LEESBIBLIOTHEEK
VOOR
CHRISTELIJKE
BEN EN DERTIGSTE J AAK GANG.
NJ. 5
Jaarlijlss ver-st^liijiien Twaalf BoeKdeeleji van de Leesbibliotheek.
- â
s-ïïertogeiil) oscli.
UITGAVE VAN
DE MAATSCHAPPL1 DE KATHOLIEKE ILLUSTRATIE. 1 8 8 G.
mmnr/fw
^-o
DE COMPAGHIE DES KONINGF.
T. T, * quot;
' t / h Pt., /.
DE
COMPAeiIE DES KONINamp;S.
HISTORISCHE ROMAN.
NAAR HET DUITSCH
HERMANN HIRSCHFELD.
DKHDE DE KL.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
COLL. THOMAASSE
Uitgave van de Maatschappij
,D E KATHOLIEKE ILLUSTRATIE.'
's-Her to genboseh.
188«.
XVII.
De ontvoering van Ellen was zoo snel in haar werk gegaan, dat deze, zonder te weten wat er met haar geschiedde, zich op den rug â v:iu een paard voelde heffen en tusschen twee mannen van een -verwild rd uiterlijk, waarvan de een haar ros bij den teugel vasthield, met bliksemsnelheid zag wegvoeren. De adem dreigde het meisje te begeven, zij klemde zich, hoewel in het paardrijden geoefend, instinctmatig aan den teugel vast; maar reeds na weinige minuten vertraagde zich de duizelende rit om den derde der bende, die den maar al te goed gelukte aanslag volvoerd had, tijd te geven om de roolgezellen met hun buit in te halen.
Hij kwam juist bijtijds oin hare vertwijfelende vraag te vernemen wat men met haar voorhad en waarheen men haar dacht te voeren, en in zijn koeterwaalschen met eenige Spaansche brokstukken vermengden tongval te antwoorden, dat zij naar eene veilige plaats gebracht word; op wiens last zou zij zelve wel weten; naar hij zich overtuigd hield, volgde zij hem in den grond haars harten zeer gaarne, daar zij zich hierdoor van den kloosterlijken dwang ontheven zag. Zou zij evenwel beproeven door hulpgeroep of op eenige andere wijze de aandacht van een of anderen voorbijganger te trekken, zou hij zich genoodzaakt zien haar te binden en haar met geweld hel geven van eenig geluid te beletten.
G
Ellen had dadelijk den vaderlandschen tongval herkend, maar ook Ie gelijker tijd ingezien, dat elke poging om den ruwen soldaat te bewegen haar in vrijheid te stellen, nutteloos zou zijn en haren toestand slechts kon verergeren. Zij had van lieverlede hare tegenwoordigheid van geest herkregen en was vast besloten, onder den schijn van berusting, de eerste de beste gelegenheid tot vluchten aan te grijpen; maar dit voornemen kon zij slechts ten uitvoer brengen, als ?ij ten volle vrij in hare bewegingen bleef en het verslappende toezicht van hare bewakers vermocht Ie bedriegen. Eene gelukkige omstandigheid kwam haar daarbij te hulp; zij zag daarin eene bestiering des Hemels, die de bedreigde niet verliet. Uit een tasch van haar zadel zag zij den kolf van een pistool steken; of het wapen geladen was, wist zij niet, doch het kon haar in ieder geval in het beslissende oogenblik een zekeren steun verleenen. Meer dan eens had de kleine cavalcade reeds ruiters en voetgangers ontmoet; maar telkens had een vluchtige blik de gevangene overtuigd, dat het niet alleen vruchteloos zou zijn, de enkelen tegen eene meerderheid te hulp te roepen, maar ook dat er niet een onder was, die desge-vorderd voornemens zou zijn, zijn leven voor de bescherm,'ng eener vreemde op het spel te zetten, die in zijne oogen even zoo goed scene verdachte zwerfster' als een deugdzaam meisje schijnen kon. De ontvoerders van Ellen daarentegen beschouwden haar zwijgen als eene volkomene berusting in haar lot, en van lieverlede bewaakten zij de gevangene minder streng, ja, letten er niet eens op, dat het jonge meisje als toevallig haar paard niet meer te midden barer geleiders hield, maar zijwaarts langs den zoom van het smal, hobbelig boschpad stuurde.
Nog eene andere omstandigheid trok de aandacht der voormalige soldaten van Ellen af. Op niet al te grooten afstand vernamen zij hot gedruisch van naderende troepen en zij hadden dubbel reden om eene ontmoeting met deze te duchten. Stootten zij op Fransche voorposten, dan was het met zekerheid te verwachten, dat zij niet alleen opgehouden zouden worden, maar ook rekenschap van hun doen en laten zonden moeten aflesgen; eoni» mfmooiin? met Span-
s-
V
7
jaarden echter kon hen als deserteurs uit dezer gelederen ontmaskeren, en de strop was in dit geval onvermijdelijk hun deel.
De paarden stapvoets latende voortgaan, beraadslaagden de struik-roovers met elkander. Verder rijden kwam hun bedenkelijk voor, den weg te verlaten en het bosch in te rijden, was door het kreupelhout en do lalloozo wortelen der boomen eone onmogelijkheid. Eindelijk kwamen zij overeen, nog een klein eind voort te rijden tot aan een kruisweg, waar zij zijwaarts konden afslaan. Juist toen zij hunne paarden weder in draf zetten, bleef Ellen achter, greep het in den holster stekende pistool, liet zich van het paard glijden en eer nog een der soldeniers haar v oornemen gissen kon, wa het moedige meisje met een koenen sprong over de smalle sloot, die het bosch van den weg scheidde en dreigend bliksemde de mond van het wapen de onthutste soldeniers tegen : zij wisten dat het geladen was en in eene vertwijfelde hand voor hen doodaanbrengend kon worden.
Ren zware vloek rolde van Leadon's baardige lippen. Van zijn paard springende, wilde hij de vluchtelinge achtervolgen; maar was het aan het slanke meisje zelfs slechts met moeite en niet zonder aan doornen en distelen kleed en handen open te rijten, mogelijk geweest, zich een doortocht te banen, de plompe soldenier moest het reeds terstond na de eerste poging opgeven. Daarenboven durfde hij zich niet van de teruggebleven paarden of van zijn kameraden scheiden, en deze riepen hem toe de nuttelooze vervolging op te geven en zich zeiven liever voor een ongewenschte ontmoeting te beveiligen. Schuimende van woede, zijn lastgever te moeten boodschappen dat door vrouwenlist en eigen achteloosheid de aanvankelijk zoo goed geslaagde onderneming mislukt was, waardoor hij het hem toegezegde loon verbeurd had, keerde hij naai' den straatweg terug. Het was hoog tijd; want het paardengetrappel en wapengekletter kwamen steeds nader, terwijl de spitsbroeders, het paard van de vluchteling aan den teugel medevoerende, het hazenpad kozen.
8
Wat bekommerde er zich Ellen om, of haar kleed aan de doornen mauw
in flarden scheurde en hare teedere handen door de scherpe prik- kwan
kels geheel opengereten werden? Een stom dankgebed tot deu Al- digen
machtige steeg uit het hart tot deu hemel op en nu ging zij voor- bij hei
waarts, voorwaarts zonder doel of bepaalde richting', waar de jnoesl
boomen het dichtste stonden, de paden elkander het menigvuldigst niet
kruisten. Zij vreesde niet de verschrikkingen van het woud, zij nog \ vreesde de menschen; vooral de snoode werktuigen, die een nog vee) lt;jm
eerloozer voor de volvoering van zijn schandelijk opzet had gehuurd. ^loop
Voor twee eeuwen bezat Spanje veel uitgestrekter wouden dan in breid
onzen tijd; dicht opeenstaaude verhieven geweldige woudreuzen en (j
hunne kruinen tot aan de wolken; daartusschen slingerden lallooze boom klimopplanten hare bonte, veelkleurige festoenen. Onverpoosd bleef gu
het jonge meisje door het kreupelhout voortdringen. Het werd al trane
stiller en stiller en het uit de verte klinkende krijgsrumoer was bezaa
reeds lang weggestorven. Maar nog achtte de vluchteling zich niet. jnspa
voor de listige vervolging en overrompeling van hare schakers veilig. woge
Haar angst verdubbelde hare krachten; er waren reeds uren ver- einde
loopen en nog altijd bevond zij zicli in den doolhof van het einde- j'och
looze woud. Eindelijk begon de natuur hare rechten ta doen gelden. eeni^
Ellen's schreden werden langzamer, onvaster, voor de eerste maal wacli begon zij uit te zien naar eenig teeken, dat haar de nabijheid van To
menschen verkondigde: zij zag niets en haar luisterend oor vernam nescl
noch hanengekraai, noch hondengeblaf, noch eenig ander geluid, waar
hetwelk bewijst dat men eene inenschelijke woning nabij is. Hel voor
schemerde, eene koele avondlucht streek door het woud, koude ril- bezin lingen begonnen door hare leden te varen en hare krachten dreig- «V deu haar te ontzinken. Zou zij dan den ganschen nacht in het Ee
woud moeten doorbrengen? Zij wist dat de Voorzienigheid over .den
haar waakte en vertrouwde daarop ook, maar zij was toch slechts zeten
een zwak meisje; tot dusverre had alleen liefde zoowel over haar «tonti
waken als haar slapen gewaakt â en thans ? Zij huiverde. de lt;:
Daar â een vreugdekreet ontsnapte aan hare lippen â sloeg moet
f
daar niet, duidelijk verneembaar, een hond aan, zoo nabij, dat zij iwak
O
'en nauwkeurig de richting erkennen kon, vanwaar liet geluid tot haar
'k- kwam? Maar reeds het naaste oogcnblik bekoelde de haar overwel-digende vreugde: kon het dier niet door zijn scherpen reuk de na-bijlieid van menschen gewaar wordende, daartoe afgericht, zijn
de meester, wellicht een roover, daarvan verwittigen ; was zij misschien
Ss' niet aan een dreigend gevaar ontkomen, op hot punt zich aan een
zlj nog veel grooter blootgesteld te zien?
ee' Omzichtig, het laatste overschot barer krachten verzamelende, 'â 'l- sloop zij op het pad voort, dat steeds elfener werd en plotseling 111 breidde zich voor hare blikken in den niaueschijn het open veld uil, ;eri en door de vensters van een laag huisje, dat tusschen een groep 1X0 booinen ingesloten lag, schemerde haar een zwak licht tegen. ee' Kllen zonk onwillekeurig op de knieën, en bet gelaat met vreugde-a' tranen overstroomd, strekte zij de armen dankend naar den met sterren â «s bezaaiden nachtelijken hemel omhoog, daarop hare laatste krachten iet inspannende wankelde zij naar de reddende woning. Hare beenen 'b- wogen zwaar als lood en weigerden haaiquot; nagenoeg hunnen dienst; eiquot; eindeloos kwam haar de korte afstand voor, doch zij sleepte zich ie- loch nog tot voor de gesloten deur, en zonk daar neder, zonder eenig geluid te kunnen geven. Andermaal hoorde zij den trouwen wachter des huizes blaffen, daarna verloor zij het bewustzijn. â¢*n Toen Ellen uit hare bezwijming ontwaakte, overgoot heldere zon-1,11 neschijn een eenvoudig landelijk vertrek en de heldere legerstede id, waarop zij nederlag. Als een droom kwam haar het doorleefde let voor en alleen de vreemde omgeving was in staat haar na lang il- bezinnen de werkelijkheid in het geheugen terug te roepen, ig- »Waar ben ik ?quot; kwam het onwillekeurig over hare lippen, iet Een jonge vrouw in 'uoerenkleeding, met een allerliefst knaapje op er -den ai m, die tot dusverre aan het hoofdeneinde van het bed ge-its zelen en bezorgd tijdens haar looden slaap bij haar gewaakt had, ar stond bij die vraag op en trad voor het bod. Ellen viel terstond de gelijkenis der boerin op met iemand, die zij in haar leven ont-eg moet moest hebben. Doch hare zintuigen waren nog te veel verzij zwakt, om daarover na te denken.
10
sLlij eenvoudige hocrenincnschen, arme jonge dame,quot; antwoordde de vrouw, »rnaar goed geborgen. Mijn goede man droeg u op zijne armen in huis, daar wij u bewusteloos voor de deur vonden. Met Gods hulp zijt gij thans weder gesterkt en wel, en hier is er een, die u welkom heet in de hut zijner ouders; uit zijne heldere kijkers zult gij vertrouwen putten.quot;
Met deze woorden hield zij Ellen het lieve knaapje voor, dat zijne armpjes naar haar uitstrekte.
Ellen kuste het rozige gezichtje, maar plotseling vestigde zich haar blik op den hals van het kind, om welken aan een dun kettinkje een eenvoudig gouden kruisje hing. Het was geen vergissing, dat kruisje was eens haar eigendom geweest, voor zij het in een ernstig oogen-blik in de hand van een ander had gelegd â en deze andere â nu had zij de gelijkenis gevonden â maar het was niet te gelooven, het was onmogelijk!
»Vergun mij eene vraag, lieve, beste vrouw? ' sprak Ellen met bevende stem. «Vanwaar komt dat heilig teeken om den hals van uw kind'.'quot;
«Van mijne zuster,quot; luidde het antwoord; «zij is eene .beroemdè zangeres in de groote koningstad Parijs. Zij zond hot kleinood voor ons zoontje in naam eener voorname jonge dame en verzocht ons, dat wij het zouden leeren bidden voor de schenkster, aan wie zij zelve haar zielevrede dankte â opdat God Ellon Brady mocht zegenen en allen, die haar dierbaar zijn.quot;
oEn Hij heeft u verhoord!quot; Met zenuwachtige vervoering drukte Ellen moeder en kind aan hare borst. »Duizendvoudig heeft Hij het geringe geschenk vergolden en haar gezegend voor wie uw lief kindje moest bidden ; want Gods hand heeft mij door verraad en gevaar uwe woning binnengeleidâ ik ben Ellen Brady!quot;
xvm.
Niet zonder grond had koning Jacobus de schaar zijner getrouwen «aar het vaderland teruggezonden; vroeger dan hij zeif vermoed had, had de onverdraagzaamheid en hardheid van het Britsche parlement op de ternauwernood lot rust teruggekeerde broedereilandeu. lerland en Schotland opnieuw den fakkel van den burgeroorlog doen ontbranden. Waar eene nieuwe daad van tyrannieke willekeur de-gemoederen der verdrukten schokte, braken weldra kleinere ol grootere oproeren uit; hier onderdrukt, barstte zij daar wederom, des te heviger en onbeteugelbaarder uit, toen de regeering in overschatting van de verkregen uitkomsten sinds den noodlottigen dag van Oomdale, de onderworpen landen, meer dan de voorzichtigheid' gedoogde, van de vertrouwbare troepen ontbloot had, om slechte eenigermate het gebrek aan troepen in Vlaanderen en de Nederlanden te dekken. Het spreekt vanzelf dat deze oproeren in den naam en onder de banier van koning Jacobus plaats vonden en gun--sliger dan ooit te voren liet de kans op welslagen zich aanzien, daar ditmaal het geluk den tocht over zee der koene, getrouwe koningschaar en van haar aanvoerder begunstigde. Trots alle vijandelijke waakzaamheid op open zee zoowel als langs de kusten, was Arthur Bentinck ongedeerd op het vaderlandsche strand aan
12
val gestapt niet ver van liet versterkte Jaeobitisch gezinde stadje Berwick, hetvvelU door een Engelseh garnizoen bezet gehouden werd. opdat liet niet terstond bij de landing der opslandelingen in hunne handen zou vallen. Op den rotsigen oever had de jonge krijgsman de koninklijke banier der Stuarts ontplooid; »Heil koning Jacobus!quot; was de leus door de offervaardig teruggekeerden aangeheven en do echo had die in de hooggebergten voortgeplant, en clan voor clan was naar beneden gekomen gelijk staal door den magneet aangetrokken, toen zich met bliksemsnelheid de mare verbreidde, dat de compagnie des konings wederom in het land was. Gewillig schaarden zich de hoofden om den beproefden aanvoerder, wiens naam, ondanks de jeugd des dragers, in het geheele land gevierd werd. In korten tijd zag Arthur Bentinck zich aan de spits van een klein, doch uit de meest uiteenloopende bestanddeelen samengesteld leger, en nadat hem bij eenige kleine ondernemingen het geluk toegelachen had, rukte hij tegen Berwick zelf op, om door het bezit van een versterkte plaats de tot dusverre nog weifelende aanhangers te bemoedigen en een vast steunpunt voor grootere ondernemingen te »erkrijgen.
Herhaaldelijk had de moedige aanvoerder reeds beproefd, de t'gt;laals bij verrassing te nemen, maar goed beschut achter wallen en grachten had de waakzame bezetting zich met Engelsche standvastigheid legen Schotsche dapperheid weten te verdedigen, hoewel zij niet alleen tegen vijanden van buiten, maar ook tegen den geheimen haat en den afkeer der burgerij te kampen had.
Aan deze gezindheid dankte dan ook Arthur, toen hij reeds voornemens was af te trekken en elders tijd en krachten doeltreffender aan te wenden, een inlichting, die opnieuw de hoop op een gunstig gevolg in zijn hart verlevendigde. Uit de door den vijand bezette stad had onder begunstiging van het nachtelijk duister een tmrger jonkman naar het kwartier van den jongen aanvoerder de wijk genomen, om zich aan den gedwongen soldatendienst te onttrekken en vrijwillig onder koning Jacobus' vaandel te strijden. De inlichtingen, die hij omtrent de belegerde stad mededeelde, rijpten
13
in Art bar's geost ecn plan, dal hij in ovorlrg met den trouwen Bunmore wel re«ds lang overwogen, dolt;;li, met het oog op de on-inisbare kennis der plaatselijke gesteldheid, tot dusverre gedraald h.id om uil te voeren. Wat eens in den Vlaamschen veldtocht, in een duisteren, storraachtigen herfstnacht, op het. door de verdedigingswerken der keizerlijken beschermde eiland in den Rijn gehikt was, zou zich thans op den vaderlandschen bodem hernieuwen. De jeugdige overlooper gaf Arthur de stellige verzekering, dat het wild voort bruisende water der vestinggracht, hetwelk meer dan een manshoogte diep was, over een smalle strook veel ondieper stroomde? aan de overzijde de gracht echter, juist tegenover dat punt, waar-omti\n! do bezetting niet den geringsten argwaan voedde, was de wacht aan goed Jacobitischgezindc burgers toevertrouwd en deze zouden den stoutmoedigen, die het ondernemen mochten om de ondiepte tc doorwaden, eerder hulp verleenen dan weerstand bieden.
De jonge aanvoerder verzamelde de getrouwen, wie. sinds jaren de gemeenschappelijke eed met hern verbond. Hoezeer de schaar ook gedund was, hare onwankelbare trouw, haar onverflauwde ijver vergoedde duhbel het onlbrekende getal. Er was slechts een woord noodig en de compagnie des konings bereidde zich als tot een feesl om in het holle van den nacht en met gesloten gelederen de gevaarlijke onderneming te wagen. En evenals vroeger op het weiland der Schottenquot; in het midden van den Rijn, was ook ditmaal het geluk den dapperen gunstig. Het. water steeg de heldhaftige schaar, die in volslagen duisternis door de vestinggracht waadde, bijna tot aan de kin. Maar onvervaard droegen zij zwaard en musket in de hoog opgeheven handen en onder het hoofddeksel de benoodigde munitie Doch was de onderneming cp zich zelve wel niet. minder gevaarvol dan de bestorming van hel eiland in den Rijn, de goede wil der wachters op de wallen verlichtte evenwel den overtocht; want deze wilden niet zien of hooien wat. er beneden hen plaats greep er» achtten het eerst tijd alarm te maken, toen de vijand reeds op dc muren stond.
«Koning Jacobus en de vrijheid!quot; klonk het jubelend uit de kolcK
14
der koene schaar, die door de straten der stad stormde en de soldaten, die met de verdediging der poorten belast waren, in den rug aanviel, om de buiten voor de ophaalbruggen wachtende kameraden ongehinderd toegang te verschaffen.
Maar ten slotte ware de kleine schaar nog voor do overmacht bezweken, daar de bezetting zich langzamerhand van den eersten schrik dor overrompeling herstelde en begon te bespeuren, dat zij slechts eexi gering aantal vijanden tegenover zich had ; doch te rechter tijd vonden de dapperen in de burgers zeiven een krachtigeu steun. Weldra sloten zich een menigte jongelieden bij de kleine schaar aan ; voor de gekwetsten ontsloten zich gastvrije huizen en in de straten klonk de roep : âWeg met de Orangisten! Heil koning Jacobus ! Leve de compagnie des konings 1 quot; Nog een kort docli verwoed gevecht â dan ratelde de brug donderend neder en door de stadspoort golfde, jubelend begroet, de stroom der opdringende Jacobitische scharen. De bezetting' echter legde de wapens neder en verzocht en verkreeg vrijen aftocht. De koninklijke banier der Stuarts, die Arthur Ben-tinck met eigene hand nog te midden van het dreigende gevaar op een der muurtorens geplant had, schitterde in het eerste purper van het morgenrood en als in zegepraal deed een licht koeltje de rui-schende plooien der zijde lustig in de lucht wapperen.
Nadat Arthur na al de vermoeienissen van den strijd slechts een korten tijd de onontbeerlijke rust genoten had, vinden wij hem aan de zijde van zijn vriend Bunmore in een vertrouwelijk gesprek met elkander verdiept. Hoe innig zijn hart ook aan zijne kameraden hing, was Bunmore toch de eenige. wien hij zich vertrouwelijker aangesloten had: hij kon hem gerust al zijne zielsgeheimen openbaren en daarbij overtuigd zijn, dat de eerlijke, goedhartige vriend mat hora gevoelde, al vermocht hij hem ook niet altijd te begrijpen.
Zoo verwonderde het Bunmore klaarblijkelijk, terwijl hij in het koesterende licht van de heldere ochtendzon op zijn gemak naast zijn vriend zittende, met een vergenoegd voorkomen behaaglijk zijn pijpje rookende â eene gewoonte, die zijn koninklijke meester, evenals alle Stuarts een verklaard vijand van de tabak, ongetwijfeld
15
het, voorhoofd zou hebben doen fronsen â dat Arthur ondanks de bevochten zegepraal niet opgeruimder keek. Na zulk een wapenfeit kon alleen persoonlijke kommer het voorkomen van den kameraad verduisteren. En inderdaad had deze ook reden genoeg daartoe, als bij aan haar dacht, die zijn hart vervulde.
«Wees gelroo't, beste Arthur,quot; sprak Bunmore deelnemend, zijn arm om den hals van den jeugdigen aanvoerder slaande, sen verban die sombere gedachten â de oude God leeft nog! Niet om u in droefheid en kommer te dompelen, heeft Hij u tot dusverre zoo gelukkig geleid. Hij zal ook over uw vader waken, zoowel als over het meisje uwer keuze; en let op,quot; voegde hij er trouwhartig bij, «reeds de eerstkomende bode zal mijn goed voorgevoel bevestigen.quot;
«Geve de Almachtige, in wiens hand en hoede ik beiden aanbeveel, dat uw voorzegging bewaarheid worde, mijn getrouwe vriend,quot; antwoordde Arthur. «Maar zie, niet enkel eigene zorgen zijn het, die mij drukken. Wat beteckent do enkele tegenover de groote zaak, waaraan hij zich gewijd heeft? Alle offers, die zij vordert, moeten wijken voor de gedachte aan den bezworen plicht. Ik ben beducht voor onzen koning, Bunmore, voor de zaak van Jacobus Stuart. Mij verblindt de zonneglans niet, die de banier van den koninklyken meester bestraalt, hol is slechts een vluchtige glans!quot;
«Arthur?quot; Bunmore zag zijn makker verbaasd, ja onthutst aan.
