ocr page 1

(JL./Ws.Wj/y

H E T G E B K I).

VIHII LEEllRUDHNEN

DOOIl

l)1^. 11 F. KOHLBRlrGGE,

IN LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERIjANnSCII-OEUKKOR.MKl'liDE GEMEENTE

TE ELBERFELI).

TWEEDE DRUK.

A MS T I', U DA M, SC HEF F ER amp; 0°. 1885.

v y

ocr page 2
ocr page 3

E B E D.

VIER LEERREDENEN

DOOK

DR. II. F. KOHLBRÜGGE,

LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCII-QEREKORMEERDE GEMEENTE

TE ELBERFELD.

TWEEDE DRUK.

AMSTERDAM, SC HEF F El? amp; Cquot;. ___ 1885.

| bibliotheek pFpT

H E T

rijksuniversiteit u t r e c h t.

\

ocr page 4

Dczo Leerredenon zijn geïmproviseerd en oorat gedurende liet uitspreken door oene vriendenhand opgeteekend, lietgeen do lezer bij hare beoordeeling in gedachte gelieve te houden.

Gedrukt ter „Utrechtsche drukkerijquot; te Utrecht.

ocr page 5

E E R S T E L E E R R E 13 E.

Voorzang; Psalm 34, vs. 8 en 9.

God s;aat een gram gezicht Op hoozen, die Hem tegenstaan ;

Mij doet hun naam met hen vergaan Door 't hoogste strafgericht.

Maar Hij ziet gunstig neer Op hem, die naar Zijn wetten leeft;

God is het, die hem uitkomst geeft Zijn groeten Naam ter eer.

God is 't verbroken hart,

't Verbrijzeld eu bedrukt gemoed ,

Ten allen tijd nabij en goed ,

In tegenheid en smart.

Veel wederwaardigheên,

Veel rampen zijn des vromen lot;

Maar uit die alle redt hem God :

Hij is zijn heil alleen.

Vraag: Waarom is het gebed den Christenen van noode? Antwoord: Daarom, dat dit liet voornaamste stuk der dankbaarheid is, hetwelk God van ons vordert, en dat God Zijne genade en den Heiligen Geest alleen dien geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

Heid. Gat, Vr. en Antw. 116.

Wij hobbon in den gezongen 34sten Psalm eene heerlijke belofte, die wij lozen in vs. 16: „De oogen des Hoeren zijn op de rechtvaardigen cn Zijne ooron tot hun geroepquot;. Znlke beloften geven ons moed tot het gebed, en heerlijk is de vraag

Gehouden den 1. October 1871 , 's avonds.

ocr page 6

EERSTE LEERREDE.

en het antwoord van den Heidelbergsclien Catechismus : „Waarom i s li e t gebed den Christenen van n o o d e ? Daarom, dat dit h et voornaamste stuk der dankbaarheid is, hetwelk God van ons vordert; en dat God Z ij ne genade e n d e n 1 ï e i 1 i g e n Geest alleen dien geven wil, die IT em met hartelijke zuchten, zo n-d e r ophouden, d a a r o m b i d d e n en daarvoor da n k o nquot;.

Een Christen is zulk een, die door het geloof een lidmaat van Christus geworden is. Van zulke Christenen lezen wij in de 32ste vraag: „Waarom wordt gij een Christen go-noemd?quot; En het antwoord luidt; „Omdat ik door het geloof Christi zalving deelachtig ben, opdat ik zij, ten eerste: een profeet, om den grooten Naam des Heeren te bekennen; ten andere, een priester, om mij zeiven tot een levend dankoffer aan den Heore te offeren; en ton derde: een koning, om mot eene vrije en goede consciëntie tegen do zonde en den duivel te strijden en hiernamaals in eeuwigheid met Christus over alle schepselen to regoeren. Zulk een Christen alzoo, die, wat hij is, door het geloof is, gelijk hij door het geloof Christi zalving, d. i. des Heiligen Geestos deelachtig is en alzoo van God gemaakt is tot een profeet, priester en koning, die moet noodzakelijk een wapen hebben, opdat hij als profeet, priester en koning den staf verder zou kunnen voortzetten, en hij eindelijk een ruimen ingang verkrijge in het nieuwe Jerusalem, dat boven is. Dit wapen is het gebod.

Het gebed is eigenlijk een verkeeren met God in het vor-borgen, een spreken met den Heere, óf in hoorbare woorden, of in diepe zuchten des harten. De Christen kan niet vooruit, hij kan niet leven, niet rusten, geon vrede hebben, dan alleen in den verborgen omgang met den Heere, daar hij dan gelooft ten eerste, dat hij zonder den Heere niets doen kan, ten tweede, dat do Heere voor don hulpelooze en zwakke eene hulp en sterkte is en blijft. Zoo hoeft dus de Christen het gebod als een wapen noodig.

4

ocr page 7

EERSTE LEERREDE.

Wat heeft ons de Heere vóór alle dingen bevolen? Dit heeft Hij ons bevolen, dat wij Hem, onzen getronwen Zaligmaker, in goede gedachtenis houden, waartoe Hij ook het heilig Avondmaal heeft ingesteld, gelijk Hij daarbij gezegd heeft: „Doet dat tot Mijne gedachtenis''. Dat wij Hom in goede gedachtenis houden, is dankbaarheid. De ware dankbaarheid bestaat niet daarin, dat wij in den waan verkeeren, alsof wij met onze werken en met ons doen Gode Zijne weldaden zouden kunnen vergolden, maar daarin, dat wij Zijne weldaden van der jeugd af ondervonden, sedert Hij ons in moeders schoot formeerde tot op dozen dag. Zijne getrouwe leidingen, de gebedsverhooringen, die wij ondervonden, en dat wij zoo menig „Eben-Haëzerquot;, „tot hiertoe heeft de Heere geholpenquot;, konden oprichten, — in goede gedachtenis houden — niet de weldaden op zich zeiven alléén , maar voornamelijk Dengene, die ons zóó genadig is geweest en nog is, die woord en trouwe houdt. Weldaden op zich zeiven kunnen hier beneden wel gelukkig maken, maar niet op den duur. Maar Hem voor oogen te houden, met Hem in innigen omgang te leven, Hem alles te zeggen, alles te klagen; alles te vragen van Hem, die onze Schepper en Verlosser is, dat is iets duurzaams. Alzoo nog eens: dit leert ons het geloof en zegt ons het Woord: Jesus Christus heeft ons gemaakt tot profeten, priesters en koningen.

Maar nu kunnen wij, niettegenstaande dit alles, zonder Hem niets, volstrekt niets. Daarom wil Hij van ons het gebed. Dit hebben wij noodig, ten eerste: omdat God het heeft bevolen, en ten tweede, vanwege onzen diepen nood en onze hulpeloosheid tegenover onze doodvijanden, den duivel, de wereld en ons eigen vleesch en bloed. Deze houden niet op, des Heercn profeten, priesters en koningen te bestrijden. Ieder ander laten zij wel is waar met rust, maar waar een profeet, priester en koning des Hoeren is, daar vallen do vijanden, deze Filistijnen, hem voortdurend aan, en hebben rust noch duur, totdat zij zulk een profeet don mond hebben gestopt,

5

ocr page 8

EERSTE LEERREDE.

dat Hij den Naam des Hoeren niet bekenne, — totdat zij zulk een priester met zijn offer gedood hebben, dat hij den moed laat zinken, — en totdat zij zulk een koning gevangen nemen, binden en brengen, waar hij niet henen wil. Wij belijden, dat, ofschoon wij Christenen, profeten, priesters en koningen zijn, wij van ons zeiven zoo zwak zijn, dat wij niet een oogenblik kunnen bestaan. Daarom is het noodig, dat wij door den Geest des Ileeren gesterkt worden, opdat wij in dezen geestelijken kamp en strijd, alwaar men ons hot geestelijke leven bestrijden, en hot lichamelijke leven bitter maken wil, niet onderliggen, maar de overhand behouden.

Nog eens, dankbaarheid beteokent: Dengeno in goede gedachtenis houden, die ons gered heeft; in goede gedachtenis houden Zijnen goedon en genadigen wil, dien Hij ons betoond heeft, Zijne macht en kracht, om te helpen, en Zijne alwetendheid, die onze ellende en ons bederf, onzen nood en angst te voren gekend heeft. quot;VVij zijn. Mijne Geliefden! wel van nature in dit punt het meest zondaren, dat wij de weldaden des Hoeren, Zijne genade, barmhartigheid, lankmoedigheid en trouw niet in goede gedachtenis houden, en dat moeten wij ondankbaarheid noemen. Het voornaamste stuk der dankbaarheid (dat wij dus in goede gedachtenis houden den Heere en Zijne genade) is, dat wij denken: gisteren heeft Hij mij geholpen en heeft het weder voor mij in orde gebracht, eergisteren en voor jaren was ik in dezen of genen toestand en verlegenheid, en de Heere heeft wonderbaar geholpen, heeft tot op dezen huidigen dag mij niet begeven noch verlaten, maar komt mij met wonderlijk vaderlijk geduld voor, Hij wekt mij op en lokt mij, dat ik steeds tot Hom' kome en Hem belove: „Ik wil gehoorzaam zijn, vergeef mij mijne zonden! Ik ga tot don Heere! Ik weet geon raad, ik kan mij niet helpen, het is alles bedorven, alles verloren, alles verward, ik ga tot den Heere! Dat heeft de Heere bevolen: „Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vindon; klopt en u zal opengedaan wordenquot;, (Matth. 7, vs. 7). En hier in onzen

6

ocr page 9

EERSTE LEERREDE.

tekst lezen wij: „Do oogen dos Heeren zijn op do rechtvaardigenquot;. Daar zien do oogen des Heeren al wat op den grond des harten ligt, ons znehton, ons gesteen, ons klagen, zij zien den geheelen toestand, waarin wij ons bevinden; het zijn derhalve de oogen der alwetendheid Gods. Wonderbare God! Als wij toch bedenken, dat allo volken voor Hem geacht zijn als een stofje van de weegschaal, en een droppel van den emmer, en toch gaat Hij al Zijne uitverkorenen na! Dat staat hier, en zoo is het waar! Hij ziet alles. Dat doet Hij met de oogen Zijner alwetendheid. Maar dat niet alleen. Hij ziet niet zoo op Zijne kinderen, dat Hij hen zou laten zitten in den nood, dat Hij, waar de moed hun ontzinkt, zou zeggen; Ik wil van hen niets weten; maar met Zijne alwetendheid vereent zich Zijne scheppende macht, om uit den weg te ruimen en op te heffen, hetgeen Zijne profeten, priesters en koningen zou verhinderen, eenmaal de kroon te verkrijgen; en om dag aan dag bijeen te brengen, hetgeen Hij naar Zijne wijsheid voor Zijne profeten, priesters en koningen heilzaam acht, zoodat zulk een profeet aanschouwt, welke wonderen de Heere wederom heeft gedaan.

