ocr page 1

Gij toont M jaar nwerpeieifl

8CHBIFTBESCHOTJW1NGEN

GEHOUDEN GEDURENDE DE OPWEKKING IN HET JAAR 1888,

DOOR

J. VAN BEIJEREN.

------

'S-GRAVENHAGE,

Firma H. J. GERRETSEN.

1889.

* ------ j

1

ocr page 2
ocr page 3

I

ocr page 4

LEIDEN: BOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ.

/

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2720 041 3

ocr page 5

dint kt jaar uw gdleii

SCHRIFTBESCHOUWINGEN

GEHOUDEN GEDURENDE DE OPWEKKING IN HET JAAR 1888,

DOOR

J. VAN BE IJ EREN.

1 BIBLIOTHEEK j N€0. HcW-/. 5C£gt;

'S-GRAVENHAGE ,

Firma H. J. GERRETSEN. 1889.

/o:/ S

ocr page 6

SCHENKING UÏT DR BIBLIOTHEEK VAN H-M. DE KONINGIN

ocr page 7

VRIENDELIJKE LEZER!

Het jaar 1888 was voor velen in ons huis, en inzonderheid voor menig en bezoeker van het Tehuis een jaar van genadige goedheid Gods. Het zal U niet verwonderen dat velen mc vragen: Mag het woord, dat mij ten zegen was, bewaard blijven in schrift? — en belangstellenden hebben gevraagd: Nu zulle?i we toch zeker iets te lezen krijgen van het gesproke7ie in dezen opwekkingstijd P Ik wil dit niet weigeren, en geef deze Toespxpfón 'in druk om. Gods daden in gedachtenis te houden. Na 1872 was geen jaar zóó gezegend als dit jaar in de redding van zondaren voor Gods Koninkrijk.

Dat nu God onze Vader in Christus door velen dank-zegging en eere oniva7igcn moge is de bede igt;an

Uw Geringen Broeder J. VAN BEIJEREN

ocr page 8
ocr page 9

INHOUD.

Bladz.

Eene onderwijzing van David..............................1

De ware vrijheid....................12

Het verlorenen gezocht en gevonden...........20

De wandel door den Geest..............36

Elifatha! dat is word geopend...............- 9

Het leven is geopenbaard.................63

Draagt elkanders lasten en vervult alzoo de wet van Christus. 71

Gij kroont het jaar uwer goedheid............86

ocr page 10
ocr page 11

Eene onderwijzing van David,

Psalm 32.

Niet te vergeefsch staat daar boven dit Psalmlied geschreven : Eene onderwijzing van David; Want waar God zelf hem in onderwezen heeft, kan hij nu ook anderen in onderwijzen. Het onderwijs, door David ons gegeven in dit lied, is van het hoogste belang voor een ieder van ons, want het betreft de noodzakelijkheid der belijdenis van onze zonden en schuld voor God. Dante heeft in zijne drie gedichten, de hel, de louteringsberg en de hemel ons geleerd, dat de hellevaart der zelfkennis langs den weg van boete en loutering tot de hemelvaart der Godskennis voert; maar David leert ons die groote waarheid in elf verzen, die we gemakkelijk in enkele minuten kunnen lezen, maar waar menigeen jaren voor noodig heeft om dezelve te leeren. En toch, God wijkt niet van Zijn weg en van Zijn woord. Het was voor David waar en het blijft ook waar voor ons: Indien wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonden vergeve. Gij kunt jaren lang bidden tot God om

1

ocr page 12

vergeving van zonden, zonder tot de zekerheid der vergeving te komen; en dat is niet omdat God het niet wil, integendeel, uw God wacht om u genadig zijn;maar Hij kan dat alleen doen, als gij er toekomt om uwe zonden Hem in ootmoed te belijden.

Stel dat een kind iets misdaan heeft en nu met berouw tot zijn vader komt en zegt: Och pa ik ben zoo stout geweest wil u het mij vergeven? Dan zal die vader zeggen: Wel zeker mijn jongen, maar wat hebt ge dan gedaan? Wat moet ik u vergeven? Als nu dat kind niet belijdt kan de vader niet vergeven; al jammerde dat kind nog zoolang, och pa ik ben zoo stout geweest vergeef u het mij toch! Het plengoffer moet gebracht, het hart uitgestort, de biecht moet uitgesproken, dan kan die vader eerst vergeving aan zijn kind schenken, niet eer. — En God kan ons evenmin vergeven, al zoudt gij uwe oogen blind krijten van smart, al teerde u als David het vleesch van het gebeente. Wij kunnen bidden, smee-ken, worstelen, kermen, bekommerd zijn, naar vrede zoeken en vragen, het baat u niet, als ge niet ootmoedig uwe schuld belijdt. Als ge u niet hebt geschaamd de zonde te doen, moet ge u ook niet schamen uwe zonden te belijden; te belijden met name, al zou u van schaamte het bloed naar het hoofd stijgen, al zouden u de woorden besterven op de lippen. Alleen de voor God beleden zonden zijn ook door God u vergeven zonden. Belijden is de eenige weg tot waarachtig geluk.

Komt laat ons deze ervaring van David aanhooren, en geve God dat zijne ervaring ook de onze worden moge. Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is de mensch wien de

ocr page 13

3

Heere de ongerechtigheid niet toerekend en in wiens geest geen bedrog is. Zóó ruischt de genadepsalm van de lippen des dichters, wiens ziel is gered, na het »gena, o God! genê., hoor mijn gebedIquot; uit den 518ten Psalm. Er is hier sprake van overtreding, van zonde, en ongerechtigheid. Meen niet dat dit drie woorden zijn voor een zelfde zaak. Al kon niemand het u verklaren, het verschil zoudt ge toch wel gevoelen. Dat gij eiken dag zondigt zult gij wel niet ontkennen, maar het zou u daarom nog niet aangenaam zijn als iemand u beschuldigde van eiken dag u aan ongerechtigheid schuldig te maken. De Heilige schrift wil ons dit ook doen gevoelen. David zegt dat de mensch welgelukzalig is wiens overtreding vergeven is, wiens zonde bedekt is, en wien God de ongerechtigheid niet toerekent. Nu, vergeven, bedekken, en niet toerekenen, zijn ook weder drie verschillende werkzaamheden Gods waaraan wij ieder afzonderlijk behoefte hebben. Daar zullen we nu echter niet verder over spreken, maar liever eenigszins trachten elkander te doen verstaan, hoe gelukzalig de mensch is, die deze weldaden Gods is deelachtig geworden. Noem mij e'e'n der tien geboden Gods, en heb den moed te zeggen met den rijken jongeling : »al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jeugd af aanquot;; dat durfde hij nog te zeggen van de tweede tafel der wet, maar wie durft het zeggen van de eerste tafel ? mij dunkt niemand, of zijn geweten zal zeggen: »gij zijt onwaar Iquot; Er is geen dag in ons leven aan te wijzen waarin wij niet een der geboden Gods hebben overtreden; en daarom, welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven is. De zonde bevlekt maar genade bedekt. God zelf kan onze zonden niet ongedaan maken. En toch wij hebben

ocr page 14

4

gezondigd al onze jaren. Vermenigvuldig nu uwe levensjaren met het getal dagen van ieder jaar, en al die dagen met de uren van iederen dag en heb dan den moed om te zeggen: dat uur van mijn leven heb ik niet gezondigd; gij kunt het immers niet? veel eer hebt gij reden om uit te roepen: mijne zonden zijn meer dan de haren mijns hoofds, als een zware last zijn ze mij te zwaar geworden. En daarom dan ook, welgelukzalig is de mensch wiens zonde waardoor hij was bevlekt voor 't heilig oog des Heeren is bedekt. Wanneer gij een wond hebt en gij hebt die bedekt, dan zal uw geneesheer als hij komt beginnen met dezelve te ontdekken. Wellicht zal hij, hoe smartelijk het u moge vallen, gaan peilen, en eerst als hij weet hoe diep het verderf zit, zal hij de wond bedekken met datgene wat verzachting kan aanbrengen en genezing bevorderen. Zoo is het met onze zonden ook, wij moeten ze voor God ontdekken, dat is belijden, eerst in dien weg kan er genezing gevonden worden voor, en heling ervaren worden door gebroken harten. Maar zonde is niet alleen bevlekking, zonde is ook schuld, en daarom zegt de Psalmdichter: Welgelukzalig is de mensch wien de Heer de ongerechtigheid niet toerekent. O het woord ongerechtigheid doet aan ontzettende dingen denken, en David wist wat dat woord voor hem beteekenen moest en wij weten het ook. Rampzalig de mensch die zich aan ongerechtige dingen schuldig weet, maar er niet kan bijvoegen: maar onze overtredingen verzoent Gij. Waarlijk als God ons ontdekt aan ons zeiven, dan verbeelden we ons niet schuldig te zijn, maar we zijn het, en zien het en de tollenaarsbede stijgt uit de beklemde borst, en Psalm 51 wordt onze eigene lievelingsbede, als ik dat

ocr page 15

5

lied eens zoo mag noemen. Dan is het zoo waar voor God; Wasch mij wel van mijne ^ongerechtigheid, en reinig mij van mijne zonde. Want ik ken mijne overtredingen, en mijne zonde is steeds voor mij. Maar dan is het ook waar;

Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uwe oogen, opdat gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in uw richten, want de zonde is toch in den diepsten grond altijd zonde tegen God. Menschen werpen ze zelfs na jaren ons nog in het aangezicht, maar door God worden onze zonden vergeven en Hij gedenkt ze niet meer. Daarom welgelukzalig, ja welgelukzalig de mensch wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is, en wien God de ongerechtigheid niet toerekent. David wist zich nu onuitsprekelijk gelukkig, maar ach het was zoo geheel anders geweest. Hij had een zielstoestand doorleefd met geen pen te beschrijven, maar waardoor zijn beenderen werden verouderd voor den tijd. In Job 33 wordt van dien zielstoestand gezegd; dat de mensch in dien toestand zijn brood verfoeit, dat zijn vleesch verdwijnt uit zijn gezicht, en zijne beenderen die niet gezien werden uitsteken; en dat alles geschiedt door de bittere smart over een verloren leven, of over een of andere zondige daad. even als David, die nu tot God brulde den ganschen dag.

Hij zegt: toen ik zweeg werden mijne beenderen verouderd ; uwe hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogte. Dat is, zijn levenskracht werd verteerd, en hij gevoelde zich zeer verzwakt. Toen ik zweeg; en toch hij zegt; ik brulde den ganschen dag. Ja hij brulde tot God, en toch hij zweeg het voornaamste, tot dat hij tot zijn biegt voor God, tot zijne

ocr page 16

6

belijdenis van zonde kwam; toen ook bleek het waarheid te zijn: Welgelukzalig is de mensch in wiens geest geen bedrog is. Wie God wil bedriegen bedriegt zich zeiven God kent ons toch, en Hij slaat de geheimste roerselen van ons hart gade, en stelt die in het licht van Zijn aanschijn voor ons oog. Dan is het belijden gemakkelijk, gij hebt slechts te belijden al wat God u ordentelijk voor oogen stelt, en dan wordt de schnld vergeven al was dezelve nog zoo groot en zoo zwaar.

Hoor nu de ervaring vkn David: Mijne zonden maakte ik U bekend; dat is hij beleed alles zóó alsof God er nog niets van wist.

En mijne ongerechtigheid bedekte ik niet; hij legde alles bloot voor den Heer. Ik zeide: ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heer, en toen dit niet bleef bij zeggen, maar doen; toen week de hel van zijn pad, toen daalde de hemel in zijn hart, want toen werd het waar: en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonden. O in dat uur zou de verloste zondaar de doorboorde hand van Christus wel willen besproeien met tranen van dankbaarheid, als God tot zijn ziel spreekt: Ik ben uw heil! Ik Ik ben het die uwe zonden uitdelg en Ik gedenk uwe overtredingen niet meer. Zie ik heb uwe zonden achter mijn rug geworpen en ze zullen niet meer gevonden worden ook al werden ze gezocht. Dan juicht het hart van den verlosten zondaar:

O God, wat zijt Gij goed! Gij hebt mijn angst gestild Gij hebt mijn schuld gedelgd. Gij hebt mijn heil gewild ! Waar woorden mij ontbreken.

Laat daar mijn tranen spreken.

En 't juichen van dit hart, dat van verrukking trilt!

ocr page 17

Een man die vrede met God had gevonden werd zoo overstelpt van blijdschap, dat hij bad: O Heere matig mijn vreugde of ik sterf! Een Militair kwam een Tehuis binnen en zeide: kameraden zingt dadelijk met mij Psalm 32 vers 1 en toen men hem vroeg: maar waarom zoo dadelijk? gaf hij ten antwoord: ja want anders zegt de duivel dat het niet waar is. Zoo is het, er is geen waar geloof of het wordt bestreden zoo fel mogelijk.

Uw Heiland geloofde ook.

Bij aller menschen zonden;

Daarom sprak God hem vrij!

Zoo zegt een Duitsch lied zoo naar waarheid. Ja Jezus Christus geloofde óók, in zijne eigene persoonlijkheid, in de kracht van Zijn bloed, in de eeuwiggeldende beteekenis van Zijn kruis, en zoenverdiensten. En de duivel heeft Hem verzocht in de woestijn, bestreden en aangevochten in Getsemané, bespot op Golgotha. Steeds heeft hij Christus het geloof willen ontnemen: »Ik ben Gods zoon.quot; Maar Hij bleef gelooven, ook bij aller menschen zonden die Hij op zich nam, en droeg naar Golgotha, om ze daar te laten nagelen aan het kruis; en Hij geloofde zich door het doodenrijk heen naar den morgen der opstanding. In het land der doodschaduwen is het pad des levens Hem bekend gemaakt dat heenvoerde naar de verzadiging der vreugde en de lieflijkheden die daar zijn aan Gods rechterhand eeuwiglijk.

O geloof dan dat geen strijd u zal gespaard worden. De weg van het hoofd is de weg van de leden. Strijd dan den goeden strijd, van het geloof, voor het geloof, door het geloof; met Jezus zijn we meer dan overwinnaars

ocr page 18

8

in iederen strijd, ook al schijnt het soms dat wij onder liggen.

Omhoog dan blik en stem! Naar boven ziel en zinnen! Wat kleeft gij nog aan't stof? Wat beeft gij nog van smart.quot;

Excelsior, mijn hart!

Den pelgrims-doolhof door, des Vaders lusthof binnen!

En nu, de ervaring van David wordt de ervaring van elk geloovige. David zelf heeft het gezegd: Hierom; omdat Gij een God zijt die op belijdenis van zonden de zonde vergeeft; hierom zal ieder heilige U aanbidden in vindenstijd. O als we Jezus vinden dan buigen we in aanbidding neer, en dan klinkt uit ons hart en van onze lippen: Mijn Heer! en mijn Godl En al komt dan de strijd en de aanvechting, ja al komt er ook eenjoverloop van groote wateren, van allerlei angst en zorg en tegenspoed, van smart en smaad, niet alleen door de wereld soms ook door Christenen U aangedaan, de wateren zullen u niet aanraken. Gij, zegt de Psalmdichter, Gij zijt mij eene verberging; de eeuwige rots voor ons gespleten om te rusten in zijn schoot. Zijne wonden zijn de vrijsteden voor den door den bloedwreker vervolgde. Gij behoedt mij voor benauwdheid; niet Gij spaart ze mij, maar Gij behoedt er mij voor, en Gij omringt mij met vroolijke gezangen van bevrijding. Hoor hem getuigen in Psalm 138;

Als ik omringd door tegenspoed Bezwijken moet Schenkt Gij mij leven.

Is 't dat mijns vijands gramschap brandt. Uw rechterhand.

Zal redding geven.

ocr page 19

9

De Heer is zoo getrouw als sterk,

Hij zal zijn werk Voor mij volenden;

Verlaat niet wat uw hand begon, O levensbron.

Wil bijstand zenden.

En nu die door God verloste, door God bewaarde) wordt ook een door God onderwezene. De Heer zegt: Ik zal u onderwijzen, en u leeren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven. Mijn oog zal op u zijn. Godgeleerde te zijn is een voorrecht, maar grooter voorrecht is het een van God geleerde te zijn, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen. Van dezulken geldt het inzonderheid: Gij hebt de zalving van den Heilige en gij weet alle dingen. Daarom kan ook de van God geleerde uit zijn schat voortbrengen oude en nieuwe dingen. Ik zal u onderwijzen, en u leeren van den weg dien gij gaan zult. En die wegen Gods kruisen doorgaans dc onze, zijn in lijnrechten strijd vaak met onze plannen en voornemens, maar wie eigen weg en wil opgeeft en het Lam volgt waar Het ook heengaat, zal telkens kunnen zeggen:

Voor mij zijn Gods wegen.

Waarheen Hij ze richt,

Uit wondren geweven Door starren verlicht.

Wij wandelen niet altijd in het zonlicht, maar wij wandelen vaak in het duister; Gode zij dank dat ons pad dan door starren verlicht wordt. Ja het kan zoo duister worden op ons pad, dat wij radeloos worden en niet

ocr page 20

10

weten waarheen; dan maakt Hij zijne belofte waarheid: Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.

Wie is de man die den Heere vreest? die als hij in duisternis wandelt, en geen licht heeft, nochthans vertrouwt op den naam des Heeren zijns Gods. Indien God maar verheerlijkt wordt, hetzij het ons slecht ga of goed, hetzij Hij verheerlijkt wordt door ons Halleluja, of door ons: sHeer erbarm u onzerquot;, dan wordt Zijn doel in ons bereikt; want het doel Gods in onze zaligheid is de verheerlijking Zijns naams. Ik heb ouders hooren getuigen van hunne kinderen: ze zien ons naar de oogen en voorkomen onze wenschen; hoeveel te meer moet het kind van God zijn God in het oog houden die beloofd heeft: Ik zal U leiden met mijn oog. Mijn oog zal op U zijn; dat is, God houdt mij in het oog; en mijn oog moet het Zijne ontmoeten, anders bemerk ik het niet als God mij een oogwenk geeft. En waar nu zulk een zalig leven op aarde reeds door God aan zijne kinderen geschonken wordt, daar wordt elk die dezen Psalm leest of hoort, vermaand en opgewekt, om dat heil te zoeken. Als God ons trekt moeten wij willen volgen; als God ons roept moeten wij willen komen. Wie Gods roepstemmen niet hoort zoekt zijn eigen verderf. Weest dan niet gelijk een paard of gelijk een muilezel die geen verstand hebben, welks muil men breidelt met toom en gebid, opdat het tot U niet genake. O laat zulk een last voor U niet noo-dig wezen. Wie heeft Gód wederstaan en vrede gehad? Integendeel. De goddelooze heeft vele smarten, want hij voelt in zijn ziel reeds het preludeum van de hel, maar die op den Heere vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen. Daarom verblijdt U in den Heer en ver-

ocr page 21

11

heugt U, gij rechtvaardigen! en zingt vroolijk alle gij oprechten van hart!

O ja wij moesten 't allertijd Wat lot ons hier ook is bereidt,

Gods goedheid meerder loven.

En zingen in dit tranendal:

O Heer uw goedheid gaat het al

Oneindig ver te boven.

Laat onze huizen meer en meer,

Weergalmen van Gods lof en eer,

Gods groote daan verkonden.

Zoo roemen wij Hem onder 't kruis, En bannen uit ons hart en huis.

