MGELIKEH DES BIJBELS
EN
KEIJGrSLIEDEJf BEE OUDHEID
TEN SPIEGEL GESTELD VOOR ONZEN TIJD.
AAN NEDERLANDS JONGELINGSCHAP OPGEDRAGEN DOOR
J. VAN BEIJEREN.
'S-GEAVENHAGE,
FIRMA H. J. GERRETSEN. '1886.
JONGELINGEN DES BIJBELS
EN
KRIJGSLIEDEN DER OUDHEID
TEX SPIEGEL GESTELD VOOR ONZEN TIJD.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2720 002 5
LEIDEN : BOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ.
JONGELINGEN DES BIJBELS
KRIJGSLIEDEN DER OUDHEID
TEN SPIEGEL GESTELD VOOR OiNZEi\ TIJD.
AAN NEDERLANDS JONGELINGSCHAP OPGEDRAGEN
J. VAN BEIJER£N
BIBLIOTHEEK NED. HERV. KB
s-geavenhage,
Firilv H. J. GERRETSEK 188G.
--d
/OY JS s o
Schenking uit de
bibliotheek van h.m. de koningin
VRIENDELIJKE LEZER!
Het hoekje U bij deze aangeboden, bestaat evenals de titel aanwijst, uit twee deelen: het eerste voor jongelingen in het algemeen, het tweede meer bijzonder voor jongelingen in den ivapenrok des Konings.
Het eerste deel is afkomstig van Pastor Emill Quandt, die in 1866 Priises des oestlichen Jiinglingsbundes zijnde, dit iverkje uitgaf â zum besten einer neuen Herberge zur Heimath te Berlin11. In dat jaar ivas ik President der Christelijke Jon-gelingsvereeniging te Alphen aan den Rijn; ik kreeg dit boekje in handen en heb het twintig jaren ⢠bémtard^ maar het nooit in Nederlandsch gewaad zien versSMjip}}. Xjqiter in ''s-Graven-hage ivonende, heb ik het voorrecht gehad eenige jaren de prediking van Pastor Quandt te kunnen bijwonen, en deed dit met zooveel zegen, dat ik na vele jaren nog tal van preeken in het Hollandsch zou kunnen wedergeven. Daardoor tvaar-deerde ik te meer dit werkje van den geliefden Leeraar, evenals zoovele andere kostelijke boeken van zijne hand afkomstig. Nu wil ik gaarne dit boekje aan onze Nederlandsche Jongelingschap aanbieden, maar voeg daar als vriend van de Militairen het tweede gedeelte van mijne hand bij, met den wensch en de bede dat dit boekje door velen gelezen, voor velen ten zegen gesteld mag worden.
Zegene God onze Nederlandsche Jongelingschap, zegene Hij de krijgsmacht van den Staat, en iedere poging tot heil van den Militair.
's-Gravenhage, 1 Oct. 1886. Vvj Vriend en Broeder in Christus, âDe Goede Herderquot;. J. VAN BEU EREN.
I isr H O U D.
Bladz.
1. De eerste broeders.............9
2. De 318 jongelingen van Abraham........12
3. Jozet, Israels lieveling............13
4. Mozes.................18
5. De jongelingen aan den berg Sinaï........19
6. Simson.............. . , 21
7. Samuel................22
8. De jongeling Saul.............23
9. De jongeling van Beth-lehem..........26
10. Salomo.................28
11. De jongelingen ten tijde van Rehabeam.......29
12. Géhazi.................31
13. De jongelingsvereeniging te Babel.........33
14. Do jongeling zonder zijns gelijke.........37
15. De jongeling uit de Engelen wereld........39
16. De eerste jongelingsvereeniging des Nieuwen Verbonds . . 41
17. De rijke jongeling.............45
18. De jongeling van Naïn............47
19. De jongeling van Gethsémané..........50
20. De jongeling der eerste Christengemeente......51
21. De jongeling van ïroas............52
22. De jongeling van Lystre...........54
AANHANGSEL.
23. De jongeling bij het kruis...........56
24. De wandelaars naar Emmaus..........57
1. Naaman de Syriër.............58
2. Judas de Maccabeër.............61
3. De hoofdman van Kapernaum..........63
4. De hoofdman van Golgotha...........67
5. De hoofdman van Cesarea...........70
6. Julius van de keizerlijke bende.........73
7. De Overste Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus ... 76
IN PLAATS VAN EEN VOORREDE VAN DEN SCHRIJVER.
Hoe zal een jongeling zijn pad Altijd onstraflijk wandlen,
Waar vrome mannen, wijzen zelfs,
Soms nog als dwazen handlen?
Hoe zal een jongling veilig gaan,
Waar lielsche macliten om hem staan'?
Zal liij liet groote doel bereiken.
En niet voor lust en spel bezwijken'?
Als hij zich houdt aan 'sHeeren Woord, Kan hij steeds vroolijk zingen.
Dat woord helpt over bergen voort.
Leert over muren springen.
Dat Woord maakt wijs bij 't bruine haar, Dat Woord maakt moedig in gevaar,
Dat Woord maakt ernstig bij hot stijgen. En jong als zich het hoofd gaat neigen.
Wilt gij mijn jongeling uw pad.
Altijd onstraflijk wandlen?
Dan zij Gods Woord uw grootste schat. Leer naar dat Woord steeds handlen.
Sta 's morgens op met 's Heeren Woord, Zet daar des daags uw reis mee voort;
Bewaar dat Woord op al uw wegen, Dan leeft en sterft gij ü ten zegen.
De Heilige Schrift wordt door de Christenen op verschillende wijzen gelezen. De een leest dagelijks zijn Bijbel en slaat denzelven open waar het hem geraden voorkomt. Een ander leest zijn Bijbel jaar uit jaar in naar aanleiding van een dagtekst. Een derde leest de boeken des Bijbels naar volgorde, aanvangende met Gen. 1:1 en eindigende met Openb. 22:21 om dan weder met Gen. 1:1 te beginnen. Een vierde verdiept zich het eene jaar in het Oude, het andere jaar in het Nieuwe Testament. Een vijfde onderzoekt eerst de geschiedkundige boeken van Oud en Nieuw Ver-boud, daarna de Dicht en Zedekundige boeken, om dan te eindigen met de profetien. â Nu, hoe ook Gods Woord mag gelezen worden, wij verheugen er ons in, en willen voor het tegenwoordige met elkander eeneu eigenaardigen weg inslaan, namelijk dezen; wij willen de geschiedkundige boeken van het Oude Testament van een bepaald gezichtspunt uit beschouwen, zoodat wij de jongelingen opzoeken van wie in het Oude Testament gesproken wordt, opdat die Oud-Testamentische jongelingen ons tot leering, waarschuwing en vermaning mogen dienen. Daarna willen wij de jongelingen des Nieuwen Testaments voor onze blikken voorbij laten wandelen; niet voor nieuwsgierigen, maar voor aandachtige blikken; om aan de heillooze jongelingsgestalten onzen ouden Adam te spiegelen, en hem onder den voet te treden; en van de heilige jongelingsgestalten moed en kracht te ontleenen tot versterking van den nieuwen Adam in ons.
Daartoe geve God ons Zijnen zegen! Amen.
De Jongelingen des Ouden Testaments.
DE EEESTE BROEDERS.
In het Paradijs heeft geen jongeling geleefd wel een Echtpaar. De eerste jongelingen der menschheid, traden als even zulke zondige menschen in de wereld als wij, en wel in een wereld gekroond met distelen en doornen.
Kaïn was de eerste jongeling, maar ook de eerste moordenaar op aarde.
Onder welk eene duistere schaduw werd het jongelingsleven in de wereld ingevoerd. Het eerste jongelingsbeeld in de Heilige Schrift heeft een treurig opschrift; Jeugd heeft geen deugd.quot;
De ouders overtraden het eerste gebod, en de oudste zoon overtrad reeds het zesde. Zoo de ouden zongen piepen de jongen.
Kaïn was geen luie jongeling; de lediggang is een modern kwaad onder onze jongelingen, maar Kaïn heeft vlijtig het akkerwerk beoefend. Gij jongelingen op het land! gij arbeiders en bouwknechten! gij jeugdige landbouwers ! merkt hier op: uw handwerk is het oudste waar een jongeling zich mede bezighield.
Kaïn was ook geen ongodsdienstig jongeling; de jammerlijke kerkenvrees van vele jongelingen in onzen tijd, is ook eene fonkelnieuwe uitvinding. â Kaïn bouwde den Heere
10
een altaar, en braclit van de vruchten der aarde zijnen God een offer; maar Kaïn was een jongeling zonder liefde; zonder liefde tot God en zonder broederliefde. Hij sloeg zijn broeder dood uit nijd en trotseerde zijn God.
Ja het is waar; de opgeblazen jongelingen onzer moderne Avereld, die daarheen leven zonder eerbied voor God, en zonder liefde voor de broederen kunnen eenen langen stamboom aanwijzen, maar het is geen bijzondere eer van een moordenaar af te stammen, die zich voor zes duizend jaren door den grimmigen vogel der zelfzucht het hart verteeren liet.
Abel was de tweede zoon van het eerste menschenpaar. Toen hij geboren werd overkwam zijnen ouders een diep gevoel van weemoed, en zij noemden hunnen tweeden zoon «Abelquot; dat is ijdelheid of vergankelijkheid.
Abel bracht zijne jeugd door als herder, en hij was een vrome herder ook.
Hij bracht in zijne offergave te gelijk den Heere zijn hart, daarom behield hij het getuigenis van Gods welgevallen.
Gij jongelingen op het land! gij die op de weiden van uwe vaderen of van uwe heeren de kudde weidt! de herderstand is van ouden adel, dient daarin den Heer met vreugde.
Abels vroomheid verwekte Kaïns haat. Abels gerechtigheid voor God verwekte Kaïns nijd. Verwondert u alzoo niet gij jongelingen die het smalle pad hebt gekozen, wanneer de wereld u haat; zoo is het geweest van overoude tijden af, dat een Godzalig jongeling der wereld een dwaasheid en ergernis moet zijn. Wilt gij het beter hebben dan uwe voorgangeren in het geloof? Abel stierf door Kaïns haat, en hij ging heen als een die vroeg zijn loop voleindigd had. quot;Wij kennen ook wel graven, waar onder de groene zoden de stoffelijke omhulsels rusten van vrome vroeg voleindigde jongelingen tot de dag der opstanding aanbreekt. Laat die stoffelijke omhulsels rusten in vrede, de ziel is bij den Heer, bij wien het bloed Zijner gunstgenooten kostelijk geacht wordt.
11
Kaïn en Abel, die beide eerste jongelingen op onze arme aarde, zijn de typen, de representanten der gansche jongelingswereld.
Want waar immer jongelingen leven, zij scheiden zich altijd van elkander.
Het eene gedeelte gaat daar heen als Kaïn, zonder liefde tot God en zonder liefde tot de broederen, voor God zijn zij den moordenaar gelijk, want wie zijn broeder haat is een doodslager.
Het andere gedeelte vormt eene kleine kudde Abelszielen, arme zondaren die om genade smeeken, maar die dan ook door de genade Gods in Jezus Christus vol liefde tot God en de broederen worden bevonden.
Welzalig de jongeling die zich Abel ten voorbeeld heeft genomen. Wanneer ook vroeg de zon van dit leven voor hem moet ondergaan, de eeuwige zonneschijn in het hemelsche vaderhuis is hem gewis; Hij zal opvaren met vleugelen als de adelaar en onder de Cherubiems is hem een plaats bereid.
Maar werpt mij nu geen steenen op de jongelingen, die Kaïns natuur openbaren. Niet daarom werd Kaïn van God geteekend dat men hem steenigen zou, maar opdat men de wraak aan God zou overlaten. Onzer is niet de wraak maar de zoekende liefde. Erbarmt u dan over de jongelingen met het Kaïnsteeken, en predikt hun met tranen, dat er ook voor hen verzoening is aangebracht in het bloed van Jezus Christus.
O gaat uit op alle wegen,
En haalt de dwalenden toch in;
Strekt elk uw hand toch vriendelijk tegen,
En leidt hen vroeg de hemel in.
De hemel is bij ons op aarde,
In geloove zien we hen reeds aan,
Die rnet ons een in 't geloove werden,
Ook hun is de hemel opengedaan.
12
DE DRIEHONDERD EN ACHTIEN JONGELINGEN VAN ABRAHAM.
Den naam «Jongelingquot; ontmoeten wij in de Heilige Schrift voor de eerste maal Genesis 4: 23 in liet geslachtsregister van Lamech, en dan ten tweeden male in de geschiedenis van den veldslag waarin Abraham het leger overwon van Kedor Laömer en de koningen die met hem waren. Daar wordt ons verhaald dat Abraham met 318 knechten die tot zijn huis behoorden, in het veld getogen is; en deze knechten worden aan het slot der geschiedenis jongelingen genoemd Gen.' 14: 24.
De joden hebben over dezen eersten oorlog welke in de Schrift vermeld wordt vele fabelen, zooals deze, dat bij den strijd van Abraham al het stof in zwaarden, en al de stroohalmen tot pijlen zijn geworden.
Wij laten hun deze fabelen houden, maar wat wij uit deze oude geschiedenis leeren is dit, dat het van oude tijden af, der jongelingen ambt en eere geweest is, zich onder de vanen van hun vorst te verzamelen, en ridderlijk te strijden, met God voor koning en vaderland.
En dat is iets voor u geliefde jongelingen in den wapenrok van uwen koning gekleed. De Heer heeft de jeugd gemaakt tot een tijd van kracht en moed.
Der jongelingen sieraad is hunne kracht zegt de wijze Salomo.
De band met welke de kiemende kracht in de kinder- en knapenleeftijd nog gebonden was, wordt door den jongeling verbroken, evenals Simson de touwen van de Filistijnen verbrak. Koen blikt hij omhoog als een jonge adelaar die vroolijk zijne vleugelen uitslaat. Daarom waar het geldt tegen de vijanden in den strijd te trekken, zijn het niet de knapen, ook niet de grijsaards, maar de jongelingen, die onder aanvoering van ervaren mannen moedvol te voorschijn treden.
13
Denkt aan die 318 jongelingen van Abraham gij jongelingen, en verbindt aan den ootmoed den moed, aan de vroomheid de dapperheid, aan de trouw aan uw God, de trouw aan uw koning.
O Heer wil toch verheffen Mijn jeugdig hartebloed,
Tot frisch en vroolijk leven,
Tot vreijen vromen moed.
Doe kracht mij verwerven,
In hart en in hand,
Om te leven en te sterven,
Voor ons lieve Vaderland.
JOZEF. ISRAÃLS LIEVELING.
De geschiedenis van den zeventienjarigen Jozef is de eerste uitvoerige Jongelingsgeschiedenis des Ouden Testaments. Het lezen van deze geschiedenis Gen. 37, 39â41 is onzen jongelingen niet warm genoeg aan te bevelen.
Jozef was de lieveling zijns vaders; de veelverwige rok dien zijn vader hem schonk »een lang kleed tot aan de knieën reikendequot; was daar het bewijs van. Maar hoewel hij de lieveling was, toch moest hij van onder afaan dienen, en den herdersknaap spelen bij zijne oudere broeders.
Jozef heeft het niet zoo gemakkelijk gehad als menige moedergek in onzen tijd, die denkt dat het hem zou hinderen als hij zijne handen moest roeren, en die liever zitten wil op een tuinbank dan werken en eten. Jongelingen in prachtige Meeding moeten zich ook den arbeid niet schamen. Onder de zonen van Bilha en Zilpa ging het niet zuiver toe; dat was Jozef niet naar den zin, want hij kon geen gemeenheden verdragen.
14
Jozef had reeds in zijne jonge jaren een ernstig gemoed; daarom als er een boos geschrei over zijne broeders kwam bracht hij het voor hun vader. Dit was geen kinderachtige aanbrengerij, en nog veel minder leedvermaak; want eerst dan als de zonden der broederen tot een geschrei geworden waren, met andere woorden door elkeen besproken werden; zeide hij het aan hun vader, en dat was zijn plicht.
Hij oogste voor deze plichtsvervulling den haat zijner broederen in. Het was hun een doorn in het oog dat deze knaap zoo ernstig was, hun onrecht niet zien kon, en des vaders lieve kind was. Ja zij waren hem zoo vijandig dat zij hem geen vriendelijk woord meer konden toespreken.
Menig ernstig jongeling ervaart het ook in onzen tijd, dat de wereldschgezinde jongelingen hem haten, en zelfs weigeren te groeten. Onze Heer en Heiland heeft gezegd; In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnen. Jozef is wel een wettisch, maar geen vroegrijpe of laatwijze jongeling geweest. Hij had gevoel- en beteekenisvolle droomen, ware hij wijzer geweest, dan had hij ze voor zich zeiven gehouden, omdat zij zoo licht konden worden misverstaan, en kwalijk opgenomen worden door zijn vader en broeders. Maar in zijne jeugdige onbedachtzaamheid openbaart hij, wat hij in zijn gemoedsleven gedroomd heeft.
Luther zegt: Jozef vertelt zijne droomen gansch kinderlijk, niet uit boozen lust maar in louteren eenvoud en onschuld.