Maar wie kan de Heere in goede gedachtenis houden? Slechts wie hot verkeerde begrip van het woord „dankbaarheidquot; er aan geeft, en met David zegt: „Wat zal ik den Heere vergelden voor alle Zijne weldaden aan mij bewezen? Ik zal den beker der verlossingen opnemen, den beker der zaligheid, dien uitdrinken eu Zijnen Naam verkondigen, dat Hij een Ontfermer is, een getrouw Zaligmaker, een almachtig God en barmhartig Vader, (Ps. 116). — Maar daartoe behoort. Mijne Geliefden, dat wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig erkennen, dat men Gods trouw daarin aanschouwe, hoe men als een stukje van een oor uit des leeuwen muil gered is; dat men in gedachtenis houde, in hoe groeten nood en dood men gelegen heeft en ligt, en dat men zóó zwak is, dat men van zich zelven niet een oogenblik kan bestaan. Dit moet ondervonden zijn, dit moet in het dagelijksch leven

7

ocr page 10

EERSTE LEERREDE.

openbaar worden, dat het met den mensch waarlijk zoo staat, dat hij geen oogenblik kan bestaan; en bij deze ellendigheid aan onze zijde, — was hot aan Gods zijde niet louter genade en ontferming ? Denken wij toch aan onze geboorte! Wie heeft n wonderbaar uit den buik getogen? Wie heeft genadiglijk daarvoor gezorgd, dat gij niet verlaten bleeft liggen? Wie was u nabij den geheelen tijd uwer jeugd, dat gij moet uitroepen: Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch der menigte mijner overtredingen! Wie is tot u gekomen, toen gij bezwaard waart boven uwe macht en in twijfel waart ook van het loven, of — toon gij voor God vloodt, niets moor van Hem weten wildet, en woigerdet oenigen troost aan te nemen, vanwege uwe groote zonde en nood ? Wie heeft u vastgehouden en gered, toen de duivel u reeds in zijn muil had? Wie heeft u gesterkt en sterkt u nog in dit avonduur ? Een Christen is zich zeiven een raadsel. Dat hij vrede met God heeft in Christus Jesus, dat hom, ja hom waarachtig al de zonden zijn vergeven, dat kan hij wel van andoren begrijpen, maar van zich zolven kan hij het niet begrijpen. Wie geen nood en geeno ellende kent, of slechts oppervlakkig kent, verstaat het woord „dankbaarheidquot; verkeerd, en veracht het. Maar al wie waarachtig in nood is, die laat varen zijne eigene kracht, wijsheid, gerechtigheid en goedo werken, die verstaat het, den Heore in goede gedachtenis te houden, die is zóó dankbaar, dat hij niet afwijkt van don Heore, moge ook alles ellendig en ton uiterste verward zijn. Niet van het Woord af te wijken, don Hoere in goodo gedachtenis te houden, dat is het voornaamste stuk der dankbaarheid.

God wil ook Zijne genade en don Heiligen Geest alleen dien geven, die — wat doen? Die IIem met hartelijke zuchten zonder op h ou d o n da a r om bidden en daarvoor danken. — Wat is ons van noode? Genade hebben wij noodig. Wij zondigen voortdurend. Er kan hier geene sprake zijn van verdiensten. lieden en gisteren hebben wij gezondigd, on morgen zondigen wij weder. Wij loven alleen

8

ocr page 11

EERSTE LEERREDE.

van genade. „Ik doe de genade niet te nietquot;, zegt daarom de Apostel Paulus. Gods genade hebben wij noodig en Zijnen Heiligen Geest. Die is toch onze ware Trooster. Do Heere Jesus heeft immers gezegd tot Zijne discipelen: „Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zoo zal Ik Hem tot u zenden, en die zal u in al de waarheid leidenquot;. Een proleet, priester en koning dos Ileeren is geen huichelaar, het gaat hem om de waarheid; waarheid moet hij hebben, en zoo blijft hij verlangend uitzien naar den troost van boven, als hij niets ziet. Genade en Heiligen Geest hebben wij noodig, om in goede gedachtenis te houden : God ! Gij hebt hot gezegd ! zoo roep ik dan U aan, en Gij zult mij helpen. — Houdt Hem in gedachtenis, die door het geheele leven uw Manna is geweest en u gespijsd heeft, die gedurende uw geheele leven uwe Steenrots is geweest, waaruit gij gedronken hebt! Houdt Hem in gedachtenis ! Gisteren was Hij uw Manna, Hij zal het ook heden wederom zijn; gisteren was Hij uwe Steenrots , en die Steenrots gaat mede door hot leven! — Maar aan hen alleen wil God Zijne genade en den Heiligen Geest geven, die zonder ophouden met hartelijke zuchten Hem daarom bidden en daarvoor danken.

„Zonder ophoudenquot;? Kan ik zonder ophouden bidden en Hem danken ? Ach, de arme mensch hier beneden denkt toch eigenlijk slechts daaraan, dat hij te eten en te drinken en zich te kleeden heeft, hij vraagt weinig naar Gods gebod, naar den welstand der zijnen, naar genade en eer in waarheid. Maar hier is sprake van „hartelijke zuchtenquot; — alzoo : „Ach God, ontferm U over mij! Ach God, help, ik kan niet meer! Ach God, zie mij aan!quot; Dit zijn zulke hartelijke zuchten, wanneer het er om gaat, dat Gods gebod gehouden worde in het verborgen en in het openbaar, in het huis en in alle dingen van dit leven. Wanneer het werkelijk het hart daarom te doen is, dan is er zonder ophouden kruis, dan is er zonder ophouden nood, ergernis en strijd, dan zijn de vierhonderd leugenprofeten voortdurend bezig tegen eiken pro-

9

ocr page 12

EERSTE LEERREDE.

foot in 't bijzonder, om zijn getuigenis te vernietigen, clan zijn alle vijanden gedurig daarop uit, hem te dwingen, de wapenen neder te leggen als een laf soldaat. Dan hebben wij zonder ophouden noodig het hartelijk zuchten tot den almachtigen God, dat Hij woord en trouwe houde; — een voortdurend zuchten: Zoo Gij, Heere, mijne ongerechtigheden gadeslaat, dan kan ik niet bestaan! Daarbij is een Christen een barmhartig koning, en zoo is er dan een voortdurende strijd om barmhartig te zijn, en men heeft met louter onbarmhartige menschen te doen. Dat alles komt van buiten. Maar hoe spookt het dan eerst van binnen! Wat gaat er niet om in eens menschen hart, in de nieren van een mensch! Hoe kan een mensch door booze droomen diep ongelukkig gemaakt worden ! De leden van het lichaam — ach, wie houdt ze allen in toom? — De handen, dat zij geen verkeerde dingen doen; de voeten, dat zij niet op verkeerde wegen wandelen, en de tong, deze wereld vol van ongerechtigheid!? Houdt die eens in toom, als gij kunt! Dit vreeselijk vuur, hoe steekt het niet alles aan! En daar ligt dan do Christen en het heet: De Filistijnen over u, Simson! Maar, Mijne Geliefden, de profeet laat zich toch den mond niet stoppen, al is hot, dat hij gelijk Jona over boord wordt geworpen! Zulk een priester houdt het toch uit togen allo Baaispriesters, en laat zich door hen niet moede maken, en zulk een koning geeft het zwaard niet over, geeft het wachtwoord niet af; en zoo is er dan een voortdurend zuchten van den morgen tot don avond en des nachts, wanneer men niet slaapt, zoodat het gedurig heet: o God, ontferm U! Heere God geef uitkomst! zie op mij!

Zoo wil dan God, dat wij Hem in goede gedachtenis houden, gelijk ook onze Heere Jesus Christus gezegd heeft: Doet dat tot Mijne gedachtenis! Vergeet Hem niet, die u het leven heeft geschonken en u met zoo vele weldadigheden heeft overladen. Dat slechts wil Hij hebben, dat wij gevolg geven aan Zijne roepstem: Komt herwaarts tot Mij , allen, die vermoeid

10

ocr page 13

eerste leerrede.

on belast zijt! Ghj aangovochtenen, komt, zooals gij zijt. Gij kunt u zelvon toch niet helpen! Wat wil God geven? Genade wil Hij geven en Zijnen Heiligen Geest. Dat kan geen schepsel. Laten wij dus Hom niet vergeten! En wat zou ook een mensch voor ons doen ? Die weet niets! die is niet alwetend, en al had hij ook de wijsheid van Salomo, toch is dit geene alwetendheid om te doorzien wat de toestand is van een arm en zwak hart, dat van menigen storm wordt omgedreven! Geen schepsel weet, hoe het er in mijn binnenste uitziet, dat weet alleen de Heere, en Hij is machtig en bereid te helpen met middelen of zonder middelen tegen allerlei nood en verlorenheid in. Almachtig is Hij. Wij hebben Zijne almacht noodig, die almacht, waarmede de zonde geworpen wordt achter Gods rug, — die almacht, dat genade tot ons kome en het woord vernomen worde: „Uwe zonden zijn u vergeven!quot; Dat is de almacht van het bloed des Nieuwen Testaments. Geen mensch kan, wanneer hij wil; en wil, wanneer hij kan; maar de Heere wil, dat wij Hem in goede gedachtenis houden en van Hom zingen en betuigen:

„Hij kau en wil en zal in nood,

Zelfs bij liet nadren van den dood,

Volkomen uitkomst gevenquot;.

Amen.

Slotzang: Psalm 33, vs. 11.

Laat ons alom Zijn lof ontvouwen:

In Hem verblijdt zich ons gemoed ,

Omdat wij op Zijn Naam vertrouwen,

Dien Naam, zoo heilig, groot en goed.

Goedertieren Vader,

Milde Zegenader!

Stel Uw vriendlijk hart,

Op wiens gunst wij hopen,

Eeuwig voor ons open ;

Weer steeds alle smart.

11

ocr page 14

TWEEDE LEERREDE.

Voorzang: Psalm 78, vs. 7 en 8.

Zijn almacht wist de zee van een te scheiden En 't angstig lieir daar droogvoets door te leiden, Als op een hoop deed Hij de watren rijzen;

lly gaf des daags, om hun den weg te wijzen, Een wolkkolom ; een licht des vuurs bij nacht, Totdat Hij hou in 't vruchtbaar Kamlu bracht.

Ook spleten zelfs de rotsen op Zijn wenken,

Geen afgrond kon het volk ooit milder drenken :

De woestenij gaf zuivre watervlieten,

Die de Almacht uit de steenrots voort deed schieten,

Gelijk een stroom, die, golvend afgeglecn.

Zijn armen spreidt door al de velden heen.

Vraag: Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is, en door Hem verhoord wordt?

Antwoord: Eerstelijk, dat wij alleen den eenigen waren God, die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, om al hetgeen Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere, dat wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner Majesteit verootmoedigen. Ten derde, dat wij dezen vasten grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn , om des Heeren Christi wil, zekerlijk wil verhooren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

Ileid. Cat. Vr. eu Autw. 117.

Mijne Geliefdon! Wij handelden verleden Zondagavond over Gehomleii den 8. Octobur 1871, 's avomls.

ocr page 15

TWEEDE LEERREDE.

