ocr page 1

ÜEB BIERE!

OF

DE CHERUBIJNEN DER HEERLIJKHEID.

SCHEIFTBESCHOUWIN G

KTaar a a n 1 e i d. i n g van O jgt; e nlo ar i n g 4

OP VRIENDELIJK VERZOEK OPGESTELD DOOR

1

J. V A 7N lï !■: IJ E ü E

'S-GUAVENHAGB, _ Br. -T G-ERRETSE N. 1887.

ocr page 2

h--'

, • ;• Vquot; . ■:•

,.C~

quot; -r- b

i'. : ■

.

. ^v-::

;-

I .

■:? . ■ :

.

. J. ■;

■w:¥' ■

'-■v-

■

■

.

~.r-- ■ -C-

- - • -.

' _ ;■ / , - -


-

-:y- 'c .-Z-:

■

-

,-rquot;

. /.

■

,

___

ocr page 3

X X V

XT-

JL^

DE VIER DIEREN

BE CHERUBIJNEN BER HEERLIJKHEIB.

SCHRIFTBESCHOUWING

Naar aanleiding- van Openbaring 4

OP YR1ENDEL1JK YERZOEK OPGESTELD DOOR

J-. quot;VA.lsr ZBEIJZEZREISr.

BIBLIOTHEEK | NED. MERV. KERK

'S-GRA.VENHAGE,

H. J. GERRETSEN. l 1887.

vS

/Of /

3

/

ocr page 4

SCHENKING UIT DE BIBLIOTHEEK' VAN 'SLM. BE KONINGIN

leiden: boekdrukkerij van l. van nifterik nz.

ocr page 5

VRIENDELIJKE LEZER!

In het laatste gedeelte van het jaar 1886 eene Bijbellezing gehouden hebbende over Openb. 19 : 1 — 16, betoonden menige hoorder en hoorderes zich verwonderd over den eenvoud, verstaanbaarheid en rijken inhoud, van dat gedeelte der Heilige Schrift.

Men hoorde zoo uiterst zelden over de Openbaring spreken, en bij den huiselijken godsdienst ivas dit hoek toch zoo moeielijk om te verstaan.

Ik maakte de opmerking dat men gewoonlijk te veel vergeet wat daar geschreven staat in Openbaringen 1 vers 1quot;, aldus luidende: „ De openbaring van Jezus Christus die God Hem gegeven heeft.quot; Menschen noemen dit laatste boek des Bijbels „ een verborgenheid'''', God noemt het „ de Openbaring van Jezus Christus.''''

De gansche Bijbel is, icat dit hoek door God ivordt genoemd: „ de openbaring van Jezus Christus.''''

Wij zijn gewoon den Bijbel het woord van God te noemen, en de Bijbel is dat ook waarlijk, in zijn geheel, maar ook op iedere bladzijde. Omdat de Bijbel nu is het geschreven Woord van God, zoo moet de Bijbel noodivendig als het ware een Phothografisch portret van Het Vleesch geivorden Woord zijn; en in werkelijkheid wordt Jezus Christus op iedere bladzijde des Bijbels gevonden; beschreven, bezongen, afgebeeld of geprofeteerd, zijn persoon, gaven, deugden, eigenschappen, ambten en werkzaamheid betreffende. De aandachtige, nadenkende, en bovenal biddende Bijbellezer zal den Christus afgebeeld vinden in eiken scheppingsdag, in het leven der Aartsvaders, in Israels schaduwdienst, ivetten en offers, in het

ocr page 6

leven, de daden, de namen menigmaal der Godsmannen van het Oude Verhond.

In de Psalmen bezongen; door Israels Zieners aan het aardrijk verkondigd. Wie Christus in het hart draagt ziet Hem overal, in de natuur en in de Sehrift, in de geschiedenis van Gods volk, en in het leven van Gods kinderen. Een en ander trachtte ik tot leering en stichting met de Heilige Schrift duidelijk te maken, tot groote vreugde mijner aanwezige vrienden en vriendinnen.

Toen zeide mij een bejaarde achtenswaardige broeder die wellicht meer jaren God vreest dan mijne levensjaren tellen, en die voorzeker in zijn lang leven meer boeken heeft gelezen dan ik heb kunnen doen; hij uwe duidelijke verklaring van de Openbaring zou ik wel gaarne uwe gedachten eens weten willen aangaande de Vier Dieren waarvan in de Openbaring sprake is.

Ik heb er veel over gelezen, maar kan niet zeggen dat het mij voldeed, en wat ik heden avond hoorde beviel mij zoo goed omdat het geheel Bijbelsch is. De tijd tot verder gesprek ivas verstreken, maar ik beloofde aan zijn verlangen te zullen voldoen, natuurlijk naar de mate der gave van kennis mij geschonken, onder inwachting van 's Heiligen Geestes hulp, en in eenvoudige bewoordingen.

Zoo zet ik mij dan nu neder om aan die belofte te voldoen, in de hoop ook anderen nuttig te kunnen zijn; waartoe God genadig Zijnen zegen gebiede!