De vader bestrafte hem, maar bewaarde toch zijne woorden; maar de broeders werden nijdig en zonnen op wraak. O, gij lieve jongelingen, wien het hart immer op de tong ligt, gij moest waarlijk niet altijd aan alle menschen vertellen wat in uw gemoedsleven omgaat. Gij hebt twee ooren en éénen mond, opdat gij veel zoudt hooren en weinig zoudt spreken.
Eenmaal toen de broeders de kudden van hunnen vader
15
weidende warea bij Sicliem; werd Jozef uitgezonden om naar den welstand zijner broeders te vernemen. Het was een verre reis, want Sicliem was vijf en twintig uren van Hebron waar Jakob woonde verwijderd; maar Jozef maakte zich. gereed en ging heen, want hij was gewoon zijn vader zonder tegenspreken te gehoorzamen. Ik stel mij voor dat het hem recht aangenaam geweest zal zijn zulk eene verre reis te kunnen doen, vergezeld van den zegen zijns vaders.
Het wandelen is des jongelings lust, en het moet wel een luie jongeling zijn, wien het wandelen niet zou bevallen.
Jozef kwam broeders zoeken, maar hij vond afgesproken vijanden, bloeddorstige moordenaars, zij hadden zich te zamen gekoppeld om met looze strikken onrecht te doen, en met wagenzeelen te zondigen Jez. 5:18, Ziet daar komt de droomer aan! zoo riepen zij tot elkander, en zij besloten hem te dooden.
Ãén onzer nieuwere dichters, de geestvolle »Grerockquot; heeft een heerlijk lied gemaakt over dit hoonende woord »zie daar komt de droomer aan.quot; ilen neme den wil voor de daad als do vertaling te wenschen overlaat. Moge op die voorwaarden dit drietal verzen hier volgen.
Vroolijk gaat naar Sichens dreven Jozef in zijn sierlijk kleed.
Goud bezaaid door 't avondzonlicht;
Toch wacht hem geen vreugd maar leed.
Want het valsche rot der broedren Zal een booze daad begaan
Van hun lippen klinkt ruw spottend;
Zie daar komt de droomer aan.
Ja waar nog in kinderonschuld,
't Vrome hart den vader mint;
En ver boven stof en sterren,
Door 't geloof zijn hemel vindt;
1G
Immer spot de blinde wereld,
quot;Want zij kan liet niet verstaan,
Zij zegt van het kind van God steeds:
»Zie daar komt de droomer aan.quot;
En waar nog een hart vol hefde,
Argloos voor de broedren slaat;
En door 's werelds woeste dreven,
Met zijn schatten open gaat.
Ach zijn kuil is reeds gegraven,
Heere God hij zal vergaan,
Eed den jongeling! want de wereld Juicht: »daar komt de droomer aan.quot;
Jozef de droomer werd door zijne broederen aan voorbijtrekkende Midianitische kooplieden verkocht, en deze verkochten hem in Egypte. Zoo kwam hij in den vreemde, ellendiger dan iemand van onze jongelingen die in den vreemde komen. Maar trots alle ellenden hield Jozef ook in den vreemde vast aan zijne vroomheid, en in het bijzonder aan zijne kuischheid. Egypte was een rechte bakermat voor de ontucht, en de verzoeking voor jongelingen was er groot. Maar de Hebreeuwsche jongeling wederstond de gevaarlijke verzoeking door de vrouw van Potiphar, omdat hij altijd God voor oogen en in het hart hield, en sprak: hoe zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God? De liefde van Potiphars vrouw was hem gevaarlijker dan de haat zijner broederen; maar Jozef liet zich niet in de slavernij der zonde brengen. Hij liet zijn mantel varen maar behield het vrije geweten.
De kerkvader Augustinus zegt: O mochten alle jongelingen op Jozef gelijken, die schoon van lichaam was, maar nog schooner naar den geest. En waarlijk Jozef is een voorbeeld van kuischheid voor de jongelingen van alle tijden; van hem kan men leeren hoe de vreeze Gods en een ge-
17
regelde wandel in de tegenwoordigheid Gods, de reclite genademiddelen zijn waardoor de zonde en de schande vermeden wordt.
De liefde der Egyptische vrouw veranderde spoedig in gloeienden haat, en omdat zij den vromen jongeling niet kon verleiden trachtte zij hem te verderven. Maar wat God wil verkwikken kan de mensch niet verstikken. God wilde het geluk van den jongeling, evenals Hij het geluk van alle vrome jongelingen wil. Daarom, wat de menschen ten kwade dachten tegen Jozef, het werd door God ten goede gedacht, en tot een heerlijk einde gevoerd. Jozef was uit het vaderhuis in de slavernij gekomen, en uit de slavernij kwam hij nu in den kerker en in banden, maar de Hoer voerde hem door het kruis tot de kroon.
Als Jozef een man is geworden vinden wij hem als oen vader en als een redder des lands over geheel Egypteland gesteld.
Zoo laat u dan de hitte der beproeving die over u komt in uwe leer- en jongelingsjaren niet bedroeven, gij lieve jongelingen! weet het wel; het is den man goed dat hij het juk in zijne jeugd draagt.
Eindelijk zal het welgaan allen die rechtvaardig leefden op aarde, omdat zij door Jezus bloed erfgenamen Gods zijn geworden.
Eindelijk komt het aangename jaar des heils, de groote dag waarop wij zalig worden. Eindelijk geeft God ons dat gene waarnaar wij uitzien, wanneer wij het geloof en de liefde ook bij kruis en lijden bewaard hebben, en men het geduld op onze aangezichten leest, ook al ontvangen wij hoon van de wereld.
Jozef de lieveling Israels zij ook uwe Oud Testamentische lieveling o jongelingen! even als in het Nieuwe Testament de jongeling zonder Zijns gelijke, Jezus Christus, uw lieveling moet zijn.
2
18
Op dezen jongeling zonder Zijns gelijke, wijst Jozef door zijn leven profetisch heen, want Jozefs droomen zijn in Jezus Christus tot vervulling gekomen. Voor den Zone Gods buigen zich, zon, maan, en sterren. Buigt ook gij u voor Hem ter neder!
MOZES.
De groote daden die Mozes in den naam des Heeren tot verlossing van Israël uit Egypte gedaan heeft, vallen in zijne mannenjaren, over zijne jongelingsjaren is zeer weinig bericht, en dat weinige staat niet in het Oude maar in het Nieuwe Testament, namelijk in Hebreen 11. â Mozes was een aangenomen kind van Farao's dochter, de Prinses Thar-muthis; zij had hem uit het water gered, maar zijne moeder werd zijne min, en van haar zoog hij als het ware met de moedermelk het geloof in, aan den God van Abraham, Izaak en Jakob.
Als hij den knapenleeftijd bereikt had adopteerde de Prinses hem aan het hof van Farao. Daar werd hij nu onderwezen in al de wijsheid van de Egyptenaren, en was machtig in Averken en woorden. Daar was hij omgeven van Koninklijke pracht en heerlijkheid. Daar kon hij een Hoog geplaatst en adellijk Heer worden voor de wereld, wanneer hij het geloof zijner vadei-en prijs had gegeven, en één juk met de heidensche wereld had aangetrokken.
Maar de Jongeling verkoos liever met het volk Gods smaadheid te lijden, dan voor een tijdlang de genietingen der zonde te hebben; hij achtte de smaadheid van Christus grooteren rijkdom dan de schatten van Egypte, want hij zag op de vergelding des loons.
19
Ook gij, mijn Jongeling! zijt een kind van het volk Gods, door den heiligen doop in de gemeente opgenomen, door onderwijzing in de leer des heils aan die gemeente verbonden, door uwe belijdenis des geloofs met die gemeente vereenigd. Maar gij zijt de wereld ingetreden die lokkende en verleidende wereld.
Wilt gij u aan hare pracht en heerlijkheid verkoopen, gij die door uwe ouders ten doop zijt gebracht? Wilt gij uw geloof verloochenen, uwe eerste liefde verlaten, uwen eed verbreken ? O handel toch gelijk Mo zes om uws zelfs wil. Leer toch ook liever met Gods volk smaadheid te lijden, met de stillen in den lande, met de gemeente der heiligen leven, dan de lusten der wereld te zoeken. De wereld gaat voorbij met hare begeerlijkheid maar die den wil van God doet blijft tot in eeuwigheid; het geloof wacht aan het einde een onvergankelijk loon der genade, onze zalige hoop wordt bekroond met het eeuwige leven.
Wees geen Egyptenaar, maar houd het met het volk van God! Laat D niet uwe oogen verblinden door het klatergoud dezer wereld, ziende op de onvergankelijke glorie des eeuwigen levens. Geef, voor het eeuwige leven getroost, het aardsche prijs!
Voor een eeuwige krans,
Hot arme leven gansch!
DE JONGELINGEN AAN DEN BERG SINAI.
Wij lezen Ex. 24:4, 5 de volgende merkwaardige woorden: Toen schreef Mozes al de woorden des Heeren, en hij maakte zich des morgens vroeg op en bouwde een altaar onder aan den berg, met twaalf steenen, naar het getal der
20
twaalf stammen Israels; en hij zond heen de jongelingen uit de kinderen Israels, dat zij brandoffer offerden en dankoffer den Heere van varren.
Hoe kwamen toch die jongelingen tot de eer, in naam der gemeente het eerste offer te mogeu brengen, op het altaar aan den berg Sinai, tot bevestiging van het Oude Verbond? Wel er waren nog geen priesters, want de stam van Levi was nog niet afgezonderd voor hot priesterschap. En als de Godsman Mozes rondom zich zag wie tot de uitoefening van het priesterwerk het waardigste waren, bleef zijn oog op de jongelingen rusten. Zoo is het gekomen dat het eerste gemeente-offer Israels na de sluiting van het Oude Verbond, door de jongelingen voor den Heere werd ontstoken.
Er zijn nu andere dagen waarin gij uw jongelingsleven leeft. Het Oude Verbond is door het Nieuwe verklaard; de berg Sinai heeft zich nedergebogen voor den heuvel Golgotha. Ook de offers van het Oude Verbond zijn wat hun vorm aangaat verdwenen, nu Jezus Christus met eene gerechtigheid in eeuwigheid voleindigd heeft allen die geheiligd worden. En toch, wat onder dien Oud-Testamentischen vorm wezenlijk verborgen lag, dat is gebleven. Er zijn gebleven, en er bestaan nog altijd brandoffers en dankoffers in den geest eu in waarheid. En ook de jongelingen zijn daar die deze offers brengen. In de gewone godsdiensten verdwijnen de jongelingen van den voorgrond der gemeente, en, dat is ook recht, want in het Nieuwe Verbond zijn wij allen priesters, ouden en jongen, mannen en vrouwen. Maar er zijn toch godsdienstige feesten bij het Israël van den nieuwen Dag, evenals bij dat des Ouden Verbonds, waarbij de jongelingen te voorschijn treden om den Heere te offeren in heüig sieraad, beide, het brandoffer der overgave aan God, en het dankoffer voor ervaren Goddelijke genade en zegen.
Zulke feesten zijn onze verbonds en jaarfeesten. Dan rich-
21
ten wij altaren op aan den voet van den heuvel Golgotha onder de schaduw van het kruis van Christus. Daar offeren de jongelingen weder voor het aangezicht van de verzamelde gemeente. Daar ontsteken zij den wierook en specerijen van hunne gebeden, dankzeggingen en lofliederen, Gode tot eer en verheerlijking.
SIMSON.
De tijd der Richteren was in Israël evenzeer een tijd van groote daden als van groote zonden. Onze tijd is aan dien tijd gelijk. Er geschieden ook in onze eeuw groote dingen, maar de zonde is ook machtiger dan ooit te voren.
In dien ouden Richterentijd trad in Israël een vroom jongeling op; aan lichaam en ziel rijk van den Heer gezegend, en vroeg vervuld met den Geest van God. Dat was Simson. Zijn naam beteekent schitterende zon. Wakker en glorierijk heeft Simson tegen de ongeloovigen tegen do Filistijnen gestreden.
Maar de vrouwen der Filistijnen hebben hem van zijn kracht en gaven beroofd. Hij speelde met de zonde van vleeschelijkcn lust en dat spel is tot een schrikkelijken ernst geworden, en de door Israël bewonderde en door de Filistijnen gevreesde held viel door de verleiding van Delila.
Wat helpt al het strijden tegen het ongeloof, wat helpt al de lof der geloovigen, wat baat het dat zelfs de wereld met respect op u ziet, wat helpt u dat jongelingen, gij die des Heeren wilt zijn, wanneer gij de verleiding van de vrouwen der Filistijnen niet wederstaat.
Géén vroom jongeling moet zich een bruid gaan zoeken in het land van de Filistijnen. O gij jongelingen, hoedt u
22
voor Delila! Gij zult God liefhebben en vreezen opdat gij kuisch en eerbaar leven moogt in woorden en in werken. Zalig zijn de reinen van hart want zij zullen God zien.
SAMUEL.
Samuel stond als jongeling in het heiligdom van Jehova te Silo. Daar werd hij met eene openbaring van God verwaardigd. God riep hem, en do jongeling antwoordde: Spreek Heer want uw knecht hoort. En als hij gehoord had wat God hem zeide, deed hij het ook. Zoo is hij den jongelingen een voorbeeld om Gods huis te bezoeken en gehoorzaam te zijn.
Vrome jongelingen bezoeken gaarne het heiligdom des Heeren, het is hun nergens beter dan aan de plaats waar Gods eer en heerlijkheid woont. Ach in menige godsdienstoefening in menige kerk in stad of land moet men zich bedroeven, ja klagen en vragen: Is er dan geen enkele jongeling hier?
De Samuels zielen zijn toch immers vlijtig in het bezoeken van Gods tempel? Mocht toch de kleine kring van jongelingen zich uitbreiden, en onze kerkgebouwen steeds meer vervuld worden met jeugdige aanbidders. Vrome jongelingen zijn ook gehoorzaam even als Samuel.
Met de geboden dezer wereld, niet de geboden der mode of iets dergelijks, maar de geboden Gods zijn hun tot een richtsnoer. Hunne leuze is: wat God gebiedt, dat moet geschieden, het andere zal de Heer voorzien.
Ach mochten toch meer jongelingen hun verstand gevangen leggen onder de gehoorzaamheid des geloofs aan God in Christus. De vrome Samuel had eene geloovige moeder. De Godzalige Hanna had haren zoon aan den Heere toege-
23
zegd en voor den Heer opgevoed. En Samuel had zicli alzoo laten opvoeden. quot;Welzalig de jongeling die door liet gebed eener vrome moeder door liet leven begeleid wordt. Niets ondersteunt den jongeling zoo in de verleidingen van het leven, en niets bewaart hem zoo in den eenvoud des geloofs als de invloed zijner moeder uit het verborgen heiligdom van haar gebedsleven.
Vrome jongelingen! zonen van geloovige moeders! gij zult â¢den grooten God op uwe knieën danken, wanneer Hij u boven anderen met dit voorrecht gezegend heeft.
DE JONGELING SAUL.
Er zijn vrome jongelingen die toch later goddelooze grijsaards worden. Beelden door Gods hand geteekend, en ten laatste door des duivels pennestreken bedorven; bloemen met schoone kleuren en aangename geuren, maar die spoedig van de wormen worden doorknaagd. Men moet over dezulken weenen, omdat zij in het vleesch hun leven eindigen, maar men gedenkt toch met vreugde, zij het ook met weemoedige vreugde aan hunne jeugd, toen zij met den Geest waren begonnen.
Saul als man en grijsaard rijpte voor het verderf, maar de jongeling Saul reisde in het scheepje der vroomheid op â de zee van het leven. Zijn scheepje is in later jaren in den stroom der zonde jammerlijk vergaan, wij weten dat en wij treuren, maar de aanvang was schoon en Sauls jeugd heeft voor onze jongelingen veel dat navolging verdient.
Saul was als jongeling reeds een man, hij was een hoofd langer dan al het volk. Lichamelijke schoonheid en kracht zijn gaven die de mensch zelf niet maken kan, maar waarin hij zich dankbaar moet verheugen. Maar er is eene jeugdige
24
innemendheid die zich de jonge mensch van God afbidden en door Gods Geest verwerven en bewaren l;an; de innemendheid in voorkomen en manieren.
Vele jongelingen zijn wel geloovig maar gansch niet innemend, menigmaal zeer onhartelijk, zeer onbescheiden. En toch de innemendheid doet waarlijk geen schade aan het Christendom. Er is eene christelijke innemendheid, die in gelijke verhouding staat tot het vernis van deze wereld, als de diamant staat tot den kiezelsteen. Wij waarschuwen onze christelijke jongelingen voor den kiezelsteen, maar bevelen hun den Edelen steen zeer aan.
De jongeling Saul zocht Ezelinnen en hij vond een koningskroon. Hoeveel boeken zou men kunnen schrijven over deze eene gedachte. Kis de vader van Saul had zijne Ezehnnen verloren en gebood zijn zoon dezelve te gaan zoeken; en de zoon zocht de ezelinnen in het gebergte van Ephraim maar vond ze niet, en hij zocht ze in het land van Salisa en vond ze niet; hij zocht ze in het land van Saalim en vond ze niet; hij ging door het land van Jemini en zij waren daar niet, en hij kwam in het land Zuph en hij vond ze niet; maar hij vond een Koninkrijk. quot;Want hij vond Samuel en Samuel nam een oliekruik en goot de olie op Saul's hoofd, en kuste hem, en sprak: Zie dat u de Heer tot een koning over zijn erfdeel gezalfd heeft.
