zal gelden: Gij hebt den dag uwer bezoeking niet bekend. Gewoonlijk voedt de Herder zijne kudde niet, maar leidt ze waar te grazen is. Maar in den herfst en in den winter hakt hij de twijgen, en bladeren van de boomen voor zijne schapen, en voedt ze. En de echo van zijn geroep klinkt op den Libanon, door deeikon-boomen heen. Zoo zorgt de Heer voor de Zijnen, ook als krankheid, en als het sterfuur haast daar is. A7an uit den hemel klinkt dan Zijn roepstem: kom! en Ik zal u leiden, leiden in 't vaderhuis Gods. Tot dien dag toe zijn de ge-loovigen als schapen, te midden der wolven. Maar hoewel omringd van gevaren, toch veilig, door des herders tegenwoordigheid. Een schaap' onder de wolven, in de wereld maar niét van de wereld. Dat .is onze plaats, dat ook uwe roeping. Een Christen zonder strijd, is als een soldaat die nog nimmer kruiddamp rook, of als een zeeman, die nog niet weet wat storm is. De Heer zet zijn jongeren niet als bloemen in een broeikast, maar in 't brooze scheepje op de wereldzee. De zee gaat hol en hoog, maar boven den storm klinkt de stem van Jezus; wees welgemoed! Ik ben het,

-ocr page 14-

12

vreest niet. Ik zend u uit, zegt de Herder; en Hij weet wel wat Hij doet. Beef niet; uw Herder zal u niet verlaten, iedere wolf is in Zijne macht. De Satan had Simon willen ziften, maar de Heer bad, en midden in de verzoeking, en in de zonde, hield Petrus geloof niet op, dat getuigden zijne tranen.

De Heer zegt tot de Zijnen: Ik zal u zijn tot den vurigen munr rondom; evenals de herders wachtvuren branden, tegen de wilde dieren, opdat zij do kudde niet naderen. Blijft bij uw Herder, en komt niet op het grensland des Satans, dat is gevaarlijk, üzia en Jotham richtten torens op voor de kudde. Zoo heeft de Heer ook wachters gegeven op den muur, om Zijne schapen te hoeden. Zij waken voor uwe zielen, als zij trouwe herders zijn. Jezus zorgt voor Zijne schapen. Hij zegt: Ik geef mijnen schapen het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan, in eeuwigheid.

Géén werd Hem ooit ontnomen, of dwaalt voor altijd af, zij blijven steeds de Zijnen, tot aan en over 't graf! Wat ook geschiedde, niemand zal ze rukken uit Zijnen hand. Zoo is de kudde veilig. Die gelooft wordt bewaard, in de kracht Gods, tot de zaligheid, die geopenbaard zal worden, in den laatsten tijd. Dat is een woord van bemoediging, voor het schaap van Jezus, als het gehuil der wolven wordt gehoord; quot;wolven van binnen of van buiten — de Heer kent degenen, die de Zijnen zijn. Daar staat wél, Ik geef Mijnen schapen het eeuwige leven, maar niet. Ik geef ze den eeuwigen dood. Dien geeft Hij niemand, dien dood kiest de weerbarstige zich zelf. Hij zal leiden, 't zacht gemoed in het effen recht des Heeren, wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem zijn wegen leeren. De deur der hemelsche schaapskooi is open; wie door Mij ingaat, zegt Hij, zal behouden worden.

-ocr page 15-

13

maar wie buiten blijft, door moedwil, Gods almacht zelf, kan de gesloten deur niet meer openen. O komt dan tot Jezus! en zegt aan dien Goeden Herder: ik heb gedwaald als een verloren schaap, ai zoek uw knecht. Zeg mij aan: Gij, dien mijne ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij uwe kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn, als éen die zich bedekt houdt, bij de kudde uwer medgezellen ? Dat is de taal van den afgedwaalde, op wiens dagboek Gods hand heeft geschreven: O morgenster hoe zijt gij uit den hemel gevallen! Maar hoe ook afgezworven, hoe geheel bedorven, hoe gehecht aan 't kwaad, niets hebt gij te vreezen, gij kunt zalig wezen, hier is hulp en raad.

God vergeeft, de Middelaar leeft, zelfs heeft Hij 't rantsoen gevonden, voor de grootste zonden.

Never despair: Wanhoopt nooit.

't Schaap dat het verst was afgedwaald leeft vaak het dichtste bij den Herder. Hoort Jezus roepstem: Komt, en keert weder, en Ik zal uwe afkeeringen genezen. De Herder denkt aan middelen ter wederbrenging van zijn dwalend schaap. O, laat dit woord voor u het middel zijn, en uwe ziel wordt met vreugde overgoten. Vrees is er soms in 't hart van Jezus kudde, maar Hij zegt: Vreest niet, want het is des Vaders welbehagen, u liet koninkrijk te geven. Dat woord staat tegenover ons gevoel van schuld, en ongeschiktheid, en onwaardigheid. Het Koninkrijk is gewis, want het is beloofd, aan ieder die gelooft. Al ging ik ook in een dal der schaduwen des doods, zegt de dichter; ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij. Uw stok en Uw staf die vertroosten mij. Zie den Herder; met het schaap op Zijn schouder, en den staf in Zijne hand, doorwaadt Hij de rivier, 't Is duister, maar het verschrikte schaap is in veilige hand.

-ocr page 16-

14

Daar zegt het schaap van Jezus: ik zal geen kwaad vreezen; door 't ijs naar de bloemen, door het duister naar 't licht, door de donkere valei naar het land van den eeuwigen morgen. De Goede Herder van heden is de Rechter tevens der toekomst, die de schapen van de bokken scheiden zal; dan gaan de schapen in, in de vreugde huns Heeren. Het lam dat in 't midden des troons is, zal hen weiden, en hen leiden, tot levende fonteinen der wateren, en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen. Schaap van Jezus kudde zing dan in dat vooruitzicht, het lied van den Goeden Herder; door Den Dichter Ten Kate ons voorgezongen in zijn Credo.

Mijn Herder weidt mij!

Wat zou me ontbreken?

In frissche vlakten Voert mij de Heer.

In groene streken Bij stille beken.

Word ik verzadigd.

Leg ik mij neêr!

Mijn God geleidt mij!

Wat zou mij falen?

Op al mijn paden Is Hij nabij.

Al moest ik dwalen Door donk're dalen.

Uw staf, mijn Herder!

Beveiligt mij!

-ocr page 17-

Mijn God bereidt mij, Spijt 'svijands woede, Een eeremaaltijd,

Waar vreugd mij wenkt. Ziet, hoe de Algoede, Die mild mij voedde. Met heil mij balsemt, Met kracht mij drenkt.

Ja, zoetheên spreidt Hij Op al mijn wegen:

Zijn goedheid ademt In 't windgezuis. Mij waait zijn zegen Uit alles tegen!

Heer! in uw woning Ben 'k eeuwig thuis!

Amen.

-ocr page 18-

Bekommering en Vertroosting.

Psalm 94 :19.

Het woord u voorgelezen, spreekt van iets treurigs en iets vroolijks, en geeft ons het kenmerkend onderscheid te zien, tusschen wereld en Christendom. In het Duitsch luidt deze tekst anders dan bij ons.

Luther heeft vertaald: Ik heb vele bekommeringen in mijn hart, maar Uwe vertroostingen hebben mijn ziel verkwikt.

Bekommeringen; vermenigvuldiging van gedachten zijn bekend bij alle volken, alle menschen, alle kinderen zelfs.

O, het kleine menschenhart; wat kunnen daar vele gedachten in oprijzen, wat kunnen vele bekommernissen het kwellen en beangst maken. De dichter van dezen Psalm is onbekend, maar dit woord, is een bekend woord, het is een woord uit 't leven genomen. Het eerste gedeelte dezer tekst doet menigeen tranen storten, en als ik u de oorzaak ga aanwijzen, is het niet, om uwe klachten gaande te maken, maar om u den weg te wijzen, tot het kwijt raken van alle klachten, en lasten, en zorgen, en tranen; bij Hem vanwien de dichter zegt: Uwe vertroostingen hebben mijn ziel ver-

-ocr page 19-

17

twikt. Wie van dezen troost wol spreken moet ook den Trooster kennen. Troost, troost mijn volk, spreekt de Heer, uw God, zeg dat hun strijd vervuld is, en dat zij van de hand des Heeren dubbel hebben ontvangen, voor al hunne zonden.

Die troost is dus niet voor elkeen, maar voor het volk van God; voor al het volk van God, voor 't volk van God alleen.

Boete en bekeering te prediken is noodig. Evangelieprediking niet minder, maar ook troost. Daar is zoo menig hart, dat de schrijnende nepen der zondesmart voelt, of door andere oorzaken bekommerd is. Daar zijn bekommernissen der familie, der aardsche zorgen, en der arme zielen. Elke familie heeft hare eigene nooden, waardoor de harten met gedachten vervuld, en de ziel door bekommernissen worden ontroerd. Voor ruim achttienhonderd jaren, was daar een overste dei-synagoge, Jaïrus genaamd; zijn huis was een huis van welvaart, de ouders waren gelukkig met hunne eenige dochter. Maar het dochtertje, als het twaalf jaren oud was geworden, werd ziek, ernstig ziek, en stierf; en het huis van Jaïrus werd een huis der droefenissen en weeklagen. quot;Wat al gedachten vermenigvuldigden zich, wat al bekommernissen maakten zich meester van die ouderharten; en is 'twonder, het was hun eenigst kind. Nooit had Jaïrus zich om Jezus bekommerd, maar de bekommernis over zijn kind, deed hem aan Jezus denken, tot Jezus gaan, om hulp bidden. En de trouwe Heiland kwam, zag en hielp. Waarlijk, waarlijk, deze man kon betuigen: Toen mijne gedachten zich binnen in mij vermenigvuldigden, hebben Uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt. Jongelingen worden mannen, mannen worden vaders. O, niet alleen om uws zelfs wil is de dienst van Jezus noodig. Nog altijd geldt Paiüus woord als een woord Gods:

■ 2

-ocr page 20-

18

Gelooft in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig ■worden, gij en uw huis.

quot;Weet het wel, vergeet het nooit, Jezus woont ook met u in een stad, — ga tot Hem en Maag Hem uwe nooden; Hij heet helper, Hij is helper. Hij zal ook u helpen. Hij heeft het beloofd.

Roep mij aan in den dag der beuauwdheid. Ik zal u uithelpen, en gij zult Mij eeren.

Daar is een spreekwoord dat luidt: Kleine kinderen, kleine zorgen, groote kinderen, groote zorgen.

Zoo was het bij Jaïrus, maar bij dien vader ook, van den verloren zoon.

Wat had die man veel zorgen, toen zijn zoon om zijn erfdeel kwam, en naar een vreemd land ging, om wellustig te leven. Wat kon dien Vader anders doen dan bidden en wachten. Hij stond vaak uit te zien naar zijn zoon en tuurde in de verte. Bekommernissen vervulden vaak zijn hart, de gedachten vermenigvuldigden zich in zijn binnenste, maar de wederkomst zijns zoons, was de troost des vaders. Wat was G-od goed, en die vader gelukkig. Toen hij nog verre was, zag hij zijn zoon reeds, en toen hij nader kwam, drukte hij hem aan zijn hart.

Zijn hier ook verloren zonen, wier ouders schreien om de zonden hunner jonkheid? O, keer toch weder met belijdenis van schuld. De bekeering der kinderen, is de troost der ouders. Zij voelen 't zoo zwaar. Als de kinderen klein zijn, dan zijn de zorgen nog klein, maar als de kinderen groot zijn, dan zijn de zorgen groot.

Met alle vaders kunnen zeggen, wat één vader mij zeide: Mijn zoon is twintig jaar oud, maar ik heb hem nog nooit moeten verbieden. Er is zoo menige vader, zoo menige moe-

-ocr page 21-

19

der, die tranen schreit tot de oogen rood zijn, en oudertranen branden eenmaal op het hart, branden door de zerk van het graf.

Wat kunnen zij anders clan bidden en hopen: God zal mijne kinderen wederbrengen ?

Dat zijn familiezorgen, maar er zijn ook aardsche zorgen, vooral in onzen materialistischen tijd. Zij zijn het kenmerk onzer dagen immers, die vragen der heidenen, wat zullen wij eten, en wat zullen wij drinken, en waarmede zullen wij ons kleeden, wat zullen wij bedenken, om vroolijk te zijn? Door al deze dingen worden de gedachten vermenigvuldigd in het binnenste, en bekommernissen vervullen het hart. Men bedenkt aardsche dingen, en bekommert zich om aardsche dingen en de hemelsche worden vergeten. Wie den hemel verloor, wil de aarde hebben. Weg, weg met die vromen, die altijd van zaligheid spreken, maar nooit éen zalige zagen. Laat ons eten, en drinken, en vroolijk zijn, want morgen sterven wij. En toch het is waarheid op ervaring gegrond: De Godzaligheid heeft de belofte, voor het tegenwoordige, en het toekomende leven. Jezus Christus is duizendmaal beter, dan do leus van het Socialisme: gelijkheid, vrijheid, en broederschap. Meer dan vijfduizend, en tien duizend, honderdduizenden heeft Hij reeds met wonderbrood gevoed. Jezus de Nazarener, zorgde reeds honderden jaren voor do arbeiders, Hij zorgt voor allen, Hij zorgt nog nu, ook voor u; er blijft bij Hem altijd nog over.

Ik ben jong geweest, zegt David, en ik ben oud geworden, maar nooit zag ik den rechtvaardige verlaten, of zijn zaad zoeken naar brood. Neen! Jezus Christus laat de Zijnen niet in den steek, mits zij de spreuk verstaan »bid en werk.quot; Bidden, of zij 't met bidden moeten winnen; werken, of er

-ocr page 22-

20

niet te bidden was. Er is aardsche armoede, er zijn aardsclie zorgen, maar die armoede is de ergste niet. Een arme die Jezus bezit, is rijker dan Croesus; maar een mensch zonder hoop, zonder vrede, zonder God, die is verschrikkelijk arm te noemen. Zoo iemand mag wel bekommerd zijn.

Een visscher op 't meer van Galilea, werd met een wonderbare vischvangst gezegend, en in het gevoel van zijn onwaarde riep hij uit: Heere ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch.

