ocr page 1

quot;T / ■)

2 r.

172

ocr page 2
ocr page 3

KOMPAS

Uit liet Duitset omgewerkt

DOOR

M11. ALPHONS VAN RIJCKEVORSEL,

Secr. v, d, .Bije, Raad der Vincentius- Verecniging TE

's B O S C H.

Het auteursrecht is bij do wet gewaarborgd.

TWEEDE DEUK.

AMSTERDAM, L. KERVEL amp; C0., 1888.

ocr page 4

Omgewerkt uit het duitsch en uitgegeven met toestemming der Vereeniging:

ArbeiterwoM, verband Katliolisclier ludustrielle and Arbeiterfreunde.

! M P R I M A T U R.

Ajistelodami, F- T. H. VAN OGIROI,

die 13 Decembris 1887. Lib. Cens.

Stoomdrukkerij L. ivi-uvr.i- «SV Cc., AmstenUim.

ocr page 5

Zij, die reeds kennis hebben gemaakt met het ygt; Kompas voor jeugdige werkliedenquot; zien aanstonds hoe dit boekske er, om zoo te zeggen, als tweede deel opvolgt. Beide -werkjes toch, alhoewel elk staande op zich zelf, vormen te samen één geheel, één handboek wat men noemen kan: tgt;Kompas voor den Christelijker werhnan.quot;

Ook dit Kompas was oorspronkelijk in het Duitsch uitgegeven door de Vereeniging sArbeiterwohlquot;, die mij wederom volgaarne haar toestemming gaf het eveneens voor Nederland om te werken.

Moge het dan ook dit boekje onder Gods besten zegen wel gaan! Moge het in deze troebele tijden eenig nut stichten voor onzen Vaderlandschen werkman, dan acht ik mijn arbeid rijk bekroond, 's Hertogenbosch, 8 September 1887.

Mr. ALPHONS VAN RIJCKEVORSEL.

ocr page 6

§ 1-

INLEIDING.

Waarschijnlijk heeft een uwer jongens liet boekske hKompas voor jeugdige werkliedenquot; alreeds bij u thuis gebracht. Gij hebt u toen als verstandig vader natuurlijk willen overtuigen van wat uw kinderen zooal lezen, en zoodoende dat boekje ter hand genomen en eens doorgebladerd. »Welquot; zoo zeidet gij alras, «jammer maar dat ik in mijn jeugd zulk Kompas niet heb gekend, dat toch zou mij quot;voor veel dwaasheid hebben behoed.quot; En aanstonds na de lezing, vroegt gij u zelf af, waarom de uitgever den jongenman bij 't huwelijk in den steek laat; immers volgens uw oordeel had hij zijn raadgevingen veilig wat verder kunnen uitstrekken.

Inderdaad, gij hebt gelijk. De getrouwde man heeft evenzeer als zijn jeugdige kameraad een geestelijk kompas noodig. Met het huwelijk toch opent zich voor hem een nieuwe wereld; hij ziet vóór zich een breed veld, waar de kunst van goed te meten zeker van pas zal komen. De woorden Echtgenoot en Vader stemmen waarlijk wel tot ernstige gedachten.

ocr page 7

5

De getrouwde werkman dankt een groot deei van zijn geluk aan zich zelf. Immers een tevreden gemoed, vlijt, spaarzaamheid, en vooral een levendig geloof zijn schatten, welke hij alleen in zich zelf vinden kan. Om hem dit alles nu flink te doen inzien, kan goede raad nooit schaden.

De gehuwde man vergelijke zich met den zeeman en trachte zich derhalve even gelijk deze met het kompas vertrouwd te maken.

Zijn scheepje drijft wel niet meer op den on-stuimigen oceaan der hartstochten, maar ook in het stille water van het dagelijksche leven zijn klippen, welke dikwerf niet dan met veel moeite en groote behoedzaamheid vermeden kunnen worden.

Het zal dus niet schaden ook den getrouwden man en vader een goed werkend kompas te geven. Wij zullen dit indeelen gelijk «het kompas voor jeugdige werkliedenquot; in

I Het Landmeters-kompas

II Het Mijnwerkers-kompas III Het Scheeps-kompas.

Dit boekje zal zijn een vervolg op 't kompas voor de jongens, en er als het ware het tweede deel van vormen. Daarom zullen wij vele punten, vroeger behandeld, hier niet aanraken of ter loops slechts vermelden.

ocr page 8

EERSTE DEEL.

HET LANDMETEBSKOMPAS

OF

DE PLICHTEN VAN DEN STAND.

I.te HOOFDSTUK.

De plichten der Echtgenooten.

§ 2.

De huiselijke haard.

Als werkman zijt gij verplicht dagelijks onder duizende zorgen en moeiten u en den uwen het levensonderhoud te verschaffen.

^ilt gij nu een waarlijk gelukkig, huiselijk leven, laat dan alle onaangename hei inneringen achter aan den drempel uwer deur. Hoevele mannen handelen geheel anders! Zij dragen al hun leed, hun twist en kommer met zich rond en dan is het ten laatste nog de vrouw op wie vroeg of laat het volle onweêr los barst.

Arme vrouw! Nooit toch had ze kunnen donken, dat haar schoonste droomen zoo spoedig verijdeld zouden worden, dat de tweedracht bij haar wonen en de stille haard een hol haar

ocr page 9

7

worden zou. »Moclit ik, zoo zegt zij bij zich zelf, nog maar ooit een enkel woord hooren van verzoening en van liefde!quot;

Maar' neen! de man is een tyran gelijk; hij scliaaint zich zelfs niet hij zijn woord daden te voegen en slaat gruwzaam de hand aan de levensgezellin door God hem geschonken; ja hij durft haar mishandelen als ware zij eene slavin. Houd terug, rampzalige! opdat uw hand niet verdorre I

Doch genoeg van zulk een tooneel; laten wij liever eens zien hoe gij u zelf als brave mart jegens uw goede vrouw moet gedragen,

§ 3.

Heersch met zachtheid.

Wanneer men een goeden heer heeft, dan pleegt men gaarne te zeggen dat het juist is alsof men er geen heeft; immers hij is zoo vriendelijk bij het geven zijner orders, geen ruw woord komt ooit over zijn lippen ; bezorgd voor zijn ondergeschikten is hij inderdaad meer een vader dan een strenge meester.

Ziedaar het voorbeeld, wat gij u als man in uw handel, en wandel steeds voor oogen moet stellen.

Als echtgenoot zijt gij, het hoofd van het gezm ; aan u staat het bevelen en aan uw vrouw het gehoorzamen; het omgekeerde deugt niet.

Het bestuur der huishouding mag niet veelhoofdig zijn: gij hebt de alleenheerschappij. Zorg

ocr page 10

8

daarom van do beginne af tie vork goed aan den steel te steken. Leert uw plichtgevoel u uwe verhouding jegens uw ouders, het samenwonen en vriendelijk omgaan met uw broêrs en zusters, zoo zegt het u als man evenzeer, dat gij gehouden zijt uwe vrouw zóó te behandelen a!s haar rechtmatig toekomt. Zij is uwe vrouw, en niet uwe dienstmeid.

Wees zachtzinnig derhalve in uw toon! Het is zeer opmerkelijk, dat de eerste vrouw niet uit het hoofd maar uit de ribbe van den man genomen is; de ribbe nu ligt dicht bij het hart, als wilde dit zeggen, dat uwe heerschappij zacht en liefdevol zijn moet.

Gij moet goed zijn, en uwe goedheid voor alles toonen in een Hink zorgen voor behoorlijke woning, voeding en kleeding. Gij moet den kost verdienen voor uw vrouw en niet omgekeerd de vrouw voor u. Immers de vrouw moet thuis zijn, in huis blijven Stel er daarom uw hoogsten roem in, dat zij zich geheel aan haar huishouden wijden kan en niet om werk naar de fabrieken behoeft te loopen.

Wanneer uwe vrouw haar huishouden goed nagaat^ huisraad en kleeding netjes houdt en herstelt, verstandig genoeg is om haar kleine fouten te verbeteren, zonder veel onkosten een smakelijken pot voor u koken kan en u aldus een aangenaam te-huis weet te verschaffen, dan heeft zij werk genoeg en ze maakt zich zelve op

ocr page 11

9

die wijze oneindig mittiger dan met eenige stuivers in de fabriek te verdienen. Dit geld toch wordt door de daaruit volgende slechte huishouding zeker dubbel weer verkwist. Daarbij komt nog dat het voor de moeder, die op de fabriek werkt, eenvoudig onmogelijk is haar kinderen een goede opvoeding te geven, al ware het maar alleen omdat zij er geen tijd toe heeft.

Moet de vrouw derhalve haar werk vinden in huis als degelijke huisvrouw en verstandige moeder, dan moet gij ook zorgen voor een gezonde woning, waar licht en lucht in kunnen doordringen.

Daar doen zich omstandigheden voor, waarin de vrouw beter voedsel noodig heeft: vooral dan opgepast, dat gij niet het beste neemt en haar het restje laat.

Zie toe dat uwe vrouw zindelijk en netjes gekleed zij. Geef haar uwe orders veeleer op vragenden, beleefden toon dan op commando; Zeg »zoudt gij straks dit of dat voor mij niet eens willen doenquot; in plaats van «kom hier, en doe datquot;; immers ieder mensch zal veeieer gehoor geven aan een vriendelijk verzoek dan aan een stuursch bevel.

Aan den anderen kant moet gij van uw goedheid geen misbruik laten maken. Zoodra gij onordelijkheid in de huishouding bespeurt, of indien gij ziet dat alles vuil is en smerig, of misschien verkwisting meent te bespeuren, dan is het uw plicht dit uw vrouw onder de oogen te brengen.

ocr page 12

10

Doet gij dat niet en laat gij derhalve liever Gods water over Gods land loopen, dan zult gij onwillekeurig uithuizig worden en al heel spoedig de herberg stellen boven den huiselijken haard.

Overigens zal men begrijpen dat ook dit haas zijn, om het maar eens op zijn alledaags te zeggen, natuurlijk zijn grenzen heeft. Men trachte alles zóo in te deelen, dat elk staat voor het zijne. De man worde dus geen keukenpiet of drijve zijn heerschappij niet zoover dat hij alle kleeding-stukken voor zijn vrouw koopen wil.

Geef uw . vrouw wat zij voor de huishoudi ig noodig heeft, zoodat zij u niet telkens om geld behoeft na te loopen; het beste is dat zij in eens weet over hoe veel zij wekelijks kan beschikken. Is zij inderdaad spaarzaam en voorzichtig, laat haar dan maar al uw geld bewaren, want in dat geval is de sleutel haar waarschijnlijk nog beter toevertrouwd dan u-zelf.

§ 4.

'T ZIN MB LIEVERTJES 1).

Veur den trouwdag was 'et: mionen,

Eén van liart en één van zinnen.

Siends dien dag is 't afgeleerd,

't Geet nou aoverechts verkeerd.

1) De ZeerEerw. Heer B. van Meurs gaf mij volgaarne verlof dit aardig versje hier af te drukken, uit zijn dichtbundel: Kriekende Kriekshe, Betuwsche Gedichten, tweede druk. Utrecht, Wed. J. R. van Rossum.

ocr page 13

H

Wat ic mooi vindt, vindt ze afgrieslik; Wat ic dom nunmt, nuumt ze wicslik; Keurt ie 't nieuw, ze keurt 'et oud; Vuult ie 't werm, ze vuult 'et koud.

Duut ie lachen, zij duut gaopen;

Blieft ie wakker, zij geet slaopen;

Geet ie zitten, zij blieft staon;

Wil ie blieven, zij wil gaon.

Gasjeweclig laot ze 'm loopen Met 'en vestje zonder knopen.

Met quot;en borstrok slecht van pas. Met 'en scheur ien broek en jas.

Casjeweelig, zoo 'et knapjes Op den vloer en op den trap is,

Lopt ie daodlik ien en uut Met den modder aon de vuut.

Zin ze aon taofel saom gezeten. Dan priest ie expres dat eten

Wat haor ien quot;quot;s geheel nie smaokt; Zij priest waor ie nie an raokt.

Eet ie knollen, zij eet boerkool;

Eet ie wortels, zij eet zoerkool;

Eet ze spek, dan eet ie worst;

Pakt ze kruum, dan pakt ie korst.

Scheldt ie haor veur tang en grompot. Zij scheldt hum veur knul en brompot; Ilie zeit: „Ha'k oe nooit getrouwd Pquot;' Zij schreit: „DiVs mien argste foutPquot;'

quot;quot;t Zin me lievertjes ien quot;quot;t knibbelen Harrewarren, vitten, kibbelen.

Wie de schuld het van die twee? quot;'k Kaoi oe; moei je daor nie mee!

ocr page 14

12

Wanneer men twee harde steenen tegen elkander slaat, dan geeft dat vonken, doch neemt men één harde en één zachte, dan krijgt men een goeden toon.

Is uwe echtgenoote onbezonnen, krakeelig, strijdlustig, spoedig kwaad, dan moet gij uw best doen om haar op beteren weg te brengen. Daartoe zal noodig zijn geduld, zachtzinnigheid en goedheid, want die brand blusschen wil zal vooral zorgen geen olie in de vlammen te werpen. Men-schen zijn menschen, en een ieder heeft zijn zwakke zijde. Het kan derhalve ook niet uitblijven of de eerste huwelijkszon zal wel eens achter de wolken verdwijnen. Dit nu is zoo erg nog niet, mits zij na dat oorlogstooneel maar niet voor goed wegblijve. Knarst de deur op haar duimen, dan doet men er wat olie aan en aanstonds loopt ze beter. Juist zoo in liet huwelijk; zoo dra het hier of daar wat wringt, raden wij u dadelijk den olie der liefde te gebruiken. Of gij gelijk hebt of ongelijk, reik uwe vrouw altijd 't eerste de hand ter verzoening.

Wanneer uw trots zich hier misschien tegen verzetten mocht, herinner u dan hoe gij uwe vrouw den ring hebt gestoken aan dien vinger, vanwaar uit een ader loopt naar het hart, de bron der liefde. Overwint gij uzelf dan zult gij daardoor uw vouw overwinnen, en dit zal haar redenen genoeg zijn om u bij een volgende gelegenheid het eerste de hand toe te steken. Lief

ocr page 15

13

en leed, de liefde moet het alles gelijk dragen. Echtgenooten, die elk ander oprecht beminnen, moeten zijn als twee oogen, waarvan het eene I steeds ziet naar dezelfde richting als het andere. : De man is de sterkste en als dusdanig neme hij den zwaarsten last op zich. Kan hij het leed, : wat zijn vrouw somtijds treft, niet geheel en al opheffen, hij trachte toch het zooveel mogelijk te lenigen waar en zoo als het hem mogelijk is.

De liefde is vindingrijk. Daarom zal een waarlijk liefdevol man elke gelegenheid aangrijpen, om zijn vrouw eenig genoegen te verschaffen. Zoo geve hij haar van tijd tot tijd, zooals bijv. op haar verjaar- en trouwdag, een klein geschenk. Het spreekt van zelf dat hij bij voorkeur voorwerpen kiezen moet die in de huishouding van eenig nut zijn. Wil hij haar een nieuwe japon, een doek of mantel geven, dan zal hij wel doen deze of gene vriendin te verzoeken dit voor hem te koopen, want anders wordt hij of wel bij het verkoopen beet genomen of wel hij koopt iets wat haar volstrekt niet past. Nu zijn er velen, die in dergelijke dingen volstrekt geen nut zien en het eenvoudig onzin vinden of geld verkwisten. Dit is echter volkomen onwaar, want niets is den menscb, hij zij een rijk heer of een eenvoudig werkman, zóó aangenaam als kleine attenties, welke bereids door het geven alleen genoegzaam van warme liefde, en teedere genegenheid getuigen.

ocr page 16

u

Do liefde is gaarne met den geliefde. Zoo moet de man niets aangenamer vinden dan met zijn vrouw te zijn. Hij immers, wien het thuis altijd te benauwd is, die zit te wachten op het uur om zijn borrel te gaan drinken, die 's avonds in de herberg van geen tijd meer weet, die man toont al heel weinig liefde voor zijn vrouw te koesteren. ,

De jaloerschheid is de vijandin der liefde. Te recht noemt men de jaloerschheid of ijverzucht oen hartstocht, die met -ijver zoekt wat zuchten brengt. Heeft dit gestrooide zaad eens wortel geschoten, dan groeit het welig als onkruid, en niets is moeielijker dan het uit te roeien. De ijverzuchtige luistert aan het sleutelgat en speurt na als een speurhond; hem is de minste schijn een voldongen feit, niets is hem aangenamer dan kwaadsprekendheid, zelfs kinderen hoort hij uit, ja wat doet hij al niet? De ondervinding leert 'hoe menigmaal de onschuldigste ziel der wereld juist door zulk een aanhoudend verdachtmaken en geestelijk mishandelen van hec goede spoor is afgedwaald om er nimmer weêr op terug te keeren.

Alexander de Groote kreeg eens, zoo wordt verhaald, een briefje van den volgenden inhoud: »Vertrouw uw geneesheer Philippus niet, want hij is door het geld uwer vijanden, de Perzen, omgekocht om u te vergeven,quot; Het toeval wilde dat Philippus juist een drankje voor zijn meester bereid had. Wat doet nu de Groote Alexander?

ocr page 17

15

Hij overhandigde zijn dokter den brief, greep toen den beker en dronk dien zonder te beven. Alexander toch hield Philippus niet in staat tot zulk een misdrijf en daarvan was hij dan ook zóózeer overtuigd dat hij er zijn leven aan waagde.

Zij u de trouw uwer echtgenoote evenzoo boven allen twijfel verheven.

De liefde eindelijk duurt langer dan de dood. Daarom zal de getrouwe man het aandenken zijner afgestorven vrouw vooral eeren door haar plaats in het huisgezin ledig te laten. Soms kan een tweede huwelijk wegens omstandigheden gebiedend zijn, doch is dit het geval niet, dan verdringe men zijn eerste liefdesherinneringen niet door een tweede huwelijk.

§ 5.

Hond altijd uw helofte.

Trouw tot in den dood 1 Gij hebt het eens aan den voet des altaars gezworen en toen hebt gij den ring genomen en aan den vinger uwer vrouw gestoken, als het zinnebeeld van eeuwige trouw, daar zij is zonder einde en niet dan met geweld verbroken kan worden.

Breekt gij dus uwe huwelijkstrouw, dan zijt gij een meineedige, die moedwillig het verbond verkracht, in het aanschijn van God en Zijner Kerk gesloten. Het hoogste recht wordt door u met voeten getreden, en gij geeft weg wat bet uwe niet meer is; als echtgenoot irarners behoort

ocr page 18

16

gij niet meer u zeiven alleen. Gij toch z'ijt het eigendom uwer vrouw, evenzeer als zij het uwe. De echtbreker verscheurt den heiligsten band, welke naar Gods orde de menschelijke maatschappij bindt en vereenigt. Hij spot met den huiselijken vrede, hij maakt de opvoeding der kinderen onmogelijk, en verwoest de toekomst van geheel zun gezin.

2'ie HOOFDSTUK.

De Vaderlijke plichten.

§ 6-

Een gewichtig vraagstuk.

God schonk mij dit hulploos kind.

Om 't naar lijf en ziel te voeden;

Naar ik, gevend ben gezind.

Zal zijn hart de gaat' bevroeden.1)

Wat een gedachten in dat ééne woord » Vader' maar tevens ook wat een berg van plichten.

Alle rijkdom der wereld is schaduw slechts ia vergelijking van den schat, door God u in uw kinderen gegeven.

Eene Romeinsche vrouw, Cornelia geheeten, ontving op zekeren dag bezoek eener voorname

1

Dit en de volgende versjes, geplaatst boven de hoofdstukken en tusschen den tekst, ben ik verschuldigd uan de welwillendheid van den lieer Van der Lans, Kedac-teur der Katholieke Illustratie, die een en ander wel heeft willen omwerken. Een enkel woord van dank zij hier niet misplaatst.

ocr page 19

17

vriendin, die haar heur prachtig edelgesteente en andere sieraden toonde. Toen zij daarna aan Cornelia vroeg om nu ook eens haar kostbaarheden te mogen zien, liet deze haar met zeerveel zorg opgevoedde kinderen binnen komen, al zeggende, »Zie, dat zijn mijne schatten, mijn schoonste sieraad.quot;

Dacht zóó een heidensche vrouw, hoeveel anders kunt gij als christen dan van uw kinderen spreken ! Het geloof toch leert u dat zij hebben eene onsterfelijke ziel, dat zij zijn het evenbeeld van God, tempels van den H. Geest.

Leonidas, de vader van den beroemden kerkleeraar Origenes, knielde menigmaal 's nachts neêr bij de wieg van zijn kind en kuste het dan met de woorden : swees gegroet gij tempel Gods.quot;

Neem nu eens aan dat gij geleefd hadt in den tijd toen men de onschuldige kinderen aan den afgod Moloch offerde, -— zoudt gij toen uw lieve kleine aan plicht vergeten de personen hebben toevertrouwd? Immers neen, want gij zoudt, en terecht, gevreesd hebben dat men ook'uw kind offeren zoude.