Kan de trouw in het kleine heerlijker worden voorgesteld als in dit ezelinnen zoeken door den gehoorzamen jongeling Saul?
En kan het loon heerlijker in een zinnebeeld worden voorgesteld als door de koningskroon die Saul gewon ? O dat onze jongelingen van den jongeling Saul mochten leeren getrouw te zijn in het kleine.
Weet het o ziele dat de Heer de kleinste gehoorzaamheid niet vergeet, ofschoon bij den kleinsten dienst, het reinste hart nog vol ijdele zelfzucht is. Begin met u te oefenen in het
25
kleine â de kleinste zonden te Laten en te schuwen, want de liefde wordt grooter in den weg van gehoorzaamheid, üit kleine trouw wordt grooter trouw geboren. Vele menschen hebben een grooten afkeer, om hunne opmerkzaamheid te schenken aan kleine dingen, als vreesden zij daardoor kleingeestigheid te zullen verraden. Maar liet is Christenplicht ook de kleine plichten te volbrengen; ook de kleinste zorgen te dragen, ook tegen de kleinste zonden te strijden. Niets moet men gering achten wat ons waarlijk aangaat; maar in het geloof onze taak volbrengen, al was het ook niets anders dan ezelinnen zoeken. Dan zal men gewis de waarheid der belofte ervaren: wie daar heeft dien zal gegeven worden.
Saul beoefende de trouw in het kleine en hij ontving een koningskroon. Maar er is nog een schooner kroon, die allen wacht die geloovig en getrouw geweest zijn en daarin volhard hebben tot aan het einde. Hun wacht de kroon der eere in het Koninkrijk Gods.
De jongeling Saul, als hij gezalfd met de olie en met de Geest van Samuel scheidde, ontmoette een hoop profeten. Hij sloot zich bij hen aan en profeteerde met hen. Maar die hot zagen verwonderden zich en zeiden: Wat is den zoon van Kis geschied? Is Saul ook onder de Profeten? Ach ware hij maar altijd onder de Profeten gebleven! Het staat een jongeling zoo goed in jeugdige geestdrift te ontbranden voor de zaak des Heeren, en zich aan te sluiten aan de rij der-geneu die den naam van God en onzen Zaligmaker verheerlijken. Daar is niets van aanwezig bij de koude jongelingen die in ijzige verwijdering tegenover den Heer der Heerlijkheid staan. Daar is ook niets van aanwezig bij de lauwe jongelingen wien alles gelijk is, de God der eeuwigheid en de goden dezes tijds. quot;Warme, warme, ja gloeiende jongelingen wil de Heer hebben, die in vurige liefde Hem aanhangen en eeren, en bij wien uit de gezalfde lippen datgene voorkomt waar het hart van vol is, de onuitsprekelijke.
26
ondenkbaar groote eer en majesteit van den driemaal heiligen God. Bloeiende jeugd, hoop der toekomst, hoor toch eenmaal, en laat u in liefde opwekken. Volg de hand die u tot Jezus wil leiden. Offer de schoone bloemen, offer het jeugdige bloed, offer uw frissche krachten, met vrolijk gemoed aan Jezus uw vriend, die het zoo goed met u meent, loof Hem uw Koning vol goedheid!
Sauls ouderdom was hopeloos, en los van het geloof, maar niemand verachte zijn jonkheid. Hij was een innemend jongeling, een trouwe jongeling een met Gods geest vervulde jongeling.
Onze Jongelingen moeten de geschiedenis van Saiüs jeugd vlijtig bestudeeren, en God bidden, dat zij ook zoo innemend, zoo trouAv, en zoo vol des Geestes mogen worden. Maar niet minder betaamt het hun te waken en te bidden dat zij niet in de verzoeking komen.
DE JONGELING VAN BETHLEHEM.
In hetzelfde verachte stadje van Juda waar de Heiland der wereld geboren werd, aanschouwde ook David het levenslicht. En gelijk David als man en koning een voorbeeld was van den Heere Jezus, die uit zijn stam ontsproot; zoo was hij ook als jongeling eene levende profetie van, en heenwijzing naar den jongeling zonder Zijns gelijke. Als bloeiende jongeling met goudgele haren treedt hij ons het eerst in de Heilige schrift onder de oogen. Tot koning gezalfd hoedde hij toch nog in stilte de kudde, evenals later Jezus Christus de koning der koningen zijne jeugd in stille verborgenheid doorleefde.
Recht eenvoudige jongelingen hebben het verborgen zijn
27
lief, dringen zich niet op den voorgrond, en houden van geen luidruchtigheid. Men moet geen vruchten van de boomen willen plukken voor zij bloesem gezet hebben.
De tijd der jeugd is de bloeitijd. Davids jeugd was doortrokken van liefelijke liederen. De herdersknaap bespeelde reeds zeer goed zijn harp. Gij jongelingen laat u uwe liederen niet ontnemen, zingt en speelt den Heere. Het gaat niet goed in een land waar de jongelingen stom zijn, en hunne harpen aan de wilgen laten hangen. De beken ruischen, de bladeren ritselen, mijn hart is als een windharp en stemt in met hun geschal. Hebt gij zulk een hart als de windharp mijne jongelingen? O zingt dan dat het klinkt; zingt van lust en liefde, zingt van rozen en immortellen, zingt van wandelen en van wonderen, maar voor alles, zingt gelijk David voor Grod den Heere: De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken, Hij leidt mij op grazige weiden aan de oevers van zeer stille wateren. Zingt vrolijk ook uw morgenbed evenals David in den derden Psalm.
En wanneer de koning u onder zijne vanen roept, wanneer het vaderland uwen arm behoeft, dan geldt het voor u wakker te strijden en des noods voor het vaderland te sterven.
Gij kent de geschiedenis van Davids strijd met dengrim-migen Filistijn Goliath. Dan dappere jongelingen moge het u gegeven worden, in Gods kracht, de eer van Israël en de naam van God aan de vijanden te wreken. Laat u dan ook ten allen tijde gewillig vinden tot den kamp en den strijd, met God voor Koning en Vaderland. En wanneer gij optrekken moet ten strijde, treedt dan den vijand tegen als de jongeling van Bethlehem die tot Goliath zeide: Gij komt tot mij met zwaard en spies en schild, maar ik kom tot u in den naam van den Heere der heirscharen den God van Israël. De ootmoedige, dichterlijke, dappere jongeling, vond genade bij God en menschen; voor alle dingen veroverde hij Jonathans hart. En die beiden werden een hart en eene ziel en
28
zij bleven elkander getrouw in voorspoed en in lijden, zoodat nog nu, door de geheele wereld als de kostelijkste en trouwste vriendschap, de vriendschap van David en Jonathan, geprezen wordt in liederen, en bewaard door de beeldhouwkunst.
Van den tijd af dat Jezus Christus zijn bloed op Golgotha heeft vergoten; is er nog een hooger en zaliger vriendschap ontstaan. Waar zielen in dat bloed gewasschen zijn worden zij samen verbonden en genieten zij zalige uren, en het is hun goed samen te zijn. Houdt dan vriendschap onder elkander gij jongelingen die in Jezus Christus gelooft. Het staat een jongeling zoo goed in broederlijke liefde met zijns gelijken den pelgrimstocht te aanvaarden.
De jongeling David overtreft zeer ver den jongeling Saul. Want David heeft als man gehouden wat hij in zijn jeugd beloofde. Hij is ook een goed voorbeeld voor de mannen want hij is de man naar Gods hart.
SALOMO.
Reeds van zijne geboorte af aan was door den mond van Nathan den profeet de naam » Salomoquot;, dat is » vrederijkquot; genoemd. Deze naam was eeno heenwijzing naar zijn koningschap, want tijdens Salomo's regeering kusten de vrede en de gerechtigheid elkander in het land van Juda. Een iegelijk woonde zeker en veilig onder zijn vijgeboom en wijnstok. Maar ook voor Salomo's jeugd was zijne naam van groote beteekenis, want zijn jeugd was vol vrede. Vader David en moeder Bathseba voedden hunnen zoon op in de vreeze des Heeren, te meer als zij zelf zagen op de sluiting van hunnen echt, die hen wel aan eene vergeven zonde deed denken.
29
maar tocli ook tot boetvaardigheid stemde. Salomo verhaalt ons zelf hoe zijn vader hem tot den Heere leidde. Zie Spreuken 4:3. En op eene andere plaats deelt hij ons mede, hoe lief zijne moeder den opgroeienden jongeling waarschuwde; en de jongeling liet zich gaarne onderwijzen. Ook op de leer van Nathan gaf hij acht. Wij hooren David als het ware spreken tot zijn zoon. Als Salomo zegt: Ik was mijns vaders zoon, teeder, en een eenige voor mijne moeder. Hij nu leerde mij en zeide tot mij: Uw hart houde mijne woorden vast, onderhoud mijne geboden en leef, verkrijg wijsheid, verkrijg verstand. Vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds. En zijne moeder zeide: ach mijn uitverkorene, zoon mijns schoots, o zoon mijner geloften, geef aan de vrouwen uw vermogen niet en ga de wegen niet waarin koningen zich verderven.
Zoo ontwikkelden zich zijne rijke gaven tot eene met diepen ootmoed vereenigde wijsheid. En toen de jongeling een man werd, en God hem het ambt gaf, bad hij niet om geld of goed of geluk, maar om een verstandig hart, en God de Heer gaf hem hetgeen hij gebeden had, en daarboven wijsheid, geluk en eere. Hij die eerst zoekt naar het koninkrijk Gods ziet zich alle andere dingen toegeworpen.
Wat kunnen onze jongelingen van Salomo zich toeeigenen ? eerbied voor vader en moeder, ijver in leeren en streven, en inzonderheid ootmoed voor God.
DE JONGELINGEN TEN TIJDE VAN EEHABEAM.
Koning Rehabeam was de dwaze zoon van den wijzen koning Salomo. Hij begon zijne regeering met de dwaasheid, den raad der ouden te verlaten, en den raad der jongelingen te
30
volgen. Deze dwaasheid kostte hem het halve koninkrijk; want de raad der jongelingen was een raad der lichtzinnigheid, des overmoeds, en des onheils. Jongelieden zijn niet om raad te geven, maar om zich te laten raden. Bij de beste bedoelingen ontbreekt het hun toch aan ervaring.
De jeugd is de tijd om te leeren, te verzamelen, zich te ontwikkelen; en niet de tijd om raad te geven en mede te spreken. Men kan niet eer iets uitgeven voor men iets ontvangen heeft. Er kan van iemand niet meer gevorderd worden dan hij geven kan. Jongelingen moeten zich laten raden door ouderen, en de ouderen moeten hunne eer er in stellen den jongelingen ten raadsman te kunnen zijn. Er kan in eene Christelijke jongelingsvereeniging niets schadelijker voorkomen dan wanneer in de vergaderingen de jong-sten durven medespreken en mede raad geven, en somtijds de overhand verkrijgen; daardoor wordt het practische daadwerkelijke Christendom hetwelk de vereeniging zich ten doel moet stellen, niet bevorderd maar gestremd, zoo niet gedood. Het den mond willen roeren der jongeren is minstens een schadelijke hoogmoed te noemen. God wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade. Laat ons dat vaak herhalen: Den nederigen geeft Hij genade! Men zegt: de jeugd heeft het verlangen om. te spreken en om zich te laten hooren nu eenmaal. Maar juist dat verlangen is een slecht en zondig ding zoowel in ouden als in jongen. Het verlangen om te spreken, voor zoover men daartoe gerechtigd is, wordt in onze vereenigingen genoegzaam bevredigd op jaarfeesten en andere feesten, waar onder leiding van ouderen, de jongeren ook voordrachten kunnen houden. Maar gedragen zich de jongelingen van onzen tijd, zooals de jongelingen zich gedragen hebben in Rehabeams tijd dan is het gevolg niets anders dan onheil en ongeluk. De Evangelische jongelingsvereeniging loopt gevaar in een Democratische gezellenclub te veranderen, zoodra elk lid er op
31
uit is haantje de voorste te willen zijn. Dit gevaar is geringer in kleine, maar meer te vreezen in groote vereenigingen. Grod beware onze vereenigingen, de kleine en vooral do groote, voor de dwaasheid van Eehabeam.
De dwaasheid kostte Eehabeam het halve koninkrijk, maar kon aan onze jongelingsvereenigingen wel een geheel koninkrijk kosten, namelijk, het koninkrijk der hemelen. Daarvoor behoede ons de lieve Hemelsche Vader.
GÃHAZI.
Ook Gróhazi behoort tot de dwaze jongelingen der H. Schrift. Niet als of hij een wereldsch mensch geweest ware, of heeft willen zijn, want dan was hij waarlijk niet in dienst van een profeet gekomen. Neen hij heeft veeleer den lust gehad om den Heere te vreezen, hij heeft geloovig willen zijn, en toch was hij een dwaze jongeling. Men moet niet meenen dat alle jongelingen die aanspraak maken onder de geloovigen geteld te worden, daarom reeds jongelingen zijn naar Gods hart. Niet het geloof in het algemeen, maar het ernstig, eerlijk en ootmoedig geloof geeft den gewenschten uitslag. God weet hoevelen onzer jongelingen die zich geloovig noemen Hem toch niet in geest en waarheid dienen. Heer maak het mij waarlijk bange, of ik het wel waarlijk meen, of mijne ziel aan U hangt, en of ik ben wat ik schijn.
Géhazi scheen geloof te hebben, maar hij had het niet in waarheid, want het geloof is door do liefde werkzaam, en Géhazi was zeer liefdeloos.
De zoon van de gastvrije Sunamitische vrouw was gestorven; met het oog vol temen begaf zij zich naar Eliza en omklemde zijne voeten, hulp zoekende bij den profeet.
32
en Géhazi wilde haar terugstooten. Maar zijn meester verhinderde het en sprak: Laat haar, want hare ziel is bedroefd.
Een jongeling die liefdeloos en terugstootend is heeft het rechte geloof nog niet, want waar het rechte geloof in het hart wortelt, daar groeien de gouden vrachten der vriendelijkheid, voorkomendheid, der dienstvaardigheid en der liefde.
Géhazi scheen geloovig te zijn, maar in de grond der zaak was hij het niet, want geloof kan geloofsdaden verrichten. Maar Góhazi was onbekwaam tot geloofsdaden. De profeet gaf hem zijn staf, en daarbij het bevel zoo spoedig als mogelijk was zich. naar Sunem te begeven, en den staf op het aangezicht van den dooden knaap te leggen.
Maar hoewel Géhazi den staf op den dooden knaap lelde, de knaap was dood en bleef dood. De profeet moest zelf gaan om datgene te doen waartoe zijn discipel niet in staat was.
Zoo hoeft ook menig jongeling in onze dagen den profe-tenstaf in de handen maar de geest en de kracht blijft him vreemd. Men heeft den naam een geloovige te zijn, maar niet de werkelijkheid.
Het gebed van de zoodanigen vermag niets; zelfs geen zandkorrel wordt door hun geloof verzet, hoeveel te minder een berg in het hart der zee.
Géhazi had den schijn van het geloof maar niet het wezen want het geloof liegt en steelt niet, maar Géhazi heeft gelogen en gestolen. Zijn meester had den Syriër Naaman van de melaatschheid genezen, en Naiiman wilde zijn dankbaarheid met de daad bewijzen, maar Eliza weigerde beslist iets van hem aan te nemen. Als Naaman nu vroolijk weggetogen was, jaagde Géhazi door hebzucht voortgedreven, Naaman na, en vertelde eene lange gelogen geschiedenis. Hij vertelde dat er twee profetenzonen totquot; Eliza gekomen waren, die aan het noodigste gebrek hadden; de profeet wilde hun wel gaarne helpen, maar daar hij zelf niets had, bad hij
33
Naaman, den armen vromen jongelingen eene ondersteuning van een talent zilver, en twee wisselldeederen te willen geven. Greliazi ontving meer als hi] verlangde, en verborg liet onrechtvaardig verkregen goed, in de hut van iemand dien hij kende. En toen Eliza hem vraagde; vanwaar komt ge Gréhazi? antwoordde de vrekkige mensch; uw knecht is noch her noch derwaarts getogen. Maar de profeet wist alles, en kondigde hem aan, dat de melaatschheid van Naaman hem zou aankleven en zijne nakomelingschap voor altoos. Zoo heeft ook menig jongeling onzer dagen hoewel hij een profeet naloopt, toch eene onheilige tong en onreine handen; waarvan wij treurige voorbeelden zouden kunnen bijbrengen. Maar die zoodanig handelen als Gehazi hebben nooit in waarheid tot Gods volk behoord.
Géhazi behoorde tot eene vereeniging van geloovige jongelingen, welke zich in de profetenschool, onder de pastorale leiding van Eliza, tot overdenking en onderzoek van het Goddelijk woord vereenigd hadden. En toch was Géhazi zonder liefde en zonder geloofskracht; vol leugen en gierigheid en eene zware straf viel hem ten deel.
De toepassing hiervan op onze toestanden is niet ver te zoeken. quot;Wij laten dien echter aan het nadenken van onze jonge vrienden geheel over.
