JOSEPH HAYDN.
TT. 2s-jz
/lt;p
*â
JOSEPH HAYDN.
REN
KUNSTENAARSLOOPBAAN.
EERSTE DEEL.
|
BIBLIOT.fcl |
uEEK DER |
|
ruksuni |
vèRSITElT |
|
:/-5r Uf OR |
EÃIIT |
|
COliuth |
iOmASSE |
3#-
Uitgave van de Maatschappij âDE KATHOLIEKE ILLUSTRATIE'
's-Hertogenboseh.
â 1 8 8 5.
I.
In het Kapelhuis.
In de nabijheid der St. Stefanuskerk te Weenen staat het Kapelhuis, een koorknapen-instituut, in hetwelk ten tijde der keizerin Maria Theresia de gestrenge kapelmeester Reutter den tamelijk on-barmhartigen schepter over een schaar frissche, zanglustige jongens zwaaide.
Drie jongens staan bij elkander voor het raam van den langen, met steenen bevloerden gang van het huis en knauwen elk aan een stuk droog roggebrood. Het zijn levenslustige knapen, met heldere, schitterende oogen, waaruit de guiterige geest en de plaagzieke deugniet spreekt; een onder hen echter heeft een ongemeen schrander gelaat: het is een onooglijke, weinig ontwikkelde jongen met levendige oogen, die zich stijf tegen den muur drukt en het gebabbel zijner kameraden met een stommen glimlach aanhoort.
«De kapelmeester Reutter geeft ons toch schandelijk weinig te eten,quot; morde een der knapen, halfluid het aangevangen gesprek voortzettende; sik geloof vast, dat de man door ons uit te hongeren, nog rijk wil worden. Ik zal van blijdschap een huis hoog springen als ik uit het Kapelhuis ontslagen ben en mijn maag weer eens vol kan eten.quot;
De stilzwijgende kameraad sloeg langzaam de oogen op.
»Dat kunt gij zeggen,quot; merkte hij met bijzonderen nadruk aan.
6
»En waarom juist ik, Haydn?quot; vroeg de andere haastig. »Is dan niet ieder van ons even hongerig? Ik geloof, dat als wij nu de lieve â vrijheid herkregen, ons eerste werk zou zijn om een bakkerswinkel te plunderen tot stilling van onzen honger.quot;
Haydn schudde treurig het hoofd.
»Als gij bij vader en moeder te huis komt,quot; antwoordde hij weemoedig, »vindt gij een dampende keuken en volle schotels. Godzegeneu! gij kunt volkomen uw genoegen eten. Kom ik thuis, dan verwelkomt mij het gebrek, spijst mij het gebrek en herbergt mij het gebrek.quot;
»Dus wilt gij den moed verloren geven?quot;
»Wel zeker niet. Ik troost mij met de gedachte, dat alle menschen het niet evengoed kunnen hebben, en dat als er velen zijn, die zonder iets te doen altijd in overvloed leven, er vele anderen zijn, die ondanks al hun zwoegen bijna verhongeren. Dit is echter van latere zorg; voor morgen is de tafel overvloedig gedekt.quot;
»Aha! gij denkt aan het klooster Neuburg. Ja, daar wacht ons morgen een gouden dag. Onze keizerin Maria Theresia bezoekt het klooster, en wij jongens, die als bedelzangers overal zingen, achten ons gelukkig ook eens voor onze genadige keizerin te mogen zingen. Dat is de eerste reden van onze blijdschap. De tweede is het vooruitzicht bij de monniken onze magen vol te kunnen eten, zoo vol als wij het sedert de schepping der wereld nog nief deden; want de monniken lijden liever zelf honger, dan dat zij een student of zelfs een kapelzanger honger lieten lijden.quot;
Haydn knikte met een zeer tevreden voorkomen.
Een lange, dorre gestalte kwam in den gang aansloffen.
«Reutter!quot; fluisterden de jongens.
De oude met zijne boosaardige oogen bleef voor de drie knapen staan.
)gt;Zonderling!quot; sprak hij; ))jongelieden hebben immer tijd te vermorsen, terwijl wij, bejaarde menschen, steeds tijd te kort komen. Ik geloof, dat het 't beste is, dat ieder van u aan zijn spinet gaat; om te luieren wordt hier niemand gevoederd.quot;
Hij wierp nog een giftigen blik op de koorknapen en slofte met zijn zieken voet verder.
7
V »Hoort gij het? Wij worden gevoederd, heeft hij gezegd!quot;
»Dan zouden wij wel genoeg eten!quot;
»Een Columbus zou nog geen half lood eten in onze magen kunnen ontdekken!quot;
De drie jongens gingen giegelend huns weegs. »Tot morgen aan den heerlijken maaltijd,quot; fluisterden zij elkander scheidende nog toe.
quot;tquot; j)e dag was ternauwernood aangebroken, toen de kapelzangers over
den straatweg naar het klooster Neuburg marcheerden. Frisch als de dauw, welke op de velden lag, en als het gezang des leeuweriks hoog boven in het lichtblauwe azuur was het gezang der vroolijke jongens. Het gevoel van een zekere vrijheid, daarbij rondom een prachtige natuur, welker schoon zoo opwekkend op het gemoed der jongelingen werkte; het vooruitzicht op een blijden dag, waarop gewis niet de geringste schaduw van verdriet zou vallen: dat alles moest jongelieden, gelijk Haydn en zijne kameraden waren, tot de meest uitgelaten vroolijkheid stemmen.
En toch, hoe nader de kapelleerlingen bij het prachtige klooster kwamen, hoe ernstiger Joseph Haydn werd. Hij gaf geen acht op de kwinkslagen zijner makkers, was onverschillig voor den heerlijken aanblik, dien het grootsche stift in den rozigen gloed van de eerste ochtendzonnestralen aanbood; nadenkend liet hij het hoold op de borst hangen en kwam stil achter de anderen aan. Zijn broeder Michel bleef verbaasd staan.
«Joseph, wat deert u toch op eens?quot; vroeg hij deelnemend. »Zijt gij soms ziek ?quot;
Joseph Haydn schudde het hoofd.
»Het is niets, in het geheel niets,quot; antwoordde hij: «er kwam op eens een bang voorgevoel bij mij op. Gelijk gij weet, is mijne stem niet meer gelijk zij was. Ik hoop, dat zij spoedig weer helder en ^ klankvol zal zijn.....quot;
Hij voleindigde niet.
Michel was aan zijne zijde getreden en drukte hem de hand.
»Kom, maal toch niet,quot; sprak hij met broederlijke trouwhartigheid; »gij kunt zeggen wat gij wilt; maar gij zingt toch het mooiste.
-«gt;
8
Gij denkt misschien, dat ik zoo spreek, omdat gij mijn broeder zijf en ouder dan ik; maar dat is niet zoo, ik spreek de zuivere waarheid.quot;
De beide broeders stapten met ineengestrengelde handen zwijgendnaast elkander voort.
Het klooster was bereikt. Reutter, die reeds den avond te voren in een koets naar het klooster vooruitgegaan was, begroette zijneleerlingen niet een ontevreden blik.
»Gij ziet er uit als molenaars,quot; snauwde hij hun toe; ))gij hebt wel een uur werk om u te wasschen en af te borstelen, eer gij er weder als fatsoenlijke jongens uitziet. Komaan; pakt u wegen zorgt dat gij behoorlijk voor den dag kunt komen!quot;
Een naast Reutter staande monnik hoorde die strafpredikatie glimlachende aan.
»Komt, jongens,quot; sprak hij vriendelijk, «gij moet in de allereerste plaats uwe magen eens goed uitborstelen. Die zullen wel het meest door het stof van den straatweg geleden hebben. Uw plunje kunt gij later wel uitkloppen en uwe verhitte gezichten ferm onder de pomp wasschen.quot;
Hij voerde hen naar het refectorium en liet hen daar aan een smakelijk ontbijt aanzitten. Terwijl de jongens met waren geeuwhonger van de aangeboden gastvrijheid gebruik maakten, stond de monnik bij de tafel en zag met blijkbaar welgevallen op de knapen nedeiv
«Smaken u het brood, het vleesch en de wijn goed ?quot; vroeg hij met een vriendelijken lach.
De koorknapen konden slechts bevestigend met het hoofd knikken, want hunne kaken waren in te volle bedrijvigheid om te kunnen spreken; uit hunne oogen echter straalde rein geluk. De jeugd vooral als zij de ruwe paden der armoede betreden moet, rekent op het oogenblik van ongekend geluk niet met verleden en toekomst; zij is tevreden, van ganscher harte tevreden, wanneer een heldere lichtstraal, door geen enkel voorbijtrekkende wolk beneveld, in het frissche hart valt, dat voor elke reine vreugde zoo ontvankelijk en gevoelig is. Neen, het was niet dat zij aan de liefderijk voor hen gedekte tafel zich zat konden ttei, wat de arme jongens zoo gelukkig stemde;
9
neen, het was de goedige blik, die uit de oogen van den monnik daar voor hen aan de tafel op hen rustte, deze was het, die als een vriendelijk groetende zonnestraal na eene lange onweersbui in hunne harten drong. De ware weldadigheid geeft goud, wanneer zij met zachte hand brood reikt; de rijke trotschaard, die zijn geld den arme koud en zonder een woord van deelneming toewerpt, verandert zijne gift in eon killen, waardeloozen steen.
Joseph Haydn alleen zat treurig te midden zijner kameraden. Hij had honger, maar hij kon niet eten: zijne lippen brandden en toch nam hij slechts een klein teugje uit zijn met wijn gevulden beker.
Zijn broeder Michel, die naast hem zat, zag hem met eenigszins toornige blikken aan.
«Maar, Joseph, het is waarlijk zonde, dat gij niet eet,quot; fluisterde hij: »zoo goed als vandaag hebben wij het toch in langen tijd niet meer gehad. Zie maar, ik smul als een prins.quot;
Joseph glimlachte. «Gij hebt gelijk, Michel, laat het u maar goed smaken, het is ons toch alles van harte gegund. Kloosterbrood wordt met het vuur der naastenliefde gebakken. Laat ipij echter met vrede! Ik ben niet ziek, maak u dus daaromtrent niet ongerust!quot;
Nadat de knapen gegeten en behoorlijk toilet gemaakt hadden, werden zij door Reutter, hun strengen kapelmeester, naar de muziekzaal geroepen. Daar was reeds eene fluisterende menigte van gasten en monniken bijeen. De muziekstukken waren rondgedeeld.
«De soli zingt gij, Michel!quot; knorde de kapelmeester.
Joseph Haydn was als door den bliksem getroffen. Zijn groot, helder oog was strak en beneveld op Reutter gevestigd.
«Eri waarom ik niet meer?quot; vroeg hij bijna toonloos.
«Omdat gij niet meer zingt, maar kraait.quot;
Haydn gloeide van schaamte en kwaadheid.
«Weet gij,quot; ging Reutter geeuwend voort, «wie dat oordeel geveld heeft? Onze genadige keizerin zelve. Zie zoo, nu kunt gij tevreden zijn!quot;
. Haydn voelde geen grond meer onder zijne voeten, en toen de keizerin Maria Theresia, geleid door den abt en door een schitterend gevolg
lü
vergezeld, in de zaal trad, begroet door diepgebogen gestalten, bleet Joseph Haydn alleen rechtop staan en zag de keizerin weemoedig in het gelaat, als wilde hij haar toeroepen;
»Het was niet mooi en goed van u, dat gij mij zoo gekrenkt hebt!quot;
liet concert begon. Joseph Haydn had zich bij de eerste tonen hersteld: hem kon niets gelukkiger maken en met alles verzoenen dan de muziek.
sMichel, zing maar ferm op!quot; fluisterde hij zijn broeder bemoedigend toe; »gij heet evenzoo goed Haydn als ik, en zult zien, dat ik ook niet kraai gelijk de keizerin meent.quot;
De beide broeders zongen als nachtegalen in een vlierboschje ; de een spoorde den anderen aan, zij stieten elkander met de ellebogen in de zijde en blikten elkander onder de pauze in de schitterende oogen â en al had het hem den laatsten ademtocht uit zijne borst gekost, Joseph zong met de gansche innigheid zijner in de golven der muziek zwelgende ziel en elke toon klonk helder als eene klok:
))Keizerin, Joseph Haydn zingt, maar hij kraait niet!quot;
Het concert was ten einde. De muzikanten legden vermoeid hunne instrumenten neder en wischten zich het zweet van het gloeiende voorhoofd. Zelfs Heutter, die anders geen loftuiting kende, zag heden voldaan op zijne kapelzangers neder en drukte tusschen de opeengeklemde landen zijne tevredenheid uit.
sBravo, jongens! Geen fouten gemaakt. Gij, Michel, hebt prachtig gezongen; Joseph ook; ik had het waarlijk niet gedacht. Goed opgepast!quot;
Do beide Haydn's hoorden met minachtend gekrulde lippen dezen lof aan; Michel vond er geen behagen in, omdat hij in den hem toegezwaaiden lof een verongelijking van zijn broeder zag; Joseph echter was te hooghartig om met den toegeworpen lof de hem geslagen wonde te willen heelen. Ja, hij begeerde van den ijskouden Reutter geen aalmoes des medelijdens; slechts één ding troostte en verheugde hem, namelijk, dat nadat hij ter zijde geschoven was, toch zijn broeder en niet een ander zijne plaats innam.
11
«Het is toch een Haydn, en reeds daarom, beste Michel, gun ik u de eer van dezen dag. Gij kunt wel gelooven dat daartoe een onbaatzuchtige broederliefde behoort, want jaren lang was ik de gevierde; thans sta ik in den hoek en mag blijde zijn als men mij niet beschimpt.quot;
De koorknapen verlieten de zaal en verstrooiden zich in den tuin, naar echte jongensmanier met elkander stoeiende of heimelijk van de druiven snoepende, die zoo uitlokkend aan de ranken hingen; in alle gevallen hadden zij daarin meer zin dan in de bloemen, waaraan de kloosterbroeders de grootste zorgen besteedden. De beide broeders Haydn hielden zich echter ter zijde en wandelden arm in arm, in een druk gesprek over het gebeurde van dien dag, langzaam op en neder, toen een kloosterbroeder, die haastig op hen toekwam, hén in hun onderhoud stoorde.
»\Vie van u beiden is Michel Haydn?quot; vroeg hij hijgend.
»Ik.quot;
»Gij moet terstond bij Hare Majesteit de keizerin komen.quot;
Michel zag zijn broeder bedremmeld en verschrikt aan.
))lk durf niet!quot;
«Domme jongen,quot; berispte de monnik, «zoo iets zegt geen redelijk mensch. Gij gaat mede, verstaat ge?quot;
Met deze woorden vatte hij den jongen bij den arm en voerde hem naar eene groote zaal. Daar zat de keizerin, omgeven van heeren en dames, streng majestueus en toch uitermate welwillend.
«Majesteit,quot; sprak de monnik, den knaap achter zich voorttrekkende, «hier breng ik Michel Haydn.quot;
De keizerin liet haar vriendelijk oog lang op den verlegen naar den grond zienden knaap rusten.
»Gij hebt voortreffelijk gezongen,quot; sprak zij, «veel beter dan uw broeder Joseph.quot;
Michel sloeg de oogen op; zij schitterden.
«Majesteit â mijn broeder Joseph â is duizendmaal meer waard in de muziek dan ik â maar dat hij â juist nu niet zoo goed zingen kan als voorheen....quot;
12
De adem begaf den armen jongen.
«Ga voort!quot;
«Uwe Majesteit, â Joseph â en die is mijn liefste broeder â Joseph heeft vandaag bitterlijk geweend; maar hij zal der wereld nog liederen zingen, welke nimmer vergeten worden; en wanneer men Michel Haydn sinds lang niet meer noemt, zal men Joseph Haydn nog lang in eere houden.quot;
De keizerin zag den knaap verbaasd aan.
))Hoe bedoelt gij dat?quot; vroeg zij eenigszins scherp en gestreng.
«Uwe Majesteit, dat is de waarheid,quot; antwoordde de knaap met klimmenden moed. «Mijn broeder Joseph is als een nachtegaal, die liederen zingt, waaraan niemand denkt. Gij hebt hem nog niet gehoord, als hij aan het spinet zijne gedachten in woorden kleedt; maar ik heb dat duizendmaal gehoord, en als ik op iels trotsch ben, dan is het op mijne moeder, die mij innig liefheeft, en op mijn broeder, die zoo wonderschoon, gelijk niemand anders, in tonen spreken en denken kan. Niemand mag mijn Joseph verachten of hij grijpt mij diep in de ziel en doet mij onlijdelijk pijn.quot;
De oogen der keizerin glinsterden vochtig.
»Gij zijt een goede jongen; want de afgunst heelt u nog niet vergiftigd. Het is bijna alsof die Haydn's bijzondere menschen zijn, beter dan andere. Dat gij uw broeder liefhebt en prijst, is zeer braaf van u; maar u wil uwe keizerin ook beloonen. Hier hebt gij vier en twintig dukaten. Blijf braaf en wees te allen tijde een goed Oostenrijker!quot;
Michel Haydn wist niet hoe hij uit de zaal gekomen was. Hij zag slechts als door een nevel, dat de gestalten rondom hem bogen en golfden als korenhalmen in het zachte koeltje, de grond onder 'zijne voeten scheen hem een bootje op een stormachtig water. In den tuin gekomen, vond hij daar zijn broeder, die met belangstellende nieuwsgierigheid op hem wachtte. Sprakeloos hield Michel hem de met goud gevulde hand voor de verbaasde oogen.
«Van de keizerin?quot; vroeg Joseph, den blik onafgewend op het geld richtende.
13
Michel knikte toestemmend
«Weet gij, wat wij doen, Joseph? Wij deelen!quot;
Joseph ging een stap terug en strekte de hand afwerend uit.
«Neen,quot; verklaarde hij op stelligen toon; «gij, Michel, houdt het geld voor u, ik neem geen penning. Maar, dit verzeker ik u, dat ik mijn geheele leven lang de keizerin niet genoeg erkentelijk zal zijn voor de blijdschap die zij u bereid heelt.''
«Of weet gij wat,quot; ging Michel geheel in gedachten verdiept voort, «ik koop u een spinet of een nieuwen rok, of.....
«Niets, in het geheel niets koopt gij voor mij!quot; gaf Joseph ten antwoord.
De beide broeders hadden waarschijnlijk nog langer met elkander dien edelen strijd voortgezet, hadde lleutter hen niet aangesproken. Zijne oogen staarden begeerig naar Michel's hand, waarin de nieuwe goudstukken in den helderen zonneschijn schitterden en fonkelden. De kapelmeester telde langzaam stuk voor stuk.
«Het is waarlijk te veel geld!quot; mompelde hij. «Welnu, wat wilt gij daarmede aanvangen?quot; voegde hij er, Michel Haydn grijnzend aanziende, bij.
«Ik weet het niet,quot; antwoordde deze, eenigszins verdrietig over de tusschenkomst van den kapelmeester.
«Goed, goed!quot; bracht Reutter haastig uit. «Ik zal het geld voor u bewaren.quot;
Joseph zag hem somber aan.
«Vader heeft ons geschreven, dat zijn eenige koe gestorven is; mij dunkt, dat Michel zijn geld aan vader moet zenden, om een nieuwe te koopen.quot;
De kapelmeester wierp een giftigen blik op Joseph; doch snel richtte hij het oog naar den grond en sprak op vriendelijken toon;
«Gij hebt gelijk; zend uw vader twaalf ducaten. Met dit geld kan hij zich een prachtige koe aanschaffen: de andere twaalf da-katen zal ik echter voor u bewaren; want het is waarlijk niet goed, dat een jong, onervaren mensch zooveel geld in handen heeft, hij komt daardoor te licht tot onnutte uitgaven.quot;
u
Michel aarzelde nog een oogenblik, toen legde hij de twaalf dukaten in Reutter's hand. De oude lachte vergenoegd en sloop naar het klooster terug.
«Arme broeder, dat hadt gij niet moeten doen!quot; berispte hem Joseph. »Mij dunkt dat als een van ons te veel geld heeft, vader en moeder er het naaste aan toe zijn om het te bewaren, en juist aan den kapelmeester zou ik geen rooden duit toevertrouwen.quot;
»Gij doet hem onrecht!quot; antwoordde Michel weemoedig.
â Joseph Haydn had echter maar al te zeer do waarheid gesproken. De kapelmeester Reutter heeft den armen kapelzanger Michel Haydn de hem toevertrouwde twaalf dukaten nooit teruggegeven! .....................â¢
De korenvelden wiegelden in gouden golven; de zomer bereidde den zegen des jaars voor de schuur van den landman.
Reutter stond met een grimmig voorkomen in zijne kamer van het kapelhuis te Weenen. De openstaande ramen waren met donkergroene gordijnen behangen, die een eigenaardige schemering in het vertrek verbreidden. De kapelmeester keek vol verwachting naar de deur zijner kamer, gelijk een tijger, die tot den sprong bereid, op zijn offer wacht. Er werd geklopt en het offer kwam het hok van den tijger binnen: het was Joseph Haydn. De jongeling was ernstig, treurig gestemd en toch lag er in zijn gansche wezen iets vasts en uitdagends. Reutter trad vlak voor hem en mat hem met verachtenden blik van het hoofd tot de voeten.
vWeet gij, wat gij zijt?quot; schreeuwde hij hem met eene schrille stem toe. «Gij zijteen schavuit!quot;
Haydn ontroerde. Zijne lippen klemden zich krampachtig opeen.
«Waarom?quot; vroeg hij bijna toonloos.
«Gij hebt de onbeschaamdheid gehad een uwer makkers dea staart af te snijden!quot;
Een lichte lach gleed over Haydn's trekken.
«De jongen droeg zijn lang haar in oen staart gevlochten Dat scheen mij te;. en alle gewoonte in te druischen en flus sneed ik hem
15
den staart af. Dat mag een jongensstreek geweest zijn, iets slechts was het echter niet.quot;
Reutter tikte met den wijsvinger van de rechterhand zenuwachtig op Haydn's borst.
«Weet gij, wat u te wachten staat? Gij krijgt met den plak!quot;
Haydn's gestalte rekte zich fier uit. Zijn oog flikkerde van gramschap en verontwaardiging.
sik verlaat liever oogenblikkelijk het kapelhuis; slaan laat ik mij niet!quot;
«Uitmuntend!quot; spotte Reutter; »gij gaat waarheen gij wilt, maar eerst nadat gij de slagen ontvangen hebt!quot;
Daartegen hielp geen bidden of zich verzetten; de handen van een Joseph Haydn werden door een bediende met het bevolen getal slagen gepijnigd, daarna voegde Reutter hern met koelen spot toe:
«Ziezoo, nu gij afgestraft zijt, kunt gij het kapelhuis verlaten!quot;
De avondschemering begon te vallen toen Joseph buiten de poort van het kapelhuis trad. Zijne handen brandden nog als vuur doch erger nog gloeide zijn binnenste. Voor den drempel bleef hij staan. Zijn beneveld oog zwierf nog eenmaal over het gebouw, terwijl in zijn geest al de herinneringen opdoemden, die zich aan dat huis voor hem vastknoopten. Daarop verliet hij de groote stad en hoe stiller het rondom hem werd en hoe dieper de avond zich over het landschap uitbreidde, des te rustiger werd het in zijn hart. En ten laatste werd het blijde en zangerig. De maan steeg boven de heuvelen op, haar zacht licht uit een zilveren schaal uitgietende; het woud ruischte droomerig, zelfs de beek klaterde zachter tusschen het sluimerende gras. Daar in hot kreupelhout slaat een nachtegaal: Haydn luistert in verrukking op zijn stok geleund; een luide, vroo-lijke triller nog uit des kleinen zangers keel â dan heerscht alom nachtelijke stilte.
Slechts een eenzame wandelaar stapt over do stoffige straatweg voort.
«Naar huis!quot;
IT.
Bij vader en moeder.
Daar onder gindsche ooftbooinen ligt Rohrau, Haydn's gebowlc-plaats.
Het slot van dien naam met het eenigszins verwilderde park staat afgezonderd van de kleine onaanzienlijke woningen, die tamelijk onregelmatig gegroepeerd zijn en welker omgeving inderdaad op alle zintuigen des menschen een zeer landelijken indruk maakt. In een zijstraat van het marktvlek bijna aan het einde staat een armelijk huis, geheel â met ruw bekapt wagenhout omzet; de vensters zijn klein en laag-, de muren afgebrokkeld, de scheef hangende vensterluiken dik met roode en groene verf beschilderd. Het dak, hoewel hier en daar gelapt, is blijkbaar zeer bouwvallig; uit den schoorsteen stijgt een dunne blauwachtige rookzuil regelrecht in de onbewogen avondlucht omhoog.
Het is rusttijd. De herder drijft het loeiende vee uit de weide naar de stallen, daarbij oorverscheurend op zijn hoorn toeterende of ratelend met de zweep klappende. Daarmede wordt de dagelijk-sche arbeid voor Rohrau gesloten. De staldeuren worden dicht-gegrendeld, de huisvader steekt zijne pijp aan, de moeder grijpt de breikous, op de bank voor de deur wordt nog een kwartiertje verpraat, dan verlangt het moede lichaam naar de rust op het harde leger.
17
De oude Haydn klopt juist.zijne pijp uit. Hij doel zulks met eene zekere weemoedigheid, want zij is vandaag wat te vroeg uitgegaan en gaarne had hij nog eene tweede gerookt, maar de vader moet voor zijne kinderen sparen; er zijn er zooveel. Met prijzenswaardige zelfverloochening legt de oude wagenmaker pijp en tabaksbuidel naast zich op de bank en werpt een blik op zijne vrouw, die niet onvermoeide vingers aan baar breikous werkt.
»Het is tijd om uil te scheiden, oudje,quot; spreekt Haydn vriendelijk.
«Nog een paar naadjes, dan is de kous af,quot; antwoordde de vrouw, zonder van haar werk op te zien »Gij zorgt in hel groot door uw handenarbeid voor het dagelijksch brood der huishouding, de vrouw mag zelfs geen minuut ongebruikt laten voorbijgaan om voor het gezin werkzaam te zijn. En paste de vrouw niet onafgebroken op het kleine, dan hielp hel werken van den man in het groote toch niet. Laat mij daarom rustig mijn taak afmaken; de slaap is mij slechts in zooverre noodig, dal ik er krachten uit pul om morgen opnieuw voor mijne lieve kinderen bezig te kunnen zijn.quot;
De oude Haydn zag zijne vrouw met erkentelijkheid aan. Hij wist zeer goed, dat de beste man met eene luie vrouw tot den bedelstaf vervalt en een arme man met eene vlijtige vrouw tol welstand kan geraken. Daarom was zij hom ook met eiken dag dierbaarder geworden en thans, nadat hij reeds meer dan twintig jaar met haar gehuwd was, moest hij tot zich zeiven zeggen, dal hij zijne vrouw, toen hij met haar verkeerde, niet zoo liefgehad had [als thans nu zij als bejaard moedertje naast hem zat.
Sprakeloos drukte hij bare hand ; doch in liezen handdruk lag meer dan duizend woorden hadden kunnen uitdrukken, want er lag de innigste liefde, de vurigste dank in opgesloten.
De oude vrouw glimlachte vergenoegd.
»Daar komt de maan van achter de heuvelen te voorschijn,quot; sprak zij opstaande. ))Zij maant ons aan om ter ruste te gaan; kom, vader!quot;
Op den drempel bleef zij nog even staan.
»Ik zou wel eens willen weten, of zij bij mijn Joseph ook zoo helder en vriendelijk schijnt, en boe mijn goede jongen het maakt.quot;
18
Haasfg kwam een voetganger in de straat aanstappen, het onze-kere, bleeke maanlicht liet wel zijn gestalte, doch niet zijne trekken onderscheiden.
»Vader â moeder!quot; riep hij reeds van verre.
Verschrikt vatte de vrouw den arm van haar man.
»Dat is Joseph,quot; fluisterde zij, scherp naar den voetganger uit-ziende. Haar hart bonste en hamerde â «hij is het!quot; â en moeder en zoon sloten elkander in de armen!
En nu zitten zij binnen bij elkander in het eenvoudige vertrek ^ daar in den hoek onder het kruisbeeld Joseph, rechts en links vader en moeder. De maan met haar vale, matte schijnsel, dat zijn weg door het kleine raam vond, was het eenige licht in de kamer.
De oude Haydn het den eersten storm van het wederzien voorbijtrekken zonder daaraan bijzonder deel te nemen. Toen de vervoering der vreugde bij moeder en zoon eenigszins bedaard was en het gesprek een oogenblik stokte, vroeg hij schijnbaar onverschillig:
«Wel, Joseph, is het reeds vacantie?quot;
sNeen, vader!quot; klonk het eenigszins schuchter en verlegen terug.
»Dat had ik ook al gedacht, anders moest loch Michel met u medegekomen zijn. Is dat niet zoo?quot;
»Gij hebt gelijk, vader.quot;
«Zoo, en waarom komt gij dan vóór den tijd en alleen?quot;
Joseph Haydn talmde een oogenblik met het antwoord; hij raapte al zijn moed bijeen en beproefde aan zijne stem een vroolijken, vasten klank te geven.
«Vader, word niet boos; ik heb niets kwaads gedaan â stellig niet; maar ik ben uit het kapelhuis weggejaagd.quot;
De oude man sprong op. Zijn gelaat was hard als steen.
»Gij weet uw kamertje,quot; sprak hij koel bevelend, »ga naar bovan en slaap, zoo goed of zoo slecht als gij kunt. Morgen zullen wij nader op die geschiedenis terugkomen.quot;
Met deze woorden verliet hij de kamer. Nauwelijks was de deur achter hem dichtgevallen, of de moeder sloeg beide armen om den hals baars zoons en vroeg met weeke stem ;
19
»Zeg, Joseph, gij liebt immers niefs slechts gedaan ?quot;
Dat klonk zoo srneekend en liefdevol, zoo bang en toch weder zoo innig, dat den jongeling hart en oogen overliepen.
«Neen, moederlief,'' fluisterde Joseph Haydn, zijne lippen op haar voorhoofd drukkende. «Iets slechts heb ik niet bedreven. Uw zoon keert braaf en goed tot u terug.quot;
sGod zij geloofd!quot; jubelde de moeder, «dat zij u weggejaagd hebben! Goeden nacht, lieve jongen! Ik verheug mij op morgen; ik heb u veel te zeggen.quot;
Zij ging naar het wijwaterbakje aan den deurstijl en zegende zich zelve en haren zoon.
«Geloofd zij Jesus Christus!quot;
«In eeuwigheid â Amen !quot;
Slapen kon noch vader, noch moeder, noch zoon. Ieder verdiepte zich in zijne gedachten en deze waren nu eens vroolijk en dan weder droefgeestig, ja, bijwijlen zelfs bitter en toornig. Eindelijk vielen toch allen drie de moede oogen dicht. En ieder had zijn droom: de vader keek naar zijn Joseph , hoe deze als wagenmakersgezel bij hem werkte; zijne moeder zag hem aan het altaar, zijne eerste mis opdragende; Joseph Haydn echter droomde, dat hij onder eene ademloos luisterende menigte menschen stond en de muzikanten rondom hem speelden zijne melodieën â zoo wonderbaar liefelijk klinkende, zoo volkomen als harptonen door een engelenhand aangeslagen......
Het was middernacht; de maan stond hoog aan den hemel en zag lachend op de slapers neder. En toen zij de droomen in hunne ziel las, liet zij eenige vliegende wolken over zich heen trekken; daarna wierp zij haar volle licht in Joseph's kamer en daar bleef zij tot aan den ochtend.
De aanbrekende dag was sombei en regenachtig. De hemel was grauw en dik, de lucht vochtig en kil, bij tusschenpoozen stofregende het.
De oude Haydn zat zonder een woord te spreken bij den schotel, waarin de pap was opgedragen. Hij lepelde werktuigelijk de
20
dikke, gebonden brei op, niet naar rechts of links ziende, langzaam, mét afgemeten handbeweging het voedsel naar den mond brengende. Joseph hield zich alsof hij at; maar hij gluurde meer naar het barsche gelaat van zijn vader dan naar het ontbijt, dat hem heden ondanks zijn grooten honger in het geheel niet smaakte.
De oude man legde den lepel neder, stond op, sprak een kort gebed en wenkte zijn zoon. In een klein ongezellig vertrekje stonden zij tegenover elkander.
nDus zijt gij met schande weggejaagd?quot;
^Weggejaagd â ja! met schande niet!quot;
»Zoo! Wat hebt gij dan eigenlijk uitgevoerd?quot;
/ Joseph vertelde open en rondborstig de noodlottige staartge-schiedenis.
De oude streek m«t duim en wijsvinger om zijne kin. Eenoogen-blik was het alsof hij lachen wilde.
bPraatjes!quot; gromde hij. «Weggejaagd zijt ge, dat wascht het water van de zee niet af; wat nu?quot;
De jongen haalde verlegen de schouders op.
»Gij weet het niet?quot; ging de vader voort. «Goed! zoo laat mij spreken en raad geven. Ik wil niet, dat gij zulk een windbuil van een reizenden muzikant wordt, gelijk er met honderden door de â wereld zwerven en ten laatste hier ot' daar op een strooleger ot achter eene heg sterven. Gij wordt wagenmaker en daarmede punctum!quot;
De oude verliet de kamer en wierp de deur zoo hard achter zich dicht, alsof hij nogmaals zeggen wilde: en daarmede punctum!
Joseph Haydn bleef met saamgevouwen handen en gebogen hoofd staan.
«Ik een wagenmaker!quot; riep hij, zich plotseling oprichtende uit. «In eeuvsigheid niet! Liever loop ik met bloote voeten naar dc Zigeuners en speel bij hunne dansen op de viool dan dat ik als een handwerksman den kost zou verdienen. Vader is goed, maar hs.rd Ik buig niet voor zijn wil; hier moet moeder helpen. De moeder, zijn toch altijd de laatste toevlucht der kinderen!quot;
21
Joseph sloop naar de zwart berookte keuken. Daar vond hij zijne moeder met de toebereidselen voor het middagmaal bezig. Hij zette zich op een bank in een hoek en zuchtte diep.
De goede vrouw keek hem uitvorschend van ter zijde aan. Zij begreep zeer goed, dat haar Joseph haar alleen daarom opgezocht had, om zijn boordevol hart voor haar uit te storten; maar het' ging haar evenzoo als haar Joseph : ook zij had hoofd en hart vol zware, ernstige gedachten; zij wist echter niet hoe zij er het duidelijkste en het beste mede voor den dag zou komen. Zoo wachtte de een op den ander; beiden wilden onbewimpeld en overtuigend spreken, maar geen van beiden wilde de eerste zijn.
«Dat het ook juist vandaag zulk een slecht weer moet zijn,quot; begon de moeder, een pan op hot open vuur zettende. âGij kondet anders ten minste in de vrije lucht gaan, in plaats van hier stom bij mij in de berookte keuken te zitten.quot;
Joseph Haydn hief langzaam hot hoofd op.
«Moeder,quot; zeide hij, »al scheen de zon ook nog zoo helder en uitlokkend, ik ging toch niet naar buiten; ik moet bij u zijn, ik heb u iets te zeggen.quot;
»Zoo ? Wat dan, lieve jongen?quot;
De moeder zag haren zoon bij deze woorden met vochtig glinsterende oogen aan, en wat daaruit blonk was liefde en zorg, zoo edel en warm, als zij slechts in een moederhart kunnen gevonden worden.
»Vader heeft daar straks tegen mij gezegd, dat ik geen muzikant mag worden.quot;
sGoed, zeer goed,quot; antwoordde de moeder haastig; âdat is ook mijn gevoelen.quot;
«En weet gij ook,quot; ging Joseph onthutst voort, «wat vader van mij maken wil? Een wagenmaker!quot;
Het oog des jongelings gloeide in brandende smart toen hij deze woorden sprak.
De moeder ging naar hem toe en legde hare handen op zijne schouders.
22
«Neen, Joseph, zoolang ik leef en een woord wegens mijne kinderen te zeggen heb, wordt gij geen handwerksman, het allerminste een wagenmaker. Onze Lieve Heer heeft u verstand tot iets beters gegeven.quot;
Joseph hoorde met een verblijd hart zijne moeder aan.
»Gij moet,quot; sprak de brave vrouw met vaste stem, âgij moet priester worden!quot;
Dè jongeling kromp verschrikt ineen en werd zoo bleek als een lijk.
»Ik wil geen geestelijke worden!quot; verklaarde hij op stelligen toon.
))En waarom dan niet?quot; vroeg zijne moeder eenigszins heftig. «Is de geestelijke stand dan niet de heiligste en eerbiedwaardigste op aarde ? Neemt niet een ieder voor den pastoor den hoed af en heeft hij niet zijn vast onbezorgd inkomen? En wat zou het eene groote eer en vreugde voor uwen vader en voor mij zijn als wij een geestelijken zoon hadden, bij wien wij onze oude dagen in rust en vrede zouden kunnen doorbrengen?quot;
«Neen, moeder! Ik heb mijn geheele leven naar uw woord geluisterd als sprak Onze Lieve Heer tot mij. Maar wat gij daar tot mij gezegd hebt, klinkt zoo hard en vreemd in uw mond, dat ik het niet begrijpen kan. Wien God niet de roeping tot den geestelijken stand in de ziel legt, die zal zich in eeuwigheid niet tusschen hunne reien dringen. En van de ouders ware liet een schreeuwend onrecht, wilden zij een zoon door de kraclit zijner ouderliefde dwingen, dat te worden, wat niemand worden mag, indien hij het niet uit vrijen persoonlijken aandrang doet. Of meent gij, dat mij de eerzucht of het sprookje van het onbezorgde leven zou kunnen verlokken? Neen! hoe jong ik ook zij, zie ik toch maar al tegoed in, dat de ziel eens priesters door duizenden zorgen moet gedrukt worden, waarvan een wereldling geen vermoeden heeft. Zijn strijd op Gods bevel met de wereld is waarlijk te hard, dan dat men van een zorgenvrij leven zou kunnen spreken ; aan het ziek- en sterfbed moge de priester veeltijds vreugden en bloemen plukken, die zijne ziel met overvloedigen troost vervullen; maar hoe, wanneer hij
23
â daar ook weder doornstruiken en rotssteen aantreft. Den mensch, die «iet al het lijden en de afdwalingen der menschheid niet alleen te kampen heeft, maar ook tot reddenden, radenden leidsman moet dienen, dezen moet Gods wil zelve tot priester zalven: hier hebben â vader en moeder slechts één recht, één plicht â te zwijgen. Mogelijk dat de toga mij de zorg voor het levensonderhoud licht maakt, maar ik verkoop mij en mijne ziel niet voor een schotel linsensoep ; en liever honger ik in een versleten plunje als een braaf bedelaar, dan â¢dat ik mij als ongelukkig priester verzadige. Zie, gij en vader wilt mij dwingen iets te worden, wat ik niet kan; Moest ik tusschen uw beider wil kiezen, dan zou ik zeggen: liever nog wagenmaker zonder roeping, dan priester zonder roeping!quot;
De jonge Haydn was zoo sprekende opgestaan en stond met fon-, kelende oogen tegenover zijne moeder.
»Laat mij ongemoeid mijn weg gaan, moeder! Gij zult geen schande aan mij beleven; want gij hebt mij geleerd goed te zijn. En al ligt er ook gebrek en honger tusschen heden en eene betere toekomst, maak u toch niet bezorgd: een vaste wil wordt ook door den honger niet gebroken.quot;
De moeder keek mistroostig naar den grond. De woorden haars zoons drongen haar als een verwijt in het hart en toch vermocht de goede vrouw niet zoo op eens aan hare lievelingsplannen en wenschen vaarwel zeggen. Weemoedig sloeg zij de oogen op en vroeg met trillende stem:
«Joseph, wilt gij dus werkelijk geen geestelijke worden?quot;
»Neen, moeder! Ik mag niet omdat ik niet kan. Ik weet dat gij mij te innig liefhebt om mij nog verder met uw wensch te plagen of lastig te vallen. Het doet mij leed dat, ik uwen dierbaarsten wensch niet vervullen kan, maar ik kan niet anders handelen. Al word ik ook geen priester, ik beloof u toch dat ik mijn geheele leven lang een braaf mensch zal zijn en blijven. Dat heloot ik u voor God en uw liefdevol moederhart, en dat is mijn heilige plicht; verlang echter niet meer van mij !quot;
Peinzend beschouwde de goede vrouw haren zoon, die haar nog
24
nooit zoo veel wee had gedaan eh te gelijk zoo veel heelenden balsem in haar hart druppelde, als juist heden, dat hij hare zoolang gekoesterde hoop zoo wreed teleurstelde.
⢠«Josephdus verbrak zij eindelijk het zwijgen, âwat wilt gij dan-worden?- want ik weet niet hoe en waarom; maar juist om u en uwe toekomst ben ik het moeste bezorgd.quot;
De jongeling zag zijne moeder dankbaar aan.
«Wat ik worden wil,quot; antwoordde hij glimlachend. »lkquot; weet het niet! alleen dit weet ik, dat gelijk de bloem naar de zon verlangt, mijne gansche ziel naar muziek haakt. Ik ben als eene Eolusharp uit welker snaren do adem der toekomst lokkende klanken wekt. Gij moogt de bloem niet vragen, waarom en hoe zij geworden is; gij moogt hare schoonheid bewonderen en haren geur in u opnemen; het waarom is het geheim van God, die in de bloem evenals inde menschelijke ziel een kiem logt: de bloem bloeit en geurt, de ziel dicht en zingt; luister naar hare liederen, verheug er u in, doch vraag niet naar het waarom !quot;
nik begrijp u niet volkomen, maar ik geloof, dat gij mij wilt zeggen, dat gij een muzikant wilt worden.quot;
»Een muzikant !quot; herhaalde Joseph Haydn met een vroolijken lach. «Neen, moeder, een muzikant word ik niet. Misschien dwingen mij gebrek en honger het een tijd lang te zijn; want ook de bontgekleurde vlinder is toch eerst een leelijke rups, een pop; maar ik wil worden gelijk uwe ziel, als zij in het gebedenboek de troostvolle, vrome verzen leest en er zich een gehoelen hemel uit droomt: zoo wil ik ook mijn geheel denken en gevoelen in weeke, volle klanken uitstorten en elk lied zal troost en vreugde voor mijne ziel zijn en lof en verheerlijking van God, en gemoedelijken zang, dien ik duizenden menschen in mond en hart zal geven, opdat zij bij die klanken hun leed vergeten en met nieuwen moed vervuld worden.quot;
De goede vrouw schudde zacht hot hoofd.
«Joseph,quot; sprak zij goedig, «van alles, wat gij daar gezegd hebt, begrijp ik bitter weinig. Een ding is mij duidelijk geworden: dat gij de roeping van uw hart volgen moet en volgen moogt, want
25
gij wilt het goede. Maar, zie, lieveling, gij moet mij plechtig beloven , dat gij uw talent nooit tot het slechte misbruiken en zelf nooit slecht worden zult. Lacht u het geluk toe, dan loopt gij gevaar, u zeiven in plaats van Onzen Lieven Heer te aanbidden; reeds menig mensch heeft bij het eerste gunstig gevolg zijn God en geloof weggeworpen als iets, wat hij niet meer noodig heeft. Of wel armoede on gebrek blijven uw deel en dan bestormen andere slechte gezellen uwe ziel. De arme vex'twijfelt licht aan Gods liefde, omdat hij zijn honger niet kan stillen en gaat dan duistere wegen. Bitterheid des harten volgt al zijne schreden, bestuurt al zijne handelingen, de lielde sterft, en is deze gestorven, dan is de mensch verloren!quot;
Weinige dagen later verliet Haydn liet ouderlijke huis. De vader was ijskoud van gelaat en karig in woorden.
«Ga en volg uiu hootd, als gij daarmede uw geluk denkt te vinden! Om geld behoeft gij mij niet te schrijven, ik bezit zelf niets. Doe den naam van Haydn geen schande aan, anders brengt gij uw vader vóór den tijd in het graf. Nog iets! Als gij soms met reizende muzikanten door het land trekt, vermijd dan Rohrau! Ik wil u niet als zoodanig zien. Gij hebt het overigens alleen aan uwe moeder te danken, dat ik u in plaats van het schootsvel van den handwerksman mijn zegen op reis medegeef. Met mijn wil gaat gij niet in den vreemde.quot;
Geheel anders de moeder.
Eerst legde zij de hand op Joseph's schouders en keek hem lang in het vochtige oog. Daarop nam zij wijwater en terwijl zij haren zoon daarmede besprenkelde, bewogen zich hare lippen in een vurig gebed.
Vervolgens kuste zij hem op voorhoofd en wangen.
Geweend heefj zij, gezegd echter niets, toen haar Joseph zich uit hare armen losscheurde en de wijde wereld inging.
Of de arme jongen wel bemerkt heeft, dat hoog boven hem in de lucht eene leeuwerik fladderde en hem zingend uit de geboorteplaats begeleidde?
III.
De bedevaart.
De zon brandt gloeiend heet op het stof van den straatweg. Geen koeltje, geen zuchtje zelfs verfrischt de verzengende lucht. De planten en kruiden liggen bijna verwelkt tegen de uitgedroogde aarde, het loof der boomen is grauw en hangt slap naar beneden als wilde het voor den tijd afvallen.
Zelfs de beek, die bijkans uitgedroogd langs den kant van den straatweg kabbelt, is lauw en traag.
Daar staat een groep hazelaars en onder hun dicht lommer ligt een zestienjarige knaap, niets minder dan mooi, maar hij heeft oogen in zijn hoofd, die schitteren als een bliksemstraal en toch klaar en rustig zijn als een meertje in het gebergte, waarin zich een stukje van den blauwen hemel afspiegelt.
Het zweet parelt den jongeling van het voorhoofd; hij droogt hel. niet af. Hij staart onafgewend naar één punt en neuriet daarbij een lied. Geen vogel antwoordt hem. In zulk eone hitte zingt wellicht een zorgelooze, reizende muzikant, een vogel stellig niet.
Eensklaps springt hij op : â klein van gestalte, mager, bijna uitgehongerd ziet hij er uit.
«Mij behoort de geheele wereld, mits ik haar verovere en niemand ze mij betwist!quot; roept de jongeling; «maar neen, een klein
plekje aarde ware voor mij genoeg-. Het behoefde slechts zoo groot te wezen dat er ruimte ware voor een spinet en een slaapplaats, er moest daarbij eene ongestoorde rust heerschen en de honger er buiten gesloten zijn! Dezen heb ik genoeg geleden, zoowel bij mijn neef den schoolmeester Frank, als nog meer bij mijn tweeden weldoener in onderricht en ranselen, den hardvochtigen Reutter. Lieve 'hemel! wat kan een jongen niet verduren! Ik had het van mijn leven niet geloofd. De mcnsch heeft toch wel de taaiste spieren van alle levende schepselen !quot;
Hij slapte intusschen zoo vlug als zijne vermoeide voeten het hem veroorloofden, op den straatweg voort.
gt;)Als de zon mij bijna roostert, is dit meer jammer voor mijne kleeding dan voor mij,quot; schertste de jeugdige voetreiziger met zich zeiven. «Rok, broek en vest zijn reeds zoo dun, alsof de spinnen ze geweefd hadden en mijn linnengoed â is des te grover! Ik wenschte, dat het omgekeerde het geval was! Kwam mij nu iemand tegen die mij vroeg: Wie zijt gij ? dan zou ik een armzalige figuur maken ! Ik zou wel moeten antwoorJen : Joseph Haydn, een arme drommel, vroeger koorknaap bij de St. Stefanuskerk, daarbij een groote vlegel, wien het hoofd wemelt van onklare melodieën en van zeer klare jongensstreken: â Geld in den zak zooveel als niets â inderdaad een allerliefste reispas ! En toch vervolg ik daarmede welgemoed mijn weg !quot;
De zomerdag neigde ten avond en de boomen wierpen lange schaduwen ; in het woud vermeerderde de nachtelijke duisternis, doch er verhief zich een zoel windje dat eenige verfrissching aanbracht.
Op oenen heuvel, nog door hot purperen licht der ondergaande zon overgoten, stond een klooster; het was een prachtig, zich ver uitstrekkend gebouw, waarboven de torens en koepels van het in het midden staande Godshuis ver uitstaken.
Joseph Haydn bleef in stille verrukking staan. Zijn geestvol oog staarde onafgewend omhoog naar het in licht badende vreedzame heiligdom; nu daalde ook daar boven de grauwe sluier van de sche-
28
mering over dat eerst nog- zoo glansrijke tafereel, een koel, verkwikkend tochtje woei van de hoogte in het dal, klokketonen, mededragende vol, statig en onuitsprekelijk weemoedig als een Ave, hetwelk engelenkoren biddend zingen.
In de kloosterherberg zet Joseph Haydn zich doodmoede in een hoek; zijne voeten aan verre tochten niet gewoon branden als vuur en veroorzaken hem geweldige smarten en de arme maag schreeuwt als een bedorven jongen, die al te lang op eten moet wachten. Het lage vertrek is bijna volslagen donker; slechts op een der tafels staat een roodachtig brandende vetkaars; daar zitten eenige plompe dikke gestalten achter groote kannen en kruiken; in hun midden de herbergier, een man van zoo kolossalen omvang als had men de zeven vette jaren van Egypte aanschouwelijk voor oogen. Het gesprek der gasten liep over graan en stal en boter, gelijk de boer gaarne achter de kruik pleegt te berekenen, hoeveel zijn land en zijn zweet te zamen waard zijn als hij ze aan de markt, brengt. Plotseling onderbreekt een der drinkers het onderhoud met de bemerking:
«Zeg eens, hospes, daar achter u zit er een, die er uitziet, als een handwerksman; ga eens naar hem toe, misschien verlangt hij iets.quot;
De herbergier keerde zich langzaam op zijne bank om en keek Joseph Haydn van ter zijde aan; na eenige minuten beschouwens achtte hij het goed op te staan en naar de tafel van den jongen vreemdeling te gaan. Hij steunde met beide vuisten op de tafel, zag den gast met knippende oogen aan en vroeg: «Eten en drinken, niet waar?quot;
Haydn lachte en knikte bevestigend.
»Bier of wijn?quot;
«Wijn; maar goedkoope.quot;
Om den mond van den waard speelde een spottende lach, als wilde hij zeggen: ik kan mij wel voorstellen dat gij met, uw versleten plunje geen goeden wijn kunt betalen. »En wat wilt gij eten?quot;
«Veel brood en een stukje worst er bij,quot; antwoordde de jongeling.
De waard keek een oogenblik zuur; dan barstte hij in quot;.en luid gelach uit.
29
âWat zijn wij dan eigenlijk?quot; vroeg hij, met den rug zijner hand zijne oogen afwisschende.
Haydn was inderdaad een oogenblik met het antwoord verlegen. Hij wilde niet zeggen, dat hij een koorknaap was, want hij was het niet meer en dut woord klonk daarbij zoo schooljongensachtig; op den keper beschouwd was hij eigenlijk niets; dit wilde hij echter ook niet erkennen; dus riep hij eindelijk uit: «Ik ben een muzikant !quot;
»Een muzikant!quot; herhaalde de waard met blijkbare minachting. «Muzikanten zijn lichtzinnig volkje, die bij alles spelen; goed of niet goed, dat is hun onverschillig mits het maar geld opbrengt! Weet ge wat? Ga daar bij de boeren aan de tafel zitten; voor uwe geringe vertering kan ik waarlijk niet nog een licht opsteken.quot;
Haydn ging eenigszins ontstemd naar de hem aangewezen plaats. De boeren schoven dichter bij elkaar, terwijl zij den jonkman met onverholen geringschatting aanzagen. Deze echter bekommerde zich hierom te minder omdat zijn opgeruimde aard dadelijk alles van de vroohjke zijde wist te beschouwen en toen hem een goede portie brood, een flink stuk worst en een kan lichte wijn voorgezet werden, vergat hij voor een poos alles om zich heen, zelfs den vreugdeloozen tijd, die achter hem lag en de geheele toekomst, van welker gedaante hij zich nog niet de geringste voorstelling kon maken.
De morgen was fnst'h en zonnig helder. Haydn verliet bij het opkomen der zon zijne waarlijk slechte legerstede, betaalde zijne geringe vertering en spoedde zich naar het klooster Maria Zeil. Schuchteren beschouwde hij de verblindend witte muren met de menigvuldige hooge ramen en droomde zich daarachter de monniken, diep ernstig, vriendelijk en opgeruimd. Het meeste hield hem de gedachte bezig, hoe wel de regens chori zijn mocht? Wanneer hij eens een norsche, onvriendelijke man was, koel en terugstootend, ongevoelig voor de verwachtingen en de smeekingen van een jeugdig gemoed, dat alleen voor de muziek leeft? Haydn keek bij deze overpeinzingen niet diepen weemoed naar de rol, die uit zijn rokzak
13
mering over dat eerst nog zoo glansrijke tafereel, een koel, verkwikkend tochtje woei van de hoogte in het dal, klokketonen, mededragende vol, statig en onuitsprekelijk weemoedig als een Ave, hetwelk engelenkoren biddend zingen.
In de kloosterherberg zot Joseph Haydn zich doodmoede in een hoek; zijne voeten aan verre tochten niet gewoon branden als vuur en veroorzaken hem geweldige smarten en de arme maag schreeuwt als een bedorven jongen, die al te lang op eten moet wachten. Het lage vertrek is bijna volslagen donker; slechts op oen dor tafels staat een roodachtig brandende vetkaars; daar zitten eenige plompe dikke gestalten achter groote kannen en kruiken; in hun midden de herbergier, een man van zoo kolossalen omvang als had men de zeven vette jaren van Egypte aanschouwelijk voor oogen. Het gesprek der gasten liep over graan en stal en boter, gelijk de boer gaarne achter de kruik pleegt te berekenen, hoeveel zijn land en zijn zweet te zamen waard zijn als hij ze aan de markt, brengt. Plotseling onderbreekt een der drinkers het onderhoud met de bemerking :
flZeg eens, hospes, daar achter u zit er een, die er uitziet als een handwerksman; ga eens naar hem toe, misschien verlangt hij iets.quot;
De herbergier keerde zich langzaam op zijne bank om en keek Joseph Haydn van ter zijde aan; na eenige minuten beschouwens achtte hij het goed op te staan en naar de tafel van den jongen vreemdeling te gaan. Hij steunde met beide vuisten op de tafel, zag den gast met knippende oogen aan en vroeg: «Eten en drinken, niet waar?quot;
Haydn lachte en knikte bevestigend.
«Bier of wijn?quot;
»Wijn; maar goedkoope.quot;
Om den mond van den waard speelde een spottende lach, als wilde hij zeggen: ik kan mij wel voorstellen dat gij met uw versleten plunje geen goeden wijn kunt betalen. »En wat wilt gij eten?quot;
«Veel brood en een stukje worst er bij,quot; antwoordde de jongeling.
De waard keek een oogenblik zuur; dan barstte hij in °en luid gelach uit.
29
âWat zijn wij dan eigenlijk?quot; vroeg hij, niet den rug zijner hand zijne oogen afwisschende.
Haydn was inderdaad een oogenblik met het antwoord verlegen. Hij wilde niet zeggen, dat hij een koorknaap was, want hij was het niet meer en dat woord klonk daarbij zoo schooljongensachtig ; op den keper beschouwd was hij eigenlijk niets; dit wilde hij echter ook niet erkennen; dus riep hij eindelijk uit: »Ik ben een muzikant !quot;
«Een muzikant!quot; herhaalde de waard met blijkbare minachting. «Muzikanten zijn lichtzinnig volkje, die bij alles spelen; goed ol niet goed, dat is hun onverschillig mits het maar geld opbrengt! Weet ge wat? Ga daar bij de boeren aan de tafel zitten; voor uwe geringe vertering kan ik waarlijk niet nog een licht opsteken.quot;
Haydn ging eenigszins ontstemd naar de hem aangewezen plaats. De boeren schoven dichter bij elkaar, terwijl zij den jonkman met onverholen geringschatting aanzagen. Deze echter bekommerde zich hierom te minder omdat zijn opgeruimde aard dadelijk alles van de vroolijke zijde wist te beschouwen en toen hem een goede portie brood, een Hink stuk worst en een kan lichte wijn voorgezet werden, vergat hij voor een poos alles om zich heen, zelfs den vreugdeloozen tijd, die achter hem lag en de geheele toekomst, van welker gedaante hij zich nog niet de geringste voorstelling kon maken.
De morgen was frist-h en zonnig helder. Haydn verliet bij het opkomen der zon zijne waarlijk slechte legerstede, betaalde zijne geringe vertering en spoedde zich naar het klooster Maria Zeil. Schuchteren beschouwde hij de verblindend witte muren met de menigvuldige hooge ramen en droomde zich daarachter de monniken, diep ernstig, vriendelijk en opgeruimd. Het meeste hield hem de gedachte bezig, hoe wel de regens chori zijn mocht? Wanneer hij eens een norsche, onvriendelijke man was, koel en terugstootend, ongevoelig voor de verwachtingen en de smeekingen van een jeugdig gemoed, dat alleen voor de muziek leeft? Haydn keek bij deze overpeinzingen niet diepen weemoed naar de rol, die uit zijn rokzak
30
gluurde. Eene poos stond hij onbeweeglijk en overlegde, of wel verzamelde zijn moed en zijne berusting; daarop kwam hij plotseling tot een besluit en stapte het voorplein op. Aan de poort belde hij, maar toen hij den trekker in de hand hield, was het hem, als zeide eene stem; «Joseph, keer maar weer om, gij hoopt tevergeefs!quot; En toch bleef hij staan. De broeder portier haalde bedenkelijk de schouders op.
))De pater koorregent heeft het vandaag zeer volhandig; het zal moeielijk gaan om hem te spreken te krijgen.quot;
Haydn's blik moet een diepe smart uitgedrukt hebben, want de kloosterbroeder zag hem medelijdend aan. «Misschien zal het toch gaan!quot; lispelde hij.
De jongeling werd binnengelaten en in eene groote kamer gevoerd, welker wanden rondom met kasten betimmerd waren, die met muziek opgevuld waren; bij een der ramen stond een spinet, op stoelen lagen violen, (luiten en andere muziekinstrumenten.
De regens chori «at met den rug naar de deur gekeerd aan zijne schrijftafel en bladerde in eene partituur, oogenschijnlijk in de bestudeering daarvan verdiept.
«Wat verlangt ge?quot; riep hij, zonder zich om te keeren, den jongen Haydn toe.
De jongeling haalde diep adem.
sik heet Joseph Haydn en was kapelleerling bij de St. Stefanus-kerk te Weenen. Men zeide mij, dat ik goed kon zingen en ook wat van muziek verstond, eerwaardige heer! Wanneer ik slechts aan muziek denk, dan trillen en jubelen al mijne zenuwen. Mijn hoofd is als eene groote, eindelooze partituur en de melodieën, die door mijn geest trekken, rusten en zwijgen ook dan niet als ik slaap......quot;
De monnik keerde zich zoo snel om dat de jongeling in zijne rede bleef steken.
»Nu, wat verder?quot;
Dit had de monnik niet ruw maar ook niet welwillend gezegd; en het oog dat uit den mageren kalen schedel op den vreemdeling
31
schouwde, had meer een afstootende dan een vertrouwen wekkende uitdrukking.
«Ik heb, tijdens ik onder Reutter in het kapelhuis zong, leefde en studeerde, al de melodieën, die ik in mij hoorde, met noten vastgehouden. Ik ben daarover door Reutter menigmaal bespot geworden, vooral echter bij gelegenheid dat ik een meerstemmig Salve Regina gecomponeerd had. Maar ik heb mij niet laten afschrikken en.....quot;
De pater koorregent was opgestaan en Haydn genaderd.
«Wat verder?quot;
Havdn haalde de rol papier uit zijn zak.
«En ik heb gestadig weer gecomponeerd,quot; ging hij voort. «Wat ik hier heb, is mijn beste werk.quot;
»Dat zou ons klooster zeker moeten koopen?quot; vroeg de monnik met een vorschenden blik.
âNeen!quot; klonk het vast, bijna beleedigend terug. »Ik ben niet uit Weenen naar Stiermarken komen loopen, om een koop te sluiten; ik heb hier naai- Maria Zeil een bedevaart ondernomen, ik ben, dat weet Onze Lieve Heer, een arme jongen â een rok en drie hemden â daarmede ware mijn testament gemaakt; maar ik kom niet om geld maar ik smeek slechts om de gunst, dat mijne compositiën hier in de kerk opgevoerd worden.quot;
Verbaasd sperde de monnik do oogen open.
)gt;Neen, dat gaat niet!quot;
»En als ik er u dringend om smeek?quot;
Onmogelijk! Ga naar het vreemdelingenvertrek, daar zult gij gastvrij onthaald worden, want wij zenden niemand ongespijsd en met ledige handen weg; maar dat wat gij uw compositiën noemt, moet gij maar weer medenemen.quot;
Haydn was diep ontroerd door deze afwijzing.
»Ik herhaal dat ik koorknaap bij de St. Stefanuskerk was en dat.....quot;
»Er komt,quot; dus viel hem de monnik bedaard, maar beslist in de rede, »zoo veel reizend volk uit Weenen naar hier, dat zich voor
32
vroegere koorknapen uitgeeft cn wanneer het. er op aankomt, nog geen noot zingen kan quot;
Met deze woorden keerde hij zich om en zette zich weder aan zijne schrijftafel. Haydn klemde de rol muziek krampachtig in zijne rechterhand, een oogenblik aarzelde hij nog, daarop verliet hij met vasten tred de kamer.
Hij wist niet hoe hij buiten het klooster gekomen was. De gangen die hij doorging, schenen onder zijne voeten te waggelen; de schilderijen aan de wanden bogen zich tot hem voorover, de treden der steenen trappen liepen voor zijne benevelde oogen zoo verward dooreen, dat hij bijkans'naar beneden gestort ware; eerst toen hij weder voor de kloosterpoort stond en liet warme zonlicht en de zoele ochtendlucht zijn voorhoofd kusten, kwam hij tot bezinning. Hij ging het voorplein over en zocht daarbuiten tegen de helling een lommerrijken boom op. Aan den voet hiervan vleide hij zich neder en droomde mei open oogen. In den beginne was zijn voorkomen treurig, maar van lieverlede helderde zijn gelaat op. En toen de klokken in zware volle accoorden voor de hoogmis luidden, lachte Joseph Haydn vroolijk bij een hem invallende gedachte. »En kunnen nog geen noot zingen,quot; heeft hij gezegd! Nu goed! Ik zal toonen of ik zingen kan!quot;
Op zijne schreden terugkeerende, ging Haydn de kerk van het klooster binnen en sloop op het muziekkoor. Eerst stond hij schuchter in een hoek van hel orgel en wie hem slechts vluchtig aanzag, kon denken dal de jongen wel door een toeval daarheen verdwaald was en zich niet op zijn gemak gevoelde tusschen die fluisterende menigte van monniken, mannen en knapen; maar wie hem dieper in het oog zag, kon de gloed niet ontgaan, die daarin flikkerde.
De partijen waren aan de zangers en muzikanten rondgedeeld. Haydn ging naast een der koorknapen slaan, knoopte fluisterend een gesprek met hem aan, en vertelde hem van hel kapelhuis te Weenenen hoe hij daar een goed zanger geweest was; daarop verzocht Lij den knaap eensklaps doch schijnbaar onverschillig hem zijne partij
33
«ons te laten inzien. De jongen voldeed hieraan en Haydn's geoefende blik had snel de melodieën overzien en gevat.
)gt;Laat mij in uwe plaats zingen!quot; fluisterde Haydri.
De knaap zag hem verbaasd aan.
quot;Dat durf ik niet!quot;
«Doe het maar; ik zal hot er wel goed afbrengen!quot;
»Neen, de regens chori is veel te gestreng, het zou slecht voor jïiij kunnen alloopen.quot;
Haydn zocht met duim en wijsvinger in zijn vestzak je. Zijn laatste geld, een halven florijn, hield hij den knaap verlokkond onder de oogen. Deze zag weemoedig naar het geldstuk : de inwendige strijd tusschen plicht en hebzucht duurde eene poos en was maar al te duidelijk op het gelaat van den koorknaap te lezen â daar klonk te rechter lijd de bel, die hel begin der hoogmis aankondigde; het orgel ruischte in volle accoorden door de wijde beuken van het bedehuis, do regens chori overzag met een onderzoekenden blik,
eon veldheer gelijk, zijne zangers, een maatslag op de lessenaar_
en Haydn had den knaap de partij ontrukt en begon met een kristalheldere slem hot Kyrie te zingen. De verblufte koorknaap keek met open mond naar den regens chori op ; deze vestigde een welgevalligen blik op Haydn.
Het Kyrie was ten einde.
«Behoud de partij!quot; fluisterde de monnik Haydn bevelend toe.
Haydn zwom in een zee van verrukking en zijne stem klonk zoo vol en helder, zoo jubelend en juichend, zoo deemoedig smeekend, zoo vol aanbidding dat zij als het ware de ziel van de goheele muziek werd.
De Hoogmis was geëindigd. Haydn legde het muziekboek nedor, naderde den regens chori en vroeg op een toon, die half bescheiden, half schertsend klonk:
'gt;Wel! Kan ik eene noot zingen?quot;
De monnik zag hem gestreng aan; maar uit den ernstigen blik schemerde een stille vreugde. Hij vatte Haydn bij den arm.
sKom met mij mede!quot;
3
34
De monnik voerde hem naar fien kloosterluin, en met licm voort-wandelende, vroeg hij:
))Wie heeft u leeren zingen? quot;
«Reutter, de kapelmeester.quot;
«Die harde man? Nu ja, hij mag u de noten gelecid hebben, maar den geest, de bezieling van den zang hebt gij onmogelijk van hem.quot;
Haydn wist niet wat hij zou antwoorden. Hij had den moed niet van te zeggen dat zijne goheele ziel muziek was.
»Weet gij hoe gij gezongen hebt?quot;
»Neen!quot; klonk het schuchteren.
«Goed ! dan zal ik het. u zeggen. Gij hebt ge/ongen als had! gij de mis zelf gecom|ioneerd. Grooter lof kan ik u niet geven; want de dichter is in het woord zoowel als in de muziek zijn eigen beste tolk. Ik heb de mis gecomponeerd, en eerst vandaag heeft zij mij met innige vreugde en met erkentelijkheid jegens God vervuld. Gij zijt een volgeling der kunst in de edelste beteekenis.quot;
Joseph Haydn voelde zich overgelukkig. Zulk een lof was hom nog nooit ten deel gevallen. Ezel en nog erger had men hem dagelijks genoemd, voor vlijtige studiën had men geen woord van aanmoediging, voor de kleinste vergissing daarentegen de scherpste berispingen en nu uil zulk een mond zulk een lof! Hij voelde geen grond meer onder zijne voelen, hij meende in den hemel te zijn.
»En wat zijt gij voornemens thans aan te vangen?quot;
Deze vraag wierp onzen Haydn eensklaps uil zijn dichterlijken hemel op de prozaïsche aarde terug. Hij haalde zijn halven llorijn uit den zak.
«Hier is mijn geheele vermogen. Daarmede en met ds talenten die God mij gegeven heeft, moet ik mij eene toekomst banen.quot;
Terwijl hij dit zeide, lag er als scherts en smart in den toon zijner stem.
De monnik zag hem deelnemend aan.
«Gij zijl doodarm aan aardsehe goederen, rijk aan talenten. 7.e% mij nu ook eens: zijt gjj «en brave jongen?quot;
35
Haydn liet het hoold op de borst zinken. Zijn oog was op den
grond gevestigd.
«Wal zal ik antwoorden?quot; sprak hij met trillende stem. «Gij kent noch mijn vader, noch mijne moeder. Beiden zijn zoo godvruchtig, dat geen catechismus het beter van hen zou kunnen ver-langen. Toen ik nog een kleine jongen was, nam ik de vroomheid mijner ouders tot voorbeeld eu wortelde er in mijn hart eene diepe godsvrucht, welke met het toenemen der jaren niet verminderd is. In het geloof mag zich niemand prijzen. Maar als ik bekennen moet, hoe het in mijne ziel gesteld is, dan kan ik alleen dit zeggen : (!od staat bij mij boven alles en ik zou alles willen worden, alleen niet slecht.quot;
De monnik nam Haydn's hand, maar hij zeide niets.
Zoo wandelden zij geruimen tijd zwijgend naast elkander tusschen de bloeiende, geurige bloemperken, waarboven prachtig gekleurde vlinders in de heldere zonnestralen dansend zweefden. De monnik had de hand des jongelings reeds lang losgelaten en de armen over de borst gekruist. Zijn hoofd was eenigszins voorovergebogen, de oogopslag ernstig en zacht te gelijk. Ilaydn zeil liet het oog bewon-derend over de voor hem liggende bonte bloemenpracht weiden en uit eiken bloemkelk scheen voor hem eene noot, een welluidende klank op Ie stijgen en ten laatste smolt het geheel tot eene lieflijke melodie ineen.
Hij verschrok werkelijk, toen de monnik hem weder aansprak , zoo hoog was zijne ziel hoven de aardsche sferen opgestegen.
Haydn nam met blijdschap de uitnoodiging tot den maaltijd aan, waarbij hij door de aanwezige geestelijken, nadat hij hun als de zielvolle zanger van de hoogmis was voorgesteld, met ongeveinsde bewondering werd begroet.
liet was eene gelukkige week, die Haydn binnen de wanden des kloosters als algemeen beminde gast doorbracht. En waarom zon de goede jongen niet gelukkig geweest zijn. Mocht hij dan niet naar hartelust het groote kerkorgel bespelen en zijne zee van ionen aan de heerschappij zijner gedachten onderwerpen Mocht bfj «rt-i
86
in d1 muz ekzaal van den regens cliori, die een vaderlijke vriend voor hem geworden was, in een ongeëvenaarden rijkdom van muzikale schatten woelen en genieten ? Kon hij dan niet, des nachts voor zijn geopend raam staande, als alles in het klooster en in. de natuur in stille, diepe rust lag en de volle maan hoven den kloostertuin stond en een mat geheimzinnig licht daarover uitgoot, zoodat het hem was als werd elke bloem eeno lichtende, dansende elf, in zijne ziol reeds die syniphonieën hooi en, die zijn groot genie na weinige jaren zong ?
â En, eindelijk kon hij â de doodarme muzikant â â niet eene week lang zijne bekomst eten? De bewonderaars van groote mannen denken nooit aan den honger, dien deze menigmaal lijden moeten. Zij denken, dat een Schiller zich aan zijne heerlijke verzen, en een Haydn zich aan zijne melodieën verzadigde.
Neen, onze goede Haydn was een zoo geheel en al gewoon geschapen mensch, dal hij ondanks zijn genie honger leed; ongelukkig had hij zelden iets te eten en dat hij het thans in Maria Zeil had en daarover in zijn schik was, is voor den grooten-Haydn geen schande.
De laatste dag der aangeboden gastvrijheid was gekomen. Haydn nam afscheid. Een verlenging daarvan te verzoeken ware hem zwaar gevallen; want hij was dankbaar en bescheiden.
Zijn dank was niet woordenrijk.
))Het was een recht heerlijke tijd, dien ik hier doorleefd bob,quot; sprak hij, den monnik de hand reikende. »Hij was niet zonder vrucht, want ik ga met een gebeele bibliotheek gedachten beladen uit dit stille paradijs weg. Deze zullen groeien en liederen worden! Pater, schenk mij uwen zegen! Mijne moeder heelt mij gezegd, ik zou geen enkelen zegen verloren laten gaan. Ik heb tot dusver e baren raad gevolgd en doe bet ook thans.quot;
Haydn boog het hoofd. Het oog des monniks weerkaatste de innige vreugde, die zijn gemoed over de godsvrucht des jonkmans vervulde.
«God zij met u 1 Gij zult groot zijn, wanneer ik reeds lang gestorven ben.quot;
Hij drukte den jongeling iets in de hand en keerde door de kloosterpoort terug. Joseph llaydn ging in gedachten verzonken het voorplein over en den berg af; zijne ziel echter verwijlde boven bij den monnik, die hem gezegend had.
Hij zette zich onder liet lommer van een hazelstruik neder, om zijn gemoed wat tot bedaren te laten komen. Een tijd lang gaf hij den vrijen loop aan de gedachten, die zijn geest bestormden; eindelijk dacht hij aan datgene wat de monnik hem in de hand gedrukt had. Hij ontvouwde het papier. Het bevatte glinsterend zilvergeld â zestien gulden, daarbij den geschreven wensch: «Een steen voor uwe gelukkige toekomst!quot; Haydn liet het gloeiende hoofd in zijne handen rusten, en prevelde een dankgebed.
Plotseling sprong hij op.
«Nu voorwaarts, met God, met mijn talent en mijne zestien gulden !quot;
IV.
Slechte dagen. â Groede harten.
Een weemoedig gevoel overmeesterde Haydn, tojii hij oji een z-oe-len avond het stadgebied van Weenen betrad. De sehoone stud Lig met hare torens, koepels, paleizen, r^ke en armoedige huizen aan zijne voeten, overdekt met een dunnen blauwachtigen nevel. In een der kloosters luidde men voor eene avondgodsdienstoefening;de klank van het klokje verzonk in de luchtgolven gelijk eei kiezelsteen in den schoot des oceaans. Van de St. Stefanuskerk dreunde het slaan van een heel uur â acht zware, statige, volle slagen, de talrijke overige torenklokken verkondigden veelstemmig insgelijks het vervlogen uur â dan werd het weder stil.
Havdn leunde op zijn stok en blikte peinzend van de hoogte op de stad neder. Voorwaar, een prachtig, aanlokkelijk beeld voor dengene, die daar aan de rijkgedekte tafel van den overvloed aanzitten kan; een liefelijk beeld voor dengene, die onder de duizenden daken er een ziet, dat zijn vreedzaam, gezellig te huis dekt, maar wat is die ontmetelijke sleenenzee voor dengene, die tot zich zeiven zeggen moet, dat hij overal vreerad is, in elke slra-it, in elke steeg, in elke woning? Er is daar geen mensch die mij kent, niemand die mij groet, niemand die mij liefheeft. Voor allen ben ik een vreemdeling. Daar zie ik wel in het schemerlicht het hooge dak
39
van liet kapelhuis; maar ik ben ook daar een vreemdelinlt;j geworden. Ik had een koorknaap den haarstaart afgesneden en zou slaag krijgen. Ik bad, ik smeekte, ik verzette mij : het hielp allemaal niets! Pieutter heeft woord gehouden: »Gij zult eerst afgeranseld en dan weggejaagd worden!quot; Ik nam werkelijk niets anders uit dat huis mede dan de dracht slagen, toen ik buiten de deur gezet werd: een schat, dien mij geen bedelaar benijd zou hebben. En nu wil ik in deze stad terugkeeren, waarin ieder mensch voor mij een vreemdeling is en wil daar met mijne jeugd en met datgene, wat men in mij talent noemt, mijn geluk opbouwen. Waarlijk, ik zou haast aarzelen de stad te betreden, bemoedigden mij niet de geheimzinnige klokkentonen, die mij toeroepen mij niet te laten afschrikken! God sta mij bij, ik waag het! â
liet was volslagen duister toen Haydn de stad binnenkwam. In iedere straat zag hij herbergen en logementen, maar hij wilde er niet binnengaan: hij walgde van het woeste getier, dat hem uil de/.e morsige huizen der voorstad in de ooren klonk; niets hinderde hein meer dan gemeenheid, en liever ware hij van honger en afmatting neergezonken, dan dat hij aan de tafel der gemeenheid zou aangezeten hebben.
Eindelijk was hij in het binnenste der stad gekomen. Onwillekeurig trok hem de St. Stefanuskerk en het kapelhuis aan. In een lange straat in de nabijheid daarvan begonnen hem zijne krachten te begeven. Doodmoede richtte hij zijne wankelende schreden naar een logement en nauwelijks had hij aan een tafeltje plaats genomen of hij liet het moede hoofd op de borst zinken. Hij bekommerde zich weinig om spijs en drank, en sliep op zijne harde legerstede tot laat in den morgen en toen hij eindelijk ontwaakte, groette hem de zorg.
Haydn begaf zich naar den St. Stefanusdom. De donkere, hooge beuken waren in Weenen het eerste wat hij als lieve, oude bekenden begroette. Hoe menigmaal had hij hier van het koor zijne stem doen klinken, dat pilaren en verwelfsels er van weergalmden ! Thans knielde hij in eene duistere zijkapel neder, omgeven door
-40
diepe stilte en schemerachtig licht; zijne ziel schudde de gedachten der buitenwereld af, en hij bad met vurigheid en in kinderlijke woorden.
