ocr page 1

ACHTTAL SCHRIFTBESCHOUWINGEN

J. v-a-ir

DOOR

% %

I I

quot;vCitgcigcucu ten vooidcc(c

JCcidciquot; tc

oau

,o

/D ^

vozdc

ficï Scytickt j-SmucH fiagc.


'S-G RAVEN H AGE,

H. J. GEK KETS EN.

1885.

/ / / / / / / / / X z x

jmmm.: / / / gt;

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

't Leven onzer groote mannen Leert ons hoe men heerlijk strijdt, Hoe men eens een voetspoor nalaat In den zandzoom van den tijd.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2720 022 3

ocr page 5

)p slang tij laren staart »m,

ACHTTAL SCHRIFTBESCHOUWINGEN

DOOR

J. VAK BEIJEHEK

'Uit ge geven ten voord'eete van hef SesHcht O r ■Soede 'Eerier11' ie rs: '.Sr avenhaae.

^sajcss

I ^

* fr .

-I

- -v'' ■ • -

BIBLIOTHEEK MED. HER/. KERK

H. J. GEKKE TSEK 1885.

toy JS SC?

ocr page 6

schenking uit ds;

bibliotheek van b-M. de koningin

leiden; boekdrukkerij van l. van nifterik hz.

ocr page 7

I N H O U D.

Bladz.

De Slang bij haren staart gevat........9

De Barmhartige Samaritaan................20

Opstanding en leven....................26

De eeuwige God zij U tot een woning............34

De Godsrivier.......................44

Gezegende smart.....................53

De zoekende Jezus.....................58

De Bekeering van den Kamerling..............65

ocr page 8
ocr page 9

Vriendelijke Lezer !

Laat mij als eene kleine inleiding tot dit schrijven U de aanleiding daartoe mogen mededeelen. Dat zal tevens tot blijdschap zijn van eenen mij tot nu toe onbekenden Broeder, aan wien ik veel te danken heb. In den lijdenstijd van het jaar 1882 door eene langdurige ziekte genoodzaakt mijn kamer te houden, kwam mij een blaadje in handen van het Java-Comité. Dat blaadje droeg ten opschrift; Wat is er in uwe hand? en naar aanleiding van dat woord, toonde de schrijver aan, dat God aan ieder Christen iets heeft geschonken waarmede hij kan woekeren en werken tot nut en tot heil van anderen. Na dat blaadje gelezen te hebben, dacht ik: als de Heere God nu ook aan mij vraagt: „Wat is er in uwe hand?quot; wat moet ik dan antwoorden ? Toen vatte ik het besluit op om, waar ik niet kon werkzaam zijn door mijn woord, ten minste iets goeds te doen met mijne pen; en hoewel met groote lichaamszwakte schreef ik gedurende mijne ziekte de eerste dezer Schriftbeschouwingen; daarna een boekje getiteld: „Woorden van een heiden of De Bijbel in het kleinquot;, en eindelijk eene verklaring van „De Hebreënbrief in eenvoudige Bijbellezingenquot;. Ik had het genoegen dat weldra een duizendtal exemplaren door ons land verspreid waren. Toen schreef mij een lieve Broeder van het eiland Marken: „Klaag maar nooit meer als God U een weinig tijd in huis laat blijven, want uw geschriften komen verder dan uw woord en zijn hier met zegen gelezen.quot;

ocr page 10

8

Dat alles heb ik dus in den middelijken weg aan den schrijver van het blaadje te danken. Ik had mijne pen leeren gebruiken, en hersteld zijnde dacht ik nog eenmaal aan de vraag door God gericht tot Mozes; „Wat is er in uwe hand? en hij zeide; een staf. En die staf van Mozes kreeg voor mij zooveel beteekenis, dat ik er een gedicht over maakte en mijn eerste bundeltje verzen: „De Staf van Mozesquot; heb genoemd; welk bundeltje later door twee anderen werd gevolgd. Daarom dank ik bij dezen den mij onbekenden Schrijver van het Zendingblaadje voor zijn goed en voor mij zoo gezegend woord, en zeker zal hij het goedvinden als ook in de volgende Schriftbeschouwing enkele zijner gedachten nog een plaats vinden. Het woord voor twee jaren door mij geschreven, was nu voor mij tot troost en gaarne wil ik het nu ook anderen aanbieden, met de hoop en de bede dat God het eenvoudige woord genadig gelieve te zegenen. Verder zijn in dit boekje geplaatst zes toespraken gehouden in het „Tehuis voor Militairenquot;, en één toespraak door mij eenmaal gehouden in „Opstanding en Levenquot; in de Bagijnestraat te 'sGra-venhage. Van de vier laatste Schriftbeschouwingen zijn reeds 500 exemplaren gedrukt en geplaatst. Na door velen met zegen gelezen te zijn, hoop ik dat zij andermaal ten zegen bevonden'mogen worden.

Verder heb ik hier niets bij te voegen, dan alleen de plechtige verzekering: dat wij Gods eer alleen bedoelende, bij het streven naar meerdere heiligmaking voor ons zeiven, gaarne ten zegen wen-schen te zijn voor anderen; inzonderheid voor den wees, de weduwe en den vreemdeling.

J. VAN BEIJEREN.

's-Gravenhage, Lijdenstijd 1885.

ocr page 11

De slang bij haren staart gevat.

Exodus 4:2, 3, 4.

En de Heere zeide tot hem: Wat is er in mve hand? en hij zeide: een staf.

En Hij zeide: werp hem ter aarde; en hij wierp hem ter aarde. Toen werd hij tot eene slang; en Mozes vlood van haar.

Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek uwe hand uit, en grijp haar bij haren staart! Toen strekte hij zijne hand uit en vatte haar; en zij werd tot eenen stof in zijne hand.

In de ootmoed zijns harten, kan een geloovig man zich tot een goed werk onbekwaam achten, terwijl hij door God bekwaam wordt geacht, voor een werk zoo groot, dat het nageslacht er nog met bewondering op blijft storen. Zie dit bewaarheid in Jlozes, den man die door God werd geroepen om een volk uit de slavernij te verlossen, en te vormen tot een Godsvolk eenig in wording, in wetten, en in historie.

Een mensch kan zich zeer arm wanen, en toch in het bezit zijn van eenen onopgemerkten rijkdom; zie ook dat in Mozes

ocr page 12

10

bewaarheid. In MMian hoedde hij de schapen van zijn schoonvader Jethro; zij waren hem slechts toevertrouwd; geen enkel schaapje mocht hij het zijne heeten; en toch bezat hij een rijkdom, maar die hij nooit had opgemerkt; het was zijn staf.

Voor God ons iets bijzonders geeft, maakt Hij ons opmerkzaam op hetgeen wij reeds bezitten, en op hetgeen wij kunnen doen met hetgeen wij bezitten.

De Heer deed aan Mozes de vraag: Wat is er in uwe hand? en hij zeide: een staf.

Wel niv dien staf kunt gij ter aarde werpen, en hij zaleene slang worden, maar gij kunt hem ook geloovig aangrijpen, en hij zal u tot een wonderstaf worden om zeeën te droegen, rotsen te splijten en overwinningen te behalen over uwe vijanden.

Te midden zijner gewaande armoede, is die staf dus Mozes werkelijke rijkdom; en het eenvoudige middel tot het groote doel: Israël te brengen tot het geloof dat de God der Vaderen, de God van Abraham, Izaak en Jakob aan Mozes verschenen is; en nu, de dag der verlossing, de dag eener nieuwe en heerlijke Godsopenbaring is aangebroken, voor het arme verdrukte volk van God.

Neem dan, zegt de Heer, dezen staf in uwe hand, waarmede gij die teekenen zult doen.

Eerst was die staf slechts een eenvoudige herderstaf, een stok van een boom afgesneden; maar nu, bezien met het oog des geloofs, nu aangevat op Godsbevel met geloof des harten, nu is de herderstaf een wonderstaf geworden. In Exodus 4: 20 lezen wij dit veelbeteekenende woord: En Mozes nam den staf Gods in zijne hand.

Met dien staf moest Mozes Israël verlossen uit het onge-

ocr page 13

u

loof des harten, en uit de maclit van Farao. Met dien staf moest hij de goden van Egypte vergruizen, zeeën droogen, rotsen klieven, Amelek doen vluchten.

Zou die staf van Mozes, hoewel een oud wapen, niet nog bruikbaar zijn voor onzen tijd? De verheerlijkte Mozes behoeft hem in den hemel niet meer, dat die staf ons dan nu diene op aarde in den strijd die ook door Mozes hier beneden gestreden is geworden; den strijd van het geloof, voor liet geloof, door het geloof.

Voor het oorlogvoeren vinden de volken steeds nieuwe moordtuigen uit, om broeders te dooden, medemenschen die toch ook van Gods geslacht zijn. Maar in het wapenhuis des Grooten Konings zijn oude beproefde wapenen te vinden, geschikt voor een edeler strijd; den strijd van het rijk des lichts, tegen het rijk der duisternis.

Daar hangt de staf van Mozes, de ossenstok van Samgar, de slinger van David; daar zijn pijlen die treffen in het hart van des konings vijanden; daar is de gansche wapenrusting Gods vermeld in Efeze C, De gordel der waarheid: het borstwapen der gerechtigheid, de sandalen des vredes, het schild des geloofs, de helm der zaligheid, het zwaard des Geestes hetwelk is Gods woord.

Laat ons den staf van Mozes opnemen en opmerkzaam beschouwen, om tot de zekerheid te komen hoe die staf ons nuttig kan zijn voor het leven, tot zegen ook voor het leven van onzen geest. Indien iemand mocht vragen: «Waartoe zulk een staf wel zou kunnen dienenquot;, Mozes zal hem antwoorden: Om een volk uit de ellende te verlossen, om in den strijd de overwinning te behalen, om water uit de rotsen te doen vloeien, om een pad te banen door rivieren en zee. Zoo wordt het eenvoudigste voorwerp gebruikt tot het heer-

ocr page 14

12

lijkste doel. De heerlijkheid van het alledaagsche bestaat hierin, dat wanneer het aan God gewijd wordt, God er den mensch door tot een zegen stelt voor anderen. Wat is toch meer alledaagsch dan de staf van een herder, de ossenstok van een ploeger, het net van den visscher, de penningen eeaer weduwe, de naald eener vrouw, de pen van een schrijver, het penseel van een schilder, de bijtel van den kunstenaar? en toch, indien men deze alledaagsche dingen aan don Heere God toewijdt, worden zij tot een zegen, voor enkelen, voor geslachten, ja zelfs voor eeuwen.

De staf van Mozes wordt het middel waardoor een geheel volk tot het geloof komt in de Goddelijke zending van Mozes; het middel waardoor een geheel volk gedurende veertig jaren gezegend wordt; het middel waardoor God gedurende vele eeuwen verheerlijkt zal worden; ja zelfs in de heerlijkheid is de staf van Mozes nog niet vergeten, want door alle eeuwigheden heen wordt door de zaligen aan de glazen zee gezongen »het lied van Mozes en het lied des lams.quot;

Zoo dient na eeuwen, die staf nog in den hemel tot Gods lof, en ons kan hij dienen op aarde als wapen in den strijd.

De staf van Mozes is immers dezelfde die God ons verleend? De wonderstaf des geloofs, waarmede wij staande onder het kruis alle dingen hebben aan te raken; de wonderstaf des geloofs waarmede de overwinning wordt behaald in iederen strijd van ons leven, in iederen strijd die de gemeente heeft door te maken in den loop der eeuwen?

Samgars ossenstok verslaat nog de Filistijnen, David's slinger heeft nog geen rust, maar dient nog altijd, om de gladde steenen uit de beek van Gods Woord neer te doen zinken in het voorhoofd van iederen Goliath des ongeloofs en des twijfels. Maar zoo is het nu ook met al de alle-

ocr page 15

13

daagsche dingen n reeds genoemd. Het wondere mosterdzaadje blijft wassen, het zuurdeeg blijft werken, het visschers-net rust niet; de penningen der weduwe zijn tot eene nog altijd vloeiende goudstroom geworden, en Nardusflesschen als die \ran Maria van Bethanië worden nog voortdurend gebroken, en de liefdegeur vervult het geheele huis reeds meer dan achttien eeuwen.

De naald van Dorcas roest niet, want telkenmale klinkt de stem weder: »Thabitha, ik zeg u, sta op!quot; en de nieuwe Dorcas begint van voren af aan, evenals in Petras dagen rokken te naaien en Ideederen te vervaardigen voor weduwen en weezen.

Wie goed den staf van Mozes bezien heeft, zal de les wel leeren om het alledaagsche tot heerlijkheid te brengen door het aan God toe te wijden.

De staf van Mozes op de aarde geworpen werd tot eene slang, zoo kan het nuttigste voorwerp aan de aarde gewijd een vloek worden, zoodat de mensch terugschrikt voor de gevolgen van zijn eigen daad en werk.