»Ik ben niet meer du vurige jongeling van vroegere jaren,quot; ging do jeugdige aanvoerder voort; «de tijd en do ondervinding hebben
Imij gerijpt: de rooskleurige wolk van het oogenblikkelijk succes is niet bij machte het waggelende beeld der toekomst te omsluieren. Frankrijk heeft ons terstond na onze landing werkdadige hulp toegezegd; maar het draalt om zijn woord gestand te doen, en als het zijn woord breekt, is al ons strijden en zwoegen tevergeefs, al ons zweet, en bloed nutteloos vergoten. Op het aanbieden van eene eervolle capitulatie valt van de zijde der Engelsche regeering niet te rekenen â zij behandelt ons als hoogverraders en oproerlingen. Er blijft ons niets anders over â om onzen eed van trouw tot aan het einde te volbrengen â dan voor onzen heer en koning te sterven.quot;mij gerijpt: de rooskleurige wolk van het oogenblikkelijk succes is niet bij machte het waggelende beeld der toekomst te omsluieren. Frankrijk heeft ons terstond na onze landing werkdadige hulp toegezegd; maar het draalt om zijn woord gestand te doen, en als het zijn woord breekt, is al ons strijden en zwoegen tevergeefs, al ons zweet, en bloed nutteloos vergoten. Op het aanbieden van eene eervolle capitulatie valt van de zijde der Engelsche regeering niet te rekenen â zij behandelt ons als hoogverraders en oproerlingen. Er blijft ons niets anders over â om onzen eed van trouw tot aan het einde te volbrengen â dan voor onzen heer en koning te sterven.quot;
16
Een oogenblik schoen hfil, als werkte de sombere stemtninp van -rlen krijgsmakker aanstekelijk op Bunmore, doch dit duurde slechts-een ommezien, want spoedig herkeeg de aangeboren opgeruiradlteid van den jongen soldaat de overhand.
sGij zijt een druiloor en een zwartgallige, geworden!quot; riep hij. »llct zou mij niet verwonderen, als gij voor den verrader Frederik nog een Requiem besteldet, of zelfs voor hem liet bidden, opdal hij van het merkteeken mocht, genezen, hetwelk gij hem in de huid gegeven hebt â juist alsof gij reeds vooraf geweten huilt wat hij u had aangedaan. Om de waarheid te zeggen, had ik Frederik llondalo nooit tot zulk eene daad in staal geacht,quot; voegde hij ei op ernstiger toon bij, »en eerder Maclean voor een gluiperigen verrader gehouden. â Maar daar rijst eene goede gedachte bij mij op,quot; dus onderbrak hij zich; «weet gij dat wij ons hier zeer dicht bij het slot liondale, het verblijf van lord Herbert bevinden?quot;
ȟat weel ik zeer goed. Wilt gij misschien, dat ik daar een bezoek ga afleggen om den man, die zich niet ontzien heeft mijn ouden vader uit zijne bezitting te verdrijven, wiens zoon mijne voor God met mij verloofde bruid aan het ruwe geweld heeft prijsgegeven en daarvoor ook zijne tuchtiging heeft ontvangen, â ootmoedig te gaan vragen, of hij mij wellicht iels omtrent het lot en de verblijfplaats der mijnen zou kunnen mededeelen? lu welke hoedanigheid moet ik, Arlhur Bentinck, de aanvoerder der compagnie van koning Jacobus, do woning betreden van iemand, die hem en zijn vaandel een onverzoenlij-kenhaat gezworen heeft ? O! God geve, dat hel toeval mij nooit weder in dit. leven rnet een Rondale samenbrenge!quot; ging hij voort, en een hem anders geheei vreemde gramstorige gloed schitterde in zijne oogen. «Het zou misschien niet goed alloopen: ik ben toch ook maar een mensch gelijk alle anderen en zou mijne verontwaardiging ten slotte geen meester kunnen zijn.quot;
Het gesprek werd gestoord door een soldaat, die binnentrad met de boodschap, dat een oude man, die zich niet had willen laten afwijzen, den hoofdman wenschte te spreken, om hem een spoed eischende tijding over te brengen.
'17
Voor zoover hem dit mogelijk was, wees Arthur nooit iemand ai', die hem verlangde te spreken; hij gal' dan ook bevel den man binnen te laten.
Schuchter betrad een bejaard man met een goedig voorkomen het vertrek en verzocht met een schuwen blik op Bunmore sir Arthur om een onderhoud onder vier oogen.
Glimlachend over het wantrouwen van Bunmore, die ondanks de blijkbare argeloosheid van den ouden man het voorhoofd fronste, voldeed Arthur aan dezes verlangen en nu deelde hem de vreemdeling, geheimzinnig fluisterend, als vreesde hij dat de muren hem verraden konden, mede, dat hij reeds sedert verscheidene weken een Jacobi-tischen vluchteling in zijn huis verborgen had. Een verren weg afgelegd hebbende, had deze, doodziek, zich tot aan zijne deur voortgesleept en met zijn begeleider bij hem een onderkomen gevonden. De Orangisten zouden er hem zwaar voor hebben doen boeten, als zij de lucht gekregen hadden van den liefdedienst, dien hij, Joe Hansom, een oud, stil en afgezonderd levend vrijgezel zonder magen of vrienden, aan een geloofsgenoot bewezen had. In de grootste spanning had de zieke gast den loop der gebeurtenissen gevolgd : het was als had hij den dood bezworen, zoolang geduld te hebben, tot de zaak, die hij voorstond, eene betere wending genomen had. Nu echter liep het ten einde; dringend verlangde de stervende â het was van het uiterste gewicht â den aanvoerder van de compa. gnie des kenings te spreken, en hield zich overtuigd, dat sir Arthur Bentinck hem niet uit het leven zou laten scheiden zonder zijn laatsten vvensch te vervallen.
«Daarvoor beware mij God!quot; riep de jonkman levendig uit; «indien het overigens waar is, wat gij mij bericht, man ! Ik heb te veel verraad en valschheid ondervonden, dan dat ik den eersten den besten nog blindelings zou vertrouwen. Er zijn hier verscheidene inenschen in de nabijheid, die wel zullen kunnen getuigen, of gij werkelijk degene zijt, voor wien gij u uitgeeft. â Kunt gij u zonder vrees aan dit onderzoek onderwerpen, dat bij ongunstige uitkomst slechte gevolgen voor u zou kunnen hebben?quot;
2
IS
»Met alle gerustheid, sir,quot; antwoordde Joe Hansom bedaard j «niemand, die mij kent, kan eenige reden hebben om mij verdacht te maken of te wantrouwen.quot;
Arthur was overtuigd.
sik geloof u, man,quot; zeide hij, »en ga zonder verdere bedenking met u mede. Mijn kameraad en trouwe vriend kan ons vergezellen en voor uwe woning wachten.quot;
«Handel gelijk gij goedvindt, sir!quot; sprak Hansom deemoedig; «zorg slechts, dat er uit mijne daad niet vroeger of later onheil voor mij geboren worde!quot;
Al billijkte de getrouwe Bunmore ook in geenen deele den gang van zijn vriend, was het er toch verre van af, dat hij zou geweigerd hebben Arthur te vergezellen. Deze gaf nog de noodige aanwijzingen, en een paai' minuten later waren beide vrienden, door Hansom gevoerd, op weg naar diens woning.
Het was een afgelegen, vriendelijk, door een kleinen tuin omgeven huisje, en het moest gemakkelijk vallen hier zonder opzien te baren een gast te herbergen. Eene oude huishoudster, de eenige dienstbode van den vrijgezel, opende voor Arthur en diens geleider, terwijl Bunmore voor de deur de wacht, hield en den geheel verbluften Joe Hansom met galg en rad dreigde, als hij hem zijn kameraad niet weder heelhuids afleverde.
Arthur volgde zijn leidsman door een lange gang naar een klein achtergebouw, hetwelk zij binnengingen.
Bij het gedruisch, dat zij onwillekeurig maakten, ging er eene deur open en een oude man kwam hen te gemoet, na eerst de deur weder zacht en voorzichtig achter zich gesloten te hebben.
«Brengt gij hejrn mede, master Joe?quot; vroeg hij halfluid in het schemerdonker van de gang, waaraan zich het oog eerst gewennen moest.
«Ja, master Smart!quot;
Was Arthur reeds bij den klank der stem ontroerd, zoo ontsnapte hem bij het hooren noemen van den naam des vragers een luide utiroep van verwondering. Smart stond bekend als eender trouwste
19
dienaren van zijn ouderlijk huis. Een verraoedcn rees bij hem op en een blik in het oude, rimpelige gelaat scheen dit te bevestigen. «Smart, â het is mijn vader !quot;
»Stil, mijn lieve, lieve jongeheer!quot; En de oude, getrouwe dienaar hield den jonkman, die naar binnen wilde snellen, met beide handen terug. «Schok hem toch niet. Kalm gaat hij den eeuwigen vrede in.quot;
Arthur hoorde niets meer; met inspanning van al zijne krachten zijne aandoening bedwingende, opende hij zoo bedaard hij eenigs-zins kon de deur der kamer en trad binnen, terwijl de eigenaar van het huis met den ouden dienaar in de gang terugbleef.
Door het gouden zonlicht omstraald rustte op eene eenvoudige, heldere legerstede sir Elliot Bentinck, wiens lichaam, buitendien reeds mager, ten gevolge van lijden, bekommeringen en kwellingen van allerlei aard, bijna tot den staat van een geraamte was uitgeteerd. De rimpelige huid had de gele tint van was aangenomen, de oogen lagen diep in hunne kassen, liet scheen, alsof zijn leven nog slechts bij minuten telde.
Met de uitdrukking van onuitsprekelijke lielde vestigde zich zijn blik op den jonkman, die in do deur was blijven staan, om het geweld der hem overstelpende gevoelens een weinig te onderdrukken en zijne kalmte te herkrijgen.
«Mijn zoon!quot; sprak de grijsaard, zwak, maar duidelijk verstaanbaar; «mijn beminde, trouwe zoon, dien God te rechter tijd gezonden heeft! treed nader, opdat Elliot Bentinck niet tot zijne vaderen inga, zonder zegenend de hand op uw hoofd gelegd te hebben! Hij kan getroost scheiden; want gij leeft voort tot eer van zijn naam.quot;
Met de oogen vol tranen knielde Arthur voor het leger van den grijsaard neder.
«Verschillende boden,quot; sprak hij, aan zijne stem eenige vastheid pogende te geven, «zond ik naar Bentinck-House; maar een grillig noodlot wilde, dat hun bericht omtrent uw verblijf mij niet kon toekomen; want sinds maanden zwerf ik om zoo te zeggen van de eene plaats naar de andere. Ik ben bekend,quot; dus ging hij voort, daar
20
zijn vader hem vragend aanzag, «met de scliandelijke wraakneming' van het trotsche parlement te Londen, die een koning zich niet schaamde met zijne handteekening te bekrachtigen; het is mij bekend, dat de naam van sir Elliot Bentinck op de verbanningslijst staat, met al de anderen, die hunne trouw aan het geloof en het wettige koningschap met hunne bezittingen betalen moeten, daar men hen toch niet in hun persoon durft te stralfen.quot;
De grijsaard knikte.
«Ik ben er trotsch op dat mijn naam zich in zulk een goed gezelschap bevindt,quot; sprak hij. »Om niet de schaamroode kaken te moeten aanschouwen van dengene, die in naam van den nieuwen meester bij de genade van het parlement, mijn eigendom in bezit nam, heb ik het stamslot mijaer vaderen, eer een Rondale of iemand van zijn aanhang den drempel daarvan overschreed, verlaten; want hun, arme Arthur, behoort Bentinck-House thans toe en uw vader heeft niets meer voor u dan zijn zegen bij het verlaten van deze wereld.quot;
»0 Rondale, Rondale! Vader en zoon!quot; Wederom baande de in Arthur's binnenste verkropte woede zich met geweld een uitweg. »Gij zult voor deze stonde boeten!quot;
»Niet zoo, mijn zoon ! quot; sprak de grijsaard berispend. »Mij is de wrake,quot; zegt de Heer, en niet in den bruisenden storm van den hartstocht wil Elliot Bentinck de oogen sluiten. Komt eenmaal het oogenblik, dat gij tegenover de Rondale's staat, gedenk dan dit woord, eer gij oordeelt, eer gij handelt!quot;
Er ontstond eene pauze. De krachten des stervenden namen zichtbaar af: moeielijker steeg de adem uit de benauwde borst op, een hoestbui schokte de beenderige gestalte.
»Ik was voornemens,quot; dus nam sir Elliot eindelijk het woord weder op, «mij naar de kust te begeven en naar Frankrijk over te steken, waar ik wist dat mijn zoon in dienst van koning Jacobus stond, en ingeval ik er hem niet aantrof, mijn lot vol vertrouwen in de hand mijns koninklijken gebieders te stellen. Mijn oude, getrouwe Smart, â in voor- en tegenspoed even sterk aan mij verknocht, was mijn steun en mijn leidsman. Doch ik had mijne krachten overschat. Niet ver-
21
der dan tot hier, tot de woning van Smart's ouden vriend, Hansom, kon ik mij voortsleepen. Op zijnen drempel struikelde de vermoeide voet en toen men mij op deze legerstede droeg, wist ik dat ik ze niet meer verlaten zou. Slechts eene enkele gunst verzocht ik nog van den Heer, wiens heilige Teerspijze mij reeds lang gesterkt had voor de laatste reis: nog eenmaal mijn zoon te zien; â daar kwam de tijding, dat de compagnie des konings met haren aanvoer-i der geland was, dat clan aan clan zich om haar schaarde, en opnieuw de banier der Stuarts de trouwe Schotten tot de overwinning voerde. Toen was het mij, als moest God mij de genade bewijzen, onder de bescherming van deze vaan te sterven, die mijn zoon zelf boven het hoofd van den scheidende zou ontplooien. En mijn vertrouwen heelt mij niet teleurgesteld: met u was ik in den geest, vreezend, hopend, jubelend.... en nu.....quot;
De grijsaard voleindigde niet, de stem, die meer en meer verzwakte, verstomde, een dof gereutel steeg uit de zieke borst op, zacht bewogen zich de kleurlooze lippen, een gelukzalige glans
verspreidde zich over zijn gelaat, een diepen zucht.....en Elliot's
ziel was naar de hemelsche gewesten overgegaan.
De jonge man boog zich over den roerloos uitgestrekten grijsaard. Dat was de stempel van den dood, de ijzige kilheid der verstijfde ledematen, de vaalgele tint dor snel veranderende trekken â maar al te goed was Arthur met dit merkteeken bekend geworden, hetwelk de doodsengel op het gelaat zijner slachtoffers drukt, dan dat er eenige twijfel mogelijk was. Hij had den geliefden vader ge-j vonden om hem opnieuw te verliezen â voor altijd. â In vurig gebed knielde Arthur bij het dierbare lijk neder, drukte daarna een laatsten kus op het kilte voorhoofd en verliet onhoorbaar de kamer als wilde hij de rust van een sluimerende niet storen.
Buiten in de gang ontvingen hem de getrouwe Smart en Joe Hansom, de hulpvaardige, doch al te vreesachtige heer des huizes. Arthur bedankte dezen uit de gansche volheid zijns harten voor al het goede, dat hij den overledene bewezen had; den getrouwen dienaar echter gaf hij last ten spoedigste het stoffelijk overscho 1
22
zijns vaders naar zijn eigen kwartier te laten overbrengen ten einde het van daar uit met alle kerkelijke plechtigheid en de eer, welke den rang van sir Elliot Bentinck en den vader des aanvoerders van de compagnie des konings toekwamen, ter aarde te doen bestellen.
Den goeden Bunmore was intussclien de tijd van het wachten daar buiten op de straat schier te lang begonnen te worden; reeds wilde hij aan de gesloten deur van het huis aankloppen, toen de lang verwachte verscheen. De wakkere Schot las terstond op Arthur's gelaat, dat zijn kameraad een pijnlijk uur doorleefd had; toen zijn vriend hem echter alles mededeelde, geraakte de anders zoo gelijkmoedige, zelfs het ernstigste licht opvattende jonkman in eene hevige opgewondenheid, en gal' hij aan zijne gevoelens van deelneming voor den overledene en diens zoon, maar te gelijk ook van toorn tegen da Rondales in de onbewimpeldste, krachtigste uitdrukkingen lucht.
En Arthur hoorde dit stilzwijgend aan. Al had de stervende vader hem ook verschooning en gematigdheid aanbevolen, â de wonde was nog te versch en te bloedende; hij kon niet liefderijk denken, noch liefderijk uordeelen over hen, die haar met ruwe hand toegebracht hadden.
Hulpvaardig als altijd, nam Bunmore al de maatregelen, die tot de ontvangst van het lijk van sir Elliot gevorderd werden, terwijl op zijn aandringen Arthur zich in zijn schrijfvertrek afzonderde, om zich van de aandoeningen der laatste uren te herstellen.
Maar den jongen aanvoerder werd geen lange rust vergund. Er was ternauwernood een uur verstreken, toen een zijner officieren, een lid van het bond te Bentinck-House, in zijne kamer trad. Niet zonder dringende noodzakelijkheid placht men de korte rast van den algemeen beminden overste te storen, en ook ditmaal was de aanleiding tot die stoornis van hoogst gewichtigen aard. De officier begon met den zoon van sir Elliot in naam der geheele compagnie de verzekering van hare innige deelneming in zijn smartelijk verlies over te brengen, want de doodstijding had zich spoedig in de stad verspreid. Na zich van dezen plicht der vriendschap gekweten te
23
hebben, kwam hij tot de eigenlijke reden van zijne komst en rapporteerde dat eene patrouille op de heirbaan in de nabijheid der poort een ruiter had aangehouden, die haar verdacht voorkwam. De gevangene had overigens niet de geringste poging gedaan om zijne vrijheid te herkrijgen en allesn verzocht om voor sir Bentinck gevoerd te worden. Zijne gevangenneming kon den Jacobieten in ieder geval van veel nut zijn, als er sprake kwam van uitwisseling van gevangenen, want het was niemand anders dan de hem vroeger â welbekende, thans echter sterk veranderde zoon van lord Herbert Rcmdale. sir Frederik Rondale.
«Frederik Rondale!quot; Als door een electrieken schok getroffen, sprong Arthur op. Ja, hij was een mensch en aan menschelijke zwakte onderworpen. Dat was niet de stille vlam van het bedaarde overleg, welke zijn hart op dit oogenblik in vuur zette â vruchteloos was de vermaning van den stervenden vader geweest â het was de blakende gloed van den verteerendén hartstocht.
«Breng hem hier!quot; beval hij kortaf, en een paar minuten daarna overschreed de gevangene den drempel. Op Arthur's wenk verwijderde zich de wacht.
Voor de eerste maal na lange, lange jaren stonden de oude, vroeger zoo innig verbonden speelmakkers tegenover elkander, zonder getuigen, oog in oog. Maar niet met den schuwen blik van het schuldbesef richtte Frederik zijn oog op Arthurs mannelijk krachtige gestalte, die tegenover zijne eigene, eertijds zoo bloeiend, zoo treurig afstak.
Bleek en ingevallen was het vroeger zoo frissche, volle gelaat, de glans van het oog verdoofd, gebogen en uitgeteerd de nog kortelings zoo elastische gestalte. De arm, dien de krachtige houw van den jongen aanvoerder getroffen had, rustte in een zijden draagband; hij moest echter ook in edeler deelen verwond geworden zijn, want een lichte hoest schokte van tijd tot tijd het zichtbaar verzwakte lichaam.
Wel ontroerde Arthur een oogenblik over de verandering in het voorkomen van den man, dien hij eens als een broeder bemind had.
om thans des te vijandiger tegen hem op te treden; maar hij zag daarin niets dan een rechtvaardige straf, een bewijs, dat ook een hoo-gere Macht zijne zaak voorstond. Voor de eerste maal wellicht in zijn leven had de stem van den hartstocht in zijn binnenste de overhand op die van het overleg en de goedhartigheid; hij overlaadde den roerloos voor hem staande gevangene met bittere verwijten en bedreigingen en noemde hem zoowel als zijn vader een verrader. Zij beiden hadden de overrompeling in de kapel van Bentinck-House uitgelokt en wellicht reeds destijds het plan gevormd, die bezitting van de gunst van het parlement af te bedelen, overweldigers, die een zieken grijsaard hulpeloos uit zijn voorvaderlijk slot verdreven hadden! En zich eindelijk in zijne eigene zaak tot sirFrederik wendende, noemde hij den zoon van den trotschen lord Herbert, die zelf de vlekkelooze reinheid van zijn naam het kostbaarste noemde wat hij bezat, een eerloozen schaker, niet tevergeefs had het noodlot hem in de wrekende hand zijns doodvijands overgeleverd, die hem het welverdiende loon voor zijne snoode handelingen zou doen ondergaan!.....
Wat stremde eensklaps den stroom van den hartstochtelijken woordenvloed te midden van zijn hevigste vaart? Wat verzachtte den fonkelenden blik van den toornige, terwijl zijn oog zich van den gevangene naar het raam richtte? Welke plechtige, gewijde tonen klonken daar in zijn oor, die zulk een scherpe tegenstelling vormden met de uitingen van de blinde woede, waaraan hij den vrijen teugel vierde? Door het licht der zon als door een straalkrans omgeven, naderde een lange stoet door de met menschsn gevulde straten het kwartier van den jongen aanvoerder; allen die hem ontmoetten bleven staan en ontblootten vol eerbied het hoofd. Vooraan gingen kinderen, vrome liederen zingende, dan volgde een eerbiedwaardige, grijze priester door koorknapen omgeven, en achter dezen eene baar, gedragen op de schouders der oudsten van de compagnie des konings,, die eens te gelijk met hunnen jongen aanvoerder de wijding van hun trouw in Bentinck-Hbuse ontvangen hadden. Het zielloos overschot van sir Elliot rustte cnder sneeuwwit laag afhangend linnen,..
met blopraen bestrooid en met kransen bedekt. Soldaten en burgers sloten in waardige, ingetogen houding den plechtigen optocht.
Nog levendiger, dan toen hij aan het doodbed zijns vaders stond, â¢wekte deze aanblik de droefheid van sir Arthur op. En toch had deze droefheid niet meer die scherpte, welke nog even te voren het gemoed van den jongen aanvoerder zoozeer verbitterde; bij het hooren der gewijde liederen en het zien van den treurigen stoet ontwaakte er een weemoedig, teeder gevoel in zijne ziel â en voor het eerst â weder werd het tot dusverre droge oog door eenige opwellende tranen bevochtigd.
»Frederik!quot; - het overkropte hart moest zich lucht geven en â wikte het woord niet â »Frederik!quot; riep hij met luider stem; «dank uwer, dank den Rondales, moest ik Elliot Bentinck, vaH de genade van vreemden afhankelijk, in eens anders woning, op een vreemde legerstede stervende, vinden, en ik had u lielgehad, in u geloofd! Frederik en Herbert Rondale, aanschouwt uw werk âdat is de vrucht, die gij gezaaid hebt: daar brengen zij het lijk mijns vaders!quot;
«Sir Elliot dood!quot; De eerste levendige ontroering teeksnde zich op Frederiks aangezicht, welks bleekheid voor een vluchtig purperrood plaats maakte. »0 mijn God, mijn God,quot; klaagde hij, met beide handen de oogen bedekkende; »in wrok, in bitterheid tegen de Rondales is hij van hier gegaan!quot;
»Neen, Frederik Rondale!quot; â en eene diepe ontroering klonk thans uit zijne woorden â «voor gevoelens van onedelen, aardschen hartstocht was in het hart mijns stervenden vaders geen plaats meer. »Vrede, vergeving!quot; was zijn laatste snik en evenals de aanblik van zijn lijk u aan uwe en uws vaders schuld herinnert, zoo is mijn geliefde vader zelfs in den dood nog een getrouw raadgever voor mij, wiens-vermaningen ik wil opvolgen, daar hij mij op zijn sterfbed aanbeval den hartstocht niet te laten zegevieren over mijn beter gevoel. Ik. was op het punt, zulks te vergeten; ik dank God, dat Hij mij nog intijds heeft tegengehouden. Om den wille van het lijk mijns vaders moogt gij ongehinderd uwen weg vervolgen, Frederik Rondale!quot;
ging hij mei vliegenden adem voort. «Stonden wij, gelijk reeds eenmaal te voren, in het gevecht als verklaarde tegenstanders tegenover elkander, ik zou mij geen seconde bedenken, om mijn zwaard tegen uwe borst te richten: in het aangezicht van het dierbare lijk breng ik een offer, dat mij zwaar genoeg valt; want niet zonder strijd met mij zeiven kan ik het brengen. Ga! ik zal zorg dragen, dat niemand u lastig valle.quot;
Maar Rondale week niet van zijne plaats. Een zenuwachtige rilling schokte zijne leden; het was alsof hij wilde spreken, maar de hem overmeesterende ontroering hield zijne tong geboeid.
»Ga!quot; herhaalde Arthur ernstig. »Door deze deur!quot; voegde hij er op een zijdeur wijzende bij. »Ik verlang niet, dat gij dengene ontmoet, dien zij brengen!
