KORTE OVERWEGINGEN
VOOR
RELIGIEUZEN-ONEEEWIJZESESSEK.
VOOR
Religieiizen-Onierwijzeressen,
VAN
DOOR
VOORAFGEGAAN DOOR EEN PAAR BLADZIJDEN VAN AANBEVELING DOOR jj. DE JRlJK, PPv
J. W. VAN LEEUWEN,
MAARSMANSSTEEG.
Dit boek Korte overwegingen voor Religieuzen-Onderwijzeressen door eeno, in do edele loopbaan van het onderwijs, aan God gewijde maagd, aan Ons oordeel onderworpen, wilden Wij zeiven onderzoeken. Die lezing heeft ons niet slechts overtuigd, dat dit werk, even grondig als eenvoudig, geheel vrij is van al wat het geloof of de zeden zou kunnen kwetsen, maar tevens dat het is, wat Wij zouden durven noemen eene volledige, doelmatige en tegelijkertijd zeer aantrekkelijke handleiding voor de voornaamste deugden van Religieuzen-Onderwijzeressen. Daarom veroorloven Wij er volgaarne de uitgave van en wensehen, dat het even spoedig als algemeen verspreid worde.
Brugge, Feestdag van de H. Theresia, 1877.
f J. J., Bisschop van Brugge.
„Heeft de wereld het geloof niet verloren!quot; — Dat is de bange vraag, die deze laatste jaren telkens van zolf voor den geest oprijst, en dan met een zucht van twijfel wordt beantwoord. Dan verschijnen al die grievende beleedigingen, der Kerk Gods en haar Opperpriester aangedaan, al die belemmeringen van godsdienstzin , al die verlokkingen tot het kwade, die hemeltergende ongerechtigheden en vervolgingen, die gevangenissen en uithongeringen in Duitschland, die wraakroepende spot en Godvergeten wereldzin en vastketening van alle geloofskrachten in Frankrijk, die heiligschennende roof en schaamtelooze geweldenarij in Italië, die anti-pauselijke gezindheid in Engeland, en met het oog op het hart van Europa hoort men de vreeselijke vraag in zijn binnenste luider en luider klinken: „Heeft de wereld het geloof niet verloren?
VI
Is de schipbreuk niet reeds, helaas eene voltooide werkelijkheid ?quot;
O , laat ons niet alleen den donkeren kant der wereldgebeurtenissen beschouwen; slaan wij onzen blik ook op de lichtzijde. Is er ooit een eeuw geweest, waarin meer voor het geloof werd gedaan, dan de onze ? Overal, overal is leven, krachtig, jeugdig, frisch leven. Overal trekken de heirlegers des offers voort, met de kruisbanier hoog in de lucht. Overal weêrgalmen de dalen van heilige gezangen, de bos-schen der wildernis zien zich doorkruist van moedige zendelingen, op de afgelegenste eilanden, verloren in den schoot des grooten oceaans, wordt Christus' leer gepredikt en vindt een belangstellend gehoor. Waar de staatsmacht de Kerk aan banden wil leggen, daar aarzelt de priester niet voor eene smadelijke gevangenschap. De maagden van Christus zijn ontelbaar. Nog nooit is er eene schaar van bisschoppen geweest, zoo eerbiedwaardig als in onzen tijd. Elke onrechtvaardigheid , der H. Kerk aangedaan, wordt beantwoordt met krachtigen tegenstand, met luid, de wereld overklinkend protest. En als onze Heilige Vader zijn mond opent, dan luistert die lichtzinnige wereld, zoo
VII
niet met instemming, dan toch met eerbied en ontzag. Het is waar, dat de macht van het booze stijgt, maar het is niet minder waar, dat de levenskracht, de groei van het goede toeneemt, in niet geringer mate. Als ijzer en staal worden de geloovigen gehard in dezen reusachtigen strijd.
Ja, de tallooze Christenlegers der offervaardigheid trekken overal voort, maar op eene afdeeling moet heden onze blik een oogwenk rusten: de Schoolzusters. Welk een leven voor den Goddelijken Bruidegom! Welk een geduld! Welk eene opoffering! Welk een moed! Jaar in jaar uit, week in week uit, dag in dag uit, beginnen deze heldinnen des geloofs opnieuw hare moeilijke taak. Eiken ochtend hernieuwen zij haar voornemen, eiken dag zetten zij haar eentonig en nooit afgewisseld werk voort, voor kinderen die de haren niet zijn. Van die kinderen trotseeren zij de ondankbaarheid, — want het kind is ondankbaar, — zonder belooning, zonder waardeering zelfs, zonder blijk van goedkeuring, zonder die uiterlijke opwekking, die ons, menschen van de wereld, onmisbaar toeschijnt. Meen niet, dat God haar de innerlijke beproevingen
VI
Is de schipbreuk niet reeds, helaas eene voltooide werkelijkheid ?quot;
O, laat ons niet alleen den donkeren kant der wereldgebeurtenissen beschouwen; slaan wij onzen blik ook op de lichtzijde. Is er ooit een eeuw geweest, waarin meer voor het geloof werd gedaan, dan de onze ? Overal, overal is leven , krachtig , jeugdig, frisch leven. Overal trekken de heirlegers des offers voort, met de kruisbanier hoog in de lucht. Overal weêrgalmen do dalen van heilige gezangen, de bos-schen der wildernis zien zich doorkruist van moedige zendelingen, op de afgelegenste eilanden, verloren ;ln den schoot des grooten oceaans, wordt Christus' leer gepredikt en vindt een belangstellend gehoor. Waar de staatsmacht de Kerk aan banden wil leggen, daar aarzelt de priester niet voor eene smadelijke gevangenschap. De maagden van Christus zijn ontelbaar. Nog nooit is er eene schaar van bisschoppen geweest, zoo eerbiedwaardig als in onzen tijd. Elke onrechtvaardigheid , der H. Kerk aangedaan, wordt beantwoordt met krachtigen tegenstand, met luid, de wereld overklinkend protest. En als onze Heilige Vader zijn mond opent, dan luistert die lichtzinnige wereld, zoo
VII
niet met instemming, dan toch met eerbied en ontzag. Het is waar, dat de macht van het booze stijgt, maar het is niet minder waar, dat de levenskracht, de groei van het goede toeneemt, in niet geringer mate. Als ijzer en staal worden de geloovigen gehard in dezen reusachtigen strijd.
Ja, de tallooze Christenlegers der offervaardigheid trekken overal voort, maar op eene afdeeling moet heden onze blik een oogwenk rusten: de Schoolzusters. Welk een leven voor den Goddelijken Bruidegom! Welk een geduld! Welk eene opoffering! Welk een moed! Jaar in jaar uit, week in week uit, dag in dag uit, beginnen deze heldinnen des geloofs opnieuw hare moeilijke taak. Eiken ochtend hernieuwen zij haar voornemen, eiken dag zetten zij haar eentonig en nooit afgewisseld werk voort, voor kinderen die de haren niet zijn. Van die kinderen trotseeren zij de ondankbaarheid, — want het kind is ondankbaar, — zonder belooning, zonder waardeering zelfs, zonder blijk van goedkeuring, zonder die uiterlijke opwekking, die ons, menschen van de wereld, onmisbaar toeschijnt. Meen niet, dat God haar de innerlijke beproevingen
VIII
spaart; meen niet, dat er bij deze edele en heldhaftige zielen nooit eene opwelling van moedeloosheid zou ontstaan, dat zij nooit eene ware behoefte zouden gevoelen aan opwekking tot geestkracht. Neen, niet alles in het geestelijk leven schittert in den zonneschijn van Gods vertroostingen; Christus is ons met het kruis voorgegaan, en met het kruis moeten wij volgen. Propter verba lahiorum tuorum ego custodivi vias duras. „Om de woorden uwer lippen heb ik harde wegen gehouden.quot; Deze verzuchting van den Psalmist kan iedere Schoolzuster in volle waarheid tot hare eigene maken. En van dit alles ziet de wereld niets....
De kerkering van eerbiedwaardige geestelijken roept luide wraak, over den geheelen aardbol. De heldenmoed der missionarissen in het hart van het zwarte werelddeel vlecht eene kroon van schitterende glorie om hun hoofd. De zangen der groote dichters, de vurige toespraken der krachtige redenaars, de daden dei-onwrikbare staatsmannen, roepen een echo van onbedwingbare toejuichingen wakker. De zorgen der ijvervolle zielenherders worden vergolden door de hartelijke toewijding hunner onderhoorigen. Maar de Schoolzuster werkt in het halfduister der nederigste vergetelheid:
IX
zij heft het oog naar boven. God alleen is getuige van haren arbeid.
Wie zou niet wenschen, een schitterend blijk te geven van waardeering voor zooveel edelen zin ? Wie zou niet verlangen de beschikking te hebben over alle heilige vertroostingen Gods om ze aan te bieden aan deze arbeidsters in den wijngaard, die nooit rust kennen en weinig verademing, en die onmisbaar zijn voor het behoud vau de gave des geloofs bij onze kinderen ? —• Maar wij kunnen dit alles niet. Wij kunnen geene schitterende waardeeringen geven. Wij mogen blijde zijn, als wij eene geringe gave onder onze handen vinden, die voor haar geschikt is. Wie verheugt zich niet, als hij zulk een gave aantreft ?
Mijn waarde lezer, zij wordt u in dit boekje aangeboden. Het bevat korte meditaties, juist voor Schoolzusters. De inhoud is gewaarborgd, niet slechts door de kerkelijke goedkeuring, maar ook door de hooge en krachtige aanbeveling van den doorluchtigen bisschop, die zelf de oorspronkelijke, fransche uitgave heeft willen onderzoeken. De vertaling is goed en over
X
het algemeen vloeiend. De druk is eenvoudig, maar hoogst net, volkomen zooals hij wezen moet voor de edele maagdenhanden, waarvoor hij bestemd is. Ongetwijfeld zal deze nederlandsche uitgaaf spoedig uitverkocht zijn. Want ieder die het voorrecht heeft, onder zijne verwanten of bekenden eene Schoolzuster te mogen rekenen, zal zich willen haasten haar als een Paasch-geschenk het fraaie boekje toe te zenden, en aldus, al is het op nóg zoo geringe wijze, te toonen dat hij de dienstvaardigheid, den offerzin, den rusteloozen arbeid, de verheven toewijding op prijs stelt, waarmede deze dienstmaagden des Heeren streven naar hare onverwelkelijke kroon.
Seminarie Hageveld.
J. A. DB RIJK, Pr.
Bladz.
Eene enkele zaak lieb ik gevraagd .... 5
Jesus' verblijfplaats..........9
Waarom zijn wij hier gekomen?.....16
De gift van zichzelven aan God.....30
Bestiering der leerlingen........35
Een godgewijd huis..........39
Jesus' boeien en de onze........51
Het karakter, ten opzichte van het kloosterleven 57
Het huis mijns Vaders........62
XIV
Bladz.
Kloosterlijke gehoorzaamheid......68
Eén van hart an éen van ziel......79
De kloosterlijke nederigheid.......88
Nieuw schepsel in Jesus' Christus.....94
De gehoorzaamheid der H. Maagd . . . .104
Gevaren van den verborgen hoogmoed . . .120
Jesus van nabij volgen........125
De liefde van Christus dringt ons . . . . 131
Wonderbare vischvangst..... . . 135
Onderlinge verdraagzaamheid......139
Gij zijt mijne vrienden........146
De Heilige Wil Gods........160
Onze Thabor hier beneden.......164
Verandering van woonplaats......175
XV
Bladz.
Doet al wat Hij u zeggen zal.....187
Wat had Ik meer kunnen doen? .... 210
è
Waarom valt gij deze vrouw lastig? . . . 223
Onze liefde voor God........230
Onze liefde voor de Kerk.......248
Uittreksels uit eenige predikatiën van Bourdaloue.
265 269 274 279
282 286
God door de ziel tot éénig aandeel verkozen
ld. Vervolg...........
Id. Vervolg...........
Id, Vervolg...........
De Godminnende ziel door God zeiven verkozen Beloften van Jesus aan de Godminnende zielen
Eerste belofte...........286
ld. Vervolg............291
XVI
Bladz.
Voorkeur welke Jesus geeft aan de godminnende zielen...........305
Verbond der Godminnende ziel met God . . 309
VOOR
RELIGIEUZEN-ONDERWIJZERESSEN.
EENE ENKELE ZAAK HEB IK GEVRAAGD,
Unam petii a Domino, liane reqai-ram: ut inhabitem in domo Domini omnibus diebus vitae meae.
Eéne zaak vroeg ik van den Heer, die begeer ik: te wonen in des Heeren huis al mijne levensdagen. Ps. xxvi, 4.
1c punt. Mijne ziel, wat hebt gij den Heer gevraagd ? — Eéne enkele zaak. — Vroegt gij rijkdom en roem , een prachtig verblijf, weelde en vermaken ? of de zinnelijke genoegens, de genegenheid der menschen, de eer-bewijzingen der wereld, eene ongestoorde rust? Neen, ik vroeg slechts éenezaak,de eenige die al mijne verlangens kan bevre-
korte overwegingen.
digen, de eenige heilzame voor mij, en buiten welke al het overige niets voor mij is.
Om dit eenige goed te bekomen, heb ik aan alle andere goederen vaarwel gezegd; aan mijne ouders, aan mijne bloedverwanten, aan mij zelve. In mijne jeugdige jaren had ik tot Jesus gesproken: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verkrijgen? En Jesus zag mij aan, Hij had mij lief en zeide mij: Verlaat alles en volg Mij: Vol blijdschap heb ik Hem gevolgd, zeggende; Slechts éene zaak vraag ik U; dat is, in uw huis te wonen al de dagen mijns levens. Er kwamen lange dagen van strijd en tegenkantingen ; maar de goddelijke stem liet zich voortdurend hooren: Verlaat alles en volg Mij. Alsdan heb ik Hem gezegd: Hier ben ik, Heer, omdat Gij mij geroepen hebt; en Hij leidde mij zijn heiligdom binnen.
2e punt. Die eenige zaak, welke ik vroeg, heb ik ten koste van eenige opofferingen verkregen, en nu woon ik in het huis des Heeren. Het is mijn eigen huis geworden, mijne haardstede, mijne rustplaats, mijn erf-
6
eene enkele zaak heb ik gevraagd. 7
deel en mijn eigendom. Alles wat den Heer toebehoort, behoort ook mij. Ik verblijf daar, waar de heiligen als leliën bloeien voor zijn aanschijn ; en , terwijl ik mijnen goeden Meester op den weg naar Kalvarië volg, baadt zich mijn hart in den stroom zijner reine wellusten. O woontent des Heeren, hoe beminnelijk, hoe dierbaar zijt gij mij ! Ik heb zoo vurig de schoonheid van uw huis bemind, ó mijn God, en deze plaats , waar uwe verborgene heerlijkheid verblijft, waar onophoudelijk lofliederen weergalmen ter uwer eer.
3e punt. Wat ik den Heer vroeg, heb ik verkregen; en ik zal in zijn huis wonen al de dagen mijns levens : al de dagen van mijn sterfelijk, al de dagen van mijn eeuwig leven. Deze plaats is de deur des hemels, het voorportaal des hemels. Ik heb mij zelve in de onmogelijkheid gesteld, van den rechten en veiligen weg af te wijken, tenzij ik in groote ongetrouwheid vervalle, tenzij ik de goddelijke verbindtenis verbreke, die ikmetjesus aangegaan en op zijn hart heb geteekend.
Laat dan, ó Jesus, laat dit mijn kortstondig
KORTE OVERWEGINGEN.
aardsche leven in de schaduw uwer altaren voorbijgaan. En houd daar, ó Heer, mijn arm hart dicht in het uwe gesloten, opdat het niet ontvluchte, opdat ik, na eenige jaren bij U gewoond te hebben in het heiligdom mij door uwe liefde bereid, tot uwe hemelsche woning moge opstijgen, die woning waar Gij uwe glorie aan uwe uitverkorenen openbaart, waar Gij ze in een zoete vrede, in de eeuwige verrukking uwer goddelijke tegenwoordigheid doet rusten.
Eén ding vroeg ik van den Heer, ik zal het zonder ophouden vragen : te wonen in des Heeren huis al de dagen mijns levens.
8
JESUS' VERBLIJFPLAATS,
liabbi, ubi habitas ? — Venile cl videte.
Meester, waar woont Uij ? — Komt en ziet. Joan, 1, 3S.
Joannes de Dooper was eens met twee zijner leerlingen, en, Jesus ziende naderen, zeide hij : Ziedaar het Lam Gods. De leerlingen, hem aldus hoorende spreken, volgden Jesus.
Toen keerde Jesus Zich om; en, ziende dat zij Hem volgden, zeide Hij tot hen: Wat zoekt gij? Zij zeiden Hem: Rabbi (dat is: Meester), waar woont Gij ? Hij antwoorde hun: Komt en ziet. En wij ook, wij hebben er behoefte aan onzen goeden Jesus te vinden, en te weten waar Hij woont. Rabbi ubi habitas? Meester, waar woont gij? Komt en ziet.
lo korte overwegingen.
le punt. Wij kennen Jesus'woningen. Hij heeft vele dagen en vele nachten in den stal van Bethlehem doorgebracht, ons uit zijne armoedige kribbe toeroepende: Komt en ziet. Jesus heeft onder den blooten hemel in de woestijn en in het land der ballingschap gewoond. — Komt en ziet. Aanschouwt mijne ontberingen, aanschouwt de droefheden van mijne heilige kindsheid. — Meester, waar woont gij? Te Nazareth, komt en ziet. Te Nazar-eth, in de verborgenheid, in de vergetelheid, in zwaren arbeid, in de volstrekste onderwerping, in de uiterste armoede, in den voorsmaak van al de pijnigingen van mijn lijden. — Meester, waar woont Gij ? Op de eenzame bergen, de nachten in het gebed doorbrengende voor uwe zaligheid , geliefde ziel, kom en zie. Alles rust in de wereld en in de natuur ; doch mijn hart klopt en mijn hart bidt. Door de duisternis heen, zijn mijne oogen ten hemel gericht, en Ik beschouw de plaatsen bestemd voor de zielen, die Ik bemin, die Ik wil zalig maken, en die zalig willen worden. — Meester, waar woont Gij ? — Op den Kalvarieberg. Komt en ziet.
jesus' verblijfplaats. 1 1
't Is mijne geliefkoosde woonplaats; omdat Ik begeerig ben mijn offer te voltrekken. Daar noodig Ik mijne vrienden uit. Allen moeten voor eenigen tijd op den Kalvarie-berg hunne tent opslaan; allen moeten even als Ik, op het sterfbed van het kruis zich uitstrekken. Komt en ziet.
Wat ons betreft, geliefde zusters, wij wonen nu in dit gezegend heiligdom, 't Is onze stal van Bethlehem, 't is ons huis van Nazareth, 't is ons ballingsoord op deze wereld , 't is soms een dag op den Thabor, het zal onze Kalvarieberg wezen. Komt en ziet. Het is ons goed hier te zijn. Het is ons goed hier, want wij voeden hier onze ziel door het gebed, wij besteden hier ons leven aan een heilzamen arbeid, wij bereiden ons hier tot eenen heiligen dood. — Waar woont gij? In het huis van God, met Jesus, Maria en Josef. Komt en ziet.
2e punt. Meester, waar woont Gij ? Beminde ziel. Ik woon in het Sacrament mijner liefde; kom en zie. Wilt gij met Mij in de eenzaamheid een heilig leven leiden? Vrees niet Ik
KORTE OVERWEGINGEN.
12
zal uw medegezel en uw vriend zijn; Ik zal uw geleider en uw raadsman wezen. Kom en zie. Het is goed hier te zijn, Ik breng er gansche dagen en nachten door, Ik ben altijd bezig met u, terwijl gij Mij zoo dikwijls vergeet. Kom, Ik zal u, in het binnenste uwer ziel, mijne heilige en zoete leer verklaren. Ik zal u, u alleen,woorden toespreken, die alleen door u zullen begrepen worden. Kan Ik niet aanvullen, wat u van den kant der menschen ontbreekt? Kom in deze eenzaamheid en vrees niet. Ik heb mijn volk met een wonderbrood gespijzigd, Ik zal u voeden met mijn goddelijk woord en het zoete manna mijner liefde. Luister aandachtig, en gij zult hooren, wat Ik u in het binnenste uwer ziel wil zeggen. Ik zal u vaderlijke vermaningen toespreken; Ik zal u de krankheden uwer ziel bloot leggen; Ik zal u het hulpmiddel des levens en der onsterfelijkheid geven, Ik zal u vergiffenis schenken, Ik zal uwe tranen afdroo-gen, Ik zal u troosten, u liefhebben: Kom in de eenzaamheid met Mij: Het langste leven zal er u niet te lang duren. Ik kan de een-
lESUs' VERBLIJFPLAATS,
13
zaamheid doen bloeien, de woestijn kan Ik met leven en gloed bezielen. Neemt gij Mij aan als broeder, vriend, trooster en raadsman ? O geliefde ziel. Ik ben zoo gaarne met u; blijf dan ook gaarne met Mij. Spreek met Mij, en Ik zal met u spreken. Wij zullen met elkaar vertrouwelijke samenspraken hebben. Indien gij het geloof bezit, zoo zult gij Mij hier in de zachtaardigheid mijner heilige menschheid tegenwoordig vinden. Gij zult mijn vaderlijk gelaat beschouwen, en mijne doornagelde handen, naar u uitgestrekt zien; gij zelve zult uwe hand in de wonde mijner zijde leggen, en van mijne geopende lippen zult gij woorden van zaligheid opvangen; gij zult mijnen teederen en zoeten blik ontmoeten; gij zult de vlammen zien, die mijn hart ontschieten, om het uwe tc ontsteken en te verteren. Kom dus en zie. Ik verblijf hier in het Sacrament mijner liefde in de eenzaamheid van dezen kleinen tempel, dien gij Mij hebt gebouwd. En zijn er oogenblikken van pijnlijk stilzwijgen, oogenblikken, waarop gij mijne stem niet hoort, waarop uwe gedach-
KORTE OVERWEGINGEN.
ten ronddwalen, waarop gij in duisternis zijt, klop dan aan de deur mijns harten, en het zal zich voor u ontsluiten; en er zal een licht van uitgaan, waarin gij alles zien, alles lezen zult.
3° punt. Meester, waar woont Gij?_
Komt en ziet. Ik woon boven het hemelgewelf, dat Ik als een tent heb uitgespannen, en met millioenen sterren heb bezaaid; Ik woon in dien hoogsten hemel, waar mijn Vader en de H. Geest en Ik, die het Woord ben, het eeuwig geluk onzer uitverkorenen wilden bereiden, het geluk dier zielen, welke Wij hebben voorbeschikt. O! wist gij welke woning dit is! De tranen zijn er afgedroogd en op Gods wijze vergolden; het doorgestane lijden wordt er de bron van onuitsprekelijke geneugten; de arbeid is verwisseld tegen de rust in Gods schoot; de genegenheden, voor God ten offer gebracht, veranderen in die zuivere liefde, die geen menschenhart hier beneden in zich bevatten noch begrijpen kan. Komt dus en ziet. Beminde zielen van mijnen besloten hof. Ik reken u onder de uitverkorenen. Ja, Ik heb u voorbeschikt, doch
H
JESUS' VERBLIJFPLAATS. 15
gij moet heilig willen zijn. Hebt dus moed ! en, om niet te bezwijken, volgt Mij in al mijne woningen hier op aarde. En wanneer gij aan de laatste standplaats van uw sterfelijk leven, aan uw doodsbed, aan uw laatste kruis zult gekomen zijn, vergeet dan niet onder de smarten van den doodstrijd te vetzuchten: Meester, waar woont Gij? En Ik zal u antwoorden; Mijne dochter kom en zie. Dan zullen de engelen u in mijn huis in mijne eeuwige woning in het heilig Sion binnen leiden, en Ik zal u uwe plaats aan-wijzen, en u zeggen: Kom en zie.
WAAROM ZIJN WIJ HIER GEKOMEN?
Venite post me.
Komt, volgt mij. Matth, iv, 19.
Ecce venio.
Zie, Heer, ik hom. Ps. x.xxix, S.
De goddelijke Meester noodigt ons uit Hem te volgen, en zonder aarzelen beantwoorden wij aan zijn verzoek. Ieder van ons heeft tot Hem gezegd;
venio. Is dit
met genoeg ? Neen : jesus vraagt ons, waarom wij zijn gekomen; Hij wil dat wij dit zeiven zeer goed zouden weten.
Het was zeker op den toon eener onuitsprekelijke , eener goddelijke droefheid, dat Jesus tot den apostel die Hem ging verraden, zeide. Amice, ad quid venisti? Maar het woord dat Hij ons toestuurt is vol zoetigheid ; t is de stem eens teederen vaders, eens lief-devollen bruidegoms ; „Mijne dochters, mijne zusters, mijne bruiden, waartoe zijt gij hier
waarom zijn wij hier gekomen ? 1 ~
gekomen? ad quid venistis f' Laat ons met liefde op deze zoete aanspraak antwoorden.
le punt. Goede Jesus, wij zijn gekomen om aan de strikken der wereld te ontsnappen , en omdat Gij ons door den mond van uwen welbeminden apostel gezegd hebt; Kinder-kens, hebt de wereld niet lief, noch iets van hetgeen in de wereld is. Wij hebben verzaakt aan de wereld , aan hare verderfelijke grondregels en hare droevige vermaken; en om met haar niets meer gemeen te hebben, zijn wij ons in dit heilig huis komen verschuilen, om er met U te wonen, en opdat men van ons slechts dit enkel woord zou kunnen, zeggen: De wereld kent haar niet, zij zijn niet van deze wereld.
2= puiït. Ad quid venistis? Heer Jesus, wij zijn gekomen om uwe heilige en reine bruiden, de bevoorrechte vriendinnen van uw goddelijk hart te worden; om inniger . kennis met U te maken in het gezelschap van uwe heilige Moeder en van uwen geliefden voedstervader; om U te volgen en U getrouw te dienen: te Bethlehem in het stalleken en
WAAROM ZIJN WIJ HIER GEKOMEN ?
Venite post me.
Komt, volgt mij. Matth. iv, 19.
Ecce venio.
Zie, Heer, ik kom. Ps, xxxix, 8.
De goddelijke Meester noodigt ons uit Hem te volgen, en zonder aarzelen beantwoorden wij aan zijn verzoek. Ieder van ons heeft tot Hem gezegd: venio. Is dit niet genoeg ? Neen: jesus vraagt ons, waarom wij zijn gekomen; Hij wil dat wij dit zeiven zeer goed zouden weten.
Het was zeker op den toon eener onuitsprekelijke, eener goddelijke droefheid, dat Jesus tot den apostel die Hem ging verraden, zeide. Amice^ cid (jtcici venisti? Maar het woord dat Hij ons toestuurt is vol zoetigheid ; 't is de stem eens teederen vaders, eens liefdevollen bruidegoms ; „Mijne dochters, mijne zusters, mijne bruiden, waartoe zijt gij hier
waarom ztjn wij hier gekomen? 17
gekomen? ad qtud venistisf' Laat ons met liefde op deze zoete aanspraak antwoorden.
le punt. Goede Jesus, wij zijn gekomen om aan de strikken der wereld te ontsnappen, en omdat Gij ons door den mond van uwen welbeminden apostel gezegd hebt; Kinder-kens, hebt de wereld niet lief, noch iets van hetgeen in de wereld is. Wij hebben verzaakt aan de wereld , aan hare verderfelijke grondregels en hare droevige vermaken; en om met haar niets meer gemeen te hebben, zijn wij ons in dit heilig huis komen verschuilen , om er met U te wonen, en opdat men van ons slechts dit enkel woord zou kunnen, zeggen: De wereld kent haar niet, zij zijn niet van deze wereld.
2= puiït. Ad quid venistisf Heer Jesus, wij zijn gekomen om uwe heilige en reine bruiden, de bevoorrechte vriendinnen van uw goddelijk hart te worden; om inniger . kennis met U te maken in het gezelschap van uwe heilige Moeder en van uwen geliefden voedstervader; om U te volgen en U getrouw te dienen: te Bethlehem in het stalleken en
1 8 korte overwegingen.
de krib, te Nazareth in uw verborgen leven, in den tempel waar wij U als leeraar beschouwen, en op den Kalvarieberg, indien Gij het wilt, lieve goddelijke Meester, ja op Kalva-riën. Laat ons gaan en met Hem sterven.
3e punt. Ad quid venistis f Waarom zijt gij gekomen? Wij zijn gekomen om zielen te winnen, o goede Zaligmaker, want de zielen zijn U zoo dierbaar. Jesus, indien wij er eene redden, indien wij er tien, indien wij er honderden redden, o hoe zal dan uw aanbiddelijk hart van liefde trillen! Verleen ons dus de genade van door woord en voorbeeld te onderwijzen; verleen ons de gave des verstands, opdat wij onderrichten in het licht van den Heiligen Geest; geef ons eenen onverwinbaren moed, en laat niet toe dat de bekoring van tegenzin in onze plichtsbetrachting ons overvalle. O goede Herder der zielen ! geef ons den moed U in het midden der doornen te volgen , om de arme verloren schaapjes tot de kudde weder te brengen, ze terug te voeren in de armen van uwen hemelschen Vader.
WAAROM ZIJN WIJ HIER GEKOMEN ?
(VERVOLG.)
Wij zijn hier gekomen om onze ziel zalig te maken, om naar de geestelijke volmaaktheid te streven , om Jesus te helpen in de zaligmaking van de zielen onzer leerlingen.
ie punt. Ik ben hier gekomen om mijne ziel zalig te maken. Ik moet mijne ziel zalig maken, omdat zij het beeld is van God, omdat zij onsterfelijk is, omdat Jesus haar door zijn dierbaar bloed heeft vrijgekocht. Indien ik mijne ziel niet zalig maak, ontsier ik voor altijd Gods schoone beeltenis, en ik verander ze in het afschuwelijk beeld van Satan. Dit ware eene gruwelijke versmading de hoogste, de wezenlijke schoonheid aangedaan. Ik moet mijne ziel zalig maken, omdat zij onsterfelijk
KORTE OVERWEGINGEN.
is. Zij moet altijd, altijd leven, leven in de eeuwen der eeuwen, leven in een eindeloos geluk of in een eindeloos ongeluk; voor eeuwig in een stroom van genietingen zich baden, of voor eeuwig wanhopen in een afgrond van vuur, van schrikkelijke foltering en vervloeking. Ik moet mijne ziel zalig maken , omdat zij aan Jesus toebehoort en ik verplicht ben haar aan Hem weder te geven. Zij behoort Hem toe, omdat Hij haar geschapen, haar met zijn bloed heeft afgekocht, haar duizende malen in de heilige Communie met dat bloed heeft gelaafd. Indien ik Hem die ziel ontroof en aan den duivel geef, dan bedrijf ik eene zoo groote onrechtvaardigheid, dat die eene eeuwige straf verdient. De wetten der hoogste rechtvaardigheid eischen zulks. Maar kan ik verloren gaan, hier in dit heiligdom? Kan ik van deze heilige eenzaamheid verplaatst worden naar de hel? Ondervragen wij in stilte ons geweten; het zal ons antwoorden.
Waarom ben ik hier gekomen? Om met meer zekerheid , met meer gemakkelijkheid
20
waarom zijn wij hier gekomen ? 2 1
dan in de wereld mijne zaligheid te bewerken. Waarom is het werk mijner zaligheid hier zekerder en gemakkelijker? Omdat mijne driften er meer beteugeld worden, omdat de regel mij heilige plichten oplegt en mij aan de gevaarlijke gelegenheden onttrekt, omdat Jesus hier voor mij en met mij verblijft. O Jesus! ik dank U voor de gunst van mij hier te hebben heen geleid. O! ik gevoel mijne zwakheid, ik gevoel dat ik in de wereld moeie-lijk mijne zaligheid zou hebben bewerkt.
2e punt. Waarom ben ik hier gekomen? Om naar de geestelijke volmaaktheid te streven. Elke schrede die ik doe op den weg der volmaaktheid is eene schrede die mij nader brengt tot Jesus; elke schrede die ik doe buiten den weg der volmaaktheid is eene schrede die mij van Jesus verwijdert. Ben ik ver van Jesus? Welke afstand scheidt mij van Hem? maar vooral wat houdt mij van Hem verwijderd? Is het de geweldige snelle stroom eener dagelijksche zonde van gewoonte, tracht ik dien over te gaan ? Doe ik pogingen daartoe? Gevoel ik
2
KORTE OVERWEGINGEN.
22
diep genoeg hoe ver Jesus nog van mij is? hoe ver ik van Hem ben? Hij strekt de armen naar mij uit, reik ik hem de mijne toe? Zijn hart komt mij te gemoet, het zucht naar mij; verlangt mijn hart naar Hem, zucht het over zijne verwijdering? Is misschien voor mij het noodlottig oogenblik gekomen, waarop men de geestelijke volmaaktheid als eene hersenschim aanziet, als een droombeeld dat men onmogelijk kan bereiken en waarvan men het najagen aan anderen overlaat? Leef ik niet in de lauwheid, die geestelijke, zoo gevaarvolle slepende ziekte. O mijne ziel, in welke dwaling verkeert gij ? Gij hebt de goederen en de vermaken der wereld verlaten, maar gij verzaakt ook aan de goederen en schatten der geestelijke volmaaktheid. Hoe betreurenswaardig is uwe armoede! Jesus verlangt u aan zijn hart te drukken als eene moeder die haar kind liefkoost, maar gij wilt niet tot Hem naderen, gij verwijdert u en gij hecht u aan de ellendige overblijfsels, aan de schaduw der bedriegelijke goederen, die gij eerst onder den voet hebt getre-
waarom zijn wij hier gekomen ? 23
den. Welk eene ongerijmdheid, welke dwaasheid ! Gij volharde in eenen onhoudbaren staat; van den eenen kant gekweld door de aansporingen der genade, van den anderen kant door de valsche zoetheden eener wereld, die gij u zelve in uwe eenzaamheid schept. Waarom zijt gij dan hier gekomen?
3e punt. Ik ben hier gekomen om Jesus te helpen in de zaligmaking der zielen. Doe ik het? en ben ik integendeel somtijds niet een struikelsteen voor haar? Hoe dat? door mijne geringe godsvrucht, door mijne nalatigheden in het vervullen mijner plichten , nalatigheden die hare opmerkzaamheid niet ontgaan. Hoe nog meer? door mijne grilligheden en oploopendheid. Hoe nog anders? door mijne al te gevoelige, overdreven vriendschapsbetuigingen, mijne onbillijke voorliefde aan enkele betoond, door mijne overtredingen van den regel, mijn ongelijk humeur, de gebreken van mijn karakter, door mijnen hoogmoed, mijne jaloersheid en mijne pogingen om mij in de achting der leerlingen boven mijne zusters in Jesus Christus te verheffen.
KORTE OVERWEGINGEN.
24
O Jesus! ik wil u nochtans behulpzaam zijn. Helaas! ik zal het in werkelijkheid niet doen dan door de opoffering mijner persoonlijke denkwijzen, door mijne ootmoedige onderwerping en mijne oprechte pogingen om met het algemeen gevoelen mede te werken. Ik zal U behulpzaam zijn, als ik datgene wil wat mij is voorgeschreven, wanneer ik zal begrijpen, dat ik door de gehoorzaamheid alleen kan overwinnen, wanneer ik overtuigd zal wezen dat, al verrichtte ik zelfs wonderen buiten de gehoorzaamheid, wel verre van aan uw werk mede te helpen, ik niets anders zou doen dan het ten gronde richten en zijne vernietiging verhaasten, en dat Gij mij op den toon eens grammoedigen rechters zoudt zeggen: Geef rekenschap van uwe bediening. O Jesus! ik wil niet meer alleen arbeiden, ik wil arbeiden met U, opdat Gij mijn dagelijksch werk, het werk van geheel mijn leven zult kunnen goedkeuren.
DE HEILIGE REGEL.
Haec est via; ambulate in ea: et non declinetis neque ad dexteram; neque ad sinistram.
Dit is de weg; wandelt op dit pad; zonder er noch ter rechter noch ter linkerzijde van af te wijken. Is. xxx, 21.
le punt. Haec est via, ambulate in ea. Dit is de weg: wandelt op dit pad. In de wereld, te midden van zoo vele hinderpalen , die den weg des hemels schijnen te versperren ; in de wereld, waar de vijand zoo vele verradelijke wegen heeft gebaand, met bloemen bestrooid, doch die slechts op het eeuwig verderf uitkomen; in de wereld, waar zelfs de godvruchtige ziel gevaar loopt van te verdwalen, is het somtijds moeielijk den ze-
korte overwegingen.
keren weg te vinden. Wat ons betreft, religieuze zielen, aan het onderwijs der jeugd gewijd, wij hebben ons afgebakend pad wij kennen onzen weg. Hij is veilig, doch niet zonder doornen. Maar, terwijl wij Jesus, beladen met zijn bloedig kruis, den Kalva-rieberg zien bestijgen, zouden wij ons zeker schamen Hem langs eenen weg van rozen te volgen. Onze weg is onze zoo eenvoudige regel, die gemakkelijke regel, door de kerkelijke overheid goedgekeurd. Wij hebben dien aangenomen, wij moeten hem eerbiedigen , hem beminnen, en met onwrikbare getrouwheid naleven. Is onze geliefde regel niet in de heilige Harten van Jesus, Maria en Josef geschreven? Hebben wij diens voorschriften niet gelezen op de muren van het huisje van Nazareth, en op al de bladzijden van het leven onzes aanbiddelijken Zaligmakers? Wat is het kort begrip van zijn heilig leven? stilzwijgendheid, gebed , onderwijs, hemelsche zelfverloochening en zielenijver: Zelus domus hue comedit me.
2e punt. Non declinetis ad dexter am.
26
DE HEILIGE REGEL.
Wijk er niet ter rechter zijde af. Rechts van den aangewezen weg afwijken, dit ware zich boven zijne zending willen verheffen door een ongepasten ijver; dit ware eene levenswijze willen omhelzen , die met de eenvoudigheid van den regel niet overeenstemt; lange uren in het gebed willen doorbrengen, ten nadeele van het ambt en de plichten ons opgelegd ; dit ware eene afzonderlijke richting willen volgen, door zich aan de leiding der oversten te onttrekken en zich zelve te bestieren ; dit ware eindelijk die valsche ijver, die ons eerst van de eenvoudigheid, daarna van de gehoorzaamheid afkeert, en die ongemerkt op een ijdel zelfbehagen en op al de buitensporigheden van een dwazen hoogmoed uitloopt.
O goddelijk kind Jesus , Gij , die zoo getrouw den regel van het huis van Nazareth volgdet. Gij, o goddelijke Wijsheid ! die U liet geleiden door uwe schepselen, door Maria en Josef, verleen ons de genade van getrouwheid aan al de punten van onzen regel, getrouwheid , waarvan misschien de
27
korte overwegingen.
eeuwige palm afhangt, dien uwe liefde ons voorbeschikt.
3e punt. Non cleclinetis ad senistram. Wijk er niet ter linkerzijde af. Wat beteekent zich links van den weg afwenden ? Voor de religieuze ziel, is het haren regel verlaten uit lafheid, uit traagheid, uit lauwheid des harten of uit verachting, helaas ! 't is dien toonen aan den Meester zei ven der wet en Hem zeggen ; — Die woorden zijn hard ; wie kan ze aanhooren, en wie kan ze op volgen? .... „'t is dien toonen aan den vijand, die om ons heenzwerft, en hem zeggen : Deze wet is te streng.... 't is er hem zekere punten , zekere artikelen, misschien een geheel hoofdstuk van opofferen, 't is vooral, er hem den geest, die levend maakt, van ten offer brengen, en den heiligen regel nog slechts onverschillig en met afkeer volgen, dewijl men nog maar alleen aan de letter houdt om den schijn te bewaren, en onder den dekmantel van dien schijn in lauwheid te leven! Zoo derhalve, o mijn God, kan eene religieuze ziel ter linker zijde afdwalen.
28
DE HEILIGE REGEL.
29
Bewaar mij voor dit ongeluk, en wil mij versterken om den weg te bewandelen, dien Gij mij gebaand hebt, o goede Jesus! opdat ik dien getrouw volgende, het geluk hebbe in de have der zaligheid aan te landen, alwaar Gij mij in uwen schoot zult ontvangen, om mij weldra te kronen met eene kroon van altijddurend geluk.
DE GIFT VAN ZICH ZELVE AAN GOD.
Non ex Iristilia, aut ex necessitate: /lilarem enim datorem diligit Deus.
Een ieder geve gelijk hij in zijn hart heeft voorgenomen; niet uit droefheid noch «it dwang; want den blij moedigen gever heeft God lief. 2 Cor. ix, 7.
le punt. Wat hebben wij dan besloten aan Jesus te geven, op het oogenblik van onze heilige professie? Wij hebben besloten Hem leven voor leven, liefde voor liefde te geven. Wij hebben besloten in de gehoorzaamheid, de zuiverheid, de armoede te leven, om Hem te behagen. Het zijn zeer aannemelijke offeranden, reukwerken van een aangenamen geur. Jesus heeft ze aanvaard; Hij heeft die gaven van ons hart ontvangen en ze met welbehagen in zijn goddelijk hart
de gift van zich zelve aan god. 31
neergelegd. Door ons nederig aanbod getroffen, heeft Hij er door overvloedige genaden op geantwoord ; Hij heeft ons gezegd: Gij behaagt mij, omdat gij gehoorzaam wilt zijn, gelijk Ik tot den dood des kruises; omdat gij naar het voorbeeld mijner onbevlekte moeder, in zuiverheid wilt leven ; omdat gij arm wilt zijn gelijk mijn huisgezin, mijn huisgezin te Nazareth. Beminde zielen , uwe giften zijn zeer kostbaar in mijne oogen; Ik , uw God, Ik dank er u voor. Ben Ik niet almachtig om te maken dat alle genade overvloedig zij in it, opdat gij, in alles altijd alle genoegzaamheid hebbende, overvloed hebt tot elk goed werk f
Troostrijke woorden! Neen, niemand is rijker dan de ziel die alles aan haren God gegeven heeft, en die niets voor zich zelve heeft behouden.
2= punt. Een ieder geve.......niet uit
droefheid noch uit dwang. Zou niet, onder de giften aan onzen hemelschen bruidegom gedaan, die van onzen eigen wil het aangenaamste brandoffer, de volmaakste offerande
KORTE OVERWEGINGEN.
32
wezen? De wil is de liefde, en het offer van onzen wil is een kostbare balsem voor het gewond hart van Jesus. De ziel die met vreugde gehoorzaamt, wordt in zijne vertrouwelijke vriendschap toegelaten. De blijmoedige gehoorzaamheid is een magneet, die het hart van Jesus met onweerstaanbare kracht tot zich trekt. De droefgeestige gehoorzaamheid is geéne zoete vrucht die Hem aangenaam is ; de droefgeestige gehoorzaamheid is die van den wederspannigen slaaf welke voor straf vreest; de blijmoedige gehoorzaamheid is die der welbeminde dochter, gelukkig te volbrengen wat haar vader beveelt. En is zij niet volkomen geslaagd, zoo komt zij toch met vertrouwen toonen wat zij gedaan heeft, terwijl zij met kinderlijke teederheid haar verlangen te kennen geeft van beter te doen. Als men eene groote liefde heeft, dan bewijst men met vreugd de moeielijkste diensten. Als men eene flauwe liefde heeft, dan is een stroohalm te zwaar om over te dragen. Als men eene groote liefde heeft voor Jesus, dan bewandelt men gaarne met Hem den weg van
de gift van zich zelve aan god. 33
Kalvarie, dat wil zeggen, dat men het kruis lief heeft en men het vol eerbied kust: O dierbaar kruis ! zoo vurig verlangd .... kruis der zelfverloochening, kruis der vernedering, kruis der versterving, kruis der volkomen gehoorzaamheid, ik vereer u.