Stel nu gij vertrouwt uw zoon toe aan een leermeester, die instede van hem goed te onderlichten, zijn hart van u vervreemdt, haat en wrok tegen u opwekt, ja den knaap er toe brengt u bij de eerste de beste gelegenheid den kogel door het hoofd te jagen.

Hoe moet dan God niet op u neerzien, wanneer

2

ocr page 20

18

gij de u toevertrouwde kinderen, door een slechte opvoeding overlevert in handen van den duivel en gij aldus in plaats van liefde slechts haat en afkeer tegen God in de ziel van uw kind inprent.

De kinderen zijn als de bijen. Voedt men ze goed op, ze brengen ruimschoots honig voort; slecht daarentegen, zijt dan voorzichtig voor den angel.

Wenscht gij meer nog? Welnu, zie eens om u henen. Hier ziet gij het slechte zaad welig opschieten, en gij gevoelt u mismoedig, nagaande wat de oogstaan die pliehtvergetende ouders een tranen kosten zal. — Ginds echter ontmoet uw oog een heerlijke bloementuin waar de kinderen als wonder-schoone bloemen heerlijkheid verspreiden en geluk hun ouders brengen.

En de dag der rekenschap? O! Wat zult gij beven en sidderen, indien gij het u toevertrouwde pand niet onverlet en ongedeerd wederom in Gods handen stellen kunt! Maar ook wat een vreugde wacht u wanneer gij uw plicht getrouw vervuld hebt en 't eeuwig leven derhalve als loon ontvangen moogt!

De familie is de hoeksteen der menschelijke maatschappij. Haar bestaan of haar ondergang hangt af van de vraag of de opvoeding goed is of slecht. Welnu, in de familie, zoo zegt M?1' Claes-sens'), waar de xmensch geboren wordt, waarbij

1

Mgr. Clacssens, Aartsbisschop van Sirace, enz. in zijn herderlijk schrijven op Zondag Quinquagesima 1887 — handelende over de opvoeding.

ocr page 21

19

de eerste schrede leert zetten op den weg des levens, ontvangt het hart de eerste indrukken, vormt het verstand het eerste denkbeeld, krijgt het karakter de eerste plooi; in de familie wordt de grondslag der opvoeding gelegd, en alléén in de familie, zoodanig zelfs, dat als de mensch zijn eerste levensjaren buiten den huiselijken kring moet doorbrengen, hij slechts met veel moeite en teleurstelling, en dan nog meestal te laat aan zijn hart een goede vorming geven kan. De levenswijsheid, die men in de familie ontvangt, kan buiten de familie nergens gevonden -worden, men kan er ook geen regels van voorschrijven; in de familie ademt men haar in als de lucht, vereenzelvigt zij zich met het kind, als de spijs en de drank, waarmede het gevoed wordt. Daar wordt zij geleerd door een teedere moeder, die ons de lessen harer goedheid, van haar geduld en godsvrucht en algeheele toewijding geeft, in de familie wordt zij gegeven door een braven vader, die meer door zijn voorbeeld dan door zijn vermaningen het kind opkweekt in den dienst van God.quot;

. s*7- .

De opvoeding eene moeielijke kunst.

„Acli, wie leidt dit arme wicht?

Hel en hemel staan het open;

Zal het Jam den wolf ontloopen? —

Ik heb quot;t in de hand wellicht.quot;

Voorwaar, de opvoeding is en blijft eene gewichtige, eeno recht moeielijke taak! Dank God,

ocr page 22

20

dat uwe brave vrouw den last met u deelen kan, en dat gij ook eenige hulp vinden kunt bij de onderwijzers en de geestelijken.

Weet evenwel ook welke vijanden het op de ziel van uw kind gemunt hebben: het slechte voorbeeld der wereld, de goddelooze verleiders, zoovelen in een woord die den gemeensten toeleg koesteren.

Als vader nu moet gij u in deze kunst ervaren toonen, alhoewel gij daartoe wellicht nimmer eenige opleiding zult hebben genoten.

Immers wanneer iemand het .schoenmaken leeren wil, dan moet hij eerst een paar jaar als leerling werken, en zelfs na verloop van dien tijd is hï dikwerf nog niet in staat een behoorlijk passenden schoen te vervaardigen. Een beeldhouwer of schilder is wel verplicht zijn geheel leven te leeren en gij, gij wilt de kunst der kunsten zoo maar irt eens uitoefenen, terwijl gij zonder nadenken in 't huwelijk getreden, eerst tot het besef van uw plicht kwaamt toen gij alreeds dit groote kunstwerk in uw kind volbrengen moest.

Doch schep moed 1 Met goeden wil kan men alles, daarom zullen wij u eenige middeltjes aan de hand doen om dezen uwen vaderlijken plicht naar behooren te vervullen.

ocr page 23

T

EERSTE APDEELING.

ÖE im HR HET LIGHftlLIJK 1LZIJN M HET

KAPITTEL I.

ONDERHOUD EN OPVOEDING. ] § 8.

; . De eerste levensdagen.

Het kind is uw evenbeeld; het is alsof gij in dien kleine op nieuw ter wereld zijt gekomen; hij heeft uwe oogen, uwe trekken, hij gelijkt u sprekend. Naarmate het kind nu grooter wordt, komt die gelijkheid nog meer uit; het krijgt uw gang, uw manier van doen. Vandaar dat gij ook de | meeste uwer eigenschappen, zoo goede als kwade, in uw kind zult kunnen terugvinden.

Dit leert u wat verantwoording gij u op den schouder laadt door het niet genoegzaam onderdrukken uwer driften; immers het is dan uwe i schuld dat uwe ondeugden ook in het hart van uw kind ontkiemen. Geeft gij u over aan drank of wellust, gij bereidt dan uw kind als van zelf den weg tot deze ondeugd.

Er zijn- dokters, die geen sterken drank gebruiken ten einde bij de operaties een vaste hand te behouden. Zij doen dit om het leven te redden

ocr page 24

22

van vreemde menschen; hoeveel te meer zult gij u dan moeten inspannen om het leven uwer eigene kinderen niet in gevaar te brengen? Daar de eigenschappen der moeder nog sterker overgeerfd worden, zoo zorge de vader zijn vrouw in dien tijd zooveel mogelijk voor alle zenuwachtige aandoeningen te behoeden. Stel u zelf den toestand voor eener moeder, wier man telkenavond onder geraas en gevloek en dan nog liefst dronken thuis komt!

Zorg ook dat van uwe vrouw lichamelijk niet te veel gevraagd worde. Want als de man hier den' baas speelt, dan is het aan hem te wijten, dat zoo menig leven zonder de genade van het h. Doopsel verloren gaat of dat het kind ongelukkig ter wereld komt.

§ 9.

De ontwikkeling.

„Geef ons heden ons dagelijksch brood.'quot; Gij zendt dagelijks deze bede ten hemel om van den goeden God het brood voor dien dag at te bidden. Zoo vraagt uw kind u, zijn tijdelijken vader, telken dage om voedsel. Nu komt het wel niet dan uiterst zelden voor, dat een vader zijn eigen kind laat verhongeren, maar dikwerf toch geschiedt het, dat men langzamerhand wetens of onwetens zijn kind het noodige onthoudt ofwel het daarentegen overlaadt op eene levensgevaarlijke wijze.

ocr page 25

23

Hier derhalve is het mv plicht goed te weten wat uw kind hebben moet. Wij wijzen ondermeer op:

I. Frissche lucht.

Men mag gerust zeggen, dat de kinderen een goed instinkt hebben; zij zijn nergens liever dan onder Gods vrijen hemel.

De frissche lucht nu bevordert hun gezondheid, ze maakt hen krachtig en doet ze flink opgroeien. Dat aanhoudend zitten en opgesloten zijn in dichte kamers verlamt en geeft een zwak niets betee-kend geslacht.

Het spreekwoord zegt; geen jongens en honden achter den haard!

Men gewenne daarom de kinderen vroegtijdig aan de buitenlucht, opdat hun lichaam zich harden zoude en ze niet bij de minste weêrs-veranderingen gaan kuchen en hoesten.

Neem eene bloem, welke geruimen tijdineene warme kamer gestaan heeft; zij is zóó week geworden, dat ze aanstonds, zoodra zij in de koude lucht komt, haar bladeren laat hangen en de knoppen verliest. Hoe geheel anders daarentegen die bloemen, welke ia Gods vrije natuur groeien!

Een verweekelijkt kind nu is niet beter dan met een zoodanige kamer- of kasplant te vergelijke».

IL Behoorlijke kleeding.

De kleeding der kinderen zij helworlijlc en overeenkomstig de eerbaarheid.

ocr page 26

24

Zij moat evenwel ook doeltreffend zijn, dat is eenerzijds niet hinderlijk voor de vrije beweging, de ontwikkeling en den groei des lichaams en anderzijds naar het jaargetijde ingericht. Vóór alles zij voor goed schoeisel, dichte schoenen of klompen, gezorgd.

Zij moet daarenboven zijn volgens den stand, niet hooger maar ook niet minder. De tyrannie der mode is helaas! zelfs onder het volk doorgedrongen. Vandaar dat het tegenwoordig dikwerf niet eens meer mogelijk is de fabrieksmeisjes van de koopmansdochters te onderscheiden, tenzij dat deze laatste somtijds nog eenvoudiger gekleed gaan dan de eerste. Men wijte deze pronkzucht niet enkel aan de meisjes; o Heer neen, indien deze a!s modepoppen te voorschijn komen, dan ligt de schuld hoofdzakelijk aan de vaders en aan de toegevendheid der zwakke moeders.

Merkt gij nu als vader op dat het bij u in huis dien weg opgaat, weet dan te handelen. Eene eenvoudige, nette, zindelijke kleeding immers zal uwe dochters, u zelf, doch vooral uwe vrouw oneindig veel meer eer aandoen dan al dat Parijsche goed wat uwen stand niet past.

Zie toch toe dat uwe kinderen goed warm gekleed zijn. Kan uwe vrouw het aanzien, dat zij met gescheurd goed naar school of fabriek gaan, houd dan zelf een waakzaam oog en duld dat niet.

Vuil zijn en kapot goed dragen dient nergens toe.

ocr page 27

25

III. Eenvoudige voeding.

Al die met scherpe saus en veel kunst klaargemaakte spijzen passen uw kind al evenmin als groene pruimen en onrijpe appelen. Geef het liever wat goede melk en een smakelijken kost.

Klaar water is en blijft de gezondste drank.

Sterke drank mogen uw kinderen in het geheel niet hebben. Die hun kind vroegtijdig reeds brandewijn of jenever laten proeven, moeten hetzelf maar verantwoorden wanneer zij tot latere dron kenschap den grondslag leggen.

Dikwerf gebeurt het dat kinderen aan tafel van het een of ander niet eten willen en dan na het middagmaal aanstonds weer om boterhammen vragen. Men zette hun in dat geval, zoodra men 's avonds weder aan tafel komt, dezelfde spijs koud en wel voor, en zij zullen, wij verzekeren het u, mits zij maar zien dat het u ernst is, in het vervolg behoorlijk van alles eten.

De ouders zullen vooral op de nalatigheid bij hun kinderen toezien. Immers het past hun niet te eten zoolang ze maar kunnen; veeleer moeten zij zóó uitscheiden dat ze altijd nog wat honger hebben.

Is regelmaat overal goed, hier vooral zij daarvoor gezorgd. Men gebruike het middagmaal, het avondeten, de koffie of wat meer zij, op een behoorlijk vastgestelden tijd. De huisvrouw zie toe dat alles op zijn tijd klaar is, en niet heden om twaalf uur

ocr page 28

26

en morgen om één, dat toch hindert niemand meer dan den werkman, die als van zelf reeds zoo zeer aan tijd en regel gebonden is.

Vaders en moeders 1 vergeet toch nooit bij ziekte of ongeluk in tijds geneeskundige hulp in te roepen! Hoevele ziekten zouden nog genezen zijn, hoeveel ongelukkige gevolgen voorkomen, ware slechts naar plicht en geweten de dokter gehaald, voordat het te laat was.

IV. Ordelievendheid en zindelijkheid.

Prent uwe kinderen in wat heden noodig is niet uit te stellen tot morgen; van den dag van morgen immers zijn wij nooit zeker, laat staan zelfs dat wij hem misschien niet eens beleven.

Wat in de jeugd geleerd wordt, volgt later van zelf. Alles op zijn tijd, alles op zijn plaats.

Wijst uwe kinderen eene plaats aan waar zij in huis hun schoolboeken, hun gereedschappen, hun goed bergen kunnen; dit brengt hen van zelf tot orde en regel.

Leert uwe kinderen zindelijk te zijn, want vuilheid dient tot niets. Het gaat er mede als met de beleefdheid; het zijn zaken die niets kosten wanneer men ze in acht neemt, maar die duur worden indien men er niet op let.

Wacht u voor overdrijving. Het is uw jongen beter met een kapotte broek te loopen dan in een mooi pakje ingeregen op een pop te gelijken en zoo-

ocr page 29

27

doende te worden een suflert, een bleeke zwakkeling.

Zorgt dat uw jongens niet rocken voor de zestien jaar, en dan nog zeer weinig, üe nicotine overprikkelt de zwakke zenuwen en maakt hen vroegtijdig tot alle ernstig werk ongeschikt.

KAPITTEL II.

DE VERZORGING.

§ 10-

De beroepskeuze.

Welk beroep? o Heer! welk vader denkt daar eens ernstig over na? Men gelooft dat het allemaal zoo maar van zelf gaat en zoodra de jongen van school is wordt hij meestal oogenbükkelijk daar heen gezonden waar hij voor vader en moeder het meeste geld verdienen kan.

Heeft het kind dan in 's hemels naam geen recht meer om zelf te kiezen wat het in de wereld worden zal?

Wacht u derhalve uw kind te dwingen dit of dat tegen zijn zin te worden en evenzoo uw kind tegen te werken indien hij een beroep kiest wat ligt binnen zijn bereik en goed is.

Als vader zijt gij niet meer of minder dan verplicht uw jongen in deze moeilijke zaak te helpen naar uw best vermogen. Kan het u voor u zelf niet schelen, het moet u aangenaam zijn voor het kind, door God u geschonken, waarvoor gij eens rekenschap geven zult.

ocr page 30

28

Voor alles: bid, bid veel en God zal u helpen.

§ 11.

ff at zal uw zoon worden?

Van de goede beroepskeuze hangt menigmaal zoo tijdelijk als eeuwig -welzijn af. Wie op het doel schiet, mikt, wil hij de roos treffen, gewoonlijk iets hooger, doch niet te hoog en ook niet te laag.

Het ligt in de natuurlijke liefde, dat een vader voor zijn zoon een hoogere positie zoekt dan de zijne. Stilstand toch is menigwerf achteruitgang.

Als werkman zult gij er niet licht in slagen van uw zoon een geleerde te maken; hij zal niet gemakkelijk geestelijke worden, zeker niet dokter, notaris of advocaat.

Gesteld zelfs dat de jongen waarlijk aanleg heeft, dan blijft gij immers ten slotte toch staan voor dat ondeugende ding wat u voor alles noodig is: geld, ja veel geld!

Offers te brengen boven uw kracht, dat gaat niet. Daardoor zoudt gij uw andere kinderen benadeelen!

Wat dan?

Hoort eens. Een halve student is door de bank een allerongelukkigst wezen. Zijn vader stelt er zich in den beginne veel van voor en hij wordt ten slotte zijn grootste verdriet.

Rekent ook niet te veel op de milddadigheid van anderen, want dat valt dikwerf tegen.

Hoe vele voorbeelden zijn er van kinderen, die

ocr page 31

29

uit den lagen stand tot hoogeren waren opgeklommen. en.. .. die zich toen voor hun ouders schaamden !

Maar, zegt gij, mijn zoon zal voor't minst toch ,heer worden. Gij leidt hem op tot onderwijzer, schrijver, klerk!

Halve heeren nu zijn meestal arme drommels, en altijd afhankelijk van grootere heeren. Ze kennen niet veel meer dan afschrijven, copieeren, ze worden soms bruikbare machines op groote kantoren. En het einde van dat alles is dat zij hun stand

moeten ophouden beter gekleed gaan en.....

honger lijden.

Die halve heeren moeten het van alle kanten bij elkaar halen. Zij zijn gewoonlijk ongelukkig, ontevreden, warhoofden, en jammer genoeg, door den omgang met menschen die slechts denken gelijk zij, dikwerf zedelijk diep bedorven. - Dit alles is dus tê hoog om het doel te bereiken. Wacht u evenwel ook te laag te mikken.

Laat uw zoon, als het eenigszins mogelijk is, een handwerk, een ambacht leeren; waar degelijke kennis samenwerkt met vlijt en sparen daar zal een ambacht altijd goed brood geven. Maar dan van het begin af een flinken meester opgezocht en altijd hard gewerkt. Niets is meer te betreuren als dat er tegenwoordig zooveel halve knechts heile bazen willen worden! Zoodra uw jongen zijn ambacht door en door kent, is er niets tegen hem eens uit te sturen om elders nog meer onder-

ocr page 32

30

vinding in het vak op te doen en van alles geheel en al op de hoogte te komen. Heeft hij zijn weg zóó gemaakt, altijd goed opgepast en geen vreemde manieren geleerd, laat hem dan maar baas wor-, den. Hij zal er best komen. —

De meeste huisvad'ers evenwel zijn door den nood gedwongen hun jongens naar de fabrieken te zenden, om in de behoeften van het gezin te voorzien.

Ook in dit geval hangt veel van de keuze van het beroep af.

Vooreerst men denke er driemaal over alvorens men zijn zoon aan ongezond werk zet. Daar zijn toch van die fabrieken waar men bijna zeker de tering of andere ziekten krijgen moet Ook kieze men geen mode-fabriek, dat wil zeggen een zoodanige waar men zaken fabriceert die van daag in trek zijn en morgen niet meer; dat is van daag veel geld verdienen en als de patroon er morgen uitscheidt, broodeloos zijn.

Ook worde er op gelet hoe de fabriek bekend staat. Is zij goed of slecht ? Gij moet u als vade daarvan rekenschap geven en moogt daarnaar vrij informeeren. Het geldt immers het eeuwig en tijdelijk heil van uw kind.

Overigens kan uw jongen met goed oppassen ook in de fabriek best vooruit komen; daar zijn toch overal opzichters, onderbazen, chefs der af-deelingen, meesterknechts enz. noodig. Daarvoor wordt evenwel practische kennis, en goed oppassen vereischt.

ocr page 33

31

Wat zal uw dochter wordeul

Uw dochter moet worden een brave, flinke huisvrouw; ziedaar waarop bij het kiezen van een levensstaat boven alles gelet moet worden. Is het u onmogelijk in uw eigen huis, onder leiding uwer vrouw uw kind tot dien staat te brengen, dan doet zich de vraag op, waar en hoe gij uwe dochter plaatsen zult?

Hierop nu luidt ons antwoord: laat haar een handwerk, een vak leeren waarmede zij zich later den kost verdienen kan, bijvoorbeeld naaien en ander soortgelijk werk, — of wel plaats haar ergens als dienstmeid, opdat zij aldus het huiswerk grondig leere.

Voor alles moet gij zorgen, dat haar onschuld daardoor aan geen gevaar worde blootgesteld.

Wij kunnen u niet genoeg waarschuwen uwe dochter toch niet te zenden naar cjroote steden, zonder dat gij volkomen zeker zijt dat zij geplaatst wordt bij door en door brave menschen. Door brave menschen verstaan wij die welke niet alleen binnenshuis uw kind voor gevaren behoeden, maar die ook haar omgang daarbuiten nauwkeurig nagaan, en niet dulden dat hun dienstboden (jeheele dagen en avonden langs de straat loepen. Uitgaansdagen toch zijn voor vele meisjes de eerste

ocr page 34

32

stap tot lichtzinnige verkeering en dan volgt de e§ne zonde de andere als van zelf.

Zend uwe dochter nooit naar het buitenland, tenzij gij volkomen weet bij wienenwaar. Weet toch dat velen er op uit zijn, door schoonklinkende advertentien in de couranten deugdzame meisjes aan ontuchtige huizen te verhuren of liever te verkoopen. Gij denkt misschien dat dit overdrijving is maar het geschiedt inderdaad veel meer dan gij weet. —

Lijden de omstandigheden er toe dat gij uwe dochter op eene fabriek moet plaatsen, denk dan aan het volgende:

1° Gij moet eene fabriek kiezen waar onschuld noch godsdienst in het minste te lijden hebben.

2° Gij moet uw dochter inprenten, dat wil zeggen aanhoudend herbalen, dat zij verplicht is zoodra zij kwaad ziet of hoort, zulks oogenblik-kelijk aan haar moeder te vertellen. Deze zal dan - daarover met den patroon spreken ofwel het aan haar geestelijke mededeelen.

3° Gij naoet zelf een waakzaam oog houden. Tracht daarom overal inlichtingen in te winnen om op de hoogte te blijven van doen en laten. Bespeurt gij kwaad, neem dan uw kind aanstonds weg.

40 Gij moet zorgen, dat uw dochter intusschen het naaien, breien, stoppen, mazen, en dergelijke dingen niet vergeet. Indien zij daarin niet bedre-

ocr page 35

33

ven is, dan moet de moeder het haar leeren of laten leeren. Verzuim geen gelegenheid haartus-schentijds zooveel mogelijk in de huishouding te bekwamen.