Verlicht ademende en met opgeruimd gemoed verliet hij den dom-Nieuwe kracht en nieuwe moed bezielden hem; koen, bijna uitdagend, zag hij naar de trotsche gebouwen rondom hem en naar de men-schen, die allen zooveel haast schenen te hebben dat zij elkander schier omverliepen.
Waarheen nu? Deze vraag wierp weder een lichte schaduw op zijne opgeruimdheid, want hoe kort zij ook was, wist hij toch niet welk antwoord hij er op zou geven. Met de banden in de zakken van zijn kaal versleten rok, het kleine pakje met de twee hemden onder den arm, ging hij straat in straat uil en keek naar de bordjes-a. tn de huizen, waarop kamers te huur aangeboden werden. «Een rijk ui-meubileerde voorkamer niet afzonderlijk slaapvertrek te huur op de t-.-rste verdieping.quot; Haydn las, lachte, tastte onwillekeurig- naar zijne paar guldens en zette fluitend zijn onderzoekingstocht voort, «Wal zou ik in zulk eene voorname woning een mooi figuur maken,quot; spotte hij met zich zeiven en wierp daarbij een ondeugenden blik op zijne kleeding, voor welke zelfs de eerlijkste jood hem geen tien grosschen meer gegeven zou bobben. »En als het eens op betalen aankwam? Alleen de gedachte daaraan doet mij duizelen!quot;
/00 met zich zeiven pratende kwam hij op de Koohnarkt. Daar zag hij een oud huis met hoogen gevel; boven de smalle straatdeui-stond het nummer 1220 en rechts daarvan hing een grauw stuk papier, waarop in hoogst gebrekkig schrift te lezen stond; «Voor een arm mensch is een slaapplaats in een dakkamertje te huur. Prijs zeer billijk.quot; Haydn ontcijferde met veel moeite het slechte gekrabbel en eindelijk klapte hij in de handen, zoodal de voorbijgangers hem half verwonderd en half verachtend aankeken. Maar Haydn bekommerde zich daar weinig om, misschien bad hij hi nne blikken niet eens opgemerkt. »VVel, kerel,quot; lachte de jongeling, «dat huur-Lordje is zoo geheel en al voor u geschreven; als kenden u de goede lieden daarboven. Arm. mensch â dakkamertje â zeer billijk
41
â schooner had ik het waarlijk niet vereenigd kunnen vindenquot; .(acobs hemelladder gelijk voerde de trap in een lange, steile, rechte linie van de straatdeur naar boven tot onder het dak, zoodat de bovenste treden bijna vormloos in de geweldige hoogte verdwenen. Op de onderste trede van de trap maakte llaydn snel een kruis op zijn voorhoofd, opdat hem boven onder hel dak de rechte woorden mochten invallen; daarop ging het met jeugdige voetenen longen de anderhalf honderd treden op. Boven gekomen stief hij onvoorzichtig met liet hoofd tegen een dakspar, zoodat een uit zijn trage rust opgeschrikte kater blazend en brommend langs hem heen naar beneden vloog.
llaydn stond voor eene deur. Een veltig touwtje hing er naast; dat was zeker het belkoord en toen de jonkman er wat hard aan trok, galmde binnen een gebarsten schel als ware er brand.
Een oud man opende, en zoodia hij den daarbuiten staande zag, haalde hij de schouders op, glimlachte medelijdend en sprak:
«Beste vriend, ik geel niets aan bedelaars, omdal ik zelf niets heb.quot; «Maar ik kom ook niet hier om te bedelen!quot;
' »Aha!quot; en daarbij trok de man zijne grijze slaapmuts van den kalen schedel, «vraag wel om vergeving! Wat is er van uw dienst?quot; »ls hier voor een arm eerlijk mensch een slaapplaats te liuur?quot; Eene lichte buiging en de opengaande deur waren het antwoord, llaydn trad binnen; in het groote vertrek zat eene oude vrouw niet een koffiemolen op den schoot. «Wat wil die?quot; vroeg zij haren man, doch deze wenkte haar om te zwijgen. Hij voerde llaydn in een smal aangrenzend kamertje, dat eigenlijk meer van een hok had-Een klein dakvenster wierp slechts spaarzaam licht op de voch-lige wanden, op den zwartachtigen uitgesleten vloer, op het dunne bed en de vurenhouten tafel, waaronder een drievoet met gescheurde lederen zitting.
Haydn, de nederige, waarlijk niet verwende llaydn, overzag eenigs-zins teleurgesteld deze heerlijkheden en keek daarna den ouden man-in het gelaat.
43
«Ik kan u liet kamertje zeer aanbevelen,quot; verzekerde deze. nosj-rnuals buigende. gt;gt;Gij zijt wellicht student?quot;
«Neen, musicus!quot;
»Zoo, muzikant! Des te beter! Ik verzeker u, dat 't lieve kamertje zoo rustig is als het stilste plekje in het bosch buiten de stad. â Er dringt niet het minste gerucht van de straat in door, daar kunt gij zoo ongestoord musiceeren als waart gij alleen o|) de wereld.quot;
»In alle gevallen een groot voorrecht,quot; bevestigde Ilaydn en reikte den oude de hand.
«Gij bevalt mij, jongeheer! Tk geloof, dal wij het wel met elkander zullen vinden. Gij neemt, het prachtige kamertje en mijn oudje en ik passen u zoo goed op, als wij eenigszins kunnen. Hoe heet gij, als die vraag niet onbescheiden is?quot;
«Joseph Ifaydn.quot;
«Aha! ik heb waarlijk nog niet de eer gehad dien naam te hooren. Dus mijnheer Von Haydn ?....quot;
«Te drommel!quot; viel de jongeling hem driftig in de rede, «gij, Weeners,'zijt. onuitstaanbare menschen!quot;
«Mijnheer! ik.....quot;
«Het is gelijk ik zeg! Ieder die geen aalmoes van u vraagt, noemt gij «mijnheer vonquot; al ware hij zelfs, zoo mogelijk, nog schameler gekleed dan ik. Dat is, met verlof gezegd, erbarmelijk. Ik neem de kamer, doch onder eene voorwaarde, dat gij mij met uw mijnheer Von Haydn van het lijf blijft.quot;
«Maar wees daarom toch niet boos, mijn beste heer von.....beste heer
Haydn! Wij, Weeners, zien alleen naar goede manieren en daarom.....quot;
«Noemt gij eiken landlooper «uwe genade,quot; en «heer vonquot; Maar.....
wat moet de kamer maandelijks kosten, wel te verstaan voor een armen muzikant?quot;
De oude wreef besluiteloos zijne handen; eindelijk riep hij verlegen in het naaste vertrek:
«Lisette, mijnheer wil ons de eer aandoen in het prachtige kamertje naast ons te logeeren. Wat dunkt u. als wij een gulden 's maands vroegen? quot;
43
Vrouw Lisette mat den aspirant-huurder van het hoofd tot de voeten; haar'blik. was onderzoekend, maar aiet gestreng', nog minder norsch.
»Kom,quot; zeide zij na geëindigde monstering, »van die daar zijn wij aanvankelijk met acht en veertig kreutzers tevreden; het zal voor hem en ons goed zijn als hij zooveel stipt betalen kan.quot;
«Aangenomen!'quot; riep Haydn vergenoegd uit, hoewel hij niet eens voor drie maanderi met zijn eerewoord voor de billijke huur had dur-ved borg blijven.
«En uwe pakkage?quot;
Haydn hield den vragenden met beide handen zijn pakje voor en had hij hen in de verbaasde oogen gezien hij zou daarin een schemering van wantrouwen met medelijden vermengd hebben kunnen lozen.
»Ik heb juist koffie gezet; laat ons wat bij elkander gaan zitten; onder een geurig warm kopje kan men het beste wat praten; mijnheer ziet er buitendien uit alsof hij honger heeft.quot;
Haydn wenschte zich zeiven in het geheim geluk, dat zijne nieuwe hohpita zulk een helderen blik en zooveel praktisch doorzicht bezat. Weldra zaten alle drie aan de huistafel; de oude vrouw zette er vier gebloemde kopjes, een blikken trommeltje met wat donkerbruine suiker, oen korfje met brood, een ketel met dampende koffie en een kannetje gekookte melk op. Haydn zag alles rustig toe, ééne gedachte slechts hield hem bezig, en deze gold niet zijne naaste of zijne verdere toekomst, niet zijne magere geldbeurs, ja, niet eens zijne aangebeden muziek; neen, zijn geheele aandacht, was gevestigd op den vierden koffiekop.
«Wij zijn eenvoudige kousenwerkers,quot; praatte de oude vrouw, onderwijl zij de koffie inschonk. «Wij vertrouwen op Onzen Lieven Heer en eten, als wij wat hebben. Overigens houden wij vast aan de hoop op God en den hemel en aan Gods wil en geboden.quot;
«Juist zoo hebben mijne brave ouders mij opgevoed,quot; antwoordde Haydn met warmte; «ik dank God dat Hij mij bij zulke godvreezende -menschen gevoerd heeft. Nu is mij mijn kamertje dubbel lief.quot;
4-i
Vrouw Lisette's blik rustte met moederlijk welgevallen op den-jongeling
»En ik ben blijde,quot; heinani zij, «dat gij vroom en christelijk gezind zijt. Thans zijt gij mij eerst recht lief en dierbaar geworden.'
)Moeder, gij hebt gelijk; aan dezen heer Von Haydn â verzoek u wel excuus. Uwe Genade â aan dezen heer hebben wij, naai' het schijnt, een goeden gast in huis gekregen. Ik hooj) dat wij genoeglijk met elkander zullen leven!quot;
Haydn reikte den kousenwever de hand. «Dat hoop ik niet u; maar....quot;
»VVat wil u zeggen?quot;
Haydn's oog rustte op den vierden ledigen kop.
«Niets, in het geheel niets! ('rij verwacht zeker nog een gast; ik zou niet gaarne lastig willen vallen.quot;
Vrouw Liselte lachte. »Ik weet zelf niet waar onze deern van-ijaag zoolang blijft! Gij moet weten, mijnheer, dat w ij eene iluchter hebben, een doodgoed kind; voor deze is de vierde kop op ib; tale' bestemd.quot;
Haydn dacht onwillekeurig, dat hij met zijn vader musiceerde en deze, zelf uit de maat gerakende, toornig uitriep:
«Met zulk een ezel, als gij zijt, kan een goed muzikant niet go-lijk blijven.quot;
Nu was hij zeil uit de maat geraakt en de vaderlijke wezel' paste hij volkomen op zich zeiven toe.
Haydn scheen plotseling woordkarig, ontstemd geworden te zijn. Hij gaf verkeerde antwoorden, voelde zijne verlegenheid en onhe-holpenheid en ergerde zich over zich zeiven. Reeds zocht bij, in zijn ledigen koffiekop starende, naar een geschikt voorwendsel'om zich te verwijderen, toen de kamerdeur openging en een meisje van omstreeks twintig jaar binnentrad.
«Aha!quot; daar is onze Marie!quot; riep de oude kousenwever, haar de rechterhand ter verwelkoming toestekende. »Ga zitten, beste meid! Gij hebt vandaag lang op u laten wachten. Wees niet verlegen, de jongeheer daar heeft ons kamertje hiernaast gehuurd; mijnheer \oti.
45
Haydn heet hij, een zeer godvruchtig jongmensch, met wien wij ie de heste eendracht leven zullen.quot;
ITaydn voelde, dat zijne wangen brandden en zijne tong als verlamd was ; voor al ae schatten der wereld zou hij op de stomme buiging van het meisje niets hebben weten te antwoorden. Evenal.o even te voren zijn oog steeds vragend op den ledigen koffiekop gericht geweest was, gluurde hij nu naar de deur. Hij had geen pakkage te halen, kende geen levende ziel in Weencn, die hij bezoeken kon â halt! daar viel hem zijn oude kapelmeester Reutter in.
«Veroorloof mij dat ik mij verwijdere! Ik wil oen vroegeren beschermer van mij in het kapelhuis een bezoek gaan brengen.quot; â Haydn voelde dat hij een leugen gezegd had, met Reutter een be-schermer te noemen â »ik denk spoedig weer thuis te zijn.quot;
In weinige oogenhlikken stond hij aan de eindeloozn trap en haalde diep adem. Hij wischte zich het gloeiende gelaat af,schudde ontevreden het hoofd en klom Jacobs hemclladdei'naar de aarde af.
«Waarheen nu?quot; vroeg hij, besluiteloos op de straat stil blijvende staan, zich zeiven af. «Kom, ik wil niet gelogen hebben, ik ga naar Reutter. Ik wil eens zien hoe hij mij ontvangen zal.quot;
Hij gevoelde zich eigenaardig te moede, toen hij het hem welbekende huis binnentrad en door de lange gangen naar de woonkamers van den kapelmeester stapte. Zijn hart klopte luider toen hij liet waagde bescheiden met den kneukel op de deur van den gevreesde te tikken. Op een kort, barsch «binnenquot; trad hij in de kamer en bleef deemoedig bij de deur staan. Daar aan de schrijftafel zat hij, de oude, met hetzelfde harde gelaat van vroeger als ware hij uit steen gehouwen; alleen de haren waren dunner en grijzer geworden. Reutter vestigde een langen stuurschen blik op Haydn, stond eindelijk op en kwam langzaam op hem toe.
«Wat wilt gij? Gij zijt immers de weggejaagde Joseph Haydn?quot;
»Ja, die ben ik. Ik nam de vrijheid u mijne opwachting te komen maken.quot;
«Als wat toch ?quot; klonk het scherp. »Ik ben gewoon dat er van mijne kapelleerlingen iets degelijks wordt, mitsquot; â en zijne stenc
46
klonk boosaardig â «mits zij niet met schande weggejaagd werden. Komaan, ik ben waarlijk zeer benieuwd om te vernemen, wat er uit den snaakschen Haydn geworden is, die achtstemmig componeerde, eer hij ordentlijk zingen geleerd had. Laat hooren, wat zijt gij ?quot;
sNiets, in het geheel niets!quot; bracht Haydn smartelijk bewogen uit, en voelde maar al te goed, hoe hem do, heete tranen in de oogen opwelden.
De oude Reutter grijnsde van genoegen. De handen in de zijzakken van zijn rok stekende en het hoofd naar rechts en links wiegende, sprak hij :
«Dat is juist zooveel als van u te verwachten was. Braaf, heel braaf! Gij hebt de op u gegronde verwachtingen glansrijk vervuld. Gij wilt dus bedelen? Daar hebt ge een kreut/.er, koop er een broodje voor en word een bedelmuzikant; of Weenen een iiiuzi-kalen vagebond van dat slag naeer of minder heeft, daar komt het waarlijk bij ons niet op aan 1quot;
«Mijnheer, ik ben niet gekomen om te bedelen ofschoon ik zooveel bezit als niets. Maar ik....quot; Hij kon niet verder spreken, want de tranen verstikten zijne stem.
De oude werd onrustig.
»Wat wilt gij dan eigenlijk van mij?quot; vroeg hij wrevelig.
Haydn wischte zich de tranen uit de oogen.
»lk ben hier naar Weenen getrokken om muziek te leeren en het talent, dat God mij geschonken heeft, vruchtbaar te maken. Mijne ouders hebben alles beproefd om mij van mijn besluit af te brengen â een oogenblik streden in mij de liefde tot mijne ouders en de liefde voor mijn beroep; de laatste zegepraalde en ik verliet mijne geboorteplaats, eene treurende moeder achterlatende, wier verwachtingen ik teleurgesteld heb, daar zij mij, haren lieveling, als priester aan het altaar hoopte te zien. Het hart kan ik mij niet uit het lijf rukken en de melodieën, die door mijne ziel rui-schen, niet het stilzwijgen opleggen â zelfs mijne droomen zijn icete klanken, ja, elke polsslag slaat vluchtig de maat van een lied.quot;'
47
Routier ülimhic.lilc, maar niet. bitter en boosaardig, doch medelijdend en deelnemend
»Heljgt; mij aan een dageiijksch stuk brood, meer behoef ik niet â ik begeer echter geen aalmoes; werken wil ik voor eiken broodkruimel, dien ik eet; den ganschen dag wil ik onderricht geven, om des avonds te kunnen studeeren en componeeren.quot;
»Oij ziet daarbij slechts een ding over het hoofd, Joseph Haydn, namelijk, dat als onze groote stad Weenen niet met stee-non geplaveid was. men haar met, muzikanten zou kunnen plaveien, zoo veel zijn er bier. En alsof iemand zich aan den onbekenden llaydn zou -willen toevertrouwen? Daar is geen denken aan! Vurige herschenschimmen, die voor de koude werkelijkheid in hot ni*l verdwijnen en niets dan teleurstelling opleveren! Wil ik u een goeden raad geven, en die heeft ook eenige waarde : leer eerst zoll iets, dan zult gij ook leerlingen vinden, die u arbeid en brood verschalfon !quot;
Kentlor maakte hij deze woorden een gebaar met de hand dat zeer duidelijk naar de deur wees.
llaydn richtte zie.h trotsch op. Zijn blik rustte vast op liet rimpelige gelaat van den ouden kapelmeester.
«Menige boom heeft rijke vruchten gedragen, die eenzaam en veracht op de heide stond; uiel Gods hulp zal het met Joseph llaydn niet anders gaan, al helpt hem ook geen menscho-nhand; God leeft en Zijne barmhartigheid verlaat do hongerende armoede-niet.quot;
Joseph Haydn voelde zich geheel verruimd, schier welgemoed, zoodra bij bet kapolhnis weder achter den rug had. Bidden verlicht allen nood, vermaande hij zich zeiven en bij ging in den naburigen St. Stefanusdom waar hij voor het beeld van den gekruisten Zaligmaker zijn hart in kinderlijk vrome bewoordingen in een vurig gebed lucht gaf.
Na eenigen tijd stond hij op en keerde opgeruimd huiswaarts. Marie, de dochter van den kousenwever, opende hem de deur m geleidde hem in zijn kamertje.
48
«liet is alles zoo goed voor u ingericht als onzo armoede liet veroorlooft, mijnheer; moge het u naar den zin wezen !quot; /00 had het meisje gesproken en zich dadelijk daarna verwijderd.
ITaydn leunde het gloeiende voorhoofd tegen de ruiten van zijn dakvenstertje.
»01 dat ik een spinet ol' een groot kioosterorgel onder mijne handen liadde'' â zuchtte hij â «wat zou ik thans zingen. Arme Haydn !quot;
Hij verborg zijn aangezicht in beide handen en weende. Daar droeg de zachte avondwind de zoele tonen van een lied uit het tegenover liggende huis op de markt tot hem over; eerst luisterde hij in vrome aandacht, als hoorde hij engelen zingen, daarop klapte hij lachend in de handen en zong uit volle borst eene melodie, gelijk zij zooeven in zijne borst geboren was.
Dat was een weldadige lichtstraal in den duisteren troosteloozen nacht.
De eene dag reikte den anderen stil de hand, zij groeiden tol weken aan â Haydn was mei zijn geld ondanks do grootste spaarzaamheid ten einde. En in weerwil van alle zoeken, loopen en draven was het hem niet gelukt ook slechts een enkelen leer'ing te hekomen. Hij zon zich met het karigste honorarium tevreden gesteld heliben, maar niemand begeerde zijne diensten, en degenen wien hij ze deemoedig aanbood, weigerden een onbekenden bedelmuzikant, waarvoor men hem hield, in huis toe te laten. Nu en dan verdiende hij een kleinigheid met voor een troep muzikanten, die des avonds in koffiehuizen van minderen rang speelden, nieuwe dansen af te schrijven, of ook wel soms in plaats van een toevallig afwezigen muzikant diens partij over te nemen; maar het eerste was niet toereikend om zijnen honger te stillen en het laatste vervulde zijn gemoed met afkeer; want zijn hart bloedde bij deze mishandeling-van de zoo vurig door hem beminde muziek, waaraan hij soms, door den honger genoodzaakt, medeplichtig moest zijn.
Lang had hij de sombere schimmen der moedeloosheid uit zijne ïiel geweerd. De jeugd hoopt toch zoo licht en zoo gaarne, waar de
m
(ioflo, moer ervaren leeftijd reeds alle hoop heelt laten varen. Maar mi was ook zijn moed gebroken. Voor de eerste maal in zijn leven had hij schulden gemaakt, schulden bij de menschen, bij wie hij inwoonde, die bijna even arm waren als hij zelf. Twee gulden, eene som, groot genoeg om zijne opgeruimdheid te benevelen, bedroeg zijne schuld, en hel brood dat hij daarvan stuksgewijze at, smaakte hem harder en bitterder dan ooit te voren in zijn tot dusverre waarlijk niet verwend leven.
Hel was Zaterdag. De lucht was zwaar bewolkt, de regen viel in dichte stralen neder en kletterde, door een feilen westenwind gezweept, tegen het dakvenstertje van Maydn, die ais vernietigd op zijn drievoet zat en het hoofd diep op de borst liet neerhangen. Zijn moed en zijne hoop waren ten einde. Zijne moeder kwam hem voor den geest: het was hem als stond zij weder voor hem, gelijk toenmaals, als zij tot hem zeide: «Gij moet priester worden!quot; Zou hij daarom geen zegen bij zijn volhardend zoeken hebben, omdat hij den vuiigsten wensch zijner moeder onvervuld had gelaten? Deze gedachte drukte hem eensklaps nog zwaarder op hel beklemde hart dan al de kommer, waaronder hij gebukt ging. En toch kon hij ouk thans nog niet besluiten aan het verlangen zijner moeder gevolg te geven, ook thans nog had hij voor al hare smeekingen geen ander antwoord gehad, dan dal zijne ziel, zijn leven en zijne liefde der muziek toebehoorden.
Op een slapeloozen nacht volgde een regenachtige Zondag. Haydn sloop zonder ontbijt uit het huis en ging doelloos straat in straat uit tot hij voor hel klooster der Barmhartige Broeders stond. De klok luidde voor de hoogmis en Maydn trad het heiligdom binnen. Hij zocht i;et afgezonderdste hoekje op en beproetde te bidden. Maar zijn gemoed bleef koud en gevoelloos, en zonder gedachte of woord.
De hoogmis begon, Haydn herademde; hij hoopte een godsdienstige, tDonvolle, zijn leed verzachtende muziek te hooren; maar hoe dun, hoe kinderlijk, zoo geheel zonder gevoel of melodie klonk wat eene ongeoefende hand met moeite op het orgel speelde! Haydn's aangezicht gloeide; ras besloten snelde hij de smalle wenteltrap naar
4
50
het muziekkoor op, schoof met een gebiedend gebaat' en kiachtigen-arm den armen leekebroeder, die het orgel geen melodie wist te ontlokken, van het bankje al en greep met geoefende vingeren in de toetsen. O! wat klonk dat roerend en smeekend, en hoe volgde het eene lied 04) het andere, zoo eenvoudig en zoo diep, /,00 zoefe en zoo vloeiend, en locli weder zoo krachtig en zwaai', dat de ourie monnik de handen vouwde en verwonderd op het orgel staarde ais wilde hij het vragen waarom het lieden zulke wegsleepende melodieën voortbracht. Haydn baadde in verrukking, hij verheugde zilt; h over zich zeiven; hel was hein als baanden alle zoo lang gevangen gehouden gedachten zich een uitweg en verkondigden zij aan de geheele wereld het lied van hel verlangen zijns harten. En toen de woorden der H. Consecratie gesproken waren, ging zijn spel in een zoet geheimzinnig lluisleren over dat zich bij hot Benedictus lot een Jubellied van innige aanbidding verhief.
De mis was geëindigd.
Haydn had niet bemerkt dat een tweede monnik met zeer innemende gelaatstrekken naast hem was komen staan. Hij sloot, bet manuaal, school de registers in, en stond op om heen te gaan, toen gene hem dankend de hand toestak.
Haydn drukte die met warmte.
sKom met mij mede, als gij er den lijd toe hebt.quot;
Haydn glimlachte droevig, (lad bij niet zulk een overvloed va» tijd,, dat hij niet wist waaraan dien te besteden.
De monnik voerde hem naar zijne cel.
))Wie zijt gij?quot; ving hij aan.
Dit klonk zeer kort voor het zoo lange antwoord, dal llajdn d;iar-op geven moest. Met toenemende warmte verhaalde hij alles uit zijn leven tot aan de eerste schulden, die op zijn laatsten gulden--gevolgd waren.
«Onze organist is gestorven; gij hebt zelf gehoord hoede oude frater het orgel mishandelde.quot;
»Ja, het was schande,quot; viel Haydn driftig uil; »/00 iets moest men een orgel in het geheel niet aandoen; liét is wezenlijk zonde.
51
en nog daarbij in Gods hiugt; cm onder den heiligen dienst..... Doch
ik doe den armen broeder grovelijk onrecht,quot; ging hij gemoedelijk voort; nwant hij speelde zoo goed als hij kon, al was het dan ook vrrl'oeihjk slecht.quot;
9Wat heelt 11 heden in onze kerk gevoerd?quot; vroeg de monnik weder, aan het gesprek een andere wending gevende.
Ilaydn haalde de schouders op.
gt;)lk zou het toeval noemen, als er zoo iets bestond. Het gebrek died' mij uit mijn dakkamertje in de straten en uit de straten in de kerk. Daar wilde ik om moed eu hoop bidden, maar het ging niet. Kerst toen ik aan het orgel zat en mijn gemoed in een zee van klanken liet uitstroomen, eerst toen begon ik weder te bidden. Kn met elk accoord groeide het gebed in mijn hart aan _ en werd ten laatste sterk en groot als een eik en helder en liefelijk als een lentemorgen.quot;
«Gij zijt een godvruchtig jonkman!quot; hernam de monnik met warmte. «Zoudt gij wel liij ons organist willen worden?quot;
».la, ja..... ik wil..... ik verzoek er u om!quot; antwoordde hij onstuimig.
ijC.ocd!quot; glimlachte de monnik en reikte hem welwillend de hand, «dan wordt ge novice in ons klooster en organist!quot;
Ilaydn verbleekte.
De monnik ging echter, als merkte hij de ontroering van zijn gast niet op, bedaard voort:
«Gij zijt godvruchtig opgevoed; gij kunt in godsvrucht bij ons stil toenemen en groot worden gelijk een jonge boom in de een-zaamheid van het, woud. Gij zijt door God rijk begaafd; bij ons kunt gij uw talent geheel aan den dienst van God wijden. Gij zijt arm, zeer arm; bij ons zijt gij, hoewel gij gelofte van armoede aliegt, voor alle gebrek beveiligd. Niemand bezit persoonlijk iets en allen elen en drinken hetzelfde. God dekt ons den cenvoudigen discli en verschaft ons kleeding, de wereld beroert met hare onreine golven wel onze voeten maar niet ons hart; een stille vrede vervult ons alle», waarin wij reeds bij voorbaat de zaligheid des hemels smaken en
52
deze vrede uit zich in het gebed, en hel gebed bij u, .joiigf, vriend, in henielsche accoorden. Dochquot; â en zijne stem verloor eensklaps alle warmte â «gij hebt uw vrijen wil; als God u roept, volg Hem dan, Ik houd u slechts uw geluk voor oogen.quot;
Haydn sloeg langzaam het vochtige oog op.
«Mijne moeder heeft menigmaal tot, mij gezegd, ernstige dingen moeten goed overwogen worden, eer men een besluit daaromtrent neemt. Misschien â ik weet het niet zeker â misschien zien wij elkander spoedig weder.quot;
Met een stommen, hartelijken handdruk scheidden zij.
Het was middag toen Haydn zijne woning betrad. Een kwartier zat hij nadenkend en ernstig in zijn kamertje toen hij door de huisvrouw geroepen werd om te komen eten. Stom zat hij aan tafel en hij, de anders zoo hongerige, at bijkans niets.
«Zijt gij ziek?quot; vroeg vrouw Lisptte bezorgd.
«Neen!quot;
«Maar er schijnt u toch iets zwaars op het hart te liggen,quot; ging de nieuwsgierige vrouw voort. «Zijt gij misschien verdrietig om de schuld, die gij bij ons gemaakt hebt? Trek u dat maar niet aan ; liever schenk ik u alles kwijt, en deel elke bete met u gelijk ecne moeder met haren zoon, dan dat gij om die reden mistroostig zoudt zijn.quot;
Joseph legde den lepel neder en verhaalde het voorgevallene van dien morgen en wat de monnik hem zoo sterk op het gemoed gedrukt had. Toen hij geëindigd had, vouwde de goede vrouw in verrukking de handen en riep uit;
»De man Gods heeft gelijk: gij moet monnik worden! Het verwonder t mij slechts, dat ik zelf reeds niet lang op die gedachte gekomen ben! O! wat zal ik mij verheugen als gij bij de Barmhartige Broeders zijn zult; mij dunkt, ik zou u nu reeds met eerbied de hand willen kussen. Hoor eens, vader,quot; wendde zij zich tot haren man, «voortaan gaan wij niet meer, zooals gewoonlijk, naar de St. Stefanuskerk, maar naai lie vun de Barmhartige Broeders. Mijnheer Haydn, gij gaat toch zeker morgenochtend reeds in alle vroegte naar het klooster?quot;
quot;Wat ratelt gij toch weer in eenen adem voort, uude klapper-molen!quot; bestrafte haar de kousenwever. «Gij weet volstrekt nog niet of onze jongeheer ook zin in het kloosterleven heeft. Voorzeker, zou hij het mij vragen, ik zou het hem aanraden en ja en amen zeggen. Hij moge monnik worden ! In het klooster leeft hij gerust. Onze Lieve Heer spijst hem en zijne ziel neemt toe in het goede en wordt schoon en groot voor God. Wanneer de zorg voor dak, . brood en kleeding den mensch niet meer drukt, kan zijne ziel vrij de vleugelen uitslaan en hoog, zeer hoog in schoone sferen opstijgen verre boven onze stoffige aaide, en wanneer iemand nog daarbij zulke rijke, goddelijke gaven in zijne borst bergt als deze jonkman hier, dan kan hij in zijne cel melodieën scheppen en ze op het orgel leven geven en de geheele wereld zal zijn naam met dankbaren lof noemen. Zijn niet juist in de kloostercellen de schoonste bloemen voor kunst en wetenschap ontloken? Zoo stel ik mij ook onzen geliefden vriend Haydn voor, hoe hij in zijne afzondering vrome liederen dicht, waaraan jong en oud zich verblijdt, en hoe pater Josephus een beroemd man wordt ondanks habijt en tonsuur.quot; â
Haydn had de warme woorden van den ouden man met stijgende opmerkzaamheid aangehoord. Ja, er lag onmiskenbare waarheid in die voorstelling, aantrekkelijk voor zijn rustlievend, hoopvol en toch -weder twijfelend hart.
«Gelijk God het wil!quot; zuchtte de jongeling. »Ik geloof, dat ik het beproeven wil om monnik te worden.quot;
«Vader en moeder,quot; mengde zich Maria thans voor het eerst in het gesprek, «indien de heer Haydn werkelijk naar de Barmhartige Broeders gaat, heb ik een verzoek aan u; Houdt het kamertje hiernaast voor hem open, want hij blijft niet in het klooster; en keert hij weer in de wereld terug, dan zal hij ten minste niet zonder huisvesting zijn, want die kan hij bij ons vinden.quot;
V.
âHet heeft, niet zoo moeten zijn quot;
Een stille, eenzame cel;
De wanden zijn kaal, alleen boven het schamele leger ontwaart men een donkergekleurd afbeeldsel van een heilige in een effen zwarte lijst en daaronder een grofgesneden kruisbeeld om hetwelk ^en rozenkrans geslingerd is. Ginds naast de ongeverfde deur hangt aan een rood touwtje een steenen wij waterbakje, voor het raam staat een ruw getimmerde bidbank.
Daar zit Joseph Haydn, de novice, in een zwarte ruime pij. Het opengeslagen, blijkbaar veelgelezen boek, dat voor hem ligt, blijft onaangeroerd. Reeds sinds meer dan een uur werd er geen blad meer van omgeslagen. Wellicht overweegt de novice zoo lang een enkele gedachte! Ja, ernstig is zijn aangezicht en bleek, maar zijn oog rust niet op het boek, maar is gevestigd links op het vensterkozijn naar een vink, die, uit den kloostertuin opgevlogen, uit volle borst zit te zingen en te roepen. Daar vliegt hij weder weg, zet zich beneden op een bloeienden tak en neemt daarna zijne vlucht in de eindelooze ruimte dei' zonnige blauwe lucht.
Haydn oogt het vogeltje met weemoed na.
«Gij gelukkige,quot; zuchtte hij. »Gij moogt zingen, gelijk ge wilt; ik moet zwijgen terwijl zich de tonen met den dag in mijne ziel
55
meer en meer opeenhoopen. Ellendige bidbank, waarom zljt gij niet opti spine!, wiuirop ik mij lucht geven en naar hartelust zingen kon. Het zuu alles toch tot verheerlijking van mijn God strekken, het '/on alles godsvrucht ademen gelijk het gebed, maar zooquot; â hij sloeg mol de vlakke handen zoo forsch op het plat van de bidbank dal het kletste. De novice verschrok ; want de slag weergalmde zoo schril door de stilte zijner cel.
Weinige minuten daarna trad de novicenmeester bij hem binnen, â liet was een oud man; uit eiken trek van zijn aangezicht sprak liefde.
«Krater Joseph,quot; sprak hij, don vinger als dreigend opgeheven, doch daarbij zelfs vriendelijk glimlachende, «wat was dat zooeven voor een leven in uwe cel?quot;
Haydn zag verlegen voor zich.
»Tk verlangde naar een spinet,quot; antwoordde hij, »en omdat ik er geen had, sloeg ik verdrietig met de handen op dat ellendige stuk hout, er niet aan denkende, dat het geluid geven en mij verraden zou.quot;
De monnik schudde bedenkelijk het hoofd.
«Zulke gedachten,quot; sprak hij bestraffend, «hoewel in zich zelve niet zondig, mogen toch gedurende den voorde overweging vast-gestelden tijd niet in uwen geest opkomen en door u gevoed worden. Spreek deemoedig uw culpa en overweeg aandachtig wat dat boek u leert.quot;
Hij legde zijne hand zegenend op het hoold van den novice en maakte zich gereed om de cel te verlaten. In de geopende deur wendde hij zich nog even om; «Van avond om acht uur komt gij bij mij in mijne cel!quot;
Haydn boog ootmoedig. Maar de laatste woorden van den novicenmeester, dien hij als een vader vereerde, drukten met centenaars-zwaarte op zijne schuldige ziel. In den geest zag hij reeds, hoe zich boven hem een zwaar, dreigend onweer samenpakte en in scherpe terechtwijzingen en vermaningen over hem losbarstte.
Rindelijk sloeg het acht uren. Met gebogen hoold stond hij voor den novicenmeester, die hem onderzoekend in het gelaat zag.
r.e;
»Kom met mij mede!quot; beval deze en ging hem door lange gangen voor naar het muziekkoor. Haydn waagde het niet om op te-zien; thans echter terwijl de orgelpijpen in den avondgloed rood-achtig glommen, sloeg hij mot blijde verrassing de oogen op â als zag hij vader en moeder weder. De monnik had dezen blik opgevangen en een nauw merkbare glimlach speeldo om zijnen goedigeo-mond. Hij wees naar het manuaal.
«Speel en zing, gelijk het u te moede is!quot; beval hij en ging naaide blaasbalgen om deze te trappen.
Haydn's oog glinsterde. Eerst drukte hij een heirnelijken kus op het' orgel, daarna ging hij zitten, haalde de registers uit, Mg even naar boven en begon te spelen. Wat dat droevig en ernstig klonk ; tonen, gelijk het heimwee ze zingt, zonder sier, maar aangrijpend en wegsleepend ! Het was als zong een bloedend hart zijn zwanenzang. Nu gingen de melodieën uit het vurig verlangen in vrome, stille beschouwing over. De mol-accoorden losten zich op; het klonk, als verrichtte een kinderhart op kerstavond zijn avondgebed, â een eenvoudig lied in enkele terzen, gelijk moeders ze aan de wieg zingen. Daar op eenmaal bruiste met volle registers een hymne, zwaar en plechtig als zong het David, door de verduisterende beuken, en toen de laatste loon hoog boven door de gewelven trillend voorlgolfde, luisterde Haydn's oor nog aandachtig naar diens geheimzinnig wegsterven.
De pater novicennaeester kwam naar Haydn toe en legde zijne hand op diens arm.
«Gij zijt vroom.quot; dus sprak hij, adat klonk uit de lonen, die zooeven door het heiligdom ruischten; maar een monnik zult gij bezwaarlijk worden. Sta op en keer naar uwe cel terug.quot;
Haydn doorwaakte een slapeloozen nacht. De volle maan verlichtte zijne stille cel als ware het dag. Haydn zat, het hoofd op de borst gezonken, op zijne harde legerstede en dacht aan het verledene, dat zoo weinig bloemen voor hern in haren schoot verborg en hij waagde het ternauwernood aan de toekomst te denken, dewijl hij zich daarvan geen voorstelling durlcle maken. Toen zijn oog op de-
17
monnikspij viel, schudde hij ontevreden het hooJd; bij voelde dat 't, geen duizend anderen tot zielerust voerde, voor hem niet de weg tot zielevrede was. Of zou hij zich tot iets dwingen wal zijn roeping met was? Honger en gebrek hadden hem genoopt de proel te nemen, maar zijne ziel kon in dezen grond geen wortel schieten, â la, terwijl hij aan het orgel zat en zijn gemoed in volle accoordeu uitstortte, toen voelde hij zich gelukkig, toen had hij alles om zich licen vergeten, verleden en toekomst, ja zell's het tegenwoordige en ook dat hij novice was
Het was middernacht geworden. De kloosterklok riep tot de ineUeii. Langzaam schreden de monniken in stomme rijen naar liet koor, de kappen diep over het voorhoofd getrokken. Haydn stond als jongste novice aan den lessenaar en zou aanvangen. In plaats van dit in den voorgeschreven psalmtoon te doen, zong hij de an-liphoon met heldere volle stem â aan eene moedwillige opwelling van het oogenblik gehoor gevende. Tot straf daarvoor moest hij de metten ter zijde geknield bijwonen en ontving des anderen daags nog eene strenge berisping, welke hij echter allesbehalve berouwvol en deemoedig aannam. Daarbij kwam nog dat men een dei-zijwanden van zijne cel vol notenbalken en noten vond, louter uitingen van zijn muzikaal genie, die hij in plaats van de eeuwigheid te overdenken, met potlood op den pleister geschreven had.
Nog denzelfden avond ontving Haydn de aanzegging zijne pij uit Ie trekken on het klooster te verlaten.
Maar hij scheidde in liefde en vrede.
»Keer weder in de wereld terug,quot; zeide de novicenmeester lot hem, «bij ons behoort gij niet te huis. Bouw u zeiven, zanglustige vogel, een nest hier buiten en zing uwen (lud uw lied! Blijf wat gij zijt, vroom en geloovig. Gij zijt door God niet tot monnik geroepen, en wee uwer en ons, als wij het met geweld wilden doorzetten! Opdat echter de liefde u over dezen drempel vergezelle, zoo zult gij eiken middag hier in het klooster kosteloos aan den maaltijd komen deelnemen zoolang de armoede uw deel is en op Zon-
58
en feestdagen moogt gij in de hoogmis en de vespers ons orgel bespelen en daarvoor uw loon in geld ontvangen.quot;
Diep getroffen kuste Haydn de hand des monniks.
«God vergelde het u!quot; sprak hij met trillende stem. »Ja, hot is waar, de armoede vindt aan de kloosterpoorten troosten brood! (iod schenke u een lang leven, opdat gij ondervinden moogt, dat. Joseph Haydn geen ondankbare is. Thans keer ik terug in de wijde wereld, die ik jubelend begroet. Met Gods hulp zal ik haar met ecu vlekkeloos hart doortrekken en het genie vruchtbaar doen zijn dat God mij geschonken heeft. En wat ik dichtend zing, zal zoo rein zijn als ochtenddauw, zoo stichtend als het angelusgeklep, zoo liefelijk en schoon als het vogelengezang op een helderen lentemorgen, (lij, menschlievende monniken, hebt den armen muzikant eenen vasten grond gegeven, waarop hij den eersten steen van eene schoonere toekonist leggen kan. Wanneer iemand de kroniek van uw klooster schrijft, vergeet dan niet te vermelden, dat Joseph Haydn u den hartelijksten dank verschuldigd blijft.quot;
Knielend ontving hij den zegen van zijn ouden, vaderlijken vriend en daarmede scheidde hij.
Luchthartig sprong hij de trappen van het klooster af en kwam daarbij onzacht tegen een voorbij komenden jonkman aan.
«Oho! vriend, gij hebt grove knoken!quot; snauwde deze hem toornig toe.
')Is het waar?quot; lachte Haydn, «dat verheugt mij; want dit laat mij op een lang leven hopen. Maar wanneer ik u pijn gedaan heb, doet het mij van harte leed. Vergeef het mij in liefde!quot;
.iWerdt gij daar uit het klooster buiten de deur geworpen? quot;spotte de andere.
diet scheelt niet veel. Ik ben een in genade ontslagen novice. Ik ben' namelijk te veel musicus om een goed monnik te kunnen zijn.quot;
;)Ken musicus?quot; vroeg de andere verrast terug. »Dat ben ik ook. Uw naam?quot;
oJuseph Haydn.quot;
»Een zeer onbekende naam ! Ik heet Differsquot; (1).
»Mij ook volkomen onbekend!quot; antwoordde Haydn met eeae lichte buiging.
Ditters lachte hartelijk.
«Derhalve twee onbekende grootheden ! Wat dunkt u als wij eens vriendschap met elkander sloten? Mogelijk worden de twee onbekenden goede trouwe vrienden!quot;
Haydn, de anders zoo licht ontvlambare jonkman, aarzelde.
i)lk heb nog met geen mensch vriendschap gesloten,quot; sprak hij ernstig; «ik heb eens gehoord, dat zij iets zoo heiligs en verhevens wuFj dat zij haar hoofd in den hemel en haren polsslag op aardp heelt. Wanneer ik mij een vriend kies,quot; ging hij peinzend voort, ))dan moet hij vroom zijn en beter dan ik. Klaar en doorzichtig zou zijn hart. moeten zijn en reine godsvrucht daarin wonen en hij zou naast zijn vriend en zijn God geen liefde kennen dan de muziek.quot;
Ditters, de trouwhartige, levenslustige jongeling, keek ernstig naar Haydn op.
â Goed ben ik, dat heeft mijne moeder gezegd, toen zij mij stervend zegende; of ik beter ben dan gij, weet en geloof ik niet. Laat het voldoende wezen, dat wij beiden braaf willen zijn; al komt ook bijwijlen de jeugdige overmoed al eens bij ons fotuitbar-Ming, God zal nooit, met ons ontevreden zijn! Op dezen grondslag zullen wij vriendschap sluiten!quot;
Hier is mijne hand!quot; antwoordde Haydn ernstig. «Mijn hart is diep als een bergmeer, maar ook zoo helder en doorschijnend. Mij doet alles dubbel verdriet en genoegen. Wees getrouw en rein in uwe vriendschap, dan zuil gij geen beteren kameraad op aarde hebben dan mij.quot;
/ij gingen een eind weegs zwijgend naast elkander voort.
quot;En wat vangt gij nu aan?quot; vroeg Ditters, hef gesprek weder opvattende.
t l) Differs, in 17;«) te Weeiicu geboren, eeu goed eompoaist,, liereisile Italic en werd later in Haydn's plaats kapelmeester van den liissnliop van Grosawardeia.
m
»Bij schijnt mij voor niels aan te zien,quot; gaf Haydn lachend bescheid. »Ik ben vaste organist, op Zon- en feestdagen in hei kloostm-der Barmhartige Broeders te Weenen.quot;
»De titel is vrij lang,quot; meende Ditters, »En het honorarium ?quot;
«Is hoogstwaarschijnlijk aanmerkelijk kleiner; want hiervan was slechts Ier loops sprake. Veel zal het zeker niet zijn, daar heb ik een voorgevoel van, en mijne geldelijke voorgevoelens hebben mij nog nooit bedrogen !quot;
»Gij zijt een zonderling mensch! Waarvan wilt gij dan leven Want geld....quot;
)gt;Bezit ik in hel geheel niet, doch wel schulden !quot;
»Dat is toch altijd iets,quot; schertste Ditters lachende. «Als gij wilt, dan leen ik u geld of schenk u een paar gulden ?quot;
»Neen!quot; riep Haydn en strekte de hand afwerend uit; sdaaitoe is onze vriendschap nog te jeugdig; niets is haar meer gevaarlijk dan geleend of geschonken geld. Laat ons van wat anders praten. Ik zal mij toch wel dooi' de wereld heenslaan.quot;
«Neen, gij moet u door de wereld zingen, dat klinkt beter voor u. Zie, gij moet zoo eene soort van nieirwe Orpheus worden...quot;
«Zonder speeltuig !quot; klaagde Haydn. »Ja, had ik een spinet, dun kon ik gemakkelijk mijn honger en mijne ontberingen vergeten!quot;
«Arme drommel! Nu heb ik dubbel medelijden met u. Een muzikant te zijn zonder speeltuig is wel de ergste hongersnood, dien men zich kan voorstellen. Ga niet mij mede naar mijne kamer ! Daar vindt ge een goed spinet...quot;
»Is dat waar?quot; viel Haydn hem in de rede.
«Wel zeker! En dat wij iets te eten en Ie drinken zullen bekomen, daarvoor zal gezorgd worden.quot;
«Neen, Ditters!quot; hernam Haydn, zijne hand op den arm zijns vriends leggende. «Ik begeer geen spijs en drank, uw spinet wil ik zien en bespelen ! quot;
«01 gij zijt een dwaas of een echte musicus! Zoo'n kerel versmaadt eerie kan schuimend bier, een llesch wijn en een geurige malsche karbonade !quot;
61
«Zwijn-, wat ik u bidden mag !'
sWaarom slikt gij dan zoo geweldig, alsof al het water van de gelieele wereld in uw mond bijeengeioopen was?quot;
»[k dacht aan uw spinet.quot;
«Kom, leugens! Aan de karbonade hebt gij gedacht!quot;
Sctiertsond en elkander plagende als waren zij reeds oude vrienden gingen zij naar Dilter's woning. Deze vertoonde wel genn groeten welstand, maar ook geen spoor van armoede of gebrek. Pas waren 7.ij binnengekomen, of Haydn liep op het spinet toe, opende hot en begon er op Ie spelen. Aanvankelijk liet hij zijne vingers slechts vluchtig over de toetsen huppelen ; weldra echler knoopte zich melodie aan melodie, eerst ernstig en plechtig, dan v rooi ijk, lustig, en in weemoedige accoorden eindigende.
«Wat hebt gij daar toch gespeeld?quot; vroeg Ditlers nadenkend, toen Ilaydn ophield.
«Weet ik het?quot; antwoordde deze lachende. «Het was slechts wildzang dien gij gehoord hebt, geen muziek.quot;
«Zoo ! laat mij dan eens wezenlijke muziek hooien.quot;
«Geef mij een thema op!quot;
Ditters bedacht zich een oogenhlik, dan speelde hij eenige weinige noten.
Haydn glimlachte.
Kerst herhaalde hij ze gelijk ze hem aangegeven waren, daarop kleedde hij ze in afwisselende accoorden, daarna Hel hij het lichte tiiema schertsen, statig aanzwellen, klagen, smeeken, en len laatste in volle tonen wegsmelten.
quot;E11 zulk ('orl talent moet honger lijden!quot; riep Ditters, de handen ineenslaande, uit. «Mensch, u behoort de wereld!quot;
Haydn lachte hartelijk.
»Ik wenschle. dat ik tien gulden had! Wal zou Ik met de wereld doen? Ziet gij, beste vriend, ik voel wel, dat in mijne borst een oceaan van tonen klinkt en woelt, maar wat vang ik daarmede aan? In mijne armoede verdrink ik in dezen inwendigen rijkdom ! Ware slechts elke toon dien ik zingen kan, een kruimeltje brood, ik was een rijk en gelukkig man!quot;
62
'
«Gelukkig, mijn waarde Haydn,quot; verzekerde Dittersmet vuur, «gelukkig zult gij worden, rijk bezwaarlijk! Het staat niet in het levensboek van het genie geschreven, dat het aan een rijke tafel aanzitten zal. Wat is daar ook aan gelegen? Mogelijk was er weldra seen enkel genie meer, als het alle dagen zijn bekomst eten kon.quot;
Gerammel van borden en glazen liet zich in het aangrenzend vertrek hooren. Haydn's oog flikkerde even op, toen bloosde hij, Ditters had hem scherp aangezien en in zijne trekken de begeerte naar spijs en drank gelezen. Dat hinderde hem; zijn vriend mocht niet geringschattend over hem denken, alsof het voor een leege maag schande ware naar eten te verlangen!
Ditters lachte hartelijk.
»lk heb honger,quot; riep hij, »als had ik sinds een geheele week. niels meer gegeten. Kom, Jongen, laten wij gauw toetasten.quot;
Na weinige minuten zaten zij vergenoegd voor volle horden en glazen, liet deed Ditters een onuitsprekelijk genoegen zijn nieuwen vriend zoo smakelijk te zien eten.
âEet, Haydn, eet!quot; spoorde hij hem aan. »Gij zidt n toch niet schamen, omdat gij honger hebt? Alsof gij ook geen mensch van vleesch en been waart! Drink uw glas gemeen bier uil! Het genie moet wijn drinken; hallo, hier het glas! Kn nu aangestooten op «ea schoone onbezorgde toekomst!quot;
De glazen klonken tegen elkander.
»En nu weder aan liet spinet!quot;
Haydn was overgelukkig. Dat hij zich verzadigd had, vergat hij spoedig door het genot, zijne fantasieën op het oude doch goede instrument naar hartelust het leven te kunnen geven.
De uren vlogen voorbij; de avond was reeds lang een maanhel-dere nacht geworden. Zilverlicht, zoo week en rein als Haydn's gemoed, viel op zijn begeesterd gelaat en omgal hem als een aureool.
«Nog een lied!quot; verzocht hij, »en laat ons dan scheiden!quot;
Dat klonk als dank van kinderlippen, als innig gebed, als vroolijke vogelenzang tegen den avond, eer de lieve bosclizangers in de takken slapen gaan, als het zoete droomen, het blijde jubelen van een kind.
1
63
J| »Nu zullen wij scheiden^' sprak [ïaydn, opstaande.
»En waar wilt gij heen gaan?quot;
»Naar mijne brave kousenwevers.quot;
»Om ell uur 'a nachts?quot;
quot;Ilet is niet mogelijk!quot; riep Haydn met do hand over het voor-liool'd slrijkendo, «waar is de avond gebleven!quot;
I »IIij is op de vleugelen uwer liederen in den onmeellijken oeeaan
iles tijds weggedragen. Vriend, blijf hedennacht bij mij! Als de oude sola daar naast het spim t u goed genoeg is. zijt gij mij een-welkome gast.quot;
Met eon warmen handdruk scheidden zij. llaydn sloot de deur achter zijn vriend dicht, vervolgens knielde hij neder, begroef zijn gelaat in beide handen en bad. Wat hij wel biddend dacht? Vraag eon gelukkige daarnaar, die, deemoedig is! Eindelijk stond hij op; reeds wilde hij zich ontkleeden, daar viel zijn oog weer op bet spinet. Nog een enkel accoord, dacht hij. Zacht, zeer zacht, opdat ik mijn vriend niet wekkc! â Behoedzaam opende hij opnieuw hot geliefdo, hem zoo spoedig dierbaar geworden instrument: do tonen klonken zoo geheimzinnig als hadden engelenhanden zo in het leven geroepen, maar ook zoo vol diepen vrede, als werdon zij door engelen gezongen.
Buiten sloeg liet middernacht op alle torenklokken.
llaydn hoorde het echter niet meer. Hij was zacht op het spinet ingesluimerd. Door zijne ziel golfden nog de laatste tonen van zijn lied, golijk do waterleliën, die zich op de oppervlakte van een meer wiegelen.
Wat droomt gij wel, goede llaydn? Uw gelaat glimlachte in verrukking â uwe lippen bewogen zich als wilden zij bidden, uwe handen rusten vast op do toetsen. Droomt gij wellicht uw volgend leven: lleinheid van ziel, gebed en muziek? Daar parelt ook nog een traan uit uw oog!
Ja, groote llaydn â nu schouwt gij sluimorend met het oog de? geest es in uw volgend leven!
VI,
I )e eerste ster.
Den anderen morgen reikte Haydn zijnen vriend dankend de hand.
«Ik zie u toch gauw weer?quot;
^Vandaag nog?quot;
Hij spoedde zich naar de Koolmarkl en klom de liooge tra|rgt; naar aijne vroegere woning op.
Vrouw Lisette opende liem de deur. Niel zoodra zag zij dat liet Ifaydn was of haar gelaat werd koel en gestreng.
«Mijnheer Haydn,quot; sprak zij, «wat wilt gij hier?quot;
»Ik kwam u verzoeken....quot;
»Oni wat verzoeken? ' klonk het harsch. »Ik meende dal gij hij de Barmhartige Broeders waart en er u in allen ernst op toelegde! om een goed monnik te worden; het heeft echter al den schijn, alsof gij er weggeloopen of zelfs misschien weggejaagd zijt. Hm! Hoe is het? quot;
»Het was mijne roeping niet,quot; voerde Haydn deemoedig aan.
»Och kom! wat ge zegt?quot; viel de oude vrouw driftig uit. »fs he! niet de roeping van ieder mensch om gelukkig te worden? Ta! Kn kan hij ergens anders gelukkiger zijn dan in het klooster? Neen! Dus hebt gij uwe roeping gemist!quot;
Met toornige blikken zag zij hem aan.
«Gij zijl toch ook niet in een klooster gegaan,quot; antwoordde Haydn, ;Ik', aanvankelijk onthutst over die ontvangsl, zich weder hersteld had, «maar zijl gehuwd en evenwel een even zoo brave als gelukkige vrouw geworden. Waarschijnlijk was hel ook uwe roeping niet om in een klooster te gaan.quot;
De trekken der oade vrouw verhelderden merkelijk. »Ja, het is waar, ik ben braaf, dat zal mij, gelooi' ik, niemand betwisten; en gelukkig ben ik ook, dat weet God, die mij in het hart ziet! En buitendien â gij hebt gelijk -â als alle goede menschen binnen de kloostermuren gingen, dan bleef de wereld aan de slechten over. Bat mag ook niet zijn!quot;
De kamerdeur ging open en Maria vertoonde zich op den drempel. Nauwelijks had zij tlaydn gezien of zij kwam verheugd naar hem toe en begroette hem met de woorden;
«Zijl gij daar eindelijk! Ik wist wel, dal gij terug zoudl komen.quot;
De oude vrouw zette de armen in de zijde en keek ontevreden naar haar kind.
oMaria,quot; voegde zy hare dochter bestrallend toe, «waar bemoeit gij u mede, neuswijs schepsel! Alsof gij iets daarvan begreep! ? Blijf bij uw naald en uw breikous, dat zou beter passen!quot;
Hel meisje liet een oogenblik pruilend de onderlip hangen, doch liep daarna lachend en handenklappende in de woonkamer en riep verheugd: »Vader, onze mijnheer Haydn is teruggekomen!quot;
Ja! daar zat hij weder in zijn dakkamertje, dat hem zoo lief en zoo gezellig voorgekomen ware als hij slechts geweten had waarvan hij de huur zou betalen. Een buitengewoon gestommel in Iuit voorvertrek wekte hem uit zijne sombere overpeinzing op. !lij hoorde zware voetslappen en eene stern, welke op ruwen toon uitriep;
«Als hier mosjeu Haydn woont laat ons dan in zijne kamer!quot;
Bij deze woorden stiet de spreker de deur open en droeg met y.ijn kameraad een oud, wormstekig spinet in llaydn's kamertje.
gt;VVaar moeten wij de oude kast zetten?quot;
Jlaydn staarde sprakeloos op het instrument.
66
«Wel, lafen wij hel hier maar midden in het kamertje z lt n,quot; gromde de andere en streek met den rug zijner hand over bel be-zweeto voorhoofd.
«Thans verzoeken wij om ons welverdiend loon; uw trap is zoo hoog als ging het door de wolken naar de maan.quot;
«Maar ik weet niets van het spinet af,quot; stamelde Ilaydn,op de uitgestoken hand van don drager blikkende..
«Alle donders!quot; bruiste deze toornig op. «Denkt gij, dat wij dat vermolmde ding weer naar beneden zullen dragen ? Een jongeiicer heelt ons den bepaalden last gegeven dit ding hier aan mosjeu Hay dn te brengen â die zijt gij immers? â maar hij heelt ons niet betaald. Dus moet gij....quot;
Hij maakte eene beweging met duim en wijsvinger, welke Haydn zoo goed begreep, dat hem het angstzweet op het voorhool'd parelde.
«Maar... ik heb geen geld! quot;
«Niet eens een halve gulden?quot;
«Neen!quot;
Er ontstond eene pijnlijke stilte. Ilaydn zou wel hebben willen schreien. «Niet eens een halve gulden ?quot; galmde het snijdend en honend in zijne ziel na.
Er werd hevig aan de heesche huisschel getrokken. Maria opende en Ditters stormde Haydn's kamer binnen.
«Nu, wat is hel?quot; snauwde hij de beide dragers toe. «Wat slaat gij daar, als waart gij aan den grond vastgegroeid.quot;
«Wij wachten op ons loon, mijnheer,quot; antwoordde een hunner.
«En gij hebt geen geld?quot; riep Ditters lachend en reikte Haydn de hand. «Daar hebt gij het; scheert u weg!quot;
«Welnu! vriend,quot; riep Ditters, zoodra beiden alleen waren, swaar-om spreekt gij niet ? Gij zijt als versteend !quot;
«Ditters, hebt gij mij hel spinet in huis laten brengen?quot;
«Ja.quot;
Haydn viel zijn vriend om den hals. «Gij hebt mij de baan des geluks geopend! Nu geef ik den moed niet meer op!quot;
C7
Differs lachte hartelijk.
sliet zal mij oneindig: verheugen als gij hot op dit versleten in-sfrument tot een Orpheus brengen kunt. Doch voor een beter was
mijne beurs niet genoeg gespekt, dus moet gij het met het slechte voor lief' nemen.quot;
Lang bleven de beide vrienden in vertrouwelijk gesprek met elkander bijeenzitten. En toen zij scheidden en elkander de hand reikten, sprak Haydn met warmte en Innigheid:
)iNu zal het ook bij mij lente worden ! En wanneer de tonen en melodieën veelkleurig uit mijne ziel te voorschijn komen gelijk de bloemen uit den schoot der aarde en mij daarmede de weg tot een gelukkige, schoone toekomst gebaand is, dan, edele vriend, komt de dank daarvoor toe aan u en aan uw edel hart.quot;
«Mijn dierbare idealist,quot; antwoordde Ditters, zijne beide handen op Haydn's schouders leggende, imog zijn u, al ware uw talent, nog zoo groot, de vleugelen niet aangewassen, die u in de armen van het geluk dragen. Ggt;j zult in tonen zwelgen en daarbij veel honger lijden. Wee uwer, zoo gij een genie zijtl Want dan gaat uwe ster langzaam op en als zij bet helderste flonkert, ligt gij reeds lang in het graf tot stof vergaan.quot; â
Hij stond alleen in zijn kamertje. De voorspelling, die zijn vriend hem bij het afsclieidnemen welmeenend had doen hooren, sneed hem trillend door hef hart. »Ja, hij moge de waarheid gesproken hebben! Mogen ook verder de armoede en gebrek mijn deel zijn, eindelijk moet toch de zon des gelnks voor mij schijnen,quot; redeneerde hij bij zich zeiven. â
Ken week lang ging llaydn niet uit. Van het vroege morgenlicht, dat toch de dakkamertjes der armoede het eerste groet, tot in den laten avond zat hij aan zijn spinet, speelde, schreef, lachte van vergenoegdheid en verscheurde weer vol ergernis wat hij voor een uur geschreven had. Mij vergat zoo zeer alles om zich heen, dat zijn hospita den volgenden avond misnoegd in zijn kamer trad en hem bits toevoegde; »Zeg eens, wat moet dat betee-kenen, mijnheer lïaydn ? Wilt gij dan in het geheel niet meer
68
eten? Ik weet wel, dat gij arm zijt, maar een lepol warme brei hebben wij toch nog altijd voor u over. Laat nu toch eens eenmaal de toetsen rusten en eet wat, anders sterft gij van honger, of wordt ten laatste gekj Geen van beide zou ik aan u willen beleven !
Des Zaterdagsnamiddags trad Haydn met eene dikke rol papier onder den arm een muziekwinkel binnen. De bediende haastte zich niet naar het begeeren van den jongen man te vragen, van vvien te verwachten was dat hij eerder bedelen dan koopen zou. Eindelijk was hij toch zoo genadig hem eenige opmerkzaamheid te schenken; daarbij steunde hij echter met de beide armen vast op de toonbank en wierp het hoofd fier in den nek, zoodat men wel een hoogen dunk van zijne gewichtigheid moest krijgen.
»Wat is er van uw dienst?quot; vroeg hij bits. »Wij hebben alleen groote weiken, die duur zijn!quot;
Daarbij monsterde hij met een minachtenden blik llaydn's werkelijk meer dan armoedige kleeding.
»Ik zou gaarne den chef van het buis spreken,quot; verzocht llaydn deemoedig.
«En wat wilt ge?quot; klonk het barsch.
«Zeker niet bedelen!quot; riep Uaydn geraakt uit.
»A.ha ! charmant! Ik zal u aandienen!quot; spotte de bediende en ging naar het kantoor.
Er was meer dan een kwartier uurs verloopen, toen eindelijk een dor, spichtig manneke verscheen. De grijze, doordringende oogen waren door een reusachtigen bril bedekt, over de mouwen van zijn rok droeg hij niorsniouwen, die zich lang aan inkt verzadigd .hadden; de lippen waren zeer dun en vast op elkaar geklemd; de linkerhand was in den diepen rokzak als begraven, inde rechter hield hij een gouden snuifdoos.
'â¢ven niet het hould knikkend, bleel hij achter de toonbank voor Haydn slaan.
â gt;Gij verlangdet den chef der lirnia Ie spreken? Wal is er van aw dienst?quot;
69
Haydn raapte al zijn moed bijeen.
»lk heb hier,quot; zeide hij, zijne rol losmakende, «zes rnenuelten van eigen compositie.quot;
De oude man zag hem doordringend aan.
»Ik ben wel is waar pas beginnende,quot; vervolgde Haydn, «maar ik geloof....quot;
»VVat zou ik met die papieren moeten doen?quot; vroeg de ehef. ïZe koopen mogelijk ?quot;
«Juist mijnheer,quot; antwoordde Haydn, vellicht ademende.
«Gij zijt zeker een Boheemsche muzikant, die geld noodig heeft ?quot;
»lk heet. .Toseph Haydn, was kapelzanger bij Reutter....quot;
lie oude barstte in lachen uit, nam de rol muziek op en bund er haastig het touwtje weer om.
«Wees zoo goed die prullen weer mede te nemen en mij niet langer mijn kostbaren lijd te ontrooven !quot;
oMaar, lees dan ten minste ééne partituur!quot; verzocht Haydn.
«(Jij zijt een vrijpostig jongmensch ! Om u echter te bewijzen, dat ik niet, hard en onbillijk togen u ben, wil ik uw werk doorbladeren. Mogelijk kan ik u een goeden raad geven. Kom over eenige dagen terug.quot;
Tranen stonden den zoo barsch afgewezen jonkman in de oogen toen hij den winkel verliet.
j'Gij zijt toch ook maar een arme drommel,quot; dus troostte hij zich â zeiven, «derhalve moet gij u ook alles rustig en gedwee laten wel-gevalleli. Ik mag bij slot van rekening nog blij zijn dat het kleine manneke met de vuile morsmouwen mij niet geworgd heeft. En daarbij is alle hoop nog niet vervlogen! Misschien bevallen hem mijne composition en eigenlijk moeten, indien hij verstand heeft van muziek, mijne menuetten zijne goedkeuring wegdragen.quot;
Na acht eindeloos lange dagen, meldde Haydn zich weder bij den uitgever aan. Hij onderdanig buigende, als een riethalm in denj storm, de andere, koud en fier opgericht als ware hij van steen.
«Aha! zijt gij daar?quot; sprak de andere onverschillig. «Jan, breng mij die rol muziek eens hier! Zij ligt naast mijn lessenaar op den grond.quot;
70
De winkelbediende braclit het verlangde.
«Ziehier, jongmensch, uwe noten terug: muziek kan men dat tuig niet noemen. Ik heb er een paai' stukken van ingezien ; weet gij wat ik daarna gedaan heb ? Ik heb het uitgeproetst van het lachen ! Hoe komt gij op de gedachte ? Gij laat uw thema zoo eenvoudig en schuchter voortgaan als ware bet eene ingetogen maagd, die naar de vroegmis gaat. (reen versiersel, geen krulletje, geen knaleffect, slechts melodie, eene echte draaiorgelmuziek. Ik kan den naam mijner firma voor zulke jongensachtige vodderijen niet leenen zonder haar voor altijd te bezoedelen, maar gij behoeft ze daarom nog niet in het vuur te werpen. Het zou in ieder geval jammer zijn van het papier ! Weet ge wat gij doen moet ? Verkoop uwe compositiën, gelijk gij ze noemt, aan de muziektroepen, die in de voorsteden in de herbergen spelen ; voor zulk volkje is zulke muziek uitmuntend geschikt.quot;
Haydn nam de rol op en stond een oogenblik in verzoeking ze door de openstaande deur op straat te werpen. Hij was toornig, verbitterd, verontwaardigd, want het waren de kinderen zijns geestes, die zoo schandelijk verongelijkt werden en verongelijkte kinderen drukt men uit medelijden met verdubbelde innigheid aan het hart.
Gloeiend, trillend, woedend verhaalde hij zijn wedervaren aan zijn vriend Bitters.
»Laat den man zijn goedkoop pleizier,quot; troostte hem Ditters op deelnemenden toon. «Iemand, die een ander hoont, omdat hij hem voor behoeftig houdt, is een laaghartige. Geef de ro! maar aan mij; want gij zijt kwaad genoeg om den geheelen boel bij uwe kostvrouw in het vuur te werpen.quot;
â gt;En wat wilt gij er mede doen?quot; vroeg Haydn schuchter en moedeloos.
«Wat weet ik het?quot; antwoordde Ditters schouderophalend. «Mogelijk kan ik deze uwe eerstelingen hier of daar een goede verpleging verschaffen, in alle gevallen red ik ze van den gruwzamen vuurdood!quot;.......
Van dien dag af werd Haydn stiller en treuriger dan ooit. Overal
71
â quot;waarheen hij het 00^ wendde, teleurgestelde verwachtingen, verijdelde hoop, honger en ellende! Wanneer hij op Zon- en feestdagen bij de Barmhartige Broeders het orgel bespeelde, verschrok hij dikwijls over zich zeiven; het was hem, als was niet alleen zijne hoop vervlogen maar als kwijnde van lieverlede de genius van het lied in hem weg. Bij deze gedachten werd zijne ziel door een zee van bitterheid overstelpt, en eerst als hij na het einde der Hoogmis in den reiter zijn maaltijd gebruikte en de monnikken hem over zijn echt godsdienstig, zoetklinkend orgelspel met warmte prezen, dan zag hij eeist weifelend en dankbaar op en begon hij weder aan zijn talent te gelooven.
Maar recht vroolijk en zangerig werd hij toch niet meer; deze laatste sprankel van het geluk scheen uitgedoofd te zijn.
Het was een zonnige Zondagachtermiddag. Beneden in de straten der stad heerschte eene ongewone stilte; slechts hier en daar ver-toiride zich een mensch op het heete plaveisel; alles wat eenigszins kon, was naar buiten de stad getrokken om van den zomer met zijne lommerrijke boomen, frissche weiden en golvende korenvelden te genieten. De jonkman, die boven in het dakkamertje zit, dat hij bij de kousenweversfamilie bewoont, verlangde ook wel naar buiten, naar de zingende vogeltjes en de murmelende beken; maar hij gevoelde zich te neerslachtig en daarom bleef hij voor zijn dakvenstertje zitten en vond er een weemoedig genot in, zijne smachtende ziel naar de vredige ouderlijke woning te doen vliegen en haar daar gelijk eene het zwerven moede zwaluw te laten uitrusten. Juist zat hij, in diepe gedachten verzonken, naast zijn oud moedertje, stortte zijn gansche leed in hare minnende ziel en luisterde dan naar hare troostende woorden, die de pijnlijke wonden in zijn hart zouden helen, toen zijne kamer zacht openging en Maria zich op den drempel vertoonde.
«Mijnheer Haydn;quot; vermaande -zij, »ga toch naar buiten in Gods - schoone, vrije natuur! Dat zal u weder opgeruimd en gelukkig maken.quot;
De aangesproken* keerde onmiddelliik het hoofd half naar het mei-je.
»VVaaiora zijt gij zelf niet raet uwe ouders naar buiten gegaan? U had het ook goed gedaan!quot;
»Ja,quot; antwoordde het meisje weemoedig, »gij hebt gelijk. Mijna zieke borst zou gaarne de frissche buitenlucht inademen en toch blijf ik liever te huis, daar ik mij anders te zeer zou vermoeien en ik dezen nacht nog eenige uren moet zitten naaien, om met deze kleine verdienste een arm, maai' braaf man te helpen.quot; -
Haydn ontroerde. Reeds lag er eene ernstige vraag op zijne long, doch hij sprak ze niet uit.
«Gij zijt een goed kind!quot; riep hij mot warmte uit. «Hoewel zelf arm, zoekt gij nog anderen te ondersteunen.quot;
«Niemand is zoo arm, dat hij niet op een of andere wijze een nog armer zou kunnen bijstaan. Maar ik ben eigenlijk gekomen,quot; ging zij, een opgeruimden loon aanslaande, voort, uom u te vragen waarom gij bijna niet meer op uw spinet speelt? Kerst waart gij zoo ijverig, dat vader zich menigmaal 's morgens-verdrietig de oogei» uitwreel en zeide: «Vannacht heeft mijnheer Haydn mij met zijne muziek allen slaap ontroofd,quot; en. tegenwoordig is het alsof gij alle liefde voor de muziek verloren hebt. Wat is er met u gebeurd Haydn was opgestaan en stond naast zijn spinet.
«Dit arme instrument hier heeft er geen schuld aan. Hier in het diepste mijns harten ligt hel leed, dat het lied doet verstommen. Maria, God is mijn getuige, dat ik alles gedaan heb, om hel mij door Hem geschonken talent vruchtbaar te maken: Weel gij wal ik geoogst heb? Bitteren hoon! Hoon gelijk de verzadigde rijke dien het bedelende â neen, het worstelende genie niet zelden in hef. aangezicht werpt. Welaan! hel zij zoo; indien alle menscjbfèn mij verstooten en mijn talent smaden, dan wil ik de liefde mijner ziel vergeten en lerugkeeren lol mijn vader en wagenmaker worden.. Als zoodanig zal ik dan het dagelijksche brood verdienen, voor hetwelk ik nu tevergeefs arbeid en zwoeg, en wanneer des Zondags de schoolmeester onder de mis het orgel bespeelt, zal ik er aan herinnerd worden dat ik ook eenmaal in het. licht, der tonen geluk-.-kig zochl te zijn.quot;
«En indien alle menschen u miskenden en slechts een enkel hart met u gevoelde en u toeriep; «Haydn, geef den moed niet op, het is een goddelijke vonk die in u gloort en gij hebt hel recht niet dien uit te dooven ; zoudt gij ook dan nog uw genius den rug toekeeren?quot;
»Neen!quot;
»Zoo blijf hem dan trouw! Haydn, ik bid alle dagen voor mijne ouders, daarna voor u! En als mij de Onze Vaders van de lippen vloeien en gelijk engelen ten hemel stijgen, dan weet en gevoel ik, dat ik niet tevergeefs bid. Gij zult gelukkig worden, gelukkig, groot in het rijk der tonen! Vraag niet welk recht ik arm, eenvoudig meisje heb om zoo te spreken I Wanneer 's nachts reeds alles in diepe rust lag en gij zaat aan het spinet en liet uwe liederen zoo blijde en vroom weerklinken, dan hief ik het moede hoofd van het kusseu op en luisterde en verheugde mij gelijk een kind; en als ik. eindelijk insliep, klonk uw zang mij als droom nog iu de ziel. Die zoo, gelijk gij, in tonen tot 's menschen harten weet te spreken, kan niet ondergaan.quot;
Haydn stond met saamgevouwen handen voor bet. meisje, wier wangen de begeestering met een hoogen blos geverfd had. Lang zweeg hij; hij wilde de woorden vertroostend en balsemend in zijne ziel laten wegsmelten. Eindelijk hief hij het hoofd op en zijn gevoelvol oog rustte geroerd op het meisje.
»lk waag hei met God! Zijn engel hoeft mij moed en nieuwe blijde hoop gebracht. Maria, houd niet op met voor mij te bidden; nu weet ik, dat één menschenhart mij verstaat; hierop steunende wil ik den strijd met de wereld aanbinden!quot;
En hij zette zich aan zijn spinet, en hoe langer hij speelde hoe lichter hij om hel hart werd; en toen hij diep in di'ii nacht zijn leger opzocht bad hij met innige godsvrucht: «Ach! lieve God! verlaat den armen Joseph Haydn niet!quot; ............
Weken verliepen. Haydn componeerde, studeerde, bad en hongerde onafgebroken. lederen dag ging hij naar de vroegmis, ook des Zondags; want, placht hij te zeggen, wij organisten bidden niet, terwijl wij dooi- onze muziek anderen helpen bidden. Van tijd tof.
74
tijd kwana Ditlers hem opzoeken: dan was alle leed vergeten en werd Haydn weder even opgeruimd, ja zelfs uitgelaten als vroeger; kwam hij echter van zijne aan zijn vriend ter hand gestelde eoin-positiën te spreken en vroeg hij hoe het er mede stond, dan werd Ditters kortaf, ernstig en knorrig, en meende, dat Haydn de ongeduldigste mensch was, die ooit geleefd had, daar hij niet behoorlijk zijn tijd afwachten kon. Daarop antwoordde deze dun altijd, dat Ditters goed praten en schelden had, maar hij zelf nog van ongeduld tot assche zou verbranden.
Op zekeren regen ach li gen avond kwam Ditters zijn vriend afhaler! voor eene wandeling, tlaydn weigerde aanvankelijk, want hij moest com poneeren; toen Ditters hem echter eenigszins scherp toevoegde, wat hij dan toch wel met zijne compositiën deed, als zij gereed â¢waren, liet hij het hoofd hangen en volgde zijn vriend gewillig. Arm in arm slenterden zij door de straten, pratende, schertsende, voor de winkels de uitgestalde fraaiigheden bewonderende en daarbij met hunne eigene armoede den draak stekende.
Al voortwandelende kwamen zij voor een muziek magazijn. Ditters had zijn vriend als toevallig daarheen gevoerd en bleef nu, hem scherp gadeslaande, naast hem staan.
Haydn overzag met een begeerig oog de uitgestalde muziekstukken. Daar â plotseling wordt hij bieek als een doode, siddert over al zijne leden, drukt het voorhoold tegen het glas als wilde hij het doorstooten en roept en grijpt naar zijn vriend.