De gedachten vermenigvuldigden zich zoo in zijn binnenste en de vertroostingen Gods hebben zijne ziel verkwikt. Deze zielstoestand herhaalt zich nog gedurig. Geen Christen of hij weet van de uren toen hij zich alles onwaardig zag. Als de bekommering over onze zonden ons hart vervult, kan niets dan Gods vertroosting ons verkwikken. Maar die moet worden geloofd. Als Jezus zegt: Gij zult vangen; zegt Hij eerst; Werpt het net aan de rechterzijde.

Het Geloof is een groote zaak, ook in het dagelijksch leven. Het dringt door staal en steen, en overwint alle bekommernissen. De bekommernissen der zielen zijn van groote be-teekenis, van 't meeste belang, en de rechte troost daarvoor is Jezus Christus.

Twee mannen gingen op naar den tempel, de een was een Farizeër, de ander een Tollenaar. De een had hart en handen vol deugden, en een mond vol dank over zijne vroomheid; maar die arme Tollenaar, zijn hart was vol bekommernissen; tot stikkens toe benauwd, tot schreiens toe bedroefd; hij wil bidden om vergeving, maar de gedachten vermenigvuldigen zich in zijn binnenste en hij kan geen woorden vinden, dan deze smeoking: O God, wees mij, armen zondaar, genadig! Toen verkwikten Gods vertroostingen

-ocr page 23-

21

zijne ziel, want Hij ging heen, gerechtvaardigd naar zijn huis. Wij troosten met woorden die weg drijven op de trilling der lucht; God troost met daden, die blijven: recht-vaardigmaking, vergeving, verzoening. Dat is de troost van God, voor het arme zondaarshart. Dan kunnen wij zingen:

Ja nu spreekt mijn hart mij vrij —

Wie bij God mij aan wil klagen,

Die eens vonnist over mij.

Die heeft zelf mijn schuld gedragen.

Nu kan ik er vast opgaan Jezus! neemt de zondaars aan.

Ik vrees dat er velen van u, den armen tollenaarstoestand nog niet kennen, zijn bede nog niet recht gebeden hebben, nog niet waarlijk bekommerd zijn over hun heil. Ach, als uw doodsure komt, waar zult gij toch blijven, voor de oogen van een driemaal heilig God, voor wien de engelen het aangezicht bedekken? Dan zult gij berouw hebben, over den verbeuzelden en toch zoo kostbaren genadetijd, maar dat berouw is te laat. Och dat gij tot bekeering kwaamt, gij zoudt ook tot den troost komen en uitroepen:

Mij is erbarming wedervaren.

Door mij verbeurd, in schuld verneerd.

Mijns Heilands gunst deed mij 't ervaren. Hoewel mijn hart het niet had begeerd. Nu weet ik dat, en ben verblijd En roem in Gods barmhartigheid.

'k Verdiende niets dan vloek en toorn Toch wil mij God genadig zijn,

Met God verzoend en weergeboren.

-ocr page 24-

22

Maakt hij door 't bloed Zijns Zoons mij rein, Vanwaar mij dit? Hoe is 't geschied?

Erbarming is 't, en anders niet.

Toen de gedachten zich vermenigvuldigden in het binnen-nenste van mij, hebben Gods vertroostingen mijne ziel verkwikt.

Nu nog een paar woorden voor hen, die Christenen zijn.

Ook bij ons komen de bekommernissen telkens weder. Panlus, die uitnemendste onder zoovelen, heeft geklaagd over een doorn in zijn vleesch, een Engel des Satans, die hem met vuisten sloeg. Tot driemaal bad hij er van verlost te mogen worden, en do Heer antwoordde; Mijne genade is u genoeg, mijne kracht wordt in uwe zwakheid volbracht. En die genade bracht er hem toe om later te zeggen: ik wil in mijne zwakheden roemen, opdat de kracht van Christus in mij wonen moge. Christenen willen nog vaak iets groots zijn voor den Heer. En dan laat de Heer den Engel des Satans toe, ons te slaan met vuisten, opdat wij het zouden afleeren ons zeiven te verheffen, op 'tgeen God uit genade schonk. Broeders laat ons een nul zijn in eigen oog, en Christus zal de éen zijn, die ons tot een tiental doet worden. Wij niets Christus alles. Hij moet wassen, ik minder worden. Hij is 't toch die alles voor ons deed, en in ons doet, en door ons doen wil. Wij hebben voor alles vergeving noodig, ook voor onze goede werken. Niets maakt ons zalig dan genade alleen als wij met den Psalmdichter zeggen: Als mijne gedachten vermenigvuldigd werden, hebben Uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt. Gij zijt nog jong, ik nog niet oud, maar toch kennen wij allen reeds die dagen en uren die zoo veel ons te denken gaven, uren waarin het hart vol

-ocr page 25-

23

bekommernis was. Wie deed dan de duisternis wijken voor 't licht, wie deed de wolken van smart scheuren, en plaats maken voor 't zonlicht der vertroosting, was Hij het niet, de Heer? Nu in 't verleden lag het heden, in 't geen is wat worden zal; wat ons overkome: God is getrouw!

God aller vertroosting blijkt Hij in het verdriet, en groo-ter dan de Helper is de nood toch niet.

Op Hem kunnen wij, mogen wij, moeten wij staat maken; gesterkt door de ervaring en bovenal door Gods Woord. Moedig voorwaarts, met. de bede op de lippen; Wat ons ontviele. Redder in nood, red onze zielen. God goed en groot! En maak het altijd bij ons zoo Heer, dat wij kunnen betuigen; Als mijn hart vervuld was met bekommernis, hebben Uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt.

Amen.

-ocr page 26-

De Strijd van den Christus.

lukas 11; 14—28.

De Schrift zegt; »God wil dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen; en toch worden alle menschen niet zalig, en komen niet allen tot de kennis der waarheid. God is almachtig zegt gij, Hij kan toch alle menschen zalig maken als Hij het waarlijk wil; maar waarom doet Hij het dan niet? Ons antwoord is: God wenscht onze zaligheid waarlijk, maar Zijn Almacht stuit af, op den onwil van den mensch, die zijn God kan wederstaan, zooals blijkt uit de Schrift; dat Pharao zich verhardde en Israël altijd wederstond den Heiligen Geest, volgens het woord van Ste-fanus den Martelaar.

De almacht Gods was genoeg tot de schepping der wereld maar niet tot de redding van zondaren. Dan moet de almacht zich eerst in het vleeschgeworden Woord als liefdemacht openbaren. Een ding is duidelijk, het werk van Jezus Christus om enkelen te behouden is reeds zeer zwaar. De wereld ligt in het booze, tusschen Jezus Christus en den satan, tus-schen hemel en hel; en de wereld weet bijna van geen van

-ocr page 27-

25

beiden meer. De satan is wederrechtelijk overste dezer wereld geworden. Den satan uitwerpen, en de menschheid van zijn maclit te verlossen, is het groot en heerlijk werk van Jezus Christus. Dat werk kost Hem veel: De lankmoedigheid der liefde; de zelfverloochening des geloofs; de dooding van Zijn vleesch aan het kruis. Die strijd is zwaar, want Jezus Christus heeft niet alleen Satan en zonde te bestrijden, maar ook het vleesch en de zelfgenoegzaamheid van den mensch, die natuurlijk was, maar na zijn val duivelsch is geworden. Zie het in den man waar onze tekst van spreekt, en zie in hem het beeld van de menschheid in het algemeen, en van zijne tijdgenooten in het bizonder. Zij schrijven het werk der verlossing van Jezus Christus toe aan den satan, en achten het ware Christendom verderfelijker clan hunne pestbuilen van onzedelijkheid. Zoo is het ook in onzen tijd; Jezus Christus moet overal buiten blijven, ja buiten gesloten worden.

Het is ontzettend, maar waar. De menschheid is zoo diep gevallen, dat de slang aangebeden wordt en de waarheid wordt als offerlam aan den duivel opgeofferd.

Dat is de ontzettende beteekenis van den Christusmoord, die op deze wijze nog telkens wordt herhaald; en het bloed van Christus wordt onrein geacht.

Gij zegt: dat doe ik gelukkig niet, ik ben niet tegen Christus. Het is echter de vraag niet of gij tegen Christus zijt; maar indien gij zegt vóór Hem te zijn, wat doet gij dan voor Hem? Indien gij u onder Zijne vanen schaart, dan moet gij ook Zijn strijd strijden. Zijn krijgsknecht zijn, strijdende den goeden strijd van het geloof, voor het geloof, door het geloof. Die strijd heeft Jezus Christus op aarde aangevangen, en wordt door Hem nog altijd voortgezet, tot het lied zal klinken door het heelal: De koninkrijken dezer wereld

-ocr page 28-

2G

zijn geworden van onzen God en van Zijnen Christus. Indien gij zegt vóór Jezus te zijn, dan moet gij ook mede arbeiden op den grooten akker dezer wereld, zaaiende uw zaad in den morgenstond en des avonds uw hand niet aftrekkende, opdat gij, na met tranen gezaaid te hebben, met vreugde moogt maaien, en uwe schoven in den schuur moogt brengen. Dat heeft Jezus Christus gedaan. Hij is de Zaaier, en de akker is de wereld, en het zaad zijn de kinderen des koninklijks en de oogst is de voleinding der wereld.

quot;Weet gij wat de groote vraag is, als gij zegt vóór Jezus te zijn? Dat gij eer en aanzien, schoonheid en genoegen, ja, alles overhebt voor den Heer; en het alles wilt verkoopen voor den Heer, om dan te koopen één zwaard, geen twee gelijk Petrus. Eén zwaard, het zwaard des Geestes om te strijden onder de leuze; Voor Jezus en de zaak des Heeren!

Men kan Christen zijn met het hoofd en niet in het hart; er zijn er velen waar het Christendom nog een voet moet zakken. Men kan Christen zijn in het woord en tegen Christus in de daad. Zie de vrouw in het Evangelie-verhaal. Jezus Christus was de Heiland voor haar gevoel, maar zou Hij het ook geweest zijn voor haar arme zondaarsziel ?

Nu zij den Heiland hoorde spreken, was zij vol geestdrift voor Hem, maar zou zij het ook zijn als Hij aan het kruis hing roepende: »Mijn God! Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?quot; Ik kan er u geen antwoord op geven; de Heilige Schrift doet het ook niet; maar wij hebben allen te doen met het woord van den Heer: zalig zijn zij die het Woord Gods hooren en dat bewaren.

Dat woord spreekt ons van den grooten strijd door den Christus gestreden; dien Hij hoe zwaar de strijd ook werd niet varen liet, totdat Hij de zegepraal der liefde kon vieren.

-ocr page 29-

27

in. het Vaderhuis, aanzittende met velen, uit het Oosten en uit het quot;Westen tot de Grodstad gebracht. De lankmoedigheid der liefde maakte Hem bekwaam tot de zelfverloochening des geloofs. Jezus Christus heeft geloofd in de almacht Zijner liefde, geloofd in de kracht van Zijn kruis dat de wereld zou' overwinnen, geloofd in de kracht van Zijn bloed en Geest waardoor de wereld zou behouden worden en zondaren tot heiligen herboren. Dat geloof was bij Hem door de liefde werkende, dat geloof deed Hem door Samaria gaan om de Samaritaansche te redden. Dat geloof deed hem de melaat-schen aanraken, zeggende: Ik wil, wordt gereinigd; daar kwam zelfverloochening bij te pas, om als Israëliet met eene Samaritaansche vrouw te spreken, en als de vlekkeloos reine het walgelijkste aan te raken, een melaatschen man. Maar geheel het leven van Jezus Christus was zelfverloochening, het leven van den Heilige op aarde onder zondaren was zelfverloochening; Hij deed het omdat Hij liefhad, en geloofde in Zijne eigene persoonlijkheid. Die liefde deed Hem lankmoedig zijn, dat geloof deed Hem elke afschuw en siddering overwinnen, door dat geloof leerde Hij, Die de Zone Gods was, gehoorzaamheid uit hetgeen Hij heeft geleden; en gehoorzaam dronk Hij den beker die niet van Hem kon worden weggenomen, tenzij dan ten koste van het heil der verloren wereld. Gehoorzaam is Hij geworden tot den dood, ja den dood des kruises, hoewel Hij geklaagd heeft: Ik moet met eenen doop gedoopt worden, en hoe word Ik geperst totdat het volbracht zij. De afschuw van het onreine, de vreeze des doods, zich zeiven had Christus te overwinnen. Met sterke roepingen en tranen heeft Hij geschreid tot Hem, die Hem, uit den nood kon verlossen. Alleen het: Mijn God! Mijn God!-was de hand waarmede Hij eindelijk zich aan

-ocr page 30-

28

den Vader kon vasthouden. Dat was geloof in den trouwen Verbondsgod op wien de vaderen hadden gehoopt en zij waren uitgeholpen, en dat geloof bracht Hem door dood en graf naar den morgen der opstanding en straks op den troon van liet heelal.