5°. Indien gij het eenigszins gedaan kunt krijgen, zorg dan dat uw dochter altijd toch een of twee jaren in een goeden dienst komt, om wat meer bedreven te worden in het huishouden. Dit is niet enkel goed voor haar vorming en gezondheid, maar 't is daarenboven het beste erfdeel wat gij haar geven kunt.

Dat is, zoo hoor ik u zeggen, allemaal heel mooi en aardig, doch het werk is tegenwoordig zóó slap, dat men al erg blij is wanneer men maar wat heeft en men moet zoodoende wel door de vingers kijken wil men niet van honger sterven, Maar, beste vriend, stel u nu eens een oogenblik voor dat, terwijl uw kind op uw bovenkamertje ligt te slapen, uw huis in brand vliegt. Gij zult dan zeker eerst uw tafel en stoelen redden of wel uw geit uit den stal halen. O neen! Ik zie al hoe gij den trap opstormt om voor alles uw lieve kleine te redden. Goed zoo 1 Want mocht alles ook een prooi der vlammen worden, uw leven lang hebt gij den troost, uw kind gered te hebben.

Indien gij uw dochter op eene fabriek plaatst, waar haar onschuld in gevaar is, handelt gij dan nog niet veel dommer, of liever veel schuldiger dan wanneer gij uw kind in liet vuur liet om-

3

ocr page 36

34

komen? Voor een paar stuivers offert gij haar beste goed, haar onsterfelijke ziel op; redt gij deze daarentegen van een wissen ondergang, weet dan dat God u nooit verlaten zal.

§13.

Het zakgeld.

Het geld dat stom is Maakt recht wat krom En slim ivat dom is!

Kleeft er aan het geld veel kwaad, het heeft toch ook zijne goede zijde. Vandaar dat wij eens spreken znllen over het zakgeld, het eerste wat uw kinderen in handen valt.

Vóór alles is het noodzakelijk uw kinderen van jongs af de waarde van het geld te leeren kennen. Die kinderen toch, welke nooit of nimmer een dubbeltje in de vingers krijgen, komen er zoo licht toe om hier of daar wat weg te nemen, te ontvreemden. Hoe dikwerf daarenboven ziet men dat kinderen van gierige ouders het weinige, wat deze hun nalaten, in luttel dagen op maken?

Geef daarom uw kind van tijd tot tijd, bijvoorbeeld des Zondags, eene kleinigheid voor den spaarpot, waarmede het dan onder uw goedkeuring het een of ander kan koopen.

Aldus zult gij de eerste gedachte van sparen

en q niet 1 Vei

I wij zei van arme het den wij zei van arme het den

m

aan het !

H( kind' zakg D( uw dikv dad« om E den zelf de jon; C quot;V kon zaa mo dar

ocr page 37

35

en spaarzaamheid opwekken, iets ■waarmede gij niet vroeg genoeg beginnen kunt.

Vergeet evenwel niet uw kinderen er op te wijzen, hoe zij uit het weinige wat ze hebben van tijd tot tijd toch eenige centen aan den arme moeten geven. Immers de verplichting tot het uitdeelen van aalmoezen is niet enkel voor den rijke geschreven.

Duld nooit dat uw zonen of dochters hun geld aan beuzelarijen en prullen zoek brengen of wel het aan zoet goed versnoepen.

Het spreekt van zelf dat een werkman aan zijn kinderen, zoolang deze nog ter school gaan, niet veel zakgeld geven moet. Het minste toch is voldoende.

De zaak wordt intusschen geheel anders, zoodra uw zonen beginnen te verdienen. Men moet er dikwerf meê lachen, hoe die heeren zich dan al dadelijk inbeelden op zóó of zóóveel recht te hebben om des Zondags uit te gaan!

Erkent gij dat recht, dan opent gij uw kind den kortsten weg naar de herberg en haalt u zelf heel wat verantwoording op den hals. Vóór de 18 jaar de kroeg te bezoeken is voor de jongens niet toe te staan.

Ouders! zijt voorzichtigI

Wanneer uw jongen op den betaaldag thuis komt, laat hem dan het volle loon afgeven, eene zaak, waarop gij van den beginne af nauwkeurig moet letten. Heeft hij goed opgepast geef hem dan zooveel als voor zijn leeftijd past. Prent hem

ocr page 38

36

7

in dat geld niet te verdrinken, niet te verdobbelen, er niet mede te wedden, maar er naar stand en ouderdom slechts zóóveel van te gebruiken als strikt noodig is en het overige ter zijde te leggen voor den spaarpot, want weet:

Wat heeft geleerd de jonge man,

Dat hangt hem al zijn leven an.

§ 14.

Iets over Huwelijksgift en Erjenis.

Kinderen geven zegen, en elke jongen brengt duizend gulden meê! Zoolang dat volkje intusschen klein is, wordt de werkman van dien zegen al J heel weinig gewaar. Beginnen evenwel de kinderen, j de een voor en de ander na, wat te verdienen, dan wordt de toestand van het gezin spoedig : geheel anders. Dikwerf zelfs is het inkomen zeer aanzienlijk. In dat geval wordt er goed geleefd en aan geen toekomst gedacht; de jongens hou- 1 den Maandag en de vader gelooft zich rijk genoeg | om eenvoudig niet meer uit werken te gaan.

Als er iets in de wereld verkeerd is dan is het juist dit. Of is de luiheid, het niets doen thans niet even goed als vroeger het voorportaal der kroeg, de eerste stap tot de ruzie in huis, het oorkussen des duivels? Uebt gij in die dagen waarlijk overvloed, wel vriend! leg die guldens op zij, spaar dat geld voor den ouden dag. Gij

, u z ■ ■

1 in

ocr page 39

1

37

weet nooit hoe het u zelf nog eens van pas zal zijn. Is dit daarentegen niet het geval dan zullen uw kinderen er u toch steeds dankbaar voor zijn, indien gij hun na uw dood wat nalaat.

Spaar wat gij over hebt en zeg niet: »als ik oud ben zullen mijn kinders mij den kost wel geven,quot; want ook dat kan wel eens tegenvallen. Eene moeder onderhoudt gemakkelijker haar zeven kinderen dan zeven kinderen hun céne moeder. Zie zelfs maar eens hoe het gaat. Uw jongens en dochters worden groot, ze krijgen kennis of trekken de deur uit, geld zenden zij u zoo goed als niets en gij blijft, hebt gij niet | in tyds gespaard, broodeloos achter. Ziedaar de ; geschiedenis van den dag.

Wilt gij uw kind bij zijn huwelijk iets mede geven, zonder u zelf te benadeelen, luister dan naar den volgenden raad: Wij nemen aan, dat gij bedreven genoeg zijt om uw eigen gezin te onderhouden, zoodat gij, wanneer uw kinderen beginnen te verdienen, een vrij goed inkomen hebt. Leg nu van dat geld, wat uw jongen wekelijks als loon thuis brengt, eene kleinigheid in een spaarpot (en later in de spaarbank); gij krijgt aldus meer geld in huis voor de grootere onkosten van het gezin en spaart tevens voor uw zoon een kleine uitzet tegen zijn huwelijk. Zie maar eens op het lijstje achter in dit boekje geplaatst, dan zult gij verwonderd zijn hoe spoedig zulk eene kleine wekelijksche besparing oploopt.

ocr page 40

38

Hierbij komt nog dat die kleine spaarkas voor uw kind een bijzondere prikkel is tot vlijt en spaarzaamheid. Heb geen nood dat uw zoon er van daag of morgen van door zal gaan of op karwei naar den vreemde uittrekken; het spaarboekje zal hem best terughouden.

Gij kunt daarenboven dat geld inhouden, wanneer uw zoon of dochter een huwelijk wil sluiten tegen uw zin.

Past uw kind goed op dan geeft ge hem de geheele som als uitzet mede, zoodoende zal de jongen gebaat zijn en gij zult u zelf niet hebben quot;benadeeld. Is er buitendien door u zelf nog meer opgespaard, zoo raden wij u dit tijdens uw leven niet af te geven.

Daar was eens een oude vader, die in zijn goede jaren eenige spaarpenningen had weten over te' leggen. Zijn zoons wisten dit en stelden hem daarom voor hun dat geld uit te keeren, dan toch zouden zij hem op denzelfden voet onderhouden. De vader echter dacht er anders over en toonde nog volstrekt geen liefhebberij om zich uit te kleeden voordat hij ging slapen.

Onder het venster zijner kamer woonde destijds eene zwaluw; nauwelijks echter had zij haar nest gebouwd of een musch oordeelde het goed, die plaats voor zich te nemen en de zwaluwen te verjagen Zoodra de musch jongen had, nam de vader het nest, plaatste het in een kooitje, hing dit eerst aan het raam en later in de

ocr page 41

39

.voor kamer zelf. Het was alleraardigst zoo trouw als yt en je ouden hun jongen verzorgden! Toen deze 311 er laatste nu groot genoeg waren om zich alleen te 3f op voeden, ving de vader de oude musschen en zette paar- ze in de kooi, terwijl hij de kleintjes los liet en ze ruimschoots eten voorzette. Aan de twee ouden wan- daarentegen gaf hij niets, zoodat deze natuurlijk uiten honger kregen en vreeslijk om wat voedsel tjilpten;

geen der jongen evenwel dacht er aan hun iets Q de te geven. Den volgenden dag nu legde de grijs-■' de aard volop brood op de tralies der kooi, waarin bben de oude musschen zaten en nam het eten der jongen neer : weg. Begeerig vielen deze laatste nu op het voedsel even aan, zij grepen wat ze konden, ja zij pikten zelfs de ouden wanneer ook deze wat wilden nemen, zijn Ziet, zeide toen de vader, ik heb daar weer eten gehoord, dat men zich nooit moet uitkleeden Iden voordat men voor goed gaat slapen.

sren. Hij behield have en goed tot zijn dood en had voet dus zeker geen reden om het zich te berouwen, ders : __

p2 TWEEDE AFDEELING.

tyds DE ZORG VOOR DE OPVOEDING.

§15.

Het huisgezin een hloementinn.

lam Gij zijt zeker wel eens in de gelegenheid geitje, weest den bloementuin van dezen of genen rijken de heer te bewonderen.

raar oed, sven

ocr page 42

40

Wat een schat deed zich daar voor u op! Een heerlijke aanleg, fijn onderhouden paden, frisch groen, welriekende bloemen, het een al mooier dan het andere 1 Gij zaagt er met veel kunst gevormde boomen, pyramiden, vruchtboomen in allerlei richting geleid, randen langs de houtperken, en ik weet al niet wat meer; het schoonste van alles evenwel lag daarin, dat alle boomen en struiken vol hingen met vruchten en bloemen. Onwillekeurig dacht gij toen aan vele tuinen, die alles behalve zoo netjes waren.

Gij behoeft er voorzeker niet lang over na te denken waarom het daar zoo geheel in orde was. Immers het schoone van dien prachtigen hof is voor alles aan de groote kunde van den ervaren tuinman te danken; hij plant en zaait, hij sproeit en geeft zijn bevelen, zijn oog waakt altijd, terwijl in die andere tuinen ongeoefende handen het werk verrichten moeten. Geen wonder derhalve, dat de uitslag zoo verschillend is!

Vergelijk nu de familie, het huisgezin eens met zulk een bloementuin. De kinderen zijn de bloemen en boomen; naardat er nu een min of meer ervaren, een luie of een vlijtige tuinman is, krijgt gij een schoonen tuin met frissche bloemen of een zoodanige waar niets groeit als onkruid.

Als vader zijt ge in uw bloementuin de tuinman en uwe vrouw de tuinvrouw. Gij moet te samen voor de jonge plantjes zorgen, ze aanbinden, snoeien, gieten enz. enz. De werkelijke tuinman

ocr page 43

41

heeft voor dat alles gereedschappen noodig; welaan, •wij zullen ook u eenige dusdanige geven, en wijzen u op deze vier, namelijk: op de tong. om de kinderen te onderrichten, — op het oog om hen te bewaken, op de handen om hen te verbeteren. — op uwe geheele persoonlijkheid om hun met goed voorbeeld voor te gaan.

§16.

Be tong ter onderrichting.

Wilt gij ■weldoen, leer een kind Uit de korrels spruiten de aren.

Zooals eens uw korrels waren,

Wordt het brood dat ge er uit wint.

Vele gewassen willen, indien men een goeden oogst verlangt, zeer vroeg gezaaid worden. Zoo ook het hart van het kind; het is een zaadveld, dat vroegtijdig bezaaid moet worden, wil het in tijds goed opschieten.

Moet nu vooreerst de moeder haar handen uit den mouw steken, ook de vader doe zijn best.

1°. Zorgt dan, ouders, dat de gedachte aan God zich in het hart van uw kind vastwortele. Leert het van God, den almachtigen Vader den Koning van hemel en aarde, van Jezus Christus, Zijn ééngeboren Zoon, voor ons aan het Krui1- gestorven, zegt het hoe hatelijk de zonde is, hoe schoon de deugd, wat een vreugde in den hemel ons wacht. Voordat het kind de letters kent, moet het reeds kunnen lezen in het schoone boek der schepping,

ocr page 44

42

moet liet bewondering koesteren voor de sterren des hemels en de bloemen des velds, voor alles ■wat God in Zijn oneindige liefde heeft geschapen. Hebt gij en uwe vrouw aldus den grondslag gelegd, dan is het de plicht van den zielzorger den weg verder te banen. Vergeet evenwel niet den priester altijd ter zijde te staan, hem te helpen. Laat uw kinderen den Catechismus, de leering bezoeken zonder ooit over te slaan, waakt dat zij de vragen goed leeren, verklaart hun de opkomende moeie-lijkheden naar uw beste krachten.

2°. Leidt de kleinen, die God u gaf, op tot ■ godsvrucht. Vouwt de handjes van jongs af tot gebed, bidt met hen des morgens, des avonds, 3 vóór en na het eten. Is eens de liefde tot bidden , in die teedere harten geplant, dan zal zij toch altijd weer boven komen, mocht uw kind op later leeftijd het verkeerde pad eens inslaan. Het denkt dan zoo licht aan dat zalige tehuis, en de herinnering alleen aan die eerste gebeden op den schoot der moeder zijn dikwerf voldoende om zich te bekeeren, een beter leven te beginnen.

Het is zeer aan te bevelen, het kind, voordat het tot de jaren van verstand gekomen is, van tijd tot tijd eens mede te nemen ter kerke, natuurlijk op voorwaarde, dat het de godsdienstoefening niet store. Immers indien de kinderen van jongs af getuigen zijn van de heerlijke feesten van onzen godsdienst, dan gaat er dat diep in, door oog en oor; zij komen thuis in de plechtig-

ocr page 45

43

heden van het kerkelijke jaar en behouden later die gewoonte als van zelf, daar zij hun als het ware eene behoefte geworden is.

3°. Hart en geest behooren gelijken schreden te houden. Daarom moet het u niet onverschillg zijn of uw kind ter schole gaat, ja of neen. Integendeel gij moet al uw best doen om den meester in zijn moeielijk werk ter zijde te staan.

Zendt dus uw kinderen intijds en geregeld naar de school. Koopt hun wat zij van boeken, papier enz. noodig hebben. Stelt u van hun schoolwerk op de hoogte, en vraagt eens aan den onderwijzer hoe zij oppassen en of zij vorderen. Misschien moet gij wel zeggen: ))Och ! wanneer mijn ouders mij geregeld naar school hadden gezonden, dan ware er wellicht heel wat anders uit mij gegroeid.quot; Welnu, wilt gij dan door uw ellendige zwakheid of onvergefelijke slordigheid de schuld worden, dat uw kinderen later hetzelfde van u getuigen ?

Menig vader is daarenboven nog onverstandig genoeg de onderwijzers in het oog van zijn kind zwart te maken, met hen te lachen en de school voor te stellen als een noodzakelijk kwaad, zonder welke men er desnoods ook wel komen zal!

Worden de kinderen grooter, dan is dubbele zorg voor de trouwe vervulling der godsdienst-plichten gebiedend noodzakelijk. Laat uwe tong derhalve geen rust, gebruikt haar voortdurend ten nutte van uw kind.

ocr page 46

44

Belast uwe vrouw als moeder zich meer in het bijzonder met de meisjes, zorg gij dan ook op uw manier voor de jongens. Intusschen moogt gij als vader uwe dochter natuurlijk niet vergeten of haar achterstellen.

Maakt uwe kinderen opmerkzaam op de treurige gevolgen, welke het jeugdige leven na zich sleept, schetst hen hoe gelukkig zij zijn, die deugdzaam en godvreezend hier op aarde hun dagen slijten.

Toont hun de klippen, die zij te vermijden, de gevaren die zij hebben te duchten, de gelegenheid welke vermeden moeten worden. Waarschuwt hen voor traagheid en niets-doen, voor verkwisting, ijdele pronkzucht, dronkenschap en onkuischheid. Roemt in het bijzijn uwer kleinen nocit op de kwajongensstreken uwer jeugdige dagen. Hoeveel ouders toch doen zulks zonder nadenken en verliezen daardoor veel achting en liefde! Vader klaagt over moeder en onderhoudt zijn kinderen over de verkeerde hoedanigheden zijner vrouw en de ondeugden van haar familie. Moeder doet hetzelfde van vader en de slotsom is, dat de kleinen minder houden van dezen dan van gene of omgekeerd.

Ouders! Prent uw kinderen toch in, dat zij geboren zijn uit eene brave, oppassende familie. De adel legt plichten op, is een spreekwoord bij den geringen man evenzeer van kracht, vergeet dat niet.

Indien er inderdaad fouten of groote gebreken zijn, waarvan de kinderen later niet onkundig

ocr page 47

45

zullen blijven, in 's hemels naam ! maar werpt de olie dan niet te vroeg in het vuur. De tijd schaft raad.

§ 17.

Het oog als wachter.

Van bloemen weet een kind niet af.

De fraaiste kleur bergt vaak venijn.

En 't gif, dat lokt door fraaien schijn.

Hielp menig argelooze in 't graf.

Het kind is bij uitstek aan vele gevaren, zoo voor de ziel als voor het lichaam blootgesteld. Juist daarom heeft God het in Zijne goedheid en liefde een bewaarengel gegeven, een onzicht-baren vriend, die onverdroten, dag en nacht, op zijn post blijft waken.

Gij evenwel zijt als vader verplicht de zichtbare beschermer uwer kinderen te zijn.

Zie eens hier, hoe dit kind geschonden is, hoe dat kreupel gaat ? Aan wien de schuld ? Aan niemand anders dan aan die zorgelooze ouders, die hun kleinen maar laten loopen waar ze willen. Het is aan hen te wijten, dat die jongen bij het ruwe spel zijn arm of been gebroken heeft.

En zie eens daar, dien grafheuvel' Arm meisje! De moeder was weêr op straat, zij liet haar wicht alleen, het speelde met vuur en.... 't moest levend verbranden. Deze knaap valt in het water, gene uit een boom, velen verdrinken bij het zwemmen, duizend ongelukken! En hoe-

ocr page 48

46

vele hadden voorkomen kunnen worden, wanneer te zi onders hun plicht naar behooren hadden vervuld, j eveng De ouders zijn gehouden nauwkeurig te letten | volsti op het spel der kinderen. Dat kleên goed, wat zoo ; voor gaarne met hamers, tangen en messen speelt, ' De wordt gewoonlijk een vechters-volkje. ■ nen,

Laat uw kinderen nimmer toch dieren plagen eenei of sarren. Waartoe ook dat gepassioneerd uit- | hedu halen van vogelnesten, en het vangen van nach- kind» tegalen? Niet slechts zgn zulke dingen strafbaar, doch zij leiden er daarenboven toe om aan het geheele karakter iets ruws te geven.

Hetzelfde geldt van het appelen stelen, het beschadigen der veldvruchten, 't afplukken van andermans bloemen, het vernielen van het gras ergei en der jonge heesters in de openbare parken en wandelingen.

De ouders moeten toezien of en hoe hun kinderen hun godsdienstige plichten nakomen.

Zij moeten zich in de kerk passend gedragen; dat staan en hangen tegen de achterste kolommen of half in en half buiten de deur is zeer oneerbiedig.

Stelt u zelf op de hoogte of uwe groote jongens Zondags naar de diensten gaan, hoe zij zich in kerk gedragen, volgt hen van tijd tot tijd eens; niet alleen moogt gij dat doen,

maar gij zijt er toe gehouden uit liefde voor uw

zoon.

's Avonds behooren de kinderen bijtijds thuis

zijn ( kindf berei gevei alle

Ki niet zelfd bed ven het * dan

ügge Hi en ] begr ziet ] weel zond Zi

ocr page 49

47

te zijn; de grooten, die naar de herberg gaan, evengoed als de anderen. De kroeg immers is volstrekt nog niet numero een, liet ie huis gaat voor alles.