üDitters, staat daar op dat titelblad werkelijk Joseph Haydn?quot; «Ei! en waarom dan niet?quot; lachte de aangesprokene. »Gij ziet uwe menuetten hier in levenden lijve voor u!quot;
Haydn trad eene schrede terug. Vroom de handen vouwende, staarde hij nog eene poos op het grauwwitte papier, dat zijn naam â droeg en wendde zich daarop tot zijn vriend:
olk begrijp er in het geheel niets van.quot;
quot;De zaak is zeer eenvoudig,quot; antwoordde Ditters. »Ik heb geheel Weenen afgeloopen tot ik iemand vond, die zich aan uwe eerstelin-
75
gen waagde. Die man daar binnen had den moed; God geve, dat bet hem niet te slecht bekome!quot;
aDitters, gij zijt wreed!quot;
«Natuurlijk ! Alsol men hier in Weenen zoo arm is aan oude, be-â¢Jiende componisten, dat men blijde zijn moest, nieuwe, jonge, onbekende en onervarene uil te vinden! Weet gij, wat de man daar binnen gezegd heeft? Zulk voddegoed kon hij centenaarsgewijze krijgen, maar uit barmhartigheid zou hij uwe menuetten aannemen en drukken.quot;
»En welk honorarium bepaalde hij ? quot; vroeg Haydn schuchteren. oMensch, gij zijt verschrikkelijk! Is het niet genoeg, dat deze edele man een hoop geld uitgaf eer hij een kreutzer ontving ; verbreidt hij niet uw naam door de gansche wereld'! Dat is veel meer waard dan ettelijke guldens honorarium!quot;
oà ''ebt gelijk!quot; bevestigde Haydn levendig. »Ditters,quot; ging hij smeekend voort, »ik heb een gulden in mijn zak. Dunkt u, dat het eene groote dwaasheid ware, als ik in den winkel ging en mij zeiven kocht?quot;
«Doe het I Elke schrijver, hij schrijve in proza, verzen of muziek, staat tegenover zijne eerste voortbrengselen als een kind, dat met zich zeiven een allerpleizierigst spel speelt. Waarom zoudt gij verstandiger zijn dan duizend anderen ! Ga en koop u zeiven I Maar, vriend, ik waarschuw u er voor, voortaan u zeiven niet als een wezen van een hoogere soort te beschouwen en te vereeren ! Gij zijt nog altijd, evenals ik, te veel â niets !quot;
Haydn ging den winkel binnen; een magere, stroeve man kwam «aar hem toe en vroeg wat hij verlangde.
«Gij hebt menuet ten uitgege ven van een zekeren Joseph Haydn ? Zijn zij wel waard dat men ze koopt ? quot;
«Waarom niet? Zij zijn eenvoudig- maar zeer lief gearrangeerd, verraden talent, maar ook gemis aan school. Die Haydn â ik ken hem in het geheel niet â zou moeten studeeren, in plaats van com-poneeren, dan kon er iets goeds van hein worden.quot;
Haydn's gelaat, gloeide.
76
«Verlang! gij een exemplaar?quot; vroeg de uitgever vriendelijk.
«Ja zeker! Ben ik misschien de eerste kooper?quot;
»Toch niet! Men koopt die beuzelingen nog ul graag. Ik ben zelf verwonderd over den aftrek. Ik hoop, dat ze u ook goed bevallen zullen. Het is wel een eenigszins onbeholpen talent, dat hier spreekt en zingt, maar toch prijzenswaardig.quot;
Haydn legde een gulden op de toonbank. De uitgever nam hem op en zeide niet een lichle buiging: «Neem mij niet kwalijk, het kost een gulden twaalf kreutzer!quot;
Haydn streek met de hand over hel klamme voorhoofd. Zijn aangezicht was het toonbeeld van jammer, schaamte en verlegenheid.
»Aha! gij hebt voor het oogenblik niet zoo veel geld bij u,quot; stelde do uitgever hem gerust. «Wees zoo goed mij uw naam op te geven, en reik het te kort komende bij gelegenheid maar eens aan.quot;
«Ik heet Joseph Haydn!quot;
«Waarom hebt gij inij dat niet terstond gezegd?quot; riep de uitgever, den jonkman de beide handen toestekende. «Jk roep u een hartelijk welkom toe onder de beoefenaren van het lied ! â Maar â als gij iets werkelijk grootsch wilt voortbrengen, studeer dan, bestudeer Emmanuel Bach, en kom mij over een jaar ongeveer dan weder eens bezoeken,quot;
Zoo sprekende rolde de vriendelijke man zes exemplaren bijeen en reikte ze aan Joseph Haydn toe.
«Dat is zoo het gebruik tusschen uitgever en schrijver,quot; zeide hij glimlachend, »en uw gulden moet ik u ook teruggeven.quot;
11 ij ging naar zijne lessenaar, wikkelde een geldstuk in een papiertje en Melde hel Haydn ter hand.
«God zegene u, jongmensch! Wees braaf en goed! Op slechte wegen sterft de goddelijke gave van het talent en uw talent moge leven en vruchten voortbrengen !quot;
Haydn rende het magazijn uit en omarmde zijn vriend op de volle straat. Tegen hem liet hij den ganschen storm van zijn hart uitrazen.
77
j)Nu is het genoeg!quot; merkte Ditter.s droogjes aan. »Ik heb hon-tjer; ik zou wel wat willen eten.quot;
Haydn trad ontstemd acliteniil.
»Wat zijt gij toch prozaïsch!quot; smaalde hij. »Ik denk thans aan geen spijs ol' drank!quot;
«Gij zijt een beminnelijke leugenaar!''schertste Ãitiers. «Gij zijt evenals alle idealisten ! Leeft van tonen en gedachten tot u de maag jeukt; dan ploft gij uit uwe hooge sferen neder op de aarde en herinnert u, dat gij een rnensch zijt.quot;
«Waarom herinnert gij mij daaraan?quot; gromde llaydii.
Ditlers glimlachte doch gaf geen antwoord.
»WiU gij dezen avond met mij doorbrengen, Joseph?quot; vroeg hij na eerie poos.
«Zeer gaarne!quot;
»Daar gij geen honger hebt en ik den mijnen bedwingen zal om jiiel ininder idealist Se zijn dan gij, zullen wij in het Prater een 'wandeling gaan doen?quot;
«En alleen over muziek spreken,quot; voltooide Haydn.
Op de regenachtige schemering was spoedig duistere nacht gevolgd. I»e lucht was vochtig en kil. De beide jongelieden hadden zich moede gewandeld en moede gepraat.
«Laat ons naar huis gaan!quot; vermaande Ãitters.
«Zonder avondeten?'quot; bracht Haydn hier schuchleren tegen in. «Ik heb geld en zou wel ....quot;
«Mij goed, laat ons wat gaan eten! Er schijnen toch oogenblikken te komen, waarop het genie liever aan een kalfscotelet dan aan zich zeiven denkt!quot;
«Zwijsf, veinsaard !quot;
Zij traden eene herberg in de voorstad binnen. De lage gelagkamer was vol pratende en drinkende werklieden, die hun pijpje onder het gebruik van een kan schuimend bier genoeglijk rookten en naar de muziek luisterden van een troep muzikanten, die op eene kleine verhevenheid zalen te spelen. Hel gezelschap bestond uit allerlei slag van rnenschen, die een geheimzinnig noodlot
78
bijeengevoerd had, dikke en magere, oude en jonge, die er allen echter even lustig en ook even arm in kleeding en linnengoed uitzagen. Zij blazen en strijken en denken aan de kreutzers, die op het bord, waarmede rondgegaan wordt, zullen regenen en eten daarvoor reeds in den geest de soep van den volgenden dag. Zij musiceeren niet slecht, er spreekt meer gevoel dan handwerk uit hun spel, en Haydn, die vergenoegd zijn cotelet verorbert, is daarmede zeer in zijn schik.
«Dittcrs,quot; sprak hij fluisterend, «die daar maken menigen bok, maar het is toch muziek en zij bevalt mij zeer goed!quot;
Ditters zag zijn vriend van ter zijde aan.
«Drink en zwijg! Ik heb genoeg gepraat!quot;
Haydn werd wrevelig.
quot;Wat zijt gij onheusch, of liever grof!quot; voegde hij hem toe. »Ik heb u wel eens in een betere luim gezien.quot;
De muzikanten begonnen een nieuw stuk te spelen.
Haydn ontroerde: zijn gelaat werd afwisselend rood en bleek, zijns oogen gloeiden â Die lieden speelden een zijner menuetten. Er» dat ging zoo vlot en vloeiend, als zong êene ziel de melodie en nog daarbij met liefde en innigheid.
Donderend bravogeroep klonk door de zaal. Het menuet moest herhaald worden. Haydn ging naast de eerste viool staan en luisterde met aandacht naar zijne tonen. Hij was gelukkig als een kind, maar ook overmoedig als een jongen. Was de wijn de oorzaak of de vreugde â toen het stuk uit was klopte hij een der muzikanten hard op den schouder.
«Van wien is dat menuet?quot; vroeg hij op minachtenden toon.
ïiVan Joseph Haydn!quot; klonk het scherp bescheid.
«Het is een echte beerenmenuet!quot; sjiotte Haydn in zijne brooddronkenheid.
De oude muzikant, tot wien deze overmoedige woorden gericht waren geworden, zag Haydn een oogenblik van toorn gloeiend aan. en hief daarna dreigend de viool op, als wilde hij die op het hoofd van den driesten spotter stuk slaan.
70
«Kameraden!quot; riep hij He anderen toe, «deze melkmuil heeft Iliiydn beschimpt!quot;
quot;Zoo, dan zullen wij hem zoolang ranselen, lot hij vergiffenis-vraagt?quot; antwoordden zij.
Haydn's toestand werd bedenkelijk. Heeds had eene krachtige vuist lii'm bij den rokskraag gevat en schudde hem toornig heen en weer, toen Bitters reddend en bemiddelend tusschenbeide kwam.
staat den armen jonkman met vrede!quot; verzocht hij; »het is een melotnaan en hier boven onder zijne hersepan is hel Tiiet altijd pluis. Het is 't beste dat wij hem zachtkens buiten de deur zetten-misschien doet hem de nachtlucht goed.quot;
Zoo sprekende, stootte hij den armer. Haydn, die op dit oogen-' blik werkelijk aan zijn gezond versland twijfelde, tamelijk onzacht buiten de gelagkamer op de straat. Weinige minuten later volgde lüj hem.
«Ditters,quot; sprak Haydn, bleek van kwaadheid, «ik zeg u de vriendschap op! Hoe kondet gij mij een gek noemen?quot;
»Vergeef mij,quot; antwoordde gene, «maar gij zijl ontegenzeglijk slechts een groote domkop, die zich zeiven met zijn lichtvaardiee tong een geducht pak slaag op den hals gehaald zou hebben, had ik u met nog juist van pas buiten de deur gestooten. Hebt gij dan met gezien hoe de kommervolle aangezichten van de muzikanten verhelderden, terwijl zij uwe melodieën speelden; hoe zij den hun onbekenden Haydn met elke noot liever kregen; hebt gij niet gehoord hoe hun violen zuiverder zongen en hun streek zekerder en gevoel-voller werd â en gij komt met uwe overmoedige grofheid daar-fnsschen ? Waarlijk, zij hadden u geducht moeten afranselen, gij hadt dé slagen verdiend. Foei! die arme drommels te grieven f Haydn, dat was slecht van u!quot;
»Ditters,quot; smeekte hij, «reik mij uwe hand! Toen ik die ruwe, bcleedigende uitdrukking gebruikte, wilde ik slechts een ew/refe grie! ven, en dat was ik zelf. Ik voelde dat mijn genius goed zong, maar flat was mij niet genoeg. Zie, terwijl ik mijne schuchtere menuet hoorde spelen, wonden zich in mijne ziel, aan rankende rozen gelijk,.
80
nieuwe schooner en liefelijker gedachten om die eenvoudige tonen, â hadden op dat oogenhlik de muzikanten kunnen spelen, wat in mijne ziel klonk, dan ware ik voldaan geweest; zóó echter was ik het niet!quot;
Stilzwijgend en in gepeinzen verdiept, liepen de beide vrienden geruimen tijd naast elkander voort. Eindelijk kwamen zij aan het punt. waar hunne wegen zich scheidden.
â¢)Oni 's Hemelswil, Ditters, waar is mijne rol muziek?quot; vroeg Haydn verschrikt.
«Die zal wel in de herberg liggen!quot; antwoordde Ditters tamelijk koel.
»Kn ik had Maria heden nog zoo gaarne mijn eerste succes getoond !quot; zuchtte Haydn. »Hoe zou zij zich met mij verheugd bobben, als zij mijne gedrukte menuetten gezien had.quot;
»Ga slapen,quot; vermaande Ditters. »Dat de muzikanten u voor de beschimping van Hiydn afranselen wilden, is een veel grooter succes dan dat de uitgever uit barmhartigheid uwe noten gedrukt heeft. Thans, lieve vriend, geloof ik aan u ! Evenals de boom van onder naar hoven groeit, zoo moet ook uw talent m het hart van het volk wortel schieten, dan wast het allengskens tot ongekende hoogte op. Goeden nacht, Haydn, en vergeet den avond van heden niet! Het is de eerste sport van uwe toekomstige grootheid.quot;
Vif.
âGrij xijt een ezel!quot;
I'oeu Haydn don volgenden oclilend na een onrusligen slaap ontwaakte, yreep hij mei beide handen naar zijn Islam voorhoofd en i.i'ek doormijn dakvenstertje naar den aanbrekenden dag. Zijn voorkomen verried misnoegdheid; hij was ontevreden met /.ich zelvn lt;'ii zijne onbetamelijke moedwilligheid, ja /.ell's met den lichten wijn, dien hij gedronken had, en met zijn vriend, die hem zoo welverdiend had terechtgewezen.
Het ongelukkigste is de mensch als hij met zich zeiven ontevreden is. Kn dit was Haydn van ganse her harte. Daar viel een zonnestraal op zijn bed, schuifelde voort tot in het ontstemde gelaat des jongelings en vaagde plotseling de nevelen weg, welke zijne ;songeborene blijmoedigheid omhulden.
l-faydn sprong uil zijn bed. waschte zich als een kanarievogeltje üüMg en lloot daarbij dat het een aard had en stormde het huis uil. Voort ging hol in haastigen stap door nauwe en breede str..-ten naar de herberg in de voorstad, waar den avond te voren zijn eenige vriend hem buiten de deur gezet had. Het kostte hem inoeile 'het huis terug te vinden; toen hij hel echter na lang angstvol zoe-aen gevonden had, stormde hij naar binnen om met vliegenden adem naar zijn vergeten muziekstukken te vragen.
4
82
sEerst betalen !' snauwde de licrliergici' liem grimmig toe, quot;dan kunt gij de rol Ijokomcn. Het zijn i'atsoenlijke gasten, die vergeten hunne -vertering te voldoen!quot;
Haydn's aangezicht werd vuurrood van schaamte. Hij tastle in zijn vestzak. Daar moest de gulden nog steken, dien hij daags te voren van den muziekhandelaar teruggekregen had. Haastig scheurt h j het papiertje open â een dukaat blinkt hein tegen. Haydn trilt van het hoold tot de voeten van verrukking â zijn eerste honorarium^. En dat zou hij aan den dikken hospes geven, die tnel norsche 1 likken voor hem slaat I Moe gaarne hadde hij, de altijd honger en d â rst lijdende, dezen dukaat als eene relkjuie bewaard! Hocli de h gt;rbergier stak reeds de manende hand uit. In kleine, vuile munt ü living Haydn hot overschot van zijn goudstuk terug, daarbij echter ook de zoo bitter en smartelijk vermiste rol muziek en zonder groet verliet hij de herberg, met vlugge schreden huiswaarts kee-ivnde; want de barmhartige lieden, bij wie hij inwoonde en in de allereerste plaats de stille fijngevoelige Maria zouden de eersten zijn, die zijn geluk deelden.
Zijn geest was geheel vervuld met rooskleurige en blijde gedachten, de blijdschap bevleugelde zijn voet; daar rende hij bij h 't omslaan van den hoek eener straal tegen een klein, rond manneke aan met een scherp geteekend, geestvol, maar toornig gezicht.
aEzel!quot; schreeuwde hij Haydn toe, «kunt gij niet zien?quot;
»0 ja, zeker ! Ik zie anders zeer goed, maar ditmaal. â Vergeef mij, mijnheer! Ik wilde met mijn muziek spoedig te huis zijn, daar overkwam mij in de baast het ongeluk.. .quot;
«Mij bijn i omver te loopen!quot; voltooide de dikke den volzin »Wat voert gij mei muziek uit ? Zijt gij musicus of muzikant ? Vet staat gij hel onderscheid ? De eerste is een genie, de laatste een meer of minder geoefende aap!quot;
Haydn talmde een oogenblik met het antwoord. De trots, neen, hel z.-Ubewustzijn verhief zich in hom.
»lk ben een musicus!quot; antwoordde hij met fierheid.
/ 83
De kleine man monsterde hein minachtend met de pinkende, half gesloten oogen.
»Dus een genie!quot; spotte hij.
«Hier zijn mijne compositiën!quot; hernam Uaydn.
Hij maakte het koordje van de rol los en reikte haar den weende toe.
»Hm!quot; ging de kleine dikke voort. «Joseph Haydn'' Gij zijt derhalve Joso^h Haydn ? Dan zijt gij een bijzonder onbekend man !quot;
Hij bladerde om en overzag vluchtig de noten. Meermalen rustte zijn blik vragend op Haydn, dan las hij weer verder. Zijne trekken wisselden onophoudelijk tusschen opflikkerende vreugde en verbeten toorn; nu eens knikte hij met het hoofd, zooJat het sierlijk staartje achter op den zijden rokskraag lustig danste, dan weder stampte hij met den rechtervoet en prevelde iets binnensmonds.
«Kerel,quot; sprak hij, de muziekstukken aan Haydn teruggevende en het oog doorborend op den jongeling vestigende, «hebt gij dat knutselwerk gecomponeerd of ergens gestolen ? Er geeft zich zoo menigeen voor toonzetter uit, die slechts een dief is. Gij zijt er mogelijk ook wel een van dat slag?quot;
Haydn's aangezicht brandde als vuur.
«Ik steel niet,quot; was zijn trotsch bescheid. »Of mijn genius zegt mij wat ik zingen zal, of ik zing in het geheel niet!quot;
Het manneke knikte goedkeurend.
«Gij hebt talent,quot; sprak hij, den gouden knop van zijn stok tegen den kin drukkend; «maar toch zijt gij nog een ezel, een groote ezel!quot;
»lk ben kapelzanger onder Reutter geweest.quot;
«Hm! deze school is niet te verachten! Kent gij mij?quot;
«Neen !quot;
.olk ben Porpora !quot;
Haydn haalde verlegen de schouders op.
«Wat? Gij, birbante, kent mij, den beroemden Porpora niet? Daar hebt gij mijn adres, kom hedennamiddag te drie uien bij mij, en breng deze uwe compositiën mede! En nog iets ! Loop in
84
het vervolg langzamer den hoek van eene straat om, anders rent gij neg de halve wereld het onderste boven.quot;
Haydn ijlde met een verward hoofd naar huis.
Maria opende hem toen hij met zenuwachtige hand en hij-en, horst aan de bel storm luidde.
«Waar zijn vader en moeder?quot;
â gt;Beiden zijn uitgegaan,quot; antwoordde het meisje, «vader is naar het kousenmagazijn, moeder naar de groenmarkt. Maar, mijnheer Haydn, gij ziet er zoo vreemd uit, zijt gij ziek?quot;
quot;Neen, Maria !quot;
Haydn had die weinige woorden kortaf gesproken en ging in zijne kamer. Daar maakte hij de rol los en legde zijn bundel menuetten op den lessenaar van zijn spinet.
i)Maria!quot; riep hij, »kunt. gij een kwartier uurs naar mij luisteren?quot;
')Dat zal niet gaan I antwoordde het meisje uit het aangrenzende vertrek : »ik moet het deeg voor het middageten gereed maken. Vader verlangt vandaag gesneden knoetels en wel door mij bereid. Hij verbeeldt zich dat niemand dat zoo goed kan als ik.quot;
Ha\iln plaatste zich, nadat hij de tusschejideur opengezet had, aan zijn spinet. Licht parelden de tonen, vol klonken de accoorden, nu eens schertsend of wel weemoedig en dan weder vroom en zielroerend, als stortte een onschuldig kind al spelende zijne reine ziel in een stil, droomerig gezang uit.
«Mijnheer,quot; riep het meisje, in de handen klappende, uit, »hoe wonderschoon hebt gij daar gespeeld ? Zie eens, hoe mijn gezicht gloeit en hoe er dikke tranen in mijne oogen slaan! Och! wat ik u bidden mag, speel het nog eens ?quot;
Haydn voldeed lachend aan haar verzoek.
»En zeg mij nu eens,quot; vroeg Maria, haren voorschoot opslaande, toen Haydn geëindigd had, )gt;wat hebt gij gespeeld?quot;
»Zie maar zelf!quot;
Maria sloeg het titelblad op en staarde aanvankelijk als versteend op den naam, dan werd haar oog eensklaps vochtig. Onwillekeurig *ouwde zij de handen, als wilde zij een dankgebed opstieren.
85
»Dat is een groote en heerlijke genade Gods,quot; sprak zij fluisterende. «Mijnheer Haydn, gij moogt den goeden God in den hernel wel recht liefhebben, dat Hij u zoo veel schoons in de ziel gelegd heeft. Maar,quot; het zij er bijna met eerbied op volgen, «nu zijt gij wel een groot en beroemd man! Uwe compositiën zijn gedrukt! Mijnheer Haydn, nu zult gij wel recht lier worden en ons, arme kousen werkers, niinachlen.quot;
«Maria! dat zal ik mijn geheele leven lang niet doen; dat ware slecht van rnij, en slecht wil Haydn nooit worden! Maar als gij meent, dat deze gedrukte bundel rnij hoovaardig zou kunnen maken, omdat hij mijne melodieën bevat, dan hebt gij het mis. Uit mede-I jden heelt men mijne compositiën gedrukt en ik ben er in alle ootmoedigheid dankbaar voor.quot;
Maria's blik was ernstig en vast geworden.
o Mijn heer Haydn, wat gij daar gezegd hebt, klinkt nog schooner dan dat, wat gij zooeven op het spinet speeldet. U zal Onze Lieve lieer nooit verlaten, want gij zijl nederig waar gij trotsch zijn kondel en alleen de nederige is oprecht vroom!quot;
Eenige minuten voor drieën stond Haydir met zijne compositiën onder den arm, voor Porpora's huis. De toondichter woonde in he^ paleis van Nicolo de Martinez, ceremoniemeester van de pauselijke nunciatuur te Weenen, met wien hij nauw bevriend was.
Met bevende hand trok Haydn aan de huisbel. Een oude dienaar opende hem de deur.
X'Wal verlangt mijnheer?quot;
xiDen heer Porpora te spreken!quot;
«Hij slaapt, juist.quot;
«Hij heeft mij gelast, te drie uren bij hem te komen.quot;
sAha! dat is iels anders! Dan slaapt mijnheer de kapelmeester niet. Uw naam?quot;
«Joseph Haydn.
De bediende voerde hem in een salon; die geheel naar den karak-terloozen smaak van dien tijd ingericht was, Haydn's oog zwierf
86
schuchteren rond; alles was smakeloos en onbevallig, de meubels zoowel als de portretten, die in grillig gevormde gouden lijsten aan de hontbehangen wanden prijkten. Slechts een spinet van zeldzame grootte en schoonheid boeide zijne gansche opmerkzaamheid. Het was geopend, de blanke toetsen lachten den jongeling verlokkend aan. Herhaaldelijk kwam de verzoeking bij hem op, het geopende verleidelijke paradijs de zaligheid van zingende accoorden te ontlokken â hij waagde het niet aan de verzoeking gehoor te geven. Met saamgevouwen handen stond hij voor het instrument, zoo diep in gedachten verzonken, dat hij in het geheel niet bemerkte, hoe Porpora, sinds lang door een zijdeur binnengetreden, hem, met zijn gouden doos spelende, scherp gadesloeg.
Eindelijk ontmoetten zich beider blikken. Haydn trail ontsteld terug als had hij een slechte daad verricht en wilde iets als een groet en verontschuldiging stamelen; doch Popora wees hem met een ernstig voorkomen met den vinger naar het spinel.
Haydn gehoorzaande, zette zich en begon te spelen. Aanvankelijk was zijn genius koud, weldra echter ontplooide hij ruischend zijne vleugelen en zwom in een zee van tonen.
Porpora had, in een fauteuil geleund, de rechterhand voor h»t aangezicht houdende, opmerkzaam toegeluisterd.
«Geel mij de noten!quot; beval hij, toen Haydn geëindigd had.
))Die heb ik niet!quot;
ïVan wien is die compositie?quot;
» Van mij !quot;
«Lang ingestudeerd?quot;
«Neen!quot;
«Speel ze nog eens!quot;
«Dat kan ik niet. De tonen zijn als een vogel voortgevlogen, ik kon ze niet vasthouden; ik heb ze niet gedacht, maar gedroomd.quot;
Porpora sprong van zijn zetel op en kwam vlak naast Haydn staan. Geruimen tijd sprak hij 'geen woord, doch beschouwde met zijne balt gesloten oogen den jongeling. Hij scheen het met zich zeiven 4gt;ver iets eens te willen worden vóór hij sprak. Nu haalde hij diep
87
adem, nam een snuifje uit zijn gouden doos en legde de menuett. n van Haydn op den lessenaar.
Haydn speelde, speelde met voorliefde en begeestering; maar bijwijlen schudde hij nu eens zachter dan weder harder met bet ?ioofd; hij was met veel zelf niet tevreden; en toen nog daarbij Porpora herhaaldelijk met den voet stampte en ezel riep, gleden zijne vingers moedeloos van de claviatuur af â en midden in zijn spel afbrekende, zat hij met hangend hoofd voor het spine'.
«Wat is het?quot; snauwde Porpora hem toe.
sik kan niet verder spelen!quot; antwoordde Haydn stotterend.
quot;Waarom niet?quot;
«Mijne melodieën bevallen mij niet meer.quot;
Porpora bleef onbeweeglijk staan, maar hij glimlachte vergenoegd.
eVerscheur het papier, waarop uwe menuetten gedrukt zijn!quot;
Een oogenblik aarzelde Haydn, dan reikte hij Porpora de vaneen gescheurde stukken toe. Zonder iets te zeggen, nam deze ze aan, wierp ze uit het openstaande raam en bood Haydn de hand aan.
»lk buig voor het talent,quot; sprak nu de kapelmeester, »maar â gij hebt een slechte school. Voor het eerste heeft God gezorgd, voor -het. laatste wil ik zorgen. Haydn, gij draagt een genie in u om, gelijk er slechts alle honderd jaar een in een enkele menschenziel uit. ilea hemel nederdaalt; in de school zijt gij evenwel een ezel!quot;
Haydn was overgelukkig uit den mond van een Porpora, wiens roem hij later wel is waar honderdvoudig overstraalde, ongekunstelde erkenning van zijn grooten aanleg voor de muziek te vernemen; het woord ezel, waarmede de maestro zoo buitengewoon vrijgevig was, verstoorde zijne goede luim niet.
»Waarvan leeit gij?quot;
«Meer van honger dan van eten,quot; gaf Haydn lachende ten antwoord. En met die bekoorlijke vrijmoedigheid, welke den mensoli in de lente des levens over het algemeen eigen is en waarin hij de lasten en verdrietelijkheden des levens zoo licht telt, verhaalde hem de jongeling de harde school zijner jeugd, zijn hopen en s reven, zijn hongeren en derven, zijne begoochelingen en teleurstellingen.
88
Poi-pora stond mtusschen afgewend voor het raam en keek schijnbaar onverschillig in de straat. Toch zou een scherp oog in zijne trekken den diepen indruk hebben kunnen lezen, dien het eenvoudige verhaal van den jonkman op hem maakte.
»En wat nu?quot; vroeg hij ter loops, zich naai' Haydn oinkeerende. »Ik weet geen uitweg uit, m.jne verlatenheid, dan geheel op.u to bouwen en te vertrouwen.quot;
«Bedoelt gij daarmede geld?quot;
»NTeen!quot;
«(Vat dan?quot;
sOnderricht, school in de muziek, opdat ik geen ezel blijve!quot; »En dit onderricht zou i/c u geven ?quot;
»Hebt gij dan niet zelf gezegd: voor het talent heelt God gezorgd, voor de school wil ik zoraen?quot;
quot;Kunt gij dagelijks om dit uur bij mij komen? Ja? Goed! Gij zuil mij menigmaal niet zien, want ik pleeg som* een middagslaapjè tr doen, maar gij kunt ondertusschen hier op het spinet de school van Sebastiaan Bach bestudeeren, en dit zweer ik u: de eerste va'-sche noot, die gij speelt, wekt mij uit den diepsten slaap. En dar ben ik als een brieschende leeuw, als een bliksemend onweer, dan ben ik geheel Porpora!quot;
Ilaydn glimlachte. Zich buigende, kuste hij des maestro's hand en sprak;
»1.1 uwe nabijheid zal Haydn geen valsche noot spelen. Des meesters geest zal over den gelukkigen leerling waken.quot;
Toen hij op de zonnige straal stond, kwam hij zich voor als iemand, die na een lange stormaclitige zeereis het wiegelend schip verlaat en den vasten wal betreedt. Heden voor de eerste maal in zijn leven voelde hij vasten bodem onder zijne voelen. Wat bekommerde hij er zich om, dat zijne behoeftige omstan ligheden niet verbeterd waren; werd niet aan den. genius, die steeds machtiger vleugels in hem uitsloeg, de vrije vlucht naar den hemel der melodieën geopend?
hlken namiddag verscheen hij stipt op het vastgestelde uur bij,
89
I'orpora, die hein soms een vol uur allergTontligsl maar ook koon-si lt ongeduldig onderricht gaf; dan weder hel bij eenige woorden lie! berusten, doch zich meestentijds er toe bepaalde in een leuning-stof'1 naast, het spinet te sluimeren.
Op die wijze verliep de zomer, en de herfst had reeds geducht aan bloemen, gewassen en booinen zijne langzame, doch zeker vernielende werking doen gevoelen.
Het was Allerzielendag'.
Porpora had heden aan Haydn's spel bijzondere opmerkzaamheid geschonken. Zijn voorkomen was opvallend zacht en bedaard, bijna weemoedig; geen ezel kwam over zijne lippen, neen, zijn woorden waren vriendelijken hartelijk, bijna als die van een vader tot zijn zoon.
üaydn had zich een uur lang geoefend, zoo vast en voortrellelijb als een volleerd meester; maar nu begon zijn spel matheid en lusteloosheid te verraden. Hij ademde verlicht toen Porpora het muziekboek dichtsloeg, de hand zacht op zijn schouder legde en met blijkbare aandoening zeide: «Komaan, Joseph, geef nu aan uw genius de vrije vlucht. Alleen het onderwerp wil ik u opgeven. Het is Allerzielendag. Zing eerst de verzuchtende pijn en dan den jubel van een verloste ziel!quot;
Haydn verzamelde zijne gedachten. Met weemoedig klagende tonen begon hij zijn spel. Eene diepe smart sprak uit de ernstige melodie: het klonk als zacht gejammer, als deemoedig klagen en weenen. De inol-accoorden zwegen. In zware choraaltonen zong de ziel haar gehed; liet werd dooi' ootmoedige, maar rotsvaste hoop ingegeven en zwol met elkequot; maat aan, om eerst in weifelend en eindelijk in verrukt gejubel over te gaan. Alleluja! De verloste vrije ziel stijgt ten hemel op, en wat zij daar voor den troon Gods zingt, is Kngelenlied, is homelsche lolzang.
Zacht stierven de laatste klanken weg, als trokken zij door.de hemelgewelven voort. Haydn zat roerloos voor het spinet, de oogen met tranen gevuld, als in een visioen verzonken.
Porpora trad op hem toe.
«Joseph,quot; sprak hij geroerd, «wat denkt gij, dat ik deed terwijl
90
gij speeldet. [k heb gelieden! met zooveel innigheid als ooit in mijn geheele leven! Dat is het kenmerk van het ware genie, dat het niet tot den mensch en zijne armzaligheid afdaalt, maar dat het hem van de aardenaarden hemel en het eeuwige opvoert. Ik ben gewoon 'jaarlijks op Allerzielendag een goed werk te verrichten; ieder mensch wordt toch eenmaal eene arme ziel, die langs den ladder dor bartn-hartigheid naar den hemel opstijgt. Joseph, gij zijt een arm, doch braaf jonkman. De nijpende zorg staat met u op en gaat met u -slapen dat gij niets betalen kunt. Ik heb aan den tuinkant een groote kamer, die niet gebruikt wordt; pak uw goed bijeen en kom onder mijn dak wonen en wel liever nog vandaag dan morgen. Vuor een half jaar zou ik u aan niemand als meester aanbevolen (.ebben, thans doe ik het met vreugde en trots. Haydn, ik bewijs u daarmede geen weldaad; want wie anderen onderrichten moet, eet 'en zuur verdiend stuk brood. Maar de overweging daardoor voor gebrek gevrijwaard te zijn, zal u veel doen verdragen. Tk kan u niet rijk maken, maar de scherpste doornen uwer armoede wil ik breken.quot;
Nadat llaydn eene lange wandeling gemaakt had, om eenigszins van zijne opgewondenheid te bekomen, keerde hij huiswaarts. Hij vond de familie van den kousenwerker aan hel karig avondmaal. Hen ziende werd zijn hart week en schitterde er in zijn oog een traan bij de gedachte dat hij die goede lieden moest gaan verlaten. Hij bedwong echter zijne aandoening zoo goed mogelijk, en op een stoel bij de tafel plaats nemende, begon hij te verhalen. Aanvankelijk luisterden allen gespannen naar zijne woorden; het deed den braven lieden toch zoo recht goed Haydns lof en waardeering uil Porpora's mond te vernemen; toen Haydn er echter van begon dat hij naar Porpoia ging overhuizen en zijn tot dusverre betrokken dakkamertje verlaten, was het alsof er een bliksemstraal onder zijne toehoorders was neergeschoten. Ue oude man nam de pijp uit den mond en zag toornig voor zich uit; zijne vrouw liet de breikous in den schoot vallen, keek een wijl voor zich en gaf daarna haar â overk'.opt gemoed in een vloed van klachten en verwijten lucht; -Maria echter werd zoo wit als een doode, sidderde en wankelde,
91
dan snelde zij uit de kamer om de over hare wangen stroornende tranen te verbergen.
Allen zwegen. Niemand vond meer een woord ofschoon aller hart tot berstens toe vol was.
De oude kousenwerker legde zijne uitgegane pijp verdrietig ter zijde, stond op en vermaande toonloos: «Laat ons naar bed gaan!quot; Zwijgend scheidden zij van elkander en Haydn ging naar bed zonder op zijn spinet zijn avondgebed gezongen te hebben.
iïij kon niet zingen; hij weende â en twee andere oogen weenden nog bitterder dan de zijne.
Lang vóór het treurige licht van den Novembermorgen aan de oosterkim gloorde, zat Haydn, het aangezicht met. beide handen bedekkende, op zijn bed. Hij dacht er niet aan dat er zich nu voor hein een minder zorgvolle toekomst opende, en evenmin aan de schoone verwachtingen, die zich aan zijn samenleven met Porpora vastknoopten. (lij dacht slechts aan het scheiden en met elke minuut drong deze pijnlijke angel dieper in zijn week gemoed.
Niets groeit zoo sterk in elkander dan menschen, die liefde en armoede verbinden. Hier ontbreekt alle zelfzucht, hier schieten de wortelen dei- vriendschap het diepste en bloeien hare bloemen het schoonste.
In het aangrenzende vertrek werd het levendig. Haydn hoorde den ouden man knorren, de vrouw kijven en Maria zacht rnet beiden spreken. Daartusschen rammelden de koffiekoppen, rinkelden de messen en werden de plompe stoelen gereed gezet.
Ken krachtige vinger klopte aan de deur.
«Mijnheer Haydn, kom ontbijten, als het u belieft! Het is toch voor de laatste maal!quot;
De laatste woorden werden met een mengeling van droefheid en bitterheid gesproken.
Haydn trad in de woonkamer, allen met een stom handgebaar groetende. Zijne trekken drukten diepen weemoed uit, en de treurige gezichten der familie droegen er niet toe bij om hem vroolijker te stemmen.
02
Voor Haydn's plaats was op de lalel een schoon servet gespreid-en rondom het schoteltje* van zijn koffiekop lagen rozemarijntakjes en een versch ontloken maandroosje. Nog voor een kwartieruurs prijkte het aan Maria's rozenstruik voor het dakvenster.
Haydn was geheel ontstemd. Men sprak over onverschillige onderwerpen. Ieder schrikte er voor terug om het eerste van het afscheid te gewagen, üe wanne kol'lie smaakte allen hitter en tegen de gewoonte in dronk niemand een tweeden kop.
Haydn was de eerste, die opstond. Hij poogde opgeruimd te schijnen.
«Komaan!quot; sprak hij, den ouden lieden de handen reikende, «laat ons scheiden; ik ga toch de wereld niet uit maar slechts in eene andere straat en onder een ander dak wonen. Mijn geheele bezitting neem ik in een klein bundeltje mede'; achterlaten kan ik niets dan mijne liefde, die oprecht en vurig is; mijnen dank die u eeuwig verzekerd is, en mijne schulden, die ik gewis duhhel en viervoudig betalen wil, zoodra God aanvangt den armen Joseph Haydn een weinig met aardsche goederen te zegenen. Het is een arm, doodarm mensch, dat lieden uit dit huis trekt, maar geen ondankbare!quot;
»Aan uwe liefde gelooven wij even vast als aan uwe dankbaarheid,quot; antwoordde de kousenwerker met onvaste stem. «Schulden, mijnheer Haydn, laat gij evenwel niet achter. Alles is betaald. Het was op zekeren Zondagmorgen na de hoogmis, dat mijne Maria met opgeheven handen voor mij trad en zeide; »»Vader, zeg niet neen op hetgeen ik u zal vragen ! sla mij toe, dat ik dagelijks een paar uren langer met de naald werk; met heigeen ik hierdoor verdien wil ik onzen goeden, vromen Haydn bijstaan. Ik ben er van overtuigd, eenmaal zal hij een groot man worden, en de geheele wereld zal hem toejuichen; dan â dan zal hij mijner in liefde gedenken ofschoon ik wellicht ook reeds lang gestorven moge zijn.quot;quot; Ik weigerde aanvankelijk het verzoek van mijn kind in le willigen, maar ten laatste moest ik toch toegeven. Het is veel, wat mijn. kind gedaan heeft, daar het de armoede was, die het offer bracht; maar sinds dien tijd zie ik ook niet innige vreugdeen billijken trots-
op mijne Maria neder cn ik weet, dat Gods zegen nu gewis op haar rust.quot;
In Haydn's oogen parelden groote tranen.
«Maria, gij zijt een engel! Nu weet ik waarom ik dagelijks bidden zal. Het is om zegen voor u en voor mij; voor u, opdat God uw levensweg met bloemen zonder doornen bestrooie; voor mij, opdat. ik zulke liefde eenmaal rijkelijk vergelden kunne.quot;
lUank, hartelijken dank voor die woorden!quot; antwoordde het meisje kalm. «Mijne bloemen bloeien en groeien en God schenkt mij i-en stil vreedzaam leven. Mijn weg voert mij in het klooster, waarnaar ik reeds van kindsbeen al verlang. Uw weg voert niet minder tot God dan de mijne; moge hij even vreedzaam zijn !quot;
Haydn nam het roosje, dat naast zijn kop lag en reikte hel aan het meisje.
«Er leven menschen,quot; sprak hij, «die even rein en schoon zijn als bloemen. Zij zijn dan bloemen niet voor deze aarde, maar voor Gods schoonen hemel. Rn zulk eeno hemelsche bloem zijtgij!quot;
VIII
Haydn als bediende.
Met het betrekken der kamer in Porpora's woning begon voor Haydn een nieuw leven, dat niet meer kommervol met de zorgen -van eiken dag te rekenen had, al was het ook in vergelijking met taliooze andere menschen nog altijd een bekrompen en bescheiden. Porpora zorgde voor zijn beschermeling en leerling op eene wijze, die dezen voor het nijpende gebrek vrijwaarde, zonder hem echtei verder eenige ondersteuning te geven.
Haydn gevoelde zich gelukkig gelijk eene alleenstaande denne-boom op eene uitgestrekte heide. Deze laat peinzende de takken hangen en droomt zich uit de doodsche eenzaamheid in een met bloemengeuren vervuld paradijs. Eenzaam en verlaten voelde hij zich in zijn nieuwe positie; hoewel goed behandeld vond hij toch overal slechts koele woorden, koele vormen, berekening, zelfzucht en zelfs in de weldaad, die men hem bewees, geene liefde ! Hoe menigmaal verlangde hij vurig terug naar zijn dakkamertje, waar hij ondanks alle gebrek innerlijk zoo gelukkig was!, Daar trad hem toen zulke oprechte, warme liefde tegen, die niet alleen het biood, maar ook het hart met hem deelde !
Met een ijver, die geen verflauwing kende, legde Haydn zich op zijne studiën toe. Hij voelde liet met stijgende verrukking, en de
anders met lof zoo karige Porpora zeide liet lieni zelf, dal hij schil terende vorderingen maakte; maar wanneer zijn genius de vleugelen tot het ondernemen van een proefvlucht wilde uitbreiden, en Haydn meende, dat het nu tijd was de melodieën op het papier vast te zetten, dan kwam Porpora steeds koud en hard daartusschen en verklaarde; »Nog is het geen tijd om te componeeren, maar om te leeren.quot;
Het was een groote vreugde voor Haydn als hij bij do kousenweversfamilie een avondje gemoedelijk kon gaan zitten keuvelen, of als hij met zijn vriend Ditters vierhandig speelde of met dezen gearmd in do schenjering door de straten wandelde. Door Ditters lustige invallen ontwaakte dan dikwijls de moedwil, die in Haydn'» borst sluimerde en niet zelden gebeurde liet dat Haydn bijna met de nachtwakers in conllict gekomen ware, wanneer hij met zijn vriend des avonds laat in een donkere straat eene serenade bracht, die roerend en in zoete tonen begon en met eene helsche kattenmuziek eindigde. Gewoonlijk hadden zich bij zulke jongensgrappen nog eenige vrienden van Dilters aangesloten, die niet in gebreke bleven om eerst om de liefelijke muziek en eindelijk het geweldige burengerucht te ondersteunen.
Was Haydn des avonds alleen op zijne kamer dan studeerde of fantaseerde hij. Daartoe wenschte hij zich slechts die diepe geheimzinnige stilte, welke des nachts in het woud heerscht, wanneer boom en struik rusten, en de bloem in hel mos eu de vogel op den tak sluimeren en slechts de gonzende kever als eene lichtende gedachte door het duister schiet. Maar zooJra Haydn op zijn spinet begon te spelen, werd het boven hem levendig. Berst dreunden zware schreden, juist naar de maat zijner muziek stappende; daarna hoorde hij eene stem, die op statigen toon reciteerde, daarop plotseling zweeg om dan met nieuwe kracht weer te beginnen. Niet zelden gebeurde het dat er boven hem zulk pen leven was, alsot alle stoelen driftig door elkander gesmeten werden of als sprong iemand met beide voeten te gelijk op den grond om door hel plafond heen op Haydn neer te komen
OG
Mismoedig en door het heidensclie leven overwonnen, sloot Haydtk 'Ion laatste zijn spinet om zich bij de kachel te zetten en daar nog eene poos te zitten droomen. Pas had hij echter opgehouden met musiceeren of ook boven zijn hool'd was alles doodstil. Verheugd bleel' Haydn nog eene poos zitten, stond dan op en zette zich weder aan zijn instrument, maar nauwelijks had hij eenige maten gespeeld, of hel helsche leven brak opnieuw boven zijn hoofd los.
/00 ging het. eenige weken voort. Haydn zweeg, maar hel knaagde als kommer aan zijn hart, dat hem zijne genoegelijk-ste uren, wanneer hij vrij fantaseorcn kon, zoo onbarmhartig vei-oalil werden.
Op zekeren avond zat hij wader uan zijn spinet en wat zijne ziel zong, klonk onbeschrijfelijk lief en blijde, zoodat Haydn zeil daarbij vergat, dat hij het was, die deze melodieën dichtte. b.n met de tonen nam zijn geluk toe, en met het geluk zijne vervoering â daar brulde de man boven hem de akeligste wangeluiden uit - en Haydn sprong toornig op, zette een stoel op de talel, klonterde «r haastig op en trommelde met zooveel geweld met de vuisten tegen het gepleisterde plafond, dat de stukken kalk op hem neerregenden,.
De voormiddag kroop langzaam voort. Haydn studferde voor zijn raam zittende, doch had geen lust voor de studie, daar hij nog steeds met wrevel vervuld was over het gebeurde van dien nacht.
Er was reeds tweemaal aan de deur geklopt, zonder dal Haydn er eigenlijk acht op gegeven had, maar toen voor de derde maal met de vuist toornig op de deur gebonst werd, sprong de jonkman verschrikt op.
iBninen !quot; riep hij verdrietig.
Eene lange, magere gestalte trad binnen. Pruik en staart waren onberispelijk, de zijden frak en het lange schootvest met kleurige arabesken beslikt, terwijl de beenen in korte bruinzijden bozen en verblindend witte kousen staken. De gansche gestalte kroonde een
07
geniaal lioofd met sterk sprekende trekken, vuurschietende oogen en fijne mondhoeken.
oMetaslasio, hofdichter van Zijne Keizerlijke Majesteit,'' sprak de liiunentredende met een lichte Imiging.
Dos te dieper was de buiging, die Uaydn, in zijne verwarring een stoel toeschuivende, maakte.
De vreemdeling nam plaats.
»(!ij zijt vroeg hij.
».lolt;epli llaydn, een musicus!quot;
»Kn zeer opvliegen-l! quot;
He jongeling ontroerde.
»la, zeer opvliegend,quot; ging d'' andere voort en koek naar h.^t j lalond, waar de sporen der vuistslagen van den vorigen avond duidelijk zichtbaar waren. «Daar hoven,quot; sprak liij. met den vinder ' naai' de plek wijzende, «schijnen teekeneu van uw toorn te zijn.quot;
»Gij hebt volkomen gelijk!'quot; borst llaydn uit. «Maar ook een zachtmoediger mensch dan ik zou toornig worden, yls het hem gin,_' gelijk mij.quot;
»/00! Hij sloeg de beenen over elkander en vro.'g verdtM1: »Kn hoe ging het u dan? '
llaydn leunde tegen zijn spinet. «Den gansehen dag zwoeg ik voor mijn dagelijksch brood, deels met onderricht te geven, deels niet in kerken op het orgel te spelen en te studeeren. Eerst wanneer de stille, plechtige avond, ot' de ernstig zwijgende nacht op de aarde is nedergedaald, maak ik zacht kens de vleugelen van mijn genius los. Dan laat ik hem vrij opstijgen en zijne liederen zingen, die als lenteboden boven bloemrijke weiden jubelen â mijn eigene ziel maakt
zich dan van de aarde met haar slof en hare zorgen los; dan.....quot;
»lk bid u, ga voort!quot;
llaydn trilde van verontwaardiging »l)an stampvoet en brult en raast iemand boven mijn hoofd, als wilde hij alles vermorzelen en dooden wat in mijne ziel leeft. Het is wreed eencii arme, die niets bezit dan den rijkdom van tonen in zijne borst, ook dezen nog te willen betwistenquot;
7
CS'
' Melasl isio stond op.
«Gij hebt de waarheid gesproken, jongmenscK, en uwe woorden fooneh mij de grootte van mijn onrecht. Ik woon naast u; gij. schuwe vogel, schijnt u aan niemand te laten gelogen liggen; dus wisl gij, naar het schijnt, ook niets van mijn bestaan af. Ter zake dus! I[(ït is zonderling, maar ik vind in mijne gehéele woning geen enkel hoekje, waar ik mij prettig voel en waar ik naar mijnen genius luisteren kan. Alles hindert mij: het gedruisch van de straat, de meubels in de kamer, de kleuren van het behangsel, de vliegen tegen de ruiten der vensters. Tk ben hofpoëet en moet dikwijls on hoog bevel terstond naar het onderwerp dal men mij opgeeft, dichten, opdat men zich een paar uren met mijne verzen zou kunnen vermaken om ze eenige uren later voor altijd te ver gelen. Daar heb ik eén stil vertrekje â het ligt juist boven uw kamer â tot mijn dichterlijken arbeid uitverkoren. â De vensters zijn achter zware gordijnen verborgen, de wanden naakt, een stoel en een tafel de eenige meubelen. Daar sluit ik mij des avonds op, steek een paar waslichten aan en bestijg den Pegasus. Verbeeld ik mij nu een gouden draad gevonden te hebben, dan komt gij mij mot uw spinet pijnigen. Ik wil het u ronduit bekennen, reeds duizendmaal, zou ik u hebben willen verscheuren als gij op uw instrument zat te hameren en mijne verzen en gedachten verbraakt, al? waren het looden soldaatjes. In zulke oogenblikken beving mij dan zulk een woede, dat ik stoel en tafel omverwierp en raasde en tierde alleen om u en uwe melodieën niet te hooren. Doch laat ons vrede sluiten 1'leder' mensch heeft er recht op, dat, met hoeveel moeite hij ook in zijn'levensonderhoud moet voorzien, het leven zijns gees-
tes niet daarenboven vergald worde. Wij zullen elkander niet meer storen. Ik wil het beproeven ondanks uwe muziek te dichten en niet meer stampen of razen; één ding moet gij mij beloven: speel des avonds geen studiën of toonladders meer. Ware ik een Dante en moest ik de folteringen der hel schetsen, dan zou ik deze geheel met spinetten vullen en onafgebroken scala's laten aframrqelen â dan wist ik zeer zeker, dat de verdoemden gefolterd werden!quot;
99
Motastasio wischte zich het zweet van het voorhoofd, terwijl Haydn hem glimlachend aanzag.
»Dante en de folteringen der hel zou ik u gaarne besparen. Er sluimeren in de snaren, waarover gij u zoo bitter beklaagt, ook liederen, die een dichter gewis niet ongevallig zijn.''
Hij deze woorden had hij zich aan het geopende spinet gezet en begon te spelen. Het was als straalde uit zijne tonen een stille lentemorgen rnet helderen zonneschijn en als wekten die stralen met hun warmen vinger het eene vogeltje na het andere uit het groene l.iover op. Leeuwerik en bloedvink, mees en sijsje wedijverden jube-lend, trillend en fluitend rnet elkander en steeds luider en lustiger werd hun zang en het woud zelf zong mede, maar ernstig en plechtig als in een psalmtoon. Ten laatste was het als steeg er een koraal op uit den mond van vrome monniken en als ging de zou onder over een vergeten, eenzaam graf.
Metastasio had met stijgende verrukking naar de melodieën geluisterd; zijn oog was vochtig geworden en zijne trekken verrieden eene diepe ontroering.
«Dat is toch ook poëzie, en wel schooner, reiner dan die zich in woorden kleedt. Haydn, bewaren wij toch heilig, wal God ons boven duizenden anderen geschonken, waardoor Hij ons boven de menigte verheven en zoo onbeschrijfelijk gelukkig gemaakt heeft!quot; â v In Metastasio had Haydn een nieuwen, weiwillenden vriend gevonden. Terwijl Porpora zeer weinig kieschheid bezat en onder den invloed van snel afwisselende luimen Haydn menigmaal niets minder dan zacht behandelde, was Metastasio steeds uiterst voorkomend en vol ontzag jegens den jonkman, van wiens toekomstige grootheid hij zich ten volle overtuigd hield. Haydn's karakter, hetwelk eene zeldzame mengeling van lustige zorgeloosheid en grobte weekhartigheid was, en welks bekoorlijkheid nog verhoogd 'werd door die natuurlijke bescheidenheid, waarmede een edel mensch zijne armoede draagt zonder er zich over te schamen, en den rijkdom zijns geestes aankweekt en vermeerdert zonder er zich op te laten voorstaan, trok den dichter steeds levendiger aan en hij zocht ge-
100
legenheid om niet alleen van zijn gezelschap te genieten, maar hein ook in bedekte wijze van dienst te zijn.
De gelegenheid hiertoe bood zich aan.
Metastasio stelde zeer veel belang' in de dochters van zijn huisheer, den ceremoniemeester der pauselijke nunciatuur, Mcolo de Martinez. Keide meisjes, Marianna en Antonia, bezaten eene voor hare sekse buitengewone begaatdheid voor de dichtkunst, en inzondeiheid iVIiiti-anna muntte zoodanig uit door haai' veritult en de veelzijdige ontwikkeling van haar verstand en geest, dat zelfs mannen der wetenschap met bewondering tot haar opzagen. Hare gedichten misten die opgesmukte woordenpraal, welke destijds in den smaak was, maar boeiden juist daarom door hunne eenvoudigheid, dewijl de diepte harer ged ichten hierdoor des te helderder te voorschijn trad. Daarbij bezat zij een wonderbaar schoone, buigzame stern; zij werd dan ook later eene beroemde zangeres.
Deze zijne rijkbegaafde lieveling bracht Metastasio met zijn vriend llaydn in nadsre betrekking, doordien hij, hoezeer de jongeling er zich ook tegen verzette, de muzikale opleiding van het meisje aan Haydn toevertrouwde. Die Uid, welke behalve de verbetering in zijn geldelijke omstandigheden, zooveel aantrekkelijks voor Haydn had, bleef niet zonder hoogst heilzamen invloed op zijne ontwikkeling, want de onvermoeide vlijt en het talent der leerlinge dreet hem, den meester, rusteloos voorwaarts, en was hem reeds menigmaal van bevoegde lippen de waardeering van zijn eigen talent ten deel geworden, geen lofspraak deed lot dusverre zoo goed aan zijn hart dan die, welke hem zoo dikwijls en warm door zijne rnel hem dwepende leerlinge werd toegezwaaid. Immer toch weegt de lof uit den mond eener vrouw het zwaarste en wordt hij het liefste aangenomen.
Haydn voelde zich zeer gelukkig. Hij zag hoe zijn genius met den dag een hooger vlucht nam en weldra geheel op eigen wieken zou kunnen drijven; vriendschap omgaf hem, edele geesten sloten zich bij hem aan, de armoede verloor hel bittere en wat er nog van overbleef verdroeg hij gemakkelijk en gaarne. Ditters hiel menig-
101
maal waarschuwend den vinger O]1, en meende dat het goed was, dat Haydn's rok nog altijd afgesleten en zijn linnengoed grof en ruw was, anders overmeesterde hein de hoogmoed en geraakte do arme jongen op een dwaalspoor en ging hij zij tl verderf te gemoet. Bij zulUe bemerkingen schudde Haydn zacht het hoofd. Hij zou nooit hoovaardig worden, betuigde hij, al mocht deze bewering misschien juist hoovaardig klinken. Haydn heelt de waarheid gesproken; hij is zijn geheele leven lang nederig gebleven.
/oo vergingen voor den jongen kunstenaar dag aan dag, herfst winter en lente.
Het was zomer geworden en heet schoot de zon hare stralen over de straten der stad en de rijpende korenvelden. Daar trad op zekeren dag Porpora op ongewonen tijd in Haydn's kamer. Er lag in zijn geheele wezen nog iets onrustigers dan anders en zijn voorhoofd was licht bewolkt. Aanvankelijk praatte hij over onverschillige zaken, bladerde in Haydn's compositiën, welke deze nu in volle vrijheid mocht vervaardigen, prees, berispte zachter dan het anders zijne manier was, ja zelfs zonder «ezel,quot; om dan weder des te vuriger Haydn's lofquot; te bezingen. Plotseling echter verstomde hij en trad naar het raam. Vast klemde hij de lippen opeen en keek naar buiten.
»Haydn,quot; verbrak hij eindelijk het zwijgen, «weet gij reeds, dat Mestastasio de volgende week op reis gaat en gij bij Marianna voor eenigen tijd overbodig wordt.quot;
»Neen!quot;
«Ook goed. Zoo heb ik het u gezegd. Wat zijt gij voornemens te doen?quot;
Haydn haalde de schouders op.
»Ik weet het niet ! Mogelijk maak ik mij dezen tijd ten nutte om iets te com poneeren !quot;
«Daarvan kunt gij niet leven!quot; klonk het scherp en snijdend.
«Dat is wel waar,quot; hernam Haydn weemoedig, sik kan ook met het schoonste- lied mijn honger niet stillen, en met Metastasio's alreize verlies ik mijn middaïtnfel, die mij voor vier en twintig uren verzadigde.quot;
102
»Ik zelf,quot; ging Porpora droog voort, «ga met den Venetiaanschen gezant Gorror naar de badplaats Mannersdorf. Das blijft gij volslagen hulpeloos achter.quot;
Haydn antwoordde niet. Na een langen, gelukkigen tijd doemde weder de vroegere nood als een grijnzend spooksel voor hem op.
Porpora lachte vergenoegd, toen hij in de trekken zijns bescher-melings de stijgende bezorgdheid las.
oGorror is niet ongenegen u mede naar Mannersdorf t-e nemen, omdat hij hartstochtelijk van muziek houdt en u goed lijden magj maar gij moet er toe besluiten....quot;
«Waartoe ?quot;
«Als bediende met ons mede te gaan en ons als zoodanig in Mannersdorf te dienen.quot;
Haydn ontroerde zichtbaar bij dit vernederend voorstel.
»Crij ontvangt vijf dukaten loon!quot;
Het aangezicht van den jongeling bleef betrokken.
«Gorror neemt een voortrellelijk instrument mede, waarover gij in uwe vrije uren naar goedvinden beschikken kunt.quot;
I)eje woorden waren blijkbaar eene verlichting voor Haydn's beklemd hart. Zijn aangezicht verhelderde, de weemoedige uitdrukking verdween.
'.'Aarzel niet om h^t aanbod aan te nemen!quot; drong Porpora bij hem aan. »Uij ziet iels van de wereld, kunt musiceeren, uw bekomst eten en vuli daarbij uwe beurs â ik weet waarlijk niet wat u in de gegeven omstandigheden verlokkende)' kan aangeboden wurden.quot;
Haydn gal eindelijk aan Porpora's aandrang toe om hem en den gezant als bediende te vergezellen.
Eenige dagen later hield een plompe reiswagen, waarin Gotror reeds gezeten was, voor Porpora's woning stil. Haydn was zijn heer en meester bij het instijgen van deze ware arke Noachs behulpzaam, sloeg de trede op, sloot het portier en heesch zich op den bok naast den ouden, grommigen koetsier. In den beginne, sloeg hij de oogen neder. Bij den hoek van elke straat vreesde hij zijn vriend Ditlers
103
u! zullen ontmoeten en dan kon het natuurlijk ni^t uitblijven,, of loze zou hem met een uitbundig gelach begroeten. Doch het gevaar ging gelukkig voorbij, de poorten waren gepasseerd en na verloop
van een half uur had men ook de voorsteden achter, den rug; lus-
....... 1
lig ging het nu lusschen groene weide^i en onder het lommer van iruitboomen het stille woud in, en voorwaarts naar de plaats, der bestemming. , ,
llaydn had zich spoediger dan hij gedacht had, met zijne nieuwe betrekking verzoend: wel is waar werd er dan ook gedurende,de reis, die eenige dagen duurde, weinig van hem geëischt. t ,f
In Mannersdorf, een kleine badplaats nabij Brück aan de Leitba, was Haydn's leven op verre na zop genoeglijk niet als toen, hij op den bok zittende, over dp heirbaan reed. Schoenen poetsen, kleuren borstelen, pruiken in orde brengen, koffie zetten, naar de post loo-pen, bij het uit- en aankleeden behulpzaam zijn, bij het bad die-.ien, op de wandelingen bescheiden achter de achtbare heeren lappen â n hunne snuisterijen dragen, aan tafel de. spijzen opbrengen, oni twaalf uur 's nachts nog een glas limonade mengen, te vijf uren 's raor: yens zijn eigen eenvoudig toilet maken; ziedaar Haydn's dage-lijksche bezigheden. Een ander niet het diepe gemoedsleven van llaydn ware moedeloos geworden, hadde alles in den steek gelaten en ware weggeloopen, te meer omdat de beide- gestrengen zeer dikwijls tegen hun niet zelden zeer onhandigen bediende uiterst grof waren. Bij Porppra kwam het woord ezel weder in vollen bloei, Con or echter vergenoegde er zich medé Haydn bij elke fout een, «Duitschen lomperdquot; te noemen. ,
En toch waren beide mannen Joseph Haydn, hun bediende, zeer genegen; alleen waren zij van gevoelen dat het gezag tegenover oen. ondergeschikte minstens op eenige grofheid moest berusten.
Porpora had niet overdreven toen hij Haydn, verzekerde, dat t'.orror een voortreffelijk spinet naar Mannersdorf medenam. Wel hoorde hij er Porpora des avonds, dikwijls op spelen, fdoch voor .hem -bleef het gesloten.
.Dat. zou nu door een toeval geheel anders worden.
In Manncrsdoif stond een slot, dat geheel vervallen was en er even verwaarloosd uitzag als het vol onkruid begroeide park, dat het omgaf. Daar woonde een zonderlinge oude heer. Hij had --hcgt;t was in zijne jonge jaren â oen beetje muziek geleerd, en het geleerde zonder ook een streep vorder Ie kornen, trouw onthouden, en daar hij zijne stukjes zoo vlot als een speeldoos kon aframmelen, hield hij zich voor een uitstekend musicus. De baron â wij zullen zijn naam verzwijgen â was zoo ijdel als ooit eenig toonkunstenaar heeft kunnen zijn ea speelde derhalve de Mecenas over al do in Mannersdorf verblijvende of doortrekkende kunstenaars.
Zoodra de baron, die op reis geweest was, bij zijn terugkeer de aankomst van don kapelmeester Porpora in Mannersdorf vernam, geraakte hij in geen geringe gemoedsbeweging. Tot dusverre had slechts muzikaal gespuis zijne kunstvaardigheid bewonderd, nu eindelijk was hem de gelegenheid aangeboden voor oen meester te schitteren. \a een slapeloozen nacht waarin hij al zijne verouderde stukjes nog herhaaldelijk afspeelde, bracht hij den volgenden morgen aan Porpora een bezoek en noodigde hom uit op eon muzikale soil oe op het slot. Porpora, die zijnen man kondo, nam de uitnoo-diging beleefd aan, doch onder voorwaarde zijn vriend Corror en zijn bediende Ilaydn fo mogen medebrongon. Do baron zag oivi.m-gonaam verrast op. Zoozeer liet bezoek van don Venetiaanschon gezant hem vleide, zoozeer ergerde hem do bediende. Met een zuurzoet gelaat gal liij zijne toestemming en ijlde naar liuis om alles \^or de ontvangst der gasten in gereedheid te brengen; een souper, nieuwe waskaarsen op de wandlnsters van het salon, zijne schoonste pruik â en zijne oude liermelodieën.
Het was schemeravond toen de gasten bij den baron binnentraden : Corror trotsch als iemand, die met zijne hooge tegenwoordig ⢠heid een onschatbare eer bewijst, Porpora stijf, en eindelijk Ifaydii eenvoudig bescheiden. Men zotte zich aan het. souper, waaraan echter tfaydn geen deelnam, dozen zette men in do bediondenknmer wat eten voor. De twee gasten van den baron aten zeer plechtstatig maar dronken vlijtig. De wijnen van den baron waren zoo voortrellelijk.
uai zij met de beste in Hongarije glansrijk Je vergelijkiag konden doorslaan.
Eindelijk stonden de heeren vsn latei op en de baron keek niet evenveel verlangen naar zijn spinet als de kat naar oen vogeltje in cone kooi.
«Baron, wees zoo goed ons uw talent te doen hooien,quot; verzocht Porpora; «doch veroorloof eerst dat mijn bediende Uaydn binnentrede en eveneens toeluistere! Den armen drommel doel de muziek evonzoo goed als een vochtigen akker de zon.quot;
De baron knikte. »Zecr gaarne. Doch het betaamt niet, dat ik de eerste ben wanneer zulk een meester.....quot;
«Nu, gelijk gij wilt!quot; viel Porpora hem lachend in de rede, zette zich aan het instrument en begon te spelen, doch op eene manier, die allen behalve den baron deed bemerken, dat het er hem om te doen was zich ten koste van den ingebeelden kunstmin des gast-heers te vermaken, nu eens allerslordigst, dan weder meesterlijk, bet eene oogenblik zwak en weifelend, bet volgende vast en schitterend, kortom, eene meugeling van smaak en grilligen wansmaak. Porpora had geëindigd. Men liet de glazen klinken â Uaydn, de bediende,, had er natuurlijk geen â en prees Porpora's kunst, die zich in zijn geheeie leven niet onbedrevencr getoond had dan op dezen avond, waarin bij niet aan zijn genie, maar aan zijne stekelachtigheid den vrijen tengel gegeven had.
De baron trad ongevraagd maar zeer plechtstatig naar het spinet. Wat bij speelde klonk ongeveer zooals een boerenjongen een gedicht bij een schoolexamen opzegt en opdreunt, houterig, -zonder geest, zonder gevoel ot rhytmus â maar overigens zeer getrouw en nauwkeurig. De baron wist van geen uitscheiden evenmin als een speeldoos als zij geheel opgewonden is en men haar niet doet stilstaan. Hij rammelde voort tol hij zijn voorraad uitgeput had, toen stond hij op, legde beide handen op zijne borst en riep diep ademhalende uit: )gt;lk voel mij nooit gelukkiger dan wanneer ik in mijne tonen zwelg!quot;
Corror bleef elfen en koel, in Porpora's oogen flikkerde kwalijk, bedwongen spotlust.
1UÃ
-sBaron, ik heb een verzoek!quot; riep hij.
)gt;Verlang wat gij wilt, alleen niet de schatten der aai de, want deze zijn niet het deel der ware talenten!quot;
))Ik ben oneindig bescheidener. Er is mij juist een thema in liet hoofd opgekomen.quot;
»Reik mij de hand, edele meester, dat zelfde overkomt mij zelfs in den slaap!quot; riep de baron vol geestdrift uit.
Porpora mat den grootspreker met een spottenden blik, gaf met de rechterhand het thema op het spinet aan, trad weder terug en sprak: «Komaan, baron, maak uit dat thema een lied! Voor u zal het eene beuzeling, voor ons een genot zijn!quot;
De baron was wantrouwend geworden. Zou Porpora werkelijk den spot met hem willen drijven? Koel en voornaam buigende, antwoordde hij; «Vreemde inspiratiën neem ik zelden over en â voor gasten, die mij niet aangenaam zijn, zelfs in het geheel niet.quot;
Bij deze woorden wierp hij een minachtenden blik op Haydn, die bescheiden in een vensternis stond.
«Aha! gij bedoelt onzen bediende,quot; lachte Porpora. «Baron, ik verzekei u, dat de jonkman waardig is in ons midden te zijn. Haydn, hebt gij lust mijn thema te spelen 7quot;
De baron sprong toornig op.
«Een bediende zal mijn instrument niet aanraken!quot; riep hij verontwaardigd uit.
quot;Als ik u echter zeg, baron, dal de heer Haydn geen bediende, maar een edel, rijk begaafd jongmensch is, die slechts gedwongen lt;loor den nood, hetwelk waarlijk voor hem geen schande is, er toe heeft kunnen besluiten ons als bediende te vergezellen, hetgeen ons in de oogen der nakomelingschap minder tot eer zal verstrekken dan hem, die ons zijne diensten in zijne zelfverloochenende bescheidenheid leent; dan zult gij hem toch zeker het gastrecht op uw spinet niet langer oilizeggen'?quot;
De baron maakte een plechtstatige buiging, hield den welrieken-.leji batisten zakdoek voor den neus, wees niet de hand toestemmend up het instiument en Hel zich in den uitersten hoek van het salon verdrietig in een zetel vallen.
107
E'orpora vatte Haydn bij den arm.
«Wat ik u bidden 'mag, geef hem een welverdiende les!quot; fluis-ti'ide hij.
Het eenvoudige thema was onder Haydn's handen weldra tot een betooverend lied aangezwollen, dat door zijne liefelijke tonen in de harten der toehoorders doordrong. Nu ging de wegsleepende melodie in een schitterenden jnbelzang over; men meende den luisterrijken intocht van een zegevierend koning of eener gelukkige koningsbruid uit de tonen te vernemen â daar verviel Haydn eensklaps in de onbezielde, houterige voordracht vau den baron en maakte het thema tot een echten boerendans.
Porpora wreef zich lachende van pret de handen.
Goed, zeer goed!quot; sprak hij. «Laat nu mijn thema rusten en volg uw eigen genius!quot; Haydn liet diens gouden vleugelen jubelend ruischen. Een vol uur zat hij aan het spinet â het scheen hem en zijnen toehoorders slechts een genot van weinige minuten.
De laatste tonen klonken als een gebed.
Met van geluk en begeestering stralende oogen, stond Haydn van Jiet spinet op en keerde bescheiden naar zijne plaats terug.
De baron ging naar hem toe.
â Gij hebt veel aanleg,quot; voegde hij hem met voorname gemeenzaamheid toe; »als gij vlijtig studeert, kunt gij een goed muziekon-derwijzer worden.quot;
Porpora beet in zijn zakdoek om het niet uit te proesten, en kon er zich niet genoeg over verwonderen, dat Haydn op die loftuiting zeer onderdanig boog in plaats van in een schaterend gelach uit te barsten.
Men scheidde kort daarna onder het wisselen van de stereotype leugens, welke een hoofdbestanddeel van de grammatica der wellevendheid uitmaken. Twee bedienden deden de gasten met fakkels uitgeleide tot aan hel einde van het park, namen daar met gekromde ruggen hunne fooien in ontvangst en schimpten bij den terugkeer in alle mogelijke bewoordingen op die vervelende muzikanten, waarvan de een â natuurlijk onze arme Haydn - in liet geheel
108
niels hitd gegeven, en de boirle anderen sleclits zilver en geen yon i in de handen der verdienstelijke bedienden gedrukt haddou.
Buiten liet hek bleven de bezoekers stilstaan. De maan scheen zoo helder, dat men duidelijk elke lijn in Porpora's gelaat kon waarnemen. Hij keek Haydn met hoogoiigelrokken wenkbrauwen aan en kou een geruime poos van het lachen geen woord uitbrengen, dan reikte hij den jongeling- de beide handen.
»llaycln!quot; riep hij, ozijt gij nog bij uw verst ami Vquot;
»lk begrijp u niet,quot; antwoordde llaydn verbaasd.
«Het is waar,quot; hernam Porpora, ernstig wordende; «ik heb u iets onverstaanbaars gevraagd. Zoo zeg mii dan maar, wat hebt gij zoo eveti daar boven in het, slot gezien?quot;
Haydn schudde het hoofd. Hij wist niet wat hij zou antwoorden. sKen ezel!quot; schreeuwde Porpora hem in het oor, nam Conor's arm en alle drie keerden lachend en pralende naar het gemeenschappelijke logement terug.
Toen Haydn bij den Venetiaanschen gezant eene karaf friscli water op tafel gezet had hij was nu toch weder bediende â en zich wilde verwijderen, vatte Con or hem bij den schouder en sprak; «Haydn, weet gij wat ik zou wenschen?quot;
Ifaydn stamelde eeu verlegen neen.
»In weerwil van al uwe armoede en gebrek zou ik Joseph Haydn willen zijn. Gelukkig raensch! God schenke u een lang leven, dan zal het nienschdom zich verheugen zulk een rijkbegaafd talent in Imu midden gehad Ie hebben. Jongmensch, geloof mij! Men zal den rijken, prachtlievenden Venetiaanschen gezant Corror in weinige jaren vergeten hebben, den armen Joseph Haydn zal de nakomelingschap niet vergeten. De goddelijke vonk in u zal duizenden harten verwarmen en als gij lang in het stille graf tol stof zijt vergaan zal men uw genie nog bewierooken.quot;
IX.
De eer-ste opera
De muziekavond bij den baron op het slot Mannersdorf bad voor Haydn vele aangename gevolgen. Al werd bij ooi; niel van alle verdere diensten ontheven, werden zij toch in mindere mate en op be-scheidener wijze van hem gevorderd. Corror inzonderheid behandelde Haydn met zekere onderscheiding en gaf hem verlof zich naar IxMie-ven van het medegenomen spinet te bedienen, waarvan Haydn natuurlijk een zeer ruim gebruik maakte. Daarenboven was bet gebeurde van dien avond spoedig onder de badgasten bekend geworden, wien de «geniale bediendequot; een welkome afleiding voor de steeds in een badplaats beerschende verveling was. De groote menigte beschouwde Haydn voortaan als een wondermensch, die niet alleen de kunst verslond om schoenen te poetsen, maar ook de betooverendsle uie-lodieën te scheppen. Men drong bij hem aan des Zondags bij de godsdienstoefeningen het orgel te bespelen en wandelde bij troepen onder zijne openslaande ramen, als hij na afloop van den dienst op Corror's spinet fantazeerde. leder ander zou deze algemeene bewondering ijdel gemaakt hebben; Haydn vergenoegde zich met tevrede-ner dan ooit te lachen en zijne plichten als bediende nauwgezet te vervullen.
Maar hij was toch blijde, hartelijk blijde, toen de dag der afreize
â¢HO
kwam en daarmede het einde van zijn onnatuurlijke dienstverrioh-ting. Zelfs vergenoegd bond hij de pakkage aan den reiswagen vast en steeg, naar alle kanten dankbaar de vriendelijke groeten der badgasten beantwoordende, op den bok, om weldra zij11 loopbaan als bediende te besluiten.
Terwijl de wagen over den stenigen straatweg voortrolde, werd Haydn hoe langer hoe stiller en ten laatste scheen het alsof hij sliep. Maar hij sliep niet; hij droomde slechts met open oogen v;ui een schitterende toekomst â van gelukkige dagen, -waarop geen drukkende zorgen de borst meer beknellen, maar ook geen overiload aan tijdelijke goederen de veerkracht aan den geest beneemt. Zelts in de dagen van zijn grootsten luister streefde Haydn niet naar het bezit van rijkdommen: neen, slechts zijn dagelijksch lirood begeerde hij, ongestoorde rust van de wereld, stillen zielevrede en papier genoeg, om zijne muzikale gedachten daarop te kunnen vastzetten. En zulk een verlangen was even bescheiden als verstandig, want het is de ware rijkdom!
Den naar Weenen teruggekeerden Haydn scheen werkelijk de fortuin na lang talmen gunstig te willen worden. Zijne lessen werden gezocht en goed betaald, hij smaakte het geluk â of zeggen wij liever de geruststelling â zich nu geen enkelen avond meer ter ruste te leggen, zonder in zijn nachtgebed den lieven God ook te kunnen bedanken dat hij in zijne beurs altijd eenig geld bezat.
Naarmate de zorgen weken, keerde ook weder zijn luimige geaardheid terug. Vriend Ditters zorgde er voor, dat Haydn's moedwil, die nooit de grenzen der betamelijkheid te buiten ging, zich voldoende lucht kon geven.
Zoo gebeurde het eens in den herfst â de avondschèmering be-Sjoil reeds te vallen en er blies een snerpend koude wind â dat. Ditters met een hoogrood gezicht in Haydn's kamer trad.
5)Zijt gij bij stem?quot; vroeg hij dadelijk, zonder Haydn zelfs eerst te groeten.
»Dat hangt er van af!quot; gaf Haydn schertsend ten antwoord. «Naar omstandigheden kan ik zingen of ook brommen. Overigens, beste
ill
fi tót Oil (tb IH â : Ii!-' ifM gt;lr. 1,1-1' li) ,.( f.,| i [ i (110 joit H69lgt;i iM' ji) Hlt;-1
vriend, kunt gij u in het vervolg een dergelijlie vraag besparen. Als gij mijne diensten noodig hebt, ben ik altijd goed bij stem en goed geluimd.quot;
«Mooi! Houd u dan gereed te^en van avond tien uur ! Gij moer.
i . 1 . : l i i' [ ⢠,: ! 1 â ' . . -bij eene serenade, welke wij aan de schoone gemalin van Bernardon,
den directeur van het theater, brengen, met uwe praebti' e stem
!â - -i liti liiQifiitono^ /finosion - h ri m xMstat
medewerken.quot;
«Kerel!quot; riep Haydn, vroolijk in de handen klappende, shier hebf. .... ' â¢
gij mijne hand. Ik kom. (Jij kent toch mijn hartstocht voor sere
nades! Er ligt zooveel aantrekkelijks in: men is half kunstenaar en
hnlf straatmuzikant, wordt gaarne gehoord, met geestdrift toegeT
Juieht. en meestentijds voor de geringe moeite rijkelijk beloond quot;
Tegen het vastgestelde uur slopen donkere gedaanten naar Ber-nardons huis. Eerst vernam men een zacht waarschuwend gefluister, daarna liefelijk gezang, dat uit zuivere krachtige kelen op de donkere wieken van den nacht omhoog steeg.