Zie dat is de diepe beteekenis van het woord uit het boek van Job. Immers heeft de mensch een strijd op aarde? Geen mensch had ooit een strijd te strijden als dezen mensch. Hel en duivel, wereld en zonde, Jood en heiden, de koningen en de kinderen Israels waren tegen Hem samen vergaderd; beiden. Herodes en Pontius Pilatus stelden zich tegen Gods heilig kind Jezus. En nog altijd wordt die strijd voortgezet. De koningen beraadslagen te zaam tegen den Heer en Zijn Gezalfde; de heidenen woeden, de volken bedenken ijdelheid. Het geroep wordt telkens weder vernomen: Laat ons de banden verscheuren en de koorden van ons werpen, waarmede wij gebonden zijn aan God en het Christendom. En bij dat alles heeft Jezus ook bij degenen die minder hun vijandschap uiten, het vleesch te bestrijden dat zich der wet Gods niet onderwerpt, en ook niet kan onderwerpen. Het vleesch dat zich in allerlei vormen openbaart; dat soms het gewaad omhangt van een apostel der liefde, en het gevaarlijkste is als het zich den schijn aanneemt van ware vroomheid. Voeg bij dit alles dat Christus de zelfgenoegzaamheid te bestrijden heeft bij het geslacht der brave Hendrikken en brave Maria's die nog niet uitgestorven zijn. Menschen die meenen den hemel te verdienen met deugden en plichten, en die waarlijk alle reden hebben om boven het pakhuis hunner goede werken te schrijven: hoe meer goede werken hoe dichter bij de hel. Menschen tot wien Jezus Christus moet zeggen; hoeren en tollenaars zullen u voorgaan in het

-ocr page 31-

29

koninkrijk der hemelen. De duivel heeft de zinnen verblind en daardoor de zielen in zijn macht gekregen. De menseh. die zijn God moest loven is in dat opzicht stom geworden; maar Jezus Christus rust niet totdat de duivel is uitgeworpen. Dan zal de stomme spreken, en de schare zal zich verwonderen, maar sommigen zullen de vrucht van het werk van Christus toeschrijven aan duivelskunsten, en alzoo te zekerder in des duivels macht blijven. Rome zal blijven roepen : gezegend de moeder van dezen goddelijken Zoon! Maarzij alleen die het Woord Gods hooren en dat bewaren zullen zalig worden. De blinden zien, de dooven hooren, de kreupelen wandelen, de stommen spreken, voorwaar, voorwaar Hij heeft alles welgemaakt. Zoo wil Hij ook bij u alles wel maken, maar op eene voorwaarde: Dat gij niet langer u zeiven kwaad doet als 11ij u goed wil doen. Dat gij niet langer strijdt tegen Hem die u wil behouden, die uw dood niet wil, maar die uw leven begeert. O strijdt niet langer tegen Jezus, gij strijdt tegen uw eigen geluk. Gij hebt Hem al lijden en strijd genoeg veroorzaakt. Hem moeite gemaakt met uwe ongerechtigheid; maar Hij zegt; Ik ben het die uwe ongerechtigheid vergeef, die uwe zonden uitdelg. Dat is de macht waarvan Hij zich bedient om u te overwinnen. Hij wint door liefde den strijd in uw gemoed, en maakt dat eenmaal de aarde haar vredefeest kan vieren.

Amen.

-ocr page 32-

Het ontstaan en de openbaring van het geloof.

Hebreen 11 : 30, 31.

Aan den zondagmorgen wordt de gemeente van Christus opgeroepen om zicli te stellen voor Gods aangezicht, en voor Engelen en menschen te belijden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtigen Schepper van hemel en aarde. Ik geloof in Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heer. Ik geloof in den Heiligen Geest. De trouwe Herders en leeraars, wetende den schrik des Heeren en gedrongen door de liefde van Christus, bewegen de menschen tot het geloof. Aan de gemeente wordt herinnerd dat dit het is wat de wereld overwint, namelijk: ons geloof. En als daar een arme zondaar belast en beladen vraagt: wat moet ik doen om zalig te worden, dan komt tot hem het woord — eenmaal den gevangenbewaarder te Filippie toegevoegd: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden. •

Geen godsdienstige samenkomst wordt er gehouden, of de noodzakelijkheid des geloofs wordt aangetoond. En toch van die duizenden die het hooren, komen zoo weinigen tot het

-ocr page 33-

31

bezit van dat geloof, dat vrede geeft in leven en sterven, vrede met God, kracht in zwakheid, overwinning in strijd, ja de zekerheid van de overwinning zelfs voor den strijd. Het is door menigeen gezegd, en door nog meerderen gedacht: Het geloof is ook zoo moeielijk, en zulk een wonderbare zaak. Moeielijk ja, voor hem die ver van God wil blijven; voor hem is het niet alleen moeielijk, maar onmogelijk; en wonderlijk, ja dat is waarheid, maar het kan ook niet anders, want het geloof wordt gewerkt door Hem, wiens naam; Wonderlijk is. Een duitsch gezang zegt: Het geloof dringt door staal en steen, en vat de almacht in zich in, in hare almachtshanden. Dat is het wonderlijke van het geloof, en toch het is zoo eenvoudig. God kan geen eenvoudiger weg geven aan den mensch om zalig te worden dan het geloof.

Er is geen ander middel tot behoudenis dan het kinderlijk en eenvoudig geloof in Jezus Christus onzen Heiland en Heer.

Het dacht mij dan ook goed met u te spreken over het wezen des geloofs, en hoe het geloof zich openbaart bij den mensch in wiens hart het woont.

De geschiedenis uit Gods woord ons herinnerd, is daartoe zeer geschikt. De inneming van Jericho, met wat dezelve voorafging en volgde. Wien uwer zou ze onbekend zijn? ik denk niemand. Israël is aan het einde der woestijnreize gekomen, en het land der ruste ligt voor hen. Maar rust eerst na den strijd. Want elke voet gronds zal strijdende verkregen worden. Gods weg gaat altijd door strijd tot de rust, ook nu.

De verspieders worden uitgezonden en komen terug met hot goede woord: Zekerlijk de Heer hoeft dat gansche land in onze handen gegeven, want de inwoners sidderen als zij

-ocr page 34-

32

van ons hooren. Nu maakt Jozua zich vroeg op en voert Israël van Sittim naar de Jordaan. Israël volgt de ark door de priesteren gedragen. Voor het geloof wijken de wateren tot het volk is overgegaan, en aan den oever der Jordaan verrijst een monument om Gods daden te herinneren aan het nageslacht. De besnijdenis wordt vernieuwd, en het Pascha gevierd, en bij het eten van het koren des lands, houdt het Manna op te vallen.

Daar staat Jozua op zekeren dag in de nabijheid van Jericho, en als hij zijne oogen opheft, ziet hij een krijgsoverste met uitgetogen zwaard in de hand. Jozua onderzoekt; dat onderzoek leidt hem tot aanbidden; want de Vorst van het hemelsche heir staat voor hem, en de man die aanbidt gehoorzaamt straks aan het woord: Trek uwe schoenen van de voeten want de plaats waarop gij staat is heilig land. Het geloof gehoorzaamt in het kleine en in het groote, 't ongeloof gehoorzaamt niet. Als Jozua niet gehoorzaamt in het uittrekken der schoenen kan hij straks Jericho niet innemen ; want ook dat moet geschieden in geloofsgehoorzaamheid. Toen zeide de Heer: Zie Ik heb Jericho met haar koning en helden in uwe hand gegeven.

Zoo is Jozua reeds zeker van de overwinning voor dén strijd. Al uwe krijgslieden zegt de Heer: zullen rondom de stad gaan, zes dagen eenmaal en den zevenden dag zevenmaal. En de priesters zullen op de bazuin blazen. Als gij de bazuin hoort zal al het volk juichen; onder het gejuich zal de stadsmuur vallen, en al het volk zal in de stad klimmen.

Zie nu in deze geschiedenis de eenvoudigheid, de zekerheid, de blijdschap, de overwinning des geloofs.

Kan het eenvoudiger worden aangetoond hoe men tot het geloof komt, dan het ons hier wordt gedaan? Begin met

-ocr page 35-

33

onderzoeken, gij zult komen tot aanbidden, straks tot gehoorzamen, eindelijk tot jnichend overwinnen. Geloovig dragen de priesters de ark, en het volk volgt eiken dag éénmaal en den zevenden dag, (op een sabathdag) zevenmaal; wat zullen de inwoners van Jericho gespot hebben. Maar onder het geklank der bazuinen, en het gejuich des volks, vielen de muren van Jericho en het spotten werd hun verleerd. Het ongeloof zegt van de dingen der eeuwigheid, het is dwaasheid, de hoop zegt, misschien, maar het geloof zegt, ik weet en ben verzekerd.

Het geloof zit niet stil, dat deed Israël ook niet; maar werkzaam wachten, geloovig verbeiden, dan volgt juichend overwinnen en de muren van Jericho vallen, ook nog in onzen tijd, ook in ons hart. Hot ongeloof onderzoekt niet, aanbidt daarom niet en gehoorzaamt niet, maar het kan ook niet-juichend overwinnen, maar een eeuwige nederlaag ondergaan Op de wallen van Jericho woonde een vrouw, onzedelijk van gedrag, evenals er honderden, ja duizenden ook in onze steden zijn. Ongelukkige verleidden eerst, ellendige verleidsters straks; maar die toch menigmaal Schriftgeleerden en Farizeën voorgaan in het koninkrijk Gods. Zoo ook deze Eachab. Zij heeft gehoord van den waren God en van dat wonderbare volk, uit Egypte gekomen, dat zich nu te Sittim bevindt. Zij heeft gehoord hoe dat volk gegaan is door de Eoode zee, hoe zij met de koningen Sihon en Og hebben gehandeld, maar ook, hoe Jericho's inwoners sidderen voor Israël. En de ontuchtige vrouw is door het gehoor gekomen tot het geloof in den waarachtigen God.

Daar komen de verspieders; zij zondigt er niet mede, maar ontvangt hen met vrede, verbergt hen onder het vlas op haar dak, helpt hen ontsnappen aan de vervolgers, ja

3

-ocr page 36-

34

liegt straks om die mannen te beveiligen, en God heeft bij al hare zonde, ook die zonde vergeven. De verspieders hebben haar beloofd: zij zal niet sterven, maar leven en allen die ia haar huis zijn zullen leven, als de stad Jericho ingenomen wordt. De scharlaken draad wordt de belijdenis van haar geloof, het onderpand van hare behoudenis. En de gewezen hoer is niet omgekomen met de ongehoorzamen, maar gered en tevens een middel geworden tot redding van anderen. Ja, zij is een moeder geworden in Israël, en een voormoeder van Davids huis en Davids grooten zoon. In Matheus 1 prijkt haar naam in het geslachtsregister, als het bewijs dat geen zondaar te groot is voor Jezus. Die de zonde maar wil verlaten, om door geloof en liefde te toonen de oprechtheid van berouw en bekeering, dien geldt het woord: Ik, ik ben het die uwe zonden xütdelg, en ik gedenk uwe ongerechtigheden niet meer.

Rachab heeft haar geloof geopenbaard door af te staan van de zonde; door liefde voor do broederen, door te redden ook, wat in haar huis redding wilde zoeken. En wat zal ik nog meer spreken? Zal ik spreken van Gidéon en Barak, en Simsou, en Jeftha, en David, en Samuël en de Profeten? Welke door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt; de kracht des vuurs hebben uitgeblust, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zijn en heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht. Over ieder van deze personen afzonderlijk te spreken, is niet noodig en de tijd te kort, maar leest aandachtig Hebreen 11. het is een kort begrip van het gansche Oude Verbond. En anet de wolke der getuige idt Hebreen 11 rond om ons;

-ocr page 37-

35

Laat ons afleggen, allen, last en de zonde, die ons lichtelijk omringt. En laat ons met lijdzaamheid loopen, de loopbaan die ons voorgesteld is. Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, die voor de vreugde Hem voorgesteld, het kruis hoeft gedragen en de schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand Gods.

Zien op Jezus, dat is geloof. Hij die begint met onderzoeken, aanbidden en gehoorzamen, zal tot het zien op Jezus komen, zal zalig worden, en in de zaligheid zijns harten kracht vinden, om de zonde te haten en te laten, en zijne leden te stellen tot wapenen der gerechtigheid Gode. Dat is de vrucht van het geloof. De Heilige Geest zegene het gesprokene.

Ik eindig met een woord uit Gods woord: Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Die gelooft zal zalig worden, die niet gelooft zal verdoemd worden; en zal dan zien dat bekeerde hoeren en tollenaren, de fatsoenlijke ongeloovigen voorgaan in het Koninkrijk Gods.

A m e n.

-ocr page 38-

Dg Doornenkroon.

mattheus 27 : h— 30.

Vóór liet lijden van den Heiland aanbrak kon er geen ja gezegd worden op de vraag: Leest men ook druiven van doornen? Maar van Jezus doornenkroon worden druiven van Eskol geplukt: Leven, Vrede en Zaligheid. Wij beschouwen in dit uur de doornenkroon in het Oude- en in het Nieuwe Testament, in de overlevering, in beeld en lied, in de geschiedenis der kerk, in het leven der Christenen en in de heerlijkheid.

Is er één hoofd waardig een kroon te dragen, dan is het des Hollands hoofd.

Nu, een doornenkroon is toch ook een kroon, maar dat het een doornenkroon is, dat is door onze schuld en zonden. Deze kroon stemt tot droefheid en tot vreugde. De droefheid naar God is een zegen; zij werkt onberouwelijke bekeering tot zaligheid. Die droefheid moet ons hart vervullen, bij het bezoeken van Getsómané, Gabbatha en Golgotha. Maar daar ook wordt de liefde van Christus geopenbaard in al hare lengte, breedte, hoogte en diepte.

-ocr page 39-

37

De Koning met de doornenkroon, die met éen zijner blikken miilioenen' kan verkwikken, Hij doe Zijn aangezicht over ons lichten en geve ons Zijnen vrede, verworven door Zijn dierbaar bloed. De verlossing van zondaren is in Gods raad besloten; in den tijd geopenbaard, en in de schaduwdienst. Psalmen en profetie afgebeeld en voorspeld. Ja, geheel het oude Testament, kan worden saamgevat in het woord: Ziet, Hij komt!

En Hij, die komen zou, moest koning zijn. Zion! zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig; dat is der profeten Evangeliewoord geweest.

Een koning moet een kroon dragen, maar al de krooncn der aarde beteekenen niets bij de waarde van des Heilands doornenkroon. Alle kroonen op aarde zijn slechts typen van de vele koninklijke hoeden, die eenmaal den Koning der koningen, die op aarde een doornenkroon droeg, zullen sieren.

Zedekia was de laatste koning uit Davids huis. God nam van hem de kroon weg, hij was dezelve niet waardig; maar de Koning die alle kroonen waardig is, moest in Zijn lijden een doornenkroon dragen op het onschuldig hoofd.

Wij lezen in het Hooglied van Salomo: ga uit en zie, gij dochter Zions, de koning Salomo met de kroon, waarmede zijne moeder hom kroonde, op den dag zijner bruiloft, den dag der vreugde zijns harten. Dat is van Christus gezongen. De menschheid. Zijne moeder naar het vleesch, kroonde Hem, maar stiefmoederlijk met een doornenkroon in Gabbatha.