Het is eene belangrijke zaak den herderstaf over eene gemeente te aanvaarden. Herder te zijn over de kudde van Jezus is een voorrecht, en een eer die aan geen Engel vergund wordt, want tot geen troongeest, maar wel tot een mensch komt het woord: hoed mijne schapen, weid mijne schapen, weid mijne lammeren. Maar een nietig herder is hij die zijn staf aan de aarde wijdt; die zich verlaagt van bedienaar des Goddelijken Woords tot verkondiger van de menschelijke wetenschap; die niet bedenkt de dingen die Gods zijn maar die der menschen zijn, en daardoor in plaats van tot zegen voor zijne hoorders, hen tot een vloek wordt. . Laat die prediker ernstig zijn, zoetvloeiend, zachtdringend.

ocr page 16

14

ja zalvend zijn, als Jezus hem ontmoet zal hij tot dien nie-tigen herder zeggen: Ga weg achter mij satanas, gij zijt mij een aanstoot; uw herderstaf is tot een slang geworden. De leerhng gaat verder dan zijn meester; verwerpt de leeraar het geloof in Christus, straks verwerpt de leerling het geloof in God. En als dan hier op aarde reeds, de vrucht van die daad is, dat de leerling goddeloos, zedeloos, hopeloos wordt, zal men dan niet terugschrikken van de oorzaak die zulke gevolgen heeft? De herderstaf aan de aarde gewijd is tot een slang geworden.

Zoo is het nu niet alleen met den herderstaf, maar ook met de pen van een vaardigen schrijver. Aan God gewijd wordt dat voorwerp tot eenen rijken zegen, aan de aarde gewijd wordt het een vloek. Nog danken wij het voorgeslacht voor den schat van Godgeleerde werken, ons nagelaten door vele vrome mannen, die zich den tijd gaven iets te leveren waaide gemeente op teren kan. Ook danken wij een Martinet voor zijnen Catechismus der natuur, en zoo menigen ontslapen dichter voor zijne heerlijke zangen. Maar de pen wordt eene giftige slang, wanneer zij, in de gal gedoopt, dienen moet om broeders te kwetsen, om verdeeldheid te stichten, om onge-loofstheoriën te verbreiden, om den Christus te bespotten, om den almachtigen God te hoonen. Zoo is het ook met het penseel of den bijtel des kunstenaars. Een vroom man heeft eenmaal gezegd: De kunst is een Maria die Christus zalft, wanneer dezelve door Christenhanden beoefend wordt, maar ook een tout, dat in wilde vlammen uitslaat, wanneer zij in dienst der wereld gesteld wordt.

Aan God gewijd wordt de kunst tot een zegen, aan de zonde gewijd wordt de kunst tot een vloek. Wee over den schilder wiens penseel dient om onreine gedachten te wek-

ocr page 17

15

ken door voorstellingen van ontucht in de godenwereld gepleegd en zooveel andere schandelijke tooneelen als er meer worden gevonden.

De eenvoudige naald kan tot een zegen zijn voor het huisgezin, de maatschappij en de gemeente; maar wordt tot een vloek als zij dient voor het versiersel der ontuchtigen.

Het nuttigste voorwerp dat in uwe hand is, kan tot eene slang worden wanneer het dient om den mensch te verheerlijken, om wereld en zonde te dienen, en God te onteeren.

Mozes schrikte terug voor zijn eigen werk, toen hij de ter aarde geworpen staf tot eene slang zag worden.

Zoo is het met duizende menschen reeds gegaan en zoo gaat het nog. Er wordt een daad volbracht schijnbaar gering van beteekenis, maar de gevolgen worden niet overzien, en als men dezelve eenmaal overziet, schrikt men voor zijn eigen werk terug en zou wel om alles willen dat die daad ongedaan was gebleven. O, die eenvoudige staf die zoo nuttig voor de kudde kon wezen, hij is in eene slang veranderd.

Wel hem, die nog bijtijds terugschrikt, en van Mozeswil leeren, hoe de vloek in een zegen kan verkeeren door de daad des geloofs.

•Jan Luijken lag op zijn ziekbed; daar viel zijn oog op zijne nitgemagerde handen, en hij zag welk een kunstwerk God hem in die handen had geschonken. Hij bedacht hoe hij die handen nooit tot eer van God gebruikt had bij het etsen van koper, maar nu bad hij met ootmoed, dat God hem mocht sparen, en deed de gelofte, dat hij, indien hij hersteld werd, zijne kunst aa,n God en Ziju dienst wilde wijden. God richtte hem op, en wij danken den tot God bekeerden Luijken nog voor zijn leerzaam huisraad, de bijenkorf

ocr page 18

IG

des gemoeds en zoovele andere uitnemende werken. Hij had de slang bij haren staart gevat, en zij werd voor velen een staf Gods.

Hoe de slang in een staf Gods, hoe de vloek in een zegen kan veranderen; zie dat in Mozes. De Heer zeide tot Mozes, strek uwe hand uit, en grijp haar bij haren staart. Toen strekte hij zijne hand uit en vatte haar bij haren staait. en zij werd tot een staf in zijne hand. God had gesproken; Mozes had nu te hooren naar, en te gehoorzamen aan het Goddelijk bevel; en in den weg van geloofsgehoorzaamheid, werd de zegen des geloofs verkregen. In dien weg verandert de slang; nog altijd in een staf Gods; het hout van vloek en schande verandert in een boom des levens, het kwade wordt ten goede gekeerd, en de vloek in een zegen veranderd.

Zoo hebben wij den staf van Mozes beschouwd in het nut dat ook wij er van kunnen hebben voor het dagelijksch leven; maar die staf kan van dienst zijn ook voor het leven van onzen geest. De mensch heeft vriendschap met de slang gemaakt maar God heeft in Zijne genade vijandschap gesteld. Daar zijn nu twee toestanden het gevolg van; namelijk: De ellende van den mensch die nog droomt van geluk; en het geluk van den mensch die zich ellendig begint te gevoelen.

Als een sterkgewapende zijn hof bewaart, is al wat hij heeft in vrede; dat is de treurige toestand van den mensch buiten God. Gansch en al in de macht des duivels, is zijn oog voor de ellende gesloten, en hij waant zich gelukkig aan den rand van de hel. Maar als Hij komt, die de sterke God genaamd wordt, dan wordt de valsche rust verstoord, en onvrede Avordt geboren. Vindt nu die verontruste ziel dooi

ocr page 19

17

de genade Gods rust aan den voet van het kruis; dan is er vrede van binnen, maar van buiten komt strijd.

Wereld en duivel, booze menschen en booze machten spannen tegen den geredden zondaar samen. Dan voelt men eerst in waarheid de vrees die Mozes hart vervulde toen zijn eigen staf in eene slang veranderde.

Dan ziet men duidelijk de gevolgen van Adams val; dan pijlt men eerst de diepte der ellende van eigen hart en leven; want indien wij niet van nature in zoo booze macht geweest waren, zij zou zich later niet zoo woedend tegen ons keeren. De geredde ziel verstaat dan ook alleen de smartkreten der schepping, den angstkreet der eeuwen, het advends-gebed van geheel het oude Godsvolk: Och, of Gij uw hemel scheurdet, en dat Gij nederkwaamt.

Gelukkig wie het dan leert de slang bij den staart te vatten in gehoorzaamheid aan Gods bevel.

Wie haar goed bij den staart vat, kan met haar gif niet meer bezwadderd worden, en met haar staart niet meer worden geslagen.

Wie bij eigen ervaring de ellende der zonde leerde kennen, wie den vloek en schrikverwekkende gevolgen van het kwaad leerde inzien, hij kan tot een zegen worden voor anderen, even als Mozes voor geheel zijn volk.

Wie satans macht en listen leerde kennen, kan door dezelve openbaar te maken, anderen er tegen wapenen, of de wapenen aanwijzen. Zoo wordt de slang bij haren staart gevat. Wie de duivel durft wederstaan zal hem zien vlieden, want hij is een lafhartig vijand. Wie de slang bij haren staart vat wordt voor goed haar meester, het grootste kwaad veranderd in het grootste goed door het geloof in Gods macht en getrouwheid. Mijn broeder ik bid u bestudeer deze blad-

2

ocr page 20

18

zijde uit liet leven van Mozes. Zooals Mozes of zijn stap de aarde wierp, hebt gij immers eertijds uw leven, uw gaven, uw krachten aan de aarde gewijd; en even als de staf in eene slang veranderde zoo is immers de invloed van het onbekeerde leven tot een vloek voor anderen? 0 mocht, nu gij u door Christus gegrepen weet, uw leven ten zegen worden voor velen. Neem dan dezen staf in uwe hand, waarmede gij al die teekenen doen zult, ten bewijze dat God ook tot u heeft gezegd: Heb ik u niet gezonden?

Laat de staf van Mozes oud zijn, verouderen zal hij nooit. Laat ons de staf Gods aanvatten met eenen vasten hand, met een geloovig hart, en hij zal blijken een machtig wapen te zijn in zoo menigen strijd. Zoolang die staf geloovig omhoog wordt geheven zal iedere vijand vallen. Die gelooft zal niet beschaamd gemaakt worden in eeuwigheid.

Jezus Christus de Middelaar van een beter verbond, de Verlosser eener verloren menschheid, heeft de oude slang den kop vertreden, en zal hem straks voor goed bij den staart vatten. Dan zal het woord vervuld worden; »en de duivel die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en des sulfers, alwaar het beest en de valsche profeten zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid;

De overwinning is ons in Jezus Christus gewaarborgd. Zoo laat ons dan strijden voor Jezus en de zaak desHeeren; met do hoop in het hart, met de moed in het oog, met het lied op de lippen:

Omhoog! omhoog!

De kruisbanier omhoog!

Waar die toonen schallen,

ocr page 21

19

Moet de satan vallen; Jezus, Jezus,

Zion's Koning leeft!

Terneer! terneer!

Valt op de knie terneer! Alles moet Hem eeren. Hem den Heer der Heeren, Jezus, Jezus,

Zion's Koning leeft!

AMEN.

Wie de vervaardiger van dit lied is weet ik niet, dat ik het vaak met vreugde gezongen heb te Alphen a/d Rijn, weet ik wel. Daar leerde mijn nu zalige vriend Mathijs Kop het ons zingen op de Zondagschool waarvan nu reeds menig kind met hem het lied des Lams mag zingen in Gods zaligen hemel.

ocr page 22

De barmhartige Samaritaan.

lukas 10 : 25—37.

Deze schoone gelijkenis is een antwoord van Jezus, gegeven op de vraag van een -wetgeleerde.

De Heer was waarschijnlijk te Jericho. Zijne zeventig discipelen, die Hij twee aan twee uitgezonden had, kwamen van hunne zendingsreize terug, met een hart vervuld met vreugde. Zij hadden de macht aanschouwd dien er gelegen is in den naam van Jezus; want voor dien naam waren de duivelen beducht geweest en waren uitgegaan uit de ongelukkige bezetenen; kranken waren hersteld, treurigenwaren verblijd geworden; en de Heer verblijdde zich met zijne gelukkige jongeren. Hij wist het dat Satan voor Zijn naam was gevlucht. In den geest had Hij dien vijand der men-schen als een bliksem uit den Hemel zien vallen; dat is, beroofd van macht van zijnen troon zien nederstorten. Ziet, zegt de Heer, Ik zal uwe blijdschap nog doen toenemen, door uwe macht te vermeerderen. Ik geef u macht om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle macht des vijands, en geen ding zal u beschadigen. Vreest niet! over

ocr page 23

21

tegenstand en gevaren zult gij zegepralen door uw geloof.

Maar daar is nog grooter rede tot blijdschap voor u dan deze, dat de duivelen u onderworpen zijn. Verblijdt u hierover, dat uwe namen zijn geschreven in het boek des levens. Dat denkbeeld: Mijne jongeren zullen voor eeuwig zalig zijn! maakt het hart van Jezus zoo gelukkig, dat Hij God dankt, die in Zijn eeuwig welbehagen den weg der zaligheid, die voor wijzen en verstandigen verborgen is, aan kinderen heeft geopenbaard. Om dien weg tot zaligheid daar te stellen, heeft God alle dingen aan Zijnen Zoon overgegeven. Die Zoon wordt alleen volkomen door den Vader gekend, evenals Hij alleen volkomen bekend is met den persoon en het wezen des A' aders. Maar de kennis van God, wordt door Jezus medegedeeld aan de Zijnen. Terwijl de gedachte aan de eeuwige zaligheid Zijner jongeren het gelukkige hart des Heilands vervult, zegt Hij tot Zijne discipelen: Zalig zijn de oogen die zien, hetgeen gij ziet, want vele profeten en koningen, hebben verlangd te zien en te hoeren, wat u geschonken is. Maar terwijl de Heer zoo met zijne jongeren spreekt zijn er ook andere personen bijgekomen; en een wetgeleerde met een vrome tong en een boos hart, staat op en vraagt, met het doel om don Heer te verzoeken; Meester wat zal ik doen om het eeuwige leven te beërven ? Op een vraag die onmogelijk is, geeft de Heer ook een antwoord dat onmogelijk is voor den mensch zonder geloof. Doen en erven is even onmogelijk dan dat een natuurlijk mensch, God en zijn naaste zou kunnen liefhebben. Maar de Heer gebruikt de wet, om tot zelfkennis te brengen. De Heer vraagt: Wat leest gij in de wet? En de geleerde vat de tien geboden te zamen m twee: Heb God lief boven alles en uwen naaste als u zeiven. Nu zegt de Heer; Wilt gij door doen, het leven be-

ocr page 24

22

erven, doe dit dan, vervul deze geboden, en gij zult eeuwig leven; heb God en uwe naasten hartelijk lief! Dit antwoord doet den geleerde gevoelen, dat de Heer van hem veronderstelt dat hij zulks nog niet deed.

Eu deze veronderstelling was juist, want wie zijn naasten bemint, zal hem niet verzoeken.

Maar de geleerde man is door deze vooronderstelling gekrenkt. Hij wil zich zeiven rechtvaardigen en vraagt: quot;Wie is mijn naaste, immers mijn volk? Meent gij dan dat ik Israël, mijn volk, en wat meer zegt, het volk van God niet zou liefhebben? Nu, zegt de Heer, oordeel of gij zulks deed, na het hooren van deze gelijkenis.

