CHRISTENDOM EN STAATKUNDE
DO OB
MR. J. J. L VAN DER BRUGGHEN.
N IJ M E G E N, FIRMA H. TEN HOET.
1886.
Snelpersdruk van H. C. A. THIEME, tlt;» Nijmegen.
ITicr wordt in herdruk aangeboden een gedeelte van de vijfde der âChristelijke Tijdvrnegen doen- oenen Juristquot; van wijlen Mr. J. J. L. van der Brugghen, â het laatste der tijelens het leven eles schrijvers uitgekomen nummers dier werken.
Deze herdruk heeft plaats, omdat dit merkwaardige geschrift reeels sedert jaren was uitverkocht en dus niet kon worden voldaan aan de navraag, die nu en dem nog daarna plaats had; â maar ook, omdat men meende daaraan in dezen tijd niet te kunnen ontzeggen âle mérite ele Va propos.quot; â Of hehhen niet ele laatste dagen weelerom meer dan ooit aan het licht doen komen, dat nog altijd wordt misverstaan het woord eles TTeeren, ded zijn Koninkrijk niet is van eleze wereld; â dat nog altijd heer setd âverwarring van het geestelijke met het tijdelijke,quot; waar âhet wezen van het Christenelom vordert inbrenging van het geestelijke in het tijdelijke, om dit te heiligen?quot;
Bovendien zal het wel niet noodig zijn zich, te verantwoorden over het herdrukken vein een werk van iemand als Mr. van der Brugghen, van wien tve een vreemdeling, Prof. Fr, von lloltzendorff, dit getuigenis hooren afleggen: âQu'on nous pevmette de ranger Mr. van der Brugghen parrai ces hommes éminents, dont la mort excite le désir d'approfondir leur vie passée, ou savivant do 1'onhll tont ce (pi'ils out laissé apros cnx et en conservaut les l m its de leur activity.quot; -
THESES
OVER DE BETREKKING TUSSCREN CHRISTENDOM EN STilllTKUNOL
âlliicc igitur quaestio, ii propriis per-âsunis ut tumporibus ad univursi gonoris âorationom t.'aJucta, appcllatur t h e s i s.quot;
Cic. Ouat. c. 14.
I.
De staatswetenschap stelt zich ten doel, het u i t-w en dig, tijdelijk welzijn der volken, en houdt zicli bezig met het opsporen en in praktijk brengen van de beste middelen ter bereiking van dat doel.
II.
Als zoodanig is de staatkunde eene bloot menschel ij k e w e t e n s c h a p, als die geschiedenis, ondervinding, algemeene menschenkennis en kennis dei-eigen aardigheid van elk volk, in zijn karakter, ligging geschiedenis, bedrijf, natuurlijke hulpmiddelen en betrekkingen tot andere volken raadpleegt, om daarnaar met juistheid te onderscheiden, welke regeeringsvorm, wetten, staatsinrichting, in eiken tijd en naar eiken trap van volksontwikkeling, liet meest geschikt zijn, om een volk in het genot te stellen van uit- en inwendige rust, orde, vrijheid en welvaart.
III.
De staatkunde is daarin onderscheiden van het
6
Clii'isteiidom, dat dit zich ten doel stelt het i n w e u-d i g, e e u w i g' en daarom alléén w a a r geluk der individu's, en hierdoor ook, éénmaal volkomen, dei-volken of maatschappijen; en dat het Christendom het éénige middel bezit en bekend maakt, waardoor dit doel te bereiken is, en lust en kracht geeft om dat middel met onfeilbaar goeden uitslag te gebruiken.
IV.
Dat éénige middel is het Evangelie van Christus, van de zaligmakende genade Gods door Hem verschenen allen menschen, hen leerende, van de zonde verlost, de zonde te overwinnen en alzoo heiliglijk, matiglijk, rechtvaardiglijk en godzaliglijk te leven in deze tegenwoordige wereld; het geloof aan welk Evangelie, dat is aan Christus zeiven, op het hooren van de waarheid der liefde Gods door Hem voor een iegelijk, die dat Evangelie hoort, gewerkt in het hart door den Heiligen Geest, den Heiligen Geest medebrengt, om de liefde Gods in hel hart uit te storten, en door haar, de liefde tot den naaste.
V.
Dat doel, hetwelk het Christendom zich voorstelt, dit middel, hetwelk het gebruikt, kan, hoewel de werking daarvan indirect geheel ten goede van den Staat komt, nooit in den werkkring der staatkunde vallen.
Omdat alléén het Christendom, dat is het E v a n-gelie, het middel bezit en het middel zelf is, om dit doel te bereiken, hetwelk daarom buiten het bereik en mitsdien ook buiten de bevoegdheid ligt van alle andere wetenschap of kunst.
7
Eu zulks, wijl ullédu het Evangelie, vau de uieu-schelijke zijde (authropologisch on psychologisch) den sleutel heeft van het menschelijk hart, om het voor do liefde Gods en daarmede voor gerechtigheid en heiligheid te openen; en wijl, van de zijde Gods, alleen aan het Evangelie de kracht Gods tot zaligheid verbonden is, waardoor het menschelijk hart voor die heilige liefde geopend wordt.
VI.
De staatkunde kan en behoort wèl, â wanneer zij deze kracht kent van het Evangelie alléén, om de individu's en daardoor ook eenmaal de volken waarlijk, inwendig gelukkig to maken, door ze te heiligen, eu wanneer zij weet, dat ook de uitwendige welvaart dier volken, even als die der individu's, van die inwendige heiliging afhangt, als hebbende de godzaligheid de beloften ook des tegenwoordigen levens, â de prediking des Evangelies te bevorderen, door haar geene verhindering van eenigerlei aard in den weg te leggen, door haar, met één woord, de volkom ons te vrijheid te laten, hetgeen vrijheid voor het kwade, voor hetgeen Christendom heet en het niet is, medebrengt; â maar zij kan zich zelve noch het vermogen, noch dus ook de bevoegdheid toeëigeneu, om zelve, als staatkunde, te doen, hetgeen alléén Christus, alléén het Evangelie vermag. Zoo kan zij wel, even als elke andere men-schelijke wetenschap, kunst en bedrijf, als m i d d e 1 aan het Evangelie dienstbaar worden gemaakt, om aan de komst van het Koninkrijk Gods door dit Evangelie den weg te bereiden; â maar zelve kan zij
8
tot dat Koninkrijk geen middel zijn, veel minder hetzelve réaliseeren.
VII.
Voor zooverre de rust en het uitwendig geluk der volken mede gelegen is in de verzekering der rechten van een iegelijk, waartoe noodig is dat alle daden verhinderd worden, waardoor op die rechten wordt inbreuk gemaakt, heeft de staatkunde, als wetenschap, ook de kennis noodig der eeuwige beginselen van recht en gerechtigheid, waarvan de wortel is in God; en hoe zuiverder de bron is, waaruit de staatkunde die kennis put, hoe meer waarheid er ook zal zijn in hare erkentenis dier rechten, hoe meer ernst en wijsheid in het weren van alle daden die ze verkorten.
VIII.
Voor zooverre de staatkunde geroepen is tot de kennis en wijze handhaving dier rechten, staat zij niet het gebied der zedelijkheid in aanraking, omdat alle daden, welke op die rechten inbreuk maken, ook onzedelijk zijn.
Maar zij kan, uit hoofde der haar sub Th. V aangewezene beperking, in liet volgen van de beginselen dier zedelijkheid, dat is, van het recht Gods geschreven in de harten der menschen, en in zijn Woord met volle klaarheid en waarheid geopenbaard, ter handhaving dier rechten, nimmer verder gaan dan de uitwendige daad; â om de uitwendig goede daad, noodig tot handhaving van het recht, hetzij van een lid der algemeenheid, of van de algemeen-
9
heid zelve, uit te lokken, en desnoods, den onwillige tot haar te dwingen; â oui de uitwendig kwade daad, waardoor hetzelfde recht wordt benadeeld, te verhinderen, ook door haar, en zulks, ter handhaving van het zedelijk denkbeeld, waarop zij steunt, op grond van het recht der wedervergelding, te straffen.
Zij kan niet verder gaan dan deze uitwendige daad, omdat zij, naar Th. V., over de inwendige daad des harten geene macht heeft, wijl zij den toegang tot en de macht over het hart niet bezit, welke alleen aan Christus, aan het Evangelie toekomt.
TX.
Als alleen de uitwendige daad, en niet de inwendige gezindheid des harten beheer-schende, is de staatkunde, voor zooverre zij geroepen is tot handhaving van het recht, dat is, der rechten van een iegelijk en van allen te zamen, handlangster der Wet, in tegenstelling van het Evangelie; maar geene dienares van het Evangelie; de overheid is met haar behulp, voor zooverre zij de wetenschap óók moet zijn van het geven aan een iegelijk wat hem toekomt, Gods dienares; maar alléén, »om eene wreekster te zijn tot straf dergonen, die »kwaad doen;quot; (1) om recht te doen; en toe te zien dat er recht gedaan worde; niet om zorg te dragen voor de v e r v u 11 i n g der wet, welke is de liefde, hetgeen alleen het werk is des Geestes.
X.
Het terrein der Wet, in den zin van tegeustel-
(1) Rom. Xlll : 4.
10
ling van het Evangelie, en daarom ook het terrein van de staatkunde, voor zooverre zij zich daarop begeven moet, is dat van het recht; dat alleen de uitwendige materiëole daad kan gebieden, en daarom ook alleen de uitwendige daad eischt.
Het terrein des Evangelies is dat der inwendige gezindheid des harten, des geestelijken levens met God, der liefde die zich ontfermt, en daarom het recht van den naaste niet afmeet naar hetgeen h ij eischen kan, maar naar hetgeen waartoe hare barmhartigheid en zijn nood haar beweegt; â liefde komt hem toe, en dit is voor haar eene nooit afbetaalde schuld.
XI.
De staatkunde, als menschelijke wetenschap geheel gelijkstaande met andere menschelijke wetenschappen, al is het ook dat zij door grootschheid van doel andere wetenschappen in waardigheid voorbij streeft, ondergaat van haar in aanraking komen met het Evangelie geen anderen invloed dan al het menschelijke, en daarom ook, dan alle andere menschelijke wetenschap; â namelijk dezen: dat de aard der wetenschap, hare werking naar hare eigene regelen niet opgeheven, niet verstoord, niet veranderd wordt; â maar dat zij geheiligd wordt: dat is, dat al wat in hare theorie en praktijk zonde is, door den invloed van het Christendom, dat is, door de toepassing van het Christendom op de staatkunde, wordt bestreden en uitgezuiverd.
xi r.
De alzoo door het Christendom verlichte en gehei-
11
ligdc staatkunde heeft dit boven alle andere vooruit, dat zij zeer wel inziet wat haar ontbreekt om de volken waarlijk gelukkig te maken; dat zij daarbij zeer wel onderscheidt hetgeen in de beginselen harer vormen, hetgeen in staatsrecht, staatsvormen of staatsinrichtingen zonde is; â ook hetgeen zonde is in de beweegredenen, welke aan deze of gene staatsinrichting de voorkeur doen geven, al zijn die inrichtingen ook op zich zelve niet zondig.
Die zonde acht zich evenwel do staatkunde niet bevoegd te bestrijden, wijl de bestrijding dier zonde, als van een i n w e n d i g kwaad, het voorrecht is van het Evangelie alléén, omdat alléén het Evangelie de inwendige bedorvenheid dooden en overwinnen kan.
Daarom verwacht de staatkunde de genezing van dat kwaad, hetwelk zij zien maar niet genezen kan, alléén van het Evangelie, en weet zich alleen i n staat, en daarom ook alleen geroepen, om aan de uitwendige openbaringen van het inwendig bederf zóó veel perk en paal te stellen, dat zij niet in de samenleving geheel de overhand nemen.
Zij bewijst aan de kranke maatschappij, in zekeren zin, den dienst van den bewaarder der ongelukkigen in het krankzinnigenhuis, die de lijders, desnoods ook met geweld, belet, om in hunne verbijstering voor zich zeiven en anderen gevaarlijk te zijn; maar zij kan en wil de bekwame ziele-arts niet zijn, die met trouw geduld het verbijsterde verstand uit zijnen slaap poogt op te wekken (1).
(l) Dat neemt niet weg, dat zij, als Wet, ook geroepen is, om to doen hetgeen vooral het werk, de eigen bestemming dor Wet is, den weg te vinden tot w a r o genezing, door er de b o li o o 1' t o aan o)) to wokkon; â dat doet zij echter, ook dos onbewust, alleen roods
12
Het gevolg der gezonde inwerking van het Christendom op haar bestaat juist niet allerminst hierin, dat zij, staatkunde, staathuishoudkunde, zij met dén woord, m e n s c h e 1 ij k e w e t e n s c h a p, niet langer doen wil hetgeen alléén des Christendoms is: heiliging van den menseh en de menschelijke maatschappij door bestrijding van den wortel der zonden: â de zond e.
xm.
Voorts weet zij, door diezelfde inwerking, dat, gelijk in het algemeen de zonde, als een geestelijk, inwendig kwaad, niet gelegen is in de uit-wendige, materiëele, menschelijke daad of wijze van handelen (in den vorm), maar in de boozegezindheid des harten, welke de booze daad qualificeert of tot haar dringt; zoo ook, op staatkundig gebied, de zonde niet gelegen is in eenigen staatkundigen v o r m, regeeringsvorm, staatsregeling, staatsinrichting, wet of dergelijke, voor zooverre die niet rechtstreeks met het recht Gods in strijd is, maar in de boosheid der harten van degenen, die haar gebruiken.
13. v. De materiëele daad van eenen menseh te dooden is geene zonde. Somtijds mag en moet een menscli gedood worden.