13

liet gebed. Toen overwogen wij eerst do vraag: „Waarom is het gebed den Christenen van noode?quot; Toen zeiden wij: een Christen is een profeet, want hij is gezalfd om des Heeren Naam te bekennen; hij is oen priester, want hij is gezalfd om zich zeiven tot een levend dankoffer aan God te offeren; en eindelijk, hij is een koning, om met eene vrije en goede consciëntie tegen de zonde en den duivel te strijden, en hiernamaals in eeuwigheid mot Christus over alle schepselen te regeeren. Ik zeide vervolgens, dat des Christens doodvijanden, de duivel, de wereld en het eigen vleesch en bloed niet ophouden, zulk een profeet, priester en koning van den Tleere Jesus iederen dag, om niet te zeggen ieder uur aan te vechten, on dat zulk een profeet, priester en koning geen ander wapen heeft dan het gebed; — verder, dat wij tegen onze vijanden genade en don Heiligen Geest noodig hebben, en dat God Zijne genade en den Heiligen Geest alleen aan hen geven wil en geeft, die zonder ophouden — niettegenstaande het „zonder ophoudenquot; der aanvechtingen, — met hartelijke zuchten daarom bidden en daarvoor danken. Daarop laat nu de Catechismus de vraag volgen; „Wat behoort tot zulk een gebed, dat G o d e aangenaam i s e n d o o r Hem verhoord wordt?quot; Het is alle geloovigen steeds daarom te doen geweest, zóó te bidden, dat het Gode aangenaam was, en het ging er hen verder om , dat hun gebed, — want zij kunnen niet in de lucht schermen — ook door God verhoord worde. Maar daar ziet de biddende op den Heere Jesus Christus, als op zijnen Voorpraak, Profeet en Koning; en het gebed der Gemeente tot dezen onzen Voorspraak, den Heere Jesus is : God verhoore Zijn gebed! Zijn gebed moge aangenaam zijn! Dat lezen wij in den 208ten Psalm, Daar spreekt de Gemeente tot Christus, den Messias, op wien zij in het geloof staart, aldus: „De Heere verhoore U in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette U ineen hoog vertrek'quot;, U als onzen Profeet, Priester en Koning ; want wij weten aan onze aanvochtingen, wat Gij voor ons hebt doorgemaakt. Wij zouden allen onder de aanvechtingen

ocr page 16

TWEEDE LEERREDE.

omkomen, maar Gij zijt onsgogevon, opdat wij staande blijven, dat wij niet verslonden worden, maar uit do aanvechting uitkomen! „Hij zende Uwe hulp uit het heiligdom en ondorsteune Unit Zion. Hij gedenke aller Uwer spjjsofferen en make Uw brandoffer tot asch. Sela! Hij geve U naar Uw hart en vervulle al Uwen raadquot;. „Naar Uw hartquot;, namelijk tot nut der Gemeente, waarvan wij lezen in den 21stcn Psalm: „O Heere, de Koning is verblijd over Uwe sterkte, en hoezeer is Hij verheugd over Uw heil. Gij hebt Hem Zijns harten wensch gegeven en do uitspraak Zijner lippen hebt Gij niet geweerdquot;. — „Het leven heeft Hij van U begeerd. Gij hebt het Hom gegeven , lengte van dagen, eeuwig en altoosquot;. De Gemeente nu zegt in het 6C vers (Ps. 20) tot Christus : Daar Gij bidt, hetgeen Gode aangenaam is, en Uw gebed verhoord wordt, weten wij, dat nu ook wij door U, in U en met U onze gebeden verkrijgen. Daarom staat er: „Wij zullen juichen over Uw heil en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods, dat is het getuigenis: Do Heero helpt uit!

En nu : Wat behoort tot zulk een gebod, dat God aangenaam is, en door Hem verhoord wordt? Het antwoord luidt: „D at w ij alleen den ee n i g e n waren God a a n r oe p e nquot;, d. i. den God, die hemel en aarde geschapen heeft, die trouwe houdt tot in eeuwigheid en nooit laat varen de werken Zijner handen, die alleen onzen nood kent, die alleen helpen kan en alleen helpen wil, die het oor neigt tot onze diepste zuchten, en Zich juist daarin betoont als ware God, dat Hij ons steeds helpt; ook waar wij zulks het minst vermoeden, zoodat wij het met handen kunnen tasten : hier is de Heere God, Hij heeft geholpen, de menschen hebben het niet gedaan, do menschen hebben het niet geweten. Wij kennen God uit Zijn Woord. Daar openbaart Hij Zich als alwetend, als Dengene, die alles weet, — als den alomtegenwoordige, dat Hij daarom nabij is met Zijne hulp; ja Hij openbaart Zich als almachtig, geduldig, lankmoedig, getrouw, als eenwig dezelfde, die nooit moede wordt noch mat, wiens verstand ondoorgrondelijk is.

14

ocr page 17

TWEEDJ! LEERREDE,

wiens wijsheid alios to bovon gaat, wiens waarheid zich nïot laat krenken, wions Woord niet tor aarde valt, maarten uitvoer brengt, wat het belooft. Dozen eenigen waren God, die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard hooft, mogen wij aanroepen. liet is Zijn wil, dat wij Hom aanroepen, Zijn lieilige, genadige, koninklijke wil. Wij znllon dus niet op een vleo-scholijken arm vertrouwenniet op afgoden, die toch niet kunnen helpen, maar wij mogen Hem te hulp i-oepen, dat is Zijn wil. Deze grooto God , dien de hemelen der hemelen niet kunnen bevatten, wil Zich met ons nietige menscbenkinderen afgeven, met onze nooden, die ons wel is waar als bergen voorkomen, maar voor Hom zijn, als stofjes, en bet is Zijn wil, dat wij Hem daarom aanroepen. Daar zijn wij Hem niet te gering, daar is onze angst, onze nood Hem niet te klein. Waar een mensch ons zou bespotten en zeggen: Wat vermeet gij u, zoudt gij mij met al uwe klachten zoo lastig vallen? Dat zou toch te erg zijn! Daar wil juist God, dat wij met alles tot Hom komen, een ieder met zijnon nood, waarin hij in zijn stand en beroep zich bevindt. Wij mogen Hem aanroepen om al hetgeen Hij ons geboden heeft te bidden. Geboden heeft? Ja, neemt Gods Woord tor hand, en gij zult vinden, hoe God ons in den nood bij Zijn Woord vasthoudt, hoe Hij ons om zoo te zeggen daaraan vastbindt, om op zulke beloften Gods te staan. Zoo is het dus een geschenk van Hem en tegelijk een gebod. Het is toch wonderbaar, dat de Koning van hemel en aarde ons gebiedt: „Roept Mij aan in den dag der benauwdheid, Ik zal er u uithelpen , en gij zult Mij eorenquot;, (Ps, 50, vs, 15). En daarbij zet Hij ons geen maat of perk, maar veroorlooft ons, als kinderen op onze bede te staan, tot wij zo verkregen hebben.

Maar daar staat nu bij, dat wij Hem van harte moeten aanroepen. Dat is het hoofdpunt, Mijne Geliefden; want niet hetgeen verstand en gevoel ons ingeven, maar hetgeen God ons beeft op het hart gebonden, hetgeen zaak des harten is, dat mogen wij Gode voorhouden. Wanneer wjj van harte tot

15

ocr page 18

TWEEDE LEERREDE.

16

Hom bidden, dan is het bij ons ernst, dan is ons gebed niet ongeloovig, niet vol twijfel, dan is het niet „ja en neenquot;, „wij willen het eens afwachten, hoe het uitkomtquot;, maar God geeft het in het hart, legt het op het hart, en het hart bidt. Daarom heet het „van hartequot;. Maar laat ons daarbij geduld hebben. Heeft iemand drie malen tot God geroepen, dat de Satansengel van hem mocht wijken, en heeft de Heere hem geantwoord: „Laat Mijne genade u genoeg zijnquot;, — dan moeten ook wij geduld leeren. Maar nu is er toch zoo veel, zoo veel in dit leven, waaronder het hart waarachtig als gebroken en verslagen is, waar men van harte smeekend naar iets uitziet, — want wij zijn menschen, geene engelen, ook geene halve engelen, maar menschen, — en wat er nu van God zoo van harte wordt begeerd, dat geeft Hij. Derhalve roepen wij tot den eenigen waren God, die ooren heeft en hoort, die oogen heeft en ziet, die handen heeft om te helpen, en voeten om te komen, waar do nood ten top is gestegen. Hij heeft een waarachtig vaderlijk hart en een onbeperkte macht. Waarlijk een kind, dat eenen verstandigen en goeden vader heeft, zal er toch niet aan twijfelen, dat, hetgeen in de oogen van anderen wellicht slechts een poppetje is, om ei-mede te spelen, door dezen vader hom zal gegeven worden. Waar gij nu God van harte om iets bidt, daar kan het geene zaak van gewoonte zijn. Wanneer wij ook de gewoonte bobben, des morgens en des avonds met onze familie een gebed te doen, hetgeen zeer is aan te raden, zoo is toch het eigenlijke gebed iets anders. Wij bidden dan gewoonlijk in ons gebed, dat de huisvrede, de eendracht blijve, dat de kinderen in de vreeze Gods worden opgevoed, dat alzoo het leven der familie in God zij. Maar als ik zoo vraag: „wat behoort to'; zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en door Hem verhoord wordt?quot; Dan denk ik: ach, mijn gebed zal Gode niet aangenaam zijn, ik ben te zondig, of de nood is te groot, het is alles te bedorven, te zeer verward! Nu, denk dan toch aan Gods bevel: „Roep Mij aan in den dag der benauwdheidquot;,

ocr page 19

TWEEDE LEERREDE.

Ik zal er u uithelpen (Ps. 50, vs. 15), en laat u niet terughouden, ook niet door don grootsten nood, de diepste ellende.

