SCHRIFTBESCHOUWING
GBHOIJrXEISr OP HEX EILAND MARKEN 12 September 1886
DOOR
J. BEIJEÃE1ST-.
S-GKAVKNHAGE,
Firma H. J. GEREETSEN. 1886.
DE VRIJE GENADE GODS.
LEIDEN: BOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ.
DE VRIJE GENADE GODS,
SCHRIFTBESCHOUWING
GEHOUDEN 03? HET EILAND ISXARKEN. 12 September 18SG,
DOOR
h fii i 1 IJ 1E11,
BIBLIOTHEEK NED. HERV. KER^'
'S-GKAVENHAGE,
FIRMA H. J. GEREETSEN, 1886.
5 , A
/otfE oj
gCSENKING UIT DL BIBLIOTHEEK VAN H-M. PE KONINGIN
WAARDE LEZER!
Eenige jaren geleden het eiland Marken bezoekende, stelde God mij daar ten zegen voor vele zielen, die voor Gods Koninkrijk gewonnen werden. Het zal dus niemand verwonderen dat ik gaarne ieder jaar zoo mogelijk Marken bezoek. Menig rvoord door mijnen dienst daar gesproken tverd daar onvergetelijk; zoo ook het ivoor d dat u'hij'.dezen aangeboden ivordt. Mijne Marker vrienden vragen mij dit Schriftwoord uit te geven. Ik weiger het hun niet, in de hoop dat het gesproken woord ook elders ten zegen mag gesteld worden. Ik hoop nauwkeurig te hebben wedergegeven ivat gesproken icerd. Eene geschiedenis, ter verduidelijking van de waarheid dat ootmoedige schuldbelijdenis aan de vergeving der zonden vooraf moet gaan, dddr in den loop mijner rede medegedeeld, laat ik aan het einde dezer Schriftbeschouwing volgen. Gods zegen vergezelle dit zeer eenvoudige woord, om de eere Zijns naams, medezondaren ten zegen, naar de bede van
DEN SCHRIJVER.
Er werd gelezen: Psalm 106.
gezongen: Psalm 68 :10.
Psalm 100:1, 3, 4. Psalm 84; 3, 6. Gezang 3: 3.
Er is niets wat door alle tijden heen meer tot ergernis der mensclien was en wat toch waarlijk tot Gods eer is en tot ons lieil bevonden wordt, dan de leer der vrije genade Gods. Het is waarlijk een reden tot groote dankbaarheid dat God zulk een gemakkelijken en eenvoudigen weg tot zaligheid heeft daargesteld, dat wij uit genade kunnen zalig worden door het geloof. Wanneer wij ook maar iets moesten doen om zalig te worden, wij zouden het zelf onmogelijk maken al ware het slechts een oogenblik voor onzen dood.
Er is naar mijne gedachten geen bladzijde in do Heilige Schrift, waar zóó kort, zóó eenvoudig en zóó duidelijk Gods vrije genade wordt voorgesteld dan in een zestal verzen uit den u zoo straks voorgelezen 106l,en Psalm.
Laat mij met u mogen lezen en bespreken in dit morgenuur.
Psalm 106:0 â 12:
»Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld.
Onze vaders in Egypte hebben niét gelet op uwe wonderen, zij zijn der menigte uwer goedertierenheden niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de schelfzee. Doch Hij verloste hen om zijns naams wil, opdat Hij zijne mogendheid bekend maakte.
En Hij schold de schelfzee zoo dat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden als door eene woestijn.
8
En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.
En de wateren overdekten hunne wederpartijders, niet één van hen bleef over.
Toen geloofden zij aan zijne woorden en zij zongen zijnen lof.quot;
quot;Wij vinden in dit Schriftdeel:
Eene ootmoedige schuldbelijdenis.
Een genadigen Verlosser.
Een hoogbevoorrecht volk.
De eenige en eeuwige oorzaak der verlossing.
Den hinderpaal die overwonnen moest worden.
Het middel hetwelk tot verlossing diende.
De macht waaruit zij verlost werden.
De volkomenheid der verlossing.
En de dubbele vrucht welke deze verlossing heeft afgeworpen.
Bespreken wij deze verschillende onderwerpen, en Gods Geest zij met uwen en mijnen geest in spreken en hoeren.
Amen.
Er zijn in ons lieve vaderland, Gode zij dank, nog honderden en duizenden menschen, die nog wel niet beslist onder de geloovigen kunnen of willen gerekend worden; maar die toch in handel en wandel, door woord en daad toonen dat zij liefde bezitten voor God en Zijn dienst. Zijn woord en Zijn volk.