Een zeker mensch, onverschillig of het een jood of een heiden ware, kwam van Jeruzalem naar Jericho, dus door de woestijn die altijd wemelt van roovers.

De Bedoinen, die er geen bezwaar van maken, iemand te vermoorden en te plunderen, omdat hunne hand is tegen allen, en de hand van allen tegen hen, vielen ook dezen reiziger aan, en hij werd uitgeschud en mishandeld tot dat hij half dood was. Toen lieten zij hem liggen en trokken af. Nu kwam daar bij geval, dat is juist op dien tijd, een zeker priester voorbij, wie 't was, doet er ook weder niet tóe, hij kwam denzelfden weg af en zag dezen man liggen, maar in plaats van hem te helpen, ontweek hij hem en ging tegenover hem voorbij.

En evenzoo handelde een Leviet. Na den ongelukkige gezien te hebben, ontweek hij hem en ging zijns weegs. Evenwel de Leviet deed nog meer dan de trotsche priester, die zijne roeping vergat, hij kwam en zag hem, hij wilde hem misschien helpen, had medelijden met hem, maar vreesde eigen gevaar en ging daarom door.

ocr page 25

23

Maar de Samaritaan kwam en hielp; hij van wien men het niet zou verwachten; allerminst als de lijder, een jood is geweest. De Samaritaan werd met medelijden, met ontferming' bewogen. Hij vergat eigen gevaar, en dacht alleen aan de redding van zijn naaste. Hij nam den tijd om olie en wijn, (een oud middel tot zuivering en genezing), in de wonden te gieten, hief hem op zijn eigen ezel, en voerde hem in een herberg of karavanserij waar allerlei menschen en beesten werden verzorgd. Daar verzorgde hij den lijder zelf zoolang hij kon, en toen hij den volgenden dag noodzakelijk moest vertrekken, gaf hij aan den waard twee penningen of denariën, twee dagloonen eens mans. Nu gelastte hij den waard goed voor den lijdenden man te zorgen, de onkosten waren voor zijne rekening en zouden op zijne terugreis worden voldaan.

Nu laat de Heer den wetgeleerde in dit zwaard vallen als hij zegt: Wie toonde den naaste lief te hebben? quot;Wie toonde het meest in dien lijdenden, hulpbehoevenden, naakten vreemdeling, zijn naaste te zien?

En de wetgeleerde moet met een knagend geweten betuigen, omdat zijn verstand hem er van overtuigde: die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zoo toonde de ongelukkige geleerde zijn hoogmoed nog hierin, dat hij den naam Samaritaan niet wilde noemen. Hij had den moed niet om rondweg te zeggenj de Samaritaan was de naaste; daar streed zijn Joodsch karakter tegen.

Die barmhartigheid gedaan heeft, en die barmhartigheid ontving, waren elkanders naasten. Toen zeide Jezus, ga heen en doe desgelijks. Zie niet in de joden, maar in ieder mensch uw naaste, uw broeder. Vraag niet naar nationaliteit of religie, maar help waar ellende is, en waar gij helpen kunt. Deze

ocr page 26

24

gelijkenis is een kantteekening op de tweede helft der wetr is de grondslag van de Christelijke philantropie, is een prediking door Christus, van Zijne liefde voor de arme lijdende menschheid; want Hij is de Barmhartige Samaritaan. De woestijn is de, om der zonde wil verwoeste aarde, Jeruzalem is de stad Gods, Jericho is de vervloekte stad. Toen de mensch Gods gemeenschap verliet, en naar de stad verderf op reis ging, viel hij in moordenaarshanden. Ten doode gegrepen, ontkleed en bloedend uit duizend wonden, ligt daar de arme menschheid. Maar Hij die veracht was en dien wij niet geacht hebben, kwam en goot balsem in de schrijnende wonden der menschheid; Zijn bloed en Zijn Geest. Hij droeg ons en onze krankheden, en liet zich striemen om ons te genezen. Als de barmhartige Samaritaan werd Hij borg, voor wat wij schuldig zijn, en Golgotha werd de plaats onzer heeling.

Hij liet ons de armen en lijdenden na, niet om ze voorbij te gaan of te vertreden, maar om hen het dankbare voorwerp te maken, der weldadigheid huns broeders. De aarde zou hemel zijn, als ieder in zijn medemensch zijn naaste zag, en wilde liefhebben als de barmhartige Samaritaan, dezer gelijkenis.

Geen priester, geen Leviet,

Maar gij, zoo zegt de jood:

Gij zijt mijn hoeder.

Gij zijt mijn naaste,

Gij zijt mijn broeder.

De wetgeleerde meende Gods eisch te kennen, en kende dien niet. Hij meende Gods wet te volbrengen en kon het werkelijk niet.

ocr page 27

25

Dat is onze blindheid. Hij wilde zich zeiven rechtvaardigen. Dat is onze hoogmoed.

Hij die het leven zoekt in de wet, vindt er den dood, want het werken kan de rust niet geven, waarnaar de ziel voortdurend smacht. Om ons onze onmacht ten goede te leeren kennen, komt de Heer met Zijn eisch: doe dat, en gij zult leven! Hij doodt om levend te maken; het leven ligt achter den dood. Dat leven is het leven der zelfverloochenende liefde. De ware philanthropie wordt uit Barmhartigheid geboren.

Do Samaritaan is niet alleen menschlievend, maar meer dan dat; hij is de Barmhartige Samaritaan. De wetgeleerde heeft zijn eigen vonnis uitgesproken in het woord » die barmhartigheid gedaan heeft.quot; Gra heen, en doe desgelijks, zegt de Heer.

Toetsen wij ons aan dat woord, verootmoedigen wij er ons bij; beoefenen wij het altijd meer, door niet te vragen; wie is mijn naaste; maar wie kan ik helpen ? Laat ons eindigen met een woord van twee vrome mannen Lako en Gerok. De eerste zegt: »Ga hier uwen naaste koud voorbij, zoo zal hij u daar in den weg liggen, zoodat gij voor de poort des hemels moet omkeeren.quot; En de andere herinnert ons dat tot de ware liefde van den Samaritaan behoort: »Een helder oog, om den nood van den naaste te zien; een warm hart, om den nood van den naaste te gevoelen; een gewillige hand om den lijdende te helpen; een getrouw geheugen om den lijdende niet te vergeten.

Dat alles werd bij Jezus Christus gevonden. Gelijk Hij dan was in deze wereld, weest ook gij alzoo.

A JI E N.

ocr page 28

Opstanding en leven.

De naam van dit huis is mijn onderwerp voor dit uur. — De opstanding en het leven, zoo noemt Jezus Christus zich zeiven, en dat wil Hij zijn ook voor u. Opstanding en leven dat is het werk van Gods Geest in ons hart; dat is het deel van elk die gelooft.

In het llde hoofdstuk van Johannes, uit hetwelk ik met u wil lezen, wordt van opstanding en leven gesproken. Eenige gedachten over dat woord deel ik u mede, om dan te eindigen, met een geschiedenis waarin dit huis is betrokken, zoodat niet te vergeefs die naam prijkt in dezen gevel. Wij lezen Johannes 11:1-—45, na eerst nog gezongen te hebben Gez. 19 : 3 en 4.

Dierbre Heiland! die mijn smarte.

Die mijn schulden hebt getorscht,

Dierbre Heiland! ook mijn harte

Eert U als den Levensvorst.

Zouden uw beloftenissen,

Uwe woorden immer missen?

Neen, miljoenen kwijnden heen.

Moedig op Uw' trouw alleen.

ocr page 29

27

Op Uw stem, staat op gij dooden!

Staat de dood, zijn zeeg' ü af;

Op Uw stem, staat op gij doodeu!

Rijst het leven uit het graf:

Leven, leven eeuwig leven Zal Uw liefde mij dan geven.

En geen zonde, smart of pijn Zal in eeuwigheid meer zijn.

Het woord, naar aanleiding waarvan ik tot u spreek vindt gij in het 255te vers van Johannes 11.

»Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven: die in mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven.quot;

Door het ijs naar de bloemen, door 't duister naar 't licht, voert ons deze wentelende wereld. Langzamer neigt de dag reeds naar den avond, vroeger breekt welhaast het daglicht weer aan, en eer wij het weten is de winter doorgestaan; dan komt weder de lieve lente voor degenen die het beleven mogen, met groen en bloemen en leven, ja duizendvoudig leven in Grods schoone schepping. Leven zoo meent gij, maar merkt gij dan niet de reuk van het graf?

Wat wij leven noemen, is de dood, de dood door de zonde, in het leven doorgedrongen, de dood op ieder gebied. Het gras, de bloem, de sterke eik, het redeloos dier, de redelijke mensch, alles sterft; 't vergaat, 't vergaat, 't vergaat! Maar die op Jezus Christus bouwt, en Hem gelooft, bestaat.

Er is eene opstanding, en een eeuwig leven voor ons lichaam, onze ziel, onzen geest. Daar is een driemaal geboren worden. De geboorte uit water, of de natuurlijke geboorte; de geboorte uit geest, of de vernieuwing des harten; de

ocr page 30

28

geboorte tot hooger leven, door den dood. Want als wij Christenen zijn, is de dood een geboren worden voor het leven der eeuwigheid.

Er is een drievoudige dood, een drievoudig oordeel, een drievoudige opstanding. De mensch buiten God levende, is dood in zonden en misdaden. Dat is de dood, door duizenden niet gevreesd; het sterfuur is de dood waarvoor allen sidderen.

De opstanding tot verdoemenis, is de tweede dood; waaraan men liefst volstrekt niet denkt.

Zoo is er een drievoudig oordeel; het oordeel der publieke opinie, daar laat men zich het meest aan gelegen liggen. Het oordeel van ons eigen geweten, daar geeft men minder om. Het laatste oordeel voor den rechterstoel van Christus; daar lacht men om, als een oudwijfsche fabel. Hel en verdoemenis en oordeelsdag bestaan immers niet?

Dood is dood, zegt de arme mensch, die gaarne den hemel prijs geeft voor een handvol stof.

Maar zoo is er nu ook een drievoudige opstanding; eerst de opstanding der ziel, dan die des geestes, eindelijk de opstanding des lichaams.

Maar alles is het werk van Hem die gezegd heeft: Tk ben de opstanding en het leven, die in Mij gelooft, zal leven, ook al ware hij gestorven. Wilt gij den dood der ziel zien, merkt dan op velen onzer kerkgangers. Zij hoeren de ernstige prediking, het gebed en het gezang, en hooren toch blijkbaar niet; want als men hen iets vraagt, zijn zij alles vergeten. Met het minste gevoel is er voor de ernst des levens; niet met de prediking, maar met de volle kerk bemoeit men zich. God helpt, redt, zegent, beproeft, maar men ziet Zijn hand niet. Men spreekt over alle mogelijke dingen, maar kan niet spreken over God en Zijn dienst, Zijn woord,

ocr page 31

29

Zijn huis, Zijn volk; men voelt zich vreemdeling in elk huis, waar God gevreesd en beleden wordt. Doof, blind, stom, gevoelloos; dood in één woord; dood in zonden en misdaden.

Maar Jezus leeft, en geeft het leven. De zondaar wordt aangeraakt door Zijn hand, wordt door Hem uit het zondegraf opgeroepen tot het leven, en zie nu dien mensch; hoo-ren met aandacht; spreken met belangstelling; bidden met ernst; zingen met gevoel; strijden met moed; want zijn verstand is verhelderd, zijn geweten ontwaakt, de wil verandert gansch en al. Dat is nu de opstanding der ziel, de ontdekking van schuld, het komen tot overtuiging van zonde, het belijden van schuld, het bidden om vergeving en leven. Het leven is gegeven, en deelt zich nu mede aan den geest.

't Geloof breekt door in 't duister hart; met heete tranen valt men neder. Maar nu geen tranen meer van smart. En de Engelen slaan het schouwspel gade; een ziel in zonden dood weleer, maar nu gered door Gods genade, zij zingen 't loflied 't Lam ter eer.

De verlorene werd gered, de doode werd levend gemaakt, opstanding en leven werden geschonken en een opstandingsleven wordt van nu aan geleefd. Dat is een leven dat den dood overwint, geen vrees meer kent, dan de vrees voordo zonde. Dat leven eindigt niet in het graf, maar overwint het graf, en leeft in 't geloof aan den komenden opstandings-morgen.

Opstanding en leven; heerlijke gedachte, rijke troost voorden Christen. Hier is hij reeds zalig in hope, heeft vrede met God, weet zich gerechtvaardigd voor God, een kind van God, een mede-erfgenaam van Christus. Het eenige wat hem Mndert is het lichaam der zonde, doch ook dat ontvalt hem

ocr page 32

30

bij het sterven; clan klinkt het over zijn graf: Zalig zijn de dooden die in den Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid, en hunne werken volgen hen. Zalig hier, zalig daar, maar volkomen zalig in den dag der opstanding. Dan zalig met geest en ziel en lichaam.

Opstanding en leven; vreeselijk woord voor den mensch die buiten Christus leeft; hier geen vrede, geen genot, dan het lage genot der zonde, in het lichaam gediend, maar nu zonder lichaam niet meer mogelijk. Ellendig hier, ellendig daar maar ten diepste ellendig In den dag der opstandingj als lichaam, ziel en geest geen ander lot overblijft, dan de hel met al haar jammeren eene opstanding maar tot verdoemenis en een eeuwig afgrijzen. O, het woord «eeuwigheidquot; is een donderwoord voor goddeloozen, maar hemel-muziek voor den Christen, die hier heeft gehoord naar het woord: ontwaak gij die slaapt, en sta op uit de dooden, en Christus zal over u lichten.