Toch was Zijn sterfdag Zijn bruiloftsdag, de dag der vreugde Zijns harten; want Zijne bruid. Zijne gemeente werd geboren uit Zijn bloed. Eeeds onze eerste moeder Eva heeft van doornen gehoord en Adam leerde ze kennen. De doornen spraken van zonde, maar spreken nu ook van genade en redding. De ram in de struiken op Moria, de plaatsvervan-

-ocr page 40-

38

ger van Izaiik, is liet beeld van den grooten plaatsvervanger Christus, met het hoofd in de doornenkroon. Valerius Herberger zegt: De menschheid was het verloren schaap, in de doornen verward, van Gods toorn, de vloek der wet en het booze geweten; maar de Goede Herder ging het na en de doornen bleven Hem hangen aan het hoofd. Veel beteeke-nend is in Mozes zegen over Jozef, Deutr. 88 het woord: De genade van Hem die in den braambosch woonde, zij over het hoofd van Jozef en den Nazireër onder zijne broederen. Met minder is in het boek der Eichteren de fabel van Jotham vol beteekenis, als de boomen zich een koning kiezen en tot den doornbosch zeggen: kom gij en wees koning over ons! en als dan den doornbosch antwoordt: Indien gij het in oprechtheid meent, dat ik uw koning zal zijn, zoo is het wel en indien niet, zoo zal vuur uit den doornbosch gaan en u verteren. Nu de doombosch is waarlijk koning geworden over de boomen des wouds. Want geen eikenloof noch lauwerkrans siert den grooten Koning. Maar Zijn hoofd vol bloed en wonden, vol smarten en vol hoon, dat is ten spot gebonden met eene doornenkroon. O, dat alle menschen tot den Koning met de doornenkroon zeiden: Kom Gij en wees Koning over ons.

En nu de doornenkroon in het Nieuwe Testament. Wij lezen: toen namen dan de krijgsknechten Jezus, en als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om en een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd eu een rietstok in Zijne rechterhand. En vallende op de knieën bespotten zij Hem en zeiden: Wees gegroet, gij koning der Joden! en Hem bespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op Zijn hoofd. Alzoo ging Jezus uit, dragende de doornenkroon en het purperen kleed.

-ocr page 41-

39

en Pilatus zeide: Zie den menscli! Maar zij riepen: Neem weg, kruis hem, kruis hem! Toen gaf hij Hem hun over, dat Hij gekruisigd zou worden. En zij deden Hem den purperen mantel af en Zijne eigene kleederen aan en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen.

Wij zien Jezus alzoo met doornen gekroond, met de doornenkroon voorgesteld, en met de doornenkroon gekruisigd. quot;Waarlijk als een lam is Hij ter slachting geleid en als een schaap dat stom is voor zijne scheerders, alzoo deed Hij Zijnen mond niet open. De scherpste doornen onzer zonden ontvangt Hij zegenend tot Zijn kroon. Hij kust bij onverdiende wonden, Gods slaande hand en blijft Zijn Zoon. De menschheid heeft haar paradijs verloren, de aarde werd een doornbosch en de zonde der menschen een doornenkroon voor den Heer. Die kroon bleef op Zijn hoofd, ook hangende aan het kruis; en boven dat gekroonde hoofd, staat in de taal der godsdienst, der wetenschap, en der wereld, dat deze kruiseling een koning, de koning der Joden is. Die kroon droeg Hij tot in het graf, die kroon heeft Zijn smart, maar ook de heerlijkheid van Zijn sterven verhoogd. Als een koning begroet bij de kribbe, een koning ook aan het kruis. Toen had de doornenkroon haar taak volbracht, en nu zijn de doornen herschapen in de paarlen van Zijn krans. Verloste zondaren die Zijn woord hebben geloofd en aangenomen: Dat deed Ik voor u!

En nu de doornenkroon in de overlevering. Eeizigers die het Oosten bezoeken, wijst men, ook nog in onzen tijd, bij de Davidspoort den Christusdoorn. Plet is echter nietnoudig zoo ver te gaan zoeken, de ware doornen van Christus zijn in uw hart te vinden. De overlevering zegt: dat aan de doornenkroon zeven en zeventig doornen waren, elk met drie punten; zoo zou de Heiland twee honderd een en dertig won-

-ocr page 42-

40

den ontvangen hebben. Maar wie zal berekenen, het lijden dat niet door te denken is.

De legende van Veronika is te bekend in de gemeente, om die hier nog mede te deelen.

In den tijd der kruisvaarders zijn vele doomenkroonen medegebracht. Eén van die kroonen wordt, in goud gevat, bewaard in de Notre Dame te Parijs.

Karei de vijfde liet, op zijn sterfbed liggende, die doornenkroon voor zich plaatsen en zijne eigene kroon wegnemen. — Het geslacht der negentiende eeuw zoekt geen doomenkroonen, en acht nog veel minder den koning, die een doornenkroon droeg, Tirus en Sidon en Ninevé zullen dan ook opstaan tegen dit geslacht, in den dag der toekomst, omdat het zich niet wil buigen onder Jezus heerschappij.

Wij zien den lijdenden Heiland voorgesteld in beeld en lied des Bijbels. Isaiik op Moria, het Paaschlam bij Israels uittocht, ja elk lam dat geofferd werd, was beeld van het Lam Gods, dat voor de zonden der wereld stierf. In den twee en twintigsten Psalm, en Jesaja drie en vijftig om geen andere Psalmen en profetiën te noemen, is de lijdende Heiland bezongen en voorspeld.

Naast den koning in Psalm vijf en veertig staat de koningin. Naast Salomo in het Hooglied staat zijne Sulamith, beide zijn beeld van de gemeente van Christus. Die gemeente heeft, evenals haar Heer, door alle tijden heen, haar doornenkroon gedragen. Eeeds in de eerste gemeente was lijden niet onbekend.

Jacobus de kleine werd onthoofd. Petrus in de gevangenis geworpen, den Eechtvaardigen van den tempel gestooten en met een knots gedood. Martelaarsbloed stroomde door al de eeuwen der kerkgeschiedenis heen.

-ocr page 43-

41

Ook in onzen tijd geldt het van de gemeente: Wat toch wil deze klapper zeggen?

De geloovigen zijn aller afschraapsel en worden geacht als een secte die men overal tegenspreken mag. Toch zullen de poorten der hel de gemeente niet overweldigen. Hare overwinning is gewaarborgd in de overwinning van den Heer. En zoo als het met de gemeente is, zoo is het ook met al hare leden. Doornen zijn het erfdeel der menschen en der geloovigen bovenal.

Te Lydda was een kranke Aeneas, Petrus hongerde te Joppe, Timotheus was zwak, Paulus had een doorn in het vleesch. Zoo was het toen, zoo is het nog nu. De eene Christen heeft slechte kinderen, een ander armoede, een zwak lichaam, een booze man of vrouw, en behalve al deze dingen is de doorn van spot en hoon aller Christenen deel. Strijd met de wereld en Satan, met zonde en eigen hart. Iedere geloovige heeft zijn doornenkroon te dragen. Zijne huisgenooten zijn vaak zijne vijanden, dat is een doorn, en valsche broederen, dat is eene andere doorn. Maar de ergste doorn is ons eigen kwaad. Eenmaal neemt de Heer de doornenkroon van ons hoofd af en geeft ons een kroon der eere. Zie dan niet op uwe doornen mijn broeder, maar op de doornen van uwen Heer. Die kroon blijft de schoonste kroon, laat uwe ziel aan zijne kroon een parel zijn. Op den zegewagen van het Evangelie gaat Christus door de tijden der eeuwen heen, met doornenkroon en kruis. Hoe af keerig de menschheid moge wezen van doornen en kruis, toch wordt het kruis de banier der volken, en de doornenkroon schittert van heerlijkheid. Patriarchen en Profeten omringen den zegewagen die door Apostelen en martelaren, en een schare, niet te tellen, voortgetrokken wordt. Eome's driekroon waggelt, de halve

-ocr page 44-

42

maan verbleekt, de afgoden der heidenen vallen, de koninkrijken worden van onzen God en van Zijnen Christus. De doornenkroon blinkt in hemelschen glans. Kan men ook druiven lezen van doornen? Ja, wat bij de menschen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God. De teekenen van den vloek werden teekenen van zegen. Voor den doorn gaat een mirtenboom op en voor den distel een ceder. De aarde wordt een Paradijs, en het arme menschenhart wordt een hof des Hee-ren. Vergeving, leven en zaligheid, dat zijn de druiven door geloovigen te plukken van Christus doornenkroon.

Amen.

-ocr page 45-

Christus de gekruisigde.

1 Cor. i : 23 en 24.

quot;Wij prediken Christus, den gekruisigde, den Joden wel eene ergernis, en den Grieken eene dwaasheid, maar hun die geroepen zijn, beide Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.

Ik geloof in Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heer. Zoo belijdt de gemeente, reeds meer dan achttien eeuwen met vreugde en beslistheid des harten. De gemeente weet dat met deze belijdenis het Christendom staat in het midden van het rumoer der volken, in het midden van het woeden der hel; maar valt zoodra die belijdenis wordt prijs gegeven.

Geen brandstapel of moordschavot, geen bloedstroomen hebben de gemeente doen zwijgen. Al ergerde de Jood zich, al achtten de Grieken het dwaasheid Christus bleef voor Zijne gemeente de kracht Gods en de wijsheid Gods. Jezus Christus, die naam is voor de gemeente hemelmuziek op aarde; een olie die uitgestort wordt in de schrijnende wonden des harten, de schrijnende wonden der menschheid.

-ocr page 46-

u

Jezus Christus: die naam heelt alle wonden, en balsemt elke smart. Die naam is de schakel waardoor de hemel aan de aarde gebonden is, en die het zondaarshart verbindt aan het hart van God. De naam Jezus is de Jakobsladder waarlangs de ziel ten hemel opklimt. Want Jezus Christus, dat is Hij, die eer en heerlijkheid had bij God, eer de wereld was. Wiens vermakingen zijn met de menschenkinderen, van den dag af dat door den eersten mensch deze aarde betreden werd.

In die mensch ziet Hij Zijn beeld, gelijk Hij is, het uitgedrukte beeld der zelfstandigheid Gods.

Daarom heeft Hij de menschheid lief; en daalde tot den mensch neder op aarde, reeds in de dagen van ouds, als Engel des Heeren, als Engel des verbonds, als Engel waarin Gods naam is.

In menschelijke gedaante daalde Hij telkens neder, tot dat Hij eindelijk kwam om geheel en al zich met de menschheid te vereenigen, door mensch te worden, voor menschen-behoefte. Zijn broeders in alles gelijk uitgenomen de zonden. Hij rustte niet voor het groote werk volbracht was, de verzoening van God met de wereld, de verzoening van den mensch met zijn God. Nu stijgt uit het hart dat gelooft, weder met kinderlijke vreugde het Abba, lieve Vader, na dat heerlijk werk volbracht aan een kruis.

Jezus Christus is de gekruisigde geworden, om en door, en voor de zonde.

Deed Hij aan het kruis.

Ons Zijn liefde blijken? —

In Zijns Vaders huis,

Waar Hij 't heil voltooid.

Zal Zijn liefde nooit,

Nooit weer van ons wijken.

-ocr page 47-

45

Christus en Zijn kruis zijn nooit te scheiden. De gemeente begeert geen anderen Christus dan Jezus Christus den gekruisigde. Christus is altijd schoon in het oog Zijner gemeente, al wat aan Hem is, is ganscli begeerlijk, maar het schoonste is Hij, in de pracht Zijns bloeds met doornenkroon en kruis. Van de Christusdoornen plukt de gemeente druiven van Eskol, en het kruis werd haar de levensboom dooiden Vader zelf haar aangewezen.

Het kruis is het Symbool van Gods liefde, het teeken der veroordeeling eener schuldige wereld, het teeken ook der overwinning over het rijk der duisternis. Bij Christus kruis leert men het wonderwoord der eeuwen verstaan: Alzoolief heeft God de wereld gehad. Het kruis predikt de schuld der menchheid, die nooit gruwelijker daad bedreef dan het kruis in de aarde te planten, en de edelste der menschen, den Zoon van God er aan te hechten. Toch werd toen juist Satans macht geknot, en de hel overwonnen, bij het woord »het is Volbracht.quot; Het kruis verlost van het grootste kruis, de zonde. Het marteltuig der straf redt van de eeuwige straf. Een vloekhout wordt een boom des levens, de banier van vrede en zaligheid, waar alle volken en geslachten zich om scharen. Zij allen verheerlijken in het nieuwe lied, Jezus Christus den gekruisigde. Gelijk Constantijn de eerste christen Keizer, ziet de gemeente aan de wolken het kruis met het onderschrift: In dit teeken zult gij overwinnen. Eu uit harten en monden van duizenden geslachten stijgt de jubeltoon opwaarts:

Halleluja lof zij het Lam,

Dat onze zonden op zich nam.

Wiens bloed ons heeft geheiligd.

-ocr page 48-

46

Die dood geweest is en Hij leeft.

Die 't volk dat Hij ontzoadigd heeft, In eeuwigheid beveiligt.

Vrede op aarde, vrede in het bloed des kruises! Jezus Christus de gekruisigde is Koning; voor-Hem buigt eenmaal elke knie en iedere tong zal belijden dat Hij de Heer is, tot heerlijkheid van God den Vader.

Maar nu is die Christus nog een ergernis voor den Jood, ook onder ons. De joden begeeren een teeken, en geen ander teeken wordt hun gegeven dan Golgotha's kruis en het ledige graf aan den opstandingsmorgen. Jezus Christus zelf is het grootste teeken van de liefde Gods, maar een teeken dat wedersproken wordt, een rotssteen der ergernis, een steen des aanstoots, omdat Hij de gekruisigde is. De eigengerechtige jood wil door werken zalig worden, en De gekruisigde zegt; Door Mijne genade alleen. Daarom is De gekruiste een ergernis. De mensch wil zalig worden door doen; Christus zegt: Zonder Mij kunt gij niets doen. Gij kunt, gij moogt, gij behoeft niets te doen. Ik deed het al voor u: het is Volbracht.

