HET GROEN WEZEN
647
E
I BB
nooit
A. J. F U A N K E L.
Pro Libertate et Justitia.
LEIDEN, GEBROEDERS MURÃ. 1885.
LM
HET GROENWEZEN,
UOÃK
A. J. FRAENKEL.
Pro Libertate et Justitia.
BIBLIOTHEEK DER i RIJKSUNIVERSITEIT I UTRECHT
LEIÃ EN,
GEBROEDERS MURÃ. 1885.
I 1
/,â -ft, /7
Und wenn in ciner guten Sadie tiiusend Versuchc fehlschlageu, so verzweiile ich doch nicht an dcm cndlichen Gelingcn.
Jouann Gottfried Seuiie.
0.
In weerwil dat het voornemen tot het uitgeven van een gesehrift over het groenwezen bij mij reeds sedert lang vaststond, luid ik in afwachting van een voor mij geschikt tijdstip daaraan zekerlijk nog geen uitvoering gegeven, ware het niet, dat de gebeurtenissen van den jongsten tijd elke ernstige en uit persoonlijke verplichtingen voortspruitende overweging tot inachtneming eener lijdzame houding ter zijde stellen. Die gebeur-tenissen zelve te bespreken en in het volle licht der openbaarheid te stellen ligt niet in mijn plan, omdat ik zelfs den schijn daaruit wapenen te smeden ten behoeve van het door mij beleden vrijheidsbeginsel niet op me wil laden. Dat ueginsel toch is uit zijn aard zoo krachtig, dat het niet noodig is ten bate van hetzelve feiten te exploiteeren, die in onze maatschappij door elk rechtgeaard student ten strengste worden afge-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0390 371
keurd. Het is uitsluitend mijn bedoeling op te komen tegen het voortbestaan van een gewoonte, waarvan die feiten het uitvloeisel zijn. Bestond die gewoonte niet, die feiten waren niet gepleegd; behoort die gewoonte tot de geschiedenis, het gevaar voor herhaling van dergelijke feiten zal geweken zijn.
Gedurende mijn langen studietijd ben ik herhaaldelijk , maar steeds vruchteloos tegen die gewoonte te velde getrokken. Begrijpend, dat beperking er van eenerzijds een transactie is, die leidt tot prijsgeving van het door mij voorgestaan beginsel, anderzijds niet oplevert het beoogd resultaat, omdat na verloop van eenigen tijd het groenen in zijn oorspronkelijke en misschien in een nog veel scherper gedaante wederkeert, zag ik in de verkregen verzachting van het novitiaat, die tijdelijk een zoogenaamd dragelijken toestand schept en daarom een afdoende hervorming belet, meer nadeel dan voordeel. De uitkomst heeft de juistheid van mijn inzicht bevestigd. Op grond nu van die uitkomst koester ik de hoop, dat mijn stem, vragend in het welbegrepen belang van onze maatschappij de opheffing van het novitiaat niet langer zal zijn die van een roepende in de woestijn. En als die verwachting blijken mocht een voorbarige te zijn geweest, wijl de velen, die mijn meeningen betr ^end het groenloopen deelen, niet den moed 1 l-l ,r hunne gevoelens uit te komen, laat staa. ! j;,«i breken, dan nog is bij mij de overtuiging .orteld, dat dit geschrift, waaraan ik een blijvend karakter gegeven heb, eens de goede zaak ter overwinning zal voeren.
3
Reeds op den leeftijd, waarin het denk- en onderscheidingsvermogen ontkiemt en groeit, warm voorstander van volledige vrijheid, getemperd door de noodzakelijke beperkingen, welke de openbare orde en het algemeen welzijn vorderen, vond ik bij mijn komst aan de hoogesohool een toestand, dien ik daar het allerminst verwacht had. In plaats van een vriendelijke ontvangst bij de eerste wankelende schrede in het nieuwe leven ruwe begroeting: in plaats van tegemoet-komenden broederzin bij natuurlijke onrijpheid onbroederlijke bespotting: in plaats van de verbeide zelfstandigheid onverwachte onderwerping aan vreemden wil: in plaats van de hooggeroemde vrijheid verfoeilijke dwinglandij. Die eer- en vrijheidroovende toestand, waaraan ik in navolging van zoovelen me schoorvoetend onderwierp onder uitdrukkelijke verklaring dien later, als eigen kracht geboren werd, te bestrijden, sloeg aan het heerlijk ideaal, hetwelk ik me van de studentenmaatschappij had voorgespiegeld, onmiddellijk den bodem in. De ontvangen teleurstelling liet me, nadat het zoogenaamd ontbolsteringsproces ten einde was, de gedane verklaring niet vergeten; maar deed bij mij het vurig verlangen ontbranden alles in het werk te stellen, ten einde aan hen, die na mij aan de studie zich kwamen wijden, de teleurstelling te besparen, die mij zoo diepe smart berokkend had. Bovendien beschouwde ik het als mijn plicht om in den georganiseerd en kring, waartoe ik nu behoorde, beginselen te bestrijden, die nog wel bij reglement erkend en geregeld waren; maar waarin een grove miskenning lag van de hoogste menschelijke gevoe-
4
lens. En toen ik later wegens de vrijmoedige openbaring mijner op lieclite gronden gevestigde overtuiging, cn de pertinente weigering mijn verklaringen te herroepen genoodzaakt werd uit dien kring te treden, was ik van oordeel, dat de naam van student, dien ik droeg, liet voor mij onmogelijk maakte de rol van een figurant te vervullen op een tooneel, waar krachtens jaarlijksche gewoonte zooveel onliefelijks werd afgespeeld.