«Arthur!quot; riep Frederik uit, wien de verontwaardiging over dezen laatsten smaad als het ware plotseling het spraakvermogen teruggaf, dat tot dusverre als verlamd geweest was; «Arthur! dat mag ik met het volste recht! Mijn vader en ik zijn beiden onschuldig aan alles, wat gij ons ten laste legt; wij zoowel als gij zijn de slachtoffers van een eerloozen bedrieger!quot;
«Frederik! Doch neen, ik laat mij door uw goochelkunsten niet langer om den tuin leiden! Wat had Rondale in Spanje, wat in het gewijde verblijf te zoeken, waar hij wist dat Ellen een gastvrij onderkomen had gevonden? En maar al te goed was het boevenstuk gelukt.quot;
«Gelukt?quot; onderbrak hem Frederik en hij omklemde daarbij met zijne gezonde hand zoo stevig den arm van den jongen aanvoerder, als wilde hij dien verbrijzelen; «is Ellen ontvoerd? Dan heeft ook hier Maclean, de ellendigste der huichelaars, de hand in het spel! à Arthur, Arthur,quot; dus besloot hij met bitteren weemoed, «hoe geheel anders ware veel gegaan, hadt g'y niet opgehouden aan de Ron-dale's te gelooven, die toch nooit aan u getwijfeld hebben!quot; » En nu, terwijl beneden in het grootste, vertrek van het kleine huis sir Elliot's lijk op een inderhaast opgericht eenvoudig praalbed werd nedergelegd, vertelde Frederik in beknopte woorden wat hem
27
eerst naar Parijs en vandaar naar Spanje gevoerd had. Hij verklaarde den gespannen luisterenden toehoorder hoe het hem onmogelijk geworden was het beloofde bezoek in het klooster, waar Ellen vertoefde, af te leggen, daarna verhaalde hij zijne ontmoeting met Maclean in de verdachte herberg, aan de zijde van verdacht uitziende lieden, door wie hij zich zeiven in het oog gehouden en bedreigd achtte, en hoe zijn argwaan tegen Maclean ten laatste zoodanig steeg, dat hij het voor geraden hield, bijtijds op zijne veiligheid bedacht te zijn. Hierdoor was het nu voor Arthur opgehelderd, hoe hij den vriend zijner jeugd in de gelederen der Spanjaarden, door wie hij als verdacht aangehouden was, kon ontmoeten. Hij vernam, hoe Frederik weinige uren na het gevecht door een langs den weg komenden boer op diens wagen gelegd, naar diens woning gebracht en daar verpleegd werd. De broeder van den boer, een zeeman, die juist bezig was met het maken van toebereidselen om zich aan boord van zijn naar Noorwegen bestemd schip te begeven, had het voorstel gedaan hem tegen goede betaling mede te nemen en aan de kust van zijn vaderland aan wal te zetten â een aanbod, dat Frederik, die omtrent Ellen's lot gerust meende te kunnen zijn, natuurlijk niei van dc hand wees. Ternauwernood van hevige wondkoortsen hersteld, scheepte hij zich in, zonder de volledige genezing zijner wond af te wachten. Maar hij had te veel op zijne krachten vertrouwd. Ziek en gebrokea bereikte hij den vaderlandschen grond en het ouderlijke huis, dat hij in volle mannelijke kracht en gezondheid verlaten had.
En droefheid en jammer verbeidden hem in de hallen zijner vaderen. Het leven van lady Caroline telde nog slechts bij dagen. En de oude lord Herbert? De lange, knagende kommer over het dreigende verlies, de inwendige verbittering tegen Maclean, die achter den rug zijns weldoeners met de regeering in Londen dubbelzinnige betrekkingen aangeknoopt had, en nu nog de smart over de geknakte gezondheid van zijn eenigen zoon en erfgenaam, hadden zoowel de krachten zijns lichaams als die zijns geestes ondermijnd. De trotsche, onbuigzame man was geheel omgekeerd â vooral sinds den dag, dat hij boden naar Bentinck-House gezonden had, om sir
28
Elliot naar eene veilige verblijfplaats te geleiden en deze Arthur's vader niet meer in zijn kasteel aangetroffen hadden â een tijding,
die hij te gelijk ontving met die, dat George Maclean Bentinck-House ter belooning van trouwe diensten van de regeering aangenomen had, en daar hij zich zeiven inde onrechtmatige bezitting toch waarschijnlijk niet veilig achtte, er een zaakwaarnemer in zijne plaats aangesteld had. Reeds lang had hij het verlangen gevoed om dit lljk aHes aan den vriend zijner jeugd mede te deelen en den scheidsmuur weg te ruimen, welken de intriges van Maclean ongetwijfeld tusschen de Rondale's en de Bentinck's hadden opgetrokken, en de tijding van diens jongste wapenfeit had hem in het voornemen versterkt Arthur in het leger zijner getrouwen te gaan opzoeken. Opzettelijk had hij daarom een pad gekozen, op hetwelk hij Jaco-bitische patrouilles ontmoeten moest.
Een zacht kloppen aan de deur stoorde hen in hun onderhoud.
Edwin Bunmore's eerlijk gelaat vertoonde zich op den drempel en naast hem de rimpelige trekken van den ouden Smart.
»Ik kom u halen, kameraad,quot; sprak de vriend op ernstigen toon,
sen u te gelijk een geschrift overhandigen, hetwelk Smart mij, als van uwen vader afkomstig, toevertrouwd heeft. Beneden ligt de edele doode in eene hem waardige omgeving tot wij hem naar zijne laatste rustplaats vergezellen en hem aan den gewijden schoot der aarde toevertrouwen. Nog hedenmiddag moet dit geschieden ;
want voor den soldaat bestaat er geen «morgen.quot; Ontvang hier mit mijne hand de uiterste wilsbeschikkingen, die sir Elliot voor zijn verscheiden aan een zijner getrouwen, die de schrijfkunst verstond, in de pen gaf, en de oude Smart, wien bet stuk toevertrouwd werd, als een heiligdom bewaarde. En thans.,.,''
In zijnen ijver had hij den vreemdeling niet opgemerkt, die bij zijn verschijnini? ter zijde was gaan staan, zoodat hij geheel in de schaduw stond. Op het oogenblik echter, dat hij een paar schreden voorwaarts deed om zijn vriend het verzegeld schrijven te overhandigen, viel zijn oog op den gast. Bij diens aanblik ontroerde hij, twijfelende of die uitgeteèrde figuur werkelijk bij den naam
JptlblCj
had lt;
wis dere
29
paste, waaronder hij vroeger een rijzig, bloeiend jongeling gekend had en vroeg aarzelend : wRondale ? Frederik Rondale?quot;
«Ja, Frederik Rondale,quot; luidde Arthur's antwoord, om elke verdere bemerking van den driftigen vriend Ie voorkomen, »de edele zoon van den edelen lord Herbert Rondale! Runmore, lusschen hem en u, en naast ons den getrouwen Smart, wil ik mij naar hel lijk mijns vaders begeven!quot;
«Luistert! luistert, een paard! Hij komt, ik weet het, ik sclieiil ⢠niet van hier, eer ik hem nog gezien heb.quot; Zoo sprak lady Caroline, uit de lichte sluimering ontwakende, die haar als een visioen omvangen had. Zij rustte in hetzellde vertrek, waarin zij eens in een woesten, stormachtigen nacht aan do zijde van hare jonge vriendin aan den vervolgden Arthur Bentinck een schuilplaats aangeboden had â en heden verbeidde zij denzelfden gast â maar niet om heimelijk zijne tegenwoordigheid te verbergen, maar door haren echtgenoot en haren zoon daarop voorbereid â tot een afscheidsbezoek; want niemand wist beter dan zij zelve, hoe het met haar stond. De dood had op de lijne, doorschijnende trekken reeds zijn stempel gedrukt ! Elke aardsche gewaarwording, elke aardsche zwakte scheen reeds van die vrouw geweken, wier wandel steeds rein en vlekkeloos geweest was : slechts één gevoel was bij haar onverzwakt gebleven, het. sprak uit het vriendelijk glinsterende oog, uit den klank der zwakke, doch heldere stem, uit eiken vezel van haai' tot aan het laatste oogenblik beminnend hart: de liefde! Met onuitsprekelijke teederheid rustte lady Caroline's blik op de rijzige, gebogen mansgestalte aan het hoofdeneinde van haar bed. Bij het licht van de namiddagzon, die door de gordijnen van de half openstaande boog-
31
vensters in het vertrek drong, als wilde zij de zieke den welkomstgroet van de andere wereld brengen, scheen het nog steeds volle, kortelings nog zoo donkere hoofdhaar bijna geheel vergrijsd; maar geen begoocheling waren de talrijke rimpels en plooien, die zich om den mond en in de wangen gegroefd hadden, noch het zwaarmoedig starende oog, dat vroeger zoo helder glinsterde. Zoo was lord Her-bert Rondale veranderd. Voor de tweede maal zat hij aan het sterfbed eener geliefde echtgenoote. Strak voor zich starend, zat hij daar, terwijl de stijf op elkander geklemde lippen zich van tijd lot tijd zenuwachtig bewogen.
De lord was niet alleen met de zieke. Voor een der vensters stond sir Frederik, in het stille landschap uitziende, uit welks naaste omgeving Arthur, nadat hij de Orangistische troepen in wilde vlucht uit Berwick verdreven haJ, zoo ver mogelijk alle wa-pengedruisch verwijderd hield. Bij de woorden zijner stiefmoeder wendde Frederik het uitgeteerde gelaat naar de legerstede om.
»Hij zal komen,quot; sprak hij , «Arthur Bentinck houdt zijn woord, indien het hem mogelijk is. Gisteravond begeleidde hij het zielloos overschot zijns vaders naar diens laatste rustplaats en heden zou hij op mijn dringend verzoek naar llondale komen, om de hoogvereerde vrouw te zien en te begroeten, wier beminde gedachtenis nimmer uit zijn warm hart verdween. Nog zie ik echter, helaas! geen zweem van den verwachten ruiter,quot; ging hij, wederom naar buiten ziende, voort, »en de avond begint te vallen....quot;
quot;Onze vriend nadert!quot; Wist de zieke zelve wel, wat de geheimzinnige zienersblik van het oogenblik haar overluid deed zeggen ?
«Hij komt!quot; bevestigde Frederik met trillende stem. »Een stofwolk dwarrelt omhoog, een ruiter met een bediende vertoont zich aan den zoom van den hollen weg â het is Arthur, hij hield woord. i Veroorlooft mij,quot; ging hij met meer levendigheid voort, dan hij in den laatsten tijd aan den dag gelegd had, »hem in de hal te begroeten en herwaarts te voeren.quot;
«Bied onzen vriend uit ons aller naam een hartelijk welkom op
32
Rondale aan !quot; antwoordde de burgheer; »ontvang hem in de plaats uws vaders!''
Frederlk vatte lord Herberts hand en drukte die zwijgend aan zijne lippen, daarop verliet hij het vertrek om den bezoeker te ontvangen.
Nu overschreed Arthur Bentinck's voet voor de eerste maal na langen tijd weder den drempel dier hallen, waarin hij zoovele gelukkige jaren zijner kindsheid had doorgebracht; met onweerstaanbare macht, overmeesterde de weemoedige herinnering daaraan zijne ziel. In den handdruk, waarmede hij den groet van den ouden vriend beantwoordde, lag de innigheid van zijn gevoel uitgedrukt.
ïgt;Weet lady Caroline van mijne komst?quot; vroeg hij Frederik. »Zal niet het wederzien van mij haar schokken en nadeelig op haren toestand werken?quot;
Frederik glimlachte droevig. ))Zij is als eene heilige,quot;'antwoordde hii; »geene wereldsche aandoening werkt meer op de dierbare; daarbij hebben wij steeds ons uiterste best gedaan alles voor haar verborgen te houden, wat haar zou kunnen bedroeven. Zoo weet zij ook niets van het onzekere lot onzer Ellen, en hoewel haar Maclean's eerlooze handelwijze zoowel als de smaad, dien hij op onzen naam geladen heeft, niet onbekend is, weet zij toch niets van zijn laatste boevenstuk. Laten wij haar in den waan dat Ellen zich nog in hare veilige schuilplaats in Spanje bevindt, tot God ons vergunt haar met zekerheid omtrent Ellen's lot te onderrichten.quot;
Hand in hand begaven de met elkander verzoende vrienden zich nu naar de ziekekamer. Nauwelijks had zich de deur geopend of lord Herbert Rondale kwam cp den gast toe en reikte hem met een hartelijken welkomstgroet de hand. Het was Arthur alsof zijn keel dichtgeknepen werd. Hij was er na de mededeelingen van Frederik op voorbereid geweest den voorheen naar lichaam en geest zoo krachtigen man veranderd weder te zien, maar zulk eene treurige verandering in het voorkomen van den burgheer 'iiad hij zich niet kunnen voorstellen en onwillekeurig drukte zijn gelaat zijne smartelijke verrassing uit.
on OO
Lord Herbert bemerkte wat er in het binnenste van den jonkman omging.
)),Ia, Arthur,quot; sprak hij met gedempte stem, sliet zijn alleen de jaren niet, die aan ons knagen en ons verzwakken â doch wees verzekerd, dat, al is het uiterlijke van Herbert Rondale veranderd, zijn gemoed hetzelfde gebleven is, en op ieder ander tijdstip zou ik den zoon van mijn ouden vriend Elliot Bentinck vrij in de oogen hebben durven zien en hem trouwhartig de hand bieden gelijk lieden. Wees welkom op Rondale!quot;
Arthur wilde antwoorden, maar hij kon geene woorden vinden. Wat zou hij zeggen, om genoegzaam de gewaarwordingen uit te drukken, die zijn hart vervulden en bestormden?
Lord Herbert las in zijn oog en verstond hem. Dij vatte den jeugdigen aanvoerder bij de hand en geleidde hem over het donzige tapijt naar het rustbed van lady Caroline.
»Zij heeft u met de oogen des geestes reeds gezien, vóór onze blik eenig spoor van u in de verte kon ontdekken,quot; sprak hij. sHier, Caroline,quot; ging hij voort, «hier breng ik u onzen Arthur, dien ons huis, ondanks alle verdeeldheid en schandelijke intriges, toch nooit verleerd heeft onder de zijnen te rekenen.quot;
Lady Caroline was overeind gaan zitten; met de uitdrukking van de innigste deelneming rustte het zachte oog op de statige, ernstig mannelijke figuur, die vol eerbied hare sponde naderde en nu op de eene knie er voor nederzinkende, de fijne, blanke hand der zieke aan de lippen bracht.
«Gij komt van een doode tot een stervende, Arthur,quot; dus sprak lady Caroline hem aan. sWcldra zal ik uw edelen vader, indien God mij Zijne genade waardig keurt, in de eeuwige heerlijkheid weder-vinden. Laat mij hem boodschappen, dat ik zijn zoon gevonden heb even goed en trouw na jaren als voor deze.quot;
»0 ! lady Caroline,quot; fluisterde Arthur, door zijne hevige aandoening nauw verstaanbaar sprekende; »gij zult nog niet van hier gaan; de Eeuwige zal u het leven sparen tot geluk van allen, die u vereeren, liefhebben...quot;
De hand der dame Lewoog zich. «Gaarne bleef ik bij de mijnen,quot; zeide zij vriendelijk; »en toch zie ik met blijdschap mijn -verscliei-den te gemoet. Dat ik u gezien heb, Arthur, en nog zegenend mijne hand op uw jeugdig hoofd leggen kan, is eene schoone bloem, die ik door Gods genade nog in mijn levenskrans vlechten kan. Gaarne verdeelde ik mijn zegen tusschen u en een ander geliefd wezen aan uwe zijde; doch ik weet dat onze Ellen in eene veilige wijkplaats vertoeft, tot op het oogenblik, dat het maagdelijke groen der myrte haar als uwe bruid het hoofd zal sieren, en deze stonde zal komen, Arthur, geef den moed niet op!quot;
Het oog der stervende staarde strak voor zich uit en vergrootte zich, als verloor het zich in een ver verschiet. »Door duisternis tot licht, door beproeving tot heil, gij zult allen nog gelukkig zijn, gij allen â ook ik!quot;
«Caroline!quot; dus riep lord Herbert op teeder bezorgden toon de gade uit hare visioenen, die de afnemende krachten van het lichaam snel geheel en al dreigden te rooven, tot het besef van het tegenwoordige terug.
Als uit eene sluimering zacht gewekt, zag de lady om zich heen, zich niets herinnerende van de woorden, die zoo even over hare lippen gekomen waren; een zoete, aanminnige lach verhelderde hare trekken.
»Ik hoop op God, dierbare Caroline,quot; dus nam lord Herbert het woord op, om de fantasieën der zieke eenigermate af te leiden; ïik zal hier beneden nog menigen wensch van u vervullen, u nog menige vreugde bereiden. En telt gij niet als zoodanig het bewustzijn, in dit uur aan uwe legerstede de mannen vereenigd te zien, die zelfs geen staalkundige partijschap meer scheidt?quot;
Eene blijde verrassing toekende zich op Arthur's gelaat. »Hoe, lord Herbert,quot; vroeg hij; «verlaat gij de partij van Willem van Oranje? Wilt gij u voor God en de menschen als aanhanger van ons oud, wettig koningshuis erkennen?quot;
Rondale schudde het hoofd.
«Neen, Arthur,quot; antwoordde hij; «nimmer zou ik mij met het
35
stelsel van Jacobus Stuan kunnen vereenigen; ik zou eên aanhanger zijn zonder overtuiging, zonder ijver. Maar aan eene reoeering, die geweld gebruikt om datgene af te dwingen wat zeker, ofschoon langzaam, op den weg van de verdraagzaamheid en het geduld, met sparing van nationale gevoelens en zeden te verkrijgen ware, die zich niet ontziet eenen Maclean tot ambten te benoemen en te beschenken, aan zulk eene regeering kan een Rondale niet langer gehecht blijven. Ik voel mij oud en afgeleefd,quot; ging hij voort; »ik ben de tweedracht der partijen moede. Ik wil voortaan werkeloos toeschouwer zijn bij de afwisselende zegepralen en nederlagen van eene afkeurenswaardige staatkunde, die twistend met eigon vleesch en bloed, het dierbare vaderland verdeelt en zijnen bodem bloedig kleurt!quot;
Zoodra lord Herbert ophield met spreken, stond sir Frederik met levendigheid van zijn zetel op.
»Zoo neem den zoon, Arthur, vonr uwe zaak aan in plaats van den vader!quot; sprak hij; »hoe kan ik u anders mijne dankbaarheid bewijzen voor hetgeen ik u verschuldigd ben? hoe het oogenblik beloonen, waarop gij in uwe grootmoedigheid den vijand, dien gij in uwe macht hadt, aankondigdet, dat hij in vrijheid, ongehinderd kon heengaan? En niet enkel als Jacobiet, maar ook als katholiek zou ik u broeder on kameraad willen noemen! Helaas!quot; voegde hij er met. een weemoedigen lach bij ; »het is niet, meer dan den naam, dien Frederik Rondale kan aanbieden; want zijne kracht.....quot;
»Heb dank, vriend!quot; onderbrak hem de jonge aanvoerder, nog vóór de spreker geëindigd had. »Nimmer zou ik voor mij, nog minder voor mijn heer en koning, een offer aannemen, gelijk gij aanbiedt. Niet opnieuw worde de naam Rondale in den strijd der partijen gemengd! Het is reeds een aanwinst, dat hij niet langer tot de tegenstanders van het Stuartsche huis behoort; laat het do eenige blijven, reeds zwaar genoeg weegt zijn verlies voor de heeren van het kramers-parlement te Londen.quot;
liet gelaat van lady Caroline, waarop bij de woorden baars stiefzoons zich een zweem van bezorgdheid vertoond had, nam zijn
36
kalme uitdrukking weder aan; Arthurs antwoord onthief haar van eene drukkende zorg; want eene aanvaarding van het offervaardige aanbod had Frederik's gezondheid ongetwijfeld nieuwe schokken bereid. Thans wendde zij zich tot haren gemaal.
»0, Herbert! toen eens de dienaar Gods ons echtverbond inzegende, waren wij één in het geloof; thans zijn wij gescheiden. Maar deze scheiding zal weder ophouden, ik voorzie het in den geest, in dat vaste vertrouwen kan ik van hier gaan. Herbert, geloof mij, zoet is het geloof, waarin uwe godvruchtige moeder n eenmaal uw eerste gebed heeft geleerd: hebt gij in uw nieuw ooit den troost gevonden, waarmede gij in vroeger dagen alle zorg en kommer uwer ziel aan God en Zijne heiligen toevertrouwdet? Gij hebt uw hart van de Koningin des hemels afgewend, omdat de lieveling uws harten niet gered werd; hebt gij beproefd of zij u ook den troost en de rust ontzegd zou hebben, die zij mij schonk, en gij trots alle zoeken tot heden niet vinden kondet? Het is geen valsche troost, die iemand in het laatste oogenblik bedriegen kan: ik hoop blijmoedig, omdat ik blijmoedig geloof!quot;
Lady Caroline had met vuur gesproken, het was, alsof de geestdrift haar nieuwe kracht verleende; sterker kleurden ziek de bleeke wangen, een bijna bovenaardsche glans schitterde in de anders zoo vriendelijke en kalm blikkende oogen.
Lord Rondale had haar met gebogen hoofd, met over elkander geslagen armen, aandachtig aangehoord. Nog eene wijl bleef hij in somber gepeins verloren staan. Thans scheen hij het met zich zeiven eens te zijn; want plotseling richtte hij zich in zijne volle lengte op, trad voor het bed zijner gade en vatte hare blanke,
uitgeteerde hand.
«Caroline,quot; sprak hij, en even plechtig als week klonk zijne stem, die anders zoo koel en scherp was, «hoor mij aan! Zoo zwaar zal de Eeuwige mij niet beproeven en u van mijne zijde oproepen naar igindsch beter vaderland, waarnaar gij haakt en waarheen ons kind ,ons is voorgegaan. Doch als het zijn moet, dan zij geen onvruchtbare rouw, geen blinde gramschap tegen de ondoorgrondelijke
raadsbesluiten der Voorzienigheid, gelijk in die Jajen, het gevolg van het verlies. Dan verlaat ik deze hallen, waarin mij bijkans alles ontnomen werd wat mij dierbaar was. Aan de zeekust, bij de baai van Forth, wil ik mij in ons slot metterwoon gaan vestigen ; daar mag dan in afzondering en stilte, in de aanschouwing der verhevene natuur, rijpen wat deze stond in mijne ziel heeft opgewekt. Zie, geliefde,quot; ging hij voort; «nooit had ik geleerd wat ware godsvrucht is. Mijne moeder verloor ik in mijne prille jeugd; mijn vader was een koele staatsman; hij scherpte mijn verstand en staalde mijn arm, de ziel liet hij echter onbebouwd. Zoolang was mijn geloof niets anders voor mij dan een loutere vorm, tot ik mij met al de vertwijfeling eener laatste hoop er aan vastklemde. Mijne hoop werd niet vervuld â wellicht niet onverdiend. Ik raakte in opstand tegen God en werd afvallig! Niet lichtvaardig, als uit wispelturigheid en zucht naar verandering, zou ik ten tweeden male den ernstigsten, gewichtigstea stap van dit leven doen. Tweemaal heb ik tot dusverre voor den vorm een godsdienst beleden, ten derde male wil ik gelooven en vermag ik dit niet, dan......Caroline,quot; dus eindigde hij, en een glimp van den vroegeren Rondale schemerde in toon en gelaatsuitdrukking, »ik heb nooit tegenover de menschen gehuicheld, voor God kan ik het niet, zelfs niet om uwentwille, Caroline.quot;
Lady Caroline antwoordde niet; maar met de laatste inspanning des geestes, die het zwakke lichaam te hulp kwam, richtte de zieke zich overeind; zij breidde de armen wijd uit en trok den echtgenoot aan haar hart en hield hem liefdevol omstrengeld; het licht der ondergaande zon bestraalde het paar. Met diepe aandoening staarden de jongelieden, die zich eenige passen verwijderd hadden, op dat roerende tooneel.
Na eene kleine poos naderde Frederik zijne ouders.
»De zon gaat onder,quot; sprak hij met gedempte stem, als vreesde hij den indruk van dat onvergetelijk oogenblik te verstoren; «voor den avond moet Arthur weder in Berwick terug zijn.quot;
Lord Herbert liet zijne gade zacht uit zijne armen glijden ea
wendde zich tot den gast, die eerbiedig de legei stede van lady Caroline naderde, om afscheid te nemen. «Neem onze beste wen-schen met u, mijn jonge vriend!quot; sprak hij hartelijk ; «moge de ouderneming, waaraan gij uwe krachten gewijd hebt, u gelukken ! Om uwentwille hoop ik het van ganscher harte; maar ik moet u rondborstig bekennen, Arthur, ik geloof niet aan het gelukken. Alleen wanneer Frankrijk thans werkelijke ondersteuning verleent, is de zaak van koning Jacobus niet hopeloos,quot; vervolgde hij; »want de opstand, dien getrouwe lersche en Schotsche aanhangers des konings thans weder op touw gezet hebben, is slechts een stroovuur, dat bij de eerste ernstige poging van het Parlement te Londen uit-dooven moet. Hoogstens kan een guerilla-oorlog eenigen tijd met gunstig gevolg gevoerd worden, maar ook nog verderfelijker uitwerkselen voor ons arm, geteisterd vaderland hebben dan een beslissende strijd. Frankrijk echter zal geene troepen zenden,quot; besloot hij met blijkbaar volle overtuiging; «want reeds zijn de pijlers gebouwd van de vredebrug, die den eenen oever van het kanaal met den anderen verbinden zal.quot;
Treurig boog Arthur liet hoofd.