DE JONGELINGSYEREENIGESTG TE BABEL.
Het laatste groote jongelingsbceld hetwelk het Oude Testament voor onze oogen Ontrolt is hot beeld van eene Godzalige jongelingsvereeniging. de vereeniging van de vier vrome jongelingen Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. Toen Nebucadnezar de trotsche koning %Tan Babel in het jaar C00
3
34
voor Christus, voor de eerste maal Jeruzalem veroverde, en Jojakim de koning van Juda in zijne hand gegeven werd r zoo gaf hij aan zijn kamerheer Aspénaz het bevel om eenige uit de kinderen van Israël van koninklijk bloed en kinderen van rijks grooten uit te kiezen. Het moesten knapen zijn zonder gebreken; schoons, verstandige, wijze jongelingen, die geschikt waren om te dienen aan het hof des konings,. bekwaam om de Chakleeuwsche schrift en sprake te leeren.
Aan dezulken verschafte de koning al vrat zij dagelijks noodig hadden, ja hij beval dat men hen dagelijks geven zou van zijne spijze en van den wijn dien hij zelf dronk, en dat zij alzoo drie jaren zouden worden opgevoed, na welken tijd zij den koning zouden dienen.
Zoo werd vervuld wat 100 jaar te voren door den profeet Jesaia aan den koning Hiskia in den naam des Heeren gezegd was; Zij zullen uwe kinderen die uit u geboren worden nemen om kamerdienaars te zijn aan het hof van den koning te Babel.
Onder deze knapen die aan het hof van den koning van Babel werden opgevoed behoorden Daniël, Hajanja, Mizaël en Azarja. Het waren geen knapen meer in onzen zin van dat woord, maar jongelingen van 17 of 18 jaren oud.
Zij openbaarden de vroomheid huns harten waartoe de prediking van Jeremia voorzeker gezegend is geweest. De naam Daniël beteekent God is mijn rechter. Hananja be-teekent God behoudt. Misaël beteekent wij nu bidden en Azarja beteekent God helpt! maar zij moesten hunne schoone joodsche namen met andere heidensche namen verwisselen; maar toch hun hart bleef aan den grooten God naar wien hunne namen heenwezen in ware liefde getrouw.
Daar zij wisten dat op des konings tafel vele spijzen zouden komen hun door de wet van Mozes verboden, zoo namen zij zich voor in hun hart, zich niet met des konings spijze te verontreinigen. Daar de mensch van nature lust
35
heeft tot heerlijke spijze en drank, zoo was dit voornemen der vier jongelingen zeer lofwaardig.
Maar nog uitrmmtender is de wijze waarop zij dit voornemen uitvoerden. Met met trotschheid en jeugdige onbezonnenheid maar ootmoedig zochten zij do vrijheid om naar hun geweten te leven te verkrijgen. Daniël bad den kamerling dat zij zich toch niet behoefden te verontreinigen; daarmede legde hij midden onder de ongeloovigen eene goede belijdenis van den waren God af, en God gaf aan Daniël dat de opperste kamerling hem goed en genadig was. Wanneer iemands wegen den Heere behagen zal Hij ook zijne vijanden met hem bevredigen.
Maar de matigheid en de godsvrucht dezer vier jongelingen ontving nog een beter genadeloon. De Schrift zegt dat zij na 10 dagen schooner en beter naar het lichaam waren dan zij die van des konings spijze aten. God de Heer gaf hun verstand in allerlei schrift en wijsheid, en Daniel gaf Hij verstand in droomen en gezichten. Toen nu de 3 jaren hunner opleiding voorbij waren, onderzocht de Koning hen, en vond onder al de jongelingen aan zijn hof huns gelijken niet.
Onze jongelingsvereenigingen kunnen van deze jongelings-vereeniging des Ouden Verbonds veel leeren: namelijk de heilige vrees voor de ontreiniging door de verleidingen dezer wereld. Indien Daniël zich als een rechte Israëliet zonder bedrog van jongs af aan rein hield van heidensche dingen, trots al de verleiding waardoor hij omgeven was; dan zullen toch ook onze Christelijke jongelingen zich wel vrij en rein kunnen houden van de verleiding der wereldsche begeerlijkheden en de wereld overwinnen.
Dit is eene dubbele plicht en elk jongmensch heeft zich daarin te oefenen.
Wij moeten onze leden dooden die op de aarde zijn, en het vleesch kruisigen. Ook kunnen onze jongelingen van
36
Daniël en zijne vrienden leeren, ten allen tijde bereid te zijn eene goede belijdenis van God af te leggen. Zij moeten zich in bet midden van bet Babel dezer wereld niet scba-men den mond open te doen voor den God dien zij dienen. Offert de wereld bare goden, laat ons dan óók vrijmoedig roemen in den God van ons beil.
quot;Wij bebben in onzen tijd noodig eene vrijmoedige belijdenis van bet Evangelie trots allen tegenstand, alle vijandschap, trots al bet beidendom. Eindelijk mogen onze jongelingen, van Daniël en zijne vrienden ook bescbeidenbeid leeren. Bescheidenheid moet met de vroomheid gepaard gaan. Het betaamt den jongeling niet en bet betaamt den Christen nog veel minder op zijn geloof hoogmoedig te zijn.
Daniël was een biddend jongeling, en ook onze jongelingen bebben zich in bet leven des gebeds te oefenen. Menigeen staat op zijn goed zondagsrecht te bluffen, in plaats van eens zeer bescheiden tot zijn patroon of meester te zeggen; Beste meester laat mij toch mijn zondag vrij houden, ik wil des zondags zoo gaarne ter kerke gaan. Met Gods hulp wil ik in de dagen der week gaarne zooveel doen als mij mogelijk is.
Zie dan zou men ervaren dat God de harten kan neigen als waterbeken tot al wat Hij wil. De ongeloovige meester zou zelfs met zijn bescheiden dienaar tevreden zijn.
Elke Christelijke jongelingsvereeniging leere van dejonge-lingsvereeniging van Babel:
heilige vrees voor de zonde,
den moed om te belijden,
den ootmoed om te bidden.
Zoo zullen uit de vereenigingea mannen uitgaan die ook in den vurigen oven des lateren levens hunnen God getrouw blijven, en die wanneer zij overwonnen hebben, de kroon des levens verwerven zullen.
De Jongelingen des Nieuwen Testaments.
DE JONGELING ZONDER ZIJNS GELIJKE.
De jongeling zonder Zijns gelijke is Jezus onze Heer. Evenals Hij zijn goddelijk leven ons ten goede, in de kinderen knapenleeftijd geleefd heeft, zoo is Hij ook in liet vleeseh door de jongelingsjaren gewandeld, de jongelingen in alle dingen gelijk, maar zonder zonden, en daarom, zonder zijns gelijke.
Er is ons van den jongeling Jezus weinig in de H. Schrift medegedeeld; wij hooren veel van het kindeke Jezus, en nog veel meer van den man Jezus, maar over den jongeling Jezus spreekt de Heilige Schrift zeer spaarzaam. Merk hierin op dat het de beste jongelingen zijn over wie men de menschen het minste hoort spreken. Bescheidenheid siert den jongeling.
Het is niet goed als jongelingen altijd op den voorgrond treden, en veel van zich doen spreken. De jeugd bewaart de deugd slechts in het dal van ootmoed.
Hetgeen van de jongelingsjaren van Jezus gezegd wordt lezen wij in Mattheus 13:55 en Markus 6:3. Vanwaar komt deze aan zulk een wijsheid en krachten die door zijne handen geschieden ? Is deze niet de timmerman de zoon van Jozef en Maria, vanwaar komt hem dan dit alles? Hieruit
38
zien wij dat de Godmenschelijke jongeling te Nazareth leefde zonder ergens eene geleerde opleiding te ontvangen. Hij verrichtte zijn handwerk als timmermansgezel bij zijn pleegvader Jozef. Daarom zegt de oude kerkvader Jnstinus met recht van Hem: De Goddelijke jongeling verrichtte onder de menschen levende timmermansarbeid. Hij maakte ploegen en jukken. quot;Welk eene eer voor het timmermanshandwerk dat de Zoon des Eeuwigen Gods, Hij die hemel en aarde gemaakt heeft, het niet versmaadde in zijn jeugd timmerman te zijn. Maar welk eene vermaning ook voor jongelingen en vooral voor degenen die Christelijk leven willen om vasthoudende aan hunne hemelsche roeping toch daarbij ook getrouw in hunne aardsche roeping te zijn. Als een timmermanszoon kenden de menschen den goddelijken jongeling, niet als een afgezonderden Heilige.
18 jaar lang heeft Gods Zoon zijne aardsche roeping getrouw vervuld, zonder dat zijne groote, verhevene, hemelsche roeping daar schade onder geleden heeft. Zijt gij ook zulk een trouwe arbeider in uwe werkplaats mijn jongeling? Uit Lukas 4:16 waar het van den man Jezus heet: Hij ging naar zijne gewoonte op naar de synagoge op den Sabbath, is het ons duidelijk dat de goddelijke jongeling terwijl hij in de week vlijtig arbeidde, op den Sabbath rustte in God en Zijne aanbidding. Gij jongelingen, is het ook u eene gewoonte geworden om na het volbrachte werk der week op den dag des Heeren het huis waar Gods eere woont te bezoeken? Merkt wel op het voorbeeld u door den Heiland gegeven en wandelt in Zijne heilige voetstappen. Het is ons nu nog vergund uit de beschouwing van de jongelingsjaren des Heeren nut te trekken, uit een blik naar achteren en naar voren in de Schrift ons vermeld.
Het Evangelie van Lukas hoofdstuk 2; 41â52 schildert ons de heerlijkheid van den Zoon des menschen op de grens van zijne kindsheid en jeugd, en zegt ons dat; hoe
39
lief Hij zijne ouders had Hij nog meer liefde had voor den Vader. Maar, hoe vereenigd met den Vader, toch was Hij zijne ouders onderdanig.
Wij durven gerust zeggen; dit was ook zoo in Zijne jongelingsjaren. Ouderliefde en vreeze Gods vereenigden zich in Hem. Gij jongelingen die dit leest merkt daarop! Een christelijk jongeling moet zijne ouders liefhebben maar zijn God nog veel meer, maar hij zal ook in den omgang met God immer meer geschikt worden aan zijne onders te gehoorzamen. Joh. 2 :1â11 schildert ons de heerlijkheid van den Zoon des menschen op de grens van zijnen jongelings en mannenleeftijd. Wij leeren daaruit: dat hoewel wonderkrachten in Hem lagen Hij toch zijne vrienden liefheeft, en hoewel de zwaarste levenstaak voor Hem ligt. Hij zich niet aan menschelijke vreugde onttrekt.
De toepassing is deze: De jeugd is de tijd der voorbereiding, daarom behoort de jongeling de roeping Gods niet vooruit, maar na te loopen. De jeugd is de tijd der vroolijk-heid, bewaar dan de vroolijkheid en vriendelijkheid der jeugd, zoo bewaart gij ook voor uwen mannenleeftijd en voor uw gansche leven de deelneming en de vriendelijkheid uwer vrienden.
Heiige Jezus, o heilig mij,
Dat ik als Gij Geheel volmaakt en heilig zij.
DE JONGELING UIT DE ENGELENWERELD.
Wij ontmoeten in de geschiedenis des Nieuwen Verbonds vele Engelen. Het woord door Jezus gesproken tot den Israëliet zonder bedrog heeft zijne vervulling gevonden door
40
geheel het Nieuwe Testament: Gij zult de Engelen Gods zien opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensdien.
De Engelen verschenen in menschelijke gestalten, doch zoo dat zij lichtten als de bliksem, en wit waren als sneeuw.
Maar verschenen zij in menschengestalte dan ontstaat de vraag: in welken levensouderdom waren zij dan zichtbaar'? daarop antwoordt de H. Schrift in Mark. 16; 5 de Engelen vertoonden zich als jongelingen. â Daar ligt eene heenwijzing in naar datgene wat wij zijn zullen als de Heer de gevangenen Slons wederbrengen zal.
Een kerkvader heeft gezegd: De Engelen verschenen als-jongelingen, daarin is onze eeuwige jeugd bij de opstanding zichtbaar, want de opstanding kent geen grijsheid, de eeuwigheid kent geen ouderdom.
Daarom is ook uwe eigene jeugd, o jongelingen! een heenwijzing naar den toekomstigen maaitijd uws aardschen levens, in de eeuwigheid. Houdt daarom uwe jeugd hoog en heilig en laat u door uwe spoedig wegsnellende jeugd herinneren aan de jeugd die niet meer wegsnelt, die nooit uitbloeit, om dat dezelve eeuwig is.
Het is eene bijzondere eer voor de jongelingen, dat de heilige engelen zich als huns gelijken openbaren. Een kleed dat hemelvorsten dragen als zij op aarde komen, is kostelijker dan purper en kostelijker dan lijnwaad. Houdt dan het kleed uwer jeugd zuiver mijne vrienden, want het is het waardig, Gods Engelen dragen het ook. Maar wellicht zucht gij: Ach het kleed mijner jeugd is reeds niet zuiver meer,, mijne zonden hebben het bezoedeld. quot;Welaan dan mijne geliefden, haast u om uws levenswil, verzuimt niet, maar spoedt u naar de bron der reiniging, vliedt tot uwen Verlosser. Doopt uwe jeugd in het bloed van Christus, zoo worden al uwe misdaden afgewasschen, en ook de hoogste Engel zal zich niet schamen u zijn broeder te noemen. Een jongeling die het bloed van Christus als zijn sieraad en eerekleed
41
draagt, licht ook als de bliksem, en is witter dan sneeuw.
Maar verloste jongeling gij moet dan ook uwen God dienen zoo als de liemelsche jongelingen doen. Zij verheerlijken God en doen Zijnen wil Ps. 103:21. Zij laten zich uitzenden tot dienst dergenen die de zaligheid beërven zullen Hebr. 1: 14. Looft ook gij alzoo den Heere en vergeet nooit het goede dat Hij aan u deed. Dient Hem in uwe broederen, zoo zult gij ook in uwe mate een engel zijn onder het volk dezes tegenwoordigen tijds.
Heere Jezus maak mij bekwaam om Uwen naam te loven, opdat Ik hiernamaals met alle Engelen, aan de Engelen gelijk, in Uw koninkrijk zijn mag. Geef dat uit genade. Amen.
DE EERSTE JONGELINGSVEREENIGING DES NIEUWEN VERBONDS.
Uit eene jongelingsvereeniging is de kerk van Christus ontstaan. De pilaren der kerk, de Heilige Apostelen, waren eer zij Apostelen werden vrome jongelingen welke de Heiland rondom zich verzamelde tot eene vereenigiug.
Toen onze Heer optrad in Israël was Zijn oog vooral gericht op ontvankelijke jongelingen, en Hij vond er eenigen die op de verlossing Israels wachtende waren.
Andreas en Johannes waren de eerste jongelingen die den Heere Jezus onder de oogen traden. De Heer sprak met hen en nam hen zeer vriendelijk mede als gasten naar Zijn huis. Andreas bracht zijn broeder Simon tot Jezus. De Heer zelf vond Filippus en deze bracht Nathanaël tot Christus. Maar allen werden alleen gewonnen door het woord des levens, gevloeid van de lippen waarop genade en waarheid zijn uitgestort. De Heer hield eerst de discipelen niet bij zich
42
maar liet hen wederkeeren tot de hunnen, tot dat Hij hen later bepaald riep tot het Apostelambt, toen Hij nog zeven jongelingen tot zich had geroepen.
Het twaalftal apostelen door Hem uitverkoren werd in hun ambt bevestigd, maar niet eer voor de Heilige Geest op het Pinksterfeest werd uitgestort. Tijdens des Heeren omwandeling op aarde bleef de aard van het samenleven der twaalven, die van eene jongelingsvereeniging. Want ofschoon zij na hunne roeping soms weken, soms maanden bij Jezus bleven, zoo keerden zij toch ook somtijds tot hun handwerk terug. Als de discipelen bij den Heer waren op zijne zending of feestreize genoten zij Zijne zalige omgang, en werden zoo met Hem vereenigd dat zij zeiden: Heer waar zouden wij heengaan. Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.
Deze eerste jongelingsvereeniging des Nieuwen Verbonds, geeft veel licht over de jongelingsvereenigingen van onzen tijd. De Heer had bij de oprichting van deze vereeniging allereerst het oog op de redding en bewaring van de jongelingen zelf. Eerst als Hij langen tijd omgang met hen gehad heeft zendt Hij hen uit om ook anderen het Evangelie te prediken.
Mogen ook in onze jongelingsvereenigingen de jongelingen vóór alle dingen leeren hunne eigene zielen op de handen te dragen, voor zij gaan arbeiden aan het zielenheil van anderen. De Heer besteedde veel, zeer veel tijd aan het onderwijs dezer jongelingen in den weg des heils, maar Hij ging ook somtijds met hen wandelen door Palestina, en nam met hen deel aan de vreugde van het feestmaal.
Onze jongelingsvereenigingen moeten plaatsen van godsdienstige opleiding, maar ook plaatsen van Christelijke gezelligheid zijn.
Flinke wandelingen te maken met elkander moet óók voor onze jongelingen een genot zijn, even als het voor de
43
discipelen eene groote vreugde was als aan de liand des Heeren over bergen en door dalen te wandelen.