Menschen wier gansche loven bewijst dat zij niet willen medegaan met de kinderen dezer wereld, maar met de kin-
9
deren Gods, maar die bij dat alles toch de blijdschap en de zekerheid des geloofs missen. Wat is daar, aan des menschen-zijde, de oorzaak van? de Heilige Schrift antwoordt: De ootmoedige schuldbelijdenis wordt gemist. Een mensch kan jarenlang bidden, smeeken, worstelen met God om vergeving van zonden, zonder verhooring te vinden en tot zekerheid te komen van zijn eeuwig heil. Wilt gij weten waarom? omdat God niet ten uwen gevalle van Zijn eigen woord en weg afwijkt. Dat deed Hij zelfs voor koning David niet. â⢠Lees den 32sten Psalm. Meent gij dat die man niet gebeden heeft en gesmeekt? hij brulde tot God den ganschen dag; en toch werden zijne beenderen verouderd; hij gevoelde dat Gods hand dag en nacht zwaar op hom was, en zijne levenskrachten werden veranderd in zomerdroogte. Waarom? omdat hij zweeg wat hij moest uitspreken, wat hij moest belijden. Eerst toen hij daartoe kwam werd het anders, en toen ook terstond. Hij zegt: » mijne zonden maakte ik u bekend en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet, ik zeide: ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heer; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonden.quot; Lees ook den llGdcn Psalm en gij zult zien hoe spoedig God verhoort als de mensch op zijn plaats komt.
Er is bij God een »indienquot; waaraan wij ons hebben te houden. »Indienquot; wij onze zonden belijden. God is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonden vergeve.
»Indienquot; iemand zijne zonden belijdt en nalaat, dien zal barmhartigheid geschieden. »Indienquot; â o let op dat woord. God is getrouw in het vervullen zijner beloften, en rechtvaardig, want Hij zal geen beleden en dus vergeven zonden straffen. Zonden belijden, en toch in de zonden voortgaan, dat kan niet samengaan, dan is de belijdenis niet gemeend. Maar waar de zonden in ootmoed worden beleden, daar zal God dezelve vergeven, en zich betoonen een getrouw en rechtvaardig God
10
te zijn. Er is in dezen Psalm eene ootmoedige schuldbelijdenis: »Wij hebben gezondigdquot; â dat is niet wij hebben gebreken en verkeerdheden gehad, wij hebben ons humeur en onze feilen als ieder ander; dat is ook niet, wij hebben dingen gedaan die wij liever hadden moeten laten, of wij hebben dingen gelaten die wij liever hadden moeten doen. Wij hebben gezondigd; dat wil niet zeggen wij hebben te kortkomingen gehad, want die tekort komt heeft nog iets, maar de zondaar heeft niets, hij komt alles tekort. Wij hebben gezondigd! o als het tot die belijdenis komt, dan willen we geen zachter woorden zoeken, dan willen we onze schuld niet verkleinen, ook niet bedekken, maar dan spelen we open kaart met God â laat mij deze uitdrukking even gebruiken. â Wij hebben gezondigd ; dat is: wij hebben God Die ons weldeed met ondank beloond, wij hebben gezondigd onwetend soms, het wel wetend vaak, tegen beter weten in zelfs. Mogelijk opgevoed door vrome ouders, maar moeders gebed en vaders vermaningen vergetend, verdartelend, bespottend. Wij hebben gezondigd uit zwakheid, toegevende aan verleiding, maar o zoo vaak uit moedwil, niet verleid maar anderen verleidend; gezondigd, terwijl het hart ons klopte en het geweten sprak. Wij hebben gezondigd met Gods wet voor oogen, terwijl wij het Evangelie hadden gehoord, Gods roepstemmen vernomen; maar de stem van het geweten werd versmoord, het woord van God vergeten en versmaad. Maar het Psalmwoord zegt nog meer: wij hebben gezondigd, wij en onze vaderen.
Wij brachten eene erfenis mede in zonde en schuld bestaande. Wie kon ook een reine geven uit eenen onreine? niet één. Daarom is het woord waarheid: zoomin een moorman zijn huid kan veranderen en een luipaard zijne vlekken, zoomin kunt gij goed doen die gewend zijt kwaad te doen. Maar toch, al 'is het waar dat onze vaderen zondigden, het is ook waar; wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddeloos-
11
lijk gehandeld. Dat laatste woord wil ik niet gaan verklaren, daar moet gij de beteekenis van gevoelen, want die beteeke-nis is erger dan ik zou kunnen of willen uitspreken, dat grijpt in ieders particulier leven voor God en menschen. Maar het ergste van de schuldbelijdenis volgt in het 7de vers: Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op uwe wonderen. Is dat niet afschuwelijk?
En Grod deed zoovele wonderen voor zijn volk. De Egypte-naren aanbaden de bevruchtende kracht van den Nijl onder het beeld van een stier, en de vruchtvoortbrengende kracht van den bodem van Egypteland onder het beeld van den kikvorsch die duizend eieren legt. En nu werd de vergoodde Nijl tot oen vloek, het water werd bloed, de visschen stierven, de kikvorschen kwamen tot in den baktrog en op tafel en bed; het vee kreeg de pest, zoodat de afgod en de afgods-dienst door den waren Grod beschaamd werden. In Egypteland zong men: O nacht gij zijt de vader van goden en van menschen! dat lied was een leugen want het licht is van eeuwigheid in God.
