3f
^ /o /Q
Ovevdviik ran het Tijdschvïjt vein Nijverheid en Landbouw te Batavia Maart-aflevering 18811.
Jokkens'
âTNDIVIDUEELE REGELING DER LANDRENTE IN DE RESIDENTIE KRAWA.N6quot;.
()nder ('ozen t'te' verscheen in de jongste aflevering van
het 7 ijdschrift voor het Binnenlandsch Bestuur, bl, 312 een opstel, waarover mij het volgend schrijven gewerd: â¢
.......... 3 Maart 1889.
In de laatste afl. van het Tijdschrift 15. ]?. komt een artikeltje voor van Fokkens. Pag. 32L onderaan zegt hij:
Is de landrente eenmaal ojj deze wijze geregeld, dan heeft men een basis, waarop langzamerhand kan voortgebouwd worden.
Is dit juist? Ik houd mij zeer aanbevolen daarover Uw deskundig oordeel te kennen.
Is t artikeltje waardig er nota van te nemen of niet?
Steeds enz.
Onder het schrijven van een antwoord hierop, rees het mij in de gedachte, dat lezers van dit Tijdschrift in de zaak belang konden stellen, waarom ik aan het voornemen uitvoering gaf om het langs dezen weg to publiceeren.
v. d. K.
a â¬Â«
5 Maart 1889.
Is het artikeltje icaarduj er nota van te nemen? Ongetwijfeld. De ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur doen, naar het mij voorkomt, altijd een goed
werk, wanneer zij de resultaten van hunne ernstige toewijding en plichtsbetrachting publiceeren, voor zoover ze voor publicatie geschikt zijn. Bovendien blijkt uit deze bijdrage de onmiskenbare verdienste, dat de heer Fokkens met beperkte middelen getracht heeft op dit gebied het meest mogelijke nut te stichten, de belangen der schatkist met het wel en wee der bevolking te doen samengaan, Zijn arbeid doet mij denken aan de vruchtdragende werkzaamheid, indertijd van den heer E. Douwes Dekker, de tegenwoordige zoo bekwame Dii'ecteur der Nederlandsch-Indische Levensverzekering- en Lijfrente-Maatschappij, die als controleur in Temanggoeng (afdeeling Krangan) eveneens met schoon succes naar eenigen waarborg heeft gestreefd, dat de landrenteplichtige niet geheel zonder bescherming bleef tegen den willekeur zijner meerdere.
Ook het ci'itisch deel van het opstel kan ik slechts onderschrijven. Treurig, treurig o.a. is het wat men op bl. 313 leest: âVoor de dessa's gewijze vaststelling der landrente, namelijk, was voorgeschreven de uitgestrektheden en waarden van sawahs, tegalvelden, erven en tuinen bij elkaar te nemen en daarna den aanslag per baoe van al die verschillende gronden te zamen te bepalen,1'1
Het zou mij ongelooflijk voorkomen, wanneer ikzelf dien tijd niet had medegeleefd en de ergenis mij niet te machtig was geworden.
Ik vestig ook uwe aandacht op hetgeen bl. 317 in de noot staat opgeteekend, nl. âM. i. zou het wenschelijk zijn de tuinen (boomgaarden) en erven te scheiden van den aanslag der landrente en aan te slaan in een soort verpondingsbelasting. De aanslag zou dan moeten geschieden naar de verkoopwaarde en naar vergelijking met andere erven en tuinen, waarvan de waarde bekend is, dan wel naar een in gemoede te doene taxatie.11
Hoezeer ik het denkbeeld ben toegedaan om de erven-belasting op de wijze eener verponding te heffen, kan u blijken uit de volgende woorden van mijn opstel in
De Indische Gids van November 1879 over âDe reor^a-
77 O
nisatie dor Kadastrale Statistiek op Javaquot; bl. G4(5:
âDe belasting op de erven is een ander punt van belang. Zij wordt in de landrente-ordonnantie opgenomen, en alzoo beschouwd en behandeld van een gelijk karakter als de belasting op sawalis en tegals. Laat den naam zoo blijven, hoe minder namen bij belastingen hoe beter. Maar de wetgever beschouwe niet de erfbelasting als iden-tiscli met de eigenlijk gezegde landrente! Deze zij een belasting op de ongebouwde, gene op de yehouwde gronden, m. a. w.: eerstgenoemde vordert een aanslag naar productieve kracht aan landbouwvoortbrenoselen; laatstgenoemde
O / O
hebbe meer het oog op liet karakter van erf, bewoning, ligging, enz., verponding. Een erf waardeert men niet enkel naar de mate zijner voortbrengselen, maar vooral ook naar de geriefelijkheid, die het als plaats van bewoning aanbiedt11.