Ue zonneschijn, de zonneschijn,
Doet mij het wandlen lieflijk zijn.
Ter deure uit naar bosch en vloed Lokt mij de gouden zonnegloed.
Het leven moet doorwandeld zijn In zonneschijn, in zonneschijn.
Der wouden groen, der wouden groen
Maakt mij de ziele frisch en koen.
Er daalt in mij een hemelvuur,
In Godes heerlijke natuur!
Heer laat ook mij zijn frisch en koen
Als der wouden groen, der wouden groen.
Der vooglenzang, der vooglen lied Wekt me op dat 'k U ook 't mijne biedt:
De vogel zingt, maar weet niet wat.
Ik zing mijn God, mijn heil, mijn schat;
Hem zing ik luid mijn levenlang,
Bij vooglen lied, bij vooglenzang.
De waterbeek, de waterbeek Spreekt mij van rust na 's levensweek.
Want 'k zie het beekje zeewaarts gaan,
Zoo voert tot God mijn wandelbaan,
De eeuwge rust na 's levensweek Bedenk ik bij de waterbeek.
quot;Wat was liet toch. eene wonderbare zaak dat geringe jonge mensclien uit het volk, visschers en tollenaars, zich door de magnetische kracht van Christus aangetrokken voelden en in zijne gemeenschap vrede en vreugde vonden.
Toch behoeven wij ons daarover niet te verwonderen, want ook in onze dagen, zijn er meer jongelingen in de jongelingsvereenigingen uit den geringen, dan uit den aan-
44
zienlijken stand der maatschappij. Er was in de eerste jongelingsvereeniging één Judas Iskarioth. Hij was de ver-eeniging binnen gekomen zonder den verborgen ban, de medegesleepte boezemzonden te vlieden. Hij liet den bitteren wortel der gierigheid wortelen in zijn hart, verhardde zich tegen al de liefde van Jezus en zonk weg in verderf en verdoemenis. Wanneer er in de jongelingsvereenigingen onzer dagen ook niet enkel heiligen zijn en daar somtijds ook een tegenstander in het midden gevonden wordt, mag een blik op Judas hun niet troosten maar wel geruststellen. Het is noodzakelijk dat er ergernissen komen, maar wee den mensch door wien de ergernis komt.
Voor het overige is het vol beteekenis dat de Hartenkenner te voren aan de Zijnen zeide: één van u zal mij verraden; en dat zij toen allen diep bedroefd werden en vraagden; ben ik het Heere? Zoo moet ieder jongeling en ieder lid van eene jongelingsvereeniging ook vragen: ben ik het Heer? Deze vraag zal hem een hulpmiddel zijn om zijne zaligheid to werken met vreeze en beven.
Ook voor onze jongelingen ligt het niet aan hun willen of loopen maar aan de ontferming Gods. Ik heb u uitverkoren en gezet, dat gij heen gaat en vrucht draagt, en dat uwe vrucht blijve! Zoo spreekt de Heer tot Zijne jongeren in Joh. 15. Dit woord, o jongeling, moet het anker zijn voor het scheepje uwer jeugd; houdt u daaraan vast op de stormachtige zee van dit leven. Zoolang Jezus hand ons beschermt gaan wij getroost voort door stormen en zonneschijn, en zijn vroolijk bij dag en bij nacht.
Jongelingen die des Heeren u weet, bij al uwe zwakheid hebt gij Hem toch met Zijne kracht in uw midden. Inzonderheid als gij vergaderd en vereenigd zijt in Zijn naam.
Alzoo moet het u gelukken
Door zijn heilig, dierbaar bloed.
45
DE RIJKE JONGELING.
Onze Heer is menigmaal met voorname lieden in aanraking gekomen. Hij was gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is, en daarom moest Hij óók de voorname personen zoeken, nademaal ook zij zondaren zijn evenals de geringste in liet land.
Maar er â waren onder de voornamen en rijken -weinigen die zich uit eigen aandrift tot Jezus begaven, hoewel de Heer ook hen met zijne liefde omvatte. En waarom waren er zoo weinige? Do oorzaak daarvan wordt ons aangewezen in de geschiedenis van den rijken jongeling. De geschiedenis van den rijken jongeling is door den Heiligen Geest van zooveel beteekenis geacht, dat Hij ons dezelve door den mond van drie getuigen laat verhalen. Matth. 19: 16â26 Mark. 10 ; 17â27 Luk. 18 : 18â27.
De rijke jongeling behoorde niet tot die rijken die vóór alle dingen leven voor deze wereld, en die geen .tijd hebben om Mozes en de profeten te hooren. Integendeel, hij had van zijne jeugd af aan getracht onstraffelijk naar Gods wet te wandelen. Hij kon zeggen: Ik heb die geboden gehouden van mijne jeugd af aan. Hij was alzoo een werkheilige die de geboden Gods opnam zoo als dezelve geschreven staan, maar die geen begrip had dat die geboden ook een geestelijken zin hebben. En toch was hij niet louter een farizeër, want een farizeër vraagt niet wat ontbreekt mij nog? Hij erkent met deze vrage dat hij met al zijne uiterlijke eerbaarheid en rechtschapenheid den vrede niet gevonden heeft, en dat hij toch dien vrede gaarne wilde gewinnen. Een bewijs dat de eigengerechtigheid hem meer zat in het hoofd dan in het hart. Met het hoofd was hij een heilige, en met het hart een naar vrede zoekend zondaar. Maar de Heer die het hart aanziet, zag ook dezen jongeling aan en beminde hem.
46
zoo als Hij altijd, allen bemint, bij wie Hij een oprecht verlangen naar Zijne Grodclelijke hulp bespeurt, al mag het hoofd dan ook nog zoo vol vooroordeelen zijn. Maar wat voor eenen eigenaardigen raad geeft de Heiland aan den armen rijken jongeling? Verkoop al wat gij hebt en geef het aan de armen, en kom herwaarts en volg mij. Wil de Heer dan dezen jongeling tot een bedelmonnik vormen, en het uitwendige aalmoezen geven als den weg naar den hemel voorstellen? O neen dat zij verre! Een verlicht schriftverklaarder zegt: dit is niet des Heilands bedoeling, dat de jongeling door het uiterlijke werk van aalmoezen geven volmaakt en gelukkig kon worden. Het tegendeel leert Paulus 1 Cor. 13: 3.
Maar Christus die met het uiterlijke leven van dezen jongeling wel bekend was, heeft door dit eenige exempel hem willen overtuigen en zijne onvolkomenheid aan den dag willen brengen, dat hij namelijk de wet niet gehouden had, want dat hij God en ook zijne naasten niet volkomen lief had, nademaal hij weigerde op des Heeren bevel zijn goed aan de armen te geven en Christus in armoede te volgen.
Christus wil dezen mensch van zijne hoogmoedige inbeelding bevrijden; daarom legt Hij hem de hoogste proeve van de liefde voor God voor, welke in dien tijd verlangd werd, toen het rijk Gods op aarde gegrondvest moest worden. Maar de jongeling werd getroffen door deze rede en ging bedroefd weg, want hij had vele goederen; en merk hierop »deze goederen verhinderden hem om den Heiland te volgen.quot; Zijn hart wilde God dienen en den mammon; maar God wil het hart alleen hebben. Voor God geldt geen half hart en leven, God kroont geene verdeelde harten.
Dat is de diepste grond waarom de ingang in het koninkrijk Gods een enge poort is voor iedereen, en het oog eener naald voor den rijke; dat ook bij het ernstigste zoeken naar het eeuwige leven, de gouden ketenen waarmede de mammon de harten omspant, zoo moeielijk te verbreken
47
zijn. Of de rijke jongeling dezelve later nog verbroken heeft ? dat hij bedroefd wegging geeft wellicht eenigen grond van hope. Wat bij de menschen onmogelijk is, dat is toch mogelijk bij God, en wanneer de rijke jongeling later heeft opgehouden Gods trekkende liefde te wederstaan, is hij toch nog arm geworden in zich zeiven maar rijk in Christus.
Ach dat de rijke jongelingen van onze dagen de vooroor-deelen van hun verstand, en de zelfzucht van hun hart mochten opofferen, en de vraag zicli niet langer schamen: Wat ontbreekt mij nog? Dat zij in de kracht des Heiligen Geestes die in de Gemeente woont en werkt, de gouden ketenen mochten verbreken, gelijk Simson de touwen van de Filistijnen verbrak. Dat zij den ingang door het naaldenoog mochten zoeken vóór de genadetijd ten einde is.
Na het einde van dit leven,
Is er geen genade meer.
Rijke man gij roept vergeefs nu Schoon geroepen door den Heer.
DE JONGELING VAN NAEN.
De jongeling van Nain is voor eenen groeten kring de bekendste jongeling onder de jongelingen des Nieuwen Verbonds. Op eiken 16aen zondag na Trinitatis wordt zijne geschiedenis in de Evangelische kerk van Duitschland voorgelezen en uitgelegd. Zoo weet dan ieder kind, dat de jongeling van Nain dood was, op de baar lag, maar door het woord der Almacht van den Heere Jezus is opgewekt on. aan zijne moeder wedergegeven. Deze geschiedenis heeft voor de jongelingen onzer dagen eene dubbele beteekenis, eene letterlijke en eene geestelijke beteekenis. Evenals de
48
jongeling te Nain midden in de kracht en de sclioonlieid der jeugd moest sterven, zoo zinkt ook heden, nog menig mensch, in de lente des levens in dien nacht weg waarin niemand werken kan. En hij die dit schrijft heeft zelf menigen jongeling begraven. Mag de lente de wangen rood verwen, het oog doen fonkelen helderder clan kristal, ach van dat rood der wangen omgeven door licht bruine lokken, van het blauw der oogen schooner dan de smaragd, blijft niets dan de grauwe doodverf over.
Den grijsaard gunt men de rust der eeuwigheid wel, maar het is ons zoo weemoedig om het hart als de dood een pas bloeiende frissche menschenknop afknakt. Waarmede zal men zich troosten? Wanneer de jongeling dien wij ten grave droegen, geloofde in Jezus Christus, dan zal het woord van Christus ook eenmaal door dien jongeling vernomen worden: Jongeling ik zeg u sta op! Dan zal de Zoon aan wien de Vader alle macht gegeven heeft, ten jongsten dage tot hem spreken, en hem aan de zijnen wedergeven, en zij zullen elkander voor eeuwig weder bezitten, daar waar geen dood en geen lijden en geen droefheid meer is.
Maar gelooven dan de jongelingen allen in den Heere Jezus Christus? Ach neen, de meesten zijn dood, dood voor het geestelijk leven. Wel zijn zij zonen hunner moeder »de kerkquot;, wel heeft de kerk hun het Evangelie gepredikt en het sacrament des doops bediend, hen opgevoed met de melk des Woords, en de spijze des hemels in het Avondmaal hun gegeven, maar zij zijn dood. Hunne oogen zien geen heerlijkheid in Jezus Christus den eengeboornen des Vaders vol van genade en waarheid. Dood zijn hunne handen om Zijne genade aan te nemen, dood zijn hunne lippen om Hem te loven, die zooveel goedheid en barmhartigheid hun bewezen heeft.
Hunne geestelijke moeder, de kerk van Christus moet zijn als eene weduwe die om hare zonen treurt, tot hare tranen
49
over de wangen vlieten. Maar de Heer ziet de tranen zijner gemeente over hare jongelingen en dat breekt Hem het hart. Daarom komt Hij tot de jongelingen en roept hun allen toe: jongeling Ik zeg u sta op! Hij roept hun dit toe in de kerk, en op het ziekbed, op eenzame wandelingen, en in het ouderhuis. Ach dat zij de roepstem des Heeren hoorden! Maar de Heer zal in den dag des oordeels van velen hunner moeten zeggen: Ik heb u willen opwekken, maar gij hebt niet gewild, gaat nu heen vervloekten in den eeuwigen dood. Maar waar een jongeling is die de opwekkingsroepstem van Jezus Christus tot het harte laat ingaan, daar herhaalt zich het wonder van Nain. Do doode jongeling richt zich op uit de ellende des ongeloofs waarin hij lag en begint ook te spreken; Ik ben een arme zondaar, maar uit genade ben ik zalig geworden. Dan geeft de Heer hem ook aan zijne moeder weder, opdat hij wandelen moge in de voetstappen der gemeente, als een zoon die dood was en weder levend is geworden.
Geef Heer door den gloed der liefde Loven dat den dood verwint,
Moed en kracht, dat elke morgen,
Ons in uw gemeenschap vindt.
Wek het leven uit den dood,
God, zoo eindloos goed als groot.
Gij o opgang uit den hooge,!
Geef ons dat de jongste dag Niet ten oordeel maar ten zegen Zijn en eeuwig blijven mag.
Schenk ons hier al reeds de vreugd Die de zaligen verheugt.
4
50
DE JONGELING VAN GETSÃilANÃ.
De verheven geschiedenis van het bitter lijden en sterven onzes Heeren vermeldende, vinden wij bij Markus een zeer korte jongelingsgeschiedenis ingelast. Een zeker jongeling nu met een lijnwaad omkleed volgde in Getsemanó den Heiland toen Hij gevangen en van allen verlaten was. Maar als men den jongeling aangreep overwon de vrees de schaamte, hij liet zijn lijnwaad los en vlood naakt van hen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Markus zelf deze jongeling geweest is, toch moet ons de vraag: wie toch die jongeling geweest is, maar weinig bekommeren. Gewichtiger is de vraag wat de H. Geest ons door deze geschiedenis wil zeggen. Hij heeft ons buiten allen twijfel, vóór alles deze geschiedenis daarom bewaard wijl het Zijne lust en vreugde is als jongelingen Christus navolgen. Een oud godgeleerde zegt: hoewel de navolging van Christus bij dezen jongeling met veel zwakheid vermengd was, toch wijl ze uit liefde voor den Heer ontstond, heeft de H. Geest deze zaak waardig gèkeurd in de lijdensgeschiedenis te worden ingevoegd.
Het was schoon van dit jongeinensch dat hij zich in zijn jeugd voor Christus verklaarde, dat hij hem volgde toen al de jongeren hem verlieten; dat hij uit liefde voor Christus zijn nachtrust en gemak op zij zette. Ofschoon hij wel door de schare zal zijn uitgelachen toen hij naakt terug liep, en zij zich verheugden den armen man zoo behandeld te hebben, zoo heeft God toch deze zaak gansch anders ingezien. Wij moeten zijne liefde tot Christus, en zijne zelfverloochening beschouwen; zijne gebreken werden toegedekt en vergeven en voorzeker later verbeterd.
Deze geschiedenis moet allen jongeheden tot opwekking dienen om in hunne jeugd Christus te volgen, en hartelijk lief te hebben. Het is den Heere Jezus aangenaam wanneer
51
mon zijne beste krachten Hem offert, en zijne gezonde leden tot wapenen der gerechtigheid stelt. De jonge navolger van Christus in nachtgewaad, is een zinrijk beeld van het ontoereikende der menschelijke geestdrift voor den Heiland. Er zijn wel jongelingen die door de hoogheid en majesteit van Den schoonsten der menschenkinderen worden ingenomen, en in jeugdige geestdrift voor Hem ontbranden, en zulke opwellingen dan voor het zaligmakend geloof honden. Neen zulk een bloot menschelijke geestdrift heeft geen wortel in zich. Zulke opgewonden menschen zijn veranderlijk als het weder. Wanneer droefheid en vervolging komt om des Woord wille zoo vallen zij af. Het geloof dat ook in kruis en lijden stand zal houden moet uit droefheid naar God geboren zijn. Men heeft deze jongelingsgeschiedenis ook wel zoo verklaard, dat men de toepassing maakte: wij moeten den Heere Jezus navolgen met ontkleeding van al het onze. Deze toepassing is echter niet zuiver, want toen hij ontkleed werd, bleef deze jongeling geen navolger van Jezus meer, maar werd een vluchteling. Toch is deze toepassing wel Evangelisch. Leg alles af en doe aan den Heere Jezus! Dat moet de leuze van alle vrome jongelingen zijn.
DE JONGELINGEN DER EERSTE CHRISTENGEMEENTEN.
Het boek »De Handelingen der Apostelen,quot; spreekt ons veel minder van jongelingen dan de Evangeliën deden. Toch lezen wij in den aanvang iets van de jongelingen der eerste Christengemeente in Jeruzalem. Wij lezen in Hand. 5 waar ons het strafgericht Gods over Ananias en Saphira wordt medegedeeld, dat de jongelingen der eerste christengemeente
52
dienst deden als dragers van de lijken der Christenen. Ik ken een dorp waar de leeraar, een man Gods, was gestorven; en bij zijne begrafenis lieten de oudsten zijner leerlingen zich. de eer niet ontnemen het lijk van hunnen geliefden leeraar ten grave te dragen. Zoo hebben ook de Evangelisten der Ned. Ev. Prot. Vereeniging het zich eene eere geacht, het stoffelijk overschot van den zaligen Heer Dr. Abraham Capadoze ten grave te dragen. Er zijn in dorpen en steden naar de bestemde orde ambtelijke dragers die de lijken bezorgen ter laatste rustplaats; maar toch blijft er nog behalve die taak genoeg te doen voor jongelingen in de gemeente voor Christus. Ik ben op groote zendingsfeesten geweest, en heb daar burger en boerenjongelingen gezien die zich geoefend hadden in het bespelen van blaasinstrumenten om het feestgezang te kunnen begeleiden, dat is waarlijk een zeer schoone dienst voor Christenjongelingen.