Geleid door de treurige ervaring èn bij ine zeiven hi bij anderen opgedaan: gedreven door het mij van jongs af ingeprent gevoel voor rechtvaardigheid en humaniteit: en aangevuurd door mijn grenzenlooze liefde voor de vrijheid, stond ik op, tot tweemalen toe, tegen de op reglement of gewoonte steunende instelling, die groentijd heet, en tastte haar aan in het vast vertrouwen haar te doen instorten onder het volle gewicht mijner rijpelijk overwogen argumenten.
De eerste maal, dat ik een poging aanwendde tot omverwerping van het groenwezen, was bij gelegenheid van de herziening der amsterdamsche corpswet. Deze poging-viel uit gebrek aan instemming en voldoenden steun hoogst ongunstig uit. Mijn met zorg en verwachting opgestelde redevoering tot verdediging van mijn ingediend voorstel; //Opheffing van : n groentijd en vervanging daarvan door ballotage' ^oken in een onstuimige corpsvergadcring, vuu met vervaarlijk geschreeuw en uitbundig gelach begn; , zoodat ik veel moeite had mijn rede te doen ve. â ü en ten einde te brengen. In het studentenweekblad de Vox Studioso-rum, ontstond naar aanleiding van een en ander een
5
heftige polemiek, die van de zijde mijner tegenstanders behoudens een enkele gunstige uitzondering met wapenen gevoerd werd, die meer tegen mijn persoon dan tegen de zaak, welke ik voorstond, gericht waren. Ik werd beschimpt, maar niet weerlegd. De toenmalige onpartijdige redactie van bovengenoemd orgaan maakte door sluiting van het debat een einde aan den onver-kwikkelijken pennestrijd.
Had mijn eerste poging een meer plaatselijk karakter, de tweede, die ik later te Leiden door middel van mijn //Open Brief aan hen, die de universiteit voor het eerst bezoekenquot; ondernam, was van algc-meene strekking. Zij had haar ontstaan te danken aan drie elkaar snel opvolgende gebeurtenissen, die op mij van overwegenden invloed waren geweest en mijn besluit bepaald hadden.
1°. De groentijd te Leiden had zich door een hoogst ergerlijk en veel sensatiemakend feit gekenmerkt, dat allerwege en niet het minst in de kringen der hoog-leerarcn een zeer pijnlijken indruk had gemaakt.
3°. In Debating-Society te Leiden was Professor Buys met de navolgende stellingen opgetreden.
1. De geschiedenis van het groenwezen zoowel aan deze Hoogeschool als elders levert het bewijs hoe zwak wetten zijn, welke niet met de zeden overeenstemmen.
II. Het besef van deze zwakheid mag intusschen nooit een reden zijn om af te zien van den wettelijkcn strijd tegen die slechte zeden, welke zich openbaren in het plegen van onrecht.
6
III. Het groenwezen is een uitvloeisel van slechte zeden; een getuigenis tegen de intelleetueele en moreele kracht van de corporatie, welke die instelling handhaaft.
IV. Wel verre van tot ontwikkeling der novitii bij te dragen is het ook voor hen eene oorzaak van verbastering.
V. Liever dan stilzwijgend een instelling te gedogen, welke het niet meer in zijne wetten durft schrijven, behoorde het studentencorps alle middelen aan te wenden â dus ook die middelen welke wetten brengen kunnen â⢠om haarquot; feitelijk uitteroeien.
3°. De Heer De Jong, oud-pracses van het Dclftsch studentencorps, iemand, die met den aard en dc bedoeling van het groenloopen wel geacht mag worden goed vertrouwd te zijn, is eveneens, in Debating-Society en corpsvergadering op zeer krachtige vvijzo tegen de instandhouding er van te velde getrokken.
Lettend op deze drie gebeurtenissen meende ik, dat de gelegenheid voor een vernieuwd optreden van mijn zijde uiterst geschikt was, en was ik van gevoelen, dat ik haar niet mocht laten voorbijgaan zonder althans één poging te wagen. Maar ook die poging, slechts ondersteund door eenige s'ndenten uit Leiden, Utrecht en Amsterdam, heeft to!:;u chipbreuk geleden. Do gekoesterde verwachting, dut cu nieuw aangekomenen, afgeschrikt door de juiste schilderirj, die ik van het groenloopen gegeven had, en aangemoedigd door mijn opwekking tot rechtmatig verzet, meerendeels zouden
7
weigeren zich aan het gebruikelijk novitiaat te onderwerpen, werd dank zij de doeltreffende maatregelen mijner talrijke tegenstanders ganschelijk verijdeld. Natuurlijk werd ik in de bladen â om te zwijgen van de interpellaties en aanvallen, welke ik op de straat te beantwoorden had â gedurig bestookt en gekastijd: op een wijze die niet altijd loyaal, ridderlijk, studenten-waardig was. In het studentenweekblad Minerva bepaalde zich de polemiek tot het onderwerp zelf en de strijd in dat blad gevoerd, was wel opgewekt, maar toch wellevend van karakter. Ook tot de groote pers. Handelsblad, Standaard en Nieuws van den Dag had de strijd zich uitgestrekt. De geachte redactie van laatst-, genoemd dagblad meende de zaak der vrijheid en der beschaving zekerlijk een onschatbaren dienst te bewijzen door in een hoofdartikel de dwinglandij op grond der overlevering in bescherming te nemen, en dreef haar liberaliteit zoover, dat zij de plaatsing weigerde aan een goed geschreven artikel, waarin werd aangetoond, dat het enkel beroep op de traditie niet voldoende is het behoud eener instelling te wettigen, en zelfs hoogst gevaarlijk, wanneer die instelling het plegen van onrecht ten doel heeft.