Wat overigens uwe vraag betreft, of de door Fokkens aangeprezen landrente-regeling werkelijk eene toekomst heeft, met een enkel woord kan ik die vraalt;i' niet beant-woorden, doch vergun mij, met het oog op de publiceering van dit schrijven, uwe aanhaling van bl. 321 eenigs-zins verder uittestrekken. In het artikel lezen wij namelijk aldaar het volgende:
//Is de landrente eenmaal op deze wijze geregeld, dan heeft men een basis, waar langzamerhand op voortgebouwd kan worden, ten einde meer en meer zuivere factoren te krijgen. Voor liet brengen der bouwgronden onder bepaalde soorten, een zaak-zoo moeielijk en zoo tijdroovend, behoeft geen speciaal onderzoek meer te worden ingesteld; door het telken jare inbrengen van klachten door de landbouwers, wordt die kwestie door de betrokkenen zeiven voldoende opgelost. Komen die klachten na verloop van eenige jaren weinig of niet meer binnen en zijn de landbouwers tevreden met het brengen hunner gronden tot de aangenomen soorten (rubrieken), dan kunnen proefsneden genomen worden van elke soort (rubriek) om tot een meer juiste kennis van de opbrengst te geraken, eu betere gegevens voor
4
de marktprijzen worden verzameld. J)e verkregen uitkomsten zouden kunnen worden opgeteekend in een register van Injhouding (bijl./.), dat dan tevens ter eontrole van de inmetingen dei-blokken kan dienen. Door daarin telken jare uit den legger het totaal der individueele uitgestrektheden van elk blok op te teekenen en die te vergelijken met de aanvankelijk verkregen uitkomsten der meting van het geheele blok, kan men nagaan of een hermeting van dit laatste na afloop van een zekeren termijn (b. v. 5 jaar) wensehelijk is gewordenquot;.
Hieraan is toegevoegd de volgende noot:
//Ten einde voor de bijhouding en voor het verkrijgen van juiste gegevens betrcfl'ende opbrengst en marktprijzen niet alleen af te hangen van wedana's en asst. wedana's, die tengevolge hunner menigvuldige werkzaamheden te veel aan anderen moeten overlaten, zou het zeer aan te bevelen zijn eiken controleur daartoe een mantri toe te voegen, bekend met het doen van opmetingen, op een traetement van b.v. Æ 3U 's maands. Voor geheel Java en Madoera zou dat een uitgaaf veroorzaken van Æ 53930 'sjaars. Deze uitgaaf zou op don duur ruim-selioots vergoed worden door vermeerdering der landrente, als een gevolg van de betere controle op de uitbreiding der sawah's, op het onbeplant blijven en het misgewas, waartoe gezegde mantris ook zouden moeten gebruikt worden.
//Wellicht zou inkrimping van het kadaster een gevolg kunnen zijn van dezen maatregel, wordende toch door velen beweerd, dat do kadastrale bijhouding van bouwgronden, zooals sawahs en tegalvelden, niet ten volle voldoet aan de cischcn, die men aan zulk een kostbare opmeting stellen mag.