Nu werd de nacht tot oen oordeel in dc tastbare duisternis gedurende drie dagen. O wat tal van plagen kwamen over Egypteland, en Israël bleef verschoond. De eerstgeboor-nen in Egypteland stierven en Israël bleef leven, en trok Egypteland uit, beladen met het goud en het zilver der Egyp-tenaren, hetwelk zij eerlijk hadden verdiend. En op al die wonderen hebben zij niet eens gelet, en aan de menigte van Gods goedertierenheden zijn zij niet gedachtig geweest. Als gij aan de schoonheid van dit woord denkt begrijpt gij te beter de afschuwelijkheid van de zaak. Gods goedertierenheid, dat is goedheid die tiert, groeit, zich uitbreidt, altijd meer zich ontplooit en openbaart. En op die goedertierenheid hebben zij geen acht gegeven, en zijn er niet aan gedachtig geweest.
Zie dat alles wordt door den psalmdichter ootmoedig bele-
12
den aan God, en daar moet liet bij ons ook toe komen, dan zullen óók wij eenen genadigen Verlosser leeren kennen. Hij verloste hen. Hij, wie is dat? dat is de eenige en drie-eenige God. Dat is God de almachtige, die hen uitleidde met een machtige hand, en met groote gerichten. Hij, dat is de God van Abraham, Izaak en Jakob, de eeuwig getrouwe God wiens woorden waarheid zijn, en wiens beloften Ja en Amen worden bevonden. Hij, dat is de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. Hij heeft hen verlost. Maar dat Hij zegt nog meer.
Dat is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, want die zijn niet van elkander te scheiden, nog in het werk dei-schepping, noch in het werk der verlossing. In de schepping is het: In den beginne schiep God hemel en aarde; maar in Psalm 33 lezen wij: Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir. Zoo is het ook in de verlossing. De Vader trekt ons tot den Zoon, de Zoon wordt ons de weg ten leven en leidt ons tot den Vader, en de Heilige Geest voltooit in ons hart het werk des Vaders en des Zoons. Maar hoewel wij de drieeenheid niet van elkander kunnen scheiden, toch belijden wij inzonderheid den Vader als Schepper en den Zoon als Verlosser. En wij zeggen met vrijmoedigheid: Hij verloste hen.Hij, dat is dat eeuwig liefelijk Wezen dat in eeuwigheid is geboren uit den Vader en in de volheid des tijds uit de maagd Maria. Hij, dat is onze gezegende Heiland, die eer en heerlijkheid had eer de wereld was, wiens vermakingen zijn met de menschenkinderen, die als spelende was in de wereld Zijns aardrijks, waarop Hij telkens nederdaalde om zich als Engel des Heeren, als Engel des Verbonds, als de Engel waarin Gods naam is, aan de menschen te openbaren. De menschen, die Hij zoo lief had dat Hij eindelijk zelf mensch werd, voor menschenbehoeften, om onze overtreding tot zonde gemaakt.
Hij verloste hen, want Hij was het die hen uitleidde, en
13
geleidde, des daags door eea wolkkolom en des nachts door een vuurkolom. Hij was Koning in oud Israël. De tabernakel was zijn paleis, liet gouden zoendeksel Zijn troon, de priesterscliaar was Zijn hofstoet, Mozes zijn geheim-Secretaris, en de strijdbare mannen vormden het leger van den Heer der Heirscha-ron, Die aan de spits trad voor Zijn volk, dat Hij zich was heengegaan tot een volk te verlossen. Hij verloste hen, een geheel volk op een eenigen dag, en op Golgotha een verloren wereld; ja alle zaligen van den ouden dag, alle geloovigen van deze bedeeling, de gansche schare voor Gods troon belijdt Jezus Christus als de genadige, volzalige, nooit genoeg volprezen Verlosser. En wat was nu het hoog bevoorrechte volk dat door Hem verlost werd?
Hij verloste hen â dat zijn de vaderen van wien de Psalmdichter spreekt. Tot die vaderen behoorde Jakob die eenmaal zijn vader en tweemaal zijn broeder bedrogen heeft, en die door Laban bedrogen werd, omdat de zonden die wij doen ons ook dienen tot een straf. De vaderen, dat waren Jakob's zonen, de Patriarchen, die vroom waren maar niet Godvreezend, die hun broeder verkochten, onder Gods toelating, want God bracht hem op den troon. De vaderen, die hunnen vader het haar deden vergrijzen, die hem het sierlijke kleed zonden met bokkenbloed bemorst. De vaderen daartoe behoorde Kuben die zijns vaders bed beklom; daartoe behoorden Simeon en Levi die mannen des gewelds, die in koelen bloede een stad uitmoorddon, om de schande te wreken van hunne zuster, die onteerd werd, toen zij baldadig een kijkje ging nemen bij het heidensche feest der Sichemmieten.