Maar zond e, menschenmoord, is haat, dat is liefdeloosheid jegens den broeder in het hart, wanneer die tot doodslag drijft, en ook, al gaat zij lang zoo ver niet.
door haar dragen van het karakter van Wot; â want daardoor moot zij gedurig hot govool doen ontstaan van hare ontoereikendheid, oni waar geluk aan individu's of volkeren te schenken; en hot is dat gevoel, dat bewustzijn, dat de behoefte aan ware genezing doet ontstaan, en, dóór dio behoefte, naar hot Evangelie drijft.
13
Die zonde wordt niet gedood door den dood van den doodslager. En schoon is het gezegde van Pascal: â Faut il kier pour empêcher qu'il n'y ait des âméchants ? O'est en faire deux au lieu d'un.quot;
Die zonde van den broederhaat wordt alléén daardoor gedood, dat wij hierin âde liefde leeren kennen, dat Hij zijn leven voor ons gestold heeftquot;; zóó leeren wij verstaan, âdat ook wij voor de broeders bet leven moeten stellen.quot;
Hetzelfde is ook waar omtrent alle staatsvormen en politieke stelselen.
Zij kunnen dwaas, zij kunnen onhistorisch, zij kunnen ongeschikt zijn; maar de z o n d e is niet daarin. Je ne sors pas do 14, in dit geheel betoog.
Zoo is het ook met de souvereiniteit dos volks, welke ik als dien staatsvorm meen te mogen beschrijven, waarin alle gezag door het volk wordt opgedragen en alzoo van het volk uitgaat, ten einde, niet door het volk zeiven, maar ten behoeve des volks, in zijnen naam te worden uitgeoefend, en waarin het volk de verantwoordelijkheid aan zich, dat is, aan degenen die het vertegenwoordigen, van het gebruik van dat gezag voorbehoudt, alzoo dat hot zelf, voor zooverre dat voorbehoud zulks noodig maakt, de titularis blijft van dat gezag.
Die staatsvorm kan, als relatief of volstrekt naar mate van tijd en gelegenheid onmogelijk, of ook slechts als een al te gemakkelijk werktuig voor de anarchie, in het oog der wetenschap verwerpelijk zijn. Ik stom dat gaarne toe.
Maar o n c h r i s t e 1 ij k, dat is, strijdig met don heiligen wil Gods is hij niet, omdat hij slechts vorm is, en dat hij als v o r m, door zich zeiven alleen, zondig zoude wezen, indien hij bij voorbeeld noodwendig do ongehoorzaa m h e i d aan de door den volks-
14
wil daargestelde Overheid, tot regel of tot r e c h t maakte, indien hij, met één woord, het beginsel der anarchie in zich droeg, en daarom principieel in weerspraak was met het beginsel der gehoorzaamheid aan de gestelde macht, door haar onmogelijk te maken.
Maar zonde, maar o n c h r i s t e 1 ij k is het, wanneer de waan aan dezen staatsvorm de voorkeur doet geven, dat men, door zelf zijnen koning te kiezen, aan te stellen en af te zetten, wanneer hij de voorwaarden schendt van het hem opgedragen koningschap, zich aan God kan onttrekken, door Wien de koningen regeeren : omdat deze eigenwaan, verwerping is van het Allerhoogst gezag en van het recht Gods.
En zonde is daarom ook de uit dezen zelfden waan voortkomende meening, dat het volk aan de, krachtens do volkssouvereiniteit of volkswil daargestelde Overheid, geene gehoorzaamheid schuldig zoude zijn, als ware die Overheid geene dienaresse Gods. Zond o is daarom evenzeer, de, evenmin uit den v o r m. maar uit deleugendesharten voortkomende meening, dat het volk, omdat het souverein is ter opdracht en controle van het gezag, ook souverein zoude wezen om, met terzijdestelling der eeuwige beginselen van recht en gerechtigheid, die uit God zijn, zelf naar willekeur en bij meerderheid uit temaken wat recht zal zijn, of daarvoor zal worden gehouden. Maar dezo verachting van het recht, wijl het recht is, die niets anders is dan praktisch atheïsmus, zij kan de zonde zijn zoowel der vorsten als der volken en de souvereiniteit van éénen is, door h a a r, even goddeloos als die des volks. Het is waar, en wij zullen het geenszins ontkennen, dat de republikeinsche of democratische regeeringsvorm, het gereedst en gemakkelijkst orgaan is voor deze leugen, die het recht en de waarheid, door zo afhankelijk te maken van
15
den volkswil, dat is, van de meerderheid, van haren levens wortel in God afscheurt en tot het louter resultaat eener conventie verlaagt. Van daar, dat in den Peloponnesischen oorlog, â die niets anders was dan de op het oorlogsveld gebrachte strijd, tusscben het conventioneel recht der Sophisten, en het avtu jtaö' savtu 8iv.(xlov der school van Anaxagoras, Socrates en Plate, â het sophistisch beginsel doorgaans door do democratische of Atheensche, het strenge rechtsbeginsel door de oligarchische of Spartaan-sche partij werd vertegenwoordigd.
Want deze strijd tusscben het sophistisch, conventioneel recht en het recht Gods, is oud, zoo ond als de wereld; en men kan zich niet genoeg verwonderen, wanneer men in onze dagen staatsmannen, die niet geacht kunnen worden de onsterfelijke schriften b. v. van eenen Thucydides niet te kennen, verbazing en onbegrijpelijkheid hoort voorwenden, wanneer er in onze Raadzalen van het onderscheid tusscben conventioneel recht en eeuwig recht gesproken wordt. Zij moesten ten minste weten, dat de waarheidsliefde der heidensche wijsbegeerte dat conventioneel recht der Thrasymachussen en Calliclessen reeds van zuiver atheïs-mus overtuigd en met verachting verworpen heeft, indien het hun nog niet bekend is, dat het Christendom do van God uitgesprokene beslissing is van dit groote pleit, hetwelk de heidenwereld heeft bezig gehouden.
Maar, terwijl wij dat toegeven, moeten wij er bijvoegen, dat men de quaestie op een verkeerd t e r-r e i n brengt en zich daardoor bloot geeft, wanneer men, in plaats van het sophistisch beginsel zelf, het conventioneel recht, of recht der meerderheid, dat is, nog eens, hot atheïsmus zelf te bestrijden, de wapenen keert tegen regee rings vorm en, die wel de dragers van dat beginsel kunnen zijn, ja, meer
IG
clan andere, maar dit niet noodwendig en esse n-tifie) zijn, dio in elk geval, slechts eone manifestatie van het leugen-beginsel, niet die leugen zelve kunnen zijn.
XIV.
Dit wetende, acht de staatkunde, door het Christendom geheiligd, zich niet bevoegd om de zonde in de staatsvormen door andere staatsvormen, de leueen van het conventioneel recht, doorliet
O 7
monarchaal beginsel te bestrijden, maar laat die bestrijding gaarne aan het Evangelie over, dat alleen machtig, maar ook alleen machtig genoeg is, om die zonde te overwinnen.
Aan liet Evangelie wordt misschien niet genoog do eere gegeven van daartoe alléén machtig genoeg te zijn, wanneer men met Stahl zegt: âDie Revolution in Europa schlieszt nur das Christenthura, und der christliche Staat, und die christlicheSchu-le (1).quot; De Christelijke staat is niet Christus en zijne kennis. De Staat is Wet; anders zoude de Staat de k e r k zijn. De qualificatie van c h r i s t e-1 ij k daarbij gevoegd, kan den Staat, evenmin als de Wet, tot Evangelie verheffen. De Staat kan en moet alleen de daden, waarin de zonde van het conventioneel recht zich uitspreek t, straffen en bedwingen. Maar dat kan de Staat alleen door m acht en geweld doen. En door geweld worden de harten niet gereinigd van de zon d e.
(1) Nederlander van 17 Augustus 1850, Nquot;. 12,
17
XV.
Maar wanneer sommige staatsvormen of' politieke stelselen, door hun gebrek meer geschikt zijn clan andere, om dragers te zijn der zonde van ongehoorzaamheid aan de van God gestelde machten, en wanneer die jnist daarom door in zonden verzonkene volken verkozen worden, dan bestrijdt de staatkunde, of staatswijsheid die vormen, die stelselen; doch, niet in den naam van het Ohristendom, als waren die vormen of stelselen op zich z elven met het Christendom in strijd, maar in n a a m der w e t e n s c h a p, als zijnde zij onwetenschappelijk en ongeschikt: als staatsvormen welke het handhaven van recht en gerechtigheid te zeer bemocie-1 ij ken of onmogelijk maken; of die ook, zonder dat te doen, voor de eigenaardigheid des volks, naar zijne historische ontwikkeling, of om andere s t a a t-k n n d i g e oorzaken niet berekend zijn.
Zoo kan de staatkunde de leer der volkssouvercini-teit, op staatkundige gronden, als ongeschikte staatsleer bestrijden, maar niet a 1 s o n c h r i s t e lij k; â omdat, al ware zij onchristelijk, het aan de staatkunde niet is om het Christendom te verdedigen, dat zich zei-ven verdedigen wil ; maar omdat daarenboven wél do zonde des harten, welke die leer of vorm als werktuig gebruikt, onchristelijk is, maar niet het werktuig zelf, schoon het ongeschikt kan zijn.
XVI.
Biontengevolge maakt do Christelijke staatsman, dat is de Christen, geroepen om do wetenschap der
2
18
staatkunde te beoefenen en uit te oefenen, onderscheid tusschen staatkundige dwaling, welke is wetenschappelijke dwaling, en zedelijke dwaling, welke is zon d e.
Beide deze dwalingen bestrijdt hij.
Maar de eerste, alleen als s t a a t s m a n, alléén met behulp der staatkundige wetenschap.
De tweede, alléén als C h r i s t e n, alléén met hot Evangelie, en niet met inroeping der hulp van zijne staatkunde of staatsmacht, omdat hij daarmede niet doen mag, hetgeen alléén is des Evangelie's, namelijk, de zonde te bestrijden.
XVII.
Hij doet dit, omdat hij kent en niet vergeet het groot beginsel, hetwelk hier alles afdoet; dat het
0 cj 7
Christendom is de verlossing, niet van alle mensohe-lijke, verstandelijke of wetenschappelijke dwaling, maar de verlossing van de z o n d e, welke is z e d e-
1 ij k e dwaling.
En daarom ziet hij ook in den Bijbel, â de oorkonde des Christendoms, in het O. T. verborgen onder het hulsel van het Judaïsmus, in het N. T. van alle zijne windselen vrijgemaakt, â geen codex, hetzij van staatkundige, hetzij van rechts-, of van eenige andere wetenschap, maar de voortgaande openbaring van den geheelen raad Gods, niet, tot vernietiging van den mensch en het menschelijke, omdat het door zonde verontreinigd is; niet, tot verheffing van den mensch tot verstandelijke onfeilbaarheid in alle menschelijke werkzaamheid; maar, tot verlossing der menschheid van do zon d e.
19
XVIII.
Wanneer men de staatkunde van dezen Christen, die staats ra a n is, eene c h r i s t el ij k e s t a a t k u n d e wil noemen, dan kan zulks alleen in dezen oneigenlij-ken zin plaats hebben, dat deze Christen er voor uit komt en met zijne daden tracht te bewijzen, dat hij, ook bij de beoefening der staatkunde, z e 1 f door het Christendom geheiligd wenscht te zijn, tot bestrijding door het Evangelie alléén, van alle zonde, onwaarheid, leugen, partijzucht welke is zelfzucht, bedrog, liefdeloosheid in zich zeiven en bij anderen, en dat hij do noodzakelijkheid wil voorstaan van die heiliging, ook zijner wetenschap en barer beginselen en praktische beoefening, ter uitbreiding van het Koninkrijk Gods (1).
(1) Verg. .T. v. Müllor in eon artikel âUober die göttliche Einsot-znng desgeistlichen Ambts enz.,quot;in de Deutsche Zeitschrift für Christ. Wissenschaft nnd Christ. Leben, 1852, p. 205. âAncii im Geblete des Staates ist es ein unverstilndiges imd in seiner tiefsten Wurzel irrellglöses Bemühen, das göttliche Recht an eine bestimmte Verfassungsform, an die erbliche Monarchie zu binden â irreligiös, weil es auf der Vorstellung ruht, der regie-rende Wille Gottes vermiige nur die blinden Naturwirknngen, nicht das bewusste Wirken des menschlichen Willens zu beherr-schon und zu durchdringen. Da \vo republikanische Verfassung die zu Recht bestellende, historisch begründete ist, regiort die Obrigkelt in dam ihr durch das Gesetz zugewiesenen Machtgebiet, mag die Bestellung der Personen zu diesem Amt immerhin lodig-lich aus Urwahlen hervorgehen, kraft göttlichen Rechtes. Die frivole, wiedergöttliche Doktrin, die die Obrigkelt für ein bloss nienschliches Machwerk, für ein Produkt des souvereinen Belie-ben.s der Nation in ihrer Mehrhelt biilt und darum auch die Uebung ihror Gewalt von demselben Belieben abhilngig machen will, ist in ,ieder Gostalt zu bekftmpfen, dom revolutionairen Prinzip in keiner Staatsverfassung cine Berochtigung ein zu riiumon. .Ta!
'20
Het is niet slechts de dure verpligting, neen, het is ook de heerlijke roeping van den Christen, om, wanneer hij door gaven, wetenschap of ambt staatsman is, zijn licht op dat gebied, en op deze Evangelische wijze, te doen schijnen. Ten onrechte hebben de Christenen zich dikwijls door het woord des Heeren, dat zijn koninkrijk niet is van deze wereld, geroepen geacht om zich op het staatkundig terrein met al zijne beweging en strijd niet te begeven. Dat is eene groote dwaling van het spiritualismus ; liet zout dor aarde is niet bestemd om in vaten gekuipt en weggezet te worden, maar om al het aardsche te doorzouten, opdat het door onbruik zijnen smaak niet verlieze en nergens meer goed toe zij dan om weggeworpen te worden.