//In dat geval zou de bovengenoemde uitgaaf niet alleen nihil worden, maar zelfs in een finantieel voordeel veranderen.quot;
En toch, wat men ook op het gebied der landrente verzinnen wil, van geene grondbelasting is de toekomst verzekerd, indien er de kadastrale basis in den technisclien zin van liet woord aan ontbreekt. Niet dat daarom de opneming in ééns volkomen correct moet wezen, maar de toekomst is reeds verzekerd, wanneer men weet: waar men de fouten moet zoeken, en waar men gezocht
5
heeft,] âdo hoogo waarde van een kadastur11, schrcef ik in De lndiso'/ie Gids van April 1880 in mijn artikel âOver methoden van Landrente-onderzoekquot;, âis in de eerste plaats niet zoo zeer in zijne nauwkeurigheid te zoeken, als wel in de oordeelkundige inrichting, die het opsporen en het stelselmatig verbeteren der gebreken gemakkelijk maakt, wanneer er de tijd voor aanwezig is, en de krachten voor beschikbaar zijn.11
Hoe men ook zijn bost doet, zonder kadastralen grondslag blijft alles op stuk van zaken broddelwerk, dat nog slechts kans heeft op oenig figuur, omdat het Binnen-landsch Bestuur reeds te arm is aan waardigen, correc-ten arbeid.
Aan de vruchten kent men den boom.
In degelijken arbeid ligt opvoedende kracht. Een ka-dor ambtenaren, dat door hooge ontwikkeling, door ernstig werk eerbied afdwingt, is vooral te verkrijgen door de hooge eischcn, die de dagelijksche, gewone dienst in verstandelijk opzicht van hen vordert, want eerst dan vallen de zwakken van geest en do tragen van lichaam uit, omdat hun het werk ten slotte te machtig blijkt.
De toekomst der landrente had gelegd moeten zijn in de rationeele ontwikkeling van de voormalige kadastraal-statistieke bureaux. Ware er slechts eens iemand aan hot hoofd geweest, die genoeg begrip van organisatie en genoeg invloed had gehad om niet in te zien, dat geen tak van dienst bestand is tegen het demoraliseerendc van oen doelloozen werkkring! En dat doollooze had zoo goed vermeden kunnen worden door tot reden van bestaan de inlandsche grondbelasting te nemen. Ja, in naam haddon do bureaux or eenige betrekking op, voor zoover de resultaten dor opnemingen gebruikt on ook wol niet gebruikt werden. Doch hoe anders zou het geweest zijn, indien do chefs dier bureaux belast waren geweest mot de rocclhur
^ Ã O
on den aanslag dor landrente zelve!
Levendig herinner ik mij nog de teleurstelling, die ik ondervond toen ikzelf, als chef van zulk een bureau
6
optredende, liet ijle van liet bestaan dier inrichtingen leerde kennen.
En toon men zoogenaamd aan liet reorganiseeren ging, zocht men de fout weder geenszins, waar ze eigenlijk ffeleeien was. Trouwens men had een voorwendsel ter
O O
bezuiniging noodig, zoodat van een gemoedelijk overwegen der zaak geen quaestie was.
Het groote verwijt bestond hierin, dat do chefs dier bureaux, gelijk ikzelf, het landmeten niet behoorlijk verstonden. En dat was inderdaad eene niet te verdedigen fout, zoolanlt;!' die bureaux alléén ten doel hadden:
o 7 O
meten. Maar wanneer zij landrente-kantoren tevens waren geweest, â gelijk behoorde, â hield het bezwaar op to bestaan, omdat onze organisatie van bestuur niet toelaat, dat de landmeters zich met den aanslag in de belastingen enz. van de inlandsche bevolking bemoeien. Bij hoevele takken van den staatsdienst, ook in Europa, komt het trouwens niet voor, dat chefs afhangen van de gegevens, die door technici worden verstrekt!