Ziet, ook dat behoort juist tot een gebed, dat God aangenaam is en door Hom verhoord wordt: dat wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig erkennen. Erkennen, niet slechts „kennenquot;, maar „erkennenquot;. Wanneer nu alzoo uw nood, lichamelijke, huiselijke of inwendige nood recht diep is, dat wil zeggen, dat gij daarmede in de diepte ligt, en gij daarhenen gaat in verlegenheid en droefheid, wanneer gij gevoelt en beseft: de nood en de ellende is grondeloos; wanneer gij gevoelt en beseft, hier is geen raad en geene hulp, hier kan alle macht van het zichtbare niet helpen, dan wil God, dat gij juist met uwe radeloosheid en hulpeloosheid tot Hem komt. Mijne Geliefden, wie zijne zonde recht en grondig erkent, die kan zich zeiven niet helpen; wie zijne ellende recht en grondig erkent, die weet niet waarheen, weet geen raad en ziet geene uitkomst. Wat wil een mensch nu doen? Zóó is hij naar zijn gevoelen godvruchtig en na vijf minuten goddeloos; zóó heeft hij vrede en zóó werpt hij zijnen eigenen vrede weder omver; zóó is hij heilig en zóó weder verzonken in modderig slijk; zóó jubelt hij en zóó is hij weenende; zóó staat hij hoog en zóó is hij weder nedergeslagen; zóó verblijdt hij zich in den Heere en zóó heet het weder: Al deze dingen zijn togen mij! Dan erkennen wij onzen nood en onze ellende wel, maar wij erkennen die zóó, dat wij de droefheid in onze harten ruimte geven, dat wij hopeloos en radeloos worden. Maar nu wil God, dat, wanneer gij uwen nood en uwe ellende recht en grondig erkent, wanneer gij het dus erkent: God alleen kan hier helpen, dat gij dan tot den Heere komt, en dan komt gij juist zoo als de Heere het wil hebben; want zoolang gij nog eene achterdeur hebt voor uwe hartstochten eene achterdeur bij den weg, hoe gij geleid zjjt geworden, of bij menschen, dan zult gij God wel aanroepen, maar niet van harte, ja dan komt een mensch er gemakkelijk toe, om tot God te zeggen: „Gij behoeft mij niet te helpen '. Maar dat heb ik van mijne

2

17

ocr page 20

TWEEDE LEERREDE.

jougd af ondervonden, ik ben door allo radeloosheid heenge-komen, maar niet menschen, God do Ileere alleen, die heeft gehoord, die hoeft geholpen, toen ik aan den rand van den afgrond lag! Dus gaat het daarom, dat gij nw leven lang uwen dagelijkschen nood en ellendigheid recht en grondig erkent, alzoo, dat gij het wel weet: mij kan geen raensch helpen, alleen God almachtig kan mijn Raadsman zijn; zoo gaat gij dan altijd tot God en juist die grondige erkentenis van uwen nood en uwe ellendigheid drijft u daartoe.

Onzen nood en onze ellende moeten wij echter erkennen als onze eigene schuld. Wij behoeven eigenlijk niet in zulken nood te verkeeren. Wij zouden ons niet in zulken nood en zulke ellende bevinden, als wij maar beter acht gaven op Gods Woord, Zijne Wet en gebod, bijv. op het woord : „God wederstaat de hoovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genadequot;,, Als men dat nu niet hoort, niet op zich zolven toepast, niet begrijpt, wat voor een hoogmoedig dier men is, dan kan men Gods Woord wel vernemen en Zijne gaven zich ten nutte maken, maar tegen God en menschen in, en zoo gebeurt liet dan, dat God u wederstaat; en is Hij u genadig, dan zal Hij u alzoo wederstaan, dat gij uw dool niet bereikt, en aan uwen wil niet voldaan wordt. God is niet de oorzaak er van, dat wij, zoo als wij heden morgen beleden, met ons ongeloof en onze booze lusten hebben te strijden. Dat komt niet van God, maar uit ons eigen hart, en zoo berokkenen wij ons zeiven al die nooden en die ellende. Waart gij wijs, dan zoudt gij Gods Woord hooren, gelijk David, de knecht Gods zegt: Ach, dat ik Uwe geboden onderhouden had!quot; Maar dan komt er juist de nood en de ellende. Wat nu te doen? Ik weet niets beter, dan wat de Catechismus zegt: dat gij u voor het aangezicht Z ij n e r Majesteit verootmoedigt, dat gij wel begrijpt, tegen wien gij zondigt. Al hetgeen uit het hart voortkomt en waarvan het laatste en ergste „onverstandquot; is, dat is tegen Gods heiligheid gericht, is een beleediging Zijner Majesteit! Zoo moeten wij ons dus verootmoedigen over zulke

18

ocr page 21

TWEEDE LEERREDE.

verkeerdheid, waardoor wij ons steeds nieuwon nood en nieuwe ellende op den hals halen. Als wij ons verootmoedigen voor Zijne Majesteit, dan heeft Hij ons, gelijk Hij ons hebben wil, zoodat God zegt; Deze belijdt van harte zijne zonde en verootmoedigt zich voor Mij, roept om vergeving zijner verkeerdheid. Welaan, ïk zal hem verhoeren! Wonderbare God! wonderbaar in Zijne langmoedigheid en geduld, wonderbaar daarin, dat Hij Zich afgeeft met zulke schepselen als wij, dat Hij Zich zoo afgeeft, dat wij met onze zonde en seluild, met onze nooden, onze ellende Hem durven aanroepen. Wij moeten niet denken, dat wij eerst onzen nood moeten uit den weg geruimd hebben, maar wij moeten juist daarmede komen; Heere God, Gij ziet mijnen nood en mijne ellendigheid! bjj mij ligt de schuld, ik heb het verdiend, wat hebben deze schapen gedaan! Juist zoo wil God ons hebben. Ja, maar als ik dat zoo dagelijks overdenk, hoe ik toch de oiide knecht blijf, het houdt daarmede niet op; het booze blijft ons steeds bij, de wet in onze leden strijdt tegen de Wet van ons gemoed; er komen dikwijls plotseling dingen in ons hart op, waarover men siddert van angst; moet ik deze verkeerdheid dan niet eerst zelf uit den weg ruimen, en dan eerst tot God gaan? Neen, dat leert de Catechismus niet, dat leert ons Gods Woord niet. Zie eens, of gij licht zult hebben in uwe woning, •als gij de vensters sluit, — of gij door het leven, zooals het zich nu vertoont, zonder geld kunt komen? zie eens, of gij wat schoppen kunt, daar toch alle omstandigheden alleen van God afhangen; — zie, of gij het met uwe werken volhoudt, en is het ook vier weken goed gegaan, gij zult het ondervinden, dat gij weder op nieuw tot de bekentenis moet komen; Ik heb dien vast bezworen bond — zoo vaak gescheurd tot in den grond!

Maar nu heb ik bovendien nog iets. Verootmoedigt gij u voor Gods Majesteit, erkent gij het; mijne eigene zonde en verkeerdheid maakt, dat ik voortdurend in zulken nood en ellende kom! — dan wil God, — nu wat dan? Dat gij met

2*

10

ocr page 22

TWEEDE LEERREDE.

20

Zijn Lam komt, mot het Offer, dat Hij u gegeven heeft, dat g ij alleen dezen vaston grond hebt, en daarop uw betrouwen vestigt, het betrouwen, dat God om des Hoeren Christi wille uw gebed zekerlijk wil verhoeren. Dan belijdt ik slechts: ik heb niets, mot valsche munt kan ik niet betalen, met mijne goede voornemens ben ik reeds lang te schande geworden, mijn nood on ellende is zoo erg, dat ik het erken: hier helpt niets dan een „of — ófquot;; of ik moot ter helle varen, óf er moet genade voor mij zijn! met ongowasschen handen mag ik niet komen! Reiniging is er in hot bloed van Josus Christus ? nergens elders. Laat ons dus vertrouwen, dat God om Zijns lieven Zoons wille ons gebod, niettegenstaande wij dat onwaardig zijn, zekerlijk wil verhooren. En heeft Hij dat beloofd? Voorzeker, dat heeft Hij beloofd in geheel Zijn Woord, en zoo lezen wij hot ook in onzen Catechismus: dat wij dozen vasten grond hebben , dat Hij ons gebed, niettegenstaande, wij zulks onwaardig zijn , om des Hoeren Christi wille, zekerlijk wil verhooren, geljjk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft. „Zekerlijk!quot; God wil niet uwen dood, God wil niet uwe verdoemenis, God wil dat gij uwen nood en uwe ellende recht, en grondig erkent, en waar gij u zeiven dan deswegens voor Zijne Majesteit verootmoedigt, daar wil Hij, dat gij nochtans en juist daarom dezen vasten grond hebt — met de bekentenis, dat gij het onwaardig zijt, nochtans dezen vasten grond hebt: om Christi wille wil Hij zekerlijk mijn gebed verhooren. Zekerlijk! Christus is niet „ja en neenquot;, maar Christus is, Hij leeft. Hij zit ter Rechterhand Gods, Hij is onze Voorspraak, wiens spijsoffer en brandoffer God aanneemt. Dat lezen wij toch in den 20sten Psalm, en dus om Zijnentwille wil God ook ons gebed aannemen. Dat staat vast: Christus is of Hr is niet; is Hij niet, dan is alles ijdel en te vergeefs, maar is Hij, gelijk Hij is; en leeft Hij, gelijk Hij leeft, dan is uw gebed niet te vergeefs; maar juist in den nood, juist in de verootmoediging wil God bjj ons het vertrouwen hebben, dat Hij om Christi wille het gebed zekerlijk zal verhooren, gelijk

ocr page 23

tweede leerrede.

Hij hot in Zijn Woord hoeft boloofd; en daar hebben wij nu zulke heerlijke beloften in de Psalmen, bijv. Ps. 6, vs. 10: „Dc Heere heeft mijno smeeking gehoord, do Heerc zal mijn gebed aannemenquot;, en Ps, 10, vs. 14; „Gij ziet het immers, want Gij aanschouwt de moeite en hot verdriet, opdat men hot in Uwe hand geve; op U verlaat zicli de arme; Gij zijt geweest een Helper der weezen!quot; Amen.

Nazang: Psalm 28, vs. 6.

God geeft Zijn guustvolk moed en krachten;

Hij zul, in weerwil aller machten,

Zijn Kijksgezalfde staag behoeden.

lied, Heer, Uw Isrel uit al 't woeden:

Geef zegen aan Uw erv', en weid Uw volk; verhef ze in eeuwigheid.

21

ocr page 24

DERDE LEERREDE.

Voorzang: Psalm 33, vs. 7, 8 en 10.

De groote Schepper aller dingen

Ziet, uit het ongenaakbaar licht, Het gansch gedrag der stervelingen; Niets is bedekt voor Zijn gezicht. Uit Zijn vaste woning,

Daar Hij heerscht als Koning,

Daar Zijn lof, Zijn eer,

Klinkt door al de bogen,

Zien Zijn Godlijk' oogen Op al 't menschdom neer.

't Is God, aan tijd noch plaats gebonden. Wiens toezicht over alles gaat;

Die 't harte vormt en kan doorgronden; Die aller werken gadeslaat.

Schilden, bogen, dolken.

Dappere oorlogsvolkeu,

Wijsheid, moed noch kracht.

Kunnen ooit in 't strijden Eenig vorst bevrijden,

Zonder 's Heeren macht.

Zijn machtig' arm beschermt de vromen. En redt hun zielen van den dood.

Hij zal hen nimmer om doen komen, In duren tijd en hongersnood.

In de grootste smarten,

Blijven onze harten

In den Heer gerust.

'k Zal Hem nooit vergeten,

Hem mijn Helper heeten,

Al mijn hoop en lust.

(ieliuuduu den 15. Octoboi' 1871, 's voormiddags.

ocr page 25

DERDE LEERREDE.

Vraag: Wal heeft ous God bevolen van Hem te bidden?

Antwoord: Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke dt Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij ons zelf geleerd heeft.

Heid. Cat. Vr. 118.