Am e n.

ocr page 7

Na dezen zag ik, en zie eene deur was geopend in den hemel; en de eerste stem die ik gehoord had als eener bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hierop, en ik zal u toonen 'tgeen na dezen geschieden moet.

En terstond werd ik in den geest; en zie, daar was een troon gezet in den hemel, en er zat een op den troon. En die daarop zat, was in het aanzien den steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien den steen Smaragd gelijk.

En rondom den troon waren vier en twintig troonen, en op de troonen zag ik de vier en twintig Ouderlingen zittende, bekleed met witte kleederen, en zij hadden gouden kroonen op hunne hoofden. En van den troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. Eu voor den troon was een glazen zee, kristal gelijk.

En in het midden des troons, en rondom den troon vier dieren, zijnde vol oogen van voren en van achteren. En het eerste dier was eenen leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mensch, en het vierde dier was een vliegenden arend gelijk. En de vier dieren hadden elkeen voor zich zeiven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol oogen; en hebben

ocr page 8

6

geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, Heilig, Heilig is de Heere God, de Almachtige, die was, en die is, en die komen zal. En wanneer de dieren heerlijkheid en eer, én dankzegging gaven Hem die op den troon zat, die in alle eeuwigheid leeft, zoo vielen de vier en twintig Ouderlingen voor Hem die op den troon zat, en aanbaden Hem die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hunne kroonen voor den troon, zeggende: Gij, Heere! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht: want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uwen wil zijn zij, en zijn zij geschapen.

Openb. IV.

Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend. Wat Hij in zijnen eeuwigen raad heeft besloten, liet Hij in de dagen des Ouden Testaments in zinnebeelden aan Israël voorstellen; in de volheid des tijds in en door Jezus Christus tot vervulling komen, om het alles aan Zijne geloovigen in - den morgen der eeuwigheid te aanschouwen te geven; als het boek met zeven zegelen door het Lam Gods geheel ontzegeld, geopend, en voor de gemeente leesbaar zal gesteld zijn. Wanneer men nu bedenkt dat de hier genoemde vier diereu gevonden worden in de profetie van Ezechiël, Hoofdstuk 1 en 10 zoowel als hier in De openbaring van Johannes, Hoofdstuk 4, 5 en 6, en indien men dan daarbij weet; zooals menigeen toch weten kan die een weinig belezen is, dat men reeds in de tweede eeuw na Christus geboorte onze vier Evangeliën vergeleek met de vier Cherubijnen, de beelden van een leeuw, een stier, een arend en een meusch, welke iu de profetische gezichten den troon des Onzienlijken

ocr page 9

op hunne ontplooide vleugelen droegen; mij dunkt dan valt de moeielijkheid van dit schriftdeel reeds voor een groot gedeelte weg. Bij de afbeelding van Matheus vindt men den stier, het offerdier door den stam van Levi voortdurend geofferd. En deze Levi, nu Matheus, dat is „ Godsgavequot;, doopt als het ware zijn pen in het bloed van het Oud Testamen-tisch offer om Christus in zijn Evangelie te beschrijven als dengene in wien de gansche Schrift vervuld en alle offers tot heerlijke werkelijkheid zijn gekomen.

Markus vertoont ons den leeuw, en beschrijft in zijn Evangelie den leeuw uit den stam van Juda als de groote overwinnaar van duivel en zonde, dood en graf.

Lukas de Medicijnmeester, de man van studie, onderzoekt alles naarstiglijk van voren af aan, om dan aan Theofilus, „vriend van Godquot;, te schrijven, het geheele leven van den mensch Jezus Christus.

En waar Matheus in zijn Evangelie het geslachtregister begint bij Abraham, en Lukas in zijn Evangelie het door laat loopen tot op Adam, daar vaart de Apostel der liefde als een Adelaar de eeuwigheid in, om straks zijn Evangelie te beginnen met; In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt en zonder hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is. In het zelve was het leven, en het leven was het licht der menschen. Dat Woord is vleesch geworden; is de vleeschwording van al de woorden Gods geweest; — Die het leven Avas, is in den dood gegaan, om van nu voortaan den dood op ieder gebied, den dood in al zijn stadiën en vormen te overwinnen, en zich alzoo te bewijzen: de Adelaar der opstanding te zijn; die ook onze jeugd vernieuwt gelijk eens arendsjeugd.

ocr page 10

Men heeft dan ook niet te vergeefsch onze vier Evangelisten vergeleken bij de vier Cherubijnen der heerlijkheid. Zij zijn in waarheid geworden de dragers van den troon Gods, die Jehova's glorie over de geheele aarde gebracht hebben. Op de vleugelen dezer Cherubijnen heeft het vleesch geworden Woord de wereldreis volvoerd en de menschheid gewonnen door het kruis voor de kroon.

Ieder van deze Chernbijnen behield zijn eigen karakter en levensrichting en toch zijn allen tot een geheel vereenigd. In het ééne Evangelie de vier Evangeliën, maar allen beschrijvende het groote offer, den grooten overwinnaar, den mensch uit den hemel, den adelaar der opstanding Jezus Christus.

Hij is het leven, de oorzaak, de eeuwige achtergrond van alle leven, en al wat leeft zal eenmaal staan rondom zijn troon om het lied der verloste schepping te zingen: Gij Heer zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen en door Uwen wil zijn zij, en zijn zij geschapen.