De ouders waken voor de onschuld hunner zonen, hunner dochters. Gelijk de bevelhebber eener belegerde stad aan alle zijden voor gevaar beducht is, zoo ook kan men op dit punt de kinderen nooit genoeg vertrouwen. De ouders zijn derhalve in het bijzonder verplicht, aan hun kinderen, zondra zij de jaren des onderscheids bereikt hebben, een afzonderlijke slaapkamer te geven. Kan dit niet geschieden, dan blijve met alle zorg gewaakt, opdat de kinderen niet ge-ergerd worden.

Kinderen van verschillende geslachten mogen niet in dezelfde kamer slapen, laat staan in hetzelfde bed. Het is raadzaam aan elk een eigen bed te geven. Gedenkt toch wel dat er geschreven is: »En leid ons niet in bekoring!quot; Indien het onmogelijk is de kinderen te scheiden, duldt dan niet dat zij 's morgens geruimen tijd wakker liggen.

Houdt alle slechte prenten, zedelooze beeldjes en platen uit uw huis en zegt niet: «mijn kind begrijpt dat toch nietquot; Och! Dat kind hoort en ziet reeds zooveel, het vat het wel niet, maar ouders, weet ook dat, zoodra het zulks eens verstaat, de zonde dikwerf reeds vast in het hart geworteld is.

Ziet toe in welke kringen uw kinderen komen.

ocr page 50

48

want er zijn er -velen onder de menschen slecht genoeg om de kleinste onder de kleinen te bederven.

Gaat uw zoon of dochter naar eene fabriek, dan weet gij met wat zorg gij moet waken en altijd waken. Daar immers zijn het niet slechts de gelijken, maar dikwerf ook hooger gestelden,

zooals opzichters en anderen, die vergeten wat het zeggen wil: »wee hem, die ergernis geeft.quot; ■

Hebt gij huwbare dochters, neemt dan geen ^ kostgangers bij u in huis. ,

Het verkeeren is en blijft een groot gevaar. ; , Duldt een vader dat zijn dochter bij nacht en p .o ontijde met een vrijer loopt, dan komt op hem j de verantwoordelijkheid van al die zonden, welke uit de naaste gelegenheid voortvloeien. Brengt zijne dochter schande over zijn gezin, hij kloppe dan 1 , op zijne borst en zegge: »dat te mijne schuld, 1.^ ja mijn eigen overgroote schuld!quot; Lezicl

§ 18. looft

Be hand een tuchtmiddel. slotte

, , ,. , spreel

Als een vreemdling doolt net Kind; iniet I

Slechts mijn hand, tot steun hereid, ,j „ Is zijn draad door 't labyrinth. A

\Vandlen zal 't naar ik het leid. verkk

Het kind weet nu eens niet goed te onder- 'at scheiden tusschen goed en kwaad; het weet nietj srwy waarom het dit doen mag en dat niet, ja het kmd : heeft menigwerf zelfs eene zekere neiging, eene

ocr page 51

49

voorliefde tot wat niet geschieden mag, tot zonde. Daarom moeten de ouders al hun zorgen besteden om het op den goeden weg te brengen, en hierin zal vooral de vader voorgaan. Wij onderscheiden hierbij een drievoudigen werkkring: het bevelen, het beloven en het bestraffen.

§ 19-

Gij moet als vader weten te hevelen.

Gewen uw kinderen van jongs af uw bevelen ,l£U op de letter te volgen. Dit nu kan slechts dan t on geschieden, wanneer

hem i ^at W beveelt u ernst is; geef derhalve elke lgeen bevel uit gekheid of uit scherts. Het kind engt moet weten ^ dat tegenspreken niet te pas komt, dan |^at 0P eerste woord, op de eerste wenk mld, zonc'ei' talmen moet gehoorzamen. Toont vader ' zich zwak, laat hij zich door tranen of een boos gezicht bewegen, dan vervalt hij in vleierij, belooft allerhande dingen en maakt zijn kind ten slotte nog koppiger dan het reeds is. Het spreekt van zelf dat er aldus aan gehoorzamen Jiiet meer valt te denken.

: 2° Uw bevel moet zijn kort en handig. Al die verklaringen, die uitleg waarom dit en waarom ider- tlat verzwakken eensdeels het ouderlijk gezag, nietferwijl zij daarenboven van den anderen kant het het liind geheel in de war brengen. Een paar korte eeneTV00rlt;'ei1 volstaan.

3° Gij moet hevelen meer door ivoorden dan door

4

echt be-

■iek,

i en

ichts

den,

wat

Ft.quot;

jeen

aar. t en hem

ocr page 52

50

daden, loo neme men, als een kind een mes in de hand heeft, dit niet zelf weg maargebiede het veeleer dat voorwerp ter-zijde te leggen.

4° Beveel nooit te veel in eens. Te veel gaat het begrip van den kleine te boven.

5° üw hevel moet altijd zijn op den toon der lief de. Zoodra het kind inziet dat de vader uit liefde handelt en om zijn eigen best wil, zal het veel ge-reeder gehoorzamen. Wordt het bevel daarentegen gegeven op een harden, strengen toon, vloeit het voort uit zelfzucht, gril of willekeur, dan zal het kind slechts gehoorzamen uit angst en vrees. Het zal die boeien afschudden zoodra mogelijk; het zal zijn vader verwenschen, ja dikwerf helaas! komt hij er toe den dood over hem af te roepen.

Het eenvoudigste middel om het kind te doen begrijpen, dat eenig en alleen de liefde van elk bevel de drijfveer is, ligt in het goed en verstandig weten te beloonen.

§ 20.

Gij moet als vader weten te heloonen.

Ten zijnen tijde een goed woordje werkt uitstekend op het kinderlijk hart. Past uw knaap goed op, zeg hem dan eens dat gy tevreden zijt, dat hij u zooveel genoegen doet. Geef hem een geschenk waar dit pas heeft. Och! die kleinigheden zijn zulk een machtige drijfveer ten goede.

ocr page 53

51

Wacht u intusschen voor overdrijving. Beloont gij te dikwerf en te veel dan wordt er veeleer gehoorzaamd om de belooning dan om de zaak zelve, en het jeugdig gemoed voedt allicht hoogmoed of eerzucht, het leert vleien of begint te huichelen.

Weest altijd onpartijdig, Jietzij gij straft hetzij gij beloont

Immers gij moogt het eene kind bij het andere niet voortrekken, allen hebben gelijke aanspraak op uwe liefde. Of kan die kleine het helpen, dat hij minder begaafd is dan zijn broêr ? Is het hem te wijten dat zijn zusjes van nature lieftalliger zijn dan hij ?

Het achtergestelde kind ziet met jaloersheid op zijn vertroetelde broêrtjes neer; de nijd ontkiemt, list en wrok schieten wortel.

Het is al even erg wanneer vader en moeder in hun liefde verdeeld zijn en er een de lieveling is van vader en een ander van moeder. De kinderlijke liefde wordt dan letterlijk begraven en haat en tweedracht tusschen de kinderen van hetzelfde gezin gestrooid.

§ 21.

Gij moet als vader weten te straffen.

Hoort men tegenwoordig overal klagen over de ongehoorzaamheid der kinderen, dan ligt de schuld daarvan hoofdzakelijk in de ouders zelf,

ocr page 54

52

daar zij in hun dwaze liefde maar niet letten -willen op het woord der H. Schrift: »Die zijn zoon lief heeft, hij spare de roede niet.quot;

Een jonge boom moet, wil htj goede vrucht voortbrengen, van tijd tot tijd gesnoeid worden of behoorlijk aangebonden. Zoo ook zal de hand des vaders het kind insnoeien, dat heet: het bestraffen waar zulks noodig is.

Laat men aan de booze begeerlijkheden in het kinderlijk gemoed vrij spel, dan zal het spoedig door de hartstochten worden opgezweept, er de slaaf van worden. Hier dus moet de tuchtroede gelden gelijk het mes van den tuinman.

quot;Deze laatste gaat evenwel niet als een dolle man te werk, maar handelt met een zekere berekening; als hij snijdt en inkort weet hij wel degelijk waarom; hij volgt vaste regelen. Doe ook gij aldus, en houd het volgende wel voor oogen.

lo. Met straf dreigen en ze niet geven, is altijd verkeerd. Het kind lacht u dan nog uit op den koop toe.

2o. Men iestraffe het hind vofgens zijn karakter, Is bet kind zachtzinnig, zoo volstaat eene kleine berisping, de ontzegging van een genoegen, van een zeer geliefde spijs. Ruwheid zou hier zelfs slechte gevolgen hebben. Is het kind koppig, dan moet dat kopje met takt gebogen worden; let niet te veel op al de kunsten die het in zijn koppigheid vertoonen zal; gaat het op den grond

ocr page 55

53

liggen, het zal van zelf wel weêr opstaan zoodra het maar ziet met al die grappen toch niet verder te komen; houd vol en gij zult overwinnen. De U'age knaap moet werken. Is uw jongen eerzuchtig en hoogmoedig, tracht hem dan te beschamen. In het laatst geval kan men den knaap wel eens in het bijzijn van anderen straffen, ofschoon dit in het algemeen wordt afgeraden, dewijl daardoor het karakter van het kind zeer licht onderdrukt wordt.

3o. Straf nooit in drift. Menig vader kan niet straffen voordat hij boos is en dritig. Maar dan komt er ook een vloed \an scheld- en schimpwoorden voor den dag dat het meer dan erg is, de stok wordt daarbij natuurlijk niet vergeten en het kind half lam geslagen. Zoo iets heet dan straffen!

Een oude wijsgeer raadde Keizer Augustus om zoodra hij den toorn in zijn gemoed voelde op komen, niets te zeggen en niets te doen voordat hij de letters van het alphabet had opgezegd. — Doet aldus; zeg eerst het A. B. C. op of neem een glas water.

4°. De straf moet tegen het misdrijf opwegen. Ze moeten in elkaar passen; voor een kleine overtreding geve de vader een kleine straf, voor een erge kwajongensstreek ook een erge strat. boms gebeurt het, als de knaap het een of ander misdaan heeft, wat nog niet zoo erg is, dat de vader op hem aanvalt als een getergde leeuw,

ocr page 56

54

terwijl hij bij veel grooter vergrijp dikwerf niet eens straf krijgt.

De straf moet ook niet te slap, te gering zijn. Vandaar dat de kinderen menigmaal zoo weinig geven om de bestraffing der moeder.

Het kind moet de roede voelen. Dat zal niet hinderen, mits men het daar slaat, waar het geen direkt kwaad kan.

5°. Men straffe alleen uit liefde, nooit uit wraak. Trekt de vader altijd een donker, zuur gezicht en is hij dadelijk gereed om te slaan en te ranselen, laat hem dan maar niet meer op kinderlijke liefde rekenen-

Het kind toch moet voelen, dat de hand des vaders met weêrzin naar de roede grijpt. Is de straf toegediend en heeft de knaap zich verbeterd, dan moet ook alles vergeten zijn, en het kind u weder even lief zijn als ooit te voren. Het is hoogst verkeerd zijn kind na de bestraffing te vleien of erg aan te halen; immers de kleine zal dan allicht denken, dat de vader berouw heeft of wel dat hij het weer zoekt goed te maken.

6°. Be straf zij onpartijdig. Hier geldt hetzelfde als wat wij van de belooning reeds gezegd hebben.

Een enkel woord ten behoeve der stiefkinderen. Vader en moeder, weet gij wel hoe wreed gij zijt, indien gij op die arme kleinen uw eigen huwlijksstandjes, twist en ongeluk verhaalt? Bij uw trouwen hebt gij beloofd voor de kinderen van het eerste huwelijk te zorgen, breekt

ocr page 57

55

gij uw woord, dan zal 's hemels straf u treffen , zwaar en zeker.

7°. De ouders moeten het hij het bestraffen samen eens zijn. Neemt, als de vader het kind straft, de moeder het in bescherming, dan schiet er van de ware ouderliefde niet veel meer over. Gebeurt het dat zij het over de straf niet eens zijn, dan moeten ze dat samen uitvechten, doch het kind moet er niets van merken.

Hetzelfde onverstand doet zich voor, ingeval de onderwijzer het noodig heeft geoordeeld dit of dat kind een klap om zijn ooren te geven. Dat mag nu wel niet, doch terwijl de vader zijn jongen bijna doodranselt, is zulks den meester ook wel te vergeven, 't Is liefhebberij om dan te hooren wat er van zoo iets een leven gemaakt wordt; men kijft en scheldt, 't is een leven als een oordeel, men loopt naar den Inspecteur, naar den dokter, den Burgemeester en ik weet al niet waar. De ondeugende jongen is dan in een, twee, drie een heilige!

En het gevolg van dat alles? Uw zoon gelooft zich een ware held, omdat hij door koppig en onverzettelijk te zijn, den onderwijzer heeft gedwarsboomd; vooral nu dezen is aangezegd, den lieven engel in 't vervolg niet meer te na te komen. Gij hebt uw pijlen op dien boozen man afgeschoten en zult al spoedig gevoelen, hoe zij langzamerhand allen op u terugvallen. Uw zoon kon den meester baas, weldra speelt hij het u evenzeer.

ocr page 58

56

Een verstandig vader zal daarom den onderwijzer tegenover zijn kinderen steeds gelijk geven. En komt het al eens voor, dat de straf onverdiend was (hoe dikwerf?) zeg dan: »het deert u niets, reken dit maar voor de zoovele gevall':iïgt; waarin gij wel degelijk straf verdiend hadt en ze niet hebt gekregen.quot;

§ 22.

Het goede voorbeeld.

Leeringen Kekkeu

Maar voorbeelden trekken.

Hebt gij u ooit laten photographeeren, dan weet gij hoe uw portret door de werking van het licht op een klein plaalje tevoorschijn komt. Welnu, als vader hebt gij veel weg van een photograaf; immers door uw goed voorbeeld behoort gij uw eigen beeld in het hart van uw kind te prenten.

De kinderen vormen zich naar hetgeen zij met hun oogen waarnemen. Wordt het gesproken woord, zoo hier of daar opgevangen, meestal nog al vlug vergeten, het staat geheel anders met wat men ziet; dit blijft ons in den regel bij.

„Het voorbeeld klemt en dringt meer aan Dan wet of leering heeft gedaan.quot;

Wij herinneren ons de volgende fabel: De kreeften werden op een goeden dag door de andere dieren bespot, omdat zij niet voor- maar

■

ocr page 59

57

achteruit loopen. De oudsten onder hun het geplaag moede, besloten eindelijk hun kinderen dan maar een andere manier van loopen te leeren aannemen, zoodat men tengevolge van dat besluit weldra zien kon hoe een oude kreeft zich heêl nauwgezet met haar zoontje in de nieuwe methode oefende. De kleine marcheerde inderdaad voorwaarts, terwijl de moeder achterwaarts ging. Zoodoende kwamen zij al verder en verder van elkander, ja het werd eindelijk zoo dwaas dat het jonge dier van zelf aan moeder vroeg, om toch maar weder even als vroeger opzijn ouds te samen achterwaarts te mogen loopen, gelijk sinds dien dan ook in de familie der kreeften gebruik is gebleven.

Met de menschen nu is het juist hetzelfde: woorden wekken maar voorbeelden trekken. De invloed van het voorbeeld der ouders is bij de kinderen zooveel grooter nog, daar moeder en vader bij hen als van zelf zoozeer in aanzien staan, dat de eerbied hen verbiedt hun handelingen af te keuren, ja zij komen er eindelijk toe al wat hun ouders doen, na te volgen, hetzij goed of slecht.

Het menschelijk hart is daarenboven meer geneigd tot het kwade dan tot het goede, zoodat als de ouders een slecht voorbeeld geven, dit bij de kinderen al heel gemakkelijk navolging vinden zal.

Aan een verdwaalden knaap vroeg men om te weten waar hij thuis behoorde, hoe zijn vader

ocr page 60

58

heette. Het antwoord luidde kortweg: »Satan.quot; En uwe moeder, hoe heet deze dan? op welke vraag al evenzoo »Satanquot; volgde.

Hoe nu kwam dit kind tot dat antwoord? Wel: niets eenvoudiger dan dat. Irnmers de jongen was thuis dagelijks getuige van den twist zijiser ouders, van hun vechten, schelden en schimpen, bij welke gelegenheden het woord ij Satanquot; een groeten rol speelde. Vandaar dat de knaap niet beter wist, of vader en moeder luisterden beiden naar den liefelijken naam van »Satanquot;.

Hoe dikwerf hooren wij kleine kinderen vloeken of gemeene woorden zeggen. Zij hebben dit gewis niet uit zichzelf, maar leeren het van hun dronken vader. Stelt u nu voor, dat zulk een plichtvei'getend man zijn zoon eens goede lessen voorhoudt, dan begrijpt gij toch wel, dat de jongen zeggen zal: »wel vader, dat doet gij zelf immers ook niet!quot;

Toen er nu eens een vader, die de gewoonte van drinken had, een van zijn jongens vermaande om toch niet zulke slechte taal te spreken, daar God alles zag en hoorde, antwoordde de knaap vlugweg: »wel, vader, dat spijt mij, want dan zal God gisteren ook wel gezien hebben, hoe ergerlijk dronken gij waart.quot;

Wilt gij derhalve van uw kind een braven christen maken, zorg dan vooral, zelf een goed voorbeeld te geven, evengelijk onze goddelijke Verlosser, die ook eerst werkte en pas daarna leeraarde.

ocr page 61

59

Geeft een goed voorbeeld in liet nauwgezet vervullen uwer godsdienstplichten; zijt braaf en spaarzaam; drinkt niet. Woont uw vader of uw moeder bij u in, geeft hem of haar dan de eereplaats, en behandelt uw ouders zooals gij op uw ouden dag behandeld zoudt willen worden. Uw kinderen zullen getuigen zijn van de liefde en den eertned, welke gij aan uw bejaarde moeder betoont, en zoo zal dat vierde gebod »Eert uw vader en uwe moederquot; hen als het ware in merg en been dringen, en zij zullen het van zelf opvolgen al de dagen huns levens.

DERDE HOOFDSTUK.

DE PLICHTEN JEGENS HE OVERHEID.

§ 23.

Jegens de Geestelij Jee Overheid.

Vrees den Heer uit geheel uw ziel en houd zijne dienaren in eere.

In de Kerk van Christus is de geestelijke,overheid wat de lichamelijke vader is in het huisgezin. Gelijk deze de verwekker is van het lichamelijk leven en op hem de taak rust zijn kinderen op te voeden en groot te brengen, zoo is de geestelijke overheid de moeder van het geestelijk leven harer geestelijke kinderen, de Christenen.

ocr page 62

60

Daarom is men aan die geestelijke vaders hetzelfde verschuldigd als aan zijn lichamelijke ouders: Eer, liefde en gehoorzaamheid.

I.

V^ij moeten de geestelijken eeren.

Reeds de titel «Eerwaardequot;, -waarmede men de geestelijken in het algemeen toespreekt, bewijst, hoe zij door eene bijzondere eerbiedwaardigheid van de leeken onderscheiden worden.

Waar zich derhalve de gelegenheid voordoet, moet gij uwen zielzorger door woord en daad eeren. Duldt dus nooit, dat hij of de andere geestelijken bespot worden of beschimpt, en wacht u vooral daaraan ooit meê te doen.

De bedienaren van den godsdienst zijn in onze dagen toch reeds aan smaad genoeg onderhevig, vooral van de zijde van hen, die het geloof hebben overboord geworpen!

Middelerwijl kan menig geestelijke zeggen: Heer bewaar mij voor mijn vrienden, want voor-mijn vijanden zal ik zelf wel zorgen. Immers die voorkomende vrienden zijn dikwerf de eerste om wat zij in een leek als menschelijke zwakheden zouden opnemen bij een geestelijke aanstonds te betitelen als grove fouten en veel meer nog!

De grond van dit en zooveel soortgelijk kwaad ligt in de trotschheid, in den hoogmoed, welke den mensch is ingeboren. Deze ondeugd duldt

ocr page 63

61

niemand boven zich, en kan zij de ketenen der gehoorzaamheid niet verbreken, dan zoekt zij zich als het -ware te wreken door van de overheid kwaad te spreken. De lasteraars wagen zich niet gaarne aan de wereldlijke overheid, daar zij best weten dat ze dan wel eens met de Strafwet zouden kunnen kennis maken, maar de geestelijken! Die kan men bespotten zooveel men wil 1

Zij die zelf een slecht geweten hebben zoeken het in slaap te sussen door bij hooger geplaatste personen fouten en gebreken te ontdekken. Zij bekijken dan het doen en laten der geestelijkheid liefst met den scherpsten bril, dien ze maar vinden kunnen, en het stokpaardje wordt: »de geestelijken, wat? die deugen zelf niet!quot;

Bij andere standen besluit men niet van een op allen. Wanneer bijvoorbeeld een koopman bedrog pleegt, dan zal men daarom nog niet alle kooplieden voor bedriegers uitmaken. Bij de geestelijken echter is het geheel anders. Zoodra men er op duizend ook maar één vindt die een klein beetje twijfelachtig is, dan heet het aanstonds: »o ja! Zoo zijn ze allen!quot;

Neemt de wereld het met zich zelf zoo nauw niet, zij wordt, zoodra er een geestelijke in het spel is, streng voor drie. Het minste vlekje zet honderd stemmen in beweging, om nu nog maar niet te spreken van de pers en van al die couranten, juist op dergelijke nieuwtjes belust.

ocr page 64

62

Onder de twaalf Apostelen was er wel een Judas. Hoe licht kan er dan op zoovele geestelijken niet één zijn waarop iets te zeggen valt.