Een jongeling wilde thuis maar niet deugen, en deed zijnen vromen ouders veel verdriet aan. Eindelijk ging hij naar zee, en zwalkte eenige jaren rond, totdat hij bij een schipbreuk bijna het leven verloor. God spaarde hem, en het scheen of hij eenige indruk van zijn levensgevaar had bekomen. Hij verliet het zeeleven en werd husaar, maar begon nu een soldatenleven te leiden in den ergsten zin van dat woord. Zoo zat hij op zekeren avond in een bordeel, vlak tegenover dit huis des gebeds. Op dien avond was het mij ook vergund hier te spreken; en het lied hier gezongen, »Jezus neemt de zondaars aan,quot; werd daar door hem vernomen. Dat was het lievelingslied van zijne vrome moeder; hij kon het in dat bordeel niet uithouden, kwam naar hier, en werd later een

ocr page 33

31

trouw bezoeker van het Militaire Tehuis, waar hij mij zijne geschiedenis vertelde, en de knieën leerde buigen voor God, tot vreugde zijner ouders, die hem nu weder met liefde in hun huis ontvingen. Wat God nu aan dezen jongeling deed, wil Hij ook doen aan u; in liefde wil Hij u aannemen en ii alles vergeven om Jezus wil. Laat mij eindigen mot het lied van Lange:

Oe blijde boodschap.

Een woord daalt van den Hemel neer. Een heilgroet uit Gods mond.

Het klinke aan alle stranden weer,

Langs heel dit waereldrond!

Het dring' door alle harten heen.

Dat God voor ons in 't vleesch verscheen Dat »God-met-onsquot; de zonden droeg.

En ons de hel versloeg!

Dat is genade, vrij en groot,

Die sla venboeien slaakt!

Dat, Liefde sterker dan de dood.

Die dooden levend maakt!

Almachtige! uit Uw glorietroon

Gaaft Gij U-zelven in Uw Zoon,

Den Hemel Uwer majesteit.

Uw volle zaligheid!

Dat is genade, groot en vrij,

quot;Wier palm voor allen groent!

Naar zulk een Midd'laar smachten wij Die Stof en Geest verzoent.

ocr page 34

32

Die, Godmeiisch, God en Mensch lieréént

Die voor ons lijdt en niet ons weent, Die, zelf des Vaders heerlijkst Kind, Ons 't kindschap Gods herwint!

Vlieg uit, dring door, o Blijde Maar, quot;Waar ooit een harte slaat!

Vermurw den grimmigen barbaar! Versmelt des waerelds haat!

quot;Werp alle bloedige outers om.

Wek uit hun puin een Heiligdom, Herschep de zielen heinde en veer In tempels van den Heer!

De middagzon des Levens straalt,

En nu eerst leven wij.

De Hemel is op aard gedaald,

Dat de aard nu Hemel zij!

Het Groote Nieuws make alles nieuw!

En wat de zonde nederhieuw, De vreugderoos, de Liefdeknop Luike onverderflijk op!

O, zalig Evangeliewoord,

Dat uit den Hemel viel:

Neen, nooit wordt gij genoeg gehoord. Gehoord ook door mijn ziel!

Ach, wie ben ik, wat is mijn hart,

In strikken des verderfs verward. Dat God ook mij dien zegengroet Voor eeuwig hooren doet!

ocr page 35

33

O, ware ik tot een jubelzang Met eng'lenkracht omgord!

Maar 'k weet het, de eeuwigheid, hoe lang,

Is voor Gods lof tekort.

Een heilig leven, o mijn Heer!

Is 't beste loflied tot Uw eer:

Zoo geef dan, dat ik heilig zij,

0, Jezus, zooals Gij.

Dit lied is ontleend aan »De Christen-Harptonen. Nieuwe bundel. Uitgegeven te Arnhem bij J. W. Swaan.

ocr page 36

De eeuwige God, zij u tot een woning.

Deutr. 33:27«.

Een zonsondergang op de bergen van Abarim, zoo heeft de lieve schrijver Macduf, het sterven van Mozes genoemd. En waarlijk de Godsman is een zon geweest aan den hemel der oud-testamentische bedeeling; en zijn sterven is schoon, als een ondergaande zon op een zomeravond. Die sterfure van Mozes, voorafgegaan door een vernieuwing der wet, een zwanenzang en een zegen, die onwillekeurig naar Jacobs sterfbed terugvoert, met het: Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heer! Wie denkt niet bij het lezen daarvan: Mijn uiterste zij gelijk het zijne, het bekende woord van Biliam, die wel met Gods volk wilde sterven, maar niet er mede wilde leven,, evenals zoo velen in lateren tijd.

Het is over een woord uit den zegen van Mozes dat ik met n wil spreken.

Gij vindt dat woord in Deutr. 33: 27a.

Er is hier sprake van God. Mozes noemt den Heer, den eemvigen God en bidt dat God Israël zij tot een woning. Nu, een woning is een ver blij fjplaats, een rustplaats, een wijk-

ocr page 37

35

plaats, een lustplaats. — God, dat is'dat lioog en heerlijk wezen, die alles schiep, onderhoudt en regeert. Dien gij niet kunt begrijpen, maar wel moet aanbidden; Die geprezen wordt door de Engelen en gelooft wil worden door demen-schen, wier geluk Hij bedoelt.

God, dat is de Almachtige door Wion werelden worden of straks keeren tot het niet.

Dat is de Alwijze, Die het lot van millioenen werelden regelt en niet antwoordt, van Zijn daden in de lotgevallen van den mensch.

God, dat is de Alwetende, die leest op den bodem uws harten, die uwe gedachten kent en voor wien niets verborgen is.

God, dat is dat heilige quot;Wezen, dat geen zonde kan dulden, in Wiens oogen de hemelen zelfs niet rein bevonden zijn.

God, dat is de rechtvaardige rechter, die een iegelijk zal vergelden naar zijn werk en die de zonde bezoekt tot in het derde en vierde geslacht.

God, dat is Liefde, die het nooit kwaad met u kan mee-nen, die Zijn Zoon u schonk en u Zijn hemel wil schenken, en al wat gij op aarde werkelijk behoeft.

God, dat is de Genaderijke en Barmhartige, Die schuld om niet vergeeft en die zonde rood als scharlaken, wit maakt als sneeuw.

Die God is de eeuwige God, Hij blijft als alles zal wankelen en vallen. Alle goden der volken zijn vergaan in der tijden loop. De Baals en Astarots, de Nisrochs, Izis en Osirus, Jupiter en Saturnus en dat gansche leger van goden door 's menschen hand gemaakt, deor menschen geëerd, maar evenals die menschen vergaan. De eeuwige God is daarom de getrouwe voor Zijn volk, de getrouwe in het doen komen

ocr page 38

36

Zijner bedreigingen, zoowel als in het vervullen Zijner beloften. De eeuwige God, die blijft, als allen u verlaten, als alles u ontzinkt, als alles u beschaamt, als gij in allen wordt bedrogen. De eeuwige God, die het heeft beloofd: Ik verlaat u niet en Ik begeef u niet, al vergat ook een moeder haar zuigeling, Ik zal u niet vergeten. — Bergen mogen wijken, heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, zegt de Heer, uw Ontfermer.

Die God, de eeuwige God, zij u een woning; zoo bidt Mozes, de welhaast stervende Mozes voor Israël, zijn volk. Een woning, wat is begeerlijker denkbeeld voor een volk, dat slavenvolk was in Egypte, een zwervende Nomadenstam, veertig jaren lang, in de woestijnen van Sin en Sinai?

Een woning dat is een vaste verblijfplaats. Liefelijk denkbeeld voor den armen zwerver die van plaats tot plaats trekt, jaar uit jaar in. Liefelijk denkbeeld, voor den reiziger ver verwijderd van vriend en vaderland. Liefelijk denkbeeld, voor den zwalker op de oceaan, of voor den schipbreukeling op dobberende planken. Liefelijk denkbeeld voor den krijgsman in het gewoel van den strijd, op het slagveld in vreemde landen. In aller hart, is het schoonste beeld der ouderlijke woning, het liefelijk tehuis aanwezig.

Gelukkig de mensch die een woning heeft, die een vaste verblijfplaats mag bezitten. En daarom was het een schoon vooruitzicht voor dat volk zwervende in de woestijn en wonende in tenten; in het land der rust wacht ons een vaste woning.

Wat heerlijk ideaal, een woning met vrouw en kind, een woning waarin men nederzit aan den disch, nederzit om Gods woord.

Een woning in een land van melk en honig overvloeiende,

ocr page 39

37

oen woning, omringd en overscliaduwd door vijgeboom en wijnstok.

Een woning is een rustplaats. Denk u den koetsier op den bok in wind en on weder, in storm en regenvlaag; denk u den visseher het net werpende in de diepte; denk u den fabriekarbeider aan machine of weefgetouw; denk u den arbeider in de weide, op den akker, op het korenveld of op den dorschvloer; denk u don houthakker in het woud. Neen, denk u den armen slaaf op de koffie- of suikerplantage. En noem mij dan één woord dat meer liefelijks in zich bevat, dan het woord: rust. O, een woning is een rustplaats: al rust men een oogenblik van den arbeid, de rustplaats is toch thuis. Of dat het huis is van den koopman, van den fabrikant, van den grondeigenaar, van den opzichter, van den ambachtsman, van den daglooner, of het de hut is van den visseher, de keet van den poldergast, de negerhut van oom Tom of een zijner ongelukkige broeders; in die woning toch alleen is rust; dat is de rustplaats voor den vermoeide. Een woning is een verblijfplaats en een rustplaats, maar ook een wijkplaats in tijden van gevaar.

Bij het rollen van den donder, bij 't flikkeren van het bliksemlicht, bij het bulderen der stormen, bij het huilen der orkanen, als de zee haar psalmen speelt, haar baren hoog verheft, dan prijst elk zich gelukkig in zijn woning.

Goddank, zegt de reiziger, ik ben thuis; behouden aan wal, zegt de zeeman; voor den regen binnen, zegt de wandelaar.

Maar een woning is inzonderheid een wijkplaats in tijden van vervolging of oorlog. Daar kan men zich versteken en zoo noodig verdedigen. »Oost, West, thuis best,quot; zegt de Hollander; en de Duitscher zegt: »In mijn huis ben ik koning, en de Engelschman: »Iedere haan is een vorst op zijn eigen

ocr page 40

38

erf.quot; De ark was een wijkplaats voor Noacli en zijn achttal. Het kleine Zoar was een wijkplaats voor Lot en zijn gezin. Pella was een wijkplaats voor de discipelen. Maar de vrijstad in het Oude Yerbond was vooral een wijkplaats voor den schuldige zonder moedwil, die door den doodslager werd achtervolgd. Een woning, neen, dat is uw kazerne niet; gij zijt hier in garnizoen, soms als lastpost ingekwartierd, elders gedetacheerd, voor een tijd in 't bivouak, of soms neder-liggende op het natte stroo in de natte tent van het kamp. Maar uw woning, uw thuis, uw vaste verblijfplaats, uw rustplaats, uw wijkplaats zij is elders, niet hier. Gij kent wellicht het schoone vers »Het Ouderhuis,quot; maar wilt het toch nog wel eens hooren.

Geen juichtoon boeit mijn hart of zinnen.

Geen feestgewoel, geen vreugdgedruisch,

'k Treed in mijn geest uw wanden binnen,

'k Blijf u gedenken en beminnen,

Gegroet, gij dierbaar ouderhuis!

't Is niet uw hout, uw kalk, uw steen,

't Zijn niet uw binten en uw muren. De herinnering is 't van vroeger uren. Van maanden, jaren, lang geleên,

Die mijn gedachten naar u heen.

Mijn geest, kon naar uw dorpel stnren.

'k Zeg met een dankbaar vol gemoed. Gij dierbaar plekje, weest gegroet!

quot;Wat mij in 'i leven, ook zij weervaren Sinds 't oogenblik dat ik u verliet.

Mijn eerste liefde kwijnde niet;

En schoon de plant in later jaren.

ocr page 41

39

Gesclieiden van den moederstam,

Waarvan zij 't eerst haar oorsprong nam,

Werd neergezet in eigen grond,

AVaar ze aarde voor haar wortels vond, En zonneschijn, en lenteregen.

En kalmte en schaduw; schijnt het toch Als hechten do eerste veez'len nog;

Als quot;ware de band niet af te breken. — Gij kweekplaats van mijn jeugdig leven Zijt onvergeeflijk in mijn oog,

Gij stond mij steeds in 't hart, zoo hoog Met gouden lett'ren aangeschreven.

'k Zeg met een dankbaar, vol gemoed; Gij dierbaar plekje, wees gegroet!

Waar eens een zorgend vader waakte,

Wiens trouw de kleine heeft gevoed,

Wiens arm zijn zwakheid heeft behoed.

Wiens raad zijn schreden vaster maakte.

Wie, dan een moeder kon zoo zacht De peluw voor den kranke spreiden?

Wie kon zoo zorgvol, dag en nacht,

Aan 't kribje van het kind verbeiden?

Hot was in 't ouderhuis, dat de oogon 't Eerst leerden opzien tot den Heer,

De knietjes voor den eersten keer.

Zich aan de zij, der moeder bogen.

:k Zeg met een dankbaar, vol gemoed Gij dierbaar plekje, weest gegroet.