Geliefdon in den Heere Josus Christus! Verleden Zondag behandelden wij de beide eerste vragen van den Heidelbergsohen Catechismus over het gebod. Heden willen wij met elkander de derde of 118at: vraag overwegen, die aldus luidt: „Wat heeft ons God bovolon, van Hem te bidden?quot;

Antwoord: „Alle geesto 1 ijkc enlichamelijkenood-druft, welke do Heere Christus begrepen heeft in hot gebed, dat Hij ons zelf geleerd heeftquot;., Volgens deze vraag hebben wij een bovel van God, om van Hom te bidden. Hetgeen wij van Hom te bidden hebben is nooddruft, geestelijke en lichamelijke, derhalve niet alleen geestelijke, maar ook lichamelijke, en andermaal niet alleen lichamelijke maar ook geestelijke. En als wij nu niet weten, hoe ons te uiten, hoeft de Heere Christus, door Gods Geest gezalfd, ons een gebod gegeven, waarin alles staat, wat ons geestelijk en lichamelijk noodig is, maar zóó, dat het ons begrip van nooddruft ver te boven gaat, zoodanig, dat Christus onze nooddruft geheel en al heeft gekend en heeft willen kennen, voordat wij ze kennen en beseffen, — nog eens ver boven ons begrip-Dat neemt niet weg, dat de Heilige Geest Gods volk leert in alle omstandigheden zich zóó uit te drukken als het hun op het hart ligt; dat neemt niet weg, dat Hij Gods volk leert, alles, wat het ook zij, den Heere God te klagen, Hem te belijden, en van Hem alles te vragen. Maar hetgeen wij dan van Hem bidden, dat zal steeds rusten op den grond van het gebed, dat do Heere Christus zelf ons geleerd heeft.

In dit morgenuur spreken wij over het gebed om de lichamelijke nooddruft; heden avond zullen wij, zoo God wil, het gebod om do geestelijke nooddruft behandelen. Ik stel de lichamelijke nooddruft voorop, omdat juist deze voor ons men-

23

ocr page 26

derde leerrede.

schen gewoonlijk de oorzaak is van de erkentenis onzer geestelijke nooddruft. Wat nu de lichamelijke nooddruft betreft, do Heere Jesus Christus leert ons aldus te bidden: „geef ons heden ons dagelijksch broodquot;, en daarin vat Hij samen al hetgeen wij menschen behoeven tot onderhoud van het lichaam om met God en eere door de wereld te komen. Ook hebben wij daarvan een apostolisch bevel in den brief van Paulus aan de rilippensen, Hoofdstuk 4, vs. 6: „Weest in geen ding bezorgd ; maar laat uwe begeerten in alles, door bidden en smeoken met dankzegging bekend worden bij Godquot;. En bijna met dezelfde woorden schrijft de Apostel Paulus in zijnen eersten brief aan Timotheüs, Hoofdstuk 2, vs. 1, 2: „Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen: voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheidquot;. Do Apostel leert ons derhalve, dat wij als menschen hier beneden in gemeenschap met andere menschen leven, en zoo houdt Hij ons voor oogen, hoe dit leven, al is het ook een voortdurende dood, in een anderen zin toch heerlijk is, wanneer het een gerust en stil leven is in alle godzaligheid en eerbaarheid, en om deze lichamelijke nooddruft, een gerust en stil leven in alle godzaligheid en eerbaarheid, te verkrijgen, vermaant Hij ons, vóór alle dingen vooreerst te doen smeekingen, gebeden; vervolgens voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen; dan ook voor koningen en allen, die in hoogheid zijn; en daarom schrijft hij vs. 8: „Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twistingquot;.

Tusschenzang: Psalm 134, vs. 1 en 2.

Looft, looft nu aller üeeren lieer,

Gij, Zijue knechten! geeft Hem eer;

Gij, die des nachts Zijn luiis bewaakt,

En voor Zijn dienst in ijver blaakt!

24

ocr page 27

DERDE LEERREDE.

Heft uwe handen naar omhoog;

Slaat naar bet heiligdom uw oog,

En knielt eerbiedig voor Hem neer:

Looft, looft nu aller heeren Heer!

Slaan wij, Mijne Geliefden! een gebed op, waar wij de bede vindon om lichamelijke nooddruft, 1 Kron. 4; aldaar lozen wij, vs. 9 en 10: „Jabcz nu was heerlijker dan zijne broeders; en zijne moeder had zijnen naam Jabez genoemd, zeggende: want ik heb hem met smarten gebaard. Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen en mijne landpale vermeerderen zult en Uwe hand met mij zijn zal, en Gij het met hot kwade alzoo maakt, dat hot mij niet smarte. En God liet komen wat hij begeerde''. — Hetgeen nu te voren geschreven is, dat is immers tot ouzo vertroosting geschreven. — Zoo hebben wij ook een gebed om lichamelijke nooddruft in Jakobs gelofte, Gen. 28, vs. 20 verv.: „En Jakob beloofde eene gelofte, — dat deed hij voor God, derhalve was het een gebed — zeggende: wanneer God met mij geweest zal zijn en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kleederen om aan te trekken; en ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn, zoo zal de Ileere mij tot eenen God zijn; en dezen steen, dien ik tot een opgericht teeken gezet heb, zal een huis Gods zijn en van alles wat Gij my geven zult, — hij had toen niets anders dan een staf, — zal ik U voorzeker de tienden gevenquot;.

Als Paulus schrijft van „smeekingenquot;, dan bedoelt hij daarmede, dat wij God, den Heere, moeten aanroepen, dat Hij alles van ons afwende, hetgeen wij vreezen, dat Hij den nood van ons afwende, die ons treft. quot;Wanneer hij schrijft van „gebedenquot;, dan zegt hij daarmede, dat wij God aanroepen om alles, waaraan wij gebrek lijden, en wat wij noodig hebben, als wij hulp begeeren. Als hij schrijft van „voorbiddingenquot;, dan meent hij daarmede, dat wij voor anderen, voor hen die ons lief zijn en voor onze naasten, ja zelfs voor onze vijanden,

25

ocr page 28

DERDE LEERREDE.

tot God bidden, gelijk wij zulk eene voorbidding van Abraham hebben, die nog staande bleef voor hot aangezicht des Heeren, toen Hij uitgegaan was, om Sodom te verderven; — gelijk -wij zulk eene voorbidding van Lot hebben, toen hij uit Sodom vluchtte en voor Zoar bad, dat do Heere deze stad om zijnentwil niet zoude omkeeren, „en zij is kleinquot; zeide hij. Zulk eene voorbidding hebben wij ook nog van Mozes; toen zijne zuster hem zoo zwaar had belcedigd, gelijk aan majesteitschennis, en zij tot straf melaatsch werd, bad hij: „O God, heel haar tochquot;. Zulk eene voorbidding hebben wij ook van Izak, toen hem geen kind geboren werd; van hem lezen wij, dat hij in de tegenwoordigheid van zijne vrouw gebeden heeft, God mocht haar zegenen en vruchtbaar maken, — en God liet komen, wat hij begeerde. En zoo lozen wij ook van Mozes, hoe hij voor het volk bad: „Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekkenquot;. En als Paulus eindelijk van „dankzeggingquot; schrijft, dan verstaat hij daaronder, dat wij nooit zullen vergeten de veelvuldige hulp, die de Heere ons heeft laten ondervinden in zoo menigen nood en droefheid, en hoe Hij ons hoeft verrast en ons voorgekomen is met Zijne hulp, toen wij zulks het minst vermoedden; — hij meent, dat wij aan Zijne weldaden, ons te voren bewezen, gedachtig blijven, en Zijne beloften, die Hij ook vroeger aan ons vervuld heeft. Hem voorhouden in den tegenwoordigen nood, dat wij Hem loven en betuigen: Gij zijt toch de God van mijn aangezicht! Toen en toen was ik in nood en Gij hebt mij verhoord en geholpen! Heere God, Gij kunt alleen helpen, ik ben het wel is waar niet waardig, maar ik bid U om Jesus wil, die gezegd heeft, dat Gij mijn Vader zijt: kom my ook ditmaal weder te hulp!

Maar om dit te verstaan en voor waar te houden, dat wij van God naar Zijn bevel alle lichamelijke nooddruft mogen bidden, hebben wij een gezond geloof noodig, dit gezonde geloof: God is. God leeft, God ziet, God hoort. God is almachtig , God is alomtegenwoordig, is aan geene plaats gebon-

26

ocr page 29

DERDE LEERREDE.

don, hoeft alle omstandigheden in Zijne hand en macht; niets kan Hem weerstaan, niets is Hem te wonderbaar. Laat ons vorder wol ter harte nemen, dat wij gowisselijk beloften van God hebben ook voor het lichaam en hot lichamelijk leven. Toen de Hoore Josus Christus op aarde was, was Hij hier niet als oen geest, maar Hij hooft do waarachtige monschohjko natuur aangenomen, Hij hooft voor ons honger en dorst geledon, Hij hooft om onzontwil zonder dak willen zijn, Hij is voor ons arm geweest, naakt en bloot hing Hij aan het kruis, opdat Hij ons rijk, en dit lichaam heerlijk zoude maken, zoodat dit lichaam evenzeer een voorwerp van Zijne vaderlijke zorg is, als onze ziel, — Komen wij bij do Mystieken, dan vinden wij hen steeds biddende, den gehoelen dag; maar hun gebed is eigenlijk niets anders, dan een zich onttrekken aan de lichamelijke dingen en eeno zelfaanbidding. Maar wij moeten door dit leven henen mot God en eere, en dan moeten wij niet alleen bidden, maar ook arbeiden, en bij den arbeid behoort wederom het gebed. Komen wij in kloosters, dan huichelt men daar, dat men het lichaam kastijdt en zich het noodige onthoudt; maar men doet het tegendeel. En toch, al deed men het ook, hebben wij het wel te verstaan, dat wij door Christus zijn gekocht met lichaam en ziel, en dat Christus lichamelijk is uit het graf verrezen, en lichamelijk is ten hemel gevaren en wederkomen zal, om onze lichamen op te wekken uit het stof des doods en aan Zijn heerlijk lichaam gelijkvormig te maken. Ik zoido, dat de lichamelijke nooddruft zeer dikwijls aanleiding geeft tot de erkentenis der geestelijke nooddruft, d, i. dat God juist daarom de zorg, den nood, de smart, ziekte en armoede op ons werpt, opdat wij gedreven worden tot hot gebed, zoodat, terwijl wij van Hem bidden, wat wij noodig hebben, wij van Hem verkrijgen niet slechts wat voor het lichaam goed is, maar ook nog bovendien en nog veel meer, wat de ziel behoeft.

Wij zijn Christenen. Wij zijn toch geon heidenen, maar zijn gedoopt, wij gingen en gaan ter catechisatie, en bij

27

ocr page 30

DERDE LEERREDE.