De duivel en de zonden.

Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.

Welgelukzalig is de mensch dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

Amen.

ocr page 22

De ware vrijheid.

Joh. 8 : 32(5.

Wij prediken Jezus Christus en dien gekruist, maar Christus predikte zich zeiven. Hij heeft zich genoemd; Het licht der wereld, de Weg, de Waarheid enhet Leven, de Goede Herder, de deur van den hemelschen schaapstal. Hij heeft zich zeiven gepredikt als degene die van boven gekomen was om den wil des Vaders te doen; ook al zou de Vader willen dat Hij de wereld zou verzoenen in zijn bloed en redden door zijn kruis. En de meester met de tong der geleerde heeft met menigen moede een woord ter rechtertijd gesproken, en in het algemeen zoo gesproken, dat velen in Hem geloofden. Het is tot die Joden die in Hem geloofden dat Hij de woorden sprak: Indien gij in mijn woord blijft zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen en gij zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken.

«Vrijmakenquot;, dat woord was niet te dulden voor de Joden. Zij het volk van God, zij, het zaad van Abraham, de discipelen van Mozes, zijn zij niet vrij? Wij hebben

ocr page 23

13

nooit iemand gediend, zeggen zij, en hoe zegt gij dan: gij zult vrij worden? O Israël! wat zijt gij met blindheid geslagen; ziet gij dan niet, gevoelt gij dan niet dat gij gebogen gaat onder het juk van Rome, den last der zonde, den vloek der wet? Vrij waren zij geweest in vroeger tijden, maar de kroon was gevallen van Zedekia's hoofd. Van dien tijd aan waren zij geweest onder de macht van Babel, Medië, Perzië, Griekenland, Egypte en Syrië. In den tijd der Macabeën had men zich vrijgevochten, maar de dwaasheid om hulp bij Rome te zoeken had tot gevolg, dat de bondgenoot overheerscher werd; en een Edomiet Herodes genaamd was op den troon geplaatst, in plaats van een vorst uit Davidshuis. Na den dood van dien beul in het purper gekleed, was een deel van het rijk gekomen onder Archelaus, een deel onder Filippus, en een deel onder Herodus Antipas; en nu Archelaus gebannen was stond Judea onder de landvoogdij van Pontius Pilatus. Men wist dat men onder dien man stond, en toch zeggen de Joden: Wij hebben nooit iemand gediend, en hoe zegt gij dan: gij zult vrij worden ? De mensch kan zoo verblind zijn dat dood en graf en oordeel hem nog niet ontnuchteren. De Joden meenen vrij te zijn, maar zijn het niet, of ja, maar dan is het een vrijheid om de zonde te doen als een slaaf zijn werk. Vrij om kwaad te doen, vrij om verloren te gaan, vrij om den Christus Gods een bezetene, een Samaritaan, een kind des duivels te schelden, en eindelijk steenen op te nemen om Hem te dooden, die ons het leven aan kwam brengen. Vrij, om Christus aan een kruis te nagelen maar dan zelf ook als Natie onder te gaan. Toch aan dit gesprek, met de Joden gehouden, danken wij dit schoone woord: De waarheid zal u vrij

ocr page 24

14

maken; en dat andere woord in Joh. 8:36: Indien u de Zoon zal hebben vrij gemaakt zult gij waarlijk vrij zijn. Grootvader luidt de bel der vrijheid: zoo juichte een kleine knaap toen onze Koning de negers in Suriname vrij verklaarde door het woord te spreken: Ik wil geen Koning van een slavenvolk zijn.

Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd op onzen feestdag! zoo werd er gezongen in Oud Israël bij het naderen van het Jubeljaar, het jaar der vrijlating, dat aanving aan den avond voor den grooten verzoendag, aan het einde van eene halve eeuw. Het was het jaar der vrijheid voor den armen slaaf, het jaar van verlossing uit de ellende voor den door tegenspoed verarmden Israëliet in den ouden dag. O welk een schat is er gelegen in dat eene woord »vrijlquot; Dat eene woord brengt op de lippen van de Godzoekende ziel een bede, op de lippen van den gevangene somtijds een vloek. Vrij was de mensch toen God hem schiep, het was de Koningswaarde hem geschonken; God wil niet door een slavenvolk gediend worden; door vrije wederliefde voor de hoogste liefde moet de mensch zich tot Gods dienst gedrongen voelen. Maar de zonde is in de wereld ge komen en de vrije mensch werd een slaaf, wiens vrijheid met geen geld is te koopen, doch gewaarborgd ligt in het woord: De waarheid zal u vrijmaken; en indien de Zoon u zal hebben vrijgemaakt zult gij waarlijk vrij zijn.

Wie nu de vrijheid mist? O de ongelukkige slaaf die op de koffie- en suikerplantages gegeeseld wordt tot hij sterft, terwijl de Nederlandsche Christen zijn koffie zoogerust drinkt als een Turk, en zijn schuld wat de zending aangaat, noch aan God betaalt, noch aan de menschen.

ocr page 25

15

Wie haar mist? De arme pandeling, voor zestig gulden door zijne ouders verpand bij den plantagehouder, als een stuk goed of goud door een arme in den lombard. Wie haar mist? de gevangene die in boeien zucht omdat hij zich vergreep aan goed of leven van zijn naaste. Wie haar mist ? de krijgsman die zijn plicht vergat en tot kruiwagen-straf werd veroordeeld.

Maar kent ge dan oom Tom niet uit de negerhut, die nog lang het levend bewijs geweest is, hoe de arme slaaf in het bezit kan zijn van de hoogste vrijheid ? Weet gij niet hoe menig pandeling werd losgekocht en opgevoed in het huis van den zendeling? Weet gij niet dat het Evangelie verkondigd wordt ook in de gevangenis, waar menigeen erger boosdoener werd dan hij was, maar waar ook menigeen de vrijheid in Christus leerde kennen; misschien niet door de Moderne preek, maar wel door het eenvoudige lied door een kind gezongen in de nabijheid der gevangenis, of door het vriendelijk bezoek eener Godvreezende vrouwe. Vrijheid kan genoten worden ook in banden, maar zondedienst is de ergste slavernij; zij knelt te meer naarmate de jaren heensnellen. Zoek den mensch die de vrijheid mist niet allereerst in de binnenlanden van Afrika maar in uw eigen omgeving, wellicht in uw eigen huis en eigen hart. Zoo iemand de zonde doet die is een slaaf der zonde al moge hij vrij zijn van ijzeren banden. Hebt den moed om te zeggen: Ik ben vrij, terwijl gij verkocht zijt onder het kwaad, een slaaf van uwe begeerte, uw geldzucht, uw eerzucht, en elke kwade gewoonte.

Ouder niet wijzer; dichter bij den dood maar ook meer nabij de hel; ziedaar het leven van hem die het kwade

ocr page 26

16

doet waarvan hij weet dat het kwaad is. Goede voornemens worden als spinrag verscheurd door uwe lusten, als een zeepbel spatten ze uiteen. De eene zonde volgt de andere op den voet, en de eene zondaar verleidt moedwillig den andere, om straks zelf te wentelen in het slijk, elkaar te schoppen met den voet, en te vloeken in de pijn der verdoemden. Schande hier, ellende dAar dat is het loon door de zonde betaald aan haar slaven. Ongelukkigen hoor! al de klokken des hemels luiden; Als de zoon U zal hebben vrijgemaakt zult gij waarlijk vrij zijnl Aan gevangenen wordt vrijheid gepredikt, en aan gebondenen opening der gevangenis. De zoon uit het Vaderhuis belooft vrijheid aan millioenen gevangenen. Daartoe is Hij in het land der slavernij gekomen en in de gevangenis afgedaald. Daartoe liet Hij zich binden en gevangen nemen, om straks dood duivel en graf de sleutelen te kunnen ontnemen, en nu het jaar der vrijlating, het jaar van het welbehagen des Heeren te kunnen uitroepen. Hij daalde ter helle neder om U den hemel binnen te kunnen voeren. De geesten die in de gevangenis zijn heeft Hij gepredikt en Hij predikt het ook U: De waarheid zal U vrijmaken, en indien de zoon U zal hebben vrijgemaakt dan zult gij waarlijk vrij zijn. Die vrijheid kunt gij niet koopen, zelfs niet voor den prijs uws bloeds, maar zij werd beloofd, en wordt geschonken, om niet, geheel om niet. Christus kocht U vrij voor den prijs van zijn bloed en tranen; Hij kocht de vrijheid om ze U te kunnen schenken om niet, want Hij schenkt uit goedheid zonder peil het eeuwig zalig leven. Hij schenkt de ware vrijheid, maar in den weg der waarheid. Wie in Christus gelooft zal de waarheid verstaan, en door de

ocr page 27

17

waarheid vrijgemaakt worden van de leugen, dat is van de zonde, van het leven buiten God. De waarheid maakt vrij door de leugen te ontdekken; dan schrikt gij voor de zonde, voor de wereld, voor uw eigen hart. Dan leert gij U zeiven haten, ja uw eigen leven, dan krijgt ge een walg aan u zeiven, maar die hellevaart is noodig om tot de hemelvaart te komen. Eerst moet de Farizeër een tollenaar worden voor hij gerechtvaardigd kan heengaan naar huis. De waarheid zal U vrijmaken, zij maakt vrij en laat heur werk niet varen; hoe zwaar de strijd zijn moge gij moet waar worden voor God, voor uw naaste, voor u zeiven. Na de ontdekking der waarheid komt de vertroosting: God heeft mij lief, óók mij, ja Hij heeft mij nog lief, en van eeuwigheid liefgehad, daarom heeft Hij Christus gezonden, en Hem ook aan mij geschonken tot een Verzoener en Heiland.

Zoo wordt het genot van de ware vrijheid gesmaakt door den waren Christen. Toch blijven wij menschen en zijn waarlijk nog niet den Engelen gelijk. De groote strijd bestaat daarin om op de berghoogte des geloofs te blijven. Wee den adelaar als hij in het slijk terecht is gekomen door den jager verwond, hij komt niet licht meer boven.

Maar die ons verlost heeft, verlost ons nog, op wien wij ook hopen dat Hij ons verlossen zal, ja eenmaal verlossen zal van alle kwaad, en opnemen in Zijn heerlijk koninkrijk in vrede. Dadr wordt de vrijheid geheel ontplooid.

Voor altijd met den Heer.

J^. Amen, zegt ons hart.

Dat troostwoord geeft in nacht en smart De hoop en 't leven weer.

2

ocr page 28

18

Ons roept des Herders stem,

En volgende op Zijn woord,

Gaan we ied'ren dag meer een met Hem, Een schrede huiswaarts voort.

Daar zullen we vrij zijn van de zonde, vrij van allen twijfel, vrij van afdwaling, vrij van zorg en lijden. Daar zal de dood niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.

Als hier de wateren van ons leven beroerd worden gevoelen wij Gods nabijheid het meest, maar ddar zullen geen wateren meer zijn om te beroeren, diér is een glazen zee. O waarlijk vrij, wie was het hier op aarde? en toch, dat zal het werk zijn van Gods grooten Zoon, allen die gelooven waarlijk vrij te maken. Hier konden we wel reeds zingen :

Vrij van de wet! O vreugdevol leven!

Door Jezus bloed is alles vergeven.

Maar daar zal de laatste band verbroken zijn; ddar legt Urania haar dooden masker af en wij zien dat de eeuwige waarheid de eeuwige schoonheid is. Zij alleen kon ons vrijmaken van de leugen, en met de lieve waarheid zullen we eeuwig zalig leven. Haar te gewinnen is de strijd van ons leven waard, de ridderstrijd des Christens.

Well te wapen dan! te paardI Met het machtig woord des Heeren

Eindeloozen krijg verklaard In den naam, dien we éénig eeren.

ocr page 29

19

(Van den God van Israel,

Van den God der twee verbonden,

Van den Kruisheld, in wiens wonden We onze zielsgenezing vonden)

Aan de oproer staande hel!

Zoo zij het nu en ten allen tijde, totdat we, wellicht met wonden overdekt, het moede hoofd neder leggen op het woord der waarheid.

Amen.

ocr page 30

Het verlorene gezocht en gevonden.

Luk as 15.

Het is waarlijk een genot Lukas 15 met U te lezen, want dan houd ik geen prediking voor u, maar mag met U een prediking hooren, die door Jezus Christus eenmaal gehouden werd. Wij hooien een drietal gelijkenissen in zoo schoone taal, dat wij die drie gelijkenissen wel drie liederen kunnen noemen waarin de lof van Gods barmhartigheid wordt bezongen. En terwijl ons oor die schoone woorden mag vernemen, wordt voor ons oog als het ware aanschouwelijk gemaakt: De zoekende liefde des Heilands, de Christelijke liefde der gemeente, de vergevende liefde des Vaders. Zóó blijkt, dat op dit drietal gelijkenissen het woord van toepassing is; wat God samengevoegd heeft scheide de mensch niet. De sleutel tot het recht verstaan van Lukas 15 ligt in de verzen 1 en 2. En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem om Hem te hooren. En de farizeën en de schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.

ocr page 31

21

Tollenaren en zondaren door de vrome wereld uitge-stooten, worden door Jezus woord, en door geheel Zijne verschijning aangetrokken. Bij Hem is toch geen verwerpende gerechtigheid, geene afstooting, maar heilige, hartelijke, aantrekkelijke liefde die tot het diepst gezonkene afdaalt. Richard Weaver zeide eenmaal: Ik was een man met bolle wangen, uitpuilende oogen, en vreeselijke gelaatstrekken. Ik was een vloeker, een dronkaard een eerste vechtersbaas; ik was te slecht voor den hemel, te slecht voor de aarde, te slecht voor de hel, maar Gode zij dank niet te slecht voor de armen van Jezus Christus want Hij heeft mij gered. O mijne vrienden gelooft het waarlijk: Er is geen zondaar te groot voor Jezus, Hij wil U allen redden, het is Zijn lust U zalig te maken.

Het smaadwoord der farizeën maken wij tot een eerewoord voor Jezus Christus: Deze ontvangt de zondaars en Hij eet met hen. In dit woord ligt als het ware het werk van Jezus Christus op aarde en in den hemel te zamen gevat. Het ontvangen van zondaren is zijn werk op aarde, en Hij eet met hen, zijn werk in den hemel gt; want velen zullen komen uit het Oosten en het Westen, uit het Zuiden en het Noorden en zullen met Abraham, Izaak en Jakob aanzitten aan de bruiloft des Lams.

Het welbehagen in zondaren omdat zij menschen zijn die gered willen worden, wordt door de farizeën geacht een welbehagen van Jezus Christus in de zonde te zijn, en Zijn doel was juist, door de vergevende liefde de menschen van de zonde te verlossen. Er werd mij eenmaal verhaald van een kolonel, die een zich slecht gedragend militair op voorspraak van den kapitein zijn schuld vergaf, die hij dubbel verdiend had, en die daardoor juist den

ocr page 32

22

man redde; want toen de man hoorde dat hij in plaats van straf, vergeving ontving, riep hij uit: O God dat heb ik niet verdiend! Van dien tijd af was de zondemacht bij hem verbroken en hij zocht nu ook vergeving bij God. Zoo handelt God ook met zondaren. In Jesaja43:21—25 zegt God: Dit volk heb ik mij geformeerd, zij zullen mijnen lof vertellen. Doch gij hebt Mij niet aangeroepen O Jakob! als gij u tegen mij vermoeid hebt, o Israël! Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en met uwe slachtofferen hebt gij Mij niet geëerd: Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook. Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt: maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden. Ik, Ik ben het die uwe overtredingen uitdelg om mijnentwil, en ik gedenk uwer zonden niet.

In dit drietal gelijkenissen wordt ons aangetoond hoe het verlorene gezocht wordt en gevonden. Het schaap is verloren, de penning is verloren, de zoon is verloren, maar welk een verschil. Het is als met de drie dooden die door den Heer zijn opgewekt. Het dochtertje van Jairus was nog in huis, de jongeling te Nain lag reeds op de baar en werd weggedragen; Lazarus lag reeds in het graf en riekte al. Maar allen werden door den Levens-vorst teruggeroepen uit de macht des doods tot het leven. Zoo zien we hier het verloren schaap dat nog ronddwaalt, den verloren penning die reeds onder het stof ligt, den verloren zoon die tot den vader wederkeert. Er is een zoekende Herder, eene zoekende gemeente, een uitziende en straks gaarn vergevende Vader. Er zijn 100 schapen,

ocr page 33

23

er zijn 10 penningen, er zijn 2 zonen. Het schaap is verloren, de penning is verloren, de zoon is verloren, maar wat verloren was werd gezocht, gevonden, en in liefde weder aangenomen. In de redding van zondaren ligt de blijdschap van Christus, de blijdschap der Engelen, de vreugde der gemeente, de vroolijkheid van God. Lukas 15 is genoegzaam om het Evangelie aan alle volken op aarde te verkondigen. Het is een goddelijk klaverblad waarvan de twee eerste bladen ons zeggen wat God doet voor de menschen, terwijl het derde blad ons zegt wat de mensch moet doen tegenover God; opstaan en tot den Vader gaan, om schuld te belijden en schuldvergeving te ontvangen. Wij zien hier de zondaarsliefde van Jezus; Wij zien hoe groot die liefde is, wat Hem tot die liefde beweegt, en waartoe zij ons bewegen moet. Wij bewonderen den Heiland als Hij nederzit om kinderen te ontvangen, te omarmen en te zegenen, maar wij bewonderen Hem nog veel meer als wij Hem zien nederzitten onder tollenaars en zondaars, menschen waar fatsoenlijke lieden zich voor schamen om mede om te gaan. Voor die menschen heeft Hij een vriendelijk woord, een vriendelijk hart.

Hij gaat tot hen, en zit met hen aan, om hun woorden te doen hooren van leven en zaligheid. De wereld hoont er Hem om, of ziet Hem aan met argwaan, maar Hij stoort er zich niet aan; Hij ontvangt de zondaars en eet met hen. De Heer had op het murmureeren derFarizeën wel kunnen zwijgen, maar Hij wil spreken om zoo mogelijk ook hen te redden, en wij hooren in deze gelijkenissen wat Hij spreekt. Hij maakt het smaadwoord tot de hoogste lofspraak, tot de heerlijkste vertroosting. Want

ocr page 34

24

het woord: »Jezus ontvangt de zondaars en eet met hen,quot; is de hoofdsom geworden van het Evangelie en van de leer der Christelijke kerk door alle tijden. Door zondaren aan te nemen beschermt de Heer de zonde niet, maar komt Hij de macht der zonde verbreken,

't Schaap dat het verst was afgedwaald.

Leeft vaak het dichtste bij den Herder.

Er is veel geschreven over dat verloren schaap, en vooral over de negen en negentig die verlaten worden omdat het verlorene moet worden gezocht; want die negen en negentig worden rechtvaardigen genoemd die de bekeering niet van noode hebben. Mij dunkt Luther heeft dat het best begrepen. Hij ziet in die negen en negentig de Engelenwereld en in het verloren schaap de menschheid. En sHerbergerquot; heeft zeer schoon gezegd; Jezus is de Goede Herder, die het verloren schaap, de menschheid is komen zoeken totdat Hij het vond, maar Hij vond het in de doornen der wet en van het kwade geweten, en de doornen bleven Hem hangen aan het hoofd. Wij moeten ons zeiven altijd levendig herinneren dat wij verloren schapen geweest zijn, dwalende een iegelijk naar zijnen weg, en dat wij door ons afdwalen den Lieven Heiland veel zorg, moeite en lijden veroorzaakt hebben. Hij gaf zijn bloed om ons te redden; en onze ellende en Zijne ontferming moeten ons bewegen naar Zijne roepstem te hooren en Hem te volgen waar Hij ons ook leidt.