De vaderen! O deze Psalm zegt er genoeg van; het waren mannen die goddeloos waren, die niet letten op Gods wonderen, die niet dachten aan Gods goedertierenheid. Zij vergaten Gods werken, en wachtten niet op Gods raad. Zij murmureerden vaak tegen Mozes, zelfs reeds bij de zee, zoodat
14
de Heer, hoewel wij Mozes niet liooren bidden, toch tot Mozes moest zeggen: Wat roept gij tot mij? Zeg den kinderen Israels dat zij voorttrekken.
De vaderen, zij maakten een kalf bij Horeb en bogen zich voor een gegoten beeld. Zij vergaten God, hun Heiland, Die groote dingen gedaan had in Egypte. Zij gaven zich over aan vleeschelijken lust en hoereerden met de dochters van Moab. En Mozes, de man die zachtmoedig was, meer dan eenig mensch op den aardbodem, vergat door hunne plagerij zich zeiven, en het ging hem kwalijk om hunnentwil.
Gods heerlijkheid kon hij niet zien, en toen hij bad om het beloofde land te mogen betreden, moest hij het woord hoeren: »Spreek mij niet meer over deze zaak gij zult den Nebo beklimmen en daar sterven.quot; Gelukkig verhoorde God beide gebeden van Mozes 2000 jaar later, toen hij op Thabor het Heilige land betreden, en des Heeren Heerlijkheid aanschouwen mocht.
De vaderen. O zeg mij, had dit volk verdiend zoo bevoorrecht te zijn? immers neen; zij hadden het duizendmaal verbeurd en verzondigd. Met eene lieve oude vrome sprak ik gisteren over Gods goedheid voor Israël. Hij gaf hun wel Mara maar ook Elim, brood uit den hemel en water uit den rotsteen, en te Mara werd het water nog zoet toen Mozes het hout er in wierp. Toen zeide het goede oude vrouwtje: »jawel mijnheer, maar Israël was toch een ondeugend volk want zij murmureerden telkens weder.quot; Wat ik haar antwoordde zeg ik ook u: »Wij zijn geen haar beter dan Israël, en moeten in de ondeugd van Israël onze ondeugd leeren kennen.quot; Maar ik dacht: deze bladzijde uit Israels geschiedenis is een goed onderwerp voor het eiland Marken.
Er staat van Mozes geschreven dat hij na den dood van zijne eerste vrouw eene Ethiopische ter vrouw heeft genomen; daar was Mirjam zoo boos om, want nu was zij de
15
voornaamste vrouw niet meer in Israël. Vreemd was de keuze van Mozes, maar vreemder nog van Jezus Christus die zich in ondertrouw heeft verbonden met eene, die, toen de stralen der zon op haar vielen, ontdekt heeft dat zij zwart was. O in ons arme Ethiopiërs is niets lievenswaardigs evenmin als in de schuldige en zondige vaderen van oud-Israël die toch zoo hoog bevoorrecht waren. Maar wat was dan toch de oorzaak van dat voorrecht? Wat was de oorzaak van die heerlijke verlossing? De Psalmdichter zegt liet ons, in het 8ste vers, van dezen Psalm de eenige en eeuwige oorzaak der verlossing was: Hij verloste hen om Zijns Naams wil.
De eere van Gods naam is de eenige en eeuwige oorzaak van de schepping, onderhouding, verlossing, rechtvaardigingen verheerlijking, ja van alle dingen. Grod heeft alle dingen gemaakt om Zijn zelfs wil, ook de goddeloozen tegen den dag des kwaads. Hij behoefde voor niemand iets te scheppen, want Hij was de volzalige en algenoegzame in zich zeiven, maar om de eer van Zijnen nooit volprezen Naam schiep Hij hemel en aarde. Toen de aarde op hare grondvesten neder-zonk juichten de Engelen Gods. Die waren het eerst geschapen opdat zij bij al Gods verdere werken Gods lofredenaars zouden zijn. Wat nu waar is in de Schepping, is ook waar in de Verlossing. Al de zaligen in het licht zijn door Hem verlost, en Hij deed het om Zijns Naams wil, om geene andere reden dan deze alleen. Van Israël zegt de Heer:» Dit volk heb ik geformeerd zij zullen mijnen lof vertellenquot; en waar tot Israël of tot u het woord der vergevende liefde gesproken wordt, daar is het altijd: »Ik, Ik ben het die uwe zonden uitdelg om Mijn Naams wil en Ik gedenk uwe overtredingen niet meer.quot; Het is niet om ons gebed, ons berouw, onze tranen, maar Gods vrije genade, Gods rijke barmhartigheid alleen dat wij zalig worden. Wij behoeven God niet te bewegen door onze smeekingen, Hij zelf is met barmhartigheid bewo-
16
gen geworden over ons. Hij heeft ons vrijwillig lief en niet om iets dat aan of in ons is, want bij ons is niets dan zonde. Gij hebt bij God geen medelijden met uwe ellende op te wekken, want Zijne medelijdende liefde was de drijfveer tot het zenden van den Christus. Het is alles vrijwillig wat God doet; uit genade alleen, uit liefde alleen, uit barmhartigheid alleen. Welk een schoon woord dat woord barmhartigheid, dat woord bevat een tweetal woorden in zich; het woord arm en het woord hart. De armen uitstrekken, en wat van ons verwijderd is aan het hart drukken, dat is barmhartigheid. Dat deed God in Christus, van wien door Jesaja gevraagd wordt: »Aan wien is de arm des Heeren geopenbaard? God zond Zijn Zoon, God zond Zijn Geest om door die beiden den zondaar te redden en te verlossen.quot;
Om Zijns naams wil, om Zijns naams wil. Wie daar vat aan krijgt, de verhooring van zijn gebed is zeker; bekommerden en bedroefden, belijdt oprecht uwe zonden, en zegt het dan aan uw God dat gij Zijn naam zult groot maken en verheerlijken, als Hij u vrede schenkt voor het hart, en vergeving van zonden. Brengt het God, met eerbied gezegd, aan het verstand dat met uw redding en heil de eere Zijns Naams gemoeid is, en Hij zal u niet ledig henen zenden maar de kracht van het »om Zijns naams wilquot;, heerlijk doen ervaren. Hij verloste Israël om Zijns naams wil, opdat Hij zijne mogendheid bekend zou maken; en die mogendheid was noodig niet alleen om Farao te onderwerpen, maar ook om bij Israël de hinderpalen voor hunne verlossing uit den weg te ruimen.