Ofschoon niemand meer dan ik overtuigd was van de dringende behoefte aan hervorming dor kadastraal-statistieke bureaux, de wijze waarop zij ten slotte heeft plaats gevonden, wekte op nieuw mijne diepe teleurstelling, omdat men wed de fout verplaatste, maar geenszins wegnam. Ik zeg dat alles niet cipres coup, maar ik wees er onmiddellijk op, blijkens bovenvermeld Gidsartikel: âDe reorganisatie der Kadastrale Statistiek op Javaquot;, ïe bejammeren was die hervorming, eensdeels omdat men dc statistiek ervan afnam, en onderdeels omdat men de bureaux niet nader tot de inlandsche grondbelasting bi'acht. Zie, daar leggen de gevolgen voor u. De kadastrale bureaux werden sinds tot het kadaster gebracht en â lt;jij blijft de klachten hooren, dat ze eigenlijk (jeen nut hehhen. Daartegen is geene instelling op den duur in Indië bestand. Ik vrees daarom reeds het ergste. Maar nog eens de fout ligt niet bij de menschen, maar bij de organisatie; de organisatie, die geen rechtstrceksch verband heeft gebracht
7
tusschcn liet kadaster on do inlaiulschc «irondbclaatinc:.
o O
Ik herhaal het: deze laatste heeft geone toekomst, zonder gene. Bezuiniging, opheffing ware diep te bejammeren, omdat, zoolang de technische dienst nog bestaat, er go-gronde hoop blijft dat eerlang een betere weg zal worden ingeslagen. Nedeilandsch-Indiö lijdt reeds te veel aan hot euvel van hervormingen, omdat zij te dikwerf niet, gemoedelijk worden overwogen; omdat het opheffen en inkrimpen voor vele menschen eene verleidelijke taak is, daar ze bij do armoede hunner gedachten, op zulk eene goedkoope wijze zich niettemin als hervormers kunnen doen gelden. Dat hakt er eenvoudig maar op in! Men heeft dan geen werk meer van staatslieden, strevende naar geleidelijke ontwikkeling, om eindelijk tot een groot doel te komen, maar van administrateurs, die enkel in de velerlei behoeften van het oogenblik en van misplaatste eerzucht meenen te moeten voorzien.
Ik wensch dus het kadaster hoog te houden, als eene wezenlijke behoefte van den Staat, als eene weldaad voor de bevolking.
Zoo men er dan eerlang toe kon komen kadaster met landrente samen te doen gaan, acht ik daarbij hLoksgeioijze opmeting een onafwijsbaren eisch.
Niet de opneming, gelijk bl. 313 van Eokkens' artikel in een noot vermeldt, van âeen begrensde uitgestrektheid bouwgrond, die bij de bevolking onder een zekeren naam bekend staat1'1, maar, gelijk ik het in mijn Landrenteopstel definieerde, een begrensde uitgestrektheid van dezelfde geaardheid; en men moet dan niet langer ter aanwijzing van de grenzen gaan knoeien met grebbels en boomen, die niemand ter wereld als grenzen kan onderscheiden, maar de kosten van kadaster paaltjes, gelijk ik mede reeds uiteenzette, mag men niet ontzien.
Die van deskundig kadasterpersoneel niet weten wil, is dupe van zichzelf, indien hij zich vleit ooit tot eene goede regeling te komen.
Er is, naar het mij voorkomt, in Fokkcns'1 artikel eene
8
onduidelijkheid, die kan leiden tot cenc vermoedelijk door hem niet bedoelde opvatting.
Op bl. 313 schrijft hij afkeurend over het vroeger in Krawang gebeurde: âDo metingen mochten niet individueel, maar moesten bloksgewijze geschieden.1' En een paar regels verder: âIn 1884 werd gelukkig teruggekomen Aran liet oorspronkelijke idee om alleen bloksgewijze te meten en een individueele inmeting o'elast.quot;
O ~
Men mac; hieruit en uit hetgeen verder volgt niet
O O O
opmaken, dat bloksgewijze opmetinj onbestaanbaar zou zijn met individueelen aanslag, dat zulk eene meting slechts zou kunnen leiden tot hetgeen de schrijver terecht als âomslagquot; afkeurt.