En ook als wij eenmaal weten gered te zijn, dwalen wij nog vaak af, maar worden telkens door den trouwen Herder weder geroepen en opgezocht. Er zijn ook on-

ocr page 35

25

trouwe herders waarvan God de Heer in de Profetie van Ezechiël zegt: Den zwakke sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het verbrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet, maar gij heerscht over hen met strengheid en met hardigheid. Maar de Goede Herder zegt: Ziet Ik, ja Ik zal naar mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken. Dat deed Hij, en dat doet Hij getrouw. Zijn naam zij eeuwig de eere! De Heer zegt: Wat mensch onder u hebbende honderd schapen; of wat vrouw hebbende tien penningen. Zoo neemt Hij dingen uit het dagelijksche leven als zinnebeelden van de hoogste waarheden, en voert alzoo het alledaagsche op tot goddelijke heerlijkheid; dat hebben ook wij te leeren. Er is een heerlijkheid van het alledaagsche waarvoor duizenden blind zijn, maar al wat aan God gewijd wordt zal tot heerlijkheid komen. Er zijn in deze gelijkenissen drie woordjes die zeer gewichtig en beteekenisvol zijn. Het woord sver-loren!quot; dat is een angstgeschrei. Het woord «gezochtquot; dat is een toon der liefde. Het woord ^gevonden!quot; dat is hemelmuziek op aarde. Het is een lied door zaligen in den Hemel gezongen dat weerklinkt in het geredde zondaarshart hier beneden. Wat mensch onder u hebbende honderd schapen en een van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene totdat hij het zelve vinde? De Heer stelt dus de zoekende liefde voor als de natuurlijkste zaak der wereld; elke andere handelwijze moet dus onnatuurlijk zijn. De herder wien de schapen toebehooren wil er niet ée'n van missen. Hij is geen huurling maar de rechtmatige bezitter die zijn eigendom terug wil hebben

ocr page 36

26

al kost het hem ook nog zooveel. Welnu wij zijn des Heeren, Hij heeft een dubbel recht op ons, een recht door schepping en een recht door verlossing. Hij kocht ons niet voor goud of voor zilver maar voor den prijs van Zijn dierbaar bloed. Daarom wil Hij onze zielen niet missen; daarom zoekt Hij totdat Hij het verlorene vindt. Elke gevonden ziel, elke geredde zondaar is een paarl aan de middelaarskroon van Jezus; het loon voor den arbeid Zijner ziel. Die arbeid heeft Hem bloedzweet gekost in Getsemane', spot en hoon en doornen lijden in Gabbatha, duizend dooden in e'e'n dood op Golgotha. Is het dan wonder dat bij dezen Herder van elk weder-gevonden schaap het woord geldt: En als Hij het gevonden heeft legt Hij het op zijne schouderen, verblijd zijnde? En als een herder die zijn schaap terugvindt, thuis komende, vrienden en geburen oproept om met hem blijde te zijn; zou Christus dan geen reden hebben om aan alle Engelen en zaligen te zeggen; Weest blijde met Mij want een ziel voor den prijs mijns bloeds gekocht, is nu voor den hemel behouden. Ce'sar Malan heeft in de Harpe Sions ons als 't ware een blik in den Hemel doen slaan, in het lied: Een zondaar gered. Laat mij u een paar coupletten mogen herinneren.

Wat blijde hymme rijst uit 's Hemels Englenrij?

Wat heerlijk lofakkoord, wat zoete harmony!

Hoe gaan de zaalge scharen,

Op klank van stem en snaren,

Dus, wuivend met de palm, Gods glorietroon voorbij ?

»Een zondaar is gered!quot; herhaald het juichend choor:

Een afgedwaalde zoon, die rust en lust verloor,

ocr page 37

27

siKwam tot den Vader weder:

sin tranen boog hij neder,

»In vreugde rees hij op, en koos het rechte spoor 1quot;

Wat er omgaat in een ziel, die voor den Hemel gered wordt, weet God alleen, maar wat moet er omgaan bij de redding van zondaren in het harte des Heiland? Psalm 22 geeft er ons een klein weinig van te verstaan. Als het lijden van den Messias als een Panorama voorbij onze oogen is gegaan, dan hooren wij den verlosten Verlosser spreken van Zijne broederen, aan wien Hij Gods naam zal vertellen; en van de groote gemeente in wier midden Hij God zal prijzen. Van U zal mijn lof zijn »zegt Hijquot; in eene groote gemeente- ik zal mijne geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen die Hem vreezen.

Waar nu de gemeente als het lichaam van Christus den Geest deelachtig is die woont in haar Hoofd en Heer, daar is het een van zelfheid, dat ook de gemeente zoekt te redden wat te redden is uit deze in zonde verloren wereld; en de vrouw die den verloren penning zoekt is daarvan een getrouw beeld. De vrouw ontvangt in het Oosten bij haar huwelijk van haar Bruidegom een halssnoer waaraan penningen hangen als sieraad, dat snoer is dus een onderpand der liefde even als de trouwring, en van dat snoer waaraan tien penningen hingen heeft de vrouw in de gelijkenis wellicht een penning verloren. Tien is het getal der volkomenheid, daar mag dus geen penning aan ontbreken; en daarbij een penning of De-narie is het geheele dagloon eens mans, de penning heeft dus te veel waarde. Daarom is geen moeite haar te veel, daarom wordt de kaars ontstoken en het huis met beze-

ocr page 38

28

men gekeerd, daarom zoekt zij en rust niet tot de verloren penning is wedergevonden; en als zij denzelven heeft gevonden, moeten anderen in haar blijdschap deelen.

De gemeente is de bruid des Lams en de zielen aan die gemeente toevertrouwd mogen niet verloren gaan, geen enkele zelfs. De Kerkvader Augustinus zegt: wij zijn Gods muntstukken maar de beeldenaar is onzichtbaar geworden. Toch bestaat dat beeld nog en als de verloren penning gevonden is komt het beeld Gods ook weder boven. Daartoe strekken nu al de Christelijke werkzaamheden der gemeente, om Gods verloren muntstukken die verloren zijn door de vrouw door de gemeente zelf, weder op te zoeken; en als zij gevonden zijn is er vreugde in den Hemel en op de aarde, bij Engelen en menschen. Kent gij die vreugde reeds? Naast de blijdschap over eigen zaligheid is er geen grooter vreugde dan die over de redding van kostbare menschenzielen voor de eeuwigheid. O een ziel gewonnen, dat zegt zoo veel.

Een Amerikaan zeide eenmaal: als een tijger bloed heeft geproefd is zijn bloeddorst niet meer te stillen, en als een Christen eenmaal een ziel voor Christus gewonnen heeft kent zijn reddingsdorst van dat oogenblik aan geen grenzen meer. Zoo is 't. O zoo zij het bij allen die Jezus liefhebben nu en voortaan. Waar men zielen tracht te redden is geen tijd meer over om te twisten. De twist verdeelt, de liefde heelt en zoekt naar het verlorene. In een groot bosch stonden duizenden boomen, die boo-men werden gerooid, van hun loof ontdaan en van hunne takken, en toen even diep in den grond geslagen als zij er eerst boven uit stonden, op die boomen rust nu het Koninklijk Paleis op den Dam in onze hoofdstad. Wij

ocr page 39

29

moeten toelaten dat God ons met het hoofd in den modder steekt dan worden we pilaren om den eeuwigen tempel te dragen. Paarlen hangen niet aan de boomen, men moet er naar duiken, zoo in de natuur als in het rijk der genade, maar de schoonste paarl haalt niet in waarde bij een ziel die in Jezus bloed gewasschen wordt. De Heiland heeft gezegd: Hierin wordt mijn vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt, blijft in Mij en ik in U want wie in Mij blijft die draagt veel vrucht. En nu, we hebben het schaap zien dwalen, den penning onder het stof zien liggen, in de gelijkenis en in de wereld, we hebben de zoekende liefde, de werkzame liefde gezien, laat ons ook de vergevende liefde aanschouwen. Gij allen kent den verlorenen zoon van uwe jeugd aan, wellicht nog beter als uw eigen broeder. Niet elke broeder is als een Andre'as voor Simon het middel om hem te winnen voor den Heer Maar de verloren zoon dien kennen we allen. De oudste was ook verloren maar in eigen gerechtigheid, hij was een man zonder hart; hem laten we rusten; de hemel is niet voor brave Hendrikken die er een pakhuis vol goede werken op na houden, maar voor verloren zonen die met berouw in het hart wederkeeren naar het Vaderhuis. Dat de jongste zoon zijn erfdeel wilde bezitten daar was niets onrechts in, noch voor Goddelijke noch voor menschelijke wetten, maar dat hij zich niet gelukkig gevoelde in het vaderhuis, en begeerde vrij te zijn, om buiten zijns vaders huis en gemeenschap, zijn geluk te zoeken, dat maakt hem tot een verloren zoon.

Al het andere is slechts openbaring van zijn verloren toestand. Wie God verlaat heeft smart op smart te vreezen. Er is veel te denken en veel te zeggen over den

ocr page 40

30

verloren zoon in het vaderhuis, buiten het Vaderhuis) op den terugweg naar het vaderhuis, en over den eens verloren nu geredden zoon, in het Vaderhuis teruggekeerd zijnde; ja waarlijk daar zou men alleen eenige avonden aan kunnen en willen wijden. Hij die als kind in het Vaderhuis zich gelukkig moest gevoelen verklaarde zich zeiven mondig en eischte zijn goed dat hem toekwam. Welk vader zou het weigeren? Zoo geeft God U ook al wat gij U tot ideaal, tot hoogste levensdoel gesteld hebt. Voorwaar Hij geeft het U; maar stelt gij uw ideaal te laag, dat is, zoekt gij uw geluk buiten Gods gemeenschap, dan zijt gij verloren; in het hoogste ideaal ligt juist onze zaligheid, het leven te genieten in de gemeenschap met God. Het ideaal van dezen jongeling en van zoovelen met hem, was de vrijheid voor het vleesch, de grove zinlijkheid. De zonde van den jongelingsleeftijd is wellust, de zonde van den mannenleeftijd is geldzucht, de zonde van den grijsaardsleeftijd is eerzucht, en somtijds wonen alle tegelijk in een zelfde hart. God spaart u niet, Hij plaatst u vlak voor het kwaad, ge moet terugschrikken voor de zonde in hare naaktheid of in de zonde ondergaan. Juist Judas die een dief is krijgt van de grootsten menschenkenner als laatste redmiddel de beurs. De jongste zoon vergaderde alles bijeen, en toog heen, naar een land ver van zijn vaderhuis, gij weet hoe hij er leefde. Zoolang men geld heeft vindt men vrienden, maar is het geld verteerd dan zijn de vrienden verdwenen, en het land dat overvloed had in schijn, blijkt een land van hongersnood te zijn. In dat land begint men met gebrek te lijden, en het einde is dat men uitroept: Ik verga van den hongerI juist zooals we in onze jeugd hebben gezongen:

ocr page 41

31

Der wereld schijnbaar goede gaven.

Zij deelt van wie haar 't meeste geeft,

Maar eenmaal zeker zien haar slaven Hoe deerlijk zij bedrogen heeft.

De burgers van het land zenden deu verloren zoon naar de zwijnen om dezelve te hoeden; het is of men nu even diep hem wil grieven, als hij diep weggezonken is van zijn standpunt. De vrije zoon uit het vaderhuis is zwijnenhoeder, kon het wel erger, en dat voor een Israëliet? Hij begeerde zijn buik te vullen met den bitteren boonendraf der zwijnen en niemand gaf, we mogen wel zeggen ; niemand gunde hem dien. Zoover moest het komen. Hij moest wegzinken in de ellende om tot zich zeiven te komen. En nu het groote woord waar alles op aankomt is:

En tot zich zeiven gekomen zijnde zeide Hij: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan. De mensch in de zonde levende leeft buiten zich zeiven, de bekeering tot God is een komen tot zich zeiven, wie begint te denken is op weg om te danken. Hij denkt aan het vaderhuis met zijn overvloed van brood, aan het geluk reeds gesmaakt door de huurlingen, en daar tegenover aan zijne eigene bittere ellende.

Ik zal opstaan zegt hij en tot mijn vader gaan; zie in het midden van de ellende blijft zijn vader toch »vaderquot; en hij zal tot dien vader zeggen: Ik heb gezondigd. Dat is de weg tot vrede en behoud. Belijdenis, eerlijke belijdenis van schuld, dan is er ook vergeving, ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. De ware ootmoed zegt: Dat heeft God aan mij niet verdiend, ik ben niet waardig zijn kind te heeten. O een huurling van

ocr page 42

32

dien lieven quot;Vader te mogen zijn, de geringste der knechten Gods te mogen wezen dat is mij reeds voorrecht genoeg. Liever een dorpelwachter aan het huis van mijn God dan langer te wonen in de tenten der goddeloosheid. En toch wanneer wij ons werpen aan 's Heilands voet, ontvangen we eene plaats aan Gods hart. Het is meermalen gezegd: met goede voornemens is de weg naar de hel geplaveid; maar die zich waarlijk verloren weet, en gevoelt, zal het niet bij goede voornemens laten blijven, het zal bij dien mensch als bij den verloren zoon zijn: En opstaande ging hij naar zijnen vader. De smart heeft haar doel bereikt, de weemoed doet tranen stroomen, geloof hoop en liefde zullen straks de wonde hee-len, en tonen zullen vernomen worden den Citerspelers aan de glazen zee waardig. Weet ge waarom? omdat ginds in het vaderhuis een hart klopt vervuld met vergevende liefde voor den verloren zoon. Dat was de smart van den vader dat zijn zoon verloren moest heeten, dat zal zijne vreugde zijn, als de zoon naar het vaderhuis wederkeert. Die vader heeft gehoopt, gewacht, gewaakt, uitgezien, biddend uitgezien, voordurend uitgezien naar zijnen afgedwaalden zoon; en toen de zoon nog verre was, zag hem zijn vader reeds aankomen, en werd met innerlijke ontferming over zijn afgedwaald maar wederkeerend kind bewogen. Zelf gaat hij den zoon te gemoet, valt hem om den hals, en kust hem, voor de zoon om vergeving vraagt is de verzoening reeds geschied. Gode zij dank ja, zoo is het ook voor U, ook voor mij.

U al Uw zonden te vergeven.

Dat is uws Vaders eer,

ocr page 43

33

En hebt gij ook opnieuw misdreven,

Reeds heeft — wat wilt gij meer ?

Uw Vader, al uw schuld vergeven.

Geeft dan uw vader de eer. —

De zoon komt zijn zonden belijden maar de schuld is reeds vergeven, nu wijken leed en smart. De dienstknechten komen op het bevel des vaders met het beste kleed om het den wedergekomene aan te doen, een ring ontvangt hij aan zijne hand, schoenen aan zijne voeten. Zoo ontvangt de geredde zondaar het kleed der gerechtigheid, en de verzegeling des Heiligen Geestes en het bewijs van het kindschap. Slaven liepen barrevoets, de zonen droegen sandalen. God dank wij zijn geen slaven meer, geen knechten maar zonen. Het feestmaal wordt toebereid, en begon men in het vreemde land met gebrek te lijden, in het Vaderhuis begint men met vroolijk te zijn; ginds moest hij uitroepen ik verga van honger, hier wordt het gemeste kalf geslacht. Het beste is slechts goed genoeg als vergevende liefde zich in al hare volheid kan openbaren. Gods hart is een Vaderhart, Halleluja 1 wij mogen ons verheugen als kinderen in de zonneschijn Zijner vergevende liefde; o mocht het voordurend zoo zijn. Wij kunnen gelukkiger zijn dan wij zijn, omdat wij heiliger kunnen zijn dan wij zijn, dat zal elkeen mij toestemmen, maar wij kunnen ook heiliger zijn dan we denken, en het ergste is wij kunnen heiliger zijn dan wij in den diepsten grond van ons hart nog wezen willen.

Laat dit zwaard door uw hart gaan want het dient tot genezing juist door zijn vlijmende wond. Als wij zondigen handelen wij niet tegen een ongevoelige wet madr wij

3

ocr page 44

34

beleedigen in euvelmoed het liefhebbende hart van God; hoe kunnen we dan gelukkig zijn? en toch wil Hij ons gelukkig zien, en daarom vergeeft Hij onze zonden, hoe diep, hoe zwaar wij ook Zijn wetten schonden; en de vergevende liefde is de kracht die de zondemacht verbreekt. Zie dat is uit genade zalig worden, zonder eenige verdienste van onze zijde. En nu, de verloren zoon is gevonden, hij die dood was is levend geworden; het vaderhuis dat hem eerst onverdragelijk was is hem nu de liefste plek op Gods aardbodem. De zoon is gelukkig, de vader is gelukkig en hunne gansche omgeving deelt in hun lieder blijdschap. Alleen ééne wanklank wordt er vernomen, het is het woord van den oudsten zoon bij zijn thuiskomst. De man zonder hart zoo voortreffelijk in eigen oog was even verloren als zijn broeder. Ook hij wilde met zijne vrienden vroolijk zijn, dus zijn geluk zoeken buiten de gemeenschap met zijn Vader. Hij wordt toornig over het geluk van zijn broeder, over de liefde van zijn vader, over de vreugde in het vaderhuis. Zijn vader wil hem inhalen, zijn vader bidt hem, zijn vader wil hem niets onthouden, integendeel alles schenken, maar hij doet niets dan schelden en verwijten. Welk een zoon en dat tegenover zulk een vader I En toch die oudste zoon is het beeld van eiken braven Hendrik en elke brave Maria wier geslacht niet is uitgestorven, en die het maar niet kunnen dulden dat hoeren en tollenaars hun voor gaan in het Koninkrijk der Hemelen. En toch men behoorde vroolijk en blijde te zijn, als daar een broeder die dood was levend is geworden, als daar een zoon of dochter die verloren was is gevonden. In anderen zin zou men deze gelijkenis nog kunnen toepassen op Israël

ocr page 45

35

en de heidenwereld. Het Paradijs is het vaderhuis, de bakermat der menschheid; de mensch heeft zich mondig verklaard en de taak van den zelfstandigen man aanvaard. Hij wilde vrij zijn, maar met een vrijheid voor het vleesch.

Noem de heidenwereld den verloren zoon en Israël den oudsten zoon. Dan nog blijft het woord van Zacharia waarheid: God heeft een oog over de mensch even als over de stammen Israëls. De heidenwereld komt boetvaardig terug naar het vaderhuis en Israël staat zich te ergeren, maar blijdschap is er in den Hemel over eiken zondaar die zich bekeert. Keer nu met deze gelijkenis in tot u zeiven, en geef in de eenzaamheid een antwoord op de vraag; Heeft de Hemel zich reeds kunnen verblijden over mijne behoudenis? Wat is het diep beschamend dat duizenden op aarde en tien duizenden in den Hemel meer belangstellen in uwe zaligheid dan gij zelf er belang in stelt zoolang gij voortleeft buiten Gods gemeenschap in Jezus Christus.