Maar hot is nog een overblijfsel van hetzelfde spiritualismus, hetwelk zich ook daarin openbaart, dat het, door onvolledige erkenning van de groote beduidenis dei-intrede van Christus i n de w e r e 1 d, van bet g o d d e-lijke in het mens ch elij k e, om al het menschelijke te heiligen, meer of min op het vóór-christelijke, Israëlitische standpunt blijft staan, wanneer de Christen, getrouw aan zijne roeping om op alle kringen des men-
dios güttlicho Recht oinor ropublicanisclien Obrigkeit kan selbst daduroh nioli erlöschon, dass die Unterthanen und die Obrigkeit selbst ihro Gewalt von jenen Souverainen Beliobon ableiten; sonst müssto anch in dor erblichen Monarchie dioses Recht da anfgo-Jioben sein, \vo etwa der Regent als die Quelle seiner Auctoritiit eino stillsohweigende Uebertragung von Seiten dos Nationalwillens botrachtet. â Wemi der Apostel Paulus den Römischen Christen gebot der Obrigkeit untherthan zu sein als einer göttlichen Ord-nnng, so lag ihm wohl nichts ferner, als diese Forderung durch Annullirung der ropublikanischen Momente, welche dio impera-torische Gewalt im Römischen Staat damals noch übrig gelassen, zu bedingen. Oder wer mag glaubon, dass sich Paulus anders ausgedrückt haben wttrde, wenn damals noch die Konsoln und dor Senat, die höchsto obrigkeitliche Gewalt innogehabthiltten?quot;
21
schol ijken levens, ook den staatkundigen, in te gaan, daar echter niet enkel en alléén het Evangelie, maar het Evangelie vermengd niet wettische, oud-Testamenti.sche bestanddeelen inbrengt.
Ik kan dat zoo goed niet uitdrukken, als het onlangs geschied i» in deMonatschrift für die Evangeli-sche Kir oh e der Rh ein-pro vinz un d Wes tp ha-lens, Juni 1850 p. 257, door den Heer E. Jungck, Predikant te Lin/, aan den llhijn, in een artikel getiteld : Die Sache S 1 e s w i Sf-H o 1 s t e i n s und seiner G e i s 11 i c h k e i t i m Lichte des Christen-t h u m s ; â eene plaats die ik hier, om het gewicht dei-zaak, geheel meen te moeten overnemen.
Ik doe zulks te liever, omdat ik er prijs op stel, dat men wete dat mijn subjectief gevoelen, hetwelk ik in deze bladen tracht voor te stellen, hot moge dan in ons vaderland dat zijn van, âzoo niet één, altoos zeer weinige individuenquot;, in Duitschland op verre na niet zulk eene ongehoorde, en om zijne vreemdheid niet ontvankelijke zaak is, als men wel denkon moet, waar men altijd staiil en alléén staiil hoort citeeren.
Ik acht de christelijk-staatkundige richting, die in Duitschland hare leiders heeft in Stahl, Hengstenberg, von Gerlach, Göschel en anderen, en die in ons vaderland hare zeer uitnemende vertegenwoordigers heeft, om de getrouwheid, gemoedelijkheid en het talent dier uitstekende mannen zeer hoog.
Maar het moet geene daadzaak blijven, waarvan volstrekt geeno notitie genomen wordt, dat die richting, vertegenwoordigd onder anderen in de Evangelische K i r ch e n z ei t u ng en in do N eue Preussische Z o i t u n g, hare niet minder christelijke, talentvolle en geduchte bestrijders hoeft, in de richting van Nitzsch, Jul. Muller, den zaligen Neander, Dörner en in het algemeen van de geheele kerk der Ehijn-Provincie,
22
vim welke richting de 1) e u t s c li e Zei tschrift für christliche Wissenschaft u n d c li r i s 11 i-c h e s L e b e n een der organen is.
Ik ben er geen vriend van, om met autoriteiten te schermen : die hulp heeft de waarheid niet noodig. Maar ik mag mij, geloof ik, zonder onbescheidenheid of hardheid beklagen, dat men mij mijn mogelijk alléén staan hier tegenwerpt, om zich de moeite te sparen van mij te wederleggen, wanneer men weet, dat ik hier slechts de voorpost ben, op Nederlandsch grondgebied staande, van een dapper heir van strijders achter mij, die hot woord des geestes met kracht voerende, daarbij een navolgenswaardig voorbeeld geven van echte humaniteit en rechtvaardigheid in het strijden.
En hooren wij nu den Heer Jungck :
âWenn der Herr Matth. 13 : 33 das Himmelreich vergleicht mit einem Sauerteige, den einWeibnimmt und unter drei Scheftel Mehls vermengt, bis dasz es ganz flurchsaüert wird â so hat Er damit die ganze inner e Entwickelung des Eeiches Gottes aut'Erden vorzeichnen wollen. Der S c h 1 u s z dieser Entwickelung ist danach die vüllige Durchdringung und Verklil-rung der Welt in allen ihren Beziehungen durch das Evangelium; der A n f a n g; damit es dazu komme, dass die Erkenntnisz der Welt, dass sie dieser Durchdringung und Verklarung bedarf, sich des Unterschiedes zwischen ihr selbst als der verganglichen und sündlichen und dem Evangelium als der Botschaft von der versöhnenden und unvergangliches Wesen-schaffenden Liebesthat Gottes in Ghristo bewusst werde; der Fortgang endlich, dass dieses Evangelium allmilhlig in stufenweiser Entwickelung der Welt angeeignet werde. Die katholische Kirche scheint mir nun historisch und wesentlich die providentielle Bestimmung zu haben, jenen nothwendi-gen A n f a n g des Reiches Gottes zu setzen. Der durch-
23
gehende Zweck ihrer so bewunderenswimlig organisirten Hierarchie ist, den Unterschied zwischen dem Heiligen, dessen Trilger sie ist, und dem Weltlichen in 's hellste Licht zu stelien. Daher der alles beherrschende Gegen-satz zwischen Geistlichen und Laien. Daher die gilnzliche Absonderung von der Welt im Kloster-und Eremiten-Leben, die kirchlich anerkannte und geheiligte Spitzo der katholischen Fröramigkeit (1). Demgegeniiber hat, als die Zeit erfüllet war, die evangelische Kirche von Gott dem Herrn den Auftrag bekommen, den F o r t-g a n g der Entwickelung des Reiches Gottes zu leiten. Der Gegensatz zwischen Geistlichen und Laien löst sich bei ihr auf in die höhere Einheit des allgemeinen Pries-terthums ; die Spitze und das Ziel evangelischerPröm-migkeit is nicht raehr das Herausgenommen werden aus der Welt, sondern das Bewahrtwerden vor dem Uebel i n ihr. Sie hat es als ihre Aufgabe erkannt und in ihren Bekenntnissen ausgesproclien, dass das ganze menschliche Leben, j ede irdische ïhatigkeit und Berufs-ort soil gelieiligt werden durch den in der Liebe wirken-den Glauben, und dass d i e s e Heiligung allein die wahre und höchste ist. Nicht also Plucht und Absonderung von der Welt ist ihr Wesen, sondern Ueberwin-dung und Durchdringung derselben durch das Evan-gelium. So viel höher dieses Ziel, so viel schwerer seine Erreichung. Und gestehen wir es nur, erst wenige Schritte sind auf dieser der Ohristenheit durch die Reformation von neuem eröifneten Laufbahn vorwarts gethan. Von den drei concentrischen Kreisen des menschlichen Lebens, dem haüslichen, dom geselligen und dem politi-
(i) .Tuister mag dozo olomontfiire roeping dor R. K. kork wol-lioht hierin gezocht worden, dat zij, door zeivo nog onder do Wet to zijn en onder do Wet te brengen, oen tuchtmeester is tot Christus, tot ware Evangolischo vrijheid, om die te loeren zooken en lief hebben.
schen, hat die kraft dos Evangeliums alloin den ersten tiefer ergriffen, den zvveiton nur oberfliichlich boriihrt, den dritten kaum gestveift. Die Kraft des Evangeliums is die Wahrheit, wie sie in Christo persönlich geworden, Sie lebt, Gott sei dank, in unzahiigen christlichen Familien; dagegen im geselligen Verkehr herrscht über-wiegend das Scheinwesen und in der Politik die Lüge, âWir haben die Sprache, nicht um unsere Gedanken zu offenbaren, sondern um sie zu verbergenquot;, dieser Aus-spruch eines Meisters in der Diplomatie, der sein un-heimliches Licht durch Ev. Joh. 8, 44 empfilngt, be-zeichnet nur zu treffend das bisherige Wesen derselben. Dass das zum allgemeinen Bewusstsein gekommen ist mul die Reaction des sittlichen Gefühls dagegen, ist eine der wahren und gottgewollten Errungenschaften desJah-res 1848, wo die bis her hinter den Thüren der Cabi-nette gepflogene Politik gezwungen ist, an das Licht und damit in ihr Gericht zu kommen. (?) An der ungeheuren politischen Giihrung unserer Tage hat audi der Sauer-teig des Christenthums seinen Antheil. Das Rauschon der Füsse des Herrn ist von denen, die Ihn, den Völker-hirten, kennen, wohl zu vernehmen in den gewaltigen Bewegungen der Zeit. Er ist gekommen, seinen Tempel zu bauen, nicht mehr bloss grundlegend in dem stillen hauslichen oder kirchlichen Kreise, sondern weit-hin, sichtbar, auf hohem Berge an der Heerstrasse der Völker, damit er entgegen leuchte Allen, die des Weges wandeln. Da gilt 's für die Seinen, die da mit-arbeiten sollen am diesem Bau, Beides zuthun.miteiner hand zu arbeiten, mit der andern die Watten zu halten gegen die Peinde, die ihn hindern wollen. Diese Peinde sind nicht etwa bloss zu suchen auf Seite der entschie-den unglaübigen radicalen und communistischen Elemen-te, sondern die fast noch gefahrlicheren befmden sich in dem eigenen Lager der Christum Bekennenden. Es sind
25
dus diejenigen, die. unter dein Schein des Eifers für die hiinmlischenGüterdesChnstenthumsdieselbstsüchtigen und sehr irdischen Zwecke ihrer politischen Pavtliei verbergen. Andere aus diesera Lager fördern wenigstens den I3au jenes Tempels nicht, betrachten ihnwohlgar als ein Neues mit misstrauischen Blieken. Es sind diejenigen, wekhe meinen, das Ghristenthum habe für das öffentliehe politische Leben keine andere liedeutung, als den ünterthanen die Gehorsam nnter die von G ott gesetzte Obrigkeit ein zu schilvfen ; lm Allgemeinen hielte sich der Christ am Besten fern davon. Dies war bisher die weitaus überwiegende Ansicht unterden glaübigen Christen und namentlich unter denen, welche in anderer l linv sicht den kern derselben bildeten, unter den Stillen im Lande. Es gentigt, nach dem oben gesagten anzudeuten dass diese Ansicht, im Grunde katholisirend, p r in zi-pieli durch die Reformation überwunden ist; dass sie es auch thatsiichlich werde, ist, wieunsnicht anders scheinen will, der Zweck Gottes, bei der Zulas-sung der Revolutionen der Neuzeit. Er, dessen Hauptthiltigkeit in der Entwickelung seines Reiches unter Sündern durch Sünder die ist, aus dem menschlich liosen und Verkehrten das güttlich Gute hervorgehen zu lassen ; â Er hat durch diese Alles erschütternden revolutioneren Bewegungen die Christen gezwungen, sich lebendig zu betheiligen an dem politischen, und ihre bisherige mehr oder weniger passive Stellungdazu aufzugeben. Er wird sie ferner zwingen â mogen sie fortfahren darüber zu klagen oder nicht, und wie viel Feigheit und Tragheit, die auch Sünde sind, ist in sol-chen klagen ! â Er wird sie ferner zwingen, tiefer als bisher ihres Berufes, auch in dieser Hinsicht das Salz der Erde zu sein, inne zu werden. Auf zwei Hauptpunkten werden sie diesen politischen Beruf zu richten haben : 1quot;. auf das Verhiiltniss der Völker unter einander und
26
2°. Auf das Verhllltniss des Einzelnen z,u seinein Volke. In Bezug auf das Erste, muss das Evangelium durch seine Trilger dahin wirken, dass jenes faule Wesen, die wenn aucli noch so schön geschminkte Lüge dor Diplomatie weiche dem Salze der Ei n 1'alt, Wahrheit und T reue â und uur der Unglilubige, der nicht weiss dass das Evan gelium eine Kraft Gottes ist, kann sprechen, das soi unmöglich. In Bezug auf das Zweite muss sich die fermentirende Natur ties Evangeliums dahin er-weisen, dass der einzelne Christ erkenne, er habo als lehendiges Glied des Staates noch andere Püichten, als die, wenn auch noch so wichtige, doch wesentlich passive des Untherthanseins unter die von Gott geordnete Obrigkeit.quot;
XIX.
Maar onder dien naam van C h r i s t o 1 ij k e sta a t-kuiulo kan en mag niet worden verstaan een politiek stelsel, omtrent de meest geschikte regeerings-vormen, staatsinrichting enz,, dat bij uitnemendheid of meer dan andere oh r i s t e 1 ij k zoude zijn : omdat het christendom evenmin een politiek als eenig ander wetenschappelijk stelsel heeft, wijl zijn oogmerk is, niet do bestrijding van wetenschappe-1 ij k e dwaling, maar van z e d e 1 ij k e dwaling, welke is zonde.