Na het zingen van eenige liederen slolon de zangers hunne mu ziekboeken en doofden de toortsen uit; daarop nam Haydn de medegebrachte mandoline ter hand, sloeg eenige weeke en bijna weemoedige accoorden aan en zong een lied, dat als een groet uit het rijk der schimmen klonk. Rondom openden zich de vensters en ademloos luisterden de gelukkigen naar de zoete tonen, die uit den hemel schenen neder te parelen. Bernardon was uit zijne woning op de straat gekomen en, door de duisternis van den nacht, beschut, vlak naast den zanger geslopen, zonder dat deze zulks scheen gewaar te worden. Doch Uaydn had de sluipende gedaante wel gezien en herkend en ging nu, aan zijn moedwil gehoorgevende, nit den treurigen toon van zijn lied in een huppelenden dans over, daarna in een marsch, om eindelijk, de melodieën samenvattende, ze tot een vroolijk lied ineen te smelten.
Bernardon kon nauwelijks wachteii tot Haydn geëindigd had. Al zijne ledematen bewogen zich naar de maat der muziek en het was werkelijk grappig om te zien hoe de kleine, magere, beweeglijke man nu eens met de armen in de lucht zwaaide, dan het lichaam gelijk
112
een U)gei' ineen trok oin dadelijk daarna als een slang in do hoogte -te schieten; nu istond hij onbeweeglijk als een standbeeld, de km peinzend op de hand steunende, om dan weer eensklaps lachend in het rond te draaien.
B.longmensch!quot; riep hij, llaydn de hand biedende, »in uwe borst sluimert een genie! Maar wat zeg ik! Een genie? Neen, in u leeft de muziek in hare duizendvoudige schoonheid. Dat is een lof uit den mond van den schouwburgdirecteur Bernardon, welken ieder denkend mensch u benijden moet. Maar ik wil u ook koninklijk beloonen.quot;
Hij zweeg een oogenblik en zag llaydn met een majoslueuzon â¢blik aan.
..Kom morgen bij mij,quot; sprak hij met een gewichtigheid alsof elk woord een pasgeslagen ducaat was ; »gij kunt dan zeggen, dat gij met Bernardon gesproken hebt en dat is voor u de sleutel tot den weg van den roem!quot;
llaydn luisterde bedaard naar het manneke zonder een enkel woord te laten hooien. Het liefste had hij de beweeglijke kruisspin van zich afgeschud en het uitgeschaterd van het lachen, maar hij gevoelde dal hij geduldig het offer van een opgeschroelde geestdrift ïijn moest.
Eindelijk nam Bernardon afscheid en greep llaydn verlicht ademend den arm zijns vriends.
âDitters, mot de hand op het hart,quot; (luisterde llaydn, «de magere
is gek, niet waar?quot;
âHoe komt gij op die gedachte?quot; gromde zijn vriend. «Bernardon is een kunstvriend van het zuiverste water. Gij «loogt trotsch zijn op zijn lof!quot;
llaydn schudde ontevreden het hoofd. «Dan is het geen geluk een kunstenaar te zijn. want mijne muziek heeft toch den man half gek gemaakt in plaats van hem met stille vreugde te vervullen.quot;
«Daar hebt gij geen verstand van!quot; viel Ditters hits uit, cn sneed daarmede alle verdere bespreking van dit onderwerp af.
113
In dun voormiddag' van den volgenden dag diende Haydn zich bij â¢Bernardon aan. Deze zat aan zijn sclnijltafel te arbeiden, wierp Ilaydn een zeer voornamen blik toe, wees met de hand naar een stoel en schreef bedaard verder.
»Ga zitten!quot; Dut was alles wat hij koel en uit de hoogte tot Ilaydn zeide.
Na ongeveer een kwartier uurs sprenkelde hij de pen uit, poetste zijne brilleglazen, nam een snuifje en dan nog een en sprak op afgemeten toon: «Goed, dal gij gekomen zijt!quot;
Hij rukte hevig aan de schel.
Een bediende verscheen en bleef, op bevelen wachtende, aan de deur staan.
«Ilaydn, zet u aan het spinet! Verbeeld u, dat ik in het water gevallen beu en mij met zwemmen wilde redden. Geef nauwkeurig up mijne bewegingen acht en druk ze door uwe muziek uit. Steven,quot; ging hij, zich tot den bediende wendende, voort, »gij zult mij op dezen'stoel door de kamer rollen.quot;
Ilaydn keek verbaasd naar Bernardon; deze had reeds den zijden rok uitgetrokken en zich languit op een stoel geworpen, welks poo-ten met rolletjes voorzien waren. De bediende begon stoel en meester door de zaal te schuiven. Bernardon bootste in zijne bewegingen een in het water gevallen mensch na, en Haydn schetste in tonen den angst van den drenkeling, het ruischen, klotsen en slaan der golven, het hulpgeroep van den verzinkende, zijn wanhopigen strijd met de woeste baren; men meende het bijgen van den zwemmer, den roeislag zijner handen, de aanwakkerende hoop op redding en deze laatste eindelijk uit het spel van den jongen meester te hooien. Bernardon zwom zweetend op zijn stoel. Steven schoof, bedenkelijk het oude hoofd schuddende, zijnen heer heen en weer en dacht bij zicli zeiven, dat deze op weg was om gek te worden; alleen in Haydn's zingende ziel was de begoocheling tot waarheid geworden â hij zag niets meer dan hooggaande golven en te midden daarvan â¢een mensch, die met den dood worstelde.
Bernardon sprong van zijn stoel op, haalde diep adem, schud e
8
114
zich een paar keeren, trok zijn rok weder aan en trad op Haydn toe met den uitroep :
sJongmensch, omhels mij !quot;
Haydn, die afkeerig was van alle theatrale pathos, bleef rustig zitten zonder zich in Bernardon's armen te werpen.
«Waart gij met mijne muziek tevreden?quot; vroeg hij op zeer kouden toon.
sGij hebt als een volleerd meester gespeeld ! Gij moet eene opera voor mij schrijven !quot;
Haydn sloeg lachend de handen samen.
«Ik heb nog nooit een opera gezien of gehoord. Dus zou ik wel evenals een blinde van de kleuren des regenboogs spreken?quot;
»Onzin!quot; riep Bernardon. «Juist omdat gij nog geen opera kent, zult gij een oorspronkelijk werk leveren. Gij zult geen melodieën stelen gelijk anderen: gij zult geen gedachten aan andere meesters ontleenen gelijk men het naschrijven van geheele partituurbladen onder kunstenaars gelieft, te betitelen: gij zult uit uw eigen brein scheppen en dit geeft uw werk een groot voorrecht boven anderen.quot;
Eerst na lang tegenstribbelen gaf Haydn toe. Na verloop van ei'nige weken ontving hij den tekst. Deze was niet geschikt om Haydn's fijngevoelig genie op te wekken, want er kwamen zelfs verscheidene plaatsen in voor, voor welke Haydn in zijne ziel geen muziek vond. Herhaaldelijk was hij naar Bernardon gegaan om hem zijne bedenkingen mede te deelen; maar deze had geen oor voor zijn beklag en zoo zette de Jonge toondichter zich dus aan den arbeid, waartoe hem de lust ontbrak. Wel schitterde hier en daalde gansche kracht van zijn scheppenden geest, maar dikwijls kostte het hem de grootste inspanning de passende muziek voor eenige woorden te vinden. De tekst miste die reine, verhevene poëzie, welke de componisten bezielt en begeestert. Aan elk woord lung het slof der alledaagschheid en Haydn dweepte met idealen.
Geheel afgemat en met gebogen hoofd legde Haydn de compositie in Bernardon's handen. Hij merkte niet op, hoe de oogen
1
H5
van den oude onheilspellend tlikkerden, terwijl hij naar de partituur greep.
»Haydn,quot; sprak hij met trillende stem, «gij hebt mij een dienst bewezen, dien ik nooit vergeten zal. Gij begrijpt mij niet; ik schijn eerder uw weldoener te zijn, dewijl ik u de gelegenheid geel' met een groot werk in het openbaar op te treden en u een naam te maken en nochtans ben ik u dank verschuldigd.quot;
Hij ging naar zijn schrijftafel, opende een laadje en woelde er in; Haydn hoorde zeer goed het klinken van goud. Derhalve kon hij nog naast de eer, waarvan men hem zooveel had weten voor te praten, op eene belooning hopen, mogelijk zooveel als zijn eigen uitgaven voor rnuziekpapier bedroegen, de vetkaarsen niet rnedegerekend!
Bernardon liet een pakje in Haydn's hand glijden.
»Uvv werk zal onmiddellijk ingestudeerd en zoo spoedig mogelijk opgevoerd worden. Ik smacht naar dien avond, waarop «de kreupele duivelquot; voor het voetlicht komt. Vaarwel, jonge meester! spoedig zult gij meer van mij hooren!quot;
Haydn ging heen. Krampachtig klemde hij liet kleine pakje in zijne hand vast. Hoe gaarne had hij het opengemaakt! Maar het was hem als keken juist aller oogen naar zijne gebalde hand, en dus moest hij zijne nieuwsgierigheid bedwingen tot hij thuis en zijne kamer binnengetreden was. Daar scheurde hij met zenuwachtige haast het grauwe papier open en vier en twintig ducaten fonkelden hem tegen. Haydn weende van vreugde en kuste de goudstukken, het een na het ander, als waren het geliefde betrekkingen, naar wier komst men vurig verlangd heeft.
En dit waren zij ook.
Miskennen wij daarom onzen goeden Haydn niet! Zijn later leven heeft het ontelbare keeren bewezen, dat Haydn meer gaf dan hij verdiende; dat zijne uitgevers hem in den volsten zin des woords uitplunderden, als ware hij een van Jerusalem naar Jericho reizende pelgrim geweest en dat hij daarmede lachte. Terwijl hij nog honger leed, verdienden de uitgevers honderden met zijne compositiën en
116
maakte men hem daarop opraerkzaani, dan nam hij ze noy in bescherming en noemde hen zijne goede vrienden, die ajn naam hielpen verbreiden.
Heelt een reiziger door de heete woestijn eindelijk in eene oase een bron gevonden, die den gloeienden brand zijner lippen koelt, en verheugt l ij zich over dat geschenk der Voorzienigheid, dat zijnen brandenden dorst stilt en drinkt hij het opborrelende water met volle teugen, zoo misprijzen wij dat niet in hem.
Haydn was geen vereerder of aanbidder van den mammon; daartoe was zijne ziel te edel, en de school der armoede, die hij tot dusverre doorloopen had, te diep ingrijpend. Maar zijn genius haakte naar verlossing uit de boeien van de nijpende zorg; geen kwistigen overvloed verlangde hij â deze heeft geen aantrekkelijkheid voor eene verhevene ziel, â neen, naar vrijheid smachtte hij.
Daarom juichte Haydn over de handvol goud, die de ketenen slaken zou, welker last hem niet vernederde, maar zijne vrije vlucht naar de hoogere sferen verhinderden en de vleugelen van zijn Pegasus vastbonden.
Eindelijk kwam de avond, waarop de opera »de kreupele Duivelquot; op het Karthnertheater zou opgevoerd worden. Alle rangen en plaatsen waren dicht bezet niet toehoorders, hoewel zeer weinigen den componist kenden, die met kloppend hart in een donkere loge zat; het was de nieuwsgierigheid die het gebouw vulde.
Alles lie)) uitmuntend van stapel: de VVeeners lachten en klapten in de handen van de pret en Uaydn had, als het mogelijk geweest ware, zich zeiven wel willen kussen, zoo zwelgde hij in het genot van zijne eigene melodieën. Bij het slot riep men om Haydn; maar in plaats van zich op het tooneel te vertoonen, vluchtte hij meteen verhit gelaat uit het gebouw en naar huis in zijne duistere kamer, waarin hij een slapeloozen nacht doorbracht.
Bij de tweede opvoering bemerkte Haydn met schrik, dat er van lijd tot tijd zeer duidelijk gesist werd. Hij was hierdoor geheel ter-nedergeslagen en liep naar Bernardon om hem zijn leed te klagen. De directeur hoorde hem zeer ongeduldig aan.
»Va) mij toch niet lastig met, uw gejammer!quot; voegde hij Haydn half toornig toe; »het sissen geldt u niet! Uwe muziek is goed en wordt algemeen geprezen!quot;
«Maar waarom sissen dan de toehoorders?quot;
Bernardon zwaaide opgewonden met de armen door de lucht. «Omdat er overal, dus ook in Weenen, Janhagel en gespuis woont; wij moeten ons echter geen vrees laten aanjagen. Als het gepeupel genoeg geraasd heeft, dan houdt het vanzelf weder op !quot;
nMaar waarom maakt het volk zulk een rumoer?quot;
Bernardon wierp hem een toornigen blik toe, maar gaf geen antwoord. Stom groetende ging hij in een aangrenzend vertrek om zich daar in een fauteuil aan zijne sombere gedachten over te geven.
Hoofdschuddend verliet Haydn de woning van den directeur. Hij gevoelde het. onweder dat boven Bernardon en helaas! ook boven zijne opera zweefde, maar hij vond den sleutel niet tot het noodlottige raadsel. En zoo moest zijne aanvankelijke blijdschap over zijn eerste groote werk voor eene groote neerslachtigheid plaats maken, die hem geheel ongewoon was.
De derde opvoering van »de kreupele Duivel,quot; had weder onder levendig protest van een deel der toeschouwers plaats gevonden. Het was Haydn intusschen duidelijk geworden, dat de afkeuring niet zijne muziek, doch den tekst gold. die hem al dadelijk bij het doorlezen en nog meer bij het componeeren tegen de borst gestuit had. Daardoor was zijn hartzeer verzacht, maar niet weggenomen.
De ochtendzon groette Haydn vriendelijk in zijne eenvoudige kamer. De jongeling was erkentelijk voor den lichtgroet van boven en zat zingend aan zijn spinet, toen er hevig op zijne deur geklopt werd en een kleine, kreupele man binnentrad, wiens aangezicht toornig gloeide, en wiens ledematen stuipachtig trokken. Haydn staarde den vreemdeling een oogenblik onthutst aan, dan barstte hij in een schaterend gelach uit.
«De kromme duivel!quot; riep hij de handen ineenslaande uit, dewijl hij in de vaste meening verkeerde, dat de betreffende zanger zijner
118
â¢opera hem onder deze vermomming bezocht. Doch wie schetst zijne verbazing toen de kieupele met een dreigend voorkomen op hem toetrad.
«Gij schijnt mij niet te kennen ? Ik ben de schouwburgdirecteur Aflligio, en uwe opera is een door en door gemeene satire op mijn persoon, die ik mij niet langer zal laten welgevallen!quot;
Haydn begreep nu alles : den dank van Bernardon, wien hij met die compositie een uitstekenden dienst had bewezen; dan het sissen van vele toeschouwers en de verzekering dat zulks niet Haydn's muziek, maar den tekst der opera gold.
Haydn stak Affligio verzoenend de hand toe.
«Mijnheer, zoo hier eene intrige gespeeld werd, ben ik de onschuldigste, ja, ik ben zelfs de bedrogene. Wanneer u dus door mij eenig leed werd toegevoegd, geschiedde zulks onwetend; vergeef mij daarom en geloof mij als ik zeg, dat ik mij dikwijls aan de platheden van den mij opgegeven tekst geërgerd heb. Ik neem, indien u daarmede eenig ongelijk aangedaan is, mijne geheele opera terug ; voorzeker een offer, dat mij ten volle uwe vergiffenis verzekert.quot;
De kreupele was ernstig en stil geworden. Zijn oog rustte doordringend op Haydn's open gelaat.
«Het is niet noodig, dat gij uwe opera terugtrekt; zij is reeds door de politie verboden.quot;
Bij deze woorden haalde hij een papier uit den zak en hield het Haydn zegevierend onder de oogen. Ja, »in naam der overheidquot; kon Haydn zijn opera bij de dooden leggen.
»Ik wil aan uwe onschuld gelooven, jongmensch. Gij hebt zeker niet geweten, dat Bernardon mijn doodvijand is, anders hadt gij uw genie, dat ik alle recht doe wedervaren, niet in het juk der laaghartige satire gespannen. Ik vergeef u!quot;
Zij scheidden met een stomme buiging. Haydn trok over de ongelukkige partituur met inkt een groot kruis; hij begroef een doode. â
X.
Hoe eene bloem stierf.
Haydn hield het voor eene schande, in het bezit van vier en quot;twintig ducaten, van de gastvrijheid van anderen, al was het een bekrompene, nog langer gebruik te maken. Hij scheidde met oprechten en hartelijken dank van zijne beschermers en zag naar een kwartier om, dat met zijne geldelijke omstandigheden strookte en hem de noodige waarborgen aanbood, overeenkomstig zijn vurigsten â wensch zich ongestoord aan de muziek te kunnen wijden.
Hij nam zijn intrek bij een kapper, met name Keiler. Deze was een goed mensch, een echt Weenerkind, het hart altijd op de hand en op de tong, vriendelijk en voorkomend, steeds met de allernieuwste nieuwtjes bekend, een levend tooneelprogramma en een wandelende spijskaart der logementen zijner wijk. Don ganschen dag was de kleine pruikenmaker in de weer voor zijne zaak, zoodat hij lachend eten en drinken in den «teek liet, wanneer het er op aankwam, iemand voor wien de dag eerst's middags twaalf uren begon, het haar in orde te brengen. Daarentegen was hij des avonds geheel en al epicurist, hij leefde dan alleen voor de behaaglijkheid en het genot en wie hem om dien tijd in de herberg achter bord en glas zitten zag, werd het terstond duidelijk dat de pruikenmaker een opgeruimd, gemaal man was, die zich niet alleen het les'en zelf
120
maar ook eiken beet, dien hij in den mond nam. zoo smakelijk eiT' prikkelend mogelijk wist te maken. En toch hinderde dit niet in hem ; want hoezeer hij ook het genot van spijs en drank op prijs wist te stellen, zijn hoogste was het niet.
Hij was weduwnaar en de opvoeding zijner beide volwassen dochters veroorzaakte hem, gelijk hij zeide, oneindig veel moeiten en zorgen. De beide meisjes waren braaf, vroom en zedig als, woonden zij niet in Weenen, doch ieder had hare kleine eigenaardigheden en moest daarover dagelijks aanmerkingen van haar vader hoo-ren, hij keef en knorde dikwijls om nietsbeteekenende kleinigheden en noemde dit «zorgvuldige opvoeding.quot; Een verkeerd gelegde lepel of vork, een omgestooten zoutvat, een ontbrekende knoop konden den goeden man in felle woede doen ontsteken; brak daarentegen een zijner kinderen bij het afst often een of ander kostbaar voorwerp, dan was hij onuitputtelijk in troostredenen en sprak, de wangen der weenende streelende: »Wees toch geen zottinnetje! het kan toch immers niet eeuwig heel blijven!quot;
Met Haydn was de wakkere pruikenmaker spoedig geheel ingenomen De eenvoudige, geregelde levenswijze van den jonkman beviel hem ongemeen; slechts zijne matigheid in spijs en drank was hem niet geheel naar den zin. Had hij daarin geen wijze spaarzaamheid gezien, dan zou hij hot hem niet hebben kunnen vergeven. Evenwel kon hij zich niet onthouden, als zij des avonds in het wijn- of bierhuis bij elkander zaten, dikwijls zeer ontevredene, bijna toornige blikken op Haydn's glas te werpen, dat nooit leeg wilde worden, hoewel de zure kaas, welke de zuinige Haydn vaak als avondeten gebruikte, hevig genoog tot drinken opwekte.
«Haydn!quot; placht hij bij zulke gelegenheden met diepen ernst te zeggen, «Haydn, gij zult eenmaal een voortreffelijk echtgenoot worden ! want gij zijt matig en spaarzaam als een kartuizer en een gierigaard.quot;
Waarop Haydn, zacht met het hoofd schuddende, antwoordde:
«Ik heb volstrekt geen plan om te huwen. Of ik ben een genie, gelijk de menscben mij dikwijls in de ooren blazen, en dan zou; ik
-12-1
mij om de zorgen van vrouw en kinderen niet de vleugelen willen laten binden; of ik ben geen genie, en dan wil ik geen huisgezin met mij honger laten lijden.quot;
Over zulk een aïitwoord was de pruikenmaker altijd ontevreden lt;?n verstoord.
«Ik heb er velen gekend,quot; merkte hij aan, »die hef huwelijk afgezworen hadden en bij slot van rekening toch voor het altaar verschenen en blijde waren het verbindende »jaquot; te mogen uitspreken. Ik kan daarom niet inzien waarom zulk een knap, verstandig, bescheiden en beroemd jonkman gelijk gij, eenzaam op de wereld zou blijven staan, terwijl hij aan de zijde eener vrouw recht' gelukkig zou kunnen zijn. Dan, meen ik, zouden de muzikale gedachten eerst recht goed in uwe ziel ontluiken, als gij eene gade hadt, die u gelukkig maakte.quot;
Haydn gaf daar geen antwoord op; maar dronk zijn glas, al was het ook nog tot aan den rand gevuld, in een teug ledig, sprak dan geen woord meer en liet zijn glas ook niet weder vullen.
Voor het overige waren beiden het in alles met elkander eens en hadden nimmer eenig verschil. Bijkans kinderlijk echter werd de wakkere pruikenmaker als Haydn op zijn instrument speelde en hij zelf op een tabouret gezeten aandachtig toeluisterde. Dan kon hij weenen en lachen en in de handen klappen gelijk een kind.
)gt;Wij beiden hebben en beoefenen de edelste kunsten,quot; riep hij met pathos uit, «en zonder ons ware de wereld niet schoon. Ik zorg voor de schoonheid des lichaams, gij voor de verheffing des geestes, Haydn, ik heb er een voorgevoel van dat wij nog tot iets grootsch bestemd zijn.quot;
Haydn lachte hartelijk bij zulke ontboezemingen van zijn huisheer en merkte schouderophalend aan dat hij erg vreesde, dat de wereld onverstandig genoeg ware van niet in te zien wat voor kost-Laars zij aan den pruikenmaker Keiler en den musicus Haydn bezat.
Haydn placht van tijd tot tijd een bezoek te brengen aan de brave kousenweversfamilie. Daar hij echter nooit met ledige handen wilde komen en zijne beurs evenwel maar al te vaak ebbe toonde, verliep er niet zelden een vicrendeeljaars eer hij zich weder in de hem zoo
â¢122
goed bekende zolderwoning liet zien. In het bezit echter van vier en twintig ducaten kon hij na een langdurig wegblijven daar wel weer eens een bezoek brengen. Want al wezen die brave, arme lieden alle ondersteuning bescheiden van de hand, de goedhartige Haydn verstond het nochtans uitmuntend hun van zijne dankbaarheid, die in meer dan in ijdele woorden bestaan moest, blijken te geven.
Hunne goede dochter Maria, die Haydn eens zoo onschuldig en verlangend van hare roeping tot het kloosterleven had gesproken, had het doel barer wenschen niet bereikt. Wel was zij een wonderbaar schoone roos, doch aan haar leven knaagde een verslindende worm, die niet rustte voor hij haar gedood had.
Niets vermoedende klom Haydn neuriënd de steile trappen op, met twee goudstukken in den zak om ze de oude vrouw meteen paar vriendelijke woorden in het geheim toe te steken. Boven op het portaal gekomen, vindt hij de deur op eene kier staan; dit verwondert hem, want het is iets ongewoons. Zachtkens gaat hij den korten gang door naar de gemeenschappelijke hem zoo welbekende woonkamer, epent de deur en slaat..... voor eene doodkist.
De gordijntjes voor de dakvensters zijn gevallen, een schemerachtig licht heerscht in het vertrek. Twee dunne kaarsen branden aan weerszijden van de kist, waarin Maria's aardsch omhulsel rust met - een kruis en een verdord roosje op het stilstaande hart. Haar gelaat -glimlachte vredig.
Waarom zou daar geen vrede wonen waar de wereld met haar bedrog en hare boosheid overwonnen is?
In stille smart verzonken zitten de ouders aan de rechterzijde van -de baar. Hunne handen zijn ineengestrengeld, als wilden zij elkander troosten en opbeuren. Geen van beiden spreekt een woo.^d, de lippen zijn in stomme droefheid opeengeklemd, de roodgeweende oogen rusten op het aangezicht der beminde doode.
Haydn breekt bij dezen aanblik in een luid geween los.
»Wij hebben alles verloren!quot; klaagt de moeder, op het doode kind wijzende. »Nu heb ik nog slechts eenen -vensch: dat ook ik. spoedig sterven moge!quot;
123
«Zwijg, moeder!quot; vermaande de kousenwever. «God zal met ons handelen naar Zijn welbehagen. Mijnheer Haydn, Maria daar.... heeft
mij nog een groet..... voor u opgedragen!... Haar laatste woord.....
was een zegenwensch voor u!quot;
Hij ging naar het lijk toe en drukte het een langen kus op het kille voorhoofd.
»Mijne arme Maria,quot; ging hij tot Haydn gewend voort, «heeft u een eigenaardige, bijna moederlijke liefde in haar hart toegedragen. Dikwijls lag zij glimlachend in hare kussens en als wij haar dan toespraken antwoordde zij niet, maar gaf ons door een wenk harer hand Ie kennen, dat wij zwijgen zouden. Dan echter begon zij zelve weder Ie praten, nochtans niet gelijk andere menschen, maar zoo zonderbaar, dat wij er van huiverden. ««Vader en moeder,quot;quot; sprak zij zonder ons aan te zien, «svoor Joseph moet gij bidden zoolang gij leeft. Want hij is een geschenk van God aan het menschdom en hij zal eenmaal een groot man worden, maar altijd zeer nederig blijven; de wereld zal hem toejuichen, maar hij zal daarom zijnen God niet ontrouw worden. Mijn graf moet hij niet bezoeken; in het gebed moet hij mijn naam noemen, doch met niemand over mij spreken. Hij moetom mij niet jammeren en weenen, maar voor mij een lied zingen als hij 's nachts geheel alleen aan zijn spinet zit.quot;quot; â Zoo snapte het goede kind en was daarbij stil vergenoegd tot haar de akelige hoest den zwakken adem afsneed.quot;
Haydn legde de beide goudstukken op het lijk.
«Begraaf haar hiervoor! Laat mij ten minste den troost, dat ik hare begrafenis bekostig.quot; â
Diep bedroefd keerde hij huiswaarts. Zijn kamer had een afzonderlijken opgang in het voorhuis en deze deur vond Haydn, die ze bij 't uitgaan dichtgesloten had, tot zijne groote ontsteltenis openstaan. Een bang voorgevoel, dat na weinige oogenblikken tot treurige zekerheid werd, beving hem. Binnentredende vond hij de schuifladen en kastdeuren opengerukt, linnengoed en kleederen verdwenen, ,de papieren dooreengeworpen, terwijl het kleine, bontgeschilderde
124
kistje, dat Hnydn's gouden spaarpenningen bevatte, opengebroken en van zijn inhoud beroofd op den grond lag.
Zoo bad dan een meedoogenlooze dief den armen Haydn van alles beroofd, wat bij zijn eigen noemde; zelfs zijne compositum lagen gedeeltelijk verscheurd en vertrapt op den vloer.
Met saamgevouwen banden, bet boofd op de borst gezonken, stond bij eenigen tijd als wezenloos op dat tooneel van verwoesting te staren. Bittere gedacbten joegen daarbij door zijn brein en deden bem bijkans morren tegen bet lot, dat bem, den rusteloos strevende, wiens ziel in de wereld der idealen leefde en zw-eigde, telkens in de ellende terugstiet, terwijl laagheid en middelmatigheid, ja niet zelden bekrompenheid des geestes in de rijkdommen des levens baadden. Plotseling echter verscheen een vluchtige glimlach op zijn gelaat; bij trad voor zijn spinet en legde er plechtig de band op, als wilde hij zeggen: Al hebben zij mij ook alles ontnomen, gij on mijn genius, gij zijt mij gebleven, en daarom ben ik niet arm!
'loen de dikke pruikenmaker en diens dochters, die dien dag een gemeenschappelijk uitstapje naar bet klooster Neuburg gemaakt hadden, bij bun lebuiskomst Haydn's ongeval vernamen, poogden -â 1 bem met woorden van oprechte deelneming te troosten, waarbij oe oude van toorn rood en blauw in bet gelaat werd, dat iemand zoo slecht en verdorven zijn kon om zulk een braaf mensch als Haydn zijn laatste bezitting te ontrooven. De dief moest minstens onthoofd en geradbraakt, gevierendeeld en daarna aan de galg gehangen worden. Toen bij met den dief klaar was, viel hij tegen zijne beide dochters uit en verweet haar, dat zij hem door haar aanhouden bewogen hadden juist, beden naar het klooster Neuburg te gaan en het buis alleen te laten; zij waren er eigenlijk de schuld van, dat aan Haydn zulk een onheil overkomen wTas. Daarop liep bij nïar zijn kleerkast en kwam met een gebeelen arm vol kleeren terug, die bij op Haydn's bed wierp.
quot;Kies hier maar uit, wat gij wilt,quot; riep bij, zich steeds meer opwindende, uit. »Gij zult ondervinden, dat ik oprecht in uw leed deel.. En gij, Nanni, gij zijt een domme gans, en gij, Lina, gij ook!quot;
l'io
Haydn moest ondanks al de kommer die hem drukte, hartelijk lachen. Het medelijden van den kapper was zoo oprecht en toch â¢zoo koddig, dat liet hem onwillekourig vioolijker stemde.
«Vader Keiler,quot; sprak hij, diens hand warm drukkende, »de dief' heelt mij de hersens. Goddank! niet uit het hoofd gestolen en evenmin mijn hart uit het lijl' â ik vang eenvoudig weder van voren af' aan; al heeft God mij beproefd, zoo kan ik toch niet gelooven, dat Hij mij geheel verlaat.quot;
Haydn's woorden brachten den ouden man tot bedaren; hij veegde zijn gloeiend voorhoofd af, stak de handen in zijne rokzakken, haalde ze er weder uit, schraapte zijne keel, snoof en snoof nogmaals, reikte zijne dochters beide handen en sprak: âMeisjes, gij zijt goed en braai en geen ganzen. Dat heb ik slechts in toorn gezegd en dé toorn liegt als een schelm. Gaat nu naar keuken en kelder en brengt ons spijs en drank! Zulk een schrik vereischt een duchtige hartsterking. liept u! of ik sterf van honger!quot;
Het avondmaal weid onder tamelijk opgeruimde gesprekken gebruikt; Haydn poogde zijne smart over zijn geleden verlies te verbergen en gaf zich moeite om' de vroolijkste van allen te zijn.
Het was laat toen hij zich naar zijne kamer begaf'. Zijn hart trok hem onwillekeurig naar zijn spinet; daar wilde hij in eenige accoor-den zijn beklemd hart lucht geven en dan onder Gods hoede rustig slapen gaan. Verwonderd stieten zijne vingers op een klein pakje, dat op de toetsen lag. Bij het matte licht van eene vetkaars maakte hij het open; bet bevatte een ducaat en de volgende niet potlood in der haast geschreven regels; »11; kan u niet zeggen, hoezeer ik u beklaag. Ik gevod het, ik moet u helpen, voor zoover het in mijne macht staat. Mijn spaarpot is schraal voorzien; maar wat hij bevat, geef ik u van harte gaarne. Ik wenschte dat het meer ware! Zeg er aan vader niets van en aan Lina evenmin. Het is niet geschonken, maar slechts geleend geld. Anna.quot;
Haydn voelde zijne oogen vochtig worden. De hartelijke deelneming van het meisje deed hem oneindig meer goed dan de diefstal hem wee gedaan had. Hij stak geld en briefje in zijn vestzak en
126
dacht met liefdevolle dankbaarheid aan Anna, die hem daarmede zulk een reine en innige vreugde bereid had. Dagelijks had hij met haar omgegaan en gesproken, zij was hem dierbaar gelijk eene bloem, welke men groetend voorbijgaat. Thans trad opeens het beeld van het meisje verheerlijkt voor zijn geest: het was hem als werd er een sluier voor zijne oogen weggerukt en hij aanschouwde met verbaasden blik de lieftalligheid van haar wezen, de innemendheid van hare manieren, de zedige terughoudendheid van haren omgang.
Reeds lang was de vetkaars opgebrand, de glimmende pit tot
asch verbrand en de kamer in volslagen duisternis gehuld, toen Haydn
eindelijk naar bed ging. Hij was zoo zenuwachtig dat hij nog gerui-men tijd wakker lag; ten laatste sliep hij biddend in en toen hij ontwaakte, was het tien uren in den morgen.
Hoe weldadig de verkwikkende slaap ook voor hem geweest was, schaamde hij zich toch over zijn laat opstaan. Terwijl hij uit het bed sprong, vielen zijne oogen op de kieederen, die zijn huisheer daags te voren in de eerste opwelling op zijn bed geworpen had. Hij trok ze aan en keek daarop in den spiegel om te zien hoe zijn nieuw kostuum hem stond; nauwelijks echter had hij zich zeiven in het glas bezien, of hij proestte het uit van het lachen, want overal stak hij met armen en beenen ver buiten de bescheiden lengte der kleederen uit.
»Neen,quot; zeide hij hoofdschuddende tot zicli zeiven, «zoo kan ik mij toch niet goedschiks onder de menschen vertoonen, als ik met wensch door de politic naar het gekkenhuis gebracht te worden. Als slechts mijne oude kleeren niet scheuren vóór Onze Lieve Heer mij nieuwe zendt!quot; Daarbij wierp hij een bezorgden blik op zijn rok, waarvan de draden blootlagen en de naden op verschillende
punten bedenkelijk gaapten.
Eenigen tijd later in de gemeenschappelijke woonkamer tredende, vond hij Anna daar met haar breikous in een vensterbank zitten. De anders zoo vlugge vingers lagen werkeloos op haar schoot en haar blik hing nadenkend aan eene roos, die naast haar in een pot bloeide. Haydn's binnentreden schrikte haar uit hare mijmering op.
127
Licht blozend neigde zij hel hoofd op de borst en greep naar de naalden. Haydn echter legde zijne hand op baren arm, zag baar met een vochtig oog aan en sprak:
«Anna, gij zijt goed en edel! boe kan ik u voor uwe grootmoe-
Idigbeid genoeg danken?quot;digbeid genoeg danken?quot;
«Mijnbeer Haydn,quot; lluistcrde bet meisje bedremmeld, »ik bad h verzocht er niet van te spreken. Voldoe aan dit verzoek! Zijt gij eenmaal een groot meester en is de fortuin u gunstig, dan nioogt
Igij dit geringe geleende bedrag teruggeven. Het komt er voor alles op aan de middelen te beramen, welke u uit den neteligen toestand kunnen redden, waarin gij voor het oogenblik verkeert. Mij dunkt, gij moet aan uwe ouders schrijven, om hun te verzoeken u ditmaal nog eens uit den nood te helpen.quot;gij dit geringe geleende bedrag teruggeven. Het komt er voor alles op aan de middelen te beramen, welke u uit den neteligen toestand kunnen redden, waarin gij voor het oogenblik verkeert. Mij dunkt, gij moet aan uwe ouders schrijven, om hun te verzoeken u ditmaal nog eens uit den nood te helpen.quot;
Haydn werd treurig en een droeve trek vertoonde zich op zijn gelaat.
«Anna, gij weet niet wat gij verlangt,quot; sprak bij. «Mijne ouders zijn oud en arm en kunnen mij niets geven. Daarbij is mijn vader nog altijd in bet binnenste zijns harten op mij verstoord, omdat ik een muzikant, gelijk bij zegt, en geen priester geworden ben.quot;
»Dat klinkt niet zeer bemoedigend,quot; hernam bet meisje; »en nochtans blijf ik bij mijn raad, al ware bet enkel daarom, dat uwe ouders er door vernemen zouden, hoezeer gij uw best doet en boe wreed het lot u vervolgt.quot;
Haydn schreef nog dien zelfden dag aan zijn vader te Rohrau, schilderde met levendige kleuren zijn toestand, die voorzeker niet door zijn eigen toedoen zoo treurig was geworden en eindigde met de bede om hulp. De brief bleef inderdaad niet zonder uitwerking ; want ongeveer eene week later trad de oude Haydn in de kamer zijns zoons, zette zich zwijgend op een stoel en keek lang nadenkend â voor zich.
«Joseph,quot; begon hij eindelijk op Ireurigen toon, «daar ben ik! Ondanks mijne oude beenen heb ik den langen weg tot u niet geschroomd, want uwe moeder en ik hebben geschreid toen wij uw brief ontvingen en daaruit uw ongeluk vernamen. Joseph, het is
128
hard dat men u zooveel geld ontstolen heeft! Hoelang hadt gij daarvan rustig kunnen leven en zonder zorgen -verder werken! Eerst wilde ik u schrijven en u troosten; maar het wilde mij zuo niet uit de pen als mijn hart het gevoelde en dus zegende ik mij niet wijwater, nam mijn stok en ben tot u gekomen.quot;
«Vader, God loone u voor zooveel opollerende liefde!quot; riep de jonkman met warmte uit.
«Joseph, moeder laat u duizendmaal groeten. lederen dag bidt zij voor u en gedenkt u in hare gesprekken. Ook zendt zij u door mij een florijn; zij heeft niet meer, daar kunt gij op aan, mijn beste jongen! En ik kan u in het geheel niets anders geven dan den goeden, eerlijk geineenden raad : Geef uw muziek op en trek met mij naar huis. Mijne oogen beginnen te verduisteren en mijne handen te heven en ik sidder voor den dag, waarop mijne werkplaats ledig zal staan en niet meer gelijk tot dusverre de eerlijke armoede, maar het nijpende gebrek in mijne woning zijn intrek neemt. Wat zou ik den barmhartigen God danken, als uwe oude moeder en ik u, onzen lieveling, bij ons hadden, en gij ons na een rustigen levensavond de moede oogen toedrukken kondet en dagelijks op ons graf bidden en het met wijwater besprenkelen!quot;
Hij zweeg een oogenblik en greep met beide handen de rechterhand zijns zoons.
«Joseph,quot; ging lüj, steeds dringender wordende, voort, «gij hebt geen geluk in de wereld. De lieve God wil niet, dat gij als muzikant in den vreemde hongerend rondzwerft. Keer tot ons terug! Bij ons kunt gij naar hartelust des Zondags op het orgel spelen en daarbij liederen zingen zoo vroom als gij zelf zijt: terwijl de men-sclien u hier in de groote stad onverschillig voorbijgaan, zullen allen daar ginds in Rohrau u liefhebben, achten en eeren.quot;
Uit Haydn's oog leekte een heete traan op zijns vaders vereelte hand.
«Joseph, moeder hoopt, dat ik u medebreng. Ik smeek u, ga met mij mede!quot;
Haydn rukte zich zenuwachtig los, viel voor zijn spinet op de knieën en weende bitterlijk.
129
Dat waren edele, gouden tranen, die de voortreffelijke jonkman in den tweestrijd tussclien de liefde voor zijne ouders en die voor zijn genius weende. De oude mfui zag hem met vochtige oogen aan, de handen gevouwen, als wilde hij God bidden zijnen zoon in dezes hesluit voor te lichten.
Plotseling wischte de jonkman zich de tranen van de wangen, zette zich aan zijn spinet en zong zijn afscheidslied aan zijne hoogste on reinste lietde â aan de muziek. Dat klonk als een leed, dat niet gemeten kan worden ; dat was als heimwee hetwelk elke polsslag-van het gewonde hart naar de hut trekt, waarin eene dierbare trouwe ziel woont, en als g-ebed was het, dat ten hemel riep.. ..
Zacht losten zich de accoorden op. En toen zij weggestorven â waren, heerschte or eene doodelijke stille in het vertrek.
«Joseph, wat hebt gij daar gespeeld?quot; vroeg de vader bijna toonloos.
«Het afscheid aan mijn gelul; en mijn leven!quot;
«Wie heeft u zoo loeren spelen !quot;
»God en mijne ziel!quot;
De oude vader stond op, trad op zijnen zoon toe, legde zijne hand zegenend op diens hoofd en sprak :
«Joseph, ga niet met mij medé ! God heeft in uwe ziel een schat gelegd, dien mijn wil en mijne hand niet beroeren mogen. Kniel neder en laat u zegenen en ga dan im weg! Wien God zulk een talent heelt geschonken, verlaat Hij ook niet. Joseph, God zijquot; met u! â Ik keer alleen tot uwe moeder weder en verhaal haar hoe arm en toch hoe ontzaglijk rijk gij zijl!quot;
9
Bedelaar en bruidegom.
Arm als een li er km ui s !
Zoover had een Joseph Haydn het op zeven-en-twinligjarigeiv K'eltijd gebracht, dit was het loon voor zijn rusteloos zwoegen en streven. Duizend anderen zouden den moed opgegeven en het gelooi', dat ook voor hen nog een morgenrood zou lichten, verloren hebben; want die menschen, wie het vrome geloof aan God hoog boven de donkere golven van het ongeluk houdt en ook dan, wanneer zware slagen op het schuldeloos hart nedervallen, den moed en het vertrouwen op God niet verliezen, behooren niet tot de alledaagschen en t')t de groote menigte. Haydn koesterde in zijn hart de onwankelbare overtuiging, dat God, die hem zulk een groote begaafdheid geschonken had, hem niet halverwege ellendig zou doen ten gronde gaan. Daarbij kwam zijn vroolijke inborst, die zich over eigen ongeluk zeer licht wist heen te zetten en over een veel geringer' leed, dat een medemensch trof, tot schreiens toe bewogen werd.
Haydn ging voort met aan zijne leerlingen les te geven, in den dom voor zeventien kreutzers het orgel te bespelen en bij de Barmhartige Broeders zoowel als in de kapel van den graal' Hangwitz als organist werkzaam te zijn. Dat hield hem boven water, ol-schoon zijn maag, ter wille der aanschalling van nieuw linnengoed
131
en bovenkleeding, /.ich dikwijls met zeer geringen kost moest Jae-lielpen.
Het ongeluk brengt Je menschen tot elkander: de slechte hoedanigheden veiliezen haar aanslüoteli.kheid, en het goede, dat de rnensch in zijn hart omdraagt, treedt met verdubbelde kracht op den voorgrond. Terwijl de oude kapper Keiler in zijne argelooze trouwhartigheid zijnen commensaal duizenden kleine oplettendheden bewees, welke ieder up zich zelve als eene weldaad vcor zijne magere beurs kon gelden, wedijverden de beide meisjes in alle bedenkelijke opmerkzaaiuheden voor den «goeden Maestroquot; gelijk zij hem gaarne schertsend noemden. Nu eens was het een bloem, een appel, dan weder een tros di uiven, een gebak, wal Haydn, van zijne lessen te huis komende, op zijne tafel vond. Hoe gering de waarde van deze verrassingen ook was, vond Haydn er toch zooveel behagen in, dat hij steeds met bevleugelde schreden huiswaarts keerde om te zien, wat de vindingrijke genegenheid voor hem bestemd had. En al was hij ook prozaïsch genoeg om de vruchten te verorberen) hield hij de bloemen in des te grootere eere, droogde ze en bewaarde ze zorgvuldig. Ãén ding veroorzaakte hem nochtans wel eenig hoofdbreken: van wie al deze kleine geschenken kwamen. Volgens den aandrang zijns harten zou hij ze alle, liet liefste aan de stille, stemmige Anna toegeschreven hebben; maar het was immers niet onmogelijk, dat ook Lina daaraan deel had.
Beiden waren schoon : de eene als een viooltje, de andere als een bloeiende roos; Anna stil, in zich zelve gekeerd, bescheiden en vriendelijk, oog en gemoed nooit bewolkt, geen bitter woord op de lippen en geen hartstocht in het hart. Geheel anders was de donker-oogige, levendige Lina; heftig in hare bewegingen, hartstochtelijk in hare gewaarwordingen, geheel aan de opwelling van het oogenblik gehoorzamende, met volle handen weggevende en dan weder om een kreutzer krakeelende, verkwistend met den rijkdom haars harten en dan weder met onbegrijpelijk genot dengene pijnigende, dien zij even te voren vleide en prees.
Haydn's hart voelde zich tot het verwante stille hart van Anna
132
aangetrokken en toch waren er oogenblikken, waarop zijn oog bewonderend op Lina rustte, die hem door hare grootere beweeglijkheid aantrok. Anna hield zich schuchteren op een afstand, Lina trad hem met eiken dag nader, zonder de maagdelijke scliroomval-ligheid echter in de verste verte uit het oog te verliezen.
De oude Keller bad een scherpen blik en als hij zag hoe zijne Lina met Haydn schertste en krakeelde, als hij boorde boe zij hem in éénen adem aardig en onuitstaanbaar noemde, dan plukte bij aan zijn jabot, glimlachte vergenoegd en speelde als toevallig met zijn trouwring. In zijn binnenste vervulde hem daarbij eene gedachte, die sinds lang de vurigste wensch zijns harten geworden was.
In de eerste plaats vorschte bij in de harten zijner dochters naar hare gezindheid voor Haydn, hoezeer dit oppervlakkig geoordeeld onnoodig scheen ; maar hij wilde toch zoo mogelijk met zekerheid te weten komen, wie van beiden bet mee-.te bereid was zijne oog-roerken te verwezenlijken.
Toen Haydn op zekeren dag tegen zijne gewoonte uit den gezelli-gen avondkring wegbleef en de oude kapper, in zijn leunstoel zittende, zijn pijpje rookte, terwijl de meisjes bij het schijnsel der olielamp zaten te naaien, scheen bet rechte oogenblik gekomen, om de harten zijner dochters te peilen.
»Meisjes, waarom zijt gij zoo stil? Deert u soms iets?quot;
«Mijnbeer Haydn is van avond niet hier,quot; antwoordde Anna hall-luid zonder van haar werk op te zien; »ik luister zoo gaarne naar hem als hij praat en vertelt.quot;
»Dat kan ik voor mij juist niet zeggen,quot; merkte Lina, de lippen krullende aan; «hoeveel ik ook van den jongenheer houd, hinderen mij toch dikwijls zijne redeneeringen, vooral als bij zoo vroom praat, dat men meenen zou een kloosterbroeder en geen lusligen muzikant voor zich te hebben.quot;
De oude fronste de wenkbrauwen.
âjuist die oprecht godsdienstige overtuiging, welke uit al de woorden en handelingen van mijnheer Haydn spreekt, trekt mij het meeste in hem aan,quot; bracht Anna hiertegen in.
133
«Dat is een quaestie van smaak, Anna! Voor mij ware het de geringste spoorslag om met hem te huwen.quot;
))Zoo, kind,quot; mengde de oude zich in liet gesprek, »zoudt gij dus Joseph Haydn wel tot man willen nemen?quot;
«Waarom niet, vader? Ik heb daarover nog wel niet ernstig gedacht, maar mij dunkt dat ik hem recht lief zou kunnen hebben.quot; oEn hoopt gij met hein ook gelukkig te worden ?quot;
«Wel zeker! Maar hij zou het bestuur van de huishouding en de vrije beschikking over zijne beurs aan mij moeten overlaten.quot;
'iMet het laatste zoudt gij het niet bijzonder volhandig hebben,quot; merkte haar vader aan.
oOch! gij bedoelt daarmede, dat Haydn thans een arme drommel is, die dikwijls geen penning op zak heeft. Ware ik maar eenmaal zijne vrouw, dan zou dit spoedig' anders worden. Tot dusverre heelt Haydn zich altijd zeer deemoedig en bescheiden ter zijde gehouden en verschrok hij bijkans als men naar hem keek of vroeg. Had hij iets gecomponeerd, dan stelde hij zich tevreden met elk honorarium, dat een slechts op het voordeel van zijn eigen zak berekenden uitgever hem toekende; en gaf men hem, gelijk meesten' tijds gebeurde, in het geheel niets, dan maakte hij eene ootmoedige buiging en verstoutte zich niet een enkel woord tegen zulk eene behandeling in ta brengen. Ik zou Haydn laten scheppen en arbeiden, zoo goed en zooveel hij kon, maar dan moest hij zich ook doen gelden, het hoofd (ier omhoog dragen en den menschen too-nen, wat het zeggen wil Joseph Haydn te heeten. En verlangde iemand zijne compositiën, dan zou hij ze legen goud moeten opwegen eer hij ze ontving. Dit zou Haydn's leven een nieuwen prikkel geven; met het verdwijnen der zorgen voor het dagelijksch brood zou zijn talent een nog hoogere vlucht nemen en zoo zou hij, die zich thans voor den geringste houdt en in armoede verkwijnt, weldra een der eersten zijn, bewonderd door allen en over de geheele wereld vermaard. Dit alles moest Haydn onder mijne leiding worden,quot; besloot het meisje met stijgende geestdrift, »en niet alleen groot voor de wereld, maar ook gelukkig in zijn hart.quot;
134
Dp oude Keller had zijne dochter met verbazing aangehoord, ja, hij had zelfs zijne pijp vergeten, zoodat hij deze opnieuw moest aansteken, eer hij antwoordde:
«Kind, wat. gij daar gesproken hebt, klinkt zoo verstandig, en zoo schoon en zoo waar, dat ik u wel zou kunnen omhelzen. .Ta, ik geloof het zelf, gij en niemand anders zoudt van Joseph Haydn iets ^rootsch maken. Tallooze talenten zijn onbekend gebleven en ten gronde gegaan, omdat de vrouwelijke band ontbrak, die ben met liefde en geestkracht tot hoogere doeleinden opvoerde. De mensch moet weten waarvoor hij leeft en arbeidt, dan leeft hij met vrucht en arbeidt hij met lust.quot;
Anna boorde dat gesprek stilzwijgend aan. Diep over haar naaiwerk beengebogen, weende zij in stilte, en de tranen, die anders het wee van het rnenscbelijk hart stillen en verlichten, brandden als vuur in bare oogen en op hare wangen. Diep in haar hart nestelde zich echter een verborgen lijden.
«Vader,quot; dus brak Lina het zwijgen, »wat dunkt u?quot;
«Dat gij in alles volkomen gelijk hebt.quot;
«Ook wanneer ik tot u zeide, dat ik Haydn morgen mijne Innd ten huwelijk wilde reiken?quot;
«Ja.quot;
Lina stond op, trad op baar vader toe en streek hem de dunne haren van het voorhoofd.
«Vader, nu durf ik u alles zeggen,quot; lispelde zij. «Ik ben Joseph meer genegen dar. iemand anders ter wereld. Ik zou met trots de vrouw worden van een man, die heden nog een bedelaar is, maar niet sterven zal vóór hij oen groot man geworden is.quot;
Anna wierp haar naaiwerk op de tafel en snelde uit de kamer.
Keiler zag het meisje verwonderd na, en Lina daarop de hand reikende, sprak hij: »Ga naar bed! Ik keur uwe neiging goed: indien God het wil, zeg ik niet neen !quot;
Het was middernacht toen Haydn, van een concert terugkeerende,
135
zijne legerstede opzocht. Hij verlichtte met een opgeruimd gemoed zijn avondgebed en sliep met zingende ziel in. Drie andere personen in hetzelfde huis konden den slaap niet vatten: de oude Keiler, die Lina's woorden niet uit zijn geest kon verbannen; Lina, die /ich reeds Haydn's verloofde waande, en Anna die stil weende en hare neiging ten offer bracht.
Den volgenden morgen luidden de feestklokken der St. Stefanus-kerk voor de vroegmis. Haydn had zich bij het krieken van den dag naar het heiligdom gespoed om zijn post van organist waar te nemen: het was een Mariadag, Het Ave Maria, dat hij bij het üf-fertorium speelde, was geheel de weerklank zijner ziel, die van reine iiemelsche liefde overvloeide.
De mis was uit, doch Haydn's geest verlangde nog na een kwar-tieruurs van stil gebed. Hij zocht dien donkeren hoek rechts van het groote portaal op, waar een beeld van O. L. Vrouw van Zeven Weeën stond, waaronder steeds een aantal waskaarsen brandden.
Een groote schaar geloovigen knielde rondom het beeld op den steenen vloer neder en ook hij liet zich op de knieën zinken, zonder acht te geven op degenen, die naast hem lagen te bidden. Daar stoorde hem een hevig zenuwachtig snikken in zijne aandacht: met medelijdende verwondering sloeg hij de oogen op de naast hem knielende. Hel was Anna. Een vlijmende smart doortintelde zijn hart en hij zocht tevergeefs in zijn geest naar de oorzaak van deze heete tranen.
Na een lang gebed stond het meisje op en Haydn volgde haar op den voet. Buiten de kerk gekomen, reikte hij haar groetend de hand.
»Anna,quot; sprak hij vol innige deelneming, «gij hebt zoo bitterlijk geweend, dat het mij tot diep in het hart drong. Ik heb noch het recht noch den moed om naar de oorzaak van deze tranen te vragen; maar wat u ook moge kwellen, ik neem een levendig aandeel in uw lijden.quot;
»Ik heb vandaag een lieven doode begraven,quot; antwoordde het meisje fluisterend.
»Anna, ik begrijp u niet!quot;
136
«Dat geloof ik wel. En uit mijnen mond zult gij ook nooit de â oorzaak mijner droefheid vernemen. Maar een ding wil ik u zeggen, namelijk, dat ook eens menschen hart een stille doodenakker worden kan, waarin het zijne liefste wenschen begraaft.quot;
Nu wist Haydn in het geheel niet meer, wat hij antwoorden zon, want zijn argelooz^ ziel had niet het geringste vermoeden van de ongeneeslijke wonde, waaraan Anna's hart voorlaan zou. verbloeden.
»Haydn,quot; nam het meisje na eene korte pauze het woord weder op, sik moet u nog inzonderheid mijn dank betuigen.quot;
»En waarvoor?quot;
»Uw Ave Maria heeft mij troost van den hemel gebracht. Dat vergelde u God! Onze levenspaden zullen uit elkander loopen, wellicht zoover, dat wij elkander daarop nimmermeer ontmoeten. Neem daarop de bede van een trouw menschenhart mede; Haydn, bewaar uw vroom geloof en uw onbaatzuchtig gemoed en gij zult waarlijk groot worden!quot;
»Anna, hier hebt gij mijne hand!quot; riep de jonkman in geestdrift uit. «Eerder wil ik alles, het licht mijner oogen, den genius der muziek in mijne ziel verliezen, dan mijn geloovig vertrouwen op God!quot;
Zoo sprekende hadden zij de gemeenschappelijke woning .bereikt. Met een stommen handdruk scheidden zij. Haydn begaf zich naar zijne kamer, die zorgvuldiger dan ooit in orde gebracht was. Schoone gordijnen hingen voor de ramen en op het spinet stonden twee bloeiende rozenstruiken in potten: eene roode en eene witte; Haydn's oogen vlogen vluchtig, bijna onverschillig over de bloemen â zijne gedachten waren ginds bij het arme meisje met het bloedende hart.
De plicht riep hem na korte verpoozing weder uit zijne eenzame kamer: maar overal vergezelde hem het beeld van het treurende meisje, en steeds klonken hem de woorden: »eens menschen ha^i kan een stille doodenakker worden,quot; onheilspellend in de ooren. Het deed hem derhalve onuitsprekelijk veel genoegen, dat Ditters na den afloop van de hoogmis in het noorder-portaal der St. Stefanus-kerk wachtte, om een kwartiertje met hem al pratende door de
137
straten te slenteren. Maar ook aan de zijde zijns levenslustiger â¢vriends kon hij niets vroulijker worden; verstrooid hoorde hij diens gesnap aan en vergat zelfs op ter loops gedane vragen te antwoorden, zoodat Bitters, het hoofd schuddende, staan hleef, Haydn's hand vatte en wrevelig uitriep: Joseph, gij zijl vandaag zoo onuitstaanbaar vervelend als nog nooit van uw geheele leven! Zijt gij ziek?quot;
»Neen, gelukkig niet!quot;
«Zoo! dan zijt gij verliefd!quot;
Haydn klemde.
))Verliefd?quot; stotterde hij. olloe komt gij op dien inval? Ik ben slechts ernstig, bijna treurig gestemd, zonder eigenlijk zelf te weten waarom.quot;
Over Bitters gelaat vloog een spottende lach. «Laat er ons maar van zwijgen!quot; sprak hij. »A propos,quot; vervolgde hij, «hebt gij reeds van den Boheemschen graaf Morzin gehoord, die hier eene kapel vormt, waarmede hij aan zijne muzikale liefhebberij voldoen wil? In do eerste plaats zoekt hij een bekwamen kapelmeester. Kerel, dat was iels voor u!quot;
Haydn maakte een afwerend gebaar.
«Voor mij? Neen, beste vriend! Voor Joseph Haydn is ook het slechtste goed genoeg. Laat mij mijn leven als organist en muziekmeester verslijten; waarom zou het ook juist met mij beter gaan dan met, duizend anderen, die den wagen des levens door het dikste moeras voorttrekken moeten?quot;
«Bravo, Haydn!quot; spotte Bitters met een zweem van bitterheid, «gij kunt klagen als eene vrouw. Vandaag zijt gij niet om uit te staan. Weet gij, wat het is, wanneer een mensch gelijk gij het geloof aan zich zeiven en aan zijne toekomst verliest? Lafhartigheid is het, schandelijke lafhartigheid! Ik heb allen lust verloren ook zelfs nog een enkelen stap verder met u te gaan. Vaarwel, Joseph, en waag het niet mij onder de oogen te komen, zoolang gij niet een ander mensch zijt geworden!quot;
«Zoo reik mij toch tot afscheid de hand!quot; verzocht Haydn gekrenkt.
â¢138
«Neen, ik wil niet!quot; gromde I.itters en wendde hem den rug toe.
Geheel ontstemd keerde Haydn naar huis, met zich zelveu en de geheele wereld ontevreden. Had hij geweten, dat Ditters' verstoordheid slechts de dekmantel van diens oprecht medelijden met den moedeloozen vriend was, dan ware hij voorzeker niet boos op hem geweest, maar hadde hij hem integendeel met de hem eigene hartelijkheid daarvoor gedankt.
Hoe gaarne hij zich ook in de eenzaamheid zijner kamer aan de in hem woelende gedachten hadde verdiept, liet hem toch de oude pruikenmaker daartoe den tijd niet. Eerst praatte hij over onver-snliillige onderwerpen, maar liep daarbij zoo zenuwachtig en onrustig heen en weer, dat Haydn hem verwonderd aanzag. Eindelijk bleet hij voor den jonkman staan, legde zijne beide handen op diens schouders, zag hem diep in de oogen en sprak: «Haydn, gij moest trouwen!quot;
Haydn ontroerde licht bij deze woorden; mogelijk had de oude Keiler dit gevoeld, want hij trok snel zijne handen terug.
»Vader Keiler, gij drijft den spot met mij,quot; antwoordde Haydn geraakt. «Hoe zou ik, die niet genoeg heb, om in mijn behoeften te voorzien, er aan durven denken, een eigen haard te vestigen, waarin geen vuur zou branden, om tot stilling van den gemeenschappelijken honger der familie eene al ware het ook magere soep te koken? Neen, vader Kojlor, Iaat mij eenzaam mijn weg gaanj daarbij ware het ook wellicht verkeerd van mij gehandeld mijn hart tusschen de muziek en eene echtgenoote te deelen.quot;
De oude keek misnoegd.
»Dat zijn alteraaal bittere woorden, die in den mond van een godvruchtig mensch niet passen. Gij zijt ontevreden met het tegenwoordige en twijfelt aan de toekomst! Dat is noch billijk, noch gced. Haydn, ook voor u gaat eenmaal de zon voor een schoon, gelukkig leven op; laat slechts eerst de nevelen, die het licht verduisteren, optrekken. Ik geloof zoo vast aan uw talent en aan een beroemde toekomst, dat ik althans, terwijl gij niets zijt en niets bezit dan uw talent, u een mijner dochters ten huwelijk zou willen geven.quot;
139
Haydn's oog schitterde verheugd. Hij dacht aan Anna.
«Ziet gij,quot; ging- de oude up gemoedelijken toon voort, »gij kent mijne Carolina â nu, waarom wordt gij zoo bleek? â blijft in mijn buis wonen en eet aan mijne tafel; wat ik heb, deel ik met u, en zendt u de lieve God een zelfstandig bestaan, dan trekt gij met uw vrouwtje waarheen Hij u roept. Maar, wat /.iet gij er ernstig en bedrukt uit, als haddet gij een Jobstijding ontvangen! 01 bevalt u mijn voorslag niet'? .la, dan,quot; â en hij plukte toornig aan zijn jabot, -- »dan was het onverstandig van mij u zoo lief te hebben, om zelf u liet dierbaarste wat ik bezit aan tc bieden.quot;
Ilaydn zag het toornig opflikkeren in het oog van den ouden â¢pruikenmaker.
«Beste vader Keiler,quot; sprak hij ontwijkend, «wat gij mij daar zeidet, heelt mij zoodanig verrast, dat ik mij zeiven niet meer meester was. Duizendmaal dank voor uwe goedheid! Laat mij slechts eenigen tijd om te overleggen......quot;
«Gij hebt gelijk,' viel de pruikenmaker hem lachend in de rede, »ik heb u als een on weder overvallen. Dat heeft u verschrikt! Ik kan mij dat zeer goed verklaren. Maar bet is etenstijd,quot; vervolgde hij, zijn horloge uithalende; «kom mede, ik heb honger!quot;
Het middagmaal werd tamelijk stilzwijgend gebruikt. Keller was bijna de eenige, die praatte; Haydn en Carolina mengden er nu en dan eene korte bemerking tusschen, Anna echter sprak niet alleen â geen woord, maar zag ook in het geheel niet van haar bord op, waarop de spijzen nagenoeg onaangeroerd bleven liggen. Slechts eenmaal vestigde zich haar oog smartelijk op het aangezicht baars vaders, toen deze zijn wijnglas omhoog hief en schertsend uitriep; »0p uwe gelukkige verloving, beste Haydn!quot; Deze was daarop bloedrood geworden, Anna liad dit ook bemerkt; zij moest al hare krachten bijeenrapen, om niet van haren stoel te zinken. Zij herademde zichtbaar toen de vader eindelijk opstond. Voorkomend schoof zij zijn ruststoel bij de kachel, doch de oude maakte een afkeerende beweging met de hand,
140
flAnna,quot; sprak hij, «vandaag neem ik geen tlaapje. Het ;s wel
geheel en al tegen mijne gewoonte, maar.....quot;
Hij voleindigde den volzin niet, maar ging voor het raam staare en keek naar bulten.
De herfstwind veegde door de straten en langs het zwerk vlogen dikke regenwolken. De lucht was vochtig en dik. Die over de stiaat gingen, wikkelden zich dichter in hunne mantels, op de daken knarsten de windwijzers.
De oude keerde zich weder om.
»Ja, ja,quot; sprak hij met innig welgevallen en toch met bijzonderen nadruk, »de mensch is toch eerst waarlijk gelukkig als hij een gezellig thuis heeft.quot; Zijn oog vestigde zich daarbij vorschend op Carolina, die dien blik met een lichten hoofdknik beantwoordde. »Waar is Anna?quot;
»Vader, zij heeft mij gezegd vandaag alleen den boe! in de keuken te zullen afwasschen; daarna gaat zij naar de predikatie bij de Jezuïeten.quot;
»Goed ! Mijne Anna,quot; vervolgde hij, tot Haydn gewend, «heeft een zeer stil, vroom gemoed; voor de wereld deugt zij echter niet. Dan is mijne Carolina een geheel ander meisje, braaf, vlijtig, vroolijk,. bedachtzaam, eene volmaakte hulsvrouw; heb ik daarin geen gelijk, mijnheer Joseph ? quot;
Haydn knikte toestemmend.
«Laat ons niet veel omslag maken! ik ben evenals onze prins Eugenius ! Ik bestorm de vesting zonder lang te dralen. Llentje, zeg mij, kind,quot; en hij vatte hare hand, «zoudt gij den goeden Joseph. Haydn tot man willen hebben?quot;
Hel meisje zag verheugd op.
»Ja, vader, zeer gaarne!quot; Daarop sloeg zij de oogen neder. «Maar ik weet niet.....quot;
»Of Joseph u lijden mag? Meisje, daarvoor behoeft gij niet bevreesd te zijn! Haydn, hier hebt gij mijne lieveling! gij zijt mijn zoon. Ik geef u belden kost en inwoning; tot God u de tafel dekt, blijft dit zoo. Mijne oude thalers in de kast moeten ook eens weder
141
de luclit en liet zonnelicht komen, anders verteert ze de schimmel.quot;
»Vader,quot; bracht Haydn bedremmeld hiertegen in, »gij vergeet, dat ik niets hen en niets bezit!.quot;
«Domme praatjes! Maar gij wordt wat en wel iets veel grooters dan ik ben. Geluk en aanzien zullen uw deel worden, doch niet daarom geef ik u mijne dochter; maar omdat gij zulk een goed, braaf mens-ch zijt, gelijk ik er in geheel Weenen nog geen tweeden aangetroffen heb. Het is waar, mijn kind had ook een rijken burger kunnen trouwen, maar een beter raensch dan gij gewis niet!quot;
Haydn wierp zich aan de borst van den ouden man.
»Tlet is wel,quot; sprak deze met een van vreugde stralend aangezicht, »ga nu naar uwe Lina en zeg haar wat uw hart u ingeeft.quot;
Haydn trad verlegen op het meisje toe. Lina stak hem de hand toe, trok hem tot zich en fluisterde: «Joseph, gij behoeft geen woord tot mij te zeggen; ik weet dat gij de mijne zijt.quot;
«God zegene u, mijne kinderen, en make u gelukkig!quot; sprak de oude man aangedaan.
Daar werd aan de huisbel geluid alsof er brand ware.
Driftig ijlde Keiler naar de voordeur en opende ze.
Een jonkman stond voor hem.
«Wie zijt gij? wat wilt gij ?quot; snauwde de oude. «Vandaag kap ik niemand meer, al waart gij de keizer van Japan!quot;
De andere keek eene poos verbaasd in Keller's verstoord gelaat en barstte in een schaterend gelach uit.
«Zulk eene onbeschaamdheid heb ik van mijn leven nog niet gezien!quot; brulde de huisheer.
«Ik zou gaarne Joseph Haydn spreken!quot;
Keller deed een stap achterwaarts.
«O! vergeef mij, ik bid u duizendmaal om verschooning!quot;
Hij rukte de deur wagenwijd open.
De vreemdeling trad binnen, ging nair de huiskamer en viel daar Haydn om den hals.
«Oudje!quot; riep hij, «buiten is het herfst, maar bij u wordt het lente met. zonneschijn. Ik breng u een blijde tijding!quot;
142
«Ditters, ik begrijp u niet!quot;
)gt;\VeI mogelijk ! Voor alles moet ik u verklaren, dat gij mij van morgen vreeselijk geërgerd hebt. Ja, kijk mij maar zoo verwonderd niet aan! Hebt gij niet in bitteren wrok tot mij gezegd, dut voor â loseph Haydn het allerslechtste goed genoeg was en gij bestemd waart uw leven als organist en pianomeester te verslijten ? Menscli, uwe woorden hebben mij diep gekrenkt en geërgerd. Gramstorig verliet ik u met het vaste voornemen om u tot een leugenaar te maken. Ik dacht aan graaf Morzin, ging naar hem toe, prees u zoo sterk, dat de oogen hem van aandoening overliepen en hij ten laatste uitriep; »«Welaan! Op uwe aanbeveling neem ik Joseph llaydn als kapelmeester in mijn dienst. Hij is toch ongehuwd?quot;quot; â Vrij als een vogel in de lucht, antwoordde ik, gaf den graaf in uwen naam het Jawoord en thans zijt gij kapelmeester van graal Morzin.quot;
Joseph glimlachte.
ygt;En hier staat mijne verloofdequot; sprak hij, Carolina bij de hand nemende.
XII,
De kapelmeester.
Hot was alsol' er een bliksemstraal uit den helderen hemel neder-schoot en een- kortstondig geluk vernietigde.
Ilaydn hield Carolina's hand vast; zijne gestalte was fier opgericht, zijn gelaatsuitdrukking kalm. Maar de oude man daar achter de hali' openstaande kamerdeur beefde en rilde van angstige spanning.
Ulings trad hij nader.
«Joseph, wat doet gij nu?quot; vroeg hij met gesmoorde stem.
»Ik huw mijne Lina.quot;
Keiler ademde verlicht.
«Maar uwe aanstelling ?quot;
«Wol, daar zie ik van af!quot; lachte Haydn. «Wanneer de hemel slechts éene ster en des menschen hart slechts ééne hoop hadden, waren geen van beide schoon.quot;
«Edel hart!quot; jubelde do pruikenmaker, «thans heb ik u nog duizendmaal zoo lief als eerst!quot;
«Beste vriend, gelijk gij ziel heeft het niet moeten zijn,quot; hernam Haydn, zich tot Ditters wendende en hem tot dank de hand reikende., «Breng den graaf mijn eerbiedigen groet over en zeg hem dat ik een bruidje heb die mij belet zijn kapelmeester te worden.quot;
Ditters klemde de lippen opeen en zijne oogen flikkerden toornig.
«Ik moet u onbewimpeld zeggen,quot; viel hij misnoegd uit, dat het
r--â---1â
144
â eene moeielijke taak is om uw vriend te zijn. En tocli! Laat ons eens bedaard overleggen. Graaf Morzin verlangt dat gij ongehuwd zijt â dat zijt gij toch â dat gij niet zoudt mogen huwen, daarvan heeft hij geen woord gezegd.quot;
»Bravo! bravo!quot; riep de oude Keiler in de handen klappende.
»Is dat echter wel eerlijk gedacht?quot; merkte Haydn angstig aan.
»Wat praat gij toch van eerlijkheid?quot; bruischte Bitters op. «üe graaf zorgt niet voor uwe vrouw, en zoo lang hij dit niet doet, heeft hij geen recht u het trouwen te verbieden. Morzin us een dweeper, een zonderling, die als een zigeuner met zijne eenige gehelde, de muziek â in het land heen en weer trekt: en daarom wil hij, dat wie in zijn dienst is, ongehuwd zij, opdat zijne musici door geen andere banden geboeid zouden zijn, dan de liefde tot de kunst!quot;
«Joseph,quot; vleide zijne verlooide, »ga vandaag nog naar den graaf! Vraagt hij u of gij gehuwd zijt dan zegt gij neen, aan uwe verloofde zal hij niet denken.quot;
Haydn stond besluiteloos.
De oogen en wangen van het meisje gloeiden.
»Gij aarzelt tusschen de liefde voor mij en die voor uw brood,quot; hernam Lina ernstig. «Schijnt u het laatste het grootste geluk, zoo vergeet mij!quot;
«Neen, ik aarzel niet! Ik weiger!quot;
«Recht zoo, beste Joseph,quot; prees het meisje, «verbind uw leven met het mijne, het zal u niet berouwen! Brood bieden u ook nog anderen als de graaf Morzin.quot;
«Lichtzinnige jeugd!quot; berispte Bitters. «Uij spreekt als meldde zich alle dagen een graaf of een baron aan om Haydn in zijn dienst te nemen. Verloofden zijn onverstandig en onpraktisch; als zij door hun zoeten roes bevangen zijn, moeten anderen voor hen zorgen. Haydn, trek uwe beste kleederen aan, we gaan naar den graaf Morzin!quot;
«Ik heb mijn beste en mijn slechtste pak aan!quot;
«Ban moet ook dit goed genoeg zijn. Voorwaarts dus; julfrouw Lina, ik breng u Joseph binnen korten tijd weer behouden te huis.quot;
i
14ö
/wijgeiul siajilen beiden naast elkander door de levendige straten voort; llaydn ernstig en nadenkend, Ditters welgemoed en vergenoegd glimlachende. Zij gingen een paleis binnen, dat vroeger betere dagen mocht gekend hebben: overal bespeurde men verbleekten luister, vervallen heerlijkheid. Een bediende voerde hen in een half duistere voorkamer en verzocht hen daar te wachten.
«Mensclv' fluisterde Ditters en nam een dreigend voorkomen aan, »ik waarschuw u, dat gij geen domheid begaat. De graaf zal u vragen of gij gehuwd zijt. Wat zult gij antwoorden?quot;
«Nog niet; maar ik hoop... '
De vleugeldeuren openden zich; Ditters had nog slechts den tijd zijn vriend een beteekenisvollen stomp in de zijde te geven en daarna met llaydn onder diepe buigingen in dr ontvangkanier te treden
De graal, een rijzig man. niet een voornaam niterlyk, ontving de bezoekers met dien nauw merkbaren hoofdknik, waarmede aanzienlijke heeren de ongemeen geringe mate bunner achting en wellevendheid jegens meuschen van minderen rang zoo meesterlijk plegen uil te drukken. Een kleine gouden snuifdoos tusschen de lange aris-tocratische vingers houdende, vestigde hij de halfgesloten oogen scherp op de beide jongelieden, bracht zijn met welriekend water bevochtigden batisten zakdoek aan den neus, ging naar een fauteuil, waarin hij achteloos plaats nam, speelde een tijd lang met een afschuwelijk leelijk mopshondje, dat met moeite naar hem toe waggelde en sloeg eindelijk, als herinnerde hij zich eensklaps dat daar aan de deur een ['aar bezoekers stonden, de halfgesloten oogen op.
«Aha, mijnheer llaydn? Niet waar?quot;
De aangesprokene boog.
»Goed! Ier zake! (iij zijt mij aanbevolen als een bekwaam musicus.
Ik bemin de muziek, ik..... ik â enfin, ik heb voor mijne muziekkapel
een maestro noodig. Acht gij u tut het vervullen van zulk een gewichtige betrekking in staat? Wel?quot;
Ditters bemerkte nauwelijks Haydn's angstig voorkomen, of hy haastte zich in diens plaats te antwoorden. «Joseph Haydn dirigeert
10
146
elk orkest, ook de grooto opera. Ik beveel slechts talenten aan vanden eersten rang!quot;
«Uitmuntend! Laat ons dan de zaak regelen!quot; Hij kruiste de beenen over elkander en legde den wij-vingdr der reclilerliand tegen den duim der linker. »Gij bekomt tweehonderd gulden honorarium 'sjaars, eet met mijne bedienden, moet den winter met mij in Weenen en den zomer op mijne landgoederen in Bohemen doorbrengenquot; â bij de laatste woorden rekte zich de gestalte des graven uit â «zult mijne kapel met uwe compositien en de beste voortbrengselen van don nieuweren tijd vertrouwd maken en elk oogenblik, hetzij bij dag of bij nacht, te mijner beschikking wezen. Begrepen9quot;
j.lk zal mij beijveren de rnij opgelegde verplichting zoo veel in mijn
vermogen ligt, na te komen.quot;
sGoed, zeer goed! Gij begint mij te bevallen, parbleo! Uw kleedmg is wel wat armoedig, versleten, dat zult gij natuurlijk veranderen!
_ pleeg de bloem van den adel bij mij te ontvangen. Apropos!
gij zijl ongehuwd, niet waarquot;.'quot;
iiaydn werd vuurrood.
»Ja, ik ben nog niet gehuwd!quot;
»Gelukkig! Anders had ik u niet in mijn dienst genomen.''
Hij klingelde niet een zilveren schel.
De kamerdienaar verscheen.
â.lean, mijn nieuwe kapelmeester!quot; berichtte Morzin. op Haydn wijzende. «Van morgen al' dekt gij voor hem aan de hediendentafel. Mijne kapel is voor van avond bijeengeroepen. Ik verwacht iets uitstekends.quot;
Zoo sprekende stond hij op, boog slechts voor bitters met het hoofd â want Haydn was thans zijn bediende â en verdween in
het aangrenzende vertrek.
In den gang bleef Haydn met een wanhopig voorkomen staan.
«Wat is het?quot; vroeg Ãitters.
«Hoe kunt gij dit nog vragen? He graaf verwacht van avond iets uitstekends en ik ken nog niet eens de kapel!'
147
«Joseph, gij hebl gelijk!quot; Bitters vatte den kamerdienaar bij den schouder. «Luister,quot; sprak hij barsch, «de graat' heelt voor hedenavond een concert bevolen. Gij moet terstond de muzikanten voor een repetitie hier bijeen laten roepen.quot;
De bediende bruiste toornig op. «Dat zal illt; niet doen! Gij hebt mij niets te bevelen!quot;
«Goed, vlegel! Zoo iivId den graai dat er vandaag geen concert plaats heelt.quot;
Ditters grofheid boezemde den bediende ontzag in.
«Mijnheel' llaydn zal de kapel over twee uren in de muziekzaal bijeen vinden,quot; gat' hij bits ten antwoord.