Dit is geen lied van de verloste gemeente; dat wordt gezongen door de schare die niet te tellen is; het is zelfs geen lied ter eere der Voorzienigheid, maar het jubellied der schepping welke door deze schepselen rondom den troon des Scheppers wordt aangeheven. Ik zeg „ schepselenquot;, laat mij liever zeggen „ levende wezensquot;, want de vertaling met het woord „ dierenquot; is minder juist. Het Grieksche woord is Tzöa, het Latijnsche Animalia; hierop te letten is noodig, want het voorkomt de verwarring die bij het gebruik van het woord beesten mocht ontstaan, tusschen deze hemelsche persoonlijkheden en de Theria ., geheimzinnige beestenquot;, die vijandig staan tegenover het Lam Gods; hetwelk zich hier tusschen deze levende schepselen bevindt, en door hen wordt

ocr page 11

9

aangebeden. Ook het Hebreeuwsche woord duidt geen dieren aan, maar levende personen.

Bij den profeet Ezechiël komen zij niet zoozeer voor met zinnebeeldige als wel met oorspronkelijke beteekenis der profetische aanschouwing, en vertegenwoordigen daar de wereld, liet gezamenlijke schepsel, maar volgens de oorspronkelijke volkomenheid. Evenals de vier dieren uit Daniel's profetie het van God afgevallene en daarom altijd dieper zinkende leven voorstellen, dat ten slotte openbaringsorgaan des duivels wordt; zóó zijn de Cherubiems bij Ezechiël en bij Johannes zinnebeelden van het leven der wereld in zijne hoogste bestemming, de verheerlijking Gods; en vormen tevens te zamen een openbaringsorgaan van de heerlijkheid Gods.

Gelijk verder het viertal dieren bij Daniël en de vier Cherubiems bij Ezechiël uitdrukken de tegenstelling tusschen het rijk Gods en het leven dezer wereld, zóó ook het zevental hoofden van het beest in de Openbaring met de zeven Geesten Gods die voor den troon zijn. Wat nu deze Bijbel-sche getallen aangaat, daarbij moeten we onthouden, dat de in de geschiedenis der wereld te voorschijn tredende maat en getal verhoudingen hunnen dieperen grond hebben in de oorspronkelijke wereld, in de Goddelijke mathesis, in welke alles volgens het gehalte zijner eer, en volgens de zedelijke gesteldheid der schepselen geteld en afgemeten moet zijn.

Hij heeft de bergen gewogen in een weegschaal en met een drieling het stof der aarde gemeten, maar ook de haren uws hoofds zijn allen geteld. Er moeten vier Cherubiems om den troon zijn, evenals er vier en twintig Ouderlingen worden gevonden, vormenden het vereenigd getal van de Patriarchen des ouden, en de Apostelen des nieuwen ver-bonds. In den hemel is het schutblad tusschen Oud en Nieuw

ocr page 12

10

Testament weggevallen. Dit een en ander moge als inleiding strekken. Wij willen echter nadere kennis van deze Chern-biems nemen, door te beschouwen ten lste het Schriftver-band waarin zij voorkomen, en door op te merken wat de Heilige Schrift aangaande deze Cherubiems mededeelt, opdat deze blik in den hemel der heerlijkheid tot zegen worde voor ons verstand en hart.

Het 4de hoofdstuk van de openbaring is het begin van een geheel nieuw gedeelte van dat profetisch boek. De aandacht van den Apostel was tot nu toe gevestigd geweest op den priester-koning van het Godsrijk, den trouwen vriend der zijnen, die daar wandelden tusschen de gouden kandelaren, en hem beval „ schrijf het geen gij zietquot;, en als de ziener daaraan voldaan heeft; hem dicteert, het zevental brieven, aan de zeven gemeenten van Klein Azië; in hunne verschillende toestanden de vertegenwoordigers van de gemeente in den loop der tijden.

Maar nu wordt hij geroepen zich op hooger standpunt te plaatsen, om te aanschouwen en later te beschrijven, wat geschieden moet in de toekomst. Daar aanschouwt Johannes in den hemel der heerlijkheid den troon van God den Vader; en het Lam staande als geslacht, omringd door de vier dieren, de vier en twintig Ouderlingen, de schare die niet te tellen is, en al de Engelen Gods in den hemel.

Zeven lampen of toortsen branden voor den troon, het zijn de zeven Geesten Gods die uitgaan in alle landen, of 't beeld van de volheid des Heiligen Geestes werkzaam in zijne zevenvoudige kracht. Het is de Geest die verlicht, reinigt, heiligt, het onreine uitbrandende. De troon Gods zelf in het aanzien den steen Jaspis en Sardius gelijk zijnde is het zinnebeeld van gerechtigheid en heiligheid, deze troon

ocr page 13

11

wordt omgeven door een regenboog den steen Smaragd gelijk. De boog is bet teeken van Gods genadeverbond, maar al de kleuren hebben plaats gemaakt voor de aangenaamste kleur, het groen, als het zinnebeeld van eeuwig leven; in God is een eeuwige jeugd. Bengel zegt: wij kunnen ons oog op God niet vestigen. Zijne majesteit en heiligheid doen ons vreezen, maar de vriendelijkheid van God lokt ons aan en vervult ons hart met vertrouwen.