's Heeren goedheid kent geen palen. De menschen zetten overal palen, en zetten aan alles palen. Ja zij zouden Gods liefde wel binnen palen willen zetten, maar palen zijn vaak hinderlijk, en hinderpalen moeten op zij gezet of uit den weg geruimd worden. De hinderpaal voor Israels verlossing was deze; »Zij waren wederspannig aan de zee, bij de schelfzee.quot;
17
Wederspamiiglieid, dat is een vreeselijke hinderpaal voor God om te overwinnen. Maar, o zalig nochtans; nochtans verloste Hij hen om Zijn naams wil. Het woord van Mozes werd bewaarheid; »staat vast, en ziet het heil des Heeren hetwelk Hij heden voor u doen zal; en wat dezen vijanden aangaat, gij zult hen niet wederzien in der eeuwigheid.quot;
De liefde tot Zijne eigene eer maakt dat iedere hinderpaal door God overwonnen wordt. De Israëlieten stonden op tegen Mozes, zij verweten hem hunnen dood, wensehten hunnen eigenen dood, wensehten zich terug in de tichelovens van Egypte, onder den staf van den drijver, onder de macht van Fariio, en toch heeft Hij hen verlost. Hoewel zijne liefde afstiet op hunnen onwil en wederspanniglieid, toch heeft Hij hen verlost. O wonder van genade en ontferming! Hij verlostte hen uit het diensthuis; van het slavenjuk, uit den ticheloven, uit de macht van Farao; en wat was het middel tot deze heerlijke verlossing? De wateren van de Roode zee. Die wateren weken en stonden als muren, tot al het volk was overgegaan. God baande zijn volk een pad door diepe wateren. Lees wat daar staat in dezen Psalm in vers 9.
»Hij schold de schelfzee zoodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden als door een woestijn.quot; Met dit wonder heeft het ongeloof gespot, maar de steenen met de hiëroglyphen hebben gesproken, ook nog in de laatste dagen, en de waarheid bevestigd van dit schriftwoord.
Het was eene vreeselijke macht waaruit Israël verlost moest worden, maar Hij, de Almachtige God verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands. Een hater ja, en een vijand was Farao; want wat kon hatelijker zijn dan hetgeen hij deed aan Israël? Steenen vormen en bakken met de brandstof door hen zelf nog vergaderd, dat was hunne taak, bij welks vervulling zij nog geslagen werden door den drijver. Hunne kinderen moesten door vrouwenhan-
18
den gedood worden, en toen deze dien gruwel niet wilden bedrijven werden de ouders gedwongen tot moord aan hun eigen kroost.