'Ie huis gekomen had llaydn sleclits zooveel tijd over oin zijne verloofde in vliegende haast mede te deelen, dat hij nu werkelijk gi'aaf Morzin's kapelmeester met tweehonderd gulden 's jaars en d a gel ij k-schen bediendenkost was, en hoe zijn arm hart bekneld geweest was, toen hij den graaf verzekeren moest, dat hij nog niet gehuwd was. Hij wist wel dat hij eigenlijk geen leugen gezegd had; maar zijn hart had daarbij toch sneller en luider geklopt.
Lina was niet weinig in haar schik toen zij dit alles hoorde. 'gt;.Io-seph, ik wensch u geluk!quot; sprak zij; «kapelmeester zijt gij en mijn man wordt gij. Ga en laat den graal eene muziek hooien, dat hij bekennen moet nog nooit eene schoonere gehoord te hebben! Morgen vertelt gij mij van uw eersten debuut. Vaarwel, geliefde kapelmeester en â verloofde!quot;
Zij reikte hem de hand en de glans barer oogen drong als zonnegloed in zijne ziel â
Een half uur later bevond Haydn zich in de muziekzaal van Mor-zin. Eenige leden der kapel zaten reeds meesmuilend in een hoek, de overigen kwamen achtereenvolgens, meerendeels gerijpte of zelfs oude mensdien, die den jongen kapelmeester met geen vriendelijke oogen aanzagen. Dezen ontging noch het geheimzinnige lluisteren, noch de bijna vijandige blik van de musici; maar hij gaf zich den schijn als lette hij er niet op, hoewel een hang voorgevoel zijne borst vervulde. Hij had een zijner composiliën medegebracht en ver-
148
deelde nu de partijen op eiken lessenaar; de anderen (roklien den neus op en luchten boosaardig;.
Ilaydn trilde inwendig van gramscliap. Hij begreep dat men liem niet als kapelmeester wilde, men bespotte, ja, men haatte hein.
Zij gelioorzaamden zoo langzaam mogelijk. Eindelijk kon Ilaydn het teeken tot het begin van het stuk geven. Aanvankelijk ging het zeer vlot, weldra echter raakte de eerste viool uit de maat en na weinige oogenblikken ging alles verward dooreen.
«Herhalen!quot; riep Ilaydn, terwijl hij zich alle moeite gat' om zijne bedaardheid te bewaren.
De uitslag was nog jamnierlijker.
.)En nu nogmaals!quot; riep Ilaydn wederom, greep zijne viool en speelde krachtig mede.
Nieuwe verwarring.
Ilaydn wischte zich het zweet van hel voorhoofd. «Mijne heerenl óf gij wilt niet óf gij kunt niet spelen. In beide gevallen echter staat uw bestaan op het spel!quot;
De muzikanten ontroerden. Haydn's nadrukkelijk optreden boezemde hun ontzag in.
«Komaan! laat ons het ding dan nog eens beproeven !quot; bromde een oude met rood koperkleurig gelaat en waterige oogen. »Als het gaan moei, dan za/ het ook gaan.''
En het ging werkelijk prachtig!
«Bravo! mijne heeren!quot;' prees Ilaydn. «Gij weet voortrell'elijk met uwe instrumenten om te gaan!quot;
«Als wij willen!quot; grinnikte een muzikant hallluid.
Ilaydn liet nog eenige stukken uit het afgezaagde repertoire dei-kapel spelen en eindigde de repetitie.
De muzikanten verstrooiden zich in de omliggende bierhuizen om zich te verkwikken tot het uur van het concert geslagen was. Haydn bleef alleen in de zaal, doorzag de voorhanden muziek, beproefde de instrumenten en zette zich daarna in een halfdonkeren hoek, om zich in zijne sombere gedachten te verdiepen, want de liefdeloosheid der menschen had hem treurig gestemd. Maar hij
149
bleel niet lang zitten mijmeren; want de lioop was sterker dan de smart. Hij greep naar eene viool en speelde er zulk een liefelijk dieproerend lied op, als gold het een ziek kind in slaap te sussen Kn met de tonen wies zijn moed en met den moed zijn genie, grootsch, vol en majestueus ruischten de dubbel- en drieklanken als een hymne van de snaren en toen hij geëindigd had, kuste hij de viool als een geliefde vriendin en drukte haar aan zijn hart.
))Bravo! prachtig, heerlijk!quot; klonk het uit een donkeren hoek.
llaydn keei de zich verschrikt om. De eenige brandende waskaars kon de grooie zaal niet verlichten : het was als een dwaallichtje in don duisteren nacht.
Graal Morzin trad uit het donker te voorschijn.
»Mijn beste Hay dn,quot; sprak hij met wecke stem, »gij hebt wonderbaarlijk gespeeld, op mijn woord! Wal hebt gij voorgedragen'? Hel stuk was meesterlijk, inderdaad!quot;
Haydn glimlachte.
))Ik was treurig en bitter geworden,quot; antwoordde hij, »en zulke sombere buien, die op het gemoed drukken, moet men of wegzingen ol wegbidden. En daar ik hier niet hidden kon, zong ik mijn lied op de viool, gelijk liet oogenblik het ingaf, en nu ben ik weder opgeruimd en tevreden.quot;
»11 w vriend Ditters heeft niet te veel gezegd ' De man ergerde mij toen hij beweerde dat hij slechts talenten van den eersten rang aanbeval : ik hield dat voor bluf â maar ik heb mij vergist â hij heeft gelijk! Breng hem mijn dank over, mijnheer llaydn?quot;
Langzaam schreed hij weder naar den donkeren kant der zaal âplotseling was zijn vaste, afgemeten tred niet meer hoorbaar. â Haydn spande oogen en ooren in â hij vernam niets meer. Hij nam het eindje waskaars en ging daarmede langs de wanden der zaal onderzoekende op en neder; nergens ontdekte hij een uitgang! De vleugeldeuren, die in de zaal voerden, waren naast het orkest; wie daardoor uit- en inging had door Haydn moeten gezien worden.
Hel uur van het concert sloeg. Een bediende stak de waskaars?n op de muzieklessenaars aan, voor het overige bleef de zaal in het duister.
150
Verbaasd zag Haydn de musici aan; hij kon zich niet verklaren â wat de duistere zaal te beteekenen had : daar hoorde hij hoe iemand zijn buurman toelluisterde :
«Vandaag spelen wij weer eens voor den graaf alleen, wee onzer dus als wij liet ongeluk hebben een misgreep te doen, want dan breekt er een onweersbui boven onze hoofden los!quot;
De kamerdienaar trad na een wijl op Haydn toe: «Mijnlieer de giaat beveelt het concert aan te vangen!quot; sprak hij,
Haydn's oog zocht in de duisternis naar Morzin, doch kon geen spoor van hem ontdekken. Hij tikte met den dirigeerstok op den lessenaar. De symphonie begon.
De jonge kapelmeester was overgelukkig. Onberispelijk klonken de melodieën, en hij, hij was haar gebieder. Het was hem als stroomden zij, door toovermacht opgeroepen, uit zijn maatstok, en die hem op dit oogenblik de wereld zou geschonken hebben, hadde geen dank van hem ontvangen.
Het stuk was geëindigd. Haydn wierp zijnen muzikanten een kushandje toe en vergenoegd zagen dezen naar hem op. De volgende toonstukken werden met gelijke zuiverheid en zorg voorgedragen. Nu kwam Haydn's eigen compositie aan de beurt tot sluiting van het concert. Zijn hart bonste; inwendig bad hij dat God Zijn zegen daaraan mocht hechten. Klaar als een w:oudbeek, die tusschen bloemrijke boorden voortschiet, klaterend, bruisend, kabbelend, rui-schend, nu eens statig en plechtig, als zacht geheimzinnig fluisteren in het nachtelijke woud, dan weder liefelijk als engelenzang of het klagen eener rnenschelijke stem â golfden de tonen door de spookachtig in schemerlicht gehulde zaal.
Haydn legde den maatstok neder en sloot de partituur.
»Ik dank u, mijne heeren,quot; zeide hij halfluid en reikte den musici beide handen. Onverwachts voelde hij zacht op zijn schouder tikken.
«Overheerlijk, mijnheer Haydn, ik ben verrukt, opgetogen! Dat is muziek! Gij zijt als een veldheer, die met zijne gedachten duizen-den beheerscht. Het laatste stuk was voor mij nieuw.quot;
»Een proef van mij.quot;
151
De graaf schudde met het hoofd.
«Dal was geen preof, maar een heerlijke compositie! Mijnheer ifaydn, gij verdiende! meer te zijn dan mijn kaïieimeester.quot;
oik ben u daarvoor dankbaar!quot;
De graaf keerde hem na een lichten groet den rug toe en verdween in do duisternis der zaal. De muzikanten hadden zich intus-schen verwijderd; slechts een hunner, een magere man, was gebleven en hield zich als zocht hij iets tusschen de muziek; hij wachtte blijkbaar op Haydn's heengaan, en zoodra deze zich gereed gemaakt had, sloot hij zich met vertrouwelijke bescheidenheid bij hem aan en vroeg ;
«Mijnheer de kapelmeester, mag ik u een eind weegs vergezellen
Haydn drukte de hand van den eenvoudigen man.
»Toen wij u vandaag voor het eerst zagen, haatten wij u'; wij meenden, dat men een onbruikbaren gunsteling, dien men voor een koopje krijgen kon, aan ons, oude verdienstelijke mannen, tot directeur had opgedrongen, dat deed ons pijn en gij zult zulks best begrijpen. Maar zoodra wij bespeurden dat gij een man zijt, die in het rijk der tonen heer en meester is, kregen wij u dadelijk lief. Een stumper hadden wij veracht, u echter vereeren wij. Vergeef ons daarom het kleine oproer, dat wij ons jegens u veroorloofd hebben ; gij zult ons van nu af trouw aan uwe zijde vinden!quot;
»Ik dank u en allen van ganscher harte. Maar veroorloof mij eene vraag! Ik begrijp den graaf niet.quot;
»Aha! dat geloof ik wel! Wij spelen de meeste concerten voor hem alleen. Bij is geen alledaagsche kunstliefhebber, hij is kunstkenner en wil, als hij geniet, alleen en ongestoord genieten. Een geheime deur in het behangsel voert uit zijne vertrekken in de muziekzaal. Uit dezen te voorschijn tredende en den donkersten hoek opzoekende, hoort hij ons spel aan en is gelukkig; hij heeft ook geen ander geluk ! Ik zou niet gaarne met hem ruilen !quot;
Haydn antwoordde niet. Hij dacht slechts aan zijn eigen geluk -van kapelmeester te zijn.
»Ue graal ware in alle opzichten een voortreflclijk man,quot; ging de-spraakzame oude voort, «als hij slechts niet zoo wreed was om zijnen musici hel trouwen te verbieden. Wij, oude nienschen, hebben daar vrede mede, maar gij, mijnheer de kapelmeester, een frissche jonge man, moet zulk een verbod, om zoo te zeggen, verschrikkelijk vinden!quot;
Ilaydn was blijde dat de duisternis zijn blozen verborg.
»Met verstandig overleg en goeden wil gaat alles,quot; antwoordde Ilaydn dubbelzinnig en nam, aan zijne woning gekomen, afscheid van den oude.
In zijne kamer vond hij op de tafel eene bloem in een glas water. Hij verstond den groet en glimlachte. Met een dankbaar hart verichtte hij zijn avondgebed en kroop huiverend onder het dekbed, maar geruimen tijd kon hij den slaap niet vatten. En toen hij ten laatste insliep, stond hij in den droom aan den dirigeerlessenaar en aan zijne voeten zaten duizenden, die verrukt naar de tonen zijner muze luisterden.
XIII.
De beslissende stap
Sinds den gedenkwaardigen avond der eerste optreding vanHaydn a!s kapelmeester verliepen voor hem vele gelukkige weken. Zijne kapel was zijn trots en zijn leven, en was liij in den gezolligen hui-selijken kring van den kapper, dan werd hij steeds hartelijk bejegend en met voorkomendheid behandeld. Wel had hij liever zijn middagmaal bij Keiler gebruikt, dan aan de tafel der bedienden des graven, maar hij moest zich naar den wil van Morzin schikken en schikte er zich ook naar, hoewel met een zwaar hart. Des te gioo-ter was dan ook hel genoegen, dat hij smaakte, als hij de avonden,, waarop er geen concert was, in den kring dier lieve menschen kon doorbrengen. Doch ook dit zou weldra anders worden.
Op zekeren dag ontbood graaf Morzin den kapelmeester bij zich. Hij ontving Haydn met die voorname nederbuigende vriendelijkheid, welke aanzienlijke personen dikwijls jegens hunne ondergeschikten betoonen, en die zoo a! niet krenkend evenwel ook niet aanmoedigend is.
«Mijn waarde Haydn, ik zou u gaarne willen bewijzen hoezeer ik uwe verdiensten op prijs stel,quot; dus ving de graaf aan.
Haydn boog dankbaar, en dacht, dat de graaf hem wellicht verlof ging geven om te trouwen.
154
«Ter zake!quot; vervolgde de graaf, »ik ontken niet, dat uw honorarium niet schitterend is; maar opdat gij zien zoudt dat ik den le-vendigeu wensch koester u een blijk van mijne onderscheiding te geven, heb ik bevolen u in mijn paleis een verblijf in te richten, hetwelk, naar ik durf vertrouwen, wel naar uw genoegen zijn zal. Gij zult het nog heden betrekken en mij morgen vertellen, hoe gij onder mijn dak geslapen hebt. Welnu ! wat zegt gij er van ? quot;
Haydn was bij deze woorden doodsbleek geworden.
«Ik moet voor deze gunst bedanken,quot; bracht hij met moeite uit,
»En waarom ? Ik eer de bescheidenheid, welke niets vordert, maar niet die, welke weigert weldaden aan te nemen. Mijnheer Haydn, ik wil dat gij nog heden in mijn paleis uw intrek neemt. Ja, ik wil het, verstaat gij?quot;
«Mijnheer de graaf, ik verzoek u beleefd...quot;
«Mijnheer, ik begrijp u niet!quot; viel Morzin hem misnoegd in de 1 ede- «Mijne bedienden hebben reeds last gekregen uwe goederen herwaarts over te brengen.quot;
Ook dit nog! bedacht Haydn met ontsteltenis. Zouden een dozijn bedienden alleen daarom in mijne kamer komen om een oud spinet» dat in al zijne voegen kraakt, en in een toegeknoopten zakdoek al mijn linnengoed weg te dragen. Ik schaam mij niet over mijne armoede, maar ik geef ze ook niet aan beschimping prijs.
«Mijnheer de graaf, ik onderwerp mij aan uw wil,quot; sprak hij vast en met nadruk; «maar ik zal enkel datgene en wel zelf hierheen brengen, waaraan ik dringend behoefte heb.quot;
De graaf haalde de schouders op.
«Gelijk gij verkiest! Maar dit zeg ik u, ieder ander ware dankbaarder geweest zijn dan gij, mijnheer Haydn. Vaarwel!quot;
Tooinig en vol grimmigheid stormde Haydn naar huis. Hij slingerde zijn hoed in een hoek der kamer, viel in Keller's armstoel neder en kermde; «Ik ga naar Amerika, daar plaagt men de men-schen stellig niet met domme weldaden !quot;
De oude kapper zag Haydn met groote oogen aan.
'155
«Joseph,quot; vroeg hij, terwijl hij liet voorhoofd des jonkmans be-tastte, pzijt gij ziek of krankzinnig geworden?quot;
»Ik denk het te worden,quot; riep Haydn, van zijn stoel opspringende »lk woon, en wel op hoog bevel, van al heden in het paleis van den graaf Morzin!quot;
«Duizend donders! dal gaat niet!quot; viel Keiler uit.
«Datzelfde heb ik ook gemeend,quot; hernam llaydn op klagenden toon, «maar de graal heeft mij gezegd, dat het gaan moest, hij wilde het zoo en dus zal het ook wel zoo zijn moeten.quot;
«Ik heb hierin ook nog een woordje mede te spreken!quot; liet Carolina zich hooien. «Zal dan het eenige, waarin wij ons allen verheugden, ons ontnomen worden? Wat vangen wij voortaan quot;savonds aan als wij onzen mijnheer Haydn niet meer in ons midden hebben? Dan zal het juist zijn alsof men ons den laatsten zonnestraal uit bet hart geroofd heett.quot;
«Kom! den avond kan Joseph toch immers nog altijd bij ons doorbrengen,quot; merkte de kapper aan. «En daarbij moet gij in aanmerking nemen, dat bij bij den graaf vorstelijk woont, terwijl hij bij ons slechts in een armoedige kamer sliep.quot;
Met de vorstelijke woning was het echter zoo bijzonder mooi niet gesteld. Haydn had eene kamer, die aan den tuinkant gelegen en zoo eenvoudig gemeubileerd was, dat het hem weken lang niet in den geest opkwam, er ook maar een enkelen keer trotsch op te zijn. Hij sliep in een bediendekamer, hij was kapelmeester en bediende!
Haydn was in zijne nieuwe positie even weinig op zijn gemak als iemand die oen rok moet dragen, welke'hem aan alle kanten te nauw en te kort is. Maar hij was zijn plicht en zijn hartstocht voor de muziek, dien hij thans meer dan vroeger bevredigen kon, indachtig en was tevreden en gelukkig. De uitvoeringen der kapel werden voortreffelijker; graaf Morzin toonde zich hoogst tevreden, ja, eens drukte hij zelfs Haydn's hand en fluisterde met een weemoedige trilling in zijne stem : «Mijn waarde Haydn, onder uwe leiding heeft mijne kapel reuzenvorderingen gemaakt. Ik wenschte dat ik u naar verdienste kon beloonen, maar ik kan niet ! Onmogelijk ! quot; . . .
150
Kerstmis was voorbij. _ Haydn had reeds voor een aanzienlijk gezelschap .n de muz.ehzaal van den graaf Morzin een schitterend concert gedirigeerd en daarvoor g. ooien lof inn-eoogst
De oude ka),per begon bij Haydn op het sluiten Vn het huwelijk met Carolina aan te dringen, maar den jonkman scheen het niet noodig daarmede zoo veel haast te maken.
Haydn had er eigenlijk nooit aan gedacht een van Keller's dochters te huwen, ja, hij zou zulk eene gedachte in zijne positie als zondig beschouwd hebben; maar nadat vader Keiler zelf tot hem gezegd ''ad: «quot;aydn, gij moet een mijner dochters huwen!'' voelde hij zich meer aangetrokken door de zachtzinnige Anna, hoewel de levendige 7 lleni 00k quot;il3t onverschillig was. Begon hij echter tegenover vader Keller van Anna's voortrelfelijke hoedanigheden te spreken, dan fronste gene de wenkbrauwen, wenkte afkeurend met de hand en sprak: «Alles wat gij van Anna zegt is waar; maar mijne Lina
IS toch bete,'; daarom neemt gij ook haar en niet Anna! En daarmede punctum!quot;.....
De aandrang van den ouden Keiler werd zoo sterk dat Ilavdn eindelijk zijne inwilliging tot het vaststellen van d,-n huwelijksda-gal. Keiler zeil belastte zich met al de beschikkingen voo. de voh trekking van het huwelijk en wanneer het daarbij hier en daar niet zoo vlot ging als hij wel wenschte, stampte hij ongeduldig met den voet en riep wrevelig uit: »En het moet toch gaan!quot;
Hay dn kwam des namiddags regelmatig bij de hem liefgeworden famihe. Anna bleef zich steeds gelijk; zij behandelde llaydn even vriendelijk en voorkomend, doch was stiller en afgetrokkener dan vroeger. Lina daarentegen toonde al hare deugden en gebreken in de bontste mengeling. Zij was boos wanneer Haydn een minuut later kwam, dan zij verwacht had; en was hij eenmaal gekomen, dan i.on zij langer dan een kwartier mokkende en stuursch naast hem zitten ronder hem een enkel woord toe te spreken of eenig antwoord te geven; zij gal hem soms de zoetste namen om hem een oogenblik later met een bitter woord diep te krenken; kortom, zij verviel
157
aanhoudend van het eene uiterste in het andere. Haydn beefde niet zelden terug voor zijne bruid en toch vond hij hoe langer hoe meer behagen in liet verblindende kleurenspel van haar karakter. Dikwijls stelde hij zich zeiven in eenzame stonden de vraag of hij Lina genoeg beminde om met haar gelukkig te worden; maar hij kon voor deze vraag noch een volledig ja, noch een volledig neen vinden. Zijn vriend Bitters had een dieperon en klaarderen blik in zijn gemoed geworpen dan hij vermoedde; gene erkende maar al te duidelijk, dat Haydn onmogelijk uit vrije keuze Lina tot zijne bruid kon uitverkoren hebben, maar dat hier andere invloeden in het spel moesten zijn. Hij bleef niet in gebreke zijn vriend ernstig daarover te onderhouden, waaraan deze kortaf een einde maakte met de bemerking: «Vader Keiler wil, dal ik Lina huwe. Hij heeft aanspraak op mijne dankbaarheid, en uit dankbaarheid en niet uit liefde neem ik Lina tot vrouw. Ik hoop mij aan hare zijde een gerust leven, gelukkig kan mij geen vrouw op aarde maken, alleen de muziek maakt mij gelukkig!
«Hebt gij bij deze woorden ook aan Anna gedacht?quot; vroeg Dit-ters met vlijmende scherpte.
Haydn talmde met het antwoord. Zijne gloeiende wangen getuigden van zijne innerlijke ontroering.
«Vriend! ieder ander hadde ik deze vraag kwalijk genomen, uit uwen mond is zij mij eene weldaad. Zie, wanneer diep in het woud eene roos eenzaam bloeit, zoodat alleen de zonnestraal, die door het dichte loover dringt, haar aanschouwt, dan is het een «vergrijp, de bloem te plukken, om ze op uwe borst te steken, zich een oogenblik in hare bescheiden pracht te verlustigen om haar daarna in uwe handen te zien verwelken. De mensch wordt gelukkig door idealen, niet door menschen. Lina zal voor mij een trouw â bezorgde levensgezellin zijn, die de prozaïsche scherpe kanten van het leven voor mij verzachten zal; zoekt echter mijne ziel naar voedsel dun kan ik mij niet met het geschapene verzadigen â dan .zoek ik God en de melodie.quot; â
Het was in den vroegen morgen en over de st:\d Weenen
lag nog diepe rust. In de huiskapel der Barraliarliye Broeders slt.nd' het bruidspaar voor den priester. Keller, Anna en Dit Iers waren de eenige, getuigen.
Haydn had op de vraag des priesters »,jaquot; geantwoord maar zijne stem trilde licht.
Was het de ontioeiing \an liet oogenhlik, was !n_'t een voorievoel van de toekonist ?
Ji'XDB VAN HET EEKSTE 1 LKL.
INHOUD.
BLAnz.
I. In hot K;i|ii'lliuis............................?gt;
11. ISij vader imi luoeflcr........'16
III. De bedevaart...............'2t'gt;
IV. Sliïchle dagen. â- floede harten........08
V, sliet lii'el'l niel zon nioeten zijn.quot;........54-
VI. De eerste ster...............04
VII. »Gij zijl een ezel.quot;.............81
VIII. Ilaydn als heilie.nde.............04-
IX. De eerste opera..............100
X. Hoe eene hloem s'ierf............119
XI. Bedelaar en hinidegora...........130
XII. De kapelmeester..............143.
X1U. De beslissende stap.............153
JOSEPH HAYDN.
LEESBIBLIOTHEEK
VOOR
CHRISTELIJKE HUISGEZINNEN.
DERTIGSTE JAARGANG.
N0, 6.
TWEEDE DEF.L.
laarlijlfs verscliiiaei Acht BoekJeelea m de LeesMWiüllieeji
EN ACHT AFLEVERINGEN VAN
Het Dompertje van den Ouden Valentgn.
quot;s-Hertogenbosch.
UITGAVE VAN
DE MAATSCHAPPIJ DE KATHOLIEKE ILLUSTRATIE
1 8 8 5.
^ ------------
quot;F
f quot;f % / J.
JOSEPH HAYDN.
EEN
KUNSTENAARSLOOPBAAN,
TWEEDE DEEL.
Uitgave van de Maatschappij âDE KATHOLIEKE ILLUSTRATIE'
's-Her togenboseh.
1 8 8 5.
De veelkleurige zeepbel van het geluk springt.
Haydn was gehuwd, maar zijn huwelijk was een van de eigen aardigste, die men zich verbeelden kan. Haydn at en woonde bij Morzin, die overigens zelfs niet vermoeden mocht, dat zijn kapelmeester gehuwd was, daar hij hem anders ontwijfelbaar terstond zou ontslagen heblen. Hij moest dan ook zijn huwelijken staat als eene misdaad voor hem verborgen houden. Daarbij kwam nog, dat Haydn zijne stille eenzame kamer in Morzin's paleis gestadig meer lief krijgende, menigmaal dagen lang over partituren zat en ten eenenmale vergat, dat hij eene vrouw had, die met stijgend ongeduld op hem wachtte. Herinnerde hij het zich eindelijk en ijlde hij bijkans Luiten adem de trappen van de woning zijner vrouw op, dan ontvingen hem daar tranen en verwijten, die gestadig in bitterheid toenamen, zoodat het Haydn steeds moeielijker werd, de gekrenkte vrouw tot bedaren te brengen en te verzoenen. Was het Zondagnamiddag dan konden zij niet met elkander naar buiten gaan, want zij liepen gevaar den gestrengen graaf te ontmoeten. Dat alles was meer dan toereikend om den zonneschijn van het geluk des jongen paars te verduisteren. Maar dit was nog niet genoeg ! Hoe kiesch ook de oude Keiler zijn schoonzoon te gemoet kwam
Z * ew ,UltgaVe V00r het hu{shouden bespaarde; hoe âauw^e-za ook Ha^dn zelfs eiken verdienden penning thuis bracht e/in Lmas handen nederlegde: het gebrachte was toch altijd in hare oogen te we.n g. Lina was er slechts op bedacht o. al'vast tege.^
een en an/ 7 ^ ^ WOninS Z0U botrokken. het
een en ander daarvoor aan te koopen en ging hierbij allesbehalve
nersT r W ^ ^ ^ rneer de ^avoudige kaP-
deed'm lTquot;' ^ 7°^ ^ die een beter
eed moest dragen dan voorheen. Evenals waterdruppels op een
kW?! / . f VerdaraPle IIaydll'S gering ink0men in Liquot;^ ver-
^ende handen en weldra was het zoover gekomen, dat hij telkens
want V ,eer hlj ^11 drempelVanKeller,s woning overschreed; ft hu moest steeds vreezen om geld aangesproken te worden en
toch zoo zelden oen gulden in den zak! Dan volgden lichte
verwijten dat hij zoo weinig verdiende en er volstrekt geen slag van
ad van zijne talenten voordeel te trekken; hij zou vlijtigercompo-
ft o^nr-r dUUrder Verk00pen; 00k moest een
fatsoenlijker tractement van den graat vorderen, want tweehonderd
quot; en Waren eioenlijk toch maar een aalmoes, waarover Morzin zich schamen moest.
Haydn deed wat hij kon; hij componeerde, doch niemand gaf hem geld voor de aangeboden partituur; bij werkte op verschillende ko-
â 7 .'I J â¢d* ^ 0ntving teIkens 2igt; b^ongftn halven gulden;
J eindelijk .de stoute schoenen aan en maakte bij den graaf een zeer bescheiden maar ook zeer duidelijke toespeling op een
want0^ ,raCtement- Dat bekwa'n hem evenwel slecht; ant Morzin werd daarover zoo toornig, dat hij den armen Hay dn
1 ondweg een onbeschaamd, aanmatigend mensch noemde. Dit deed
den fijngevoeligen musicus meer wee dan al het andere. Ten einde
raad en zijn moed voelende bezwijken, zocht hij Ditters o? en
klaagde dezen zijn lijden; maar zijn vriend was zeer kari- met
.oostredenen, en was van meening, dat elke ezel zijn pak^moet
togen, » Haydn w.. bij h., .Mu,n v.n .ijn huw.lSk Lj,..
geweest. Zoo bleef den bitter geplaagde nog slechts één plekje
7
waar hij rust vond en dat was de schemerachtige hoek in de St^ Stefanuskerk, waar hij voor O. L. Vrouw van Smarten zijn haft' uitstortte en gesterkt werd.
Op die wijze verliep de winter.
De graaf stelde aan zijne kapel met den dag grootere eischen. Concerten en bals wisselden elkander onafgebroken af. Haydn vond dikwerf geen tijd om zijn maal aan de bediendentafel te gebruiken en nog minder zijne vrouw te gaan bezoeken, wier humeur steeds onaangenamer werd.
Gelukkig, dat eindelijk de sneeuw op de daken en buiten op de velden smolt en de lente jubelend hare intrede hield! En evenals zij de natuur met groen en bloemen verheugde, gaf zij ook aan menig menschenhart weder een vroolijken polsslag en nieuwen levenslust.
Nauwelijks openden zich aan de boomcn de eerste bloesemknoppen en ontsproten de bloemen in de ontwakende weilanden, of Morzin riep op zekeren morgen zijne kapel bijeen en deelde den leden mede, dat zij zich gereed moesten houden over eene week van Weenen naar zijn landgoed in Bohemen te vertrekken. Het gelaat des graven schitterde bij deze aankondiging; hij zelf verlangde toch zoo smachtend naar de stille eenzaamheid buiten op het land, hij, de aanzienlijke edelman, met zijn gewond hart, zijn verborgen leed, dat niemand vermoedde en niemand kende.
Haydn's afscheid van zijne echtgenoote was koel; er ontbrak de stil lijdende liefde, er ontbrak de vrede. Lina vond slechts weinig woorden die Ilaydn's hart goed deden; heerschzucht, hebzucht en ijverzucht spraken schril uit hare woorden. Haydn verbleekte, doch zweeg. Alles had hij tot dusverre geduldig verdragen, maar dat hem Lina het pad der toekomst met de doornen der ijverzucht bestrooide, hem, wiens ziel rein en vlekkeloos was als pas gevallen sneeuw, dat drong als een dolksteek in zijn hart.
Het is een opmerkelijk verschijnsel in het leven van zoovele groote mannen, dat zij rijk aan geest, bedelaars naar het hart waren, en dat zij, die voor anderen grootsche dingen voortbrachten,
8
T»»r zich zeiven, in hun te huis, hel schoonste goed, den vrede niet vinden konden.
Ook Haydn telde onder die heklagenswaardigen. Zijne vrouw trachtte naar het bezit van het stoffelijke, zijn genius maakte hem los van al het aardsche. Scherper tegenstelling is niet denkbaar en het is niet Haydn's minste verdienste dat zijn genius hem in die zware beproeving getrouw bleef en zich niet aan de moedeloosheid overgaf.
Den ouden Keiler viel het afscheid het zwaarste; hij had zijn Joseph zoo innig en hartelijk lief, dat het leven hem zonder Haydu eenzaam en doodsch toescheen. Het was werkelijk roerend te hoeren, hoe diep hij deze scheiding betreurde en reeds naar den na-herfst verlangde, die den zoo noode gemiste weder aan zijne zijde terugvoeren zou.
«Jongen, sprak hij aangedaan, »ik kom binnenkort naar u toe ! Geen druppel wijn smaakt mij meer, als ik u niet spoedig terugzien kan. De lieve God neme u alzoo in Zijne heilige hoede en als; Hij mijn gebed verhoort, laat Hij het reeds in Augustus sneeuwen, opdat uw graaf weldra weder uit zijn Boheemsch rattennest met u naar Weenen terugkeere!quot;
De reis naar Morzin's slot Lukavec, dat bij Eger te midden van eenzame dennebosschen lag, maakte de graaf in zijne plompe koets, met zijn mopshond en zijn reukfleschje naast zich; zijne kapel, Haydn aan het hoofd, legde den afstand langs de stoffige heirbaan te voet af als een echt muzikantenvolk: violen en fluiten onder den arm, bagage en groote instrumenten op een vrachtkar, die hen langzaam achterop reed. Kwamen zij 's avonds in een stadje of zelfs in een morsig Boheemsch dorp, dan haalden zij fluks viool en bas voor den dag en speelden voor de verwonderd toeluisterende bewoners hunne beste melodieën en menigen dans op en oogstten daarmede grooten bijval en ook wel eenig kopergeld, waarvan Haydn evenwel nooit zijn deel nam, hoe hartelijk hij ook kon lachen, wanneer
men hem met onmiskenbare erkentelijkheid een geldstuk voor het geschonken genot in de hand duwde. Hij dacht niet aan geld of aan «pijs en drank, ja, hij dacht ternauwernood terug aan Weenen en
9
zijne vrouw â hij zag slechts de frissche groene akkers, het geboomte met zijn uitspruitend teer gebladerte en de lachende bloemen in de grazige weiden en jubelde uit volle borst met het vogelenheir in bosch en veld. De leden zijner kapel waren deels Weeners, men-schen vol lustigen humor en zorgeloosheid, deels Bohemers, die overgelukkig waren de vaderlandsche lucht in te ademen; want naar hunne meening lag het paradijs in Bohemen.
Op die wijze verliep een genoeglijke week. Wel regende het menigmaal zoodat de kleeren dropen en de versleten laarzen der voetreizigers op den weg bijkans in het weeke slijk bleven steken â maar dit schaadde niet aan hun opgeruimden zin; eerst toen op den achtsten dag beneden in het dal zich het slot tusschen de dennen-bosschen aan het oog der lustige muzikanten vertoonde, werden zij weder ernstig, ja bijna verdrietig. Want wie kon in zulk eene akelige eenzaamheid vroolijk zijn?
De graaf ontving zijne kapel met een verstoord, ijskoud voorkomen. Hun morsig uiterlijk na zulk een lange voetreis krenkte zijn fijn gevoel; dat de arme menschen door hitte, regen en slijk acht dagen lang te voet hadden moeten reizen, vond de graaf de natuurlij ste zaak van de wereld.
»Met margen te beginnen is het dagelijks concert, verstaat ge?quot; sprak hij bevelend tot Haydn. »Het uur zal mijn hofmeester u telkens opgeven.quot;
Haydn vermoedde niet wat er in deze woorden opgesloten lag; hij en zijne musici zouden het ondeninden. Met de toenemende droefgeestigheid van den graaf, die met den dag somberder, afgetrokkener en zwaarmoediger werd, nam ook zijne grilligheid een ziekelijke vorm aan. Geen enkel uur van den dag en zelfs niet van den nacht kon de kapel er zeker van zijn, dat Morzin hare diensten niet vorderde. Dit gaf weldra aanleiding tot gemor onder de leden en eeni-gen hunner gingen in hunne verontwaardiging reeds zoover, dat zij verklaarden liever als reizende muzikanten door de wereld te willen trekken en 's nachts rustig op een bos stroo te slapen dan langer de slaaf van den graaf te zijn. Haydn bracht hen tot bedaren zoo
10
lang het ging; maar welhaast gelukte dit toch niet meer. De geheele kapel dreigde bij nacht en ontijd weg te loopen. Huydn verzocht, smeekte met opgeheven handen dat plan te laten varen; tevergeefs. «Laat ons nog eene poging doen!quot; sprak hij. «Morgen trekken wij gezamenlijk naar het woud, gaan er diep, zeer diep in en blijven daar tot de graaf opstaat; is het echter tien uur 's avonds dan gaat ieder naar zijn bed en verlaat het niet; den overigen tijd moeten wij ter beschikking van den graaf zijn; onzen plicht mogen wij niet vergeten!quot;
Allen waren met het voorstel ingenomen en den volgenden ochtend in alle vroegte trokken zij met hunne instrumenten naar he t woud. Op een heerlijk open plekje, waar de dennen over donzig mos hunne takken uitbreidden en aan hun voet in de schaduw de aardbei schitterde, zetten zij zich neder. Rondom hen heerschte plechtige, doodsche stilte.
Haydn gaf een teeken, do instrumenten werden gestemd en indrukwekkend en wonderbaar klonken de melodieën door het statige woud. Zoo musiceerden zij een uur lang in stijgende begeestering waarna Haydn eindelijk tot den terugkeer vermaande. Reeds stonden de muzikanten van het mos op, toen graaf Morzin zich eensklaps vertoonde, op Haydn toetrad, de hand op zijn schouder legde en met bewogen stem sprak:
«Mijn beste kapelmeester, deze lieve opmerkzaamheid had ik van u niet verwacht! Ik dank u!quot;
Haydn wist niet wat hem overkwam. Hij tastte onwillekeurig naar zijn voorhoofd, als wilde hij zich rekenschap geven hoe Morzin, aan een aardmannetje gelijk, plotseling uit het mos opdook; hij wist niet, dat de arme graaf, wiens gemoed voortdurend kranker verd, somwijlen in het vroege morgenuur de eenzaamheid van het woud opzocht, om daar genezing voor zijne zwaarmoedigheid te zoeken.
»En toch verzoek ik u,quot; ging Morzin na eene pauze voort, )geen van allen het woud meer te betreden. Het is mijn laatste toevluchtsoord!quot;
11
Weken en maanden verliepen, als had de anders zoo snelle tijd lood aan zijne voeten, met pijnigende traagheid. Zeer zeldzaam gebeurde het dat een gast voor een nacht zijn intrek binnen de muren van het slot nam. Eentonig als het getik van den slinger van een torenklok was het leven in het dal. De zomer verdween en de herfst trok in het land; de giaaf werd steeds afgetrokkener en menschenschuwer. De weigering van zijne kapel om ook elk uur van den nacht aan zijne luim te voldoen, ergerde en krenkte hem zoodanig, dat hij slechts zelden meer concerten verordende, en geschiedde dit, dan werd er telkens de voorwaarde bij gevoegd: »als hot don heeren musici gelegen komt!quot;
De tijdingen, welke Haydn uit Weenen ontving,waren bijna even zoo eenvormig als zijn leven in den vreem ie. Verlangen, ongeduld, ontevredenheid met haar lol: dit was do onveranderlijke drieklank, die uit de woorden der Jonge vrouw klaagde. Haydn snakte naar den eersten kouden herfstnevel of wel de eerste sneeuwbui. Weenen met zijn kunstgenot was meer dan ooit het doel zijner wen-schen en hoe weinig plaats ook zijne vrouw in zijne ziel innam â overmeesterde hem toch een toenemend verlangen naar zijn tehuis.
Het loof aan de booraen verkleurde en begon af te vallen, de akkers waren door den ploeg omgewoeld, en krassende raven zochten in de versch getrokken voren naar voedsel. Grauwe nevelen verkortten do dagen.
De graaf was op een zonnigen herfstdag in den vroegen morgen den straatweg, die van het slot door het woud voerde, opgewandeld. Rondom heerschte diepe stilte; slechts bijwijlen hoorde men een specht gretig op een boombast timmeren, een gier niet zwaren vleugelslag door de lucht strijken of een vlug eekhoorntje tegen een stam opklauteren. Deze rust in de afstervende natuur deed het kranke gemoed van den graaf zoo goed, dat hij zich onder een reusachtigen pijnboom in het vochtige mos nederzette en zich in zijne gedachten verdiepte.
Het geluid van krakende wielen en een loggen paardenstap wekte hem uit zijne droomerijen. Een oude bouwvallige koets kwam langzaam aanrollen; eene vrouw met een door den frisschen morgen-
12
wind gerood aangezicht en een goedhartig uitziende man met grijs haar zaten er in en zagen met blijkbare nieuwsgierigheid naar buiten.
«Koetsier, is dat het slot van den graaf Morzin?quot;
»Ja, Uwe Genade.quot;
ïWaar Joseph Haydn kapelmeester is?quot;
«Dat weet ik niet!quot;
Morzin keek wantrouwend op. De wagen was in zijne onmiddellijke nabijheid gekomen, zijn scherp oog rustte een oogenblik onderzoekend op de reizigers, die hem vriendelijk groetten; doch zonder dien groet te beantwoorden, stond de graaf op en verdween in het dichte van het woud.
Intusschen was de kapel in de muziekzaal van het slot bijeen. De graaf had voor dien avond »het laatste concertquot; gelast, hetgeen allen met blijdschap vervuld had ; want ieder smachtte naar verlossing uit de eenzaamheid.
Haydn had van den hem hier overschietenden vrijen tijd gebruik makende zijne eerste symphonie gecomponeerd. Dit was het eerste grootere werk, waaraan de anders zoo bescheiden man eenigo waarde waagde te hechten. Menigmaal had hij in het stille nachtelijke uui de partituur op zijn spinet gespeeld of haar nog eens en nog eens doorgestudeerd, hier en daar eene noot, een maat veranderende. Eindelijk scheen hem het werk voltooid toe.
Heden hield hij repetitie, des avonds zou de symphonie het slot van het concert vormen. De musici speelden met zulk een bezieling en fijnheid van gevoel, dat Haydn's ziel jubelde.
Daar kwam een bediende hem storen met de boodschap:
»Er zijn vreemdelingen gekomen die mijnheer den kapelmeest- r terstond wenschen te spreken.quot;
Haydn liet driftig den dirigeerstok zinken â de muziek zweeg.
«Wil de keizer mij spreken?quot;
«Neen!quot;
«Zeg dan aan die menschen, wie zij ook zijn mogen, dat zij moet. n wachten tot ik tijd voor hen heb; en laat mij nu verder met rust!''
43
De bediende ging pruttelend heen. Haydn zette de repetitie voort cn het was reeds over twaalven eer hij den maatstok uit de hand legde.
De bediende had Haydn's antwoord zoo hatelijk mogelijk aan de vreemden overgebracht. «Mijnheer de kapelmeester is over het algemeen een trotsche monsieur,quot; voegde hij er minachtend bij; »en wat is hij eigenlijk? Een muzikant, gelijk er bij ons in Bohemen honderden langs den weg loopen!quot;
Het aangezicht van de jonge vrouw kleurde zich hoogrood.
«Trotsch is mijn Joseph niet!quot; viel zij onbedachtzaam uit.
De bediende zette groote oogen op.
»0 pardon!quot; sprak hij in den aan bedienden van voornatnen huize eigen deemoedig onbeschaamden toon. «Monsieur Haydn schijnt bij mademoiselle of madame in een wit blaadje te staan. Uw dienaar.quot;
Uit de herberg komende, waar de vreemdelingen hun intrek genomen hadden, stootte de bediende op den naar huis terugkeerenden graaf.
»Heb ik u niet op straffe van wegzending uit mijn dienst verboden des voormiddags eene herberg te betreden?quot; beet deze den bediende toornig toe.
De laatste maakte eene diepe buiging. «Genadige heer, mijn maag heeft vandaag slechts water genoten. Ik heb een afkeer van wijn cn bier. Er zijn vreemdelingen gekomen, die naar mijnheer den kapelmeester gevraagd hebben en dit heeft mij voor een oogenblik de verwenschte herberg doen betreden.quot;
«Een bejaarde man en eene jonge vrouw?quot; vroeg Morzin.
«Juist.quot;
«En wat willen zij?quot;
«Ik weet het niet. Het is opmerkelijk, dat de vrouw zeer gemeenzaam van den kapelmeester Uwer Genade spreekt. Mogelijk is het zijne zuster! Wie kan dat weten?quot;
Graaf Morzin keek den bediende met een doorborenden blik aan.
«Zwijg!quot; snauwde hij hem gramstorig toe en ging naar het slot
14
Haydn had na afloop der repetitie zijn middngmaal gebruikt. Hij dacht enkel aan het genot der symphonie, dio in zijne ziel na. galmde, maar niet meer aan de vreemdelingen, die naar hem gevraagd hadden. Goed, dat de bediende zijn weg kruiste, toen hij, uit het slot tredende, een -wandeling wilde gaan maken.
»Zijt gij reeds bij uwe vrienden geweest?quot; riep do bediende spottend en wees met den vinger naar de herberg. »Die vrouw vergaat bijkans van ongeduld om u te zien. Het is zeker uwe zuster of uwe nicht! De graaf stelt ook reeds veel belang in deze bloedverwantschap!quot;
Haydn had den onboschaamden rekel wel willen verworgen en toch vervulde hem eensklaps de toespeling op Morzin den vrouwenvijand, met een bang voorgevoel. De gedachte, dat de vreemde zijne eigene vrouw zijn kon schoot door zijn geest. Zonder verder op den bediende acht te geven, snelde hij naar de herberg, en een oogenblik later viel Lina hem onder een vloed van liefdevolle benamingen en bittere verwijten om den hals.
Haydn verwelkomde vrouw en schoonvader metgroote hartelijkheid.
»Dat is eerst trouwe liefde,quot; sprak hij geroerd, beiden de hand schuddende, «en zij zal u vergolden worden. Van avond heeft het laatste concert plaats, daarna vangt de terugreis naar mijn geliefd Weenen aan. Wij maken den weg natuurlijk gemeenschappelijk en kunnen na lange scheiding weer eens van harte gelukkig zijn1.quot;
»Bravolquot; juichte de kapper. «Gelukkig dat gij medegaat, Joseph! Mij dunkt dat het mijn gemoedelijk Weenen niet meer was zoolang gij afwezig waart.quot;
»Hebt gij ook vlijtig gecomponeerd?quot; vroeg Lina.
»0 ja, eene symphonie !quot;
sSlechts één?quot; zuchtte zij teleurgesteld; maar haastig liet zij er op volgen: »En hoeveel geld hebt gij er voor bekomen?quot;
«Niets! quot;
«Joseph!quot; pruilde de jonge vrouw, «ik begrijp u niet. Gij denkt er in het geheel niet aan om iets te verdienen â ik heb het recht u aan dezen plicht te herinneren1.quot;
15
Haydn s gelaat betrok. »Gij kunt deze herinnering sparen! Ik doe wat ik kan. Verlangt men meer van mij, dan ontwijdt men mijn talent. Daartoe leen ik mij niet! Het genie meet zijne scheppingen niet uit met de el gelijk een winkelier, noch weegt ze af met het. gewicht. Bemoei u laar niet mede! Gij zijt goed en welmee-nend, maar van zulke dingen hebt gij geen verstand!quot;
Lina krulde minachtend de lippen en bleef verstoord zwijgen. Keller en Haydn verpraatten eenige uren, toen riep de onverbiddelijke plicht hem van de zijde der zijnen.
»Ik wil het concert bijwonen!quot; riep Lina wrevelig.
»De graaf duldt geen ongenoodigde gasten!quot;
«Wordt uwe symphonie voorgedragen?quot;
)).Ta.quot;
«Goed! Ik zal het concert bijwonen â ondanks uw graaf!quot;
Haydn wierp op zijne vrouw een bezorgden, op Keiler een smeekenden blik en ging heen.
De concertzaal was zoo schitterend verlicht als ooit te voren; men zou geloofd hebben, dat de graaf een groot gezelschap uitgenoodigd had en zijn rijkdom en luister wilde ten toon spreiden, doch in de ruime grooie zaal stond slechts één fauteuil; al de overige stoelen waren weggenomen. De kapel wachtte feestelijk gekleed en zwijgend op do komst van Morzin, die eindelijk na lang uitblijven in de zaal verscheen. Ook hij had zijn staatsiekleeding aangetrokken en op zijne borst fonkelden met diamanten bezette ordeteekenen. Met eene lichte buiging nam hij in den leuningstoel plaats, gaf het teeken tot den aanvang van het concert en bedekte zijn gelaat met de hand.
Haydn had al de stukken gekozen, waarvan zijn beer het meeste hield; en hoe dikwijls deze ook de hem sinds lang bekende melodieën gehoord had, zoo schoon, zoo gevoelvol, waren de lonen nog nooit tot zijne ziel doorgedrongen. Nu kwam de beurt aan de symphonie. Haydn sloeg een smeekenden blik naar hoven, tikte met den maatstok krachtig op den lessenaar, en helder en doorzichtig als een klaterende bergstroom die tusschen bloemen uit de hoogte
16
voortkabbelt, ruischten de tonen zingend, spelend, klagend, schertsend door de zaal.
Morzin luisterde verrast toe. Onwillekeurig trok hij de hand voor het aangezicht weg en bewonderend blikte het donkere oog van den graaf op zijn kapelmeester. Hoe voller de melodieën aanzwollen en hoe verlokkender zij in Worzin's gemoed drongen, des te dichter naderde hij den kapelmeester, tot hij ten laatste vlak naast dezen stond, onbeweeglijk, als had een geheime macht hem daar vast doen wortelen.
Na bijna een half uur legde Haydn den maatstok op den lessenaar, trad eene schrede terug en boog diep voor den graaf. Deze zag hem lang in het gelaat, uitvorschend en vragend, en toch met een uitdrukking van geluk en weemoedigheid te gelijk.
«Verwonderlijk, overheerlijk, mijn waarde Haydn!quot;
Zoo sprekende nam hij de partituur van den lessenaar, bladerde er in, sloeg het titelblad op en las: «Eerste symphonic, compositie van Joseph Haydn, Kapelmeester van Zijne Genade den hooggeboren graaf Morzin.quot;
Zijne handen sidderden, hij moest het lijvige zware deei weer op den lessenaar nederleggen.
sWonderschoon, prachtig!quot; herhaalde hij, terwijl er een traan in zijn oog parelde. »Haydn, het is onbescheiden, ik weet het â maar ik bid u, laat mij nog eens uwe symphonic hooren!quot;
Haydn voldeed met blijdschap aan dat verlangen; het waren voor allen genotvolle oogenblikken waarin zij in die heerlijke tonen zwelg-den, het meeste wel voor die jonge bloeiende vrouw, die zich met gloeiende wangen op de treden van den lessenaar had nedergezet en met van trots schitterende oogen naar den man boven haar opzag-
In den leuningstoel achterover liggende, had de graaf Morzin met gesloten oogen de symphonic aangehoord. Bij de laatste maten etond hij op, snelde op Haydn toe en zag hoe de jonge vrouw de handen zijns kapelmeesters hartstochtelijk kuste.
De graaf bleef als versteend staan; de uitdrukking van zijn gelaat was hard, vijandig, gramstorig geworden.
17
quot;Uwe echtgenoote!quot; bracht hij met bevende slem uit.
))Ja!quot;
Langzaam keerde Morzin zich om en verliet de zaal. Vijf minuten quot;Jater werd Haydn door zijn gebieder in diens schrijfkamer ontboden. Het hart van den armen musicus bonste van gramschap en bezorgdheid; had niet zijne onbezonnen vrouw den sluier van een geheim opgeheven, welks onthulling hem noodlottig worden moest!
Tegen den schoorsteenmantel leunende ontving de graaf zijn kapelmeester met eon somber, ernstig voorkomen. Met de hand een afwerend gebaar makende, sprak hij hem volgenderwijze toe:
»Haydn, ik lees in uwe trekken, dat gij mij vergiffenis wilt vragen voor het bedrog, waaraan gij u jegens mij hebt schuldig gemaakt. Laat dat blijven! spreek mij er niet meer van! Hier hebt gij een acte, waarbij u en al mijne goede musici de vooruitbetaling van een vierendeel jaars tractement wordt verzekerd. En hier een tweede datquot; â de stem van den graaf stokte - «het ontslag van mijne geheele kapel beveelt. Haydn, ik ben een bedelaar geworden. Alles zag ik met droge oogen \allen en vergaan; sinds Jaren smolt mijn rijkdom weg; ik bekommerde mij daar niet om zoolang ik nog geld -voor mijne kapel had â maar nu,' h.j wendde zich met de oogen vol tranen af, »nu is de laatste zonnestraal uit mijn treurig aanzijn geweken. Breng hun allen mijn hartelijk, dankbaar vaarwel over â en gij, Faydn, als uw genius u den weg tot de beroemdheid gebaand heeft en de wereld u toejuicht, wil mij niet vergeten, die nu arm de afzondering opzoek om daarin stil weg te kwijnen, gelijk ik nimmer vergeten zal dat Joseph Haydn mijn laatste kapel--ineester was.quot;
2
Ood zal verder helpen:
De volslagen wanorde zijner geldelijke omstandigheden had den graaf Morzin tot hel ontslaan zijner kapel genoodzaakt. Hij zag die droevige ontknooping lang vooruit, hij wist dat zij onvermijdelijk was en hij zag met toenemende zwaarmoedigheid den dag naderen, waarop hel wankelende gebouw van zijn tijdelijk geluk ineenstorten zou. Dit tijdstip was nu aangebroken; met droge oogen had de graaf zijn vermogen van lieverlede zien wegsmelten, tol de armoede hem ten laatste dwong het ideaal zijns levens, de muziek, prijs te geven ; dal brak hem schier liet hart.
Haydn was nu weder zonder betrekking, dus zonder brood. Deze gestadige wisseling van de luimen der fortuin moest des (e ontze-uuwender op zijn fijngevoelig gemoed werken, omdat hij zich zeiven volstrekt geen schuld aan dezen onafgebroken tegenspoed bewust was, want is het eenerzijds voor den man vanquot; eer een vsrheffend gevoel met een schuldeloos oog het ongeluk in hel aangezicht te zien, zoo is hel anderzijds voor den rusteloos zwoegende een pijnlijke deemoediging naast blufferige gelukskinderen met ledige hersenkassen honger en gebrek te moeten lijden.
Haydn was naar Weenen teruggekeerd. Zijne pogingen om eetie *001 hem passende betrekking te vinden, bleven des te onvruchtbaar-
19
Jer dewijl hij een Duitscher, een zoon van het land en geen Ita-liaansche musicus was : te dien tijde werkelijk een groot heletsel om in die kringen, waarin slechts een Italiaansche maëstro iels gold, toegang en waardeering te vinden.
Kommervol bracht ilaydn een treurigen winter door. Evenals vroeger moest hij ook thans weder voor eenige groschen gelijk een gewoon muzikant op verscheidene kerkkoren «medewerken;quot; geen geldelijke belooning was hem echter te gering dan dat hij de gelegenheid niet zou aangegrepen hebben om met de verdiende penningen te huis de vlam van de huiselijke tweedracht uit to dooven, die met eiken nieuwen dag bedenkelijker opllikkerde. Carolina had gemeend, dat het nagenoeg ondenkbaar was, dat in dat Weenen, hetwelk van oudsher een bakermat der muziek was, een genie, gelijk haar Joseph, onopgemerkt kon blijven ; zij had zich verbeeld, dat de rijken en grooten elkander Haydn's bezit zouden betwisten; zij zag hem in hare verbeelding met eerbewijzingen en rijkdommen overladen en zich zelve op de vleugelen van zijn roem hoog omhoog geheven; zij had zonder bedenken den armen, ternauwernood opgemerk-ten Haydn de hand voor het altaar gereikt, om na korten tijd de gevierde echtgenoote van een groot man te zijn; schitterend en glansrijk had hare verbeeldingskracht zich dit beeld gemaald; gelijk een kind zich reeds bij voorbaat in de pracht van den te verwachten kerstboom verblijdt, had zij zich verheugd in het vooruitzicht op de schatten, die een goedgunstig, neen, een rechtvaardig publiek haar van alle zijden in den schoot zou werpen, en nu !....
Buiten vielen eentonig de dikke sneeuwvlokken onafgebroken uit de grauwe lucht; in de huiskamer zat Lina voor het raar» en naaide â voor geld; daarnaast, in een aangrenzend kamertje, stond Haydn, het van zorgen gloeiende voorhoofd stijf tegen het kille vensterglas drukkende. Grauw en nevelachtig als de schemering, die zich over de stad uitbreidde, vertoonde de toekomst zich voor de oogen zijns geestes. Kn nergens, nergens ontwaarde hij eene vriendelijke ster, die troost en hoop verkondigde!
Met een zwaren zucht wendde hij zich van het raam af naar het
20
koi
inwendige der kanier; hij had niet bemerkt, dat zyne vrouw bin- re(
â¢nengelreden was en zich aan het geopende spinet gezet bad. Ver- dei
trouwelijk legde hij zijne liand op liaar hoofd, streek haar over het vai
weelderige haar en kuste haar op het blanke voorhoofd. on
«Laat ons den moed niet opgeven!quot; troostte hij op ineewaivnden iec
toon. «tiet zal en moet ook eenmaal voor ons lente worden! ' he
«Gelooft gij aan uwe eigen troostwoorden?quot; gaf Lina hem twij- he
telend terug. oo
»Ik doe mij zeiven geweld daartoe aan I De hoop heeft snelle oj
vleugelen, die ich dikwijls hoog, zeer hoog boven het aardsche le- de
ven verhellen. Hier is teleurstelling voor hot menschenhart geen vc
zonde. Maar wanneer de hoop zich niet hooger waagt dan op eon dlt;
bescheiden dee1 van het vette der aarde; wanneer het lieve dage- dt
lijksche brood liet ideaal is, dat de hoop der armen uitmaakt, dan le
is zij niet moer eene dochter dos hemels, welker vredekus den nood g1
minder drukkend maakt; dan wordt zij eene foltering, zij, die dun n
hongerende eene heerlijke bete voorhoudt en deze, als hij er den v mond voor opent, in nevel en rook doet opgaan. Ik hoop niot op
menschen, wier woord, hoe moor het vleit, des te bitterder bedriegt; 1 ik hoop niet op eigen krachten, ik vertrouw op Hom, d e in mijne
ziel de vonk van het genie legde, niot, opdat zij daar verflauwen 1
en uitdooven zou, maar opdat haar licht gouden stralen in het rond t
zou uitschieten. Vrouw, om ons heen wordt het nacht en diepe t
duisternissen hullen de schepping in haren zwarten mantel. Doch 1
0)i den nacht volgt do heldere dag. Zoo breekt ook voor ons het morgenrood van schoonere dagen aan ; vertrouw op God en laat Hem zorgen!quot;
Carolina lennde het matte hoofd legen Haydn's borst.
«Joseph, hebben niet duizenden gelijk gij gehoopt, op God gebouwd, gezwoegd, gewerkt en zijn toch ellendig ten gronde gegaan ? Waarlijk, die u zoo vroom vertrouwen ziet, die moet uwe hoop doelen of ophouden aan een rechtvaardigen God te gelooven ; maar, Joseph,
als onze hoop eens te laat in vervulling ging? Herinnert gij u niet onze ijzig koude kamer, den schralen kost, den afgesleten rok, die u voor de
21
koude niet beschermt, aan onzen stijgenden nood? Hebt gij niet bin- reeds voor maanden datzelfde lied gezongen, uwe en mijne ziel met Ver- dergelijke voorspiegelingen gewiegd, en wat heelt zich tot dusvere liet van al uwe hoop verwezenlijkt? Zie! in den beginne ben ik tegen ons hard lot in opstand gekomen, ik heb tegen God gemord en u iden iederen dag, ieder uur niet de bitterste verwijten vervolgd, ja, ik heb het uur verwenscht, dal mij aan u en uwe armoede geketend wij- heeft; toen ik echter uwe stille onderwerping, de tranen in uwe oogen zag, toen gij voor al mijne klachten slechts vertroostende en elle opbeurende woorden hadt; toen ik zag hoe gij eiken zuur verdien-le- den penning te huis bracht en in mijne hand legdet, hoe gij zoo vol
een vertrouwen badt, als waart gij op het punt van verhoord te wor-
quot;on den, en uw droog brood met dezelfde tevredenheid at als ware het
ge- de fijns'e spijs; kortom, toen gij als man en christen tevens mij
Jan tegenover stondt: toen voelde ik mijne ontevredenheid wijken en be-
3od gon ik met u in stilte te hopen. Thans echter wankelt alles weder in
Jun mij : Hoop, geloof en vertrouwen, lieden liet ik mijn laatsten gulden
len wisselen; is ook deze op, dan zijn wij bedelaars!quot;
op «Die als onvolwassen kinderen uit vaders schotel eten!quot; voegde
gl; llaydn er zuchtende bij.
jne 1 «Joseph!quot; vleide de jonge vrouw, »gij weet, hoe goed vader is, â en hoe lief hij ons heeft, u nog meer dan mij ; beschouw het niet als
nd eene vernedering als wij aan zijne tafel eten ; er zal ook nog wel
pe een tijd komen, dat wij vader bij ons een heerlijk maal zullen
ch kunnen opdisschen.quot;
et «God geve het!quot; zuchtte Haydn. «Dat ligt nog in het verschiet;
ni het tegenwoordige vindt ons echter aan het nijpende gebrek ter
prooi; doch God zal wel uitkomst geven!quot;
Zoo sprekende drukte hij zijne weenende vrouw een kus op het d, voorhoofd, nam hoed en mantel en ijlde naar buiten in den donke-
r- ren nacht.
â n Dof brandden de olielantaarns op de hoeken der straten ; over de
h, besneeuwde straten zweefden onhoorbaar donkere gedaanten, die den
«e mantel dicht om hare schouders geslagen hadden. Haydn sloeg de
Ie
'22
richting in naar de Leopoldvoorstad naar het klooster der Barmhartige Bioeders, waarvan de prior voor hem een deelnemende vriend geworden was. ü|gt; de St. Stefanuskerk bromden zes slagen door de dompige sneeuwlucht. Haydn haastte zich om nog aan de poort te komen eer deze, voor zieken te allen tijde open, vuor bezoekers gesloten werd.
De broeder portier keek verbaasd op.
«Zoo laat nog, mijnheer Haydn ? quot;
»Kan ik den pater prior nog heden spreken'! quot;
«Als het zijn moet! Er is anders een voornaam bezoeker bij hem in Jen refter.quot;
De frater ging hem in den spaarzaam verlichten gang voor, opende de deur van den léfter en meldde den prior (luisterende het late bezoek.
«Veroorlooft Uwe Doorluchtigheid, dat een vriend voor een ootten-blik ons onderhoud stoort?quot; wendde de prior zich tot zijn i;ast.
Deze knikte toestemmend en ilaydn trad binnen. Aanvankelijk aarzelde hij in de tegenwoordigbeU van een vreemde zijn hart voor zijn vriend uit te storten; toen de monnik hem echter vertrouwelijk de hand op den schouder legde en zeide: «Joseph, op uw aangezicht staat diepe kommer te lezen; spreek en laat mij dien met u dragenquot; â deelde Haydn hem zijn leed mede.
De voorname bezoeker was opgestaan en bekeek de donkere hei-ligenplaten aan de wanden, daarbij luisterde hij evenwel met klimmende aandacht naar de woorden van den klagende.
«En nu kent gij mijne zorgen,quot; besloot Haydn, «en ik weet dat jk ze u niet tevergeefs geopenbaard heb. Stond ik alleen op de wereld, zoo had ik moed en kracht genoeg om mijne ellende ook alleen te dragen. Nu echter siddert mijne vrouw met mij voor het groote raadsel des levens: Wat zullen wij eten? waarmede ons vleeden? Hadde ik schaaf of hamer ter hand genomen en ware ik een eerzame meester geworden, ik had brood en vleesch er bij ; daar ik echter den genius, dien God mij gaf, getrouw volgde, zijn gebrek en ontbering de onafscheidelijke gezellen mijns levens gewor-
23
den. Mijne moeder zaliger had menigmaal waarschuwend gezegd: Joseph, gij hebt als muzikant geen geluk! Zij heeft maar al te zeer de waarheid gesproken !quot;
«Joseph.quot; antwoordde de monnik met vriendelijken ernst, »gij hebt â¢zooeven gezegd, dat gij en uwe eohtgenoote voor het groote raadsel des levens stondt: Wat zullen wij eten, waarmede ons kleeden? Hebt gij, vriend, datgene vergeten, wat de eeuwige Wijsheid ons hierop ten antwoord geeft? Vermaant ons de Heer niet om ons leven niet bekommerd te zijn gelijk de heiden ? Wanneer ik u op Gods barmhartige zorg wijs, dan moet ook il: zelf indachtig zijn, dat men den evennaaste niet bemint, als men hem afscheept niet vrome spreuken, maar als men zich tot hut werktuig van (lods helpende hand maakt. Uwe Doorluchtigheid,quot; ging hij, zich tot den terzijde staanden bezoeker wendende, vuort, »ik ben een arme monnik, die met den heiligen Paulus zeggen moet: Goud en zilver bezit ik niet! Jk voor mij kan mijn vriend slechts in zooverre helpen, als ik anderen tot hulp kan trachten te bewegen. Ontsluit voor dezen man uwe hand en uw hart; het ware niet het minste voorrecht voor hel kunstlievende vorstenhuis Esterhazy, eenen Joseph Haydn tot dienaar en beschermeling te hebben.quot;
De vorst keerde zich rasch naar llaydn om. Zijn blik verried belangstelling, nieuwsgierigheid, bewondering en deelneming.
»Zijt gij Joseph llaydn! Ik meende dut gij reeds sinds lang in eene vaste betrekking waart! Ik heb veel, zeer veel van u gehoord! Ik dacht, dat graaf Morzin zulk oen kapelmeester niet zou ontslaan?quot;
s He nood dvvong hem daartoe.quot;
«Aha! dus is hij werkelijk geruïneerd! En nu?quot;
«Sinds maanden ben ik buiten betrekking; niemand begeert mijne diensten en mijne talenten; mogelijk,quot; voegde hij er met een zweem van bitterheid bij, »is datgene wat ik mijne kunst noem, ook niets anders dan verbeelding. De minachting, die men mij betoont, noopt mij bijna zulks te gelooven.quot;
«llaydn, ditmaal hebt gij iets gezegd, dat gij zelf niet voor v.xir houdt. Gij kent even zoo goed uwe waarde, als helaas! nog zeer
24
reinig Meiisclien die weten te schatten. II. heb tot d. v.
duisteren, en zal de geest TaT'd!1]quot; quot;T^ â¢r'
mogen hem geen zoi-^en ai 100o'eie gewesten opstijgen, dan
Uvor-de rust t t i U mthr^ de on-
luu. . heP1,equot; quot;^61' Welke ^.scU gewrocht
- -«- â¢Â« ^
.....
Tquot;quot;? quot;'d â »quot;ri,quot;kquot;quot;= lt;â « handen
l.sterhazy glimlachte. fe«vuuwen.
«Mijn beste Haydn, zoudt gij verlangen rl^f li
^ kquot;:' quot;
t Xilquot;... : de IJeniel!quot; riep Ha,dn Mjâ.
Hij keek op zUn met brillanten bezet horlo-e.
«Pater prior, hebt gij nog een kwartier tijdvoor mijoquot;
De monnik booquot;. J '
li -, maag en componeer iets zeer schoDiis
r )S «'en kleine spoorslag voor uw talent'quot; ' '
ilaydn bloosde en aarzelde de hem aangeboden beurs aan te nemen »We Doorluchtigheid,quot; stamelde hij, «ik kwam niet om t(? â quot; Hy bracht het woord «bedelenquot; niet over de lippen -U schijnt mij niet te begrijpen. Gij componeert en ik koop uwe
~;vk ^ Tuit wi1 doen'is dat -önc
Jl adai lliets tegen m te brengen.quot;
%
Haydn nam het luesch aangeboden geschenk aan; de tranen in zijne oogen dankten den grootmoedigen gever welsprekender en inniger dan alle woorden dit zouden vermogen.
Esterhazy zag den o vergelukkigen Haydn met een weiwillenden Llik na.
»Pater,quot; sprak hij, nadat beiden weder alleen waren, »ik stond hedenavond een oogenblik in beraad of ik het bezoeken van mijn zieken kamerdienaar niet tot morgen verschuiven zou! Ik zou er eeno belangwekkende kennismaking door verloren hebben. Gij schijnt met Haydn goed bekend; vertel mij nader omtrent hem, maar,quot; â en hij dreigde met den vinger â «draag hot goud niet te dik op.quot;
De monnik prees in warme, eenvoudige bewoordingen Joseph Haydn's vlekkeloos karakter, zijne deemoedigheid, zijne innige godsvrucht en inzonderheid zijne uitstekende muzikale talenten. aVTas ik een vorst,quot; dus eindigde hij zijne rede, «zoo zou ik Haydn met gouden ketenen aan mij boeien; ik had dan de zekerheid mijn leven met reine vreugde te veraangenamen en mijn naam onsterfelijk te maken.quot;
Esterhazy was opgestaan.
nGij verstaat meesterlijk de kunst om een warm voorspreker voor uw vriend te zijn. Mijn kapelmeester is oud en gebrekkelijk; indien hij sterft zal geen andere zijn opvolger wezen dan uw vriend Haydn.quot;
»En als gene nog lang leeit?quot;
De prins haalde de schouders op.
«Wij monniken zijn praktische menschen,quot; ging de prior lachend voort. «Wordt een onzer overste van een klooster, dan stelt men, al is hij nog zoo jong en krachtig, hem iemand ter zijde, die in staat is zijne [daats te vervullen of hem te vervangen; waren wij musici en geen monniken, zou men dezen tweeden vice-kapelmeester kunnen noemen.quot;
De prins keerde het hoofd haastig naar den prior om. Zijn oog flikkerde bijkans toornig, maar terstond was het weder vriendelijk.
»Gij monniken zijt zonderlinge menschen,quot; sprak hij. »Uit uwen mond klinkt alles zoo eigenaardig; men kan niet boos op u worden.
U.01. nu eâdeâ âSn trom k!klMm
lk za' oo|gt; aan Haydn denken!quot;
Hfe»quot;,, vcr,dl I;illderf;li;ii;li;
.no l,, loepen - kâââ l|aj,|â h, .s,10 zijnc
jnde I,⢠d. âenr Irarilo ei, ^ b ^
° J quot;⢠''°Cquot; quot; quot;quot; vquot;hi'
zitnt zwoeg zij. 0
In de stille huiskamer brandde o,, de tafel de oliehun,,; in vader
suH elde ^ 8quot;ljZe
sukkelde, was naar haar slaapkamer gegaan.
Haydn liet den besneeuwen mantel van de schouders vallen om-
wen(oVGodVrOUW quot;quot;quot; Stem: quot;L'M' ons vertrou
wen op (,od mag nimmer wankelen!quot;
Hij legde de beurs in Lina's hand.
Zich aan de zijde zijner vrouw nederzettende, verhaalde hij de ademloos loelu,sierende het voorgevallene in het klooster
Lma had onder tranen lachende toegeluisterd. Was het toeval of opzet, z,, had het koordje van de zijden beurs losgemaakt en twintig ducaten rolden op de tafel.
'Goud!quot; riep zij, âgoud!quot; en hare oogen fonkelden.
»Het is goud!quot; sprak Hajdn. «Doch beter nog dan dit draag, die «Iele man in zijne borst!quot;
[[I,
Zonneschijn..
Een paar dagen later was het Zoiifiag. Carolina had de vroegmis in de St. Stefanuskerk bijgewoond, terwijl Haydn van het eene kerkkoor naar het andere ging en op elk voor zeventien kreutzer het orgel bespeelde.
quot;Kon ik ten minste daarbij nog bidden,quot; placht hij, als hij van de/.e diensten moede te huis kwam, tegen zijne vrouw te klagen; «maar liet is en blijft waar, misdienaars en koonnuzikanten bidden het minste.quot;
Het was tien uur voormiddags en Carolina zette juist weder na langen tijd het eerste stuk braadvleesch op het vuur toen er heftig aan de huisschel getrokken werd. De jonge vrouw opende niet met het vriendelijkste voorkomen van de wereld aan den ouden heer, die dicht in zijn mantel gehuld, met den hoed op het hoofd, binnentrad.
»Ik dacht dat er aan die trappen nooit een einde kwam!quot;hijgde de oude heer.
«Wij wonen hier ook niet zoo hoog voor ons pleizier,quot; gaf Carolina snibbig ten antwoord; «overigens moeten arme menschen met alles tevreden zijn. Maar waarmede kan ik mijnheer dienen? Ik heb bezigheden in de keuken, met uw verlof!quot;
»Ik zou gaarne mijnheer flaydn spreken!quot;
De vreemdeling nam den hoed af.
«Vergeel' mij, meiuinouw! Mag ik een oogenblik in de kamer van mijnheer uw echlgenoot gaan?quot;
De jonge vrouw bloo.de. Geen onberoepen oog had nog de diepe an cede aanschouwd, die in de ka.er van haar man zoo doid,.^
Zi. ' 611 nU Wilcle een vreemdeling daar binnendring,-,.' Aij voerde hem ]]i de huiskame.-.
«Wees zoo goed hie,- eenige oogenblikken uw gemak te nemen'quot; sprak .j schuch.eren en verlegen en wilde vlug de openstaande eu van Uaydn s kamer sluiten, toen de vreemdeling, die het oude
Ze^quot; i,ad' de jünge Vr0UW he,eefd ter ZÃde â^er
»Ik dank u, mejuffrouw.quot;
woTZ^ e::raa,l!el 0P 6611 St0el' ^ P- âorden aan op h t oude b.jna klanklooze instrument, monsterde met een
see,pen bl.k het armoed.ge ameublement, dat zelfs nieuw niet veel
geld kon gekost hebben en bladerde vervolgens in de in het rond
liggende papieren. Haydn's echtgenoote zag met toenemend ongeduld
het rondsnulfelen van den vreemdeling aan en opende reeds d n mond
on, hare m,sâoegdheid krachtig te kennen te geven, toen gene u.t een zekere nederbuigende welwillendheid zich tot haar keerde en sprak: «Mejuffrouw, ik dank u wel voor uw gezelschap; doch mij dunkt dat u beter zou doen eens te gaan zien of het vleesch voor uw m,ddagete,i niet aanbrandt.quot;
Hij reikte daarbij aan de van verbazing sprakelooze vrouw vrien-f nkelde e ' ^ - kostbare briüant
«Het zal toch wel geen dief zijn, hoop ik!quot; zuchtte Lina in zich
611 venvljderde z'ch schoorvoetende. Juist den arme is het wei mge en geringe dat hij bezit, onontbeerlijk!
Voor zij naar de keuken ging, luisterde zij op het portaal bm- n aan de eindeloos hoo^e tran of In J ' l quot;aal bo\tn
,lap of haai '«an nog âiet kwam, maar
29
hij kwam niet! Daarop deed zij hare schoenen uit en sloop op hare kousen naar de op een kier staande deur der woonkamer, om van daar uit een bespiedenden blik op het kabinet te werpen; maar zij zag of hoorde niets, en haar angst nam met. elke minuut too.
Intusschen had dé vreemdeling onder Haydn's papieren een muziekboek gevonden, op welks omslag de woorden stonden »Eigen-dom van den prins Esterhazy. God zegene den arbeid, maar meer nog den edelen weldoener!quot; liet boek bevatte eene compositie die ongeveer ten halve voltooid was Met klimmende behngstelling las de vreemdeling do partituur, zette zich vervolgens aan het spinet en beproefde haar te spelen; maar het afgespeelde instrument steunde en rammelde en bij eiken aanslag zwegen enkele tonen. «Welkeen oude rammelkast!quot; schimpte hij en sloeg met de vuist op de toetsen, zoodat de snaren trilden en rinkelden; daarop las hij het manuscript ten einde. Een oogenblik koek hij vergenoegd glimlachende voor zich uit, nam eene pen, doopte haar diep in de inkt en schreef op den omslag van het boek onder den naam Joseph Haydn: onderkapelmeester van Zijne Doorluchtigheid prins Anton Esterhazy.quot;
Een bittere stank van aangebrand vleesch drong plotseling tol den bezoeker door.
«Te drommel, juffrouw Haydn, waar zit gij toch?quot; riep hij in het naaste vertrek. «Uw vleesch verbrandt totaal!quot;
Verschrikt vloog Carolina van de kamerdeur naar de keuken. Helaas! terwijl Haydn's vrouw den vreemdeling bespiedde, was het vleesch half in den pot verkoold. Met den mantel om en den hoed op het hoofd verscheen de vreemdeling op den drempel der keuken. Zijn voorkomen was gestreng.
«Ik begrijp zeer goed, juffrouw Haydn, waarom het vleesch aangebrand is. Het vuur aan den haard draagt er alleen niet de schuld van. Wat ik u verzoeken mag, haal voor uw man een ander stuk vleesch.quot;
Hij legde een florijn op de keukentafel en verliet de woning.
Lina oogde hern na met een blik, waarin misnoegen en verbazing â¢om den voorrang streden, wierp driftig de deur in het slot en snelde
30
naar ham man, w om zich te vergewissen of de bezoeker zich n ets toegeeigend had. Ailes lag of stond op zijne plaats, .rouwen,
naar een ^.Kelijken dief veel hoofdbreken gekost iets
naa, zgne 8,ul,ne. Ie vl,ul(M1 _ aMeen de lmiziekl)|a(|en la n onoi,_
dehjk dooreen; hierop sloeg de jonge vrouw echter .ninder acht en
Z1J W, CU[ ,U,SI Wede'- quot;aa'- ^ keuken terugkeeren, toen zij haren man de trap hoorde opkomen. Zij liep hem te gemoet en be-uchtte hem gt;n onsa.nenhangende, verwarde volzinnen het voorge-
Haydn snoof met een bedenkelijk gelaat de lucht van het verbrande vleesch in; maar hij zweeg, want hij kende de gevoeligheid zyner vrouw als hij zich eenige aanmerking veroorloofde op hare kookkunst. ..limlachend en bezig met het oplossen van het zooeven ui. den mond der zenuwach.ige Carolina vernon,en raadsel, gin- hij in zune kamer. De dooreenliggende muziekboeken vielen hem voor a es op; elk tehmsko.nend m-nseh zoekt toch met het oog des bar-ten het eersfe zijne Ifevelingen.