Kortom, de geestelijken zijn en blijven menschen en daarom dus even goed aan dwaling blootgesteld als wij, wat ons echter niet ontheft van de verplichting hen te eeren naar hun stand.

II.

Wij moeten de geestelijhen lief hebben.

Op den regel onzer eeuw : shet geld regeert de ■wereld,quot; maken de geestelijken in het algemeen eene uitzondering. Zij leven zeer eenvoudig en zijn tevreden, wanneer ze met het weinige wat zij hebben rondkomen; zij geven daarenboven aan de armen en noodlijdenden, en zijn altijd klaar waar slechts goed te doen is, ja hun weldadigheid kost menigmaal meer ontbering dan men zoo wel denken zou.

Ook zij hadden in de wereld een schitterende loophaan kunnen vinden, hun aanleg en talenten zouden hun recht op hooge staatsbetrekkingen met flinke bezoldiging hebben gegeven, maar been — zij zochten rijkdom noch eer, wanthoo-ger lag hun doel; hun streven was zielen te winnen voor den hemel, rijkdom en eer te vinden bij God.

De ijverige zielzorger gaat rond dag en nacht met de lamp des geloofs om zielen te zoeken.

ocr page 65

63

zielen te redden. Waar hij optreedt is hij als de barmhartige Samaritaan, de wonden heelend en verplegend den zieke tot hij weder geheel hersteld is.

Ga nu eens bij u zelf na, wat zijt gij al niet aan uw geestelijken vader verschuldigd? Stond niet zijne zegenende hand u bij in de eerste oogenblikken uws levens? Leerde hij u niet de grondbeginselen van den godsdienst'? Is hij in nood en droefheid niet uw trooster eu helper?

En wanneer allen u in het laatste oogenblik uws levens verlaten zullen, dan zal hij u nog een trouwe vriend zijn; hij zal u ook dan niet vergeten en u sterken in dat uur.

Zoudt gij hem voor die opoffering en goedheid dan geen dank en liefde betoonen?

III.

Wij moeten den geestelijken gehoorzamende geestelijken zijn aangesteld : om te waken over uw geestelijke belangen. Wanneer een ieder, die zijn verstand gebruikt, aan den geneesheer van zijn lichaam gehoorzaamt, hoeveel meer moet men het dan doen aan den arts zijner ziel. De zielzorgers hebben bij God een zware verantwoording af te leggen voor de hun toevertrouwde zielen; wordt daarom niet toornig wanneer zij berispen, vermanen, ja soms straffend optreden. Tracht veeleer door volgzaamheid en

ocr page 66

64

door te gehoorzamen hun taak wat te vergemakkelijken.

Geeft aij aan den zaadkorrel, door hen gestrooid, den rechten grond niet, dan zullen zy wel niet oogsten, maar ook gij gaat zonder iets huiswaarts en staat daarenboven nog altijd voor de latere verantwoording.

§ 24.

De plichten jegens de wereldsche Overheid.

„Geejt den Keizer wat des Keizers is.'quot; Gelijk eertijds de Fariseën tot Christus kwamen en al huichelend hem vroegen of het geoorloofd was aan den Keizer den cijnspenning te betalen, zoo zijn er ook thans nog velen, die stelselmatig alle achting voor de wereldlijke overheid trachten te onderdrukken.

Het altaar is het fondament van den troon. Wanneer men er op let hoe sedert eeuwen in alle landen wordt samengezworen tegen de Kerk en haar gezach ondermijnd, dan kan men zich niet verwonderen, dat ook de tronen der koningen en vorsten beginnen te wankelen. De overheid immers ontleent haar macht van God, daar God alleen te beschikken heeft over leven en dood, have en goed. Vandaar dat men den regeerenden Koning steeds genoemd heeft: »Koning bij de gratie Gods.quot;

Overheid moet er zijn; zonder haar geen orde,

ocr page 67

65

noch rust, ja niets dan willekeur en overmoed van den sterkste. Is die overheid derhalve uit God, en is de welvaart der maatschappij haar doel en haar streven, dan rusten op ons, onderdanen, als van zelf ook eenige verplichtingen.

1°. Wij zijn dientengevolge verplicht de wereldlijke overheid te achten, haar trouw te zijn, haar te gehoorzamen.

Koestert men achting voor de overheid dan past het niet haar steeds te bedillen, verwijten haar toe te voegen, kwaad van haar te spreken. Is men der overheid trouw en gehoorzaam dan wachte men zich voor verzet en opstand.

Verzet wordt gepleegd, wanneer men zich tegen de bevelen der overheid opwerpt, zich in de weer stelt tegen hen, die tot de uitvoering der wetten geroepen zijn.

Opstand is nooit of nimmer geoorloofd.

Dit nu zegt niet dat het volk geen recht heeft zicli op wettelijke wijze tegen geweld of onrecht te beschermen , integendeel men mag zijn burgerlijke rechten doen gelden, soms zelfs is men daartoe verplicht,

In onze dagen vertoont zich, helaas I vooral bij den werkenden stand, een zeker streven om door geweld de bestaande rechtsorde omver te stooten ja sommigen deinzen niet terug voor de verschrikkelijkste gruweldaden, voor moord en vernieling. Reeds op vele plaatsen hebben de Nihilisten, Anarchisten en Socialisten hun kracht be-

ocr page 68

66

proefd om eens te weten hoe sterk zij waren en wat ze zouden vermogen. Deze mannen nu noemen zich de vrienden des volks, zij beloven gouden bergen, maar wee hen! die geloof slaan aan die lage vleierij, vertrouwen stellen in die schoone woorden. »Vrijheid!quot; zoo heet het; sVrijheid voor het bedrogen volk Iquot; Dat alles klinkt schoon maar men vergete toch niet dat juist die schreeuwers steeds de eersten geweest zijn om die gulden vrijheid met voeten te treden.

2°, Wij zijn vei plicht aan de wereldlijke overheid de wettig gestelde belastingen te betalen. Het is duidelijk, dat de Staat voor zijn onderhoud veel geld noodig heeft. Immers de ambtenaren moeten betaald worden en het leger onderhouden. Het is noodig spoorwegen te leggen en kanalen te graven ; straten worden geplaveid en bruggen over de rivieren geslagen. Vandaar dat er belasting geheven wordt tot bekostiging van dat alles.

Nu heeft de man der belasting gewoonlijk een ijzeren hand; zoodat hij zich niet ontziet de verschuldigde gelden te nemen, wanneer gij ze weigert te betalen. Het zal daarom verstandig zijn in tijds het verschuldigde te voldoen.

Het kan geen kwaad hier ter loops even over het smokkelen te spreken. Vooral de grensbewoners zijn op dit stuk zeer sterk. Dit smokkelen nu is een onrecht zoowel voor den staat als voor den smokkelaar, te meer daar deze laatste zich voor een

ocr page 69

kleinigheid aan zeer zware straffen waagt. Wordt het smokkelen een ambacht, dan weet men niet waar het einde wezen zal. Verwildering en misdrijf, ja doodslag soms zijn het gevolg van zulk een lichtzinnig ondernomen werk.

3° Wij zijn verplicht der overheid in gevaar hulp te verieenen.

Niet slechts de soldaat is verplicht voor zijn vaderland goed en bloed veil te hebben, maar ook ieder burger, wie hij zij, moet in tijd van nood tot elk offer bereid zijn.

Verraad is en blijft een der schandelijkste misdrijven.

§ 25.

Eeti paar gewichtige artikelen uit onze Wet.

Art. 29 Burgerlijk Wetboek. ))De aangiften van geboorten zullen binnen drie dagen na de bevalling moeten worden gedaan aan den plaatselijken ambtenaar van den burgerlijken stand, en in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Die ambtenaar zal daarvan dadelijk eene akte opmaken.

Hij is bevoegd om te vorderen dat liet kind aan hem worde vertoond,quot;

Art. 30. »De aangifte der geboorte van een kind zal door den vader moeten worden gedaan, of, bij gebreke van dien, door de geneesheeren, heelmeesters, vroedmeesters, vroedvrouwen of andere personen, welke bij de bevalling zijn tegenwoord1'

ocr page 70

68

geweest, en wanneer de moeder buiten liafe woning bevallen is, zal de aangifte moeten ge schieden door den persoon ten wiens huize zij bevallen is.quot;

Art, 33. «Die een pas geboren kind gevonden heeft, is gehouden daarvan aangifte te doen aan den ambtenaar van den burgerlijken stand dei-plaats, alwaar hetzelve is ontdekt; mitsgaders de kleederen en andere goederen aan te duiden en te vertoonen, welke nevens het kind mogten zijn gevonden, en eindelijk op te geven alle de omstandigheden opzigtelijk den tijd wanneer, en' de plaats waar het kind ontdekt is.quot;

Art 50. »13e akten van overlijden zullen worden opgemaakt door den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats, alwaar de persoon overleden is, en op de verklaring van twee getuigen.quot;

De tijd dezer laatste aangifte is niet bepaald doch het is raadzaam deze formaliteit zoodra mogelijk te volbrengen.

ocr page 71

TWEEDE DEEL.

HET MIJNWERKERS-KOMPAS

O F

UW EIGEN SCHAT.

Iquot;te KAPITTEL. De tevredenheid.

§ 26.

De waarde der tevredenheid.

„'t Is groote kunst; tevreden zijn. Tevreden schijnen is maar schijn. Tevreden worden groot geluk, Tevreden blijven 't meesterstuk.quot;

Lodewijk XI, Koning van Frankrijk, vroeg eens aan een keukenjongen: «hoeveel loon verdient g'y?quot; »Kost en kleeding, Sire!''

»En niets meer?quot;

»0 neen, luidde het antwoord, of hebt gij soms meer?quot;

Gelukkig -wie zooveel levenswijsheid heeft als deze jongen, die tevreden met zijn dagelijksch brood zijn staat niet eens met een koning ruilen wil. Den tevredene is alles goed, hij zoekt zijn geluk

hare m ge ize zij

onden n aan d der ;aders uiden ogten 11e de ïr, en

orden irger-over-gen. Daald, oodra

ocr page 72

70

in zich zelf. quot;Wie het daar buiten zoekt, vindt het nimmer.

Maar laat mij u ter loops eens een korte anecdote vertellen van zekeren koopman in muilezels, Marcino genaamd. Deze dan was ter markt geweest en had daar zes muilezels gekocht: zegge zes stuks. Marcino had ze goed geteld, hij wist het zeker. Doch zie wat er gebeurt. By zijn thuiskomst kon hij, hij mocht tellen hoe hij wilde, maar niet verder komen dan op vijf, zegge vijf muilezels. Hij was radeloos, vloekte en tierde, immers hij had er toch zes gekocht. Zijn brave vrouw die hem aan de deur opwachtte, wist waarlijk niet wat te doen om haar man te bedaren. Eindelijk gelukte het haar manlief te beduiden dat hij huiswaarts gereden was en dat hij zelf derhalve nog zat op den zesden!

Hoeveel menschen zoeken heinde en verre naar geluk en vrede, terwijl zij eigenlijk zelf zitten op wat ze zoeken. Het is steeds de oude, treurige geschiedenis, dat de meesten onder ons zich meer bekommeren om het lot van anderen dan om hun eigen ik en dan ook daarom altijd met schele oogen op hun naaste neerzien. »Waarom moet ik, zoo hoort men klagen, bij slechten kost en weinig geld hard werken van den morgen tot den avond, mij zelf ellendig kleeden en armoedig wonen, terwijl de grooten heerlijk eten, en in hun prachtige kamers op zachte kussens rusten ?quot; Wij zullen het u zeggen, waarde vriend; luister slechts.

ocr page 73

71

§ 27.

Waarom verscheidene standen'!

„Wanneer de kater vleugels had,

Geen muschje vloog meer in de luclit;

Had ieder waar zijn hart naar zucht, Wie was er. die nog iets bezat?quot;

Niet een ieder kan heer zijn! ïwee vergelijkingen zullen U dat duidelijk maken.

De pijpen van het orgel zijn niet allen even lang en even dik. Men behoeft zelf geen organist te zijn om te begrijpen dat, ware het zóó, van het geheele spel niets zou terecht komen. Immers juist in die ongelijkheid der pijpen zit de verscheidenheid der tonen, en in het samenwerken dier verschillende klanken de harmonie van het orgelspel.

Zoo berust op de verscheidenheid der standen het eenparig samentreffen der menschelijke maatschappij. Wie derhalve met zijn stand niet tevreden is en de hem opgelegde taak niet vervult, grijpt noodzakelijk in het algemeen welvaren der menschheid in.

Een meer bekend voorbeeld biedt ons ons eigen lichaam met zijn onderscheidene ledematen, waarvan elk heeft zijn vaste bestemming en daartoe ook geheel en al is ingericht.

Waarom ziet men met het oog en niet met de hand? Waarom arbeidt de werkman met zijn hand en niet met het oog? Waarom is het been sterker gebouwd dan de arm?

ocr page 74

72

Gij kunt U zelf op al die vragen gemakkelijk beantwoorden. Geheel ons lichaam toch is in zijn inrichting dienstig tot zijn doel en 't is daarom dat God het zóó gewild heeft en niet anders.

Zoo ook de standen. Wij zijn de ledematen van een groot lichaam, de menschelijke maatschappij, waarin tot het algemeen welzijn ieder lid noodzakelijk zijn plaats inneemt, zijn eigen werkkring heeft.

Een blik in het dagelij ksche leven overtuigt U al aanstonds van deze waarheid.

Wij hebben bijvoorbeeld tot onze voeding behoefte aan brood, maar hoe komt gij aan dat brood? Eerst moet de landbouwer den akker bebouwen, zaaien en oogsten. Daar er voor den landbouwer verschillende gereedschappen gebruikt worden, zoo dienen er ook onderscheidene werklieden te zijn om deze te vervaardigen. Het graan zal vervolgens gedorscht moeten worden, gemalen en gebakken. De een is knecht, de andere molenaar, een derde bakker. Behalve die voeding moeten wij ons ook kleeden Duizenden zijn er dagelijks bezig die stoffen te maken, voordat zij zelfs bij den kleermaker in den winkel zijn 1 Zoo gaat het door; alle ambachten passen in elkander, gelijk de raderen zich vatten in een horloge. Er behoeft ook maar één van die radertjes stuk te zijn om het geheele werk te doen stilstaan.

Akkoord, zoo hoor ik U zeggen, toegegeven zelfs dat die verscheidenheid van stand noodig is maar

ocr page 75

73

waarom viel dan het slechte lot op mijn nummer ? Waarom ben ik niet rijk geworden inplaats van een armen stumpert te zijn zooals thans?

Ziehier;

1° Het is Gods wil. Hij deelt Zijn gaven naar zijn goedvinden, Hij is de Heer der menschen en niet hun knecht.

2° Wat God doet is welgedaan en komt den menschen ten beste. Hij heeft U dezen toestand aangewezen om daarin het meesterstuk uwer eeuwige zaligheid te bewerken.

3° Wenschten allen wat gij wenscht, dan zoude het hier al spoedig eene babylonische verwarring worden, waarin een ieder zou bevelen en natuurlijk niemand gehoorzamen.

4° Maar gij draagt daarenboven misschien zelf nog wel wat schuld van uw ongeluk. Gaat uw vrienden en kennissen eens na, en gij vindt er onder hen zonder twijfel die er zich door vlijt en vooral door spaarzaamheid hebben opgewerkt. Wat zij vermochten, kondet ook gij. Deedtgijhet niet dan rest U alleen Uw lot met geduld en onderwerping te dragen.

§ 28.

Iedere stand heeft zijn eigen last.

„Iedere stand heeft zijn gemat, Maar ook zijn eigen lastig pak lquot;

Wie jaloersch op zijn naaste neêrziet, ziet gewoonlijk slechts rozen en telt de doornen niet.

ocr page 76

74

Maar het is niet alles goud wat er blinkt. Dit spreekwoord raakt alle standen ook de voornaamste, waar naar 's menschen begrip de hoorn van overvloed ten volle is geledigd.

01 ware het u eens gêgeven een oog te slaan in zoo menig prachtig kasteel of paleis, gij zoudt verbaasd staan van de tranen daar gestort. Rijkdom en aanzien toch zijn niet het meest geschikt orn kommer en lijden van den drempel des huizes verwijderd te houden.

Wel hebt gij als werkman voortdurend het doen en laten van den fabriekant, uw heer, vóór u, en denkt gij bij u zeiven hoe goed hij het heeft en hoe hij niet behoeft te arbeiden, maar — meent gij dan inderdaad dat zij, die alleen met het hoofd werken, geheel op rozen slapen ?

Indien gij slechts eens voor ééne enkele week de zorgen van dien fabriekant op u nemen kondt, hoe spoedig zoudt gij zien dat het u gaan zoude als David, die de gewone wapenrusting van Saul wilde aantrekken, doch ze zelfs onmogelijk op zijn schouder dragen kon. 01 wat zoudt gij God danken zoodra gij uw alledaagsch werkpak weêr mocht aantrekken en u op nieuw aan uw gewonen arbeid begeven.

Doch letten wij ook eens op de lagere standen. Stel dat gij gezond zijt naar ziel en lichaam en desniettegenstaande toch ontevreden. Gelieve ons nu eens te volgen door de stad: wij gaan naar liet gasthuis, ziekenhuis of hoe gij het noemen

ocr page 77

75

wilt. Wac ziet gij? Lammen, kreupelen, zieken van elk slag en alle soort: niets wat u tegenlacht, niets wat gij kunt benijden. Zoudt gij nu met een dezer ongelukkigen van lot willen verwisselen? üf gaat gij liever nog naar andere huizen: welnu volg ons naar dat groote huis daar ginds: het is een krankzinnigen-gesticht. Gij wordt ontsteld en door schrik bevangen zoodra gij binnentreedt. Welaan dan, dank den goeden God, dat Hij u en de uwen voor zulk kwaad heeft behoed.

Zie vervolgens eens rond onder uw gelijken, de werklieden, de arbeiders — hoevelen zijn er die u eiken dag benijden?

Het staat intusschen vast dat wie aan eene werkelijke ol'ingebeelde ziekte lijdt, er zich zeiven altijd het slechtste aan toe gelooft en steeds bereid wordt bevonden, om iets anders zij het ook erger, te verdragen, mits hij van het eerste verlost worde

Ter staving hiervan de volgende legende:

Toen Christus nog op aarde rondwandelde, ontmoette hij een lamme, klagend en weenend over zijn ongeluk. Gij kunt, zoo zeide hem de Verlosser, geholpen worden mits gij uw kwaal tegen een ander wilt inruilen. Üe lamme verkoos toen blind te zijn in plaats van lam. Eenigen tijd later beklaagde hij zich op nieuw en meende dat het hem beter ware doofstom te zijn. Ook nu voldeed de goddelijke Verlosser aan zijn ver-

ocr page 78

76

langen. Het duurde evenwel niet lang of onze arme doofstomme kwam weder tot den Zaligmaker, hem door teekenen vol schaamte vragende om de teruggave van het lamme been. Trekken wij uit deze geschiedenis de eenvoudige les: Steeds tevreden te zijn met wat God ons goed denkt.

§ 29.

Arheid en Loon.

De arbeider is zijn loon waard.

Een zekere smid nam zich voor, voortaan geen geld meer aan zijn klanten te vragen maar do betaling geheel en al aan hun vrijgevigheid over te laten. Dezen nu scheen dit best te bevallen want allen betaalden met een eenvoudig «dank u welquot;. De smid dit bemerkende legde daarop een vette kat voor in zijn werkplaats vastgebon • den en zoo dikwerf deze of gene hem verliet met het nietsgevende »dank u welquot; zeide hij; »poes, da's voor jouquot;. De kat verhongerde natuurlijk en de smid besloot dan ook het maar weer bij het oude te houden gelijk de andere ambachtslieden, dat is om voor zijn afgeleverd werk het hem toekomende loon te vragen.

Wij maken ons niet ongerust, waarde vrienden, dat gij zóó handelen zult. Neen; immers de werkman is zijn loon waard. Werkt gij goed dan zult gij dit ook zeker ontvangen.

Nu gebeurt het dat men sommige werklieden aan-

ocr page 79

77

houdend hoort klagen over hun patroons, over hun gering loon, over boete, bestraffing enz. Dikwerf ja zal de werkman recht hebben, maar hoe dikwerf lieeft hij dit niet, en dan komter nog bij, dat zijn klachten eeuwig en altijd overdreven zijn.

Het spreekt van zelf, dat ieder werkgever ver-plicht is ten opzichte van zijn volk recht en billijkheid in acht te nemen, maar evenzoo dat het hem onmogelijk is altoos recht te vinden en billijk wat zoo voorkomt aan Jan, Piet of Klaas. Vooreerst toch is een elk in zijn eigen zaken een slecht rechter, en ten tweede past het unietom, waar ook maar het minst te kort komt, aanstonds ontevreden te zijn en van onrecht te spreken. Niets is op dit aardsche volmaakt en menigmaal zijn de kleinste dingen oorzaak dat eenig nadeel u onwillekeurig treft. Weet dan: na regen komt zonneschijn.