Toen Egypteland gebogen lag onder plagen en slagen en dood, zette Fariio Israël na om hen nog eenmaal terug te voeren naar zijn land of hen te dooden. En wat gaf dien man al dien haat en die vijandschap in? niets dan de vrees dat Israël machtiger zou worden dan het volk des lands ? neen en nogmaals neen, het was de verklaarde vijandschap tegen God, Zijn dienst, en Zijn volk. Eene helsche staatkunde deed Farao al de kinderen van Israël dooden, want hij bracht daardoor een offer aan zijn Grod den Nijl. Geen macht is meer te duchten dan die van liet fanatisme of den godsdiensthaat; nochtans heeft Hij hen verlost. En die verlossing was volkomen. Daar staat in het li*1quot; vers: »de wateren overdekten hunne wederpartijders, niet êón van hen bleef over.quot; De trot-sche Fariio ziende dat Isi-aël droogvoets door de Roode zee ging, volgde ook dien weg met zijn leger, maar ondervond dat er een groot onderscheid is tusschen vermogen en vermeten â wat Israël deed was het werk des geloofs wat Farao deed was het werk van den overmoed, en hij kwam om in de wateren met al zijn heir. Niet één van hen bleef over. Zoo bereikte God het doel van deze verlossing; Zijn naam werd verheerlijkt- en Zijne mogendheid bekend gemaakt. Evenals bij den zondvloed, waardoor de zondaren werden verdelgd en Noach behouden, zoo waren de wateren van de Roode zee het middel waardoor Israël werd behouden en Fariio gedood â De verlossing was volkomen, niet één van hen bleef over. God doet geen half maar een volkomen werk. Christus heeft ons verlost, en verlost ons nog, op wien wij ook hopen dat Hij ons nog verlossen zal. Hij is ons gegeven tot wijsheid en rechtvaardigmaking, en heiligmaking en volkomen verlossing; dat is: Hij verlost ons van den vloek der zonde,
19
van de schuld der zonde, van de gevolgen der zonde, van den smet der zonde, en eenmaal zal het van de lippen der verlosten klinken; niet één van onze vijanden bleef over!
Hij die wandelde in Edens hof, die aan Abraham verscheen, die tot Izaak heeft gesproken, die met Jakob worstelde en hem een nieuwen naam gaf en een nieuw hart. Hij verlostte hen. Die tot Mozes sprak in den braambosch, en met hem omging als een vriend met zijnen vriend, des Vaders zoon, des zondaars vriend, de wachter Israels, Hij verloste hen volkomen. De heerlijke Zaligmaker Die ons lief had tot in den dood. Die ons kocht met Zijn bloed, Hij verloste ons volkomen, niet één, niet één vijand bleef over. Dood en graf en duivel heeft Hij overwonnen niet één van hen bleef over. Zondeschuld gij zijt betaald, dood gij zijt verslonden. O God is machtig om te verlossen, machtig om een slaventeelt te maken tot een volk van koningen en priesters. Hij is machtig te verlossen, een geheel volk op één dag, meer dan twee millioen nienschen op eenmaal, millioe-nen geslachten in één oogenblik op Golgotha's kruis. Laat het ongeloof den Vader van onzen Heere Jezus den God der liefde noemen, en den Jehova van het Oude verbond een wreeden God. De God van het Oude verbond is ook de God van het Nieuwe. De God van Israël is onze Vader in Christus, en Hij heeft hen verlost. Plaats dezen Psalm in het licht van het Evangelie. Dan ziet gij een hoogbegunstigd volk, gered door oen gonadigen Verlosser, Die alle hinderpalen overwint, die ons redt door Zijn bloed. Die ons verlost, van de vreeselijkste machten, en Hij verlost ons volkomen. Daartoe daalde Hij uit de heerlijkheid terneder op aarde, daaartoe werd Hij mensch voor de menschen, Gode een vloek aan het kruis, om door Zijn bloed verlossing aan te brengen voor alle tijden, alle geslachten, alle volken, en eenmaal komt de vrucht van die verlossing ten goede ook van alle schepselen. Hij de lieve Heer en Heiland, uw Jezus mijn broeder. Hij heeft u verlost. Wat was er voor lievens-
20
waardigs aan de menschea? immers niets? lees Romeinen 3 en gij schrikt voor dat Photografisch portret van de menscli-heid. Waarom dan zoo groote betooning van liefde en genade? om niets in u, om niets in mij, om Zijns Naams wil heeft Hij verlost. Verlost van de macht der zonde, verlost van de macht des Satans, verlost van de vreeze des doods, verlost volkomen verlost om Zijns Naams wil. Ik kan dit woord niet genoeg herhalen, want dit eene woord bevat de gansche leer der vrije genade. Begrijp nu de waarde en kracht van dit woord en klem er u voor eeuwig aan vast, en uw heil is zeker. En welk een middel tot zoo groote verlossing niet waar? een kruis, een gekruiste, het bloed van den gekruisten Christus, maar God kon niet anders, er was geen ander middel meer. Maar Hij deed het ook om Zijne mogendheid bekend te maken. Zijn macht die goddeloozen tot heiligen, die vloekers tot bidders, die ontuchtigen tot kuischen, die haters tot vrienden maakt. Saidus wordt Paulus, de tegenstander een voorstander, de leeuw een lam, de vervolger een zendeling door de mogendheid des Heeren.