28

onzen doop hebben wij de belofte ontvangen, dat God eeuwig onze Vader zijn, en ons met al hetgeen wij noodig hebben, verzorgen wil. Als wij ons dan tot hiertoe niet tot God bekeerd hebben, dan mogen wij ons toch niet van hot gebed laten terughouden, maar zijn gehouden ons des to meer tot God te wonden, en liet niet voor niets te achten, dat wij met den doop begenadigd zijn, en met het onderwijs des Woords, en dat wij van Christus het gebed ontvangen hebben: „Onze Vader, die in de hemelen zijt!quot; Zonder God komt gij niet vooruit, al zijt gij ook van gedachte, dat het anders is. Alle uiterlijk geluk, uiterlijke goederen, uiterlijk vooruitkomen en welstand brengt op zich zelve den mensch in het verderf. Alles wat begonnen wordt zonder God, dat gaat ook vooruit zonder zegen Gods en het einde er van is de vloek. Daarentegen op al hetgeen met God wordt aanvaard, legt God Zijnen zegen, en dan maakt deze zegen rijk, en dit is dan ook een rechtmatig erfdeel tot op de laatste erven. Ik weet hot wel: te begrijpen, dat men met God door de wereld moet komen, is eene gave Gods; dat heeft een mensch niet van zich zelven. Maar zoo de mensch het ook al niet heeft, dan wordt het hem toch voor de voeten gelegd, daar het tot hem heet: „Gij zijt gedoopt in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes!quot; en kunt gij dan zeggen, dat zulk oen go-bed niet voor u gegeven is? Maar do mensch is eigenlijk gezegd te traag, om bij God om alle dingen aan te houden, of hij denkt: God is wel een God om in don nood te helpen; maar wanneer de nood weg is, dan wordt God vergoten. Ziet, Mijne Geliefden, gesteld een mensch verdient een goed loon zonder God — wie heeft des menschen oog in zijne macht? In eón oogenblik kan een mensch blind worden. Wie hecf: des menschon rechterhand of rechtervoet in zijne macht? In één oogenblik kan hij armen en beenen breken, of eene zware ziekte hem overvallen, zoodat hij niet meer in staat is verder iets te doen. En wie heeft het verstand van den mensch in zijne hand? In een oogenblik kan de mensch zijn verstand

ocr page 31

DERDE LEERREDE.

verloren hebben! Geeft God hot niet in Zijne barmhartigheid, dan kan de mensch nog zoovele legersteden in zijn huis hebben , en toch niet in staat zijn op ééne te liggen en te slapen; hij kan rijtuigen in bezit hebben en ze toch niet gebruiken, kan spijs en drank in zijn huis hebben, en toch niet in staat zijn te eten en te drinken. Zoo afhankelijk zijn wij, wat onze lichamelijke nooddruft aangaat, van den almachtigen en alom-tegenwoordigen öod. Daar wij nu zoo afhankelijk van Hem zijn, is het waarlijk heerlijk, voor niets te moeten zorgen, maar alle onze behoeften en nooden in smeeking en gebod den Heere God te openbaren. Vraag niet. of die groote God Zich zal bekommeren om een draad of schoenriem. Ja, Hij doet hot. Als gij Gods gebod onderhoudt, Hem voor oogen houdt, om in liefde des naasten en Gode ter eere te loven, wees dan daarvan verzekerd, dat ook al do haren op uw hoofd getold zijn, en die allo uwe haren geteld heeft, die ziet ook in uwe kast, op uwe legerstede, in uwe kamer en in alle uwe dingen!

Do knaap gaat ter school, ter catechisatie, en hij doet dat gewoonlijk zonder God en zonder gebed. Daarmede doet hij zeer verkeerd. Nog eens: hetgeen niet met God is begonnen, eindigt mot den dood. De knaap, hoe klein ook, mag bij God, Zijnen Vader aanhouden in het gebed, dat God met hem zij, en hem Zijnen Heiligen Geest geve, dat hij op de school prompt leere lezen, schrijven en rekenen, dat hij goed de talen leere, dat God hem daarbij zegene, — dan gaat het goed. En zoo is het ook mot het meisje; zij mag tot God bidden, dat Hij haar helpe de naald te hanteeren, dat zij haar moeder een goede hulp moge zijn in de huishouding, dat zij in alle werk vlijtig zij. Dat mag het kind zoo van God vragen om des Hoeren Jesus wil, en God zal het geven. De jongeling mag God, den Heere, bidden, als het hem ernst is, om naar het zevende gebod te leven en geene Sodomitischo zonden te bedrijven, die een vreeselijken vloek op den mensch brengen, — hij mag bij God aanhouden om een vrome huisvrouw van zijne belijdenis, en God, de Heere, zal hem ver-

29

ocr page 32

DERDE LEERREDE.

30

hooron en hem geven hetgeen voor hom in Gods oogon goed is. Maar wie zonder God de keuze doet en in hot huwelijk treedt, die moet verwachten, wat het medebrengt. — De jonkvrouw mag ook bij God aanhouden om genade, om zedig en kuisch te leven en tijd en uur af te wachten, waarop zij eenen echtgenoot noodig heeft, en God zal geven, dat het uitloopt tot heil en zegen. — Do zwakke huisvrouw, die aan zoo menige ziekte en zoo volo zorgen is blootgesteld, mag bij den Heere aanhouden, dat zij bij haren echtgenoot een steun en troost vinde in dit armzalig leven. En zoo mag een iegelijk in zijn stand en beroep, wanneer hij over hot een of ander in nood verkeert, tot God almachtig smeeken, dat God hem verstand en wetenschap geve, om met God en eero door de wereld te komen, en God zal geven al hetgeen een mensch noodig heeft; gelijk ook vader Jakob sprak van schoenen en kleederen om aan te trekken, en brood om te eten, en zich daarbij zoo kinderlijk eenvoudig voor God uitliet; en zoo ook Jabez: en God gaf boven al het bidden en verstaan, wat hij zoo van Hem bad. — Ook is gezondheid on kracht voor ons noodig en daarom mag ik dan ook om gezondheid en kracht God bidden, dat Hij doze of gene ziekte af were en het geve dat dit zwakke lichaam in staat worde gehouden, om voor het huis te zorgen, voor vrouw en kinderen. Wij mogen bidden voor de opvoeding der kinderen, dat zij opgevoed worden in de vrceze Gods. Ik zou niets weten te noemen, hotgeon men anders wel aan vader en moeder, aan vrouw of man, aan eenen dierbaarston vriend vertellen of mededeelen zou, al was het slechts te doen om een spijker of eene speld, al was het ook nog zoo gering, of zoo erg, dat men het niet duizend maal beter den Heere God zegt, die in den hemel is en die tot in de diepste diepte van ons hart en van onzen nood ziet. Stolen, dat moogt gij niet doen, en schaam u te bedelen, maar werk met uwe handen iets goeds en zet de tering naar de nering; want niet al hetgeen gij in uw hoofd omdraagt, moogt gij voor God brengen, als gij naar dingen streeft die Hij niet

ocr page 33

derde leerrede.

hooft geboden, of als gij uit den stand, waarin TTij u geplaatst heeft, wilt uittreden. Ja, uit do zonde weg, ja, uit de ongerechtigheid weg, maar anders zij oen iegelijk tevreden met zijn eenvoudige huismanskost, wanneer de almachtige God hem naar Zijne wijsheid niet moer toedeelt. Hij houde aan bij God en als God hem geen brood geeft te eten, dan hongero hij met God, maar hij bcdelo niet; hij ondorzooke eens goed, waarom God hem laat hongeren, waarom Hij hem in doze of gene verlegenheid en ziekte stort, waarom Hij hom laat vor-keeren in dozen of genen nood! Hij houde aan bij den Ileere en wonde zicli niet van Hom tot de afgoden! Houd aan bij don Hooro en strek uwe hand niet uit tot de ongerechtigheid! Houd aan bij don Heero, borg niet, en lieg niet, dat gij niet kunt betalen. En die Mij eeron — is des Hoeren Woord en belofte — die zal Ik ook eeron! Zoo zult gij dan, als gij dit in uw hart gevoelt: ik wil mijnen onzichtbaren Vader in don hemel niet krenken, maar wil Hom oeren voor engelen, duivelen on menschon — het ondervindon in do nietigste dingen van dit leven, waar het gaat om een dronk water of een flesch wijn, wat uwe ziel zal bogeoren, — kom als een kind tot don Vader , Hij weigort u niets! Amen.

Nazang: Psalm 86, vs. 4.

'k Ben gewoon, in bange dagen,

Mijn benauwdheid U te klagen;

Gij toch, die d'ellenden ziet,

Tïoort mij , en verstoot mij niet.

Heer! wat goun de heidnen roemen.

Niemand is bij U te noemen:

Daden, als Uw groote daan.

Treft men nergens elders aan.

31

ocr page 34

DERDE LEERREDE.

30

hoorcn en hem govon hetg-een voor hem in Gods oogen goed is. Maar wie zonder God de keuze doet en in liet huwelijk treedt, die moet verwachten, wat het medebrengt. — De jonkvrouw mag ook bij God aanhouden om genade, om zedig en kuisch te leven en tijd en uur af te wachten, waarop zij eenen echtgenoot noodig heeft, en God zal geven, dat het uitloopt tot heil en zegen. — De zwakke huisvrouw, die aan zoo menige ziekte en zoo vele zorgen is blootgesteld, mag bij den Heere aanhouden, dat zij bjj haren echtgenoot een steun en troost vinde in dit armzalig leven. En zoo mag een iegelijk in zijn stand en beroep, wanneer hij over het een of ander in nood verkeert, tot God almachtig smeeken, dat God hem verstand en wetenschap geve, om met God en eere door de wereld te komen, en God zal geven al hetgeen een mensch noodig heeft; gelijk ook vader Jakob sprak van schoenen en kleederen om aan te trekken, en brood om te eten, en zich daarbij zoo kinderlijk eenvoudig voor God uitliet; en zoo ook Jabez; en God gaf boven al het bidden en verstaan, wat hij zoo van Hem bad. — Ook is gezondheid en kracht voor ons noodig en daarom mag ik dan ook om gezondheid en kracht God bidden, dat Hij deze of gene ziekte afwere en het geve dat dit zwakke lichaam in staat worde gehouden, om voor het huis te zorgen, voor vrouw en kinderen. Wij mogen bidden voor de opvoeding der kinderen, dat zij opgevoed worden in de vreeze Gods. Ik zou niets weten te noemen, hetgeen men anders wel aan vader en moeder, aan vrouw of man, aan eenen dierbaarsten vriend vertellen of mededeelen zou, al was het slechts te doen om een spijker of cene speld, al was het ook nog zoo gering, of zoo erg, dat men het niet duizend maal beter den Heere God zegt, die in den hemel is en die tot in de diepste diepte van ons hart en van onzen nood ziet. Stelen, dat moogt gij niet doen, en schaam u te bedelen, maar werk met uwe handen iets goeds en zet de tering naar de nering; want niet al hetgeen gij in uw hoofd omdraagt, moogt gij voor God brengen, als gij naar dingen streeft die Hij niet

ocr page 35

DERDÏÏ LEERREDE,

hoeft g(3bo(len, of als o-ij uit don stand, waarin ITij u goplaatst hooft, wilt uittreden. Ja, uit do zondo wog, ja, uit do ongo-roohtigheid weg, maar andors zij een iegelijk tevreden met zijn eenvoudige huismanskost, wanneer de almachtige God hem naar Zijne wijsheid niet meer toedeelt. Hij houdo aan bij God en als God hom geen brood geeft te eten, dan hongere hij met God, maar hij bodole niet; hij onderzoeke eens goed, waarom God hem laat hongeren, waarom Hij hem in deze of gene verlegenheid en ziekte stort, waarom Hij hem laat vorkeeren in dozen of genen nood! Hij boude aan bij den Heere en wonde zich niet van Hem tot do afgoden! Houd aan bij den Heere en strek uwe hand niet uit tot de ongerechtigheid! Houd aan bij den Heere, borg niet, en lieg niet, dat gij niet kunt betalen. En die Mij eeren — is des Hecrcii Woord en belofte — die zal Ik ook eeren! Zoo zult gij dan, als gij dit in uw hart gevoelt: ik wil mijnen onzichtbaren Vader in den hemel niet krenken, maar wil Hem eeren voor engelen, duivelen en menschen — het ondervindon in de nietigste dingen van dit leven, waar het gaat om een dronk water of een Hesch wijn, wat uwe ziel zal begeeren, — kom als een kind tot den Vader, Hij weigert u niets! Amen,

Nazang: Psalm 86, vs, 4.