Niets doen en toch zalig worden, alleen om Christus wil zalig worden, dat verwekt ergernis, die leer is het eigengerechtige hart, een aanstoot. Aanvaard Cristus met Zijn kruis en gij zijt behouden, of verwerp Hem, en er blijft u niets over dan een eeuwige nacht, een leven zonder God, zonder vrede, zonder toekomst.

Christus de gekruisigde een ergernis voor den jood, een dwaasheid voor den Griek. Grieken zoeken 'wijsheid, en achten het kruis dwaasheid. Zij willen wel omgang met diepe denkers, maar geen gemeenschap met Christenen; wel een kroon van menschen, maar geen kruis van den

-ocr page 49-

47

Heer. Zalig worden door den dood van eene die aan een kruis stierf, welk eene dwaze gedachte voor zulke geleerde mannen. Toch is dat kruis de openbaring der diepe wijsheid Gods. De wijze mannen ook van onzen tijd, stooten al wat Christelijk is van zich, de Christologie is hun de dwaasheid zelf. »Mijn godsdienst,quot; zeide een geneesheer,»is weldoenquot; en hij deed velen wel, maar zich zeiven kwaad want hij verwierp den Christus, en wie Hem verwerpt, werpt zich zeiven in de armen van den dood. Wijsheid, kracht en schoonheid is het zoeken van den Griek, en hij wordt zoo wijs, dat hij eindelijk er toe komt om te verkondigen: »De mensch is God, en wie zich God gevoelt acht het te gemeen om te zondigen.quot; Als of het niet willen zondigen zulk een lichte taak is voor den mensch, onder de zonde verkocht, die in de zonde in zijn element is als de visch in het water, en de vogel in de lucht; en voor wien heiligheid, die heinelsche atmosfeer, zoo doodelijk is als reine berglucht voor den teringlijder. Laten de joden ook van onzen tijd aan het kruis zich ergeren, en de Griek de leer des kruises dwaasheid achten; het Evangelie is hun een reuke des doods ten doode, maar ons die gelooven, is Christus de gekruiste de kracht Gods en de wijsheid Gods, en het Evangelie is ons een reuke des levens, ten leven.

In gemeenschap met Christus, in het geloof aan Zijn kruis en kruisverdiensten, ademt onze ziel het eeuwige leven in, en het zondige leven uit. Zoo is Christus ons.de kracht Gods, omdat Hij het leven Gods in ons is. Als geheel ons leven Christus is geworden, is sterveij. gewin. Om de zonde te haten en te laten, om het vleesch te kruisigen, om den ouden Adam in ons. te dooden, is Gods kracht, is Christus ons noodig, Christus de gekruisigde.

-ocr page 50-

48

Hij zegt; zonder Mij kunt gij niets doen, maar met Hem vermogen wij alle dingen. Die Christus liebben aangenomen, hebben macht ontvangen om kinderen Gods te worden. Wij zijn meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. Christus is de kracht Gods maar ook de wijsheid Gods. De mensch heeft gezondigd en de wet van God geschonden. Hoe kan een rechtvaardig God de zonde ongestraft laten ? en toch wilde God genadig zijn. Toen kwam Gods wijsheid tusschen beide, en gaf voldoening aan rechtvaardigheid en genade door het kruis. Door het kruis deed Christus wat geen Engel kon doen, wat geen mensch kon doen, »God en mensch met elkander verzoenen door Zijn bloed.quot; De wereld acht de openbaring der hoogste wijsheid als dwaasheid; maar het heeft God behaagd, door de dwaasheid der prediking zalig te maken die gelooven. Zoo heeft God de wijsheid dezer wereld dwaasheid gemaakt. Het dwaze Gods is wijzer dan de menschen, en het zwakke Gods is sterker dan de menschen. Het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou, en het zwakke dei-wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke beschamen zou, opdat geen vleesch zou roemen dan in Christus. Hij is ons van God gegeven tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing. quot;Wat i s nu die Heiland voor u ? een ergernis, een dwaasheid, of do kracht en de wijsheid Gods?

Begeert gij teekenen te zien als de Joden? of wijsheid als de Grieken? Het teeken is geschonken in het kruis, de wijsheid is gegeven in Christus. Wie doen wil of begrijpen wil is verloren; maar wie gelooven wil, zijn heil is gewis.

Zalig die gelooven.

Troost hun, nooit 't ontrooven

-ocr page 51-

49

Wekt hen steeds tot vreugd.

Kracht tot goede werken,

Voelen ze in zich sterken Kracht tot liefde en deugd!

Door Gods kracht In hen volbracht Komen zij gedurig nader 't Beeld van hunnen Vader.

Eere zij Jezus Christus den gekruisigde! Eere hem ook ons hart, door ootmoedig geloof! Hij alleen zij onze wijsheid, onze kracht. Jezus alleen, Je7Ais altijd, Jezus volkomen; in leven en sterven Jezus Christus de gekruisigde.

Amen.

4

-ocr page 52-

Jezus de Levensvorst.

Joh. 24:19J.

Ik leef en gij zult leven; dit ■woord werd door den Heere Jezus gesproken in de Paasclizaal, den laatsten avond van Zijn leven, met den kruisberg iu het gezicht, tot vertroosting Zijner jongeren.

Dit woord zegt aan alle tijden en aan alle harten, dat Jezus Christus het leven is in onzen dood. Wij meenen het leven te zien in deze wereld, in de drie rijken der schepping: het plantenrijk, het dierenrijk en het delfstoffenrijk. quot;Wij meenen dat leven vooral te zien in de volle rijke menschenwereld, en toch is er op elk gebied der schepping niets anders te vinden dan de dood in duizend vormen. Het gras verdort, de bloem valt af, de korenhalm valt voor de zeis des maaiers, het loeiend rund valt onder de bijl. De wolf rooft de lammeren der kudde straks kermende in zijn tanden. De gonzende vlieg wordt door een grijpend monster uitgezogen, evenals de giraf, die een levend graf vindt in den tijgermuil. De dood is op elk gebied in het leven ingedrongen en de strijd om het bestaan wordt zelfs door de

-ocr page 53-

51

bewoners van een waterdruppel gevoerd, zoowel als door de zeemonsters in de diepte. Achter het schoonste menschen-aangezicht is een doodshoofd verborgen. De dartele knaap zoowel als het kleine wicht op moeders schoot, de blozende maagd en de vlugge jongeling, de krachtvolle man en de oude grijsaard, allen wandelen naar het stille graf en vallen voor de zeis van den groeten Maaier. Wat schoonheid des lichaams, wat krachten der ziel, wat genegenheden des harten, wat gaven des geestes, wat wilskracht, wat verwachtingen en plannen gaan onder in rouw, zinken weg in het graf. Niemand en niets wordt gespaard; geen vernuft, geen dichter, geen kunstenaar, geen wijsgeer, alles sterft. Maar Jezus Christus zegt: Ik leef! Gij zijt dood in de zonden en misdaden, uw leven is stervende sterven, als vrucht van den kennisboom, maar Ik ben het leven; Ik heb macht Mijn leven af te leggen en Ik heb macht hetzelve wederom te nemen, dit gebod heb Ik van Mijnen Vader ontvangen. Breek dezen tempel af en in drie dagen zal Ik denzelven weder opbouwen. Wie zijn leven behouden wil zal hetzelve verhezen, maar wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil die zal hetzelve vinden.

Jezus Christus is de Levensvorst; die ons het ware, het schoone, het eeuwige leven komt wedergeven. Do levensvorst. Hij kwam. Hij zag, Hij overwon! Waardoor? — door in onzen dood in te gaan; dat is, door mensch te worden. Wij bidden bij den doop voor onze kinderen: Geef dat zij eenmaal dit leven, dat eene gestadige dood is, om Uwentwil getroost verlaten; en dat is waar, het leven is een gestadige dood maar het is niet minder waar, dat Jezus Christus het leven is in onzen dood.

Hij verrees ten derden dage,

Wien de dood niet houden kon;

-ocr page 54-

52

* Die door sterven en herleven,

Dood en hel en graf verwon.

Zoo bleek Hij Gods Zoon te wezen,

Zoo is Hem ons heil vertrouwd.

Hem Wiens sterven ons verzoende,

Hem Wiens leven ons behoudt.

Het was niet mogelijk dat het graf Hem behield, die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Hij zegt: Ik heb de sleutels van dood en graf. Hij heeft het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Hij zegt: Ik leef! en wie in Mij gelooft zal leven ook al ware hij gestorven.

Het graf is geopend, de steen afgewenteld, de wachters zijn gevloden: Ziet, daar is Jezus! de nieuwe mensch, met het nieuwe, verheerlijkte, geestelijke lichaam. De eeuwige lente zetelt op Zijn voorhoofd, zoo kort geleden nog met doornen gekroond. Het Evangelie des heils heeft in Hem een eeuwig fundament.

Nu mogen wij elkander toeroepen: Hij is gestorven voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. Hij is gestorven der zonde, en wat Hij nu leeft dat leeft Hij Gode; en die in Hem gelooft leert dat Gode leven kennen en beoefenen. Ik leef en gij zult leven! Gij — maar wie zijn dat dan die leven zullen? Allen, allen mijn vrienden die het weten dat zij dood waren in de zonde en de misdaden, maar Gode levend gemaakt zijn door Jezus Christus onzen Heer. Zij zullen eerst leven, zij zullen eerst opstaan, en mogen er dan nog duizend jaren op volgen, toch breekt de dag eenmaal aan, dat allen die in de graven zijn de stem van Jezus zullen hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, die het kwade

-ocr page 55-

53

gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis. Want Jezus Christus het hoofd der gemeente, is ook het hoofd der menschheid geworden, en als de eersteling uit de dooden wekt Hij allen uit het graf. Hij is de opstanding en het leven, maar alleen zij die in hem gelooven zullen leven, want die opstaan tot verdoemenis gaan in den tweeden dood. Maar opstaan zullen allen. In den dag der dagen zal de zee de dooden geven die in haar waren, en de dood en de hel zullen hunne dooden geven die in haar waren. Zij zullen opstaan; de booze Kainieten en de tijdgenooten van Noach; de trotsche torenbouwers van Babel en de inwoners van Sodom en Gomorra, de inwoners van Ninévo en de bewoners van Tyrus en Sidon. De inwoners van Kapernaum dat tot den hemel toe was verhoogd en nu tot de hel zal worden nedergestooten; Jeruzalem dat de Profeten doodde en steenigde die tot haar gezonden waren. De Christusmoorders met hot bloed aan de handen van Gods Zoon en Judas met de wroeging op het gelaat. Beiden Herodes en Pontius Pilatus en allen die samen vergaderd zijn geweest tegen Gods Heilig kind Jezus. Israël in zijn verharding en de heidenwereld in hare verblindheid, maar ook gij allen die buiten Christus nog leeft. Gij hebt den dood gezien in het leven, en het leven uit den dood is u verkondigd.

O, als gij u niet bekeerd het zal Sodom en Gomorra, Tyrus en Sidon, en Ninevé verdragelijker zijn dan u, want indien zij gezien hadden en gehoord hadden, wat gij hebt gezien en gehoord, zij zouden zich in zak en assche bekeerd hebben. Zij allen zullen in den groeten dag niet zóó erg afschuwelijk zijn, dan de gedoopte Christenheid van achttien eeuwen die den weg heeft geweten en niet bewandeld.

Het leven en de opstanding is in den levensvorst verzekerd.

-ocr page 56-

54

Voor de een liet leven der afgrijzing, daar waar weening is der oogen en knersing der tanden, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblusclit, waar de rook hunner pijniging opgaat tot in alle eeuwigheid. Maar voor de geloo-vigen in Jezus Christus, voor het kind van God, voor het volk des Heeren, het leven der heerlijkheid in Gods zaligen hemel. Voor hen luiden de klokken des hemels: rust, rust, zalige rust! rust van de zonde, rust van den twijfel, rust van de tranen, van moeite en dood, rust, rust!

Er is geen verdoemenis moer voor degenen die in Jezus Christus zijn, die niet naar het vleesoh hebben geleefd maar naar den geest. Geloofd zij Jezus Christus! Geloofd zij God den Vader! die naar Zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus. Daar in der hemelen zonneschijn zal heerlijk ons het rusten zijn; daar leven wij in de volle en heerlijke zin van het woord. Daar 7AÜlen wij zien wat geen oog heeft gezien, het nieuwe Jeruzalem, de stad Gods, met hare gouden straten, en paarlen poorten, en zee van kristal, en diamanten grondvesten, met hare levensstroomen en levensboo-men, met haar eeuwige lente en eeuwige jeugd.

Daar zullen wij hooren wat geen oor heeft gehoord; het lied der Engelen, het lied der Serafs en Cherubs, het lied der Citherspelers aan de glazen zee. Het loflied en de aanbidding en de dankzegging der verloste gemeente van alle tijden en plaatsen, verlost uit alle kerken en genootschappen en vormen, om daar één te zijn in Hem. Zoo vereenigdmet allen en met elkander als de Vader vereenigd is met den Zoon. Daar zullen wij God zien en de stem van Jezus hooren, de stemmen der schepping Gods verstaan, daar zullen wij genieten uit Gods eeuwige volheid, aanzitten aan de

-ocr page 57-

55

bruiloftsdisch des Lams. Daar zal het nooit vermoeid verstand reuzenschreden doen op de banen der wetenschap en der kennis, daar zullen we onderzoeken waar we hier voor sidderen. Daar weten wij waarom God ons hier zooveel waarom's onbeantwoord liet. Daar zijn alle vragen beantwoord, alle raadselen opgeklaard. Daar spreken wij allen de taal van Gods hart; en verstaande de talen der Engelen, zal het lied der vogelen, het ruischen der stroomen, het ritselen der boomen, het kabbelen der beken, het golfgeklots der wateren ons niet meer onverstaanbaar zijn. Daar kennen wij God weer aan den wind des daags, en kennen Zijn gang in de moerbeziënboomen nog beter dan David op aarde. Daar zal het sterrenschrift ons leesbaar wezen, en leesbaar ook ons levensboek. Daar, ja wat zullen we daar niet kennen, en weten en verstaan, als het hier reeds waar is; Gij hebt de zalving van den Heilige, en weet alle dingen, en hebt niet van noode dat iemand u leere; als het hier reeds waar is: de geest onderzoekt alle dingen zelfs de diepten Gods. Ik leef zegt Jezus en gij zult leven; voortgaan van kracht tot kracht, van heerlijkheid tot heerlijkheid, steeds veranderd wordende door des Heeren Geest naar des Heeren beeld.