3e punt. Den blij moedigen gever heeft God lief. Hij ziet meer op de liefde dan op de gift. Wonderbaar uitwerksel zijner genade : de gesteltenissen des harten maken de waarde der offerande uit. Wat hebben wij in de wereld verlaten ? Niet veel: smarten en droefheden, moeielijk te overwinnen bekoringen , het aanhoudend gevaar onze ziel jammerlijk voor de eeuwigheid te verliezen. En wat hebben wij gevonden? De vrede van het huis des Heeren, indien wij hem niet verstoren en de gegronde hoop van ons eeuwig geluk. Wij hebben zeer weinig verloren , wij hebben veel gewonnen. Wij hebben geen koningrijk verlaten om Jesus te volgen, maar wij hebben ons zeiven, geringe en zwakke schepselen, aan Hem gegeven. De gift is niet zonder waarde in zijne oogen, indien wij voortdu-
34 KORTE OVERWEGINGEN.
rend arbeiden om ze te volmaken; indien onze zelfverloochening alle dagen volkomener, vollediger, onze gehoorzaamheid liefdevoller, onze zuiverheid kiescher, onze armoede nauwgezetter en onze plichtsvervulling blijmoediger wordt.
O jesus ! uit uw heilig tabernakel meenen wij U de teedere woorden te hooren herhalen , die Gij tot uwe discipelen richttet: Ik heb
deze dingen gezegd, opdat mijne vreugde in n en uwe vreugde volmaakt zij.
BESTIERING DER LEERLINGEN.
Quern mil lam ? et cjuis ibit nobis ? Ecce eyo mitte me.
Wien zal Ik zenden ? en wie zal van mijnentwege gaan? Hier ben ik. Heer, zend mij. Is vi, S.
ie punt. De goddelijke Meester richt deze teedere oproeping tot de edelmoedige harten: Wien zal Ik zenden en wie zal van mijnentwegen gaan? Er zijn zielen voor welke Ik al mijn bloed heb vergoten en die, bij gebrek aan onderrichting en godsdienstige leiding, in gevaar zijn van verloren te gaan. Zij kennen ter nauwernood mijn leven en mijne leer, die arme zielen, welke Mij zoo veel hebben gekost; zij weten niet genoeg hoe zeer Ik ze bemin, hoe vurig Ik hare
korte overwegingen.
eeuwige zaligheid verlang, hoezeer Ik verlang ze in mijn hart te verbergen en haar schatten van genade te verkenen. Arme zielen! die Ik voor eenigen tijd uit de wereld heb verwijderd, opdat zij met het brood van mijn heiligwoord gevoed worden en, tegen alle kwaad beschut, in de schaduw mijner altaren leven. Maar wien zal Ik tot haar zenden en wie zal haar onderrichten, wie zal van mijnentwege tot haar spreken?
— Hier ben ik, Heer, zend mij. Ik ben niet in staat, door verheven beschouwingen en gestrengheden , groote dingen voor U te verrichten; maar, met behulp uwer genade, zal ik gaan en de schoonheid uwer heilige , wet doen kennen, en ik zal U door de kinderen, door de jeugdige harten doen beminnen. Verhevene taak! Ja, ik zal gaan en ik zal eene ijverige bewaakster wezen in het huis des Heeren. Zend mij, goddelijke Meester, zend mij.
2c punt. Wien zal Ik zenden? Er zijn zwakke, brooze zielen, die moeten leeren aan de bekoringen wederstaan en de strikken vermijden die men haar spant; zielen die de
36
BESTIERING DER LEERLINGEN. 37
wereld wil bezitten, die de duivel Mij zal willen ontroovcn. Wien zal Ik zenden om ze te versterken, ze aan te moedigen, te troosten ? Hier ben ik, lieve goddelijke Meester, zend mij. Ik ben arm , uit mij zelve heb ik niets, maar ik zal haar geven wat Gij mij voor haar geeft. O Jesus ! gewaardig U , in mijn hart, eene groote liefde voor die zielen te doen ontstaan. Maak dat ik toegevend, zachtmoedig , verdraagzaam en geduldig zij; geef mij ook eene wijze vastberadenheid, opdat ik den wolf niet in uwe kudde late binnendringen. O indien, door mijne lafhartigheid, door mijne nalatigheid, zulk onheil ons overkwam! indien, door mijne schuld de tucht verslapte, indien de goede geest, die in dit
huis heerscht, verloren ging..... Neen, Heer,
dit zal niet gebeuren, immers ik zal spreken in uwen naam. Komt dan tot mij, beminde zielen; ziet, ik kom tot u, om dat Jesus mij gezonden heeft. Komt, ik zal u spreken van dien goeden Meester en van het eeuwig erfdeel, dat Hij bereid heeft voor degenen, die Hem beminnen.
3
korte overwegingen.
38
3e punt. Wien zal ik zenden? Er zijn zielen, die Mij toebehooren, die Mij zeer dierbaar zijn, maar die, om de diensten welke zij Mij eenmaal moeten bewijzen, tot een hoogeren graad van deugd moeten opgeleid worden; wien zal Ik tot haar zenden ? — Helaas! Heer, ben ik zelve niet een zeer zwak schepsel, vol gebreken en onvolmaaktheden ? Hoe zou ik dat groote werk durven ondernemen ? Maar Gij wilt het, goede Jesus, en uwe genade is mij voldoende. Ik ga dus, en ik zal trachten uwe lieve kleine lammeren in de weiden uwer heilige leer te geleiden. O goddelijke Meester, terwijl ik voor de zielen arbeid, zult Gij mij zelve genezen, Gij zult de vlekken mijner zonden afwasschen, en ik zal wit zijn als sneeuw; terwijl ik voor de zielen zorg draag, zult Gij zorg dragen voor mij en het werk mijner heiligmaking voltrekken. O Jesus ! zend mij dus ; zie, ik ben geheel en al ter uwer beschikking.
EEN GODGEWIJD HUIS.
Glonosa dicta sunt de te, civitas Dei.
Heerlijke dingen zijn van u gezegd, ti stad Gods ! Ps. lxxxvi , 3.
le punt. Indien dit zoo was voor de heilige stad Jeruzalem, indien de profeet mocht uitroepen ; Hare grondslagen zijn op het heilig gebergte, de heer heeft Si ons poorten lief, mogen wij dan ook niet zeggen van u, ó dierbaar huis, waar God met ons woont: Heerlijke dingen zullen van u verkondigd
worden.....En door wie ? Door de heilige
Kerk, door de engelen des hemels, door God zeiven. En welke zijn die dingen. Luister : Daar is de woontent van God met zijne maagden ; daar verheffen zich dag en nacht lofzangen tot den Eeuwige; daar herhalen reine zielen onophoudelijk: Heilig, heilig, heilig, eer aan
korte overwegingen.
onzen God en aan het Lam voor ons geslachtofferd ! eer aan het vleeschgeworden Woord dat onder ons woont! daar rust Jesus, niet te midden der doornen, maar tusschen de leliën der zuiverheid; daar geschiedt de onderrichting der jeugdige zielen in Jesus' leer; daar het heil van velen, die geloofd zullen hebben aan de onderwijzingen hun in dat huis gegeven en die, te midden van de bekoringen der wereld, in het geloof zullen volhard hebben; daar de beoefening der deugden die Jesusquot; geliefkoosde spijs uitmaaken : de zelfverzaking, de opoffering dagelijks vernieuwd met die van het vlekkeloos slachtoffer. O heilige stad ! glorierijke dingen zullen van uw gezegd worden.
2e punt. Civitas Dei, stad van God. Maar welke voorwaarden worden vereischt, opdat men van een kloosterlijk gesticht kunne zeggen: dit is hier waarlijk de stad van God en de deur des hemels ? Het zijn de volgende. Jesus, die er zijn verblijf wil houden, moet er een toegenegen gezin bezitten; anders bevond Hij er Zich eenzaam; anders ware Hij als een vreemdeling onder de zijnen, en
4°
een godgewijd huis.
met droefheid zou Hij bij Zich zeiven moeten zeggen: „Ik ben gekomen onder deze zielen die de mijne zijn, en zij hebben Mij niet gekend.quot; In het huis eens vaders veronderstelt men kinderen, die met hem in de teederste vertrouwelijkheden, in de zoetste gemeenzaamheid leven; 't is het rijk der liefde. De stad Gods, dat is ook het rijk des vredes , en de liefde heerscht er bovenal. Al de harten zijn er door hare zoete banden ver-eenigd. Men kent er geene afkeerigheid, geene ijverzucht, niet het minste verlangen om zich boven anderen te verheffen, en de eersten willen er de laatsten zijn, omdat het zoo is in het rijk Gods.
3e punt. Het hemelsch Jeruzalem is met kostbare gesteenten versierd. Het is niet naakt, niet armoedig ; neen, het is als eene koningin in purper en goud gedost, met de prachtigste sieraden getooid, en het voorhoofd prijkend met die eenige parel, dat onschatbaar kleinood, waarvoor zij alles gegeven heeft wat zij bezat. O die parel! moeten wij ze ook niet aankoopen en voor
41
KORTE OVERWEGINGEN.
haar al het overige opofferen ? O parel der geestelijke volmaaktheid! zij moet in onze ziel schitteren gednrende dien nacht, waarin de Bruidegom komt en zal oordeelen of wij waardig zijn met Hem de eeuwige bruiloftszaal binnen te treden , die nacht, waarin Hij
ons de poorten des hemels zal openen......
O beminde ziel ! reeds ontsloot zich voor u de eerste poort des hemels, toen gij dit gezegend oord zijt binnengegaan ; gij zijt in het voorportaal des hemels. Wee uwer indien gij nu wildet terugtreden en weder lust kreegt in de wereldsche ijdelheden! Neen, neen. Maar wat zullen wij doen om waardig te zijn, in deze glorierijke stad Gods en in zijne eeuwige stad te verblijven? wat hebben wij gisteren gedaan, wat zullen wij heden doen om aan de heiligheid onzer roeping te beantwoorden , om het hart van den godde-lijken Bruidegom, die onder ons wil wonen, tevreden te stellen ? Wat doen wij ? wat zullen wij doen? O mijn hart, geef antwoord.
42
ZUIVERHEID.
Sicut lelium inter spinas.
Gelijk de lelie onder de doornen.
Hoogl. II, 2.
Wij behoeven hier de verheven voorrechten der zuiverheid niet te verklaren. Zij is ons aandeel, zij is onze roem ; zij heeft ons door cene onweerstaanbare aantrekkelijkheid geboeid ; want de Koning jesus is de vriend der zuiverheid, en Maria, zijne goddelijke moeder, heeft de witte banier er van ontrold. Beschouwen wij in deze overweging de zuiverheid des lichaams , de zuiverheid des harten en de zuiverheid des geestes.
ie punt. Zuiverheid des lichaams. De groote apostel Paulus zeide tot de eerste christenen: „Dat elk uwer het vat zijns
KORTE OVERWEGINGEN.
44
lichaams in alle heiligheid cn zuiverheid wete te bezitten.quot; Wij weten dat dit vat de tempel is van den heiligen Geest, dat het de woning is onzer onsterfelijke ziel, dat Jezus door de heilige communie in dit vat nederdaalt, en het voor eenige stonden tot zijn tabernakel maakt. Eene reine ziel in een rein lichaam is een bewonderenswaardig schouwspel voor de oogen van menschen en engelen. De heilige Paulus, vol bezorgdheid voor de eerste christen maagden, beval deze vurig aan de waakzaamheid harer ouders. Hij beschouwde ze als de edelgesteenten der opkomende Kerk. In de dringendste bewoordingen prees hij de maagdelijkheid aan : „De gehuwde personen zeide hij, zullen de kwellingen des vleesches' verduren. Welnu, ik zou u die willen besparen. En elders : „De niet gehuwde vrouw, de maagd, stelt hare gedachten op de zaken des Heeren, om heilig te zijn naar lichaam en geest; doch, zij die gehuwd is, denkt aan de zaken dezer wereld. Zeker zeg ik dit tot uw voordeel: t is niet om u een strik te spannen ; maar ik stel eene loffelijke zaak
ZUIVERHEID.
voor, cn die gemakkelijkheid verschaft om den Heer zonder beletsel te bidden.
Zeer lieve zusters, in onze eenzaamheid van Nazareth, wordt de kuische deugd met eene ijverzuchtige bezorgheid aangekweekt ; zij ontsluikt gelijk de lelie der velden, gelijk de lelietak, dien gij bloeien ziet ter eere van Jesus' voedstervader, van den bewaarder van Maria's zuiverheid, den bewaarder uwer eigene zuiverheid, van de uwe, ó uitverkorenen van dien Koning, die een zuiver hart zoekt, en er zijne geneugten in vindt.
Doch de zuiverheid des lichaams heeft hare kieschheid. Zoo heeft zij eenen afkeer van zekere al te natuurlijke gevoeligheden. En zegt niet dat dit kinderachtigheden zijn; neen, het is kieschheid. De zuiverheid des lichaams heeft een afkeer van zekere streelende lief-koozingen, van zekere veel beteekenende en al te teedere handdrukken. Waarom ? omdat zij geheel en al aan Jesus wil voorbehouden zijn, en zij ontstelt om de minste ongeregelde verdeeling tusschen de zinnen en God. Deze kieschheid oefent hare rechten
45
korte overwegingen.
uit op de houding eener godgewijde maagd; die houding is engelachtig in het gebed, zedig gedurende de uitspanning, in tegenwoordigheid der leerlingen, op de slaapzaal, overal; want overal volgt Jesus' blik de bruiden van zijn goddelijk hart. „Als de lelie onder de doornen, zoo is mijne welbeminde onder de dochters van Adam.quot;
En vergeten wij niet dat het gebruik onzer zinnen voor de zuiverheid van een wezenlijk belang is. Zij staat met het gezicht vooral, en met den smaak en het gevoel, in de nauwste betrekking. Maar hoe dikwijls wordt zij niet wreedelijk gekwetst door het slecht gebruik van de spraak en het gehoor! O vergeten wij het dan nimmer : de bloem der volmaakte zuiverheid kan slechts bloeien op den grond der versterving, „als de lelie onder de doornen.quot;
2° punt. Zuiverheid des harten. De zuiverheid des harten regelt deszelfs genegenheden. Een rein hart bewaart op het zorgvuldigst zijne genegenheden voor Jesus; en het wettig deel, aan de schepselen gegeven, wordt Jesus
46
ZUIVERHEID.
47
niet ontnomen, want dat hart bemint in Jesus, om jesus, gelijk Jesus. O mijn hart! open den schat uwer genegenheden , en zie of het zoo met u gesteld is. Helaas! hoe verdeeld is deze schat! hoe onbillijk worden die genegenheden verkwist! wat is Jesus met recht ontevreden en naijverig ! wat is het er ver van af dat zijn aandeel het grootste en het beste kan heeten ! wat is het gering en vernederend voor dien goddelijken Meester ! en nochtans hoe onwaardig, hoe nietig en verachtelijk zijn de schepselen, die mijne genegenheden zoo onrechtvaardig bezitten ! Die schepselen mogen bezield of onbezield, redelijk of redeloos zijn, de zinnen of de gevoeligheid streelen, zoodra zij onzen goddelijken Bruidegom zijn aandeel ontnemen, zoodra zij Hem mishagen, zijn zij min of meer verdorven, en kwetsen de kieschheid der zuiverheid. Luisteren wij naar den schrijver van het boek der Navolging : „Wij geven er geen acht op, waar onze genegenheden naartoe hellen, en dat alles in ons onrein is betreuren wij niet. Wanneer dan onze inwendige ge-
korte overwegingen.
negenheden bedorven zijn, zoo bederven zij noodzakelijk onze werken, en leggen aldus de zwakheid onzer ziel bloot. Alleen uit een zuiver hart komen de vruchten van een goed leven. O Jesus ! ik smeek er U om, maak U dan van al de genegenheden mijns harten meester, verban daar uit al de genegenheden die tegenstrijdig zijn aan uwe heilige liefde, en doe er de vruchten van een goed leven in groeien. O de vruchten van een goed leven ! Welke zijn mijne vruchten? zijn zij vol, rijk, smakelijk, heerlijk voor 'toog en waardig te worden opgediend aan de tafel van den hoogverheven Bruidegom, dien ik voor het aanschijn van hemel en aarde verkozen heb ?.....
3e punt. Zuiverheid des geestes. /n sclent ia, in castitate zegt de Apostel. De wetenschap en de zuiverheid gaan goed te samen. De zuiverheid en de wetenschap omhelzen elkander in eene onderlinge liefde. De werken der heiligen bewijzen het; in scientia in castitate. De zuiverheid laat eene groote vrijheid aan den geest, en verlicht zijnen
48
ZUIVERHEID.
arbeid , door hem van de bekommeringen des vleesches en van de wereldsche bezorgdheid te ontslaan. In scientia, in castitate; die woorden zijn u zoet; aan u, die uw leven in den arbeid van het onderwijs doorbrengt. Zegt, gedurende uwe stille uren aan de studie gewijd, nu en dan tot u zelve: in scientia, in castitate ; en roept dan den Geest van wijsheid aan, den Geest van alle zuiverheid. Bemint de kuischheid in uwe studiën, door altijd de voorkeur te geven aan die welke verplichtend zijn, en u bijgevolg een groot loon zullen verwerven. Bemint de studie van den godsdienst, zij zal u de liefde eener engelachtige zuiverheid geven ; zij zal u helpen, uwen geest geheel en al aan den lieve Jesus, uwen Zaligmaker, te wijden. Hij eischt een reinen geest, zoowel als een zuiver hart. Vermijdt de ijdele lezingen; zij zouden uw verstand de vleugelen der beschouwing ontnemen; en, zijt er van overtuigd, indien uw geest zuiver is, zal uw hart het noodzakelijk ook worden.
De goddelijke Bruidegom verlangt dat uwe
49
KORTE OVERWEGINGEN.
verbeelding zuiver zij. Belet dus en vernietigt, door ernstige bezigheden, de ijdele droombeelden, die haar soms mochten kwellen. Vermijdt de lange droomerijen, die u in eene hersenschimmige wereld zouden verplaatsen, en u beletten, in de wezenlijke wereld, waarin gij leeft, uwe heilige plichten te vervullen. Drijft de ijdele inbeeldingen op de vlucht, en houdt u onledig. Het leven is kort, en het is eene ernstige werkelijkheid. De eeuwigheid is lang, en zij zal eene glorierijke of eene verschrikkelijke werkelijkheid zijn.
O Maria, koningin der zuiverheid , koningin der maagden, help mij zuiver zijn van lichaam , van hart en van geest.
5°
JESUS' BOEIEN EN DE ONZE.
Comprehenderunt Jesum, el ligaverunt eum.
Zij namen Jesus gevangen, en boeiden Hem. Joan, xviii, 12.
l0 punt. Jesus wordt met koorden gebonden. . . . Het feit is door het evangelie en de geschiedenis bevestigd. De opperste Rechter ziet den Rechtvaardige bij uitmuntendheid in schandelijke boeien gekluisterd. De hemelsche geesten sidderen, maar de zachtmoedige Heiland onderwerpt zich. Het ware eene kleinigheid geweest voor Hem, die daar achtereenvolgens verscheidene mirakalen had verricht, het ware eene kleinigheid geweest voor den goddelijke Zaligmaker, al glim-
KORTE OVERWEGINGEN.
52
lachend die machtelooze boeien af t e schudden en ze onder zijne voeten te treden voor de oogen der ongelukkigen, die de hand aan Hem hadden durven slaan. Neen, Jesus weder-houdt zijne macht; later zal Hij de boeien van Petrus en, in het vervolg, zoo menigmaal die zijner opvolgers slaken. Hij zal zoo menige keten doen vallen, zoovele banden verbreken. Maar de zijne behoudt Hij, de zijne draagt Hij; en hoe? loont Hij verontwaardiging , of eene zekere verachting zooals onrechtvaardig veroordeelden het zouden kunnen doen? Neen; nederig en zachtmoedig treedt Jesus vooruit; is Hij niet het zoenoffer, met het gewicht al onzer boosheden beladen. Jesus zwijgt; niet de minste opwerping tegen de onwaardige handelwijze, waarvan Hij het onschuldig voorwerp is. En ik, wat doe ik in geval eener noodzakelijke terechtwijzing, eener liefderijke berisping? Hoe is dan mijn gedrag? Ontkenningen, bittere tranen, bewijsredenen door hoogmoed ingegeven, ziedaar mijne wapenen tegen de overheid; en zijn de verdedigingsmiddelen
jesus' boeien en de onze. 53
waarvan ik gebruik maak, geen grovere fouten dan die men mij verwijt?
Wat moeten wij doen, wij, de gelukkige gevangenen van Jesus Christus ? wat moeten wij doen, onzen goddelijken Meester in dien toestand ziende? Hem in zijne vernedering aanbidden, gelijk wij Hem aanbidden in den glans zijner heerlijkheid. O Jesus! ik begrijp het; maar mijn hart zegt mij dat het niet genoeg is, U in uwe boeien te vereeren, ik moet de mijne edelmoedig met U dragen; heb ik zulks tot hiertoe gedaan ?
2e punt. Bestaat er echter niet de een of andere heillooze band, die mij weder-houdt en mij de heilige vrijheid der kinderen Gods beneemt? Is het wel mijn goddelijke Zaligmaker die mij volkomen in zijne macht heeft door de heilige banden die mij aan Hem moeten hechten? zijn er geen verkleefdheden die mij min of meer in de macht van zijnen vijand houden, al was het dan ook maar met een enkelen draad? en zal ik, in de vervoering eener edelmoedige
A
KORTE OVERWEGINGEN.
54
liefde, dien draad niet verbreken? Dat is mij niet onmogelijk, indien ik, door dringende beden van Jezus' hart licht en genade afsmeek. Petrus sliep tusschen twee krijgsknechten, geboeid met twee ketenen. En zie, daar verscheen een engel des Heeren; en het licht weerstraalde in de gevangenis ; en de engel, Petrus in de zijde aanstootende, wekte hem en sprak : Sta haastig op. En de ketenen vielen hem van de handen. Welnu, de goddelijke Meester, die mij op eene zoo bijzondere wijze tot zijnen dienst heeft geroepen, zegt ook tot mij: „Sta haastig op en Ik zal uwe boeien verbreken en uwe slavernij doen ophouden. Ik geef u mijne genade, en mijne kracht zal met u zijn om u zelve te overwinnen, om het gebrek te doen verdwijnen, dat mijn hart pijnigt. „Heb dus moed, mijne ziel ! verbreek dien draad, hoeveel leed die poging u ook moge veroorzaken ; verbreek dien draad, en herneem uwe dierbare vrijheid. Dan alleen zult gij in eene vervoering van blijdschap mogen zingen : Gij hebt mijne banden verbroken , o mijn God !
jesus' boeien en de onze. 55
daarom wil ik U een brandoffer opdragen en den naam des Heeren aanroepen.
3e punt. De goddellijke liefde voert tot hare uitverkorenen eene taal, die de teeder-heid eener moeder, hoe groot ook, niet zou kunnen uitdenken : In fimiculis Adae traham cos in vinculis charitatis. Ik zal ze tot mijne liefde trekken en Ik zal ze aan Mij hechten door die zoete banden, die de harten der kinderen van Adam bekoren, door de banden der liefde. O! hoe beminnelijk zijn die banden! Maar die ziel moet zich geheel en al laten binden, moet getrouw en vreugdevol haren beminden gids volgen. Men voelt zijnen band niet, wanneer men dengene die trekt vrijwillig volgt; maar wanneer men wederstaat, wanneer men in eene tegenovergestelde richting wil gaan, alsdan lijdt men en lijdt men veel. Doch luister, beminde ziel, wanneer Jesus, overwinnaar en zegevierder, volkomen bezit van u zal genomen hebben, dan zal Hij zijn gezag als opperheer uitoefenen, schrikwekkend en zoet gezag tevens. Aan die ziel die Hij zoo roemrijk heeft gewonnen,
KORTE OVERWEGINGEN.
veroorlooft Hij bijna geene menschelijke voldoeningen meer. Altijd met Mij, zoo spreekt Hij haar toe; met Mij in de benauwdheden, den arbeid, de smart, de verachting, de vernederingen; met Mij op het kruis van Calvarie; maar Ik zal u somwijlen de vreugd der opoffering laten, en Ik zal eenige zoetheid weten te mengen in den bitteren kelk, dien Ik u aanbied, na hem zelf tot den bodem te hebben geledigd.
Wij zijn aan onze beminde congregatie gehecht door de banden der kinderlijke tee-derheid, der liefde, der gehoorzaamheid en der geestelijke volmaaktheid. O hoe dierbaar moeten zij ons wezen! De dood alleen zal ze zachtjes ontbinden, maar om ze in den schoot van God te vernieuwen, waar zij in liefelijke ketenen van onverwelkbare bloemen zullen herschapen worden. O Jesus !
geef dat ik begrijp.....Van dit oogenblik
af ben ik uwe gelukkige gevangene, en in niets wil ik mij terugtrekken.
56
HET KARAKTER TEN OPZICHTE VAN HET KLOOSTERLEVEN.
Non est clissensionis Deus, sedpacis; sicut et in omnibus ecclesiis sanctorum doceo.
God is niet een God van tweedracht, maar van vrede; zoo als ik leer in alle vergaderingen der heiligen.
I COR. XIV, 33.
Het hoofdvereischte voor de intreding in het klooster, is misschien niet zoo zeer in de godsvrucht, dan wel in het karakter gelegen, omdat, als het karakter goed en wel gevormd is, de oefeningen van het geestelijke leven voldoende zullen zijn ter spoedige verwekking eener teedere godsvrucht in de ziel. De inborst moet zoodanig wezen, dat aan de gezellinnen aan de kloosterzusters, dat vreedzame leven worde verzekerd, hetwelk
korte overwegingen.
zij in het klooster kwamen zoeken, toen zij het woelige leven der wereld vaarwel zeiden.
le punt. Een enkel slecht karakter is genoeg om den vrede en de eensgezindheid in een geestelijk gesticht te verstoren. De klachten en t gemor raken de harten en kwetsen die. Booze en arglistige ophitsing verdrijft de liefde. Men moge voor een verkeerd karakter op zijne hoede zijn zooveel men wil, toch wordt men in zijn strikken gevangen, en men zegt en doet dingen waarover men later berouw moet hebben. Dan schijnt het dat een schakel van dien goddelijken keten, die alle harten in Jesus vereenigen moet, verbroken is. Bitterheid, achterdocht en tweespalt beginnen te ontstaan tusschen verscheidene kloosterlingen. Van dat oogenblik smaakt men niet meer de zoetheid dezer liefelijke woorden; „Waar meerderen in mijn naa m vergaderd zijn, ben ik in hun midden.quot; Ach! hoe rampzalig is zij, die den goddelijken Meester dwingt om zich te verwijderen. De eerste Christenen waren niet allen priesters noch kloosterlingen, zij leefden te midden
58
het karakt. t. opz. v. h. kloosterleven. 59
der wereld, der heidensche wereld zelfs, en toch rekent de H. Paulus de minste twisten hun tot misdaad toe. Welk een vrede moet er dan niet heerschen in het heiligdom, waar de bruiden van den goddelijken Meester wonen ?
2e punt. Een slecht karakter verspreidt in eene sremeente de somberheid der droefenis.
o
Wij hebben behoefte aan vreugde en geluk in het leven dat wij lijden. Onze taak is hard en wij moeten die voor elkander verzachten in de weinige oogenblikken die wij met onze zusters te samen doorbrengen. Alle harten moeten overeenkomen en eenstemmig kloppen. Een boos karakter zal aan die heilige innigheid in den weg staan. In haar bijzijn is het als of een rouwfloers de gemoederen omsluiert. De glimlach is gedwongen , men durft niet spreken met openhartigheid, men vreest dat een bitter gezegde, een bijtende aanmerking de vreugde dier onschuldige uitboezeming die vaak aan vurige zielen eigen is, zal aanvallen, O Jesus! weer verre van ons die droefgeestigheid, want uw
korte overwegingen.
goddelijk woord zegt ons, dat zij noch met u noch met uwen H. Geest overeenkomt.
3e punt. Het slecht karakter geeft een noodlottig voorbeeld. Als telgen van Adam zijn wij van kindsbeen tot het kwaad geneigd, en ondanks alle bijzondere gunsten waarmede de Heer zich gewaardigt ons te overladen, zijn wij eer aan den invloed van het kwaad dan aan dien van het goed onderhevig. Is er eene kloosterzuster die eene slechte inborst bezit, dan oefent zij dien noodlottigen invloed uit op zwakke zielen. Wanneer deze voor t eerst woorden van gisping en weerspannigheid tegen het door God en zijne Kerk gestelde gezag hooren, dan ondervinden zij er gewis een levendigen afschrik van; maar zoo die woorden zich dikwerf herhalen, ge went men er min of meer aan die te hooren. De afschuw van het kwaad wordt minder leven-dig, en dat is reeds een merkbare daling van de deugd. Ten slotte wordt men vertrouwelijk met die zaken, gelijk men in de wereld gewoon wordt oproerige taal tegen het kerkelijke gezag te vernemen. Wij vrou-
HET KARAKT. T. OPZ. V. H. KLOOSTERLEVEN. 6l
wen zijn van nature zwak, en daarom zouden velen onzer kunnen verleid worden door het slechte voorbeeld , indien het zich ooit in onze gelukkige vereeniging mocht voordoen.
O God! ons opperste goed, die niet een God van tweedracht maar van vrede zijt, geef ons dat wij deugdzaam in uw heiligdom leven, en bewaar ons voor het onheil van daar een steen des aanstoots voor anderen te worden.
HET HUIS MIJNS VADERS.
In domo putris mei !
Joan, xiv, 2.
Haec est Domtis Domini, hier is het huis des Heeren, en de Heer is mijn vader. Hij zeide mij : Dochter, vergeet uw volk en uws vaders huis. loen verliet ik hen die mij het aardsche leven hadden geschonken om voor immer te wonen in het huis van mijn waar-achtigen vader. Aan uwe altaren, Heer Jesus, aan uwe altaren is mijne ziel gehecht, en blijft er met kracht aan verkleefd. Gelijk de musch een woonplaats vindt en de tortel een nest, zoo heeft mijne ziel haar toevluchtsoord gevonden in het huis van haren God. Mijn hemelsche vader weet dat ik licht, voed-
het huis mijns vaders.
scl en het deel mijner erfenis noodig heb, en hij zal niet toelaten dat mij iets ontbreekt.
le punt. Dat hemelsche licht, hetwelk mij op het pad der deugd verlichten moet vind ik in het huis mijns vaders. O Goddelijk licht des Evangelies! 0 heilig licht! dat, Heer, niets anders is dan uwe waarheid, dan uw woord, moge het opgaan over mijne ziel, en de volle dag schijnen. „Die ziel, opgesloten in den kerker des lichaams, heeft behoefte aan licht, aan uw woord, dat als een lamp schijnt voor hare schreden. O Fakkel des geloofs! Gaan wij voort bijzijn stralen, tot de dageraad van den eeuwigen dag zal verschijnen en de schaduwbeelden zullen ondergaan.quot;
De lichten der goddelijke liefde zijn van een vuur en van vlammen, die vele wateren niet kunnen blusschen; zoo mag ook de lamp onzer liefde nimmer worden uitgedoofd in den nacht van onverschilligheid, van lauwheid en ontmoediging. Maar indien onze lamp steeds voorzien moet wezen omdat het geroep te middernacht zich kan doen hooren, en de
63
64 korte overwegingen.
waakzame maagd altijd gereed dient te zijn om den bruidegom voor te gaan op het uur dat hij niet Iaat weten, het licht van onzen geest zij voortdurend ontstoken, omdat door zijn schijnsel zoovele zielen, die nog begraven zijn in de schaduwe der onwetenheid, moeten worden verlicht. O mijn vader! moge ik dan voortgaan van klaarheid tot klaarheid onder de verlichting van uwen H, Geest, en die klaarheid mededeelen aan de mij door uwe voorzienigheid toevertrouwde zielen, opdat zij niet misleid worden te midden van de duisternissen der dwaling en van de verkeerde grondbeginselen der wereld.
2e punt. Mijn vader weet dat ik voedsel noodig heb. Onze vader die in de hemelen zijli Seef ons heden ons dagelijksck brood Niets kan mij ontbreken, hij zal mij geven wat ik behoef, omdat ik hem alles heb geschonken wat ik bezat, toen hij mij zeide: Ga, verkoop alles, en volg mij. Hij wil niet dat ik bekommert zij voor mijn voedsel, omdat hij zorgt voor de vogelen des hemels, en geen enkele hunner op aarde stort zonder
HET HUIS MIJNS VADERS. 65
den wil des hemelschen Vaders. Ik vrees derhalve niets want ik geld meer dan die vogeltjes, die kleine schepsels, waaraan de voorzienigheid zich gewaardigt zulk een moederlijke zorg te besteden.
Maar een ander voedsel heb ik noodig, waarvan Jesus tot zijne leerlingen zeide; „Ik heb eene spijs te nuttigen die gij niet kent. Mijn spijs is den wil te doen van Hem die mij gezonden heeft, en zijn werk te voltooien.quot; Ik nu antwoord hem: Jesus, geef mij uzelven, en die gave zal mij voldoen; want zonder u kan niets mij vertroosten. Ik moet u dikwerf ontvangen tot onderhond mijns levens, om niet, van dat hemelsch voedsel verstoken, van onmacht op den weg te bezwijken; want gij zijt het zoete voedsel der ziel, en degene die u waardig eet zal deel hebben in de erfenis der eeuwige glorie.
O dierbare eenzaamheid! o woestijn mijner keuze! waarin ik met vervoering van blijdschap uitroep: Hemelsche vader, vol van tecderheid parasti in conspectu meo mensam.
korte overwegingen.
Aanbid, mijne ziel, en wees innig dankbaar. O Sacrum convivium! . . .
Mijn hemelsche Vader weet dat ik kleederen noodig heb. Hij die de lelien des velds heeft getooid ; en Salomon was , in al zijn heer. lijkheid, niet gekleed als een van hen. Bekleed mij, o God, met het heilig gewaad der deugden en, na dit leven van beproeving, met dat der glorievolle onsterfelijkheid.
3e punt. Uaec est domus Dei. Hier is het 't huis van mijnen God, mijn te huis en mijn erfdeel.
Wat zal dat deel hier beneden zijn, mijn dierbare goede Meester? Gewaardig u te antwoorden op deze vraag, want ik ben er op gesteld mijn deel te hebben. — Mijne dochter. Ik ben altijd met u, gij zijt altijd met Mij. Al het mijne is het uwe. Ik geef u mijn kruis, zooals mijn hemelsche Vader Mij dat he?ft gegeven, maar ook mijn hart geef Ik u. ja mijne zuster, mijne vriendin , mijne bruid, alles is het uwe: de schatten mijner genade, de smarten der liefde, de zalving van mijn woord en van mijne ingevin-
66
HET HUIS MIJNS VADERS. 67
gen, de bescherming van mijne onbevlekte moeder en van de engelen. Wat verlangt ge nog meer?
Voor uwe heilige voeten, goede Meester, durf ik u vragen , wat het erfdeel uwer dochter zijn zal in de eindelooze eeuwen. — Indien gij Mij getrouw zijt tot aan den jongsten snik uws levens, zal ik tot u zeggen: Kom, gezegende mijns Vaders, ga binnen in die glorierijke en luistervolle erfenis, die van alle eeuwigheid voor u is bereid; kom, opdat Ik u leide in het huis mijner moeder . . . . En gij, prinsen van mijn hemelsch hof, opent uwe poorten, de poorten der eeuwigheid, en laat de dochter van den koning der glorie binnengaan.
Alzoo, voor eeuwig in domo patris mei! o mijne ziel! . .
KLOOSTERLIJKE GEHOORZAAMHEID.
Christus /actus est obediens usque ad mortem,, mortem autem crucis.
Christus is gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den dood des kruises.
Phil, I I , 8.
De gehoorzaamheid is de deugd , die in de Kerk, in de geestelijke gemeenten en zelfs in den hemel de orde verzekert. Zonder gehoorzaamheid in de Kerk, geene eenheid van leer, geene bestendigheid door de eeuwen heen; zonder gehoorzaamheid in de geestelijke gemeenten, geene duurzaamheid, geene kracht, geene werkenvan heiligheid; zonder gehoorzaamheid in den hemel, geene glorierijke overeenstemming, geen volmaakt en bestendiggeluk. Nu, dit geluk werd maar eens gestoord, en de wederspannige engel was er de oorzaak van. De gehoorzaamheid in de Kerk is de vereeniging van aller wil in dien van den algemeenen Vader
kloosterlijke gehoorzaamheid. 69
der geloovigen , de kloosterlijke gehoorzaamheid is de onderwerping van aller wil aan dien van den overste, die van de Kerk de macht heeft ontvangen om te gebieden; de hemelsche gehoorzaamheid is de vereeniging der zuivere geesten en der heilige zielen in den eenigen wil en de volmaakte liefde van God. Overdenken wij, lieve zusters, de verplichting der gehoorzaamheid, de verdienste der gehoorzaamheid, de kracht der gehoorzaamheid.
le punt. Den dag onzer kloostergeloften hebben wij met volle vrijheid onzen wil, op het altaar van het Lam, ten offer gebracht. Onze wil is de kostelijke gave, welke wij, ongedwongen onzen goddelijken Bruidegom hebben opgedragen. Wij mogen hem niet terugnemen, zonder eene onrechtvaardigheid, eene ontvreemding te begaan. Het offer moet voortdurend, de gift moet geheel zijn. Welnu , Jesus stelt menschen aan, die in zijnen naam bevelen. Het zijn onze kerkelijke overheden, en diegene onder onze zusters, die, krachtens de macht van den bisschop ontvan-
KORTE OVERWEGINGEN.
gen, de zending hebben van te gebieden. Wij moeten gehoorzamen om het stellig verdrag met Jezus aangegaan te volbrengen, om in zekerheid te wezen, om in staat te zijn de deugd te beoefenen en een weinig goeds te verrichten. Dit is zeer gewichtig. O mijn God! de gehoorzaamheid kan mij soms pijnlijk vallen; doch zij wordt zoet, als ik uw bloedig kruis aanschouw. Christus factus est obediens usque ad mortem. En ik ook, ik moet en ik wil gehoorzaam zijn tot den dood. De gehoorzaamheid zal mij zoet wezen, wanneer ik onophoudelijk met Jesus zal zeggen: Ik ben gekomen, Vader, ik ben gekomen om uwen wil te volbrengen. Ik wil gehoorzamen, ik wil het, en uwe wet, de wet der gehoorzaamheid is in het midden van mijn hart. In het midden; begrijp ik goed deze uitdrukking ? in het midden, als op een troon, en niet droevig in een hoek verbannen.
Indien Jesus hier verscheen en mij zeide: Mijne dochter, wees stilzwijgend; onderhoud dit punt van den regel, verricht uw
70
KLOOSTERLIJKE GEHOORZAAMHEID. 71
gebed op dat uur, geef deze les, houd daar het opzicht, lees dit boek niet zonder toelating; zou ik ongehoorzaam durven zijn? En indien Hij mij diezelfde dingen Iaat zeggen door een persoon met zijn gezag bekleed, is het dan geene beleediging jegens Hem zeiven, zoo ik weiger te gehoorzamen?
Welke zijn de gebreken onzer gehoorzaamheid? Het onderzoek van den staat onzer ziel onder het opzicht der gehoorzaamheid is een der gewichtigste punten van ons geestelijk leven. O mijn God ! wij hebben gelofte gedaan, en Gij zegt ons: Vovite et reddite. Wij moeten teruggeven , wij moeten geven wat wij beloofd hebben.
Er zijn godminnende zielen, die willen gehoorzamen in de groote zaken en die zich in de kleine gewoonlijk van de gehoorzaamheid ontslaan. Maar er zijn zoo weinig groote zaken, bijna geene. Men redeneert tegen de gehoorzaamheid bij zijne zusters, en men geeft ergenis, dat wil zeggen, men brengt inwendige akten van ongehoorzaamheid, toestemmingen in de ongehoorzaamheid te weeg bij
korte overwegingen.
verscheidene zielen, aan de gehoorzaamheid gewijd. Men bespreekt het vóór en tegen der ontvangene bevelen, men ontleedt ze onder het opzicht van de billijkheid, de gepastheid, de voeglijkheid of het welgevallen. Helaas! men vergeet dat het Klooster geene rechtbank , maar eene school van gehoorzaamheid is. Sommige godminnende zielen gehoorzamen in de zaken, die haar aangenaam zijn, maar niet in die haar mishagen; andere vermijden alle uitdrukkelijke ongehoorzaamheid, maar zij beoefenen de deugd van gehoorzaamheid niet, en nooit verrichten zij eene daad van vrijwillige gehoorzaamheid. Men neemt maatregelen om zijn leven in dien middelweg door te brengen; men volgt eene soort van behendige staatkunde om naar zijn goeddunken te leven, zonder ergenis te geven, en bijna zonder van de andere opgemerkt te worden. En de deugd, de deugd van gehoorzaamheid ? Bestaat zij dan niet in edelmoedig te gehoorzamen , en niet alleen in niet ongehoorzaam te zijn ?
2e punt. Verdienste der gehoorzaamheid.
72
KLOOSTERLIJKE GEHOORZAAMHEID, 73
Om verdienstelijk te wezen, moet zij vrijwillig en liefdevol zijn, hoewel zij pijnlijk kan vallen. Daarin ligt alles. Eene gehoorzame ziel zou verschikt zijn bij de gedachte een geheelen dag te hebben doorgebracht, zonder gelegenheid te hebben gehad tot beoefening barer geliefkoosde deugd. Mijne goede zuster indien gij den ganschen dag geene enkele vrijwillige oefening van gehoorzaamheid volbracht hebt, kunt gij dan niet zeggen:, Ik heb mijnen dag verloren? Hoeveel zulke dagen hebt gij sedert uwe kloostergeloften reeds verloren ? De gehoorzaamheid is de ware wezenlijke overwinning der godminnende ziel. Indien zij deze niet behaalt, welke zal zij dan behalen?
Doch ziehier het bijzonder oordeel eener godminnende ziel. Hare drie geloften maken er den grondslag van uit. Het boek ligt open bij het hoofdstuk: gehoorzaamheid. Staan er op de bladzijden van dit leven menigvuldige oefeningen van volmaakte gehoorzaamheid in gouden letters geschreven? Bijna niet, de droevigste leegte. O mijn God! welk zal
KORTE OVERWEGINGEN.
het lot dier ziel wezen? Zal het haar genoeg zijn den Rechter te antwoorden: Ziehier mijne zuiverheid, ziehier mijne armoede ? De eerste was misschien zonder harden strijd, de tweede zonder zware ontberingen. Daar is dus eene overgroote leemte.
Wij hebben onze gebeden, ons onderwijs. Ja, zeker, deze werken, ingegeven door de gehoorzaamheid, steunend op de gehoorzaamheid , overeenstemmend met het alge-meene plan der gehoorzaamheid. zijn zeer heilig en verdienstelijk; doch buiten die voorwaarden, zijn het verwelkte bloemen, helaas!
Ik volbreng mijnen regel naar de letter doch ik beoefen de gehoorzaamheid niet, mijn hart is niet met de overheid, het maakt zijn eigen middelpunt, zijn eigen gezag, zijn eigen bestuur uit... . Helaas ! altijd dezelfde leemte! De deugd van gehoorzaamheid houdt zich aan de doode letter niet. Zij leeft, zij is bezield; zij maakt levend en bezielt alles rondom zich.