Zoo kan men de bepaling van christelijk te zijn, ook wel bij andere wetenschappen voegen, schoon oneigenlijk, omdat daardoor wordt aangeduid, de van die wetenschap zelve onafhankelijke hoedanigheid van den-gene die haar beoefent.
27
Die bepaling geeft niet te keunen, dat de eigene vvaur-heden, beginselen en regelen van beoefening dier we-tenscliap van aard zouden veranderen, maar dat de kennis en beoefening dier wetenschap gezuiverd wordt van het zondig beginsel der verheerlijking van den mensch, oin teruggebracht te worden tot haar waarachtig beginsel en doel, de eere Gods; eene zuivering evenwel, die ter ontdekking ook van louter wetenschap pel ij ke waarheid niet zonder grooten invloed kan blijven.
Zoo kan men van christelijke geschiedenis spreken: niet als of die geschiedenis andere feiten zoude kunnen daarstellen, of andere regelen volgen om hunne waarheid te ontdekken en om hunne heduidenis te ontcijferen; maar in dien zin, dat door inbrenging van het licht der christelijke waarheid, ook in dit gebied van menschelijke kennis, alle verhinderingen van ethisch en aard worden bestreden, welke de ontdekking der waarheid van die feiten, of hunne juiste waardeering in den weg staan, b. v. onbekendheid met de zonde en hare gevolgen, onbekendheid met do leidingen Gods ter verlossing der menschheid van het ongeluk dier zonde; voorts eigene partijdigheid, onrechtvaardigheid, leugenachtigheid, eigenwaan, zelfzucht enz.
XX.
Gelijk cr in dezen zin, namelijk, van een politiek stelsel, dat aan het christendom eigen zoude wezen, en dat men daarom, met hot christendom, uls tot hetzelve behoorende, zoude moeten omhelzen, geene christelijke staatkunde is, zoo kan er ook, in dien zin, geene c h r i s t e 1 ij k e staatkundige part ij zijn.
28
Immers, met het denkbeeld van een politiek stelsel Htm het christendom eigen, vervalt ook noodzakelijk het denkbeeld eener p a r t ij van christenen, die, als Christenen en omdat zij christenen zijn, zoodanig politiek stelsel zouden moeten belijden, verdedigen en drijven.
XXI.
Vuur zooverre de christenen, die liet in waarheid zijn, als b ij \v o n e r s en vreemdelinge n hier beneden wandelende, het rechte beginsel voorstaan en prediken der gehoorzaamheid aan de feitelijk bestaande overheid, namelijk uit die v r e e z e Gods, welke liefde Gods is, omdat alle machten (en niet alleen de koningen of hoogste overheid) van God zijn daargesteld, bun ten goed e, ook de harde, ook de onrechtmatig daargestelde of heer-sehende; bet beginsel der, (uit hoofde van haar motief, hetwelk is die vreeze Gods,) onvoorwaardelijke g e li o o r z a a m h e i d, uitgezonderd alléén bet geval van meer te moeten gehoorzamen aan God dan aan de menschen (1); â voor zooverre prediken
(1) Mon morko hierbij ochtor wel op, â on dat i.s zéór noodig, â dat hot oono zoor willokonrigo, dooi' niots gomotiveordo opvatting is, wannooi' mon, golijk gewoonlijk gosehiodt, dat geval van uitzondering uitsluitend daar zoekt, waar liet do go d s d i o n a t i g e verplich-tingon van den cliriston geldt, in de wereld den naam van zijnon Hoer to belijden, liet Evangelie te prediken enz.; want het is wel waar, dat Petrus zieh op don regel, dat men God meer gehoorzamen moet dan do menschon, beroept in een geval, waarin men liem beletten wil het Evangelie to prediken. Maar het Evangelie wordt niet alleen mot het w o o r d, maar ook m e t d e d a a d gepredikt; en do regel moot derhalve volstrekt overal zijne toepassing vinden, waar men-
29
zij het Evangelie; want alléén het Evangelie is do zaligmakende kracht Gods, ook tot die vrijwillige gehoorzaamheid; maar dat doen zij, niet a 1 s eene partij, omdat het christendom geene partijzaak is; veel minder ais eene staatkundige partij; maar bloot en eenvoudig als christenen en krachtens hunne roeping van God om het licht te zijn der wereld, ter bestrijding, in al het mensche-lijke, van de duisternis der zonde, om het zout te zijn der aarde, ter wering van alle bederf der zonde.
schelijk gozag den Christen zoude willen verhinderen recht te, doen, of noodzaken om o n r e c h t te plegen ofquot; daaraan actief of passief deel te nemen.
Zoo moet een christelijk rechter God buiten twijfel meer gehoorzamen dan de menschen, wanneer do menschelijke wet hem zoude willen gebieden, den schuldige vrij to spreken, of omgekeerd; en gelukkig maken hom, bij ons, de regelen omtrent hot bewijs in strafzaken, hoe belemmerend ook, do vervulling van dien plicht der hoogste zedelijkheid niot onmogelijk. â Maar krachtens hetzelfde beginsel is de christen ook als staatsbur ger, hoewel geroepen om v o o r z ij n persoon onrecht to lijden, ten duurste verplicht, om niot alleen aan alle onrecht, dat zijn naaste wordt aangedaan, geen actief of passief deel te nemen, maar ook zich daartegen met de middelen in zijne macht, desnoods zelfs met geweld te verzetten; en ook daar kan het geval van uitzondering op dien plicht der gehoorzaamheid aan do gestolde machten intreden.
Waar deze onderscheiding niet strongolijk wordt vastgehouden, moet men noodzakelijk tot eene leer komen, die het despotismus hetzij dan van éénen, of van velen, of van het volk, tot de s u p r e m a lex verheft.
Hetgeen ik hier zeg, ia geenszins in strijd met het woord des Heo-ren, dat âdie naar hot zwaard grijpt, door hot zwaard zal omkomen.'1 Dat woord is door don Heer gesproken, toen Petrus Hem met hot zwaard wilde verdedigen. De zaak van Christus is niot vereenigbaar met den arm dos vleesches; het koninkrijk Gods wordt in dien zin niet ingenomen met gewold, omdat Christus, als koning der waarheid, allóen li a r t e n wil winnen, en over Ji a r t o n heerschen.
80
XXII.
In (1 ezen zin is derhalve te verstaan het woord des Heeren, dat zijn Koninkrijk niet is van deze wereld: â dat, gelijk Hij zelf geen aardsch koning der Joden wilde zijn, gevaarlijk daarom voor de tijdelijke Romeinsche heerschappij, zoo ook zij, die, nit de waarheid zijnde, zijne stem, als die van den door waarheid over de harten heersehenden Koning erkennen, geene zichtbare, aardse he koninkrijken oprichten, geene christelijke Staten, waarin zij door christelijke staatkunde heerschen, maar, als Koningen en Priesters der waarheid, met de waarheid tegen alle lengen strijd voeren, opdat de geestelijke heerschappij huns Konings over de harten veld winne.
XXIII.
Het nit het oog verliezen dezer christelijke grondbeginselen heeft â bniten al de verkeerdheden en gevaren, noodzakelijk eigen aan de verwarring van het geestelijke met het tijdelijke, welke geenszins mag toegelaten worden te varen onder de vlag dei-tot het wezen des Christendoms behoorende inbrenging van het geestelijke i n het tijdelijke, van het goddelijke i n het menschclijke, om hetzelve te heiligen (1) â bovenal dit voor de zniverhouding van
(i) Onder doze gevaren is dit gewis wol niet hot kleinste, dat hij, die, bij hot dienen dor zaak van Christus, daar nog éónig ander belang, datniet zuiver on enkel is dat des Evangelies, bijtrekt, van wolken aard dat belang ook moge zijn, wetenschappelijk, ot' dogmatisch, of staatkundig, oonigszins noodwendig z ij n o zaak, zijne partijzaak, bij do zaak van Christus voegt, en juist daardoor uit zich ze 1 v en spreekt en z ijn c eigene e o r o zoekt. (Joh. VII : 18.)
het Evangelie en voor den voortgang van het Koninkrijk Gods allernadeeligst gevolg:
Dat oen vreemd bestanddeel, â hier een politiek stelsel of opinie â tot het Evangelie niet behoo-rende, als tot hetzelve b e h o o r e n d e voorgedragen en ter aanneming aangeboden wordende, zeer dikwijls schuld kan zijn en geweest is, dat het Evangelie verworpen wordt, met en om dat bestanddeel, dat men zioli niet wil laten opdringen, terwijl men, zonder dat, het zuiver Evangelie wellicht zoude hebben aangenomen.
Voor rekening der Christenen zeiven komt alle verzet en vijandschap tegen het Evangelie, die hare oorzaak vindt niet zoozeer en alléén in de afkeerigheid van het natuurlijk hart van de prediking der dwaasheid des Kruizes, maar in vreemde elementen, hetzij van Juda-ïsmus, hetzij van Ethnische wijsheid, hetzij van'welke andere eigene gedachten en leeringen ook, welke door de Christenen bij het Evangelie gevoegd en als tot hetzelve behoorende, voorgesteld worden.
Dat is het geestelijk toedoen tot Gods woord.
T)it vervalschen (HCMtriAsvsi.v 11 Oor. 2, 17, verg. met II Cor. 3, 2) van het woord Gods met allerlei vreemde bestanddeelen, is een der hoofdfactoren van den tegenstand der wereld tegen het Christendom; een der hoofdoorzaken, waarom de aarde nog niet vol is van de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
De Christenheid heeft zich daarover in diep schuldgevoel te verootmoedigen, en kan die schuld van zich niet afwerpen door haar te schuiven op Cods lei-
32
dingen, omdat het. naar de Profetische schrift zoo zijn moet, â al is hot ook door Goden Zijne wijsheid toegelaten.
De voortgang van het Koninkrijk Gods zal gelijken tred houden met do uitzuivering van alle deze onzuivere bijvoegselen ; en dan zal het een leven uit dc dooden zijn, wanneer het Evangelie, gelouterd van alle men-schelijke vonden, in al zijne klaarheid, heerlijkheid, en liefelijkheid, door woord en wandel der Christenen, der wereld in do oogen zal stralen.
Te oordeelen naar den langen duur vandenlouterings-weg, wolken de bearbeiding der christelijke heil waarheid in de , aarde vatenquot; der menschelijke begripsvorming reeds sedert het Apostolisch tijdvak is doorgegaan, en naar de massa's van scörieën, die nog van hot echte metaal moeten worden afgescheiden, kan dit tijdstip nog niet geacht worden zéér nabij te zijn. Evenwel, de geschiedenis dor Kerk leert ons dat het meestal groote wereldgebeurtenissen zijn geweest, welke aan de, in de stilte dor beschouwing, voorbereide-beweging der geesten tot afwerping van een der menigvuldige remketenen, aan het Christendom door zijne belijders in zijnen zegetocht aangelegd, plotselijk eeno zoo krachtige impulsie hebben cesjevon, dat eene waarheid oeuwenlanw mis-
o o ' o
kend, eenklaps daar staat overal erkend en overal gehuldigd.
Zoo mag het ook nu zijn, dat de groote omkeering der Europeesche maatschappijen, waarvan hot jaar 1848 ons nog eerst het voorspel heeft doen zien, en dat eerlang door geweldiger schokken staat opgevolgd te worden, in de hand des Hoeren hot middel zal moeten wezen om het Staats-Christendom, hot Byzantri-nismus, dat thans als geneesmiddel der revolutie weder aangegrepen wordt, ook in het oog zijner warmste on gomoedelijkste voorstanders to discréditoeren.
Do los van 1848 is daartoe nog niet duidelijk genoeg geweest. De hand Gods zal, doch wellicht met ontzettende oordeelen, de banden voor goed losscheuren en voortaan onmogelijk maken, die de Christenen den moed en de wijsheid niet gehad zullen hebben te ontknoopen. Daarhenen zijn wij op weg; â en het zal ons niet baton, eene werktuigelijke samenvoeging van heterogene elementen, het Evangelie en don zondigen mensch, ook als maatschappelijk wezen, het Christendom en den Staat, met hand en tand te willen vasthouden.
Die mechanische samenlijming is niets andeva dan eene ongeduldige anticipatie, om uitwendig en fictief te realiseeren dat, waarvan de realisatie niet komt met uitwendig gelaat, het Koninkrijk Gods; â waarvan de ware volkomene realisatie eerst diin zal gekomen zijn, wanneer op het volhardend gebed der gemeente, ü w K o n i n k r ij k k o m e ! het einde daar zal zijn ; wanneer Christus, die als Koning regeeren moet, totdat Hij alle zijne vijanden aan zijne voeten onderworpen heeft, het Koninkrijk zal overgeven God en den Vader, opdat God zij alles in allen.
âNiet met kracht of geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden,quot; heeft God gezegd; en de Heer der Kerk heeft zich zelf met de zorg belast, om de drie maten meels met den heterogenen zuurdeesem, langs den weg des Geestes, zóó te doordringen, dat zij geheel doorzuurd zijn, zonder op te houden meel te wezen, en dat het geene drie maten ongezuurd meel blijven, bij voorraad en ter oorzake van den daarnaast gelegden zuurdeesem, voor gezuurd meel verklaard en verkocht.
XXIV.