_))Daar is mijn oudje weer eens aan het redderen geweest!quot; gromde
hu, den boel opruimende. ..Als -la. vrouwvolk nu toch maar eens
1be^iPen' dat ,,,en voor h.-, afs!o(ien van n.eubelen
even dankbaar is als voor het verleden van boeken en ..apier.n ondankbaar. Komaan!quot; giâg hij onwillekeurig glimlachende voort olaat ons de losse bladen weer bijeenzoeken. Aangenaam Is deze' bezigheid met, maar onvermijdelijk en noodzakelijk.quot;
Hoe langer hij opruimde, hoe verdrietiger zijn aangezicht werd. «Waar mag dal boek gebleven zijn? Mij,,,, vrouw heeft mij reeds eenmaal den slimme» trek gespeeld, -ene nieuwe compositie, welke ik, daar z,j m.j b.jzonder goed geslaagd scheen, geheel apart ..ele-d bad met bewonderenswaardige scherpzinnigheid als scheurpapier te beschouwen en vel voor vel âaar der. vleeschhouwer mede te nemen om er het dagelijks gekochte vleesch in te wikkelen. rmP inj In een vlaag van drift.
De geroepene verscheen terstond.
.Daar heb. gij alweder iets van mij zoo goed w^eruimdj ik
het nief vinden kan. Hoe dikwijls heb ik u reeds gezegd, hoe onaangenaam mij zulke ongevraagde bemoeiing is.quot;
«Joseph, wat zoekt gij ?quot; vroeg zijne vrouw met opvallende bedaardheid.
«Gij weet toch,quot; hernam Ilaydn ongeduldig, «dat ik aan cene compositie begonnen ben, die ik om mij van eene oereschuld en een eereplicht te kwijten, ten spoedigste voltooien moet. Waar is ze?quot;
»Ik weet het niet !quot;
Haydn stampte met den voet.
«Daar in de vensterbank ligt een muziekboek; zie eens ol het niet het gezochte is!quot;
Haydn nam het boek haastig op en s'oeg het open. Zijn voor-hoofd verhelderde. «Goddank! gij hebt het niet naar den vleesch-houwer gebracht!quot;
«Joseph !quot; viel Carolina scherp uit, «als ik den ouden heer, die vandaag zoo in uwe kamer alles het onderste boven gehaald heeft, als ware hij baas en geen gasl, nog eenmaal hier zie, dan krab ik hem de oogen uit. Hij is het, die al uwe muziek zoo dooreen geworpen heeft. Daar, verzoek mij nu vergiffenis, woestaard!quot;
Zoo sprekende, stak zij hem de verhitte wang toe; doch Haydn gaf daar geen acht op, maar rangschikte de oningenaai le bladen van hel boek en sloeg het eindelijk dicht.
Onder op het titelblad lag een reusachtige inktvlak. Deze trok Haydn's aandacht â want een bemorst manuscript was hem eene ontwijding der muze â en nu las hij de over de vlek geschreven woorden, die zoo dik geschreven waren, als had de schrijver zich in plaats van een ganzenpen van een houtje bediend.
«Joseph Haydn, omlerkapehneester van Zijne Doorluchtigheid prins Anton Esterhazy.quot;
Het boek dreigde Haydn uit de sidderende hand te vallen.
«Lina, lees eens wat hier geschreven staal; mij schemert hel voor de oogen!quot;
«Dat heeft de vreemdeling geschreven,quot; riep Lina, nadat zij een. vluchtige»! blik op het blad had geworpen.
32
»Dan was het prins Eslerhazy zelf, die in mijne armoedige kamer was ! Hij is met mijn treurig lot begaan geweest.quot;
Haydn had biddend de handen gevouwen; zijn oog zag verheugd naar boven.
)).Ia, Gij, lieve, goede God daar boven in den hemel, liet is waar, en ik dank U uit den diepsten grond mijns harten. Uwe erbarmende liefde is niet van mij geweken en Uw arm is niet verkort. Gij hebt de tranen uit mijne oogen en de zorg uit mijn hart genomen! Ik zweer het U â en hij breidde in zalige vreugde de armen uit â «Joseph Haydn zal gewis niet ondankbaar zijn!quot;
Zijne echtgenoote stond met vochtige oogen naast hem; ook zij bad en dankte God.
«Vrouwtje,quot; wendde Haydn zich vergenoegd tot haar, «ik heb een hongei als een paard ! Gij hebt het vleesch wel laten aanbranden, maar dat komt er niet op aan. Zie, mij ware het juist zoo gegaan, als ik kok geweest was! Het maakt niets uit! Vandaag smaakt mij het slechtste goed! Dek de tafel en breng liet vleesch op!quot;
«Joseph, de prins gaf mij een gulden opdat ik ander vleesch zou halen.
«Den gulden geeft gij aan mij ! Morgen laat ik een H. mis lezen tot dankzegging aan God, dat Hij ons uil den nood gered heelt.quot;
Des namiddags kwam er een briefje, in hetwelk Haydn uitgenoo-digd werd zich den volgenden morgen bij den vorst aan te melden.
Haydn lette niet op de verblindende pracht, die hem daar omgaf, hij gaf zich de moeite niet om zich heen te zien en uit den luister van het pa'eis tot zijn toekomstig lot te besluiten: hij dacht slechts aan de goedheid van den vorst en aan zijn eigen geluk, dat, hoe groot het ook was, toch nog ver door zijne dankbaarheid overtroffen werd.
Prins Esterhazy ontving Haydn met die echte holfelijkheia, welko niet op het verschil der steboorte, maar op de grootheid van het genie let.
33
))Haydn,quot; ving hij aan, »ik le«s het in uwe trekken, dat ik u â groote vreugde bereid heb. Ik denk, dat wij recht goede vrienden â zullen worden! Gij wilt mij bedanken? Ik geloof u, maar bespaar mij die betuigingen! Voor het tegenwoordige zijt gij mijn onderka-{lelmeester, later wordt gij alleenbeerscher over een rijk, om hetwelk allen die het kernen mij benijden. In mijne kapel is elke medewerker een kunstenaar, de grootste zijt gij! Ik wil u een gezellig te huis in het paleis Esterhazy bereiden. Zijt gij aanvankelijk â met vierhonderd gulden salaris tevreden? Later geef ik u gaarne meer. En voor voeding en woning draag ik eveneens zorg; halve weldaden zijn in het geheel geene; wat ik doe, doe ik volledig. En nu nog een woord over uw standpunt in mijn huis. Mijn broeder Nicolaas en ik zijn hartstochtelijke vereerders der muziek. Zij is voor ons niet eene liefhebberij, die onze ijdelheid streelt, of waardoor wij op goedkoope manier voor de wereld de Maecenas spelen, .Nicolaas zelf is een virtuoos op de viool; wij beiden zien in de muziek een heilig geschenk Gods waarvoor wij den Hemel nog dankbaarder zijn dan voor den voorrang der geboorte of voor de aardsche goederen, waarmede wij gezegend zijn. Wie de liefde en de begeestering voor de muziek met ons deelt, is ons een geliefde vriend; die met de hem door God geschonken talenten deze liefde in ons nog meer opwekt, tot dien zien wij met dankbare vereering op. Mijn boste Haydn! men zegt van u, dat gij een bijzondere lieveling der muzen zijt, en de vonk der onsterfelijkheid in u gloort. Dat gij een braaf, rechtgeaard man, een ware Nathanael zijt, dat weet ik uit den mond van uw vriend den prior. En dus neem ik u hiermede niet in mijn dienst, maar ik begroet u als een dierbaren vriend, wien ik met mij en mijn geliefden broeder Nicolaas een blijde gulden toekomst wensch!quot;
Onzen goeden, weekhartigen Haydn parelden de tranen uit de irouwe oogen. Alles wat het verleden aan leed, nood en miskenning tot dusverre in zijn leven in zijn hart opgehoopt had, verdween op â¢dit oogenblik. De toekomst lag als een zonnige lentemorgen voor (het oog zijns geestes; hij voelde, hoe de vleugelen van zijn genie zich
3
tot den lichtgloeienden ether verhieven, om daar den lof des Scheppers in jubelende tonen te bezingen.
»UWe Doorluchtigheid, zoo vriendelijk en edel gelijk gij, heeft nog geen mensch met mij gesproken. Ik dank u niet met ijdele woorden; laat mij mijn leven, mijn werken en scheppen, laat mij dat, wat God mij als gave en roeping in mijne ziel gelegd heeft, aan u en aan uw doorluchtig huis dienstbaar maken! en als de naam van Joseph Haydn aan de nakomelingschap zal toebehooren, zal men erkentelijk den naam zegenen van hem, die aan Haydn's genius de vrije vlucht naar den hemel geschonken heeft.quot;
IV.
Toenemend geluk.
Prins Eslerbazy braclil den zomer voor een gedeelte door op zijn slot Estethazy, dat in een moerassige vlakte lag, door eindelooze grasvelden omgeven, maai n el bijna koninklijke pracht gemeubileerd was. Beroemd waren de bibliotheek en de schildergalery, welke beiden later naar AVeenen oveigebracht werden; niet minder de daar aanwezige schouwburg en de operazaal, zoowel als het park, dat door alle mogelijke middelen der kunst en met groote onkosten aan een schralen, onvruchtbaren bodem ontwoekerd was. Het andere gedeelte van den zomer sleet de vorst in Eisenstadt, waar hij een slot bezat, dat waardig was een keizer binnen zijne wanden te huisvesten. Oranjerieën, vischvijvers, watervallen verfraaiden het park; door den tuin liep een laan van rozenboomen ter lengte van tweehonderd twee en zestig schreden, daaraan sloten zich twee fazanten-tuinen en een groot dierenpark met een allerliefst jachthuis aan. Zijwaarts lag het stadje met zijne niet bijzonder fraaie, doch goed onderhouden straten, zijne keiken en kloosters.
Hier in Eisenstadt en op het slot Esterhazy sleet Haydn dertig jaren van zijn leven. Betredende zijn kommervolle jeugd zoowel als zijn aan eerbewijzingen en roem zoo rijken ouderdom zijn de voor de nakomelingschap bewaard gebleven bijzonderheden tamelijk
36
overvloedig; daarentegen zijn ons van dat langere tijdsverloop, waarin de meester op het toppunt van zijn geniale scheppen stond, slechts enkele feiten bekend. De oorzaak daarvan mag wel in de eerste plaats in het bescheiden optreden en het afgezonderde leven van Haydn te zoeken zijn; nochtans moet het als zeer opmerkelijk geacht worden, dat er misschien van geen enkel groot man zoo weinig bekend is als juist van hem, die door zijne bewonderenswaardige compositiën de lieveling van alle muziekkenners en vrienden geworden is. Het is ons daarom ook niet mogelijk uit die jaren, gedurende welke Haydn Esterhazy's kapelmeester was, een aaneengesloten relaas te geven, maar moeten wij er ons toe beperken, eenige episoden fragmentarisch aan elkander te hechten, welke een blik in den vruchtbaren nazomer van Haydn's leven laten werpen.
Onze meester moest met het aanbreken der lente alleen naar het slot Esterhazy, waar de vorst zich gewoonlijk zes maanden placht op te houden. Haydn's vrouw was er ontroostbaar over weder eenzaam en verlaten in Weenon te moeten achterblijven; maar dewijl het nieuwe slot eerst hall afgebouwd was, moest de vorst zijnen musici- de vergunning weigeren hunne vrouwen mede te nemen; daarentegen werd hun geoorloofd hunne huisgezinnen naar Eisen-stadt te laten komen, waarheen de vorst zich van Esterhazy begaf, alvorens den winter in Weenen te gaan doorbrengen.
Haydn wist zich met die buigzaamheid, welke niet uit karakterloosheid, maar uit bescheidenheid ontspruit, in zijne nieuwe betrekking als onderkapelmeester te schikken. De oude kapelmeester, onder wien hij stond, was ziekelijk en daardoor dikwijls allesbehalve rooskleurig geluimd; daarbij behoorde hij tot diegenen, bij wie alleen Italiaansche muziek waarde had, terwijl hij eiken arbeid van een Duitschen componist voor onbruikbaar knoeiwerk verklaarde. »Ik waarschuw u,quot; vermaande hij Haydn dikwijls, hoestende en kortademig, «voor de bij u natuurlijk zoer verklaarbare neiging om u aan eigen compositiën te wagen. Het is jammer van de inkt en het papier; laat ons God danken, dat wij zulke voortreffelijke Italiaansche meesters hebben!quot; liracht dan Haydn hier be-
37
scheiden tegen in, dat de vorst uitdrukkelijk verlangde, dat hij voor hem componeerde, dan viel de oude driftig tegen hem uit: ))En ik zal het weten te verhinderen, dat de vorst zijn kunstzin met Duilsch knutselwerk bederft.quot;
Haydn liet den kapelmeester smalen en schimpen en besteedde toch elk vrij uur om datgene wat in hem zong en klonk, op het papier vast te zetten. Het gebeurde niet zelden, dat, als op een concert enkel Italiaansche meesters ten gehoore gebracht waren, prins Anton zijn onderkapelmeester vroeg, wanneer toch eens een zijner eigene compositiën zou ingestudeerd worden; maar Haydn beriep zich steeds zonder bitterheid of gevoeligheid op hel streng verbod van den kapelmeester. «Ook goed!quot; fluisterde dan Esterhazy lachende. «Laten wij den oude zijn zin en bederven wij zijn goede luim niet of maken wij zijn kwade niet nog erger! Componeer maar ijverig; de tijd zal toch spoedig komen, dat ik mij in uwe werken verlustigen kan.quot;
Maar, helaas! die tijd kwam niet! Nog was er geen jaar verloo-peii sinds Haydn in dienst van prins Anton getreden was, toen deze stierf en in den grafkelder zijner voorzaten werd bijgezet.
Haydn was ontroostbaar over dit verlies; toch kwam hierbij geen eigenbelang in het spel, want hij wist wel, dat hij niet te gelijk met zijn edelen vriend het dagelijkse!) brood verloor, maar met Anton Esterhazy ging voor don zoo teergevoeligen en dankbaren Haydn veel ten grave. Gene was het toch die hem uit de boeien van den diepsten, zorgvolsten kommer bevrijdde en hem die vrijheid des geestes verschafte, waarin hij sport voor sport de ladder zijner toekomstige grootheid besteeg.
Evenals de geheele rijke nalatenschap ging ook de geheele kapel aan Nicolaas, den broeder van den afgestorvene over. Deze was een buitengewoon mensch en een volmaakt edelman. Met vochtige oogen aanvaardde hij de geërfde rijkdommen, met een van verrukking kloppend hart de uit kunstenaars samengestelde kapel. Zijn eerste werk was, den ouden kapelmeester met behoud van zijn volle salaris af te danken, en Haydn in diens plaats te benoemen.
33
»Haydn,quot; sprak hij met vriendschappelijke warmte, »ik heb van al hetgeen mijn broeder mij nagelaten heeft, niets zoo gaarne en dankbaar aanvaard als u. Geef mij de hand en laat ons een verbond sluiten, hetwelk wij niet verbreken. En scheidt ons God, dan berusten wij er in! Ik beschouw u zoo geheel en al als den mijne, dat ik reeds bij voorbaat het denkbeeld niet kan verdragen u in het bezit van een ander te zien. Mijn broeder moest, buigende voor de eigenzinnigheid van zijn kapelmeester, de Italiaansche muziek liefhebben en de Duitsche veronachtzamen; ik echter wil Haydn en Mozart voor alle anderen als mijne meesters liooren. Nu weet ik zeer goed, dat de geest, die scheppen moet, al is hij nog zoo rij k begaafd, voor alles niet door het gewoel van hot dagolijksche leven gestoord mag worden, en uit dien hoofde heb ik zorg gedragen u een stille woning in te richten, waar gij naar hartelust componeeren kunt.quot;
De prins had werkelijk voor Haydn in Eisenstadt, waar hij zich veel en gaarne ophield, een afzonderlijk staand huisje gekocht, dat door lindeboomen overschaduwd was en welks stille rust slechts door het gezang der vogelen onderbroken en gestoord werd. Daar heeft Haydn s genius rijke en schoone vruchten voortgebracht.
Prins Nicolaas was een virtuoos op de barytonviool; Haydn componeerde voor dit instrument alleen honderd drie en zestig stukken, daarbij vele divertissements, concerto's, kwartetten, twee en tachtig in getal, en nog eene menigte sonates, liederen, canons en dergelijken. Zijne vruchtbaarheid scheen met de jaren toe te nemen en ieder nieuw succes dreef zijn onuitputtelijk genie tot liet scheppen van nieuwe werken aan. Haydn beschouwde het als een plicht, die de eer hem oplegde, al zijne compositiën, wanneer niet bijzondere redenen, waarbij zijn wil niet in aanmerking kwam, het anders eischten, het eerst door de kapel des vorsten te doen voordragen; hij beschouwde zicli toch geheel als het eigendom van den man,quot; die' hem dagelijks blijken gaf van zijne welwillendheid, en zonder dat de bescheiden meester het ooit gewaagd had er om te verzoeken, het salaris door trapsgewijze verhooging op de voor dien tijd gewis-aanzienlijke som van duizend gulden bracht.
39
Op den 11 Januari 1763 vierde prins Nicolaas EsterhaEy zijne echtverbintenis met Theresia gravin Erbödy, en Haydn luisterde dezen dag op met de eerste opvoering zijner opera. vAlcidusen Galatea.quot; Vijf jaren later volgde de opera »Lo Speciale,quot; in 1770 de opera »Le Pescatrici.quot; Dexe werken zoowel als talrijke andere, ook kerkelijke compositiën, verbreidden Haydn's roem steeds verder. Toen in September 1773 de keizerin Maria Theresia in Esterhazy afstapte en des vorston gastvrijheid aannam, voerde Haydn een nieuw kluchtspel vL'Infedelta delusaquot; op, over welke de keizerin ihare hooge goedkeuring betuigde. Nog in hetzelfde jaar schreef hij de marionetten-opera; »Philemon en Baucis,quot; die een lievelingsstuk der keizerin werdi dan volgde nog het marionettenstuk: )gt;de Hcksensabhath.quot;
Hoe gaarne Haydn zich ook naar den wensch van zijn heer voegde, en hoofdzakelijk opera's componeerde, lachte hem toch meer het lyrische toe. De operatekst, welks holle en ijdele woordenpraal hem menigmaal tot vertwijfeling voerde â want het genie is het eene marteling en vernedering zich aan de gedachteloosheid dienstbaar te maken â stond hem tegen. Daar, waar zijn geest zich rijke beelden kon tooveren, daar waar hij zelf scheppend handeling en gedachte in vaste vormen gieten kon, onafhankelijk van den gedachtengang van anderen: daar voelde Haydn's geest zich volkomen vrij en in de vrijheid gelukkig.
Menigmaal, wanneer reeds lang in Eisonstadt of in het slot Esterhazy alle lichten uitgedoofd waren en de torenklokken het middernachtelijk uur verkondigd hadden, ja, als zelfs de ochtendschemering door het raam van Haydn's schrijfvertrek drong, zat de meester nog vol begeestering te componeeren, de eene hand op het spinet, in de andere de pen, die met vliegende haa^t de melodieën op de notenbalken neerschreef.
Zoo verliepen gelukkige maanden, vreugdevolle jaren. Haydn leefde slechts voor zijne kunst, in haar vond hij volledige bevrediging zijns geestes. Eiken winter kwam hij een paar maanden te Weenen bij .zijne vrouw doorbrengen, die, zoolang haar familie loeide, daar bleet
40
wonen. Het wederzien was bij Carolina, geheel overeenkomstig' hare geaardheid, steeds onstuimig en hartstochtelijk, en nog geen uur daarna was het geld hel hoofdonderwerp van al hare gesprek-tien. Klaagde zij aanvankelijk, dat de gezonden sommen niet toerei-'Kende waren, ofschoon Haydn altijd de helft en meer van het verdiende zond, weldra ging zij driest eene schrede verder. Zij maakte-op den naam van haren man schulden, wel wetende, dat Haydn die gewis betalen zou. Hij deed dat ook. Geen bitter woord kwam daarbij over zijne lippen; hij vergenoegde zich zijne vrouw te verzoeken toch eenigermate rekening te willen houden niet zijne inkomsten. Daarop werd hem gewoonlijk onder een honenden lach toegevoegd: «Verkoop uwe compositiën, in plaats van toe te staan, dat ze als gemeen eigendom van de eene hand in de andere overgaan en wij hebben beiden geld genoeg.quot;
Het is een feit, dat Haydn er nooit zijn werk van gemaakt heeft, uil zijne compositiën kapitaal te slaan.
Dezen idealistische)!, onpractischen man stond nu eene vrouw ter zijde, die, in plaats van spaarzaam te zijn en van hetgeen haar echtgenoot haar toelegde over te houden, een waarlijk verkwistende levenswijze voerde. Terwijl Haydn zich in den vreemde met schralen kost vergenoegde, ja dikwijls, om voor zijn middagmaal den arbeid niel te moeten onderbreken, zich met een glas wijn of een kop kofite tevreden stelde, smulde zijne vrouw aan een rijk bezette tafel met vroolijke gasten, die den duursten wijn op de gezondheid van deigt; veraf wonenden meester dronken. Men versla ons wel. Er kleeft op de kleine en geheel onbeduidende vrouw van den groolen man-niet de geringste zedelijke smet; zij was slechts een ijdel, ondoordacht; hartstochtelijk kind tot op haren hoogen ouderdom; zij was; kwaadaardig, genotziek, maar geen oogenblik slecht.
Laat ons niet vragen tot welke hoogte Haydn zonder de:e vrouw,, zonder deze schaduw op zijn geest, zich verheven zou hebben; zij was voor dien edelen man, wiens ziel de liefde slechts in hare meest verheven beteekenis vervulde, een centenaarsgewicht aan de. vleugelen van zijn genie.
41
In Weenen gold het reeds in gezaghebbende muzikale kringen zoowel als inzonderheid bij den adel, die destijds met voorliefde de muziek beoefende, voor eene eer, de werken van Haydn op te voeren. Met elke nieuwe compositie nam de bewondering toe voor den meester, dien allen liefhadden en slechts weinigen kenden.
De volgende episode uit Haydn's leven moge daarvan ten bewijze strekken.
Prins Esterhazy had â het was nu reeds midden in den winter en Kerstmis ophanden â aan zijne kapel voor eenige maanden vacantie gegeven. Haydn had uit Weenen zulke vleiende brievenen uitnoodigingen ontvangen, dat hij tegen zijne gewoonte reeds van den eersten dag zijner vrijheid gebruik maakte om naar de hem zoo dierbare stad af te reizen. De tocht, dien de meester in een oude logge kales maakte, duurde bij den verren afstand en de hooge sneeuw zoo lang, dat Haydn gevaar liep zijn goede luim te verliezen. Anders van een nauwgezette, bijna angstvallige netheid in zijne kleeding, placht hij op reis daar niet zoo veel acht op te ü'even, en daar deze langer duurde dan berekend was, kwam hij in tamelijk verwaarloosden staat in Weenen aan. In een afgedragen, kalen rok, in een ouden versleten pelsjas en met ongekamde pruik zat hij in zijn wagen, toen hij, het was ongeveer acht uur des avonds, door de spaarzaam verlichte straten der hoofdstad reed. De vermoeide paarden volgden met hangende koppen langzaam hun weg door de Kiirnthnerpoort en de Karthnerstraat. Daar klonk uil een grafelijk paleis muziek door de stille straat. Haydn is als â¢jeëlectriseerd, hij steekt het hoofd uit het portier â daar boven wordt een zijner eigene symphonieën en nog daarbij meesterlijk gespeeld â met een sprong is hij uil den wagen, roept den koetsier toe op hem te wachten en gaat het openstaande huis tinnen. De hel verlichte trap met hare marmeren treden is verlaten, de voorzaal boven staat wijd open en Haydn treedt er binnen. Daarnaast is d« muziekzaal, de deur staat slechts aan, de meester legt zijn oor aan de reet en luistert met genot naar zijne eigene melodieën. Hij bemerkt niet dal een bediende binnentreedt, die hem
42
een wijl met wantrouwende blikken gadeslaat. Doch weldra komt deze nader, legt de hand tamelijk ruw op den schouder des vreem-delings en vraagt met gedempte stem:
»Zeg eens, wat heeft mijnheer hier te maken?quot;
Haydn keert zich haastig om en ziet den bediende half wrevelig, half verzoekend in het barsohe gelaat.
»Ik zou gaarne even naar die muziek luisteren!quot; fluistert hij bescheiden.
De bediende haalt de schouders op,
»Het is hier geen openbare concertzaal!quot; antwoordt hij fier, «mijnheer moet zijns weegs gaan ! quot;
Haydn houdt zich . alsof hij het plompe bevel van den bediende niet gehoord heeft en blijft met het. oor voor de spleet op zijne plaats staan. Dat is den bediende toch wat al te kras. Hij pakt den indringer bij den pelsjas, gelijk men een dief vastgrijpt.
«Mijnheer heeft genoeg gehoord ! Ik raad hem zijne biezen te pakken, anders werp ik er hem uit!quot;
Haydn tast in zijn vestzak en reikt den bediende een halven gulden.
De bediende glimlacht genadig.
«Mijnheer mag nog even toeluisteren!quot;
Zoodra echter de symphonie uit was, vermaande hij :
«Nu moet mijnheer weggaan: ik kan hem niet langer hier laten!quot;
Haydn tast nogmaals in zijn vestzak en reikt den Cerberus weder een verleidelijk geldstuk toe. Deze weifelt een oogenblik tusschen gebiedenden plicht en het aangeboden lokaas â daar gaat plotseling de zaaldeur wagenwijd open, het volle licht der waskaarsen valt verblindend op Haydn. Een man loopt tegen hem aan, deinst verschrikt terug, blijft een oogenblik als verstijfd staan en roept daarna plotseling luidkeels in de zaal: «Haydn, Joseph Haydn is hier!quot;
Aller oogen wenden zich verbaasd naar de deur en naar den man in den kalen pelsjas, die zich weerstrevend in de zaal laat trekken.
«Hier breng ik onzen veelbewondsrden Haydn,quot; roept de musicus, trotsch op zijn gevangene.
43
Een oogenblik. heerscht er diepe stilte; daarna breekt er een donderend gejubel los. «Waar is Haydn? Lang leve Haydn!quot; Honderd handen strekken zich verwelkomend naar hem uit. Haydn is ia eene stemming, dat hij iedereen zou kunnen omhelzen; hij vergeet hoe hij hier gekomen is, hij denkt niet op zijne in dit aanzienlijk gezelschap opvallend verwaarloosd toilet, hij ontvangt en geelt slechts warme handdrukken, hij hoort zijn lof en neemt die vergenoegd doch zonder trots aan. Daar roept eene diepe basstem:
«Mijne heeren, gij vergist u, die man daar kan Haydn niet zijn! Haydn moet een groot, schoon man zijn en niet zulk een nietig, onooglijk manneke als die daar!quot;
Algemeen gelach.
Haydn stuift op.
«Wie wil mij mijne persoonlijkheid betwisten?quot; roept hij driftig uit, springt op het orkest, ziet, dat eene adagio van zijne compositie uitgedeeld is, geeft met den maatstok het teeken, vat te gelijk eene viool en speelt met wegsleepende meesterlijkheid. De begeleidende instrumenten volgen onwillekeurig doch met toenemende warmte. Allen luisteren in ademlooze verrukking. Bij het slot van het adagio legt Haydn de viool neder, neemt den pelsjas, dien hij afgeworpen had, over den arm en ijlt stom groetende uit de zaal.
Zoo dikwijls Haydn in Weenen vertoefde, overlaadde men hem met groote eerbewijzingen en onderscheiding. Men wilde veel, men wilde alles van hem hooren, wat hij voortgebracht had, doch hoewel prins Esterhazy zijn kapelmeester de vrije beschikking over al diens compositiën gaf, zonderde hij nochtans Haydn's opera's daarvan uit.
Deze beschouwde hij met rechtmatigen trots als zijn uitsluitend eigendom, hetwelk hij zich niet liet afhandig maken.
De meester leende zijne compositiën naar alle kanten uit. Overal werden zij overgeschreven, het origineel echter met dank en bewondering teruggegeven. Haydn's melodieën zijn weldra in elk goed orkest de uitstekendste parelen en lievelingen, van alle zijden oogst hij lot in â de muziekhandelaars staan verbaasd over een genie, dat met beide handen zijne beste bloemen wegschenkt en er geen
44
oogenblik aan denkt om ze te verkoopen j zij doen hem voorzichtig aanbiedingen, maar flaydn lacht en zegt dat hij voorloopig niets heeft te verkoopen, daar hij alles reeds weggeschonken heeft. Zoo vermeerdert des meesters beroemdheid maar niet zijn geld. Zijn gansche rijkdom bestaat uit het jaargeld, dat hij uit de kas van prins Esterhazy trok, dat voor hem even toereikend als voor zijne verkwistende vrouw steeds veel te klein was.
Hoe goedhartig Haydn ook was en hoezeer welwillendheid ook den grondslag van zijn gansche wezen uitmaakte, kon hij zich toch soms niet onthouden, laatdunkende menschen eene gevoelige les te geven.
Eens werd er in Presburg een landdag gehouden. De keizerin Maria Theresia woonde dien bij, de magnaten ontwikkelden hun gansche verblindende pracht en prins Esterhazy had zijne kapel derwaarts geroepen om der keizerin, die een groote vereerster der muziek was, een waar kunstgenot te bereiden. Haydn zou bit deze gelegenheid zijne beste compositiën ten gehoore brengen, want hij was des vorsten grootste trots. Zoodra Esterhazy's voornemen bekend geworden was, meldden zich vier liefhebbers van aanzienlijke geboorte bij den vorst aan met het verzoek, om onder medewerking van twee musici voor de keizerin eene symphonic te mogen uitvoeren. Prins Esterhazy was met het gedane verzoek niet bijzonder ingenomen, doch kon het niet afslaan zonder zich tegenover de hooggeboren heeren onhoffelijk te betoonen. Haydn en Tomasini werden aangewezen om hierbij mede te werken.
Het concert had plaats in de tegenwoordigheid van de keizerin-en den adel. Het eerste deel daarvan bestond uit de schoonste compositiën van Haydn, die door de kapel met een onberispelijke meesterlijkheid werden voorgedragen. De eerbied voor de keizerin verbood elke luide bijvalsbetuiging; daarentegen overlaadde Maria Theresia den gelukkigen Haydn in de tusschenpauzen met den warm-sten lof. Ten slotte maakte de keizerin de opmerking; «Hebben wij elkander niet reeds vroeger ontmoet?quot;
Haydn boog diep.
45
»Ja, Uwo Majesteit! Het was tijdens het lustslot Schönbrunn nog in aanbouw was.quot;
»Ik herinner het mij niet!quot; viel de keizerin hem nadenkend in de rede.
»Ik was destijds nog een zorgelooze, ondeugende jongen,quot; ging Haydn lachende voort, »en kapelleerling bij Reutter. Het was Zondag en wij mochten voor ons pleizier uit wandelen gaan, waarheen wij wilden. De nieuwsgierigheid spoorde mij aan, den nieuwen slotbouw te bezichtigen en ik ging naar Schunbrunn. In den beginne vergenoegde ik mij met de reusachtige muren aan te gapen, dan echter bekroop mij de lust om tegen de ladders van den steiger op te klimmen. Ik deed het. En hoe hooger ik klom, hoe roekeloozer ik werd. Ik rustte niet vóór ik geheel boven op den steiger stond. Een oogenblik werd ik duizelig, doch dit duurde niet lang en ik klouterde als een eekhorentje over steenen, planken en latten heen. Eindelijk dacht ik aan den terugweg. Ik klom de zwiepende ladders af en wilde juist van eenige sporten hoog op den grond springen, toen ik Uwe Majesteit met eenige dames en heeren in de onmiddellijke nabijheid zag staan.quot;
De keizerin glimlachte ; zij herinnerde zich thans het geval.
»Ik aarzelde een oogenblik en sloop toen zeer bescheiden de ladder af. Pas had ik mijn voet op vasten bodem gezet of reeds pakte mij een bediende bij den kraag. Uwe Majesteit zag mij zoo ernstig en gestreng aan, dat ik de oogen beschaamd naar den grond sloeg. Ik moest zeggen wie ik was â in mijn geheele leven heeft mijne stem niet zoo getrild als destijds â en daarop werd ik na eeno ernstige berisping van Uwe Majesteit over mijne roekeloosheid, losgelaten. Des anderendaags echter liet mij Pieutter eene kastijding geven, naar hij zeide, op hoog bevel.
»Juist Jquot; bevestigde de keizerin lachende. »Ik verheug er mij over, want deze kastijding heeft Joseph Haydn van verdere onbezonnenheid teruggehouden en ons een groot meester bewaard. Maar zeg mij â¢eens, wat zullen wij nu ten gehoore krijgen?quot;
Haydn wilde antwoorden, maar een der hoogadellijke dilettanten
46
sneed hem het woord af en sprali: »Vier graven zijn zoo gelukkig Uwe Majesteit eene symphonie te mogen voordragen.quot;
«Is zij van Joseph Haydn?quot; vroeg Maria Theresia.
bNeen, Uwe Majesteit!quot; en des sprekers blik monsterde minachtend den Duitschen meester; »maar Haydn en Tomasini zullen medewerken. Wij beoefenen slechts Ilaliaansche muziek en weten die waardig voor te dragen.quot;
»En minacht gij de Duitsche ?quot;
«Ja, Uwe Majesteit, want een Duitscher kan geen muziek schrijven.quot;
Hel gelaat der keizerin verduisterde. Zij liet den bluflenden edelman gaan en wendde zich tot den aan hare linkerzijde zittenden vorst.
«Zoo denken wij beiden er niet over, mijn waarde Esterhazy,quot; sprak zij met nadruk. «Wij verheugen ons over elk talent, dat uit ons midden voortgekomen is. Overigens,quot; voegde zij er in een opwelling van scbalkschheid bij, »zou ik wel eens willen weten, wat er van de hooghartige dilettanten zou worden, als zij plotseling Joolde medewerkende kunstenaars in don stock gelaten werden.quot;
Haydn had deze woorden gehoord en zij waren bij hem op een vruchtbaren bodem gevallen. Met een onverschillig voorkomen ging hij op Tomasini toe, fluisterde hem iets in het oor en trad vervolgens aan zijn lessenaar om zijne viool te stemmen. De symphonic begon. Haydn en Tomasini speelden de eerste viool; alles ging vlug en vlot; de beide meesters hielden met vasten streek de dilettanten in de maat. Daar springt midden onder het spelen de kwint op Haydn's viool; een der adellijke musici bemerkt dit en reikt Haydn zijn eigen instrument toe; deze echter houdt, als bloedde hij uit den neus, den zakdoek voor het gelaat en ijlt uit de zaal.
Tomasini speelt met de dilettanten verder; de passages zijn I cht, zij vorderen geen bijzondere kunstvaardigheid. Maar nu wordt het zwart en wiemelend op en onder de balken; de tweeendertigsten en de viermaal onderstreepten staan dreigend voor de oogen der spelenden; deze vestigen angstige blikken op Tomasini, die rustig de moeielijke plaats begint. Nog gaat alles goed; daar springt öclt op^
47
zijne viool eene snaar; hij haalt de schouders op, legt het instrument neder en gaat heen.
Nog had hij de zaaldeur niet achter zich gesloten, of daar gaat de symphonic reeds op stelten, wankelt, tuimelt, buitelt en geelt na weinige maten jammerlijk den geest. De violoncel krast nog eenige vertwijfelende tonen â sterft ook â daarna is alles doodstil.
De vier dilettanten wisschen zich diep beschaamd het koude zweet van het voorhoold, de toehoorders verkeeren in eene pijnlijke stemming, alle blikken richten zich op de keizerin.
Maar deze lacht vergenoegd en klapt in hare kleine handen.
«Weest getroost, mijne heeren,quot; spreekt zij, «de Duitsche meester Joseph Haydn zal uwe tekortkoming in de volgende stukke» glansrijk vergoeden!''
V.
De afscheidssyiïiplionie.
Haydns huis in Eisenstadt was een stil, lief plekje, vlak buiten de kleine stad gelegen; de muren aan de zuidzijde waren met welig rankende wijngaard begroeid, terwijl de in het groen half verscholen vensters het vrije uitzicht boden op heuvelige velden en liet Leithegebergte. Het geboomte in den omtrek was het verblijf van tal van zangvogels, naar wier zangen de meester in den vroegen ochtend uren lang met genot luisterde en wie hij dan tot dank rijkelijk met voeder voorzag.
Een bediende deelde met hem die landelijke woning. Het was een man van beproefde trouw, die met hart en ziel aan zijn heer verknocht was. Hij zag tot Haydn op als een wezen van een hoogere soort en bewees dit op de volgende roerende wijze. Haydn placht dagelijks, eer hij zijn ontbijt gebruikte, eene korte wandeling te maken. Ondertusschen moest de bediende alle vertrekken berooken. Kwam hij nu in het schrijfkabinet, waar boven het spinet Haydns portret, een geschenk van den vorst hing, dan maakte de eenvoudige raan telkenmale voor het afbeeldsel een diepe buiging en berookte het daarna als een heiligenbeeld.
Haydn had eens eene compositie, aan welker welslagen hem veel gelegen was, af te maken. De meester gelastte zijn bediende niemand
49
aan te melden. Reeds was de voormiddag ongestoord verstreken en wees de wijzer bijna op twaalf uur, toen er hard aan de huisschel gelrokken word. De bediende opende, de voor de deur staande hoeren verlangden Haydn te spreken.
BÃet gaat niet! Het gaat niet!quot;
«Wij zijn vreemdelingen en hebben eene verre reis gemaakt oiu den beroemden meester te spreken; dit verdient toch wel etnig-e overweging!quot;
«Mijnheer heeft tot mij gezegd; George, vandaag moet ik njst hebben. Gij moogt dus niemand bij mij toelaten! â Ik ben slip o gehoorzaamheid schuldig en mag de heeren niet aandienen.quot;
Haydn's studeervertrek was gelijkvloers dicht bij de huisdeur. Men kon elke noot, die de meester op zijn instrument speelde,duidelijk vernemen. De vreemdelingen gaven het op met den gelrur.-wen bediende langer te redekavelen en stelden zich voorloop s-tevreden in de voorkamer naar de schoone melodieën to luisteren.
«Luisteren mogen de heeren naar hartelust,quot; fluisterde hij, »d:.l dieeft mij de groote meester niet verboden, en daaraan hebben /ij ju ieder geval nog grooter genot dan wanneer zij hem zien lü spreken.quot;
De melodieën werden steeds krachtiger; de bas vatte nog eenmaal hot thema in oen vast gesloten geheel samen, de accoorden klonkeu vol, krachtig, indrukwekkend.
George richtte zich fier in zijne volle lengte op, legde den wijsvinger zijner rechterhand aan zijn neus en sprak gewichtig glimlachende; »iYit werkt mijn heer reeds in hel zware. Als gij nu nog een oogenblik geduld wilt hebben, dan kan ik u aanmelden.quot; De bediende had de grootsche finale met de uitdrukking »iii het zwaie werken,quot; naar zijne muzikale opvatting aangeduid. Haydn sloot zijn spinet en ontving de vreemdelingen met de hem in zoo hooge mate eigene beminnelijke bescheidenheid om ze na verloop â van een uur als zijne hartstochtelijkste vereerders te zien vertrekken.
De kapelmuzikanton mochten, gelijk gezegd is, hunne gezinnen nilt; t â medenemen naar Estei hazy, doch wel naar Eisenstadt. Toen het herfst
4
50
werd en naar de gewone berekening de overhuizing naar Eisenstadt ophanden was, verwekte een bevel van den vorst dat de kapel, dewijl hij in Esterhazy wilde blijven,daar nog eenige maanden dienst zou doen, bij de meeste leden daarvan een groote ontevredenheid. â «Het is ongehoord, ons zoolang van onze gezinnen te scheiden I â Liever nemen wij gezamenlijk ons ontslag!quot; Zoo klaagden en dreigden de musici met verstoorde aangezichten. «Haydn moet helpen!quot; klonk het eenparig uit aller mond, »en helpt hij ons niet, dan helpen wij ons zelve!quot;
Haydn smeekte, hij herinnerde aan plicht en dankbaarheid, hij bracht hun onder het oog, hoe zij wel den dienst van don vorst verlaten konden, maar nooit weder zulk een milden en edelen beschermer vinden zouden, 't Was alles in den wind gesproken! »\Vij zijn kunstenaars,quot; morden de musici, »en geen daglooners! Wij dulden niet dat men met ons handelt gelijk men het verkiest. De vorst moet ons, evenals alle jaren om dezen tijd, naar onze kinderen laten vertrekken.quot;
Na lang redeneeren mocht het Haydn gelukken de njusici to bewegen nog eene week geduld te hebben. Uil genegenheid voor hun kapelmeester beloofden zij zulks; als zij echter acht dagen vruchteloos gehoopt hadden, zou hun den negenden dag geen macht meer in Esterhazy terughouden.
Haydn zocht naar een uitkomst die den schoonen bond tusschen den prins en zijne kapel niet verbrak, genen niet krenkte en deze aan de vervulling van hun wensch hielp. Godvruchtig als hij was, wendde hij zich in dezen nood â want wat zou er van hem zeiven worden ak de kapel ontbonden werd â vol vertrouwen in het gebed tot God. En nadat hij eenige uren met een bezorgd voorkomen rondgewandeld had, klaarde zijn aangezicht eensklaps op.
Twee dagen en twee nachten werkte hij rusteloos; de laitste maat der symphonic in Fis-mol was geschreven. Haydn ademde verlicht. Hij ging naar den tuin, aan welks pronk dft vochtig koude herfst zijn langzaam, maar zeker vernielingswerk voltooide.
Gelijk hij wel berekend had ontmoette hij er den vorst.
51
oHaydn, het is goed dat ik u aantref,quot; sprak deze. »Ik neem bij de leden mijnei- kapel een groots misnoegdheid waar. Wat schort er aan? Zijn die mensdien niet tevreden? Ik meen dat prins Nicolaas Esterhazy toch geen onbillijke meester voor zijne ondergeschikten is!quot;
Deze woorden werden cp een scherpen, Ja snijdenden toon uitgesproken. Haydn begreep, dat hij tegenover den even weiwillenden als lichtgeraakten vorst de grootste voorzichtigheid in acht moest nemen.
«Als het herfst wordt, Uwe Doorluchtigheid, bekruipt den vogel, wiens vaderland het warme zuiden is, het verlangen naar een zachter klimaat. Hij breidt onderzoekend de vleugels uit voor den langen tocht, zijn hartje zwelt bij het hem steeds meer overmeesterende heimwee; reeds wil hij zijne vlucht nemen, daar houdt hem de hand, die hem den geheelen zomer gevoederd heeft, met geweld terug. Wanneer nu zulk een arm diertje het hart tot berstens toe klopt,...quot;
«Haydn,' onderbrak hem de vorst, «ik versta u, en toch wil ik u niet verstaan!quot;
»Uwe Doorluchtigheid, op mijne schrijllessenaar ligt eene nieuwe symphonic !quot;
«Uitmuntend, boste meester! Het zal mij genoegen doen haar te hooien!quot;
«En wanneer, Uwe Doorluchtigheid?quot;
«Nog hedenavond!quot;
Haydn keerde vergenoegd en stil glimlachend naar zijne woning terug.
«George,quot; beval hij zijn bediende, «er mag geen mensch een voet over mijn drempel zetten.quot;
«Maar als de prins komt?quot;
»Dan zegt gij, dat ik slaap!quot;
* âl£n zit op dat oogenblik waarschijnlijk juist het hardste op uw spinet te trommelen.quot;
Haydn overzag nog eenmaal de partituur, speelde eenige sre-deelten op het spinet, op viool en violoncel en sloot voldaan het
52
boek tee ; de avond begon reeds te vallen. Builen streek de ruwe herfstwind over de kale weiden, schudde aan de vensterblinden van liet slot en deed de windwijzers knarsend op hunne stangen heen en weer draaien. Het wordt steeds donkerder in het veitiek, naast den kachel in een duisteren hoek knielt de meester en bidt in vrome aandacht zijn rozenkrans, eene verplichting, die hij zich voor eiken dag zijns levens opgelegd had en waarvan hij zich met de getrouwheid van een nauwgezet man kweet.
Voor den aanvang van het concert had de meester nog veel met zijn orkest te fluisteren en te beschikken. Het was opmerkelijk hoe bij het geheimzinnig vertrouwelijk gefluister van Haydn de gelaatstrekken van enkele musici veel helderder en vroolijken werden; ja menigeen drukte hem met warmte de hand en zeide met volle overtuiging; «nu gelooven wij aaneen spoedige verlossing!quot;
De prins zag met spanning de uitvoering van da nieuwe sympho-nie te gemoet. Zijn verlangen om daarmede het concert te beginnen, wees Haydn onder een gezocht voorwendsel van de hand en zoo moest hij wel geduld oefenen lot liet voorlaatste stuk uitgevoeid was, en thans was de syuiphonie aan de liourl.
De kapel lelde destijds slechts zestien leden; zes violisten, een alttist, een cellist en een contrabassist, twee hoboïsten en een fagotti.en vier waldhoornisten. üe symphonie in Fis-mol begint. Het eerste deel is krachtig en vol uitdrukking; in het Adagio heersthl zoetheid en weekheid, de violen zijn met dempers voorzien, hobo's en hoorns zwijgen bijna geheel Menuet en trio zijn kort gehouden, de finale treedt met geweld m de hier anders lintelende vroolijk-heid in; na nauwelijks honderd malen houden ul de instrumen'.en op de dominant van Fis plotseling op, maar in plaats \.m de verwachte Fis-dur of mol treden maat en toon van het tweede deel (Adagio A dar */») in, ditmaal met een nieuw thema in de eerste stem der nu in vier groepen verdeelde violen, die aanvankelijk met tweeën, daarna echter ieder zelfstandig optreden.
Met verrukking luistert de prins naar de weeke melodieën. Het was niet de gewone muziek van Haydn, die bij alle diepte van
53
govoel steeds eenige opgoruimdlieid liet doorschemeren ; terwijl anders alles zoo blijde en tevreden, zoo innig gelukkig klonk, waren de tonen dezer symphonie lijdend, hartstochtelijk, klagend, verf eederend, smeekend en toornig; slechts eenmaal verhieven zij zich tot eon luid gejubel, evenals of zij de vreugde, welke hun klagen en jammeren gold, een oogenblik genoten, om ze dan weder in de donkere golven van het lijden te begraven.
De symphonie naderde haar einde; het gelaat van den prins glinsterde, zijne oogen rustten onafgewend op Haydn. Nog eenige maten en iets ongehoords heeft plaats : de tweede hoornist en de eerste hoboïst, aan hun voorschrift getrouw, pakken liunne instrumenten in en verlaten het orkest. Elf maten verder grijpt de tot dusverre stil zittend fagotlist naar zijn instrument, maar slechts om uni sono met de tweede viool tweemaal de beginmaat van het motief te blazen, dan dooft hij zijn Jicht uit en treedt eveneens af. Na zeven maten volgt hem de eerste hoornist en de tweede hoboïst. Eindelijk maakt de violoncel zich van de bas los; beiden gaan geruim en tijd ieder zijn eigen weg tot bij eene wending, waar het Cis als dominant optreedt ook de bas zich verwijdert. Wij zijn nu weder in Fis-duf en de alt en violoncel spelen in dezen toon het vroegere thema. Met korte tusschenpoozen verdwijnen nu de overige musici.
Het is bijna stikdonker geworden op het orkest; slechts aan een enkelen lessenaar branden nog twee lichten; hier zitten des vorsten lieveling Tomasini en een tweede violist, wie het laatste woord gegeven is. Zacht gedempt door een sourdine klonk hun beurtzang, ten laatste in terzen en sexten ineensmeltende en in een laatsten ademtocht wegstervende. De laatste lichten doven uit, de laatste violisten gaan heen. Haydn staat alleen op het orkest.
Weemoedig ruischten de laatste klanken door de zaal. De oogen van den prins hadden zich met tranen gevuld.
»llaydn,quot; riep hij, de hand naar den meester uitstrekkende, «wilt ook gij mij verlaten?'quot;
»Neen, Uwe Doorluchtigheid!'quot; antwoordde hij met wavmte en innigheid.
54
quot;Haydn, als ik de symphonic goed begrepen heb, was zij eigenlijk niets anders dan de in tonen gekleede vergelijking van den vogel, die naar het vaderland verlangt, waarvan gij mij hedenmiddag spraakt?quot;
âJa, mijn vorst. De musici hebben door de symphonie aan hun verzoek om terugkeer naar hunne gezinnen een hernieuwde uitdrukking gegeven.quot;
âWelaan! het zij zoo! /eg aan mijne kapel, dat wij morgen naar Eisensladt zullen afreizen. Maar als de heeren in het midden hunner gezinnen zijn, zal hun, naar ik hoop, geen nieuw oproer in den geest opkomen, en in alle gevallen zal mijn kapelmeester zich niet nogmaals tot medeplichtigheid daaraan laten verleiden, al was deze ook nog onder zulk een kunstvaardigen dekmantel verborgen.
Haydn nam de berisping stilzwijgend aan. Hel bewustzijn anderen gediend te hebben, woog ruimschoots op tegen de zwakke wolk van misnoegen, welke voor een oogeublik de goede verhouding tusschen hem en den prins verduisterde.
âHaydn,quot; dus vatte Esterhazy het onderhoud weder op, «gij zult toch uwe vrouw in Eisenstadt vinden, niet waar? Of woont zij nog altijd in Weenen'.' Wij zullen den ganschen winter in Eisenstadt blijven, van een verhuizing naar Weenen is dit jaar geen sprake.quot;
Deze woorden brachten den kapelmeester in een pijnlijke verlegen-heik. Hij had er geen oogenblik aan gedacht zijne vrouw uit Weenen te laten overkomen; hij moest immers te recht vreezen, dat naast dit opvliegende en grillige wezen zijne stille gemoedsrust vlieden en zijne muze treuren zou! En toch was hij edelaardig genoeg liever de rust van zijn leven en hei genot van het vruchtbaar scheppen op het spel te zetten, dan tegenover den prins ook slechts de geringste aanklacht tegen zijne vrouw over de lippen te laten komen.
aUwe Doorluchtigheid, ik zal nog heden aan 'nijne vrouw schrijven en haar uitnoodigen den winter aan mijne zijde en in de gezellige woning, welke uwe hooge gunst mij geschonken heef;, door te brengen.quot;
55
»gt;Eii het zal mij genoegen doen uwe vrouw te leeren kennen. Sïaydn, gij zijt toch immers recht gelukkig?quot;
«Mijn geluk is mijne kunst, al het aardsche is onvolmaakt, en verzadigt maar bevredigt niet; dat wat van den hemel komt, vervult -zonder wanklank des menschen ziel, dat wat aan de aarde toebehoort is wanklank zander zaligheid.quot;
Esterhazy wierp een uitvorschenden blik op zijn kapelmeester, (let was hem, als klaagde uit diens woorden de smart van een bloedende wonde. Den schijn aannemende als had hij niets gemerkt, brak hij het gesprek uaet kieschheid af.
. Het is wreed van mij, beste Haydn,quot; sprak hij, »u hier op te .houden, terwijl de musici gewis met spanning op de uitwerking van uwe symphonic wachten. Zeg derhalve aan mijne kunstenaars, dal wij morgen afreizen; gij echter, geachte kapelmeester, moet mij betoven, geen muziek meer te componeeren, welke zulk een hinderlaag verbergt als uwe overheerlijke symphonie.quot;
Het was een prachtige winterdag. Millioener. ijskristallen glinsterden in den helderen zonneschijn en flonkerden als waren het in 't oneindige verdeelde flikkerende sterretjes, die op de besneeuwde .«traten van Eisenstadt en daar buiten op het veld gestrooid waren.
Haydn zat in zijne goed verwarmde kamer en arbeidde Plotseling werd de deur met veel gedruisch geopend en kwam zijne vrouw, die sinds twee dagen in Eisenstadt vertoefde, op hem toe met den uitroep : «.Joseph, het is toch waarlijk al te verschrikkelijk!quot;
«Wat dan?quot; vroeg Haydn werktuigelijk.
«Dat gij hier als een bedelaar ingericht zijt. Oude meubels, beschadigd en vol vlekken, kale muren zonder behangsel of schilderijen. Gij vergeet dat gij vorstelijk kapelmeester zijt.quot;
uLina, mij was tot dusverre stoel en tafel goed genoeg.quot;
«Maar mij niet! Ik heb nieuwe meubelen besteld en vertrouw op «we dankbare goedkeuring.quot;
â gt;Gij zult wel zoo vriendelijk zijn de gedane bestelling weer in te trekken. Ik betaal viet! De tevredenheid van den mensch ligt toch
56
niet in de pracht die hem omgeeft, maar in de slipte vervulling vrijncr plichten en de gerustheid van zijn geweten.quot;
«Nu Ja,quot; antwoordde juffrouw Haydn snibbig, »ik hen er aan ge* woon van u in plaats van de geriefelijkheden des levens wijze spreuken te ontvangen. Waarlijk, gij zijl iemand die met alles t'vreden is, mits hij maar rustig werken kan; maar ik ben va» echt Weener bloed, wie de gansche wereld nog te arm en te klein is.....quot;
Er ging bijna geen dag om waarop de vrouw van Haydn niet' ren aanleiding vond om haren man mei verwijten te overladen en hem het leven zoo onaangenaam mogelijk te maken. Het kon niet: missen of dit moest op de gezondheid van den aan huiselijke rust gewenden man een nadeeligen invloed uitoefenen en hel duurde dan. ook niet lang of hij lag op het ziekbed uitgestrekt.
Eenzaam lag hij op zijn leger met de oogen vol tranen en damp;' onafscheidelijke rozenkrans in de van koortshitte gloeiende banden. Zijne vrouw liet zich zelden in de zie'tekamer zien; zij miste evenals in alle andere dingen zoo ook hier elk gevoel van sympathie.
Nadat Haydn eenige dagen ziek gelegen bad en de geneesheer zijne vrees had te kennen gegeven, dat de ziekte wol van eemgen duur kon zijn, kwam Lina aan zijn bed en vroeg hem, luid snikkende de handen wringende :
«Om Godswil, Joseph, zeg mij, zou de prins wel uw salaris uitbetalen, als gij ziek zijl?'
Dal was hare zorg.
De oude, trouwe bediende George week niet van het ziekbed zijns meesters Hoe onbeschaafd hij ook was, wist, hij toch den zieke tallooze liefdediensten te bewijzen. En waren zij elkander tol dusverre reeds dierbaar geworden, zij werden nu nagenoeg vertrouwde vrienden.
»Wij hadden alleen moeten blijven,quot; merkte de oude op zekerenv dag trouwhartig aan, «en madame Haydn niet herwaarts laten komen, U doet de lucht hier in bet geheel geen goed meer sinds uwe vrouw hier is..... Maar ik sta hier zoo al geen onver-
57
stuk)ige dan toch onbescheiden laai uit te slaan, terwijl ik iets gewichtigs haast vergeten zou. De doctor heeft mij als een heiligen' pücht op het geweten gedrukt, er voor te zorgen, dat gij uw bed: niet verlaat en inzonderheid dat gij niet aan muziek moogt denken.quot;
sGcorge, gij wordt onbeschaamd ! quot; smaalde Haydn schertsend. »Ik kan denken aan wat ik wil.quot;
»Ja! daar hebt gij eigenlijk gelijk in. Maar wie staat er voor in, dat gij daarbij rustig in uw bed blijft.quot;
Terwijl Haydn slapelooze dagen en nachten op zijn ziekbed doorbracht en de koorts door zijne aderen woelde, suisde het wild als een heksensabbat door zijne ziel; viel hij echter ten laatste in een weldadigen slaap en ontwaakte hij daaruit verkwikt en gesterkt, dan klonken de melodieën vol en harmonisch als engelenstemmen. in zijne ziel en voelde hij zich onweerstaanbaar tot zijn spinet aangetrokken.
Maar hij mocht immers niet.
Op zekeren dag was dit wederom het geval. Haydn trok aan de schel. George, die van den slaap van den zieke gebruik gemaakt had om zich te verwijderen, verscheen.
»Waar is mijne vrouw ? quot;
»Zij is naar de kerk en gaat daarna bezoeken afleggen.quot;
«Hoe laat is het?quot;
»Tien uur!quot;
«fieorge, doe mij het genoegen en ga naar den prins om hem te-zeggen, dat bet beter met mij gaat! quot;
De bezorgde bediende wiegde bedenkel.jk het hoofd.
sDat kan niet, mijnheer! De juffrouw is uit, ik durf u niet alleen laten.quot;
«George, maak mij niet driftig!quot;
«Alles goed en wel, als die ongelukkige rammelkast er maar niet was; maar deze is voor u even gevaarlijk als een vol glas voor een drinker.quot;
«Welnu ! blijf dan Iquot;
53
Haydn had deze woonlen koud en scherp uitgesproken, en zich wrevelig naar den wand gekeerd
Onthutst stond George met gevouwen handen voor hot bed van zijn verstoorden meester. Met een bedrukt voorkomen wachtte hij op een teeken van vergilfenis, maar tevergeefs.
«Mijnheer Haydn!quot; fluisterde de bediende.
Haydn keerde langzaam het hoofd om.
»Wat wilt gij'?quot;
«Mijnheer, beveel mij voor u door water en vuur te loopen, maar wees niet boos op mij!quot;
Haydn stak hem glimlachende de hand toe.
«Wees gehoorzaam on ga den prins de boodschap overbrengen.
«Heeft het daarmede geen tijd tot juffrouw Haydn terug is ?quot; bracht -George met stokkenden adem in.
«Neen!quot;
George wierp nog een troosteloozen blik op het openstaande instrument, en verliet de kamer. Ituiten in den gang bleef hij nog â een oogenblik staan. De kin nadenkend met de hand ondersteunende mompelde hij :
«Mijn heor voert booze plannon in zijn schild. Als dat verwenschte
spinet er maar niet was. '
Geheel ontstemd ging hij den gang door, trok de deur dreunend toe en richtte zijne schreden naar hot slot.
Nauwelijks had Haydn van het heengaan zijns dienaars gewisheid, of zijn oogen begonnen te schitteren Met de grootste inspanning stapte hij uit zijn bed, wikkelde zich in zijn slaaprok en sleepte zich naar zijn spinot. Wat in de dagen zijner ziekte steeds met nieuwe macht door zijne ziol weergalmd had, werd nu tol een roerend liod. ICn terwijl Haydn speelde parelden hem de tranen over de van koorts glooiende wangen. Haastig greep hij naar inkt en papier, om de gedachten vast te houden. Met de uiterste inspanning schreef hij eenijje noten, doch eensklaps begaven hem zijne krachten en zonk hij bewusteloos op den vloer neder. Hij kon ongeveer een kwartieruur- op d n yrond gelegen bobben, toen de koude zijne
59
leveasgeesten weder opwekte. Met wankelende schreden gelukte het hem zijne legerstede te bereiken. Weinige minuteu later trad Oeorge de ziekenkamer binnen. Zijn oog gleed onderzoekend over do toetsen van het spinet.
«Mijnheer,quot; riep hij ontsteld uit, »gij hebt op het instrument gespeeld.quot;
Haydn zag hem verbaasd aan.
«Sinds eene week werd het stol' niet van de toetsen van het spinet geveegd : hier is het spoor van uwe vingers!quot;
«En zijt gij daarom boos op mij ?quot;
»Ja, mijnheer, en met het volste recht! Gij zult misschien zeggen, dat gij den honger naar muziek niet hebt kunnen weerstaan ! Ik echter roep u toe, dat gij een zelfmoordenaar zijt! Thans, nu de wereld meer en meer het bewonderende oog op u slaat, springt gij met uwe gezondheid om ais gold het die van eene musch op het dak ! Ik geloof dat wij de verkeerde wereld moeten spelen: ik be-vrel, en gij gehoorzaamt. Zoodra de juffrouw komt, dragen wij het spinet uit uwe kamer. En dan vat ik als een schildwacht post voor uw bed en ga er niet vandaan, voor gij geheel hersteld zijt. En verleent God u deze gunst, dan voer ik u naar het spinet en roep: » I hans, mijnheer Haydn, moogt gij een dankhymne spelen, thans behoort gij weder aan de wereld en uw genius!quot;
VI.
3De doornen van den roem.
Het was in hef. jaïit1 IVTj, dat Haydn s groot oratorium Ritorno-di Tobiaquot; voor de eerste maal in Weenen opgevoerd werd. De uitslag beantwoordde geenszins aan de verwachtingen des meesters; want overtrol' van den eenen kant de toegezwaaide lof zijne koenste hoop, van den anderen kant ontbrak het niet aan mannen, wier afkeuring alle grenzen der gematigdheid en billijkheid te builen ging. Was ook de bewondering voor het oratorium en diens componist nagenoeg algemeen, zoodat Haydn over de waarde van zijn werk geen oogenblik in het onzekere kon verkeeren, trad toch de afkeuring op in een vorm, die hem diep krenken moest; want hoe dankbaar de ziel van den grooten meester was voor de waarheid, ook zelfs als zij de spits tegen hem zeiven keerde, kookte hij toch van verontwaardiging en grievend zieleleed, als laaghartige nijd, logen en afgunst vijandig tegen hem optraden. Er waren destijds een aantal muziekliefhebbers in Weenen, die zich verbeeldden dat wat een Oostenrijker componeerde, niet zoo goed kon wezen als het werk van een Italiaan en die uit dien hoofde alles aan Haydn's oratorium, meenden te moeten afkeuren.
De meester was over de afkeuring meer verbitterd dan over oen lof verheugd. Men had hem reeds herhaalde malen aangeraden eene
61
kunstreis naai Italië en Frankrijk te ondernemen, waarbij het bem gewis niet aan citIjuwijziny en onderscheiding zou ontbreken. Haydn had tot dusverre uit gehechtheid aau zijn vorst aan de bekoring weerstand geboden; nu dreef de misnoegdheid hem aan dat denkbeeld te verwezenlijken en dit te eerder daar de bekende Peter Salomon to Londen hem daarheen en prins Oettingen-Wallerstein hem bij zich nooiligde en de laatste zijne uitnoodiging nog met een gouden snuifdoos van vier en twintig ducaten zwaarte ondersteunde. Haydn hoopte hierbij nog een geheimen wensch zijns harten te zien verwezenlijken door namelijk aan zijn broeder Michel, die in Salzburg kapelmeester was en dien hij innig liefhad, zijne eigene eervolle betrekking' als directeur van de Esterhazy'sche kapel af te staan. Maar Michel Haydn verklaarde aan Joseph, dat hij zich niet van Salzburg, dat hem lief geworden was als zijn leven, scheiden kon; en nog grooter tegenstand ontmoette hij bij prins Nicolaas zeiven die hum beslist het verlangde ontslag uit zijn dienst weigerde.
«Verlang van mij wat gij wilt,quot; ijverde de vorst, «alleen niet uw ontslag! Gij weet welk een. hoogen prijs ik op u stel, hue ik op niets zoo trotsch ben als op uw bezit, hoe mijn ontzaglijke rijkdom mij koud laat, terwijl elke uwer compositiën mij het grootste genot bereidt. Of zijt gij met uwe positie ontevreden? Staat niet onder uw muzikalen veldheerstaf een geheele schaar van mannen, waarvan ieder in het bijzonder een kunstenaar is? Kunt gij betere tolken van uw genius vvenschen dan uwe musici het zijn en kunt gij nog erkentelijker Mecenas verlangen dan ik voor u ben? Hoelang is het geleden, dat gij mij met tranen in de trouwe oogen er voor gedankt hebt, dat ik u een stille, lieve, landelijke woning schonk, waar gij â¢een tevreden, gelukkig leven leiden kondet. Hoe dikwijls hebt gij mij met een verwond hart geklaagd, dat gij u eenzaam en verlaten gevoelt in het gewoel der wereld en overgelukkig en rijk in de afzondering? En nu is alles als door een touverslag anders geworden! Wat u tot dusverre als geluk gold, is u thans tot last geworden: de stille afzondering tot een akelige gevangenis en het gehate gewoel dor wereld tot het vurigst verlangen. Haydn, ik ken
u ternauwernood meer; en nochtans meen ik dc drijiveer te kennen die u uit uw behaaglijkheid heeft opgeschrikt en u voorlzweept. Nooit hebt gij roem en eer gezocht; weiden deze echter uw deel, dan naamt gij die aan met dezelfde onschuldige blijdschap waarmede een kind naai' de bloemen des voids grijpt, niet vermoedende, dat er adders onder schuilen kunnen. Uw gemoed is door nijd en afgunst, die uit den poel der voorbedachtelijke ongerechtigheid zijn opgeschoten, gewond en verbitterd geworden. Gij voelt den grond onder uwe voeten branden, daar haat dien gloeiend maakte; gij verlangt naar andere menschen, dewijl onder do duizenden, die u vereeren, er eenigen zijn, die u snood verkleinen. Ilaydn, als gij een âroot man wilt zijn, rnoet gij u onthouden in eenige zaak klein te zijn. Gij moogt noch voor lof noch voor afkeuring zwakke schouders hebben en moet hoofd en hart liooger houden dan de golven der menschelijke gunst of afgunst reiken kunnen. Laat derhalve geen bekoorder tusschen ons beiden treden, die, ik zeg liet u met de volste overtuiging, u geen onvermengde vreugde zou aanbrengen, mij echter de schoonste bloem uit mijn leven ontrooven zou. Terwijl mijne genegenheid voor u dagelijks toenam, vleide ik mij met de stille hoop, dat wij niet meer van elkander zouden scheiden; het zou mij meer pijn doen dan eenige wonde, die het. wisselvolle leven aan mijn hart heeft toegebracht, als gij evenwel van mij zoudt willen scheiden.quot;
Door aandoening overmeesterd greep Ilaydn de hand van den vorst en kuste die met vurigheid.
«Ziezoo! nu is alles weder goed!quot; ging Esterhazy vergenoegd glimlachende voort, «Maar daar bedenk ik iets: gij draagt gewis geen zorg voor een fikschen voorraad wijn in uw kelder; want dronkt gij dikwijls een glas goeden wijn, zoo konden er zulke lee-lijke gedachten niet bij u opkomen. Hier, mijn waarde, is eene rol van honderd ducaten. Daarvoor mag enkel uitstekende wijn gekocht worden; en raakt het met het geld en den wijn op het einde zoo wendt gij u tot mij om nieuwe artsenij.quot;
63
Alvorens Haydn uit Weenen naar liet stille Eisensladl terugkeerde, viel hem nog eene bijzondere onderscheiding ten deel. Hel keizerlijke hof, op Haydn's groote-begaaldheitl opmerkzaam geworden, liet hem door prins Estorhazy het verlangen te kennen geven, dat hij voor den keizerlijken schouwburg eene opera zou schrijven. De meester was overgelukkig, want als een echt Oostenrijker was hijmet hart en ziel aan het doorluchtig keizerlijke huis gehecht.
Met de hom eigene geestkracht en zijn rusteloozen ijver zette llaydn zich aan de volvoering van de hem opgedragen taak. Ester-hazy was kiesch genoeg gedurende dezen tijd zoo min mogelijk van de diensten des kapelmeesters ten eigen behoeve gebruik temaken, wel wetende, dat llaydn des te grootscher scheppen zou, naai' mate zijn genius zich ongestoorder aan één werk wijden kon. Daarbij verheugde zich zijn onbaatzuchtig gemoed reeds vooruit in de aanstaande zegepraal zijns kapelmeesters en zag hij hem in den geest met de lauweren van algemeenen roem bekranst.
Haydn was bij de compositie van het drama giocoso »La vera costan/.a,quot; hetwelk hij in korten tijd voltooid had, er op bedacht geweest, met de eigenaardigheid en de krachten der aan de keizerlijke opera werkende zangers en zangeressen bijzonder rekening te houden, zoodat elke partij van te voren nauwkeurig voor een bepaalden persoon geschikt gemaakt was. ilij meende, en wel niet ten onrechte, daarmede het zoo vurig gewenschte slagen van zijn werk beter te verzekeren.
Vervuld van de zoetste verwachtingen reisde hij, na de partituur herhaalde malen met pijnlijke zorgvuldigheid overgewerkt en ook de kleinste onellenheden daaraan gepolijst te hebben, naar Weenen. De ontvangst, die hem daar ten deel viel, was niets minder dan bemoedigend. De directeur der hofopera behandelde llaydn tamelijk onheusch en gaf te kennen dat hij zoo spoedig geen tijd zou kunnen vinden, om de partituur te beoordeelen; Haydn zou dus maar weer naar Eisenstadt terugkeeren; men zou hem bij gelegenheid de nuodige tnededeeling omtrent het lot zijner opera doen toekomen, Haydn gaf op tamelijk scherpen toon te kennen, dat hij geen lief-
64
hebber was, die zijn werli eerst aan welwillende beoordceling te onderwerpen had, maar dat hier aan een keizerlijk bevel gehoorzaamd moest worden, tot welks nietnakoming zich wel niemand bevoegd zou achten.
Deze taal verblufte en ontstemde tegelijk. Men toonde zich tegenover den over den schouder aangezienen kleinen vorstelijken kapelmeester schijnbaar voorkomend, maar slechts om aan het welslagen der opera een andere hinderpaal in den weg te leggen. L)e directeur der keizerlijke opera had bij het vluchtige doorbladeren van het handschrift niet zoodra bemerkt, dat üaydn voor elke partij reeds een bepaalden persoon op het oog gehad had, of reeds stond litt plan bij hem vast, hetwelk ten uitvoer gebracht Ilaydn's compositie moest doen vallen.
Verheugd over de toezegging, dat de instudeering der opera, daar het nu toch eenmaal keizerlijk bevel was, zonder uitstel onderhanden zou genomen worden, ofschoon men er andere reeds in studie genomen betere werken voor moest uitstellen, sleet Ilaydn vroolijke dagen in Weenen, zorgeloos als slechts een mensch kan zijn, die zelf niet in staat eenig kwaad te doen, ook anderen tot geen slechte handelingen in staat acht. Hij kwam met Mozart in nadere kennis en sloot met hem weldra een innige vriendschap; de adel en de muzikale gezelschappen betwistten elkander reeds daarom de eer den kapelmeester van Esterhazy in hun kring te hebben, dewijl een lichtstraal der keizerlijke gunst op hem rustte; met den dag ver-.meerderde het aantal zijner vrienden en vereerders en daar do vijanden zich voor het oogenblik stilhielden, vergat onze argelooze en edele Ilaydn geheel en al dat er menschsn bestonden, die hem â vijandig gezind waren.
Na verloop van twee weken bracht een bediende aan Haydn de boodschap, dat den volgenden dag het eerste bedrijf van »La vera costanzaquot; in de concertzaal der opera gerepeteerd zou worden. Onze meester doorwaakte een slapeloozen nacht. Eerst toen de morgenschemering in het oosten begon aan te breken, look de slaap verkwikkend zijne matte oogleden.
65
Op liet vastgestelde uur versc'i en Ilaydn in de zaal. Slechts weinigen der kunstenaars groetten hem, de moesten monsterden hem met koele blikken. De directeur 1 nikte voornaam met het hoofd.
«Mijnheer üaydn gelieve plai.ts te nemen waar hij verkiest,quot; bemerkte hij, onverschillig met zijn dirigeerstok op eenige ledis-staande zetels wijzende.
Haydn streek met zijn zakdoek over het voorhoofd.
«Maar ik verlang bepaald nvjn werk zelf te dirigeeren!quot;
«Gij ?quot; werd hem m t honenden lach geantwoord. »Hier dirigeert niemand dan ik alleen!quot;
Haydn poogde zich te bedwingen.
Zijwaarts tegen een pilaar leunende, verbeidde hij met halfgesloten oogleden het begin. De ouverture liep prachtig van stapel, Haydn's ziel baadde in eene zee van verrukking. De eerste maten van het eerste tooneel vloeiden met streelende accoorden uil den vollen kelk der ouverture. De primadonna zong, Haydn keek verschrikt op; dat was niet degene, voor wie de partij geschreven was. Zooging het slag opslag Geen één zanger zong'de hem toegedachte, voor zijne stemmiddelen nauwkeurig berekende rol; geen ééne zangeres was op do haar toegedachte plaats.
Onberispelijk speelden de instrumenten hunne partij, afschuwelijk klonk met hooge en lage tonen tevergeefs worstelend de mensche-lijke stem daartusschen. Haydn hield de hand voor het gelaat. Hij weende.
Het ging hoe langer hoe erger.
«Het gaat niet!quot; riep de muziekdirecteur en gaf het teeken om op te houden.
Langzaam kwam hij de treden van het orkest af, op Haydn toe.
«Gij ziet, dat uw werk valt, dat het moet vallen!quot;
Dit zeide hij zoo koel, zoo boosaardig, dat Haydn's aderen op zijn voorhoofd zwollen.
«Ja, gij hebt gelijk, mijne opera moet vallen; maar niet omdat 15/ slecht is, maar omdat gij slecht zijt!quot;
Do directeur wilde hem driftig in de rede vallen.
5
CO
«Laat mij uitspreken !quot; giny Uajdn met een gebiedende handbeweging voort «Gij wist, dat ik elke partij voor den omvang der stem van eiken persoon berekend luid. lladt gij dit in aanmerking genomen gelijk uw plicht was, dan bestond er geen wanklank en bij gevolg geen mislukking.quot;
«Gelijk het mijn plicht was?quot; herhaalde honend de andere. «Mijnheer, tegenover u ben ik mij volstrekt van geen plicht bewust.quot;
»Dan vorder ik de gerechtigheid, die gij aan den componist van een werk schuldig zijt.quot;
«Ik ben u in het geheel niets schuldig.quot;
Haydn beetde.
«En wanneer ik er u om verzoek?quot;
De directeur keerde hem lachend den rug toe. »AIs uw werk een kleermakerswerk is, waarvan elk stuk voor een bepaald persoon naar de maat gesneden is, den beklaag ik u uit den grond mijns harten,quot; spotte hij.
Haydn stormde uit de zaal.
Een uur later ontving de directeur der hofopera een briefje van den volgenden inhoud : »lk vorder mijne opera terug. Haydn.'
Dit had de boosaardige directeur niet verwacht. Ilij be£reepr dat Haydn zijne intrige doorgrond had en mans genoeg was om zich niet als een kwajongen te laten behandelen.
«Zeg den maestro, dat ik hem laai verzoeken, bij mij te komen!quot; gelastte hij den bode.
»Ik heb den bepaalden last van den heer ven Haydn, niet zonder de partituur terug te komen,quot; antwoordde de man.
«Zoo neem de voddenkraam mede!quot; bulderde de directeuren smeet den bediende het geheele pak voor de voeten.
Nauwelijks was Haydn in het bezit zijner opera, of hij begaf zich. naar den hofburg. Daar gekomen verzocht hij e.ene audiëntie bij â¢ten keizer. De dienstdoende kamerheer haalde de schouders op.
«Mijnheer, deliid waarop Zijne Majesteit gewoon is audiëntie te ver-lecnen, is lang voorbij en daarbij is »\w toilet om voor den keizer te verschijnen volstrekt niet gepast
67
gt;)I3eiJe betreur ik,quot; antwoordde Haydn met eene buiging, «en uachlans verzoek ik dringend mij te willen aanmelden. Wil Zijne -Majesteit mij niet ontvangen zoo zal ik getroost heengaan; maar door een ander laat ik mij vandaag niet afwijzen.quot;
«Maar zeg mij eens, wie gij eigenlijk zijt?quot; vroeg de kamerheer.
quot;Joseph Haydn.quot;
«Zeer goed. Het is ten minste altijd reeds iets als men iemands naam weet. Doch zeg mij eens, zijl gij een kleermaker, een kruide-denier, of een achtenswaardig- burger?quot;
»Ik ben kapelmeester van den prins Nicolaas Esterhazy.quot;
«Aha !quot; De kamerheer toonde zich een weinig handelbaarder; nief om het «Joseph Haydn,quot; maar om den naam van prins Esterhazy, die naar hem bekend was, bij den keizei' een goeden klank had.