De schepping van het heelal, de opstanding van Christus, en de bekeering van een zondaar staan allen gelijk. Gods almacht is noodig om een wereld te scheppen; Gods almacht moet in Christus vleesch worden, en zich als almacht der liefde openbaren om van een zondaar een hemelburger te maken. Hinderpalen vindt God overal, in de Schepping en in uw hart. O meen niet dat God bij de Schepping maar te spreken had: er zij! Dan hebt gij het Scheppingsverhaal nooit begrepen. De Schepping is een zesmaal herhaalde strijd van het rijk des lichts tegen het rijk der duisternis dat Gods werk had verwoest. De aarde is het teeken van de behaalde overwinning. De aarde is uit de duisternis geroepen tot Gods wonderbaar licht om nu de deugden Gods te verkondigen. Dat is ook uwe roeping, gij die het weet, »Hij heeft mij verlost, om Zijns naams wil, en om Zijne mogendheid bekend te maken heeft
21
Hij alle hinderpalen overwonnen.quot; En nu keeren we nog eenmaal tot onzen Psalm terug om de dubbele vrucht te zien door de verlossing van Israël afgeworpen. Wij lezen in het 12lle vers. »Toen geloofden zij aan Zijne woorden en zij zongen Zijn lof.quot; Dat was Gods doel: Israël te verlossen uit de macht van het ongeloof zoowel als uit de macht van Farao; toen dat doel bereikt was, zongen zij Zijn lof. Ziet gij nu wel dat Hij het deed om zijns naams wil. Zij zongen zijn lof, en daar is het God om te doen. Hij wil aan en in en door Zijne schepselen verheerlijkt worden, Hij doet alles om Zijns Naams wil. En zooals het bij Israël was, zoo is het nog; bij elk die door de Roode zee is gegaan, bij elk die zich gewasschen wreet in het bloed van Christus, daar is de dubbele vrucht der verlossing aanwezig: »Toen geloofden zij Zijne woorden en zij zongen Zijn lof.quot; De Oud-Testamentische geschiedenis heeft eene Nieuw Testamentische heenwijzing en is dus in zijn diepsten zin profetisch. Egypte is beeld van het diensthuis dei-zonde, de drijver het beeld van den ons nooit rust gunnenden tijd. De Duivel is de helsche Fariio die Gods volk naar het leven staat met al de macht van zijne hatelijkheid en vijandschap, tegen God en Zijn volk. Zijn woord en Zijn dienst. De Roode Zee is zinnebeeld van het bloed van Christus; als Israël verlost is moet het geheiligd worden en ontvangt op Sinai de wet, maar boven de wet staat het Evangelie »Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypte uit het diensthuis heb uitgeleid. Wie dit Evangelie leerde kennen komt strakts tot de betuiging: Zijne geboden zijn niet zwaar. Het leven in de woestijn toont de leidingen van God met Zijn volk, Mara en Elim, hemel-brood en water uit den rotsteen wordt hun geschonken, en voor den opgeheven staf des geloofs valt iedere Amelek. De druiven van Eskol worden reeds gesmaakt, maar Mozes moet sterven voor men Kanaan binnen gaat; wij worden zalig uit genade niet door de werken der wet. Aan het einde van de
22
woestijn wacht de doods-Jordaan maar de ark staat in 't midden van den Jordaan, en de overtocht is veilig tot de laatste verloste zal binnengegaan zijn. Daar wordt het geloof aanschouwen, daar zingt men eeuwig Gods lof. Daar is geen schuld belijdenis meer noodig want de schuld is vergeven; daar weet men zich voor eeuwig een hoog bevoorrecht volk, daar aanschouwt men den genadigen Verlosser in Wien men hier geloofde, daar in het licht der eeuwigheid blijkt de zaligheid meer dan ooit uit vrije genade te zijn, en wij verstaan het woord: » Om zijns naams wil!quot; Daar herdenkt men de Eoode Zee want men zingt er het lied van Mozes; De Heer is een krijgsman, Heer is zijn naam, het paard en zijne ruiteren heeft Hij in de zee geworpen. Daar herdenkt men het bloed van Christus, want men zingt het lied des Lams. Daar zien we eerst recht uit welk een macht God in Christus ons verlost heeft, daar blijkt het hoe volkomen de verlossing was die ons aangebracht werd. Daar is het wel niet meer: toen geloofden zij aan Zijne woorden, want het geloof is in aanschouwen veranderd geworden, maar door alle eeuwigheden heen is het daar; zij zongen Zijn lof. De lof van Hem die hen verloste, die hen volkomen verloste, die hen verloste uit genade, die hen verloste om Zijns naams wil alleen.
En nu ten slotte een tweetal vragen. Weet gij U verlost? of zijt gij nog wederspannig? O verwerp deze liefde Gods toch niet langer, geloof Gods woorden en gij zingt eeuwig Gods lof. Laat mij eindigen met de woorden van Lange in zijn gedicht:
âDE BLIJDE BOODSCHAP.quot;
Dat is genade, vrij en groot.
Die slavenboeien slaakt!
Dat, liefde sterker dan de dood,
Die dooden levend maakt!
23
Almachtige! uit uw glorietroon
Gaaft Gij ü zei ven in uw Zoon, Den Hemel Uwer majesteit,
Uw volle zaligheid!
Dat is genade, groot en vrij.
Wier palm voor allen groent!
Naar zulk een Middlaar smachten wij,
Die stof en geest verzoent; Die, Godmensch, God en mensch heréént.
Die voor ons lijdt en met ons weent, Die, zelf des Vaders heerlijkst Kind, Ons 't kindschap Gods herwint!