Maar een woning is meer nog, dan al wat ik u noemde. Verblijfplaats niet alleen voor korter of langer tijd; rustplaats

ocr page 42

40

niet alleen na den arbeid of de reize, wijkplaats niet alleen in tijden van gevaar, maar lustplaats is een woning bovenal. De voeten onder vreemde tafel te steken is niet aangenaam; maar eigen haard, is goud waard. Thuis heeft men niet alleen rust en veiligheid en verblijf, maar ook lust, vermaak en genoegen. Daarom zegt de gastheer tot zijne gasten; doe of gij thuis waart. Bij vreemden moet gij in uw beste pak, of in uw ambtsgewaad komen, maar in uw woning werpt gij af wat u hindert; het is toch een genot op zijn gemak te kunnen zijn. Daar zit Melanchton aan het wiegetouw, daar speelt Luther met zijn kinderen. Daar zit Willem de Tweede bij de les zijner zonen. Daar draagt de Koning zijn kind op den arm, daar stoeien de zonen rond hun vaders stoel, daar spelen de kinderen aan den schoot hunner moeder. Daar zit boer en boerin slof te spelen met het jonge boe-renvolkje.

Thuis, daar leest, daar speelt, daar schrijft gij, daar hebt gij uw huisorgel of anderen muziek, daar hebt gij uw teeken-stift of knutselwerk. Thuis, daar kan de werkman nog zingen tusschen tal van kinderen, als de nachtegaal in de dorenstruik. Daar smaakt de drooge bete nog lekkerder dan de lekkernij bij vreemden, en de drooge aardappel smaakt u beter, dan de vette Kazernesoep. O, thuis te zijn, die gedachte doet duizenden hunne dagen tellen. Want thuis, daar is de zorgende moederliefde, het broederlijk woord, de ernstige vermaning uit liefde geschonken; daar is de hand die de kranke zijn peluw schudt, de arm die den zwakke steunt, de hand die de tranen droogt. Daar vindt de man zijn wederhelft, het kind zijne ouders, de vader zijne kinderen. Daar is het knappend vuurtje, waarvan men de blauwe kringen nastaart, de bloem in 't venster, zelf gekweekt; thuis

ocr page 43

41

daar ontvangt gij uwe vrienden. En daarom is uw woning een lustplaats, of het een boerenwoning is of een burgerhuis, een dagloonersstulp, of een visschershut, een adelijk kasteel, of vorstelijk paleis.

Een kazerne is geen woning, een gasthuis, een hospitaal, een gesticht van weldadigheid is toch geen woning; gij zijt er, maar voelt er u niet thuis; 't is goed voor behulp in tijd van nood; maar geen verblijfplaats, geen rustplaats, geen wijkplaats, allerminst een lustplaats. Dat alles te zamen is uwe ouderlijke woning, uw eigen woning alleen. O, kon ik dit gevoel doen ontwaken in do duizende harten van hen, die het huwelijk verzaken en leven voor ongetemden lust en ongebonden vreugd; omdat zij niet man genoeg zijn om de lasten te aanvaarden, zoowel als de lusten. Die omdat zij de dwaze eischen niet kunnen voldoen, ware behoeften niet willen vervullen. Die nuttig konden zijn voor kerk, en staat, en huisgezin; en nu vaak tot schade zijn voor de maatschappij; een ballast voor anderen, een vloek vaak voor zichzelven. En als nu dit alles ligt opgesloten in het woord »woning,quot; beseft gij dan niet eenigszins wat Mozes, Israël toebidt, in het woord: do eeuwige God zij u een woning! Hij bidt dat God zelf, voor Zijn volk een verblijfplaats mag zijn. Dat is, dat zij geen arme zwervers buiten God om mogen blijven, maar in God, in Zijne gemeenschap, in Zijnen vrede mogen leven; dat zij tegen dien God niet murmureeren, niet van Hem afdwalen, zooals zij zoo vaak reeds hadden gedaan; maar dat zij bij God, en in God thuis mogen worden; met Hem eigen mogen worden, zich in Zijne gemeenschap op hun gemak mogen voelen, zooals men in zijn eigen woning is.

De eeuwige God zij u een woning, dat is: die God zij u een rustplaats. De goddelooze heeft geen vrede, de mensch

ocr page 44

42

buiten God heeft geen rust. Rust is geen godsdienstige opwekking of opgewondenheid; maar die kalme onverstoorbare stemming des gemoeds. Voor hem, die vrede met God heeft, is de voetbank van Gods troon een rustplaats. O, zalig, wie de rust kent die gesmaakt wordt bij God, na den arbeid van den dag, de moeite des levens, den strijd der ziel. Op de knieën neergebogen, te rusten aan Gods voet, te rusten aan Gods hart, dat is zaligheid.

De eeuwige God zij u een woning, dat is: een wijkplaats waar gij niet langer wordt vervolgd door den vloek der wet en van 't kwade geweten; waar alle veroordeelende stemmen zwijgen, en satan met zijn aanklachten verstomt; waar gij vrij zijt van 't gewoel en van 't gevlei der wereld, vrij van verdriet en zorg. Die rustplaats is God alleen, voor den in Christus verzoenden zondaar.

In de schaduw van Gods troon is rust voor het beangstigde hart, de rustelooze ziel, het bekommerde gemoed. Daar is rust voor den moede, rust ook voor u; rust voor Gods volk, voor al het volk van God, maar óók voor het volk van God alleen.

De eeuwige God zij u een woning; dat is: Hij zij u een lustplaats. Eampzalig de mensch die zijn lust vindt in kroeg of bordeel, in speelhuis of koffiehuis, in concertzalen en balzalen, in comedie of spel. Eampzalig de mensch wiens lust alleen bestaat in geld of goed, in wetenschap en kunst, in eigen deugd en maatschappelijke braafheid, en die niet weet wat het is, zich te verlustigen in God en Zijn woord, in Gods dienst en Gods huis, die een vreemdeling is bij Gods volk. In de hel wil hij niet wezen en in den hemel kan hij niet wonen. Wie op aarde Gods vriend niet is, zal in God eenmaal zijn vijand vinden. Wie geen dorpelwachter wil zijn

ocr page 45

43

aan den tempel zijns Gods; zal de post van liellewachter moeten bekleeden. Wie niet Gods liefde in het hart laat rijpen, zal spoedig rijp zijn voor 't oordeel dat Icomt.

Wie zich niet voeden wil met het hemelmanna der kinderen Gods, vergenoegt zich eindelijk met den draf der zwijnen. O, God moet uw verlustiging zijn; uit Zijne volheid moet gij leeren genieten, bij Hem u thuis gevoelen, zal het wel zijn voor eeuwig. Zalig die het heimwee hebben, zij zullen thuis komen en de eeuwige God zal hun tot een woning zijn.

A il E N.

ocr page 46

De Godsrivier.

Ezechiël 47 ; 1—12.

Daarna bracht hij mij weder tot de deur van het huis en ziet, er vloten wateren uit, van onder den dorpel des huizes naar het oosten, want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des huizes, van het zuiden des altaars. En hij bracht mij uit door den weg van de Nborderpoort en voerde mij om door den weg van buiten, tot de buitenpoort, den weg, die naar het oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit de rechterzijde.

Als nu die man naar het oosten uitging zoo was er een meetsnoer in zijne hand; en hij mat duizend ellen en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakte tot aan de enkelèn. Toen mat hij nog duizend ellen en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën, en hij mat nog duizend en deed mij doorgaan, en de wateren raakten aan de lenden. Voorts mat hij nog

ocr page 47

45

duizend en het was eene beek, waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hooge wateren, waar men door zwemmen moest, eene beek waar men niet kon doorgaan. En liij zeide tot mij: hebt gij het gezien menschenkind? Toen voerde hij mij en bracht mij weder tot den oever der beek. Als ik wederkeerde, ziet zoo was er aan den oever der beek zeer veel geboomte, van deze en gene zijde. Toen zeide hij tot mij: Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galilea en dalen af in het vlakke veld; daarna komen zij in de zee, in de zee uitgebracht zijnde, zoo worden de wateren gezond. Ja, het zal geschieden, dat alle levende ziel die er wemelt, overal, waarhenen eene der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel visch zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden en het zal leven, alles, waarheen deze beek zal komen.

Ook zal liet geschieden, dat er visschers aan dezelve zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der netten; haar visch zal naar zijnen aard wezen als de visch van de groote zee, zeer menigvuldig. Doch hare modderige plaatsen en hare moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven.

Aan de beek nu, aan haren oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welles blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijne maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijne wateren vliaten uit liet heiligdom, en zijne vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heeling.

Veracht de profetiën niet. Zoo luidt Paulus vermaning in het laatste hoofdstuk van den lsten Thessalonicenzenbrief. En Petrus, aan het einde van het eerste hoofdstuk van zijn

ocr page 48

46

tweede brief, zegt in het 19de vers: wii hebben het profetisch woord dat zeer vast is en gij doet wel dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in eene duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in uwe harten. In gehoorzaamheid aan deze woorden der schrift, bespreek ik met u dit gedeelte uit Ezechiëls profetie. Niet ééne profetie is zoo moeilijk te verstaan, dan die van Ezechiël; omdat die profeet, zijne Grodspraken van Israëlitisohen inhoud, m Babylonische vorm heeft gegoten.

Ezechiël was de zoon van een priester, Buzi genaamd. Hij behoorde tot de edele personen, die Nebucadnezar met Jojachin naar Babel had gevoerd. Daar woonde Ezechiël in het vreemde land, doch in een eigen huis met zijne vrouw, te midden eener Joodsche volksplanting, aan de rivier Chebar of Chaboras. De plaats waar hij woonde heette Tell-Abib, dat wil zeggen Arenheuvel, een landstreek die zeer vruchtbaar, en ook in den tijd der kruisvaarders nog rijkelijk bebouwd was.

De Joodsche kolonie waartoe Ezechiël behoorde, vormde een welingerichte gemeente, evenals in het Joodsche land, onder het bestuur van oudsten. Deze oudsten kwamen tot Ezechiël, om uit zijnen mond het woord van God te hooren. De naam Ezechiël beteckend: God sterkt. En God sterkte Zijn volk ook in waarheid, door het woord van dezen man. Hij hield onder de ballingen de nationaliteit levendig, en bestreed de valsche profetie; hij voorspelde den val van Jeruzalem en de verdere wegvoering van het volk.

Opdat de Joden in Babel hunne Godsvereering niet zouden verliezen, openbaarde de Heer zich aan Ezechiël, die daardoor tot profeet werd gewijd. Gods troon werd hem getoond, on de dragers van het goddelijk leven in de schepping.

3tet dit gezicht werd Ezechiël zoo bekend, dat hij het kon

ocr page 49

47

opteekenen en diep in het hart van het volk prenten. Bij vele bijbellezers is het doods beenderen veld van Ezechiël bekend; maar de kroon van zijn boek, is de beschrijving van den tempel der toekomst. Hij ziet het land als een groot vierkant liggen, in drie deelen gedeeld: het land van God, het land der priesters en het land des volks. Een nieuw Jeruzalem is verrezen en een nieuwe tempel. In de stad woont de vorst, maar in den tempel de Heer. Die tempel staat niet op Zion, maar op den borg Gerizim, en de stad ligt vijf mijlen van daar, op de plaats van het vroegere Bethel.

Stad en tempel door een hemelbode hem getoond, beschrijft hij tot in de kleinste bijzonderheden en geeft daardoor een vast anker voor Israels hoop. Als een hamer G-ods, heeft Ezechiël den twijfel verpletterd, maar voor het beangstigde hart was hij een zoon der vertroosting.

En nu, genoeg over zijn persoon en werk.

Wij bepalen ons bij het gelezen gedeelte zijner profetie, de 12 eerste verzen, van het 47ste hoofdstuk. De hemelbode voert den profeet naar de deur des tempels en toont hem eene beek die, in het Heilige der Heilige ontsprongen, den tempel uitstroomt. Die kleine beek, eerst te doorwaden voor een kind, wordt eene rivier, niet meer te doorwaden voor een man. quot;Waar dit water komt, brengt het leven en vruchtbaarheid, vruchtbaar geboomte versiert de oevers der rivier, die wemelt van visschen als in de zee. De rivier, door het vlakke veld gegaan, bereikt eindelijk de Doode Zee, die eeuwenoude herinnering aan de zonde en haar vloek.

En die Doode Zee wordt levend, zoodat de visschers staan van En-gedi tot En-eglaïm toe, dat is; van den noordelijken uithoek der Doode Zee tot de zuidelijke, en het is alles vol

ocr page 50

48

visch en geboomte. En die boomen zijn van een wonderbaar soort, liun blad weet van geen verwelken, en alle maanden brengen zij vruclit. De vracbt is goed tot spijze en de bladeren zijn goed tot genezing.

It meen dat gij na al het gehoorde zult vragen: Wat is de naam van die rivier? tot welk soort behooren die boomen? bewegen wij ons hier nu geheel in het veld der idealen, of is er in dit alles eenige werkelijkheid? Benige werkelijkheid; God zij dank en eere! mijne vrienden, het is alles de hoogste werkelijkheid, waarbij de schoonste idealen verzinken.

Laat mij u eerst spreken van die rivier.