Stel ik heb een blok met a bouws sawahs van dezelfde hoedanigheid, gelijk ik reeds aangaf en welk blok ik taxeer op t gulden per bouw. Die uitgestrektheid behoort aan een aantal van n inlanders, en laat ik eenvoudigheidshal ve aannemen, dat elke inlander een gelijke uitgestrektheid bezit. Duidelijk is het dan, dat ieder inlander voor zijn stuk in dat blok gelegen moet opbrengen
f quot;li. Heeft een dier inlanders in een aangrenzend blok,
b.v. van eene andere hoedanigheid nog een stuk sawah.
O O
dan behoort de aanslag voor dat stuk er bijgeteld te worden, om te weten voor hoeveel die inlander is aangeslagen.
De woorden individueele aanslaj zullen slechts hunne groote beteekenis blijven behouden, zoolang er naar waarheid geen r/mit/-aanslag plaats heeft. Dan is hot natuurlijk uitermate pernicieux, dat er gezegd wordt: Gijlieden van de dessa N.N. moet te samen opbrengen Zquot; x, en nu moet dat maar onder elkaar verdeeld worden; dan is het natuurlijk veel beter dat men zoo goed en zoo kwaad als het kan, mannetje voor mannetje aanslaat. Doch (joed zal dat nooit kunnen gaan, omdat de massa er een beletsel voor is. Niet dat men daai'om de rechtschapen pogingen moet wraken van hen, die in de gegeven omstandigheden er nog iets van maken, maar meer dan een tamelijk
9
onvoldoend surrogaat wordt het niet en nooit. Een beeld van de toekomst van iederen zoogenaamden individueelcn aanslag levert Lokkens zelf, waar hij bi. 312 over het verledenc schrijft: âIn de loggers werden de nmtatiön onvoldoende bijgebonden, hetgeen o.a. veroorzaakte, dat sawahs, die reeds twee- a driemaal van eigenaar verwisseld waren, nog steeds te boek stonden op naam van de personen, aan wie zij in 1873 hadden behoord.... Bijna evenzoo was het gesteld in het district Gandasoli, dat in 1884 van de Preangerregentschappen bij Krawang werd gevoegd. Daar had men ook een dergelijken individueelen aanslag. De leggers waren beter bijgehouden, maar de in 1873 uitgereikte aanslag-biljetten (ook meestal aan de loerahs, bij wie zij gedeponeerd bleven) nooit vernieuwd.11
Zie, dat is de geschiedenis en zal de geschiedenis zijn van iederen individueelen aanslag. Een controleur pakt dan weder de zaak eens aan, wanneer het al te erg loopt, ziet met zeer begrijpelijk welgevallen op zijne herschepping neder, meent zo ook voor de toekomst zal blijven, en in minder dan geen tijd is alles weder tot het oude teruggekeerd, door gemis aan behoorlijke technische basis en uitvoering. Wilde niet dr. Sollewijn Gelpke er eigenlijk daarom voor goed een eind aan maken?
Let er op, wat ik u bidden mag, hoe weinig aandacht in reeds verschenen landrente-opstellen aan die technische opneming wordt gewijd. Men behandelt ze als eene bijkomende, ondergeschikte zaak, terwijl reeds menig administratief hoofd zich in een wezenlijk kinderlijk vertrouwen heeft afgesloofd, hoe men zijne staten zal inrichten, nota bene voor het invullen van gegevens, die niet zeldzaam eenvoudig zijn gegrepen uit de lucht, dank het door niets te schokken phlegma van onze Inlandsche ambtenaren. Het is alsof men zich moeielijk maakt over de ruwheid van zijn servies, terwijl men ten nauwernood droog brood krijgt, om het er mede te sieren.