«Wat gij zoo beslissend zegt, lord Herbert,quot; antwoordde hij, «vervult ook mijne ziel met bange bezorgdheid voor de toekomst, en deze drukt mij des te zwaarder, daar ik ze voor andere oogen en ooren verbergen moet, opdat de moed niet verlatnme en het blijde vertrouwen niet geschokt worde. Wij echter,quot; voegde hij er met glinsterende oogen bij, «wij leden van de compagnie des konings zullen onzen plicht tot op het laatste oogenblik vervullen. Ongetwijfeld door dezelfde ongunstige meening omtrent den uitslag der zaak vau koning Jacobus gedreven, heeft mijn zalige vader neg kort voor zijn dood eene aanwijzing geschreven, om den getrouwen van koning Jacobus een laatste toevluchtsoord te verzekeren; het geschrift werd mij door zijn getrouwsten dienaar overhandigd. In dezelfde baai te Forth, die gij zoo even genoemd hebt, lord Herbert, ligt een b.jna vergeten eiland verscholen, Bass geheeten, hetwelk vroeger aan ons huis toebehoorde, doch waarop tegenwoordig met zijn met
39
mos begroeide rotsen en zijn vervallen kasteel, niemand eenige aanspraak laat gelden; want er groeit niets op den steenachtigen Lodem, nauwelijks levert het een karig voedsel voor een paar geiten op. Daarheen verwijst ons sir Elliot, wanneer alle uitzicht verdwenen is, daar zullen de dappere strijders van Jacobus Stuart hunne eigene eer en die des konings tot het uiterste verdedigen, en mocht het hun niet vergund zijn beiden waardig het eiland te verlaten, dau zij het 't graf en te gelijk het gedenkteeken van de getrouwe compagnie des konings! En nu,quot; dus eindigde hij met diepe aandoening, «aanvaard nu, lady Caroline, mijn afscheidsgroet! Sinds jaren heb ik niet meer geweten wat het heet van eene moedor te scheiden, heden voel ik het in zijne volle uitgestrektheid opnieuw.quot;
Op een wenk der stervende boog hij zich over hare legerstede, en zij drukte een moederlijken kus op zijn hoog, gebruind voorhoofd.
sBreng Ellen dezen kus over,quot; zeide zij met zachte, gebroken â stem ; «het is de laatste groet van de stervende moeder, haar laatste zegen, die u en haar geluk zal aanbrengen
Arthur stond op, een traan parelde in zijne trouwe oogen en rolde langzaam langs zijn wang af. Nog een blik wierp hij van den drempel van het vertrek op de hoogvereerde vrouw; hij wist, dat hij nimmermeer op aarde dat gelaat zou aanschouwen, dat door het roode schijnsel der ondergaande zon als met een gouden gloriekrans omgeven werd. Nu ging de deur zonder gerucht achter hem dicht, diep haalde hij adem; de ruwe hand van het noodlot stiet hem meedoogenloos in den maalstroom des levens terug en wederom moest hij met geweld de stem zijns harten smoren, die hem aandreef daar nog eene wijl te vertoeven; want de plicht liet zijne rechten gelden.
Lord Herbert en zijn zoon deden den gast uitgeleide tot aan de groote hal. Aangedaan stapten de mannen naast elkander voort; zij kwamen van eene stervende, wie kon weten of zij zelve elkander hier op aarde zouden wederzien?
Eindelijk nam Arthur het woord op.
»Yoor Ellen gaf mij de geliefde zieke den zogenkus,quot; sprak hij
40
quot;weemoedig; zgt;zal God mij ook het geluk schenken haar den laatsten groet der moederlijke vriendin over te biengen ? Oneindig liever zag ik het geliefde meisje in de hand eens geldgierigen roovert, dan in de macht van den lafhartigen huichelaar Maclean, wien wij in de allereerste plaats al de rampen en teleurstellingen danken, die ons getroffen hebben.quot;
j)Het was eene slang, die het huis Rondale aan zijn boezem opkweekte,quot; antwoordde lord Herbert, «maar niet ongestraft zal zijn giftand de edelste der bloemen vernietigd hebben. Sinds lang bestaat er eene spanning tusschen ons,quot; ging hij voort; »hij is zou ver gegaan, dat hij zich niet schaamde, zelfs diegenen verdacht te maken, van wier genadebrood hij opgroeide. En al zou ik zelfs naar Londen moeten gaan, waar hij in den schoot van het geluk zijne schande verbergt, hij zal mij rekenschap geven en des gevorderd ook ondervinden, dat het ongeluk lord Herbert Rondile's kracht wel buigen kan, doch dat zij nog altijd sterk genoeg is om een schurk naar verdiensten te tuchtigen.quot;
De heftige rede van den burgheer werd onderbroken door de nadering van een kleinen in het zwart gekleeden man, die omstreeks vijftig jaar kon tellen en de kleuren van het huis Rondale droeg. Eerbiedig naderde hij met een schrijven in de hand zijn meester ; maar toen hij Arthur gewaar werd, schitterde er blijkbare vreugde in de verweerde trekken.
Ook het oog van den jongen aanvoerder blonk van eene blijde verrassing. »Als ik mij niet vergis,quot; sprak hij, «dan is dit master Pilly, de herbergier, die mij eens voor een smadelijke gevangenneming behoedde door mij de gelegenheid te geven van te ontvluchten. Ik heb u niet vergeten, edele man,quot; vervolgde hij, terwijl hij den voormaligen herbergier de hand reikte, die Pilly vol eerbied even met de toppen zijner vingers aanraakte.
sHij behoedde destijds de eer zijns landheers, zoowel als zijne eigene,quot; merkte lord Herbert aan; »de Orangisten hebben er hem duur voor laten boeten, dat hij den gouden vogel uit het net had bevrijd. Een paar nachten daarna hebben zij ziin huis boven zijn
41
hoofd in brand gestoken; «een waar heldenfeit,quot; voegde hij er spottend bij. ïSinds dien tijd is het slot Rondale wederom Edward Piliy's tehuis geworden en waar het een opdracht geldt, die omzichtigheid en vertrouwen eischt, behoef ik naar den daarvoor geschik-ten man niet meer om te zien. Wat brengt gij, Edward?quot; vroeg hij, op het met een groot zegel gesloten schrijven in Pilly's hand Wijzende.
«Zoo even heeft zich een bode uit Frankrijk aan de slotpoort aangemeld,quot; berichtte Pilly; seen Deensch vaartuig heeft hem op de kust aan land gezet; hij heeft een schrijven uit Parijs voor onze lady overgebracht.quot;
»Geef!quot; Lord Herbert's hand beefde terwijl hij het zegel verbrak. Ook de jongelieden wachtten in ademlooze spanning op eene mededeeling van den inhoud van het blad, hetwelk lord Herbert haastig met het oog doorliep. Een brief uit Frankrijk aan lady Kondale; een voorgevoel zeide hun welk dierbaar onderwerp er in behandeld werd.
Nog zwegen lord Herbert's lippen, maar zijn stralend oog verried wat hoopvol de borst der jongelieden deed zwellen. En nu riep de slotheer met eene van blijdschap trillende stem uit: »De noodzakelijkheid om de dierbare zieke alle aandoening te besparen, dwong mij in hare plaats dit zegel te verbreken ; zij zal wel nooit vernemen, welke tijding dit papier inhield. Gelukkig echter dat die tijding nog juist intijds kwam om er u mede bekend te kunnen maken en u met nieuwen moed te bezielen. God zij geloofd! onze Ellen is gered! Slechts een korte spanne tijds was zij in de macht dei-laaghartige roovers, die, door Maclean's goud verlokt, haar uit het vreedzame klooster ontvoerden. ïhans vertoeft zij onder de hoede van mevrouw de Maintenon weibehouden in het damesgesticht van Saint-Cyr; dit bladquot; â hij reikte Arthur, zoo sprekende, een met sierlijk schrift bedekt fijn vel papier toe â «van hare eigene hand bevestigt de blijde mare, die hare hooge beschermster door een, eigen bode aan mijne echtgenoote doet toekomen.quot;
In beknopte bewoordingen deelde hij daarop aan de jongelieden:
mede wat er met Ellen sinds hare ontvoering uit don kloostertuin gebeurd was. Geruimen tijd hadden de brave landlieden, bij wie het uitgeputte meisje een gastvrij onderkomen had gevonden, haar in het geheim, zorgvuldig' aan eiken bespiedenden blik onttrokken, gehuisvest; zelfs de abdis ontving' eerst bericht van haar verblijf, zoodra dit zonder eenig gevaar voor Ellen geschieden kon. Van lieverlede verdwenen de troepen uit die streek, en onder het geleide van haar gastheer, vergezeld door een paar goedgewapende, bevriende mannen, kon Ellen het eindelijk wagen Spanje te verlaten. Gelijk de abdis haar door een vertrouwden boodschapper lietmede-deelen, bood de markiezin de Maintenon haar in het gesticht van Saint-Cyr een gastvrij verblijf onder hare onmiddellijke bescherming aan en Ellen nam dit aanbod met blijdschap aan, in de stellige overtuiging, dat zij na den dood van de goede mevrouw de quot;Versail-lac nergens beter geborgen zijn kon dan hier. De nalatenschap der oude vriendin lag nog onaangeroerd, de zoo rijk bedeelde wilde die niet zonder verlof van haren verlooide aanvaarden of verwerpen; daarbij had de ridder Armand, door schuldeischer s geplaagd, onder handhaving zijner aanspraken, de vlucht genomen, om zich ingeval van eene ongunstige uitspraak voor de gijzeling te beveiligen, die hem van vele zijden bedreigde. Op Ellen's verlangen, die er tevens eenige woorden eigenhandig aan toegevoegd had, schreef de markifjiin aan de vereerde lady. Het schrijven sloot met de betuigiiig van de oprechtste, hartelijkste deelneming en achting. Een gelijkluidend schrijven bad de markiezin aan Arthurs zaakwaarnemer te Parijs gezonden.
Het was intusschen voor Arthur hoog tijd geworden om te vertrekken: hij wisselde met de beide Rondale's nog een laatsten krachtigen handdruk, sprong op zijn paard en sloeg den weg naar Berwick in.
Zoolang hij slechts kon, wendde hij het hootd om naar die plek op het terras, vanwaar vader en zoon, arm in arm geleund, hem in het schemerdonker naoogden. Nog eenmaal wendde hij bet hoold om en wuifde tot ifscheid met den zakdoek; daar kwam eensklaps
van a helder deze s verscl tuig, gesto' ge ma hem
43
van achter eenige wolken, die langs het nitspansel dreven, een heldere ster boven hunne hoofden te voorschijn: Arthur kende deze ster! Het was dezelfde, die hem meer dan eens bemoedigend verschenen was sinus liij voor de eerste maal op het brooze vaartuig, dat hem naar Frankrijk zou overvoeren, den oceaan was overgestoken; op zijne nachtelijke tochten had hij er zich mede vertrouwd gemaakt als met een dierbaar, vertroostend vriend â het was voor hem de ster van de Compagnie des konings!
elc :m ifd ps
oor de indelijl De tucl geestdr nieuwe overtui
hulp
leger s liet zv geraaV slecht:
XX. llcPr0
de co Sle
Maar al te spoedig zouden de sombere voorspellingen bewaarheid
11 Benti
worden dergenen, wier blik, dieper in het raderwerk der staatkunde ^ doordringende, de oogenblikkelijke zegepraal der aanhangers van
i 1011
Jacobus Stuart van zeer weinig beteekenis achtten en de zaak des j ^ onttroonden konings als onherstelbaar verloren verklaarden; de hulp
j Jaco
van Frankrijk bleef in het beslissende oogenblik uit, en het Engel-
1 A vu
sche parlement had tijd in overvloed om een leger op de been ^ te brengen en naar het brandpunt van den opstand te zenden.
de ( do | gier out voc degt;
vo br ko ei Ja
Nooit ware de gelegenheid gunstiger geweest voor de Jacobitische partij om volledig de zege te behalen en den koning op den troon te herstellen dan in die dagen, toen Engeland, gebrek hebbende aan soldaten en ten gevolge der oneeniglieid van het rijks-parlement weifelenden onzeker in het handelen, niet bij machte was de zich steeds sterker uitbreidende beweging te beteugelen: de sneeuwbal groeide tot eene lawine aan. Door de gemakkelijke zegepraal aangemoedigd, drong Arthur Bentinck aan de spits eener begeesterde schaar, met het volste vertrouwen de dagelijks te verwachten landing der Fransche troepen te gemoet ziende, de koningsbanier der Stuarts hoog omhoog, steeds dieper in het hart van Schotland door. blaarde lawine bestond juist geheel uit sneeuw â en evenalsde vlokken
45
oor de eerste stralen der zon versmolt het Jacobilische leger, toen
indelijk eene sterke Engelsche troepenmaolit in het veld verscheen.
De tucht van geregelde troepen zegevierde licht over scharen, die de
geestdrift van het oogenblik vereenigd had en wier ijver bij elke
nieuwe nederlaag verflauwde en wel des te sterker, naarmate de
overtuiging veld won, dat, er van de veelbesproken daadwerkelijke
hulp van Frankrijk niets te verwachten was. Het Jacobitische
uger stoof uiteen evenals na den slag bij Cromdale: wat niet ondor
het zwaard des vijands viel of in de handen der Engelsche troepen
geraakte, vlood in do ontoegankelijke bergen van het hoogland en
slechts de kern der strijders bleef over, en vereend in de ure der
beproeving; een gouden kern, in waarheid in het vuur gelouterd:
de compagnie des konings.
Slechts achttien, ongerekend den aanvoerder, waren nog over van
'heid 1 'ndrukwekkende, veelbelovende schaar, die eens in de kapel van
inde 1 ^en';'nc'i''^ousc ec|l 'vai1 trouw gezworen hadden. Zij hadden den
: eed niet hernieuwd; maar nog heden waren ze even zoo vast beslo-Vein |
(jeg 1 ten dien gestand te doen als toenmaals, in die plechtige stonde, in lulp ' 'iet aanschijn llunner kameraden. Steeds verder was de schaar der
I,
'een
len.
che
den
rek
ks-
i'as
de
?e-
)e-en er r.
â¢n
. ' Jacobieten naar de kust teruggetrokken; â dit had in het plan van
m \ ⢠⢠t- U * â T . iL . r, L ,3 « 1 - .. t -1 M « .â â ï ^ ^ ___ '____quot; ' _I ___ *
I Arthur gelegen. Toen het dezen, dank zijne scherpzinnigheid en zijne konnis van de plaatselijke gesteldheid gelukt was, de hen vervolgende Orangistische troepen op een valsch spoor te leidon, had hij van do gelegenheid gebruik gemaakt om de weinigen, die deels uit eergierigheid, deels uit noodzakelijkheid nog zijne banier volgden, te ontslaan. Want thans, nu de onwankelbare trouw aan den koning voor de laatste maal en meer dan ooit op de proef gesteld zou worden, kon hij enkel op geestdriftvolle strijders vertrouwen.
Aan de spits der zijnen had Arthur, de aanwijzing zijns vaders volgende, de baai bij Forth bereikt. Met heldhaftige offervaardigheid brachten de mannen van een katholiek dorpje op hunne booten de koene schaar naar dat eenzaam te midden van het water uitstekend eiland over, hetwelk sir Elliot den zoon als laatste adelaarsnest der Jacobitische zaak had aangeduid. Een groot deel van het kleine
4«
eiland werd ingenomen door etui vervallen slot, dat eertijds welaan een krijgszuchtig gezind edelman moest toebehoord hebben, want niet alleen waren muren en torens met schietgaten voorzien, maar ook met twee kleine kanonnen bewapend, die echter zoo sterk door den tand des tijds ingevreten waren, dat hunne metaalvvaardc niet eens de hebzucht opgewekt had dergenen, die in den loop der laatste jaren den voet op het eiland gezet hadden. Daarbij viel het bezwaarlijk genoeg, het. te bereiken, en de inspanning, die hel de kleine schaar gekost, had, om tegen de rotsen op te klauteren, maakten de sage zeer geloofwaardig, dat de booten, die in de dagen, dat het slot nog in zijnen vollen luister prijkte, er gasten heenvoerden, door middel van een sterke kraan in do hoogte geheschen werden. Er stond ten minste een dergelijk werktuig nog in zeer bniikbaren staat, vlak aan den rand van den rotswal. Grootere vaartuigen veroorloofde overigens de eigenaardigheid van het. vaarwater niet om dicht te naderen en slechts op aamncrkelijken afstand trol men geschiklen ankergrond aan.
Was dit reeds een groot voordeel voor de dapperen, die het verlaten slot op het eiland tot laatste bolwerk voor hunne vaan gekozen hadden, dit werd nog vergroot door de omstandigheid, dat de smalle, schrale weide achter het slot door een loodrechten afgrond gezoomd werd (1).
Goede belooning en ijver voor de goede zaak hadden de brave dorpelingen bewogen, de Jacohieten, die als door een tooverslag spoorloos uit de oogen dei' vervolgers verdwenen waren, voor don eersten tijd genoegzaam van levensmiddelen en munitie te voorzien, zoodat sir Arthur en zijne dapperen zich voor de naaste toekomst van leeftocht verzekerd zagen. Spoedig genoeg echter verbreidde zich de mare van het laatste toevluchtsoord van de compagnie deskonings, van welks rotstoppen, te midden van het door Willem van Oranje overweldigd land, van verre reeds uit zee zichtbaar, de koninklijke banier der Stuarts als eene uitdaging in den wind wapperde. Lachend
(1) Do beschrijving ran het, eiland zoowel als de daarop plaats gehad heb-benrle gebenrteuissen berusten op daadzaken.
47
zonden de machthebbers een afdeeling troepen uit om hot rotsnest te zuiveren en lachend verscheen de troep in het gezicht van het eiland. Maar spot en hoon verstomden al zeer spoedig; want er bestond geene mogelijkheid om de bezetting te bereiken; zell's een tegen iiass uitgezonden flotilje moest onverrichter zake terugkeeren. lie machthebbers te Londen waren uiterst verbitterd; want de algemeene (ipmerkzaamheid van vriend en vijand richtte zich van lieverlede op het verlaten kleine rotseiland, op hetwelk een handvol vastberaden mannen Engelands parlement en soldaten trotseerden, en er lieten zich niet weinig invloedrijke stemmen hooren, die openlijk aanrieden der onversaagde schaar eene eervolle capitulatie aan te bieden.
quot;Voorloopig echter dacht men er in Londen nog niet aan in zulk een openbare bekentenis van eigene onmacht te bewilligen; er werd eene soort van blokkade om het eiland gelegd, elk verkeer met de oproerlingen ten strengste verboden en om bij de kustbevolking de werking der onder trommelslag bekend gemaakte bedreigingen te versterken werd er op een vooruitspringende landtong in het gezicht van het eiland, voor het oog der zich op het slot verschansten duidelijk zichtbaar, een galg op eene hooge stellage opgericht, waaraan binnen vier en twintig uien zonder aanzien van stand en geslacht, een ieder slingeren zou, die het zou durven wagen de rebellen op Bass van levensmiddelen ol' krijgsbehoeften te voorzien en zoo doende in hun verzet te versterken. Maar het gevolg, dat men van deze vreesaanjaging gehoopt had, bleef uit; de dagen verstreken; eiken ochtend naderde een parlementair met witte vlag het eiland, onderwerping op genade of ongenade eischende, en eiken ochtend keerde hij, hoffelijk doch beslist door de dapperen boven aan den rotswand afgewezen, tot de zijnen terug (1).........
Middelerwijl was Maclean na het volbrengen zijner zending en den mislukten aanslag tegen Ellen naar Londen teruggekeerd en had daar in de voorname wijk eene woning betrokken en beliaaglijky
(1) Geschiedkundig,
48
hoewel met overdreven pronk, ingericht. Er konden omstreeks vier weken sinds de blokkade van het rotsnneiland verloopen zijn, als wij den politieken agent aan zijn schrijftafel zien zitten. Juist keek hij van zijn arbeid naar den dienaar op, die het met een donzig tapijt belegde vertrek binnengetreden was. De plompe, ineengedrongen gestalte paste echter zeer slecht bij de prachtige omgeving, ondanks den rijk met goud geborduurden rok en de hooge hakschoenen. En dat was zeer natuurlijk; want tot dusverre was hij gewoon geweest een geheel anderen grond te betreden, daar het niemand anders was dan de soldenier Leadon, die den Bngelschen dienst tegen den Spaanschen verwisseld, dezen echter wederom verlaten had en in vertrouwen op straffeloosheid naar Engeland teruggekeerd was. Onder de bescherming van Maclean, die overeenkomstig zijne beloite den roodbaard als dienaar aan zijn persoon verbonden had, achtte hij zich volkomen veilig; want do invloed van zijn lieer steeg voori-durend in zekere regeeringskringen, die het in de keuze hunner middelen niet al te nauw schenen te nemen.
quot;Veel behaaglijker dan do voormalige ruwe partijganger scheen George Maclean zich in eene omgeving te gevoelen, waaraan hij wel is waar van zijne jeugd af door bet verblijf in Rondale gewoon was, maar met den knagenden worm in de eerzuchtige borst â dien hij steeds onder zijn huichelachtig masker wist te verbergen â dat hij slechts geduld werd. Thans gevoelde hij zich als meester en hoe meer zijn koene streven naar welvaart en geluk met een gunstigen uitslag bekroond werd, des te onverzadiglijker en onbevredigbaarder werden zijne verlangens. Hij had voor een paar dager de mede-deeling ontvangen, dat hij binnenkort vanwege de regeering als commissaris met eene gewichtige zending belast zou worden en met spanning zag hij die te gemoet.
Voor hem was geen middel te eerloos, geen werktuig te verachtelijk, dat hem in zijne ondernemingen van dienst kon zijn en hij deinsde voor geen moeielijkheid terug, indien hare overwinning slechts geen persoonlijken moed vorderde; want Maclean was lafhartig, gelijk alle zielen, die gaarne in het duister hun pad banen
49
en daarom werd zijn geluk vergald door de steeds wederkeerende gedachte, dat vroeg of laat het uur zou slaan, waarop Arthur Bentinck, of wanneer de koene jonge aanvoerder, gelijk hij vurig hoopte, den dood des krijgsnians gestorven ware, een der R.ondale's rekenschap van hem zou vorderen wegens de eerlooze daad der ontvoering van Ellen, die echter door de geestkracht van het meisje en den bijstand Gods mislukt was. Zijn oogmerk om den ridder Armand de Versaillac als ontwerper van den schandelijken aanslag te noemen, had de onhandige Leadon al dadelijk verijdeld door miss Brady al te duidelijk de persoonlijkheid van zijn lastgever te verraden. Al behoefde Maclean zich ook niet als aanstoker der
Idaad te erkennen, kon hij toch niet loochenen er kennis van gedragen te hebben.daad te erkennen, kon hij toch niet loochenen er kennis van gedragen te hebben.
Haastig nam hij uit Leadon's hand een verzegeld schrijven aan en doorliep snel den nogal omvangrijken inhoud. Het was een winstgevende opdracht, die het blad in zijne blanke, knokkelige vingers hem aankondigde; maar nochtans nam hij die met vrees en tegenzin aan. Het liefste had hij een post gewenscht, die hem uit Engeland en daardoogt;- waarschijnlijk buiten het bereik der Rondale's en nog zekerder buiUm dat van Arthur Bentinck bracht. Wat echter op dit vel papier geschreven stond, scheen hem regelrecht in bet hol van den leeuw te voeren.
Nu wendde hij zich tot den roodbaard, die inmiddels in hot vertrek wat te doen gezocht had. Hij begunstigde den voormaligen partijganger met een vertrouwen en eene vriendelijkheid, die hun oorsprong vonden in de overtuiging in de ure des gevaars twee sterke armen te zijner bescherming gereed te vinden, en Leadon beantwoordde de gunst zijns gebieders met eene soort van persoonlijke genegenheid, gelijk het ruwe geweld dikwerf toedraagt aan den zwakkere, die zich onder zijne hoede stelt.
»Gii zult een vurigen wensch vervuld zien, Leadon,quot; dus nam Maclean thans het woord op, »en het bediendenkleed met den wapenrok des konings verwisselen. Ik vraag voor u een patent als
4
50
aanvoerder van den gewapenden troep, die mij in hoedanigheid van commissaris Zijner Majesteit den koning naar Schotland moet vergezellen. Daar zal ik die geheimzinnige inadit, welke den snoe-venden oproerlingen op Bass zulk een krachtigen onderstand ver- 1 leent, voorgoed onschadelijk maken. Dit schrijven geeft mij de 1 uitgebreidste volmacht, desgevorderd kan ik zelfs met de schurken in hun uilennest onderhandelingen aanknoopen. Do regeering stelt het grootste betrouwen in mij en houdt zich overtuigd, dat mijn scherpe blik zeer spoedig de geheime leveranciers en verzorgers | der bezetting zal uitvinden en ik ten slotte de vermetelen dooi uithongering tot de overgave zal dwingen, vóór de openbare mee- \ ning haar eene capitulatie afdwingt, die hare waardigheid krenken en hare zwakheid aan het licht brengen moet. Gaarne neem ik de opdracht echter niet aan,quot; voegde hij er bij; «doch daar ik ze niet van de hand durf wijzen, moet ik zien, hoe ik er het meeste voordeel uit kan trekken. Maak al het noodige gereed, Leadon,quot; eindigde hij, terwijl hij zijn gewillig werktuig met een vertrouwelijk gebaar wegzond; «nog vóór den avond moeten wij Londen achter den rug hebben !quot;
In het blijde vooruitzicht weder in dien stand te zullen treden, waaraan hij sedert zijne vroegste jeugd met hart en ziel hing, terwijl de livrei hem een slavenkleed toescheen, verwijderde Leadon zich ijlings, zijn heer in diep gepeins achterlatende.