Do wortel, waaruit voortkomt de loer van den h r i s t e 1 ij ken S t a a t en van flo C li r i s t e 1 ij k e
3
34
staatkunde, in den hierboven als verkeerd aange-dniden zin â (welke leer niets anders is dan dezelfde, zich op het staatkundig terrein openbarende misvatting, die in geheel het Christendom niet haar volle recht geeft aan de scherpe tegenstelling tusschen: het inwendige, o n z i e n 1 ij k e, dat voorafgaat en het uitwendige, z i e n 1 ij k e, dat volgt; schoon in de Israëlietisehe Theocratie bet u i t-wendige, als schaduw van het toekomstige inwendige is voorafgegaan, om tot behoefte aan bet inwendige te prikkelen; â tusschen den geest en de letter,
de waarheid en haar hulsel,
het wezen en den vorm,
het eeuwige en het tijdelijke,
de volkomenheid en de eerste beginselen der wereld, de zaak en het teeken,
het Nieuwe verbond en do Oud-Testamentische bedeeling,
het Israël Gods en het vleescbelijk, symbolisch
Israël,
Christus en Mozes,
het Evangelie en do Wet)
die wortel is eene moer of min eonzijdige Christologie, welke noodzakelijk leidt tot oone éénzijdige anthropologic.
Dn oon/ijcliglioirl dier Chvistnlopfio bestnai liiorin, dat zij, door een reactie togen het humanism us, in do lio-schomvinpf^'fin den Persoon dos geze^enrlen Zaligmakers
het gewicht méér legt op de Godheid dan op de mensch-lieid van den, do tegenspraak tusschen het goddelijke en het menschelijke door zonde, in zich opheffenden God-mensch.
Over de mogelijkheid dezer eenzijdigheid, welke uit don aard der zaak alleen kan plaats liebben daar, waaide Godheid en niet maar de g o d d el ijk he id van don God-mensch met waarheid wordt geloofd als uitmakende den grondslag des Christendoms, heeft Vi net in zijne Etudes sur Blaise Pascal, p. 188, eenige schoone bladzijden nagelaten, welker inhoud in onzen tijd van groot gewicht is.
âLa gloire de l'Evangile n'est pas seulement d'avoir divinisé la vérité, mais de l'avoir humanisée. Jésus-Christ est nu Dien et un homme: il en est de mêmo de sa doctrine. Elle est puisée a la fois dans les profondeurs de Dien et dans les profondeurs de 1'homme; elle touche, par ses deux extrémités, aux mystères de l'essence divine et aux mystères do la nature humaine: un seul et même mystère, a vrai dire ; car la doctrine de 1'homme et celle de Dieu sont deux lignes, qui, s'inclinant 1'une vers l'autre, finissent par se joindre et par se confondre au sommet de Tangle en un point unique et indivisible, on toute distinction échappe a l'oeil, oü toute analyse est impossible a l'esprit. Sans nier la dualité des termes et saus annoncer d'autre intention cjue celle de déterminer le rapport qui est entre eux, les religions et les philosophies n'avaient su faire droit qu'a l'uu des deux ; leur doctrine était tour a tour ou toute pleine de Dieu a l'exclusion de Thomme, ou toute pleine de rhomme au prejudice de Dieu. L'union en Jésus-Christ de toute la plenitude de la divinité avec toute la plenitude de 1'humanité fut lo programme ou le symbole, en même temps que l'ap-pui et la substance, d'une doctrine nouvelle. Cette
36
unite sans contusion, consomrnée la fois dans l'idée ot clans Ie fait, était le fiat lux d'une nouvelle génèse, rorganisation d'un second chaos enfanté par le pêché; car une seconde fois, mais dans un sens spirituel âla terre était sans forme et videquot; comme a la veille du premier des jours.
Et remarquez bien que les deux elements, humain et divin, ne sont pas les deux tennes d'une antinomie, inais les deux hemispheres, ou, si vous I'aimez mieux, les deux poles de la vérité. La vórité révélée n'est humaine que parce ({u'elle est divine, n'est divine qu'a condition d'ötre humaine. Nous parions ici au point de vue de I'homme, nous ne saurions nous placer a au-cun autre. II est certain que I'homme porte en soi le double besoin d'être tout a Dieu et d'etre entièrement homme ; rien ne peut le soustraire è, l'empire decette double nécessité; rien ne peut même la lui dissimuler absolument. La religion qui ne le donne pas tout a Bieu, ne répond pas a la première de ces lois intimes de son être, et par cela même, elle n'est pas humaine ; la religion qui lui retranche l'humanité, l'enlève a Dieu en feignant de le lui rendre, et aiusi elle n'est plus divine par cela seul qu'elle n'est plus humaine. La religion est un rapport; la suppression d'un des deux ter-mes le détruit. Quel que soit le terme qu'on supprime, il n'importe : ou Dieu n'existe plus pour riiomme, ou I'homme n'existe plus pour Dieu. La religion suppose Dieu dans la plenitude de sa divinité, I'homme dans la plenitude de son humanité ; deux êtres, deux person-nes et non pas deux noms.
Toutes les heresies, qui sont nées au sein du christianis-me; comme tous les systèmes con^us en dehors du christia-msme,reviennent ö,diminuerI'homme ou ildiminuerDieu. La religion du cccur, la foi vivante, garde entre ces deux excès un admirable équilibre ; la théologie a beau-
87
coup do poine 11 no pas incliner vers I'un on veis 1'autre. Pourquoi? parcequ'elle reste toujours u quelquedistance du sommet de Tangle, sur l'un des cótés, au lieu que la foi vivante se tient au sommet, dans le mystère ou dans la vie, d'oia elle domine les deux cötés ou les deux pontes do la vérité sans incliner vers aucune. La piété les réunit, par un procédé ineffable, dont elle ne se rend pas mieux compte que nous nepouvonsnousrendre compte de l'union de la pensee et de la matière dans notre existence, union ou conciliation, que la vie réalise et manifeste incessamment. La théologie ou la science distingue, c'est son fait; mais distinguer, c'est séparer par hypothese, et a force de distinguer, on oublie de réunir. Les temps, d'ailleurs, lui font la loi; tantöt elle se met au service de 1'élément divin compromis, tantöt elle vole au secours de l'élément humain menace, et elle surabonde dans le sens de la tache particulière que les circonstances ou 1'état des esprits lui imposant; elle diminue tour a tour la divinité et l'humanité, ou dans Dieu et dans rhomme, ou dans Jésus-Christ qui est pleinement l'un et l'autre. Les théologiens sont rares, qui savent se garder de ces deux excès, et ceux qui savent s'en garder ne passent pas toujours, aux yeux du vulgaire, pour de vrais théologiens.
Cette lutte prend des noms trés divers, qui ne peu-vent, d'un cas a l'autre, en déguiser l'identité a des yeux attentifs ; prédestination et liberté, dogme et morale, le témoignage de la Parole et celui de Tesprit. C'est, au point de vue religieux, la question, inépuisa-ble en philosophie, du subjectif et de 1'objectif, qui ne sont après tout que Uieu et l'homme. La philosophie n'a jias encore compris que l'incarnation du Verbe est la suprème et l'unique solution du problèmequ'elle se pose. Pour le moment, elle est en instance auprès de la r ai son impersonnelle. Le Chrétien croit a la
38
raison personnelle tout a la fois et suprème, qui est Jésus-Christ.
A en jugei- par les apparencos, la théologie a ou plus souvent affaire a la tendance qui eherche i\ diminuer la Divinité qu'i\ cello qui cherche i\ diminuer l'humauité. Excessive, de sa part, fut la reaction au terme de la-quelle on a vu se donner la main, d'un air surpris et déconcerté, le supralapsarisme de Gomar et le quiétisme de Madame Guyon (1). Après ces luttes plus qu'infó-condes entre de purs esprits, il était temps qu'il vint un homme. La gloire de Pascal est d'avoir été hom me dans la théologie; la gloire d'avoir été ho n n ê t e h o m m e en polémique et en littérature n'est que le diminutU' de celle-la. Ce n'était pas un docteur mais un homme) qui pouvait apporter en théologie la doctrine des d eux con tr aire s, doctrine pleine de mystère et de lumière, qui se róduit a cette proposition: Que la vie, que toute vie, est la comhinaison de deux éléments opposés, et même contradictoires pour notre faiblesse, et que hors de cette comhinaison, la vie ou la vérité substan-tielle nous échappe absolument. Cet homme, faisant de la théologie en homme, ce fut Pascal, Le complément de sa doctrine ne se fit pas attendre. II comprit, il fit concevoir que ce n'était pas dans la tête, mais dans le cccur de 1'homme, que les parties belligérantes pouvaient se donner rendez-vous pour traiter de la paix. Et il inaugura, ou bien plutöt il tira de l'Evangilet pour la produire a nos yeux sous la forme qui étai, propre a son génie et convenable a son temps, cette belle doctrine de la connaissance et de lacompréhension des vérités divines par le coeur, qui est la pensée dominante et la clef de son apologétique.quot;
(1) Eene opmerking voor onzen tijd dubbel behartigenswaardig, naarmate de reactie, door do kracht der afdwaling aan de andere zijde, waartegen zij optreedt, heviger is,
39
Tot het door Viuut zoo juist aangeduide geviuu'der reautie tegen de richting, die éénzijdig aan do zijde dor m e n s c h h e i d van den Zaligmaker staat, behoort ook een in meerdere of mindere mate op den achtergrond plaatsen van het menschelijk element in het algemeen, en daardoor ook van al het m e n s c h e 1 ij k e in de met God door Christus verzoende wereld.
Vandaar eene voorstelling der verlossing door Christus, waardoor het menschelijke door het goddelijke wordt geabsorbeerd, niet het menschelijke door verééniging met het goddelijke wordt geheiligd; waardoor, niet de menschheid alleen vandezon d e wordt gereinigd, met behoud van al het overige, maar ook dit zuiver m e n-s c h e 1 ij k e, als ware het zelf zonde, ter verandering van zijn aard en vorm, aan de werking des Christen-doms, wordt onderworpen.
En van hieruit is de overgang reeds gemaakt tot eene eenzijdige Anthropologie, welke den mensch, sedert zijnen val, neemt, niet als een wezen wiens w i 1 en h a r t door de zonde van God geheel is afgekeerd, tengevolge waarvan hij het rechte g e b r u i k, ter verheerlijking Gods, niet meer weet te maken van zijne menschelijke li-chaams- en zielsvermogens, verstand, verbeelding, herinnering enz,; welke vermogens alle m i d d e 11 ij k, langs dien weg van het misbruik, door de zonde zijn aangedaan ; â maar als een wezen dat g e h e e 1, met al zijne menschelijke gaven en vermogens, z o n d e is geworden.
Van dit standpunt uitgaande, kan het niet anders, dan dat het Christendom, als middel van herstel van don in dezen laatstgenoemden zin zondigen mensch, beschouwd moot worden als aan deze zijne heerlijke roeping niet beantwoordende, tenzij, niet slechts zijn wil en genegenheid tot God gekeerd worden, zoodat zij van nu af alle zijne physieke en intellectuöele vermogens beginnen dienstbaar te maken der gerechtigheid, maar ook zijne
40
vermogens zelve eene verandering ondergaan, zijne menscbelijke natuur en bedrijf zelve van natuur worden veranderd.
Het alzoo begrepen Christendom kondigt zich dientengevolge aan, als, niet in eiken kring van mensche-lijk bedrijf, wetenschap of kunst, de zonde uitdrijvende, waardoor dat alles misbruikt, ontheiligd wordt; maar als gevende zelf eenen eigen v o r m aan de men-schelijke werkzaamheid, als hebbende zelf eene eigene kunst, eene eigene wetenschap, en zoo ook eene eigene staatkunde; natuurlijk, want volgens deze beschouwing heiligt het Christendom niet alle bestaande menscbelijke werkzaamheid, maar moet, voor de, als geheel zonde, met den gedooden zondigenmensch, gedoode menscbelijke werkzaamheid, eene nieuwe in de plaats geven.
Dat het alzoo begrepen Christendom deze wijze van beschouwing niet op alle vakken van menscbelijko wetenschap en Imnst toepast; dat het niet, gelijk eene christelijke staatkunde, zoo ook eene christelijke zeevaartkunde, of landbouwkunde wil hebben, bewijst alleen, dat die wijze van beschouwing onwaar, en onhoudbaar is, wijl zij inconsequent moet wezen.
Maar dat bet, niettegenstaande zijn protest, deze wijze van beschouwing h e e ft, al is bet inconsequent in hare toepassing, wordt daardoor bewezen, dat bet die, al ware het ook slechts op ééne menscbelijke wetenschap, toepast.
En het past die toe op de s t a a t k u n d e, wanneer het eene christelijke staatkunde wil hebben, die bet Christendom gebruikt ter bestrijding van wetenschap-p e 1 ij k e dwaling, van dwaling, voortkomende uit onverstand en onkennis op dit gebied van menscbelijke wetenschap (1).
(1) Wij «proken hier alleen van den invloed dezer eenzijdige opvat-
41
Dit heeft b. v. plaats, wanneer het in naam des Christendoms, en niet in naam der w e t e n-schap alléén, de leer der souvereiniteit des volks bestrijdt als zoodanig, en niet alleen de lengen van het conventioneel recht in haar, en die leer nietslechts onverstandig, onverantwoordelijk, onwetenschappelijk, onhistorisch noemt, betgeen het bewijzen mag, maar on chris-t e lij k, vergetende, dat het Christendom evenmin geroepen is om de dwalingen der staatkundige, als der sterrenkundige of geneeskundige wetenschap te rectificeren ; wijl het alléén gericht is tegen e t hi s ch e dwaling, welke is zonde, 1 e u g e n en niet tegen v erst an de lijk e dwaling, welke alléén is zwakheid, eindigheid, onvolkomenheid, gebrek van het menschelijk ken- of redeneer ver moge n.
De staatkundige theorie, die aan het volk het recht toekent om zich zeiven in dien zin te regeeren, dathet daartoe zijne gedelegeerden aanstelt; dat het daartoe zelf zijne overheden, ook zijne hoogste overheid kiest, ter uitoefening van het gezag naar zekere regelen en onder zekere voorwaarden, bij ontstentenis waarvan het
ting van hot Christendom op wot on schap on kunst, on dan is do staatkundo, als wetenschap, gowis wol do óónigo niot, wolko dion invlood ondervindt.