Het is de rivier van het water des levens, ontsprongen in het heilige der heiligen, het hart van God. De rivier van het water des levens, is Gods quot;Woord. Eerst was het een klein beekje: het paradijs Evangelie genaamd; daar kan het kind in baden. Kinderen toch lezen gaarne het scheppingsverhaal, de geschiedenis van Adam en Eva, den val en belofte, de geschiedenis van Kaïn en Abel. Hier reikt het waterden man nog maar tot aan de enkelen. Het zijn de eerste duizend ellen of duizend jaren. Dan tot de geboorte van Abraham, is weder duizend ellen of jaren. In dien tijd wast het beekje tot een beek, door de geschiedenis van Henoch en Noach, den torenbouw en de zondvloed, en straks Abrahams geschiedenis. Het water reikt den man nog maar tot aan de knieën, de knaap kan er nog door. Maar sterker zwelt de beek, eer het duizend el verder, duizend jaren later is, van Abraham tot David. Dan kan de knaap er niet meer door, het levende water komt den man tot aan de lendenen.

Bij het leven van Abraham, kwam in dien tijd het leven van Izaak, van Jakob en van Jozef. De geschiedenis van Mozes en Israël, de gansche wetgeving en schaduwdienst.

ocr page 51

49

De geschiedenis van Jozua en de Riehteren, van Ruth en Samuël, van Saul en David.

Maar nog dieper wordt de Godsrivier de laatste duizend ellen, de laatste duizend jaren van David tot Christus. Het Woord Gods is vermeerderd niet Psalmodie en Profetie, met Spreuken, Prediker en Hooglied. Do geschiedenissen van Salomo en Rehabeam, de geschiedenis der koningen van Israël en Juda, de ballingschap en de wederkomst.

quot;Waarlijk in deze rivier Gods, zoovol water, kan alleen do man Gods zwemmen, want baden is niet meer mogelijk, in geschriften als die van Jesaja, Ezechiël en Daniëls profetie.

Zoo is de volheid-des tijds gekomen; Christus is daar, het Woord van God. Hij zelf is de tempel waar het levende water uitstroomt, en van dat water spreekt Hij tot de Sama-ritaansche, aan de Jaboksbron te Sichem, juist op de plaats waar Ezechiël den nieuwen tempel zag. Bij het Oude Verbond kwamen nu de 27 boeken van het Nieuwe Yerbond. Nu stroomt de Godsrivier in breede stroomen over de aarde, en waar die stroom komt, daar komt leven en vruchtbaarheid en de dood moot er wijken. Er is veel visch te vangen, en de visschers staan met hunne netten gereed.

Zij die nooit van Jezus hoorden.

Heidenen blind en woest van aard,

Ver in 't Zuiden, ver in 't Noorden,

Worden tot Gods kerk vergaard.

Neger, Moor en Indiaan,

Bidden ook den Heiland aan.

O, lees den dierbaren Bijbel, baad u in de Godsrivier, als gij er eenmaal uwe voeten in gezet hebt wilt gij er niet meer uit. Hoe dieper het wordt, hoe meer genot, straks

4

ocr page 52

50

stroomt het ■water rondom u henen, gij baadt niet meer, maar zwemt rond in de rivier des levens. Kent gij reeds dat genot? Er zijn vele boeken en goede boeken ook, maar éón boek is het beste. Gods Woord, is het woord des levens, de rivier van het levende water. Wie dat woord hoort, leest en onderzoekt; drinkt het leven in en den dood er uit. De golven van de levensrivier spreken van genot, want het ware genot is aan de reinheid verbonden. Een rein lichaam en eene reine ziel, is de grootste schat op aarde. Die schat wil Christus u geven. Hij biedt u het water des levens om niet. Hij zegt tot Zijne jongeren; gij zijt nu rein om het woord dat Ik tot u gesproken heb.

Nu kent gij de rivier, de Godsrivier vol levend water. Hoor nu ook de roepstem van den Heer: O allen gij dorsti-gen, komt tot de wateren! En gij die geen geld hebt, de Heer zegt u: Die wil die kome, en neme de wateren des levens om niet. Wie van dit water gedronken zal hebben, zal nimmermeer dorsten, maar het water dat Ik hem geven zal, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

En nu de boomen die aan deze rivier groeien, tot welk soort behooren zij'? Lees den eersten Psalm en gij hebt op die vraag een antwoord gevonden. De Psalmdichter zegt van den man, die niet wandelt in den raad der goddeloozen, noch staat op den weg der zondaren, noeh zit in het gestoelte der spotters, maar wiens lust is in des Heeren wet; Hij zal zijn als een boom geplant aan waterbeeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd en welks blad niet afvalt. Die men-schen noemt Hij rechtvaardigen. Ziedaar den naam der boomen uit Ezechiëls profetie.

De rechtvaardigen zijn een planting des Heeren; levens-

ocr page 53

51

boomen, geplant aan. de Godsrivier der Schrift. Geworteld en gegrond in Gods liefde, slaan zij de wortelen uit, om de levenskrachten in zich op te nemen en te verwerken; om. dezelven straks in den vorm van vrucht en blad omhoog te heffen, gelijk een boom zijn kroon omhoog verheft, waarin de vruchten de plaats van paarlen vervullen.

In het gedicht; »De hel,quot; van Dante Allegherie, komt eene voorstelling voor van verlorenen, die in de hel worden opgesloten in planten, en die pijnlijk klagen als er een tak of blad wordt afgerukt. Wat nu fabel is in de hel, is waarheid in den hemel. Die in het levenswater waden, laten het water niet alleen om zich heen stroomen maar ook door zich heen stroomen. En wie het water des levens in zich opneemt, wordt zelf een levensboom in den hof van God. Nu rest mij nog de verklaring van bladeren en vruchten. Do bladeren zijn de Christelijke werkzaamheden der rechtvaardigen, een sieraad van den Godsboom, die zijn takken wijd uitspreidt. Kerk en Evangelisatie, Zending en Zondagschool, Jongelingsvereeniging en Militairen Tehuis, huizen van Barm-hartigheid en Asijlen voor gevallenen, Bethels en Tahtha's, Wijkverbond en Naaiveroeniging, Armenzorg en Weezenver-pleging, blinden-instituut en gesticht voor doofstommen, wie zal ze allen noemen, die schoone bladeren, die tot genezing zoo kostelijk zijn'? En nu eindlijk de vruchten.

Do Heiland heeft gezegd; Hierin wordt Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt. Onvruchtbare boomen roeit de Hemelsche Landman uit, zij beslaan toch onnut de aarde. Het is den Heer niet genoeg, schoone bladeren te zien. Hij wil tusschen die bladeren ook vruchten. O, als Hij komt en dezelve niet vindt, die boom zal spoedig verdorren. De vruchten zijn de zielen die gewonnen worden voor het

ocr page 54

52

Koninklijk Gods. Hij die ziclizelven voor u gaf, kan niet dulden dat gij met ledige handen tot Hem zoudt komen. Gosner heeft tot zijne zendelingen gezegd: Ik wil u niet in den hemel zien, zonder zielen door u gewonnen voor Jezus of afgeworsteld in het gebed van God.

Ziedaar dan, naar mijne geringe gaven, u dit deel van Ezechiëls profetie verklaard.

Moge het u opwekken tot schriftonderzoek en tot waardeering van het profetisch woord,' waarvan zoo menig boek, in onzen tijd, gesloten blijft.

Zeg niet terstond: wij kunnen die verborgen dingen toch niet verstaan. Lees Gods Woord geregeld, met een biddend hart. Vergelijk Schrift met Schrift, en gij zult een schat van schriftkennis bekomen.

iloodij heeft gezegd: elk christen moet drie boeken in zijn bezit hebben: een Bijbel met verwijzende teksten, een Bijbelsch dagboek en een Bijbelconcordans. Zijt gij een christen? onthoudt dit dan en tracht dezelve in uw bezit te krijgen.

Tracht bekwaam te worden om eenigszihs mede te arbeiden in Gods Koninkrijk. Bedenk, één ziel gewonnen is meer dan de wereld waard. Uw arbeid zal niet ijdel zijn in den Heer, Hem zij de eer, ook van deze ure.

AMEN.

ocr page 55

Gezegende smart.

Want de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.

2 Corintiie 7 ; 10.

Wie siddert niet voor de smart, welk scliepsel zou daarom bidden? En toch is er een smart die onmisbaar is voor ons hart, gezegend voor ons leven. Wie haar leert kennen zal er Grod eeuwig voor danken. Het is de smart over een verloren leven, of wat de Heilige Schrift noemt: droefheid naar God. Zij is onmisbaar voor ons geluk, want zij werkt eene onberouwelijke bekeering, is dus gezegend voor hart en leven en voert tot de zaligheid waarom wij hier moeten bidden, om er eeuwig voor te danken. Een verloren leven te hebben geleefd is vreeselijk, maar toch hoe vreeselijk ook, zeeralle-daagsch. Duizenden leven daarheen zonder God, zonder vrede, zonder hoop, zonder schuldgevoel en berouw, dood en onverschillig voor hunne eeuwige belangen.

ocr page 56

54

De Schrift zegt: er is niemand die goed doet, er is niemand die God zoekt, oolc niet tot één toe, allen zijn afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden, do gansche wereld is verdoemelijk voor God. Is een leven waar dat vonnis op rust, niet een verloren leven?

In zonden ontvangen en geboren, opgegroeid in de zonden der kinderjaren, der knapen en jongelingsleeftijd, en straks, als God het niet verhoedt en gij u niet bekeert; een man in de boosheid, oud geworden in het kwaad. Al was dan dat kwaad misschien in fatsoenlijken vorm, of verborgen voor de oogen der menschen. God moet de zonde bezoeken, Hij kan geen kwaad door de vingeren zien, en onze schuld is zoo groot; een schuld van zoovele jaren, maanden, weken, dagen en uren.

quot;Wij hebben geen uur geleefd zonder zonden in gedachte, woord of daad te begaan. Die zondeschuld moet ons tot droefheid worden, want wij zondigen tegen een God die ons wel deed, den God der liefde. God deed ons goed, wij deden kwaad; wie daar geen smart over leert kennen, gaat verloren. Wie hier niet leert weenen over zijne zonden, doet het eeuwig in de hel. Daar is een droefheid naar God, een smart over het verloren leven, zij is nuttig en noodig, maar niet alle droefheid ontstaat uit berouw. Somtijds, ja menigmaal ontstaat de droefheid uit spijt, over de gevolgen van het kwaad, en dan voert zij niet tot God, maar tot den dood.

Droefheid naar God is altijd gezegend, niemand had berouw over deze treurigheid, wij kwamen er door tot ons zeiven, ontwaakten ten leven, die gezegende smart was de voorwaarde onzer behoudenis.

liet is zoo noodig dat wij het zondige der zonden leeren kennen en dan de zonden verfoeien, om als verlorenen in

ocr page 57

00

eigen oog de toevlucht te nemen tot het kruis van Christus en het bloed der verzoening. Wie zijn schuld niet inziet, bidt niet om vergeving van zonden, en wie geen vergeving zoekt voor zijn schuld; Gods toorn blijft op hem rusten.

Zijn leven is niet gelukkig, zijn sterven het begin van een eeuwige smart. Is de gedachte niet treurig, geleefd te hebben onder het Evangelie en verloren te gaan, omdat men nooit do bede van den tollenaar leerde slaken in oprechtheid der harten? Daarom mijne vrienden, leert in het heden der genade, nu behoudenis nog mogelijk is, bedenken wat tot uwen eeuwigen vrede kan dienen. Wie christen wordt, het is waar, hij heeft vijandschap te wachten, de wereld noemde do discipelen dronken, zij noemt u wellicht gek. Maar hot is beter geborgen to zijn voor de toekomst dan te lachen aan den rand eens eeuwigen afgronds. Leert dan bidden in Jezus naam, om het licht van Gods Geest. Hij toont ons wie wij zijn, maar ook wat Jezus voor ons zijn wil. De smart die tot God voert betert het hart.

De droefheid naar God draagt reeds de zekerheid in zich van de eeuwige vertroosting die volgen zal.

Als iemand deze droefheid leert kennen, dan meent de wereld: die mensch zal tot wanhoop, ja misschien tot zelfmoord komen. Bij de meeste zelfmoorden zegt men dan ook: hij of zij maalde over den godsdienst. Beklagenswaardig christendom als er geen hoop, maar wanhoop de vrucht van was. Gelukkig het is zoo niet. To woenen voor God, dat is reeds genot. Maar er is een droefheid die tot wanhoop voert; zij verslindt hare prooi langzaam als de kanker, of wel met cénen slag; haar einde is de dood. De droefheid die niet tot God voert, openbaart zich in kwaden luim, in nijdigheid, die verrotting der beenderen is; men heeft geld of goed ver-

ocr page 58

5G

loren, een hoop bleef onvervuld, in een poging werd men door anderen tegengestaan, en daar al deze dingen zicli telkens voordoen, wordt liet leven een marteling. Men wordt zwartgallig en meent: elk een zoekt mij, elk een wil mij kwellen, en levenszatheid wordt oorzaak van een heensnellen naar den dood.

In groote steden is het leven gejaagd, men is veeltijds zenuwachtig en opgewonden, zonden en wanhoop volgen elkander en zelfmoord is vaak het treurig einde. De ware droefheid tracht men te ontvlieden, want zij smart ons, maar aan kwade luimen geeft men toe, de triestigheid wordt gevoed, omdat er een helsch genot in gelegen schijnt te zijn. Men dompelt zich in de ellende, noemt triestigheid ernst en acht onguurheid manlijk te zijn. De oorzaken van dit alles zijn vaak om er mede te spotten, als het niet zoo treurig ■was wat er op volgt. Iemand die een kwade luim heeft, vergeet al het goede om over een beuzeling te peinzen en straks-uit te razen als een stormwind.