Beide door mij beproefde pogingen zijn geheel en al mislukt, maar dit bedroevend resultaat ontmoedigt me niet een derde en laatste te ondernemen, al mocht mij ook de bittere toevoeging gedaan worden: //uw strijd is een wanhopigequot;. Staande aan het einde van een veelbewogen studietijdperk wensch ik voor mijn heengaan mijn medestudenten toe te spreken: hun het
f
8
onredelijke en onrechtmatige der handhaving van liet groenwezen nogmaals onder het oog te brengen, en nogmaals te trachten hen van de noodzakelijkheid tot opheffing dier instelling te overtuigen. En mocht, wat ik niet hoop, mijn stem geen voldoenden weerklank in hunne gemoederen vinden: mocht hun slapend rechtsbewustzijn niet wakker geschud worden: mocht het bezielend woord Vrijheid hen niet kunnen losscheuren van de middeleeuwsche banden eener ontzenuwende traditie, dan zal deze arbeid toch geen vmchtelooze zijn, want de nazaat zal tot stand brengen, wat de voorzaat weigerde te verrichten. Zij zal lezen, wat ik thans schrijf. Immers op de schoone verwachting, dat mijn medestudenten in dit vraagstuk voor overtuiging vatbaar zijn, en doen zullen, wat rechtvaardig, eervol, plichtmatig is, mocht ik met het oog op de verkregen ervaring niet te veel vertrouwen en daarom moest ik denken aan de toekomstige academieburgers en ten behoeve van hen een blijvenden vorm voor de uiting mijner overtuiging kiezen.
Heden of morgen, vroeg of laat, maar eenmaal gewis zegeviert het goede en rechtvaardige. Dat geloof stond bij mij onder alle omstandigheden onwankelbaar vast. Het heeft me moed geschonden den ongelijken strijd te aanvaarden; en de vele o1- i ^ lieden, die hieruit voor me voortvloeiden, ^ 3 verdragen. Het heeft me troost verleend in ci ] dagen, waarin het onrecht ten trone zat, ver (ki en vergood, terwijl het recht in het stof lag, vernederd en verguisd. Het heeft me thans toegerust met de kracht dit geschrift
9
samen te stellen, uit te geven en op te dragen aan hen, die de macht bezitten het groenwezen met alle hun ten dienste staande middelen uit te roeien, waaronder wettelijk verbod en strenge strafbepaling bij overtreding van dat wettelijk verbod ongetwijfeld de meest doeltreffende zijn. En die macht behoort in de allereerste plaats aan u. Studentencorpsen in Nederland. Ik noodig u uit, ik roep u op kennis te nemen van dit geschrift. Leest het, weegt het en oordeelt, of het overeenkomt met den naam en de eer onzer republiek daarin langer een instelling te handhaven, die het hoogste menschenrecht, de persoonlijke vrijheid, met voeten treedt.
Ik acht het noodig om alvorens dit hoofdstuk te besluiten een dwaling uit den weg te ruimen, die ten aanzien van mij vrij algemeen schijnt te heerschen. Men heeft me voorgesteld en uitgekreten als een vijand van het Studentencorps en de Studentenmaatschappij. Zoo ooit iets dan heeft me dat gegriefd. Ik heb nimmer in het openbaar de loftrompet geblazen over het vele goede en schoone in onze maatschappij te bewonderen, weerhouden door het bewustzijn, dat er onder mijn medestudenten zoovelen zijn, die, belust op de hoerahs en vivats der menigte, dat instrument uitsluitend en met graagte bespelen. Maar wel heb ik de trom geroerd , eerst zachtkens en toen ik niet verstaan, niet verhoord werd allengs luider en luider over het wederrechtelijk voortbestaan van een onverdedigbaren toestand, die onze maatschappij in hooge mate tot oneer strekt. Heb ik daarom nu verdiend een vijand te
10
heeten van Studentencorps en studentenmaatschappij ? Heb ik daarom verdiend met Pereats gesteenigd te worden? Moest ons nationaal studentenlied, waarvan de opwekkende tonen me steeds in alle smartelijke lotswisselingen blijmoedig gestemd hebben, hiertoe ontwijd worden? Moest het monster van den Laster worden opgeroepen, ten einde mij en daardoor mijn streven onschadelijk te maken. Moest mij nog geleerd worden, dat het gezegde der Romeinen: //semper calumniae aliquid adliaeretquot; een droeve waarheid bevat? Had men het recht mijn beginselen in verdenking te brengen, en, terwijl men volgend het gegeven consigne van doodzwijgen mij openlijk niet bestreed, mij in familiekringen als een gevaarlijk en verachtelijk individu voor te stellen? Waarom tastte men mijn vrijheid, mijn naam en mijn eer aan: waarom hinderde men mij in de vervulling van mijn beroepsplicht: waarom kwelde en vervolgde men mij zoo wreed en bitter, terwijl toch de wierookwalm, die van Lugdunums feest-altaar in dichte wolken was opgestegen den hemel van Nederland verduisterd en het reeds half ontstoken licht had uitgedoofd?
Sterk door het verheffend bewustzijn van trouwe plichtsbetrachting bij mijn onvermoeid pogen de studentenmaatschappij te zuiveren vn laam, die door behoud van het groenwezen ov- la- : . trek ik me in de afzondering terug, hopen.i, dat ^ .-r de dag zal komen, waarop ten aanzien van n , . reven en bedoelingen een helder licht in de studentenwereld zal opgaan.
En die dag zal komen.
11
Dit geschrift, bestemd den weg te banen voor de invoering en toepassing van de humane beginselen, waarop in onzen tijd van beschaving elke geordende inrichting gegrondvest moet zijn, zij tevens de rechtvaardiging van mij en mijn handelingen.
Het strekke ten bewijze, dat ik geen aanbidder was van het //Vox Populi vox Deiquot; maar in woord en daad Leasings spreuk tot de mijne maakte: //Das Geschrei des Volkcs ist nicht immer die Stirame der Wahrheitquot;.