Voor don troon van God was een glazen zee, een zee kristal gelijk, zoo bleef er een afstand bestaan tusschen God in zijne heerlijkheid en hem die deze heerlijkheid mocht aanschouwen. In het midden of wellicht beter, onder en rondom den troon waren de vier Cherubiems, zijnde vol oogen van voren en van achteren. Zij hebben daar hunne aangewezen plaats en roeping, en verheffen de heerlijkheid van God den almachtigen Yader, Schepper des hemels en der aarde in hun beurtzang: Heilig, Heilig, Heilig is de Heere God, de Almachtige, Die is, en Die was, en Die komen zal.

En telkenmale wordt hun beurtzang gevolgd door den jubelzang der vier en twintig Ouderlingen die bij het zingen van hun lied de kroonen van hunne hoofden nemen om die neder te leggen voor den troon, ja zij vallen zelve in aanbidding voor den troon neder en aanbidden Hem die leeft in alle eeuwigheid, zeggende: „ Gij Heere zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer en de kracht, want Gij hebt alle dingen geschapen, en door uwen wil zijn zij, en zijn zij geschapen.

Vertegenwoordigen do Cherubiems al bet geschapene in zijne oorspronkelijke volmaaktheid, en zijn zij de belichaming van het leven der schepping, zich openbarende in sterkte, geduld, verstand en werkzaamheid, de vier en twintig

ocr page 14

12

Ouderlingen vertegenwoordigen de gemeente van alle tijden en plaatsen, met andere woorden „ de' herscheppingquot;, want de schepping is in hoofdzaak om de herschepping, met het doel alles tot de verheerlijking te voeren.

AVij moeten hier echter het 4de hoofdstuk uit de Openbaring voor een wijle laten rusten. De behandeling van ons Opschrift: ,, De vier dieren of de Cherubijnen der heerlijkheidquot;, eischt breedere opvatting van onze taak; waartoe wij ook van zelve komen; als wij deze vraag stellen: aan welke visioenen denken wij onwillekeurig bij het lezen van dit visioen, en aan welke kan Johannes zelve bij de aanschouwing van dit visioen als vroom Israëliet, bekend met de Heilige Schriften, terug gedacht hebben ?

En dan is het antwoord: Aan Jesaja den zoon van Amos en aan Ezechiël den zoon van Buzi. De eerstgenoemde verhaalt ons zelf hoe hij als jongeling stond onder de zuilengangen van Jeruzalems tempel en daar geroepen werd tot zijn profetisch ambt. Lees het hoofdstuk uit de rol van Jesaja's profetie, niemand kan het beter wedergeven dan hij zelf het deed.

In het sterfjaar van Uzia, den koning van Juda, zag ik den Heere, zittende op eenen hoogen en verhevenen troon, en zijne zoomen vervullende den tempel.

De Serafs stonden boven Hem, een iegelijk had zes vleugelen, met twee bedekte ieder zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijne voeten, en met twee vloog hij.

En de een riep tot den ander en zeide: Heilig, Heilig, Heilig, is de Heer der heischaren! de gansche aarde is van zijn heerlijkheid vol! zoodat de posten van de dorpels zich bewogen van de stem des roependen: en het huis werd vervuld met rook.

ocr page 15

13

Toen zeide ik: wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is. Want mijne oogen hebben den Koning, den Heere der heirscharen gezien.

Maar éón van de Serafs vloog tot mij, en had eene gloeiende kool in zijne hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. En hij roerde mijnen mond daarmede aan, en zeide: zie deze heeft uwe lippen aangeroerd: alzoo is uwe misdaad van u geweken en uwe zonde is verzoend.

Daarna hoorde ik de stem des Heeren die zeide: wien zal ik zenden ? en wie zal ons heengaan ? Toen zeide ik: zie hier ben ik, zend mij henen. Toen zeide Hij ga henen, en zeg tot dit volk; hoorende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Maak het hart dezes volks vet, en maak hunne ooren zwaar, en sluit hunne oogen, opdat het niet zie met zijne oogen, noch met zijne ooren hoore, noch met zijn hart versta, noch zich bekeere, en Hij het geneze.

Toen zeide ik tot hoe lang Heere? en Hij zeide: totdat de steden verwoest worden, zoodat er geen mensch zij, en dat het land met verwoesting verstoord worde.