O laat het zoo niet blijven, God wacht om u genadig te zijn, en als gij tot God weder wilt keeren zal het ook voor u waarheid zijn: En als hij nog verre was zag hem zijn vader en werd met innerlijke ontferming bewogen.

Amen.

ocr page 46

De wandel door den Geest.

Gal. 5:25, 26.

Indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen. Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende. —

Leven, welk een bekend woord, welk eene bekende zaak; en toch wat is dat leven ondoorgrondelijk. Het woord beteekent sademenquot; omdat ademen de eerste en ook de laatste openbaring van leven is. Al wat God schiep heeft leven ontvangen; van den troongeest af tot de delfstoffen toe; en al deze schepselen ademen, ieder op zijne wijze, maar dat ademen is toch het leven zelf niet. God is het leven zelf. Hij is de bron en oorzaak, de eeuwige achtergrond van alle leven. Het leven der schepselen is de kroon op den strijd, van het leven tegen den dood, en ontstond door de macht van Het eeuwige Woord en de werking van den Heiligen Geest.

Het is dus de goddelijke levensadem die alleen alle schepselen leven doet. Leven, o dat woord is zoo onbe-

ocr page 47

37

grijpelijk schoon, zooveel omvattend. Door leven verstaat men gewoonlijk de bekwaamheid om te kunnen ademen te kunnen zien en hooren, spreken en denken, gaan en staan, gevoelen en handelen; maar het wil veel meer zeggen, het beteekent ook genieten, gelukkig zijn, volkomen gelukkig zijn.

Iemand van het leven te berooven is het ergste wat men doen kan; de doodstraf is de zwaarste straf, en wel terecht heeft Satan tot God gezegd; Huid voor huid en al wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven. Men behoeft echter niet geweldig een mensch het leven te ontnemen om hem ter dood te brengen. Men kan zeer wel zijn naaste dood ergeren, dat is de pijnlijkste dood; en daarom wordt over het geven van ergernis zulk een zwaar vonnis uitgesproken in het woord van God.

Wij toonen God onzen ondank wanneer wij het leven misbruiken of gebruiken alsof het ons niet ware geschonken. De geschiedenis der kerk heeft ons het verhaal bewaard van een herder, die, staande bij een worm die daar aan zijn voet lag te kronkelen, weende van dankbaarheid, omdat God hem een mensch had gemaakt en geen worm. Mensch te zijn, dat is de kroon, de koning, de samenvatting, de mond, het oog, het oor der schepping te zijn.

Daarom is het leven van zoo groote beteekenis, en zooveel omvattend, ook nu nog nu de dood in het leven is doorgedrongen. Want al wat wij voor het leven aanzien is in werkelijkheid slechts de dood in duizendvouden vorm. Slechts één is er die zeggen kan Ik leef! en ik ben dood geweest en zie ik leef tot in alle eeuwigheid. En wie in Hem gelooft zal leven ook al ware hij gestor-

ocr page 48

38

ven. De geloovige getuigt: Neen 'k ben niet levende gestorven, 'k ben stervend levende gemaakt.

De Apostel zegt: Indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen. O welk een Goddelijk heerlijk woord is dat woord «Indienquot;. De Heere leere ons daaraan ons vast te klemmen. »Indienquot; wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonden vergeve.

»Indienquot; iemand zijne zonden belijdt en nalaat, dien zal barmhartigheid geschieden. God is getrouw in het vervullen van Zijne beloften, en rechtvaardig, want Hij zal geen beleden en dus vergeven zonden ten tweeden male straffen.

Maar zonden belijden, en toch in de zonde voortgaan, dat kan niet samen gaan, dan is de belijdenis niet gemeend. Waar echter de zonden in ootmoed en met berouw worden beleden, daar zal God dezelve vergeven, en juist daarin Zich betoonen een getrouw en rechtvaardig God te zijn. En nu; indien wij door den Geest leven; dat is, levend gemaakt zijn, het leven des Geestes, het leven Gods ontvangen hebben; laat ons dan ook door den Geest wandelen.

Laat ons nu zien wat het leven door den Geest is, en wat het wandelen door den Geest is, en laat ons dan ons zei ven afvragen: of wij dat leven ook kennen en bezitten.

Leven door den Geest is niet mogelijk zoolang men niet levend ' is gemaakt. Paulus schrijft aan de Efeziërs: En u die dood waart door de zonde en de misdaden, heeft Hij mede levend gemaakt met Christus. Dood in de zonde en de misdaden, ja dood, heeft de zonde ons ge-

ocr page 49

39

maakt. — Zie slechts om u heen. Honderden en duizenden gaan naar de kerk, ze hooren Gods woord, en toch ze hooren het niet, want als zij thuis komen zijn ze alles weer vergeten, zelfs de tekst of Psalmverzen als er geen vouw of geen lintje bijgelegd is in het boek. Ooren hebbende hooren zij niet, en oogen hebbende zien zij niet, want zij zien Gods hand niet in de leidingen van hun leven en lot, ze zien Gods hand niet in zegeningen hun geschonken, in beproevingen hun gezonden. Ze hebben wel een mond maar spreken niet. Wel over kunst en wetenschap wel over de deugden of ondeugden van anderen, en over de laatsten het liefst; wel over mode-berichten en beuzelingen, maar niet over God, over Zijn woord en Zijn dienst. Het gevoel schijnt verstompt voor vreugde of smart, en dat acht men dan vrede te hebben.

Hoe zal nu zulk een doode levend gemaakt worden? De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt of waar hij heengaat, Alzoo is het met iemand die uit den Geest geboren wordt.

De zelfde mensch die van nature dood was voor het leven Gods, gevoelloos voor hoogere indrukken, doof voor Gods woord, stom voor Gods lof, blind voor Gods liefde en voor Gods werken, blind voor eigen ellende en toekomst; die zelfde mensch wordt plotseling of langzaam aan een geheel ander schepsel dan hij geweest is gedurende geheel zijn leven. De Heilige Geest de Geest des levens, heeft den doode levend gemaakt, en zie straks wordt het leven geopenbaard en aan het licht gebracht.

Licht is de eisch voor het bestaan van het leven, en daarom begint de Heilige Geest met ontdekkend licht

ocr page 50

40

te geven. Dan wordt het oog geopend voor eigen schuld en ellende, en die schuld is zóó groot, zoo ondenkbaar groot. We hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. We hebben gezondigd al de jaren, al de dagen, al de uren van ons leven. Wie zal zeggen: toen, in dat oogenblik was ik rein voor God? We hebben gezondigd in woorden in werken en in gedachten. In woorden waar we voor anderen onvriendelijk onbillijk, terugstootend of boos waren, waar we in tóórn werden ontstoken. In woorden hebben we gezondigd waar we moedwillig onwaarheden hebben gezegd, bitterheden hebben doen hooren, ijdele taal hebben gesproken, Gods naam hebben misbruikt ja om eigen rampzaligheid hebben gebeden. In woorden hebben we gezondigd waar we anderen hebben verguisd, miskend, benadeeld op welke wijze dan ook in naam of goed of leven.

In woorden hebben we gezondigd door vuigen laster en eerroof, door vuil spreken uit onzen mond, door spot en hoon, door ieder ijdel woord waarvan wij eenmaal rekenschap zullen afleggen. In woorden hebben we gezondigd door uitingen van ondankbaarheid en inzonderheid door bij allerlei dingen God tot getuige te roepen waarvan God toch geen getuige mag zijn. In woorden hebben we gezondigd wanneer we tot onze naasten kwamen hem prijzende in zijn aangezicht om hem straks achter den rug te verachten. Als we zeiden zijn vriend te zijn en ons vijanden betoonden. In één woord, als we onwaar waren voor God, voor onze naasten en ook voor ons zeiven.

In werken hebben we gezondigd, dat is niet wij hebben gebreken of verkeerdheden gehad, wij hebben ons humeur

ocr page 51

41

en onze feilen evenals ieder ander, wij hebben gezondigd dat is ook niet wij hebben dingen gedaan die wij liever hadden moeten laten, of wij hebben dingen gelaten die we liever hadden moeten doen. Wij hebben gezondigd dat wil niet zeggen we hebben tekortkomingen gehad, want wie tekort komt heeft nog iets, maar de zondaar heeft niets, hij komt alles tekort. Wij hebben gezondigd! o als het tot die belijdenis komt, dan willen we geen zachter woorden zoeken, dan willen we onze schuld niet verkleinen, ook niet bedekken maar openbaren voor God met diep berouw en smart. W7ij hebben gezondigd, dat is we hebben God met ondank beloond. Wij hebben gezondigd onwetend soms, het wel wetend vaak, tegen beter weten zelfs in. We hebben in de zonde geleefd als de visch in het water, maar waar we eerst in hebben geleefd dat wordt ons later de dood, even als het water voor de muggen, eerst leefden ze er in, en kunnen tot hooger leven gekomen er niet anders in dan sterven. — Wij hebben gezondigd. O God alleen weet wat ellende er ligt in dat enkele woord, want dat woord is een hel voor onze zielen. Wij hebben gezondigd mogelijk opgevoed door vrome ouders, maar moeders gebed en vaders vermaningen vergetend, verdartelend, bespottend. Wij hebben gezondigd, uit zwakheid, toegevende aan verleiding, maar o zoo vaak uit moedwil, niet verleid, maar anderen verleidend, wij hebben gezondigd terwijl het hart ons klopte, terwijl het geweten sprak. Wij hebben gezondigd met Gods wet voor oogen. Terwijl we het Evangelie hoorden, Gods roepstemmen vernamen, maar de stem van het geweten werd versmoord, het woord van God vergeten en versmaad.

ocr page 52

42

O God alleen kent al onze zonden, wier namen we niet allen kunnen noemen, waarover we nu ons schamen voor God en menschen. Waarheen; o waarheen? als er geen vergeving was bij God in Jezus dierbaar bloed bleef er niets over dan een hitte des vuurs om den tegenstander te verteeren. En nu spreken we nog niet eens over onze gedachten. Ook daarin hebben we gezondigd. Welk een zee van gedachten kan er gaan door ons hoofd en door ons hart. Wij letten vaak niet op onze gedachten maar God kent ze allen en zal ook onze gedachten oordeelen indien al niet hier, dan toch ten jongsten dage.

Daarom zegt Jesaja: De goddelooze verlate zijnen weg, en de ongerechtige man zijne gedachten, en hij bekeere zich tot den Heer, zoo zal Hij zich zijner ontfermen en tot onzen God want Hij vergeeft menigvuldiglijk.

De zondige gedachten zijn de zaden waar de zondige werken en woorden uit opschieten, trap ze daarom stuk als basiliskus-eieren en slangengebroedsel want ze zijn het, niet anders. De gedachten zijn bij God niet tolvrij. Gods woord is een oordeelaar der gedachten en der overleggingen des harten. Welk een hel kan er in ons hart wonen het is Gode geheel bekend. Moeten we ons reeds schamen over onze woorden en werken, hoe zouden we ons wegschamen over onze gedachten. Hoe verachten we soms ons zeiven om de gedachten die in ons omgaan, en hoe zou de wereld ons verachten als ze in ons hart lezen kon.

En toch. God kan het, en als wij ook met onze gedachten ernst gaan maken dan is dat wel een bijzonder bewijs dat God ons levend heeft gemaakt. Bij het inzien van eigen schuld en ellende komt de mensch tot onvrede

ocr page 53

43

met zich zelven, want in den spiegel der wet ziet hij de heiligheid Gods die zijne onheiligheid in het licht stelt. En aan het kruis van Golgotha ziet hij de rechtvaardigheid Gods, die de zonde niet ongestraft kan laten, ja die zoo verschrikkelijk toornt beide over de aangeborene en werkelijke zonden, dat Hij die, eer Hij ze ongestraft liet blijven, met den bitteren dood des kruises aan Zijnen lieven zoon Jezus Christus gestraft heeft. Zoo wordt bij het inzien van onze schuld en zonde elke brave Hendrik een zondaar in eigen oog en schatting, en de Parizeer wordt een arme tollenaar met het: o God wees mij armen zondaar genadig op de lippen. Want zóó alleen kan hij gerechtvaardigd naar huis gaan. In de diepste diepte van het menschenhart ligt nog de behoefte aan God, en die behoefte door den Heiligen Geest levend gemaakt openbaart zich in het gebed, eerst stamelend, straks dringend, eindelijk worstelend als Jacob aan den Jabbok: Heere ik laat u niet gaan tenzij Gij mij zegent. Elk mensch heeft behoefte aan gemeenschap, en alleen de gemeenschap met God kan die behoefte voldoen, want in Gods gemeenschap is vrede en buiten Hem eeuwige onrust. Al schonk God ons nog zooveel gaven we zouden geen rust hebben voor God ons Zich zelven schenkt gansch en al. Dan maar niet eer leven we door den Geest. Die door den Geest leven hebben een open oor voor Gods woord dat tot hen komt in de schepping, in de Heilige Schrift, in de geschiedenis der wereld ja in elk leven en lot, want God predikt door feiten, en elk leven en lot zijn woorden der groote openbaring. Die door den Geest leven hebben niet alleen een open oor voor Gods woord, maar ook een open oog voor Gods

ocr page 54

44

hand, en inzonderheid een open hart voor Goddelijke invloeden, voor al wat goed is en schoon, maar ook voor al wat lijdt en dwaalt. De mensch die door het geloof leeft, door den Heiligen gewerkt, leeft met het groote geheel waarin die Geest woont, dat is de gemeente, en met het groote geheel waaraan die Geest werkt, dat is de wereld; en daarom weet Hij wat het zegt: Als een iid lijdt dan lijden alle leden mede. Hij reikt gaarne den dwalenden broeder de hand en verstoot hem niet, maar gaat hem te gemoet, hij veracht hem niet, maar neemt hem aan, en leidt hem tot Christus en rust niet voor hij den afgedwaalde geborgen weet aan het hart van God. Maar inzonderheid heeft de mensch die door den Geest leeft een open mond om Gods deugden, Gods woord, Gods wegen, Gods werken, Gods liefde en trouw, Gods onbegrijpelijke goedheid te verkondigen. O laat ons toch veel goeds van God zeggen want we prijzen Hem in eeuwigheid niet genoeg. Zijn woord is eene onuitputtelijke bronwel van leering en vertroosting, vermaning en terechtwijzing, een altijddurend onderwerp voor geestelijke samen-spreking. Gods wegen zijn wonderbaar en altijd paden der liefelijkheid en des vredes, als we het Lam slechts volgen waar het ook heen gaat. Gods werken zijn wonderbaar in natuur en in genade, en wie zal Gods liefde uitspreken. Zé is hooger dan de hemelen, dieper dan de zee, breeder dan het heelal en oneindig als de eeuwigheid, zij gaat onze kennis te boven.

De liefde Gods is een rivier waar het lammetje in kan baden en waar de grootste geleerde de diepte niet van weet te peilen. Gods liefde is groot. Zijn trouw is groot. Zijne barmhartigheden zijn eiken morgen nieuw, en Zijne

ocr page 55

45

goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid. Zalig driewerf zalig de mensch die leven mag door den Geest, en die al deze dingen bij ervaring mag kennen.

Indien wij door den Geest leven laat ons dan ook door den Geest wandelen. Wat is dat door den Geest te wandelen? Het is te wandelen in de liefde, het is te wandelen door het geloof, het is als Henoch te wandelen met God. Het is, als Abraham te wandelen voor Gods aangezicht in oprechtheid des harten. Te wandelen als David in Gods geboden, als Jozua te wandelen in den weg dien God ons wijst, het is het Lam te volgen waar het ook heengaat; Godzalig te wandelen, zondergeldgierigheid, zonder aanstoot of ergernis, en in alles eerlijk te wandelen.

Ja het wandelen door den Geest is eigenlijk, zóó te wandelen als Jezus Christus gewandeld heeft. O mijne Broeders 1 wien slaat bij dit woord niet de schrik om het hart, wie moet zich niet diep verootmoedigen? hoe dikwijls is onze wandel niet voorbeeldig, maar juist het tegenovergestelde, zoodat God de Heer zich over ons bedroeven moet, en wij wellicht harten die ons liefhebben tranen kosten. O laat ons dit in ootmoed voor God belijden en Hem smeeken om genade om niet alleen door den Geest te leven, maar ook door den Geest te wandelen. Tot dien wandel door den Geest behoort óók dat wij niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.

Laat het mij met een voorbeeld u duidelijk mogen maken. Er stonden in zekere stad twee leeraars. De eene was beroemd geworden door zijne buitengewone gave en talenten in de prediking van het Evangelie. Hij was een

ocr page 56

46

redenaar zoo als er zeer zelden gevonden wordt. Tegenover hem stond als collega een innig vroom man, maar wiens welsprekendheid veel te wenschen overliet. Toch diende hij zijnen Heer in getrouwheid des harten, en God stelde hem tot een zegen. Op een Zondagmorgen zat deze leeraar na gepredikt te hebben een oogenblik stil in het prieel aan het einde van zijn tuin, en viel in een lichte sluimering; maar in die sluimering droomde hij, dat zijn zoo beroemde collega den tuin in, en midden door den tuin naar het prieel kwam wandelen, tot dat hij eindelijk doodsbleek en stil vlak voor het prieel stond. Mijn waarde Broeder zegt de leeraar wat ziet gij Bleek, wat scheelt u, en wat is het doel van uw komst?

En hij ontvangt ten antwoord: dat ik bleek ben is geen wonder want ik ben zoo even gestorven, en wat erger is, ik ben voor eeuwig verloren; rechtvaardig is mijne verdoemenis, want ik heb de eer der menschen gezocht en niet de eer van God. Toen verdween hij.

De Leeraar ontwaakte, een kille huivering liep hem door de leden van ontroering; hij stond op en ging zich gereed maken om naar de kerk te gaan voor den middag-dienst. Onderweg hield hem een der ouderlingen staande en vroeg: Domine' weet U welk een ontzettende slag de gemeente getroffen heeft ? welke slag vraagt de Leeraar ? Och uw collega is daar zoo plotseling de eeuwigheid in gegaan. De grootste ontroering maakte zich van den Leeraar meester toen hij dacht aan zijn droom.

En ontroert ook gij bij dit verhaal ? keer dan in, o laat ons te zamen tot ons zeiven inkeeren, want God zal Zijn eer aan geen anderen geven.

Wat niet Gods eer bedoelt maar onze eigene eer is

ocr page 57

47

ijdel, hoe goed en hoe Christelijk het ook schijnen moge. God ziet door de oppervlakte heen. Wij kunnen elk op zijne wijze zoekers zijn van ijdele eer, en dat behoort niet bij den wandel door den Geest. — En dan, laat ons elkander niet tergen, wij doen dat zoo licht, en het is toch zoo vreeselijk voor hem die dat moet verdragen.