Het strekke ten bewijze, dat ik in weerwil van de grofste miskenning strijden bleef voor een goede en rechtvaardige zaak.
Het strekke ten bewijze, dat ik het heil der gemeenschap hooger gesteld heb dan mijn persoonlijk belang.
Het lag aan mij in de studentenwereld een persona grata te zijn, wanneer ik maar niet was opgetreden tegen het onteerend kwaad van vrijheidsberooving en rechtsverkrachting en meegaande met de groote hoop al het bestaande afgodisch verheerlijkt had. Dat ik het niet deed, dat ik, gehoorzamend aan de stem der plicht, dikwerf tegenover mijn medestudenten in het strijdperk trad, mag zekerlijk niet als een jegens de studentenmaatschappij vijandige daad worden uitgelegd. Tn het belang zoowel van mij, die den strijd voor vrijheid en recht begon, als van hen die na mij dien strijd zullen voortzetten en voleinden, stel ik er hoogen prijs op, dat die verdachtmakende uitlegging voor goed op-houde, en dat ten aanzien van goede bedoelingen en een plichtmatig streven de kwetsende dwaling door de duidelijke waarheid vervangen worde.
12
II.
Het groenzijn is ccn natuurproces, waaraan een ieder, die in een nieuwen werk- of levenskring de eerste schrede zet, onderworpen is. Uat proces moet zijn regelmatig verloop hebben, opdat het individu zich geleidelijk kan ontwikkelen en bekwamen. Algeraeene of gedeeltelijke vaststelling van zijn duur is ondoenlijk, wijl deze afhankelijk van leeftijd, karakter, verstand en tal van andere oorzaken veelvoudig en uiteenloopend onderscheid oplevert, bij den eenen van den anderen verschilt, bij dezen kort, bij genen lang is.
Het groenwezen is een in de nederlandsche studentenmaatschappij bestaand novitiaat, dat ten doel heeft hen, die zich voor het eerst aan de academische studiën wijden en tot het studentencorps wenschen toe te treden, gedurende zekeren tijd te onderwerpen aan de bijkans onbeperkte heerschappij van die studenten, die, grootendeels zelve eens ontgroend, leden van het studentencorps zijn.
Uit de gegeven omschrijvingen van groenzijn en groenwezen blijkt , dat tusschen beide een breed verschil bestaat. Het groenzijn ligt in de natuur van den mensch, het groenwezen is een vinding van hem; het groenzijn openbaart zich overal, het n'oenwezen alleen in de studentenmaatschappij; het â¢â¢â¢.iin laat geen juiste
tijdsbepaling toe, het groen we/⢠â¢â¢â¢ cn vastgestelden
termijn; het groenzijn laat de vrij in a igcrept, het groenwezen heft haar op. Deze versclni . anten, die met nog meer kunnen aangevuld worden, sluiten een nauwe on-
13
derlinge betrekking niet uit. Die betrekking bestaat namelijk hierin, dat het groenzijn den voorstanders van het novitiaat tot rechtvaardiging dient van het groenwezen.
Hoe en waar nu het groenwezen ontstaan is, wie het in het leven geroepen heeft, of de oorsprong er van in de grijze oudheid dan wel in het middeleeuwsch gildewezen te zoeken is, de oplossing van al deze vragen mogen uit een historisch oogpunt wetenschappelijke waarde bezitten, voor een kritische verhandeling heeft zij weinig nut.
Het komt er hier op aan te weten, of in het groenzijn de rechtvaardiging ligt van het groenwezen.
Wat onder het groenwezen verstaan moet worden, is hierboven reeds in het licht gesteld. Het is over-heersching aan de eene zijde en onderworpenheid aan den anderen kant: de student beveelt, tie groen gehoorzaamt: de student ontneemt de vrijheid, de groen verliest haar. Nu wordt wel beweerd, dat de novitius uit vrijen wil en niet door uitgeoefenden dwang zijn individualiteit prijs geeft, zoodat van vrijheidsberooving geen sprake kan zijn; maar deze bewering is geheel en al onjuist. Het jongemensch toch, dat gymnasium of hoogere burgerschool verlaat om plaats te nemen op de collegebanken, sluit zich bij het studentencorps aan, omdat hij de voordeden, die uit het lidmaatschap er van voor hem voortspruiten, wenscht deelachtig te worden, omdat hij het studentenleven, dat zich in en door het studentencorps het krachtigst openbaart, wil leeren kennen en genieten, omdat hij begeert deel te nemen aan de werkzaamheden der vele nuttige vereenigingen, die
14
uit het studentencorps voortvloeien, en hoofdzakelijk, omdat hij verlangt in aanraking te komen met hen, die hem op zijn nieuwe levensbaan tot gidsen kunnen strekken. JDe studenten weten dit en misbruiken die wetenschap. Zij verbinden aan de toetreding tot hun corps rechtstreeks of zijdelings de voorwaarde van het novitiaat, den zoogenaamden proeftijd, die in de meeste studentencorpsen op de wet, in het Leidsch studentencorps op den mos steunt; hier officieus gedoogd en begunstigd, elders officieel erkend en toegepast wordt. Den novitius wordt wel niet in ronde woorden, maar toch duidelijk verstaanbaar het volgende te kennen gegeven: //wanneer gij u gedurende zekeren tijd onderwerpt aan //onzen wil, onze bevelen volgt en aan onze luimen //gehoorzaamt, dan zult gij, is die tijd verstreken, door //ons broederlijk behandeld worden en onder ons een //aangenaam leven hebben: gij kunt opgenomen wor-// den in onze vereenigingen en deelnemen aan onze //feesten: en wat gij vooral niet uit het oog moet verbliezen, gij moogt het volgend jaar dezelfde rol tegenover //anderen spelen, die wij dit jaar tegenover u zullen ver-//vullen. Onderwerpt gij u echter niet, weigert gij in //ons uw gebieders te erkennen, doet gij geen afstand van //uw vrijheid en onafhankelijkheid, dan is er tusschen u //en ons niets gemeen, gij zult gr' quot;^nde uw studie-// tijd een afgezonderd levoii icMe;.: on wat meer zegt, //gij, die zelf niet onigroend '/ij*. , gij zult nimmer het //voorrecht smaken anderen U; ontgroenenquot;.