'k Ben gewoon, in bange dagen,

Mijn benauwdheid U te klagen;

Gij t.och, die d'ellenden ziet,

Hoort mij , en verstoot mij niet.

Hoer! wat goun de heidnen roemen,

Niemand is bij TJ te noemen;

Daden, als Uw groote daan,

Treft men nergens elders aan.

31

ocr page 36

V1 E R D E L E E R E E D E.

Voorzang: Psalm 116, vs. 1—4.

God heb ik lief; want die getrouwe Heer Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor; 'kroep tot Hem al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

Ik lag gekneld in handen van den flood,

Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen;

Ik was benauwd, omringd door droefenissen;

Maar riep den Heer dus aan in al mijn nood:

„Och Heer! och werd mijn ziel door U gered!quot;

Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig.

De Heer is groot, genadig en rechtvaardig En onze God ontfermt Zich op 't gebed.

D' eenvoudigen wil God steeds gadeslaan;

'k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder,

Keer, mijne ziel! tot uwe ruste weder;

Gij zijt verlost; God heeft u welgedaan!

Vraag: Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden? Antwoord: Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij ons zelf geleerd heeft.

Heid. Cat. Vr. 118.

Mijne Geliefden! Heden morgen zeide ik, dat wij in dit avonduur daarover zouden handelen, dat wij naar Gods bevel mogen en moeten bidden om alle geestelijke nooddruft. Maar nu is mij ondertusschen nog iets voor oogen gekomen. Menigeen

Gehouden den 15. October 1871, 's avonds.

ocr page 37

VIERDE LEERREDE.

zou wel in bestrijding kunnen komen, als hij zoo dikwijls reeds wegens zijne lichamelijke nooddruft God gebeden en toch geene verhooring gevonden heeft. Daarover kan een kind Gods wel in bange twijfeling komen. Maar ik vraag, of verstandige ouders een kind alles geven, wat het van vader of moeder verlangt, of zij het toelaten, dat het kind zijne maag, zijne gezondheid bederft, of dat het zich op wegen begeeft, die het in het verderf storten ? In het algemeen blijft het woord van den Apostel Jakobus toch waarheid en daarbij hebben wij ons allen te verootmoedigen, (ïïoofdst. 4, vs. 1 — 3): „Van waar komen krijgen en vechterijen onder u ? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uwe wellusten, die in uwe leden strijd voeren? Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt. Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uwe wellusten doorbrengen zoudtquot;. En dan volgt er in vs. 4: „Zoo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteldquot;. Dat is niet anders geworden, maar het is zoo gebleven tot op den huldigen dag.

Maar wat de kinderen Gods betreft, zoo weten wij bijvoorbeeld , dat David, nadat hij van den Profeet Nathan vernomen had, dat de zoon, uit Bathseba geboren, sterven zou, zich afzonderde, gevast en geboden heeft; maar verder, dat God de Heere dit gebed niet heeft verhoord. God heeft wel alle zijne gebeden verhoord, maar Gods woord is ook waar gebleven: „Het zwaard zal van uw huis niet wijken in eeuwigheidquot;. God heeft hem ook wederom, toen het kind gestorven was, tevreden gemaakt met dien zwaren weg; ik denk, dat David wel het meest gebeden heeft om het heil der ziel van het kind, dat dit kind, in echtbreuk gewonnen, niet ter helle mocht varen, maar behouden werd.

Toen Abraham oud was en op nieuw de belofte ontving, dat hem uit Sara een zoon zou geboren worden, was hij vol twijfel; hij kon het niet aannemen en bad: „Och dat Ismaël loven

3

33

ocr page 38

VIERDE LEERKEDE.

Voorzang: Psalm 11G, vs. 1—4.

God heb ik lief; want die getrouwe Heer Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor; 'kroep tot Hem al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

Ik lag gekneld in banden van den dood ,

Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen;

Ik was benauwd, omringd door droofenissen;

Maar riep den Heer dus aan in al mijn nood:

„Och Heer! och werd mijn ziel door U gered!quot;

Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig.

De Heer is groot, genadig en rechtvaardig En onze God ontfermt Zich op 't gebed.

D' eenvoudigen wil God steeds gadeslaan;

'k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder,

Keer, mijne ziel! tot uwe ruste weder;

Gij zijt verlost; God heeft u welgedaan!

Vraag; Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden? Antwoord: Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij ons zelf geleerd heeft.

Heid. Cat. Vr. 118.

Mijne Geliefden! Heden morgen zeide ik, dat wij in dif. avonduur daarover zouden handeion, dat wij naar Gods bevel mogen en moeten bidden om allo geestelijke nooddruft. Maar nu is mij ondertusschen nog iets voor oogon gekomen. Menigeen

Gehouden den 15. October 1871, 's avonds.

ocr page 39

VIERDE LEERREDE.

zou wel in bestrijding kunnen komen, als hij zoo dikwijls reeds wegens zijne lichamelijke nooddruft God gebeden en toch geene verhooring gevonden heeft. Daarover kan een kind Gods wel in bange twijfeling komen. Maar ik vraag, of verstandige ouders eon kind alles geven, wat het van vader of moeder verlangt, of zij het toelaten, dat het kind zijne maag, zijne gezondheid bederft, of dat het zich op wogen begeeft, die het in het verderf storten ? In het algemeen blijft het woord van den Apostel Jakobus toch waarheid en daarbij hebben wij ons allen te verootmoedigen, (Iloofdst. 4, vs. 1 — 3): „Van waar komen krijgen en vechterijen onder uP Komen zij niet hiervan, namelijk uit uwe wellusten, die in uwe leden strijd voeren? Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen èn kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt. Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uwe wellusten doorbrengen zoudtquot;. En dan volgt er in vs. 4: „Zoo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteldquot;. Dat is niet anders geworden, maar het is zoo ge-bloven tot op den huldigen dag.

Maar wat de kinderen Gods betreft, zoo weten wij bijvoorbeeld, dat David, nadat hij van den Profeet Nathan vernomen had, dat de zoon, uit Bathseba geboren, sterven zou, zich afzonderde, gevast en gebeden heeft; maar verder, dat God de Heere dit gebed niet heeft verhoord. God heeft wel alle zijne gebeden verhoord, maar Gods woord is ook waar gebleven: „Het zwaard zal van uw huis niet wijken in eeuwigheidquot;. God heeft hem ook wederom, toen het kind gestorven was, tevreden gemaakt met dien zwaren weg; ik denk, dat David wel het meest gebeden heeft om het heil der ziel van het kind, dat dit kind, in echtbreuk gewonnen, niet ter helle mocht varen, maar behouden werd.

Toen Abraham oud was en op nieuw de belofte ontving, dat hem uit Sara een zoon zou geboren worden, was hij vol twijfel; hij kon het niet aannemen en bad; „Och dat Ismaël leven

3

33

ocr page 40

VIERDE LEERREDE.

mocht voor Uw aangezichtquot;. Maar Gods testament en Zijn verbond zal toch vast blijven: „Ja, aangaande Ismaël heb Ik u verhoordquot;, verkreeg hij tot antwoord, „maar hij zal uw erfgenaam niet zijn, want in Izak zal uw zaad genoemd wordenquot;.

Saul bidt ook tot God, en God verhoort hem eenmaal, een andere maal daarentegen verhoort Hij hem niot. En waarom niet? Wijl hij vol was van eerzucht en eigenliefde; hij zag niot op Gods eer en op Gods volk, maar op zijne eigene eer, dat hij koning was, en daarom wilde hij zijne huichelarij en goddeloosheid doorzetten.

Wanneer God het gebed des oprechten ook niet zóó verhoort, als deze het dacht, dan zal Hij hem toch tevreden stellen met al Zijne wegen. Hij houde slechts aan in hot gebed bij God en twiste niet over de wegen Gods, dat hij zijne bede ditmaal niet verkregen heeft; God zal hem zijne bede wel geven of iets beters.

En hiermede komen wij tot de hoofdzaak, dat is de geestelijke nooddruft. Om alle geestelijke nooddruft mogen wij God bidden in den Naam van don Heere Jesus. Slaan wij dan eenen tekst op, die zulk een gebed bevat, wolken wij vinden in het Hooglied van Salomo (Hoofdst. 1 , vs. 2): „Hij kusse mij met de kussen Zijns monds, want Uwe uitnemende liefde is beter dan wijnquot;. En nu,, om wat mogen wij dan God bidden? Om allo geestelijke nooddruft. Wat behoeven wij dan allereerst? Den kus Zijns monds. Wat mag dat wezen? Dat is Zijn vrede. Maar als ik zeg: „Zijn vredequot;, dan is deze uitdrukking niet zoo persoonlijk, als: Hij kusse mij met de kussen Zijns monds. Dat is met andere woorden gezegd: Ik moet het aan mijne ziel ondervinden, dat Hij mij Zijnen vredo gegeven heeft en geeft; ik moet Hem hebben, zonder Hem kan ik niet zijn; en zoo is dan dit voor mij eene behoefte, gelijk het eene behoefte is voor moeder en kind, dat do moeder een kus geeft aan haar kind, en het kind aan zijne moeder, en gelijk het een behoefte is voor beminden en vrien-

34

ocr page 41

VIERDE LEERREDE.

den, dat het hart Idoppe aan het hart van den anderen en het over de lippen uitstroome in het hart.