Ouders mogen ook hunne kinderen niet tergen, indien dit niet geschiedde zou Gods woord er niet voor waarschuwen. Tergt uwe kinderen niet en verwekt hen niet tot toorn zegt de schrift. Wat is het ondragelijk vooreen kind altijd door verboden te worden; zich alles ontnomen te zien; geplaagd te worden dan door dezen dan door dien. Ach tergen bederft het karakter, tergen is vaak een doode-lijk wapen tienmaal erger dan de giftigste dolk. Het vreeselijkste middel om iemand te dooden is dat, waar men hem mede dood martelt. Die door den Geest leven moeten anderen niet tergen, en dan ook niet elkander benijden. Laat ons den koning zijn kroon niet benijden, want kronen wegen zwaar. Gekroonde hoofden zijn doorluchtige hoogheden, ze kunnen niets doen, nergens gaan, niets genieten of het geheele land weet het, benijd hen maar niet. Benijd geen machten en overheden. Benijd de rijken dezer wereld niet, want aan hoogheid rijkdom en eer zijn kruis en lijden verbonden, zwaarder als onze schouders zouden kunnen torschen.

Benijd uwe leeraren niet, benijd de mannen der wetenschap niet, noch der kunst. Elk huis heeft zijn kruis, iedere taak heeft zijn moeite, elk ambt heeft zijn bezwaren en moeielijklieden.

Benijd elkander niet, voor hem dien men benijdt is het smart dit te bemerken, en voor den benijder is het woord

ocr page 58

48

van Salomo waar: Nijd is verrotting der beenderen. Erger schade kan men zich zeiven niet toebrengen want dan is de vrede des harten verwoest. Laat ons dan toch ons zeiven geen kwaad doen door anderen te benijden. Laat ons nog eenmaal dezen tekst lezen en God genade vragen om denzelven te verstaan en te beleven, Zijn naam tot eer, ons zeiven en anderen tot heil en zaligheid:

Indien wij door den Geest leven laat ons dan ook door den Geest wandelen, laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende. Daartoe helpe ons de barmhartige God en Vader genadig om Jezus Christus wille.

Amen.

ocr page 59

Effatha! dat is word geopend!

mark. 7 ; 34(5.

In de landpalen van Tyrus en Sydon heeft de Heiland het geloof bekroond eener moeder die hem smeekte om genezing voor haar kind; maar voor dat geloof bekroond kon worden had de moeder een les moeten leeren waaruit ook voor ons iets te leeren valt. De Heer was in een huis gegaan en wilde niet dat iemand het wist, toch kon Hij niet verborgen blijven; en zoo is het nog nu. De liefde blijft toch nooit verborgen, het licht wordt steeds gezien; als de luiken gesloten zijn schijnt het licht nog door de kieren. Waar Christus ook inkeert het wordt steeds openbaar. Een vrouw welker dochtertje een onrei-nen geest had, dus waarschijnlijk van den duivel van den vleeschelijken lust was bezeten; had van Hem gehoord, en kwam nu tot Hem, en viel neder aan zijne voeten. Volgens het Evangelie van Matheus, Hoofdstuk 15: 22 noemde deze vrouw den Heiland: Heere gij zone Davids, en zij was een Heidin. Zij kende den Heer niet als de

4

ocr page 60

50

zone Davids en de Heer antwoordt haar dan ook niet een enkel woord. Hij wilde haar gaarne helpen maar kon het niet voor deze vrouw op hare plaats gebracht was. De Heer is niet gesteld op plichtplegingen nog op mooie woorden en schoone namen die wij van anderen gehoord hebben, en nu gebruiken zonder er den zin van te verstaan. Wat baat het u of gij al roept met luider stem; O eenige en drieeenige algenoegzame verbonds-God, zoolang gij Zijne algenoegzaamheid nog niet kent noch erkent, en volstrekt Hem nog niet als verbonds-God hebt leeren kennen, dan wordt uw gebed tot een leugen en de verhooring wordt door u zelf den Heere God onmogelijk gemaakt.

De vrouw komt ten tweeden male en nu zonder mooie woorden en bidt zeer eenvoudig : Heere help mij 1 ook de Discipelen zeggen; Heere laat haar van u want zij roept ons na. En de Heer laat nu Zijne stem hooren, maar kan de vrouw nog niet verhooren. Zij moet weten dat zij als heidin geen recht heeft op het erfdeel van Israël, daarom zegt de Heer tot zijne jongeren zoodat de vrouw het kan hooren: »Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israels; en tot de vrouw zegt Hij: het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen. Nu een goede verstaander heeft maar een half woord noodig. Deze vrouw heeft niet noodig dat de Heer haar zegt: Gij zij een Kanaanieti-sche, een vrouw uit het geslacht waar de vloek op rust van Noach's tijd af. O neen dat is niet noodig, zij heeft het al gevoeld, en het is waarheid; daarom wil zij het gaarne erkennen dat zij niet behoort tot het uitverkoren volk, dat God is heengegaan zich zelf tot een volk te

ocr page 61

51

verlossen. Neen zij behoort niet tot Abrahams zaad, tot Mozes discipelinnen; Zij heeft geen kennis aan den God des verbonds, zij behoort tot de Gojims, tot de honden; zij heeft geen deel of erve in Israël.

Maar als hondekens onder de tafel mogen komen om de kruimkens die de kinderen laten vallen op te eten, o laat zij dan maar zulk een hondeke wezen als haar kind maar gered worden mag; en dat Jezus haar kind kan redden en genezen dat gelooft zij, want daartoe heeft zij genoeg van Hem gehoord. Dat geloof wordt niet beschaamd. Ook in de heidensche vrouw is dat geloof Christus aangenaam. En nu klinkt het zoo vriendelijk van Zijne lippen: om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uwe dochter gevaren; of volgens een ander Evangelie: O vrouw groot is uw geloof u geschiede gelijk gij wilt. En toen de vrouw in haar huis kwam, vond zij dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op bed, genezen van die ure af aan. Die genezing was dus geschied onmiddellijk alleen op het woord van den Heer. Maar als de Heer terug keerde midden door Decapolis, naar de Zee van Galilea, werd in het land der tien steden tot Hem gebracht, en ook door Hem genezen, een man die doof was, en bezwaarlijk sprak; en die genezing geschiedde niet onmiddellijk, integendeel. Marcus deelt ons mede een wonderbare genezing, door een wonderbaar middel, en door een wonderbaar woord. —

Laat aan het een en ander uwe aandacht gewijd zijn, en moge God ons zegenen in spreken en hooren.

De lieden van Decapolis brachten tot Christus een ongelukkig mensch, een man die doof was en bezwaarlijk sprak, dus een man die bijna doofstom was. Welk een

ocr page 62

52

ellende is de doofheid reeds. Niet dan met de grootste moeite te kunnen hooren wat onze huisgenooten zeggen, waarvan het dikwijls misverstaan het lastig en treurig gevolg reeds is. Dan de ellende om niet meer te kunnen hooren de prediking van Gods woord en Evangelie, het gebed van den Leeraar; het gezang der gemeente, ook al tracht men met het lied der gemeente in te stemmen. Niet meer te kunnen hooren het getik van uw huisklok het gezang van uw vogeltje; niet meer te kunnen genieten van de Muziek, en zoo menige zanguitvoering te moeten prijs geven; evenals zoomenige wetenschappelijke of Godsdienstige voordracht waar uitnemende mannen ons in de lange winteravonden op onthalen.

En in de lieve Lente niet te kunnen hooren het suizen van het westenwindje door de ritselende bladeren, het kabbelen der beken, het lied der vogelen; gesloten, in één woord gesloten te zijn voor al de stemmen die door de schepping tot ons komen. Maar dan bij doofheid nog bezwaarlijk te spreken; Zie deze ellende is zóó groot dat de mannen van Decapolis zich over zulk een ongelukkige ontfermden en hem tot Jezus brachten met de bede om genezing. Maar wij moeten op hunne bede letten. Zij baden dat de Heiland de hand op dezen man zou leggen en hem alzoo genezen. Zij schrijven den Heer dus voor hoe zij willen dat Hij dezen man genezen zal. Wat dwaasheid! De Heer laat zich de wet niet voorschrijven ook niet in de verhooring des gebeds. Hij zal dezen man wel genezen maar zooals Hij dat wil; Hij neemt den ongelukkige nu mede buiten de schare alleen, dadr steekt Hij hem de vingeren in zijne ooren, en raakt metquot; speeksel de tong van dezen man aan. Terwijl de Heer dit deed zag

ocr page 63

53

Hij op naar den Hemel en zuchte, daarna zeide Hij tot den ongelukkige: Effatha, dat is wordt geopend. En terstond werden 's mans ooren geopend, hij kon hooren; de band zijner tong werd los, hij kon spreken, even goed spreken als ieder ander mensch. Wat wonderbare genezing niet waar? Wat vreugde voor den genezenen maar ook voor degenen die hem tot Jezus hebben gebracht. Het is geen wonder dat zij dit wonder verkondigde, ja alom verkondigde, hoewel de Heer het hun verboden had.

En wat wonderbaar middel heeft tot deze genezing gediend.

Het is de aanraking van de ooren des mans, en de aanraking van zijne tong door den Heiland; maar in die aanraking zit dan ook de redding verborgen. Zoovelen die hem aanraakten werden gezond van wat krankheid zij ook bevangen waren. Eenvoudig moge het middel schijnen maar het is zoo eenvoudig niet. Om dezen man te genezen heeft Jezus moeten zuchten. Hij heeft die krankheid ook op zich genomen en gedragen ; Hij heeft zich in de plaats van dien ongelukkige gesteld, als 't ware zijne ellende gevoeld. De man werd aangeraakt met iets van Jezus leven. En de Heer zag daarbij op naar boven, van den Vader wachtte Hij hulp, en Zijn geloof werd niet beschaamd gemaakt. Hij heeft gezucht opdat de ongelukkige straks zou kunnen zingen.

Na opzien, en zuchten tot God spreekt Hij in het geloof aan 's Vaders macht en liefde e'n trouw Zijn goddelijk Effatha! Het wonder is groot, het middel is eenvoudig, en de menschen zijn vol verwondering. Hier is nu eens geen vijandschap, maar het verhoogd gevoel ver-

ocr page 64

54

heerlijkt Gods daden. De nu genezen man was vóór het oogenblik dat Jezus hand hem aanraakte ellendig, en de aanraking van Jezus was noodig om die ellende in vreugde te veranderen. Die mensch was een type van de mensch-heid in het algemeen, ook in het doof en stom zijn voorzoover het Gods woord en Gods lof betreft. De ellende der menschheid heeft Christus vele zuchten gekost. Hij heeft vaak gezucht over onze zonden, Hij heeft vele zuchten met sterke roepingen en tranen Gode opgeofferd voor onze zonden verzoend waren, de Satan uitgeworpen was, en de menschheid weder het Goddelijk Effatha! kon hooren. Maar de zuchten van Jezus worden veranderd in vroolijke lofzangen der bevrijding straks aangeheven door de verloste Creatuur.

Het doel Gods in schepping, verlossing en voleinding is de verwondering, die in haar diepsten grond verheerlijking Gods is, zich uitsprekende in het woord; Hij heeft alles welgedaan, want Hij maakt dat de dooven hooren en de stommen spreken. Hij heeft alles welgedaan, in de genezing van kranken, het helpen van ellendigen, het reinigen van melaatschen, het opwekken van dooden. Zoo maakt Hij nog alles wel in ons leven en lot, in den weg onzer bekeering in het zalig afsterven der zijnen, in de vreugde der hemellingen, in de opstanding der rechtvaardigen.

En als op de nieuwe aarde God alles in allen geworden is, dan zal het woord der aanbiddende verwondering tot een eeuwigdurenden lofzang worden; Halleluja Hij heeft alles welgemaakt en Zijn goddelijk Effatha gesproken! — Was de genezing van dezen man wonderbaar; was het middel tot zijne genezing wonderbaar, niet minder

ocr page 65

55

wonderbaar is het woord door Jezus gesproken: Effatha! dat is: wordt geopend! Het kruis van Jezus Christus is de sleutel tot al de schatkameren Gods; en dat kruis verkondigt aan al de verbaasde eeuwen dat God liefde is; die liefde wordt aan het kruis ontsluierd. Op Golgotha zien wij het Lam staande als geslacht, evenals Johannes op Patmos het geslachte Lam aanschouwde in het midden van Gods troon, en van de vier dieren, en in het midden van de vier en twintig ouderlingen. Hij zag in de rechterhand van Hem die op den troon zit een boek met zeven zegelen, wellicht zeven perkamenten rollen in elkander en aan de buitenzijde allen verzegeld aan de uiteinden. Niemand in den Hemel noch op de aarde was in staat dat boek te lezen en daartoe de zeven zegelen open te breken. De ziener weende omdat niemand daartoe waardig of bij machte was; maar e'én uit de ouderlingen, een der vertegenwoordigers van het volk Gods van alle tijden en plaatsen kwam tot Hem en zeide: »Weenniet,quot; zie de Leeuw die uit den stam van Juda is, de wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen en zijne zeven zegelen open te breken. De Leeuw uit Juda's stam die overwonnen heeft is het Lam dat geslacht is. En dat Lam heeft overwonnen om het boek te openen. Dat Lam heeft dan ook zeven hoornen, dat is, het heeft alle macht in Hemel en op aarde. Dat Lam heeft zeven oogen, dat is, het ziet en weet alle dingen. Dat Lam is gekomen en heeft het boek genomen en zijne zegelen geopend, en scheppingsrijk, geestenrijk en Godsrijk juichen : Gij zijt waardig het boek te nemen en zijne zegelen open te breken, want gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met uw bloed.

ocr page 66

56

Het geslachte Lam is Christus; die op den troon zit is God; maar wat is het boek of welke zijn de boeken die met zeven zegelen zijn verzegeld en alleen door het geslachte Lam kunnen worden geopend? Zie hier naar onze gedachte het antwoord op die vraag: Er zijn in Gods groote schepping sluimerende verborgenheden; maar het Eeuwige Woord spreekt zijn Goddelijk Effatha, en het zegel breekt. Op hetzelfde oogenblik spreekt de menschheid van ontdekkingen en uitvindingen, maar men ontdekt slechts wat daar lag, men vindt slechts uit wat tot nu toe was verborgen. Dat is het eerste boek hetwelk geopend wordt, zie slechts in Genesis 4; 20—22.

Zoo opent Jezus Christus eveneens het boek der schepping in deszelfs Godspraken en Sijmbolen.

Hij hoort de schepping orakels spreken,

Die zij in teeken en beeld verborg:

Hem brengt elk muschje en iedre lelie Het Evangelie van 's Vaders zorg.

En heerde en herder, en brood en bronne

De morgenzonne, en 't groene kruid, Hem drukken ze allen een hooger waarheid Vol diepte en klaarheid, verzinnelijkt uit.

Het zegel is gebroken, het boek is ontsloten en de schepping is ons leesbaar geworden, waarin alle schepselen groote en kleine als letteren zijn die ons spreken van Gods mogendheid trouw en liefde. De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloedig spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap; Geen spraak

ocr page 67

57

nog geen woorden zijn er waar hare stem niet wordt gehoord, want haar richtsnoer gaat uit over de gansche aarde, en hare redenen zijn aan het einde der wereld.

Want het schepsel al te maal

Houdt niet op zijn God te roemen,

Ieder in zijn eigen taal

Wil den naam des scheppers noemen.

Lente schrijft hem op de bloemen Met een gouden zonnestraal;

Zomer kranst hem met festoenen.

Vol van blozend' overvloed;

En als knop noch bot meer groenen Weeft de winter voor uw voet In zijn sneeuwkleed: »God is goed!quot;

Het geslachte Lam spreekt zijn goddelijk Effatha, en het zegel breekt, het boek der geschiedenis met zijne verbijsterende raadselen ligt leesbaar voor ons ontsloten, en wij zien, dat Jezus Christus zelf van die geschiedenis het middenpunt is. Op Hem hebben de eeuwen gewacht op Zijn geboorte blijven de eeuwen staren, en de jaren worden naar Zijne komst genoemd, tot dat Hij weder zal komen. Maar Hij is niet alleen het middenpunt der geschiedenis, Hij is er ook de grond van; Hij die het begin is der schepping Gods, de eerstelling aller Creaturen. Ja Jezus Christus is de groote inhoud der geschiedenis, en daarom is Hij alleen de verklaring er van. Denk u Jezus Christus weg uit de geschiedenis der menschheid, en die geschiedenis wordt een Chaos, een verbijsterend raadsel, maar dat raadsel wordt opgelost bij het kruis.

Bij den Gekruiste verstaan wij het woord van den

ocr page 68

58

Psalmdichter: In uw licht zien wij het licht. Door het kruis van Christus wordt het licht achter ons, voor ons, in ons, rondom ons, en eenmaal boven ons. Elke geschiedenis der volken, zoowel als van ons leven en lot zal eenmaal van het kruis uit verklaard worden.

Jezus Christus spreekt zijn goddelijk Effatha! het zegel breekt, en het boek wordt geopend der Sijmbolen en der gansche schaduwdienst van Israël. Het blijkt op elke bladzijde, in elke levensgeschiedenis, in iederen Psalm, in elke Profetie, in elke wet, in iedere Ceremonie dat geheel het oude verbond van het begin tot het einde Messiaansch is, het verwondert ons niet dat de nu zalige Da Costa toen hij zijn Messias vond heeft gezongen in zijn onvergelijkelijk gedicht »God met onsquot;:

Ik zag Hem geschaduwd op Zions altaren,

In offer en wetboek van Horebs verbond!

Ik zag Hem, den Godmensch die 't al moest verklaren, Door Israels zienders aan 't aardrijk verkond !

Ik zag Hem, den wortel van Davids geslachte,

Zijn Heer en Zijn Koning en tevens zijn Zoon.

Den God van den Hemel, d' op aarde verachte. Geheiligd, verheerlijkt door lijden en hoon.

Mensch met ons geworden voor menschen behoefte. Voor mijne overtreding tot zonde gemaakt.

Geslagen, gesmaad door dolzinnig geboefte.

Aan 't vloekhout doorboord, van God zeiven verzaakt.

Jezus Christus spreekt zijn goddelijk Effatha! het zegel breekt, en het boek van Gods genadige voorzienigheid ligt open. Wij zien hoe er een almachtige en alomtegen-

ocr page 69

59

woordige kracht rondwandelt door Gods heiligdom, waardoor Hij Hemel en aarde en alle schepselen als met Zijne hand onderhoudt; en zoo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle dingen niet bij geval, maar van Zijn Vaderhand ons toekomen. Er gaat geen Jozef naar Egypte of het is om een groot volk in het leven te houden. Geen Mozes wordt aan den Nijl toevertrouwd of het is opdat een Thar-mutis hem zal vinden. Geen Christus sterft aan het vloekhout of het is om God te verzoenen met de wereld, de wereld met God, en het hout van vloek wordt tot eenen eeuwigen zegen.