Gelooft gij u intusschen ernstig benadeeld of in uw rechten te kort gedaan, tracht dan met uw patroon persoonlijk te spreken, zoo gij voor 't minst met de chefs of den meesterknecht niet in het reine kunt komen. Zijt bij die gelegenheid op uw hoede om bescheiden te zijn en bedaard; stel het geval voor juist zoo als het is en vooral overdrijf niet want niets maakt een zoo slechten indruk als dat eeuwige bijvoegen of vergrooten. Handelt gij zóó, dan zult gij in de meeste gevallen uw doel best bereiken.

Het loon van hen, die op de fabrieken werken

ocr page 80

78

staat in vergelijking met de andere standen evenredig nog altijd goed. Immers men vorgete niet hoe een dusdanige van den eersten dag af zijn loon krijgt, terwijl bij ambachten altijd toch twee of drie jaar gewerkt moet worden alvorens de leerling iets noemenswaardigs genieten zal.

De geletterde stand, zooals de doctoren, advocaten, enz., moet jaren lang studeeren, en een hoop geld daarvoor uitgeven, ja zóóveel dat het bij elkaar gelegd al een heel aardig kapitaaltje kon uitmaken. Deze heeren nu zijn altijd over de twintig voordat zij een duitje verdienen om hun geplunderde kas weer wat te stoppen.

Men kan natuurlijk meer loon verwachten naarmate men meer moeite, tijd en geld voor de aanleering van zijn vak of ambacht heeft ten offer gebracht. Ware toch een goed melkgevende koe voor niets te krijgen, hoe dwaas zou hij zijn die haar voor geld ging koopen 1

Nu is het een feit dat menig knap ambachtsman zich in deze dagen vergenoegen moet met evenveel loon, ja dikwerf nog met minder, dan de werkman op de fabrieken verdient. Hoe menig beambte moet den geheelen dag hard werken leven naar zijn stand, zijn kinderen een goede opvoeding geven en dat alles zonder hoop op de toekomst. 01 hoe menig dusdanige zou blijde zijn zoo hij evenveel verdiende als wat die vader met zijn groote jongens en dochters op den betaaldag uit de fabriek mede brengt!

ocr page 81

19

En dan het landvolk ! Zie eens dien kleinen boer: hij heeft een paar bundertjes land, ter waarde van zooveel, wat hij met paard of os bebouwen moet, dat is werken in het zweet zijns aanschijns van zonsop- tot zonsondergang. En wat verdient hij? Hij is en blijft een arme drommel die van een karig stuk brood leven moet en toch vroolijk blijft en wel te moê mits hij maar niet achteruilboert.

IIde KAPITTEL.

Arbeidzaamheid eu vlijt.

§ 30.

Blauwe Maandag.

«Blauwe Maandagquot; is een oude uiidrukking van Vastenavond, daar op dien dag voor het begin der Vaste de kerken in 't blauw (violet) versierd werden. Oorspronkelijk werd deze dag alleen gevierd door die handwerkslieden, welke des Zondags hadden moeten werken. Langzamerhand werd elke Maandag in de Vaste een feestdag en eindelijk werd het geheele jaar door blauwe Maandag gehouden. Ziedaar weêr een voorbeeld hoe de ker-kelijke feesten dikwerf misbruikt worden.

Was blauw hier de kleur der boete, thans is het het uithangbord der grootste losbandigheid geworden. Zoo vonden wij eens, toen wij op zulk een dag een wandeling maakten, naast den weg een man liggen die sllen schijn had van zijn roes uit te slapen. Onze vriend zai zoowat veertig jaar

ocr page 82

80

geweest zijn, terwijl zijn opgezet gezicht en roode neus genoegzaam zeiden, dat deze roes lang niet zijn eerste was.

Uit Christelijke liefde en tevens uit nieuwsgierigheid, schommelde ik den man uit zijn slaap. Na wat brommen en zuchten, op allerlei toon geuit, verstond ik eindelijk de woorden: «Kaarten, twee gulden veiloren.'quot; Dat nu was de achtergrond van dit tooneel. Nu moest ik nog weten of het heer getrouwd was, of hij kinderen had en toen kon ik mij het geheele schouwspel dezer huiselijke ellende voor den geest stellen.

De slaap scheen vriendlief inderdaad te hebben verkwikt, hij stond op en wilde ijlings verder gaan.

Ik hield gelijken tred en toen hij bemerkte dat ik gaarne een praatje wilde, ving hij zelf aan met een sgoed weer, vandaag.quot;

»Ja, maar warm. Dat hebt gij heden op uw werk zeker ook wel ondervonden.quot;

»Ik heb niet gewerkt.quot;

»Zoo, heb je dan blauwen maandag gehouden,quot;

»Och ja! zoo als U het noemen wilt; blauwe maandag of maandag.quot;

»Nu, ik begrijp dat het bij het maandaghouden past zijn roes uit te slapen.quot;

»Ja, daarmee heeft U waarlijk geen ongelijk.quot;

»En dan moet men in de kroeg wat tijdverdrijf hebben; men gaat kaarten en zoo zijt gij dan ook weêr twee gulden armer geworden.quot;

»Hoe weet U dat?quot;

ocr page 83

81

* Wel, dat hebt gij zelf mij zoo even in uw slaap gezegd.quot;

»Hm, hm.quot;

»Maar hoeveel kinderen hebt gij ?quot;

»Vier.quot;

»En hoe oud is het oudste ?quot;

sDat oudsie wordt nu twaalf jaar.quot;

«Dan zal de jonge al spoedig van school gaan ?quot; . eêr hoe liever. Ik wenschte dat de

kinderen maar gauw aan het verdienen waren want mijn loon is krap genoeg.quot;

»En hoeveel verdient gij per dag?quot;

xlk, een gulden twintig.quot;

))Dat maakt aldus zes gulden per week.

»Neen, zeven gulden twintig,quot;

»Ja, zeer juist wanneer gij zes dagen werkt, maar gij dient er toch de maandag af te trekken. Twee en vijftig maandagen maken in het jaar twee en zestig gulden veertig cent Daarbij komt dan nog de verteering en het speelgeid, zoo komen wij op ƒ120. Rekenen wij nu verder wat gij verteert op de zondagen en de andere avonden der week, zoo stellen wij wat uwe persoon in de herberg zoek brengt op /180 Gij kondt verdienen ƒ 360 en laat aan uw gezin geen f 300 dus geen gulden per dag.quot;

»Dat komt uit.quot;

»Welnu, waarde vriend, zeg mij nu eens of het u als vader des gezins past te luieren in plaats van te werken; geld te vermorsen in stede van

6

ocr page 84

82

. __—-

te sparen; in plaats van voor uw kinderen te zorgen de helft uwer verdiensten door de keel te jagen en uw familie aan armoede ten prooi te laten?quot;

sWaarlijk, U heeft niet heel en al ongelijk.quot; »Gij erkent derhalve uw fouten, en dit is de eerste stap tot verbetering. Zeg mij nu eens openhartig hoe gij er toch toe komt om zoo dikwerf maandag te houden ?quot;

»Ik zal het U zeggen. Wanneer ik aan het einde der week mijn loon ontvang, dan erger ik mij altijd over mijn domheid, dat ik weêr maandag heb gehouden. Maar zondags drink ik op nieuw een glas bier voor den dorst en dan 's maandags, och! dan heb ik nadorst, ik ben zwak genoeg, en 't is wederom het zelfde leventje.quot;

«Komaan, blijf nu aanstaande zondag eens uit de kroeg en drink met uw huishouden een paar glazen bier. Gij zult dan den volgenderi morgen frisch zijn, ge gaat flink aan uw arbeid en zult eindelijk moeten bekennen: »»wat ben ik toch dom geweest. Dat maandag houden is voor goed uit.quot; quot;

»Ja mijnheer, U heeft niet geheel en al onrecht 1quot; Hierop scheidden onze wegen.

ocr page 85

83

§ 31.

Werkstaking.

„Wee! als de muitzucht in de steden Als brandstof, die in stilte broeit, Op eers in feilen brand ontgloeit.

Een 't volk vertrappend wet en zeden. Zich zelf, verblind, te helpen meent, Door gruwlen, die 't te laat beweent!quot;

Het fabrieksvolk steekt de hoofden bijeen. Daar vallen groote woorden Men hoort spreken van proletarier, van de ijzeren wet der loonen, van slavernij, ja zelfs van bloedzuigers enz.: alle klanken tot heden in de fabriek niet gekend.

Het duurt niet lang of 't raadsel is opgelost, op een vroegen morgen toch bij 't openen der fabriek verschijnt geen sterveling?; men werkt niet, men houdt strike, werkstaking.

Eenige socialistische onruststokers hebben de ontevredenen bijeen geroepen; immers de zoo-danigen vindt men overal. Intusschen weten zij de andere werklieden bang te maken en dreigen hen met ik weet al niet wat, mochten zij het wagen op een bepaalden dag het werk te hervatten en ... de werkstaking is in vollen gang.

Tegen den middag trekt een wilde hoop de straat rond, door hun geschreeuw en getier genoegzaam de kracht van den jenever verkondigend. Zij zijn opgewekt en stoutmoedig. Twee der flinksten worden als afgevaardigden naar den

ocr page 86

84

fabriekant gezondon om hun eisch uit een te zetten, doch te vergeefs: de patroon wil van geen aannemen weten. Zij keeren naar hun vrienden, melden hun -wat geschied is en zie: daar gaat het los! De poort der fabriek wordt bestormd; men tiert, rooft en plundert.

Intusschen geen hond zoo woest of er is een band. Per telegraaf worden de troepen ontboden; zij komen en de raddraaiers, die niet laf genoeg waren om het hazenpad te kiezen, betreuren achter slot en grendel hun dwaas bestaan.

En de brave werklieden? Zij bidden en smeken om werk, maar de fabriekant kan ook hun bede niet verhooren. Immers weken zijn er noodig alvorens de machines hersteld zijn en de zalen Weder bruikbaar.

Arm volk! Om de dwaasheid van een dag zijt gij weken lang broodeloos.

111*° KAPITTEL, o

De spaas zaamiioid.

§3-2.

Wat is sparen ?

„Veel geld verdienen eiseht wakkerheid;

Geld goed bewaren schranderheid;

Geld goed besteden wijs beleid.quot;

Geen stand of hij gaat mank aan het gebrek aan spaarzaamheid. Mocht onze maatschappij

ocr page 87

85

van de noodzakelijkheid van het sparen toch eens goed overtuigd zijn : de sociale quaestie ware gewis reeds half opgelost.

Maar wat noemt gij sparen ? Men versta hierdoor niet zich zelf het noodzakelijke te ontzeggen, want dat is eenvoudig gierigheid, maar wel hei z cli benuttigen van elke gelegenheid om voor den komenden dag wat op zijde te leggen

De werkman nu is uit den aard der zaak niet gie-riggt; ja hij is zelfs meestal bereid voor het een of andere goed werk iets bij te passen Hij is op dit punt een heel slechte rekenmeester: iets wat de goede God hem voorzeker niet euvel zal duiden. Aan den anderen kant geeft hij zijn geld dikwerf uit aan allerlei onnutte dingen, waarvoor hier namaals van loon geen sprake zal zijn.

Menig werkman staat verbaasd, spreekt men hem van verkwisten en van sparen. Wel, zoo zegt hij, ik moet voortdurend tobben om rond te komen, wat spreekt gij dus van verkwisten en wat het sparen betreft: waar niets overblijft is sparen een waar kunststuk.

Zacht wat vriend, wij zullen u eens op het een of ander wijzen, waar gij meer uitgeeft dan noodig is en waar derhalve gespaard kan worden.

Toen wij spraken over den uitzet uwer kinderen, toonden wij u reeds, wanneer gij inderdaad iets ter zijde kondet leggen. Dit kon niet geschieden zoolang uw kinderen klein zijn, dat weten wij evengoed als gij, doch of ook dan niets gespaard

ocr page 88

86

kon worden, dat wil zeggen minder uitgegeven, willen wij nog wel eens onderzoeken.

§ 33-

Te goed houden.

Borgen geeft zorgen.

Het is glad verkeerd te verteeren wat nog niet betaald is.

Men loopt naar bakker en kruidenier en haalt er op acht of veertien dagen de noodzakelijke levensmiddelen, hopende de gemaakte schulden tegen dien tijd wel te kunnen afdoen. Doch wie waarborgt u, dat gij goed rekent?

Wordt er iemand der uwen ziek, dan blijft het postje ongedekt en waar eens een scheur is, wordt het gat al langer hoe grooter. Ziedaar de zorgen. Maar ook de winkelier zorgt voor zijn beurs en wie borgt krijgt slecht en duur goed.

»'t Kan zijn, zoo hoor ik u tegenwerpen, doch ik sta nu eens in het krijt, en wie zal er mij uit helpen?quot;

Luister. Ik geef u een middeltje, zeker en afdoende hoe bitter ook.

Leg u eens eenigen tijd, wat men noemt, krom. Gedenk het te doen ter eere Gods en geef eenige weken lang geen halve cent onnuttig uit; drink bier noch jenever en weldra zult ge alles hebben afgedaan en in het bewustzijn, geen sterveling iets schuldig te'zijn, een rijke belooning voor uwe opoffering vinden.

ocr page 89

87

Ongelukkiger nog zijn zij die maar al te goed den weg weten naar het pandjeshuis en de bank van leening. 's Maandags morgen wordt het zondagsch goed ingepakt en weg gebracht om het zaterdags tegen hooge rente wêer terug te halen. Dit nu is niet alleen een dure belasting maar het duurt ook gewoonlijk niet lang of men doet niets meer dan 's maandags brengen zonder geld te hebben om het aan het einde der week terug te halen,

§

Het huishoadenboek,

„Ik heb nog niemand gekend die behoorlijk boek hield en tevens niet spaarzaam ■was.quot;

Het is een goeden regel de tering te zetten naar de nering Wanneer gij by voorbeeld lange beenen hebt doch een korte deken om u 's nuchts te dekken, dan trekt gij wat te lang is behoorlijk naar binnen om ten minste geen kou te lijden Zoo ook moogt gij niet meer uitgeven dan gij ontvangt. Zie daar nu het nut van een huishoudenboek. Gij kent uw inkomen en weet ook juist wat gï hebt uit te geven.

Zoowel de staat als de gemeente maken jaarlijks wat zij noemen eene bejrooting; een staat van de vermoedelijke ontvangsten en uitgaven over het komende jaar. Daarnaar wordt geleefd en op het

ocr page 90

88

einde van hetjaar rekening gedaan overwatis aitge-

geven en ontvangen.

W erd er nu eens een poging in het werk gesteld om de werklui te overtuigen zulk een begroeting te maken, dan weten wij zeer goed dat er bij de meesten niets van terecht zou komen; daarom zullen wij zoo iets niet vragen^ hoe gaarne wij zouden zien, dat men er ten minste eens over dacht en zorgde die becijfering in het begin van het jaar in het hoofd te hebben en er voortdurend aan te denken.

Wat toch geschiedt in de meeste gezinnen? Men leeft van wat inkomt en is heêl tevreden als er na de betaling der huur, nog genoeg overblijft om het gekochte te betalen. Het minste wat er bij komt, als het zich aanschaffen van nieuwe kleederen, linnen, wintervoorraad en dergelijke of zoodra er iemand ziek wordt is aanstonds de kas ledig: geen wonder derhalve dat er zooveel armoe geleden wordt! De werkman, die goed en behoorlijk door de wereld wil komen, moet weten wat hij in den loop van het jaar verdient, welke zijn gewone en buitengewone uitgaven zijn^ en hoe hij deze zal bestrijden, anders komt er zelfs van het meest werkzame huishouden niets terecht.

Zien wij dus voor den werkman af van het opmaken eener begrooting, nietgenoegzaam blijven wij hem aanbevelen een huishoudelijk boekje van uitgaven te houden. Het is geenszins het werk

ocr page 91

89

van den man cent voor cent op te teekenen; hij ju , aartoe noch gelegenheid, het staat derhalve aan zijn vrouw dat boek te houden. Wie een goede huishoudelijke vrouw heeft, late zich niet aanhoudend om geld manen, maar geve haar in eens het noodzakelijk weekgeld. Die karigheid toch maakt den man boos en liefdeloos, vernedert de vrouw, mismoedigt haar en ontneemt haar elke gelegenheid om in tijds met voordeel haar inkoopen te doen.

Gij hebt dus twee boekjes. In het eene schrijft de man op wat hij ontvangt en tevens wat hij uitgeeft 1° aan zijn vrouw voor de huishouding, 2® aan zichzelf voor zijn uitgaven als zakgeld enz. Hij kan dan zijn geld, al is het nog zoo weinig, altijd overzien.

In het andere houdt de vrouw behoorlijk aan-teekening van haar gewone uitgaven.

Nu zal men zeggen, dat zulks voor den werkman onmogelijk is en dat hij het toch niet doen zal.- -Het laatste kan zijn, het eerste is onwaar, doch indien het geschiedde zou het er zeker bij vele gezinnen vrij wat beter uitzien dan thans het geval is. Beproeft het eens voor één jaar en gij zult er u wel bij bevinden.

§ 35.

De aankoop der Ware'i.

Aan elk geldstuk kleeft het zweet van uw arbeid. Wat met moeite verworven is, wordt

ocr page 92

90

niet licht weggeworpen, vandaar dat gij wel doen zult uw penning driemaal te keeren alvorens hem uit te geven Is eene uitgave op het oogenblik niet noodzakelijk stel haar dan eenige dagen uit en menigmaal zult gij zien dat gij hetgewenschte best missen kunt en dat geld aldus bespaart.

Bij het koopen der waren zult gij ondervinden beterkoop terecht te kunnen, indien gij u vooreerst zooveel mogelijk in eens aanschaft en het ten tweede aanstonds betaalt.

Gedenk bij het koopen der kleeding uwer vrouw en dochters, dat eenvoud het kenmerk is van het schoone, dat gij blijft in uw stand, en dat hoogmoed ten val komt.

En uwe kleedij ? Gij koopt, hoop ik, toch nimmer van ronddragers of aan de Bank van Leening. Wie zou dwaas genoeg zijn om oude kleêren aan te doen, waarvan gij niet weet welk akelig menschenkind die gedragen heeft, of welke zieke daarin gestorven is. De kleeding plant zoo gemakkelijk de besmettelijke ziekte over.

§ 36.

Gébruik en Verbruik,

De werkman, die alle dagen een stuk gebraden vleesch in den pot wil hebben, rekent buiten den waard. En al verdiende hij ook al zooveel, dat deze uitgaaf er nu en dan eens af kon, dan is het nog niet alle dagen vastenavond, en er kan licht een tijd komen, waarop hij zou wenscheri

ocr page 93

91

het geld, dat voor onuoodige uitgaven verkwist werd, bespaard te hebben. Menig werkman, die bij het hoofdstuk: »Pleizier- uitgavenquot; zyn geweten eens onderzocht, zou hier en daar nogal uit te vegen vlekken vinden.

Hoeveel glazen bier drinkt gy zoowat 's Zondags en door de week? Daar zullen er wel een Paar af kunnen en de centen, die gij anders zoo vrijgevig den waard in de hand speelt, kont gij gemakkelijk besparen.

Hoeveel sigaren rookt gij? Ik geloof, dat gij beter zoudt doen met de oud-Hollandsche manier te volgen en een pijp te rocken.

En dan de borrels! Hoeveel kunnen er daar niet af?

Wat geeft gij al niet uit met kermis en vastenavond? Hoe,eel geld wordt er dan niet verspild.

De zoogenaamde pleiziertreinen zijn ook al geen voordeel voor de beurs. De reis, ja, is goedkooper, maar wat wordt er verteerd en welke huizen bezocht.

Gij hebt b. v. tegelijk met uw vriend een jas gekocht; na eenige maanden is de uwe zoo versleten,' dat gij er niet meer mede naar de kerk durft gaan; die van uw vriend is nog fonkelnieuw. tloe komt dit? Doodeenvoudig omdat het er by u niet opaan kwam ook op werkdagen deftig voor den dag te komen; of wel, gij liet uwe kleeren onopgeborgen in stof en vuilnis in

ocr page 94

92

de kamer liggen, terwijl uw vriend, terstond wanneer hij tehuis komt, zijn jas uittrekt en met zorg in de kast ophangt

Bekend is de geschiedenis van het hoefijzer; omdat het verlies van een spijker niet geteld werd ging het hoefijzer verloren, vervolgens de hoef, toen het paard en eindelijk de ruiter.

Menigeen draagt zijn kleeren en kousen totdat er bijna geen draad meer aan heel is. Was naald en draad bijtijds door de kleine scheuren getrokken, dan had men eens zoolang met zijn kleeren toegekomen

Dit geldt ook voor de schoenen. Vele groote uitgaven kunnen bespaard worden, wanneer men op zijn tijd op kleine zaken let.

Ook de witkwast mag niet vergeten worden. Kan men zijn kamer zelf witten, dan heeft men dat alweer verdiend, en.... het gebeurt een keer dikwijler en de zindelijkheid is er ook door gebaat. Dikwijls genoeg is het gebeurd, dat een werkman, die veel te diep in zijn glis gekeken had, ruzie maakte met alles, zelfs met de vliegen op den muur en eindelijk zijne woede koelde op porselein en meubelen. Dan helpt er geen fleschje kitt meer aan om het gebrokene te herstellen, en een groote pot met lijm en menige spijker zouden hier te pas komen.