Ik zeg dus, dat onze geestelijke nooddruft voor alle dingen daarin bestaat, dat wij vergeving van zonden hebben, verkregen hebben en voortdurend verkrijgen. Dat kan een kind begrijpen, wanneer het zijne groote zonde overdenkt, die het togen zijne ouders begaat, wanneer het bij zich zeiven nagaat, welke booze gedachten opkomen in zijn kleine hart tegen vader en moeder, en welke verborgene en verkeerde lust. Dan is het niet genoegzaam , dat aan een kind gezegd wordt, dat dit zonde is; ook is het niet voldoende, dat liet zulks inziet; maar zoo begint hot geestelijke en eeuwige leven, dat het kind de knieën buige voor den Ileere in 't verborgene, zonder dat de ouders er iets van merken, en bij den Heero Jesus aanhoudt om vergeving van zonden. Waar het den Heiligen Geest behaagt, aan het geweten van een kind te kloppen en de zonde tofc zonde to maken, zoodat deze het kind bezwaart, dan begint dat kind daarmede, en als het daarmede begint, zal het ondervinden, dat de Heere Jesus komt mot den verborgenen troost, zooveel als een kind dien noodig heeft om te verstaan: do Hoere Jesus heeft mij lief, on ik heb Hem lief. Ja, dat is eene gave Gods, ik weet het wel; maar het moet toch gepredikt worden, en daar werkt dan de Heilige Geest met dat gepredikte Woord.

Als ik nu zoo vorder overzie het jongere geslacht in de gemeente, — ach, ach, wat zijn en blijven toch zoo velen dood! Ik vraag: hebt gij dan geen zonden? Wilt gij komen met een van buiten geleerde les van do vergeving dor zonden — dat baat u niets. Wilt gij iets hebben voor uwe geestelijke nooddruft, — zoekt dan den Ileere, komt tot Hem met al uwe zonden en hebt geen rust, tot gij Hem hebt, tot gij persoonlijk met Hem vrede gesloten hebt, tot gij Hem persoonlijk voor u gevonden bobt, en Hij met Zijn Woord on door Zijnen Geest u gekust heeft met dc kussen Zijns monds.

Nu heeft de Ileere Jesus, opdat wij weten, hoe God het

35

ocr page 42

VIERDE LEERREDE.

gobed om de geestelijke nooddruft verhoort, tot ons gezegd: „Al hetgeen gij den Vader zult bidden in Mijnen Naam, dat zal u gegeven wordenquot;. Daaronder verstaat Hij in de eerste plaats alle geestelijke nooddruft. Wanneer gij dan den Vader bidt, belijdt dan uwe onwaardigheid, dat gij niet waardig zijt verhoord te worden, maar komt in den Naam des Hoeren Jesus en zegt tot Hem: De Heere Jesus heeft het gezegd, lieve Vader, er staat geschreven, dat ik met alles tot U mag komen in Zijnen Naam! Dan zult gij het ondervinden, dat de Heere Jesus, als Heere over Zijn huis, wil en zal uitdealen van de geestelijke goederen, hetgeen een iegelijk van noode heeft. En is ook de kruik leeg en heeft de weduwe ook vele schulden, zoodat er niets meer is, dan zal Hij toch wel laten instroomen van de eeuwige olie, en vervullen al wat ledig is; zooals wij lezen: 2. Kou. 4. Wij verstaan eigenlijk niet recht wat geestelijke nooddruft is. En daarom willen wTij ons bepalen bij dat écne, hetwelk ik noem: Vergeving van zonden. Bidt om vergeving van zonden, gij, die het tot heden nog niet gedaan hebt, jong en oud, en gij die het alreeds honderde malen hebt gedaan! Waar vergeving van zondenis, daar is leven, daar is zaligheid, daar is waarachtige vrede in het binnenste, daar is troost.

Overwegen wij nu verder de geestelijke nooddruft, dan willen wij niet spreken, gelijk men het pleegt te doen, van de vele Christelijke deugden, of van wassen en toenemen in de heiligmaking zonder kennisse Christi; maar wij willen de geestelijke nooddruft kortelijk schetsen uit den brief van Pau-lus aan de Efeze (Hoofdst, 1, vs. 16 verv.): „Ik houd niet op voor u te dankenquot;, — nadat namelijk de Apostel van hun geloof in den Heere Jesus gehoord had en van hunne liefde tot al de heiligen — „ik houd niot op voor u te danken , gedenkende uwer in mijne gebeden, opdat de God van onzen Heere Jesus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijne kennisquot;, — alzoo God te erkennen in Zijne genade en barmhar-

36

ocr page 43

VIERDE LEERREDE.

tigheid, wat Hij naar den eeuwigen raad Zijner genade, naar de eeuwige verkiezing Zijner liefde in Christus Jesus voor u is, en hoe Hij zulks is, te weten als God en Vader van onzen Heere Jesus Christus, Eu nu nog verder; „namelijk verlichte oogen uws verstands; opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijne roepingquot; — dat wil zeggen, tot welke hoop gij geroepen zjjt — „en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijne erfenis in de heiligen; en welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die gelooven, naar de werking der sterkte Zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt, en heeft Hem gezet tot Zijne Rechterhand in den hemelquot;. En Hoofdstuk 3, vs. 14 verv.: „Om deze oorzaak buig ik mijpe knieën tot den Vader van onzen Heere Jesus Christus, uit Wien al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid , met kracht versterkt te worden door Zijnen Geest in den inwendigeu menseh; opdat Christus door het geloof in uwe harten wone en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt, opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij , en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Godsquot;.

Daar is dus geestelijke nooddruft bij geestelijk gebrek, daar is kracht in een aarden vat, geloof bij twijfel, liefde waar wij geene liefde in ons vinden. Wij hebben het niet en wij weten ook niet goed, hoe noodig het ons is. Do lichamelijke behoeften hinderen ons meer, verootmoedigen ons meer en drijven ons juist daardoor tot God. Maar op het andere letten wij niet zoo. Daar moeten wij eerst onze geestelijke nooddruft gevoelen en daar is het waarlijk genade, als God niet alleen die genade geeft, dat de zonden ons vergeven zijn, maar bovendien, dat wij begrijpen en verstaan, dat niet de oude menseh, maar de nieuwe menseh de overhand moet hebben, dat niet onze naam, maar Gods Naam moot geëerd worden, niet ons koninkrijk.

37

ocr page 44

VIERDE LEERREDE.

maar Gods Koninkrijk komen, niet onze wil, maar Gods wil moet geschieden! Gelukzalig het kind, in wiens hart van zijne jeugd af de heilige tien geboden zijn ingeprent! Ach, mijn lieve ziel, gij moet hot manna van den hemel hebben, gij moet water hebben uit de steenrots, gij moet kleederon hebben, het bruiloftskleed, kleederen tegen uwe naaktheid, den rok der gerechtigheid, opdat gij niet naakt wordt bevonden; gij moet eene woonplaats hebben, een verblijf in het Jerusalem, dat boven is! Waar blijft anders de ziel, die arme ziel, als zij niet in Christus Jesus geborgen is? Daarom is dat onze geestelijke nooddruft, dat wij God, don levenden God, voor oogen houden, gelijk Hij ons nabij is en ons geven wil al hetgeen wij niet bezitten, en hetgeen wij niet kunnen toonen in onze kast en in onze beurs, want daarin is het niet gelegen.

God gelooven, God eercn, de wereld verachten, zich zeiven verloochenen, zijn betrouwen stellen op den levenden God _ wie kan dat doen! Dat is een geestelijke nooddruft, die God alleen geven kan; maar wij hebben ze noodig. God is, ILj ziet en hoort ons, do Ileere Jesus kont ons. Hij heeft Zijn leven voor ons gelaten aan het kruis, is op Golgotha een vloek geworden voor ons en heeft Gods toorn gedragen, de eeuwige schuld betaald; nu zijn wij gehouden en geroepen Hem dankbaar te zijn, in Zijne wonden do genezing van onze wonden te zoeken en nergens anders; met onze zonden tot Hom te gaan en van Hem te vragen vergeving en verlossing; wij zijn gehouden en geroepen, te vertrouwen op God, op den levenden God, Hem vooj.' oogen te hebben, te gelooven, dat Hij ons nabij is, dat Hij alles weet en ons kent in het diepst van ons hart; wij zijn gehouden en geroepen tot God te gaan om ontferming, gelijk wij zoo menigmaal in de Psalmen lozen: „Zijt mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid; delg mijne overtredingen uit naar de grootheid Uwer barmhartigheden!quot; (Ps. 51, VS. 3). Wij zijn gehouden en geroepen, sterk te worden naar den inwendigen mensch. Ja, Mijne Geliefdon,

38

ocr page 45

VIERDE LEERREDE.

wie begrijpt zulks? Éón ding begrijpen wij, dat wij ten eene-male zwak zijn en niets vermogen, maar dat juist is onze geestelijke nooddruft, te bidden, dat wij sterkte en kracht verkrijgen naar den inwendigen mensch.

Een kind is zijnen ouders ongehoorzaam, dat herhaalt zich telkens; maar dat mag niet zoo blijven. Dan is het niet voldoende , om vergeving van zonden te bidden, maar daar gij te zwak zijt in u zeiven, om een gehoorzaam kind te zijn, moet gij bij den Tleere aanhouden om de genade, dat Hij u gehoorzaam make. Evenzoo wanneer gij gierig zijt, zijt gij geroepen, bij God aan te houden, dat Hij deze duivelsche gierigheid van u wegneme; want dat mag niet zoo blijven. Gierigheid is de wortel van alle kwaad. Of als gij geneigd zijt tot toorn, moogt en moet gij bij God aanhouden, dat Hij u goedwillig en gaarne vergevend make, geduldig, ootmoedig. Of wanneer gij door vleeschelijken lust geplaagd wordt, houdt dan aan bij God, dat Hij Zich over u ontferme en met u doe naar Zijnen raad, zóó of zóó. Dat is geestelijke nooddruft: dat wij dus op grond der eeuwige genade Christi en der liefde Gods aanhouden bij God als een arme, ja de armste bedelaar, om al hetgeen wij in de Evangeliën en apostolische brieven lezen, dat de Heere Jesus voor Zijne heiligen heeft verworven, en wat Hij van hen wil, als Hij hun voorhoudt, gelijk wij dat zoo dikwijls lezen: Doodt dan uwe leden die op aarde zijn eriz., en dan zeg ik: „Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht: Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht!quot; Houd aan; en wanneer gij ook tot antwoord krijgt, wat de Heere tot den Apostel Paulus zeide, toen hij bad, dat de engel des Satans van hem mocht wijken: „Mijne genade is u genoegquot;, — welaan! wees daarmede tevreden!

Als gij slechts genade hebt, dan zal de genade niet te vergeefs aan u arbeiden, maar zij is er, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods, gelijk de Apostel zegt.

En nu, wie spreekt het uit: „Hij kusse mij met de kussen Zijns monds?quot; Het is een arm kind, en bovendien een leelijk

39

ocr page 46

vierde leerrede.

kind; het erkent zijne mismaaktheid en armoede, maar toch wil het een kus hebben van den Heere en in dezen kus van Zijnen mond ligt eene kracht voor de eeuwigheid. Amen.

Nazang: Psalm 40, vs. 8.

Verheug het volk, verblijd hen allen, Heer!

Die naar U zoeken t' eiken stond;

Leg steeds Uw vrienden in den mond ;

„Den grooten God zij eeuwig lof en eer!quot;

Schoon 'k arm ben en ellendig,

Denkt God aan mij bestendig,

Gij zijt mijn hulp, mijn kracht,

Mijn lied der, o mijn God !

Bestierder van mijn lot!

Vertoef niet, hoor mijn klacht.

l

ocr page 47