Maclean achtte het niet al te moeilijk, de hem gestelde opdracht tot een goed einde te brengen; want het gold voor alles een spoor te vervolgen, waarop hij zelf de regeering in een schijnbaar onschuldige gissing geleid had â eene gissing, waaraan hij ook wej zijne benoeming tot den nieuwen post te danken had. Gelukte het hem zijn vermoeden tot zekerheid te brengen, dan zou deze uitkomst tevens het middel zijn, om niet alleen zijn lastgevers schitterend te bevredigen, maar ook zijne eigene bekommering voor de toekofnst te verdrijven en hem tot onvermengd geluk te brengen.
Hij bleef niet lang ongestoord; want nauwelijks een kwartier later verscheen Leadon opnieuw in het kabinet zijns gebieders met.
51
de Loodschap, dat een cavalier hem in eene dringende aangelegen-lieid wenschte te spreken.
Maclean ondeVhield te veel spionnen en agenten dan dat hij iemand zou afgewezen hebben, die hem verlangde te spreken. Hij gelastte dus den aangemelde binnen '.e doen treden, maar zag niet weinig verbaasd op, toen hij in den armelijk gekleeden, uitgeleerden bezoeker den riddsr Armand de Versaillae, den neef dier weldadige, waardige dame herkende, die nog intijds do onwaardigheid doorzien bad van den man, die reeds vast op do reusachtige nalatenschap van do misleide gerekend had.
De gluiperige liartelijkheid, waarmede do arme, laaggeboren George Maclean zich eens aan den schitterenden habitué der Parijsche salons gehecht had, had voor eene ijzige koelte plaats gemaakt. Thans waren do rollen verwisseld en hij, die vroeger slechts geduld â werd, ontving thans als invloedrijk door het geluk begunstigd persoon den verarmden edelman met hooghartige stroefheid.
«Aha! do ridder de Versaillae!quot; zeide hij achteloos, nadat hij den binnentredende, die blijkbaar eene andere ontvangst verwacht had, lang van het hoofd tot do voeten gemonsterd had; »ik had u nauwelijks weder herkend. De fortuin schijnt u niet meegeloopen te zijn.quot;
sDat zie ik aan do bejegening, die ik van den man ondervind, die door mij in do voornaamste kringen der Parijsche aristocratie ingevoerd werd,quot; antwoordde de ridder geraakt. »Maclean,quot; ging hij plotseling van toon veranderende voort, en pijnlijke angst klonk uit iedere lettergreep, sMaclcan, gij zijt mijne laatste hoop; geeft gij-mij geen huisvesting, dan moet ik verhongeren! Mijn laatste géld heb ik er aan gewaagd, om naar Engeland over te steken, waar ik voor de vervolgingen mijner vijanden veilig was en Londen te be-' reiken, waar ik wist, dat gij woondet, die mij zijne hulp niet wei-geren zoudt.quot;
De Schot haalde do schouders op.
sik vrees, ridder, dat gij in uwe hoop to veel op mij boü\vt,quot;t antwoordde hij ijskoud; »gij hudt boter sredaan u tot uwe Fransche
52
vrienden te wenden, waarmede gij door oudere banden verbon-'den zijt.quot;
«Vrienden!quot; herhaalde Versaillac. «Het is waar, de erfgenaam van mevrouw de Versaillac had pluimstrijkers e n tafelschuimers; den onterfde wil niemand kennen. Zelfs Marboeuf liet mij door bediendenhand een aalmoes toewerpen. Maclean, als gij mij ook in den steek laat, blijft mij niets over dan de pistool,quot; eindigde hij pa- ; 1 thetisch.
»Bah! â voor deze soort van dood ziet gij er te rampzalig van â binnen en van buiten uit,quot; meende Maclean verachtelijk. â Docli halt!quot; onderbrak hij zich, plotseling een anderen toon aanslaande; [»daar krijg ik een inval. Nog heden verlaat ik als regeeringscom- ⢠imissaris Londen â wilt gij mij vergezellen?quot;
«Zeker, zeker!quot; antwoordde Versaillac haastig; waarheen gij wilt. Ik ben tot eiken dienst bereid, dien gij mij waardig keurt!quot;
«Hoor mij aan, ridder!quot; â Behaaglijk leunde Maclean in zijn 'leunstoel achterover. â »Het is mogelijk, dat ik u als tusschenper-soon naar een man zendt, die alle reden heeft u niet zeer genegen te zijn, â om het ronduit te zeggen, naar Arthur Bentinck....quot;
gt; «Maclean !quot;
De edelman verschoot van kleur.
«Komt het zoover, dan moet gij den rouwmoedigen, door het ongeluk tot inkeer gekomen zondaar spelen,quot; ging de Schot voort. «Gij zult bekennen, dat gij de aanlegger van het schandaal in de speel-salon van Ghigi geweest zijt, en gij mij door beloften bewogen hebt in uw belang de ontvoering van Ellen te bewerken; gelijk gij echter later vernomen hebt, heb ik mijne hand slechts schijnbaar tot dezen aanslag geleend, om het bedreigde meisje des te zekerder aan uwe vervolging te kunnen onttrekken.quot;
quot; «En dat zou ik sir Arthur Bentinck belijden?quot; kermde de ridder in de grootste ontsteltenis. «Hij zal mij vernietigen!quot;
' «Daartoe zijt gij hem veel te erbarmelijk; te meer nog omdat !Lllen zich nog tijdig genoeg heeft weten te redden,quot; antwoordde
53
Maclean. »Gij hebt nu te kiezen, Versaillac, met mij uit Londen, of, zonder mij in Londen!quot;
Den beangstigde bleef geene keuze.
»Met u, Maclean!quot; riep hij beslist; swant ik wil leven ! Klampte ik mij niet aan dit ellendige beetje leven vast â ik ging liever in den dood, dan mij in de nabijheid van sir Arthur Bentinek te wagen.quot;
XXI.
»Nog niets, Edward?quot;
Deze vraag richtte lord Herbert Rondale van uit zijn leuningstoel aan Edward Pilly, zijn kamerdienaar, die na het overlijden van lady Caroline, daags na het bezoek van Arthur op Rondale, den gebieder en diens zoon naar het reeds genoemde eenzame kasteel aan de kust gevolgd was.
Buekham-Castle â zoo heette het slot â verrees te midden eener doodsche landstreek en was door spaarzaam bevolkte gehuchten omgeven; thans was het zoo goed mogelijk, voor de eerste maal sinds onheuglijken tijd, voor zijne bezitters bewoonbaar gemaakt geworden. Hier, waar enkel de branding van de naburige zee en het geschrei der meeuw de stilte verstoorden, wilden vader en zoon de eerste smart over de ontslapen gade en moeder overwinnen ; hier wilde lord Herbert den zaadkorrel laten rijpen, dien de stervende echtgenoote in zijn hart gelegd had. Urenlang zat hij lezende en het gelezens overwegende in zijnen zetel, want de boekerij van het kasteel, hoewel zij door den tand des tijds en de verwaarloozing veel geleden had, bevatte menig godgeleerd werk, hetwelk hem tot navorschen aanprikkelde, en wekelijks sloeg de katholieke geestelijke van het naaste kustdorp den weinig betreden weg naar het kasteel in om met den eenzamen bewoner het gelezene en overpeinsde te bespreken.
55
Ook Frederik nam een levendig aandeel in deze studiën, maar noch hij, noch zijn vader vergaten daarom en om de vlijmende smart v?n hun verlies de buitenwereld. Met de vurigste belangstelling volgden beiden de gebeurtenissen, die binnen de grenzen van hun vaderland elkander opvolgden. Toen zich de mare van het weder-opduiken van de ingesmolten compagnie des konings en hun jeugdigen aanvoerder op het tot dusverre ternauwernood in hun eigen land bekende eiland Bass verbreidde, waren geen van beiden daarover verrast, daar Arthur zelf aan de legerstede van lady Caroline van dit laatste toevluchtsoord gesproken had. Zij -wisten ook van de gestrenge maatregelen, die van de zijde der Engelsche regeering genomen waren, om het verkeer tusschen de strandbewoners en de dappere bezetting van het kasteel op het eiland te verhinderen. Doze hadden achter tot dusverre nog steeds hunne uitwerking 'gemist; want zelfs de verschijning van Maclean als koninklijk commissaris had trots alle moeite niet. het gewenschte gevolg gehad en dag op dag keerde de met de opeisching belaste parlementair onverrichter zake uit het vaarwater van het eiland terug. Ondanks de grootste waakzaamheid en list bleef de galg op de vooruitspringende landtong-ledig, terwijl de rotskamers van het vervallen kasteel zich met munitie en levensmiddelen schenen te vullen, en het volksbijgeloof begon in dit laatste reeds iets bovennatuurlijks te zien.
sZiet gij nog niets van Frederik, Edward herhaalde de burgheer zijne vraag.
Pilly had voor hel boogvenster van don hoektoren gestaan en met onafgewenden blik in liet vlakke, benevelde landschap uitgezien. Bij helder weder kon men uit deze kamer ver in zee uitzien, tot â¢welker rotsachtigen oever de grond van Buckham-Castle zich uitstrekte; heden echter was alles in een grauwen, ondoordringbaren nevel gehuld en alleen het ruischen en klotsen der baren, die schuimend tegen den rotsoever braken, verkondigden de nabijhi'id van het machtige element.
Master Pilly schudde het hoofd.
i)Niets,quot; zeide hij, en zijne stem verried zijne inwendige onrust.
5G
«Reeds uren geleden had hij hier moeten zijn, evenals altijd^ indien alles vlot afgeloopen was. Had hij mij ten minste maar meegenomen ⢠in plaats van James,quot; ging hij voort, »of mij alleen in dezen nevel den tocht hebben laten ondernemen! Ik-ben niet eerder gerust voor ik onzen sir Frederik weder heelhuids en onverlet op onzen grond en bodem voor mij heb.'
Lord Herbert stond van zijnen zetel op en ging met onregelmatige schreden het ouderwetsche, gewelfde vertrek met de donkere lederen behangsels, waarop de portretten zijner voorvaderen in zwaï te, gebeeldhouwde lijsten somber afstaken, op en neder.
Er ontstond eene langdurige pauze, waarin noch dienaar noch meester een woord wisselden.
Plotseling bleef lord Herbert staan en luisterde naar een gedruisch dat zich beneden in de hal liet hooren.
«Men komt,quot; sprak hij haastig. «Hij is wellicht van de voorzijde binnengekomen; vlug een paar blokken op het vuur, de arme jongen zal door en door koud zijn!quot;
En Je burgheer bukte en wierp met eigen hand eenige der zware houtblokken, die naast den reusachtigen schoorsteen opgestapeld lagen, op de vlam. Daarop ging hij haastig naar de portiére en sloeg deze terug om een blik in de voorzaal te werpen, welker deur juist openging. Maar niet Frederik trad binnen, doch een vreemde cavalier, wien een bediende op den voet volgde.
«Vergeef mij, milord!quot; zeide de laatste, zoodra hij zijn meester zich zag vertoonen; «ik wilde dezen gentleman eerst aanmelden, die u over eene dringende aangelegenheid verlangt te spreken.....quot;
«En gemakshalve zijne aanmelding in eigen persoon verricht,quot; vulde de vreemdeling aan. «Ik hoop, dat lord Herbert Rondale het voormalige pleegkind van zijn huis niet van den drempel zal wijzen.quot;
Met deze woorden wierp de vreemdeling zijn mantel af en stond in een soort van militaire kleeding, die hij, waarschijnlijk volgens eigen vinding, voor zijne nieuwe half krijgshaftige waardigheid had doen vervaardigen, tegenover den lord. Ofschoon echter de uniform
57
bij de schrale gestalte even slecht paste als het zwaard aan de zijde, meende de bezoeker niettemin daarmede een geweldigen indruk op den ouden heer te maken. Maar zijne ijdelheid had hem bedrogen: wat zich in de trekken van lord Herbert spiegelde, was het onbewuste gevoel, dat er iets ernstigs gebeurd was, en de onwillekeurige afkeer tegen den huichelaar.
«Maclean!quot; De klank van den uitroep gaf getuigenis van deze stemming.
De commissaris glimlachte medelijdend in het volle bewustzijn-zijner waardigheid.
«Het schijnt dat ik weinig veranderd ben,quot; sprak hij grijnzend; »des te meer bedroeft het mij, dat er met lord Herbert Rondale zulk eene groote verandering heeft plaats gegrepen. Ik zou u niet weder herkend hebben, mylord; maar er bestaan dan ook wet redenen voor.quot;
De lord maakte een afwerende beweging.
»Gij wenscht mij te spreken, sir?quot; vroeg hij koel. «Treed nader!quot;
Het voorhangsel vaneen scheidende, liet hij den bezoeker voorgaan in zijn schrijfvertrek, waaruit Pilly zich terstond verwijderde, niet zonder een blik van de grootste verbittering en te gelijk van de diepste verachting op Maclean te werpen, dien hij sinds diens jeugd gekend en steeds gewantrouwd had.
Lord Herbert was blijven staan en daardoor van de verplichting ontheven, den onverwachten bezoeker beleefdheidshalve een stoel aan te bieden. Met de hand op de massieve schrijftafel leunende, wachtte hij op hetgeen Maclean hem Ie zeggen had, die, zichtbaar geérgerd over de weinig bemoedigende ontvangst, op korten afstand van den ouden lieer in achtelooze houding op den rug van een stoel steunde.
«Ik kom, mylord,quot; dus nam bij eindelijk het woord op, «in eene dubbele hoedanigheid: als particulier persoon, in onwankelbare gehechtheid aan mijn ouden weldoener, die zonder twijfel ook gegronde redenen tot erkentelijkheid heeft, en te gelijk in de ambtsbetrekking,-
58
die ik door de gunst van Zijne Majesteit en het Parlement sis commissaris der kroon van Groot-Bretanje bekleed.quot;
Lord Herbert boog stijf, terwijl hij met geweld zijne inwendige ontroering bedwong.
»Ik ken uw ambt, sir, zoowel als het doel daarvan,quot; antwoordde hij ijskoud. «Deel mij slechts in deze hoedanigheid de zaak mede, die u lot mij voert.quot;
Maclean klemde de smalle lippen opeen.
»Het zal geschieden, mylord. Het is u niet onbekend, dat het vertrouwen der regeering mij uitgekozen heeft, om de geheime medeplichtigen en leveranciers der rebellenschaar op het eiland Bass op het spoor te komen. Gij weet, mylord,quot; voegde hij er, op elke lettergreep drukkende, bij, «welke straf de schuldigen treft, en dat het tol de bezworen plichten van mijn ambt behoort, die zonder aanzien van persoon te voltrekken.quot;
Lord Herbert drukte de hand op hel onstuimig kloppend hart.
«Dus zal, naar het schijnt, de boom der vreesaanjaging weldra de gehoopte vrucht dragen,quot; zeide hij bedaard. «Inderdaad, in het spionneeren werd George Maclean van oudsher bijzonder door het geluk begunstigd.quot;
«En zelden beter dan ditmaal,quot; antwoordde Maclean giftig, «voor zoover hot 'l loon van mijn streven, zelden slechter voor zoover het de gevoelens mijns harten betreft. Reeds lang was ik tot de overtuiging gekomen,quot; ging hij dan voort, «dal bij de strenge waakzaamheid eene approviandeering der muiters in hun rotsennest van de zijde der strandbewoners eene onmogelijkheid was; het leed bij mij geen twijfel of dit moest slechts langs de kust plaats hebben onder de leiding van beproefde personen, die met de eigenaardigheid van hel vaarwater bekend waren, onder begunstiging van de nevelachtige dagen, die juist in dezen tijd van het jaar zulke lichtschuwe ondernemingen in de hand werken,quot;
Hij hield op en zag lord Herbert loerend aan; maar geen spier â vertrok in het gelaal van den ouden heer.
«Na verschillende vruchtelooze pogingen,quot; ging hij voort, »is mij
59
hedenochtend vroeg de vangst gelukt. In eene kreek verborgen, dooi* denzelfden nevel begunstigd als de handlangers der rebellen, overvielen wij een boot met twee roeiers bemand en door een krachti-gon man bestuurd; hare lading bestond uit eene goede hoeveelheid levensmiddelen en munitie. Dat esn en ander voor de bezetting van Bass bestemd was, kan niet betwijfeld worden, ook al had de eigenaar van het vaartuigje zich niet zeil' als de verzorger der opstandelingen bekend gemaakt en verklaard, dat hij alleen de verantwoordelijkheid droeg; want stuurman en roeiers, wien hij allen verzet verbood, waren niets' dan door hem bezoldigde dienaren, die de bevelen van hun meester opvolgden. Deze meester echter, lord Herbert, dien ik naar wet en voorschrift terstond gevangennemen moest, deze meester, wiens door de wet vastgestelde straf mijn plicht mij gebiedt te doen voltrekken....quot;
vis mijn zoon, sir Frederik Rondale,quot; voleindigde lord Herbert, Blïij moest op zulk een uitkomst voorbereid zijn zoo goed als ik.quot;
«Dus waart ook gij aan de zaak niet vreemd, lord Herbert Rondale?quot; vroeg Maclean. «Sinds wanneer telt de naam Rondale onder die der tegenstanders van koning Willem van Oranje?quot;
«Sinds George Maclean tot diens lievelingen behoort, naar hel schijnt,quot; antwoordde lord Rondale. »Hoor mij aan, sir,quot; ging hij levendiger voort, terwijl hij zijn voormaligen pleegzoon eenige schreden naderde, «gedane zaken nemen geen keer. Frederik Rondale zal met waardigheid weten te dragen, wat hij zich met vrijen wil op den hals gehaald heeft. Gij zult ongetwijfeld over de gedane vangst naar Londen bericht zenden, sir: ook ik reis nog heden naar de residentie van Zijne Majesteit den koning, om onverwijld bij hem om eene audiëntie te verzoeken.'
))Gij dwaalt, mylord,quot; antwoordde Maclean koel; «wanneer ik naar Londen te schrijven heb, dan geschiedt dit niet om nadere voorschriften omtrent den gevangene te vragen, maar om zijne terecht-stelling fe melden. Gij zult mij moeten toegeven, mylord,quot; liet hij er op volgen, »dat wil eene bedreiging des konings geen ijdel schrikbeeld, geen kinderachtige bangmakerij blijven, zij ten uitvoer gelegd
60
moet worden; de boom der vrcesaanjaging, waarvan gij zelf gesproken hebt, mylord, eischt zijne vrucht, al was het ook een der edelste telgen van Schotlands adel!quot;
«Maclean!quot; â zou het mogelijk zijn! â zou het mogelijk zijn?
â gij zoudt er aan denken â een Rondale?--Gij, George
Maclean, juist gij? â âquot; Door zijn gevoel overmeesterd had de vertwijfelende vader met beide handen Macleans schouder gevat.
Het gelukskind maakte zich vrij met eene beweging als schudde hij een venijnig dier af.
»Ik ben op dit oogenblik slechts degene, dien gij mij zelf gezegd hebt alleen in mij te willen zien, lord Herbert Rondale,quot; antwoordde hij met ijzige koelheid, »do commissaris van Z. M. den koning van Groot-Bretanjc!quot;
Er ontstond eene pauze. Beide mannen stonden zwijgend eene wijl tegenover elkander.
«George Maclean!quot; ving dè edelman eindelijk met gesmoorde stem aan, sik heb u leeren kennen; niet zonder bedoeling zijt gij tot Herbert Rondale gekomen vóór het ontzettende, waarmede «rij mijn vaderhart dreigt, voltrokken is. Met u zijn er geen omwegen noodig, ook is daartoe noch tijd noch plaats â bepaal uw prijs!quot;
Met een schamperen lach trad Maclean terug.
»Ziet gij nu, lord Herbert, dat ook als particulier persoon George Maclean geen lastige indringer in uw kabinet is?quot; vroeg hij; «want stond ik op dit oogenblik alleen in mijn ambt en waardigheid hier voor u, en zegevierde niet mijn gevoelig hart over de onverbiddelijkheid van den plicht, â dan daagde ik lord Herbert voor de balie van het parlement, als schuldig aan poging tot omkocping van een gevolmachtigde der Engelsche kroon.quot;
Zoo sprekende trok hij een der hoogruggign zetels naar zich toe en liet er zich in eene gemakkelijke, achtelooze houding in ne-dervallen.
«Zoodra wij ons van de boot en de ma/ischappen verzekerd hadden,quot; dus nam hij weder het woord op, «bracht ik de gevangenen naar het naaste visschersdorp; de knechts hield ik onder toezicht ;
61
al ontsnapten zij ook, er was niet veel aan lien gelegen. Sir 1 reder ik daarentegen liet ik in een stevige torenkamer opsluiten en vertrouwde hem toe aan de bewaking van mijn Leaden, een ijzersterke kerel, die mij met zijn hoofd voor hem instaat. Bruckhill heet het dorpje, slechts weinige mijlen van hier en zeer dicht nabij de gerechtsplaats, waar nog vóór de zon morgen in het zenith staat, een afschrikwekkend voorbeeld voor alle overtreders der wetten zal gesteld worden.quot;
«Ik herhaal het, sir, noem mij den prijs, voor welken gij, in het bezit van onbeperkte volmacht, op u neemt uwen lastgevers het gewicht van den naam Rondale als grond voor de vertraging der strafoefening op te geven; gij zult dan met het volste recht van mijne dankbaarheid verzekerd zijn,quot; viel lord Herbert den spreker in de rede.
Maclean wierp een loerenden blik op den ouden heer.
«Dezen prijs heb ik uw zoon reeds genoemd, mylord,quot; antwoordde hij, »en sir Frederik heeft dien verworpen. Waarschijnlijk zult gij als vader verstandiger zijn en de nietige boodschap niet weigeren, tegen welker aanvaarding ik uw verlangen zou inwilligen.quot;
«Een boodschap, sir,quot; hernam lord Herbert met waardigheid, »die naar ik vertrouw niet met de eer van den overbrenger in strijd is.quot;
Maclean haalde de schouders op.
«Eer en altijd eer!quot; merkte hij schamper aan. «Terwijl het leven er mede gemoeid is, spartelen zij nog om hot behoud van een zinledig' woord, evenals een kapel aan een speld! Kort en bondig dus! Ik heb reden om van den aanvoerder der oproerlingen niet alleen volledige onderwerping op genade en ongenade te eischen, maar ook de plechtige gelolte, dat hij persoonlijk geen wraak op mij zal nemer over hetgeen de plicht van mijn ambt van mij eischt, noch over hetgeen vroeger tusschen ons voorgevallen mag zijn. Gevrijwaard voor zijne wraak wil ik rustig en in vrede van het geschenk genieten, waarmede de gunst der kroon mij vereert, de bezittingen van Bentinck-House. Het was mijn plan, een anderen bode, den ridder de Ver-saillac, een verloopen Franschman, als onderhandelaar naar Eass te zenden; maar ik vleide mij met eene betere uitwerking indien iu
G-2
plaats van den laffen verkwister, sir Frcderilt Flondale, onder zeltem bedekking, die elk verraad onmogelijk maakte, zich als parlementair naar Bass begaf, om dan in Imn eigen belang werkzaam te zijn bij die heethoofden daar ginds, die het gewicht der dankbaarheid op de schaal hunner trots te leggen hebben.quot;
»En sir Frederik, mijn zoon?quot; vroeg Rondale, en helderder straalde het matte oog: het was als richtte en hief zich do gebogen gestalte in jeugdige elasticiteit tot hare lengte van vroegere dagen op.
»Sir Frederik wees mijn voorstel vlakweg van de hand,'^antwoordde Maclean, wiens aangezicht zich bij de herinnering van die weigering krampachtig vertrok; »hij waagde het nog mij te beschimpen, mij,
die zijn lot in handen heb! Die waanzinnige!.... die worm!____
Mij, zijn meester, dio slechts een wenk behoeft te geven om don weekhartigen, deugdzamen snoever den strop om den hals te doen slaan!quot;
«Heil en eer zij hem voor zijn besluit! Zóó, en niet anders, moest lord Herbert's zoon, de laatste telg der Rondale's spreken!quot; Het oog van den ouden hoer vlamde van geestdrift en steeds hooger richtte zich zijne gestalte op, steeds krachtiger werd zijne stem, terwijl hij voortging: »En gij, George Maclean, gij durfdet nog denken, dat Uondalo vader lafhartig en eerloos genoeg zijn kon ietsje bewilligen wat Rondale zoon u weigerde? Gij rekendet op het weeke vaderlijke hart, om uwe schurkachtige oogmerken te bereiken, het troetelkind van de kroon te worden en te gelijker tijd uw huid voorden maar al te gegronden toorn van sir Arthur te beveiligen? En daartoe zou een Rondale zich leenen, een Rondale het op zich nemen, den zwaarsten tweestrijd misschien, die ooit in eens 'smenschen borst gestreden werd, in de ziel van den jongen aanvoerder te doen ontstaan, den [tweestrijd tusschen den eed van trouw en do erkentelijkheid. Schande over u, Maclean,quot; dus eindigde hij. »Ik heb u steeds behandeld als een eigen zoon des huizes; met ondank hebt gij ons vergolden.,,, het zij zoo! Vijandschap, hebzucht en boosheid en zoovele andere menschelijke zwakheden kan lord Herbert op zijnen grond en bodem desnoods dulden zonder aan de plichten
C3
der wellevemlheid te koit te doen, maar tegenover de eerloosheid bezigt hij slechts één wapen: «voort, van hier!quot;
En met opgeheven hand wees hij naar den uitgang der kamer.