Is het u eens gebeurd, mijn vriend, pleizier te hebben in het stuk slaan van uw eigen huisraad, dan zijt gij nog dommer geweest als die

ocr page 95

93

boerenknecht, welke, om zijn meester te plagen, zich zeiven twee dagen vasten had opgelegd. Zijn maag had daarbij niets geleden, gij echter moet slaven en sparen om het moedwillig stuk geslagene door nieuw te vervangen.

§ 37.

Hoe zal men het spaai-geld gehruiken?

Het is en blijft af te raden zijn spaarpenningen in de kast te laten liggen; daar immeis geeft het niet slechts geen rente maar daarenboven wie zal het beveiligen tegen diefstal of gevaar van brand ?

Ook bedenke men zich wel, alvorens aan go:;de vrienden geld uit te leenen. Hoe dik werf geschiedt het niet, dat wanneer dan later dat geld wordt teruggevraagd, de oude vriendschap verkeert in oittere vijandschap, zonder nog te spreken over het beetje wat men van het geleende terugziet. Wilt gij uw naaste waarlijk uit christelijke liefde helpen, dan is het meestal veel beter hem de helft van wat hij vraagt ten geschenke te geven, daardoor toch bespaart ge u heel wat verdriet en gij zijt er zeker van voor 't minst de andere helft te behouden.

Zijt ook steeds op uwe hoede voor het lichtzinnig borgen !

Zeker yader wilde, wat men hem ook zeide, maar niet besluiten om zijn zoon naar school te zenden. Eindelijk toch moest hy voor het dringend

ocr page 96

94

aanhouden van zijn pastoor bezwijken; hij zou den jongen zenden op voorwaarde evenwel, dat hij geen schrijven mocht leeren. Geheel verwonderd over dergelijke bepaling vroeg de pastoor hem voor 't minst eenigen uitleg, waarop de man het volgende verklaarde: ))Ik heb, zoo zeide hij, zeer goed leeren schrijven en 't is daardoor dat 'k zoo gemakkelijk en zoo dikwerf voor borg geteekend heb en ten gevolge daarvan het grootste gedeelte van mijn vermogen verloren. Vandaar dat ik mijn zoon van den beginne af voor die aarts-domheid behoeden wil.quot;

De man had het waarlijk nog zoo slecht niet voor Opgepast dus. Laat u veel liever een tand trekken als ondoordacht uw naam te teekenen.

Gij plaatst uw gelden, wanneer het kleine bedragen geldt, nergens beter en meer zeker dan op de Rijkspostspaarbank. Deze neemt elke som in ontvangst en geeft u een billijke i'ente.

Zet gij het bij particulieren uit, informeert dan eerst eens goed, wie die personen zijn en laat u nooit verleiden door den hoogen interest, die men u hier of daar toezegt.

Wat gij uitgeeft aan ziekenfondsen, verzekeringen op uw leven of tegen brand, is meestal goed besteed. Zulke uitgaven geven op tijd nuttige renten, doch alweder vraagt eerst goed bij welke maatschappij gij terecht komt.

Het beste eindelijk wat de werkman doen kan, vooral op het land, is zich zelf eene eigene woning

ocr page 97

95

te bezorgen. Het is de hoeksteen van het huise-lijk geluk, of staat er niet sedert lang geschreven:

Eigen haard Is goud waard!

4de KAPITTEL.

DE ZONDAG.

§ 38-

De Zondag is eene weldaad voor het lichaam.

De Zondag is de spaarbank der menschheid.

Een fraaie spaarkas, zal menigeen denken. Indien ik in plaats van zes dagen in de week er zeven kon werken, zou ik jaarlijks 52 dag-loonen rijker zijn; dat zou eerst een mooie som geld voor de spaarbank wezen, of ten minste daarmee zou menig gat gestopt, menige noodzakelijke uitgave bestreden kunnen worden.

Goede vriend, nu toont gij alweer een zeer slecht rekenmeester te zijn, al verstaat gij nog zoo goed het twee maal twee is vier. Gij weet toch, dat alles gelegen is aan Gods zegen. Kunt gij evenwel zegen verwachten, wanneer gij het gebod van uwen oppersten Heer: «Gedenk, dat gij den babbat-dag heiligt,quot; eenvoudig wegcijfert? Moet gij niet veeleer de straf voor die overtreding vreezen? En wanneer God u nu eens een ziekte overzond ? Dat zou een leelijke streep door uwe lekening zijn. Wij zouden hier eene menigte voor-

ocr page 98

96

beelden kunnen aanhalen van Sabbatschenners, die door God gestraft werden, en omgekeerd van hen, die den Zondag heiligden en daarvoor ruimschoots werden gezegend.

Ik herinner hier alleen aan het bekende voorbeeld der twee schoenmakers.

De een had maar twee kinderen, werkte den geheelen Zondag en toch ging hij niet vooruit. De andere had daarentegen zeer veel kinderen. Deze hield geregeld den Zondag, kwam zijn kerkelijke plichten trouw na, en het ging hem zichtbaar goed.

Eens ontmoetten zich deze twee en de eerste kon niet nalaten zijn verwondering te uiten, dat zijn makker harder vooruit ging dan hij.

»Ik kan u gemakkelijk de oplossing van het raadsel geven, sprak de tweede. Vier, zooals ik den Zondag, en ik neem aan na verloop van een jaar alles bij te passen, wat gij minder dan voorheen verdiend hebt.quot; Na eenigen tijd ontmoetten zij zich weder. Nu zeide de laatste: ik zal spoedig een vollen zak geld moeten meebrengen om uw verlies te vergoeden.quot; Geenzins, ik moet u eigenlijk nog uitbetalen, want sinds ik uw goeden raad volgde, heb ik meer en beter klanten gekregen, zoodal ik duidelijk Gods zegen merken kan.

Een gestadig werk zonder Zondagsrust veroorzaakt bovendien een vroegtijdigen dood. Behalve de dagelijksche vermoeidheid, die door den slaap wordt verdreven, doet zich nog eene andere

ocr page 99

97

algemeene verslapping der lichaamskracht voor. Daarom heeft de Schepper den zevenden dag als rustpunt ingesteld, opdat alsdan nieuwe krachten zouden verzameld worden. De miskenning dezer instelling wreekt zich zelf wel niet zoo spoedig als de onthouding van den slaap, maar de slechte gevolgen blijven toch nimmer uit.

Daar de werkman niet alle dag wandelen kan, meestal het woord vacantie niet eens kent, en in de meeste gevallen leven moet onder omstandigheden alles behalve gunstig voor zijne gezondheid, zoo zal hij op den duur tegen overmatigen arbeid met bestand zijn. Zijn lichaamlijke krachten worden ondermijnd, licht werk zal hem zelfs te veel worden, deze of gene ziekte volgt en zoo wordt het hem eenvoudig onmogelijk voor zich en do zijne den kost te verdienen.

§ 39.

De Zondag eene weldaad voor den geest.

Schaft men den Zondag af, dan wordt het leven voor het grootste deel der menschheid eenvoudig de vraag van eten, slapen, zorgen en werken.

Dg fabiieks-arbeid draagt toch reeds den stempel der eentoonigheid en verschilt daardoor zooveel van alle andere bedrijven. Hoe vol verscheidenheid is bijvoorbeeld de werkkring van den landman! Immer s hij heeft te zaaien en te ni aaien, te oogsten en te dorschen, terwijl hij daarenboven bijna altijd onder Gods vrijen hemel leeft! Hoe verschillend

ocr page 100

98

zijn de veelvuldige voortbrengselen der handwerkslieden, terwijl daarentegen bij het fabrieksleven de verdeeling van arbeid schering en inslag is. De werkman behoeft volstrekt niet te denken, hij heeft slechts de bewegingen der machine te volgen; eentooniger kan het niet.

Stel U nu zulk een man voor, steeds op dezelfde plaats, naast dezelfde dreunende machine! waarlijk, het is er wel op toegelegd om iemands geest totaal te verstompen.

Variatie is altijd noodig. De werklui merken dit des Zondags maar al te wel, ja dan eerst begrijpen zij te recht dat ze niet voor hun heer alleenop de wereld zijn; het Zondagsche pak zegt het reeds.

De arbeid is nu eens eene straf maar tevens eene boete voor de zonde. Des Zondags evenwel rust die straf. Het is alsof die rust ons dan leert, dat God toch eindelijk die straf eens van ons nemen zal en bevrijden van de aardsche slavernij om ons op te voeren tot het hemelsche Sion, waar wij als Kinderen Gods de eeuwige erfenis in ontvangst mogen nemen.

Intusschen beschouwen wij den Zondag niet alleen als een rustdag van den arbeid, maar terzelfder tijd ook degelijk als een werkdag des Heeren, als dien dag, welken God zichvoor zijn dienst heeftverkozen.

Of moet de christelijke arbeider niet vreugdevol den dag begroeten waarop het hem gegeven zal zijn den beste aller Heeren op nieuw te dienen? O! hoe gaarne richt hij des morgens in de kerk zijn

ocr page 101

99

hart ten hemel, tot God zijn Schepper, zijn vader

Hier toch wordt hij schadeloos gesteld voor dat verschil van stand, wat zoo dikwerf hem drukt. Of is het hem geene schoone gedachte op den Zondag-morgen gemeenzaam in Gods huis te mogen nederknielen voor hetzelfde altaar met zijnen meester, ja met hem, dien hij de geheele week dient, aan de Tafel des Heeren gespijzigd te worden met hetzelfde hemelsche brood! Dan toch is ten volle waar wat ons de H. Schrift leert: Hoe zoet is het wanneer broeders zoo in eendracht samenwonen.quot;

Die geestelijke vreugde der kerk zet zich voort in den huiselijken kring, door het goede voorbeeld der anderen, door eenige goede lezing, door bespreking van godsdienstige zaken.

Des zondags is het hart als het ware blijde gestemd en wijder derhalve geopend voor de liefde jegens den naaste. De werkman kan dan altijd gedenken hoe zalig het is te geven, der arme weduwe eene kleinigheid af te zonderen, of ziju zieken broeder te bezoeken.

§ 40.

De Zondag is ook eene weldaad voor het huiselijk leven.

Het is onloochenbaar eene schaduwzijde onzer tegenwoordige nijverheid dat zij zoozeer ingrijpt in het familieleven. Vroeger toch, toen de stoom nog niet zulk een grooten rol speelde als thans werkte de handwerksman meestal in eigen huis;

ocr page 102

100

zijn opkomende jongens leerden onder zijn toezicht hun werk: de moeder zorgde voor het huishouden Zoo leefde het gezin gezellig bijeen, onder hetzelfde dak elkander ten steun.

Hoe geheel anders tegenwoordig! Vader en de jongens slijten den geheelen dag in de fabriek en komen zij des avonds thuis, dan zijn ze moei en weten niet vlug genoeg naar bed te komen. Menigmaal werken zij in verschillende fabrieken zoodat hun gang dan nog verder uit een ligt. Kortom zoowel de opvoeding der kinderen als het geheele familie-leven moeten verschrikkelijk veel lijden — ware de Zondag niet daar om alles weer goed te maken.

Welzalig die dag! Dan rookt geen schoorsteen meer, en de groote fabriekspoort is gesloten! 'S avonds te voren kan men reeds hooren hoe blijmoedig »het morgen is het Zondagquot; -weerklinkt. Bij het thuis komen des Zaturdags laat de slaap zijn recht minder dan gewoonlijk gelden en het is als of ook het lichaam gevoelt dat het den volgenden morgen langer rust nemen mag. De werkman heeft geen haast, hij is vrijer en kan zich beter met zijn gezin ophouden.

Eindelijk is de Zondag aangebroken. Het stof der fabriek, dikwerf van de geheele week verdwijnt, de beste klèeren komen uit de kast; ineen woord alles toont aan dat er dien dag niet gewerkt moet worden.

Men gaat eerst ter kerke om daarna gezellig

ocr page 103

101

tehuis bij een te zijn. Het middagmaal is iets beter dan gewoonlijk en smaakt derhalve ook beter dan anders.

Vader en moeder hebben nu gelegenheid om eens rustig met elkander te praten, te spreken over hun kinderen, elkander te zeggen wat hun op t harte ligt. Soms maakt het gezin een gezamenlijke wandeling naar buiten; en 's avonds speelt men kaart of iets dergelijks, waarlijk zulk een dag doet goed en schaft den werkman nieuwen moed en versche kracht voor den dag van morgen. 0

ocr page 104

DEBBi: BEEL.

HST SCHEEPS-KOMPAS

OF

DE GEVAARLIJKE KLIPPEN DER ZONDE.

l^te HOOFDSTUK.

De Dronkenschap.

§ 41.

De verderfelijTc» gevolgen der dronkenschap voor gezin en gemeente.

Laat ons eens het huis van een dronkaard binnengaan. Wij zien dan een ellendig hok waar armoede en vuil genoegzaam reeds verraden, welke booze geest daar is binnen gevaren. De vader is de bloedzuiger der familie geworden; werken toch is hem geruimen tijd reeds vreemd gebleven; wat niet nagelvast is heeft naar het pandjeshuis zijn weg gevonden of is bereids verkocht, ja zelfs de trouwring is in dubbeltjes omgezet. Wat maakt het hem of zijn vrouw al jammert en de kinderen schreeuwen om eene bete broods 1 Hij komt niet thuis dan middernacht en zet dan liefst het ge-heele huis ten onderste boven. Arme vrouw!

ocr page 105

103

OI wat moet het u berouwen, dat ge vroeger niet naar goeden raad hebt willen luisteren en niet in tijds uw hart hebt afgetrokken van den man, die^ toch vóór zijn huwelijk reeds teeken gaf den jenever zoo erg gaarne te drinken. Doch nu is het te laat, gij zijt voor altijd aan dat monster vastgeklonken en gij hebt den bitteren kelk te ledigen tot den laatsten drop. Tracht dus steun te zoeken en opbeuring in de genademiddelen van den godsdienst. Wat deze last u drukke en hoe ook de zorg telken dage nieuwe nagelen smede aan uwe doodskist, houd moed en verdraag met kalmte uw leed dan zal u voor t minst hier namaals Gods loon niet ontbreken. quot;Wee echter over haar, die aan de zijde van zulk een liederlijk wezen godsdienst en zeden verliest want, dan is er geen einde meer aan de ellende ; van alle zijde dreigt het ongeluk ja, het duurt totdat plotselijke waanzin de hand doet slaan aan 't eigen leven.

Gelukkg dan die kinderen, welke door een vroegen dood uit deze ellende verlost, een plaats bekomen mogen bij de engelen des Hemels. Hoe dubbel daarentegen zijn zij te beklagen, die van jongs af als met den jenever opgroeien. Immers de kinderen van aan den drank verslaafde ouders zijn in den regel zwak en ziekelijk; dit geldt zoowel geestelijk als lichamelijk. Het is zelfs gemakkelijk zoodanige kinderen in de school tus-schen de anderen uit te pikken, daar ze dom

ocr page 106

104

zijn en hangerig, peen oplettendheid verraden en dikwerf door allen worden uitgelachen. Bij eenigen evenwel treden deze verschijnselen eerst later te voren.

Doch zelfs nog aangenomen, dat de kinderen van een dronkaard gezond zijn naar ziel en lichaam, dan zoude ik toch wel eens willen weten wat er in zulk een gezin van de opvoeding terecht komt? Kunnen die kleinen hun vader beminnen? Achting voor hem koesteren? Of denkt gij dat slechte voorbeeld zonder nadeelige gevolgen blijven? Ja, het gebeurt wel eens dat dit voorbeeld juist afschrikkend werken zal, maar eerlijk gezegd, dat is een zeldzaamheid en veeleer blijft het waar, dat de appel niet ver van den boom valt.

Niet slechts voor zijn gezin, maar ook voor het geheele dorp, voor de gansche stad is de dronkaard een voorwerp van schade en schande. Men behoeft op eene kleine plaats slechts een dozijn van die drinkebroêrs te hebben, of aanstonds wordt zulk een gemeente met minder lieve benamingen begroet.

§ 42.

Wapenen tegen de dronkenschap.

De ongelukkige dronkaard is als van den duivel bezeten en men weet dikwerf schier niet op wat manier hem van dien boozen hartstocht te

ocr page 107

105

verlossen. Men kan hem wel alle drank ontnemen, doch meestal valt hij op nieuw bij de eerste gelegenheid de beste. Door Gods genade met gebed en boetvaardigheid kan men het voornemen om niets meer te gebruiken volvoeren, en aldus genezing bekomen.

De matigheids-genootschappen verdienen voorzeker vermelding, daar zij op zoovele plaatsen zulke gunstige gevolgen hebben verkregen.

Naast de geestelijke middelen blijven er ook eenige lichamelijke aan te bevelen.

Het beste is natuurlijk geheele onthouding. Doch kunt gij het zoover niet brengen, zorg dan

10._ het u te huis zoo gezellig te maken, dat gij niet naar de herberg behoeft te gaan.

2o. Wacht u voor het gezelschap der drinkebroers; houdt hen uit uw huis. Drinkt gij toch drank, stel u zelf dan een wet: zóóveel en nooit of nimmer meer.

3°. Waakt tegen den lediggang, het oorkussen des duivels.

4«, Ziet gij een dronkaard, denk dan bij u zelf; als ik niet oppas, dan ga ik denzelfden weg op!

ocr page 108

106

2do HOOFDSTUK.

Oneerlijkheid

§ 43,

Niets is gemakkelijker dan zich het goed van een ander toe te eigenen.

Wees immer hou en trouw Tot aan den rand van quot;tgraf, En wijk geen vingerbreed Van Gods geboden af.

Wij hebben hier alleen met de kleine dieven te doen, die evenwel slechts zóó lang kleine dieven blijven als hun de gelegenheid ontbreekt om groote te worden. Het spreekwoord zegt: Men begint met het kleine, men eindigt met het groote. De dieven in het tuchthuis hebben niet aanstonds zware diefstal met inbraak gepleegd. Zij hebben slechts langzamerhand op den weg der misdaad voorgang gemaakt. Daarom kan het niet diep genoeg worden ingeprent de eerlijkheid tot in de kleinste zaken door te dryven. Op het gebied der eerlijkheid staat de werkman aan velerlei verzoekingen bloot.

Beschouwen wij ten eerste zijne verhouding tot den werkgever. De laatste betaalt het loon. doch het spreekt van zelf, alleen op voorwaarden dat daarvoor den vastgestelden tijd gewerkt wordt. Brengt nu den werkman zijn tijd door in ledig gang of ten nutte van zich zeiven of anderen dan

ocr page 109

107

begaat hij een diefstal, wijl hij het geheele loon aanneemt terwijl hij toch slechts aanspraak heeft op het loon dat hij verdient voor den arbeid dien hij werkelijk verricht heeft.

Bij de uitbetaling van het loon kunnen zelfs bij de beste boekhouding vergissingen voorkomen. Krijgt hij te weinig dan zal geen werkman verzuimen zich voor het te kort komende aan te melden; dit geschiedt evenwel niet zoo geregeld wanneer hem te veel wordt uitbetaald. Een eerlijk mensch houde vast aan dezen stelregel: »wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan een ander niet.quot; Moedwillig verknoeien van het werk, achterhouding van het werk-materiaal en dergelijke diefstallen zijn strafbaar voor het gerecht maar komen helaas! toch maar al te dikwijls voor.

Dikwijls wordt de werkman door anderen tot oneerlijkheid aangezet, ja somtijds door de opzichters en patroons zeiven. Hier geldt het: doe wel en zie niet om. Gij moet uwe handen rein bewaren al zou u zelfs het dagelijksch brood ontbreken. Vertrouw dan op God, Hij zal welkomst geven.

Even gemakkelijk wijkt men in den omgang met anderen van het rechte pad af. Velen vinden er hun vreugde in het eigendom zijns naasten moedwillig te schenden.

Anderen wederom vergrijpen zich aan den persoon van hunnen evenmensch. Kloppartijen, ge-

ocr page 110

108

vechten met messen waarbij de gewonde tijdelijk voor den arbeid ongeschikt wordt, komen veelvuldig voor in de arbeiderswereld; en hierbij wordt te .veel uit het oog verloren dat niet slechts aan de liefde maar ook aan de eerlijkheid te kort gekomen wordt.

Wij noemen hier verder nog op eigen bevoordeeling bij gemeenschappelijk werk. diefstal in den boomgaard, in het bosch enz., geld leenen en schulden maken zonder vooruitzicht van af te kunnen doen.

In de berberg wordt licht een glas bier bij de afrekening vergeten; men tracht bij vermakelijkheden binnen te komen zonder den entreeprijs te betalen. Gevondene zaken worden opgeraapt, gebruikt; en men vergeet onderzoek te doen naar den persoon die ze verloren heeft en hem het gevondene terug te bezorgen.

Dit zijn allen verleidelijke wegen die zeer licht

naar de baan der onrechtvaardigheid voeren. § u-

De vergoeding.

Geen dief wordt van zijn schuld ontheven, Tenzij 't geroofd' is weergegeven.