Er zijn kerken waar lieve vrome jongelingen Liturgische koren zingen, ook dat is eene schoone dienst voor jongelingen. Er zijn ook aan vele plaatsen Zondagscholen opgericht, waar Godzalige jongelingen de kleine kinderen dienen om Jezus wil. Dat is een zeer schoone dienst voor onze jongelingen. Mochten de dienende jongelingen der moederkerk te Jeruzalem recht vele jongelingen ten voorbeeld zijn om zich aan den dienst in de gemeente te wijden. Den Heere Jezus te dienen is de ware vrijheid, en hoe schoon zal deze vrijheid onzen jongelingen staan.
DE JONGELING TE TEOAS.
In hetzelfde hoofdstuk waarin de beroemde afscheidsrede van Paulus wordt gevonden, in Hand. 20, staat ook de uit-
53
voerigste jongelingsgeschiedenis welke in het boek voorkomt.
Het was te Troas in klein Azië, waar Paulus op een Zondagavond eene prediking hield, en zijne rede uitbreidde tot middernacht. Vele lampen waren er in de opperzaal in welke de kleine gemeente verzameld was. Een jongeling Euthyehns genaamd welke in een venster zat, viel in diepen slaap. En daar de Apostel lang voort redeneerde werd de jongeling door den slaap overmand en viel van de derde verdieping naar beneden, en werd dood opgenomen. Panlus ging echter naar beneden, strekte zich over hem uit, omvatte hem, en sprak: weest niet ontroerd, zijne ziel is in hem. En zij brachten den jongeling levend en waren zeer vertroost. Deze geschiedenis is een pendant van die van den jongeling te Nain.
Daar evenals hier de opwekking van een gestorven jongeling. Maar deze geschiedenis heeft toch iets bijzonders. De jongeling van Troas is de oorzaak van zijnen eigenen dood omdat hij gedurende de godsdienstoefening den slaap niet wederstaat, waarmede de duivel hem aanvalt. Hier is een leerrijk voorbeeld voor alle onbevestigden onder de jongelingen, ook met het oog op den gevaarlijken slaap.
Midden onder het gehoor van het Goddelijk Woord kan uw hart o jongeling van den slaap der zekerheid overwonnen worden. Ook gij kunt als deze jongeling wellicht een diepen val doen. O jongeling, gij die meent te staan, zie toe dat gij niet komt te vallen. Vallen uit de ingebeelde hoogte des geloofs, deed reeds menig jongeling die tot ongeloof, vertwijfeling, en andere groote zonden en schande gekomen is. En zijt gij gevallen arme jongeling, merk dan op en wees ernstig.
Er licht in de geschiedenis van de jongeling te Troas een krachtige troost voor gevallenen. In de armen des Apostels die hem met levenskracht en levenswarmte doorstroomde, werd door Gods wonderbare genade de diep gevallene weder levend. Zoo mag, zoo kunt ook gij door de
54
genade van Jezus Christus, in de armen en onder de zielzorg van een zijner dienaren weder opgericht en levend worden.
Haast u, gevallen jongeling, een geloovigen zielzorger op te zoeken; ontdek hem de schuld uws levens, en zoek onder zijne leiding Jezus Christus die de zondaren aanneemt, en gij zult behouden worden.
Voor Jezus niets te slecht,
Gij komt bij Hem terecht.
Wat alle menschen meiden,
Wat niemand meer kan leiden,
Dat mag nog tot Hem komen Wordt door Hem aangenomen.
Dezelfde wondergave die den dooden Euthychus opgewekt heeft, zal ook u opwekken en levend maken. Klem u slechts vast aan de genade Gods.
DE JONGELING VAN LTSTRE.
De jongeling met wien wij hier nu besluiten, de jongeling van Lystre mocht wel onder alle menschelijke jongelingen de beroemdste zijn, want hij is het waar Paulus twee zijner hartelijkste brieven aan geschreven heeft; het is Ti-motheus. Hij was de zoon van een heiden, maar zijne moeder was eene vrome Israëlitische die haar kind zorgvuldig met het Oude Testament bekend maakte. Ook zijne grootmoeder Lois was eene Israëlitische zonder bedrog maar vol innig geloof. Zoo leerde en wist Timotheus van kindsbeen de Heilige Schriften.
Welzalig de jongeling, die zich gelijk hij in vrome ouders heeft mogen verheugen, en die door hen werd opgevoed in
55
â de leer en vermaning des Heeren, en die hem alzoo den Heere dierbaar maakten.
Zulk een jongeling heeft een groote schat medegebracht â uit het ouderhuis, die door al het goud en zilver dezer wereld niet wordt overtroffen. Als de apostel Paulus op zijne eerste zendingsreize te Lijstre kwam werd de jongeling met zijne moeder voor den Heere Jezus gewonnen, en als de Apostel wederkwam vergezelde Timotheus hem als zijn zendingshelper en ontving onder de handoplegging des Apostels de ambtsgave des Heiligen Geestes.
Hij begeleidde den Apostel op zijne zendingsreizen en werd reeds zeer jong als opziener van de gemeente te Epheze aangesteld. Een voorbeeld geldt daarom nog niet voor allen, en niet ieder jongeling kan zendeling of predikant worden, maar dien de Heer tot de zending of predikdienst roept, hun zijn de snoeren in lieflijke plaatsen gevallen, en zij zullen God danken dat zij verwaardigd worden bazuinen der genade te mogen zijn.
Timotheus eerde Paulus als zijn geestelijken vader en de Apostel kon hem daarom noemen: zijn lieven getrouwen zoon in Christus, zijn echten zoon in het geloof. Ook onze jongelingen moeten zich hoe langer zoo meer aansluiten aan de mannen door wiens dienst hun geestelijk leven gewekt, verzorgd en bewaard werd; hunne geestelijke vaders in dankbare liefde aanhangen, en als hunne geestelijke zonen zich bewijzen, door hen in eere te houden, te dienen en te gehoorzamen, en vooral door hen al hunne liefde waardig te schatten.
Dewijl gij nu o geliefde jongelingen zulk eene wolk van jeugdige getuigen rondom u hebt liggen, zoo laat u opwekken om af te leggen allen last en de zonde die u lichtelijk
56
omringt en traag maakt in het goede. Loopt met lijdzaamheid den loop die u voorgesteld is. Ziet voor alle dingen op den jongeling zonder Zijns gelijke, Jezus Christus, den Aanvanger en Voleinder des geloofs. Maar zie ook op do andere jongelingen der H. Schrift, en laat hunne geschiedenis u dienen tot leering en vermaning, bestraffing en verbetering, tot toeneming in de godzaligheid; opdat gij meer en meer jongelingen naar Gods hart moogt worden, tot alle goed werk bekwaam.
Dat geve God u allen uit genade! Amen.
AANHANGSEL.
Twee liederen van vrome jongelingen.
De jongeling aan het kruis.
De Goede Herder trok steeds voort,
Deed wondren, bracht alom Gods woord; Door zijne jongren begeleid,
Die zagen 's Heeren heerlijkheid.
Maar toen de Heiland sterven ging,
Bleek en bebloed aan 't kruishout hing, Bleef van het twaalftal één Hem na. Slechts één stond er op Golgotha.
Ja toen de Heer, van allen daar quot;Verloochend en verlaten waar.
Bleef toch Johannes 't trouwe hart Bij 't kruis en deelde Maria's smart.
57
En denk ik nu aan Golgotha,
Waai- ik mijn Heiland gadesla; Ofschoon ook 't elftal Hem verliet, Ik mis daar toch één jongling niet.
De wandelaars naar Emmaus.
Twee jonglingen keerden vol droefheid naar huis, Hun Heiland toch stierf aan het smadelijk kruis.
Zij hadden hun hoop steeds op Jezus gebouwd.
En nu was die hoop aan het graf toebetrouwd.
Doorboord was hun harte door kommer en leed, Men doodde hun Heiland die nimmer misdeed.
Maar zie als zij droevig naar Emmaus nu gaan.
Sluit bij hen een wondere vreemdling zich aan.
Hij leidde hen uit in de Heilige Schrift,
En 't werd door Gods Geest in hun ziele gegrift.
â De hemel herwonnen door 't dierbare bloed!quot; Dit denkbeeld ontstak hun het harte in gloed.
In Emmaus trad Hij op hun bede in huis,
De hand, brak het brood, die doorboord werd aan 't kruis.
Hun hart eerst vertroost, werd nu wonder verblijd. Zij aanschouwden hun Jezus in heerlijkheid.
Het kruis werd hun roem, over 't graf werd het licht; Schoon Jezus, hun Heiland, verdween uit 't gezicht.
't Geloof schonk hun vreugd, en de Heer bleef nabij, t Halleluja weerklonk: Hij leeft. Ook voor mij !
De Krijgslioden der Oudheid.
DE GENERAAL NA AM AN.
2 Koningen 5.
Groot willen zijn is elk menscli aangeboren; het is de eerste dwaasheid van het kind, en het is zeker niet de eerste dwaasheid geweest van de Apostelen, toen zij in de heiligste ure, twistten: wie de grootste zou zijn, in het koninkrijk der hemelen. Toch wil God zelf ons groot zien. Hij bevordert duizenden, ja milioenen, tot den hoogen rang van koningen, wier devies op het wapen, van eene edele Duitsche familie wordt gevonden. 'gt;Mijn koningrijk is in den hemel.quot;
Hoewel deze bevordering nu het wenschelijkste is, zoo is toch het verlangen naar bevordering door aardsche koningen, zeer begrijpelijk en betamelijk. Alle macht en overheid is van God, en Gods dienaresse, ten goede dengenen, die goed doen, tot straf dergenen die kwaad doen. Het staat een Officier zeer goed, ridderorden en eereteekenen op de borst te dragen; en ernstig te streven naar verhooging van rang, en nog schitterender epauletten. Daarin kan nu de Syrische minister van Oorlog, de Generaal Naüman, tot een schoon voorbeeld dienen.
Er staat van hem geschreven in, twee koningen vijf vers 1: Naitman, de krijgsoverste van den koning van Syrië, was
59
een groot man, voor het aangezicht zijns heeren; en van hoog aanzien. Want door hem had de Heer de Syriërs verlossing gegeven. Zoo was deze man een strijdbaar held.
Een groot man. een man van hoog aanzien, want, laat ons op dit woordje letten. God de Heer had dezen man gebruikt, om zijn volk verlossing te geven. Eere aan Naaman, mijne vrienden! hij was de eer dubbel waard, want hij was een strijdbaar held, die waardig is, dat gij u aan hem spiegelt, al was hij een heiden, en draagt gij den christennaam. Gij moogt gerust dezen heidenschen overste tot voorbeeld nemen, niet alleen, wat zijn moed en dapperheid betreft â maar ook in zijne andere deugden. Zie echter in dezen man, hoe noch eer en aanzien, noch rijkdom, gelukkig maken kunnen.
Hij was melaatsch. quot;Wat staat dat woord daar treurig, bij zooveel, waar anderen afgunstig op zouden zijn.
Gelukkig is deze man van zijn treurige krankheid genezen, toen hij den raad zich niet schaamde op te volgen, van het joodsche kind; toen hij zijn verstand liet zwijgen, en zijn stand kon vergeten, en geloovig gehoorzaamde, aan het woord van den man Gods: Wasch u zevenmaal in de Jordaan. Dat heeft die hoofdofficier veel strijd gekost, maar hij heeft toch de overwinning over zich zeiven verkregen.
Wie zich zeiven bestrijdt, bekampt den ergsten vijand. Wie heerscht over zijn hart, is sterker, dan die een stad inneemt. Hij is eerst wel boos geworden op den profeet, en spotte met het bevel waaraan zijn behoud hing, maar dat verwondert ons niet van een heiden, als wij, christen officieren soms zich zeiven zien vergeten, ook al meenen zij het zoo kwaad niet. Zijne knechten traden toe, en zeiden tot hem; mijn Vader.
O ik wenschte dat ik dit, met gouden letteren kon schrijven. Met één knecht maar al zijne knechten noemden dezen grooten man: Vader, wel een bewijs, dat hij deed wat ieder
60
van onze heeren Officieren verplicht is, te doen; vaderlijk handelen met de manschappen, waarover het bevel hun is toevertrouwd.
Daarin is Generaal Naiiman tot een spiegel voor eiken Officier en Hoofdofficier, maar ook voor eiken Onderofficier. Hoe kunnen eenvoudige boeren en burgerzonen, die quot;willicht in hun ouderhuis, nooit hoorden vloeken, achting hebben voor mannen, die hen duizendmaal op één dag verwenschen tot in den diepsten afgrond, en spotten met al wat elk mensch, heilig moet zijn? Waarlijk zij zullen hun Hoofdofficier geen vader noemen.
Toch zijn er gunstige uitzonderingen. Eere aan de trouwe mannen, die door hunne rechtschapen handelwijze, achting afdwingen, bij elk jongeling in den wapenrok des konings. Ik ken een Officier bij wiens manschappen nooit werd gevloekt, God moge lang hem sparen tot een voorbeeld voor anderen in ons goede land. Ik denk aan een anderen Officier die door een militair, zeer hartelijk werd bedankt, voor zijn recht vaderlijke handelwijze. Zulke mannen blijven bij honderden in gezegend aandenken.
Misschien hebben zij zich aan den heiden Naaman wel eens gespiegeld en trachten het hem nu als christenen nog te verbeteren. In het hart van menig Officier, woont belangstelling in godsdienst. Maar valsche schaamte zegt: het staat niet voor een Officier, om vroom te zijn.
Maar Naaman, schaamde zich niet en zeide: ik zal geen offerhande meer brengen aan andere goden, maar aan den Heer alleen. Zie dat is moedig, zoo betaamt het den held. Hij is geen hold, die zich schaamt voor zijn koning, schaamt voor zijn overtuiging, schaamt voor zijn geloof en zijn God.
Officieren mogen zich spiegelen, aan den heiden, Naaman. quot;Wie zich aan anderen spiegelt, spiegelt zich zacht.
De eernaam van onzen zeeheld de Ruiter was bestevaer.
Cl
Den vadernaam, bij zijne manschappen af te dwingen, is eeuwige eer voor den Officier, want de Hoofdofficier Naaman is vereeuwigd.
JUDAS DE MACABEÃR.
Green heiden, maar een jood, en een vrome jood ook, staat in zijne Officiersuniform voor ons. Van uit zijn tijd spreekt hij tot alle volgende tijden, van hetgeen een vroom krijgsman vermag, in de kracht en door het vertrouwen op zijn God.
Toen de goddelooze Antiochus Epifanes door den Romein: Popilius Lenas, rondom zich een kring zag trekken in het zand, met het woord, besluit voor gij hier uitkomt; Egypte verlaten of sterven; toen was hij wel genoodzaakt om Egypte te verlaten, want de macht van Rome was geducht.
Maar nu koelde hij zijn woede aan de joden, en liet op sabbath een leger van twee en twintig duizend man moorden, en rooven, maakte den burg Sion tot een Citadel, met Syrische bezetting, wijdde de tempel van Jehova aan Jupiter Olympus, en belette aan de joden het vieren van sabbath en feesten, en martelde ouders en kinderen waar de besnijdenis in eere werd gehouden. Toen zond God hulp door den ouden priester uit Modin, Mattathias, en zijne zonen Johannes, Simon, Judas, Eléazar, en Jonathan.
Van dit vijftal werd Judas, de opvolger van zijn vromen en dapperen vader, die stervend nog sprak: allen die op God vertrouwen, kunnen niet ten onder worden gebracht. Deze moedige en dappere man, verwierf zich den eernaam van Maccabeër, dat is hameraar, want hij was een hamer in Gods hand. Hij roeide den afgodsdienst uit, en ook de afgodendienaren.
62
Hij bemachtigde het zwaard van den stadhouder van Samaria, en versloeg Seron, den stadhouder van Coele Syrië, bij Bethlehem. Zijn leger bekroop de vrees voor de overmacht, maar zijn woord gaf moed, en de overwinning was volkomen.
Daar kwam Nicanor om Palestina te tuchtigen. Hij bracht al slavenhandelaars mede, want de man had zijne gevangenen reeds verkocht, zonder dezelve nog te bezitten. Te Mispa maakte Judas zich met zes duizend man gereed door een vast en bededag, en toen in God gesterkt, liet hij nog de helft van zijn leger heengaan, om te voldoen aan het woord der wet. Deutr. 20 : 5â8.
Daar komt hij te vernemen, dat de Syriërs voornemens zijn hem aan te vallen in den nacht. Nu spreekt hij zijn mannen aan, en zegt: Omgordt u, en weest dapper, houdt u gereed tegen den morgenstond, om aan deze heidenen slag te leveren, zij zijn tegen ons vergaderd om ons te vernielen. Het is beter dat wij in den strijd sterven, dan de ellende van ons volk aan te zien. Laat ons roepen tot den hemel, God zal ons genadig zijn, en de volken zullen weten, dat er één is, die Israël behoudt. Toen tastte hij den vijand aan, en de trotsche Nicanor, zijn leger, en al 't geld der slavenhandelaars viel den overwinnaar in handen. De slavenhandelaars, werden slaven, en Nicanor ontvluchtte in een slavenkleed. Judas gaf weduwen en weezen van den buit, en God zegende hem op nieuw. Een Syrisch leger van twintig duizend man viel in éen veldslag.