Boven de wentelende raderen der wereldrijken staat het eeuwigblijvend Koninkrijk, en aan de komst van dat rijk moet alles bevorderlijk wezen. Israël moet in Egypte tot een volk worden, daar blijkt het dat de palmen groeien onder het gewicht. In de woestijn moet het worden bekwaam gemaakt voor eigen staatsbestuur en in het bezit komen van een wetboek zooals de wereld geen tweede kan toonen. In Babel moet het voor goed van afgoderij worden genezen, en Cores is Gods knecht even als in lateren tijd Keizer Augustus, wiens volkstelling de oorzaak wordt dat de kribbe te Betlehem voor het oog van alle volgende eeuwen verrijst. Zoo in vroeger tijd, maar zoo ook in de onze. Sultan Abdul Azis bezocht in 1867 Parijs en hoorde van Napoleon dat Keizerin Eugenie naar Jeruzalem wilde gaan ; dat was de aanleiding tot den aanleg in 1868 van den nieuwen weg naar Jeruzalem, waarlangs wellicht spoedig per spoor Joden en Christenen zullen opgaan om het loofhuttenfeest te Jeruzalem te

ocr page 70

60

vieren, volgens Zacharia's profetie, die hare vervulling verwacht. —

Jezus Christus spreekt zijn goddelijk Effatha! het zegel breekt, en het boek van Gods eeuwige raadsbesluiten ligt voor ons open. Met den Psalmdichter roepen we uit; hoe kostelijk zijn mij o God uwe gedachten! Want schepping, onderhouding, roeping, rechtvaardigmaking, heiliging, zaligheid en verheerlijking, het ligt alles in Gods besluit; en Hij werkt alle dingen naar den raad van Zijnen wil. Die raad bestaat en Hij doet al Zijn welbehagen, en alle dingen moeten dienen tot de eere van Zijn naam die nooit genoeg wordt geprezen. Uit alle geslachten der aarde verkiest God Abraham en zijn nakroost om een licht te zijn voor de volken, een zegen voor de wereld; aan dat volk worden de woorden Gods toebetrouwd, tot het vleeschgeworden Woord komt. Maar als het volk der verkiezing zijn roeping niet verstaat, maar zijn Koning verwerpende zich zeiven onteert, onthoofd, ontzielt, dan gaat het als natie onder. De val van Israël is de zaligheid der heidenen geworden om hen tot jaloerschheid te verwekken. En indien nu hun val de rijkdom is der wereld, en hunne vermindering de rijkdom der heidenen, wat zal dan eenmaal hunne aanneming anders zijn dan het leven uit de dooden voor de wereld ? De verharding is voor een deel over Israël gekomen tot dat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn, maar dan zal ook geheel Israël zalig worden. Zij zijn evenals wij eertijds ongehoorzaam geweest; en is ons nu barmhartigheid geschied, het is opdat nu Israël door onze barmhartigheid ook barmhartigheid zou verkrijgen. God heeft ze allen onder de ongehoorzaamheid

ocr page 71

61

besloten, opdat Hij hun allen barmhartig zou zijn en opdat Hij voor eeuwig hunne zonden zou wegnemen.

O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der ken-nisse Gods! hoe óndoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen en hoe onnaspeurlijk Zijne wegen. Het verworpen Israël wordt weder aangenomen, zal naar zijn land wederkeeren, stad en tempel herbouwen, en Jeruzalem zal worden het middenpunt eener nieuwere wereldgeschiedenis, een lastige steen voor alle volken. De schatten van het Westen gaan naar het Oosten. Wetenschappen en kunsten zullen dienstbaar zijn aan Jeruzalems heil; van Zion zal de wet uitgaan, en het Koningsvolk wordt als zendingsvolk een zegen voor de gansche aarde. De kennis des Heeren zal de aarde bedekken gelijk de wateren den bodem van den Oceaan.

Nog eenmaal zal het geslachte Lam zijn goddelijk Ef-fatha spreken. Het is aan het einde der tijden, het is in den grooten dag die komt.

Alle volken zullen voor zijn richtstoel staan en de boeken zullen worden geopend. Elk leven en lot wordt ontsluierd, alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen Desgenen met wien wij te doen hebben; wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus opdat een eigenlijk wegdrage naar hetgeen hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Dan zal nog eenmaal het zegel breken, dan zal nog eenmaal een ander boek worden geopend, het boek des levens: en zoo iemand niet gevonden wordt geschreven in het boek des levens, die wordt geworpen in den poel des vuurs. En nu komt het er niet op aan of wij bekend zijn met de sluimerende verborgenheden in de schepping; het komt er niet op aan of wij het boek der

ocr page 72

52

schepping in zijne godspraken en orakelen kunnen lezen. Het komt er voor de eeuwigheid niet op aan of wij het sterrenschrift kunnen ontcijferen, of wij het hallel der sfeeren vernemen, of wij een oor hebben om de stroomen vroolijk te hooren zingen of de boomen des wouds de handen te hooren samenklappen; het komt er niet op aan of wij het kabbelen der beek, de psalmen door den oceaan gespeeld, of het lied der vogelen kunnen verstaan en begrijpen. Het komt er niet op aan of gij een Historicus zijt of niet, of gij thuis zijt in het aanschouwelijk onderwijs van Israël; Het komt er niet op aan of gij veel over Gods genade en voorzienigheid kunt spreken, en of gij zoo thuis zijt in de raadsbesluiten Gods alsof gij op Gods troon had gezeten om dat boek te doorbladeren en te bestudeeren, het komt er niet op aan of gij zeer rechtzinnig zijt in de leer, maar wel, en wel allermeest of gij rechtzinnig zijt in uw leven. Hier komt het op aan, of gij zeker weet dat uw naam staat geschreven in het boek des levens. Kan ik dat weten? vraagt gij. Wel zeker kunt gij dat. De Heiland zeide tot zijne jongeren toen zij terugkwamen van hunne zendingsreize; Verheugt u niet daarover dat de duivelen u onderworpen waren, maar verblijdt u hierover dat uwe namen geschreven staan in het boek des levens. En Hij die zijne jongeren daarvan verzekerde wil er ook u de verzekering van geven. Dan vreest gij niet meer voor het Effatha des rechters, want gij ziet in Hem uw redder, en eeuwig klinkt uw lied voor den troon; Hij heeft alles welgedaan, en ook mij zijn goddelijk Effatha doen hooren,

Halleluja! Amen.

ocr page 73

Het leven is geopenbaard.

1 Jon. 1 ; 2a.

God is het leven zelf, en omdat Hij het leven is moet Hij zich openbaren; en opdat Hij zich zou kunnen openbaren schiep Hij; dat is, Hij deed wezens worden en levens rijpen, die iets van Zijn wil begrijpen en die Hem minnen bovenal.

Dat zijn in den Hemel der heerlijkheid de Engelen en Aartsengelen, de Serafs en Cherubs, de machten en overheden. In hunne namen wordt hun wezen of werkzaamheid geopenbaard; en zij werden geschapen om bij Gods verdere werken Gods lofredenaaars te wezen; want toen de aarde op hare grondvesten nederzonk juichten de kinderen Gods. Zoo schiep God eerst den Hemel en deszelfs bewoners, en daarna schiep Hij de aarde en wat daar in is.

De diepten der aarde en de afgronden der zee zijn door God gesteld tot Zijne schatkameren. Want uit haar zalen rolt de Oceaan haar bloedkoralen en parels aan,

ocr page 74

64

en de aarde ontsluit hare zoutgroeven, tin en steenkolenmijnen, hare goud en diamantvelden en al wat verder tot het delfstoffenrijk behoort; en uit de duistere diepte stroomt de verlichting uwer feestzalen te voorschijn. God heeft Zich geopenbaard als het leven, Die leven heeft en leven geeft. Het leven is geopenbaard in zijn schoonheid in gras en kruiden, bloemen en planten, heesters en gewassen en al de boomen des wouds, waarin de eeuwige schoonheid op aarde afgespiegeld wordt. Het leven is geopenbaard, en het schubbig volk doorklieft de wateren, en de vogel doorklieft de lucht, en het stofje dansende in den zonnestraal, en de waterdruppel aan uw dakgoot het is alles met leven vervuld, ook al ontsnappen de vormen aan het ongewapend oog.

Het leven is geopenbaard en de worm doorkrielt de aarde, en de eekhoorn klimt langs de takken, waaraan het menschelijk spotbeeld hangt te schommelen in de wouden die weergalmen van het klaaggeluid der Heyena, óf den zegeschreeuw van den Koning der dieren.

Het leven is geopenbaard en de kroon van alle levens is de mensch van Gods geslacht. Hij is drager van Gods beeld, samenvatting van alle levens, vertegenwoordiger Gods in de schepping, vertegenwoordiger der schepping voor God.

Onder God gelukkig wordt de greep naar den kennisboom zijne ellende, en vallende als hoofd, sleept hij de gansche schepping mede in zijn vaart; en de hel komt op aarde, waar het Hemel had moeten worden, als het leven uit het midden van den hof had kunnen doorwerken tot de verste einden der schepping, en tot aan het einde der tijden. Maar de zonde kwam in de wereld

ocr page 75

65

en voleindigd zijnde baarde zij den dood; dien Koning der verschrikking die tot alle menschen is doorgegaan, óók tot degenen die niet hadden gezondigd in degelijkheid van den zondigen Adam. Dat zijn onze kleine kinderen, die sterven zonder de zonden te hebben gekend, en die alleen geboren moesten worden om te kunnen zalig worden.

De zonde deed den vademaam verstommen op de lippen van het kind, dat van nu aan vreesde als een knecht voor zijn meester, beschuldigd in het geweten, en gebukt onder den zondelast, totdat Hij kwam die ons weder leerde bidden: Onze Vader die in de Hemelen zijt.

Van hem is het vooral dat Johannes dit tekstwoord bezigt: Het leven is geopenbaard. Zien we in de schepping de Mysterie van het leven in zijn aanvang, in Christus zien we de ontluiking, en Hij zal dat leven brengen tot de volle ontplooiing als al het oude voorbij zal zijn gegaan. O heerlijk Evangelie in deze wereld vol zonde en dood: Het leven is geopenbaard.

Het is maar al te waar wat de schrift zegt: Het gras verdort, de bloem valt af, voorwaar het volk is grasl Het vreeselijk woord is door den mensch gehoord »stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeerenquot;, en als dit geschiedt keert de geest weder tot God die hem gegeven heeft, en ziet voor eeuwig zijn lot beslist.

Maar Jezus Christus is in onzen dood ingekomen. Hij heeft door Gods genade voor allen den dood gesmaakt, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Gode zij dank ja, het leven is geopenbaard. Johannes noemt den Heere Jezus het Woord des levens,

5

ocr page 76

66

ja het eeuwige leven hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard.

En dit woord wijst terug naar het begin van het Evangelie van Johannes, waar hij zegt:

In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding gemaakt van hetgeen gemaakt is. In hetzelve was het leven en het leven was het licht der menschen.

Het leven was in het eeuwige Woord, en Hij die het leven was, was te gelijkertijd het licht der menschen. Zonder het eeuwige Woord geen leven, en zonder Hem geen licht, maar eene eeuwige duisternis. God is groot en wij begrijpen Hem niet. Zoo als het was in den beginne is het ook nu en ten allen tijde, in het leven is het licht ook in de wording der schepselen. De allereerste aanvang van het leven is ten nauwste verbonden met het licht.

Van het oog uit ontstaat het hoofd, en van het hoofd uit ontstaan de leden. O diepte der wijsheid en der kennisse Gods! Zoo is ook Jezus Christus der Gemeente gegeven tot een hoofd boven alle dingen en wij verstaan nu het woord: Uit Hem, en door Hem. en tot Hem zijn alle dingen; Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in eeuwigheid amen. Ja waarlijk in Jezus Cristus is het leven tot zijn ontluiking gekomen, en spoedt zich nu voort tot de volle ontplooiing. In de wonderbare geboorte van den Eeuwigen zone Gods, die Maria's zoon wordt, ligt dit woord; Het leven is geopenbaard. Het leven in zijne oorspronkelijke schoonheid, kracht, en reinheid is in Chris-

ocr page 77

67

tus geopenbaard. Het leven in de teederste gemeenschap met God, het leven eiken dood op ieder gebied overwinnend, het leven zich ontplooiend in al wat goed is, in al wat loffelijk is, in al wat liefelijk is, in al wat welluidt. Het leven, in zich samenvattend de vroomheid der Hebreen, de schoonheidsaandrift der Grieken, de geestvlucht der Germanen.

En bij dit alles, door de komst van Jezus, daalden de krachten der eeuwigheid op aarde, en de zaligheid des hemels in de harten, voorafgegaan van een bitterzoeten rouw die de zielen binnensloop, toen zij, starende op dit Heilige, zich hare eigen nietigheid en kleinheid en zonde bewust werden. Het leven in Christus der menschheid geschonken en de verzoening door Christus der menschheid verworven, doen voor die menschheid de ellende en zorgen van den ouden afval eindigen en een nieuwe een betere geschiedenis aanvangen.

Hier is een tweede Adam; niet volwassen bij zijn komst op aarde, maar zuigeling, zwak en teeder als wij allen waren bij onze geboorte. Hij komt, niet op een aarde waar alles vrede ademt, maar op een aarde omgeven met eenen daemonischen dampkring. Hij staat daar niet in een Paradijs, maar wordt geleid in een woestijn en is daar bij de wilde dieren des velds; en als hij straks die woestijn verlaat en optreedt in Israël; als Hij het land doorgaat, goeddoende, genezende alle krankheden en kwalen onder het volk, dan zal het einde Zijner loopbaan zijn, dat Hij de weldoener Israels, uitgestooten wordt door Zijn ondankbaar volk. Dat Hij, de Heilige Gods, aangeklaagd wordt als een kwaaddoener, door de schijnheilige farizeën. Dat Hij, de Koning der waarheid, prijsgegeven wordt door

ocr page 78

68

de mannen dezer leugenachtige wereld. Maar toch hoewel Hij is prijsgegeven aan den dood, Hij heeft geleeft, Hij heeft geloofd, zich door dood en graf heen geloofd naar den Paaschmorgen, om toen zijn leven dat Hij had afgelegd weder aan te nemen, en als de verrezen Levensvorst Zijne gemeente reden te geven tot den jubeltoon. Het leven is geopenbaard! Het leven en de onverderfelijkheid is aan het licht gebracht. Het leven kwam in Christus tot ontluiking en ontluikt voortdurend meer in zijne gemeente waarin Hij leeft als de ziel in het lichaam. Leefde Hij een verborgen leven in Nazareth? ook in de gemeente zijn stillen in den lande. Trad Hij op als volksleeraar op dertigjarigen ouderdom? ook in de gemeente zijn mannen wien duizenden als het ware aan de lippen hangen. Leefde Hij een leven des gebeds en der bespiegeling? ook in de gemeente zijn ze bekend die weten nachten door te brengen met God in gebedsgemeenschap. Leefde Hij een leven van barmhartigheid? ook in Zijne gemeente zijn er die hun leven wijden aan het spijzigen van hongerigen, het kleeden van naakten, het genezen van kranken, het troosten van bedroefden, het helpen van hulpeloozen, het terechtbrengen van afgedwaalden, het redden van verlorenen. Leefde Hij een huiselijk leven in Nazareth, in Kana, in Kapernaum, in Jericho, in Bethanië, ook in de gemeente zijn er bij wie een huiselijk leven een hemel op aarde is. Leefde Hij een lijdend leven van de krib tot het kruis ? ook in de gemeente zijn er die acht en dertig jaren krank hebben gelegen en wier ziekbed in een preekstoel veranderd is. Leefde Hij een leven van licht en heerlijkheid, zich openbarende in Zijne wonderen? de wonderen zijn de wereld niet uit, want Hij heeft gezegd

ocr page 79

69

tot de Zijnen: Gaat heen, predikt het Evangelie, geneest de kranken, reinigt de melaatschen, werpt de duivelen uit, wekt de dooden op. En heeft Hij aan het einde Zijns levens zichzelven ten offer gegeven? er zijn er in de gemeente die in zelfverloochening en in lijden Zijn heilig liefdeoffer voortzetten. Voorwaar, voorwaar, de komst van Jezus Christus heeft balsem gestort in de schrijnende wonden der menschheid, en het leven dat eerst dien naam niet waard was, is nu wel dubbel dien naam waard geworden ja, er is leven; het leven, het is geopenbaard, in zijn aanvang, in zijn ontluiking en het zal nog geopenbaard worden in zijn volle ontplooiing. Die ontplooiing kan echter eerst plaats hebben op de nieuwe aarde. Daar zal het leven uit den Schepper zich ontplooien in de nieuwe schepping. Daar zal het leven van den Redder der wereld zich geheel ontplooien in de gemeente, daar zullen alle gaven en krachten des H. Geestes zich ontplooien in de nieuwe menschheid.

Zoo is het nu reeds bij aanvang in elk christenleven. Hier wordt het aangevangen, in den hemel zal het van windselen vrij ontluiken; op de nieuwe aarde, onder een nieuwen hemel, in het nieuwe lichaam der opstanding zal het zich geheel kunnen ontplooien. De gemeente is de stad Gods, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel. Die stad heeft God tot haar licht, die stad behoeft geen tempel, want God zal bij de menschen wonen. Israël zal uitgaan als een groote Engel met het eeuwig Evangelie om te verkondigen aan de volken die op aarde wonen; en die volken zullen inkomen om in het licht van die stad Gods te wandelen. Dan is de dood verslonden tot overwinning en het is alles leven, het volle heerlijke leven, want God is alles in allen geworden.

ocr page 80

70

O blij vooruitzicht dat mij streelt,

Ik zal ontwaakt uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen.

Verzadigd met uw godlijk beeld.

En nu, zoolang wij nog uitwonen van den Heer, en nog leven in het land der vreemdelingschap, o, laat het duidelijk aan ons te bemerken zijn dat ook aan ons en ook in ons het leven is geopenbaard. Laat ons zien op Jezus, om op Hem ziende steeds meer door Zijn Geest vernieuwd te worden naar Zijn beeld; laat ons hooren naar Zijn woord en dat woord bewaren om het te beleven en te doen.

Laat dat gevoelen dat in Hem was ook in ons gevonden worden. Laat ons bedenken de dingen die boven zijn, waar Christus is en wij ook thuis behooren. Laat ons genade vragen van God, opdat geheel ons leven gebed moge zijn en al ons spreken moge stichten. Dat onze handel en wandel God verheerlijken mogen en het leven zich openbare voor God en menschen, voor vijand en vriend. Dat is tot Gods eer, dat is tot onzen troost, dat is tot heil van anderen.

Wie weet voor God te leven, weet ook nooit te zullen sterven. Het ware leven begint bij den smartelijksten dood. Waar het oude zondige ik aan het kruis wordt geslagen, daar begint het leven in God. Dat leven vloeit uit God in ons, het wordt gewekt door den Geest, onder de bediening des Woords, op welke wijze dat Woord tot ons moge komen, maar waar het leven Gods in waarheid gekend wordt, daar zal het steeds bij vernieuwing zijn; Het leven is geopenbaard.

Amen.

ocr page 81

Draagt elkanders lasten en vervult alzoo de wet van Christus.

Galaten 6 ; 1—10.

Broeders, indien ook een mensch overvallen ware door eenige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zoodanige terecht met den geest der zachtmoedigheid, ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.

Draagt elkanders lasten, en vervult alzoo de wet van Christus.

Want zoo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed. Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk, en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben en niet aan eenen anderen. Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen. En die onderwezen wordt in het woord, deele mede van alle goederen dengenen die hem onderwijst. Dwaalt niet. God laat zich niet bespotten; want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien; want die in zijn eigen vleesch zaait, zal uit het vleesch verderfenis maaien; maar die in den geest zaait, zal uit den geest het eeuwige leven maaien. Doch laat

ocr page 82

72

ons goeddoende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien zoo wij niet verslappen.

Zoo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenooten des geloofs.