Even gemakkelijk als het is het goed van anderen in bezit te nemen, even zoo moeielijk is het om onrechtvaardig goed terug te geven. Het gaat daarmede gewoonlijk zooals het spreekwoord zegt:

ocr page 111

109

zoo gewonnen, zoo geronnen. Het gestolen goed wordt lichtvaardig verspild en dan is er een groote wilskracht en dikwijls zeer gevoelige opoffering noodig het onrecht weer goed te maken. Deze plicht is reeds in het zevende gebod opo-e-sloten »gij zult niet stelenquot;, want het gestofen goed behouden of de veroorzaakte schade niet herstellen is een voortdurende diefstal.

Wie de vrede des harten wil vinden moet zijnen naasten schadeloosstelling geven, en het bedreven onrecht met al zijn gevolgen zóó goed maken als ware het in het geheel niet gepleegd.

De teruggave of vergoeding der schade moet aan den eigenaar, en zoo deze overleden is, aan zijn rechtmatigen erfgenaam geschieden. Dat te besteden voor de armen of eenig ander goed doel is slechts dan geoorloofd wanneer noch de eigenaar, noch zijne erfgenamen opgespoord kunnen worden.

Is men op gezetten tijd werkelijk in de onmogelijkheid zijne wettige verplichtingen na te komen zoo moet men trachten zoodra mogelijk hiervoor schadeloosstelling te geven. JHier durf ik gerust in overweging geven of door beperking van niet _ hoopt noodzakelijke behoeften deze mogelijkheid niet veeleer dan men denkt verwezenlijkt kan worden.

ocr page 112

410

3de HOOFDSTUK.

Do liefdeloosheid.

§ 45.

De zelfzucht.

De duivel is een egoïst zoo wreed

Dat hij zijn dienaars wel maar nooit zichzelf vergeet.

Sommige boomen b. v. de noteboom putten den grond geheel en al uit, en hoe meer zij groeien des te meer moet alles om hen heen sterven. Zoo houdt ook de zelfzucht huis in het hart der menschen, elk ander gevoel wordt daar voortdurend uitgezogen en eindelijk geheel en al verstikt.

Het eigen ik is voor den zelfzuchtige het voorwerp van al zijne gedachten, de drijfveer van al zijne handelingen. Het leed van vreemden roert hem niet, hij is hardvochtig zelfs tegen degenen die door de innigste banden aan hem verbonden zijn. Het is volstrekt niet een ongehoord iets, dat een huisvader voor zijn eigene behoeften het geheele weekloon in beslag neemt, en zich verder niet bekommert om vrouw en kinderen.

Voor den zelfzuchtige is de verdere wereld als een citroen die men uitperst zoo hard men kan en dan eenvoudig wegwerpt. H'y is slim genoeg om de anderen altijd de kastanjes uit het vuur te laten halen.

ocr page 113

Ill

De zelfzucht is een grond, waarop de woekerplanten welig tieren.

Waar de kans bestaat zich ten koste van anderen te goed te doen, daar is de zelfzuchtige te vinden. Wordt b. v. ergens vrij bier getapt, dan is zijn dorst niet te lesschen, maar mijnheer is er niet van thuis voor anderen het gelag te betalen.

De zelfzucht zetelt in den hoogmoed en deze is de oorsprong en wortel van veel andere zonden.

De hoogmoedige is een dwaas, een ieder lacht liem uit; zoo is het ook met den werkman die zich boven anderen verheffen wil.

Een hooggeplaatste staatsbeambte, een adelijk persoon, een geleerde kan misschien in de verzoeking komen zich meer of beter dan zijne medemenschen te wanen; de werkman heeft daarentegen al heel weinig reden hiertoe, zoodat nier eerst recht zulk eene ijdele zelfverheffing in ieders oog belachelijk is.

Hoovaardij en onverstand Wand'len meestal hand aan hand.

Een eigenaardige soort van zelfzucht komt voor bij menschen die altijd gelijk willen hebben.

Zij willen gewoonlijk het tegendeel van wat anderen voorstellen.

Het hooge laag, het lage hoog,

Het droge nat, het natte droog,

Het rechte krom, het kromme recht, Het slechte goed, het goede slecht.

ocr page 114

112

Bij die menschen komt men meestal het beste te recht wanneer men hen het tegendeel vraagt van wat men verlangt.

§46 Be habbelzucht.

Zwijgen is goud. Spreken zilver.

Men zegt wel eens dat de spraak het beste is wat de mensch heeft, maar tevens ook het slechtste. Waarlijk, de spraak is een heerlijke gave Gods. Zij is de brug en de verbinding van hart en geest. Welken treurigen indruk maakt niet de doofstomme, daar hij slechts door zwakke teekenen zijn gedachte en gewaarwordingen een ander aan 't verstand kan brengen; ja, hoeveel anders is dat luidklinkende woord, sprekend van ziel tot ziel.

De spraak evenwel wordt dikwerf helaas! misbruikt en dat niet alleen door de vrouwen, die toch reeds zoowat den naam van praatsters hebben, maar evengoed door vele mannen zich toonend als echte vischwijven. Van hun tong kan men veilig zeggen, dat ze den geheelen nacht heeft gearbeid doch niets gevangen, Zoo vraagt men ons in welke maand zij het minste babbelen, dan is het natuurlijk de maand Februari, daar deze het minste dagen telt.

Maar waarover gaat liet dan toch den geheelen dag? Over kwaadspreken en zondige, onkuische taal zij hier gezwegen, hoe dikwerf ze ook 't onderwerp is van dat eeuwig gekakel. Zulke wandelende dagbladen nu weten alle nieuwtjes van

ocr page 115

113

vinaen om al die berichtjes op te diepen en -/p aan den man te brengen nm ni^t „J™ n ze

vaa-smr;

^JenTvertelLuS mterVsïnfte maïentn de lachers op hun zijde te halen. Meestal verleen

kroSopers en eindigen ^

spraken En ^nT1- ^61quot; daR over hun eigen ik gt; I reken. Ln toch is er eens ppyporl • i

moeielijter is zich „,f goel teq.relï jïn

bel^Trj^Tkwrfw15''' ™e'Sen k0m' heid^S vStspSe° senzh0e0t mquot;?e rr

aWdichter Geiler., hoe

4iemoLrr dir hrs\o?d ^

groot als «„ paai To quot; ïïdSquot;,,^

sx-samp;öü^tïS

de jongen zijn woorden introk I g

Jan quot;n ™nigeen k;Ul inen voortdurend toevoegen • Jan, pas op voor de brug!

ocr page 116

114

§ 47.

De vleierij,

„Een vriend, die mijn feilen toont,

Gestreng berispt en nooit verselioont.

Heeft op mijn hart een groot vermogen;

Maar 't laag gemoed, dat altoos vleit.

Verdenk ik van baatzuchtigheid,

Ik kan zijn bijzijn niet gedoogen.

Die zelden prijst, spreekt vriendentaai. Die altoos vleit, liegt menigmaal,quot;

Van Alphek.

Voor den -werkman is het gevaar den vleiers in handen te vallen meestal niet groot, veel grooter evenwel om het zelf te worden.

Het bekende spreekwoord: »Wiens brood ik eet, diens woord ik spreek,quot; zegt reeds genoeg dat men zorgen moet met zijn werkgever in goede verstandhouding te zijn, daardoor nu gaat men soms spoedig te ver, en overtreedt de maat.

Voor de kruipers, of liever voor die werklui, welke als een hondje met den staart tusschen de beenen voor de voeten huns meesters in het stof kruipen om met dat al maar een goeden blikte krijgen — bestaat bij ons in het geheel geen achting. Zij staan verreweg onderaan.

Voorts is er nog een klas, die men de draaiers noemen kan. Ze willen goed zijn met vriend en vijand, zij geven iedereen gelijk en noemen hetzelfde hier wit en daar zwart! Deze twee soorten toonen duidelijk, dat ze alle menschenwaarde

ocr page 117

115

verloren hebboH, en ze krijgen zeker ook hun verdiende loon, aller minachting. Neen, vriend, „Wees rechtschapen en goed rond;

Zoo t hart het meent, zoo spreke uw mond.quot;quot;

Natuurlijk wordt u hier niet aangeraden om zoo maar alles te zeggen wat u voor den mond komt. ÜI neen: zwijgen is dikwerf geraden, doch spreekt gij, doe het op zijn echt hollandsch en zegt wat gij meent.

§ 48.

De nijd.

De nijd is een zeker misnoegen, omdat de naaste dit of dat beter heeft of eenig voordeel geniet, terwijl men zich voorstelt daardoor minder geëerd en gerekend te worden als men het meent zelt te verdienen. Uit dit misnoegen wordt een zekere droefenis geboren, enkel en alleen dewijl het den evenmensch welgaat.

De gierigaard, de dronkelap, ja de onkuische zelt geniet in zijn zonde eenige vreugde, de nii-digaard echter kent niets dan verdriet en ellende.

Zeker boer had een flinke hofstede met veel en goed vee, doch hij was erg afgunstig. Trok nu het vee uit het dorp 's avonds van het land erug, dan plaatste hij zich voor zijn huisdeur en ergerde zich telkens, wanneer er deze ofeene mooie koe van zijn buren langs kwam. Zag hij hier of daar beter haver of koren te velde staan

ocr page 118

116

dan het zijne, dan kon hij niet nalaten uit te roepen; Zie, een ander gelukt ook alles en my niets. Zoo leefde hij nijdig en benijdend voort, totdat hij in de kracht zijns levens vol gal sterven moest.

De nijdigaard kent slechts één genoegen: te zien hoe het een ander slecht gaat. Niets is hem bijvoorbeeld aangenamer, als wanneer zijn kameraad zijn betrekking verloren of vermindering van loon heeft bekomen, of als zijn werk mislukt is.

Dikwerf laat de nijd het niet eens bij wen-schen, maar treedt hij zelfs handelend op om het geluk van anderen te verstoren. Geene list is hem dan te sluw, geen moeite te groot of middel te gemeen om het oogwit te bereiken. Hij luistert aan deuren en vensters, sluipt rond als een dief in den nacht, ja alles is hem goed, mits zijn doel worde verwezenlijkt. De tong vooral is den nijdigaard een geliefkoosd middel om anderen te benadeelen, den goeden naam te verkleinen, de eer af te snijden en zoodoende ziin naaste te krenken.

§49.

De laster en eerroof.

De sneeuwbal en het lasterwoord, Die groeien onder 't rollen voort.

Iemand lasteren beteekent hem gebreken of feiten toedichten, die hij niet bezit of bedreven

ocr page 119

117

heeft, en voorts verstaat men hieronder ook het vergrooten van een anders fouten.

Laster en eerroof onderscheiden zich daardoor, dat gene onware dingen zegt, terwijl deze zaken

nf» , l u brengt' die. waar zyn doch welke iHGn had uGhooren tG zwijgGn.

Deze zonde komt tegenwoordig vaak voor onder een nieuwen vorm namelijk in ongeteekende brie-ven, waardoor iemand zonder zich te noemen, de vrijheid neemt nilerlei gemeenheden van een ander e zeggen. Dit is de hatelijkheid ten top gevoerd; '™n,lei's de beschuldigde kan zich niet eens meer 11 edigen I De tong van den lasteraar is zoowel ais 'Ue van den eerroover een driezijdig zwaard, treffend zoowel den spreker, als hem die met welgevallen luistert en eindelijk niet het minst aengene over wien het gaat.

I. Deze zonde wordt des te zwaarder naar dat de ge breken grootor en de persoon, wie het geldt, voornamer is.

^n^taSt 6611 S?ed quot;'eweten is voor een ieder een goede naam het beste wat hij bezitten kan.

ïnrnTt nU 00 het brandmerk op den naam

de smart^ 1S' die mate is 00k diePer Des te hooger iemand staat, des te meer is zijn Jnaara een Kruidje-roer-me-niet, daar deze de vaste voorwaarde is voor het welslagen zijner onderneming, het geluk zijner toekomst. Voor voorname personen in de minste vlek, waarop

ocr page 120

118

menigeen niet eens letten zoude, dikwerf een levensvraag.

II. De zonde wordt des te grooter naardat de toegebrachte schade en het nadeel grooter zijn.

quot;Wel kunt gij met uw oog hetzeeschip volgen, de golven doorklievend, wel de vogels nazien hoog in de lucht, maar het woord, het gesproken woord in zijn ontzettenden loop achterhalen—neen dat kunt gij niet. Het slechte woord is als eene vonk; men weet waar zij is gevallen, doch men weet niet hoever de brand bij den stormwind zal voortwoeden.

Men denkt, als men de schade en het nadeel van een lasterwoord berekenen wil, gewoonlijk slechts aan de naastliggende gevolgen, en men vergeet zoo licht hoe dat slechte goed altijd voortwoekert, en de eene vrucht de andere voortbrengt.

Wanneer bijvoorbeeld, een werkman, dank het lasterwoord, zijn plaats verliest, is dan daarmede alles gedaan ? Gewis neen, immers die vlek blijft altijd op hem kleven en al gelukt het hem later ook eens de onwaarheid aan te toonen en zich te rechtvaardigen het blijft toch waar: Lieg er maar dapper op los, er blijft altijd iets van hangen !

Is de laster zóó gemeen, dat hij zelfs het huwelijks leven aan durft randen, dan is er geen einde meer aan de ellende. Immers het vertrouwen is een plant zoo teeder dat ze niet meer

ocr page 121

119

opkomt als de vorst des twijfels ze in het minste heeft geraakt.

III. Waartoe is hij verplicht die zijn naaste in diens goeden naam heeft benadeeld ï

Hij is voor alles verplicht de geroofde eer weder te herstellen.

Ook hier is te onderscheiden tusschen laster en eerroof. Bij de eerste is herroeping strenge plicht; deze zij in 't geheim of in 't publiek, naardat de beschimping geweest is.

Herroeping in couranten wordt voor bijzondere personen afgeraden, daar alsdan dikwerf deze herroeping even erg zou zijn als het feit zelf; immers ze zou zoodoende eerder leiden tot verdere verspreiding als tot herstel. Geheel anders is het waar de laster openbare personen treft, en deze daardoor tot publieke zaak is geworden.

Bij eerroof kan van herroeping geen sprake zijn, daar men onmogelijk kan terugnemen wat werkelijk zoo is. Vraagt gij derhalve op welke wijze in dit moeilijk geval voorzien moet worden, dan gelooven wij als het beste te moeten aanraden daarvoor in overleg te treden met uw biechtvader.

Denk evenwel niet dat uw lasterwoord door een bloote herroeping ongedaan wordt gemaakt en geheel uitgeroeid als het onkruid met wortel en al.

O neenl Werp eens een hand vederen uit uw

ocr page 122

120

venster en tracht ze daarna weder allen bijeen te rapen. Even moeielijk is het de gevolgen van het lasterwoord in alle richtingen op te sporen en het nadeel wederom goed te maken.

Het klinkt als een klok dat zoowel de Eerroover als de Lasteraar gehouden is alle tijdelijke schade, door zij n schuld veroorzaakt, volkomen te herstellen.

§ 50-

Slot.

Klaagt onze tijd over mannenmoed, van den werkmansstand mag veilig gezegd worden dat daar geen gebrek is aan flinke, christelijke mannen.

Wat dan is noodig om een man te zijn, in den vollen zin?

Drie dingen: een helder hoofd, een rem. hart en een vaste wil.

Een helder hoofd, dat wil zeggen een man, die denken kan, geen machine, geen slaapkous! Een man wetend waarom hij op de wereld is, met overleg zorgend voor zich en de zijnen. Een helder hoofd laat zich niet benevelen door den val-schen geest des tijds, slaat niet over van daag links en morgen rechts, maar staat pal, door het licht des geloofs verlicht, voor wat zijn godsdienst hem leert, als overtuigd christen, als een die werken kan, maar ook bidden.

Een rein hart. Wie zich als slaaf naar zijn harts-ocht wringt, is geen man. Neen, een rein hart

ocr page 123

121

is een hart vrij van zelfzucht, vrij van geniet-zuclit, vrij van eerzucht, van liefde voor den naaste tintelend.

Een vaste wil, dat wil zeggen een man staande als een eik in het woud; eens gezegd blijft Gezegd! Een man een man, een woord een woord 1 Hij komt zijn plicht na al wordt wat wit is zwart. Geen koning zoo rijk om zijn overtuiging te koopen, geen vrees zoo groot of meer quot;nog geldt hem eer en geweten.

Sterk van hart in nood en strijden,

Teer van hart in vreugd en lijden,

Trouw van hart in alle tijden.

ocr page 124
ocr page 125

INHOUD.

Biz.

Voorwoord...................3

§ 1. Inleiding.................4

EERSTE lïEELi.

HET LANDMETERS-KOMPAS

of

de plichten van den stand.

EERSTE HOOFDSTUK.

De plichten der Echigenooten.

§ 2. De huiselijke haard..........6

| 3. Ileersch met zaehtheid.........7

§ 4. 't Zin me lievertjes...........10

§ 5. Houd altijd uw belofte.........15

TWEEDE HOOFDSTUK.

Dr. vaderlijke plichten.

§ 6. Een gewichtig vraagstuk.........16

§ 7. De opvoeding eene moeielijke kunst.....19

eerste afdeelino.

De zorg voor het lichamelijk welzijn van het kind. Kapittel I. Onderhoud en opvoeding.

§ 8. De eerste levensdagen..........21

§ 9. De ontwikkeling. . ..........22

ocr page 126

124

Kapittel II. De verzorging

§ 10. De beroepskeuze.......

§ 11. Wat zal uw zoon worden? . . . § 12. Wat zal uw dochter worden? . .

§ 13. Het zakgeld.........

§ 14. Iets over Huwelijksgift en Erfenis .

tweede afdeeling.

De zorg voor de opvoeding.

§ 15. Het huisgezin een bloementuin......39

§ 16. De tong der onderrichting........41

§ 17. Het oog als wachter..........45

§ 18. De hand een tuchtmiddel........48

§ 19. Gij moet als vader weten te bevelen , ... 49

§ 20. Gij moet als vader weten te beloonen. ... 50

§ 21. Gij moet als vader weten te straffen .... 51

§ 22. Het goede voorbeeld..........56

DERDE HOOFDSTUK.

De jilichten jegens de overheid.

§ 23. Jegens de geestelijke overheid.....,59

§ 24. De plichten jegens de wereldsche overheid. . 64

§ 25. Een paar gewichtige artikelen uit onze Wet . 67

TWEEWE Igt;KEÂ¥J.

HET MIJNWERKEBS-KOMPAS

op

uw eigen schat.

Ic Kapittel. De tevredenheid.

§ 26. De waarde der tevredenheid.......69

| 27. Waarom verscheidene standen......71

§ 28. Iedere stand heeft zijn eigen last.....73

§ 29. Arbeid en loon. ...........76

Bk.

. ... 27 . ... 28 . ... 31 . ... 34 . ... 36

ocr page 127

125

11° KaI'IITUl. Arbeidzaamheid en vlijt. Biz.

§ 30. Blauwe Maandag...........79

§ 31. Werkstaking.............83

IIP Kapittel. De spaarzaamheid.

§ 32. Wat is spareu............84

§ 33. Te goed houden...........86

§ 34. Het huishoudenboek..........87

§ 35. De aankoop der waren ........89

§ 36. Gebruik en verbruik..........60

§ 37. Hoe zal men het spaargeld gebruiken. ... 93

IVC Kapittel. De Zondag.

§ 38. De Zondag is een weldaad voor het liehaam . 95

§ 39. De Zondag eene weldaad voor den geest . . 97 § 40. De Zondag is ook eene weldaad voor het huiselijk

leven..............99

1gt;S:KIgt;£ DEEIi.

HET SCHEEPS-KOMPAS

of

de gevaarlijke klippen der zonde.

EERSTE HOOFDSTUK.

De dronkenschap. § 41. De verderfelijke gevolgen der dronkenschap

voor gezin en gemeente.......102

§ 42. Wapenen tegen de dronkenschap.....104

TWEEDE HOOFDSTUK.

Oneerlijkheid.

§ 43. Niets is gemakkelijker dan zich het goed van

een ander toe te eigenen..... . 106

§ 44. De vergoeding.......... . 108

ocr page 128

126

DEEDE HOOFDSTUK.

De liefdeloosheid. Blz.

§ 45. Dc zelfzucht............110

§ 46. De babbelzucht ...........112

§ 47. De vleier;).............114

§ 48. De nijd..............115

§ 49. De laster en eerroof.........116

§ 50. Slot...............120

ocr page 129
ocr page 130
ocr page 131
ocr page 132

g •

,

.

1

ocr page 133
ocr page 134

iPfTquot; Te gélijker tijd is bij deze Uitgave van

Kompas voor GEHUWDE Werklieden,

verschenen de tioeede druk van

Kompas voor JEUGDIGE Werklieden,

beiden omgewerkt uit liet Duitsch en uitgegeven met toestemming der Vereeniging: Arheiterwohl, verband KatholiscKer Indu-strieller und, Arbeiterfreunde.

Prijs 25 Cents.

o'ó'©........ ......

TER VERSPREIDING:

25 Ex..........f 5.50

50 » .........» 9.75

100 » .........» 17.50

500 » .......... 72.50

1000 » .........» 132.50