De bloemen der gehoorzaamheid zijn on-
74
kloosterlijke gehoorzaamheid. 75
sterfelijk. Indien zij niet schitteren in de kroon eener God-gewijde maagd, dan zijn hare andere bloemen in gevaar van de verwelken, van in stof te vergaan Waaruit zal hare kroon van maagdelijke uitmuntendheid dan vervaardigd zijn?
O mijn goddelijke Jesus, Gij die de gloriekroon uwer heilige menschheid uit krachtdadige, duurzame, pijnlijke en bloedige gehoorzaamheid hebt willen vormen, geef mij, door die heilige gloriekroon, de genade eene edelmoedige, volkomene en volhardende gehoorzaamheid te beoefenen.
3e punt. Kracht en schoonheid der gehoorzaamheid. Daar de wil het krachtigste onzer vermogens is, zoo is het offer , waardoor wij er afstand van doen om hem te volmaken, het grootste en het verdienstelijkste offer. Wij zeggen, om den wil te volmaken, want er is geen sprake van dien te vernietigen. Eene ziel, volmaakt geoefend in de gehoorzaamheid , wordt dikwijls bekwaam om waardig te gebieden. Haar oordeel ontwikkelt zich, hare hartstochten zijn overwonnen;
7^ KORTE OVERWEGINGEN.
spreken, handelen, raad geven, gebieden , dit alles zal zij doen met wijsheid en voorzichtigheid, zonder eigenliefde of overheersching.
Door de gehoorzaamheid worden wij in andere menschen herschapen. Zij maakt onze te vurige inborst rustiger en meer onderworpen aan de rede ; aan onze zorgelooze en vadsige natuur geeft zij meer levendigheid en meer ijver tot het beoefenen van elke deugd; zij veredelt het karakter en geeft het die beminnelijkheid, door welke wij soms in de moeielijkste werken gemakkelijk slagen.
Tot hiertoe hebben wij ous op de wegen der volmaaktheid voortgesleept, de gehoorzaamheid zal ons vleugelen geven om te vliegen, want zij zal den Heer dwingen , zich aan ons kenbaar te maken en gemeenzaam met ons te handelen. En onze godsvrucht zal teergevoeliger, onze vrede volmaakter worden de bewegingen onzes harten zullen zachter , geruster, en onze gedachten verhevener zijn; onze invloed op de jongere zusters, op de leerlingen zal toenemen, naarmate wij in de gehoorzaamheid vorderen.
KLOOSTERLIJKE GEHOORZAAMHEID. 77
O kracht der kloosterlijke gehoorzaamheid! Beschouwt die groote orden, die eeuwen hebben doorleefd. In Azië , in Amerika, overal zult gij denzelfden regel , dezelfde oefeningen, dezelfde gebruiken vinden, en daar waar het mogelijk is, het zelfde voedsel en dezelfde kleeding, als in dit aloude gesticht, bakermat der orde. Niemand zou zoo vermetel durven zijn, een punt van den regel te veranderen, of een iota ervan weg te laten. En ziedaar, waarom die orden leven, in stand blijven, en waarom zij beschermers in den hemel hebben, en van de geheele wereld geërbiedigd zijn.
O dierbare en nederige kleine gemeente, waartoe ik behoor, moget gij op de hechte grondslagen der gehoorzaamheid gevestigd zijn ! mogen onze zusters, ver van het moederhuis gezonden, in de gehoorzaamheid gevestigd en geworteld zijn ! mogen zij hare groote verantwoordelijkheid voor God en de Kerk begrijpen ! dat zij toch geene puinhopen stichten. want zonder den geest van gehoorzaamheid zullen wij geenen steen op den ande-
78 KORTE OVERWEGINGEN.
re laten dat wil zeggen, levende steenen, door de genade van den heiligen Geest bezield mogen zij begrijpen dat het niet alleen hierop aankomt, scholen te stichten, maar echte huizen van Nazareth, den goedkeurende glimlach van Jesus, Maria en Jozef waardig. En daarom, dat zij dikwijls herzeggen , en herhalen wij dikwijls te samen deze plechtige woorden;
Christus factus est obediens usque ad mortem , mortem ait tem Crucis; propter quod et Deus exaltavit ilhtm, et donavit illi nomen quod est super omne nomen.
EEN VAN HART EN VAN ZIEL.
Charitas v es tra majis ac magis ahundet in scientia ct in omni sensu.
Uwe liefde moge meer en meer toenemen in wijsheid en in alle wetenschap.
Philip. I, 9.
le punt. Wz/ moeten één zijn van hart en van ziel, gelijk de zaligen in den hemel, gelijk het heilig gezin te Nazareth, gelijk de eerste christenen. Zoo in den hemel ooit een schijn van oneenighcid en afgunst ware, dan zou de hemel niet meer de hemel , en het geluk der uitverkorenen verdwenen zijn. In het heilig gezin van Nazareth was de ver-eeniging van Jesus , Maria en Jozef als eene afbeelding van de vereeniging der drie goddelijke personen. Eenheid en drievuldigheid! Verheven geheim in de glorie des hemels,
KORTE OVERWEGINGEN.
zoet geheim in de nederige woning van Nazareth. De blik van Jesus was het licht voor de oogen van Maria en Jozef; het kloppen van Jesus hart stemde overeen met het kloppen van hunne harten De lucht dier heilige plaats was vervuld van de geur der liefde; onuitsprekelijke liefde, oprechte verhouding, volmaakter dan er ooit cene bestond.
Zullen wij, na de beschouwing van dit tafereel, nog ooit een hard of scherp woord eene onzer zusters toespreken'? Nog in geschil komen over eene nietigheid? Nog gelijk willen hebben ten koste der liefde ? Onderzoeken wij ons zeiven. Zijn wij in geweten overtuigd dat wij engelen van vrede zijn in het huis van Nazareth? Hebben wij onze zusters geen leed aangedaan? Gevoelen wij geen afgekeerdheid ? Is er eene onder de zusters die wij niet beminnen? Is dat zoo, o wat doen wij dan in het huisje van Nazareth? De bedroelde Jesus, Maria en Jozef zeggen zij ons niet in het binnenste van ons gemoed: Waarom toch, ziel vol bitterheid, verstoort gij den vrede van ons heiligdom?
8o
een van hart en van ziel. 8l
2quot; punt. Wij' moeten éen zijn van hart en van ziel om als ware bridden van Jesus Christus te leven. Ach! zoo het ons ooit is overkomen dat ons een vreeselijke godslastering in de ooren klonk, dan hebben wij terstond gehuiverd en in het binnenste van ons bedroefd hart een akt van eerherstel aan de goddelijke majesteit gebracht voor die ontzettende beleediging. Welnu, de geschillen in een geestelijk gezin zijn voor het hart van den goddelijken Bruidegom even zoovele godslasteringen. „Indien het van den kant der genen ware die mij niet kennen, zoo schijnt Hij ons al zuchtend te zeggen, maar van uwen kant, mijne dochters en bruiden ! . . . Ach! waarom kwetst gij het hart dat u zoozeer bemind heeft ? Ik wil dat dit hart zijn rust en voldoening vinde in deze gelukkige Communiteit, waar de liefde oppermachtig heerschen moet. Ik wil dat het vuur mijner liefde daar brande zonder terughouding, dat mijne tranen er afgedroogd worden, dat mijne vermoeienissen, mijne smarten en wonden met al het lijden van mijn leven en
82 korte overwegingen.
dood er verzachting bekomen. En wanneer zal dat zijn? Als gij elkander beminnen, jegens elkander voorkomend zijn, elkander vergeven zult. Dan ben Ik in uw midden, in het hart van ieder uwer. Zoo gij elkaar bemint, zal Ik u beminnen; zoo gij u met elkaar verstaat, zal Ik luisteren naar de minste uwer verzuchtingen. Onder u zal Ik mijn vermaak zoeken, onder u mijn troon opslaan, en te midden van dat liefelijk hof zal Ik, gelijk weleer op oen berg, lessen geven van heilige volmaaktheid.
3= punt. Wij moeten één zijn van hart en van ziel in het groote werk der opvoeding. Laat ons gesamenlijk tot het zelfde doel gaan en wij zullen eene glansrijke overwinning behalen. Jesus, onze koning wacht ons. Om voor Hem de zielen te winnen, waarvan Hij ons de leiding heeft toevertrouwd, is het noodig dat wij één zijn van handelwijze, maat één van hart vooral. Dat zal mogelijk en gemakkelijk wezen door ons te richten naar Jesus' hart. Verloochenen, vernietigen wij ons zeiven, en wij zullen een zelfde handel-
EKN VAN HART EN VAN ZIEL. 83
wijze volgen, want dan is ons eenig belang dat van de glorie Gods. Zoeken wij te weten, niet zoozeer of de leerlingen ons eerbiedigen, ons beminnen, maar of wij ons zeiven eerbiedigen , of wij in hun bijzijn ons gedragen als waardigen bruiden van Jesus Christus, en of wij hen niet leiden langs gevaarlijke wegen. Hebben wij den geest van het H. Huisgezin ? Zijn wij van hart en ziel e'en met onze oversten en medezusters? Zeggen wij nimmer in droevige eigenwijsheid: Dit of dat zal ik wel zelf beschikken?
O Zoete drievuldigheid dezer aarde, o Jesus, o Maria, o Jozef, waakt over ons! en geeft aan dit geestelijk gezin een te zijn van hart en van ziel, opdat het nimmer den schoonen naam onteere die de H. Kerk er aan heeft willen toestaan.
HET JUK DES HEEREN.
Tollite jugum meuni super vos, et discite a me quia mitis sum et humilis corde et invenietis requiem anima-hus vestris.
Neemt raijn juk op u, en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van harte ; en gij zult rust voor uwe zielen vinden. Matth. XT, 29.
le punt. Teder mensch draagt noodzakelijkerwijze een juk. Men heeft het zware juk der wereld ; het verschrikkelijk juk van den duivel en de hartstochten; het beminnelijk juk des Heeren en dat dragen wij, bevoorrechte zielen. Tollite neemt op, zegt Jesus en volgt Mij. Neemt mijn juk op, dat is de hoofdvoorwaarde van uw geluk. Hoe ! Gij wilt ons, Heer gelukkig maken door het opleggen van een juk , d. i. van een zwaren
het juk des heeren.
last ? „O dierbare zielen, hoe zoet en zacht zou dat juk wezen, indien gij grootmoedig kondet beminnen ; het is quot;t juk mijner evangelische raden, het is uw heilige regel, het is uwe toewijding aan het heilig werk, aan het werk, dat gij uitbreiden en voortplanten moet met de hulp der genade en voor de eer van God. Tollite jugum meum super vos ! Ja. goede Jesus. wij willen dat doen; en wij zullen het doen met moed, met volharding, met liefde.
2e punt. Discite a me, quia mitis sum ei humilis corde. „Leert van Mij .... Ik ben uw meester, mijne bruiden, weest mij getrouwe en leerzame discipelen.quot; Zie Heer, wij zijn bij U ter school om uwe goddelijke lessen te ontvangen. Gij zijt zachtmoedig en nederig van hart. Wij hebben behoefte aan onderwijs in zachtzinnigheid en ootmoed, ten einde heilig te leven in deze eenzaamheid , waar Gij ons hebt binnengeleid. Uit het binnenste van uwen tabernakel onderricht Gij mij hoe ik de heilige wet, den regel, die Gij mij gaaft onderhouden moet. Gij
85
korte overwegingen.
zegt mij daarenboven ; Leer van Mij u zeiven steeds zonder morren te slachtofferren ; leer van Mij getrouw uw plicht te vervullen ondanks afkeer, ondanks tegenzin ; leer van Mij die personen lief te hebben, welke neigingen bezitten tegenstrijdig aan de uwe, degenen te beminnen, die u vervolgen en kwaad van u spreken.
3e punt. Invenietis requiem animabus vestris. Gij zult den vrede uwer zielen vinden. O goede Jesus ! het is dan daar dat v\ij die rust moeten zoeken. Vrede en rust bevinden zich slechts onder uw allerbeminnelijkst juk. O diepte ! o waarheid van dat evangelisch w^oord ! Ik erken het: wanneer ik het heilzaam juk van den regel en de gehoorzaamheid wilde afschudden, verloor ik de rust; wanneer ik voldoening mijner zinnen verkoos inplaats van de heilige wetten der versterving op te volgen, verloor ik de rust; wanneer ik iets anders begeerde dan uwen heiligen wil, o mijn God, verloor ik de rust, Invenietis requiem animabus vestris. O zoete vergelding ! hierbeneden de rust in
86
HET JUK DES HEEREN.
de overwinning der booze lusten, de kalmte van een hart dat steunt op den almachtigen arm van zijn God, en vervolgens de eeuwige rust, de onvermengde vreugde, het paradijs van genoegens.
O mijn God ! leg mij uw allerbeminnelijkst juk op, en geef dat ik het met getrouwheid drage, het niet meer van mijne schouders afwerpe , opdat ik eenmaal kunne zeggen : Ik zocht overal rust en vond die in de erfenis des Heeren ; in omnibus requiem quaesivi, et in hereditair Domini morabor.
8?
DE KLOOSTERLIJKE NEDERIGHEID.
Respexit humilitatem ancillae suae.
Hij zag neder op de gezindheid zijner dienstmaagd. Luc. I, 48.
Hooren wij den H. Franciscus van Sales; Nederigheid is niets anders dan de moed om de waarheid in al hare gestrengheid en met al hare gevolgtrekkingen op zich zeiven toe te passen; en de H. Laurentius Justinianus zegt: Alleen hij, die deze deugd bezit, kan haar volkomen begrijpen. Wij, derhalve, begrijpen haar slechts ten deele. Wij bewonderen haar in anderen ; maar wat kost het ons niet haar degelijk te beoefenen!
iquot; punt. Het doel van ons kloosterlijk leven is aan Jesus te behagen, ons welgevallig te doen zijn in zijne oogen, en zijn
pe kloosterlijke nederigheid. 8g
goddelijk Hart te bevredigen; doch zonder de nederigheid kunnen wij zulks niet. Den nederige en eenvoudige roept Hij tot Zich, doch den trotsche wederstaat Hij: Respexü Immilitatem ancillae siiae.
De nederigheid is het kenmerk der krachtige en grootmoedige zielen. Er wordt moed toe vereischt om onzen eigen dunk met voeten te treden, en niet gehecht te zijn aan de betuigingen van de hoogachting der men-schen. Zijn wij eenmaal dezen weg ingeslagen, en wel overtuigd van onze nietigheid zoodat wij alles aan God doen toekomen, dan zullen wij ons verheugen in een grooten vrede; en , naarmate wij meer in de nederigheid zijn bevestigd, zal onze vrede inniger zijn, en als 't ware onverstoorbaar worden.
2e punt. Men kan de nederigheid bezitten op twee verschillende wijzen. De eerste bestaat in het bezit zelf der deugd; de tweede, in den strijd om haar te verkrijgen.
De heilige ziel die voortdurend leeft in het bewustzijn barer nietigheid tegen over God, en wier rustige blik niet meer beneveld wordt
KORTE OVERWEGINGEN.
door gedachten van ijdelheid, die niet den minsten afkeer meer gevoelt van minachting, onrecht, vergetenheid, en 't gemis van aanzien, is ongetwijfeld in een staat van zaligheid op aarde. Deze zoo verheven deugd kunnen wij hegeeren, aan God vragen en geduldig verwachten; maar 't is eene genade, waarvoor wij ons alleronwaardigst moeten erkennen.
De tweede soort van nederigheid, die welke ons betreft, bestaat in het bestrijden van de gedachten, de opwellingen der ijdelheid, van dien hoogmoed, waardoor we nu en dan worden gekweld; zij bestaat in het te boven komen der afkeerigheden van den wil ten opzichte der vernederingen, die zich voordoen, in het gewillig aannemen van dien bitteren kelk,in het overtuigen van zich zeiven dat dit billijk is, en in het zeggen met een gelaten en oprecht gemoed: Het is mij goed, Heer, het is mij zeer goed dat gij mij vernederd hebt. Zachtmoedige en vroome onderwerping , zoo welgevallig aan Jesus! Alsdan ziet Hij met liefde op de geringheid zijner dienstmaagd neder.
9°
be kloosterlijke nederigheid. ql
3quot; punt. Onderzoeken wij de echte waarheid ten opzichte van ons zeiven: Wat ben ik voor God, wat ben ik voor de geestelijke Communiteit? —Wat ben ik voor God? Mijn geweten dwingt mij beschaamd het hoofd te buigen en mijne algeheele onwaardigheid te bekennen. Wat al fouten en nalatigheden! Welk eene lauwheid of koelheid in mijne oefeningen van godsvrucht! Wat al fouten tegen de kloosterlijke deugden! bovenal tegen die, welke bizonder het doel zijn van de congregatie , waartoe ik behoor. Helaas ! Wat ben ik voor God! En niettemin wil ik geacht,
bemind, geprezen en bevoorrecht zijn.....
Vergeef mij, o God! Ik wil in 't vervolg voor uwe goddelijke majesteit, voor de men-schen verkeeren in de gevoelens die mij passen , gevoelens van de onvervalschte werkelijkheid, en dan, vertrouw ik, zult Gij u gewaardigen een blik van mededoogen, van ontferming en teederheid op mij te werpen.
Wat ben ik voor de Communiteit? De Heer Jesus heeft mij gezegd : Uw licht schijne voor de menschen, opdat mijn hemelsche
KORTE OVERWEGINGEN.
Vader door uwe werken verheerlijkt worde. Welk is dat licht ? Het is dat van het voorbeeld, van de volkomen gehoorzaamheid, van de getrouwheid aan den regel. Wat ben ik voor de Communiteit ? Ach ! zoo mijn voorbeeld niets anders ware dan een valsch schijnsel, dat anderen doet afdwalen; zoo mijne kloosterzusters, mijne voetstappen volgende, misslagen begingen, de eene al droeviger dan de andere; zoo de novicen en jongere zusters niets anders van mij leerden dan het verzuim der heilige verplichtingen van hunnen staat... Mijn Heer en God; wat ben ik dan voor de Communiteit? Welk is de invloed , dien ik
uitoefen ?..... Dat mijn geweten antwoor-
de..... En zal ik daarna bevinden dat ik
eenige rede heb mij zelve te verheffen , en aanspraak te maken op elks achting en bewondering ?
O Jesus , zoo ik de waarheid liefheb , moet ik noodzakelijk de nederigheid beminnen ; zoo ik U bemin , moet ik liefde hebben voor de nederigheid , voor de deugd die niet te scheiden is van de liefde: immers er bestaat geene
92
DE KLOOSTERLIJKE NEDERIGHEID. 93
ware liefde zonder ootmoed. O mijn God! slechts de waarlijk nederige zielen verkrijgen eene duurzame deugd. Gij verleent uwe sterkte aan hen, die niet meer vertrouwen op eigen kracht, wijl deze slechts een zwak riet is , dat breekt bij de minste poging , en de onvoorzichtige hand kwetst, die er op steunde.
NIEUW SCHEPSEL IN JESUS CHRISTUS.
Si qua ergo in Chris to nova crca-tura: vetera transierunt : eccc facta sunt omnia nova.
Derhalve, indien iemand in Christus is, hij is een nieuw schepsel; de oude dingen zijn voorbijgegaan; zie, het is alles nieuw geworden.
ii Cor. v, 17.
le punt. Een nieuw schepsel worden in Jesus Christus, dat is alles verlaten dat Jesus niet is, alles wat strijdig is met zijne leering, met zijne voorbeelden, alles wat niet is volgens zijn hart; t is de werken van den duivel, te weten, de zonde verlaten; 't is gansch en al breken met het oude serpent, en een nieuw verbond aangaan met onzen God door het bloed van zijnen Zoon. Een nieuw schepsel worden in Jesus Christus, o
nieuw schepsel in jesus christus. 95
mijne ziel, dat is ge ene vreemdelinge meer wezen in zijn huis, dat is gemeenzaam tot Hem naderen, in zijne volmaaktere kennis, in zijne vertrouwelijkheid treden, deelnemen in zijne zoete toespraken, en eene teedere vriendschap met Hem aanknoopen. Een nieuw schepsel zijn in Jesus Christus, dat is Jesus gevoelens, Jesus belangen aannemen, al zijne voorschriften liefhebben en volgen , bevlijtigd zijn voor zijne glorie, en verslonden door den ijver voor zijn huis. Een nieuw schepsel worden in jesus Christus , dat is in de orde der genade, alsof, in de stoffelijke orde, eene arme ellendige, met lompen bedekt, zich eensklaps veranderd zag in eene vorstin, in het wit en purper gekleed, schitterend van kostbare sieraden en vol koninklijke majesteit. Deze verandering is de vrucht eener getrouwe beantwoording aan de genade. God heeft alle dingen vernieuwd , Hij heeft een weg gebaand in de woestijn, Hij heeft de leliën en rozen doen bloeien, daar waar slechts distels en doornen stonden.
2e punt. De o tide dingen zijn voor bij ge-
KORTE OVERWEGINGEN.
96
gaan. Begeert gij te weten of iemand een nieuw schepsel is geworden in Jesus Christus , ziehier het teeken,waaraan gij dit zult kennen, de oude dingen zijn voorbijgegaan. Is het inderdaad zoo met mij gesteld ? Als Jesus in mij komt door de heilige Communie, kan Hij dan een blik van welbehagen op mij laten vallen, en met vreugde zamp;ggamp;w. de oitde dingen zijn voorbijgegaan? Zie wel toe, mijne ziel, en treed in de bijzonderheden, treed in u zelve. Is alles wat met de geboden van uwen Heer en God strijdig was voorbij? Is de hoogmoed, die gecne vermaning dulden kan voorbij? de zinnelijke , ijdele en hardnekkige verkleefdheden, die zoo vreeselijk de liefde van Jesus beleedigden , zijn die voorbij ? die wrevel tegen de naaste, die afkeerighe-den, die jaloersheid, zijn zij voorbij? en die neiging tot gramschap, die verborgen driftigheid , die heimelijke verbittering, is dat alles voorbij? en dat gebrek aan rechtzinnigheid, die er u toe bracht te veinzen in tegenwoordigheid van uwen God, te veinzen voor het aanschijn der menschen, voor uw geweten
nieuw schepsel in jesus christus. 97
zelf, en in den stoel van boetvaardigheid , is dat alles voorbij ? en de traagheid in het volbrengen der plichten van uwen staat, traagheid die u zoo stijfhoofdig deed zeggen ; „Maar ik kan zulks niet doen , ik heb daar. voor geen aanleg , geene geschiktheid is die voorbij ? is zij voorbij, die geestelijke traagheid , die u onverschillig liet in al wat den dienst van uwen God betreft ? is het ijs tus-schen God en u verbroken? Zijn de oude dingen voorbijgegaan om niet meer terug te keeren ? Heeft de H. Geest in u eene nieuwe schepping volbracht , en is het aanschijn der aarde vernieuwd ?
3e punt. En zie, alles is nieuw geworden. Alles is nieuw in dat hart. De nederigheid heerscht op de puinen van den hoogmoed , zij doet aan dat hart zijne ellende kennen, en beveiligt het tegen gevaar, door dit onophoudelijk aan te wijzen; eene zachtmoedige onderwerping neemt de plaats in van een zoo langdurigen, zoo menigmaal hernieuwden wederstand , van een zoo onoverwinnelijk verzet tegen den regel, tegen de
KORTE OVERWEGINGEN.
overheid; eene krachtige neiging tot zachtaardigheid heeft bijna gezegepraald over die grammoedige natuur; de lastigste plicht is gemakkelijk geworden uit liefde voor Jesus. Alles is nieuw in dat hart. Daar is noch list , noch geveinsdheid , noch valsche nederigheid meer , omdat het oog van God het bestraalt, zoodanig dat het een afschrik heeft van een stofje , van de minste dagelijksche zonde , van eene vrijwillige onvolmaaktheid. Alles is er nieuw ! En Jesus treedt in zijn eigendom. Jesus vestigt er zijn verblijf met den Vader en den H. Geest. Zoo iemand Mij liefheeft, hij zal mijn woord bewaren; en mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en ons verblijf in hem nemen.
O mijn Vader , zie mij hier in uwe heilige tegenwoordigheid , en tegenover de waarheden , die ik mocht hoeren. Vol schaamte erken ik dat de oude dingen geenszins voorbij zijn. In verscheidene zeer gewichtige punten blijt mij eene noodzakelijke hervorming té volbrengen. Ik zie het in het licht uwer genade. Er zijn in mijne ziel vlekken, die
98
NIEUW SCHEPSEL IN JESUS CHRISTUS. 99
hare schaduw op al mijne werken uitspreiden , en ze der belooning onwaardig maken. Welnu ! hier ben ik , o mijn Zaligmaker! nog eens kom ik mij in uw edelmoedig bloed reinigen. Moge ik een nieuw schepsel worden in U , in uwe heilige liefde ; dat de oude dingen voor altijd voorbijgaan, dat alles in mij vernieuwd worde, dat een nieuw licht op mij schittere. Aan U zal de eer van deze vernieuwing toekomen ; U zal recht wedervaren, want het is tijd dat Gij in onbetwist bezit treedt van hetgeen U toebehoort, dat wil zeggen van mijn leven , van mijne ziel, van al mijne gevoelens , van al mijne geneigdheden.
RUST DES HARTEN.
Irrequietum est cor nostrum, donee requieseat in te.
Ons hart is onrustig, lt;3 Heer, zoolang het niet rust in U.
H. Aug.
Alle dagen zijn wij in de gelegenheid, dit woord van den H. Augustinus, dat zooveel waarheid bevat, op ons toe te passen. Hij had dien druk des harten gevoeld, evenals wij hem gevoelen. Ons arm hart zal dan onrustig zijn, zoolang het niet rust in God, dat wil zeggen, in den schoot der eeuwige rust, of in de rust van dien graad van volmaaktheid tot welken God ons hier beneden roept.
ie punt. Mijn hart is onrustig en vindt geene rust in het lijden. Het is ontsteld,
rust des harten.
beklemd, ontroerd, het zucht, het zoekt eenige verlichting bij de schepselen, en het kan er geene vinden. O mijn hart! kondet gij eindelijk begrijpen , dat gij uwe rust moet vinden op het kruis, dat er geene andere hier beneden is, dat gij daar ten minste met Jesus zoudt zijn en gij zoudt mogen zeggen: Ik ben in vrede te midden mijner allerhoogste bitterheid.
2e punt. Mijn hart is onrustig en heeft geene rust in mijne dagelijksche, moeielijke plichten. Indien ik ze alleen in God kon liefhebben, indien ik ze met die gemakkelijkheid kon vervullen, waarmede de engelen de bevelen des Almachtigen volbrengen! Helaas! in dit tranendal zal het nooit geheel en al zoo zijn. De arbeid zal altijd met moeite gepaard gaan, omdat hij eene uitboeting is. Gaat waar gij wilt, doet wat gij wilt, plaats u in eenen staat die geheel met uwe verlangens overeenstemt, omringt u met de overvloedigste en aangenaamste hulpmiddelen voor het geestelijk leven, altijd zal de last uws harten u vervolgen. Schrik-
101
7
102 korte overwegingen.
kelijke last somtijds, en die wij kunnen verlichten alleen door eene volmaakte overgeving, door de volkomen gelijkvormigheid van onzen wil met den heiligen wil van God, door onze rust in de wonde van Jesus' hart.
3e punt. Mijn hart is onrustig en heeft geene rust in de eenvoudige genoegens, welke ik op den weg des levens aantref. De zoetheden der vriendschap, de uitboezemingen des harten, de onschuldige uitspanningen, de verheven indruk der godsdienstige feesten, dat alles is slechts voor éen oogenblik, dat alles gaat voorbij, en welhaast doet het gewicht zich wederom gevoelen, kwelt die wreede onrust mij op nieuw. Dus heeft niet éene aardsche vreugde het voorrecht mij gansch tevreden te stellen. Ik zucht te midden van het genot, dat ik zoo vurig verlangd had. O mijn hart, kondet gij eindelijk begrijpen, dat de liefde van Jesus alleen u bevredigen, en u reeds van nu af eene voorsmaak van het eeuwig geluk kan geven.
O Jesus, tot U dan zal ik gaan bij mijne uitwendige smarten, bij mijn inwendig lijden.
RUST DES HARTEN. 103
bij mijn verdriet en mijne vreugde. Alles voor U, alles in U, alles door U. Gij kunt mij troosten door een enkel woord; en aanstonds ben ik kalm en gelaten, omdat Gij mij zegt: Mijne dochter, dat uw hart niet ontsteld zij en dat geene vrees het bevange!
DE GEHOORZAAMHEID DER H. MAAGD.
Ecce ancilla Domini,
Zie de dienstmaagd des Heeren.
Luc. I, 38.
le punt. In ons binnenste, in den grond onzer zondige natuur, is een geneigdheid tot verzet, die ons voortdurend eigen wil doet stellen boven den goddelijken wil, ons beteekend door zijn plaatsvervangers op aarde. De beoefening der gehoorzaamheid vordert dus krachtinspanning van onze ziel: want om te gehoorzamen moeten wij ons zeiven eerst overwinnen. Die weerstreving, welke in ons is, kan de kwelling onzes levens zijn; die weerstreving, heeft zij het van de genade gewonnen, bezorgt ons smartelijke wroegingen ; die weerstreving doet ons eene ver
DE GEHOORZAAMHEID DER H. MAAGD. 105
keerde en gevaarlijke vrijheid liefhebben; die weerstreving verwijdert ons somtijds van de heilige communie, omdat wij hebben gehandeld als een weerspannig kind, dat aan de bevelen zijns vaders weigerde te gehoorzamen. 't Is de worsteling van den eigen wil, die weet dat hij ter dood is veroordeeld , en die niet kan besluiten om te sterven. Ziedaar den waren stand der zaken. Och! of we den moed hadden dien eigen wil den doodsteek te geven.
Maar, zeggen wij, de Allerheiligste Maagd heeft dien strijd niet gehad; zij bezat niet die neiging onzer booze natuur om haar eigen wil te volgen. — Neen, bij het ontluiken van haar verstand , zoo verheven en volmaakt, had zij haren eigen wil als een zuiver slachtoffer opgedragen op het altaar des Heeren. Wil dat zeggen, dat de gehoorzaamheid haar niets gekost heeft? Had haar hart opgehouden gevoelig te zijn, omdat de neigingen van hare ziel geheel rein waren en zonder een schijn van weerstreving aan de heilige wet Gods? Maria heeft haar
106 korte overwegingen.
bloed niet vergoten voor het geloof, en de H. Kerk noemt haar de Koningin der martelaren ; zou het niet door hare volmaakte gehoorzaamheid zijn dat zij de marteling ver duurd heeft? Laat ons zien onder welk opzicht die gehoorzaamheid haar pijnlijk moest vallen.
2e punt. De goddelijke geest voert het heilig en jeugdig slachtoffer naar den tempel. Zij is drie jaren oud, en ontbeert reeds de moederlijke liefkozingen ! Zij leidt een streng leven, een leven van oefening, van gebed, van zelfverloochening; en geen spijt, geen schaduw verduistert die reine offerande. Het leedwezen, van een grootmoedig offer te hebben volbracht, kon in die verheven ziel niet opkomen, maar de smarten van dat offer werden met volmaakte kalmte aanvaard.
Maria is verloofd aan Jozef; zij onderwerpt zich met gevoelens der meest volstrekte onderdanigheid aan zijn gezag. De aartsengel Gabriël boodschapt haar de hooge onderscheiding waarmede God haar vereert; zij buigt zich neêr en uit alleen deze nederige woorden: ecce ancillct Domini.
DE GEHOORZAAMHEID DER H. MAAGD. 107
Hare opmerkingen zijn te helder, hare gewaarwordingen te fijngevoelig, om de sombere twijfelingen niet te bespeuren waarvan Jozefs geest is vervuld; als een zachtzinnig slachtoffer neemt zij daar vrede mee, zich onderwerpend aan dien goddelijken wil, zoogoed door haar gekend.
Gezegend is zij onder alle vrouwen, ja, zij weet het; maar zie, daar krijgt zij het harde bevel zich naar Bethlehem te begeven ; en in welken toestand ? . . . De smarten van den moeielijken tocht, de smarten van het verblijf, de ontberingen van quot;t goddelijk Kind, dat pas geboren is, en dat zij in hare armen houdt, dat zij aan haar maagdelijk hart drukt, dat alles aanvaardt zij in den geest van gehoorzaamheid.
Daar komt van boven een nieuw, een zoo mogelijk nog harder bevel: zij moet den weg der ballingschap op; verre van haar geheiligd vaderland, naar het heidensch Egypte moet zij vluchten; daar, te midden van onverschillige vreemdelingen, of liever te midden van snoode vijanden, moet zij het
108 KORTE OVERWEGINGEN.
leven op nieuw aanvangen. Arme jeugdige moeder! Zij denkt slechts aan den wil des eeuwigen Vaders, en vindt haar genoegen in grootmoedige onderwerping.
In de stilte der overdenking zullen wij het zachtzinnig slachtoffer volgen door alle tijdperken van haar leven van gehoorzaamheid tot aan het laatste offer, tot aan Kal-varie, waar zij nog zegt met haren godde-lijken Zoon: Vader, uw wil geschiede, en niet de mijne.
3e punt. Te vergeefs zoeken wij in het leven der allerheiligste Maagd naar omstandigheden, waarin zij gebood en bevelen gaf; maar hoevele vinden wij er niet waarin zij zich nederig onderwerpt. En dat waren geen handelingen van lichte gehoorzaamheid gelijk die welke ons is opgelegd, neen , het was eene allersmartelijkste gehoorzaamheid. Nimmer was eene moederlijke liefde te vergelijken met die van Maria; en wat is niet het ofter door den hemelschen Vader van die hoogste liefde gevorderd! . .
O heilig slachtoffer der gehoorzaamheid,
DE GEHOORZAAMHEID DER H. MAAGD. ICKJ
hoeveel lijden heeft u die deugd niet gekost, die deugd, u even dierbaar als uwe onuitsprekelijke zuiverheid! Hier echter zou u eene onvruchtbare beschouwing niet voldoen. Neen, neen; gij verlangt navolgsters. O Maria! gij wilt dat ik, naar uw voorbeeld, manmoedig gehoorzame; en 't is zoo weinig, wat de gehoorzaamheid van mij vraagt: het gebed, eenige uren van stilzwijgen, een weinig overweging, een ernstige toewijding aan mijne plichten, de arbeid aan dierbare leerlingen besteed, maar in den geest van gehoorzaamheid en niet naar mijn persoonlijke inzichten. De liefde van Jesus vraagt mij niet dan lichte offers, en ik weiger die te brengen, en het gebeurt dat ik met hoog-moedigen geest zeg: Neen; ik zal niet gehoorzamen ; het woord gehoorzaamheid is te hard, en ik zou het .niet kunnen aan hooren.
Het zal niet meer zijn, o Maria! Wanneer gemor en verzet zich in mijn hart zullen bevinden, zal ik u beschouwen, als ge uit gehoorzaamheid staat aan den voet van Jesus,
HO KORTE OVERWEGINGEN.
kruis, en alle tegenstand zal verdwijnen. Uw voorbeeld zal mij een les zijn, uw voorbeeld zal mij als boek dienen, waarin ik voortdurend de heilige verplichtingen mijner gelofte van gehoorzaamheid zal herlezen.
VERKEER.
Conversatio nostra in coelis est.
Ons verkeer is in den hemel.
Philip. Ill, 20.
De H. Paulus sprak dit verheven woord, niet tot kloosterlingen, maar tot nieuwbe-keerden. Hij spoorde hen aan hier beneden dat waardig en heilig verkeer te beginnen, hetwelk in den hemel en gedurende de gan-schen eeuwigheid zal worden voortgezet. Het is dus en wel voornamelijk , voor ons van belang ons verkeer te regelen, en ons in dit punt te richten volgens zekere algemeene beginselen. Zoo zouden wij ons zelven kunnen voorschrijven dat dit verkeer meerendeels in stille godsvrucht zal geschieden, een ander maal met eene opgewektheid die het hart ver-
korte overwegingen.
ruimt, dan weer belangrijk zal zijn uit een wetenschappelijk oogpunt.
ic punt. Godvruchtig verkeer, ja; maar niet eene soort van geestelijke conferentie. Onze vermoeiende taak, onze menigvuldige plichten eischen, dat geest en hart zich somwijlen ontspannen. Eene overvloedige stof biedt zich hier aan: de plechtigheden der Kerk, de luister van ons dierbaar heiligdom , de indruk door godsdienstige feesten te weeg gebracht, al die heilige genoegens waarvan een weerschijn uitstraalt uit het gemoed, dat ze zorgvuldig met alle nederigheid in zich opnam , het zieleheil, de zedelijke vooruitgang der dierbare leerlingen, ziedaar de onuitputbare bron van de onderhoudingen, die gemeenschap met den hemel hebben, en wier bekoorlijkheid nooit wordt weggenomen door vlagen van droefenis, van misnoegen, van gemor of van afgunst.
Gij die koud en stilzwijgend blijft en u het liefst met uwe al te zelfzuchtige persoonlijkheid bemoeit, gevoelt ge u niet als eene duistere vlek te midden dier hemelsche vreugd? Gij
1 12
VERKEER.
zoudt niet dan over a zelve willen spreken, gij zoudt willen dat de andere hunne aandacht slechts aan u wijden. Hoe zou dat verlangen verdwijnen als gij u zelve kendet! Vraag dat God u de genade der zelfkennis schenke , en aanstonds zult ge veel grootmoediger, waardiger, stichtender, meer onthecht aan u u zelve zijn en uw verkeer zal hemelsch wezen.
Gij kent dat bewonderendwaardig gesprek van den grooten H, Augustinus met zijne moeder, de H. Monica, te Ostia, in de stilte van den avond en bij den glans der sterren aan het uitspansel die boven hunne hoofden flonkerden: „Bij dat venster alleen zijnde, zegt de heilige, onderhielden wij ons met onuitsprekelijke zoetheid; en, het verleden vergetend om slechts aan de toekomst te denken, kwamen wij er toe ons zeiven af te vragen wat toch, in het eeuwige leven, het geluk der heiligen zijn zou, dat geluk door geen oog ooit gezien, door geen oor ooit gehoord, door geen hart ooit vermoed. En wij snakten met de lippen der ziel naar die
113
korte overwegingen.
verheven bronnen des levens die in U zijn, o mijn God! opdat wij er door besproeid en versterkt, tot op zekere hoogte zoo verheven iets zouden kunnen begrijpenquot;. En aldus gaat dat onderhoud voort, dat meer hemelsch dan aardsch was. O dat een enkele toon dezer muziek ook onze ontspanningen aantrekkelijk make !
2e punt. Blijmoedig verkeer. De blijdschap der rechtvaardigen, zegt de Schrijver der Navolging, is van God en in God en hunne vreugde komt voort uit de waarheid. Levendige en zoete opgeruimdheid , vrolijke schaterlach , ongekunstelde eenvoud, vermakelijke gezegden, geestige antwoorden, dat alles is uitmuntend, het verruimt uw hart, het schenkt rust en verfrissching aan den geest. Doch er zijn fouten die gij in het verkeer zorgvuldig moet vermijden , omdat zij uwer roeping onwaardig zijn. Met een enkel woord zullen wij ze aanstippen.
De H. Paulus zeide aan de nieuwbekeerde geloovigen van Ephese : „Men hoore onder u geen dolzinnige dwaze woorden , hetgeen
114
VERKEER.
niet past aan uwe roeping.quot; De uitgelaten vrolijkheid derhalve zou uwer niet waardig zijn ; zij zou u van uwe zedelijke hoogte doen afdalen, zij zou u ongeschikt maken voor uwe edele plichten , zij zou uwe geest be-krompener doen zijn en schade toebrengen aan de ontwikkeling en beschaving van uw verstand. Voortdurende kortswijl teekent een oppervlakkigen geest. Platte uitdrukkingen ergeren fijn gevoelige zielen. De begoocheling van nietswaardigheden ontluistert alle goed, zegt de wijze man. Derhalve, godminnende ziel, ken uwe waardigheid,
De onder het opzicht van strenge welvoe-gelijkheid ook maar eenigzins gewaagde uitdrukkingen zijn altijd verkeerd en in strijd met de kloosterlijke kieschheid. Zij brengen verwarring in de eenvoudige zielen en laten een droefgeestigen indruk na , die zich als een sombere sluier over de gemoederen uitstrekt. Gods woorden zijn kuische woorden , eloquia Domini, eloquia casta.
Meng niet in het algemeen gesprek alle dagelijksche wederwaardigheden, dat zou uit-
115
1 1 6 KORTE OVERWEGINGEN.
loepen op verbittering en moedeloosheid. Waartoe anderen bezwaard met den last dien wij dragen, alsof de hunne niet reeds drukkend genoeg ware?
Vermijd eene te groote spraakzaamheid , die overdreven menigte , dien vloed van woorden, die alleen bewijs geeft van onnadenkendheid-
„Onder vele woorden zijn maar weinig verstandigên. Maak derhalve u niet uitsluitend van het gesprek meester. Het vervelend stilzwijgen zou niet minder een gebrek zijn.
Twisten over een stroohalm, allerlei be. wijzen aanvoeren voor dien stroohalm, en het laatste woord willen hebben over dien stroohalm, verraadt een groot gebrek aan opvoeding en pleit zeker niet voor de deugd van nederigheid.
Spreek zoo weinig mogelijk over u zelve en over uwe familie. Dat is een geliefkoosd onderwerp; dan spreekt de mond uit de volheid des harten, dan doet men zich kennen, dan legt men zijne gedachten bloot meer dan betaamt.
Eerbiedigen wij tot in onze smart vertrou-
verkeer.
welijke gesprekken de eischen dtr naastenliefde. Laten wij, afkeurenswaardige dingen lakend, de personen ontzien. Moet hier nog melding worden gemaakt van den eerbied aan ouderdom, verdiensten en waardigheid verschuldigd ?
Vragen wij dagelijks aan God de genade om Hem nooit met onze woorden te belee-digen ; dat die woorden zuiver en beminnelijk van onze lippen mogen vloeien, en rondom ons de ware vreugde van Gods kinderen verspreiden. Verheugen wij ons in den Heer, en verheugen wij onze gezellinnen. O mijn God, uw heilige vrede, de vrede uwer kinderen heersche in mijn hart, en aldus moge ik zegevieren over elke zwaarmoedigheid , over elk gevoel dat mij in verkeerde mistroostigheid zou kunnen doen vallen.
3e punt. En, weet het wel, uwe leerlingen moeten ten minste evenzeer door uwe gesprekken gevormd worden als door uwe lessen. Doch hier wordt uwe taak zeer moeie-lijk. Al te levendige, driftige uitdrukkingen misplaatste terechtwijzingen, onbezonnenhe-
117
Il8 KORTE OVERWEGINGEN.
den, ondoordachte gezegden, alles wordt dooide leerlingen opgehaald en ten strengste uitgelegd. O! die ondoordachte gezegden vooral tot grootere leerlingen, of tot degenen die zelf bestemd zijn voor het onderwijs ! zij ontnemen u alle overwicht en doen uw gezag te niet. „Uwe spraak maakt u bekendquot; zooals de joden tot Petrus zeiden.