Maar hot zoude niot moeielijk zijn aan to wijzen, lioo die zelfde invloed zich over hot goheolo monschelijke lovon uitstrekt, en hoo olk diorvorschijnselenhotaanwezigzijndozor wijze van beschouwing verraadt. Het konnelijkst zouden zij zich wol op hot kerkelijk gebied voordoen; op het gebied van don christelijken cultus, waarop do misvatting, van hot willen hebben van aan hot Christendom eigene, door hetzelve gegovone v o r m o n, zon heorschonde is. Al do duizendwerf herhaalde peghigon om tot do inrichting der Apostolischo kerk, of dor oorspronkelijk Lutherscho, of oorspronkelijk Gereformeerde kerk terug te keeren, zoowel hot hedendaagsche Irvingianis-mus, als hot Alt-Lutherthum in Pruisen on de Afscheiding in ons Vaderland, zijn hiervan manifestation.
42
aldus opgedragen iniindaut eindigt, kiuieeneonge«chikte, ondoelmatige .staatkundige leer, eene staatkundige dwaling zijn.
Maar die dwaling is, als zoodanig, geene zond e, en daarom moet het Christendom tegen haar niet ingeroepen worden, dat alleen d e z o n d e bestrijdt.
Zonde is het, wanneer iemand aan de langs dien weg daargestelde overheid, als die hare macht langs dien middellijken weg van God heeft en Gods dienaresse is, niet gehoorzaam is, zoo lang zij overheid is.
Zonde is het, wanneer het volk, door die ongehoorzaamheid, uit gebrek aan de rechte vreeze Gods,gedreven wordt om onrechtvaardig, of liefdeloos te zijn in de beoordeeling der vraag of het voorwaardelijk opgedragen gezag, naar luid dier voorwaarde, is uitgeoefend, wanneer de verantwoordelijkheid van de door het volk daargestelde overheid aan dat volk, m i s b r u i kt wordt tot hoogmoedige verwerping van elk gezag.
Maar het opleggen zelf dier verantwoordelijkheid, welkere vocabiliteit medebrengt, is, schoon heteene staatkundige dwaling kan zijn, geene ethische dwaling, geene zonde; evenmin als het zonde is, wanneer in elke andere dan eene staatkundige maatschappij, het gezag in die maatschappij door de leden aan een of meer leden wordt opgedragen, onder zekere voorwaarden en met herroe-pelijkheid in geval van niet vervulling daarvan, en wanneer, in dat geval, die herroepelijkheid werkelijk wordt uitgeoefend.
Of zouden die personen, in zoodanig college of maatschappij met het gezag bekleed, ter handhaving der goede orde en de wetten van het genootschap, geene overheid zijn ?
Zoude ook d i e overheid niet dan alleen het aan haar aldaar opgedragen gezag recht en naar Gods wil kunnen uitoefenen, wanneer zij dat deed in het bewustzijn dat
43
ook d a t gezag, hoe gering ook, huur vun dien God is ioeverlrouwd, zonder wiens wil ook geen niusch ter narde kun vullen, â on zulks, om Hem duarmede ie dienen ?
Zouden duti de leden ook niet aun d i e overheid gehoorzaamheid schuldig zijn, om dor conscientie wil, en eero moeten geven, waar ook aan iemand eere toekomt?
Zouden zij zich, bij weigering dier gehoorzaamheid aan deze overheid, door hen zeiven daargesteld, aan hen zeiven verantwoordelijk, schuldig maken alleen aan overtreding der reglementen van het genootschap, of ook aan zonde jegens God?
Zoo niet: â waar blijven wij dan, b. v. met alle kerkelijke overheden, wetten en reglementen ?
Hebben die overheden hunne macht niet vun God, al waren zij ook door rechtstreeksche of trapsgewijze verkiezing der gemeente daargesteld ?
Mogen zij door diezelfde gemeente niet worden afgezet, op reglementaire wijze, wanneer zij het hun opgedragen mandaat schenden ?
Zal die afzetting zonde zijn, ook al ware die gemeente geheel in haar recht, en zal de omstandigheid dat zij door de gemeente zijn daargesteld en daarom m i d d e 11 ij k hunne macht van God hebben, oorzaak moeten zijn, dat zij, éénmaal Overheid, altijd Overheid zullen moeten blijven en niet zullen kunnen worden ontslagen, zonder schending der macht hun van God verleend ?
Of zal, gelijk hare aanstelling door de gemeente, het middel was om haar macht te doen hebben van God, niet evenzeer hunne afzetting door de gemeente het middel zijn in Gods hand om haar die macht weder te ontnemen ?
Waarom zal alleen de aanstelling en niet de ai'zettincf
O O
m i d d e 11 ij k van God kunnen zijn ?
4 J
Zal niet daarin alleen zonde zijn, wanneer de gemeente hare Overheid willekeurig, onrechtvaardiglijk, buiten de gestelde voorwaarden ontslaat ?
Indien lt;lit alles waar is omtrent de Kerkelijke en elke andere maatschappij, waarom dan niet in de Staatkundige?
Zal het onderscheid hierin liggen, dat in den Staat de koninklijke macht onmiddollijk door God wordt opgedragen ?
Maar, vooreerst, waar staat dat geschreven ? En van welken Staat is dat waar, uitgenomen tot zekere mate van de Israëlietische Theocratie ?
En ten andere, indien het Souverein gezag eens konings onmiddellijk van God afstamt, en daarin de reden is gelegen van onoplosbare verplichting tot gehoorzaamheid aan de zijde des volks,
dan hebben wij recht om te vragen, of die onmiddellijkheid eigen is alléén aan het koningschap, of ook aan andere wijzen om het hoogst gezag uit te oefenen, bij voorbeeld, door eenen President, of eenen liaad in eene Republiek ?
Zegt men dat zij alleen eigen is aan het Koningschap,
Dan zal hieruit moeten volgen, dat de monarchale regeeringsvorm de éénige is welke het Christendom toelaat, omdat alléén die vorm alsdan voorzien zal zijn van eene van God rechtstreeks afstammende onmiddellijkheid, welke alléén de grond kan zijn dier onoplosbaarheid van de verplichting tot gehoorzaamheid, die tot het wezen der christelijke gehoorzaamheid zal behooren.
En dan hebben wij hier, juist hetgeen wij hebben
4:5
atangetoond met den aard van het Christendom strijdig te zijn: een politiek stelsel dat aan liet Christendom eigen, dat alléén christelijk is, namelijk, het m o n a r c h a 1 e.
Zegt men daarentegen, dat die o n m id d ell ij khei d van God ook bij andere politieke stelsels kan plaats hebhen en plaats heeft, dan bij het monarchale,
Dan zal die onmiddellijkheid, óf, ook hier, in deze andere politieke stelsels, onoplosbaarheid moeten medebrengen der verplichting tot gehoorzaamheid, als tot de christelijke gehoorzaamheid behoorende. En dan is het moeielijk in te zien, hoe eene repu-blikeinsche regeeringsvorm daarbij mogelijk zal kunnen zijn ?
O f die onoplosbaarheid zal niet het noodzakelijk gevolg zijn van die onmiddellijkheid, en derhalve niet tot het wezen der christelijke gehoorzaamheid behooren.
En dan bestaat er tusschen do onmiddellijkheid der opdracht van de sonvereiniteit door God, en de middellijkheid der opdracht door het volk geen onderscheid meer, ten opzichte der verplichting van gehoorzaamheid.
En dan zal de reden dier gehoorzaamheid niet daarin liggen, dat een koning méér onmiddellijk zijn recht en gezag van God heeft, dan eene door de stem des volks aangestelde overheid, welke ook; maai hierin, dat voor den Christen, zonder onderscheid van middellijkheid of onmiddellijkheid van aanstelling van God of van de menschen, elke overheid, van den veldwachter af tot den koning toe, hare macht heeft van God, en van Gods genade overheid is, niet minder maar ook niet méér, dan hij, eenvoudig Christen, van Gods genade, landbouwer of burger of edelman is.
46
Dat is bot Evangelisch beginsel, dat met hand en tand vastgehouden moet worden, on om welks hand having het mij bij dit geschrijf alléén te doen is, tegen eene Oud-Testamentische richting, welke het denkbeeld van een, bij uitstek en boven alle ander gezag, onmiddellijk zijne macht en recht van God ontleenend koningschap, uit de Israëlietische Theocratie in hot Christendom overplant.
Onder de bedeeling des Evangelie's is, in Chris tu s den Gezalfde boven zijne medegenooten, elk levend Christen, en niet alléén, en niet bij uitstek, de koning of de priester, een gezalfde des H e e r e n.
Tegen mijn argument ex simili, uit de Kerk tot den Staat ontleend, zal men aanvoeren, dat noch Staat, noch Kerk contractueele genootschappen zijn.
Waar is het, dat de oorsprong der staten in geen contrat social te vindon is, en dat de eerste staten zijn gevormd geworden uit individu's die gehoorzaamden, niet omdat zij bij vote universel, met abdicatie van een gedeelte hunner oorspronkelijke vrijheid, daarin hadden toegestemd ; maar, óf omdat zij hot recht der vaderlijke macht, ook buiten zijne natuurlijke grenzen, óf het recht dor suprematie van het talent erkenden, óf, omdat zij gehoorzamen moesten
Tk spreek hier van de menschelijke middelen, waarvan God zich van den aanvang af bediend hooft om overheden daar te stellen: iets dat de waarheid dat die machten uit Hom zijn geenszins uitsluit.
Do leer van het contrat social mag derhalve historisch eene leugen, juridisch eene fictie zijn.
Maar dat neemt niet weg, dat er onder die onwaarheid én historisch ot' praktisch, én juridisch of in ah-stracto, eene groote waarheid verborgen ligt.
De in historischen zin onder de leugen van het contrai social schuilende waarheid is doze; dat het recht der overheid, en alleréérst het hoogste, de souvéreiniteit, hetwelk oorspronkelijk was het recht des huisvaders, op hetgeen werkelijk zijn huisgezin was, dat aan hem met of zonder toestemming gehoorzaam moest zijn, bij de uitbreiding des huisgezins, en bij het ophouden daarmede der feitelijke waarheid van den grond des rechts van den huisvader, bij het subintre-ren daarvoor van eene fictie, door natuurlijke ontwikkeling, en zonder zo nd e, een recht kon worden, aan dien huisvader of zijnen opvolger v r ij willig toegekend door zooveien als aan hem vrijwillig gehoorzaam wilden blijven; welke vrijwilligheid eene, zoo niet uitdrukkelijke, dan toch stilzwijgende toestem min g in het door hem uit te oefenen gezag medebrengt.
Tenzij men mocht beweren, dat alleen zóódanig bezit der hoogste macht als van God afkomstig en daarom rechtmatigkan worden beschouwd, dat uitgeoefend wordt buiten de gewilligheid en derhalve zonder de toestemming van het volk, waarover dit gezag wordt uitgeoefend.
Zoodanige uitbreiding nu van de vaderlijke macht over hen, over wien zij zich in den eigenlijken zin door de natuur, dat is, door Gods instelling niet uitstrekt, is historisch eene species contractus.
En wat nu de abstracte zijde der vraag betreft, zoo is het, dunkt ons, vooréérst onbetwistbaar, dat elke staat, ook de vroegste, hierin met elk ander contractueel genootschap of vereeniging gelijk staat, dat, al wie in dien staat, onder het daarin gevestigd hoogst gezag leven wil, zulks verklaart, stilzwijgend, ja, maai'
4«
daarom niet minder werkelijk, door in denzelvon te blijven en niet van zijn recht gebruik te maken om henen te gaan, en door dat blijven in een verbond van rechten en verplichtingen treedt jegeus dien staat ot' algemeenheid ; hetgeen inderdaad aan de vereeniging van allen, die dat doen, het karakter geeft van een genoot-sch ap.
Maar buiten deze meer juridische zijde, is het ten anderen, uit een ethisch oogpunt waar, dat, indien do zonde van den mensch de oorzaak is der noodzakelijkheid, dat hij geregeerd worde, dat de vrije openbaring van zijn inwendig bederf, ter vrijwaring der rechten van anderen, door dwang beteugeld worde, en indien derhalve deze noodzakelijkheid om geregeerd te worden een getuigenis van zonde is in den mensch, de in hem onuitwischbare, door geene middelen ooit geheel onderdrukte, of onderdrukbare behoefte, om zich zei ven te regeer en, dat is, vrijwillig gehoorzaam te zijn aan banden, die hij zich zeiven heeft opgelegd, of die hem met zijne toestemming en goedvinden zijn opgelegd, (hetgeen op hetzelfde nederkomt,) een getuigenis is van het betere deel, dat in den mensch is overgebleven, waardoor hij nog mensch is.
Ook de onvermijdelijke noodzakelijkheid voor den mensch, om door zijnen naaste beheerscht te worden, om onder de wet van zijnen naaste te staan, behoort tot zijne âmisères.quot; Maar dat hij nog weet, dat hij niet bestemd was om mensch en te dienen, dat is oorzaak dat Pascal daarvan konde zeggen; âCe sont misères de grand seigneur, misères d'un roi dépossédé.quot;
Het is waar, dat hij dat getuigenis in zijn binnenste heeft, opdat die behoefte zelve hem dringe om hare bevrediging te gaan zoeken, niet daar, waar die bevrediging eene onmogelijkheid is, maar in Hem, die âvrijmaakt door de waarheid.''
49
Maar dat neemt niet wew, dat de adeldom dezev behoefte in hem niet miskend, hem niet tot zonde mag toegerekend worden, omdat hij door z o n d e hare bevrediging zoekt, waar /ij niet te vinden is.