Die donkere wolken gaan soms spoedig voorbij door een vriendelijk woord van een verstandigen vriend of door een heilzame afleiding. Soms kan kwade luim ontstaan door afgematheid en overspanning, dan is rust en stilte een uitstekend geneesmiddel voor die kwaal. Maar bij zeer velen vindt kwade luim en zwartgalligheid, haar oorzaak in verslaafdheid aan drank, spel, ontucht, geld of eerzucht en andere zonden. Men is opgewonden en loopt nu af, als een klok met een wekker er in.

Zwartgalligheid is een ziekte van trenrigen aard. Zij ontstaat somtijds uit verijdelde hoop of schande, die men zich heeft berokkend. Het leven wordt tot een woestijn, het bestaan tot een last.

In het kasteel »Vertwijfelingquot; woont de reus »Wanhoop.quot; Zie het in Kaïn, Judas en anderen.

ocr page 59

57

Saul en Nero waren zwartgalligen, onder Satans maclit Zonden die begaan worden tegen beter weten in, zonder beleden en bestreden te worden, maken den mensch, wiens geweten toch spreekt, zwartgallig.

Het verstand wordt beneveld, de ziel verwoest, en liet einde is treurig.

liet redmiddel is belijdenis van schuld aan God, soms ook aan vertrouwde menschen. Zoo ellendig de droefheid der wereld is, zoo gezegend is de droefheid naar Grod. Zij leert bidden, hopen en voert straks tot gelooven, en verandert in vroolijk gejuich over de goedheid Gods. Hebt gij u ingebeeld een kruis te dragen? God is zoo goed om u een waar kruis te zenden.

Over de golven van smart.

Komt Jezus tot ons hart,

en wij meenen, dat het een spooksel is. Hij komt met ons worstelen en eindigt met ons te zegenen; dan wijkt de droefheid en de zon verlicht ons pad. Uit de edelste smart wordt de hoogste vreugde geboren; de vreugde in God die alle smarten overwint. Bidt dan in plaats van te mijmeren, gelooft in plaats van te klagen. De Heer is rijk in goedheid, maar alleen voor die Hem aanroepen. Hij troost de treurigen Zions, geeft vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest. Wederstaat dan den Heihgen Geest niet als Hij uw hart wil treffen, straks vloeit de olie dei-genade in de geslagen wond, en gij kust de roede, als gij weet wie dezelve besteld heeft. Zalig, zegt Jezus, die treuren, want zij zullen vertroost worden. De smart is geworden tot zegen en gij zult eeuwig danken!

AMEN.

ocr page 60

De zoekende Jezus.

AVant de Zoon des menschen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

Luk. 19 : 40.

Een leeraar had eeno schoone en diepzinnige rede gehouden ; maar toen de kerk uitging, zeide eene eenvoudige maar geloovige vrouw: Het is alles mooi en goed geweest, maar wat heb ik daar nu aan?

Dat woord was een dolksteek in het hart van den prediker, hoewel die vrouw er niet aan dacht hem te kwetsen. Moet dan, zoo zou men kunnen vragen, de prediking niet diep gaan? moet het dan altijd zeer oppervlakkig wezen? en dan antwoord ik u, die zoo vragen mocht: zij moet zoo diep gaan, dat het hart er door geraakt wordt; en zonder oppervlakkig te zijn, toch zoo eenvoudig wezen dat de eenvoudigste haar verstaan kan.

Luther zeide: Ik predik voor doctoren en professoren zóu, dat een dienstmaagd die achter de deur staat te luisteren het óók kan begrijpen, dan ben ik zeker dat mijne hoorders

ocr page 61

59

het verstaan. Welnu, hier is een woord, zoo diep en toch ook zoo eenvoudig, dat liet juist geschikt is voor ieders hoofd en hart.

De Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

quot;Wij zien ons hier aangetoond: Wie er kwam; hoe Hij kwam; tot wie Hij kwam; met welk doel Hij kwam.

In de beantwoording dezer vragen ontplooit zich voor ons oog en hart de zoekende liefde van Jezus. Laat die zon in uw hart schijnen en uw mond wordt vervuld met gejuich. Amen.

Wie er gekomen is: op die eerste vraag antwoordt dit schriftwoord: De Zoon des menschen is gekomen. Wij zouden zeggen: de Zoon van God; maar Hij noemt zich den Zoon des menschen; want in dien naam ligt het eeuwige wonder van Gods liefde. Gods Zoon werd 's menschen Zoon, de Heer van 't Heelal werd een zuigeling aan de borst van de zaligste moeder. God is geopenbaard in het vleesch en kwam onder menschen wonen. Als eens menschen Zoon, zag Daniël hem reeds in den ouden dag, en als zoodanig kwam Hij in de volheid der tijden. »Zoon des menschen,quot; die naam, is de eernaam van Jezus; zoo noemt Hij zich het liefst en het meest. Tachtigmaal komt die naam voor in de vier Evangeliën en in het overige van den Bijbel slechts viermaal.

Om slechts eenige woorden u te herinneren: de Zoon des menschen heeft niet, om het hoofd op neder te leggen. De Zoon des menschen heeft macht, op aarde de zonden te vergeven. Gij ziüt uwe reis door de steden Israëls niet geëindigd hebben, of de Zoon des menschen zal gekomen zijn. De Zoon des menschen is gekomen etende en drinkende en ziet zij zeggen: Hij is een vraat en wijnzuiper, een vriend van tollenaren en zondaren. Wie eenig woord tegen don Zoon des

ocr page 62

60

menschen zal gesproken hebben, het zal hem vergeven worden. De Zoon des menschen zal drie dagen en drie nachten wezen in 't hart der aarde. Die 't goede zaad zaait, is de Zoon des menschen. De Zoon des menschen zal Zijne engelen 'i zenden en zij zullen uit Zijn koninkrijk vergaderen alle ergernissen en degenen die ongerechtigheid doen. Wie zeggen de menschen, dat Ik, de Zoon des menschen, ben? De Zoon des menschen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders met Zijne engelen. Sommigen van u zullen den dood niet smaken, totdat zij den Zoon des menschen hebben zien komen in Zijn heerlijkheid.

De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen, en zij zullen Hem dooden. De Zoon des menschen is gekomen om zalig te maken dat verloren was. quot;Wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, zult gij ook zitten op troonen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. De Zoon des menschen zal den Overpriesters en Schriftgeleerden overgeleverd worden.

De toekomst van den Zoon des menschen zal zijn, gelijk de bliksem. In den hemel zal verschijnen het teeken van den Zoon des menschen. Gelijk in de dagen van Noach, al-zoo zal ook de toekomst van den Zoon des menschen zijn. Zoo waakt dan, want gij weet den dag, noch de ure, in welken de Zoon des menschen komen zal. Na twee dagen is het Pascha en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden. De Zoon des menschen gaat wel heen gelijk geschreven is; maar wee den mensch door wien de Zoon des menschen verraden wordt. Slaapt nu voort en rust; ziet de ure is nabij gekomen en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. Van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen zittende aan de rech-

ocr page 63

01

terliancl der kracht Gods en komende op de wolken des hemels.

Ziedaar nog slechts één der vier Evangeliën met u doorloo-pen. Jezus zelf heeft al deze woorden gesproken, zichzelven telkenmale zoo genoemd, in dien naam zich verlustigd en ons aangetoond wie Hij was, wat Hij werd, wat Hem geschieden zou, hoe Hij zou lijden, sterven, opstaan, henenvaren en in heerlijkheid wederkomen. De Zoon des menschen, de Zoon van God, Hij is gekomen. Al de eeuwen hebben op Hem gewacht, alle vromen op Hem gehoopt, alle aanbidders van God om Zijne komst gebeden; Hij is gekomen, en zie nu hoe Hij gekomen is. Hij is gekomen om te zoeken; Hij was kwijt geraakt wat Hij niet missen wilde, niet missen kon. Verloren zondaren kwam Hij zoeken; zoeken was Zijn levenstaak. Zijn lievelingswerk. Volgt Mij na, zegt Hij aan Simon en Andreas, Ik zal u visschers der menschen maken. Zfco zocht Hij ook de zonen van Zebudeüs in hun scheepje. Hij zocht de Samaritaansche bij haar watervat en Zacheüs in den vijgeboom. Hij moest door Samaria gaan; Ik moet heden in uw huis zijn; dat is het moeten der Goddelijke liefde. Levi volg mij, zoo klinkt het den tollenaar toe die straks Mattheus de Evangelist zal zijn. Ik zag u toen gij onder den vijgenboom waart, zegt Hij tot Nathanaël. Wilt gij gezond worden, vraagt Hij aan den kranke in Bethesda. Hij zoekt, daar kwam Hij voor. Hij rust niet voor de verloren schapen, de verloren penningen, de verloren zonen gevonden zijn. Hij kan niet rusten voor Hij het verlorene vindt. Met alleen de enkelen zoekt Hij, maar al de verloren schapen van het huis Israels en de gansche arme heidenwereld.

Wat Hij zoekt? O, hoor het! Hij zoekt wat verloren was. Niet wat verloren zou gaan, niet wat gebreken heeft en tekortkomingen en fouten, niet wat struikelde of viel, niet wat wel

ocr page 64

02

zonde had, maar tocli ook nog deugd, maar wat verloren was.

Niet den farizeör die God dankt, omdat lüj niet is gelijk andere mensclien, maar den tollenaar die om genade smeekt. Green rechtvaardigen in eigen oog, maar tollenaren en zondaren en moordenaren, al hangen zij aan een kruis. En toch ook weder; ja, Hij zoekt allen, ook de blinden door eigen schuld, de hoogmoedigen op eigen deugd; Hij zoekt ze door Zijn Geest de oogen te openen, voor schuld en ellende. Hij zoekt den oudsten zoon zoowel als den verloren zoon, want beiden zijn verloren, de een door eigen gerechtigheid en de andere door ongerechtigheid. Hij zoekt niet om te straffen, maar om te vergeven, niet om te wonden, maar om te hee-len, niet om te voeren tot wanhoop, maar tot blijdschap over schuldvergeving. Hij gaat de verloren schapen na tot in de doornen, ook al blijven Hem de doornen hangen in 't gezegend hoofd. '

Verloren zonen gaat Hij te gemoet en drukt ze aan Zijn hart. Verloren penningen wascht Hij rein, zoodat ze Zijn beeld weer vertoonen. O, hoor dan de stem van dien Goeden Herder, den vriend van tollenaren en zondaren, den medelijdenden Heiland, den Zoon des mensclien. Hij is gekomen; gekomen om te zoeken, om te zoeken wat verloren was. Gij gaat niet verloren, gij zijt het, gij kunt niet erger worden dan gij zijt. Arm, blind, naakt dat is erg, 't gansche hoofd krank en het gansche hart mat, dat is zeer erg, melaatsch van den hoofdschedel tot de voetzool, dat is vreeselijk erg, maar verloren is 't ergste van alles. En toch gij zijt verloren en zoudt niet meer verloren zijn, al hadt gij duizendmaal meer zonden gedaan dan nu, en gij deedt toch reeds zooveel kwaad. En toch, zulke verlorenen kwam Jezus juist zoeken, menschen zooals ik en zooals gij en duizenden anderen zijn.

ocr page 65

03

Eu nu: niet wat heerlijk doel zoekt Jezus. O, de gansche hemel juicht en de geheele aarde zal er eenmaal over juichen.

Hij kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Zalig maken, dat is: verlossen van de zondeschuld, de zondevloek, de zondesmet. Zalig maken, dat is: reinigen van alle ongerechtigheid, schuld vergeven, de onrust wegnemen en vrede schenken aan het arme gefolterde hart, het ontwaakte geweten, den rusteloozen geest. Zalig maken, dat is: bedelaars en slaven verheffen tot don hoogen rang van koningen, zalig maken dat is arme zondaren tot kinderen Gods maken.

Dat wil Jezus nu doen aan u en mij, dat was het doel Zijner komst. O, mijne vrienden, wat millioenen niet hooren, hoort gij. Wat vele geslachten niet wisten weet gij: de Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.

Wat millioenen nog niet bezitten bezit gij, het Evangelie van Jezus zoekende liefde. Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zóó groote zaligheid geen acht geven? Als wij Jezus roepstem geen gehoor verleenen: komt tot Mij, die vermoeid en belast zijt. Ik zal u rust geven, komt en uwe ziele zal leven. Ik zal een eeuwig verbond met u maken en u geven de gewisse weldadigheden Davids. De Zoon des menschen is gekomen tot Israël, tot de wereld, tot n en tot mij, laat ons nu komen tot Hem en zeggen: Wij komen tot ü, want Gij zijt de Heer, onze God, neem weg alle ongerechtigheid en geef ons het goede, zoo zullen wij U betalen de varren onzer lippen.

Zoekt en gij zult. vinden. Wie God zoekt, diens ziel zal loven; wie zoekt is reeds door Jezus gevonden en zal zalig gemaakt worden door den groeten Jlenschenzoon; die, God-

ocr page 66

04

menscli, God en mensch hereent en wede brengt op aarde. Dan juiclit gij:

Ook voor mij, ook voor mij,

Uit den Hemel daaldet Gij.

Neem o Heiland vol erbarmen.

Neem mij in Uw Herdersarmen,

Dat ik eeuwig de Uwe zij!

AMEN.

ocr page 67

De bekeering van den Kamerling.

Hand. 8 : 26—40.

En een Engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op en ga lieen tegen het Zuiden, op den weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is.

En hij stond op en ging heen, en ziet, een Moorman, een kamerling en een machtig heer van Candacé, de koningin der Mooren, die over al haren schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem. En hij keerde wederom en zat op zijnen wagen en las den profeet Jesaja.

En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe en voeg u bij dezen wagen.