Gij hebt reeds bemerkt, dat onze jonge leerlingen houden van een gesprek dat in den grond ernstig is, wanneer men daaraan een weinig smaak weet te geven. In uw kennis bezit ge een goudmijn. Wat al hulpmiddelen om die jongelieden te boeien, in te nemen, en haar te verheffen boven die armzalige nietswaardigheden , waarmede hare kindsheid meestal werd misleid. O schoone en godsdienstige gesprekken, die zulke diepe sporen in jeugdige zielen achterlaten, wat zal uwe vergelding groot zijn ! Gij gaaft den kinderen onsterfelijke bloemen in de handen , opgezameld in uwe vrome herinneringen, in uwe schoone studiën ; langzamerhand vormdet gij voor haar dien kostbaren ruiker, dien zij
VERKEER.
mede zullen nemen en dien des werelds ademtocht nimmer zal doen verwelken.
O mijn God! die door uwen apostel gezegd hebt: hij die niet zondigt met de tong is volmaakt, o mijn God! die ons verzekert dat een ijdel woord zal worden gewogen op de schaal uwer gerechtigheid, wat moeten wij doen om honderde dwalingen en fouten in onze gesprekken te vermijden ? Wat moeten wij doen ? dewijl in onzen staat een enkel onvoorzichtig woord een onherstelbaar kwaad kan veroorzaken. O Heer! wij zullen in uwe tegenwoordigheid wandelen, wij zullen ons voortdurend die heilige tegenwoordigheid herinneren, en zoolang wij vreezen U te mishagen, zullen wij niets zeggen dat de naaste hinderen kan. Loquar in conspectu Domim in de tegenwoordigheid van den Heer mijnen God zal ik spreken.
119
GEVAREN VAN DEN VERBORGEN HOOGMOED.
Cum simplicibus sermocinatio ejus.
Met de nederige en eenvoudige zielen gaat Hij vertrouwelijk om.
Spreuk. III, 32.
De goede Jesus, de minnelijke Zaligmaker onzer zielen, schept behagen in het onderhoud der nederige en eenvoudige harten; in hen stort Hij zijne genade, als een welriekende olie in een vat, geschikt om ze te ontvangen, cum simplicibus sermocinatio. Geven wij acht op het woord sermocinatio. Het beteekent zoet en vertrouwelijk gesprek. Cmn simplicibus sermocinatio. Heb ik die eenvoudigheid? woont er in mij niet integendeel een verborgen hoogmoed , die mij buiten
gevaren van den verborgen hoogmoed. 121
mijn weten misleidt ? en ben ik niet van die hoovaardigen aan wie God weerstaat ? O! gevaarlijk is de hoogmoed in alle levensstanden, zonder uitzondering, in de hoogste zoowel als in de laagste. Ziedaar waarom het vertrouwelijk onderhoud van den god-delijken Bruidegom met de religieuze zielen zoo zeldzaam is; weinige zijn waarlijk nederig en eenvoudig; nochtans , cum simplicibus sermocinatio ejus.
ie punt. Wij ontmoeten de gevaren van den verborgen hoogmoed , reeds in de eerste jaren van ons kloosterleven. Men waant zich dikwijls tot alles bekwaam, men verheft zich gaarne tot in de wolken, men begrijpt zoo weinig de waarde van eenvoud en standvastigheid in den levenswandel. Men wil zich haasten om de volmaaktheid te bereiken maar zonder den goddelijken Zaligmaker op den weg der vernederingen te volgen. Of wel, een andere soort van verborgen hoogmoed, men acht zich zeiven tot niets bekwaam , men arbeidt niet aan zijne volmaking, men wil niet begrijpen dat men door moedige
12 2 korte overwegingen.
pogingen er toe zou komen, iets goeds te verrichten in den wijngaard des Heeren, en men houdt voor nederigheid, hetgeen eigenlijk traagheid of ontmoediging is. Het is niet met die zielen dat de Zaligmaker zich vertrouwelijk onderhoudt.
2e punt. Wij zijn aan de gevaren van den verborgen hoogmoed blootgesteld om een klein talent, eene lichte waas van wetenschap , en wij denken dat dit weinige ons den lof der menschen moet verdienen, vergetende dat wij niets bezitten wat zvij niet ontvangen hebben. De godvruchtige schrijver der navolging zegt; „Mijn Heer en mijn God, ik houd het voor eene bijzondere weldaad, dat Gij mij weinig van die gaven hebt geschonken, welke in de oogen schitteren , en waardoor men bij de menschen lof en eer bekomt.quot; Men vergroot in zijne eigene meening de natuurlijke gaven, die men alleen aan God te danken heeft, men schept behagen in zijne eigene uitmuntendheid, nochtans bijna zonder het te weten min of meer uit gewoonte, omdat men de
gevaren van den verborgen hoogmoed. 123
deugd van ootmoedigheid niet bezit, en dc nederige Jesus is niet tevreden, Hij gaat elders, met zijn vriendelijk onderhoud; cum simplicibus sermocinatio ejus.
Men is goed geslaagd in een of ander vak van het onderwijs, en men beeldt zich in , dat men tot eene groote hoogte is gestegen. men kan zich niet meer tot de eenvoudige zaken, tot de grondbeginselen vernederen. Men begrijpt het doel zijner heilige zending niet; in de uitoefening er van beoogt men slechts zijne eigene voldoening, zijne klein geestige roemzucht. Helaas! met minder talenten , minder onderrichting, minder beleid, maar inwendig beter verlicht, doen anderen goed, wat bij de menschen misschien niet zoo hoog geschat wordt, maar veel aangenamer is in de oogen van God. De goddelijke Meester heeft deze nederige en eenvoudige zielen lief, en Hij gaat vertrouwelijk met haar om.
3c punt. De verborgen hoogmoed kan zelfs in de vroomheid schuilen. Om een weinig gevoelige godsvrucht, waant men
KORTE OVERWEGINGEN.
zich eene heilige in de verhevenheid zijner gevoelens ; men vindt behagen in zich zeiven, men heeft altijd woorden van volmaaktheid op de lippen, men voert zelfs die taal met den bestierder van zijn geweten, en men is ten eene male blind voor hetgeen zijne ellende betreft. Te midden van die hoogmoedige zelftevredenheid hoort men de stem van Jesus niet. Neen, Jesus zwijgt, Jesus keert zich af. Zijne gemeenzame gesprekken zijn slechts voor de eenvoudige zielen.
O Jesus, mijn goede Zaligmaker, mijn goddelijke Bruidegom, van dit oogenblik af, wil ik mij bevlijtigen om die kinderlijke eenvoudigheid te verkrijgen, die U zoo aangenaam is, opdat ik, op mijn beurt, de zoetheid van uw onderhoud moge smaken, opdat Gij vertrouwelijk tot mij koomt, en tot mij spreekt als een Vader, als een teedere Vriend; cum simplicibus sermocinatio ejus.
124
JESUS VAN NABIJ VOLGEN,
Petrus sequebalur eum a longc.
Petrus volgde Hem van verre.
Matth. XXVI, 58.
Petrus volgde Jesus van verre; ja, van verre. Hoe treurig! want hij beminde zijn goddelijken Meester, daarvan had hij Hem menig bewijs gegeven: hij had de samenspannende elementen niet gevreesd , hij had op de wateren gewandeld, maar zie, hier vreest hij voor de menschen, zelfs voor de opmerkingen eener arme dienstmaagd.
Op Thabor bleef hij wel dicht bij Jesus; maar nu volgt hij Hem van verre. Doch Petrus heeft zijn misslag uitgewischt in zijn tranen en zijn bloed. Hij heeft bitterlijk
126 korte overwegingen.
geweend, niet één dag , maar geheel zijn leven tot aan zijn eigen kruisiging. En ik, die Jesus heeft willen roepen om Hem van zeer nabij te volgen, en die Hem nooit dan van zeer verre gevolgd heb, stort ik nu oprechte tranen en ben ik ernstig van plan Hem voor 't overige mijns levens van nabij te volgen ? Laten wij zien wanneer ik in getrouwheid aan Hem te kort schoot.
1° punt. Ik heb Hem van verre gevolgd in de gehoorzaamheid. Het voorbeeld zelfs zijner gehoorzaamheid, zoo goddelijk en zoo volmaakt, heeft niet volkomen de halstarrig-heid van mijn eigen wil gebroken, en nimmer heb ik de grootmoedigheid gehad dien gansch en al aan Hem op te offeren. Heb ik het gisteren gedaan? Heden? Antwoord mijn geweten. . . . Wanneer zult ge eindelijk een besluit nemen en Jesus van nabij volgen op de heilige paden der gehoorzaamheid?
Ik heb Jesus van zeer verre gevolgd in de versterving. Hij heeft zich aan mij vertoond omhangen met het bloedig kleed zijner geese-ling, met doornen gekroond, armer dan de
jesus van nabij volgen. 127
geringste der mannen, en meer gelijkend op een aardworm dan op een mensch, zooals de propheet Isaias Hem reeds voorbeduidde. En ik. zocht ik niet altoos mijn gemak, de voldoening mijner zinnen, had ik niet een afschuw vbii arbeid en vermoeienis? Ontvluchtte ik niet de koude en bette? Vond ik niet immer een beletsel waar het uwe glorie gold, o mijn God, als er sprake was van te voldoen aan uwe vaderlijke eischen in het langdurig werk mijner kloosterlijke vol maaktheid r
Bij de inwendige bedruktheden, belaas! volgde ik nog meer van verre; ik had den moed niet om te zeggen fiat, fiat, teneinde te zieltogen en te sterven met Hem. En wanneer de beroering zijner genade mij hevig drong, maakte ik nog een voorbeding: „Ten minste dit niet, dat niet. ... lot daar, Heer zal ik gaan, verder niet.quot; En zoo doende vertraagde zich mijn tred meer en meer, en zie ik dien lieven Jesus niet dan op een verren afstand. Ach! wee mij , zoo ik Hem uit het gezicht verlies, en niet bij
128 KORTE OVERWEGINGEN.
tijds den Calvarieberg bestijg om met Hem te lijden en te sterven,
2e punt. Petrus misdeed eenmaal; en uit dien afgrond van smart en bitter berouw, waarin zijn misslag hem geworpen had , spoedde hij zich naar den weg der meest volmaakte getrouwheid. Hij heeft genoegdoening geschonken aan dat goddelijk Hart dat hij in een oogenblik van zwakheid gewond had, en hoe heeft hij nadien zijn dierbaren god-delijken Meester van nabij gevolgd te midden van den apostolischen arbeid, van vervolgingen, van boeien van kerker en marteldood. O Godgewijde maagd, bedenk dat uwe roeping u verplicht dicht bij jesus te wonen j bestendig bij Hem te blijven naar 't voorbeeld zijner heilige Moeder, der heilige vrouwen en van Magdalena vooral. Wees Hem dan getrouw door uwen arbeid met den zijne te verbinden, door in stilzwijgen het onrecht te verduren, door uw vermorzeld hart in zijn zieltogend hart te plaatsen, door te midden der bekoringen, der verdrukkingen, der vervolgingen en smarten van allerlei aard
JESUS VAN NABIJ VOLGEN. 129
onophoudelijk te zeggen: Heilige Vader, uw wil geschiede!
Goede Jesus , ik heb een zeer vertrouwelijk woord aan U te zeggen. Duld dat ik mijn arm hart uitstorte in het uwe en U zegge wat het vast besloten heeft. Ik wil altijd dicht bij U, en in uwe tegenwoordigheid zijn; ik wil leven van U, van den adem uwer genaden en uwer ingeving. Ik zal U vooral vinden in alle hoeken van dit huis, dat geheel en al uw eigendom is. Ik zal met U, dicht bij U zijn gedurende mijne gebeden , mijne lessen , mijne studies , mijne uitspanningen. Ik heb een vurig verlangen U van nabij te volgen door eene volkomen verloochening van alle begeerten die slechts mijn eigen voldoening ten deel hebben. Ik wil verzaken aan mijne verlangens, mijne gehechtheden, mijne voorliefde, om geen andere verlangens geen andere gehechtheden, geen andere voorliefde meer te hebben dan die van uw goddelijk Hart, geen ander ge noegen dan uw welbehagen. En zoodoende zal ik door een rein en heilig leven U van
130 KORTE OVERWEGINGEN.
nabij volgend, nog dicht bij U zijn te mid den van de schaduwen des doods , en Gij zult bij mij zijn, Gij zult mijn laatsten zucht opvangen en mijne ziel opnemen in uwen schoot. O! dan zal ik altijd bij U zijn , en niet vreezen ooit van U gescheiden te worden.
DE LIEFDE VAN CHRISTUS DRINGT ONS.
Charitas Christi urgel nos.
II Cor. 5, i4.
Wie heeft hem in het binnenste zijns harten niet gevoeld , welke godsvruchtige ziel hem niet ondervonden, dien dwang, nu eens zacht en aangenaam, dan weder krachtig en verschrikkelijk, op haar uitgeoefend door den oppersten Meester, Wiens wetten zij wel zou willen volgen, doch wat zij toch niet doet met de getrouwheid die Hij recht heeft te eischen. Charitas Christi urget nos. De heiligen zeggen het, de zwakke en lauwe zielen gelijk wij, zeggen het. De heiligen zeggen het met vervoering van vreugde, wij meermalen met wezenlijken schroom. Charitas
132 korte overwegingen.
Christi urget nos. Hoe, Heer nogal ? „Ja, als gij Mij bemint, moet gij voorwaarts gaan op den weg der offers, op den weg des ge-beds, der vernederingen, der liefde. Die Mij in waarheid beminnen wil gaat voort met vuur, niets valt hem zwaar, niets kost hem moeite.quot; O mijne ziel, hoort gij wel, gij die van zoovele dingen een afkeer hebt ? Welaan ! Zeg ook eens : Char it as Christi urget me.
le punt, Ja, de liefde van Christus dringt mij op den weg der offers. Telken dage moeten nieuwe, telken dage grootere worden gebracht een algeheele opoffering is noodig van den hoogmoed, van den eigen wil, van alle verkleefheden des harten die niet God alleen tot voorwerp hebben. O! ik gevoel het zoo goed. De groote verwinnaar wil het. O mijne ziel hoe moeielijk valt het Hem te wederstaan! Zwicht dan voor den zachten aandrang zijner liefde.
2e punt. De liefde van Christus dringt ons op den weg des gebeds en der deugden. Gebed van geloof aan de voeten van Jesus
de liefde van christus dringt ons. 133
op alle oogenblikken door den heiligen regel aangegeven, gebed van geloof bij tegenzin en bekoringen, onafgebroken gebed door ontboezeming des harten te midden van de uitoefening onzer studies, onzer lessen, onzer surveillance. O kreet der goddelijke liefde die ik zonder ophouden in het diepst mijner ziel hoor klinken ! Dat is 't wat gij vraagt, wat gij eischt, en hoe weinig heb ik er aan voldaan. Wat was tot heden mijn gebed?
3e punt. De liefde van Christus dringt ons op den weg der liefde. En daarom moet ons hart ruimer worden ; en in onzen staat moet alles worden gedaan uit liefde, niets uitnood niets uit dwang, niets uit berekening. Wij moeten van ganschen harte beminnen in onze gebeden, onze studies, onzen arbeid. Wij moeten beminnen in onze kwellingen, beminnen na onze misslagen, beminnen in onze heimelijke smarten, beminnen tot zelfs bij onzen maaltijd, in onze ontspanning, in onzen slaap. De liefde van Jesus dringe ons, maar overal en altijd. Zij eische ieder onzer ademhalingen. O welk een dwaling zou het zijn zoo wij
9
KORTE OVERWEGINGEN.
134
geloofden alleen in het gebed en in de bedeplaats te kunnen beminnen! Hooren wij den H. Paulus: de liefde van Christus beware uwe harten en zinnen .... Dat is den geheelen Christenmensch, dat is geheel zijn leven.
WONDERBARE VISCHVANGST.
Mane facto stetit Jesus in lit lore.
Toen de morgen gekomen was, stond Jesus aan den oever. JOAN. XXI, 4.
De leerlingen hadden den ganschen nacht gearbeid zonder iets te vangen. Toen nu de morgen gekomen was, zagen zij Jesus, die zich op den oever bevond en hen zeide: Werpt uwe netten rechts van het schip, en zij deden het, en zij konden het ter nauwer-nood ophalen,wegens den overvloed der vangst.
le punt. Et ilia node nihil prendiderunt. Zij hadden den geheelen nacht gearbeid zonder iets te vangen, 't Is een lange nacht waarin de werken van geloof en liefde worden verricht; een lange nacht ook waarin de
130 korte overwegingen.
deugden worden verworven. Men werkt in het duister met groote vermoeienis, en men vangt niets, men ziet geen vruchten van zijn arbeid; men ziet de deugden niet verschijnen waaraan men zoo groote behoefte heeft, dat is de nacht. De mensch moet leeren dat hij van zich zeiven niets kan. Een zeer lange nacht van vruchtelooze inspanning is er noo -dig om zich goed van deze waarheid te overtuigen. En wanneer eindelijk die nederige overtuiging er is, verschijnt Jesus op den oever.....
2e punt. Mam autem facto stetit Jesus in littore. Dat is de morgen. De zachte dageraad der goddelijke hoop vertoonde zich; een straal van troost liet zich zien. Van waar kon die straal komen? Stetit Jesus in littore, Jezus stond aan den oever. Hij heeft zich gedurende den nacht verborgen; maar Hij laat zich zien in den ochtend, en de apostelen worden getroost, zij weten reeds dat zij zullen slagen : zoo ook de geloovige ziel. Zij wankelde niet in de bekoring: immer had zij vertrouwen, en hare werken van geloof
wonderbare vtschvangst. 1,37
verheffen zich boven alle onmogelijkheden; en langzamerhand vormen zich de deugden, en zij ontwaart dat gehoorzaamheid/ nederigheid, offervaardigheid en godsvrucht in haar toenemen : Jesus is aan den oever.
3e punt. Mittite in dexter am navigii rete. Werp uwe netten rechts van het schip. Ter rechter zijde. Niet aan den kant der mensche-lijke hulp maar aan de kant van de diepte der Voorzienigheid. Links, de talenten de menschelijke genegenheid; middelen die men niet moet verwerpen, die men noodzakelijk gebruiken moet, maar ontoereikende middelen. Rechts, geloovige ziel! aan den kant van vertrouwen en liefde, aan den kant der gehoorzaamheid en der volharding. Mittite in de dexter am, 't is Jesus die het zegt.
Miserut ergo, zij deden het, en zij konden ter nauwernood de netten ophalen, van wege de overvloedige vangst. Eens zal het zoo zijn. En dan, steeds nog moed! laten wij dan niet onder een ander kruis bezwijken, onder het gouden kruis van het welslagen dat ook zwaar en gevaarlijk is. De overvloed der
138 KORTE OVERWEGINGEN.
vangst zij geheel voor jesus; bewaren wij niets voor ons zeiven. En wanneer Hij tot ons, zooals Hij tot de leerlingen deed, zeggen zal: Puen, mimquidpulmentarmm habetis? Kinderen hebt gij niets te eten'? O, zeggen wij Hem dan van gansche harte : Heer Jesus wij hebben een wonderbare vischvangst gedaan. Neem alles; want wij willen niets van dien buit, dan wat Gij zelf uit uwe heilige hand ons geven zult. O voortreffelijke woorden van het H. Evangelie ! Wanneer, mijne ziel, zult gij ze kunnen begrijpen?
onderlinge verdraagzaamheid.
Alter allerius onera porlate, et sic adimplehitis legem Christi.
Draagt elkanders lasten, en zoo zuil gij de wet van Christus vervullen.
Gal. VI, 2.
le punt. De groote les der wederzijdschc genegenheid, der onderlinge verdraagzaamheid , is op bijna iedere bladzijden van het Nieuwe Testament onzes Heerenjesus Christus geschreven. De geboden en voorbeeldeu van den goddelijken Meester zijn niet dan liefde en vergeving. De H. Joannes zegt dat het teeken, waaraan men ons als leerlingen van den Verlosser kennen zal, de wederzijdsche genegenheid is die wij elkander toedragen. God heeft ons zooveel te ver-
140 KORTE OVERWEGINGEN.
geven, en zouden wij niet vergeven aan onze medezuster. Wij zeggen tot onzen hemelschen Vader: vergeef ons, gelijk wij vergeven, juist zóó, op de zelfde wijze. O mijn God! vergeef mij in ruime mate, vergeef mij mildelijk, vergeef mij met die overvloedige barmhartigheid, welke boven al uwe werken uitstaat. — Ja, arme ziel; maar ga eerst, en vergeef uwe zuster die lichte beleediging, waaraan zij zich jegens u heeft plichtig gemaakt, en kom dan terug om Mij uwe gaven en gebeden te offeren, opdat Ik ze in de volheid mijner liefde kunne aanvaarden.
Overwegen wij de leer van den H. Paulus: Ik bezweer u, zegt hij, ik die om den Heer in boeien ben, waardiglijk te wandelen in den staat waartoe gij geroepen zijt, elkander met liefde verdragende. Elders: verdraagt u wederkeerig, vergeeft de een den ander wat gij elkaar te verwijten hebt; gelijk de de Heer u vergeven heeft, vergeeft ook gij zoo. Hij smeekt zoo nederig dat men hem zelf wille verdragen: Geve God, dat gij een
ONDERLINGE VERDRAAGZAAMHEID. I4I
weinig mijne dwaasheid verduren luildet; doch, ja, verdraag mij. Hij durft niet te zeggen wat tot zijn voordeel strekt, hij verzoekt dat men hem verdrage, om hen, de nieuw-bekeerden , voor te bereiden op het hooren der waarheid, die hij predikt, op het binnendringen in dien reeks van zoo goddelijke, zoo verheven begrippen, door de wereldlingen een dwaasheid genoemd.
Maar, zegt de H. jacobus, wie zijt gij, dat gij uwen naaste oordeelt ? Spreekt dan geen kwaad van elkander. Hij die zijn broeder lastert, lastert de wet, en Dengene die haar gegeven heeft. De H. Apostel bedoelt de wet der liefde; wij nu weten wie die wet gegeven heeft.
De christelijke moralisten hebben breedvoerig de leer der onderlinge verdraagzaamheid uiteengezet. Bijna allen bespreken zij die onbegrijpelijke lichtzinnigheid , waarmede men den naaste oordeelt; zij vragen hunnen lezers ernstig af of God hen tot rechters over dien evenmensch heeft aangesteld. Overwegen wij dit woord van Fénelon: „De
142 korte overwegingen.
onvolmaakte deugd bezwijkt voor het verdragen der onvolmaaktheden van een ander.quot; Aan de tafel van den H. Augustinus dorst niemand een woord uiten, dat den naaste beledigen kon.
2e punt. Wat is dat juk van den naaste hetwelk wij moeten dragen? Zijne fouten, zijne onvolmaaktheden, zijn karakter dat strijdig is met het onze, zijne wijze waarop hij anders dan wij het goede wil. Er zijn wrijvingen ten gevolge van zekere vormen, en zelfs ondanks de kieschheid der vormen, dikwijls heeft men gebrek aan beleefdheid, 't zij door onachtzaamheid, 't zij door te weinig liefde. Het staat derhalve vast dat men onder personen, die, de een zooveel als de ander, ernstig naar de volmaaktheid streven, elkaar wederkeerig kan doen lijden. Wat anders zullen wij doen dan dit alles verdragen ? En zoo wij dat niet kunnen, welk toevluchtsoord zullen wij dan vinden op aarde, vermits de naaste overal is ? Ga waar ge wilt, zegt de schrijver der Navolging, overal zult
onderlinge verdraagzaamheid. 143
gij iets vinden dat u hindert, iemand die u weerstreeft.
Indien ik het oprecht wil, en niet tegenstaande mijn gevoelen eenigzins er tegen is, zal ik zeker eenige goede hoedanigheid, eenige deugd bij mijne zuster in Christus vinden. Dat moet wel zoo, dewijl God haar onder een groot aantal anderen heeft uitgekozen. En zou dat niet zijn den goddelijken Bruidegom zeiven beleedigen, in eene door Hem beminde ziel het schoone, dat Hij daarin legde, niet te willen ontdekken? Indien zij voor Hem goud en wierook bevat, duld dan in vrede dat er een weinig myrrhe aan ontglippe voor u. O mijn God, moge uwe genade mij te hulp komen om al mijne zusters edelmoedig te beminnen, en haren last te dragen, en aldus de wet van Christus te kunnen volbrengen,
3e punt. Wat is mijn last, dien ik anderen opleg? Ben ik zelf niet het kruis voor mijne naaste? Indien ik een lichten splinter in het oog mijner zuster niet kan verdragen, is er dan geen reden om te
1 44 KORTE OVERWEGINGEN.
vreezen dat de balk in het mijne is? Bekommer ik mij er om, mij dikwijls af te vragen, wat de kwellingen zijn die ik zelf anderen doe verduren? Dat ernstig onderzoek zou terstond mijne lichtvaardige oordeelvellingen, mijne gestrengheden, mijne minachting, mijn hoogmoed of versmadingen doen ophouden.
Wat is al het overige zonder het liefde vol verdragen van den naaste? Mijn werken en bidden blijven onvruchtbaar, want ik volbreng dan in geenen deele de wet van Christus. Schijnt het niet dat de Heiland mijner ziel, wien ik den zwaren last mijner zonden oplegde, mij vóór de H. Communie zegt: Ga, en geef uwe zuster den vredekus voordat Ik u den mijne geef. Zoo gij haar niet verdraagt, hoe wilt ge dat Ik u ver-drage. Zoo gij haar gezelschap op aarde niet bemint, hoe hoopt gij het dan in den hemel te zullen beminnen? Hoe kan Ik u zonder haar opsluiten in mijn hart, dat voor allen openstaat? Ga, geef haar ruimschoots aandeel in uwe genegenheid, en keer terug,
ONDERLINGE VERDRAAGZAAMHEID, 145
opdat Ik u vervulle met de schatten mijner liefde.
O God, die de liefde zelve zijt, heb medelijden met mij die zoo arm aan liefde ben, en verleen mij eene krachtige genade die mij helpt om alles te verdragen van den naaste uit liefde tot U.
GIJ ZIJT MIJNE VRIENDEN.
Amici mei estis. — lam non clicam vos servos' — Fos autem dixi amicos.
Gij zijt mijne vrienden. — Ik zal u geen diennaars meer noemen. — Ik hel) u den naam van vrienden gegeven.
JoAN. xv. 14, 15,
le punt. Gij zijt mijne vrienden. Bij die woorden vernederen wij onze harten; want zijn zij niet geschikt om ons te beschamen? Die woorden kwamen bij Jesus voort uit de wonderbare diepten zijner barmhartigheden ten opzichte der zielen die Hij heeft vrijgekocht, zij kwamen voort uit de liedevolle afgronden van zijn goddelijk hart, waar Hij sommige bevoorrechte zielen heentrekt, de zielen, tot welke het Hem behaagt te zeggen: Gustate et videte, proeft en ziet hoe zoet mijne vriend-
gij zijt mijne vrienden. 147
schap is, en welke goederen men daarin vindt!
Goddelijke vriendschap van Jesus ! het edelste en heiligste dat kan gedacht worden! Het begrip van alle goed en van alle deugd vindt men in het verkeer van eene reine ziel met haren God; en in die trouwe vriendschap is het middel gelegen om tot het leven en de onsterfelijkheid te raken. O, duizendwerf gelukzalig, Heer, de zielen vereerd met uwe goddelijke vriendschap.
Maar gij zelf, mijne ziel! zijt gij in de vereischte gesteltenis om die verheven vriendschap te bezitten? — Stelt God mijeischen? Ja, zeer zeker. Luister; Gij zijt mijne vrienden, zoo gij doet wat Ik beveel. Onderzoek , mijne ziel, en zie. ... Is er iets dat de goddelijke Meester u beveelt, en dat gij niet volbrengt ? iets , dat de betooning dier goddelijke vriendschap , welke Hij u wil toe dragen , tegenhoudt ?
2quot; punt. Ik zal geen dienaars meer noemen. Wat zegt Gij, goddelijke Meester ? Het is ons reeds zoo zoet als nederige dienst-
I48 KORTE OVERWEGINGEN.
maagden uw huis te bewonen , en vlijtig te werken aan de taak ons door U opgelegd ; het is ons reeds zoo zoet dat Gij ons duldt in uw heiligdom en dat het ons vergund is daar de nederigste diensten te verrichten. O goede Verlosser! hebt Gij zelf niet gezegd; Ik ben niet gekomen om gediend te worden , maar om te dienen? hebt Gij zelf niet gezegd ; Is de leerling meer dan de meester ?
De dienaar weet niet wat zijn meester doet. In waarheid , de dienaar kent de geheimen zijns meesters niet. Hij treedt niet in zijne raadsbesluiten, hij ontvangt zijne geheime mededeelingen niet, wordt niet toegelaten in zijne vertrouwelijkheid , zit niet met hem aan tafel. Hij is reeds zoo gelukkig een zeer goeden meester te hebben, zoo gelukkig met welwillendheid behandeld te worden , ruimschoots zijn loon te ontvangen ; zoo gelukkig , wanneer zijn meester de goedheid zóó verdrijft, dat hij hem het gansche dagloon betaalt, als hij slechts het laatste uur van den dag gewerkt heeft. O Heer! indien wij die vergelding ontvangen, wij onnutte dienstmaag-
gij zijt mijne vrienden. 149
den, wat zouden wij dan nog meer durven eischen?
3e punt. Ik heb u den naam van vrien. den gegeven. Dat is te veel, Heer, te veel. Verwijder U van mij, want ik ben eene zon-dares. Maar vrienden storten voor elkander hunne harten uit, en verkeeren met elkaar in volle vrijheid, zonder vreesachtige terughouding , zonder de deftige vormen der wellevendheid. Een uwer groote heiligen zeide van zijn vriend, dat deze de helft zijner ziel was. Welnu, zoo Gij mij uwe vriendin noemt, welke rechten heb ik dan niet op U! Ik kan alles zeggen, alles vragen, alles hopen , alles verwachten. O Jesus! hoe komt het dan dat ik nog eenige beschroomdheid behoud? O goddelijke Vriend, wanneer ik aan uw hart rust in de heilige Communie, kan ik de wereld, den duivel en de hel trotseeren.
Ik heb ti den naam van vrienden gegeven. En welk was het pand uwer vriendschap, goede Meester? — Al wat Ik van mijnen Vader heb gehoord, heb ik u doen kennen. — O Jesus! 't is waar dat Gij mij alles ge-
10
15© KORTE OVERWEGINGEN.
zegd hebt, en tot heden heb ik zoo weinig geantwoord. Gij hebt mij alles gezegd door uwe wonderbare leer en door de lessen van volmaaktheid die ik in het Evangelie opzamel ; Gij hebt mij alles gezegd door mijn hart te openen voor het begrip uwer raden; Gij hebt mij alles gezegd door mij inwendig toe te spreken met die stem die dóórdringt als een vlammend zwaard dat verzêngt, vaneenscheidt en verdeelt, die het geheim van het lijden, — van het kruis en den dood weet op te helderen. O mijn goddelijke Vriend, wanneer zal ik dat inwendig woord goed begrijpen?
GETROUWHEID.
Quia super pauca fuisti fidelis, super mulla te constituam.
Omdat gij over weinig getrouw zijt geweest, zal Ik u over veel stellen.
Matth. XXV.
le punt. De deugd van getrouwheid bestaat in het houden van het woord dat men gegeven, in het nakomen van de verbintenissen, die men aangegaan heeft. Gij hebt uw hart aan Jesus geschonken voor tijd en eeuwigheid, gij hebt vóór het aanschijn van God en van de Kerk plechtige verbintenissen aangegaan; en die met eigen hand onderteekend. Uw God is immer getrouw geweest in zijne beloften ; gij, op uwe beurt, moet den schat uwer genegenheden trouw voor Hem bewaren.
152 KORTE OVERWEGINGEN.
Ik wil Mij, zegt de Heer, een getrouw volk verwekken. En welk zal dat getrouwe volk zijn, zoo niet de maagden aan zijnen dienst gewijd ? En waarin verlangt God de Heer dat gij getrouw zijt, dierbaar slachtoffer zijner genegenheid? Hij verlangt u getrouw in de kuische liefde, getrouw in de volhardende beoefening der deugden, getrouw in tegenspoed, aanvechtingen, beproevingen; Hij wenscht u getrouw. Hem volgend gebogen onder den last van uw kruis, getrouw wandelend in zijne heilige tegenwoordigheid, getrouw in den arbeid, getrouw in het bewaren van de orde, opdat de orde u beware; getrouw tot den dood.
Vrees niet: Hij zal voor u die vriend zijn, bij Wien geen andere te vergelijken is, Hij zal uw sterke beschutting zijn. De Koning der hemelen , dien gij tot vriend hebt, zal zich niet verwijderen, zal u niet verraden, u niet verlaten te midden der gevaren , Hij zal u van tijd tot tijd een woord van vrede toespreken, zoo Hij uw hart getrouw vindt ten einde toe.
getrouwheid.
2° punt. Gelukkig de trouwe ziel, altijd bereid als de plicht haar roept, als de stem van God gebiedt! Zij is getrouw aan den regel, in 't gebed, in den vermoeienden en wTeinig behaaglijken arbeid, getrouw in de gehoorzaamheid, getrouw in het beoefenen van die bijzondere deugd tot welker verkrijging zij zich inwendig gedrongen voelt, zij is getrouw in kleine zaken, en God bewaart haar reeds hier beneden eene groote vergelding.
Welke is die vergelding? 't Is getrouwheid in groote zaken. Als ik, met behulp der genade nederig en getrouwr doe wat ik vermag, dan zal God mij krachtdadig de hand bieden en mij doen verrichten wat onmogelijk schijnt, wat mijne krachten te boven gaat. Hij zal mij doen volharden in mijne roeping, in de deugden mijner roeping, ten einde toe. Hij zal mij verdedigen tegen de wereld, tegen den duivel, tegen mijne rampzalige natuur; Hij zal mij doen zegepralen over mijne vijanden. Hij zal mij den hemel doen veroveren. Ziedaar de groote dingen die de vergelding zijn voor getrouwheid in de kleine. O mijne
153
1 54 korte overwegingen.
ziel, wees dan getrouw aan uwen God. Uw eeuwig geluk hangt er wellicht van af! Is er niet een punt, waarin uwe getrouwheid te kort schiet?
3e punt. Ongelukkig de kloosterlinge die ongetrouw is aan hare bezworen belofte ? Zij heeft de gelegenheden niet willen vluchten, maar die veleer gezocht, ze gevonden en aangegrepen. In het eerst geen zware overtredingen, neen; maar langzamerhand kwam zij tot geringschatting van het onderhouden der regels, van de onderwerping, van de eenvoudige en oprechte nederigheid ; zij stak het hoofd op, zij gaf aan zelfbehagen toe, zij riep bekoringen te voorschijn die haar niet zochten. Niets gemakkelijker dan dit in een opvoedingsgesticht: men kan den wind van wanorde zaaien, den verdelgenden adem verspreiden van dwaze gehechtheden, van gemor en welk een oogst van stormen en onheilen zou men niet kunnen bekomen! Zoo de ziel eener kloosterlinge zich tot daartoe vergeet, laat zij spoedig de zachte hand van God los, zij wandelt alleen in de duisternis, zij verdwaalt
GETROUWHEID.
en verwijdert zich van haar doel. De schoonheid harer roeping verschijnt haar niet meer als een zacht licht, maar als een bewelmende en sombere lamp. Zij gevoelt behoefte om in een of andere omgeving te ademen; en, van fout tot fout, geraakt zij aan den rand van den afgrond. Wie zal haar tegenhouden op die helling. En indien te middernacht het plechtige geroep zich verheft: „Ziet, de bruidegom komt, gaat Hem tegemoet.... „O dwaze maagd, die geen olie in uwe lamp hebt, vruchteloos zult gij aan de deur der feestzaal kloppen, vruchteloos zult gij roepen; Heer, Heer, open mij. Hij zal antwoorden „Voorwaar, zeg Ik u, Ik ken u niet.quot;
O mijn God ! Ik wil U voor immer getrouw zijn; geschenken die ik U gegeven heb, zal ik niet terugnemen. Mijne ziel en mijn lichaam zijn aan U, mijn hart en mijn leven zijn aan U; maar behoed mij voor mijne zwakheid, laat niet toe dat ik U iets ontroove, en dat ik ooit mijn woord terugnemen in wat het ook zij.
155
DROEFGEESTIGHEID.
Quare tristis es, anima mea, et quare conturbas me? Sper a in Deo.
Waarom zijt gij droefgeestig, mijne ziel, en waarom verontrust gij mij ? Vertrouw op God.
Ps. XLII, 5.
De droefgeestigheid is eigenlijk niet de smart; de smart nu is aan onze gevallen natuur eigen. Helaas! wij beleven bijna geen dag zonder smart. De weg des levens is de weg des kruises en van Kalvarië. In Jesus leven, een enkele dag van glorie en onuitsprekelijke zoetheden, de dag op de kruin van den Thabor doorgebracht. Zoo zal er dan altijd eenige smart zijn op onzen weg, omdat die weg gebaand is in het tranendal. De grootmoedige zielen dragen hun kruis gelijk Jesus het zijne droeg, met nederige en liefdevolle gelatenheid; want indien de
droefgeestigheid.
smart goed is, de droefgeestigheid is dikwijls slecht.
1° punt. Quare tristis es, anima mea ? Waarom zijt gij droefgeestig, mijne ziel? Er is eene bittere droefgeestigheid veroorzaakt door onze vrijwillige ongetrouwheden aan de genade. O mijne ziel, is dat niet de oorzaak uwer geheime kwellingen? Kant gij u niet eigenzinnig tegen Gods verlangens nopens u? Is het niet de strijd van uwen weerspanni-gen wil? Quare tristis es? Waarom die droefgeestigheid? is het niet omdat gij niet moedig de worsteling aangaat tegen het gebrek dat gij liefhebt, en welk? omdat gij geen moeite doet ter verkrijging van de deugd die u ontbreekt, en welke? O mijne ziel, onderzoek uw geweten en zie wat uwen vrede verstoort. Wat is de oorzaak van dat harteleed dat gij ondervindt? de oorzaak van die tweespalt tusschen u en uw opperste goed? Houd moed! en maak heden een krachtdadig besluit.
2e punt. Quare conturbas mei Waarom verontrust gij mij ? De onrust is daar waar
157
158 korte overwegingen.
de kalme vrede van Jesus niet is. Hooren wij zijne woorden: „Ik geef u mijnen vrede, Ik laat u mijnen vrede . . . vrede aan de zielen van goeden wil. Ik geef mijnen vrede steeds daar, waar Ik een begin van oprechte liefde vind. In de onrust ben Ik niet. Mijne stem laat zich niet hooren te midden der beroeringen door de hartstochten veroorzaakt. Mijne stem zwijgt stil waar het inwendig gemor zich verheft; zij zwijgt stil bij gemelijkheid en verbittering, al is deze ook maar inwendig, bij opstand van den geest van onafhankelijkheid en verzet; zij zwijgt stil wanneer het hart vervuld is van ijdele gehechtheden , wanneer de uitgelatenheid der zinnen en der tong zóódanig is , o arme ziel! dat gij lange uren doorbrengt zonder aan Mij te denken.quot; — O goddelijke Jesus, ik begrijp het. . Mijne ziel is in onrust, dewijl uwe stem heeft stil gezwegen, dewijl ik haar versmaad heb te midden van het gedruisch der ijdele begeerten. En wat zal het geneesmiddel zijn in dien toestand?
3e punt. Spera in Deo, vertrouw op uw
DROEFGEESTIGHEID.
159
God. Ja, mijne ziel, vertrouw, en laat uw vertrouwen zóó vast zijn als de bergen van Sion. Jesus, ik vertrouw op U, en geen droefgeestigheid zal ik meer hebben, en mijne ziel zal niet meer verontrust zijn. Ik zal niet meer neerslachtig wezen, daar ik mij verbeteren wil ten einde uw goddelijk hart te bevredigen. Ik zal niet meer mistroostig zijn, daar ik mijn hoogmoed het stilzwijgen wil opleggen , daar ik nederig en onderworpen zijn wil, opdat ik op nieuw uwe stem in mijn binnenste moge hooren. Ik zal niet meer mistroostig zijn, omdat ik den vrede van het huis van Nazareth, waar ik blijde leven en op God vertrouwen moet, niet meer wil verstoren. Ik zal geen droefgeestigheid meer hebben, omdat ik U reeds tot mij hoor zeggen: „Mijn kind door het doopsel, mijne zuster door uwe toewijding aan mijne goddelijke Moeder, mijne dochter en vriendin door uwe werken, mijne bruid door de banden der kuischheid, waarom zoudt gij mistroostig zijn? Vertrouw op Mij, en verban alle vrees; ben Ik niet de Heer uw God.quot;
DE HEILIGE WIL GODS.
Fiat voluntas tua.
Dat uw wil geschiede.
Matth. V, io.
De goddelijke Verlosser, zich onderhoudend met zijne leerlingen, zeide hun: Ik ben gekomen om den wil te doen van mijn hemelschen Vader. Op menige plaats van 't Evangelie verkondigt Jesus zijn eerbied voor den wil zijns hemelschen Vaders, en wij hebben zijne onderworpenheid gezien om dien te volbrengen te midden zelfs der onuitspreke-lijkste smarten. Wij moeten, naar zijn voorbeeld, den diepsten eerbied hebben voor dien quot;heiligen en aanbiddelijke wil en er ons met liefde en gelatenheid aan onderwerpen. le punt. /7«/ voluntas tua. Dat uw wil
DE HEILIGE WIL GODS. l6l
geschiede in dit huis. Onze dierbare eenzaamheid zou een aardsch paradijs zijn, indien wij den moed hadden er voortdurend den wil van onzen hemelschen Vader te volbrengen in het verloochenen van onzen eigen wil. Die wil is zoet en geheel beminnelijk voor het hart dat hem begrijpt. De volmaakte liefde bestaat in het volbrengen van den wil van hem dien men bemint. De vrede van ons geliefde heiligdom is onverstoorbaar, zoolang geene ziel zich verzet tegen Gods oogmerken jegens haar in 't bizonder en jegens ons klein geestelijk gezin in 't algemeen. Heer, ben ik het, die dien vrede ver. stoor ? „Misschien wel geliefde ziel ! Zoo gij aan uwe persoonlijke inzichten vasthoudt, zoo uwe gehoorzaamheid gedwongen is en niet van harte gaat, zoo gij uwe eigen eer, uwe eigen belangen stelt boven het algemeen welzijn, zoo gij inwendig zegt: Ik verlang dat bij voorkeur mijn wil geschiede boven dien van God. „O mijne ziel, overweeg dit punt ernstig en verstoor niet langer den vrede van deze woonstede des Heeren.quot;
102 korte overwegingen.
2e punt. Fiat voluntas tua. Dat uw wil geschiede in mijn hart. O mijn Jesus! ik weet, dat, om dien goddelijken wil daar zegevierend te doen heerschen, het veel kosten moet aan dat arme hart, ik weet welke werkingen gij het moet doen ondergaan. Het zwaard uwer naijverige liefde moet tot het innigste der ziel doordringen en alle te men-schelijke gehechtheden tot den wortel vernietigen. Uw heilige wil moet mij het hoofd ter aarde doen buigen aan den voet des kruizes ! hij moet mij de bitterheid der vernedering doen proeven, den gal der versterving doen smaken. Maar hoe zoet zal hij mij zijn die aanbiddelijke wil, wanneer ik het kruis met liefde omhels ! en wat eene zoetheid zal er in dat bittere, in die gal zijn ! Volvoer dan uwen wil in mij, dierbare en goddelijke Meester ; ik beloof het, ik zal niet meer we-derstaan.