Maclean was opgestaan, hij beefde over zijn gansche lichaam, zijn gelaat was aschvervig. ^
«Wilt gij den ouden Romein spelen, oude man?quot; stamelde hij eindelijk nauw verstaanbaar. «Ik geloof dat de handeling der co-medie toch te ernstig is, en inden tegen woordigen tijd zou zelfs de oude Brutus een dwaas hoeten. Bedenk u, Rondale,quot; ging hij op
onheilspellenden toon voort, «bedenk u, eer ik in toorn van u ga!......
Zou dat uw laatste woord geweest zijn?quot;
«Mijn laatste, George Maclean!quot; antwoordde lord Herbert. «Doe, wat gij wilt â en verantwoorden kunt voor God en de menschen! Ik heb niets meer gemeen met uwe staatkunde of met u zeiven!quot;
«Toch wel, lord Herbert!quot; â de grijze oogen van Maclean bliksemden letterlijk in de zegepraal der boosheid â «het geloof! Uw loffelijk voorbeeld, als dat van den man, dien ik als een toonbeeld van alle deugden vereerd heb, was voor mij een schitterende spoorslag â ook ik heb het katholieke geloof verworpen en ben een ti'ouwe zoon der Staatskerk geworden, gelijk gij zelf.quot;
Een schrille kreet ontsnapte aan de borst des ouden edelmans; hij sloeg zijne blikken op naar het boven zijne schrijftafel hangende portret zijner gade, als zocht hij in hare zachtzinnige trekken kracht cn troost.
«Caroline,quot; riep liij uit, «wel u, dat gij deze stonde niet meer behoeft te beleven, waarop een eerlooze renegaat zich geloofsgenoot van uw echtgenoot durft noemen!quot;
«Renegaat?quot; Maclean scheen alle zelfbeheersching verloren te hebben, de vuist als tot slaan opgeheven, sprong hij op lord Herbert toe. «Renegaat?quot; siste hij; «wat zijt gij anders? Leer hem kennen!quot;
Maar eer de gebalde vuist het hoofd van den bedreigde kon bereiken, drong zich eene krachtige gestalte tusschen lord Herbert en zijnen aanvaller, een gespierde arm slingerde dezen met zooveel
04
geweld ter zijde, dat hij struikelde en op den grond viel, â een jan ! jammerkreet klonk door het vertrek â bloedig verfde zich het tapijt :i 011S..., het hoofd van Maclean was tegen een der uitspringende scherpe ' En kanten van den haard geslagen en uit een gapende wonde aan het |\et achterhoofd golfde een bloedstroom. Een vloek nog â daarna sloten hreid-de dunne lippen zich krampachtig, en bewusteloos lag de ellendeling, ] eoa . die nog even te voren met snoevenden trots zich heer en meester i ^ot j over het leven of dood van een edelman genoemd had, op den grond Oran uitgestrekt. ji-e ^
Nog te rechter tijd was het den trouwen Pilly gelukt den slag van | acmi het hoofd des geliefden meesters af te weren en op den aanvaller manv te doen nederkomen. Als had hij een voorgevoel gehad van wat er ; nasta gebeuren zou, had de anders zoo nauwgezette man, in de stellige )u t i overtuiging, dat Maclean's komst slechts onheil brengen kon, het He kabinet zijns gebieders wel verlaten, maar was hij in de voorzaal Hert gebleven, welker zwaar voorhangsel hem aan de blikken der in het jmjg aangrenzend vertrek met elkander sprekende personen onttrok. Met si i moeite had hij zich tot dusverre ingehouden; toen echter Maclean d-' aan zijne woede den vrijen teugel wilde geven, was hij met bliksem- g,-w snelheid toegesprongen en had den vermetele, die het edele hoofd kim des grijsaards bedreigde, ter aarde geslingerd. Nu stonden heer en de dienaar sprakeloos voor de bloedige gestalte aan hunne voeten. een
Lord Herbert boog zich en legde de hand onderzoekend op het do hart van den schijnbaar levenlooze. der
»Hel klopt,quot;' zeide hij, »al is het dan ook zwak. Met Gods hulp is de wonde, hoe vreeselijk zij in het oog van een leek schijne, niet doodelijk. Draag zorg, Edward,quot; beval hij, zich oprichtende, »dat de ongelukkige terstond te bed gelegd en verpleegd words. De oude Jonathan moet dadelijk naar zijne wonde zien, tot er betere hulp te bekomen is. Wij echter hebben, na aan dezen plicht der mensche-lijkheid voldaan te hebben, een nog dringender te vervullen. Het geldt het leven mijns zoons, Pilly. In het naburige visschersdorp Bruckhill houdt men Frederik gevangen â laat terstond twee paarden zadelen, Edward, getrouwe! niemand anders zal mij vergezellen
I
har
lief
ma
in
koi
vei
eu
en
te
i:
6b
een dan gij â wij begeven ons onmiddellijk op weg!.... God zij met ons..... en zij!'
lerpe En zijne hand wees omhoog naar lady Caroline's vriendelijk gelaat, i het Reeds begon de avondschemering zich over zee en land uit te loten lt; lo eiden, toen lord Herbert, door zijn getrouwen Pilly vergezeld, na 5''nogt; j eun scherpen rit het armoedige vissohersdorp bereikte, waarin naar ester j zeggen van Maclean zijn eenige zoon onder de bewaking van rond Orangistische soldaten in den toren opgesloten was. Dat zijn voorma-
Ilige pleegzoon hem niet misleid had, bewees de onmiskenbare deelneming, waarmede de weinige schuchter voor hunne hutten staande aner | mannen en vrouwen den ouden, in den omtrek welbekenden heer lige pleegzoon hem niet misleid had, bewees de onmiskenbare deelneming, waarmede de weinige schuchter voor hunne hutten staande aner | mannen en vrouwen den ouden, in den omtrek welbekenden heer lt er | nastaarden, toen hij op het houten huis toereed, dat men hem als Mge | hot kwartier van don commissaris aangeduid had.
Het was een oud, hoogst bouwvallig huis, voor hetwelk lord Herbert afstapte, dat bezwaarlijk nog de trotsche benaming van huis verdiende. Hier had nog kort geleden een katholiek priester slU en tevreden te midden zijner parochianen gewoond, maar do regeering had hem uit zijne haardstede verdreven, omdat hij gv weigerd had don predikstoel tot een lijdzaam werktuig barer staatkunde te ontheiligen. In het voorbijrijden was de lord ook langs de niet minder bouwvallige kapel gekomen, boven welker dak zich een smalle, oude toren verhief, en het was hem als had hij achter de staven van een tralieraampje een bleek, bekend aangezicht onderscheiden.
In het eenvoudig gewitte benedenvertrek, waar zoo menig bedrukt hart troost en verlichting had gevonden, waar zoo menig woord van liefde en erbarming had geklonken, vond de binnentredende edelman den woesten, roodbaardigen gezel Leadon, in achtelooze houding in den leuningstoel van den verjaagden priester uitgestrekt. Uit een kort pijpje blies hij zware rookwolken in de hoogte, die het kleine vertrek met een verstikkenden walm vervulden; in plaats van bijbel en brevier zag men op de tafel eene groote tinnen kan en een beker
S
en naar de roodheid zijner wangen en het dubbelslaan van zijn tong te oordeelen, moest de plaatsvervanger van den commissaris deze
5
â¢zaal het Met lean sem-oofd r en
het
iulp niet t de ude p te :he-Het orp lar-Uea
68
reeds mee.r dan genoeg aangesproken hebben. Zonder het der moeite waard te achten, om van zijn stoel op te staan, vroeg hij den lord o]) barschen toon naar zijn begeeren.
De oude heer bedwong zijne verontwaardiging en vertelde zoo bedaard mogelijk, hoe sir George Maclean bij hem gekomen was om hem in persoon met de gevangenneming van sir Frederik in kennis te stellen. Gelijk hij aan Maclean verklaard had, wilde hij terstond naar Londen vertrekken, en hij koesterde de vaste overtuiging, dat zoolang Z. M. de koning zijn wil niet te kennen gegeven had, geen . ondergeschikte hand zich aan den persoon van een edelman van sir 1 Frederik's rang zou vergrijpen.
Lieadon had den ouden heer bedaard laten uitspreken, en dien tijd gebruikt om zijn beker opnieuw te vullen.
Een dikke rookwolk voor zich uitblazende, vroeg hij kortaf:
»Hoe komt het, dat, als sir George bij u was en met uw voorslag genoegen nam, hij niet met u medegekomen is? Hij had toch bij het wegrijden beloofd, nog voor het invallen van de duisternis li terug te zullen zijn.quot;
»Een ernstig ongeval beeft hem zulks belet,quot; antwoordde lord Herbert. «In zijne opgewondenheid gleed zijn voet uit en in zijn val is hij met het achterhoofd tegen een der haardijzers terecht- ' gekomen en heeft daarbij eene zware wonde gekregen, waarschijnlijk echter niet zoo gevaarlijk als men bij het zien daarvan wel vreezen zou. Hij wordt, zorgvuldig verpleegd, daarvan kunt gij verzekerd zijn, en als de lieve God hém in het leven spaart, zal bij blijde zijn, te vernemen, dat de man nog in het leven is, die enkel het slachtoffer zijner vriendschap is. Gij hebt thans dubbel reden tot opschorsing, sir,quot; ging hij voort; »op u rust eene zware verantwoording, zonder hoogeren last kunt gij in uwe positie niets beslissen. Beschouw dit als eene vingerwijzing des Hemels! Ik verlang niets onrechtmatigs van u,quot; dus eindigde hij op ovarredenden toon; »dat gij eenen vader in een moeielijk oogenblik met geoorloofde middelen bijstaat en doet wat eigenlijk slechts plicht en billijkheid van u vorderen, dat zal u door den vader gedankt, door
07
lord Herbert Rondale beloond -worden, van Tvlen nog niemand on, voldaan gescheiden is.quot;
Een zware vloek van den roodbaard onderbrak de woorden van don ouden heer. Met gebalde vuist sloeg Leadon op de wormstekige tafel, zoodat kan en beker rammeiend togen elkander botsten.
»Daar moest het dus heen!quot; riep hij uit. »Mooi uitgedacht, oude kerel! Maar Leadon is slim genoeg om te merken, waar de schoen wringt. Dat, mijn meester, sir George, zich naar lord Herbert Ron-ilale begeven wilde, heeft hij mij evenmin medegedeeld als zijn plan om uw zoon voor den welverdienden strop te bewaren. Wie weet, of gij sir George niet binnengeroepen hebt, en hem, toon hij zich niet naar uw verlangen wilde schikken, hebt willen, ombrengen!quot;
»Sir!quot; â do edelman verbleekte â shoe durft gij het wagen mij van zoo iets te verdenken ?quot;
liet gevoel ook eens voor heer en meester te kunnen spelen, verhoogde de onbeschoftheid van den halfbeschonkene; daarbij kwam, dat hij voor Maclean eene zekere gehechtheid voedde en duchtte dal hem een ernstig ongeval overkomen was, misschien veel grooter dan lord Herbert Rondale wel wilde bekennen. «Niet zulk een hoogen toon, oude!quot; antwoordde hij op lord Herbert's verontwaardigden uitroep; «Leadon laat zich niet door een grooten mond over-bluffen. Hoor mij aan, de vertegenwoordiger van sir George Maclean, den commissaris van Zijne Majesteit den koning â in dit oogenblik ben ik, James Leadon !quot;
Hij was van zijn zetel opgestaan en leunde op de tafel als had hij een steunpunt noodig.
«Ik zend onverwijld naar uw roovershol om lijding omtrent sir George in te winnen; zij mag luiden hoe zij wil, ingeval mijn chef niet. terugkeert en een ander bevel geeft, volbrengt James Leadon zijn plicht en bengelt uw zoon morgenochtend, zoodra het licht genoeg isr dat de bandieten de lustige komedie van Bass zien kunnen, aan de galg. En laat mij nu verder met rust!quot;
Een plompe beweging met de hand moest den edelman beduiden, dat hij vertrekken zou. Maar hoe diep ook de eigenwaarde van lord
68
Herbert door de ruwheid van den roodbaard gekrenkt mocht zijn, ihielJ hij zich toch in; ja, hij verkreeg het zelfs, in den angst van ihet vaderlijke hart, over zich, hem eene aanzienlijke som gelds aan [te bieden ten einde een uitstel te verkrijgen.
Doch Leadon liet zich niet verlokken.
«Driemaal heb ik van vaandei verwisseld!quot; riep hij lachend; «aan [écn ten minste wil ik getrouw blijven; want het brengt mij goed loon op! â Spaar uw geld, oude man!quot; ging hij overmoedig voort; Mvanueer James Leadon, als vertegenwoordiger van den commissaris Zijner Majesteit, onzen koning van twee tegenstanders op eens bevrijd en ook den moordenaar van zijn trouwen dienaar in de handen der gerechtigheid overlevert, brengt mij dat meer op. Gij zijt mijn gevangene!quot; En dit zeggende legde hij zijne plompe hand op lord Herbert's schouder. »Ik laat u en den ouden grijskop, die bij u is, goed bewaken. Overigens heb ik met dezen ook nog een oude re-ikening ie vereffenen; hij liet den vogel, dien wij thans in een dichter 'net hebben, reeds eenmaal ontsnappen. Morgen vroeg kunt gij de terechtstelling bijwonen en dan zend ik u naar Londen. â Versail-lac!quot; riep hij op bevelenden toon in de aangrenzende kamer.
))Doe met mij, wat gij verkiest en gij verantwoorden kunt,quot; zeide Hord Herbert mot waardigheid, ))Ik heb geen woord meer met u te jWisselen, behalve een, een wensch, dien de strengste gerechtigheid [zelfs den misdadiger niet weigert; laat mij bij mijn zoon!quot;
«Neen!quot; brulde de voormalige soldenier, dun edelman den rug 'ïtoekeerende. «Yersaillac!quot; schreeuwde hij nogmaals; »voor den (Ãuivel! waar blijft die lafaard?quot;
Eindelijk vertoonde zich de armoedige gestalte van den eertijds too schitterenden cavalier, die tot de toongevers van de aanzienlijkste kringen behoord had. »Wat verlangt gij, master Leadon?quot; vroeg hii onderdanig, de van Maclean gewone behandeling ock van diens gunsteling duldende, om slechts zijn ellendig bestaan te. kunnen ivoortsleepen.
»De oude visscher Jim is gisteren begraven,quot; dus sprak Leadon hem op den toon van een gebieder aan; «zijnehut staat ledig: daar
69
sluit gij dezen man en den grijskop, die hem vergezeld heeft, op tj Neem echter een paar gespierde manschappen mede! Gij zijt mij) voor beiden met uw hoofd aansprakelijk! â begrepen,quot; snauwde hijji «met uw hoofd!quot;
De ridder trok een zuurzoet gezicht, doch maakte daarbij eene buiging, die veel beter in een balzaal van Versailles dan op den lee-gt; men vloer van de armoedige pastorie gepast had.
«Laat een dansmeester buigen,quot; gromde Laadon, ))en doe liever, uw plicht! Dus die daar,quot; hierbij wees hij met. de morsige, plompe vingers op de eerbied inboezemende gestalte van den ouden lord| «neemt gij mede, doch mij zendt gij den sergeant Mackey! Hij moet onverwijld opzitten en mij inlichtingen brengen omtrent het lot van sir George Maclean â en wee dengenen,quot; voegde hij er dreigend] bij; »die zich aan zijn persoon vergrepen hebben!quot; . _
Weinige minuten daarna bevond zich lord Herbert in een laagj berookt vertrek, welks morsigheid en armoede de walmende hang|
lamp onder haar karig licht nog gedeeltelijk voor het oog.
. 4
verborg; gereedschappen, die fot de vischvangst behoorden, hingen aan do wanden, op den grond lag een begonnen net â de hand van den ouden man, dien men daags te voren uitgedragen had, was onder den arbeid verstijfdâen op den plompen, ruw getimmerden, harden stoel zat lord Herbert Rondale, met het hoofd nadenkend op beide handen gesteund, terwijl door de dunne houten zoldering^ boven zijn hoofd de regelmatige stap van Edward Pilly klonk, die als een gevangen dier der wildernis in dolfe woede over zijne oogen-blikkelijke machteloosheid in een zolderkamertje op en neer liep. De nacht was aangebroken, in het rond heerschte diepe stilte, zelfs de beide schildwachten, die op Leadon's bevel voor de hut gepos-j teer stonden, schenen zich aan den slaap overgegeven te hebbeni Plotseling werd lord Herbert uit zijne overpeinzingen gewekt dooreen zachten stap buiten de hut, de in het slot stekende sleutel werd zachtkens omgedraaid, de deur ging open en op den drempel ver-loonde zich de schrale gestalte van den ridder de Versaillac.
»Stil!quot; fluisterde hij op geheimzinnigen toon, terwijl hij den vin-,
70
ger op den mond legde; »gij belioelt voor mij geen vrees te koesteren, my lord!quot;
Onder andere oiastandiglieden zou deze verzekering, verbonden met het jammerlijk voorkomen van den verloopen cavalier den ouden heer een omvillekeurigen glimlach afgeperst hebben, maar lord Her-bert was op dat oogenblik zoo afgemat naar lichaam en ziel, dat hij ternauwernood van houding veranderde.
De Franschman kwam nader.
»Mijn naam is ridder Armand de Versaillac,quot; dus nam hij fluisterend opnieuw het woord op: »Ik ben edelman, gelijk gij, mylord, gelijk uw ongelukkige zoon en voel met u den smaad en het hartzeer, waaraan haat en overmoed van ellendige gelukzoekers u prijsgeven.quot;
Lord Herbert knikte werktuigelijk met het hoofd; een blik was voor hem genoeg geweest om hem te overtuigen, dat van de vertroosting van dezen edelman voor hem niet veel voordeel te behalen zou zijn.
«Onvoorziene omstandigheden,quot; ging Versaillac nog zachter voort, «dwingen mij, wil ik niet van gebrek omkomen, van de gunst dezer nietswaardige plebejers afhankelijk te zijn, die ik veracht en wier aanraking mijn adellijk bloed, het bloed der Versaillac's, doet koken. Mylord, verschaf mij de middelen voor een onbezorgd leven en ik verschaf uwen zoon nog heden nacht de vrijheid!quot;
Rondale sprong op; zijn gelaat had eene uitdrukking van blijde verrassing aangenomen; maar reeds in het naaste oogenblik had deze voor die van wantrouwen plaats gemaakt.
Versaillac las dit in zijne trekken.
»Gij twijfelt aan mij, mylord!quot; sprak hij overredend: «gij doet mij en u zeiven onrecht aan. Dat mijn voorslag geen verraad in zich sluit, moet u zonneklaar wezen. Welk nut zou het hebben? Uw zoon is tot de doodstraf verwezen en dat een vader geen aan hem voorgesteld middel onbeproefd laat tot redding van zijn eenig kind, is niet meer dan natuurlijk. Op mijne krachten zou ik ook niet kunnen bouwen om ons oogmerk te bereiken; ik ben voor het salon geboren, niet voor de straat Maar in mijne sfeer, met het wapen des
71
geestes, der fijne list en intrige wil ik voor u en voor mij strijden. Ik ken de plaats waar uw zoon gevangen zit. Alles slaapt, het plompe wijnvat, die Leaden, zal naar ouder gewoonte zijn roes uitslapen en onbespied sluip ik naar den toren. Reeds sinds een uur ligt een ladder, die ik in het voorportaal der kapel ontdekt heb, aan den voet der gevangenis; ik ben van touwen en vijlen voorzien. Onder de bescherming van den nacht klouter ik, de ladder tegen den muur opzettende, naar boven en reik uw zoon het noodige gereedseha\) toe om de buitendien verroeste en bijkans weggeteerde staven van zijn venster door te zagen. Morgen vroeg is zijne cel ledig en vruchteloos wacht de strop in de hand van den soldaat, dien de ellendige roodbaard reeds tot den eerepost van beul heeft uitgekozen. U kunnen zij toch niet hangen in plaats van uw zoon,quot; dus besloot hij, »en ik zal de eerste getuige zijn om te bezweren, dat er bij de ontvluchting eerder een spook in het spel geweest is dan de hulp en de invloed van lord Herbert Rondale, die toch zelf achter slot eu grendel zat.quot;
De oude heer scheen door de hem door Versaillac voorgespiegelde hoop met een nieuw leven bezield.
»Het is eene poging tot redding, die gij voorstelt, heer ridder,quot; antwoordde hij; )gt;maar zelfs eene poging afwijzen ware eene dwaasheid, te ineer daar gij de verantwoording draagt; van het loon mijner dankbaarheid kunt gij verzekerd zijn. Uit blaadjequot; â hij scheurde uit zijn zakportefeuiüe een velletje papier en schreef er haastig eenige regels op â «verzekert u bij mijn zaakgelastigde te Londen, mr. Garding, onmiddellijk tien duizend pond; het verdere kunt gij aan mij en mijn zoon overlaten als de onderneming gelukt'.quot;
De hand des ridders beefde, terwijl hij het onooglijke en toch zoo kostbare blaadje op zijn hart verborg, hetwelk hem een nieuw leven van genot beloofde. Het vooruitzicht op de toekomst, het bewustzijn zijn tirannieke pijnigers een poets te spelen, die hen allergevoeligsi krenken en bsnadeelen moest, overstemde de hem aangeboren lafhartigheid cn na een kort afscheid van lord Herbert verdween de onverwachte helper even geheimzinnig als hij gekomen was.
72
Omzichtig gluurde hij om zich heen, loen hij uit de hut naar buiten trad. Een der beide schildwachten sliep met het hoofd op een steen geleund, den slaap der rechtvaardigen; de andere soldaat was juist het kleine gebouw omgegaan en bevond zich aan de achterzijde daarvan. Haastig sloop de ridder om don tegenovergesteldon hoek en verdween in de duisternis van den nacht, die zijn vooruit beloonde onderneming onder zijn sluier zou verbergen.
Maar hij was niet zoo onopgemerkt gebleven, als hij zich verbeeld had; eene logge, ineengedrongen gedaante, die eene wijl achtereen vooruitspringenden muur verscholen op zijn verschijning scheen gewacht te hebben, sloop hem na. De donkere mantel, die d.ni wandelaar geheel omhulde, liet dezen, zelfs al keerde de ridder zich om, moeielijk in het nachtelijk duister onderscheiden, terwijl hij zelf voortdurend den voor hem gaande in het oog hield. Hij bemerkte, hoe Versaillac het torentje naderde en met zachte stem naar het tralievenster opziende, iets riep. De ridder moest antwoord ontvangen hebben; want nog naderbij sluipende, nam de geheimzinnige bespieder duidelijk waar hoe de zwakke Franschman zich inspande om een op den grond liggende ladder op te richten en tegen den muur te plaatsen.
Eindelijk stond zij vast, en nadat de ridder zich van de stevigheid der wormstekige sporten, die onder zijn lichten last kraakten en piepten, had overtuigd, besteeg hij die met grootere vlugheid dan men .an hem verwacht zou hebben, lot aan de hoogte van het raampje.
»Sir Frederik Rondale,quot; fluisterde hij haastig, «ik breng u red-ding, â hier,quot; de smalle hand schoof een pakje tusschon de traliën door â «hier zijn gereedschappen, buiten staat de ladder, maak gebruik van de oogenblikken, die ik zelf als gunstig geschikt..... Jesus,
Maria, zijt mij genadig!quot;
Een schot knalde door het zwijgen van don nacht; in de naaste seconde gevolgd door een akeligen gil van den op de ladder staande ; daarop stortte de schrale figuur van den ridder als een geschoten vogel uit de hoogte op den grond. Met verglaasde oogen staarde hij den schutter aan, het waren de oogen eens dooden, want de kogel had
73
de longen doorboord en de dood was terstond ingetreden. Het was de eigen hand van James Leadon geweest, die aan het leven van den verloopen edelman zulk een plotseling einde gemaakt had.
Nadat Leadon zijn gewonen roes een weinig uitgsslapen had, was er twijfel bij hem opgekomen aan de goede trouw van Versaillnc, wien door het laten ontvluchten van sir Frederik Rondale een onverhoopte gelegenheid werd aangeboden zich eene groote som gelds te verschaffen. Hij liet den ridder dienvolgens bij zich ontbieden, en daar men dezen niet in zijn kwartier vond, volgde hij zelf het spoor ^ van den verdachte tot aan de gevangenis van lord Rondale, gelijk hij reeds vooruit gezien had. Nu was hij van het voorgenomen verraad overtuigd en slonp don Franschman na. Zich verlustigende in het gevoel van zekerheid, waarmede de vermeende redder van sir Frederik zijne maatregelen lot redding nam, had hij middelerwij! den haan van zijn pistool gespannen en nu, terwijl een zwakke straal der maan de dunne gestalte op deladder juist geheel verlichtte,' afgetrokken. Onverschillig stiet de gevoellooze hot lijk met den voet van zich af.