Novitiaat of isolement is dus liet alternatief, waarvoor de nieuweling geplaatst wordt. Dit alternatief
15
sluit den vrijen wil uit en lost zich op in dwangoefe-ning prijs te geven het kostbaar goed, dat vrijheid heet. Dat goed mag door geen privaat persoon, noch door een private vereeniging iemand ontnomen worden. Geschiedt dat toch, dan wordt het hoogste recht van den mensch geschonden. Een dergelijke rechtsschennis, ingrijpend en gevaarlijk, kan nimmer door het groen-sdjn gerechtvaardigd worden. Zij is de scherpste veroordeeling van het groenwezen.
Heeft het novitiaat van een juridisch standpunt beschouwd geen recht van bestaan, uit een utiliteitsoogpunt heeft het geen reden van bestaan. Ue gronden, die voor de instandhouding er van gewoonlijk worden aangevoerd, zijn drogredenen, geen waarheden: voorwendsels, geen argumenten. Om dit te bewijzen is het noodig die gronden te ontwikkelen en te ontleden.
Een der vele verdedigingsmiddelen van het groenwezen is het bolwerk der traditie. Het novitiaat â aldus wordt van de tegenovergestelde zijde geredeneerd â is van geslacht tot geslacht tot ons gekomen: het op te heften ware een handeling, strijdig met de overlevering. En de overlevering staat bij ons in zoo hooge eere, dat elke instelling, die op haar steunt, door ons in stand gehouden wordt.
Gesteld eens dat er een traditie bestond, die voorschreef, dat de studenten telken jare bij hun professoren moesten groenloopen, dat zij door deze als dienstknechten en kwajongens behandeld werden, dat zij door hen werden beleedigd, gehoond en gesard, dat zij tot het doen van verrichtingen gedwongen werden,
16
die eergevoel en eigenwaarde diep schokken j zouden de studenten dan met een dergelijke traditie vrede hebben. Zouden zij haar verdedigen en verheerlijken? Zouden zij niet tegen het behoud er van met een opmerkelijke eenstemmigheid, in woord en daad, zoolang zich verzetten, totdat zij vernietigd was?
Het is duidelijk, dat het beroep op de traditie alleen geen grond kan opleveren haar te handhaven, veeleer een reden moet zijn haar afteschaffen, wanneer zij namelijk niet voldoet aan de eischen, welke door het gezond verstand en het rechtsbewustzijn billijkerwijze gesteld mogen worden.
Over het op traditie steunend novitiaat is voor het forum van het recht reeds uitspraak gedaan. Op die veroordeelende uitspraak behoeft niet te worden teruggekomen. De vraag komt aan de orde; Kan het groen-wezen den toets der rede doorstaan? Strekt het in weerwil van de vrijheidsberooving en rechtsverkrachting toch tot nut van den nieuweling? liet antwoord hierop door de voorstanders van het novitiaat gegeven, luidt eenparig bevestigend. Zij geven, met welke bedoelingen zal later blijken, hoog op van de voordeden, die de periode van het groenwezen voor den novitius oplevert. Volgens hen bestaan die voordeelen hoofdzakelijk hierin, dat de groen:
1°. ontbolsterd wordt:
2quot;. met zijn medegroent n .neme en vriend
schappelijke betrek!- i; r â¢
3quot;. met de studenten kennis maakt: 4°. het studentenleven leert kennen.
17
Ad lum. Al wie met liet oogmerk zich aan de wetenschap te wijden voor het eerst zijn voet op den academischen grond zet, treedt in een hem onbekende sfeer en verkeert dientengevolge in den toestand van groenzijn. Die toestand kenmerkt zich bij den pas tot student bevorderde door een verlegenheid en onbeholpenheid, die wel niet aangenaam aandoet, maar toch zekerlijk zeer begrijpelijk is. Nu moet de groen, opdat hij rijp worde voor den kring, waarin hij zal leven en werken, opdat hij aflegge zijn schuchterheid en linkschheid en zich eigen make ongedwongenheid in doen en laten, in het kort, opdat hij de voor zijn uiterlijke vorming onmisbare kennis opdoe, een natuurlijke phase van geleidelijke ontwikkeling doorloopen.
Nu is de ingevoerde ontbolsteringsmethode niet alleen strijdig met de natuur, maar bovendien volkomen ongeschikt die ontwikkeling te bevorderen, laat staan te bespoedigen. Want zij belemmert haar gang en verlengt haar duur. Zij oefent zelfs op die ontwikkeling een nadeelige werking, hetgeen ten gevolge heeft, dat over het algemeen de geest in de nederlandsche studentenmaatschappij niet zoo is als hij wezen moest.
De pas geinaugureerde staat dan ook in de studentenmaatschappij gelijk een kat in een vreemd pakhuis: het groenwezen heeft voor hem opgehouden; maar het groenzijn bestaat voor hem nog in volle kracht. Met de vrijheid heeft hij niet de geschiktheid van beweging verkregen.
Wordt dus niet bereikt, hetgeen, naar men voorgeeft, in de allereerste plaats beoogd wordt, wellicht
18
worden door het zoogenaamd ontbolsteringsproces de karakterfouten van den novitius ontdekt en verbeterd.