3e punt. Fiat voluntas tua. Dat uw wil geschiede in mijnen geest. Mijn geest is zoo beperkt, zoo arm, hij begrijpt zoo weinig Hij is beperkt van zijne natuur, hij is arm
DE HEILIGE WIL GOÖ§. 163
als hij in zich zelve behagen schept, hij begrijpt niets als hij U niet begrijpt, aanbiddelijk en opperste Wezen. Hij begrijpt niets van het oogenblik dat hij U wederstaat en zich verzetten wil tegen het gezag dat Gij hebt aangesteld ; hij begrijpt niets meer, van het oogenblik, dat hij redeneert, dat hij eenig voorbehoud maakt, dat hij zich eenig gemor veroorlooft, en dat hij weigert zich in uwen heiligen geest te vernietigen. Erbarming, goddelijke meester, erbarming met mijn armen geest ? Hij weet nog niet, dat al zijne grootheid, al zijne glorie gelegen is in zijne nederige onderwerping. O wil van mijn hemelschen Vader, o welbehagen van mijnen God, weest mijne dierbaarste genoegens!
ONZE THABOR HIER BENEDEN.
Domine, honum est nos hie esse.
Heer, het is ons goed hier te zijn.
Matth. XVII, 4.
Jesus, met Zich genomen hebbende Petrus, Jacobus en Joannes, den broeder van Jacobus, geleidde hen afzonderlijk op een hoogen berg. Daar werd Hij vóór hen van gedaante verandert , en zijn gelaat blonk als de zon, en zijne kleederen werden wit als sneeuw. En zie, hun verschenen Mozes en Elias met Hem sprekend. Petrus, terstond het wo^rd nemend» zeide tot Jesus: „Heer, het is ons goed hier te zun; laat ons, zoo gij wilt, hier drie tenten maken: eene voor U, eene voor Mozes en eene voor Elias.quot; Hij sprak nog, toen een lichtende wolk hen overschaduwde; en
onze thabor hier beneden. 165
zie eene stem kwam uit de wolk, zeggende: ,,Deze is mijn welbeminde Zoon, in Wien Ik mijn welbehagen heb gesteld; hoort naar Hem.quot;
le punt. Ook ons heeft Jesus in afzondering op den berg geleid; in afzondering, ver van de drukte en woelingen der wereld; in afzondering, in deze dierbare eenzaamheid, en op den top van dezen berg, waar het gebed zich vrijer uit onze verruimde harten verheft, en tot den hemel opstijgt bij het stilzwijgen van het ijdel geruisch der aarde, dat niet tot ons komt. Wij zijn met Jesus afgezonderd op den top des bergs; en zijn er niet van die liefelijke oogenblikken waarop Hij Zich aan ons openbaart in de glorie zijner liefde, niet voor de oogen des lichaams, maar in het diepst geheim onzer ziel? En hooren wij niet uit de lichtwolk die met hare schaduw jesus bedekt, te weten de sacramenteele gedaanten, de stem die ons zegt: „Deze is mijn welbeminde Zoon , in Wien Ik al mijn welbehagen genomen heb, hoort naar Hemquot;?
O Jesus! ons lot is zeer goed. Hier is
11
korte overwegingen.
onze Thabor cn ons Kalvarië te gelijk, en't is ons goed hier te zijn.
2e punt. Ja, V is ons goed hier te zijn, vereenigd aan den voet van uw H. Kruis, en overvloediger dan anderen geloovigen de druppelen van uw aanbiddelijk bloed ontvangend, die op onze zielen stroomen om ons te zuiveren, ons te versterken , ons te verzadigen. Het is ons goed hier te zijn, gelijk de leerlingen op den berg, de heilige lessen ontvangend, die uit uwen goddelijken mond komen. Het is ons goed hier te zijn, gehuisvest in het binnenste van uw tabernakel, waar Gij altoos met ons zijt, cn wij altoos met ü zijn, Hei is ons goed hier te zijn, waar gij ons het heilig Manna en den wijn der uitverkorenen geeft. Het is ons goed hier ie zijn, waar wij ver van de strikken der wereld zacht kunnen rusten op uw hart te midden onzer kwellingen, onzer smarten, onzer ellende, onzer vermoeienissen; want dat alles is goed voor ons, dat alles wordt verzoet, wordt ons aangenaam aan uw goddelijk hart.
166
onze thabor hier beneden. 1ó7
Het zs ons goed hier te zijn, en wij zullen het zeggen al de dagen onzes levens met een diep gevoel van liefde en erkentelijkheid, met levendige aandoening; en wij zullen het zeggen gedurende de gansche eeuwigheid, want wij zullen slechts van woonplaats veranderd zijn3 en daarboven vinden wij onzen waren Thabor, eene tent voor ons. . .
3° punt. Faciamus hic trio, tabernacula. Laat ons hier drie tenten maken, eene voor Jesus, eene voor Maria, eene voor Jozef; hier, in dit huis dat hun is toegewijd, hier in mijn arm hart. O ! die woontent van mijn hart! is zij tamelijk? is zij voegzaam? is zij versierd om Jesus te ontvangen? Welke zonde, welke onvolmaaktheid is het, die haar ongeschikt maakt voor deze verheven bestemming ? Welke deugd is het die ontbreekt, en die de versiering zou uitmaken welke Jesus vordert en sinds zoo langen tijd vraagt?
Mijn hart, zijt gij een reine en schitterende woontent voor de H. Maagd? en zoo niet, hebt gij tranen om u te reinigen? hebt gij een altaar van bloemen? hebt gij zuivere geuren?
l68 KORTE OVERWEGINGEN.
Mijn hart, hebt gij eene brandende liefde voor het hoofd der H. Familie, den beschermer, den gids van Jesus en Maria? hebt gij in hem een kinderlijk vertrouwen? hebt gij reeds zijne zoete bescherming verworven ? hebt gij reeds verkregen, dat hij u verlichte en onderwijze in de verborgen wegen, de wegen der goddelijke liefde? Faciamus hic iria tabernacula. O! wat zijn die drie woon-tenten beminnelijk en aangenaam! Quam dilecta tabernacula lua, Domine! Wat zal het dan van de eeuwige woontenten zijn ? . .
GOEDHARTIGHEID.
Vide . ... in te bonilalem Dei, si pennanseris in bonilale.
Bewonder Gods goedhartigheid jegens u, zoo gij in de goedhartigheid volhart.
rom. xi, 22.
In dit aardsche ballingsoord, moeten de maagden gezellinnen van het lam vol goedheiden zachtzinnigheid, afbeeldingen van Gods goedheid zijn. Ons hart moet , bij gevolg, goed zijn jegens God, jegens zich zeiven en jegens den naaste.
le punt. Ben ik goed jegens u, lieve Heer jesus ? Gij komt dagelijks tot mij het hart vol goddelijke teederheid, de handen vervuld van genaden. Gij verlangt ,dat ik U begrijpe, dat ik U antwoorde, dat ik de schat-
1 70 KORTE OVERWEGINGEN.
ten uwer goedheid niet minachte ; want Gij zijt goed, Heer, zoo als de psalmist zong in de vervoering zijner vreugde. Gij zijt goed en Gij leert ons uwe geboden met onuitsprekelijke goedheid. Maar, mijn God, wat moet ik doen opdat Gij al de besluiten in mij kunt volbrengen. Mijn hart aan de schepselen onttrekken en het met al zijne genegenheden onder uwe beminnelijke heerschappij laten, opdat Gij er vrij over kunt beschikken. Wat moet ik doen? De moeielijke en gewichtige deugden beoefenen, die U van mijne genegenheid zullen getuigen en U een weinig zullen troosten over de vele beleedigingen, die uw hart grieven. Wat moet ik doen ? Trouw met U blijven, o lieve Jesus ! want ik betuig U geen teedere goedheid, wanneer ik immer voorwendsels vind om mij te verwijderen, om ergens anders heen te gaan dan naar U. Wat moet ik doen ? In uwe heilige belangen treden, ze behartigen met al de krachten mijner ziel, de smarten der Kerk lijden, en verteerd worden van ijver voor uw huis, voor uwe glorie, o God van goedheid!
goedhartigheid.
2e punt. Ik moet goed zijn jegens mij zelve en daarvoor zijn drie zaken noodig: dat ik een grooten strijd tegen mij zelve onderneme, dat ik den inwendige vrede bekome, en dat ik ootmoedig voortschrijde op den weg des vooruitgangs.
De strijd is ernstig, het slagveld is mijne eigen natuur, mijn hart, mijne neigingen, mijne inborst, mijne hartstochten, dat ben ik geheel en al. Ik moet mij overwinnen en vernietigen. Slechts tot dien prijs kan ik goed jegens mij zelve zijn. 6 God van alle goedheid, gewaardig U mij ter hulpc te komen in dien wreeden krijg.
Ik zal goed zijn jegens mij zelve, o goddelijke Meester, als de stormen, door mijne fouten en gebreken verwekt, voorbij zullen zijn; wranneer mij niets meer levendig zal treffen behalve Gij en het uwe; wanneer Gij het rijk van vrede in mijne ziel zult gegrondvest hebben en Gij er uwe woning maakt met den Vader en den heiligen Geest.
Ik zal goed zijn jegens mij zelve, dierbare en lieve Meester, wanneer ik de liefde voor
171
korte overwegingen.
vernederingen en opofferingen zal bezitten; wanneer ik van deugd tot deugd zal voortgaan ; wanneer Gij overtuigd zult wezen van de toenadering mijns harten tot uw goddelijk hart; wanneer de ware godsvrucht de regel van mijn gedrag, de heerschende beweegreden van mijne gedachten, woorden en werken zijn zal.
3c punt. Ik moet goed zijn jegens mijnen naaste. Wie is degene met wie ik leef? Is het de beminnelijkste, de meest beminnende, die alleen het voorwerp mijner zorgen en welwillendheid is ? Heb ik een groote liefderijkheid voor mijne leerlingen als ik ze vertroetel, als ik voor eenige van haar den ganschen schat mijner albasten vaas ten beste geef, in plaats van mijne reukwerken aan [esus' voeten uit te storten ? Ben ik, zelve hartstochtelijk zijnde, goed, als ik dien nadee-ligen brand in jeugdige harten aanwakker.
Ben ik zeer goed svat betreft mijne heiligste en meest gewettigde gehechtheden ? Mijn hart, zoo gij daaromtrent gierig zijt, en dwaselijk in tegenovergestelde richting de liefde
172
GOEDHARTIGHEID.
uws harten uitstort, dan zijt gij niet goed, en gij minacht de schatten van Gods goedheid.
Wellicht hebben wij vijanden, al hebben wij zeiven nimmer een gevoel van vijandschap gehad. Wij kunnen persoonlijke vijanden, en vijanden onzer instelling hebben. Zijn wij goed jegens hen? Bereid om toenadering te doen en genaderd te worden ? Wij moeten het zijn; en, in de goedheid, de liefde van Jesus Christus, den moed hebben om te zeggen: Hemelsche Vader, vergeef hun, zij wisten niet wat zij deden met ons te belasteren, ons te bespotten, ons het hart te breken. Vergeef hun! en zie, wij zijn bereid hun wel te doen, hun diensten te bewijzen.
Laat ons zeer goed zijn jegens de zondaren. Ziet Gods werk. Met zooveel liefde vormde Hij door zijn goddelijken ademtocht die ziel, thans in een afgrond van zonden gevallen. Ziet het werk van Jesus; Hij arbeidt om die ziel op te beuren uit het slijk en het bederf, waarin zij zich bedolven heeft. En wij, wat moeten wij doen ? is er spraak van onze oogen met walging af te wenden en te
173
KORTE OVERWEGINGEN.
zeggen : Wij zijn niet gelijk die tollenaar ? Neen, Jesus wil onze hulp, want Hem walgt het volstrekt niet ; jesus wil dat wij Hem krachtig de behulpzame hand bieden met onze goedheid, onze liefde, onze vurige gebeden.
Wij hebben het begrepen, goedheid is geen zwakheid. Die van Jesus werd ons betuigd door een reeks van persoonlijke oflers, die slechts op den top van Kalvarië hunne bekroning vonden. O mijn God ! geef mij die ware goedheid, mededoogend genoeg om veel goed te doen, krachtig genoeg om veel kwaad te beletten.
174
VERANDERING VAN WOONPLAATS.
Non habemus hic manentem civitalem, sed fuluram inquirimus.
Wij hebben hier geene blijvende woonstede, maar zoeken de toekomende.
•rom. xiii, 14.
De verandering van woonplaats kan eene religieuze hevig aandoen, omdat zij vaarwel zegt aan geliefkoosde bezigheden en gewoonten, aan degenen die haar dierbaar zijn, en omdat zij niet genoeg denkt aan de verblijfplaats waar niets verandert, waar men voor altijd aan zijne dierbaren gehecht blijft.
le punt. Het hart heeft zich sterk gehecht aan dat beminnelijke verblijf, die geliefde bakermat, waar men gaarne lang zou willen leven en zacht sterven; men roept uit met
1 76 KORTE OVERWEGINGEN.
den heiligen man Job: „ik zal sterven in het huisje dat ik mij gebouwd heb en ik zal er mijne dagen vermenigvuldigen als de palmboom. ' Men had zich zoo goed geschikt tc midden zijner bezigheden, stoffelijk en zedelijk. De dagelijksche taak was gemakkelijk geworden, men had zich er mede vereenzelvigd , men had gewerkt, men had zijn zoet gewin bijeengegaard en de bijenkorf was vol. Men had bijna geenc moeielijkheden meer in de bezigheden ons toevertrouwd, zij waren in zekeren zin eene aangename ontspanning geworden. Waartoe zal nu die lange en zorgvolle voorbereiding dienen ? Andere plichten, andere leerstof, andere leerlingen wachten mij, helaas! En zullen mijne nieuwe bezigheden mij niet zwaar vallen? Zal ik mij er van kunnen kwijten zóó dat allen over mij voldaan zijn? Zal ik den wel willenden bijstand vinden, die mij tot nu toe niet ontbroken heeft, en waaraan ik zoo groote behoefte heb?
Geliefde ziel, ons leerend zeide fesus: „Ik ben gekomen om scheiding te maken.quot; Dat
verandering van woonplaats. 177
zwaard der scheiding is een dier middelen, waarvan de Voorzienigheid zich bedient om ons duizend kleine verkleeftheden te doen afsterven en om ons voortebereiden op de groote scheiding, die onze algemeene her-eeniging zal voorafgaan. Bedenk wel dat Gods welbehagen, waarvoor gij u hebt opgeofferd, zijn werk ten volle wil verrichten. Zijn goddelijke wil treedt bij u in, in de woning van uw binnenste, en treft met zijn snijdend zwaard alles wat te gevoelig, te teer in u is. Dat doet pijn, doch berust er in; Hij die de slagen en wonden toebrengt zal ze wel kunnen heelen.
Hebt gij ooit ernstig de smarten overwogen van den Zoon Gods, verwijderd van de genoegens van zijnen schoonen hemel, van zijn glorietroon, en om te verblijven waar ? Welke woonplaats heeft Hij verlaten? en wat heelt Hij er voor teruggevonden? Bethlehem, het ballingsoord, Nazareth en Calvarie.
2e punt. Men verlaat dierbaren aan wie men zich gehecht had, en dat is de doorn die het smartelijkst verwond. Die gezellinnen
178 KORTE OVERWEGINGEN.
in den arbeid, wier ontmoeting op zekere oogenblikken men zich tot aangename behoefte had gemaakt; aan wie men mededeeliagen deed, van weerszijde zoo bebagelijk en zoo nuttig; met wie men schertsend redetwistte over eenige punten aangaande de studie, de leerwijze, het opzicht; die gezellinnen van den arbeid in een woord, met wie men een heilig en door God waarlijk gezegend werk verrichtte, die moet men verlaten. Mijn God ! wat valt dat offer zwaar, hoe hard is het voor mijne gevoelige natuur!
Doch er is meer; de oversten, die ik liefheb, op wie mijn hart vertrouwt, en wier ervaring zoo zachtzinnig mijn onervarenheid weet te verhelpen; die mijn gezonken moed weer kunnen doen herleven; die steeds raad en middelen vinden om te herstellen wat ontdaan of gebroken is; die mij met zulke moederlijke teederheid verzorgen, haar te moeten verlaten! en om wie terug te vinden ? Neen, geliefde ziel, dit is eene dwaling, gij verlaat haar niet. Gij zijt van haar slechts door de ruimte gescheiden , uwe genegenheid
verandering van woonplaats. 1 79
echter kent geene afstanden. Degelijke vriendschap gaat daar ver boven uit; zij zou , ware het mogelijk, zich zelve willen vernietigen voor den dienst van God en het heil dei-zielen. „Mijne dochter, schijnt Jesus u te zeggen, wanneer gij die geliefde leerlingen, medereligieuzen, die goede oversten voor Mij verlaat, zult gij mijnen naam meer verheerlijken. Ik ken den prijs van uw offer; welke belooning verlangt gij daarvoor? -—-Heer, geene andere dan U zeiven. — Mijne dochter, andere zielen zal Ik u geven om ze te leiden in het licht mijner leer. Ik zal u zusters en moeders geven; en degenen die gij verlaat, en degenen die gij vindt zal Ik vereenigen in mijn gewond Hart, in dat middelpunt van liefde, waar de heilige genegenheden veredeld worden, om te worden vereeuwigd in het huis mijns Vaders, waar geween , noch smart, noch scheiding wezen zal.quot;
3' punt. Maar dat huis ... de gewijde muren van dat heiligdom, de wanden dier klassen, dier studiezaal, dat alles is mij dier-
l8o KORTE OVERWEGINGEN.
baar, dat alles voert tot mij een welsprekende taal, die in mijn hart weerklinkt. Binnen den omtrek van dit verblijf heb ik een geliefd vaderland gevonden, en ik zal een treurende balling zijn. Mijne plaats zal worden ingenomen, ik zal er niet terugkomen dan bij zekere voorname gelegenheden, en min of meer als eene vreemdelinge.
Staak uwe klacht, arme ziel. Indien gij hier beneden geene blijvende door menschen-handen gemaakte woonplaats hebt, zoo is er eene andere, die uw genoeglijk toevluchtsoord, uwe zekere schuilplaats, het bolwerk uwer beschutting zijn moet, namelijk het Hart van Jesus. Welk een luisterrijke woontent! Gelukkig zij, o Heer, die dat huis bewonen , zij zullen uwen lof zingen door de eindelooze eeuwen heen. Een enkele dag in dat goddelijk heiligdom doorgebracht, is beter dan duizend dagen.
Ik zal dan, zoo spreekt gij, ik zal dan gaan. Heer, waarheen Gij mij zendt. Al was het slechts eene eenvoudige hut en Gij waart bij mij, zij zou in een paradijs van
VERANDERING VAN WOONPLAATS. l8l
geneugten veranderd worden. Het H. Sacrament zal in dat nederig huis zijn; ik zal daar bij U zijn, goede Jesus, ik zal daar tehuis zijn. Waar mijn goede Meester is, daar bevind ik mij wèl, zeer wèl. in zijn goddelijk gezelschap zal ik het oogenblik verbeiden, waarop Hij mij moet overbrengen naar zijne eeuwige woning. In Hem zal ik alles terug vinden wat ik voor Hem verlaat, en Hij zal mij alles vergoeden. Het is geen woest en ontredderd verblijf, dat ik zal betrekken, maar de woontent zijner liefde en de verblijfplaats zijner glorie. Gij zult dus, mijne arme ziel, uwe bevrediging hebben zoo gij grootmoedig weet te zijn, en na dierbare personen te hebben verlaten, ook nog u zelve weet te verlaten, om uw eenig goed te vinden en in Hem alles, wat de zucht naar geluk, die u verteert, kan voldoen.
12
NIEUWE TEMPEL.
Quis ascendet in montem Domini, aut quis slahit in loco sancto ejus? In-nocens mctnibus et mundo covde,
Ps. XXIII, 34-
Wie zal den berg des Heeren beklimmen en verblijven op zijne heilige plaats ? Hij,
die de handen en liet hart zuiver heeft----
O! hoe onschuldig moeten de handen niet zijn, bestemd om den Heer een nieuwen tempel te bouwen. De H. Koning David heeft dat geluk niet gehad, het werd bewaard voor zijn zoon Salomon. Welk een brandende ijver bezielde beiden niet, om voor de heilige ark een passend verblijf te vinden. „Neen, riep de Koninklijke propheet
nieuwe tempel.
uit, ik zal niet tot mijn rustplaats gaan,quot; dat wil zeggen, ik zal niet inslapen in de eeuwige rust, „zoolang ik den Heer geen tempel heb opgetrokken. Ik heb eene gelofte gedaan aan den Heer, den God van Jacob, an een tempel te bouwen tot glorie van zijnen naam.quot;
le punt. Hebben wij genoeg nagedacht over de bizondere genade, die, onder zooveel waardiger en volmaakter zielen, voor ons is bewaard, van een nieuw heiligdom, eene woonplaats voor Jesus op te richten? Dank zij ons, arme zielen, die verwijderd zijn van het hoofdheiligdom, zal Hij dus eene verblijfplaats meer hebben op aarde. Wat zal in de eeuwigheid de vergelding zijn voor dat werk, zoo het herbergen van ongeluk-kigen en behoeftigen reeds eene daad is het eeuwig leven waard? .... Zijn de ontberingen, die wij kunnen te verduren hebben, niet gering, met het oog op die genade en die heerlijkheid? en schijnt het u niet toe of gij de stem van jesus reeds hoort: Gij hebt Mij een verblijf op aarde gegeven, gij hebt
183
1 84 korte overwegingen
Mij bij u gehuisvest, kom, Ik zal u mijn paradijs geven met al zijne heerlijkheid.....
2e punt. Onze handen zullen nieuwe aanbidsters tot Jesus voeren en wij zeiven zullen in geest en waarheid aanbidden. In de eenzaamheid van dat nederig bedehuis, zullen onze smeekingen vuriger zijn; wij zullen de noodzakelijkheid gevoelen, van trouwe gezellinnen des goddelijken Verlossers te wezen. Wij moeten bij Hem de plaats van heiliger zielen innemen, die Hij niet geroepen heeft, en die Hem beter zouden vereeren dan wij. Wij moeten Hem vergoeding geven voor zijne verlatenheid , en onze harten verruimen, opdat zij in staat zijn zóó te beminnen, dat onze goddelijke Gast een weinig voldaan kan wezen. Wij moeten met Hem een inniger leven leiden, dan in de heiligdommen waar een groot aantal godvruchtige zielen, beurt aan beurt, Hem reukwerken en eerbetoo-ningen komen brengen. Wij moeten zonder ophouden, met een gevoel van erkentelgkheid zeggen; „Abscondil me in tabernaculo suo, protexït me in abscondito tabernaculi sui;
nieuwe tempel 1 85
Hij heeft mij verborgen in zijn tabernakel Hij heeft mij in het binnenste van zijn tabernakel beschut.
3c punt. Die nieuwe tempei moet een afbeelding van den hemel, en geheel dat huis moet een tempel zijn. De goddelijke tegenwoordigheid moet, als de wierookwolk, die gedurende drie dagen den tempel van Salomon vervulde, geheel dat huis innemen. Zij moet ons altijd voor oogen staan. Wij moeten temidden daarvan leven en ademen, gelijk de vogel in de lucht, en de visch in het midden van den vloed. Beeld des hemels door den geest van gebed, door de liefde, door de overeenstemming van een klein getal harten, die vereenigd kloppen voor de glorie van God, en die slechts een zelfde gevoelen hebben, een zelfde verlangen, dat van God alleen, God boven al te doen beminnen; zoodanig moet die kleine nieuwe tempel zijn.
Kom dan, Heer jesus, kom. Sta op om uw intrek te nemen in deze uwe rustplaats, Gij en de ark uwer heiligheid. Gelijk Gij voorheen Sion verkozen hebt, wilt Gij wel
KORTE OVERWEGINGEN.
i86
ons nederig verblijf voor uwe woning kiezen. Goddelijke Gast, wij zullen U dienen met den teedersten eerbied, U en de ark uwer heiligheid. Maria, moeder, gezegend onder alle vrouwen, doe hier uwen moederlijken invloed gelden en maak ons waardig dit nieuw huis van Nazareth te bewonen.
DOET AL WAT HIJ U ZEGGEN ZAL.
Quodcumque dixeril vubis'! facile.
Joan. II, S-
Er was bruiloft te Kana in Galilea. jesus was daar met zijne heilige Moeder. Gij kent dat Evangelie verhaal, de bekommering der huisknechten en de treflende tusschenkomst van Maria. Toen kwam van hare gezegende lippen dat woord, door godvruchtige zielen van alle eeuwen der Kerk opgevangen, om zich met eene teedere godsvrucht te voeden; Doet al wat Hij to zeggen zal. In het huis te Kana bogen de dienaren voor de verhevene zoetheid van dat woord, zij gehoorzaamden, en onverwijld volgden die wondervolle uitwerkselen, welke wij kennen.....Het wonder
korte overwegingen.
geschiedde om stoffelijke behoeften, het maakte een diepen indruk op de zielen, en Je sus leerlingen geloofden in Hem.
Maria, Jesus moeder, spreekt, tot ieder onzer, vol van liefde dat zelfde woord: Mijne dochter, doe alles zoat Hij n zeggen zal. Laat ons zien waarin wij aan deze dringende uitnoodiging onzer hemelsche moeder gehoor moeten geven, en wat Jesus ons bizonders te zeggen heeft.
le punt. Doet al wal Hij it zeggen zal, wanneer Hij in quot;t geheim tot uwe ziel zal spreken, en Hij die ziel zal bewegen om haar te doen buigen voor zijnen goddelijken wil, en wanneer Hij haar zal vervolgen en nagaan tot in hare verborgenste neigingen, tot in hare meest vasthoudende en weerspan nigste begeerten. Men kan die stem niet ontvluchten, men moet haar noodwendig hooren; wat zegt zij? Mijne dochter, dat gebrek in uw karakter mishaagt Mij. Geef mij die prikkelbaardheid, die gevoelens van afgunst, die eigenzinnigheid in uwe meeningen en gedachten. De traagheid waarmee gij
i88
DOET AL WAT HIJ U ZEGGEN ZAL. 189
mijn geheel beminnelijk juk draagt, kwetst dit hart, dat u zoo zeer heeft bemind, en dat zijne genaden, den prijs van zijn bloed, aan u niet heeft onthouden. Die genaden moesten u met lichten tred op den weg der heiligheid doen voortgaan en u eindelijk doen zwichten voor de aantrekkelijkheid mijner liefde. Uw gebrek aan liefde kwetst Mij. Ik heb Mij zeiven voor u ten beste gegeven tot het uiterste, tot den dood des kruizes; en in plaats dat gij u zelve voor Mij opoffert, stelt gij grenzen aan uwe kleinste offers, gij meet Mij uwe giften toe met karige hand en zonder die blijdschap, die u opgeruimd moest maken, en Mij zelf verheugen zou. Beliefde jegens uwe medezusters is zoo mogelijk nog zwakker en koeler; gij wilt alles ontvangen en niets geven. Hoe velen uwer medezusters zijn van den schat uws harten uitgesloten? hoevele schepselen beheerschen ten onrechte dat hart, en drijven u tot het tegenovergestelde, van hetgeen Ik u vraag?
Ziet daar wat Jesus ons zegt; en zijne heilige moeder herhaalt in het diepste onzer
iqo korte overwegingen.
ziel, met eene stem door de moederlijke ge negenheid do ordringend gemaakt: Mijne doch ter, doe alles ivat Hij n zeggen sal.
2e punt. Doet al wat Hij u zeggen zal, door den mond van degenen, die gezonden zijn om u te bestieren. Den plicht, door de gehoorzaamheid u opgelegd, schrijft Hij u voor; het gemis dat u hindert, wordt door Hem gewild; van dat punt in den regel, hetwelk u tegenstrijdt, vordert Hij de getrouwe naleving; die oefening van deugd, welke u zoo moeielijk valt, smeekt Hij u vuriglijk te verrichten; en de Allerheiligste Maagd zegt u met teederen glimlach: Mijne dochter, doe alles wat Hij n zeggen zal.
Daar is eene stem, die voor u de getrouwe weerklank is van de stem des Heeren, en dat is de stem van uwen geestelijken leidsman. Hij is voor u een andere Christus: hij is voor u die engel, die u vóór moet gaan op den weg, om met den fakkel van de leer des Evangelies de duisternis te verlichten en u de plaats binnen te leiden, die voor u bereid is. „Volg hem, luister naar zijne stem
DOET AL WAT HIJ U ZEGGEN ZAL. IQ1
en weersta hem niet. En zoo gij alles volbrengt, wat hij u gelast in mijnen naam, zal Ik uw wreker zijn, de vijand van uwen vijanden , en Ik zal hen kwellen, die u kwellen, die machten der duisternis, waaraan gij zijt ontrukt, om overgebracht te worden in het rijk mijner heilige liefde.
Geliefde godminnende ziel, de vooruitgang ligt hierin, luisteren, verstaan, ten uitvoer-brengen, wat het ook kosten moge. Doe alles wat Hij u zeggen zal, 't is de meester zelf, die tot u spreekt. Volkomen opoffering van uw eigen oordeel, van uwe zienswijze, van uwe kundigheden, van uwe neigingen, om te luisteren naar die door God gemachtigde stem die u zegt; Hier is het pad, dat gij te volgen hebt; en zoo gij een ander inslaat, zijt gij alleen aansprakelijk. Maar let op de verplichting, welke die gewijde gids tegenover den hemelschen Vader op zich neemt: „Ik zal die ziel geleiden en haar in welstand tot u terug voeren. Zoo sprak de engel Raphael Maar wat was de nederige volgzaamheid van den jeugdigen lobias groot! En
192 korte overwegingen.
zijn vader, zwevend tusschen smart en hoop, verzuchtte in stilte : „Ik geloof dat Gods goede engel hem vergezelt, dat deze alles , wat hem betreft, regelt, en hij derhalve vreugde vol tot ons zal terugkeeren.quot; Ook gij moet tot u zeiven zeggen : Gods goede engel geleidt mij, hij regelt alles wat mij betreft, en hij zal mij langs veilige wegen naar het huis mijns Vaders terugvoeren.
3e punt. Doe wat Hij u zeggen zal, wanneer Hij u zal tegemoet komen met den kelk des lijdens. Wend het hoofd niet af, en verontrust u niet. Gij gevoelt u op het punt van te bezwijken, de bekoringen en de verslagenheid overmeesteren u reeds .... toch is Jesus daar; hecht u met kracht aan het anker zijns kruizes, en doe wat Hij u zeggen zal. Eene heilige, zwaarbeproefd zijnde riep uit : Waar waart Gij, mijn Verlosser, gedurende dien vree-selijken storm ? — Mijne dochter, Ik was bij u.
Wat zal die bittere kelk zijn, waarvan gij met afschuw de lippen zult willen aftrekken terwijl gij, van schrik aangegrepen, uitroept: Dat hij van mij heenga ?
DOET AL WAT HIJ U ZEGGEN ZAL. 193
Wellicht zal het een fout zijn, waarvan men u valschelijk beticht, zonder dat gij de middelen hebt om u te rechtvaardigen of zonder dat Jesus u toelaat u te rechtvaardigen; want het kan zijn, dat Hij in uw binnenste tot u zegt: „Mijne dochter, laat die zorgaan Mij over. Uwe zaak is in mijne handen, wacht tot dat mijn uur gekomen is.quot; Onderwerp u dan en antwoord met liefde : Heer Jesus, uw wil geschiede en niet de mijne.
Wellicht zal het zijn een vergeten van bewezen diensten, een vergeten, dat u gevoelig treffen, dat u een vreeselijk harteleed veroorzaken zal. Doch Jesus vergeet u niet : „Mijne dochter. Ik had op mijn bloedig kruis het werk van de verlossing des mensdoms volbracht , en zie eens hoe de menschen Mij beloonen, hoe zij het gedenken ... .quot;
Misschien zal het een langdurige en smartelijke ziekte zijn, met geneesmiddelen erger dan de kwaal zelf, en waaraan de gehoorzaamheid u smeeken zal u te onderwerpen. In dat geval, moed gehouden ! Jesus is bij u gt; om u tot het lijden aan te moedigen : „Veel
KORTE OVERWEGINGEN.
geliefde ziel, van het uur mijner geboorte tot aan mijnen dood op het kruis, ben ik nooit zonder smart geweest.''
Misschien zullen er in die langdurige ziekte oogenblikken zijn van pijnlijke eenzaamheid, eene eenzaamheid die op verlatenheid gelijkt, terwijl men toch zijne inspanningen verdubbelt, om bij de werkzaamheden uwe plaats aan te vullen, en om te zorgen voor uwe bediening. Maar de lichamelijke smart wekt de gevoeligheid der ziel. en de ziekte leidt er toe, om met zich zelve medelijden te gevoelen. Arme lijdende zuster, nooit zijt gij alleen, Jesus is bij u , doe alles wat Hij u zeggen zal: „Mijne dochter beklaag u niet meer, wanneer gij mijne smarten en die der heiligen beschouwt, gij hebt nog niet tot bloedens toe geleden. Wacht een weinig en gij zult spoedig het einde uwer kwalen zien. Hef de oogen op en zie. Ik houd u reeds de onsterfelijke kroon der heiligen boven het hoofd.quot;
O heilige Maagd Maria ! waarom was ik tot nu toe niet levendiger doordrongen van
194
DOET AL WAT HIJ U ZEGGEN ZAL. 195
het woord aan uwe reine lippen ontvloden ? Mijne lieve Moeder, ik zal alles doen wat Jesus mocht verlangen ; doch herhaal mij dikwijls dat woord, en laat mij geen rust, vooraleer ik mij ten plicht gesteld heb het kloekmoedig te volbrengen. Dan zal de urn mijns harten niet langer vervuld zijn van ijdele en nietswaardige verkleefdheden, maar van dien wijn der goddelijke liefde waaruit de goede werken en de deugden voortkomen, die mij het eeuwig leven doen verdienen.
NEERSLACHTIGHEID.
Nolite amillere confidenliam vestram, quae magnum hahet remunerationem.
Wilt uw kinderlijk vertrouwen op Clod niet verliezen, dat gevolgd zal wordendoor zulk eene groote vergelding.
Hebr. X, 35.
le punt. Dc neerslachtigheid is eene zekere vermoeidheid , die de ziel aangrijpt en haar verlamt. Zij gevoelt zich onbekwaam tot iedere hoogere vlucht, zij trekt zich erbarmelijk in zich zelve terug, en duldt niet, dat men haar er aan onttrekke. Al wat buiten haar ligt, mishaagt haar; de dagelijksche bezigheid, bestaande in het les geven, het toezicht houden, en die eene zware verantwoordelijkheid mede brengt, schijnt haar ondragelijk. Een sombere verbeelding komt
NEERSLACHTIGHEID,
daarbij en men geeft zich aan verderfelijke indrukken over. De meest verknochte gehechtheid heeft dan geen vat op die arme ziel, en de hand, die liefderijk hulp biedt, ziet zich met gemelijkheid en misnoegen afgewezen.
Wat blijf er dan over? Het gebed. Is iemand uwer mistroostig, die bidde. De moedelooze ziel moet derhalve bidden; het gebed is haar reddingsplank. Zij moet bidden met Jesus in diens doodstrijd en Hem hare kwelling, hare droefheid en hare wanhoop mededeelen: „Ik ben terneergeslagen als het gras der weiden door de brandende zon; mijn hart is verdord en verdroogd, ik vergat mijn brood te eten.quot; En Jesus zal zacht antwoorden; Vertrouzv mijne dochter. Hoe dikwijls heeft Hij dat woord niet tot eene arme verlatene ziel gesproken! Hoe dikwijls gedurende zijne ballingschap op aarde! hoe dikwijls uit het binnenste van dien tabernakel, waar Hij met ons woont en verblijft! „Vertrouw mijne dochter. Ik heb de wereld overwonnen ; Ik zal ook wel de
197
13
198 korte overwegingen.
rampen, die u kwellen, kunnen overwinnen, zoo gij zelf voor mijn aanschijn wandelen wilt in eenvoud vol vertrouwen. Mijne dochter, zij alleen zijn ongelukkig, die niet dan doode bedriegelijke verwachtingen koesteren, zij, wier werken boos zijn; maar gij, mijne uitverkorene, die met Mij het werk mijns Vaders verricht, verheug u en drijf verre van u de inblazingen van den geest dei-duisternis , die uw geluk benijdt. Sluit voor hem den toegang tot den lusthof uwer ziel, waar hij zwaarmoedigheid en moedeloosheid wil zaaien, om er vruchten van ontrouw te oogsten.quot;
Geene droefgeestigheid derhalve, bruid van Christus; maar hef veeleer dien luiden kreet van den H. Augustinus aan: ,,Heer groote God! mijn eenige hoop en al mijn vertrouwen is uw goddelijke Zoon Jesus, voor mij gekruisigd.''
2e punt. Wij moeten teruggaan tot den oorsprong der moedeloosheid, en zien welke nietige oorzaken haar kunnen te weeg brengen in eene gevoelige ziel. Een woord van
NEERSLACHTIGHEID.
afkeuring, van berisping kan voldoende zijn. De eigenliefde heeft maar een speldenprik noodig, om zóó op het hart in te werken, dat dit er ziek van wordt. Wat zal het geneesmiddel zijn? De schrijver der Navolging geeft het ons: „Waarom u te bedroeven over eene lichte fout, waarvan men u beticht? al ware zij zwaarder, ook dan nog zoudt gij er niet verontrust over behoeven te zijn. Laat dit dan gaan. Het is niets nieuws, noch is het de eerste keer, dat gij het ondervindt, het zal ook niet de laatste keer zijn, zoo ge nog lang leeft.quot; De woorden , die daarop volgen, schijnen geschreven te zijn voor ons, die moeten berispen en bestraffen. ,,Gij hebt moed genoeg wanneer u niets moeielijks overkomt. Gij kunt zelfs anderen raad geven en aanmoedigen door uwe gesprekken; maar wanneer droefenis u overvalt, dan ontbreekt u raad en sterkte.quot;
Honderde onbeduidende zaken kunnen voor ons aanleiding worden tot mistroostigheid; een onaangenaam woord, een minder vriendelijke blik, die lichtere lichaamssmart, welke
199
korte overwegingen.
niet terstond hartelijke belangstelling ontmoet, het gemis van verlangde goedkeuringen bij ons welslagen, eene misprijzing, die ons niet billijk voorkomt, die ons hevig kwelt, en, mag het gezegd worden? de weersgesteldheid die op onze zenuwen werkt. Luister; ,,Mijne dochter, hoe zouden die kleinigheden tot uw hart doordringen, indien ge u niet nog te zeer bekommerdet over het oordeel der menschen ? Al wie zich op Mij verlaat en niet steunt op eigen oordeel, zal niets te vreezen hebben van de menschen.quot; Wat moeten wij antwoorden? „Heer mijn God, oneindig rechtvaardige, machtige en lang-moedige rechter, die mijne zwakheid kent, wees Gij mijne sterkte en geheel mijn toeverlaat, want mijn eigen kracht schiet tekort.quot;
3e punt. Er bestaat eene moedeloosheid in het geestelijk leven. Wij willen ons niet te vreden stellen met het drooge brood eener degelijke en krachtige godsvrucht, wij verlangen het paradijs in ons ballingsoord. De aanmatiging is buitensporig. Houden wij toch rekening met onze arme natuur, zoo on-
200
NEERSLACHTIGHEID.
standvastig en wispelturig. Wij veranderen met den dag, en ieder oogenblik; en wij zouden den Geest van alle vertroosting willen dwingen, ons te overstroomen met de zoetheid zijner genade, terwijl wij ons ondragelijk maken voor ons zeiven en voor anderen. Wat meer edelmoedigheid, geliefde vriendin van een gekruisigden God! Spreek, doe of besluit niets onder den verkeerden indruk van mistroostigheid. Heb moeds genoeg om bedaard eene benauwdheid des harten te verduren, om te wachten op een straal van quot;t goddelijk licht, op de stonde, waarin de genade weer zal schijnen; dan zult ge ontsteld staan te zien, in welk een afgrond gij op 't punt waart u tc storten om zoo luttel iets.
„Heb geduld met u zelve,quot; schreef de H. Franciscus van Sales. ,,Ik wil zeggen, verontrust u niet over uwe onvolmaaktheden, en heb altijd den moed om er uit op te staan. Ik ben tevreden, omdat gij iederen dag weer begint. Er bestaat geen beter middel om in het geestelijk leven volmaakt
201
202 KORTE OVERWEGINGEN.
te worden, dan altijd weer op nieuw aan te vangen en nooit te denken, genoeg te hebben gedaan.quot;
En de goddelijke Meester die u zoozeer bemint, zegt u nog in 't binnenste uws harten: „Mijne dochter doe wat u te doen staat: werk getrouw in mijnen wijngaard, en Ik zelf zal uw loon zijn. Schrijf, lees, zing mijnen lof, verzucht, onderhoud het stilzwijgen, bid , verdraag moedig den tegenspoed; het eeuwig leven is dien strijd, en nog veel grooteren waard.quot;
AFVALLIGHEID.
iVumquid et vos vultis abire? — Do-mine, ad quem ihimus?
En gij, wilt ook gij niet heengaan? — Heer, tot wien zouden wij gaan?
joan vi, 68, 69.
le punt. Jesus predikte zijne leer over het H. Sakrament des Altaars ; Hij zeide tot zijne discipelen; „Ik ben het brood des levens. Uwe vaders hebben in de woestijn het manna gegeten, en zij zijn gestorven. Dit is het brood, dat van den hemel nederdaalt, opdat, zoo iemand daarvan eet, hij niet sterve. Mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank.quot; Alsdan morden er eenigen tegen Hem en zeiden: Dat woord is hard en wie kan het aanhooren ? Van dat oogen-blik bleven vele zijner leerlingen weg en
KORTE OVERWEGINGEN.
gingen niet meer met Hem. Alsdan richtte de Zaligmaker zijnen teederen, goedaardigen blik, zijnen blik zoo vol liefde en licht, zoo vol goddelijken weemoed, tot diegenen die Hem getrouw gebleven waren en zeide hun: Numquid et vos vultis abire ?
Mij dunkt, ik zie hen op dat oogenblik, door kinderlijke teederheid bewogen, Hem de handen kussen, of Hem slechts door tranen kunnende antwoorden. Mij dunkt, ik hoor Petrus, met de vurige liefde, welke hem bij iedere gelegenheid onderscheidt, uitroepen ; Heer! tot wien zouden wij gaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.
In de tijden van afvalligheid, waarin wij leven, nu zoovele zielen in het geloof verflauwen , keert Jesus zich ook tot ons, en, met de teedere en angstvolle ongerustheid eens bruidegoms, die edelmoedig was tot het kruis, vraag hij ons: Lieve teerbeminde zielen, wilt ook gij Mij niet verlaten ? wilt gij het verbond niet verscheuren, dat Ik van mijne kant met mijn bloed heb onderteekend ? wilt gij deze heilige altaren niet vaarwel
204
AFVALLIGHEID.
205
zeggen, waar wij ons bruiloftsfeest vierden? wilt gij Mij, uwen bruidegom , uwen vader, uwe vriend, niet verraden voor een handvol van die schillen, waarmede de zwijnen zich voeden ? wilt gij mijn heiligdom niet verlaten, en door uwen val verergenis geven, en oorzaak zijn dat verscheidenen, niet alleen de verheven schoonheid der evangelische raden, maar gansch mijne heilige wet vervloeken ? — O jesus ! neen , wij willen LJ voor altijd volgen, en, door onze getrouwheid, zielen voor U winnen ; wij willen U volgen in de onverbrekelijke en volmaakte vervulling onzer heilige geloften; in de armoede, de zuiverheid, de gehoorzaamheid en de zelfopoffering. Uwre doornekroon hier beneden en die vier bloemen voor onze kroon van gerechtigheid, dat is genoeg. Jesus, niet eene van ons zal uw goddelijk hart door een snood verraad doorsteken. Helaas ! wij bedroeven U reeds te veel door onze dage-lijksche zwakheden, waaruit uwe hand met zooveel vaderlijke toegevendheid ons weder opbeurt.
korte overwegingen.