Hoeveel de verschillende stukken grond aan belasting be-hooren op te brengen, dient te zijn do eerste vraag, en die
10
vraag is niet to beantwoorden zonder deskundige hulp van het kadaster-personeel. Geschiedt zulk een (jromixAw-slag, dan zullen de oneigenlijke woorden van dessa-, van communalen, van individueelen aanslalt;j klanken worden, die ons aan een tijd doen herinneren, waarover wij soms geneigd zullen zijn te blozen.
O, ik hoor het u vragen: Maar hoe wilt gij dan ten slotte komen tot dc wetenschap of het individu goed is aangeslagen, wanneer gij zijn aandeel niet opmeet? Is dat dan niet de zaak, waarop het toch eigenlijk ten slotte aankomt?
Neen en Ja.
Neen, in zoover de Staat zich hier in Indië allereerst van het feit moet verzekeren, dat hij behoorlijk belasting heft van den grond.
Hieruit moet ten slotte eene behoorlijke belasting van het individu voortvloeien en wanneer door gemis aan werkkracht ten deze fouten worden begaan, vindt men een natuurlijk correctief, dus een waarborg tegen overdrijving, in den juisten aanslag van den grond.
Ik kan mij, bij de bestaande organisatie, een ambtenaar van Binnenlandsch Bestuur voorstellen, die mot een districts- of onderdistrictskaart in de hand blok voor blok afreist en den aanslag controleert, maar niet die individu voor individu, zoowel in wat hij betaalt, als in wat hij bezit, nagaat. Dit laatste onderzoek moet slechts incidenteel gebeuren, omdat wij de middelen derven het systematisch te doen, maar dan kan dat onderzoek vruent-dragend blijven, omdat haart en grondaanslag ons den weg wijzen en wij slechts daarop voortbouwen.
Zeker, zeker, eene kadastrale opmeting van ieders bezit en daarmede samengaande rechtstreeksche aanslag ware beter, wijl de inmetingen bij kadastrale bloksgewijze meting nu toch, gelijk tot dusver, huishoudelijk moeten geschieden, maar als het een openbaar feit is, dat met de beschikbare middelen slechts bloksgewijze opmeting doenlijk is, kan het verder geen nut hebben om over dat betere te redetwisten.
11
Zie, daarvóór ons ligt een moeielijk doorwaadbare plaats; de rechte weg is er in te springen, maar op gevaar van in de massa to verdrinken en in ieder ffeval mot de zeker-
O
lieid doornat te worden; een eind verder, wel veel hooger op, wM ook zeer mooielijk te bereiken, ligt echter een brug; een veilige droge overgang wordt u daar aangeboden. . . . Zouden wij dan niet van dien overgang gebruik maken?
Ik verwacht van uwe scherpzinnigheid de wedervraag: â Ja maar, is wel die brug zoo goed, die overgang zoo veilig?
Ik kan er alleen op antwoorden: beproef het, maar beproef het niet ernst, spaar er zelfs geen kosten voor. Een proef toch moet zijn uitnemend, gelijk de theorie; men kan haar dan wijzigen, de eischen minder hoog stellen in de praktijk, maar de proef moot niets te wenschen overlaten, omdat zij alleen kan strekken voor een criterium in do toekomst. Alleen dit kan ik u zegü-on, dat
OO 7
ik er indertijd den Chef van het Kadaster over gesproken heb en dat die mede van oordeel was men de proef behoorde te nemen.
Ziedaar mijn antwoord, waarde Heer, op uw belangstellend schrijven. Een rechtstreeksch antwoord kan ik op uwe vraag niet geven, omdat zij een onderwerp aanroert, dat mijns inzien eene van de tweede orde is, wol van belang, doch niet van het eerste belang; doch dit durf ik wel verzekeren, dat wanneer de controleurs eenmaal geroepen werden om op een kadastralen grondslag voorttebouwen, aan niemand boter dat schoone werk toevertrouwd zou kunnen worden dan aan den Schrijver van het artikel, dat tot uwe vraag aanleiding gaf.
Geloof mij, enz.
v. d. Kemp.
â
â¢f W
mam
»
hi.
.