Wie het groenwezen van nabij kent en slechts een greintje menschenkennis bezit, weet, dat de novitius zich doorgaans anders voordoet dan hij werkelijk is. Gedreven door de vrees, die hem wordt ingeboezemd, veinst hij voorkomendheid, oefent hij lijdzaamheid en betoont hij onderdanigheid, terwijl vaak zijn gemoed weerspannig en verbitterd met diepen weerzin tegen zijn onderdrukkers vervuld is. De gedwongen abnormale toestand, waarin hij zich bevindt, is dan ook de hoofdreden, dat men in den regel zijn ware gebreken niet leert kennen.
Ook geraakt men niet tot de wetenschap van zijn ongunstige eigenschappen door hem te bevelen iets te doen, wat strijdig is met het eergevoel en kwetsend voor de zeden. In de weigering van een dergelijk bevel ligt ongetwijfeld een prijzenswaardige karaktervastheid, maar in de nakoming er van nog lang niet altijd een diepe bedorvenheid. Wel wordt die nakoming gewoonlijk als zoodanig gebrandmerkt, zoodat menig nieuweling de betreurenswaardige gevolgen daarvan gedurende zijn geheel studententijdperk ondervindt; maar zij is, zooals uit het navolgend algemeen voorbeeld duidelijk zal blijken, nr als een op zich zelf staande, onvrijwillige, afr-eni id te beschouwen.
Een novitius, een studc- id, ontvangt van
dezen het bevel om een zekeiv \ rnederende en zede-kwetsende handeling te verrichten. De novitius weigert. O; ' ⢠.ebiVi' :i(u. i toon wordt het bevel herhaald.
19
De novitius weigert. De student wordt boos en ongeduldig, schreeuwt, schettert, raast en tiert. De novitius begint bevreesd en angstig te worden. De student, dit bemerkend, verdubbelt zijn pogingen, dreigt, vloekt en dondert. De novitius wankelt, zwicht en volvoert een daad, die de menschelijke eigenwaarde verbiedt.
En de student.....hij werpt of schopt het gevallen slachtoffer ter deure uit, vertelt en brandmerkt overal, waar hij staat of gaat, dc karakterloosheid van den groen, die van dat oogenblik af door allen gemeden wordt, en predikt op de straat en in de kroeg eergevoel, eigenwaarde, zedelijkheid.
En daar ginds ligt de jeugdige verworpeling, geschuwd en veracht door iedereen. Niemand zal hem opheffen en beschermen. Soms een voorwerp van spot, wordt het slachtoffer meestal //genegeerdquot;.
En dat alles is uw werk, student, donderaar, gij, die uw macht hebt misbruikt om den zwakke te dwingen tot het plegen van een laaghartigheid, die hij in zijn angst schoorvoetend en met diepen weerzin beging, gij zijt in veler oogen verachtelijker dan degene, dien gij ter deure uitwierpt, wijl hij uit zwakheid voor uw geweld zwichtte 1).
') Een eigenaardig voorbeeld.
Toen ik na de verspreiding van mijn //Open Briefquot; te Utrecht in liet Gebouw van Kunsten en Wetenschappen eeu algemeene vergadering van aanhangers mijner denkbeelden belegd had, waren mijn tegenstanders zoo beleefd geweest om ongenoodigd op die vergadering te verschijnen. Trouw aan hun paedagogischc roeping hadden zij een aantal novitii medegenomen, ten einde dezen te leereu, hoe men met eeu tegenstand't, wieus partij in
20
Op de bestrijding van één euvel, waarvan alle novitii zonder onderscheid beticht worden, schijnt men het vooral gemunt te hebben. Het is de pedanterie.
Wanneer verlegenheid het kenmerk der pedanterie is, dan zijn voorzeker al de novitii pedant. Aangezien echter verlegenheid gewoonlijk de vrucht der bescheidenheid is, zoo is de juistheid der beschuldiging aan ernstigen twijfel onderhevig.
Enkelen mogen verwaand zijn, maar niet allen. En wie het nu is vóór den groentijd, blijft het ook daarna, en wie het niet is, heeft met het oog op de huidige manie der buitenwereld de studenten te vergoden en al wat van hen uitgaat ad astra te verheffen, groot kans het te worden.
Ad 2um. Wordt op grond van al het hierboven aangevoerde de voorgewende ontbolstering door het groen
de minderheid is, moet handelen. Ook wilden zij hun voedsterlingen eerbied inboezemen voor liet recht van vergadering. Uit deze âmeêgenome-nenquot; nu stond er een op en hield een pleitrede voor de handhaving van liet groeuwezen. Dat die rede, warm toegejuicht door mijn antagonisten, door een uit de oud-studenten was opgesteld, en dat de voorlezing ervan geschiedde op uitdrukkelijk bevel begreep natuurlijk een ieder. Maar niemand dacht toen aan den treurigen toestand, waarin de novitius, die het bevel ontvangen en uitgevoerd had, geraken zou. Zij, die het hem gegeven en hem wellicht tot de uitvoering er van gedwongen hadden, hebben hem namelijk later in scherpe bewoordingen verweten, dat hij was opgetreden tegen iemand, die voor de rechten van hem en zijns gelijken een wannen strijd voerde. Bij het verwijt, hetwelk voorzeker uit hun mond vrij vreemd klonk, is het echter niet gebleven. Het jongmensch geraakte wegens genoemd optreden in discrediet en werd dientengevolge allerwege met den rug aangezien.
En zij, die het bevel hadden uitgevaardigd, zij die de aanleidende oorzaak waren, dat het studentenleven van iemand voor altoos vergald werd, zij leefden in 'ogen in aanzien.