Hij verdween achter vleugeldeuren, verscheen weder, boog een achtsten graad dieper voor Haydn en sprak :
«Zijne Majesteit de keizer gelieft u Ie ontvangen.quot;
»Wel, Joseph,quot; rie|) de keizer genadig, «is de opera voltooid?quot;
»Ja, Uwe Maiesteit, geheel voltooid, ik verzoek slechts ze te wo-gen begraven!quot;
«Ik begrijp u niet!quot;
quot;E'quot; heelt nog geen vorst uil het Habsburgsche huis op Oostenrijks troon gezeten, die zoozeer het bloed zijner kinderen bemind lt;;n bun geest beschermd heelt, als Uwe Majesteit. Daarom treed ik niet als verzoeker, maai' als klager voor uw troon.quot;
Kn nn verhaalde Haydn in korte trekken het geleden onrecht.
Keizer Joseph stampte met den voet.
«Schandelijke naijver Elke ademtocht van 'leze kerels is intrige. Ik zou mij schamen, had ik zulk volk herwaarts geroepen. Haydn, gij zult genoegdoening hebben.quot;
quot;Genoegdoening, Uwe Majesteit, heb ik mij zeiven verschaft. Ik heb mijne opera teruggenomen.quot;
â gt;De opera is echter eene vrucht van mijn wensch,quot; hernam de keizer. «Derhalve behoort ze mij toe en gij hebt geen recht ze mij te onthouden.quot;
68
oUwe Majesteit, somtijds moet ook de edelste keizerlijke wil voor den wil eens onderdaans buigen. Dat is het ongeluk der vorsten, dat zij niet niet de eene hand weldaden uitdeelen, en met de andere de duizend slangen kunnen verworgen, die zich om de treden van hun troon kronkelen. Ja, werd de geest die den keizer bezielt door het volk op prijs gesteld en slopen er niet zoovele Judassen rond, die het hart des volks van zijn vorst vervreemden, het zou er anders in het lieve vaderland uitzien. Er was een tijd, dat de knoeier uit Italië in alles bij ons als meester gold, terwijl de meester, uit eigen bloed ontsproten, een knoeier was in de oogen van het volk. Dat was en is nog Oostenrijks schaduwzijde. De Italiaan, de vreemdeling spijst bij vorsten en adellijken aan tafel, terwijl de geniale Oostenrijker met de bedienden eten moet.quot;
«Haydn, gij kunt bitter, zeer bitter zijn !quot; bemerkte de keizer. «Maar waar, Uwe Majesteit!quot; hernam Haydn. «Zie een honderd jaar terug en gij zult mij niet beschuldigen dat ik onwaarheid spreek. Ik heb een verzoek. Uwe Majesteit!'
»Het zij u toegestaan!quot;
»Ik vraag niets voor mij. Aan Oostenrijks hemel is eene ster «pgegaan. Het is Mozart. Neem hem onder uwe volle, machtige bescherming !quot;
»En Haydn ? quot;
«Er leeft buiten mij nog een Haydn, Uwe Majesteit! Het is mijn beminde broeder Michel in Salzburg. Dat is een edel mensch en een groote geest, en vroom en goed. Bescherm ook dezen! »En u zeiven?quot;
«Ik keer naar Eisenstadt naar mijn vorst terug.
»En uwe opera ? quot;
tik heb haar gecomponeerd met al de inspanning mijns geestes. Bij elke noot dacht ik aan mijn keizer. Dat ik mijn werk nu weder mede naar huis neem, is niet mijne schuld. Ik verdien voor het eerste geen dank, evenmin als voor het tweede een berisping.quot;
«Haydn,quot; sprak keizer Joseph smartelijk bewogen, »ik wenschte, dat ik uwe macht deelde! Als gij tot uwe kapel terugkeert en uw
C9
schept,cr verheft, volgen allen u gewillig. Een wenk van u en uw wil is bevel. Gij zijt meer keizer clan ik en in een edeler rijk dan ik.quot;
Toen keizer Joseph in den herfst van het jaar 1779 prins Ester-hazy op diens slot een bezoek bracht, genoot hij de verrassing, Haydn's opera »La vera costanzaquot; door het vorstelijk operagezelschap op hoogst voortreffelijke wijze te hooren uitvoeren. De edele monarch was vol bewondering voor 's meesters werk; nochtans kon hij zich niet onthouden zijn leedwezen te kennen te geven deze compositie vol verheven schoonheden niet ook in Weenen te hebben zien opvoeren.
»Haydn, het was niet goed van u de opera terug te nemen,quot; verweet hem de keizer.
»Uwe Majesteit,quot; antwoordde prins Esterhazy met gepaste vrijmoedigheid, i) Hay dn heeft daarmede niet alleen geheel in mijn geest gehandeld, maar ik zou hem, hoe dierbaar hij mij ook zij, uit zijne betrekking ontslagen hebben, indien hij anders gehandeld hadde. Mijn Haydn is te groot en te goed, om de speelbal der intriges van laaghartige menschen te zijn!quot;
VII
Sclieiding.
Iluslig en vreedzaam gingen [[aydn's dagen voorbij. Met zijn toe-nemenden roem vermeerderde ook liet aantal zijner vrienden en bewonderaars; na een korten strijd had hij geleerd boosaardige critici te verdragen. Was echter onze meester zijnen God en den goeden menschen voor alles dankbaar, het gevoeligste was hij voor genegenheid en vriendschap, en hoe meer hem deze ten deel werden, hoe zonniger en vruchtbaarder zijn leven werd.
Daar ontving hij eene opdracht, welke hem zoolang hij er aan arbeidde, dierbaar was als een zoet hartsgeheim, en hem toen zij voltooid was, dierbaarder bleef dan al het andere wat hij ooit gedicht had. Want in dit werk smolten de beide hoogste goederen, die hij op aarde bezat, geloof en muziek, tot een wonderbaar geheel ineen.
Een domheer uit Cadix in Spanje had aan Haydn geschreven. Hij , schilderde hem, hoe daar gedurende den vastentijd het volk in de domkerk het geheim der Verlossing vierde. Het geheele reusachtige tempelgebouw werd aan wanden, pilaren en vensters behangen met zwart laken, een enkele in het midden hangende groote lamp verspreidde in het ruime gebouw slechts een spaarzaam, weifelachtig licht. Alle deuren waren gesloten; de godvruchtige menigte lag op de knieën. De bisschop besteeg den kansel, sprak een der zeven
71
woorden van Cliristus, hielJ daarover eene korte overweging en verliet daarna den kansel weder om zicli op de treden van het altaar biddend neder te werpen. De zeven pausen zou Haydn met muziek aanvullen Men had den componist voor ieder der zeven woorden eene tijdruimte van tien minuten toegestaan â het eenige wat hem aan deze hem overigens zoo aangename opdracht hinderde.
Hoe kon men ook verlangen, dat Ilaydn, gewoon zijn genius al-lijd vrij spel te laten, juist hier, waar zijne ziel, zijn geloof zouden en mochten zingen, met het horloge ia de hand componeeren zou? De meester wees deze vordering kortweg af, doch werkte met des le meer geestdrift deze heerlijke gedachte uit. De Heiland aan het Kruis kwam hem voor als eene harp met zeven snaren, die door de oneindige liefde Gods jegens ons menschen bespeeld werd. De eene snaar na de andere sprong, maar niet schril, doch zoet, in onbeschrijfelijk wee wegstervend. Haydn zegt zelf van dien heerlijken tijd terwijl hij in de grootste afzondering, ternauwernood een woord sprekende, aan die wonderbare compositie werkte: Nooit ben ik zoo diep godsdienstig gestemd geweest als in die dagen. En wilde het soms met het componeeren niet recht vlotten, dan nam ik mijn rozenkrans ter hand en bad een weinig, en weldra klonk en zong het in mijne ziel, en mijne pen kon niet snel genoeg de liederen en melodieën vasthouden, die geloot en verrukking in mij zongen.
Toen Haydn dit werk voltooid had, voelde hij zich overgelukkig. Zorgvuldig pakte hij de fraai geschreven compositie in en bracht het groote pakket, hoewel zijn trouwe bediende daarover erg morde, zelf naar de post. Er verliep een geruime tijd en er kwam geen antwoord. Haydn werd ongerust. Hoewel hij een afschrift behouden had, deed het hem toch leed te moeten vreezen, dat zijn werk verloren gegaan was en hij door zijn lastgever als een woordbreker of misschien zelfs als onbekwaam zou beschouwd worden. 'Eindelijk kwam er eene kleine kist uit Spanje aan. Zijn bediende George moest ze openen. Hij deed zulks met de grootste voorzichtigheid, maar beiden, neer en knecht, zetten een verbaasd gezicht, toen zij tusschen de plankjes niets dan een quot;hocoladetaart vonden.
«Mijnheer,quot; meende George, »in Spanje schijnen hel rare men-schen te zijn. Dat is een oudbakken taart, die niemand meer eten kan en er buitendien niet zeer smakelijk uitziet.quot;
Bij hel gebak lag een Lalijnsche brief, die Itaydn's werk in begeesterde bewoordingen prees en aan welks slot de domheer Haydn verzocht de taart als een klein bewijs zijner grenzeniooze dankbaarheid te beschouwen.
Haydn's voorhoofd fronste zich. Nooit van zijn geheele leven was hij geldzuchtig of op geldverdienen bedacht, geweest. Maar deze wijze' van beloonen scheen hem eigenlijk als eene beschimping toe.
Nauwelijks was George do misnoegdheid van zijn heer gewaar geworden of hij gaf aan zijne eigene ergernis in de volgende bewoordingen lucht:
â¢,gt;Als de menschen zoo betalen,quot; voer hij op de taart wijzende u t, «dan kunnen wij hel componeeren wel achterwege laten. Met dat voddegoed daar is nog niet eens het papier en het porto vergoed^ laat slaan onze arbeid. Maar dat zal een vingerwijzing voor ons ?ijn. Van nu af heet het, eerst betalen en daarna componeerer wij ! Heb ik niet volkomen gelijk, mijnheer?quot;
Haydn glimlachte.
»Mij dunkt,quot; antwoordde hij, een mes opvallende, »dat wij die taart toch eens moesten proeven. Hebt gij er den moed toe?quot;
De bediende haalde bedenkelijk de schouders op.
»\Vij zullen hel in Gods naam wagen, hoewel ik dal bpaansche geknoei in hel geheel niet vertrouw.quot;
»Gij krijgt hel eerste uwe portie,quot; zeide Haydn en zette hel mes in het â¢'ebak. Doch hel liet zich niet goed snijden, maar brokkelde af; ook stuitte het mes op harde lichamen, door welke liet niet kon heendringen. Haydn werd ongeduldig en brak er een stuk af; er vielen een paar dueaten op de tafel.
«Aha! ik begrijp het!quot; riep George,den wijsvinger tegen zijn voorhoofd drukkende oMijnheer, ik geloof dat er eene menigte zulke goudvinken in de taart steken, en de domheer in Cadix is â God schenke hem de dagen van Noach â oen zeer vernuftige man!quot;
Onder rusteloozen arbeid verliepen de weken. De compositiën ver-meerderden sterk in getal onder Haydn's scheppende hand; elke imuwe opdracht schonk hem nieuwe kracht en nieuw leven, naar alle kanten vlogen zijne liederen, van alle zijden ontving hij blijken van waardeering in zijn stil studeervertrek.
Maar onzen goeden Haydn ging het gelijk zoovele andere men-schenkinderen; hij dacht er niet aan, dat alle aardsche geluk even zoo goed zijn einde heeft als elke dag en als het leven des menschcn.
Het was winter en ijzig koud toen de gemalin van zijn meester, den prins Esterhazy, kwam te sterven. De smart over de scheiding van zijn geliefde echlgenoote drukte den grijzen vorst zoo zeer ter neder, dat. hij in ecne diepe zwaarmoedigheid verzonk. Nog geen jaar daarna, deri 28 November 1790, stierf prins Nicolaas Esterhazy te Weenen. Zijn lijk werd naar Eisenstadl overgebracht en Haydn's hart bloedde foen men het zielloos overschot van zijn weldoener aan den schoot der koele aarde toevertrouwde.
Prins Anton Esterhazy, die nu het bestuur aanvaardde, verschilde in vele opzichten van zijn overleden vader. Hij moet een zeer oppervlakkig en koel gemoed gehad hebben, want hij was in het geheel geen minnaar van de muziek.
Op zekeren dag liet hij Haydn ontbieden.
sik heb u mede te deelen, dat de overleden vorst een rente van duizend gulden voor u vastgezet heelt,quot; sprak hij.
Haydn wilde zijn dank hiervoor betuigen; maar de prins wenkte afwerend en ging voort: »Gij weet zeil maar al te goed hoe hoog de zalige overledene « vereerde. Ik verheug er mij ook over, dat zulk een beroemde naam als de uwe voor eeuwigen tijd aan den-naam van ons huis verbonden is. Dit alles belet mij nochtans niet dat ik u hiermede verklaar, dat ik de geheele kapel ontsla quot;
Haydn ontroerde blijkbaar.
))11( begrijp, mijn waarde, dat u dit verrassen, ja, onaangenaam aandoen moet; maar ik heb nu eenmaal geen liefhebberij voor muziek en gij kunt mij dit niet euvel duiden. Breng derhalve aan at de leden der kapel mijn genadigen afscheidsgroet over.quot;
74
Nu brandde de grond onder (laydn's voeten. Zijn hart was diep verwond. Esterhazy had opgehouden voor hem een te huis te zijn; hel was hem als was de zon uitgedoold en hing er een benauwde dichte nevel boven de eens zoo dierbare plaats
Ilaydn snelde naar Weenen. Hij wierp nog een weemoedigen afscheidsblik uit zijne koets op Esterhazy terug, drukte zich daarna in een hoek van den wagen en gaf zich aan zijne treurige gedachten over. Wellicht had zijne ziel een voorgevoel van hot verval, waaraan het heerlijk slot voortaan gewijd was! â Nu staan de zalen en vertrekken ledig en onbewoond, de schouwburg is sinds lang afgebroken, het marionnettentheater is tot fabriek ingericht, in het muziekgebouw stonden geruiraen tijd klapperende weefgetouwen, de kunstvol aangelegde tuin is met elk jaar meer verwilderd, de fonteinen staan zonder water, het park is gedund en ten laatste geheel gerooid, om daar, waar inhei lommer van het schilderachtige geboomte tallooze vogels zongen en prachtvol gekleede menschen wandelden, gerst en aardappelen te verbouwen.
Ilaydn herkreeg in Weenen spoedig zijne gewone gemoedsstemming. Zijne vrouw ontving hem tamelijk koel; zij droeg reeds zilverdraden in beur haar, doch ook de klimmende jaren vermochten haar karakter niet te verbeteren. Haydn huurde zich in een stil gedeelte der stad een eenvoudige woning met het uitzicht op een met kastanjeboomen beplant glacis, hier hoopte hij nog lang te kunnen leven en werken om in tonen te dichten.
Maar het zou weldra anders komen!
Op zekeren dag had hij zich aan een nieuwe compositie gezet en bavel gegeven om niemand bij hem toe te laten. Daar wordter hevig aan â de huisschel getrokken en weldra ontspint zich in den gangeen levendige twist tusschen Haydn's vrouw en den indringenden vreemdeling.
v(k laat mij toch niet afwijzen,quot; roept de laatste met verheffing van stem. «Ik moet den heer kapelmeester spreken!quot;
Haydn rukte wrevelig de kamerdeur open en wierp den bezoeker een woedenden blik toe; deze echter sprak onder het maken van eene diepe buiging;
75
sik ben Salomon (1) uit Londen en kom u afhalen!quot;
Haydn stond een oogenblik sprakeloos van verbazing. Daarop reikte hij den bezoeker de hand en trok hem met zich in zijne knmer.
Salomon liet zich afgemat in een hoek der sofa nederzinken.
«Luister eens, Haydn, uwe vrouw heelt mij het hoofd warm gemaakt. Doch Iaat ons daar maar van zwijgen. Gij herinnert u toch zeker nog de brieven, die ik u van Londen uit schreef!quot;
»En waarin gij mij dringend uitnoodigdet naar Lorfden te komen. Gij zoudt mij daar in de gelegenheid stellen zoo veel roem en geld te verwerven als ik zelf maar kon begeeren.quot;
«Juist, maar gij weest telkens mijne aanbiedingen van de hand, Haydn.quot;
«Kon ik anders? Was ik niet met de ijzeren banden van den plicht en met de gouden ketenen van de dankbaarheid aan mijn vorst gekluisterd?quot;
«Voorzeker! doch nu is uw vorst dood!quot;
«Helaas!quot;
«Ik begrijp uwe droefheid; nochtans verheug ik mij over uw vrijheid, want zij voert u in mijne gevangenschap.quot;
«Gij vergist u; al ben ik ook uit Esterhazy's dienst ontslagen, ben ik toch nog geen onbeheerd goed. Mijn waarde heer Salomon, ik gelool, dat ik mij zeiven nog toebehoor.quot;
«Dal hadt gij voor twintig ol voor tien jaren kunnen zeggen, heden kunt gij dal niet meer. Gij behoort aan de wereld en aan degenen die u liefhebben en vereeren. Gij moogt u hier niet in uw studeervertrek opsluiten; de wereld moot Joseph Haydn niet slechts hoeren maar ook zien. Engeland haakt er vurig naar den grooten Haydn voor eenige maanden in zijn midden te bezitten. Meester, gij moogt het verlangen van een edel volk niet onbevredigd laten!quot;
Haydn glimlachte.
(1) Johau Peter Sulomou werd iu 1745 iu Bern geboren; hij vvaa eeu zeer bekwaam violist eu kapelmeester van prius Uendrik van Pruisen. Iu 1781 begaf hij zich naar lïugelauil eu vestigde zich voorgoed metterwoon iu l.ojden.
76
»De Engeiscben zullen zeer teleurgesteld zijn als zij mij zien. Zij stellen zich Haydn wellicht als een jongen Adonis voor: gelijk gij ziet, begin ik oud te worden on houd daarbij niet op leehjk te zijn.quot;
«Vader Haydn, gij kunt scherp zijn.quot;
»Dat verheugt mij.quot;
âIk doe u het volgende voorstel: Gij verbindt u voor een sei-soen, schrijft eene opera voor den impresario Gallini, waarvoor ik u driehonderd pond bied, tweehonderd pond voor twintig nieuwe compositiën, Wveehonderd voor zes nieuwe symphonieën cn tweehonderd voor het recht van uitgave en eindelijk tweehonderd pond voor een benefice-concerl, te zamen over de duizend pond stelling.
»Ben ik zelf wel duizend pond zwaar of ten minste wol zooveel waard?quot; schertste Haydn. sMijnheer, gij gooit met het geld om u heen als kinderen met hunne ballen!quot;
))Ik beleg terstond vijfduizend gulden voor uwe zekerheid bij het bankiershuis Fries!quot; antwoordde Salomon eenigszins geraakt.
«En verkoop ik daarmede mijne vrijheid niet?quot;
«De grens uwer vrijheid is uwe eur!quot;
Haydn stond op en reikte zijn gast de hand.
«Gij zijt een man van eer!quot; sprak hij geroerd. »Koni mij morgen weder een bezoek brengen; ik kon u heden reeds antwoord geven, doch â het is beter morgen. Laat mij over alles rijpelijk nadenken En daarbij weet gij immers dat ik gehuwd ben? Mijne Carolina moet er toch ook in bewilligen, dal ik, pas tol haar teruggekeerd, weder van haar scheide.quot;
»Dezen grond laat ik eenigszins golden; maar ik ben evenwel van gevoelen dat het genie zich van zulke banden onalhankelijk moet achten.quot;
«Liever geen genie dan een genie zonder hart, zonder kiaschheid en billijkheid!quot; gaf Haydn nadrukkelijk ten antwoord en leed zijn gast uitgeleide.
Onder het avondmaal deelde Haydn zijne vrouw Salomons aanbod mede om voor eenige maanden naar Londen te komen
«Wilt gij een reizende muzikant worden?quot; vroeg zij hem in
77
een opwelling van spotzucht. «Daarbij kan ik rnij niet begrijpen hoe gij naar Londen kunt gaan, daar de prins u onlangs nog bij de duizend gulden pensioen vier honderd gulden 'sjaars toegelegd heeft, doch onder voorwaarde dat gij hem ten allen tijde ten dienste staat ais hij u ontbiedt.quot;
Haydn lachte.
»\Vat zou de prins met mij aanvangen nadat hij zijne geheele kapel afgedankt heeft 1 Hij heelt die voorwaarde wel enkel daarom aan het geschenk der vierhonderd gulden verbonden, omdat hij niet verkoos, dat ik den titel van Esterhazy's kapelmeester zonder goedkeuring zijner zijde bleef voeren.quot;
«En hoelang denkt gij in Engeland te blijven?quot;
lüVVellicht een jaar!quot;
De oogen der vrouw flikkerden toornig.
«Mooi! Nu ik eindelijk eens op uw ongestoord bezit meende te mogen hopen, verlaat gij mij opnieuw! Waarlijk! gij hadt beter gedaan mij in het geheel niet te huwen. Verlaten en eenzaam zal ik hier in Weenen treuren , terwijl gij.....quot;
»Lina,'' viel Haydn haar driftig in de rede,»ik bid u,spreek mij niet van uwe eenzaamheid! Terwijl ik in Eisenstadt dag en nacht werkte, hebt sjij hier in Weenen met uwe vrienden dure feestgelagen gehouden.quot;
«Altijd hetzelfde verwijt!quot; bruiste Lina op. «Ben ik u niet eens de weinige guldens waard, die ik soms voor het onthaal van eenige bekenden uitgaf? Maar ik weet het, gij zijt een schraper, een vrek.....quot;
«Neen, Lina, dat ben ik niet. Ik ben alleen, dank zij uwer ver-kwistingen, een man zonder vermogen, zonder spaarpenningen voor den ouden dag!quot;
«Werk dan!quot; klonk het. vinnig.
Over Haydn's gelaat gleed een bittere lach. Hij zweeg eene poos en vestigde daarop onderzoekend het oog op zijne echtgenoot.
«Salomon heeft mij twaalfduizend gulden geboden,quot; fluisterde hij.
Deze weinige woorden oefenden een oogenblik een verlammende werking op juffrouw Haydn uit.
78
«Twaalf duizend gulden, Joseph? Heb ik goed gehoord? O! dat dat is veel, zeer veel geld ! En gij kunt nog in beraad slaan of gij naar Londen zult gaan of niet ?quot;
»Dus draagt het uwe goedkeuring weg'?quot;
»Wel wis en zeker! Gij moet naar Londen! Mogelijk gelukt het u nog meer te verdienen.quot;
Haydn brak het gesprek af en ging in zijn werkkamer.
))De twaalf duizend gulden hebben mijne Lina bekeerd en haar verzet gebroken; ik wist wel dat het zoo gaan zou. Het geld is toch haar God â en haar duivel!quot;
VIII.
In de wijde quot;wereld.
Salomon was overgelukkig Haydn's jawoord bekomen te hebben. Hij drong op een onverwijlde alreis aan, waartegen llaydn ïifb ecliter met zulk een hardnekkigheid verzelle, dal hel geheele con-tract hijkans weder vernietigd ware geworden.
Jlaydn had eenige compositiën te maken voor den koning van Napels, die zich destijds te Weenen ophield en wilde deze den vorst persoonlijk overhandigen. Te gelijk was er in het Oostenrijksche keizershuis een drievoudig huwelijk ophanden. De aartshertogin Maria Clementina zou de gemalin van den kroonprins van Napels worden en de Napelsche prinsessen Maria Theresia en Ludovica Louisa zouden met de aartshertogen Frans en Ferdinand huwen. Bij die feestelijkheden liet de kapelmeester Soliei i ook een symphonic van Haydn uitvoeren, reden genoeg om den meester, dien men aan het hof steeds hooger leerde waardeeren, tol op dien dag in Weenen terug te houden. Toevallig werden ook zijne herhaalde aanzoeken om eene audiëntie bij den koning van Napels steeds met hel bescheid zich later weder aan te melden, van de hand gewezen. Dagelijks kwam Salomon hem in zijne woning bestormen metdedringende bede met hem al te reizen; Haydn werd over dit aandringen ten laatste zoo ontstemd, dat hij met nadruk verklaarde dat hij, indien hij
8')
niet met rust gelaten werd, Weetien in het geheel niet verlaten en nog veel minder naar Londen gaan wilde. Dit werkte. Salomon trok zich pruilend terug, doch bewaakte den armen Haydn als een gevangene.
Eindelijk kwam het den koning van Napels gelegen Haydn te ontvangen. De meester overhandigde hem eerbiedig zeven mc-iurnes.
»Ik dank u,quot; sprak de koning genadig. «Over eenige dagen zullen wij repetitie houden. Ik reken daarbij natuurlijk op uwe tegenwoordigheid !quot;
«Morgen, uiterlijk overmorgen reis ik naar Engeland af,quot; antwoordde Haydn op vasten toon.
Het gelaat des konings kleurde.
»Hoe?quot; riep hij verstoord uit, «gij hadt mij toch beloofd dat gij naar Napels zoudt komen en nu gaat gij naar Engeland !quot;
«Uwe Majesteit, het zonnige Napels zal den uit de nevelen van Londen teruggekeerde een tienvoudig paradijs zijn!quot;
Zoo was de laatste avond vóór de afreis gekomen.
Onder degenen, wien het afscheid het smartelijkste viel, behoorde Wolfgang Amadeus Mozart.
De betrekkingen tusschen beide helden der muziek waren van den innigsten aard. Wij hebben er de voorkeur aan gegeven de afzonderlijke paarlen van de oprechte vriendschap, welke beide mannen verbond, hier bijeen te vatten, in plaats van ze verstrooid tusschen de geschiedenis van Haydn in te lasschen.
Mozart had eens in zijn album geschreven: «Liefde! liefdel liefde! is de ziel van het talent!quot;
Tegenover zijn vriend Haydn heeft hij zijn devies volledig en trouw gestand gedaan.
Nauwelijks had Mozart Haydn en diens muziek leeren kennen, of hij werd ook terstond de vurigste vereerder â en wat nog meer is, de niet wangunstige bewonderaar van hem en zijne werken. In het jaar 1785 gaf hij zes meesterlijke vioolkwartetten in het licht,
81
die h'j quot;ijnen vriend Joseph Haydn opdroeg als bewijs van hoog-achling voor den grooten man. Haydn richtte nog dat zelfde jaar tot Mozart's vader, die destijds nog leefde, de volgende schoone woorden ;
wik verklaar u voor God en als man van eer, dat ik uwen zoon voor den grootsten componist erken, van wien ik ooit gehoord heb.
heeft smaak en bezit de grondigste kennis in de kunst der compositie.quot;
Twee Jaren later schreef Haydn aan een vriend in Praag;
»Kon ik eiken muziekliefhebber, inzonderheid echter den grootsten, de onnavolgbare werken van Mozart zoo diep en met zulk een muzikaal begrip, met zulk een innig gevoel in de ziel prenten, als ik ze begrijp en gevoel; dan zouden de natiën met elkander wedijveren zulk een kleinood binnen de grenzen van hun land te bezitten of te lokken. Praag moet den geliefden man vasthouden â maar hem ook belooneh ! Want zonder dit is het leven van een groot talent allertreurigst en der nakomelingschap geen spoorslag om de baan der kunst te betreden, weshalve, helaas! zoo vele hoopvolle geesten onbekend ondergaan. Ik kan er boos om worden, dat deze eenige Mozart nog niet aan eenig keizerlijk of koninklijk hof verbonden is.quot;
Zoo oordeelde een Haydn over Mozart 1
Op zekeren avond werd er in besloten gezelschap een nieuw werk van Haydn uitgevoerd. Iemand, die ook i-componeerdequot; en niemand en niets prees dan zich zeiven en zijn prulwerk, woonde het concert bij. Na de uitvoering van Haydn's symphonie sprak de lenijder Mozart aan en begon Haydn's werk onbarmhartig in alle deelen Ie bedillen en af te keuren.
Mozart hoorde hem geduldig aan.
«Zoo had ik het gewis niet gemaakt Iquot; dus besloot de andere zijne critiek.
»Ik ook niet!quot; antwoordde Mozart scherp.
«Niet waar?quot; hervatte de benijder zegevierend.
»En weet gij ook waarom ?quot;
r,
82
»Nu?quot;
«Omdat ivij beiden er niet toe in staal zijn!quot; â
In een hoogadellijk gezelschap -van Weenen was sprake van Mozart's »Don Juau.quot; Mozart was niet tegenwoordig, ilaydn wel. Men gispte Mozart's opera, die werkelijk destijds in Weenen niel bijzonder beviel, in scherpe bewoordingen. Allen hadden hun oordeel te kennen gegeven; doch vader Haydn had zich mokkend en misnoegd in een hoek der zaal afgezonderd. Men bestormde hein nu ook om zijn gevoelen te vernemen, ilaydn liet zijn blik gestreng over de aanwezigen weiden en sprak ;
»Ik kan uw twist niet beslechten, maar oen ding weet ik cn kan ik u zeggen: dat Mozart de grootste componist is, dien de wereld thans bezit.quot;
Mozart erkent openhartig, dat hij eerst van Ilaydn geleerd heelt, hoe men kwartetten maken moet.
Een aankomende jonge componist, die zijne grootheid in de verkleining van anderen geloofde te kunnen vinden en inzonderheid Haydn vijandig gezind was, kwam Mozarl hijna dagelijks met boosaardige kritiek over Haydn's composition lastig vallen. Dit had zich eenige keeren herhaald, tot Mozart eindelijk het geduld verloor.
«Mijnheer!quot; viel hij driftig tegen den afgunstige uit, »al versmelt men ons heiden lot één, zoo maakt men er toch op lang na nog geen Haydn uil!quot;
Wij hebben hier in eenige korte trekken de vriendschap en vereering, welke Haydn en Mozart aan elkander verhonden, geschetst, Beiden meesters strekt dit gelijkelijk tot eer en dit te meer, omdat kunstenaars over het algemeen niet zonder afgunst in de zon van elkanders roem kunnen staren.
De dag van het vertrek, het was op een Woensdag en den 15 December, was aangebroken. Des avonds Ie voren had Haydn bij een vroolijken maaltijd nog eens zijne vrienden om zich vereenigd gezien en afscheid van hen genomen. Onze ilaydn was in een zeer
83
opgeruimde stemming: hij schertste en babbelde als een lustige student, die, van de vacantie gebruik makende, eene reis gaat ondernemen. Al de gasten deelden Haydn's opgeruimdheid : alleen Mozart, die anders in een gezelschap zeer luimig en geestig placht te zijn, was stil, afgetrokken en somber. Na het opstaan van tafel nam Haydn zijn jongen vriend onder den arm, voerde hem naar een atil zijvertrek, legde beide handen op zijne schouders en keek hem lang in de open, trouwe oogen.
«Vriend!quot; sprak hij eindelijk, »u kwelt een geheim verdriet!quot;
Mozart haalde uit zijn borstzak een brief te voorschijn en reikte dien Haydn zwijgend over. liet was een door den directeur der Italiaansche opera te Londen aan Mozart gericht schrijven, waarbij bij dezen voorstelde voor een half jaar naar Londen te komen en ten minste twee opera's te schrijven, waarvoor hem benevens andere voordeelen driehonderd pond sterling contant aangeboden werden.
«Gaat gij met mij mede?quot; riep Haydn verheugd uit.
»Dan zou ik wel niet treurig zijn.quot; antwoordde Mozart. «Maar hoe verleidelijk en glansrijk het voorstel ook zij, meen ik het toch niet te mogen aannemen, daar mij stellig beloofd is, dat, ik hier in Weenen aan bet hof eene hoogere aanstelling zal bekomen. En toch, hoe gaarne ging ik met u mede!quot;
Haydn dacht een oogenblik na.
«Gij hebt gelijk als gij blijft. Zoolang gij hoop hebt u in de gunst van ons keizershuis te kunnen koesteren en door haar gedragen van trede tot trede op den ladder des roems te kunnen opklimmen, moet gij den vaderlandschen grond niet verlaten En toch moet ik er u voor waarschuwen, Jonge vriend, niet te veel op schoone, fraaiklinkende beloften te vertrouwen Nog beslaat eraan ons hof te veel voorliefde voor het getokkel der Italianen, dan dat men daar een Mozart op prijs zou weten te stellen, lieste vriend, als de geniale mensch tot zijne volle waarde wil komen, moet hij eerst sterven. Daar wij beiden echter nog leven, zullen wij weldoen den lof onzer bewonderaars en de beloflen der groofen slechts met alle omzichtigheid aan te nemen.quot;
84
De ochtend was kil en somber. De sneeuw viel in dikke vlokken op de aarde neder; bijwijlen blies een scherpe noordenwind daar-tusschen, zoodat de tallooze kristallen in wilde jacht door elkander dwarrelden. De reiswagen wachtte voor Haydn's huis. Salomon had er reeds in plaats genomen. Haydn en Carolina verschijnen in de huisdeur. Hun voorkomen is zeer ernstig. Nog eenmaal reiken zij elkander de hand.
«Bid voor mij, Lina!quot; verzocht Haydn.
»En gij,vergeet mij niet!quot; vermaande de echtgenoote,))en werk vlijtig!quot; Daar komt Mozart de straal instormen. Zijn gelaat is doodsbleek, zijne oogen zijn vochtig, zijne lippen trillen. Hij slaat in stomme droefheid zijne armen om den hals van don vertrekkenden vriend.
»Wij zullen elkander wel niet wederzien,quot; snikt Mozart eindelijk met bevende stem; «mijn dierbare vader Haydn, vaarwel!quot;
Hij bedekte met de linkerhand zijn aangezicht, met de rechter wees hij onwillekeurig naar den hemel.
Mozart had maar al te zeer de waarheid gesproken: hij zag zijn «vader Haydnquot; niet weder Toen den 5 December quot;1791 de torenklokken van VVeenen het uur van middernacht verkondigden, blies Mozart den laatsten adem uit.
Haydn was nu zestig jaar oud. In dit tijdperk des levens begirnen de meeste menschen er naar te verlangen zich uit het gewoel der wereld terug te trekken om in stille afzondering hunne overige dagen door te brengen. Geheel anders was het gesteld met onzen meester. Hij had met zijne vroolijke geestige oogen nog slechts een klein stukje van de wereld gezien: Rohrau, Weenen, Lukavac tn Eisenstadt, waarlijk, een enge kring, waarin zijn leven zich bewogen had. Thans, op den drempel van den grijzen ouderdom, neemt hij den pelgrimsstaf in de hand om over de zee naar een land .e trekken, welks bewoners en taal hem ten eenen male vreemd zijn. Wel wijzen zijne vrienden hem op de gevaren van zulk eene reis en op de onvermijdelijke inspanning en de voortdurende vermoeienissen, maar Haydn schudt het hoofd en wil naar geen waarschuwingen luisteren. «Mijn hart is jong,quot; roept hij zijnen bezorgden vrienden lachend
£5
toe. ^Tk wil de wereld zien voor ik sterf. En gelukkig voor mij, dat ik dit met oude oogen en koel verstand doen kan! Mijne grijze haren zullen mij voor dwaasheden bewaren, en mijn gerijpte geest zal zich aan al wal schoon is dubbel verlustigen. Laat mij slechts naar Engeland trekken! Joseph Haydn zal zijn Oostenrijk gei n schande aandoen. En keer ik terug, neem mij dan weder met de oude genegenheid in uw midden op! Vóór ik Salomon mijn jawoord gat', heb ik deugdelijk en lang met mij zeiven te rade gegaan. Alle bedenkingen heb ik overwonnen op een na! Ik ben beducht voor die smart, welke dieper dan elke andere verteert: het is het heimwee naar mijn onvergetelijk dierbaar Oostenrijk!quot; -
Het is December. VV ie gevoelt niet eene lichte huivering bij dat woord? De straatweg is met een laag hardbevroren sneeuw bedekt, de aan beide zijden staande boomen verhellen de ka'e met rijp beladen takken in de koude lucht, eindeloos breidt zich de verblindend witte vlakte uit, over welke krassende raven strijken, zwart is het dennenwoud in zijn binnenste, en ernstig en somber als een zwaarmoedig hart. Wel fonkelen op zijne kronen glinsterende kristallen: doch het woud is te oud, om zich over deze schitterende, vergankelijke nietigheden te verheugen.
Van VVeenen over Munchen en Brussel naar Galais â in een plompen postwagen met zijne langzaam dravende paarden! Wie zou daartoe heden ten dage nog wel den moed bezitten? En nog daarbij in December en op zestigjarigen leeft'jd !
liet beviel llaydn zeer goed in Munchen. De keurvorstelijke kapelmeester Cannobich, een toenmaals zeer gevierd componist en virtuoos, overlaadde hem met voorkomendheden. Onze meester ware zeer gaarne eenige dagen in Munchen gebleven, maar Salomon dreef hem onverbiddelijk voorwaarts. Haydn morde en gaf toe.
De reis ging verder langs de Maine en den Rijn. »0! dal ik u in den tooi der lento kon aanschouwen, gij, schoone, Duitsche stroom! liep Haydn vol bewondering uit. »Mij dunkt, dat uw beeld in mijne ziel lot een wondervolle symphonic zou worden!'
Hel was Kerstmis toen onze reizigers Bonn. oereikten. De
80
hooge beleekenis van dit feest drong zelfs den koortsig voortjagen-den Salomon lot een onderbreking der reis.
Salomon en Haydn gingen naar de kerk, om hun godsdienstplichten te vervullen en te gelijk de algemeen vermaarde keurvorstelijke kapel te hooren. Haydn had zich eene plaats tegenover het keur-vorstelijk oratorium uitgekozen. De hoogmis begon; nog preludeerde het orgel in volle tonen, die nu echter steeds weeker en zoeter werden en waarbij zich thans een goed bezet orkest aansloot. Haydn had nog geen twee maten van den Kyrie gehoord of hij keek aangenaam verrast een oogenblik op en begroef daarop zijn aangezicht in beide handen, om in verrukking naar zijne eigene tonen te luisteren. In het verre vreemde land bad hij onder de godsdienstige harmonieën zijner eigene compositie!
Dit was hem een des te dierbaarder kerstgeschenk, dewijl liet hem zoo onverwacht en voortreifelijk ten deel gevallen was.
Pas had de priester het Ite missa est gezongen, of eene lichte hand beroerde Haydn's schouder. Onthutst zag hij op. Een livreibediende stond naast hem.
aGij zijt immers de heer Haydn?quot; vroeg deze fluisterend.
»Ja.quot;
«Dan verzoek ik u mij te volgen!quot;
Do bediende ging hem voor naar het muziekkoor. De aartsbisschop Maximiliaan Frans kwam hein te gemoet.
»lk acht mij gelukkig,quot; sprak deze, den vreemdeling de hand reikende, »aan mijne wakkere virtuosen den meester te kunnen voorstellen, dien zij het vurigste vereeren, den grooten Joseph Haydn!quot;
»Kent Uwe Doorluchtigheid mij?quot;
«Uwe beeltenis, beste Haydn, hangt boven mijn schrijftafel, uwe werken echter leven in mijn hart!quot;
In Haydn's oogen parelden groote vreugdetranen bij deze lofspraak van den doorluchtigen kerkvoogd.
Met eerbewijzingen overladen zette Haydn zijne reis van Bonn noordwaarts voort. Steeds vlakker werd het landschap, steeds wee-
87
moediger zijn hart. Hij drukte zijn hoofd in den gepolst orden hoek van het rijtuig, sloot de oogen en dacht aan zijn heerlijk Ooster-rijk, en een vurig verlangen om derwaarts terug te koeren overweldigde hem eensklaps. Maar slechts voor korten tijd! want me!, kracht de hem overmeesterende weemoedigheid onderdrukkende, legde hij zijne hand op Salomon's arm en sprak: «Ik wenschte, dat wij in Londen waren.quot;
Den 31 December kwam de postwagen in Galais aan. Des anderendaags, den eersten dag van het nieuwe jaar, ging (laydn in de vroegte naar de Mis om den zogen des Hemels over zijne verdere reis af te smeeken. Vervolgens besteeg hij het schip dal weldra het ruime sop koos en Haydn's ziel trilde en beefde, toen hij de eindelooze waterplas voor zich zag en do zee van melodieën daaraan moeite, welke in zijne borst bruiste, nog sterker dan do zoe onder hem en niet minder krachtig maar toch oneindig rustiger!
9
IX.
In liet groote Enge land
Diclite nevelen lagen over het land. Haydn klimt de scheepsladder af en wordt in eene Loot naar den wal geroeid. Een eigenaardig gevoel doortintelde hem, terwijl hij zijn voet op den vreemden bodem zette.
Salomon drukte hem in vervoering in zijne armen.
«Engeland groet u, beste Haydn!quot; roept hij begeesterd uit. ollet acht zich gelukkig Oostenrijks leeuwerik te bezitten.quot;
«Maar zal in dezen afschuwelijken nevel een leeuwerik ook kunnen zingen?quot; bracht Haydn hier schertsend t'gen in.
«Heb slechts geduld, mijn vriend! Engeland heeft koude nevelen doch warme harten. Gij zult Weenen in Londen niet missen!
Men zal allicht geneigd zijn Salomon te beoordeelen naar den maatstaf van den hedendaagschen impresario, die zijn muzikaal wonderdier van stad tot stad sleept, bijna als een wild beest, en des avonds de percenten berekent die hij aan het gehuurde talent, dat hij als een handelsonderneming beschouwt, verdiend heeft. Het is, men vergeve ons de uitdrukking, eene vernedering, dat zich de door God bevoorrechte talenten als een wondervolle koopwaar door de wereld laten voeren door menschen, die men duizendmaal meer speculanten dan kunstliefhebbers zou mogen noemen Slechts één d ing
89
komt onverklaarbaar voor: hoe kunstenaars en meestentijds kun-stemressen met erkenteliike bereidwilligheid de rol van gehuurde dansbecren of zeldzame wonderdieren op zich kunnen nemen â want daartoe behooren toch waarlijk sterke zenuwen â in plaats van het beneden zich te achten door een ezel gevoerd, »per contractquot; van st i i lot stad, van land tot land te trekken en op commando proeven van hun talent af te leggen !
Daarmede is vo ir de kunst in hare ideale beteekenis eene groote zeer groole schrede achterwaarts gedaan.
Salomon behoorde niet tot die klasse van ondernemers! Dal hij het vele geld, hetwelk hij uitgaf, terug hoopte te krijgen, spreekt vanzelf. Maar Haydn was voor hem geen cijfer of getal; hij hield geen mudzak klaar waarin hij den geheelen llaydn als eigendom en ?la\f volgens contract wegbergen kon om dan te huis het saldo zijner berekeningen te maken: hij voerde llaydn niet aan een ketting naar Engeland maar als een nachtegaal, dien hij daar in het vreemde land vrij wilde laten vliegen en zingen Salomon behandelde onzen meester niet als «kunstenaarquot; en llaydn, die anders zoo deemoedig was, zou er nooit in bewilligd hebben een berekening van ponden sterling in de hand van een ander te zijn Salomon had de kunst lief, en deze liefde deed hem llaydn naar Engeland brengen. Vroeger concertdirecteur van prins Hendrik van Pruisen en deslijd reeds een vurig vereerder der «muzikale kinderenquot; van Joseph llaydn, trok Salomon na den dood des prinsen naar Londen, nam daar een werkzaam aandeel aan de oprichting en de leiding van het beroemde riiilharmonie-Gezelschap en maakte in de openbare concerten de Engelschen met de nieuwe Duitsche en voornamelijk metdellaydn-sche muziek bekend. De uitslag was schitterend. De vereering der Engelschen voor Haydn groeide met den dag aan.
Middelerwijl begon llaydn in zijn Duitsch vaderland eerst eenige bekendheid te krijgen; nog waren zijne opzienbarende werken niet geschreven; bet hof verwende hem niet alleen niet, maar moedigde hem ternauwernood in zijn streven aan en van de Weeners begrepen nog slechts weinigen de hooge vlucht van zijn genie, en de
90
otiverstandigen, maar grootschreeuwers onder hen noemden hem schouderophalend den lustigen »Uedjesmaker.quot;
Reeds tijdens het leven van den ouden prins Esterhazy had Salomon Haydn uitgenoodigd naar Londen te komen; maar eerst des prinsen dood schonk gene de vrijheid en den Engelschen het verheven genot Hay dn in hun midden te hebben en zijne compositiën te hooien.
Rechlitz, een voornaani Duitsch schrijver, verklaart van Salomon, â¢dat hij in alle aangelegenheden trouw voor zijn vriend Haydn zorgde, en hij zulks met geheel onbaatzuchtige bedoelingen, uit zuivere 'begeestering voor de kunst en uit warme vereering voor den groeten meester dted, dien hij, door hem over te halen om naar Londen te komen, niet alleen tot een verwonderlijke vruchtbaarheid aanspoorde, maar ook op hel voetstuk van den roem plaatste.
Nauwelijks was Haydn in Londen aangekomen, of alle dugbladen bevallen langere of kortere berichten omtrent hem en men s| rak van bijna n'ets anders dan van den beroemden Duitschen meester.
Als de Engelschman nieuwsgierig is, ontziet hij zich zelfs niet onbescheiden te zijn. Vertoonde Haydn zich op straat, dan verdrong-men zich groetend en gapend om hem heen; was hij te huis, dan werd hij daar als het ware beitormd door dezulken, die den meester in zijn luiselijke inrich'ing wilden leeren kennen om daarmede tegenover hunne minder gelukkige vrienden en bekenden te kunnen pralen.
Eenige dagen hield Haydn dit dapper uit, hoe onaangenaam hem deze soort van bewondering ook ware. Maar eindelijk verloot' hij toch het geduld en hij nam uit het hart der reuzenstad de wijk naar Great Pultneystreet, tusscheu Regents- en Hyde-Park, en vond daar zoo al niet de gehoopte volledige rust, dan toch meer tijd tot arbeid dan tot dusverre.
«ij zette zich onmiddellijk aan de compositie der met Salomon overeengekomen werken en had zich reeds welgemoed aan Enge-dands lucht en zeden gewend, toen een bliksemstraal uit een wolke-Joozen hemel hem uit zijn rustigen arbeid opschrikte.
9\
Van eene wandeling te huis komende vond hij een brief uit het vaderland, welks zegel het wapen der Esterhazy's droeg. Haydn vermoedde niets goeds, Met bevende hand opende hij het schrijven, waarin de prins zijne bevreemding over Haydn's reis naar Londen te kennen gaf en do verwachting uitsprak, dat zijn kapelmeester onmiddellijk zou terugkeeren om tot opluistering van eenige feesten in hsterhazy eene nieuwe opera te componeeren en te dirigccren. llaydn was als uit de wolken gevallen. Londen zag zijn eerstecon-lt;tert met stijgende spanning te gemoet, hij had zich op zijn eere-woord aan Salomon verbonden, eer en geld wenkten hem met gouden vingeren en nu trad zijn vorst met bevelende woorden tusschen al die trotsche verwachtingen en vernietigde ze allen met een enkelen slag. Langer dan een uur zat hij in smartelijke gepeinzen verdiept op zijne canapé toen Salomon hem uit zijne drootnerijen wekte.
«Vader Haydn,quot; riep hij bij het binnentreden der kamer, «gij zijt toch niet ziek?quot;
Haydn reikte Salomon zonder spreken den brief van den vorst.
«Een verduiveld leelijke geschiedenis! Weet gij wat, Haydn? Gij gaat niet naai' Esterhazy ! quot;
«Ik zou ook niet kunnen ' Hen ik niet niet duizenden banden aan Londen gebonden ? quot;
«Dat zijt gij, beste Haydn! En zoudt gij Londen thans verlaten, 'ioo kon ik u met gerechtsdienaars hierheen teiug laten brengen. Ik zou dit echter niet doen....quot;
»En ik ga niet van hier!quot;
Er ontstond eene pauze. Salomon was voor het raam gaan staan; bij wilde den kommer, dien deze tijding bij hem verwekt had, voor Haydn verbergen.
«De vorst zal mij in ongenade uit zijn dienst ontslaan.quot;
«En geheel Londen zal u met open armen opnemen, en, als gij voor altijd hier zoudt willen blijven, met zijne begeesterde lietde warm houden !quot;
«Neen! Ik keer als mijn contract verstreken is, weder naar mijn dierbaar Oostenrijk teiug. Daar wil ik sterven!quot;
92
Haydn schreef den prins dat liij niet uit Londen weg kon en verwachtte nu v.m den eenen posttijd op den anderen een ongenadig antwoord en zijn volledig ontslag. Maar de misnoegde vorst bewaarde een d ep stilzwijgen en Haydn voelde van lieverlede zijne gewone gemoedsrust wederkeeren.
Onze meester w.is op een liefhebberij-concert genoodigd geworden, Kwam echter iets te laat en werd door den bediende niet in de zaal, doch in een zijvertrek gevoerd. Daarover ontstemd het hij zich op een stoel vallen en bromde iels binnensmonds, dat als «onbeschofte Engelschenquot; klonk. Door de gesloten deur drong de muziek gedempt tot zijn oor door; Haydn luisterde. De gebrekkige uitvoering ontlokte hem een glimlach. «Wacht maar! ik zal u andere muziek laten hoeren!quot; Na het eindigen van het stuk opende zich de deur van Haydn's kamer, en de heer des huizes trad binnen, den meester zijne verontschuldigingen aanbiedende voor den misslag van den bediende, hetgeen den goedhartigen Haydn terstond weder verzoende. Daarop bood de concertgever hem den arm aan en geleidde hem in de zaal. Nauwelijks zag het gezelschap Haydn, of hot begroette hem met oorverdoovend handgeklap en omringde hem jubelend.
Haydn verstond geen onkel woord van al de vleiende complimenten, die men in do Engelsche taal tot hem richtte, doch hij erkende er toch die warme vereering uit, welke niet in het gesprok-n woord zeil maar in de uitdrukking da u van opgesloten lut, en werd er weldadig door getroffen.
Na afloop van het concert werd er een souper gegeven. Haydn moest de eereplaats innemen en het zich laten welgevallen het voorwerp van zich steeds hernieuwende ovatiën te zijn. Hy dacht daarbij weemoedig terug aan zijn Oostenrijk, dat hem nog niet zoo vereerd had als deze vreemdelingen, die van hem nog niets anders gehoord hadden dan enkele symphonieën. die echter voor hen voldoende waren om hen voor den grooten meester in geestdrift te doen ontvlammrn.
Eenige weken later vond Haydn's eerste concert plaats. Hij had
93
daarvoor eene nieuwe symphonie in D. geschreven en stelde de voorwaarde, dal bij elk concert zijne compositiën eerst in de tweede afdeeling ten gehoore gebracht mochten worden. Deze eisch stuitte aanvankelijk op tegenkanting ; Ilaydn liet er zich evenwel niet van afbrengen en had daarvoor zijne gegronde redenen. De lords en ladies hadden namelijk de gewoonte zeer iaat te dineeren en ten gevolge hiervan ook zeer laat in de concertzaal te ver.-clüjnen. Door dit late komen ondervond het eerste deel der uitvoering menige hinderlijke storing en Haydn wilde, en met recht, dat aan zijne symphonieën onverdeelde opmerkzaamheid geschonken werd, want alleen hierdoor mocht hij op een volledig succes rekenen.
Het concert liep schitterend ten einde. Aan het klavier diri-geerende, bracht Haydn zijne toehoorders in verrukking; een donderend applaus steeg op; het adagio der symphonie moest, een tot dusverre in Londen ongehoorde gebeurtenis, herhaald worden.
Met een van geluk overvloeiend hart keerde Haydn naar zijne afgelegen woning terug. Het ijs was gebroken en zijn roem steeg als het lichtende morgenrood aan den hemel zijns levens op. Plotseling echter verduisterden zijne trekken bij eene hem invallende gedachte; weldra echter verscheen er weder een lach op zijn gelaat en mompelde hij binnensmonds: âzoo zal hot gaan!quot;
Bij het eerstvolgende concert overzag Haydn's scherp oog de rijen der toehoorders. Daar zaten zij verzadigd met de fijnste spijzen, gelaafd met vurigen cherry, in hunne zachte tluweelen armstoelen en luisterden naar de streelende melodieën tot de hoofden in lichten sluimer knikten en de wereld rondom hen door de slapers vergeten was.
Haydn beschouwde dit sluimeren als een smaad, dien men zijne kunst aandeed en besloot zich te wreken. Met dit doel componeerde hij eene symphonie, waarin bij het andante het zachtste pianissimo met het sterkste fortissimo van al de instiuu.enten en niet hel minste der pauken afwisselde. Na het allegro ving het andante aan met sourdines en pizzicato, fantastisch fluisterend, bijna spookachtig. Daarop herhaalde zich plotseling dezelfde harmonie met aan-
wending der volle kracht van al de inslrumenlen onder liet ont/.et-'ende gedonder der pauken en contrabassen. Ilaydn had de pauken-slagers zells verzocht dikke stokken mede te brengen on er hiermede onmeedoogend op los te slaan
De uitkomst beantwoordde volkomen aan Haydn's verwachting.
Het was grappig om te zien hoe de ingedommelde toehoorders verschrikt opsprongen, verbijsterd om zich heen keken, naar hunne slaapdronken hoofden grepen en zich de oogen uitwreven! En hoe menig teeder dameshart verschrikt klopte en hamerde â maar de lachende, schertgt;gt;ende, zangrijke muziek bouwde den schrik een gouden brug,
Haydn lachte, zijne toehoorders sliepen echter van nu af niet meer op zijne concerten, hoezeer zij ook menigmaal een zwaren strijd met hunne zware oogleden te kampen hadden.
Waar licht is moet ook schaduw zijn en waar roem is, schuifelt ook de slang van den nijd. Deze ervaring zou ook onzen meester niet bespaard blijven.
Londen wemelde destijds van «muziekgezelschappen.quot; Tot dusverre streden zij onder elkander om den zegepalm; sinds Haydn's aanwezigheid in Londen echter waren zij in de schaduw gesteld. Dat laat zich den nijd verklaren en zulks te meer, daar de Italiaansche muzikanten met het volste recht voor het tanen hunner ster te vreezen hadden. Haydn laat zich hierover in een brief volgender wijze uit: âDat ik ook in Londen eene menigte henijders heb, spreekt vanzelf en ik ken ze nagenoeg allen. De meesten hunner zijn Italianen. Maar zij kunnen mij geen zier benadeelen, daar mijn goede naam reeds sinds jaren bij het volk gevestigd was.quot;
Deze welbekende nijd der Italianen schrikte Haydn niet af aan een Italiaanschen virtuoos, met name Felice Giardini, een beioek te gaan brengen om hem zijne bewondering uit te drukken. De Italiaan evenwel weigerde Haydn te ontvangen, en schreeuwde toornig en zoo luid dat de meester het. duidelijk hooren moest: sik teil den Duitschen hond niet leeren kennen!quot; Haydn had deze woorden goed verstaan en beantwoordde ze rnet een schaterend gelach.
95
De hevigste maar niet met gemeene wapens strijdende benijders Tan Haydn waren de âProfessionalisten,quot; musici van beroep. Ome meester noemde hen kortweg de professoren en knoopte aan deze benaming menige bemerking vast, welke met bijtende humor hel zich zelfvergodende en overigens alles afkeurende professorendom trof. Niet in kleingeestige vitterij, welke zicli in biltere woorden lucht geeft, hulden de âprofessionalistenquot; hun strijd tegen Haydn, dien zij hemelhoog verheven zouden hebben, indien hij op hunne concerten zijne nieuwe scheppingen had voorgedragen; neen, zij wilden hem in openlijken, ridderlijken strijd verslaan. Eene wonde, den vijand in den rug toegebracht, zou hen onteerd hebben; zij wilden hem in voorhooJd, borst en harl verwonden, zij wilden fiere, onberispelijke overwinnaars over den Duitschen mededinger zijn
Zij droegen Clementi, den rijkbegaafden, (ijngevoeligen componist op, voor hen eene nieuwe symphonie te schrijven. Deze beviel bij de uitvoering ongemeen. Op dit door den bijval van het publiek bekroonde werk volgde een sinds lang verschenen symphonie van Haydn. De âprofessionalistenquot; rekenden slim; te.^en dementi's nieuw, in verblindend licht schitterend toonwerk moest Haydn's sinds lang bekende compositie schraal en onbeduidend schijnen. De Duitsche meester moest hier ontwijfelbaar een nederlaag lijden; deze zelve echter moest zijne bewonderaars outnuchteren en den overwinnaar lot overwonnene maken. En was hij overwonnen, dan wilden zij hem bij hen opnemen, hem tol hot glanspunt hunner concerten maken en de herauten van zijn roem worden; want dat Haydn de musici van zijn tijd verre overtrof, loochenden zij geen oogenblik; dat hij echter de hunne niet was, dat vergaven zij hem niet en enkel daarom bestreden zij hem.
De toejuichingen, welke algemeen op dementi's symphonie volgden, waren verstomd; nu werd met die van Haydn aangevangen. Een gewetenlooze, laaghartige vijand hadde zich de zege gemakkelijk gemaakt. Een valsche noot, een misgreep, een gemist tempo, een flauwe, matte uitvoering waren voldoende geweest om Haydn ten val te brengen. De tegenstanders wilden zich zeiven niet. onteeren;
96
de Duitsche meester zou door zich zeiven vernederd worden. De musici speelden Haydn's symphonie meesterlijk; de laatste noten smolten in volle harmonie weg en geen toejuichingen, neen, wild gejubel, een corverdoovend handgeklap en bravogeroep brak los en deed de zaal op hare grondvesten triller.
Hay dn had gezegevierd! C'ementi echter, de onschuldig opgeofferde wierp den »pi ofessionalistenquot; zijne psrlituur en zijne medewerking, voor de voeten!---
Naast benijdcrs en ijverzuchtigen bezat Haydn ook â en hun aantal was oneindig grooter â vurige vereerders en bewonderaars. Een der grootsten onder hen was Charles Burney, destijds ontegenzeglijk de geniaalste kenner tn schrijver van Engeland op muziekaal gebied. Hij had Haydn's aankomst in Londen met eon gedicht gevierd en in zijne Merkwaardige Gebeurtenissen zegt hij: «De beminnaais der muziek hebben het Salomon te danken dat hun ten deel is geworden wat zij in het vervolg hun heil zullen noemen, de overkomst naar Engeland van den grooten Joseph Haydn !quot;
Aan de universiteit van Oxford werd jaarlijks ter eere van de stichters en weldoeners daarvan een gedenkdag vótr het sluiten van den academischen cui sus gehouden. Om dedriejaarwerddaarmedenogeene groo'e muziekuitvcei ing ter verhoog!ng van deze feestelijkheid verbonden. Te bekreo; de muzikale werken werden gewoonlijk op den tweeden feestdag voorgedragen en daarbij aan de componisten de nieuwe titels toegekend waaronder die van Doctor der muziek ho-noris causa tot de zeldzame behoorden.
Dr. Charles Burney drong herhaaldelijk bij Haydn aan, dat deze om de doctorswaardigheid in Oxford zou verzoeken en onze meester reikte, op het oordeel van dien beroemden man vertrouwende, het vereischte verzoekschrift daartoe bij den lord kanselier der universiteit, graaf Guillord in. De inwilliging van dit verzoek volgde in de vleiendste bevveordingen.
Burney stond er op met Haydn naar Oxford te^reizen. Den 8 Juli had de openbare plechtigheid plaats. Deze droeg den stempel van een stijf, koud ceremonieel. Nadat de naam van den doctorandus bekend
97
gemaakt was, volgde een vervelende Latijnsche redevoering, eenigo kleine orkeststukken, een gedicht â over den oorsprong der Britten en ten slotte eene verhandeling over de nationale vooroordeelen en hunne goede en slechte zijde.
De handeling mag naar Engelsche begrippen zeer plechtig geweest zijn, naar de meening van Haydn echter was zij zeer vervelend en langdradig.
Genoeglijker was voor Haydn de feestelijkheid des avonds. Op (leze verscheen hij in doctorscosluum. Men verbeelde zich onzen oenigszins zwaarlijvigen bejaarden meester in een langen witzijden mantel, waarvan de mouwen van roode zijde waren, op het hoofd een uiterst kleine zwarte, vierkante muts met kwasten! In deze kleeding moest Haydn op den doctorsstoel plaats nemen. Hij kwam zich zeiven zoo onuitsprekelijk deftig voor, dat hij met verlangende oogen naar den uitgang der zaal tuurde en dan weder, als zijn blik iangs zijn opschik gleed, moeite had om zijn lachen Ie onderdrukken.
De muziek nam een aanvang. Sterren van de eerste grootte aan den hemel der kunst, zooals Elisabeth Mara uit Cassel ea Anna Celina Storace werkten mede.
Daarna werd Haydn zelf uitgenoodigd iets van eigen compositie voor te dingen.
Hij stond van den doctorszetel op, boog voor het doorluchtige gezelschap en sprak met bewogen stem: »1 thank you!quot; Deze eenvoudige woorden, met de gansche innigheid van een waarlijk erkentelijk hart uitgesproken, lokten een storm van geestdrift uit.
Haydn zette zich aan het orgel. Juist dit instrument, hetwelk zoo volkomen de tolk der geheele toonladder van het menschelijk gevoel is, beviel Haydn onder allen hel meeste. Hier kon hij zijne heerschappij over het wondervolle rijk der tonen met alvermogenden schepter uitoefenen, hier kon hij als een in het struikgewas verscholen nachtegaal fluiten en krachtige hymnen zingen en als een wild onweder bruisen.
Met lof en toejuichingen overstelpt eindigde Haydn den dag, ea voor hij zich na een kort en innig gebed ter ruste begaf, trad hij
98
voor den spiegel, boog en sprak op plechtstaligen toon; »Ik veroorloof mij den heer doctor Joseph Haydn onderdanigs! een goeden nacht te wenschen!quot;
Daarop boog hij schaterend lachende nogmaals en ging te bed.
Juist stond hij den volgenden morgen gereed om in zijne gewone kleeding eenige bezoeken te gaan afleggen, toen Burney bij hem binnentrad en, hem ziende^ verbaasd uitriep:
»Haydn, hoe heb ik het nu met u? Weet gij dan niet, dat gij udrie dagen lang in den doctorsmantel op de straten vertoonen moet?quot;
»Goed!quot; antwoordde Haydn wrevelig; »dan ga ik drie dagen achtereen te bed liggen.quot;
«Dat moogt gij niet! Gij moet terstond uw bezoek van dankbetuiging bij den lord-kanselier, graaf Guilford, afleggen!quot;
»In dit costuum?quot;
«Ja!quot;
»Dan zie ik van den doctorstitel af! Ik wil niet voor hansworst spelen!quot;
Het kostte Burney de grootste moeite Ilaydn tot toegeven le bewegen en alleen de bemerking: «Doe het ter liefde van Oostenrijk, dat in de eer van uwe verheffing deelt,quot; kon hem volgzaam maken.
Met neergeslagen oogen en een verlegen voorkomen schreed hij naast Burney in zijn doctorsgewaad door de straten. Zijn begeleider stiet hem echter gedurig in de zijde en vermaande hem ongeduldig: »Ziet gij dan niet hoe het volk u eerbiedig groet? Ja, menigeen trad op hem toe en sprak met blijkbare bewondering: ))You are a great man!quot;
Haydn was nogal spoedig met zijn zijden mantel verzoend en zeide naderhand schertsend: sik kwam mij zeiven recht potsierlijk voor! Ik heb echter aan de doctorale waardigheid in Engeland zeer veel, ja, ik zou bijna zeggen alles te danken; want door haar kwam ik in aanraking met de eerste grooten van Engeland en kreeg ik toegang tot de aanzienlijkste huizen.quot;
ïoen de drie dagen om waren ademde hij verlicht, zoc verlicht als was hij van het dragen van een centenaarslast ontheven. «Mij
99
dunkt, dat ik nu eerst weder de oude, de Oostcnrijksche Joseph Haydn ben!quot; sprak hij met een zucht van verlichting.
Het was intusschen lente geworden en Haydn, afgemat door het â woelige leven in de groote wereldstad, begon naai- de stille rust van hel buitenleven te verlangen. Hij beschouwde het daarom als een ware gunst des Hemels toen een rijk bankier hem uitnoodigde de lente en den zomer verre van het gewoel van Londen op diens land-goed te komen doorbrengen.
Daar doolde hij des morgens vroeg door velden en bosschen, luisterende naar het gezang der vogelen, en keerde dan overgelukkig huiswaarts om in zijn studeervertrek zijne schoonste liederen in tonen to dichten.
Keu woelig leven.
De warme zonnige dagen verdwenen en werden door den garen herfst gevolgd!
Het beukenwoud gloeide in roode en gele tinten, maar over de weiden en stoppelvelden rolden vochtige, kille nevelen. Scherp blies de noordenwind en Haydn zocht het verwarmende haardvuur op. Voor bejaarde menschen zijn de noordenwind en de vorst inzonderheid twee lastige kwelgeesten!
Uitgerust en gesterkt keerde Haydn uit de stilte van het landleven in het gewoel van Londen terug.
Maar de nijd ontving hem daar naast den roem.
In een veelgelezen Londensch blad stond het bericht, dat de »pro-fessionalistenquot; Haydn's leerling Pleyelnaar Londen hadden beroepen, daar de meester zelf oud, zwak en onbekwaam was vorder iets nieuws te scheppen; hij was sinds lang uitgeput en gedwongen geweest zich ^eruimen tijd op het land te begeven ten einde zich eenigszins te herstellen.
Zoo werd die Haydn destijds beoordeeld, wiens genie eerst later »de Scheppingquot; en de ))Jaargetijdenquot; voortbracht.
Haydn laat zich in een brief over dezen zijnen toestand in de volgende woorden uit: »Gij kunt niet gelooven, hoe ik hier in Lon-
101
den geprest word alle private muziekuitvoeringen bij te wonen, waardoor ik veel kostbaren tijd verlies. Ik schreef nog in geen enkel ander jaar zooveel als in dit en ben ook zoo afgemat, dat ik er vurig naar verlang, eindelijk in mijn dierbaar Weenen weder te kunnen uitrusten. Ik werk tegenwoordig voor Salomon's concert en ben genoodzaakt al mijne krachten in te spannen, daar de »pro-fessionalistenquot; mijn leerling Pleyel van Straatsburg hierheen hebben doen komen, om hunne concerten te dirigeeren. Er zal derhalve een bloedige harmonische strijd tusschen den meester en den leerling gevoerd worden. Pleyel (1) toonde zich bij zijne aankomst tegenover mij zoo bescheiden, dat hij opnieuw mijne genegenheid won. Hij weet zijn «vader'' te waardeeren! wij zullen onzen roem deelen en ieder van ons zal tevreden naar huis gaan.
»........ Ik moet veel drukker werken door Pleyel's overkomst. Hij
bracht een aantal compositiën mede, welke hij reeds langen tijd te voren geschreven had. Hij beloofde eiken avond een nieuw stuk te geven. Daar ik nu te recht begreep, dat daardoor de geheele hoop tegen mij zou ingenomen worden, moet ik het slachtoffer zijn en, om mij en mijn armen Salomon niet te laten vallen, rusteloos arbeiden. Ik word het echter ook smartelijk genoeg gewaar aan het steken en branden mijner oogen; mijne nachten zijn slapeloos en mijne krachten verminderen. Doch met Gods hulp zal ik alles te boven komen. De heeren »professionalistenquot; poogden mij een bril op den neus te zetten, omdat ik niet tot hen overging; maar het publiek is rechtvaardig. In den beginne mocht ik veel bijval inoog-sten, tegenwoordig echter nog veel meer. Men spreekt in scherpe bewoordingen over Pleyel's vermetelheid; maar ik heb hem niettemin lief en woon niet alleen elk concert van hem bij, maar ben ook altijd de eerste, die hem toejuicht.quot;
Wij lieten hier Kaydn zelf spreken, omdat hem uit zijne eigen
(1) Pleyel was inderdaad slechts het onschuldige en onbewuste werktuig van erbarmelijke intrige.
â 102
woorden de welverdiende, onverminderde roem zijner grootheid van ziel ten deel zou worden. Ja, hij was grootmoedig en edel, waar duizend anderen het niet geweest zouden zijn; en juist omdat in Haydn de mensch en de Christen niet kleiner waren dan het hem door God geschonken talent, verdient hij dubbel onze bewondering.
De onverminderde vaderlijke vriendschap, welke llaydn zijnen i'eerling bewees, was voor dezen gelijk gloeiende kolen die op zijn liart brandden. Hij begon het onwaardige zijner handelwijze hoe langer hoe meer in te zien; hij schaamde zich, dat hij zoo argeluos geweest was, zich in de netten der »professionalistenquot; te laten vangen en daardoor vijandig tegen zijn hoogvereerden meester op te treden. Hij schaamde zich. Op de schaamte volgde echter berouw, op het berouw bekeering.
Hij hadde vader Haydn de handen gekust, indien deze hem in losbarstenden toorn met verwijten overladen had; hij zou daarin een boete voor zijn onrecht gezien en zich in alle deemoedigheid daaraan onderworpen hebben. Haydn behandelde hein echter dag aan dag met dezelfde vaderlijke liefde, geen bitter woord kwam over diens lippen, ja, het oude goedhartige oog had niet eens een verwijtenden blik voor hem.
Pleyel verwenschte het oogenblik waarop hij Engelands bodem betrad en in de strikken der prolessionalisten vastraakte. Hij wilde, hij moest zijnen meester volledige genoegdoening verschaffen.
Pleyel besloot een groot feestmaal te geven, waaraan alle voornaamste musici uit Londen, natuurlijk ook in de eerste plaats de «professionalistenquot; zouden deelnemen. Ook Haydn zou daartoe uitgenoodigd worden en Pleyel wilde dit in persoon doen. Wel was hij bedremmeld en haperde zijne stem, toen hij den evaderquot; het verzoek deed; maar deze nam de uitnoodiging vroolijk lachende aan en bemerkte slechts schertsende :
quot;Ik vrees mij in liet gastvrije Engeland nog ziek of wel dood te eten! Als ik er aan terugdenk, hoe ik vroeger schraaltjes at gelijk een hongerige muis, die met alles tevreden is, en daarmede nu de gastmalen vergelijk, waarvan het eene het andere zonder verpoozing
103
opvolgt, dan kom ik mij zeiven voor a!s de verkwister in het evangelie, die alle dagen kostelijk spijsde en ten laatste in de hel terechtkwam !quot;
«Vader Haydn,quot; bracht Pleyel verlegen uit, «zult gij ook dan komen, als ik u zeg, dat ook de «professionalistenquot; met u aan tafel zullen zitten?quot;
«Hoe kunt gij toch zulk een dwaze vraag doen ?quot; hernam Haydn gulhartig. »Zij behooren tot het gilde en zijn daarvan niet de slecht-â sten. Nu kunt gij zeer stellig op mijne deelneming aan het banket rekenen ; want mijne tegenstanders zullen zien, dat ik hen noch haat, noch vrees !quot;
Haydn hield woord. Zijne vrienden ontvingen hem met luide geestdrift, zijne benijders met sprak.elooze achting. De Duitsche meester moest, hoezeer hij er zich ook tegen verzette, op Pleyel's aandringen de eereplaats innemen. Aanvankelijk was men wederkeerig zeer plechtstatig en echt Engelsch stijf. Maar weldra maakte de wijn het bloed warm en de tongen spraakzaam, en toen de sherry in de slanke glazen parelde, was de laatste slagboom der wederzijdsche te-rughoudendheid gevallen. Haydn schertste met de «professionalistenquot; en klonk ook menig woord wat schril en trof het als een pijl, men lachte en praatte opgeruimd verder en bleef op een stekelig gezegde liet antwoord niet schuldig.
Slechts een van het gezelschap kon niet opgeruimd zijn, maar werd steeds somberder en stilzwijgender. Het was Pleyel. Spoorden zijne tafelburen hem tot drinken aan, zoo schudde hij onwillig met het hoofd, en vraagden zij hem, waarom hij geen mond opendeed en zoo donker voor zich zag, dan keek hij den vrager met een langen zwijgenden blik aan.
Plotseling omvatte hij met de rechterhand krampachtig zijn dun wijnglas, zoodat het onder den druk dreigde te breken, stond op, en gaf door een gebaar te kennen dat hij wilde spreken.
«Wat ik u te zeggen heb, zal ik in weinige woorden samenvatt m,quot; dus ving hij met eene licht bevende stem aan; «maar ik vervul laarmede een plicht dor gerechtigheid en der erkentelijkheid. Voor
104
eenige maanden werd tot mij de uitnoodiging gericht hier ter stede de concerten van een hoogst verdienstelijk rnuziekgeïelschap te di-rigeeren en mijne eigen compositiën te doen voordragen. Ik verheugde mij over de mij bewezen onderscheiding, zonder te bedenken dat ik, de leerling, daardoor in het krijt trad tegen mijn leermeester, wien ik alles te danken heb. Wat ik destijds niet besefte, gevoel ik nu dubbel smartelijk. Wat ik gedaan heb, had ik niet moeten doen ! Niet omdat ik door mijne compositiën ook zelfs een oogen-blik een schaduw op Haydn's roem had kunnen werpen, maar men verdenkt mij, schijnbaar met recht, dat ik beproefd heb mijn meester te overwinnen. Duizenden hebben mij daarover bittere verwijten doen booren, een enkele heeft dat niet gedaan: Ilaydn zelf! Hij heeft mijn vergrijp met een goedertieren oog aangezien, en zijn hart heeft niet aan hot mijne getwijfeld! Daarvoor dank ik hem Maar dat ik ondankbaar scheen, daarvoor vraag ik hem hier in aller hijzijn om vergeving lquot;
Haydn zat bevende in zijn zetel achterover geleund. Tranen biggelden over zijne gerimpelde wangen. Dikwijls had hij onder Pleyel's rede het hoofd geschud als ware hij over de zelfbeschuldiging van zijn leerling ontevreden; nadat deze echter zijne toespraak ge-eindigd had, kon hij slechts de beide handen in sprakelooze ontroering naar hem uitstrekken. Pleyel snelde op zijn meester toe, om hem de hand te kussen, doch Haydn richtte zich op en drukte zijn leerling aan het onstuimig kloppende hart.
Een oogenblik bleven alle aanwezigen onder den indruk van dat tooncel sprakeloos zitten; dan evenwel brak een storm van loejui-chingen als een ontketende orkaan los en »Leve Haydn!quot; riepen vrienden en tegenstanders met volle burst en met diep bewogen harten.
Op dat oogenblik overwon Haydn zijne tegenstanders door de grootheid van zijnen zielenadel!
Maar daarom bleef hem naast de schitterendste vermaardheid nog lang niet alle leed bespaard.
105
Haydn was bij contract tot de compositie van eene opera verplicht. Hij schreef: »Orfeo e Euridici.quot; Dit werk zou in een nieuw-gehouwden schouwburg opgevoerd worden. De bouwmeesters hadden echter verzuimd de goecikeuring des konings en van het parlement voor den bouw aan te vragen. Niemand dacht aan deze verordening en nog minder aan de ernstige gevolgen van dit verzuim. Het luisterrijk ingericht gebouw was geheel gereed. Het zou met de nieuwe opera van Haydn ingewijd worden. Het orkest en de zangers waren er reeds voor de repetitie bijeengekomen, de ouverture werd meesterlijk gespeeld: daar verscheen een politieagent in de zaal en verklaarde plechtig, dat op last van Zijne Majesteit en het Parlement de opera volstrekt niet opgevoerd mocht worden en zelfs de repetitie geen voortgang mocht hebben. Tegen dit laatste ten minste voerde men allerlei bedenkingen aan, men wendde de gastvrijheid jegens den grooten vreemdeling, Joseph Haydn voor â alles tevergeefs! De wetsbepaling was geschonden en dit vergrijp werd niet vergeven. Haydn nam zijne partituur op en keerde neeislachtig naar zijn huis terug.
Korten tijd daarna werd onze meester door een rijk Engelsch predikant, Barthelemon, op een concert genoodigd. Haydn nam da uitnoodiging volgaarne aan. De gastheer behandelde hem met de grootste onderscheiding; maar er lag in hel voorkomen van dezen man iels sombers, zwaarmoedigs, raadselachtigs. Hij sprak weinig, vermeed het gezelschap en trok zich, voor zoover zulks gevoeglijk ging, in een hoek der zaal terug. Haydn sloeg den predikant eene poos met deelnemende blikken gade, trad vervolgens op hem toe eigt; sprak op meewarigen toon :
»Er ligt een schaduw op uw gelaat!quot;
«Ja,quot; antwoordde Barthelemon, de «schaduw des doods!quot;
Haydn ontroerde.