En nu de Kerk. Ook die is, zegt men wellicht, geen contractueel genootschap.
Dat is in zekeren zin volkomen waar. â Die ware leden worden van het lichaam van Christus, hetwelk is de gemeente, word e n het door geeno overeenkomst, maar door eene geboorte uit Gcd en die gemeente is op het éénige fondament dat gelegd is, en op geene contractueele verbintenissen gebouwd. Wij hebben het elders aangetoond.
Maar dat neemt niet weg, dat de gemeens chap-p e 1 ij k e oefening van eiken en dus ook van den chris-telijken godsdienst, is een m e n s c h e 1 ij k b e d r ij f, dat, als zoodanig, aan de voorwaarden van alle mensche-lijke gemeenschappelijke werkzaamheden onderworpen is; dat noodzakelijk aan het gezelschap, dat zich daartoe vereenigt, om vereenigd te blijven, het karakter geeft van een genootschap, waarin men de vrijheid heeft al dan niet in- of uittetreden, waarin men, dóór zijne intrede, rechten verkrijgt, verplichtingen op zich neemt.
De Christelijke Godsdienst maakt voor zich geene uitzondering op dezen regel der menschelijke noodzakelijkheid. Ook hierin is zij wel tegen de zonde, in hot gemeenschappelijk eeren en dienen van God, maar niet tegen de menschel ij ke voorwaarden van die gemeenschappelijke aanbidding gericht.
Staat en Kerk zijn dus beide maatschappijen, genootschappen. En ons argument gaat derhalve
4
50
dooi1, van de Kerk, als genootschap, tot den Staat als genootschap getrokken, Indien door de Kerk eene herroepelijke overheid, door keuze van al de leden dei-Kerk, kan worden daargesteld, en naar hare Reglementen kan worden afgezet, gerevoceerd, zonder zonde, dan vragen wij nog eens, waarom datzelfde niet zoude kunnen plaats hebben in den Staat ?
Er is meer dan eene soort van gezag of macht door den mensch over den mensch uitgeoefend, welke niet afhankelijk kan zijn van de toestemming van hen over wien zij wordt uitgeoefend, en daarom ook niet herroepelijk kan wezen, nooit kan participeeren aan de natuur van een contract. Van dien aard is, bij voorbeeld, de vaderlijke macht. Deze is in de natuur van den mensch, in do voorwaarden zijner physieke en intellectu-cele ontwikkeling en zijne daaruit voortvloeiende afhan-kelijkheid van zijne ouders, en ook misschien, gedeeltelijk, in het eigendomsrecht des vaders op hetgeen uit hem is voortgekomen gegrond, en als zoodanig in den wil Gods geworteld. In dien zin kan men van den vader zeggen, dat hij o n m i d d e 11 ij k van God macht hoeft over zijn kind.
Maar die macht, schoon in haren oorsprong niets conventioneels hebbende, verandert evenwel van aard, wanneer de reden ophoudt, waarin /.ij haren grond en hare waarheid heeft; wanneer het opgewassen kind niet meer onvermogend is om voor zich zeiven te zorgen, en dan, â door zijne afscheiding van het vaderlijk gezin, om zelf huisvader te worden, â niet meer in het werkelijk bezit is van den vader, dat noodig is om ook diens eigendomsrecht tot eene waarheid te maken. â Het gezag van den vader over het kind, de gehoorzaamheid van het kind jegens den vader, verkrijgt daneenen anderen,
51
eonen zuiver ethischen, bij het kind zelf bewusteu grond, in de dankbare liefde en daardoor vrijwillige ondergeschiktheid, welke het kind weet, naar Gods wil, aan de middellijke oorzaak zijns levens verschuldigd te zijn.
Wil men nu historisch opklimmen tot den oorsprong-van het recht d'er Souvereiniteit, dan is het volkomen waar, dat dit in de vaderlijke macht zijnen wortel heeft. De vader des huisgezins kan stamvader, hoofd en vorst van een talrijk geslacht zijn en zijn gezag daarover kan, tot zekere mate, geworteld blijven in de onmiddellijkheid van zijn, van alle toestemming onaf han-kelijk, uit zijne hoedanigheid van vader voortvloeiend recht.
Maar, tot zekere mate: want zoodra de zoon des huisgezins zelf vader, zelf hoofd eener stam wordt, verkrijgt hij zelf hetzelfde onmiddellijke vaderlijke recht over zijne kinderen, en het natuurlijke overheidsrecht van zijnen vader over dit tweede geslacht houdt daarmede op. Blijft het bestaan, dan wordt het terstond iets contractueels, door de toestemming, door de uitdrukkelijke of stilzwijgende keuze daargesteld dergenen, die er zich aan blijven onderwerpen. En nog veel meer wordt het contractueel, wanneer de zoon den eersten vader opvolgt in het gezag over de hoofdstam, welke tot een volk wordt. Want zijn recht om aan zijnen vader, bij eerstgeboorte of naar andere bepalingen, op te volgen in zijn gezag over zijne broeders, is niet, gelijk de vaderlijke macht, gegrond in zijne natuurlijke en daarom op Gods onmiddellijken wil rustende betrekking tot zijne kinderen; maar het is conventioneel, rustende op de toestemming en keuze zijner oorspronkelijk hem gelijkstaande stamgenooten.
Alle patrimonieele heerschappij, bij erf-of geboorterecht, wordt in haren voortgang, al ware zij het ook
52
niet in haren grond, even conventioneel als do opdracht der souvereiniteit bij vote un ivo rsel; â tenzij men voor het onherroepelijk erfrecht der souvereiniteit eenen on-middellijken grond ga zoeken in het recht der eerstgeboorte naar de Mozaïsche Wet; hetgeen is, de Israëlieti-sche bedeeling des Ouden Testaments over te brengen in de bedeeling des Evangelies.
En het is derhalve aan eene onklaarheid van begrippen, aan eene verwarring van denkbeelden toe te schrijven, wanneer men beweert, dat de souvereiniteit, door zich zelve en als zoodanig, onherroepelijk moot wezen, omdat zij wortelt in een onmiddellijk van God gegeven recht; terwijl het eene geheel andere zaak is, en men volkomen recht heeft, te zeggen, dat eene ergens eenmaal, bij erfrecht en onvoorwaardelijk opge-dragene souvereiniteit een o nh e r r o e p e 1 ij k r e c h t is geworden van den vorst, aan wien zij is opgedragen, niet meer vereenigbaar met eene gelijktijdige souvereiniteit des vo Iks, by hetwelk die opdracht heeft plaats gehad.
Wanneer dat onherroepelijk recht door het volk, bij hetwelk die opdracht heeft plaats gehad, met voeten wordt getreden ; â wanneer het volk de onvoorwaardelijk opgedragene souvereiniteit terugneemt, zonder toestemming van den vorst, aan wien zij is opgedragen; â dan geschiedt daar o n r e c h t en dat onrecht is z o n d e.
Maar die zonde is de schuld des volks, en niet de schuld der leer van de volkssouvereiniteit.
Zij is eene schennis van het recht; eene schennis dei-beloofde trouw; en daarom, zonde tegen God,
Maar zij geeft geene reden aan den Christen, om de verwerping van de leer der volkssouvereiniteit, a 1 s strijdig met Gods woord, tot zijne leuze te nemen, schoon zij aan el kenCh risten recht geeft, om tegen de zonde der reehtsschennis, door willekeurige uitvoering van eene opgedragene souvereiniteit te protesteeren.
Het is van hoog belang, dat deze zeer gewichtige onderscheiding, al schijnt zij ook spitsvondig te zijn, in onze dagen gemaakt en vastgehouden worde.
Vooreerst en wel voornamelijk in het belang des Evangelies: omdat, gelijk reeds vroeger is opgemerkt, wanneer de leer dor volkssouvereiniteit, als op zich zelve onchristelijk, als op zich zelve strijdig met Gods woord wordt voorgedragen, daardoor aan het Christendom een element wordt opgedrongen, dat daaraan vreemd is, en tegenstand verwekt tegen liet Christendom dat daarmede wordt geïdentifieerd ; terwijl daarenboven de grond dier samenvoeging ligt in eene voor de zuiverheid des Evangelies schadelijke vermenging van het Oud-Testamentische en Nieuw-Testamentische standpunt.
Maar ten andere ook in het belang der politiek: omdat het standpunt, waaruit de slinksche, steelsgewijze ontneming van een erfelijk opgedragen souvereiniteits-recht, als onrecht, als oneerlijk, als z on d e wordt veroordeeld, waar eenmaal het feit dier opdracht onbetwistbaar vaststaat, eene waarheid, eene kracht heeft, die niet missen kan op het beter doel der natie indruk te maken en in haar oog aan do christelijke gezindheid, die dat onrecht brandmerkt, eere moet aandoen.
Terwijl integendeel het standpunt, waaruit als onchristelijk wordt veroordeeld iets, dat op zich zeiven met het Christendom niet in strijd is, de discussie op een terrein brengt, waarop zij, die dat doen, o n g e-1 ij k hebben en daardoor veel van den invloed verliezen, dien zij, uit een beter standpunt, zouden kunnen uitoefenen.
54
Het Christendom is sterk genoeg door zich zeiven, waar het in zijn recht is: de Christen is onverwinnelijk, waar hij tegen de zonde optreedt, gewapend met do gehoele wapenrusting Gods, niet, waar hij lansen opvat, die gevaar loopen zich in zijne handen te breken, omdat zij voor hem niet gemaakt zijn. Zijne kracht ligt niet allerminst hierin, dat hij in de christelijke waarheid het middel bezit, om, in alle mogelijke quaestiën, die do menschheid bezig houden, vrij te blijven van doe onzijdigheid waartoe alle bloot menschelijko wijsheid haars ondanks vervallen moet, en die oorzaak is, dat de waarheid, die zij voorstaat, verworpen wordt, om het ontbreken eener evenzeer berechtigde waarheid, doch die zij, om consequent te zijn, bij de hare niet kan opnemen.
I5ij voorbeeld: de menschelijke wijsheid moet aldus spreken : (1)
âIedere meening, in welke wetenschap of kunst ook, is altijd eenzijdig, verklaart zich voor óene zijde en sluit alle andere volstrekt uit. De één, b. v. predikt het goddelijk recht der overheid en ziet d;iarin de eenige zijde, die ons trekken mag; al. het andere verwerpt hij. Een ander leert de volkssouvereiniteit, en noemt ieder ander stelsel dwaling. Een derde keurt beide leeringen af. verwerpt dus die zijde en kiest zich eene andere, die hem de ware schijnt. Mij dunkt dat alle drie dus eenzijdig zijn. Men kan niet twee zijden tegelijk hebben, niet tegelijk ja! en neen! roepen. Die eene meening heeft, die heeft slechts ééne meening. Voor eenzijdigheid is alleen hij bewaard, die in het geheel geene zijde heeft, dat is, volstrekt geene meening heeft.quot;
Dat is over alle bloot menschelijke wijsheid volkomen
(1) Prof. Opzoomer in zijnon Briof aan do Veroeniging tor bovordo-i-ing dor verkiozingon in hot kiesdistrict Utroclit, afgedrukt in do Nederlander van 17 Augustus 1850, Nquot;. 42.
55
juist geredeneerd en eene treffend ware uiteenzetting van hetgeen daar o n z ij d i g h e i d eigenlijk Is; kleurloosheid, nulliteit. Men is dilar veroordeeld om eenzijdig te zijn, of geene nieening te hebben. Het wijsgeerig eclecti-cismus kan, door van de beide tegenovergestelde zijden iets te nemen, de tegenspraak tusschen haar niet ophet-fen, en zijn evenwicht is slechts ontneming van alle gewicht aan beide de extremen.
Maar wat doet nu het Christendom ?
De wortel van allo en elke tegenspraak, op elk gebied des menschelijken levens en strevens, tusschen leeringen, die elk iets waars hebben en zich toch niet kunnen verdragen, omdat elk van haar bij hare waarheid, dóór hare eenzijdigheid, eene leugen mengt, die aan do andere zijde eene reactie provoceert; eene reactie, welke op hare beurt hare rechtmatigheid door tot onwaarheid overgaande eenzijdigheid bederft: â de wortel van deze tegenspraak, die de vloek is rustende op alle bloot mensche-lijke wijsheid en een getuigenis van haar onvermogen, ligt in de tegenspraak, die sedert den val bestaat tusschen de z o n d i g e menschheid en God.
Tusschen God en den mensch, zooals hij uit de hand zijns Scheppers is voortgekomen, is er geene tegenspraak, maar gemeenschap, harmonie der zich nederbuigende goddelijke liefde aan de ééne, en der zich, ter harer verheerlijking, aan haar opheffende liefde van hot naar haar beeld gevormde schepsel aan de andere zijde.
Maar tusschen God en de door zonde bedorvene menschheid is tegenspraak: dezelfde tegenspraak die er is tusschen waarheid en leugen; tusschen 1 i e f d e en h a a t.
Niet alle spoor evenwel der vroegere waarheid is in de door zonde verdorvene menschheid uitgewischt.
En daarom moet zich de tegenspraak tusschen God on den zondigen mensch, ook in eiken mensch zeiven,
56
en in ui hel menschelijke openbaren: de tegenspraak i n h e m tusschen waarheid en leugen. Tot de volle, volko-mene waarheid, welke is de gemeenschap met God, niet kunnende komen, is hij juist daardoor veroordeeld, om, de lijn eener groote waarheid, waarvan hij uitgaat, van schrede tot schrede volgende, toch in de volle waarheid niet aan te landen, maar ergens tot een punt te komen, alwaar zijne waarheid, door éénzijdigheid, leugen wordt.
Zóó, b. v. in de wijsbegeerte.