21
wezen niet verkregen, is een dag na de inauguratie de groen bijkans nog even onbeholpen als op den dag-van zijn inschrijving, het valt niet te weerspreken, dat vele novitii in en door den groentijd tot elkaar in een intieme betrekking geraken. De reden hiervan ligt voor de hand.
Aan gelijkheid van streven paart zich bij hen overeenstemming in toestand. Allen, aan de hoogeschool komend met het oogmerk hoofd en hart te ontwikkelen, zich te bekwamen in het gekozen studievak, en voor de groote maatschappij zich te vormen, staan bij hun komst op een vreemden bodem, geraken ten gevolge van wet of gewoonte in dezelfde stelling van volkomen afhankelijkheid en verkeeren wegens een en ander in gelijke gemoedsstemming.
Bestond de groentijd nu niet, werd de moeilijke en onaangename toestand, waarin de nieuwelingen zich bevinden, opgeheven en daardoor de magneet van vrees en angst, die hen tot elkaar zoo machtig aantrekt, buiten werking gesteld, de neiging tot onderlinge aaneensluiting zou zich bij hen niet zoo sterk doen gevoelen, maar kon, zoo dat noodig geoordeeld werd, op andere, nobele wijze, even krachtig gewekt worden.
Het zou er treurig uitzien, wanneer tijdelijke vrij-heidsberooving met al haar gevolgen het eenig middel ware om jongelieden, van schier gelijke ontwikkeling, die hetzelfde doel najagen, tot elkaar te brengen.
Het zou er treurig uitzien, wanneer vertrouwen en vriendschap slechts konden ontstaan door overeenkomst en gemeenschap van smart.
22
Gesteld eens dat al de novitii besloten zich niet aan het gebruikelijk groenloopen te onderwerpen, dan zou het beginsel, dat hen tot het nemen van dat besluit bewoog, tusschen hen een band vormen, hechter dan die, welke tusschen hen zou bestaan, wanneer zij de oude sleur der gewoonte slaafs gevolgd hadden.
Ad 3uni. Niet alleen in de kennismaking der novitii met elkaar, maar ook in die met de studenten, ligt, naar beweerd wordt, het groote nut van het novitiaat.
De studenten willen weten, wie de aanstaande leden van hun corps zijn. Voor de verkrijging van die wetenschap is echter behoud van liet groenwezen allerminst een vereischte. De wettelijke of feitelijke verplichting de studenten te bezoeken is voor de nieuw aangekomen en volstrekt onnoodig. Gedreven door hun belang in aanraking te komen met hen, die sinds kort of lang aan de hoogeschool vertoeven, op de hoogte zijn van het studentenleven en daarom zich in staat bevinden hun nuttige wenken en noodzakelijke inlichtingen te verstrekken: die de macht tot toelating in hun vereenigingen, gezelschappen en vriendenkringen bezitten, geven de meeste novitii ter wille van dat belang hun vrijheid prijs, verdragen zij bij hun bezoeken in den groentijd geduldig een ruwe of spottende ontvangst, betoonen zij zich jegens de studenten als minderen tegenover meerderen, en laten zij zich van hen menigmaal beleedigende uitingen en vernederende bejegeningen welgevallen.
Het lijdt geen twijfel, dat, werd het groenwezen afgeschaft , de novquot;' t eigen beweging zouden trach-
23
ten met de studenten in aanraking te komen. Want wat zij met opoffering der vrijheid bereid zijn te doen, zullen zij toch gewis niet nalaten, wanneer hun persoonlijke rechten ongeschonden blijven. En nu verdient de vrije wil dan toch zekerlijk wel de voorkeur boven den van buiten uitgeoefenden dwang.
Maar misschien ligt in de wijze, waarop de kennismaking geschiedt, het heilzame van het groenwezen.
Er bestaat tusschen den student en den novitius een natuurlijke ongelijkheid, die echter gedurende den groentijd in dezelfde mate op den achtergrond treedt, waarin de kunstmatige naar voren dringt, De student richt voor zich zeiven een verheven voetstuk op, waarop hij zonder schroom plaats neemt, terwijl de novitius gedwongen wordt zich te buigen onder het dwangjuk der vernedering.
Gedurende de periode der kennismaking is de groen gewoonlijk de speelbal van den student. Deze doet met genen, wat hij wil. Zijn er bepalingen in de oorpswet, die hem perken stellen, hij bekreunt er zich niet om, wijl hij van te voren weet, dat de groen uit gegronde beduchtheid voor erger, niet durft klagen. En waar geen klager is, daar is ook geen rechter.
En wie onder de studenten zijn het nu, van wie in den regel de novitii het meeste te duchten en het ergste te lijden hebben?
Zij zijn het, die in toon, houding, manieren en gesprekken het bewijs leveren, dat zij den jongsten cursus der ontbolstering met vrucht hebben doorloopen.
Zij zijn het, die pas ontgroend hunkeren naar het
24
tijdstip zelve te ontgroenen, ten einde op anderen liet leed te verhalen, hetwelk hun wedervaren is.
Zij zijn hot, die reeds vóór den aanvang der groote vacantie donderjolen organiseeren, ten einde den aankomenden novitii een aangename kennismaking met hen en een liefelijke intrede in de studentenmaatschappij te bezorgen.
Ad 4um. De novitius leert, zooals van den tegen-overgestelden kant wordt aangevoerd, door den groentijd het studentenleven kennen.
Niet het vrije, ongedwongen, dichterlijk leven, hetwelk zich openbaart in club, gezelschap en dispuut: in de kroeg, aan de tafel en op de kamer: op fuif, jool of feest.
Want om toegelaten te worden tot de kennismaking met dat leven moet de groen toch eerst een periode van voorbereiding of ontbolstering doorloopen.