Deze openbaring door Jesaja beschreven, kwam ter juister tijd voor den onervaren en bevreesden jongeling, die zijne verheven taak moest aanvangen in een tijd toen de horizont vol donkere wolken was. Kezin de koning van Syrië, en Peka de zoon van Kemalia kwamen als twee brandende vuurstaarten aan met hunne legers; de een om zich te nestelen in de Cederen van den Libanon, de andere om Davids huis uit te roeien, Jeruzalem te verwoesten, en den zoon van Tabóal koning te maken over Juda. En Achas, de koning van Juda, den ellendigen vorst, die zijne kin-

ocr page 16

14

deren door het vuur liet gaan voor de afgoden, en Gods reddende liefde verwierp, was oorzaak dat bij al Gods oor-deelen het volk zich tegen Gods roepstem verhardde. Toch kon Jesaja getroost zijn, want zijn oog had een koning aanschouwd veel machtiger dan Eezin of Pekah, Eabsake of Sanherib den machtigen halfgod uit Nineve. Gods woord stelde hem en zijne kinderen tot een teeken dat een overblijfsel behouden zou worden, en eenmaal zou de Zoon der maagd geboren worden, de Immanuël, de Koning door geboorte, wiens naam zou zijn: Wonderlijk, Eaad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst. Het aanschouwen van Jehova op Zijnen troon, omringd door de Serafs met hun driemaal heilig op de lippen, gaf Jesaja moed en kracht voor eene taak, die meer dan een halve eeuw van moeite zijne heldhaftige volharding vorderden. En hij heeft gesproken, Jesaja de zoon van Amos, en God heeft hem doen beleven een beteren tijd onder Hiskia, maar het licht dat hem beschenen heeft in de heiligste ure zijns levens rust nog op zijn boek, en heeft hem voor ons gemaakt: den Evangelist onder de profeten.

Het tweede aanverwante visioen waaraan wij denken, en hetwelk ook Johannes niet onbekend kan geweest zijn, is uit lateren tijd, en werd aan den profeet Ezechiël te zien gegeven. Het is nog veel verhevener dan dat van Jesaja.

Ezechiël, één der treurende ballingen in Babel, woonde met eenige zijner landslieden te Tell-Abib, dat is arenheuvel, aan de rivier Chebar, de tegenwoordige Chaboras. Het heilige land lag verwoest, en Jeruzalem eenzaam en verlaten. Het is het vijfde jaar zijner ballingschap en langzaam aan heeft zich een Joodsche kolonie met Ouderlingen om hem verzameld. Met zijne vrouw „ die hij echter te Tell-Abib

ocr page 17

15

heeft moeten Yerliezenquot; en met zijne kinderen woont hij in het vreemde land in zijn eigen huis, en wordt in dat gedenkwaardige jaar door God geroepen tot profeet. Terwijl hij staat bij de rivier Chebar worden hem de hemelen geopend, en de hand des Heeren rust zegenend op zijn hoofd. Hij ziet van het Noorden een wolk aankomen door een stormwind voortgedreven, de wolk zelf is door eenen wonderbaren glans omgeven en binnen in de wolk is een vuurkolom en binnen in dat vuur de verf van chasmal of gloeiend koper. Hoewel we hier aan de wolk en vuurkolom uit de woestijn herinnerd worden, toch is de majesteit hier veel grooter. Uit het midden van dezen vuurgloed of vuurhaard des levens, komen vier Cherubijnen te voorschijn. Zij hebben de gelijkenis van een mensch wat één hunner aangezichten en wat hunne handen aangaat, maar verder hebben zij allen behalve het menschenaangezicht nog het aangezicht van een leeuw, een rund, en een arend.

Zij gaan rechtop als menschen, maar hebben niet alleen twee beenen maar ook vier vleugelen, de hoofden zijn gericht naar de vier hemelstreken. Met twee vleugelen bedekken zij zich, en twee zijn omhoog geheven en raken die van den anderen. Deze vier wachters gaan waar de Geest hen drijft, naar voren of naar achteren. Zij gloeien als vuur, schitteren als het weerlicht en zijn omgeven van een weerschijn of kleurentinteling.

Onder de levende wezens, snel als het weerlicht, bevinden zich raderen, maar van binnen nog weer door andere raderen gekruist. De geest der dieren is ook in de raderen en zij bewegen zich steeds in dezelfde richting.

De kleur der raderen is turkoois, dien de oude Grieken chrysolith, de lateren Grieken topaas noemen. Het is een

ocr page 18

16

geelachtige goudglans. De randen der raderen zijn vol oogen en hunne aanblik is vreeselijk.

Boven de hoofden dezer levende schepselen is een lüt-spansel, vast maar doorschijnend als kristal, dat den Schepper van zijne hoogste schepselen en dienaren onderscheidt.

Onder dit uitspansel staan deze levensvorsten hunne vleugelen omhoog houdend. En die vleugelen ruischen als groote wateren, als de stem des Almachtigen, als het gedruisch van een groot heirleger.

Zij komen echter tot stilte en zinken neer, want van boven het uitspansel wordt een stem gehoord. Daar ontwaart de ziener een gedaante glinsterend als de Safier in het helderst hemelblauw. Het is een troon, en op dien troon eene wiens gedaante op den mensch gelijkt. Hij is gehuld in een vuurgloed, maar daar omheen schittert een zachte glans als van den regenboog. Dit is de verschijning van de heerlijkheid Gods.

Op deze verschijning kwam het voor Ezechiël aan; toen hij dezelve zag viel hij op zijn aangezicht ter aarde, maar de Heer ving aan tot hem te spreken: Menschenkind sta op uwe voeten en Ik zal tot u spreken.

Zoo werd Ezechiël, de zoon van -Buzi de priester, tot Profeet gewijd.