2O6
2e punt. Waar zou ik gaan, Heer, waar zou ik gaan ver van U ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens, die woorden welke het voedsel en het licht mijner ziel zijn. Waar zou ik gaan ver van dit geliefde heiligdom, waar Gij mijne jeugd hebt verblijd, waar gij ze vernieuwt als die des adelaars ? waar zou ik gaan ver van uw hart, van dat goddelijk hart, in hetwelk ik eene onuitsprekelijke vreugde smaak, en, bij al mijne vermoeienissen, eene zoete rust geniet ? waar zou ik gaan, en wat zou er van mijne ziel worden in de onvruchtbare woestijn der wereld, die haar geen druppel water voor haren dorst zou aanbieden ! O mijn god delijke Meester! wat zou er van mijne ziel worden, zonder die overvloedige genaden , hemelschen regen, dien Gij elk oogenblik van den dag over haar uitstort ? Goede Meester , wat zou ik doen buiten deze heilige omgeving, waar alles mijne zwakheid ter hulpe komt: godvruchtige onderwijzingen, lofzangen van het verwijderd vaderland, hymnen van Sion ; krachtig merg der goede voor-
afvalligheid.
beelden dat mij voedt, mij versterkt, mij doet zien, dat ik zelve , zoo nietig en ellendig, toch eene nederige kleine lichtfakkel kan zijn in het huis des Heeren Jesus! wat zou er van mij worden, indien ik niet meer onder hetzelfde dak woonde met U, indien ik ver van U ronddwaalde en slechts de tenten der zondaars tot schuilplaats over had? Dit zal niet gebeuren, want uwe genade versterkt mij, en dewijl ik U mijn arm hart heb gegeven en Gij het hebt aanvaard, zoo zult gij niet toelaten, dat het U verrade.
3; punt. Ik hoor de stem van Jesus; zij antwoordt op de heilige verbintenissen, die ik met Hem heb aangegaan. „Er zal veel weder-geëischt worden, van wie veel heeft ontvangen. Gij hebt mijn Evangelie overwogen, lieve ziel. Die talenten aan mijne dienaren en dienaressen toevertrouwd, zijn die kloostergeloften , welke groote interesten voor mijne glorie moeten opbrengen. Denkt gij er ern-stiglijk aan? Welke winst hebt gij Mij reeds aangebracht, van wege U zelve, uwe kloosterzusters, uwe leerlingen? Ik wil uitmuntend
207
2o8 korte overwegingen.
goed gediend zijn, maar Ik heb u ook eene uitstekende belooning weggelegd, want Ik zelf zal die belooning zijn.quot;
Overwegen wij andere gevolgen, van de afvalligheid eener kloosterlinge.
De algemeene verachting drukt op de echtgenoote, die de getrouwheid aan een enkelen sterveling beloofd, durft schenden, en zij heeft het recht niet meer, vrij en fier het hoofd op te heffen. Wat dan te zeggen van de gewijde bruid, die de getrouwheid schendt, welke zij met volle vrijheid, met volle bewustzijn en na lange verzuchtingen aan God heeft gezworen! Ziehier welk haar lot is: de wereld, de booze wereld zelve verfoeit hare trouweloosheid. De knagende worm des gewetens doet haar onbeschrijfelijke smarten onderstaan. Voor haar zijn er pijnigingen , waarvan de bitterheid niet kan begrepen worden, door wie ze niet geproefd heeft; en eindelijk, nooit zal zij na haren God verlaten te hebben, den oprechten eerbied van een mensch kunnen verkrijgen, noch eenigen invloed op hem hebben, noch hem
AFVALLIGHEID 20g
op den weg der zaligheid geleiden. Gaan wij niet verder; zulke vooruitzichten zijn al te smartelijk.
Jesus! wat is het goed met U te zijn! en hoe zoet zijt Gij, reeds hier op aarde, voor de ziel die U bemint, die naar U alleen zoekt en verlangt!
S
WAT HAD IK MEER KUNNEN DOEN ?
Quid dehui ultra facerc vineae meae, el non feci ?
Wat moest Ik meer voor mijnen wijngaard doen, dat ik niet gedaan heb ?
Is, V, 4.
Mijne dochter, mijne bruid, zoo zegt ons Jesus, wat kon ik meer voor u doen? Dooide liefdevolle kracht mijner genade heb Ik u doen beantwoorden aan de bedoelingen mijns harten over u, aan de plannen van dat hart, hetwelk u met eene bijzondere voorliefde heeft uitgekozen van uwe kinsheid af. Gij hebt Mij verstaan, en in de blijdschap uws harten hebt gij Mij geantwoord; Jesus, Gij roept mij, zie ik kom. Ik zal kuisch, arm, gehoorzaam en trouw zijn. Ik ben dan ge-
wat had ik meer kunnen doen ? 211
heel de uwe, ik behoor U volkomen toe.—-Ik antwoord u , mijne dochter, en zeg u zeer vertrouwelijk: Ik heb alles aangenomen, uwe kuischheid, uwe armoede, uwe gehoorzaamheid, uwe toewijding.
le punt. Ik heb uwe kuischheid aangenomen, en een verbond met u gesloten; en van dien tijd af heb Ik u beschermd als de appel van mijn oog, opdat gij als eene lelie zoudt bloeien in mijn heiligdom. Om de belofte , die gij Mij gedaan hebt, volkomen te vervullen, zullen al uwe verlangens, uwe gevoelens, al uwe begeerten, al de kloppingen uws harten voor Mij zijn. Ben Ik u niet genoeg? Welke genegenheid zoudt gij in mijne plaats stellen? Zie of uwe gave volkomen , volmaakt genoeg is, om voor Mij een brandoffer te zijn, dat in geur van zoetheid tot mijnen troon opstijgt , een brandoffer, waarin geheel de gave wordt verteerd, zonder dat er iets van overblijft. Zijt gij , mijne dochter, in de op. rechtheid uws harten, genoegzaam tevreden met uw offer, zoodat Ik zelf er tevreden
rorte overwegingen.
mede kan zijn? Kom aan mijn hart en antwoord Mij.
2e punt. Ik heb uwe armoede aangenomen. Maar, mijne dochter, zijt gij niet veel rijker, dan Ik was in den stal van Bethlehem, in mijn ballingsoord in Egypte, in mijnhuisje te Nazareth en in mijn openbaar leven? Zijt gij niet veel rijker, dan Ik was in mijn lijden, in mijne algeheele berooving, in mijne naaktheid aan het kruis, waar Ik niets had om Mij mede te bedekken, dan mijn bloed? Gij kunt het overvloedige ontberen, ontbrak u al eens het noodige ? Neen, nooit. Zoo gij iets, wat gij voor noodzakelijk houdt, toch zoudt ontberen, kom dan tot Mij, en wij zullen te samen die moeielijkheid bespreken, en Ik zal u verlichten en gij zult beschaamd worden, want het zal een strijd der liefde zijn, waarvan het besluit zal wezen, dat gij veel nuttelooze dingen bezit, en dat ge gedrongen zult worden, die aan Mij op te offeren, en dat ge met vrome nauwgezetheid zoeken zult, welke ontberingen gij u zelve nog zult kunnen opleggen, om Mij steeds meer te
212
wat had ik meer kunnen doen? 213
behagen. Mijne dochter, zoudt ge wel het recht hebben Mij op uwe beurt te zeggen: Heer, wat kon ik meer voor u doen?
Goede Jesus, ik kan U die vraag niet stellen en ik moet U in alle oprechtheid mijns harten toegeven, dat ik U slechts weinig of bijna niets heb opgeofferd. Heden zal ik beginnen.
3e punt. Ik heb uwe gehoorzaamheid en uwe toewijding aanvaard. Uwe gehoorzaamheid, geliefde ziel, is voor Mij een degelijk en gewichtig bewijs van liefde. En vraagt gij mij, in hoeverre gij gehoorzamen moet, dan antwoord Ik u: Tot den dood, zoo als Ik zelf gehoorzaamd heb. — Maar, Heer, het valt mij reeds zoo zwaar te gehoorzamen in zaken, die aan grootmoedige zielen eenvoudig en licht voorkomen. — Aanvaard dien last en gehoorzaam trouw. Er zal een tijd komen, waarin ge met liefde het kruis der gehoorzaamheid aan uw hart zult drukken , waarin ge het zult liefkozen als een kostbaar middel, dat al uwe werken in het zuiver goud der liefde veranderen moet. Zoo
14
KORTE OVERWEGINGEN.
gij gehoorzaamt met de getrouwheid die Ik eisch, zal Ik u genoeg beminnen, om uwe beproevingen te verdubbelen, om u te ver-morselen, te vernietigen, opdat gij u groot en sterk verheffen moogt, en waardig om te bevelen in mijnen naam. En Ik zal u aanstellen over mijn volk , over de jeugdige zielen die Mij zoo dierbaar zijn, en die gij voeren zult in die geheiligde weiden, waar Ik haar zal drenken met mijne leer, haar zal voeden met mijne genade en haar zal doen beseffen hoe zoet het is, Mij grootmoedig te dienen in het ballingsoord, ten einde Mij voor eeuwig te bezitten in het vaderland. Aldus, mijne dochter, zal uwe toewijding Mij dierbaar zijn. Beseft gij den roem, van met Mij te arbeiden aan het werk mijns Vaders, aan het werk van de heiliging der zielen? Moed, getrouwe arbeidster van mijnen wijngaard, mijne medewerkster! Ik zegen u teederlijk, en Ik zal rekening houden met uw zweet, zoo als gij
doet met mijne bloeddruppelen......
O plechtig verbond tusschen den godde-lijken Meester en mijne arme ziel! O |esus t
214
WAT HAD IK MEER KUNNEN DOEN? 215
ik heb mij geheel aan U gegeven; ik heb U mijn hart geofferd, en het uwe heeft zich geopend, zich verruimd om het mijne er in op. te nemen. Mijn lot is uitmuntend, het is het beste, zelfs hier beneden. De Bruidegom mijner ziel heeft alles aanvaard, Hij ontvangt mijne nederige verzuchting, Hij heeft voor mij hemelsche voorkomendheid. Mijne gezellinnen van weleer, gij die in de wereld zijt, neen, gij zijt niet zoo goed bedeeld als ik. O Jesus! Wel hebt Gij recht mij te vragen: Wat kon Ik meer voor u doen? Niets, Heer, Gij hebt de maat overvol gemaakt.
VERVOLGING.
Omnes qui pie volunt vivere in Chrislo Icsu, persecutionem patientur.
Allen die godvruchtig willen leven in Christus Jesus , zullen vervolging lijden.
II Tim. III, 12.
De vervolging is op aarde het lot van alle vrienden van Jesus. Hij heeft het hun gezegd en voorspeld ; gij zult gehaat worden om mijnen naam. Jesus zegt tot u in het bizonder; „Gelukkig zijt gij, beminde uitverkoren zielen , die tot mijn gevolg behoort , gelukkig, wanneer men, om mijnentwil, val-schelijk allerlei kwaad van u zal spreken !quot;
Er kunnen ons drie soorten van vervolgingen treffen; eene kleine vervolging binnen 's huis, met naaldensteken gedreven, en dit zelfs in de heiligste woning ; de vervolging
vervolging.
der goddeloozen woedend over den schitterenden uitslag der opvoeding in Christus'naam gegeven ; de vervolging der goeden , die ons niet willen begrijpen, die ons tegenstreven, ons en onze werken achter stellen, ten aanzien van andere even uitmuntende werken, die zij meer bijzonderlijk genegen zijn.
ie punt. De kleine inwendige vervolging. Wij zijn geen engelen. Vervallen zielen als wij zijn , vol begeerten, verwachtingen en gevoelens, die elkander bestrijden, en daarenboven met een sterfelijk lichaam bekleed, kunnen wij onmogelijk elkander tevreden stellen, om de eenvoudige reden , dat God alleen ons kan voldoen, Hij, onze oorsprong en ons einde, en de schepselen al te onvolmaakt zijn , om elkaar wederzijds volkomen voldoening te geven. Er wordt dus eene zeer groote inspanning van deugd vereischt om anderen te verdragen en zich voor anderen verdraaglijk te maken. En zelfs die krachtige poging bereikt niet altijd haar doel.
Overwegen wij dit aan den voet van Jesus' kruis. Het kan zijn, dat eene goede en schoone
217
2 1 8 korte overwegingen.
ziel geen aanrakingspunt vindt met de onze en dat zij zich op een gansch ander standpunt plaatst; het kan zijn, dat zij ons niet begrijpt en ons juist daardoor veel doet lijden; het kan gebeuren, dat zij over ons klaagt, zelfs dan, wanneer wij, meer dan zij, voor het goede arbeiden, en die klachten kunnen juist daar ingebracht worden, waar het ons arm hart op het smartelijks zal treffen. Kleine inwendige vervolging, die somtijds op een doodstrijd kan gelijken. Er is maar één middel : het zachtmoedig verduren totdat alles wordt opgehelderd ; ons lijden aan Jesus bekend maken, en door eene krachtige poging van den wil glimlachen , ja met den glimlach der heilige liefde. Dus moed gevat! De goddelijk Meester heeft hetzelfde doorstaan. Hij kwam onder
de zijnen..... Hij had recht op zooveel
eerbewijzingen, voorkomendheden en teeder-heid. Welnu ! door wie werd Hij miskend ?
2e punt. De goddelooze wereld bemint u niet. Welk eene reden tot heilige blijdschap ! De goddelooze wereld verfoeit u, en waarom ? Is het om het kwaad , dat gij
VERVOLGING.
219
doet? Neen, dat zou zij u vergeven; en het kwaad. door u gedaan, zou u lang zooveel haat en vervolgingen niet op den hals halen als uwe goede werken , uwe goede hoedanigheden en uwe deugden. Verblijdt u dan en trilt van vreugde, omdat eene groote belooning u is weggelegd. Hier moeten wij het Evangelie van nabij volgen, en niets vergeten van hetgeen jesus verwonderlijks en goddelijks heeft gezegd over het geluk dergenen, die Hem op den engen weg willen volgen. En welke beloften! Het was na de verwijdering van den jongeling, dien Jesus liefhad; alsdan zeide Petrus: „Zie wij, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.quot; En op dat oogenblik belooft Jesus het geheimzinnige honderdvoud van het kloosterlijk leven: „nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.quot; Dat deze belofte van vervolgingen, komende uit den mond van den goddelijken Vervolgde, ons dierbaar zij! In plaats van ons te verontwaardigen en hen.
2 20 korte overwegingen.
die zwakke vrouwe vervolgen met den naam van lafhartigen te bestempelen, gedenken wij het woord van Jesus op het Kruis : „ Vadey vergeef hun, zuant zij weten niet wat zij doeny Het is onze heilige plicht te bidden voor hen, die ons verwenschen en die valschelijk allerlei kwaad tegen ons spreken.
3e punt. Er is eene vervolging veel gevoeliger dan die der boozen, het is die der goeden, en God kan ze toelaten om ons te beproeven.
Het ligt in den aard onzer arme mensche-lijke natuur, naijverig te zijn op het goede. In het algemeen is die booze natuur weinig geneigd, den gelukkigen uitslag van anderen toe te juichen, wanneer zij zelve zich op den achtergrond bevindt. Zij is niet zeer tevreden , omdat God zijn werk vericht met een ander werktuig dan zij zelve. Van daar die armzalige mededinging, die ontevredenheden, die kleine heimelijke aanslagen tegen een persoon of eene instelling gericht. En met verbittering zegt gij: Hoe ! het zijn dienaren Gods , die aldus met mij handelen. Arbeid ik
VERVOLGING.
niet zoowel als zij, voor mijn gering aandeel, in den wijngaard des Heeren? „Laat ons zoo niet spreken, maar verheffen wij onze blikken tot Hem, van Wien alleen wij onze belooning verwachten en willen ontvangen. De goedkeuring der menschen is niets anders dan eene wierookwolk, die door den minsten wind wordt meêgevoerd. De tegenkantingen der menschen zijn ons zeer heilzaam; zij plooien onzen wil en maken ons buigzaam voor de beoefening der deugden. Het is viij goed, Heer, dat gij mij vernederd hebt.
„Uw vrede zij niet in den mond der menschen; want, of zij goed of kwalijk van u oordeelen, gij blijft niettemin die gij zijt. Waar is de oprechte vrede en de ware roem? is het niet in Mij?quot; Laat ons vol moed onzen goddelijken Meester antwoorden, en dat ieder van ons Hem met den schrijver der Navolging zegge: „Maak, Heer, dat het mij mogelijk zij door uwe genade, wat mij onmogelijk schijnt uit eigene krachten! Gij weet, hoe weinig ik lijden kan, en hoe
221
KORTE OVERWEGINGEN.
222
ik bij de minste zwarigheid den moed laat zinken. Geef mij dat iedere beproeving en kwelling om uwen naam beminnelijk en wen-schelijk worde: want om uwentwil smaad en lijden ondergaan is allerheilzaamst voor mijne ziel.quot;
WAAROM VALT GIJ DEZE VROUW LASTIG ?
Quid molesti estis huic mulieri? opus enim bonum apcrala est in me.
Matth. XXVI, lo.
le punt. Eenige leerlingen laakten de handeling dezer vrouw, die den kostbaren balsem, in eene albasten flesch bevat, op Jesus' heilig hoofd had uitgestort. De goddelijke Meester, door liefde en medelijden bewogen, zeide tot hen: Waarom valt gij deze vrouw lastig? En aanstonds werd haar hart met vertroosting vervuld. Jesus neemt liefdevol de verdediging zijner vrienden op Zich, en hoe goed bepleit Hij hunne zaak! Welk eene vertrooster! welk een verdediger ! welk een voorspreker! Jesus, indien Gij
224 KORTE OVERWEGINGEN.
mijn geding in handen hebt, dan ben ik in volkomen zekerheid; indien Gij met mij zijt, wie zal tegen mij zijn ? en wat bekommer ik mij om de afkeuring van geheel de wereld. Verlaten wij Jesus niet, blijven wij in zijne genade, vertrouwen wij Hem het bestier onzer aangelegenheden toe. Hij zal ons krachtdadig verdedigen, en met zijne machtige stem zal Hij zeggen: „Waarom valt gij deze vrouw lastig?quot; Laat ons niet vreezen bij de bekoringen, bij de kwellingen van den boozen geest; Hij zal de duivelen verjagen en hun zeggen: Vervloekte geesten, houdt op van die vrouw te kwellen.
Religieuze ziel, luister aandachtig. In de wereld juichte men u toe, men erkende in u deugden, hoedanigheden, talenten, men vond u geestig, beminnelijk. Gij hebt gebruik gemaakt van uwe vrijheid, van u recht om een levensstaat te kiezen, en vrijwillig hebt gij u aan Jesus gegeven. Welnu, volgens het oordeel eener zekere wereld, hebt gij alles verloren, wat men eertijds in u prees; gij hebt noch verstand, noch onderrichting.
waarom valt gij deze vrouw lastig ? 2 25
noch eenige verdienste meer; gij staat gelijk met al hetgeen men hier beneden voor 't armzaligst, 't bekrompenst' en 't onwetendst kent. Te vergeefs bewijst gij het tegenovergestelde door uwe werken, dat doet niets ter zake. Laat maar zeggen, en blijf in die roemvolle vernietiging, die men u doet ondergaan. Gij zijt de dochter des grooten Konings, die het hoogste vonnis strijkt en die, ten dage van alle gerechtigheid, op strengen toon tot die booze wereld zal zeggen; „Waarom zijt gij deze vrouw lastig gevallen? Geef mij rekenschap.quot; Derhalve te midden der bitterste wederwaardigheden, geene ontmoediging. Al waart gij in ballingschap , in de gevangenis, in de boeien, verontrust u niet; gij hebt een beschermer, een verdediger, een voorspreker; gij hebt den rechter der rechters voor u, en alle rechtbanken der wereld zullen vóór zijne opperste vierschaar moeten verschijnen, en het oogen-blik komt, waarop niemand u meer eenige moeielijkheid zal kunnen aandoen.
2e punt. Jesus, de verdediging zijner be-
gt;
2 26 KORTE OVERWEGINGEN.
schermelinge voortzettende, zeide tot zijne leerlingen : „Hetgeen die vrouw aan Mij heeft verricht, is een goed en heilig werk.quot; Niets van hetgeen wij voor God doen is verloren, maar bijna alles is verloren van hetgeen wij voor de menschen doen. Jesns betuigt ons eene goddelijke dankbaarheid voor zoo weinig, de menschen loonen dikwijls met kwaad het goed, dat men hun bewijst. Ja, de dankbaarheid is een ondraaglijke last voor onedele zielen; maar hoe uiterst gevoelig is Jesus' hart niet! Wij bieden Hem den geringen balsem aan van ons onderwijzend leven; naar zijn voorbeeld roepen wij de kinderen tot ons, om ze in zijne goddelijke wet te onderrichten; wij hebben ernstiger studiën dan die goede zielen, wier onderwijs noodzakelijk min of meer loonarbeid is. Het werk der opvoeding, waaraan zoovele handen zijn verbonden en hare hulp leenen, is en moet, natuurlijker wijze, een volledig werk zijn. In onze dagen is dat werk zoo gewichtig, van zulk een hoog belang, dat wij ons in wezentlijkheid de medearbeidsters des Zaligmakers mogen
waarom valt gij deze vrouw lastig ? 2 2 7
noemen in het werk van de verlossing der zielen. Ons apostelambt behaagt Hem, en uit zijn tabernakel beschouwt Hij glimlachend onze pogingen, versterkt onzen moed en ver geeft ons onze misslagen en fouten; Hij keurt onzen dagelijkschen arbeid goed, en niets gaat verloren: niet zoohaast ontsluiten wij de lippen om te vermanen, te verlichten, te be moedigen, of Hij beloont ons met eene liefdevolle zegening. O die goede Jesus! op hetzelfde oogenblik dat een gevoel van afgematheid ons overmeestert, zegt Hij tot zijnen hemelschen Vader: „Sla uwe blikken op die beminde ziel en beschouw het goed en heilig werk, dat zij in dit oogenblik voor Mij verricht.quot;
3c punt. Wij bezitten niet alleen den balsem van het bizonder werk van zelfopoffering, waaraan wij ons leven hebben gewijd, maar ook het zuiver reukwerk onzer godsvrucht. „Als deze vrouw die zalf op mijn lichaam stortte, deed zij dit tot mijne begrafenis. Die getijden gelezen in vereeniging met al de gebeden mijner Kerk, die H, Sacra-
KORTE OVERWEGINGEN.
menten met zooveel liefde en geloof ontvangen, die deugden in de eenvoudigheid des harten beoefend, dit alles zijn zeer goede werken, voor Mij alleen verricht, en welker geur eeuwig voor Mij als een aangenaam reukwerk zal opstijgen.quot; Zoo aanvaardt de Schepper der natuur zelfs de bloemen door uwe handen gekweekt, maar die Hij zelf met zooveel bevalligheid en verrukkelijke schoonheid heeft bekleed; de Maker des lichts beschouwt met voldoening de lichten waarmede wij zijne altaren omringen; de borduursels der kerkelijke gewaden behagen aan Hem, die de wolken des hemels verguldt en met zooveel pracht het paleis zijner uitverkorenen versierde. De geur des wierooks, die met de hulde onzer harten opstijgt, wordt goedgunstig aanvaard bij den troon zijner eeuwige glorie; en de oplettende hand, die een stofje van den vloer zijns tempels wegneemt, zal eeuwig-lijk door eene machtige en goddelijke hand ondersteund worden.
O Jesus ! moge ik tot het getal dier trouwe minnaressen' behooren, die U zonder vrees
228
WAAROM VALT GIJ DEZE VROUW LASTIG ? 2 29
of menschelijk opzicht voor het aanschijn der gansche wereld dienen, en van wie Gij zegt: Waarom valt gij die vrouw lastig? Het is een zeer goed werk dat zij jegens Mij heeft verricht. Als zij dien balsem op mijn lichaam uitstortte, deed zij dit tot mijne begrafenis.
ONZE LIEFDE VOOR GOD.
Deus me us et omnia !
Mijn God en mijn Al!
H. Franc, van Ass.
Welke is die liefde? wat moet zij zijn? Onze liefde voor God is die parel, voor welke wij alles hebben gegeven, alles hebben verlaten ; de parel die, in deze ballingschap, onze eenige schat is gebleven, de parel van hooge waarde waarmede wij onze eeuwige fortuin zullen koopen. Deze liefde is waarachtig, oprecht, innig, hoewel menigmaal met duisternis overtogen, bestreden, verkoeld in droefenis; maar zoolang wij er in het diepste der ziel aan gehecht blijven, kan ons schuitje tusschen de klippen der woelige zee, die wij doorvaren, niet vergaan. Hoedanig
onze liefde voor god. 231
is onze liefde? Is het eene laffe en onvolmaakte liefde, eene liefde die slechts in het gevoel bestaat, of wel eene liefde voortspruitende uit een vasten, krachtdadigen wil?
le punt. De liefde is en blijft onvolmaakt, zoolang zij den moed niet heeft om van opofferingen te leven, om zich in werkelijkheid voor het heilig Offerlam te slachtofferen. Welke slachloffering eischt de liefde? Die der kwade luimen, der persoonlijke neiging, die der grillen, der ongestadigheden van het karakter; de opoffering van dien afkeer, van die vooringenomenheid ten opzichten van den naaste; van het ijdel zelfbehagen , van gedurig denken aan zich zelve. Welke is die opoffering ? De nederige aanvaarding van den genadeslag, die alles, wat nog in ons te ijdel, te wereldsch, al te gevoelig of te zelfzuchtig is, moet vernietigen. Die genadeslag is misschien eene klaarblijkelijke minachting, eene vernedering die ons gevoelig treft: eene donkere schaduw nedergedaald over hetgeen wij goeds bezitten en van God hebben ontvangen, maar dat ons als misdaad schijnt toe
232 KORTE OVERWEGINGEN.
gerekend ; die genadeslag is het volkomen en bedroevend bewustzijn onzer volslagen ellende, en terzelfder tijd de voortgang van anderen in de deugd en hun welslagen in alles, terwijl men zich als vernietigd , als machteloos gevoelt, en men de kwaal met den vinger aanraakt, om deze of gene kleine lauwheden en nalatigheden, om deze of gene kleine driften , waaraan men voldoening geeft, om die onbeteugelde oploopenheid , om die verkleefdheden min of meer afwijkend van het hoogste doel; om gansch een gedrag waarin het heilig vuur geen voedsel vindt. Zich aldus erkennen, zich in den spiegel der waarheid beschouwen is een genade slag. Wat blijft er te doen'? Geene uitvluchten meer zoeken, een vast besluit nemen, aan dat alles een einde maken en dien wijfelachtigen toestand verlaten. Hoe menigmaal heb ik mij niet aan Jesus gegeven, mij met al de krachten mijner ziel, al de verzuchtingen en kloppingen mijns harten aan Hem overgelaten! Maar zoo ik mij elk oogenblik zoek terug te trekken, is dat edelaardig gehandeld jegens den goddelijken
ONZE LIEFDE VOOR GOD. 233
Vriend, die mij heeft vrijgekocht, uitverkoren, bemind, bevoorrecht, en dat ten koste van welk offer, groote God! Hij, Hij heeft mij niet op korten termijn met zijne milde giften bedeeld: maar voor de eeuwigheid; en ik, in mijne flauwe, lafhartige en onvolmaakte liefde, ik betwist Hem stuk voor stuk den schat mijner genegenheden, ik betaal de oneindige liefde met de valsche munt van nimmer gehouden beloften, ik bezwaar mij voor ellendige en onbeduidende schepselen, voor niet noemenswaardige onnuttige, onedele verkleefdheden. Hoe dit te verhelpen ? De schrijver der Navolging antwoordt ons; „Onze liefde voor Jesus moet ons onthechten aan alle andere liefde , omdat Jesus alleen en bovenal wil bemind worden.quot; Zoodanig is uw Welbeminde, dat Hij geene verdeeldheid toelaat. Hij wil alleen uw hart bezitten en daar heerschen, als een koning op den troon die hem toebehoort.
„Indien gij alle schepselen uit uw hart kondt verbannen, dan zou Jesus er behagen in vinden in u te wonen.quot;
234 korte overwegingen.
2e punt. De liefde voor God is somtijds eene gevoelige liefde, vol geneugten voor de godvruchtige ziel. Zachtjes gedragen in het voertuig der goddelijke genade, over de doornen en steenen van den weg, altijd vorderend, zonder hindernis of aanstoot, verlustigt zij zich als in een voorsmaak van het paradijs. Zij geniet dezen honig zonder te denken aan den bitteren gal, die haren goddelijken Bruidegom werd aangeboden. Kan die staat blijven duren ? Daarop vinden wij een antwoord in het boek, dat wij niet genoeg zouden kunnen overwegen:
„Die teedere en zoete liefde, welke gij somtijds ondervindt, is het uitwerksel van de tegenwoordigheid van genade, en als een voorsmaak van het hemelsch vaderland; gij moet er niet te veel op steunen, want zi; gaat voorbij gelijk zij gekomen is.quot;
Zij gaat voorbij gelijk zij gekomen is! Aanvaarden wij haar nochtans in ootmoed, met een gevoel van schaamte, als eene teedere aanmoediging van onzen hemelschen Vader, als eene onverdiende belooning aan
onze liefde voor god. 235
onze uiterste zwakheid toegestaan, als eene opwekking om ons den zekeren weg naar den Kalvarieberg te doen bewandelen. Korte stonden van den Thabor, uw aandenken is nog dierbaar, wanneer wij ons in dien onuitko-melijken doolhof van distelen en doornen bevinden , waarvan wij de eersten slechts vermijden om ons te gevoeliger aan de laatsten te kwetsen. Doch, dat in afwachting dezer smartelijke oogenblikken , de zoo aangename bezoeken van Jesus ons innig lief mogen zijn.
„Omdat mijne liefde nog zwak en mijne deugd wankelbaar is, heb ik noodig door U, goede Jesus, versterkt, getroost te worden. Bezoek mij dus dikwijls en geleid mij door uwe heilige onderrichtingen. '
3c punt. Hoor en wij den H. Franciscus van Sales: „De onvolmaakte liefde verlangt en begeert God; de boetvaardige liefde zoekt en vindt Hem; de volmaakte liefde bezit en omknelt Hem.quot;'
De krachtdadige liefde van den wil, die de zoetheden des gevoels niet vraagt, die van het kruis leeft, die door het kruis meer
236 KORTE OVERAVEGINGEN.
en meer ontvlamt, ziedaar de liefde der grootmoedige zielen, het is de onze niet, helaas! Die liefde doorstaat in vrede de vervolgingen, zegepralend komt zij de bekeeringen te boven, het lijden is haar lief, en kalm gaat zij marteling en dood te gemoet.
„De minnende ziel aanvaardt met blijdschap voor haren Geliefde al wat hard en bitter is, en om geene moeielijkheid wijkt zij van Hem af.quot;
Die krachtige liefde van den wil, welke geene moeielijkheid aan haar goddelijk voor werp kan onthechten, wordt verteerd door het verlangen van altijd meer te beminnen; dit is hare voornaamste gedachte en het doel, waarnaar zij aanhoudend streeft. In vergelijking daarmede is er voor haar aan al het overige weinig gelegen. De verschillende plichten worden met getrouwheid, met ijver vervuld , de tegenheden met geduld verdragen, hare vreugde over een gelukkigen uitslag is gematigd, en dat alles heeft God onmid-delijk tot doel, alles wordt om God en voor God gedaan, en zij moet hare vurige be-
ONZE LIEFDE VOOR GOD. 237
geerte onderdrukken om niet uit te roepen; JSfum qnem diligit anima me a vidistis?
Die innige liefde brengt alle deugden tot volmaaktheid: de gehoorzaamheid is blijmoedig, de nederigheid schijnt gansch natuurlijk, de ijver voor het heilig werk kent geene palen meer.
De dierbare smarten dezer liefde zijn voorzeker onuitsprekelijk. Wij begrijpen ze te weinig om er ons mede bezig te houden. God volvoert zijn werk in deze gelukkige en minnende ziel, maar door welke marteling des harten! Wanneer zullen wij die marteling ondergaan ?
,,0 eeuwig licht! alle geschapen licht oneindig te boven schitterend, dat een uwer stralen, als de bliksem uit den hooge neder-schiete en tot het diepste van mijn arm hart doordringe.
„Reinig, verblijd, verlicht en verlevendig mijne ziel en al hare krachten, opdat zij zich met U vereenige in vreugdevolle verrukkingen.
„O! wanneer komt dat zalig, dat wen-
238 KORTE OVERWEGINGEN.
schelijk uur, waarop Gij mij met uwe tegenwoordigheid zult verzadigen, en Gij mij alles in alles zult wezen! Zoolang mij dit niet vergund wordt, kan mijne vreugde niet volkomen zijn.quot;
STUDIE.
Veni Sancte Spiritus,
Et cmilte coelitus Lucis tuae radium.
Kerkll. Off.
De onvermoeide toeleg van den geest, waardoor gij zekere wetenschap, zeker vak der schoone letteren of der kunsten zoekt te doorgronden, de studie, in een woord, is een plicht voor u, teerbeminde zuster in Jesus Christus. Uwe roeping legt u studiën op, die betrekkelijk ernstig zijn. Die verplichting zal u lief en aangenaam wezen, wanneer gij ze aan den voet des altaars zult hebben overwogen.
le punt. Het zou onnoodig zijn u de noodzakelijkheid der studie te bewijzen De
240 KORTE OVERWEGINGEN.
goede uitslag in de normaalschool of het pensionnaat bekomen, beduidt niet veel, dit weet gij wel. Noch het diploma noch de lauwerkrans zijn de bekroning van uwen arbeid, maar eene opwekking om moedig de aangename en tevens ernstige loopbaan te betreden, die zich voor u ontsluit. Gelukkig, zoo gij leeft in dien kring van verstandelijke ontwikkeling, waar gij u on-wederstaanbaar gedrongen voelt,-om uwen geest te verrijken, in allen ootmoed, in zelfvergetelheid, voor God, voor de lieve zielen, die Zijne Voorzienigheid u wilde toevertrouwen.
Beminde zuster, gij moet veel meer weten dan hetgeen uw dagelijksch onderricht ver-eischt. Vergenoeg u niet met onveranderlijk denzelfden sleur te volgen; gij zoudt er u later moeilijk van losmaken. Wees altijd bereid, met al het noodige uitgerust, om les te geven in eene hoogere klas. Eene onzer ijverige arbeidsters kan, plotseling door eene ziekte overvallen, in het strijdperk bezwijken: zij moet vervangen worden. Wij
STUDIE.
hebben al onze werkende krachten noodig om den heldenkamp des Heeren te strijden. Ja — en laten wij het luide verkondigen — wij bestrijden den geest van onverschilligheid in het onderwijs; en, indien wij naar geleerdheid streven en de geleerdheid bezitten, dan doen wij dat, opdat zij ons te hulp kome in den grooten strijd tusschen den geest van ongodsdienstigheid en ons katholiek geloof, het geloof onzer moeder de heilige Kerk.
Zoo gij u met een waren godsdienstigen zin op de studie toelegt, zult gij weldra bemerken dat zij niet alleen den geest verheft maar het oordeel vormt, de ijdele gedachten verdrijft en geenc plaats laat voor wereldsche bemoeiingen. Zij brengt tot nederigheid, daar men altijd klaarder inziet, hoe gering het weinige is , dat men weet, vergeleken bij hetgeen men niet weet. Met de ernstige studie hecht men niet het minste gewicht meer aan kleingeestigheden, aan beuzelarijen; met haar wordt het karakter buigzaam en de hevige driftopwellingen ver-
241
242 korte overwegingen.
dwijnen, want zoo gij uw in die heilige studie verlustigt, zullen uwe werken zuiver en gerechtig zijn.
Maar het gevaar van zich hartstochtelijk aan de studie over te geven? Voorzeker, dat gevaar bestaat. Het behoedmiddel vindt gij in den regel, die u zegt; Van dit tot dat uur , niet langer; gij vindt het in uwe kloostergeloften : uwe onderrichting behoort u niet toe, zij is eene heilige, den Heer toegewijde zaak; zij is eene lamp, die niet voor u zelve moet branden, maar voor uwe leerlingen, uwe communiteit, uwe congregatie, zij is aan de wet der gehoorzaamheid onderworpen, want gij hebt uwe geest zoowel als uwe hart ten offer gebracht.
3e punt. Wat hebt gij te studeeren ? Lieve zuster, overweeg dit; het onderwijs dreigt meer en meer stoffelijk te worden. De wiskundige wetenschappen dreigen alles te willen overmeesteren. Zie wat er omgaat: men streeft er naar, alle godsdienstige en zedelijke wijs. begeerte te doen verdwijnen; eene aangename godvruchtige litteratuur, dat voedsel
STUDIE.
der ziel , heeft hare plaats niet meer onder de studiën der jeugd , want er is geen sprake meer van het leven der ziel. Positivisme en realisme, ziedaar wat men wil. Wat den letterkundigen arbeid betreft, die zou nog slechts eene werktuigelijke oefening moeten wezen. Goede zuster, blijf, voor hetgeen de wiskundige wetenschappen aangaat, op eene bescheidene hoogte, heb den moed ze binnen de grenzen der gepastheid en noodwendigheid te beoefenen; maar, om de liefde van uwen goeden God, behoud hetgeen op het hart en de ziel werkt.
Derhalve zult gij de beoefening der zuivere en godvruchtige litteratuur niet achterlaten, beoefening die men versmaadt, die men zoekt te verdringen. Dat uw hart blijve kloppen onder den indruk van edele en verhevene gevoelens: immers in het hart ligt het beste deel van den mensch. Teerbeminde, aan God toegewijde ziel, het is u toegestaan die gedachten, die gevoelens met eenvoudige, ware, juiste bewoordingen, op bevallige wijze in te kleeden.
243
KORTE OVERWEGINGEN.
Maar het gevaar der verbeelding? Ja, deze kan valschheid en dwaling leeren en zij doet het dikwijls; door alles te willen versieren, kan zij alles bederven. Het is mij ontgaan, wie dit gezegd heeft. Men moet nochtans de verbeeldingskracht niet gering schatten; door het geheugen geholpen, stelt zij ons eene menigte dingen aanschouwelijk voor, zij vindt uit, zij schept; maar bij u kunnen haar voortbrengselen, gepaard met het talent van ze uit te drukken, niet anders dan goed zijn; immers om de verbeeldings kracht te weerhouden, hebt gij meer dan de gezonde rede: gij hebt de godsvrucht, de onderwerping, de nederigheid; gij zijt gevrijwaard tegen de buitensporigheden dier bctooveraarster, en hetgeen haar te veel voedsel zou kunnen geven, is niet eens in uw bereik.
Dat de studie van den godsdienst u boven alle andere dierbaar zij! Daar opent zich voor u eene rijke, altijd vloeiende bron, die zich in uw binnenste zal uitstorten en u met onuitsprekelijke vertroostingen vervullen.
244
studie.
Daar zult gij voldoening vinden. Er is voor u, er kan voor u geen aangenamer kennis zijn dan de kennis der waarheid. Zij zal uwe overige studiën heiligen en u zonder ophouden herhalen: Aan God geliefde ziel, raak niet aan den boom der kennis, alvorens den geest van alle kennis te hebben aangeroepen: Veni, sancte Spiritus.
3e punt. Wie beschrijft de zoete genoegens der studie, wanneer zij naar den geest der wet wordt volbracht! God wil ze, Hij zegent ze; de wettige overheid laat ze toe, gebiedt ze; zij wordt door bewonderenswaardige ordemaatregelen beschermd en begunstigd : er heerscht eene rust, eene stilte die aan bet coenakel doen denken: Veni sancte Spiritus. De zelfs zoo talrijke leerlingen ondergaan dien invloed en buigen zacht het hoofd onder hunne lichte taak. Op die wijze kunt gij den ernstigsten arbeid in een volle studiezaal volbrengen. O die kalme rust, die vrede! Is er een wereldsch feest te vergelijken bij dat feest des verstands, wanneer het hart, in God berustend, den geest
ló
245
246 KORTE OVERWEGINGEN.
aanmoedigt tot het vervullen van zijnen heiligen plicht?
Neen, lieve zuster, gij die nog eerst in het proefjaar der studie zijt, gij kunt zoo spoedig die verheven genoegens niet smaken. Gij moet den afkeer, de moeielijkheden van alle begin overwinnen. De vrucht is zeer zoet, maar men moet eene harde schil breken om ze in bezit te krijgen.
De studie verdrijft de schrikbeelden eener sombere verbeelding, de ongegronde droefheden ; zij verheft ons boven de duizende dagelijksche kwellingen, die in de lichtstralen , welke zij om ons heen spreidt, verdwijnen ; met haar is ons leven zoo vol bezigheden, zoo wel besteed, dat er geen tijd overblijft voor ledige uren, voor ijdele woorden.
De studie, het lezen van goeden boeken stelt ons in betrekking met uitstekende vernuften, met groote zielen, met edele karakters; zij toont ons het weinige dat wij zijn en doet ons tot in het diepste onzer geringheid afdalen. Wie kan het leven van eenen
STUDIE.
heilige, eene heilige lezen en de vergelijking volhouden tusschen hen en ons, zonder zich ten diepste te verootmoedigen?
O geliefde studie, dierbare plicht onzer roeping, gij die onze eenzaamheid doet bloeien; gij die ons de eeuwige bron van alle wetenschap, van alle wijsheid naderbij brengt, wees gezegend!
Veni, sancte Spiritus, Et emitte coelitus Lucis tuae radium.
247
ONZE LIEFDE VOOR DE KERK
Ik sterf als dochter der Roomsche, katholieke, apostolische kerk.
H. Tiier.
De maagden zijn de bloemen en de juweelen der heilige kerk; zij moeten de troost zijn dier moeder, die haar zoo teederlijk in haren schoot heeft opgevoed , zij zouden onwaardige bruiden van Christus zijn, indien zij ooit voor de Kerk een voorwerp werden van droefheid en rouw.
ie punt. Ja, zij zijn de bloemen, de juweelen der Kerk, zij zijn hare geliefde en bevoorrechte dochters. Overwegen wif hier de woorden van den H. Franciscus Salesius ; „De H. Maagd was de eerste die haar
ONZE LIEFDE VOOR DE KERK. 249
lichaam en hare ziel, door de gelofte van zuiverheid, aan God toewijdde; maar op hare schreden lokte zij eene menigte zielen die zich aan haar opdragen oirij onder hare heilige hoede, in eene volmaakte en ongeschonden kuischheid te leven. Teergeliefde zielen die de glorierijke Maagd met eene hemelsche teederheid beschouwt! Welaan dan, het schijnt voor het vrouwelijk geslacht eene bijzondere verplichting te zijn haar te volgen, want zij heeft dat oneindig vereerd en verheven. De Kerk heeft ten allen tijde meer plechtigheid ten toon gespreid voor de intrede en gelofteaflegging der vrouwen in den kloosterlijken staat, dan voor die dei-mannen. Ik vermeen dat er geene andere reden bestaat, dan de meerdere zwakheid dezer kunne, die voor zulk eene edelmoedige daad, gelijk zij verricht, ook bijzonder moet geëerd worden; zooveel te meer, daar de mannen geen zoo groot offer hunner vrijheid brengen als de jonge dochters, die zich in de gewijde gevangenissen Onzes Heeren opsluiten, om het overige barer levensdagen
250 KORTE OVERWEGINGEN.
door te brengen zonder ze te verlaten, tenzij bij zeldzame en buitengewone gevallen.quot;
Een kerkvader noemt uwe geheiligde banden de eerekroon van Gods uitverkorenen; hij voegt er bij: Geheel uw leven is een feestdag, omdat gij overal God ziet. Na de martelaars, zegt hij verder, bekleeden de maagden den eersten rang.