Eerst als de nieuweling geïnaugureerd is, staat de toegang tot alles voor hem open: eerst dan geraakt hij van lieverlede met de eigenaardigheden van het studentenleven bekend. En behoort hij tot de gelukkigen, die zonder zich zelve ernstig rekenschap te geven steeds gaan, waar de groote menigte gaat, dan zal hij in dat leven vinden, wat hij in zocht.
Maar wee hem, als in wcrwii den druk op hem uitgeoefend, zijn «u sr * u-n 1 lelijk is gebleven. Wee hem, als hij get:!; d' gt; hebben met een levensbeschouwing, die i: (gt;â¢â ' in het dulden en ten gevolge hiervan in het bestendigen van heer-schend onrecht. Wee hem, als hij, opgeroepen door
35
dc stem, die plicht heet, opstaat en voor de menigte zijn overtuiging uitspreekt.
//Gij hebt aan mij en mijns gelijken onder het voor-//wendsel, dat wij groen waren, onze vrijheid ontno-//men, gij hebt jegens ons zwakken en weerloozen //verregaande willekeur gepleegd, gij hebt ons doen //lijden ten einde zelve te genieten, gij gaaft voor ons //te ontbolsteren, terwijl gij op weg waart ons te ver-//basteren.quot;
//Broeders, niet om u iets te verwijten, maar om //het goede te stichten zeg ik u dat.'
//Want ik hel) dat alles verdragen ten einde thans //op grond van persoonlijke ervaring des te beter tc //kunnen opkomen tegen een instelling, waarvan uw //handelingen jegens ons het uitvloeisel waren.quot;
//Thans nu ik vrij verklaard ben, meen ik, dat het //een van mijn eerste daden moet zijn te beproeven //aan het langer voortbestaan van die instelling een //einde te maken.quot;
//In naam der vrijheid, der rechtvaardigheid en der //humaniteit roep ik u toe, vernietigt die instelling.quot;
//Dient niet langer den afgod der traditie.quot;
//Sloopt zijn tempel.quot;
//Bouwt ter eere der machten, die heerschen in het //rijk der beschaving, op de plaats, waar hij gestaan //heeft, een nieuwen.quot;
//Wijdt hem in met vrijheidslied en jubelzang.quot;
//En als gij dat gedaan hebt, verkondigt dan aan //hen, die jaar in jaar uit uw rijen versterken, dat de //gebruikelijke ontgroening aan de hoogcschool is afgo-
26
//schaft en vervangen door oen plcchtigc inwijding in // het studentencorps.
//Toont, broeders, door deze daad, dat gij het waar-// dig zijt te heeten de vrije zonen van een vrij volk.quot;
Wee hem, die zich durft vermeten aldus te spreken.
Hij heeft geen rust op de straat, geen rust in zijn woning: waar hij gaat ot staat, wordt hij beleedigd, gehoond en bespot: hij is de vogelvrijverklaarde, jegens wien alles geoorloofd is.
Men kan misschien door een dergelijke tactiek den persoon onschadelijk maken; niet echter het beginsel, hetwelk hij verdedigde.
Want dat beginsel, zoolang het niet met argumenten is gedood, leeft in volle kracht voort. En zoolang het leeft, vraagt het, neen, cischt het erkenning, toepassing.
Aan dien eisch is thans door dit geschrift een vaste, blijvende vorm gegeven.
Aan U, studentencorpsen de inwilliging van dien
eisch.
Ik heb in dit geschrift gestreefd naar het //fortiter in re, suaviter in modoquot;: ' hc1gt; : l1o bitterheid onderdrukt, alle scherpte vorm
Verschuldigc' 'gt;an me /elvMi aan mijn beginsel op te trede ii- wachting, dat deze
arbeid mo,'. ; . L alu lot rechtvaardiging van
mijn pgt; . !' .1 streven; maar bovenal spoedig
moge leiden tot de volkomen zegepraal van liet vrijheidsbeginsel.
De bewering, dat onze studentenmaatschappij voor dat beginsel nog niet rijp is, dat het groen wezen geleidelijk moet opgeheven worden, is een beleediging den Nedeiiandschen student aangedaan.
Tegen die beleediging heb ik geprotesteerd door mijn voortdurend ijveren voor een onmiddellijke en volledige afschaffing van het novitiaat.
In de overtuiging, dat tusschen goed en kwaad geen middelweg bestaat, heb ik nimmer het terrein der transactie betreden.
Is het groen wezen goed, men handhave liet, is het kwaad, men vernietige het.
Ik heb aangetoond, dat het groenwezen zich oplost in vrijheidsberooving en rechtsverkrachting, dat het niet strekt tot nut van den novitius, maar tot genot voor den student, dat het leidt niet tot ontbolsterins:,
O '
maar tot verbastering.
Is mijn voorstelling onjuist, is zij averechts verkeerd, is het groenwezen een instelling, waarvan de weerga in de beschaafde landen van Europa niet te vinden is, handhaaft het dan onvervalscht en verdedigt het niet eerlijke wapenen.
Maar wanneer bij elk ernstig feit, jegens groenen gepleegd, en ter kennisse gekomen van het groote publiek, gij terrein prijs geeft, dan pleit dat niet voor de sterkte, maar wel voor de zwakte van uw stellins:.
O
En de vraag is gewettigd, hoeveel feiten moeten er nog gebeuren, voordat gij de stelling geheel ontruimt.
28
Het is mijn vurigste wenseh, dat geen enkel betreurenswaardig feit hiertoe neodig aij, dat 'quot;'Jquot;'1
studenten uit eigen beweging een op ^^Tasdeken bare positie verlaten, en dat zy op den klassieken
bodem van Neerlands vrije universiteiten een standpunt innemen, waardig der Spes Patriae,
Leiden September 1885.