«Wel, manneke, smaakt het koekje?quot; vroeg hij met een grijnslach als kon de vermoorde hem verstaan; «zoo straft men stoute knnpen I quot; Daarop riep hij spottend, naar het getraliede raampje in don toren opziende: «Vergeef de korte storing van uwe nachtrust, sir Frederik Rondale! Ik schenk u daarvoor morgen vroeg een kwartiertje meer; want, ziet gij, men moet met volle uren zuinig zijn, en gij 'uit op aarde dezen nacht wel uw laatsten slaap geslapen hebben. Wel te rusten, tot wij elka ider morgenochtend wederzien, sir Frederik Rondale â onder do galg!quot;
xxii;
In het oosten gloorde het eerste morgenrood. ⢠Weifelend gelijk een kind in het nieuwe onbekende leven blikt, drong eene lichte schemering door de grauwe wolkenmassa. Nog lag do kust met hare baaien en landtongen zoowel als het door de zee omspoelde rotseiland in halfduister gehuld.
Thans was het geen geheim meer aan welke onzichtbare macht de Jacobietenschaar tot dusverre haar- onderhoud dankte. Niet alleen van levensmiddelen maar ook van munitie, met het noodzakelijke zoowel als met het nuttige, had Frederik Rondale met hulp van trouwe varenslieden de nauwelijks ïwintig man sterke bezetting, van het vaderlijke slot uit, als de gelegenheid gunstig was, voorzien; zelfs een verrekijker ontbrak hun niet.
De weinigen, die zich thans op het smalle door twee beschadigde kanonnen geflankeerde terras bevonden, waren niet meer de levenslustige, hoopvolle schaar, die zich eens in Frankrijk ter beschikking van hun wettigen koning gesteld hadden. Wel droeg hun aangezicht nog de uitdrukking der vastberadenheid, maar een sombere ernst, een zekere berusting had voor het onwankelbaar vertrouwen, de zekere hoop op de eindelijke zegepraal plaats gemaakt, en zelfs dengene, die ondanks alle bekommering voor de toekomst zich steeds beijverd
75
had den zijnen het voorbeeld van onbezorgdheid en goede hoop te geven, zelfs Arthur Bentinck vond voor de eerste maal de aanbrekende dag bleek en ontdaan, ter prooi aan hevige gemoedsaandoening.
Noch de jonge aanvoerder, noch Edwin Bunmore hadden in den jongst verloopen nacht hunne legerstede opgezocht; de dageraad vond hen, die eerst laat in den nacht van elkander gescheiden waren, weder bijeen, door gelijken kommer gedrukt.
))Nooit scheen mij de zon zoo traag als heden toe,quot; dus nam Arthur ongeduldig naar den hemel opziende, hqt woord op; »wil het dan nooit dag worden?quot;
)gt;A1 talmt hij ook als oen voornaam heer, die ons met zijn glans verblinden wil,quot; meende Bumnore, zich tot een scherts dwingende, die in het geheel niet uit het hart kwam, »zoo zal hij toch hoop ik, beter worden dan het grauwe monster van gister, dat niemand toeliet tien passen ver van zich af te zien. Let op, Arthur, wij hebben ons om niets ongerust gemaakt! De nevel, die onzen verzorgenden vriend zoo dikwijls tot ons welzijn beveiligde, heeft zijne zaak ditmaal te goed verricht en sir Frederik verhinderd van wal te steken.quot;
Arthur schudde het hoofd.
)gt;Gij gelooft zelf niet aan den troost, Edwin,quot; antwoordde hij, «waarmede gij mijn beangstheid poogt te verdrijven. Ik geloof, dat gij Frederik Rondale evengoed kent als ik, om niet te weten, dat hij, met wind en weder vertrouwd, juist den diksten nevel als het gunstigste voor zijne koene onderneming beschouwt. Edwin, Edwin,quot; ging hij voort, terwijl hij zijn vriend bij den arm vatte, »als mijn voorgevoel zich eens bevestigde? als ik niet zonder reden den trouwen beschermer gesmeekt had ten minste niet in eigen persoon dat reddingswerk te besturen, hetwelk ik tor wille mijner dapperen niet afwijzen kan of mag ? â Voorwaar, geen gevoeliger slag had men mij van Londen uit kunnen toebrengen, dan dat men den man tegen ons afzond, wiens boosheid en laaghartigheid ik meer vises dan blokkade en troepenmacht, soldaten tegen soldaten. Ja. Edwin,quot; eindigde hij, «u, den getrouwen vriend, durf ik het beken-
70
nen, ik heb lot dusverre niet geweten wat vrees is; sedert ecliter de schurkachtige Maclean met zijne wapens over ons mocht zegevieren â sinds dien tijd vrees ik â en heden meer dan ooit. Edwin!quot; â sombere moedeloosheid sprak uit het gemoed van deti anders zoo onversaagdon man, â »zij hebben Frederik gevangengenomen â de edele is in de macht der ellendelingen! Wie weet of men den ongelukkige niet tusschen de stem mijns harten en de stem van mijn plicht stelt? Dat ware een schurkenstreek, die zijn ontwerper bovendien nog lof en eer zou aanbrengen.quot;
»Deze Maclean drukt op ons als een centenaarsgewicht,quot; hernnm Bunmore; «hadde mijne tijdige waarschuwing in uw lichfgeloovig-gemoed gehoor gevonden â gelijk gij weet heb ik den gluipcrigen kerel nooit vertrouwd â dan had zich reeds meer dan eens de gelegenheid aangeboden hem zulk eene les te geven, tlat hem de lust en dan mogelijk ook de macht benomen ware geworden om zijne verborgene en de verborgenheid beminnende talenten ten koste van u en de uwen in praktijk te brengen. Het liefste,quot; besloot hij grimmig, »zou ik den schurftigen patroon met eigen hand aan de galg opknoopen, die men ons, evenals de muts van wijlen Gessier, als eene vaderlijke waarschuwing van het goede slaapmutsen-parlement te Londen voor oogen gesteld heeft.quot;
sGij zijt een zonderling mensch,quot; merkte Arthur eenigszins misnoegd aan; «wie buiten u zou in zulke oogenblikken van pijnlijke onzekerheid nog kunnen schertsen? Doch zie,quot; onderbrak hij zich, i)daar komt de zon op; het zal een schoone dag worden; geve de almachtige Vader hierboven in allo opzichten!quot;
Het vale, twijfelachtige licht, dat door de wolken schemerde, was door een rozigen tint vervangen, die den lichter wordende grauwen sluier steeds purperkleuriger verfde en hare randen als met vloeibaar goud zoomde; in gouden glans begon de zee te schitteren, het was als begroetten de baren zacht murmelend den nieuwen morgenstond. Steeds klaarder en duidelijker vertoonden zich land en water aan de mistroostige blikken der jongelieden. Plotseling verrees een lichtende bol achter een purperen sluier, naar
77
allo zijden vuurstralon uitschietende : het was de dagvorstin, die in vollen luister aan do kimme verrees; als door een tooverslag verdwenen de nevelen, zegevierend baande de zonnebal zich zijn weg en in verblindend licht lag de onafzienbare waterspiegel door de kust gezoomd in volle majesteit voor hen. Als wilde element zich met element verbinden, vlooide in de verre verte water en luch't ineen en in het lichte morgenkoeltje wapperde, door eene krijschende sthaar van meeuwen omfladderd, op den vervallen toren van het rotskasteel de vaan der Stuarts.
«Edwin!quot; Dit was hot eenige woord dat over Arthur's lippen kwam. Strak, als zag het een beeld van verschrikking, staarde zijn oog op een punt dat het zoiilicht thans aan de blikken van de kleine bezetting onthulde; het was de vooruitspringende landtong in de nabijheid van het visschersdorp Bruckhill, waar op haar uiterste punt de verhevenheid met de galg opgetimmerd was.
De eerlijke Bunmore, die nog even te voren hot zout zijner spot-Jeinij over dat schrikinboezemend gevaarte had uitgestort, staarde er niet minder doodsbleek heen en ook hem bestierf do spraak op de lippen. Onder de kameraden echter lieten zich uitroepen van verontwaardiging vernemen. Al vermocht men intusschen ook over het algemeen waarnemen, wat op dat kleine plekje aarde daar ginds voorviel, was evenwel do afstand te groot, om bijzonderheden of bepaalde personen te kunnen onderscheiden.
Met gespannen opmerkzaamheid richtten aller blikken zich naar een punt. Arthur was naar den verrekijker gesneld, maar ook hij kon voorloopig niet meer waarnemen dan hetgeen zich, doch veel onduidelijker aan de oogen zijner makkers vertoonde.
Een afdeeling soldaten kwam juist aanrukken; in hel licht van de ochtendzon flikkerden de blikken helmen en de musketten, en dezelfde wind, die de koninklijke banier der Stuarts deed zwellen, blies ook in de rood-wit-blauwe vaan van Willem van Oranje, welke men ten teeken van zegepraal op een rotstop opheesch. Rondom de noodlottige stellage werden de manschappen opgesteld, de trom werd geroerd â daarop volgde stilte; onbeweeglijk stonden de sol-
78
daten in het gelid. Een reusachtige mannenfiguur, die zich tot dus» verre te midden der soldaten schuil gehouden had, trad te voorschijn, zette een ladder tegen de galg aan en klom omhoog; na weinige oogenblikken stapte hij weder op de platform terug â¢âhij had klaarblijkelijk de hechtheid van den dwarsbalk onderzocht en was met de uitkomst van dat onderzoek voldaan.
Een tweede tromgeroffel klonk in het oor der verafstaande toeschouwers. Onverpoosd tuinde Arthur door den verrekijker; hij scheen zijne omgeving geheel vergeten te hebben. Thans ontwaarde hij een nieuwen stoet, een afdeeling gewapenden, aan hun spits dien roodbaard, die, ofschoon veranderd, juist door zijn baard Arthur Bentinck sinds dien nacht in Pilly?s herberg overgetelijk gebleven was. Wee den ongelukkige, dien het noodlot in de handen van dezen man voerde! Op eenmaal kreet de jojige aanvoerder, alles om zich vergetende, op hartverscheurenden toon, zoo schril en krachtig, dat-men het ginds moest kunnen vernemen; «Frederik!quot;
Met vasten tred, het hoofd fier opgericht als gold het een feeste-lijken optocht, kwam de vriend aangestapt, alleen, zonder geleideen toch door tallooze oogen bewaakt. Thans wendde hij het. hoofd om naar zijn ouden vader, die, op den arm van Pilly steunende, a?.s gebroken achter ⢠den veroordeelde voortstrompelde. Een paar soldeniers besloten den treurigen stoet, die door al de bewoners van het dorp, jong en oud, gevolgd werd. Geen laakbare begeerte om het. vreese-lijke schouwspel bij te wonen, dreef hen aan, maar de smartelijkste deelneming voor vader en zoon, die in den tijd van hun kortstondig verblijf aldaar de weldoeners van den geheelen omtrek geworden waren. Maar het luide beklag werd door de machthebbers evenzoo goed als oproerigheid beschouwd als openlijk verzet; ia het geheim droogden de vrouwen hare tranen, in het geheim balden de mannen tegenover de overmacht krachteloos in hunne zakken de vuist, die zij zoo gaarne tegen hunne pijnigers zouden opgeheven hebben.
Thans beklom de roodbaard met bespottelijke waardigheid de trappen der platform, op welke de onmensch, die voor een groote belooning het. ambt. van beul op zich genomen had, het bevel tot
79
het volvoeren van zijn schandelijken dienst verbeidde. Leadon ontvouwde een papier en las mot luider stem het vonnis voor, hetwelk hij zich echter, daar hij niet lezen kon, had laten voorzeggen. Aan de voorlezing knoopte hij nog eene lange toespraak van zijn maaksel. Vervolgens werd op zijn wenk den veroordeelde op het platform gevoerd.
Arthur zag hoe lord Herbert Rondale de armen uitbreidde en de zoon in eene laatste omhelzing aan de borst zijns vaders rustte; daarop rukte sir Frederik zich los en besteeg do trappen van het schavot. Eenige oogenblikken bleef hij staan, voor aller oogen zichtbaar; clan knielde hij neder tot het verrichten van een laatste gebed.
Boven op het terras van het rotseiland bleef geen onkel hoofd gedekt en uit meer dan eene borst steeg een onderdrukt snikken op.
Frederik was opgestaan. Vlak aan de leuning tredende, zwaaide hij in den morgenwind een witten doek tot een laatsten groet aan den vriend, voor wiens zaak hij zijn leven verbeurd had.
Arthur verstond dat. afscheidsteeken. Hij zag, hoe de beul met den strop in de hand op zijn slachtoffer toetrad en gaf op dit gezicht een luiden kreet.
«Moet hij toch sterven,quot; riep hij overluid, sdan zij hem ten minste de dood eens soldaats beschoren, â God zij mij genadig!quot;
En hij ijlde naar een der kanonnen, welks mond op de landtong gericht -was en ontstak de lont; men hoorde een doffen knal, doch de opstijgende kruitdamp verhinderde voor een oogenblik de uitwerking waar te nemen.
XXIII.
Terwijl Edward Pilly in de doffe woede der onmaolit rusteloos het enge zolderkamertje boven liet hoofd zijns gebieders op en neer liep, zat lord Herbert aan een marmeren beeld gelijk op zijnen houten stoel in liet benedenvertrek, het oog strak op de vensterluiken gericht, als kon hij door het nachtelijk duister heenboren, het oor luisterend voorover gebogen, als mocht hem het geringste gerucht niet ontgaan. Zijn eigen lot was hem volkomen onverschillig, hoe bedenkelijk het er ook voor hem kon uitzien als de door Leadon naar Maclean gezonden bode slechte tijding medebracht en bovendien sir Frederik's ontsnapping gelukte. Rondom was het doodstil geworden, alleen de stap der schildwachten buiten en boven hem de driftige, onrustige stap van Pilly onderbrak af en toe die beangstigende stille. Daar knalde plotseling een schot, lord Herbert sprong op, als was hij zelf getroffen, maar te gelijk vernam hij ook in de richting van het schot den doodskreeet van Versaillac, gevolgd door een schaterend hoongelach. Daarop verzonk alles wederom in de diepste stilte. Rondale meende genoeg te weten: de laatste hoop was vernietigd. Uur op uur verliep en nog zat hij onbeweeglijk op zijn stoel. Het was hem als moest wederom de sleutel in het slot knarsen en wederom nieuwe hoop op redding zich aan hem komen
81
voordoen; maar het, gebeurde niet; er was geen troost, geen hulp meer op aarde voor den vertwijfelenden vader.
Werktuiglijk dwaalden zijne oogen in de kleine ruimte om hem heen, voor de eerste maal siids hij hier binnengetreden was. Hij voelde instinctmatig de behoefte aan zijn gedachten eene andere richting te geven en zich van die sombere gepeinzen los te maken, want de krachten zijns geestes moesten nog op eeno vreeselijke proef gesteld worden.
Op een klein kastje lag tusschen een aantal schelpen een zwart ingebonden boek, hetwelk eon ieder in het oog moest vallen. Onwillekeurig strekte Rondale er de hand naar uit en bladerde er in; het was een gebedenboek der Engelsche Staatskerk. Bladzijde voor bladzijde vloog hij door, om ergens een steunpunt te vinden, waaraan hij zich kon vasthouden. Maar geen enkel gebed, geen enkele overweging was op zijn toestand van toepassingen zou het vermogen gehad hebben het zwaar bedrukte hart te troosten en op te richten. Koud en ledig gelijk de vorm der Staatskerk was de taal, die de belijders daarvan met hun Goden Vader spraken. Lord Herbert las en las, een onbeschrijfelijke angst overmeesterde hem. Eindelijk slingerde hij het boek van zich af en poogde aan zijne gedachten een andere richting te geven â tevergeefs! zóó had hij zich nooit gevoeld, zóó had hij nog nooit geworsteld en met luider stemme riep hij:
âHeere, Heere, waar zijt Gij ? Ik zoek en vind U niet.quot;
Zijne blikken zweefden door de dompige ruimte als hoopte hij dat dezelfde hand, die eens in Balthasar's feestzaal waarschuwend het. Mane Tekel op den wand schreef, tot verlichting zijner dwaling een wonder zou wrochten. Maar geen vurig schrift vlamde op de gewitte, berookte muren der visschershut â een daarop vastgeplakte, vierkante, gekleurde plaat was alles, wat zich buiten de visschersbe-noodigheden aan den zoekende vertoonde. Bijna onbewust ging hij er heen om haar te beschouwen. Het was eene houtgravure, niet geheel zonder kunst uitgevoerd en niet met al te bonte verven gekleurd en verbeeldde den Heiland aan het kruis; onder het Offerlam voor de zonden der wereld stond, tegen hnt kruishout leu-
6
-
82
nende Maria, en haar oog was omhoog naar den gemartelden Zoor gericht â eene uitdrukking van het grootste zielelijden, maar t( gelijk van een onwankelbaar vertrouwen op God lag in haar blik â- onder do plaat stond met eene blijkbaar ongeoefende hand in groole letters geschreven; «Maria, smartvolle Moeder, bid voor ons!'
En met vurigheid herhaalde de oude edelman:
«Maria, smartvolle Moeder, bid voor ons!quot;
Met gevouwen handen stond hij lang onbeweeglijk voor de eeii' voudige afbeelding; zij boeide zijn oog en zijn geest, en uit zijn trekken was die uitdrukking van marmeren strakheid zoowel als du van namelooze angst geweken, die hem kort te voren dreigde tf overweldigen. sMaria, smartvolle Moeder, bid voor ons!quot;
»Het wordt dag!quot; De sleutel knarste in het slot en eene rauw stem riep den uit zijne vrome overpeinzingen opgeschrikten edelmai die onheilspellende woorden toe; het was die van Leadon, die 01 den drempel verscheen en onder de nawerking van den uitgeslapei roes den ouden lord nog afkeerwekkender voorkwam dan bij hunm eerste ontmoeting; door een venster, welks luiken buiten openge worpen werden, grauwde reeds de ochtend.
James Leadon was lord Herbert genaderd en legde ruw de grovi hand op de schouders des edelmans.
«Sir George Maclean, do commissaris van Zijne .Majesteit onzei koning is dood,quot; sprak hij. »De uitgezonden kondschapper is zoi even teruggekeerd. In uwe woning, lord Herbert Rondale, is d( ongelukkige dezen nacht aan de gevolgen eener zware verwondin: overleden. Over do aanleiding daartoe zult gij u aan het parlemen te Londen te verantwoorden hebben, waarheen ik u na afloop dei strafoefening nog heden denk te zenden.quot;
Lord Rondale gaf geen antwoord. Hij bewoog enkel het hootc maar zijn oog hing onafgewend aan de plaat op den wand, waartd het zich onweerstaanbaar aangetrokken gevoelde: de plaat was m in de schaduw gehuld en bleef voor Leadon onopgemerkt.
«Ik vind u gelatener in uw lot dan ik verwachtte,quot; meende f) soldenier geërgerd; want maar al te gaarne had hij den edelma
83
wederom weekliatüg aangetroffen, om liem des te gevoeliger te kunnen grieven. »Gij hebt sterkte noodig; want ik wil u een paar minuten toestaan om van uw zoon afscheid te nemen. Nadat hij vernomen had dat gij hier waart, heeft hij om die gunst verzocht, en het is gebruikelijk den laatsten wensch eens stervenden te vervullen â ik wil daar niet tegen handelen. Maar haast u!quot; beval hij: «dadelijk komen zij met den misdadiger voorbij! Alles moet afgeloopen zijn eer de zon hoog aan den hemel staat.quot;
Terwijl Leadon sprak, klonk van de straat het gedruisch van den regelmatigen stap eener afdeeling soldaten, en daarachter een gewoel van stemmen en voetstappen, gelijk een groote toevloed van menschen medebrengt. Leadon opende de deur der hut, voor welke de treurige stoet juist aankwam.
Toen Frederik zijn vader zag, vloog hij naar binnen en hart aan hart rustten de beide mannen sprakeloos tot een laatsten afscheid in elkanders armen.
De ruwe soldenier had toch ten minste zooveel kieschheid dat hij zich verwijderde en de deur achter zich toedeed, zoodat vader en zoon voor eenige oogenblikken zonder getuigen waren.
Frederik was de eerste, die het, zwijgen verbrak; zijne trekken waren kalm, zijne geheele houding vertoonde eene mannelijke berusting, die, geheel ongekunsteld, in het diepste zijns harten moest wortelen.
«Gij ziet mij gelaten en bedaard,quot; dus nam hij het woord op; «wees het insgelijks, vader! Waren wij niet op zulk eene uitkomst voorbereid, toen wij ons aan de zaak dier dapperen en hun trouwen aanvoerder wijdden, wien ik meer dan mijn leven verschuldigd ben'? Lafhartig ware het, met het gevaar gespeeld te hebben en thans te betreuren, wat wij volgens onze overtuiging, krachtens onzen vrijen wil gedaan hebben. Meer dan eens bezwoer mij Arthur, van onze onderneming af te zien, die vroeger of later een verschrikkelijk einde moest nemen. Ik stel mij voor, wat zijne edele, groote ziel gevoelen zal, als hij de noodlottige tijding verneemt. Beloof mij, vader,quot; verzocht hij dringend, «wanneer het u hier op aarde nog vergund is met liem te spreken, hem dan te zeggen, dat ik in liefde
84
en vei eoring voor hem gewerkt en geleden heb en niet vreugde voor hem sterf! Hij zal uw zoon zijn, vader, in mijne plaats; hij zal mij bij u vervangen!quot;
Lord Herbert bleef stom; zijn hart kromp van namelooze smart ineen. Onwillekeurig keek hij naar het beeld der Moedergods bij het kruis van haren Zoon, gelijk het thans in het purper gloeide, dat de opkomende zon op de kale muren tooverde; naast de smartvolle Moeder echter zag hij Joannes, den welbeminden leerling des Heilands, en in de uitstrooming der oneindige liefde, welke geen lijden uitdooven kon, klonk het van het kruishout: »quot;Vrouw, ziedaar uw zoon! â zoon, ziedaar uwe moeder!.....quot;
Frederik echter ging voort met zijn vader troost in te spreken. Doch zijn stem klonk eenigszins onvast, terwijl hij met innigheid lord Herbert's hand drukte.
«Vader, indien ik zonder vrees en zonder klagen den dood der schande in het oog zie, dan is dit, omdat ik mij daarop sinds langen tijd voorbereid en mij nog kortelings gesterkt heb met de genademiddelen der H. Kerk, welker onschatbare waarde ik eerst na zoo menig verloren gegaan jaar heb leeren kennen. Nooit beproefde ik, hierin het voorbeeld onzer dierbare ontslapene volgende, eenigen druk op u uit te oefenen, maar besloot in mijne ziel wat daarin geboren was en mij een nieuw leven schonk. Ik hoopte dat vroeg of laat te voorschijn zou komen, wat ik in uw binnenste werken en worstelen zag. En het zal te voorschijn komen, vader, al zal ik evenals de geliefde voor mij van hier gescheidene, zulks niet meer met de oogen des lichaams aanschouwen. Vergun mij echter in dit oogenblik,quot; dus eindigde hij met diepe aandoening, »u ais laatste bewijs mijner liefde op die troostvolle Middelares te wijzen, die van oudsher de Beschermheilige van ons geslacht geweest, is en het zoo vaak haar klaarblijkelijke bescherming getoond heeft, op de allerheiligste Maagd Maria. Zij heeft mij ook wonderbaar gesterkt in de zware, bange uren van den verloopen nacht, toen ik mijn toevlucht tot haar nam en standvastig den mij aangeboden bijstand van den staatsgeestelijke van de hand wees. Haar heb ik voor alles den
85
gelielden vader aanbevolen en ik beu er verzekerd van, dat niemand zich tevergeefs tot haar wendt.quot;
»Neen, Frederik!quot; â de stem dreigde Herbert Rondale te begeven -ââ »zij zal mij niet van zich stooten; ook mijne gevangenis werd hedennacht door een straal der goddelijke genade verlicht!quot;
Hij was op het punt den zoon mede te deelen, hoe hij uit zijne verdooving en daarna van zijn folterenden zielsangst als door een wonder bevrijd geworden was â toen Leadon do deur wagenwijd openwierp en vader en zoon met luider stomme toeriep:
«Maakt er einde aan, het is tijd!quot;
sik ben bereid!quot; antwoordde Frederik en richtte, voor zooveel zijne zwakte het hem veroorloofde, zijne gestalte hoog op. «Vaarwel, vader, tot wederziens hierboven!quot;
«Zóó niet!quot; sprak lord Herbert met de ijskoude rechterhand de hand zijns zoons omklemmende. «Meent gij, dat ik u alleen den laatsten, ontzettenden weg onder vreemden zou laten atleggen? Mijne kracht zal wel zoover reiken van mij staande te houden tot.... tot ik terugkeeren zal.... alleen____geheel alleen!quot;
«Wilt gij uw zoon uitgeleide doen,quot; zeide Leadon, «mij is het goed. Ik heb u dan des te zekerder onder de oogeu. (iij zult overigens niet, alleen van de strafplaats terugkeeren,quot; ging hij voort; »ook master Pilly verzocht om dezelfde gunst ais gij en verkreeg ze; maar onthoud het wel, de geringste beweging, elke zweem slechts van eene handeling, die men als verzet of zelfs als verraad zou kunnen beschouwen, wordt op staanden voet met den dood gestraft! En nu voorwaarts!quot;
De stoet zette zich in beweging. In de deur der visschershut had Edward Pilly zijnen Jongen meester voor de laatste maal de handen gedrukt en daarop den ouden lord den krachtigen arm tot steun op den zwaarsten gang zijns levens geboden. Ook de roeiers, die met sir Frederik in Maclean's gevangenschap geraakten, gingen mede in den stoet, die door soldaten met geladen musketten gedekt en bijna door de geheele bevolking van het visschersdorp begeleid werd.