Hoe moeten we nu dit visioen verstaan? Van het geheel kunnen we ons moeielijk een voorstelling maken, dit licht niet aan de beschrijving van Ezechiël, maar aan het bovenzinnelijke der voorstelling.

De vier aangezichten der Cherubijnen zijn ontleend aan de koningen der schepping: Den koning der dieren, den koning der kudden, den koning der vogelen, den koning der schepping. De vleugelen en voeten duiden de eigenaardige werkzaam-

ocr page 19

17

heid aan waartoe zij dienen. De raderen duiden aan de wentelende beweging, en de oogen den opmerkenden en denkenden geest. Het geheele visioen is het zinnebeeld van de heerlijkheid Gods die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft. De zinnebeeldige voorstelling strekt om het geestelijke aanschouwelijk te maken opdat men van de zinnelijke gelijkenis tot het geestelijk oorspronkelijke zou opklimmen. Deze verschijning des Heeren is eene meer volkomene ontwikkeling van de verschijning aan Mozes in de wolk en vuurkolom.

De wolk is het teeken van Gods tegenwoordigheid tot bescherming der vromen, tot straf van de goddeloozen; de stormwind is een levende ademtocht Gods, de drijvende kracht van Zijnen almachtigen wil die de verschijning in Ezechiëls nabijheid voert.

De Cherubijnen zijn zelfbewuste geesten, en ook in de raderen woont een geest die hen drijft, en de oogen zijn geestesoogen.

De vuurgloed is het scheppend, reinigend, verteerend vuur des eeuwigen levens, als de uitstorting van het wezen des Heeren die boven het uitspansel zetelt.

De Cherubijnen worden somtijds ook voorgesteld als geesten door welke het Goddelijk leven zich mededeelt, terwijl wind en vuur dan in het stoffelijke als hunne tegenbeelden en verschijningsvormen zijn. Er is tusschen de Cherubijnen en de raderen de innigste overeenstemming, allen worden door den Geest des Heeren gedreven en vormen een levend geheel, zoodat Ezechiël later in hoofdstuk 10 zegt: dit was het dier dat ik onder den God van Israël zag, en nu bemerkte ik dat het Cherubijnen waren.

Wat zijn dan nu volgens dit visioen Cherubijnen? Het zijn geestelijke machten die do wereldregeering ten dienste

ocr page 20

18

staan, die door machtige daden naar den wil des Heeren veranderingen teweeg brengen in den loop der dingen, en in de lotgevallen der menschen. Door hen werken de krachten, die als het ware de uitbarstingen der goddelijke macht in de onreine wereld teweeg brengen; gelijk het onweder met bliksem, storm en regen de zwoele lucht doortrilt en reinigt. De raderen duiden het rustig wentelend leven der wettige wereldorde aan, gelijk die zich doet kennen in den loop der sterren, den groei der planten, en in de betrekkingen van staat en huisgezin.

De eenheid van beweging in Cherubijnen en raderen duidt de eendracht aan tusschen den kalmen door God ge-ordenden wereldloop, en de bewegende machten der wereldverandering. Het viertal Cherubijnen en het viertal raderen duiden aan dat zij het geheel omvatten daar zij naar alle hemelstreken zich heenkeeren.

Deze dierengestalten duiden ook de rijksmachten aan, want arend, leeuw, stier en mensch worden nog heden in de wapens van rijken en vorstenhuizen aangetroffen. De aangezichten der Cherubijnen duiden dus de wereldheerschappij des Heeren aan. Zij zijn ook de wachters en bestuurders des eeuwigen levens, welks gloed door hunne gestalten omgeven wordt en van hen uitstraalt. Met hunne handen nemen zij vurige kolen van den verborgen haard der levensvolheid en gebruiken die naar den wil des Heeren, hetzij om het leven te wekken, te reinigen, of ter wrake.

Evenals alle engelen en geesten zijn zij dienaars des Heeren, Zijne heerlijkheid aanbiddende en bereid en gereed tot Zijnen dienst, zooals de vleugelen aanduiden, waarmede zij vliegen of zich bedekken. De vuurhaard in hun midden is het heiligdom onder den troon het altaar des eeuwigen Gods.

ocr page 21

19

Wij hebben de Cherubijnen de dragers genoemd van den troon Gods, en zij zijn het ook. Anderen hebben deze verschijning genoemd de wagen waarop Jehova henen vaart; en ook dat is niet onjuist, want de dichter van den 99sten Psalm zegt: De Heer regeert, dat de volken beven; Hij zittusschen de Cherubim; de aarde bewege zich! De Heer is groot in Zion en Hij is hoog boven alle volken. Dat zij Uwen groo-ten en vreeselijken naam loven, die heilig is.

Toch moet men met dergelijke beeldspraak zeer omzichtig zijn, zoo men zich niet vergrijpen wil aan de waardigheid Gods, want het blijft toch het zuivere uitvloeisel van het leven Gods zelf, dat in de Cherubijnen en in de bij hen gevoegde raderen leeft, en hen geschikt maakt den troon Gods te dragen. Zij dragen niet direct den troon, maar het uitspansel waarop dezelve rust. Er blijft een scheiding tns-schen den Schepper en het schepsel. De Heer zegt tot Maria: Ik vaar op tot mijnen God en uwen God, tot mijnen Vader en uwen Vader. En al had Johannes mogen liggen aan 'sHeilands boezem, Christus blijft toch de Heer en Johannes blijft toch tot in eeuwigheid de dienaar. Zie Openb. 22 : 8, 9.