A E N.
Indien wij onze zonden belijden.
Eenige jaren geleden kwam er eene vrouw bij mij met de vraag: of ik haar onderwijs wilde geven in den godsdienst opdat zij hare belijdenis kon doen. Hoewel geen godsdienstonderwijzer maar Evangelist der ÃTed. Ev. Prot. Vereeniging, liet ik de vrouw bij mij komen, om haar door die zoogenaamde catechisatie geregeld met het Evangelie bekend te maken. God zegende mijne pogingen en de vrouw werd eene lieve christin. Haar leven gaf het bewijs van hare ware vroomheid en dit werd het middel dat ook haar Roomsch-Katholieke man bij mij kwam met de vraag: of hij met zijne vrouw mocht medekomen om te leeren, want hij kon het in do R. 0. Kerk niet meer uithouden. Ik liet den man dus mede-komen en zijne levensverandering was in een woord merkwaardig. In tegenwoordigheid van den Predikant en de Ouderlingen mocht ik hen ondervragen en man en vrouw werden tot lidmaat der N. H. Kerk aangenomen tot mijne groote vreugde.
Eenigen tijd echter na zijne belijdenis zag ik dezen man op eenen morgen herhaalde malen voorbij mijne woning heen en weder wandelen. Eindelijk zeide mijne vrouw: zou A. hierin willen komen en niet durven. Dat was juist het geval. Eindelijk kwam de man aanbellen en vroeg mij te spreken.
25
Toen ik hem ontving op mijne kamer vroeg ik hem: durf-det gij niet binnenkomen we zagen u zoo dikwijls heen en weer gaan? Hij zeide: neen mijnheer want ik kom met zulk een vreemde boodschap. Wol, laat eens hooren wat dat voor boodschap is. Mijnheer, zeide do man, u hebt mij geleerd dat niemand do zonde kan vergeven dan God alleen. Ik heb dit ook geloofd on ben daarom de Kerk van Rome uit gegaan, en God heeft mij geleerd, met mijne vrouw uit mijn eigen hart te bidden in plaats van zooals vroeger uit boekjes of met den rozenkrans, en nu heb ik al zoo vaak gebeden om vergeving maar God verhoort mij niet. Toen zeide ik: hoor eens mijn vriend, gij waart Roomsch en hebt Rome verlaten, maar ge hadt een ding nooit moeten prijs geven, en dat eene is de biecht. â Hij zeide; Maar mijnheer, de Pastoor laat mij toch niet meer biechten en geeft mij geen absolutie meer nu ik protestant ben.
Ik antwoorde: Ik heb u ook niet gezegd dat ge bij den Pastoor moet gaan om te biechten; maar bij don grooten Hooge-priester onzer belijdenis is een geopend oor voor al uwe Machten, voor al uwe belijdenissen van zonde en schuld, en voor ge met die belijdenis komt zult gij geen vergeving vinden. Denk nu eens dat ge bij uw pastoor eene volledige biecht kwaamt spreken, maar doe dat dan niet bij een mensch maar bij onzen Heiland Jezus Christus, dan zult ge de absolutie ontvangen van al uwe zonden. Want Hij heeft gezegd: »Indien iemand zijne zonden belijdt en nalaat die zal barmhartigheid verkrijgen; en indien wij onze zonden belijden God is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonde vergeve.quot;
Nu laat ik u hier alleen in de kamer, doe wat ik u gezegd heb straks kom ik weder bij u; maar belijd uw zonden. Ik verwijderde mij en liet den man eenigen tijd alleen met God. Toen ik later bij hem kwam zeide ik: hebt gij nu uwe zonden beleden? ja, zeide hij, zelfs zonden uit mijne kindsheid.
26
En durft ge nu voor God betuigen dat het er u waarlijk om te doen is gered te worden? Ja Mijnheer God weet het. Toen sloot ik mijne kamer en zeide: dan rusten we nu niet voor uwe ziel gered is. O mijnheer, zeide hij, ik wil hier wel blijven al was het den gansohen nacht.
Toen wist ik wel dat de man tot vrede zou komen.
Ik bad voor hem, hij voor zich zeiven, ik weder voor hem; en toen hij weder begon te bidden werd zijn bidden danken. God loven en verheerlijken. Wij stonden op en hij zeide: nu zal ik niemand zeggen dat ik zoo gelukkig ben, ik zal het evenals mijne vrouw in mijn leven toonen. Mijne vrouw had de koffie gereed en noodigde hem binnen, en hij vertelde terstond wat God aan zijne ziel gedaan had. Ik zeide glimlachend; ik meende dat gij het niemand zoudt vertellen? O zeide hij ik zal het aanstonds wel aan mijne vrouw moeten zeggen want ik kan het niet zwijgen. Voortaan was het leven van dezen man tot Gods eer, en een levend bewijs, dat op ootmoedige schuldbelijdenis de schuldvergeving volgt. Voorwaar voorwaar indien wij onze zonden belijden. God is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonde vergeve.