Met tienduizend man trok Judas tegen vijf en zestig duizend man op, na een gebed vol vertrouwen; en het groote leger werd geslagen; vijf duizend Syriërs vielen; de stad Jeruzalem kwam in de macht der joden; de tempel werd gereinigd van afgoderij, en de dienst van Jehova werd hersteld, in het jaar 1G5 voor Christus. Met offerhande, lofzang, en muziek, werd de tempel opnieuw gewijd, welke plechtigheid acht dagen duurde.
G3
God heeft gezorgd dat deze leeuw, tegenover den vijand; maar een lam tegenover zijn God, stadhouder werd, voor zijn sterven. Jammer voor den man dat hij een misgreep beging door hulp bij de Romeinen te zoeken; Gods hulp ging voor hem verloren. Toch stierf hij als een held in den strijd voor zijn vaderland. Hij had de Syrische vervolging ten einde doen komen, en den joodschen staat den weg tot de onafhankelijkheid gebaand. Ik heb slechts de geschiedenis laten spreken, en houd mij overtuigd, dat geen christen Officier zich behoeft te schamen, om zich te spiegelen aan het voorbeeld van trouw, vroomheid, en moed, gegeven in dezen Opperbevelhebber uit Israël.
Trouwens de wereld zal niet gemakkelijk, onder éen volk der aarde, zooveel helden aanwijzen, als het volk der joden aan kan wijzen in de gewijde geschiedenis.
DB HOOFDMAN VAN KAPERNAÃM.
De Heere God heeft mij het voorrecht geschonken, eenige Officieren en Hoofdofficieren onder mijne vrienden te mogen tellen. Die edele mannen, waarop het lieve Vaderland trotsch mag zijn, mag ik van tijd tot tijd in mijne woning ontvangen, en hartelijk de hand drukken. Al dragen zij een sierlijke uniform, en ik een eenvoudig burgermanskleed; wij dienen éénen koning, en strijden voor één Vaderland, waarvan de hoofdstad, het hemelsch Jeruzalem is geheeten. Maar er is één Officier die onder de vrienden behoort van allen die God vreezen, en dien wij allen gaarne in het rijk der heerlijkheid de hand zullen drukken. Het is de Hoofdman van Kapernaum, bij eiken bijbellezer wel bekend.
Verhoogd te worden is aangenaam, maar gedegradeerd te worden, is zeker verdiend loon.
64
Nu, al de inwoners van Zapernaüm, hebben eenmaal uit den mond van den Koning der Koningen dit ontzettende woord moeten hooren; Gij Kapernaüm, dat tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Dat is nog erger, dan van den rang van Officier tot gewoon soldaat te worden teruggezet, hetwelk natuurlijk even zelden geschiedt, als de degredatie van een stad, vol inwoners te gelijk. Maar aan die nare, en onteerende geschiedenis, is onze vriend de Hoofdman van Kapernaüm ontkomen. Hij was niet tot den hemel verhoogd, want hij was een heiden. Maar hij behoorde toch tot de edelen uit de volken, die vereenigd worden met het volk van den God van Abraham.
De oppasser van dezen Officier had een beroerte gehad, en leed zware pijnen. En nu ging de edele man tot Jezus om genezing te bidden, voor zijn knecht. Hij handelde daarin zeer wijs, want hij liet zijne bede tot Jezus brengen, dooide ouderlingen der joden, en deze gaven van den heiden een prachtig getuigenis. Zij zeiden: Hij is waardig dat Gij hem dat doet, want hij heeft ons volk lief, on heeft zelf ons de Synagoge gebouwd. Hoe menig Officier wordt door dezen man beschaamd gemaakt.
Zeer velen bouwen liever een comedie en vrijmetselaars loge, dan mede te werken tot den bouw eener kerk. Nu, de waardige man werd niet beschaamd in zijn vertrouwen, want Jezus zeide: Ik zal komen en hem genezen. Dat zeide de Heer van een man, die lag te sterven. quot;Waarlijk bij Hem zijn uitkomsten ook tegen den dood.
Als nu Jezus met de ouderlingen medeging, en niet ver van het huis was, zond de hoofdman over honderd, eenige vrienden tot Hem, en zeide: Heer neem de moeite niet om in mijn huis te komen, want ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen, daarom heb ik ook mij zeiven niet waardig geacht om tot U te komen, spreek slechts
65
één woord, en mijn knecht zal genezen worden. Want ik ben ook een raensch onder de macht van anderen, en heb ook onder mij krijgsknechten, en ik zeg, tot dezen ga! en hij gaat, en tot den anderen kom! en hij komt, en tot mijnen dienstknecht, doe dat! en hij doet het. quot;Wat uitnemende parel aan de kroon van Christus is deze man. Men weet niet wat het meest in dezen Officier te bewonderen; zijn menschlievendheid, weldadigheid, nederigheid, zijn onwankelbaar geloofsvertrouwen of zijn eenvoud. En toch bij dat alles mijne vrienden, zijn invloed en gezag, had hij niet door vloeken en waanzinnig schelden, en ontzettend zwaar straften verkregen, maar door het winnen der harten zijner manschappen. Deze man is kort en beslist in zijne bevelen, hij maakt zich niet gruwelijk boos, laat zijn bevel niet vergezeld gaan van, een man van eer onwaardige woorden, en toch wordt zijn commando stipt en terstond opgevolgd.
Ik wil geen preek maken over het geloof, die houdt de lezer voor zich zeiven, maar in de oogen van dezen Officier, zijn de krachten der gezondmaking voor Christus, wat de manschappen zijn voor hem; en daarom zegt hij; Heer spreek maar één woord, en mijn knecht zal genezen zijn. Ik wil dezen man alleen als een voorbeeld aanwijzen, en meen dat, een Officier die nog iets heeft van dat gevoel, hetwelk men geweten noemt, dat lastige voorwerp wel zal voelen, als hij bedenkt wat door Officieren en Onderofficieren alzoo wordt gedaan en gezegd, en door burgers wordt gezien en gehoord. Moet deze heiden niet in het oordeel optreden, tegen sommige gedoopte mannen van eer en rang, die zóó zich verlagen, dat men alle achting voor hen moet verliezen, en niets dan afschuw en afkeer voor hen overhouden?
Of meent men dat die man kan geacht worden, en eere waardig is, die fatsoenlijke jongelingen vervloekt en scheldt, bij den gekruisten Christus vergelijkt, en boer, beest, os,
5
06
ezel, rakkert, enz. noemt; en dat alles, omdat zij die nooit nog marcheerden of exerceerden, niet alles terstond kennen, wat men van hen verlangt? Ik zelf heb door een kapitein in zijn toorn, een eenvoudige vrome jongen een gemeene smeerlap hooren noemen, en de anders in vele opzichten knappe Officier, vergat zich zoo geheel dat hij eindelijk brieschende als een dier, Jezus Christus een smeerlap noemde.. Hij is gestorven op het veld van eer, maar ik herinner mij het woord van een waardig man, die zeide dat God dien Officier, als Majesteitschenner, den kogel gegeven heeft. Het was dubbel verdiend, want zijn laatste woord, bij het vertrek uit het lieve vaderland was, de bede om zijn verdoemenis. Duizendmaal liever een heidensche Centurio, als de man uit Kapernaüm, dan een gedoopt christen die zijn dapperheid toonen wil, en zijn gezag handhaven wil, met onzinnig vloeken. Eere, duizendmaal eere aan elk Officier, die door woord en daad protesteert tegen vloeken en ver-wenschen, en gezag voert, juist door middel van zijn edel gedrag tegenover zijne onderhoorigen, die hem met liefde zullen gehoorzamen, en blijmoedig zullen trachten alles te doen, wat zij kunnen, voor hunnen goeden Officier.
Zouden vroomheid en dapperheid niet te zamen kunnen gaan? Zoude het militair zijn, het christendom buiten sluiten? immers neen!
Onze schoone Vaderlandsche geschiedenis spreekt, op zoo menige bladzijde van vrome mannen, die tegelijk dappere helden waren. Weinig van beteekenis, eigenlijk beklagenswaardig, is de mensch, die tot heerschen en bevelen is geroepen, en zijne onbekwaamheid daartoe gevoelt en nu zijn invloed staande wil houden, door onwaardige taal; zijn gezag is voor goed verloren. Men moge den bullebak vreezen, den bevelhebber kan men niet in hem achten en eeren; wel jn den hoofdman van Kapernaüm.
67
DE HOOFDMAN VAN GOLGOTHA.
Jezus Christus de gekruisigde heeft door Zijn dood, het hout van vloek en schande veranderd in het teeken van eer. Het kruis op de kerkspits, stijgt hoog naar de wolken, als groot liefde-symbool waar Gods zonlicht op speelt. Maar dat kruis is ook het teeken der veroordeeling voor de wereld, want nooit beging de menschheid vreeselijker daad, nooit veroordeelde zij meer zich zei ven, dan op het oogen-blik, toen de edelste van ons geslacht, aan het vloekhout werd genageld. Werd de onschuld zelf dit loon waardig geacht, wat moet schuldigen dan, naar rechtvaardigheid geschieden ?
Goddank! Zijn dood is ons behoud, Zijn straf bracht ons den vrede. Zijn kruis was het teeken der overwinning behaald door den Zoon des mensclien, over den satan en zijn trawanten, die in het kruis zijn laatste krachten heeft verspeeld, en voor goed de nederlaag geleden. Bij het kruis nu stond een hoofdman der Romeinsche kaijgslieden en op dien man wilde ik u wijzen, als een man van heldere zienswijze, een man van besliste overtuiging, een man met bc-wonderingswaardigen moed, ten spiegel en voorbeeld van alle Officieren van lateren tijd zoo juist geschikt.
Deze man stond bij het kruis, dat door de trotsche zonen onzer eeuw voorbij wordt gegaan met minachting, hoe wel toch het kruis een teeken vau eer is geworden, en prijkt boven de kroon der koningen die eenmaal allen voor den gekruiste buigen. Die hoofdman zag de aardbeving en de dingen die geschied waren. Hij zag dat Jezus roepende »het is volbracht,quot; Vader in Uwe handen beveel ik mijne geest, den geest had gegeven. Kortom hij zag wat er geschied was. Daarom noem ik dezen man, een man van heldere zienswijze. Geen schuldige sterft daar aan het hout,
68
geen dweeper, die zich laat martelen voor zijn ideën, maaide Ãéne die goed was, de edelste der menschheid, die zeggen kon; wie uwer, overtuigt mij van zonden. En die daarin getoond heeft, hoewel ons gelijk geworden, toch niet te behooren, tot het gevallen geslacht dat zich den eernaam van mensch aanmatigt, maar zich onder het dier verlaagt.
Hij zag wat er geschied was, dat Gods Zoon daar stierf, tot onze redding, als de borg en verzoener onzer ontzettende schuld. Daar was die Officier beslist van overtuigd, en die overtuiging kon hij niet verzwijgen. Er staat dan ook van hem geschreven: Hij verheerlijkte God! Zie zulke mannen mogen ten spiegel en voorbeeld dienen, voor hunne collega's. Een besliste overtuiging te bezitten, en die niet te verbergen, maar God te verheerlijken, dat is voorbeeldig voor anderen. Deze man sprak als zijn vaste overtuiging uit, dat Jezus Christus, die daar gestorven was aan liet vloek en schandehout, een rechtvaardig mensch was, ja veel meer nog, dat Hij was Gods Zoon. Dat is het zaligmakend geloof, om in Christus den gekruiste, Gods Zoon te zien, er vast van overtuigd te zijn, en het vrijmoedig te belijden: Jezus Christus is een rechtvaardig mensch, en de Zoon van God! Deze man ziet helder in een waarheid, waar vele eeuwen lang over getwist is. Hij twist er niet over, maar er éénmaal van overtuigd, spreekt hij beslist die overtuiging uit, en toont daardoor juist zijnen bewonderenswaardigen moed. Romeinsch Officier, staande onder Pontius Pilatus die Christus liet kruisigen, plaatst hij zich aan de zijde van Christus, en trotseert met heiligen heldenmoed, den moed die alleen het geloof kan geven: zijn keizer, het keizerlijk gericht, de woede van Pilatus en het Joodsche Sanhedrin, dat Christus had laten dooden, als Godslasteraar, en hem had aangeklaagd als een oproermaker tegen den keizer. De moed van dezen man, kan men beter gevoelen dan beschrijven. Maar al wat
G9
christen heet, moet zich aan dezen heiden spiegelen, die bij het kruis staande, zijn behoudenis vond in den Behouder der menschheid.
Het is niet moedig zijn overtuiging te verbergen, maar wel er voor uit te komen, en er alles voor te wagen. Wie dit wil leeren, hij ga naar Golgotha, hij plaatse zich bij het kruis en hoore het woord van een heidenschen Officier, die een voorbeeld werd, niet alleen voor alle Officieren, maar voor de gansche menschheid:
Deze mensch is waarlijk rechtvaardig, deze mensch is Gods Zoon.
Zulke mannen zijn waardig met lauweren te worden gekroond, en waar menschen hen smaden, God zal hen eeren ; dan valt do smaad der wereld licht. In elk geval is het zeer laag gehandeld, iemand om zijne godsdienstige overtuiging te smaden, in een land, waar godsdienstvrijheid bij de wet gewaarborgd is. Het is gruwelijk laag te dwepen, met de leuze recht voor allen, maar van die allen uit te zonderen, hen die Christus eeren en dienen. Het is zeer laag gehandeld, als door Officieren en Onderofficieren en God vijandige manschappen, elk vroom soldaat, en elk die nog niet vroom is, maar er naar wil trachten, ja elk die slechts een Militair Tehuis bezoekt, voor al wat men maar kan bedenken wordt uitgescholden: en soms zeer onrechtvaardig gestraft, alleen om zijn vijandschap bot te vieren aan den vromen soldaat, wiens eenigste kwaad is, dat hij in plaats van kroeg en bordeel â te bezoeken, een christelijk gezelschap of de kerk bezoekt. Het gevolg daarvan is dan ook, dat géén honderd manschappen ter kerk gaan, in een stad waar twee duizend man in garnizoen liggen.
Mochten onze christen Officieren zich toch aan heidenen spiegelen en een einde maken aan zulke toestanden. Is het niet uit het beginsel der vroomheid, dan ten minste gedreven, door het gevoel van recht en billijkheid.
70
Eecht voor allen, is niet alleen recht voor godcleloozen en lichtzinnige dienaren, der het kruis vijandige wereld, maar óók voor den militair die God wil vreezen.
DE HOOFDJIAN VAN CESARÃA.
Een puinhoop nu, maar een schoone stad in vroeger tijden, was het oude Stratonstoren, door Herodes herbouwd, en Cesaréa genoemd. Twaalf jaren heeft Herodes aan die stad laten houwen; en in het jaar negen voor Christus, werd zij ingewijd.
Toen, hoewel Jeruzalem de hoofdstad bleef, werd Cesaréa Residentie voor de Romeinsche landvoogden die over Judea regeerden van het jaar 4 vóór tot 41 na Christus. De stad had een sterk kasteel voor de bezetting, die uit een der vijf Cohorten bestond, en in Handelingen 10 De Itali-aansche wordt genoemd, omdat de Cohorten uit Italiaansche soldaten gevormd waren. Joden Grieken en Romeinen bevolkten de stad, en voor de beide laatsten had Herodes prachtige tempels gebouwd, waaronder zich vooral onderscheidde de grootsche Augustus tempel, op een heuvel gelegen tegenover de haven, zoodat die tempel, den zeevaarders reeds van verre in 't oog viel.
In die stad nu, bij een der zes of zeven compagniën, elk groot honderd man, was het commando opgedragen, aan den hoofdman Cornelius. Er staat van dezen man, zeer veel goeds in het oude, goede boek, dat wij den Bijbel noemen, beschreven. Al was hij nog heiden, toch was hij een God-vreezend man met geheel zijn huis, en deed veel aalmoezen aan de arme joden die in Cesarea woonden. De man had dus de middelen om wel te kunnen doen, maar het middel
71
om volkomen gelukkig te zijn kende hij niet; en daarin is Cornelius ook onder de Officieren niet de eenigste gebleven. Maar wat hij nog miste, wilde hij toch gaarne bezitten, en daarom was hij God geduriglijk biddende.
Nu maakt God geen onderscheid des persoons; maar alle volk dat Zijn naam vreest, is Hem aangenaam. Zoo hoog stond deze heiden zelfs bij God aangeschreven, dat een Engel tot hem gezonden werd, om hem te zeggen, dat God zijn gebeden had gehoord, en zijn aalmoezen aangezien.