De Heer verschijnt aan Ezechiël wel in heerlijkheid maar toch in menschelijke gestalte, omdat de mensch de gelijkenis en het evenbeeld Gods op aarde is. God openbaart zich aan Ezechiël als de levende God die door Zijn macht de wereld regeert. Terwijl Hij bij Daniël wordt voorgesteld als de eeuwige wijsheid, die hare besluiten ontvouwt. De heiligheid is bij Ezechiël de kracht des eeuwigen levens, bij Daniël het licht der eeuwige wijsheid. Bij beide bewaart God echter Zijne majesteit, terwijl Hij zich zei ven openbaart; en dit is de heerlijkheid Gods ook in zijne hoogste openbaring in Jezus Christus.

ocr page 22

20

De glans of kleurschakeering aan den regenboog gelijk, herinnert ons de goedheid van God, die in het midden van Zijn toorn nog aan Zijne ontferming gedenkt, en na Zijne tuchtiging steeds komt om te troosten. Zeer schoon zegt onze dichter Ten Kate:

Nog steeds blijft de wolk der gerechtigheid Gods Omzoomd met het goud der genade.

Ook hier bij Ezechiël evenals later bij Johannes stelt het visioen dus den innigen band die er bestaat tusschen den Schepper en het schepsel voor, maar tevens het onderscheid dat tusschen beide in eeuwigheid zal blijven.

God boven het uitspansel is de eeuwige oorzaak en bron van alle leven, alle licht, alle gloed en schoonheid, maar Hij heeft ook in het levend wezen dat Zijn troon draagt een middenpunt van leven, licht en vuur, gegeven door den Heiligen Geest, die ons tabernakel, tempel, visioenen en profetiën komt verklaren, in den Christus die de eeuwige achtergrond van alle dingen is.

Evenals Johannes nu bij zijn visioen kan gedacht hebben aan de visioenen van Jesaja en Ezechiël, zoo heeft Ezechiël zich kunnen herinneren het schoone lied van den Psalmdichter als hij in den 18den Psalm God dankt voor zijne redding uit de hand van al zijne vijanden: Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijne voeten. En Hij voer op een Cherub en vloog: ja Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds. Duisternis zette Hij tot zijne verberging, rondom Hem was zijne tent, duisterheid der wateren, donkerheid der wolken des hemels. Van den glans die voor Hem was dreven Zijne wolken daarhenen, hagel en vurige kolen. De Heer donderde in den hemel en de

ocr page 23

21

Allerhoogste gaf zijn stem, hagel en vurige kolen. Hij zond zijn pijlen uit en verstrooide ze en Hij vermenigvuldigde de bliksemen en verschrikte ze.

En nu de leering voor Ezechiël en voor ons nedergelegd in dit visioen. ,

Evenals voor Jesaja was ook voor Ezechiël de horizont donker. Als vreemdeling in een vreemd land, ziet hij overal de reusachtige macht van den overwinnaar gepaard aan grenzelooze eerzucht en woeste wreedheden. Getuige het • gericht te Ribla over Zedekia en zijne zonen. Maar aan de Chehar had zijn oog een Koning aanschouwt, machtiger dan Nebucadnezar. Kaderen had hij gezien hooger dan de wagenraderen van Assyrië of Babel. Schijnbaar in verwarring door elkander loopend, toch in werkelijkheid zich bewegend in de verhevenste harmonie, voortgedreven door hemelbewoners boven wier vleugelen hij den troon had gezien van den al-machtigen Koning der eere. En die Koning in zijn schoonheid, had zich geopenbaard als onzer een, omgeven door het zinnebeeld van genade, liefde en trouwe. Dat wij het dan nooit vergeten: de raderen bewogen zich voort, de wereldrijken kwamen en gingen, tot het groote wereldrijk kwam in welks midden Bethlehems kribbe en Golgotha's kruis zou geplaatst worden; en het Koninkrijk zou worden gegrondvest, dat alle koninkrijken der aarde overwinnend, niet door bloed en ijzer, maar door den Geest van God, zelf in alle eeuwigheid zou blijven.

Laat ons het nooit vergeten, als wij de raderachtige verwikkeling en schijnbare verwarring der lagere wereld aanschouwen, dat er één op den troon zit die alle dingan bestuurt. God de almachtige, die een schare van heerlijke schepselen heeft die zijn welbehagen doen. Hij kan het nooit

ocr page 24

22

kwaad met ons meenen; maar Hij moet door Zijne liefde gedrongen, het heil bedoelen en bereiken van Zijne gemeente, van de menschheid, en van het heelal als zijn eigen schepsel.