Noch vader noch zoon verloochende op den noodlottigen weg den
86
oud-Engelschen edelman. Volkomen kalm en onverschrokken ging sir Frederik achter den laatdunkenden Leadon; slechts nu en dan wendde hij het hoofd om, ten einde den vader een bemoedigend lachje, een stommen groet toe te stieren. Dan boog zich lord Herbert's opgeheven hoofd voor een oogenblik; maar alras scheen zijne houding weder even vast en onbuigzaam als in de dagen van zijne grootste mannelijke kracht, en geen spier verried, welk onbeschrijfelijk lijden het hart van den ouden man vaneen reet.
Het doel van den tocht was bereikt. In den glans van de ochtendzon, die helder van den azuurblauwen hemel nederstraalde, evenals een onschuldig kind, dat de oogen met gelijke helderheid op beelden des geluks of des jammers vestigt, lag de smalle landtong daar; hier lag ook de boot vastgemeerd, waarmede de koene mannen zoo dikwijls aan het dappere garnizoen den noodigen voorraad toegevoerd hadden. Frederik wierp er nog een afscheidsblik op: nimmer zou hij het hem zoo goed toevertrouwde roei' meer in handen nemen; daarop zweefde zijn oog over de zee naar het rotseiland, dat zich in den vollen zonneschijn baadde. Duidelijk onderscheidde hij gestalten op het terras van het kasteel; men wist derhalve ginds, wat er in deze stonde op den vasten wal plaats greep.
Nu eerst richtte de veroordeelde zijne aandacht op het onheilspellende platform, hetwelk door eene afdeeling gewapenden omgeven werd, terwijl de dorpbewoners op eenigen afstand in somber zwijgen dicht opeendrongen bij elkander stonden. Geen wolk verduisterde zijn voorhoofd â integendeel â het was als glinsterde er meer vuur in zijne oogen, die hij nu op zijn vader richtte, om hem uit het diepste zijner ziel troost en moed in te storten.
Herbert Rondale hield zich naar den schijn goed op de beenen; maar de stevige gestalte van den getrouwen Pilly boog bijkans onder den druk, waarmede de oude heer op zijn schouder leunde om niet neer te vallen en daardoor het hart zijns zoons te bezwaren en te gelijk zijnfn vijanden door zijne zwakte een triomf te bereiden. Met de lippen vast op elkander geklemd, hoorde hij hoe Leadon op het schavot staande het edikt der regeering en het over Frederik
87
Uondale uitgesproken vonnis voorlas. Doch hij verstond geen woord van de voorlezing'en van de bombasterigequot; toespraak, welke Leadon er nog zelf aan toevoegde: zijn geheele denken en
gevoelen bepaalde zich enkel en alleen tot den geliefden zoon.....
en nu.....
Op een toeken van Leadon, die eenige schreden terugging, klom Frederik de trappen op. Vrij, voor aller oogen zichtbaar, stond de Jonge man op de noodlottige planken, de zon overgoot het bleeke, ziekelijke aangezicht met een bedriegelijken, jeugdigen blos; hij knielde neder en stil werd het in het rond, de hoofden der eenvoudige dorpelingen ontblootten zich, meer dan een der vrouwen zonk op de knieën.
Nadat hij weder opgestaan was, trad Frederik tot aan den rand van het schavot en liet een witten doek fladderen in de richting, waar hij wist, dat de vriend en de zijnen verwijlden, de vriend voor wien hij gewillig in den dood ging.
Leadon was tot aan den tegenovergestelden rand teruggetreden; een kerel met een woest uiterlijk met een touw in de hand, aan welks einde een lus gemaakt was, trad thans op den veroordeelde toe.
«Maria, smartvolle Moedei Gods, bid voor ons! â Lord Herbert's armen verhieven zich naar den helderen hemel, en uit het diepste
zijner ziel welde het smeekgebed op..... het smeekgebed van het
geloof.
Een knal!! Op hctzeltde oogenblik hoorde men oen ontzettend kraken, een enkelen, akeligen kreet, daarop een verward geroep van schrik; «Zij schieten met kanonnen, die dragen tot hier!quot; endoor een panischen schrik bevangen, als kon elk oogenblik een salvo van kogels een geweldig bloedbad onder de opeengedrongen menschen-schaar aanrichten, zochten dorpelingen en soldaten hun heil ineen overijlde vlucht. Niemand dacht meer aan den veroordeelde en er was niemand meer aanwezig, die in staat geweest zou zijn eenig bevel te geven ea de vluchtende soldaten tol staan en gehoorzaamheid te dwingen. In zijn bloed badend lag James Leadon met verpletterde borst op de planken van hel schavot, terwijl de met het beulsambt be-
88
laste soldaat nog to rechter tijd naar beneden gesprongen was. üe kogel, door Arthur Bentinck als een laatste hulpmiddel algeschoten, had den dwarsbalk der galg verbrijzeld en het nedervallende hout verpletterde in zijn zwaren val den zijwaarts staanden Leadon als een zich krommende worm (1); Frederik echter stond als vastgeworteld op dezelfde plaats, geheel ongedeerd; maar letterlijk verstijfd door de onverwachte gebeurtenis, die zich met bliksemsnelheid afspeelde.
Met vriendschappelijk geweld trok eene hand den verbijsterden jonkman de houten treden af en eene bekende stem riep hom in het oor:
«Voorwaarts, voorwaarts! Naar de boot!quot;
Het was de hand van Edward Pilly, die Frederik vastgegrepen had en hem met onweerstaanbare macht naar het strand trok, terwijl de beide lot het buis Rondale behoorende bootslieden o|i een kreet van den trouwen dienaar er zich onverwijld eveneens heenspoedden. Zij begrepen de bedoeling van Pilly, die alleen te midden dei- algemeene ontsteltenis zijne tegenwoordigheid van geest scheen behouden te hebben, even vlug als zij daarnaar handelden.
Een paar soldaten poogden deu ontvluchtenden den doorgang te versperren, daar zij hun oogmerk begrepen en zich voor verdere kogels van de bezetting op Bass beveiligd achtten, die even zoo goed de vijanden als hunne vrienden konden treffen. Maar hunne pogingen waren vruchteloos; de vuist van Pilly sloeg den eerste als een blok tegen den grond, de overigen maakten terstond plaats en zelfs niet ongaarne, naar het scheen; want hadden zij er den ernstigen wil toe gehad, dan ware het niet moeielijk geweest nog in hel laatste oogenblik de vlucht te verhinderen.
In de geheel tjr afvaart gereed liggende boot springer., den ketting losmaken, de riemen uitzetten en zich met krachtige slagen pijlsnel
(Ij Het kauonschot en zijne uitwerking zijn liistorisch lievotii:il.
89
van de kust verwijderen, was voor de gespierde roeiers liet werk van een oogenblik. Snel gleed het vaartuigje over de spiegelgladde, in de zon fonkelende watervlakte en naderde meer en meer het eiland, vanwaar reeds jubelende stemmen hoorbaar werden.
Met luider stemme had Arthur Uentinck den zijnen verkondigd wat zijn oog door den voortreffelijken kijker duidelijk waargenomen had; zoo liet zich dan ook gemakkelijk het verdere raden : wie de boot bemanden, welke met volle kracht op het eiland toekwam.
üe Jonge aanvoerder wilde een commando geven, doch de stem begaf hem.
»Aan de kraan!quot; riep in zijne plaats de trouwe Bunmore met eene stentorstem; «gezwind, maakt dat alles veilig en gereed is, als zij aanleggen!quot;
fn een oogwenk werden de beide ijzeren kettingen van het reusachtige windas afgerold eu tot aan den waterspiegel afgelaten, om vaartuig eu bemanning op te lüjschen; want het eenige punt, waar eene landing mogelijk was, scheen niet zonder gevaar, en daarbij moest van hieruit een steil, glibberig in de rots uitgehouwen pad beklommen worden (1). Frederikwas ten gevolge van zijne herhaalde tochten met de manier van het ophijschen volkomen vertrouwd en zoude daarvan ongetwijfeld ook heden gebruik maken.
Al nader en nider kwam de boot â- blijde toeroepen klonken uit de diepte naar de hoogte, uit de hoogte naar de diepte. Thans legde het vaartuig aan het eenlg landingspunt aan; de beide roeiers stapten er uit, om het hij het ophalen met te zwaar te doen zijn en klommen langs hel steile voetpad naar boven, terwijl een paar riemslagen van Pilly voldoende waren om de boot l i den stillen inham vlak onder de kraan te brengen, waarmede de leden van het kleine garnizoen gereedstonden ze naar boven te winden.
Tusschen vader en zoon was sinds hun laatste greet geen woord gewisseld geworden. Oog in oog, hand in hand, hadden zij gedurende
(1.) Uisloriscli.
90
de pijlsnelle vaart tegenover elkander gezeten, als bestond er geene uitdrukking voor het onuitsprekelijke geluk, dat hun hart vervulde en zij bleven ook zwijgend als aan hunne plaats geboeid zitten, toen Pilly zorgvulüg de kettingen van het windas in de ijzeren haken der boot bevestigde. Knarsend grepen de tandraderen, door sterke banden gedraaid in hunne rondsels. Licht schommelende steeg het vaartuig al hooger en hooger; thans weerklonk een luid gejubel â in Arthur's armen lag de geredde vriend, terwijl de brave Pilly in Bunmore's omarming dreigde te stikken; op den steenachtigen bodem echter knielde Herbert Rondale neder en verhief armen en oogen ten hemel, en te midden van het vreugdegejubel klonk vol en krachtig de stem van den ouden heer, die vol geloof en ootmoed God voor hunne redding dankte.
Hoe machtig ook de eerste uiting der blijdschap de harten der gezamenlijk op Bass vereenigde mannen vervullen mocht, hernamen toch weldra bedachtzaamheid en overleg hunne rechten. Duister, onzeker in hare oplossing deed zich de vraag der toekomst aan de kleine bezetting voor. De dood van Maclean, de wellicht doodelijke in ieder geval zware verwonding van Leadon, die de plaatsvervanger van den koninklijken commissaris geweest was, maakten voor-loopig, tot er nieuwe maatregelen uit Londen genomen werden, alle krachtig optreden tegen Bass onmogelijk; maar van hun verzorger beroofd en nog slechts spaarzaam van leeftocht voorzien, bestond er voor de verdedigers geen uitzicht de positie nog langer dan hoogstens eenige dagen te bezetten. Wat moest er geschieden, indien men in dien tijd niet tot het aangaan van eene eervolle capitulatie kon geraken.
Lord Herbert was besloten deze taak op zich te nemen. Zoodra het donker geworden was, wilde hij zich met Pilly, die zijn heer bepaald wilde vergezellen, naar een zeker punt van de kust laten brengen, vanwaar hij, voor den overlast van de Engelsche soldaten veilig, zoo spoedig mogelijk Londen bereiken kon. Eenmaal daar ter plaatse aangekomen, achtte de edelman het met zijne invloedrijke bekenden niet moeielijk onverwijld eene audiëntie van den monarch
91
te bekomen en hij was er zeker van, dat veel meer staatmanswijs-heid dan wel aangeboren goedhartigheid en zielegrootheid Willem van Oranje bewegen zou den ouden Schotschen edelman niet onvoldaan uit zijn kabinet te laten gaan.
Maar die vermoeiende en pijnlijke gang zou den ouden heer bespaard blijven. Het was namiddag geworden toen de uitkijk op het slotterras in de verte een oorlogsschip zag opduiken, hetwelk aan de groote mast de Orangistische koningsvlag in top voerde. Het eiland zoo dicht naderende als het vaarwater eenigszins gedoogde,quot;liet het 't anker vallen, er werd een sloep uitgezet en in den zonneschijn wapperde eene witte vlag, het sein van een parlementair vaartuig. Op de achterbank voor het roer zat een bejaard, deftig heer in een iluweelen rok, het met een reusachtige pruik gedekt hoold ontbloot; verblindend fonkelde in het zonlicht de gouden keten, die tot zijne borst afhing, de goedige trekken van het volle aangezicht hoe-
emden onwillekeurig vertrouwen in. Bunmore was dan ook aller tolk, foen hij in blijde vervoering uitriep: «Godlof, een bode des vredes!quot;
En tot welkomstgroet de hand ophelfende, voegde lord Herbert Rondale er verheugd bij: »Tn ieder geval een man van eer, ik had niemand liever kunnen wenschen â het is lord Duflin, een vriend en bloedverwant, van mijn huis.quot;
Op de mededeeling, dat een parlementair in naam des konings met den aanvoerder der bezetting van het eiland, sir Arthur Ben-tinck, wenschte te onderhandelen, zonder dat nog gelijk tot dusverre van eene of andere vernederende voorwaarde sprake was, werden de roeiers terstond naar den kleinen inham verwezen en daar de sloep van don parlementair niet de vereischte inrichting bezat om opgeheschen te worden, gaf Arthur bevel de boot af te laten, die de geredden naar hun voorloopig toevluchtsoord gebracht had. In weinige minuten was dit geschied. Op lord Duffin's bevel bleven de roeiers in hunne eigene boot terug, terwijl hij zelf met een officier in de tweede overstapte om zich te laten optrekken.
Nu was hij boven. Zijn eerste blik viel op lord Herbert, die hem te gemoet geijld was, en de beide oude heeren wisselden een har-telijken handdruk.
!ö
alk dank God,quot; sprak hij met bewogen stem, »die zoo wonderdadig' tusschenbeide gekomen is, nadat ik, door het ongunstige weder verhinderd, niet reeds gisteren, gelijk de bedoeling was, op dit eiland lauden kon. Van een langs de kust kruisenden visscher heb ik vernomen, hoe sir Maclean, het hoold eens edelmans bedreigende, het slachtoffer zijner eigene woede geworden is, en ook de schurk, die zich onbevoegd tot zijn plaatsvervanger opwierp, een voormalige deserteur en boosdoener, reeds door de hand Gods getroffen werd. Onder deze omstandigheden,quot; ging lord Duf'lin met verandering in stem en houding voort, «volbreng ik met dubbele voldoening den mij door de regeering opgedragen, eervollen last. Om aan de wereld te toonen, dal Engelands kroon Oud-Britsche trouw en Oud-Britsche dapperheid zell's in den tegenstander weet te eeren, wil zij voor de gewichtige stemmen, die zich ter gunste der dappere schaar op Bass bij den monarch doen hoor en, niet langer het oor sluiten. Zijne Majesteit koning Willem wil zoowel bevriende als vijandige mogendheden een blijk van zijn goeden wil geven : moge voorstel en aanneming door mijne bemiddeling het onderpand zijn van een vred â , die voor langen tijd. God geve voor eeuwig, de wonden van ons bloedende vaderland sluit. Sir Arthur â quot;gt;entinck dus besloot hij op plechtigen, luiden toon, «in naam van Zijne Majesteit den koning en het parlement, bied ik u met uwe soldaten vrijen al'tocht met krijgsmanseer aan. Een Fransch vaartuig, van een vrijgeleide voorzien, zul u te Calais wachten en naar Frankrijk overbrengen. Daar moogt gij uwe wapens aan de voeten van den koninklijken gebieder, tot wiens roe-ii gij ze gedi agen hebt,daar de banier, die gij tot op het laatste oo-enhlik toe omhoog gehouden hebt, nederleggen. De kroon hierlt aan de bezetting van Hass en allen, die haar hulp verleend hebben, volledige amnestie aan â eene weigering zou het tegenwoordige en het later geslacht meer dan halsstarrigheid, ja waan/in n «m sn.quot;
Lord Duftin zweeg. Het goedkeurend gemompel in den kriug van de compagnie des kon'mgs deed vermoeden, dat zijn voorslag blijde instemming vond.
m
Arthur Hentinck scheen met een enkelen blik do meening zijner wapenbroeders, die zich daarbij in het levendige knikken van den trouwhartigen Bunmore bevestigde, geraden te hebben.
Zich in waardige houding tot den lord wendende, antwoordde de jonge aanvoerder onmiddellijk: «Het zou in hooge mate afkeurenswaardig moeten schijnen, een voorstel van de hand te wijzen, dat zijn overbrenger eert en door de keuze van den gevolmachtigde des te eervoller is. Sta mij toe, mylord, u met dezen handdruk dank te zeggen in eigen naam en in den naam der dapperen, als wier vertegenwoordiger ik u tegenover sta!quot;
Geroerd legde lord Duflin zijne hand in die, welke hem door den jongen aanvoerder werd aangeboden, sis voor u en de uwen de bode welkom, sir,quot; antwoordde hij met hartelijkheid, »mij is het de opdracht dubbel om der wille van hen, aan wien ik haar doe. Wij zijn het dus eens, sir?quot;
«Wij zijn het eens, mylord. Nog eene voorwaarde slechts,laat ze mij in het gewaad van het verzoek kleeden! Verleen mij uitstel, om een vertrouwden bode naar mijn koninklijken gebieder te St. Germain te zenden: wij zijn de compagnie des konings, en koning Jacobus' eigen bevel moet ons ontslaan; koning Stuart geve zelf last aan zijne kampvechters om dat kleine strookje gronds van zijn rijk te verlaten, waar zijne banier nog wappert! Zegt uwe meening, kameraden,quot; dus wendde hij zich tot deze, aheb ik in uw geest gesproken?quot;
«Koning Jacobus zeil' moet ons ontslaan!quot; klonk het in het rond. «Sir Arthur moet naar Saint Germain gaan!quot; riepen enkele stemmen.
Lord Dulfin schudde het hoofd. »0 jeugd, o jeugd,quot; sprak hij minzaam maar ernstig; «hoe licht kon een uitstel,gelijk gij verlangt, nieuwe verwikkelingen doen geboren worden! Doch ook hier is het toeval gunstig geweest,quot; ging hij voort. «Dezer dagen werd in Londen een spion gevangengenomen, die gewichtige papieren bij zich had; onder meerdere brieven, die de bode volgens zijne bekentenis op zich genomen had van Frankrijk naar Schotland over te brengen, was er ook een aan sir Arthur Bentinck gericht, die met het zegel van
94
het huis der Stuarts gesloten was. Staatkunde kent geen brieven-geheim tegenover vijanden, en hoe treurig zulks ook schijnen moge: ook hel aan u gezonden schrijven van koning Jacobus moest geopend worden, en ik nam op mij het aan u zeiven te overhandigen; zijn inhoud ontheft u van alle bezorgdheid en ontslaat u van uweu eed van getrouwheid. Ziehier, sir Arthur Bentinok,quot; dus eindigde de lord, den jongen aanvoerder een geopenden brief toereikende, overneem en verkondig den wil van koning Jacobus!quot;
Arthur's hand beefde zichtbaar, toen hij het vel papier aannam. Nadat hij het gelezen Had, hield hij er nog lang den blik op gevestigd; daarna sprak hij met luider stemme: «kameraden, koning Jacobus kleedt zijn bevel in de vermaning van een zorgend vader. Hij wil zijne braven op Bass niet langer aan de gevaren van een overweldigende overmacht bloot gegeven zien; zijn koninklijk woord beveelt ons, de capitulatie, welke de kroon van Engeland aan de compagnie des konings aanbiedt, niet van de hand te wijzen. Het overschot der schaar, die hem eens onder vreugdegeschrei trouw zwoer, roept hij op naar Saint-Germain, om ze van hun eed te ontbinden en hun, voor zoover zijne beperkte middelen het hem veroorloven, een zorgelooze toekomst te verzekeren. Bunmore,quot; dus wendde hij zich met vochtigen blik tot den trouwen kameraad, «vervul in naam van allen den laatsten eereplicht van de compagn ie des konings !quot;
Een welsprekend gebaar verklaarde de beteekenis van deze woorden. Bunmore verdween om weinige oogenblikken later op de tinnen van den ten deelo ingestorten toren zichtbaar te worden, waar de avondzonneschijn de banier van het huis der Stuarts purper verfde; de dappere krijger legde de hand aan haar schacht en riep met krachtige stem, zoodat het ver over de zee klonk: «Leve koning Jacobus en zijn huis!quot; Daarop liethij de banier zakken. «Leve koning Jacobus en zijn huis!quot; galmde het in echo beneden - - «en eere aan zijne compagnie en haren trouwen aanvoerder!quot; voegde lord Duffin er het hoofd ontblootende bij, rMoge dit oogenblik tot
95
zegen aan ons vaderland strekken! Dit laatste hebben wij niet elkander gemeen!quot;
* *
*
Op hetzelfde voorplein te Saint Germain, waar eens de levenslustige, hoopvolle schaar voor het eerst door koning Jacobus gemonsterd werd, stonden heden de weinige overblijvende leden daarvan bijeen, om van hun wettigen koning afscheid te nemen eer zij zich ontbonden. Geen hunner behoefde voor de toekomst bezorgd te zijn: het aaneengesloten korps van de compagnie des konings had tegenstanders gevonden, elk lid daarvan afzonderlijk verdiende in de oogen van het licht ontvlambare Fransche volk bewondering. Koning Jacobus schreef met eigene hand de namen van de laatsten zijner trouwe krijgers in een gulden boek, om hunne gedachtenis van kind op kindskind in zijn huis te doen voortleven (1); bij den dood van een der beide Stuarts, den kleinzoon van Jacobus II, die kinderloos onderden titel van graaf van Albany in Italië leefde en stierf, ging, gelijk zoovele andere, nok deze reliquie van het verbannen koningshuisin vreemde handen over.
Treffend was het eerste oogenblik des wederziens, toen Arthur Rentinck, na het volbrengen van zijn krijgsmansplicht, aan den aandrang zijns harten gehoorgevende, zich naar Saint Cyr spoedde, waar Ellen Brady, de geliefde bruid, den edelen verloofde wachtte.
De dood van den nietswaardigen ridder de Ver saillac onthief haar van alle bedenking tegen het aanvaarden der rijke nalatenschap van mevrouw do Versaillac. De armen en de Kerk hebben li t grootste deel bekomen, en dat de brave landlieden, bij wie Ellen een toevlucht en zorgvuldige oppassing gevonden had, rijk bedacht werden, daarvoor zorgde de dankbaarheid van het jeugdige paar.
Op den dag van het huwelijk zong Juanita Ghigi voor de laatste maal in het openbaar in de kapel te Versailles, waar op verlangen
(1) Tlistorisch.
K
van koning Lodewijk de inzegening plaats vond. De aanwezigheid van het geheels hot verhoogde de plechtigheid.
Frederik Rondale bleef voor het huis der gelukkigen een trouw vriend voor het leven en werd de peet van den eerstgeboren zoon.
Lord Herbert rust. aan de zijde zijner tweede echtgenoote. Reeds een jaar na de ontbinding van de compagnie des konings sloot zich zijn oog voor den eeuwigen slaap, zich te gelijk voor het eeuwige licht. o|jeneiide. »Wij zullen elkander wederzien vereenigd in den dood, vereenigd in liet geloof!quot; De afscheidsgroet van de stervende gemalin was in vervulling gegaan en de laatste woorden van lady Caroline waren in den grafsteen gebeiteld, die het stoffelijk overschot van het edele paar in het familiegraf van het uitgestorven geslacht der Rondale's dekt.
Einde
i ÃAI IlTfflEK, |
Tan Se LESÃWioM voor Cliristelijke HuispmnE»
verschijnen jaarlijks twaalf boekdeelen.
De prijs voor een geheelen jaargang is slechts TWEE1 GULDEN VIJFTIG CENTS, betaalbaar in twee gelijive termijnen.
De inteekening is verbindend voor een geheelen jaargang.
HET DOMPERTJE YAN DEN OUDEN YAEENTIJK
verschijnt tweemaal pex* maand,
in royaal 4n formaat en wordt uitsluitend per post verzonden.
De abonnementsprijs van het Donpertje van den Ouden Vnlentijn is, franco aan huis, EEN GULDEN VIJFTIG CENTS ! per jaar.
De inteekenaren op de Leesbibliotheek voor Christelijke Huisgezinnen kunnen zich abonneeren op het Dompertje van den I Ouden Valentijn tegen betaling van VIJF EN ZEVENTIG GENTS f per jaar, franco aan huis.
0 E ADMINISTRATIE.
1
Id.
BH
I
WEE1 jneii.
ig
UN
den
udeu f NTS
I
.. i ms- I
dti/i j
STTS f
I