Onder de voorrechten u door de Kerk toegestaan, is het bezit van den goddelijken schat, van het H. Sacrament des Altaars, het wondervolste. God woont met u, Jesus verblijft dag en nacht onder uw dak, als de vriend, de liefdevolle broeder uwer zielen, bereid om al uwe wenschen te verhooren. Het sacrificie der Mis, de opdracht van het goddelijk slachtoffer des Calvariebergs, wordt dagelijks op uwe altaren vernieuwd. Gij nadert gemakkelijk en vertrouwelijk tot Jesus, zonder groote toebereidselen te behoeven. Ook in uwe ziekten zijt gij zeer dicht bij Jesus, en het is u niet moeielijk, dikwijls de H. Communie te ontvangen. Zijn er in de wereld godvruchtige, heilige zielen zoo bevoorrecht als gij?
onze liefde voor de kerk. 251
2e punt. Zuivere bruid van Christus, gij zijt, gij moet de vreugd en troost der Kerk zijn door uwe gebeden, uwe deugden, uwe werken. De Kerk heeft meer dan ooit te strijden. Van alle kanten door vijanden aangerand, wederstaat zij, verdedigt zij zich met een edelen moed; zij heeft voor haar het woord der eeuwige Waarheid, Christus-God zal met haar zijn tot de voleinding der eeuwen, haar zegepraal is zeker; maar zij lijdt, een zwaard van droefheid doorboort haar moederhart. Hier ziet zij hare heiligdommen onteerd; daar de roemrijkste onder hare kinderen in boeien, in ballingschap; overal worden trouwelooze plannen tegen haar gesmeed. De zielen behooren haar toe, zij zijn haar eigendom; Gaat en ondei-vvijst alle volkeren, heeft de Goddelijke Meester haar gezegd; en die onschuldige zielen wil men haar ontrukken, om ze aan een onderwijs prijs te geven, dat een maalstroom van ongeloof mag genoemd worden, ja, de Kerk lijdt en zucht, komt haar dus te hulp.
252 KORTE OVERWEGINGEN.
Zij heeft uwe vurige gebeden noodig. Ga dan, reine en godminnende maagd, die den rouw uwer moeder deelt, ga en stort uwe gebeden voor de voeten van Hem, die aan wind en golven gebiedt, van Hem, die wel heeft toegelaten , dat Satan in deze stormachtige eeuw werd ontketend, maar die hem op nieuw in kluisters slaan en in den afgrond werpen zal, opdat hij de volkeren niet meer misleide. Ga, en slaak uwen zuchten in het heiligdom, dat gij nog het geluk hebt te bezitten ; hecht u aan die altaren, waar God uwe altijddurende jeugd verblijdt, en verkrijg , dat de Almachtige zijne Kerk gewaar-dige te bestieren en te behouden, dat Hij de vijanden zijner Kerk bekeere en dat de volkeren met hunne bestuurders den vrede terugvinden in dien schaapstal, buiten welken geene zaligheid is.
De Kerk heeft uwe deugden noodig. Zij zullen een balsem zijn voor hare wonden. Eene volkomen getrouwheid aan uwe heilige geloften, uwe godsvrucht, uwe ware, ongekunstelde ootmoed, uwe veelomvattende,
onze liefde voor de kerk. 2 53
uitgestrekte, innige liefde, aan de bron der oneindige liefde geput: ziedaar de offeranden die gij dagelijks aan Jesus, den Vorst des vredes, voor uwe lijdende en vervolgde moeder zult opdragen.
De Kerk heeft uwe toewijding noodig, uwe verkleefde toewijding aan het werk der christelijk opvoeding. Dat werk moet haar het gebied over de zielen doen behouden. De zielen zult gij zachtjes tot Jesus' gevangenen maken, door u met zijne Evangelische leer te voeden; die zielen zullen u worden toegerekend; en, met de stem eener moeder, zal de Kerk tot Hem , die op den troon is gezeten, zeggen: Ziehier mijne dochter, en ziehier de roemrijke veroveringen , door haren arbeid volvoerd en die zij zegepralend aan uwe voeten legt.
3e punt. Teerbeminde dochter van Gods Kerk, gij zijt, gij zult altijd bereid zijn, duizendmaal den dood te ondergaan, liever dan de heilige Kerkvoogden , uwe vaders in Jesus Christus, te doen zuchten. Maar dat is niet genoeg. Terwijl gij kloekmoedig strijdt
KORTE OVERWEGINGEN
voor de zaak des Heercn, moet gij ook nog u zelve kunnen overwinnen. En ziehier een punt van het hoogste gewicht voor u, voor uwe communiteit, voor uwe geestelijke overheden. Deze gaan gebukt onder den last hunner herderlijke bediening. Met tallooze moeielijkheden hebben zij te kampen, van de dagelijksche bezigheden en bekommeringen eens bisschops kunt gij u geen gedachte vormen. De aanvallen der goddeloozen, het opzicht der kerken, de menigvuldige zorgen van het bestier, dat is reeds meer dan genoeg. Maar treft hen een gevoeligen slag van wege een dier geestelijke gemeenten, waarin zij de vreugd hunner hoop hadden gesteld! ontstaan daar van die oneenigheden, die de tusschenkomst der overheid vereischen, o, dan roepen zij weeklagend uit: „Maar, gij ook! gij, tot nu toe onze troost te midden van zoovele droefenissen.quot;
Neen, teerbeminde des Zaligmakers, nooit zult gij dien wreedaardigen moed hebben. Mocht er eenige verdeeldheid van meening ontstaan, zoo zult gij edelmoedig toegeven,
254
ONZE LIEFDE VOOR DE KERK. 255
tenzij het een dier gewichtige grondbeginselen betreffe, die Gods wet u gebiedt te handhaven; en de leidsman van uw geweten is daar, om u dienaangaande te onderrichten.
Er zijn netelige omstandigheden, in welke uwe deugd, met de kracht en de genade van omhoog, de eigenliefde moet kunnen beheerschen, vernietigen.
Veronderstelt de benoeming eener nieuwe overste. Eene uwer medezusters wordt bij stemming door de meest bevoegde, de best oordeelende leden uwer congregatie gekozen. Maar de nieuw gekozene bevalt u niet, er is tusschen u en haar geene overeenstemming. Wees op uwe hoede! ziehier misschien de gevaarlijke bekoring uws levens ; wees op uwe hoede, en deel uwe indrukken niet aan anderen mede. Doordring u van het gevoel uwer nietigheid, wees nederig, neem uwen toevlucht tot het hart van Jesus en zeg Hem: „Kwelling overvalt mij, mijne ziel is smartelijk ter neer gedrukt, mijn geest is in opstand; ootmoedige Jesus, kom mij
KORTE OVERWEGINGEN
256
te hulp. De kerkelijke overheid heeft hare goedkeuring gegeven, ik wil mij onderwerpen , ik wil de oorzaak niet zijn eener scheuring, ik wil geen wolf zijn in de kudde van den goeden Herder, ik wil de Kerk niet bedroeven, ik wil mijnen bisschop niet doen lijden.' En de bekoring zal afwijken, een troostvol licht zal opgaan in uwe ziel, en de engelen zullen u naderen om u te dienen. En het uur van uw dood zal zacht wezen, en gij zult met de groote heilige Theresia mogen uitroepen: „Ik sterf ten minste als getrouwe dochter der Roomsche, katholieke, apostolische Kerk.quot;
EEUWIGE RUST.
Haec requies mea in saeculum saeculi.
Daarboven is mijne rustplaats voor alle eeuwigheid. Ps. CXXXI, 14.
„Br is een dag aan den Heer bekend, waarop de vrede zal komen, en er zal geen dag noch nacht meer zijn zooals hier op aarde, maar een eeuwig licht, een einde-looze luister, een onverstoorbare vrede, een veilige rust.quot; Dus, welbeminde van Christus, na de arbeidsvolle en somtijds droevige dagen der ballingschap, ziehier de rust in den schoot van God, het eeuwige licht in de vreugden van het hemelsch vaderland.
le punt. Waarom zucht gij, lieve ziel, en welk is de oorzaak uwer weeklacht? Ik verlang naar rust, zegt gij, naar de rust
258 KORTE OVERWEGINGEN.
der zaligen; ik ben afgemat en zou willen uitrusten van den strijd met mij zelve.
Arme ziel! het leven van den mensch is een gedurige strijd op aarde. „En waarlijk zegt de H. Franciscus van Sales, het is een jammerlijke oorlog; immers, hij wordt gevoerd tusschen zulke groote vrienden, als daar zijn de geest en het vleesch; kan er iets betreurenswaardigers wezen?quot; DeH. Paulus, na de aanvallen van dien strijd, dien hij in zich zeiven ondervond, breedvoerig te hebben beschreven , roept weeklagend uit: „Ongelukkige mensch die ik ben ! wie zal mij van dit lichaam des doods verlossen ?quot; Indien dit uitverkoren vat aldus zuchtte, waarom wij dan niet ? Ik zucht en zou willen uitrusten van die plichten, die ik liefheb, maar die alle dagen op nieuw beginnen en die mij alle dagen vermoeien. Geliefde ziel, die rust zou voor u zijn als de dood. Bedenk, dat gij in de droevige en eentonige rust dei-ziekte de vermoeienis van den arbeid betreurt. Eene koortsachtige rusteloosheid kwelt onze natuur, daarin ligt de strijd, maar daarin
EEUWIGE RUST.
259
ligt de groote voorwaarde der belooning in de gelukzalige eeuwigheid. Wacht nog een weinig .... en begrijp wel, dat de rust dei-heilige zielen hier op aarde altijd werkende is. Maar ik wil uitrusten van dien last des harten, die mij onverdraaglijk is. De H. Augustinus deed dezelfde klachten en riep in zijne smart uit: Ons hart is onrustig, ó Heer, ons hart is onrustig, totdat het in U zijn rust vindt. Ik verlang naar het einde mijner kruisiging. Neen, arme ziel, gij moet die nog eenigen tijd blijven verduren, en dan zal Jesus komen en u zeggen: „Daal nu af van het kruis, mijne welbeminde; kom en rust, kom uw kostbaar lijden vergeten in den schoot van God quot; En Hij die u aldus zal toespreken, is die God, die hier beneden arm zijnde, niets had dan het kruis om er zijn hoofd op te doen rusten. ,,Heb moed, zegt Hij nog, ik ken uwe werken, uwen arbeid, uw geduld. Ik weet dat gij voor mijnen naam hebt geleden, en Ik zal u het verborgen manna geven, dat de overwinnende ziel is voorbehouden.quot;
200 korte overwegingen.
En welk is die opperste rust, die eeuwige rust? Het is aan het menschelijk verstand niet gegeven, er zich een denkbeeld van te vormen. De wonden, de moeielijkheden van den strijd zijn ons bekend; wij weten hoe pijnlijk die inwendige worsteling met ons zeiven is; maar wij hebben geen gedachte van de onverstoorbare rust der uitverkorenen in den schoot van God. De Bruid van het hooglied zeide: „Ik heb gerust in de schaduw van Dengene , naar wien ik zoozeer had verlangdquot;; en de Bruidegom: „Ik smeek U , ó dochters van Jerusalem, geen gerucht te maken en deze welbeminde niet te wekken.' O God! welk een vrede, welk een leven en liefde in dien slaap, in die einde-looze rüst.
2e punt. Wat is er treffender dan deze aanroeping onophoudelijk door de Kerk in hare getijden voor de overledenen herhaald: Requiem aeternam dona eis, Donline, et lux perpehia luceat eis. Welk is dat licht ? 't Is dat van het hemelsch Sion , van de stad die zon noch maan behoeft, om haar te ver-
EEUWIGE RUST.
lichten, omdat God zelf hare klaarheid is, en het Lam de aanbiddelijke lamp , wier stralen op de uitverkorenen weerkaatsen.
„O gelukzalig verblijf in de stad Gods; glansrijke dag der eeuwigheid, dien geen nacht ooit verduistert, maar bestendig dooide stralen der opperste waarheid verlicht! altijddurende dag van vreugde en rust, door geene wisselvalligheden gestoord... Hij schittert voor de heiligen in zijnen eeuwigen luister; maar wij, reizigers hier op aarde, wij zien hem slechts van verre, als door een sluier.quot;
Beminde ziel, alleen door tegenstelling van hetgeen nu buiten en in ons is, kunnen wij ons een denkbeeld vormen van dingen , die het hemelsch geluk betreffen.
Wanneer de zon der gerechtigheid voor ons zal zijn opgegaan, dan zullen de verheven duisternissen van ons geloof eensklaps verdwijnen, en in de verrukking onzer vreugde zullen wij mogen uitroepen; Ik zie wat ik had geloofd... ik zie Dengene naar Wien ik had verlangd , in Wien ik had geloofd...
261
17
262 korte overwegingen.
En de sombere wolken, de ijskoude sluiers die zoo menigmaal onze hoop bedroeven, zullen voor die brandende stralen in damp vergaan, en die hoop zelve zal in de wezen • lijkheid der bezitting verdwijnen. Ik bezit het, dat opperste goed , waarop ik had gehoopt.
En wij zullen eindelijk zeker zijn van onze liefde, wij zullen ten volle in haar mogen gelooven en niet meer behoeven te zeggen: Helaas! misschien ben ik niets dan haat waardig! Neen, want de opperste liefde zal de liefde der gelukzalige ziel de volko-menste zekerheid mededeelen; Ik ben in den Hemel vereenigd met Hem, Dien ik op aarde met al de kracht mijner genegenheid beminde.
Zelfs van voor de oogen onzer rede zal de blinddoek wegvallen, en wij zullen de menschelijke wetenschap in eene gansch andere klaarheid kennen, want in dat licht dei-glorie, dat God verleent aan de gelukzalige zielen, zullen zij Hem van aanschijn tot aanschijn , en in Hem alles kunnen aanschouwen.
eeuwige rust.
3e punt. De hemel! de ons voor eeuwig bestemde woonplaats! De H. Paulus zag iets van hare heerlijkheden, de H. Joannes beschrijft ze in zijne geheimnisvolle taal. Houden wij ons tevreden met naar haar te verzuchten. Quando veniam et apparebo ante faciem Dei? wanneer zal ik gaan en wanneer zal ik mogen verschijnen vóór het aanschijn van mijnen God? Quis dabitmihi pennas sicut colombae ? et volabo et requies-cam; wie zal mij vleugelen geven gelijk de duif? en ik zal vliegen en rusten. „O goede Jesus! wanneer zal het mij gegeven zijn U te zien, de heerlijkheid van uw rijk te aanschouwen, wanneer zult Gij mij alles in alles zijn? wanneer zal ik met U zijn, in het rijk, dat Gij van alle eeuwigheid voor de uitverkorenen bereid hebt?
Heb moed, mijne dochter, antwoordt uw aanbiddelijke Bruidegom. „Niet altijd zult gij in den arbeid, niet altijd in het lijden zijn. Hef uwe blikken ten hemel. Zie, daar ben Ik, en met Mij al mijne Heiligen; zij hebben in de wereld eenen grooten strijd doorstaan;
263
264 KORTE OVERWEGINGEN.
en nu zijn zij getroost en van alle vrees bevrijd, nu rusten zij uit en zullen voor altijd met Mij wonen in het rijk mijns Vaders.quot;
Ja, heb moed, mijne ziel! „En de Geest en de Bruid zeggen: Kom. En dat hij die begrijpt zegge: Kom. — Ja, ik kom spoedig. Amen. Kom, Heer Jesus.quot;
UIT EENIGE PREDIKATIEN
VAN
BOURDALOUE OVER HET KLOOSTERLIJK LEVEN.
KLOOSTERLIJK LEVEN. GOD DOOR DE ZIEL TOT EENIG AANDEEL VERKOZEN.
Dixi Domino: Deus meus es tu, quoniam bonorum meorum non eges.
Jk heb tot den Heer gezegd: Gij zijt mijn God, daar Gij mijne goederen niet behoeft.
Ps. XV, 2.
Aldus sprak David; en ik, zoo mag en zoo moet de religieuze ziel erbij voegen, ik heb tot den Heer gezegd: „Gij zijt mijn God, omdat Gij, niet tevreden met mijne goederen, die Gij niet behoeft noch kunt behoeven , eene hulde van mij hebt verwacht, die Uwer meer waardig is, de offerande van
206 UITTREKSEL UIT EENIGE PRED1KATIEN.
mij zelve, en deze kom ik U aanbieden.quot; Waar zijn, in de wereld, de christenen, die God voor dien prijs tot aandeel verkiezen; aan wie het, om Hem te bezitten, die alge-meene onthechting, die volkomen en algeheele opoffering van zich zeiven kost? De christenziel , ik beken het, is als christen verplicht, inwendig ten minste aan alles te verzaken, dewijl zij anders niet aan Jesus Christus kan toebehooren: Qui non renuntiat omnibus quae possidet, non potest meus esse discipu-lus. En alleen omdat zij christen is, moet zij zich zelve verloochenen, dewijl zij anders onbekwaam is Jesus Christus te volgen , die tot ons allen zonder uitzondering gezegd heeft; Si quis vult post me venire, abneget seme tip sum. Doch waar zijn zij, die in de wereld deze twee voorschriften letterlijk volgen ? en waar is, onder degenen, die ze in beoefening brengen, hij die dezelve zonder voorbehoud naleeft? Neemt en beschouwt den ijverigsten christen in de wereld, den volmaaksten in zijnen staat; hoe volmaakt gij hem ook veronderstelt, wat behoudt hij
GOD D. DE ZIEL T. EENIG AANDEEL VERKOZ. 267
zich niet voor in zijne zelfopoffering aan God ? Hoe onthecht van de wereld wij hem ons ook verbeelden, toch is het waar, dat hij aan vele dingen in werkelijkheid niet verzaakt en zelfs het inzicht niet heeft er aan te verzaken, En wat verlaat hij inderdaad van zijne goederen en van zijne vrijheid , en waarvan ontdoet hij zich ? Alleen de religieuze ziel kan uit wederbetuiging, door eene edelmoedige poging harer erkentelijkheid, zonder vermetelheid, tot God zeggen: „Wat kan ik U geven, Heer, dat ik U niet gegeven heb? wat kon ik voor U verlaten, dat ik niet verlaten heb ? wat kan ik doen om mij als een levend offer aan U op te dragen, en dat ik niet heb gedaan?quot; Ik zeg, door eene poging harer erkentelijkheid; want indien zij zoo spreekt, is het niet om de verdienste van haar offer te verheffen, maar integendeel om de van God ontvangen gave te vereeren. Het is niet om zich op haren staat te beroemen of iets te laten voorstaan, maar om voor God te erkennen, dat hetgeen zij verlaat, slechts in geringe mate aan de hulde
208 UITTREKSEL UIT EEN1GE PREDIKATIEN.
voldoet, die zij Hem schuldig is. Het is geen hoogmoedszin, maar de uitdrukking van haren oneindigen eerbied voor het Opperwezen. En ziedaar op welke wijze het voor God zoo eervol is, dat wij Hem tot aandeel verkiezen.
KLOOSTERLIJK LEVEN.
GOD DOOR DE ZIEL TOT EENIG AANDEEL VERKOZEN.
(vervolg.)
Quis nos separahit a charitate Christil
Wie zal ons van Christus' liefde scheiden ?
Rom. VIII, 35.
Is het zoo glorierijk voor God , dat wij Hem alleen tot aandeel verkiezen, veel gelukkiger nog is zulks voor ons. Want, ingevolge van die keus en zoolang die keus bestaat, hebben wij de zekerheid , voor zooveel wij ze in dit leven kunnen hebben, dat wij God beminnen , en Hem beminnen met die volmaakte liefde, welke onafscheidbaar is van zijne genade ; met die opperste
2 70 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
liefde welke ons rechtvaardig maakt in de oogen van God, en uit haar zelve de kracht heeft ons, al waren wij ook met misdaden beladen, met God te verzoenen; met de liefde, welke God boven alles verkiest, liefde waarin de volheid der wet is gelegen, waaraan 's menschen zaligheid onfeilbaar is verbonden. Van die liefde bezitten wij het zekerste onderpand. Ontwikkelen wij dit punt; wij zullen er eene onuitputtelijke bron van vertroosting in vinden. Buiten den kloosterlijken staat is het gemakkelijk tot God te zeggen, dat men Hem bovenal bemint, dat men Hem meer bemint dan zich zeiven. Maar even gemakkelijk als het is, zoo te spreken en te denken , even zeldzaam en moeilijk is het, dit te bewerkstelligen; even algemeen als die taal in het christendom is, evenzoo twijfelachtig is zij in den mond eens christens , die aan de wereld niet heeft verzaakt , die rustig en naar welgevallen de goederen des levens geniet. In een woord, zegt de H. Joannes Chrysostomus, men
GOD D. DE ZIEL T. EENIG AANDEEL VERKOZ. 271
kan zich licht vergissen, met zich te vleien dat men God bemint en men bereid zou zijn, indien het noodig ware, alles voor God te verlaten, terwijl men eigenlijk niets verlaat en zich van niets ontdoet.
Op het oogenblik , dat wij den kloosterlijken staat omhelzen , voeren wij dezelfde taal, maar met veel meer recht. Om te toonen, dat wij God bij voorkeur boven alles beminnen, stellen wij Hem inderdaad boven alles , niet in de gedachte noch in bespiegeling, maar in werkelijkheid en door de wezenlijkste verbintenis. Wij willen niet dat God ons op ons woord geloove: met alles voor Hem te verlaten, leveren wij Hem een bewijs , dat geen dubbelzinnigheid noch bedrog meer toelaat. Eene noodlottige ondervinding leerde ons dat wij, om zeker te zijn van ons zeiven , maar weinig staat kunnen maken op onze eigene gevoelens ; daarom wijden wij ons geheel aan God toe, in zoo verre , dat wij afstand doen van de beschikking over ons zeiven en ,
272 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
om God, aan alle recht op ons zeiven verzaken.
Maar dan kunnen wij ook, zonder vrees van den heiligen Geest te beliegen, aan God betuigen, dat wij Hem beminnen, en kunnen wij omtrent de vervulling van het voornaamste punt der wet, voor ons zeiven , bij Hem instaan. Verklaren wij deze gedachte nog nader. In dit leven weet niemand of hij liefde of haat waardig is, zegt de H. Schriftuur : Nescit homo ictrum aniore an odio dignus sit; en bijgevolg weet niemand in dit leven of hij God bemint of niet bemint Want indien ik zeker ware dat ik God bemin, zoo ware ik ook zeker dat God mij bemint en Hij mij zijne liefde waardig acht. Niemand, wel is waar, heeft hiervan eene onfeilbare kennis ; maar indien iemand het kan weten, indien iemand het weet met deze kennis, die zonder onfeilbaar te zijn, evenwel aan de hoop der rechtvaardigen zooveel vast- en gerustheid geeft, dan houd ik staande dat het de religieuze ziel is. Waarom ? omdat zij weet dat er
GOD D. DE ZIEL T. EENIG AANDEEL VERKOZ. 2 73
niets in de wereld is, dat zij niet voor God heeft verlaten ; omdat zij zonder zich met den apostel van Jesus Christus te willen vergelijken , nochtans weet dat zij met hem mag zeggen; Quis no s separabit a char ita te Christi?
KLOOSTERLIJK LEVEN.
GOD DOOR DE ZIEL TOT EENIG AANDEEL
VERKOZEN.
(VERVOLG.)
Quid milii est in coclo , et a te quid volui super terram ?
Wat heb ik in den hemel, en wat verlang ik op aarde buiten U, ó mijn God ?
Ps. LXXII, 25.
De christenen in de wereld, zelfs de meest beperkte in hunne verlangens, hebben, in weerwil van zich zeiven, duizende behoeften, die hen, door de onvermijdelijke verplichtingen van hunnen stand, van de wereld afhankelijk maken en hen daardoor in eene zedelijke onmogelijkheid stellen, van ooit hier op aarden tevreden te zijn. Van hoeveel dingen, en van dingen die buiten hunne macht liggen.
GOD D. DE ZIEL T. EENIG AANDEEL VERKOZ. 275
hangt hunne rust niet af! Indien wij in het kloosterlijk leven behoefte hebben aan God, genieten wij ten minste het voordeel, niets anders te behoeven dan God. Want met God, kunnen wij gemakkelijk al het overige ontberen; met God, benijden wij aan de wereld haren voorspoed niet; met God, hoewel in armoede, zijn wij rijk, en veel rijker dan indien wij alles bezaten, omdat wij niets verlangen. Tanqiiam nihil habentes et omnia possidentes. Wanneer men ons zegt, dat God alleen onze gelukzaligheid in den hemel zal uitmaken, en wij, volgens het woord van den koninklijken profeet, hoe onverzadelijk wij ook zijn , nochtans verzadigd zullen worden , zoodra zijne glorie ons zal verschijnen, hebben wij moeite dit te begrijpen, hoewel het een punt is van ons geloof, en wij verlangen dat men er ons een tastbaar bewijs van geve. Welnu, het duidelijk bewijs van deze aanbiddelijke eigenschap van God, die maakt dat het bezit van God ons volkomen zal bevredigen, wanneer wij in het rijke zijner glorie zullen zijn, is, dat Hij van nu af vol-
2 76 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
komen de religieuze ziel bevredigt, die getrouw aan de genade barer roeping, eene duurzame, volmaakte tevredenheid geniet, zonder iets van de wereld te behoeven. Dat de rechtvaardigen in de glorie al hun geluk in God alleen zullen vinden, blijkt hieruit, dat men in den kloosterlijken staat zielen ontmoet, die door eene voorsmaak dezer glorie, niets verlangen dan God , die in God alles' vinden, nadat zij alles voor God verlaten hebben, en die, tevreden met God, aan alle grootheden der wereld, aan alle erfgoederen der wereld, aan allen stand en rijkdom der wereld verzaken om God te bezitten. Ja, men vindt zulke zielen, en God, in zijne barmhartigheid, stelt er ons heden levendige voorbeelden van voor oogen. Ziedaar wat de genade van J. C. in de godvruchtige zielen uitwerkt. Dit is een onbegrijpelijk wonder voor de wereldlingen, die slechts denken aan het aardsche en zinnelijke ; doch dit wonder bestaat desniettemin in alle waarheid en werkelijkheid. De wereld met al hare goederen voldoet den
GOD D. DE ZIEL T. EENIG AANDEEL VERKOZ. 277
gierigaard niet, — de wereld met al hare eerbetooningen voldoet den hoogmoedige niet, — de wereld met al hare vermaken voldoet den zinnelijken mensch niet; en God alleen, zonder die vermaken der wereld , zonder die goederen, zonder die eer, bevredigt de ziel die Hem voor haren God verkiest. Kan iets ons beter overreden dan dit getuigenis? Tevredenheid met God en met God alleen, ziedaar wat diegenen ondervinden die, aan de wereld verzakende, God in het kloosterleven zoeken. En waarom is het u niet geoorloofd, hier eene openbare verklaring af te leggen en aan de barmhartigheid des Heeren al de eer te geven die Hem toekomt ? Ziedaar wat gij alle dagen ondervindt; en ziedaar wat zoovele anderen ondervinden in den nederigen en armen levensstaat, dien zij met u hebben verkozen. En, welk eene ontheffing van het aardsche, welke eene vrijheid ondervindt de ziel, die tot zichzelve mag zeggen: God is mij genoeg, Hij is mij genoeg voor het tegenwoordige. Hij zal mij genoeg zijn tot mijn laatsten zucht, Hij zal
18
278 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
mij in eeuwigheid genoeg zijn; want, mijn God zijnde, is Hij mijn Al, en al wat mijn God niet is, is niets voor mij: Quid mihi est i7i coelo, et a te quid volui super terrain ?
K L O O S T E R L IJ K LEVEN.
GOD DOOR DE ZIEL TOT EENIG AANDEEL VERKOZEN.
(VERVOLG.)
Ipse Oommus possessio ejus est.
De Heer zelf is baar rijkdom en haar goed.
DEUT. X, 9.
God wordt, ten gevolge onzer kloostergeloften, waardoor wij Hem tot aandeel verkiezen, op eene eigenaardige en bijzondere wijze onze God. En ziedaar , gelukkige bruiden van den Zaligmaker, hetgeen u uwe roeping even dierbaar als eerbiedwaardig moet maken. Uit hoofde van uwe geloften ^ zal de Heer, Dien gij verkoren hebt, uw God wezen met alle mogelijke onderscheiding in de orde der genade. Waarom? omdat.
28o uittreksel uit eenige predikatien.
ten gevolge uwer verzaking aan alles om Hem, Hij zelf uw aandeel, uwe erfenis, uwe bezitting zal wezen, en dat gij op die wijze, als ware het, op Hem al het recht van eigendom zult hebben, dat een schepsel op zijnen God hebben kan. Wanneer God het beloofde land tusschen de stammen van Israël verdeelde , gaf Hij, zoo merkt de H. Schrift aan, geen deel aan den stam van Levi, omdat de stam van Levi, gansch aan God toegewijd , geen ander aandeel hebben moest dan God zeiven, quia ipse Dominus posses sio ejus est. Uitmuntend afbeeldsel van hetgeen ten uwen opzichte geschiedt. Want gij zijt, onder de wet der genade, die uitverkoren zielen, die God alleen tot aandeel hebben, en aan wie God, als God, geheel anders toebehoort dan aan de christenen in de wereld. Inderdaad, een christen in «de wereld kan wel zeggen, gelijk David, Dominus pars haereditatis mecte, de Heer is een deel mijner erfenis,, maar hij kan niet volstrekt in denzelfden zin, als de religieuze ziel, zeggen: Dominus haereditas mea, de Heer is mijne
GOD D. DE ZIEL T. EEN1G AANDEEL VERKOZ. 281
erfenis; want, met God, zegt de H. Bernar-dus, bezit hij nog andere goederen; en, terwijl hij deze andere goederen met God bezit, zoo bezit hij God minder zuiver en minder volmaakt. Doch gij, heilige bruiden van Jesus Christus, die aan de wereld hebt verzaakt , met recht moogt gij God beschouwen als een goed dat uitsluitend uw eigendom is , als een goed dat voor u bestemd is, als een goed, des te meer uw goed, daar gij er uw eenig goed van maakt. Terwijl uwe broeders en zusters, volgens de natuur, onderling een tijdelijk erfdeel zullen deelen, dat gij hun overlaat, en waarvan de dood hen zal berooven , zult gij er een verkrijgen, dat, hoewel overgroot en oneindig , u toch geheel zal toekomen, alsof het voor u alleen ware, en, nog eens, dit erfgoed is God zelf, die voor u alles zijn zal. Welnu, alles voor u zijn, dat is, niet alleen God zijn, maar wel bijzonderlijk uw God zijn. En ziedaar de letterlijke zin van die schoone woorden, quia ipse Dominus possessie ejus est.
K L O O S T E R L IJ K LEVEN.
DE GODMINNENDE ZIEL DOOR GOD ZELVEN VERKOZEN.
Eleijil nos, ut essemus sancli. Hij heeft ons verkoren, opdat wij heilig zouden zijn vóór zijn aangezicht.
Eph. i, 4.
God heeft ons gekozen, opdat wij, als religieuze zielen, zijn heilig volk zouden uitmaken : Elegit nos, ut essemus sancti. Aanbiddelijke keus, die ons van de onheilige wereld heeft gescheiden om ons, indien ik mij zoo mag uitdrukken, deelgenooten te maken van de heiligheid Gods zelve. Sancti estote, quia ego sanctus sum. Want, daar God, in het innigste van zijn wezen heilig, ja de heilige der heiligen is, wilde Hij en
DE GODMINNENDE ZIEL D. GOD ZELV. VERKOZ. 283
moest Hij door heiligen gediend zijn. Trouwens, het was de kloosterlijke staat, die, door eene goddelijke vruchtbaarheid, dat aantal heiligen moest opleveren, die God tot de volmaking van zijnen eeredienst wilde vormen. De kloosterlijke staat moest, in de afzondering en de verwijdering van de wereld , die menigte heiligen kweeken, die door wederwaardigheden beproefd , verstorven, volmaakt in alle soort van deugden, overwinnaars der wereld en van zich zeiven, heiligen waren zooals God ze noodig had om als God gediend te zijn. David klaagde eertijds en zuchtte, omdat er geen heiligen meer in de wereld waren; In zijne ziel geroerd door de vorderingen der ondeugd en ongebondenheden die hij dagelijks zag aangroeien, riep hij uit; Red mij, Heer, red mij, omdat er geen heiligen meer zijn in de wereld. En wat is de wereld, van het oogenblik dat er geen heiligen meer zijn , wat anders dan eene hel ? Salvtuu vie fcic, Donune, quonicini defent sanctus. Zoo bad in zijnen vurigen ijver, die heilige koning, bij het zien van de on-
284 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
gerechtigheden der wereld. Maar door een geheel tegenstrijdig gevoelen, troost zich heden de heilige Kerk, omdat er, ondanks de ongerechtigheden der wereld, nog heiligen in de wereld zijn. Immers, zoolang wij ver-eenigingen zien van aan God gewijde maagden, zich enkel bezig houdende met het vervullen harer heilige plichten, gemeenten, die zich door onverbreekbare en bestendige onderhouding der regelen onderscheiden, gemeenten, die de Kerk stichten en tot dezulke behooren die de H. Cyprianus het edelste deel van de kudde van J. C. noemde; zoolang men nog dusdanige kloosterlijke gestichten vindt, mogen wij vrij en onbevreesd uitroepen : neen, de hand des Heeren is niet verkort, en in weerwil van des duivels nijd zijn er toch nog heiligen. Evenals er in den hemel zijn, die God verheerlijken, zoo zijn er op aarde, door wie God verheerlijkt wordt, en tot dit getal behooren ten minste die kuische bruiden des Zaligmakers, die aan Hem, als aan haren eenigen bruidegom, zijn toegewijd; die zuivere zielen die, door den
DE GODMINNENDE ZIEL D. GOD ZELV. VERKOZ. 285
geest Gods bewogen, de wereld een eeuwig en plechtig vaarwel zeggen, die uitverkorenen, uit het midden der menschen vrijgekocht , om, in de familiën waaruit zij werden geboren, als de eerstelingen te worden opgedragen aan den God Dien zij aanbidden; die maagden, wier kleederen in het bloed van het Lam gewasschen, nooit bezoedeld zijn geweest en die, hoe onschuldig ook, het juk der boetvaardigheid op zich laden; ziedaar Gods heiligen op aarde: Sanctis quae in terra sunt epis, die maagden, wier levenswandel zoo gansch in strijd is met dien der wereld en die zich aldus voor het bederf bewaren. In hun persoon heeft God zich getrouwe dienstmaagden voorbehouden, die den knie niet hebben gebogen voor Baal, oprechte aanbidsters, die Hem in geest en waarheid dienen, die dag en nacht er naar strevende om Hem te behagen, Hem ten koste van haar zeiven opofferingen doen waarvan Hij alleen den prijs en de verdienste kent; immers te dien einde heeft God haar verkozen.
KLOOSTERLIJK LEVEN.
BELOFTEN VAN JESUS AAN DE GODMINNENDE ZIELEN.
Ekrsïe Belofte.
Tos qui secuti eslis me, in regene-ratione sedebilis judicantes.
Gij die Mij gevolgd zijt, zult ten tijde der wederopstanding op tronen zitten om te oordeelen.
Matth. XIV, 28.
Egredere, quid times?
Treed uit mijne ziel, wat vreest gij?
S. HIL.
Waartoe heeft Jesus zich tegen over de godminnende zielen verplicht ? Tot zulke wonderbare dingen dat Hij, om ons tot gelooven te dwingen , niet slechts het gezag van zijn woord, maar ook de heiligheid van zijnen eed bezigt. Amen dico vobis; in waarheid zeg Ik u, dat zij die alles
BELOFTEN V. JESUS AAN DE GODMINN. ZIELEN. 287
verlaten om Mij te volgen, op den dag mijner laatste komst met Mij zullen gezeten zijn om de wereld te oordeelen : vos qui reliquisüs omnia, in regeneratione sedebitisjudicantes, dat zij na dit leven het honderdvoudige der goederen zullen ontvangen, die zij zullen verlaten hebben ; qui reliquent donmm, aut fratres, aut sorores, ceniuphim accipiet; en dat zij een bijzonder recht, dat hun alleen eigen is, op het eeuwig leven zullen hebben : et vitam aeternani possidebit. Drie wonderbare beloften ! Drie beloften, waarvan wij zouden vreezen u de geheele uitgestrektheid te doen kennen, zoo wij niet rekenden op uwe nederigheid. Beginnen wij met het eerste voorrecht in deze woorden vervat : vos qui reliquistis omnia, sedebitis judicantes; en geven wij onzen God dit getuigenis, dat er onder alle meesters geen zoo getrouw, geen zoo grootmoedig is in zijne vergeldingen.
Recht te hebben om voor de vierschaar van God met vertrouwen, met gerustheid ja met eer te verschijnen, terwijl de overige menschen daar in vernedering en ontsteltenis
288 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
zullen zijn, dat belooft het Evangelie van Jesus Christus aan de godminnende zielen. Het moest haar voldoende zijn gerust te wezen in dat oordeel, waar zelfs de machten zullen sidderen, en de rechtvaardige ter nauwer-nood gered zal worden. Die gerustheid nu is eene der bijzondere genaden, welke God cenigzins uit rechtvaardigheid, of zeggen we liever, uit oneindige barmhartigheid schijnt te hebben verbonden aan hare kloosterbelofte. Egredere amino, mea, quid times, zeide in zijn stervensuur de gelukzalige Hil-arion : „ Treed uit, mijne ziel, zoo riep hij met een levendig vertrouwen op het gezicht van dat oordeel, hetwelk hij zou ondergaan, treed uit, mijne ziel, uit dit sterfelijk lichaam, dat u sinds zoo langen tijd tot woonplaats en gevangenis dient. Wat vreest gij ? 't Is waar gij zult gebracht worden voor den oppersten Rechter ; maar wees gerust, en herinner u, dat die Rechter, hoewel oppermachtig , Degene is, voor Wien gij alles hebt verlaten. Bijna zeventig jaren lang dient gij Hem in deze woestijn; waarom zoudt ge dan angst
BELOFTEN V. JESUS AAN DE GODMINN. ZIELEN. 289
gevoelen om vóór Hem te verschijnen ? Hij is te gunstig jegens u gezind om u te verwerpen ; en welke gestrengheid Hij ook hebbe voor anderen, gij kunt, daar gij alles voor Hem verlaten hebt, alles van Hem hopen.quot;
Deze gedachte gaf hem kracht en moed, en deed hem in onverstoorbare kalmte en vrede blijven. In dat stervensuur, waarinde wereldsche zielen zoo wreeden doodstrijd doorstaan, smaakte die man Gods innige vreugde, vervuld en doordrongen van deze gedachte, dat hij zou geoordeeld worden door Hem zelf, om Wien hij plechtig aan alles had verzaakt. Welnu, wat hij toen ondervond , leert ons dagelijks de ondervinding. Want zóó sterft men in het klooster ; en zie daar, Heer, het wonder uwer genade. Niets is meer gewoon in die heilige vereenigingen, die haren eersten geest bewaren, en waar men in die verwijdering van de wereld leeft, welke de ware grondtrek van het kloosterleven is, niets is er meer gewoon, dan daar zielen, bij het naderen van den dood, in zoodanige gesteltenis te aanschouwen; zielen die, op
290 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
het punt van te verstrekken, zeker zijn van den God, aan Wien zij zich hebben toegewijd , en die zonder angst van het lichaam scheiden om den Bruidegom te gemoet te gaan, zielen die, ofschoon het oordeel Gods nabij , niet minder van zijne liefde zijn vervuld, ik spreek van die volmaakte liefde welke de vrees uitsluit ; zielen eindelijk die, zonder zich aan vermetel vertrouwen over te geven, evengoed als Hilarion zich schijnen te spoeden, en tot zich zelve te zeggen : Egredere quid times ? Omdat zij , de wereld verlatend, alles verlieten, wat voor haar het oordeel Gods schrikwekkend kon maken.
KLOOSTERLIJK LEVEN.
BELOFTEN VAN JESUS AAN DE GODMINNENDE ZIELEN.
Eerste Belofte.
(vervolg.)
Haec erit illarum gloria singularia inter ipsos etiam eminere fideles.
Hare bijzondere glorie zal hierin bestaan, dat zij zelfs onder de geioovigen uitschitteren.
H. Bern.
Het zou voor de godminnende zielen voldoende zijn, reden te hebben om, uit kracht barer gelofte, dat verschrikkelijk oordeel met vertrouwen en gerustheid te ondergaan; maar de Zoon Gods, de zaak nog verder drijvend, heeft gewild dat zij aanspraak zouden hebben om het te ondergaan in eer
292 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN,
en waardigheid. Hij heeft gewild dat dit oordeel haar glorie zoude zijn, en dat de rang, dien zij er als zijne bruiden zouden bekleeden, voor haar, met betrekking tot de overige Christenen, een rang van onderscheiding , van meerderheid, van voorkeur zou wezen. Want Jesus zegt tot Zijne leerlingen dat zij, die alles hebben verlaten en Hem hebben gevolgd, ten tijde der wederopstanding en op het einde der eeuwen zullen gezeteld zijn op troonen , om het heelal te oordeelen; en de Kerkvaders hebben deze belofte uitgestrekt tot allen, die door den zelfden geest als de Apostelen gedreven, aan de wereld vaarwel zeggen om den kloosterlijken staat te omhelzen. Men vraagt, waarom de religieuzen rechters der overigen menschen zullen zijn. De H. Joannes Chrysostomus antwoordt, dat die glorie hun zal worden toegekend niet slechts om in hunnen persoon de evangelische armoede, waarin zij geleefd zullen hebben, te eeren, maar omdat zij, de deelgenooten en de volgelingen van |esus geweest zijnde in de gelofte der evangelische armoede, eene
BELOFTEN V. JESUS AAN DE GODMINN. ZIELEN. 293
bizondere gunst zullen genieten om dan zijn medehelpers te zijn, en zelfs een zeker gezag zullen hebben om de wereld te oor-deelen. Ja Christenen in de wereld, die heilige dochters die gij aanschouwt, zullen zich tegen u verheften in het oordeel van God en zij zullen U beschamen door het voorbeeld, dat zij u gaven, tegenover uw gedrag te stellen. Hare gestrengheid zal voldoende zijn om uwe zinnelijkheid te beschamen , haar ootmoed voldoende ter beschaming van uwen trots, hare matigheid ter beschaming van uwe weelde, hare armoede, waarmede zij te vreden zijn, ter beschaming van uwe hebzucht, die nimmer zegt: het is genoeg.