En nu keeren we terug naar Patmos. Johannes de laatste van Gods profeten, leefde evenals Jesaja en Ezechiël in een tijd van dreigend onheil, en had op Patmos voorzeker niet minder dan zij versterking voor zijn geloof noodig; endoor dezen blik in den hemel der heerlijkheid wordt hem die voorzeker geschonken. God neemt zijne vrees weg als hij zien mag door de geopende deur in het binnenste heiligdom, en Patmos de plaats zijner ballingschap, wordt hem een voorportaal des hemels! Ook hij ziet den Koning in zijn schoonheid, maar niet meer omgeven door een stormwind en eene wolk. Hij ziet Hem op een troon van Jaspis en Sardius omgeven door licht; aan den voet van Zijn troon is een zee van kristal die de heerlijkheid des Heeren afspiegelt.

Troongeesten branden van begeerte om Godswil te volbrengen, en de boog wordt weer gezien als het teeken van Gods liefde en trouw. Nu mocht gebeuren wat er ook gebeurde, lijden en verdrukking mocht over de gemeente komen, Israël verstrooid worden onder alle volken, de troon der Caesars weldra wankelen op hare grondvesten; geen nood! God regeert! Hij die op den troon zit leeft tot in alle eeuwigheid. Het is de Koning der koningen, de Heer der heeren die alle dingen bestuurt. De raderen van Ezechiël bewegen zich weder, maar Johannes kan het kalm aanzien, want hij hoort de Cherubiems juichen: Heilig, Heilig, Heilig is de Heere God, de Almachtige, die is en die was en die komen zal.

Hij die op den troon zit en leeft tot in alle eeuwigheid, is de Almachtige, de Alwijze, de Algoede, in Zijne gemeenschap, onder Zijne hoede, vreest Johannes niet meer; want

ocr page 25

23

immers die Almachtige heeft hem het barre Patmos tot een Bethel, een Mahanaim ja een voorportaal des hemels gemaakt? Dit is nu wel de rijke troost en de zalige ervaring van Johannes geweest, maar al wat geschreven staat, is tot onze leering geschreven. In Openbaringen 4 zien wij wat de hemel is: de onbeschrijtlijk schoone woonplaats van God en het Lam, van Serafs en Cherubs, Engelen en zaligen.

Wij zien wat de zaligheid van den hemel uitmaakt: het zijn rondom den troon; de aanschouwing van God en het Lam, waarin men hier geloofde, en door het geloof zich verheugen kon als ziende den Onzienlijke.

Wat men in den hemel doet: God dienen dag en nacht, God verheerlijken en prijzen als den Ahnachtigen Schepper, als den God des verbonds. als den God van heil en zaligheid.

En die God laat aan Johannes zeggen door don Heer der gemeente, den Koning van het Godsrijk, het geestenrijk en het scheppingsrijk: Kom hier op, en Ik zal u toonen wat geschieden moet na deze. Er is een Goddelijk moeten, Gods eeuwige raad bestaat, en Hij doet al Zijn welbehagen; de wereldgebeurtenissen worden door Hem bestuurd. Hij is een groot Koning, een Koning over de gansche aarde, Hij brengt de volken onder zich, en de edelen uit de volken worden vereenigd met het volk van den God van Abraham. De schilden der aarde zijn Godes, en Hij is hoog verheven. Ja, hoog verheven, want boven de wereldgebeurtenissen staat Hij. Boven deze wentelende wereld, boven stormen en orkanen, boven onweders in de natuur, en omwentelingen in kerk en staat, staat Hij.

Boven de natuur met hare wonderen, boven den hemel met hare werelden, boven Engelen en Aartsengelen, Serafs en Cherubs staat Zijn troon. Alle draden der wereldgeschie-

ocr page 26

24

denis zijn in Zijne handen, ook de draden van uw leven en lot.

Voor onze oogen is de hemel vaak vol donkere wolken, maar daar boven de wolken is het heldere, stille blauw. In den hemel der heerlijkheid wo_rdt beter dan hier op aarde het woord verstaan: Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheden van Zijn troon, goedertierenheid en waarheid gaan voor Zijn aanschijn henen.

Die troon wordt door Cherubs gedragen, die onvermoeid, rusteloos werkzaam zijn in hunne hemelsche bediening, in de ontwikkeling hunner onsterfelijke krachten en gaven, in het belang der gemeente, tot heil der wereld, tot zegen van het heelal.

Zij zijn hemelsche voorbeelden, waarvan wij op aarde nabeelden moeten worden.

Dat zijn de vier Evangelisten in hunne mate geweest, en al wat in deze hemelsche wezens werd afgebeeld is in Jezus Christus werkelijkheid geworden. Hadden de eerste Christenen geen gelijk toen zij de vier Evangeliën de vier Cherubijnen noemden welke Jezus heerlijkheid droegen tot aan het einde der aarde?

Het Woord is vleesch geworden, en dat vleesch geworden Woord is door hen beschreven, wij eeren en waardeeren hunne schriften als Gods woord. Hemel en aarde mogen voorbijgaan, dat Woord zal blijven; in dat geloof juichen we met Johannes, terwijl wij den blik naar boven slaan, waarheen we eenmaal zullen opvaren als arenden.

Wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des eeniggeborenen van den Vader vol van genade en waarheid.

Amen.

ocr page 27

1

ocr page 28