Indien de vrede Gods in een hart, wonderen verricht op het gelaat, reeds hier op aarde, zoodat men den vroegeren dief niet meer herkent in den zendeling onder de dieven, wat zal het zijn, als al de deugden Gods die in de ziel woonden, in het lichaam zichtbaar, in de oogen leesbaar, in de gelaatstrekken geteekend zullen zijn? O heerlijk, o eeuwig, o zalig leven! loven bij Jezus, leven met Jezus, leven voor Jezus; Hem zien, Hem gelijk zijn, wat vreugde, wat eer! Daar zegt geen inwoner ik ben ziek, want het volk dat de Godsstad bewoont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.

-ocr page 58-

56

O zaligheid niet af te meten.

quot; O vreugd, die alle smart verbant,

Daar is de vreemdelingschap vergeten,

En wij, wij zijn in 't vaderland.

Ja in het vaderhuis met zijne vele woningen; aan het hef hebbende Vaderhart, dat van eeuwigheid reeds in hefde aan ons dacht. Jezus zegt; Ik leef en gij zult leven! en is dat een leven van rust? het is ook een leven van werkzaamheid. Want zij dienen Hem dag en nacht in zijnen tempel. Het is een leven van liefdegenieten en hefdebetoonen, een leven der gemeenschap, met Jezus en de broederen; die groote schare die niet te tellen is uit alle natie en geslacht. Een leven der gemeenschap met de meer dan twaalf legioen Engelen van wie wij nog zoo weinig weten, en die ons toch zoo getrouw en ijverig dienen. Ik leef zegt Jezus en gij zult leven; dat is het leven der eeuwige schoonheid, der eeuwige jeugd, en dat leven is nu zoo zeker als Jezus Christus is opgestaan. Door die opstanding vindt de Christen zijn recht-vaardigmaking, op die opstanding is de gemeente gegrond, en omdat de wereld voor die opstanding siddert wordt door haar het wonder ontkent: Ga dan kalm uw sterfuur tegen, mijn Christen! de dood is ontdood, overwonnen en verslonden. Gij vreest slechts voor een schaduw. Als uw vleesch en uw hart bezwijkt, Jezus leeft! en Hij is met u. Hij zal u toefluisteren : hebt goeden moed, Ik heb den dood overwonnen, Ik leef en gij zult leven! Nog een weinig tijds en gij zult Hem zien wien uwe ziele hefheeft, en in wien gij u hier reeds verheugt met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.

Amen.

-ocr page 59-

Des Christens wapenrusting.

Efeze 6 ; 11—19.

In liet Amphitheater van Flavius te Eome, bekend door de dnizende martelaren, die daar door vilde dieren verscheurd zijn; zit één der Eomeinsche keizers op zijn troon, omringd door zijn lijfwacht, zijn hofstoet, en duizenden nieuwsgierigen die gekomen zijn om zich te verlustigen in een aandoenlijk schouwspel.

Twee Gladiatoren, kwaaddoeners van beroep, zijn veroordeeld tot den dood; maar één kan het leven winnen, als hij den anderen velt in het strijdperk. Daar schallen de trompetten, de deuren ontsluiten zich, en de Gladiatoren treden binnen, met bloot bovenlijf, het hoofd gedekt met den helm, de arm met het schild, in de andere hand het zwaard. De muziek zwijgt een oogenblik; aandoenlijke stilte; — de Gladiatoren treden voor den troon des keizers en roepen hem toe: Ave! Cesar, u groeten zij, die sterven gaan! Het midden van het strijdperk wordt betreden, en onder daverende muziek vangt de strijd aan op leven en dood, die niet eindigt voor één dezer mannen gedood is geworden. Dan wordt de andere onder daverend gejuich in vrijheid gesteld.

-ocr page 60-

58

Ziedaar een beeld van het Christelijk leven, het is een strijd op leven en dood. Dooden wij de zonde niet, dan doodt zij ons. Om dien strijd te kunnen aanvaarden, is het noodig krachtig te worden in den Heer en in de sterkte Zijner macht, en aan te doen de geheele wapenrusting Gods; zoo alleen kunnen wij wederstaan, en alles verricht hebbende, staande blijven.

Ik ga u wijzen op onze vijanden, onze wapenen, onze strijddagen, onze bondgenooten.

Om den vijand te kunnen afwachten, tegengaan, aanvallen en overwinnen is het noodig hem te kennen. Wij hebben meer dan eenen vijand, als wij Christenen zijn; wij hebben er velen, onder drie hoofden verdeeld, op verschillende plaatsen aanwezig, maar allen even geducht. Boven ons, in ons en rondom ons zijn vijanden. Boven ons de overheden, de machten, de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, de geestelijke boosheden in de lucht; hun naam doet u hun wezen kennen. Wij leven in een demonischen dampkring en ademen de zonde in; wij zijn door booze machten omgeven. Acht de macht der duisternis niet gering. Gij ziet in Job wat de satan vermag en niet minder in den bezetene van Gradara. Het rijk der duisternis is een rijk van despoten, rampzaligen die er op uit zijn rampzalig te maken, wat gelukkig is of nog gelukkig worden kan. De wereld heeft vreeselijke veldslagen, slagvelden vol dooden, ja bloedbaden aanschouwd, en de tooneelen worden steeds vreeselijker. Maar de vreese-lijkste oorlog is nog maar de flauwe naschok op aarde, van wat in het rijk der geesten geschiedt. De plaat die ons een slagveld voorstelt, waar de verslagenen zoo verwoed zijn, dat hunne geesten in de lucht nog den strijd voortzetten, is een flauwe type van den strijd, gevoerd door het rijk des lichts:

-ocr page 61-

59

God, de engelen en de gemeente, tegen het rijk der duisternis. De strijd tegen vleesch. en bloed, haalt niet bij den strijd tegen de booze machten in de lucht; waakt dan en bidt; en wordt krachtig in den Heer en in de sterkte Zijner macht.

Doet aan de geheele wapenrusting Gods, want wie niet strijdt, moet verloren gaan voor eeuwig. Uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een brieschende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden. Hij wil u ziften als de tarwe, zooals hij Petrus deed; u schudden en schokken, en als het zijn kan doen vallen. Hij is listig en machtig met een ervaring van zes duizend jaar. Wat niet valt voor zijn macht, valt vaak door zijn list, als hij zich voordoet als engel des lichts, soms op den predikstoel in het kleed van een apostel. De duivel in de woestijn was niet het gevaarlijkste voor Christus, maar als Hij Petrus medelijdend doet zeggen: Heere, wees u genadig, dit zal u geenszins geschieden! dan is zijn list het gevaarlijkst. Zijn listen zijn ons niet onbekend, om dit met Paulus te kunnen zeggen, moet men gevorderd Christen zijn. Menige martelaar stierf gewillig, liever dan afgoden te aanbidden, maar velen redden zich het leven, en verloren de rust des gemoeds door één enkelen korrel wierook op het altaar der goden te werpen. Dat was een booze dag; door des boozen vijands list ging de ziel verloren, die een kroon der eere had kunnen behalen in het rijk des lichts. Maar de duivel is nog een buitenlandsche vijand, die hoe gevaarlijk ook, toch vliedt waar men hem de tanden laat zien. Maar er is ook in ons een vijand, het is ons eigen booze hart. Arglistig is dat hart, meer dan eenig ding, ja doodelijk is het, wie zal het kennen? Het is een vuile bron van alle wanbedrijven, want uit dat hart komen voort booze bedenkingen, dieverij, hoererij, moord, overspel, schandelijke dingen, te schandelijk om te zeggen,

-ocr page 62-

60

een leger van vijandige machten. Indien het van één huisgenoot waar is, dan zijn het deze huisgenooten wel die onze vijanden zijn. Zij reiken de hand aan Diabolis daarbuiten en halen hem zelf binnen de stad, menschziel, die Immanuël toebehoort. O, Salomo wist het wel, die wijze man heeft gezegd: quot;Wie heerscht over zijn hart, is sterker dan die een stad inneemt. Waarlijk het hart des menschen, ja het ge-dichtsel der gedachte zijns harten is boos, van der jeugd af aan. Zoo gevaarlijk als een burgeroorlog is voor den staat, zoo gevaarlijk is ons eigen hart voor onze zaligheid. Wel is het dus noodig te waken en biddende te zijn. krachtig te worden in den Heer, en in de sterkte Zijner macht, en aan te doen de geheele wapenrusting Gods. De strijd onzer ziel is defensief en offensief. quot;Wij hebben vijanden af te weren en aan te vallen beiden. Hoe zal het gaan als onze vingeren niet geleerd zijn ten strijde en de ware moed ons ontbreekt ? Onze nederlaag is dan immers zeker? Wij hebben nog een vijand te noemen en te bestrijden; het is de booze wereld. Zij is eene vijandin, een machtige gebiedster; onder haar bestuur worden wij aangevallen, door de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid van het vleesch en de grootheid des levens. Hoe zal het gaan in dezen strijd als wij geen verbond met onze oogen hebben gemaakt, dat zij het kwade niet zouden aanschouwen, en met David niet leerden bidden: Wend, wend mijn oog van de ijdelheden af. O, die wereld zij kan zoo veel voor ons oog brengen dat begeerte doet ontwaken in ons hart, begeerte in ons vleesch; en als de begeerlijkheid eenmaal ontvangen heeft wat zij gaarne wil »het zaad der boosheid,quot; dan baart zij zonde en het loon der zonde is de dood. En de grootschheid des levens, wanneer werd zij gevaarlijker, wanneer werd zij meer gediend.

-ocr page 63-

61

wanneer liad zij meer ovenvonnelingen dan in dezen tijd, nu allen willen groot zijn voor de menschen en niemand klein voor God ? Indien immer, nu vooral mag men wel uitroepen: 0, tijden! 0, zeden! Want Hollandsch trouw en eerlijkheid zijn verzwonden als dauw in den morgen, terwijl zij eertijds prijkten als zinspreuk in onze standaards op allo zeeën en onder de heidenen zelfs, dank zij onzen De Ruiter, bekend was.

Ik heb u over onze vijanden gesproken. Gods woord spreekt u ook over onze wapenen noodig tot den strijd. Epheze G is het wapenmagazijn voor den Christen. Daar hangt voor ieder soldaat van Jezus, zijn uniform gereed. De gordel der waarheid, het borstharnas der gerechtigheid, de schoenen der Evangelische bereidwilligheid, die nooit vergeten mogen worden. Het schild des geloofs, den helm der hope, het zwaard des geestes, Gods woord. En om al deze wapenen blank te bewaren zijn noodig, gebed en smeekingen in den geest, gemengd met waakzaamheid. Ziedaar ons wapentuig. Geen vleeschelijke wapenen in den. geestelijken strijd, geen inktpot of meubelstuk naar den kop van satan geworpen, maar dien helschen kop gespleten met het tweesnijdend zwaard: Gods woord. De gordel der waarheid om de lendenen, want wie niet waar is, is geen strijder van Jezus den koning der waarheid. Huichelaars zijn er meer dan genoeg, blankoprechte lieden veel te weinig; weest waar voor God en menschen, en gij zijt Christen in daad en woord. Wie met dezen gordel gegord is, zijn lendenen zullen niet zwikken. Hij is een moedig strijder, wien de waarheid in de oogen te lezen is.

Het borstwapen der gerechtigheid kan nooit worden gemist, wie niet rechtvaardig leeft mag uit den strijd voor Jezus wel weg blijven. De wereld zegt: gij met uw vlekken

-ocr page 64-

62

op uw kleed, zie eerst u zeiven te reinigen, eer gij ons zegt dat wij zwart zijn. Wat de schoenen voor de voeten zijn, is de bereidvaardigheid voor den Christen; men komt er zeer ver mede voort door de wereld. Een vriendelijk woord, een vriendelijk oog, een vriendelijk hart — ziedaar het middel om harten te vangen en vijanden zullen vrienden worden. Maakt uit mammondienaars vrienden, zij ontvangen u eenmaal in het Vaderhuis met het welkom op de lippen, waarop Gods lof woont. Het schild des geloofs bluscht de pijlen van den duivel, wie dat schild mist wordt spoedig een invalide, want de pijlen des duivels zijn giftig en scherp. Het geloof dringt door staal en steen, geeft heldenmoed en levenslust, leert den dood verachten en overwint do wereld. Waar geloof is in Gods vergevende liefde, daar is de hope der zaligheid, dat is de helm die houwen kan verdragen. Zonder de hope der zaligheid is het leven vreeselijk. Liever een hond of een kat, dan oen mensch zonder hoop voor de toekomst. Geen wonder dat de wereld zegt: als het leven een schande wordt is sterven plicht. Wij Christenen zelf, indien wij alleen in dit leven op Christus waren hopende, wij zouden de ongelukkigste van alle menschen zijn. Maar met de hope der zaligheid gedekt, kan er veel over ons hoofd losbreken eer ons de moed ontzinkt. Wij zijn gehar-nasd en gewapend, ons zwaard is aan beide zijden scherp. Wij weren af en vallen aan, en zien de vijanden vallen. Wij wonden, maar niet om te dooden; onze Koning is zoo goed, dat hij de gewonden geneest, de gebroken harten heelt; Hij is onze Vorst en tevens de Heer onze Heelmeester. Likteeke-nen te dragen in den dienst van Jezus opgedaan dat is geen schande. Eén blik van Zijn oog doet de smart vergeten, en eenmaal geeft Hij ons een kroon na den strijden den palmtak

-ocr page 65-

63

der overwinning. Houd moed strijder van Jezus! het geldt Zijn naam, Zijn zaak, Zijn eer, de zaak waarvoor wij staan. En omdat 't de zaak is van den Heer kan zij niet ondergaan. Houden wij de wapenen blinkend, door gebruik te maken van het gebed. Bidden als onmachtigen, strijden of wij alles kunnen, de wereld zal eenmaal buigen onder den scepter van onzen Heer. Zoo menige strijddag brak aan, voor de kerk van Jezus, maar de overwinning was steeds der gemeente beschoren; en al ging het ook door bloed en tranen, grooter dan de Helper was de nood toch niet. Het bloed van de martelaren was steeds het zaad der kerk. Op het nachtelij kst duister volgde het morgenrood.

Er is menige strijddag in ons leven, menige booze dag; maar eens komt de laatste van allen, onze doodsdag. Dat is een kwade dag. Maar geen dood is zoo eervol als de heldendood. Op het veld van eer te vallen met des Konings naam op de lippen is zaligheid, op dien dag volgt eon eeuwige lentemorgen. Staat dan als ridders, knechten, kinderen Gods, sterk in den Heer en de sterkte Zijner macht, aangedaan hebbende de geheele wapenrusting Gods. Zoo kunt gij alles verricht hebbende staande blijven. Een wolk van getuigen is om u heen, om u aan te moedigen in den strijd. De vijanden zijn velen, onze strijd is zwaar, misschien wordt zij nog bloedig ook, maar onze wapenen zijn goed en onze bondgenooten zijn trouw. God is voor ons, wie zal tegen ons zijn? Jezus is aan de spits. Zijn Geest is in ons hart; alle engelen zijn voor ons, 'rondom ons, boven ons, als een vurige muur des Heeren. quot;Wanneer de vijand aankomt als een stroom zal de Geest des Heeren de banier opheffen. De Koning maakt staat op uw trouw, Hij verwacht dat gij niet zult wijken. Er zijn geen wapenen voor uw rug, wel voor uw

-ocr page 66-

64

borst. Die loopt krijgt al de pijlen. «Sterven of overwinnen,quot; was Prins Maurits leus bij Nieuwpoort. Het Christelijk leven is een strijd op leven en dood, maar geen hopelooze strijd, het geldt de kroon des levens. Het eenig kommando van onzen Koning is: Voorwaarts!

Volken vallen, het kruis wordt de banier aller natiën. quot;Weldra wordt de triomfkreet gehoord: De koninkrijken dezer wereld zijn geworden van onzen God en van Zijnen Christus!

Amen.

-ocr page 67-

Een eeuwige volheid of een eeuwig quot;bankroet.

Math. 25:29 en Zaciiauia 5:5—11.

Ei- zijn woorden die wij in de Heilige Schrift maar éénmaal vinden opgeteekend, en er zijn andere woorden die wij telkens weder ontmoeten. Zulk een woord is liet u genoemde uit Math. 25 : 29. Gij vindt dit woord met eene kleine wijziging terug in Math. 13; 12, in Mark. 4: 25, in Luk. 8: 18 en Luk. 19 : 2G, Wij mogen dit woord wel een der lievelingswoorden van Jezus Christus noemen, en het moet ook voor ons een lievelingswoord worden. Het spreekt ons van hebben en niet hebben. Het eerste is genade het tweede is schuld. Het eerste brengt voorwaarts, het tweede voert terug, het eerste brengt tot een eeuwige volheid, het tweede brengt tot een eeuwig bankroet. Er is in het dage-lijksoh leven een spreekwoord dat gij zeker wel eens zult gehoord hebben. Het luidt: hebben is hebben, en krijgen is de kunst. Do wereld verstaat dit spreekwoord uitnemend, en de Christen moest het nog beter verstaan. Het is de

5

-ocr page 68-

G6

wereld maar te doen om geld te hebben, dat is de groote macht, de groote hefboom op aarde. Het geld dat stom is maakt recht wat krom is. Maar wat het geld is voor de wereld, dat is het geloof in het Koninkrijk Gods. Al bezat gij nu al het geld der wereld, daar zondt gij geen plaatsje in den hemel voor koopen, want die is voor geen geld te koop. Met al uw geld zoudt gij wellicht nog geen geloof hebben als een mosterdzaad, en dat is toch meer waard dan alle schatten, want het kan bergen verzetten in hot hart der zee. Maar dat geloof te hebben is genade, en het niet te hebben is schuld. AVie in Jezus Christus gelooft erkent met vreugde dat dit geloof alleen genade is, dat hij nooit naar God zou hebben gezocht of gevraagd. Dat het Gods Geest alleen is die hem Gods woord leerde hooren en verstaan, liefhebben en beleven. Dat het Gods Geest alleen is die hem leerde zijn schuld te kennen, te gevoelen en te belijden. Dat het Gods Geest alleen is die hem om schuldvergeving leerde bidden, er op hopen, er op wachten en er in leerde gelooven. Ja waarlijk hebben is genade, genade alleen, genade rijk en vrij. Wat onderscheidt u van de acht millioen verdubbeld honderdmalen die him Heiland niet kennen. Wat onderscheidt u van Hindoe en Chinees of van den volger van Mahomed? Wat onderscheidt u van den dweepzieken bij-geloovige, of den spottenden ongeloovige of van de duizenden Christenen in naam, maar die het nooit leerden zijn in de daad? immers niets dan genade alleen? O, het geloof te hebben dat uwe zonden vergeven zijn, dat gij een kind van God, een erfgenaam des eeuwigen levens, een broeder dei-Engelen zijt geworden, is waarlijk genade alleen. Gij hebt het niet kunnen verdienen, wel kunnen verbeuren, gij hebt het niet kunnen koopen maar wel kunnen verwerpen, Gods

-ocr page 69-

67

genade alleen deed het u deelachtig worden. Maar even zeker als het geloof te hebben genade is, even zeker is het niet hebben schuld. Gij beklaagt de arme heidenen die zich buigen voor hunne stomme • afgoden, en het is wel, maar voor uw eeuwig geluk niet genoeg. Gij weet dat God zijne Patriarchen en Profeten heeft gezonden, en in de laatste dagen Zijn eeniggeboren Zoon. Gij weet dat God zijn Geest heeft uitgestort en zijn Woord gegeven; gij weet dat God in de gemeente gegeven heeft: Herders en Leeraars en Evangelisten tot het werk der bediening en tot opbouwing van het lichaam van Christus. Gij weet dat Gods Zoon de zaak der zending aan de gemeente heeft toevertrouwd, en de heidenen die het Evangelie aannemen niet te vergeefs vragen: Massa waarom zijt gij niet eer gekomen? Gij weet dat dui-zende heidenen sterven zonder het Evangelie te hebben gehoord, en gij hebt er medelijden mede. Maar dat de heidenen zoo ongelukkig zijn is ook hun eigen schuld.

De ongeloovige wereld zegt: het zijn natuurkinderen, wek door uw Bijbel toch niet het gevoel van ellende bij hen op: maar de Bijbel zegt dat zij God kennende Hem niet als God hebben gedankt, en daar het hun niet goed gedacht heeft God in gedachtenis te houden, zoo heeft God hen overgegeven in een verkeerden geest om dingen te doen die niet betamen. Zoo is de toestand der heidenen niet een onschuldige kindschheid, maar een oordeel van God over hunne Godsverwerping.

Niet hebben is schuld, voor Joden en Mahomedanen die zich ergeren aan het kruis. Niet hebben is schuld, voor het dwaze bijgeloof dat den weg tot het hart van Jezus verspert door deugden en plichten, door heiligen- en beeldendienst. Het bijgeloof dat wel een Christus wil; maar ais kind op

-ocr page 70-

G8

moeders schoot, want dat kind komt met geen eischen, en die moeder vraagt niets, maar geeft. Met hebben is schuld, inzonderheid voor den protestant die zijn Bijbel bezit maar niet leest, en schoolmeesterachtig over dien Bijbel wil oor-deelen, zonder dien Bijbel te kennen. O het geloof niet te hebben en toch geboren te zijn onder liet licht van het Evangelie, de aanbieding der genade, de roepstemmen van Gods liefde, al den arbeid van Gods Geest aan ons hart, al het kloppen des Heilands, de vermaningen van een vromen vader, de gebeden eener Godzalige moeder, de bemoeiingen van zoo menigen in ons geluk belangstellenden vriend of vriendin, zoudt gij waarlijk meenen dat het geloof niét te hebben dan geen schuld is? O ik weet wel dat de Bijbel spreekt van onze onmacht ten goede, maar uw eigen geweten zal het u toch ook wel zeggen dat die onmacht in uw onwil zijn grond vindt, die onwil waar Gods almacht en liefde op afstuiten moet, omdat God zich laat dienen door het liefhebbende kind en niet door den bevreesden slaaf. Ik weet wel dat de Bijbel spreekt van een verkiezing der genade, opdat wij heilig zouden zijn en onberispelijk in de liefde; maar ik weet ook dat Paulus een uitverkoren vat was; om Gods naam te dragen voor de koningen en de keizers en de kinderen Israels, dat is dus, om tot zegen te zijn voor anderen. Zoo is Gods verkiezing geen nare engheid maar een heerlijke ruimheid, geen bekrimping van Gods genade tot enkelen maar een uitbreiding dier genade tot allen. Een verkiezing tot zegen, maar niet tot verdoemenis. God grijpt geen zui-r geling van de moederborst, om dat kind in het eeuwige vuur te werpen, maar Hij ontsluit het Paradijs voor moordenaren die bidden om behoudenis.

Met hebben is schuld. De schuld des moedwils, de schuld

-ocr page 71-

G9

der zondelust, de schuld der wereldliefde, de schuld van het verborgen vasthouden aan het kwaad. Wie wil gelooven moet zalig worden, wie dit niet wil, kiest zich moedwillig den dood.

Niet hebben is schuld. — Zoo zeker alle zaligen zullen erkennen, uit genade zalig geworden te zijn, zoo zeker ook zullen allen die verloren gaan erkennen: ik heb kunnen zalig worden, maar ik heb niet gewild. Hebben brengt voorwaarts, maar niet hebben voert terug. quot;Wie heeft zal gegeven worden. Wie belangstelling heeft in zijn Bijbel zal Bijbelkennis ontvangen; zal tot zelfkennis en Godskennis komen. Hij zal zijn Bijbel leeren verstaan, leeren liefhebben, leercn beleven, zijn zonden leeren inzien, haten en vlieden, de gerechtigheid leeren liefhebben en najagen, leeren bidden, smeeken, worstelen, tot God hem zegent. Hij zal leeren gelooven, hopen en liefhebben; leeren strijden voor en door het geloof, en God zal hem geven te overwinnen. Die heeft zal gegeven worden, blijdschap, vrede, geloof, zachtmoedigheid, langmoedigheid, ootmoed, en kracht tot kruisdragen en zelfverloochening, ja tot roemen ook in de verdrukking. Wie heeft dien zal gegeven worden, liefde tot God en tot den naaste, liefde tot vijanden, en voor al Gods schepselen. Die plaats heeft in het hart voor het geloof, krijgt een hart zoo ruim, dat het hemel en aarde kan omvatten. Wie geloof heeft ontvangt genade tot geloofsoefening en geloofsdaden; hem wordt een taak toevertrouwd door den Heer, voor den Heer, en voor Gods koninkrijk. Gezegend, wordt hij ten zegen!

Wie heeft dien zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben. Bij de blijdschap over eigen heil de vreugde over de redding van anderen. Als de tijger eenmaal bloed heeft geproefd is zijn bloeddorst niet meer te stillen, en als de Christen eenmaal één

-ocr page 72-

70

ziel heeft gered, kent zijn reddingsdorSt geen verzaden meer. Wie heeft dien zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben. Wie tien talenten trouw besteedt krijgt macht over tien steden. Zoo wordt de dienstknecht Gods, een ridder Gods, een vorst Gods wien palmen en kronen wachten. Maar niet hebben voert terug, altijd verder terug. Wie zijn Bijbel veronachtzaamt zal er straks op kunnen schrijven: eeuwige verdoe-nis. Hij zal het gebed vergeten, kerk en doop en avondmaal verzuimen, zich zeiven veronachtzamen en straks zijn huisgezin. Eerst het heil van vrouw en kinderen, eindelijk den bloei zijner zaak, zijn tijd en belangen, de plichten van zijn ambt. Wie het geloof verwerpt wordt hopeloos, liefdeloos, lusteloos, zedeloos, goddeloos. Wie het teeken van vloek en schande niet aangrijpt tot zijn behoud, is op weg om een vloek voor de maatschappij, een schande van de menschheid te worden.

Hebben brengt voorwaarts, niet hebben terug; hebben brengt tot den rang van koningen en priesters, niet hebben voert tot bestialiteit, en tot de leuze: Het toppunt der beschaving is, onze viervoetige broeders gelijk te worden. Wie heeft zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben, maar wie niet heeft van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. Hebben voert tot een eeuwige volheid, niet hebben voert tot een eeuwig bankroet.

Wie gelooft voegt bij zijn geloof deugd, matigheid, Godzaligheid, broederlijke liefde, liefde jegens allen; en hem wordt geschonken een ruimen ingang in Gods Koninkrijk. Daar wacht den geloovige koningskroon en priesterkleed, en palmen der overwinning; daar zijn de levende fonteinen der wateren, het Zion Gods, de stad met gouden straten en paarlen poorten en de zee van kristal. Daar is het hemelsche

-ocr page 73-

71

Vaderhuis, daar is het Goddelijk Vaderhart, daar is zoo menige broederhand, daar is bovenal onze Heiland en Heer. Hier geloofden wij en verblijdden ons, daar zien wij en worden verzadigd met vreugde, en liefelijkheden aan Gods rechterhand eeuwiglijk. Daar ontvangen wij de volheid waarvan ons hier het begin was geschonken. Overvloedig hebben, is daar waar men met reuzenschreden voortgaat op het gebied van het denken, het weten, het willen. Daar is een taak te volbrengen, een les te leeren, een zegen te verspreiden, waar eeuwigheden voor noodig zijn. Die heeft zal gegeven worden, alle eeuwigheden door, en hij zal overvloedig hebben. Daar heeft geen schoonheid vlek, genoegen geen gebrek, en liefde geen verkoeling, maar het is een eeuwig voortgaan van zaligheid tot zaligheden, van heerlijkheid tot heerlijkheden, altijd meer veranderd door Gods Geest naar 's Heeren beeld, het beeld van den Eersteling onder vele broederen. quot;Wie heeft zal gegeven worden, het nieuwe lichaam in den opstandingsmorgen; bekwaam en geschikt voor het leven op de nieuwe aarde, onder den nieuwen hemel, in de nieuwe Schepping, waar de eeuwige volheid ons wacht. Maar wat wacht nu dengenen die niet hebben? een eeuwig bankroet. Wij hebben gelezen uit Zacharia 5:5—11. Een Engel heeft den profeet geboden op te letten wat er komen zou; en ziet, daar verschijnt iets zoo nietig dat de profeet er zich over verwondert. Hij ziet een Efa, een korenmaat ; maar op die korenmaat is het oog van het gansche volk gericht. Het gansche volk bedenkt aardsche dingen, een ieder loopt voor zijn eigen huis, maar het huis des Heeren ligt woest. Men zorgt alleen voor tijdelijke belangen, maar men vergeet God en zijn dienst. Zóó wordt men goddeloos. Dat is de vrouw die midden in de Efa zit, en er inzakt. Dan komt er een plaat van lood op de Efa, dat is de verstokking

-ocr page 74-

72

de verharding, het gesloten zijn. voor de hemelsohe invloeden. Wat zal het einde zijn van zulk een hart, zulk een huis, zulk eene van God vervreemde natie? Een eemvig bankroet. Zie slechts; Daar komen twee vrouwen, rechte lichtekooien. De wind is in hare vleugelen, en die vleugelen zijn als van den reiger of ooievaar. Zij vatten de Efa, op en voeren dezelve weg tusschen hemel en aarde. Het voor God gesloten hart verliest alle vastigheid en wordt gemakkelijk weggevoerd; waarheen? Daar waar men voor eeuwig bankroet is, naar Babel. De naam van die stad beteekent in alle Oostersche en Westersclie talen »verwarring.quot; Ja dat is het einde, een eeuwige verwarring, een eeuwig Babel, een eeuwig bankroet. Wie geen rust zoekt in God, komt tot de eeuwige onrust van zonde, ellende, en vertwijfeling. Men zegt in het dagelij ksch leven: goed verloren veel verloren, eer verloren meer verloren, hoop verloren alles verloren.

Nu, Dante Allegherie las boven de poort van de hel: Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop hier varen. Dan is men voor eeuwig bankroet. Dat zal echter van u niet gelden die leer-det gelooven in den Zoon van God. Dat zal van u niet gelden die in ernst zocht naar vrede; want die zoekt zal vinden, en is eigenlijk reeds gevonden. Dat behoeft van u niet te gelden, die nog niet weet wat het is het geloof te hebben, maar die toch tot dat hebben kunt komen, als gij zelf begint meer belang in uw eigen zielenheil te stellen, dan anderen nu u betoonen. Hebben is genade, niet hebben is schuld; hebben brengt voorwaarts en niet hebben terug; hebben voert tot een eeuwige volheid, en niet hebben tot een eeuwig bankroet. Daarvoor moge God ons allen genadig bewaren.

Amen.

-ocr page 75-

De Apostolische Zegenbede.

'2 Corinthe i3 ; 13.

Een bescheiden mensch zal niet ligt iemand van zijne kennis zonder spreken voorbij gaan; en liet brengt een onaangenaam gevoel in het hart te weeg, wanneer een bekend persoon ons zijn groet onthoudt. Een vriendengroet doet het harte goed; vooral bij een gelukkig wederzien na een tijd van afwezigheid. Er zijn velerlei groeten; de morgengroet, de avondgroet, de afscheidsgroet; zelfs gebruikt men om elkander te groeten soms vreemde talen. Laat mij als bewijs daarvoor u het volgende versje mogen herinneren getiteld: »Bonjour! en Adieu!quot; De dichter zegt daarin:

Ik ben een echte zoon van Holland,

En Gouda is mijn bakermat.

Ik heb de Nederlandsche tale Steeds van mijn jonkheid liefgehad.

Maar toch er zijn twee Fransche woorden,

Die 'k altijd schoon en lieflijk vond.

Die 'k met geen Hollandsch wil verruilen, Ofschoon heel Holland voor mij stond.

-ocr page 76-

74

»Bonjourquot; «Adieuquot; zijn mij verkieslijk Als welkomst en als afscheidsgroet, In »Goedendagquot; blijf 'k altijd steken Als ik op straat een vriend ontmoet.

«Goedendagquot; dat klinkt zoo erg deftig, en Goeiendag klinkt weer zoo plat. Vaarwel! dat is een gepaste groet aan iemand die naar Oost of quot;West gaat, en een goede groet voor zeevolk. Maar »Adieuquot; dat is »aan Godquot; of Gode bevolen! dat is een recht hartelijk woord, dat spreekt van Hem, die alleen goede dagen en goede reizen aan Zijn menschenkinderen kan schenken. De Heiland had ook een groet bij Zijn omwandeling op aarde: Het » vrede zij u lieden,quot; en Hij gebood zijnen jongeren, op hunne zendingreizen de woningen binnen te gaan met liet „vrede zij dezen huize,quot; maar wat menigeen wondervreemd in de ooren klinkt; de Heer zeide ook »Groet niemand op den wegquot;'. De Herauten van den Koning der Koningen, mochten geen tijd verkwisten met de ijdele plichtplegingen der wereld in dien tijd aan het groeten verbonden. Maar de Heilige Schrift geeft ons één groet waar geen enkele andere bij kan halen; het is de Christelijke Kan-selgroet of Apostolische Zegenbede. Dat is de beste groet, omdat ons daarin wordt gesproken van liefde en genade en gemeenschap met God. Het is de diepste groet, want hij grijpt in de diepte der menschelijke ellende en van het Goddelijk erbarmen. Liefde is een heerlijk woord, een uitnemend genot, is iets uit het Goddelijk wezen, want God is liefde. Maar de liefde is drieerlei. Wij noemen vaak liefde, wat niets anders is dan vleeschelijke lust en zingenot. Die liefde bepaalt zich bij het lichamelijke. Maar daar is eene andere liefde; zij woont in de ziel van het kind, dat alles kan ver-

-ocr page 77-

geten, ook zelfs zijn God, maar zijn moeder te vergeten kan het nooit. De liefde der ziel, gij ziet haar in de moeder die door de vlammen kan vliegen, de ijsschotsen tarten, liet arendsnest bezoeken om haar kind te redden. Die liefde is type, is schaduw van de liefde Gods.

Liefde der ziel, gij ziet haar in David en Jonathan; en wel mocht Salomo zeggen; een vriend heeft ten allen tijd lief, een broeder wordt in de benauwdheid geboren. Maar wat haalt op aarde bij de liefde van G-od ? De liefde bewoog Hem ons te scheppen, te zoeken, te zaligen, te heiligen. Ja de liefde Gods alleen, is de oorzaak, de grond der schepping verlossing en verheerlijking. Ziet hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, dat wij kinderen Gods zouden genaamd ■worden. De liefde Gods des Vaders, zij met u! Zegt de Apostel ; maar hoe worden wij nu die liefde deelachtig ? hoe kan de verloren zoon in de liefde Zijns vaders zijn geluk weder-vinden? Er is immers scheiding tusschen hemel en aarde? de harmonie is verbroken tusschen God en het menschen hart. Het is waar, maar al te waar, de wereld ging verloren; maar de genade van Jezus Christus heeft een brug geslagen over den gapenden afgrond. Jezus Christus is geworden de ladder die van de aarde tot den hemel rijkt. Hij heeft schuld vergiffenis aangebracht; met het kleed Zijner gerechtigheid onze ongerechtigheid bedekt, met Zijn bloed onze zonden uitgedelgd; zoo dat wij nu kunnen zingen:

Zondeschuld gij zijt betaald.

Dood gij zijt verslonden.

Zijne genade maakt ons bekwaam om Gode te leven, de zonde te haten en na te laten, en te worden wat God wil dat wij zullen worden; Gods beelddragers op aarde. — Er is almacht

-ocr page 78-

76

in Christus die onze onmacht ten goede komt. En als wij nu vragen; Hoe wij de genade van Jezus Christus en de liefde des Vaders deelachtig worden? dan zegt ons het Apostolisch woord in den Christelijken kanselgroet »de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u!quot; De Heilige Geest is gekomen als plaatsvervanger van Jezus Christus op aarde; als werkmeester Gods aan, en in het menschenhart. Hij komt tot li, Hij klopt bij u aan, Hij werkt op u in. Hij maakt u onrustig; leert u nadenken over uw verloren leven, uw schuld belijden, om vergeving bidden, geloovig aannemen wat God in zijn liefde u biedt; leven, vrede, en zaligheid. liet nieuwe leven vangt aan, door de genade van Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap des Heiligen Geestes.

Uw verstand wordt verlicht, uw geweten verteederd, uw wil vernieuwd, het oude is voorbijgegaan, ziet het is alles nieuw geworden. Het geloof in de verlossing bracht u de vrucht der verzoening »vrede voor uw hart, gemeenschap met uw God, hoop voor de toekomst.quot; Gods Geest getuigt met onzen geest dat wij kinderen Gods zijn. Hij brengt ons vrede na onrust, ootmoed na afwijking, en altijd tot meerdere kennis van Gods woord, Gods wezen, Gods werken, Gods deugden. Hij schenkt ons altijd meer gaven en krachten en bekwaamheden des hemels, om die te besteden op aarde tot heil der menschheid. De genade van Jezus Christus, de liefde van God den vader, en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen — dat is de diepste groet, dat is de ruimste groet, dat is de beste groet. — De diepste groet; want hij grijpt in de diepte van de menschelijke ellende, en in de diepte van het Goddelijk erbarmen.

Zijt gij treurig over uwe zonden? Stamel dan »inijn God, mijn God!quot; Als de aanklager der broederen tegen n optreedt,

-ocr page 79-

77

zeg clan: God is mijn Grod! Herinner hem dat deze groet door u eenmaal is vernomen. Diep is de zee, veel dieper het mensehenhart, maar het allerdiepste het harte Gods; en de kanselgroet grijpt in de diepte van uwe en mijne ellende, maar ook in de diepte der Goddelijke barmhartigheid. Liefde is oorzaak, dat genade mogelijk is geworden, en gemeenschap kan worden gesmaakt. Gemeenschap met God den Vader en Zijnen Zoon Jezus Christus. De kanselgroet is de ruimste, groet, want zij omvat allen. De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen, zoo luidt deze groet. Allen, dat zijn de kleinen met de grooten, de rijken met de armen, de eenvoudigen en de geleerden, de koningen en de onderdanen, de opzieners en de gemeente, de gansche gemeente, de geheele Christenheid over de gansche aarde, van alle tijden en plaatsen, van wat naam of vorm, van wat kerk of genootschap of richting —■ allen; allen die gelooven in den Vader, door de genade des Zoons en de gemeenschap des Heiligen Geestes. De kanselgroet is de beste groet, omdat het de krachtigste groet wordt bevonden. De gemeenschap des Heiligen Geestes; dat woord zegt ons waar kracht is te vinden, zegt ons wie kracht doet deelachtig worden. Andere groeten kunnen u koud laten, maar dat laat de kanselgroet u niet. Gij gevoelt bij het uitbreiden van de handen des Leeraars en bij het uitspreken van dezen zegen, dat gij uw God ontmoet; gij gevoelt wat de Heer tot Aaron gezegd heeft in den ouden dag »Gij zult mijnen zegen leggen op de kinderen Israels, zeggende: De Heere zegene u en Hij behoede u. Hij doe Zijn aangezicht over u lichten en Zij u genadig. De Heere verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede. In deze Oud-testamentische zegen is do Christelijke Kanselgroet reeds

-ocr page 80-

78

verborgen. Ook daar is liet de Vader de zoon en de Heilige Geest. De Vader die zegent en behoedt, de Zoon die genade bewijst en schenkt; de Heilige Geest die vrede brengt in het hart des menschen.

Ja de kanselgroet is de krachtigste groet, die tot ons komt van den God der krachten. Gij die gelooft, hebt macht ontvangen een kind van God te worden, in woord en daad, in handel en wandel, in ieder opzicht. Klaag dan niet over uwe onmacht, met u is de almacht; als uw leven niet is een redeneeren met het hoofd, maar uitgaat van uw hart. De kanselgroet is bij het verlaten van Gods huis nog een laatste roepstem tot bekeering, want dat woord zegt u: De genade van Jezus Christus is er, de liefde des Vaders is er, de gemeenschap des Heiligen Geestes is er, ook voor u. De Heilige Geest werkt ook aan u, twist ook met u, om u zalig te maken; en wat doet gij nu ? Bedenkt het wel; de kanselgroet wordt nooit door u te vergeefs gehoord; het is Gods woord, dat niet ledig weder zal keeren, maar doen wat God behaagt, en voorspoedig zijn tot al waartoe Hij het zendt. — Al hoordet gij geen enkel woord dan dit drietal heerlijke woorden, gij zoudt er door kunnen zalig worden. Maar ook indien gij dezelve achter u heenwerpt, gij zult er eeuwig om verloren gaan. Eene lieve huismoeder was zeer vermoeid in de kerk gekomen, en kon hare aandacht moeielijk bij de prediking des quot;Woords houden; dat was haar tot diepe smart, maar haar vermoeienis was ook zoo groot, haar hoofd klopte, al wat aan haar was beefde want zij had zich zoo erg gehaast om uit haar groot gezin naar Gods huis te komen, en nu zou zij toch heengaan met een ledig hart. De prediking was ten einde, de Leeraar had het dankgebed gedaan, de gemeente had gezongen en zou heengaan uit het huis

-ocr page 81-

79

des gebeds. Daar breidt de Leeraar de handen zegenend uit over de gemeente, daar buigt zij in diepen ootmoed met betraande oogen het hoofd, maar zij hoort het woord:»Ontvangt den zegen des Heerenquot; Gaat heen in vrede, en de genade van den Heere Jezus Christus, de liefde van Grod, en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Amen. Ja Amen! juicht haar hart, want zij heeft den zegen des Heeren ontvangen. Die genade kent zij, die liefde deed ook haar zalig worden, die gemeenschap wordt ook door haar gevoeld. Zij weet het nu beter dan ooit te voren, dat de kanselgroet werkelijk de beste, de ruimste, de diepste, de krachtigste groet is. Zij gevoelt het, dat de kanselgroet grijpt in de diepte van hare ellende, maar ook in do diepte van het Goddelijk erbarmen. Die ervaring zij of worde ook üw deel.

Amen.

-ocr page 82-
-ocr page 83-
-ocr page 84-