En Filippus liep toe en hoorde hem den profeet Jesaja lezen en zeide: verstaat gij ook hetgeen gij leest? En hij zeide: hoe zou ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderricht ? en hij bad Filippus dat hij zou opkomen en bij hem zitten. En do plaats der Schriftuur die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid, en gelijk een lam stemmeloos is voor dien die het scheert, alzoo doet hij zijnen mond niet open. In zijne vernedering is zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen? want zijn leven wordt van de aarde weggenomen. En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: ik bid u van wien zegt de profeet dit? van zichzelven of van iemand anders? En Filippus deed zijnen mond open,

ocr page 68

G6

en beginnende van diezeive Schrift, verkondigde hem Jezus.

En alzoo zij overweg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: wat verhindert mij gedoopt te worden ? En Filippus zeide: indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is liet geoorloofd. En hij antwoordende zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.

En hij gebood den wagen stil te hoxiden, en zij daalden beiden af in het water, zoo Filippus als de kamerling en hij doopte hem. En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer: want hij reisde zijnen weg met blijdschap. Maar Filippus werd gevonden te Azóte, en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesaréa kwam.

Gods weg is in 't heiligdom en Zijn pad in diepe wateren. Hij is een God die Zich verborgen houdt en die vaak zegt: Wat Ik nu doe weet gij niet, maar na dezen zult gij het verstaan. Wat moet er zijn omgegaan in het hart der discipelen, toen Stephanus werd gedood en de wolf uit den stam van Benjamin rondging om te verscheuren, en de mannen niet alleen, maar ook de vrouwen getrokken werden voor 't gericht. De discipelen werden naar alle zijden verstrooid, zij waren als duifjes, wier nestje is weggenomen. En toch als de Heer het had kunnen doen, voorwaar Hij had Zijn volk dit lijden gespaard; maar het was noodig om de discipelen los te maken van hun verblijf te Jeruzalem, te leeren gehoorzamen aan het zendingsbevel, en aan de wereld te toonen, dat de blijdschap in God alle smarten overwint, ook de smart van vervolging en dood.

Door de verstrooiing werd het Evangelie verbreid ook in

ocr page 69

07

Samaria, dat eenmaal aan het vuur zou zijn prijs gegeven, als de wÜ geschied ware van de zonen des donders. Maar de Zoon des menschen wilde behouden, niet verderven.

Daar komt van plaats tot plaats de Diaken-Evangelist Filippus.

Hij predikt met zegen, en die zegen wordt nog met teekenen en wonderen bevestigd en vermeerderd. Zelfs Simon de too venaar wordt bekeerd, maar zijn bekeering is niet van den echten stempel, en de huichelaar wordt ontmaskerd als hij den Heiligen Geest wil koopen voor geld.

Een Engel wordt na dit treurig drama tot den Evangelist gezonden en de man die door het eene feit bedroefd werd, zal door een ander feit verblijd worden, en niet twijfelen als er weder een, en wel zeer spoedig, bekeerd wordt. Green Engel mag het werk doen dat aan Filippus opgedragen is. God redt menschen door menschen, maar niet door Engelen; zij waren nooit verloren en spreken dus niet uit ervaring. Zoo zal ook later niet een Engel aan Cornelius het Evangelie verkondigen, maar hem zeggen: Zendt mannen naar Joppe en ontbiedt Petrus, die thuis is bij Simon den lederbereider aan de zee. Sta op, zegt de Engel tot Filippus. Misschien zat de Evangelist een weinig bij de pakken neer, na de teleurstelling in den bekeerden toovenaar.

Sta op, en ga heen naar het Zuiden. Het geld had des toovenaars hart koud gemaakt, de liefde maakt het hart van den Moorman warm. Ga op den weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza. Van die stad had Simson eenmaal de poorten weggedragen, maar grooter macht zal nu geopenbaard worden, als Christus het hart van den Moorman ontsluit.

Die man reed op een weg, welke woest en eenzaam was. Het ware te wensehen dat de mannen der groote wereld, van dezen hooggeplaatsten man wilden leeren, dat hij, die zich

ocr page 70

68

afzondert, naar iets begeerlijks tracht. Tot kamerling was hij benoemd door de Moorsche koningin Candacé, maar behalve dien eerepost, was hij toch een machtig heer in Ethiopië. Dit land bestond uit de landen Nubië en Abysinië, waar nu de zending in bloed is gegrondvest.

De koninginnen van Ethiopië heetten allen Candacé, evenals de Egyptische koningen. Farao. De hoofdstad waar Candacé woonde, heette Napata, in Nubië gelegen.

Van uit die stad was de groote man gekomen, om in het jaar 34 na Christus, het Paaschfeest te Jeruzalem te vieren. Hij was niet alleen schatmeester van Candacé, maar bezat zelf schatten, het hinderde hem dus niet, wat geld te geven voor een perkamenten rol, waarvan de inhoud was het Evan-gelie van het profetisch tijdperk voor alle tijden bestemd. Overluid leest hij Gods Woord, zittende op zijn wagen. Van verre is hij gekomen, maar hij is nabij het Koninkrijk Gods.

Als kamerling was hij waarschijnlijk gesneden en kon daarom niet volgens de wet van Mozes proseliet der gerechtigheid zijn, maar wel der poort. Nooit kon hij jood worden, maar wel door Gods genade, christen. Tot nu toe was 't Evangelie den Joden verkondigd, de Moorman is de overgang en bij Cornelius komt het Evangelie tot de heidenen.

In dezen man wordt Davids profetie vervuld, van Zion zal gezegd worden, de Filistijn, de Tiriër met den Moor; deze zijn aldaar geboren. Hier is de aanvang van hetgeen Jegaja zag: Moorenland zal de handen uitstrekken. En is het waar wat do overlevering zegt, dan heeft later deze kamerling met Mattheüs den Evangelist, in Ethiopië het Evangelie-verkondigd. Zie nu den weg door God' met dezen man gehouden. Eijk naar de wereld, geacht en geëerd, vindt hij in al deze dingen geen vrede. De afgodendienst van zijn volk kan zijn

ocr page 71

69

hart niot bevredigen; hoe zal dit schaap zijn Herder vinden?

Wat wij niet kunnen droomen ziet God vooruit, de paden eens nans zijn van den Heer, hoe zal dan iemand zijn weg weten?

Wellicht is een koopman in pauwen en apen het middel geweest om dezen man tot de kennis van Jehovah te brengen; in elk geval, wij weten dat de Heiland zelf van de firizeën zegt; gij omreist zee en land, om één jodengenoot b maken. Zoo is dezen heiden, die zeer waarschijnlijk zon, naan en sterren aanbad, tot het geloof in der lichten Vader gikomen. Nu is het hem eene behoefte om met het volk dit hij liefheeft den waren God te aanbidden in zijnen tempi en een offer te brengen op liet feest dat tot dankbaar-bid stemt. Misschien heeft hij reeds vroegër, wellicht ook erst nu, Jesaja's profetie gekocht; in elk geval, wij zien in (ezen man de begeerte om God beter te kennen, door het nderzoek van Gods Woord.

Eerst de dageraad, dan de morgen, eindelijk de volle dag, .11 al den glans der middagzon. Zoo in de natuur, niet anders in' het rijk der genade. Een kind is niet aanstonds een man.

Welk een gedachte moet het zijn voor een heiden: Er is één God, almachtig, wijs en goed. Die alles gemaakt heeft, onderhoudt en bestuurt. Die de volken deed worden, en uit allen één volk dat Hem kent, en nu de andere tot Zijne kennis moet leiden.

Hoe dat volk moest lijden en hoe het verlost werd, en tot een Godsvolk werd gevormd en wat God aan en voor dat volk deed, hij kon het op het Paaschfeest hooren.

Hoe groot in geloof en liefde Jlozes was geweest en hoe zijn aandenken in eere bleef, is hem voorzeker niet verzwegen. Maar nu leest hij niet van Mozes, maar van Jesaja; maar wat hij leest, hoezeer het hem boeit, hij kan het niet ver-

ocr page 72

70

staan. Één zaak is hem een raadsel: of de profeet van zich zeiven spreekt of van een ander; als dat lijden daar vooi zijn oog heen gaat. Filippus op bevel van den Engel den wef naar Graza betreden hebbende, ziet dezen Moorschen Groote, lezende in een boek, en het is nu niet een Engel, maar cfe Heiligen Greest die tot hem zegt: Ga toe en voeg u bij dezm wagen. Zoo worden allen geleid, die op des Geestes leidiig merken. Het geleid worden door den Geest is een bewis van het kindschap Gods. Filippus gaat en hoort den kame-ling lezen en doet liem een vraag, die wij ons zeiven gt;n anderen ook moeten doen: Verstaat gij ook hetgeen gij lees'? Daar is Gods Geest voor noodig; Hij leidt in al de waarhed en leert ons de waarheid verstaan. Het gebed om den Heligen Geest is het halve werk bij de Bijbelstudie. Het gebd is de sleutel om te komen in de sehatkameren van God, ei in die sehatkameren is wijsheid en kennis en verstand, raai, licht en vertroosting.

De Evangelist steekt het licht op van het kruis en ver kondigt Jezus. Kamerling lees nu bij dat licht uw rolenhe' zal licht worden achter u, voor u, in u, rondom u en eenmaal boven u. Een Evangelist in een Moorsche hofkoets en de schatbewaarder van een vorstin aan zijne voeten; zoo nederig maakt Gods genade.

Hij bad Filippus op den wagen te komen, en zij zaten daar als broeders en zij waren het ook. In het hemelsch Jeruzalem zijn geen standen meer. Met een vraag opende de Evangelist het hart van den kamerling. Wij moeten op den man afgaan en niet eerst spreken over mooi weer. Met eerst zooals zeker leeraar bij een wever deed, over de tapijten van Smyrna en de koeien van Farao spreken, maar Jezus verkondigen. Dat is geen leer maar leven, geen elogma maar

ocr page 73

71

een persoon; het Lam Gods dat de zonden der wereld wegdraagt, Jezus zelf, in al Zijne liefde, is de inhoud der Evan-geheverkondiging van Filippus. Deze Evangelist preekt niet, maar houdt Bijbellezing. Evangelisten moeten niet preeken. Bijbellezen is goed, maar verklaring is noodig. Lezen is goed, maar hooren is beter. Wij hooren met het oor, komen tot het zien door het geloof en tot het genieten met ons hart. Dat doet de Heilige Geest, Hij was de derde of liever de eerste persoon op dien wagen. Hij gaf aan Filippus een open mond, aan den Moorman een open hart.

En de leergierige hoorder vond een vasten grond voor het anker zijner hope. Zoo is het geloof door het gehoor en het gehoor door het Woord Gods. Hoe zullea zij hooren als er niet gepredikt wordt, hoe zullen zij prediken zoo zij niet gezonden worden? Filippus wist zich van God geroepen, gezonden en bekwaam gemaakt, om een antwoord te geven op de vraag van een heilbegeerig hart. Nu er in het hart van den kamerling geloof is, wil hij ook gedoopt worden. Al had hij zijn post moeten opgeven, hij zou het gewis gedaan hebben, als hij maar zalig kon worden. Zielen die waarlijk gelooven, redeneeren niet met den duivel en beraden zich niet met vleesch en bloed. Deze man wil Christen zijn, er moge aan verbonden zijn wat er wil.

En Filippus doopte hem, hij geloofde spoedig het goede van anderen.

De geloofsbelijdenis van den kamerling was koi't en goed. Indien hij dezelve namelijk heeft uitgesproken, hetgeen nog de vraag is. Het is niet de vraag of gij Gereformeerd zijt of Luthersch, Remonstrant of Doopsgezind, maar wel, of gij in den Zone Gods gelooft. De Heilige Geest gaf aan den Moorman den tekst dien hij behoefde en den uitlegger er bij,

ocr page 74

72

en het geloof om Gods quot;Woord aan te nemen en den doop om hem in te lijven in Grods Koninkrijk. Duizenden die Cliris-tenen heeten, zullen eenmaal door dezen Moorman geoordeeld worden. Deze man lieeft zooveel in Jezus gevonden, dat hij Filippus kan missen en toch zijn weg met blijdschap reizen. Voor Filippus is weder iets anders te doen. De Heilige Geest nam hem weg en 'uracht hem te Azote of Asdot.

Nu de Moor behouden is, moeten de Filistijnen het Evangelie hooren. Maar altijd reist Filippus door, totdat hij te Cesaréa komt; het oude Stratonstoren, door Herodes herdoopt, na het aanleggen van een haven aan de Middelandsche Zee. Daar blijft Filippus wonen met zijne vier dochters, die profetessen zijn en ontvangt er in lateren tijd Paulus in zijn huis.

De geschiedenis van den kamerling geeft ons den weg aan om tot het leven der blijdschap te komen.- Ernstig schriftonderzoek, het hooren der prediking, niet wijs zijn in eigen oog, maar leergierig nederzitten aan de voeten van Gods knechten. Liefde tot de broederen en kinderlijk geloof, versterkt door het gebruik der Sacramenten. Beslistheid in de overgave van het hart en in het volgen van den Heer, zonder te vragen naar de gevolgen van dat volgen. En eindelijk, geen menschen, vergoden, ook al was het een Filippus die u leerde en doopte. Hebt aan Jezus alleen genoeg, dan kunt gij uwen weg met blijdschap gaan. Zulke zielen gaan met dezen Moorman het hemelsch Zion binnen. Daar wordt het woord vervuld: De vrijgekochten des Heeren zullen weder-keeren en tot Zion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hunne hoofden wezen, vroolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden.

AMEN.

ocr page 75
ocr page 76

LEIDEN: BOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN N1FTER1K