Waarlijk de getrouwheid van die dienaressen Gods, haar ijver en hare godsvrucht, hare onschendbare ordelijkheid, hare engelachtige zuiverheid zijn reeds evenzooveel oordeelvellingen, die zij tegen u uitspreken. Wat zal het dan wezen als de gedaante dezer wereld voorbij gegaan zijnde, dit vonnis tegen u geveld , en gegrond op het voor-
19
294 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIES.
beeld harer deugden, zonder appel zal worden voltrokken ? Wat zal het dan wezen als die bruiden van het Lam, zitting nemend met Hem, en bekleed met de macht die Hij haar geven zal, zullen verschijnen om u uwe ongetrouwheid, uwe onboetvaardigheid, uwe traagheid in den dienst des Heeren te verwijten, en om uit dat alles het beslissend vonnis op te maken, waaraan gij u nimmer zult onttrekken'? Ja, uwe beschaming zal hierin bestaan, dat gij denzelfden God als zii dienend, hebt verwaarloosd u naar haar te richten; en hare zaligheid zal gedeeltelijk hierin gelegen zijn, dat zij zich boven uver-heven zien, omdat zij zich in de wereld van u hebben afgescheiden. Wat zeg ik , verheven boven u? het toppunt harer zaligheid zal zijn, zich verheven te zien zelfs boven die uitverkorenen die, wandelend op den alge-meenen weg der geboden, niet als zij den nauweren weg der evangelische raden zullen gevolgd hebben. Want, ziedaar, zegt de H. Bernardus, het bizonder voorrecht barer uitverkiezing en voorbestemming : erit illa-
BELOFTEN V. JESÜS AAN DE GODMINN. ZIELEN. 295
rum gloria singularis, inter ipsos etiam eminere fideles. Weinigen onder de dochters der wereld zouden zich willen verbinden om in den staat, dien gij, waardige bruiden des Verlossers, omhelsd hebt, te leven ; maar hoe wereldsch zij ook mogen zijn, niet éëne is er, die zich niet gelukkig zou achten er in te sterven.
KLOOSTERLIJK LEVEN.
BELOFTEN VAN JESUS AAN DE GODMINNENDE ZIELEN.
Tweede Belofte.
Et omnis qui reliquerit domum .. . centuplum accipiet.
En ieder die het vaderlijk huis zal verlaten hebben .... zal het honderdvoud ontvangen.
H. Matth. XI, 20.
De tweede belofte is het honderdvoud, reeds te beginnen met dit leven, het honderdvoud van goederen, die de kloosterling voor jesus verlaten heeft, eene belofte waarvoor de God-mensch zichzelven heeft borg gesteld : ei omnis ipii riliquerit domum.....centuplum accipiet.
BELOFTEN V. JESUS AAN DE GODM1NN ZIELEN. 297
Maar, zegt gij, daar zijn er die zich in hunne verwachting zien teleurgesteld, en die, na alles in de wereld te hebben verlaten, dit honderdvoud volstrek niet smaken in het klooster. Zien wij er niet, die het zeiven bekend maken en die het maar al te luid te kennen geven ? Zijn wij er somstijd niet getuigen van? Sta op Heer, roept de H. Bernardus naar aanleiding hiervan uit, sta op, neem uwe eigene zaak ter hand en rechtvaardig U zei ven; want tot U is dit verwijt gericht, en uwe voorzienigheid mag niet dulden, dat zulk een nietswaardig doch gevaarlijk verwijt het geloof uwer dienaren en dienaressen schokke, ten nadeele van het hun door U gegeven woord. Nog eens dan, sta op en verdedig U; Exurge, Deus, et judica causam tuam. Neen , zoo gaat de H. Bernardus voort, dat honderdvoud is nooit geweigerd aan hen, die voor God en met volle vertrouwen alles hebben verlaten Ik ben vergrijsd in het klooster, maar nooit heb ik er eenen rechtvaardige bedrogen of verlaten gezien. Zoo men in kloosters en ge-
298 UITTREKSEL UIT EEN1GE PREDIKAT1EN.
stichten zielen ziet, die dat honderdvoud van het Evangelie niet smaken, dan zijn dat niet dezulken, die alles hebben verlaten, maar integendeel dezulken die niets hebben verlaten, ten minste niet met hart en zin maar dezulken, die bij hetgeen zij verlieten zichzelven niet verlieten. Zoo men er ziet, die, na in de eerste jaren harer professie dat honderdvoud genoten te hebben, het in haar volgend leven jammerlijk verliezen , dan zijn dat niet degenen, die volharden in dien geest van verzaking der wereld, maar degenen die, door een noodlottige verslapping zouden wenschen alles wat zij verlieten, weer te vinden en het terug te nemeij door het klooster met de wereld te vereenigen. Keert in uzelven, mijne zusters, en zoo er iemand onder u is die in het klooster het honderdvoud, dat zij verwachtte, niet bezit, zij wijte dit gemis niet aan God maar aan zich-zelve. Want zoo zij oprecht met zichzelve zijn wil, zal zij weldra eenige gehechtheid vinden die zij in haar hart bewaart, en dan overtuigd zijnde , dat zij het recht nog niet
BELOFTEN V. JESUS AAN DE GODMINN. ZIELEN. 2QQ
heeft met Petrus te zeggen: ecce nos reliquhnus omnia, zal zij tot het besluit komen, dat zij dan ook het recht niet heeft aan jesus de vervulling zijner beloften te vragen. Getroffen door hare onwaardigheid zal zij beschaamd zijn voor God en met smart uitroepen: „Uwe oordeelen, o God, zijn rechtvaardig, en ik mag niet verwonderd zijn zoo ik van dat honderdvoud, waarmede Gij hen vergeldt, die U volgen, verstoken ben. Slechts ten halve de wereld verlaten hebbende, komt mij dat honderdvoud niet alleen niet toe, maai uw e rechtvaardigheid eischt dat Gij het mij niet verleent.quot; Zoo zal zij eer geven aan God, en zelfs in haar ongeluk zal zij Gods rechtvaardige en wijze raadsbesluiten aanbidden.
KLOOSTERLIJK I, EVEN.
BELOFTEN VAN JESUS AAN DE GODMINNENDE ZIELEN.
TWEEDE Belofte.
(vervolg.)
In via testimoniorum fuorum do-leclatm sum, sccul in omnibus diviliis' Mijne ziel smaalde genoegen op ,de wegen uwer raadsbesluiten, meer dan in alle rijkdommen dezer wereld.
Ps. CXVIII, 14.
Wat is dan toch dat kostbaar honderdvoudige loon , hetwelk de Zoon Gods ons aanbiedt? God geve dat wij het niet zceken in de tijdelijke voordeelen, die aan het kloosterleven verbonden zijn; en wee onzer zoo wij ons er toe bepaalden in dat honderdvoud niets anders te zoeken dan den zegen van
BELOFTEN V. JESUS AAN DE GODM1NN. ZIELEN. 3°1
Esau, het vette der aarde in plaats van den dauw des hemels. Een leven zonder zorgen, een zekere cn veilige woonplaats, een haven waarin wij beveiligd zijn voor de stormen der wereld, dit alles zou goed geweest zijn voor de Israelieten van oudtijds, die door God als huurlingen werden behandeld en wier genaden en gunsten slechts schaduw en afbeeldsel waren van de toekomende goederen. Maar glj die de wereld hebt verlaten, gij verwacht iets duurzamers. Dat honderdvoudig loon dan is volgens den H. Bcrnardus, de voorrang, dien uw staat u verleent boven alle anderen, wat betreft de geestelijke goederen, die de ware gave Gods zijn; t is het voordeel, dat gij als kloosterlingen hebt, van tot het huisgezin Gods te behooren ; 't is de eer, die de maagden genieten, van op bizonderc wijze en bij uitnemendheid de bruiden Gods te zijn. Dat honderdvoudige loon is de vrijheid des geestes, die u ontslaat van den dienst der wereld , het is de onafhankelijkheid waarin gij leeft van wetten der wereld, het is de gemakkelijkheid van u zalig te maken,
3Ü2 UITTREKSEL UIT EEN1GE PRED1KATIEN.
cn de zedelijke onmogelijkheid van verloren te gaan. Dat honderdvoudig loon is de inwendige vrede des harten, het is de vreugde van u zelve te zien op den zekersten en naasten weg, die ten leven geleidt; het is de zoetheid eener heilige vereeniging , het is de rust eener heilzame afzondering, 't is het wonderbare samengaan van beiden; 't is het vuur van den wedijver en de hulp der goede voorbeelden ; het is de volheid dier hemelsche vertroostingen, waarmede de ziel, die van alles gescheiden en met God vereenigd is, zich zelve zoo goed als David, geluk kan wenschen: /u via testunomoruni tuormn delectatus sum , stent in omnibus dim Uis. Zal ik het zeggen? dat honderdvoudige loon zijn zelfs de kruisen die gij te dragen hebt, en die in het klooster door de zalving der genade lichter worden niet alleen, maar er tot vertroosting dienen. Terwijl de kruisen der wereldlingen slaven-kruisen zijn, kruisen zonder nut voor den hemel, dikwijls kruisen van verworpelingen, en reeds bij voorbaat het honderdvoud dat God toevoegt aan den vloek over de wereld
BELOFTEN V.JESUS AAN DE GODMINN. ZIELEN. 303
uitgesproken, zoo zijn de kruisen eener godminnende ziel, kruisen eener bruid, kruisen kostbaar voor den hemel, kruisen door de genade des Evangelies in zaligheden veranderd , daar zij de kracht hebben niet slechts om te louteren en te heiligen, maar ook om gelukkig te maken. Dat honderdvoudige loon is nog iets meer dan alles wat wij opsomden het is iets wat wij niet kunnen uitdrukken, dat God, hoe zondig en lauw wij ook zijn, ons meer dan eens deed proeven; het is datgene, wat ons honderdmalen die liefelijke walging van de wereld schonk, welke alle zoetheden der wereld overtreft, t is datgene wat ons bang doet zijn voor de wereld en al hare ijdelheden, en maakt dat wij haar gaarne ontberen, dat hare gebruiken, hare welvaart, hare eerambten, zelfs niet dc minste bekoorlijkheid voor ons hebben.
Komt nu , zeide de Heer door een zijner propheten, en beklaagt u zoo gij nog durft over mijne voorzienigheid. Beweert dat ik niet reeds in dit leven hen weet te beloonen, die den moed hadden alles te verlaten voor
304 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
mijnen dienst; houdt vol, dat ik hen doe smachten in altijd onzekere, altijd verwijderde verwachtingen; houdt vol, dat Ik onder allo schatten mijner barmhartigheid niets heb om hen reeds nu te verrijken: of liever erkent dat er een God is, die recht doet aan zijne uitverkorenen en die hun recht doet zelfs op aarde.
KLOOSTERLIJ K LEVEN.
VOORKEUR WELKE JESUS GEEFT AAN DE GODMINNENDE ZIEL.
Derde Belofte.
El ornnis qui reliquerit domum . , . . centuplum accipiet, et vit am aeternam possidel/it.
En al wie zijn huis zal verlaten hebben, zal het honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven bezitten.
Matth. XIX, 29.
Dat honderdvoud, hetwelk de godminnende zielen genieten en dat men veilig eene voor haar in het klooster reeds begonnen gelukzaligheid kan noemen, is ten slotte slechts een voorsmaak, een proef, een onderpand van die eeuwige glorie, welke God haar bereidt en waarnaar zij smachten als naar het
3o6 uittreksel uit eenige predikatien.
einddoel harer begeerten het wezenlijk loon voor haar afstand-doen van de wereld. Et o ju nis qui reliquerit cloimun ceutuplum acci-piet, et vitani aeternam possidebit. Wat is er dan tegen, zoo wij, om dit onderwerp te besluiten met Jesus' derde belofte, er bij voegen, dat die bruiden van Gods Zoon, in hare hoedanigheid van kloosterlingen, eene gewaarborgde en bevoorrechte aanspraak op het eeuwige leven hebben, die de menschen in de wereld niet hebben ; dat het rijk der hemelen haar toekomt, op eene wijze, waarop het niet toekomt aan anderen ? Wij beweeren niet dat het eeuwig leven voor de kloosterlingen alleen is ; welverre van daardoor te stichten, zouden wij de wereldlingen tot vertwijfeling brengen. Maar wij zeggen dat het eeuwig leven meer bizonder en zekerder is voor de kloosterlingen dan voor anderen ; wij zeggen dat het hemelrijk stelliger en onfeilbaarder beloofd is aan haar dan aan anderen ; wij zeggen dat, als het Evangelie de waarheid bevat, zij er meer deel aan zullen hebben en er eer ontvangen zullen worden dan anderen.
VOORK. WELKE JESUS GEEFT A. DE GODM.ZIEL. 307
Is er nog meer noodig om een heilige verachting in te boezemen voor de wereld en voor alles wat aan de wereld hecht? Om in uwe harten nog heiliger begeerte te ontsteken , o dienstmaagden van God, door steeds volmaaktere onthechting ?
Ziedaar edele en heilige bruid van Jesus de belooningen die gij te hopen hebt, en die u moeten aanmoedigen. Gij hebt, in den zelfden geest als de H. Petrus gezegd; Ecce iios reliquimus omnia, voor U, o Heer, verlaat ik alles, verlaat ik mij zelve. Want vruchteloos zou ik al het overige verlaten. zoo ik mij zelve niet verliet; en te vergeefs zou ik mij vleien mij zelve verlaten te hebben, zoo ik niet zonder voorbehoud al het overige had verlaten. Ik verlaat alles, o mijn God, en wee mij indien ik ook maaide gedachte heb het minste deel van dat „allesquot; mij voor te behouden! Ik weet hoe duur het den rampzaligen Ananias en zijne vrouw Saphira te staan kwam, en hun voorbeeld zou voor mij genoeg zijn om een afschrik te hebben voor een dergelijk lot. Maar afgezien
3o8 uittreksel uit eenige predikatien.
van hun voorbeeld, de eer die Gij mij bewijst met alles te aanvaarden wat ik U opoffer, de vreugde en de vertroosting die ik smaak met U dit aan te bieden, wat ik van U verwacht èn in den tijd èn in de eeuwigheid, al die beweegredenen maken op mij meer indruk, dan de vrees voor uwe strenge kastijdingen. Ik verlaat alles, Heer, en daarom vergeet ik vader en moeder , broeders en zusters; ik vergeet de wereld en wil door haar vergeten worden; ik verloochen de wereld en wil door haar verloochend worden; ik sterf der wereld af en stem er in toe dat zij dood zij voor mij, gelijk ik dood ben voor haar. Ik zal er wel schadeloos voor gesteld worden, o mijn God, zoo Gij U gewaardigt mijner te gedenken, zoo ik genade bij U vind en zoo Gij een goedgun-stigen blik op mij slaat, zoo ik leef voor U en zoo Gij leeft voor mij: Ecce nos reliqui-mus omnia.
KLOOSTERLIJK LEVEN.
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD.
Veni in hort uw wieum S0gt;'0)% ïïiecc sponsa.
Kom in mijnen hof, mijne zuster, mijne bruid.
Hoogl. V, i.
Wat is de kloostergelofte ? Het is de meest bizondere uitverkiezing van het schepsel door God , en van God door het schepsel. God geeft aan de Christen-ziel de genade dei-roeping, waardoor Hij inwendig tot haar spreekt, en haar overreedt zich aan Hem toe te wijden. Die roeping is de onderscheiding en uitverkiezing , welke Hij doet van haren persoon; en uit kracht dier roeping wijdt de Christen-ziel zich door eene plechtige gelofte
20
310 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
aan God toe. Die gelofte nu is niets anders dan de verkiezing, die zij van haren God doet boven alles of liever met uitsluitins? van al-les, wat God niet is. Let wel op, bid iku; God roept haar tot het klooster, en door die genade, wier uitwerking en kracht dooide zoetheid ervan volstrekt niet wordt verminderd, scheidt Hij haar van de wereld af, verheft Hij haar boven de wereld, wil Hij dat zij niet meer aan de wereld toebehoore noch dat de wereld toebehoore aan haar ; Hij behoudt haar voor Zich alleen, en onder een onnoemelijk getal maagden, die Hij de zeïfdc eer kon aandoen , behaagt het Hem haar te onderscheiden. Hij laat de anderen, als men het zoo mag uitdrukken, te midden van de groote menigte, die een zinnelijk en wereldsch leven leidt, en Hij neemt er deze uit om er eene uitverkorene onder de uitverkorenen zeiven van te maken, dat wil zeggen, om haar te verheften tot den hoogsten rang zijner uitverkorenen. Want in die hoedanigheid noodigt Hij haar in het Hooglied uit, en voegt Hij haar die hemelsche woorden
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD. 31 1
toe, waarin de H. Geest ons naar het schijnt het gansche geheim der kloosterlijke roeping heeft willen aantoonen: Veni m hor turn meum, soror me a, sponsa. Kom gij, die Ik meer bizonder heb uitverkoren, kom in dien hot jn het midden mijner kerk geplant, in dien hof die gesloten en ontoegankelijk is voor allen, behalve voor de maagden die Mij zijn toegewijd. Het is duidelijk, merkt de H. Ambrosius op, dat die afgesloten hof het klooster is. Daar geeft God eene schuilplaats aan die zielen, die Hij met zijne uitverkiezing vereerde, daar verbindt Hij ze aan Zich met den innigsten , nauwsten band, daar verlangt Hij onverbreekelijk toe te behooren aan haar, daar verlangt Hij dat zij weder-keerig aldus zullen toe behooren aan Hem: Veni in hor htm meum soror mea, sponsa. En wat doet de ziel van haren kant als zij den aandrang dier roeping volgt? Zij neemt genoegen in het heilig aanzoek van haren God, en bewilligt er in; het is haar niet slechts een genoegen, eene eer, maar zij stelt het zich ten plicht en wet
3 1 2 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
er aan te beantwoorden. Gelijk Jesus onder duizenden haar verkoor, zoo verkiest zij onder duizenden jesus, en om zich aan Hem alleen te hechten breekt zij geheel met de wereld.
KLOOSTERLIJK LEVEN.
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL
MET GOD.
(VERVOLG.)
Introduxit Die in cellain vinari-ani, ordinavil in uie charitatem.
Hij heeft mij in liet geheime vertrek van zijnen heiligen wijn geleid^ en de goddelijke liefde in mij geordend.
HOOGL. II, 4.
Zoo derhalve. godminnende ziel heeft Jesus uw God, u voorkomen, heeft Hij u opgezocht, u aangetrokken door zijne genade, en ten gevolge van uwe uitverkiezing door Hem en door deze zelfde genade hebt gij zijne stem gehoord en zijt gij Hem gevolgd. Het was noodig dat die God van barmhar-
31 4 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
tigheid den eersten stap deed; maar met al die hulpaanbiedingen en tegemoetkomingen meent Hij niet te veel gedaan te hebben, dewijl Hij in u eene gesteltenis vindt overeenkomstig zijne wenschcn. Want de gelofte die gij deed is de tegengift, welke Hij verwachtte van uwe getrouwheid in het beantwoorden aan zijne genade, dat wil zeggen, een tegengift van voorkeur en, om ons steeds van de zelfde uitdrukking te bedienen, een tegengift van uitverkiezing, waardoor gij de zijne te gemoet kwaamt. Waarlijk niet de menschen. vleesch noch bloed, hebben dit god-
' J O
delijk verbond voor u tot stand gebracht, hunne grondregels reiken zóó ver niet. Gij alleen hebt er het plan van opgevat, gij alleen hebt er met God over onderhandeld, gij alleen, van zijnen geest bezield, hebt dat werk verricht. Evenmin als gij het kondt ondernemen of beginnen zonder Hem, zoo kon Hij, ofschoon Hij God is, het niet voltrekken zonder u, vermits Hij wilde dat die keuze geheel ongedwongen en vrij zou zijn.
Ik zal meer zeggen: in die verkiezing toch,
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD. 3' 5
dierbare zuster, is dit bizonder in uw voordeel, dat gij, Jesus zoekend, niemand anders dan Hem hebt gezocht. In de verbintenissen der wereld zoekt men dikwijls een bloot men-schelijk belang; maar geen tijdelijk aanzien of vestiging of fortuin steldet gij u voor, daar gij dat alles verliet, en ofschoon gij de goederen der wereld bezitten, de genoegens der wereld smaken, de eerbevvijzingen dei-wereld ontvangen kondt, omhelsdet gij de armoede van Jesus, de vernedering van Jesus , de versterving van Jesus.
Die keuze is zoo uitmuntend, zoo volmaakt, dat de godminnende ziel het recht heeft daarvoor vader en moeder te verlaten, in zeker opzicht de heiligste banden der natuur te verbreken, hen aan wie zij het leven te danken heeft vaarwel te zeggen, zich aan de afhankelijkheid van hen en aan hunne leiding te onttrekken, en dit wel zonder iets tegen den eerbied te doen niet alleen, maar zelfs door de meest heldhaftige daad van den reinsten en voortreffelijksten eerbied. Zij kon het, en door Gods wet gemachtigd
316 UITTREKSEL UIT EEN1GE PREDIKATIEN.
maakt zij in werkelijkheid gebruik van dat vermogen. Is dit ook het geval met de maagden die in de wereld leven ? neen; om dat zij, ofschoon maagden, Jesus nog niet verkoren hebben op eene wijze, die haar machtigt het ouderlijk huis te verlaten. Waaruit volgt dat, al doen zij ook eene gelofte van altijd durende zuiverheid, er toch nog geen volkomen verbond bestaat tusschen Jesus en haar. Alleen aan de kloostergelofte is dat voorrecht verbonden.
KLOOSTERLIJK LEVEN.
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL
MET GOD.
(vekvolq.)
Si quis vult post me venire nbnejel semelipsum.
Zoo iemand Mij wil volgen, Hij ver-loocliene zichzelven.
Matth. XVI, 24.
Degene die mij volgen wil verloochene zich zeiven, maken zich los en ontdoe zich van zich zeiven. Deze wet, geliefde Zuster, hebt gij willen volbrengen, deze wet die u werd voorgehouden als het beginsel, waarnaar in 't vervolg uw gansche levensgedrag zich richten moet, deze wet die gij door herhaalde bespiegelingen op u zelve moet toepassen, en
3 1 8 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
cn die alleen bij machte is u in alle gesteltenis van godsvrucht en vurigheid, door uwe roeping vereischt, te doen volharden. Ik behoor mijnen God toe, zóó toch moet gij met li zelve spreken, ik behoor mijnen God toe, ik heb Hem verkoren, ik moet voortaan leven als toebehoorend aan Hem; al mijne daden moeten dat kenmerk der toewijding dragen en behouden; ik moet spreken, handelen, met de menschen omgaan als een godgewijde ziel, en in alles, wat van mij uitgaat, moet men kunnen herkennen, wat ik ben en aan wien ik toebehoor. Ik heb mijnen God verkoren, en Hem verkiezend heb ik alles overwogen, wat het mij kosten zou. Niets derhalve moet mij in 't vervolg moeielijk vallen voor Hem; want ik heb Hem gekozen uit liefde en de liefde maakt alles niet alleen mogelijk, maar gemakkelijk, maar aangenaam. Dagelijks doet zulks de gewone liefde tusschen wereldlingen; is de liefde tot mijnen God minder vermogend om mij alles te doen ondernemen, te doen volvoeren, te doen dragen ? Ik heb mijnen God verkozen en Hem alléén;
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD. 3 19
welken naam moest het dragen zoo ik, met God niet te vreden zijnde , iets van de wereld wilde terugnemen, zoo ik, gelijk de joden die in de woestijn de oogen naar Egypte wendden, nu en dan nog mijne blikken op de wereld sloeg, zoo ik, om mijn juk te verzachten en uit te rusten van de vermoeienissen en de verveling van mijnen staat , de wereld te hulp riep? Ik heb mijnen Godverkoren, en waarom? Om Hem meer bizonder te dienen, en voor Hem alleen te leven. Welke verwijt zou ik mijzelven niet moeten doen, zoo de heiligheid mijner gelofte in mij ontaardde , zoo ik, mij bepalend bij eene gewone deugd , de zorg voor mijnen vooruitgang en volmaking verwaarloosde, zoo ik van den kloosterlijken staat niets had dan het kleed en den naam? En was het daarvoor noodig alle aanspraken der wereld en alle voordee-len die zij mij aanbood op te offeren? as het noodig mij van mijne naastbestaanden te verwijderen en mijne familie te verlaten? Was het noodig zooveel beproevingen te doorstaan en een leven in zich zoo heilig te omhel-
320 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
zen ? Wat zeg ik, ware het niet beter geweest gebleven te zijn wat ik was, dan te zijn wat ik ben? Want zijn wat ik ben, is Gode toe beboeren en Hem niet toebehooren. Moet nu deze tegenstrijdigheid mijne veroordeeling voor God en mijne beschaming voor de men-schen niet ten gevolge hebben? Het een en het ander zal het lot zijn dier ontrouwe bruiden, die, terwijl zij God hebben verkozen, in deze keuze niet weten te volharden; maar laat ons hopen, dat wij onder alle opzichten er in volharden zullen, door onzen vrijen kloekmoedigen wil. Zoo iemand Mij wil volgen hij verioochene zich zeiven.
KLOOSTERLIJK LEVEN.
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL
MET GOD.
(VERVOLG.)
Xon nmnes capiunt verbum istuJ :
Niet allen verstaan dit woord.
MATTH. XI, 19.
Men kan zich eigenlijk alleen met God eervol en voordeelig verbinden; niet aldus met de menschen. Waarom ? Omdat men door zich met de menschen te verbinden zijne vrijheid verliest, men begint minder aan zich zeiven te behooren , men komt in een staat van afhankelijkheid, en van afhankelijkheid van het schepsel, die slechts vernederend en lastig zijn kan. Jegens God daarentegen is
322 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
het van groot belang zich zoo nauw mogelijk te verbinden, want naar gelang men zich verbindt aan God, is men ook meer verbonden aan zijn opperste goed. Deze verbintenis , welverre van de vrijheid te schaden, maakt die volkomener, daar de ware vrijheid van het schepsel bestaat in afhankelijk en onder de heerschappij van God te zijn, en liet schepsel behoort nooit meer toe aan zich zeiven, dan wanneer het volkomen en onverbrekelijk toe behoort aan God.
Audi fdia, et vide, et inclina aurent tuam. Luister mijne dochter, maar luister aandachtig.
Met de daad, door u verricht, hebt gij u aan God verbonden, maar met een soort van verbintenis, die weinig bekend is , ten minste in geheel hare uitgestrektheid, en waarom wij Jesus kunnen nazeggen: non om-nes capiunt verbum istud. De verbintenis der kloostergelofte is de verhevenste waartoe een schepsel in staat is, zie hier de reden: omdat het eene heilige verbintenis, eene plechtige verbindtenis, eene onverbreekbare verbintenis is en die nooit moet eindigen.
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD 323
De kloostergelofte is eene heilige verbintenis , ziedaar de eerste eigenschap; en het bewijs is duidelijk, want zij is eene verbintenis van gelofte. De gelofte nu is in haar wezen iets bovennatuurlijks en valt z.elfs onder het goddelijk recht. Zoo was het ten allen tijde zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wet, omdat zij heilig is uit zich zelve. Wat volgt daaruit? Daaruit volgt, dat onze verbintenis in het klooster van eene hoogere orde is dan alle verbintenissen der wereld , en dat zij bijgevolg niet kan geschonden worden dan door een misdrijf dat verschillend is van, en erger dan elk ander misdrijf. Ik besluit daaruit, dat wij , wat betreft het nakomen van datgene, wat in onze gelofte besloten ligt, voortaan jegens Christus geene ongetrouwheid meer kunnen plegen. die niet de zonde van heiligschennis raakt. Waarom ? Omdat wij ten gevolge van onze gelofte , aan Christus bizonder zijn toegewijd. Die gevolgtrekking in onzettend en zij zou ons tot allen, die de eer hebben dat kenmerk der toewijding te dragen, doen zeggen wat haar de H.
324 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
Augustinus zeide: Nunc vero quia ienstur apnd Deiun sponsio tua, non te ad magnam justitiam invito, sed a magna iniquiiate deter reo. Herinner u, getrouwe ziel, dat gij niet meer aan u zelve toebehoort, en dat, wanneer ik u spreek over het volbrengen der beloften die ge aan uwen God gedaan hebt, dit niet zoo zeer is om u tot eene hooge heiligheid aan te sporen, als wel om u af te schrikken van een afschuwelijke boosheid. Maar van den anderen kant, voegt dezelfde kerkvader er bij, is deze gedachte ten hoogste geschikt om u aan te moedigen en te versterken. Want het toppunt uwer vreugde moet zijn, geene verderfelijke vrijheid meer te hebben om het kwaad te doen; en het voordeel uwer gelofte is, niet nauwer met God vereenigd te kunnen wezen, dan gij het zijt. Non ovmes capiunt ver hun istud.
K L O O S T E R L IJ K LEVEN.
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD.
(VERVOLG.)
Vota men reddam in conspectu omnis populi ejus.
Ik zal mijne geloften den Heer opdragen ten aanschouwe van geheel zijn volk.
Ps. CXV, 14.
De kloosterverbintenis is eene plechtige verbintenis, en ziedaar haar tweede voorrecht. Zij wordt hierom alleen professie genoemd, omdat zij voltrokken wordt aan den voet des altaars en voor den bedienaar der Kerk, naar het toonbeeld dat God weleer aan de volmaakte christenen voorhield in den persoon der Israelieten, waarom de Schriftuur ons
21
326 UITTREKSEL UIT EENlGE PREDlKATIEN.
zegt, dat zij zich, in de volgorde waarin zij het beloofde land binnentrokken, allen nederwierpen aan de voeten van den hooge-priester en in diens handen deze openbare beleidenis deden: profiteor hodie coram Domino Deo tuo, quod ingressus sum in ter-ram pro qua juravit patribus nostris tit daret earn nobis. Ja, ik betuig dat ik heden dat land van zegening heb betreden, waarheen de Heer mij geroepen heeft. Ziedaar wat de godminnende ziel verricht bij de plechtigheid harer geloften, want dan betreedt zij den grond die overvloeit van deugd en heiligheid, en zij betreedt dien niet dan na zulks betuigd te hebben voor hem, die bij haar de plaats bekleedt van Christus, den hoogepriester. En wij moeten niet denken dat die plechtigheid louter eene ceremonie is. Toen David zeide: Vota mea Domino reddam in conspectu omnis populi ejus, in atriis domus Domini, in medio tui yeric-sal em , ik zal mijne geloften den Heer opdragen , maar ik zal ze opdragen in tegenwoordigheid van geheel zijn volk, binnen zijnen
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD. 32 7
tempel, in het midden van Jeruzalem, toen beweerde hij iets grootscher te doen, dan wanneer hij die geloften alleen in het binnenste zijns harten gedaan had. En waarlijk, een plechtige gelofte verschilt veel van eene afzonderlijke en geheime. Want gene neemt de Kerk aan, deze niet; gene wordt door haar bekrachtigd, deze niet; in gene verplicht zij zich zelve, in deze verplicht zij zich zelve niet, omstandigheden die wel van belang zijn als er sprake is van eene gelofte. Hoe quot;t ook zij, uit die plechtigheid blijkt duidelijk, dat de kloostergelofte een wezenlijk verbond is van de Christen-ziel met Jesus. Ziedaar waarom de H. Ambrosius, eene maagd onderrichtend die den sluier had aangenomen , haar deze schoone woorden toesprak : Sder o velamine tec la es, ubi ovims populus do tem tueim subsenbens, nou eitrei-niento seci spiritu clamavit amen. Gij hebt u aan jesus verbonden, en geheel het volk dat tegenwoordig was heeft uwe verbintenis onderteekend, niet met stoftelijken inkt, maar met geest en hart toen het er op ant-
328 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
woordde; amen. Dit zelfde nu geliefde zusters, is met u geschied, en altijd moet gij de herinnering daaraan bewaren, want zoo gij ongetrouw genoeg waart om die verbintenis te vergeten, dan zouden allen die getuigen uwer gelofte waren zich tegen u verheffen , en vóór den Verlosser der wereld zouden zij van de trouw, die gij Hem gezworen hebt, getuigenis afleggen. Vota mea Domino reddam in conspectu om nis populi ejus.
KLOOSTERLIJK L E V E N.
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL
MET GOD.
(VERVOLG )
Ep i/uod castitatem amaveris, manus Domini confortavit te, ideo eris bc-ncdicla in aeterum.
Omdat gij dc kuischheid bemind hebt, heeft de hand des Heeren u versterkt, en zult gij in eeuwigheid gezegend zijn.
JUD. XV, II.
De derde eigenschap der klooster-verbin-tenis, is de trouw aar. Christus gezworen, eene trouw waarvan de band onverbreekbaar is, en onverbreekbaarder zelfs dan de verbintenis van de echtelieden der wereld; want de verbintenis van de echtelieden der wereld wijkt somtijds voor de kloostergelofte ; zoo verklaren het ons de kerkvergaderingen , en zoo hebben wij het door apostolische overlevering ontvangen ; waaruit volgt dat de gelofte in het klooster gedaan, eene verbintenis is nog onherroepelijker en
330 UITTREKSEL UIT EEN1GE PREDIKATJEN.
onoplosbaarder dan die van het groote Sacrament door Christus in zijne Kerk ingesteld , Sacramenhim magnum in Ecclesia. De verbintenis van de echtelieden der wereld is natuurlijker wijze onderworpen aan de ontbinding door den dood; de kloostergelofte daarentegen is eene eeuwige verbintenis die nimmer moet eindigen. Zoolang God God zal zijn, zoolang Christus zal heerschen, zult gij aan Hem toebehooren. Zoo het iemand anders dan God, iemand anders dan Christus ware, moest dat woord u doen sidderen; want met ieder ander, buiten God, zoude gij kunnen vreezen voor kwade luimen die verdragen, voor onvolmaaktheden die geduld moeten worden, voor harteleed dat verzwegen moet worden; maar hoelanger men aan God toebehoort en met God is, des te beter geniet men Hem, en des te meer vertroostingen vindt men in Hem. Voorzeker het is een gewichtige stap eene eeuwige verbintenis aan te gaan; maar nog eens, met God is de verbintenis liefelijker naar mate ze van langere duur is. Zoo die verbintenis eindi-
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD. 331
gen kon, zou zij niet meer ons volkomen geluk uitmaken; de zaligheid er van bestaat vooral in haren eeuwigen duur, zoodat door eene wonderbare werking der genade, datgene wat de aardsche verbintenissen tot een juk en slavernij maakt, in de onze een kostbaar voorrecht is, omdat wij verbonden zijn aan God, met Wien men altijd wèl en over Wien men steeds te vreden is, wanneer men zich aan Hem schenkt en Hem met oprechtheid zoekt. Van den kant van God derhalve moeten wij volstrekt niet sidderen. Wat wij te vreezen hebben is in ons zeiven en komt van ons zeiven. Het zijn onze ongestadigheden en veranderingen, het is onze onstandvastigheid. In waarheid al zijn de ijver en de oogenblikkelijke goede gesteltenis in ons nog zoo groot, toch zijn wij zwak en aan verandering onderworpen. Wij verbinden ons voor altijd; maar onze wil heeft zijne wispelturigheden en grillen, en de moeilijkheid bestaat hierin, om met eenen zóó veranderlijken wil eene verbintenis gestand te doen, die niet veranderen mag. Van den
332 UITTREKSEL UIT EEN1GE PRED1KATIEN.
kant van God is het zoo niet; zijne verbintenis en zijn wil zijn even onwrikbaar. Zoodra Hij heeft gesproken en beloofd, is Hij niet meer in staat zijn woord te herroepen , omdat Hij een oneindig waarachtige, een on-eindig getrouwe God is; JuravitDomimis et non poenitebit eum. Maar wij die niet handelen dan door den aandrang eener onbestendige vrijwilligheid, en voor wie de spijt even natuurlijk is als de verkiezing, wij zijn daar door in eenen geheel anderen toestand geplaatst, en leven voortdurend in de verplichting van ons woord gestand te doen er, in het gevaar van het te breken. Dit, godminnende zielen, moet al uwe waakzaamheid gaande maken; dit moet u gestadig in een heilig mistrouwen van u zeiven doen verkee-ren, en bijgevolg in een voortdurend acht-geven op u zeiven. Want welk eene ongeregeldheid zou het zijn, welk eene onwaardigheid, na zulke bekrachtigde en plechtige beloften zijn woord te breken, moede te worden van God toe te behooren, terwijl Hij niet moede wordt van toe te behooren aan
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD. 333
ons ; aan Hem slechts ten halve te willen zijn, terwijl Hij geheel aan ons wil wezen ; tegenzin te gevoelen in Hem ondanks zijne oneindige volmaaktheden, wanneer Hij, ofschoon wij zoo onvolmaakt zijn, geen tegenzin gevoelt in ons, en er zelfs genoegen in neemt met ons te verblijven? Door eene onwrikbare volharding, geliefde zusters, zullen wij ons hoeden voor eene ongetrouwheid, die God ons eeuwig zou verwijten. Eene volharding, die altijd het kenmerk dei-uitverkorenen was; eene volharding, niet slechts in het dragen van het kleed, maar in het behouden van den kloosterlijken geest; niet alleen in de afzondering maar in het nauwgezet vervullen van alle plichten; niet alleen in het uitwendig onderhouden der oefeningen van onzen staat, maar in deugdelijke en inwendige ordelievendheid. Ziedaar hoe wij, na God verkoren en ons zeiven aan God verbonden te hebben, zullen treden in eene heilige verstandhouding met God, in eene zekere gemeenschap onzer belangen en bezittingen. Eo quod castiiatem amaveris, manus Domini confortavit tc, et ideo er is benedicta in ae ter mini.
KLOOSTERLIJK LEVEN.
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL
MET GOD.
(VERVOLG.)
Quid mihi est in coelo, et a te quid volui super terram ?
Wat heb ik in den hemel, en wat verlang ik op aarde buiten U, o mijn God? Ps. LXXII, 25.
Wat heb ik verlangd van al wat er in den hemel, en van al wat er op de aarde is, wat heb ik gezocht, wat heb ik willen behouden buiten U, Heer, en U alleen, ik zeg dat niet , mijn God, voegt de religieuze ziel er bij, ik zeg dat niet om de armoede, de onthechting, waaraan ik mij heb ontworpen, bij U te doen gelden; maar om mij zelve in
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD. 335
alle ootmoedigheid geluk te wenschen, en om mij voor U in mijnen overvloed te verheugen. Want Gij, Gij alleen zijt mij meer waard dan al het overige zonder U; en wat nog wonderbaarder is, Gij alleen zijt mij meer waard, dan al het overige met U. Niet omdat Gij met al het overige iets van uwe oneindige waarde verliest; maar omdat dit overige mij beletten zou U naar behooren te bezitten, en omdat ik, U alleen bezittende, U meer volmaaktelijk bezit. Ziedaar dan, lieve zusters, ziedaar het geluk van den heiligen levensstaat dien gij hebt omhelsd: gij bezit God.
In de wereld bezit men Hem niet, of men bezit Hem maar half. En inderdaad, hoe zou men Hem behoorlijk kunnen bezitten, als men zelve door zooveel meesters bezeten wordt, door de eerzucht, door de baatzucht, door het zingenot, door alle driften en ondeugden? In den religieuzen staat is het bezit van God volkomen, zeker en ongestoord, daar geniet men God, daar vindt men zijne rust in God, daar trekt men uit een zoo
33^ UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
groot erfdeel als God is al de vrucht die het kan voortbrengen.
Maar gaan wij nog verder en eindigen wij met eene gedachte, die wij nooit moesten vergeten. Wij hebben een heilige verbintenis aangegaan met onzen God; en, de al-gemeene en gewone denkbeelden volgende , zouden wij kunnen zeggen, dat het niet alleen een God van glorie, maar tegelijkertijd een man van smarten is, een armoedige God, een vernederde, een gekruisigde God; dat wij ons bijgevolg met Hem niet kunnen verbinden , zonder aan zijne armoede zoowel als aan zijne rijkdommen, aan zijne vernederingen zoowel als aan zijne glorie, aan zijn lijden en kruis zoowel als aan zijne opperste gelukzaligheid deel te hebben. Quid mihi est in coelo, et a te quid volui super ter ram.
KLOOSTERLIJK LEVEN.
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL
MET GOD.
(VERVOLG.)
Chrislo canftxus sum cruci.
Ik ben met Christus gekruisigd.
GAL. II, 19.
Indien dus alles, in Jesus Christus , ingoed veranderd is, zoo moeten wij er uit besluiten, dat de armoede, de smarten, de kruisen op aarde de grootste goederen zijn, die Hij aan zijn uitverkorenen verschaft heeft. Is het niet evenzoo met de zaligheden ? heeft Hij niet openlijk en stellig in zijn Evangelie gezegd ; Zalig zijn de armen, beatipauperes; zalig zij die vveenen , beati qui lugent; en zijn dit geen
330 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
bewijzen ten gunste der kruisen en der smarten van dit leven; bewijzen, die de wereld-lingen nimmer zullen te niet doen? Welnu waar heeft men eene overvloediger mededee-ling dezer geestelijke goederen en Hemelsche gaven dan in het klooster? In de wereld zijn er kruisen; doch zij verschillen veel van deze, die wij in het kloosterleven aantreffen. Want, gelijk de H. Bernardus zegt, elk kruis is niet het kruis van Christus, alle armoede is niet de armoede van Christus alle versterving is niet de versterving van Christus. Men lijdt in de wereld; in de wereld wordt men vernederd; doch dikwijls draagt niets van dit alles het merk-teeken van het kruis des Zaligmakers. Waarom? omdat niets van dit alles geschiedt voor de gerechtigheid en voor God. In het kloosterleven zijn de kruisen heilzaam , zijn zij levendmakend, brengen zij de heiligheid voort, omdat zij met het zegel van Christus geteekent zijn. De kruisen der wereld zijn slaven-kruisen, die ternederdrukken alwie ze draagt; doch de onze, zoolang wij
VERBOND DER GODMINNENDE ZIEL MET GOD. 339
ze edelmoedig dragen, zullen ons zeiven dragen. Wij hebben dit reeds ondervonden en wij hebben een onbetwistbaar getuigenis er van gegeven door het afleggen onzer kloostergeloften. Het verledene is ons een waarborg voor het toekomende, en wij zullen zien of de mededeeling der kruisen van onzen Zaligmaker niet noodzakelijk die van zijne vertroostingen na zich trekt. Behoeven wij daarvoor een anderen waarborg dan den H. Paulus. Sdenies quod sicut som passi-onum es (is, sic eritis et consolahoms, weet, mijne broeders, zeide die groote Apostel, en weest vast overtuigd, dat gij deelgenooten zult zijn der vertroostingen van Christus, naarmate gij deelgenooten zijt geweest van zijn lijden.
Tot wie sprak hij? tot christenen van de eerste tijden der Kerk, dat is, tot volmaakte menschen, die toen in het christendom krachtens eene algemeene wet, volbrachten, wat nu de kloosterlingen door eene bizondere verplichting doen. Op het oogenblik dus, dat wij ons verbond met God bekrachtigd heb-
340 UITTREKSEL UIT EENIGE PREDIKATIEN.
ben, zagen wij ons voorzien van al deze schatten, van zijne genaden, zijne zegeningen, zijnen vrede en zijne inwendige zoetheden, en bij voorbaat heeft Hij ons gezegd hetgeen Hij ons zeggen moet, wanneer Hij ons eenmaal in zijn rijk zal hebben ontvangen: Treedt binnen in de vreugde uws Heeren, intra in gandium Domini tui.
|
• ■■ irV. \ •gt; . . :S 'V f ,■ ' , :! :ï 1 .' • ■ v : / . • ■ •- V ■. '..:v •... ■ ■ |
-■ • ■■ ■ • ' • ■ ■ ' - -V . ' • , ■ ■ ' - - V . . '■ gt;.; |
r-/ : .
■■ ■,-i
r
.
- -X-tfL ■quot;: g
:-v ^
^ . r|
.i-
'■„v \ ;
'
' Ü.'.'-H1 '•
■
■, *''' -
V
:
'r ■ i
r-^ ;
' ■ ■
■' '
' ' :
-
Mt'.
'
'
- _i ; _____