Want, één van beide.
Ol' zij gevoelt de behoefte aan God en het goddelijke ; maar het goddelijke door haar met het menschelijke in aanraking gebracht, kan zich daarmede niet verdragen, en doodt het menschelijke; ontmenscht den mensch, door hern onmatig te verhoogen, door hem tot God te maken, wijl zij het geheim niet verstaat, om den mensch met God te veréénigen, te verzoenen, zonder verlies zijner menschelijkheid; door hem te verlossen van hetgeen alléén scheiding maakt tusschen God en hem, en dat gelegen is, niet in zijne menschelijkheid, ook niet in het eindige en zwakke der menschelijkheid tegenover den Oneindigen en Volkomenen, maar inzijnezonde.
Dat doet het Platonismus en, in zijne hoogste uitdrukking, het Stoïcismus.
Of zij reageert tegen deze sublimatie van den mensch; maar ontmenscht den mensch aan de tegenovergestelde zijde, door hem onmatig te verlagen, en hem zijn bewustzijn, dat hij behoefte heeft aan God, weg te cijferen.
Dat doet alle materialistische wijsbegeerte.
Ziedaar eene tegenspraak tusschen die beide richtingen tegenover elkander (én in elk dier beide richtingen zelve), die uit éénzijdigheid, uit buitensporigheid aan eene der beide zijden van de waarheid voortvloeit.
57
en voor geene verzoening vatbaar is; â men kan geen discipel zijn van Zeno en Epieurus te gelijk ; â en toch kan men geen discipel van Zeno zijn; zonder zich jegens Epieurus aan leugen en miskenning schuldig te maken.
Alle Pantheïsmus, dat deze, in alle oudere of nieuwere wijsbegeerte op den bodem liggende, steeds onoplosbare tegenspraak wil oplossen, door de godheid in den mensch zei ven te verplaatsen, moet eene vruchte-looze poging blijven, omdat zijne geheele kunstbewerking met de feitelijke waarheid in strijd en met beide termen evenzeer in weerspraak is.
Maar nog eens, wat doet nu het Christendom?
Het neemt de tegenspraak weg : doch niet door eene der beide zijden te loochenen, te verbergen, in zijne rekening niet op te nemen, te onderdrukken.
Maar door uitzuivering van hetgeen, aan elk dei-beide zijden, oorzaak is der tegenspraak, omdat het oorzaak is der buitensporigheid, namelijk door uitzuivering van de zonde.
Zoo in de wijsbegeerte.
Het Christendom maakt den mensch niet tot God, gelijk het Stoïcismus doen moest, door de zonde des h o o g m o e d s, omdat het, bij zijn logisch en consequent, voortgaan aan de zijde van de grootheid des menschen, zijn van G o d s g e s 1 a c h t e zijn, door hoogmoed in zijne rekening niet opnam de laagheid des menschen, den mensch zooals hij sedert den val i s, met al zijne verwijdering van God, zelfzucht en leugen.
Het Christendom vernedert den mensch ook niet beneden het gedierte, gelijk het Epicurismus doen moest, door de zonde der hoogste leugen, der godsverloochening, omdat het bij zijn consequent doorgaan in de lijn der laagheid, der vernedering, der ver-dierlijking des menschen, door die godsverloochening
58
in zijne rekening niet opnam, hetgeen de grootheid des menschen, ook na den val, blijft uitmaken, zijn trek naar God, zijn z ij n van Gods geslachte.
Maar het Christendom vernedert en verhoogt den mensch te gelijk: het vernedert hem, om hem te verhoogen. Het reinigt hem van zijnen hoogmoed, die hem den toegang afsnijdt, welken hij uit zich zeiven tat God zoekt, â door hein te vernederen, door lijden.
Het verlost hem van zijne laagheid, van de zonde zijner godsverloochening, die hem in walging van zich zeiven tot wanhopige overgave aan zijne dierlijkheid drijft, â door hem, in Ciiutstüs der goddelijke natuur deelachtig gemaakt door lijden, te brengen tot heerlijkheid (1).
En de aldus met God verzoende mensch Gods, gevoelt nu niet allerminst daarin de heerlijke vreugde zijner vrijmaking door de waarheid, dat hij overal en in alle kringen des menschelijken levens, heilige harmonie vindt, waar hij vroeger op onoplosbare tegenspraak stuitte en gedrongen werd, om zich, ten einde haar, het kostte wat het wilde, te ontgaan, in den afgrond der eenzijdigheid te werpen.
Hij heeft door het Christendom geleerd, âtwee zijden te gelijk te hebben,quot; en behoeft toch niet âja ! en neen ! te gelijk te roepen.quot;
Zijn woord is, gelijk het woord van Paulus, niet j a en neen; omdat ook de Zoon van God Jezus Christus, niet ja en neen geweest is, maar het is ja! in Hem geweest.
In Christus ziet hij G o d en toch den mensch; den mensch en toch God; twee zijden en toch geene tegenspraak ; licht, dat het duistere voorwerp niet verteert, ook niet daarop afstuit; maar dat het duistere
(1) Verg. Hobr. 2: 10. Eph. 4: 19.
59
voorwerp doordringt on in een lichtgevend voorwerp verandert.
En zoo behoeft nu ook de Christen op maatschap-pelijk, op staatkundig gebied, om de zo n d e, klevende aan de volksregeering, zich niet meer éénzijdig te worpen in een stelsel van goddelijk recht der overheid, dat niet consequent kan zijn dan door wegcijfering van het inen-schelijk middel der Godsregeering, en alzoo noodwendig, al protesteerende, in eene onmiddellijke Godsregeering, in eene keuze des konings als onmiddellijk van God, als des Gezalfden des He er en, met één woord, in de Israölietische Theocratie aanlandt.
De Christen kan, ook in de volksregeering, in do souvereinitoit door het volk ter opdracht van een onvoorwaardelijk gezag uitgeoefend, het menschelijke m id-del zien, waardoor de overheid hare macht heeft van God.
Het kwaad, de zonde dier volkssouvereiniteit kan hij bestrijden, zonder togen haar zelve strijd tc voeren : door met woord en daad de vrijheid te prediken, waardoor het den mensch, die den Heer der Heeren tot zijnen Koning heeft, niet meer kost gehoorzaam te zijn aan eeno menschelijke overheid, hoe ookdaargosteld' ook de harde, wijl hot zijn geluk nu is, niet te heer-schen, niet gediend to worden, maar te dienon door do liefde.
Nog eens: menschelijk is het, niet zondig, dat de mensch niet door dwang geregeerd wil worden; maar door vrijwillige toestemming zich onderwerpen wil aan het noodige, maar beperkte gezag eenor overheid zijner keuze.
Ja, nog eens, die menschelijke neiging is een getuigenis der behoefte die de mensch heeft aan hot Evangelie, waardoor hij leere te wandelen âals een vrije, doch
60
niet hebbende de vrijheid tot een deksel der schande, maar als een dienstknecht Gods,quot;
Uit den boozen is het echter, dat die mensche-lijke reactie tegen dwang, de volkeren, die niet rijp zijn voor de rechts-vrijheid des Evangelies, door de bedorvenheid der zonde drijft, niet, om vrijwillig te gehoorzamen, als vrijgelatenen van Christus, maar, om niet te gehoorzamen.
Aan die volkeren, die de kracht des Evangelies tot zaligheid niet kennen, de evangelische vrijheid te willen geven, om haar te gebruiken tot een dekmantel voor de zonde, is, wij zullen het waarlijk niet tegenspreken, de grootste aller dwaasheden.
Het is even verkeerd, hen, die door den drang dei-liefde Gods in het Evangelie nog niet bewogen worden, te willen regeeren door het Evangelie, als hen, die door de waarheid zijn vrijgemaakt, te brengen onder de tuchtroede der Wet. â Met andere woorden : aan den Staat, de Wet; aan de Kerk, het Evangelie ; maar nu moet de Staat niet doen wat der Kerk, noch de Kerk wat des Staats is.
âWahr ist, (zegt Dr. Jul. Muller in een schoon artikel over de onzichtbare kerk in de Deuts che Z ei t-schrift für christliche Wissenschaft und christliches Leb en 1850, N0. 29, bl. 232) dass grosse Massen unserer der aussern Signatur nach christ-lichen Bevölkerung, und wahrlich nicht minder aus der gebildeten als aus der ungebildeten Klasse, es noch be-dürfen, durch das Gesetz gezahmt und gezügelt zu werden, und dass, wenn in ihnen nicht zuvor das Be-wusstsein von der Heiligkeit des Gesetzessichentwickelt hat, sie geneigt sein werden, das Evangelium von der freien und befreienden Gnade auf Frevel zu ziehen, oder ihm in ihrer Auffassung jene schlaffe, marklose Selbstvergebungstheorie unter zu schieben, welche an
01
oinen göttlichen Zorn und einGrericht Gottos über ixnsere Sünde nicht glaubt, sonderti an einen Gott, dev biliiger weise gar nicht anders kann, als die Uebertretungen seiner schwachen Kinder auf sieh beruhen lassen. Allein diese Gefahr kann die Kirche nimmermehr berechtigen, das Gesetz anders, als in dem durch den Gang der göttlichen Offenbarung vorgezeiclineten Zusamnienhangemit dera Evangelium zu predigen; jene Ziihmung aber hat sie dem Staat zu überlassen. Der Beruf der Kirche ist ein anderer, und sie hat ihn nicht selbst ge\vahlt,dasssie ihn beliebig vertauschen könnte, sondern er ist ihr von ihrem König dam als angevviesen werden, als er seine Stif-tung aussonderte aus derVermischungdesRel igiösenund Politischen in der alttestainentischen Theocratie, dainit sie ein Reich sei nicht von dieser Welt, Ãlusserlich wehr und waffenlos, ohne weltliche Mittel der Zucht und Strafe, lediglich auf die unsichtbare Macht des göttlichen Geistes vertrauend. Tn einer Zeit, wo die neueren europilischen Staaten sich noch auf den ersten Stufen ihrer Bildung befanden, war es in dem historischen Ver-hilltnissen begründet, das die Kirche grossentheils die Stelle des Staates vertrat als Erzieherin derVölker durch ein üusserliches Gesetz, umgeben mit Strafdrohungen, ausgerüstet mit mancherlei Mitteln der Gewalt, den weltlichen Arm in seinem Dienste nehmend.quot;
âDieser dem Evangelium an sich fremde Beruf war ihr durch die göttlicho Leitung der Geschichte audi nur provisorisch übertragen, weil die Liihmung ihrer Glau-benskrafte sie zur Verrichtung ihres eigenen und ur~ sprünglichen Werkes unfiihig gemachthatte. Gegenwilr-tig aber, wo der Staat sich sein Gebiet viel vollstandiger organisirt und abgegrilnzt hat aus seinen eigenthümli-chen Gestaltungstrieben heraus, kann von einer solchen Stellung der Kirche vollends nicht mehr die Rede sein. Ihre Aufgabe ist nicht, kirchliche Politik zutreiben,son-
62
dern sich mit aller Entschiedenheit auf das rein religiose Prinzip zu stellen, um von ihm aus alles Menscliliclie aöttlich zu heiligen und zu verklaren.quot;
Is dit inderdaad de roeping der K e r k, dan volgt hieruit, dat men van den Staat evenzeer moet zeggen : â seine Aufgabe ist es nicht, p o 1 i t i s c h e s Ki r ch e n-thum zu treiben.quot;
De Christen is volkomen in zijn recht en handelt christelijk en naar Gods woord, wanneer hij do revolutie bestrijdt, door luide te verkondigen, dat volken, die de realisatie van het omzwevend ideaal van vrijheid, gelijkheid en broederschap, nog zoeken in de verwerping van alle gezag, in de verscheuring van alle maatschappelijke banden, nog niet rijp zijn voor de vrijheid die zij zoeken, nog niet rijp om zich zeiven te regeeren, en door de wet, door dwang, desnoods door bajonetten en kanonnen geregeerd moeten worden.
Maar ook voor de volken zij die wet, die dwang, in het oog, en daarom ook in het woord en do daad van den Christen, de tuchtmeester totquot; Christus, het middel om hun te doen verstaan, dat de weg om tot ontheffing van het juk der wet te komen, niet is we t-teloosheid (arofu'iv), maar gehoorzaamheid aan het Evangelie; aan het Evangelie, dat de behoefte des menschen, om door zijn vrijen wil geregeerd te worden, niet vertrapt, door die neiging zelve revolutionair te noemen, als strijdig met het goddelijk recht der overheid ; maar dat haar heiligt, door den mensch te leeren, dat hierin alléén de volkomene bevrediging is zijner behoefte, dat hij aan God gehoorzaam zij uit vrije liefde, omdat God hom hot eerst heeft liefgehad en liefheeft.
Al wie dat geleerd heeft, kan, zonder eenig gevaar voor zich zeiven of anderen, macht hebben om zijne Overheid te kiezen en aan te stellen of ook af te zetten, wanneer zij ontrouw wordt aan de voorwaarden haror aanstelling. Hij vreest God, en eert daarom ook den Koning, al is die Koning ook niet door erfrecht of geboorte Koning geworden, al is hij geen Enfant du miracle!
XXV.
De getrouwe en, waar het noodig is, ook ernstige bestrijding van Christen tot Christen, van alles wat, op welk gebied ook, de strekking heeft om de nieuwheid des geestes te doen wijken voor de oudheid der letter, opdat de waarheid des Evangelies bij ons blijve, is goene liefdeloosheid, is geen twisten dat de Schrift veroordeelt.
Ook hier doodt het Christendom niet allen strijd, maar alles wat den strijd verbittert: de zonde i n de wrijving der denkbeelden, welke de mensehelijke voorwaarde is van leven en voortgang in de waarheid.