Deze Engel noemt den hoofdman bij zijn naam «Corneliusquot;. Zie dat is recht vertrouwelijk, dat Engelen, menschen bij hun naam noemen, wel een bewijs dat Engelen zich niet schamen, om met edele menschen om te gaan. Had Cornelius zijn gaven aan de armen geschonken, van God ontvangt hij de grootste gift, en de aanwijzing van den weg, tot waarachtig en eeuwig blijvend geluk. Daar wordt geen Engel voor gebruikt, daar moet Petrus voor komen, want de Allerhoogste doet menschen voor menschen ten zegen zijn, om eenmaal heel de aard te verbroederen. En nu genoeg over het verhaal, mijn doel is slechts, om op dezen man weder te wijzen ais een voorbeeld, waar anderen zich aan kunnen spiegelen. Heeft de Heiland Sodom geplaatst tegenover Kapernattm, en Ninevé en Scheba's koningin tegenover Zijne tijdgenooten ? Hoe zal dan ook in den grooten dag deze heiden beschamend en beschuldigend optreden, tegen de onwaardige mannen, eener zich noemende christelijke wereld; van wie niet kan worden gezegd; Godzalig, en vree-zende God, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende. Maar goddeloos, en God niet vreezende, maar spottend met al wat heilig is, en zelf niet ingaande, ook anderen verhinderende, lichtzinnig en levende alleen voor eigen genot; en zelfs, als men armen weldoet, er eerst nog schouwburg of danspartij aan verbindend.
Dat deed de heiden Cornelius niet, en weet gij wat hij
72
ook niet deed, als honden, en nog minder dan dat zijne manschappen behandelen.
Met zijne huisknechten was hij vertrouwelijk, en onder zijne krijgsknechten had hij er sommigen, die gedurig bij hem waren, want ook zij leefden Godzalig en toen God hem Zijnen Engel zond, verhaalde hij alles aan deze mannen.
Zie dat was vertrouwelijk en vriendelijk gehandeld. Nu kan men niet met ieder vertrouwelijk zijn, dat was Cornelius ook niet, maar een vriendlijk woord, kost geen geld. Het schijnt dat sommige Officieren zouden wenschen de gansche wereld te kunnen tracteeren op goeden azijn; terwijl zij voor zich zeiven zeer gaarne wijn de voorkeur geven.
Voorwaar, voorwaar, niet alle christen militairen, kunnen van hunne christen Officieren getuigen; wat heidensche soldaten van hun Centurio zeiden: Cornelius een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vreezende God, en die goede getuigenis heeft, van het gansche volk der Joden.
Rechtvaardigheid: Zie hier mijne Heeren, er een schoon staaltje van door mij zelf bijgewoond.
Een Godvreezend militair werd onophoudelijk door zijn sergeant in straf geholpen, alleen »het zijn des sergeants eigen woordenquot;: omdat je een fijne bent. De militair leende van een kameraad een doosje was. De sergeant zag het staan en deed de vraag: Van wie is dat? Van dien man sergeant. Hoe kom je daar aan? Ik heb het geleend. Geleend? met eenige vloeken. Je hebt het gestolen! van dien diefstal werd rapport gemaakt. De Kapitein die niet aan diefstal geloofde, strafte toch den militair met veertien dagen provoost, behalve het voorarrest. De man kreeg later op zijn zakboekje » voor het te lang houden van een doos slappe was, tegen den wil van den eigenaar.quot; Even voor de militair in de provoost gebracht werd, kwam een smoordronken tamboer hem tegen op de corridor, en gaf hom met beide vuisten een slag in het gelaat, zóó dat de arme jongen vier
73
weken lang met de aldigste litteekens in het aangezicht heeft geloopen. [Die dronken beul kreeg acht dagen politiekamer. Eechtvaardig niet waar ? In het Tehuis kwam de sergeant vloekend den militair vervolgen, en dreigen met straf.
Twee jaren zijn voorbij gegaan, de militair komt weder onder de wapenen, en dezelfden sergeant, zegt tegen dezelfden man: begint gij weder het Tehuis te bezoeken'? Ja sergeant. Kerel doe het niet meer, want zoo wordt gij nooit soldaat. Er zijn geen goede soldaten, die zulke huizen bezoeken: Zoudt gij het meenen in ernst ? Dan waren de negentig korporaals, de vijftien trompetters, de twaalf stafmuzikanten, de vierentwintig onderofficieren, en de caveleristen die de beste waren in schermen, en springen over zeven paarden, ook geen goede soldaten, alleen omdat zij bezoekers waren van zeker Tehuis. Hoe vreemd dat sommige Heeren Officieren, zelf aan dat Tehuis kwamen vragen naar goede oppassers, en hen in dienst namen ook. Eechtvaardig is toch iets anders, ten minste naar het alledaagsch verstand, van een burgerman beoordeeld.
JULIUS VAN DE KEIZERLIJKE BENDE.
Nog eenmaal treedt een edele Romeinsche Officier voor ons oog, een man aan wien de geheele christenheid met dankbare erkentenis terug denkt, en wel om het woord aangaande dezen man, ons beschreven in Hand. 27: 3. En Julius gedroeg zich menschlievend jegens Paulus.
Paulus was een gevangen man. Reeds drie jaren had hij in Cesarea gevangenschap ondergaan, en nu in banden zijnde, werd hij naar Rome vervoerd. Menig officier zou zich niet met een gevangene willen inlaten, maar Julius zag in dezen
74
man geen misdadiger, maar een slachtoffer van den godsdienst haat der joden; en wat hij voor Panlus deed, zou Julius voorzeker niet voor eiken gevangene doen. Hij stond toe dat twee van Paulus vrienden aan boord kwamen, en de reis mede maakten. Hoe menigeen zou daar tegen protesteeren, zoo niet geheel weigeren. Maar Julius handelde mensch-lievend met Paulus. quot;Wellicht wist Julius zelf niet hoe het kwam, maar hij hield van dien gevangene. Wij weten wel hoe het kwam. Paulus zonder mooiprater te zijn, zocht zich aangenaam te maken aan de gewetens van alle menschen. Hij behoorde niet tot het geslacht dat een bederf is voor het christendom, die eenzijdige bekrompen zielen, die geen boek zullen lezen dat niet godsdienstig is. Paulus was op de hoogte der litteratuur van zijn tijd, ook van ongewijde schrijvers. Mocht Paulus stiller zijn dan anderen, toch was hij opgeruimd, en behoorde niet tot degenen die schijnen te meenen, dat op vroolijk zijn een boete is gesteld. En daarbij Paulus was zelf een edelman van geboorte en bezat een gespierd karakter. En mannen als Julius, kunnen zoo zij dit willen, uitnemende menschenkenners zijn. Hij bewees Paulus alle mogelijke vriendschap, gaf hem verlof te Sidon het schip te verlaten, en zich bij zijne vrienden te goed te doen. Natuurlijk had Paulus daar wel wat anders te doen dan lekker te eten en te drinken, hoe wel zijn vrienden het hem niet zullen onthouden hebben. En later, met de schipbreuk, was het Julius wederom, die tegen den raad der andere krijgslieden in, om de gevangenen maar te dooden, Paulus en met hem, ook de andere in 't leven behield.
Zoo geeft Oud en Nieuw Testament een loffelijk getuigenis aan Officieren, waarover wij ons hartelijk verheugen.
In liet Oude Verbond vinden wij één Officier, die met het woord van den profeet Gods spotte. Maar in het Nieuwe Verbond is geen enkele Officier die zich ruw en onwaardig heeft gedragen.
75
De Nieuw Testamentische schrijvers hebben over de Officieren niets, dan hetgeen lofwaardig is mede te deelen, en dit is ook voor de christenen zeer opmerkenswaardig. Die Officieren des Bijbels zijn allen te zamen tot een spiegel voor hunne collega's van lateren tijd, maar ook tot een voorbeeld van geloof, menschlievendheid, vriendelijkheid en zoo menige andere deugd in hun leven, ten toon gespreid, voor personen die niet den wapenrok des konings dragen. Onze tijd en ons Vaderland, kunnen mannen toonen onder de Officieren, die met eere naast die bijbelsche personen mogen staan, en die hun christennaam eere aandoen. Het militaire leven is van ouden adel, vindt in de heilige schrift zijne Goddelijke wijding, is voor velen tot een groot nut, maar wordt jammerlijk genoeg, door velen verkeerd begrepen. Militair zijn èn goddeloos zijn, behoeft niet samen te gaan. De wapenrok is geen vrijbrief voor de zonden. Iloe jammer dat de keurlingen uit de menschheid zoo vaak vergeten wat voor God en het Vaderland roeping en plicht is. Hoe kan het Vaderland de verdediging van haardstee en altaren toevertrouwen, aan mannen die Gods eeuwige straf voordurend inroepen over zich zei ven en anderen, en in den z wij mei-roes van het kwaad meer lust hebben, dan in matigheid, rechtvaardigheid en godzaligheid.
De omgeving, het is waar, is vol verleiding, en streng oordeelen is liefdeloos, maar het kwaad goed noemen is goddeloos. Een Officier kan geen predikantentaai spreken, en de snorrebaard staat hem vrij wat beter, dan een uitgestreken gelaat; dat echter afschuwelijk is, ook voor den burger, die nooit het christendom recht heeft begrepen, dat blijdschap, vrede en moed geeft, zelfs in den dood.
Maar christen zijn is mogelijk voor Vorst en onderdaan, voor krijgsman en burger, voor Officier en gewoon militair. Mogelijk niet alleen maar ook noodig. De dood wenkt ieder uur, de eeuwigheid komt, en de deurwachter aan den he-
76
meipoort kent geen soldatenrok of priesterkleed, maar laat allen binnen die het wachtwoord des hemels kennen; en omdat te kennen moet men behooren tot de krijgsknechten van den Koning der koningen, den Heer der heeren. Al wat goed is, al wat rechtvaardig is, al wat welluidt in eenig volk der wereld, of in eenig mensch op aarde, ook het goede in het hart en leven der Officieren, die voorbij ons oog zijn gegaan, zij zijn alle stralen uitgaande van de Zon der gerechtigheid. Hot is alles de vrucht van dien Geest, die niet alleen aan Israël maar ook aan de volken arbeidt, om er het leven Gods te doen doorbreken. Een spiegel is niet, wat men er van wenscht als de lijst ontbreekt; het mag spiegelglas zijn, maar de lijst maakt dat glas tot een spiegel.
Nog een weinig geduld; aan den voet van een berg is het hout aanwezig dat als lijst moet dienen. Is die lijst er om, dan acht ik mijn taak volbracht en hoop dat mijn spiegel voor iemand ter wereld dienstig mag wezen.
DE OVERSTE LEIDSMAN EN VOLEINDER DES GELOOFS JEZUS CHRISTUS.
De Heer is een krijgsman, Heere is Zijn naam, het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen!
Zoo klonk het lied van Mirjam, de zuster van Mozes, langs het strand der Roode zee, nu drie en dertig eenwen geleden, als vervulling der belofte: De Heer zal voor u strijden, en gij zult stil zijn. De Heer is een krijgsman. Zie dat kan toch alleen maar van den krijgsmanstand worden gezegd, en van geen enkelen anders. God heeft dien stand geheiligd door veertig eeuwen heen. Hij heeft zich krijgsman laten noemen, en Zich het krijgsmanskleed niet geschaamd.
77
Hij was Israels voorhoede en achtertocht, en in Davids da-gen zong men in Israels Psalmen: De Heer is aan de spits getreden, dergenen die mij hulpe biên.
In de nabijheid van Jericho, stond de Heer der Heirscha-ren, in krijgsmansgewaad voor het oog van Jozua, en zeide: Ik heb Jericho én zijne inwoners in uwe hand gegeven. Van welk gewaad kan dit anders gezegd worden, dan van den uniform des krijgsmans, dat de Heer des hemels het op aarde heeft gedragen, voor Hij het timmermansgewaad aantoog bij Zijn reis door dit aardsche dal, in dienstknechts gestalte? Van Hem werdt gezegd in den 45sten Psalm; dat lied vol schoone Oostersche poëzie; Gord uw zwaard aan uwe heup o Held, uwe majesteit en uwe heerlijkheid, uw pijlen zijn scherp, volken zullen onder u vallen.
In den 110'1611 Psalm ziet gij het leger van dit legerhoofd; het zijn allen vrijwilligers, die ontelbaar zijn als de dauwdruppelen in den morgenstond; gekleed in het sieraad der heiligheid. Volken vallen in den heiligen strijd van het rijk des lichts, tegen de macht der duisternis. Het slagveld ligt vol doode lichamen, en hij die het hoofd is over een groot land wordt verslagen. Dan drinkt de overwinnaar op den weg uit de beek, en heft het hoofd weder omhoog, om zijne triomf te voltooien. Wie is nu de Held wiens overwinning hier wordt bezongen in dit lied? Het is de overste van den Olijfberg, de Overste Leidsman en Voleinder des ge-loofs, Jezus, die het kruis heeft verdragen, en de schande veracht, en nu gezeten is in heerlijkheid aan de rechterhand des Vaders. Ga met mij naar den Olijfberg mijne vrienden. Aan den voet van dien berg ligt een donker dal, een kelder dal, Gethsemané genaamd. Ontbloot uw hoofden ontdoet u van uw schoeisel, want de plaats waar op gij treedt, is heilig. Hier wordt een strijd gestreden die vreese-lijk is; de Godmensch Jezus moet hier Zich zeiven overwinnen, en dan de gansche hellemacht die tegen Hem opkomt.
78
Het bloed bedekt reeds Zijn aangezicht, maar den strijd laat Hij niet varen. In zwaren strijd zijnde, bidt Hij te ernstiger; dat hebben alle vrome helden in den voortijd gedaan, en Hij volgt het voorbeeld dier vaderen, even als duizenden straks het Zijne zullen volgen. Eón oogonblik schijnt het, of Hij de nederlaag zal lijden, maar neen; daar heft Hij het hoofd omhoog, goen worm meer, maar een man. Hoort Hem spreken; staat op, laat ons gaan, ziet die Mij verraadt is nabij. Daar treedt Hij op met moed en kracht, tot heil van ons geslacht. De bende treedt Hij nader. Den verrader onder het oog, geeseling en folterpaal treedt Hij tegen, den dood tegemoet.
Meent gij dat hij het onderspit delft? ik zeg u neen! Maar hij put den vijand uit. Hij mat hem af, duivel dood en graf moeten zich doodwerken op deze onwrikbare rots. Hij staat als een man, zwaarden noch stokken baten in den strijd, tegen dezen held; geen spot, geen hoon, geen meineed, geen hellesmart. Hij blijft staande, evenals de rots, waar de baren op aankomen bulderen, maar om hunne kruinen stuk te stooten, en machteloos neder te vallen aan den voet van dien reus die de eeuwen trotseert â zoo vallen zijn vijanden machteloos neder. De dood wordt verslonden, de hel buit gemaakt, het graf zijn prooi ontrukt, de wachters vlieden. Triomf, triomf Hij zegepraalt! De Gali-leër heeft overwonnen!
De Galileër heeft overwonnen. Met dat woord sterft de afvallige Juliaan in lateren tijd. De jood had zich aan het kruis geërgerd. De Griek had het dwaasheid geacht; de vervolging was begonnen door Herodes, was door tienEomcin-sche keizers voortgezet, bloedstroomen hadden gegutst, kerken gebrand, de Amphitheaters weergalmd van het gebrul der wilde dieren; en de jubeltonen van het volk; wier leuze was, geef ons brood en spelen!
Maar die zelfde Amphiteaters hadden weergalmd van den jubeltoon, der ten hemel varende christenen. Er werd een
79
bange strijd gestreden, een verdrukking geleden van tien dagen; maar toen was de overwinning behaald. Het christendom werd godsdienst van den staat, Constantijn was christen-keizer, en het teeken van schande, werd het zegevierend teeken der overwinning. Der Joden macht was geknot, liet heidendom lag verplet aan den voet van den Overwinnaar. Eeuwen zijn gekomen, en eeuwen zijn gegaan, de strijd werd vernieuwd, de bloedstroomen gutsten, martelpaal en moordschavot werden opgericht, ter meerdere eere Gods, maar de Hervorming was uit God; de Galileër heeft Eome overwonnen; en de bijbelgenootschappen planten het Evangelie in meer dan twee honderd talen voort, over de breedte der aarde.
Nihilisme socialisme, en andere helsche ismen, komen te voorschijn uit het rijk van den nacht. »De koning moet worden opgehangen,quot; zoo krijt men »aan de ingewanden van den laatsten priester;quot; om dien dag voor te bereiden bant men den Christus uit de school, Christus uit de kerk, Christus uit den staat; Christus uit de kazerne, Christus uit het hospitaal. Sterf arme soldaat in uwe zonden! de bijbel is een leugenboek, de hemel en de hel een fabel. Zoudt gij het meenen'? de Overste van den Olijfberg zal het u straks anders komen toonen; op den Olijfberg zullen Zijne voeten staan, en wie zal bestaan voor Zijn toorn? In zwarte donderwolken schrijft Hij met bliksemschrift, »Geen dageraad meerquot; voor de kinderen van het rijk des nachts. Op een nieuwe aarde leeft een Godsgeslacht dat in het licht van het kruis leerde wandelen. De Galileër heeft overwonnen! en elke zalige bewoner van het vrederijk is een spiegel geworden, waarin des Heeren heerlijkheid wordt aanschouwd.
Ajiex.
â
t'-'
â '.O quot;
.
â
-
.
-
__ I
V
LEIDEN: BOEKDUUKKKHIJ VAN L. VAN N1FTER1K HZ.