Waarde vrienden, het is mijn doel niet u heden dit tiental teksten te verklaren, maar inzonderheid wil ik spreken over het tweede vers uit Galaten 6; »Draagt elkanders lasten en vervult alzoo de wet van Christus;quot; en met dit vers staan al de anderen in verband. Twintig jaren bijna geleden hoorde ik in het Duitsch over dezen tekst spreken; dat woord is mij bijgebleven en ik gebruik heden voor u dezelfde tekstverdeeling die ik toen heb gehoord; het is zelfs mogelijk dat ik u nu nog veel zal zeggen wat ik toen heb vernomen. Ik zie er geen kwaad in, al gaf ik u de geheele toespraak, toen gehoord, nu nog eens weder; want wat toen publiek eigendom werd, zal mij na twintig jaren wel toebehooren, vooral wanneer ik het giet in mijnen eigenen vorm. Ik zou zelfs grooten lust hebben u van tijd tot tijd te onthalen op schoone Schriftbeschouwingen door mij in vroeger en later tijd gehoord van mannen, die ik er gaarne in den hemel voor zal danken, omdat zij mij ten zegen waren; en daar zouden zij mij niet euvel duiden dat ik hun woord nog tot andere hoorders had gebracht. Wij moeten geen vergeteliike hoorders worden bevonden, anders worden wij nooit daders des woords. En nu mag men zeggen: Maar dan zijt gij niet oorspronkelijk; ik zou willen vragen: wie is het wel, als hij honderden boeken gelezen en vijf en twintig jaren van verschillende Leeraars uitmuntende preeken gehoord heeft en van God een goed geheugen heeft ont-

ocr page 83

73

vangen? Moet dat alles ongebruikt blijven of mag men het verwerken ten nutte van anderen? En nu Galaten 6 vers 2. Wie goed de gelezen verzen heeft nagegaan, zal daar vanzelf deze tekstverdeeling in vinden.

Wij moeten dragen den last van elkanders gebreken.

Wij moeten dragen den last van elkanders voorrang.

Wij moeten dragen den last van elkanders aanvraag.

Christenen moeten lasten dragen. Christenen moeten lasten willen dragen, want der christenen last is door Jezus Christus gedragen. Het is waarlijk een groote last dat onze naasten gebreken hebben, hetzij die naasten onze meerderen, onze minderen, of onze gelijken zijn. Maar wij moeten dien last dragen, wij moeten niet de gebreken van onze naasten uitkramen, dat is voor elkeen te kijk stellen, zooals een kramer zijne goederen uitstalt; hij mag dat met zijne goederen doen, maar wij niet met eens anderen gebreken, dat leert ons de wet van Christus niet.

Wij moeten niet de gebreken van onze naasten uitbazuinen. Bazuinen gebruikt men bij een feest, maar gebreken geven reden tot droefheid, die moeten we liever bedekken met den mantel der liefde. Wij moeten niet de gebreken van onze naasten uitmeten, men loopt zoo licht gevaar meer uit het stuk te meten als er van aan is. De oude dominé O. G. Heldring verhaalde een fabel van een kip die e'e'n veer verloor, de andere kippen vertelden het verder, en toen het verhaal de ronde gedaan had, kon de kip zelf er haar geval niet meer in terugvinden, want er werd gesproken van zes kippen, die al de veeren zich hadden uitgeplukt, om eens recht behagelijk te wezen.

Wij moeten de gebreken van onze naasten niet gebrui-

ocr page 84

74

ken om er onze eigene gebreken mede te bedekken. Het is zoo waar wat zeker dichter zegt:

»Tracht eigen schuld niet goed te maken,

Door 't kwaad dat gij van andren weet. De modder op des naasten mantel,

Kan nimmer zeep zijn voor uw kleed.quot;

En nog veel minder mogen wij de gebreken van anderen gebruiken als een bliksemafleider om een onweersbui die op ons hoofd zou nederkomen op het hoofd van een ander te doen nederdalen.

Anderen hebben hunne gebreken en wij zien dezelve van onze minderen het eerst en het meest, misschien wel het liefst; van onze gelijken zien wij ze niet gaarne, en voor de gebreken van onze meerderen sluit men de bogen toe en gebiedt ook anderen de oogen er voor te sluiten; maar toch voelt men den last en moet dien dragen. Wat wij ook mogen vergeten, dit mogen wij niet vergeten: dat wij zelf zooveel gebreken hebben die anderen wellicht genoodzaakt zijn van ons te verdragen.

O, vergeten wij dat toch nooit!

Het is lastig als een dienstmeid gebreken heeft, maar zij zal ook in degenen wie zij dient wel gebreken bemerken en ook op hare beurt wel te dragen hebben. Het is lastig als een knecht zijn gebreken heeft; maar heeft zijn heer ze altijd minder? De spreuk van den wijzen man blijft nuttig en noodig: »Ken en bezie uzelven.quot;

God verdraagt onze gebreken en de kinderen Gods moeten verdragen de gebreken van hunne naasten, maar zij moeten nog veel meer doen dan dat. God draagt ze niet alleen, maar brengt ze terecht, en dat is ook onze

ocr page 85

75

roeping. Wij zijn menschen; gelukkig, als we geen vlee-schelijke maar geestelijke menschen zijn; dan staat hier een goed woord in Galaten 6 vers 1:

Broeders, indien ook een mensch overvallen ware door eenige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zoodanige terecht met den geest der zachtmoedigheid, ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. Een mensch kan een goed mensch, een vroom mensch, een rechtvaardig, een weldadig, ja een oprecht godvreezend mensch zijn; maar hij blijft toch een mensch.

En evenals nu een reiziger door bandieten, door roo-vers en moordenaars kan overvallen worden, hetgeen hij niet wenscht of wil, maar wat toch vaak geschiedt, zoo kan ook een mensch overvallen worden door eenige misdaad ; dat is nog heel iets anders dan gebreken te hebben. Maar indien dit ook geschiedt, dan moogt gij niet doen als de Priester en de Leviet en laten den door eenige misdaad overvallene aan zijn lot over. Indien gij zegt God te kennen, te vreezen, lief te hebben, dan moet gij ook uw naaste liefhebben; dan moet gij den ellendige helpen, opzoeken, opbeuren, opheffen, desnoods op uw eigen lastdier. Dan moogt gij tegen hem niet hard zijn, hem niet met woorden scherp als scheermessen doorboren ; dan moogt gij hem niet verguizen, verachten, vertreden en aan de schande prijsgeven. Maar uw christenplicht is hem terecht te brengen en wel met den geest der zachtmoedigheid. Men kan wel den frisschen teug uit de heldere bron vergeten, maar nooit de gal en alsem die men ons te smaken geeft. Christus raakte zelfs den melaatsche aan en boog zich tot het ellendige neder, wat is de plicht van zijn discipel dan anders als zacht-

ocr page 86

76

moedig te zijn voor gevallen menschen, die waarlijk zichzelf al genoeg verachten zoodat een ander het niet erger kan doen.

En dan staat hier: «ziende op uzelvenquot;. Er wordt van den grooten Newton verhaald, dat hij woonde vlak tegenover de gevangenis, en dat hij telkens, als er een gevangene in werd gebracht, de luiken sloot, de knieën boog en God dankte die hem voor zulk een ellende bewaard had. Ik had twee schoolmakkers, de een stierf jong, hij was mijn eerste bekeerling in den Haag; de ander zag ik gebonden naar de gevangenis brengen. Gods genade alleen spaarde mij een vroegen dood en verwaardigde mij het Evangelie aan anderen te brengen.

Dat is genade rijk en vrij; die genade is niet te verdienen, wel te verbeuren, duizend malen voor eens. Waar moest het aankomen als God niet getrouw was. De sterkste man Simson is gevallen, de vroomste man David is gevallen, de wijste man Salomo is gevallen. Noach en Abraham, Job en Mozes, Petrus en al de Apostelen zijn ons voorgesteld als arme zondaren die alleen uit genade zalig zijn geworden. Zij allen zijn gevallen, maar God brengt den zoodanige terecht met zachtmoedigheid; hoeveel te meer betaamt dit Gods kinderen tegenover den gevallen medebroeder; ziende op zichzelven, opdat ook zij niet in verzoeking vallen. Was er meer zelfkennis, er zou meer verdraagzaamheid zijn. De ware christen rust niet voor hij zijn gevallen broeder terecht gebracht he'eft aan het hart van God; nu rust men vaak niet voor men hem heeft vernederd, ja vernietigd en onmogelijk gemaakt.

Hoe weinigen zeggen in oprechtheid met Paulus: mij, den grootste der zondaren, mij is barmhartigheid geschied;

ocr page 87

77

en die het zeggen zijn doorgaans in hun leven zoo edel en teeder, dat men het van hen niet gelooven kan, en wel kan weenen als men het hen hoort betuigen. Zij juist zijn het die weten wat het zegt: den last te dragen van elkanders gebreken en den medemensch terecht te brengen met zachtmoedigheid; zij zijn 't die het woord der Schrift verstaan: die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, zal een ziel van den dood redden en menigte van zonden bedekken. Maar nu hebben we niet alleen te dragen den last van elkanders gebreken, maar óók den last van elkanders voorrang. Reeds in de geschiedenis van Kaïn en Abel en in de scheiding van Abraham en Lot zien we welk een last voor den eenen mensch de voorrang van den ander is. Het bracht Kaïn tot broedermoord en Loth naar Sodom. Korach, Dathan en Abiram voeren levend ter helle om hunnen opstand tegen Mozes en Aaron, en Mirjam werd met melaatschheid geslagen. Men benijdde Mozes terwijl hij toch zoo weinig te benijden was. In bitterheid werd hem toegevoegd: Gijlieden verheft u over de gemeente des Heeren, terwijl hij toch reeds op raad van Jethro hoofdmannen had aangesteld over tien man, vijftig man, honderd man en duizend man. Hij was niet alleen de knecht des Heeren, maar in waarheid de dienaar van het gansche volk, waarmede alleen op den duur een man kon omgaan, zachtmoedig meer dan eenig man op aarde. O, misgun den koningen hunne kronen maar niet, want kronen wegen zoo zwaar; en koningen zijn doorluchtige hoogheden, ze worden van alle kanten bezien en bewegen zich bijna nooit in vrijheid, zooals de armste onder ons nog kan doen. Het is waar, die geld heeft kan huizen bouwen en die het niet heeft betaalt

ocr page 88

78

wellicht met zorg zijn schamele huurpenningen; maar wie slaapt geruster, de man op het dons of de man op het stroo?

Rijken en armen ontmoeten elkander, de Heer heeft hen beiden gemaakt, en beiden kunnen gelukkig zijn, ja een hemel op aarde hebben als zij door het geloof in Christus zich kinderen weten van God. Voorwaar, het Evangelie alleen bevat in zich de oplossing van het sociale vraagstuk; Het ongeloof ontnam aan den armen mensch den hemel, nu wil hij de aarde hebben; maar geef hem zijn hemel weerom door de prediking van den Christus der Schriften en hij zal God danken in zijn lot.

Salomo had zeventigduizend lastdragers en tachtigduizend houthakkers voor den tempelbouw. Dat dit medegedeeld wordt in de H. Schrift is ook een bewijs van waardeering van hunnen arbeid. De werklieden zijn de lastdragers der maatschappij en men moet hen om hunnen arbeid waardeeren en voor geen bloedgeld laten werken.

Eene dame wilde niet op zij gaan voor een man met een zwaren balk op den schouder, toen zeide de werkman zeer beleefd: Mevrouw, indien u geen achting genoeg hebt voor mij, heb dan ten minste nog achting voor mijn last. Dat was goed gezegd. Er is menige werkman wel degelijk te achten, om zijn last niet alleen, maar ook om zijn bekwaamheid en menigmaal om zijn waarlijk voorbeeldig leven.

Er wordt ons in 2 Kronyken 2 een werkman genoemd, sHuran Abiquot;, de zoon eener weduwe. Van dezen man wordt gezegd dat hij een wijze man was, kloek van verstand, in staat om te werken in goud en in zilver, in koper en ijzer, in hout en in steenen, in purper en hemels-

ocr page 89

79

blauw, in fijn linnen en in karmozijn, daarbij was hij in staat graveersels te graveeren en om te bedenken allen vernuftigen vond. Voorwaar, voor zulk een werkman mag men den hoed wel afnemen, evenals voor Aholiab en Be-zale'el in vroegeren tijd, en voor menigen werkman in onzen tijd, getuige de Tentoonstellingen van Nijverheid en Kunst ook in ons vaderland. Wij moeten elkander niet benijden, maar zelfs in onze vijanden nog achten en waar-deeren wat in hen te achten en te waardeeren is en den last van elkanders voorrang dragen. Elk mensch kan geen aardsche macht bezitten, maar hij kan wel behooren tot het koninklijk Priesterdom. Elk mensch kan geen godgeleerde worden, maar hij kan wel een van God geleerde worden in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, en uit zijnen schat voortbrengende oude en nieuwe dingen.

De christen mag zijn voorrecht roemen. De wijsgeer zoekt wat hij bezit;

Elk boek mag hij het zijne noemen,

Want 't zegel breekt zoodra hij bidt.

Elk mensch kan geen aardsche schatten bezitten, maar hij kan een God bezitten voor zijn hart; een God die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en alles wat daar in is, die trouwe houdt tot in eeuwigheid; en als men zich een kind van dien God weet, kan men gemakkelijk dragen den last van elkanders voorrang.

Aan den tempel der menschheid kan geen steen worden gemist, zoomin de muursteen, of de vloersteen, als de hoofd- en hoeksteen. Elk heeft zijn plaats en op zijn plaats te blijven, dan wordt men bewaard voor het zich bemoeien met een anders doen.

ocr page 90

80

Was er minder inbeelding er zou meer verdragen kunnen worden en meer liefde worden betoond. Maar in plaats van zichzelven niets te achten, meent men iets te zijn, en wel een groot iets ook, dat wel elkeen mag eeren, een iets, dat recht heeft ook tot de onrechtvaardigste handelingen.

Christenen moeten niet meenen maar weten. — Wie meent iets te zijn daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed; dat is een treurige bedriegerij te noemen. Wanneer wij beginnen te meenen is het einde bijna niet te vinden, getuige Lukas 3 vers 23—-38, men meende dat Jezus was de zoon van Jozef en men meende eindelijk dat Adam was de zoon van God.

Neen waarlijk, men moet niet meenen, maar een iegelijk moet zijn eigen werk beproeven, en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben en niet aan eenen anderen, want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.

Over vers 6 van Galaten 6 is het moeielijk te spreken en voor u mijne vrienden is dit geheel onnoodig, maar te meer is het noodig, te letten op het woord: Dwaalt niet; God laat zich niet bespotten; want, zoo wat de mensch zaait dat zal hij ook maaien; want die in zijn eigen vleesch zaait zal uit het vleesch verderfenis maaien; maar die in den geest zaait, zal uit den geest het eeuwige leven maaien.

Een jongeling die hier neder heeft gezeten onder u, beleed toen hij hier eerst kwam Christus toe te behooren, maar hij kwam tot drank en ontucht; onder een onweder balde hij de vuist tegen God met de vreeselijkste woorden, nu zit hij voor langen tijd in de gevangenis. God laat zich niet bespotten. Wat gezaaid wordt zal gemaaid

ocr page 91

81

worden. Wij allen oefenen invloed uit op anderen, ten goede of ten kwade, en het zal een hel in de hel zijn als eenmaal de eene mensch den ander zal verwijten dat ik hier ben is uw schuld 1 Maar heerlijk zal het zijn als er zielen kunnen getuigen in Gods zaligen hemel: dat ik zalig ben hierboven dank ik 't meest naast God aan u I Laat ons dan goeddoende niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien zoo wij niet verslappen. Zoodan laat ons goeddoen terwijl wij tijd hebben; laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenooten des geloofs. Dit brengt ons tot de derde gedachte: wij moeten dragen den last van elkanders aanvraag. Gij hebt daar geen ervaring van mijne vrienden, maar uwe ouders en verdere betrekkingen weten het voorzeker beter, er wordt in onzen tijd veel gevraagd en voor velerlei Christelijke werkzaamheden, die alleen kunnen blijven bestaan door den machtigen hefboom van het geld. Gij behoort tot zeer verschillende kerken ]en genootschappen en al die kerken en genootschappen moeten onderhouden worden met al wat daaraan is verbonden. Er zijn vele en velerlei gestichten en vereenigingen, christelijke scholen en Evangelisatiën die onderhouden moeten worden zullen zij ten zegen kunnen worden bevonden. Ellendigen, verwaarloosden, hulpeloozen, afgedwaalden, moeten opgezocht, verzorgd, en terecht gebracht worden door de Gemeente van Christus. Die Gemeente is de vrouw die Gods verloren muntstukken zoekt die zij ongelukkig zelf heeft verloren. En om die te kunnen vinden zijn de Christelijke werkzaamheden noodig, en het is noodig dat zij worden gesteund; niet altijd met de groote gaven der gegoeden alleen, vaak óók met den penning der weduwe.

6

ocr page 92

82

Kleine druppels water,

Kleine korrels zand,

Vormen groote zeeën,

En het wijde strand.

Ik denk aan een eenvoudig man, een jager, weinig ontwikkeld, maar met een hart vol liefde voor God. Hij gunde zich geen boter op zijn brood, maar eiken dag ging hij naar het strand tractaten verspreiden, gekregen of gekocht. Elke maand kwam hij met een kleine schat spaarpenningen die verdeeld moesten worden voor de zending onder Israël, de zending onder de heidenen en de weezenverzorging. Zijn ouders redde hij uit den nood; omdat te kunnen ging hij naar Indië; en daar heeft hij evenals hier tractaten en Nieuwe Testamenten verspreid tot hij door God als een die vroeg zijn loop had voleindigd werd thuisgehaald.

Zie dat is zich zeiven geven, en hij die zich zeiven eerst heeft gegeven aan Christus, hij kan dragen den last van elkanders aanvraag. Een rijk man was van zijn kantoor thuis gekomen, en vermoeid zat hij neder bij den vroolijke haard in zijn kamer, die overladen was van weeldeartikelen. Verschillende personen waren dien dag tot hem gekomen, met hunne aanvragen voor allerlei Christelijke werkzaamheden, en hoewel de rijke man een Christen was, de vele aanvragen hadden hem ontstemd en gemelijk gemaakt. Hij was blijde dat de dag ten einde was gekomen.