«Ik begrijp u niet! Hoe bedoelt gij dal?quot; vroeg hij met haperende stem.
«Het was gisteren nacht,quot; antwoordde de predikant met het hoofd voorover op de borst gebogen. «Ik lag lang slapeloos in mijn bed en
106
mijne herinnering voerde mij in lang vervlogen dagen terug. Eindelijk â het liep tegen den ochtend â sliep ik in. Ik droomde dat ik mij in een groot bosch bevond. Spookachtig was het licht, dat door het dichte loof der boomen drong. De bloemen op den bemos-ten grond bogen slapend hare kelken en de vogels in de takken zwegen en keken nieuwsgierig met hunne kleine heldere oogen op mij neder. Eensklaps was het mij, als hoorde ik geklap-wiek van vleugelen in de stille, onbewogen lucht: verwonderd, verschrikt keek ik op en zag een engel naast mij staan. Een zwart kleed omhulde zijne gestalte, zwart waren zijne vleugelen, zwart de lokken, die om zijne slapen golfden. Zacht legde hij zijn hand op mijn hart, ernstig rustte zijn donker oog op mij. » «Luister!quot;quot; sprak hij, en een bovenaardsche muziek klonk in mijn oor. Ademloos luisterde ik naar de melodieën. » »Uw wiegelied voor het graf!quot;quot; waarschuwde de engel en verdween.quot;
»Een zonderlinge droom!quot; antwoordde Haydn onwillekeurig rillende. »En toch was het maar een droom !quot; liet hij er bemoedigend op volgen.
«Neen, het was eene waarschuwing!quot;
Haydn keerde in den opgeruimd pratenden kring der gasten terug. Eene jonge dame hing vertrouwelijk aan zijn arm,
«Vader Haydn, ik heb een verzoek aan u; zult gij het inwilligen?quot;
Haydn keek het bijkans nog kinderlijke meisje goedig in de groote waterblauwe oogen.
«Indien gij niets onmogelijks verlangt, zij uw verzoek toegestaan.quot;
«Vadertje, naar ik heb gehoord heeft uw vriend Mozart eens gezegd, dat niemand alles zoo kan gelijk gij: schertsen, lachen en tot schreiens toe roeren. Ik bid u, speel eens iets, dat mij erg doet weenen!quot;
Haydn legde de hand op het goudblonde hoofd van het meisje.
«Zulke wonderschoone oogen moeten niet willen weenen.quot;
«Toch wil ik!quot; antwoordde het meisje met bekoorlijk ongeduld. «En als gij deze oogen met tranen gevuld zult hebben, zal ik ze met dezen zakdoek afdrogen en u dien als een aandenken van mij in uw verwijderd vaderland medegeven.quot;
â¢107
Haydn zette zich aan het klavier. Een oogenblik zocht zijn geest naar gedachte en thema; daar herinnerde hij zich wat Barthelemon hem weinige minuten te voren verhaald had. Het gansche tafereel stond hem levendig voor den geest en met het tafereel accoorden en melodie.
Dat is in tonen het sti.'le geheimzinnige woud met zijne statige hoornen en zijne droomerig gebogen bloemen, üe wind ruischt door het gebladerte, nauw hoort gij de tonen zacht wegsterven, daar spreekt de engel in zwaar en ernstig koraal. Op zijne toespraak volgt eene elegie als stegen treurende nimfen in het nachtelijke duister uit een zee van tranen op. Dat is geen wilde klacht, dat is geen verterende hartstocht, geen ontboezeming van smart, neen, dat is de zwanenzang van een langzaam wegstervend hart. En nu is het gestorven, en als een laatste ademtocht, onuitsprekelijk weemoedig, besluit wederom koraaltoon het klagende lied.
Er werd een stoel omgestooten en eene deur hard in het slot geworpen. Barthelemon had, over het gansche lichaam rillende, de zaai verlaten â eene maand later was hij dood!
Hoezeer ITaydn er ook van hield zijne muzikale gedachten in den rijken tooi van het contrapunt te steken, kon hij evenwel in verrukking geraken, als de melodie in ongekunstelden eenvoud een hevig werkende tooverkracht op hem uitoefende.
In de Pinksterweek hoorde Haydn in de St.-Pauluskerk het gezang van vierduizend weeskinderen; unisono, langzaam en statig klonk het lied, met hetwelk de accoorden van het orgel in de eenvoudigste vormen samensmolten. Haydn zegt hieromtrent; «Geen muziek roerde mij in mijn geheele leven zoo diep als dat vrome en onschuldige gezang. Ik luisterde toe en weende als een kind. De stemmen klonken als die van engelen; de finale had een diepe, aangrijpende uitwerking op het hart, terwijl de tonen in de zwakke kelen der kinderen wegstierven en slechts als een zwevend zuchtje uitgingen.quot;
Om dezen tijd ontving onze meester van zijne vrouw een brief, die hem tot in het diepste zijns harten krenken moest. Reeds de
108
vroegere brieven bevatten menigen doorn. Zoo had zij hem bijna dadelijk na zijn vertrek naar Londen bericht, dat zijn dierbare vriengt;l Mozart de lasterlijkste geruchten omtrent hem, zijne muzikale verdiensten en zijn particulier leven uitstrooide. Haydn weende van verontwaardiging, verfrommelde den briet en wierp hem in het vuur. »Dat is meer dan mijn hart verdragen kan,quot; zuchtte hij, »dat mijn eigen vrouw mijn trouwen Mozart en door hem mij verdenkt! '
De volgende brieven waren opgevuld met ijverzuchtige verwijten en voortdurende vermaningen om vlijtig te werken en spaarzaam te leven. De laatste brief zette echter de kroon op alles. Het begin behandelde onverschillige onderwerpen, daarna gaf Carolina de stellige verwachting te kennen, dat haar man, aan hare vermaningen gehoorgevende, genoeg zou opgespaard hebben, om een wensch vanhaar te vervullen. Zij had in de voorstad Gumpendorf in de Kleine Steenstraat een huisje gezien, dat haar ongemeen bevallen was, en daar het slechts twee duizend gulden kostte, zou hij haar deze som zenden, want zij had zich stellig voorgenomen, «daar na zijn dood als weduwe te gaan wonen.quot;
»Zij schijnt op mijnen dood te wachten!quot; zuchtte hij smartelijk bewogen, terwijl hij den brief zorgvuldig in zijn portefeuille stak. «Kon ik haar dat vergeven, dan had ik den brief verscheurd; maar zoo wil ik het bewijs, hoe lief mij mijne vrouw heeft, steeds onder de oogen hebben.quot;
Haydn zond geld noch antwoord.
Zijn contract met Salomon was afgeloopen.
Zijn hart trok hem naar zijn dierbaar Weenen.
«Tot wederziens!quot; riepen duizenden vereerders den scheidende bij zijn vertrek naar het vaderland toe.
«Als het God behaagt,quot; riep Haydn diep bewogen, «mijn hart zegt niet neen Iquot;
XI.
ISTog eenmaal in den vreemde!
Mozart was dood!
Haydn had de treurmare sinds lang vernomen, maar thans, naar Weenen teruggekeerd, gevoelde hij het verlies eerst in zijn vollen omvang.
Zijne vrouw ontving hem stug en koel.
))!!ebt gij in Londen niet eens zooveel verdiend, dat gij mijn wensch vervullen en mij het geld tot aankoop van het huisje ia Gumpendorf kondt zenden'?quot;
«Ik wilde u die som niet zenden!quot;
«Zeer vriendelijk! En waarom niet?quot;
»Gij zoudt het geld verkwist en het huis toch niet gekocht hebben!quot;
Mevrouw Haydn beet zich op de lippen.
«Met dit ongegrond verwijt wilt gij stellig uwe eigen geldverspilling in Londen verbergen?quot; riep zij met van gramschap vlammende oogen.
»lk heb twaalf buizend gulden uit Engeland medegebracht.quot;
Deze mededeeling bracht een geheelen omkeer in Lina's houding teweeg. Zij werd deelnemend, bezorgd, teeder, prees de vlijt en de spaarzaamheid van haar echtgenoot en besloot haar lolspraak met de vraag:
110
»Gij gaat toch gewis nogmaals naar Londen?quot;
Haydn gaf haar geen antwoord.
Kort daarna kocht hij het huisje in Gumpendorf en deelde dit zijne vrouw mede. Zij nam die mededeeling zeer koel op, een bewijs, dat het haar destijds meer om het geld dan om het huis te doen geweest was.
Haydn betrok het eenzame stille huisje, maar de vrede woonde niet met hem onder één dak. Zijne vrouw verbitterde hem, door aanhoudende speldeprikken, waarin booze vrouwen onuitputtelijk schijnen te zijn, met den dag meer en meer hot leven. Lang was hij het met zich zeiven oneens; doch eindelijk stond zijn besluit vast. Hij had besloten nog eenmaal naar Engeland te gaan.
Het kwam hem als eene hoogere leiding voor, dat juist te dien tijde prins Paul Anton Esterhazy naar Weenen kwam. Haydn verzocht terstond om eene audiëntie. Hij had toch een onrecht goed te maken en wilde de tweede reis niet ondernemen zonder inwilliging zijns vorsten.
Onze meester werd veel genadiger ontvangen dan hij had durven hopen. Op zijne deemoedige rechtvaardiging waarom hij aan de terugroeping niet gehoorzaamd had, antwoordde de prins:
»Gij hadt mij veertig duizend gulden kunnen besparen, beste Haydn! Overigens moet gij dit niet als een verwijt tot u gericlit beschouwen; want ik schat den roem, waarmede mijn kapelmeester uit den vreemde terugkeerde, veel hooger dan de som, welke uwe afwezigheid mij gekost heeft. Kn hiermede zij uw ontrouw u vergeven, doch ik stel ééne voorwaarde.quot;
Haydn keek bezorgd op.
»Gij moogt Oostenrijk niet meer verlaten.quot;
«Ik ken mijn plicht en zal dien weten te volbrengen!quot;
«Haydn, gij moet mij niet verkeerd verstaan. Ik vorder van u geen dienstverrichtingen, deze zullen u niet aan Weenen en Oostenrijk binden. Ik zou u volle, onvoorwaardelijke vrijheid laten, indien.....quot;
De prins aarzelde, en Haydn's vragende blik verried, dat hij dit gt;indienquot; niet begreep.
in
»Haydn, gij dwingt mij onbescheiden te zijn: gij zijt twee en zestig jaar oud. Ik denk, dat gij mij zult begrijpen.quot;
Haydn glimlachte.
»Uwe Doorluchtigheid, mijn lichaam is krachtig, mijn geest is jong,quot; riep hij blijmoedig uit. »Ik geloof dat ik nog alle zeeën zou kunnen oversteken!quot;
»En ook weder terugkeeren? Haydn, gij kunt er u geen denkbeeld van vormen hoe hoog men u in het vaderland schat sinds de vreemdeling u zoo zeer geëerd heeft. Gij moet bij ons blijven!quot;
Haydn schudde het hoofd.
«Nog eenmaal wenschte ik naar Engeland te trekken!quot;
»En opnieuw met nijd en afgunst den strijd te aanvaarden?quot;
«Waarom niet? Ik gevoel, dat ik mijn beste werk nog niet voortgebracht heb en meet ik de kracht mijns geestes, dan is zij ongebroken. Nog is het in mijn binnenste geen herfst geworden.quot;
De prins zweeg. Vorschend rustte zijn oog op Haydn.
«Alsof gij ook hier niets grootsch kondet voortbrengen?quot;
«Hier kan ik hel niet, Uwe Doorluchtigheid!quot;
«Waarom niet ? quot;
»Ik mis den zonneschijn des vredes. Wil de inensch werkelijk iets grootsch voortbrengen, dan mag er geen duistere wolk over zijn hart en zijn huiselijk leven hangen, liet genie wil licht en vrede.quot;
«En beiden mist gij hier?quot;
))Ja.quot;
«Het is waar, Haydn, er moet een geheime smart op uwe ziel drukken. Gij zrjt opgeruimd van aard en toch nam ik reeds in Eisenstadt dikwijls eene diepe neerslachtigheid bij u waar, naar welker oorzaak ik tevergeefs vorschte. Ik wil niet mot ruwe hand eene wonde aanraken.quot;
«Aan één mensch had ik gaarne mijn leed geklaagd: hij is gestorven; het was mijn Mozart. U wil ik mijne wonde blootleggen, Uwe Doorluchtigheid, gij hebt er recht op; want drukte dit looden gewicht niet op mijn leven en op mijn geest, wat ik schiep
1-12
zou van veel verhevener schoonheid zijn. Mij ontbreekt de huiselijke wede. Een booze vrouw verstoort dien. Hebzucht, gierigheid tegenover mij, grenzenlooze verkwisting van den anderen kant tegenover hare vrienden, een ijverzucht, die elke mijner schreden bespiedt, dat zijn de slangen waarmede zij mij foltert. Het kan een groot onrecht van mij zijn, dat ik haar aanklaag; maar deze aanklacht geschiedt slechts om mij tegenover u te rechtvaardigen en u voor mijn verzoek, mij nog eenmaal naar Engeland te laten trekken, gunstig te stemmen.quot;
«Zulk een lot had mijn Haydn niet moeten treffen,quot; hernam de prins treurig. bNu begrijp ik uw verlangen naar den vreemde; ga in Gods naam, maar beloof mij dat gij gezond en wel terug zult keeren!quot;
»Dat hangt van God af! Ik zal Hem dagelijks bidden mij de gunst te verleenen, mijn goeden vorst weder te zien!quot;
En zoo ving Haydn don '19 Januari 1791 zijne tweede reis naar Londen aan.
Wij zullen lüeromtrenl beknopt zijn.
Haydn genoot overal waar hij zich ook vertoonde, de grootste onderscheiding, zelfs aan het koninklijke hof, dat zijne talenten op hoogen prijs stelde.
Hier moeten wij een daad van Haydn vermelden, welke niet alleen getuigt van zijn waarlijk edel hart, maar ook het bewijs levert van zijn aanzien bij de Engelschen.
Haydn had in een gezelschap hooren zeggen, dat de muziekhandelaar Rapire, die een gezin van twaalf kinderen had, buiten zijn toedoen in zulke benarde omstandigheden was geraakt, dut zijne schuldeisnhers hem met gijzeling dreigden. Zwijgend had hij toegeluisterd en naar de woning van den ongelukkigen man gevraagd.
Reeds den volgenden morgen verscheen hij in Rapire's woning.
Een bejaard man, met onmiskenbare sporen van verdriet diep in het aangezicht gegroefd, ontving hem.
113
«ik ben .losepli Haydn....quot;
»Wie zou li niet kennen ? s viel Raph'e hem niet eene buiging' in de l ede.
«Goed ! Ik zou met u wel zaken willen doen.quot;
De muziekhandelaar werd doodsbleek.
»Wat zou de Engelschen wel in geestdrift kunnen doen ontvlammen?quot; ging Haydn voort.
Rapire bezon zich een oogenblik.
oGelijk de Duitscher met zijne Alpen dweept, dweept de Engelsch-â iiian met zijn Schotland, Schotsche liederen....quot;
tgt;Gij hebt mij genoeg gezegd. Ik stel u voor vijftig liederen te componeeren, welke gij moet uitgeven.''
Rapire wreef verlegen zijne handen.
aHet spijt mij, dat ik niet.....quot;
»0 ! vergeef mij ! ik vergat u te zeggen, dat ik de kosten van het graveeren der liederen voor mijne rekening neem.quot;
De muziekhandelaar ademde zichtbaar verlicht.
))En het honorarium?quot; bij deze woorden zag hij Haydn angstig aan.
»Ook dit punt zullen wij terstond regelen. Reik mij de hand, mijnheer! God heeft mijn echt niet met kinderen gezegend ; gij echter hebt twaalf kinderen. Ik ben door God na lang bittere armoede geleden te hebben met aardsche goederen overladen, gij zijt buiten uwe schuld van welgesteldheid tot armoede vervallen, welke de liefde (ot uwe kinderen u dubbel smartelijk maakt. quot;Wij zullen nu eene overeenkomst aangaan ! Ik leen u mijn talent en tij laat mij aan het geluk deelnemen u en de uwen van drukkende zorg te bevrijden. God geve op mijne liederen Zijnen zegen en heeft Hij dit gedaan, dan betaalt gij met de opbrengst uwe schulden en valt er nog eene ves'dere winst af, dan schenkt gij de eene helft daarvan aan mij en de andere aan uwe kinderen.quot;
Rapire beefde van blijde ontroering.
»Dus heb ik God niet tevergeefs om uilkomst gesmeekt,quot; riep hij
8
114
dankbaar ten hemel opziende. »Wat gij aan mij cn mijno lanülie doet, zal als rijke zegen op uw leven nederdalen!quot;
«Beste vriend,quot; antwoordde Haydn glimlachend, «stel u toch zoo verwonderd niet aan, wanneer het. Christendom zich in een mensch levend toont.quot;
Haydn ging naar huis en componeerde de Schotsche liederen met eenvoudige instrumenlbegeleiding, waarvan de verkoop zoo aanzienlijk was dat Ilapire niet alleen ;il zijne schulden kon afdoen maar ook Haydn zelf nog een klein honorarium bekwam. Als een kind verheugde Haydn zich over deze goede daad; maar in stilte bad hij toch dikwijls dal zijne vrouw daarvan niets mocht vernemen, anders zou Rapire al de gemaakte onkosten aan baar hebben moeten vergoeden.
Evenals elke goede daad vond ook deze baar loon. Havdn componeerde nog tweehonderd dertig zulke liederen, welke bem een aanzienlijke som opbrachten.
De nauwere en steeds meer vriendschappelijk wordende betrekkingen met het hof, hetwelk tot dusverre voornamelijk met Handei's muziek ingenomen was geweest, doch de schoonheden van Haydn's muze meer en meer naar waarde begon te schatten, hadden voor Haydn tene groote aanlokkelijkheid. Haydn zou den zomer te Windsor bij de koningin verblijf houden, en met baar, gelijk zij schertsend aanmerkte, tête a tête muziek maken, des winters echter zou hij met zijne composition de prachtige hoffeesten helpen opluisteren. Daarbij kwam nog, dat de Engelsclnnan op geen geld zag en bet allerminste het koninklijke hof, als het er op aankwam, een groot man aan Albion te boeien; Haydn was toch reeds overvloedig in de gelegenheid geweest door eigen ondervinding te leeren, dat de kunstlievende Brit gaarne ponden offert, waar do spaarzame Duitscher kleingeld biedt. Het meeste echter was de prins van Wallis met Haydn ingenomen en deze moest zes en twintig- concerten bij hem dirigeeren. Dat de prins eeno uitzondering maakte op den Engelschen adel en vergat den grooten meester daarvoor een honorarium uit te keeren, had zijn grond alleen daarin, dat de
115
jjrins liet betalen geheel ontwend was. Later nam liet parlement in plaats van hem die verplichting op zich en Haydn werd glansrijk schadeloos gesteld.
Op zekeren dag, dal Haydn den koning zijn voornemen had kenbaar gemaakt om binnenkort naar Duitschland terug te keeren, drong de vorst ernstig hij hem aan om in Engeland te blijven.
Haydn wees dit nadrukkelijk van de hand.
»llet vorstelijk huis Esterhazy heeft mij groot gemaakt. Eerst onder zijne bescherming kon ik mijn talent ontwikkelen, kon ik mij tot die hoogte verhellen, welke mij de bewondering van duizenden verworven heelt. Liever doe ik afstand van de muziek dun mij aan ondank schuldig te maken.quot;
'jUsve gezindheid is zeer edel,quot; prees de koning. »(lij behoeft uwen vorst ook uwen dienst niet op te zeggen; wanneer ik u echter voor mij verlang, zal Esterhazy zulks toch niet aan u kunnen wijten en er u een kwaad hart om toedragen.quot;
»En toch kan ik het verlangen van Uwe Majesteit niet inwilligen.quot;
«Ach ja,quot; merkte do koning lachend aan, «ik vergat dat gij gehuwd zijt. Laat uwe vrouw hierheen komen!quot;
I lay dn was bleek geworden. De herinnering aan zijne echtge noole moest hem smartelijk aandoen.
»U\ve Majesteit, geen macht ter wereld zou mijne vrouw kunnen bewegen den Donau over te varen, hoeveel te minder dus de zee,quot;
»Ook niet uit liefde tot u?quot;
»Neen, Uwe Majesteit.quot;
De koning zag Haydn met oen langen, vragenden blik aan. Dit neen klonk zoo smartelijk, dat het tot verrader van een diep verborgen leed werd.
Er was eene pijnlijke pauze in . het onderhoud ontstaan. Haydn vatte het woord weder op, om den koning te verhinderen dit onderwerp nog verder aan te roeren.
«En al zouden alle bergen gelijkgemaakt en alle hinderpalen uit den weg geruimd worden, mijn verlangen naar het vaderland kan door niets overwonnen worden!quot;
416
De koning brak de audiëntie kort af.
Haydn was in ongenade gevallen; en toen hij zijn afscheidsconcert gaf, schitterde hij aan het koninklijke hof door zijne volslagen afwezigheid.
Dit deed zijn fijngevoelig hart bitter pijn. Met spoed regelde hij al zijne zaken en pakte zijne koffers. Weder nam hij twaalf duizend gulden als zegeloon mede; ditmaal was hij niet het doelwit geweest van den nijd en intriges, en toch was zijn hart treurig gestemd. Het gold toch een afscheid van duizendea vereerders â voor het leven!
Maar met eiken nieuwen dag vermeerderde het heimwee deze geheimzinnige smart in zijne ziel, en eindelijk kon hij den dag zegenen, waarop hij de reis naar Oostenrijk aanving.
Het was de 15e Augustus 1795.
XII.
Haydn's oratoriums: âde Scheppingquot; en ^de Jaargetijden.quot;
En nu zat Hay dn weer in zijn stil Tusculum te Gunip-i.Jorf.
Zijne vrouw ontving hem ter wille van de medegebrachte twaalf duizend gulden boven alle verwachting vriendelijk. Doch deze vriendelijkheid was, helaas! niet van langen duur; want nadat haar de vrije beschikking over de som ontzegd was, daalde de thermometer harer verdraagzaamheid tot beneden nul.
Esterhazy had Haydn's jaargeld op twee duizend vierhonderd gulden verhoogd; daarbij nu de renten van het in Engeland verdiende geld gerekend, was deze som meer dan toereikende om den meester voor zijne overige levensdagen van alle nijpende zorgen te onthelten. Hot geheele leven, zoover het nog voor hem lag en zoolang God het hem liet behouden, was zijn onbeperkt eigendom.
Die stille rust wilde onze meester niet in onvruchtbaarheid en vadsig nietsdoen genieten. Hij zocht naar eene groote reusachtige gedachte, welke hij in tonen belichamen kon.
Haydn had in Engeland van Salomon do opdracht ontvangen, een gedicht van Lidley «de Schepping,quot; op muziek te zetten. ïoen de dichter hem het tekstboek bracht, verschrikte hij over de dikte en vroeg, of hij misschien den geheelen bijbel op muziek moest zetten? Bij de werkelijk onzinnige lengte van den tekst, die Haydn geheel
118
ontstemde, kwam nog het ongemak, dat hij niet genoegzaam de Engelsehe taal machtig was om don dichter overal to verstaan. En slechte dichters plegen meestentijds veel onverstaanbaarder te zijn dan goede. Onze Haydn had zich eenigen tijd met den tekst ge-^ kwcld en dien daarna ontmoedigd in een koffer geworpen.
Op zekeren dag nu, dat hij in zijne uit Engeland medegenomen papieren rommelde â hij had daar alleen 778 vel nieuwe coinposi-tiën geschreven â kwam hem het omvangrijke werk van Lidley weder in de hand. Als een bliksemstraal schoot hem eene gedachte door den geest. Hij legde het dikke deel ter zijde, en zoodra het avond geworden was, nam hij het onder den arm en ging ermede de binnenstad in.
Daar woonde do vrijheer Godfried van Swieten, een man, die oen welwillende lieve vriend van hem geworden was. Reeds bij het leven van Mozart, had hij dikwijls \ an Swieten's gastvrije huis bezocht en met de jaren was ook de vriendschap inniger gewoi den. Hij was directeur van do keizerlijke bibliotheek te Weenen, beoefende echter in zijne vrije uren de dichtkunst en de muziek. Haydn was wel is waar van oordeel dat Van Swieten's composition even stijf en houlerig waren als haar maker, maar hij was voorzichtig genoeg, dit den ingebeelden en ecnigszins prikkelbaren man niet in het aangezicht te zeggen.
Van Swieten ontving hem even vriendelijk als altoos, maar toch zoo, dat men terstond den vrijheer tegenover den burgerlijken man erkende. Dit lag echter in den geest van den tijd, en hoe meer men in frankrijk do voorrechten van den adel met de Jacobinische vuisten verbrijzelde, des te ijverzuchtiger poogde men ze in het Duitsche rijk te vrijwaren.
«Daar breng ik u iets bijzonders!quot; riep Haydn, zijn lijvigen Lidley onder den arm uithalende. «Een waanzinnige snaak heelt de schepping der wereld zoo uitvoerig beschreven, als ware hij er bij geweest en had hij voor zijn lessenaar zittend toegezien hoe C.ods almacht en wijsheid de wereld in het leven riep. Ik heb beproefd uit het gekrabbel van den dichter eene melodie te spinnen, doch
het ging niet. Voor de eerste maal in mijn leven sprongen mijne gedachten als glas, en hoe meer ik mij inspande, des te dorder werd mijn geesl. Ik geloof dat het mij nog gegaan zou zijn als de jeneverstruik van Jonas, als ik dat ding niet intijds van mij afgeworpen had. Er ligt in liet geheel eene gedachte, die mijne ziel doet jubelen, dewijl zij ze zoo geheel en al vervult als daalde de lieve God er zeil' iu neder. Geel met uw welbekend talent aan het wijd-loopigo werk van den praatzieken Engelschman den vereischteu be-knopten, bondigen vorm, omvat Gods schoppen in beperkte grenzen, geel' mij beelden en geen ijdele woorden: en ik beloof u daartoe eene muziek, die Haydn en meer nog het verheven onderwerp tot eer verstrekken zal!quot;
Van Swieten bladerde eene geruime poos in het deel, lezende, glimlachende, ontevreden het hoofd schuddende en dan weder ernstig, ja eenigszins plechtig met lezen ophoudende.
»Haydn,quot; riep hij eindelijk opziende uit, «laat het deel hier! Ik zal den tekst zoodanig voor u inrichten, dat gij er gewis mede tevreden zult zijn. Gij hebt gelijk: er ligt, trots alle gebrek in den vorm, een verheven, een ingrijpende gedachte in, die, door u in tonen vertolkt, overweldigend op de toehoorders moet werken. En toch.....quot;
Hij brak af en zag Jlaydn vorschend aan.
»Ziet gij er eenig bezwaar in-.'quot;
»Ik ontken het niet. lloo oud zijt gij wel, beste Haydn?quot;
»Ik heb mijn vier-en-zestigsten verjaardag reeds gevierd. Doch ik begrijp ul Gij denkt stellig, op mijn leeftijd ontbreken aan den geest de hooge vlucht en het scheppingsvermogen. Laat mij slechts niet te lang op den tekst wachten.quot;
Na verloop van acht dagen bracht hij wederom een bezoek aaa Van Swieten.
»lk kom het manuscript halen, want ik brand van verlangen om aan do compositie te beginnen!quot;
Van Swieten, die veel bezigheden had, was nog in hel geheel niet met het vervaardigen van den tekst begonnen.
)Cij moet nog wachten!quot; voegde hij Haydn barsch toe
â 120
»Wat, wachten1! Heb ik niet reeds eene kostbare week verloren?quot; Ik wil vandaag nog met mijn werk aanvangen.quot;
Van Swieten, die zeer prikkelbaar was, vooral als zijne eerzucht in het spel betrokken was, stoof op.
))Meent gij dan dat ik evenals Ooi de wereld in zes dagon schiep ook den tekst voor u in eene week uit do mouwen kon schudden? Als gij het nog niet kent wat het is geduld te oefenen, leer het dan.quot;quot;
Haydn ging heen, doch met hef vaste voornemen Van Swieten,. tot den arbeid te noodzaken. Te huis komende, gaf hij zijn bediende het volgende bepaalde bevel:
»Gij gaat van heden af alle dagen 's morgens te elf uur naar den heer Van Swieten, doet hem mijne complimenten en zeg dat ik om het beloofde manuscript laat verzoeken. Gij moet er u natuurlijk op voorbereid houden, dat gij toornig toegesnauwd, ja misschien wel van de trappen geworpen zult worden; maar dat alles maakt niets uit wanneer ik slechts mijn doel bereik!quot;
En hij bereikte het.
Pieeds den tweeden dag bracht de bediende de eerste vellen van den tekst, en al beefde Van Swieten aanvankelijk ook van woede, dat de onbeschaamde bediende eiken dag met dezelfde boodschap zijnen drempel betrad, werd hij er tocli spoedig aan gewoon en ten laatste lachte hij er mede en was blijde dat Haydn hem tot vlug arbeiden gedwongen had.
Toen hij den bediende het laatste vel overgaf, sprak liij:
«Zeg aan uwen heer, dat ik nu dagelijks bij hem komen en hern aansporen en voortdrijven zal!quot;
Haydn lachte over die boodèchap, sloot zich in zijne kamer cp en zette zich aan den arbeid. Eerst echter knielde hij op den vloer neder en bad: »Heere, beschouw het niet als eene vermetelheid van mij, dat ik het waag. Uwe almacht te bezingen! Ik doe hel te Uwer eere en daarom kunt en moogt Gij mij Uw zegen nip', weigeren. Amen!quot;
En hij ving rusteloos met zijn arbeid aan.
Den derden dag werd er aan zijne deur geklopt.
121
Haydn gaf geen antwoord.
Het kloppen werd steeds sterker en hinderlijker.
»Wat is het?quot; riep Haydn toornig.
sik zou mij willen overtuigen,quot; antwoordde Van Swieten door de gesloten deur, «hoever gij reeds met uwen arbeid gevorderd zijt?quot;
«Nog heeft het water zich niet van het land gescheiden,quot; riep Haydn terug. «Gij ziet dus, dat ik den vasten grond mis, waarop ik u zou kunnen ontvangen!quot;
Van Swieten moest zich hiermede vergenoegen en zag zich gedwongen onverrichter zake naar huis terug te keeren
Hij was zoo bescheiden eerst na eene week terug te komen. Haydn ontving hem met open armen en een stralend aangezicht.
»Wel, beste Haydn,quot; vroeg Van Swieten met voorname belangstelling; »zijt gij reeds over den chaos heengekomen ?quot;
«Reeds groeit liet gras,quot; antwoordde de meester vroolijk; âslechts de dieren ontbreken om het te vreten.quot;
»Die zullen ook spoedig komen.quot;
»lk hoop het.quot;
Haydn zette zich aan zijn instrument en begon de afgemaakte gedeelten dor partituur te spelen. Van Swieten gaf zich geheel aan het genot der ontzagwekkende accoorden en melodieën over, die als de adem Gods'zijn gemoed beroerden; hij sloot de oogen en zag in de tonen het heeld der wordende wereld. â
Haydn had sinds lang geëindigd; gene lag nog steeds droomen-.le in den leuningstoel. Eindelijk hief hij langzaam het hoofd op. Zwijgend reikte bij den meesterde beide handen, zijne oogen waren met tranen gevuld.
«Dat hebt gij niet alleen gedicht; hier heeft (lod in uwe ziel gesproken! Haydn, ik kom niet terug vóór gij mij laat roepen; want het ware eene zonde u in zulk werk te storen!quot;
En toen buiten de gele bladeren in den horfstnevel ritselend van de boomen violen, en do schepping in den naderenden winterslaap wegzonk, had Haydn de lente zijner ziel in zijne »Scheppingquot; inheiend uitgezongen.
â Vïl
Ue opgang van liet oratorium bij de eerste opvoering was zonder weerga. Alle lippen brachten den grooten meester hunnen lof toe â de nijd zweeg!
Zelfs dichters, gelijlc Wieland, grepen in geestvervoering naar de pen om Haydn's groollnid te vereeuwigen.
B..... Wie roept niet; hoe schoon is deze aarde! En schooner
nu haai1 lieer ooi; u in hot leven riep, opdat Zijn werk voltooid mocht worden.quot;
Michael llaydn roept na de doorlezing der partituur in verrukking uit: «Hoe mijn broeder in zijne koren de eeuwigheid maalt is iets bovennatuurlijks!quot;
Joseph llaydn echter zegt van dit zijn toonwerk.
)A'u eens was ik ijskoud over mijn geheele lichaam, dan weder gloeide ik als vuur en ik vreesde meer dan eens door een beroerte getrollen te worden!quot;
Weenen, Oostenrijk, Duitschland weergalmden van den lof des scheppers van ))do Schepping.quot; Haydn's naam leefde op aller lippen. in aller harten.
Maar ook het groote vijandelijke land erkende de ongeëvenaarde verdiensten van dit groote werk.
DenlMen December 1800 reed Napoleon Bonaparte te Parijs naaiden schouwburg om de uitvoering van Haydn's ^Scheppingquot; bij te wonen. Eene lielsche machine bedreigde zijn leven; een oogenblik staarde de kleine Corsicaan in de opllikkerende vlammen, met de lippen vast op elkander geklemd, de oogleden onbeweeglijk: daarop riep hij met vaste stem: Allons toujours, ne manquons pas la ^Creationquot; de llaydn!quot;
Haydn ontving uit Frankrijk de vleiendste onderscheklingeri.
Nadat echter de uitvoering van llaydn's oratoriums, inzonderheid van »de Scheppingquot;' tot weldadige doeleinden, in Weenen groote sommen ten voordeele van de armen had opgebracht, voslde de overheid van Weenen zich eindelijk «verplichtquot; den »grootcn ilaydn,quot; die zijne partituren voor elk goed doel beschikbaar slclilc, eene cercmcdaiile toe te kennen
â¢123
Of Haydn's talent zulk een in alle gevallen bescheiden onderscheiding verdiend heeft, vragen wij niet. Wij zouden er hem onrecht mee doen. Wij willen slechts aanstippen dat ITaydn met zijne «Scheppingquot; cn andere cantaten den armen van Weenen de enorme som van drie en dertig duizend een honderd negen en zestig gulden schonk â meer dan hel bedrag van zijn nagelaten, vermogen.
Maar ook hem zeiven bracht de «Scheppingquot; veel geld op De Weener muziekvereeniging, welke do eer der eerste uitvoering ten deel geworden was, overhandigde hem een geschenk van vijthonderd ducaten; andere uitvoeringen en de uitgave der partituur leverden hem nog twaalf duizend gulden op.
Ilaydn verlangde thans naar rust en verademing. Hij had niet de veerkracht zijns geestes, maar wel die van zijn oud lichaam overschoot. Hij was voornemens tot aan het einde zijns levens te blijven componeeren naar gelang der stemming van het oogenblik; in zijne ziel zwermden en gonsden toch nog do liederen gelijk bonte goudkleurige kevers in den middagzonncschijn. Maar voor een Lro:' werk voelde hij zich niet sterk genoeg meer, want de compositie der «Scheppingquot; had zijne zenuwen diep geschokt.
Doch het was anders besloten!
Do algemeene, uitbundige bijval, dien Haydn's «Scheppingquot; verwierf, liet Van Swieten geen rust. Hij, die voor deze reusachtige compositie de hooge jaren zijns vriends als eene zwaarwichtige bedenking daartegen aangevoerd had, moedigde thans den intusschen nog ouder geworden en half uitgeputten man aan, een nieuw dergelijk werk onderhanden te nemen.
De Engelsche dichter James Thomson had een leerdicht «The Seasons,quot; de «Jaargetijdenquot; geschreven. Van Swieten werkte dit gedicht tot tekst van een oratorium om cn vorderde nu van zijn vriend Haydn ook hiervoor de muziek te schrijven.
De meester had hiertegen veel bedenkingen.
âIk vrees,quot; sprak hij, «dat do olie in de kruik niet toereikend zijn .zal. En daarbij licb ik kans met de «Jaargetijdenquot; mij zeiven ie
124
benadeelen; want óf zij overtreffen in schoonheid de «Schepping,quot; en dan plaats ik mijn lievelingskind in de schaduw, óf de «Jaargetijdenquot; verheffen zich niet op gelijke hoogte met âde Scheppingquot; en dan ben ik het zelf, die mijn roem verklein en er een smet op werp.quot;
Maar Van Swieten liet deze bezwaren niet gelden.
âZijn aan den hemel niet alle sterren schoon?quot; riep hij vol geestdrift uit. «Verduistert daar de glans van de eene dien der anderen? Gewis niet! En zoo zal ook bij u, beste Haydn, het eene werk den roem van het andere verhoogen en dien van uw eigen naam vermeerderen!quot;
»En mijne kracht?quot;
«Zal u niet begeven.quot;
Haydn schudde ongeloovig het oude hoofd.
«Beproeven wil ik liet wel!quot; antwoordde hij schoorvoetend. »Zoo God het wil, voleindig ik ook dit werk; weigert ffij mij kracht en zegen, dan sterf ik ten minste gelijk oen goed soldaat op het slagveld.quot;
Nu had echter Van Swieten, hoezeer zijne bekwaamheid en schoonheidszin erkend moeten worden, zich juist bij de vervaardiging van dezen tekst, aan een menigte fouten schuldig gemaakt, welke hij in ieder ander streng gegispt zou hebben, doch waarvoor hij volslagen blind was, omdat zij zijne fouten waren. Nauwelijks was Haydn met het componeeren begonnen, of hij erkende met zijn fijn gevoel terstond die mislukte plaatsen als in schrillen wanklank met het geheel. Van Swieten had toch zelfs de wansmaak zoover gedreven, dat hij van Haydn vorderde dat deze in zijn oratorium het kwaken der kikvorschen trouw naar denatuurzou weergeven. De meester schrikte terug voor zulk een eisch en wees ze beslist van de hand.
âIk wil de kunst, die mij zoo heilig is, niet bespottelijk maken!quot; riep hij toornig uit.
Maar Van Swieten bleef onverbiddelijk.
sik verander geen lettergreep aan mijn tekst!quot; betuigde hij met heftigheid.
Daarentegen verlangde hij van Haydn, dat deze voltooide aria's zou veranderen en door andere uit vreemde opera's, zou vervangen.
125
Nu was weder de beurt aan Haydn om boos te zijn.
»Ook ik verander niets, geen noot!quot; riep hij in billijk gevoel van eigenwaarde uit. «Ik steel niet en pronk niet met eens anders â veeren!quot;
Verbitterd scheidden de beide vrienden en het scheelde slechts weinig of zij hadden geheel met elkander gebroken en hun veeljarige vriendschap begraven. Dat dit niet gebeurde, is aan het edele hart van Haydn te danken; de trotsche, koele vrijheer Van Swieten zou niet het eerste de hand ter verzoening geboden hebben.
Bij deze compositie was Haydn voortgegaan met het leven der natuur na te bootsen. Om zich over dezen hem aangedanen dwang eenigs-zins te wreken stelde hij met de hem eigen geniale uitgelatenheid in de slotfuga de dronkenschap op geheel plastische wijze voor en zeide zelf van deze plaats: Mijn hoofd was zoo vol van het dolle geschreeuw: leve de wijn! leve het nat! dat mij alles voor de oogen draaide; ik kan ze dan ook niet anders dan de beschonken fuga noemen!quot;
Eindelijk! Met de/.e woorden legde Haydn vermoeid de pen neder. Het werk was voltooid, maar Haydn's kracht ook uitgeput. Hij kreeg een hevige zenuwkoorts, welker verwarde fantasieën zich steeds om noten en muziekdraaiden. Reeds scheen het alsof do engel des doods hem met zijne zwarte vleugelen wilde bedekken, toen de levensvlam weder in hem opflikkerde.
De eerste opvoering der ^Jaargetijdenquot; had plaats in het paleis van vorst Schwarzenberg. Haydn dirigeerde zelf: Dikwijls liepen hem daarbij do tranen over de wangen, zoozeer was hij zelf getroffen door de schoonheid van zijn werk, hetwelk de geheolo beschaafde wereld nog heden ten dage bewonderend toejuicht.
Hoe Haydn zelf over dit zijn oratorium dacht, bewijst het antwoord, hetwelk hij aan keizer Frans Joseph gaf op de vraag, aan welk werk hij de voorkeur gaf, aan de «Scheppingquot; oi aan de «Jaargetijden.quot; Ik stel de «Scheppingquot; hooger, sprak hij; »\vant in haar spreken en verhalen de engelen van God; maar in de «Jaargetijdenquot; preekt sle chts de boer Simon.quot;
XIII.
âGfott erlialte den Kaisei'!quot;
Het was in de Aprilmaand van het jaar 1799 en nu eens schoot de zon waterachtige stralen over Weenen dan weder woei, regende en ijzelde het.
Maar er lag nog iets meer onheilspellends in de lucht dan veranderlijke voorjaarsstormen. Napoleon, de stoute adelaar, was na zijne overwinningen in Noord-Italië over do Alpen, welke Italië van Ca-rinthië scheiden, in Stiermarken gedrongen en rukte met zijne zegevierende legerscharen tegen Weenen op, dat in zijne eigen li oepen geen bescherming meer vinden kon, daar deze in vollen terugtocht voor den vijand uit den weg gingen.
Toen deze tijding in de hoofdstad bekend werd, heelde de luchthartige bevolking over al hare leden.
Daarbij kwam nog een nieuwe treurmare, liet geheele keizerlijke, hof was van Weenen naar Presburg gevloden!
Op de pleinen en in de straten stond de menigte lluislerend bijeen; bijna allen hadden den moed verloren,sIechts weinigen behielden hunne helderheid van geest en bespraken overluid en onbewimpeld den toestand waarin Weenen verkeerde.
Daar kwam een lange trein wagens de Koolniarkt op, llongiarsche huzaren met getrokken sabel reden aan weerszijden van sle twaalf
127
wagens, op welke groote ijzeren kisten stonden. Do volksmenigte week uiteen. Een oogenblik heerschte er eene diepe stilte; men hoorde sleclits het doffe rollen der wielen, die met hun zwaren last. langzaam over hot plaveisel hobbelden.
»/,ij voeren de dooden uit den keizerlijken grafkelder weg!quot; llüis-terde iemand zijn buurman in het. oor. âWaarlijk! het moet er met ons levenden slecht uitzien, als zelfs de dooden uit Weenen vluchten !quot;
»Och wat!quot; antwoordde do andere barscb, «denkt gij, dat de keizer zich nog om de dooden bekommert? Dwaas, die gij zijt! In do ijzeren kisten, die gij daar ziet, voeren zij de Staatskas uit Weenen! Wij arme duivels moeten tot zelfs ons hemd afgeven, voor ons komt er dat natuurlijk niet op aan! De belastingen worden daarom niet. lager maar wel hoogcr. Het beste was, dat wij als de keizer doden! Laat ieder zijn boel bijeenpakken en er de stad mede verlaten, waarheen? â Voor mijn part naar de Zigeuners of zelfs naar de Turken! Het is altijd nog beter dan mot Napoleons soldaten te moeten samenhuizen.quot;
De volksmenigte werd hoe langer hoe opgewondener; oproerige kreten, ja zelfs verwenschingen lieten zich hoeren; uit de opgewondenheid werd spoedig een oproer geboren.
quot;Al die ellende hebben wij aan den «Keizer van Weenenquot; te donken, hij draagt van alles de schuld!quot; riep plotseling een schrille stem.
Met de benaming «Keizer van Weenenquot; werd destijds in Oostenrijk de alvermogende, maar door de bewoners van Weenen zeer gehate eerste minister Thugut door het volk aangeduid.
Joelend en schreeuwénd golfden de massa's door de straten naar het paleis van den minister en eischten daar met onstuimigheid, dat de alvermogende met Napoleon vrede sluiten en daarmede het dreigende gevaar van Weenen afwenden zou.
De minister verscheen op het balcon en deed veel schoone beloften om het volk te sussen; zoodra hij echter gewaar werd. dat politie en militaire macht opdaagden, vond hij het niet meer noodig
â¢128
het gepeupel verder te woord te staan en keerde trotsch en toornig weder in liet inwendige van zijn hotel terug.
Haydn wist van dit alles niets. Geheel in de rust van zijne eenzaamheid verzonken, zat hij aan het einde van de voorstad Gurnpen-dort in zijne lieve woning', die door hloemen en bloeiende struikgewassen omringd was.
iLaat mij met rust!quot; verzocht hij, als bekenden met de nieuwjes van den dag in zijn studeervertrek kwamen. «Wij kunnen niet al ons klagen niets aan de zaak veranderen. Met ware beter dat ieder zijn plicht vervulde en daarbij een Onze Vader bad voor het zwaar beproefde vaderland, in plaats van op don keizer en onze generaals te vitten en te schimpen.quot;
Intusschen woedde de krijg onverbiddelijk voort, bezaaide den bodem met tallooze bloedende slachtoffers, verwoestte en verbrandde den zegen en de welvaart van Oostenrijk. Steeds dichter naderde het onafweerbaar verderf de hoofdstad.
Ernstig, treurig, half biddend, half componeerend zit Haydn aan zijn klavier. Het is hem, als drukte er een centenaarslast op zijn hart. Hij vindt geen melodie meer en grijpt weder naar don rozenkrans. Plotseling wordt hij door een hevig rumoer in den gang in zijne aandacht gestoord, de kamerdeur wordt opengeworpen en zijne vrouw vliegt met wanhopig misbaar op hem toe.
.â Joseph!quot; roept zij niet stokkenden adem, nOostenrijk is verloren! Er zijn hedenochtend verpletterende tijdingen ontvangen. Laat ons ijlings ons goed bijeenpakken en vluchten!quot;
jWaarheen?quot; vroeg Haydn bedaard. »lk blijf hier!quot;
«Ik begrijp u niet!quot; ijverde de beangstigde vrouw. «Zelfs de keizer is sinds lang gevlucht...quot;
«De keizer behoort ons allen en moet zich voor ons allen sparen. Aan een Joseph Haydn is in zulke tijden niets gelegen. 01 ben ik op een andere plaats meer in Gods hand dan hier? Ik betrouw op Hem, die over elk haar van ons hoofd waakt, en blijl!quot;
«En als dan de Franschen komen en ons alles ontnemen?quot;
»Het leven zullen zij mij niet benemen en mijn talent hunnen
129
zij mij niet ontnemen! Zij kunnen mij niet berooven van datgene wat mij het dierbaarste is â en daarom blijf ik!quot;
Verdrietig, geërgerd verliet Haydn's vrouw het vertrek. In den gang komende, riep zij den ouden George. Kisten en koll'ers wei den bijeengesleept en alles wat daarin geborgen kan worden, wei d er ingepakt. Daarbij namen hare opgewondenheid en drift zoozeer toe, dal George meer dan eens bedenkelijk hot hoofd schudde en eindelijk, daar zij steeds toorniger en kijfachtiger werd, haar wrevelig toevoegde: «Mevrouw Haydn, ik geloof vast, dat ik op den duur liever met de Franschen te doen zou hebben dan met u!quot;
Een klinkende oorveeg was het antwoord op deze niet zeer vleiende bemerking.
George beefde van verontwaardiging over al zijne leden. Hij schaamde zich zijne grijze haren en een dikke traan parelde in zijn oog.
«Mevrouw Haydn, ik ga! Vaarwel!quot; Dit zeide hij met diepe, toon-looze stem.
«Waarheen?quot; klonk het bits. «Toch niet uil uw dienst?quot;
«Ja!quot;
«Schaam u, George,quot; voegde zij den ouden dienaar toe, «om mijnen man zulk een leed aan le doen! Gij weet hoe lief gij hem zijt en hoe onontbeerlijk, ea hoe wreed hel is hem leed en kommer te bereiden!quot;
George zag zijne gebiedster eene poos scherp aan, daarop zeide op hij strengen toon: «Mevrouw Haydn, gij spreekt de waarheid, maar gij zijt de laatste, die zich daarom bekommert. Voor mijnheer de eerste maal naar Londen ging, scheen hel als ware uw hart week en tee-der geworden! Maar hoe kwelt gij nu sinds jaren den teruggekeerden echtgenoot met....quot;
«Onbeschaamde! zult gij zwijgen?quot; viel mevrouw Haydn hem rood van toorn en schaamte in de rede.
«Gij hebt den zin mijner woorden begrepen en daarom zwijg ik.quot;
«Morgen kunt gij gaan!quot;
«Als mijnheer mij ontslaat!quot; â
Terwijl vrouw en bediende dien woordentwist met elkander had-
9
-130
den, had Haydn zijnilt; kamer afgesloten en zich, zijn aangezicht met beide handen bedekkende, voor zijn schrijftafel gezet. Bittere smart vervulde zijn gemoed.
Bezwaarlijk had toch ooit in de borst eens Oostenrijkers een warmer hart geklopt en een vuriger liefde voor keizer en vaderland geleefd, dan in dat van Joseph Haydn. En daarbij was deze zijne liefde en geestdrift, gelijk altijd, ook hier geheel en al belangloos; want hij was in verhouding tot zijne grootsche scheppingen en zijne beroemdheid door het keizerlijke hof niet bijzonder onderscheiden, nog minder verwend geworden; terwijl menige niets beduidende torst eene orde sierde, was nooit zulk een bewijs van keizerlijke waardeering op zijn rok verdwaald.
Het was hem als ware heden zijne kamer te eng voor zijn kommer.
Zich niet lang bezinnende, wierp hij zijn mantel om en spoedde zich naar het inwendige der stad. Hij wilde weer eens menschen zien, op hunne trekken troost en hoop lezen.
De regeerings-president graal Frans Saurau had zich bij het Weo-nen dreigende gevaar op de vaderlandsliefde der ingezetenen beroepen en zijn oproeping tot verdediging der vaderstad vond een geestdriftvol onthaal. Er werd besloten Weenen door een verschanst leger te dekken; duizenden handen arbeidden aan de versterking der vestingwerken en vele weerbare mannen sloten zich bij den landstorm aan. Studenten, kunstenaars, kooplieden vormden eigene korpsen; landstenden en burgers bleven niet achter en reeds zes dagon na de gedane oproeping hadden zich 37000 vrijwilligers onder het commando van hertog Ferdinand Frederik August van Würtemberg gesteld, lieden, den 17 April, zou op de paradeplaats bu.ten de Schottenpoort de zegening der vaandels plaats grijpen. Ook Haydn richtte, zich door de golvende menigte latende medevoeren, zijne schreden derwaarts.
De troepen hadden reeds het geheele plein met hunne colonnes opgevuld en wachtten op het begin der plechtigheid. Een gelukkig toeval wilde, dat Haydn vlak in de nabijheid van het muziekkorps
131
kwam te staan. Hoe groot was echter zijne verrassing' (oen hij daar zijn jongen vriend Ludvvig von Beethoven vond!
«Gij hier?quot; riep hij, hem verheugd de hand reikende.
»Wel zeker! Waarom zou Beethoven alleen thuis blijven, wanneer zich allen aan de verdediging' van het vaderland wijden? Al is ook mijn arm ongeschikt voor zwaard en musket, ik wil toch als hoofd der muziekkapel er naar mijn beste vermogen voor zorgen, dat het vuur niet in de harten uitdooft!quot;
Haydn zag den vriend wangunstig aan.
öUij gelukkige!quot; riep hij. «Gij kunt het vaderland met de kracht van uw geest dienen, als sloegt gij mei duizend zwaarden duchtig op den vijand los! Ik ben een grijsaard geworden en moet werkeloos toezien, hoe de vurige jongeling en de krachtige man het vaderland mei hunne borst dekken. Vriend, ik heb dagen beleefd, dat ik mijne armoede met den geringsten bedelaar had kunnen vergelijken en overwinnaar blijven: doch zoo arm als in dit oogenblik was ik nog nooit!quot;
Beethoven schudde het hoofd.
«Indien ik Joseph ilaydn ware,quot; sprak Inj op nadrukkelijken toon, «gedacht ik den rijkdom, dien God mij in de ziel gelegd heeft, ging naar huis en dichtte mijn schoonste lied, waarin de gansche liefde van het trouwe hart voor den keizer en het volk zich uitstort, en wierp dan het liod als een brandende lont onder het volk, ora zijn moed aan te vuren....quot;
flBeethoven!quot; riep Haydn in vervoering, »God loone u voor deze gedachte!quot;
» Wilt gij ?quot;
«Ik tnoel
Hij spoedde zich naar huis. Het was ongeveer middag. Zijne vrouw ontving hem nörsch.
«Waar zijt gij nu weer geweest?quot; voegde, zij hein bits toe. »Ik heb het beste van ons goed ingepakt.quot;
«Pak dan de kisten maar weer uit! Ik ga geen stap van hier.quot;
132
»Dus moet ook ik, indien de vijand komt, onder uwe stijfhoofdigheid lijden ?quot;
»De vijand zal Weenen niet betreden.quot;
«Kom, wij gaan eten! Ik heb vandaag geen tijd gehad om iets anders klaarte maken dan wat soep. Maar ik heb indegaarkeukenvisch en gevogelte besteld. George is Juist uit om het eten te halen.quot;
»Ik zou met een stukje vleesch, dat gij voor mij gekookt hadt, ook tevreden geweest zijn. Waartoe dient in zulk een tijd die verkwisting?quot;
Mevrouw Haydn was door deze aanmerking in een harer gevoeligste zijden gekwetst. Een vloed van bittere woorden stroomde uit haren mond en Haydn verliet de kamer met de nadrukkelijk gesproken woorden :
«Nu eet ik in het geheel niets!quot;
Hij ging naar zijne kamer. Een kwartier later verscheen de oude George schuchter aan de deur met een bord soep in de hand.
»Och, mijnheer, ter liefde van mij?quot; verzocht hij, met een blik op de soep.
Haydn glimlachte.
«Geef hier!quot; Haastig at hij het bord leeg. «Laat mij nu met rust!quot;
George talmde. nMijnheer,quot; zeide hij bedremmeld, »ik had een woordje met u te spreken?quot;
»Nu niet! Wacht lot van avond!quot;
«Maar dan stellig!quot;
»Ja.quot; -
Lang bleef hij peinzende voor zich zitten staren. Daar schoot hem plotseling het eenvoudige gedicht te binnen, hetwelk Lorenzo Leopold Haschka bij eene plechtige gelegenheid geschreven had.
«Gott erhalte Franz den Kaiser Unsern guten Kaiser Franz!quot; â
Hij zette zich aan het klavier.
Een onopgesmukt thema. Maar elke toon is kracht. Nu strengelt zich toon aan toon, vol en week.
Haydn's aangezicht straalt. Telkens en telkens weder spelen
133
zijne handen het machtige en toch zoo kinderlijke lied; nu zingt hij, de oude Hay dn, met bevende stem de woorden van den tekst. â
En thans wordt het doodstil.
Daar zit hij aan de schrijftafel en houdt het prachtige lied meï de tusschen de balken geschreven teekens vast.
Een kolossale inktvlek vloeit met de laatste noot uit de afgeschreven pen.
»Dat zal mijn laatste lied geweest zijn!quot; lacht Haydn, springt op en trekt aan het belkoord.
George vertoont zich aan de deur.
»Breng mij vleesch en een llesch wijn!quot;
De oude dienaar zag het met een vergenoegden lach aan hoe zijn heer met waren geeuwhonger zijn maal gebruikte.
»Nu, wat hebt gij mij te zeggen?quot; vroeg Haydn, vluchtig van zijn bord opziende.
«Mijnheer, ik heb vandaag een oorveeg bekomen.quot;
Haydn liet mes en vork vallen.
sVan wien?quot;
Dit zeide hij eenigermate toornig, want zijn George was voor lu m een onschendbaar goed geworden.
«Van uwe vrouw?quot;
sEn waarom?quot;
George verhaalde het gebeurde. De aderen op het voorhoofd iles ouden meesters zwollen op van verontwaardiging.
»En thans is aan u de beslissing of ik blijven kan of gaan moet!quot;
Er werd onstuimig aan de huisbel getrokken. George ijlde naar de voordeur om open te maken.
Beethoven trad binnen. Haydn ontving hem met eene hartelijke omhelzing.
Beethoven keek den ouden vriend vorschend in het stralende aangezicht.
«Gij hebt uw woord gehouden!quot;
«Hoe weet gij dafquot;
134
»Ik lees bel in uw oog!quot;
«En gij hebt goed gelezen.quot;
George bracht een tweede «bijzonderequot; flesch en verwijderde zich.
Ongeveer een uur lang zaten beiden vertrouwelijk met elkander te pralen; daar dronk lieethoven zijn glas uil; toen Haydn het opnieuw vullen wilde, legde hij er de hand op en zeide neen.
Hij ging naar het klavier.
»Haydn, kom hier, gij zijl mij een lied schuldig!quot;
De meester speelde zijn «Gott erhalle Franz den Kaiser!quot;
«Ik bid u, nog eens! â En nu nog eens!quot;
En thans reikten zij elkander de hand.
«Gij hébt een lied gezongen,quot; sprak Beethoven diep geroerd, »dat de polsslag van een volk worden zal. God zegene Oostenrijk! Er mogen zonnige of onheilzwangere dagen over ons vaderland komen â allijd zal Oostenrijk aan dit lied do liefde zijns harten opnieuw ontsteken, en wee den lijd, dat men dit uw lied door een ander zon willen vervangen! Dal ware de lijd, waarop Oostenrijk stvr/t. Want trelfender zingl niemand de liefde tot den keizer en hel vaderland, dan gij, mijn lieve, groote, Oostenrijkscbe Joseph Haydn!quot;
De glazen klonken legen elkander. »God beware Frans den keizer!quot;
Beethoven ging heen, George liet hem uil. Aan de voordeur drukle Beethoven hem een geldstuk in de hand.
»Gij zijl een gelukkig inensch, dewijl gij altijd bij uwen heer kunt zijn! Ware ik Beethoven niet dan zou ik, daar ik toch Haydn niet kan zijn, in uwe plaats willen wezen!quot;
George verslond den zin dier woorden niet; maar hij begreep er toch uit, dat er een groote loftuiting van zijn heer in opgesloten lag.
Hij keerde naar Haydn terug en ruimde de tafel af.
»Gij wilt dus gaan?quot;
â¢Neen, mijnheer, ik verlaat slechts mijn dienst... .quot;
â¢Als ik het beveel!quot;
»J», mijnheer. Het is mij, als ware mijn hart met het uwe in-
135
eengegroeid en kon het eene niet zonder het andere leven. Dat klinkt wel hoogmoedig uit mijn mond, maar toch is het zoo!quot;
«Gij zijt een goed mensch,quot; antwoordde llaydu weekhartig.
Haydn's keizerlied was eene vlam geworden, waaraan de volken van Oostenrijk niet voor hunne liefde voor het vaderlandsche keizershuis â want deze was toch niet uitgebluscht of gerine;er geworden â maar voor hun moed en hunne hoop nieuw voedsel ontleenden; overal zong en speelde men het prachtige lied.
Vei toonde zich echter de vader van deze onsterfelijke hymne, Joseph Haydn, op de straat, dan groetten hem de Weeners vol eerbied of drukten hem met innige dankbaarheid de hand.
Acht jaren later was het weder een bange tijd voor Weenen. Bij Krïmn en Austeiiitz had het kanongebulder de aarde doen sidderen, Napoleon stond ditmaal tegenover eene overmacht, thans moest de zege zich eindelijk aan de zijde vanOostenrijks dappere troepen scharen. Met stijgende spanning wachtten de Weeners op de zekere zegetijding; daar eindelijk stegen op de groote heirbaan groote stofwolken op, waarin zich onduidelijk tallooze naderende soldaten vertoonden; de Weeners jubelden en riepen zegevierend uil; »Ue onzen keeren als â¢overwinnaars terug!quot; â Daar erkennen zij tol hunne ontzetting aan de wapperende vanen de Kransche driekleur: de schrik verlamt hunne ledematen, snoert hunne kelen toe. De wilde klanken der Marseillaise verscheuren hun het hart en met brandende oogen zien zij de colonnes de Gumpendorfer voorstad binnentrekken. Plotseling verstomt de muziek, de troepen blijven als versteend staan, de overste en een olficier wisselen zacht eenige woorden, vier soldaten lieden uit het gelid en banen zich niet moeite een weg door de saamgestroonide menigte naar een onaanzienlijk huisje, dat eiken Weener echter welbekend en dierbaar is. liet is Haydn's huis!
lïen oogenblik staart het volk vol bange verwachting naar de vier soldaten, daarop klinkt duizendvoudig het geroep: «Zij willen vader Uaydn gevangennemen!quot; uil do menigte. De vier soldaten drongen evenwel .loseph llaydn's huis niet binnen, maar stelden zich daar als
136
êtórewacht op. De Weeners stonden verbaasd; doch hunne verbazing nam toe, toen het Fransche muziekkorps het heerlijke lied uit de «Schepping:quot; »Nu tooit den grond het frissche groenquot; enz. speelde. De Weeners deden hunnen vijanden op dat oogenblik bitter onrecht: zij zagen in de geheele handeling niets dan een diep grievende beschimping, die men hun beminden Haydn en hun zeiven aandeed, â¢fa, zelfs de grooto meester, hoe ziek hij ook was, ontbrandde in hevige gramschap en vertoonde achter de ruiten zijn afgeleefd gelaat, dat van verontwaardiging gloeide. Nauwelijks hadden de Weeners hun vader Haydn in het oog gekregen, of zij zwaaiden met hoeden, petten en zakdoeken en juichten hem niet de oogen vol tranen toe.
En duizendstemmig steeg het in de lucht op: «Gott erhalte Franz den kaiser!quot;
De Franschen trokken langzaam de stad Weenen dieper binnen. Waarlijk , zij hadden den grooten Haydn niet willen beschimpen, maar den componist der sScheppingquot; hunne dankbare hulde willen brengen. Dat noch de Weeners, noch Haydn dat begrepen, is licht te verklaren, doch den kunstzin des vijands strekt deze daad daarom niet minder tot eer.
quot;Van dien dag af speelde Haydn eiken dag na zijn ochtendgebed zijn geliefd volkslied. Hij geloofde, dat uit die klanken beschermende zegen over Oostenrijks keizer en bevolking zoude nederdalen.
XIV.
Haydn's laatste levetisclagen.
Lang waren Haydn's haren sneeuwwit geworden en rimpelig hel vriendelijke gelaat, waarop een bovenaardsche kalmte lag uitgedrukt.
Zijne vrouw was gestorven. Had zij hem ook slechts weinig zonneschijn gebracht, zijn hart nooit begrepen en zijne waarde nooit, leeren schatten; nu zij dood was en in vrede van hem gescheiden, dacht hij nog dikwijls met weemoed aan de afgestorvene.
Eenen kluizenaar gelijk, wiens ziel de wereld geheel vergeten heeO en nog slechts aan de eeuwigheid denkt, had hij met de menschen. die hem toch zoo innig liefhadden, sinds lang afgerekend.
Daar werd zijn stille bidden en overwegen voor een oogenblik verstoord.
In de aula van het universiteitsgebouw zou weder eene opvoering van »de Scheppingquot; plaats vinden. Men wilde echter niet alleen aan het heerlijke werk den geest verfrisschen, men wilde ook, en wel voor het laatst, den geliefden meester zien.
Ilaydn verschrok toen hij de uitnoodiging ontving. Lang aarzelde hij bij de overweging, of zijne krachten hem wel veroorloven zouden nog eenmaal in de concertzaal te verschijnen. Maar zijn hart zegepraalde.
In stille verwachting staan de musici aan hunne lessenaars, de
m
zaal is tot stikkens toe vol, slechts zacht gefluister laat zich vernemen. Daar openen zich de vleugeldeuren. In een draagstoel wordt llaydn, vergezeld door velen uit den hoogen en den hoogsten adel van Weenen, in de zaal gedragen.
Ken duizendstemmige jubelstorm bruist donderend door de zaal: quot;I'Sng leve Haydn!quot; Pauken en trompetten klinken daartusschen.
Naast de vorstin Esterhazy is zijne plaats. Hij kust haar sprakeloos de hand.
De rector magnificus, Salieri, Ueelhoven brengen hem hunne hartelijke groeten. Mij kan hun allen slechts de handen drukken. Dames verdringen zich om hem heen en omhullen zijne ledematen met de kostbaarste sjaals. Baronnesse Spielman en mejullrouw Kuizbrech, twee beroemde dileltanten overhandigen hem eeredich-ten. - Allen waren bij den aanblik van don bevenden, gelukkigen grijsaard diep geroerd.
Het oratoiium begon.
Met volmaakte meesterschap werd het eene nummer na het andere uitgevoerd, llaydn zat met gebogen hoofde te luisteren.
liet eerste deel is ten einde.
Donderende toejuichingen doen het gebouw tot op zijne grcnd-â vesten trillen.
Haydn staat op en wijst met de hand naar den hemel.
»Dat alles is van Boven gekomen!quot; roept hij met bevende stern.
Daarop geeft hij zijn verlangen te kennen om naar huis terug te 'keeren.
Men brengt den draagstoel voor, heft hern er in en draagt hem uit de zaal. Duizend handen strekken zich naar hem uit tot afscheid!
Hij kan ze niet allen drukken hoezeer zijn hart het zou wenschen, m.iar zijn oog dankt allen.
Daarop sloten zich de vleugeldeuren en â de wereld achter flaydn dicht.
Het was stil rondom Haydp. geworden.
Zijne vrienden klopten met trouwe bezorgdheid aan zijne deur;
i39
ieder wilde hem in het vriendelijke gelaat zien, ieder hem een woord van genegenheid toesturen. Ach! hoe gaarne hadde Haydn, evenals eertijds, ieder bereidwillig ontvangen, maar de kracht daartoe oist-hrak hem. Zeven en zeventig jaren buigen den mensch en vertereu onbarmhartig zijn merg. De rug kromt zich, de beenen weigeren den lang gevordende dienst, de handen sidderen en voor het tranende oog zweven dichts nevelen.
»Hin ist alle meine Kraft,
Mud und matt bin ich!quot; (1)
Deze woorden liet Haydn op noten zetten, graveeren en aan zijne vrienden rondbrengen. De eenvoudige melodie, uit de hooge tonen in terzen naar beneden afdalende, gaf een treffend beeld van zijne ten grave neigende levenszon. Met deze visitekaart nam hij van zijne tallooze vrienden en bewonderaars afscheid.
Alleen Dies, de landschapschilder, dien Haydn bijzonder gaarne mocht lijden en wiens zachte geaardheid hem zoozeer aantrok, mocht hem nu en dan bezoeken. Dan hield de grijsaard er van enkele bladen uit zijn levensboek op te slaan en den aandachtig -luisterenden vriend menig voorval uit zijn veelbewogen leven te verhalen. Nooit kwam daarbij een bitter woord over zijne lippen; sprak hij van zijne ouders, of van den vorst Esterhazy, of zelfs van den keizer en de keizerin, dan greep hij naar het zwart fluweelen kapje, dat zijn kaal hoofd bedekte en ontblootte eerbiedig den schedel. Al degenen, die hem weldaden bewezen hadden, gedacht hij met roerende erkentelijkheid; kwam het gesprek op den hardvoch-tigen, onbillijken Reutter, dan wees hij elke scherpe bemerking af â¢met de woorden: »Hij is dood! Laat ons zijne rust niet storen!quot; Kwam zijne overleden vrouw ter sprake, dan neigde hij het hootd diep op de borst en fluisterde: Het was mijne eigen schuld, omdat ik haar tot vrouw genomen heb. Ik vergeef haar het leed, dat zij mij aangedaan heeft en denk er niet meer aan; het goede dat zij mij bewezen heeft, vergeet ik niet.quot;
(1) âAVeg is al miju kracht, ik beu moede ea mat!quot;
140
sik had sde Jaargetijdenquot; niet meer moeten componeeren,quot; klaagde hij menigmaal, «want toen ik daarmede gereed was, had ik mijne kracht opgebruikt en het was bij mij niet slechts naherfst geworden, maar de winter tintelde reeds in mijne stramme ledematen, Maar het was toch weder goed, dat ik het werk voltooid heb en ik dank er God voor! Ik weet toch, dat, als ik sterf, het weder lente voor mijne ziel wordt!quot;
»De Weeners, hoe lief zij mij ook hebben, kunnen het met mijne kerkmuziek niet vinden. En mogelijk hebben zij geen ongelijk. Het is waar, ik ben juist hierin een eigenaardig mensch. In het Kyrie bad ik God niet vertwijfelend gelijk een verworpen zondaar ora vergeving, maar kalm en berustend en overwoog daarbij, dat een oneindige God zich gewis Zijn vergankelijk schepsel zal erbarmen, het stof, dat uit stof is, zal vergeven. Deze gedachten beurden mij op, ik smaakte eene zekere blijdschap, die zoo onwankelbaar was, dat ik, toen ik de woorden der bede wilde uitspreken, mijne vreugde niet onderdrukken kon, maar mijn verblijd gemoed lucht gaf en het Miserere in het allegro overzette.quot;
Met zijn testament had hij sinds lang zijne tijdelijke aangelegenheden in orde gebracht.
«Mijne ziel was lang genoeg door de armoede gedrukt; thans,nu het met mij ten einde loopt, zal mij het weinige geld, dat ik bezit, niet verontrusten. Het is tijd het stof der aarde van de vleugelen af te schudden. Ik wil rein verschijnen voor Hem, te wiens eere ik de «Zeven kruiswoordenquot; en de «Scheppingquot; geschreven heb.quot;
Ook het geheime schuldenboek sloot hij deemoedig af. Hij was een mensch voor alle hartstochten vatbaar, en toch zonder hartstocht. Als hij dwaalde, droeg zijn te weekelijk hart daarvan de schuld.
Toen zijn geliefde broeder Michel den 10 Augustus 1806 in Saltz-burg gestorven was, weende hij in stilte en bad veel. Ook zijn andere broeder Johan was voor weinige jaren gestorven. Dat akelige gevoel der eenzaamheid op de wereld begon hem te drukken en maakte hern dikwerf zwaarmoedig. Hierbij kwam nog, dat hij
141
â¢de tonen zijner forte-piano niet meer verdragen kon : terwijl men het instrument naar de aangrenzende kamer overbracht, weende hij bitterlijk als droeg men zijn laatsten vriend naar het graf. Maar volkomen nam hij toch geen afscheid van zijn geliefd speeltuig. Veroorloofden zijne sterk gezwollen beenen hem slechts eenige beweging, dan liet hr zich naar zijn klavier leiden en speelde in zwakke tonen zijn lievelingslied: «Gott erhalte Franz den Kaiser!quot;
Eens klaagde hij zijn vriend met tranen in de oogen:
«Mijn geheugen wordt met den dag zwakker. Gewoonlijk vervolgen mij, wanneer ik mij bijkans niets meer herinneren kan, muzikale ideeën; ze folteren mij, ik kan ze niet kwijt worden; ze staan als onbeweeglijk voor mij. Is liet een allegro, dat mij vervolgt, dan klopt mijn pols steeds sterker en ik kan geen slaap voor mijne moede oogen vinden. Is het een adagio, dan voel ik dat mijn pols langzaam slaat. De verbeelding bespeelt mij, als ware ik een klavier !quot; Hij rustte eene wijl, en ging daarop met gloeiende wangen voort: «Ja, ik ben werkelijk een levend klavier! Reeds sinds eenige -dagen speelt in mij een oud lied in E mineur, dat ik dikwijls in mijne jeugd gespeeld heb. Waar ik ga of ben, hoor ik het. Maar zonderling! Als het mij zoo in mijn binnenste martelt en niets helpen wil om van die marteling bevrijd te worden, en valt mij mijn lied in : »Golt erhaltequot; â dan is het, als verdwenen die zwart-grauwe donderwolken en achter haar breekt de heldere hemel door met zijn donkerblauw en zijne millioenen schitterende sterren en dan wordt het vrede, diepe vrede in mijne ziel!quot;
â »Ik ben met mijn leven te werk gegaan als met mijne compo-sitiën Gelijk ik deze met God begon en altijd met een olaus Deo !quot; sloot, zoo was ook de vrome gedachte aan God de gouden leiddraad die door mijn gansche leven liep. Met een wlaus Deoquot; wil ik ook mijn bestaan op aarde besluiten. Ja, Hem in den hemel hierboven zij eer en dank gezegd door mijne arme lippen. Mijn geheele leven is door hel stift Zijner erbarmende liefde geschreven geworden!quot;
Zoeter en verkwikkender wordt het buiten. De lente breidde hare
142
levenwekkende vleugelen uit, warm licht straalde uil haar rozig aangezicht, haar adem smolt het ijs der wateren, en de schitterende kristallen van de dennen en het stijf bevroren woudmos.
Haydn verheugde zich als een kind, wanneer een zonnestraal op den vloer zijner kamer speelde of gelijk een kus van uit den hemel op zijn aangezicht rustte.
«Het wordt lente, en bloemen, Jonge, geurige bloemen zullen op mijn gral bloeien. Dan zal mijn geest zalig boven het graf zweven, en met de vogelen een lentelied zingen, nog veel schooner dan ik het in mijne «Jaargetijdenquot; gezongen heb!quot;
«Ik zou zoo gaarne sterven,quot; klaagde hij, »en zou zoo gerust sterven, indien de smart om het vaderland mij niet vervulde ! O! wat is mijn heerlijk Oostenrijk arm en diep vernederd ! Ik neem de smart en de hoop met mij in hel graf. Maar als liet ook voor mijn bloedend vaderland weder lente wordt, dan wil ik 's nachts van huis tot huis en van hart tot hart gaan en biddend fluisteren: »Gott er-halte Franz den Kaiser Iquot;
Vijf dagen voor zijn dood, den 2(1 Mei, speelde hij nog met inspanning zijner laatste kracht driemaal zijn keizerslied. Tegen den avond verloor hij het bewustzijn.
In den nacht van 30 op 31 Mei ontwaakte hij nog eenmaal uit zijne verdooving. Met verwonderden blik zag hij om zich heen; toen echter zijn oog op zijn ouden weenenden bediende viel, glimlachte
hij zacht. «Gij zijl trouw____ tot in den dood!.... Moe gaat het....
met Oostenrijk.... God... beware..... Frans.....den Keizer...........
Amen !quot;
Amen! â
Het is nacht! een wonderschoone lentenacht! De ramen der stert-kamer staan wijd open : een zoele, warme lucht dringt daar binnen en kust liefkozend de wangen van den overledene.
Op weinige schreden afstands in hel rijk bloeiende vlierbosch je. zit diepverborgen een nachtegaal. Zacht is zijn Huilen als vreesde hij den lieven doode uit zijnen vreedzamen slaap op te wekken.
143
De maan giftl baar volle licht over den ontslapene uit, een c'oode, die niet sterft zoolang liet rijk der lonen in edele zielen leeft!
Ruiten op het kerkliol' voor den llundsthnrm hebben de Weeners hein begraven â- en de Franschen, die Weenen destijds bezet biel-Hen, waren niet de laalsten die den grooten man de laatste eer bewezen. â
HAVDN Natas MDCCXXXJ1.
Obiit MDCCCIX.
Een grafschrift den overledene waardig! Zeide niel de naam »llaydnquot; meer dan alle hoogdravende woorden '?
In don herfst van 182(1 word Haydn's lijk van Woonen naar Ki-sonsladi overgebracht, waar het den 7 November aanKwa-n.
In de kerk bij den Calvarieberg aldaar is bet bijgezet.
Einde.
INHOUD.
BLADZ.
I. De veelkleurige zeepbel van het geluk springt ... 5
II. God zal verder helpen!............
III. Zonneschijn....................'27
IV. Toenemend geluk..............35
V. De afscheidssymphonie...............48
VI. De doornen van den roem..........60
VII. Scheiding...............
VIII. In de wijde wereld.............'9
IX. In het groote Engeland. ...........88
X. Een woelig leven..............^00
XI. Nog eenmaal in den vreemde!.........quot;109
XII. Haydn's oratoriums: adeScheppingquot; enâdeJaarge tijden.quot; 117
VUT j)Gott erhalte Franz den Kaiser.quot;........126
XIV. Haydn's laatste levensdagen..........137