Zoo zat hij daar neder en sluimerde een oogenblik in. En in die sluimering zag hij een man zijn kamer binnen komen met eenige kwitantiën in de hand. De man zag

ocr page 93

83

zeer ernstig en blikte de kamer rond. Toen bood hij een voor een de kwitantiën aan, voor het Bijbelgenootschap, het Tractaatgenootschap, het zendinggenootschap waar de rijke man jaarlijks aan Contribueerde. Telkens sprak hij van de vele uitgaven, de groote nooden, de belangrijke tekorten; telkens vroeg hij den rijken man zijne bijdragen een weinig te willen verhoogen, totdat de rijke man opstond en boos werd. Was het dan nog niet genoeg dat hij aan zoovele christelijke belangen dacht en die ondersteunde? Was het niet genoeg dat hun getal bij den dag als het ware toenam; moest men hem nu ook nog vragen voor elk van die genootschappen meer te geven dan hij deed? Hij kon niet meer doen; zijn zaken had hij uitgebreid, zijn huis laten vergrooten en verfraaien, er waren groóte sommen noodig geweest voor huiselijke belangen, neen waarlijk hij kon niet meer doen. Toen werd de man in zijn droom nog ernstiger; nog eenmaal zag hij die kamer rond en zijn oog rustte op menig noodeloos voorwerp dat sommen gelds had gekost. Toen zeide hij zeer vriendelijk: Mijnheer gaarne zou ik u nog iets willen vragen, en ditmaal geen geld. De rijke man zeide wat is uw vraag dan? En de vreemde bezoeker zag hem aan, en het was of dat oog hem doorboorde toen hij vroeg; wie was het die voor twintig jaren gehoor verleende aan een zondaar die om vergeving bad van zijn groote zonde en schuld, en die hem den vrede in het hart deed stroomen, en het lied der bevrijding hem op de lippen legde? Dat was de Heer antwoordde de rijke man. De vreemdeling herhaalde: wie was het die vijftien jaren geleden het leven heeft gespaard van een man en vader die daar lag aan den rand

ocr page 94

84

van het graf en hem teruggaf aan de zijnen ? en de rijke man gaf bewogen ten antwoord: Dat was de Heer. Wie was het ging de vreemdeling voort die voor zeven jaren een vrouw en moeder spaarde, die, haar echtgenoot meer waard dan het leven, toch zweefde tusschen leven en dood. O riep de rijke man dat was de Heer. En terwijl hij diep ontroerd door die herinneringen daar stond, ging de vreemdeling nog eenmaal voort: wie hoorde het geschrei van een vader en moeder om het behoud van hun lieveling, hun eenigen zoon? houd op, riep de rijke man, houd op dat was de Heer, Hij alleen kon ons kind toen redden en spaarde hem tot nu toe. Welnu zeide de vreemdeling ik ga heen, maar doe u nog één vraag. God zal u niets meer voor Zijn koninkrijk laten vragen, maar gij moet Hem ook om niets meer bidden, om niets meer; vindt gij dat goed? geef God nu uw antwoord. Toen was de wondere vreemdeling verdwenen; de rijke man was echter ontwaakt en zonk op zijn knieën neder, terwijl hij uitriep: Mijn God en Heer! niets, niets, is het mijne, het is alles van u; het is uw leengoed mij toebetrouwd. Heer neem mij en de mijnen, neem al het mijne voor uw naam en uw zaak en uw dienst. Blijf alleenlijk mijn God en de aanvragen voor de zaak van uw koninkrijk zullen mij nooit meer een last, maar steeds een lust bevonden worden. En zijn leven was het zegel op deze belijdenis; hij was der weduwen en weezen steun, een hulp voor bedrukten en armen, en een trouw en rechtvaardig rentmeester voor zijn hemelschen Koning; hij behoefde niet te vreezen toen het woord tot hem kwam: geef rekenschap van uw rentmeesterschap. —Wij moeten dragen den last van elkanders gebreken, wij

ocr page 95

85

moeten dragen den last van elkanders voorrang, wij moeten dragen den last van elkanders aanvraag. Christenen moeten lasten dragen, Christenen moeten lasten willen dragen, want der Christenen last waar zij eeuwig onder hadden moeten verzinken, is door Jezus Christus gedragen. Dat is waar, Gode zij dank ja.

Amen.

ocr page 96

Gij kroont het jaar uwer goedheid.

Psalm 65 :12a.

Waarde vrienden! dit jaar was een jaar van Gods goedheid voor uw hart zoovelen gij den Heiland leerdet kennen; maar ook voor ons huis, omdat het vaak van Gods heerlijkheid vervuld werd door Zijne genade hier betoond, en den zegen ons geschonken over onzen geringen arbeid. Daarom wil ik gaarne dit woord met u bespreken, en in verband met de Oud Testamentische geschiedenis, de Nieuw Testamentische heenwijzing, en eeuwigblijvende heerlijke beteekenis van dit wóórd voor ons hart u trachten te ontvouwen. Laat mij beginnen te zeggen dat wij tot recht verstand van dit woord Psalm 65 moeten lezen in verband met 2 Samuel 21 waar Gods oordeel komt over het land van wege de Gibeonieten die door Saul waren gedood in dwazen ijver.

In Jozua 9 wordt ons medegedeeld hoe Jozua door de Gibeonieten verschalkt een verbond met hen heeft gemaakt, en toen later hun bedrog uitkwam, niet heeft

ocr page 97

87

gewild dat men hen zou dooden, maar dat zij ten allen tijde dienst zouden doen voor het altaar als houthouwers en waterputters, aan de plaats die God zou verkiezen tot Zijn dienst.

Ook werd de groote stad Gibeon door God gespaard, aangezien Jozua de vijf koningen versloeg die tegen Gibeon waren opgetrokken omdat de Gibeonieten vrede hadden gemaakt met Israël. Maar Saul die tegen Gods bevel Agag wilde sparen, den armen David onschuldig vervolgde, en de priesters liet dooden te Nob, meende zeer vroom te handelen door de Gibeonieten te dooden, terwijl het voor God een misdaad was, omdat Jozua's eed voor alle tijden van kracht bleef.

Nu was Saul reeds lang gestorven en David reeds 30 jaar koning; geen mensch dacht meer aan de daad van Saul, en daar brengt God plotseling de misdaad aan het licht. De zondaar was dood, maar zijne zonde was niet verzoend en riep nog altijd luide om wraak. Alhetbooze door een mensch gedaan komt eindelijk aan het licht al gaan er duizend jaren over heen.

Er komen tijden van bezoeking in ons leven waarin de vraag »Waarom dit allesquot; op eene ontzettende wijze beantwoord wordt. Zoo was het ook in Davids dagen. Hij had gezondigd met Bathseba en Uria laten dooden en van Gods wege was hem gezegd; Het zwaard zal van uw huis niet wijken, en zoo is het ook geschied. Het kind van Bathseba is gestorven, Ammon heeft een gruwel gedaan en is door Absaloms knechten vermoord. Absalom moet vluchten, en als David hem »al te goedquot; laat wederkeeren, wordt Absalom Davids tegenstander zóó dat hij voor zijn eigen zoon moet vluchten; en op

ocr page 98

88

zijn vlucht wordt hij door Simei voor een bloedhond gescholden, en vervloekt. In de woestijn moet hij vertoeven, en als het tot strijden met Absalom komt, wordt het vaderhart diep gewond, door den dood van zijn zoon, in wiens plaats hij zelf, met het oog op de eeuwigheid, wel had willen sterven. En al wordt hij weder in zijn koninkrijk hersteld, rouw over Absalom blijft zijn hart vervullen, maar ter wille van zijn volk moet hij zijn rouw bedwingen en zich vroolijk voordoen. Straks volgt de twist tusschen Juda en Israël en David ondervind dat de blinkende kroon hare stekende doornen heeft. Seba staat tegen hem op, Joab vermoort Amasa in koelen bloede, en als het hoofd van Seba gevallen is, en de rust hersteld, breekt de hongersnood uit die drie jaren aanhoudt, waarvan in 2 Samuel 21 gesproken wordt. David begrijpt dat er een oorzaak moet bestaan voor dit oordeel over het volk, vooral nu de hongersnood drie jaren aanhield. Hij gaat dan ook den Heere vragen, en ontvangt ten antwoord: dit oordeel is om Sauls wil, en om des bloedhuizes wil, om de bloedschuld die nog op zijn huis rust, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft. Nu weet David wat hij te doen heeft. Hij laat de nog overige Gibeonieten bij zich komen, en vraagt hun: Wat zal ik voor ulieden doen, en waarmede zal ik de ongerechtigheid van Saul bij u verzoenen, opdat gij voortaan niet meer zucht tegen Israël het erfdeel des Heeren, maar het weder kunt zegenen evenals in vroeger dagen? Het was dus niet alleen de daad van Saul maar ook de zuchten der Gibeonieten tegen Israël die door God werden bezocht. Zij die heidenen waren hadden om Sauls daad Gods naam gelasterd en tegen Israël gezucht; dat

ocr page 99

89

was de ban die weggenomen moest worden. De zuchten der onrechtvaardig onderdiukten spelen een groote rol in Gods wereldbestuur. In het boek van P. J. Staal getiteld : »Marroessiaquot;, vertaald door S. J. Andriessen, komt een lied voor van dezen inhoud:

Vrees de tranen van den onschuldige. Zij zullen eenmaal neervallen op hem die ze doet vloeien. Vrees het stilzwijgen van den man die onrechtmatig geslagen is: De knoet heeft nog nooit eene ziel gedood, en de ziel van den onrechtmatig geslagen vader voegt zich bij de ziel van het kind, de toorn hoopt zich op.

Dit bleek nu ook bij de Gibeonieten. Zij zeiden tot David: Het is ons niet te doen om goud of zilver van Sauls huis, het is ook ons doel niet om iemand te doo-den in Israël, maar de man die kwaad tegen ons gedacht heeft, die ons te niet zou gemaakt hebben, die ons wilde verdelgen zoodat wij niet konden bestaan in eenige landpalen van Israël moet Gods straf ondervinden. Voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed dat daarin vergoten is, dan door het bloed desgenen die dat vergoten heeft. (Num. 35 :33) Laat ons zeven mannen van zijne zonen gegeven worden, dat wij hen den Heere ophangen te Gibea Sauls, o gij verkorenen des Heeren. En de koning zeide ik zal hen geven.

Wij zien uit deze vreeselijke geschiedenis dat er soms geheime vloeken bestaan die zich door geheele familien en geslachten voortplanten tot dat zij verzoend zijn. Zulk een verborgen vloek is een Engel der wraak die Gods toorn openbaart. Wee wee, wanneer er zuchten tegen ons opstijgen om onderdrukking van onze naasten; die zuchten zijn onze aanklagers voor Gods rechterstoel, en de

ocr page 100

90

ban wordt niet weggenomen voordat dezelve verzoend is.

De Gibeonieten ontvingen hunnen wensch en zij hingen zeven kleinzonen van Saul op voor het aangezicht des Heeren op den berg bij Gibea, en de gekruisigden hingen daar tot dat God water van den hemel liet dalen, als het teeken dat de schuld verzoend, de toorn weggenomen, en nu voortaan weder een oogst te verwachten was. Het is dan na deze gebeurtenis, en nog onder den vollen indruk daarvan, dat het volk Gods rondom het heiligdom te Zion Psalm 65 aanheft; en wij begrijpen dat door al het gebeurde de lofzang slechts in stilheid tot God in Zion kon gebracht worden. Toch wil het volk de geloften betalen in den hongersnood den Heere gedaan. Zij weten nu bij vernieuwing dat God het gebed verhoort. Ongerechtige dingen hadden de overhand over Gods volk gehad, maar de Heer had de overtredingen verzoend. En zij weten nu bij vernieuwing hoe zalig het is tot God te mogen naderen, te mogen wonen in Zijne voorhoven, en verzadigd te mogen worden met het goede van Zijn huis, het heilige van Zijn paleis. Wel had God vreeselijke dingen in gerechtigheid geantwoord, maar toch bleef Hij de God van hun heil, het vertrouwen aller einden der aarde en der vergelege-nen aan de zee.

Die God zet de bergen vast door Zijn kracht. Hij is omgord met macht. Hij stilt het bruisen der zeeën en het rumoer der volken. De woeste volken vreezen voor de teekenen van Gods macht; maar Hij die het hart van den onversaagdste doet sidderen, geeft ook aan den morgen en aan den avond stof tot juichen. Na den hongersnood bezoekt Hij het land weder; door de

ocr page 101

91

droogte is het begeerig gemaakt, maar nu verrijkt Hij het grootelijks door de vruchten, want de regen is gekomen en de rivier Gods is vol water. Wanneer Hij alzoo het land bereid heeft, maakt Hij hun koren gereed. Daarom juicht de zanger: Gij maakt zijne opgeploegde aarde dronken. Gij doet de regen dalen in de voren. Gij maakt het week door de druppelen, Gij zegent het uitspruitsel, Gij kroont het jaar uwer goedheid!

Het jaar van Gods goedheid is een feestjaar. God geeft feesten der natuur voor ieder jaargetijde, maar het oogstfeest is het schoonste omdat de menschen daarin het meest hunne vreugde betoonen, en juichend zingen:

De velden zijn bedekt met kudden.

De dalen zijn bekleed Met halmen, die van zwaarte schudden

En loonen 's landmans zweet.

Zij juichen elk op zijne wijze;

Uw eer klimt uit het stof,

Zij zingen, uwen naam ten prijze Uw goedheid en uw lof.

En nu, het jaar heeft zijn jaargetijden en het jaar van Gods goedheid heeft zijne feestdagen. In Israël vierde men als hooge feesten: Het Paaschfeest, als herinnering aan den uittocht uit Egypte, het Pinksterfeest, als herinnering aan de wetgeving op Horeb den 503tequot; dag na de uittocht, en dan vierde men te gelijk het feest der eerstelingen; maar de kroon van alle feesten was het Loofhuttenfeest, te gelijk het feest van den oogst; en de laatste dag was de groote dag des feestes, het feest van het waterscheppen, dan was de vreugde zoo groot,

ocr page 102

92

dat men gewoon was te zeggen: Wie het feest van het waterscheppen niet heeft bijgewoond, weet nog niet wat vreugde is.

Het Paaschfeest had Mozes ingesteld in Egypte. Het Paaschlam moest geslacht, maar geen been mocht gebroken worden, er mocht niets van overblijven, men moest het bloed aan de posten doen maar niet aan den dorpel, en dat bloed moest er aangebracht worden met een bundeltje Hijzop; bij het Paaschlam behoorde het ongezuurde brood, en bij dit alles de bittere saus. Dit alles heeft een Nieuw Testamentische heenwijzing: Ook ons Pascha is geslacht namelijk Christus; geen been is van Hem gebroken. Wij moeten Zijn vleesch eten, dat is in Hem gelooven, en niets overlaten, maar Hem geheel aannemen. Het bloed moet aan de posten, dat is, die in Hem gelooven moeten ook Zijn naam belijden; maar het bloed mag niet aan den dorpel, het mag niet vertreden, het mag niet onrein geacht worden. Het bundeltje Hijzop is zinnebeeld van het geloof. De ongezuurde brooden zijn het zinnebeeld van de ongezuurdheid, de oprechtheid des Christens. Men at die brooden zeven dagen, dat is al de dagen van onze aardsche levensweek ; en die het Paaschlam at moest ook de bittere saus er bij gebruiken. Want die in Christus gelooft, en in Zijn bloed is gereinigd, zal in de wereld verdrukking hebben; maar Farao en zijn heir is verdronken, en de Heer zegt: Ik heb de wereld overwonnen. Het Pinksterfeest herinnerde aan de wetgeving op Sinai en de stee-nen tafelen, men vierde dan te gelijk het feest der eerstelingen van den tarweoogst. En ook wij vieren ons Pinksterfeest ten 50stcn dage. Het feest van den Heili-

ocr page 103

93

gen Geest, waardoor God Zijn wet schrijft niet in steenen tafelen, maar in vleeschen tafelen des harten; en op het eerste Christen Pinksterfeest werden de 3000 eerstelingen gewonnen voor het koninkrijk der hemelen. Het loofhuttenfeest was eene herinnering aan het wonen in tenten in de woestijn, en het feest van de volle oogst was daaraan verbonden. Ook dit heeft een Nieuw Testa-mentische heenwijzing. Israël zal wederkeeren naar het land der vaderen, gansch Israël zal zalig worden als de volheid der heidenen is ingegaan. Jeruzalem wordt herbouwd, wordt het middelpunt der nieuwere wereldgeschiedenis, wordt het groote Zendingsfeest-terrein voor alle volken, die jaar aan jaar zullen opgaan om te aanbidden den Heere, den Koning, den Heer der Heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten. Dat zal het oogstfeest zijn voor Christus gemeente, en het woord zal worden vervuld: Gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteine des heils.

Maar het jaar van Gods goedheid heeft ook voor ons zijn heerlijke en eeuwigblijvende beteekenis. Het Paasch-feest is onze redding, het Pinksterfeest is onze heiliging, het loofhuttenfeest is onze eeuwige vreugde. Het Paasch-feest is onze redding, wanneer wij in Christus gelooven, want Hij stierf voor onze zonden, en werd opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. En door Zijne opstanding uit den doode is Hij krachtiglijk bewezen te zijn de Zoon van God. Gerechtvaardigd door Zijn dood worden we behouden door Zijn leven, want wie in Christus gelooft komt niet in de verdoemenis, maar heeft vrede met God en is van zijn eeuwig heil verzekerd.

En evenals in het Paaschfeest onze redding ligt, zoo

ocr page 104

94

volgt ook in het Pinksterfeest onze heiliging. De Heilige Geest heiligt allen, die door Hem geleid, zich kinderen van God mogen weten. Hij schrijft hun Gods wetten in het hart, en geeft hun lust om naar al Gods geboden te leven. De eerstelingen des Geestes hebbende verzekert Hij ons ook van den vollen oogst; hier kennen we maar ten deele, maar eenmaal zullen we kennen zooals we ook van God gekend zijn.

Hier struikelen wij allen, ach aan onzen voet zijn zware ketenen die wij mede sleepen. De taal die 't kind des huizes hooren doet, wordt door zijn broeder schaars geheel begrepen. Dadr stilt des Vaders woord de diepste pijn. Wij zullen altijd bij den Heere zijn. En daar wacht ons eeuwige vreugde. Daar is rust voor de moede, daar is rust ook voor u; rust na den strijd; ja rust die strijdende werd verkregen. Op de gouden straten van het hemelsch Jeruzalem bouwen wij onze eeuwige loofhut.

Men hoort der vromen tent weêrgalmen

Van hulp en heil hun aangebracht Daar zingt men blij met danbre Psalmen Gods rechterhand doet groote kracht.

Maar hier zijn we nog op de woestijnreize, vaak ontmoeten we een Mara op onzen weg, maar toch ook wel Elim's met waterfonteinen en Palmboomen. Het levende water stroomt uit de rotsteen Christus, en het ware manna ligt eiken dag rondom onze tenten. Strijd is er vaak tegen menigen Amelek, maar elke Mozes sterft ten laatste met het oog op Kanaan. Eenmaal zal het zijn, voor allen die gelooven, en die zich gebogen hebben onder het oordeel Gods om van eiken ban bevrijd te

ocr page 105

95

worden: Gij kroont het jaar uwer goedheid! Was dit jaar niet het jaar van Gods goedheid voor u; het ligt aan u, niet aan onzen God. Wie de voorbijgaande wereld wil vasthouden kan het eeuwigblijvend koninkrijk niet beërven. Laat het ijdele los en gij zult het eeuwige vinden. Breek met iedere zonde in Gods kracht, door ootmoedige belijdenis; de ban zal worden weggenomen, en het jaar van Gods goedheid is ook voor u aangebroken,

Amen.

ocr page 106
ocr page 107

- j

■ ■ ■ -. ., • • v ■ ■gt;. •■ ■ ;■

■ -

„■■■■. - - -

-

.

......^ . - -

, ■ ^ v : \ : .

' ' ■„. --' ■ • v ■ -.■ ■ ■ T

-

.

■.■■ ; ■ ! , • quot;

- : s

: -^v ,V

F; . quot; • 'v ■-■:

■-l.v ■ ■

■-

„

■ ■ ■ • - ■ ■ ■■ •quot;

,;r',-

.

-. -• -- - . .quot; .

X

f-.V :.-

,

•. ,-7 „

.V ' ' v. .-

:''r'

■

ocr page 108

LEIDEN: BOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ.