ocr page 1

DE

BEKEERINGSGESCHiEDENIS

VAN

EENE VIJFTIGJARIGE WERELDL1NGE,

DAARNA

EENE TWEE EN EEN HALFJARIGE BEZETENE DES DUIVELS OP VELDWIJK

EN NU

eene verloste en wedergeborene

IN

JEZUS CHRISTUS,

haar Verlosser cn Zaligmaker, Die het voor haar zal voleinden nu en tot in der eeuwigheid,

DOOR

Mevr. Wed. A. R. RESNSBERG.

Uitgegeven ten voordeele van Veldwijk en voor ongelukkige arme zieken.

VOOR RKKENING VAN DE SCHRIJFSTER.

'sGRAVKNH AGE,

1898.

ocr page 2

■ ' Vv-V .\ ■ ' • ..

: gt;r- r-/ y-

■. quot;''■■■ 'i -• A - •■•: '• ' . . , - , • ■ , .. , -,^ ■ ■ . • • ••■• •,quot; quot; ' .' *•

i MM- ^ffflr\ ^W.

-:;V: : ' ■• ;gt; ^ vv-v -■ ■: ; V : -; r/v ^ quot;.'•r;1

-■ \\ • ■■■:'; ^.'r ^.y^A

WfïM ..:'7-■

V' •--•■■ ■ •• 1 -, . •' .•■• •• - . -• •..

; . ■; ;, ' ■ iv :• • ~ -•' / ■• r. :: •- ' v. :--'

. 'o •• ' r1- - V ' . ;• - , • :., v , ■ • - • '- ■ .■•'■• ' l quot;v v^

, . - - ••quot; • -gt; ■ v ■ 'v

;r- 1 :- '..••'v'1 : ■ -'r' •-■'■v quot;■ ■■

v - V: • - M ■ ^ ■ . '

v::-: o/;:;

p:S-K

.v - •:•. ^ r

- -'i-\ -;r '

: '•.' - '■ ■ -X v,=;cgt; V : V-'V;:, ^ VJI. ^ . _____

rrk'- --j-- - n^-K ■?_ '■ :■ ■: ■' • .• }. v - v-

Pvm;. ;■ .; V^.;.: - ^ , ' •- . ^ï ^^

sT - V- 1' - ^ . ï--,.. , - - , -

'HM;?.

: i^sks:.

• •.:,•■ • i __

Vitvquot; .-™„HPKL..

.. . ïy . ■,-•

. i-Jwwr* ' • •, ^

'■J

V- ..

ocr page 3

B.'BLIOTH

NED. n'„.lt;v', -x~*K

n Ex$

ocr page 4
ocr page 5

DE

BEKEERINGSGESCHIEDENIS

EENE VIJFTIGJARIGE WERELDLINGE,

EENE TWEE EN EEN HALFJARIGE BEZETENE DES DUIVELS OP VELDWIJK

eene verloste en wedergeborene

IN ö.'R; ;rv.-.

•ed

JEZUS CHRISTUS, '—*•

haar Verlosser en Zaligmaker, Die het voor haar zal voleinden nu en tot in der eeuwigheid.

DOOR

Mevr. Wed. A. R. REINSBERG.

Uitgegeven ten voordeele van Veldwijk en voor ongelukkige arme zieken.

VOOR REKENING VAN DE SCHRIJFSTER. 'sGR AVENHAGE.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

1898.

—S . oi_

2309 156 8

-/5 EZÏ

ocr page 6

1—ü

ii^ww:

' r-.- •,! ^tlWS

^■is

..... ... .■ , . .

■

r^J'y

■vamp;M'- :-quot;MW ■'■-:■

amp;i; M ■ .

fc.amp;.»

.

WÊ0amp;i Sffi

I .'.i H| ™M .i'B

■.

.

I

THSS

%S

______________' -- .-• l

wssm

ocr page 7

I Z'BLl'jr ■ —

I rJCrs -P-V '

J

m

VOORREDE.

De liefde van Jezus Christus heeft er mij toe gedrongen om een boek te maken van de groote genade en de groote dingen die de almachtige God aan mijn ziel en lichaam heeft gedaan, zoodat de menschen zich kunnen overtuigen, dat er wel degelijk een liefdevolle God, en een verlossende Jezus bestaat.

Die Jezus, heeft mij uit de ketenen des duivels verlost, waarin ik op Veldwijk was geklonken.

Die Jezus heeft mij uit de macht des satans gered, dien ik geheel mijn leven had gediend.

Die Jezus heeft het mij, terwijl ik nog op Veldwijk was, geopenbaard dat Zijn bloed reinigt van alle zonden, en dat Hij mij zou verlossen uit mijne ketenen en mij over zou brengen in Zijn wonderbaar licht, om van God en Zijn waarachtig Woord te getuigen, en hetwelk Hij heeft bevestigd, daar ik nu ruim vier jaar reeds van Veldwijk af ben en veel heb mogen getuigen van de groote dingen Gods aan mij bewezen. Ofschoon ik vóór vier jaar geen enkelen tekst uit den Bijbel kende, zoo laat de Geest Gods mij nu spreken uit Gods Woord, zonder dat ik mij vooraf behoef te bedenken, omdat de Heilige Geest zelf het mij openbaart, alhoewel het een vreeselijke strijd is met satan, die dan tegen mijne ziel zegt: „Mensch, dat staat niet in den Bijbel, dat zegt ge maar.quot;

■

ocr page 8
ocr page 9

J

lBLlOTHEElc

VOORREDE.

De liefde van Jezus Christus heeft er mij toe gedrongen om een boek te maken van de groote genade en de groote dingen die de almachtige God aan mijn ziel en lichaam heeft gedaan, zoodat de menschen zich kunnen overtuigen, dat er wel degelijk een liefdevolle God, en een verlossende Jezus bestaat.

Die Jezus, heeft mij uit de ketenen des duivels verlost, waarin ik op Veldwijk was geklonken.

Die Jezus heeft mij uit de macht des satans gered, dien ik geheel mijn leven had gediend.

Die Jezus heeft het mij, terwijl ik nog op Veldwijk was, geopenbaard dat Zijn bloed reinigt van alle zonden, en dat Hij mij zou verlossen uit mijne ketenen en mij over zou brengen in Zijn wonderbaar licht, om van God en Zijn waarachtig Woord te getuigen, en hetwelk Hij heeft bevestigd , daar ik nu ruim vier jaar reeds van Veldwijk af ben en veel heb mogen getuigen van de groote dingen Gods aan mij bewezen. Ofschoon ik vóór vier jaar geen enkelen tekst uit den Bijbel kende, zoo laat de Geest Gods mij nu spreken uit Gods Woord, zonder dat ik mij vooraf behoef te bedenken, omdat de Heilige Geest zelf het mij openbaart, alhoewel het een vreeselijke strijd is met satan, die dan tegen mijne ziel zegt; „Mensch, dat staat niet in den Bijbel, dat zegt ge maar.quot;

J /

ocr page 10

VOORREDE.

En o, dan heb ik geen rust, voordat ik het in Gods Woord heb gevonden. En ja wel, dan staat het er toch, precies zooals ik heb gesproken.

En zoo ben ik dan begonnen, na een verschrikkelijken strijd tegen den duivel, die onophoudelijk tegen mij zegt in de ziel; „Ik laat je nog niet los, zoo lang ge nog leeft.quot; Maar door al die gezegden van satan met zijne bestrijdingen van listen en strikken, ben ik heen, door de kracht van Jezus Christus, mijn Verlosser, in Wien ik hoe langer hoe meer ben opgewassen, in Zijne genade en kennis, en waarbij de almachtige God mij het volle verstand heeft teruggegeven, ja, zelfs met Zijn goddelijk licht omstraald, zoodat ik nu alles weet wat in mijne bezetenheid, van toen af dat de duivel in mij voer, met mij is geschied, opdat de menschen die dit boek zullen lezen, zich tot den levenden God wenden om behouden te worden in Christus Jezus, hun eenigen Verlosser en Zaligmaker, opdat zij niet mogen ondervinden wanneer de dag van hun oordeel aanbreekt, hetgeen ik heb ondervonden in mijn dag des oordeels, daar ik levend ben geoordeeld, maar genade heb ontvangen om Jezus Christus' zoenbloeds wille.

O, dat het velen tot zegen moge zijn, opdat zij zich bekee-ren en genade van God ontvangen; maar het meest hoop ik dat het den driemaal heiligen God tot roem, eer en lof mag zijn, den Drieëenigen God, Die zulke groote dingen en wonderen aan mij heeft gedaan.

Hem alleen de eer! Amen!

Mevr. Wed. A. R. REINSBERG. 's Gravenhage, 6 Juni 1897.

IV

ocr page 11

INHOUD.

EERSTE BOEK.

Het leven van een wereldling zonder God.

Bladz.

Hoofdstuk I. Mijne kinderjaren.........i

„ II. De dood mijner moeder en de eerste gevolgen ............4

,, III. In den vreemde.........7

,, IV. In dienstbaarheid.........11

,, V. Op straat, doch niet verlaten .... 16

„ VI. De eerste huwelijksjaren......19

„ VII. Er komt eene ernstige waarschuwing. . 21

„ VIII. De stemme Gods in voor- en tegenspoed 26

„ IX. De Heere neemt mijn man weg ... 31

„ X. Een rustiger leven, doch geen rust . . 34 ,, XI. Wat het bal masqué en de Vrije Gemeente

mij aanbrachten........37

,, XII. Naar het Leger des Heils......43

,, XIII. Bij de somnambule........45

,, XIV. Ik zoek redding bij een duivelbezweerder 48

„ XV. In angsten der helle.......53

,, XVI. Naar Veldwijk opgezonden.....60

ocr page 12

INHOUD.

TWEEDE BOEK.

Twee en een half jaar eene bezetene des duivels op Veldwijk.

Bladz.

Hoofdstuk I. Mijne ontvangst op Veldwijk en de eerste

indrukken...........63

„ II. Kennismaking met mijne omgeving en

de gevolgen eener droom.....67

III. Naar de kerk en in den hoek .... 74

IV. In de cel...........78

,, V. In de schaduwe des doods.....83

,, VI. In eene andere afdeeling; de duisternis

trekt een weinig op . :.....86

„ VII. Ik schrijf een brief aan mijne kinderen. 90 „ VIII. De verantwoordelijkheid voor mijne kinderen drukt zwaar op mij.....93

„ IX. De Booze laat zijn prooi nog lang niet los 97 „ X. Op visite bij den dokter en gesprek met

Ds. Notten..........100

„ XI. Visioenen van den Booze.....106

„ XII. Mijne ontvluchting........110

,, XIII. Eene lichtstraal in de duisternis . . . 112 ,, XIV. „Het bloed van Jezus Christus reinigt

van alle zondenquot;........115

„ XV. Teleurgestelde hoop.......118

„ XVI. De strijd om eene ziel ...... 120

,, XVII. „ De morgenstond is gekomen en het is

nog nacht..........124

„ XVIII. De invloed eener tekstenkaart. . . . 126 „ XIX. Wat Moeder Neuhaus tegen mijne dochter zeide...........129

,, XX. Van Veldwijk naar Ermelo.....133

,, XXI. Ik koop een Bijbel en een Psalmboekje 136 ,, XXII. Er komen logee's, waarmee ik naar de

kerk ga...........139

VI

ocr page 13

INHOUD.

lÜaciz.

Hoofdst. XXIII. Eene schrikkelijke scène in de teruggekeerde ellende........141

,, XXIV. Een voorsmaak uit den Hemel en het toppunt van bijna onder de hand des

Boozen te bezwijken.......145

,, XXV. Satan werd overwonnen door het volbrachte verlossingswerk van Christus,

en ik ontvang door genade den Heiligen

Geest............149

„ XXVI. Tweemaal op één Zondag naar de kerk 153

„ XXVII. „Van Godquot;..........156

,, XXVIII. „Overwonnen ook voor mijquot; .... 160 „ XXIX. Mijn jongste kind komt vier weken bij

mij logeeren.........165

,, XXX. Een boodschap van God. Naar Ds.Notten 170 „ XXXI. Het zoeken naar een huis en het vinden

van een in Baarn.......175

„ XXXII. Een doode en een heerlijk gezicht van

de maan in bloed.......180

,, XXXIII. Eene verloste door het bloed des Lams en

mijn afscheid van Veldwijk en Ermelo 184

DERDE BOEK.

De ruim vierjarige levenservaringen van eene verloste door Christus Jezus.

Hoofdstuk I. Mijne aankomsten verwelkoming in Baarn 190 „ II. Mijn eerste kerkgang in Baarn en mijn

getuigen voor den Heere.....192

„ III. Hoe mijn kind op de catechisatie van Dr. H. H. Kuyper komt en hoe een Kerstgeschenk nog getuigen doet . . 195

VII

ocr page 14

INHOUD.

Bladz.

Een droomgezicht verwezenlijkt . . . 197 Mijn eerste Avondmaalsgang na mijne

bekeering..........199

Kamers te huur aangeboden met „heilbedequot; en het gezicht op Veldwijk van de geestelijke boosheden in de lucht . 202 Ik verlaat de gemeente van Dr. H. H.

Kuyper...........206

Aangesloten en teleurstelling bij de

„Christelijkequot; (?) Gereformeerde Kerk. 208 Genezing op het gebed en afscheiding van de „Christelijkequot; (?) Gereformeerde

Kerk............212

Mijne komst in den Haag. Gedrongen door de liefde tot Jezus Christus om van mijne bekeering een boek te maken 216 Hoe ik voor Gods waarachtig Woord

streed............220

Nog eenmaal naar Ds. Hugenholtz; eene rede van hem in de Loge en wat ik

er van zeide.........225

Het preeken der Haagsche predikanten. De Heere openbaart mij dit boek te

schrijven...........228

Mijne dochter Frida wordt eene discipelin

van den Heiland........232

Genezingen op het gebed.....236

De Geloofsvereeniging der Volheid van Christus en Dr. F. van Gheel Gilde-

meester...........240

Van de valsche leeraars in het algemeen 243 Psalm 119 (Van Prof. Dr. A. Kuyper

en zijne volgelingen).......248

Van de ware prediking van het Evangelie 254 Van de rechtvaardigen......258

VIII

Hoofdstuk IV.

V.

VI.

VII.

VIII. IX.

X.

XI.

XII.

XIII.

XIV.

XV.

XVI.

XVII. XVIII.

XIX. XX.

ocr page 15

INHOUD.

Bladz.

Hoofdst. XXI. Van de goddeloozen.......260

„ XXII. Van de onverschilligen en van de armen en ongelukkigen die nog minder zijn

dan de heidenen........265

„ XXIII. Van den wereldspiegel om ons heen en

boeken en couranten......270

„ XXIV. De hemelsche Landman zal komen om te oogsten wat Zijne arbeiders hebben

gezaaid...........276

„ XXV. De barmhartige God zij een ieder genadig om Zijn geliefden Zoon en Zijnen

grooten Naams wil.......281

„ XXVI. Narede............290

VIERDE BOEK.

De Brieven.

Brieven aan Dr. H. H. Kuyper te Baarn.

I. (November 1894)..........292

II. (Januari 1895)............299

Brieven aan Ds. J. W. A. Notten te Veldwijk.

I. (31 Januari 1895)..........302

II. (6 Februari 1895)..........311

Brieven aan Ds. J. Wisse te 's Gravenhage.

I. (16 December 1895)..........318

II. (11 Januari 1896)..........320

Brief aan Vader en Moeder Neuhaus te Veldwijk.

I. (16 Januari 1896)..........324

Briefkaarten aan Ds. J. Wisse te 's Gravenhage.

I (met antwoord daarop).........331

IX

n ( „ ,, ,, ).........332

Antwoord daarop door mij aan Ds. J. Wisse . . . . 333

ocr page 16

INHOUD.

Bladz

Brief aan mijn broeder te Winsum.......333

„ „ de nichtjes (30 Juni 1896).......342

Brief aan Vader en Moeder Neuhaus te Veldwijk.

II. {5 Augustus 1896)..........346

Brief aan de familie Andriessen te Leeuwarden (18 September 1896)..............37°

Brief aan Prof. L. Lindeboom te Kampen.....376

NABERICHT...............433

Brief van Ds. J. W. A. Notten te Velp.....434

Brief van ZExc. Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lobman

te 's-Gravenhage............43^

De strijd om met Jezus Christus te overwinnen . . 437

BESLUIT.

Gebed uit den Heiligen Geest, door genade, van iemand die nooit gebeden heeft.......445

X

ocr page 17

EERSTE BOEK.

Het leven van een wereldling zonder God.

HOOFDSTUK I.

Mijne kinderjaren.

Als kind, geboren tc Leeuwarden, was ik erg dom, en bang, ja zelfs zóó erg, dat als ik eene boodschap zou doen, ik weer terug moest gaan, want ik stond met den mond vol tanden, niet wetende wat ik moest hebben, omdat ik mijne boodschap had vergeten. Ik ging dan eerst weer naar huis om een briefje te halen. Ging ik naar ooms en tantes om eene visite te brengen, dan bleef ik eerst nog wel een uur voor hunne deur heen- en weerloopen, zoolang tot zij mij opmerkten en in huis haalden; ik sprak dan geen woord, zelfs zeide ik niet: „dag Oom!quot; of „dag Tante!quot; Kreeg ik een paar koekjes, dan ging ik weer net zoo weg als ik gekomen was.

Toen ik voor het eerst naar de bewaarschool ging, huilde ik zoolang tot ik weer thuis was. Ik zat het liefst in een hoek bij de kindermeid, die mij dan vertelde van Moeder de Gans en Roodkapje en van Luilekkerland, waar de menschen de gebraden kippetjes en biefstuk en allerhande lekkers vanzelf in den mond loopen. Dat laatste vond ik het heerlijkst, zoodat ik aan niets anders dacht. Hierdoor versufte ik geheel en wilde niets doen dan stilzitten en daaraan denken met alle mogelijke listige ingevingen, die ik nu weet dat van den

i

ocr page 18

2

satan kwamen, waarmede hij mij in de macht had en wel zoo, dat ik op school ook niet wilde breien. Werden er dan evenwel zwavelstokken om mijne handen gebonden met het dreigement die in brand te zullen steken, dan hielp dat wel in zoover dat ik ging breien, maar ik deed niets dan broddelen en moest dan immer in een hoek staan huilen.

Toen ik op de groote school kwam, kon ik niet leeren en haalde allerlei grappen uit, zoodat ik den meesten tijd voor het bord moest staan, waar ik eerst met krijt op de lei moest schrijven: „ik mag onder het leeren geen pret maken en dan kreeg ik daarna zoo verbazend veel slaag met de liniaal op mijne knokkels, dat ik van pijn ineenkromp. Nu, dat was wel goed en hielp ook mijne duivelsche streken wel wat kalmeeren. Ik moest dan verder een heelen tijd de lei in de bezeerde hand boven mijn hoofd houden, zoodat iedereen het lezen kon; en dat vond ik het ergste, daarvoor schaamde ik mij vreeselijk. En als ik dan weer naar mijne plaats mocht gaan, dan was ik zoo stil als eene muis, hoewel ik toch nog niet kon leeren. Wij leerden lezen uit een boekje, waarin o.a. voorkwam: „De samenspraak van vader en Jantjequot;. Jantje zeide tegen zijn vader: „Vader, ik heb zooveel verdriet in de wereld, dat ik er wel uit zou willen loopenen zijn vader gaf hem tot antwoord: „Nu, loop er dan uit; maar zeg mij dan eerst, waar gij naar toe zult loopen uit de wereld.quot; Dat stukje had ik van buiten geleerd, en ik dacht: ja, dat zou ik ook wel willen doen, omdat ik ook zooveel verdriet in de wereld had. Dan dacht ik weer: Kon ik maar naar Luilekkerland komen, dan had ik alles; maar waar moet ik dat vinden? Zoo gingen mijne gedachten her- en derwaarts. Het eene oogenblik zweefden ze over de zee naar verre landen, waar het, zoo dacht mij, toch wel heerlijk zijn zou; en het andere oogenblik verbeeldde ik mij dat Luilekkerland in mooie tuinen zou zijn, waar de prachtigste bloemen groeiden en waar men zich maar nederlegde om alles vanzelf naar zich toe te zien komen, zonder dat men iets behoefde te doen. En al dat denken en philosopheeren benam mij ten slotte alle lust en vergalde mijn leven, doordien ik mij geheel aan die duivelsche gedachten overgaf.

Nog levendig herinner ik mij het gevoel dat het bidden en danken in de school van meester Leeuwens bij mij opwekte. Als die goede man bij het aangaan der school bad of bij het uitgaan dankte, keek ik tersluiks naar hem. Dat bidden vond ik heerlijk, en ik dacht dan: hè, ik zou willen dat ik ook

ocr page 19

3

zoo kon bidden, dan zou ik niet zoo ongelukkig zijn als ik nu ben; wat zou ik dan gelukkig zijn. Maar als de school uit was, dan was ik alles weer vergeten en weer de oude, voerde allerhande kattekwaad uit, gooide de jongens de pet van het hoofd, stootte den een tegen den ander, liep deurtje te bellen of gooide deuren open en had voor een oogenblik het grootste pleizier. Echter ook maar voor een oogenbük, want dan kwam de onrust weer in mij; dan werd ik weer zóó beangst dat ik zelfs niet eens een politieagent durfde ontmoeten; als ik hem in de verte zag, liep ik hard terug en dacht: O, hij weet zeker dat wij daar hebben gebeld, en nu wil hij ons meenemen naar het Hondengat (*). En ofschoon ik daarvoor zeer bang was, kon ik toch die streken niet laten, met al mijne goede voornemens.

Nog eene andere gewoonte hadden de kinderen; uit school jouwden de Protestantsche en Roomsche kinderen elkander uit. Mij riepen ze na met het bekende: „Geus , met je spitse neus, met je spitse kin, daar zit de duivel inquot;; terwijl ik terugschold; „Papen houden veel van te slapenquot;. En al hadden zij, wat mij betreft, het niet mis, toch hadden zij eerder moeten zeggen: Gij, Geus, hebt den duivel in uw hart, en ge ruikt hem niet met uw neus. En ik had moeten zeggen: De duivel met den paus houden den paap in slaap.

's Zondags was mij als verplichting opgelegd naar de kerk te gaan. Dit was voor mij geen zware taak; ik was er trotsch op en luisterde altijd met veel aandacht naar den predikant. Menigmaal wenschte ik dan een jongen te zijn om ook predikant te kunnen worden. Dan zou ik zekerlijk niet zoo slecht zijn als nu, dacht ik dan, want als ik straks weer thuis kom, ben ik weer even ondeugend; ik wilde dat ik anders was.

Een trek van trotschheid, maar ook vermengd met gierigheid openbaarde zich ook daarin, dat als ik eens iets kreeg, lekkers of geld, ik dit wel aan een ieder liet zien, maar er zelfs geen kruimeltje van aan anderen gunde. Ik hield veel van mooie kleeren, nooit waren ze mooi genoeg en daarom waren ze mij ook nooit naar den zin; en, hoe mooier ik was des te ongelukkiger gevoelde ik mij.

Was het kermis, dan was ik niet te houden; ik wilde overal naar toe, het liefst zat ik in den draaimolen; en was ik naar een spel geweest dan kon ik van opgewonden blijd-

('*) Het Hondengat was een kelder onder het Stadhuis te Leeuwarden, waar dronken personen in bewaard werden totdat zij hun roes hadden uitgeslapen.

ocr page 20

4

schap den ganschen nacht niet slapen. Aan niets anders dacht ik dan aan pret, mooie kleeren en lekker eten en drinken; het een al zondiger dan het ander.

HOOFDSTUK 11.

De dood mijner moeder en de eerste gevolgen.

Toen ik de school verliet, had ik bijna nog niets geleerd ter oorzake van mijne domheid en dus ook niet zelfs een enkel prijsje gekregen. Toch kon ik niet altijd op school blijven; ik behoorde toch op de naaischool (naaiwinkel, gelijk we in Friesland zeggen) wat te leeren; maar ook daar was het weer hetzelfde: wel veel pret, maar niet leeren. Om hiertegen toch iets te doen, bepaalde de juffrouw dat ik bij haar moest zitten, om niet de andere meisjes van haar werk af te houden. Hielp dat niet dan werd ik gestraft ; maar noch het een noch het ander baatte. Het scheen of ik om niets meer gaf, en mijn eenig antwoord was altijd; wat kan het mij schelen; ik geef er niets om; ik kan het naaien toch niet leeren en ik wil ook niet.

Maar jawel, God, die alles bestiert en regeert, heeft van mijn niet willen, een moeten gemaakt. Toen ik binnen den tijd van drie dagen mijne moeder verloor door den dood; toen God het liefste op aarde van mij wegnam, toen zou ik alles hebben willen doen om mijne moeder terug te krijgen. Aan Luilekkerland werd toen niet meer gedacht, alleen maar aan mijne lieve moeder. Haar kon ik niet vergeten, mijne moe, die altijd zoo blijmoedig wist te zingen:

God, enkel licht,

Voor wiens gezicht Niets zuiver wordt bevonden.

Ziet ons bevlekt,

Met schuld bedekt,

Misvormd door duizend zonden.

ocr page 21

5

Ja, Amen, Ja,

Op Golgotha Stierf Hij voor onze zonden;

En door Uw bloed Wordt mijn gemoed Gereinigd van de zonden.

Ja, zoo zong mijne moeder, ik zal het nooit vergeten; te meer niet, daar het mij, na verloop van 35 jaren, zoo heerlijk in mijne herinnering werd gegeven op Veldwijk.

Bij den dood mijner moeder was ik ruim 17 jaar, en daar mijn vader reeds lang geleden was overleden, stond ik nu als wees, slechts nog in het bezit van een broeder en eene zuster mijner moeder, die beiden lang niet onbemiddeld waren. Ik werd bij mijn oom, moeders broeder, in huis opgenomen en moest daar een hard stuk genadebrood eten. O, ik zal het nooit vergeten hoe ik in alles werd achteruitgezet, zoowel in het eten en drinken, als in de kleeren; de afgedragen kleeren mijner nichten, als ze uit de mode waren, werden voor mij bestemd, ook al pastte mij niets, omdat mijne nichten ouder waren dan ik. Gingen oom en tante met hunne kinderen uit, of naar den Prinsentuin of naar het vuurwerk, dan moest ik thuis blijven; zelf ging ik evenmin uit, ook omdat ik geen enkelen cent zakgeld kreeg. Het liefst was ik maar beneden in de mangelkamer, waar ik in de eenzaamheid trouw aan mijne moeder dacht. Soms barstte de smart en het verdriet op eens los. Ik sloeg dan met het hoofd tegen den muur, in wanhoop roepende: Moeder! mijne Moeder!

Van droefheid overmand ging ik dikwijls zonder eten naar bed, want als ik dan zoolang beneden was geweest, durfde ik niet weer naar boven gaan, en ofschoon ik voor alles grommen en brommen kreeg, omdat men mij een „stommerikquot; noemde, zeide tante toch nooit iets als ik vroeger dan gewoon zonder eten naar bed ging. Langzamerhand was ik aan dat achterafzetten zoo gewoon dat ik nooit een woord terugsprak; het eenige wat ik zeide was dat ik het toch niet helpen kon. Zat ik binnen te naaien, dan deed ik den mond niet open, zoodat ik er als een idioot bij zat en ik voor mijne familie er natuurlijk meer dan te veel was, en dat alles door mijne domheid.

Toch gaf ik tusschenbeide heel snedige antwoorden, vooral als het de zaak Gods betrof. Zoo herinner ik mij dat Ds. Proes, bij wien ik ter catechisatie ging en die nog

ocr page 22

6

al er van hield strikvragen aan zijne catechisanten te doen, eens zeide, dat het hem voorkwam dat er wel geen God zou zijn, want dat alles vanzelf ging, dat de eene dag precies was als de andere; dat het alles ging als met eene klok, die ook vanzelf gaat. Met vuur antwoordde ik hierop; „Ja, dominé, maar als de klok stilstaat, moet hij opgewonden worden en dat doet dan een mensch, de klok is ook door een mensch gemaakt; en zoo is er nu ook een God, die den hemel en de aarde heeft gemaakt en die ook alles in stand, in leven en beweging houdt, en als God dat niet deed, dan bleef alles, net als met de klok als die niet weer wordt opgewonden, stilstaan.quot; En dit antwoord viel geheel in den geest van den dominé. Bij zulk eene gelegenheid zag iedereen mij aan, omdat ik anders nooit mijne vragen, die wij te leeren hadden, kende en men mij altijd daarom uitlachte. Vroeg de predikant mij dan ook iets, dan stak ik den vinger in den mond en gaf geen antwoord, wat voor den dominé het teeken was dat niemand een woord uit mij zou kunnen krijgen.

Toen eindelijk de tijd daar was dat ik als lidmaat zou worden aangenomen, zeiden anderen tegen mij dat ik er toch niet door zou komen, waarop ik ten antwoord gaf, dat het mij niet kon schelen. Toch zat ik menigmaal stilletjes in den Bijbel te lezen, waarvan ik dan zoo eene wonderbare kracht op mij voelde inwerken als ik met geen woorden zou kunnen zeggen; terwijl daarentegen als ik in mijn vragen-boekje leerde, al las ik het honderde malen over, er toch geen van kende als ik ze moest opzeggen. Zoo werd ik dan ook aangenomen als lidmaat; ik antwoordde zonder dat mij iets gevraagd werd, maar uit den Bijbel, wat alles ter deeg waarheid was, zoodat de dominé en de ouderlingen geen bezwaar maakten, hoezeer ik zelf gevoelde dat ik er hoegenaamd geen begrip van had en meer aan mijne nieuwe japon en hoed dacht.

Want, ja waarlijk, ik had eene nieuwe japon en hoed, ofschoon ik die allesbehalve gemakkelijk kreeg. Eerst werd ik gedrongen bij de geheele familie die er goed bijzat, rond te gaan om te vragen of zij ieder wat wilden geven. En van ieder kreeg ik wat, van één neef die dokter, van een anderen die apotheker, van een derden die ontvanger, een vierden die kassier, een vijfden die zoutzieder was, enz. enz. Alle neven en nichten bezorgden mij, de een door twee kwartjes, de ander door een gulden of door één kwartje, mijn nieuw

ocr page 23

7

JEU

pak. Maar het had toch heel wat voeten in de aarde eer het zoo ver was. Wel ging ik er op bevel op af, maar voor de deur van de neven en nichten bleef ik staan, omdat ik er meestentijds niet in durfde om te vragen en ook omdat mij nog altijd die zelfde vrees beving van uit mijne meer kindsche jaren, zoodat ik bij slot van rekening eerst met niets thuiskwam, voorgevende dat er niemand thuis was geweest. Bij mij zelf dacht ik dat oom rijk genoeg was om mij te geven wat ik noodig had zonder mij te laten vragen, maar hij deed het niet, en zoo moest ik weer opnieuw er op uit, tot zoolang alles bij elkander was.

En zoo werd ik wel aangenomen, maar meer dan aan het wezen der zaak, dacht ik aan mijne eigen maatschappelijke ellende en tusschenbeide aan mijne nieuwe japon en hoed. Mijne gedachten waren meer bij de wereld dan bij hetgeen waaraan ik in die oogenblikken het eerst had moeten denken, Jezus Christus, den gekruiste. Aan Hem evenwel had ik geen kennis, en ik geloof te mogen uitspreken dat de meesten die daar in de kerk „jaquot; zeggen, geen ware kennis aan den Heiland hebben. Helaas, dat „jaquot; zeggen geeft niets, en beteekent zoo weinig.

HOOFDSTUK III. In den vreemde.

Tn het huis van mijn oom waar ik nu ruim twee jaren had doorgebracht, deed ik maar aldoor niet dan huilen. Mijne droefheid over het verlies mijner ouders was dieper gegaan dan gewoonlijk. Mijn oom evenwel beschouwde dit van een anderen kant en zeide eens tegen mij: „Indien ik je niet had opgenomen, dan was je naar een armhuis gegaan.quot; Helaas, ook hij zou spoediger weten dan hij vermoedde wat droefheid beteekent over het verlies van geliefde betrekkingen. Binnen den tijd van eene week verloren oom en tante eene dochter van 25 jaar. Dat was een zware slag voor hen, zulk een mooi, altijd gezond meisje, plotseling te moeten ver-

ocr page 24

8

liezen. Ook voor mij hernieuwde deze doode al de droevige herinneringen aan mijne moeder. Toen zij in de kist lag met haar doodskleed aan, met een wit plooisel om den hals en haar mutsje, dat zij op had, en ik haar zag, riep ik uit; „Moeke! Moeke!quot; zoo sprekend geleek mijne nicht op mijne moeder, die ik maar iederen keer te meer gevoelde hoe zeer ik haar mistte. En ik zou dat nog meer gevoelen.

Eenige weken na den dood mijner nicht, zeide mijn oom, dat ik eene betrekking moest zoeken, omdat ik nu oud genoeg was om mij zelve te redden en voor mij zelf te zorgen; ik was toen bijna 20 jaar. Eene betrekking zoeken was evenwel voor mij gauwer gezegd dan gedaan. Waar zou ik zoeken, bij wien zou ik gaan ? Niemand zou een doetje willen hebben zooals ik was en waar ik overal voor bekend was; ik droeg mijn doopnaam niet tevergeefs. Hoe er echter overal werd gezocht en beraadslaagd, het gaf niets.

Eindelijk moest ik dan maar naar Amsterdam. Daar had ik namelijk nog eene zuster, die 9 jaar ouder was, en van wie ik nog niet sprak, in betrekking; die kon, meende men, wel op mij toezien. Aan haar werd dan ook geschreven of ik ergens zoolang kon zijn om daar eene betrekking te zoeken. Mijne zuster schreef terug dat er in Amsterdam een Tehuis was voor juffrouwen en dienstmeisjes die uit hunne betrekking en dienst waren en waar men voor matigen prijs kon logeeren, om van daar uit eene betrekking te zoeken. Nu, dat vonden oom en tante goed, en zoo ging ik naar Amsterdam in het Tehuis, totdat ik. Doetje, werkelijk eene betrekking zou hebben.

Mijne lezers! denkt u mijn toestand eens in: ik, die nooit een woord sprak, daar op eens verplaatst in het groote Amsterdam, eene mij vreemde stad, waar ik wel veel over had hooren spreken, maar altijd in dien ongunstigen zin, dat ik daaraan zelfs niet durfde denken en beangst werd als ik er aan dacht. Daar, voorwaar, zou Luilekkerland zeker niet zijn, dat wist ik wel vooruit.

Na eenige weken van groote drukte, aangezien ik van alles zes stuks ondergoed zou meekrijgen en waaraan ik zelf hard medewerkte en hielp het in orde te maken, brak langzamerhand de dag van vertrek aan. Eigenaardig was het hoe reeds dat vooruitzicht grooten invloed op mij had; het scheen dat ik reeds meer kon en wilde, bij de gedachte dat ik mij zelve zou moeten redden. O, hoe beloofde ik mij zelve, mijn best te zullen doen als ik onder een ander stond; ik kon er niet

ocr page 25

9

van slapen en wilde wel dag en nacht werken. Als ik eerst maar vrij ben, dacht ik, dan zullen zij eens zien wat ik kan. Toen wist ik nog niet wie mij wezenlijk vrij maken zou.

Eindelijk brak de dag aan van vertrek, 's Morgens 5 uur werd ik naar de trekschuit gebracht, en met tranen en vreezen en beven werd afscheid genomen. Zoo klein van moed was ik, dat ik wel weer terug had willen gaan. Maar daar hielp niets aan; ik ging in de schuit die mij van Leeuwarden naar Harlingen bracht, waar een oom, die daar woonde, mij zou opwachten, om mij naar de stoomboot te brengen die op Amsterdam voer.

Na een uur op de boot te hebben doorgebracht werd mijn toestand niet beter; ik werd zeeziek. O, hoe gaarne zou ik toen over de zee terug hebben willen loopen. Hoe benauwd had ik het; hoe schaamde ik mij. Waar zou ik het nu zoeken? Nooit te voren had ik zoo iets gezien of ondervonden. Wat zou ik niet hebben willen geven, als ik naar mijn oom terug had mogen keeren!

Bij mijne aankomst te Amsterdam was mijne zuster niet aan de boot. Daar liep ik nu voort te midden van allerlei vreemde menschen die ik te voren nimmer had gezien. Twee heeren, die naar mij toe kwamen en mij vroegen of zij mij den weg wilden wijzen, kon ik geen antwoord geven, omdat ik beefde als een riet. Gelukkig kwam even voorbij de Stadsherberg mijne zuster mij te gemoet, en met den blijden uitroep: o, mijne zuster! vloog ik haar al weenende om den hals. Mijne zuster bracht mij toen naar het Tehuis, waar ik zou logeeren, maar kocht onderweg eerst nog een nieuwen mantel voor mij, daar de mantilje die ik droeg veel te ouderwetsch en te groot voor mij was. Nu kreeg ik een mooien mantel met kwasten op den rug. Ik zag er, ook omdat, als ik iets nieuws had, het mij goed kleedde en alles mij goed stond, dus nog al keurig uit. Dat was juist iets voor mij, die gaarne mooi gekleed was en in langen tijd niets nieuws aan had gehad. Het streelde mijn vreeselijk hoogmoedig hart niet weinig. Eerst nu verbeeldde ik mij op de rechte plaats te zijn. Vroeger was ik altijd naijverig op mijne nichten, omdat ik niet zoo gekleed ging als zij, die altijd nieuw en naar de mode kregen en ik als het afgedragen was en uit de mode. Toch was ik uit denzelfden stand, want mijn oom was een broeder van mijne moeder, en dus van denzelfden vader en dezelfde moeder. Wij stonden, meende ik, gelijk, maar ik bedacht niet dat zij rijk waren en ik niets bezat.

ocr page 26

10

Onderweg naar het Tehuis bracht mijne zuster mij ook nog bij een paar kennissen van haar, zooals Mej. Höveker, op de Heerengracht, en Mej. de Bruin, in de Huidenstraat bij de Prinsengracht, beiden vrome menschen, ofschoon ik ze „fijnenquot; noemde, zooals mijne zuster ook was, die reeds op haar vijf en twintigste jaar door den Heere werd bekeerd.

In het Tehuis werden wij ontvangen door den directeur, den heer Dibbets. Zijne vrouw was een lief mensch en eene zeer vrome vrouw; zij oefende terstond grooten invloed op mij uit; en menigmaal kwam de begeerte bij mij op; was ik ook maar zoo. O, wat was het daar in het Tehuis geheel anders dan ik het bij mijn oom gewend was. 's Morgens aan het ontbijt bogen wij eerst onze knieën en daarbij werd er door den heer Dibbets overluid gebeden. Na het ontbijt werd er uit den Bijbel gelezen en dan gedankt. Daarna ging ieder aan het werk dat de juffrouw opgaf en dat spoedig was afgeloopen, omdat ook hier bleek dat vele handen het werk licht maken. Was dit afgedaan, dan ging ieder voor zich naaien of breien en velen gingen bij de besteedsters een dienst zoeken. Ik zelf zou echter wachten tot er iets in de courant stond dat geschikt was om er op te schrijven. Dit ging evenwel zoo gemakkelijk niet. Hoe dikwijls de heer Dibbets ook voor mij op advertentiën schreef, er kwam maar geen antwoord. Het Tehuis zelf beviel mij zeer goed; een enkelen keer ging ik eens naar mijne zuster, met wie ik ook wel eens naar vrome menschen ging, maar het meest was ik thuis en zat dan te naaien.

Er werd in het Tehuis veel over den Bijbel gesproken, dat ik gaarne hoorde, en ik had veel respect voor den heer en juffrouw Dibbets, zoodat ik alles deed wat zij zeiden; ik ging zelfs met hen mee naar de kerk van Ds. Pauli, een bekeerden Engelschen jood, ofschoon ik er niets van verstond , omdat mijne gedachten meer bij de wereld waren dan bij hetgeen hij zeide. En toch ging ik er gaarne naar toe, zoodat ik tweemaal per Zondag naar de kerk ging, waar ik nimmer spijt van heb. Was er bijeenkomst bij den heer Dibbets, dan mocht ik er ook bij zijn en luisterde aandachtig, hoewel ik geen woord sprak; maar werd er gezongen, dan liet ik mijne stem goed hooren, want dat vond ik heerlijk.

ocr page 27

II

HOOFDSTUK IV. In dienstbaarheid.

Nadat ik ruim drie maanden in het Tehuis was geweest, kwam er eindelijk een brief, naar aanleiding eener advertentie, waarop de heer Dibbets voor mij had geschreven. De brief kwam uit Utrecht, van een banketbakker, die eene winkeljuffrouw vroeg en om tevens in de huishouding behulpzaam te zijn. Nu dat leek mij goed toe; wat kon ik dan een lekkers eten. De heer Dibbets schreef terug en reeds den volgenden dag kwam de juffrouw mij zien. Op het oog beviel ik haar nog al en daarom zou zij het maar eens probeeren. De volgende week kon ik komen. Toen ook nu de tijd van vertrek daar was , andermaal huilen geen gebrek ; maar ik ging en kwam dus in een banketwinkel te Utrecht in mijn eersten dienst.

De juffrouw was ter dege bijdehand; mijnheer was een stil mensch en er waren drie kinderen. Daar de juffrouw niet alleen erg bij de pinken was, maar ook van alle markten thuis scheen te zijn, kon ik met mijne dommigheid niets goed bij haar doen, ook al deed ik nog zoo mijn best. Hielp ik in den winkel, dan kwam de juffrouw daar, nam mij den zak uit handen en zeide: ga jij maar zitten huilen, blijf er maar af; en dan ging ik werkelijk huilende naar binnen. Deed ik iets in de huishouding, dan was het ook altijd verkeerd en kreeg ik weer daarom berisping op berisping; en dan weende ik mij weer tot water van al het verdriet dat ik ondervond niet alleen, maar ook van heimwee en van de smart die ik leed aan mijne winterhanden. Hieronder leed ik veel. Want hoezeer ik mijn best wilde doen, ik kon niet, ik was gebonden naar ziel en lichaam beide; naar de ziel, omdat mijn geest te zwak was om tegen al die machten die mij beheerschten op te komen en te strijden, en naar het lichaam, omdat ik gebonden was met mijne pijnlijke winterhanden, waarmede ik bijna niets kon doen.

Zoo leefde ik eenigen tijd voort met het heimwee in het hart, door aan niets anders te denken dan aan het Tehuis, waar ik het zoo goed had, waar gebeden en uit den Bijbel gelezen werd en met de gedachten voortdurend bij juffrouw Dibbets

ocr page 28

12

en mijne zuster. Nu was ik werkelijk geheel alleen, gelijk nog nimmer te voren en miste alles en dan daarbij nog het lijden naar het lichaam. O, ik kan het zoo niet terneer-schrijven als het werkelijk was en het was mij dan ook bepaald onmogelijk het vol te houden.

Daarom schreef ik aan mijne zuster mijn toestand en vroeg haar om hulp. Zij antwoordde mij terstond, dat ik dan maar weer naar Amsterdam moest komen; ik mocht zoolang bij juffrouw de Bruin in huis komen, totdat oom verklaard had dat hij voor mij het Tehuis zou betalen; ik had natuurlijk zelf geen geld, want voor de zes weken die ik gediend had kreeg ik slechts ƒ 7.50 (mijn salaris was ƒ 60.— per jaar) en daar moesten de kosten nog af voor de reis en de bagage.

Met groote blijdschap kwam ik weder in Amsterdam. Mijne zuster haalde mij van den trein en bracht mij naar juffrouw de Bruin, waar ik met groote liefde werd ontvangen, wat balsem was voor de ziel. Gelukkig werden na eenige dagen mijne handen weer zooveel beter, dat ik voor de juffrouw kon naaien, die daarmede haar brood verdiende. Nu, naaien was het eenige dat ik goed kende, zoodat ik thans toch voor iets nuttig was, hoewel het mij wel zwaar viel zoo hard en zoo veel te moeten naaien en toch niets verdiende. Ik kon dus ook niet uitgaan, uitgezonderd Zondags naar de kerk.

Op den brief van mijne zuster aan mijn oom kwam het antwoord, dat ik nu 20 jaar was; dat hij al genoeg aan mij gedaan had en dat ik mij zelf maar moest redden. Bij het lezen van dien brief, was het alsof ik door den grond ging; maar op hetzelfde oogenblik voelde ik eene bijzondere kracht in mij opkomen, zoodat ik moedig zeide; ik zal mij ook zelf redden. Van toen aan kreeg ik zooveel wilskracht in mij, als niet te beschrijven is.

Het was echter in het midden van den winter, half Januari; juffrouw de Bruin had geen naaiwerk meer en wilde mij dus wel missen. Maar waar zou ik heen? Herhaaldelijk had ik op advertentiën geschreven , maar steeds zonder gevolg; getuigschriften had ik niet en kende niets dan naaien. De ontwakende wilskracht deed mij echter zeggen: ik wil, en met dien wil zal God mij helpen! Na overleg met de juffrouw ging ik naar de besteedster om haar te vragen of zij niet iets voor mij had of wist. Eenvoudig gekleed, zonder mantel en zonder voile, want daar behoefde men voor 36 jaren niet bij de besteedster mee aan te komen, ging ik, met een

ocr page 29

13

bezwaard gemoed en langs een omweg, maar ik ging, alleen omdat de nood mij dwong en ik van den nood eene deugd moest maken. Zij vroeg mij naar het een en ander dat ik diende te kennen, maar ik kende het niet en zweeg dus op al hare vragen maar stil. Toch zond zij mij, namens haar, naar Mevr. Z. op den Kloveniersburgwal die in een heel groot huis woonde met een dubbel bordes. Met groote haast ging ik er heen en vroeg mevrouw te spreken. Nadat de keukenmeid mij had aangediend, werd ik bij mevrouw binnen gelaten. Tot alles wat mevrouw mij ook nu vroeg, moest ik weer het zwijgen doen; een enkelen keer antwoordde ik „jaquot; of „neenquot;. Ofschoon dit alles geene aanbeveling was, scheen mevrouw toch met mij ingenomen, en zeide mij, dat ik den volgenden dag kon komen.

Nu spoedig naar huis geloopen om te vertellen dat ik eene betrekking had; want om te zeggen: een dienst, daarvoor zat mijn hoogmoedig hart nog te hoog; dat hart moest daartoe eerst ten onder worden gebracht. Toen ik alles had verteld, kwamen de „ja maar'squot;: een tulen mutsje dragen; goed kunnen mazen en stoppen; om de drie weken, als de keukenmeid uit was, koken; netjes kunnen strijken; ik moest mevrouw helpen aankleeden, en — van dat alles kende ik in het geheel niets. Daar stond ik nu voor al die maar's; hoe zou ik aan de mij opgelegde verplichtingen voldoen. „Ik moet mij zelf redden1', heeft oom gezegd; nu dan zal het zich ook wel redden, als ik maar kon mazen en stoppen. Denzelfden avond werd mij dat nog in beginsel geleerd, zoodat ik den volgenden dag wel te moede, netjes gekleed in eene lichte katoenen japon en met een wit mutsje op, dat mij zeer goed stond bij mijn zwart haar, in mijn dienst ging.

Het eerste wat ik te doen had was naaien, dat heel goed ging; vervolgens de tafel dekken, dat de gouvernante mij voordeed. Daar ik alles nauwlettend naging hoe het moest zijn, behoefde men het mij geen tweemaal te zeggen, zooals vroeger, en ging ook dat in den vervolge goed. Toen kwam het opbrengen van het eten en later weer het afnemen. Helaas, bij den laatsten bak dien ik naar beneden bracht viel ik van de trappen. Een schrikkelijk leven, iedereen kwam er op af; gelukkig was er niets anders gebroken dan eene sauskom. Ik had mij ter dege bezeerd, en ofschoon blauwe plekken doorgaans niet geteld worden, kreeg ik toch geene berisping.

Nadat de tafel was afgenomen. kon ik weer gaan zitten

ocr page 30

14

naaien tot acht uur, den overigen tijd totdat we naar bed gingen had ik voor mij zelf. Dan oefende ik mij in het mazen en stoppen. Het scheen of ik opeens een geheel ander mensch was geworden. Als ik daar zoo alleen zat en mijn best deed om mij zelf te redden, gevoelde ik mij recht gelukkig, 's Morgens werd ik om zes uur gebeld om op te staan en mij te kleeden, om dan eerst de huiskamer aan kant te maken en het ontbijt gereed te zetten, dat om half acht klaar moest zijn. Den eersten dag moest de keukenmeid mij helpen, dat een buitengewoon geluk voor mij was, omdat ik nog nooit eene kamer gedaan had. Ik lette goed op alles wat zij deed, en deed alles wat zij mij zeide heel vlug. Was de kamer in orde, dan moest ik mevrouw roepen en verzoeken op te staan ; na eenige minuten werd er dan gebeld en hielp ik mevrouw in het kleeden door haar de kousen aan te trekken en het corset te rijgen. Gedurende het ontbijt, ontbeten wij in de keuken, om daarna als het ontbijt van mevrouw was afgenomen vijf slaapkamers aan kant te maken. Ook daarin was de keukenmeid mij in den eersten tijd behulpzaam, van wie ik alles goed afkeek, zoodat ik het iederen keer beter kon doen, ook zonder hare aanwijzing. Na de kamers weer naaien ^ om twaalf uur klaarzetten voor de koffietafel, dan weer afnemen en daarna opnieuw naaien, en zoo ging de eene vier en twintig uren na de andere. Alles ging goed. Mevrouw was er zeer over tevreden, vond mij gewillig en vriendelijk en zag dat ik ter dege mijn best deed, en ofschoon ik de werkzaamheden niet gewoon was, trachtte ik alles goed te onthouden en goed te doen.

Zoo verliepen er eenige dagen, toen mij de angst bekroop, omdat ik aan het mazen moest en dat nog niet genoeg kende. Dit bleek alras toen mevrouw mijn naaiwerk nazag. Op de vraag of ik het niet kende gaf ik geen antwoord. Mevrouw aan het wankelen gebracht, gaf mij nu terstond een servet te stoppen en natuurlijk, dat ging nog minder. „Neenquot;, zeide mevrouw, „dat gaat niet; gij kent er niets van, maar omdat ge een gewillig meisje zijt, zal de gouvernante het je leeren.quot; En zie, binnen veertien dagen kende ik het goed. Zoo ging het ook met het strijken, dat mij ook door de gouvernante werd geleerd, en dat ik, toen ik het spoedig geleerd had, van stonden aan alleen moest doen.

Met het koken ging het van het begin af aan beter. Als ik 's middags in de keuken kwam om het eten te halen, dan zag ik goed toe wat en hoe de keukenmeid deed; dan

ocr page 31

15

vroeg ik eens naar dit, dan naar dat. Werd zij dan wel eens knorrig, dan antwoordde ik haar, dat zij Zondags niet uit mocht, als ik het niet kende. Zoo kwam ik voldoende op de hoogte, en toen de Zondag aanbrak waarop ik moest koken, wist ik er zooveel van dat ik nog een pluimpje toekreeg, omdat de soep en het andere eten zoo goed was uitgevallen. Toen alles gekookt, opgedaan en boven gebracht was, kon ik zelf niet eten van vermoeidheid, zooveel inspanning had het mij gekost; maar dit had ik toch verkregen, alles was goed gegaan.

En het bleef goed gaan; ik werd steeds vlugger en met alles vertrouwd, zoodat ik de hoop koesterde lang in dezen dienst te zullen blijven; men was nog al tevreden over mij en ik pastte terdeeg op dat mevrouw geen enkele aanmerking kon maken. Hoe vergiste ik mij. Op eens vertelde mevrouw mij dat zij met I Mei naar buiten gingen; dat de keukenmeid meeging en ik naar een anderen dienst moest zoeken, omdat zij des zomers maar ééne meid hielden, want dat de tuinvrouw buiten de kamers deed. Welk een slag voor mij! Ik had zoo mijn best gedaan en ik kon mij nu zelf redden, en nu moest heel dat smartelijk leven van zoeken en verkeeren bij anderen weer opnieuw beginnen. Daarbij kwam nog dat mijne zuster niet meer in Amsterdam, maar te Zeist woonde. Nu kwam ik nog wel een enkelen keer bij juffrouw de Bruin, maar ik kon daar niet weer in huis komen wonen; daarvoor moest zij zich zelve te veel behelpen en in het Tehuis was ik sedert mijn vertrek naar Utrecht niet weer geweest; zij wisten daar niet eens waar ik was. En ook de hoogmoed stak er wel achter dat ik er niet weer heen wilde; ik schaamde mij dat ik, die van het Tehuis als eene dame was weggegaan met voile en mantel, nu bij hen terug moest komen met een katoenen japon en een mutsje op als dienstmeid; dat deed ik voor geen geld, nooit.

Herhaaldelijk had mevrouw mij laten uitgaan naar de besteedster om een dienst, maar het mocht mij niet gelukken iets te vinden. En zoo brak dan eindelijk de dag aan dat mevrouw naar buiten ging en het huis werd ontruimd, omdat de familie Z. meteen zou verhuizen naar de Heerengracht. Ik hielp dien dag van 's ochtends vijf tot 's middags vier uur nog druk mee en toen nam ik afscheid van de familie.

ocr page 32

i6

HOOFDSTUK V. Op straat, doch niet verlaten.

Daar stond ik weer; waar zou ik heen ? Nu had de heer Z. mij den sleutel gegeven van het oude huis, omdat mijn goed nog niet was gehaald; ik wist immers niet waarheen het te brengen. Dien sleutel moest ik, als mijn goed gehaald was, nog denzelfden dag bezorgen bij den heer L. op het Singel bij de Heisteeg. Ik liet evenwel mijn goed nog niet halen en bracht ook den sleutel niet weg, maar ging eerst met vollen moed naar de besteedsters om een dienst te zoeken. Waar ik echter ook kwam, het was overal tevergeefs, er was niets; 29 April was het en alles dus bezet.

Daar stond ik nu; mijn goed laten halen kon ik niet, want waarheen zou ik het brengen ? Waar zou ik zelf heengaan ? Naar het Tehuis wilde ik niet. Zoo verliep het eene uur na het andere en 's avonds tien uur liep ik nog op de straat.

O ja, ik moest den sleutel nog wegbrengen. Daar schiet opeens een denkbeeld als een bliksemstraal door mijn hoofd. den sleutel niet naar den heer L. brengen, maar naar het leege huis terugkeeren om daar den nacht door te brengen; wellicht heeft eene der besteedsters morgen een dienst voor mij Terstond was dit plan rijp en werd het ten uitvoer gebracht. Vooraf ging ik nog naar het Rusland om er een 'z cents kaarsje, een doosje lucifers en een broodje te koopen, daar ik van 's ochtends af niets had gegeten, en toen heel goedsmoeds naar het leege groote huis met dubbel bordes. Wat gevoelde ik mij op dat oogenblik gelukkig en rijk; rijk ook, want ik had dertig gulden in mijn zak, die ik zelf had verdiend in de drie maanden die ik bij mevrouw Z. had gediend met verval. Ik was de wereld te rijk en was in dat groote huis met zijn twaalf kamers, twee keukens, kelder, tuin en zolder met twee kamertjes, geheel op mijn gemak. Toen ik de deur geopend en weer achter mij gesloten had, stak ik in de gang het kaarsje op, ging toen de trap op naar boven naar mijn kamertje, at mijn broodje op, maakte een pakje om onder mijn hoofd te leggen en vleide mij toen op den grond neer om te slapen. En inderdaad, ik heb goed ge-

ocr page 33

17

slapen; maar toen ik wilde opstaan, was ik zoo stijf als eene deur, dat echter, toen ik weer gekleed was en in beweging kwam, heel spoedig voorbijging.

Een nieuwe dag zou nieuwen raad verschaffen. Ik moest er maar dadelijk weer op uit om een dienst; wie weet hoe spoedig ik er een vind. Eerst ging ik echter weer een broodje koopen en een kannetje melk, bracht dat weer in het oude huis, en zette mij in de groote zaal op den grond neer, om zoo mijn ontbijt te gebruiken. O, het heugt mij nog zoo goed, hoe heerlijk de zon door de achterramen van de zaal scheen; hoe lekker mij de boterham smaakte. Ik dacht er in het geheel niet aan waar ik was en in welke treurige positie ik stond, zoo krachtvol gevoelde ik mij.

Na het ontbijt zou ik er op uit, maar meende het noodig eerst den sleutel weg te brengen, ofschoon mij dan den weg naar het huis was afgesneden. Ik zal dan vragen, zoo dacht ik, morgen mijn goed te mogen doen halen; want ik zal vandaag wel een dienst krijgen. Zoo welgemoed spoedde ik mij naar den heer L. en vroeg dien heer te spreken. Hoe werd ik verbluft, daar ik een fameus standje kreeg, omdat ik gisteren den sleutel niet gebracht had. De heer L. zou het eens aan den heer Z. mededeelen. Nu was mijne kracht gebroken; al snikkende vertelde ik den heer L. mijne geheele geschiedenis. „Dat is iets andersquot;, zeide deze, „en als gij van den heer Z. een goed getuigschrift kunt brengen, dan zal ik voor je zorgen.quot; In een oogwenk was ik nu aan het kantoor van den heer Z. op de Heerengracht, omdat deze daar tot Zaterdags verbleef, wanneer hij tot Maandags naar buiten ging. Beleefd vroeg ik den heer Z. zoo goed te willen zijn mij een getuigschrift te geven, wat mevrouw mij beloofd had, om daarmede een anderen dienst te kunnen krijgen. Verder zeide ik niets. Mijnheer gaf mij een mooi getuigschrift, dat ik aan den heer L. overhandigde en toen die dat had ingezien, gaf hij mij een ander briefje, waarmede ik gezonden werd naar Ds. van der Goot, een Doopsgezind predikant, die op de Keizersgracht bij de Heerenstraat woonde. Ook bij dezen moest ik alles vertellen, en toen ik met mijn verhaal gereed was, zeide de dominé dat hij voor mij zou zorgen en gaf mij een brief voor het Tehuis, met de boodschap, dat de dominé het betalen zou zoolang tot ik een dienst had.

O, dat was me wat. Het was mij of ik door den grond zonk. Verbeeld u, ik naar het Tehuis! Voor den heer en juffrouw Dibbets was ik niet bang, dat was nog niets; maar al die

2

ocr page 34

i8

anderen die er waren, wat zouden zij wel zeggen. Neen, dat was iets verschrikkelijks voor mijn hoogmoedig hart, dat maar niet wilde buigen.

In plaats van ook regelrecht naar het Tehuis te gaan, deed ik eerst nog ter deeg mijn best om een dienst te zoeken. Maar toen het avond was geworden en ik nog niets had gevonden , moest ik wel. O, dacht ik, had ik den sleutel nog maar, dan ging ik er niet naar toe. Het werd evenwel donkelen den ganschen dag had ik nog niets gegeten, alles als gevolg van die duivelsche vrees voor het Tehuis, zoodat ik van nood toch moest. Eindelijk stond ik in de Bethaniënstraat op de stoep, belde aan en vroeg juffrouw Dibbets te spreken. Eerst herkende zij mij niet, maar toen ik haar den brief van Ds. van der Goot gaf en mij bekend maakte, trad zij van schrik achteruit met den uitroep: „Wat, juffrouw Ypes, hoe is dat mogelijk?quot; Terstond werd ik binnen gebracht bij mijnheer en de huishoudster S., die allen heel verwonderd keken bij alles wat ik vertelde van mijn wedervaren. Zij konden zich niet voorstellen dat ik zulk een weg had gehad, dat mijn trotsche hart op zulk eene wijze was vernederd en dat ik zoo veranderd was bij vroeger vergeleken. Toen kende ik niets, nu van alles; toen durfde ik nauwlijks opkijken, nu sprak ik zoo flink mogelijk. Ook zij moesten erkennen, dat ik een geheel ander mensch was geworden.

Na een paar dagen in het Tehuis, kreeg ik een dienst bij mevr. K., eene tante van mevr. Z.; en nadat ik daar eenigen tijd was geweest, schreef mevr. Z. mij of ik bij haar wilde terugkomen. Aangezien de werkzaamheden in den dienst waar ik nu was zwaarder waren, ging ik met goedvinden van mevr. K. weer naar mevr. Z., die toen nog buiten was.

Nog geruimen tijd bleef ik bij mevr. Z., tot ik ging veranderen en bij mevr. W. kwam , die ik geheel moest helpen , omdat zij verlamd was, en voor den overigen tijd kon ik naaien, en zoo noodig eenige werkzaamheden doen, zoodat het er niet zwaar was en het mij zoo goed beviel dat ik er bleef tot mijn huwelijk.

ocr page 35

19

HOOFDSTUK VI. De eerste huwelijksjaren.

Middelerwijl had ik kennis gekregen aan een braaf man, een Duitscher, die Oberkellner was in een der eerste hotels van Amsterdam. Wij hielden veel van elkander en ik was niet weinig trotsch op hem. Daarom werd besloten dat wij samen naar Leeuwarden zonden gaan om hem aan mijne familie voor te stellen. Na onzen terugkeer naar Amsterdam gingen wij spoedig trouwen en kreeg ik dus mijn eigen huishouden. Ik was zeer zuinig; dadelijk als ik mijn weekgeld kreeg, lag ik er iets van weg; met het overige moest ik toe komen, daar hielp niets aan; of ik in het laatst der week geen koffie of thee dronk en geen suiker gebruikte, daar gaf ik niets om, mits ik aan wat ik had weggelegd maar niet weer behoefde te komen. Toen ik in de kinderen kwam , werd ik nog zuiniger, want ik hield er van mijne kinderen netjes te kleeden; ik maakte alles zelf en wat mijne oogen zagen konden mijne handen maken, en ofschoon ik mijn huishouden zelf deed, zag alles er even netjes uit, zoodat als mijn man thuis kwam, hij altijd tevreden was. Zijne pijp en tabak en zijne pantoffels stonden altijd voor hem gereed; hij behoefde om niets te vragen, waardoor wij een waarlijk gelukkig en tevreden leven hadden.

Van binnen was het evenwel bij mij niet rustig. Menigmaal zeide ik te gelooven dat ik eene zielsziekte had; toch wist ik niet wat eene ziel was. Het was altijd alsof ik van binnen op eene bepaalde plaats wat voelde zitten. Daarom hield ik veel van uitgaan om mij te verstrooien. Ik had een goeden man, eigenlijk te goed, want wat ik vroeg en wilde, dat deed hij; ik kreeg alles van hem gedaan wat ik maar wilde. En omdat hij alles inwilligde en ik verstrooiing zocht, gingen wij veel naar de comedie en naar concerten. Waren wij daar evenwel, dan gevoelde ik mij nog veel minder dan in mijn eigen huis, en toch wilde ik er telkens weer naar toe, want de gedachten er aan leidden mij dan vooruit al reeds wat af, zoo gaf de duivel mij in, hoewel ik dien toen nog niet kende en ook niet geloofde dat er een bestond. Ik

ocr page 36

20

dacht altijd dat ieder mensch zijn eigen duivel was; men kon er zelf zooveel aan toe doen als men zelf wilde. Maar door al die afleiding werd de onrust uit het hart toch niet weggenomen. Al werkte ik nog zoo hard en deed mijn best om zuinig door de wereld te komen en al zocht ik mij door dat alles nog zoozeer te verstrooien, het hielp alles niets, daar de duivel mij beheerschte zonder dat ik het zelf wist.

Naar de kerk ging ik ook niet meer, want ik vond dat het niet samenging allerlei vermakelijkheden na te jagen en naar de kerk te gaan. Dat was zonde, dat mocht ik niet doen, ofschoon ik mijne kinderen wel liet doopen. Het was dan alsof ik meer moed en kracht kreeg. Bij den doop zelf zat ik veel te huilen, dacht altijd terug aan het Tehuis, waarin den Bijbel werd gelezen en ik mijne knieën voor God moest buigen, wat ik altijd zoo heerlijk vond. Dan nam ik mij voor geheel anders te worden, zoodat ik den volgenden Zondag ook naar de kerk ging. Ds. Pantekoek, een landsman van mij , preekte toen en ik was geheel en al gehoor. Het eenigste echter wat ik van de preek onthouden had, was, dat, zoo men door genade den Heiligen Geest ontvangt, men alles van God heeft, en dat is er bij mijn nooit weer uitgegaan. Altijd bleef dat mij in gedachten bij, en zelfs in de comedie werd het mij als ingegeven, hoewel ik niet wist wat de Heilige Geest was, noch wat Hij beteekende. Toch gevoelde ik er, als het in mijne gedachten kwam, de kracht van. Maar ik was het weer even gauw vergeten, omdat ik in de wereld bleef voortleven en alles najaagde wat mijne zinnen streelen kon, tot bals masqué toe. En het einde was, dat ik in het geheel niet meer in de kerk kwam, dan alleen als er een kind moest gedoopt worden; dat kon en wilde ik niet nalaten.

Na den doop kreeg ik weer visite en begon datzelfde leven weer opnieuw; het eene pleizier voor en het andere na, tot ik op zekeren dag de cholera kreeg in een hevigen graad. Te gelijk eene ontijdige bevalling, wat mijn behoud was, want volgens het zeggen der doktoren had de vrucht de ziekte mee afgevoerd en werd ik weer beter. Dit gaf mij veel stof tot nadenken, doch het duurde, evenals te voren, slechts kort, want ik werd weer even wereldsch.

Eene groote verandering voor mij bracht de verandering in onze maatschappelijke positie. Nadat mijn man verscheidene jaren in betrekking was geweest, begonnen wij een eigen Café-restaurant, waarin de vorige bewoner failliet was gegaan.

ocr page 37

21

Zouden wij de zaak er dus weer bovenop halen, dan moesten wij beiden hard werken, wat we ook deden, zoodat het ons heel goed ging. Natuurlijk niet zonder groote zorgen en vele moeilijkheden en hard werken. Daar ik netjes en precies was, hielp ik net zoo goed mee als mijn personeel, opdat de klanten maar geene aanmerkingen zouden maken, vermits ik bang was dat zij dan zouden wegblijven. Als het soms wat stil ging, kon ik er 's nachts niet van slapen, en dan bedacht ik immer maar wat nieuws om het den menschen naar den zin te maken. Zoo kregen wij het hoe langer zoo drukker en werkten we bij wijlen dagen van 's morgens vijf tot 's nachts half twee. Dat was wat anders dan een normale arbeidsdag van acht uren ; daarmede komt trouwens niemand vooruit in de wereld. Nog altijd geldt, dat hoe meer men werkt, men des te meer kans heeft vooruit te komen.

Ook gebeurde het soms dat het bedienend personeel niet voltallig was, want hoe grooter de omgeving zooveel te meer verandering en moeilijkheden. Dan vulde ik zelf hunne plaats aan en deed hunne werkzaamheden, tot zelfs die van chef in de keuken, en ofschoon ik dan van 's morgens tien tot 's avonds elf uur in de keuken was, ging ik toch onderde-hand na of alles goed in orde was, opdat er geene klachten zouden komen. Want daarvoor, zeide ik altijd, ben ik banger dan voor den dood.

HOOFDSTUK VII.

Er komt eene ernstige waarschuwing.

Zoo gebeurde het in zulk eene drukte eens, dat ik weer uit de keuken naar boven liep naar het buffet, waar ik een oogenblik met de buffetjuffrouw stond te praten. Juist toen ik daar was vlogen de gordijnen van de middeldeuren in brand, doordien het gas er te dicht bij was. Een heer die er bij stond haalde dadelijk de gordijnen naar omlaag en trapte den brand, met de laarzen uit. Ik was echter zoo door den schrik bevangen, dat ik zoo wit werd als een lijk en

ocr page 38

22

terstond naar bed moest worden gebracht. De dokter, die geroepen was, verklaarde dat ik door den schrik eene kronkeling in den darm had gekregen en dat ik injecties moest hebben met ik weet niet meer welk soort van medicament. Dit weet ik wel, dat, al moest ik ook nog zoo lijden, ik zulke injecties voor geen geld ter wereld ooit weer zou willen hebben; doch daar was ik toen blind voor. Mijn vreeselijk lijden was toen niet om aan te zien, doch als ik weer was ingespoten, dan werd ik kalmer, maar voor korten tijd. Telkens en telkens werd er maar weer om den dokter gezonden en ook telkens moest ik worden weggemaakt.

Deze krankheid duurde heel lang, maar toch werd ik langzamerhand beter, zoodat ik mijne bezigheden de eene na de andere kon hervatten. Naar de stem evenwel die zoo duidelijk en waarschuwend had gesproken had ik niet gehoord en hetzelfde wereldsche leventje om weer naar bals, concerten, enz. te gaan, werd opnieuw voortgezet.

Eene tweede stem liet zich hooren; na ongeveer eene week of vier herhaalde zich dit ziekteverschijnsel, en soms was de pijn zoo hevig, dat ik andermaal moest worden weggemaakt; immers drankjes of poeiers hielpen niets, en verleggen van het eene bed op het andere, omdat ik meende het eene harder te zijn dan het andere, gaf ook geene verlichting. Had dat zoo eenige dagen geduurd dan herstelde het zich vanzelf en ging ik weer mijn ouden gang en hield zelfs druk kermis mee, waarvan ik eene dolle liefhebster was.

Nadat deze ziekte zich vier malen, telkens om de maand, had herhaald, zeide eene van onze buffetjuffrouwen: „Waarom gaat u niet eens naar eene somnambule; mijne tante is er ook geweest, ofschoon het voor haar te laat was; ware zij eerder gekomen, dan had de somnambule haar wel kunnen helpen; nu kwam zij te laat en is gestorven.quot; Eerst wilde ik daar niets van gelooven, maar door de hevige pijnen die ik dan had, zeide ik op een goeden dag tegen mijn man: „ga jij er eens naar toe, en neem een doek van mij meequot;. De buffetjuffrouw had namelijk gezegd, dat 't hetzelfde was of ik zelf kwam of dat een ander iets van mij medebracht. Mijn man, die erg goed voor mij was, ging er heen met den doek, en vertelde bij zijne terugkomst, dat hij bij eene dikke dame was geweest op de Prinsengracht. Zoodra hij er was gekomen had men dokter T. gehaald en werd de dikke dame, de somnambule, in slaap gemaakt. Terwijl zij den doek aan alle kanten betastte, deed zij mijn man eenige

ocr page 39

23

vragen, die hij beantwoordde, waarna de somnambulezeide, dat de zieke koorts, zenuwen en rheumatiek te gelijk had, waardoor de zieke hevige pijnen moest lijden.

Dat gezegde liet veel te denken over, hoewel ik er toen niet over nadacht. Mijn man kreeg een recept, dat wij bij onzen apotheker konden laten bereiden en dat drie gulden kostte. Daar ik er weinig aan geloofde, deed het mij genoegen dat wij het recept bij onzen apotheker konden doen bereiden; dat gaf ten minste nog eenig vertrouwen. En wat mij nog het meest verwonderde, de kruiden hielpen voor een poosje inderdaad. De somnambule kreeg de eer, en in mijne verblindheid niet ziende dat het schande was, vertelde ik aan een ieder hoe ik door de somnambule was genezen.

Zoo werd ik verhard en nam de goddeloosheid met den dag toe, zoodat ik van God noch Zijn gebod meer wilde weten, maar deed wat goed was in mijn eigen oogen; ik cijferde God maar het liefste weg en dacht eindelijk: er is geen God; een mensch moet zich zelf maar redden in de wereld; wij moeten maar zooveel genieten als wij kunnen en van de wereld nemen wat zij maar oplevert. Dat is het beste om zijne gedachten te verzetten. Mijn geweten zeide mij wel anders en mijn binnenste kon ik niet tot zwijgen brengen. Ik verbeeldde mij maar steeds dat het eene zielsziekte was, omdat het precies was alsof er een zwaar deksel op mijn hart lag, dat mij hoe langer zoo meer drukte en dat ik overal meenam; hoe meer ik er mij tegen verzette, des te zwaarder werd het. Soms probeerde ik wel eens of ik dat deksel niet wat kon opbeuren, door mijne beide handen op het hart te leggen en mij dan te buigen, om wat ruimte te krijgen, maar het gelukte mij niet. Dan zocht ik het weer te verdrijven met een cognacje of een grogje, een glas port of een stevig glas wijn, het bier vooral niet te vergeten; of met kaartspelen of schaken, zelfs biljarten, dat wij alles zelf hadden, zoodat ik het gemakkelijk kon nemen; alles om mijne zinnen te streelen, en mijne lusten bot te vieren naar het goeddunken mijns harten, zonder dat ik wist mijn eigen verderf te gemoet te gaan met zulk een wereldsch leven.

Ik dacht slechts aan mij zeiven, zonder ooit naar een ander om te zien en hoorde alleen naar de begeerten mijns harten, ja, laat mij liever zeggen, naar alles wat de duivel mij inblies en waardoor ik geheel van God afviel en ongelukkig werd, ofschoon ik niet dacht dat het de satan was, de menschen-

ocr page 40

24

moorder en leugenaar van den beginne, die zulk eene groote macht op mij uitoefende.

Toen ik dertig jaar oud was had ik vier kinderen gehad, waarvan twee jongens zijn gestorven, terwijl ik twee meisjes overhield, die natuurlijk in de wereld werden opgeleid; zij leerden niet bidden en hoorden nimmer iets van Gods Woord. Dat was ik reeds lang vergeten; het deksel op mijn hart was veel te dicht vastgeschroefd, zoodat ik daarvan niets had onthouden, laat staan om er van te spreken. Mijne kinderen gingen ook niet naar de kerk; ik achtte dat niet noodig; als ze later naar de catechisatie gingen en dan daarna werden aangenomen zooals ik, dan was dat voldoende; in den hemel komen ze toch niet, zoo dacht ik.

Na vijf jaren gewacht te hebben kreeg ik nog een meisje, daarna nog een jongen en eindelijk nog twee meisjes, van welke ik alleen het tweede meisje overhield en alzoo drie meisjes had, waarvan de oudste zes met de middelste en deze negen jaren met de jongste verschilde. Met al de kinderen heb ik veel getobd en gesukkeld ; de angsten en benauwdheden en slapelooze nachten zijn niet te beschrijven of uit te spreken. Al de ellenden en de sidderingen, vooral als de kinderen kwamen te overlijden, laten zich beter gevoelen dan vertellen. Maar ik stoorde mij aan deze roepstemmen niet; integendeel, ik verzette er mij tegen, en was het door mijne drukke bezigheden weer spoedig vergeten. Ik gebruikte mijn ,, natje en droogjequot;, zooals ik het vroeger noemde, ging overal heen waar het maar pleizierig was, om mij te verstrooien en om het deksel maar steeds vaster op mijn hart te schroeven, dat niet wist waar rust te zoeken en te vinden.

Zoo leefde ik voort, het eene jaar uit en het andere in, met vele rampen en wederwaardigheden, met de koude gedachte dat zulks in zaken en huishoudingen moet geschieden en mij neerleggende met de valsche rust: alles zal wel weer op zijn pootjes terechtkomen, en zoo mijn ouden gang maar gaande.

Mijne oudste dochter was nu achttien jaar geworden en zou, zooals behoorde, als lidmaat worden aangenomen. Toen zij aan het Avondmaal zou gaan, ging ik ook mede, maar het beviel mij lang zoo goed niet als toen ik voor het eerst bij mijne belijdenis aan tafel was geweest. Ik was veel banger, en dacht: ik ga er niet weer naar toe. Daarbij kwam nog, dat ik een nieuwen pluchen mantel aan had en doordien ik in het gedrang stond was hij geheel geplet, zooals ik mij

ocr page 41

25

verbeeldde. Daarom ook zeide ik: „Ik ga niet weer naar de kerk, want je bederft er je goed maar.quot; O, welk een gruwel, zoo iets te durven zeggen. Ik heb er later ook genoeg voor moeten boeten, toen ik levendig werd geoordeeld.

Bij het verlaten der kerk gevoelde ik mij zoo ellendig in mijn binnenste, dat ik niet wist wat mij mankeerde. Was ik toch maar niet naar de kerk gegaan, dacht ik, want zoo ellendig als na, ben ik nog nimmer geweest en nu heb ik aan den dag ook niets. Ik had namelijk de gewoonte om met het doopen of bij eene gelegenheid als deze een feest aan te leggen, waarbij van alles op tafel kwam om van den buik een afgod te maken en verder met de genoodigden een kaartje te spelen en den dag verder prettig en feestelijk door te brengen. Maar dien dag had ik niets dan gruwelijke pijnigingen.

Had ik toen nog maar geweten dat ik een oordeel over mij had gehaald door met het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, maar te doen wat ik wilde, zonder Hem te dienen in geest en in waarheid, zooals in Gods Woord geschreven staat! O, ik had toen moeten weten welke oordeelen mij te wachten stonden! Maar ik was er stekeblind voor en dacht mijn geweten te stillen met allerlei verzetjes, zooals ik het altijd noemde, waar men geen kwaad aan deed; een mensch moest toch wat hebben. En door mijne blindheiden verharding des harten werd mijn geweten hoe langer zoo pijnlijker en ellendiger. Was er toen maar eens een predikant bij mij gekomen om mij de oordeelen Gods aan te zeggen, als ik volop de wereld diende en te gelijk dat reine bloed van Christus Jezus dronk, waardoor ik Hem zooveel smaadheid aandeed en den Heiligen Geest vertoornde. Had men mij maar wakker geschud om er mij op te wijzen hoe ik den duivel diende en de zonde, om krijg te voeren tegen den rechtvaardigen God. Maar neen , ik heb nimmer een predikant bij mij gezien; het werd mij niet aangezegd, dat ik mijne verdoemenis en verderf te gemoet liep. En toch; heeft de Heere de leeraars niet juist voor dezulke uitgezonden?

Toen die zoogenaamd prettige, maar inderdaad helsche avond voorbij was, en ik 's morgens opstond, was het net alsof ik zou stikken, zoo beangst en benauwd was ik. Ik ging maar spoedig aan het werk, denkende: wat zou het verschrikkelijk zijn, indien men zoo nu eens in bed moest blijven. Gelukkig kan ik nog wat doen, ik heb mijn ditje en mijn datje, van middag drink ik weer een glaasje en van avond komt deze of gene een kaartje spelen en dan drinken we een grogje;

ocr page 42

26

morgenavond naar de comedie en Woensdag is er concert in Artis, en dan zal dat wel weer overgaan en beter worden. Zoo zette ik mij tegen alles in en gaf satan gehoor met al zijne listen; terwijl het hoe langer zoo meer in mijn binnenste woedde, wat ik met al mijn doen niet weg kon krijgen.

HOOFDSTUK VIII.

De stemme Gods in voor- en tegenspoed.

Eens, te midden van al het zielelijden, werd een mijner kinderen ziek en lag weldra op sterven. De kinderjuffrouw en ik zouden om beurten waken. Maar toen ik bij het wiegje zat, beefde ik over al mijne leden van angst. Ik dacht aan niets anders dan spoken en hoorde telkens dan dit, dan dat; ik verbeeldde mij dat ik duidelijk de spoken in huis hoorde. Ik sidderde van angst en had wel alles willen geven als de nacht maar voorbij was. Toen het kindje eindelijk blijken gaf te zullen sterven, viel ik voor de wieg op mijne knieën met de handen samen en riep, terwijl mijn kind zoo bitter, bitter leed: „Groote God, help mijn kind!quot; Maar het kind waarvan wij allen zooveel hielden, stierf; het werd mij als van het hart gescheurd en ik dacht dan ook dezen slag niet te boven te zullen komen. Voor onzen troost en tot herinnering werd het daarom nog vóór de begrafenis gephoto-grapheerd.

Maar ik kwam het wèl te boven en heel spoedig ook. De wereld en de duivel hadden de overhand op mij en ik was mijn kind en zijn smartelijk lijden en einde gauw vergeten. En maar weer voort leefde ik naar het goeddunken des harten en doende wat de duivel mij ingaf, zonder te denken aan dood of eeuwigheid. Neen, daar wilde ik niets van weten en luisterde liever naar de stem des satans. „ Dood is dood zoo zeide ik bij mij zelve, „en dan weetje van niets meer af.quot; Er kwam altijd echter eene andere stem in mij, die zeide: „Er is een God boven in den hemel, die alles ziet en hoort.quot; Doch deze stem smoorde ik en suste mij zelve

ocr page 43

27

in rust met de gedachte, dat dat niet waar kon zijn, want dan zou het er heel anders op de wereld uitzien; dan zou er geene ellende, geene ziekte, niet zooveel narigheid en ongelukken zijn, als er een God was; dan zou ik zelf niet zoo ellendig zijn in mijn binnenste. Ik begreep niet dat ik hard meehielp zooveel ellende door mijne eigene zonde op de wereld te brengen, waarvan de eigen rampzaligheid het gevolg was.

De Heere liet evenwel niet los; langs anderen weg kwam er weder eene stemme tot mij. De tijd naderde met rassche schreden dat ik weder moest bevallen, en daar ik met alle dingen op de hoogte was, waren mijn man en ik gewoon dan vóór den tijd dat ik van den vloer ging, alles in orde te maken, waaronder ook behoorde het opmaken van de kas, een werk dat wij trouwens elke maand deden. Mijn man en ik waren hierin bijzonder één, dat wij er steeds voor waren, dat alles goed in orde was; alleen op die wijze konden wij vooruitkomen. Wij deden ook alles samen, en wat de een goedvond, vond de ander ook goed.

Bij het opmaken der kas echter bemerkten we een tekort van ruim ƒ 300, en hoe wij ook zochten en alles nagingen en nazagen, het was er te kort en het bleef er te kort. Ik weende mij tot water; ƒ 300 was voor ons geene kleinigheid. Beiden zeiden we: ik heb het niet en ik weet het niet; maar het geld was er niet en kwam er evenmin.

Dienzelfden nacht beviel ik van een zoon. In de blijdschap over de geboorte van onzen eenigen jongen, werd niet alleen het laatste treurig afsterven van ons dochtertje verzoet, maar ook het leed en het verlies van ons geld vergeten; er werd zoo min aan gedacht als over gesproken. Onze vreugde was evenwel van korten duur, want mijn kind, mijn zoon, zooals wij hem reeds in onze blijdschap noemden, werd ons binnen veertien dagen door den dood weder ontnomen. Ik vleide mij toen wel met de gedachte dat het beter was dat zij zoo jong van ons werden genomen dan wanneer zij ouder waren geworden, omdat men er dan reeds meer aan gehecht is en dus het verlies meer gevoelt; maar in stede dat al het voorgaande leed nu vergeten werd, stapelde het zich op elkander. Al het werk van den duivel om mij in slaap te sussen baatte niet. O, ik had satan, de oude slang, toen zoo goed moeten kennen als nu!

Na mijne bevalling ging ik voor genoegen, tot herstel van gezondheid en tevens tot verzet van al het doorgestane leed,

ocr page 44

28

met twee mijner kinderen naar buiten, naar Bussum, waar wij voor eenige weken kamers hadden gehuurd. Tusschen-beide kwam ik dan wel eens een dagje thuis, om te zien hoe de zaken gingen en alles weer voor eenigen tijd te regelen wat de huishouding betrof.

Toen ik eens zoo thuiskwam, zeide de linnenjufifrouw hare betrekking op, wat ik erg vreemd vond, omdat het naar den winter ging en zij reeds den dag dat ik thuis kwam zou heengaan, ofschoon zij nog niet eene andere betrekking had. In den loop van den dag kwam de werkmeid bij mij met een rol wit goed en vroeg of dit niet aan mij behoorde; zij had het onder het bed van de linnenjufifrouw gevonden. Bij het nazien bleek mij dat het boezelaars waren, geknipt van mijne beddelakens, waarvan de zoomen met mijn naam er op naar binnen waren geslagen. „O!quot; riep ik uit, „ nu weet ik ook wie ons geld heeft gestolen.quot; Ik liet de linnenjufifrouw binnenkomen en vroeg haar of dat goed van haar was, wat zij met „jaquot; beantwoordde. „En wat doen die zoomen met mijn merk er op er dan bij?quot; vroeg ik. Nu werd ze zoo wit als een lijk en wist niet meer te antwoorden. Maar toen tastte ik ook door en riep, wijzende naar de bonheur du jour: „en wie heeft het geld dat ik mis uit die bonheur genomen?quot; Hoewel ze eene kleur kreeg, ontkende zij het gedaan te hebben, daar wist zij niets van. Maar toen ik volhield: „gij hebt het gedaan en als ge niet bekent, haal ik nog dadelijk de politiequot;, toen werd ze eerst weer wit, viel toen op de knieën, begon te huilen en bekende daarop dat inderdaad zij het had gedaan.

Op de vraag hoe zij dat gedaan had, daar het kastje altijd op slot was, vertelde zij daarvoor altijd den tijd te hebben benuttigd tusschen vijf en zes uur, als ik in de keuken was om voor den Restaurant te helpen opdoen. Als de kinderen dan niet thuis waren, nam zij den sleutel uit het penantkastje, die, wat wij niet wisten, op de bonheur paste, om deze te openen en had dan telken keer er iets uitgenomen , telkens iets meer, zoo lang tot het over de ƒ 300 was en zij toen niet meer durfde, omdat zij had gehoord dat wij gemerkt hadden dat er geld miste. Daarom ook had zij hare betrekking opgezegd, vreezende dat het zou uitkomen. Hoe wonderlijk zijn toch Gods wegen, want juist omdat zij niet wilde dat het zou uitkomen, kwam het uit.

Gevraagd zijnde waar zij al dat geld gelaten had in ééne maand en of zij er mij nog van kon teruggeven, antwoordde

ocr page 45

29

zij, dat haar vader geen werk had, terwijl hare moeder ziek was en zij nog zes broertjes en zusjes thuis had. Zij had alles thuis aan hare ouders gegeven en had zelf niets meer. Zij smeekte mij verder het niet aan te geven bij de justitie, daar ik dan haar vader en moeder en het geheele huishouden ongelukkig zou maken. Ik beloofde haar, dit te zullen overleggen met mijn man, waarop ze den volgenden dag het antwoord om tien uur zou kunnen komen halen. Het overleg met mijn man leidde er toe, dat wij niet konden besluiten het geheele huishouden ongelukkig te maken met haar in handen der justitie te geven. Toch was wat wij in onze blindheid en zwakheid deden verkeerd, want die den godde-looze rechtvaardigt is den Heere een gruwel. Edoch, daar wist ik toen niets van. Ook was ik zelf goddeloos en zonder de kracht Gods, die ik toen niet kende.

's Morgens om tien uur kwam zij terug, en deelden wij haar mede dat wij dit geval niet zouden vervolgen ter wille van haar vader en moeder, zusjes en broertjes; maar indien zij er alleen debet aan ware geweest, zij er dan niet zoo zou zijn afgekomen, want dat het meer dan schande was, om ons, terwijl wij allen hard moesten werken, zoo te bestelen.

Deze geschiedenis en het geld hadden we spoedig vergeten. Wij hadden het druk en deden ons best vooruit te komen en zoo was het verlorene weldra weer terugverdiend. Met het oog op de Wereldtentoonstelling in 1883, hadden we ons huis vergroot en bij het Café met Restaurant ook een Hotel begonnen, zoodat wij het nu nog veel drukker kregen en hard moesten werken. In de dagen der Tentoonstelling stond ik soms reeds om half vier op, uit vrees dat de boel niet in orde zou zijn als de logé's opstonden, waarvan ons huis dagelijks overvol was. Er waren dagen dat ik den knecht hielp de schoenen te poetsen, als ik zag dat hij niet op tijd gereed kon komen. Verder zorgde ik voor hetgeen er noodig was, zoodat niemand eenige aanmerking kon maken.

Er was toen van uitgaan geen sprake. Alleen Zondags gingen wij naar de Tentoonstelling, 's morgens reeds om tien uur in plaats van naar de kerk; en 's avonds om acht uur weer. Als ik dan anderen uit de kerk zag komen, dacht ik: wat hebben zij daaraan; liet is veel prettiger op de Tentoonstelling; daar is het precies alsof ge op de kermis zijt faalkan men zijne zinnen nog eens verzetten, maar in de kerk niet.

O, ik had toen moeten weten, dat ik met al mijn zinnen

ocr page 46

3°

verzetten steeds meer naar de hel ging, om voor al dat zinnen verzetten geoordeeld en gepijnigd te worden. Maar neen, doordien ik God noch duivel kende, verzette ik mij maar aldoor tegen den Almachtige, mijn ellendig verderf te gemoet, zoodat het in mijn binnenste hoe langer zoo onrustiger werd.

Toen de Tentoonstelling voorbij was, kregen wij het stiller, waardoor er weer tijd over was om naar de comedie, concerten, bals en bals masqué te gaan. Zoo'n bal masqué vond ik iets buitengewoons: een zwart masker voor, zoodat niemand je kon herkennen, en dan die bespottelijke kleeding, zooals bij voorbeeld de Mikado, neen, dat was verrukkelijk. Ik kon er 's nachts niet van slapen; van benauwdheid brak mij het klamme zweet uit; en dat moest dan pret verbeelden. Het waren zoo vele stemmen voor mij, maar ik zag toen niet, dat mijne ziel even zwart was van de zonde als zulk een masker; dat met de wereld te dienen ik God bespotte. Had ik God gediend, ik had van angst niet behoeven te zweeten en beter kunnen slapen.

Maar ik luisterde niet naar de genade van de stemme Gods , eene genade die verschenen is aan alle menschen en die in mijn binnenste zeide, de wereld te verzaken; die mij waarschuwde voor de hel. Ik holde maar voort op den breeden weg des verderfs, den duivel, en mijn vleesch gehoor gevende; een leven zonder God, daarbij nog denkende dat ik heel braaf was. En werd ik soms door een boozen geest gekweld, wat ik natuurlijk niet wist, dan nam ik maar gauw een cognacje. De doktoren hadden immers gezegd , dat zulks goed voor het gestel en gezond was, en schier alle dames dronken het destijds op aanraden van den dokter. Dus was het voor mij ook goed en bovendien, ik verbeeldde mij dat het werkelijk hielp. Toch was ik menigmaal lusteloos en meende dat niets mij hielp. Wist ik er maar wat op, dacht ik dan, om die pijn uit mijn binnenste weg te krijgen; maar daar wist ik geen raad op.

Met den winter gingen ook zijne vermakelijkheden heen en met den zomer kwam weer eene Landbouwtentoonstelling. Het werd bij ons weer even druk als het voorgaande jaar, zoodat wij er ter deeg bij moesten zijn om alles goed te doen gaan. Wij hadden het Hotel voortdurend vol logé's, en menigmaal 's middags over de honderd diner's tusschen vijf uur en half negen, en dan nog den geheelen dag den Restaurant. Men kan begrijpen hoeveel drukte en werk dat geeft. Ver-^

ocr page 47

31

andering voor mij kwam er evenwel niet door. Alles ging zijn gewonen gang, tot zelfs het uitgaan, ofschoon ik de Tentoonstelling nu niet zoo mooi vond als die van het vorige jaar, die, volgens mijne meening, veel pleizieriger was, en waarom wij er nu ook niet veel heen gingen, maar meer naar den schouwburg.

HOOFDSTUK IX. De Heere neemt mijn man weg.

Toen de Tentoonstelling was afgeloopen werd mijn man ziek en stond ik alleen voor de zaak en over het personeel. Daaronder waren vele goeden, maar er waren ook bij die lang niet malsch waren, zoodat ik dikwijls zeide: ik gelijk wel op een duivelstoejager, niet wetende wat dat woord eigenlijk beteekende. Toch had ik het niet mis, want de duivel stuwde mij maar voort, van het eene naar het andere, om naar het vleesch te leven. Mijn bedoelen evenwel was dat ik zooveel te besturen en te doen had; want dan moest ik weer hier zijn en dan daar, dan in de keuken helpen, dan in het buffet, voor het geld zorgen en voor goed, de kas opmaken, en alles nagaan of het in orde was, zorgen voor mijne drie kinderen, die nog jong waren, en dan nog daarbij mijn zieke man, die veel zorg vereischte en veel oppassing noodig had.

Eerst sukkelde mijn man met koortsen en leed vreeselijk aan aambeien, zoodat er heel wat zuchten zijn gelaten en kermen opgegaan van pijnen en benauwdheden, en ik van angst iederen keer den dokter liet halen. Ik oordeelde dat nog het beste, want de dokter gaf mijn man telkens wat om de pijnen te stillen, ofschoon dat later ook niet meer hielp. Toen mijn man twee maanden zoo had gelegen en geleden, kreeg hij het water er nog bij, zoodat hij ook niet meer in bed kon blijven, maar op den stoel moest blijven zitten, nacht en dag. Dat was eene zware bezoeking, en dan geen anderen raad te weten dan bij den dokter! Er kwam nog een professor en een tweede dokter, die samen consult

ocr page 48

32

hielden, maar de een wist er even weinig van als de ander. Omdat zij samen Latijn spraken, vroeg ik, wat hun oordeel was, want dat ik hen niet kon verstaan. Nadat zij elkander hadden aangekeken, antwoordden zij niet, maar lachten. Toen werd ik boos en vroeg een beslist antwoord op mijne vraag , of mijn man beter kon worden, waarop zij antwoordden: „wij willen er het beste van verwachten quot;. Ik zelf had evenwel een voorgevoel dat het niet meer kon, daar mijn man niet alleen schrikkelijk dik was en het water tappelings uit zijne beenen liep, waarin reeds gaten gevallen waren, maar ook nog een navelbreuk had gekregen, zoo groot als een bal en zoo zwart als roet. Voor het geval mijn man erg veel pijn had, was door den dokter een klein fleschje gegeven, zekerlijk met vergif om een mensch weg te maken; en daarvan mocht hij, maar ook alleen in dat geval, een paar droppels innemen.

Aangezien het evenwel steeds erger werd, stelde ik mijn man. voor, ook eens te zijnen behoeve naar de somnambule te gaan, wat hij goedvond. Daarom ging ik op zekeren dag naar de Prinsengracht; maar daar ik niet wist waar de somnambule woonde, moest ik dezen en genen naar het juiste adres vragen, wat ik bijna niet durfde doen. Ik beefde zoo, alsof ik naar eene tooverheks ging; maar wat moest ik doen ? Het vergif van den dokter hielp ook niet, zoodat de nood er mij toe drong; zulk eene ellende kon toch ook niet langer.

Na lang zoeken kwam ik terecht bij een ouden man op een bovenhuis. Hij vroeg mij het een en ander en nam mij vervolgens mee naar een ander bovenhuis, zoowat een acht huizen verder, waar eene naaister druk bezig was te naaien. Terwijl ik al sidderende van angst plaats nam, sprak de man eenige woorden met de naaister, waarvan ik niets verstond, en nadat hij mij nog eenige vragen had gedaan, begon hij de somnambule met eenige gebaren in slaap te maken, die mij, het kleedingstuk dat ik van mijn man had meegebracht betastende, toen in den slaap ook nog eenige vragen deed. Daarop deelde zij mede, dat het den zieke in het bloed zat en dat hij hevige pijnen had, daarbij wijzende naar den buik, de beenen en het hart. Ik dacht toen bij mij zelve: het is inderdaad precies zooals zij zegt. Verder zeide zij, dat de zieke wel kon genezen worden, mits hij trouw alles innam wat zij zou doen opschrijven. Dit beloofde ik, waarop zij eene massa namen noemde, die de oude man opschreef, en die het recept vormden dat mij werd ter hand

ocr page 49

33

gesteld. Na betaald te hebben ging ik heen. Thuisgekomen, deelde ik mijn man mede wat de somnambule had gezegd, wat mij was wedervaren en liet bij onzen apotheker inmiddels het recept gereed maken. Ofschoon ik alles zoo vreemd vond, moest ik het toch wel gelooven, omdat de somnambule zoo juist gewezen had waar de pijnen zaten. Mijn man kreeg trouw in van het drankje, zoodat hij zelfs de medicijnen van den dokter niet meer wilde innemen, ofschoon hij nog dagelijks kwam ; zoo vast geloofden we dat het nu wel beter zou worden. En, o wonder, het drankje scheen te helpen. Doch eens op een nacht werd mijn man zoo doodsbenauwd, dat wij den huisknecht riepen om dadelijk den dokter te halen. Deze gaf hem terstond weer iets uit het kleine fleschje, waardoor hij weer wat bijkwam, ofschoon de dokter dacht dat mijn man wel zou sterven.

Den volgenden dag was hij weer aardig beter, en toen geloofden wij dat het de crisis was geweest en dachten dat nu de beterschap zou intreden. Van nu voortaan wilde ik dan ook niet meer hebben dat mijn man grog van cognac, of champagne of bier dronk, maar alleen wijn of een glas port, hoewel de dokter gezegd had dat de zieke het alles wel mocht gebruiken. Hij kreeg evenwel ook niet meer het drankje van de somnambule, want ik was bang dat die benauwdheid zich dan zou herhalen, maar wel de medicijnen van den dokter.

In het eerst hadden wij gedacht, dat mijn man weer zou herstellen, maar hij werd hoe langer zoo zwakker en al maar dikker, zoodat wij dag en nacht bij hem moesten waken. Ja, dien tijd zal ik nooit vergeten. Hoe ik er nog ben doorgekomen met al die ellende, jammer en zorgen weet ik nu beter dan ik toen dacht. Het scheen dat ik dat onmogelijk zou kunnen volhouden, maar er onder dreigde te zullen bezwijken, lederen dag werd het nu erger en huilen om verlichting te kunnen krijgen kon ik niet meer. Het was alsof mijn binnenste met een brandijzer was toegeschroeid, en daar ik niet kon uitgaan om mij te verzetten, wist ik niet meer waar het te zullen zoeken.

Zoo kropte ik alles op; zoolang, zeide ik, tot ik er van benauwdheid in zal stikken. De eene dag na den anderen ging voorbij zonder eenige verandering, tot ten langen leste de dood een einde maakte aan het lijden, dat vreeselijk was geweest, maar ook aan het mij zoo dierbaar leven van mijn man.

Daar stond ik nu alleen, zonder man, met drie kinderen,

3

ocr page 50

34

waarvan de oudste 19 jaar en de jongste 5 jaar oud was, met eene groote zaak om te beheeren, en zonder familie die mij kon bijstaan. Een vreemde moest toeziende voogd worden

over mijne kinderen.

Den dag dat mijn man zou worden begraven, werden mij van alle kanten bewijzen van deelneming en kransen gestuurd , die mij zoo ellendig maakten, dat ik de kransen wel had willen verscheuren en die mij den uitroep ontlokten; „het lijkt hier meer eene bruiloft dan een sterfhuis; ik wenschte dat ik ook maar dood ware, want zoo kan ik het niet langer volhoudenEn ofschoon ik niet kon bidden, ging ik toch nu en dan op mijne knieën, want dan gevoelde ik mij nog het beste. Huilen deed ik ook niet, daarvoor scheen ik te verhard, maar zooveel te meer gevoelde ik het deksel op mijn hart, dat ik niet weg kon krijgen, ook al had men mij in de kransen begraven.

O, was ik toen maar van die ure af iederen dag op mijne knieën gegaan en had ik volgehouden, dan zou er zekei Een o-ekomen zijn om dat deksel uit mijn binnenste weg te nemen. Hij zou mij hebben geleerd te bidden en mijne zonden te beweenen. Had de Heere niet getoond lankmoedig te zijn en groot van goedertierenheid, dat Hij mij nog door deze ernstige waarschuwing van mijn dwaalweg wilde afbrengen.

HOOFDSTUK X. Een rustiger leven, doch geen rust.

Na de begrafenis van mijn man, was zijn dood spoedig vergeten en ging alles weer zijn ouden gang. Ik liet den boel heel netjes opknappen, en ging zelfs naar Bussum om behangselpapier te koopen, dat ik het vorige jaar tijdens mijn logies aldaar voor de ramen had zien hangen. Voor een café, dacht mij, is dat uitstekend geschikt en ik bestelde er 90 rol van met 24 rol band, juist zooals de behanger het mij had opgegeven. Alles werd opnieuw behangen _ en geschilderd, wat wel veel geld kostte, maar ik dacht; ik moet het den

ocr page 51

35

menschen zoo gezellig mogelijk maken, en dan hoe mooier hoe pleizieriger. Daardoor haalde ik evenwel nog maar meer zorgen aan, ofschoon ik reeds genoeg had, want ik moest ieder jaar twintig duizend gulden opbrengen, die ik eerst moest verdienen, wilde ik een ieder het zijne geven, zonder dat ik dan nog iets voor mij zelve had. Menigmaal voelde ik dan ook het drukkende dier zorgen zoo zeer, dat ik kon eten noch drinken, terwijl ik bij niemand mijn nood kon komen klagen. Want God, bij wien ik mijn toevlucht had kunnen nemen, kende ik niet, en mijne kinderen waren nog veel te jong om aan hen mijn nood te klagen. Ik meende dan ook dat zij maar wat van de wereld behoorden te genieten, zij konden later nog zorgen genoeg krijgen. Zoo droeg ik het zware juk geheel alleen, mij er zooveel mogelijk tegen verzettende door de wereld te dienen, gelijk ik tot nu toe steeds gedaan had, mijn verderf tc gemoet en de vervloeking nabij.

Nadat ik anderhalf jaar de zaak op deze wijze gedreven had, kreeg ik het geluk de zaak te verhuren. Toen ik op den bepaalden dag 's middags te half twee uur met mijne kinderen het huis zou verlaten, kon ik niet nalaten eerst op mijne kamer de knieën te buigen voor God en uit te roepen: „God! ik dank U dat ik uit deze zorgen verlost ben.quot; Ik stond op, verliet het huis en ging met mijne kinderen naar de Nassaukade, waar ik een huis gehuurd had. Van dit huis verhuurde ik de eerste etage, onder voorwenden dat het mij anders te stil zou zijn, maar inderdaad om eene tegemoetkoming in de huur te hebben, omdat ik nog het een en ander moest betalen. Mijn hoogmoedig hart wilde dat echter niet openlijk erkennen en daarom ging ik liegen.

Natuurlijk had ik nu een rustiger leven en tijd genoeg om uit te gaan, zoodat ik met mijne kinderen nu hier- en dan daarheen ging. Zij waren lid geworden van zanggezelschappen , die zanguitvoeringen gaven met bal na, en dat vond ik heel prettig, behalve wat ik in mijn binnenste gevoelde. De onrust toch bleef en ging overal mee, ook als ik naar concerten en comedies ging. Vooral bals Vond ik prettig; ofschoon ik zelf niet danstte, daar ik dat niet kende, wilde ik er toch heen, en opdat mijne kinderen er van zouden kunnen profiteeren, had ik hun het dansen laten leeren. Niettegenstaande al die pret, dat moois en die onrust, wenschte ik zoo gaarne braaf te worden, ook al omdat ik een dagje ouder werd. Er mocht toch eens eene hel bestaan, en als

ocr page 52

36

ik dan doodging, wat zou ik dan beginnen? Daarom ook toog ik weer eens naar de kerk uit eigen vrije beweging. Een predikant om mij te vermanen en uit te noodigen naar de kerk te gaan en mij te wijzen op een eeuwig wel of een eeuwig wee, had ik al de dertig jaren dat ik nu in Amsterdam woonde, nimmer gezien. Zes jaren dan na het bewuste aannemen van mijne oudste dochter ging ik naar de kerk. Maar het beviel mij er volstrekt niet; ik vond mij in het geheel niet op mijn gemak en wenschte maar dat de kerk uit was. Eén woord van den predikant, dat mij nog al beviel, bleef mij bij, namelijk toen hij zeide, dat de ouderdom komt met gebreken. Dat geloof ik ook, zeide ik bij mij zelve; dat zal het met mij ook zijn; ik word hoe langer zoo naarder omdat ik ouder word. De man, die zelf zoo oud is, zal het wel weten.

Na de kerk was ik blij dat ik weer thuis was; hier toch vond ik de koffie en alles gereed wat ik begeerde, ofschoon mij nimmer iets lekker smaakte; soms had ik moeite iets naar binnen te krijgen. Bij tijden was ik kwaad op mij zelf, omdat ik zoo mager werd en mij niet meer sterk gevoelde; dat kwam bepaald omdat ik niet genoeg kon eten en dat ik ouder werd.

Dit maakte mij zoo mismoedig, dat ik aan het zoeken ging, denkende aan den dood. Nu woonde er op het bovenhuis bij mij eene moeder met dochters, waarvan er eene gehuwd was, die met haar man bij de moeder in was en die erg gelukkig waren. Zij gingen altijd Zondags samen naar de Vrije Gemeente bij Ds. Hugenholtz ter kerk. Opgeruimd keerden ze daar steeds van huiswaarts, zoodat ik de lust gevoelde daarheen ook eens met mijne kinderen te gaan, die dat erg aardig vonden , omdat er ook sommigen van hunne kennissen kwamen.

Den eersten Zondag den besten spoedden ook wij, eene mijner dochters en ik, ons daarheen kerkwaarts. Omdat we geen leden waren, werden we door eenige heeren naar boven verwezen. Daar moest men in eene breede gang, die zoo volgepropt stond met menschen dat men er bijna stikte, wachten tot de deuren werden geopend. Toen die dan ook eindelijk ontsloten werden verdrong de een zich voor den ander om als wilde beesten eene plaats te veroveren. Ook dat vond ik wel prettig; ik hield wel van een relletje.

Wat Ds. Hugenholtz vertelde, weet ik niet meer; wel dat hij het had over het woord „Excelsiorquot;, en dat vond ik zeer mooi. Zoo iemand moest ik ook worden; ik vond zelfs dat er wel eenige termen van in mij werden gevonden en

ocr page 53

37

dat ik wel wat geleek op wat hij vertelde. Toen werd er gezongen, althans het koor zong. En ofschoon ik niet mee kon zingen, omdat ik geen boekje had, moest ik toch erkennen dat het prachtig was.

Bij onze thuiskomst vertelden wij onze bevinding aan mijne andeie kinderen, vooral van het koor; het was net of we in de comedie geweest waren. ,, Daar gaan we weer naar toe zeide ik, „dan hebben wij ten minste nog eene kerk, en daar vind ik het pleizieriger dan in eene andere kerk.quot; De oudste meisjes moesten trachten, meende ik, zich bij het koor aan te sluiten, dan hebben we nog meer afleiding.

De oudste meisjes werden lid van het koor, en zoo gingen we er eiken Zondag heen, maar wilden geen lid worden van de kerk, omdat zulks jaarlijks geld kostte. Nota bene, een staaltje van de braafheid die wij daar leerden. Aan den uitgang was eene bus, waar ieder kon inwerpen naar verkiezing, en van de plaatsen op de gaanderij, waar ook fatsoenlijke menschen zaten , maakten ook wij gebruik , het kon niet beter. Onderwijl beeldde ik mij in, dat het nu in mijn binnenste ook wel beter zou worden, want ik ging nu eiken Zondag naar de kerk, en nog wel eene waar veel rijkdom kwam en waar men leerde dat men doen mocht wat men wilde, mits men maar niet slecht werd. „Nuquot;, dacht ik, „ik ben nog zoo slecht niet. Veel wordt hier over muziek en zang gesproken, over proza en poëzie, en daar houd ik wel van.

,,en^e^erl ^eei eens naar een bal gaan, zal ook geen zonde zijn. Ik gevoelde mij dan ook erg op mijn gemak en dacht nu wel in den hemel te zullen komen, nu ik bij zulke brave menschen ter kerk ging. Maar o wee. ik was daar juist op eene plaats terechtgekomen, waar de satan heerschte.

HOOFDSTUK XL

Wat het bal masqué en de Vrije Gemeente mij aanbrachten.

In de maand November ging ik weer met mijne kinderen naar een bal masqué. Er was daar een prijs uitgeloofd voor

ocr page 54

38

het mooiste kostuum. Wij waren echter gewoon gekleed gegaan: mijne kinderen in het licht met allerhande strikken en linten en ik in het zwart; doch allen met een zwart masker voor het gelaat. Wij zagen daar verscheidene groepjes in allerlei kostumes. Zoo was er een groepje van vier dames en vier heeren, de dames gekleed als oude vrouwen in nachtgewaad , met witte nachtjaponnen en mutsen met groote stroo-ken, die hen over de ooren fladderden; de oude mannen hadden hanssoppen aan met wel vijf en twintig bandjes van achteren vastgemaakt en slaapmutsen op het hoofd, terwijl alle acht een blaker in de hand hielden met eene brandende kaars.

Een ander groepje bestond uit twintig personen, die eene voorstelling gaven van:

Wij zijn gegaan,

Heel netjes aangedaan,

Al naar de Maliebaan, enz.

De een was gekleed als schutter, een ander als militair; de een nog mooier dan den ander, en de dames met groote omslagdoeken en beladen met mandjes en pakken, waar de provisie voor de mallen in was. Ze gingen plat ojj den grond zitten om den inhoud van de mandjes te nuttigen.

Verder zag men een troepje heilssoldaten; zij liepen achter de Maliebaangangers en riepen: „Wie koopt er een Heilssoldaat? daarbij het hoofd schuddende over de mallen die vóór hen gingen.

Ofschoon ik alles heel mooi vond, was ik toch kwaad op de zoogenaamde heilssoldaten, want dat vond ik spotten. I\u, zij kregen ook geen prijs en daar was ik blij om. De slaapmutsen en de mallen kregen een prijs.

Er werd dien avond flink gedanst; mijne dochters dansten ook; ik bleef zitten met eene vreeselijke hoofdpijn, zoodat ik reeds lang vóór het démasqué het masker had afgelegd. In dien toestand bleef ik zitten tot den volgenden ochtend zes uur. Wat ik ook deed om mij te verzetten, door dan dit, dan dat te gebruiken, denkende dan zal het wel overgaan , het werd erger in plaats van beter, zoodat ik blij was dat wij naar huis gingen.

Toen ik, na rustig geslapen te hebben, wakker werd, gevoelde ik mij zoo ziek als een hond, zeide ik, en bleef dien dag te bed. Den volgenden dag was ik weer beter en dacht: ik moet maar veel de lucht in; waarom ik met eene mijner

ocr page 55

39

dochters uitging om de winkels te zien. Wij hadden ook nog wat in 't vet, zooals ik het doorgaans noemde, omdat wij komenden Zondag weer naar de comedie zouden; dat was weer eene afleiding. Voorafgingen wij Zondagsmorgens echter eerst naar de Vrije Gemeente. Dat vonden we prettig, ook daarom, wijl mijne kinderen in het koor meezongen; en dat koor was prachtig, vond ik. Als naar gewoonte plaats nemende, vond ik voor mij een biljetje, waarvan wij moesten zingen. He', dacht ik, net als in de comedie, wat leuk. Er werd gezongen , en wij zongen ook mee:

Leven is lieven, en lieven is loven.

Ds. Hugenholtz sprak zeer mooi, dacht ik, waarnaar ik met alle aandacht luisterde. Op eens krijg ik evenwel zulk een raar gevoel in mijn binnenste, alsof ik een aanval kreeg, en over de leuning van boven zou afvallen. Meteen werd ik zoo benauwd, dat ik van angst om mij heenzag of ik niet weg kon; maar het was zoo schrikkelijk vol, dat ik er niet door durfde. Toen werd ik nog veel angstiger, maar daar ik gelukkig begon te huilen verlichtte mij dat, en werd het wat beter.

Bij het eindigen vestigde Ds. Hugenholtz er de aandacht op, dat er zoo weinig in de bus werd gedaan, en beval de collecte bij ieder der aanwezigen aan. Daarom gaf ik bij het uitgaan van de kerk twee centen meer in de bus dan gewoonlijk en zag toen den man die met de bus stond goed aan, opdat hij zien zou dat ik er wat in deed.

Thuis gekomen, gevoelde ik mij niets op mijn gemak, ik was zóó gejaagd , dat ik geen half uur achtereen kon zitten , en daarbij kreeg ik zulke vreemde gedachten, dat het benauwde zweet mij uitbrak. Het was precies of er iemand tegen mijn binnenste sprak; en de woorden volgden elkander zóó snel op , dat ik sidderde van angst, omdat het niet anders dan verwijtingen waren, als: „Ge zijt een kind der vervloeking; ge zijt een leugenaar; ge denkt naar den hemel te gaan, maar ge gaat naar de hel; kom, verdrink je maar, dan zijt geer zooveel te eerder. Wee dengenen die ergernis geven en de wereld dienen. Wee den natuurlijken mensch die Christus niet kent.quot; Dan was het weer: „Moet ge van avond niet naar de comedie?quot;

„Wij zijn gegaan,

Heel netjes aangedaan.quot;

„Drie centen een Heilssoldaat!quot; — „Nu een quadrille van de slaapmutsen.quot; — „Lust ge nog een glaasje?quot; —

ocr page 56

4°

„Zij is er stil van doorgegaan,

Misschien wel naar de Oost!quot; —

„Kom, laat je kinderen op de piano spelen de biefstuk-wals.quot; — „Want leven is lieven, en lieven is loven en ge hebt je kinderen immers lief, ge laat ze alles toe, wat ze maar willen, dat is immers loven om te leven naar je hartelust, en te doen wat ge wilt, om het een ander zoo lollig mogelijk te maken. Ja, dat is het leven. Hupsasa, valderaldera.

„ Kees, daar komt de nachtwacht aan :

Kees, gaat ge mee?quot;

„Dat is lieven, wanneer men het een ander prettig naar den zin maakt. quot; — „ Schoppenboer troef!' „ Schaakmat! „Schaak de koning!quot; — „Zwarte Tiet!quot; — „Misère!quot; — „Schaak de koningin!quot; — „Dat is loven; naar de kerk te gaan , dat is leven ! quot; —

„Jan tous les jours!

De beenen van de vloer! quot; —

„Mijn moeder is dikker dan ik,

Die kan beter hossen dan ik!quot; —

„Wij zijn gegaan,

Al naar de Maliebaan ! quot; —

„ Als iemand verre reizen doet,

Dan kan hij wat verhalen.

Daar heb je gansch niet kwalijk aan gedaan,

Heer Jurriaan!quot; —

„Leef jij maar en lief jij maar, en loof jij maar ! Een mensch moet toch wat hebben op de wereld. Maak je het maar zoo pleizierig mogelijk, dood is dood.quot; — „Kom, wat zal je gebruiken: een boterhammetje met koek, en een met een ei en een met rookvleesch en een sneedje krentebrood toe? Ge moet maar goed eten, anders wordt ge mager. Kom, vreet maar toe; durft ge niet meer, satanskind ? Ge zijt de mijne en ge blijft de mijne, en ik laat je nooit los!quot;

O, al die stemmen, ja nog veel meer, die ik niet eens durf noemen, werden zoo luid in mijn binnenste gezegd, dat ik er zelf van schrikte, en om mij heen zag of ook iemand het hoorde. Daarbij beefde ik zóó erg, dat ik zeide: „Ik heb de koorts; voel mijne handen eens, hoe het zweet mij uitbreekt; want ik durfde niet zeggen wat er in mijn binnenste omging en wat mij zoo vreeselijk pijnigde en deed sidderen.

ocr page 57

41

Ik een satanskind? Ik, die nooit van een satan had gehoord en aan geen duivel geloofde? „Ik laat je niet los!quot; had hij met eene verschrikkelijke stem gezegd; wat kon dat toch wezen? O God, dacht ik, zou er dan inderdaad een duivel zijn, die misschien in de hel woont? Als ik daar eens naar toe moest! Wat moet ik beginnen, wat moet ik beginnen? Was ik maar nooit geboren! Ik weet mij geen raad; ik moet de deur uit!

En ik ging de deur uit en de straat op, maar in mijn angst nam ik een van de kinderen mee , die heel goed konden zien, dat ik niet was zooals ik moest wezen. Wij gingen uit, maar wisten niet waarheen. Den menschen durfde ik niet aanzien uit vrees dat zij zouden merken wat er in mijn binnenste werd gezegd, en het eene gezegde klonk nog luider dan het andere Ja, ik blaasde uit mijn mond, terwijl ik liep, van benauwdheid. Op eens gevoelde ik mij echter zóó zwak, dat ik zeide: „ Laat ons maar in de tram gaan en van de Vondelstraat over den Dam naar de Linnaeusstraat rijden, en dan weer terug.quot; Terug zijn wij evenwel geloopen, omdat ik weer zoo lang niet kon zitten. Met groote moeite strompelde ik aan den arm van mijn kind voort naar huis, hier en daar eens uitrustende.

Van angst dat het nu in huis nog erger zou worden, kon ik haast de stoep niet op komen. En inderdaad, de stemmen in mijn binnenste klonken ook weer veel luider, zoodat ik geene minuut meer stil kon blijven zitten van het verwijt dat mij gedaan werd, van de vreeselijkste woorden en de afschuwelijkste gezegden. Dan daarbij maar aldoor eene brandende pijn in mijn binnenste, zoodat ik maar heen en weer liep om mij te verstrooien, ofschoon het niets hielp. Neen, zoo iets verschrikkelijks had ik nog nimmer gehoord noch gevoeld. Mijne kinderen werden ook beangst en vroegen wat mij toch scheelde, en of ze den dokter zouden halen. „Neenquot;, zeide ik, „het zit in het bloed en de zenuwen, en dat geeft de pijn en daar kan de dokter niets tegen doen.quot;

Zij schonken mij een glaasje, zooals ik gewoonlijk eiken middag dronk, maar ik durfde er niet aan komen, zoolang die stemmen in mijn binnenste klonken. „Komquot;, zeiden de kinderen, „neem een hapje, het is voor uwe gezondheid, anders wordt u geheel ziek.quot; Maar hoe ik er ook naar gluurde, ik kwam er niet aan ; het was net alsof eene Hoogere Macht er mij van terughield, die mij zeide; „Er is eene hel, en wee, wee, wee dengene die daarin komt; daar is een

ocr page 58

42

vuur dat nimmer wordt uitgebluscht, maar duurt tot in

eeuwigheid en waar ge nu reeds iets van gevoelt......

En die stem maakte mij nog veel angst,ger; zij pijnigde en verschrikte mij zóó vreesehjk, dat ik als eene raze^e d kamer op en neer liep. Dan kwam er weer eene andei e stem, zeggende : „ Kom , een slokje zal je met deren, en een biefstuk walsje op de piano verzet nog wat. Goed eten, dat ge weer sterk wordt, dan zijt ge weer klaar. Kom zing eens wat. En dan begon het weer en hoorde ik zulk een geluid van verwarde stemmen op eene vreesehjke wijze zingen, dat ik de deur uit wilde vliegen en de straat op. Mijne kinderen hadden evenwel de deur gesloten, omdat ik zooveel onzm sprak. Zij hoorden niet anders dan; ,Die met geloofd za hebben, zal verdoemd worden. - Te laat! te laat! te laat!-O die hel, die hel, die hel!quot; Toen het etensuur daar was, kon ik onmogelijk eten, hoe ook mijne kinderen mij aanmaanden om toch iets te nemen, en eene jtem mij toeriep^ Als ge niet eet, gaat ge dood.quot; En al leed ik bitter, zoo, dat ik hefniet langer kon dragen, toch kon ik met eten, maar altoos denkende: „Och, was ik maar dood; maar dan amp;a ik

na?Avonds was ik iets kalmer, ofschoon ik telkens uit vrees voor de gezegden die ik voortdurend hooi de, van en s oe opvloog. Naar bed durfde ik eerst met, omdat allerlei spookgezichten voor mijn geest voorbijtrokken. Zoodrah1^^Vfet wel, na verloop van ongeveer een uur in lag, bonsde het zoo vreeselijk in mijn binnenste, dat ik de hand op mijn hart legde in de hoop dat het dan wel zou bedaren. De helft van den nacht bleef ik wakker, met de vreesehjkste gewaarwordingen en gruwelijkste dingen; en de andere helft van den nacht vervolgde datzelfde mij in den droom

Bij mijn ontwaken stond ik direct op omdat alles mij duidelijk voor den geest kwam, en hoewel de stemmen m meer zoo luid en de pijn niet meer zoo erg was- ^derde ik toch nog van de gewaarwordingen en vreesde dat het w zou terugkomen. Ikamp;kleedde mij dan ook terstond aan en ging mee ontbijten, wat tegen den regel was, omdat ^ anders nog wat bleef rusten. Mijn gedachten oop was ook weder geregelder, zoodat het mij voorkwam alles inbeelding te zijn geweest van den vorigen dag. Toch was ik zwak en

zou ik beter worden, dan moest ik door eten weer aansterken ,

dacht ik, en daarom gebruikte ik een boterham met een ei en een met rookvleesch. Na het ontbijt ging ik zitten naaien,

ocr page 59

43

maar dat vlotte niet; ik was nog te onrustig en moest telkens opstaan; soms was het, zooals ik tot mijne kinderen zeide, alsof de vlammen uit mijn binnenste sloegen. Daarom stelde ik voor 's middags wat te wandelen, omdat stilzitten niet goed voor mij was, waarom wij na het koffiedrinken naar het Vondelspark togen. Maar ik bleef toch gejaagd en kon de gedachten van den yorigen dag niet van mij zetten. De stemmen in mij spraken wel niet meer, maar toch sidderde ik nog telkens bij de gedachte aan het ondervondene.

HOOFDSTUK XII.

Naar het Leger des Heils.

Langzamerhand herstelde ik weer in zoover, dat ik, na ecnige dagen, weken achtereen mijne gewone bezigheden als naar gewoonte kon verrichten, ofschoon ik gevoelde dat ik steeds zwakker werd. De gedachte aan hel en verdoemenis wilde nog maar steeds niet van mij wijken; daarmee stond ik op en daarmee ging ik naar bed. Naar het kerkgebouw van de Vrije Gemeente ging ik niet meer; ik was er bang voor geworden. Toch had ik geene kracht genoeg om er mijne kinderen van af te houden. Als ik er hen nog heen zaS gaan) werd ik altijd zóó bang, dat ik er van beefde en had hen wel toe willen roepen: doet het niet, gaat er niet heen, want ge kondt ook wel eens zoo ellendig worden als ik; maar dan ontbrak mij daartoe de kracht en zweeg ik maar.

Op zekeren dag kwam er een kennis bij ons, die over het Leger des Heils sprak. ,, Héquot;, zeide ik, ,, laat ons daar eens heen gaan en hooren wat die zeggen.quot; Dit werd afgesproken, en reeds den volgenden avond gingen wij naar de stampvolle zaal van het Leger des Heils. De heer Schoch sprak over het Evangelie, waarnaar ik goed luisterde, maar waarvan ik weinig begreep. Sprak hij evenwel over de hel, dan begon ik te sidderen en dacht: „O, die hel; is er dan toch eene hel? Was die er maar niet, dan ging ik naar Jezus!quot; Toen er een oogenblik later gezongen werd:

ocr page 60

44

Zouden wij nog langer wachten,

Om naar Jezus toe te gaan?

Zouden wij Zijn heil verachten,

En Zijn bede laten staan?

Neen, wij komen nu tot Hem;

Heden hooren wij Zijn stem.

gevoelde ik iets in mij opkomen, en dacht: „O, kon ik het maar doen!quot; terwijl anderen, zooals eene troep studenten, die ook in de zaal waren, er mede spotten. Ik had ze wel slaag willen geven, zóó boos was ik deswege op hen.

Al deze indrukken waren evenwel niet van blijvenden aard , want toen een oogenblik later een der adjudanten bij ons kwam en vroeg: „Is u gered?quot; deed ik spottend de wedervraag: „Waarvan?quot; waarna de man weer heenging.

Bij onze thuiskomst hadden we erg veel pret over de vreemde dingen die wij in het Leger hadden gezien , en deden allen onze aanmerkingen hooren; de een vond dat het er zoo'n arm zoodje was, niet beseffende dat wij nog veel armer en naakter waren , omdat wij den Christus niet anders kenden dan bij naam. Een ander vond dat het er zoo vuil riekte, niet wetende dat wij zelf zoo vuil waren, van het hoofd tot de voeten gansch melaatsch, vol pestbuilen van de pestilentie die daar in de donkerheid wandelt, overal stinkende wonden verspreidende met onze zonden en zonder een Christus, een Verlosser van onze zonden te hebben; wij waren te verhard en te verblind om dat te weten. Een derde wilde het weer zóó hebben en een vierde weer anders. Maar met dat al kenden wij niets en konden niets, gelijk ik later maar al te wel heb ondervonden.

Ongeveer eene maand na dien verschikkelijken Zondag, gevoelde ik mij niet wel, en uit vrees dat ik weer zoo ellendig zou worden, zond ik om dokter C., dien ik, op zijne vraag wat mij scheelde, antwoordde, dat het mij in het bloed zat en in de zenuwen en dat ik daardoor zoo gejaagd was. Van de stemmen in mij en den angst voor de hel sprak ik niet. De dokter gaf mij een drankje, dat ik zeer geregeld moest innemen; dat zou dan wel helpen. Ofschoon ik des dokters wenken nauwgezet waarnam en de dokter eiken dag mij kwam bezoeken, moest ik hem toch zeggen dat noch pillen noch drankje mij hielpen.

Er werd toen om een tweeden dokter gezonden , dr. v. d. W., die mij door een kennis was gerecommandeerd. Ook

ocr page 61

45

hem vertelde ik weer van het bloed en de zenuwen, en ook hij schreef weer een drankje voor, trouw innemen en dan zou ik wel beter worden, waar het mij juist om te doen was; zoodat ik ook nu alles precies op tijd deed, wat mij gezegd was. Als men toch maar wil, dacht ik, en doet wat iemand zegt, dan moet een mensch wel beter worden. Maar jawel, nu was het toch het geval niet; ik werd integendeel hoe langer zoo erger, en geen der twee doktoren, die van elkander niet af wisten, konde begrijpen wat mij toch eigenlijk mankeerde. Ik had de medicijnen van den eenen dokter altijd voor den anderen weggestopt; misschien kwam er ook wel daardoor zoo weinig resultaat; althans niets hielp en ik verzocht den doktoren daarom maar niet terug te komen, aan welk verzoek zij gereedelijk gevolg gaven. Zelf kon ik mij ook niet helpen, dan door wat te wandelen, wat goed voor mij was, zooals de doktoren hadden gezegd; overigens gebruikte ik noch drankjes noch pillen of poeiers meer en ging dus zoo langzamerhand meer achteruit.

HOOFDSTUK XIII. Bij de somnambule.

Eens dat ik was uitgegaan en bij mevr. S. een bezoek bracht, riep deze, mij ziende: „Maar, mensch, wat ziet ge er uit; zijt ge ziek?quot; Ik vertelde haar alles wat er gebeurd was, van de dokters, enz. en dat niets hielp, waarop zij zeide; ,, Maar waarom gaat ge niet eens naar de somnambule ? Ik weet er eene heele goede; zij heeft onze meid ook genezen, en onze Christien (de dochter) gaat er ook heen, en bevindt er zich heel goed bij.quot; Eene rilling, die ik nimmer zal vergeten , deed mij beven, waarna ik zeide: „Als het maar helpt, want ik weet niet meer waar het te zoeken.quot;

Eenmaal afgesproken, gingen wij samen naar de Spiegelgracht, waar de magnetiseur (nog een jonge man) woonde en lieten ons aandienen. Nadat wij op 's mans vragen het een en ander hadden geantwoord, werd er eene juffrouw van

ocr page 62

46

boven geroepen. (Ik geloof stellig dat het de meid was, want toen ik er later weer kwam, was dezelfde bezig de gang te stoffen.) Zoodra de juffrouw was weggemaakt, moest ik voor haar gaan staan, waarna zij tegen mij zeide: ,, Steek de rechterhand op.quot; Ik deed het. „Steek de linkerhand eens op.quot; Ook dat deed ik. Vervolgens moest ik den rechter voet en toen den linker vooruitsteken, wat ik ook deed, terwijl ik trilde en beefde alsof ik de koorts had. De hand op haar hart leggende, zeide zij toen: „ Het zit u hier en gaat van daar door uw gehecle lichaam; het doet u vreeselijk veel pijn en maakt dat u telkens zoo beangst wordt.quot; Ofschoon ik niet begreep hoe zij alles zoo juist wist, begon ik haar toch in zoover te vertrouwen, dat ik haar vroeg of ik ook weer beter kon worden. „Jaquot;, antwoordde zij, „ik zal u wat voorschrijven, dat gij bij den apotheker kunt halen en zelf gereed makenwaarna zij het aan den magnetiseur opgaf, die het opschreef en mij overreikende zeide, dat ik over acht dagen moest terugkomen. Na drie gulden betaald te hebben, ging ik met mevr. S. heen, onderweg mijne verbazing uitsprekende, dat de somnambule zoo juist wist wat mij mankeerde, want dat het wel zeker het hart moest zijn, en verklarende dat het mij erg zou benieuwen of het mij zou helpen. „Jaquot;, antwoordde mevr. S., „die menschen weten het wel,, en deze somnambule is toch juist eene beste.quot;

Zelf bracht ik vervolgens het recept naar den apotheker, die, vijf zakjes gereed makende, welke ik op brandewijn moest zetten en 24 uren laten trekken, verklaarde, dat het een krachtig kruidje was. „ Dat kan wel zoo zijnquot;, antwoordde ik, maar durfde niet vertellen dat het recept van eene somnambule was. Den volgenden dag nam ik van dezen drank een likeurglaasje en vervolgens driemaal daags, volgens het voorschrift. En ziet, na dit eenige dagen te hebben gebruikt, werd ik werkelijk iets beter.

De volgende week ging ik er dus met meer vertrouwen heen, maar haalde toch eerst mevr. S. af, want alleen durfde ik niet. De somnambule, die bezig was in de gang te werken , deed zelf ons open en liet ons in een zijkamertje, waar de gordijen waren neergelaten. Zij riep daarna den magnetiseur; zoodat mevr. S. en ik een poosje alleen waren. Dit beangstte mij zoozeer, dat ik verklaarde blij te zullen zijn als wij weer weg waren, ook omdat het er zoo donker was. „Nu jaquot;, antwoordde mevr. S., „maar zij heeft je toch maar een boel beter gemaakt; ge ziet er veel beter uit.quot; En onderwijl dat

ocr page 63

47

ik dacht; als het maar stand houdt, zeide ik: ,.Ja, dat is ook zoo. Maar ik begrijp er niets van en dat maakt mij zoo beangst.quot;

Nadat de heer en de dame waren binnengekomen, vroegen ook zij mij hoe ik mij bevond, waarop ik naar waarheid kon antwoorden: een heele boel beter. Toen werd de somnambule weer in slaap gemaakt en ik moest weer dezelfde kunsten vertoonen met de armen en beenen. „Jazeide zij toen in haar slaap, ,, het is veel beter, en daarom moet u maar met hetzelfde recept doorgaan en geregeld innemen.quot; Op mijne vraag of deze kruiden op den duur geen kwaad konden, omdat ik zulke opstijgingen naar het hoofd had, en dan geen raad wist, antwoordde zij: „Neen, het zal u volstrekt geen kwaad doen, neem het maar op tijd in; en als u dan weer opstijgingen krijgt, neem dan 's morgens en 's avonds een lepeltje eau des carmes met suiker, dat zal wel helpen.quot; Nadat de somnambule door den magnetiseur met eenige bewegingen zijner hand weer wakker was gemaakt, betaalden we en gingen heen, met de boodschap over tien dagen terug te komen en vooral goed in te nemen. Nu, dat behoefde men mij niet te zeggen, want ik kon er niet meer zonder.

Zoo bevond ik mij gedurende eenige weken nog al tamelijk wel. Daar mijne kinderen niet alleen bij het zangkoor van de Vrije Gemeente waren aangesloten, maar ook bij andere zangvereenigingen, kon ik mij, bij de voortdurende beterschap, weer eens met hen naar eene uitvoering begeven, die gegeven werd in het Gebouw van den Werkenden Stand en waar Mej R. eene solo-partij zou zingen.

Dezen eersten nieuwen keer den besten werd het evenwel dadelijk weer mis; ik werd schrikkelijk naar. Het zingen klonk mij in de ooren alsof ik een gegil van menschen-stemmen door elkander hoorde; het was mij alsof men met ijzeren kettingen, steenen en planken door elkander gooide. Ik wilde opstaan, maar scheen op den stoel vastgenageld; ik wilde spreken, maar kon niet. Zóó kon ik weer goed het zingen hooren van het koor en mej. R., en zóó hoorde ik weer niets dan gegil en gekras. Daarbij kwam, dat ik eene leegte gevoelde in mijn binnenste, net alsof er iets gebroken was; ik legde mijn hand op mijne hart, vreezende dat heter uit zou vallen.

Mijne kinderen, die niets vermoedden, kwamen een oogen-blik later vragen of ik ook iets wenschte te gebruiken. „Ja

ocr page 64

48

zcide ik, „een glas heeten wijn, dat zal mij wel verwarmen en opknappen, want ik hoor weer gegil en gekras, en daar wil ik niet naar luisteren, maar alleen hooren naar wat er gezongen wordt.quot; Dat kon ik gemakkelijk willen, maar daarom was het nog niet zoo. Telkens kwam dat vreeselijk leven terug, en ik moest er naar luisteren of ik wilde of niet.

Toen de uitvoering was afgeloopen, gingen we naar huis. Het leven bedaarde aanvankelijk, maar vergeten was ik het daarom nog lang niet, ofschoon ik er niet van durfde vertellen, 's Nachts droomde ik vreeselijke dingen. Iemand hield mij met een stevigen arm omkneld en drukte mij al maar meer ter neer, zoodat ik een gevoel kreeg alsof ik zou stikken. Bij mijn ontwaken dacht ik terstond: o, gelukkig, het was maar een droom! Ik stond dadelijk op en kleedde mij aan, en nam terstond mijn drankje in (wat altijd na het ontbijt moest geschieden), omdat ik gevoelde dat ik allesbehalve goed in orde was. Wat daar binnen zit, begrijp ik niet, maar zóó kan het niet blijven. Ik hoop maar niet dat het erger wordt, want dan weet ik niet wat ik moet aanvangen , zoo redeneerde ik. Maar ik zal naar mevr. S. gaan en haar vragen of zij nog eens met mij medegaat naar de somnambule, om deze te zeggen dat hare kruiden niets meer geven, want ik voel dat ik weer even ellendig word als eene poos geleden.

HOOFDSTUK XIV.

Ik zoek redding bij een duivelbezweerder.

Mevrouw S. deelde mij evenwel mede dat de magnetiseur plotseling was overleden, en de juffrouw zich niet meer voor somnambule beschikbaar wilde stellen. Zij was namelijk bang geworden, denkende dat zij de oorzaak was geweest van den dood van den magnetiseur. Dit gaf mij zulk een schok, dat ik zeide: „O, als dat mij ook maar niet overkomt, want ik ben zoo angstig; het is net of er in mijn binnenste iets losgebroken is; ik weet geen raadquot;; waarop mevr. S. ant-

ocr page 65

49

woordde: „Mensch, maak je maar niet ongerust; ik weet wel iemand anders, en die is nog beter. Het is een oude dokter, die iemand bij zich heeft. Hij is zóó bekwaam, dat hij al verscheidene menschen heeft genezen. Mijn man en ik en Christien zijn er ook geweest, en wij gevoelen ons veel beter. „Achquot;, zeide ik, „maar als dat nu weer niets helpt, dan ben ik mijn geld voor niets kwijt, en ik weet niet wie mij helpen kan ; de dokters geven mij ook niets.quot;

Door den nood gedreven liet ik mij overhalen om mede naar dien anderen duivelskunstenaar te gaan, hoewel ik toen niet wist, dat het zulk een personage was. Wij gingen dan naar den hoek van de Reguliersbreedstraat, waar de naam van dr. Lampe aan de deur stond. Boven gelaten kwam de man bij ons en vroeg naar ons verlangen. Mevr. S. deed het woord, want ik beefde zoo hevig, dat ik niet kon spreken. Zij vertelde hem dat ik zoo benauwd was en zulk eene verschrikkelijke pijn op de maag had, zooals zij het noemde. Ik dacht: wat het is weet ik niet, maar het is wat anders. „Oquot;, zeide de man, „dat zullen wij wel verdrijven en beter maken.quot; Nu werd eerst de oude dokter gehaald en toen deze kwam, ging de man mij over de maag wrijven. Het was net of de pijn in eens verdween; en toen ik hem vroeg; „Mijnheer! zou het nu geheel weggaan?quot; antwoordde hij : „Zeker, maar u moet over drie dagen terugkomen, dan kunnen we zien of de zalf, die wij u zullen geven, hare uitwerking heeft gedaan.quot; Ik kreeg toen een potje zalf, waarmede ik mij 's morgens en 's avonds op de maag moest smeren. Voor de visite betaalde ik een gulden en voor het potje zalf een gulden vijftig cents, en ging toen heen.

Onderweg sprak ik er met mevr. S. over, dat ik mij nu veel beter gevoelde, en dat ik zoo gelukkig zou zijn, indien dat zoo eens bleef, waarop mevr. S. antwoordde: „Ge zult eens zien hoe goed ge nu zijt aangeland; want zij staan overal bekend en zij hebben het zoo druk, het staat er niet stil.quot; Dan zullen zij wel goed zijn, dacht ik, en ik spoedig beter. Zoodra ik thuiskwam vertelde ik mijne kinderen dat ik mij zoo prettig gevoelde, sedert die man met zijne hand over mijne maag had gewreven, 's Avonds vóór het naar bed gaan wreef ik mij dan ook ter deeg met de zalf op de maag en sliep daarop dien nacht uitstekend.

Toen ik ontwaakte had ik evenwel een gevoel alsof ik erg zwak was. Ik bleef daarom maar liggen, maar zorgde, dat ik eerst goed mijne maag inwreef. Zoodra de drie dagen om

4

ocr page 66

5°

waren, ging ik weer naar den ouden dokter en vertelde hem dat het veel beter met mij was, maar dat ik mij nu zoo zwak gevoelde en telkens van vermoeidheid moest gaan zitten. Eigenlijk sprak ik niet tot den dokter, want die was er niet^ maar tot den man die mij de maag gewreven had; deze scheen het ook wel alleen af te kunnen. Hij ried mij nu aan ook mijn rug te wrijven met dezelfde zalf. Ik ontving een nieuw potje, betaalde weer ƒ 2,50 en vertrok, nadat ik den man beloofd had over acht dagen terug te zullen komen. Toen ik onderweg was, kwam weer de twijfel boven, of het wel zoo zou blijven. Maar ik bleef trouw mijne maag en rug wrijven, eiken avond en morgen, en ging veel uit om mij te verstrooien, omdat de gedachte dat ik alles weer terug zou krijgen, maar steeds niet van mij wilde wijken. Daarom zocht ik het nu eens hier, dan weer daar, ofschoon ik toch nergens rust kon vinden. En overal waar ik kwam zeide ik, dat ik wezenlijk niet wist wat mij mankeerde, maar toch vroeger nooit zoo was geweest. „Het isquot;, zoo zeide ik, ,, precies of er stemmen in mij spreken, die ik niet beprijp. De pijn in mijne maag (ik noemde het toen ook maar de maag) is niet zoo erg meer; maar er is iets, ik weet niet wat, ik ken het niet, dat ik niet van mij af kan zetten en dat ik ook niet kan vertellen hoe of het eigenlijk is, maar waarvan tusschenbeide het zweet mij uitbreekt. Ach, wist ik maar iemand die mij kon helpen, want ik geloof niet dat het op den duur goed gaat; ik heb er een voorgevoel van. '

Inmiddels ging ik maar al door naar den ouden dokter met zijn duivelskunstenaar en smeerde mijne maag getrouw met de zalf. Ik zocht afleiding in de wereld met mooie kleeren, wandelen, alles gebruiken op zijn tijd, met schaak- enkaart-spelen , met het noodige er bij, met visites maken en ontvangen , met opera's te spelen op de piano of een biefstukwals of een ander lied dat men kon zingen, en dan hoe grappiger hoe mooier. „Leven is lieven, en lieven is lovenquot; kwam er ook altijd bij. Nu, wij geloofden dat wij ons leven liefhadden en wij toonden het met onze daden.

Na zoo een poosje geleefd, ons vleesch geliefd en geloofd te hebben aan al die duivelsche kunstenarij van uitgaan en verzetten en pret maken, comedies en bals om afleiding te zoeken, en intusschen den ouden dokter naloopende en mij insmerende, gevoelde ik mij op zekeren dag op eens weer erg ellendig. De stemmen in mijn binnenste begonnen weer zóó hevig en verward, dat het mij niet mogelijk was ééne

ocr page 67

51

gedachte zelf te regelen zooals ik wilde. Ik werd toen geheel aan den duivel overgegeven, ofschoon ik het toen nog niet eens wist.

De pijniging in mij werd erger, en de stemmen klonken zóó geweldig, dat ik bang was voor mij zelve, vanwege de woorden die ik moest hooren en waarvoor ik sidderde. Er werd tegen mij gezegd: „Ge zijt een bloedschuldige; ge zijt een leugenaar; ge zijt een Godverzaker; ge hebt het bloed van Christus onrein geacht. God laat zich niet bespotten. Ge hebt den vloek over je gehaald, wereldling; ge zult de straften niet ontgaan vanwege de oordeelen Gods. Wee, wee, wee al dengenen die goddelooslijk handelen, zonder God of Zijn gebod; hunne goddeloosheid zal een einde hebbenmaar dan de straften ! Het is vreeselijk te vallen in de handen des levenden Gods.quot; Neen, ik wist niet wat mij overkwam; ik liep maar heen en weer en wist niet meer wat ik deed. Het zweet brak mij aan alle kanten uit van doodsangst.

Dan klonk het weer met eene vreeselijke stem, alsof het honderd stemmen te gelijk waren, en op eene gruwelijke manier riepen: „Te laat, te laat, te laat! O, o! waar moet ik naar toe; ja, waar moet ik naar toe? O, kon ik mijn leven maar terugkoopen voor al wat ik bezit. Wat zou ik dan anders leven. Och, mocht ik maar op mijne bloote voeten naar Amerika loopen om dan een ander leven te leiden. Wat moet ik beginnen; wat moet ik beginnen? Te laat, te laat, te laat! quot;

Zoo ging het maar in mij om, zonder ée'ne minuut rust te hebben. En of ik er mij al tegen inzette, het hielp niet. De kinderen zeiden dan: „Smeert u nog eens goed; neemt wat eau de carmes, of wat spiritus nitri dulci, zooals wij een ander goedje noemden; willen we die kruiden weer halen, die u van de somnambule heeft gekregen?quot; Maar wat zij mij ook raadden, en hoe ik er mij tegen verzette, het baatte niets; de verschikkelijke toestand werd hoe langer hoe erger, zoodat er besloten werd om een dokter te halen.

Wie moest dat echter zijn? Ik zelf wees toen nog dokter de R., aan; „die is bij Pa ook geweestquot;, zeideik. Dr. deR., kwam onmiddellijk, en toen hij mij zag heen en weer loopen, vroeg hij mij wat mij mankeerde. „ Bloed en zenuwen, enquot;, riep ik, „ik heb zulk eene pijn, o, zulk eene pijn.quot; Maar van de stemmen in mij sprak ik niet, dat durfde ik niet.

De dokter gaf mij een drankje en poeiers; van het drankje moest ik om het uur innemen en de poeiers alleen 's avonds als ik naar bed ging, daar de kinderen hem hadden gezegd

ocr page 68

52

dat ik 's nachts niet kon slapen. Nadat de dokter was heengegaan en het recept gereed gemaakt was , nam ik precies om het uur in en 's avonds een poeier, met het gevolg dat ik dien nacht tamelijk sliep.

Bij mijn ontwaken waren de pijnigingen weer verschrikkelijk

en de stemmen vreeselijk, zoodat ik mij maar spoedig aankleedde en de kamer weer op en neer liep. Toen de dokter kwam, vroeg hij mij, hoe het met mij was, waarop ik antwoordde, „zwakquot;. De kinderen vertelden hem, dat ik's nachts wat beter had geslapen, maar nu geen woord sprak. Als zij mij wat vroegen, gaf ik geen antwoord. De dokter beval vooreerst maar met het drankje en de poeiers voort te gaan, hij zou over eenige dagen terugkomen, en inmiddels moest ik vele versterkende middelen hebben, want de duivel, de zenuwen, bedoel ik , zooals hij zeide, moesten versterkt worden. Nu, de kinderen zorgden daar goed voor, evenals voor het op tijd innemen ; maar het gaf niets; ik werd erg zwak en viel zeer af, alles gevolg van die stemmen ; ,, Ge gaat naar de hel, het geeft je allemaal niets. Te laat, te laat, te laat! Daarnaar moest ik luisteren, of ik wilde of niet. En toch durfde ik niet vertellen wat er in mij omging. Ik had geene macht over mij zelve. Denken kon ik niet meer; ik moest maar hooren naar de vreeselijke stemmen in mij. Probeerde ik het een of ander te doen, dan moest ik het terstond weer neer-leggen, daar er eene .-item in mij kwam , zeggende: ,, Ga j ij maar wandelen voor je pleizier.quot; Van angst brak mij het zweet uit en ik wandelde maar weer de kamer op en neer en deed niets.

Het was of geheel de hel te gelijk in mij was, met een verterend vuur dat niet uitgebluscht wordt en de duivel met heel zijn heir in mijn binnenste had plaats genomen. Alle zonden en ongerechtigheden werden naakt en bloot voor mij gelegd en mij voorgelezen met de vreeselijkste stemmen, gepaard met scheldwoorden, vervloekingen en verwijtingen; „ Lekkertjes hebt ge in de wereld geleefd en naar geen naasten omgezien. Dat noemt ge zeker leven, hè, leugenaar. Godvergeten schepsel dat ge zijt! Dat noemt ge zeker lieven zonder God of Zijn gebod, om je lusten bot te vieren. Vervloekt is een iegelijk die de wet niet houdt, die maar doet wat hij wil, om God te tergen. Noemt ge dat geloof?quot; Zoo volgde het eene oordeel het andere op. Wat ik in mijn geheele leven gedaan had, werd met luider stemme mij verweten en ik kreeg zulke rare gezegden in mij, die ik nog nimmer had gehoord.

ocr page 69

S3

Uit vrees dat anderen die stemmen ook zouden hooren, bleef ik maar al door in de kamer rondloopen, en om mij te kalmeeren was ik ook al begonnen over dag poeiers in te nemen. Mijne zwakte nam, niettegenstaande al mijne versterkende middelen, maar steeds toe, zoodat ik waggelende de kamer op en neer ging, en mijne zinnen maar niet kon verzetten, hoeveel moeite ik er ock voor deed.

HOOFDSTUK XV. In angsten der helle.

De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis (Psalm 116 : 3).

Zoo lag ik dan nu met de grootste verschrikkingen en pijnigingen in de vervloeking. God had gezegd; „Tot hiertoe en niet verder!quot;, zoodat ik nu geheel aan den duivel was overgegeven, dien ik tot nu toe steeds gehoor had gegeven, om naar zijne inblazingen te luisteren. Nu had God mij aan hem overgegeven om met mij te doen zooals hij maar wilde, en met de grootste pijniging van satan zelf, daar hij nacht en dag gepijnigd wordt. Wee, wee dengenen, die aan zijne verleidende stem gehoor geven, en die maar in zijne duisternis voortleven, zonder daaruit verlost te willen worden. Helaas, ik kende vijftig jaren lang geen God en geen duivel, nog minder een verlossenden Christus, die in mij moest leven om mij tegen den draak, die oude slang te beschermen.

Door die pijnigingen werd ik zoo mager, dat de dokter het noodig vond mij een menu voor te schrijven dat ik iederen dag moest gebruiken. Dat menu bestond uit; kan melk per dag; 's morgens het ontbijt: 2 boterhammetjes met rookvleesch en een ei, daarbij thee; om elf uur: een kop waterchocolade; om 12 uur: brood met vleesch en eieren, want ik moest 3 eieren per dag hebben; om 2 uur: een kop bouillon; om ^ 11 uur: een glas port; om 5 uur: een krachtig soepje met goed vleesch en groente en een glas stout; dan

ocr page 70

54

thee; te 7 uur; melk met cognac; om 9 uur: boterhammetjes met rookvleesch, en te io'/j tot slot: een bord sago met

twee lepels Malagawijn. ,, j

Zoo ging het eiken dag, zoodat mijn buik zoo dik werd dat ik tusschenbeide van den stoel niet kon opstaan. En toch werd ik voor het overige eer magerder en zwakker, terwijl ik toch trouw alles gebruikte, zoowel de drankjes als ook de poeiers. Van deze laatste gebruikten ik al vier op een dag, al maar om mij te verdooven; en toch gaf het niets, al had ik mij ook in- en uitwendig in de poeiers begraven. Want de macht des satans heerschte over mij, en werkte met al zijne helsche geesten in mijn lichaam met de gruwelijkste gewaarwordingen, zoodat het mij soms was of ik reeds in de hel was. Toch kreeg ik telkens in mij: „Nu zijt gein de voorhei, maar spoedig gaat ge voor goed naar de hel. De angsten die ik dan uitstond, kan ik hier niet beschrijven, maar waren ontzettend. En ik had over mijne eigen gedachten geene macht meer, om bij voorbeeld aan iets anders te denken. Neen, ik werd door verschillende booze geesten bevochten, zoodat ik niet bij machte was daartegen op te komen. Naar lichaam en geest deden zij met mij wat zij maar wilden. Ik moest .mij geheel aan den duivel en zijne verschrikkelijke machten onderwerpen en alles doen op commando, zonder eenige macht over mij zelve te hebben , terwijl ik maar immer door gepijnigd werd, zonder één oogenblik rust. 's Avonds nam ik drie poeiers te gelijk in, en zeide dan: „het geeft toch nietsquot;, en het gaf ook niets. Want dan in die eenige oogenblikken soezens, die daarop volgden, droomde ik, en zag mijne kinderen in de vlammen liggen, zonder dat ik er iets aan kon doen. Daarbij zag ik dan verschrikkelijke gedrochten van gezichten, het een nog gruwelijker dan het ander. O, hoe vreeselijk leed ik toen! Hadden de poeiers uitgewerkt, dan ging ik het bed uit, liep heen en weer, rolde dan weer eens in bed en had de verschrikkelijkste gezichten en droomen.

Eens op een nacht zag ik het vuur en brood regenen, terwijl ik in dien regen lag. Ter zijde zag ik eene groote blinkende ster, en ik wist maar niet hoe ik mij naar die ster zou keeren, opdat ik niet door het vuur zou verteerd worden. Ik wilde uit het bed vliegen, maar was machteloos door de vele poeiers die ik dien avond had ingenomen. Mijn lichaam was als dood, maar mijn geest moest het alles aanschouwen, zoodat de poeiers niet meer hielpen. Mijn hart kromp van

ocr page 71

55

angst ineen, vanwege het afgrijselijk gezicht. Er zat een zeer oud leelijk man bij het vuur, die dat maar immer opstookte.

Toen de dag aanbrak, kreeg ik weer gevoel in mijne ledematen en ging van benauwdheid spoedig opstaan. De vrees dat ik in deze benauwdheid om zou komen, gaf mij leeuwenmoed om mij spoedig aan te kleeden. Ik wilde gaan zitten naaien, maar dat gelukte mij niet. Toen trachtte ik in een godsdienstig boek te lezen, doch dat ging nog minder. Daar kwamen weer op eens allerlei verwijtingen: „Dat hebt ge nooit gedaan, en nu het te laat is, behoeft het ook niet meer. Ge gaat nu toch naar de hel.quot; Bij dat gezegde legde ik het boek van ten Kate, dat mij in mijne ziekte door een kennis was gezonden, gauw neer, en riep; „Te laat, te laat!quot;, dat in mijn binnenste met eene schrikkelijke stem weerklonk, waarvoor ik niet alleen sidderde, maar van angst ■op den grond kroop en mij niet wist te bergen; en daarbij werd mij het vreeselijke van den afgcloopen nacht telkens weer voor oogen gehouden.

Was deze ellende voorbij, dan kreeg ik weer dezelfde knagende pijn aan mijn hart, dat zóó brandde, dat ik onmogelijk stil kon zitten en dat terwijl de vreeselijkste gedachten door mijn hoofd vlogen. Alles werd mij van kindsbeen af verweten en ook wat mij stond te wachten, zoodat het benauwde zweet mij uitbrak. O, hoe gaarne zou ik toen anders hebben gewild, maar ik kon niet meer. Ik was aan alle kanten gebonden in de macht des satans, dien ik niet kende, daar ik altijd had gelachen als een ander sprak over een duivel, en dan zeide; „een mensch is zijn eigen duivel en zijn eigen Godquot;. Maar ik moest het nu ondervinden wie die God en de duivel waren. En dat zal ieder eenmaal ondervinden, zoo goed als ik, die niet doet wat God zegt, en niet met Christus tegen den duivel strijdt, om Zijne gerechtigheid te doen zegevieren.

Nadat op deze wijze eenige maanden waren voorbijgegaan en het erger in plaats van beter was geworden met al mijn innemen en verdoovingsmiddelen en het menu van eten en drinken, wilde ik niets meer gebruiken, en zeide: „ Dat geeft mij niets. O, was ik nog maar jong, wat zou ik anders leven! Te laat, te laat, te laat!quot; Zoo liep ik maar de kamer rond met mijne beangstigde kinderen om mij heen, die niet Avisten wat zij met mij moesten doen, daar ik steeds wilder werd en met groote stappen de kamer op en neer liep.

Kwam de dokter, dan gaf ik geen antwoord als hij mij

ocr page 72

56

iets vroeg. De kinderen vertelden hem dan, dat ik niets meer wilde gebruiken, en ook niet meer wilde innemen, waarop de dokter zeide, dat het vooral moest, want dat het anders mis ging. Maar hoe de kinderen ook hun best deden, om met mooie woordjes het er bij mij in te krijgen, het gelukte hun niet. Ik sprak maar: „Het helpt niets. O, wist ik maar wie mij helpen kon; al moest ik de geheele wereld er voor rondloopen, en alles wat ik bezit er voor geven, ik zou het gaarne willen doen. O, wist ik maar raad!

Dag aan dag ging het zoo door, totdat ik ook niet meer wilde opstaan, en den geheelen dag in bed bleef liggen, zonder iets te gebruiken, 's Avonds stond het geheele menu voor mijn bed, en ofschoon ik er dan wel schuin naar keek, kwam ik er toch niet aan, omdat eene stem in mij zeide: „Dat baat je toch niets; dat hebt ge al lang genoeg ondervonden.quot; Daar was ik dan erg kalm bij, zoodat ik^ er voor nog zooveel niet aan zou hebben willen komen, s Nachts had ik het dan zooveel te ellendiger; ik wilde de drankjes, pillen en poeiers ook in het geheel niet meer innemen. Die maakten mij nog veel ellendiger. „Dat is vergif , riep ik, „ik wil niet innemen; jelui krijgt het mij niet in. Ik sliep dan in het begin van den nacht wel rustig, maar als ik wakker werd moest ik het bed uit vanwege al de gezegden die ik in mijn binnenste hoorde, waardoor ik zoo hevig ontstelde en benauwd werd, en het overige van den nacht maar heen en weer liep, zonder aan iets anders te denken dan aan de stemmen in mij, die soms zóó verwoed waien, dat ik mij zelve niet meer meester was. Het was alsof ik dan naar de kast werd gedreven, waar ik alles ging opeten wat er in stond. Dan zeide weer eene stem in mij :„ Denkt ge dat ge nu nog je leven kunt beteren, nu het te laat is ? Ket en drink nu ook maar toe; de armen lijden gebrek en gij hebt maar voor je eigen geleefd. Kom, daar staat nog wat wijn, daar staat nog melk, en daar staat vleesch en lekkere pudding. Kom, eet nu ook maar toe, anders wordt ge zwak; anders wordt ge mager; 't is jammer dat ge nu al op je beenen waggelt en ge zijt nog geen vijftig jaar. Kom, daar staat cognac, neem een glaasje voor de gezondheid, en dan een dansje toe.quot;

En terwijl ik geene macht over mij zelve had om mij tegen te houden, moest ik alles gebruiken wat voor de hand lag, en zóó gulzig, dat ik er haast in stikte. Onderwijl sprong ik half dansend de kamer rond en hoorde de stemmen in

ocr page 73

57

mij zeggen : „ Hoort ge die opera wel ? Is die niet mooi ? Hoort ge de biefstukwals ? Is die niet prachtig ? Hoor, nu zingen ze: Leven is lieven! Hupsa, hupsa, valderaldera, en iieven is loven. Vooruit maar, vooruit maar. Wat heb ik een prettig leven; vooruit maar, vooruit maar, als ik het maar hebquot;

Zoo ging het maar voort, terwijl ik in plaats van muziek en zang de verschrikkelijkste en gruwelijkste geluiden hoorde schreeuwen en gillen door elkander, alsof soms alles in elkander viel, zoodat ik van angst weer in bed vloog en de dekens over mij haalde, opdat ik het niet zou hooren. Maar jawel, daar moest ik het even goed hooren, net als het kloppen van mijn sidderend hart dat zóó hevig was, dat mijne hand die ik er op gelegd had om het te bedaren , er van op en neer ging. Doch het hielp niets; ik moest hooren en voelen te gelijk.

Den eenen nacht na den anderen ging het zoo door. Mijne kinderen zeiden maar niets en lieten mij maar begaan. Zij waren dan zeker blijde, dat ik toch iets gebruikte voor mijne versterking, al was het dan ook in den nacht. Want over dag gebruikte ik niets. De dokter kwam meestal om de twee dagen, maar medicijnen wilde ik niet innemen, „Diekunnen mij niet helpenquot;, zeide ik; en als mijne kinderen mij dan de medicijnen wilden opdringen, riep ik: „O kinderen, jelui moest eens weten hoe ongelukkig je moeder is, en hoe bitter ik lijd!quot; Meer kon ik dan niet spreken; het was precies of mijne mond op eens gesloten werd, daar ik dan alles wel had willen zeggen wat ik leed, maar dan kon ik niet. Het eenige wat ik dan nog zeide was: ,, O, kondt jelui mij maar helpen, maar het is te laat, te laat!quot;

Drie maanden had die ellende zoo geduurd, en in plaats van beter werd het erger. Zoo vloog ik op een avond het bed uit en op mijne oudste dochter aan, die ik ging schoppen en trappen. De kinderen riepen in hun angst de buren te hulp en dezen hielden mij tegen en brachten mij weer naar bed, waar ik doodvermoeid op mijne knieën bleef liggen, roepende: ,, Ik kan het niet helpen! O, wist ik maar wie mij wilde helpen! Waar moet het heen? Kon ik mij maar redden ! O, ik wilde alles wel missen. Zoo kan ik niet langer leven. Was ik maar dood, o was ik maar dood!quot; Zoo ging de nacht weer om, uit en in het bed gaande, mij zelve niet meester zijnde in doen of laten, in spreken of denken, en niets dan onzin sprekende.

Inmiddels gevoelde ik de schrikkelijkste pijnen in mijn

ocr page 74

58

binnenste en de gruwelijkste gewaarwordingen en moest maar hooren wat mij te wachten stond, zoodat mijn hart steeds harder klopte van angst. Ik ging voor het bed van mijne kinderen staan als een brieschende leeuw, terwijl de stemmen in mij zeiden, zoo vreeselijk en afschuwelijk mogelijk : „ Kom, roep je kinderen, het is tijd om naar de comedie te gaan; toe, roep ze nu, anders komt ge te laat, en krijgt ge niet eene mooie plaats. Hoor, daar begint de muziek al:

„ Al is ons prinsje nog zoo klein ,

Wij willen altijd vrooiijk zijn.

Hoezee, hoezee, hoezee!

Wie gaat er met ons mee?quot;

En daar stond ik, dat hoorende, bij te rillen, omdat ik zelf geen mond opendeed. Maar de stemmen in mij klonken zóó hard, dat ik er van schuwde, en uitriep :,, Bah, bah, bah ! quot; waardoor mijne kinderen wakker werden en ik weer in bed gedreven werd met den grootsten angst. De stemmen evenwel klonken voort: ,, Ge komt te laat in de opera. Kom kinderen, maak dat jelui bij den dans komt. Speel nog eens een walsje; kom, nog eene polka mazurka. Daar begint de quadrille. Kom T., zing een lied op de piano uit Don Juan, of de Martha. Neen, neen, een biefstukwalsje is vroolijker. Speel maar op wat ge wilt; het komt er niet op aan. Ge gaat toch naar de hel. O, neen, dood is dood; daarom verdrink je maar, dan is het uit.quot; En dat alles werd letterlijk in mij geschreeuwd in plaats van gezegd, onder de felste pijnigingen, die ik naar eisch niet kan beschrijven, omdat ik ze niet kan doen gevoelen, en wat toch eenmaal een ieder zal ondervinden, hetzij bij zijn leven, hetzij eenmaal in zijn oordeelsdag hiernamaals. God komt bij ieder mensch op Zijn tijd, niemand uitgezonderd.

In dezen tijd gebeurde het eens op een middag dat ik de kamer over wandelde en nog al kalm was, dat ik plotseling op mijne knieën viel, uitroepende: „O groote God! genade! genade! Help Gij mij! Help Gij mij!quot; Maar terstond kwamen de schrikkelijke stemmen weer, en zeiden: „Wildet gij nog bidden? Ge hebt nooit gebeden. Terug, terug! Te laat, te laat!quot; Ik wist niet hoe gauw ik weer zou opstaan en liep toen als eene bezetene met groote stappen de kamer op en neer. Ik hoorde het eene oordeel na het andere over het grootste tot het kleinste kwaad dat ik in mijn leven had bedreven; goeds had ik in het geheel niet gedaan. En ik kon

ocr page 75

59

er niets tegen in brengen, want het was alles waar, wat mij werd voorgehouden. En de verzuchting klom in mijn hart op : „ Ach, kon ik nog maar terug; kon ik nog maar opnieuw beginnen te leven. Hoe zou ik anders handelen. Wat zou ik dan een ander mensch worden. O, kon ik maar; maar helaas, het is te laat.quot; Dat roepende en mijne handen van doodsangst wringende, brak het doodszweet mij uit. Ik kan dit alles hier niet genoeg beschrijven, want het was veel erger dan iemand het zich kan voorsteilen; wat ik heb ondervonden is niet uit te spreken, ofschoon het de zuivere waarheid is.

En toch moest het nog erger worden. Denzelfden nacht was ik zoo ellendig en beangst, dat het was of ik eene ingeving kreeg, dat ik de deur uit moest gaan; vroor ik dood, welnu dan vroor ik dood, want dat was toch beter dan zoo te leven. Ik ga met de grootst mogelijke haast het bed uit en wankelde naar de deur. Het was of mijne beenen mij niet meer konden dragen van zwakte, ter oorzake van het niet meer gebruiken van voedsel (ook at ik 's nachts niet meer den boel op). Daar vind ik echter de deur gesloten en den sleutel uit het slot genomen, zoodat ik er niet uit kon komen. Na een paar keeren de kamer op en neer te hebben geloopen, viel ik weer in bed met de vreeselijkste gewaarwordingen. De stemmen zeiden: „Wat moet ge nu beginnen? Ge hadt al veel eerder moeten gaan, dan hadt ge nog naar Amerika kunnen komen. Want over dag houden ze je tegen en kunt ge niet meer weg.quot; Dit beangstigde mij zoozeer, dat ik geen raad meer wist; wat moest ik doen? Verbeeldt u, nu ook al opgesloten.

Het maakte mij zoo ongelukkig, dat ik van woede mijne kleeren van elkander scheurde, door de macht van satan, die ik toen op dat oogenblik in mij kreeg en waartegen ik niets kon doen, omdat ik mij zelve niet kon tegenhouden. Maar ik wist toen niet dat het de satan was, die mij dat alles liet doen, en die heerschappij over mij had. O, ik ongelukkige zondares, die door de ketenen des duivels gebonden was, zonder te weten tot wien ik mij moest wenden om van den booze verlost te worden! En dan, ik stond ook in deze alleen. Niemand, geen mensch was er die naar mij omzag; niemand die deernis had met mijne arme ziel, om mij te wijzen op God, en op het verlossend bloed van Golgotha, van het Lam dat geslacht was voor onze zonden, op Jezus Christus den Heere. Niemand was er, niemand; ook niet ée'n.

ocr page 76

6o

HOOFDSTUK XVI.

Naar Veldwijk opgezonden.

Zoo van God en menschen verlaten, op zekeren dag te bed liggende, kreeg ik bezoek van een mij onbekenden dokter met een langen baard, die mij, na zich gezet te hebben, het een en ander vroeg, waarop ik niet anders antwoordde dan: „Ja, mijne zonde; is u ook zondig?quot; hem verder geen ander bescheid gevende dan ja en neen. Medicijnen gaf deze dokter niet, maar ging een oogenblik latei-met mijne kinderen in de voorkamer spreken en vertrok kort daarop.

Eenige dagen daarna zag ik op een avond een vreemd mensch, eene juffrouw, voor mijn bed zitten, met een wit kruis op de borst. Dat kruis trok mijne aandacht, ik keek er telkens naar; vervolgens vroeg ik haar of zij veel at en dronk, en of zij ook naar de kerk ging, of naar concerten en comedie, en of zij ook eene opera op de piano kon spelen. Haar antwoord luidde, dat zij op tijd at en dronk en ook naar de kerk ging, maar aan al het andere deed zij niet. „Zie je welquot;, riep ik, en daarbij wrong ik mijne handen vanwege de siddering die ik in mij kreeg, „voor mij is het te laat, te laat, te laatquot;, en rolde in het bed van vrees heen en weer. Wat zij ook deed om mij te vertroosten, ik wilde er niets van weten, en riep maar steeds; „Neen, voor mij te laat!quot; Toen de nacht aanbrak, zou de juffrouw bij mij waken, omdat mijne kinderen en de meid reeds verscheidene weken hadden gewaakt, daar ik alleen niet vertrouwd was. Dien nacht zat zij in de voorkamer te haken en kwam tusschenbeide eens naar mij kijken. Op eens ga ik het bed uit, sta tusschen de portes-brise'es, hef de vuisten tegen haar op en maak allerhande geluiden, zóó verschrikkelijk, dat zij opstond en achteruitliep, onderwijl ik maar voortbrieschte, tot ik van vermoeidheid weer in bed ging en de juffrouw weer ging zitten haken.

Den volgenden morgen kwam zij aan mijn bed met een kopje thee, twee sneedjes brood met rookvleesch en een ei, dat ik moest opeten. Daarna zou zij mij aankleeden, en dan

ocr page 77

6i

mocht ik met haar uitgaan. Ik wilde er evenwel niets van gebruiken, en zeide; „Wie u het in krijgt, mij niet, en ik ga ook niet uit, want ik kan niet loopen; ik ben o zoo zwak.quot; Maar hoe ik ook tegenstreefde het hielp niets. Met groote moeite werd het mij ingegeven. Toen werd ik met alle kracht door de juffrouw geholpen, van het hoofd tot de teenen, aangezien ik in geruimen tijd mij niet wilde laten wasschen en verschoonen.

In het eerst liet ik haar begaan, maar toen ik zag dat zij het meende om uit te gaan, begon ik tegen te werken, en riep: „Kom mij nu nog eens aan, als ge durft.quot; Maar het baatte mij niets. De meid kwam ook helpen en eindelijk stond ik gekleed met hoed en mantel om uit te gaan. En dat ik, die in geen vier maanden uit was geweest.

Toen ik geheel klaar was, werd ik in een grooten stoel gezet, en dacht: Wat moet dat worden; ik kan immers niet loopen. O , wie weet waar zij mij naar toe brengen ; misschien wel naar de hel. Ik zeide evenwel geen woord, maar beefde van angst. Mijne oudste dochter liet mij nog eens drinken uit een glas melk met cognac, waarvan ik een paar groote slokken nam. Mijne twee andere kinderen waren het huis uit, omdat zij het lijden van hunne moeder niet konden aanzien.

Nadat ik eenige oogenblikken in den stoel had gezeten, kwam er een rijtuig voor, waarin ik door de juffrouw en de meid gebracht werd, die beiden bij mij plaats namen , benevens een man, dien ik als onzen kruier herkende, maar nu op zijn Zondagsch gekleed, terwijl hij een koffertje bij zich had, dat van mij was. Toen ik in het rijtuig zat, had ik er wel uit willen springen, want ik kreeg al maar in mij: „daar gaat ge, daar gaat gequot;. Maar ik werd goed bewaakt. Ik keek door het raampje, maar alles duizelde mij voor de oogen, en daarom zag ik maar weer voor mij, met de vreeselijkste gedachten in mij, waar of ik toch wel naar toe zou gaan.

Eensklaps hield het rijtuig stil, en zag ik dat wij aan het Centraalstation waren. De juffrouw met het witte kruis verliet alleen het rijtuig, en kwam na eenige oogenblikken terug. De koetsier reed toen verder, totdat het rijtuig vóór den waggon van den trein stilhield zóó, dat het eene portier voor het andere kwam te staan. Hierop werd ik door de juffrouw en de meid uit het rijtuig in den waggon gedragen en zag ik onderwijl dat er eene kaart voor de glazen hing, waarop stond: „gereserveerde plaatsenquot;.

Nauwelijks zaten wij goed en wel, of ik wilde er uit, maar

ocr page 78

62

de kruier hield mij tegen ; ik werd verder stevig vastgehouden. Toen de stoomfluit ging, kreeg ik eene gewaarwoording, die mij door merg en been drong; nu ging ik naar de hel, want zóó ging het in mijn binnenste ook te keer. Wat moest ik beginnen ? Ik riep maar iederen keer: „ Ik wil naar huis; ik wil naar huis. Juffrouw neemt u mij weer mee naar huis? Ja, juffrouw, doet u het asjeblieft?quot; En de juffrouw zeide: „Ja, als u zich rustig houdt, dan gaat u weer naar huis.quot; Zooveel ik kon hield ik mij rustig, ofschoon ik niet stil kon zitten. Ik keek door de glazen naar buiten, maar alles was dood voor mij, aangezien ik aan niets anders dacht dan aan mij zelve, vanwege den verschrikkelijken toestand waarin ik gedompeld was, zonder dat ik uitkomst zag. Want het werd inderdaad steeds ellendiger voor mij, daar ik aan niets meer denken kon dan aan mij zelve en de gruwelijke pijnen en angsten die ik doorstond, en dat], zooals ik wel inzag, alles nog veel erger zou worden.

Na eenigen tijd gereden te hebben, kwamen wij aan een station, waar we moesten overstappen. Ik werd half gedragen door de juffrouw en de meid en half loopende tusschen hen beiden in, naar den anderen trein gebracht. Daar ik het zonlicht en de lucht niet meer kon verdragen, deed ik den zakdoek voor mijn gezicht. Zoodra wij weer in den trein waren, vroeg ik, of wij nu weer naar huis gingen, waarop de juffrouw antwoordde: „Ja, als u heel stil is, anders niet. Toen bleef ik stil zitten en luisterde naar hetgeen de juffrouw aan de meid en den man vertelde, hoe ze dikwijls met patiënten had gereisd naar Duitschland en Parijs en hoe gemakkelijk het tegenwoordig was ingericht in de waggons van het buitenland, daar de zieken er 's nachts ook in konden slapen.

Terwijl ik dat afluisterde werd er in mijn binnenste weer gezegd: „Nu brengt de juffrouw jou ook naar Parijs; wat zal je dan een pleizier hebben. Of gaat ge liever naar eene andere plaats? Want verandering van spijs doet eten.quot; Toen wilde ik op eens niet meer luisteren en begon erg onrustig te worden, zoodat zij mij weer vast moesten houden.

Na nog eenigen tijd hield de trein stil, werd ik uit den waggon getild en op den grond gezet, terwijl de juffrouwen de meid mij ondersteunden, en bevond ik mij op Veldwijk. Wat daar met mij geschiedde vermeld ik in het volgende Boek.

ocr page 79

TWEEDE BOEK.

Twee en een half jaar eene bezetene des duivels op Veldwijk.

HOOFDSTUK I.

Mijne ontvangst op Veldwijk en de eerste

indrukken.

Zoodra wij uit den trein gestapt waren, werden wij aangesproken door een ouden heer en eene juffrouw met een witten boezelaar met kruisbanden over hare schouders. Terstond zette onze kleine stoet zich in beweging en gingen wij allen naar het huis van den ouden heer; ik liep weer tusschen onze juffrouw, zal ik maar zeggen, en de meid, half loopende en half gedragen, terwijl aan den eenen kant van ons de oude heer liep en aan den anderen kant de juffrouw die ons mede was komen afhalen, en achter ons liep de kruier met het koffertje.

De juffrouw met het witte boezelaartje zeide al spoedig; „Mevrouw zal hier wel weer beter worden; er worden hier. zeer velen genezen.quot; Bij dat gezegde kreeg ik een gevoel van blijdschap, dat niet is uit te spreken, terwijl ik haar half wantrouwend schuin aankeek. Toen wij een hoek om gingen, zag ik eens even om, daar ik mij maar niet kon begrijpen waar wij waren, en zie daar mijne oudste dochter een eind

ocr page 80

64

ver achter ons loopen. Het huis var, dequot; °udquot;°e^ quot;quot;'TiS gaande kwam OTe Sefs Wil' werden in eene

kanrer gebracht en'zoodra verkoos

ir ui h? hcSenmiiro°vif oP,quot;

^ ZKomquot; zeide de oude heer, „nu zullen wij eens met „Kom , ze rr_oT_ n Onderwiil we opstonden,

SfdTdê mevronquot;tegen Sij: '„U zal hier «el gezond wor-St £ o maar veel de Inch. poiet;;, ^

■ uene iuffrouw met een vriendelijk gezicnt onw amp;

„„s^êf gefeMe ons naar een. groote Warner waar eemge oude en jonge menschen bij elkaar waren en oo ' ju met witte boezelaars met kruisbanden over h d

«reep ik er niets meer van, waar ik «as, iets dergelijks i

Mijn hold r mantel «erden afgedaan en daar stond .k „iét «etende «at zij met mij zouden af'quot;a°?en.

heer sprak toen «S« ^«quot;T^VlTnSonw » de zicht en zich daarop tot mijne dochter, de juttrou

meid wendende, zeide hij dat zij wel konden heengaan

Toen mijne dochter afscheid van mij wilde nemen, *

ik zulk een ellendig gevoel in van haar

huilend^met S an^rLe^V^oog ^iddek^^ r krentel,^ -

Ik dat b,:oodJed ^ ^an juffrouw Maarschalk. Maar u

ërt«ireeï tij^-zfhailde daarop een krentehrood,..

^V^volge^s1 we^^^rT'den tuin Se^'d, waar

, jiitfrouwen liepen, 0. a. ook eene oude dame met eene paras boven het hoofd. Zij zong zoo hard en maakte zulke ^ liike creluiden, dat ik terstond dacht. „Zoo is ne in mijn binnenste. Maar waar ben ik hier toch^ O maar wegloopen.quot; Maar hoe ik ook peinsde, ik kon mij gedachte? nfet bij elkander krijgen. Het een verdrong bet

ocr page 81

65

ander, en hoe ik al in den tuin liep en zocht om weg te komen, overal zag ik hooge hekken, waar men wel doorheen kon zien, maar niet doorheen kon loopen.

Eindelijk werd ik zoo moe, dat ik niet meer kon loopen , €n in het gras neerviel; daar lagen nog meer menschen, de een dit roepende en de ander dat schreeuwende, alles even woest en akelig. Spoedig kwam er toen eene juffrouw met een witten boezelaar, die de schreeuwster toesprak, haar aan de wang aaide, een arm gaf en haar meenam naar binnen. Ik keek dat alles aan, en dacht: Ik wenschte dat zij het mij ook deed, en dat het dan in mijn binnenste ook zoo stil werd. Maar o, ik lijd zoo bitter, en dat zal wel nimmer overgaan. Wist ik maar waar ik was. Zou dit hier de hel wezen? Maar de menschen doen mij geen kwaad. Ik kan maar niet begrijpen waar ik ben. Ach, als het maar niet erger wordt in mijn binnenste. Nu schikt het nog al. En dat alles overdenkende, lag ik in het gras te rollen en hoorde en zag van alles om mij heen.

Na eenigen tijd in den tuin te zijn geweest hoorde ik op ■eens eene groote bel luiden. Neen, zoo iets had ik nooit te voren gehoord. Het klonk zoo vreeselijk in mijne ooren, dat ik mij bepaald beangst maakte, want ik dacht dat er brand was. Ik zag toen twee juffrouwen de deur van den tuin uit gaan en na eenige oogenblikken met eene groote baliemand terugkomen, waarin borden en schalen met eten waren , die zij naar binnen droegen.

Een poosje daarna werd er geroepen Kom , dames, eten. Kom, juffrouw van Asch. Kom, juffrouw Maarschalk. Kom, mevr. Reinsbergquot;, enz. Verscheidenen zag ik naar binnen gaan, maar ik had geene macht om op te staan. Er was nog een jong meisje, dat ook maar staan bleef waar zij stond. Toen kwamen er twee juffrouwen aan, die ons ieder een arm gaven en naar binnen geleiden.

Daar zaten er verscheidenen aan tafel; de juffrouw met het vriendelijke gezicht ook. Een ieder had een goed bord met eten vóór zich, waarmee ik dadelijk wilde beginnen. Doch ik werd tegengehouden door eene juffrouw met een witten boezelaar, die mijne handen vasthield, en zeide; „Mevrouw, eerst bidden.quot; Nu, wat wist ik van bidden? De juffrouw bad hardop, waarnaar ik wel goed luisterde, maar waarvan ik niets begreep. Zoodra zij gebeden had, mocht ik eten, en het smaakte mij goed. Wij kregen aardappelen, groente en vleesch, en rijst met krenten toe. In een oogenblik had ik

5

ocr page 82

66

alles op, zoo gauw slokte ik het door, maar het jonge meisje liet haar bord met eten staan, en hoe de hoofdjuffrouvv haar ook aanmaande, zij sprak niets en liet het eten staan Toen het eten afgcloopen was, ging de juffrouw uit een boek lezen. Ik luisterde nauwlettend toe, maar dacht: Wat heb ik daar nu aan; ik begrijp er niets van; dan vind ik een roman veel mooier, zooals ik altijd las. Ik wilde daarom maar opstaan, maar werd terstond weer neergezet, terwijl men mij zeide: „U moet eerst danken.quot; Zoodra de juffrouw dat gedaan had, gingen ze allen opstaan, de meesten naar den tuin.

Er waren in die groote kamer twee deuren , die naar kleinere kamers leidden. In de eene daarvan zag ik die dikke oude dame met eene juffrouw met een witten boezelaar; die hadden daar gegeten. En in de andere kamer was eene dame, die alleen zat te eten, en wier wang geheel open was. (Dat deed zij zich zelf.) O, dacht ik, als zij mij dat hier ook maar niet doen. Wie weet het! Daarom ging ik gauw naar den tuin en loerde maar naar de deur of ik ook weg kon loopen; dat was mijn eenige troost, terwijl ik weer rare dingen zag en hoorde. Ik kon maar niet begrijpen, dat de juffrouwen met de witte boezelaars in zulk eene herrie konden blijven; want die deden toch alles goed, terwijl de anderen precies zoo waren als ik. Die schreeuwden het maar uit, terwijl ik alles in mijn binnenste omdroeg en daarbij gepijnigd werd van angst, door de gezegden die ik in mij kreeg.

ik wist nog maar altijd niet waar ik was, en dat was voor mij het ergste, daar ik mijne kinderen ook niet zag. Toen ik weer een tijd in den tuin was geweest, werd er weer geroepen: „Kom, dames, thee drinken.quot; Ik ging nu zelf en alleen naar binnen, waar de hoofdjuffrouw weer voor het theeblad zat te breien. Ach, dacht ik op dat gezicht, kon ik ook maar wat doen; wat zou ik dat gaarne willen. Wij kregen twee kopjes thee met een koekje er bij en toen werd ons gevraagd of wij nog brood verlangden, waarop maar ééne „jaquot; zeide. Zij kreeg een boterham, die ik ook wel had willen hebben, maar ik durfde er niet om te vragen. De juffrouw met het vriendelijke gezicht, die ik bij mij zelve de hoofdjuffrouw noemde, sprak eerst nog met ons en daarna moesten wij naar bed. De juffrouwen met de witte boezelaars brachten ons naar boven, en terwijl wij de eene deur uit gingen, kwamen er van eene andere richting nog veel meer menschen, die vreeselijk te keer gingen, en hoe de juffrouwen ook om stilte riepen, het hielp niets; zij bleven maar zingen

ocr page 83

6/

en schreeuwen. Ik dacht: zoo is het al in mijn binnenste, moet dat er nog bij? Waar moet ik toch naar toe? Heb ik geen hel genoeg van binnen ?

Ik wist inderdaad niet hoe gauw ik de trap op zou komen, zoo bang was ik voor hen , ofschoon zij eerder bang voor mij moesten zijn, daar ik maar in de zonde voortgeleefd had. Wie weet hoe braaf zij waren. De meesten van hen gingen, toen wij de trap op waren, linksaf, terwijl ik met nog drie juffrouwen en eene juffrouw met een witten boezelaar rechtsaf ging in eene kamer waar wij moesten slapen.

Zoodra ik in bed lag, luisterde ik naar het verhaal dat het jonge meisje, die juffrouw Maarschalk werd genoemd, aan eene andere juffrouw deed, die ook in bed lag: hoe zij thuis eiken nacht opstond en dan alles opat wat zij maar kon vinden. O, dacht ik, dat heeft zij op mij gemunt. Maar hoe weet zij dat zoo precies? Zij heeft het toch niet gezien? En zij sprak maar door, van alles wat ik op mij kon toepassen en wat ik had gedaan, zelfs het naar concerten gaan en het schaak- en kaartspelen er bij. En dan klonk het weer in mij : „ Dat heeft zij niet gedaan , maar gij, Godvergeten mensch, wereldling die ge zijt. God zal je straffen. Vloek over degenen die Gods geboden niet houden in Jezus Christus.quot; Toen ik dat alles om mij heen en in mij hoorde, sidderde ik en ging het bed uit, maar toen gingen ze kloppen. Dadelijk kwam er iemand boven die mij weer in bed legde en zeide, dat als ik weer uit bed kwam, ik dan in de cel ging. Nu bleef ik zoo stil liggen als ik maar kon, stopte de vingers in de ooren, opdat ik maar niets meer zou hooren van het jonge meisje en viel eindelijk in slaap.

HOOFDSTUK II.

Kennismaking met mijne omgeving en de gevolgen eener droom.

's Morgens bij het ontwaken ging ik overeind in bed zitten en zag alles om mij heen eens goed aan. Tot mijne ver-

ocr page 84

68

bazing zag ik er nu niet drie, maar vier personen te bed liggen. Terwijl ik bij mij zelve dacht, dat ik daar niets van begreep, zag ik ééne der juffrouwen opstaan, die zich kleedde en toen de kamer uit ging. Ik hoorde dat zij de deur op het slot deed en toen de trappen af ging. Nadat ik eene heele poos zoo had gezeten, kwam de juffrouw terug, en zeide; „Dames, opstaan.quot; Twee juffrouwen stonden dadelijk op, maar het jonge meisje en ik, wij wilden niet, doch wij quot;werden er eenvoudig uit gelicht en ons werd aangezegd dat wij ons moesten aankleeden. Nu dat ging bij mij niet zoo gemakkelijk. Dan trok ik weer een kleedingstuk aan, en dan bleef ik weer eene poos staan, totdat eindelijk de juffrouw met den witten boezelaar mij verder aankleedde en mij berispte dat ik niet gauwer klaar was. Nu, daar had zij gelijk in, want het was niet alles, om zooveel geduld te oefenen; maar ik was gebonden en kon niet, hoewel ik er zelf niets van begreep.

Zoodra wij aangekleed waren, gingen wij met de juffrouw naar béneden, waar de hoofdjuffrouw weer voor het theeblad zat. Op elk bordje waren twee groote sneden brood, eene witte en eene grijze, met kaas, terwijl in het midden van de tafel een broodbak met gesneden brood stond. Toen wij, ieder weer op zijne eigen plaats, zaten, zou ik weer beginnen te eten, maar ik kreeg een tik van de juffrouw met den witten boezelaar, en dat was wel goed. ,, Heeft u het gisteren niet verstaanquot;, vroeg zij, „dat wij eerst moeten bidden? Foei, is u dat thuis zoo gewoon? Hier moet er eerst gebeden worden.quot; Ik kreeg in mij: „Wat geeft dat bidden; er is geen God. Die menschen zijn niet wijzer.quot;

De hoofdjuffrouw ging weer hardop bidden, waarom ik begon te lachen. Zoo verduisterd was ik nu, daar ik vroeger zelf nooit kon velen, dat, als ik zag bidden er, dan door anderen werd gelachen; ik sloeg er dan op los en noemde dat spotten, niet wetende dat ik zelf, die zoo naar mijn vleesch in de wereld leefde, God ook bespotte. De hoofdjuffrouw zeide tegen mij; „Schaamt u zich niet?quot; Maar wat wist ik er van; mijn hart was zoo verhard, dat ik maar liefst van niets wilde weten en hooren, daar ik al zooveel ellendigs in mijn binnenste moest hooren en dat ik ook niet kon ontloopen , zoodat ik dacht: moet er nu nog meer bij ?

De hoofdjuffrouw ging vervolgens weer uit den Bijbel lezen, dat mij als een zwaard door de ziel drong, zóó, dat ik weer moest worden vastgehouden, zou ik niet wegloopen.

ocr page 85

óg

terwijl ik al op mijn stoel zat te draaien om los te komen, daar ik de woorden uit dat boek niet kon verdragen. Het sneed mij zoo geweldig door mijn binnenste, dat ik niet wist hoe spoedig genoeg weg te komen, toen de juffrouw mij losliet.

Oogenblikkelijk ging ik in den tuin, maar omdat het zoo hard regende, ging ik onder de veranda, waar de anderen ook waren. Ik was weer ten prooi aan de grootste folteringen, alleen denkende aan dat boek waaruit de hoofdjuffrouw had gelezen: „ Ga weg van mij, gij werkers der ongerechtigheid, ik heb u nooit gekend; ga in het eeuwige vuur.quot; Dat was tegen mij; nu moest ik in dat eeuwige vuur. En ik leed al zoo veel alleen reeds van het hooren. Wat moest ik beginnen; waar moest ik heen?

Zoo verdrong de eene gedachte de andere, gepaard met de grootste angsten en pijnen.

Na een paar uren zoo te hebben heen en weer geloopen, ging ik bij eene juffrouw zitten en vroeg haar waarom zij hier was. Zij antwoordde dat zij zenuwen had.

„Is het hier dan een ziekenhuis?quot; vroeg ik.

— Neen, antwoordde zij, een gekkenhuis.

„Doen ze dan allen zoo mal?quot; vroeg ik weer, daar ik weer de eene hoorde schreeuwen, de andere gillen, een derde weer dansen en zingen. „En wie is die juffrouw, die gelezen heeft?quot;

— Dat is de Moeder.

„En wie zijn die juffrouwen met de witte boezelaars voor?quot;

— Dat zijn de verpleegsters.

„ Heeft u ook kinderen ?quot;

— Ja, zes.

„En gingen die mooi gekleed, en krijgen die lekker eten ?quot; vroeg ik weer.

— Dat weet ik niet, — antwoordde ze.

„Gaan zij wel eens naar een bal, en spelen zij wel eens de biefstukwals, en zingen ze wel eens van de eieren-Trui?quot;

—1 Ach mensch, houd op met je gezeur, je weet niet wat je zegt, — antwoordde ze, en liep weg.

Zij had zitten lezen in een boekje dat op het tafeltje lag. Zoodra zij weg was, ging ik er ook eens in zien. Daar vond ik een plaatje in, waarop een man stond met een kind, die te midden van hooge ijsbergen op hunne knieën lagen, terwijl alles om hen heen zoo wit was als sneeuw. Ik huiverde er van en dacht: Zou daar nu de hel wezen ? Maar daar

ocr page 86

7°

kunnen wij nimmer weer vandaan komen. Ik sidderde zóó hevig, dat ik het boek weglegde en hard den tuin inliep, met de gedachte dat ik zeker ook naar die plaats moest.

Na eenigen tijd met dien angst te hebben rondgeloopen werd er geroepen; „ Dames, koffie drinken ! quot; Naar binnen gaande dacht ik: Ik ga toch eerst nog wat eten. O, ongelukkige, ellendig verharde die ik was. Welk een gruwel voor God. Binnengekomen ging ieder weer op zijne eigen plaats zitten, met onze bordjes vóór ons, en daarop heerlijke boterhammen met vleesch, en eene schaal met brood in het midden.

De juffrouw-verpleegster ging naast mij zitten, en zeide: „Mevrouw, u mag er niet aan komen, hoor!quot; Maar ik deed het toch en toen hield zij mijne handen weer vast, en zeide: „Foei, wat is u ondeugend!quot; Nu, daar had zij gelijk in, maar ik gaf er niet veel om. Toen we gebeden en gegeten hadden, werd er weer gelezen. Ik ging er evenwel met den rug naar toe zitten, opdat ik het toch maar niet zou hooren. Doch het baatte mij niets, want ik hoorde het ter deeg. Eventjes keek ik om, toen Moeder las: „ Gods goedertierenheid blijft tot in eeuwigheid.quot; Ik kreeg toen eene gewaarwording, die niet te beschrijven is, en dacht: Zou dat waar zijn ? Met alle aandacht luisterde ik naar het gebed dat Moeder daarna deed, en toen zij bad: ,, de duivelen uit te werpenquot;, kwam weer in mij: „Zou die ook in mij wezen? Maar er bestaat immers geen duivel. Ik ben mijn eigen duivel; en bovendien, ik weet niet wat een duivel is; wat gaat mij die aan?quot; Meteen liep ik weg, niet wetende dat de duivel in mij was en mij schrikkelijk benauwde en tegen wien ik machteloos was, zoodat ik deed wat hij mij ingaf, ondertusschen allerlei angsten uitstaande.

Ik ging intusschen weer naar den tuin, liep daar wat heen en weer en viel tusschenbeide van vermoeidheid in het gras neer, ofschoon dat niet lang duurde, vermits ik geen rust had en een drang in mij gevoelde die mij al maar voortdreef, met de gedachte: Kom, je moet wandelen, dat verzet nog wat; dat is goed voor je gezondheid. En dan liep ik maar weer voort, loerende of ik niet weg kon loopen, omdat in mij zulke verschrikkelijke dingen werden gezegd van de hel, waar ik heenging, zoodat als ik weg kon, ik wel zou oppassen, dat zij mij niet weer kregen; want dan ging ik mij verdrinken, dan was het gedaan, dan behoefde ik ook dat boek niet meer te hooren, waarin stond van het eeuwige

ocr page 87

7i

vuur. „O, wat lijd ik bitterlijkquot;, riep ik, „is het niet ongelukkig zoo te wezen; moet ik ook nog in het vuur?quot;

Terwijl ik daar zoo heenliep, aan mijne gedachten overgegeven, neen, aan den duivel, dien ik altijd gehoor had gegeven om hem te dienen, en dien ik nu ook gehoor moest verkenen, zonder hem te kennen, hoorde ik op eens weer die groote bel. Ik schrikte, liep gauw naar binnen en vroeg of er brand was, en of ik in het vuur moest. „Wel neenquot;, zeide de juffrouw, „wij gaan eten.quot; Ik zag de tafel gedekt, en ging maar vast zitten, denkende; Ge krijgt nog eerst wat te eten. Toen kwamen er twee juffrouwen-verpleegsters met de baliemand met eten binnen, en zetten dat op de tafel, waarna de Moeder de borden vulde; aardappelen, groente en vleesch en pudding met bessensap na. „Dat is lekkerquot;, zeide ik.

Bij het lezen van Moeder luisterde ik aandachtig en bleef stil zitten, daar ik in mij kreeg; „God is goedertierenheidquot;, maar toen Moeder het lezen gedaan had, had ik er geen woord van verstaan, want ik kreeg zulke ellendige ingevingen, en ik luisterde daarnaar meer dan naar het lezen. Zoo ging het met het danken eveneens, terwijl de juffrouw-verpleegster mij vasthield, omdat ik weer weg wilde loepen.

In zulk een toestand liep ik na het eten weer in den tuin; eenige uren later werden wij binnengeroepen om thee te drinken en werden daarna weer naar bed gebracht. Het was een leven van belang, toen uit de andere zaal ook verscheidene ongelukkigen kwamen die naar bed gingen. Drie juffrouwenverpleegsters brachten ons boven , waarvan eene met de dikke mevrouw ging in eene aparte kamer; eene met hen die linksaf gingen en eene juffrouw met ons op de kamer. Ik kleedde mij spoedig uit en ging in bed. Het jonge meisje had wel veel te vertellen aan de anderen, maar ik viel in eens in slaap en droomde:

Voor mijne oogen zag ik een vreeselijken brand waar verscheidene menschen in lagen, mijne kinderen ook. Zij gilden allen even hard en ik schreeuwde ook. Ik wilde wegloopen, maar kon niet. Het was net alsof ik door een paar tijgerklauwen werd vastgehouden. Ik riep om hulp, maar die kwam niet, en in den grootsten angst moest ik alles tot het einde aanzien. Het vuur verdween langzamerhand en toen werd alles pikzwart voor mijn oog. Ik hoorde mijn hart kloppen alsof het eene klok was. Daar op eens zie ik eene prachtige eerepoort, met groen van de breedste bladeren,.

ocr page 88

72

zooals ik nog nooit had gezien, en afgezet met de fijnste bloemen van allerlei kleur. Ik wist niet wat ik zag, en liep achteruit vanwege de vele menschen die er door moesten. Daar zag ik eene groote schare plechtig en langzaam door de poort gaan, waaronder ook de heeren Wertheim en Dudok de Wit (1), die ik duidelijk herkende.

Op eens werd ik met een schrik wakker, vloog overeind en zag om mij heen. Terstond dacht ik aan de vlammen die ik gezien had, en zeide: „ O , dat is het eeuwige vuur geweest. Moet ik daar nu in?quot; Ja, mijne kinderen waren er ook in. „Maar die eerepoort dan? O, neen, dat is voor mij te laat; wat moet ik beginnen?quot; Meteen ging ik het bed uit en bleef voor het ledekant staan. Daar de juffrouw-verpleegster mij had gehoord, ging zij overeind zitten en beval mij weer in bed te gaan. Maar daar ik stil bleef staan, kwam zij bij mij en legde mij weer in bed. Pas was de juffrouw er weer in, of ik er weer uit. Toch had ik geen besef van wat ik deed; het was net of eene andere macht mij opnam en uit het bed tilde; maar verder kon ik niet. Dit geschiedde wel vier- of vijfmaal achtereen, zoodat de juffrouw (zij heetejuffrouw Cato) er telkens weer uit moest, wat zij met geduld en liefde deed.

Daar er op de deur werd geklopt, moest de juffrouw naar beneden, maar zeide vooraf tegen mij: ,, Mevrouw, zal u nu stil blijven liggen?quot; Ik gaf geen antwoord, omdat ik niet kon, maar bleef toch stil liggen, zoodat de juffrouw de slaapkamer kon verlaten, ofschoon ze tusschenbeide kwam kijken of ik er nog in lag. Eindelijk kwam zij boven met de boodschap dat wij allen moesten opstaan. Nu kwam ik er ook wel uit, maar bleef voor het bed staan zonder mij te verroeren. En of de juffrouw al zeide dat ik mij moest aankleeden, ik deed het niet, omdat ik het niet kon; ik gevoelde mij gebonden door eene macht die mij tegenhield. Ik zag en hoorde niets dan de vreeselijke dingen die ik in mijn droom had gezien en het gillen en schreeuwen dat ik had gehoord. Neen, het is niet uit te spreken wat ik moest uitstaan, zonder een woord te kunnen uitbrengen.

Nadat, ik zoo een poosje had gestaan, kwam juffrouw Cato mij wasschen en aankleeden; daarna liet zij mij nog even staan om het bed af te halen en nam mij toen onder dea

1

Bij het leven van mijn man waren wij vier jaren in de Groote Club op. den Dam, hoek Kalverstraat, geweest. Van deze Club waren genoemde heeren lid; vandaar dat ik hen kende.

ocr page 89

73

arm en bracht mij naar beneden, waar ik op een stoel werd neergezet. Het was net of alles voor mijne oogen schemerde. Ik zag wel het een en ander, maar kon niet onderscheiden wat het was. Zooals ik boven gezeten had, zoo bleef ik nu zitten, want ik kon mij niet bewegen. Ook wist ik niet wat vóór mij stond, wat natuurlijk mijn boterham was. Dat er gepraat werd hoorde ik ook wel, maar verstond er niets van; alleen hoorde ik wat er in mijn binnenste werd gezegd: ,, Nu zijt ge voor de haaien; nu is het met je gedaan.quot; Het brood werd mij in den mond gestopt, dat ik maar zoo in-slokte. Toen dit gedaan was, werd ik opgenomen en op een stoel in den tuin gezet, waar ik ook niet af kon komen; als ik wilde opstaan, werd ik weer teruggetrokken en moest blijven zitten, door eene macht die mij terughield.

Eenigen tijd daarna werd ik opgenomen en binnen op mijne plaats gezet. Weer bleef ik zoo zitten; aan wat mij werd voorgezet kon ik niet komen; daarom werd het vleesch en het brood mij maar weer in den mond gegeven, dat ik opat. Vervolgens nogmaals naar den tuin gebracht, bleef ik ook nu zitten met allerlei ingevingen en gezichten, die ik niet kon verdrijven, omdat ik geheel machteloos was om mij er tegen in te zetten; ik kon zelfs niet opstaan. Met het middageten was het weer eveneens zoo; het werd mij in den mond gegeven en ik slokte het weg, zonder te kauwen. Zoo ging het met het thee drinken en zoo ook ging het met het naar bed gaan. Ik werd uitgekleed en in bed gelegd en telkens kwam er iemand boven om naar mij te kijken. Ik bleef evenwel rustig in bed en sliep gelukkig nog al goed.

Den volgenden dag was het weer hetzelfde en zoo vervolgens verscheidene dagen achtereen, totdat ik weer wat macht kreeg om zelf op te staan, en met horten en stooten mij zelve aan te kleeden, ofschoon de juffrouw mij tusschenbeide hielp. Ik kon ook weer zelf loopen, en eten en drinken; maar als ik gegeten had, ging ik in een hoek staan en bleef daar tot wij weer moesten eten. En hoe dikwijls de verpleegsters mij ook in den tuin brachten, telkens ging ik weer naar binnen en in den hoek staan, met het gezicht naar het behangsel gekeerd.

ocr page 90

74

HOOFDSTUK III.

Naar de kerk en in den hoek.

Op zekeren dag dat ik weer zoo in den hoek stond, kwam de Moeder met eene mevrouw binnen, met wie zij sprak, en die regelrecht op mij kwam toeloopen. Deze mevrouw vroeg mij het een en ander, maar ik gaf geen enkel antwoord, v/aarop de Moeder zeide; „Ja, zij wil tusschenbeide niet eten, en dan moeten wij haar voeren.quot; „Watquot;, zeide mevrouw, „niet eten? Zij mag wel een halven os hebben, zoo mager is zij.quot; Toen ging zij zitten, schreef iets in een boekje, en zeide: „Zij moet eiken ochtend een glas melken een zacht ei hebben.quot;

Zoodra mevrouw met de Moeder had afgesproken en was heengegaan, vroeg ik aan de verpleegster: „ Wie is die mevrouw?quot;

„Dat is mevrouw Chevalierquot;, antwoordde zij.

„En wat komt die hier doen?quot; vroeg ik verder.

„Zij komt eens kijken en vragen wat er zoo al moet wezen voor de patiëntenwas het antwoord.

Hierop keerde ik mij om en ging weer in den hoek staan, overgegeven aan de gruwelijkste ingevingen die ik kreeg, en die ik niet weg kon krijgen en mij deden sidderen van angst, omdat ik maar al door aan deze gedachten als gebonden was.

Na eenigen tijd kwam de Moeder bij mij, en zeide; „Mevrouw, kom u nu eens met mij mede, dan zal u wat zien, dat u niet had verwacht.quot; Zij nam mij in den arm en wilde mij meenemen, maar ik liet haar los en wilde niet, waarop de Moeder riep: „Juffrouw Vos en juffrouw Lucie, help eens even.quot; Ik werd toen in de gang gebracht, waar de oude heer, die mij later bleek den ouden dokter van Veldwijk te zijn, met mijne twee oudste kinderen stond. Ik wilde echter niets van hen weten en liep weg.

Maar juffrouw Vos, eene flinke, stevige verpleegster, nam mij als een veertje op en bracht mij in eene mooie kleine kamer, waar mijne kinderen met den ouden heer ook kwamen. De oude heer sprak eenige woorden met mij en vroeg mij hoe het ging, of ik mijne kinderen nog kende, en of ik niet blij was hen te zien. Doch ik zeide op alles niets. Ik kon ter-

ocr page 91

75

nauwernood zien dat het mijne kinderen waren, zóó overstelpte mij op eenmaal de angst, bij de gedachte aan het Vuur waarin ik hen had gezien. Zoodra evenwel de oude heer weg was en ik met mijne kinderen alleen , begon ik te spreken van den brand en het vuur, waarin wij allen zouden komen, omdat wij gevloekten waren en niet deden wat God zeide. Ik sprak van alles door elkander, en wees met de hand op mijn hart, zeggende: „O, daar word ik zoo gepijnigd, en dat doet mij zoo zeer. En dan nog in het vuur. Het is verschrikkelijk.quot; Zoo zat ik bij mijne kinderen, onder-dehand etende van het lekkers dat de kinderen voor mij hadden meegebracht. Vroegen de kinderen iets, dan vertelde ik maar van het eeuwige vuur, dat ik had gezien.

Eindelijk kwam de oude heer terug om mijne kinderen te halen. Zij gingen huilende heen, onder belofte mij spoedig weer te zullen bezoeken. Toen zij weg waren, bracht Moeder mij in de andere kamer en ik ging weer in den hoek staan, aan allerlei ingevingen ten prooi.

Den volgenden dag, ook weer in den hoek staande, zag ik den ouden heer op eens voor mij. Hij vroeg mij: „Hoe is het nu, mevrouwtje, is u nu niet wat beter, nu u uwe kinderen heeft gezien ?quot;

„Oquot;, zeide ik, „ik ben zoo ongelukkig.quot;

,, Kom u eens met mij medequot;, zeide toen de oude heer en bracht mij naar het kamertje waar ik den vorigen dag was geweest. Na het een en ander gesproken te hebben, vroeg hij mij of ik vroeger wel naar de kerk ging, en bij wien, en of ik thuis ook een Bijbel had, en of daarin werd gelezen. Op deze vragen begon ik te weenen en van alles door elkander te praten, van Ds. Pauli, nooit naar de kerk, van de comedie en concerten, ik had geen Bijbel, van bals en biefstukvvals. Ik sprak van mijne zonden in mijn binnenste en dat ik nu in het eeuwige vuur ging, enz.

De oude heer sprak vian God en van den Heere Jezus; maar neen, daarvan wilde ik niets weten, en riep: „Voor mij te laat, voor mij te laat. Ik heb de vlammen gezien, ja, mijne kinderen waren er ook inquot;, en snikkende liep ik toen maar heen en weer, waarna de oude heer mij bij den arm nam en naar de kamer terugbracht, waar ik op mijne oude plaats in den hoek ging staan. Toen de oude heer daarna met de Moeder sprak, en ik hem hoorde zeggen :„ Zij moet Zondag naar de kerk kreeg ik eene vreeselijk grove stem in mij, die zeide; „Dat kan je begrijpen. Zij krijgen

ocr page 92

76

jou niet mee naar de kerk. Je moet immers toch naar de hel. Wat geeft je dan de kerk? Er is geen God.quot; En dat klonk zóó hard, dat ik omzag of de oude heer het had gehoord; maar hij ging heen en riep tegen mij: „ Dag mevrouw! maar ik zeide niets terug. Verder bleef ik maar dag aan dag in den hoek staan, en namen Moeder of de juffrouwen-verpleegsters mij mede naar den tuin , dan trachtte ik zoo spoedig mogelijk weer naar binnen te komen om in mijn hoekje te staan.

Eindelijk brak de Zondag aan. Dit wist ik daaraan, omdat dan na het ontbijt de hoeden en mantels van de kranken werden binnengebracht, en ik hen dan met boekjes in de hand met de juffrouwen-verpleegsters zag uitgaan. Ik dacht dan; nu gaan zij zeker naar de kerk. Op dien bewusten Zondag dan werd ik ook aangekleed en moest mede naar de kerk. Moeder nam mij in den arm en wij gingen langs paden die geheel met mos begroeid waren. Toen wij daarlangs liepen, kreeg ik weer harde geluiden, die in mij zongen :

„In het zachte donzen mosquot;, en

,,Ik wou dat ik van was was.

En dat mij de zon bescheen.quot;

Dat waren stukjes van liederen, die wij thuis ook zongen^ en die ijdele woorden moest ik nu in mijn binnenste hooren zingen door schrikkelijke stemmen. Ik beefde zóó, dat ik de Moeder losliet, omdat ik bang was dat zij het hoorde. De andere kranken liepen vrij, de een liep hier en de ander daar, doch zij werden door de Moeder en de juffrouwen-verpleegsters goed in het oog gehouden.

Toen wij in de kerk kwamen zag ik daar veel menschen, en zoodra wij hadden plaats genomen, zag ik een heer met een witten baard den preekstoel op gaan. Ik weet nu natuurlijk dat het Ds. Notten was, maar toen kende ik Z.Ew. niet. Stil bleef ik voor mij zien, maar zag toch eventjes op en dacht; het lijkt wel een profeet, zooals ik wel eens op eene schilderij heb gezien. Van wat de predikant sprak kon ik niets verstaan, omdat mij geheel andere dingen werden ingegeven en waarnaar ik met angst luisterde.

Na afloop van de preek gingen wij weer naar huis. Ik werd ontkleed en ging naar mijn hoek, terwijl de anderen om de tafel gingen zitten, waarna wij koffie met koekjes kregen. Eene juffrouw-verpleegster nam mij bij de hand en zette mij op den stoel vóór de tafel, maar ik ging dadelijk weer in den hoek. Toen zette zij mijne kop koffie met twee

ocr page 93

77

koekjes naast mij op een stoel, dat ik dan ook gebruikte. Eenige oogenblikken daarna nam de Moeder mijn kopje weg en ging naast mij op den stoel zitten. Zij vroeg mij wat dominé had gezegd, maar ik keek haar eens aan en zeide niets. Doch Moeder zeide: „Maar mevrouw, foei, u mag niet zoo vijandig wezen. TJ moet goed naar den dominé luisteren, en ook hooren als er in den Bijbel wordt gelezen. Dat is goed voor u.quot; Ik sprak geen woord, maar dacht: Mensch, loop heen, dat is niet voor mij. Daar ben ik veel te zondig voor. Dat is goed voor jou. Toch gevoelde ik mij veel kalmer, toen Moeder dat zeide, en toen zij wegging, sprak ik in mij zelve; „Was nog maar wat blijven zitten praten over God.quot; Helaas, ik verviel daarop weer in de hevigste aanvallen, die mij werden ingegeven en die ik hoorde en zag, zoodat ik aan niets anders kon denken, dan aan wat er in mij omging. Ik werd er met kracht toe gedrongen, of ik wilde of niet. En zoo ging het den eenen dag na den anderen, en altijd met den schrikkelijksten angst.

Eenigen tijd later stond ik weer in den hoek en hoorde op eens eene stem achter mij. Toen ik omzag stond de heer met den witten baard achter mij, Ds. Notten. Z.Evv. ging bij mij zitten en vroeg mij; „ Hoe gaat het met u ?quot; Ik antwoordde; „Goedquot;, want ik kreeg in mij ;„dat gaat dien man niets aan.quot; Dominé vroeg verder hoe ik heette, en waar ik vandaan kwam, en tot welke kerk ik behoorde. En daar begon ik weer van Ds. Pauli, en „ ik ben nooit naar de kerk gegaan, wel naar de comedies en balsquot;, en toen sprak ik weer van alles door elkander, waar Ds. Notten niet uit wijs kon worden. Bij het heengaan van Z.Ew. zeide ik: „Mijnheer, bidt u voor mijquot;, waarop dominé antwoordde; „Zeker, dat doe ik altijd, maar dat moet u ook doen en vertrok toen.

Zoodra wij koffie hadden gedronken kwam juffrouw Lucie met hoed en mantel bij mij. Ik had deze juffrouw-verpleegster namelijk dikwijls zoo hooren noemen. De juffrouw die mij van het spoor had gehaald, had ik gemerkt dat juffrouw Cato heette, en de stevige juffrouw die altijd bij de dikke mevrouw was, heette juffrouw Vos, en de Moeder, juffrouw Kassies. Nu, juffrouw Lucie kwam dan bij mij, en zeide; „Kom, mevrouw, u gaat mee wandelen.quot; Zij kleedde mij aan en toen ging ik mee, met nog verscheidene kranken, die ik nog niet had gezien, daar zij op eene andere zaal behoorden. Juffrouw Lucie nam mij in den arm met nog eene kranke; de overigen liepen vooruit of achter ons, maar de juffrouw hield hen

ocr page 94

7»

goed in het oog. Ik begreep er niets van; de eene deed dit: en eene andere iets anders, doch de juffrouw liet hen maar begaan, omdat zij toch geen kwaad konden.

Wij liepen langs verscheidene paden in een bosch van denneboomen. Juffrouw Lucie zeide tegen ons: „Zie jelui wel, het is precies of er allemaal kaarsjes aan de toppen van de takken zijn; het lijken wel kerstboomen.quot; Ik keek er ook eens schuin naar, maar zag dadelijk weer voor mij neer, omdat ik heel andere ingevingen kreeg. Daarbij gevoelde ik mij zóó zwak, dat ik in den beginne haast niet voort kon, en dacht, dat ik zoo meteen zou neervallen. Maar het scheen wel dat ik meer kracht kreeg, naarmate wij verder wandelden. Eerst kwamen wij bij landerijen waar koeien liepen en ook bij huizen, en toen wij dat waren omgeloopen, kwamen wij weer in het bosch. Thuis gekomen ging ik weer in mijn hoek staan, terwijl de anderen naar den tuin gingen. Dat ging zoo dagen en weken achtereen, terwijl ik Zondags naar de kerk ging.

HOOFDSTUK IV. In de cel.

Eens op een dag, dat ik weer in den hoek stond, zag ik eene groote beweging en hoorde ik vertellen dat de dokter jarig was en de kranken hem mochten feliciteeren. We zouden dan allen in de laan worden getrakteerd op limonade met taartjes. Moeder Kassies kwam ook bij mij om mede te gaan, maar ik wilde niet. Ik kreeg toen een glas limonade met twee taartjes en een paar koekjes op een stoel bij mij gezet en at dat op. In de verte hoorde ik zingen, maar wilde er niet naar luisteren, omdat met groote stemmen in mij werd gezegd; ,, Daar moogt gij niet bij; dat is niet voor jou; gij gaat naar de hel.quot; Ik werd daardoor zóó woedend, dat ik naar de tafel vloog, en, daar niemand in de kamer was, de koekjes uit het trommeltje nam en opat en een glas limonade uitdronk.

Een paar dagen later werd ik als gewoonlijk naar boven

ocr page 95

79

en in bed gebracht, doch toen ik een poosje gelegen had, was het in eens alsof ik zoo uit het bed gelicht en er vóór gezet werd, waar ik bleef staan totdat juffrouw Cato boven kwam en er mij weer in legde. Dat hielp evenwel niets, want ik gevoelde dat ik door eene andere macht werd aangegrepen , die ik niet kon weerstaan, en er mij telkens opnieuw eenige keeren achtereen uit lichtte.

Voor straf werd ik naar de cel gebracht en daar op eene matras gelegd, goed toegedekt en met eenige woorden vermaand , die ik wel hoorde maar niet verstond, omdat ik geheel versuft was. De grootste angst benauwde mij, dat ik nu in het eeuwige vuur ging, en dit gepaard met de vreese-lijkste gezichten, die mij aangrijnsden als brieschende leeuwen , die dan op mij aankwamen en dan weer werden teruggetrokken ; wat niet in een droom was, omdat ik klaar wakker was.

Daar mij werd ingeblazen dat zij mijne matras in brand zouden steken , kroop ik er af en ging op den grond liggen, na eerst eenigen tijd aan afschuwelijke gewaarwordingen en afgrijselijke gezichten, erger dan men ooit den duivel met zijne engelen zou kunnen voorstellen, ten prooi te zijn geweest. Daarna sliep ik in en droomde dat de matras in brand stond en dat ik al verder en verder wegkroop opdat de vlammen mij niet zouden kunnen bereiken.

Bij mijn ontwaken zag ik om mij heen en dacht: Ben ik er nog? Dat is een wonder. Ik keek naar de matras en toen ik zag dat die er ook nog was, begreep ik er niets meer van.

Daarover liggende te denken, zonder mij te kunnen bewegen, kwam juffrouw Lucie binnen, en beval mij op te staan, maar ik kon niet en bleef liggen. Toen zij mij hielp opstaan, hoorde ik haar zeggen: „ Maar mevrouw, wat heeft u nu gedaan? Foei, wat is u vies.quot; Het goede schepseltje moest mij geheel uit het vuil redderen en verschoonen. Ik wist echter zelf niet wat ik had gedaan; en zonder verder iets te zeggen, behandelde de juffrouw mij, met de meeste liefde, als een kind, dat zelf niet bij machte was iets te doen.

Na aangekleed en beneden gebracht te zijn, werd ik voor de tafel gezet om te ontbijten, maar ik kwam niet aan mijn boterham. Wat Moeder ook zeide; „Kom, mevrouw, eten; moet u weer gevoerd worden?quot; ik kon niet; er werd maar mij ingeblazen : ,, Ge moet je niet laten voeren , want dan gaat ge dood; ze hebben er vergif in gedaan. Pas op, dat ge er niets van gebruikt.quot; En toen juffrouw Lucie mij wilde

ocr page 96

8o

voeren, sloeg ik het haar uit de handen. Daarom werd ik door haar vastgehouden, toen Moeder Kassies mij ging voeren. Ik verzette mij daar wel tegen, maar toch moest ik, al brak er hun het zweet bij uit. Toen begreep ik niet hoe Moeder en de juffrouw zooveel geduld met mij konden hebben; nu begrijp ik dat wel.

Zoodra ik gevoerd was, ging ik weer in den hoek staan. Ik kreeg daar de ingeving, dat ik nu dood ging en dan naar de hel, en ofschoon eene knagende pijn mijn binnenste verteerde, wachtte ik mijn lot af, daar ik zoo versuft en alles om mij heen zoo verduisterd was. Helaas, ik wist niet eens dat ik weer in mijn eigen vuil stond. Juffrouw Vos nam mij daarom op en bracht mij naar de cel, zeggende; „Vuil mensch, moet je dat maar zoo langs je hielen in de kamer doen?quot; Zij had wel gelijk, maar ik wist niet wat ik gedaan had. In de cel ging ik zoo lang voor den muur staan, tot juffrouw Vos terugkwam en mij hielp, mij vragende: „Zal u dat nooit weer doen?quot;, waarop ik geen antwoord gaf. Zij bracht mij evenwel terstond weer aan den arm op mijne plaats in den hoek van de kamer. waar het inmiddels schoon was gemaakt, en waar ik bleef tot den tijd van het koffie drinken.

Ook toen was het weer hetzelfde met het eten, omdat mij ook nu werd ingegeven dat er vergif in was, en dat ik dood ging als ik er van gebruikte, en dat ik daarom gevoerd werd. Moeder voerde mij weer, onderwijl juffrouw Cato mij vasthield, wat evenwel niet zoo gemakkelijk ging, omdat ik vreesde voor den dood. Zoodra het genoeg was, zeide Moeder: „Als het vleesch er maar in is, dan zal ze niet van honger omkomen; dan heeft ze genoeg.quot;

Na afloop stond ik op mijne oude plaats en kreeg daar o. a. de ingeving, dat het nu te laat was en dat ik nu dood en naar de hel ging. Alles kwam mij opnieuw voor den geest, ook wat ik in den afgeloopen nacht had gezien en ondervonden, waarvan ik nog sidderde en waaraan ik moest denken of ik wilde of niet.

Met het middagmaal wilde ik niet aan tafel komen, zeggende dat ik geen eten lustte. „Jaquot;, zeide Moeder Kassies,„ u moet toch eten, anders gaat u dood.quot; „Neenquot;, riep ik, „van eten ga ik doodquot;, waarop allen begonnen te lachen. Aan tafel werd ik voor een bord eten gezet, waarin ik veel trek had; maar ik durfde er niet aan komen. Ik werd echter met behulp van juffrouw Cato (want dan hielp juffrouw Lucie en

ocr page 97

8i

dan juffrouw Cato) door Moeder gevoerd, wel met de grootste moeite, maar toch kreeg ik wat binnen.

's Avonds toen het bedtijd was en wij naar boven moesten, werd mij weer ingeblazen; „Nu gaat ge naar de hel waarom ik natuurlijk niet naar boven wilde. Met behulp van Moeder Kassies en de juffrouwen werd ik echter naar boven gebracht, uitgekleed en in bed gelegd, met de aanmaning, dat als ik niet bleef liggen, men mij naar de cel zou brengen. Onder hevig kloppen van mijn hart hield ik mij dan ook zooveel mogelijk in, maar niet zoodra waren de Moeder en de juffrouwen weg, of ik stond weer voor het ledekant. De angsten die mij bekropen vanwege de ingevingen, die meer dan erg waren, hadden macht over mij gekregen. Het duurde dan ■ook niet lang of juffrouw Lucie, boven komende, legde mij weer te bed, zeggende: ,, Pas op , mevrouw, als u er nu weer uitkomt.quot; Zij was echter nog niet de kamer af, of de macht die mij beheerschte dreef mij andermaal het bed uit. Toen kwam de juffrouw, en zeide mij naar de cel te zullen brengen gelijk den vorigen nacht; maar daartegen verzette ik mij, roepende: „Niet naar de cel! Niet naar de cel!quot; Op dat geroep kwam Moeder Kassies boven, en zeide: „ Haal dan maar een buis, Lucie, dan zullen wij haar vastbinden als zij niet in de cel wil.quot;

Mij werd toen een dwangbuis aangedaan, met mouwen zeker wel drie el lang, en die, toen ik in bed gelegd was, om het ledekant werden gewoeld, zoodat ik er niet uit kon. Toen Moeder en de juffrouwen weggingen , bleef ik eerst stil liggen , maar langzamerhand voelde ik eene macht in mij opkomen, die alles uit elkander wilde rukken, doch ik viel telkens weer neer. Men kwam tusschenbeide nog wel eens naar mij zien, maar de mouwen waren stevig vastgebonden en dat was uitmuntend, want nu sliep ik dien nacht tamelijk goed.

Den volgenden morgen werd de buis losgemaakt en ik van het hoofd tot de voeten gekleed, wat ik zeer kalm toeliet. Ik was nu geheel zonder besef en kon niets onderscheiden wat om mij heen was, terwijl in mij alles evengoed bleef aanhouden en mij van angst het zweet deed uitbreken. Naar beneden gebracht en op een stoel gezet, bleef ik stil zitten, zonder mij te kunnen verroeren, en denkende; Nu zullen ze mij dood maken.

Toen ik gevoerd zou worden en daartoe werd vastgehouden , sloeg ik met handen en voeten, en verweerde mij zóó heftig, dat ik Moeder hoorde zeggen; „Juffrouw Vos, help eens

6

ocr page 98

82

even.quot; Nu dat was eene stevige juffrouw, zooals ik reeds vermeld heb, die den duivel nog al aandurfde. Zoo vastgehouden stopte Moeder mij het eten in den mond, maar, terwijl ik met mijne voeten schopte, spuwde ik het even gauw weer uit, ofschoon ik niet kon beletten dat ik toch wat binnen kreeg.

Daarna weer op een stoel in den hoek geplaatst, begon ik niets anders te roepen dan: „Te laat, te laat, te laat!quot; —„Nu gaat ge dood; wat moet ge nu beginnen ?quot; werd mij maar vveer ingeblazen door den booze. Aanhoudend riep ik: „Te laatquot;, zoodat juffrouw Vos eindelijk zeide: „Mevrouw, wil u wel eens ophouden met uw leven?quot; Doch ik riep steeds door: „Te laat, te laat!quot; en steeds harder, totdat ik eindelijk werd opgenomen en buiten gezet. Hoewel ik niet wist waar ik was, deed de wind om mij heen, tocht zooals men het gewoonlijk noemt, mij veel goed. Toch kende en zag ik de menschen om mij heen niet, de kranken geleken mij eer schimmen toe; ik zag hen zich bewegen en keek hen na, ik hoorde hen schreeuwen en gillen, maar begreep het niet; ik had trouwens aan mijne eigene ellende meer dan genoeg, om daaraan onophoudelijk te denken.

Toen ik zoo eene poos had gezeten, werd ik opgenomen en weer naar binnen gebracht, zooals ik zelf dacht. Daar werd ik weer gevoerd, dat niet gemakkelijk ging, omdat ik met handen en voeten sloeg vanwege de ingeving: „Daar gaat ge.quot;

Dit duurde zoo eenigen tijd: 's nachts aan het ledekant gebonden en over dag gevoerd worden met de grootste moeite en als een kind behandeld, omdat ik niet wist wat ik deed. Werd het te erg, dan kwam ik in de cel. In die cel was het of ik het meest van mijn verstand beroofd was door den duivel, en ik was zoo bezeten , dat ik het eigen vuil bezag, niet wetende wat het was.

Mijn herinneringsvermogen werd al zwakker. Haalde men mij uit de cel, dan zag ik zelfs niet meer wie dat deed. Alles was even duister voor mijn oog; ik zag niets dan schimmen. Maar aan de stem herkende ik hen die mij hielpen. En dit alles bleef gepaard gaan met de grootste benauwdheden en den angst voor den dood. Telkens hoorde ik nog de stem in mij zeggen: „Nu zijt ge in de voorhei, maar ge gaat voor goed naar de hel.quot; En als ik dat dan hoorde,, sidderde mijn geheele lichaam.

ocr page 99

§3

HOOFDSTUK V.

In de schaduwe des doods.

Eens op een avond, dat ik weer naar boven gebracht, met groote moeite uitgekleed en in bed gelegd was , met het buis aan het ledekant gebonden, kreeg ik, na een oogenblik rustig te hebben gelegen, een hevigen schok door mijn lichaam , en werden mijne beenen opgenomen en buiten het ledekant gezet, terwijl ik met mijn lichaam er in lag. Ofschoon ik in eene allesbehalve gemakkelijke houding met de voeten op den grond stond, gevoelde ik daar evenwel niets van. De schrik en angst bevingen mij zóó, dat ik dacht, nu naar de hel te zullen gaan, terwijl ik eene sterke macht over mij voelde, die ook mijne mouwen loswrong, zoodat ik steeds meer met mijne beenen op den grond kwam te staan. Het duurde evenwel niet lang of juffrouw Lucie kwam boven, legde mij weer te bed en bond de mouwen stevig vast, zeggende: „Mevrouw, als u dat weer doet, weet u er alles van; dan gaat u naar de cel.quot; Maar het baatte niets. Ik had geen macht over mij zelve, en telkens als juffrouw Lucie weer weg wilde gaan, waren mijne beenen weer uit het bed. Had ik mijne gedachten kunnen regelen, dan had ik mijne beenen wel in bed gehouden, maar ik vermocht letterlijk niets, ook niet te spreken.

Eindelijk riep de juffrouw Moeder Kassies en toen die boven kwam, werden mijne voeten ook gebonden, zoodat ik mij nu in 't geheel niet kon bewegen. Maar ik was blij dat ik niet naar de cel ging. Herhaaldelijk kwam de juffrouw boven om naar mij te kijken, maar nu bleef ik wel liggen en sliep eindelijk gerust tot den volgenden morgen, en werd toen weer als een kind geholpen.

Zoo ging het van den eenen dag op den anderen, terwijl ik niet anders riep, dan: „Te laat, te laat, te laat!quot; Op alles wat mij werd gevraagd, gaf ik geen antwoord. Ik hoorde wel alles, maar van wat er om mij heen geschiedde en van wat er met mij gebeurde, zag ik niets. Te meer echter voelde ik eene pijn van binnen alsof er iets brandde, vermeerderd door den angst dat het in het eeuwige vuur nog erger zou

ocr page 100

84

worden. Dat immers had ik voor oogen, daar moest ik in.

Eens dat ik weer met het grootste spektakel werd gevoerd , waartegen ik mij door de vreeselijke macht die mij aanporde, verzette, ofschoon mijn lichaam erg zwak was, hoorde ik de Moeder zeggen: „Kom, jufifrouw Cato, haal den dokter eens even met de slang, dan kan die het er in spuiten, want zóó kan het niet langer; wij zijn doodop. Het was net of ik op het hooren van de slang bevreesd werd, ten minste ik hapte toe en slikte het eten door, daar ik voor de slang vreesde en niet kon begrijpen wat dat toch wel kon zijn.

Met alle macht verzette ik mij altijd tegen dat voeren, zelfs zóó, dat eens een tand er door uit mijn mond gingen ik uitriep: „mijn tand gaat er uitquot;, en ook bij die gelegenheid hoorde ik ran de slang.

Kortom de slang deed mij happen zoo lang tot Moeder zeide: „Nu is het genoeg.quot; Men zette mij daarna weer op mijn stoel in den hoek en Moeder sprak: „Hoe kan u ons nu zooveel moeite geven, mevrouw; zal u dat niet meer doen ? Het is voor u toch ook niet prettig dat wij zoo met kracht en geweld moeten handelen. Zal u eens uw best doen om u kalm te laten voeren? Ja, niet waar?quot; Maar daarop kon ik geen antwoord geven, en riep maar door: „Voor mij te laat, te laat, te laat!quot;

Zoo zat ik daar dan aan de ingevingen des satans ten prooi, met den tand tusschen mijne vingers. In mij hoorde ik eene stem zeggen: „Ge moet dien tand over je hoofd gooien, dan krijgt ge er een nieuwen voor terug.quot; En ik, die zoo geheel bezeten was, deed dat toen; recht duivelsch om zulks te gelooven.

Op een keer dat ik weer in den hoek zat, roepende: „Te laat, te laat!quot; en ook weer wat om mij heen kon opmerken en zien wat er gebeurde, kwam er eene mevrouw binnen met een klein meisje. Zij kwamen naar mij toe en feliciteerden mij met mijn verjaardag, terwijl het meisje mij een bouquet gaf. Ik wist evenwel van niets en sloeg het lieve kind de bloemen uit de hand. Zij raapte de bloemen op en wilde ze mij weer geven, maar ik wilde er niets van weten. En of de mevrouw al sprak; „Ach, zij doet het uit aardigheid, omdat u jarig isquot;, ik weerde ze van mij af, zeggende: „Ik ben niet jarigquot;. Toen zij waren heengegaan, hoorde ik vertellen dat de mevrouw van den dokter er was geweest met het dochtertje

van Ds.....om mij wat bloemen te brengen en te feliciteeren,

maar dat ik ze het kind uit de handen had geslagen, het-

ocr page 101

85

geen allen heel leelijk vonden. Nu dat was ook waar, maar wat gaf ik om mijn verjaardag in zulk eene verduistering van zinnen en in zulk eene ellende, waaraan ik moest denken. Ik wilde liever dat ik niet geboren ware geweest, in plaats van aan mijn verjaardag te denken.

Moeder kwam ook nog bij mij met eene parasol, een zomermantel en wat lekkers, dat mijne kinderen hadden gestuurd, zooals zij zeide, met een briefje er bij. Maar dat alles kon mij niets schelen. Ik wilde den brief zelfs niet eens lezen. Zoo verduisterd was ik in het verstand en vervreemd van mijn gemoed. Juffrouw Vos heeft toen den brief hardop voorgelezen , maar ik verstond er niets van. Ik riep maar steeds: „Te laat, te laat!quot; Zoo beleefden ze den eenen dag dit met mij, en den anderen dag dat, maar ik zelf beleefde niet minder.

Op zekeren avond werd ik weer boven gebracht, uitgekleed, in bed gelegd en aan armen en beenen vastgebonden. Toen juffrouw Lucie weg wilde gaan (de Moeder, die meestal meekwam om mij vast te binden, was reeds weg), kreeg ik door de benauwdheden en schrikkelijke ingevingen zulk eene macht in mij , dat ik mijne beenen in eens losrukte en weer half voor het ledekant stond, de beenen er voor en het lichaam er in. De juffrouw kwam dadelijk naar mij toe, en zeide: „Heb je van je leven zoo iets bijgewoond !quot; Toen ik weer in bed was gelegd, werd Moeder Kassies geroepen en werden mijne beenen opnieuw gebonden. Evenwel niet gemakkelijk, daar ik van angst zóó tegenspartelde, dat juffrouw Vos er bij te pas moest komen. Maar nauwelijks gebonden, rukte ik mij met al de macht die ik in mij kreeg weer los; doch eindelijk bleef ik liggen, ofschoon juffrouw Lucie nog een poosje bleef om te zien of ik er ook uit zou komen.

Den nacht die er op volgde had ik een vreeselijken droom. Ik droomde dat ik naar een afgrond werd getrokken met ledekant en al. Ik zonk hoe langer hoe dieper en zag allerhande gedrochten van beesten die mij aangrijnsden, alsof zij mij wilden verslinden. Ik hoorde verschrikkelijke geluiden door elkander, nog erger dan de zeehonden in Artis. Allen schreeuwden of, liever gezegd, gilden even hard. Onder dat alles bleef ik maar steeds dalen, en hoe lager ik kwam hoe verschrikkelijker de gezichten en de geluiden van de beesten werden, zoodat ik zóó angstig werd, dat ik om hulp begon te roepen, ofschoon er geen hulp kwam en ik in dezen doodsangst bleef tot op het oogenblik dat ik het ledekant uit elkander zag vallen, en ik wakker werd.

ocr page 102

86

Terstond wilde ik opstaan, maar was gebonden en kon dus niet. Een oogenblik later maakte men mij los, hielp mij kleeden en bracht men mij naar beneden, waar ik als naar gewoonte gevoerd en daarna op een stoel in den hoek geplaatst werd. Nu dacht ik over den droom , die mij zooveel schrik aangejaagd had, en beefde als een riet. Door dien droom was ik weer veel minder geworden, daar ik niets waarnam wat om mij heen gebeurde, en half verstond wat er gesproken werd; alleen aan de stem herkende ik wie er sprak. Aan niets anders dacht ik dan aan hetgeen mij werd ingegeven , namelijk dat daar de hel was. Ik begreep maar niet hoe ik nog leefde; want ik was wel zonder besef, maar toch hoorde ik nog honderden malen; „Nu gaat ge dood en naar de hel.quot; Wat ik ondervond en in mijn binnenste hoorde, kwam niet overeen. Dan dacht ik weer dat ik dood en in de hel was, vanwege de pijnigingen in mij en de duisternis in en om mij heen, en dan voelde ik weer dat ik werd aangekleed, dan met eten gevoerd, en dan naar bed gebracht en gebonden; dan werd ik in den arm genomen en liepen wij buiten, en dan weer, als ik veel lawaai had gemaakt of vuil was geweest, bracht men mij in de cel. Daarom ging de gedachte niet van mij weg; Ik leef nog, maar ik begrijp het niet.

HOOFDSTUK VI.

In eene andere afdeeling; de duisternis trekt een weinig op.

Op zekeren dag werd ik weer in den arm genomen en voelde ik een oogenblik later dat wij buiten liepen. Wat er toen met mij is gebeurd, weet ik niet; doch na eenigen tijd kreeg ik wat besef en merkte dat ik in eene geheel andere omgeving was, en dat ik nu andere menschen zag dan die ik het eerst had gezien. Er was een veel grooter tuin met banken er in, en waarin veel meer menschen liepen dan waar ik het eerst was geweest. Het was net of ik ook kalmer was.

ocr page 103

87

Tusschenbeide zat ik rustig alleen op eene bank, maar vloog soms in eens weer op, als ik eene ingeving kreeg van het eeuwige vuur en van de beesten uit den afgrond. Daar ik dan opnieuw beangst werd, stond ik om mij te verzetten op, maar het hielp niet veel, want telkens kreeg ik die stemmen weer in mij, ook als ik liep. Op eens hoor ik in de handen klappen en zie de menschen uit den tuin gaan, behalve eene die op eene bank bleef zitten en eene die bij een boom stond. Ik bleef ook heen en weer loopen, niet wetende wat dat handgeklap beduiden moest. Er kwamen echter twee juffrouwen aan , die ik hoorde zeggen : ,, Kom , Alida en Margo, etenquot;; de eene juffrouw nam de twee ieder in den arm, terwijl de andere juffrouw naar mij kwam, en zeide: „ Kom, mevrouw, koffie drinkenquot;, en mij ook in den arm nam. Ik bekeek haar van het hoofd tot de voeten, en dacht: Dat is juffrouw Lucie niet, ook niet juffrouw Cato en ook niet juffrouw Vos. Wie zou dat zijn? Daar begrijp ik niets van. Hoe kom ik hier toch? De menschen zijn hier veel anders dan die ik vroeger zag. Dat begrijp ik niet.

De juffrouw bracht mij door eene zaal, waar vele menschen aan tafel zaten te eten naar eene kamer waar drie aan tafel waren en eene juffrouw die voor het theeblad zat en eene frissche kleur en een lachend gezicht had. Op een stoel aan tafel gezet begon ik dadelijk aan mijn boterham met kaas, die voor mij stond. Maar de juffrouw zette het een eind van mij, daar ik moest wachten tot er gebeden was. Na het gebed kreeg ik het terug en mocht het toen opeten. Onderwijl keek ik telkens naar de juffrouw met het lachend gezicht, en dacht: Ge zijt toch Moeder Kassies niet. Ik kan het niet begrijpen; de stem is het ook niet. Toen ik mijn boterhammen had opgegeten, en de juffrouw maar bleef aankijken, legde zij nog een boterham van het bord met brood dat in het midden van de tafel stond, op mijn bordje. Zoodra ik die ook op had, stond ik op en wilde de deur uitgaan. De deur was evenwel gesloten, maar ik bleef er vóór staan totdat de juffrouw had gelezen en gedankt; want toen werd de deur open gedaan en ging ik in den tuin, waar reeds vele menschen waren.

Eene van hen sprak mij aan en vroeg hoe ik heette. „Dat weet ik nietquot;, zeide ik, „hoe heet u?quot; Zij antwoordde: „Juffrouw van Gelder.quot; Zij kwam uit Friesland, maar ging spoedig weer naar huis, want haar broeder kwam haar halen. Daarop ging zij van mij weg. Ik dacht: Ik wilde dat ik

ocr page 104

88

mee mocht, want ik woon ook in Friesland. Met de grootste moeite moest ik evenwel mij bedenken, waar ik in Friesland gewoond had en hoe ik heette; doch het was weer op eens zóó duister in mij, en er verdrongen zich zooveel ingevingen, dat ik er niet meer aan kon denken. Ik liep maar heen en weer, nu weer mij zelve afvragende, waar ik nu toch zou zijn.

Na eenigen tijd werd er weer in de handen geklapt en kwam er eene juffrouw om mij te halen voor het eten. Toen ik aan tafel zat, zeide de juffrouw met het lachende gezicht: ,, U mag niet aan uw eten komen vóór dat wij gebeden hebben.'quot; Ik keek haar eens aan, bleef stilzitten, en kwam niet aan het eten. Zoodra het gebed was gedaan, zeide zij: „Ziezoo, nu mag u beginnen.quot; Maar ik wilde terstond na den eten de deur weer uit, doch deze was gesloten, en ik moest dus wachten tot de juffrouw die na het lezen en danken ontsloot. Toen ik daar zoo stond, werd mij in mijn binnenste gezegd: „Wee, wee dengenen die ergernis geven.quot; Maar ik begreep niet wat dat beteekende en liep daarom gauw naar den tuin , beangst voor de stem die weer zoo hard in mij klonk. In den tuin heen en weer loopende moest ik het ook daar wel honderdmaal hooren. En naarmate ik de beteekenis minder kende, sidderde ik te meer, omdat ik die woorden nog nimmer had gehoord en dus niet wist vanwaar zij kwamen.

Nadat ik zoo eenige uren in dien angst had heen en weer geloopen, moesten we thee drinken en daarna naar bed. De juffrouw die mij boven bracht, kleedde mij uit en legde mij in bed, zonder dat ik werd vastgebonden. Ik sliep spoedig in en den volgenden morgen bij het opstaan kleedde ik mij zelf aan, ofschoon de juffrouw mij moest wasschen; ik dacht daar zelve niet aan en was vóór het wasschen reeds gekleed.

De hoofdjuffrouw, zooals ik haar weer in mijne gedachten noemde, was reeds beneden in de kamer en zeide bij mijn binnenkomen: „Goeden morgen mevrouw!quot; waarop ik eveneens zeide: „Dag juffrouw!quot; Zij gaf mij een kopje thee met suiker; terwijl ik dat uitdronk, kwamen er nog meer patiënten, met wie wij, nadat de juffrouw gebeden had, samen aan tafel ons ontbijt nuttigden. Toen de juffrouw las, zag ik haar aan en hoorde haar zeggen, dat Jezus hen op de wolken te gemoet kwam. Een gevoel van vreugde overstroomde mij, maar het was, helaas, in eens weer verdwenen, daar ik eene stem in mij hoorde zeggen: „Ja, maar jou niet.quot; Ofschoon ik in den tuin, waarheen ik dadelijk na het lezen

ocr page 105

89

en danken ging, ten prooi bleef aan allerlei ingevingen, kwam mij toch een paar keeren te binnen, dat Jezus hen op de wolken te gemoet kwam. Dat verheugde mij en ik dacht er over, wat dat zou wezen. Eindelijk vroeg ik eens aan Juffrouw van Gelder, wat het beteekende, dat Jezus hen in de wolken te gemoet kwam. „Dat staat in den Bijbelquot;, zeide zij, „maar wat het beteekent, weet ik niet; dat moet ge den dominé vragen.quot;

Eenige dagen later gevoelde ik mij veel beter en dacht: hier is zeker geene cel. Ik wandelde geheel vrij, nu binnen en dan buiten in den tuin. Eens ging ik naar de groote zaal, waar de hoofdjuffrouw bezig was koffie te schenken, en zeide: „Juffrouw, mag ik hier niet van daan; mag ik hier blijven; ja, juffrouw, mag ik hier blijven?quot; waarop de juffrouw ten antwoord gaf; „Ja. hoor, u mag hier blijven; u behoeft hier niet vandaan. Wees maar niet bang.quot; Daarbij was ook een heer in de zaal tegenwoordig, dien ik „Vaderquot; hoorde noemen ; de juffrouw noemden ze „Moederquot;. Nu, ik was wat blij dat ik blijven mocht, want dan kwam ik niet in de cel, dacht ik.

Zoo ging het eenigen tijd steeds beter. Ik kon mij zelve aankleeden en zelf eten; zelfs vroeg ik Moeder om wat naaiwerk en ging zitten naaien. Kreeg ik dan eene ingeving: „ Het baat je toch niet, ge gaat toch naar de helquot;, dan legde ik mijn naaiwerk neer en liep met de vreeselijkste gedachten in den tuin. Maar dan kwam er ook deze andere ingeving: „Er is al zoo dikwijls in mij gezegd dat ik dood en naar de hel ging, en toch leef ik nog; en nu ik weer wat kan doen, neen, nu wil ik ook.quot; Dan week de benauwdheid en ging ik weer zitten naaien, en naaide dan zóó vlug, dat Moeder Neuhaus, zooals die Moeder heette, tegen mij zeide; „Heeft u dat al weer af?quot; Ik kreeg dan opnieuw naaiwerk, waaraan ik bij een tafeltje onder de veranda zat te werken met Mej. van Gelder. Soms kwam dan wel eens de Mevrouw van den dokter of Mevrouw Chevalier bij ons, om eenige woorden van troost en bemoediging te spreken. Zij konden zich haast niet begrijpen dat ik zoo spoedig vooruitging, aangezien er zooveel met mij was gebeurd in den tijd van vier maanden. Spraken zij van den goeden God , dan kreeg ik zulke ellendige ingevingen, dat ik weer zat te beven, en dacht; Neen, God is toch niet voor mij, wel voor u. Dan had ik groote moeite om te blijven zitten, maar kon er mij toch met kracht tegen in zetten, en weer aan mijn naaiwerk gaan, dat dan weer zooveel te sneller af kwam.

ocr page 106

9°

Daar was te gelijk met mij eene kranke, Juffrouw Vogel, die altijd een tafeltje nam om daarbij in den tuin te kunnen zitten naaien. Zij was in den regel zoo toegetakeld met doeken om haar hoofd, dat ik haar altijd moest aankijken. Met haar deed ik ook wel eens om het vlugst naaien, maar dan won zij het. Eens dat ik haar daar weer zag zitten, maakte zij een groot leven. Zij schreeuwde met het hoofd naar de lucht gekeerd: „Wil jelui daar eens blijven; wil jelui wel eens weggaan? Ik kan niets doen. Jelui houdt mij van mijnwerk. Ja, ik zie jelui wel. Gaat ge weg, gaat ge weg, gaat ge weg! quot; Ik dacht; Tegen wie doet zij dat? Daar begrijp ik niets van. Toen vroeg ik aan Juffrouw van Gelder: „Tegen wie doet Juffrouw Vogel dat?quot;

Zij antwoordde: „ Ach, nu heeft zij het weer tegen den duivel.quot;

„Maar er is toch geen duivel?quot; zeide ik en stond meteen op , omdat het te gelijker tijd in mijn binnenste zoo angstig werd, en ik verder aan een duivel niet wilde denken, niet wetende dat er wel degelijk een duivel was, en dat ik die zelfs in mij had. Eerst liep ik nog wat heen en weer met de gedachte: Er is geen duivel, dat verbeeldt zij zich maar. Maar ik kon niet tot rust komen en ging ook niet weer zitten naaien, daar ik van den duivel niets wilde hooren noch zien.

HOOFDSTUK VIL Ik schrijf een brief aan mijne kinderen.

Eens op een ochtend dat ik had zitten naaien, kwam Moeder Neuhaus bij mij, en zeide: „Mevrouw, u moest eens naar uwe kinderen schrijven.quot; Ik kreeg een schok door mijn lichaam, maar zeide toch: „Dat is goed.quot; Moeder haalde papier en inkt en ik begon te schrijven, eene bladzijde vol:

„ Lieve Kinderen !

„Ik ben wel wat beter, maar niet heelemaal. Ja, nu zien wij hoe wij gestraft worden, als wij niet doen

ocr page 107

9i

wat God zegt. Wij hebben maar altijd voortgeleefd in de wereld, en nu word ik gestraft. Misschien word ik nooit weer beter. Het is mijn eigen schuld. Jelui moet maar goed oppassen, hoor! Zoen Usie voor mij.

„Na jelui in gedachten omhelsd te hebben, blijf ik jelui's liefhebbende Moeder.quot;

Ik was er zelf verheugd over, omdat er de naam van God in stond, en dacht: Nu zullen mijne kinderen wel goed oppassen, als zij dien naam lezen. Ik bracht den brief aan de Moeder, en vroeg of hij spoedig werd verzonden. Daarna in den tuin loopende, dacht ik aan niets anders dan aan den naam van God. Dat had ik nog nooit, geloofde ik, geschreven, ofschoon ik in heel mijn leven haast geene brieven geschreven had. Toen ging ik weer zitten naaien met de gedachte : Ik wil ook mijn best doen; misschien word ik dan geheel en al beter.

Eenigen tijd daarna, dat ik weer naaiwerk had verricht, maar ook angst had over de voortdurende stem in mij, die zeide: „Ge wordt toch nooit beter, maar wel ergerquot;, ging ik voor verstrooiing in den tuin wandelen, en hoorde toen den dokter spreken. Ik zie door de boomen om te weten tegen wien de dokter sprak, maar wie schetst u mijne verbazing: daar zag ik den dokter met mijne twee oudste kinderen. Ik gaf een gil van verrukking, en riep: „O, mijne kinderen!quot; Zij kwamen naar mij toe en ik vloog hen om den hals. „Wel, mevrouwquot;, zeide de dokter, „nu zal u wel blij wezen, dat uwe kinderen u komen bezoeken, is het niet ? En nu mag u met hen uit!quot; Ieder hunner gaf ik een arm, en toen gingen wij den tuin in, de deur van het paviljoen uit en wandelden samen in de bosschen.

Mijne kinderen hadden wat koekjes en peredrups meegebracht , waarvan we tusschenbeide iets gebruikten, terwijl ik vroeg, hoe Usie het maakte. Usie was de jongste van de meisjes die ik had overgehouden en was toen tien jaar. Ik vroeg verder, of zij nog op school ging, en zeide: „ Ge moet ze naar de kerk zenden. Gaan jelui wel eens naar de kerk?quot; Mijne dochters antwoordden: „Ja, maar niet anders dan naar Ds. Hugenholtzquot;, waarop ik alleen antwoordde: „O, naar die!quot; Ik had wel meer willen spreken, maar kon niet. Het scheen of alles in eens weer duister in mij werd.

Nadat wij nog een poosje hadden rondgeloopen, brachten mijne kinderen mij weer thuis. Toen volgde het afscheid,

ocr page 108

92

dat natuurlijk met huilen gepaard ging. Toch was ik blij hen gezien te hebben. Ofschoon het, nadat zij vertrokken waren, etenstijd was, kon ik niet eten, en ging dus, zoodra de maaltijd was afgeloopen, naar den tuin. Allerlei gedachten warrelden toen door mijn hoofd en het meeste klonk het in mij: „Het is je eigen schuld.quot; En ik dacht: O, kon ik nog maar terug, wat zou ik anders worden en God vreezen. Hoe zou ik dan mijn best doen.

Zoo verliep de eene week na de andere. Immer zat ik te naaien en tusschenbeide nam ik eens een boek ter hand. Maar ik legde die in den regel weer weg; ik vond er niet veel aan, behalve „De Negerhut van Oom Tomquot;, dat ik mooi vond en dikwijls las. Zoo eens weer op een stoel zittende onder de veranda, kwam Ds. Notten bij mij. Z.Ew. sprak eenige woorden met mij en vroeg toen of ik geloofde. „Jaquot; antwoordde ik. „Nuquot;, zeide de dominé, „dan is U , zoo ik hoop, behoudenquot;, meteen heengaande.

Teen ontstond er eene andere vraag voor mij. Ik dacht er over na : „ Moet ik nu gelooven , dat ik behouden ben, en in mijn binnenste wordt zoo dikwijls gezegd dat ik naar de hel ga, omdat ik de wereld heb gediend? Waarom ben ik dan telkens zoo benauwd en ellendig van die nare ingevingen ? En wat geeft het nu of ik al zeg, dat ik geloof? Dat geloof geeft mij niets; ik blijf even beangst en weet niet wat mij zal overkomen. Met deze gedachten in den tuin wandelende dacht ik: Ik wenschte dat de dominé mij maar hielp, want ik gevoel mij lang niet zoo goed als ik geweest ben, hoewel ik alle krachten inspande om maar goed te blijven, daar de dokter mij gezegd had, dat mijn jongste dochtertje ook eens mee mocht komen. Dat zou nu de volgende week zijn. Daarom deed ik mijn best hard te naaien. Ook luisterde ik wel eens als Moeder Neuhaus uit den Bijbel voorlas, en dan vroeg ik haar of dat waar was. Zij antwoordde dan: „Zeker, alles wat in den Bijbel staat is waar.quot; En dan werd het in eens weer duister in mij en hoorde ik stemmen in mij zeggen: „Dat is niet waar, dat moet geniet gelooven.quot; Ging ik dan heen, dan kon ik mij ook niet meer herinneren wat de Moeder had gelezen, terwijl ik allerlei vreeselijke ingevingen opnieuw in mij kreeg. Dan werd mij weer ingeblazen dat een mensch van een aap afstamt; dat apen ook armen en beenen hebben, en dat wij door de beschaving zooveel mooier en blanker waren geworden. Dat geloofde ik dan ook weer, en dacht: Dood is dood. Maar ik heb toch dat eeuwige

ocr page 109

93

vuur gezien, waarvan Moeder Kassies heeft voorgelezen en die beesten in den afgrond. Neen, dood is niet dood.

HOOFDSTUK VIII.

De verantwoordelijkheid voor mijne kinderen drukt zwaar op mij.

Door zulke gedachten geteisterd, liep ik nu eens in den tuin en dan zat ik weer te naaien, toen op een Woensdag, mijne oudste dochter met Usie mij kwam bezoeken. Ik mocht met hen gaan wandelen en wij gingen daartoe door de bosschen. Toen wij bij een land kwamen, waar ter zijde van eene sloot bramen groeiden, gingen wij aan het plukken.

Dit werk was mij niet onbekend. Als ik toch met de andere kranken en juffrouw Rika ging wandelen, dan mochten wij altijd bramen plukken, die ik heerlijk vond. Behalve juffrouw Rika, waren er nog twee verpleegsters bij Moeder Neuhaus, juffrouw Louise en juffrouw Geertje.

Toen wij een poosje hadden geloopen, kwamen wij juffrouwenverpleegsters tegen, die ook met kranken wandelden, voor wie mijne kinderen erg bang waren. Doch ik stelde hen gerust, en zeide; „ Zij doen ons niets, al maken sommigen de zonderlingste grimassen met woorden en gebaren.quot;

Nu dan, zoo rondloopende met mijne kinderen, beval ik Usie naar de Zondagsschool te gaan. Zij keek mij eens aan, maar zeide niets, en ik zelf kon er ook niet meer over spreken , daar ik beangst werd door de stem, die weer in mij zeide; „Je kind gaat ook naar de helquot;, zoodat wij eene poos stilzwijgend naast elkander voortliepen, zonder dat ik een woord kon uitbrengen, al maar mijn kind aankijkende, denkende: Moet je ook nog zoo lijden als ik?

Eindelijk was de tijd van vertrek aangebroken. Mijne kinderen brachten mij thuis, naar het paviljoen n0. 10 en gingen toen heen. De kleinste huilde bitter, en riep : „Maatje, Maatje, dag lieve Maatje, komt u gauw bij ons terug?quot; Ik gaf geen antwoord, maar liep naar den tuin om hen van daar nog

ocr page 110

94

eens te kunnen zien, wat nu evenwel vanwege de boomen niet kon. Toch riep ik hen nog toe: „Dag kinderen!quot;

Ofschoon het tijd van eten was, kon ik toch niet eten, en mocht daarom in den tuin blijven om over mijne ellende na te denken, waarin ik door eigen schuld gedompeld lag. Na de thee werden wij naar bed gebracht. In het eerst kon ik niet slapen en keerde mij wel vijftig maal om. Ik dacht maar al: Moet mijn kind nu ook naar de hel? Ja, ik heb haar ook in het vuur gezien en dat is mijne schuld. Had ik haar maar naar de kerk en de Zondagsschool gestuurd in plaats van overal met haar heen te gaan om pleizier en pret te hebben. Ik moest toch als kind ook naar de kerk. O, het is mijne eigene schuld. Wat moet ik er nu voor boeten. Ach, werd ik maar beter, dan zou ik hen anders leeren, en dan kregen zij ook niet in alles hun zin. O, wat zou ik heel anders handelen. Nu is het te laat; het is mijne eigene schuld.quot; Doch zoo redeneerende, met groote benauwdheid gepaard, sliep ik eindelijk gerust in.

Den volgenden morgen kleedde ik mij spoedig aan, en toen de verpleegster boven kwam om ons te roepen, stond ik reeds voor de deur. De verpleegsters gingen altijd een uur vroeger naar beneden om eenige werkzaamheden te doen en kwamen dan daarna ons roepen en verder de erge kranken helpen kleeden. „Hé, mevrouwquot;, zeide de juffrouw, „is u al klaar; dat is vlug. Nu dames, zoo moesten jelui ook zijn.quot; Toen ik naar beneden en door de groote zaal liep, stond daar Vader Neuhaus, die tegen mij zeide: „Wel, wel, mevrouw, wat is u van ochtend vroeg benedenquot;, waarop ik bevestigend antwoordde en doorliep naar den tuin. Ik gevoelde mij allesbehalve op mijn gemak, door de ingevingen, dat het mijne schuld was dat mijne kinderen ook naar de hel gingen. Ik had hen beter moeten voorgaan en laten leeren. Handenwringend riep ik: „Kon ik nog maar terug, dan zou ik wel zorgen dat wij anders leefden, dan behoefden zij niet naar de hel. O, kon ik maar bidden.quot;

Den ganschen dag liep ik in den tuin met deze gedachten, zonder iets te kunnen naaien, ja zelfs verliepen er zoo een paar weken. lederen dag hoorde ik opnieuw de grootste beschuldiging, dat ik altijd maar aan mij zelve had gedacht om lekkertjes te leven, en naar mijn naasten niet had omgezien en mijne kinderen voor de hel had opgevoed; in plaats van voor den hemel om godzaliglijk te leven, had ik hen voor de wereld opgevoed om verloren te gaan.

ocr page 111

95

Ofschoon ik toen reeds weer aardig bij mijn verstand was, wist ik toch niet wat ik doen moest. Las Moeder Neuhaus in den Bijbel, dan luisterde ik wel, maar als zij gedaan had, wist ik er niets meer van. Eveneens met het bidden. Had Moeder gebeden, dan had ik er alleen „Amenquot; van onthouden , ofschoon ik haar onder het bidden bleef aanzien om het goed te hooren, en toch was ik het weer dadelijk vergeten. Dan liep ik moedeloos heen, en dacht: Het geeft toch niets; maar wat moet ik beginnen; zóó kan ik niet langer leven, met zulke ingevingen en angsten dat ik naar de hel ga. Ben ik al niet ellendig genoeg? Ik durf mijne kinderen ook niet weer te zien, want het is mijne schuld; ik heb hen ongelukkig gemaakt. O , die gevloekte wereld ; was zij er maar nooit geweest.

Dit leven in de grootste smarten en pijnigingen der ziel duurde verscheidene dagen. Ik sprak tot mij zelve: „Had ik maar niet zoo in de wereld geleefd; had ik maar anders geleefd, dan had ik zeker zóó niet behoeven te lijden als nu, en dan toch nog naar de hel te moeten. O, het is verschrikkelijk. Waar moet ik het toch vinden; wist ik maar raad. Zóó kan ik niet langer leven.quot;

Toen dat zoo eenige weken had geduurd, zouden, volgens afspraak met den dokter, om de vier weken, op een Woensdag, mijne kinderen mij komen bezoeken. Den eenen keer kwam de jongste met de oudste en den anderen keer met de middelste, 's Maandags te voren had ik een brief gekregen dat zij met den trein van half tien op Veldwijk zouden aankomen , en terwijl ik dus in den tuin op en neer wandelende tevergeefs op hen wachtte , kwam de dokter met een telegram, dat zij om half een in plaats van om half tien zouden komen ; ik zeide niets en de dokter ging weer heen.

Ter bestemder tijd kwamen mijne kinderen toen, en wij gingen gelijk vroeger in de bosschen wandelen. Zij hadden weer het een en ander medegebracht, maar ik wilde er niets van nuttigen, hun telkens schuin aankijkende, met de gedachte; Jelui moest eens weten waar ge naar toe gaat, en waar je moeder de schuld van is, dan zoudt ge nu niet zoo gerust zijn, en ge zoudt van je moeder niets willen weten. Zoo met den vreeselijksten angst voortloopende, riep ik telkens overluid: „Wat moeten wij beginnen, nu het te laat is?quot; Mijne kinderen zagen vreemd op, en vroegen: „Wat bedoelt u met: te laat?quot; Maar ik antwoordde hen niet, en toen wij eenigen tijd zoo hadden geloopen, brachten zij mij, omdat ik

ocr page 112

96

steeds onrustiger werd, naar het paviljoen terug, zeggende tegen Moeder: „Ma is lang niet zoo goed als zij geweest is.quot; „Neenquot;, antwoordde Moeder, „zij naait ook niet meer, en toch heeft zij een poosje zoo flink gewerkt; niet waar mevrouw? Was dat niet veel prettiger? Dat moest u weer doen. U moet er niet zoo aan toegeven. U moet wat doen.quot; Ofschoon ik geen antwoord gaf, dacht ik toch: Ja, jelui moest het eens voelen, dan zoudt ge wel anders praten. Toen mijne kinderen aan Moeder Neuhaus vroegen, of ik ook nog iets noodig had, antwoordde zij: „Ja, pantoffels, want uwe mama loopt nog al veel.quot; Daarop gingen zij heen, met de belofte over vier weken terug te zullen komen.

Daar ik toch niet kon eten toen zij weg waren, ging ik naar den tuin, met de gedachte in het hart, dat ik mijne kinderen nu niet terug zou zien, want dat ik nu naar het eeuwige vuur ging. Hierover denkende, werd ik steeds ellendiger; ik probeerde nog wel te naaien , maar kon niet, daar ik steeds werd voortgedreven en nimmer rust had van de ingevingen. Soms vloog ik op van den angst en liep als radeloos door den tuin. Zat ik aan tafel, dan dacht ik tusschenbeide: Nu zal ik eens goed opletten wat Moeder leest, maar hoe ik ook oplette, ik verstond er niets van, terwijl ik eene stem in mij kreeg, die zeide: „Och, ge gelooft het toch niet, ge hebt er ten minste nooit naar geleefd. Wat geeft het dan als ge het gelooft? God moet daders hebben, maar geen hoorders. En dan maar te zeggen: ja, ik geloof; dat baat je niets.quot;

Dan ging ik naar den tuin, dacht er over na, en zeide tot mij zelve: O, kon ik maar terug, wat zou ik anders gelooven ; wat zou ik mijne kinderen eene goede opvoeding geven. Dan gingen wij in plaats van naar de comedie, naar de kerk. En wat zou ik dan een goed doen. Ik zou er alles wel voor willen geven. O, kon ik nog maar terug. En met verheuging des harten over zulke gedachten , die soms eenige uren duurden , riep ik dan uit: „O. wat zou ik dan gelukkig worden en mijne kinderen. O, mijne kinderen behoefden dan niet naar de hel , want dan zouden wij leven zooals God het wil.quot;

In zulke oogenblikken liep ik met zooveel moed, alsof ik dat geluk reeds voorgoed bezat. Maar jawel. Na dergelijke opflikkeringen verviel ik in nog grootere duisternis terug, zoodat ik weer diep ongelukkig werd en niet wist wat ik deed. Evenals vroeger, liep het vuil langs mijne hielen en ik zie nog Moeder Neuhaus het met den bezem achter mij wegvegen, als ik onder de veranda had gestaan. Gelijk dan, werd ik ook menigmaal

ocr page 113

uit den tuin gehaald om naar numero oo te worden gebracht, opdat de verpleegsters mij dan niet behoefden te redderen. Het was dan ook niet alles, ofschoon zij nooit iets anders zeiden dan; ,, Kom, gaat u eens meeen dan werd ik in de badkamer geholpen.

HOOFDSTUK IX.

De booze laat zijn prooi nog lang niet los.

Den volgenden keer toen mijne kinderen kwamen, en waarvan ik slechts half besef had, werd ik, na aangekleed te zijn, door Vader weggebracht naar het zoogenaamde „Lokaaltjequot;. In dat Lokaaltjequot; was vroeger, toen er nog niet een kerkgebouw gezet was, kerk gehouden. Nu werden er des Woensdags de bezoekers van de kranken in ontvangen , die er van koffie en brood werden voorzien en er hunne hier vertoevende familieleden mochten zien en spreken. Vroeger kwamen de bezoekers aan de paviljoens, maar nu in het „Lokaaltjequot;, dat vlak tegenover het huis van den dokter stond.

Toen ik binnenkwam stond de mevrouw van den dokter met mijne kinderen te praten, zoodat zij voldoende op de hoogte waren hoe ellendig ik weer was. De kinderen zoenden mij en vroegen hoe het met mij ging en de mevrouw van den dokter vroeg of ik niet blij was dat ik hen zag. Ik gaf echter op alles geen antwoord en trok mijne kinderen de deur uit om met hen te loopen. Onder het wandelen kon ik niets anders uitbrengen dan de jammertaal: „Te laat, te laat. Och heden, och heden, wat moet ik beginnenquot;, zoodat mijne kinderen blijde waren dat zij mij thuis konden brengen naar paviljoen n0. 10. Vader deed open en zeide: „Wacht, ik zal even Moeder roepenquot;. De Moeder vertelde toen aan de kinderen dat het lang niet best met mij ging, en dat ik zoo vuil was, zoodat mijne kinderen zich over mij schaamden. Maar wat hielp het ? Gedane dingen nemen geen keer. Moeder gaf hun de hand, zij zoenden mij en gingen heen, terwijl ik

7

ocr page 114

98

hen in de gang nog nariep: ^Het is mijne eigene schuld; het is mijne eigene schuld.quot;

Juffrouw Geertje deed mijn goed af en zeide: „Ja, het is allemaal onze eigene schuld, maar dan moet u tot den Heere Jezus gaan en bidden om vergeving.quot; „Neenquot;, antwoordde ik, „voor mij is er geene vergeving, voor mij niet, nooit.quot; „Jawelquot;, zeide juffrouw Geertje, „David was een man naar Gods harte, en toen hij zondigde en tot God kwam, kreeg hij vergeving. Als wij in oprechtheid tot Hem gaan, vergeeft God het ook.quot; „Juffrouw bid u voor mijquot;, zeide ik toen en liep haastig den tuin in, geheel verduisterd in het verstand. Ik wist zelfs niet eens meer dat mijne kinderen er geweest waren.

Van dag tot dag werd ik weer erger, zoodat ook de kinderen niet meer kwamen, daar zij niets dan ellende hoorden en zagen van hare moeder. Zij waren er in het begin van November 1890 voor het laatst geweest. Ofschoon de winter die daarna volgde zeer streng was, liep ik toch het grootste gedeelte van den dag in den tuin met een ronden zomerhoed op, en een wollen doek, dien mijne kinderen gehaakt en hem te gelijk met een wollen gehaakten rok hadden gezonden, om. Dien rok en dien doek ontving ik van hen voor mijn St. Nicolaas, met een trommeltje letterbanket, speculaas en chocoladeletters, dat ik alles in twee dagen opat. Telkens ging ik uit den tuin naar binnen om wat uit het trommeltje te halen en dat in den tuin op te eten. Mejuffrouw Rietema, ook eene kranke, die toen alleen in de kamer zat, gaf ik ook een stukje, waarvoor zij „dankjequot; zeide.

Zooals ik reeds mededeelde, het was dien winter schrikkelijk koud; de sneeuw lag wel een voet hoog in den tuin, maar daar liep ik bijna den ganschen dag met mijne pantoffels toch doorheen. Haalden de juffrouwen-verpleegsters mij naar binnen, toch ging ik weer naar buiten, en als zij dan aan Vader vroegen of het niet te koud voor mij was om buiten te loopen, dan zeide Vader: „Och, als mevrouw nu liever buiten wil wezen, laat haar dan maar gaan.quot; En ik was het liefste buiten , omdat ik het binnen niet kon uithouden vanwege de stemmen die met verwoedheid in mij weerklonken: „Je hebt je eigen kinderen vermoord; het is jou schuld dat zij naar de hel gaan. Je hebt een mooi geloof gehad. Weet je wel dat je van ieder woord rekenschap moet geven? En die het goede gedaan hebben zullen opstaan ten eeuwigen leven, maar die het kwade gedaan hebben gaan naar de

ocr page 115

99

eeuwige verdoemenis. God is een verterend vuur voor die Hem ongehoorzaam zijn.quot; Van angst brak het zweet mij uit. Ik liep hard door den tuin om deze stemmen maar niet te hooren. Maar hoe harder ik liep, des te heviger klonk het in mij, met eene pijn die ik niet kan beschrijven. Dan hoorde ik weer allerlei geluiden en zag vreeselijke gezichten, die ik niet van mij kon zetten. Zoozeer was ik geheel bewusteloos en buiten besef, dat ik 's nachts als een kind in een luier lag en 's morgens met de spons en een emmer water moest worden gereinigd. De verpleegsters moesten mij ook weer aan- en uitkleeden. Zelf kon ik niets doen en deed ook niet anders dan wat mij werd ingegeven. Mijne herinnering aan alles wat ik in mijn gansche leven had gedaan bleef levendig. Het een verdrong het andere, zoo kwam alles te gelijk in mij op. En ik had geen vermogen om mij er tegen te verzetten.

Zoo liep ik dag aan dag den geheelen winter door in de sneeuw. Toen kwam het voorjaar en daarmede het jonge groen aan de boomen , waarnaar ik stond te kijken zonder te weten dat het boomen waren. lederen dag zag ik de bladeren grooter worden en deed soms een teeken aan de kleinste bladeren om te zien of die ook grooter werden, en dan den volgenden dag zag ik dat ook zij inderdaad grooter waren geworden, ofschoon ik niet kon begrijpen hoe dat kwam. Soms liep ik daarover te suffen; hoe kan iets vanzelf komen.

En nog nam deze toestand toe. Er kwam zelfs een tijd dat ik niet meer wist dat ik kinderen had en dat ik getrouwd was geweest. Toen was ook alle herinnering weg. Eene enkele maal kreeg ik dan wel eens eene lichtstraal, zoodat ik bij mij zelve zeide:',,Ja, toch kinderen, mijn man, waar zijn die nu?quot; Maar dan was ook direct alles weer geheel weg en donkerheid in mij.

Ook kreeg ik toen geduchte aanvallen van verwoedheid; dan vloog ik dezen en dan dien aan van benauwdheid. Mij tegenhouden kon ik niet. Voor straf werd ik dan naar de cel gebracht, maar besef van wat ik deed of van de straf had ik niet in het minst. Was ik dan weer bedaard, dan werd ik weer uit de cel genomen.

ocr page 116

IOO

HOOFDSTUK X.

Op visite bij den dokter en gesprek met Ds. Not ten.

Op zekeren dag dat ik ook weer zoo wezenloos in den tuin rondliep, kwamen mevrouw en de dokter naar mij toe en zeiden; „ Kom, mevrouw, u moest eens met ons meekomen, dan blijft u vandaag bij ons eten.quot; Ik zag hen aan, doch zei geen woord. Mevrouw nam mij in den arm, ging met mij naar binnen, en zeide tegen Moeder; „Moeder, zij gaat vandaag bij ons eten.quot; Ik werd toen aangekleed en ging mee. Bij den dokter gekomen werd mijn goed afgedaan en mocht ik voor de ramen zitten, waar ik een kopje poeder-chocolade kreeg. Later werd er koffie gedronken en kregen we lange broodjes, koek, kaas en rookvleesch. Ik gevoelde mij er zoo gelukkig dat ik haast niets wilde eten. Na de koffie ging mevrouw met mij wandelen en vroeg mij onderweg naar het een en ander, bij voorbeeld of ik al weer een brief van mijne kinderen had gekregen en of ik hen niet weer eens zou willen zien. Op alles antwoordde ik „jaquot; en „neenquot;, alles door elkander, omdat ik maar half verstond wat mevrouw sprak. Immers de stemmen in mij spraken ook en overstemden het woord dat van buiten af tot mij kwam. Voortdurend hoorde ik maar: „Je hebt geene kinderen meer; die zijn al dood en in de hel.quot; Ik kon van angst geen woord spreken en dacht: Ik wilde dat ik maar weer alleen was. Straks hoort mevrouw het ook nog, zoo hard schreeuwen ze in mij. Zoodra mevrouw en ik thuis waren gekomen, kreeg ik een glaasje port met een taartje en een paar koekjes. Wel sprak mevrouw nog af en toe tegen mij, maar ik zeide niets meer. Toen de dokter thuis kwam, gingen wij eten: soep, doperwten, vleesch en aardappelen en pudding met witte saus. Aan tafel vertelde de dokter mij dat hij een brief van mijne kinderen had gekregen en reikte mij den brief over. Ik keek er even in en gaf hem toen weer aan den dokter terug. Na het eten ging de dokter uit den Bijbel lezen en wel Jesaja 53. Al lezende en verklarende, zeide de dokter tegen mij: „Hoort u wel, mevrouw, wat ik lees? Dat Jezus Christus onze striemen

ocr page 117

IOI

heeft gedragen, en dat Jezus om onze overtredingen is gewond?quot; Maar ik werd in eens weer zoo beangst en versuft, dat ik, naar een hoogen boom, die voor het huis stond, wijzende: vroeg: „Dokter, heeft dat daar altijd gestaan? En wie heeft het er neergezet?quot; De dokter las maar voort en zeide verder niets. Dat was ook het beste. Wat moest hij op die onzinnigheden antwoorden? Na den eten bracht de dokter mij aan den arm weer thuis. Onderweg bleef hij even staan, en zeide: „ De goede God heeft u hier gezonden om genezen te worden naar ziel en lichaam beide; dat zal u eens zien.quot; Ik zeide niets, maar eene stem in mij zeide: „Dat jokt die man; dat moet je niet gelooven; je hebt geene ziel.quot; Aan het paviljoen gekomen opende de dokter de deur met een sleutel en bracht mij binnen.

Niet .zoodra was hij weg, of ik ging weer in den tuin om er over te denken wat eene ziel was. Een mensch had geen ziel, wel een binnenste, dat voelde ik wel, en dat binnenste deed mij meer pijn dan mijn lichaam, ofschoon ik gaten in mijne hielen had van het heen en weer loopen. Die gaten voelde ik niet, maar wel het binnenste, dat brandde als vuur. En nog altijd dacht ik er met den grootsten angst aan dat ik naar de hel ging.

Eens dat ik weer in den tuin wandelde kwam Ds. Notten naar mij toe, en vroeg; „Hoe is het met u? Is u nog niet wat rustiger?quot;

„Neenquot;, antwoordde ik, „voor mij bestaat geen rust. Dat is voor mij te laat.quot;

— Neen, zeide de dominé, „zoolang wij hier op aarde zijn is het niet te laat. Daar op Golgotha heeft Christus Jezus alles volbracht.quot; Dit zeggende hief hij de hand op en wees naar den hemel.

„Jaquot;, antwoordde ik, „maar voor mij niet; daar ben ik veel te zondig voor, maar u niet.quot;

— O, zeide Ds. Notten, en dit zeggende legde hij de hand op het hart, ,, o ik ben zoo zondig.quot;

„Ja, van Adamswegequot;, riep ik en liep toen gauw weg, geheel aan mij zelve overgelaten om te bedenken, wie ik was en waar ik nu naar toe ging vanwege de zonden die ik gedaan had. Nogmaals ging heel het panorama van mijn leven aan mijn geest voorbij: schaken, kaartspelen, domino-spelen enz. alles te gelijk en met de grootste angsten ; daarbij maakte ik zelf de grootste grimassen, zooals wij wel eens deden bij de spelletjes. Dan ging ik weer dansen, met een vreeselijk

ocr page 118

I02

geluid van muziek; dan hoorde ik de biefstukwals en opera's spelen, en het zingen van

„Zoete lieve Gerritjequot;, ,

of: Ich weiss nicht was soil es bedeuten,

Dass ich so traurig bin.quot;

Vervolgens was het weer: „Dat is nog eens lieven, zoo'n leventje; dat behoeft ge niet te gelooven, maar kunt ge voelen. Je hebt nooit geloofd om Gods wil te doen. Je hebt nooit geliefd om je naasten bij te staan. Je hebt maar voor je zelf geleefd.quot;

Zoo ging de eene dag na den andere voorbij, altijd met dezelfde siddering, dezelfde angsten en benauwdheden, dezelfde pijniging en dezelfde stemmen en geluiden, en tegen dat alles was ik even machteloos als een pasgeboren kind. In dien tijd kreeg ik een gezwel aan de lip; de dokter gaf een potje zalf om te smeren en na eenigen tijd was dat weer verdwenen. Het eene kwam en het andere ging, maar ik zelf veranderde nog niets.

Toch werd bij voorbeeld mijne nieuwsgierigheid wel geprikkeld. Als Vader Neuhaus in den tuin was om iets te doen, dan ging ik overal bij hem staan. Harkte hij den tuin, dan zag ik af hoe hij deed; begoot hij de bloemen, dan liep ik hem overal na; zaagde Vader boomen, dan stond ik mij suf te kijken, omdat ik er mij geene voorstelling van kon maken hoe hij dat deed. En dit was opmerkelijk, dan was ik altijd kalm. Dikwijls loerde ik door de boomen of ik hem niet zag aankomen. Gewoonlijk toch liep ik achter in den tuin, maar als ik Vader zag, ging ik naar voren en stond vlak bij hem.

Gelijk ik reeds zeide, gingen de verpleegsters veel met de kranken wandelen. Meestal wilde ik niet mee; maar soms moest ik mee tegen wil en dank. Eens dat ik ook weer zoo was meegegaan op eene wandeling naar 's Heeren Loo, een gesticht waarin idiote kinderen worden verpleegd, en wij reeds op onzen terugtocht waren, ontmoetten we een paard met kar; het paard liet den tong op zij uit den bek hangen, waarop het schuim stond. Voor dat paard werd ik zóó beangst dat ik een heel eind van hen vandaan ging om het maar niet te zien. Toen wij thuis kwamen dacht ik aan niets anders, het bleef mij maar voortdurend bij.

ocr page 119

I03

Op een anderen dag was ik weer vreeselijk benauwd en zoozeer van den duivel bezeten dat ik met mijn voet een kruis in het zand maakte, en zeide; „Daar moest Jezus nog eens aan gekruisigd worden.quot; Toen wist ik niet wat ik deed, maar nu weet ik hoe bezeten ik toen was van den duivel, die met mij kon doen wat hij maar wilde.

Zat ik binnen aan tafel als er uit den Bijbel werd gelezen, dan stopte ik de vingers in de ooren , daar ik de woorden niet kon verdragen en er ook niet naar wilde luisteren. Dan kreeg ik in mij: „Hoor daar maar niet naar, het is toch voor jou niet; gij zijt veel te zondig en gaat toch naar de hel.quot; Tusschenbeide werd ik dan zóó kwaad, dat ik eens juffrouw de Ruiter, ook eene kranke, die naast mij zat, een klap gaf, en zeide: „En wel voor jou, hé?quot; De Moeder berispte mij daarover, doch juffrouw de Ruiter zeide niets, maar gaf mij eenige oogenblikken later wat eau de cologne en een pepermuntje, net alsof er niets gebeurd was. Ik had dan spijt en nam mij voor; Ik zal oppassen dat het niet meer gebeurt, maar mijne goede voornemens duurden niet lang; spoedig was het weer precies zoo.

Bovendien, hoe ik ook de vingers in de ooren stopte als Moeder in den Bijbel las, de stemmen in mij moest ik toch hooren, dat kon ik niet beletten. En die klonken: „Kiest wien gij dienen wilt; de wereld of God. De wereldling kent geen God. God laat zich niet bespotten. God is een verterend vuur.quot; Dan wist ik maar niet, hoe gauw ik weer naar den tuin zou komen. Ik kon dan op den stoel niet blijven zitten van angst. Ik kreeg dan ook weer allerlei andere ingevingen, die ik nu weet dat in den Bijbel staan, en welke de oordeelen Gods waren; en ofschoon ik het toen nog niet wist, gevoelde ik dat het de straffen Gods waren die ik aanhoorde en meer nog, moest gevoelen. Ik dacht dan: Wat moet het dan wel in de hel zijn, daar ik nu al zoo lijd. Als ik dan zoo heen en weer liep met de vreeselijkste oordeelen, kwam deze of gene kranke met mij spreken.

Op die wijze kwam ik ook te weten dat dokter Vermeulen dood was, en dat diens begrafenis zoo mooi was geweest. Het lijk was gedragen door de vaders en verplegers, en achter de draagbaar was de familie gevolgd: eerst Mevrouw Vermeulen, en de zoon van den dokter, toen nog een broeder, wiens vrouw ook op Veldwijk was, daarna Ds. Notten en dokter van Dale, en verder vele vrienden en bekenden, de vaders en moeders, verplegers en verpleegsters en eene

ocr page 120

I04

groote menigte belangstellenden. Het was eene groote rij geweest, zooals juffrouw van Gelder die den stoet had gezien het mij vertelde. Ds. Notten had bij het graf gesproken en nog eenige anderen. Het was alles zeer plechtig gegaan.

Met verwondering hoorde ik dat alles aan, maar sprak geen woord, en dacht: Wat zal die dokter nu gelukkig wezen, want hij was geen wereldling zooals ik. Al wandelende dacht ik over het gehoorde na, en wenschte maar dat ik die man was geweest, dan zou ik niet zoo ongelukkig zijn en wie weet waar ik nog naar toe ga.

Het werd weer alles duister voor mij. Het was niet om uit te houden vanwege de angsten en vreeselijke ingevingen. Van den eenen dag op den anderen liep ik daarmede rond. Onweerde het, dan was ik van den angst en de benauvvdheid niet te houden. Eens dat het ook onweer was, werd ik naar binnen gehaald. In de kamer werd ik zoo beangst, dat ik op eene kranke, juffrouw Rika, een jong meisje, aanvloog, die riep: „O, tante, daar gaan we.quot; Direct werd er door de juffrouw-verpleegster gefloten en kwamen de Moeder en de andere verpleegsters hard aangeloopen om mij naar de cel te brengen. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet. Ik verweerde mij schrikkelijk, zoodat Vader er ook nog aan te pas moest komen. Met geweld werd ik er nu in gebracht. Maar toen ik er bijna in was, kreeg ik zulk eene verbazende macht dat ik mijn arm en been tusschen de deur zette. Ik kreeg evenwel de deur op mijn arm en werd er toen zoo in geduwd.

Dat was wel goed zoo; zij hadden er anders met hun vijven mij niet in gekregen. Zoolang ik in de cel was en het onweer aanhield deed ik niets dan schreeuwen en gillen. Toen het onweer voorbij was getrokken , werd ik weer uit de cel gelaten en mocht ik weer naar den tuin, waar ik gewoon was achterin te loopen op eene lengte van circa 10 meter.. Omdat het zoo glad was als eene ijsbaan, ofschoon wij in den zomer waren, van het heen en weer loopen, noemden ze dat „het Sullebaantjequot;. Als er vreemdelingen kwamen om het paviljoen te zien, bracht Moeder Neuhaus hen meestal ook in den tuin en wees hen ,,het Sullebaantjequot;, waarom dan hartelijk gelachen werd. Maar ik stoorde er mij niet aan. Ik liep maar door en zag hen niet eens aan, daar ik genoeg had met aan mij zelve te denken. Dan kreeg ik wel eens eene ingeving: Zij lachen je uit, maar daar bovenop volgde dan spoedig eene andere: Die het langst lacht, lacht met God. En dan begon ik hardop te lachen. Daarop dacht ik

ocr page 121

ïos

weer: Hoe is het mogelijk, dat ik lachen kan? Ben ik nog niet ongelukkig genoeg? Moet ik nog meer gestraft worden? Heb ik nog niet genoeg zonde gedaan ? Moet ik nu nog gaan lachen in mijne ellende? En dat, terwijl ik weet dat ik naar de hel ga? 't Is eene schande van mij. Had ik het maar niet gedaan! Zoo liep ik dan eene poos kwaad op mij zelve, en had spijt over het lachen, totdat weer andere ingevingen kwamen. Dan dacht ik: Dat komt van het lachen, en brak mij het zweet uit enkel van benauwdheid.

Menigmaal kwam Ds. Notten bij mij in den tuin en sprak dan tegen mij over God en den Heere Jezus; maar ik wilde er weer niets van weten, en riep altijd: „Neen, voor mij niet, wel voor u.quot; De dominé zeide dan: „God zegt: Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.quot; Dan keek ik hem eens aan, maar antwoordde: „Neen, voor mij nietquot;, en wat de dominé ook sprak, terwijl hij mij een arm gaf, ik riep maar: „Voor mij niet.quot; En als dominé dan heenging, dacht ik aan al de schrikbeelden, die ik had gezien, en aan wat mij werd ingegeven, dat het te laat was voor mij.

Een anderen keer dat ik in den tuin liep, kwam eene juffrouw-verpleegster mij halen, 't Was juffrouw Neeltje, uit Schiedam afkomstig, die vroeger ook bij Moeder was geweest, maar een poosje wegens zwakte naar huis had mogen gaan. Ik herkende haar nog van de dagen, toen ook zij mij wel als een kind in de luier had geholpen. Zij nam mij in den arm, en bij de hand, en zeide: „ Mevrouw, bidt u wel eens?quot; „Neenquot;, zeide ik. Toen vroeg zij: „Willen wij van avond samen bidden?quot; „Jaquot;, antwoordde ik, „asjeblieft.quot;

Daar wij moesten eten, ging ik met haar naar binnen, maar zoodra Moeder begon te bidden en te lezen, stopte ik de vingers weer in de ooren; en toen het eten was afge-loopen, maakte ik gauw dat ik in den tuin kwam, zoo bang was ik dat er iets tegen mij zou worden gezegd over den Bijbel.

ocr page 122

io6

HOOFDSTUK XI. Visioenen van den Booze.

Het was op 31 Augustus 1891, dat ik in den tuin liep en de kranken hoorde zeggen: „De vlag waait van den watertoren , want de Koningin is jarig.quot; Overal om mij heen hoorde ik zingen; „Wien Neerlandsch bloed'quot;. Dat ging mij door alles heen. Dat lied kende ik; dat had ik ook gezongen. O, dan was ik altijd zoo vurig, als de Koning jarig was, en dan liep ik altijd met een oranjestrikje op de borst en keek alle menschen aan, alsof ik wilde zeggen: „Zie jelui wel hoe Koningsgezind ik ben?quot; Ja, dat kon ik mij nog best herinneren, ofschoon het met groote moeite was. Op eens dacht ik weer aan mij zelve, en kreeg ik de ingeving dat ik nu nooit meer zou zingen, en dat nu alles voorbij was. En hardop zeide ik toen: „ Nu maar, dat heb ik toch wel gemeend als ik dat zong, want als er één Koningsgezind was, dan was ik het.quot; Maar nu deed ik den boezelaar voor mijne ooren, en wilde niet meer hooren wat de kranken zongen.

Van alles door elkander kreeg ik toen in mij: „Voor jou is het te laat, dan hadt ge maar nietje eigen wil moeten doen; je geweten heeft het je genoeg aangezegd, maar daar wildet ge niet naar luisteren, en nu zijt ge verdoemelijk voor God. Ja, het is vreeselijk geen God te hebben en geheel aan den duivel te zijn overgegeven, naar wien je hebt geluisterd om lekker de wereld te dienen. De weg des goddeloozen zal een einde hebben. Tot zoo ver en niet verder, en dan is het gedaan.quot; En meteen kreeg ik weer al mijne zonden te gelijk voor mij; de eene verdrong de andere, met alle wereldsche muziek en zang, dat mij als eene hel in de ooren klonk, onderwijl er in mij werd gezegd: „Geef rekenschap van je daden en van je woorden van lieven en leven; wat je hebt gedaan.quot; Nu, dat werd mij een voor een voorgelegd. Zelfs werd er weer in mij geroepen: „Schaakmat; klaver troef; schoppenboer; domino; schaak de Koning; misère; ruitenheer; klaveren-vrouw. Wat wil u gebruiken? Neen, dat lust ik niet, en dat ook niet, maar dat is veel lekkerder. Vindt ge dat niet mooi? En vindt ge dat niet prachtig? Ja, dat heeft ook veel geld

ocr page 123

107

gekost. Maar je hebt gelogen. Nu dat komt er zoo precies niet op aan. Ge zijt aan den eersten leugen niet gebarsten, is het spreekwoord, en gij ook niet. Maar God straft de leugenaars.quot; Dan kreeg ik gruwelijke pijn en angst, terwijl ik maar heen en weer liep, en geheel in mijn binnenste zag en hoorde alles wat ik in mijn leven had gedaan; en ik sidderde zooveel te meer, omdat ik telkens in mij kreeg: „Den duivel hebt ge gediend.quot; En ik, die nooit aan een duivel geloofde, moest nu telkens hooren; „Den duivel hebt ge geofferd, met al zijne drekgoden. Laat hij je nu ook maar verder helpen.quot; Nu werd ik nog angstiger, want ik wist nu dat er een duivel was. Keek ik in den spiegel, dan was mijn voorhoofd blauw, en dan dacht ik; „Ja, dat komt omdat ik een leugenaar ben. Ik lijk ook wel wat op een duivel.quot;

Als tusschenbeide Ds. Notten naar mij kwam kijken, en ik in den tuin was, dan liep ik den eenen kant uit als de dominé den anderen ging, alleen om hem te ontloopen. Riep de dominé mij, dan wilde ik hem niet hooren, en dacht: „Neen, man, dan mocht ge ook eens een duivel worden, en God beware je er voor om ooit naar de wereld te leven, want dan zal je eens wat ondervinden; en ge kunt mij toch niet meer helpen ; het is voor mij te Iaat.quot; Met die gedachten liep ik weg, en moest Ds. Notten wel met andere kranken spreken.

De kranken vroegen mij wel eens: „Waarom loopt ge voor den domine weg?quot; en dan antwoordde ik; „Het geeft mij toch niets.quot; Dan zeiden zij, althans Juffrouw van Gelder: „Waarom niet? Het is evengoed voor u als voor mij.quot; En als zij dan begon te spreken alles door elkander, moest ik opmerken dat zij het over mij had en heel vele dingen noemde die ik had gedaan, waarom ik van haar wegliep, zeggende: „Zie je wel dat het niet voor mij is? O, wat ben ik ongelukkig.quot;

Het was mijne gewoonte om, als ik in den tuin liep, met het hoofd voorover te loopen. Op zekeren dag evenwel, was het alsof mij gezegd werd mijn hoofd op te steken. Ik deed dat ook werkelijk en zag nu in de lucht menschen driemaal zoo groot als andere menschen; mannen en vrouwen kon ik duidelijk onderscheiden. Zij jaagden den een den ander al harder voorbij, alsof, gelijk het spreekwoord zegt, de duivel hen achterna zat. Ik kreeg in mijn binnenste: „Daar gaat gij ook naar toe.quot; Sidderende van angst, wilde ik mijn hoofd weer voorover buigen, maar kon niet. Wel een uur lang

ocr page 124

io8

moest ik het aanzien, onder de smartelijkste pijnen, terwijl mijne zonden mij weder te gelijk werden voorgesteld, toen die mannen en vrouwen mij voorbij zweefden.

Eindelijk ging mijn hoofd weer naar omlaag. Met groote stappen liep ik in den tuin, benauwd door dit gezicht. Daar ook moest ik naar toe, zoo werd in mijn binnenste gezegd; naar die gedrochten, die er allen even afschuwelijk uitzagen. O, hoe vreeselijk, hoe vreeselijk!

Dit gezicht had zooveel indruk op mij gemaakt, dat ik eenigen tijd aan niets anders dacht. Ik durfde mijne oogen niet weer opheffen; het benauwde zweet brak er mij voortdurend van uit. Als Ds. Notten bij mij kwam, en tegen mij sprak, zeide ik anders niet dan: „Voel eens hoe ik zweetquot;, hem mijne handen toestekende. Voor wat de dominé sprak had ik geene ooren; ik gaf hem geen antwoord; al mijne aandacht werd ingenomen door wat ik in mij moest hoeren en voelen. En zoo bleef ik altijd met mijn vreeselijk lot alleen.

Soms als ik 's ochtends beneden kwam sprak ik wel eens tegen Moeder Neuhaus, terwijl zij de boterhammen rond-zette, en ik heen en weer liep. Dan vertelde ik alles door elkander, en zeide bij wijlen: ,, Ik wenschte wel dat ik verbrand wierd, en dat er niets meer van mij overbleef. Dan zou ik niet meer die ellende hebben waarin ik nu ben.quot; Moeder begreep daar niets van, en liet mij maar praten, daar zij van mijne smarten niets gevoelde, en zeker dacht Zij weet niet wat zij zegt.quot;

Gingen wij boterhammen eten, en had ik mijn bordje leeg, dan keek ik Moeder aan; dan knikte zij met het hoofd, en dat beteekende . dat ik nog eene boterham van het bord mocht nemen dat midden op de tafel stond. Somtijds knikte Moeder wel twee- of driemaal, zoodat ik, behalve mijne twee boterhammen op mijn bordje, nog soms wel twee of drie er bij opat. Dan liep ik den tuin in. Menigmaal zeide dan Juffrouw-Geertje, of Juffrouw Femma (dat was eene nieuwe verpleegster uit een ander paviljoen, vermits de juffrouwen-verpleegsters wel verwisselden van het eene paviljoen naar het andere): „Moeder, moet mevrouw niet blijven tot er gelezen en gedankt is? Ondeugend mensch, moet je alleen maar eten en drinken, zonder dat je naar Gods Woord wilt hooren?quot; Nu, daar hadden zij gelijk in ; dat was ook ondeugend, ja goddeloos. Maar de juffrouwen konden mij dan niet houden, en dan antwoordde Moeder Neuhaus : „ Ach, laat haar maar loopen ; zij luistert er toch niet naar.quot; Ik maakte dan maar gauw

ocr page 125

log

dat ik wegkwam, om te luisteren naar wat mij werd ingegeven en te zien en te overdenken, wat ik reeds zoo menigmaal had gezien en dat ik met siddering en angst telkens weer moest zien, met de gedachte: „ Daar gaat ge ook naar toe.'

Als ik 's morgens opstond en na aangekleed te zijn naar beneden ging, kwam ik de groote zaal door. Stond Vader Neuhaus dan het brood voor de kranken rond te zetten, dan bleef ik zoolang staan, totdat hij zeide: „Hier, mevrouw, daar heeft u een sneedje, ga nu maar heen.quot; Dit was al gewoonte van Vader geworden. En niet zoodra had ik het gekregen of ik ging in den tuin om het daar op te eten, aan mijne gedachten overgelaten, en aan eene macht die ik niet kon beheerschen.

Tusschenbeide was ik bij het minste en geringste zóó vreesachtig en bang, dat ik direct dacht: Daar zijn ze om mij weg te brengen naar de hel. Dan vloog ik dadelijk op deze of gene aan, en werd dan tot straf weer met groote moeite naar de cel gebracht, waar ik rondliep met de gedachte; Nu komt ge er nooit weer uit. Natuurlijk stond ik daarbij de vreeselijkste angsten uit. Na eenige uren hoorde ik weer tegen mij zeggen: „Hoe is het, mevrouw, is u weer bedaard?quot; Ik antwoordde dan niets, maar liet mij bij den arm nemen om er mij uit te leiden. Dan ging ik weer naar den tuin, en dacht: Ik begrijp er niets van. Ben ik nu weer hier? Dan bezag ik het paadje waar ik gewoonlijk liep en de boompjes, en ja, dan was het alles hetzelfde, ofschoon ik mij goed moest inspannen om het alles te herkennen. Dan kreeg ik ook weer dezelfde ingevingen :„ God is een verterend vuur. Wee dengenen die het bloed van Christus onrein hebben geacht, om in Zijn licht te wandelen in godzaligheid en liefde tot God en den naaste. Vervloekt is een iegelijk die de wet niet houdt.quot; O, als ik dat in mij hoorde, dan was ik nog veel erger, uitroepende: „ Hoe is het mogelijk. Ik wil niet eens naar den Bijbel hooren, en toch wordt het mij ingegeven. Want dat staat zeker ook in den Bijbel, anders kon ik niet zoo sidderen. Dat te hooren is nog veel erger dan wat ik gehoord en gezien heb. Ik liep dan naar binnen om te drinken, dat ik soms 25 maal achter elkander deed, maar het gaf mij niets, daar het in mij bleef branden van de pijn en mijne tong even dorstig bleef, zoodat ik riep: ,, Dat geeft mij niets. O, wat moet ik beginnen ? Dat kan ik niet dulden; dat kan ik niet verdragen. O, kon ik mijn binnenste ook maar toestoppen om er niet naar te hooren.

ocr page 126

I IO

Wat moet ik toch beginnen? Kon ik maar wegkomen.quot; En met die laatste gedachte liep ik dan weer een heelen tijd heen en weer.

HOOFDSTUK XII. Mijne ontvluchting.

Ditmaal ging die gedachte niet zoo spoedig voorbij als anders. Ik voor mij zag wel geen kans om weg te komen, maar er daagde iemand op om mij den weg te wijzen. Er was namelijk in het gesticht ook eene kranke boerin, Woudriena genaamd. Op zekeren dag zeide deze tegen mij: „Willen wij samen wegloöpen?quot; „Jaquot;, antwoordde ik, „maar dat kunnen wij niet.quot; „Jawelquot;, zeide zij, „kom maar mee.quot; Ik ging met haar mede achter in den tuin en zie, daar klom zij over het hek alsof het zoo niets was. Ik zou haar volgen, maar kon er niet over komen; hoe ik het ook probeerde, het ging niet. Daarom klom de boerin er weer over terug in den tuin, en zeide: „Nu mensch, dat mag je wel spijten, hoor, want wij waren mooi weg geweest.quot; Ik sprak geen woord, maar kreeg in mij: „Je moet maar goed eten, dan wordt ge sterker, en dan zal het wel gaan.quot; Ik ging veel eten en den volgenden Zondag, toen allen naar de kerk waren, zooals eiken Zondag, liep de boerin weer met mij in den tuin. De boerin ging namelijk ook niet naar de kerk, omdat zij altijd maar doorpraatte van haren man en hare zoons, ofschoon Juffrouw van Gelder mij mededeelde dat zij niet eens getrouwd was.

Wij beproefden ons kunstje dan nu weer, en waarlijk, met groote moeite gelukte het mij ditmaal over het hek te klimmen, waarbij ik mijn arm ter deeg bezeerde. Toen ik er evenwel over was, wilde de boerin niet, en toen liep ik alleen weg, zoo hard als ik maar kon, het bosch door, totdat ik op de heide kwam, en toen ik die overstak, zag ik rails van een spoor liggen, en die liep ik langs, wel meer dan een uur.

ocr page 127

Ill

Intusschen reed mij een spoortrein voorbij, waarvan de menschen uit de raampjes keken en mij iets toe riepen, maar wat, dat kon ik niet verstaan door het geraas van den trein. Zonder te rusten liep ik maar door.

Eindelijk zag ik een station. Ik had een paar kwartjes en eenige dubbeltjes in den zak, die hadden mijne kinderen mij nu en dan eens gegeven, als zij mij bezochten en ik hun dan vroeg om wat geld; maar dat was al bijkans anderhalf jaar geleden. Ik ging naar het loket en vroeg om een kaartje naar Utrecht. „Dan moet u nog wel twee uren wachtenquot;, kreeg ik ten antwoord. Daar schrikte ik zoo van, dat ik maar doorliep, de rails langs.

Opeens echter keer ik weer terug, en loop voor het station op en neer. Ik las den naam van het station ,, Putten daar heen en weer loopende hoorde ik eerst de telegraaf bel, en daarna telegrapheeren. Na eenige oogenblikken kwam er een man naar mij toe, die mij vroeg, waar ik naar toe ging. „Naar Utrechtquot;, zeide ik. „O, dan heeft u nog den tijdquot;, antwoordde hij; „gaat u dan maar een eindje mee wandelen.quot; Ik liep met den man mede den straatweg op en toen wij een poosje hadden geloopen, kwam er een rijtuig aan, waar ik verzocht werd in te stappen. Onderweg kwamen wij Vader

Neuhaus en Vader L.....tegen, die ook in het rijtuig stapten,

en zoo werd ik weer naar het paviljoen gebracht.

Moeder Neuhaus kwam ons te gemoet in de gang en berispte mij ter deeg, en zeide: „Zij moet maar in de cel.quot; Nu daar had Moeder gelijk in; die wat verdient moet ook wat hebben. Maar ik riep: „Neen, Moeder, niet naar de cel; ik zal het niet weer doen.quot; „Nuquot;, zeide Vader, „dan zullen wij het maar niet doen. Maar pas op, dat ge het niet weer doet, want dan komt ge in de cel en er nooit weer uit.quot;

Ik ging toen naar den tuin, daar ik niet wilde eten, alhoewel Moeder het voor mij had bewaard. Zondags werd er namelijk in de 2lt;1e klasse altijd vroeger gegeten dan in de week, want dan was er om twee uur weer kerk; er werd dan om half een gegeten, te gelijk met de 3de klasse.

Zoodra ik in den tuin liep, kwam de boerin naar mij toe, en zeide: „Zijt ge daar weer? Nu, maar, zij hadden mij niet gekregen, hoor. Mensch, gezijt geen goeden weg gegaan; ge hadt met de boot moeten gaan, dan waart ge er veel eerder geweest.quot; Ik liet haar echter maar praten, en gaf geen antwoord. Toen ik later binnenkwam om thee te drinken , vroeg Moeder, hoe ik er toe was gekomen, en zeide dat ik

ocr page 128

I 12

hen mooi onrustig had gemaakt. Ik deelde Moeder toen mede dat Woudriena het had gezegd en dat zij het mij had voorgedaan om over het hek te klimmen. Toen kreeg de boerin ook knorren, doch zij liep maar heen en weer en praatte van alles door elkander. Maar wat zij zeide, kon men niet verstaan.

Na de thee ging ik weer naar den tuin en zocht mijn oude paadje weer op, nadenkende over hetgeen mij was wedervaren. Nu was er geene ontkoming meer; ik kon nu niet meer wegloopen, want dan haalden zij mij toch weer in. Nu was alles gedaan en alles te laat. Te gelijk met allerlei ingevingen kreeg ik gezichten van allerlei zieken en blinden en kreupelen en die op krukken gingen en heel armoedig gekleede menschen , en in mijn binnenste kreeg ik, gepaard met pijn en angst: ,, Dat is jou schuld ; je hebt aan den vloek die over de wereld ligt, meegeholpen, in plaats van er uit verlost te willen worden door Jezus Christus. Gedenk nu je oordeelsdag.quot;

Van oordeelsdag had ik nog nooit gehoord ; maar ik voelde dat het verschrikkelijk was. Daar hoorde ik weer: „Ge zijt eene gevloekte, daar ge maar gedaan hebt wat ge wildet, wereldling! Je hebt nooit naar je naasten omgezien. Tot zoover en niet verder.quot; Met groote stemmen ging dat maar door; ik beefde en sidderde en kon niet begrijpen waar het vandaan kwam, vermits het precies was of anderen harop tegen mij spraken.

HOOFDSTUK XIII.

Eene lichtstraal in de duisternis.

Nadat ik weken en maanden had geloopen aan alles wat mij werd ingegeven ten prooi, zonder eenige macht of kracht in mij om mij er tegen te verzetten, was ik geheel versuft geworden en liep wezenloos voor mij heen te kijken.

Op zekeren Zaterdagmiddag echter voelde ik eene bijzondere, eigenaardige kracht in mij opkomen, die mij een gevoel van groote zaligheid gaf. Eene stem in mij zeide: „Ga morgen

ocr page 129

ii3

bij Ds. Notten ter kerk; die heeft zoo voor je gebeden, en het gebed des rechtvaardigen vermag veel.quot; Ik was zeer verheerlijkt door dit een en ander. Met eene bewustheid alsof ik de geheele wereld bezat, maar het was nog veel meer, ging ik met het hoofd omhoog naar binnen en vertelde daar wat mij in mijn binnenste was gezegd. „Nuquot;, werd mij gezegd, „dan gaat u morgen mee naar de kerk.quot; Ik antwoordde : „ O, als ik dan maar niet weer zoo ellendig ben.quot; Naar den tuin gaande was ik dien dag overgelukkig, en dacht: Ach, kon ik nu maar naar de kerk, want wie weet hoe ik morgen ben. Doch „het gebed des rechtvaardigen vermag veelquot; ging er niet weer bij mij uit, dat bleef in mij en den volgenden morgen stond ik er mee op.

Zelf kleedde ik mij aan, ging naar beneden en na het ontbijt ging ik mee naar de kerk. Terwijl ik met de Moeder en twee juffrouwen-verpleegsters en de kranken op weg was naar de kerk, kreeg ik weer heerlijke stemmen in mij en een zalig gevoel. In mijn binnenste werd gezegd; „Kom, kom; die wil die kome en die dorst heeft neme de levende wateren om niet. Kom, kom. Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.quot; Stil liep ik voort, en durfde mij niet te verroeren, uit vrees dat dit zalig gevoel weer van mij zou weggaan. Wij namen in de kerk plaats, en na het gebed en gezang, waaraan ik niet meedeed, omdat ik niet kon zingen, kondigde Ds. Notten den tekst af: „Het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt van alle zonden.quot;' Dat woord greep mij aan en ik vloeide weg in tranen. Ik hoorde niets anders meer. Van alles wat de dominé sprak onthield ik niets. Alleen dit was mij genoeg: „Het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt van alle zondenquot;; dat was het waardoor ik genade ontving, ofschoon het nog wel een half jaar duurde eer ik den Heiligen Geest, den Geest Zijns Zoons ontving, om in het licht van Jezus Christus te wandelen, van Hem die het Licht der wereld is en gansch geene duisternis is in Hem.

Uit de kerk kregen wij, thuis gekomen, koffie met een koekje. Maar ik moest daar niets van hebben. Ik ging naaiden tuin en liep al weenende heen en weer, omdat ik in mij zooveel heerlijke zaligheid gevoelde als niet te beschrijven is. Mijne handen gevouwen ten hemel heffende, riep ik uit: „O, goede God! Uw Godsman heeft het gezegd, dat het bloed van Jezus Christus Uwen Zoon reinigt van alle zonden. O, goede God, reinig mij ook, reinig mij ook. Uw Gods-

S

ocr page 130

114

man heeft het gezegd, van alle zonden. En ik heb alle zonden van de wereld bedreven; maar goede God! hij heeft het gezegd dat het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden.quot;

Op eens dacht ik aan mijne moeder, en terwijl de tranen mij langs de wangen rolden begon ik luide te zingen.

God, enkel licht.

Voor wiens gezicht Niets zuiver wordt bevonden,

En ik bevlekt,

Met schuld bedekt,

Misvormd door duizend zonden.

Ja, Amen, ja,

Op Golgotha Stierft Gij voor mijne zonden;

En door Uw bloed Wordt mijn gemoed Gereinigd van de zonden.

Zoo verheerlijkt was ik van binnen , dat ik er bij huppelde.

Toen ik daar zoo wel een uur vol zaligheid liep, kreeg ik eene wondere kracht in mij. Ik stak den vinger in de hoogte en wees naar den hemel, zeggende; „Ja, goede God, Gij moet het doen, want Uw lieve Zoon heeft Zijn bloed voor de geheele wereld gegeven, en daaronder behoor ik ook.Ja, goede God, Gij moogt het niet weigeren, want Uw Zoon heeft alles volbracht op Golgotha, ook voor mij. Kn weer begon ik te zingen: ,, God enkel licht' , enz. Ik smolt weg in tranen. Nu mocht ik mijne zonden belijden zonder angsten en pijniging, en mijne knieën in het zand buigende, riep ik. „O God, genade, genade!quot; Want nu zag ik al mijne zonden in gansch ander licht voor mij. Nu geene oordeelen meer. Het was mij alles zóó vreemd alsof ik uit de hel in eens in den hemel was gekomen.

Ik wilde het allen toeroepen, maar kon niet spreken. De kranken die in den tuin waren hoorden mij zingen en keken mij wel aan met verbazing, maar ofschoon ik hen met een van vreugde stralend gezicht aanzag, kon ik echter niets zeggen.

Na den maaltijd gingen de juffrouwen-verpleegsters weer met de kranken naar de kerk, maar ik was te overgelukkig en ging weer naar den tuin, en mocht daar weer tot God roepen en zingen:

ocr page 131

ii5

Ja, Amen , ja,

Op Golgotha Stierf Hij voor onze zonden ;

En door Uw bloed Wordt mijn gemoed Gereinigd van de zonden.

Zoo liep ik half huppelende en zingende, maar ook den Heere om genade smeekende tot het uur van naar bed gaan. Zelf kleedde ik mij uit, ging in bed en sliep dien nacht heerlijk.

HOOFDSTUK XIV.

„Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden.quot;

Den volgenden ochtend bij het opstaan was ik niet meer zoo overgelukkig als den vorigen dag, ofschoon ik ruimschoots over alles mocht nadenken. Zoo zou ik wel altijd willen zijn, dacht ik, zooals gisteren. Wat was ik toen zalig en gelukkig. Bij het ontbijt dacht ik: Nu zal ik toch eens goed luisteren wat Moeder leest, en of dat ook in den Bijbel staat: „Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zondenquot;. Toen Moeder ging bidden, vouwde ik ook mijne handen en deed de oogen dicht, en terwijl zij bad, riep ik in mijn binnenste: „Goede God! help mij. O, goede God! help mij zoolang tot Moeder gedaan had.

Onder het ontbijt at ik niet meer dan de twee boterhammen die op mijn bordje lagen, want, dacht ik, nu behoef ik niet meer zooveel te eten, als ik aan God mag denken. Ik keek Moeder, zooals anders, ook niet aan om nog eene boterham, maar wel toen zij begon te lezen. Maar hoe ik ook luisterde, ik hoorde niet; „Het bloed van Jezus Christus, reinigt van alle zonden.quot; Dat speet mij erg. Bij het danken, riep ik weer: „Goede God, o goede God! help mij.quot;

Na het ontbijt ging ik in den tuin om te overdenken of het dan wel waar zou zijn , wat Ds. Notten gisteren had gezegd, dat „het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt

ocr page 132

116

van alle zondenquot;. O, als dat niet in den Bijbel staat, dan is het niet waar, en dan word ik weer zoo ellendig en ongelukkig. Want er is altijd tegen en in mij gezegd : het zit hem in het bloed dat ge zoo zijt en als het bloed van Gods Zoon niet helpt, dan ben ik voor eeuwig ongelukkig. En als het niet in den Bijbel staat, dan geeft het mij ook niets. Daar liep ik mismoedig over te denken. O, had Moeder dat nu maar gelezen, wat zou ik dan gelukkig zijn, net als gisteren.

Zoo heen en weer loopende gevoelde ik mij toch lang niet zoo ongelukkig als ik geweest was, en dacht; Kom, ik zal Moeder vragen om wat te naaien. Zoo gezegd, zoo gedaan. En jawel, Moeder gaf mij een paar dikke onderbroeken te naaien, voor de arme kranken. Zij waren zoo dik, dat ik er met mijne magere vingers de naald bijna niet door kon krijgen; toch bleef ik maar doornaaien en was blij dat ik wat mocht zitten en niet zoo ellendig was. Ik was evenwel niet gewoon te zitten. Het was net of mijn geheele lichaam met spelden en naalden werd geprikt; doch dat gevoelde ik maar half, omdat het zoo rustig in mijn binnenste was. Zóó op mijn gemak was ik, dat ik met Mej. Rietema , ook eene kranke, die bij mij in de kamer aan een netje zat te plukken , net doende alsof ze haakte, begon te spreken over het goed dat zoo dik was. ,,Ik kan er haast niet met de naald doorkomenquot;, zeide ik. „Dat lijkt mij ook zoo toe , antwoordde zij, en betastte toen de stof.

Ook bij het koffie drinken had ik de hoop, dat Moeder nu misschien zou lezen dat „het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zondenwant ik wilde wel gelooven dat het in den Bijbel stond, maar had het zoo gaarne gehoord. Maar hoe ik Moeder ook aanzag en hoe goed ik oplette, ik hoorde niet anders dan: „Die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven.quot; Dat trof mij toch. „Zie jewelquot;, zeide ik bij mij zelve, „al weer van den Zoon. Nu dan moet er ook in staan dat ',het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zondenquot;. Ik zal zoo dikwijls Moeder leest goed luisteren, en als ik het hoor, dan is het waar, omdat het in den Bijbel staat.

Maar de eene dag, ja, de eene week na de andere ging voorbij, en hoe ik ook luisterde en hoe goed ik oplette, ik hoorde er niets van. Dat maakte mij wel wat mistroostig. Bovendien had ik ook dat zalig gevoel niet meer, en kon ook niet zingen; „God enkel lichtquot;, enz. Maar ik bleef toch eiken dag maar trouw zitten naaien, en was blij dat ik zulks kon doen, en dat ik niet meer zulke vreeselijke ingevingen

ocr page 133

ii7

en angsten kreeg, maar wel telkens weer in mij hoorde weerklinken : „Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden.quot; Dat vond ik heerlijk, ofschoon Moeder het nog maar steeds niet in den Bijbel las.

Wij waren in de maand November; ik had de gewoonte om na de koffie eerst een poosje in den tuin te gaan ; daarna ging ik zitten naaien, wat ik nu binnen moest doen, omdat ik het niet, gelijk 15 maanden vroeger in Augustus, in den tuin kon doen. Zoo gebeurde het op zekeren middag toen ik eerst weer na de koffie in den tuin wandelde, dat ik dacht: Nu heeft Moeder het weer niet gelezen. Zou het er dan niet in staan? Wat moet ik dan beginnen? Juist kwam Mej. van Soest, ook eene kranke, mij tegen. Deze had ik dikwijls in den Bijbel zien lezen; zij liep er soms wel mee in den tuin.

Ik vroeg Mejuffrouw van Soest: „Staat dat in den Bijbel: „Het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zondenquot;?quot; „Ja dat weet ik niet rechtquot;, antwoordde zij, „ maar ik zal den Bijbel eens halen.quot; Spoedig kwam zij met den Bijbel terug, ging bij mij staan, en had het in eens. Eerst ging zij het mij voorlezen en liet het mij toen zien. Daar las ik het nu: „Het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonden.quot; „Maar wat beteekent dat, juffrouw?quot; zeide ik.

„Ja, hoe zal ik u dat nu zeggenquot;, zeide zij, „kijk eens hierquot;, en meteen wees zij op de eene bladzijde van den Bijbel en sprak: „als ge nu honderd gulden schuldig zijt bij iemand, en ge kunt niet betalen, nu dan zijt ge bang dat zij u in de gevangenis zetten, niet waar ? Maar nu is er een anderquot;, en toen wees zij met haren vinger op de andere bladzijde van den Bijbel, „en die andere betaalt het voor u, en er staat „voldaanquot;; nu dan zijt ge niets meer schuldig, als ge weet dat het voor u betaald is.quot;

Toen liep ze weg en ik bleef staan met de gedachte: Hoe is dat mogelijk? Neen, van wat zij nu vertelt, begrijp ik niets. Wie zal er voor mij honderd gulden betalen ? Dat doet niemand. Maar op dat oogenblik dacht ik daar verder niet bij door. Ik was veel te blij dat ik in den Bijbel had gelezen: „ Het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonden quot;. Met die gedachten ging ik naar binnen en ging zoo hard zitten naaien als ik maar kon, omdat ik verheugd was. Daarin geloofde ik sterk, en nu zou ik mijn best doen, opdat ik niet meer zoo rampzalig en ellendig zou worden.

ocr page 134

Ii8

HOOFDSTUK XV. Teleurgestelde hoop.

Als ik 's morgens beneden kwam hield ik een vrij goed en normaal gesprek met Moeder. Ik vertelde haar dan bijzonderheden uit mijn leven, o. a. dat ik indertijd de cholera had gehad en liet haar mijne beonen zien, waar de litteekens nog in waren van het slaan dat ik er mee gedaan had vanwege de pijnen die niet waren om uit te staan. Meestal gaf Moeder mij dan, als wij zoo rustig zaten te praten, een kopje thee vooraf. Op zekeren morgen dat ik weer zoo zat te spreken met Moeder, zeide zij op eens tegen mij: „ U is zoo wel tegenwoordig, dat u best eens een veertien dagen naar uwe kinderen

kon gaan, als de dokter het goedvindt.quot;

Op dat oogenblik ging er een schok door mijn lichaam. „Oquot;, riep ik, „als dat eens waar was !quot;„ Nu quot;, zeide Moeder, dan zou ik hun maar eens schrijven om eens hier te komen j dan kunnen zij er zeiven met dokter van Dale over spreken.

Dat bleef alzoo vastgesteld. Na het ontbijt bracht Moeder mij het benoodigde en schreef ik aan mijne kinderen om mij de volgende week eens te komen bezoeken, daar ik nog al goed was en ik hun dan meteen wat wilde vragen, dat hun wel zou aanstaan en benieuwen.

De brief werd verzonden en ik verheugde mij reeds dat ik weldra naar mijne kinderen zou gaan, al was het dan ook maar voor veertien dagen, zooals Moeder Neuhaus gezegd had. Ik kreeg van mijne kinderen bericht dat zij zouden komen met den trein van half tien.

Helaas, hoe verheugd ik was, op eens werd het alles anders. Het werd alles weer duister in mij en ook de booze stemmen lieten zich weer hooren: „Ach, er is geen God. Want hoe zou die er dan gekomen zijn ?' Ik schrikte er van en dacht: Moet ik nu weer zoo lijden en ellendig worden?

Ook andere dingen kwamen er nu in mij, quaestieuse vragen rakende, als deze; „ Adam en Eva hadden twee zoons ; waar vandaan zijn nu hunne vrouwen gekomen ? ' Dan klonk het weer in mij: „Ja, als alles was beschreven, dan zou je het daarin wel kunnen lezen.quot;

ocr page 135

ii9

Dan klonk het weer in mijn binnenste: „Je stamt van een aap af. Gerust, er is geen God, maar alles gaat van zelf.quot; — „Dat is niet waarquot;, gaf ik hardop ten antwoord, „want waarom ben ik dan zoo gestraft?quot;

En zoo liep ik weer als vroeger in den tuin heen en weer. Wilde ik naar binnen gaan om te naaien, dan kon ik niet vanwege de vele ingevingen. Het geleek wel een strijd, die in mijn binnenste werd uitgevochten. Want zóó was het: „Je moet het niet gelooven; er is geen Godquot;, en dan was het weer: „Ja, er is een vreeselijke, geduchte God, die de zonde niet ongestraft laat.quot; Dan was het weer: „Dood is doodquot;, en dan; „Neen, dat hebt ge wel anders gevoeld en gezien.quot;

Ik liep in een strijd, van alle kanten omsloten, en wist niet wat ik moest doen. Ik kon ook niet goed meer vóór mij halen : „ Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden quot;. Ofschoon ik zeer bevreesd en beverig was, was ik gelukkig toch niet zóó ellendig als de vorige keeren en gevoelde ook geene pijnen en angsten.

Daarom besloot ik niet naar huis naar mijne kinderen te zullen gaan, „wantquot;, zoo redeneerde ik, „dan moet ik misschien den volgenden dag terug. Wie had dat nu gedacht ? Ach, hoe jammer, hoe jammer. Hoe is het mogelijk? Wist ik nu maar wat ik in den Bijbel heb gelezen. Nu ben ik dat ook kwijt.quot;

Na eenige dagen brak de dag aan waarop mijne kinderen zouden komen. Vader bracht mij naar „het Lokaaltjequot; en daar ontmoette ik mijne oudste dochter alleen. Zij vertelde, dat Frida niet goed in orde was en niet mee had kunnen komen, wat haar erg speet. Nu, het speet mij niet minder, vermits ik hen in lang niet had gezien. Ik wandelde met mijne dochter door het bosch en sprak veel met haar: hoe het thuis was, hoe Üsie het maakte, of Frida erg ziek was, en zoo al meer. Verder vertelde ik, dat ik zoo goed was geweest, maar mij nu niet meer zoo goed gevoelde. Mijne dochter vroeg mij, wat ik haar had willen vragen dat haar zou benieuwen, zooals in den brief stond. Daar ik haar niet durfde zeggen wat Moeder had gezegd, antwoordde ik, dat ik had willen vragen of onze huizen weer verhuurd waren, daar ik wist dat de vijf jaren van de huur om waren en de huur met November moest worden opgezegd. Zij antwoordde, dat de huizen verhuurd waren, „doch voor een jaar, daar het niet voor langeren tijd mag, nu u hier isquot;. Hierop gaf ik verder geen antwoord. Mijne dochter zeide evenwel: „Is dat

ocr page 136

120

nu al het nieuws?quot; Ik zeide niets, maar dacht zooveel te meer.

Nadat wij eenige uren samen hadden doorgebracht, gingen wij weer naar het paviljoen terug, waar mijne dochter bij de deur afscheid van mij nam, terwijl ik door Vader werd binnen gelaten. Ik deed in de gang mijn hoed en mantel af, die door juffrouw Rika werden opgehangen, en ging toen in de kamer.

Moeder was juist bezig het eten op de borden te doen, zoodat ik binnen bleef om te gaan eten. Ik gevoelde mij evenwel zóó naar, dat ik haast niet kon eten. Telkens kreeg ik in mij: „Dat hadt ge niet verwacht, hé, dat is anders dan naar je kinderen te gaan.quot; Daarop begon ik te huilen, en kreeg toen in mij : „ God laat niet varen de werken Zijner handen.quot;

Ik werd toen weer beangst, en dacht: Wat is dat toch allemaal in mij ? Moet ik nu weer zoo ellendig worden ? Ach, was ik dan maar onlangs niet zoo gelukkig geweest. Had ik dan daar ook maar niets van geweten.

Na den maaltijd ging ik weer in den tuin, met de gedachte : Ik begrijp er niets meer van; want dan heb ik die gedachte en dan weer eene andere. Van zoo iets heb ik nooit gehoord.

Dat duurde zoo weer eenige weken. En ofschoon ik al den dag in den tuin liep om mijne gedachten aan te hooren, was het toch net of mijn verstand ook weer duisterder werd, iets waar ik juist zoo bang voor was.

HOOFDSTUK XVI. De strijd om eene ziel.

Op zekeren avond, nadat ik den geheelen dag weer in den tuin had geloopen, half versuft van de ingevingen, ging ik naar binnen en zeide tegen Moeder, dat ik naar bed wilde, omdat ik zulk eene hoofdpijn had. Moeder Neuhaus bracht mij zelve naar boven en deed de deur achter mij toe.

ocr page 137

121

Toen ik mij wilde uitkleeden, werd ik evenwel op eens weer zóó onuitsprekelijk gelukkig, dat ik op mijne knieën neerzonk en begon te bidden, wat weet ik niet meer; maar wel weet ik, dat ik in mij deze stem hoorde: „ Het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt van alle zonden. De Bijbel zal je zoo dierbaar worden. Je gaat weer naar je kinderen terug. Als God werkt kan niemand het keeren, er. als God in Jezus Christus in genade op je neerziet, en vóór je is, kan niemand tegen je zijn. Heb goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen, en zal met u zijn tot de voleinding der wereld. Ja, tot in der eeuwigheid.quot; Ik luisterde met alle aandacht en hield mijn adem in, opdat ik het goed zou hooren.

Toen ik de kranken naar boven hoorde komen, kleedde ik mij een, twee, drie uit, daar ik bang was knorren te zullen krijgen als de juffrouw-verpleegster mij nog op vond. Bij het opengaan van de deur stapte ik juist in bed, maar de juffrouw zeide niets.

In bed, vóór ik sliep, kreeg ik onophoudelijk in mij God is liefde. God is liefde. God is liefde. O, God, geef mij Uwe gedachten, geef mij Uwe gedachtenquot;, en daarop sliep ik rustig in.

Den volgenden morgen bij het ontwaken lag ik te denken over hetgeen ik den vorigen avond had ondervonden. Ik keek uit het bed en zag dat Mej. Bos, ook eene kranke, in haar bed op de knieën lag te bidden. Terstond trachtte ik dat ook te doen, maar ik kon niet bidden.

Zoodra Juffrouw Elisabeth, eene nieuwe verpleegster, boven kwam, stond ik op, kleedde mij aan en ging, hoewel ik erg beefde, mijn bed afhalen. Dat deed ik altijd als ik een beetje wel was, maar zoo niet, dan liet ik het maar liggen. Terwijl ik het bed afhaalde, kreeg ik in mij: „Het bloed van Jezus Christus komt over mij en mijne kinderen.quot; Daar schrikte ik zóó geweldig van, dat ik het bed half onafgehaald liet liggen, en a!s eene razende naar beneden holde, den tuin in. Neen, dat was iets verschrikkelijks, dat had ik nooit gehoord. Als dat over mij en over mijne kinderen moest komen, dat zou vreeselijk zijn. Ik werd versuft van het voortdurend er aan denken. Doch dan dacht ik weer; Hoe is het mogelijk? Gisterenavond was ik zoo gelukkig, en nu ben ik weer zoo in duister. Wat moet dat worden? Ik kan het niet begrijpen. Dan ben ik zus en dan weer zoo. Gisteren werd mij beloofd dat ik naar mijne kinderen zou gaan, en dat de Bijbel mij

ocr page 138

122

zoo dierbaar zou worden, en nu moet het bloed van Jezus Christus over mij en over mijne kinderen komen. En wat mij zoo bang maakt? Ik weet niet wat ik moet gelooven. Maar met dat van gisterenavond was ik zoo gelukkig, en nu ben ik weer zoo beangst. O, als ik maar niet weer zoo vreeselijk ongelukkig word.quot;

Op deze wijze liep ik weken rond. Als Moeder in den Bijbel las, wat driemaal daags geschiedde, dan luisterde ik toch goed toe om te hooren wat zij las. Ik werd dan wel eens bij een tekst bepaald, en had het daarbij heerlijk. En vroeg ik dan later aan Moeder, of dat waar was wat zij had gelezen, dat „God zal onderwijzen hen die dwalen en brengen in het rechte spoorquot;, dan zeide MoederZeker, als wij maar tot Hem gaan, dan zal God ons leiden.quot;

Ging ik dan weer in den tuin, dan dacht ik na over hetgeen Moeder had gezegd. ,, Maar hoe moet ik dan tot God gaan? Zou ik den Bijbel moeten lezen? Er werd op dien avond toen ik zoo gelukkig was tot mij gezegd, dat de Bijbel mij zoo dierbaar zou worden; dan moet ik hem ook lezen, anders helpt het niet. Toen ging ik naar binnen, nam den Bijbel, die op een klein tafeltje lag, en begon te lezen. Dan sloeg ik den Bijbel hier op en dan daar. Bij sommige woorden gevoelde ik mij gelukkig, maar bij andere beefde ik, en dacht: Zoo ben ik nooit geweest. ,, Die rechtvaardig wandelt en mijnen Naam vreest.quot; O, dat heb ik nooit gedaan. Maar als ik dan las; „Jezus Christus is gekomen in de wereld om te zoeken wat verloren wasquot;, dan vond ik dat heerlijk en moest ik dat dan uit mijn hoofd leeren. Dan liep ik er mee naar den tuin en zeide het wel honderdmaal achtereen uit mijn hoofd hardop.

Dat lezen uit den Bijbel ging zoo eenige dagen achter elkander geregeld door. Las ik van Gods geboden bewaren, dan beefde ik, en sloeg dat gauw over, en zocht maar op van vergeving en liefde van God. Daarover dacht ik dan. Van het andere moest ik niets hebben , daarnaar had ik toch niet geleefd.

Eens op een middag had ik zware hoofdpijn. Moeder zeide, dat ziende: „Wil ik u naar bed brengen? U ziet er ik weet niet hoe uit.quot; „Jaquot;, antwoordde ik, „ik ben niet goed.quot; Moeder bracht mij naar boven, kleedde mij uit en legde mij in bed. Zij wiesch mij nog met eau de cologne, en zeide: „Ik zal u een glas limonade geven, dan kan u daar eens van drinken; dat frischt wat op. Moeder haalde dan ook een glas limonade,

ocr page 139

123

zette het vóór mijn bed op het nachttafeltje en ging heen. Toen ik daar stil lag, met eene vreeselijke hoofdpijn, wilde ik wel telkens een slokje limonade nemen, maar ik kreeg in mij: „Daar moet je niet aan komen.quot; En zoo dikwijls ik dat herhalen wilde, trok ik mijne handen even snel terug, omdat ik de stem weer hoorde: .,Daar moet je niet aan komen.quot; Hoe ik er ook over nadacht, ik kon niet begrijpen wat het beteekende. En daar ik geheel kalm was, sliep ik eindelijk in tot den volgenden morgen.

Toen de juffrouwen-verpleegsters boven kwamen, vroegen zij mij hoe het met mij was en of ik wilde blijven liggen, waarop ik antwoordde: „Ja, ik heb nog hoofdpijn.quot; Daar ik zag dat het glas limonade nog voor mijn bed stond, ging ik er met mijn vinger van likken, en proefde ik dat het water was. Ik likte nog eens en nog eens, maar het was klaar water. Eenige oogenblikken later kwam Moeder boven. Direct vroeg ik haar wat zij mij gisteren had gegeven, waarop zij antwoordde; „Wat ik u gegeven heb? Wel, citroen-limonade.quot;

„Het is waterquot;, zeide ik, „proef maar.quot;

Moeder ging het proeven en sprak: „Daar begrijp ik niets van.quot;

„Gelooft u aan tooveren?quot; vroeg ik.

— „Jaquot;, antwoordde Moeder, „als het met den duivel in verband staat, dan wel.quot;

Ik keerde mij om en dacht; Moeder zegt: de duivel; zou die dat dan gedaan hebben? Dat geloof ik niet.

Juffrouw Anna bracht mij een kop thee met eene boterham , en nadat ik die had opgegeten, stond ik op, kleedde mij aan, ging naar beneden en liep in de kamer heen en weer, denkende aan wat Moeder had gezegd. Met den duivel in verband staan. Zou er dan toch een duivel zijn ? Maar ik had nu toch niets gezien , zooals toen ik 's nachts die vreeselijke gezichten zag in dat andere paviljoen. Daar was de duivel toen zeker bij.

Ik wist, heiaas, nog niet dat het juist de duivel was die mij aan alle kanten bestreed om mij maar van God af te trekken. Hij wilde mij niet meer loslaten, daar hij mij geheel in zijne macht had gehad. Hij wilde mij behouden. Gelukkig dacht de goede God er anders over.

ocr page 140

124

HOOFDSTUK XVII.

„De morgenstond is gekomen en het is nog nacht.quot;

Weer sjingen eenige weken op deze wijze voorbij. Nu en dan nam ik den Bijbel ter hand, opdat de Bijbel mij dierbaar zou worden. Zoo gebeurde het op zekeren dag dat ik in den Bijbel las: „Dan zult gijlieden wederom zien het onderscheid tusschen den rechtvaardige en den goddelooze, tusschen dien die God dient, en dien die Hem niet dient.quot;

Op het lezen van die woorden begon ik zóó te beven, dat ik het Boek weglegde, omdat ik zulk eene brandende pijn in mij kreeg, en riep: „Ik heb God niet gediend. Ik heb nooit gedaan wat in den Bijbel geschreven staat. Ach, kon ik het nog maar doen. Wat zou ik dat graag willen. Ik zou er alles wel voor willen geven.quot;

Met die gedachten ging ik maar weer naar den tuin, en verder denkende: Ach, ik geloof dat er niets meer aan mij is te doen; ik kan niet meer terug.

Ook zoo bleef ik geruimen tijd loopen.

Eens kwam op zekeren dag dokter van Dale in den tuin naar mij toe, en zeide: „Hoe is het met u, mevrouw, is u weer zoo onrustig?quot;

— „Het zit mij in het bloedquot;, antwoordde ik.

v,Nu, dan zullen wij u er eens een drankje voor gevenquot;, zeide de dokter, „dan zal het wel wat beter worden.quot;

Ik kreeg een rood drankje. Moeder zette het op een bordje met een eierdopje en een lepel er bij, en vroeg mij, of ik het zelf wilde doen, om de twee uur innemen. Ik beloofde toen het zelf te zullen doen. Doch nadat ik eenige malen had ingenomen, dacht ik: Ach, dat geeft mij toch niets, dat kan mij niet helpen, en liet het drankje voortaan staan.

Na verloop van een paar dagen zeide Moeder tegen mij: „Moet u niet innemen? Dat drankje vermindert niets.quot;

„Neenquot;, zeide ik, „dat drankje geeft mij toch niets, dat helpt mij nietquot;; en zoo liep ik van haar weg. Nadat het nog eenige dagen op het buffet was blijven staan, werd het eindelijk weggenomen.

ocr page 141

125

Het werd echter niet beter maar erger met mij. Op zekeren avond dat wij in de kamer waren en juffrouw Anna bij ons zat te naaien, kreeg ik op eens zulk een aanval van woede, dat ik op de kranke, Juffrouw Rika, dezelfde die „Tante, tante! quot; riep toen het eens onweerde, aanvloog als eene razende. Het fluitje ging en voor straf werd ik naar de cel gebracht hetgeen in langen tijd niet was gebeurd, hoewel het maar goed was. Nadat ik er een poosje in was geweest, werd ik er uit gehaald en naar bed gebracht.

Den volgenden morgen was ik boos op mij zelve, omdat ik dat kranke meisje had geslagen. Ik ging naar haar toe, en zeide, dat ik het niet weer zou doen, en gaf haar eene hand. Zij lachte, maar daar zij geen besef had wat te zeggen, ging ik weer heen naar den tuin, waar ik eenige dagen heen en weer liep met de gedachte, hoe het toch zou komen dat ik zulk eene macht over mij kreeg om een ander zoo maar aan te vliegen. Ik wilde maar dat ik dat kon laten; maar ik kon niet.

Niets wilde mij meer vlotten. Schreef ik aan mijne kinderen, dan duurde het twee of drie dagen eer de brief af was, daar ik telkens onder het schrijven opstond en weer naar den tuin liep. Ik schreef dan ook maar hoogstens twaalf regels, maar geen enkel woord over God er in. Alles was voor mij donker. Ik wilde, maar kon niet. Ik gevoelde mij zóó gebonden, dat ik zelfs niet meer in den Bijbel durfde lezen, want dan was ik bang dat ik lezen zou van de rechtvaardigen en de goddeloozen, en ik wist dat ik goddeloos was en God niet had gediend.

Tusschenbeide nam ik een boek van het boekenrekje. In een daarvan las ik van Nero, die de Apostelen vervolgde, omdat zij van Jezus getuigden en voor de waarheid opkwamen. Dien Nero vond ik een verschrikkelijk mensch, en ik wilde hem wel ik weet niet wat doen. Maar later kreeg ik de ingeving dat ik zelf een Nero was, en daarvan werd ik zóó beangst, dat ik dat boek niet meer wilde lezen. Ik ging toen maar in prentenboekjes lezen van een kind, dat ook in het paviljoen bij Moeder Neuhaus was.

Wij gingen dan samen op eene bank zitten en bekeken de plaatjes. Het kind had eene erg belemmerde spraak, zoodat men haar niet best kon verstaan; maar als ik dan zoo naast haar zat, of met haar arm in arm door den tuin liep, dan verbeeldde ik mij dat ik met mijn dochtertje Usie wandelde, waarin ik mij dan verheugde.

ocr page 142

126

Zoo vlood de tijd heen, en leefde ik weer half in het duister. Op een ochtend zag ik bij het ontwaken, dat Mejuffrouw de Ruiter voor haar bed op de knieën lag te bidden. Ik keerde mij om en wilde er niet naar zien. Toen zij mijn bed voorbijliep, gaf ik haar een slag, en zeide: „Dat doe je om mij te plagen. Jij moogt dat wel doen, maar ik mag het niet doen.quot; Zij zeide niets, maar toen Juffrouw Rika bovenkwam, vertelde zij haar, dat ik haar had geslagen, waarop de juffrouw zeide: „Mevrouw, als je dat weer doet, dan krijgt u het buis aan, pas op, hoor!quot; Ik gaf geen antwoord, maar stond op en ging naar beneden. Omdat ik bang was dat ik het buis aan zou krijgen ging ik dadelijk in den tuin en dacht: dan kan ik niemand kwaad doen. Ik was toch den meesten tijd alleen in den tuin, behalve de boerin; de anderen waren binnen, omdat het winter was en erg koud. De winter was weer net zoo streng als de vorige, maar ik liep er maar doorheen en voelde niets van de koude, daar ik meer dacht aan alles wat mij werd ingegeven en waarvoor ik zoo beangst was, vreezende weer zoo te moeten lijden, en naar de hel te zullen gaan. Want dat alles wilde nog maar niet van mij wijken. Telkens werd mij weer gezegd: „Je wordt toch weer zoo ellendig; je gaat toch naar de hel.quot; En daaraan sloeg ik geloof, en daarmede liep ik maar voort in de grootste onmacht.

HOOFDSTUK XVIII. De invloed eener tekstenkaart.

Veel had ik te lijden in die dagen van hoofdpijn. Op zekeren dag dat ik weer hoofdpijn had, bracht Juffrouw Regina, eene nieuwe verpleegster uit Groningen, mij naar bed. Zij gaf mij eene kaart, waarop onderscheidene teksten stonden. Nadat ik een poosje had gelegen, ging ik opzitten in bed en begon te lezen. Toen las ik: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven.quot; Opnieuw stroomde er een zalig gevoel door mij, en ik dacht: O, als dat eens waar was, dat ik wat rust kreeg. En ziet, het

ocr page 143

127

was net of ik al rust kreeg. Daarom bleef ik maar doorlezen, en voelde bijna niets meer van mijne hoofdpijn. Op die kaart stond ook nog; „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.quot; Telkens las ik het weer over.

's Avonds kwam de juffrouw-verpleegster mij een papje in den hals leggen en vroeg hoe het met mijne hoofdpijn was. Ik gaf geen antwoord. Nu dat waren zij al van mij gewend; dat deed ik gewoonlijk niet. Daar ik altijd mijn eten en drinken boven kreeg als ik te bed lag, bracht de juffrouw mij ook nu een kop thee. Aan het eten en heel de verzorging mankeerde trouwens ook niets. Er werd goed voor gezorgd.

Den volgenden dag bij het ontwaken nam ik mij voor dien dag te blijven liggen, want het was net of ik veel rustiger was. „ Dan ga ik weer lezen zeide ik bij mij zelve. Toen Juffrouw Regina dan ook boven kwam en vroeg hoe het met mij was, zeide ik: „Nog niet beterquot;, en bleef liggen.

Zoodra de juffrouw met de kranken naar beneden was en ik mijne thee met boterhammen had genuttigd, ging ik weer lezen, en bleef den geheelen dag lezen, zoodat ik de teksten op het laatst bijna van buiten kende en opzeide.

Ofschoon ik den volgenden morgen geene hoofdpijn meer had, bleef ik toch maar liggen. De juffrouw nam daar evenwel eerst geen genoegen mee , toen ik haar geen antwoord gaf op de vraag: „Mevrouw, gaat u opstaan? Anders zal ik het eerst aan Moeder Neuhaus vragen, want u mag niet langer dan twee dagen in bed blijven.quot; Nu, zij vroeg het aan Moeder en ik mocht blijven liggen

Na mijn ontbijt gebruikt te hebben, wilde ik weer de kaart lezen; maar ik gevoelde mij weer in eens zoo erg onrustig, dat ik de kaart weglegde en dacht: Ik wilde nog liever dat ik hoofdpijn had, zooals eergisteren. Toen was ik veel rustiger en gelukkiger. Dan kon ik ook weer lezen. Wat moet ik toch doen? Ik weet het niet. Wat moet ik beginnen?

Ik stond op, kleedde mij aan en ging voor den spiegel staan om mijn haar op te maken, toen ik in mij kreeg: „Je lijkt precies een duivel.quot; Daar schrok ik zóó van, dat ik niet meer in den spiegel wilde kijken.

Toen ik aangekleed was en naar beneden wilde gaan, werd de deur geopend en stonden Ds. Netten en dokter Keuchenius voor mij, die naar binnen kwamen. De dominé zeide: „Ik heb van Moeder gehoord dat u ziek was en nu heb ik dokter Keuchenius meegebracht om eens naar u te zien; maar ik zie, dat u al weer op is. Is u weer beter ?quot; Ik antwoordde niets.

ocr page 144

128

Dokter Keuchenius nam mijne hand om de pols te voelen, en zeide tegen Ds. Notten, terwijl hij hem aanzag: „De hand is koud.quot; De dominé vroeg mij toen: „Heeft u zich zoo juist gewasschen?quot; „Jaquot;, antwoordde ik. „Oquot;, zeide de dominc, „dan komt het daarvan.quot; De dokter hield mijne hand nog lang vast, wat ik daarom niet zal vergeten, omdat het mijne aandacht trok, dat diens hand zoo zacht was als zijde. Trouwens ik kan mij Dr. Keuchenius, die een fijne kleine man is, nog goed voor mij krijgen, ofschoon het de eerste en de laatste keer is geweest, dat hij mij heeft bezocht, daar de dokter maar voor tijdelijk op Veldwijk was.

Na het vertrek van den dominé en den dokter ging ik ook naar beneden. Moeder vroeg mij, of ik weer beter was. „Jaquot;, antwoordde ik, en liep maar door naar den tuin. Vader zeide daarop: „Moet u nu al weer in de koude loopen? U is pas ziek geweest; ik zou maar in de kamer gaan.' Maar ik gaf geen antwoord, en zocht mijne oude plaats weer op, waar ik gewoon was heen en weer te loopen. Daar liep ik met afwisselende gewaarwoordingen. Dan verblijdde ik mij , als ik dacht dat ik naar mijne kinderen terug mocht gaan , en dan brak mij het benauwde zweet uit door de inblazing: „Je komt nooit weer bij je kinderen, maar gaat naar de hel.quot; Zóó was het: „Als God werkt, kan niemand het keerenquot;, en zóó werd ik weer geslingerd en wist niet waaraan ik mij houden moest.

Hoorde ik tusschenbeide de kranken van de 3fle klasse zingen, want bij ons op de 2lt;le klasse werd er niet gezongen na den eten, dan ging ik menigmaal luisteren, en als zij dan zongen:

„Verlaat niet wat Uw hand begon, O, Levensbron!

Wil bijstand zenden

dan vond ik dat o zoo heerlijk, dat ik wenschte, dat ik dat ook mocht zingen. Had ik daar een poosje mee geloopen, dan was ik het echter na eenige uren weer vergeten.

Tusschenbeide was ik ook blijde als Ds. Notten kwam. Ik wist dat Ds. Notten ook een sleutel had, en als ik dan in de kamer was, dan legde ik soms mijn oor tegen de deur om te luisteren of ik hem hoorde binnenkomen. Het gebeurde wel eens dat hij het ook was. Sprak de dominé met mij, dan was het soms of ik mij beter gevoelde, maar tusschenbeide

ocr page 145

129

ook niet. Hoe kalmer ik was, des te meer kon ik naar dominé hooren.

Een anderen keer was eene oude kranke juffrouw ziek geworden en gestorven. Zij had in de cel op een ledekant gelegen en was daar overleden. De angsten die ik over dar sterven heb uitgestaan zijn niet te beschrijven, alleen te gevoelen. Er werd mij maar niets anders ingeblazen dan: „De dood is in de cel, en als jij nu weer in de cel wordt gebracht, dan neemt hij jou ook mee; en dan is het met je gedaan, dan gaat ge naar de hel.quot; Dit duurde eenige dagen tot ik weer andere ingevingen kreeg. „God laat niet varen de werken zijner handen. Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.quot; Ik kreeg toen weer kalmte. Maar toch op deze wijze verliep de eene maand na de andere. Want het wisselde elkander voortdurend af: hel en hemel, God en duivel, dood en leven, en soms kwam alles als te gelijk. Het was vreeselijk.

HOOFDSTUK XIX.

Wat Moeder Neuhaus tegen mijne dochter zeide.

Wij zijn in Februari 1892.

In den laatsten tijd was het steeds beter met mij gegaan, en ik gevoelde mij ook wel. Ik schreef een brief aan mijne kinderen met verzoek om weer eens over te komen, want dat ik nog al kalm was en goed vooruitging. Hun antwoord luidde, dat zij Woensdag over acht dagen mij zouden komen bezoeken; eerder konden zij niet.

Dit viel mij wel tegen, want ik had het liever den eerst-komenden Woensdag gehad, en nu moest ik zoolang wachten; maar ook daarbij bleef ik kalm.

Eindelijk brak de lang verbeide Woensdag aan. Ik zal dien dag nooit in mijn leven vergeten. Het was weer mijne oudste dochter die was overgekomen , en met wie ik door de bosschen ging wandelen. Ik had veel te vragen: hoe het thuis ging en hoe het met Frida was en Usie, en o zooveel wat het

9

ocr page 146

13°

huishouden betreft. Ik vroeg ook naar personen, dan naar dien, en dan weer naar een ander. Zelf had ik ook veel te vertellen, maar durfde toch niet spreken van naar huis gaan. „Ik vind dat u erg goed is, moederquot;, zeide mijne dochter. Zij gaf mij dan ook goed en duidelijk antwoord op alles wat ik haar vroeg en ik gaf haar ook goed antwoor d tei ug.

Na zoo een uur of drie te hebben geloopen, werd het weer tijd om te vertrekken, daar mijne dochter, die met den trein van half een was gekomen, weer met dien van ongeveei vijf uur weg moest. Toen zij mij naar het paviljoen terugbracht , belde zij aan en Vader deed open, en, wat andeis nooit gebeurde, mijne dochter liep mee naar binnen , de gang door, naar de kamer waar Moeder Neuhaus bezig was het eten op te scheppen. Moeder gaf mijne dochter de hand en vroeg hoe het met haar ging. Nadat zij nog eenige w ooi den samen hadden gesproken, nam mijne dochter afscheid van mij en beloofde spoedig eens terug te zullen komen. Maar, o mijn tijd, zoo spoedig als werkelijk is gebeurd, had noch zij noch ik het kunnen verwachten.

Toen Moeder Neuhaus mijne dochter zou uitlaten, zeide mijne dochter; „Ik vind toch dat Ma zeer wel is geweest vandaag; zooveel heeft zij nog nooit gesproken. En wat wist Ma op alles goed te antwoorden.quot; „Ja, vindt u niet? zeide Moeder, „Uwe Mama kon best eens naar huis.quot; Dat hoorde ik, sprong op, en liep naar de gang, waar Moeder en mijne dochter stonden te spreken, en zeide: „ Hoor je Marie, wat Moeder daar zegt?quot; „Jaquot;, zeide zij, „als het kan en de dokter wil het hebben.quot; Moeder raadde toen mijne dochtei aan er eens aan Dr. van Dale over te schrijven, daar het nu te laat was om met hem te spreken, en zij naar den trein moest. Dat vond mijne dochter goed en die zou er mij dan later wel over schrijven.

Daarop ging zij heen en ik aan tafel om te eten, hoevyel ik van blijdschap bijna niets kon gebruiken. Na den maaltijd oincf ik naar den tuin en verheugde mij met het vooruitzicht

O O

dat ik naar huis ging.

Den daarop volgenden Vrijdag kreeg ik een brief van mijne dochter, mij meldende, dat zij er thuis over had gesproken en een brief aan Dr. van Dale had geschreven, maar nog geen antwoord had ontvangen. Wat het thuis komen voor een korten tijd betrof, vonden zij niet raadzaam, aangezien er dan eene heele verandering moest gemaakt worden.

ocr page 147

i3i

Door dien brief werd ik zóó ontstemd, dat ik uitriep:

Dat dacht ik wel; voor mij is geen geluk meer.quot; Op eens verviel ik weer in allerlei gedachten en kreeg weer ingevingen, die mij zeiden; „ Ziet ge wel, dat ge niet naar je kinderen teruggaat? Zij willen je niet hebben. Dat valt je niet mee, hè?quot; Door gehoor te geven aan die stemmen, stond ik den grootsten angst uit, hoewel ik er zelf niets tegen kon doen, omdat ik er op dat oogenblik onmachtig toe was, en de geesten niet kende, die mij dat in bliezen.

Den volgenden dag, 't was op een Zaterdagmiddag, kreeg ik weer een brief, die mij meldde, dat mijne dochter aan Dr. van Dale had geschreven of ik niet bij particuliere men-schen buiten het gesticht een tijd lang in huis kon komen. Zij had op dien brief van den dokter een bevestigend antwoord ontvangen, waarin de dokter tevens berichtte, dat hij goede menschen wist, bij wien ik zou kunnen inwonen. Zij was nu naar aanleiding daarvan van plan Maandag om half een bij mij te komen om dan gezamenlijk eens te zien hoe het zou gaan.

Die brief gaf mij weer wat moed. Ik dacht: Zou ik hier dan toch vandaan gaan ? Ik kan het haast niet gelooven. Er zal wel weer wat tusschen komen, dat het niet gebeurt.

Nu, de tijd van Zaterdag tot Maandag was spoedig voorbij, maar toch met angst, omdat ik telkens weer van die inblazingen kreeg, waaraan ik met vreezen en beven moest denken.

Eindelijk brak de Maandag aan. Toen het half een was, liep ik in den tuin vóór het hek heen en weer, waar ik mijne dochter door de boomen heen kon zien aankomen; maar hoe ik ook keek en wachtte, zij kwam maar niet.

Tusschenbeide liep ik naar binnen en vroeg aan Vader, hoe laat het was. Toen Vader zeide dat het half drie was, dacht ik: Ach, nu komt zij niet meer, en begon te huilen. Ik ging in de kamer en liep naar de deur om te luisteren of ik niet hoorde bellen.

Na eenigen tijd hoor ik de voordeur opengaan en daarop de stem van Dr. van Dale, die tegen Moeder sprak. Daarna werd de deur van de kamer opengedaan en stond Dr. van Dale met mijne dochter voor mij.

De dokter zeide mij, dat ik naar Ermelo zou gaan, bij heel aardige menschen, de familie Volten, waar zijne zuster ook in huis was. Maar ik moest hem beloven, dat ik niet zou wegloopen, want dat ik daar veel vrijer was. Ik beloofde Dr. van Dale dat ik het niet zou doen.

ocr page 148

132

Vervolgens werd er besloten dat ik er den volgenden Woensdag naar toe zou gaan. Mijne dochter zeide tegen mij: „Is u nu niet blij?quot; Maar ik antwoordde niets, daar ik in mij kreeg: „Het zal niet lang duren dat ge daar zijt.quot; Daarom gaf ik geen antwoord.

Mijne dochter vroeg toen aan Dr. van Dale, of ik met haat mee mocht, om het eens te zien. „Jawelantwoordde de dokter, „gaat u er samen maar naar toe.quot;

Daarop ging ik met mijne dochter naar Ermelo; maar toen wij de rails overstapten, kreeg ik eene zoo nare gewaarwording in mij, dat ik er niet naar durfde kijken. Ik was blij dat wij er over waren. Wij liepen vervolgens den straatweg langs en kwamen zoo te Ermelo bij de familie Volten.

Mijne dochter en ik werden heel vriendelijk ontvangen door Juffrouw Volten. Den heer Volten zagen wij niet en toen mijne dochter naar hem vroeg, kreeg zij ten antwoord, dat hij ziek was.

In de kamer waar wij zaten en een kopje thee dronken, waren nog twee juffrouwen; eene was de zuster van Dr. van Dale, en de andere de dochter van Vol ten._

Vóór wij heengingen, liet Juffrouw Volten mij eerst mijne kamer zien, en toen den tuin, die nog al lang was, maar men kon er niet in rondloopen, aangezien het aan de eene zijde moestuin was en aan den anderen kant groeiden aardappelen, zoodat er maar ée'n recht pad was, waarmee men in een prieeltje kwam. Daarna gingen wij heen.

Bij het heengaan vroeg Juffrouw Volten aan mijne dochter of zij voor mij een gemakkelijken rieten stoel wilde overzenden. Zoo eene had Juffrouw van Dale ook. Mijne dochter beloofde een stoel te zullen zenden.

Bij onzen terugtocht vroeg ik aan mijne dochter, waarom zij pas omstreeks drie uur was gekomen. Zij antwoordde mij, dat zij om half een was aangekomen en direct naar het hoofdgebouw was gegaan en daar in de wachtkamer had gezeten met de dochter van Mej. Volten. Zoodra de dokter was gekomen en met haar had gesproken was zij eerst met de dochter van Mej. Volten naar huis geweest. Daarna was zij weer naar den dokter gegaan en eerst toen bij mij gekomen. Zoo was het laat geworden.

Nadat zij mij weer naar het paviljoen had gebracht en met Moeder het een en ander had besproken, vertrok mijne dochter en ging ik eten, ofschoon er niet veel van het eten kwam, daar het mij alles te wonderlijk was.

ocr page 149

133

Toen het eten was afgeloopen, ging ik maar weer naar den tuin, bij mij zelve denkende; Ik hier vandaan? Ga ik hier vandaan ? Neen, dat is onmogelijk; dat kan onmogelijk waar zijn. Dat zou wel het grootste wonder zijn dat er ooit gebeurde. Want wat heb ik hier ondervonden? Ja, er is wel een God, hoor; die vreeselijk straft. Maar het is mijne eigene schuld geweest.

HOOFDSTUK XX. Van Veldwijk naar Ermelo.

Den volgenden morgen bij het beneden komen, zeide Vader Neuhaus tegen mij: „Wel, wel, mevrouw, wat heb ik gehoord? Gaat u ons verlaten? Wat zal u blij zijn, is het niet?quot; Ik antwoordde met „jaquot; en „neen quot;, daar ik dacht; Ik ben nog niet weg. Naar den tuin gaande, liep ik rond met den wensch: was het maar morgen.

Na het ontbijt sprak Moeder Neuhaus met mij en vroeg hoe ik het vond dat Moeder het aan mijne dochter gezegd had van naar huis te gaan. Ik antwoordde: „Ja, anders ging ik niet naar Ermelo, als u niets had gezegd.quot;

Daarna weer in den tuin loopende hoorde ik eenigen tijd later de bel luiden en wel zóó lang, dat ik aan eene kranke vroeg, waarom de bel luidde, daar het geen etenstijd was. Zij antwoordde: „Er is iemand uit het paviljoen wegge-loopen.quot; Daar schrikte ik van, en dacht: O, dat hebben ze bij mij zeker ook gedaan, toen ik ben weggeloopen. Ach, als ik het nu maar niet weer ga doen. Dan ga ik naar de cel en kom er nooit weer uit.

Daarover denkende, kreeg ik in mij: „Je gaat toch weer naar de cel, of je wegloopt of niet. Je komt hier toch weer terug.quot; Dat maakte mij zóó beangst, dat ik er onverschillig voor werd, of ik van Veldwijk wegging of er bleef. De vrees toch, weer te zullen wegloopen, en om dan in de cel te komen, benauwde mij meer dan ik kan zeggen.

Eindelijk brak de dag van mijn vertrek aan. Den geheelen

ocr page 150

134

day liep ik in den tuin, aangezien Moeder Neuhaus mij gezegd had, dat men mij tegen den avond omstreeks half zeven zou wegbrengen naar Dr. van Dale. Maar nog altijd kon ik het mij niet voorstellen, daar ik telkens de inblazing kreeg; „Ge zijt nog niet weg.quot;

En toch, 's avonds omstreeks ruim zes uur van den tweeden Maart 1892, werd ik binnen geroepen; mijn hoed werd mij opgezet en de mantel mij aangedaan. Met beving volgde ik Moeder Neuhaus, die mij naar Dr. van Dale bracht.

Daar werden wij binnen en in de kamer gelaten, waar Mej. Volten en Mej. van Dale uit Ermelo voor de tafel zaten te breien, terwijl de andere zuster van Dr. van Dale voor het theeblad zat. Zij gaven Moeder en mij de hand, waarna wi' gingen zitten en uitgenoodigd werden thee te blijven drinken. De juffrouwen en Moeder spraken samen, maar ik zeide niets. Vroegen zij mij iets, dan antwoordde ik met „ja en „ neenquot;, want ik beefde van angst ter oorzake van de ingevingen: „Ge zijt nog niet weg; ge zijt hier nog niet vandaan ; ge zijt hier nog.quot;

Nadat wij, ruim een uur later, thee hadden gedronken, kwam de dokter binnen. Na plaats genomen te hebben, sprak hij wat met mij, o. a. ook, dat ik niet mocht wegloopen. Toen kwam de meid binnen en zeide dat het rijtuig vóór stond.

Moeder Neuhaus en de andere Mejuffrouw van Uale geleidden ons tot het rijtuig, en Mej. Volten, Mej. van Dale, Dr. van Dale en mijn persoontje stapten in. Juist op het oogenblik dat Dr. van Dale zou instappen, kwam Dr. Steekhoven aanloopen, die met Dr. van Dale nog eenige woorden sprak, waarover ik mij zeer angstig maakte, daar mij weer werd ingeblazen: „Ge zijt nog niet weg.quot; Meteen, dacht ik, moet ik er weer uit en naar het paviljoen teruggebracht.

Maar, Gode zij dank, neen; Dr. van Dale stapte in het rijtuig, Moeder gaf mij nog eene hand, en zeide: „Nu mevrouw, het beste met uquot;, en daar reed het rijtuig heen , naar Ermelo.

Op dat oogenblik kreeg ik een gevoel over mij alsof er eene macht mij uit het rijtuig wilde trekken. Ik dacht niet anders of meteen vlieg ik door de glazen heen; het was n.1. een rijtuig met aan weerskanten glas en het portier van achteren; men noemt zoo'n rijtuig, geloof ik, eene brik. Ik was zoo benauwd en onrustig, dat ik haast niet kon blijven zitten;

en toch werd ik door eene nog sterkere macht tegengehouden.

Als ik wilde opstaan door de eene macht, die tot mij zeide.

ocr page 151

i35

^,Daar gaat ge dan werd ik door de andere macht teruggetrokken , die zeide; „Blijf zitten zoodat ik verschrikkelijk beefde.

Eindelijk waren wij te Ermelo en voor de woning van Mejuffrouw Volten De dokter ging het eerst uit het rijtuig en hielp ons uitstappen. Toen wij in huis waren gegaan, nam de dokter van ons afscheid en ging met het rijtuig terug naar Veldwijk.

Binnengekomen ging ik mee naar de achterkamer, waar de oude heer Volten in een grooten stoel zat. Zijne vrouw vroeg, hoe het met hem was, waarop hij antwoordde; „Ja, wat zal ik je zeggen, vrouw? Weer de koorts, en dan dat zweeten er bij. Men wordt hoe langer hoe zwakker.quot; Ik durfde er niet goed naar te luisteren, en dacht: Moet die man ook dood? O, dat is verschrikkelijk.

Na eene kop koffie te hebben gedronken, werd ik naar mijne kamer gebracht. Ik kleedde mij zelve uit, maar Mejuffrouw Volten bleef net zoolang, totdat ik in bed lag, en nam toen het licht mee naar beneden.

Ik sliep dien nacht goed, en den volgenden morgen bij het ontwaken kon ik niet begrijpen, dat ik nu toch van Veldwijk af was. Op dat oogenblik ging de deur open en bracht de andere dochter van Volten, die ik nog niet had gezien, omdat, zooals ik later vernam, zij den vorigen dag naar Harderwijk was geweest en laat thuis was gekomen, mij een kopje thee en vroeg, of ik goed had geslapen. Ik antwoordde; „jaquot;.

Daarop vroeg zij, of ik wilde opstaan, dan zou zij mij helpen. Dat deed ik en ging mij zelve wasschcn en aankleeden, dat ik op Veldwijk ook eenigen tijd had gedaan, zoodat de juffrouw niet veel aan mij behoefde te doen. Daarom ging zij mijn bed maar afhalen, waarna ik met haar beneden in de achterkamer ging.

Hier ging ik ontbijten met Mejuffrouw Volten, hare twee dochters, Cato en Betsy, en nog een meisje, dat daar ook thuis was, en Gijsje heette; Mejuffrouw van Dale kwam , zooals ik hoorde, 's morgens niet aan het ontbijt en de heer Volten was nog te bed.

Ons ontbijt bestond uit thee en wit en grijs brood met kaas. Er was ook koffie, die de meesten van hen dronken, en daarom dacht ik: Zij hebben die thee zeker voor mij gezet, omdat ik op Veldwijk ook thee dronk.

Ik proefde al dadelijk dat het brood niet zoo lekker was als op Veldwijk, en het waren zulke kleine sneedjes, dat ik

ocr page 152

136

nog een nam, toen ik de twee reeds had opgegeten die op mijn bordje lagen.

Na het ontbijt ging Mejuffrouw Betsy uit den Bijbel lezen en daarna werd er stil gedankt. Vervolgens ging ik naar boven en maakte mijn eigen bed op, vroeg aan de juffrouw om stoffer en blik en maakte mijne kamer zelf aan kant. Ik had zulk een moed en kracht alsof ik in mijn eigen huis was.

Toen ik weer naar beneden ging, zeide Mejuffrouw Volten dat ik wat moest zitten breien en gaf mij haar breiwerk om te beginnen. Er zou middelerwijl wol worden gehaald, opdat ik een paar kousen kon breien.

Ik ging zitten, maar moest telkens als ik bij het naadje was, vragen of ik een naadje moest maken of niet, daar ik dat had vergeten, omdat ik sedert ik op de bewaarschool was geweest om te leeren breien, geene kous had gebreid.

Nu, ik deed toen mijn best zóó, dat er wol voor mij werd gehaald. En daar breidde ik nu voor het eerst van mijn leven bij Mejuffrouw Volten een paar kousen , terwijl ik van Juffrouw Gijsje onderricht ontving, hoe ik den hiel en den teen moest maken.

HOOFDSTUK XXI.

Ik koop een Bijbel en een Psalmboekje.

Van het oogenblik af dat ik hier was, ging ik hoe langer hoe meer vooruit. Zóó zelfs, dat toen mijne dochter mij eens kwam bezoeken. Mejuffrouw Volten tot haar zeide; „Uwe Ma is zóó wel, dat u best met haar naar Harderwijk kon loopen om daar eens naar een hoed en eene japon te zien, die uwe Ma toch moet hebben voor den zomer.quot;

Ik wist niet wat ik hoorde, en mijne dochter vond het goed, zoodat wij samen den straatweg van Ermelo naar Harderwijk opwandelden. Onderweg zag ik dat de boomen groen werden, en dacht: O, wat is dat heerlijk!

Mijne dochter en ik spraken veel met elkander onderweg, totdat wij eindelijk in Harderwijk kwamen.

ocr page 153

137

Ik durfde haast niet opzien en vertrouwde mij zelve niet, dat ik zooveel praats had en dit alles durfde wagen.

Wij gingen een winkel binnen, en daar paste ik een hoed op; maar die ik oppaste waren mij veel te mooi Daarom zocht ik een zwart stroohoedje uit en zwart lint met een gekleurd randje, en dat moest met een strik op den hoed gemaakt worden, zoo eenvoudig mogelijk.

Daarna gingen wij naar een manufacturierwinkel om goed voor eene japon uit te zoeken. Mijne keuze viel op donkerblauw. Wij vroegen dien manufacturier, of hij ook eene naaister voor ons wist, waarop hij ons een adres gaf, waarheen wij ons toen ook wendden.

Na met de naaister gesproken te hebben, wandelden mijne dochter en ik weer naar Ermelo. Toen wij bij de familie Volten kwamen, gingen wij eten en vertelden hoe wij waren gevaren.

Daar de dagen al lang waren, ging mijne dochter's avonds om acht uur weer met den trein heen. Ik bracht haar met Mejuffrouw Volten, Mejuffrouw Cato en Gijsje naar het spoor. Het was voor mij heel wat, toen ik voor dien trein stond. Ik dacht: Hoe is het mogelijk, dat ik nu zoo kalm naar den trein mag zien, terwijl toen ik van Veldwijk liep, ik niet wist wat ik deed van angst en benauwdheid. Ik begrijp er nog niets van. O, als het maar zoo blijft.

Zoodra de trein weg was, gingen wij weer naar huis, dronken koffie en gingen toen naar bed. Ik ging toen al gedurende eenigen tijd 's avonds alleen naar boven en blies als ik in bed lag, de kaars uit, die dan door eene van de juffrouwen werd weggehaald.

Toen ik zoo wat eene week of vijf bij de familie Volten was geweest, mocht ik vrij doen wat ik wilde. Dan zat ik trouw te breien, en dan liep ik eens in den tuin of op den straatweg.

Op zekeren middag dat wij allen samen binnen waren, de heer Volten was ook reeds hersteld van zijne ziekte, kwam er een Jood binnen met zijn zoontje. Hij kwam om Bijbels te verkoopen.

De familie Volten kende hem goed en daarom bleef hij bij ons thee drinken. Ik luisterde ter deeg naar hem. Hij vertelde dat hij in het Huis van Barmhartigheid thuis was en naar Harderwijk en omliggende plaatsen ging om te zien of hij wat Bijbels kon verkoopen.

Hij sprak veel over den Bijbel, en vertelde ook dat hij zooveel had te lijden van de socialisten, die hem, wanneer

ocr page 154

138

hij met zijne Bijbelkraam op het Amstelveld stond, alles aandeden wat zij maar konden.

Toen hij wegging, zeide hij den volgenden morgen terug te zullen komen om goeden dag te zeggen en hoopte dan een Bijbel te verkoopen. Onderwijl de Jood dat zeide, dacht ik: Hé, ik zou wel een Bijbel willen koopen, maar ik heb geen geld.

Nadat de Jood was heengegaan, vertelde Juffrouw Volten, dat hij een bekeerde Jood was, en dat hij niets liever deed dan van den Messias te getuigen. „Ja, het was een ware bekeerdequot;, sprak zij. Ik dacht: Ik wenschte dat ik ook bekeerd was.

Van mij afzetten een Bijbel te koopen, kon ik maar niet. Den volgenden morgen bij mijn ontwaken, kreeg ik in mij: „Je moet van dien Jood een Bijbel koopen.quot;

Dadelijk ging ik opstaan, kleedde mij aan en wilde naar beneden gaan om te zeggen, dat ik een Bijbel wenschte te hebben; maar ik bedacht mij, en zeide bij mij zelve: „Dat kan ik toch niet doen; want ik heb geen cent.quot;

Ik bleef eenige oogenblikken moedeloos voor het raam zitten, en kreeg toen in mij: „Je kunt er Mejuffrouw Volten wel om vragen; die zal het je wel voorschieten.quot;

Maar zoodra ik beneden was, durfde ik het niet aan haar vragen en ging de kamer weer uit, omdat het te vroeg was om te ontbijten, en liep den tuin in met de gedachte: Was de Jood verleden week maar hier gekomen, toen mijne dochter er was; dan had zij het kunnen geven. Wat spijt mij dat.

Na wat heen en weer loopen ging ik naar binnen om te ontbijten. Telkens keek ik Juffrouw Volten aan, maar durfde haar niet vragen. Op eens krijg ik evenwel eene kracht in mij, die mij moed gaf het hoofd op te steken, en ik zeide: „Juffrouw, ik zou graag een Bijbel willen hebben van den Jood. Wil u mij het geld voorschieten?quot; Zij antwoordde: „Zeker wil ik dat; dan moet u ook een Psalmboekje nemen, dan kan u met Betsy eens op een Zondag naar Ds. Notten ter kerk gaan.quot;

„Ja, dat wil ik welquot;, zeide ik.

Eenige uren later kwam de Jood met Bijbels. Ik zocht er een uit voor een gulden vijf en twintig cents, en een kerkboekje voor dertig cents. Ik dacht: Wat is dat goedkoop, en vroeg of hij zich niet vergiste. „Neenquot;, zeide hij, „ik heb ze nog goedkooper.quot;

ocr page 155

139

Ik nam den Bijbel mee naar boven en legde hem midden op de tafel en het Psalmboekje op het kastje dat in de kamer stond. Herhaaldelijk bekeek ik den Bijbel en verheugde mij en bedacht, dat ik nog nooit zoo rijk was geweest. Ook het Psalmboekje moest ik iederen keer bezien, en dacht: Hoe lang is dat wel geleden, dat ik dat niet in mijne handen heb gehad. Dat heugt mij niet meer. Ik ging daarna weer naar beneden en zat rustig te breien.

HOOFDSTUK XXII.

Er komen logee's, waarmee ik naar de kerk ga.

Den volgenden Zondag was het Paschen, en zou er eene zekere Juffrouw Juch komen logeeren. Zij was .de weduwe van wijlen den blinden Ds. Juch van de vroegere Afgescheidene Kerk. Haar zoon verkeerde met de dochter van Mejuffrouw Volten. Zij zou met haar zoon de Paaschdagen bij de familie Volten komen doorbrengen.

Mej. Juch was eene geloovige vrouw en had veel in haar leven ondervonden. Zij vertelde veel van hare dochter Anna, die zij kort te voren door den dood had verloren, de eenige harer kinderen die zij nog bij zich had. Dien slag kon zij niet vergeten. Ook sprak zij er van hoe heerlijk haar man en een zoon waren afgestorven. Zij hadden het al vooruit geweten, dat zij gingen sterven en hadden de familie vaarwel gezegd, net alsof zij op reis gingen.

Ik hoorde dat alles met open ooren aan, en dacht: Dat waren andere menschen dan ik. Ach, was ik ook maar zoo geweest, dan had ik nu niet zoo bevreesd behoeven te zijn.

De Paaschdagen gingen voorbij met bidden en zingen. Ik luisterde er maar naar, omdat ik niets van hetgeen gezongen werd kende en ook niet durfde meedoen, aangezien ik telkens in mij kreeg: „Dat is niet voor jou; dat is alleen voor vrome menschen.quot; Dat maakte mij dan weer zóó benauwd, dat ik

ocr page 156

140

uit de kamer ging en boven ging zitten huilen, omdat het niet voor mij was.

Toen ik eens met Mejuffrouw Juch den straatweg op wandelde, vroeg zij mij of ik niet naar de kerk ging. „Neenquot;, zeide ik, waarop zij antwoordde; „Ja, maar dat moet u doen. U mag niet uit de kerk blijven. God wil hebben dat wij de onderlinge bijeenkomsten niet nalaten.quot;

Ik gaf daarop geen antwoord, maar den volgenden Zaterdagavond, sprak de familie over de kerk, en naar welke kerk men zou gaan, aangezien de familie Volten behoorde aan de gemeente van Ds. Witteveen ; — de vrouw van Ds. Witteveen was eene zuster van den heer Volten.

De zoon van Mej. Juch zeide: „Ik zou Ds. Notten wel eens willen hooren , maar ik weet niet of ik er wel naar toe mag, want er staat: „Verboden toegangquot;. Dat gaat zoo maar niet.quot; Toen zeide Mej. Juch: „Weet je wat, morgen gaat mevrouw mee naar de kerk, en dan kunnen Betsy en gij haar geleiden ; dan zullen ze niets zeggen, daar mevrouw nog aan de kerk van Veldwijk behoort.quot;

Zoo gezegd, zoo gedaan. Den volgenden morgen ging ik met het jonge paar naar de kerk op Veldwijk. Maar toen ik daar was, kon ik haast niet voort, daar alles mij weer zoo duidelijk voorkwam. Bij iederen voetstap beefde ik.

Toen wij in de kerk kwamen, liep ik met Mejuffrouw Betsy naar voren bij den preekstoel; ik wist nog dat ik daar had gezeten.

Tusschenbeide keek ik Ds. Notten aan en luisterde met alle aandacht naar wat hij zeide. Toen er werd gezongen, deed ik ook mijn Psalmboekje open, maar kon niet meezingen.

Bij het uitgaan van de kerk spraken eenige juffrouwenverpleegsters mij aan, en vroegen hoe het met mij was. Ofschoon ik over mijn geheele lichaam beefde, antwoordde ik toch: „goedquot;.

De heer J uch, die op de gaanderij had gezeten, stond ons op te wachten , en toen wij weer samen waren, gingen wij weer naar Krmelo terug.

Thuis gekomen, dronken wij koffie en werd er over de preek gesproken; maar ik was alles vergeten, en wist niets meer van wat Ds. Notten had gezegd. Zoo ging ook deze Zondag weer voorbij.

Diezelfde week vertrok Mejuffrouw Juch ook, hetgeen mij erg speet, daar zij nog al veel met mij sprak. Ik ging

ocr page 157

I4i

overigens mijn gewonen gang; 's ochtends mijne kamer aan kant maken en daarna zitten breien.

HOOFDSTUK XXIII.

Eene schrikkelijke scène in de teruggekeerde ellende.

Dit mocht zoo niet blijven. Op zekeren dag werd ik weer zóó bevochten door allerlei inblazingen, dat ik telkens opvloog en naar den tuin en heen en weer liep, en niets meer kon doen. Werd er na den eten in den Bijbel gelezen, dan zat ik op mijn stoel te draaien, terwijl eene stem in mij zeide; „Hoor daar maar niet naar; het is toch niet voor jou. Je gaat weer naar Veldwijk en dan naar de hel.quot; Ik was weer zóó van mijn verstand beroofd, dat ik niet wist wat ik deed.

Toen mijne dochter den negen en twintigsten April mij op mijn verjaardag kwam bezoeken, zeide zij tegen Mejuffrouw Volten; „Ma is lang niet zoo goed als den vorigen keer.quot; „Neenquot;, antwoordde Mejuffrouw Volten, „ uwe Ma gaat hard achteruit.quot;

Mijne dochter had een kussen voor den stoel dien ik gekregen had, meegebracht, dat zij zelf had geborduurd. Ook had zij voor mij meegebracht een kleedje, dat Usie had gehaakt. Maar ik wilde van niets weten. Ik ging met mijne dochter den weg op wandelen, doch sprak geen woord.

Om half vijf ging zij weer heen, daar zij niets aan mij had. Toen zij zou heengaan, sprak zij met Mejuffrouw Volten, en ik kreeg in mijn binnenste; „Mejuffrouw Volten spreekt met haar af, om je weer naar Veldwijk te brengen.quot; Ik sidderde van angst en maakte gauw dat ik wegkwam.

Zoodra mijne dochter was vertrokken , ging ik de achterdeur uit, den tuin door, en het land over. Daar was een klein boschje, en daarheen ging ik, zooals ik wel meer deed. Dikwijls kwam dan de heer Volten kijken of ik er nog was. Hier liep ik weer, als vroeger in den tuin op Veldwijk, den geheelen dag op en neer.

ocr page 158

142

Was het tijd van eten, dan werd ik geroepen en dan kwam ik ook. Soms ging ik ook wel uit mij zelf, en kwam dan altijd precies op tijd en meestal den heer Volten in den tuin tegen.

Als ik minder erg was, liep ik ook wel den straatweg op en liep in de lange laan van Rustoord of in het Sparrenbosch. Dan moest ik voorbij het kerkje van Ds. Witteveen. Daar deze en zijne vrouw reeds lang waren overleden, behoorde dat kerkje nu aan het Huis van Barmhartigheid. En als ik daar dan voorbijging, moest ik altijd, of ik wilde of niet, naar den steen zien , die op zij van de deur in den muur zat. Op dien steen stond: „In den Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.quot; En zag ik daarnaar, dan begon ik zóó te sidderen, dat ik niet wist hoe gauw ik maar weg zou komen.

Terwijl ik dan in mij de stem kreeg: „Jij hebt niet in dien Naam geleefd. Je hebt dien Naam verwaarloosdquot;, liep ik, door angst gedreven, voort met allerlei oordeelen in mij en eene brandende pijn in mijn binnenste. Meestal riep ik; „Wat heb ik eene brandende pijn in mijn binnenste. Ik kan het niet uithoudenquot;, en dan brak het zweet mij uit van de angsten die ik door die schrikkelijke ingevingen kreeg, dat ik namelijk nog veel erger zou worden en dan was het voorgoed gedaan. Dan ging ik naar de hel.

Somtijds kreeg ik ook wel eene andere stem te hoeren, die zeide: „Zeg aan het volk Israël, dat zij genoeg gestraft zijn voor hunne zondenquot;, of: „Keer weder, gij afvalligen!quot; Maar ik was zóó in het duister, dat ik niet wist wat het beduidde, ofschoon, als ik die stem hoorde, het was alsof er eene straal door mijn binnenste ging, die alles verlichtte. Bleef ik dan stilstaan om er over na te denken wat mij gezegd was, dan was het ook zoo weer weg.

En zoo ging het weer dag aan dag. Eens toen ik 's middags binnenkwam, zat er een heer. Terwijl ik eene kop thee dronk, hoorde ik hem spreken over den Bijbel. Hij vertelde toen, dat er in Engeland een rijke heer had gewoond, die met een trompetter rond had laten bazuinen, dat allen die schuld hadden den volgenden morgen vóór twaalf uur bij hem moesten zijn; dan zou hij hunne schuld betalen.

Den volgenden morgen kwamen er verscheidene menschen aan zijne deur met de rekeningen die zij schuldig waren, en er kwamen ook verscheidene menschen die het niet geloofden

ocr page 159

143

en dachten: dat is niet waar; daarom hadden zij hunne rekeningen niet meegebracht.

Maar toen zij de anderen verheugd zagen terugkomen, die zeiden dat hunne rekening was betaald, liepen de ongeloovigen hard naar huis om hunne rekeningen ook te halen. Doch toen zij terug en voor des rijken heers deur kwamen, was de deur gesloten, aangezien het over twaalven was.

Ik luisterde met alle aandacht naar dat verhaal, omdat ik er mij zelf zoo door verkwikt gevoelde.

Die heer sprak ook nog over den moordenaar aan het kruis; hoe die vóór dat hij gestorven was, nog tot Jezus ging en het nog niet te laat voor hem was, maar heden met Jezus in het Paradijs zou zijn.

Toen die heer dat zeide, kreeg ik in eens weer eene ingeving, cn met angst riep ik uit: „Ja, maar voor den anderen moordenaar was het te laat. En nu is het voor mij ook te laatquot;, en liep toen weg, met de gedachten; Voor mij te laat. Ach, was ik maar eerder gegaan.

Het duurde eenige weken dat ik weer zoo ellendig daar heenliep, met de schrikkelijkste ingevingen, zoodat ik geen minuut rustig kon blijven zitten, maar immer gejaagd en als eene veroordeelde rondliep over het land, den straatweg op en in het boschje. Toch kwam ik iederen keer weer op tijd thuis.

Eens gebeurde het dat ik zóó erg bezeten was, dat ik als een draaitol in de rondte draaide en ik van angst en siddering niet wist wat met mij geschiedde. Daar vloog ik als eene razende naar boven naar mijne kamer, en, o groote God! daar kreeg in last den Bijbel te verscheuren.

Ik stond vóór de tafel waarop de Bijbel lag en met de vuisten over den Bijbel en eene helsche macht in mij, die mij inblies; „Kom, verscheur dat ding maar; dat is toch niet voor jou; dan behoef je het ook niet meer te hooren voorlezen. Kom , verscheur het dan ! quot;

Maar de almachtige God zij geloofd en geprezen ! Hij, de heilige Jehova, bewaarde mij er voor. Ik had wel mijne vuisten over den Bijbel, maar er niet op. Tot tweemaal toe bewoog ik mijne vuisten, en toen werd ik teruggetrokken en ging naar de deur.

Op eens echter keerde ik mij om en vloog er weer op aan, maar bleef halverwege in de kamer staan, terwijl de stem weer in mij zeide: „Kom, doe het maar; strakjes wrordt hij je weer voorgelezen.quot;

ocr page 160

144

Daarop volgde terstond eene kalmte. Ik keerde mij om, ging de deur uit naar den tuin, en liep half versuft heen en weer, er over denkende, wat ik had willen doen. Op dat oogenblik was ik zeer kalm, en dacht: „Ik ga den Bijbel opbergen, dan kan het niet meer gebeuren , als ik zoo ellendig word en niet weet wat ik doe.

Daarom ging ik toen naar boven, en zóó als ik op de kamer kwam, viel ik op mijne knieën en begon te huilen, uitroepende: ,, Goede God, bewaar mij dat ik niet den Bijbel verscheur. Straf mij, maar laat mij niet den Bijbel verscheuren.quot;

Er daalde toen heerlijkheid op mij neder met de andere stem die ik hoorde: ,, Daar zal God je voor bewaren; de Bijbel zal je zoo dierbaar worden. Je gaat naar je kinderen terug. Als God werkt kan niemand het keeren. Heb goeden moed , Christus heeft je Gode gekocht met Zijn dierbaar bloed.quot;'

Wel een half uur bleef ik op mijne knieën liggen, en toen :ik wilde opstaan, kreeg ik in mij; „ Dat 's Heeren zegen op u daal'.quot; Al opstaande dacht ik: ,,Wat ben ik gelukkig. 'Neen, zoo iets begrijp ik niet.quot;

Ik keek naar den Bijbel, denkende: Zou ik die nu maar laten liggen, nu dit in mijn binnenste is gezegd ? Maar neen, ik berg den Bijbel liever op. Want als ik weer zoo ongelukkig word, en niet weet wat ik doe, dan mocht het nog eens gebeuren. En dat zou het verschrikkelijkste zijn dat er ooit op de wereld is gebeurd.quot;

Daarom nam ik den Bijbel op en terwijl mijne handen beefden, legde ik den Bijbel in het kastje met het Psalmboekje, sloot de deur toe, legde het sleuteltje in een vaasje dat op het kastje stond, en ging naar beneden, den tuin door, naar het boschje.

Hier dacht ik nogmaals over alles na; daarbij kreeg ik telkens in mij: ,, Dat 's Heeren zegen op u daal' en huppelde van vreugde.

Maar, helaas, zóó bleef het niet. Ik begon weer beangst te worden als ik aan den Bijbel dacht, dien ik had willen verscheuren, en riep; ,, O, als ik dat maar niet behoef te doen; als ik maar niet weer zoo schrikkelijk ellendig word, dat ik niet weet wat ik doe.quot;

Na eenige uren zoo in het boschje geloopen te hebben, dan weer verblijd en dan weer beangst, ging ik naar huis om te eten. Aan tafel was ik nu rustig, ofschoon ik anders den meesten tijd op mijn stoel zat te draaien. Bij het lezen van den Bijbel luisterde ik met alle aandacht, om te hooren

ocr page 161

145

of dat wat in mijn binnenste was gezegd ook in den Bijbel stond. Mejuffrouw Cato las: „Want dat is mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden.quot;

Toen beefde ik weer als een riet, want ik kreeg deze inblazing; „Ja, voor velen, maar voor jou nietquot;, en met die gedachte stond ik op en ging naar den tuin. „Voor velen, daar hebt ge het al. Voor velen, en niet voor mij quot;, zoo redeneerde ik bij mij zelve, „wie dat wel zouden wezen? Dat is zeker Ds. Notten en de dokter die gestorven is, en Juffrouw Volten en Moeder Neuhaus en Vader, en vele juffrouwenverpleegsters. Maar voor mij niet. Ach, ach, hoe is dat mogelijk; voor velen en niet voor allen?quot;

Ik had spijt dat gehoord te hebben. Had ik er maar niet naar geluisterd, dacht ik, dan had ik ook niet van „velen quot; gehoord.

Na een poosje zoo geloopen te hebben, ging ik naar binnen om thee te drinken en hoorde toen zeggen dat het aanstaanden Donderdag Hemelvaartsdag was. Ik luisterde naar hetgeen de familie Volten over den Hemelvaartsdag van Jezus Christus sprak, en toen kwam mij in de gedachte: Dan komt Jezus hen op de wolken te gemoet, maar liep op eens weg, omdat eene stem weer in mij zeide: „Ja velen, maar gij niet.quot;

Over dat woord „velenquot; liep ik een paar dagen te denken : O, als ik God had gediend, dan had ik ook onder die velen behoord, maar nu behoorde ik er niet bij. Ik wilde mij alles herinneren, wat ik had ondervonden toen ik op mijne knieën lag, maar dat ging niet goed. Want hoewel ik nog al kalm was, was het alles even duister in mij.

HOOFDSTUK XXIV.

Een voorsmaak uit den Hemel en het toppunt van bijna onder de hand des Boozen te bezwijken.

Op den Hemelvaartsdag werd ik 's morgens wakker met eene stem in mij, die zeide: „Ach, kreeg ik nu maar een

IQ

ocr page 162

146

kruimeltje van den vreugdedisch, dat daar boven van des Heeren tafel valt.quot; Ik had een zalig gevoel in mij, nog veel heerlijker dan dat, wat ik eens op Veldwijk had ondervonden, en daarbij mijn volle verstand.

Uit vrees dat het anders weer zou weggaan, durfde ik mij bijna niet te bewegen , en bleef eene heele poos dus zoo liggen. Toen stond ik op en boog mijne knieën en bad God om een kruimeltje dat boven van des Heeren tafel mocht vallen.

Ik bleef nog al lang op mijne knieën liggen om te bidden en te roepen: „Goede God, geef mij één kruimeltje, en vergeef mij mijne zonden, om Jezus' wille.quot; En terwijl ik daar zoo lag, hoorde ik het meisje van den bakker zingen;

,, Er ruischt langs de wolken een lieflijke Naam, Die hemel en aarde vereenigt te zaam.quot;

juist op dat oogenblik begon de klok van de vroegkerk ook te luiden, zoodat alles te zamen, bidden, zingen en klokgelui, mij als een hemelsche muziek in de ooren klonk, en zulk een zalig gevoel bij mij verwekte als ik hier niet kan beschrijven.

Toen ik van mijne knieën opstond, kreeg ik weer in mij;

„Dat 's Heeren zegen op u daal'.quot;

Ik kleedde mij daarna aan, en toen ik klaar was om naar beneden te gaan, werd mij in mijn binnenste gezegd: „Ga den vijf en twintigsten Psalm eens lezen.quot; Daartoe ging ik naar het kastje, deed het open, en met een heilig beven nam ik er den Bijbel uit, sloeg hem open, maar wist den vijf en twintigsten Psalm niet te vinden. Daarom ging ik met den Bijbel naar beneden en vroeg met een van vreugde stralend gezicht aan Juffrouw Volten of zij mij den vijf en twintigsten Psalm wilde opzoeken.

Met verwondering keken zij mij allen aan, zeker omdat zij dit nog nimmer hadden gezien of gehoord, en omdat ik zooveel sprak uit den Bijbel, daar ik mij zoo gelukkig gevoelde.

Mejuffrouw Volten zocht den vijf en twintigsten Psalm voor mij op en toen ik er mede naar boven wilde gaan, vroeg zij of ik mijn ontbijt boven wilde hebben , waarop ik antwoordde: ,, asjeblieftquot;.

Boven las ik den Psalm dien God mij had gezegd dat ik moest lezen. Want ik wist dat het God was die in mijn binnenste

ocr page 163

147

had gesproken. Ik mocht zulk eene hemelsche zaligheid smaken als ik nog nooit had ondervonden.

Onderwijl bracht Mejuffrouw Volten zelve mij het ontbijt boven, en toen zeide ik: „O, juffrouw, er staat dat „God zelf wil onderwijzen hen die dwalen, brengen in het rechte spoor.quot; „Jaquot;, antwoordde de juffrouw, „dat is waarquot;.

Na nog eenige oogenblikken met haar gesproken te hebben , ging zij naar beneden en bleef ik zitten lezen; toen ging ik bidden en daarna mijn ontbijt gebruiken.

Na het ontbijt nam ik den Bijbel mee naar den tuin en ging in het prieeltje zitten lezen. Den geheelen dag was ik overgelukkig.

Het was alles zoo vreemd voor mij. Het was net of ik op eens van de hel in den hemel was overgegaan. Bij ieder woord dat ik las smakte mijn mond, en riep ik: „O, wat is dat heerlijk, als men het mag verstaan. Wat is dat alles waar.quot;

Onder het lezen kreeg ik in mij : „ Met Pinksteren ontvangt ge den Heiligen Geest.quot; Ik liet mij maar alles gezeggen en luisterde er steeds naar, daar het zoo heerlijk klonk en ik er zoo zalig door werd.

's Avonds bij ons avondeten kregen wij bij onze boterham eene snede snippel- of suikerbrood (in Friesland zegt men snippelbrood) en een saucijzebroodje. Toen de heer Volten, als naar gewoonte, overluid bad, zeide ik zacht in mij zelve: „ Goede God, wat ben ik gelukkig. Dat heb ik niet verdiend.quot; Tot antwoord kreeg ik toen: „Dat heeft de HeereJezus voor je verdiend.quot; Ik was zoo overgelukkig, dat ik niet eens mijn snippelbrood en saucijzebroodje wilde opeten. Daar kwam ik niet aan. Ik was veel te gelukkig en at alleen mijne boterham op.

Daarna ging ik den straatweg een eind op wandelen, en had het wel aan alle menschen die ik tegenkwam, willen zeggen, hoe gelukkig ik was, en wat de goede God aan mij had gezegd Maar ik hield mij maar in.

Bij het naar bed gaan, boog ik eerst mijne knieën en dankte God, dat Hij mij zoo had gezegend en dat ik zoo gelukkig was, en ging zoo kalm te bed.

Maar, o wee; 's ochtends bij het ontwaken, wist ik niet hoe gauw ik er uit zou gaan. Het was in eens alles weer duister in mij en ik kreeg opnieuw benauwdheden over mij. Ik kleedde mij spoedig aan en ging haastig door den tuin, het veld over, naar het boschje, waar ik heen en weer liep met de schrikkelijkste ingevingen van den booze: „Dat valt je af, hé? Dat zoudt ge wel willen; dat kunt ge begrijpen. Wildet gij

ocr page 164

148

de wereld weer dienen? Daar is het toch maar om te doen.quot; „Neenquot;, riep ik huilende uit, „ik wil mijn God dienen, als ik maar mocht.quot;

In zulk een strijd liep ik den geheelen dag in het boschje; het werd zoo erg, dat ik niet naar huis wilde om te eten en Mejuffrouw Volten met een bord met eten onder den boezelaar naar mij toe kwam, doch ik wilde niets hebben.

Toen ik 's avonds in huis werd gehaald ging Mejuffrouw Volten met mij op de bank in den tuin zitten en voerde mij brood. Nadat ik een paar sneedjes had gegeten, brachten Mejuffrouw Volten en Mejuffrouw Betsy mij naar boven, kleedden mij uit en legden mij te bed. Tusschenbeide kwam zij eens kijken of ik er wel in lag, doch ik bleef gerust liggen.

Den volgenden morgen , toen zij boven kwam , was ik reeds opgestaan. Zij vroeg hoe het met mij was, maar ik gaf geen antwoord. Toen ik mij had aangekleed, ging ik naar beneden om te ontbijten, maar sprak geen woord, en na afloop van het ontbijt, ging ik weer naar het boschje.

Nogmaals dezelfde strijd. Dan kreeg ik in mij: „Strijdt den goeden strijd des geloofs. Ik zou het maar wagen; komt ge om dan komt ge omquot;; en dan was het weerPas op dat ge geen Bijbel weer leest, want daarvan wordt ge hoe langer hoe erger, en gaat ge naar de hel, en komt er nooit weer uit.quot; Ik wist niet wat dat alles beteekende. Ik werd zoo erg bezeten en alles was weer zoo donker voor mij, dat ik bij het minste wat ik maar hoorde, dacht: Daar zijn ze om mij naar de cel te brengen.

Toen ik zoo weer eenige dagen in strijd, ellende en duisternis had geleefd, kwam Mejuffrouw Juch weer logeeren. Ik wilde echter niets van haar weten en sprak geen woord tegen haar.

Eens dat Mejuffrouw Volten mij boven bracht, vroeg zij mij, of ik wel eens bad. Ik antwoordde: „Ik durf nietquot;, waarop zij zeide: „Wil ik eens met u bidden?quot; „Ja, graagquot;, antwoordde ik. Toen ging zij met mij op de knieën en bad voor mij, of de goede God zich over mij wilde ontfermen en in Christus Jezus op mij wilde nederzien, opdat satan van mij mocht vlieden, onder wiens macht ik gebukt lag. Terwijl zij bad werd ik veel kalmer, en ging huilende in bed.

Toen ik den volgenden morgen opstond, ging het nog al met mij, maar eenige oogenblikken later werd ik weer zóó bestreden, dat ik geen raad wist. Aanhoudend kreeg ik in mij: „Je bidden geeft je niets, want je wilt er toch niet naar

ocr page 165

149

doen.quot; „Jaquot;, riep ik dan terug, „als ik maar kon, zou ik het wel doen.quot; Dan kreeg ik weer in mijn binnenste: „Je komt niet omquot;; en dan was het weer: „Ik laat je toch niet los; ge gaat naar de hel, dat zult ge eens zien. Daar komen ze al aan om je te halen.quot; Ik keek dan naar alle kanten rond of het waar was, al maar heen en weer loopende, net alsof ik dronken was, van angst en benauwdheid.

Den Zaterdag vóór Pinksteren was het zoo vreeselijk, toen ik in het boschje liep, dat ik tusschenbeide van angst in het zand heen en weer rolde als een beest, terwijl ik niet anders in mij kreeg dan: „Daar zijn ze, daar gaat ge; kom, hier moet jelui wezen; grijp haar dan; laat haar niet los, laat haar niet los.quot;

Daar kreeg ik zulke pijnigingen, benauwdheden en angsten bij, dat ik tusschenbeide opstond en als eene razende heen en weer liep.

Dat duurde tot des middags drie uur. Toen was het op het ergst vanwege den gruwelijken strijd. Ik hoorde niets anders dan: „Laat haar niet los, laat haar niet los.quot; En ik dacht er bij om te komen; ik kon zelfs niet meer voort.

HOOFDSTUK XXV.

Satan werd overwonnen door het volbrachte verlossingswerk van Christus, en ik ontvang door genade den Heiligen Geest.

Radeloos en in vertwijfeling steek ik op eens mijne samengevouwen handen naar de hoogte, en roep overluid: „ O, Heere Jezus! Zoo gij nog eenige ontferming over mij hebt, medelijdende Hoogepriester, ontferm u dan mijner en bidt voor mij!quot;

En o, groote genade, daar word ik in eens kalm en wel bij mijn verstand. Ik ga naar huis in de kamer, waar de familie bij elkander zat om peulen af te halen. Dadelijk vroeg

ocr page 166

ISO

ik of ik ook wat peulen mocht afhalen, waarop geantwoord werd; „Zeker, gaarne!quot;

Ik ging kalm zitten en deed zoo hard mee als ik maar kon. Ik wist niet wat mij in eens was overkomen en durfde ook niets te zeggen, omdat ik zoo blij was en mij zoo kalm gevoelde.

Den volgenden dag wras het Pinksterfeest. Toen ik opstond, gevoelde ik mij erg gelukkig. Ik kleedde mij aan en wilde in den Bijbel gaan lezen, maar toen ik den Bijbel open sloeg, kreeg ik in mij; „Doe dat niet; ga niet in den Bijbellezen, want dan wordt ge weer zoo ellendig.quot; Ik wist niet hoe gauw ik den Bijbel zou wegleggen, en ging naar beneden om te ontbijten.

Daarna liep ik naar den tuin en ging in het prieeltje zitten, waar ik deze woorden in mij kreeg; „Vrouw, uwe zonden zijn u vergeven! Gij zijt genoeg gestraft. Gaat naar uw huis en vertel de wonderen die God aan uwe ziel heeft gedaan.

Ik luisterde met geheel mijn verstand, en dacht; Zou dat in den Bijbel staan ? Dan kan ik het gerust gelooven, dat het gebeurt. Ik was zeer gelukkig en gevoelde meer kracht in mij dan anders. Maar toen ik weer naar boven ging en in den Bijbel wilde gaan lezen, kreeg ik weer van den Booze in; „ Gaat ge het nu toch doen ? Moet ge nü weer zoo ongelukkig worden?quot;

Ik legde den Bijbel weer weg, en dat gebeurde dien dag tot viermaal toe. Was ik begeerig om den Bijbel te lezen, dan werd ik er letterlijk vandaan geslagen met de woorden, dat ik dan weer zoo ellendig zou worden, aan welke woorden ik dan geloof sloeg.

Den tweeden Pinksterdag was het weer hetzelfde. Wilde ik in den Bijbel lezen, dan was het verschrikkelijk wat in mijn binnenste werd gezegd: „Blijf er af; hij is niet voor jou; moet ge weer naar de cel? Pas op, hoor! Ge gaat naar de hel voorgoed, als ge er nog eens aankomt.quot;

Op het laatst durfde ik er niet meer aankomen, door al die gezegden die ik in mij kreeg. Toch bleef ik kalm, ofschoon mijne zonden alle klaar en duidelijk voor mij lagen en waarover ik hittere tranen schreide.

Het was 's avonds omstreeks zes uur, toen ik in den tuin liep met vele bestrijdingen in mij, waarvan ik eigenlijk niets begreep wat zij beteekenden. Alleen dit wist ik, dat ik eene zondares was, niet van naam, maar inderdaad.

Op dat oogenblik kwam Mejuffrouw Volten naar mij toe.

ocr page 167

i5i

Er was namelijk visite gekomen uit Harderwijk, een neef en nicht. De nicht, Mejuffrouw Zwaantje, was vóór haar trouwen aan het Leger des Heils geweest. Mejuffrouw Volten zeide: „Mevrouw, komt nu eens wat binnen? Wij gaan een versje zingen. Dan kan u eens luisteren. U is alweer in geen twee dagen binnen geweest.quot;

Maar ik antwoordde; „Neen, daar' mag ik niet bij.quot;

„Waarom niet?quot; vroeg zij.

„Daarvoor ben ik te zondigquot;, gaf ik ten antwoord.

„Wat?quot; zegt ze, „te zondig? Wie is het die verdoemt? Christus is het die zalig maakt.quot;

En jawel, ik was nog eerder binnen dan Mejuffrouw Volten zelve. Christus had mij zalig gemaakt. Ik bleef den geheelen avond binnen en terwijl de familie heerlijke gezangen, psalmen en geestelijke liederen zong, was ik een en al gehoor. Vooral toen de neef en nicht samen zongen:

„Ik kom tot u, mijn Heiland!

Ik kom nu, ik kom nu,

Ik kom tot u, mijn Heiland,

En geef mij zelf aan u.quot;

Dat vond ik zoo heerlijk. O, kende ik dat maar, dacht ik; dat wenschte ik ook wel te kunnen zingen.

Toen ik naar bed ging, viel ik op mijne knieën en met tranen bad ik;

„Ik kom nu, mijn Heiland,

Ik kom nu, mijn Heiland!quot;

Anders kon ik niets zeggen.

Den volgenden morgen was ik bij het opstaan zeer kalm en gelukkig, zoodat ik mijne knieën boog en er God voor dankte, tevens biddende, dat de goede God mijne zonden wilde vergeven in het bloed van Zijnen geliefden Zoon, Jezus Christus, en of God mij wilde bewaren, opdat ik niet meer zoo ellendig werd als ik geweest was. Ik wenschte den Heere te dienen als Hij mij de kracht er toe wilde geven.

Na dit gebed ging ik naar beneden en kalm zitten breien, ofschoon ik in mijn binnenste nog heftig werd bestreden. Dan kreeg ik weer in mij: „ Het zal niet lang duren met je.quot; En dan daarop; „Jezus overwint! Jezus overwint!quot; En omdat Jezus overwon, bleef ik den geheelen dag zoo gelukkig en kalm, zoodat ik niet alleen den geheelen dag mocht blijven

ocr page 168

i S-

zitten breien, maar ook veel spreken over Gods Woord, hoewel ik zelf niet eens wist, dat het in den Bijbel stond.

Een paar dagen reeds duurde deze heerlijke kalmte voort. Ik kreeg al dadelijk allerlei plannen in mijn hoofd om naar huis te gaan, naar mijne kinderen. Ik zou hen veel uit den Bijbel vertellen en welke groote dingen God aan mijne ziel had gedaan, om dan veel te bidden en te leven ter eere Gods en te zingen ter verheerlijking van Zijnen driemaal heiligen Naam.

Dit werd met zulk eene kracht in mij gewerkt, dat ik al het andere niet hoorde, dat ik in mij kreeg, als: „Ja, maar ge zijt nog niet thuis; ge zijt nog niet bij uwe kinderen; ge wordt toch weer erger.quot; Zulke gezegden werden steeds in mij onderbroken, met: „Ik zal met u zijn tot de voleinding der wereld, ja, tot in der eeuwigheid.quot; Daarbij kreeg ik zulk eene geloofskracht, dat ik in mij zelve lachte en zeide; „Neen maar, dat laatste is waar, dat geloof ik; dat zal God doen om de wille van Zijnen geliefden Zoon.quot;

Dezelfde week ging ik met Mejuftrouw Juch wandelen. Onderweg vroeg zij mij, of ik nog wel naar de kerk ging, waarop ik ontkennend antwoordde. Ik kon en durfde niet, want als ik kalm was en gaarne wilde, dan kreeg ik in mij; „Als ge naar de kerk gaat, dan wordt ge nog veel ellendiger, en gaat ge naar de hel.quot;

— „Dat is de duivel, die dat zegtquot;, zeide Mejuffrouw Juch, „Jezus roept uquot;, en terwijl zij dat zeide, kreeg ik eene wonderbare gewaarwording in mij, en dacht: O, nu begrijp ik, waarom ik dan deze stem in mij krijg, en dan weer die. De eene is zekerlijk van den duivel en de andere van God. Neen, maar dan ga ik doen wat God zegt, dan kan de duivel mij ook niet zoo pijnigen en beangst maken, en met zulk eene verhevene gedachte en een gelukkig gevoel om te doen wat God zegt, wandelde ik met Mejuffrouw Juch voort.

Zij vertelde mij veel, o. a. ook van haren tweeden man, Ds. Juch, en van hetgeen zij in het leven had ondervonden. Nu, dat was geene koningskroon geweest, maar eene doornenkroon. Jezus Christus, Gods Zoon, moest er ook eene dragen om den vloek over de zonde die op de wereld rust, maar Hij, de Zone Gods, onschuldig, terwijl wij er schuldig aan zijn.

Ik bleef de geheele week heerlijk kalm, zóó, dat het alles in mij jubelde, en ik dacht: O, wat ben ik gelukkig! Hoe moet dat wel in den hemel zijn, daar ik hier nu al zoo zalig ben! ___

ocr page 169

1 S3

HOOFDSTUK XXVL Tweemaal op één Zondag naar de kerk.

Toen ik des Zondagsochtends wakker werd en mijne oogen opensloeg, kreeg ik op eens in mij: „Jezus roept u!quot; Ik dacht: He, wat zou dat beteekenen ? Zou ik naar de kerk moeten gaan? Ja, dat doe ik. Ik stond op, boog mijne knieën en bad den goeden God of ik naar de kerk mocht gaan, waarop ik in mijn binnenste ten antwoord ontving: „Jezus roept u!quot;

Spoedig kleedde ik mij aan, ging naar beneden en vertelde aan de familie Volten, dat Jezus mij geroepen had, en dat ik naar de kerk op Veldwijk wilde gaan. „ Dat is goed zeide Juffrouw Volten, „dan zal Betsy met u meegaan.quot; En zoo gingen wij dan ook samen naar Veldwijk.

Toen wij goed half weg waren, hoorden wij de kerkklok luiden en moesten het zoo hard op een loopen zetten. dat Mejuffrouw Betsy zeide; „Ik kan niet meer, ik kan u niet bijhouden.quot; Maar ik liep maar door, omdat ik niets anders in mij kreeg dan: „Ge komt te laat; ge komt er niet meer in. Ziet ge wel dat het voor jou te laat is? Ik zou maar teruggaan; het geeft je toch niets. En wie weet of ze je er niet meteen houden; want ik laat je toch niet los. Ge gaat toch naar de hel.quot;

Maar ik had zooveel kracht in mij, dat ik maar doorliep, zoo hard als ik kon, en toen wij bij de kerk waren, bonsde mijn hart, daar ik dacht dat het te laat en de deur gesloten zou zijn, doch juist komt daar nog eene juffrouw-verpleegster met een paar kranken aan, pn toen gingen wij gezamenlijk de kerk in.

Ik liep met Mejuffrouw Betsy naar voren en het was net of God twee plaatsen op den hoek van de tweede rij voor ons had opengehouden. Juist op het oogenblik dat wij plaats namen, kwam Ds. Notten uit de consistoriekamer, en kreeg ik in mij: „Ge zijt niet te laat.quot;

Blij en verheugd als ik was, luisterde ik zeer oplettend naar de preek en toen de dominé bad om een zegen, en dat de goede God mocht geven dat wij des namiddags weer

ocr page 170

154

gezamenlijk bij elkander mochten komen, dacht ik; „Ja, dan kom ik ook.quot;

Bij het uitgaan van de kerk vroegen eenige juffrouwenverpleegsters, hoe het met mij ging. Ik antwoordde; ,.,0, heel goed.quot; „Nuquot;, zeiden zij, „u ziet er wat best uit.quot;

Wij gingen. Mejuffrouw Betsy en ik, daarna weer naar Ermelo, en toen wij thuis kwamen, dronken wij koffie met een koekje. Maar van een koekje moest ik niets meer hebben ; dat was mij drek geworden, als ik mijn Jezus maar meer en meer mocht gewinnen Onder het koffie drinken mocht ik veel spreken over de preek, en daarom keken zij mij zoo erg aan, daar de familie Volten zulks nog nooit van mij had gehoord. Ook zeide ik, dat ik 's middags weer naar de kerk ging, waarop Mejuffrouw Volten antwoordde; „Dan moet nu Cato maar met u meegaan.'quot;

Op mijne vraag hoe laat de kerk begon, kreeg ik ten antwoord, om twee uur, en daar wij des Zondags gewoonlijk om half twee aten , was ik bevreesd dat het dan te laat zou worden. Maar Mejuffrouw Volten, eene zorgdragende vrouw, zorgde er voor dat wij wat vroeger konden eten, zoodat het niet te laat werd en ik met Mejuffrouw Cato op tijd in de kerk kwam.

Wij gingen weer op onze oude plaats zitten, vlak voor den preekstoel, zóó, dat ik Ds. Notten goed kon hooren en zien; maar dien middag vond ik, dat Ds. Notten ook veel naar mij zag, zoodat ik mijne oogen telkens neer moest slaan, daar er een vreezen en beven in mij was, als mijne oogen de zijnen ontmoetten.

Toen de preek was afgeloopen, gingen Mejuffrouw Cato en ik weer naar huis. Het was een erg warme dag in de maand Juni, zóó, dat we bezweet thuis kwamen. Maar daar voelde ik niets van, want het was geen angstzweet, dat uit de ziel werd geperst. Neen, het was maar lichamelijk.

's Avonds in de voorkameï zittende, schrikten wij allen van den uitroep van Mejuffrouw Cato; „Daar komt Ds. Notten aan.quot; En, ja wel, daar was Ds. Notten. „Oquot;, zeide Mejuffrouw Volten, „dat zal wezen voor mevrouw.quot; Bij mij zelve dacht ik; Ja, dat komt zekerlijk omdat ik vandaag tweemaal ter kerk ben geweest. De dominé kwam binnen, en gaf ons allen de hand, nam plaats en bleef een poosje met ons spreken. Daarna gaf de domino te kennen dat hij mij gaarne alleen wilde spreken, waarop de familie de kamer verliet.

ocr page 171

155

Toen vroeg de dominé aan mij, hoe het kwam dat ik tweemaal vandaag in de kerk was geweest. In antwoord daarop vertelde ik den dominé dat ik zoo gelukkig was en wat er in mijn binnenste werd gezegd en vroeg meteen, of in den Bijbel stond; „ Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe.quot; Verder dat het nog niet te laat voor mij was om tot God te gaan , opdat ik het eeuwige leven zou beërven Ik sprak wel een kwartier lang met den dominé en vroeg telkens; „Staat dit in den Bijbel, of staat dat in den Bijbel, dominé, wat in mijn binnenste wordt gezegd?quot; -— „Jaquot;, antwoordde de dominé, „dat staat alles in den Bijbel.quot;

Toen de dominé had uitgesproken, ging hij in het gebed, en bad of de goede God mij wilde zegenen, of ik weer naar mijne dierbaren mocht teruggaan, enz.

Daarna ging Ds. Notten naar Mejuffrouw Juch en sprak eenige woorden met haar over de vereeniging van de Christelijke Gereformeerden en de Doleerenden. Er was toen ter tijd sprake van , dat die bij elkander zouden gaan. Mejuffrouw Juch kwam er tegen op en vond het niet goed, en Ds. Notten zeide; „Ja, wat zal ik er van zeggen? Maar dit geloof ik, God vergist zich niet.quot; Toen ging de dominé weer heen.

O, wat heb ik toen eerst dienzelfden avond, daarna nog dagen, weken, ja maanden een strijd in mijn binnenste gehad naar aanleiding van die woorden van Ds. Notten: „Godver-gist zich niet.quot; Dat was een bange strijd, met vreezen en beven, ofschoon ik er hoe langer hoe krachtiger tegen in werd. Kreeg ik dan in mijn binnenste: „Ja, God vergist zich niet. Als gij weer zoo erg krankzinnig wordt, en naar de cel gaat om er nooit weer uit te komen en dan toch naar de hel gaat. Ge zult eens zien dat het zal gebeurenquot;, — o, dan was het of ik even begon te sidderen, maar dan op eens gevoelde ik weer eene heerlijke kracht opkomen, met de woorden; „ God zal u niet begeven noch verlatenen „niemand zal u meer uit de handen van uw Verlosser kunnen rukken. Hij heeft u in Zijne handpalmen gegraveerd. Ge gaat naar uwe kinderen terug, en de Bijbel zal u zoo dierbaar worden. Want als God werkt kan niemand het keeren.quot; En als ik dat dan in mij hoorde, dan kon ik niet zwijgen, maar sprak dan met een vuur, wat de Geest Gods mij gaf om te spreken, alles uit Gods Woord, er bij zeggende, dat de

ocr page 172

156

almachtige God alles vervult wat in dat waarachtig Woord geschreven staat te Zijner tijd en naar Zijnen wil.

HOOFDSTUK XXVII. „Van Godquot;.

Toen ik den volgenden dag binnen zat te breien, kwam er een colporteur uit Holland. Mejuffrouw Volten en Mejuffrouw Juch spraken met hem over den apostel Paulus. Ik zeide: „Ja, er moesten wat meer Paulussen zijn die hunne bekeerings-geschiedenis vertelden, dan zouden de menschen meer ge-looven.quot; Allerminst dacht ik toen, dat ik zelf later mijne bekeeringsgeschiedenis mocht schrijven.

Den dag daarna gevoelde ik zulk eene kracht in mij, dat ik aan Mejuffrouw Volten om papier en inkt vroeg, omdat ik naar mijne kinderen wenschte te schrijven. Ik legde den Bijbel bij mij en schreef aan mijne kinderen, dat zij's morgens en 's avonds hunne knieën moestén buigen en God bidden om vergeving; dat zij altijd naar de wereld hadden geleefd; dat zij moesten bidden of de goede God hen wilde verlossen van den booze, opdat zij godzaliglijk mochten leven in handel en wandel; dat zij driemaal daags een hoofdstuk uit den Bijbel moesten lezen, want dat God heeft gezegd dat Zijn Woord niet ledig tot Hem zal wederkeeren, maar dat God zal doen al wat Hem behaagt, en dat Zijn Woord voorspoedig zou zijn bij allen die oprecht in God gelooven en Hem vreezen, om God te dienen in geest en in waarheid; niet met den mond maar met het hart. Dan zouden ook zij de hemelsche zaligheid deelachtig worden en een vrede ontvangen, zooals hare moeder het nu ook mocht smaken, nu ik genade bij God had ontvangen en door mijn geloof en vertrouwen op Hem niet meer de wereld wilde dienen, maar alleen den levenden God.

Ik schreef mijne kinderen verder dat zij mij stukken goed moesten overzenden voor hemden en jakken, want dat ik voor de arme kranken wilde naaien. Naar de armen hadden

ocr page 173

157

wij vroeger nooit omgezien, en God zegt het in Zijn Woord, dat wij God moeten liefhebben boven alles en onze naasten als ons zeiven. Ja, zij konden mij niet genoeg zenden, schreef ik, daar ik goed wilde maken, wat ik had misdreven.

„O, lieve kinderenquot;, zoo luidde het in mijn brief, „God heeft mij beloofd dat ik weer bij jelui terugkom. Wat zullen wij dan Gods Naam grootmaken. Dan zingen wij op de piano geen wereldsche liederen meer. Nu ik in een levenden God geloof, door Christus Jezus, die er mij de kracht toe verleent, zingen wij alles ter eere Gods en zullen wij Hem geheel ter eere leven.quot;

Zoo schreef ik maar voort , zoodat ik aan één vel papier niet genoeg had, en er een half vel bij moest.

De laatste woorden waren; „Nu , lieve kinderen , deze letteren zijn niet slechts met inkt geschreven, maar het zijn de waarachtige en levende woorden Gods. Heilbiddend

Uwe liefhebbende Moeder.quot;

Toen ik den brief gereed had ging ik naar beneden en liet hem aan Mejuffrouw Volten en Mejuffrouw Juch lezen. Mejuffrouw Juch, dat goede doove mensch, zat maar te knikken terwijl zij den brief las, maar zeide niets. Ik bracht den brief zelf naar het postkantoor, hoewel dat vlak naast ons was, met eene zekere verheugdheid , omdat de brief zooveel waarde bezat. Ik dacht; Hoe is het mogelijk dat ik dat heb kunnen schrijven. „Oquot;, riep ik uit, „goede God, laat het mij niet tot een oordeel zijn, maar wel tot een voordeel.quot; Want ik werd van binnen weer zoo bestreden. Het klonk weer: „Van wat ge geschreven hebt, staat niets in den Bijbel, en je kinderen zullen je lekker bedanken om goed over te zenden; zij weten het wel beter dat ge toch nooit thuis komt. Verheug je maar met eene doode musch.quot;

Zoo ging het maar in mij, maar daartegenover was het; „Verblijdt u in den Heere, want wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen en Ik zal u verlossen uit de macht des satans en overbrengen in mijn goddelijk licht en Ik zal met u zijn tot de voleinding der wereld, want Ik heb u Gode gekocht met Mijn bloed.quot;

En dan kreeg ik weer vernieuwde kracht en was zeer verheugd, daar ik dacht; Dat is van God. Wist ik maar of het in den Bijbel staat, want dan is het zekerlijk waar.

Er verliepen zoo eenige dagen van den grootsten strijd,

ocr page 174

158

en ik kan niet begrijpen, dat ik dan in mij kreeg waarover ik mij zoo verheugd gevoelde en dan weer in mij kreeg waarover ik mij bevreesd maakte. En hoe ik daarover ook nadacht, ik begreep er niets van. Ook kreeg ik geen bericht van mijne kinderen, waarover ik mij erg ongerust maakte, vreezende dat zij mij niets zouden zenden. Maar dan kreeg ik in mij: ,, Zij die gelooven haasten nieten dat maakte mij stil, alsdan denkende; Laat ik maar geduldig wachten; God zal er wel voor zorgen dat ik het krijg.

Eindelijk, ja, daar kwam een pak voor mij aan, bestaande uit een stuk wit katoen voor hemden en twee stukken paarsch katoen voor jakken. Ik was zoo blij, dat ik al dadelijk begon hemden te knippen, onderwijl zingende;

Heil'ge Jezus! mij ten leven, Ter heiligmaking mij gegeven ,

Hoe heerlijk zijt G' in heiligheid! Hemelsch voorbeeld! al de luister Van Englen-heiligheid wordt duister, Bij 't licht van Uwe heiligheid: O Gij! zoo onbesmet,

Gij zijt mijn Hoofd en wet; Heil'ge Jezus!

O, heilig mij!

Dat ik als Gij In hart en wandel heilig zij.

En daar was ik zoo overgelukkig bij, dat het knippen haast vanzelf ging. Toen ik ging zitten naaien, zong ik het „Wien Neerlandsch bloedquot; van blijdschap. En zoo ging het eiken dag. 's Morgens 5 uur stond ik op en bleef zitten naaien tot 's avonds 7 uur. De Bijbel lag bij mij, want tusschen-beide was het door de inblazingen die ik weer kreeg net alsof ik niet kon blijven zitten. Dan ging ik wel opstaan, maar viel ook terstond weer neer onder den invloed van andere gezegden die ik in mij kreeg, en waarin ik dan geloofde, zoodat de benauwdheid weer wegging en ik dan kalm werd, ja zelfs blijde was dat ik kon blijven zitten.

Was het 's avonds zeven uur, dan ging ik den straatweg op of in de laan van Rustoord wandelen; soms huppelde ik van hemelsche zielevreugde; zóó gelukkig was ik in mijn binnenste. En kwam ik dan thuis, dan sprak ik van de groote dingen Gods aan mij gedaan.

Vervolgens ging ik naar boven, boog mijne knieën en ging

ocr page 175

159

te bed. Eene enkele maal gebeurde het wel, dat ik in het midden van den nacht opstond, en mijne knieën boog om tot den driemaal heiligen God te bidden wat de Heiligen Geest mij gaf te bidden, daar ik zelf niet recht wist wat bidden was.

Ook ging ik dikwijls midden in den nacht opstaan om in den Bijbel te lezen, waardoor ik dan zóó overgelukkig was, dat ik den halven nacht opbleef om te lezen.

Eens op een morgen, toen ik wakker werd, kreeg ik in mij; „Alles wat gij in den Naam van Jezus Christus zult bidden, dat zal u gegeven worden.quot; Ik stond op, boog mijne knieën en bad in den Naam van Jezus Christus, of God mij wilde bijstaan in alles wat ik naar Zijn wil en welbehagen wenschte te doen, en of de goede God Zijne kracht in mijne zwakheid wilde volbrengen. Toen ik opstond, kreeg ik in mij:

„Dat 'sHeeren zegen op u daal',

Zijn gunst uit Zion u bestraal'.quot;

Ik kleedde mij aan en ging weer zitten naaien, maar dien dag werd ik zóó benauwd van de ingevingen en gevoelde ik mij zóó zwak, dat ik dien dag viermaal opstond en naar de deur liep om naar beneden te gaan, aangezien ik door angst gedreven en door eene macht werd aangegrepen, waartegen ik niet bestand was.

Maar telkens als ik bij de deur was , gevoelde ik eene andere kracht in mij, en dan ging ik weer zitten. En daar het zich telkens herhaalde, wist ik zelf niet wat het moest worden. Dan gevoelde ik mij zwak en kon niets doen, en dan op eens weer zoo sterk dat ik hard voortnaaide.

Toen het avond was, legde ik mijn werk weg en ging naar beneden om koffie te drinken. Dien avond heb ik gesproken wat de Geest Gods mij gaf om te spreken, en met een vuur, zoodat er iemand was die zeide; „Mevrouw, mevrouw, pas op, dat u niet weer naar Veldwijk gaat.quot; Maar op eens kreeg ik eene wondere kracht in mij, en den Bijbel opnemende en in de hoogte houdende, zeide ik; „Zoo waarachtig als deze Bijbel waar is, zoo zeker ga ik nooit weer naar Veldwijk.quot; Een heilig beven beving mij, toen ik dat zeide, maar ik wist dat de almachtige Jehova, wiens Woord waarachtig is, het zou bevestigen. Daarvan was ik zeker. Daarbij kreeg ik telkens in mij; „Jezus heeft overwonnen en Hij zal blijven overwinnen. En ziet ge nu wel dat Christus het overwonnen heeft? Al wat gij in mijnen Naam

ocr page 176

i6o

zult bidden, dat zal u gegeven worden.quot; Ja, zoo ging het maar voortdurend in mij om, met een zalig gevoel, dat ik niet kan uitspreken.

Toch kreeg ik ook andere woorden in mij, als: „Ge zijt er nog nietquot;, en „ik laat je toch niet los.quot; Maar daar lette ik niet op. Ik was veel te gelukkig.

Zoo vlogen de weken voorbij met hard naaien. Viermaal daags ging ik mijne knieën buigen om te bidden in den Naam van Jezus Christus, en driemaal daags las ik in den Bijbel. O, ik was een geheel ander mensch geworden. Ik leefde nu ter eere Gods en werd door Zijnen Geest geleid in Christus Jezus, mijn Verlosser, die het mij zelf openbaarde, dat Hij mijn Verlosser was geweest en mij had verlost uit de macht des duivels, door wien ik bezeten was geweest, en dat Hij mij nu had overgebracht uit het rijk der duisternis in Zijn goddelijk en wonderbaar Licht. Daarin zou ik nu leven, daar Hij mijn Leidsman zou wezen.

Tusschenbeide stond ik verstomd van al de heerlijke woorden die ik in mijn binnenste kreeg, en waarbij ik zoo gelukkig en zalig was. Ook kreeg ik eens, terwijl ik voor de tafel stond, eene ingeving waardoor ik als verpletterd stond. Ik grijp om mij heen om mij vast te houden en op eens zegt mij eene stem; „Grijp den Bijbel.quot; Terstond greep ik mijn Bijbel en in eens was alles verdwenen, zóó, dat ik met nieuwe kracht aan mijn werk ging en mij den geheelen dag zóó gelukkig gevoelde alsof er niets was geschied.

HOOFDSTUK XXVIII. „Overwonnen ook voor mijquot;.

Op zekeren Zaterdag dat Dr. van Dale zijne zuster kwam bezoeken, wat hij wel meer deed, kwam de dokter ook naar mij toe en vertelde mij dat er den volgenden ochtend geen kerk was, want dat Ds. Netten de bediening had in eene andere kerk. Maar 's middags om twee uur was er wel weer dienst. De dokter kwam het mij expresselijk zeggen, opdat ik niet

ocr page 177

i6i

voor niets zou loopen, waarvoor ik den dokter bedankte, hoewel het mij erg speet, aangezien ik al verscheidene weken, van af den dag dat Ds. Notten dien Zondagavond bij mij was geweest, tweemaal Zondags ter kerk ging. Dr. van Dale vroeg verder hoe het met mij ging, waarop ik antwoordde; „heel goedquot;.

Den volgenden ochtend, bij het ontwaken, dacht ik: Wat spijt het mij dat er geen kerk is, maar ik zal Juffrouw Vclten vragen of ik met haar naar de kerk mag. Maar terwijl ik daarover dacht, kreeg ik in mij: „Ja, vraag jij maar, zij zegt toch „ neen quot;, want daar moogt gij niet komen, daar staat boven de deur geschreven; „Hier woont de Heere.quot; Nu, dacht ik, dan vraag ik het niet; wie weet hoe godsdienstig die menschen daar zijn. Doch terstond sprak eene andere stem in mij: „Zoudt ge die juffrouw niet durven vragen? De zondige vrouw ging wel naar den Heere Jezus, den Koning der koningen, en zoudt gij nu niet van dat nietige mensch iets durven vragen ? Ik zou het maar vragen, komt ge om, dan komt ge om.quot;

Daarom besloot ik bij mij zelve: „Ik vraag het.quot; En ziet, daar had ik weer in mij: „ Zij doet het toch niet; zij neemt je toch niet mee.quot;

„Welquot;, sprak ik in mij zelve, „ik zal het toch vragen; weigert zij het, dan is het nog niets.quot;

Zoodra ik mij had aangekleed, ging ik naar beneden, als naar gewoonte, om mijne kan met water te vullen. Mejuffrouw Volten stond bij de deur, en nadat wij elkander een goeden morgen hadden gewenscht, zeide Juffrouw Volten op eens: „Mevrouw, gaat u van ochtend met mij mee naar de kerk?quot; Ik wist niet wat ik hoorde, en antwoordde: „Ja, gaarne.quot;

Boven gekomen, dacht ik: Neen, maar nu begrijp ik er niets van. Er werd in mijn binnenste gezegd: „Zij neemt je toch niet mee, zij zegt toch „neenquot;, en nu vraagt de juffrouw zelf om mee te gaan. O, dat is de duivel geweest; die wilde niet hebben, dat ik naar die kerk zou gaan.quot;

Nadat wij hadden ontbeten ging ik met Juffrouw Volten naar de kerk van den overleden Ds. Witteveen. Ik ging er heen met vreezen en beven en toen wij dicht bij waren, moest ik eens goed zien of er boven stond: „Hier woont de Heerequot;; maar ik zag bovenaan Hebreeuwsche letters, die ik natuurlijk niet kon lezen. Wel las ik de woorden: „De Geest en de bruid zeggen: Kom.quot; Ook las ik weer wat in den steen gegraveerd was: „In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestesquot;, en daar keek ik het meest naar,

11

ocr page 178

102

maar behoefde er niet meer voor te sidderen, zooals voorheen als ik er voorbij ging.

Wij gingen het kerkje binnen, dat goed bezet was en waar de heer Hesseling voorging, dien ik goed verstond, daar het alles Bijbelsch was; ja zelfs vóór dat hij het uitsprak, kreeg ik het al in mij. Zóó was het dus één geest.

Toen wij gingen zingen, hield Mejuffrouw Volten haar dik kerkboek vóór mij, omdat ik een kerkboekje had met enkel Psalmen. Ik zong met volle borst mee en met eene stem, dat Mejuffrouw Volten mij tersluiks aanzag, en toen het uit was had ik er van onthouden: „Ook voor mijquot;. Dat greep mij zóó aan, dat ik er over na bleef denken en toen er weer werd gezongen, kon ik niet meezingen, terwijl ik telkens in mij kreeg; „Ook voor mijquot;.

Toen wij na de kerk thuiskwamen, spraken wij over wat de heer Hesseling had gesproken en waarmede wij overeenstemden, dat wij in Christus Jezus leefden als wij van de zonde verlost waren en in de gerechtigheid van Christus leefden, door het geloof in Hem, onzen oppersten Leidsman, die dan Zijne kracht in onze zwakheid volbrengt.

Des namiddags ging ik naar de kerk op Veldwijk. Onderweg kreeg ik telkens in mij: „Ook voor mij, ook voor mijquot;. Ik dacht: Wat zou het toch beteekenen dat ik dat telkens in mij krijg? En met die gedachten kwam ik in de kerk. Ik zat niet meer vóór den preekstoel, maar ter zijde, daar mij zulks was gezegd.

Toen ik uit de kerk kwam, ging ik Veldwijk eens rond wandelen, waarvoor ik van Dr. van Dale een bewijs had gekregen, en waarop ik zeer trotsch was, omdat ik met dat bewijs alleen op Veldwijk mocht wandelen. Daar rondloopende sprak ik met deze en gene der kranken die achter de hekken liepen en vertelde hun dat zij ook eenmaal uit satans macht zouden verlost worden daar Jezus Christus voor hen had overwonnen. Ja, Christus zal den duivel onder Zijne voeten verpletteren en hen daarna opnemen in Zijne heerlijkheid. Dan zeiden zij: „Ja, Juffrouw, is dat waar?quot; En dan antwoordde ik: „Zoo zeker als Jezus Christus mij nu reeds heeft verlost uit de macht des satans en ik nu al reeds van Zijne heerlijkheid geniet.quot;

Terwijl ik zoo op Veldwijk voortwandelde, kwam ik aan een prieeltje, waarin twee jonge juffrouwen zaten ; eene er van was de dochter van Ds. Notten, de andere kende ik niet. Ik ging ook zitten en sprak eenige woorden met hen, terwijl

ocr page 179

163

ik ook zeide, dat men op Veldwijk niet alleen naar het lichaam, maar ook naar de ziel genezen werd ; daarvan kon ik getuigen. Zij lachtten even, maar zeiden daarop niets. Nadat ik eenige oogenblikken had gezeten, ging ik weer naar huis en wandelde naar Ermelo.

Den volgenden dag vroeg Juffrouw Volten mij of ik wat doperwten uit den tuin wilde plukken, dat ik gaarne deed. Ik nam eene mand, ging aan het plukken en kwam met eene bakkersmand vol terug, terwijl ik tegen de juffrouw zeide: ,, Het lijkt wel, dat hoe meer ik pluk er des te meer aan blijven zitten, zooveel zit er aan.quot;

Vervolgens ging ik weer zitten naaien, daar ik moest maken dat er zes hemden en zes jakken gereed kwamen, die ik dan te gelijk naar Veldwijk wilde sturen; dan kon er later weer wat worden weggezonden. Toen ik zat te naaien, kreeg ik weer onophoudelijk in mij : „ Ook voor mij! Ook voor mij! quot; Ik begrijp niet, dat ik dat zoo dikwijls in mij hoor, dacht ik. Ik zal toch eens aan de juffrouw vragen, waar dat staat. Maar daar ik rustig bleef zitten doorwerken, was ik het weldra weer vergeten.

De volgende week, nadat ik eiken dag hard had zitten naaien, waren de zes hemden en jakken af. Ik dacht; hoe zal ik die nu wegzenden, daar ik niet wil weten dat het van mij is. Want ik heb zooveel hooren spreken, dat men geen goede werken mag doen om den hemel te verdienen, terwijl in den Bijbel staat; „hunne werken volgen hen naquot;. Maar wacht; ik nam een vel papier en daar schreef ik in het midden op; „Van Godquot;. Daar het mij niet mooi genoeg geschreven was, nam ik een ander vel papier, doch daar dat nog minder uitviel, nam ik een derde vel, en dat was goed. Ik deed het in eene enveloppe en zond het goed met den brief naar Mejuffrouw van Dale op Veldwijk.

Toen Gijsje terugkwam gaf zij mij een brief over. Het was dezelfde waarop ik geschreven had; „Van Godquot;. Maar Mejuffrouw van Dale had er onder gezet;

Lieve Mevrouw !

Hartelijk dank voor wat u deed voor onze arme patiënten en lof aan Hem, die er u toe in staat stelde. Hij blijve u steeds nabij.

Met hartelijke groeten,

Uw toegenegen,

M. J. van Dale.

ocr page 180

164

Ik heb den brief nog in mijn bezit en denk er dikwijls aan hoe gelukkig ik was, toen ik voor die ongelukkigen zat te naaien.

Den volgenden Zondag, toen ik weer naar de kerk van Veldwijk ging, werd ik onderweg vreeselijk bestreden door den duivel, die mij weer alles inblies: „Het baat je toch niets, al loopt ge nog zoo naar de kerk, en al wilt ge nog zoo je best doen. Het geeft je niets, je gaat toch naar de cel en naar de hel.quot; Ik gevoelde mij zoo krachteloos, dat ik mij omkeerde en weer naar huis wilde gaan. Maar jawel, op eens kreeg ik weer kracht in mij en keerde terug om naar de kerk te gaan, terwijl het in mijn binnenste klonk: „Ook voor mij! Ook voor mij!quot; en „Die volharden zal tot den einde, zal zalig worden.quot; Ik riep: „O, goede God, sta mij bij, help mij, laat mij niet weer zoo ellendig worden.quot;

Met den grootsten strijd ging ik naar de kerk, en toen ik het paviljoen voorbijkwam waar ik het allereerst was geweest, hoorde ik eene vrouw zoo vreeselijk schreeuwen en aangaan in dezelfde cel waarin ik vroeger was geweest, dat ik haast geen grond onder mijne voeten had, terwijl ik in mij kreeg: „Daar komt ge ook weer in.quot; Hoewel met groote moeite, liep ik toch door en kwam in de kerk. Toen ik daar zat, begreep ik zelf niet hoe ik er nog gekomen was. Maar ik gevoelde mij toch gelukkig en kreeg telkens in mij: „Ook voor mij! Ook voor mij!quot; Ik luisterde goed naar de preek, en toen ik thuis kwam en Mejuffrouw Volten vroeg wat Ds. Notten had gepreekt, kon ik er veel van vertellen.

Den volgenden dag was ik erg opgeruimd, nog maar telkens binnen in mij hoorende: „ Ook voor mij! Ook voor mij!quot; Ik dacht: neen, maar nu ga ik toch aan Mejuffrouw Volten vragen waar dat in haar kerkboek staat, dan moet ik dat „Ook voor mijquot; eens lezen. Ik ging naar beneden en vroeg aan de juffrouw waar dat stond „Ook voor mij!quot;, dat wij toen in het kerkje van Ds. Witteveen hadden gezongen. Zij antwoordde, dat zij niet meer wist wat ik bedoelde.

Ik vroeg haar toen of ik het kerkboek even mocht hebben, en nam het mee naar boven op mijne kamer. Ik ging zoeken in de Psalmen en Gezangen, wel een uur lang, maar vond het niet, zoodat ik het boek weer weglegde en teleurgesteld ging zitten naaien. Een paar uren daarna krijg ik weer eene begeerte om het op te zoeken, daar ik onophoudelijk in mij kreeg: „Ook voor mijquot;. Ik nam het kerkboek weer op, en

ocr page 181

i65

meteen kreeg ik in mij: „Zoekt en gij zult vindenquot;, entoen ik drie bladzijden had opengeslagen, daar had ik het; daar stonden de woorden;

Jezus Christus heeft geleden ,

Heeft volstreden,

Overwonnen ook voor mij ;

Helsche list en macht gebonden,

Dood en zonden,

Overwonnen ook voor mij.

Ik was zoo blij, dat ik er mee naar beneden liep, en riep: „Ik heb het gevonden!quot; en aan Juffrouw Volten liet zien waar het stond. Het was het ó^6 vers van Gezang 85. Ik was zoo gelukkig, legde het boek bij mij terwijl ik zat te naaien en leerde dat vers van buiten, daar het geheel voor mij was, en Jezus Christus ook voor mij had geleden en volstreden. Ja, Christus had voor mij ook overwonnen, helsche list en macht gebonden, dood en zonden, ja, overwonnen ook voor mij, naar ziel en lichaam beide. O, ik was er zoo van verzekerd door de kracht die ik in mij had, en wat satan mij ook inblaasde, ik hoorde er niet naar, daar ik telkens in mij kreeg: „Jezus heeft overwonnen en Hij zal blijven overwinnen tot in der eeuwigheid.quot; En zoo was het eiken dag strijd, maar Jezus Christus bleef bij mij overwinnen.

HOOFDSTUK XXIX.

Mijn jongste kind komt vier weken bij mij

logeeren.

Eens op een Zondag, toen ik uit de kerk kwam, gaf Mejuffrouw Volten mij een brief. Ik keek naar het adres en zag dat de brief van mijne kinderen was, maar op hetzelfde oogenblik kreeg ik eene stem in mij, die zeide: „ Dien brief moogt ge niet openen. Het is Zondag, en die dag moet geheiligd worden. God wil dat.quot; Ik bracht den brief naar boven en legde hem weg. Toen ik dat deed, gevoelde ik mij zeer

ocr page 182

166

gelukkig en dacht: Ik zal aan mijne kinderen schrijven dat zij moeten zorgen dat ik geen brief weer op Zondag ontvang. Zij weten nu niet beter, maar ik zal het hun later leeren, dat wij den Zondag moeten heiligen, opdat wij God eeren. Dan worden zij ook gelukkig.

Den volgenden dag ging ik den brief lezen. Daarin stond dat Usie vacantie had en een veertien dagen naar Bussum zou gaan, omdat zij er zoo slecht uitzag. Ik nam den brief mee naar beneden en liet hem Juffrouw Volten lezen. Toen zij den brief gelezen had, zeide zij tegen mij: „U is zóó wel, uw dochtertje kon hier wel een veertien dagen komen, als de dokter het goedvindt. Wij zullen het hem vragen.quot;

-— „Oquot;, riep ik toen uit, „dan gaat Usie met mij mee naar de kerk.quot;

Mejuffrouw Volten ging den volgenden dag met Mejuffrouw van Dale naar den dokter ten eten. Zij vroegen of ik ook meeging, maar ik wilde liever thuis blijven, om het werk af te maken voor de kranken, daar ik aan een paar japonnen bezig was te knippen, en die ik gaarne af wilde hebben.

Toen Juffrouw Volten 's avonds thuis kwam, vertelde zij mij, dat de dokter had gezegd, dat Usie vier dagen mocht komen, dan konden wij zien hoe het ging. Maar zij mocht niet mee naar de kerk; want als er eens een kranke spektakel maakte, dan zou dat kind schrikken en dat zou kwade gevolgen voor haar kunnen hebben

„Dat is niet waarquot;, riep ik uit, „want God zegt; Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen. En als ik mijn kind mee naar de kerk wil nemen, waar zij nog nooit anders in is geweest dan toen zij gedoopt werd, neen, dan zal God haar daar geen kwaad laten overkomen. Dan kan dat eerder vooraf gebeuren. Maar ik zal er God om bidden als het niet mag, dat de goede God het dan verhindert; maar zoo niet, dan gaat Usie mee naar de kerk.quot;

Mejuffrouw Volten zeide niets, en den daarop volgenden dag schreef ik aan mijne kinderen wat Juffrouw Volten en Dr. van Dale hadden gezegd. Ik schreef hun meteen, dat zij moesten zorgen , dat de brief niet op Zondag aankwam, want dan onteerden wij God en werden er later voor gestraft.

Ik kreeg een brief terug, waarin gemeld werd, dat Usie dan Vrijdag om half een zou komen, want dat de vacantie al begonnen was. Ik was zeer blij, daar ik mijn kind in ruim twintig maanden niet had gezien, en nu zou zij eenige dagen blijven. Neen, dat was te veel voor mij, dacht ik. Ik

ocr page 183

167

boog mijne knieën, en dankte mijnen God, die ik door genade, in waarheid had leeren kennen, niet meer met den mond, maar met mijn geheele hart, alleen om de zoen- en kruisverdiensten van Jezus Christus, mijnen Verlosser en Heiland. Ja, ik was vervuld met den Heiligen Geest, uitgaande van den Vader en den Zoon, die mij in al de waarheid leidde. Daarom bad ik ook of de goede Goq, om Jezus' wille, wilde geven dat mijn kind mee naar de kerk mocht en haar dan wilde bewaren voor kwade gevolgen.

Toen de Vrijdag aanbrak, haalden Mejuffrouw Betsy en ik Usie van den trein. Zoodra ik mijn kind zag, omhelsde ik haar en schreeuwde het uit van blijdschap, want juist opdat oogenblik zeide weer eene stem in mij: ,, Ge gaat weer naar uwe kinderen terug, en de Bijbel zal u zoo dierbaar worden.quot; En terstond daarop was het weer: „Ge zijt er nog niet; ik laat je niet los.quot; Maar, o, aan dat laatste stoorde ik mij niet, daar ik te overgelukkig was met de woorden die ik in mij kreeg: „Als God werkt kan niemand het keeren.quot; En dan daarbij mijn kind, dat mij stevig vasthield en waarmede ik naar Ermelo wandelde.

Toen wij thuis kwamen, had Mejuffrouw Volten de koffie gereed en gingen wij gezellig koffie drinken. Dat was in lang niet gebeurd, dat ik in plaats van één, nu twee kinderen bij mij had, want mijne tweede dochter had de jongste gebracht. Ik kon dan ook niet nalaten vóór dat wij gingen wandelen, om eens naar mijne kamer te gaan en de knieën te buigen, God dankende voor zooveel genade en zegeningen, mij, de grootste der zondaren, betoond, terwijl ik in mij kreeg:

„Dat 's Heeren zegen op u daal',quot;

en daarmede ging ik naar beneden, om met mijne kinderen te wandelen.

Bij het opwandelen van den straatweg van Putten, kreeg ik een heilig vreezen en beven in mij, met de gedachten: O, nu behoef ik niet meer weg te loopen naar Putten; nu Jezus mij heeft vrijgemaakt, nu blijf ik vrij. Onderweg kreeg ik heerlijke woorden, als: „ God laat niet varen de werken Zijner handen. Wat God is begonnen, voleindt Hij tot den einde toe. En Christus zal over u lichten, en, met u zijn tot de voleinding der wereld. Want gij zult mijne getuigen zijn.quot; Ik huppelde daarbij van zielevreugde, en was in mijne ziel dronken van de liefde die ik tot mijnen God had.

ocr page 184

168

Toen wij een uurtje hadden geloopen, gingen wij weer naar huis. Ik liet den kinderen mijn naaiwerk zien en verscheidene boezelaartjes, die ik van de overgeblevene lappen had gemaakt, en voor welken arbeid ik den goeden God niet genoeg kon prijzen en loven, de genade dat ik dit voor de ongelukkigen mocht doen. En des avonds brachten wij mijne middelste dochter naar den trein. Mijne jongste ging met mij terug naar huis.

Den volgenden dag kwam Dr. van Dale met zijne zuster van Veldwijk bij ons en sprak bij die gelegenheid eenige woorden met mij, maar zeide niets van de kerk, en ik ook niet, en toen het dus Zondag was, ja wel, toen ging Usie mee naar de kerk van Veldwijk. O, ik had er God zoo om gebeden, in den Naam van Jezus Christus, dat de goede God het niet wilde keeren. Op weg er heen, zeide Mejuffrouw Volten tegen mij, dat de dokter had gezegd, dat ik op de gaanderij moest gaan zitten met Usie, en ik deed gelijk mij gezegd was.

Toen wij daar zaten, was er een heer van de 2de klasse uit een paviljoen, die riep: „Nu willen zij ons in de kerk van Christus opsluiten.quot; Ik dacht: nu dan zijn wij geborgen, en kreeg daarbij in mij: dat is anders dan in de cel en naar de hel. Ds. Notten wees met de hand dat die heer moest verwijderd worden en toen ging een verpleger met hem de kerk uit. Verder viel er niets bijzonders voor.

Zoodra de preek was afgeloopen ging ik weer met mijn kind naar huis en mocht daar veel van de liefde Gods en van mijnen Zaligmaker Jezus spreken, die zulk eene groote genade aan mij, zondares, had bewezen, vermits ik eerst een kind der duisternis was geweest en nu een kind des Lichts, om door genade te getuigen van Jezus, mijnen Verlosser, die dat Licht zelf is, en in welk licht ik nu mocht wandelen door Zijne goddelijke kracht en almacht.

Zoo ging het dag aan dag, dat ik met het vuur des Heiligen Geestes van den liefdevollen God en den redder mijner onsterfelijke ziel mocht getuigen, zoodat de menschen er jaloersch van werden. Eens zeide iemand tegen mij: „Ja, maar men braakt dat maar zoo altijd niet uitquot;, waarop ik ten antwoord gaf: „ Als ik zou zwijgen, dan zouden de steenen spreken en meteen liet ik er op volgen : „Staat dat ook in den Bijbel?quot; Ik was namelijk bang dat ik het uit mijn eigen hoofd zou halen en dan zou het niet waar zijn. Ik kreeg er evenwel geen antwoord op, zoodat ik tusschen hoop en vrees wasf

ocr page 185

i6g

of het wel in den Bijbel stond , ofschoon ik later mocht ondervinden dat het wel degelijk in den Bijbel was te lezen, en dat dus de Geest Gods mij liet spreken uit het waarachtige Woord Gods.

Dikwijls maakte ik mij zoo bevreesd als ik iets sprak, dat het niet in den Bijbel stond , maar dan mocht ik later ervaren dat het waarheid was, doordien ik het dan hoorde voorlezen of dat ik het zelf in den Bijbel las. Ja het geleek wel of de goede God het zelf voor mij opzocht, om mij gerust te stellen. O, dan was ik zoo blijde, dat ik riep; „Wat is dat Woord toch waar; God zelf onderwijst mij.quot;

De tijd ging om , maar mijn kind behoefde geen vier dagen te blijven, maar vier weken, zoodat zij in plaats van niet mee naar de kerk op Veldwijk, viermaal mee is geweest.Ja, de goede God had mijn kind niet uitgeworpen, maar met liefde ontvangen en in Jezus Christus in genade op haar neder-gezien. En als de Almachtige werkt, kan niemand het keeren; dat mocht ik ondervinden om Christus', Zijnen geliefden Zoons wille.

De vier weken waren omgevlogen. Maar God had mij veel met mijn kind doen genieten, 's Ochtends in de vroegte ging ik met haar in den tuin de pruimen zoeken die afgewaaid waren, en 's avonds 7 uur, als ik gedaan had met mijn naaiwerk, gingen wij samen wandelen. Dan zongen wij heerlijke geestelijke liederen, die wij hadden geleerd van Mejuffrouw Cato, die veel naar het Heilsleger ging en nu zelfs luitenant in het Leger is.

Ook gingen wij wel eens met mijn vrijbrief op Veldwijk wandelen, en bezochten dan Moeder Neuhaus of Moeder Kassies, die dan vol bewondering n'aren over mij. Ook liepen wij wel eens naar 's Heeren Loo.

Zoo was de tijd verstreken met een dankbaar gevoel jegens den levenden God en mijn Verlosser, Jezus Christus, die mij dat alles had doen genieten, en waarvoor ik mijnen hemelschen Vader en Zijnen Zoon, den Zone Gods, den Zoon Zijns eeuwigen welbehagens, niet genoeg kon danken.

Toen de dag aanbrak dat mijn kind zou vertrekken, kwam mijne middelste dochter haar weer halen, en nadat wij dien dag gezamenlijk gezellig hadden doorgebracht, bracht ik met Mejuffrouw Volten mijne twee kinderen 's avonds om acht uur naar het spoor. Het afscheid was niet prettig, daar ik niet wist wat God met mij voor had en of ik mijne kinderen zou weerzien. Doch toen ik met Mejuffrouw Volten wegging, riep ik hen

ocr page 186

170

toch toe; „Tot wederzien! De goede God zal er voor zorgen.quot;

Bij onze thuiskomst ging ik naar mijne kamer, boog mijne knieën en bad den almachtigen God om kracht en bijstand, en of Hij mij niet wilde verlaten, daar ik nu weer geheel alleen was, en niemand anders had dan Hem, op Wien ik vertrouwde, omdat Hij alleen mij kon helpen.

HOOFDSTUK XXX. Een boodschap van God. Naar Ds. Netten.

Den volgenden dag werd ik wakker met eene vreeselijke hoofdpijn. Ik ging opstaan en dacht; misschien wordt het dan beter. Toen ik mij had aangekleed ging ik naar den tuin, daar ik niet kon naaien en ook geen trek had om te onbijten. Nadat ik wat in den tuin had geloopen, ging ik naar Rustoord wandelen en daar op de bank zitten, maar mijne hoofdpijn wilde niet weggaan.

Ook werd ik inwendig zoo bevochten en bestreden dooiden duivel, dat het meer dan erg was, zoodat ik op eens al mijn geluk en vooruitzichten verloren waande; maar Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods, behield de overhand. Christus versloeg telkens den Satan en overwon en zeide door de kracht des Heiligen Geestes tegen mijne ziel; „Ge moet naar Ds. Notten gaan en hem zeggen, dat ge weer naar uwe kinderen moet, want dat God u niet alleen naar het lichaam genezen heeft, maar ook naar de ziel, en dat God het. zal voleinden tot den einde toe, want Hij zal het doen om Zijns geliefden Zoons wille.quot; Ik kreeg daarbij zooveel kracht, dat ik mijne hoofdpijn en de venijnige slangenbeten van satan, wat alles natuurlijk van hem was, niet eens voelde.

Toen ik zoo een poosje in strijd naar ziel en lichaam beide had gezeten, ging ik weer naar huis, maar liep net alsof ik dronken was, zóó zwak was ik op eens geworden. Het geleek wel of mijn vleesch van het lichaam werd gescheurd, zóó viel ik af, en toen ik thuis kwam, zeide Mejuffrouw Volten tegen mij; „Maar mevrouw, wat scheelt u toch, dat u er

ocr page 187

i7i

zoo ziek uitziet?quot; Ik antwoordde: „Ach niets, dat zal wel weer overgaan; ik ben veel te gelukkig.quot; — „Ja, maar u moet naar bedquot;, zeide zij; „kom, ik zal u naar bed brengenquot;; en toen ging ik met haar naar boven, waar zij mij hielp uit-kleeden.

Mejuffrouw Volten ging daarna heen en ik boog mijne knieën. Nadat ik had gebeden, wilde ik in bed gaan, maar werd op eens zoo bevangen door den duivel met zijne machten van booze geesten, dat het mij onmogelijk was in bed te gaan, terwijl ik in mij hoorde: „ Als ge er in gaat, komt ge er nooit weer uit; dat is uw dood en gaat ge naar de hel.quot; En aan den anderen kant werd tegen mij gezegd: „God laat niet varen de werken Zijner handen; niemand kan u daar weder uit rukken. Ge gaat naar uwe kinderen terugquot;, en „als God werkt, kan niemand het keeren.quot;

De strijd was zóó hevig, dat als ik in bed wilde gaan, ik er af werd getrokken. Dat duurde wel een half uur. Eindelijk kreeg de sterkste de overhand en ging ik in bed, en toen ik eventjes lag, werd de strijd minder, daar ik heel kalm werd en psalmen en geestelijke liederen begon te zingen door den strijd en de hoofdpijn heen, die ik zoo goed als niet meer hoorde en gevoelde.

Nadat ik eenige oogenblikken zoo heerlijk had gelegen en gezongen, hoorde ik Dr. van Dale beneden spreken. Ik dacht: Dokter komt zeker zijne zuster bezoeken, daar zulks op Zaterdag wel meer gebeurde. Mejuffrouw Volten had toen zeker aan hem gezegd, dat ik niet in orde was en te bed lag, althans Dr. van Dale kwam boven op mijne kamer, ging voor mijn bed zitten en vroeg hoe het met mij was. Ik antwoordde, dat ik wat hoofdpijn had, maar overigens was ik heel wel. Verder begon ik te spreken van wat God tegen mij had gezegd : dat ik naar Ds. Notten moest gaan, want dat ik weer bij mijne kinderen moest, omdat God mij niet alleen naar het lichaam had genezen, maar ook naar de ziel. De dokter vroeg mij, wanneer ik naar Ds. Notten dacht te gaan. Ik zeide: „Zoo de goede God het wil, hoop ik Maandagochtend te gaan.quot; Dr. van Dale vond het goed, en beloofde het vast aan den dominé te zullen zeggen en ging heen. Ik ging nog wat zingen en sliep daarna in.

Den volgenden morgen bij het ontwaken had ik nog hoofdpijn en gevoelde mij erg zwak. Juffrouw' Volten bracht mij eene kop thee met eene beschuit boven en vond dat ik er slecht uitzag. Zij zeide, dat ik nog maar wat moest blijven

ocr page 188

172

liggen. Ik gebruikte mijne kop thee, maar eten kon ik niet. Het speet mij erg dat ik niet naar de kerk kon gaan, doch ik mocht de gemeenschap met God en Zijnen geliefden Zoon zoo smaken , dat ik maar aldoor bemoediging uit Gods Woord kreeg, en waarbij ik mocht gelooven en vertrouwen, dat de almachtige God mij niet zou verlaten, maar het zou voleinden tot den einde toe, ja, tot in der eeuwigheid.

Toen het elf uur was, ging ik opstaan, boog mijne knieën en dankte mijnen hemelschen Vader dat Hij mij had bewaard en mij weer geheel wilde herstellen om Zijnen Naam groot te maken. Daarna ging ik in den Bijbel zitten lezen en toen naar beneden.

Door Gods goedheid was mijne hoofdpijn genezen, maar ik gevoelde mij nog erg zwak en dacht: het is mij onmogelijk naar de kerk op Veldwijk te gaan, daartoe zie ik geen kans van middag. Maar toen ik wat in den tuin ging loopen en er over nadacht, dat het niet zou gaan, kreeg ik in mijne ziel dit antwoord; „Jezus Christus is niet alleen een vergever der zonden, maar ook een genezer der wonden.quot; O, dacht ik, nu ga ik naar de kerk, want nu weet ik dat mijn Jezus mij zal bijstaan. Ik ging naar binnen en zeide dat ik gaarne naar de kerk wilde, en of wij wat vroeg gingen eten. Mejuffrouw Volten antwoordde: „Zeker, maar zou u dat durven wagen „Ja welquot;, sprak ik, „mijn Jezus zal mij helpen.quot;

Toen ik wat had gegeten, ging ik naar de kerk. Het was erg warm op den weg, en eerst kon ik haast niet voort, maar daar ik telkens in mij kreeg; „Jezus zal u helpen, Hij zal u kracht geven. Jezus is uw geneesheer naar ziel en lichaam beidequot;, toen liep ik maar voort. Ik had ook geene bestrijdingen van satan, maar kreeg onophoudelijk in mij: „Jezus zal u helpenquot;.

Zoo strompelde ik naar de kerk van Veldwijk, waar ik nog juist bijtijds aankwam, hoewel ik er ter dege op had gerekend om wel een goed half uur eerder van huis te gaan dan anders.

Toen ik in de kerk zat, was ik zeer blijde, daar mijn ge-heele lichaam bonsde, maar mijne ziel jubelde en loofde en dankte mijn Jezus, dat Hij er mij had gebracht. O, ik had het wel in de kerk uit willen roepen, wat Jezus Christus weer aan mij had gedaan, daar ik weer zoo overgelukkig was, vergeleken bij den vorigen dag.

Bij het uitgaan der kerk sprak ik nog met Mejuffrouw de Ruiter, die ook in hetzelfde paviljoen met mij was geweest

ocr page 189

173

bij Moeder Neuhaus, maar nu bij meester de Vries was, op dezelfde manier als ik bij den heer Volten.

Daarna ging ik weer naar Ermelo loopen, en gevoelde dat ik veel sterker was geworden dan toen ik er heen ging. Ja, Jezus had mij kracht gegeven. Hij was mijn geneesheer en helper geweest. En met die gedachten kwam ik goed en verheugd te Ermelo.

Zoodra ik thuis was, mocht ik weer veel getuigen van mijn Verlosser en Zaligmaker, en toen ik 's avonds naar bed ging, kon ik mijn God niet genoeg danken voor de genade en de zegeningen mij, zondares, om Jezus Christus', Zijn geliefden Zoons wil geschonken. „Oquot;, riep ik uit, „groote God, almachtige Jezus, wat zijt Gij waar; want die op U betrouwt zal niet beschaamd worden.quot;

Toen ik den volgenden morgen ontwaakte was ik zóó gelukkig als ik niet kan zeggen. Van alles kreeg ik in mijne ziel, dat ik aan Ds. Notten moest zeggen. Ja, nu kan ik mij pas goed begrijpen, waarom ik toen zoo overgelukkig was, omdat ik nu zelf eene gezondene was geworden van den Drieëenigen God, in Christus, mijnen Verlosser, vervuld met den Heiligen Geest, die tegen mijne onsterfelijke ziel zeide alles wat ik doen moest.

Destijds begreep ik het nog niet goed. Het was mij alles zoo vreemd. Zoo van die vreeselijke duisternis, angst, benauwdheden, siddering en pijniging overgebracht te zijn in Gods goddelijk licht, vol liefde, geloof en vrede. Ja, ik was een nieuw schepsel geworden in Jezus Christus. Het was ■wonderbaar in mijne oogen zulk eene verandering aan mij geschied. Eerst een kind des duivels, en nu een kind van God, om van Hem te getuigen en eene boodschap van God zelf te brengen naar Ds. Notten, en hem te zeggen wat God mij had gezegd.

Ik kwam bij Ds. Notten, maar deze was niet thuis. De meid zond mij evenwel naar het observatie-gebouw; wellicht zou de dominé daar zijn. Ik ging er heen en, ja wel, daar was Ds. Notten. De dominé nam mij mee naar eene mooie spreekkamer achter in de gang; ik was eerst in de gewone spreekkamer.

Zoodra ik daar met Ds. Notten zat, vertelde ik hem wat God tegen mij had gezegd; want dat God mij niet alleen naar het lichaam, maar ook naar de ziel had genezen. Ik sprak toen verder, alles uit Gods Woord, wat tegen mijne ziel werd gezegd door den geest Gods. Ds. Notten zat maar

ocr page 190

174

te luisteren en vroeg mij , wanneer ik dan dacht te vertrekken. Ik antwoordde; „Met November, omdat men dan beter een huis kan huren dan binnenstijds.quot; De dominé beloofde mij er met Dr. van Dale over te zullen spreken, en dan zou ik wel iets hooren. Nog vroeg ik of ik dan in het laatst van de week nog iets zou komen te weten, waarop de dominé antwoordde, dat hij zijn best zou doen. Nadat Ds. Notten nog met mij had gebeden, ging ik heen

Thuis gekomen, vertelde ik aan Mejuffrouw Volten wat de dominé had gezegd; dat hij er met den dokter over zou spreken en het dan zou laten weten. Ik was dien dag zóó verheugd, dat ik niet kon zitten naaien, maar ging spreken van de liefde Gods, en van de groote dingen welke de Heere Jezus aan mijne ziel had gedaan, daarbij God lovende en prijzende met Psalmen en Gezangen.

Toen ik den volgenden dag beneden kwam, vertelde Mejuffrouw Volten mij, dat zij eene boodschap had ontvangen, dat de dominé en de dokter mij van avond kwamen bezoeken, om met mij te spreken. In eens kreeg ik in mij: „Als God werkt, kan niemand het keeren.quot; „O'quot;, riep ik uit, „dat is het werk van Godquot;, waarop Mejuffrouw Volten antwoordde; „Dat kan best wezen.quot;

Ik ging weer naar boven en viel op mijne knieën en bad den goeden God, in den Naam van Zijnen geliefden Zoon,. Jezus Christus, mij bij te staan met raad en daad en mij te laten spreken wat ik spreken moest en zwijgen wat ik zwijgen moest, en dat alles ter verheerlijking van Zijnen grooten Naam en tot roem van Zijnen geliefden Zoon mocht zijn. Ik was dien dag zóó gelukkig en gevoelde zulk eene goddelijke kracht in mij, dat ik telkens op mijne knieën viel en den almachtigen God bad om bijstand. En ook telkens kreeg ik in het gebed ten antwoord „dat God zijne kracht in mijne zwakheid zou volbrengenquot;, en „als God werkte, niemand het kon keeren en „Dat 's Heeren zegen op u daal'.quot;

Bij het aanbreken van den avond werd er gebeld en zag ik met vreezen en beven Ds. Notten en de doktoren van Dale en Stekhoven binnenkomen. Toen zij in de voorkamer hadden plaats genomen, die Mejuffrouw Volten daartoe beschikbaar had steld, vroeg Dr. van Dale hoe het met mij ging. Ik antwoordde; „geheel goedquot;, en begon toen te spreken over mijne vroegere zaken, die ik had gedaan, en mijne wederwaardigheden daarmede; en ik sprak ook van de groote dingen die God aan mijne ziel had gedaan.

ocr page 191

175

Nadat de heeren dat eerst rustig hadden aangehoord, zeide Dr. van Dale: „ Maar mevrouw, zou u het nu niet beter vinden, dat u dezen winter hier nog bleef? Er worden op den straatweg villa's gebouwd, en als die dan klaar zijn, kan u daar gaan wonen. Vindt u ook niet, dominé, dat dat beter zou zijn ? quot;

— „Neen, dokterquot;, antwoordde ik, „ik moet naar mijne kinderen terug.quot;

En toen de dokter nog eenige woorden sprak van te blijven, gevoelde ik zulk een vuur des Heiligen Geestes in mij opkomen, dat ik , den vinger voor mij uitstekende, sprak: „ Dokter, het is geen werk van mij, het is een werk uit God, en als God werkt, kan niemand het keeren.quot;

Dr. van Dale keek daarop Ds. Notten aan, ging opstaan en liep naar de achterkamer naar Mejuffouw Volten. Toen de dokter terugkwam, zeide ik; „Nu, dokter, hoe denkt u er over?quot;, waarop ik ten antwoord kreeg: „Mevrouw, u is geheel vrijquot;.

Een schok kreeg ik van blijdschap. Ik dankte heeren doktoren en den dominé hartelijk voor de vele moeite aan mij gedaan; daarna gingen de heeren heen, terwijl ik naar Mejuffrouw Volten liep om te hooren wat de dokter tegen haar had gezegd, en van wie ik vernam, dat ik naar mijne kinderen terugging. Ja, het was met recht; als God werkt, kan niemand het keeren, zelfs de duivel niet met al zijne machten uit de hel.

Vervolgens ging ik naar boven, boog mijne knieën en dankte mijn hemelschen Vader en mijn genadigen zalig-makenden Verlosser voor de genade en vrijheid mij door hunne goedertierenheid geschonken uit eeuwige zondaarsliefde.

HOOFDSTUK XXXI.

Het zoeken naar een huis en het vinden van een in Baarn.

Den volgenden dag kreeg ik bij het ontwaken in mijne ziel; „Mijne genade is u genoeg.quot; Ik ging opstaan en viel

ocr page 192

176

op mijne knieën en bad in Jezus' Naam om genade en dat de Heere mij verder op mijn levenspad wilde leiden door Zijnen Heiligen Geest. Nu ging ik het leven nogmaals in, maar geheel anders dan voorheen, en toen kreeg ik herhaaldelijk in mij: „Mijne genade is u genoeg.quot;

Zoodra ik mij had aangekleed en mijne kamer aan kant had gemaakt, schreef ik een brief aan mijne kinderen, hun mededeelende wat Dr. van Dale had gezegd en dat ik nu vrij was en bij hen terugkwam; maar dat ik den tijd niet vooruit wilde loepen, doch Gods weg zou afwachten, zoodat ik nog niet kon bepalen wanneer ik kwam. Ik zou middelerwijl naar een huis rondzien in Harderwijk, daar ik gaarne dicht bij Veldwijk wilde wonen, omdat ik er zooveel aanhad te danken, en dan dikwijls naar toe kon gaan.

De brief sprak verder van de beloftenissen Gods, die de almachtige en heilige God zou bevestigen in Christus Jezus, ter verheerlijking van Zijnen grooten Naam.

Den Donderdag daarop ging ik met Mejuffrouw Betsy met een retour naar Harderwijk. Toen wij te Harderwijk in de breede laan die van het station gaat, liepen, kwam ons de infanterie tegen met het volle muziek, die een flinken marsch speelde, en waarbij ik half hoorbaar een Psalm en een geestelijk lied zong. Ik huppelde van zielevreugde zóó, dat ik mij als dronken gevoelde door de liefde Gods die in mij was. Ja, wat ik toen van mijn God mocht smaken, zal ik nooit vergeten.

Toen wij in Harderwijk waren, gingen wij een huis bezien dat al een paar jaren had leeg gestaan. Het was een groot huis met verscheidene kamers, eene groote keuken, een kelder en eene fameus groote provisiekamer, van welke laatste ik de opmerking maakte aan Mejuffrouw Betsy: „Nu, daar kan mijn half pond suiker best in.quot; Er was ook een tuin, maar die was geheel met gras en onkruid begroeid, ofschoon er een paar heerlijke vruchtboomen stonden en de appelen en peren er in zoo grooten overvloed op den grond lagen, dat ik zeide: „Hadden wij maar eene mand meegenomen, want ik vind het zonde dat die zoo moeten verrotten. Nu, maar ik neem er wat mee.quot; Wij stopten er dan ook van in onze zakken en aten die later op.

Met den opzichter had ik een plan voor eenige veranderingen gemaakt; ik zou hem later laten weten of ik het huis voorgoed zou nemen en wanneer. En daarna gingen wij Weer naar Ermelo terug.

ocr page 193

177

Toen wij thuis kwamen, vertelden wij ons wedervaren, en dat ik het al zoo goed als gehuurd had. 's Avonds echter kwam er iemand, Bonte geheeten, die vertelde dat het huis den naam had dat het er spookte. „Nuquot;, zeide ik, „daar ben ik niet bang meer voor, nu ik een Jezus in de ziel heb. Nu kunnen de spoken mij niets meer doen. Ik gevoelde mij juist zoo gelukkig in dat huis, en als mijne kinderen het goedvinden, ga ik er toch in wonen.quot;

Ik schreef daarna een brief aan mijne kinderen, hun meldende dat ik een huis in Harderwijk zoo goed als gehuurd had. Natuurlijk verzweeg ik de spoken. De brief dien ik in antwoord daarop ontving meldde, dat mijne kinderen liefst niet in Harderwijk wilden wonen; zij vroegen of ik het niet goedvond om in Amersfoort te wonen.

Amersfoort, dacht ik, ken ik heelemaal niet; dan ga ik naar Baarn wonen; dat is dan meer buiten en kan mijn lichaam opsterken, omdat het zoo vreeselijk had geleden onder de macht van satan, zoodat het was of ik tusschen-beide met spelden en naalden werd geprikt. Maar ik wist dat het zou overgaan door de genade Gods, in Christus Jezus, die mijn geneesheer was geworden en op Wien ik vertrouwde.

Zoo schreef ik toen aan mijne kinderen en die vonden dat ook goed, terwijl er bepaald werd dat mijne oudste dochter de volgende week uit Amsterdam naar Baarn zou vertrekken en ik uit Ermelo.

Toen de dag van het vertrek naar Baarn om een huis te zoeken, aanbrak, en ik 's morgens opstond, kreeg ik de woorden in; „Bidt en u zal gegeven worden.quot; Ik ging op mijne knieën en bad den goeden God mij te geleiden en dat alles mocht geschieden naar Zijn wil en welbehagen. Zijnen Naam tot eer en mij tot heil.

Vermits Mejuffrouw Volten met hare dochter Betsy dien dag naar Veenendaal zouden, gingen wij samen naar den trein om gezamenlijk tot Amersfoort te rijden.

Niet zoodra zaten wij in den waggon, of ik zag Mejuffrouw Cato zitten, dezelfde verpleegster die mij van den trein had gehaald, toen ik voor het eerst op Veldwijk kwam, en die gezegd had: „Mevrouw zal hier wel weer beter wordenquot;, en die mij had helpen kleeden, voeren, redderen en vastbinden aan het ledekant en naar de cel brengen. Zij had natuurlijk al veel van mij gehoord, wat God aan mijne ziel had gedaan en hoe Jezus Christus mij uit satans macht had verlost. Maar

12

ocr page 194

1/8

toen ik begon te spreken en ik zelf haar alles mocht vertellen, met het vuur des Geestes waarmee Christus mij had wedergeboren en gedoopt, kon zij hare tranen niet bedwingen , maar prees met mij God voor de groote dingen die Hij aan mij had gedaan.

Toen wij in Amersfoort kwamen, stapten wij over in een anderen waggon, terwijl Mejuffrouw Volten met hare dochter in een anderen trein ging naar Veenendaal.

In Baarn aangekomen, stond mijne dochter mij al op te wachten. Ik nam hier hartelijk afscheid van Mejuffrouw Cato, die doorging naar Amsterdam, en ging met mijne dochter Baarn in, om naar een huis te zien.

Hier rondwandelende, riep ik, door mijn gevoel overweldigd, maar telkens; „O, dat is een voorportaal van den hemel; wat is het hier prachtig.quot;

Ik kon ook niet zwijgen van mijn God en mijn Jezus, want ik kon niet nalaten den eersten den besten heer dien wij aanspraken, om te vragen of hij ook wist waar huizen te huur waren, en die met ons meeging om er ons te wijzen, te vertellen wat groote dingen God aan mij had gedaan. Hij scheen er wel naar te luisteren en mee ingenomen, daar hij ons naar een huis bracht dat te huur stond en toen zelfs den eigenaar ging roepen, terwijl wij even zouden wachten. Terugkomende vertelde hij ons, tot zijne spijt, dat de eigenaar niet thuis was, waarna ik hem voor de moeite bedankte en weer verder ging.

Mijne dochter zeide tegen mij: „Ma, dat u dat nu aan ons vertelt,• vind ik goed, maar om dat nu alles aan vreemde menschen te vertellen, behoeft toch niet.quot;

Ik hield mijn kind staande, en zeide; „Kind, ik ging nog liever naar Veldwijk terug dan dat ik van mijn liefdevollen God en mijn Zaligmaker Jezus zou zwijgen; dat doe ik nooit!quot;, waarop mijne dochter niets meer zeide.

Verder gaande kwamen wij aan eene kleine villa, die te huur stond. Maar daar het daaromheen zóó begroeid was, dat men het huis haast niet kon zien, zeide ik tegen mijne dochter. „Neen, dat lijkt mij niets.quot; Wij gingen er daarom maar voorbij en kwamen toen aan het Amalia-hotel, waar wij eene kop koffie dronken.

Terwijl wij daar zaten, kwam de mevrouw van het Hotel naar ons toe en begon te spreken over het weer. Dit gaf mij weer reden om den lof des Heeren te vertellen en wat God aan mij had gedaan. Zij luisterde met alle aandacht en

ocr page 195

179

ik kon bemerken dat het haar aandeed, aangezien zij begon te huilen.

Ik vroeg haar ook of zij niet een huis voor ons wist, waarop zij naar binnen ging om een oogenblik later terug te komen met de mededeeling, dat zij iemand naar den heer van der Helden, die altijd vele huizen wist die verhuurd werden, had gezonden om even bij mij te komen.

Eenige oogenblikken daarna kwam die heer en vroeg ons met hem mee te willen gaan om een huis te bezien, aan welk verzoek door ons werd voldaan. Onderweg moest ik alweer, door de kracht des Heiligen Geestes gedreven, aan den heer van der Helden vertellen de groote dingen Gods aan mij, zondares, bewezen. En hoewel de heer van der Helden niets zeide, kon ik toch zien, dat hij er ooren naar had.

Hij bracht ons juist naar dat huis, dat er zoo verwilderd uitzag en ik eerst niet wilde hebben. Daarom zeide ik tegen hem; „Neen, dat lijkt mij niets.quot; Maar hij antwoordde Gaat het maar eerst eens van binnen zien; dat zal u wel meevallen; en wat de wildernis hier omheen aangaat, dat kunnen wij wel wegruimenquot;, en meteen haalt hij een mes uit zijn zak en ging alvast aan het snoeien, zoodat wij niet tegen de takken behoefden aan te loopen.

Daarop gingen wij in huis, en ik zag al dadelijk, dat er wel wat van te maken was, ofschoon het er erg vuil uitzag, doordien het ruim een half jaar leeg had gestaan. De tuin geleek wel een bosch, zoo was alles door elkander gegroeid.

Na alles goed bezien te hebben, vroeg ik of alles netjes in orde kon gemaakt worden; ik wilde het dan wel huren. Voorts wees ik den heer van der Helden aan hoe ik den tuin wilde hebben en wat er van binnen moest worden gedaan. Hij antwoordde, dat hij daarover eerst met den opzichter moest spreken, omdat hij slechts makelaar was en er niets van kon zeggen. Daarom werd er afgesproken dat wij elkander om half drie in het Amalia-hotel zouden ontmoeten om verder te spreken.

Op den bepaalden tijd waren wij weer in het Amalia-hotel en spraken nu ook met den opzichter, die het goedvond dat alles in orde werd gemaakt zooals ik het gaarne wilde hebben. Ik huurde toen dat huis voor een jaar, met de bepaling dat ik het met I October zou aanvaarden en dat er voor gezorgd zou worden dat het dan in orde zou zijn, gelijk mij beloofd werd.

Mijne dochter en ik gingen daarna nog wat rondwandelen

ocr page 196

i8o

en toen naar den trein; mijne dochter met den eenen naar Amsterdam en ik met den anderen naar Ermelo, om door den zegen des Heeren met October weer voorgoed bij elkander te komen.

Het afscheid ging gepaard met beven, maar het blij vooruitzicht dat mij wachtte, door de genade mijns Gods, die mij uit Zijn dierbaar Woord vertroostte, gaf mij moed en kracht, zoodat ik Psalmen zingende in den trein zat tot aan Ermelo.

Welgemoed ging ik naar huis, en vertelde daar mijn wedervaren , daarbij mijn God niet vergetende, die mij geleid had boven bidden en denken, en waarvoor ik den goedertieren hemelschen Vader op mijne knieën hartelijk dankte.

Den volgenden dag schreef ik zekerheidshalve nog een brief, inhoudende precies het door óns afgesprokene, den heer van der Helden beleefd verzoekende er voor te willen zorgen het volgens de afspraak in orde te maken, tevens meldende dat ik, vóór dat ik er kwam wonen, eerst eens kwam kijken.

HOOFDSTUK XXXII.

!

Een doode en een heerlijk gezicht van de maan in bloed.

Nu, de dagen die ik van den korten tijd dien ik nog op Ermelo bij de familie Volten zou doorbrengen, vlogen om. Ik had nog wat te naaien voor Veldwijk en mocht ook nog wel eens een zieke in de buurt bezoeken.

Daar ik een krachtig geloof had gekregen, luisterde ik altijd naar en deed wat de Geest Gods mij zeide. Zoo gebeurde het op zekeren dag, dat ik eieren kocht met het doel die naar een zieken ouden man te brengen van in de zeventig jaar, die met zijne vrouw in een huisje woonde midden op het land. Zij werden ondersteund door het Huis van Barmhartigheid te Ermelo, dat ook aan het kerkje behoort, waarop staat: „Hier woont de Heere.'quot;

ocr page 197

i8i

Toen ik daar aan huis kwam en de kamer binnenging, zag ik de vrouw van den ouden man huilende de kamer rondloopen en ook den heer Beijen, die toen aan het Huis van Barmhartigheid behoorde. Deze kwam naar mij toe en vertelde dat de oude man zoo pas was overleden met den Bijbel bij zich, dien hij even voor zijn dood nog wilde lezen en wel uit Jesaja 53. Ik ging naar het bed, waarop de doode lag en aanschouwde hem met een heerlijk gevoel, terwijl ik in mij kreeg:

„Stille rustplaats van Gods dooden!

'k Denk aan u met zoete vreugd,

Eindpaal van verdriet en nooden,

Rustplaats na den strijd der deugd!quot;

O, toen behoefde ik niet meer voor den dood met zijne verschrikkingen te sidderen, zooals vroeger, toen ik in de zonde en in de wereld leefde en waardoor ik op Veldwijk zoo gepijnigd werd met het vooruitzicht op de hel en den eeuwigen dood. Nu had ik een Christus, die in mij leefde en al Zijne deugden in mij werkte tot Gods eer. Nu mocht ik in de kracht van Jezus Christus strijden den goeden strijd des geloofs en doen wat God in Zijn heilig Woord zegt, Gode welbehagelijk en mij tot zaligheid, zoodat ik niets had te vreezen.

Met een zalig gevoel en een voorsmaak uit den hemel en een heilig beven sloot ik met den heer Beijen den doode de oogen en den mond, die wijd openstonden.

Daar het lijk nog zoo warm was, ging ik mijn oor op de bloote borst van den doode leggen om te luisteren of er nog leven in. was; maar ik hoorde niets. Daarna legde ik het laken over hem heen en gingen wij de kamer wat opredderen, terwijl de oude vrouw al huilende om ons heen liep en roepende; ,, Ach, ik kan hier niet vandaan; ik ga niet bij mijn man vandaan; ik blijf hier bij mijn man.quot; Zij zeide dat, omdat de heer Beijen haar had gezegd, dat zij met hem mee moest gaan naar het Huis van Barmhartigheid. En dat was iets voor haar, zij die zoo lang met haar man samen was geweest.

Wij troostten haar met de beloftenissen Gods, en dat zij ook wel spoedig naar het land der ruste zou gaan, waar al de tranen zouden weggewischt worden.

Nadat wij het een en ander hadden geregeld, ging ik heen ,

ocr page 198

I 82

daar de heer Beijen zeide, dat hij nog eenige oogenblikken wilde blijven en dan de arme vrouw, die van droefenis meer dan overstelpt was, mee zou nemen naar het Huis van Barmhartigheid.

Toen ik thuis kwam vertelde ik dat de oude man was overleden. Men had dit al lang voorzien door het lange sukkelen waaraan hij leed.

Eenige dagen daarna, bij gelegenheid dat het lijk werd begraven, ging ik ook naar het kerkhof, dat achter het kerkje van wijlen Ds. Witteveen gelegen was en waar de oude man werd begraven. Terwijl hij in de grafsponde werd neergelaten, zongen wij een Gezang. Verder werd er door eenige broeders van het Huis van Barmhartigheid een woord gesproken, en daarna keerden wij weer huiswaarts.

Tot laat in den avond ging ik zitten naaien en ging toen nog wat in den tuin loopen en vervolgens in het paviljoentje, zoo noemde ik het prieeltje, zitten. Daar ging ik meestelkên avond, vóór dat ik naar binnen ging, eerst eventjes zitten om mijn God te loven en te danken voor al het goede dat ik van Hem dien dag had mogen ontvangen naar ziel en lichaam.

Terwijl ik daar zoo overgelukkig zat, zag ik over de heide heen dat de maan zoo rood was als bloed en zoo groot als eene groote ronde tafel. Ik kon er mijne oogen niet van af houden, en dacht; wat is dat nu? Dat heb ik nog nooit gezien Wat zou dat beteekenen ? Ik was daarover zóó verwonderd en gevoelde iets verhevens in mij. Mijne ziel werd zóó verlicht, dat het net was of mijne ziel naar de maan van bloed getrokken werd, terwijl ik mijn lichaam niet meer voelde.

Dat duurde eene heele poos, totdat ik tot bezinning kwam en om mij heen zag waar of ik was. Ik merkte toen weer dat ik in het paviljoentje zat, waar ik eenige oogenblikken bleef om er over na te denken. Ofschoon ik toen naar binnen ging, kon ik niets zeggen, zoo aangedaan was ik van hetgeen ik had gezien en ondervonden.

O, dacht ik, zoo iets zou ik altijd wel willen ondervinden. Ja, zoo zal het hiernamaals zijn. Met die heerlijke gedachten ging ik naar boven; boog mijne knieën, beleed mijne zonden en bad in den Naam van Jezus om genade en gerechtvaardigd in Hem, door Zijne gerechtigdheid, te leven tot eer, roem en prijs van Gods driemaal heiligen Naam.

Ik kon dien nacht niet slapen, maar dacht over alles goed

ocr page 199

183

na. Daarbij kwamen mijne zonden gedurig voor mijne oogen, en het deed mij tot in het diepste mijner ziel leed, dat ik dien heiligen en goedertieren God en Zijn geliefden Zoon, Jezus Christus, mijn Verlosser, zoolang had gesmaad en veracht , en aan satan gehoor had gegeven om te doen wat hij mij zeide. Dien nacht schreide ik zoo over mijne zonden, dar mijn bed zwom van tranen, omdat ik den rechtvaardigen God en Zijnen Zoon, de Zonne der gerechtigheid, immer ongehoorzaam was geweest.

Toen ik den volgenden dag opstond, en nog bitterlijk bedroefd was, kon ik ook niet genoeg mijne zonden voor God belijden en Hem smeeken om vergeving en mij niet aan te zien in mij zelve, maar in Zijn geliefden eenigen Zoon, Jezus Christus, het geslachte Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, en Wiens bloed reinigt van alle zonden.

De tranen biggelden mij over de wangen van berouw, en toen ik later naar beneden ging, kon ik maar niet ophouden met huilen. En terwijl mijne tranen over de wangen bij mijn brood liepen, kreeg ik telkens in mij :

„ 'k Heb mijn tranen onder 't klagen

Tot mijn spijze dag en nacht.quot;

En dan weer; „Die tranen worden bij God in eene flesch bewaard.quot; Dat bemoedigde mij zóó, dat ik door al mijne tranen heen blijde was, dat ik mijn God had leeren kennen, door Jezus Christus, mijn Verlosser, die mij nu in Zijne gerechtigheid zou leiden naar Gods wil en welbehagen, opdat ik den heiligen Jehova niet meer zou vertoornen met mijne daden. Hij zou ook verder de werken des satans in mij verbreken, en, waar ik nu een kind Gods ben geworden, mij ook door Zijnen Geest leiden en in Christus bewaren van den booze.

Door al deze gedachten gesterkt, ging ik blijmoedig voorwaarts en keek niet achterwaarts, maar deed alles wat ik maar kon, door mijn geloof in mijn Verlosser, die mij kracht gaf om te toonen dat ik God liefhad en mijnen naaste als mij zelve, en te doen wat Gods Geest mij zeide uit Zijn dierbaar Woord, niet met woorden alleen, maar met woord en daad. Christus heeft ook de daad bij het woord gevoegd, door voor onze zonden te sterven, opdat wij zouden leven door Zijne gerechtigheid, en vrijmoedigheid zouden hebben in den dag des oordeels. Gelijk Hij was, zoo zijn wij nu ook

ocr page 200

184

in deze wereld, om Zijne geboden te doen, door te gelooven in Zijn waarachtig Woord.

In dat geloof ging ik voorwaarts. Ik geloofde nu alles wat in den Bijbel stond, vertrouwende datjezus, de blinkende Morgenster, dien ik reeds had gezien, mij zou voorgaan en kracht geven om Hem gewillig te volgen.

HOOFDSTUK XXXIII.

Eene verloste door het bloed des Lams en mijn afscheid van Veldwijk en Ermelo.

Terwijl ik zoo eiken dag in gemeenschap mocht leven met den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, die woning bij mij hadden gemaakt, hunne wet in mijn hart schrijvende, naderde de tijd dat ik naar mijne kinderen zou teruggaan en in Baarn wonen. Ik was alreeds naar Baarn geweest om te zien of alles in orde was; maar het zag er zoo netjes uit, dat het boven mijne verwachting was.

Een paar dagen vóór dat ik zou vertrekken, ging ik naar Veldwijk om afscheid te nemen. Dat was zeer aandoenlijk voor mij , toen ik in de paviljoens kwam waar ik was geweest, bij Moeder Kassies en Vader en Moeder Neuhaus, van waar ik zoo vele herinneringen meenan. Ik kon dan ook niet nalaten hen recht hartelijk te danken voor al de moeiten ^ lasten en zorgen die zij allen voor mij hadden gehad, en bad hun toe dat God hun daarvoor zou zegenen. Zij waren allen verheugd dat de goede God mij op zoo krachtdadige wijze had genezen en wenschten mij verder Gods besten zegen.

Van daar ging ik naar Ds. Notten, en Dr. van Dale, en zeide hun, dat ik recht dankbaar was voor alles wat ik had genoten en dat ik Veldwijk nimmer zou vergeten. Daarop ging ik heen. Ds. Notten zeide, dat hij nog aan den trein zou komen als ik vertrok.

ocr page 201

185

Ook eenige juffrouwen-verpleegsters, die ik ontmoette bedankte ik voor al de moeite, hun Gods onmisbaren zegen toewenschende.

En daarna ging ik nog naar eenige vrienden en kennissen, die ik te Ermelo had leeren kennen, en met wie ik nog mocht spreken over het Koninkrijk Gods, tot eer van Gods driemaal heiligen en nooit volprezen Naam.

Toen ik weer huiswaarts keerde, was mijne ziel wel wat ontroerd van alles wat voor mijn geest kwam. Daarbij mocht ik overdenken, wie ik was toen ik op Veldwijk kwam en wie ik was nu ik er vandaan ging. Uit het diepste mijns harten riep ik dan ook uit; „0, groote en goede God, welk eene genade is mij, de grootste der zondaren geschied, om de wille van Jezus, Uwen geliefden Zoon, die ook met Zijn bloed voor mij heeft betaald. Gij, goede God zelf, hebt het mij geopenbaard dat Uw lieve Zoon dat ook voor mij had gedaan, ja, ook voor mij. Door Hem ben ik nu wat ik ben. O, ik kan U nooit genoeg danken voor hetgeen Jezus Christus voor mij heeft gedaan, ja, ook voor mij.quot;

Ontroerd, maar met blijdschap in de ziel kwam ik weer thuis en mocht ook daar nog veel spreken van de genade Gods die ik mocht ondervinden om Jezus' wille, in wiens licht ik nu wandelde om mijnen God te verheerlijken voor Zijne liefde, genade en kracht.

Middelerwijl zwegen evenwel de duivel en zijne machten ook niet in mij. Zij gingen voort mij met hunne valsche inblazingen op te stoken om mij van God en Zijn geliefden Zoon af te trekken. Bij hen was dan dat geene zonde, en dan dat geene zonde, dan was dit zoo erg niet en dan dat niet. Maar ik stoorde mij daaraan niet. Ik had de leugenaars genoeg leeren kennen; ik had er genoeg van, en wist, dat ik voor eeuwig verloren was als ik weer naar hen zou hooren en doen wat de duivel met zijne geesten zeiden, om God te tergen.

Neen, ik had nu een Bijbel en een God dien ik door genade had leeren kennen, en die zou mij helpen om den duivel meer en meer van mijn hart weg te nemen, opdat ik Zijn Woord mocht verstaan en onderhouden. Ik had een Christus leeren kennen, den Zone Gods, die mij zou bijstaan en voor mij strijden; als ik maar in Hem bleef en deed wat de Rechtvaardige zeide, dan zou Hij mij niet verlaten.

Dat was mijn geloof en daarop was al mijn vertrouwen, zoodat, als de strijd te erg werd van satan en zijn heir en

ocr page 202

i86

God zich even verbergde, dan riep ik zooveel te meer tot God, en liet Hem niet los, tenzij dat Hij mij zegende. En dan gevoelde ik, dat de duivel met zijne trawanten mij los moest laten met hunne bestrijdingen en misleidingen, en dan zag ik voor mijn geopend zieleoog, dat satan met zijne leugens de vlag kon strijken, en dat hij beschaamd kon heengaan, omdat Jezus Christus hem weer had overwonnen.

Zoo leerde ik ook den duivel hoe langer hoe meer kennen, binnen in mij en daar buiten. Maakte satan het mij van binnen al te erg, dan zeide ik dikwijls, door de kracht des Heiligen Geestes: „In den Naam van Jezus Christus, ga weg van mij satanzoodat hij dan weg moest vlieden en ik weer in de ruimte werd gesteld, en dan dacht: „Wat is Jezus Christus toch machtig! Hij heeft maar te gebieden en het is er; alles moet op Zijne wenken geschieden. O, kon ik Hem maar veel meer liefhebben, en naar Zijne stem hooren, om God gehoorzaam te zijn. Wiens eer alleen Hij zoekt en der menschen zaligheid, om door Hem tot God te gaan en verlost te worden van de zonden en den overheerscher der wereld, om in Zijn licht van gerechtigheid te leven.

Daarom bad ik veel of Christus in mij wilde leven en mij bewaren, opdat satan mij niet kon overweldigen, en ik niets zou doen dat kwaad was in de oogen des Heeren. Want dit wist ik, al bestreed satan mij ook nog zoo , voor Jezus Christus moet hij met al zijne machten wijken. Hem zij dan ook alleen de eer. Hem die Zijne kracht in mijne zwakheid volbracht.

Den volgenden dag, nadat ik op Veldwijk was geweest, ging ik mijn goed in den koffer pakken. Dat afgeloopen zijnde bleef ik den meesten tijd beneden om nog wat voor het laatst met de familie Volten te spreken en nog te getuigen van mijn Verlosser en Zaligmaker. En des avonds dronken wij een glaasje wijn, die zij zeiven gemaakt hadden van roode bessen en suiker, wat ik erg lekker vond, ten afscheid, en gingen daarna als naar gewoonte naar bed.

Toen ik boven was, mocht ik heel lang in gebed wezen. God dankende voor al hetgeen Jezus Christus voor mij, zondares, had gedaan en verworven , biddende om kracht door het bloed van het gekruiste Lam , omdat ik nu weer eene andere omgeving te gemoet ging. Ik betuigde den Heere, dat ik wenschte te leven tot Zijne eer, de wereld verzakende, te strijden tegen satan en mijne vleeschelijke begeerten en een godzalig leven te leiden; dat ik door Jezus, mijn Verlosser, die het voor mij zou voleinden naar Gods wil en welbehagen, het goede

ocr page 203

IS;

begeerde te doen en het kwade te haten en te laten, de gerechtigheid te zoeken en lief te hebben en God boven alles te eeren.

De beloftenissen die ik onder het gebed mocht verkrijgen waren voor mij genoeg om met gerustheid mijn nieuwe levenspad te gernoet te gaan en op mijn God en mijn Jezus te vertrouwen, die mij zoude leiden door Zijnen raad, om mij daarna op te nemen in Zijne heerlijkheid.

Den volgenden dag bij het ontwaken kreeg ik weer in mij: „Bidt en u zal gegeven worden.quot; Ik ging opstaan, boog mijne knieën, en bad in den Naam van Jezus, mijn Verlosser, die mij had overgebracht uit het rijk der duisternis in Zijn wonderbaar en goddelijk licht, om een zegen. En des Heeren antwoord luidde, dat Jezus Christus, die mij uit de macht des satans had verlost, mij nu ook verder zou leiden en beschermen en leeren den weg dien ik moest bewandelen. Hij zou mij bijstaan met Zijnen raad en Gods oog zou op mij zijn.

En toen ik van het gebed opstond, kreeg ik in mij: „Dat 's Heeren zegen op u daal'.quot;

Ik kleedde mij vervolgens aan en ging naar beneden, om voor de laatste maal met de familie Volten te ontbijten.

Na het ontbijt ging ik met Mejuffrouw Betsy naar het station om mijne dochter van den trein te halen. Zij was het, die mij gebracht had, voor haar was het ook weggelegd mij voorgoed terug te halen.

Zoodra zij was aangekomen, gingen wij naar huis bij de familie Volten koffie drinken. Nadat wij nog over liet een en ander hadden gesproken, ging ik voor het laatst naar boven om de knieën te buigen op de kamer waar ik zooveel wee, maar ook zooveel heil had ondervonden, en dankte mijnen God voor de genade, die Hij mij om Christus' wille had geschonken, biddende Hem mij verder te willen bijstaan met raad en daad.

Ook nu kreeg ik tot antwoord:

„Dat 's Heeren zegen op u daal'.quot;

Toen ging ik naar beneden om afscheid te nemen, doch Mejuffrouw Volten verzocht hare dochter Cato eerst nog eens op het orgel te spelen:

ocr page 204

i88

„ Dat 's Heeren zegen op u daal',

Zijn gunst uit Zion u bestraal',quot; enz.

welk lied wij allen staande aanhieven. Na afscheid met mijne dochter te hebben genomen van Mijnheer en Mej. Volten, brachten Mejuffrouw Betsy, Mejuffrouw Cato en Mejuffrouw Gijsje ons naar het station.

Aangezien wij daar te vroeg kwamen, gingen wij nog even op Veldwijk wandelen; ik had namelijk den vrijbrief nog in mijn zak en wij konden het dus gerust doen. Het eerste dat wij daar ontmoetten was eene vrouw, die door eene verpleegster werd weggedragen en nog wel met groote moeite. Ik sloeg mijne oogen ten hemel, en zeide; „Barmhartige God, wees ook die ongelukkige genadig, om Uw lieven Zoons wil, gelijk Gij mij ook genadig zijt geweest.quot;

Vervolgens kwamen wij nog Dr. van Dale tegen, met wien ik even sprak, en gingen toen naar het station, waar we om het regenachtige weer in de wachtkamer plaats namen. Het duurde n:et lang of Ds. Notten kwam daar ook nog even zitten, om voor het laatst afscheid te nemen, bij welke gelegenheid Z.Ew. ons ook nog vertelde dat hij in zijne jongensjaren zooveel van paardrijden hield.

Na nog een oogenblik te hebben gesproken, gaf de dominé mij de hand, mij aan Gods hoede aanbevelende en met den wensch dat het mij en de mijnen wel mocht gaan, en ging toen heen.

Toen de trein kwam, stapten mijne dochter en ik in, na nogmaals afscheid genomen te hebben van de dochters van Mejuffrouw Volten.

Zoodra ik in den trein zat en over Veldwijk heenzag, beefde mijn geheele lichaam en was mijne ziel ontroerd, door het nadenken over alles wat ik op Veldwijk had ondervonden. Ik was er gekomen als eene bezetene, onder de macht des duivels; ik had er bitterlijk geleden door de angsten en pijnigingen des satans, maar nu mocht ik door genade als eene verloste door Jezus Christus, mijn Verlosser, weer heengaan. Ja, door Jezus was ik van dood levend gemaakt, ik was van de hel overgegaan in den hemel, daar ik nu leven en wandelen mocht in de verwachting van Jezus, mijnen Zaligmaker, dien ik had leeren kennen, dat Hij ook mijn Verlosser was en met mij zoude zijn tot mijn dood. Hij zal eenmaal mijne onsterfelijke ziel overbrengen in een onsterfelijk lichaam, voor eeuwig bij God in de hemelen, om dan te knielen voor

ocr page 205

189

den troon van het Lam, dat mij Gode gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, en Hem daar eeuwiglijk toe te brengen de lof, de aanbidding en de dankzegging voor al hetgeen Jezus voor mij heeft gedaan.

Met deze heerlijke gedachten in mij, bracht de trein ons weg. Daar ik mij nu niet meer kon inhouden, riep ik Lang leve Veldwijk! voor de ongelukkigen, die bezeten zijn, maar eens verlost zullen worden! quot;

Na nog eenige oogenblikken met mijne hand gewuifd te hebben, ging de trein hoe langer zoo sneller, zoodat wij in een oogenblik te Putten waren, waar de trein eenige oogenblikken stilstond.

Hier kreeg ik weer de gewaarwording van dé herinnering, dat ik in mijne bezetenheid van Veldwijk gevlucht was hierheen. Toen onder het juk des satans en nu eene vrijgemaakte door het bloed van Jezus Christus, die nu vrij mocht gaan naar welke plaats ik maar wilde. Ik riep dan ook uit; ,, O, goede God, ik kan U niet genoeg loven en danken voor zulke groote dingen, als Gij aan mij hebt gedaan.quot;

Eindelijk zette de trein zich weer in beweging en weldra waren we in Amersfoort, waar we moesten overstappen, en van daar gingen wij naar Baarn. Mijne jongste dochter Usie wachtte ons aan den trein op en was blijde dat zij hare moeder weer voorgoed terugzag.

ocr page 206

DERDE BOEK.

De ruim vierjarige levenservaringen van eene verloste door Christus Jezus.

HOOFDSTUK I.

Mijne aankomst en verwelkoming in Baarn.

Dit Derde Boek, mijne lezers, had ik eerder kunnen beginnen, indien het mijn voornemen ware geweest, in het Tweede Boek alleen mijne bezetenheid op Veldwijk te vermelden. Ik meende evenwel beter te doen mijne lichamelijke genezing niet af te scheiden van de genezing mijner ziel; dat was ééne daad Gods en ik kon dus het vorige Boek niet eerder eindigen dan bij het verlaten van Veldwijk en Ermelo. En dat feit was nu op Vrijdag 29 September geschied.

Door de genade Gods was ik nu weer bij mijne kinderen. De Heere had Zijn Woord bewaarheid. Zijne beloftenissen aan mij gedaan waren vervuld.

Na aan het station door Usie te zijn verwelkomd, gingen wij naar huis, waar ik werd opgewacht door mijne andere dochter, mijne schoonzuster en een nichtje, die ons op den weg al te gemoet kwamen.

Bij ons binnenkomen in huis vonden wij niet alleen alles in orde, maar de kamer zelfs met bloemen versierd. Entoen,

ocr page 207

i9i

neen, kon ik mij niet bedwingen, maar viel van blijdschap huilende op mijne knieën en dankte mijn God voor zulk eene groote genade, terwijl de anderen er roerloos omheen stonden.

Daarna stond ik op en gevoelde mij toen zóó overgelukkige dat ik juichte in mijne ziel tot den levenden God, die mij in Christus had levend gemaakt.

Nadat wij over het een en ander hadden gesproken, en niet het minst over wat God gedaan had, daar ik van Hem niet kon zwijgen, gingen wij eten. Voor den eten eerst bidden; na het eten, een hoofdstuk lezen uit denzelfden Bijbel, dien ik van den bekeerden Jood had gekocht, en dien ik had willen verscheuren toen ik nog in de macht des duivels was, en daarna danken. Alles precies zooals ik het op Veldwijk en Ermelo had geleerd en dat ik nu nog trouw onderhoud; als er wordt gegeten, meestal driemaal daags, dan wordt er ook gebeden, gelezen uit Gods Woord en gedankt, ter eere van Gods heiligen Naam.

Wat hier nu verder in dit Derde Boek volgt, zijn de hoofdpunten van hetgeen ik gedurende omstreeks vier en een half jaar, nadat ik Veldwijk verlaten heb, na mijne bekeering heb ondervonden.

Ter verduidelijking evenwel van hetgeen mij toen wedervoer heb ik gemeend in een Vierde Boek de brieven en verdere correspondentie te moeten opnemen, geschreven aan de heeren Dr. H. H. Kuyper, Ds. J. W. A. Notten, Ds. F. P. L. C. van Lingen, Ds. J. Wisse, mijn broeder, Moeder Neuhaus en Prof. L. Lindeboom.

Ik wensch toch op allerlei wijze te getuigen van mijnen Heer; want de almachtige God heeft mij van niets tot iets gemaakt, om van Zijne groote daden te getuigen, in Christus Jezus, mijn Verlosser, bewezen, die mij er door Zijnen Heiligen Geest de kracht toe gaf, en mij in al de waarheid leidt, naar Zijn waarachtig en heilig Evangelie, tot eer van God Drieëenig en Zijnen driemaal heiligen Naam.

ocr page 208

192

HOOFDSTUK 11.

Mijn eerste kerkgang in Baarn en mijn getuigen voor den Heere.

Den eersten Zondag dat ik in Baarn woonde, ging ik met mijne drie kinderen 's morgens de deur uit om ter kerk te gaan. Onderweg vroegen wij naar het kerkgebouw der Doleerenden. daar ik plan had om daarheen te gaan. Ik had namelijk zoo goed als nooit aan eene kerk behoord, maar had Ds. Notten op Veldwijk leeren kennen, en die was, meende ik, nu ook Doleerend geworden; want ik wist van' niets, ook niet dat de vereenigde Christelijke Gereformeerden en Doleerenden zich toen noemden „ Gereformeerde Kerken

Nu dan, ik dacht daarheen te gaan en vroeg dus naar de plaats waar die kerk zich bevindt. Nadat iemand ons die had gewezen, gingen wij er heen; maar de kerk was gesloten, omdat er dien morgen geen dienst was; wel des avonds, zooals ons gezegd werd. Men verwees mij toen naar de Eemnesserweg, waar ook eene Gereformeerde kerk stond, die onder één kerkverband met de andere behoorde. Wij gingen hier toen heen, en bevonden dat daar Ds. van Proosdij preekte, die mij nog al beviel, omdat hij vele teksten uit den Bijbel aanhaalde.

Na de preek gingen wij thuis koffie drinken en daarna ging ik met mijne kinderen door Baarn wandelen. Het was een warme prachtige dag, den eersten October,'even mooi als die andere dagen toen ik in Baarn was geweest. Met een gelukkig gevoel en allerlei woorden uit Gods Woord in mij, die mij door den Heiligen Geest werden ingegeven, riep ik dan ook jubelend uit; „O, wat is het hier mooi, wat is het hier schoon. O. hoe moet het wel in den hemel zijn, als het hier alreeds zoo heerlijk is.quot;

Alles was dan ook nieuw voor mij, zoowel van binnen als van buiten. Van binnen vol van het jeugdig en heilig vuur des Geestes van eene pas bekeerde om van mijn God en van mijnen Heiland te getuigen en Hem groot te maken. En van buiten alles pracht en heerlijkheid door God zelf te voorschijn

ocr page 209

193

gebracht. Geen wonder dus dat ik een voorsmaak van den hemel genoot en mijn God verheerlijkte.

's Avonds ging ik naar de andere Gereformeerde kerk, waar nu ook Ds. van Proosdij preekte, omdat Ds. Kuyper eene vacaturebeurt had te vervullen. Toen ik weer was thuis gekomen, zongen wij geestelijke liederen, terwijl Usie op de piano speelde, daar zij die liederen op Ermelo bij de familie Volten had geleerd.

Mijne andere twee dochters begrepen er niets van, dat ik zóó was veranderd, daar er nu niets anders dan psalmen en geestelijke liederen mochten gezongen worden, terwijl er over den Bijbel werd gesproken. Dikwijls lieten zij een boos gezicht zien en gingen de kamer uit. Maar hoe de satan mij ook bestreed en mij wilde verleiden met mooie woorden en voorspiegelingen in en om mij, het baatte niets. Gods Woord moest gehandhaafd worden en ik deed wat Gods Geest mij zeide uit Gods heilig Woord.

Toch spande het tusschenbeide vanwege den strijd inwendig tegen satan en zijn heir. Ik kende de oude slang nu te goed. Maar al te goed had ik den booze leeren kennen met zijn; „dit is zoo erg niet en dat is zoo erg niet.quot; Maar ik luisterde niet meer naar hem die mij zoo gepijnigd had. Er kon bij mij niets meer op door; het moest alles ter eere Gods zijn wat ik deed, en daarom bad ik veel in den Naam van Jezus Christus, mijn Verlosser, om kracht. Want als de Zone Gods niet met mij streed, kon ik het anders onmogelijk volbrengen. Aan Hem klemde ik mij vast, met hart en ziel, daar er bij mij zelve geen woord verdraaid, laat staan gelogen kon worden. En niet alleen voor mij zelve hield ik aan den Heere vast; ook een ander mocht ik zijn eeuwig wee aanzeggen als ik hem zag zondigen, daar ik mocht gelooven, dat als hij in zijne zonde stierf zonder dat ik het hem had aangezegd, God het van mijne ziele zou eischen.

Vandaar dat men mij, als ik de waarheid sprak, liever niet zag dan wel. Toch mocht ik de menschen niet misleiden omtrent hetgeen ik zelf had ondervonden. Ik moest hen waarschuwen voor hun eeuwig verderf, wanneer zij niet verlost werden van den vorst der duisternis, door Jezus Christus, om in Zijn goddelijk licht te leven.

En hoe meer ik dat deed, des te meer werd ik gehaat; maar daar stoorde ik mij niet aan. Door de kracht Gods ging ik voort van het waarachtig Evangelie van Jezus Christus te getuigen, in Wien ik was levend gemaakt door den Heiligen

13

ocr page 210

194

Geest en tegen Wiens kracht men niets vermag, al kwam ook de duivel met al zijne machten er tegen op.

Zoo kwam er dagelijks deze 01 gene bekende uit Amsterdam om mij te bezoeken en om eens te komen zien hoe het nu met mij ging, nadat zij mij in geen drie jaren hadden gezien. Allen waren welkom en werden goed ontvangen, maar zij moesten zich onderwerpen aan den regel van mijn huis, zooals ik die nu had ingesteld ; bidden, Bijbellezen en God danken. Ik ontmoette daarbij wel veel tegenstand, maar het baatte niets, het moest geschieden, doordien ik naar de stemme Gods wenschte te hooren en niet naar die der menschen.

Toch werd het ook wel eens gretig aangenomen, zooals het geval was met eene zekere Mevr. O, die Roomsch Katholiek was. Op zekeren dag kwam zij met mijne schoonzuster bij mij.quot; Ik las hun ook voor uit den Bijbel; dat geschiedde eerst wel weer met tegenstand, omdat mijne kinderen zeiden: „Ma, doe u het toch niet. Mevr. O. is Roomsch; wat moet zij wel denken?quot; Maar ik stoorde mij er niet aan en las Jesaja 53, dat ik juist had opengeslagen.

Mevr. O. was, geloof ik, de eenige die het best had geluisterd, want na het lezen vroeg zij, wat hetgeen ik gelezen had nu beteekende. Ik leidde haar toen uit hoe de profeet Jesaja alles vooruit had voorspeld in het Oude Testament, dat Jezus Christus voor ons zou lijden en strijden, dat Hij onze zonden zou dragen aan het vloekhout, opdat wij van den vloek vrij zouden komen, allen die door Hem gerechtvaardigd worden en verlost zouden worden van den vloek der zonde, om een nieuw schepsel te worden in Hem en door Zijne gerechtigheid te leven; dat Hij de werken der duisternis verbroken heeft, opdat wij dienstknechten zouden worden der gerechtigheid,' van Jezus Christus, den Rechtvaardige, en niet des boozen.

Zij vroeg mij verder, of ik dat altijd zoo^ had geweten, waarop ik antwoordde: „Neen, dat heeft God zelf mij door Zijnen Heiligen Geest op Ermelo geopenbaard, en gezegd, dat ik verlost was uit de macht des duivels, die mij op Veldwijk met ketenen had gebonden, en dat Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods, ook mij had verlost van den vorst der duisternis, den overheerscher der wereld, dien ik mijn geheele leven had gediend. God heeft het mij doen zien , hoe Christus mij had gerechtvaardigd, om als een dienstknecht der gerechtigheid in Hem te leven, zoodat ik nu door

ocr page 211

195

Zijne genade ben wat ik ben, niet met woorden alleen, zooals het in Jesaja geschreven staat, om die na te lezen, maar met de daad, om er van te kunnen getuigen, dat het wezenlijk aan mij was volbracht door Jezus Christus, mijn Verlosser en Zaligmaker.

Allen die aan tafel zaten keken wel schuin, maar niemand zeide iets meer, waarom wij daarna gingen danken. En toen de avond aanbrak brachten wij hen naar den trein.

HOOFDSTUK III.

Hoe mijn kind op de catechisatie van Dr. H. H. Kuyper komt en hoe een Kerstgeschenk nog getuigen doet.

In het begin van mijn verblijf in Baarn ging ik Zondags het meest met mijne kinderen ter kerk bij Dr. H. H. Kuyper, omdat die kerk het dichtst bij mijn huis was. Zoodra ik evenwel vernam dat er onder de Gereformeerden zooveel oneenigheid bestond, ofschoon zij toch vereenigd waren, ging ik om en om; dan naar Ds. van Proosdij en dan naar Dr. H. H. Kuyper.

Mijn dochtertje Usie zond ik naar de school met den Bijbel. Dat ging eerst ook met groote moeite gepaard, omdat mijne dochters eene school met den Bijbel niet deftig genoeg vonden. Maar dat hielp niets. Het was beter te hooren dan te voelen , en daarom zond ik Usie naar de school met den Bijbel.

Daarna ging ik naar Dr. H. H. Kuyper om Usie ook op de catechisatie te krijgen. Toen ik met Dr. Kuyper zat te praten, vertelde ik hem verder mijne geheele bekeerings-geschiedenis. Maar Dr. Kuyper zat zóó op zijn stoel te draaien, dat ik in mij kreeg: „Hij doet precies op zijn stoel als toen gij op Veldwijk waart.quot; En niet zoodra had ik uitgesproken, of Dr. Kuyper zeide, dat ik dat niet aan een

ocr page 212

196

ieder moest gaan vertellen. Terstond werd ik met het vuur des Geestes vervuld, stond op en sprak: „ Als ik zou zwijgen, dan zouden de steenen spreken. Neen, ik moet spreken.quot;

Dr. H. H. Kuyper stond toen op en werd zoo wit als een lijk. Ik zelf werd ook wat versuft, want het scheen mij te imponeeren. Daarom gaf ik Dr. Kuyper de hand en ging heen, zonder dat er verder een woord werd gesproken.

Wie verder van Dr. Kuyper hoorde of mijn kind op de catechisatie kon komen, — ik niet. Dit verdroot mij, zoodat ik ten laatste bij den meester van de school ging vragen, hoe dat moest. Deze zeide mij dat ik Usie er maar naar toe moest zenden. Ik vond het allesbehalve Christelijk en had er ook veel over te zeggen.

Toen ik pas in Baarn woonde, kreeg ik een brief van iemand uit Amsterdam, die mij schreef, dat ik zoo niet overal moest vertellen waar ik was geweest en hoe ik was geweest. Ik gaf op dezen brief geen antwoord. Later is deze persoon zelf door den duivel bezeten geworden en is nu dood, terwijl ik overal mocht vertellen de groote dingen die de almachtige God aan mij had gedaan.

Het Kerstfeest, de geboortedag van het kind Jezus, mijn Verlosser, zou weldra aanbreken. Ik was daarover zóó gelukkig en gevoelde mij zóó door de liefde van Christus gedrongen, dat ik de gedachte opvatte om Moeder Neuhaus, bij wie ik den meesten tijd met de vingers in de ooren had gezeten als zij uit den Bijbel las, een mooien Bijbel voor haar Kerstmis te geven met een tafeltje er bij.

Eene week te voren ging ik naar Amsterdam en kocht na veel zoekens, een mooien havana-juchtlederen Bijbel, waar met gouden letters op stond het woord „Bijbelquot;, benevens een standaard-tafeltje. Hoe verheugd ik was toen ik het had, neen, dat kan ik niet zeggen. Ik liet het naar het station brengen, en nam zelve het mee in den waggon naar Baarn. Zoo bang was ik dat het niet goed zou overkomen.

En die zelfde Bijbel heeft in den waggon nog dienst ge-daan. Er was namelijk een Israëliet met zijne vrouw in den trein, die vertelde dat hun zoon krankzinnig, bezeten was geworden, daar hij maalde over den godsdienst. Ik antwoordde hen en toonde hun den Bijbel, zeggende; „Zoo waarachtig als deze Bijbel waar is, zoo waarachtig kan men nooit krankzinnig worden door godsdienst. Gods Woord is niet gek.

ocr page 213

197

Dat maakt de duivel u wijsquot;, zeide ik; „ge moet hem r.aar Veldwijk zenden.quot;

Omstandig vertelde ik toen wat mij op Veldwijk was wedervaren. Er zaten nog verscheidenen bij, die er naar luisterden, en ik kreeg de verzekering in mijne ziel, dat het Woord dat ik sprak, niet ledig tot God zou wederkeeren.

Toen wij in Weesp kwamen, gingen de Israëlieten uit den waggon, en ga.ven mij de hand; ik wenschte hen Gods on-misbaren zegen toe. Daarna reden wij verder naar Baarn. Bij het uitstappen aldaar uit den trein was er een heer zoo vriendelijk mijn tafeltje te dragen en mij thuis te brengen.

Den volgenden dag liet ik mijn Bijbel met het tafeltje bij den photograaf Frohn brengen, waar ik mij liet photographeeren met de hand op den Bijbel, als teeken dat Gods Woord de waarachtige waarheid is. Ik bestelde den photograaf er twaalf portretten van.

Den avond vóór Kerstmis bracht ik zelf den Bijbel met het tafeltje naar Moeder Neuhaus, en zeide haar dat het eene gedachtenis was tot eer van mijn Verlosser, die zulke wonderlijke en groote dingen aan mij had gedaan.

Vader en Moeder Neuhaus zagen vreemd op dat ik daar nog op den avond aankwam met mijn schat; en nadat ik een uurtje met hen had gesproken, ging ik weer heen en vertrok met den trein van acht uur naar Baarn.

Toen ik later de portretten kreeg, waar ik op stond met de hand op den Bijbel, zond ik er verscheidene van naar Veldwijk en van de overige gaf ik aan ieder van mijne kinderen een, en een aan mijn broeder en zuster die in Friesland woonden.

HOOFDSTUK IV. Een droomgezicht verwezenlijkt.

Ouden zullen droomen droomen.

Toen ik eenigen tijd in Baarn woonde, het was na het Kerstfeest, werden mijne twee oudste dochters en ik tegen

ocr page 214

198

Vrijdag s'avonds uitgevraagd bij Mevrouw Kuyper. Den nacht te voren droomde ik dat ik eene begrafenis zag, terwijl ik bezig was de meubelen te wrijven en mijne schoonmaakster, vrouw Hartog, die wij Mietje noemden, bezig was de kachel te poetsen. In mijn droom wilde ik tegen haar zeggen: „Mietje, kijk eens, wat eene mooie begrafenis gaat daar voorbij.quot; Maar mijne tong bleef in eens steken ; ik kon niets anders uitbrengen dan „Uhuhuhuhu.quot; En zoo ging het maar voort, totdat ik opeens wakker werd.

's Nachts dacht ik over dien droom na, en den volgenden morgen, terwijl wij aan het ontbijt zaten, en Mietje ook, die altijd binnen moest komen als er uit den Bijbel werd gelezen, vertelde ik mijn droom.

Denzelfden avond ging ik met mijne twee dochters naar Mevr. Kuyper, waar ook de heer en mevrouw van der Flier uit Baarn met hunne dochter waren. Dr. H. H. Kuyper had een groot boek op zijne knieën met allerhande platen, die hij den heer van der Flier liet zien. Onder het thee drinken hoorde ik Dr. Kuj'per aan den heer van der Flier vertellen, wat hij zoo al had gezien en waar hij was geweest. Het boek bevatte photographieën van plaatsen uit Zwitserland , waar Dr. Kuyper was geweest, en waarover hij goed kon meepraten.

Ik gevoelde mij niet op mijn gemak, daar ik wat anders had leeren kennen, nu het Koninkrijk Gods binnen in mij was, en dacht; Zou er nu niet van mijn God worden gesproken? Dat deed Ds. Notten toch ook, en ik ben hier immers bij een dominé. Daarom begon ik over Job te spreken; maar Dr. Kuyper was het niet met mij eens; althans hij leidde dat heel anders uit en ging weer stilletjes voort met zijn boek, om den heer van der Flier te toonen wat het alles beteekende. Ik zweeg toen.

Na eenige oogenblikken kwam de warme bisschop met de taartjes op tafel. Daar zag ik vreemd van op, omdat ik daartegen nu als Christin mocht strijden. Wel zou ik een glaasje gewone wijn met een taartje hebben gebruikt als er iemand jarig was bij voorbeeld of op eene bruiloft. Maar een gewonen avond deed ik dat niet.

Terwijl Dr. Kuyper en de heer van der Flier het boek bezien, krijgt de heer van der Flier opeens eene beroerte, trekt zijn mond scheef en kan niets anders meer voortbrengen dan „Uhuhuhuhuquot;. Wij vliegen allen gelijkelijk op. Dr. Kuyper loopt naar den dokter en Mevr. van der Flier en haar dochter helpen doodelijk verschrikt haren echtgenoot en vader. Ik

ocr page 215

199

vroeg om water in eene kom met eene spons, waarmee ik hen bijstond, terwijl mevrouw haar man er mee waschte. En terwijl ik daarbij stond, kreeg ik in mijne ziel de woorden: „Ouden zullen droomen droomen.quot;

Ik stond aan den grond genageld, en werd daar zóó verslagen van , dat ik niet weet, hoe ik nog thuis ben gekomen, omdat ik geheel vervuld was van hetgeen ik had ondervonden, en gezien had wat ik den vorigen nacht had gedroomd.

Den volgenden dag was mijne oudste dochter jarig. Er kwamen toen eenige menschen ons bezoeken, waaronder ook eene Israëlietische mevrouw uit Amsterdam, die vroeger met mijne dochter op een naaiwinkel had gegaan en nog altijd de kennismaking had voortgezet. Zij bleef den geheelen dag en moest 's middags ook uit den Bijbel hooren voorlezen. Dat had ik al zoover, dat er niets meer tegen werd ingebracht.

Natuurlijk had ik iedereen al de verwezenlijking van den droom verteld, en toen wij den Bijbel gingen lezen, trof het precies dat ik las uit Handelingen II, waarin juist voorkomt: „Ouden zullen droomen droomenquot;. Wij spraken daar toen nog verder over en ook over het opmerkelijke feit dat wij nu dat juist moesten lezen.

HOOFDSTUK V.

Mijn eerste Avondmaalsgang na mijne bekeering.

Na verloop van eenigen tijd brak het Paaschfeest aan. Voor het eerst na negen jaren, zou ik weer aan het heilig Avondmaal gaan. Dat was nu iets anders dan de vorige keeren. Toen wist ik niet wat zonde was en was verduisterd in mijn verstand, maar nu ik mijne zonden had leeren kennen door de genade Gods en mijne zwarte ziel immer voor mij had, maar nu door de kracht des Heiligen Geestes die in mij was tegen de zonde mocht strijden, nu wist ik wat dat bloed van Jezus Christus beteekende. Het was niet alleen om

ocr page 216

200

mijne zwarte ziel te reinigen, maar ook om mij in het allerheiligst geloof te versterken, om in Zijn goddelijk licht te wandelen, Gode tot eer, Zijn geliefden Zoon tot roem en mij tot zaligheid.

In de week vóór Goeden Vrijdag werd ik zóó door de liefde van Jezus gedrongen, dat ik dacht: Nu moet Ds. Notten ook eene gedachtenis hebben. Daartoe ging ik dan ook naar Amsterdam en kocht daar een kleinen zilveren beker, waarop ik aan den eenen kant liet graveer en; „Het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zondenquot;, en aan den anderen kant; „Wed. A. R. R.quot;

Nadat ik naar Amsterdam was geweest, kreeg ik des Zondags vóór Goeden Vrijdag eene verzwering in den mond, die zoo vreeselijk werd, dat ik bijna zelfs geen drinken door kon krijgen, laat staan van eten. De duivel maakte mij wijs dat het kanker was en nooit weer overging; maar ik vertrouwde op mijn Heiland, die mij zeide, dat de duivel een leugenaar was en ik vóór ■ Vrijdag weer beter zou zijn om zelf het pakje naar het spoor te brengen en Goeden Vrijdagavond naar de Voorbereiding kon gaan.

Daar de satan niet stil zat met zijne inblazingen en angsten , was de strijd groot. Daarbij leed ik tusschenbeide veel pijn, ofschoon ik voortdurend mijn mond met vlier spoelde. Ik dacht; Het is onmogelijk dat ik Goeden Vrijdag de deur uit kan gaan. Maar bij God is alles mogelijk. Want zie, na veel strijd en pijn en vrees dat het niet zou gebeuren, — wat ik Donderdags nog niet dacht, dat bracht de Goede Vrijdag. Ik bezorgde het pakje zelf aan het station en 's avonds ging ik naar de Voorbereiding.

Vooraf had ik eerst lang op mijne knieën mijne zonden voor God beleden, tevens den Heere dankende, dat Hij mij had genezen en den goeden God biddende dat Hij mij nu verder wilde bijstaan om weer tot Zijne eer te leven.

Toen ik 's avonds naar de Voorbereiding ging, was de maan prachtig, en om de maan een kruis, precies zilveren stralen. Het kruis was niet zooals het gewoonlijk wordt afgebeeld; neen, het was net als waren het wieken van een molen; in dien vorm zaten zij om de maan. Ik kon er mijne oogen niet van af houden, zóó glinsterden die wieken van stralen, zoodat ik nog even bij de kerkdeur bleef staan, omdat ik er niet van kon scheiden. Na de kerk ging ik het vertellen, maar het ging hen als Thomas, zij geloofden het niet.

Den volgenden dag had ik een vreeselijken strijd met den

ocr page 217

20I

satan, die mij voor alles uitschold en mij zeide, dat ik weer spoedig in zijne macht zou zijn. Ik wist van niets af, wat ik toen had gedaan en huilde bitterlijk en bad God dat ik maar liever niet naar het Avondmaal mocht gaan, want dat het vreeselijk was, waar satan mij mee bestreed. Toch verontrustte het mij niet en deed mij ook niet sidderen, daar ik hoopte dat Christus mij kracht zou geven om den booze te overwinnen.

Het was dien dag net of God mij had verlaten, zóó woedde de satan in mij met zijne vurige pijlen, ofschoon ik er toch geen geloof aan sloeg, hoezeer mijne ziel ook leed onder zijn sarren: „Ge komt toch niet aan Tafel; ge moogt er niet aan quot;, zoodat ik zelf een oogenblik zóó zwak werd, dat ik zeide: „Nu dan ga ik niet aan Tafel.quot;

Maar, ja wel, God, die niet liet varen het werk dat Hij aan mij was begonnen, vermeerderde weer dubbel mijn geloof en gaf mij door de kracht des Heiligen Geestes te verstaan, dat Christus Jezus mij een bruiloftskleed zou aantrekken en er mij zelf naar toe zou brengen.

Toen de Paaschzondag daar was, gevoelde ik mij weer sterk en vol des Heiligen Geestes, zoodat ik naar het Avondmaal ging, hoewel ik terdeeg vreesde en beefde, daar al de herinneringen van vroeger en van den vorigen dag mij voor mijn geopend zielsoog stonden en ik recht mocht verstaan , wie ik was tegenover dien heiligen God en wat het was om daar aan den disch te gaan van Jezus Christus, Wiens bloed reinigt van alle zonden.

Ik kon er dan ook haast niet toe komen, maar hoorende de roepstemmen; „Kom, Jezus roept u. Hij heeft u een bruiloftskleed gegeven. Zijn bloed reinigt niet alleen van zonden, maar geneest ook de wonden en zal u versterken in het allerheiligst geloofquot;, nam ik den moed, in het geloof, en ging opstaan om met wankelende schreden te gaan naar de Tafel des Heeren.

Met vreezen en beven ging ik zitten, terwijl ik huilde als een kind. Ja, toen gevoelde ik wat het inhoudt, dat bloed te drinken en dat lichaam tot spijze te nemen. Nu was het anders dan vóór negen jaren. Toen deed ik het ook, maar in mijne blindheid, en daarna volgde ik de wereld en den duivel na. Nu was het anders, nu ik aan mijne zonde was ontdekt en er tegen streed en zien mocht hoe zwart mijne ziel was.

O, hoe geheel anders was het, dan toen ik mijne belijdenis deed en maar „jaquot; knikte op een formulier , dat door menschen

ocr page 218

202

t

was voorgeschreven en geen kracht had. Zonder besef van wat dat heilig bloed van Jezus Christus inhad, gaf ik mij toen, nadat ik het had gedronken, aan de wereld en den duivel over, om hen te dienen, in plaats van den Christus te volgen en in Hem den levenden God te dienen in geest en in waarheid en niets dan waarheid.

O, toen ik dan nu ook het brood in den mond stak en bevende den beker opnam om dat bloed van Jezus Christus, mijn Verlosser, te drinken, zeide ik in mijne ziel: „O, almachtige goede God! laat het mij niet tot een oordeel zijn, maar wel tot een voordeel, om Uw geliefden Zoons wil.quot;

Bij het van Tafel gaan gevoelde ik eene wondere kracht in mij, en terwijl ik heenging met het hoofd omhoog geheven, kreeg ik in mij;

„Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d'eerkroon dragen.quot;

Dat was toen niet alleen met woorden, maar ook met de daad.

Thuis gekomen, gevoelde ik dat ik weer in de volle vreugde van mijn Heiland mocht deelen, en dacht niet meer aan hetgeen achter mij lag, maar ging moedig voorwaarts in de kracht van mijn Verlosser, overal vertellende, waar ik kwam, wat God aan mij had gedaan.

HOOFDSTUK VI.

Kamers te huur aangeboden met „heilbedequot; en het gezicht op Veldwijk van de geestelijke boosheden in de lucht.

Gedurende den tijd dat ik op Veldwijk was geweest, was ik financieel veel achteruitgegaan, wel twaalf duizend gulden. Daar het nu in Baarn bij het aankomen van den zomer nog al veel de gewoonte was kamers te verhuren, dacht ik er ernstig over om ook kamers te verhuren en vertelde ^ulks

ocr page 219

203

ook op zekeren dag aan Mejufifrouw Kerkhoven, met wie ik op één naaikrans was, bij gelegenheid dat zij mij eens kwam bezoeken.

Ik begon daartoe ook op advertentiën te schrijven, maar hoe ik ook schreef, er kwam geen antwoord. „Jaquot;, zeidede duivel tegen mij, „dat komt, omdat gij altijd in den brief zet „Met heilbedequot;, en nu kunt ge wel begrijpen, dat zij bij zulk eene fijne kwezel niet willen zijn. Dat gaat goed als ge zulks aan uw kennissen of familie schrijft, maar vreemde menschen zullen jou met je „heilbedequot; lekker bedanken. Ge moet het te huur zetten, dan behoeft ge meteen geen „heilbedequot; .e schrijven.quot;

Ja, dacht ik, maar dat doe ik niet. Ik zal eerst zien of ik het zoo verhuur. Daarom schreef ik weer brief op brief, soms twee of drie te gelijk. Dan was de strijd dikwijls groot, daar de duivel mij zeide: „Schrijf er nu geen „heilbedequot; onder, dan zult ge eens zien hoe gauw ge het verhuurd hebt.quot; Maar, o neen, ik kon mijn God niet meer verloochenen, en daarom kwam er overal „heilbedequot; onder.

Zoo ging de tijd voorbij en werd het al half Juli. Mijne kinderen raadden mij aan het te huur te zetten, waar ik zoo langzamerhand mee begon in te stemmen. Maar toen ik 's middags naar boven ging om mijne knieën te buigen en tot mijn hemelschen Vader bad in den Naam van Jezus Christus, kreeg ik in mij: „Ge moet het niet te huur zetten. De duivel zal er geen voordeel bij hebben. God zal er in voorzien.quot;

Zoodra ik weer beneden kwam, zeide ik tegen mijne kinderen; „Ik zet de kamers niet te huur, want dat heeft God in het gebed tegen mij gezegd.quot; De kinderen begrepen er niets van, en zwegen stil.

Een paar dagen vóór Augustus, hoorden wij, juist opeen oogenblik dat wij zaten te danken, in den tuin loopen, en zagen daarna een heer met twee dames aankomen. Binnengekomen vertelden zij, dat zij werden gezonden door Mejuffrouw Kerkhoven met de vraag, of ik mijne kamers nog leeg had. Na mijn bevestigend antwoord, liet ik de kamers zien en daarna kwamen wij spoedig overeen omtrent den prijs voor twee personen, zijnde Mejufifrouw de Rijke, eene tante van een jongeling die eene bloedspuwing had gehad en nu voor zijne gezondheid naar Baarn moest; zij zouden reeds de volgende week komen.

De juffrouw vertelde mij dat zij zoo hadden loopen zoeken om Mejuffrouw Kerkhoven te vinden, daar die niet tehuis

ocr page 220

204

was. Maar daar zij al eenige kamers hadden gezien, die hun niet bevielen, dachten zij toch maar Mejuffrouw Kerkhoven op te zoeken; die zou wel wat voor hen weten. Zoo doende moesten zij bij mij terechtkomen. God had voorzien en de duivel had er geen voordeel bij gehad, nu ik niet gedaan had wat hij zeide.

Zooals ik zeide, het was begin Augustus dat Mejuffrouw de Rijke en haar neef de Rijke bij mij kwamen. Zij moesten met het rijtuig van het station worden gehaald, omdat de jongeling zoo zwak was en niet kon loopen.

Ik zorgde voor versterkende middelen, maar zeide dat hij veel de lucht moest genieten en gaan wandelen. Wij gingen nog den eersten avond reeds een eindje den weg op wandelen, hij met een dikken stok, waarop hij leunde en zijne tante in den arm. Zóó ging het voetje voor voetje, terwijl wij telkens bleven staan om te rusten.

Veel mocht ik voor hem bidden in den Naam van den Heere Jezus, hetgeen God genadiglijk verhoorde, daar de jongeling na verloop van vier weken reeds met ons meeging wandelen naar de Lage Vuursche en terug, en eene week later naar het Paviljoen van Blaricum, maar toen gingen wij met den trein van Bussum naar Baarn terug.

De daarop volgende week vertrokken zij weer naar Amsterdam en toen ik hen een veertien dagen later kwam bezoeken, vertelde hij mij, dat hij de volgende week naar het gymnasium mocht gaan, zooals de dokter had gezegd, ofschoon de dokter eerst had gezegd, vóór dat hij naar Baarn ging, dat hij in geen jaar naar het gymnasium mocht gaan. Hier had weer de almachtige Jehova gewerkt en ik mocht Gods groote daden weer opmerken en aanschouwen.

Toen de winter aankwam was het alles dor en stil om ons heen, maar hij vloog voorbij, omdat het in de ziel alles leven was met God en Zijn geliefden Zoon, die woning bij mij had gemaakt en dien ik door Zijnen Heiligen Geest mocht danken, loven en prijzen voor de zegeningen, die ik mocht genieten.

Ook las ik veel in den Bijbel en kreeg dan door Gods Geest meteen de uitlegging er bij, waardoor ik mij overgelukkig gevoelde, daar ik het zelf had ondervonden en het dus waar was.

Zoo gebeurde het eens dat ik in den Bijbel, bij den Brief van den Apostel Paulus aan de gemeente van Efeze, las hoofdstuk 6, waar in vers 12 staat;

ocr page 221

205

„Want wij hebben den strijd niet tegen vieesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.quot;

Dat lezende kreeg ik in mij: „Dat heeft God u op Veldwijk laten zien, toen ge van den duivel bezeten waart en ge toch naar de lucht moest zien, of ge wildet of niet, terwijl ge sidderdet van angst. Dat waren nu die machten en boosheden met hun onverderfelijk lichaam, die daar in de lucht zweefden met den overste van de macht der lucht, den duivel, die u geheel in hunne macht hadden en met u konden doen wat zij maar wilden, doordien God Zijn Geest zoo goed als van u had weggenomen en satan met zijne machten u beangstigde en pijnigde, totdat de almachtige God, om Zijn geliefden Zoons wille zeide; „Tot zoo ver en niet verderquot;, en toen weer met Zijnen Geest in u kwam en Jezus Christus u uit 's vijands macht verloste en u overbracht uit de macht van de geweldhebbers der wereld, uit het rijk der duisternis in Zijn goddelijk licht. Ja, God heeft u groote dingen laten zien en ondervinden.quot; Ik was er geheel van verslagen, toen mij dat werd geopenbaard, en riep uit; „Groote God, wat is mij de grootste der zondaren barmhartigheid geschied.quot;

Toen ik later eens in den Bijbel, in Handelingen II vers 20 las; „De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de groote en doorluchtige dag des Heeren komt.quot;, werd mij ook weer geopenbaard dat ik de maan in bloed had gezien op Ermelo, toen ik in het paviljoentje zat, waar de almachtige Jehova mij Zijne heerlijkheid deed gevoelen , waardoor ik toen zoo gelukkig was. Geopenbaard werd het mij opnieuw dat God mij veel had doen ondervinden door teekenen en wonderen , zooals ze in Gods Woord beschreven zijn. Dikwijls bleef ik dan in gepeins nadenken over hetgeen mij werd geopenbaard, terwijl een heilig beven over mij kwam.

Zoo ging de winter voorbij en naderde de zomer, met zijn heerlijken bloementooi, zooals dat inBaarn zomers het geval was.

In dien tijd las ik eens eene advertentie in Het Nieuws van den Dag van de Dames-Kwartguldensvereeniging. Dat is iets voor mij, dacht ik, en teekende voor eenige kwartjes in voor de heide-ontginning om de werkloozen aan werk te helpen. Daarbij liet ik het evenwel niet. Ik ging ook met eene lijst geheel Baarn rond. Bovenaan op de lijst had ik geschreven; „Wat heeft Jezus voor ons gedaan, en wat doen

ocr page 222

206

wij voor Hem? God liefhebben boven alles en onzen naaste als ons zeiven. Zoo zij het.quot; Bijna geen huis was er, waar niet voor een of meer kwartjes werd ingeteekend. Alleen was er hier of daar een enkele die niet wilde om het opschrift boven die lijst en ik kon dan onverrichter zake heengaan. Een dienstmeisje zeide eens tegen mij: „Omdat dit er in staatquot;, met den vinger op het opschrift wijzende, „geeft mijnheer niets.quot; „Nuquot;, antwoordde ik, „voor geen millioen doe ik het er uit.quot; Later ging ik ook nog eenige dagen met die lijst naar Hilversum, zoodat ik nog al eene aardige hoeveelheid kwartjes bij elkander haalde.

Middelerwijl was de zomer reeds half voorbij en nog had ik mijne kamers niet verhuurd, terwijl ik telkens op adver-tentie's schreef. Op aanraden van anderen zette ik ze toen met een bord te huur. Maar, o mijn tijd, toen ze een half uur te huur stonden, werd ik zeer onrustig en benauwd, en kreeg telkens in mij; „Vrouw, waar is uw geloof?quot; Ik begon te huilen, nam het bordje weg, verscheurde het en kreeg toen weer rust.

Eenige dagen daarna schreef ik weer een brief op eene advertentie, en eindigde ook die „Met heilbedequot;, en ziet, den volgenden dag kwam er iemand naar de kamers kijken, die ze huurde voor vier personen en pension. Toen mocht ik weer juichen en God danken, dat ik naar den Heere had geluisterd, tevens biddende om vergeving dat ik zoo klein-geloovig was geweest en had gewankeld.

HOOFDSTUK VII.

Ik verlaat de gemeente van Dr. H. H, Kuyper.

Het was in die dagen dat ik ook naar de ziel zeer ontsteld was. Ik ging namelijk in den laatsten tijd niet meer ter kerk bij Dr. H. H. Kuyper, om de handelwijzen die ik zag en ondervond. De leden dier gemeente handelden alsof zij met God konden doen wat zij wilden. En dat kon ik niet verdragen van hen die zeiden bekeerd en wedergeboren te zijn, terwijl

ocr page 223

207

zij den duivel dienden en God bespotten met hunne dader-Hoe kon men hen achten gerechtvaardigd te zijn in Christus om hunne lichamen in heiligheid Gode welbehagelijk te stellen , als zij deden wat zij wilden? Dat werd hun toch in Gods Woord niet geleerd.

Daarom kwam ik niet meer in de kerk, omdat er maar alles gedaan werd naar eigen goedvinden, om den duivel te bevoordeelen en den heiligen God te tergen. Hoe konden dat kinderen Gods zijn, die door Gods Geest worden geleid, die zulke handelingen deden? Had God dan meer dan ée'n Heiligen Geest, door welken ik geleid werd, nu ik eene bekeerde en wedergeborene was in Christus Jezus, die mij deed strijden den goeden strijd des geloofs en tegen alles wat duivelsch was?

Neen, dat kon niet waar zijn, en ik kwam dan ook met kracht er tegen op, en zeide hun, uit Gods Woord, de waarheid, dat zij die den wil des Heeren wisten en toch niet deden, in hun oordeelsdag met dubbele slagen zouden geslagen worden, terwijl ik daartegenover, die al zoo bitterlijk had geleden, slechts met enkele slagen was geslagen, omdat ik den Bijbel zoo goed als nimmer had gehoord.

Maar daar gaven zij niet om en gingen vertellen; „ Dat mensch is gekquot;, als ik hun uit Gods Woord aantoonde wie zij waren en hen met het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord, versloeg. Volgens hen zijn allen gek die des Heeren Woord mogen verstaan en er ook naar doen en het geheele Evangelie en een heelen Christus willen hebben, om daaruit en daardoor te leven, en niet een Christus in naam. Gekken noemt men hen die niet uit den Bijbel wenschen te nemen wat men maar wil, om zich daarmede te dekken, en dan maar naar het vleesch levende, en eigen eer en voordeel zoekende.

Ik heb dan ook terdeeg aan Dr. H. H. Kuyper geschreven dat hij geen geest uit God was, maar wel een leeraar van de woorden en om den broode. En toen hij later bij mij kwam om te zeggen dat ik mijne woorden zou intrekken en mij toen nog beloog, heb ik hem uit Gods Woord, dat heilig en waarachtig is, goed de waarheid gezegd, en hem uitgelegd wat een in Christus wedergeborene is en wat een natuurlijk mensch die de dingen des Geestes niet verstaat, en dat verstond hij ook niet, want anders kon hij onmogelijk zoo naar zijn vleesch leven en zoo handelen.

Dr. H. H. Kuyper antwoordde met een paar tekstwoorden, die hij niet eens verstond, daar hij niet belijden kon dat

ocr page 224

208

Jezus Christus in hem leefde. Jezus toch leefde niet naar^ het vleesch en ging ook niet naar Zwitserland voor zijn pleizier wat uitrusten, maar zeide immer; „Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk ook.quot;

En toen ik Dr. H. H. Kuyper zeide, dat ik er God om zou bidden of ik weer bij hem ter kerk mocht gaan, en van openbaringen sprak die de almachtige Jehova deed aan de heiligen, wat ik zelfs zoo dikwijls had ondervonden, en die de heilige God ook had bevestigd , wilde Dr. Kuyper daar niets van hooren; dat bestond, meende ZEw., niet meer; waarop ik ten antwoord gaf: „Nu dan liegt de Bijbel, en^stel ik u er verantwoordelijk voor als dat niet meer bestaat. Daarop ging Dr. H. H. Kuyper, die geheel ontdaan was, heen.

Hetgeen verder betrekking heeft op Dr. H. H. Kuyper, zal de lezer vinden in de brieven, opgenomen in het Vierde Boek.

HOOFDSTUK VIII.

Aangesloten en teleurstelling bij de „Christe 1 ijkequot;(?) Gereformeerde Kerk.

Ik bleef toen eene heele poos zonder kerk, totdat ik hoorde dat door eenige leden van de vroegere Christelijke Gereformeerde Kerk, waaraan Ds. Notten ook behoorde vóór dat deze met de Doleerenden was vereenigd, kerk zou worden gehouden in een stal (*), en dat zij deze kerk weer de Christelijke Gereformeerde Kerk noemden.

Nu de naam Christelijke trok mij wel aan. Den naam van Christus toch, die zulke groote dingen aan mij had gedaan, kon ik niet vergeten. En nu die naam vooraan stond, moest ik daar naar toe. Bovendien, Ds. Notten had daar vroeger ook toe behoord. Ik ging er dus heen.

Dien avond preekte Ds. Wessels uit Zierikzee. Ik had veel aan de preek, daar hij precies overeenkwam met hetgeen ik

(♦) Deze plaats van sameDkomst werd later algemeen in Baarn genoemd „het Stalletjequot;.

ocr page 225

209

van mijn God had ontvangen, en ik dacht: Ja, zóó moet het zijn, zal een mensch in waarheid gelooven datjezus Christus in ons leeft. Ik vond die preek geheel anders dan bij Dr. H. H. Kuyper. Die legde hem meer met woorden uit; maar hier hoorde men meer van de daad, zooals ik het ook had ontvangen door mijn geloof in Jezus Christus, mijn oppersten Leidsman en Voleinder des geloofs.

Toen Ds. Wessels dan ook zeide, dat wie zich wilde aansluiten, verzocht werd te blijven zitten, had ik een vreeselijken strijd. Omdat ik den naam „ Christelijke quot;, die vooraan stond, zoo heerlijk vond en mij ook inwendig werd aangezegd dat Christus' Naam bovenaan moest staan, daarom bleef ik zitten om mij aan te sluiten, want ik mocht geducht voor den Naam van Christus strijden, althans voor de gerechtigheid van Christus. Ik had alles wel willen geven, omdat ik wist dat wij in Jezus' Naam alles zouden vermogen.

Helaas, ook bij de Christelijke Gereformeerden zag ik weldra dat er wel een Christus in naam was, maar niet van de daad. Dikwijls kon ik zelfs niet begrijpen , dat er toch zoo waar werd gepreekt, maar dan kreeg ik in mij: „Dat is uit de boeken van de voorvaderen, die ook geesten uit God waren, met woord en daad.quot; Nu, dacht ik dan, dat moet wel zoo zijn, want anders begrijp ik niet, dat er zoo gepreekt kan worden, terwijl ik de daad er niet van zie.

Dat bleek bij voorbeeld het beste als er een dominé had gepreekt, Ds. Bos, of Ds. van Lingen, of nog een andere. Na de kerk gingen wij dan met dien dominé naar het huis van een van de leden, waar dan over allerlei tekstwoorden uit den Bijbel werd gesproken, waarmede zij hunne zonden bedekten, terwijl zij bij het oude bleven, om met den ouden Adam voort te leven, hun eigen verderf te gemoet, in plaats dat zij verlost wilden worden door Jezus Christus, die alles heeft volbracht om ook hen te verlossen van de oude slang, en te leven in den nieuwen Adam als een herboren schepsel, gerechtvaardigd in Christus. Waren zij toch door genade zalig geworden in Christus Jezus, dan zouden zij in Zijne gerechtigheid leven door het geloof in den Zone Gods , en zouden door daden toonen en getuigen dat Jezus, de Zonne der gerechtigheid in hen leefde; dat het oude, de zonde, was voorbijgegaan en alles nieuw was geworden. Zij zouden gejuicht hebben in den heiligen God, die hen had levend gemaakt in Christus Jezus, in Wien zij door genade waren zalig geworden, en zulks niet door hunne werken, maar omdat zij

14

ocr page 226

2IO

in Jezus Christus waren wedergeboren. Wie wedergeboren is, is een nieuw schepsel van God, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, om in dezelve te wandelen, want hij is dan gebouwd op het fundament van den uitersten Hoeksteen , Jezus, op welken het geheele gebouw bekwamelijk samengevoegd is, opdat hij zoude opwassen tot een heiligen tempel in den Heere en waartoe zij ook mede gebouwd zijn tot eene woonstede Gods in den geest.

Maar van die tekstwoorden wilden zij niets weten; dat was veel te hoog. Immers zij waren vleeschelijk verkocht onder de zonde. „Wantquot;, zeiden zij, „het goede dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik.quot;

— „Jaquot;, zeide ik dan, „maar dan zijt ge niet verlost door Jezus Christus; dan leeft ge nog onder het juk van den vorst der duisternis, en zult ge met dubbele slagen geslagen worden , daar ge niet wilt hooren naar hetgeen Paulus zegt; „ Ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ? Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere.

„Jezus Christus moet u van de zonde verlossen, en overbrengen in Zijn licht, daar Hij het Licht der wereld is. Hij is gekomen, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet alleen met den mond, maar met het geheele hart, dan in de duisternis niet blijve, die des duivels is.

„ Dan zullen wij in het licht van Christus wandelen en niet meer naar het vleesch leven, maar naar den Geest, die dan het recht der wet in ons vervult, omdat die wet des Geestes, des levens in Christus Jezus ons vrijgemaakt heeft van de wet der zonde en des doods, en wij alzoo geworden zijn dienstknechten der gerechtigheid in Christus; er is dan nu geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn , die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest.

„Worden wij door dien Geest geleid, dan zijn wij kinderen Gods, maar anders niet.quot;

Als ik zoo sprak, deugde ik niet. Getuigde ik van de gerechtigheid van Jezus Christus, Wiens Geest in mij was, en Wiens genade ik had ontvangen, dan werd mij gezegd, dat ik stilletjes Jezus achterna moest loopen, maar niet vooruit.

Maar dan kreeg ik een vuur des Geestes in mij, en zeide: „ Neen, Christus Jezus moet in ons leven, anders haalt de duivel er ons toch weer vandaan, als wij achter Jezus loopen en „Hosanna!quot; roepen, en dan weer weggaan om Hem te kruisigen met onze zonden, die satan ons laat doen, doordien wij den duivel gehoor verleenen, als wij niet in het ge-

ocr page 227

211

loof zijn dat Christus in ons leeft om ons voor satan te bewaren, opdat wij zouden leven Gode tot eere en ons zeiven tot zaligheid.quot;

En toen ik zoo sprak, waren er die zeiden: „ Ik wenschte wel dat zij maar weggingquot;, waarop ik antwoordde: „Ik zal heengaan, maarquot;, en hierbij wees ik met den vinger naar omhoog, „niemand kan mij meer uit de hand rukken van mijnen God, noch van mijnen Jezus.quot; En ofschoon de Heere mij kracht verleende, ging ik heen.

O, ik leed zelf er onder, dat zij zoo verduisterd waren in het verstand, terwijl zij toch haast den geheelen Bijbel van buiten kenden. Helaas, zij namen er uit wat zij wilden, hetgeen de een dan zus en de ander dan zoo uitleide. En dan zeide de dominé maar; „Ja, zoo is hetquot;; die hield het liefst van: „Vrede, vrede, geen gevaarquot;.

Alles wat zondig was, kwam onder den dekmantel; daar werd geen notitie van genomen; een verschijnsel dat ik in de Gereformeerde Kerken ook had ondervonden. Zij konden elkander met Bijbelteksten wel doodgooien, maar zelf bleven zij ook dood, daar zij zich nog nimmer hadden beproefd of Jezus Christus in hen leefde en hen door het Woord Gods van dood levend had gemaakt, zoodat zij niet zich zeiven meer leefden, maar Christus leefde in hen, zoodat zij konden belijden met hun hart en gelooven dat God Hem uit de dooden heeft opgewekt tot hunne rechtvaardigmaking

Ik kon maar niet begrijpen, daar zij toch eiken dag Gods Woord lazen, dat zij dat niet geloofden en geene moeite deden om door Jezus Christus verlost te worden uit het lichaam des doods en te leven door den Geest, naar Gods wil en welbehagen, zoodat zij van hunne zaligheid konden getuigen, die zij in Christus Jezus hadden, die Zijne kracht ook in hunne zwakheid wilde volbrengen om Gods geboden te bewaren.

Och neen, zij riepen maar: „Heere! Heere!quot;, lazen den Bijbel, zonder ware discipelen van Jezus te zijn, daar zij meer bij den ouden Adam bleven zitten om naar den duivel te luisteren, terwijl zij zich inbeeldden dat zij bekeerd en wedergeboren waren. Ja, Petrus zelfs namen zij tot hun voorbeeld, zeggende, dat die ook bekeerd was en toch den Heere Jezus verloochende.

Ik maakte het hun toen duidelijk, dat Petrus niet bekeerd was toen hij den Heere Jezus verloochende, omdat Jezus zelf tegen Petrus zeide: „ En gij , als gij eens zult bekeerd zijn,

ocr page 228

212

zoo versterk uwe broeders.quot; (Luk. XXII: 32). Uit deze woorden van den Heere Jezus kunnen wij zien dat Petrus, toen hij den Heere verloochende, nog niet bekeerd was, maar alleen geloofde, zooals de meesten nog gelooven en ik vroeger zelf ook geloofde, maar zonder de kracht des Heiligen Geestes, dien zij niet hebben ontvangen om te strijden den goeden strijd des geloofs en den duivel te overwinnen om dan den Heere Jezus niet meer te kunnen verloochenen.

HOOFDSTUK IX.

Genezing op het gebed en afscheiding van de „Christelijkequot;(?) Gereformeerde Kerk.

Zoo heb ik veel in Baarn mogen spreken en getuigen, maar het gaf niet veel. Zij bleven daar liever bij de Gereformeerde leer, en zeiden, dat het genade moest blijven. Zeiven konden zij niets doen dan gelooven. En bij dat doode geloof bleven zij gebonden. En wij lezen toch; ,, het geloof zonder de werken is doodquot;; en het geloof alleen kan hen niet zalig maken.

Veel liever sprak ik dan ook met wereldsche menschen over den Heere Jezus, die wat dikwijls beangst werden voor hunne ziel en mij gaarne aanhoorden, dan met hen die meer in de Reformatie geloofden dan in het Woord van God en daarbij rustig voortleefden zonder zich om hunne ziel te bekommeren , of zich te overtuigen of zij wezenlijk gereinigd waren in het bloed van Jezus Christus, om in Zijn goddelijk licht te wandelen, zoodat zij verzekerd konden zijn, dat geen duivel, noch machten, ja niemand hen meer kon scheiden van de liefde Gods , welke is in Christus Jezus.

Neen, met zulk een dood geloof kon ik mij niet vereenigen nu ik den Bijbel las en door het geloof ook deed wat daarin staat, om zoo doende op te wassen in de kennis van onzen Heere Jezus Christus, die kennis die alle verstand te boven gaat en dit door genade hoe langer zoo meer te ontvangen, om te leven als een rechtvaardige door het geloof in Christus,

ocr page 229

213

vol van goede werken, waartoe Hij mij de kracht verleent, daar ik alleen op Hem betrouw en niet geloof wat anderen maar zeggen.

Zoo ging de tijd voorbij met dan dit en dan dat te ondervinden, niet te vergeten tegenspoeden in mijne zaken, waarvoor ik met recht en met kracht opkwam, vertrouwende op den Heere, dat die mij zou bijstaan, opdat ik niet weer zoo achteruit zou gaan. En juist doordien ik mijn recht zoo krachtig handhaafde kwam ik ook zoo goed als niets te kort.

In dien zelfden tijd kreeg ik ook het bericht van het overlijden van mijne zuster. Ik ging naar Leeuwarden om aldaar den boedel te regelen. Van wat daar evenwel vóór en in dien tijd is voorgevallen tot eer van Gods driemaal heiligen Naam, zal ik hier maar niets ter neder schrijven, daar dat alles te lezen staat in de Brieven.

Een ander feit vinde hier nog vermelding. Op zekeren dag ging ik eene zieke bezoeken. Toen ik er kwam stond de kamer vol menschen, die allen huilden, daar de zieke op sterven lag. Ik ging naar het bed, nam de stervende bij de hand en sprak eenige woorden met haar over het Koninkrijk Gods. Onderwijl gevoelde ik eene kracht in mij opkomen, die mij vóór het bed van de stervende deed neerknielen en in den Naam van Jezus Christus bidden tot den almachtigen God of Hij de zieke wilde genezen.

Toen ik opstond, kreeg ik tot antwoord:

„Ja, de Heer zal uitkomst geven.

Hij die het gansch heelal gebiedt.quot;

Daarop zeide ik tegen de familie P., dat ik zou blijven om de zieke op te passen, en ging toen vóór het bed zitten.

Zoodra de stervende door de genade Gods weer bijkwam, ging ik naar huis en haalde versterkende middelen, daar de dokter die geordonneerd had En nadat ik de zieke drie weken had opgepast, was zij geheel hersteld en ging de vierde week weer uit bakeren. Ja, de Heere had uitkomst gegeven. Ik mocht Zijne groote daden aanschouwen en Zijn Naam grootmaken, daar ik Zijne almacht weer kon zien.

Eenigen tijd daarna viel er iets voor wat mij erg leed deed, en dat mij deed afgaan van de Gereformeerde Kerk, met den naam van Christelijke er nog bij, maar waar ik geen Christus zag. Bij mij werkte Christus niets dan liefde

ocr page 230

214

en gerechtigheid, maar daar moest ik in alles zien liefde in mooie woorden zonder gerechtigheid, daar de goddeloozen, de hoofden van de Christelijke Gereformeerde Kerk zonder Christus, de kinderen Zions, maar deden onder bedekking van Gods heilig Woord, wat de duivel hun ingaf, daarbij maar al roepende: „Heere! Heere!quot;

Zij namen Gods verbond in hun mond, maar wierpen de woorden achter zich, terwijl zij maar deden wat zij wilden en om God noch Zijn gebod iets gaven.

Dat kon ik niet dulden en kwam er door de kracht des Heiligen Geestes tegen op, daar ik telkens in mij kreeg: „Ulieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en gij zult groeien als mestkalveren, en gij zult de goddeloozen onder uwe voetzolen vertreden, wanneer Ik het maken zal, spreekt de Heere de heirscharen.quot;

Door het geloof en de kracht van Gods Geest zeide ik den hoofden van de Christelijke Gereformeerde Kerk goed de waarheid, hoe zij met hunne daden den heiligen en rechtvaardigen God tergden en Christus verloochenden. Ja, met het 7,waard van het Woord Gods, door Wiens Geest het waarachtig Woord Gods, de Bijbel, is geschreven, zeide ik hun, dat de rechtvaardige God hen zou bezoeken en tegenkomen , daar God zich niet laat bespotten.

Maar ach, om die woorden van den levenden en waar-achtigen God, die alles bevestigt wat in Zijn Woord staat geschreven, gaven zij niet. Van zulke woorden moesten zij niets hebben. Zij , de kinderen Zions , waren zondig en bleven zondig; zij lagen in het verbond, omdat zij gedoopt waren ; zij namen liever de tekstwoorden uit den Bijbel om er zich onder te dekken en gingen hun gang maar, zonder zich aan Gods heilig Woord te storen.

Nu, de dag huns oordeels zal het uitwijzen , of Gods Woord niet waarheid is, daar zij met diezelfde woorden zullen geoordeeld worden uit Gods heilig en waarachtig Woord, net zoo goed als ik er door geoordeeld ben geworden toen ik op Veldwijk was, en dat een ieder eens zal moeten ondervinden , niemand uitgezonderd , vermits op 's Heeren tijd voor een iegelijk de dag is bepaald om geoordeeld te worden.

En dan zullen zij ondervinden of men maar met Gods Woord kan doen wat men maar wil. O, de oordeelsdag is vreeselijk voor degenen die niet in Christus Jezus zijn, om met Hem te strijden tegen den duivel, den vorst der duisternis, den satan, die de wereld beheerscht met zonde, ongeloof.

ocr page 231

215

ellende, ongerechtigheid, bijgeloof, bezoekingen, rampen, ja te veel om op te noemen. Zelf komt hij in de gedaante van een engel des lichts, onder de bedekking van Gods Naam en Woord, om de menschen te verleiden, opdat hij hen later zooveel te meer met zijne machten van booze geesten kan beangstigen en pijnigen, zooals ik het ook heb ondervonden.

Ik scheidde mij toen geheel van de Christelijke Gereformeerde Kerk af, nadat ik de hoofden, zooals Ds. J. Wisse, en Ds. van Lingen had gewaarschuwd. Maar zij gaven noch om God noch om Zijn gebod en deden des duivels zin om den heiligen God te bespotten.

Hierbij zal ik eindigen met de Christelijke Gereformeerde Kerk. Uit de brieven aan de hoofden geschreven zal voldoende blijken wie zij zijn.

Daar was ik dan nu weer zonder kerk. Maar de Heilige Geest versterkte en bemoedigde mij, met mij in te fluisteren; „Gij behoort aan geene kerk; gij behoort aan de Gemeente van Jezus Christus. Jezus heeft geene kerken op aarde, want dan zou Christus ook Verschillende Gemeenten moeten hebben , daar er zooveel kerken verschillend van naam bestaan. Dat op zich zelf beteekent niets, maar wel beteekenen zij iets die in of uit die kerken aan de Gemeente van Christus behooren en den levenden God dienen in geest en in waarheid, en met Christus strijden tegen alles wat strijdt tegen Gods Woord, dat Woord dat tegenwoordig zoo wordt verdraaid, het is alles over Christus, maar het is buiten Christus. Er bestaat maar eene Gemeente van Christus, die over de gansche aarde verspreid ligt uit alle volkeren, landen en natiën, die door Christus tot God gaan en Zijne verschijning hebben liefgehad, om Zijne geboden te onderhouden en Gode welbehagelijk te leven en te gelooven alles wat in Gods Woord staat geschreven, en waar geen woord af noch toe mag gedaan. Gij kunt bevestigen dat het alles wordt vervuld, maar niet wat de menschen er van meenen te mogen nemen naar hun genoegen en den duivel plaats te geven. Neen, gij kunt er van getuigen dat God op Zijnen tijd en naar Zijnen wil komt, gij, die nu aan de Gemeente van Christus behoort, om een godzalig leven te leiden in Christus Jezus en de hemelsche zaligheid te beërven, waarvan ge reeds zoo dikwijls een voorsmaak hebt gehad, zoodat ge Christus niet meer kunt missen. In Hem zijt ge een krijgsknecht der gerechtigheid geworden, om door het licht te openbaren alles wat duisternis is.quot;

ocr page 232

2l6

Zoo ging het maar in mijne ziel om. Het was de Geest van Christus die dat tegen mij, eene van Zijne Gemeenteleden , zeide, en waarnaar ik luisterde om te doen wat Gods wil was. Christus deed ook altijd den wil Zijns Vaders en zocht Gods eer, maar niet Zijne eigen eer en voordeel. En ik wist nu dat Jezus, nu ik een lid Zijner duur gekochte Gemeente was. Zijne kracht in mij zou volbrengen.

Toen ik geene kerk meer had, ging ik Woensdagsavonds wel eens naar het gebouw in de Weteringstraat in Baarn, en daar hoorde ik tusschenbeide goede predikers, ten minste van een levendmakend geloof spreken. Ook had ik al eens Ds. Meulenbelt gesproken, die ik ook mijne bekeeringsge-schiedenis had verteld. Deze predikant was ten minste nog eerlijk, en zeide dat hij de gave der gezondmaking niet had ontvangen, maar hij geloofde wel dat zij bestond, terwijl die anderen, zooals Dr. H. H. Kuyper, Ds. J. Wisse en Ds. van Lingen, enz., zich inbeeldden, dat, zooals zij het zeiden het ook moest wezen, ofschoon zij geene kennis hebben aan den rechtvaardigen en heiligen God in Christus Jezus; wel met den mond, maar niet met het hart, want dan zouden zij doen wat God in Zijn Woord zegt; dan waren zij vol des Heiligen Geestes, zoodat de menschen zouden zeggen; „ die zijn uit Godquot;; dan waren zij niet zoo, dat de menschen er schande van zouden spreken, zooals zij het nu doen, en waardoor het ongeloof komt, en de liefde tot God wordt verkoeld.

HOOFDSTUK X.

Mijne komst in den Haag. Gedrongen door de liefde tot Jezus Christus om van mijne bekeering een boek te maken.

Wij hadden toen reeds drie jaren in Baarn gewoond, en aangezien het 's winters in Baarn erg stil was, besloten wij in den Haag te gaan wonen. Daar, dacht ik, kan ik nog

ocr page 233

21/

veel arbeiden voor mijn God en Zijn geliefden Zoon Jezus, en getuigen welke groote dingen de Heere aan mij heeft bewezen, daar ik een levend getuige van Gods Woord ben geworden, Hem tot eer en mij tot zaligheid. Het was ook toen, dat mij door den Geest Gods werd geopenbaard, dat het Gods wil was dit boek te schrijven, waartoe ik hoe langer hoe meer door de liefde van Christus werd gedrongen, en dat boek met de gekopieerde brieven aan te vullen.

De duivel evenwel, die rondgaat als een brieschende leeuw, liet maar zoo niet toe dat zijne werken der duisternis aan het licht zouden komen en geopenbaard worden. Hij legde mij daarom vele listen en lagen om het te verhinderen. Maar het hielp niets. Ik ontving zooveel te meer kracht van den Heiligen Geest en begon dit boek te schrijven, terwijl ik onder de hand in eens veertien brieven te gelijk schreef aan Prof. L. Lindeboom, hoogleeraar te Kampen, welke eveneens in het Vierde Boek zijn opgenomen.

Ingevolge ons besluit, waren wij dan van Baarn naar den Haag verhuisd. In den beginne beviel het mij hier volstrekt niet. Ik miste het schoone Baarn, waar ik zooveel heerlijks had genoten in gemeenschap met mijn liefdevollen God en mijnen Zaligmaker. In Baarn sprak als het ware elke bloem, boom en plant tegen mij van de goedertierenheden des Heeren en mijn Verlosser Jezus Christus. O, ik kon daar zoo dronken zijn van liefde tot den Heere, dat ik huppelde van ziele-vreugde en ik dikwijls, als ik dezen of genen ging bezoeken en ik in de bloemen en het groen liep, om mij heen moest zien of de menschen mij ook zagen huppelen, opdat zij niet zouden kunnen denken: dat mensch is gek.

Maar neen, van hemelvreugde wordt men niet gek, wel van satans helsche pijniging, zooals ik dat vroeger heb ondervonden, toen ik den duivel had gediend; doch nu ik den Heere vreesde in Christus Jezus, nu mocht ik de hemelsche zaligheid smaken.

Daarom nu was het mij zoo vreemd, weer in zulk eene groote stad. Daar was ik in zes jaren geheel aan ontwend. Ik huilde als ik om mij heen zag. Het was alles weer zoo wereldsch, en waarin de menschen maar voortholden, hunne veraoemenis te gemoet, hetgeen ik zelf had ondervonden. Daarbij kwam nog, dat het mij zóó beving en op mij werkte, dat ik geheel verslagen was.

De duivel en zijne booze geesten hielpen goed mee om mij van God af te trekken, daar zij mij, met alle instrumenten

ocr page 234

2l8

die zij maar konden te baat nemen, inblaasden, dat God mij nu had verlaten, en ik maar weer de wereld moest dienen. Dan genoot ik toch nog wat.

O, het duurde zoo lang eer ik weer in de ruimte kwam en Gods vriendelijk aangezicht weer in mijne ziel mocht aanschouwen, en de Heilige Geest met kracht weer in mij werkte om van mijn God en Heiland te getuigen, tot eer en roem van Gods grooten Naam en tot heil veler zielen.

Overal waar ik kwam vertelde ik weer de groote daden en deugden Gods, aan mij geschied, en hoe ik op Veldwijk geoordeeld was door Gods waarachtig Woord, zonder dat ik er ooit in had gelezen. Maar ik had daar ook genade ontvangen en mijn God en mijn Verlosser leeren kennen, die het mij zelf had geopenbaard, en door Wien ik uit dat heilig Woord was levend gemaakt, opdat ik ook door den Heiligen Geest zou leven.

Er waren velen in den Haag die dat konden verstaan, maar de meesten niet, die liever wilden dat ik zweeg, daar zij sidderden als ik van den duivel en de booze machten der hel sprak, die de menschen verleiden met te zondigen om God te tergen.

Van zoo iets hadden zij nog nimmer gehoord en wilden daar nu ook niet van hooren. Zij meenden, ik maakte het veel te erg. Nota bene, hoe kon ik, die het zelf bij ondervinding had en het getuigenis Christi in mij had, zwijgen ? Dat was immers onmogelijk. Als ik zweeg, zouden de steenen spreken.

„Neenquot;, zeide de een, „zoo iets wordt ons niet geleerd. Jezus heeft voor ons voldaan, en als wij dat nu maar ge-looven, dan hebben wij met geen duivel of hel te maken. Zoo wij gelooven dat Christus het voor ons volbracht heeft, dan hebben wij niets te doen. Dat is dan even goed alsof wij dat zelf hadden volbracht.quot;

— „Jaquot;, zeide ik dan, „maar nu moet Christus hetu volbrengen , en u doen wederbaren, opdat gij wedergeboren wordt door Zijnen Heiligen Geest, die u dan uit Gods heilig Woord zegt wat gij doen moet, opdat gij in Zijn licht wandelt en niet meer de zonde dient, maar de gerechtigheid, waarin wij door Zijne kracht leven. Want tenzij dat wij wedergeboren worden, zullen wij het Koninkrijk Gods niet ingaan.

Maar, ach, van eene wedergeboorte wilden zij niets weten, evenmin als van eene hel en een duivel, zoodat zij in hun

ocr page 235

219

duivelsch geloof maar voortleefden en de zaligheid niet wilden zoeken waar die te vinden is, namelijk in Gods dierbaar Woord en bij Jezus, die ook hen niet zou uitwerpen als zij in waarheid tot Hem kwamen en zij zichzelven zaligheid werkten met vreeze en beven.

Zij daarentegen waren van meening dat zij niets behoefden te doen, en zoo bleven zij in satans macht, terwijl zij de hel voor den hemel hielden, daar hun dat zoo was geleerd.

Een ander zeide, als ik begon te spreken: ,, Ach, wat wil u praten; er is geen God, geen duivel, geen hemel en geene hel. Want wat zou dat voor een God zijn, die den een zooveel rijkdom geeft en den ander zooveel armoede en ellende laat lijden.quot;

Maar dan zeide ik hun, dat God dat niet deed; maar dat het onze schuld was, dat het zóó was, aangezien de ellende van ziekten en rampen door onze zonden teweeggebracht worden, omdat wij den duivel gehoor geven en wij daardoor Gods toorn over ons halen; daarom laat God toe, dat satan ons bezoekt met allerlei ziekten en ellende, en dat zoowel de rijken als de armen. En wat de armoede op zich zelve betreft, deze komt omdat wij God niet lief hebben, want dan zouden wij onze naasten liefhebben als ons zeiven en hen bijstaan met raad en daad, zoodat hij die veel had, geven zou aan dengene die niets had. En als wij God liefhebben en Hem gehoorzaam waren, zou de duivel niet zooveel vrij spel hebben om ons te laten zondigen en daardoor zooveel rampen en ellende op de wereld brengen. Het is dus onze eigen schuld, maar niet de schuld van God.

En, zeide ik, zoo gij van dat alles, van zonde en ellende wilt verlost worden, vlucht dan naar Jezus en bidt Hem om verlossing en pleit op Zijne zoen- en kruisverdiensten en op Zijn dierbaar Evangelie, en rust niet vóór gij genade hebt ontvangen, zoodat gij weet dat gij verlost zijt van den vorst der duisternis en zijne machten en overgebracht in Zijn goddelijk licht, opdat gij u zeiven niet meer leeft, maar Christus in u leeft vol goede werken. Hij beschaamt het rijk der duisternis door het te verbreken in allen die in waarheid in Hem gelooven, om te doen wat Hij hun zegt.

En dan zult ge zeggen: „ Er is een liefderijk God, een Zaligmakende Verlosser, maar ook eene hel met een duivel. Immers dan zult gij het onderscheid zien, en gevoelen wat duisternis was. En als Christus u dan heeft verlost uit die duisternis en Jezus in u leeft, dan is alles licht.

ocr page 236

220

En als ik dan uitgesproken had, dan waren zij dezelfden niet meer , want satan was van hen geweken. Dan zeiden zij: „Nu, zulk een Christus zouden wij wel willen hebben, dan zou ik nog wel willen gelooven, als er zoo een bestaat. Maar daar hoort men niet van spreken; het is maar alles eigen belang wat men tegenwoordig van den godsdienst hoort.quot;

Ik verzekerde hun dat het de waarachtige waarheid was en dat er geen andere Christus bestond dan van Wien ik sprak, en dat degenen die zulk een Christus in zich hadden leven, zooals ik Hem ook had ontvangen, hun eigen voordeel niet zochten, maar alleen de eere Gods, zooals ook Christus Jezus het deed.

Maar, zeide ik, er zijn tegenwoordig wel honderden Christussen; de een roept: „Hier is Hijquot;; en de ander weer; „Neen, daar is Hijquot;, en toch is het de ware Christus niet, daar die binnen in ons moet zijn met Zijn Koninkrijk. Helaas, de meesten hebben een Christus in naam en zijn buiten het Koninkrijk Gods, zooals ik vroeger. Doch toen ik den waren Christus kende, zocht ik Hem hoe langer hoe meer in Gods dierbaar Woord, waar bij mij geen woord af en geen woord bij mag, daar ik weet dat de almachtige God het alles vervult. Zoo leerde ik Hem steeds meer kennen door het geloof om te doen wat God mij in Zijn Woord leert.

Ik raadde hun dan aan om ook te gelooven en Jezus te zoeken en naar Gods Woord te leven, daar het nog in het heden der genade was en het later wel voor eeuwig te laat kon zijn.

HOOFDSTUK XI.

Hoe ik voor Gods waarachtig Woord streed.

Er waren dan ook velen die anders begonnen te denken en zelfs om een Bijbel vroegen; maar er waren ook weer anderen. Als ik aan hen vertelde hoe ik door Christus was verlost uit satans macht en hoe ik eene wedergeborene was gewor-

ocr page 237

221

den in Christus, die de duistere werken des duivels nu in mij verbrak door het geloof in Hem en in Gods heilig Woord om Gode welbehagelijk te leven, godzalig en onberispelijk voor den Heere, vol van goede werken, in Jezus Christus, mijn Leidsman en Voleinder des geloofs, op Wien ik vertrouwde, dat Hij het voor mij zou voleinden, — dan riepen zij: ,, O , u wil met goede werken in den hemel komen ; nu maar ik niet; ik leef maar liever op genade. Wij kunnen geen goede werken doen; wij hebben alles verzondigd en verbeurd en doen dat alle dagen. Paulus zegt immers zelf: „Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen dat vind ik niet.quot; Neenquot;, zeiden zij, „goede werken kunnen wij niet doen; dat kunnen wij niet. Christus heeft voor onze zonden betaald en wij zijn in Zijnen Naam gedoopt en zijn dus in Zijn verbond opgenomen, en nu moet het genade blijven, dat wij zalig worden; maar wij kunnen zelf niets doen. Onze goede werken zullen ons niet in den hemel brengen. En als ge niet in de uitverkiezing zijt, dan komt ge er ook niet in, met al uwe goede werken. Neen, wij hebben alleen maar te gelooven. Christus moet in ons wassen en wij minder worden.quot;

„Juistquot;, antwoordde ik hun, „Christus moet in ons wassen en wij niets. Wij moeten weten dat Christus in ons leeft en in ons werkt; anders is ons geloof dood, als wij ons maar neerleggen bij dat; „wij kunnen nietsquot;. Daarom moeten wij dien Christus zoeken en niet rusten vóór Hij ons uit dat doode lichaam van zonde heeft verlost, van dat lichaam: „ik kan nietquot;. Juist omdat wij niets kunnen, maar Hij alles, moeten wij Hem hebben in ons leven, opdat Hij al het goede in ons werkt en ons levend maakt naar Gods Woord door Zijnen Geest, die dan de doode „kan-nietenquot; van satan verbreekt, om niet naar het vleesch te leven, maar naar den Geest; want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult gij sterven, maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven.

„Enquot;, zeide ik, „wanneer gij dat niet kunt, dan blijft ge dood en in de zonde, en de bezoldiging der zonde is de dood, en de zonde en de dood liggen niet in de uitverkiezing. Al waart ge honderdmaal gedoopt, en al geloofdet ge nog zoo, dat gij niets kunt doen en Christus voor u heeft betaald , en als gij u nog nooit hebt beproefd of ge in het geloof zijt en Christus in u leeft, dan raad ik u ernstig aan, opdat gij

ocr page 238

222

niet met den eersten dood van zonde en „kan nietquot; blijft voortleven op genade: beproef u nog heden. Zoo niet, dan zult ge in dien dood ook den tweeden dood sterven, trots uw waterdoop en duivelschgeloof, waaronder ik vroeger ook gebukt lag. Maar ik hoop, dat gij de genade zult zoeken in Gods heilig en waarachtig Woord en doen wat daarin staat geschreven, zooals ik het ook doe, steeds biddende om de kracht des Heiligen Geestes, opdat die ons versterke, vertrouwende in het geloof dat God ons den Geest Zijns Zoons, zal schenken, dien Hij in Zijn heilig Woord heeft beloofd, pleitende op Zijne beloftenissen, die Ja en Amen zijn.

„Dan zal Christus, de Zone Gods, de Rechtvaardige, in ons wassen van liefde en gerechtigheid, vol van goede werken en wetende dat wij niets zijn, zelfs heel min, zal Hij ons. van dood (en de dood kan niets) levend maken door Zijnen Geest, door welken wij ook geleid worden, zoo wij dien bezitten en wedergeboren kinderen Gods zijn, niet in naam en niet „ niets kunnendequot;, maar inderdaad, zoodat wij een nieuw schepsel zijn geworden en in Christus alles kunnen doen door ons geloof dat Hij ons kracht geeft.

„Die Christus, die het heeft beloofd, kan niet liegen,, maar bevestigt Zijn Woord door Zijne genade, zoodat wij weten dat wij door genade zalig zijn geworden voor tijd en eeuwigheid, niet door onze werken, maar door Gods gave, zoodat Gods Geest met onzen geest getuigt dat wij kinderen Gods zijn, omdat wij als wedergeboren schepselen doen wat. de Geest Gods tegen ons zegt.

„En dan hebben wij niets te vreezen als wij in Christus Jezus zijn en van dood levend zijn geworden, al dondert en bliksemt het nog zoo. Neen, dan zingt men gezangen en psalmen, zooals ik het nu ook doe, als het onweert. Ja, dan maak ik Gods groote daden groot, terwijl ik ze voor mijne oogen zie.

„Jaquot;, zeide ik met vuur, „en dan is men ook niet meer bang voor den dood, dien grooten vijand, vermits men eiken dag de zonde en den dood afsterft en strijdt tegen den vijand, den duivel, met zijne zonde, in Christus, die ons het borstwapen der gerechtigheid heeft gegeven, waardoor satan met zijne pijlen van zonde moet wijken en de zonde ons niet kan overheerschen, al bestrijdt satan ons nog zoo.

„Christus blijft immer overwinnaar in ons, als wij slechts den waren Christus bezitten, die in ons leeft en in ons werkt, Gode tot eer en ons zeiven tot zaligheid.

ocr page 239

223

„Ja, dan roept de Geest van Christus ons zelfs toe: „Strijdt den goeden strijd des geloofsquot;, (Niet wat er tegenwoordig maar van Gods Woord wordt gemaakt, maar precies zooals het in Gods Woord staat, om daarnaar te leven en te doen.) „en dan zal Ik u geven de kroon des levensquot;, en „die volharden zal tot den einde toe, die zal zalig worden.quot;

„ En al is de strijd dan tusschenbeide nog zoo groot tegen dien overheerscher der wereld, den duivel, zoodat men zelfs wel eens moet uitroepen; „ O, ik kan niet meer, ik zal nog eens omkomen in 's vijands machtquot;, maar als de strijd op het hevigst is, dan komt Christus tusschenbeide en werpt satan met al zijne machten die hij meebrengt om te strijden, voor een tijd uit en krijgt men weer nieuwe krachten in de ziel, en kan men weer jubelen, en uitroepen; „O, ik weet, mijn Verlosser leeftquot;, daar men dan weer uit 's vijands macht is verlost.

„En dan brengt men Christus de eer toe voor de verlossende genade, die men weer mag smaken. Ja, dan zijn wij verzekerd, daar wij onzen Verlosser koe langer hoe meer leeren kennen, die ons van dood telkens levend maakt, zoodat er geene verdoemenis meer voor ons is, nu wij in Christus Jezus zijn en onze leden dooden en der zonde gestorven en dienstknechten zijn geworden der gerechtigheid, omdat wij niet meer ons zeiven leven, maar Christus Jezus leeft in ons, zoodat wij deel hebben aan de eerste opstanding en de wedergeborenen in Hem door den tweeden dood niet zullen worden beschadigd.quot;

— „ Maar neen quot;, riepen zij met wie ik zoo sprak, „ zoo iets hebben wij nog nooit gehoord.quot; Ik zag. dat zij sidderden en de woorden niet konden verdragen, daar zij ontwaakten voor een oogenblik uit hunnen doodslaap.

Het was alsof een booze geest hen beroerde, zoodat zij in hunnen angst den Catechismus te hulp namen, daar zij zeiden: „Ja maar, zoo staat het niet in den Catechismus en de Artikelen des Geloofs.quot;

— „Dat is ook zoo quot;, antwoordde ik hun ,„ maar wat geven mij de Catechismus en de Artikelen des Geloofs? Dat zijn menschelijke vormen en instellingen. Dat is menschenwerk door menschen daargesteld en ingesteld. Dat behoef ik niet te gelooven. Van dien Catechismus en die Artikelen des Geloofs gaat geene kracht uit, maar wel van het waarachtig Evangelie van Jezus Christus.

ocr page 240

224

„Want nu ik ben wedergeboren door de genade en kracht van Jezus Christus, Gods Zoon, nu mijne blinde zielsoogen door genade zijn geopend en de almachtige God mij het deksel van het hart heeft weggenomen, zoodat de Geest des Heeren in mij is, die mij alles openbaart, nu geloof ik aan niets anders dan aan een waren wezenlijken Christus met Zijn volle Evangelie.

„Door de genade Gods heb ik het zelf mogen ervaren en daarom geloof ik aan niets anders meer dan aan de volheid Gods in het heilig en waarachtig Evangelie in Christus Jezus, mijnen Heere; van Hem kan niets en niemand mij meer scheiden, noch de duivel met zijn geheele rijk, nochquot;, zeide ik, „degenen die Gods Woord tegenwoordig zoo verdraaien en meer aan den schoonen Catechismus en de mooie Geloofsartikelen door menschen gemaakt, gelooven, dan aan Jezus Christus met Zijn waarachtig Woord.

„De Heere heeft ook zelf gezegd: „Die in mijne woorden zullen gelooven en dezelve doen, die zullen mijne discipelen zijn.quot;

„ En ofschoon wij dit weten, gaan de valsche leeraars nog den menschen de hel voor den hemel voorpreeken en zeggen maar, dat zij wedergeboren zijn, omdat zij gedoopt zijn en aan den Catechismus gelooven, onder de bedekking van Gods Woord, waaruit zij nemen wat zij willen en bedektelijke ketterijen invoeren en zich inbeelden wat zij niet zijn, met den hemel er bij. En zoo slapen zij in, en is het; „Vrede, vrede, geen gevaarquot;.quot;

Toen ik uitgesproken had, moesten zij niets meer van mij hebben, daar ik ook nog al met het vuur des Geestes sprak, en hun den mond had gestopt met hun Catechismus en Geloofsartikelen, zoodat zij blij waren dat ik heenging. Zij evenwel bleven in hun geloof, dat duivelsch is, zitten. Ik bad den almachtigen God daarom, toen ik naar huis ging en nog dikwijls daarna, hen van dat duivelsche geloof te verlossen en hen van dood levend te maken, om levende steenen te worden van het gebouw waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is. Hem tot eer en hunne zielen tot zaligheid.

ocr page 241

225

HOOFDSTUK XII.

Nog eenmaal naar Ds. Hugenholtz; eene rede van hem in de Loge en wat ik er van zeide.

Zoo kwam ik ook eens bij eene familie die ik kende en waar ik ook over mijn liefdevollen Verlosser sprak. Daarna kwam het gesprek op de gemeente van Ds. Hugenholtz. Zonder te weten dat zij dikwijls naar zijne kerk gingen, zeide ik: „Dat is de kerk van den anti-christ. Zij gelooven aan geen Bijbel; alleen wat zij er goed van vinden houden zij vast en het andere gooien zij er uit. Men behoeft de kinderen ook niet meer te laten doopen; dat verbondsteeken kan bij hen wel weg. En het Heilig Avondmaal behoeft ook niet meer. Het bloed van Christus, tot vergeving der zonden , is eene zwakheid der zwakken en hebben zij niet noodig. Zij zijn immers niet zwak, maar sterk van braafheid, om het zich zoo pleizierig mogelijk te maken en al de wijsgeeren na te volgen, die nog dommer zijn dan eene koe, daar zij alles met hun eigen verstand beredeneeren en wijzer willen zijn dan Gods Woord. De Heere Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods, is niet meer dan een profeet, dien zij met hunne eigen braafheid willen navolgen, en te gelijk den duivel en de wereld dienen, hunne verdoemenis te gemoet, daar zij dood blijven in zonden en misdaden, vermits zij den levenden Christus Gods niet kennen en nimmer zullen kunnen belijden dat Christus in hen is opgewekt en in hen leeft, zoodat zij der zonde gestorven zijn en dienstknechten zijn geworden van Jezus Christus hun Verlosser en Leidsman.

„Neenquot;, zeide ik met vuur, „het zijn godloochenaars, die den Christus, den Zone Gods, verloochenen; het zijn anti-christen, die niet belijden dat Jezus in het vleesch is gekomen.

„Oquot;, riep ik uit, „als die ongelukkigen zich niet tot den levenden Christus bekeeren en in Zijn waarachtig en heilig Woord gelooven, waarvan geen enkel woord af en waar geen enkel woord bij mag, en Gods geboden niet onderhouden, dan zijn zij voor eeuwig verloren, met hun profeet, zonder

IS

ocr page 242

226

Christus, den Zone Gods, daar wij door den Zoon tot den Vader zullen gaan en niemand anders God zal zien.

Hierop kreeg ik geen enkel antwoord, maar den volgenden dag kreeg mijne dochter een brief van die familie over den edelen heer Hugenholtz; dat zij met hem waren ingenomen en dat zij niet minder geloof hadden dan wij; dat een ieder maar moest gelooven wat hij wilde en dat zij het hielden met den edelen heer Hugenholtz.

Op dien brief heb ik geantwoord, dat ik niet had geweten , dat zij zooveel van den edelen heer Hugenholtz hielden. Ik hield mij evenwel vastelijk overtuigd dat, als de edele heer Hugenholtz op zijne stervenssponde zou worden ter neder geworpen en hij hoe langer hoe zwakker zou worden, zoodat zijne eigen kracht hem zou worden ontnomen en dan aan den laatsten vijand zou worden overgegeven, en hij dan niet gereinigd was in het bloed van Jezus Christus, denZone Gods, Wiens bloed reinigt van alle zonden, en hij dan niet den Borg, Middelaar en Verlosser Jezus had, — dat hij dan met satan naar de hel ging.

Ik raadde hun verder aan om toch tot Jezus te gaan eer het te laat was en hoopte hen in den gebede te gedenken.

Juist eenige dagen daarna zou de edele heer Hugenholtz eene rede houden in het gebouw der Loge. Ik dacht toen; Nu ga ik dien edelen man toch nog eens hooren; ik moet eens weten hoe edel hij spreekt. En ik ging er dien avond dan ook naar toe, daar ik niet bang behoefde te zijn dat de duivel mij weer te pakken zou krijgen gelijk in Amsterdam.

Ik liep de gang door en zag toen eenige heeren, waarvan een bij een tafeltje zat. Dezen vroeg ik, of men hier van een Christus hoorde, Wiens bloed reinigt van alle zonden. Ik begon hem toen het een en ander te vertellen van mijne bekeering, en dat ik ook door dat bloed gereinigd was, en vroeg of dat hier ook werd verkondigd.

De man scheen wat verbouwereerd te zijn geworden van hetgeen ik hem vertelde, en zeide: „Ja, ja, dat hoort u ook hier.quot; „Waar moet ik dan zijn?quot; vroeg ik, waarop hij met de wedervraag antwoordde:

„Is u lid?quot;

— Neen, zeide ik.

„Dan kost het een kwartjequot;, zeide hij.

— Is het hier dan eene comedie, dat men entree moet betalen? vroeg ik.

Maar hij antwoordde verder niet.

ocr page 243

227

Ik betaalde mijn kwartje en ging in de zaal, en nam den boel eens goed op. De meeste dames zag ik blootshoofds zitten en zelfs verscheidene zonder mantel. Ik liep wat naar voren en dacht; dan kan ik goed hooren.

Zoodra ik zat, begon ik maar weer wat van Veldwijk te vertellen en wat de Heere Jezus aan mij had gedaan. Er waren verscheidene naast en voor mij , die er naar luisterden, maar onder de hand kwam de edele heer Hugenholtz op het plate forme en brak ik dus mijn gesprek af.

Direct toen ik den edelen heer Hugenholtz zag, dacht ik; o, wat is die man oud geworden bij voor ruim zes jaren geleden. Als dat zoo voortgaat, zal hij wel spoedig zijne krachten kwijt raken.

Er werd niet eens gebeden, zoodat ik tegen eene dame zeide: „Wordt hier niet gebeden?quot;

— Neen, zeide zij.

Toen begon de heer Hugenholtz te spreken over spoorwegen en fietsen en dat de menschen zich zoo zenuwachtig maakten en zoo neerslachtig. Daarop zeide ik half binnensmonds , maar toch zoo dat degenen die naast en voor mij zaten het konden hooren; „Dat is de duivel met zijne booze geesten die jelui beangstigen en benauwen, maar geen spoortrein of fietsen. Dat komt dat jelui geen Christus hebt, die jelui kracht geeft.quot;

De menschen keken om, en de edele Hugenholtz sprak maar door van proza en poëzie en muziek, (Van dans heb ik niet gehoord, wel van zang.) en van dien wijsgeer en van dien. De namen er van heb ik vergeten, die waren zoo lang. En terwijl Hugenholtz sprak, kon ik mijn mond niet houden en sprak maar over mijne bekeering, en zeide dat alles heel anders was dan hij het vertelde. Dat zou hij eens ondervinden als hij op zijn doodbed lag en sterven ging.

De menschen zeiden tegen mij; „Ja, maar u begrijpt hem niet, de man is zoo buitengewoon geleerd, en daarom kan u hem niet verstaan.quot;

— „God beware mij er voor quot;, antwoordde ik, „dat ik dien man ooit behoef te begrijpen of te verstaan; want dat is een instrument van satan; daar gaat ge mee naar de hel.quot;

Daarop zeiden zij niets, daar er op dat oogenblik zoo verschrikkelijk werd geapplaudisseerd; zoodat ik zeide; „Het lijkt hier wel eene comedie. Zij schijnen wel gek.quot; De menschen die naast mij zaten moesten er zelf om lachen.

Daarna ging de edele Hugenholtz maar weer voort met

ocr page 244

228

spreken over de Roomschen en liet er zoo iets van doorschemeren alsof al de Roomschen nog eens aan zijne brave gemeente zonder Jezus Christus, den in menschelijk vleesch gekomen Zoon Gods, zouden komen.

Toen de vergadering uiteenging en ik dezen en genen hoorde zeggen, dat het zoo prachtig mooi was geweest en zoo waar, zeide ik tegen eenige heeren, dat er niets anders waar was dan Gods waarachtig Woord, want dat ik dat zelf had ondervonden toen ik als eene bezetene op Veldwijk zat, en in de macht des duivels was. Zij die dat hoorden schenen beangst te zijn, want zij gaven mij geen enkel woord terug. Van den duivel moesten zij niets hebben; daarmee werd de duivel binnen in hen verontrust, en daarom zwegen zij liever.

Nu, in den oordeelsdag en wanneer de laatste vijand, de dood, komt, zullen zij wel met den duivel kennis maken. Laat hen nu maar „ruhigquot; (rustig) blijven.

In de gang zag ik den heer staan die mijn kwartje had aangenomen. Ik zeide tegen hem; ,,U heeft mij belogen, want ik heb over geen Christus, het gekruiste Lam Gods, Wiens bloed reinigt van alle zonden, hooren spreken.quot;

Zij keken mij aan, daar er nog meer bij stonden, en terwijl ik wegging, zeide ik: „Die daar heeft gesproken is een instrument van den duivel.quot;

Zij zeiden niets en ik ging heen, verheerlijkt in mijne onsterfelijke ziel, dat ik zoo voor mijn Koning Jezus, den Zone Gods, had gestreden tot eer en roem van Zijnen grooten Naam.

HOOFDSTUK XIII.

Het preeken der Haagsche predikanten. De Heere openbaart mij dit boek te schrijven.

Zoodra ik mij in den Haag had gevestigd en weer geregeld ter kerk kon gaan, was ik dan eens naar dezen predikant

ocr page 245

229

gegaan om te hooren en dan eens naar dien. Want ik wilde gaan naar dien die het meest een levendmakend geloof verkondigde in onzen Verlosser Jezus Christus, om in Hem als wedergeboren kinderen te leven tot eere Gods, niet in naam, maar met de daad. Er bleven, helaas, maar weinigen over, daar ik zag dat het toch geheel anders was dan ik het door genade had ontvangen. De ware leer van Christus, die in mijne ziel was gegraveerd en waarin ik van harte geloof, vermits het alles in Gods Woord staat, en die de almachtige God dagelijks bevestigt, is immers niet wat er door het ongeloof van wordt gemaakt, maar komt evenmin met mooie woorden om zich bemind of bevriend te maken, noch ook om gemak en voordeel te zoeken.

Een paar predikanten, onder wie ik dan nog kon opgaan , spreken mij nog lang niet genoeg van Christus den Overwinnaar, met Wien wij den duivel met zijne booze geesten moeten overwinnen door ons geloof in Hem, terwijl wijniet mogen rusten alvorens satan geweken is, het zij bij wien het zij. Wij moeten als wedergeboren kinderen arbeiden in Christus Jezus om satan uit te werpen en dat met het zwaard van Gods Woord, een iegelijk de oordeelen Gods aanzeggende zooals zij in dat Woord geschreven staan, opdat zij die in de zonde leven of naar de wereld of onbekeerd zijn, ja zelfs zij die maar onder de bedekking van Gods Woord ongerechtigheid plegen en in de zonde voortleven, door deze oordeelen worden wakker geschud, en menige zondaar zich nog bekeere tot God, om in Jezus behouden te worden, en van het geweld van den vorst der duisternis verlost, om te leven in Gods goddelijk licht door Zijnen Geest geleid. Dan toch is er geene verdoemenis meer voor hen, omdat zij een nieuw schepsel zullen geworden zijn in Christus Jezus, hun Verlosser en Zaligmaker, zoodat zij geene hel en geen dood meer behoeven te vreezen, maar ook mogen uitroepen; ,, Dood, waar is uw prikkel! Hel, waar uwe overwinning! Het leven is mij Christus, met Wien ik duivel, dood en hel heb overwonnen, en nadat ik met Christus wettelijk zal gestreden hebben, is het sterven mij gewin.quot;

Maar, ach, daarvan hoort men niet veel. Neen, de oordeelen Gods, door den mond des Heeren gesproken en de duivel, de grootste vijand, tegen wien wij moeten strijden opdat hij ons niet vermeestere met zonde, ongeloof en ongerechtigheid, enz. om ons op het laatst mee naar de hel te voeren, neen, die komen later, maar dan zal men het eens voelen.

ocr page 246

230

Dikwijls zeide ik tegen dezen en genen als ik uit de kerk kwam, dat men niet veel hoorde van strijd en overwinning en van den duivel te weerstaan en van de hemelsche zaligheid die men deelachtig en een voorsmaak van den hemel is, zoodat men de hel niet meer behoefde te vreezen.

Dan kreeg ik wel eens ten antwoord: „ Daar heeft u gelijk in, want nu beeldt een ieder zich maar een hemel in, al heeft hij nog nimmer gestreden en doet met alles mee wat hij maar goedvindt.quot; Nu, zij zullen het wel eenmaal ondervinden.

Toen ik eenigen tijd in den Haag had gewoond en overal nog al mocht getuigen van de groote dingen die God aan mij had gedaan, kreeg ik telkens in mijn gebed: „Ge moet van uwe bekeering een boek schrijven; maar eerst moet ge eenige brieven schrijven aan Prof. Lindeboom, en daarbij zal de almachtige God u helpen, en dan zal Ik u den Geest Mijns Zoons zenden, die uw verstand zal verlichten, zoodat ge het boek van uwe kindsheid af moet beginnen.

Vermits ik reeds vele openbaringen van mijn God had ontvangen, geloofde ik dat en durfde het niet laten. Daarom begon ik direct aan de brieven voor Prof. Lindeboom. Ik werd evenwel zoo «schrikkelijk bestreden, dat ik dikwijls de pen neerlegde, en zeide; „Ik doe het niet. Zoo kan ik het niet doen. Goede God, laat het mij niet doen. Neem het van mij af.quot;

Maar dan kreeg ik in mijne ziel , door al de aanvechtingen des satans heen, ten antwoord; „ God wil het, en de heilige Jehova zal zijne kracht in uwe zwakheid volbrengen.quot; Dan gevoelde ik zulk eene kracht in mij opkomen, dat ik van zelf weer aan het schrijven ging, totdat ik veertien brieven voor Prof. Lindeboom had geschreven, ofschoon met grooten strijd en vele bezoekingen des satans, die mij dan met dit sarde (wat hij tegen mij zeide, zal ik maar niet eens ter neer schrijven) en dan mij met dat bezocht, en dan zeide ; „Ziet ge wel, dat ge er nog niet zijt; ik ben er ook nog, en Iaat je niet los.quot; Maar trots al die bestrijdingen en bezoekingen des satans kreeg ik hoe langer hoe meer kracht van mijn God, die Zijne kracht in mijne zwakheid volbracht en mij bemoedigde met de woorden: „ Strijdt den goeden strijd des geloofs en Ik zal u geven de kroon des levensquot;, en „Zoo waarachtig de Heere der heirscharen leeft, de God Israels, en ge onder de banier van Jezus Christus moogt strijden , zoo waarachtig zult ge ook met Hem overwinnen

ocr page 247

231

om het boek te schrijven, hetgeen door Gods Geest zal voleind worden, omdat de Heere met Zijn goddelijk licht je zal bestralen. Ge zult alles weten, van uwe kindsheid af, want Mijn oog zal op U zijnquot;.

Toen ik de brieven af had, moesten zij nog gekopieerd worden, daar God mij zeide dat die ook in het boek moesten opgenomen worden. Daarom, dacht ik, kon dat overschrijven best 's avonds geschieden, terwijl ik over dag aan het boek kon werken.

Op het oogenblik dat ik aan het boek zou beginnen te schrijven, bladerde ik het eerste schrift wel 25 maal door, en dacht: Hoe moet dat vol komen. Ik begon zelfs te huilen en riep: „Och, Heere, help mij; want zonder U kan ik niets doen.quot; Ik kreeg daarop ten antwoord: „Begin maar, Christus, de Zoon des levenden Gods, zal over u lichten en uwe zielsoogen openen en uw hart ontsluiten, zóó dat ge alles voor u ziet en ge u herinnert wat er in uw leven is gebeurd.quot;

En toen begon ik inderdaad aan het boek te werken, ofschoon het weer met veel strijd gepaard ging, ja zelfs zóó, dat ik het tusschenbeide wel 14 dagen moest laten rusten vanwege de aanvechtingen, bestrijdingen, listen, lagen, netten , tegenspoeden en bezoekingen naar lichaam en ziel. Ja, het is niet om te zeggen, met hoe vele vuisten satan mij heeft geslagen en met welke doornen hij mij heeft gestoken. Edoch, telkens moest de booze wijken en kreeg ik weer vernieuwde kracht en de bemoediging dat Christus zou overwinnen.

Dan schreef ik opnieuw voort, door de liefde voor mijnen Heiland er toe gedrongen en door de kracht Zijns Geestes er toe bekwaamd, om voort te gaan aan hetgeen ik was begonnen.

Telkens als ik er aan begon, hetzij na het ontbijt, koffie drinken of na den eten, boog ik eerst mijne knieën om in den Naam van Jezus te bidden dat de Heilige Geest mij zou bijstaan met Zijne heilige voorlichting en mij zou geven verlichte oogen des verstands, opdat alles naar waarheid zou worden te boek gesteld en het alles mocht geschieden ter eere van Gods heiligen Naam en mij en velen met mij tot zaligheid.

Meestal kreeg ik dan tot antwoord: „Zoo waarachtig ge onder de banier van Christus, den Zone Gods, den Koning der koningen, den goeden strijd des geloofs moogt strijden, zoo waarachtig zult ge met Hem heerschen als een koning en priester tot in alle eeuwigheid.quot;

En dan zette ik mij neer om te schrijven, hoewel ik mijne

ocr page 248

224

„ Want nu ik ben wedergeboren door de genade en kracht van Jezus Christus, Gods Zoon, nu mijne blinde zielsoogen door genade zijn geopend en de almachtige God mij het deksel van het hart heeft weggenomen, zoodat de Geest des Heeren in mij is, die mij alles openbaart, nu geloof ik aan niets anders dan aan een waren wezenlijken Christus met Zijn volle Evangelie.

„Door de genade Gods heb ik het zelf mogen ervaren en daarom geloof ik aan niets anders meer dan aan de volheid Gods in het heilig en waarachtig Evangelie in Christus Jezus, mijnen Heere; van Hem kan niets en niemand mij meer scheiden, noch de duivel met zijn geheele rijk, nochquot;, zeide ik, „degenen die Gods Woord tegenwoordig zoo verdraaien en meer aan den schoonen Catechismus en de mooie Geloofsartikelen door menschen gemaakt, gelooven, dan aan Jezus Christus met Zijn waarachtig Woord.

„De Heere heeft ook zelf gezegd; „Die in mijne woorden zullen gelooven en dezelve doen, die zullen mijne discipelen zijn.quot;

„ En ofschoon wij dit weten, gaan de valsche leeraars nog den menschen de hel voor den hemel voorpreeken en zeggen maar, dat zij wedergeboren zijn, omdat zij gedoopt zijn en aan den Catechismus gelooven, onder de bedekking van Gods Woord, waaruit zij nemen wat zij willen en bedektelijke ketterijen invoeren en zich inbeelden wat zij niet zijn, met den hemel er bij. En zoo slapen zij in, en is het: „Vrede, vrede, geen gevaarquot;.quot;

Toen ik uitgesproken had, moesten zij niets meer van mij hebben, daar ik ook nog al met het vuur des Geestes sprak, en hun den mond had gestopt met hun Catechismus en Geloofsartikelen, zoodat zij blij waren dat ik heenging. Zij evenwel bleven in hun geloof, dat duivelsch is, zitten. Ik bad den almachtigen God daarom, toen ik naar huis ging en nog dikwijls daarna, hen van dat duivelsche geloof te verlossen en hen van dood levend te maken, om levende steenen te worden van het gebouw waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is, Hem tot eer en hunne zielen tot zaligheid.

ocr page 249

225

HOOFDSTUK XII.

Nog eenmaal naar Ds. Hugenholtz; eene rede van hem in de Loge en wat ik er van zeide.

Zoo kwam ik ook eens bij eene familie die ik kende en waar ik ook over mijn liefdevollen Verlosser sprak. Daarna kwam het gesprek op de gemeente van Ds. Hugenholtz. Zonder te weten dat zij dikwijls naar zijne kerk gingen, zeide ik: „ Dal; is de kerk van den anti-christ. Zij gelooven aan geen Bijbel; alleen wat zij er goed van vinden houden zij vast en het andere gooien zij er uit. Men behoeft de kinderen ook niet meer te laten doopen; dat verbondsteeken kan bij hen wel weg. En het Heilig Avondmaal behoeft ook niet meer. Het bloed van Christus, tot vergeving der zonden , is eene zwakheid der zwakken en hebben zij niet noodig. Zij zijn immers niet zwak, maar sterk van braafheid, om het zich zoo pleizierig mogelijk te maken en al de wijsgeeren na te volgen, die nog dommer zijn dan eene koe, daar zij alles met hun eigen verstand beredeneeren en wijzer willen zijn dan Gods Woord. De Heere Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods, is niet meer dan een profeet, dien zij met hunne eigen braafheid willen navolgen, en te gelijk den duivel en de wereld dienen, hunne verdoemenis te gemoet, daar zij dood blijven in zonden en misdaden, vermits zij den levenden Christus Gods niet kennen en nimmer zullen kunnen belijden dat Christus in hen is opgewekt en in hen leeft, zoodat zij der zonde gestorven zijn en dienstknechten zijn geworden van Jezus Christus hun Verlosser en Leidsman.

„Neenquot;, zeide ik met vuur, „het zijn godloochenaars, die den Christus, den Zone Gods, verloochenen; het zijn anti-christen, die niet belijden dat Jezus in het vleesch is gekomen.

„Oquot;, riep ik uit, „als die ongelukkigen zich niet tot den levenden Christus bekeeren en in Zijn waarachtig en heilig Woord gelooven, waarvan geen enkel woord af en waar geen enkel woord bij mag, en Gods geboden niet onderhouden, dan zijn zij voor eeuwig verloren, met hun profeet, zonder

15

ocr page 250

226

Christus, den Zone Gods, daar wij door den Zoon tot den Vader zullen gaan en niemand anders God zal zien.

Hierop kreeg ik geen enkel antwoord, maar den volgenden dag kreeg mijne dochter een brief van die familie over den edelen heer Hugenholtz; dat zij met hem waren ingenomen en dat zij niet minder geloof hadden dan wij; dat een ieder maar moest gelooven wat hij wilde en dat zij het hielden met den edelen heer Hugenholtz.

Op dien brief heb ik geantwoord, dat ik niet had geweten, dat zij zooveel van den edelen heer Hugenholtz hielden. Ik hield mij evenwel vastelijk overtuigd dat, als de edele heer Hugenholtz op zijne stervenssponde zou worden ter neder geworpen en hij hoe langer hoe zwakker zou worden, zoodat zijne eigen kracht hem zou worden ontnomen en dan aan den laatsten vijand zou worden overgegeven, en hij dan niet gereinigd was in het bloed van Jezus Christus, denZone Gods, Wiens bloed reinigt van alle zonden, en hij dan niet den Borg, Middelaar en Verlosser Jezus had, — dat hij dan met satan naar de hel ging.

Ik raadde hun verder aan om toch tot Jezus te gaan eer het te laat was en hoopte hen in den gebede te gedenken.

Juist eenige dagen daarna zou de edele heer Hugenholtz eene rede houden in het gebouw der Loge. Ik dacht toen: Nu ga ik dien edelen man toch nog eens hooren; ik moet eens weten hoe edel hij spreekt. En ik ging er dien avond dan ook naar toe, daar ik niet bang behoefde te zijn dat de duivel mij weer te pakken zou krijgen gelijk in Amsterdam.

Ik liep de gang door en zag toen eenige heeren, waarvan een bij een tafeltje zat. Dezen vroeg ik, of men hier van een Christus hoorde. Wiens bloed reinigt van alle zonden. Ik begon hem toen het een en ander te vertellen van mijne bekeering, en dat ik ook door dat bloed gereinigd was, en vroeg of dat hier ook werd verkondigd.

De man scheen wat verbouwereerd te zijn geworden van hetgeen ik hem vertelde, en zeide: „Ja, ja, dat hoort u ook hier.quot; „Waar moet ik dan zijn?quot; vroeg ik, waarop hij met de wedervraag antwoordde:

„Is u lid?quot;

— Neen, zeide ik.

„Dan kost het een kwartjequot;, zeide hij.

— Is het hier dan eene comedie, dat men entree moet betalen? vroeg ik.

Maar hij antwoordde verder niet.

ocr page 251

227

Ik betaalde mijn kwartje en ging in de zaal, en nam den boel eens goed op. De meeste dames zag ik blootshoofds zitten en zelfs verscheidene zonder mantel. Ik liep wat naar voren en dacht; dan kan ik goed hooren.

Zoodra ik zat, begon ik maar weer wat van Veldwijk te vertellen en wat de Heere Jezus aan mij had gedaan. Er waren verscheidene naast en voor mij, die er naar luisterden, maar onder de hand kwam de edele heer Hugenholtz op het plate forme en brak ik dus mijn gesprek af.

Direct toen ik den edelen heer Hugenholtz zag, dacht ik: o, wat is die man oud geworden bij voor ruim zes jaren geleden. Als dat zoo voortgaat, zal hij wel spoedig zijne krachten kwijt raken.

Er werd niet eens gebeden, zoodat ik tegen eene dame zeide: „Wordt hier niet gebeden?quot;

— Neen, zeide zij.

Toen begon de heer Hugenholtz te spreken over spoorwegen en fietsen en dat de menschen zich zoo zenuwachtig maakten en zoo neerslachtig. Daarop zeide ik half binnensmonds, maar toch zoo dat degenen die naast en voor mij zaten het konden hooren: „Dat is de duivel met zijne booze geesten die jelui beangstigen en benauwen, maar geen spoortrein of fietsen. Dat komt dat jelui geen Christus hebt, die jelui kracht geeft.quot;

De menschen keken om, en de edele Hugenholtz sprak maar door van proza en poëzie en muziek, (Van dans heb ik niet gehoord, wel van zang.) en van dien wijsgeer en van dien. De namen er van heb ik vergeten, die waren zoo lang. En terwijl Hugenholtz sprak, kon ik mijn mond niet houden en sprak maar over mijne bekeering, en zeide dat alles heel anders was dan hij het vertelde. Dat zou hij eens ondervinden als hij op zijn doodbed lag en sterven ging.

De menschen zeiden tegen mij: „Ja, maar u begrijpt hem niet, de man is zoo buitengewoon geleerd, en daarom kan u hem niet verstaan.quot;

— „God beware mij er voorquot;, antwoordde ik, „dat ik dien man ooit behoef te begrijpen of te verstaan; want dat is een instrument van satan; daar gaat ge mee naar de hel.quot;

Daarop zeiden zij niets, daar er op dat oogenblik zoo verschrikkelijk werd geapplaudisseerd; zoodat ik zeide: „Het lijkt hier wel eene comedie. Zij schijnen wel gek.quot; De menschen die naast mij zaten moesten er zelf om lachen.

Daarna ging de edele Hugenholtz maar weer voort met

ocr page 252

228

spreken over de Roomschen en liet er zoo iets van doorschemeren alsof al de Roomschen nog eens aan zijne brave gemeente zonder Jezus Christus, den in menschelijk vleesch gekomen Zoon Gods, zouden komen.

Toen de vergadering uiteenging en ik dezen en genen hoorde zeggen, dat het zoo prachtig mooi was geweest en zoo waar, zeide ik tegen eenige heeren, dat er niets anders waar was dan Gods waarachtig Woord, want dat ik dat zelf had ondervonden toen ik als eene bezetene op Veldwijk zat, en in de macht des duivels was. Zij die dat hoorden schenen beangst te zijn, want zij gaven mij geen enkel woord terug. Van den duivel moesten zij niets hebben; daarmee werd de duivel binnen in hen verontrust, en daarom zwegen zij liever.

Nu, in den oordeelsdag en wanneer de laatste vijand, de dood, komt, zullen zij wel met den duivel kennis maken. Laat hen nu maar ,, ruhigquot; (rustig) blijven.

In de gang zag ik den heer staan die mijn kwartje had aangenomen. Ik zeide tegen hem; ,, U heeft mij belogen, want ik heb over geen Christus, het gekruiste Lam Gods, Wiens bloed reinigt van alle zonden, hooren spreken.quot;

Zij keken mij aan, daar er nog meer bij stonden, en terwijl ik wegging, zeide ik: „Die daar heeft gesproken is een instrument van den duivel.quot;

Zij zeiden niets en ik ging heen, verheerlijkt in mijne onsterfelijke ziel, dat ik zoo voor mijn Koning Jezus, den Zone Gods, had gestreden tot eer en roem van Zijnen grooten Naam.

HOOFDSTUK XIII.

Het preeken der Haagsche predikanten. De Heere openbaart mij dit boek te schrijven.

Zoodra ik mij in den Haag had gevestigd en weer geregeld ter kerk kon gaan, was ik dan eens naar dezen predikant

ocr page 253

229

gegaan om te hooren en dan eens naar dien. Want ik wilde gaan naar dien die het meest een levendmakend geloof verkondigde in onzen Verlosser Jezus Christus, om in Hem als wedergeboren kinderen te leven tot eere Gods, niet in naam, maar met de daad. Er bleven, helaas, maar weinigen over, daar ik zag dat het toch geheel anders was dan ik het door genade had ontvangen. De ware leer van Christus, die in mijne ziel was gegraveerd en waarin ik van harte geloof, vermits het alles in Gods Woord staat, en die de almachtige God dagelijks bevestigt, is immers niet wat er door het ongeloof van wordt gemaakt, maar komt evenmin met mooie woorden om zich bemind of bevriend te maken, noch ook om gemak en voordeel te zoeken.

Een paar predikanten, onder wie ik dan nog kon opgaan , spreken mij nog lang niet genoeg van Christus den Overwinnaar, met Wien wij den duivel met zijne booze geesten moeten overwinnen door ons geloof in Hem, terwijl wij niet mogen rusten alvorens satan geweken is, het zij bij wien het zij. Wij moeten als wedergeboren kinderen arbeiden in Christus Jezus om satan uit te werpen en dat met het zwaard van Gods Woord, een iegelijk de oordeelen Gods aanzeggende zooals zij in dat Woord geschreven staan, opdat zij die in de zonde leven of naar de wereld of onbekeerd zijn, ja zelfs zij die maar onder de bedekking van Gods Woord ongerechtigheid plegen en in de zonde voortleven, door deze oordeelen worden wakker geschud, en menige zondaar zich nog bekeere tot God, om in Jezus behouden te worden, en van het geweld van den vorst der duisternis verlost, om te leven in Gods goddelijk licht door Zijnen Geest geleid. Dan toch is er geene verdoemenis meer voor hen, omdat zij een nieuw schepsel zullen geworden zijn in Christus Jezus, hun Verlosser en Zaligmaker, zoodat zij geene hel en geen dood meer behoeven te vreezen, maar ook mogen uitroepen: „ Dood, waar is uw prikkel! Hel, waar i^ uwe overwinning! Het leven is mij Christus, met Wien ik duivel, dood en hel heb overwonnen, en nadat ik met Christus wettelijk zal gestreden hebben, is het sterven mij gewin.quot;

Maar, ach, daarvan hoort men niet veel. Neen, de oordeelen Gods, door den mond des Heeren gesproken en de duivel, de grootste vijand, tegen wien wij moeten strijden opdat hij ons niet vermeestere met zonde, ongeloof en ongerechtigheid , enz. om ons op het laatst mee naar de hel te voeren, neen, die komen later, maar dan zal men het eens voelen.

ocr page 254

230

«

Dikwijls zeide ik tegen dezen en genen als ik uit de kerk kwam , dat men niet veel hoorde van strijd en overwinning en van den duivel te weerstaan en van de hemelsche zaligheid die men deelachtig en een voorsmaak van den hemel is, zoodat men de hel niet meer behoefde te vreezen.

Dan kreeg ik wel eens ten antwoord; „ Daar heeft u gelijk in, want nu beeldt een ieder zich maar een hemel in, al heeft hij nog nimmer gestreden en doet met alles mee wat hij maar goedvindt.quot; Nu, zij zullen het wel eenmaal ondervinden.

Toen ik eenigen tijd in den Haag had gewoond en overal nog al mocht getuigen van de groote dingen die God aan mij had gedaan, kreeg ik telkens in mijn gebed: „Ge moet van uwe bekeering een boek schrijven; maar eerst moet ge eenige brieven schrijven aan Prof. Lindeboom, en daarbij zal de almachtige God u helpen, en dan zal Ik u den Geest Mijns Zoons zenden, die uw verstand zal verlichten, zoodat ge het boek van uwe kindsheid af moet beginnen.

Vermits ik reeds vele openbaringen van mijn God had ontvangen, geloofde ik dat en durfde het niet laten. Daarom begon ik direct aan de brieven voor Prof. Lindeboom. Ik werd evenwel zoo «schrikkelijk bestreden, dat ik dikwijls de pen neerlegde, en zeide; „Ik doe het niet. Zoo kan ik het niet doen. Goede God, laat het mij niet doen. Neem het van mij af.quot;

Maar dan kreeg ik in mijne ziel, door al de aanvechtingen des satans heen, ten antwoord: „ God wil het, en de heilige Jehova zal zijne kracht in uwe zwakheid volbrengen.quot; Dan gevoelde ik zulk eene kracht in mij opkomen, dat ik van zelf weer aan het schrijven ging, totdat ik veertien brieven voor Prof. Lindeboom had geschreven , ofschoon met grooten strijd en vele bezoekingen des satans, die mij dan met dit sarde (wat hij tegen mij zeide, zal ik maar niet eens ter neer schrijven) en dan mij met dat bezocht, en dan zeide ; „ Ziet ge wel, dat ge er nog niet zijt; ik ben er ook nog, en laat je niet los.quot; Maar trots al die bestrijdingen en bezoekingen des satans kreeg ik hoe langer hoe meer kracht van mijn God, die Zijne kracht in mijne zwakheid volbracht en mij bemoedigde met de woorden: „ Strijdt den goeden strijd des geloofs en Ik zal u geven de kroon des levensquot;, en „Zoo waarachtig de Heere der heirscharen leeft, de God Israels, en ge onder de banier van Jezus Christus moogt strijden, zoo waarachtig zult ge ook met Hem overwinnen

ocr page 255

231

om het boek te schrijven, hetgeen door Gods Geest zal voleind worden, omdat de Heere met Zijn goddelijk licht je zal bestralen. Ge zult alles weten, van uwe kindsheid af, want Mijn oog zal op U zijnquot;.

Toen ik de brieven af had, moesten zij nog gekopieerd worden, daar God mij zeide dat die ook in het boek moesten opgenomen worden. Daarom, dacht ik, kon dat overschrijven best 's avonds geschieden, terwijl ik over dag aan het boek kon werken.

Op het oogenblik dat ik aan het boek zou beginnen te schrijven, bladerde ik het eerste schrift wel 25 maal door, en dacht: Hoe moet dat vol komen. Ik begon zelfs te huilen en riep; „Och, Heere, help mij; want zonder U kan ik niets doen.quot; Ik kreeg daarop ten antwoord: „Begin maar, Christus, de Zoon des levenden Gods, zal over u lichten en uwe zielsoogen openen en uw hart ontsluiten , zóó dat ge alles voor u ziet en ge u herinnert wat er in uw leven is gebeurd.quot;

En toen begon ik inderdaad aan het boek te werken, ofschoon het weer met veel strijd gepaard ging, ja zelfs zóó, dat ik het tusschenbeide wel 14 dagen moest laten rusten vanwege de aanvechtingen, bestrijdingen, listen, lagen, netten, tegenspoeden en bezoekingen naar lichaam en ziel. Ja, het is niet om te zeggen, met hoe vele vuisten satan mij heeft geslagen en met welke doornen hij mij heeft gestoken. Edoch, telkens moest de booze wijken en kreeg ik weer vernieuwde kracht en de bemoediging dat Christus zou overwinnen.

Dan schreef ik opnieuw voort, door de liefde voor mijnen Heiland er toe gedrongen en door de kracht Zijns Geestes er toe bekwaamd, om voort te gaan aan hetgeen ik was begonnen.

Telkens als ik er aan begon, hetzij na het ontbijt, koffie drinken of na den eten, boog ik eerst mijne knieën om in den Naam van Jezus te bidden dat de Heilige Geest mij zou bijstaan met Zijne heilige voorlichting en mij zou geven verlichte oogen des verstands, opdat alles naar waarheid zou worden te boek gesteld en het alles mocht geschieden ter eere van Gods heiligen Naam en mij en velen met mij tot zaligheid.

Meestal kreeg ik dan tot antwoord: „ Zoo waarachtig ge onder de banier van Christus, den Zone Gods, den Koning der koningen, den goeden strijd des geloofs moogt strijden, zoo waarachtig zult ge met Hem heerschen als een koning en priester tot in alle eeuwigheid.quot;

En dan zette ik mij neer om te schrijven, hoewel ik mijne

ocr page 256

232

bezigheden van het huishouden en het schoon houden van mijne eigene kamer er ook bij deed. Als ik dan soms lag te schuieren, kreeg ik de meeste openbaringen van mijn God, die ik dan later neerschreef. Ook bestierde ik mijne eigene zaken, die nog al moeilijkheden opleverden, maar die ik door Gods genade te boven kwam.

Onder de hand mocht ik ook vele armen bezoeken en doen wat mijne hand vond om te doen en met hen spreken over het Koninkrijk Gods, den Heere tot eer en velen tot zaligheid.

Zelfs mocht ik de goddeloozen bij den weg hun eeuwig verderf en wee aanzeggen, opdat zij zich tot God zouden bekeeren, daar ik weet dat Gods Woord niet ledig tot Hem wederkeert.

En daarom ook zeide ik eens op een Zondag, toen ik voorbij de Loge kwam waar Ds. Hugenholtz had gesproken, tegen drie heeren die daar op de stoep stonden, terwijl ik den vinger in de hoogte stak; „Heeren, denk aan uw oordeelsdag!quot;

— „Wat is dat nu ?quot; zeide een van de heeren, maar ik liep door naar de Nieuwe Kerk, omdat het al laat was.

Zoo ging de tijd met mijnen God voorbij. Over dag schreef ik aan het boek en 's avonds kopieerde ik de brieven aan Prof. Lindeboom.

HOOFDSTUK XIV.

Mijne middelste dochter gaat naar de Geloofs. vereeniging der Volheid van Christus en getuigde van den Heiland toen zij terugkwam.

Terwijl ik zoo dag aan dag aan het schrijven was, gebeurde er iets, waarvoor ik den goeden God nimmer dankbaar genoeg kan zijn. Op zekeren avond dat ik met mijne kinderen in de kamer zat, leest mijne tweede dochter Frida Het Nieuws van den Dag. Opeens roept zij; ,, Hé, Ma, mag ik daar naar toe?quot;

ocr page 257

233

— „Kind, ge doet mij schrikkenquot;, zeide ik, „watisdat?quot;

Zij toonde mij toen eene advertentie in Het Nieuws van den Dag, waarin ik het volgende las:

„Genezing van ziel en licliaam.

EVANGELIEVERKONDIGING DER GELOOFSVEREENIGING

der Volheid van Christus

in.......te Amsterdam, op Zondag.......om tien uur.quot;

Zoodra ik dat had gelezen, antwoordde ik: „ Zeker, moogt ge daar naar toe. Dat is waarheid. Christus heeft mij ook genezen. Hij zelf heeft het mij geopenbaard, dat Hij mij niet alleen naar de ziel had genezen, maar ook naar het lichaam, daar Hij niet alleen is een Vergever der zonden, maar ook een Genezer der wonden. Christus toch heeft onze smarten gedragen en heeft met Zijne doorboorde handen onze zonden aan het kruis genageld. En als wij nu weten dat wij in Zijne handpalmen zijn gegraveerd en door Zijn dierbaar bloed gereinigd zijn, om in Zijn goddelijk licht te wandelen; als wij niet meer de zonde dienen, maar dienstknechten zijn geworden der gerechtigheid door Hem; en als wij geloovig vertrouwen op Christus, die ons leiden wil naar Zijn wil en welbehagen, — dan kunnen wij ook gelooven dat Christus ons van onze bezoekingen van ziekten en smarten , ja wat het ook zij waarmede wij door satan bezocht worden, verlost en ze liefderijk geneest. Als wij maar in waarheid in Hem mogen gelooven, dan doet de Heiland het zoo waarachtig als Hij leeft tot in der eeuwigheid.quot;

Nu, ik stond op dat oogenblik verbaasd van het geloof van mijne dochter. Zij wilde er liever dadelijk heen dan morgen, en dat juist zij, die zulk eene groote vijandin was. Want als ik sprak van mijnen God en mijnen Christus, dan was zij het altijd die zeide; „Moet u daar nu altijd over spreken?quot; en dan de kamer uit ging. Immers, ik sprak nog al eens naar het Woord des Heeren over de oordeelen Gods, omdat zij mij veel te werelds gekleed was en ik haar dat dan zeide. Ofschoon zij er niet gaarne naar luisterde, beefde zij er toch dikwijls voor.

Zoo was het toen ook juist 14 dagen geleden, dat zij op een Zondag geen lust had om naar de kerk te gaan. Ik zeide

ocr page 258

234

toen tegen haar, dat zij naar de kerk moest of zij wilde of niet. Nu, zij had mij, sedert ik van Veldwijk als een wedergeboren schepsel in Christus Jezus had mogen terugkeeren, genoeg leeren kennen, om te weten wie en hoe standvastig ik was, dat, wanneer ik iets zeide, althans als het de eere Gods betrof, het moest gebeuren. Zoodat zij ook toen naar de kerk ging.

Nu wilde het juist, dat zij eenige maanden vanwege eene verstopping in den neus, die haar erg benauwde, en veel pijn deed, tevergeefs naar den dokter liep. Dr. van L. had haar niet kunnen genezen. Toen zij nu in de courant las: „Genezing van ziel en lichaam door Christusquot;, scheen het dat zij dit in eens geloofde.

Zaterdagsavonds ging zij dan ook naar Amsterdam en den volgenden dag, Zondag, om tien uur naar de Geloofsver-eeniging der Volheid van Christus.

Toen zij des Dinsdagsavonds terugkwam, was zij erg verkouden en ging direct naar bed, omdat zij haast niet kon spreken. Maar zoodra ik den volgenden morgen bij haar bed kwam, begon zij te huilen, en riep: „O, Ma, ik heb den Heere Jezus gevonden, en nu wil ik geheel voor Hem leven en arbeiden.quot; Ik wist niet wat ik hoorde, en sprak: „Zoo kind, daar ben ik blij om. God zegene u.quot;

Zij vertelde mij toen verder, hoe heerlijk zij het daar in Amsterdam had gehad, en dat, toen Ds. Hazenberg met haar op de knieën was gegaan en gebeden had, zij een straal door hare ziel voelde gaan en hoe begeerig zij was om er 's avonds weer heen te gaan.

Dien avond echter was zij nog al wat geslingerd geworden, doordien zij had verstaan dat Ds. Hazenberg zou spreken in de Noorderkerk, in plaats van in de Noorsche kerk. Toen zij in de Noorderkerk kwam, zag zij dat zij niet terecht was en ging er toen weer uit, ofschoon zij reeds een poosje had gezeten, maar er geen Ds. Hazenberg kwam.

Zoodra zij weer op straat liep, vroeg zij dezen en genen, waar de kerk van Ds. Hazenberg was. Men verwees haar toen naar de Prins Hendrikkade, die zij na lang zoeken en hard loopen eindelijk bereikte. Zij kwam nog bijtijds, daar de Geloofsvereeniging een uur later begon dan de Noorderkerk.

Nadat Ds. Hazenberg uit Gods Woord had gesproken van de genezingen door den Heere Jezus toen Hij op aarde was aan de kranken, wees hij er op, hoe Christus gisteren en heden en tot in der eeuwigheid dezelfde is om kranken te

ocr page 259

235

genezen en zielen te redden van den dood. Na het gezang en de dankzegging was zij weer onder het gebed gegaan en gevoelde zich daarna nog krachtiger dan 's morgens. Zij -vas gered en had haren Heiland gevonden, niet meer in naam, maar inderdaad.

Toen zij mij dat alles had verteld, zeide ik tegen haar, dat zij nu sterk moest aanhouden in den gebede en veel den Bijbel lezen, dan zou de Heilige Geest haar verder leiden en haar op doen wassen in de genade en kennis van Jezus Christus, om Gods geboden te onderhouden en te strijden tegen den duivel en alles wat niet uit God is.

Ik was erg blij, omdat ik nu niet meer geheel alleen stond in mijn huis om van God te getuigen en van Zijnen geliefden Zoon. De strijd toch in en om mij heen kon tusschenbeide wel eens erg zijn, maar mijn getrouwe God stond mij immer ter zijde als een man der weduwen en een vader der weezen. De Heere had mij steeds getrouw bijgestaan bij al wat ik ondervond; als de menschen mij verlieten, God verliet mij niet.

Dat mocht ik ook weer aanschouwen in de hulpe die God mij had gegeven in mijne dochter, voor wie ik duizendmaal had gebeden en met wie ik nu nog meer kon getuigen van den liefdevollen God en onzen Verlosser en Heiland, Jezus Christus.

Mijn kind was geheel veranderd. Alles moest nu bij haar zwart zijn. De prullen die eerst haar afgod waren, moesten nu alle weg. Als zij zieken ging bezoeken, moest zij nu in het zwart gekleed gaan.

Ook had zij geene rust voor aleer de Geloofsvereeniging der Volheid van Christus ook in den Haag zou gevestigd zijn. Zij ging er daartoe op uit om eene zaal te huren; maar de duivel hield zijne netten gespannen, zoodat zij bij vele naam-Christenen tevergeefs kwam. Deze geloofden wel met den mond, maar niet met het hart, dat Christus in hen leefde, wel in de verbeelding. Dan toch zou die Christus Zijne eigene woorden en daden niet kunnen loochenen en zeggen dat het geene waarheid is, dat ,, Degenen die geloofd zullen hebben deze teekenen zullen volgen: In Mijnen Naam zullen zij duivelen uitwerpen, met nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden.quot; (Markus XVI : 17 en 18).

ocr page 260

236

Dit zijn de eigen woorden van den Heere Jezus, die Hij bevestigde door teekenen en wonderen, die daarop natuurlijk volgden. En ziet, dit gaan nu die mooie geloovigen loochenen, daar zij den waren Christus niet hebben. Anders toch zou Christus, de Zoon des levenden Gods, Zijne eigene woorden niet kunnen logenstraffen; dat is onmogelijk. Neen, zij ge-looven in den duivel, den Vader der leugenen, die hun van het waarachtige geloof afhoudt; en daarom is hun geloof zonder kracht. Want ofschoon er genoeg over een Christus wordt gesproken, is de levende God bij hen dood.

Toen mijne dochter vergeefsche moeite had gedaan bij de geloovigen, ging zij eene zaal in Diligentia huren, en daarna in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. Er was veel zegen op de prediking des Woords en velen werden er op het gebed genezen in het geloof en in den Naam van Jezus Christus, die gisteren en heden dezelfde is en in der eeuwigheid.

HOOFDSTUK XV. Genezingen op het gebed.

Als gevolg van deze samenkomsten met gebed, kwam er eens iemand bij mij aan huis, die vroeg of ik eens naar zijne zuster wilde gaan, Mej. Beck in de Herderslaan. Ik ging er heen en toen ik er kwam vond ik de juffrouw te bed. Terwijl ik bij haar zat, vertelde zij mij, dat zij jarenlang eene vrouwenkwaal had gehad, en wat de dokter gezegd had dat zij daarvoor moest doen, hetgeen zij juist niet wilde, waarom zij dan ook dikwijls in bed bleef, vermits dan de pijnen niet zoo erg waren.

Ik vroeg haar of zij in Jezus Christus geloofde, en vertelde haar dat Jezus niet alleen hare zonden aan het vloekhout had gedragen, maar dat Hij ook de striemen voor haar had ontvangen, waardoor zij genezen kon worden, zoo zij geloofde dat Christus haar Verlosser en Heelmeester wilde zijn. Zij antwoordde: „Ja, dat geloof ik volkomenquot;. Toen kreeg ik eene wonderkracht in mij, knielde voor het bed en bad

ocr page 261

237

in den Naam van den Heere Jezus Christus dat God haar zou genezen om de zoen- en kruisverdienste van onzen Borg en Middelaar, die alles voor ons heeft volbracht op Golgotha. Ik gevoelde dat er kracht van den Heere Jezus uitging. Na het gebed sprak ik nog eenige woorden met haar en ging toen heen, haar aanbevelende de gerechtigheid van Christus te zoeken, om daarin te leven, want zoo wij dat deden zouden we niet beschaamd worden.

De volgende week was de vergadering van de Vereeniging der Volheid van Christus in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. Toen ik daar kwam, wist ik niet wat ik zag. Daar zat juffrouw Beck met haar man. Van blijdschap stak ik mijne handen in de hoogte, en riep: „O, maak God met mij groot.quot;

Zij vertelde mij toen, dat zij denzelfden avond haar al reeds zóó wel gevoelde, dat zij den volgenden dag was opgestaan en de geheele week over dag niet meer in bed had gelegen en zich heel wel gevoelde, maar nog wat zwak was.

Dien avond is zij weer onder het gebed geweest en is daarna naar huis, Herderslaan, geloopen. Later was de zwakte ook geweken, zoodat zij weer alles in hare huishouding kon doen.

Ja, er zijn door Christus velen op het gebed genezen. Zoo o. a. ook een kind waarmede de vader bij mij kwam, een zwager van juffrouw Beek uit de Herderslaan. De man vertelde mij, dat zijn kind was gevallen, hoe wisten zijniet, maar het rechterbeentje was gaan opzwellen en het linkerarmpje ook, zoodat het kind dien arm niet kon bewegen en ook haast niet kon loopen.

Hij was er al eenige keeren mee naar den dokter geweest, die er heel wat kwaad aan had gedaan, daar het erger was geworden in plaats van beter. Ook had de dokter den slechten troost gegeven aan den vader, dat het ongelukkige kind het armpje wel zou moeten missen.

Toen had de vader gezegd tot den dokter; „Neen, dat niet, dan ga ik er mee naar den Heere Jezus, die kan het genezen. De dokter durfde toen daarop antwoorden, dat de doktoren juist door Jezus waren aangesteld om te genezen. Nota bene, heb ik ooit zoo iets in den Bijbel gehoord, dat Christus Jezus de armen en beenen afsneed, Hij, die de kreupelen en lammen zóó genas, dat zij op eens gezond werden. Hoe kon dan Christus de ongeloovige doktoren gebieden , dat zij maar alles wat zij niet kunnen genezen,

ocr page 262

238

moeten afsnijden of met verdoovingsmiddelen wegmaken, om later de pijn zooveel te meer te gevoelen, als eens al het verdooven en snijden niets meer geeft?

Neen, zulke heelmeesters houdt Jezus Christus er niet op na. Christus doet het zonder medicijnen, verdoovingsmiddelen en messen. Christus doet het door Zijne kracht, welke God Hem heeft gegeven om de menschen te genezen.

Vóór dat ik met den vader van het ongelukkige kind in het gebed tot Jezus zou gaan, vertelde hij mij dat hij Roomsch was. Ik vroeg hem desniettegenstaande of hij alleen geloofde in de verlossing der zonde door het dierbaar bloed van Christus en in de genezing door de kracht en de genade van den Zone Gods, hetgeen hij bevestigend beantwoordde.

Daarna sprak ik nog met hem over het een en ander, en zeide, dat hij niemand anders behoefde te hebben dan Jezus Christus alleen, en dat hij Dien moest aanroepen, en niet Maria of de heiligen, vermits er geen andere Naam was die hem kon helpen en zalig maken dan de Naam van Jezus gt; onzen Verlosser.

Vervolgens ging ik met den vader en het kind op de knieën, en bad in den Naam van den Zone Gods, die alles hoort, weet en ziet, tot Zijnen Vader in de hemelen om in genade op het kind neder te zien en het te willen genezen.

Het lieve kind lag stil met hare oogen open mij aan te kijken en hare handen samen. Toen ik haar opnam, liet ik haar den arm bewegen en eens heen en weer loopen. De man had zooveel geloof, dat hij zeide: „Nu moet zij maar naar huis loopen.quot; „Neenquot;, antwoordde ik, nog niet; wij zullen op God vertrouwen en dan zal dat later wel kunnen, maar nu nog niet. Het is veel te ver voor het kind om naar den Zuid-Buitensingel te loopen. Dat mag niet. U moet haar tusschenbeide eens dragen.quot;

De vader ging met zijn kind heen en kwam eene week later terug. Het kind was toen veel beter en kon haar linkerarm reeds meer in de hoogte doen; het loopen ging ook goed. Nadat ik nog eens met haar in het gebed was gegaan, zeide ik tegen den vader, dat hij eens met het kind in de Geloofsvereeniging der Volheid van Christus moest komen.

Hij heeft dat gedaan en toen ik hem later eens ging bezoeken, was het kind zoo goed als hersteld en sprong de kamer in het rond, terwijl zij den linkerarm net zoo goed in de hoogte kon doen als den rechter.

De Almachtige zal het verder volmaken in Christus Jezus gt;

ocr page 263

239

daar ben ik zeker van. Hij toch, de heilige Jehova, doet geen half werk aan hen die in Hem gelooven, en die in waarheid op Hem vertrouwen zullen niet beschaamd worden. Ik zelf mocht dat ook door de genade Gods ondervinden; hoe meer ik in Zijn Woord geloofde en op Hem die niet liegen kan vertrouwde, des te krachtiger werd ik in mijn geloof. Ik zeide dan ook steeds; „Ik sta in de kracht Gods en pal in Christus Jezus, want hetgeen God in Zijn waarachtig Woord zegt, zal geschieden.quot;

Zoo gebeurde het ook eens dat ik met eene zware hoofdpijn werd bezocht door satan, en het bed moest houden. Ik leed veel pijn, maar mijne ziel juichte, daar de Geest Gods mijne gedachten bestierde, en ik telkens in mij kreeg: „Zij raakte maar even het kleed van Christus aan en werd gezond.quot; „Zij werd gezondquot;, zoo ging het maar onophoudelijk in mij. 0, dacht ik, nu zal het niet lang duren of ik ben gezond. Maar het werd hoe langer hoe erger, zoodat ik dacht: Zou ik eens een doek met koud water om het hoofd doen, en mijne handen in eene kom met water, zooals ik vroeger ook deed? Want ik kan het zoo onmogelijk uithouden.

Doch toen ik het zou doen, kreeg ik in mij: „Ja, ga gij dat maar doen, want Christus kan dat alleen niet doen.quot; Ik hief mijne hand in de hoogte, en terwijl ik haar met kracht liet neervallen op mijne dekens, riep ik: „En nu zal Christus het doen en geen water.quot; Ik nam dus geen water, maar riep zooveel te meer tot Jezus om mij te genezen, opdat ik van de pijnen des satans zou verlost worden, vermits mijn geloof en vertrouwen geheel alleen op Hem was gevestigd. Nu, dat vertrouwen werd niet beschaamd, daar ik dien nacht heerlijk sliep.

De duivel evenwel omvatte mij in den droom met zijne klauwen, en zeide: „Ziezoo, nu komt ge nooit weer los.quot; O, ik voel nog, als ik er aan denk, zijne leeuwenklauwen om mij heen geslagen, terwijl hij mij bijna dood drukte. Maar zelfs in den droom moest de duivel van mij vlieden, daar op dien duivelschen droom volgde een hemelsche droom. Er kwam namelijk een kind uit den hemel naar mij toe en zeide : „ O, Ma, wat is het daar boven in den hemel heerlijk; dat heeft u nog nooit gezien; dat moet u eens zien.quot; Meteen werd ik wakker, nog met een hemelsch gevoel in mij, dat evenwel weer verdween. Ofschoon ik toen weer eenigszins hoofdpijn gevoelde, was die toch na een uur geheel verdwenen.

ocr page 264

240

Toen ik opstond, gevoelde ik mij erg zwak; dat hieid ik altijd als ik anders drie dagen hoofdpijn had. Nu was dat weer hetzelfde, waarom ik tegen mijne dochter zeide; „Maak het bed maar op, want ik zal het niet op kunnen houden. Ik ging waggelende naar beneden; maar op de trap kreeg ik in mij:

't Is Isrels God die krachten geeft,

Van VVien al 't volk de sterkte heeft,

Zijn Naam is Heer der Heeren!

O dacht ik, nu zal ik wel niet vóór van avond weer naar boven gaan. En ja wel, zoo was het. Na veel inspanning deed ik mijn werk, daar het Zaterdag was, en at een paar flinke boterhammen om mij te versterken, vermits ik nooit meer liflafjes eet, maar goed brood en gewoon middageten, waarvan ik de kracht zoek in het gebed. Het gevolg was dat ik des avonds om half twaalf naar boven ging en tegen half twee naar bed, omdat ik, gelijk Hanna, nacht en dag in den gebede mocht zijn, vermits mijn lichaam een tempel des Heiligen Geestes is geworden en ik dag en nacat tot God roep om genade voor mijnen naaste en mij zelve.

HOOFDSTUK XVI.

De Geloofsvereeniging der Volheid van Christus en Dr. F. van Gheel Gildemeester.

De Geloofsvereeniging der Volheid van Christus had eenige keeren hare samenkomsten gehad in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. Omdat deze zaal ook met het oog op de kosten van adverteeren, blaadjes, enz. en er geen entree-of plaatsgeld behoefde betaald te worden, nog al kostbaar werd zag mijne dochter naar eene andere zaal om, waartoe zij in aanraking kwam met Freule Hartsen. Deze stond haar zaaltje, in de Assendelftstraat, af voor ƒ 4 per avond.

ocr page 265

241

Toen mijne dochter met de freule over de Volheid van Christus sprak, en zeide dat Christus onze heelmeester moest zijn, antwoordde zij; „Ja, zoo moest het ook wezen, maar en daar bleef het bij.

Nadat wij ook daar eenige keeren onze samenkomsten hadden gehouden, kwamen de „Marenquot; voor den dag. Mijne dochter kreeg een brietje van de freule, meldende dat haar „maar. . . er niet mee overeenkwam, en dat wij haar zaaltje niet meer konden krijgen. Nu, wij hadden er vooruit al zoo iets van gehoord, en waren reeds voorzien, zoodat de Geloofsvereeniging der Volheid van Christus hare bijeenkomsten nu ging houden in het zaaltje Prinsenstraat 44.

Hoe lang dat daar zal duren, weet ik niet, evenmin of men ons nu met rust zal laten, en in den waarachtigen Christus zal gelooven, die ook met daden werkt in plaats van alleen met woorden. Of zullen zij opnieuw toonen dat zij naam-Christenen zijn, die zich inbeelden dat zij in een waarachtigen Christus gelooven en Hem dienen in geest en in waarheid, ja zelfs dat zij geesten zijn uit God, terwijl hun geest Gods Woord verdraait en beliegt, met te zeggen: „Ja, maar.... dat bestaat niet meer, dat was wel in den tijd der Apostelen, maar nu niet meerquot;?

Nu, de tijd zal leeren wat wij er van zullen ondervinden. Maar dan zeg ik hun, dat zij geene geesten uit God zijn, want die God, van Wien Zijne geesten uitgaan, kan Zijne eigene woorden niet laten verdraaien en beliegen door een geest die van Hem uitgaat. Zou God Zijnen gezanten laten zeggen: „dat bestaat niet meer wat Ik in Mijn waarachtig Woord heb gesproken; dat heb Ik, de Almachtige, ingetrokkenquot;? Neen, zeg ik hun, dan zou God liegen. Ik, die door Gods genade een geest uit God ben geworden , zeg hun die dat zeggen, dat zij geene geesten uit God zijn, veel minder Apostelen van den waarachtigen en almachtigen God, die de sleutelen heeft der hel en des doods, de Zonne der gerechtigheid en der waarheid, de blinkende Morgenster.

Neen, deze geesten kan ik niet verdragen; het zijn leugenaars, daar zij Gods heilig en waarachtig Woord beliegen; zij lasteren er den heiligen Jehova mee en maken Christus met Zijne werken krachteloos.

Ook werken zij Christus en Zijne Apostelen tegen, daar Jezus Christus, Wien de Vader alle macht heeft gegeven, gezegd heeft tegen Zijne jongeren, dat wil zeggen de ware Apostelen die er telkens zouden komen alle eeuwen

16

ocr page 266

242

door: „De werken die Ik doe, zult gijlieden ook doen, ja gij zult nog meer doen.quot; En ziet, wat Christus heeft gezegd, vervult Hij ook, al zijn de leugenprofeten er ook blind voor.

Zoo kwam, eenigen tijd geleden, Dr. F. van Gheel Gilde-meester bij mij om mijne dochter te spreken om haar van het waarachtige geloof af te trekken, hetgeen zij pas door de genade Gods had ontvangen. Toen ik er bijkwam, vertelde ik Z.Ew. wat van mijne bekeering, en zeide dat Jezus Christus het mij zelve op Veldwijk aan mijne ziel had geopenbaard , dat Hij mij zou verlossen uit de macht des duivels en mij zou overbrengen in Zijn goddelijk licht, om van Hem te getuigen, daar de Bijbel mij zoo dierbaar zou worden.

Ik sprak wel drie kwartier met den dominé en vertelde Z.Ew ook, dat ik bezig was een boek te schrijven, dat ik

ook liet zien. •,lt; i ••

Nadat de dominé er eventjes had in gekeken, wilde hij ons met een heelen boel woorden uitleggen, hoe wij den Bijbel moesten verstaan; maar daarvan wilde ik niets weten. en riep met vuur; „ Ik ben een kind Gods geworden en word nu door den Geest Gods ook geleid. „Ja , zeide Ds. ^an G. Gildemeester, „ik geloof wel dat u een kind Gods is. '

Toen de dominé nog eenige woorden met mijne dochter had gesproken, terwijl ik mijne boeken die ik had geschreven bij elkander deed, keerde Z.Ew. zich om en zeide tegen mij : „ Gelooft u niet, mevrouw, dat u nog niet erg goed is ? Ik werd zoo verontwaardigd, dat ik riep, terwijl ik de hand op mijn schrift legde: „Ik, ik? Nu als dat waar was. dan mochten ze alle gekkenhuizen wel afbreken, als ten minste de gekken zulk een boek konden schrijven als ik gedaan heb.

Daarop antwoordde de dominé niets, maar ging heen, terwijl mijne dochter hem uitliet. Maar vermits hetgeen nog aan de deur gesproken werd, mij te lang duurde, kvyam ik er weer bij, en zeide: „Dominé, het geeft u toch niets. Ik ben moeder en voogdes over haar, en wij blijven gelooven in de Volheid van Christus. En terwijl ik den dominé Gods zegen toewenschte, ging Z.Ew. heen.

Dezelfde week hoorden wij dat de werken en daden van Christus Jezus Zondags van den kansel ook waren tegengesproken ; dat bestond niet meer.

En terwijl de duivel in de eene kerk liet tegenspreken dat Christus gisteren , heden en tot in der eeuwigheid dezelfde is , ofschoon het zelfs boven den kansel staat, mocht de vijand,

ocr page 267

243

de dood, in eenc andere kerk zijn slag slaan,, door een braaf man van de aarde weg te nemen, die nog veel tot zegen had kunnen zijn, en denzelfden avond ook nog een man, die eveneens aan de zijnen door den dood werd ontrukt. Dezen laatsten was nog wel aangeraden om vooral de drankjes en poeiers in te nemen, ofschoon de man eerst zelf gezegd had, dat hij alles zou laten staan, vermits hij geloofde dar Christus voor hem was gestorven en hem ook kan genezen. Ja, God laat zich niet bespotten, dat kunnen wij weder zien.

En de Geloofsvereeniging der Volheid van Christus gaat door de ware geloofsgenooten in Christus steeds vooruit, daar er velen zullen genezen, die in waarheid gelooven, dat de ware Christus, de Zoon des levenden Gods, die nog kracht van zich laat uitgaan, gisteren, heden en in der eeuwigheid dezelfde is, zoodat er zielen door Hem zullen gered worden, en kranken met welke bezoeking ook, genezen zullen worden. Christus Jezus is er de Machtige voor. Hij alleen, en anders niemand, al wordt het nog zoo tegengesproken en verdraaid en belogen. Van Gods Woord mag geen enkel woord af, en er mag ook geen woord bij; God bevestigt Zijn Woord zooals het er staat, zoodat Jezus Christus overwinnaar blijft tot in der eeuwigheid.

Ik wil het nu hierbij maar laten, daar ik anders wel zou kunnen doorschrijven over al de kleinigheden, die ik ook nog heb ontmoet en ondervonden. Maar vermits de brieven, die in het Vierde Boek zijn opgenomen, nog eenige bijzonderheden vermelden, zal ik nu beginnen met het een en ander te verklaren omtrent Gods Woord, waardoor ik geoordeeld ben geworden, maar waardoor ik ook genade heb ontvangen.

HOOFDSTUK XVII.

Van de valsche leeraars in het algemeen.

De woorden Gods die mij oordeelden en genade schonken stonden in den Bijbel, maar ik wist het niet. Maar ik gevoelde dat het de straffen Gods waren, getuige de voorhei.

ocr page 268

244

zooals de duivel mij toen zeide, waarin ik was van angst, siddering, benauwdheid en pijniging, gelijk ik reeds heb beschreven.

Ook de daarop gevolgde genade werd met Bijbelteksten gestaafd, gelijk zij in Gods waarachtig Woord geschreven staan, zoodat ik weet en kan verklaren, daar de heilige, almachtige en rechtvaardige God in Christus Jezus door Zijnen Heiligen Geest het mij zelve heeft geopenbaard, dat ik met dat Woord ben geoordeeld en daardoor ook genade heb ontvangen.

Een iegelijk zal dat eenmaal in zijn oordeelsdag ook eens moeten ondervinden, en wee hen die dan den wil des Heeren zullen gevoelen en niet gedaan hebben naar Zijn Woord; zij zullen met dubbele slagen geslagen worden, terwijl ik nog maar met enkele slagen ben geslagen. En dan zij voor eeuwig, wanneer zij niet de genade zoeken en gelooven, dat zij moeten worden wedergeboren en met Christus gekruist en zij niet meer zich zeiven leven, maar Christus in hen, opdat zij een nieuw schepsel worden en de oude mensch met Hem is gekruisigd en het lichaam der zonde te niet gedaan worde, om niet meer de zonde te dienen.

Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Ja, dan strijdt men met Christus, die dan in ons leeft, tegen alles wat uit den duivel is, en doet alles wat Gode welbe-hagelijk is, in Christus, die ons kracht geeft.

O, daarom kan ik verklaren dat het zoo moet zijn, zal men de eeuwige zaligheid deelachtig worden, vermits zonder wedergeboorte niemand het Koninkrijk Gods zal ingaan. Wij moeten een nieuw schepsel worden en van den zondigen Adam, waaruit wij geboren zijn, herboren worden in Christus Jezus, den tweeden rechtvaardigen Adam. Dan zijn wij met den eersten zondigen Adam gestorven en opgewekt door den rechtvaardigen tweeden Adam, in Wien wij leven als levende steenen van gerechtigheid door den uitersten Hoeksteen, op welk fundament wij dan zijn gebouwd in Christus Je-?us, Gode tot eer en ons en velen tot zaligheid.

Ja, dan geven wij ons niet meer aan den duivel met zijne listen en lagen van zonde, waarmede hij ons wil vangen, over; maar dan strijden wij tegen hem en overwinnen met het goede, wat uit God is, het kwade dat duivelsch is. Ja, daarvan kan ik getuigen dat het de zuivere waarheid is.

Ik zoek er dan nu ook, door de genade in Hem die mij heeft liefgehad, en mij heeft wedergeboren, hoe langer hoe

ocr page 269

245

meer naar en jaag er zelfs naar of ik het ook grijpen kan, daar ik weet, dat ik door Christus gegrepen ben; en Zijn Geest getuigt met mijnen geest dat ik een kind Gods ben, die door Gods Geest word geleid, niet alleen met woorden maar met daden, zooals zij in Gods Woord staan geschreven en waar geen woord bij noch af mag.

Helaas, hoe wordt tegenwoordig dat Woord leelijk verdraaid ; er wordt maar van gemaakt wat men maar wil. De een maakt er dit van en de ander dat. Maar Christus, den Rechtvaardige, met Zijne machtige werken en in Wien zij alles zouden vermogen door het geloof in Hem, sluiten zij buiten. Zij redetwisten er wel genoeg over, zeggende dat zij gelooven, maar den duivel met zijn ongeloof en zonde laten zij binnen; den booze die hen wijsmaakt: „ Neen, zóó moet ge gelooven; zóó moet ge het opvatten; zóó moet ge het uitleggen; zóó moet ge het verstaan; zóo moet het wezen; zóó moet ge doen.quot; En met dat al hooren zij naar satan, en willen het beter weten dan het in Gods Woord staat.

Nu ja, een enkele tekst uit Gods Woord, waarmede zij hunne zonde en ongerechtigheid kunnen bedekken, moet maar zoo blijven als hij er staat, dat is waar; maar de andere, waarvoor zij sidderen en waarvan zij niets willen weten, leggen zij maar uit, precies zooals zij maar willen, en durven dan nog zeggen, dat zij gelooven, ofschoon zij in den eenen Bijbeltekst gelooven en in den anderen niet, en zij maar op zij doen wat hun niet belieft.

Want zij komen er niet in om als wedergeboren kinderen in de gerechtigheid van Christus te leven, Die dan de wet in ons vervult, zoodat wij dan vrijmoedigheid hebben in den dag des oordeels en de liefde bij ons volmaakt wordt tot God en den naaste, namelijk, dat gelijk Hij, Jezus Christus, is, wij ook zijn in deze wereld. „Neen, dat bestaat nietquot;, durven zij zeggen. „Wij struikelen allen in vele.quot; En zoo blijven zij maar op die tekstwoorden hangen en gelooven, die voor hunne zondebedrijven de beste zijn, doch waarmede zij moeten omkomen in de hel met den duivel, dien zij maar binnenlaten en gehoor geven.

Maar van de andere tekstwoorden, waardoor zij moeten levend gemaakt worden in Christus Jezus, om hen te brengen in de eeuwige zaligheid, willen zij niets weten. Christus met Zijne daden blijft maar buiten , alsook zijne rechtvaardigheid en gerechtigheid en het volbrachte verlossingswerk door Jezus Christus, om hen te reinigen met Zijn bloed, om hen

ocr page 270

246

van de zonde te verlossen en hen in Zijn licht te doen wandelen, opdat de zonde niet meer over hen heersche, daar Christus dan voor hen in de plaats treedt om hen niet te doen struikelen, maar satan uitwerpt.

En juist daardoor gaan zij hunne verdoemenis des te zwaarder te gemoet, daar zij wel den Bijbel lezen en heel goed weten dat er in staat: „Zoo de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal dan de goddelooze en de zondaar blijven.quot; En ik geloof dat het allesbehalve rechtvaardig is, zoo wij telkens struikelen in vele, en, zooals de godgeleerden leeren, zoo wij de slippen des Eeuwigen gegrepen hebben, ze toch weer loslaten om ons aan spel en de ij delheden der wereld over te geven. Neen, dat is. dunkt mij, een werk des satans, dien men maar plaats geeft en waarmee men naar de hel gaat, met al dat struikelen.

En zij die dat doen, werken den duivel in de hand en Christus tegen, en kunnen nimmer verlost worden zoolang zij de zonde blijven dienen. Voor hen heeft Christus niet volbracht, om hen zalig te maken. Al lezen zij nog zoo den Bijbel, en al dekken zij zich er nog zoo mee, en al roepen zij nog zoo: ,,Heere! «Heere!quot; ; zij halen zooveel te zwaarder oordeel over zich, nog meer dan ik heb ondervonden, omdat zij den wil des Heeren in Zijn Woord lezen en toch niet willen gelooven om dien te doen.

Neen, zij slapen maar in het duister voort; dan weer zonde en struikelen en dan weer in den Bijbel lezen, en daarbij roepen : ,, Heere, Heere ! en dan weer den duivel, den overheerscher der wereld in de armen vallen, die hen met open armen te gemoet snelt om hen te doen struikelen en hem te doen dienen met spel en de ijdelheden der wereld. Daarbij beelden zij zich in, dat zij verlost en bekeerd zijn, omdat de godgeleerden het zeggen, die zelf ook zoo doen, vermits zij zooveel van hun vleesch houden en Gods Woord verdraaien, doordien zij met hun eigen verstand de Schriften uitleggen, en wat zij daarbij uit de boeken der voorvaderen halen, hetgeen zij ook al verdraaien zooals zij het maar hei beste vinden, om te leeren en te leven naar hun eigen goeddunken, in plaats daarvan, dat Christus hun verstand opent voor de Schrift, opdat zij die verstaan en Christus zelf tegen hen zegt; „Gij zult Mijne getuigen zijn van alle deze dingen, en ziet, Ik zende de beloften Mijns Vaders op u . totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.quot;

Maar neen, in de kracht van Christus gelooven zij niet,

ocr page 271

247

daar moeten zij niets van hebben. Want dan moeten zij Gods geboden bewaren, zoo zij het getuigenis van Christus Jezus in zich willen hebben, die hun verstand daartoe opent om Gode tot eer te zijn.

Neen, zij blijven liever met hunne doode geletterde woorden , van hun eigen verstand, zaaien , om er hun eigen eer en voordeel mee te maaien en er een goed pleizierig leven bij te hebben, in plaats van Christus te volgen.

En wat het ambt betreft, waarvoor zij zich uitgeven, en waartoe de meesten niet geroepen zijn, vermits zij zich vooraf niet eerst hebben beproefd of zij konden gelooven dat Christus in hen leefde en of zij wel waarlijk geroepen zijn om Christus Jezus te volgen, zoodat zij dan vol des Heiligen Geestes zouden zijn om het waarachtige Evangelie van Christus te prediken en alles wat Hij hun gebieden zou te doen, — dat ambt hebben de meesten hunner zich als natuurlijke menschen toegeëigend om voor hun leven bezorgd te zijn, tot zelfs godgeleerden, wetgeleerden bedoel ik, toe, aangezien zij zich dien naam van godgeleerd ook maar zelf hebben toegeëigend. Want als zij door God geleerd werden, dan zou Die hen leeren en leiden precies zooals het in Gods Woord staat geschreven. Dan zouden zij levend worden gemaakt door Gods Geest en Christus zou in hen leven om met hen te strijden tegen al de machten der hel, met den duivel vooraan , die hen nu van den levenden God in Christus aftrekt en de wetgeleerden den Bijbel laat uitleggen met doode letters van vleeschelijke wijsheid, die meer ongeloof, afval, verdeeldheid, zonde en ongerechtigheid medebrengt om den levenden God te verzaken , dan dat Gods Koninkrijk worde opgebouwd en Zijn wil geschiede gelijk in den hemel alzoo ook op aarde en het Godsrijk binnen in de menschen kome.

Helaas, bij de meesten is het om eigen eer en voordeel te doen, en dien de schoen past, die trekt hem maar aan en kan den tweeden er bij krijgen. Al degenen toch die met mooie woorden zich bemind maken en als valsche profeten opstaan om de menschen te verleiden, en zeggen, gelijk Hananja; „Ja, de Heere heeft het gesprokenquot;, terwijl de Heere het niet heeft gezegd, zoodat zij een afval prediken en de menschen van het Koninkrijk Gods af houden, waardoor de ongerechtigheid vermeerdert en de liefde tot God van velen zal verkoelen, — alle dezen zijn zij die Gods Woord verdraaien en Christus niet volgen, om als ware Apostelen hun ambt getrouw te vervullen.

ocr page 272

248

David zegt het ook; „Ik haat de kwade ranken, maar Uwe wet heb ik lief.quot; En juist deze wet wil Christus in hen volbrengen, als zij Hem maar in het geloof willen aannemen.

David zegt ook: „Gij zijt mijne schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.quot; Maar als de leeraars nu met hun eigen wijsheid maar maken van Gods Woord wat zij willen, dan hopen en gelooven zij in hunne eigene woorden, maar niet in het Woord van God en is hun geloof eene valsche inbeelding.

Elders zegt David: „Wijkt van mij, gij boosdoeners, dat ik de geboden mijns Gods beware.quot; Ja, als men door genade de geboden Gods mag bewaren, omdat men een levenden Christus in zich heeft — geen naam-Christus; dat geeft niets —, o, dan scheidt men zich af van de boosdoeners, als zij zich niet tot God willen bekeeren en maar voortleven in ongerechtigheden, onder de bedekking van Gods heilig Woord. En God vertreedt dezulken die van Zijne inzettingen afdwalen, op Zijn tijd.

HOOFDSTUK XVIII. Psalm 119.

Professor Dr. A. Kuyper schreef eens van de vromen van zijne kerk, wie hunner niet had ondervonden en kon getuigen van Psalm 119. Nu, dan heeft hij met velen zeker nog te goed, wat in Psalm 119 staat: „Gij doet alle godde-loozen der aarde weg als schuim.quot;

David zegt; ,,Heere, Gij zijt rechtvaardig, en elk Uwer oordeelen is recht. Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen en waarheid hoogelijk geboden.quot; Maar dat noem ik geene gerechtigheid van Prof. Kuyper en zoo velen met hem, om maar met Gods Woord, geboden en waarheid te doen wat zij maar willen. Zij schermen met allerhande doode letters, die zij uit de boeken halen en doen er nog bij wat hun uit den mond valt, ja, laat mij liever zeggen, wat de satan hen influistert, zoodat het precies een ratjetoe is, en niemand weet wat er in zit, en niemand er uit wijs kan worden,

ocr page 273

249

vanwege al de tegenstrijdigheden, waar de kleine luiden geen raad mee weten. Zij vinden het evenwel toch pikant en heerlijk, omdat die groote geest van een Prof. Kuyper het zegt, die hen inpakt met hun slapeloozen, ja, dooden geest, die maar op genade voortleeft zonder Gods geboden te onderhouden en te helpen het rijk des duivels te verbreken van zonde, ongeloof en ellende en Gods Koninkrijk op te bouwen van liefde, gerechtigheid en vrede in de ziel, zoodat men weet dat men zalig wordt.

Neen , zij laten zich liever met doode letteren betooveren door dien groeten geest, die al de kleine geesten in beslag neemt, en die onnoozele menschen doet gelooven met mooie woorden, dat zijne kerken de ware Gereformeerde Kerken zijn ; waarop zij hun geloof gefundeerd hebben, doch niet op het fundament van Christus.

Is zulk eene ongerechtigheid niet een gruwel voor God, om de menschen met schijnheilige woorden van den waren levenden Christus af te houden, die met Zijnen Heiligen Geest in hen wil leven, en hen doet bouwen op het fundament van den uitersten Hoeksteen en Voleinder des geloofs, in plaats van op de doode Reformatie en de doode Gereformeerde Kerken, met al hun dwaalleer en doode werken ? Immers de letter doodt, en wat dood is verdwijnt, al is het nog zulk een geletterde doode groote geest.

Hoe is het mogelijk dat er zulke blinde menschen kunnen zijn, die eiken dag den Bijbel lezen en toch niet verstaan? Maar dat komt zeker daarvan dat de Reformatie en Prof. Kuyper met zijne Gereformeerde Kerken hun verstand er niet voor openen, nog minder er hen ziende voor maken, om op te merken gelijk de Apostel Paulus schrijft: „Weest mede mijne navolgers, broeders! en merkt op degenen die alzoo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. Maar onze wandel, is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.quot;

Ja, nu mijn geloof op Jezus Christus is gefundeerd, en ik een Christus in mij heb leven, nu is mijn wandel in de hemelen, daar Christus mij kracht geeft om Gods wet te betrachten, zoodat Zijne geboden mijne vermaken zijn, en .ik een voorsmaak uit den hemel gevoel, niet van de doode woorden, maar van de waarachtige daden , die God bevestigt aan allen die Hem vreezen, en over wie de Zonne der gerechtigheid , Christus, de levende Zone Gods is opgegaan, om de goddeloozen te vertreden. „Want zij zullen asch

ocr page 274

250

worden, onder de zolen uwer voeten, te dien dage dien Ik maken zal, zegt de Heere der heirscharen.quot;

Nu, dat ééne menschenkind zijn door de genade Gods de blinde zielsoogen geopend en Christus heeft ook mijn verstand geopend, zoodat ik de Schriften mag verstaan en gelooven. Maar ik mag tevens opmerken, dat Prof. Kuyper, en zoo velen met hem, hun wandel allesbehalve in de hemelen hebben, en dus zonder een waren Christus in hen, die hen leidt, bestiert en regeert naar Gods wil en welbehagen, zooals Christus ook altijd den wil van God deed en Gods eere zocht. Neen, dat zie ik bij hen niet. Zij hebben een valschen Christus, zooals Christus Jezus, de Zoon des levenden Gods het heeft voorspeld, dat die er zullen zijn. Dezulken hebben nog een duivelsch geloof, zonder den waren Christus, zooals ik het vroeger ook had, hoewel ik geen Bijbel las. Zij dienen den duivel nog erger dan ik hem diende, vroeger zonder Bijbel, daar zij hun eigen eer en voordeel zoeken met Gods Woord, en daarbij als natuurlijke menschen naar hetvleesch leven. Wel niet zoo in het openbaar, als ik dat deed om naar comedie of bals te gaan. Neen, maar meer in huis in het geniep, met allerhande lekkerigheid, wijn, bier, dranken enz.; daarbij spelletjes spelen, schaken vooral (wat net zoo goed is als dat men zich bedwelmt met opium), en een biefstukwalsje of een ander vroolijk deuntje op de piano; en een feestje en reisje, alles zoo natuurlijk mogelijk, en waar de blinde luiden maar niets van zeggen.

Nu, daar zullen die valsche Christus-belijders ook wel in hun oordeelsdag iets van hooren, net zoo goed als ik. Ik denk, dat er dan nog wel wat meer ongerechtigheden zullen geopenbaard worden, die uit den duivel zijn, den vorst dei-duisternis , en waarin dezulken met hunne blindheid en ver-hardigheid des harten maar in voortleven.

Ja, dat grapje van 1886 en 1892 zal er ook wel bij komen in den oordeelsdag, als er eene opstanding der dooden wezen zal, beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen. Ja. voor al degenen die trouweloos handelen en de wet geweld aandoen zal het vreeselijk zijn , daar kan ik reeds van getuigen.

Maar wee dengenen die den wil in Gods waarachtig Woord hebben gehoord en toch niet hebben gedaan; die zullen met. dubbele slagen geslagen worden. En waar ik nu reeds zoo vreeselijk in de voorhei heb geleden, zooals de duivel het mij zeide, hoe moet daar de hel wel niet zijn. Neen, dan weet ik niet hoe zij het daar moeten uithouden.

ocr page 275

251

Trouwens, de rijke man leert het ons genoeg in Gods Woord en dan voor eeuwig; maar wanneer wij in waarheid wedergeboren zijn in den Zoon des levenden Gods, den waren Christus, die ons door Zijnen Geest in al de waarheid leidt, dan zegt de Schrift: „dezulken zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken en in hunnen mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden, maar zij zullen weiden en neder-liggen, en niemand zal hen verschrikken.quot; O, wat is dat eene waarachtige waarheid. Wat mag ik dat zelf ondervinden, nu ik eene wedergeborene in Christus Jezus ben geworden.

Ja, nu mag ik als eene dochter Zions vroolijk zingen en juichen van vreugde, met geheel mijn hart. Tusschenbeide zelfs kan ik springen van verheerlijking der ziel, omdat mijne oordeelen zijn weggenomen door het dierbaar bloed van Jezus Christus , in Wiens licht ik nu mag wandelen door den Heiligen Geest met Welken ik nu gedoopt ben. De waterdoop gaf mij niets. Christus Jezus moest zelf mij doopen met Geest en met vuur. Daarom kan ik nu ook getuigen, dat ik verlost ben uit de macht onzer vijanden door het volbrachte verlossingswerk van Christus en Hem nu mag dienen zonder vreeze, daar Hij mij de kennis der zaligheid heeft gegeven in de vergeving mijner zonden, om in heiligheid en gerechtigheid te leven al de dagen mijns levens.

Ja, Hij, de Spruite Davids, is mij verschenen, mij, die gezeten was in de duisternis, in de schaduwen des doods, terwijl ik nu mijne voeten mag richten op den weg des vredes, door de kracht mijns Verlossers, Jezus Christus , de Zone Gods. Ja, Hij zelf was het die mij verscheen, de ware Christus, die gezet is tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teeken dat wedersproken zal worden. O, welk eene waarheid!

En wat wordt er veel over dien Christus, die velen tot een val is, gesproken met den mond. Immers, zij willen Hem niet bezitten in werkelijkheid, metterdaad, om met Christus de vijanden te verslaan. Neen , zij blijven liever onder den vijand ter wille van hunne vleeschelijke begeerten en spreken er liever over volgens hun geloof, dan de daad bij het woord te doen, om een waren Christus te willen hebben, die hen in Zijne gerechtigheid en heiligheid leidt, opdat zij mogen weten dat Hij in hen leeft en werkt en zij mogen opstaan door het geloof, om met Christus de vijanden te verslaan.

Ja, bevonden zij zich niet onder het geweld des duivels en der booze machten naar ziel en lichaam, zij zouden prediken

ocr page 276

252

vergeving der zonden en zouden vruchten voortbrengen der bekeering waardig, om ook anderen tot de kennis der waarheid en der zaligheid te doen komen voor tijd en eeuwigheid, opdat ook dezen als rechtvaardigen in Christus, hun Verlosser uit 's vijands macht, hier op aarde mochten wandelen en in de opstanding der dooden de eeuwige zaligheid zouden ingaan, tot eere van Gods driemaal heiligen Naam.

Maar neen, daar wordt wel over gesproken door de wetgeleerden en Bijbellezers met doode woorden. Maar iemand wordt wedersproken en tegengesproken, precies zooals het in Gods Woord is voorspeld, als hij in waarheid leeft in de gerechtigheid en heiligheid door Jezus Christus, die in hem is opgestaan om hem van den vijand en de werken des duivels te verlossen en die hem alles openbaart om Gods wil te doen, die hem daartoe bekwaamt door Zijne kracht, daar Hij voor de zonde, maar ook voor de gerechtigheid heeft volbracht, tot verheerlijking van dien God, die niets dan de gerechtigheid liefheeft, en ook den zondaar, mits hij zich dan eerst tot God bekeere, daar God geen lust heeft in den dood eens zondaars, en nu althans niet, nu de Zone Gods het met Zijn bloed heeft betaald; maar dan moet de zondaar der zonde gestorven zijn, zoodat hij gerechtvaardigd in de gerechtigheid van Christus leeft.

Daarom maken de wetgeleerden en Bijbellezers maar van Gods Woord wat zij willen en doen met Jezus Christus ook maar wat zij willen. Zij denken; als wij er maar over spreken , dan is dat genoeg; de daden komen er niet op aan; dat heeft Christus al gedaan. En de duivel lacht met zijne machten en booze geesten en handlangers, die hij hier op de wereld heeft, en zegt: „Gaat jelui je gang maar; legt den Bijbel maar zoo mooi uit als jelui maar wilt en roept daarbij maar „ Heere, Heere!quot; Als jelui mij maar dient en doet wat ik zeg.quot; Dan komt er hoe langer hoe meer ongeloof, afval, ongerechtigheid, ellende en verdeeldheid. Wij zien het voor onze oogen. Daarvoor behoeven nog niet eens de blinde ziels-oogen geopend te zijn. Zelfs de wereld ziet wel, dat Christus Jezus, de eenige Herder, hen niet weidt om Gods geboden te betrachten, om in gerechtigheid te leven, niet opdat de menschen er schande van zouden spreken, maar opdat zij bekennen zouden; dat is uit God.

O, nu mag ik door den Geest Gods opmerken, hoe Gods Woord, en de kracht van Jezus Christus wordt tegengesproken en tegengewerkt door de wetgeleerden en de dominé's, die

ocr page 277

253

het meeste bestudeerd zijn en hun verstand uit de boeken halen, in plaats dat zij gelooven in den waren Christus, den Rechtvaardige, die hun verstand wil openen voor Gods waarachtig Woord, om als ware volgelingen en Apostelen te leven en te doen wat Christus in Zijn Evangelie zegt, en gelijk de Apostelen van Christus Jezus het ook deden, en dat nog wel degelijk bestaat, al wordt het door die valsche leeraars ontkend.

De almachtige God en Zijn geliefde Zoon Jezus Christus, die gezegd heeft, dat er geen tittel of jota van de wet zou afvallen, maar dat het alles zou worden vervuld, — diezelfde God, die leeft tot in der eeuwigheid, en de Zone Gods, die ter rechterhand van Gods troon zit, om te oordeelen de levenden en de dooden, en door Wien ik reeds levend ben geoordeeld, — dezelfde Almachtigen zullen er wel voor zorgen dat alles wordt bevestigd, vermits Christus Jezus, toen Hij na het volbrachte verlossingswerk, hetwelk Hij op aarde had volbracht voor de menschheid, ten hemel voer, tegen Zijne Apostelen zeide: „Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal, en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste der aarde.quot;

Wij kunnen hieruit zien, dat aan het uiterste der aarde, waar natuurlijk de Apostelen Petrus en Johannes, enz. zelf niet geweest zijn, ook ware Apostelen van Christus zullen zijn, die met de kracht des Heiligen Geestes zijn vervuld, zoodat Christus, de Koning der koningen, met Zijn Koninkrijk in hen komt met kracht, en hetwelk niet verstoord zal worden, maar in alle eeuwigheid zal bestaan, zoodat Jezus Christus in Zijne ware Apostelen is wedergekomen, om het werk, dat Christus aanvankelijk was begonnen op de aarde weder op te richten met Zijne ware Apostelen, voort te zetten tot de voleinding der wereld en de werken door Zijne ware Apostelen te laten doen en niet door de broodleeraars, die door Jeremia zijn voorspeld , en die hun eigen eer en voordeel zoeken, om als praeses, adviseurs, secretarissen, scribae, vice-voorzitters en penningmeesters de vooraanzittingen te hebben; ja zelfs van de eene kerk dit en van de andere kerk dat zijn, zooals Ds. Jos. van der Linden het ook maar doet. Van de eene kerk scheidt hij zich af, omdat die niet deugt, en bij dezelfde leden van die ondeugende kerk wordt hij adviseur, om de eer.

ocr page 278

254

HOOFDSTUK XIX.

Van de ware prediking van het Evangelie.

En zoo zijn er zoo velen, die jiiaar alle baantjes te gelijk nemen, en bij al dat werk worden de ongelukkigen, die nog minder zijn dan heidenen, en waaronder ik vroeger ook behoorde, rijken en armen, maar aan hun lot overgelaten en komen om, de rijke naar de ziel en de arme naar ziel en lichaam beide.

O, de heilige Jehova zal deze ongelukkigen en verwaarloosden van hunne hand eischen, van de hand van hen die met hun ambt zoo trouweloos handelen, en wandelen naar hun eigen vleesch.

Neen, dat zijn geene Apostelen van Christus, dat zijn leugen-profeten. De ware Apostelen van Jezus Christus zijn zij, die vervuld zijn met de kracht des Heiligen Geestes, en die in Zijn Woord gelooven, om te doen wat Hij daarin zegt, gelijk de Apostelen het ook deden, toen zij den Trooster, den Heiligen Geest, hadden ontvangen , die hun door Christus was beloofd, om dan te doen wat Hij hun had gezegd en Hem te volgen, om dat wat Christus was begonnen immer voort te zetten, zooals Jezus Christus het ook deed en Christus hun ook gebood, zeggende; „„Gaat henen, predikt het Evangelie aan alle creaturen quot;, om hunne oogen te openen en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God , opdat zij vergeving der zonden ontvangen en een erfdeel onder de geheiligden door het geloof in Mij.quot;

Dat deed de Apostel Paulus en dat was alles door den profeet Jesaja voorspeld, waar hij zegt; „Maak u op, word verlicht, want een licht komt, en de heerlijkheid van Jezus Christus gaat over u op. Want ziet de duisternis zal de aarde met zonde en ongerechtigheid des satans bedekken, en donkerheid de volken. Doch over u zal de Heere Jezus opgaan , en Zijne heerlijkheid zal over u gezien worden.quot;

Nu, dat die genade aan mij is geschied, daarvan kan ik getuigen, nu mijne zonden mij zijn vergeven, en ik uit de donkerheid van satan met zijne ongerechtigheid ben verlost,

ocr page 279

255

zoodat het licht van Christus met Zijne heerlijkheid van heiligheid door mij gezien wordt en ik weet dat ik een erfdeel onder de geheiligden ben door mijn geloof in Hem en Zijn waarachtig Woord.

Maar tegenwoordig hoort men daar niet veel meer over prediken, van bekeering en verlost te worden van de duisternis en macht des satans, om als een geheiligde in het licht van Christus Jezus te leven.

Neen de meeste menschen kunnen met hun geloof en Bijbelteksten zoo goed zien, dat zij maar voortleven in het duister, alzoo onder de macht van satan, zonder bekeerd te zijn, daar de meeste predikers prediken: „Ja, zóó moest het wezen, en zóó moest het zijnquot;, en „de Heere geve het door genade in Christus en om Christus willequot;. En daarmede gaan de blinde leidslieden weer uit de kerk naar huis, en de blinde onbekeerden ook, en doen precies wat zij willen en wat de duivel hun ingeeft om hem te dienen, terwijl zij daarbij niet verder denken dan: „Ja, zóó moest het zijn. Dominé heeft gelijk, zóó moest het wezen. Maar wat kan ik er nu aan doen? Niets.quot;

En daar slapen zij bij in, in plaats dat de dominé's hen wakker schudden uit hun doodslaap en zeggen: „Zoo waarachtig de heilige God Israels leeft en de Zone Gods Zijn dierbaar bloed voor de geheele wereld gegeven heeft. Hij, Wiens bloed reinigt van alle zonden, — wanneer gij u niet bekeert tot den levenden God en niet rust vóór dat u de oogen zijn opengegaan over uwe zonde, daar gij met al uwe ijdelheden nog in de duisternis wandelt, in de macht van satan, en gij door het geloof in Christus Jezus niet verlost wilt worden uit de macht van den duivel om overgebracht te worden in het licht van Jezus Christus , die het licht der wereld is, om daarin te wandelen, als het erfdeel der ge-heiligden van de gemeente van Christus, — dan gaat gij voor eeuwig verloren; ja, dan zult gij desgelijks vergaan als de Galileërs, op wie de toren van Siloam viel. Ja, dan is God uwe ziel niet genadig, maar komt gij in de hel bij satan terecht, wiens duistere werken gij nu liever hebt, doch waarmede gij zult omkomen, wanneer gij u niet in waarheid bekeert om in het licht van Christus als een heilige te leven in gerechtigheid en heiligheid, ter verheerlijking Gods en voor u zeiven.quot;

Want zóó moet het zijn door de genade die aan alle menschen is verschenen, om een godzalig leven te leiden, door Jezus Christus, den- Leidsman.

ocr page 280

256

Maar dan ook is het niet meer; „Ja, zóó moest het wezen en zóó moest het zijn.quot; Neen, dan is het; „de genade is verschenen aan alle menschen, en die wil die kome en neme de levende wateren om niet.quot; Ja, allen die daarnaar dorsten, zeggen de wereld met satan vaarwel, met zijne doodelijke duistere werken van zonde en ongerechtigheid, waarmede zij eens in de hel zouden moeten omkomen, en hetgeen nog verschrikkelijker zal zijn dan wat ik heb gezien en ondervonden, en waar het eeuwig nacht zal zijn voor degenen die maar in de macht van den vorst der duisternis voortleven tot hun eeuwig verderf.

En daarom moet de ware leer van Christus gepredikt worden, opdat de menschen zich bekeeren en hunne zonden belijden voor den rechtvaardigen God, maar ook haten en laten, om in Christus Jezus in gerechtigheid en heiligheid te leven, waarvoor Hij heeft voldaan.

Maar dan kunnen zij het ook niet meer tegenspreken, daar zij het zelf ondervinden, namelijk dat Christus hun Meester is, die hen leert en onderwijst om in Zijn Woord te gelooven en Zijne geboden te onderhouden.

Dan zijn zij ook één met den Vader en den Zoon, gelijk de Vader en de Zoon één zijn, en kunnen bekennen dat God Zijnen Zoon heeft gezonden, dien Hij heeft liefgehad vóór de grondlegging der wereld, daar wij Zijne heerlijkheid mogen aanschouwen en Christus ons bekend maakt de liefde waarmede God Hem heeft liefgehad, opdat die ook in ons zij. Dan zijn wij niet van de wereld gelijkerwijs Christus ook niet van de wereld was, maar wij worden immer geheiligd in de waarheid van Gods Woord, niet met doode letteren, maar met de waarachtige daden, door den Heiligen Geest teweeggebracht.

Ja, dan weten de ware geloovigen, die dan Apostelen van Jezus Christus zijn, man of vrouw (hetgeen bij Christus en God hetzelfde is), dat zij één zijn in Christus. En gelijk er vroeger in het Oude Testament ook profetessen waren en ook in het Nieuwe, zoo zijn er nu ook nog, daar God alles bevestigt wat in Zijn Woord staat geschreven te Zijner tijd en naar Zijnen wil.

Nu, die ware Apostelen kunnen dan getuigen, dat het nut was, dat Jezus Christus van de aarde wegging, daar zij nu den Trooster, den Heiligen Geest, hebben ontvangen, die hun indachtig maakt om in Zijn Woord te blijven en in Hem in waarheid te gelooven, maar ook te doen wat Christus

ocr page 281

257

gezegd heeft, om Zijne geboden te bewaren en Hem te volgen en Zijn werk dat Hij in ons werkt te volbrengen, niet om met doode geletterde woorden het eene tekstwoord met het andere te verwarren, en tegen den goddelooze te zeggen, die den breeden weg des verderfs te gemoet gaat; „ God is goedertieren en genadigquot;, terwijl men met zulke mooie woorden eigen vuil gewin op het oog heeft om een gemakkelijk en pleizierig leven te leiden, en alle baantjes er maar bij neemt om zijn voordeel te zoeken, onder de bedekking van Gods heilig en rechtvaardig Woord.

Neen, dezulken zijn Gode een gruwel, want die de wet verlaten prijzen de goddeloozen, verdraaien Gods Woord en dekken zich met een valschen vrede, want de overtreders worden te zamen verdelgd. Het einde der goddeloozen wordt uitgeroeid, daar degene die den goddelooze rechtvaardigt, Gode een gruwel is; dezen zullen zooveel te zwaarder oordeel ontvangen, omdat zij, om goede vrienden te blijven en om winstbejag, den goddeloozen hun eeuwig wee niet aanzeggen, maar onder de bedekking van Gods Woord maar te zamen heulen en smeulen en maar voortgaan in zonde en ongerechtigheden, om één te zijn met den duivel, den vader der leugenen, die hen te zamen zich laat inbeelden dat zij één moeten zijn, natuurlijk met hem, die oude slang. Want anders, als zij één waren met den Vader en den Zoon, den rechtvaardigen God en Jezus Christus, de Zonne der gerechtigheid , dan konden zij onmogelijk zulke ongerechtigheden plegen en zich dekken met de goedertierenheid Gods.

Ja, God is goedertieren, maar alleen allen die Hem vreezen , „want het einde van den oprechte zal vrede zijnquot;. Niet een „vrede, vrede, geen gevaarquot;, en niet een met den duivel en zijne booze machten. Zulk een vrede is maar schijn, en verspreidt niets anders dan ellende en gruwelen voor God, hetgeen wij met onze ooren hooren en met onze oogen zien, en waardoor de driemaal rechtvaardige God wordt gelasterd. Voor hen die dat doen staat er geschreven, dat het Sodom en Gomorra verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels dan hunlieden, daar God een waarmaker is van Zijn waarachtig, heilig en rechtvaardig Woord, voor tijd en eeuwigheid.

17

ocr page 282

258

HOOFDSTUK XX. Van de rechtvaardigen.

Neen , een ware Apostel of een discipel van Jezus Christus, die in Hem gelooft, blijft in Zijn Woord en verstaat de waarheid, daar de waarheid hem vrijmaakt van de macht en de duistere werken des satans. Want indien de Zoon u zal vrijmaken, zoo zult gij waarlijk vrij zijn.

Dan blijven ook alle tekstwoorden apart; voor de godde-loozen , die nog in de macht van satan zijn, de verschrikkelijke oordeelen Gods, zoodat de rechtvaardige in Christus het hun aanzegt, met het zwaard van Gods Woord, het eeuwig wee, door de kracht des Heiligen Geestes, namelijk, dengenen die zeggen dat zij Joden zijn en zijn het niet, maar zijn eene synagoge des satans.

En Christus, die Zijne ware Apostelen hoedt met een ijzeren staf, zegt; „Zij zullen als pottenbakkersvaten ver-morseld worden; gelijk ook Ik van Mijnen Vader ontvangen heb, en Ik zal Hem de Morgenster geven. Die ooren heeft, die hoore wat Gods Geest tegen de gemeente zegt.quot;

Gode zij dank, dat ik naar die blinkende Morgenster mag hoeren, om te doen wat Hij, de Zone Gods, de Zonne der gerechtigheid, mij zegt, door Zijne kracht, die Hij in mij volbrengt en die mij verzekert dat de Eerste en de Laatste met mij zal zijn tot de voleinding der wereld, ja tot in der eeuwigheid. Ja, de heilige Jehova zelf openbaart het mij, om voor Jezus Christus als eene ware Apostelin te strijden, voor Zijne gerechtigheid en heiligheid, waarvoor Hij heeft geleden en volstreden, ja overwonnen om het rijk der duisternis te beschamen. Niet om het alleen te bezingen, maar om waarachtig in den mensch te niet te doen de zonde en de ongerechtigheid, opdat allen die zich tot den levenden God bekeeren, genade ontvangen om in den Waarachtige te ge-looven en niet meer satan te dienen, maar den levenden God in Christus Jezus, die hen dan bewaart voor 's boozen vijands macht, en hen doet leven in vrede en gerechtigheid, zoodat Christus zelf hun Zijn heil doet zien, wanneer zij in Zijn Woord blijven en in Zijn licht wandelen, om God lief

ocr page 283

259

te hebben, zoodat zij de wet Gods in hun hart hebben, en op hunne gangen niet slibberen, maar weten dat, als zij als een rechtvaardige in Christus leven. God hen niet verdoemt, als zij geoordeeld worden, vermits het heil van Christus hun deel is en de rechtvaardigen zullen ontwaken in de eeuwige zaligheid , wat zij reeds hier op aarde ondervinden door de verzekering van den Zoon des levenden Gods zelf, dat de poorten der hel hen niet meer kunnen overweldigen , vanwege de liefde waarmede Christus hen heeft liefgehad en zij Christus liefhebben om Zijne geboden te bewaren, zoodat de Vader hen zal liefhebben en de Vader en de Zoon bij hen woning komen maken om hen van liefde en vrede te spreken, — dien vrede, die alle verstand te boven gaat; ja, en die hen doet leven in de volheid der gerechtigheid en heiligheid van Hem, die het alles voor hen heeft volbracht.

Immers Gods heilig Woord leert ons wat de rechtvaardige zal ontvangen en wat den goddelooze te wachten staat. De ware Apostelen en discipelen gelooven ook in geheel de Schrift, maar zij verbasteren Gods Woord niet om de onbe-keerden te dekken met de woorden Gods die voor de rechtvaardigen zijn. Ook beliegen -zij Gods Woord niet om tot de rechtvaardigen, die in Christus Jezus zijn, te zeggen dat zij uit den duivel zijn , of om het werk van Christus te verbreken en Zijne macht krachteloos te maken.

Neen, zij zeggen den goddeloozen wel terdeeg hun wee en verdoemenis aan met dezelfde woorden die in Gods Woord staan, en waarmede zij eens geoordeeld zullen worden, zoo-dat zij het voelen dat Gods Woord de waarachtige waarheid is, gelijk ik het ook heb gevoeld in mijn oordeelsdag, wat ik niet heb vergeten, en waarvan ik ook niet kan zwijgen , maar waarvan ik moet spreken, in de hoop dat de goddelooze en onbekeerde zich tot God bekeeren in den geloove, en niet rusten vóór dat de genade ook aan hen is verschenen, zoodat zij weten dat zij gereinigd, geheiligd en gezaligd zijn door het bloed van het Lam Gods dat de zonden der goddeloozen en onbekeerden wegneemt, van wie het ook zijn, van armen , rijken , schriftgeleerden , dominé's , pastoors, rabbi's, ja, zelf van den Paus, en tot welke opgerichte kerken zij ook mogen behooren.

Daar zal trouwens ook niet naar gevraagd worden, tot welk kerkgenootschap men behoort, maar wel of het bloed van Christus, den Zoon des levenden Gods, iemand heeft gereinigd, om in het licht van Zijne goddelijke gerechtigheid

ocr page 284

26o

te leven; zoodat zij allen, wie zij ook zijn, vrij zijn gemaakt van de zonde en den dood, om geheiligd in Christus Jezus te wandelen in zalige gemeenschap met den driemaal heiligen God, die hen dan leidt door Zijnen Heiligen Geest en hen maakt tot ware Apostelen en discipelen, die doen wat God in Zijn waarachtig Woord heeft gesproken.

Ja, de ware Apostelen en discipelen zeggen het hun aan, die niet weten dat zij Christus deelachtig moeten worden en nog maar met God en Zijnen Zoon. den Rechtvaardige, en met Zijn heilig Woord doen wat zij willen, dat zij allen hunne verdoemenis, ja de hel te gemoet loopen, daarzonder de heiligmaking niemand den Heere God zal zien in al zijne glorie en heerlijkheid, om met Hem en Zijnen Zoon te zitten in den troon, en met Christus, den Zoon des levenden Gods, die dood is geweest, maar nu leeft, te leven en te heerschen tot in der eeuwigheid.

HOOFDSTUK XXI. Van de goddeloozen.

Ja, zóó moet het zijn. Want de goddeloozen, die in de zonde en de ongerechtigheid voortleven, en zich zeiven inbeelden dat zij zulke groote lichten zijn en het zout der aarde, terwijl zij niet eens in waarheid in Gods Woord ge-looven, maar er uit gelooven wat zij willen, — die zich inbeelden de kinderen des Koninkrijks te zijn, zij zullen worden buiten geworpen in de buitenste duisternis, waar weening zal zijn en knersing der tanden, onverschillig van welken godsdienst zij zijn.

God vervult Zijn Woord zoo waarachtig als Hij leeft tot in der eeuwigheid; daar mag geen woord af en ook niet bij, daar de Alpha en de Omega het alles bevestigt. De godde-looze zal dat eens ondervinden, maar ook de rechtvaardige, die door Christus, den Zone Gods, is levend gemaakt door het geloof in Hem en dien God eens zal bevestigen tot den einde toe om onbestrafifelijk te zijn in den dag van onzen

ocr page 285

2ÓI

Heere Jezus Christus en om nu te schijnen als een licht op een kandelaar, opdat de menschen hunne goede werken zien, die Christus zelf in hen werkt, zoodat zij als een tempel des Heiligen Geestes leven, Gode welbehagelijk, om eenmaal de eeuwige zaligheid te beërven, en daar met de gereinigden, geheiligden en gezaligden voor eeuwig te juichen voor den troon des Lams, dat hen Gode gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, en om daar het nieuwe lied te mogen zingen van Mozes. Niet het lied van drie Mozessen, of drie redacteurs ,, maar het lied van Mozes, den man Gods, en het Halleluja ter eere van het Lam dat op den troon zit tot in alle eeuwigheid. Ja, Amen! Halleluja! Amen!

Ik geloof wel dat als iemand zich in waarheid zelf beproeft, wie hij ook zij (ik behoef niet telkens al die benamingen van titels en regels op te noemen, ook niet ieder persoonlijk), maar ik denk wel dat als ieder mensch zich beproeft, hij het dan wel kan weten (zooals ik het nu ook weet), ofhijalseen goddelooze leeft — ofschoon gedoopt met een Christus-naam, zonder den Geest van Jezus Christus te bezitten — en daar maar slapeloos in het duister onder de macht van den booze voortleeft, en opschrikt en siddert, als men over de gerechtigheid en heiligheid van Jezus Christus met hem begint te spreken, en van dood en oordeelen Gods, waarvan hij niets wil weten, en liefst maar zoo ver mogelijk weggaat om het niet te hooren, daar dan zijn geweten ontwaakt en hij liever onder de macht van satan insluimert en doet wat hij hem zegt om zich wat te verzetten, zooals ik dien ge-vloekten duivel vroeger ook gehoor gaf, en mijne verdoemenis zooveel te zwaarder werd. Toen kunnen zij zonder Christus en Zijne gerechtigheid geene rust voor de ziel vinden met al de verzetjes van afgoden die satan hun ingeeft, net zoo min als ik vroeger. Want in deze gerechtigheid en heiligheid van Christus moeten ook zij leven en sterven. Gods Woord zegt het ook, dat Christus gestorven is voor ons toen wij nog zondaars waren. Alzoo , Christus is niet gestorven voor degenen die maar zondaars willen blijven, want die weten dan niet, dat Christus ook voor hen gestorven is en zij door Hem opgewekt zijn om in Zijn licht te leven, zoodat, wanneer zij aan hun dood denken, zij dan beginnen te sidderen , en alzoo heel goed weten dat, als de dood wezenlijk komt, het allesbehalve goed met hen is gesteld, en zij de oordeelen Gods reeds beginnen te gevoelen, zonder dat zij het zei ven weten, maar wat zij eens voorgoed zullen ondervinden in

ocr page 286

202

hun oordeelsdag en dan zij misschien voor eeuwig, terwijl ik nog maar ruim 21/j jaar het heb ondervonden.

Zoo weet dan de goddelooze, als hij aan den dood denkt, dat hij goddeloos is. De eerste dood van zonde leeft dan nog in hem, en hij is bang voor den tweeden dood als hij sterft en zal gaan, zoo God het niet verhoedt, naar de hel. Ja, als zij zich zeiven goed beproeven, kunnen zij weten hoe het met hen staat.

Niet alzoo is het met den rechtvaardige, die den eersten dood van zonde en ongerechtigheid is gestorven en weet, dat hij met Christus is begraven , en met Hem is opgestaan en in Zijne kracht strijdt tegen het zondig hart, dat zoo vreeselijk door satan wordt bevochten en bestreden, maar waarvan Christus immer overwinnaar blijft, daar hij de werken des satans telkens verbreekt. Als de duivel hun twee woorden geeft, dan geeft Christus hem er tien terug uit Zijn dierbaar Woord, zoodat satan zijne pijlen afschiet op het borstwapen van Christus' gerechtigheid, waarin de rechtvaardige leeft en strijdt tegen de wereld. tegen zijne vleeschelijke begeerlijkheden en alles wat duivelsch is, om met Christus het rijk des satans neer te werpen, die het niet alleen met woorden doet om het te zingen;

„Wij werpen 't rijk des satans neerquot;,

om hem dan weer te gaan dienen en om God te bespotten, neen, maar met daden, daar de rechtvaardige in Christus Jezus, een werktuig in Zijne hand is geworden om niet alleen met Hem te strijden tegen zijn eigen persoon , maar om ook tegen andere personen, hetzij rijk of arm of wie het ook zij, wanneer zij uit het rijk des satans zijn, dan met het zwaard van Gods Woord en de wapenrusting Gods te strijden en zoo, kon het zijn, satan neer te werpen en den mensch te behouden.

De rechtvaardige weet in Christus zijnen Koning hoe hevig de strijd tegen satan in de ziel reeds kan zijn en hoe pijnlijk dat is; maar hoe zal eens de ongelukkige die nog den dood van zonde en satan te gelijk in zich omdraagt, te kampen hebben, wanneer de almachtige God hem den adem ontneemt en de geest, waardoor hij leeft en zich beweegt, weer tot God gaat en de menschenziel geheel aan den duivel wordt overgegeven in den tweeden dood.

Ook weet de rechtvaardige dat hij niets uit eigen kracht

ocr page 287

263

doet, maar eene kracht in zich voelt opkomen van boven uit de hoogte die hem doet spreken om het rijk der duisternis te beschamen. Daarom weten de rechtvaardigen ook dat Christus Jezus Zijne kracht in hunne zwakheid volbrengt.

Die zich zóó beproeft, en leeft in de kracht van Jezus Christus, om als een gerechtvaardigde met Hem te strijden voor de eere, de liefde en de gerechtigheid Gods, waarvoor Christus het heeft volbracht op Golgotha, werkt ook verder met Hem , niet met mooie woorden, maar met daden , zoodat hij weet dat hij een gerechtvaardigde is. Jezus is dan ons Hoofd en wij zijn de leden. En waar het Hoofd is daar arbeiden de leden.

En dan weten de rechtvaardigen dit onderscheid, dat, nu zij deel hebben aan de eerste opstanding uit den dood der zonde, zij, als zij sterven, niet bang behoeven te zijn voor den tweeden dood, daar Christus den dood heeft overwonnen en de rechtvaardige ingaat in de eeuwige zaligheid, tot roem en prijs van onzen Verlosser en Zaligmaker Jezus Christus, den Koning der koningen , met Wien wij op aarde wettelijk gestreden hebben tot eer en glorie van Gods heiligen en nooit genoeg volprezen Naam, en tot heil der menschheid, ja, zelfs om den rechtvaardige zijn eeuwig heil aan te kondigen, dat hij na den strijd, de kroon der overwinning zal behalen, die de Koning der gerechtigheid en heiligheid, met Wien zij strijden en lijden (daar zij door vele verdrukking en smaad-heid heen moeten om de overwinning te behalen), daar Christus ook zelf zoo de zege heeft behaald.

Ja, die Koning, met Wien zij overwinnen, zal zelf hun de kroon der rechtvaardigheid toereiken, wanneer zij in Zijne heerlijke rust zullen ingaan. om eeuwig met Hem, onzen Overwinnaar, in de hemelen te zijn.

En daarvoor brengen wij Christus Jezus, het Lam Gods, dan de glorie toe, zooals Hij waardig is te ontvangen de lof en eer tot in der eeuwigheid.

En zóó bouwen de rechtvaardigen in Christus elkander op in het allerheiligst geloof, door de kracht van den Voleinder des geloofs, Jezus, in Wien zij geplant zijn, om op te groeien tot verheerlijking van Zijnen naam.

Maar ook, dan zegt de rechtvaardige in Christus den godde-looze zijn wee aan, wie het ook zij, geleerd of ongeleerd en allen die de waarheid — Gods Woord natuurlijk, anders bestaat er geene waarheid — niet geloofd hebben , maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid, en vooral

ocr page 288

264

aan hen die Gods Woord verdraaien, om er zich mede te dekken en de werking des satans van leugen en bedrog liefhebben , om daarmee hunne eer en hun voordeel te zoeken.

Ja, dan gevoelt de rechtvaardige de openbaring van den Heere Jezus van den hemel, met de engelen, niet met doode letters, maar met kracht, door den Geest van GodsWoord, om den ongeloovige aan te zeggen dat God met vlammend vuur zal wrake doen over degenen die God niet kennen en over degenen die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn geweest.

O, wie zou daar nu beter van kunnen getuigen dan ik, die Gods wrake zelf heb ondervonden en met een vlammend vuur half verteerd ben geworden, daar ik nog maar in de voorhei ben geweest.

O, wat moet dat wel verterend zijn voor hen die in de hel komen.

En dit is zeker, al de ongeloovigen, en allen die in de zonde leven, en allen die ongerechtigheid plegen en werken en God niet kennen, en Jezus Christus en Zijn Evangelie ongehoorzaam zijn, —- zij zullen het eens ondervinden, dat Gods Woord de waarachtige waarheid is, hetzij hier, hetzij hiernamaals, hetgeen God verhoede, aangezien het hiernamaals niet uitgebluscht zal worden voor al degenen die leven in de verleiding der onrechtvaardigheid, noch voor degenen die verloren gaan omdat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden.

O, als zij in hunne zonde sterven en zich niet bekeerd hebben, zullen zij het nog erger in de hel ondervinden dan ik het op Veldwijk heb ondervonden in de voorhei van den duivel. En dat is zoo waarachtig waar als Gods heilig Woord waarheid is en ik op Veldwijk ben geweest en dit hier neerschrijf. En ik kan getuigen dat God een waarmaker is van Zijn Woord.

O, als ik aan dezulken denk, dan lijd ik en bid voor hen, opdat God geve door genade, en om het zoenbloed van Zijnen geliefden Zoon Jezus Christus, dat zij tot bekeering mogen komen, terwijl ik, voor Jezus, arbeid aan hunne zielen, opdat zij zich tot God wenden om voor eeuwig behouden te worden.

ocr page 289

205

HOOFDSTUK XXII.

/ e/ } nbd

Hl

Van de onverschilligen en van de armenquot; en ongelukkigen die nog minder zijn dan de heidenen.

En bij hen arbeid ik het meest, die nog minder leven dan de heidenen, ja geheel zijn in de macht van den duivel en zijne booze geesten, en die zóó vreeselijk in de duisternis leven, dat zij niet eens weten wat de Bijbel noch God eigenlijk beteekent. ,, Nu, jaquot;, zegt de een, „misschien is er een God, maar wat geeft mij dat?quot;

Een ander zegt: „Ja, ik geloof wel aan een God, en ik ken den Bijbel heel goed, hoor; dat behoeft u mij niet te leeren.quot; En dan hoort men een heelen boel verwarde tekstwoorden over het volk van Israël, behalve van de gerechtigheid van Christus.

Maar, o wee, als ge hun dan iets leent, om wat in hun winkel bij voorbeeld op te doen, en het hun zoo gemakkelijk mogelijk maakt om elke maand een gulden te komen afbetalen, dan ziet men hen noch met al hunne Bijbelteksten en nog minder met het geld terug. Zulke godverloochenaars!

Een derde gelooft heelemaal niets.

En de vierde? Nu, die wil nog wel luisteren, als ge het maar niet te erg maakt met over den godsdienst te spreken; dat doet de domine' ook niet. Zóó hebben zij het nog nooit van hun dominé in de kerk gehoord; zóó erg moet men den godsdienst niet opvatten, dan zou een mensch geen leven meer hebben, en een mensch moet toch wat hebben; dat hebben de domine's ook wel. Als wij maar doen zoo zij het zeggen, want zij verstaan den Bijbel beter dan wij, want zij zijn wat geleerd. Weet ge wel dat die dominé doctor en die dominé professor is in de godgeleerdheid?

„Nu hooger kan het al nietquot;, zeide ik.

„Kom, komquot;, zeggen zij, „mensch, ge zult je gek maken, als ge zoo erg godsdienstig wordt. Neen, godsdienst is goed, maar zóó erg behoeft het niet.quot;

O, die ongelukkigen! Zij zullen nog eens gek worden van de pijniging, omdat zij met den godsdienst maar doen wat zij willen.

k

ocr page 290

266

En dan hebt ge nog een vijfde, de rijken. Als ge daarmee gaat spreken, dan worden zij zóó zenuwachtig, bevreesd, dat zij u wel willen wegkijken, en om je heen draaien, zonder een ander woord te kunnen spreken, dan; „Ja, wij begrijpen u toch nietquot;, wat zooveel wil zeggen als: ik wenschte dat u maar wegging.

O, die beklagenswaardige schepsels, die hunne kracht alleen in hun geld zoeken, waarvan zij eens rekenschap zullen moeten geven in den dag huns oordeels, dien zij niet kunnen ontloopen, en waarin hun zal worden voorgelegd, niet alleen dat zij God niet hebben willen leeren kennen, noch een Christus tot hun deel wenschten te hebben, om in Hem Gode welbehagelijk te leven, — maar ook zullen hun worden voorgelegd de armen, de ongelukkigen, de zieken, degenen die geheel van den duivel bezeten zijn en bijna omkomen van gebrek, en degenen die kwalijk gesteld zijn en zich zeiven niet kunnen helpen om hun brood te verdienen, ja naar welke allen de rijken met hun geld niet omzien om den nood dier ongelukkigen te lenigen, ofschoon het in Gods Woord genoeg wordt aangezegd, dat de rijken de armen moeten bijstaan. O , hun oordeelsdag zal verschrikkelijk zijn; dat durf ik hun aanzeggen.

En bij wie nu het meeste de schuld ? Bij hem die zich tegen-stelt en zich verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zich zeiven vertoonende dat hij God is; een menschen-kind. En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zich zeiven verheffen en grootmaken boven allen God, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken, en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij. Want het is vastelijk besloten, het zal geschieden. En nu wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard zoude worden te zijner eigen tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt aireede gewrocht; alleenlijk die hem wederhoudt, zal hem wederhouden , totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal doo^ den geest Zijns monds en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst. Ja, deze verborgenheid van den waarachtigen God gaat diep, maar mag ik verstaan, doordat ik zelf het werktuig in Gods hand ben om het te openbaren, en te getuigen , dat het waarheid is wat de Apostel Paulus en de profeet Daniël hebben voorspeld in het Oude en Nieuwe

ocr page 291

267

Testament, en ik daardoor ook mag zien hoe velen er door dien valschen en verheven God verleid worden; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij en dat geopenbaard zij de Mensch der zonde, de Zoon des verderfs.

Nu wij kunnen genoeg weten, als wij met onze gewone oogen om ons heen zien, dat er een vreeselijk groote afval is van zonde, ongeloof, bijgeloof en ongerechtigheid, welken de Zoon des verderfs teweegbrengt, de valsche god met zijne onderhoorigen. Dezen roepen maar: hier is de Christus en daar is de Christus, behalve een Christus van gerechtigheid, heiligheid en vrede in de ziel, maar wèl Christussen van eigenbelang, van doode woorden die de menschen niet verstaan , en waar de ongerechtigheid door vermeerderd wordt, doordat hun de ware Christus niet wordt geleerd, maar de valsche god en de daden dier goden, waarvan de wereld schande spreekt, en waardoor het ongeloof hoe langer hoe meer in de wereld komt, met bijgeloof, om van den levenden God en den waren Christus af te vallen en in de macht der duisternis te leven, hun eeuwig verderf te gemoet. En dat alles is de schuld van den valschen god en de goden die den valschen Christus hebben. Want als zij den waren Christus in hun hart hadden, dan zou het hun onmogelijk zijn die ongelukkigen aan hun lot over te laten, maar zij zouden spreken van de liefde Gods en de genade en de gerechtigheid van den waren Christus, waarin zij moeten leven, willen zij niet voor eeuwig verloren gaan.

Maar nu, wat bekommert een valsche Christus zich om de ziel van een ander, hij die zelf dood is in ongeloof en ongerechtigheid ! Hoe kan daar kracht van uitgaan, zoo de ware Christus niet dringt om te doen wat Christus ook heeft gedaan, het land doorgaan goed doende en genezende alle ziekten en kwalen en hen die onder het geweld des duivels liggen. Ja, de ware Christus, Gods Zoon, zou hun zeggen, en er hen door Zijne kracht toe dringen, gelijk Hij het ook aan Zijne Apostelen deed, Gode zij dank mij ook, al ben ik maar eene nietige vrouw: Gaat henen en geneest de kranken, en zegt tot hen ; het Koninkrijk is nabij u gekomen.quot; En dat Koninkrijk bestaat daarin, dat zij zich be-keeren van hunne booze werken, de werken des duivels, waarin zij gebonden zijn door satan, en waarvan Christus hen wil verlossen door hun geloof in Hem en Zijn Evangelie, opdat zij door Christus Jezus gerechtvaardigd worden om in Zijne liefde en gerechtigheid te leven tot hun eeuwig behoud.

ocr page 292

268

Ja, zoo is Gods Koninkrijk om Gods wil te doen, zooals het 'in Zijn heilig Evangelie staat beschreven, en dan zal het Koninkrijk van den waarachtigen God ook komen over de gansche aarde en binnen hen zijn, niet met een half Koninkrijk van God en de andere helft van het rijk des satans om zijne duistere werken te doen. Neen, zulk een Koninkrijk bestaat niet bij God, daar de driemaal heilige Jehova geene gemeenschap kan hebben met de werken van den duivel en diens rijk der duisternis. ^

Gods Koninkrijk is gansch en al licht en gansch geene duisternis is in Hem. En daar wijst de ware Apostel van Christus degenen op, die tot God gaan. En dan moeten dezulken zich ook geheel aan Christus overgeven en met Hem strijden tegen alles wat uit den booze en wereldsch is en niet meer naar hun vleesch leven, zoodat zij weten dat het Koninkrijk Gods binnen hen en Jezus Christus hun Koning is, onder Wiens banier zij strijden den goeden strijd des geloofs. En zij weten dat er geene verdoemenis meer voor hen is, nu zij in Christus lezus, den Zone Gods, de Zonne der gerechtigheid zijn, die hen door Zijnen Geest bereidt voor het eeuwige Koninkrijk daar boven en waar zij jubelen

zullen voor Zijnen troon.

En zóó leert en dringt de ware Christus door Zijne kracht Zijne Apostelen, en geneest de ziekten en kwalen ook, daar Hij geen half werk heeft volbracht, maar een geheel werk, zoodat Jezus Christus niet alleen voor onze zonde is gestorven, opdat wij door Hem tot den levenden God konden komen om vergeving te erlangen. Maar Hij, de Man van smarten, heeft waarlijk ook onze krankheden op zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen, en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Ja, dat is ook de waarachtige waarheid. Maar dan moet men zich geheel aan Hem, den Almachtige, Die is , Die was en Die komen zal, alleen toevertrouwen, en gelóoven dat Hij, de machtige Koning van het heelal Die het beloofd heeft en getrouw is, het ook zal doen. Doch dan mogen zij het niet eerst aan den dominé vragen of die het wel gelooft en goedvindt, en naar den dokter loopen, die al reeds misschien tien jaar over hen heeft gepraktiseerd, terwijl niets heeft geholpen met al de drankjes, pillen, poeiers en verdoovingsmiddelen, zooals ik dat alles ook heb gehad, ofschoon het ook niets gaf.

Neen, Jezus Christus, de groote Geneesheer, de Heelmeester , moet het alleen doen, Hij wil de wet in ons

ocr page 293

269

vervullen, opdat Hij ook alleen de eer er voor ontvange, en niet de pillen en de poeiers. Jezus Christus alleen, en anders geen, de eer voor hetgeen Hij uit genade voor ons wil doen nu en tot in der eeuwigheid.

Ja, zóó werkt en moet een Apostel zijn van den waren Christus, Die het alles heeft volbracht, maar ook voortzet, om ware discipelen van Christus en Gods Koninkrijk te maken, opdat Gods wil geschiede en Zijn Koninkrijk worde uitgebreid door allen die de gerechtigheid najagen en God van harte zoeken. Dan zullen zij als vrijgekochten weder-keeren en met gejuich tot Zion komen en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen. Vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treurigheid en zuchting zullen wegvlieden, en al verzette de aarde zich van hare plaats en de bergen vielen in de zee, dan zouden die Apostelen en discipelen van den waren Christus, in Wiens heiligheid en gerechtigheid zij als koningen en priesters heerschen, toch niet vreezen, want de Geest van Christus, den Almachtige, zou hen met Zijne kracht overschaduwen, zoodat zij als krachtige helden het zouden uitroepen: „ Hij, onze Koning, de Zone Gods, de Rechtvaardige, Die ons Gode gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, Hij leeft en wij zullen met Hem leven, daar het leven ons Christus was en het sterven ons gewin.quot;

Ja, dat zal in plaats van de angsten des duivels heerlijk zijn, daar Christus dan met Zijnen Geest in ons is, om ons te doen triumfeeren over dood en hel, daar Hij, de Almachtige, alle geesten verslaat en doet wijken. Ja, dat weet de rechtvaardige in Christus nu reeds bij ondervinding, dat hij immer versterkt wordt door de kracht des Heiligen Geestes, zoodat hij zelfs psalmen zingt in den nacht. Niet alleen dat zij wel eens 's nachts als zij wakker worden psalmen gaan zingen ter eere Gods, maar ook in de verdrukking, in bezoeking van tegenspoeden, bij aanvechtingen en bestrijdingen des satans, smaadheid om Christus wille, bij strijd om voor het recht op te komen en te handhaven, daar dat Gode wel-behagelijk is. Ja, door al die narigheden des vleesches werkt de Geest heen, en laat je in al die donkerheid van dien nacht nog psalmen zingen om God te verheerlijken. Zelfs al bliksemt en dondert het nog zoo, dan bezingt de rechtvaardige Gods groote daden, door de kracht van Gods Geest, die hij in zich voelt opkomen.

En zoodoende weet de rechtvaardige, daar Christus het hem openbaart door Zijnen Geest, dat, als de dood, de

ocr page 294

270

laatste vijand, komt, Christus, de Overwinnaar der overwinnaars , met Wien zij hebben gestreden om de eer van Zijn Koninkrijk hoog te houden, dat liefde, gerechtigheid en heiligheid is, — Hij, de Koning der gerechtigheid, wanneer Zijn onderdaan daar krachteloos nederligt, door 's vijands macht, den draak, den dood, het groote beest, — Hij, zeg ik, dan tusschenbeide komt en hen verlost voorgoed van de oude slang, den duivel, tegen wien zij zoo hebben gestreden tot den einde toe, zoodat hunne bestredene ziel opwaarts ten hemel vaart in een onverderfelijk lichaam, naar het huis waar vele woningen zijn, en waar de Overwinnaar, de Koning der koningen, den verlosten plaats heeft bereid, om eeuwig bij hun Koning te wonen in de eeuwige zaligheid, en daar Zijne heerlijkheid en Zijne glorie te aanschouwen.

Ja, dat is de toekomst van den rechtvaardige, die niet ia ongerechtigheid leeft en dood voor de zonde is en niet meer naar het vleesch leeft, maar naar den Geest van Christus Jezus. Dezulken zijn de uitverkorenen Gods, die door Christus bewaard worden omdat zij in Christus, den Rechtvaardige, zijn, het onbevlekte en onbestrafifelijke Lam Gods, en daarom is het onmogelijk dat de valsche profeten met hunne valsche Christussen, indien het mogelijk ware, de uitverkorenen die in Christus zijn, meer zouden kunnen verleiden, het zij wie het zij. De ware Christus toch heeft hun verstand geopend om op te merken en hunne zielsoogen geopend om te zien datgene waarvoor Jezus Christus hen waarschuwt.

HOOFDSTUK XXIII.

Van den w e r e 1 d s p i e g e 1 om ons heen en boeken en couranten.

Er wordt zelfs in den tegenwoordigen tijd den menschen niet eens meer de wet van Mozes geleerd. Zij wordt wel voorgelezen, maar om te doen, — dat komt er niet op aan, dat behoeft niet. En toch staat er geschreven in Gods Woord ; „Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God,

ocr page 295

271

maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden.quot;

Alzoo ziet de rechtvaardige, dat de schriftgeleerden, gcd-geleerden, dominé's, pastoors of rabijnen, of welke benaming zij hebben, alleen maar met doode woorden roemen van de wet en het waarachtig Evangelie van Christus en zich zeiven betrouwen te zijn leidslieden der blinden en een licht dengenen die in duisternis zijn, terwijl zij met de blinden maar in het duister voortleven van de zonde en ongerechtigheid en de wereld dienen, in plaats van den waren Christus en den levenden God, in geest en in waarheid te dienen, zoodat zij van blind ziende worden en van hoorders der wet daders worden.

Ja, die blinde leidslieden doen er met hunne duistere werken zooveel bij, dat de blinden hoe langer hoe blinder worden en maar doen wat zij willen en dat ziet de gerechtvaardigde van Christus, alsook hoe zij beminnen de vooraanzittingen in de maaltijden, en waar dan met voorbedachten rade een braaf man geschandvlekt wordt omdat hij het Evangelie van den waren Christus boven het Evangelie van de Reformatie wil hebben.

Ja, dat laat Christus den rechtvaardige in Hem alles opmerken , en ook hoe de schriftgeleerden zich op de voorgestoelten verheffen om van de menschen geëerd te worden, en daarbij nog geschenken ontvangen van zilver en kostbaarheden en mooie pluimstrijkerijen van mooie vleiende woorden, alsof het, Nota bene, nog niet genoeg ware om 25 jaren lang er voordeel in te zoeken om God te tergen met aan den eenen kant over Gods Naam te spreken, en aan den anderen kant de Amsterdamsche effectenbeurs te plaatsen. Is dat niet een gruwel voor dien driemaal heiligen God, die zelf zegt: „Gij kunt Mij niet dienen en den Mammon?quot;

Ja, zulke geveinsden sluiten het Koninkrijk der hemelen voor de menschen „overmits gij daar niet in gaat, noch degenen die zouden ingaan laat ingaan.quot; En hoe velen zijn er niet van schriftgeleerden in alle vormen, „die zee en land omreizen om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zoo maakt gij hem een kind der hellequot;, omdat de ware Christus, de Zoon des levenden Gods, niet in waarheid hun wordt gepredikt, en het met al die mooie woorden die hun worden aangezegd, bij hen in de ziel alles toch dood blijft en hun geest verlamd wordt, omdat zij van den waren Christus met Zijne gerechtigheid worden afgehouden en er maar met halve tekstwoorden wordt gepreekt, in plaats van heele, zooals: „dan is er geene verdoemenis meer voor

ocr page 296

2/2

degenen die in Christus Jezus zijnquot;, en daarbij komt, dat een ieder zich inbeeldt dat hij in Christus is, al doet men wat men wil als men uit de kerk is. Want er wordt niet bij gezegd, zooals Paulus het heeft gezegd: „ Die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den geestquot;, maar Ds. Bryce laat de laatste woorden maar weg om de menschen niet te veel te verontrusten, en daarom gaan zij maar weer de wereld in, om een kind der helle te worden.

Weer een ander, Ds. Weiter, spreekt maar alleen daarvan: „dat het een mensch eenmaal is gezet te stervenquot;, maar „en daarna het oordeelquot; laat hij weg; en juist dat laatste moet den mensch het meest doen ontwaken, wanneer het hem goed wordt voorgelegd uit Gods heilig en waarachtig Woord, daar Christus Jezus ter rechterhand Gods zit om te oordeelen de levenden en de dooden, en wat een ieder eens zal moeten ondergaan. En daarom kunnen zij de menschen niet genoeg met de oordeelen Gods, zooals zij in Gods Woord staan beschreven, doen ontwaken, opdat zij zich tot den levenden God wenden, om in Christus behouden te worden en Hem ter eere te leven, om eenmaal, als hun oordeelsdag aanbreekt, de hemelsche zaligheid in te gaan.

En zoo zijn er meer, ook die maar een halven psalm laten zingen, zooals Ds. Karres, en juist het eerste gedeelte, wat een mensch moet zijn om een dader der wet te wezen, waar God mee verheerlijkt kan worden als wij Hem, den algoeden Vader gehoorzaam zijn, blijft maar achterwege. Nu, ik denk dat Ds. Karres heeft gedacht, dat er velen bij hem in de kerk waren, die dat niet konden zingen. Maar er mag toch van Gods Woord niets af noch bij.

Zoo mag ik zooveel opmerken. Want zie „die de bergen formeert en den wind scheptquot;, maakt mij bekend wat Zijne gedachten zijn, „die den dageraad duister maakt en op de hoogten der aarde treedt, Heere, God der heirscharer is Zijn Naam.quot; O, wat eene waarheid!

En welke waarheid zien wij om ons heen? Dat het alles geschiedt, zooals de ware Christus het heeft voorspeld, „dat er velen zullen komen onder Mijnen Naam, zeggende: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden.quot; O, wat zien wij dat tegenwoordig. De een spreekt maar zoo van een Christus, en de ander maakt er weer wat anders van, zoo mooi mogelijk, met preeken, boeken en couranten, hetgeen het hart der menschen streelt, en waarbij zij indommelen, ofschoon de een het nog prachtiger vindt dan de ander,

ocr page 297

273

zoodat zij er geheel versuft onder raken, daar alles maar even mooi is opgesmukt, precies als wanneer men prachtig is aangekleed en daarmee voor den spiegel gaat staan om de zinnen te streelen en denkt: wat ben ik mooi, terwijl hunne ziel zwart en leelijk is van de zonde. Maar dat bemerken zij niet, zoolang zij niet wakker worden geschud door den waren Christus, die er geene suffers op na houdt, om zich in een boek of eene courant te verdiepen , wat hun een Luilekkerland voor hunne slaperige oogen stelt, en waarmede zij dwepen en worden bevangen, en om anders niets denken dan een ingebeelden hemel, zooals ik mij vroeger het Luilekkerland heb ingebeeld en mij overgaf om daaraan te denken en wat mij versufte en mijnen geest benadeelde, en wat ik toch nimmer heb gezien.

Zóó zal het ook wel gaan met degenen die zich in die mooie boeken versuffen en couranten, die hun maar van alles wat ophemelen. Ik denk dat dezulken eerst wakker moeten worden geschud, opdat zij de mooie couranten en boeken vergeten van Luilekkerland, net zooals zij hun mooi kleed waarmede zij voor den spiegel hebben gestaan, vergeten zullen als het versleten is. Dan zal Gods waarachtig en heilig Woord op den voorgrond treden, waarin zij hunne zwarte zondige ziel gaan spiegelen en aan hunne zonden ontdekt worden, zoodat zij ontwaken en ontwaren dat zij op heel gevaarlijke klippen stonden en zij zich in eene zee van boeken en couranten spiegelden, waarin zij moesten omkomen, als Christus, de Zoon des levenden Gods, in Wien niets anders dan kracht en leven is van bidden en werken met woord en daad, hen levend maakt in Zijn Woord door Zijnen Heiligen Geest en zij ontwaken om te zien dat al die boeken en couranten geheel tegenstrijdig zijn met Gods Woord, en Christus Jezus het hun nu geheel anders leert, hoe zij nuch-teren moeten zijn en waken, opdat Christus over hen lichte, en hen leide naar den wil van Zijn hemelschen Vader, Hij die nimmer moede noch mat werd om voor de menschen te arbeiden tot behoud hunner ziel van den eeuwigen dood, en hoe de verlosten en geredden nu ook met Hem moeten arbeiden, opdat er vele zielen gered en behouden worden tot eer van Zijnen grooten verheven Naam en tot heil veler menschen.

Dan zullen zij zien in een spiegel van de wereld, waarin zij kunnen zien den gruwel der verwoesting waarvan gesproken is door Daniël den Profeet.

18

ocr page 298

274

Wat een oorlogen en geruchten van oorlogen; het eene volk staat tegen het andere volk op, en dat nog wel in eene kerk, o neen, Kerken heet het. Nu is het gelukkig dat Christus daar ook nog volk voor zich heeft uitverkoren om levend gemaakt te worden om voor Gods Koninkrijk in waarheid te arbeiden.

En het eene Koninkrijk staat tegen het andere op, ja zelfs helpen de naam-Christenen nog mede om met den valschen profeet Mahomed, een vriend van den duivel, — dat zal hij eens ondervinden op 's Heeren tijd, wat trouwens die twee samen zal overkomen bij de voleinding der wereld; — nu dan, de naam-Christen-koningen strijden met dien profeet tegen hunne eigen naamgenooten. Hebt ge dat ooit bijgewoond ? Is dat niet een gruwel voor God, om zoo maar den Christennaam en de belijders van Christus voor de voeten te werpen van dien zwarten valschen profeet van een Turk, in plaats van hunne Naambelijders te helpen en den valschen profeet ten onder te brengen, hetgeen toch eens moet geschieden , daar Jezus Christus, de Zone Gods, overwinnaar blijft tot in der eeuwigheid over alle koningen en valsche profeten en Christussen, die zich tegen Hem stellen?

O, wat zal de God der wrake blinkende verschijnen, daar Hij de ongerechtigheid niet kan verdragen, maar ze straft op Zijnen tijd, en dan zien de verlosten in den wereldspiegel de pestilentie van allerhande ziekten, kwalen, ellende, haast van huis tot huis, zoowel hier als elders, en hetgeen door de zonde wordt teweeggebracht, en dus des menschen eigen schuld.

Dan, wat een hongersnood in die verre landen, hetgeen wij wel ter harte mogen nemen, daar wij ons nu nog in den dag der genade bevinden. Maar wie weet wat er nog in ons land zal gebeuren, als wij denken aan voorheen.

En wat hoeren wij niet van aardbevingen in verscheidene plaatsen, en gruwelen en branden, wat altemaal teekenen zijn, daar de almachtige God niet met zich laat spotten, om maar kermissen te houden voor liefdadige doeleinden, voor de armen, waar de rijken de barmhartigheid eerst gaan besmetten met hunne lusten bot te vieren.

Het is eene waarschuwing voor allen die in de wereld leven, opdat hunne ziel niet voor eeuwig lijde in de vlam, gelijk de rijke man, daar God een verterend vuur is voor allen die van Hem afhoereeren, in welken vorm ook. En dan zullen zij zien hoe de ware Apostelen en profeten in

ocr page 299

275

hunne verdrukking gedood worden en gehaat van alle volken, om des Naams wille van den waren Christus, en „die het leest merke daaropquot;. Maar eerst zal het Evangelie van het Koninkrijk Gods (wel te verstaan het Koninkrijk van liefde, gerechtigheid en vrede met God in de ziel) en van Christus, den Zone Gods, den Rechtvaardige, over de geheele wereld in waarheid worden gepredikt, en dan zal het einde komen.

Nu zien wij al genoeg een begin der smarten, dat geheel vervuld zal worden zoo waarachtig als de heilige Jehova den hemel en de aarde heeft geschapen, maar die eens zullen voorbijgaan, maar hetgeen God gesproken heeft in Zijn waarachtig Woord, zal geenszins voorbijgaan, want Zijn Woord zal bestaan tot in der eeuwigheid.

En wat zal dan het einde zijn van den goddelooze, waar Jezus Christus zelf zegt: „Gij slangen, gij adderengebroedsel, hoe zoudt ge de helsche verdoemenis ontvlieden?quot; Ja, eens zal de weg van de goddeloozen die geen God kennen en geen waren Christus in het hart, een einde hebben — dat heb ik ook ondervonden —; en zoo zij zich niet bekeeren, waar zal dan hun einde zijn? In de hel; daar kunnen zij hunne ongerechtigheid niet meer voortzetten; maar zij zullen geoordeeld worden een ieder naar zijne werken, want er is geene aanneming des persoons bij God, in den dag wanneer God de verborgene dingen der menschen zal oordeelen door Jezus Christus, naar Zijn Evangelie. Ja, dat heb ik ook ondervonden, en zonder dat ik het Evangelie van God en een Christus kende.

Maar dan wordt het de goddeloozen wel geopenbaard en moeten zij het voelen, geene uitgesloten, wie zij ook zijn, al de schrift-, wet- of godgeleerden, net zoo goed als de hoeren en tollenaren — hoewel die nog vóór zullen gaan — ja koningen, priesters, pausen, hoogheden, moordenaars, echtbrekers, vuil-gewinzoekers, leugenaars, ja wie het ook zijn, allen die ongerechtigheid gepleegd hebben, — dat zij zullen geoordeeld worden ten dage dien God daarvoor heeft gesteld door Jezus Christus, den Zone Gods. Want alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem, Jezus Christus, de Spruit uit Juda's stam, doorstoken hebben, daar zij allen door den Wortel Davids (die waardig was — omdat Hij overwonnen had — om het Boek te openen en de zeven zegels te verbreken), ja door Gods Zoon, Dien alle macht is gegeven op aarde en in den hemel, zullen geoordeeld worden, en degenen die niet zullen geloofd hebben, zullen

ocr page 300

276

verdoemd worden. Bij dezulken geeft de waterdoop dan niets.

En verder lezen wij genoeg in Gods waarachtig Evangelie, welke de straffen zijn die de goddeloozen zullen treffen, zoo zij niet gelooven en in de leer van Christus blijven en zonder God of Zijn gebod. Hun einde zal verschrikkelijk zijn.

HOOFDSTUK XXIV.

De hemelsche Landman zal komen om te oogsten wat Zijne arbeiders hebben gezaaid.

En zoo hebben wij dan gehoord het einde van den rechtvaardige en den goddelooze, waar ik ten deele van kan getuigen, en dat GodsWoord heilig, rechtvaardig en waarachtig is, waar geen woord af noch bij mag, daar de Almachtige in Christus Jezus, Zijnen eenigen Zoon, den Zoon Zijns eeuwigen welbehagens, het op Zijnen tijd bevestigt en vervult.

En o, nu is mijne bede, ■—die telkens oprijst tot den aller-hoogsten God, voor den troon Zijner genade,—en smeeking tot Hem, dat Hij, de rechtvaardige en almachtige en geduchte God, Die vreeselijk is in Zijne oordeelen over degenen die Zijn verbond breken, en Hem, den Heilige en Rechtvaardige niet gehoorzaam zijn, maar Die ook vol is van goedertierenheid, genade en barmhartigheid, dat Hij om Christus' wil, die het alles heeft volbracht op Golgotha, in Zijnen geliefden Zoon, in genade op de zondige wereld, die daar zoo verdorven ligt, wil nederzien en vele ware arbeiders wil geven, om die ongelukkigen — die geheel verduisterd zijn in hun verstand van ongeloof, bijgeloof en zonde en ongerechtigheid en doodliggende in de zonden en misdaden, zonder hope voor hunne ziel, om met Christus Jezus Die het verlossingswerk volbracht heeft dit voort te zetten, — om die ongelukkigen tot bekeering te doen komen, het zijn dan wie zij zijn, rijk of arm, schriftgeleerden, enz., ja allen die zich nog nooit hebben beproefd of zij in het geloof zijn en Christus in hen leeft en

ocr page 301

277

zij met Christus gekruist zijn om Gode gewillig te zijn en Hem ter eere te leven.

Ja, de heilige en genadige Jehova geve, Hij die het gezegd heeft dat Hij geen lust heeft in den dood eens zondaars, maar daarin dat de goddelooze zich bekeere en leve, ja, die het heeft beloofd en Hij is getrouw dat Hij het ook doen zal, — Hij, de almachtige Verlosser, geve ware arbeiders in Zijnen wijngaard, daar de oogst zoo verschrikkelijk groot is in alle landen, steden, dorpen en plaatsen.

Ja, de ware Landman zal Zijne arbeiders zenden om te zaaien en te maaien. Hij, de Rechtvaardige, die het heeft beloofd dat Hij velen rechtvaardig zou maken, om door Hem tot den levenden God te gaan, Hij zal ware arbeiders zenden, die vervuld zullen worden met kracht uit den hooge, vol des Heiligen Geestes, om de wijzen te beschamen en Zijn volbracht werk voort te zetten, opdat Zijn recht, waarvoor Hij, de Zoon des levenden Gods, heeft gestreden en geleden, weer tot zijn recht kome en Gods Woord gehandhaafd worde.

Ja, Hij komt. Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de dooden, om den goddeloozen te wasschen in Zijn bloed en te doen herboren worden, zoodat zij verlost zullen worden uit de macht des duivels, den vorst der duisternis, om overgebracht te worden in Zijn goddelijk, rechtvaardig en heilig licht. Ja, Hij, Jezus Christus, de eerste uit de Opstanding der dooden, zal hun uit hunnen dood van zonde en ongerechtigheid, wat duister is, een licht verkondigen al den volken en heidenen die in duisternis wandelen, ja die zelfs nog minder leven dan heidenen, als de Alpha en de Omega zijne ware arbeiders zal zenden om te oogsten, arbeiders die de diepten des satans kennen, niet om hem te gehoorzamen, maar om tegen hem, den duivel, met zijne machten van booze geesten, die hunne ziel beroeren, te strijden en de ongelukkigen die daar in blindheid onder de macht van satan voortleven te waarschuwen, in wiens macht zij zijn, en dan met hen te handelen over rechtvaardigheid, matigheid en over het toekomend oordeel, zoodat zij zich tot God bekeeren en vruchten voortbrengen der bekeering waardig en in den waarachtigen God gelooven door het Evangelie, en in Jezus Christus, die hen dan opwekt, hoe langer hoe meer, door de kracht Zijns Heiligen Geestes, om als kinderen des lichts te wandelen en God lief te hebben boven alles en; hunne naasten als zich zeiven , zoodat zij weten dat zij met

ocr page 302

278

Christus, den getrouwen Getuige, Die hen dan alles leert, zijn opgewekt, en dat Zijne wet in hun binnenste is gegraveerd , om als lichten te schijnen vol van goede werken, die uit Hem zijn.

Ja, dan zullen zij weten dat zij met hun Verlosser, den Eerstgeborene uit de dooden, die den dood met zijne zonde in het graf heeft verslonden tot overwinning,Jezus Christus, den Overwinnaar, zijn opgewekt door hun geloof in Hem, opdat zij als eerstgeborene kinderen wandelen, geleid door hun Verlosser en Leidsman, Die hun zegt wat zij doen moeten om Gods geboden te onderhouden en te hooren wat de Geest tot hun zegt. Want nu zij verlost en gerechtigd zijn in het bloed des gekruisten Lams, moeten zij als rechtvaardigen leven in Christus, Die hun kracht zal geven, zoowel rijken als armen, aanzienlijken en onaan-zienlijken. Allen die zich tot God hebben bekeerd en de verschijning van Jezus Christus hebben liefgehad, zullen doen wat de Geest van God hun zegt, en den Heiligen Geest niet tegenstreven, maar Hem gewillig volgen om het goede te betrachten wat uit God is, ja zelfs de begenadigde onge-loovigen, waar de aarde nu vol van is.

Maar zij die zich door genade tot God hebben bekeerd, zóó dat zij weten dat Jezus Christus, hun Verlosser, leeft, en hunne zielen heeft gered van zonde en dood, zullen dan gelooven in den levenden God, den Almachtige, die hemel en aarde heeft geschapen met al wat er in is, en bekennen Zijne groote daden, daar Hij mensch en beest onderhoudt. Zij zullen dan geen gehoor meer aan satan geven, die hen zoolang van den almachtigen God heeft afgetrokken, met hun zijn ongeloof in te blazen, waarmede hij hen in het eeuwig verderf wilde storten. En zij zullen dan den God des hemels heerlijkheid toebrengen voor de genade aan hen geschonken, om Zijn verheven Naams en Zijn lieven Zoons wille.

En de begenadigde zondaars, wie zij ook waren, die eerst in de duisternis zaten, in de schaduwen des doods door satan gebonden, maar door genade, en om de zoen- en kruisver-diensten van Jezus Christus zich bekeerden tot den levenden God, om Hem in geest en in waarheid te dienen al de dagen huns levens, om zelfs schatten voor hunne kinderen te vergaderen in de hemelen , — ja, zij zullen als gerechtvaardigden in Christus, als rechtvaardigen leven door Zijne gerechtigheid , die Hij, de Rechtvaardige, in hen werkt met kracht, zoodat zij zullen groeien gelijk de Libanon, immer vruchten

ocr page 303

2/9

van zich afwerpende van dien levensboom Jezus Christus, die hun macht geeft om tegen satan, hun vroegeren verleider, te strijden en te overwinnen, zoodat hun Koning, de Koning der koningen, tegen wien niemand bestand is, hun aanvoerder is, die den verleider verslaat door Zijne kracht, daar de sterkste krachtiger is dan de sterke; ea omdat de bekeerde verloste onderdanen van Christus, hun Koning, dat weten, nemen zij dan ook zooveel te meer de toevlucht tot Hem in het gebed, en smeeken Hem, om hen te allen tijde bij te staan met Zijn vriendelijk licht, opdat de duivel hen niet weer in het duister brengt.

En uit dankbaarheid voor de verlossende hand door Christus Jezus, hun Koning, hun telkens toegestoken, brengen de verlosten den Koning der koningen, daar zij immer Zijne ster zien, het goud van Scheba toe, gelijk de wijzen uit het Oosten, die ook de ster zagen van den nieuwgeboren Koning, den Verlosser der wereld.

En dat goud van de verlosten bestaat hierin. Niet zooals een wetgeleerde eens schreef, dat het was gegeven, opdat de Koning der koningen er mede kon vluchten, omdat die Koning arm was — zooals de wetgeleerde den menschen wijsmaakte —, een sociaal, omdat zijn vader een timmerman was. Immers alle timmerlieden zijn niet arm. En dan Hij, de Koning der koningen, de Heer der Heeren, Hij, de Wortel Davids, uit Koninklijken bloede, Hij die maar had te gebieden en het was er, te spreken en het is er! Neen de almachtige Jehova had het al vooruit besteld, dat zij dien Koning der koningen het goud van Scheba zouden brengen. Niet opdat Hij daardoor kon vluchten. Neen, dat zijn leugens. Maar om den Koning, den Leeuw uit Juda's Stam er eer mede te bewijzen, om Zijnen Naam te verheerlijken.

En dat doen de verlosten nu ook. Zij brengen het goud van Scheba aan hun Verlosser en Zaligmaker, en die Rechtvaardige gaat het uitdeelen, daar Hij vol van liefde en gerechtigheid is.

Hij hun Koning geeft dan Zijne onderdanen ordonnantiën, en zegt tegen degenen die door Hem gerechtvaardigd zijn; „ Gaat eens naar dien ongelukkigen arme en verkwik hem eens met hetgeen Ik u door genade heb geschonken naar ziel en lichaam beide, gij, die eertijds geen volk waart, maar nu ontfermd zijt geworden, opdat gij zoudt verkondigen de deugden, wel te verstaan, de deugden Desgenen Die u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.

ocr page 304

28o

En dan door al Zijne deugden aangespoord, weten de verloste onderdanen van Jezus Christus wat zij doen moeten, om als heiligen en rechtvaardigen te leven, om geestelijke offeranden te offeren, en te doen wat hunne hand vindt om te doen, den ellendigen en nooddriftigen bij te staan met woord en daad en Gode welbehagelijk te leven door Jezus Christus, hunnen Leidsman en Voleinder des geloofs, die een welbehagen heeft aan die verlosten, die hun Koning zulk goud van liefde, barmhartigheid en milddadigheid toebrengen, zich zeiven kruisigen naar het vleesch, enz. om het hunnen naaste te geven, opdat zij zien dat Christus in hen leeft, die er hen toe dringt door Zijne liefde, die Hij in hunne harten uitstort, ook om voor elkander te bidden, opdat Gods Koninkrijk hoe langer hoe meer kome met woord en daad, tot verheerlijking Gods.

Ja, in zulk goud van Scheba heeft de almachtige Jehova een welbehagen, en omdat de vrijgemaakten van het juk der dienstbaarheid des satans weten, dat hun Koning met Wien zij strijden tot overwinning in zulk goud van liefde en gerechtigheid een welbehagen heeft, brengen zij hun Koning der koningen ook nog geschenken van zelfverloochening in matigheid. Niet om hunne hand te teekenen, en daar hunne kracht in te zoeken. Neen, te strijden tegen allevleeschelijke begeerlijkheden, wat hun buik tot een afgod zou maken, om daarop hunne zinnen te zetten, als ook te strijden tegen hetgeen om hen heen is, dat hen van hun Koning zou aftrekken door de listen des duivels, en te strijden tegen alle ongerechtigheid, wat hun Koning zou bedroeven, ja vertoornen , en waardoor zij een dubbel oordeel over zich zouden halen.

En daarom klemmen de verlosten zich zooveel te meer aan hun Koning Jezus vast, en scharen zich onder Zijne banier, omdat zij weten dat zij met hun Koning overwinnen, nu en tot in der eeuwigheid, en Hem daarom ook wierook en mirre toebrengen, roem, lof, prijs, aanbidding en dankzegging tot in der eeuwigheid.

Ja, dat zal Jezus Christus doen, die dat groote verlossingswerk heeft volbracht. Hij zal het voortzetten door Zijne kracht, met Zijne ware arbeiders, die Hij daarvoor zal roepen, om voor Hem te strijden, den Koning der eeuwigheid, die Zijn recht zich niet laat ontnemen van gerechtigheid en heiligheid, en waarmede tegenwoordig maar wordt gespot, terwijl de mond vol is van God, en de wereld er schande van spreekt.

ocr page 305

28i

Maar het Godsrijk zal komen. Jezus Christus, de blinkende Morgenster, zal Zijn goddelijk licht doen schijnen. Hij, de Zonne der gerechtigheid, zal zijne banier van het waarachtig Evangelie omhoog houden, zoodat er zich velen onder zullen scharen, om met den Koning der koningen te strijden den goeden strijd des geloofs en Zijn Woord te handhaven, opdat het weer tot zijn recht komt. Hem tot eer, en den menschen tot zaligheid.

Ja, er zullen vreeselijke tijden aanbreken, en groote dingen zullen geschieden, en te dier tijde zal Michaël opstaan, die groote Vorst, Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods, die voor de kinderen Uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet is geweest, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelfden tijd toe.

En te dier tijd zal Uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt, geschreven te zijn in het Boek. Ja, die tijden zullen komen.

O, de almachtige, ontfermende, goedertieren God in Christus Jezus, Zijnen geliefden Zoon, geve, om den Zoon Zijns eeuwigen welbehagens, dat er veel volk in het Boek des Levens moge staan, en dat er vele arbeiders gezonden mogen worden om naar dat volk, dat in duisternis zit, rijk en arm, te gaan, opdat zij gered worden vóór dat die verschrikkelijke tijd aanbreekt.

HOOFDSTUK XXV.

De barmhartige God zij een ieder genadig om Zijn geliefden Zoon en Zijnen grooten Naams Wil.

Zien wij om ons heen, dan merken wij op dat er sinds er een volk geweest is tot op dezen zelfden tijd toe, in lang geen volk heeft bestaan, zóó goddeloos, zóó ongeloovig, zóó onbarmhartig, zóó gruwelijk, zóó eigenbelang zoekend, zóó wereldschgezind, zóó zondig, zóó verdeeld, met hunne alge-meene kerk er bij, zóó weelderig, zóó oneenig, zóó eigenwijs,

ocr page 306

282

zóó eigengerechtig, zóó braaf in eigen oog, zóó duister in het verstand, zóó behaagziek, zóó bijgeloovig, zóó eerzuchtig, zóó ongerechtig, zóó vol van rampen en ellende.

En daaraan doen de meeste leeraars hard mee, van welken godsdienst zij ook zijn.

O, moge de heilige Jehova dezulken allen genadig zijn, opdat zij den toekomenden toorn mogen ontvlieden en tot bekeering komen, opdat het volk verlost worde uit zijn ellendigen jammerstaat waarin het verdorven ligt.

O, mocht die God , die zóó lief de wereld heeft gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige ieven hebbe, er weer drie duizend op éénen dag tot het ware geloof brengen en hen vervullen met den Heiligen Geest, opdat het Woord van God wasse en eene groote schare van priesteren den levenden God gehoorzaam worde.

Dan zou het waarachtig Evangelie van Jezus Christus weer zegevieren, zoodat het in het helderste licht kwam, en er niets van verzwegen kon worden, maar een vol Evangelie verkondigd wierd, waar geen woord af noch bij werd gedaan, zoodat de geboden van Jezus Christus werden onderhouden om alles te doen en naar dat Evangelie te leven, om daders van dat heilig en rechtvaardig Woord te worden, zoodat er weer kracht van uitgaat door teekenen en wonderen en er eiken dag meer en meer worden toegedaan tot de volheid van Jezus Christus, onzen Verlosser, Borg, Middelaar en Zaligmaker voor tijd en eeuwigheid, naar ziel en lichaam beide, daar Hij, de almachtige Zone Gods, niet alleen voor onze zonden is gestorven, maar ook voor onze zonden heeft geleden, zoodat de Man der smarten niet alleen een Vergever der zonden is, maar ook een Genezer der wonden voor allen die oprecht en in waarheid in Hem, den almachtigen, heiligen en rechtvaardigen Zone Gods van harte gelooven, zoodat de aarde vol komt van de heerlijkheid des Heeren en de heilige Jehova het zelf uitroept: „Ik ben gevonden van degenen die naar Mij niet vraagden. Ik ben gevonden van hen die naar Mij niet zochten. Tot het volk dat naar Mijnen Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik. Ik heb Mijne handen uitgebreid den ganschen dag tot een wederstrevig volk, dat wandelt op een weg die niet goed is, naar hunne eigene gedachten, een volk Mij gedurig tergende in Mijn aangezicht, in hoven offerende en rookende op tichelsteenen, zittende bij de graven, zoo ver-

ocr page 307

283

nachten zij bij degenen die bewaard worden, etende zwijnen-vleesch; en er is sap van gruwelijke dingen in hunne vaten, die daar zeggen; houd u tot u zeiven en naakt tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij. Deze zijn een rook in Mijnen neus, een vuur den ganschen dag brandende; zoodat wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in den God der waarheid; en wie zweren zal op aarde, die zal zweren bij den God der waarheid, zoodat hij in Christus gerechtvaardigd en geheiligd is om te leven en in waarheid geplant is op den Rots der eeuwen, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor Mijne oogen verborgen zijn.quot;

„Want zietquot;, spreekt de heilige Jehova, „Ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen.quot;

O, wat eene heerlijke toekomst voor de verloste en wedergeborene zielen , die die genade zullen ontvangen , om het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, Wiens bloed reinigt van alle zonden, zoodat zij dan in gerechtigheid en heiligheid leven, in Christus Jezus, hun Verlosser, zoodat dat verloste volk als op eene nieuwe aarde wandelt, vol van rechtvaardigheid, door den Rechtvaardige die het heeft beloofd en getrouw is tot in en over den dood.

En dan zal de nieuwgeborene weten, dat er een nieuw Jeruzalem van boven in hem is gekomen, eene hemelsche zaligheid, waarvan zij nu al een voorsmaak hebben door hunnen Zaligmaker, Jezus Christus, hun Verlosser.

O, wat eene genade, wat eene genade, van dien Drieeenigen en driemaal heiligen God, Die zulk eene genade aan een verloren volk, maar door Jezus Christus gevonden en begenadigd, bewijst; een volk in de zonde dood, maar door Jezus Christus, den Zoon des levenden Gods, levend gemaakt, opdat het niet meer zich zeiven zoude leven, maar Gode tot eer en een iegelijk zijnen naaste en zich zeiven tot zaligheid, voor tijd en eeuwigheid, door de kracht en liefde van den driemaal heiligen Jehova, Hem tot roem en prijs. Halleluja! Amen!

Want, zegt de Heere, onze God, de heilige Jehova is Zijn Naam: „ En het zal geschieden, dat van de eene nieuwe maan tot de andere, en van den eenen sabbath tot den anderen, alle vleesch komen zal om te aanbidden voor Mijn aangezicht, zegt de Heere; maar weest gijlieden vroolijk en

ocr page 308

284

verheugt u tot in der eeuwigheid in hetgeen Ik schep. Want ziet, Ik schep Jeruzalem, den verlosten eene verheuging en haar volk eene vroolijkheid, en Ik de Heere zal mij verheugen over Jeruzalem, en vroolijk zijn over Mijn volkquot;, dat door Jezus Christus, den Zone Gods verlost is, „ en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der weening, noch de stem des geschreeuws.quot;

O, wat eene waarachtige waarheid.

Dat doet de hemelsche Vader aan Zijne kinderen, dienaar Zijn evenbeeld zijn geschapen.

Dat zal de Zoon van God, Emanuel, aan de menschen doen, allen die daar in de schaduwen des doods ter neder zitten.

Daar heeft de Overwinnaar Zijn dierbaar bloed voor betaald, om immer te overwinnen en te brengen tot Zijn goddelijk en wonderbaar licht.

En o, o, o, gij allen nu die wilt! Jezus, de Levensbron, roept u: „En de Geest en de Bruid zeggen; Kom. En die het hoort, zegt: Kom. En die dorst heeft, kome, en die wil, neme het water des levens om niet.quot;

Ja, dat heb ik ook gedaan met tranen en berouw, en ik heb vergeving ontvangen uit genade en om de zoenoffers van het Lam Gods, dat op den troon zit.

En wie nu in waarheid dorst naar die Levensbron, wie gelaafd wil worden uit dien Levensfontein, die kome tot die bron van Jezus Christus, den Rechtvaardige, om Hem als ware arbeiders te dienen in geest en in waarheid, opdat zij zalig zijn, die Zijne geboden doen en opdat hun dan macht worde gegeven van den Boom des Levens, Jezus Christus, den Eerste en den Laatste, en zij met Hem ingaan in de poort der stad, om het verlorene op te zoeken en te brengen voor den troon van Gods genade.

Ja, zij die willen, gaan met Christus Jezus over heggenen steggen, naar hoeren en tollenaren, rijken en armen, aanzienlijken en onaanzienlijken, geleerden en ongeleerden, en daar spreken zij hen door den Geest van Jezus Christus over rechtvaardigheid, matigheid en het toekomstig oordeel.

En dan zal het dien waren arbeiders aan geene kracht ontbreken, wanneer zij in Jezus Christus, den Wortel uit het geslacht Davids, de blinkende Morgenster, die hen voorgaat, doen zooals Hij het heeft voorzegd in Zijn rechtvaardig en heilig Woord.

Dan zal de Almachtige het bevestigen, als Zijne arbeiders

ocr page 309

28s

die ongelukkigen dwingen om in te komen, en als een brandhout uit het vuur van satan rukken, die zich dan zijne prooi zal zien ontrukken door Een die sterker is dan hij met zijn geheele rijk van machten en booze geesten.

Dan zal het rijk des satans bij den mensch te niet gedaan worden van zonde, ongeloof en ongerechtigheid, van gruwelen, rampen en ellenden.

Alle de werken des duivels zullen dan verbroken worden; al brengt satan nog zoo vele geesten mee, zij zullen verbroken worden door dien Eenen Geest, den Grooten Geest der geesten, Jezus Christus, den Overwinnaar, die hen allen verslaat, zoodat de Zone Gods, de Zonne der gerechtigheid en der liefde overwint. Want de Bruid is liefde, en

„Waar liefde woont, gebiedt de Heer Zijn zegen,

Uaar woont Hij, de Zone Gods, zelf, met liefde en heiligheid, Daar wordt Zijn heil verkregen,

En 't leven tot in eeuwigheid,quot;

met den Vader en den Zoon, den heiligen Jehova en Zijnen geliefden Zoon, den Rechtvaardige, Jezus Christus, op Wiens fundament gij dan zijt gebouwd.

O, wie wil daaraan medearbeiden, hetzij rijk, hetzij arm, hetzij aanzienlijk of onaanzienlijk, hetzij geleerden of onge-leerden, allen te zamen arbeiden aan het Koninkrijk Gods dat komende is, niet met uiterlijke pracht van hebzucht en eerzucht des levens, maar aan dat Koninkrijk Gods, dat binnen ons moet zijn, opdat de wil des Konings geschiede en Zijn Koninkrijk worde uitgebreid over de gansche aarde van liefde, gerechtigheid, heiligheid en vrede in de ziel, een voorsmaak van den hemel, waar al de ware arbeiders van Gods Koninkrijk eens zullen juichen voor den troon, midden in den hemel.

Kom, wie wil meehelpen ? Jezus Christus opent en niemand sluit. Hij, de Sterke Held uit Juda's stam, wil Zijne stam vermeeren. De Almachtige zal zelf u bijstaan, zoodat gij niet bang behoeft te zijn, als gij Hem tot Koning neemt en gij u onder Zijne banier schaart, om met Hem te strijden den goeden strijd des geloofs, in Hem die u kracht geeft.

En dan zal er kracht van dien Held uitgaan, zoodat gij zeggen zult tot den vijand, den duivel, als hij zijne booze geesten in den mensch doet varen, van bezetenheid of zenuwen of ziekten of kwalen of wat het ook zou zijn, en gij u dan

ocr page 310

286

tot den grooten Heel- en Geneesmeester in Zijnen Naam in den gebede wendt: „Vaar uit hen, satanquot;, en de handen opgelegd hebbende, zullen zij door uw geloof in dien Held, Die dat doen kan en zal, door Zijne kracht gezond worden, zoodat in hen niet meer zal gehoord worden de stem der weening, noch de stem des geschreeuws.

Kom, wie wil redden? roept die machtige, ja almachtige Held, u toe, voor uw eeuwig belang en dat van uwen naaste, die door de pestilentie des duivels wordt bezocht vanwege de zonde die op het oogenblik zoo over de aarde heerscht, en waarover de rechtvaardige God Zijnen vloek heeft uitgesproken, ofschoon Hij zelf dien vloek weer wil wegnemen, waarvoor Hij, de heilige Jehova, Zijnen eenig-geboren Zoon heeft aan het kruis laten nagelen, om zoodoende de oude slang, den verleider, den kop te vermorselen, en opdat de in zonden geboren en vervallen mensch/weer door den Zoon, Emanuel, die door Zijn zoenbloed den vloek heeft weggenomen, tot God konde gaan.

En, o, Jezus Christus sluit en niemand opent. Ja, als het te laat is, dan komt niemand meer door den Zoon tot der. heiligen en rechtvaardigen God. Dan is het voor eeuwig te laat en worden zij buitengesloten, en niemand kan de deur openen. Zij zullen, zoo zij niet willen hooren, om met Hem, dien Sterken Held, te overwinnen, van den tweeden dood beschadigd worden, en in de hel terechtkomen zoo zij niet willen dat Jezus Christus Koning over hen zij.

O, wat ik u bidden mag, ja, alsof God in u bade, geef u aan uw Koning over en strijd met Hem tot bloedens toe. Red, red wat nog te redden is van de ongeloovigen en zondaars van het eeuwig verderf, waar weening zal zijn en knersing der tanden.

O, ik kan er van getuigen, ik die in de voorhei ben geweest, hoe vreeselijk hun oordeelsdag zal zijn, en waarvan geen ontkomen is, als zij voor de geslotene deur zullen staan om te roepen en geen antwoord zullen krijgen, en zij voor eeuwig verloren zijn, lijdende smarten en pijn.

Maar red, want het is nog heden de dag der genade, de welaangename tijd. Zoo gij dan Zijne stem nog heden hoort, verhard uw hart niet, maar laat u leiden door dien Koning der koningen, die Gods Koninkrijk met Zijn eigen bloed heeft verworven, om het Zijne onderdanen te schenken voor nu en in der eeuwigheid.

O, red, en gaat onder Zijne banier en strijd met Christus

ocr page 311

287

Jezus, tegen de oude slang, den draak, welke genaamd wordt de duivel en satanas, die de geheele wereld verleidt, die, gelijk wij voor onze oogen zien, met Zijne engelen van booze geesten is geworpen op de aarde, zoodat de docd van zonde en ellende in den mensch en overal op de aarde heerscht.

O, red, opdat de heilige Jehova roept: „Ik ben gevonden van hen die naar Mij niet vraagden; Ik, de heilige God, ben gevonden van degenen die naar Mij niet zochten. Tot het volk dat naar Mijnen Naam niet genoemd was, niet leefde, heb Ik gezegd: Ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik.quot;

En gij ware arbeiders van Gods Koninkrijk komt dan uitroepen; „Nu is de zaligheid en de kracht en het Koninkrijk geworden onzes Gods, en de macht van Zijnen Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God, dag en nacht, is nedergeworpen.quot;

Ja, dan zal de verleider, die de menschen verleidt met zonde en bezoekt met ziekte en beangst met zijne booze geesten en bevecht met zijne benauwdheden en bestrijdt met zijne vurige pijlen van ellende en pijnigt van vrees en doet sidderen van verschrikkingen en doet beven voor den dood, worden te niet gedaan.

Ja, dan juichen de arbeiders van Zijnen Christus: „Wij hebben hem, den duivel, de oude slang, overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenisquot;, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.

O, dan zullen de arbeiders van Zijnen Christus weten, alsook de geredden, wat die nieuwe aarde en die nieuwe hemelen voor hen zijn.

De nieuwe aarde is dan geheel anders voor hen, waar zij dan op wandelen als levende getuigen van Jezus Christus, den Zoon des levenden Gods, den Overwinnaar der overwinnaars, met Wien zij reeds overwonnen hebben om te schijnen als lichten in de wereld tot eere Gods.

En Zijne Christus kent dan hunne werken, en zegt tegen hen: „ Zie, Ik heb eene geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht en hebt Mijn Woord bewaard en hebt Mijnen Naam niet verloochend.quot;

Neen, dat kan dan niet meer; als zij waarlijk gered zijn, en door Zijnen Christus zijn vrijgemaakt, zoodat zij waarlijk vrij zijn, dan weten de arbeiders en de geredden van Zijnen Christus en gevoelen de nieuwe hemelsche zaligheid van dat nieuwe Jeruzalem, dat van boven komt in hunne vroeger

ocr page 312

288

ongeredde, bedrukte, beangstigde en geprangde ziel, en zij kunnen uitroepen; „Ik sta in het Boek des Levens opgeschreven.

Want ik ben gered en verlost,

Maar het heeft Gods Zoon Zijn bloed gekost.

Hij is mijn lust,

Ook als mijn stof eens rust,

Hij, Gods Zoon, mijn redder is mijn lust,

Nu en tot in der eeuwigheid.quot;

En dan volgen de werken van Zijnen Christus hen na en zij zinken in dat nieuwe Jeruzalem hierboven eens neer voor Zijnen troon en aanbidden het Lam Gods, en zeggen; „Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de heilige Jehova, de Almachtige, Die was, Die is en Die komen zal.quot;

Ja, dat zal Hij doen; en daarom Hem, het Lam Gods, toegebracht de eer, lof, aanbidding en dankzegging, nu en tot in eeuwigheid. Amen! Halleluja! Amen !

En nu, voorwaarts, broeders, zusters, moedig den strijd aanvaard, met Zijnen Christus, Hem, den Rechtvaardige, Die waardig was om het Boek te openen en Zijne zeven zegelen open te breken.

Ja, Hij, de Wortel Davids, heeft ons Gode gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen heerschen op de aarde, onder de banier van den Koning der koningen en met Zijne kracht overwinnen. Amen!

En nu, waarde lezers, vlucht tot Jezus eer het te laat is. Hij wil u redden en helpen.

Gij kunt hier in mijn verhaal zien, wie er mij toe heeft gedrongen. De liefde van mijn Verlosser, Jezus Christus, Gods Zoon, Wiens bloed reinigt van alle zonden. Hij, die mij Gode gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, Hij, de Almachtige, die het legio van duivelen bij mij heeft uitgeworpen, zoodat ik bij mijn volle verstand ben, Hij, de heilige Jehova, heeft mij van den vorst der duisternis verlost en overgebracht in Zijn goddelijk en wonderbaar licht.

Hij, de almachtige God heeft groote dingen en deugden aan mij gedaan.

Hij heeft mijn verstand geopend door Zijnen wonderbaren Geest, en mij met Zijn goddelijk licht bestraald, zoodat ik, die geheel buiten mijn verstand ben geweest en bezeten was van den duivel, nu zoo maar uit mijn geheugen,

ocr page 313

289

van mijne kindsheid af tot nu toe, mijn geheelen levensweg heb ter neer geschreven, tot zelfs de gebeurtenissen die er met mij op Veldwijk plaats vonden, toen ik daar als eene bezetene des duivels was.

De Moeders, Vader, de verpleegsters, van welke de meesten nog op Veldwijk zijn, Dr. van Dale en Z.Eds' zuster en de familie Volten op Ermelo en dan nog Ds. Notten, alsook mijne eigene kinderen kunnen allen getuigen, dat wat ik heb geschreven de volle waarheid is, terwijl zij het allen van mij hebben gezien, gehoord en ondervonden, behalve gevoeld.

Ja, de almachtige God heeft groote dingen aan mij gedaan , maar niet minder groote deugden, daar ik niet alleen eene levende getuige van Gods Woord ben, zooals die bezetene in Lukas VIII : 29—39 beschreven staat, maar ook kan vertellen dat het Koninkrijk Gods binnen mij is, en ik mij zelve niet leef, maar Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods, de Zonne der gerechtigheid in mij leeft, zoodat ik nu met Hem mag strijden tegen alles wat niet uit Hem, den Rechtvaardige is.

Ja, ik heb door genade zulk een krachtig geloof ontvangen , omdat ik weet, dat alles wat in Gods heilig en rechtvaardig Woord staat geschreven waarachtig is en de almachtige God het alles vervult op Zijnen tijd.

Ja, ik zal zelf iets openbaren aan vier eerwaardige mannen, wat uit Gods Woord reeds is geschied en hier in dit boek is geschied, uit Gods Woord, en wat nog geschieden zal, uit Gods Woord.

Ja, en daarom, omdat Gods Woord zoo waar is, waar geen woord af noch bij mag, heeft de liefde van Christus Jezus mij gedwongen — die ook andere stervelingen liefheeft, voor wie Hij zijn bloed heeft vergoten — om dit alles hier neer te schrijven, opdat de menschen zich tot God zullen bekeeren, om in Christus Jezus, Gods Zoon, behouden te worden, voor de eeuwigheid.

En nu hoop ik moedig voorwaarts te gaan in de kracht van mijn Verlosser, Heiland en Zaligmaker, daar het leven mij Christus is en het sterven mij gewin. Amen!

Ja, driewerf in Christus, Amen! Halleluja tot in eeuwigheid. Amen!

19

ocr page 314

290

HOOFDSTUK XXVI. Narede.

O, er zullen velen opstaan, schriftgeleerden, godgeleerden, dominé's, ja, van welke religie zij zijn, en zullen met allerhande tekstwoorden, die zij door elkander verwarren, den menschen wijsmaken; „Neen, zóó is het, en zóó staat er in den Bijbelquot;, maar ik zeg hun allen, in den Naam van den Drieëenigen God, dat de almachtige, heilige en rechtvaardige God eiken tekst afzonderlijk vervult.

Wat voor de goddeloozen staat geschreven , die ongerechtigheid plegen, wie zij ook zijn, zij zullen daarmede geoordeeld worden in hun oordeelsdag.

Zoo ook wat geschreven staat voor degenen die gerechtvaardigd zijn door Jezus Christus en in Zijne gerechtigheid leven en Zijn bloed niet onrein hebben geacht, om in Christus' licht te wandelen, in heiligheid des gemoeds.

Maar zulke valsche Apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in Apostelen van Christus.

Daarom, lezers, waakt. Want er is eene opstanding der rechtvaardigen en eene opstanding der onrechtvaardigen, en die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.

Gods Woord is waarachtig. Daar ben ik een levend getuige van, alsook van mijn God en mijn Christus, die het voor mij zal voleinden tot den einde toe.

O, broeders en zusters, allen die waarachtig bekeerd zijt en de diepten des satans kent, maar weet dat God ons in Christus geene weezen laat, maar ons immer in de bezoeking van satan bijstaat, o, wanneer gij die pijlen van satan gevoelt, waarvan uw Verlosser u telkens verlost, o, laat ons toch medelijden hebben met dezulken die op den breeden weg des verderfs gaan, zonder dat zij weten, dat zij in satans macht zijn, in de macht van dien duivel, die zich zeiven verandert in een engel des lichts.

Daarom is het niets grootsch, indien ook zijne dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid, van welke het einde zal zijn naar hunne werken.

O, laten wij hen waarschuwen, eer dat die vreeselijke dag der wrake van den Almachtige komt.

ocr page 315

291

Laten wij hun allen aanzeggen hun eeuwig heil en hun eeuwig wee, daar er vreeselijke tijden zullen aanbreken en de Almachtige zich niet langer laat bespotten. Hij zal blinkende verschijnen.

O, broeders, schaart u onder de banier van Christus, en gij, zusters, ook, als gij nog eenig medelijden met uwen naaste hebt, waarvan de meesten niet meer gelooven in God en Zijn Zoon Jezus Christus, noch in Gods waarachtig Evangelie, ja, zelfs met God spotten, rijk en arm. Zij zijn nog minder dan heidenen; die gelooven nog aan een afgod. En toch dragen zij den naam van Christenen, wat hun niets geeft.

O, laten wij nog redden, wat wij kunnen, en dan, als merkteekenen van een waren Apostel, zij onder u betoond in alle lijdzaamheid teekenen en wonderen en krachten, die de Almachtige dan ook zal bevestigen in Christus Jezus, tot in alle eeuwigheid, wanneer wij het waarachtig Evangelie van Jezus Christus den menschen verkondigen en den heiligen God dienen in Christus, den Rechtvaardige. Ja Amen! tot in der eeuwigheid Amen!

ocr page 316

VIERDE BOEK. De Brieven.

Brieven aan Dr. H. H. Kuyper te Baarn.

1.

Den Weleerwaarden Zeergeleerden Heer Dr. H. H. Kuyper.

November 1894.

De gerechtigheid van Christus dringt mij om u te laten weten hoe de almachtige God alles bevestigt al wat ik u geschreven heb, alhoewel het nog maar een begin is, maar het hoe langer hoe erger zal worden, want de heilige God zal zich wreken over al degenen die Zijnen geliefden Zoon smaadheid hebben aangedaan, al degenen die Zijnen Naam wel konden missen; en ten bewijze er van zend ik u De Wekker, alwaar u kan zien hoe de heilige Jehova er in blaast, zoodat de gerechtvaardigde in Christus Jezus het ziet, en er om lacht, dat die rechtvaardige God zoo zijn waarachtig en heilig Woord vervult. En niet alleen in De Wekker, maar wat leest men al niet in de andere bladen, zooals in De Roeper en De Bazuin en zoo vele andere. Wat een ongeloof, wat eene ellende, wat een haat en nijd. Alles wat ik u geschreven heb, wordt vervuld, en dan nog de straffen Gods.

Wat leest men niet in De Bazuin ! Ruim 800 gulden minder

ocr page 317

293

in de collecte en 3600 gulden meer uitgegeven aan krankheid en lichaamszwakte aan weduwen en weezen.

In al de bladen hoort men niets anders dan scheuring op scheuring, tot in Het Nieuws van den Dag toe, zooals u kan lezen op dit strookje, hetwelk ik u er bij zend.

O! Wat is God een waarmaker van Zijn Woord. U kan nu zien dat de openbaringen, die God mij heeft gedaan, uit den Heiligen Geest Gods waren, doordat de almachtige God ze alle vervult. U kan nu niet meer zeggen of het uit den Geest Gods is, dat gelooft u niet. Maar nu zal u het wel moeten gelooven, daar u het voor uwe oogen ziet.

Het is nog maar een begin, zooals ik aan het Classicaal Bestuur van Amersfoort ook heb geschreven. Al brachten zij den duivel met zijn geheele heir mee, het zou hun niets baten, want de rechtvaardige en almachtige God zal Zijnen geliefden Zoon wreken; daar was ik zeker van.

Want de heilige en waarachtige God had het mij geopenbaard en Hij zal het nog meer vervullen, totdat die rechtvaardige God weer zijn kuddeke bijeenvergaderd zal hebben, dat Zijnen Naam vreest. En daar zal de Zon der gerechtigheid over opgaan. „Zij zullen groeien als mestkalveren en zij zullen de goddeloozen onder hunne voeten vertreden en zij zullen asch worden, wanneer Ik het maken zal, spreekt de Heere der heirscharen.quot;

Niet door mijne kracht en mijnen wil kan ik iets doen, Dr. Kuyper; maar wanneer de almachtige God het maken zal, op Zijnen tijd en naar Zijnen wil.

O, wat is Gods Woord toch waar, zooals Jesaja ook schrijft: „Wee degenen die ongerechtige inzettingen inzetten en de schrijvers die moeite voorschrijven. Wee de kinderen die afvallen, spreekt de Heere, om een raadslag te maken, maar niet uit Mijnen Geest, zich met eene bedekking te bedekken en zonde op zonde te doen. Wee u, gij verwoesten, die niet verwoest zijt en gij, die trouwelooslijk handelt, waar men niet trouwelooslijk tegen u gehandeld heeft; als gij het verwoesten zult volbracht hebben, zult gij verwoest worden; als gij het trouweloos handelen zult voleind hebben, zal men trouwelooslijk tegen u handelen.quot;

O, wat eene waarheid. Als God het mij doet opmerken wat uw vader en de Doleantie al een inzettingen hebben geleerd, over folio dit en pagina dat, maar God of Zijn gebod komt er niet op aan.

Dat is maar zonde op zonde bedrijven. Naar de armen en

ocr page 318

294

weduwen wordt niet omgezien. Ja, men geeft ze een gulden en daarmee uit, terwijl de Heere Jezus tegen zijne Apostelen zeide, dat ze van huis tot huis moesten gaan om brood te breken. En de heilige God zegt: „Aan offerande heb Ik geen lust, maar daarin heb Ik lust, armen en weduwen te bezoeken.quot;

Christus Jezus ging ook het land door goeddoende. Hij spijzigde van vijf brooden duizenden menschen. En dat zou Hij nog doen, als de zoogenaamde bedienaars van het Woord Gods heilige wet betrachtten. Dan zou de almachtige God wel zorgen dat het er kwam.

Maar zij zitten liever op hunne studeerkamer boeken te schrijven, die ze uit hunne kamer vol boeken halen, om daarmede hun zak te spekken. Niet genoeg dat ze voor hun arbeid betaald worden om te prediken, maar zij moeten ook couranten schrijven; dat geeft dubbel. Dan kan men ook beter naar zijn vleesch leven, als het mes aan weerskanten snijdt.

Als het nu nog ten voordeele was voor de armen, maar daar ziet men niets bij u van. De eene gaat hier naar toe voor zijn pleizier om naar zijn vleesch te leven en de andere daar naar toe, en met God noch Zijn gebod wordt rekening gehouden, terwijl Christus zegt: „Deze zijn Mijne discipelen, die Mijne geboden bewaren.quot; En de heilige God zegt in Zijn waarachtig en heilig Woord: „Die daar zegt; ik heb God lief en Zijne geboden niet bewaart, die is een leugenaarquot;. En die leugenaars zal God verdoemen.

De rechtvaardige God zegt: „Zóó ver en niet verder.quot; Als de heilige God begint te werken, dan kan niemand het keeren.

En het werd tijd, want anders had de geleerdheid van de Doleantie nog meer instellingen en vormen geleerd, om ze zoodoende van het Koninkrijk Gods af te houden en het volk op een dwaalspoor te brengen, met al die geleerdheid.

Gij raakt hun niet en het volk smaakt niet, want het blijft dood in hunne zielen. Dat kan ook niet anders, want de natuurlijke mensch verstaat de dingen des Geestes net; men moet eerst een wedergeborene in Christus Jezus zijn, niet met den mond, maar met het hart.

Dan is men der wereld gestorven en levend gemaakt in Christus Jezus, vervuld met Gods Heiligen Geest.

Dan krijgt men een levendmakend en werkend geloof, doordat Christus in den mensch leeft en werkt.

ocr page 319

295

Dan krijgt men een heiligmakend geloof, doordat men in Christus Jezus geheiligd is, en wij door Zijne kracht leven in heiligmaking en godsvrucht en deugd. En men krijgt een zaligmakend geloof, dat is, dat de heilige God en de zaligmakende Jezus zich aan den wedergeborene openbaart. En zoodoende krijgt men een zalig gevoel en den vrede, die alle verstand te boven gaat.

Dan heeft men een voorsmaak van den hemel.

Dan is onze handel en wandel in Christus Jezus hier op aarde reeds in den hemel. Want wij zijn, wanneer we wedergeboren zijn, met Christus ondertrouwd. Hij is dan onze Bruidegom. En men heeft Hem dan zoo lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.

Wij kennen Hem dan , doordat Hij zich voorstelt als gansch begeerlijk. Wij kunnen onzen Jezus dan ook niet meer missen.

De wedergeborenen hooren dan Zijne stem en volgen Hem, niet met den mond, maar met hun hart. Niet zooals uw vader het in De Hermit schreef, voor drie weken geleden, toen hij schreef: „Ook als we de slippen van het kleed des Eeuwigen gegrepen hebben, laten we ze straks uit spel, of moedwil toch weer los, om de zondige hand uit te steken naar de ij delheden der wereld.quot;

Ik zeg u, in den Naam van den heiligen God, dat dit geen wedergeborene is, die in Christus Jezus is wedergeboren. Die doet dat niet; die geeft zich aan geen spel meer over, en leeft niet meer in de ijdelheden der wereld. Een wedergeborene schuwt zulke dingen; hij houdt zich zooveel te meer aan de slippen van den Eeuwige vast, opdat de satan er geen voordeel bij behale om onzen God te bedroeven; laat staan te vertoornen.

Neen, den wedergeborenen is alles schade en drek geworden, om de uitnemendheid die zij in Christus hebben. Zij vragen iederen keer opnieuw; ,, Heere, mijn God, wat wilt Gij dat ik doen zal?1' Dan krijgt men ten antwoord: „Geloof!quot;

En die in Christus waarlijk gelooft, die gelooft ook dat men niet meer naar de wereld mag leven, maar door het geloof moet strijden tegen den duivel, de wereld, zijn booze hart en zijne vleeschelijke begeerten. Dat doet men dan in de kracht van den Heilige en Rechtvaardige, Jezus Christus.

Een ware wedergeborene wordt gerechtvaardigd door Hem , om dan in gerechtigheid te leven, naar Gods wil en welbehagen. „Nu van de zonde vrijgemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking en het einde het eeuwige leven.

ocr page 320

296

De God des vredes heilige u geheel pi al en uwe geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, opdat gij, onberispelijke en oprechte kinderen Gods zijnde, onbestraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht moogt wandelen, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld, welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onbestraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus.quot;

„Ik ben met Christus gekruist en ik leef; doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij liefgehad heeft en zich zeiven voor mij overgegeven heeft, dit wetende, dat onze oude mensch met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen; want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Weest mijne navolgers, broeders, en merkt op degenen die alzoo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt; maar onze wandel is in den hemel, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, onzen Heere Jezus Christus.quot;

„Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.quot;

„Maar gelijk Hij die u geroepen heeft, heilig is, zoo wordt ook gij zelve heilig in al uwen wandel, daarom dat er geschreven is: „Zijt heilig, want Ik ben heiligquot;.quot;

Die dat nu alles aan zijne ziel mag ondervinden door de genade Gods, door Wien dit alles in den mensch gewerkt wordt, die kan zeggen, dat hij een wedergeborene in Christus Jezus is, doordat de almachtige God het zelf aan den wedergeborene openbaart.

Maar niet zooals uw vader zegt, om maar weer te zondigen. Wat baat het dan als men gerechtvaardigd wordt? Dat geeft dan niets.

Uw vader laat blijken dat hij geen wedergeborene is, zooals ik u in de vorige brieven heb geschreven. Want dan zou hij zoo niet kunnen spreken. Dan kwam hij meer voor de eere Gods op in plaats van voor den duivel. Die de zonde doet, is uit den duivel.

En daarom is uw leer verfoeielijk. De Doleantie preekt de menschen naar de hel, met uwe uitverkiezing en eeuwig genade-verbond, terwijl ze maar in de zonde voortleven en zonder wedergeboren te zijn.

ocr page 321

297

Jezus zegt tegen Nicodemus: „Tenzij gij wedergeboren wordt, gij kunt het Koninkrijk Gods niet ingaan.quot; En de man was nog wel besneden.

Uw vader denkt; als ik maar de dubbeltjes heb, dan zal ik hun wel wat voorpraten, dat zij uitverkorer) zijn. Wat van hunne ziel terechtkomt, dat komt er niet op aan: dat kan hem weinig schelen, hij denkt om zijne eigene ziel niet, laat staan van een ander, als hij zijn doel maar bereikt.

Maar zoo hij zich niet bekeert tot den levenden God en vruchten voortbrengt der bekeering waardig! — Geen stinkende, zooals hij tot nu toe heeft voortgebracht, want er is niets dan ongeloof en ellende uit voortgekomen door zijne geleerdheid, waarmede de heilige God is bespot en gelasterd vanwege de ergernis die hij aan de wereld geeft, en dat door zijn eigen eer en voordeel te zoeken in de plaats van de eere Gods en het heil zijns naasten.

Zelfs in het eerste stuk, wat uw vader in De Heraut schreef, was niet eens een dankgebed opwaarts tot God geklommen en ook geen smeekgebed, om God te bidden of de Almachtige hem weer naar zijn vaderland wilde zenden om voor Gods Koninkrijk te arbeiden.

Niets daarvan; het was weer de oude term, alwaar hij zelf niets van verstaat, laat staan dat een ander het begrijpt. Het was met alle dwaalgeesten omgeven, uit allerhande boeken, maar niet uit God. Want dan hadden de wedergeborenen het wel verstaan, doordat zij zeiven ook uit God zijn. Het was geheel dood, ja, zelfs vuile praat er in en dat over de engelen. Het is een gruwel. Een pater kreeg zelfs nog een bedankje toe. Zeker, omdat ze onze voorvaderen op den brandstapel ter dood hebben gebracht, die zoo voor ons hebben gestreden, om ons van de paters te verlossen.

Het is een gruwel voor God, zulke geleerdheid.

O, laat uw vader en u zich tot God wenden om behouden te worden eer het te laat is, anders zal hij in de hel terechtkomen. En degenen die daar ook komen van zijne gemeente, die zullen hem in de hel aanklagen en zeggen: ,, Dat is uw schuld; ge hadt mij beter moeten leeren en voorgaan. Gij hebt mij van het Koninkrijk Gods afgehouden en nu ben ik zoo diep rampzalig.quot;

Dr. Kuyper! Ik heb van velen gehoord, dat gij mijne brieven hebt verdraaid, maar nu laat ik hun de kopieën lezen, dan kunnen zij zien hoe of u hen belogen heeft. U heeft ook gezegd, dat ik nog niet goed bij het hoofd was.

ocr page 322

298

Ik heb hun geantwoord, dat u Gods heilig Woord loochende en belasterde, om zoo iets te zeggen. Want toen de Heere Jezus de duivelen bij den bezetene uitwierp, zoodat hij wel bij zijn verstand was, en naar zijn huis moest gaan om te vertellen wat groote dingen God aan zijne ziel gedaan had, zeide Jezus niet: „hij is nog niet goed bij zijn hoofdquot;. Dat maakt u er bij. En daar ik dezelfde genade heb ontvangen als die bezetene, en ook naar mijn huis mocht gaan om te vertellen wat groote dingen de almachtige en liefderijke God aan mijne ziel heeft gedaan, nu mag u niet zeggen: „zij is niet goed bij haar hoofdquot;.

God kon u uit uw mond wel eens oordeelen, zooals God het met Ds. R. en Ds. V. heeft gedaan.

Degenen die ik spreek zeggen: „ Zoo zouden wij ook wel niet goed bij ons hoofd willen zijn, dan was onze ziel verzekerd quot;.

Nu, Dr. Kuyper, ik hoop voor u te bidden in den Naam van den Heere Jezus Christus, opdat de almachtige God hel: deksel van uw en uw vaders hart wil wegnemen, opdat. wanneer gij in Gods Woord leest, gij het ook mocht verstaan , doordat de Geest des Heeren in u is, en u en uw vader zal openbaren, hoe of gij de gemeente moet opbouwen tot Gods Koninkrijk en tot eer van Zijnen grooten en heiligen Naam en tot heil uwer en hunner zielen, ja, tot eeuwige zaligheid, die daar is in Christus Jezus, onzen Borg, Middelaar en Zaligmaker, nu en tot in der eeuwigheid.

Met heilbede,

Eene wedergeborene in Christus Jezus,

Mevr. Wed. A. R. REINSBERG.

B a a r n.

P.S. Dr. Kuyper! Deze brieven zullen u wel weer dwaasheid zijn, want zij zijn voor u dood. Moge het Gode behagen ze nog eens levend te maken aan uw hart, tot eer en roem van Gods grooten en driemaal heiligen Naam, en tot heil uwer en veler zielen, opdat Christus u alles en in allen zij. Dat geve God!

Dr. Kuyper! Zooeven heb ik De Heraut gelezen. Maar wat uw vader nu schrijft, daar begrijp ik niets van; het lijkt wel eene liefdegeschiedenis over de engelen. Wat eene

ocr page 323

299

schande, om zoo over de engelen te spreken, daar de engelen rein zijn.

O, wat is het toch heerlijk als men getuigen kan, welke groote dingen de almachtige God aan de ziel heeft gedaar;, en welke bevindingen men van dien heiligen God heeft, en hoe men voor Hem arbeiden mag, gelijk een Maria Magdalena, de discipelen en vrouwen, die in den Heere arbeidden.

Dat kunnen de menschen beter verstaan. Daarin is geen man noch vrouw, „want gij allen zijt één in Christus Jezus

Ik laat nu honderden de kopieën lezen van de brieven, die ik u schrijf, en die de almachtige en rechtvaardige God ook zal bevestigen ; dat zullen zij zien. Dan laat ik het aan hunne beoordeeling over, of ik niet goed bij mijn hoofd ben.

II.

Den Weleerw. Zeergel. Heer Dr. H. H. Kuyper.

Januari 1895.

In antwoord op het boekje dat u mij heeft gezonden, is deze dienende, dat hetgeen u in het boekje heeft geschreven, infame leugens en lage huichelarij zijn.

Ten eerste: leugens, om reden ik u al brieven had geschreven, toen ik nog aan de Doleantie behoorde, die niet van vervloekingen waren, maar vol oordeelen Gods, zoo gij en uw vader u niet tot den levenden God bekeerdet.

Ten tweede; huichelarij, zooals op bladz. 37 staat geschreven. Het was niet om trouw uwlieder ambt te vervullen, maar om den baas te spelen, en toen dat niet gelukte, ging men zich bij het minne volkje aansluiten, waar men eerst zoo op had gescholden.

Het was niet om de eere Gods, maar om de dubbeltjes 1886, en men dacht; tien dubbeltjes zijn meer dan vijf.

Nu zien wij hoe de almachtige God het tegenkomt, en wat een nood er overal in de Gereformeerde Kerk^/z bestaat.

Lees het ingezonden stuk in De Heraut eens, hoe daar de een tegen den ander opstaat. Zij spreken hun eigen vonnis uit, hetwelk ook zal gebeuren, daar ben ik zeker van.

ocr page 324

300

Wat geven al uwe Belijdenissen, als gij er toch niet naar leeft. De duivelen gelooven ook, maar als het er op aan komt dan sidderen zij. En zoo zal het met u en uw vader ook gaan, in uw oordeelsdag.

Of denkt u, dat men maar als een valsche profeet onder den dekmantel van Gods heilig Woord, naar het goeddunken van zijn eigen hart mag heen leven, zoo men wil, en dan maar om genade roepen ?

Ik zeg u, dat de rechtvaardige God u niet zal hooren. Neen, dezulken zullen zwaarder oordeel ontvangen, al geven jelui den duivel nog zoo de schuld en roepen jelui nog zoo: „Heere, Heere!quot;

Ik zeg u, in den Naam van den heiligen God, Hij zal een iegelijk vergelden naar zijne werken, hetzij goed, hetzij kwaad.

Ik begrijp niet, waarom uw vader van de Hervormde Kerk is afgegaan, daar had hij bij moeten blijven, dan had hij beter de wereld kunnen dienen. Dan had men niet zoo op hem gelet. Maar wèl nu hij zich voor een geloovige uitgeeft, wat hij toch niet is, zooals uit uw en uws vaders handel en wandel blijkt, ja zelfs wat in 't geheim geschiedt is schandelijk om te zeggen.

Uw vader staat in alle spotbladen afgebeeld, met het noodige schrift er bij. Is dat niet verschrikkelijk, dat die heilige God zoo wordt belasterd ? En wie is daar de oorzaak van ? Niemand anders dan uw vader zelf.

Daarom komt er zooveel ongeloof op de wereld, wegens de handelwijs van de valsche leeraars, die heel veel over God spreken, maar niet uit God zijn. Daarom zooveel ellende, omdat zij Gods wil niet betrachten, maar hun eigen weg maar gaan, vol van leugens en eigen eer en voordeel zoekende en dat heet geloof.

O, vreeselijk zal het zijn eens te vallen in de handen des levenden Gods! Dan zal die rechtvaardige God hen aan het oordeel des satans overgeven, aan wien zij nu zooveel gehoor geven.

Denkt gij niet, dat de almachtige God het den menschen ingeeft, om zulke valsche leeraars openbaar te maken, wiens handelwijze blijkt niet overeen te komen met Gods heilig Woord?

Neen, uit de vrucht zult gij den boom kennen, en alle rank, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgeworpen.

En wij zien reeds hoe u overal uitgeworpen wordt, waar u komt bij uw gemeente. Wat moet u daar al niet hooren?

ocr page 325

30i

Zij zeggen u maar precies zooals het is. De eene krijgt geen voedsel voor zijne ziel; en de andere nog minder; weer een ander wacht maar totdat er een andere dominé komt. Den een dwingt gij om aan de kerk te blijven, en bij den andere zit gij te huilen om ze toch maar aan de kerk te houden.

Het geeft u toch niets, zij gaan toch naar het Stalletje (1). Het werk Gods kunt gij toch niet keeren, waar de naam Christelijk bovenaan staat; in Hem zullen wij niet alleen alles vermogen, maar kunnen ook alles verwachten. Degenen die den Naam van Christus Jezus smaadheid hebben aangedaan , op die zal de rechtvaardige God zich wreken. Dat zult gij eens zien.

Toen Ds. Gezelle Meerburg hier is geweest, heeft hij zijne ooren doof gehoord; zooveel hadden ze van uwe gemeente, over u te zeggen, de een dit en de andere dat. De man was er beduusd van, en zeide, dat hij niet kon begrijpen dat Dr. Kuyper bij zoo'n gemeente nog kon blijven.

Ds. Gezelle Meerburg te Doesburgh heeft mij gezegd, dat hij ook weer Christelijk Gereformeerd werd. Een ouderling had tot hem gezegd: „Dominé, wanneer worden wij weer Christelijk Gereformeerd ?quot; Waarop Dominé heeft geantwoord; „Wij zullen den tijd niet vooruitloopen; het zal wel komen; want ik wil een Christus prediken, maar geene vormen.quot;

U ziet alweer hoe of ze over de Doleantie denken. O, professor Lohman had gelijk toen hij boven zijn boekje schreef: „Eene valsche leuzequot;.

Had de goede God het niet verhinderd, wat had uw vader dan al meer vormen en instellingen gemaakt. Wij waren compleet weer naar het Roomscheovergegaan. Ja, wij kwamen zelfs in den ban, zooals u mij toen ook wilde doen, toen u met leugens bij mij kwam, om mij weer aan de kerk te krijgen. Dat was niet om mij, want dan hadt gij wel eens binnen het jaar bij mij gekomen. Och, neen, mijne ziel kwam er niets op aan; wat kan u dat schelen, gij, die om uw eigen ziel niet denkt. Wat komt dan een ander er op aan. Maar ik had vier zitplaatsen en de contributie, en mijne hand mocht doen, wat zij vond om te doen.

O, ik kan mijnen God niet genoeg danken, dat Hij mij zulke verlichte oogen des verstands heeft gegeven, zelfs met Zijn goddelijk licht omstraald, zoodat ik mij niet meer onder het juk van valsche leeraars behoef te stellen, want mijn

1

Zie de noot op bladz. 208.

ocr page 326

302

Jezus heeft mij vrijgemaakt, en nu blijf ik vrij, tot eer en roem van Gods driemaal heiligen Naam.

Met heilbede,

Eene wedergeborene in Christus Jezus, mijn Borg, Middelaar en Zaligmaker,

Mevr. Wed. A. R. REINSBERG.

P.S. Dr. Kuyper, u moet mij toch eens schrijven wie dat stukje voor u heeft opgemaakt, dat in de „ Scheurmakerij of nietquot; staat.

Ik laat deze brieven iedereen lezen, gelijk al de andere, dan kan u niet liegen en uw oordeel niet verzwaren.

Brieven aan Ds. J. W. H. Notten te Veldwijk.

I.

31 Januari 1895.

Zeergeachte en eerwaarde Dominé!

Dominé, U zal wel eens denken, van Mevr. Reinsberg hoor ik niets meer. Dominé, dat komt dat ik nog al veel voor mijn Heere en Heiland mag arbeiden, en door de genade en kracht Gods overal moet vertellen, welke groote dingen de Almachtige aan mijn ziel en lichaam gedaan heeft.

Ja, Waarde Dominé, mij de grootste der zondaren is barmhartigheid geschied, doordat ik eene verloste en wedergeborene in Christus Jezus ben geworden. Ik ben der zonde gestorven, en leef mij zelve niet meer, maar Christus leeft in mij.

O, ik heb mijn God zoo lief, omdat Hij mij eerst heeft liefgehad.

De Heere Jezus heeft mij met het vuur des Heiligen Geestes gedoopt, zoodat ik in Zijne kracht overal van Hem moet getuigen, wie die genadige God en Zaligmakende Jezus is.

ocr page 327

303

O ! Ik heb zooveel zaad mogen strooien, wat de almachtige God heeft doen ontkiemen en dat vruchten heeft voortgebracht der bekeering waardig. O, ik heb zooveel zegen op mijn werk, dat ik door de genade Gods mag doen.

Ja, Dominé, het oude is bij mij voorbijgegaan, het ;s alles nieuw geworden. De heilige God heeft mij wederbaard in het bloed des gekruisten Lams.

En wat leef ik nu zalig, zoodat ik Gods geboden trouw mag bewaren en ook doen in Christus Jezus, die mij kracht geeft, ja, die nu de werken des satans in mij verbreekt en mij laat strijden den goeden strijd des geloofs; strijden tegen den satan, de wereld, mijn booze hart en vleeschelijke begeerlijkheden, en ik zie eiken dag, hoe mijn Jezus voor mij overwint.

Ik weet nu, mijn Jezus heeft mij Gode gekocht met Zijn dierbaar bloed, en nu kan mij niemand meer uit de hand van mijn God noch die van mijn Jezus rukken.

Ik heb mij geheel aan Hem overgegeven, zoodat ik nooit bid of het is in den Naam van den Heere Jezus Christus; en dat ik, die vroeger nooit bad.

O! Wat eene genade. Ik mag nu wel twaalf maal per dag in den Naam van mijn Jezus voor den troon der genade komen.

Wie had dat ooit kunnen denken, dat ik door Hem gekend zou worden. En nu mag ik Zijne stem hooren, en mijn Jezus volgen, waar Hij mij geleidt. Hij zal mij leiden door Zijnen raad, en daarna in Zijne heerlijkheid opnemen.

Wat eene genade, en dat aan mij de grootste zondares der wereld.

O, Dominé, wat is dat eene zaligheid, als Gods Geest getuigt met mijnen geest, dat ik nu in Christus Jezus ben, en ik een kind van God ben en door Gods Geest word geleid. De zonde die ik vroeger deed, haat en laat ik nu, en de gerechtigheid, die ik niet kende, zoek ik nu, en ik heb ze lief.

En dat is alles het werk van Christus, den Onzondige en Rechtvaardige, die het in Zijn waarachtig Woord heeft beloofd, dat Hij velen rechtvaardig zou maken. En dat heeft Hij aan mij gedaan.

Ik zou voor geene millioenen weer in de wereld willen leven, nu ik mijn God heb mogen leeren kennen. Ja, ik acht alles schade en drek om de uitnemendheid die ik in mijn Christus heb. Daar Hij mij zooveel aan mijne ziel doet genieten, is dat een vrede die alle verstand te boven gaat. En

ocr page 328

304

die dat eenmaal heeft gesmaakt, kan dat niet meer missen. En daarom klem ik mij zooveel te meer aan mijn Jezus vast, opdat de satan er geen voordeel bij behale, om mijnen God te bedroeven, laat staan te vertoornen. Zijne geboden zijn mij nu zoeter dan honigzeem, die mijn Jezus in mij werkt, om Gode welbehagelijk te leven, tot roem en prijs van Zijn grooten en driemaal heiligen Naam.

Eerwaarde Dominé! Ik behoor niet meer aan de Gereformeerde Kerk«2. Ik ben er afgegaan toen Dr. H. H. Kuyper zoo laag heeft gehandeld.

Verbeeldt u eens, Ds. Notten, van den zomer is Dr. Kuyper op reis gegaan naar Zwitserland, terwijl de kerkeraad in nood zat. Hij moet er uit hebben gezien allerbespottelijkst; ik noemde het een komediantenpak, 't welk hij aanhad.

En den eersten Zondag den besten werd van den kansel afgekondigd dat er eene extra collecte gehouden zou worden, want dat de Kerk in nood was. Ik werd in mijne nieren en ingewanden geprikkeld, en dacht; En Dr. Kuyper gaat maar voor zijn pleizier naar Zwitserland en laat de Kerk in nood, die huichelaar, die wordt niet door Gods Geest geleid. Dat ondervind ik anders hoe of ik geleid word. Ik zou mijn goed, ja zelfs mijn bloed voor de Kerk van mijn Christus over hebben; zóó word ik door den Geest Gods geleid.

O! Wat een gruwel voor God, om, zooals hij doet te handelen. Ik werd zoo krachtdadig versterkt door Gods Heiligen Geest, dat hij een leeraar om den broode, van de woorden, en een eigen-gewinzoeker was. Maar den Heiligen Geest kende hij niet, want dan zou hij heel anders \\randelen en handelen.

Toen Dr. Kuyper thuis is gekomen, heb ik hem twee volle brieven geschreven, dat ik niet meer bij hem ter kerk kwam en mijn dochtertje niet meer ter catechisatie, want dat hij geen geest uit God was, maar enkel een leeraar van de woorden en om den broode, en dat onze voorvaderen hun goed en bloed voor de Kerk van Christus over hadden, maar lieten de Kerk niet in den steek, zooals hij deed, en dat er geschreven stond in Gods heilig en waarachtig Woord: „Zoo is er dan geene verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch leven, maar naar den Geest.quot;

En als wij willens zondigen, dat er dan geen slachtoffer meer over zal blijven voor de zonde, maar een vreeselijk verterend vuur.

ocr page 329

30S

En zoo verder de brieven vol van de levende woorden Gods.

Zes weken daarna kwam Dr. Kuyper bij mij met een ouderling, om mij te zeggen dat ik mijne beschuldiging in moest trekken, waarmede ik hem had beschuldigd, want hij had met geweten dat de Kerk in nood was, want dan had hij het niet gedaan.

Ik antwoordde: „Dr. Kuyper, dat moet u voor een almachtig God verantwoorden, dat u dat niet heeft geweten. Maar dan wordt Gods Woord mooi verdraaid, want er staat geschreven, dat de leden der Gemeente hun have en goed verkochten en legden het aan de voeten der Apostelen.quot;

Dr. Kuyper zeide; „U zal mij toch wel gelooven als ik het zeg.quot;

Ik antwoordde; „ Neen, Dr. Kuyper, ik zal er God eerst om bidden, en als ik dan mijne beschuldiging in mag trekken , dan zal u mij weer in de kerk zien.quot;

En toen begon ik te spreken uit Gods dierbaar Woord, wat de Heilige Geest Gods mij gaf om te spreken, wel drie kwartier lang.

Dr. Kuyper werd zoo wit als een doode, en toen zeide hij; „Mevrouw, mag ik ook een woordje spreken? De Heere Jezus zegt ook in Zijn Woord tegen Zijne discipelen van „rust een weinigquot;.

Ik antwoordde: „Ja, Dr. Kuyper, ik wil best gelooven dat de Heere Jezus dat zeide, omdat Hij vermoeid was van Zijne dagreizen om het Koninkrijk Gods te prediken, maar toen ging hij niet naar Zwitserland om voor Zijn pleizier naar het vleesch te leven. Dat moet u mij niet wijsmaken.quot;

Daarop zeide Dr. Kuyper: „Er staat ook in GodsWoord geschreven: „Degenen die beleden zal hebben, dat Jezus Christus in het vleesch is gekomen en Gods Zoon is, die zal zalig worden.quot;

Ik antwoordde: „ Hei, hei! Dr. Kuyper! Dat geloofde ik vroeger ook, en dat gelooven de meeste dominé's ook, en de duivelen ook, maar zij sidderen als ze in de handen des levenden Gods komen te vallen.quot;

Toen werd Dr. Kuyper kwaad, en zeide; „Mevrouw, u heeft uw dochtertje laten doopen, niet waar ?quot;

Ik antwoordde: „Ja, er zijn zeven kinderen van mij gedoopt, en e'én is er binnen de veertien dagen gestorven.quot;

„Nuquot;, zeide hij, „dan mag u, als moeder zijnde, uw dochtertje niet van mijne catechisatie wegnemen. Gij moet haar zenden.quot;

20

ocr page 330

306

Ik antwoordde: ,,Dr. Kuyper, als gij mij dwingen wilt, dan ben ik verplicht om ze naar de Groote kerk te zenden, want daar heb ik mijne belijdenis afgelegd, en daar zijn mijne kinderen gedoopt; maar omdat Ds. Notten het middel in Gods hand is geweest om mij tot God te brengen, daarom heb ik mij aan de Kerken aangesloten, alhoewel Ds. Notten Christelijk Gereformeerd was toen ik tot God ben bekeerd, en nu heet het Gereformeerde Kerken.

Is Christus verdeeld, en terwijl wij eene Algemeene Christelijke Kerk belijden? Het is een gruwel voor God.quot;

En toen ging Dr. Kuyper heen.

Ik zeide; „Nu, Dr. Kuyper, ik zal er God om bidden, en dan zal u mij weer in de kerk zienquot;; maar daar wilde Dr. Kuyper niets van hooren. Dat verbeeldde ik mij maar.

Toen werd ik zoo vurig van geest, dat ik zeide : „Dr. Kuyper, als gij durft zeggen dat het niet meer bestaat, dat God zich aan den mensch openbaart, dan zeg ik, dat de Bijbel liegt, en dan geef ik u de verantwoording er voor, die durft zeggen dat men dat niet zoo op moet vatten, en niet meer bestaat.quot;

Zoo ging Dr. Kuyper weg. En die lauwe ouderling durfde tegen mij zeggen: „ Mevrouw, u wordt door een verkeerden geest bestierd, die is niet goed.quot; Dat was alles wat de man zeide; dat had Dr. Kuyper hem al vooruit gezegd zeker. En dat tegen mij, die door de genade Gods eene wedergeborene in Christus Jezus ben; ja, die door de gerechtigheid Christi God mag dienen in geest en in waarheid en niets dan waarheid.

Eerwaarde Dominé! Toen Dr. Kuyper weg was, ben ik naar boven gegaan en heb mijne knieën gebogen voor den troon der genade en in den Naam van den Heere Jezus Christus gebeden wat ik moest doen, of ik mijne beschuldiging moest intrekken en weer naar de kerk gaan. En wat kreeg ik in mijne ziel ten antwoord? „Neen, ge moogt niet meer naar hem ter kerk gaan, want ge hebt hem beschuldigd met de levende woorden Gods, die door den Heiligen Geest Gods geschreven zijn, en als ge je beschuldiging intrekt, dan hebt ge God voor een leugenaar gemaakt.quot;

Verder kreeg ik in mijn gebed ten antwoord: „Dat is een volk dat eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij, maar Ik zal ze bezoeken , want Ik laat Mij niet bespotten, spreekt de Heere der heirscharen.quot;

Ik heb Dr. H. H. Kuyper daar drie volle brieven over geschreven, wat God mij had gezegd, en wat God mij nog

ocr page 331

307

had geopenbaard, dat hij noch zijn vader geesten uit God waren, geen wedergeborenen in Christus Jezus; dat ze als heidenen leefden onder de bedekking van Gods heiligen Naam, en om God noch Zijn gebod iets gaven, en maar heenleefden naar het goeddunken van hun eigen hart. Ja, dat zijn vader een eigengerechtigde, een Godverzaker, een gewinzoeker was, die meer zijn eigen eer en voordeel zoekt dan Gods eer. Hij kende God niet. Hij sprak heel veel over God, maar dat haalde hij uit zijne kamer vol boeken. En daarom is hij met alle dwaalgeesten omgeven, zoodat niemand het begrijpen kan.

Het is niet uit God. Hij is een van die schriftgeleerden, die munten en sikkelen vertienen, maar die met hunne geleerdheid de menschen van het Koninkrijk Gods afhouden.

O! Dezulken zullen zwaarder oordeel ontvangen. Het zal Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan hunlieden. De mannen van Ninevé zullen opstaan tegen dit geslacht en zullen hetzelve veroordeelen.

Ja, Ds. Notten, dat werd mij door God geopenbaard, precies zooals toen ik op Veldwijk was, en toen door de werking des Heiligen Geestes Gods mij aangezegd werd, dat de Bijbel mij zoo dierbaar zou worden, en dat ik weer naar mijne kinderen zou gaan, en als God werkte kon niemand het keeren, en wat bij den mensch onmogelijk is, is mogelijk bij God, en als God in Jezus op mij nederzag, en voor mij was, dan kon niemand tegen mij zijn, en nog veel meer, te veel om op te noemen.

En zie de goede God heeft alles bevestigd, en vervuld; door Zijne genade ben ik dat ik ben. Ja, den grootste der zondaren is barmhartigheid geschied, om Jezus' wille.

O! Ik dank mijnen God zoo, dat Hij mij zulke verlichte oogen des verstands heeft gegeven, met Zijn goddelijk licht bestraald, zoodat ik mij niet aan valsche en blinde leidslieden behoef over te geven; want mijn Jezus heeft mij vrijgemaakt, en nu blijf ik vrij; ja, de poorten der hel kunnen ze niet meer overweldigen, want mijn Jezus is met mij tot de voleinding, ja tot in aller eeuwigheid. Amen!

Eerwaarde Dominé! Ik heb nu al twaalf en een halven brief aan Dr. Kuyper geschreven. Want toen ik vernam: hoe de Doleantie, waar zijn vader het hoofd van is, hoe ze den Heere Jezus smaadheid hebben aangedaan, doordat de vroegere Christelijke Gereformeerden, nadat zij in het gebed waren geweest, met alle stemmen den naam Christelijke Gereformeerde Kerk wilden handhaven; maar hoe Prof. Kuyper hen

ocr page 332

3O8

liet weten dat het moest Gereformeerde Kerken heeten, — toen werd ik zoo verontwaardigd, ja met een wreveligen haat vervuld, dat ik H. H. Kuyper weer drie brieven schreef, hoe de almachtige God er in zou blazen, en de gerechtvaardigden het zouden zien en er om lachen; ja, allen die er de bewerkers van waren, zou God straffen, die Zijn geliefden Zoon zooveel smaadheid hadden aangedaan, al degenen die Zijnen Naam wel konden missen, die het buiten Zijnen Naam wel konden doen, dien Naam van Christus, in Wiens Naam de duivelen bij mij uitgeworpen zijn, en in Wiens Naam ik met eene nieuwe tong spreek, en in Wiens Naam ik gerechtvaardigd ben.

O! De rechtvaardige God zal Zijn Zoon wreken, daar ben ik zeker van; het is nu nog maar een begin, maar het zal hoe langer hoe erger worden; dat zullen zij zien.

Ach, wat heeft die Professor Kuyper eene ellende op de wereld gebracht met zijne geleerdheid, wat bij God dwaasheid is. Wat een ongeloof in de Gereformeerde Kerkt'w; wat een haat; wat een nijd; wat een twist. Zij staan tegen elkander op als katten en honden. Zij gunnen elkander het licht in de oogen niet.

Dezulken zijn niet wedergeboren in Christus, dezulken zijn uit den duivel. Want wie de zonde doet is uit den duivel. Vroeger deed ik ook zoo; maar nu ik in Christus Jezus ben, nu strijd ik daartegen in de kracht van mijn Jezus, dien Sterken Held uit Juda's stam, den Overwinnaar der overwinnaars.

De Zone Gods zegt in Zijn Woord: „Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel mijns Gods, en den naam Mijns Gods zal Ik op hem schrijven, en hij zal niet meer daaruit gaan, en den naam van het nieuwe Jeruzalem, dat uit den hemel van Mijn God afdaalt en ook Mijnen nieuwen Naam.quot;

En Prof. Kuyper gaat met moedwil zondigen, en dat een, die zegt, dat hij een uitverkorene en wedergeborene is. De man verstaat Gods Woord niet, en is geen wedergeborene; dat zeg ik in den Naam van den heiligen en almachtigen God, Die hem eens zal oordeelen voor het krijgvoeren, dat hij tegen den rechtvaardigen God doet.

Paulus zegt: „Wij zijn Christus deelachtig geworden, zoo wij namelijk het beginsel van dezen vasten grond, tot het einde toe vast behouden. En gij zijt getuigen en God, hoe heilig en rechtvaardig en onberispelijk wij u die gelooft geweest zijn, te allen tijde strijdende voor u in de gebeden,

ocr page 333

309

opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil van God; maar gelijk Hij die u geroepen heeft, heilig is, zoo wordt ook gij zeiven heilig in al uwen wandel; daarom, dat er geschreven staat: Zijt heilig, want ik ben heilig. En de God des vredes zelf heilige u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst: van onzen Heere Jezus Christus.quot;

Hoe komt dat nu overeen met hetgeen Prof. Kuyper zegt, die de menschen zelf aanmoedigt te zondigen, om tegen den heiligen God op te staan; die huichelaar, die Schriftverdraaier. Hij houdt de menschen van 't Koninkrijk van God af.

Daarom is er zooveel ongeloof, omdat de menschen geene gemeenschap met God hebben door hun zondigen. De heilige God kan in dezulken niet verkeeren ; en zij zullen met dubbele slagen geslagen worden, die „Heere! Heere! quot;-roepers, die Godverzakers. Het schreit tot God zulke leeraars!

Hoe heeft hij nu weer in dat dure boek geschreven altemaal leugens en God tergende woorden, waar de wereld tegen op is gekomen. Zij zeggen: dan moet de Bijbel liegen, als dat waar is wat Prof. Kuyper daarin schrijft.

Wat een gruwel voor dien heiligen God, om zoo belasterd te worden. Het schreeuwt om wraak. God zal hem vreeselijk straffen, daar ben ik zeker van. De rechtvaardige God zal zich niet ongewroken laten, dat zult gij eens zien.

En nu weet die Hananja het zoo mooi bij elkander te zemelen en trekt zijne woorden zóó laag terug, dat niemand er wijs uit kan worden ; maar met dat al palmt hij maar de dubbeltjes in.

Professor Lindeboom krijgt hem ook al in de gaten, en maakt zich bezorgd over Kuyper's theologie. Dat is dan met recht: waar moet dat heen?

Eerwaarde Ds. Notten! Ik heb voor eenige maanden vijf brieven aan Ds. W. H. Gispen geschreven naar Amsterdam; maar die heeft zich ook al laten betooveren door dien grooten toovenaar. Het riekt tegenwoordig bij hem hoe langer hoe meer naar de politiek. Hij wijkt geheel van God af.

Aan het Classicaal Bestuur van Amersfoort heb ik ook twee brieven geschreven over de handelingen van Dr. H. H. Kuyper, en ik denk dat ik het over het geheele land zal doen, om zulke valsche leeraars openbaar te maken, opdat ze als pottenbakkersvaten vermorseld worden, en de arme luiden hun geld niet meer uit den zak kunnen halen en nog meer kerken kunnen rooven.

ocr page 334

31°

O, Dominé, pas toch op dat ze de School van Kampen niet inpakken om hunne schuld van de Universiteit mee te betalen. O, Dominé, u zal eens zien wat een mooi huishouden het zal worden.

De wereld zal er schande van spreken, zooals ze hier in Baarn er ook van spreken. Het is me een herrie hier in de Gereformeerde Kerken. De ouderlingen beliegen en bedriegen elkaar heb ik jou daar. Ik kan de dieven er zelf uit wijzen, en de dominé staat als een leugenaar op den kansel. Overal waar hij komt vertelt hij leugens en verdraait hij de woorden. En die heeten uitverkorenen. Zeker omdat Prof. Kuyper hen bij den doop wedergeboren heeft.

Dr. H. H. Kuyper zegt hier, dat ik niet goed bij het hoofd ben, die leugenaar! Hij verdraait mijne brieven en Gods Woord. En nu laat ik geheel Baarn en overal waar ik naar toe reis, de kopieën lezen; dan kan hij zijn oordeel niet verzwaren.

Toch mag ik eiken ochtend en avond voor hen bidden, dat God hen bekeere en zij zich tot den levenden God mogen wenden om behouden te worden.

Nu, Eerwaarde en Geachte Ds. Notten, ik hoop in Christus Gods heilig Woord te bewaren en Zijnen Naam niet te verloochenen , opdat ik in Christus behouden mag wat ik heb, en niemand mijne kroon neme. Amen!

P.S. Nu, Eerwaarde Ds. Notten, God zegene u en de uwen.

Met heilbede,

Eene wedergeborene in Christus Jezus, mijn Verlosser en Zaligmaker.

Daarom moet Zijn Naam bovenaan.

Hoogachtend,

Mevr. Wed. A. R. REINSBERG, Dalweg, Baarn.

ocr page 335

SU

II.

Baarn, 6 Februari 1895.

Zeer gcachtc en ecrzvaarde Ds. Nottcn!

Dominé, ik heb Uw Eerwaardes letteren ontvangen, alhoewel het mij speet, dat de brief op Zondag kwam, daar ik, nu ik in Christus Jezus ben, den Sabbath gaarne heilig, en daarom open ik nooit een brief op Zondag.

UEerwaarde schrijft mij, dat UEerw. mijn brief met leedwezen heeft gelezen, en zeer betreurt het woelen der Christelijke Gereformeerden en uw hart buigt zich neder in de jammerlijke verdeeldheid die allerwege gezaaid wordt, en waardoor het opbloeien der Kerktv? belemmerd wordt.

Ei lieve, Ds. Notten! Wie is daar de schuld van? Niemand anders dan Kuyper met zijne Doleantie en degenen die zich aan de Doleantie hebben overgegeven. Hebt ge wel ooit grooter verdeeldheid gezien dan in de Gereformeerde Kerken. De naam Kerkt-w wijst al op verdeeldheid, terwijl er maar ééne Algemeene Christelijke Gemeente bestaat, alwaar Christus het Hoofd van is , en wij de leden. Het mag geen Kerk^w heeten; dat is meervoudig. Christus is niet verdeeld over Zijne ware Gemeente.

UEerw. schrijft, dat de geschriften van Prof. Kuyper verkeerd door mij gelezen worden. Denkt UEw. dan niet, dat eene wedergeborene in Christus Jezus het deksel van het hart is weggenomen, zoodat zij het verstaan, doordat de Geest Gods in hen is?

En wat heeft Prof. Lindeboom in De Roeper geschreven over het laatste werk, dien mooien naam kan ik niet verstaan dien hij er aan geeft, maar wel hetgeen Prof. Lindeboom over het werk van Prof. Kuyper zegt, daar hij zich bevreesd en bezorgd maakt over zijne theologie en het door een kerkeraad moet onderzocht worden of dat waarheid is, daar Prof. Lindeboom het anders niet aanprijst. En waarom heeft Ds. Sikkel zoo laag tegen Prof. Lindeboom uitgevaren ? Zeker omdat hij te veel tegen het werk van Kuyper opkwam.

Nu Prof. Kuyper terug is, nu is het weer zoo mooi bij elkander gekonkeld, daar er zeker al genoeg haat en nijd onder de Gereformeerde Kerkrw bestond, zoodat de dominé's

ocr page 336

312

nog maar wat moeten wachten. Maar dat komt later; dat zal UEerw. eens zien. Een begin is er al. Lees UEerw. maar Dc Wekker van i Februari '95 en van dien ouderling. De Wekker van 25 Januari '95. Daar kan UEerw. zien hoe de almachtige God werkt, om Zijnen geliefden Zoon te ■wreken.

Dominé's met de geheele gemeente komen weer aan de Kerk van Christelijke Gereformeerden.

En hoe heeft Prof. Kuyper zelf tegen het liberale Handelsblad zijne woorden ingetrokken, dat hij zich, zijns inziens, bekennen moest, dat hij zich had vergist. God vergist zich niet. En Kuyper durft zich nog den naam van godgeleerde toeëigenen. De heilige God zal er hem dubbel voor straffen, die Hananja. Het is hem om niets anders te doen dan om de dubbeltjes en daarom zegt hij maar wat hem voor den mond komt, en wat satan hem ingeeft. Hij weet zelfs niet wat hij zegt. De couranten en boeken moeten toch vol.

Eerw. Dominé! Ik kan u voor een heilig God, in den Naam van den Heere Jezus Christus verantwoorden, dat niemand mij heeft ingelicht, want ik wist niet eens dat er nog eene Christelijke Gereformeerde Kerk bestond, alwaar ik door de genade van den Drieëenigen God in Christus Jezus, vervuld met Zijnen Heiligen Geest, ben wedergeboren, en een nieuw schepsel ben geworden, daar ik van toen af aan mij zeiven niet meer leef, maar Christus in mij, gereinigd en vol van goede werken.

Ik hoorde het pas toen Ds. Wessels uit Zierikzee het zei: „Die zich weer bij de Christelijke Gereformeerde Kerk willen aansluiten, die worden verzocht om te blijven.quot;

Ik heb (JEerw. gemeld welk een strijd ik met Christus tegen satan had en hoe de Heere Jezus voor mij had overwonnen. Het was geen menschenwerk. Het was Christus zelf, die tegen mij zeide, dat Zijn Naam vooraan moest staan, die Naam, aan welken ik zooveel heb te danken.

Dominé, het was een werk uit God, precies zooals toen ik nog op Veldwijk was en toen UEerw. met Dr. van Dale en Ds. Steekhoven bij mij kwaamt en ik UEw. verte'.de dat God mij had gezegd dat ik tegen U moest zeggen, dat ik weer naar mijne kinderen mocht gaan, en toen Z.Ed. mij den winter nog wilde houden, stak ik de hand op en antwoordde: „Dokter, het is geen werk uit mij, het is een werk uit God, en als God werkt, wie kan het keeren?quot;

Toen werkte Gods Geest in Dr. van Dale, dat hij het niet

ocr page 337

313

mocht keeren, en zoo doende kon ik weer naar mijne kinderen gaan, en in plaats van November, werd het 29 September, dat ik weer bij mijne kinderen kwam. Met recht; als de almachtige God werkt, kan niemand het keeren; de duivel met zijn geheele heir niet.

Eerw. Dominé! U schrijft , dat de satan in de gedaante van een engel des lichts komt. Ja, dat ondervond ik maar al te dikwijls, maar in de gerechtigheid van Christus en de wapenrustingen Gods kan ik hem weerstaan, en zeggen: ,, In den Naam van Christus Jezus, ga weg van mij satanquot;, en dan wijkt hij van mij, en doe ik den wil van GW in Christus Jezus, mijnen Heere.

üf denkt UEerw. dat deze brieven door satan geschreven zijn? Dan zou satan zich zeiven verdeelen en meer voor de eere Gods opkomen dan voor zijne eigen eer. Neen, satan kan wel tegen God opstaan, maar Gods eer zoekt hij nooit; bij satan geene gerechtigheid. God zegt: „Ik zal hen leeren, en door Mijnen Geest zal het geschiedenquot;, en deze brieven zijn door den Heiligen Geest Gods geschreven, zooals Zijn waarachtig en heilig Woord ook door Zijnen Geest is geschreven , maar niet door satan , ook niet door twee a drie redacteurs, zooals Prof. Kuyper schrijft over de boeken van Mozes; die leugenaar !

Eerw. Dominé! U schrijft dat ik de Kerk niet mag verlaten, omdat zij veel en velerlei gebrek openbaart, dat is zonde en verloochent het karakter van Christus' Kerk. Mijns inziens is de Doleantie geen Christus'Kerk; het zijn verdeelde Kerk^w, alwaar den Naam van Christus smaadheid wordt aangedaan. Zij konden dien naam Christelijke immers wel missen. En er bestaat geen Kerk van Christus, wel eene Gemeente.

O! die Christus-verzakers! De rechtvaardige God zal hen tegenkomen en bezoeken. God zal zich wreken over zulke goddeloozen.

Weet UEerw. dan niet dat ik dezelfde naam „ Christelijkequot; draag, als toen de goede God mij bekeerde, en ik dus niet den naam heb verloochend} Ik hoop het Koninkrijk Gods geen afbreuk te doen, maar onder de banier van Christus te strijden den goeden strijd des geloofs, overal vertellende welke groote dingen de heilige God, om Christus' wille, aan mijn ziel en lichaam heeft gedaan, daar ik een levend getuige van Gods waarachtig Woord ben, om zoo doende Gods Koninkrijk te doen uitbreiden, tot roem en glorie

ocr page 338

314

van Gods heiligen en eeuwigen Naam, in den Naam van Christus.

Eerw. Ds. Notten! U schrijft mij, dat u mijn heil op het oog heeft en dat alleen, en ik uw raad moet volgen en mij terugtrekken moet. Het eerste daar dank ik UEerw. voor en hoop dat de goede God U er voor zal zegenen. En wat het tweede betreft, terugtrekken kan ik niet meer, want ik heb mij geheel aan Christus overgegeven en Hij laat niet varen de werken Zijner handen, maar Hij zal het voor mij voleinden.

„Verlaat niet wat uw hand begon,

O, Levensbron!

Wil bijstand zenden ! quot;

En dat zal mijn God doen, daar ben ik zeker van, en daarom: Christus' Naam bovenaan.

Ik behoef mij niet te wachten voor menschen die mij vleien, noch mijne inzichten roemen, want ik spreek meer door de genade Gods, wat de Heilige Geest Gods mij geeft om te spreken dan de menschen mij kunnen antwoorden. Alle roem is bij mij uitgesloten. Ik roem in mijnen Christus Jezus. De menschen die mij hooren en de brieven lezen, zeggen; „Dat is uit God. Want een vijftig-, zegge vijftig-jarige wereldling, die haast nooit naar eene kerk is geweest, noch een Bijbel heeft gehoord, hoe zou die nu zoo kunnen spreken en schrijven? Dat heeft geen vleesch noch bloed haar geopenbaard maar wel de Heilige Geest Gods.quot;

En daar hebben ze gelijk in. Het is niet uit mij, maar tilt den ontfermenden God.

Ja, Eerw. Dominé, Jezus Christus, die van toen en heden, ja, tot in der eeuwigheid dezelfde is, — die Christus heeft bij mij ook de duivelen uitgeworpen, gelijk Hij het bij den bezetene heeft gedaan, zoodat de bezetene bij zijn volle verstand was, en naar zijn huis moest gaan om te vertellen wat groote dingen God aan zijne ziel had gedaan.

En gelijke zelfde bezetene ben ik, Lucas VIII; ik heb ook het legio gehad. Niet zooals Dr. H. H. Kuyper zegt: ,, Zij is nog niet goed bij het hoofdquot;; dat maakt hij er bij, die leugenaar, die Schriftverdraaier, die Gods Woord zoo durft loochenen en belasteren. Een ieder ziet wel dat hij liegt. Net zooals toen hij bij mij is geweest om den heiligen God en mij te beliegen, toen hij niet wist dat de Kerk in nood was, want dan had hij het niet gedaan, voor zijn pleizier

ocr page 339

315

naar het vleesch te leven; die huichelaar! Ieder die ik sprak en vertelde wat Dr. Kuyper tegen mij had gezegd, zeide: „dat liegt hij; hij wist het net zoo goed als wij het wistenquot;. Ze hebben hem nog gewaarschuwd, maar hij is er maar vandoor gegaan, en dacht; laat de arme luiden maar bijpassen. Wat een gruwel voor God. En zóó iemand durft nog op den kansel te gaan om te prediken zonder schaamrood te worden en oprecht zijne zonden voor God te belijden. Hij gaat zóó maar den kansel op, zonder dat hij eerst bidt; dat behoeft bij hem niet; hij is geleerd genoeg in zijn eigen brein.

Zou hij zich wel ooit oprecht voor dien heiligen God verootmoedigen ? Ik geloof het niet, want dan zou hij heel anders handelen en wandelen. Want uit de vrucht zult gij den boom kennen. Het is niets dan lippentaal, ja, gestolen waar, wat hij uit de boeken haalt, onder de bedekking van Gods heiligen Naam, „maar niet uit Mijnen Geestquot;, spreekt God.

Ik wilde dikwijls genoeg bij hem uit de kerk loopen, zoo mooi preekte hij. Het leek wel Fransch of Engelsch, want ik verstond er niets van. Ik moest altijd mijne kinderen beloven, dat ik het niet doen zou. Dikwijls begon ik ook te kuchen , als hij begon met: „ dit moet men zóó niet verstaan , en dat bestaat niet meerquot;. O, dan had ik hem wel willen verslaan, gelijk een David den reus Goliath versloeg.

Eens keken wij elkander aan, alsof we elkander wilden verslinden. Hij kon niet uitstaan, dat ik zooveel van mijne bekeering kon vertellen, en de groote dingen die de almachtige Jehova aan mij had gedaan. Hij preekte er altijd tegen in, en zeide: „ als iemand zooveel ontvangen had, dat kon wel weder ontnomen wordenquot;. Maar dan kreeg ik zooveel versterking des Heiligen Geestes Gods. Die fluisterde mij dan toe: „Zoo waarachtig als Gods heilig en dierbaar Woord waarheid is, zoo waarachtig zal het je nooit weer ontnomen worden, en wordt ge ook nooit weer krankzinnig, bezeten.quot;

Eens heeft hij gepreekt, dat ik tegen iedereen zei: „Die preek hoort in eene hoerenkast, of in eene kroeg thuis, in plaats van op den kansel.quot; Het was over oude afgeleefde mannen uit Rome, en oude vrouwen die zich blanketten; dat moest een beeld voorstellen. Nu een fijn beeld voor een Christen.

In sommige preeken konden wel eens ware zinsneden zijn, maar dan dacht ik: dat is zeker uit a Brakel of van Calvijn , zoo één was dat met mijn geest.

Eerw. Dominé! Dr. Kuyper was al over het jaar niet bij

ocr page 340

3i6

mij geweest. Tweemaal ben ik aan de bediening geweest, zonder dat er een ouderling bij mij is geweest. Ik behoefde toch mijn kaartje niet te sturen, want ze wisten waar ik woonde. Was hij maar liever in het geheel niet bij mij gekomen, dan had hij ook niet behoeven te liegen; want het was niet om het heil mijner ziel te doen, dan was hij wel eerder gekomen. Maar het was om de dubbeltjes, doordat ik niet meer bij hem in de kerk kwam. Ik had vier zitplaatsen en betaalde contributie, en mijne hand mocht doen wat hij vond om te doen. En als er te kort was, dan kwamen ze bij mij; en daar was het om. Maar niet om mijn persoontje.

Hij is dan ook met hangende pootjes van mij vandaan moeten gaan. O, als UEerw. het eens wist hoe laag hij heeft gehandeld om zich zelf op het paard te lichten, toen Ds. van Proosdij hier vandaan ging. Eerst had hij niet gewild de ineensmelting, toen ze aan den kant van Ds. van Proosdij hadden gevraagd. En later kwam hij met hangende pootjes vergeving vragen. Hij dacht: eene mooie kerk en eene mooie pastorie en ik de baas, dat kan niet beter.

Ik heb toen gezegd: „Dat zal God tegenkomenquot;, en hij ziet de gevolgen er van; de een staat nog meer tegen hem op dan de ander.

Ds. Gezelle Meerburg, die hier is geweest, heeft zijne ooren doof gehoord over hem, en gezegd: „Hoe kan Dr. Kuyper in zoo eene gemeente nog blijven?quot; Er zijn hier wel twintig huishoudens, die vroeger bij Dr. Kuyper behoorden, maar die van hem af zijn gegaan om de lage handelwijze van hem. Zij hebben nu niets. Als er een dominé is, dan komen zij in den Stal, en als wij een vasten dominé hebben, dan willen zij zich aansluiten.

Waarde Dominé! U schrijft mij, dat ik om een stillen en nederigen geest moet bidden, die kostelijk is voor God. O, ik mag door de genade Gods mijne knieën in stilte neder-buigen en mij voor mijn God verootmoedigen, zoodat ik uitroep: „O, mijn God! de diepste der afgronden en de diepte der zee is nog niet diep genoeg om mij voor U in het stof neder te buigen, om mijne zonden voor U, o, heilig en Drieëenig God te belijden en U, o goedertieren hemelsche Vader, in den Naam van den Heere Jezus Christus te smeeken: O, God! ontferm u mijner, en wees mij rijke zondares genadig, en rechtvaardig mij om Uwen grooten Naam' wille, en bespreng mij met Uw bloed, opdat ik U, o, dierbare Heiland, deelachtig worde. Geef mij Uw lichaam

ocr page 341

317

tot spijze, opdat ik U, o mijn Verlosser, gelijkvormig worde, om Uw Vaders wil te doen. Dierbare Heere Jezus, volbreng Gij Uwe kracht in mijne zwakheid, want zonder U kan ik niets doen. In U zal ik niet alleen alles vermogen, maar kan ook alles van U verwachten. Daarom, o Christus, moet Uzv Naam boven aan. In dien Naam zullen wij meer dan overwinnaars zijn. Met U, o Christus, den Leeuw uit Juda's stam, zullen wij den satan onder onze voeten verpletteren, wanneer Gij het maken zult Amen!quot;

Nu, Eerw. Ds. Notten, zal ik maar eindigen, om reden ik met een ander in correspondentie ben. Ik hoop van de week en de andere week naar andere plaatsen te gaan om voor mijn God en Christus te arbeiden, hoewel ik ook nog veel aardsche zaken heb te bestieren.

Ja, Eerw. Dominé, er zijn nog Debora's en Huida's; er zijn nog vrouwen die in den Heere arbeiden. Ik sta in de kracht Gods en pal in mijn Christus; op Hem betrouw ik, nu en tot in der eeuwigheid. Amen!

Heilbiddend zegene de goede God UEenv. Dat is de wensch van eene wedergeborene in Christus Jezus, mijn Borg, Middelaar en Zaligmaker.

Na vriendelijke groete van mij en de kinderen.

Mevr. Wed. A. R. REINSBERG.

N.B. Geachte Dominé! Heeft UEw. dat stuk in De Boodschapper gelezen, van. den heer Veldhuizen, hoe die heer over Prof. Kuyper spreekt?

Ik wèl; er staat in: „ Ook ten opzichte van hem, Prof. Kuyper, geldt het woord van Jezus: „Wie kwaad doet, haat het licht.quot; En dat is waar.

En van de Neder landseke Jongelingsver eeniging ? Die schrijven in hun blad:

Over Steven,

Die zoo een leven.

Maakt in de kerk Eu wat zal 't geven.

Menschenwerk.

Ik heb dadelijk gezegd: „daar bedoelen ze Prof. Kuyper meequot;, en ik heb op De Heraut geschreven: „Steven is Kuyper.quot;

ocr page 342

318

En dat rijmpje durft hij nog in De Heraut^ te zetten. Heeft hij dan geen schaamte meer, en is de man blind. JNu, dat menschenwerk zal te niet gedaan worden. Maar Gods heilig en waarachtig Woord zal bestaan tot in der eeuwigheid. Amen! Halleluja! Amen! Ja, driewerf in Christus Jezus Amen .

Brieven aan Ds. J. Wisse te 's Gravenhage.

I.

Baarn, 16 December 1895.

Aan Ds. J. Wisse te 's Gravenhage.

Ds. Wisse! Een ieder die mijne brieven leest, zegt: „Die brieven zijn niet door een onzinnige geschreven; want dan moest Gods Woord ook onzinnig zijn. En het is ook geen laster, maar waarheid, daar het de waarachtige en levende woorden Gods waren, uit Gods dierbaar en waarachtig Woord. Ik blijf aan de Gemeente van Christus, die over de geheele aarde verspreid ligt, maar niet in een steenen gebouw, waar den Naam van Christus smaadheid aangedaan wordt vanwege de handelwijze der goddeloozen.

Christus' Naam blijft bij mij bovenaan. Hij is het Hoofd Zijner ware Gemeente, en ik ben een lid van Hem, om in

Zijne kracht te arbeiden voor Zijne gerechtigheid. En niemand

zal mij meer uit de hand van mijn liefdevollen God noch van mijnen zaligmakenden Christus rukken; de satan met zijn geheele heir niet, en al satans trawanten niet, die hem dienen om God te tergen met hunne daden. Want ik weet mijn Verlosser leeft. Ik ben den eersten dood gestorven en levend gemaakt door Zijn heilig Woord en Zijnen Heiligen Geest. En daarom behoef ik den tweeden dood niet meer te vreezen, daar ik weet dat Jezus Christus dien laatsten vijand ook voor mij zal overwinnen.

Maar dat is alles bij u onzin. Jelui houden de menschen van het Koninkrijk Gods af, met jelui's vreeselijke wijsheid.

ocr page 343

319

Men komt er tegenop met hetgeen jelui er bij maken. Het strijdt geheel tegen Gods Woord. Het is niet uit de kracht Gods en Zijnen Geest. Het geloof is niet aller. Christus leeft niet in u, dan zoudt gij anders spreken en handelen. Gij zijt nog vleeschelijk verkocht onder de macht van satan en dient de zonde waarin gij nog dood ligt. Gij moet levend gemaakt worden door Christus. Dan behoeft gij het niet meer uit de boeken te halen en dat zelf nog een beetje verdraaien naar het goeddunken van uw eigen hart en al wat satan u ingeeft, onder de bedekking van Gods heiligWoord.

Als gij levend gemaakt wordt door de genade Gods, dan zijt gij een discipel van Christus Jezus; dan zijt gij Christus deelachtig en moet dan met Hem lijden en strijden; dan zoudt gij van Hem moeten getuigen dat het niet gemakkelijk is, die strijd tegen satan en de wereld. Christus heeft het ook niet gemakkelijk gehad.

Maar hoe meer wij met Christus lijden en strijden, zooveel te meer zullen wij met Hem verheerlijkt worden, met dien Christus, die reeds verheerlijkt is.

En o, als wij Hem deelachtig zijn, dan kunnen wij ook spreken wat de Heilige Geest ons geeft om te spreken ^ doordat wij het getuigenis Christi in ons hebben.

En o, dan haat en laat men het kwade en de gerechtigheid krijgt men zoo lief, daar Christus de Gerechtigheid zelf is, die Zijne kracht dan in onze zwakheid volbrengt, tot eer en roem van Gods grooten en driemaal heiligen Naam.

Heilbiddend, eene driejarige krijgschristin, van mijn Koning Jezus, onder Wiens vaan ik mag strijden en lijden, maar met Wien ik meer dan overwinnaar zal zijn, daar ik in de kracht Gods sta en pal in Christus Jezus, den Overwinnaar.

P.S. Wat den naam van Gereformeerd betreft, die kan mij gestolen worden. Die naam geeft toch niets. Maar mijn Jezus, die zulke groote dingen aan mij heeft gedaan, dien Jezus kunnen ze mij niet ontnemen; want die heeft zich in mijn hart gegraveerd. Zijn Naam blijft bovenaan. In Christus Christelijk.

O, Ds. Wisse! Denk aan de eeuwigheid. Het wordt u genoeg aangezegd. En terwijl de rechtvaardige nauwlijks zalig wordt, waar moet dan wel de goddelooze blijven?

N.B. Al de brieven zijn gekopieerd. En als er leugens en laster in staan, dan hebben dat de leden van de Christelijke

ocr page 344

320

Gereformeerde Kerk gedaan, daar ik alles precies zoo heb geschreven als zij het mij hebben gezegd, en ik zelf heb ondervonden.

Mevr. Wed. A. R. REINSBERG.

II.

ii Januari 1896.

Dominé Wisse! Ik kan toch niet nalaten u te melden, op hoe eene manier de kerk op de Nassaulaan voor den tweeden keer is ingezegend. Op den eersten dag van het jaar 1896 kwam de Gemeente van de Christelijke Gereformeerde Kerk in de kerk bij elkaar. En de eerste wensch was dat Posthuma tegen den diaken Smit zeide: „Wat heb jij van Ds. Wisse gezegd?quot;

En daar hadt ge de poppen aan het dansen; eene ruzie van belang. Smit zeide: „Wat denkt ge, dat ik daarvoor hier ben gekomen? Ik zou je danken. Kom, kinderen, ga mee.quot; En zoodoende ging hij met zijne kinderen heen, de kerk uit. Wat een gruwel voor God.

Daar kwam de ouderling Plooi aan met een brief voor den voorganger, en waarin stond, dat de diaken van den Hove bedankte voor zijn diakenschap. En toen zeide de voorganger tegen Plooi; „Daar hadt ge jou naam ook wel bij kunnen zetten waar Plooi op antwoordde: „ Dat behoefde niet; dat kan ik zelf wel zeggen, dat ik als ouderling ook bedank.quot; En alzoo was de kerkeraad ontbonden en bestond niet meer.

Dat was de tweede vloek die op de kerk in de Nassaulaan is gehaald: een in het jaar 1895 , en dien wij ook hebben bevestigd gezien door dien rechtvaardigen God, door jelui met alles tegen te komen, zoodat jelui geen raad weet; en de tweede vloek is er op Nieuwjaar 1896 over gehaald, welken de almachtige God zal bevestigen; dat zult gij eens zien, Ds Wisse.

Gisterenavond vertelden zij mij dat zij vergadering hadden gehad; de vrouwen mochten er niet bij, die zeiden zeker te veel de waarheid en hadden het ook niet goed gevonden, dat alles weer zoo vooruit aan elkaar was gelijmd. Daarbij

ocr page 345

321

was ook niets meer van hen te halen. Nu, zij vertelden m-j, dat de heeren het goed hadden gevonden dat de kerkeraad maar weer moest blijven, en dan zou Wessels uit Utrecht opper-ouderling worden over hen.

Ik zeide; „O, mijn tijd, is de kerkeraad daar dan niet bekwaam voor? Zijn die dan zóó ongeschikt dat er een uit eene andere plaats moet komen om hun boel te redderen ? Dat zou bij mij niet gebeuren, hoor! Ik zou mij niet als een kwajongen laten behandelen en een ander den baas over mij laten spelen.quot;

Maar ik denk dat ze bang zijn voor de centen, dat dan de rente er niet op den tijd is; en daarom zal er nu ook elke week een dominé komen om te preeken. Maar ach, als de dominé's dan zooveel geld moeten hebben als tot nu toe, dan moet er nog meer geld bij dan als er geen dominé is. En nu althans, nu geheel Baarn weet waar het om te doen is, en hoe laag of er gehandeld wordt. Ik begrijp niet, hoe de dominé's hier nog in Baarn durven komen zonder schaamrood te worden, daar geheel Baarn er schande over spreekt van zulke intrigues.

Ds. Wisse, U moest eens hooren, wat de Christelijke Gereformeerde Gemeente achter u om zegt. De een zegt; „Daar moet je nou voor op de vergadering komen, terwijl de heeren het al vooruit aan elkaar hadden gekoppeld, en wij hebben niets te zeggen. Wat doen wij er dan?quot;

De tweede zegt: „Ja, maar de kerkeraad zal wel wijzer wezen om zich zóó als kwajongens te laten behandelen.quot;

Een derde zegt: „Nou maar, als die Posthuma voorleest, dan blijf ik net zoo lang buiten de kerk staan, totdat de dominé op den preekstoel is.quot;

En zóó wordt er maar gesproken over zulke leeraars. Het is een gruwel voor dien heiligen God, daar ze zei ven de oorzaak er van zijn met hunne ongerechtigheid. En dan gaan zij maar weer kerkje houden, zonder God of Zijn gebod. O, wat eene schijnheiligheid. Wat zal die rechtvaardige God hen tegenkomen. De almachtige God zal zich wreken. Dat zullen de hoofdaanleggers eens zien, gelijk ze het reeds gezien hebben. En het zal hoe langer hoe erger worden. God zal hen straffen, die leeraars van de woorden en om den broode, die eigen-gewinzoekers.

Ds. Wisse! Weet u waar uwe wijsheid in bestaat? Om kwaad te doen, maar goed te doen daar weten zij niets van. En die dan weet goed te doen en het niet doet, dien is het

21

ocr page 346

322

zonde. En die de zonde doet is uit den duivel, zegt Gods Woord.

En zoo zien wij dat gij uit den duivel zijt met uwe handelingen , zooals ik u reeds heb geschreven, dat gij nog vleeschelijk verkocht laagt onder de zonde en den duivel, en dat Christus u vrij moest maken, opdat gij, der zonde gestorven zijnde, een dienstknecht der gerechtigheid zoudt worden.

Want, Ds. Wisse, u zal mij toch geen ongelijk kunnen geven, als ik u zeg, na al hetgeen hier in Baarn met de Christelijke Gereformeerde Kerk is voorgevallen en in den Haag, dat gij ook wel weet, — als ik u zeg, dat Christus zich niet in u openbaart om de werken des duivels in u te verbreken. Want dan zoudt gij onmogelijk zonde kunnen doen. Als Christus, Gods Zoon, in u leefde, dan verbrak Christus de werken van zonde, die satan u ingeeft, en dan streedt gij in de kracht van Gods Zoon tegen den duivel, daar Christus, de Sterke Held uit Juda's stam, sterker is dan satan. Als Christus in u leeft, dan blijft gij met Hem immer overwinnaar; dan moet satan het verliezen, want dan wordt gij door de kracht Christi bewaard en de booze vat u niet.

Maar aan dien levenden Christus hebt gij geene kennis, want dan zoudt gij onmogelijk zulke booze dingen doen. De strijd van zonde, die in ons woelt, doet al zoo zeer, laat staan dat de menschen er schande van zouden spreken. Neen, dat doet geen kind van God; dat doet een kind des duivels.

O, beproef u toch, of gij in het geloof zijt en of Christus in u leeft, eer het te laat is; en of satan u al influistert:: „het moet genade blijvenquot;, die genade kon wel eens op de hel uitloopen, als gij ten minste zoo voort blijft handelen.

Toen ik gisteren De Wekker las, werd ik zóó ontdaan, zóó, dat ik uitriep: O, groote God, hoe is het mogelijk, dat iemand dat kan schrijven, terwijl hij zelf zoo laag handelt.quot; En wat kreeg ik in mijne ziel ten antwoord, door den Geest Gods? „Ja, maar dat heeft hij uit de boeken der voorvaderen gehaald, want als hij uit God was, in Christus, vervuld met Mijnen Geest, dan zou hij ook zoo handelen en wandelen, gelijk gij nu ook door Gods Geest geleid wordt.quot;

Ja, Ds. Wisse, u zal dat wel weer onzinnig noemen, maar wat ik onzinnig ben, dat ben ik Gode, in Christus Jezus, die zich zeiven in mij heeft geopenbaard om de werken dea

ocr page 347

323

duivels in mij te verbreken, en door Christus Jezus te leven, tot roem en prijs van Gods verheerlijkten en nooit volprezen Naam. Amen!

Eene wedergeborene in Christus Jezus, in Wiens kracht ik mag strijden en lijden voor Zijne gerechtigheid en volharden tot den einde toe.

Ds. Wisse! De waarheid en de liefde van mijn Christus dringen mij om u te melden, hoe de waarachtige God mij al had geopenbaard in mijn gebed, dat Ds. Bos niet in Baarn zou komen. lederen keer als ik mij nederboog voor dien ontfermenden Jehova en lag te bidden, kreeg ik in mijne ziel een antwoord: „Bos komt niet; Bos komt niet; Bos komt niet. Jezus overwint; Jezus overwint; Jezus overwint.quot;

Toen ik eens bij Mej. Haverkamp was, stak ik den vinger in de hoogte en sprak: „Ja, wij hebben met een heilig en rechtvaardig God te doen. Ds. Bos komt niet.quot; En later hoorde ik, dat Ds. Bos had bedankt. „Oquot;, riep ik uit, „almachtig God, wat zijt Gij een waarmaker van Uw Woord. Al wat Gij den geheiligden in Christus Jezus openbaart, bevestigt Gij ook om Uw grooten Naams' wil. Amen! Ja, driewerf in Christus Jezus, Amen! Ja, heilig God, tot in der eeuwigheid, Amen!quot;

Ja, Ds. Wisse! Er zijn nog profeten en profetessen, aan wie God zich openbaart, en door wie het den goddeloozen aangezegd moet worden, dat het hun kwalijk zal gaan, maar den rechtvaardigen dat het hun wel zal gaan. Bij den natuurlijken mensch is dat onzinnig. Die blijven liefst maar bij de woorden en hun is het dood; maar bij de wedergeborenen in Christus Jezus is het levend en eene vrede, die alle verstand te boven gaat, daar die mogen strijden in de gerechtigheid van Christus, door de kracht Gods, om satan onder hunne voeten te verpletteren. Dat is een heilige oorlog met Christus tegen satan en zijne trawanten, maar waarbij Christus Jezus overwint, tot in alle eeuwigheid. Amen!

Mevr. Wed. A. R. REINSBERG, Verlengde Dalweg, Baarn.

ocr page 348

324

Brief aan Vader en Moeder Neuhaus te V e 1 d w ij k.

I.

16 Januari 1896.

Waarde en Zeer geachte Vader en Moeder!

Moeder! Bij den aanvang van het Nieuwejaar kan ik niet nalaten u eens te schrijven, daar ik in zoö'n langen tijd niets van mij heb laten weten. Wat mij betreft, Waarde Moeder, ik ben door Gods goedheid en liefde gezond naar ziel en lichaam beide, alhoewel ik mij in de zwakte krachtig gevoel.

Ja, Moeder, het is op het oogenblik zoo koud in mijne ziel. Het gaat, maar ach, hoe? daar er anders zooveel vuur des geestes in mij is en ik de kracht Gods zoo gevoel, en dan dronken ben van liefde en huppel van zielevreugde, zoodat ik wel eens uit moest roepen: ,, Goede God, neem wat van mij weg, want dat kan mijn brooze lichaam niet verdragen.quot;

En nu is het precies of ze mijn Heer hebben weggenomen, en ik weet niet waar ik Hem vinden moet. Maar ik zal Hem vinden; mijn Jezus zal ik weervinden, daar ben ik zeker van, al moest ik er ook dag en nacht voor op mijne knieën liggen. Ik zal niet loslaten tenzij mijn Jezus zich weer aan mij heeft geopenbaard, zoodat ik weet dat Christus in mij leeft en werkt, en ik dien vrede weer smaak die alle verstand te boven gaat.

En, o Moeder, die dat eenmaal gesmaakt heeft, kan het niet meer missen. Ik zou liever alles willen missen dan dat ik zoo koud en eenzaam zonder Jezus daar heen moest leven. Maar o, ik weet, het is maar eene beproeving. Hij laat mij niet alleen. Het is maar omdat ik mij zooveel te standvastiger aan Hem vast zal klemmen, opdat ik weer zien kan, dat ik buiten Jezus niets vermag. Maar daarna zal Hij weer in volle glorie in mijne ziel verschijnen, mijn Jezus, die zulke groote dingen aan mij heeft gedaan, waar u, Vader en Moeder, getuigen van zijt geweest, hoe ik toen ik op Veldwijk was, eene bezetene des satans was. Moeder! Ik hoor u nog zeggen,

ocr page 349

325

toen ik u vertelde, hoe Christus Jezus mij had verlost van het geweld des duivels en overgebracht in Zijn goddelijk en wonderbaar licht, zoodat ik naar mijn huis mocht gaan om te vertellen de groote dingen die God aan mijn ziel en lichaam had gedaan, — toen u uitriep: ,, O, wat is ons paviljoen eene groote genade geschiedquot;.

En dat was ook zoo. Want u had mij eerst gekend als eene bezetene des satans en gebonden door den duivel, en nu was ik geheel ontbonden en vrijgemaakt door Jezus, mijn Verlosser.

Moeder! Zooals u weet, heb ik dan ook al veel mogen vertellen, wie die liefdevolle God en die zaligmakende Jezus is; en terwijl ik nu zonder kracht ben , toch ben ik verzekerd, dat het niet lang meer zal duren, of Christus zal mij weer met Zijn volle licht bestralen, waarmede Hij mij eens heeft liefgehad. Mijn Jezus zal het werk dat Hij aan mij is begonnen voleinden tot den einde toe; daar ben ik zeker van, want ik weet, mijn Verlosser leeft, nu en tot in der eeuwigheid.

Waarde Moeder! Wat is er in het afgeloopen jaar weer veel gebeurd. Ten eerste met mijne zaken, die opnieuw verhuurd moesten worden en waar ik alleen voor stond. O, neen, laat mij niet jokken, mijn God, de rechter der weduwen, was met mij. Die trouwe God leidde mij door Zijnen raad, daar ik anders weer vijf duizend gulden achteruit was gegaan, ais God mij geene kracht had gegeven om standvastig te handelen. Ik heb tegenover drie advocaten gestaan, om reden de oude bewoner die er uitging, zijn borgtocht wilde terug hebben, 5 mille, hetwelk ik hem niet wilde geven aleer ik alles in goeden staat had terugontvangen, zooals het in het contract in den Naam des Konings was beschreven; en toen ik den inventaris met twee getuigen ging nazien, was het er lang niet. En daarom wilde ik eerst van den borgtocht alles in orde laten maken. en wat er overbleef kon hij terugkrijgen, en verder niets.

Nu daar vandaan de quaestie met de advocaten; maar ik kreeg zooveel kracht in mij, dat ik niets anders in mijne ziel ten antwoord kreeg dan ; ,, Gij beroept je op den keizerquot;. Ik dacht; o, daar bedoelt de rechtvaardige God het contract mee in Naam des Konings, en daarom hield ik mij zoo beslist aan het contract vast, en bad God maar onophoudelijk om mij bij te staan en kracht te geven.

Moeder! U begrijpt dat mijn vleesch er onder leed, en zwak was om over die drie heeren te staan, maar de Geest

ocr page 350

326

Gods was zoo sterk in mij, dat ik heb overwonnen in de gerechtigheid van Christus, den Overwinnaar.

Ja, Moeder, ik had toen maar heel weinig onkosten, waar de nieuwe bewoner genoegen in nam. Het overige kreeg de oude bewoner terug. Anders had het mij wel vijf duizend gulden gekost. Zoo zien wij alweer. Moeder,

Die op den goeden God vertrouwt,

Heeft zeker op geen zand gebouwd.

Hem alleen de eer!

Moeder! Toen dat was afgeloopen, kreeg ik een doodbericht van mijne zuster uit Leeuwarden. Ik lag te bed en was ziek. Toen mijne kinderen mij het telegram gingen voorlezen, riep ik uit: „O, mijne zuster Pietje is in den hemel. O, was ik ook maar zoo gelukkig.quot; Ja, Moeder, zij was door de genade Gods, en door de zoen- en kruisverdienste van haren Borg, Middelaar en Zaligmaker, een engel geworden en haar geest omzweefde mij; want daar ik anders zoo vreeselijk bevochten en gescholden werd door satan als ik ziek ben, zoo was ik toen verheerlijkt in al mijn vleeschelijk lijden, en mocht Gods Naam grootmaken.

Ik kreeg 's avonds weer een telegram , of ik overkwam om de zaken te regelen. Toen ik 's ochtends wakker werd, was ik nog even ziek. Ik had een natten doek om het hoofd en de handen in eene kom met koud water. Dat deed mij goed. Eenige oogenblikken daarna kreeg ik in mijne ziel eene roepstem: „Kom, de Heere Jezus roept je; bewijs je zuster de laatste eer; Hij zal je wel helpen.quot; En o. Moeder, u die weet wat een geloof ik door de genade Gods heb ontvangen, ik geloofde het, en ging dadelijk mijn bed uit en opstaan. Maar, o wee, daar waggelde ik op mijne beenen; mijne krachten schoten te kort; ik moest mij aan de tafel vasthouden , zoo zwak was ik.

En daarom ging ik weer in bed en sprak; „Goede God, zoo graag als ik wil, ik kan niet.quot; Een poosje daarna was het alweer dezelfde stem: „ Kom, de Heere Jezus zal je wel helpen; Hij roept je; bewijs je zuster de laatste eer.quot; En toen sprong ik het bed uit, en riep: „ Heere Jezus! nu zijt gij ook verantwoordelijk om mij bij te staan, en daarop waag ik het.quot;

Ik riep mijne kinderen om het koffertje te pakken. Zij hadden wel tegenwerpingen. maar dat hielp niet. Ik vertrouwde

ocr page 351

327

op mijn Jezus; en om half twaalf zat ik in den trein die naar Leeuwarden ging. Het was in begin Juni en verschrikkelijk warm.

In den trein mocht ik veel getuigen van mijn Jezus, maar moest een paar keer het hoofd omhoog steken en pleiten op Zijne beloften, want tusschenbeide dacht ik: daar ga ik, van zwakte. Maar dan werd ik weer versterkt door Gods Geest; en zoo ben ik in Leeuwarden gekomen.

Ik had in geen twee dagen iets gebruikt, en toen nam ik een kop thee met een gebakje, wat mij goed smaakte. Ik ging toen naar het sterfhuis van mijne zuster en gaf de doode een paar kussen. De juffrouw bij wie zij inwoonde vertelde mij, dat mijne zuster zoo heerlijk was afgestorven.

Zij was een paar dagen vóór haar dood nog uit geweest. Donderdags was zij nog goed, en's nachts hoorde de juffrouw haar en vroeg wat ze wilde hebben, en of ze een kopje thee zou zetten, waarop ze antwoordde van ja. En terwijl mijne zuster de thee gebruikte, veranderde haar gezicht zoo vreeselijk, dat de juffrouw uitriep: „Pietje, gaat ge naar den Heere?quot;, waarop mijne zuster ten antwoord gaf: „Ja; Heere Jezus, ik kom, kom haastelijk.quot; En toen vroeg de juffrouw: „Hebt ge nog geen begeerte?quot; waarop mijne zuster zeide: „Ja, genade!en weg was zij.

Ja, waarde Moeder, dat was wel genade, want de Heere Jezus had haar verlost en opgenomen in Zijne heerlijkheid tot in der eeuwigheid. Amen!

Moeder, ik heb toen alles geregeld en ben zelf ook mee naar het kerkhof geweest, om reden ik alleen als zuster tegenwoordig was, daar mijn broeder wegens ouderdom niet kon komen.

Ds. Impeta heeft toen heerlijk bij het graf gesproken; het waren de woorden des levenden Gods. Zij gaven mij veel kracht, om mijn broos en zwak lichaam te schragen. Het deed mij zoo goed, en ik dankte mijn God er zoo hartelijk voor, dat de goede God mij zoo bijstond met Zijn liefde en raad en daad.

O, Moeder, ik mocht Zijne nabijheid zoo genieten. Ja, die op den goeden God vertrouwt zal nimmer beschaamd worden. Dat mocht ik door de genade Gods ondervinden.

Moeder, ik heb toen verder mijn zusters zaken geregeld en ben toen weer gezond en wel naar Baarn gegaan, naar mijne kinderen, die blijde waren dat ik weer terug was.

Waarde Moeder! En nu moet ik u nog schrijven welk

ocr page 352

328

eene quaestie ik met de hoofden van de Christelijke Gereformeerde Kerk heb. Die doen maar precies wat zij willen; God of Zijn gebod komt er niet op aan. Zij handelen nog slechter dan menig ongeloovige. Die leven nog naar hunne conscientie.

Ik heb Ds. Wisse en Ds. van Lingen verscheidene brieven geschreven; maar zij geven er niets om. Ik heb hun zoo straf geschreven, met de levende woorden Gods, over hunne handelingen , daar ze zoo laag hier in Baarn hebben gehandeld wegens het bouwen van een kerkje, dat het meer dan schande is, zoodat Gods Naam er mede gelasterd wordt door hunne handelingen. Ik heb hun met het zwaard van Gods Woord laten weten, hoe de almachtige en rechtvaardige God hen zou straffen en tegenkomen, daar zij Gods Woord maar achter zich wierpen om hun eigen voordeel te zoeken en den duivel dienden.

En die woorden Gods waren zoo waar, dat Ds. Wisse, de schriftgeleerde, ze niet kon verdragen en mij terugschreef, dat hij geene brieven meer las van eene uitzinnige. Ik heb hem toen teruggeschreven, al wat ik uitzinnig was, dat was ik Gode, tot roem en eer van Gods grooten en driemaal heiligen Naam.

Neen, Moeder, dat is een tweede Kuyper. Het is hun om niets anders te doen dan om hun eigen eer en voordeel te zoeken, onder de bedekking van Gods heiligen Naam. Zij zeggen dat ze God kennen, en zij verloochenen God met hunne werken. Christus leeft niet in hen; zij zijn den Beelde van Gods Zoon niet deelachtig. Zij zijn niet uitverkorenen, want dan kon satan hen onmogelijk meer verleiden, zoodat de wereld er geene schande van zou kunnen spreken. Dan zou de wereld bekennen dat het geesten uit God zijn, die bewaard worden in de kracht van Christus Jezus, dén Sterken Held uit Juda's stam. Die de werken des satans in de uitverkorenen verbreekt, opdat zij schijnen als lichten in de wereld, tusschen een krom en verdraaid geslacht. En dan zijn zij onberispelijk in de wereld en oprechte kinderen Gods, welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onbe-straffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus. En die zulk eene genade heeft ontvangen doordat hij een wedergeborene is in Christus Jezus, en zich zeiven niet meer leeft, maar Christus in hem, die weet dan dat hij een uitverkorene is.

Maar, o, dan is het lijden en strijden; want satan geeft

ocr page 353

329

geen kamp. Maar hoe ook satan ons bestrijdt en met vuisten slaat, zóó dat het ons een doorn in het vleesch is, geen nood, met onzen Jezus zullen wij meer dan overwinnaars uit het strijdperk treden, daar Christus reeds overwonnen heeft.

Satan moet het verliezen, want tegen de kracht Gods kan satan niet bestaan.

O, Moeder, wat heb ik, de grootste der zondaren, eene genade ontvangen , om het niet alleen op het papier te zetten, maar het ook te mogen ondervinden. O, Zijne genade is mij genoeg, want nu leef ik tot eer en roem van Gods grooten Naam, en tot heil veler en mijner ziel, in Christus Jezus, den Rechtvaardige, die mij heeft gerechtvaardigd door Hem, daar ik door Zijne genade ben wat ik ben. Ja, mij, de grootste der zondaren is barmhartigheid geschied, om Jezus zoenbloeds wille. Amen!

En nu, waarde Moeder, zal ik maar eindigen, daar ik al meer heb geschreven dan ik dacht. Vandaar dan ook de halve vellen papier, die ik u zend. Maar dat is hetzelfde. U zal het wel kunnen lezen, en God geve dat u en Vader het ook mogen verstaan.

Moeder, wil u de groete van mij aan Vader doen, en aan de juffrouwen-verpleegsters, als ook aan Moeder Rika en al de anderen, die naar mij vragen. Allen van harte gegroet.

Waarde Moeder, bid voor mij.

Heilgroetend en biddend,

Eene wedergeborene in Christus Jezus, mijn Borg, Middelaar en Zaligmaker.

P.S. Moeder, ik dacht dit vel papier op de helft te doen, maar het moet er aan blijven, om reden ik u nog moet melden dat wij naar den Haag gaan wonen met i April, op het Bezuidenhout. En als u met Vader van den zomer naar Rotterdam of naar Dordrecht gaat, dan gaat u in den Haag uitstappen, en dan komt u bij mij een paar dagen logeeren. Mijn huis is groot genoeg, om u en Vader te kunnen ontvangen. En dan hoop ik u den Haag en Scheveningen eens te laten zien, zoo de goede God het wil. En dan kunnen wij Gods natuur en almacht eens bewonderen, en Zijnen Naam grootmaken.

Ik hoop, vóór dat ik naar den Haag ga, zoo God wil, nog eerst eens naar Veldwijk te komen om u te zien en te

ocr page 354

33°

spreken, en dan zal ik u wel meer vertellen van de liefde van Christus Jezus, mijn Verlosser, daar ik wil dat Hij Koning over mij zijn zal, nu en tot in der eeuwigheid. Amen!

Moeder, nu ik toch over mijn Koning spreek, wil ik u iets schrijven hoe Prof. Kuyper over dien Koning schrijft. Het staat geschreven in Prof. Kuypers uitgave, en draagt den titel: Christus en de sociale no oden. En daar vergelijkt Prof. Kuyper Christus bij een socialist. Verbeeld je nu eens: Christus, de Koning der koningen, de Heer der heeren, een socialist.

Hij zegt; Christus was ook arm, de wijzen uit het Oosten moesten Christus geschenken brengen, opdat Jozef en Maria konden vluchten. O, anders hadden ze het niet kunnen doen.

O, wat een leugenaar! Zoo staat het niet in den Bijbel; dat maakt hij er bij, om zijne boeken maar vol te krijgen, en zijn eigen zak er mee te vullen.

Die Prof. Kuyper is een leeraar van de woorden en van den broode, een eigen-gewinzoeker. Hij doet geheel tegen de Heilige Schrift in. Hij is geen geest uit God; hij wordt niet door den. Geest Gods geleid. Dan zou hij anders over Christus, onzen Koning en Zaligmaker, spreken. Dan zou hij voor Gods Woord beven. Maar hij spreekt er maar over of het niets is, met zijne vleeschelijke wijsheid en uit zijn eigen brein. Het raakt zijne koude kleeren niet, laat staan zijne onsterfelijke ziel.

Prof. Kuyper zegt ook in de Sociale nooden, dat Lazarus toegang tot het huis van den rijke had en onderwijl deze aanzat zich van den afval van diens tafel kon voeden. Maar dat staat niet in den Bijbel. Lazarus lag voor de poort van den rijken mensch en begeerde verzadigd te worden van de kruimkens die van de tafel des rijken vielen, en zoo verdraait hij maar alles.

Nu, waarde Moeder, nogmaals gegroet. Mijne kinderen laten u en Vader ook van harte groeten.

Hoogachtend,

Mevr. Wed. A. R. REINSBERG, te Baarn.

ocr page 355

33i

Briefkaarten aan Ds. J. Wisse te 's Gra venhage.

I.

Aan Dominé Wisse

te :sGravenhage.

Met deze laat ik u weten, vvèl te zorgen, dat er geen schuldeischers meer aan mijne deur komen vanwege de schuld die op de kerk in de Nassaulaan staat, daar ik van de zoogenaamde Chr. Ger. Kerk geheel af ben door de handelwijze der goddeloozen; die de wet verlaten prijzen de goddeloozen, maar die de wet bewaren in Christus Jezus mengen zich in strijd tegen hen.

De kwade lieden verstaan het recht niet, maar die God vreezen, verstaan alles.

29 Jan. 1S96. Wed. A. R. REINSBERG,

Baarn.

Antwoord daarop.

Ds. Wisse schreef op dezelfde briefkaart mijn adres over het oude adres heen, voorzag die van een nieuw postzegel en zette aan den achterkant der briefkaart zijn antwoord.

(Postmerk 's Gravenhage.

30 Jan. 1896).

Mevrouiv Reinsberg

te Baarn, Dalweg.

Houd uw vuilnis voor u zelf. Spotters en lasteraars krijgen hun loon.

ocr page 356

332

II.

Antwoord op de vorige briefkaart.

Baarn, 31 Januari 1896.

Ds. Wisse, ik laat u hiermede weten, dat hetgeen ik u uit Gods Woord heb geschreven, dat dat geen spotten en laster is, maar waarachtige waarheid.

Ten tweede is het geen laster, daar de Jong, de stalhouder, zelf bij mij is geweest, om reden de hoofden van de zoogenaamde Chr. Geref. Kerk hem niet betaalden.

Uwe handelwijze is vuil; maar de rechtvaardige God zal u wel vinden. Gij zult uw loon geenszins ontloopen.

Gij moet u omgorden met het borstwapen van Chrisius gerechtigheid, dan kunt gij strijden in Christus Jezus met de wapenrustingen Gods, in plaats van met leugens en vuile woorden.

Dat is laag en past niet voor een dominé; dat strijdt tegen Gods Woord.

U moet de brieven die ik u heb geschreven, en waar geen woord af noch bij mag, — die moet u eens op den kancel voorlezen, daar het de volle waarheid is. Dan kunnen de menschen eens hooren, hoe gij hun den hemel voor de hel

voorpreekt. _ „

Wed. A. R. REINSBERG.

Antwoord daarop.

Ds. Wisse schreef weer op dezelfde briefkaart mijn adres over het oude adres heen, voorzag die van een nieuw postzegel en zette aan den achterkant zijn antwoord.

(Postmerk 's Gravenhage. 1 Febr. 1896).

Aan Mevrouw de Weduwe Reinsberg

te Baarn, Verl. Dalweg. Daar ik van al uw onzin niet gediend ben, zend ik u alles

ocr page 357

333

terug, zoolang tot het mij verveelt en dan klaag ik u aan bij de justitie.

Vooraf zal ik met deze nog waarschuwen.

Antwoord daarop door mü aan Ds. Wisse.

Ds. Wisse wat ik u heb gechreven is geen onzin, maar de zuivere waarheid; het overige kunnen de leden van de C. G. Kerk getuigen. En wat de justitie betreft, daar ben ik niet bang voor, daar ik strijd met de wapenrustingen Gods.

Wed. A. R. REINSBERG.

Brief aan mijn broeder te Winsum.

Geliefde broeder en zuster in den He ere Jezus Christus!

Waarde Broeder! Het is wederom een geruime tijd geleden, dat ik u heb geschreven; maar nu vat ik de pen eens op om u iets van mij te doen weten. Mennes. Ik heb u laatst geschreven, dat ik met mijne kinderen naar den Haag ging wonen, en daar hoopte ik voor mijn God te arbeiden, voor dien God, Die zulke groote dingen aan mij had gedaan en nog dagelijks doet.

Nu, waarde broeder, ik ben door de goedheid onzes Gods gezond en wel in den Haag aangekomen. Ik had natuurlijk veel te doen, om alles netjes op streek te maken, waar mijne kinderen mij trouw mede hielpen.

Ik moet u zeggen, broeder. dat ik in het begin mij niets thuis gevoelde vanwege de drukte om mij heen, daar het in den Haag geheel anders is dan in Baarn. U begrijpt, het was daar zoo stil, daar bij die goddelijke natuur van heerlijke denneboomen. Men wandelde zomers compleet in de bloemen. Het werkte alles zoo verbazend op mij, doordat ik van dood

ocr page 358

334

levend ben gemaakt door Christus Jezus, mijn Verlosser. Ik mocht in alles Hem alleen kennen en grootmaken.

En ik ben hier in eene geheel andere omgeving; nu moet ik alles opnieuw zoeken, en dat gaat zoo gemakkelijk niet, maar onze Heere Jezus Christus heeft het ook zoo gemakkelijk niet gehad, eer Hij uit kon roepen: „ Het is volbracht!quot; En daarom is gedurig mijne bede, in den Naam van den Heere Jezus Christus; „O, goede God, terwijl ik nu weer in de wereld ben, met alles om mij heen, groote God, bewaar mij voor den booze.quot;

Ja, Mennes, het is een moeilijke strijd, als men zoo geheel alleen staat, zonder man, zonder familie, en noch vriend noch maagd te bezitten, die mij bijstaan. Maar, o, ik heb mijn God, en daarom bezit ik alles. Niemand kan mij geven, alwat ik van dien goeden God ontvang. Hij, de Almachtige, is getrouw. Hij zal mij niet in den steek laten, zooals iemand eens beweerde: „Jou God kon je nog wel eens in den steek latenquot;, waarop ik ten antwoord gaf: „Dat zal nooit gebeuren. Neen, het werk dat de heilige God aan mij is begonnen zal Hij voleinden tot den einde toe; daar ben ik zeker van.quot;

O, ja, ik gevoel mij hoe langer hoe meer opgewassen in de genade en kennis van den Heere Jezus Christus. Hij laat niet varen de werken Zijner handen. Daar vandaan de groote strijd, dien ik heb te strijden tegen de overheerschers der wereld, die ik het aanzeggen moet, dat zij hoe langer hoe meer hunne verdoemenis te gemoet loepen, waar satan hun aanvoerder van is, met al hunne nieuwe inzettingen, leerstellingen en vormen, om de menschen van het Koninkrijk Gods af te houden, onder de bedekking van Gods Woord.

Het is niets anders dan om hun eigen voordeel te zoeken, zonder God of Zijn gebod. Zij willen wel „ Heere! Heere!quot; roepen, maar door Christus Jezus gerechtvaardigd te worden, opdat de Zonne der gerechtigheid in hunne harten opga, zoodat zij in Christus Jezus den heiligen God vreezen, eeren en liefhebben zouden, om Gods geboden te doen, neen daar hebben zij geen lust in. Die rechtvaardigmaking door Christus Jezus moet maar wachten tot hiernamaals; die gerechtigheid in Christus komt later, meenen zij, als zij nu hun doel maar bereiken. Het overige moet genade blijven.

O, die huichelaars, wat zullen er velen zijn die denken in te gaan en het niet kunnen, omdat ze niet hebben gewild dat Jezus Christus Koning over hen zou zijn, om hen hier in dit leven te rechtvaardigen door genade, en in Zijne kracht

ocr page 359

335

te leven in liefde en gerechtigheid, Gode welbehagelijk, au en tot in der eeuwigheid.

O, lieve broeder, er zijn menschen die maar alles op de lange baan schuiven, terwijl ze in Gods Woord lezen, hoe Christus Jezus hen wil brengen van de duisternis tot het licht en van de macht des satans tot God, opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden in Christus krijgen door het geloof. Maar die mooie geloovigen en Schriftverdraaiers zeggen maar: „ Het moet genade blijven. Christus heeft alles volbracht.quot;

O, ik zeg hun in den Naam van den Drieëenigen God, die mij niet alleen verlost heeft uit het geweld des duivels, maar ook gerechtvaardigd heeft in Zijn geliefden Zoon Jezus Christus, om in Zijn goddelijk licht te wandelen , in de kracht van mijn Verlosser, Christus Jezus, die mij in gerechtigheid doet leven, Gode tot lof en tot eer van Zijnen driemaal heiligen Naam, door mijn geloof in Hem — ja, ik zeg hun, dat zij hunne verdoemenis eiken dag hoe langer hoe meer naderen, omdat zij niet gerechtvaardigd zijn door Hem, om in het licht te leven, Gode welbehagelijk, door Jezus Christus. Zij zijn niet gereinigd door Zijn bloed. Zij staan geheel buiten Hem, buiten dien Christus, Die het heeft beloofd, dat Hij velen rechtvaardig zou maken. O, maar zij willen dien Christus niet hebben, en leven liever naar het vleesch, maar niet naar den geest; en zoo zien wij dat Jezus Christus niet in hen leeft. Christus is voor hen dood. Zij kennen Hem alleen bij den Naam.

Want o, die Christus Jezus waarlijk door genade hebben leeren kennen, zóó dat ze door de rechtvaardigmaking van Jezus Christus in gerechtigheid leven, o, die zijn Hem dan ook deelachtig, en moeten met Hem lijden en strijden.

O, dan vertoont satan zich in zijne ware gedaante, om zich op hen te vergrimmen, en ware het niet dat Jezus Christus zelf voor hen streed, dan zouden ze het onmogelijk kunnen volhouden, laat staan van overwinnen, vanwege den hevigen strijd tegen satan en de boosheden die in de lucht zweven, die zich ook op mij vergrimmen , omdat ze weten dat ze mij niet bij hen krijgen. Het zijn dezelfde boosheden, die de almachtige God mij heeft laten zien op Veldwijk, toen ik eene bezetene des satans was en waardoor ik zoo vreeselijk beangst werd en gepijnigd, en door satan, die mij zeide, dat ik nu in de voorhei was, maar dat ik daar ook bij kwam, als ik naar de hel ging.

ocr page 360

336

Ik wist toen niet den weg naar mijn Verlosser, Jezus Christus; het was mij nooit goed aangezegd, dat wij door Hem verlost konden worden uit de strikken des satans en de pestilentie, die in de donkerheid wandelt, en die zooveel ellende met zich medesleept.

Ik wist toen niet dat Jezus Christus, Gods Zoon, ook zijn bloed voor mij had gegeven en mij wilde rechtvaardigen om niet, om in Hem te leven, Gode tot eer.

En daarom hield satan mij in zijne macht, en liet mij niet los, maar pijnigde mij, zoodat ik van angst sidderde.

Maar o, wat een zegen. Jezus Christus kwam tusschenbeide en wierp de duivelen bij mij uit, zoodat ik bij mijn volle verstand was, naar ziel en lichaam beide. En toen moest ik naar mijn huis gaan om te vertellen wat groote dingen God aan mijne ziel had gedaan. Lukas VIII ; 28—39.

Ja, ik ben eene levende getuige van Gods waarachtig Woord. Daar zijn Ds. Notten, de dokter en de Vader en Moeder en verpleegsters van Veldwijk getuigen van, dat ik ook het legio had en met vele duivelen bevangen was. Maar Christus Jezus heeft mij verlost uit de macht des satans, — dien ik eerst met mijne zonde vijftig jaren had gediend en toen was ik geheel eene bezetene in de macht des satans op Veldwijk —; en na een hevigen en verschrikkelijken strijd, door Christus met satan, want satan wilde mij niet loslaten, daar hij mij al zoo lang had gehad om naar zijne pijpen te dansen, moest hij wijken, en kreeg ik genade en werd gerechtvaardigd, om Jezus Christus' wille, mijn Verlosser, Borg, Middelaar en Zaligmaker. Hem alleen de eer, lof en dankzegging !

Ja, waarde broeder, dat was genade; dat was de bevestiging van Gods heilig en waarachtig Woord; „Een volk in duisternis gezeten zal een groot licht zien quot;, hetwelk ik mocht zien door Gods ondoorgrondelijke goedheid en genade.

Ja, Jezus Christus, mijn Verlosser, had mij verlost van den vorst der duisternis, en overgebracht in Zijn goddelijk en wonderbaar licht, om te schijnen als een licht tusschen een krom en verdraaid geslacht, waar ik vroeger ook onder behoorde. Maar nu heb ik genade ontvangen, om te leven Gode welbehagelijk, in Jezus Christus, mijnen Heere en Leidsman.

Broeder, het zijn geen kunstig verdichte fabelen, die ik u schrijf, maar het is de kracht Gods, in Christus Jezus, door genade aan mij zondares geschied, daar ik een aanschouwer

ocr page 361

337

geweest ben van Zijne kracht en majesteit, tot verheerlijking Gods.

Lieve broeder, en nu moet u niet denken dat nu alles is afgeloopen met satan. O neen; nu is de strijd met Christus in mij tegen satan tot mijn dood toe. Maar ik weet dat Jezus Christus dien laatsten vijand ook voor mij zal overwinnen , die is de dood.

Satan vergrimt zich nu zooveel te meer op mij, nu hij weet dat ik Christus Jezus voorgoed toebehoor. En hoe hij mij ook bevecht en bestrijdt en bezoekt, zoodat ik uit moet roepen; ,, O, goede God, kunt Gij dat gedoogen, zulke inblazingen van satan! O, goede God, verberg u niet en beproef mij niet te lang, daar ik op het oogenblik machteloos ben om de vurige pijlen van satan af te weren vanwege zijne grimmigheid, waarmede satan mij bevecht en bestrijdt. O, getrouwe God, kom mij te hulp!quot; En dan gevoel ik dat de Almachtige mij in die verzoeking des satans niet verlaat; maar dan volbrengt Christus Jezus, mijn Verlosser, Zijne kracht weer in mijne zwakheid, zoodat satan weer van mij moet vlieden. En dan word ik gewaar, dat Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods, voor mij heeft gestreden, anders was ik omgekomen in 's vijands macht.

En als ik dan weer uit die verzoeking verlost ben en weer ruim mag ademhalen, dan zeg ik; „Wel goede God, hoe is het mogelijk, ik, die eene begenadigde en verloste in Christus ; ik, die u door genade, o heilige Jehova, mag dienen in geest en in waarheid en niets dan waarheid, hoe is het mogelijk zulke dingen van satan te moeten hooren, die niet oorbaar zijn. O, het is mij een doorn in de ziel, en terwijl hij mij met vuisten slaat, zoodat ik er moedeloos bij nederzink, en de krachten mij begeven. O, God, hoe is het mogelijk!quot;

En dan krijg ik in mijne ziel ten antwoord, precies zooals toen ik op Veldwijk was, toen de heilige God zich aan mij openbaarde: „Dat is nu juist de strijd, dien gij met Christus kunt volhouden; dus strijdt den goeden strijd des geloofs, en Ik zal u geven de kroon der overwinningquot;, en „Die volharden zal tot den einde toe, zal zalig worden.quot; En dan klem ik mij zooveel te meer aan dien Overwinnaar vast, Jezus Christus, doordat ik weet dat Hij het voor mij zal voleinden. Ik laat mijn Jezus niet los, want dan zou satan het winnen en word ik dan met hem in den poel des vuurs geworpen, waar al de werkers der ongerechtigheid zullen zijn, die de duisternis liever hebben gehad dan het licht van

22

ocr page 362

338

Christus, Die hen verlossen wil uit die duisternis, net zoo goed als Hij het mij heeft gedaan, toen ik geloofde dat Zijn bloed reinigt van alle zonden en om genade riep tot dien genadigen God, die mij genade schonk, o als zij maar in oprechtheid des geloofs tot God komen om zich door Christus te laten bereiden tot de eeuwige zaligheid.

Maar er zal tot velen gezegd worden: „ Gij hebt niet gewild , terwijl het u genoeg is aangezegd.quot;

En o, voor diegenen zal het verschrikkelijk zijn in den dag des oordeels. Want waar de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar moet dan de goddelooze blijven. Al degenen die niet gerechtvaardigd zijn in het bloed van Christus Jezus, zoodat zij niet in Zijn licht wandelen, hebben ook geene gemeenschap met Christus Jezus; dat is onmogelijk, want die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon Gods niet heeft, die heeft het leven niet.

O, waarde broeder, zouden die leeraars, die zoo vele nieuwe inzettingen en nieuwe leerstellingen maken, en die geheel in strijd met Gods waarachtig Woord zijn, — zouden ze zich wel eens terdege beproefd hebben, of ze wel in het geloof zijn, en of Jezus Christus in hen leeft? Ik denk het niet, want dan zouden zij zich zeiven moeten verwerpen, daar het geheel buiten Christus is. Het zijn altemaal leeringen en geboden der menschen en eene schijnrede van eigenwilligen godsdienst, onder de bedekking van Gods heiligen Naam, naar de eerste beginselen der wereld en niet naar Christus. En al wat niet uit Jezus Christus is, is niet uit God. De meesten zijn vijanden van het kruis van Jezus Christus. Zij willen zich niet vernederen, met dien Christus, opdat hun leven gelijkvormig worde aan Zijn verheerlijkt en godzalig lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen zich zeiven kan onderwerpen.

Daar willen zij niet aan. Het moet maar liever bij de woorden blijven. Dat is gemakkelijker. O, dat zij zich toch indenken, waarvoor zij staan, en waarvan zij eens rekenschap zullen moeten geven, alle leeraren van welk geloof of godsdienst zij zijn, waarom het hun te doen was: om eene doornenkroon en een kruis met Christus te dragen hier op deze wereld en met Jezus Christus te strijden en te lijden, opdat zij hiernamaals eene kroon zouden ontvangen van dien Overwinnaar, met Wien ze wettelijk hebben gestreden hier op aarde tegen den vorst der duisternis, tegen de machten dezer eeuw, tegen de overheerschers der wereld, tegen de

ocr page 363

339

boosheden in de lucht, tegen de vleeschelijke begeerlijkheden , tegen hun eigengemaakten godsdienst, regen hunne vleeschelijke wijsheid, tegen alle toovenaars, waarzeggers, zooals men die tegenwoordig maar al te veel hoort en ziet, in de benaming van magnetisme, somnambules, kaartlegsters, geesten laten verschijnen en spreken, enz. Er zijn er zelfs die zich omwonden hebben met den naam van Jezus op de lippen. Het zijn allen gedienstige geesten, onder de macht van satan, zooals ze in den tijd van Pharao er ook waren, en gelijk ze in Gods Woord beschreven staan en tegen Gods ordonnantiën strijden.

O, als het hun waarlijk te doen was, om in de kracht van hun Leidsman, Jezus Christus, daartegen te strijden en te overwinnen, zoodat zij vele zielen tot den Heere Jezus brengen, om door Christus gereinigd, geheiligd en gezaligd te worden, opdat die zielen uit die macht des satans met zijne booze listen verlost worden en overgebracht van de duisternis in Gods licht, — als het de leeraars daarom te doen is, dan heeft Christus Jezus hun ook plaats bereid in het huis Zijns Vaders, Die in de hemelen woont.

Maar als het hun te doen is om zich door geleerdheid eene plaats op den kansel te veroveren, om hun eer en voordeel te zoeken, ja, zich zeiven inbeelden dat de kansel eene koningskroon is, zooals Ds. Wisse verleden in Dc Wekker schreef, dat de kansel eene koningskroon was! „Oquot;, riep ik uit, terwijl ik het las, „en ik moet zoo lijden en strijden, nu ik Christus Jezus deelachtig ben geworden.quot; „Jaquot;, kreeg ik in mijne ziel ten antwoord, „dat zijn leeraars die kennen Jezus Christus niet; zij kennen Hem alleen bij naam en de woorden die ze uit de boeken halen. Het zijn leeraars van de woorden en om den broode, maar zij zijn Christus niet deelachtig, om Zijn kruis te dragen en Hem te volgen, waar Hij het wil. Zij denken op die manier binnen te kunnen gaan, maar zij zullen buiten Mij en Mijn huis niet kunnen, want er is geene overwinning dan na strijd, en geene kroon dan na overwinning, en die kroon komt pas als de laatste van alle vijanden is verslagen, namelijk de dood, die door Jezus Christus dan wordt overwonnen. En degenen die zich zeiven eene kroon op den kansel op het hoofd hebben gezet, zullen met satan, — die hun ingeeft, dat als zij de menschen maar voorpraten, natuurlijk het meest over den hemel, want van hel en verdoemenis willen de menschen niet hooren, daar zijn ze zelf bang voor. Daarbij moet het ook vrede

ocr page 364

34°

blijven; anders blijven de menschen weg; het moet maar genade blijven. Ze zijn immers met water gedoopt, — nu, die valsche leeraars zullen met satan in hun eeuwig verderf omkomen, waar al de werkers der ongerechtigheid zijn, daar Christus hen nooit heeft gekend.quot;

O, waarde broeder, laten wij ons wachten voor zulke valsche leeraars, die ons zoo gemakkelijk den hemel willen doen binnen gaan. Ik heb het anders ondervonden op Veldwijk, alwaar ik levend ben geoordeeld. Zij kunnen mij nu niet meer vangen met hunne mooie woorden en leugenachtige voorzegging, zeggende dat de Heere heeft gesproken, daar de Heere hen niet gezonden heeft. „En zij geven hope van het Woord te zullen bevestigen, daarom, ja daarom, dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is,, en dat de een eenen leemen wand bouwt, en zie, de anderen denzelven pleisteren met looze kalk.quot;

Ja, broeder, wij zien tegenwoordig dat er zulk en meer dan te veel zijn, en daarom, geloof en vertrouw ik op mijn God, die zulke groote dingen aan mij heeft gedaan, dat de almachtige Jehova mij nu ook zal bewaren voor satan en al de dwaze profeten, die hunnen geest nawandelen, en hetgeen zij niet gezien hebben, zoodat het onmogelijk is, dat zij mij zouden verleiden, daar ik nu in Christus Jezus mag strijden den goeden strijd des geloofs, en hoop in Zijne kracht eens de kroon der overwinning te behalen, en die te ontvangen van mijn Jezus, die reeds overwonnen heeft.

En laat satan zich dan maar vergrimmen en mij bezoeken, zoodat ik tusschenbeide mijn brood eet doorweekt met tranen, geen nood, mijn God en mijn Jezus zullen mij in die verzoeking niet verlaten, maar mij bewaren, daar ik door genade eene uitverkorene en wedergeborene in Christus Jezus ben geworden en Zijne geboden mag bewaren, doordat ik het getuigenis van Jezus Christus in mij heb ontvangen, en nu zal ik in Zijne kracht ook alles vermogen om den satan te weerstaan en te behouden wat ik heb, opdat niemand mijne kroon neme. Amen!

Nu, waarde broeder, nu nog iets over den Haag. Ik ben hier nog niet goed gewend, alhoewel ik veel van mijn God mag getuigen, waar de menschen nieuw van op hooren, als ik hun mijne bekeering vertel, van dien wonderdoenden en genadigen God, daar ik een levend getuige van God ben, in Christus Jezus, den Zoon Zijns welbehagens.

Er is hier veel te arbeiden, daar ik niet alleen de duisternis

ocr page 365

341

om mij heen zie, maar ook gevoel. Het drukt mij zoo ter neder, zoodat ik dikwijls naar den troon der genade ga, om te smeeken in den Naam van den geliefden Zoon, Jezus Christus, om nieuwe krachten te mogen ontvangen van mijn God, opdat mij macht gegeven worde om degenen toe te spreken, die ook eene ziel hebben te verliezen, en waar haast niemand zich om bekommert. O, die eeuwigheid! En dan bid ik of ik in Christus Jezus hun toe mag spreken, met vreeze en beven, aangaande het Koninkrijk Gods dat binnen mij is, en hetwelk ik door genade heb ontvangen, opdat zij zich tot God zouden bekeeren om behouden te worden in Christus Jezus, hun Verlosser, wanneer ze vruchten voortbrengen der bekeering waardig, om zoodoende de helsche verdoemenis te ontvlieden, daar Christus Jezus Zijn bloed voor de geheele wereld heeft gegeven. En de goede God wil niet dat er een verloren ga, maar dat ze allen tot bekeering der waarheid komen.

Maar dan moeten wij ook weten of wij gerechtvaardigd in Christus Jezus zijn, zoodat wij niet alleen met water in den Naam van den Drieëenigen God gedoopt moeten zijn, maar door Christus Jezus zelf, die dan Zijne kracht in onze zwakheid volbrengt, om door Zijnen Geest te leven in gerechtigheid en liefde tot God en onze naasten, om Gods geboden te doen.

En die in Jezus Christus overwint, die zal alles beërven; en de heilige en waarachtige God zal hun tot een God zijn en dan zullen wij Hem tot zonen en dochteren zijn, en als priesteren en koningen heerschen, door de kracht Gods, die in ons is.

O, geliefde broeder en zuster, wij behoeven niet naar Afrika te gaan om het Evangelie te prediken. Er zijn in Holland zoo vele heidenen onder een Christennaam, waar ik eertijds ook onder behoorde. En dan die „Heere, Heere! quot;-roepers; dat zoogenaamde zuchtende volk; de arme luiden, zooals Kuyper ze noemt, dat zijn de ergsten, daar ze den heiligen God verloochenen door hunne werken. Zij willen van den eersten dood niet verlost worden; ze willen wel roepen: „Heere, Heere! wij zijn zoo zondigquot;, maar om de zonde af te sterven, om opgewekt te worden in Christus Jezus, Die den dood en de zonde heeft verslonden tot overwinning, zoodat zij nieuwe schepselen konden worden, — daar willen zij niet aan. Want dan zouden zij hun vleesch te veel moeten kruisigen en zelf verloochenen, en daar hebben zij geen lust

ocr page 366

342

in. Maar, o wee dengenen die, als zij den eersten dood van zonde en misdaden, en vooral dengenen die onder de bedekking van Gods heilig Woord maar door zondigen, — or wee dezulken, als zij den eersten dood niet sterven van den eersten Adam, dan zullen zij, wanneer zij hier voor goed sterven, in dien tweeden dood sterven, gelijk de rijke man stierf en zijne oogen opendeed in de hel.

Nu, waarde broeder, laten wij bidden, dat wij eiken dag der zonde meer en meer mogen afsterven, om hoe langer hoe meer opgewekt te worden in Jezus Christus, die ons wil levend maken in Zijn Woord en door Zijnen Geest, opdat wij den tweeden dood niet smaken. Dat geve de goede God aan allen die in Zijn Woord gelooven zullen en dezelve doen.. Amen in Christus Jezus! Amen!

Nu, geliefde broeder en zuster, bid voor mij, gelijk ik voor u bid. En van harte Gods onmisbare zegen toegewenscht van eene ruim driejarige uitverkorene en wedergeborene in Jezus Christus, mijn Helper en Redder, nu en tot in der eeuwigheid. Amen!

Met heilgroeten aan u allen,

Uzvc toegenegen zuster in den Heere Jezus Christus,

DOETJE.

Brief aan de Nichtjes.

'sGravenhage, 30 Juni 1896.

Lieve Dina en Al ar ie,

Ik had gedacht maar één brief te schrijven aan uw vader, mijn broeder, maar het zijn twee geworden, en nog een paar strookjes papier er bij, om reden ik geen papier meer bezat. Maar nu ik weer nieuw heb gekregen, kan ik niet nalaten u

ocr page 367

343

iets over den Haag te schrijven, alhoewel ik het liefst over mijn hemelschen Vader en Zijn geliefden Zoon spreek en schrijf, Die beiden zulke groote dingen aan mij hebben gedaan : van den liefdevollen God, omdat Hij Zijn eeniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ik, nu ik in Hem geloof, niet met den mond maar met het hart, niet verderve maar leve tot in der eeuwigheid; en van den Zaligmakenden Jezus Christus, omdat ik nu weet dat Hij mij Gode gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed.

En daarom, lieve nichtjes, kan u wel begrijpen, dat mijn hart er vol van is, en waar het hart vol van is, daar loopt het den mond uit. Het is dan niet uit boeken, wat men uit het hoofd leert, en de woorden napraat; want dan is het niet versch, dan heeft een ander het alreeds gesproken. Neen, het is bij ondervinding, zoodat de heilige God, met Zijn geliefden Zoon, den Zoon Zijns eeuwigen welbehagens, in mij is komen woning maken.

Dan is immer alles nieuw, daar de Drieëenige God mij vervuld heeft met Zijnen heiligen Geest, die mij leert en onderwijst, zoodat ik, die zulke groote dingen ontvangen heb, uitroep: „Neen, dat is niet uit mij, dat is uit God, Die dat alles aan mijn hart openbaart. En daarom ook den Drieëenigen God alleen de lof, eer en dank tot in alle eeuwigheid.quot;

En nu, lieve nichten, iets over den Haag. Het bevalt mij hier naar het vleesch niet zoo goed als in Baarn, maar daar moet ik maar tegen strijden. Ik denk maar, „dat het lijden des tegenwoordigen tijds niet is te waardeeren bij de heerlijkheid die ons eens geopenbaard zal wordenquot;, en waar ik tusschenbeide een voorsmaak van heb.

Het is hier in den Haag ook schoon. Het Haagsche Bosch is prachtig. Men kan wel zien dat het al oud is, zoo weelderig is het begroeid. Als ik naar de stad ga, dan loop ik er altijd door, en geniet dan veel, omdat ik den Schepper van het heelal er zoo in mag erkennen, en roep dikwijls uit: „Groote God! Wie moet Gij wel zijn, daar kan ik niet bij, bij zulk eene almacht. Het doet mij vreezen en beven, als ik bedenk, dat ik U, o heilig God, nog eens door genade mag aanschouwen.quot;

Dina, in den Haag zijn vele groote gebouwen en huizen. De huizen zijn niet zoo hoog als in Amsterdam. Er zijn hier vele pleinen, die netjes aangelegd zijn met plantsoen en boomen. Men heeft hier ook poorten, op het Binnenhof en

ocr page 368

344

Buitenhof, en hier en daar. Er zijn ook vele wallen, die allesbehalve lekker rieken. Er zijn al vele gedempt.

De hoofdstraten, waar het 't drukste is, zijn nauw; maar men heeft ook mooie breede straten; die zien er netjes uit. Er wordt hier veel geveegd en gesproeid. Dat geeft een aangenaam gezicht.

In de achterbuurten laat het veel te wenschen over, naar ziel en lichaam beide. Ik geloof dat de meesten in de duisternis leven, zonder den waren Christus te kennen. Er wordt ook niet genoeg naar omgezien. Zij dwalen zonder herder. Verleden week sprak ik eene juffrouw, die woonde in een zijstraatje op de Beestenmarkt. Zij vertelde mij, dat haar man verleden was overleden in het Gasthuis, en daar zij nu en dan wel eens bij Ds. Wisse ter kerk gingen, had zij, toen haar man op zijn sterfbed lag, naar Ds. Wisse gestuurd, of hij bij haar man wilde komen. Maar Ds. Wisse is niet gekomen; zeker omdat de man niet aan zijn steenen gebouw, de zoogenaamde strijdende kerk, behoorde; die zielen van de hel te redden, daar willen die krijgsknechten niet van weten, die lauwaards.

O, de rechtvaardige God zal dat schaap van de hand van Ds. Wisse eischen, daar kan hij op aan, die godverzaker. God wil, dat zij van huis tot huis gaan, zooals het vroeger ook geschiedde. En zij willen niet eens komen als zij geroepen worden. O, die huichelaars, waarvoor zijn ze er dan?

Ach, er is hier zooveel te arbeiden voor Gods Koninkrijk. als ik mijne blinde zielsoogen mag openslaan en God doet het mij opmerken, al wat ik om mij heen zie en hoor en hoe zij allen daarheen loopen in de macht van satan, zooals ik ook vroeger was toen ik de wereld diende; en hoe de leeraars de menschen maar laten loopen hun eeuwig verderf te gemoet, zonder hen te waarschuwen, terwijl de rechtvaardige God in Zijn Woord zegt, dat wanneer wij iemand zien zondigen en wij hem niet waarschuwen, en de mensch sterft in zijne zonden, dan zal God hem van onze ziel eischen.

Ja, lieve nichten, Gods Woord is een tweesnijdend scherp zwaard, dat zullen die valsche leeraars, priesters en profeten eens ondervinden, net zoo goed als dat ik het heb ondervonden. Laat de duivel hun maar inblazen: het moet genade blijven, Christus heeft alles volbracht. Laten ze daarbij maar inslapen, o wee, o wee, hun ontwaken zal verschrikkelijk zijn; en dan kon het wel te laat zijn, daar Jezus Christus opent en niemand sluit, maar ook sluit en niemand opent,

ocr page 369

345

gelijk Christus bij de vijf dwaze maagden voorspeld heeft. En ik weet dat God een waarmaker van Zijn Woord is, nu en tot in der eeuwigheid.

En nu iets over Scheveningen, waar men de zee ziet in hare volle pracht en grootheid; men staat stil bij Gods heerlijke natuur om ons heen. Daar grijpt het den mensch in de diepte der ziel en doorstroomt mij eene gewaarwording, zoodat ik mij in het zand nederbuig en uitroep Almachtige, groote en heilige God, hoe onuitsprekelijk zijn Uwe daden; hoe zal ik U prijzen, om U naar waarde te schatten. Daar moet ik eerst een onsterfelijk lichaam en eene geheel gereinigde ziel voor hebben, gereinigd in het bloed des Lams, om U te loven en te verheerlijken, zooals Gij dat waardig zijt te ontvangen tot in aller eeuwigheid. Amen!Ja, driewerf in Christus Jezus, Amen!

Nu, waarde nichten, nu zal ik maar eindigen. Ik hoop dat de goede God u leiden wil door Zijnen Heiligen Geest, zoodat het Koninkrijk Gods binnen u zij. Dan zult gij in uwen Zaligmaker, Jezus Christus, Gods Zoon, die altijd de eer van Zijnen Vader zocht, — dan zult gij in Hem ook trouw Gods geboden bewaren, Hem tot eer en u zeiven tot zaligheid hier en hiernamaals.

En daarom moet gij veel den Bijbel lezen; die moet uw richtsnoer zijn. Daar kunt gij meer en meer in bekeerd worden; maar niet door boeken.

Jelui tante leest nooit boeken. Jezus Christus, op Hem is mijn fundament gebouwd, en daarop kan ik niet wankelen.

En o, de Bijbel is mij zoo dierbaar geworden. Ja, de helft was mij niet aangezegd, toen God mij genade schonk op Veldwijk en mij toefluisterde: „de Bijbel zal je zoo dierbaar wordenEn de goede God heeft het ook bevestigd. En nu mag ik hoe langer hoe dieper putten uit dien Bijbel. En hoe dieper ik put, hoe dieper ik de diepten Gods mag onderzoeken door Zijnen Geest, zoodat ik iets hoor, wat ik nog nooit heb gehoord en iets zie, wat ik nog nooit heb gezien. Ja, wat in mijn hart nooit was opgeklommen, dat openbaart de heilige God mij door Zijnen Heiligen Geest, omdat ik Hem liefheb in Christus Jezus, mijnen Heere.

En zoo moet het bij u ook komen, zal het goed zijn voor de eeuwigheid. Gij moet niet eerder rusten voordat gij weet dat Jezus Christus in u leeft, en dat de Bijbel u dierbaar is geworden, opdat gij meehelpt, om het Evangelie overal waar gij komt te verkondigen, opdat het ééne kudde

ocr page 370

346

worde uit alle natiën, volken, talen en landen, waarvan Christus Jezus, de goede Herder wil zijn. Maar dan ook Christus alleen, om in, door en tot Hem te leven, tot eer, roem en prijs van Gods nooit volprezen Naam, nu en tot in der eeuwigheid. Amen ! Halleluja! Amen!

En nu, waarde nichten, is van harte mijn wensch, dat al hetgeen ik u heb geschreven, tot verheerlijking Gods, die heilige Jehova het aan Uwe onsterfelijke ziel wil heiligen, opdat het moge strekken om opgebouwd te worden in het allerheiligst geloof in Christus Jezus, den Voleinder des ge-loofs. Dat geve de goede God.

Na groete, heilbiddend.

Uwe toegenegen Tante, en door Gods goedertierenheid cene begenadigde en wedergeborene in Christus Jezus, mijn Verlosser en Zaligmaker.

Brief aan Moeder en Vader Neuhaus te V e 1 d w ij k.

II.

'sGravenhage, 5 Augustus 1896.

Zeer geachte en waarde Vader en Moeder!

Moeder, het is al wederom ruim vier maanden geleden dat ik u en Vader heb gesproken. O, wanneer ik denk aan de bezoeken, die ik u nu en dan eens mag brengen door de genade onzes Gods, of toen ik voorgoed bij U op Veldwijk was, wat een onderscheid, heden en toen. Toen ik u allen zooveel overlast bezorgde doordat ik niet wist wat ik deed, om reden ik geheel in de macht van satan was, die maar met mij deed wat hij wilde, zonder dat ik er zelf iets aan kon doen, zóó was ik in satans macht. En nu, o groote.

ocr page 371

347

goede God, wat eene genade. Jezus Christus, Gods Zoon, heeft mij verlost. Hij heeft zijn verlossingswerk aan mij, zondares, volbracht, daar Hij niet alleen de duivelen bij mij heeft uitgeworpen en ik nu bij mijn volle verstand ben, maar ik die het legio had van vele duivelen die in mij waren gevaren, en waar u en Vader en zoo vele verpleegsters getuigen van zijt geweest.

O, ik mocht ook naar mijn huis gaan om te vertellen de groote dingen die God de Heere aan mijne ziele had gedaan, en hoe de goede God zich ever mij had ontfermd.

Ja, waarde Moeder, en nu weet u, hoe ik overal moet vertellen wat Jezus Christus aan mij heeft gedaan. Het is nu vier jaren geleden, toen Christus Zijn verlossingswerk aan mij is begonnen, — en hoe ik hoe langer hoe meer verlost ben geworden van den vorst der duisternis en overgebracht in Zijn goddelijk en wonderbaar licht, — en hoe ik hoe langer hoe meer verlichte oogen des verstands ontvang en de almachtige God het mij doet opmerken hoe ik eene gebondene was door satan, — en hoe ik toen ik naar Veldwijk ging, van niets af wist, dan dat ik vreeselijk gepijnigd en beangst werd door satan, hoewel ik niet wist dat het satan was, die overheerscher der wereld, dien ik mijn geheele leven had gediend. Ik geloofde niet aan een duivel, niet te weten, dat ik zelf in zijn rijk behoorde, onder zijne macht om te doen wat hij mij ingaf, om zoodoende krijg te voeren tegen den driemaal heiligen en rechtvaardigen God, met mijne tergende zonden, en waarvan de duivel de aanvoerder was.

Ik wist toen niet dat ik uit den duivel was, en dat het dezelfde duivel was, dien ik altijd gehoor gaf om te doen wat hij zeide, en die mij pijnigde en deed sidderen, door mij te beangstigen, en zeide; „Nu zijt ge in de voorhei, maar als ge sterft gaat ge voor goed naar de hel, want ik neem je mee.quot;

O, Moeder, u heeft wel gezien hoe ik geleden heb op Veldwijk, maar ook welk eene groote genade ik ontvangen heb, toen Jezus Christus mij verloste uit satans macht, en hoe ik uit de verdoemenis verheerlijkt werd, zoodat u uit moest roepen ; „ O, wat is ons paviljoen eene genade geschied.quot; Ja, Jezus Christus, de Redder der wereld, verloste mij. Hij toonde Zijne bebloede handen aan Zijnen Vader en zeide: „Ziet hier, hier Vader, in deze bebloede handen is zij gegraveerd. Ik heb alles voor haar verdiend en betaald. Gij moet haar genade schenken om Mijn zoensbloeds wille.quot;

ocr page 372

348

En Jezus Christus, de medelijdende Hoogepriester, Hij bad voor mij, de grootste der zondaren, en ik kreeg genade en werd gerechtvaardigd in Hem, om niet meer den duivel en de zonde te dienen van ongeloof en ongerechtigheden, maar te leven in Jezus Christus en Zijne gerechtigheid, Gode tot eer en velen en mij tot heil, zoodat ik nu weet dat er geene verdoemenis meer voor mij is, doordat ik niet meer naar het vleesch leef. maar naar Gods Geest, in Christus Jezus, Die de werken des satans van zonde en ongerechtigheid in mij verbreekt.

En daarom is de strijd zoo veel te heviger tegen satan, daar hij zijne prooi nu ieder keer moet loslaten. Als satan mij verzoekt en bestrijdt, om mij met zijne listen en lagen van God af te trekken en wil verleiden, dan wordt satan teruggeslagen door Christus, den Sterken Held uit Juda's stam , Die satan dan overwint, zoodat hij van mij moet wijken, en het niet meer mogelijk is, dat de duivel mij kan verleiden, nu ik door de genade Gods, en om de zoen- en kruisver-diensten van mijn Jezus, eene uitverkorene en begenadigde wedergeborene ben geworden in Christus Jezus.

Ja, waarde Moeder, en nu geeft die trouwe God mij hoe langer hoe meer kracht om in Zijnen geliefden Zoon te strijden en te overwinnen. Ja, de almachtige Jehova opent hoe langer hoe meer mijne blinde zielsoogen en doet het mij verstaan al wat op Veldwijk met mij is geschied, en hoe Moeder Kassies, bij wie ik eerst zes weken geweest ben, met Mej. Cato, Mej. Vos, en Mej. Lucie, mij moesten vastbinden aan het ledekant, opdat ik er niet uit kon komen, vanwege mijne bezetenheid, om de menschen te beschadigen.

Eens op een nacht hebben zij mij naar de cel moeten brengen, zoo ging ik te keer, en 's morgens lag ik op de planken vloer in mijn vuil te wroeten gelijk een dier, daar ik van de matras was afgekropen op den grond. Toen wist ik er niets van, maar nu weet ik alles; en toen kwam Mej. Lucie, en die ging mij afwasschen en ontdeed mij van mijn dwangbuis en kleedde mij van het hoofd tot de voeten aan, en bracht mij naar beneden, waar zij mij voor mijn ontbijt zette, hoewel ik er niet aan kon komen, omdat mij de macht er toe ontbrak. En als er dan gebeden, gelezen en gedankt was, dan werd ik gevoerd door Moeder Kassies en hielden twee verpleegsters mij vast, om reden ik niet wilde eten, daar satan mij ingaf: „Als ge eet, dan gaat ge naar de helquot; ; en daarom hadden moeder Kassies en de verpleegsters zooveel

ocr page 373

349

moeite met mij, daar ik mij met kracht er tegen verzette, om te eten, opdat ik niet naar de hel zou gaan, daar ik al zoo bitter leed; en als ik dan gevoerd was, dan liep ik maar heen en weer te roepen: „te laat, te laat, te laat!quot; en dan nam Mej. Vos mij op, en zette mij in den tuin vanwege het lawaai dat ik maakte. Nu, daar had zij groot gelijk in.

Ik bleef tusschenbeide ook wel stil in een hoek van de kamer staan, en dan liet ik mijn vuil zoo maar achter mijn hielen loopen; dan werd ik opgenomen en naar de cel gebracht. In de cel deed ik het ook, en dan raapte ik het op en bekeek het, maar wist niet wat het was, zóó was ik van mijn verstand beroofd, en terwijl ik door den duivel werd beangst en gepijnigd, zoodat ik geene minuut stil kon staan vanwege de foltering mijner ziele.

Ja, Moeder, ik bezat het legio der duivelen, zoodat ik zelf niet wist waar ik was en wat ik deed. De Moeder, de juffrouwen-verpleegsters en de patiënten gingen mij voorbij, zonder dat ik wist dat het menschen waren; het geleken precies schimmen. Ik keek ze na, maar kon niet begrijpen wat of het was.

Ja, waarde Moeder, zoo heeft Moeder Kassies zes weken met mij doorgebracht, en heeft met de juffrouwen-verpleegsters den grootsten last van mij gehad, dien de duivel maar uitdenken kon, totdat ik bij u kwam, zonder dat ik het wist, dat ik in een ander paviljoen was gebracht, en waar u, geachte Moeder, niet minder last van mij heeft gehad, de een en twintig maanden die ik bij u heb doorgebracht.

Ja, Moeder, het zal u nog wel heugen, toen ik in het begin bij u was, en het een beetje redelijk met mij ging, hoe ik om u heen liep en niets anders riep, dan: „Juffrouw, mag ik hier niet vandaan?quot; en hoe u mij dan antwoordde: „Neen, hoor, u blijft hier, wees maar niet bang: u blijft hierquot;, en hoe Vader ook nog zeide: „Mevrouw is maar bang dat zij hier vandaan moet.quot;

Ja, waarde Moeder, ik was toen ook bang dat ik van u vandaan moest, daar de duivel, dien ik toen niet kende mij ieder keer inblies: „ge gaat weer terug waar ge geweest zijt, en dan komt ge in de cel en er nooit weer uitquot;, en daarom was ik zoo bang, dat ik bij u vandaan moest. Ik dacht dat er bij u geene cel was. Maar toen ik later weer erger werd, in de macht van satan, zooals u weet, Moeder, en ik op d e patiënten aanvloog, door de aanvechtingen des duivels, en gij met uw vijven mij niet in de cel kondt krijgen, zoo was

ocr page 374

35°

ik bezeten, en Vader er nog bij te pas moest komen om mij er mee in te helpen, o Moeder, toen ondervond ik dat bij u ook eene cel was, waar de duivel met mij naar zijne willekeur handelde, zooals hij maar wilde.

Ja, Moeder, het is verschrikkelijk geweest, zooals ik inde macht van satan was, waar u en Vader en de juffrouwen-verpleegsters getuigen van zijt geweest, en de ellende, narigheid en lasten van moest dragen.

Ja, waarde Moeder, ik zie nu, hoe u het vuil achter mijne hielen wegveegde, als ik in de veranda stond. Ik zie nu hoe u mij eens naar bed bracht, toen ik eene vreeselijke hoofdpijn had, en u mij wreef met eau de cologne, en toen zette u een glas met limonade voor mijn bed, alhoewel ik er niet aan kwam, daar had ik geene kracht toe; en toen den volgenden ochtend likte ik er met mijn vinger van en proefde dat het water was, en toen u boven kwam, vroeg ik wat u mij had gegeven, waarop u antwoorddecitroen-limonade quot;. Ik zeide: „Dat is niet waar, het is water; gelooft u aan tooveren?quot; waarop u zeide: „Ja, als het met den duivel in verband staat dan wel, maar anders niet.quot; Nu mijne limonade was veranderd in water, zoo vreeselijk was ik onder de macht van satan, daar hij maar met mij kon doen wat hij maar wilde.

O, Moeder, ik weet nu hoe ik met de vingers in de ooren zat als u uit Gods Woord ging lezen. Ik kon de woorden niet verdragen, om reden ik er nooit naar gehoord en naar gedaan had; en toen mijne zonden naakt en bloot voor mijne geopende zielsoogen werden gelegd, toen was Gods Woord een scherp zwaard voor mij; het ging door tot de roerselen mijner ziel en daarom wilde ik er niet naar luisteren, daar zij mij deden sidderen van doodsangst. Ja, ik had altijd gezegd, dat ik geloofde, maar ik had een duivelsch geloo'quot;, toen het op de gerechtigheid van Jezus Christus aankwam, daar ik een geloof moest hebben, waarvan Christus Jezus zelf de Voleinder is, doordat Hij in die ware geloovigen leeft, en ik ongelukkige, ik bezat dien Christus niet, ik was verwerpelijk, en daarom sidderde ik en werd gepijnigd vanwege de oordeelen, die in Gods waarachtig Woord geschreven staan. Ik kon ze niet verdragen. En daarom stak ik de vingers in de ooren, om ze niet te hooren, alhoewel de oordeelen en de pijniging zooveel te meer werden.

En o, waarde Moeder, welk eene genade, toen Christus Jezus, de medelijdende Hoogepriester, voor mij bad bij Zijnen

ocr page 375

35i

hemelschen Vader, die mij genade schonk om Zijn geliefden Zoons wille, die mij rechtvaardigde om niet, door Zijne rechtvaardigmaking, en die toen bij mij kwam woning maken, en nu in mij leeft.

Ja, nu kan ik Gods Woord verdragen; nu heb ik geen duivelsch geloof meer, maar een Christus-geloof, Die het nu alles in mij werkt; het willen, om te doen wat de heilige God in Zijn Woord zegt; en het werken, doordat Christus Jezus Zijne kracht in mijne zwakheid volbrengt, tot eer van Gods grooten en nooit genoeg uit te spreken Naam.

En nu kan u wel begrijpen. Moeder, dat ik mij met hart en ziel, ja zelfs met mijne vuisten, die ik in elkander knijp, aan den Heere Jezus vastklem, opdat satan er geen voordeel bij behale om mijn God te bedroeven, laat staan te vertoornen, als satan mij bezoekt en mij van den heiligen God af wil trekken om te zondigen, neen, dan pleit ik op de beloftenissen van mijn God, dat Hij mij in die verzoeking niet zal verlaten, maar mij bij wil staan om te overwinnen in Christus Jezus, Zijnen Zoon.

O, Moeder, ik beef als ik denk aan degenen die Gods Woord zoo dikwijls hebben gelezen en Gods wil weten en toch niet doen, maar die maar naar de wereld en hun vleesch leven; en dan durven zij Gods Woord nemen om zich daarmede te dekken, zooals de jonge Kuyper tegen mij durfde zeggen, dat er ook in Gods Woord stond, dat de Heere Jezus tegen Zijne discipelen zeide: „rust een weinigquot;. En daar dekken die Godverzakers zich mede en gaan voor hun pleizier naar het vleesch leven, en laten de schapen die zij zich toegeëigend hebben om van te leven maar in den steek, en de armen en weduwen die komen er niet op aan, alhoewel zij daar toch niet naar om zien; daar hebben de broodleeraars geen tijd voor, zeggen zij. Neen, dan zouden de couranten en boeken niet vol, en uitgegeven kunnen worden, hetgeen zij uit andere boeken halen, en dan hadden de heeren geen voordeel, en konden geen pleizierreisjes maken. O, als zij deden wat Christus zegt: „Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ookquot;; en daarom werkte de Heere Jezus, terwijl het dag was en ging overal het land door goeddoende en predikende het Koninkrijk Gods overal waar Hij kwam, opdat de menschen zich tot den levenden God zouden wenden en zich bekeeren en vruchten voortbrengen der bekeering waardig, opdat zij genade zouden ontvangen van den ontfermenden God.

ocr page 376

352

Maar o wee, Moeder, tegenwoordig is alles bekeerd; als men gedoopt is, dan is men ook bekeerd. O gruwel, de menschen moesten het eens weten wat een ware bekeerde is, dan konden zij anders getuigen dan nu het maar bij de woorden blijft en zonder een Christus te bezitten, die hun alles leert. Want als de menschen waarlijk bekeerd en wedergeboren zijn geworden in Christus Jezus, hun Verlosser en Leidsman, om Zijn beeld gelijkvormig te worden en te doen wat Gode welbehagelijk is, in de kracht van onzen Heere Jezus Christus, — dan hebben dezulken geen lust meer om de wereld te dienen en naar hun vleesch te leven, daar zij aan hunne zonden zijn ontdekt, en die immer voor zich hebben, voor hunne geopende zielsoogen en er voor schuwen en beven vanwege hunne zwarte ziel, vol van zonde en misdaden, ja zelfs gruwelen wegens de bezoekingen des satans, die hen met vuisten slaat en eene scherpe doorn in de ziel en hun vleesch is vanwege zijne aanvechtingen en bestrijdingen.

En zouden die bekeerden en wedergeborenen in Jezus Christus er dan nog meer zonde bij willen doen, bij al hetgeen reeds in hunne ziel omgaat; en naar de wereld en hun vleesch leven, terwijl hunne ziel zoo bitter lijdt van alles wat zij om zich heen zien en hooren van al degenen die nog in hunne verdoemenis liggen zonder verlossing? Die wedergeborenen gevoelen en ondervinden dat zij buiten hun Verlosser niet meer kunnen leven, buiten Jezus kunnen zij niet meer, en daar de Heere Jezus niet van deze wereld was, zoo vertrouwen de wedergeborenen op Hem, daar Hij gezegd heeft: „Vader, degenen die Gij mij gegeven hebt, zij waren de Uwe, en Gij hebt mij dezelve gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard.quot;

Ja, dan openbaart Christus Jezus zich in degenen die Zijn Vader Hem heeft gegeven, zoodat Christus hen bewaari voor de wereld, terwijl zij er nog in zijn. En dan bidt Hij voor hen, niet voor de wereld, maar voor degenen die de hemelsche Vader aan Zijn geliefden Zoon heeft gegeven. En dan wordt de heilige God verheerlijkt doordat de wedergeborenen één zijn met den Vader en den Zoon, daar Christus in hen is verheerlijkt en zij bekennen dat alles wat Hij hen gegeven heeft de waarachtige waarheid is, en weten dat Christus Jezus van God is uitgegaan, doordat de Heere Jezus zelf het hen openbaart, en wat ik volkomen geloof en vertrouw.

En daarom, waarde Moeder, kunnen ze mij niet zoo

ocr page 377

353

spoedig wijsmaken, dat zij bekeerd en wedergeboren zijn; want dan vraag ik hun eerst:

of Jezus Christus in hen leeft; en

of Christus zelf het hun zegt, dat Hij hen van oud nieuw heeft gemaakt; en

of ze nu der zonde gestorven zijn en dienstknechten der gerechtigheid zijn geworden in Christus, die hen van de doodslaap der zonde en ongerechtigheid heeft verlost, om door Zijne rechtvaardigmaking in gerechtigheid te leven; en of zij met het borstwapen van Jezus Christus en Zijne gerechtigheid zijn omgord, om al de listige aanslagen des satans af te kunnen weren, zoodat men wel in de wereld is, maar de rechtvaardige God hen bewaart voor den booze; en of zij geheiligd zijn in de waarheid, levend gemaakt in Zijn waarachtig en dierbaar Woord, door Zijnen Heiligen Geest, niet met enkel woorden, maar met daden, bij ondervindingen en openbaringen, gelijk de Zoon van God het heeft beloofd aan allen die Hem deelachtig zouden worden.

En als zoo iemand dan kan getuigen, dat hij dat bij ondervinding heeft, en betuigt dat hij zich zeiven nu niet meer leeft, maar Christus in hem, en hoe vreeselijk de strijd tusschenbeide is met Christus tegen satan, daar het dan een heilige oorlog wordt, om den overheerscher der wereld in ons en om ons heen uit te werpen, daar de duivel, die het niet licht opgeeft, toch ten laatste moet wijken voor den krachtigen Held uit Juda's stam, Dien alle macht is gegeven over hemel en aarde, ofschoon satan het ten laatste moet opgeven, om ons daarna weer opnieuw aan te vallen; —

en als zoo iemand dan kan zeggen: „ ik vrees hem niet, want ik weet dat ik met mijn Verlosser en Overwinnaar meer dan overwinnaar zal zijn en blijven, en dat Jezus Christus, de Overwinnaar der overwinnaars over dood en hel voor mij bij mijn sterven, den vijand, de slang, den kop voorgoed zal verpletteren en mij opnemen in Zijne heerlijkheid; quot; —

ja, Moeder, als de zoogenaamde bekeerden zoo kunnen getuigen, en ik zie hun handel en wandel er bij in Christus, — dan weet ik dat zij bekeerd en wedergeboren zijn in Christus Jezus, doordat ik het ook zelf bij ondervinding heb.

En u, waarde Moeder, zal wel weten dat ik waarheid spreek, daar ik een levend getuige ben van Gods Woord. Lukas VIII : 27—40.

Ja, en dan nog in zoo vele hoofdstukken, waar de Geest mij opmerkzaam maakt, dat de Heere Jezus mij heeft verlost.

23

ocr page 378

354

en de Geest Gods doet het mij opmerken, waarin de Zoon des levenden Gods mij door de genade Gods heeft gebracht, in Zijn licht, zoodat ik alles mag verstaan, omdat ik nu den heiligen God vrees en eerbiedig, daar ik een getuige van Hem ben geworden om Zijnen Naam groot te maken en met een nieuwen tong van mijn Verlosser spreek, tot eer en roem van Gods driemaal heiligen, ja, nooit volprezen Naam, nu en tot in der eeuwigheid.

O, Moeder, wij kunnen niet genoeg naar den Troon der genade gaan om versterkt te worden door Gods Geest, daar de duivel rondgaat als een brieschende leeuw.

O, wat eene genade, als men mag zeggen tegen hem: „In den Naam van Jezus Christus, ga weg satan; in uwe inblazingen en goddelooze werken heb ik geen lust; ik wil mijn God dienen, Die mij naar Zijn beeld geschapen heeft; ik wil Hem alleen dienen in geest en in waarheid. Door Christus ben ik ontwaakt uit den dood der zonde, en Zijn goddelijk licht heeft mij omstraald, zoodat ik de werken der duisternis haat en de werken des lichts lief heb gekregen door genade.quot;

Ja, Moeder, als men satan zoo mag antwoorden, dan heeft hij niets meer te zeggen; dan weet satan in Wiens kracht wij staan, namelijk in de kracht van Jezus Christus, Wien hij niet kan verleiden.

En daardoor zien wij Gods Woord in ons bevestigd, dat Christus Zijne kracht in onze zwakheid volbrengt, om de verzoekingen des satans te weerstaan.

En daarom ga ik veel naar den Troon der genade om mijne zonde te belijden vanwege de bestrijdingen des satans, en bid en smeek, in den Naam van den Heere Jezus Christus. dat de Drieëenige God mij versterke met Zijnen Heiligen Geest, opdat die Heilige Geest alle andere geesten in mij doode met de wapenrustingen Gods, die in Zijn waarachtig Woord geschreven staan.

Want, o Moeder, wij kunnen niet genoeg in den Naam van den Heere Jezus bidden om Gods eenigen en algenoeg-zamen Geest, daar satan er zoovele geesten op na houdt, om ons van den heiligen God af te trekken. Het rijk des duivels is zoo groot; ze zijn legio. En hij houdt er millioenen engelen op na, die als engelen des lichts tot ons komen.

En daarom moeten wij ons aan Gods Geest vasthouden, en den Heiligen Geest niet tegenstreven, maar Hem gewillig volgen, opdat wij geen geestelijke verlating krijgen, gelijk

ocr page 379

355

de schriftgeleerden en Farizeeën het ook deden, en zoodoende God niet kenden, en nog minder in Jezus Christus, den Zone Gods, konden gelooven, omdat ze den Heiligen Geest tegenstreefden.

En daarom verliet God hen, en liet hen aan hunne geleerdheid en vleeschelijke wijsheid over.

En daarom waren zij uit den duivel, den vader der leugenen, die van het begin der wereld den mensch voorloog, zooals hij het bij Eva ook heeft gedaan, en zoo doet hij het nog.

En o, hoe meer wij den Heiligen Geest gehoor geven, die immer het goede in ons werkt en het kwade bestraft; en hoe meer wij hooren naar dien Geest van God, die van boven komt, om het goede te doen en het kwade te haten en te laten; des te meer zal de Geest vaardig in ons worden, om God te verheerlijken, want de Geest, die van boven komt en van God uitgaat, weet ook wat den heiligen en almachtigen God toekomt.

Wij, menschenkinderen, die in zonde geboren zijn, en in zonde zullen sterven, wanneer de genadige God zich niet over ons ontfermt en ons genade schenkt in het bloed van Zijn geliefden Zoon, Jezus Christus, zoodat wij in Zijn goddelijk licht wandelen, om te leven Gode welbehagelijk, Hem ter eere en velen en ons tot zaligheid in Christus Jezus, die ons dan leidt, bestiert en regeert naar Zijns Vaders wil en welbehagen, — o, wanneer wij die genade niet ontvangen, dan kunnen wij dien rechtvaardigen God ook niet naar waarde schatten, en dat is eenvoudig, omdat Zijn Geest niet in ons leeft.

Dan is het dood voor ons, daar wij als natuurlijke menschen er niet bij kunnen; want de natuurlijke mensch verstaat de dingen des Geestes niet. Maar als de natuurlijke mensch genade ontvangt, door de barmhartigheid Gods, en hij wordt gereinigd in het bloed des Lams, het Lam Gods dat de zonden wegneemt, zoodat de zondaar is verlost van de zonde en deze niet meer over hem heerscht, daar degenen die genade hebben ontvangen en geheiligd zijn, wedergeborenen in Christus Jezus zijn, en bewaard worden door Zijne kracht en almacht, — ja, dan zijn zij uitverkorenen, die door den heiligen en almachtigen Jehova te voren zijn gekend om den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te worden.

En wat uit God geboren is, kan niet zondigen, want Zijn zaad blijft in Hem. De uitverkorenen zijn van dood levend

ocr page 380

356

gemaakt, en weten dat ze uit God zijn, en daarom kunnen zij niet meer in de zonde en naar de wereld leven.

De uitverkorene weet dat de Zoon van God gekomen is-en ons het verstand heeft gegeven, dat wij den Waarachtige kennen. En wij zijn in den Waarachtige, namelijk in den Zoon Zijns welbehagens, Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.

Ja, waarde Moeder, dat zijn de uitverkorenen Gods, die daarin leven, uit genade, en daarvan kunnen getuigen.

En o, dan is het niet altijd lijden en strijden, maar zij worden tusschenbeide ook verheerlijkt, en hebben dan een voorsmaak van den hemel en mogen in de verborgenheden Gods blikken, door de hemelsche zaligheid die zij genieten. Dat is dan de Geest Gods die hen verblijdt en hun hart doet opspringen van al hetgeen de Geest hun toefluistert en toeroept: „Gij zijt geheiligd in Christus Jezus en gereinigd in Zijn bloed, om in zalige gemeenschap met den Drieëenigen God te leven. Gij wordt gebouwd tot een levenden steen, tot een geestelijk huis, tot een priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus, uw Leidsman. Ge zijt een uitverkorene, opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. En hoe meer ge voor Uw Verlosser strijdt, en lijdt, zooveel te meer zult ge met Hem verheerlijkt worden. En Ik, de heilige Jehova, de God van Mijn volk, zal u bijstaan met Mijn heiligen raad; Mijn oog zal op u zijn. En daarna zult gij Mijne heerlijkheid aanschouwen en met eene gouden harp in uwe hand, in het nieuwe Jeruzalem hierboven, een nieuw lied zingen voor den Troon des Lams, dat Lam dat u Gode gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed.quot;

En dan getuigt de Geest weer en openbaart zich aan mij met eene wondere heerlijkheid, waar ik de kracht Gods van gevoel, zoodat ik uitroep: „Goede God, dat kan mijn broze lichaam niet verdragenquot;, zoo verheerlijkt en godzalig en gelukkig is mijne ziel. Het lijkt wel of ik reeds in den hemel ben, zooveel mag ik hooren en smaken en eten van den Boom des Levens, die midden in het Paradijs Gods is.

Ja, dan blijft het niet bij de woorden, als men in Christus Jezus gereinigd, geheiligd en gezaligd is. Dan ondervindt men de kracht er van, en geniet men de zaligheid van God, in Christus Jezus, door Zijnen Heiligen Geest, Die dat alles in den wedergeborene werkt, welke dat door genade mag

ocr page 381

357

smaken; die beeft als hij er om denkt als hij dat zou moeten missen.

Maar geen nood. Niemand kan mijne kroon nemen, want zij wordt goed bewaard door den Heere Jezus Christus, de Alpha en de Omega, het begin en het einde, zegt de Heere, Die is, en Die was en Die komen zal, de Almachtige. Amen!

Waarde Moeder, er staat in Gods heilig Woord geschreven; „Hoort wat de Geest tegen de Gemeente zegt; die ooren heeft die hoorequot;, en dan wordt er tegen mij gezegd, door Gods Geest; „ Ik weet uwe werken en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid en uwe liefde, en dat gij de kwaden niet kunt verdragen, die zeggen dat zij Apostelen zijn, en zij zijn het niet, en dat gij beproefd hebt degenen, maar hebt ze leugenaars bevonden. En gij hebt verdragen en hebt geduld, en zijt niet moede geworden, maar hebt om Mijns Naams wil gearbeid. Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten. En die overwint zal alles beërven.quot;

En dan moest ik bekennen dat het zoo was, daar ik in Baarn veel meer liefde bezat tot God, om voor Hem te arbeiden dan ik had in het begin toen ik in den Haag kwam wonen.

En daarom heb ik mij weer zooveel te meer voor mijn God verootmoedigd en gebeden om in de kracht van Zijn Zoon, Jezus Christus, mij te beijveren om de vorige liefde te herwinnen.

En nu ben ik weer aan het schrijven, om de — kwaden die het buiten Christus wel kunnen stellen en zeggen te gelooven dat zij Apostelen zijn, — in den Naam van God aan te zeggen, dat zij het niet zijn. Het is eene synagoge des satans, al de moderne dominé's en Kuyper en Wisse, en o zooveel anderen met hen. Het zijn valsche leeraars en profeten, die wel over Jezus Christus spreken wat ze uit de boeken halen, maar Christus zeiven bezitten zij niet.

En daarom overtreden zij Gods geboden en zoeken hun eigen voordeel en prediken daarbij met mooie woorden de menschen den hemel voor de hel aan, terwijl zij maar door zondigen en de wereld dienen, onder aanvoering van satan, en zonder een Christus te hebben die hen van satan verlost en den hemel binnenlijdt.

O, die ongelukkigen, daar de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt. Want dat moeten wij zijn, gerechtvaardigd gemaakt door Christus Jezus, dan is onze hope op Hem gevestigd.

ocr page 382

358

zoodat Hij ons na al onzen strijd op zal nemen in Zijne eeuwige heerlijkheid.

O, die valsche leeraars, die niet door God geroepen zijn, zooals ze dat toonen, die eigen-gewinzoekers, die nooit naar een zwervend, nog minder naar een verloren schaap omzien om het terecht en tot Jezus te brengen, opdat het behouden worde. Neen, niets er van; zij laten hen maar loopen, de hel te gemoet.

O, hier in den Haag zijn er bij duizenden, rijken en armen, die omdolen; het is met recht gezegd: doleerenden en protesteerenden, die geen waren herder hebben om hun den Goeden Herder te leeren kennen, doordat de ware Christus hun niet gepredikt wordt. En die niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet. Die in de leer van Christus blijft, die heeft beiden, den Vader en den Zoon. ^

O, hoe is het mogelijk dat zulke leeraars zich voor uitverkorenen durven uitgeven en zeggen dat zij God liefhebben, terwijl er geschreven staat; „En dit is de liefde, dat wij wandelen naar Zijne geboden. Dat is het gebod, gelijk gij in den beginne gehoord hebt, dat gij in dezelve wandelt.quot;

En de Geest doet het mij opmerken, hoe de leeraars, de meesten er van, hun eigen eer en voordeel zoeken, en daarbij naar hun vleesch leven, zooals Kuyper nu weer voor zijn pleizier in Engeland zit, en nog meer anderen, die voor hun pleizier uit zijn, terwijl Jezus Christus tegen Zijne Apostelen zeide: „Volg mij; de werken die Ik doe zult gijlieden ook doen.quot; En wij hebben terdege gezien in Gods Woord, dat de Apostelen van Christus de werken van Jezus Christus gedaan hebben.

Jezus zegt; „Die Mij liefheeft, die volge Mij, en neme zijn kruis op.quot; Wij zien in Gods Woord, welk kruis de Apostelen hebben gedragen.

Jezus Christus zeide tegen hen, dat zij zonder male en zonder buidel van huis tot huis zouden gaan om brood te breken, dat wil zeggen, dat zij overal in de huizen zouden gaan om de menschen te spijzigen met de levende woorden Gods, die spijze die nooit vergaat, maar blijft in der eeuwigheid , opdat de menschen in hunne ziel verkwikt en versterkt zouden worden in het geloof, om op God te betrouwen, dat de heilige God hun genade wil schenken en te leven door Christus Jezus, die het brood des levens is, en ook bij de armen het Evangelie te prediken en brood te geven waar

ocr page 383

359

geen brood is, opdat zij gelooven en zien, dat het Apostelen van Christus zijn, door God gezonden.

Maar de broodleeraars blijven liever warmpjes thuis om boeken en couranten te schrijven, waar niets dan vleesche-lijke wijsheid en omslag van woorden uit allerhande boeken in staat, en waar de menschen niets van verstaan; het hinkt alles op twee gedachten, zoodat de menschen niet weten wat zij moeten gelooven en moeten doen om het Koninkrijk Gods te beërven. En zoo blijven zij dood.

Ik versta er ten minste niets van; het komt in het geheel niet overeen met hetgeen Christus Jezus mij leert door Zijnen Trooster, Die mij onderwijst in het Koninkrijk Gods, nu ik van dood levend ben gemaakt. Het strijdt geheel tegen Gods Woord, hetgeen zij leeren en doen. Het is alles oppervlakkig; het drijft alles bovenop, net zoolang totdat zij zinken met het groote beest, dat hen naar den afgrond trekt, om niet weer boven te komen, daar zij geen redder willen hebben om hen te helpen.

Laten zij het zich nu maar zoo gemakkelijk mogelijk maken , en doen wat zij maar goedvinden, tegen Gods Woord in. God zegt: „Zoo ver en niet verder.quot; Maar, o, als het dan maar niet voor eeuwig te laat is.

Jezus Christus zegt in Zijn Woord: „Gaat over heggenen steggen, en dwingt ze in te komen; grijpt ze als een brandhout uit het vuur.quot; Maar de broodleeraars hebben daar geen lust in, en geven liever elke week een uur belet. Nu dat belet geven, kunnen zij er ook wel af doen, daar er zoo goed als niemand komt.

Christus zegt; „Gij zijt Mijne vrienden, zoo gij doet wat ik u gebiede; indien gij Mijne geboden bewaart, zoo zult gij in Mijne liefde blijven, gelijkerwijs ik de geboden Mijns Vaders heb bewaard.quot; En de bedienaars van het Woord doen en zeggen wat zij maar willen, en roepen: „Heere!quot; voor en „Heere!quot; na, en preeken maar voor het vaderland weg.

De eene verbeeldt zich nog wijzer te zijn dan de ander, en zij schelden elkander in de couranten uit, in plaats van elkander de waarheid te zeggen, dat zij niet recht voor God staan, in handel en wandel, met hunne ongerechtigheden.

En bij al die ongerechtigheid en zonder te doen wat Christus zegt, beelden zij zich daarbij den hemel voor de hel in, en gelooven niet dat God een waarmaker van Zijn waarachtig Woord is, en dat de almachtige Rechter over levenden en dooden een ieder vergelden zal naar zijne werken.

ocr page 384

360

O, daarom is er zooveel ongeloof in de wereld; ten eerste omdat de meeste leeraars zoo een slecht voorbeeld geven door hun handel en wandel in strijd met Gods Woord; ten tweede, omdat zij de verdoolde schapen maar aan hun lot overlaten, zoowel armen als rijken.

O, zij hebben allen eene ziel te verliezen voor de eeuwigheid. Maar wat gaat hun dat aan; daar denken zij niet bij. Want dan zouden zij ze wel als een brandhout uit het vuur rukken als ze een hart hadden voor die ongelukkigen, die in hun zonde en ongeloof zullen sterven, zoo God zich hunner niet ontfermt om Christus' wille.

Maar o wee, o wee. Eens zullen zij rekenschap moeten geven van de schapen waarover zij zich gesteld hebben, en die hun zijn toevertrouwd. De rechtvaardige God zal hen van hunne hand eischen.

Eens breekt de dag aan, dat zij allen geoordeeld zullen worden. Voor ieder is een dag daargesteld.

En o, dan zal het vreeselijk zijn te vallen in de handen des levenden Gods. Dat heb ik ondervonden. En zij zullen het ook ondervinden, net zoo goed als ik, daar Christus Jezus, Gods Zoon, is gezeten ter rechterhand van God, om te oordeelen de levenden en de dooden, en door wie ik levend ben geoordeeld. En dat zal ik nooit vergeten, de vreeselijke pijniging die ik heb geleden van satan, aan wien Christus mij had overgeleverd om geoordeeld te worden. Het was vreeselijk.

O wee dengenen, die bewaard worden ten eeuwigen vure, om met satan in de poel des vuurs geworpen te worden, waar weening zal zijn en knersing der tanden, doordat zij niet door Jezus Christus zijn gekend, omdat dezulken niet wilden komen om het eeuwige leven te beërven, dat hun om niet wordt aangeboden.

„Neemt het om nietquot;, is de roepstem van God. En ik heb het ook voor niets gekregen. En o, nu bid en smeek ik mijn God zoo, dat Hij mij kracht geve, in Zijnen geliefden Zoon, Jezus Christus, om voor Hem te arbeiden, hetwelk ik veel mag doen, door van Zijne goedertierenheid te getuigen, en van den liefdevollen en verlossenden Jezus, die Zijn verlossingswerk aan mij heeft volbracht, door Zijne groote liefde en genade.

En o, ik weet, dat als ik van Hem spreek. Zijn Woord niet ledig tot Hem weder zal keeren, maar zal doen wat Hem behaagt, net zoo goed als toen ik Zijn Woord op

ocr page 385

36I

Veldwijk hoorde: „het bloed van Christus Jezus, Gods Zoon, reinigt van alle zondenquot;, en toen het mij zoo aangreep, en ik het geloofde. Toen riep ik uit; „O, goede God, reinig mij ook, reinig mij ook!quot; En toen behaagde het den goeden God om mij niet alleen te reinigen, maar ook te heiligen en te bekeeren.

En daarom, hoe meer ik over Gods Woord spreek, en plant en nat maak, des te meer zal de waarachtige God er den wasdom over geven, daar ben ik zeker van. Want Die het beloofd heeft is getrouw, dat Hij het ook volbrengt om Zijns grooten Naams, en Zijns lieven Zoons wille.

Ik heb sinds ik hier in den Haag woon al vele zaadjes mogen zaaien. Ik ga het liefste in de achterbuurten. Ach, daar leeft alles in het duister, precies heidenen, zoowel Roomschen als Protestanten en Afgescheidenen en Gereformeerden. Ja, alles is doleerend, zonder God; ten minste den waren God kennen ze niet om Hem te dienen in geest en in waarheid en niets dan waarheid.

En niemand kijkt naar hen om. zoodat het verschrikkelijk is de taal die men er hoort. O, de duivel overheerscht hen zoo. En als ik hun dan vertel wat de almachtige God aan mij, zondares, heeft gedaan, dan loopen hun de tranen over de wangen, en zij zeggen: „Zoo gelukkig zouden wij ook wel willen zijn. Dan moet er toch wel een God zijn, als wij zoo iets hooren, wat u ons vertelt.quot;

En dan wijs ik hun den weg om naar den Heere Jezus te gaan, en te vragen of die medelijdende Hoogepriester voor hen wil bidden en genade wil schenken om Zijns zoenbloeds wille, en of Christus hun Zijn Heiligen Geest wil schenken, opdat Die voor hen bidde tot den Vader, Die in de hemelen woont, daar de Heere Jezus Zijn bloed voor de geheele wereld heeft gegeven, en zij er dus ook recht op hebben, om er om te bidden, dat de goede God het hun schenke, om in Zijn goddelijk licht te wandelen.

Ja, sommigen zijn er die mij uitlachen; maar daar geef ik niets om, en bid zooveel te meer voor hen en pleit op Gods Woord, dat het niet ledig wederkeere, daar de goede God toch uit genade en door Zijnen Heiligen Geest hen in eens kan veranderen, gelijk wij het ook gezien hebben met den moordenaar aan het kruis, en zoo vele anderen, en mij zelve niet te vergeten.

Zijne rechterhand kan alles veranderen, zooals God wil, en daar betrouw ik op, op Zijne genade.

ocr page 386

362

Moeder, ik ga ook veel naar het Bosch, en als ik dan dezen en genen op de bank zie zitten, dan plaats ik er mij bij, en begin dan over het mooie weer, wat er toe leidt om Gode de eer er van te geven, en kom dan zoodoende in den Bijbel terecht.

Verleden Maandag zat er een man op de bank, met de handen voor het gelaat en voorovergebogen. Ik ging toen bij hem zitten en vroeg, wat hem deerde. Hij vertelde mij, dat hij geen werk had. Ik bemoedigde hem en wees hem op den goeden en almachtigen God, waar hij wel ooren naar had.

Ik vroeg of hij wel naar de kerk ging, waarop hij met een lang gerekt „jaaaquot;, antwoordde, „een enkelen keer, maar wat moet je er doen; wat de dominé's zeggen doen ze zelf ook niet; ze komen nooit eens bij je. Daar hebt ge nu, ik ben achttien jaar getrouwd geweest en in al dien tijd is er twee keer een dominé bij me geweest.quot;

Ik zeide: „Nu, dat is nog veel, want ik zou al drie en dertig jaar getrouwd geweest zijn als mijn man nog leefde, hoewel ik nu elf jaar weduwe ben, en al dien tijd heb ik geen dominé bij mij gezien dan op Veldwijk.quot;

Ik raadde hem aan maar veel in den Bijbel te lezen en te bidden om Gods Heiligen Geest, en ook naar de kerk te gaan, en toen gaf ik hem een tractaatje en eene kleinigheid, waarop hij mij een hand gaf en beloofde het te zullen doen.

Ik vervolgde toen mijn weg en bad onderweg of de goede God het gesprokene wilde zegenen. Daarna kwam ik twee pastoors tegen met een cigaar in den mond. Ik zeide tegen hen, dat zij moesten armen en weduwen gaan opzoeken, want dat het hun ambt was. Maar zij gaven geen antwoord en liepen maar door. Nu, later zullen ze het wel moeten verantwoorden, of zij ware discipelen van Christus zijn geweest.

Neen, dat zijn geen Apostelen van den Heere Jezus; daar woont Jezus Christus ook niet in ; want dan zouden zij het moeten doen, of ze het wilden of niet, daar de liefde van Christus hen er toe zou dringen, als de Geest Chnsti in hen woonde.

Ik kan maar niet begrijpen hoe de priesters, die, zooals ik denk, toch ook wel de tien geboden zullen hebben, — hoe die zich voor gesneden beelden kunnen buigen en dienen, daar de heilige God het ten strengste verbiedt in Zijn gebod. Maar ik denk dat zij het niet verstaan , doordat bij hen ook nog het deksel op hun hart ligt, en zij hebben geen lust om naar den Heere Jezus te gaan, opdat Hij het deksel wegneme

ocr page 387

363

en zij bekeerd worden en de Geest van Christus in hen zij. Zij leven ook liever naar hun vleesch, en doen daar alles bij wat menschenwerk is, maar niet wat uit God is. Nu, dat zal ook eenmaal te niet gedaan worden, zoo goed als al het andere, wat buiten Christus is.

O, daar zal nog eerst wat voor gestreden en geleden moeten worden eer het ééne kudde zal wezen, en waar Jezus Christus de Goede Herder van zal zijn. Daar zal nog wat bloed moeten stroomen over de aarde eer het zoo ver is.

En toch zal het zoo ver moeten komen, wil alles vervuld worden, gelijk de Heere Jezus het voorzegd heeft. Wij zien het reeds in het buitenland, wat een bloed daar stroomt en hoe vele Christenen er worden vermoord door dien valschen profeet Mahomed.

En al die vermoorde Christenen moeten gewroken worden door den God der wrake. Die door Zijnen Geest het den menschen ingeeft om voor Hem te strijden en te herwinnen in de kracht van den Leeuw uit Juda's stam, den Wortel Davids, Die overwint, daar het alles, alles, één moet worden met Christus alleen.

Zoo zal het komen; maar bij God is duizend jaren één dag, en in dien eenen dag kan veel gebeuren bij God. Laat het hier nu maar „vrede, vredequot; zijn en „geen gevaarquot;, als de almachtige Jehova er in blaast, dan is het uit.

O, als ik opmerk dat het oordeel van het huis Gods alreeds is begonnen. Wat een haat en nijd, en wat een afval van den waren Christus. Het zijn niets dan naam-christenen.

En wat een valsche profeten en valsche leeraars zijn er tegenwoordig, die de menschen tot een roof vervoeren, en waar Kuyper bovenaan staat, om de menschen te verleiden met zijne philosophie en verleidingen, die ijdel zijn, naar de overlevering der menschen, bij voorbeeld de Reformatie en Calvijn en de Belijdenis, waar hij zijn fundament op bouwt; alles op menschenwerk en niet op den levenden Christus.

Daarom laat hij de slippen des Eeuwigen los, alhoewel hij die nog nooit gegrepen heeft, wel bij naam, maar de ware slippen van Christus Jezus niet. En daarom kan hij zoo gemakkelijk de zondige hand uitsteken naar spel en de ijdel-heden der wereld, omdat hij en de zijnen van de wereld zijn, en niet van Christus. Want als zij Hem kenden, dan hield Christus hen vast, opdat zij alles ter eere Gods zouden doen in gerechtigheid en heiligheid.

En dan neemt men geene geboden der menschen meer

ocr page 388

364

aan, gelijk zij dat doen, onder de bedekking van Gods Woord. Ja, het zijn valsche leeraars, die verderfelijke ketterijen be-dektelijk invoeren en ook den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende, een haastig verderf over zich zeiven brengende; en velen zullen hunne verderfenissen navolgen door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; en zij zullen door gierigheid met gemaakte woorden van de menschen een koopmanschap maken, over welke het oordeel van overlang niet ledig is; en hun verderf sluimert niet.

O, wat eene waarheid. Wij zien het voor onze oogen, op welke eene manier die leeraars God verloochenen met hunne daden en velen met hen, die naar hunne mooie woorden luisteren, die de valsche leeraars hun voorpreeken, en denken daarbij, dat ze in den hemel komen. Want de leeraars zeggen dat het genade moet blijven, want zij kunnen niets doen. Daar vandaan dat zij maar gerust in de wereld voortleven, en daarbij „Heere! Heere!quot; roepen, terwijl Gods Woord hen leert wat zij moeten doen.

O, die leugenaars! Zij loopen hunne eeuwige verdoemenis te gemoet; dat zal de dag des oordeels hun openbaren, als die voor hen aanbreekt. O, wat wordt de weg der waarheid daardoor gelasterd en bespot.

En wat een ongeloof door zulke Schriftverdraaiers, en dan nog de couranten en boeken, die vol van vleeschelijke wijsheid en omslag van woorden zijn, menschenwerk, dat de menschen van het Koninkrijk Gods afhoudt, zoodat ze niet in kunnen gaan om den heiligen God te kennen en lief te hebben; en toch moeten zij ze betalen.

O, die eigen-gewinzoekers ! Zij beloven den menschen hunne vrijheid, daar zij dienstknechten zijn der verdorvenheid Want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt.

Wij zien in dit alles, dat satan hen overwonnen heeft, zoodat al de valsche leeraars en Schriftverdraaiers en al degenen die hen navolgen, zonder Christus Jezus, allen dienstknechien des duivels zijn. Want wie de zonde en de wereld liefheeft, is uit den duivel en niet uit den Heere Jezus Christus.

O, ik kan voor dezulken niet genoeg bidden in den Naam van Jezus Christus, daar ik weet wat het te zeggen is om in de verblindheid des harten een dienstknecht van satan te zijn, om naar zijne pijpen te dansen en te doen wat hij verkiest; en waar het oordeel op volgt.

O, hij weet de menschen zoo te misleiden die nog ver-

ocr page 389

36s

duisterd van het verstand zijn en in zijne macht; die weet hij zoo in zijne netten te vangen, zelfs onder den schijn van Gods Woord.

„O, goede God! moge het U behagen, almachtige Jehova, om hen te verlossen uit die duisternis en strikken des duivels en hen te brengen in Uw goddelijk licht, uit eeuwige zondaarsliefde en vrije genade, dewelke ik ook heb ontvangen in Christus Jezus, Uwen geliefden Zoon, opdat wij allen kunnen belijden, dat Jezus Christus in ons leeft en in ons werkt, tot roem en eer van Uwen driemaal heiligen Naam.

„O, groote God! doe het om Uws Naams wille. Amen! In Christus Jezus, Amen!quot;

Dat is mijne bede.

En nu, waarde Moeder en Vader, nu nog iets over den Haag. Ik ben, Gode zij dank, hier al weer gewend in den Haag, alhoewel het er in het begin allertreurigst met mij uitzag. Het geleek wel in mijne ziel of ik zoo in eens overgebracht werd van het leven in den dood. Wat een onderscheid , in Baarn of hier. Het werkte verbazend op mij, en de duivel porde het vuurtje nog wat aan, zoodat ik mij verbeeldde, dat ik het in Baarn veel beter had dan hier in den Haag.

Maar de allerhoogste God zij geprezen en gedankt, doordat ik weer mocht ondervinden, dat Hij niet laat varen de werken Zijner handen. De almachtige Jehova versterkte mij weer met Zijnen Heiligen Geest. Christus Jezus, die zich een oogenblik verborgen had, openbaarde zich weer in mij, zoodat ik weer Zijne liefde mag smaken, daar de liefde van Christus mij weer dringt, om voor Hem te arbeiden, in Zijne kracht, en te getuigen welke groote dingen Hij aan mij heeft gedaan. En dan bewijs ik het met Gods Woord.

Ja, Moeder, de goede God doet het mij opmerken, dat juist ik, die met het legio der duivelen bevangen was, —dat ik juist daarom naar mijn huis mocht gaan om te getuigen wat God de Heere aan mij gedaan heeft, en hoe Jezus Christus mij verlost heeft uit satans macht, juist omdat ik het legio had.

En daarom kan ik er zooveel van vertellen, van wat er in dien tijd dat ik het legio der duivelen bezat, binnen in mij en met mij gebeurde, daar de almachtige God, door den Zoon Zijns welbehagens, mij niet alleen verloste, maar ook het volle licht schonk, zoodat ik nu alles weet.

En dat, terwijl er zoo vele duivelen nog worden uitge-

ocr page 390

366

worpen tegenwoordig, door den Heere Jezus, daar er zoo vele krankzinnigen genezen worden, die naar huis gaan uit de gestichten, maar die niets kunnen vertellen, precies als toen de Heere Jezus op aarde was. Er werden toen vele duivelen uitgeworpen, waar de Heere Jezus niet tegen zeide: „Gaat naar uw huis en vertel wat groote dingen God u gedaan heeftquot;, en tegen dengene die het legio bezat wel.

Zoo kunnen wij zien dat Christus Jezus, de Zoon des levenden Gods, toen en heden en tot in der eeuwigheid dezelfde is. Ja, Hij verandert niet.

Waarde Moeder, u begrijpt dat het mij hier alles in het begin erg vreemd was. Maar nu krijg ik zoo langzamerhand al eenige kennissen en waar ik eens uit ga rusten, daar de einden hier zoo fameus ver zijn. En dan spreek ik met hen over de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan en onze onsterfelijke ziel.

Ja, Moeder, dat zal een onderscheid zijn, als onze ziel naar den hemel of naar de hel gaat. Ik kan daarvan het beste getuigen, hoe vreeselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods, als wij niet naar Zijn Woord willen luisteren, en niet doen wat God daarin zegt.

Moeder, ik ben verleden Zondag naar Scheveningen ge-loopen in mijn eentje. Het was prachtig weer en ik heb veel mogen genieten van mijn God. Dat ik naar Scheveningen ging was, omdat ik den vorigen Zondag een dominé uit Scheveningen had hooren preeken in den Haag, en die beviel mij nog al. En daarom ben ik er naar toe gewandeld, en heb veel genoten, ook om reden het vreeselijke onweder dat wij dien avond hebben gehad.

Verbeeld u, waarde Moeder, om half acht begon het zwaar te onweeren, en werd het zoo donker, dat dominé de preek eindigde en ging danken, en toen ik mijne oogen open deed, was het geheel donker; ik zag niets dan een wit laken van de witte mutsen der Scheveningsche vrouwen. De kerk was propvol, en daarbij het bliksemen dat de kerk verlichtte en de donder. En toen liet de dominé zingen:

„Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen!

Men loov' Hem vroeg en spa!quot; enz.

Toen gingen wij allen opstaan.

O, Moeder, dat oogenblik zal ik nooit vergeten; zoo in donker met Gods hemelsch licht omstraald, terwijl wij Gods

ocr page 391

367

Naam grootmaakten. Neen, ik had een gevoel in mijne ziel, dat niet is te beschrijven, en terwijl mijn lichaam beefde, jubelde het in mijne ziel, en ik had een vrede die alle verstand te boven gaat. Zoo juichte ik.

En na den zegen ontvangen te hebben gingen wij heen, maar moesten in de gang blijven wachten, zulk een weer was het. En toen heb ik daar veel gesproken over de genade Gods en de liefde van Christus. Er waren velen die bewogen werden; en een oud vrouwtje zeide; „U gaat met mij mee naar huis; U mag in dit weer niet naar den Haag.quot; Entoen ben ik met haar meegegaan, en heb daar nog veel mogen getuigen, met het vuur des Geestes, van God, Die kennelijk in mij was. De menschen stonden in het portaal en buiten de deur. De zoon met zijne dochter heeft mij naar de stoomtram gebracht, daar het al over tien uur was en ik dan reken dat de Sabbath voorbij is.

Toen ik thuis kwam, hoorde ik van de kinderen dat het in den Haag ook een vreeselijk weer was geweest, maar de goede God had ons allen beschermd en weer goed en wel bij elkander gebracht. Hem alleen de eer!

Moeder, ik ben 8 Juli met de kinderen naar den Velddag geweest van het Leger des Heils, en daar heb ik feest gevierd en gejuicht tot eere Gods, ja, dat de aarde zich spleet en ik huppelde van zielevreugde bij al het gezang en trompetgeschal, trommelen en bazuinen, harpen en cimbalen, tien-snarige instrumenten en vreugdegeluid. Ik geleek wel eene Mirjam , met alle maagden met mij, zooals het in Gods Woord staat, en hetwelk ik mocht ondervinden, daar ik een verlost kind Israels ben, door het bloed van mijn Verlosser, en de duivel mij niets meer kan doen, net zoo min als Pharao de kinderen Israels kon doen, nadat zij van hem verlost waren door den almachtigen God.

Ik heb daar ook veel in groepjes gesproken en getuigd, om reden ik weet, dat het Leger des Heils een werk is uit God. Want toen ik op Ermelo was bij de familie Volten, zooals u weet, toen was de dochter, Mej. Cato, er ook aan. En als zij naar het Leger was geweest en thuis kwam met een Oorlogskreet, dan loerde ik op die Oorlogskreet, en als ik hem dan te pakken kon krijgen, dan liep ik er mee naar den tuin en ging hem lezen, en dan moest de duivel van mij vlieden, en ik kreeg eene kalmte en vrede over mij, die niet om te zeggen is.

En daarom weet ik dat Gods Geest in dat Leger werkt.

ocr page 392

368

om te doen wat in Gods Woord staat, en maar niet alleen te gelooven, maar ook te werken, in Christus Jezus, daar anders het geloof dood is en men geen deel heeft aan Jezus Christus.

O, mocht een ieder zooveel planten en nat maken, ^ dan zou de heilige God wat meer wasdom aan de dorre zielen geven, waar geen leven in is. Dan had de vorst der duisternis zooveel macht niet op de wereld, om de menschen te ovei -winnen, en te doen afhoereeren van hunnen God. Als er meer gearbeid werd met woord en daad, dan zou de wereld wat meer gelooven en werd het één onder elkander, gelijk ik dat zie in het Leger des Heils, waar de rijkste niet alleen met de armste maar ook met den goddelooste aan gaat zitten, zooals de Heere Jezus het ook heeft gedaan. Die ook met hoeren en tollenaren aanzat, om ze tot den levenden God te bekeeren en sprak; „Volg mijquot;.

Kn zoo mag ik zien dat de Geest van Christus hen onngt, om over heggen en steggen te gaan en te dwingen om in te komen; ja, als een brandhout uit het vuur te rukken, opdat satan zijne prooi niet verslinde, om met hem in den poel des vuurs geworpen te worden. De Heere Jezu^ zegt

zelf: „Hoeren en tollenaren zullen de schriftgeleerden voorgaan

in het Koninkrijk Gods.quot; i „ ,

O, ik mag zoo zien dat het Leger des Heils een werk Gods is, waar de heilige en waarachtige God Zijn Woord in bevestigt: „Ook op Mijne dienstknechten en dienstmaagden zal ik in die dagen Mijnen Geest uitstorten, en zij zullen profeteeren.quot; En wij zien het voor onze oogen dat het waarheid is, niet met woorden, maar met de daden , daar dezulken in den Heere arbeiden, met woord en daad, daar de liefde van Christus, die in hen woont, er hen toe dringt, terwijl het bij de zoogenaamde bekeerden, en degenen die zeggen dat zij gelooven, alleen maar bij de woorden blijft, en zij daardoor toonen dat dezulken niet leven door Christus Jezus.

Ja, Moeder, ik ben ook naar het Zangersfeest geweest en heb daar veel voor mij zelve genoten, alhoewel ik den Geest Gods er niet veel zag. Ik kreeg zelfs eene beroering in mij in den trein vanwege de meisjes die aan het Zangersfeest behoorden , en die zich zoo ordinair aanstelden, en dan maar weer geestelijke liederen zongen. Dat kon ik niet dulden, en daarom wees ik hen op de straffen Gods, die er op zouden volgen, daar God zich niet laat bespotten.

En op het Zangersfeest zelf, daar was alles zoo vermengd,

ocr page 393

369,

militaire muziek met geestelijken zang, dat paste niet bij elkander. Niet dat die militairen minder waren, maar daar zij eiken dag wereldsche muziek spelen, gaat het niet aan om geestelijke liederen te begeleiden. Daar is God te heilig voor, om te doen met Hem wat wij maar willen. Zulke werken haat God.

Ik heb daar ook nog met Ds. Petersen gesproken. Ds. Petersen zeide mij, dat ik mij geen meerdere lasten op moest leggen. Nu, daar zal de almachtige God wel voor zorgen, dat Hij mij geene lasten meer zal opleggen dan ik kan dragen, om voor Hem te arbeiden en te getuigen en Zijn Naam groot te maken, in Christus Jezus, den Profeet der profeten, in Wien ik alles vermag, nu en tot in der eeuwigheid. Amen! Ja, driewerf in Christus Jezus, Amen!

En nu, waarde Moeder en Vader, zal ik maar eindigen. En ik wensch en hoop van ganscher harte dat u beiden, in en voor den Heere Jezus Christus moogt arbeiden, om Gods Koninkrijk uit te breiden. Dan zal Christus wassen en de goede God verheerlijkt worden, doordat wij niets zijn, maar in Christus alles, en allen. Ja, alles in en door en tot Hem.

Ja, waarde Vader en Moeder, zoo moet het worden, en dan zullen wij één zijn met den hemelschen Vader en den Zoon Zijns welbehagens, en hebben Hem lief en onze naasten als ons zeiven, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft. En de goede God geve en bevestige het door genade. Amen!

Na u en Vader uit het diepst van mijn hart Gods onmis-baren zegen toegewenscht te hebben, blijf ik met heilbede en vriendelijke groeten,

Uwe dankbare en toegenegen Zuster in Christus Jezus, Eene verloste van de duisternis, in het licht geborene , door genade,

Mevr. Wed. A. R. REINSBERG, Bezuidenhout xoyR

den Haag.

P.S. Moeder, mijne kinderen laten u en Vader vriendelijk groeten. En wil u zoo goed zijn, de juffrouwen-verpleegsters, alsook Moeder Kassies en Moeder Rika, van mij te groeten ? God zegene u allen in uw moeilijk werk.

Hoogachtend,

Als boven.

24

ocr page 394

37°

Brief aan de familie Andriessen te Leeuwarden.

's Gravenhage, 18 September 1896.

Waarde Mijnheer en Mevrouw,

Met genoegen hebben wij uw brief ontvangen en daaruit vernomen dat u door 's Heeren zegen weer gezond en wel in Leeuwarden bij uwe kinderen is aangekomen, en dat u gedurende den tijd in den vreemde hier en daar veel heeft genoten. U zal er dan zeker ook nog lang over nadenken van hetgeen u heeft gezien en vooral aan Scheveningen, waar men Gods almacht zoo diep kan bewonderen en er bij stil blijft staan en uitroept: „Groote God, wat zijn Uwe daden vreeselijk groot; daar kan ik niet bij; dat is mij te wonderlijk.quot; En toch is de heilige Jehova alleen de Schepper er van, daar Hij zelf het den geheiligden mensch, die in Jezus Christus is wedergeboren, openbaart, zoodat geen ander het hem meer behoeft te zeggen, daar de geheiligde en wedergeborene in Christus, in gemeenschap met God den Vader en Zijnen geliefden Zoon, Jezus Christus, leeft. En dan fluistert Hij hun toe, en zegt tegen de ziel: „Ik, Ik ben die Almachtige, Die hemel en aarde geschapen heb; Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde, Die alles onderhoudt, bestiert en regeert door Mijne kracht en almacht.quot; En als dat fluisteren dan door de diepste roerselen van hunne ziel gaat, dan bevangt hen een heilig beven en vreezen, waarbij de geheiligden hunne diepe ellende en afhankelijkheid gevoelen van dien almachtigen en heiligen Jehova en dan buigt men met diepen ootmoed en eerbied het hoofd en denkt bij zich zeiven: O, wat is Gods Woord toch waarachtig, daar de heilige God de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, nu openbaart aan Zijne heiligen. O, wat is dat alles waar, daar ik dat door genade zelf mag ondervinden.

En dan brengt men Hem de heerlijkheid toe, uit de diepte der ziele, voor zoo eene groote genade. Ja, dan is den ge-heiligden de deur geopend om te spreken de verborgenheid

ocr page 395

37i

van Christus, die in hen werkt met kracht, en te wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vruchtdragend en wassende in de kennis van God.

En dan danken wij in Christus Jezus den Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht, en met Christus te strijden tegen den vorst der duisternis en overheerscher der wereld, onder wien millioenen menschen noch gebukt gaan, zelfs onder de bedekking van Gods heilig Woord, en toch door satan geregeerd worden, zonder dat zij het zelf weten; zoo leven zij in duisternis en slapen maar voort, daar satan hen met tekstwoorden dekt, waaruit zij juist moeten ontwaken en tegen strijden, willen zij in Gods goddelijk licht wandelen en vervuld worden met vruchten der gerechtigheid, die door Christus Jezus zijn tot verheerlijking Gods. En dan zullen zij de vrucht des Geestes ontvangen, daar zij eertijds duisternis waren. Maar dan zijn ze een licht in den Heere, als Jezus Christus hen verlost heeft uit de duisternis des satans. Dan wandelen zij als kinderen des lichts, in alle goedigheid en rechtvaardigheid en waarheid, beproevende wat den Heere welbehagelijk zij , uit Zijn dierbaar Woord.

En degenen die verlost zijn door Christus, en in welke Christus leeft, dezulken zijn in Jezus Christus gedoopt, daar het water alleen niets geeft. Want dan moesten alle menschen heilig wezen die gedoopt zijn. Maar waar blijven dan de ge-doopten en niet bekeerden, die bewaard worden ten eeuwigen vure. Het doopen alleen dat geldt bij God niet.

De gedoopten hebben er wel recht op, doordat zij het zegel des verbonds hebben ontvangen op hun voorhoofd door den doop met het water. Maar als zij niet gereinigd willen worden in het bloed van Christus Jezus, en gedoopt met Zijnen Geest, zoodat zij een nieuw schepsel zijn geworden in Christus Jezus, — dat alleen geldig is bij God, maar geen voorhuid noch besnijdenis, ook geen doop, dat geeft bij God niets, maar een nieuw schepsel in Jezus Christus, — en als zij een nieuw schepsel zijn, dan omgordt Christus hen met het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord, om in Zijne kracht te strijden tegen alles wat niet uit Gods Woord en niet uit Hem is. Dan strijden zij in Christus tegen het kwade, omdat het de werken der duisternis, des duivels zijn, en niet uit Christus Jezus.

Ja, men bestraft de werken der duisternis en maakt ze openbaar, door het licht van Christus, dat in ons schijnt en

ocr page 396

372

werkt, doordat wij den Heere Jezus hebben liefgekregen in onverderfelijkheid, dat wil zeggen, voor eeuwig.

Ja, als zij een nieuw schepsel zijn geworden, wedergeboren in Christus Jezus, dan kunnen die getuignn van het water, het bloed en den geest; dat wil zeggen, niet door het water alleen, maar ook door het bloed, waarin de wedergeborene-is gereinigd om te leven door Gods Geest, in Zijn licht en liefde, in Christus Jezus

En dan zijn er drie die getuigen in de ziel, uit den hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; dat wil zeggen, dat de Vader uit den hemel het de wedergeborenen openbaart, dat Zijn Woord de waarachtige waarheid is, waar geen woord af noch bij mag; en dat de Heilige Geest den wedergeborene leidt, bestiert en regeert, naar Gods wil en welbehagen, om te doen door Zijne kracht wat in Gods Woord geschreven staat, om Zijne geboden te onderhouden, daar de wedergeborene in Christus Jezus hoort wat de Geest tegen de Gemeente van Christus zegt.

En dan zijn er drie die getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed; dat wil zeggen, dat de Heilige Geest mij openbaart dat ik niet alleen met het water ben gedoopt, maar ook gereinigd, geheiligd en gezaligd ben geworden in het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, Die de getrouwe getuige is, de Eerstgeborene uit de dooden, en de Overste der koningen der aarde; van Hem Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewasschen heeft in Zijn dierbaar bloed.

En daar de heilige God zelf het mij openbaart en aan mijne ziel betuigt, zoo neem ik ook geen getuigenis der menschen meer aan, althans niet van valsche leeraars, die met hunne vleeschelijke wijsheid en omslag van woorden Gods Woord verdraaien en de Gereformeerde Belijdenis r Calvijn, Catechismus, oude en nieuwe beginselen, enz. enz. hooger houden en daar meer van spreken en in gelooven dan aan Gods heilig, waarachtig en dierbaar Woord, waar zij ook niet naar leven en doen.

Neen, het getuigenis dat de almachtige God mij in de ziel getuigt, is meerder, daar Hij mij betuigt dat namelijk, dat Hij mij het eeuwige leven gegeven heeft en ditzelfde leven is in Zijnen Zoon Jezus Christus.

O, het is zoo heerlijk, als men immer in den geest met God en Zijn geliefden Zoon leeft, zelfs onder de grootste bezoekingen des satans, die je bevecht en bestrijdt, wat

ocr page 397

373

tusschenbeide zoo hevig kan zijn, dat men zich zelve haast geen meester is.

Maar in die zwakheid toont de almachtige God nog Zijne kracht, om te getuigen dat Christus overwinnen zal.

En o, als men dan weer in de ruimte is gesteld en verlost van de aanslagen des satans, zoodat men weer versterkt is door Gods Geest, in Christus Jezus, den Overwinnaar, o dan juicht de verloste weer, doordat men weer macht heeft gekregen om in Gods waarheid te wandelen, om der waarheid wille, die in ons blijft, en met de uitverkorenen zal zijn tot in der eeuwigheid.

En daarom ben ik zoo blij dat de vacantie over is en ik geene logé's meer heb, daar ik nu weer in de kracht van mijn Jezus kan arbeiden voor God; ja, als men zoo gewend is met den heiligen God en Zijn geliefden Zoon in gemeenschap te leven en te doen wat God mij door Zijnen Heiligen Geest zegt, zoodat ik gevoel dat mijn wandel reeds hier op aarde in den hemel is, in Christus Jezus, mijn Zaligmaker, Die mij kracht geeft, o, dan gevoelt men zich niet meer gelukkig, als men door andere dingen wordt afgeleid in plaats van aan Gods Koninkrijk te arbeiden met woord en daad, om Zijn Koninkrijk te doen uitbreiden, tot verheerlijking-van den heiligen Jehova, en tot nederwerping des satans, lt;iien satan die zooveel ongeloof, zonde en rampen en ellende op de wereld brengt, en aan wien de menschen veel te veel gehoor geven, aan dien duivel der leugenen, die hun maar van alles inblaast, en wat maar wordt geloofd, zoodat zij ■doen wat satan hun zegt, zelfs onder de bedekking van Gods Woord en Naam.

En zoo gaan zij hunne eeuwige verdoemenis te gemoet, waar satan in zijn vuist om lacht. En er is niemand die er •tegen opkomt, zoo verblind en verhard zijn zij.

Ieder bouwt zich maar tegenwoordig eene gemeente op •eigen fundament, en daar moet gepreekt worden, hoe de menschen het gemakkelijkste en pleizierigste naar den hemel komen. Want van duivel, verdoemenis en hel, daar wil men niets van hooren; daar willen de zoogenaamde geloovigen niets van weten, als zij maar gelooven met de woorden; de daden komen er niet op aan, want zij zijn gedoopt.

Maar, o wee, de daden zullen zij wel ondervinden in hun oordeelsdag. Laten zij nu hun hart maar toesluiten en denken : wij zijn gedoopt en gelooven. Eens breekt de tijd aan, dat zij geoordeeld zullen worden door Jezus Christus, Die ter

ocr page 398

374

rechterhand Gods zit, om te oordeelen de levenden en de dooden. Dan zullen hunne daden een voor een open voor hunne ziel worden gelegd met de grootste pijniging, zooals ik het reeds heb ondervonden, daar ik levend geoordeeld ben geweest vanwege mijn mooi geloof dat ik had, met den doop met het water, zonder in Jezus Christus gedoopt te zijn.

O, er zullen zoo velen bedrogen uitkomen, die met hun mooi geloof zich den hemel voor de hel inbeelden, en daar helpen de valsche leeraars tegenwoordig trouw aan mee; als zij hun doel maar bereiken, dan komen Gods geboden uit Zijn dierbaar Woord er niet op aan. En die zijn het juist, waar de heilige God mee verheerlijkt kan worden. En die Zijne geboden bewaren, kennen God, daar zij God liefhebben van ganscher harte.

Ja, dezulken weten niet wat zij maar doen zullen om voor Gods eer te leven, daar zij door Christus Jezus, Die hen met Zijnen Geest er toe dringt om te doen wat Gode wel-behagelijk is. Want Christus is het Lam, dat op den troon zit. Hij weidt hen en is hun Leidsman tot de levende fonteinen, dat is Gods waarachtig en heilig Woord, de waarachtige waarheid, die bestaat tot in der eeuwigheid. Amen!

Ja, de Heilige God doet het mij opmerken, wat Zijn geliefde Zoon heeft gezegd; „Tevergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen die geboden zijn der menschen; want nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der menschen.quot; O, wat eene waarheid.

Nu, lieve vrienden, wil ik eindigen, en u iets aangaande mijn huisgezin laten weten. Marie en Frida maken het zeer goed door den zegen onzes Gods. Zij vonden het gezellig toen u hier was, en bedanken u nogmaals voor de duumkes (1), die hun heerlijk hebben gesmaakt, en waarbij zij de hartelijke groeten doen en u 's Heeren zegen toewenschen.

Van Eugenie heb ik reeds drie brieven ontvangen; van den eerste weet u, dien heb ik u verteld toen u bij mij was. De tweede brief, dien ik ontving was veel beter, maar de derde was geheel mis. Ja, die was zoo ellendig, dat ik er naar van werd, en als ik geene kracht van mijn God had gekregen, dan had ik haar dadelijk teruggehaald. Maar de almachtige God openbaarde mij, dat Hij haar zou bewaren

1

Duumkes zijn een eigenaardig soort banket bij de thee of de koffie, dat alleen in Friesland gebakken wordt.

ocr page 399

375

en dat satan, uit wiens klauwen zij nu ontrukt was om in de wereld te leven, dat satan, die haar nu met zijne booze geesten beangstigde en benauwde, dat satan toch niet verder mocht als dat God het wilde en niet verder; daar God het toeliet om haar te straffen doordat zij niet naar hare moeder wilde luisteren, die in alles haar heil op het oog had, om ze tot God te brengen , opdat zij wedergeboren mocht worden in Christus Jezus, den Redder der wereld, Die den over-heerscher der wereld uitwerpt uit den mensch en er zelf de plaats voor inneemt om ze te leiden, als wij maar volharden.

En daar kreeg ik zooveel kracht bij, dat ik het niet alleen geloofde maar ook vertrouwde, zoodat ik mijn kind aan God opdroeg om haar te beschermen en genade te schenken, om Jezus Christus' zoenbloeds wille, verzekerd zijnde dat de goede God haar daar heeft geplaatst tot haar bestwil, om zoodoende haar uit de wereld en satans macht te verlossen, en haar uit de verdoemenis, waar zij nog in ligt, door genade te verheerlijken, tot roem en prijs van Gods driemaal heiligen Naam.

Ik hoop zoo God het wil, haar in de andere week met haar verjaardag te bezoeken, en met haar te spreken over het Koninkrijk Gods en zal God bidden dat Hij het zegent.

Na u, geliefde vrienden, Gods onmisbar en zegen te hebben toegewenscht, blijf ik met vriendelijke groeten en heilbede,

Eene wedergeborene in Christus Jezus, mijn Verlosser,

Achtend,

Wed. A. R. REINSBERG, Bezuidenhout iojR

den

Haag.

ocr page 400

376

Brief aan Prof. L. Lindeboom.

Aat/ den Weleerwaarden Zeergeleerden Heer, Professor Lindeboom, Hoogleeraar te Kampen.

' sG ra venhage,......I897-

Eerwaarde Heer,

Met deze neem ik de vrijheid U Eerwaarde Heer, eenige letteren te schrijven, daar ik UEerwaarde eens heb ontmoet in Baarn bij den Heer Veenendaal, waar UEerwaarde was gelogeerd.

Van wat er toen dien avond is gesproken weet ik niet veel meer; wel dat ik zeide, dat alles wat ik in den Naam van Jezus Christus zou bidden, mij dat zou gegeven worden. Dat was mijn geloof, waarop UEw. mij met woorden antwoordde , waar ik niet op kon antwoorden, daar ik niet wetenschappelijk geleerd ben, maar wel wetenschappelijke ondervindingen van God zelf had uit Zijn dierbaar en heilig Woord, hetwelk de waarachtige God zelf mij heeft geopenbaard en bevestigd. En daarom weet ik, dat Gods Woord de waarachtige waarheid is, waar geen woord af noch bij mag worden gedaan, zooals de geleerden dat doen.

En daarom mogen die geleerden met hunne zoogenaamde wetenschap, die geleerdheid en wetenschappelijke theologie in beginsel, en waar zij de Engelschen en Duitschers bij te pas halen, voor mijn deel houden. Dat is eene leer buiten Christus. Dat is menschenwerk. Altemaal menschelijke leeringen en instellingen, die de menschen van het Koninkrijk Gods af houden, zooals de Heere Jezus het in Zijn Woord heeft gezegd.

En daarom dank ik mijn God dat Zijn geliefde Zoon, Jezus Christus, mij uit genade getrokken heeft uit oeze tegenwoordige wereld, en ik nu door Hem zelf geleerd word, naar den wil van onzen God en Vader, niet naar de letter maar door den Trooster, den Heiligen Geest, Die van den Vader uitgaat, in Christus Jezus, zoodat ik mij zelve niet meer leef, maar Christus leeft in mij; iiiet naar denmensch.

ocr page 401

377

maar door de openbaring van Jezus Christus, zoodat ik mag hooren wat Zijn Geest zegt, en ook doen in Zijne kracht.

Eerwaarde Professor, u zal wel van Ds. Notten gehoord hebben wie ik was en wat ik ben geweest op Veldwijk; hoe ik daar levend ben geoordeeld door den Zoon van God, Die ter rechterhand Gods zit om te oordeelen de levenden en de dooden. UEerwaarde zal wel vernomen hebben wat eene krachtdadige bekeering ik op Veldwijk heb ondervonden, en welke groote dingen de almachtige Jehova aan mij heeft gewrocht in Christus Jezus, Zijn geliefden Zoon, Die mij eerst aan den duivel had overgegeven om geoordeeld te worden, zoodat ik geheel in de macht van satan kwam om geoordeeld en gepijnigd te worden, zoodat ik dacht ik voor eeuwig verloren was, en ik mijne bezweete handen liet voelen aan Ds. Notten, en daarbij zeide: „Voor mij is geen genade, het is te laat!quot; Ja, Professor, dat zal u wel door Ds. Notten verteld zijn. En later op welk eene manier ik genade van God ontving, en hoe de heilige Jehova mij verloste uit de macht van satan en mij overbracht in Zijn wonderbaar en goddelijk licht.

UEerwaarde zal wel gehoord hebben hoe de almachtige en genadige God mij bekeerde, toen ik in Gods Woord geloofde, waaruit Ds. Notten sprak: „Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden.quot; En toen ik dat met mijn gansche hart geloofde, kreeg ik genade, en werd van den vorst der duisternis verlost en mocht in Gods heilig en rechtvaardig licht wandelen, door Jezus Christus, mijn Verlosser.

Ja, Eerwaarde Professor, Ds. Notten kan getuigen. Toen Christus Jezus mij genade schonk, om Zijn dierbaar bloeds wille, en Zich zeiven aan mij openbaarde, sprak Hij tegen mijne ziel en zeide: „Ik heb u Gode gekocht met Mijn bloed, en daarom heb Ik u na een vreeselijk bangen strijd verlost uit satans macht, van dien satan dien ge uw geheele leven hebt gediend van uwe geboorte af, daar ge in zonde geboren zijt, waarvan Christus u moest verlossen. Maar nu zijt ge gereinigd in Mijn bloed en gerechtvaardigd door Mij, om in gerechtigheid te leven in Mijne kracht en in gemeenschap met den hemelschen Vader en Zijnen Zoon, Jezus Christus, vervuld met den Heiligen Geest, Die u in alle waarheid zal leiden en zal zeggen al wat gij moet doen, en wat God in Zijn Woord heeft gezegd.quot;

Ja, Professor, zulk eene openbaring kreeg ik van den

ocr page 402

378

hemelschen Vader door den Geest Zijns Zoons, Dien ik nooit te voren had gekend dan bij naam en waterdoop en zoogenaamde belijdenis, wat ons altemaal niets geeft zonder Jezus Christus in ons hart, om in Zijne kracht te leven, Gode welbehagelijk, door het volle licht van Zijn heilig Woord.

Ja, Professor, en toen werd in mijne ziel gezegd dat ik naar Ds. Notten moest gaan en hem zeggen, dat God tegen mij had gezegd, dat ik weer naar mijne kinderen terug moest gaan, want dat de barmhartige God mij niet alleen naar het lichaam had genezen, maar ook naar de ziel, zoodat Gods Woord niet meer dood voor mij was maar levend, door Zijnen Heiligen Geest, waardoor ik mocht spreken tegen Ds. Notten wel een uur lang, en waar Ds. Notten niets tegen kon inbrengen, daar het de levende woorden Gods waren, die in Zijn waarachtig Woord staan geschreven, alhoewel ik het niet eens wist, dat die woorden, die de Heilige Geest mij liet spreken, woorden uit den Bijbel waren, doordat ik van mijne belijdenis af —, en waar ik maar „jaquot; op heb gezegd zonder goed te weten wat ik deed, — sinds dien t:jd geen Bijbel meer heb gelezen. En toen ik op Veldwijk was, en daar den Bijbel hoorde voorlezen, stak ik altijd de vingers in de ooren en kon dus niet weten dat hetgeen ik tegen Ds. Notten sprak, uit den Bijbel was.

En daarom zeide ik tegen Ds. Notten: „Dat heeft God tegen mij gezegd en dat zegt God.quot; En Ds. Notten hoorde het maar aan, en zeide niets. O, ik wist toen niet dat het de Heilige Geest Gods was, die in mij sprak uit Gods dierbaar en heilig Woord. Ik kende toen geen van beide, maar nu ken ik beide zooveel te meer, nu ik weet dat het alles wat ik heb mogen spreken tegen Ds. Notten door Gods Geest is geweest. Het waren de levende woorden Gods, uit Zijn waarachtig Woord, die door de genade Gods aan mij werden bevestigd en vervuld, zoodat ik levend werd gemaakt door Zijn Woord, vervuld met Zijnen goddelijken Geest, wedergeboren in Christus Jezus , niet door boeken van de Reformatie of Calvijn of Belijdenis; neen, maar door Gods Woord, terwijl de Heilige Geest het mij openbaarde. En toen God werkte, kon niemand het keeren; de duivel met zijn geheele heir niet, al kwam satan met nog zoo vele listen en lagen.

Jezus overwon, en ik mocht nog eerder naar huis gaan dan ik dacht, om te vertellen de groote dingen die de almachtige God aan mijne ziel had gedaan.

En o, toen ik van Veldwijk ging, moest iedereen het

ocr page 403

379

weten, zoodat het al duizenden weten, want anders zouden de steenen spreken als ik niet sprak van de liefde van mijn Verlosser, in Wiens licht ik nu wandel, door mijn geloof in Hem, om te doen wat Hij mij zegt, uit Zijn heilig Woord, en van mijn betrouwen dat Jezus Christus Zijne kracht in mijne zwakheid volbrengt, om Gods wil te doen tot eer van Zijnen grooten Naam.

O, en dan vertel ik hun hoe ik eerst 50, zegge vijftig-jaren , in de wereld heb geleefd, zooals de meesten nog leven, ja zelfs onder de prediking van Gods Woord, die den waren Christus niet kennen, want als Die in hen leefde, dan zouden zij niet meer in de wereld en in de zonde kunnen leven, dan zouden zij, of zij wilden of niet, door de kracht van Jezus Christus gedrongen worden te doen wat in Gods waarachtig Woord staat geschreven. Zij zouden zich niet onder de bedekking van Gods heilig Woord en Naam, door allerlei geesten laten leiden, die regelrecht tegen God opstaan, die booze geesten, die nacht en dag worden gepijnigd en de vrijheid hebben om de aarde te doorwandelen en in de menschen te varen om ze te verleiden en te laten zondigen, om zoodoende krijg te voeren tegen den heiligen en rechtvaardigen God, door de macht des satans, hunnen aanvoerder.

En o, dan zeg ik den menschen, hoe ik door genade ben verlost uit de macht van satan, en hoe ik nu een Christus heb leeren kennen, Die zich zelf aan mij heeft geopenbaard, en tegen mijne ziele heeft gezegd: ,, Ik, de Zone Gods, ben het, Die u heb vrijgemaakt door Mijn dierbaar bloed. Ik ben het. Die zoo voor u heb gestreden en geleden, tot Ik kon zeggen '■ Het is volbracht. Ik ben het Die uwe blinde ziels-oogen geopend heb, en al uwe zonden voor uwe onsterfelijke ziel open en bloot heb gelegd, zoodat ge niet wist u te wenden noch te keeren, vanwege de angsten der hel, die ge moest ondervinden, om geoordeeld te worden, doordat ge maar in de wereld voortleefdet, onder de macht van den vorst der duisternis. Ik ben hetquot;, zegt Jezus Christus tot mijne ziel, „Die u genade schonk en uwe zonden geenszins meer zal gedenken, daar ze uitgedelgd zijn met Mijn bloed. Ik ben het Die u heb gerechtvaardigd, gelijk Ik het in Mijn Woord heb beloofd, dat Ik velen rechtvaardig zou maken door Mijne rechtvaardigheid. Ik ben het Die door Mijne kracht u nu in Mijne gerechtigheid laat leven, tot eere Gods, daar ge verlost zijt van de duisternis des satans. Ik ben hetquot;, spreekt Christus Jezus tot mijne ziel, „Die u nu leid om te

ocr page 404

38°

doen wat de waarachtige God in Zijn heilig Woord heeft gezegd, daar uwe zielsoogen geopend zijn, en ge zeker weet, dat er wel degelijk een rechtvaardige God, en een goddelooze duivel bestaat, eene hel en een hemel, hetwelk gij bij ondervinding kunt getuigen, niet met enkel woorden, maar ook met daden, door de genade Gods.quot;

En dan vertel ik den menschen de groote genade Gods die ik mag ondervinden, daar de heilige Jehova tegen mijne ziel zegt: „Ik ben het, Die u genade heb geschonken om het zoenbloed van Mijnen geliefden Zoon, Jezus Christus, zoodat ge nu in Mijn licht moogt wandelen. Ik ben het, de God Israels, Die u heb verlost van het geweld des duivels, den duivel die immer gepijnigd wordt en nimmer rust heeft, en u daarom heeft verleid, om u van Mij af te trekken, en in zijne duisternis te doen leven. Maar om Christus wille, den Zoon Mijns welbehagens, heb Ik u gemaakt tot een levenden steen, om van Mij en Mijn geliefden Zoon te getuigen, daar Christus Jezus nu in u leeft. Ikquot;, spreekt de Heer der heirscharen tegen mijne ziel, „Ik ben het Die u de kracht geef in Christus, daar Ik u den Geest Mijns Zoons heb gegeven, om te arbeiden voor Mijn heilig en waarachtig Woord, dat Woord dat tegenwoordig zoo verdraaid wordt, en waar zooveel ongeloof door in de wereld komt, omdat het niet zuiver gepredikt wordt; het is geen leer van Jezus Christus, wel van naam, maar zonder de daad, geheel buiten Christus, Dien zij niet kennen, want dan zou hun fundament: geheel op Christus alleen zijn gebouwd, gelijk het uwe nu ook is, en dan zouden zij strijden tegen alle menschelijke instellingen, vormen en beginselen, enz. enz. enz., ja te veel om op te noemen, dat onder aanvoering van satan plaats heeft. O, dan zouden zij er tegen op komen, tegen al die vreemde goden en geboden der menschen, die nergens in Gods Woord te vinden zijn, en niet uit den waarachtigen God zijn, maar wat altemaal menschenwerk is, en niets anders.'

En o, als ik dat alles zoo aan de menschen mag vertellen, dan werkt de almachtige Jehova in hen, zoodat er velen ge-looven, en menigeen zich tot God mag wenden om behouden te worden. Ja, God wrocht dan mede, omdat ik de zuivere waarheid zeg en hun door genade de leer van Jezus Christus verkondig, die ik weet bij ondervinding, en waardoor alleen mijne wetenschap bestaat, doordat ik door genade zalig ben geworden in Christus Jezus, mijn Verlosser, tot eer van Gods driemaal heiligen Naam.

ocr page 405

38I

Ja, Eerwaarde Professor, Ds. Notten zal ook wel eens gedacht hebben, daar ik Z.Ew. ook brieven in denzelfden geest heb geschreven: hoe is het mogelijk dat dit hetzelfde mensch is, hetwelk op Veldwijk is geweest, en die met handen en voeten werd gebonden vanwege de bezetenheid des satans, in wiens geheele macht zij was. Is dat het mensch dat door hun vijven naar de cel moest gebracht worden vanwege de kracht van satan, die in haar was? Is dat het mensch, dat, als ik haar kwam bezoeken wegliep, en niet naar mij wilde luisteren? Is dat het mensch dat 's nachts een luier onder kreeg, gelijk de kleine kinderen? Is dat het mensch dat op Veldwijk rondliep en riep: te laat! te laat 1 te laat! ? enz. enz.

En ja, ja, toch weet Ds. Notten, dat het hetzelfde mensch is, die hem door de genade Gods zulke brieven mag schrijven.

Ja, Professor, bij den almachtigen God is alles mogelijk. Daar kan ik van getuigen en spreken van de groote werken Gods aan mij, de grootste zondares, geschied, daar ik nu door de genade mijns Gods ben wat ik ben, om Christus Jezus, mijn Verlossers wille.

En nu mag ik getuigen hoe waarachtig Gods Woord is, en hoe ik vroeger mijn geheele leven in duisternis heb verkeerd, door den aanvoerder der duivelen, die zijne booze geesten op mij afzond om mij te verleiden om in de wereld te leven, en waar ik geene kracht tegen bezat, en ik maar door zondigde en alles deed wat satan met zijne booze geesten mij ingaf, om naar mijn vleesch te leven, zonder dat ik ze kon afweren, omdat ik geen Christus bezat, met Zijne wapenrusting, die in Gods machtig en heilig Woord staat geschreven. Ja, satan gebruikte zelfs Gods Woord om mij te dekken, om zoodoende mij met zijne listen te vangen, en zeide tegen mijne ziel; „Het zal u wel vergeven worden , een mensch moet toch wat genieten op de wereld; waarvoor zijt ge anders op de wereld; het zal je wel vergeven worden; God is genadig en je moet niet zoo godsdienstig worden, want dat is niet goed voor je. Dan wordt ge krankzinnig.quot;

En dan sprak hij weer tegen mijne ziel; „ Ach, er is geen God; alles gaat vanzelf; ge behoeft niet bang te zijn, als ge wat geniet. Dood is dood. En waarvoor werkt ge dan? Als ge het deksel op den neus krijgt gaat een ander er mee heen , en die zullen het wel op maken; daar kunt ge op aan.quot;

En zoo wist de duivel met zijne verdoemde geesten mij van God af te trekken, en mij hoe langer hoe meer naar hunne pijpen te laten dansen, mijn verderf te gemoet, daar

ocr page 406

382

ik hoe langer hoe meer den duivel gehoor gaf, alhoewel ik dacht, dat het mijne eigen gedachten waren, en die ik geloofde , dat het zoo was als ik dacht en niet anders. En door die duivelsche gedachten week ik geheel van God af, zoodat ik niet eens meer naar de kerk ging, want dat was toch maar larie; daar was geen God en de Bijbel was niet waar, werd mij ingegeven.

En zoo leefde ik maar voort, de wijde wereld in, het eene pleizier voor en het andere na, onder de macht van den vorst der duisternis, dien ik nu door de genade Gods heb mogen leeren kennen.

Ja, de heilige God openbaarde het mij, dat het niet mijne gedachten waren, maar de ingevingen des duivels, waaronder ik gebukt ging. Het was satan, die mij dat alles inblies, om mij onder zijne vaan te krijgen en met hem krijg te voeren tegen den driemaal heiligen God. Het was satan, die voor eeuwig van God verstooten is, een gevloekte en gepijnigde uit de hel, die van het begin der schepping de menschen heeft verleid om hen te laten zondigen. Als een brieschende leeuw gaat hij rond in de menschen, om hen te verleiden. Hij weet maar niet waarmede hij zijne wraak zal koelen, om den heiligen God te tergen, daar satan tot in der eeuwigheid gepijnigd wordt. Ja, hij zegt op het oogenblik nog tegen mij; „Ik laat je nog niet los; ik zal alles doen wat in mijne macht is, om je tegen te werken; want ge zijt er nog niet. Ge hebt uwe brieven nog niet af; ik ben er ook nog.quot;

En o, het is maar al te waar, wat'een listen en lagen de duivel mij legt; dat is meer dan erg, uitwendig en inwendig, zoodat ik de pen neerlegde en sprak: „Ik schrijf niet meer, want dat is verschrikkelijk, zulke aanvechtingen en bestrijdingen, en zulke gruwelijke gezegden in mijne ziel, en dan nog de tegenspoeden om mij heen. O, groote God, wie kan dat volhouden!quot;

Maar jawel, als het dan op zijn ergst was, kreeg ik de meeste kracht, en Gods Geest kwam mij te hulp en versterkte mij weer, en sprak tegen mijne ziel en openbaarde mij: „Christus overwint, Christus overwint, Christus overwint!quot; En dat bemoedigde mij zoo, dat ik weer met het volle vuur, waarmede Christus mij heeft gedoopt, aan het schrijven ging, verzekerd zijnde, dat God het werk aan mij begonnen, ook zal voleinden tot op den dag van Jezus Christus, mijnen Heere.

En hoe meer ik nu door satan word bevochten en ge-

ocr page 407

383

scholden en tegengewerkt, zooveel te meer klem ik mij aan Christus vast, daar ik weet dat ik met Hem overwinnen zal tot in der eeuwigheid; ja tot verheerlijking Gods en tot heil veler en mijner ziele.

En zoo heb ik. Eerwaarde Professor, mijn God leeren kennen door genade; maar den satan niet minder, onder wien nog millioenen gebukt gaan, zelfs geleerde professoren, die door den duivel bestierd worden, en die den mond vol van Jezus hebben en den Heere, zonder een Christus in hun hart, om voor de eere Gods in waarheid te getuigen en te arbeiden met de daad, tot uitbreiding van Gods Koninkrijk, zooals God het in Zijn waarachtig Woord heeft gezegd.

Ja, Eerwaarde Professor, nu ik mijn God heb leeren kennen en mijn Verlossenden Jezus, in Wiens kracht ik nu sta, in plaats van in de macht des satans; nu ik die genade heb ontvangen, nu kan er bij mij ook niets meer bij door, al kwam de duivel met zijn geheele heir, en al de geleerde professoren en schriftgeleerden van de heele wereld er bij, met al hunne wijsheid van Formulieren van Eenheid en Belijdenis des Geloofs en beginselen der theologie, en hunne mooie gezonde hoofdwaarheden der Gereformeerde leer, die hun toch niets baten en de mooie hoofdstroomingen dei-beginselen van het Calvinisme. Nu, Calvijn ging zeker ook naar de kermis, gelijk als zij het in de eenheid der Gereformeerde Kerken ook doen.

Ja, en al kwam Kuyper bij mij, hij, die geheel door satan beheerscht wordt met zijn span, die daar nieuwe beginselen uit gaan denken, en zij legden mij die voor, om o, zoo gemakkelijk naar den hemel te komen met een reisje voor mijn pleizier naar Zwitserland of Engeland of waar ook heen, er bij, ik zou in zulk eene leer van hen niet gelooven, want dat menschenwerk kan mij niet zalig maken; de leer van Jezus Christus alleen en anders geen. Hij en Gods waarachtig Woord, dat is mijn geloof, en daar is mijn fundament op gebouwd, hetwelk de Voleinder des geloofs zeifin mij werkt met kracht. Het is Christus, Die mij verlicht met de wapenrustingen van Zijn heilig Woord, om tegen al dat menschenwerk te strijden, ja zelfs te lijden, daar het niets anders dan uitdenkingen van satan zijn, om God te tergen en de menschen van het Koninkrijk Gods af te houden.

O, die beginselen zijn zoo gemakkelijk en prettig; als de gedoopten maar zeggen dat zij gelooven en „jaquot; zeggen op hunne Belijdenis, dan is het goed. Het overige om naar Gods

ocr page 408

384

Woord te leven, dat komt er niet op aan. Maar de Catechismus dat menschenwerk, wordt meer geloofd en de Belijdenis, waar men zoo hoog mee wegloopt, en waarop maar „jaquot; wordt gezegd, en waarin men maar gelooft, omdat die zegt dat het ééne Algemeene Christelijke Kerk moet worden, terwijl de leeraars zich zei ven afscheiden van de Algemeene Christelijke Kerk. Maar hoe kan het dan ééne Algemeene Kerk worden, als de hoofden zelf voorgaan en zelf hun „jaquot; verbreken van hunne mooie Belijdenis, om hun eigen eer en voordeel te zoeken en maar eigen kerken gaan oprichten waardoor millioenen afvallen van de „ja quot;-zeggers, daar zij niet meer gelooven, om hetgeen zij rondom hen heen zien.

De Geest Gods doet het mij opmerken, hoe vele duizenden er in de wereld zijn en leven gelijk heidenen, en die toch „jaquot; hebben gezegd op hunne belijdenis die zij hebben gedaan ; ja, duizenden bij duizenden zoogenaamde Christenen, rijken en armen, die daarheen leven nog erger dan heidenen, zonder geloof in een levenden God, daar de heidenen nog in een voorwerp gelooven, waar zij hunne hope op vestigen.

Maar de meeste gedoopten en Belijdenis-geloovers hopen niet meer, daar de ja quot;-zeggers het zonder een Christus te hebben niet konden volhouden tegen den duivel, den over-heerscher der wereld, en door hunne onmacht vallen zij van hun „jaquot; af, tot zelfs de leeraars toe. En die weten weer op eene andere manier menigeen mee te sleepen aan hunne kerk van algemeenheid en te vertellen, dat, omdat de menschen „jaquot; hebben gezegd op hunne belijdenis, zij en hun raad bij de eeuwige uitverkiezing behooren, en genade zullen ontvangen, omdat zij gedoopt zijn.

En de menigte loopt maar mee en gelooft het en doen maar wat zij willen, zoodat de wereld schande spreekt van zulke geloovigen. En toch gelooven zij dat ze zalig worden, zonder dat zij kunnen getuigen, dat zij in Christus Jezus gedoopt zijn, en belijden kunnen dat Jezus in hen leeft, ja, zonder te weten, dat zij der zonde dood zijn en een dienstknecht der gerechtigheid zijn geworden, door de genade van hun Heiland, die hen van dood levend heeft gemaakt, daar zij nu wel in het vleesch zondigen, dat wil zeggen, dat hunne ziel zwart is van zonde, vanwege de ingevingen des duivels, die zoo verschrikkelijk kunnen zijn in de ziel, zoodat men er moedeloos bij neerzinkt en uitroept: „Neen, dat is onmogelijk , dat ik zalig kan worden; dat is een gruwel; dat zijn inblazingen van de verdoemde geesten uit de hel.quot; En

ocr page 409

385

dan het lijden er van, door die zondige geesten in de ziel teweeggebracht. O, dat is vreeselijk.

En o, als de Geest van Christus, die bevochtene ziel niet te hulp kwam, dan zou satan haar overheerschen; maar dan komt de Geest van Gods Zoon de bevochtene ziel te hulp en bewaart haar door Zijne kracht, zoodat de zonde haar niet overheersche, daar zij dan wel in de ziel in het vleesch zondigen, maar niet met de daad, door de bewarende hand Gods, Die haar voor satan bewaart, den overheerscher der wereld, die dan door Christus wordt uitgeworpen.

Maar in plaats dat zij dat gelooven en van Jezus Christus kunnen getuigen van de geboden Gods, die Christus, de Zone Gods, in hen werkt met kracht, door in Hem te gelooven, en te doen wat Hij hun zegt; en dat de heilige God hen in den beginne heeft verkoren tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes en geloof der waarheid, waartoe Hij u geroepen heeft door het Evangelie tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus; en dat zij vaststaan in de leer van Jezus Christus en Zijne inzettingen, die God in Zijn Woord heeft geschreven en dat gelooven met geheel hun hart; — neen, in plaats daarvan moeten de menschen gelooven, en maar „jaquot; zeggen op de Artikelen des Geloofs, dat menschenwerk. Dat moeten zij belijden en daarin gelooven , in dat menschenwerk, dat door een mensch is opgesteld, zelfs tot de gebeden toe; precies als de Roomschen, die ook allerhande gebeden en leeringen van menschen aannemen, waarop zij hun geloof vestigen en bouwen; terwijl Jezus Christus zegt: „Die in Mijn Woord zullen geloovenquot;, in hetwelk de Apostelen van Christus Jezus ook geloofden. En daarom werden zij vervuld met den Heiligen Geest, Die hen leerde den geopenbaarden wil van God, gelijk die in het Oude Testament door de profeten van God is geopenbaard en in het Nieuwe door Jezus Christus zelf, toen Hij op de aarde leefde en getuigde, waarvoor Hij op de aarde was gekomen om te zoeken wat in den eersten Adam verloren was, en om de zonde der wereld weg te nemen en hen te rechtvaardigen om niet, en hen te verlossen uit de macht des satans en te brengen in Gods goddelijk licht en om te leven in Zijne gerechtigheid, allen die in Hem zouden gelooven.

Daarom werden de Apostelen en discipelen van Christus den Heiligen Geest deelachtig, Dien Hij hun had beloofd, om te doen al wat Christus zou gebieden door Zijnen Geest. om Gods Woord te vervullen.

25

ocr page 410

384

Woord te leven, dat komt er niet op aan. Maar de Catechismus dat menschenwerk, wordt meer geloofd en de Belijdenis, waar men zoo hoog mee wegloopt, en waarop maar „jaquot; wordt gezegd, en waarin men maar gelooft, omdat die zegt dat het ééne Algemeene Christelijke Kerk moet worden, terwijl de leeraars zich zeiven afscheiden van de Algemeene Christelijke Kerk. Maar hoe kan het dan ééne Algemeene Kerk worden, als de hoofden zelf voorgaan en zelf hun „jaquot; verbreken van hunne mooie Belijdenis, om hun eigen eer en voordeel te zoeken en maar eigen kerken gaan oprichten waardoor millioenen afvallen van de „jaquot;-zeggers, daar zij niet meer gelooven, om hetgeen zij rondom hen heen zien.

De Geest Gods doet het mij opmerken, hoe vele duizenden er in de wereld zijn en leven gelijk heidenen, en die toch „jaquot; hebben gezegd op hunne belijdenis die zij hebben gedaan ; ja, duizenden bij duizenden zoogenaamde Christenen, rijken en armen, die daarheen leven nog erger dan heidenen, zonder geloof in een levenden God, daar de heidenen nog in een voorwerp gelooven, waar zij hunne hope op vestigen.

Maar de meeste gedoopten en Belijdenis-geloovers hopen niet meer, daar de „jaquot;-zeggers het zonder een Christus te hebben niet konden volhouden tegen den duivel, den over-heerscher der wereld, en door hunne onmacht vallen zij van hun „jaquot; af, tot zelfs de leeraars toe. En die weten weer op eene andere manier menigeen mee te sleepen aan hunne kerk van algemeenheid en te vertellen, dat, omdat de menschen „jaquot; hebben gezegd op hunne belijdenis, zij en hun raad bij de eeuwige uitverkiezing behooren, en genade zullen ontvangen , omdat zij gedoopt zijn.

En de menigte loopt maar mee en gelooft het en doen maar wat zij willen, zoodat de wereld schande spreekt van zulke geloovigen. En toch gelooven zij dat ze zalig worden, zonder dat zij kunnen getuigen, dat zij in Christus Jezus gedoopt zijn, en belijden kunnen dat Jezus in hen leeft, ja, zonder te v/eten, dat zij der zonde dood zijn en een dienstknecht der gerechtigheid zijn geworden, door de genade van hun Heiland, die hen van dood levend heeft gemaakt, daar zij nu wel in het vleesch zondigen, dat wil zeggen, dat hunne ziel zwart is van zonde, vanwege de ingevingen des duivels, die zoo verschrikkelijk kunnen zijn in de ziel, zoodat men er moedeloos bij neerzinkt en uitroept: „Neen, dat is onmogelijk, dat ik zalig kan worden; dat is een gruwel; dat zijn inblazingen van de verdoemde geesten uit de hel.quot; En

ocr page 411

385

dan het lijden er van, door die zondige geesten in de ziel teweeggebracht. O, dat is vreeselijk.

En o, als de Geest van Christus, die bevochtene ziel niet te hulp kwam, dan zou satan haar overheerschen; maar dan komt de Geest van Gods Zoon de bevochtene ziel te hulp en bewaart haar door Zijne kracht, zoodat de zonde haar niet overheersche, daar zij dan wel in de ziel in het vleesch zondigen, maar niet met de daad, door de bewarende hand Gods, Die haar voor satan bewaart, den overheerscher der wereld, die dan door Christus wordt uitgeworpen.

Maar in plaats dat zij dat gelooven en van Jezus Christus kunnen getuigen van de geboden Gods, die Christus, de Zone Gods, in hen werkt met kracht, door in Hem te gelooven , en te doen wat Hij hun zegt; en dat de heilige God hen in den beginne heeft verkoren tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes en geloof der waarheid, waartoe Hij u geroepen heeft door het Evangelie tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus; en dat zij vaststaan in de leer van Jezus Christus en Zijne inzettingen, die God in Zijn Woord heeft geschreven en dat gelooven met geheel hun hart; — neen, in plaats daarvan moeten de menschen gelooven, en maar „jaquot; zeggen op de Artikelen des Geloofs, dat menschenwerk. Dat moeten zij belijden en daarin gelooven , in dat menschenwerk, dat door een mensch is opgesteld, zelfs tot de gebeden toe; precies als de Roomschen, die ook allerhande gebeden en leeringen van menschen aannemen, waarop zij hun geloof vestigen en bouwen; terwijl Jezus Christus zegt: „Die in Mijn Woord zullen geloovenquot;, in hetwelk de Apostelen van Christus Jezus ook geloofden. En daarom werden zij vervuld met den Heiligen Geest, Die hen leerde den geopenbaarden wil van God, gelijk die in het Oude Testament door de profeten van God is geopenbaard en in het Nieuwe door Jezus Christus zelf, toen Hij op de aarde leefde en getuigde, waarvoor Hij op de aarde was gekomen om te zoeken wat in den eersten Adam verloren was, en om de zonde der wereld weg te nemen en hen te rechtvaardigen om niet, en hen te verlossen uit de macht des satans en te brengen in Gods goddelijk licht en om te leven in Zijne gerechtigheid, allen die in Hem zouden gelooven.

Daarom werden de Apostelen en discipelen van Christus den Heiligen Geest deelachtig, Dien Hij hun had beloofd, om te doen al wat Christus zou gebieden door Zijnen Geest, om Gods Woord te vervullen.

ocr page 412

386

En daardoor is Gods Woord ontstaan, en waar geen enkel woord af noch bij mag, hetwelk ik op Veldwijk zelf heb ondervonden, daar de rechtvaardige en waarachtige God die woorden alle vervult en bevestigt, tot eer van Zijnen grooten en driemaal heiligen Naam.

En nu moeten wij alleen in Christus Jezus en Gods Woord gelooven en daarin onze belijdenis doen en onze hope op vestigen en bouwen, daar de Geest des Vaders en des Zoons in dat heilig Woord leeft en werkt met kracht, om de menschen in waarheid te bevestigen, hetgeen zij hebben beleden, niet maar met „ja quot;-zeggen op menschenwerk, daar men geene geboden van menschen mag aannemen, veel minder in gelooven, en nog minder onze belijdenis er op doen; maar alleen gelooven, dat Jezus Christus ons zal levend maken door Gods Woord, Die Zijne kracht in onze zwakheid volbrengt, door den Heiligen Geest, Die ons in alle waarheid leidt. En die waarheid is alleen Gods heilig Woord.

En als wij dan in waarheid gelooven in den gekruisten Heiland, in Wiens kracht wij strijden den goeden strijd des geloofs, en door Zijne kracht de geboden Gods doen, die in Zijn dierbaar Woord staan geschreven, en waar een ware geloovige in moet leven, door Christus Jezus, zijn Leidsman, dan zal hij een waar kind van God zijn, en niet meer leven naar de eeuw dezer wereld, waar hij eertijds in heeft gewandeld, daar hij dood was in zonden en misdaden, maar nu levend gemaakt door Jezus Christus, Die hun de verlossing heeft gegeven door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden . naar den rijkdom Zijner genade.

En die zoo eene genade heeft ontvangen, die kan belijden dat Christus in zijn vleesch is gekomen, en hem bekend maakt de verborgenheid van Zijnen wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk de almachtige God voorgenomen had in Zich zeiven, om in de bedeeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus Jezus, beide dat in den hemel en dat op aarde is, dat wil zeggen, dat de scepter van Christus de ware belijders van Jezus Christus zal regeeren, die Hem zullen gehoorzaam zijn, en doen wat de Geest Gods tegen hen zegt, om Gods wet te betrachten, zoodat hun wandel reeds hier op aarde in den hemel is, in Christus Jezus, Die hun de kracht er toe verleent, om Gods wil te doen, gelijk de engelen in den hemel ook Gods wil betrachten.

En zóó wordt het één in Christus, den Zoon, en den Vader, gelijk de Vader en de Zoon één zijn.

ocr page 413

387

En dan weten zij dat zij een erfdeel in Hem geworden zijn, doordat zij te voren geordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijnen wil, opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij die eerst op Christus gehoopt hebben, door het geloof in het Evangelie der zaligheid. Nadat wij het gehoord hebben zijn wij verzegeld met den Heiligen Geest der belofte, Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing.

Ja, dan wordt men verlost van al wat menschenwerk is, en men gelooft, hoopt en vertrouwt alleen op Jezus Christus, Wiens beloftenissen alleen ja en amen zijn, daar Hij alleen leeft met Gods waarachtig Woord tot in der eeuwigheid, en dan betuigt de Heilige Geest zelf het den verloste, dat wie niet blijft in de leer van Jezus Christus, die is vervloekt.

En o, wij zien het tegenwoordig maar al te veel, dat de leer van Christus niet meer naar waarheid wordt gepredikt, nog minder er naar geleefd, door Christus, zoodat wij kunnen zeggen; „Ik leef mij zelf niet meer, maar Jezus Christus leeft in mij, en wat ik leef, dat leef ik door Hem, Die mij heeft liefgehad.

En toch zijn er dezulken, daar Gods Woord niet liegen kan en de waarachtige waarheid is; maar dezulken behooren niet aan eene Algemeene Christelijke Kerk; want algemeen beteekent een allegaartje, van alles door elkander. En dat zien wij maar al te veel in de Belijdenis-kerk, met den naam van Christelijk, maar zonder Christus. En daarom doet de een maar dit en de ander dat, en de derde wat anders, door de macht van satan, en onder de bedekking van Gods Woord, precies als Ezechiel het heeft voorspeld, hoe vele leeraars er zouden zijn die met looze kalk bouwen en zeggen: „De Heere heett het gesprokenquot;, terwijl de Heere het niet heeft gezegd.

En wij zien terdege dat het niet van den Heere is, en daarom vallen er bij duizenden af, die niet meer gelooven aan eene Algemeene Christelijke Kerk, en de drieëenheid, waarop zij maar „jaquot; moesten zeggen, daar zij zien wat eene mooie eenheid van algemeenheid er bestaat. Ja, ik heb ze zelf gehoord, die hun geloof vervloekten en wenschten dat zij nooit een Christen waren geworden, want dat zij zich schaamden vanwege de goddeloosheid en verdeeldheid, die in de Algemeene Christelijke Belijdenis-kerken heerscht.

En zoo zien wij dat die Algemeene Kerken welke het ook

ocr page 414

388

zijn, op menschen zijn gebouwd, maar niet op Christus, en dat er ook geen Algemeene Christelijke Kerk bestaat, maar wel eene Gemeente van Christus, die de leer van Jezus Christus hooghoudt, daar die Gemeente in Christus gelooft, en door Christus zelf wordt geleerd, uit Gods heilig en dierbaar Woord, maar niet uit Formulieren van algemeene Eenheid.

En o, dan luisteren zij naar den Geest die van den Vader en den Zoon uitgaat, en doen naar de kracht des Geestes, de werken van Jezus Christus, tot verheerlijking Gods.

En dat geschiedt tegen al de bestrijdingen en listige omleidingen des satans en der menschen, omdat die Gemeente in de kracht van den Drieëenigen God staat, en dé poorten der hel haar niet kunnen overweldigen, alhoewel de strijd tegen die machten der hel en de boosheden die in de lucht zijn met satan vooraan hevig zijn, daar satan zijne vurige pijlen, die vreeselijk zijn en verschrikkelijk zeer doen in de ziel, het meest op de Gemeente van Christus afschiet.

Maar hoe men er ook voor beeft, zij kunnen de Gemeente van Christus niet meer beangstigen, daar zij weten dat zij door Jezus Christus worden bewaard, daar zij in Hem ge-looven in waarheid en betrouwen dat Hij hun kracht schenkt om satan met zijne helsche trawanten moedig het hoofd te bieden, en met Jezus Christus te overwinnen en te volharden tot den einde toe.

En die Gemeente van Christus, die geen smet noch rimpel heeft, klemt zich geheel aan Christus vast, opdat die verdoemde machten met satan en de valsche leeraars, die door de gevloekte geesten beheerscht worden, haar niet kunnen bemachtigen met al hunne strikken en lagen en mooie woorden die ze zelfs nog wel uit Gods Woord halen, zooals de duivel het ook bij den Heere Jezus deed. Neen, zij kunnen die Gemeente van Christus niets meer wijsmaken, daar Jezus-Christus haar beschermt tegen alles wat niet uit God is, en tegen Zijne leer strijdig is.

De Gemeente van Jezus Christus moet wel lijden en strijden, zooals de Heere Jezus het ook heeft gedaan om den duivel en de zonde te niet te doen en de gerechtigheid te doen zegevieren; maar daardoor wordt de heilige Jehova het meest verheerlijkt, doordat de rechtvaardige God ziet, dat de Gemeente van Christus Gode gehoorzaam is en Zijn geliefde Zoon haar de overwinning schenkt, om Gods geboden te-bewaren.

ocr page 415

389

Ja, en zij gelooven dat de werken hen navolgen, als zij doen wat Christus hun zegt. Zij bidden en smeeken zooveel te meer in Zijnen Naam, om Gode welbehagelijk te leven, zooals Christus het ook heeft gedaan, en dat Hij Zijne kracht in hunne zwakheid volbrengt van liefde en gerechtigheid, daar Hij, Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods, de gerechtigheid zelf is; en die Gemeente wordt versterkt met Zijnen Geest, daar zij van haar zelve arm, en rijk in Hem is.

Zij gevoelen dat zij zalig zijn en weten dat zij het Koninkrijk der hemelen beërven; en al moeten zij dikwijls treuren van de zonde, die in hen woont, de hemelsche Vader en de Zoon , bemoedigen hen, omdat zij rein van harte zijn.

En daarom geeft God hun kracht om er tegen te strijden, ja te lijden, en daardoor weet de Gemeente en ziet God, die Zijne gerechtigheid aan haar bevestigt, waarnaar zij zoo hongeren en dorsten, ja smachten.

De Gemeente van Jezus Christus is het licht dat schijnt in duistere plaatsen en kan niet verborgen blijven, daar Christus in hen leeft. Door den drang van Hem moeten zij goede werken voortbrengen en geen eigen eer en voordeel zoeken, laat staan vuil gewin, om den heiligen God te vertoornen. Neen, maar werken van liéfde tot God en hunnen naaste; goede werken van gerechtigheid, waarop volgt vrede in de ziel met God; goede werken van barmhartigheid, niet met eene el uitgemeten, maar doende wat onze hand vindt om te doen, zoodat wij onzen naaste bijstaan met raad en daad, God verheerlijkende.

De Gemeente van Christus weet en verstaat dat Christus Jezus zelf haar zaaier is, en dat Zijn zaad in goede aarde valt en vrucht voortbrengt, dertig-, zestig- of honderdvoud.

Zij hebben door genade gekregen ooren om te hooren, om te hooren wat geen oor ooit gehoord heeft, om te weten de verborgenheden der hemelen; en de booze kan het niet meer wegrukken, om reden het niet bij den weg gezaaid is, ook niet op steenachtige plaatsen. Het kan ook niet meer onvruchtbaar gemaakt worden door de zorgvuldigheid des levens, of de verleiding des rijkdoms, of als er verdrukking komt of vervolging, daar het geworteld is in Christus Jezus, den Wortel Davids, den Stam uit Juda.

De Gemeente van Jezus Christus weet dat Christus haar Leidsman is, daar Hij haar immer doorploegt op den akker der wereld, waarop zij leven, om te bloeien en te groeien ■als de tarwe tusschen het onkruid, als kinderen des hemelschen

ocr page 416

39°

Koninkrijks, en de vijand, de duivel vat haar niet, daar de Gemeente geplant is in Christus Jezus, waar de duiver wel tegen kan heerschen, maar overheerschen kan de duivel den Heere Jezus niet.

En zij worden beschermd door Christus tot de voleinding der wereld, om als gerechtvaardigden te leven in gerechtigheid, en eens te blinken in het Koninkrijk des Vaders.

De Gemeente van Jezus Christus: zij kennen Hem, zij hooren Zijne stem, de stem van den Goeden Herder, en volgen Hem; als zij 's morgens wakker worden spreekt de Geest des Herders tot hen, en zegt: „Volg Mij; daar, toen Ik op de aarde was, de Zone Gods het land doorging goeddoende, zoo moet gij nu heengaan en goeddoen, en naar die armen gaan en naar die weduwe, en spreek met hen over het Koninkrijk Gods en geef den een dit en den andere dat, en Mijn hemelsche Vader zal op woord en daad Zijnen zegen geven.quot;

En o, als de schapen van den Goeden Herder dat hooren, dan volgen zij gewillig en doen het. En als de gierige duivel er dan tusschenkomt met zijne listen en zegt: „Mensch, ge hebt gisteren ook al zooveel gedaan; ik zou nu maar eens ophouden en wat wachtenquot;, o, dan doet het schaap toch wat de Goede Herder zegt, daar het weet dat het goede uit God is en het kwade uit den duivel.

Ja, de schapen weten, dat als men Jezus Christus, den Goeden Herder, volgt, zij niet dolen noch omkomen, maar voor nu, en voor eeuwig behouden worden; terwijl zij weten dat, als zij den duivel gehoor geven, zij dolen, en om moeten komen.

En daarom hooren de schapen naar de stem van hunnen Goeden Herder, Die Zijne schapen liefheeft en die Hem met wederliefde beloonen, om te doen wat Hij zegt.

De Gemeente van Christus zijn ranken van den waren wijnstok; zij dragen veel vrucht en Christus reinigt ze, opdat zij meer vrucht dragen, niet met mooie woorden, maar met daden. Wat geeft het als men eene rank is van een wijnstok en er zit niets dan bladeren aan en geene vruchten. Daar heeft men niets aan, daar de bladeren afvallen, en vergaan, maar de vruchten daar kan men van genieten en bij leven; en daarom mogen de ware ranken van Jezus Christus ook genieten en getuigen dat zij buiten Hem niets kunnen doen, maar wanneer zij in Hem blijven, zij veel vruchten dragen, om Zijnen hemelschen Vader er mede te

ocr page 417

39i

verheerlijken, en waarvoor zij blijdschap ontvangen in hunne ziel en Christus het hun openbaart, dat zij door genade discipelen van Hem zijn en Hij hen heeft uitverkoren en gesteld om heen te gaan en vrucht te dragen, zooals vruchten van liefde, vruchten van gerechtigheid, vruchten van te strijden tegen alles wat zondig is, vruchten om Zijne geboden te bewaren, vruchten om hetgeen Christus tegen de Gemeente zegt ook te doen, vruchten om in Zijne leer te blijven en niet te doen naar de valsche leeringen der menschen, die duivelsch zijn en buiten geworpen moeten worden, ja, vruchten van liefde tegen onze naasten; dan verloochenen zij zich zeiven en geven het aan hunne naasten; ja zij sparen het uit hunnen mond of behelpen zich liever, om hunne naasten bij te staan. Geene vruchten van mooie woorden en vrede zonder God of Zijn gebod, maar wel degelijk met het zwaard van Gods mond, Gods Woord, om de menschen hun heil en hun wee aan te zeggen. Geene vruchten met lauwe woorden van liefde en genade, omdat zij gedoopt zijn en hun daarbij den hemel voor de hel voorpreeken. Neen, maar spreken over verdoemenis en hel, waarin ik ook heb gelegen; en als de gedoopten niet uit hunne verdoemenis verlost worden waarin zij liggen, door Jezus Christus, gelijk Hij mij ook heeft verlost, zoodat zij eene ware rank van Christus worden, om vruchten voort te brengen door Zijne kracht, om niet meer te leven naar het vleesch, maar naar den Geest, — dan blijven zij in hunne verdoemenis liggen; want iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen, daar Jezus Christus zegt: „ Niet een iegelijk die tot Mij zegt: „Heere, Heerequot;, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.quot;

O, en de Gemeente van Christus Jezus doet immer den wil van God, doordat de Zoon van God zelf het in Zijne Gemeente werkt, Gode welbehagelijk, daar zij navolgers van Christus zijn, en in Hem bevonden worden, niet uit hun eigen rechtvaardigheid die uit de wet is, neen, maar die door het geloof van Christus is, de rechtvaardigheid die uit God is, door het geloof dat zij hebben, dat het bloed van Jezus Christus hen reinigt van doode werken, om den levenden God te dienen met geheel hun hart en het goede te doen wat uit God is.

En o, de Gemeente van Jezus Christus gaat maar niet doen wat de duivel hun ingeeft , en wat zij willen om den

ocr page 418

392

heiligen God te verloochenen en te tergen, zooals Dr. Kuyper en zoo vele leeraars om den broode dat doen, en den menschen leeren; want als ik het goede wil, dat doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. Ja, ik kan dat best ge-looven, maar dezulken behooren niet tot de Gemeente van Christus, wel aan de Algemeene Christelijke Kerk. Zij zijn niet verlost en gereinigd in het bloed van Jezus Christus. Zij staan nog onder de macht van satan, die hen overheerscht. Dezulken staan buiten de kracht van Christus, en doen hun eigen wil, en wat satan hun inblaast. Zij kennen niet den strijd met Christus tegen den duivel en hun vleeschelijken wil om die te overwinnen. Zij staan in eigen kracht, en daardoor overheerscht satan hen, om het kwade te doen, maar de Gemeente van Jezus Christus heeft den wil gekruist, met de begeerlijkheden van het vleesch, en doet hetzelve niet meer , alhoewel de zonde in hen woont en het kwade hun bijligt.

Maar door de kracht van Christus wordt het kwade overwonnen , zoodat zij niet doen het kwade, maar zij overwinnen het kwade door het goede te doen, doordat Jezus Christus in hen leeft.

Ja, de Gemeente van Christus heeft het lichaam gesteld tot eene levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is hare redelijke godsdienst, dat is, hare oprechte en ware godsdienst. Zij zijn der wereld niet meer gelijkvormig en strijden tegen alles wat wereldsch is, doordat de Gemeente van Christus veranderd is in vernieuwing des gemoeds, beproevende welke de goede en volmaakte wil van God is, om Gode gehoorzaam te zijn, en wijs te zijn in het goede en onnoozel te zijn in het kwade.

Ja, zij weten dat de God des vredes satan onder hunne voeten zal verpletteren. Ja, dat zal de Almachtige voorgoed doen, als de Gemeente van Jezus Christus, die over de gansche aarde verspreid ligt, door Zijne engelen bijeen wordt vergaderd met de bazuin van groot geluid.

Ja, dan zal satan voor eeuwig moeten wijken, daar hij ons in de eeuwige zaligheid niet meer kan vervolgen met zijne booze geesten om hun te bestrijden, daar de Gemeente met haren Zaligmaker den satan heeft overwonnen, en de Gemeente de eeuwige ruste mag ingaan, die er overblijft voor het volk van God.

Maar zoolang de Gemeente van Jezus Christus nog op aarde is, zal zij veel met Christus, Dien zij deelachtig zijn,

ocr page 419

393

moeten lijden en strijden, niet alleen tegen de wereld om haar heen, dat ware niets, daar is zij boven verheven; maar tegen den duivel, de slang, de satanas met zijne helsche machten, die hunne ziel zoo vreeselijk bevecht en bestrijdt, daar zij alles in het werk stellen om de Gemeente van Christus met hunne schorpioenen te steken en de Gemeente tegen den heiligen God op te stoken, omdat zij niet kunnen dulden dat de Gemeente in Jezus Christus is ingelijfd, en omdat de duivel met zijn heir er geen voordeel meer bij kan behalen, met hunne zondige daden, daar zij den leeuw uit Juda's stam niet kunnen overwinnen.

Ja, de strijd tegen den duivel met zijne trawanten en boosheden, die in de lucht zijn en die allen gedienstige geesten des satans zijn, is zoo hevig; o, zij kunnen mij zoo bevechten, dat ik er tusschenbeide bij neerzink, en als mijn Verlosser, Christus Jezus, niet tusschenbeide trad, dan zouden die verdoemde geesten mij al lang een ongeluk hebben laten begaan, daalde duivel met zijne machten tusschenbeide zooveel kracht op mij uitoefent, om eens te toonen wat eene macht hij heeft, zoodat ik geene macht meer over mij zelve heb, en denk; Ik ben verloren.

En als ik daar dan zoo machteloos nederlig, beheerscht door den verpestenden adem der booze geesten door satan aangevuurd, o, dan treedt mijn beschermer Christus Jezus op en verslaat al die booze geesten met satan er bij ; en dan krijg ik weer krachten van mijn God, en word weer versterkt door den Heiligen Geest, en buig mijne knieën en dank God in Christus Jezus voor de verlossende genade mij weer opnieuw geschonken.

En dan bid ik in den Naam van Jezus Christus: „O, goede God, verlaat mij of begeef mij niet, opdat ik in de macht van satan niet omkome. Ik wil U dienen, o heilige Jehova, in geest en in waarheid, en niets dan waarheid, in het geloof, zooals het in Uw dierbaar en heilig Woord geschreven staat.quot;

En o, dan komt Christus en zegt tegen mijne ziel terwijl ik daar Hg te bidden: „ Heb goeden moed; Ik heb dien overheerscher der wereld uitgeworpen. Ik heb die booze geesten overwonnen; en hoe zij u ook mogen bevechten en bestrijden, Ik, de Zone Gods, zal ze immer van u afweren door Mijne kracht, zoolang als ge leeft; en bij uw dood hen allen voorgoed verslaan en overwinnen; want Ik zal met u zijn tot de voleinding der wereld, ja, tot in der eeuwigheid.quot;

ocr page 420

394

Ja, Professor, dit is de waarachtige waarheid, wat ik hier neerschrijf, zoo waarachtig als de almachtige God mij heeft genezen naar ziel en lichaam beide, en mij van Veldwijk heeft verlost, gereinigd in het bloed van Gods Zoon, Jezus Christus, door Wiens licht ik nu word bestraald, en door Wiens Geest ik nu word geleid, om in het licht van Gods heilig Woord te wandelen, tot eer en heerlijkheid van Zijnen driemaal heiligen en grooten Naam.

O, en daarom weet ik, dat de duivel met zijne booze machten mij zoo bestrijdt, en dat zij mij benijden, daar ik eerst dienstbaar was onder des duivels vaan en maar deed wat hij mij inblies in mijne blindheid, maar nu ik door genade verlichte oogen des verstands heb ontvangen door het zoenbloed van mijnen Verlosser Jezus Christus, zoodat ik nu weet dat mijn Verlosser leeft, niet met den naam, maar met de daad; ja, nu ik Christus deelachtig ben geworden en onder de banier van Emanuel, den Zone des levenden Gods mag strijden tegen den duivel, de wereld, mijn booze hart en vleeschelijke begeerlijkheid; ja, nu ik in de kracht van Jezus Christus mag strijden tegen dat alles, en wat niet uit God is, en satan aan mij niets meer heeft, — nu is de duivel met zijn heir woedend, en weet maar niet met welke pijlen hij mij zal doorboren, hetzij inwendig in de ziel of met rampen om mij heen die ik ook terdege heb ondervonden nadat ik van Veldwijk af ben.

Maar geen nood, nu ik eene dienstbare ben geworden van het Koninkrijk van Jezus Christus, laat satan zich maar op mij vergrimmen. Christus Jezus, de Koning der koningen heerscht over mij tot in der eeuwigheid; daar kan ik zeker van zijn, daar die eeuwige Koning zelf het mij openbaart.

En o, ik ken mijn Koning zoo goed, daar Hij mij ieder keer te hulp snelt als ik in gevaar ben. En daarom spreek ik zoo gaarne over mijn Koning, alhoewel ik door een ieder word gehaat, als ik voor Christus strijd, en dat komt dat dezulken nog onder de vaan van satan zijn; zij willen wel van den Naam van Jezus Christus hooren, maar niet van de daad, als ik van de gerechtigheid van Christus spreek, die mij heeft gerechtvaardigd om niet, zoodat ik nu door Zijne kracht in gerechtigheid mag leven, onder Zijne banier.

Als ze dat hooren, dan loopen zij weg, dan sidderen ze; zij willen wel iets van Christus hooren, maar niet alles, net zooveel moois als de duivel hun zegt, dat is genoeg, anders worden ze te zenuwachtig.

ocr page 421

395

Maar o, die ongelukkigen, zij weten niet dat juist die zenuwachtigheid, de angsten des duivels zijn, die hen doen sidderen, om reden de duivel nog in hen woont, en zij met Christus maar doen wat zij willen, en daarmede hun geweten dekken, daar ze toch gelooven.

Maar zij gelooven niet, dat zij Jezus moeten liefhebben en Zijne geboden bewaren, opdat zij vrijmoedigheid hebben ;n den dag des oordeels, dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.

Maar o, als ik daarvan spreek, dan lachen zij mij uit, en zeggen: „dat bestaat niet meerquot;, en zoo maken zij Gods waarachtig Woord tot een leugenboek.

O, wat een ongeloof; en die behooren aan eene Algemeene Christelijke Kerk en lezen den Bijbel en denken daarbij dat er geen beter geloof is dan zij hebben, terwijl zij meer gelooven al wat de duivel met zijne trawanten hun inblaast, dan wat God in Zijn heilig en waarachtig Woord zegt, en hetwelk zij in Christus Jezus, hun Heiland, kunnen volbrengen, als zij waarlijk geloofden.

Nu, zij zullen het eens ondervinden, net zoo goed als ik het heb ondervonden op Veldwijk, als hun oordeelsdag aan zal breken, en zij niet kunnen schuilen onder de vleugelen der gerechtigheid van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de dooden, de Overste der koningen der aarde; en als die Koning niet over hen geheerscht heeft met Zijne liefde en gerechtigheid, zoodat zij niet zijn verlost in het bloed van Jezus Christus, en Hij niet over hen licht.

O, als dat zoo is, dan zal het vreeselijk zijn in den dag huns oordeels hiernamaals, daar ze niet hebben gewild dat Christus Koning over hen zou zijn.

En o, als dan de adem, die de almachtige God den mensch heeft ingegeven, als den geest waardoor wij leven, bewegen en zijn, weggenomen wordt, en men ligt dan machteloos daar neder, en de duivel met zijne machten en booze geesten komen op de ziel en het lichaam af, om hen te pijnigen en mee te voeren naar de hel, dan zijn zij voor eeuwig verloren. Dan is het te Iaat, daar zonder wedergeboorte om in de gerechtigheid van Jezus Christus te leven, niemand het Koninkrijk van God zal zien. En daar de rechtvaardige nauwlijks zalig wordt, waar moet dan de goddelooze, die God alleen bij naam kent, blijven ?

Ja, Professor, ik heb hier niet te veel gezegd, maar wel te weinig, om reden ik het gevoel van de pijniging er niet

ocr page 422

396

bij kan geven, die ik op Veldwijk heb ondervonden, toen ik levend werd geoordeeld, door die helsche geesten, waaraan ik was overgegeven.

En nu ik genade heb ontvangen en in de gerechtigheid van Christus leef, doordat ik door genade ben wedergeboren, — nu is het mijn grootste lust, en kan ik er niet van zwijgen, maar moet ik het een ieder aanzeggen, opdat zij niet voor eeuwig in de hel terechtkomen, daar ik, zooals de duivel het tegen mij zeide, nog maar in de voorhei was.

Maar wee, wee, wee dengenen die naar de wezenlijke hel gaan voor eeuwig. Dan weet ik het niet hoe zij het daar moeten uithouden, daar ik hier reeds mijne tong heb gekauwd van de pijn. Hoe moet het dan wel in de hel zijn? O. vreeselijk!

O, ik kan van mijn liefdevollen God en mijnen zalig-makenden Verlosser, Jezus Christus, Die mij de reddende hand van genade hebben toegestoken, en die ik heb gegrepen, en vastgehouden, en niet weer zal loslaten, daar ik door de kracht Gods en door de macht van Zijn geliefden Zoon gegrepen ben, — o, ik kan dien genadigen God en mijnen reddenden Jezus niet genoeg danken en loven en prijzen voor zulk eene wondervolle en groote genade aan mij zondaar bewezen.

En nu word ik ook niet zenuwachtig of bang dat ik krankzinnig zal worden, als ik van dien heiligen en rechtvaardigen Jehova of van Zijn geliefden Zoon, de blinkende Morgenster, van gerechtigheid en heiligheid spreek. Ook niet zenuwachtig of bang als ik over den duivel met zijne machten van booze geesten spreek of van verdoemenis en hel. Neen, dat is nu het liefste wat ik doe, daar ik dat alles ken.

En ik zit nog liever in eene arme hut en spreek daarover, dan dat ik aan eene koningstafel moest zitten zonder dat ik er over mocht spreken.

Neen, ik kan er niet van zwijgen; als men in de kracht van Jezus Christus staat, dan moet men spreken, en men is nergens meer bang voor. Men vreest dan die helsche geesten niet meer. Ik vrees alleen den levenden God, en wie Dien vreest, met een oprecht hart, die behoeft voor geen ander te vreezen, daar de almachtige God mij in alles versterkt.

Ik gevoel immer eene bovennatuurlijke kracht in mij opkomen, zoodat mijne ziel brandende wordt van zaligheid, door het vuur des Heiligen Geestes, dat door mijne aderen vloeit, terwijl ik God bid om kalmte, opdat de menschen

ocr page 423

397

niet zeggen; „zij is nog gekquot;; want dat is het eerste wat zij zeggen, omdat zij het niet verstaan en kunnen verdragen. Dat hebben zij ook bij den Heere Jezus gezegd en tegen de Apostelen ook.

Maar o, de menschen moesten eens weten, wat een onderscheid het is gek, bezeten van den duivel te zijn, met zijne benauwdheden, angsten en pijniging, of vervuld te worden met de kracht Gods en dronken van liefde te zijn door den Heiligen Geest, om in Christus Jezus te getuigen de groote werken Gods.

Ja, dat onderscheid is: het laatste de hemel en het eerste de hel, hetwelk een ieder zal moeten ondervinden die geen Christus tot zijn deel heeft, en nog in de duisternis voortleeft. Het lot is te beklagen van degenen die nog naar hun vleesch wandelen.

O, mijne zuchten en smeekingen rijzen zoo dikwijls voor den troon der genade om verlossing en genade voor die ongelukkigen die den waren Christus niet kennen, daar ik weet dat het eens vreeselijk zal zijn, als hun oordeelsdag aanbreekt en zij komen te vallen in de handen des levenden Gods.

Ja, ik lijd er zelfs onder voor dezulken, en weet maar niet met welk vrijwillig offer ik Gode aangenaam kan zijn, opdat de goede God, uit genade in Christus Jezus, op hen wil nederzien om Christus wille, daar ik het in het geloof doe, wetende dat God een vrijwillig offer aangenaam is.

Ja, ik lijd als ik bedenk, hoe bitter ik heb geleden vanwege de oordeelen die ik heb ondervonden, terwijl er nog millioenen zijn, die nog in hunne verdoemenis liggen en niet verlost willen worden, omdat zij hun vleesch te lief hebben, en den duivel gehoor geven om hem te dienen met zijne afgoden, zooals ik het vroeger ook deed. En daarom vallen zij ook geheel af en doen wat zij willen.

Ja, ik lijd, als ik om mij heen zie en hoor de ellende van rampen, ongelukken en zonde van misdaden en gruwelen, enz. en wat alles teweeg wordt gebracht door de macht des satans; bij den een vaart de satan in en brengt er de grootste ellende van ziekte en dood en rouw; bij den ander vaart hij in met de grootste tegenspoeden; bij een derde vaart de duivel in om ze den nek te laten breken of arm of been, of ze door midden te laten rijden met wagen of trein of ze te laten verbranden, ja nog veel meer ellende en ongelukken, te veel om op te noemen. Het is alles het werk des satans, onder toelating van God.

ocr page 424

398

En bij een ander woont de duivel geheel in, om ze te verleiden, zoodat hij steelt, en moordt en hoereert en brandsticht en overspel doet en liegt en vloekt en bedrinkt zich en speelt en God lastert, en gierig is en hebzuchtig en de afgoden der wereld dient, zooals mooie kleeding om daar zijne zinnen op te zetten, en te eten en te drinken om een afgod van den buik te maken en alles o, zoo gemakkelijk en geriefelijk en prettig om zich heen te hebben, om de gedachten af te leiden; alles duivelsch.

Dan, vermakelijkheden van comedie, bals, concerten, alles zonder de eere Gods, en waarmede de duivel de menschen laat zondigen om Gods toorn op te wekken. Dan vervolgens verleidt satan de menschen om den Zondag te ontheiligen. Hoevele naam-Christenen zijn er die naar zooveel, ja te veel om op te noemen, verdeelde kerken loopen of naar ver-eeniging of bijeenkomsten of eigen gemaakten godsdienst enz. gaan, terwijl zij eene Algemeene Christelijke Kerk belijden.

En hoevele duizenden bij duizenden, waar ik vroeger ook onder behoorde, blijven er thuis en willen van geene kerk meer weten, door hun ongeloof. En toch hebben de meesten „jaquot; gezegd op de Artikelen des Geloofs, die hun geene kracht geven. En daarom blijven zij weg, en de duivel bindt en verblindt hen hoe langer hoe meer, gelijk satan het met mij ook vroeger heeft gedaan, zoodat zij geene kracht hebben van zich zeiven. En daarom beheerscht satan hen.

En hoe ziet men den Zondag ontheiligen, wat alles duivelsch is, zooals met dronkenschap, vloeken, vechten, spelen, werken, reizen, rossen, fietsen. O, het is alles het werk van den duivel, met zijne machten van booze geesten, die satan in den mensch doet varen om te zondigen. Het is de draak, de oude slang, die Eva ook heeft verleid, de duivel en satanas, die door zijne verleiding den vloek over de wereld heeft gebracht, en door wien nu zoo velen, die in zijne macht vallen, ongelukkig worden en velen hunne verdoemenis te gemoet loopen, en een haastig verderf over zich halen, ja, gelijk de fietsen zich haasten, en de Zondag wordt ontheiligd, zoo haasten zij zich naar de hel.

En daarbij prediken de valsche leeraars maar van „vrede, vrede, geen gevaarquot;, in plaats van dat zij daartegen opkomen, met het zwaard van Gods mond, en de menschen tegen die oude slang, den duivel, waarschuwen en hun de verdoemenis en hel voor houden, opdat zij zich tot den levenden God zouden wenden om behouden te worden, en door Jezus Christus'

ocr page 425

399

zoenbloed gereinigd te worden en verlost uit satans macht, van den vorst der duisternis, en door genade te leven in het licht van Jezus Christus, Gode welbehagelijk, Zijn Naarr; tot eer en hun tot zaligheid.

Neen, zij preeken zonder zwaard. „Zij profeteeren valsche-lijk in Mijnen Naamquot;, zegt God. „Is Mijn Woord niet alzoo als een vuurquot;, spreekt de Heere, „en als een hamer, die de steenrots te morsel slaat? En is de Zoon des Menschen niet gelijk als een vlam vuurs, en Zijne stem als van vele wateren? En gaat uit Zijnen mond niet een tweesnijdend zwaard? En blinkt het aangezicht van Jezus Christus niet als de zon in hare kracht, de Zonne der gerechtigheid?quot;

Maar van een zwaard willen de broodleeraars niets weten, en daarom preekt ieder maar op zijn eigen houtje, en de eene richt maar hier eene kerk op en de ander daar, en weer een ander eene gemeente, en een vierde eene bijeenkomst, en een vijfde vereenigingen, een zesde een eigen bond, enz. enz. En dat is nu de Algemeene verdeelde Christelijke Kerk. En daar preekt een ieder op zijne manier, precies wat zij maar willen. Met mooie, zachte, geveinsde, wetenschappelijke, lauwe woorden, preeken zij de menschen den hemel voor de hel maar voor; zoo blind en verhard zijn ze, dat zij Gods Woord niet eens verstaan, en daarom sterken zij de hand des boosdoeners, zoodat zij zich niet bekeeren, een iegelijk van zijne boosheid. Zij houden meer van een valschen vrede. „Zij allen zijn Mij als Sodom en hare inwoners, als Gomorra, en daaromquot;, zegt de Heere, want profeten en priesters zijn huichelaars, „zelfs in Mijn huis vind Ik hunne boosheid. Ik heb de profeten niet gezonden , nochtans hebben zij in Mijn huis geprofeteerd; maar zoo zij in Mijnen raad hadden gestaan, zoo zouden zij Mijn volk Mijne woorden hebben doen hooren en zouden hen afgekeerd hebben van hunnen weg en van hunne booze handelingen. Daaromquot;, zoo zegt de Heere der heirscharen, „hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteeren; zij maken u ijdel. Zij spreken uit het gezicht huns harten, niet uit des Heeren mond. Zij zeggen steeds tegen degenen die Mij lasteren; de Heere heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben. En tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: ulieden zal geen kwaad overkomen.quot;

O , wat eene waarheid. Zoo wordt er tegenwoordig gepreekt door die valsche leeraars, die niet door God zijn geroepen, met hunne lauwe, valsche woorden. Zij loopen maar een

ocr page 426

400

ieder naar hunne kerk of eigen gemeente en maken de menschen wijs; zoo is het en zoo moet het zijn, en terwijl God het niet heeft gesproken en God hen niet heeft geroepen , omdat zij het getuigenis van Jezus Christus niet hebben ontvangen en de waarachtige leer niet prediken. Want dan zou de liefde van Christus hen dringen, als die dit oordeelen, dat indien een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven , opdat degenen die leven , niet meer zich zeiven leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is, dat wil zeggen, allen die in waarheid gelooven dat zij met Christus gestorven zijn, met hunne zonde en misdaden; gelijk Jezus Christus voor de zonden heeft geleden en gestreden en gestorven en opgewekt is, zoodat al degenen die opgewekt zijn, kunnen belijden, dat Christus hen heeft doen ontwaken uit hunnen doodslaap van ongerechtigheid en hen laat leven door Zijne goddelijde kracht, in Zijne gerechtigheid, en wij ons zeiven niet meer leven, maar Christus in ons, daar zij met Jezus Christus zijn gekruist.

Ach, maar daar praten die valsche leeraars maar over heen, en preeken maar van „vrede, vrede, geen gevaarquot;, en roepen maar zoo hard als zij kunnen „Heere, Heerequot;, en blijven daarbij maar in hunnen doodslaap liggen, en dienen den duivel met volle teugen om lekkertjes naar hun vleesch te leven.

Daar heeft u tot voorbeeld Professor Kuyper, die de menschen van zijne Kerken, den hemel voor de hel voorpreekt; hij maakt hen wijs, dat zij bij de eeuwige uitverkiezing behooren, omdat zij gedoopt zijn. Nu Korach, Dathan , Judas, Ananias, enz. enz. waren ook besneden, gedoopt. Kuyper vertelt hun dat zij uitverkorenen zijn van de grondlegging der wereld af. Zeker omdat zij aan zijne Kerken behooren. Kuyper preekt, dat als zijn volk maar gelooft, al hoe zondig ze zijn, en welke zonde er ook bij komt, dat Christus alles heeft voldaan, ja, dat hun alles zal vergeven worden, al hadden zij het zelf volbracht, alleen door genade.

Hebt ge ooit zulk eene verfoeilijke leer bijgewoond ? Kregen Dathan, Korach, Judas en de anderen ook genade, toen zij maar door zondigden en van de gerechtigheid van God en Jezus Christus niets wilden weten?

Laat Kuyper zijn volk liever leeren, dat als zij doorgaan met zondigen en het bloed van Christus Jezus onrein achten, om daardoor gereinigd te worden, opdat zij in heiligheid leven, gerechtvaardigd in Jezus Christus, om door Zijne

ocr page 427

40i

kracht in gerechtigheid te handelen en te wandelen, Gode welbehagelijk, opdat de wereld er geen schande van spreekt, maar bekennen dat het uit God is, en dat, als de menschen die genade niet hebben ontvangen, zij hunne eeuwige verdoemenis te gemoet gaan en ter helle zullen varen, gelijk een Korach, Dathan, Abiram, Judas, en nog meer besnedenen, daar die allen ook geloofden, maar voor eeuwig omkwamen.

Maar, o wee, Kuyper moedigt zijn volk zelf aan om te zondigen. En dat doet hij om er zich zelf mee te dekken, daar hij geheel door den duivel met zijne machten wordt geleid, onder het aanroepen van Gods heiligen Naam, en onder de bedekking van Gods Woord, het Woord van God, wat heilig en waarachtig is. Dat legt hij maar precies uit, zooals hij het goedvindt, geheel in strijd met de leer van Jezus Christus, den Gekruiste; want van kruisigen wil Kuyper niets weten, en daarom leert hij het zijn volk ook niet, daar hij zijn vleesch veel te lief heeft van zonde en ongerechtigheid. Alles haalt hij uit de boeken, precies als de heilige Jehova het in Zijn Woord zegt door den profeet Jeremia: „Dewijl gij verkeert de woorden des levenden Gods.quot;

Ja, de woorden van God verdraait hij , en haalt uit allerhande boeken van alles wat, en doet er met zijne vleeschelijke wijsheid en omslag van woorden er een heelen boel bij, en eigent zich den naam van godgeleerd toe, terwijl het niet van God is ; want dan moest zijn handel en wandel in Christus Jezus, den Heere, onze Gerechtigheid, zijn.

Maar Kuyper gaat maar heen en schrijft uit zijn eigen brein, met zijne geleerdheid boeken en couranten, om zijn gewin te zoeken. Paulus zegt: „Niet dat ik mijn eigen voordeel zoek, maar ik zoek de eere Gods, en het heil mijns naasten.quot; En Kuyper schrijft maar raak, zonder dat hij eens weet wat hij schrijft. Hij denkt zeker: Die domme arme luiden begrijpen het toch niet; dan moeten zij eerst geleerd zijn, zooals ik, zoo redeneert hij. En daarom lijkt het wel een huspot, wat van alles door elkander; het eene woord weerspreekt het andere, en brengt zijn volk die het lezen op een dwaalspoor.

Ja, zij worden er zelfs door gebiologeerd en gemagnetiseerd, zoodat zijn volk er bij inslaapt, gelijk eene somnambule inslaapt door het magnetiseeren van een toovenaar. En Kuyper's volk blijft maar rustig doorslapen en denkt maar: Ja, hij, die groote man, zal het wel weten, want hij is godgeleerd; wij weten er niets van; het moet genade blijven, daar hij

26

ocr page 428

402

het zegt, en zoodoende weet Kuyper zijn volk aan zich te binden met zijne mooie praatjes, waarmede hij zijne boeken en couranten vult, om daarmede zijn voordeel te zoeken, en wat altemaal leugens zijn, daar God het niet heeft gezegd en waar het Handelsblad, Het Nieuzus van den Dag en nog meer andere bladen, ja zelfs uit Amerika, tegen op komen tegen de leugens en onwaarheden, die in zijne boeken en couranten staan.

Kuyper schrijft maar wat de duivel hem ingeeft, zonder dat hij weet of het waarheid is, zoo verhard en blind is die groote man, zoodat hij er niet eens bij denkt en niet gelooft dat de almachtige God het den menschen ingeeft om tegen zijne leugens op te komen.

En als zij hem het dan zeggen, dat een van tweeën moet liegen, de Heere Jezus of hij, dan trekt die godgeleerde man zijne woorden zoo laag weer terug, en zegt, dat hij zich naar zijn inzien heeft vergist, en dan weet hij de menschen met zijne geleerde en bestudeerde woorden zoo te verwarren, dat zij er niet wijs uit kunnen worden, en er niets van begrijpen.

En daarom zwijgen ze maar liever; en Kuyper gaat zijn ouden gang en vult zijne boeken uit de andere boeken, die hij wel uit zijn hoofd kent, en doet er bij wat hem door den duivel wordt ingegeven, en hem zoo maar uit den mond valt. En zoodoende schrijft hij het eene boek voor en het andere na, en dan komen de couranten vol met stukken over Gods Woord, maar niet uit God en door GodsWoord.

En dan komt het kerkelijke nieuws er in. Nu daar weet hij ook wel een mouw aan te passen, zoodat zijn volk nooit recht te weten komt, hoe het met de Kerken toegaat; dat is God alleen bekend. Verder komt er in wat uit allerhande nieuwsbladen wordt gehaald van eene geheele week. Dan komen de advertentiën, en het allerlaatste de speculatie van de beurs.

En zoo komen de boeken en couranten vol. Door wien? Door een godgeleerde, die zich zeiven als een God verheft, en daarbij lekkertjes naar zijn vleesch leeft, en maar doen kan en doet wat hij wil, alles op zijn tijd, en geen ding gebrek. En als de booze geesten door toelating van den Almachtige, zijne ziel beroeren om hem te benauwen, dan weet hij den raad des duivels wel op te volgen, en ze te verdrijven met een goed glas wijn of een cognacje of iets dergelijks, zoodat zij voor eenige oogenblikken verdwijnen om eens voorgoed te voorschijn te komen in zijn oordeelsdag.

ocr page 429

4° 3

De Apostel Paulus zegt, en hetwelk de waarachtige waarheid is, „dat er geene verdoemenis meer is voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch leven, maar naar den Geestquot;. Maar daar stoort Kuyper zich niet aan; hij houdt zich liever alleen bij de woorden; „Want het goede dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ikquot;. En daar moet Christus Jezus hem juist uit verlossen, zal hij in Christus Jezus zijn, zoodat er geene verdoemenis meer voor hem is.

Maar daar wil Kuyper niet aan; hij leeft liever naar zijn vleesch, en het moet genade blijven; daar steunt hij op, en daarom gaat hij maar prettige reisjes maken naar Zwitserland of Engeland, ja. God weet waar naar toe. En daar gaat hij lekkertjes naar zijn vleesch leven, gelijk een wereldsch mensch, zoo natuurlijk mogelijk, zoodat de wereld er schande van spreekt; zijn eigen volk natuurlijk niet, want die houden er ook veel van om naar hun vleesch te leven en de wereld te dienen. Zij denken maar; wij zijn uitverkorenen om den hemel binnen te gaan; onze zonden zullen ons niet uit den hemel houden, en onze goede werken zullen er ons niet in brengen.

Zoo hoorde ik Ds. Kasteele verleden preeken, waarbij ik met mijn hoofd zat te schudden, daar Christus zegt: „Deze zijn Mijne discipelen, die Mijne geboden bewaren en ze doenquot;. En God zegt: „en de werken volgen u naquot;, en „die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis quot;. Maar daar werd niet over gesproken.

En het volk van Kuyper gelooft maar wat hun wordt geleerd, en dat zij dat niet kunnen, Gods geboden bewaren. en leven daarom en doen, precies als hun voorganger, naar het goeddunken huns harten, en hoeren naar de valsche leeraars, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren. God verloochenende met hunne daden, door welke de weg der waarheid gelasterd wordt.

Ja, daardoor wordt de heilige en waarachtige Jehova gelasterd , en daardoor komt het ongeloof in de wereld, zoodat zelfs de spotbladen zulk een valschen godgeleerde uitjouwen. en waar hij de oorzaak van is, en waarmede de heilige God wordt bespot, door de handelwijze der goddeloozen; de werkers der ongerechtigheid, „die de dagelijksche weelde hun vermaak achten, zijn de vlekken en smetten, en zijn weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijnquot;.

ocr page 430

404

O, wat eene waarheid; dat hebben wij gezien op Seinpost, in dat Café-chantant, op hoe eene lage manier de heer Jhr. Prof. de Savornin Lohman is behandeld door dien Kuyper, met de onvaste zielen, die hij daartoe heeft verlokt, om dien edelen heer Prof. Lohman te zeggen, dat hij niet op de grondstelling van de Reformatie leerde, en hij daarom niet Gereformeerd was. Is dat niet een gruwel?

Nu die grondstelling van de Reformatie, die kan mij, zooals ik al meer heb gezegd, gestolen worden, als zij mij mijn Christus met Zijn waarachtig en dierbaar Woord, waarop ik mijne grondstelling heb gebouwd, maar niet stelen. En dat kunnen zij niet, daar mijn fundament in Jezus Christus, den uitersten Hoeksteen is gelegd, en Kuyper met al zijne volgelingen, die de vervloeking nabij zijn, en het loon hunner ongerechtigheid zullen ontvangen, mijquot; met hun grond van leerstellingen niet kunnen overweldigen, daar ik alleen Jezus Christus, met Zijn heilig Evangelie hooghoud, en daar alleen in geloof en in niets anders, om te le^en in, door en tot Hem, en door Zijne kracht te doen, ^s-t mijn hemelsche Vader in Zijn Evangelie zegt. Dat is mijne bede

en mijne leuze.

En zoo zal de heer Jhr. de Savornin Lohman er ook ovei denken, daar hij zijne grondstellingen, die Z.Ed. wilde leeren , op Gods heilig en waarachtig Woord wilde bevestigen in Christus Jezus, den Hoogepriester en Oppersten Leidsman, en waar het maar alleen op aan zal komen, willen wij uit onze verdoemenis verlost en zalig worden voor tijd en eeuwigheid.

Maar dat mocht Z.Ed. niet doen; hij moest zich aan de Reformatie en de leer van Kuyper vasthouden; zoo Kuyper het zeide, zoo moest het gebeuren en anders niet. En omdat de Weledele Heer Jhr. de Savornin Lohman dat niet wilde, die valsche leuze, daarom bedankte hij voor zulk een geloof, om de Reformatie hooger te houden dan Gods almachtig Woord, daar alle leer, van welke benaming zij ook zijn moge, dood is. Buiten de leer van Jezus Christus, uit Gods Evangelie , met Zijne levende werken , door de kracht Gods teweeggebracht, ja, is alles dood. quot; j ,•

En zoo zien wij hoe de heilige en rechtvaardige uod dien man heeft geleerd en geleid om zich terug te trekken van zulke gruwelijke Godverzakers, die, onder de bedekking van Gods Woord, wat anders leeren, maar niet het Evangelie van Jezus Christus, den Gekruiste, Die leeft tot in dei eeuwigheid.

ocr page 431

40S

Ja, sta op Heere! Breek den arm des goddeloozen en boozen; zoek zijne goddeloosheid totdat Gij haar niet vindt. Ja, dat zal de rechtvaardige God zekerlijk doen. Hij zal de goddeloozen straffen, gelijk Hij het mij ook heeft gedaan. God zal dezulken als pottenbakkersdeeg vermorselen, daar kunnen zij staat op maken. O, het is een gruwel voor dien heiligen God en Zijn geliefden Zoon Jezus Christus, da!: Kuyper en zijn aanhang zoo handelen en wandelen, om zulke gruwelijke ergernissen te geven, waar een ieder, zelfs een jood, zich over ergert.

En het ongeloof wordt er door aangewakkerd, en den duivel geven zij vrij spel, waardoor de menschen moeten zeggen: „Ik weet niet wat ik meer moet gelooven.quot; Is het geen schandaal, dat zulke menschen durven zeggen, dat zij gelooven, en daarbij zich inbeelden dat er geen beter geloof is dan van hen die bij de Reformatie van Kuyper, en aan zijne Kerken behooren?

En zoo zien wij, hoe de duivel den een met dit verleidt en den andere met dat laat zondigen , om den toorn van den heiligen God en diens wraak over hen te doen uitstorten. Dat zal vroeg of laat gebeuren. De rechtvaardige God zal blinkende verschijnen op Zijnen tijd.

En Kuyper sust zijn volk maar en vergelijkt zich zei ven en hen met de Israëlieten in de woestijn, die ook zondigden, en dan maar weer „Heere, Heerequot; riepen. Maar hij zegt hun niet, dat de meesten ervan niet in het beloofde land Kanaiin kwamen, omdat die zondige Israëlieten den heiligen God tergden met hunne daden en zich niet bekeerden. En daarom moet hij hen leeren dat als hij en zijn volk zich niet bekeeren en gerechtvaardigd willen worden door Christus Jezus om in Zijne gerechtigheid te wandelen, hij en zijn volk ook niet in den hemel zullen komen. Die Israëlieten kregen ook geene genade, en toch waren ze besneden, gedoopt.

Heeft men wel ergens in Gods Woord gelezen van een waren profeet of Apostel van God en Jezus Christus, die zoo handelde en wandelde en leerde als Kuyper het doet? Hij gelijkt een Hananja, tegen wien de profeet Jeremia heeft gezegd: „ Hoor nu, Hananja, de Heere heeft u niet gezonden, maar gij hebt gemaakt dat dit volk op leugen betrouwt; daarom, zoo zegt de Heere, zie, Ik zal u wegwerpen van den aardbodem, omdat gij een afval gesproken hebt tegen den Heere.quot;

En toch durft Kuyper zich uitgeven voor een uitverkorene,

ocr page 432

4O6

bekeerde en wedergeborene, terwijl de Apostel Paulus zegt: „Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te worden, opdat hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.quot; Ja, dat zijn degenen die door den heiligen en rechtvaardigen God uitverkoren zijn en wedergeboren in de Spruit Davids, hun Koning van recht en gerechtigheid.

Maar Kuyper wil recht zonder gerechtigheid. Nu, een mooi beeld van Christus Jezus, die den heiligen en rechtvaardigen God en Zijn geliefden Zoon, de Zonne der gerechtigheid, Wiens verbond hij in zijn mond neemt, met zijne daden laat belasteren.

En daarom blijft Kuyper met een ieder liefst goede vrienden en spreekt een ieder maar naar den zin en zegt; „De barmhartigheid roemt tegen het oordeelquot;. Zoodoende komt hij voor een iedereen op, natuurlijk met mooie woorden, om zich bemind te maken, recht of onrecht, dat komt er niet op aan, als hij er maar eer in behaalt met zijne barmhartigheid.

O, hij moest eens zoo barmhartig zijn en gaan over heggen en steggen naar die ongelukkigen, die verwaarloosden, die omkomen naar ziel en lichaam van gebrek aan aardsche spijs en hemelsche spijs.

O, hij moest eens zoo barmhartig zijn en van huis tot huis gaan brood breken en spreken over het Koninkrijk Gods, gelijk Christus Jezus geboden heeft.

O, hij moest eens zoo barmhartig zijn en wat minder naar zijn vleesch leven en het aan de armen geven in plaats die ellendigen te veroordeelen en aan hun lot over te laten naar lichaam en ziel beide. Het is toch zijn ambt Christus te volgen en het land door te gaan goeddoende en sprekende over het Koninkrijk der hemelen.

Maar Kuyper wil dat Jezus Christus hem volgt, en daarom doet hij het liever niet. Hij gaat liever voort met mooie woorden en Gods Woord op de lippen, maar niet in zijn hart om den menschen wat voor te praten, wat zijn volk dan in zijne boeken en couranten kan lezen, en wat geheel in strijd is met Gods waarachtig en heilig Woord.

Maar ach, dat verstaat zijn volk niet. Zij gelooven maar in den godgeleerden Kuyper en leven daarbij maar naar hun vleesch en op genade, totdat zij op het laatst versierd zullen worden met het eeuwige Zondagskleed, en dan zal het huwelijk met Christus voltrokken worden, precies zooals Ds. Kruyswijk het in zijn scheurkalender De Getuige zegt.

ocr page 433

407

Maar o wee, dat Zondagskleed van ongerechtigheden kon wel eens met een huwelijk mét satan uitloopen in de hel, wanneer er zoo valsch wordt gepredikt, en den menschen, die nog in hunne verdoemenis liggen, zoo iets wordt voorgespiegeld.

O, laten zij bedenken, en Kuyper vooral, dat Korach, Dathan en Abiram ook waren besneden, en zeiden dat ze heilig waren, maar ze voeren levend ter helle, door hunne daden. Judas volgde Jezus ook, maar om zijn voordeel te zoeken en verworgde zich zeiven. Dan, Ananias en zijne vrouw Saffira geloofden ook, maar zij belogen den Heiligen Geest met hunne schijnheiligheid en hebzucht en zij vielen door het gezegde van Petrus en de oordeelen Gods, dood neder.

Ja, waar zal ik eindigen van gedoopten en geloovigen, die toch omkwamen, omdat zij in de gerechtigheid van Jezus Christus niet leefden. En zoo zal het hun ook gaan, als zij niet wedergeboren worden in Christus Jezus, om naar Zijnen wil te leven, in plaats van Christus naar hunnen wil.

O, mochten zij zich allen tot den levenden God bekeeren en genade ontvangen om te leven Gode welbehagelijk, van liefde en gerechtigheid, want die twee behooren te zamen, daar ze uit God, den hemelschen Vader en Zijn geliefden Zoon Jezus Christus, zijn.

Ja, zonder gerechtigheid kan er geene liefde zijn; dan is ze valsch en geene liefde buiten de gerechtigheid, daar uit loutere liefde van God, Zijn eenige Zoon, Christus Jezus, door Zijn strijden en lijden voor de gerechtigheid, moest voldoen, opdat allen die door Hem tot God gaan, ook in Zijne gerechtigheid en liefde tot den Vader zouden leven; en zonder die genade te bezitten zal het ons niet baten, of wij al gedoopt zijn, en of wij al gelooven en of vader of moeder of grootvader en grootmoeder, of oom of tante of broeder of zuster, of zwager of zwagerin, ja, ik weet niet precies wie Kuyper heeft opgenoemd, wie het kind moest doopen. Nu het zal hun niets baten, al hielden zij allen te zamen te gelijk het kind ten doop, en zij gaven het kind het geloof er bij, dat het om de zoen- en kruisverdienste van den Heere Jezus Christus zoude zalig worden, omdat het gedoopt is en het gelooft. Het geeft altemaal niets, daar een ieder zijn eigen pak zal dragen en een ieder zal vergolden worden naar zijne werken, hetzij goed, hetzij kwaad.

En de vader is niet aansprakelijk voor de zonde van den

ocr page 434

4oS

zoon, en de zoon niet aansprakelijk voor de zonde van den vader, zegt de waarachtige God in Zijn heilig Woord; alzoo ook de moeder niet voor de dochter en de dochter niet voor de moeder, en de grootvader niet voor zijn kleinkind en het kleinkind niet voor den grootvader, en de oom niet voor de tante en de tante niet voor den oom, enz., daar al degenen die in zonde geboren worden en maar voortleven in de zonde, zonder ooit een Christus, den Rechtvaardige, te kennen, zullen opstaan in de eeuwige verdoemenis, waarin zij liggen, hetzij vader of zoon, of moeder of dochter, of grootvader of kleinkind, enz. enz.; maar degenen die het goede gedaan hebben tot de opstanding des eeuwigen levens, ja, al degenen die door genade een nieuw schepsel zijn geworden, die van den eersten Adam zijn verlost en van den waterdoop overgebracht zijn door den doop van Jezus Christus, en in den tweeden Adam leven, tot verheerlijking Gods. En dat is de rechtvaardigmaking door Jezus Christus, in Wiens Naam wij zijn gedoopt met water, maar door Wiens kracht wij worden wedergeboren en gerechtvaardigd in Hem.

Dan overtuigt de Heilige Geest den nieuwgeboren mensch en zegt tegen zijne ziel, als het kwade hem bijligt: „Dat moogt ge niet doen, het is zondequot;, en dan overtuigt de Geest hem van gerechtigheid, en het goede dat hem dan doet hij dan in de gehoorzaamheid en kracht van Christus, die in hem leeft. De Heilige Geest overtuigt hem van oordeel, en daar de zie) zoo zwart is van zonde, door het krijgvoeren des satans teweeggebracht, zoo veroordeelt het nieuwe schepsel zich immer zeiven vanwege de duivelsche gedachten, waarmede satan hem bestrijdt.

En men wordt door het licht des Heiligen Geestes in alles opmerkzaam gemaakt en gedrongen om den rechtvaardigen en heiligen God in alles gehoorzaam te zijn om het goede te doen en het kwade te laten , zoodat wij den duivel niet meer dienen, daar het oude is voorbijgegaan, en alles nieuw is geworden, door Jezus Christus, die dan den wedergeboren mensch kracht geeft. Ja, dan is het oude voorbijgegaan en alles nieuw geworden, tot eer van God en tot zaligheid van de ziel der wedergeborenen nu en tot in der eeuwigheid.

O, en degene die in zulk eene genade leeft, kan de kwaden niet verdragen, die zeggen dat zij Apostelen van Jezus Christus zijn. Zij mengen zich in den strijd tegen die synagoge des satans, die Gods Woord beliegen en verdraaien met hunne vleeschelijke wetenschap van geleerdheid in plaats

ocr page 435

409

van geestelijke gemeenschap met God, den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, Die ons alles openbaart en doet opmerken.

Zoo mag ik opmerken hoe alles tegenwoordig maar verduisterd , weggecijferd en bedekt wordt bij vroeger, en, zooals het in Gods Woord wordt gezegd, hoe de Heere Jezus de duivelen uitwierp bij den bezetene, en deze daarna wel bij zijn verstand was, gelijk ik nu ook ben, door de genade Gods, en zelf kan getuigen, dat bezetenheid des satans niets anders is dan krankzinnigheid, daar men dan van zijn verstand is beroofd, en de duivel met je doet wat hij maar wil. De duivel laat je dingen doen, zóó dat men zelf niet weet wat men doet. Hij laat je woorden zeggen waarvan men niet eens weet wat men zegt. Hij vaart door zijne macht zoo in de bezetenen, dat ze door angst gedreven op de menschen aanvliegen; bij den eenen bezetene meer dan bij den andere, daar de duivel met zijne onreine geesten bij den een dit doet en bij den ander dat, zonder dat je het weet, en er iets aan kunt doen.

En daar kan alleen de Heere Jezus Christus wat aandoen, en zonder dat de bezetene medicijnen behoeft te gebruiken, gelijk de bezetene in Markus 5 het ook niet behoefde te doen, en ik op Veldwijk ook niet, maar bij wie toch door de alvermogende kracht van Christus Jezus de duivelen zijn uitgeworpen, zoodat wij wel bij ons verstand kwamen en mochten zitten aan de voeten van Jezus.

En hoe vele duivelen werpt de Heere Jezus nog uit tegenwoordig, die bij hun verstand komen en verlost zijn van de bezetenheid des satans.

Maar dat wordt tegenwoordig maar weggepraat, en moet het heeten krankzinnig en zenuwen, zooals Ds. Gispen het heeft uitgelegd in het tiende Jaarverslag der Vereeniging tot verzorging van krankzinnigen en zenuwlijders in Nederland. Z.Ew. heeft daar gesproken dat een krankzinnige geen bezetene is, ten minste niet altijd, zegt hij. Z.Ew. erkent wel de mogelijkheid van bezeten te zijn door den duivel, ook in onzen tijd, maar hij ontkent dat dit bij alle kranken het geval is geweest. Nu daar geef ik hem gelijk in, daar een ieder niet dezelfde onreine geest ontvangt. Maar daarom spreekt de Heere Jezus ook van geesten. Allen die van onreine geesten gekweld waren, wierp hij uit, zoodat een ieder een verschillenden onreinen geest bezat, waarmede de duivel hem bezocht, zoodat de een het legio had en de ander weer

ocr page 436

4io

minder. De eene bezetene moet gebonden worden, en de andere bezetene loopt stil heen.

En toch zijn allen van den duivel bezeten en van hun verstand beroofd, gelijk de bezetene, van welken Jezus Christus de duivelen uitwierp, zoodat hij wel bij zijn verstand kwam. Lukas 8.

Men kan hier duidelijk zien uit de woorden van den Heere Jezus „en wel bij zijn verstandquot;, dat de bezetene door den duivel bevangen was en van zijn verstand beroofd door den duivel, gelijk als ik, in den tijd dat ik op Veldwijk was toen ik eene bezetene des satans was, geheel in zijne macht, en zooals er nog duizenden zijn die van hun verstand zijn beroofd en door den duivel worden beheerscht, zoodat zij bezeten zijn van satan en geene macht meer over zich zeiven hebben vanwege de macht des duivels, die in hen is, en die met hen doet wat hij wil.

En daarom noemde Christus Jezus dezulken; die door den duivel bezeten waren. En dien naam moest het behouden, zooals Jezus dat in Zijn Woord heeft gezegd.

Maar tegenwoordig wordt alles maar verdraaid, om de menschen niet zenuwachtig te maken. Daar wil ik mee zeggen, om de menschen niet wakker te schudden uit hun doodslaap, waarin zij zeiven liggen door het geweld des duivels, die ook in hen heerscht, en door wien zij maar door zondigen.

En als hun te veel de waarheid uit Gods Woord gezegd zoude worden, dan zoude het geweten der menschen te veel ontwaken, en zij zouden sidderen en overtuigd worden, hoe de duivel hen ook in bezit heeft genomen met hun satansch geloof, en hoe zij den heiligen God tergen met hunne daden, daar zij wel „Heere, Heere!quot; willen roepen, maar Gods waarachtig en heilig Woord handhaven willen zij niet. Dan ontwaakt hun geweten te veel en brengen zij het liever tot zwijgen met de waarheid te ontkennen en zeggen zij maar: ,, zóó is hetquot;, terwijl het niet zoo is, en zien wij, hoe alles verdraaid wordt; en dat de een bezeten is door de macht van satan buiten zijn verstand en de ander door het geweld des duivels met zijn verstand; maar die toch dooreen duivel geregeerd worden, van wien alle booze machten en onreine geesten uitgaan, zoodat hij den eenen verzoekt met een boozen geest en den ander bezoekt met een onreinen geest.

Maar zij staan allen onder de macht van satan, de oude slang, dien een ieder persoonlijk eens zal leeren kennen in

ocr page 437

4ii

zijn oordeelsdag, met woord en daad: met woord vanwege de oordeelen Gods, zooals ze in Zijn Woord staan geschreven en waarmede de geoordeelden aan satan worden overgeleverd door den Drieëenigen God, om metterdaad gepijnigd te worden, en de ziel gefolterd wordt vanwege de pijniging, waarmede satan pijnigt door zijne pijniging van booze en onreine geesten, die op hunne zielen afkomen, zoodat zij zeiven niet weten wat hun overkomt, en die nu door genade die verdoemde geesten hebben leeren kennen, waardoor zij geoordeeld zijn geweest met woord en daad. Die weten dan ook dat zij verlost en gered zijn door Jezus Christus, hun Verlosser.

Maar zij kunnen tevens getuigen van de angsten der hel die hunne ziel hebben benauwd en verschrikt door den toorn Gods die op hen viel vanwege hunne zonden, die allen te gelijk open en bloot voor hunne ziel worden gelegd, zoodat de banden des doods hen omringden en zij van doodsangst geen raad wisten.

En o, als Ds. Gispen dat alles ook zoo had ondervonden, dan zou hij den menschen moeten aanzeggen de waarachtige waarheid, dat krankzinnigheid wel degelijk bezetenheid des satans is, en zenuwenaanvechtingen van onreine geesten zijn; en die het geweld des duivels hebben, dat zijn zondige menschen, die zich door satan laten beheeren om zijnen wil te doen.

En als Z.Ew. wezenlijk in de banden des doods had gelegen, zooals ik, en de angsten der hel had ondervonden niet alleen bij woorden, zooals zij in den Bijbel staan, maar met daden, en hij was daaruit verlost en gered, — o, dan zou zijne geredde ziel hem geen rust laten en hij zou de menschen niet met mooie verdraaide woorden in slaap sussen, maar hun toeroepen: ,, Zoo waarachtig als Christus Jezus de duivelen bij de bezetenen uitwerpt, zoodat zij hun verstand terugkrijgen, zoo waarachtig moet Christus ulieden van het geweld des duivels bevrijden, opdat gij niet meer den duivel dient met uw verstand, maar wel den levenden God dient in geest en in waarheid en niets dan waarheid.quot;

Ja, dan zou hij het hun moeten aanzeggen dat voor dien duivel, die al de onverstandigen en verstandigen beheerscht, geene kruiden zijn gewassen, en al de professoren en doktoren in de medicijnen hen niet kunnen helpen met al hunne medicijnen en verdoovingsmiddelen er bij; het zou hun niets baten. Zij kunnen dezulken niet genezen, daar alleen Jezus Christus, de groote Medicijnmeester en Geneesheer hen kan

ocr page 438

412

helpen voor tijd en eeuwigheid, alleen door de genade Gods in Christus Jezus.

En als Hij hen heeft verlost, dan leven zij Gode welbe-hagelijk, zoodat zij niet voor eeuwig omkomen door den duivel, den koning der verwoesting en der verschrikking, en in de angsten der hel en de banden des doods, waarvan satans, de draak, de oude slang, de overste is.

Ja, Ds. Gispen zou niet kunnen zwijgen als hij verlost en gered is, vanwege de gedachten, dat er nog duizenden bij duizenden zuchten onder de macht van satan, en die verloren gaan, als zij maar door zondigen, al roepen zij al „Heere, Heere!quot;

O, hij zou hun de waarheid moeten aanzeggen en de oor-deelen Gods hun voor oogen stellen, zooals hij had ondervonden den strijd tegen satan, met Christus in zijne ziel, precies zooals het in Gods waarachtig Woord geschreven staat. Hij zou geene rust hebben, daar een geredde gevoelt de ellende van een ongeredden, wat dien te wachten staat in zijn oordeelsdag.

O, dan zou hij wel alles ten offer willen brengen, doordat Jezus Christus zelf het in hen werkt om de naasten te wijzen op hunne eeuwige verdoemenis en hunne eeuwige zaligheid.

O, hij zou ze dwingen om in te komen en hun bidder.., ja, of God in hem bade: ,, laat u met God verzoenen, eer het te laat is; bekeert u, bekeert u, want waarom zoudt gij sterven ?quot;

Ja, dan zou hij de menschen opwekken met kracht uit den hooge, die hij dan van boven krijgt, en hun aanzeggen geene bekeéring van woorden, maar van de daad, in Christus Jezus; geen halven Christus, maar Jezus Christus geheel; en niet dicht bij Christus, zooals er geleerd wordt, want ach, dan haalt de duivel er ons toch vandaan; maar hij moet leeren dat Christus in ons moet leven en werken, en al spreekt men dan nog zoo over den duivel en zijne booze geesten, geen nood, de duivel met zijn geheele rijk van booze geesten, zou ons niet meer doen sidderen noch van Christus kunnen scheiden naar ziel en lichaam, al deed satan nog zoo zijn best met woord en daad om ons te verleiden en te verzoeken om ons van God af te trekken; daar de duivel den Christus niet overmag, om reden de sterke Held uit Juda's stam sterker is dan satan.

Ja, als wij een geheelen Christus hebben Die in ons leeft, dan spreekt die Christus niets liever dan over den duivel

ocr page 439

413

met zijne machten van onreine geesten, daar Hij ze overwonnen heeft, daar satan en zijn heir de grootste vijanden van God zijn, die immer tegen den rechtvaardigen God opstaan met de zonden die ze de menschen ingeven om te verleiden, ofschoon de menschen , die gehoor aan hun geven, later door dezelfde booze geesten, met den duivel vooraan, worden geoordeeld.

Maar degenen die der zonde gestorven zijn, gelijk Jezus Christus voor de zonde gestorven is, en degenen die in Christus opgewekt zijn om te leven in Zijne gerechtigheid, gelijk Christus is opgewekt, en die met Hem leven door Zijne kracht, die zetten satan voet voor voet en wijken voor hem niet en vreezen hem niemendal, daar Jezus Christus zelf voor hen strijdt in den strijd des geloofs.

En als de duivel je dan een woord ingeeft tegen God, dan geeft Christus, door Zijnen Geest satan tien woorden terug, waartegen de duivel niet bestand is, en hij het hazenpad moet kiezen, daar de duivel bang is voor GodsWoord, als hem dat terdege en naar waarheid wordt gezegd.

Ja, daar weet ik van te vertellen, toen ik op Veldwijk was en geheel bezeten door den satan was, met toelating van den rechtvaardigen God, en hoe ik sidderde van doodsangst, toen ik Gods Woord hoorde voorlezen, en hetwelk ik recht moest verstaan, zoodat ik er voor sidderde, niet met de woorden, maar met daden. Ik moest ondervinden dat God een waarmaker van Zijn waarachtig Woord is, en die niet wil luisteren naar Zijn heilig Woord, zullen het voelen op Zijnen tijd, en naar Gods wil. Ja, de duivel die in mij was, hield zelf mij mijne zonden voor, uit hem, en pijnigde mij door zijne pijniging van siddering en angst. Ja, dat kwam omdat ik mij niet heb willen laten rechtvaardigen door den Zoon van God. Ik had Zijn bloed onrein geacht en vertreden, en den Geest der genade smaadheid aangedaan en dat moest ik voelen door de pijniging des duivels die ;n mij was, en die de woorden op mijne ziele liet branden, doordat ik een engel van hem was, en hij en ik die woorden niet konden verdragen, toen die woorden van God mij naar waarheid werden voorgelegd en ik ze goed moest verstaan in de ziel.

Maar o, ik ontving genade van den liefdevollen God; ik, die dat Woord nimmer had gehoord, ik kreeg genade op Veldwijk; het deksel was van mijne ziel weggenomen, en ik mocht Gods Woord verstaan, en door de kracht des

ocr page 440

414

Heiligen Geestes mij tot den Zoon van God wenden om door Hem, Jezus Christus, gereinigd, geheiligd en gezaligd te worden, zoodat ik het bloed van den Zoon van God, het bloed des Nieuwen Testaments niet meer onrein achtte, maar door de rechtvaardigheid van Jezus Christus mocht leven in Zijne gerechtigheid, door mijn geloof in den Zoon van God, die er mij de kracht toe verleende, zoodat ik niet meer geloof geef aan den duivel, maar alleen aan Christus Jezus, den Zone des levenden Gods, Die nu in mij leett.

En door die genade tart ik satan met al zijne booze geesten en al de Schriftverdraaiers en allen die het beter willen weten dan God zelf en Zijn waarachtig Woord, waardoor ik ben wedergeboren. Ja, ik tart hen allen met hun duivelsch bijgeloof, daar ik door genade en door de gerechtigheid van Jezus Christus, mijn Verlosser, hen niet behoef te vreezen. Want ik vrees nu niemand meer dan God alleen, in Christus Die mij kracht geeft om satan met al de valsche leeraars te overwinnen.

O, gingen al de leeraars zich maar alleen bij Gods waarachtig Woord bepalen in plaats van allerhande boeken, dan behoefden ze niet te zeggen; „dit zegt de Reformatie, en dat zegt Calvijnquot; of „dat zegt Piet en dat zegt Klaasquot;. Neen, dan zouden zij kunnen zeggen; „Dit zegt de Heere onze God, in Christus Jezus. Want ik betuig aan een iegelijk die de woorden der profetie dezes Boeks hoort, indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal over hem toedoen de plagen die in dit Boek geschreven zijn, en indien iemand afdoet van de woorden des Boeks dezer profetie. God zal zijn deel afdoen uit het Boek des Levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit Boek geschreven is.quot;

En als de leeraars dat eens naar waarheid gingen verkondigen van des duivels zonde en ongerechtigheid, en van de gerechtigheid en liefde van Christus Jezus; van vloek en hel door satan teweeggebracht in de wereld, en met wien wij moeten omkomen, maar van wien wij verlost kunnen worden door den Zone Gods, Die den vloek heeft weggenomen bij allen die zich tot den Zoon des Vaders v/enden om door Hem tot God te gaan om behouden te worden, opdat zij Zijne geboden mogen bewaren in Christus Jezus en door Zijne poorten mogen ingaan in de eeuwige stad,— ja, als de leeraars de menschen meer den duivel met zijne hel voorpreekten, waar ze door hunne zonde naar toe gaan, en zij preekten van den waren Christus met Zijne gerechtig-

ocr page 441

415

heid en zaligheid, — o, dan zou de rechtvaardige God meer met Zijn Geest en Woord in de menschen werken, Gode tot eer en hun tot zaligheid, en hen voorbereiden tot het eeuwige leven, daar de Drieëenige God wel met Zijn heilig Woord werkt om de menschen te bekeeren, maar niet uit boeken van menschen, zooals bij voorbeeld de boeken van de Reformatie en Calvijn en de Belijdenisschriften en Formulieren van Eenheid met den Catechismus.

Neen, daar werkt de driemaal heilige God niet mede. Al dat menschenwerk is zonder kracht. Alleen Gods Woord, daar schept de Almachtige immer iets nieuws uit, oude en nieuwe dingen.

Maar o, wat wordt er tegenwoordig veel af gedaan van en bij gedaan bij Gods Woord door de valsche leeraars. Wat wordt er weinig over den vloek en de hel gesproken, van satan en de zonde en van de gerechtigheid en zaligheid van Jezus Christus.

Ach, als men tegenwoordig maar zegt dat men gelooft in de Formulieren van Eenheid, dan is men klaar; het overige komt er niet op aan, dat zullen de leeraars hun verder wel zeggen met mooie woorden.

Maar o wee, o wee, hoe meer die valsche leeraars met mooie woorden praten, hoe meer alsem zij onder het volk strooien, daar het niet uit God is, en de heilige en rechtvaardige God er in blaast, met al hunne mooie voorspiegelingen, en hen tegenkomt, daar zij niet naar Zijne woorden hebben gehoord. „Daarom, zoo zegt de Heere der heirscharen, omdat gij Mijne woorden niet hebt gehoord, huilt gij herders en schreeuwt en wentelt u in de asch, gij heerlijken van de kudde, want uwe dagen zijn vervuld, dat men slachten zal en van uwe verstrooiingen, dan zult gij vervallen als een kostelijk vat, want de landouwen des vredes zullen uitgeroeid worden vanwege de hittigheid des toorns des Heeren.quot;

Wat eene waarheid. Wij zien het voor onze oogen, hoe de hittigheid van God rust op het volk dat den naam van Christus belijdt, en hoe dat volk overal verstrooid wordt om hunne ongerechtigheden, en de menschen niet eens meer gelooven vanwege hunne herders, de huurlingen die zulk een mooi voorbeeld geven en met Gods Woord maar doen wat zij willen, en gelijk Ds. Wisse het ook deed.

Ja, hoe heeft die afgescheiden leeraar gehandeld met het oprichten van zijne kerk in Baarn, terwijl hij de menschen van andere kerken aftroont met mooie leugenachtige woorden,

ocr page 442

4i6

die hij de menschen wijsmaakte en terwijl hij zich zeiven eene kroon op het hoofd zet en op den kansel zegt dat zijne kerk het volk Sions is. En dat durft die man zeggen, die zoo laag heeft gehandeld, hij die Gods verbond maar in zijn mond neemt en Gods wetten achter zich werpt. En een ouderling die dronk, moest dat opgerichte Sionskerkje maar vooruithelpen, terwijl Ds. Wisse van een vriend een brief ontving, waarin deze hem schreef, dat hij met blijdschap gehoord had, dat in Ulrum bij vernieuwing eene Christelijke Gereformeerde Gemeente was gesticht, en dat Ulrum de plaats was waar in 1834 de eerste Gemeente werd gesticht, en dat er meer zou volgen als zij weer wordt wat zij was in 1834. Toen was zij Gereformeerd, al droeg zij zoo den naam niet en nu zij Gereformeerd heet, is zij het niet. Toen mochten geene dronkaards lid der Gemeente zijn en nu wel.

Onlangs vertelde mij een lid der Gemeente dat iemand zelfs voor diaken gekozen is , die zich dikwijls schuldig maakte aan dronkenschap, en dat zelfs bij hem aangedrongen was, zijne benoeming aan te nemen.

Waar moet het toch heen met zulk een toestand? Is dat nu die Gemeente waar in 1834 zoo voor is geworsteld en gestreden ?

Zoo luidt de brief in De Wekker van G. te D. aan Ds. J. Wisse.

O, wat een gruwel voor dien rechtvaardigen en heiligen God, daar Wisse zulke brieven ontvangt, en dat in zijn Wekker van 4 October 1895 durft zetten, terwijl hij zelf wist wie hij voor zijne kerk te Baarn had aangesteld en gekozen om voor te gaan in zijne Gemeente.

O, wat wordt die heilige God toch bespot door de gruwelijke goddelooze handelingen van de broodleeraars, door wien het ongeloof hoe langer hoe meer in de wereld komt, daar degenen die niet meer gelooven, zeggen: „Er kan geen God zijn, want dan konden er onmogelijk zulke leeraars zijn.quot;

Maar o, zij moesten eens weten dat het alles in Gods Woord beschreven staat, en dat er zulke leeraars zullen zijn; maar wee de leeraars die de ergernissen geven, waardoor de heilige God wordt belasterd en waardoor de menschen van God afvallen. En dan durft Ds. Wisse ook nog in zijn Wekker zetten iets over geboren worden en sterven. Hij schrijft: „Bijna alle menschen leven alsof ze maar in de wereld geworpen zijn, of aan de moederweelde geen onbegrijpelijke smarte is voorafgegaan.

ocr page 443

417

Evenzoo gaat het met de wedergeboorte. Onder degenen die den naam van Christen dragen, hoort men er zelden over sprekenquot;, zegt hij.

Ja, dat wil ik best gelooven; want daar zullen er tegenwoordig heel weinig van zijn. Maar die dat hebben ondervonden, kunnen er ook van getuigen, hoe vele smarten die wedergeboorte zijn voorafgegaan.

Maar dat is bij Ds. Wisse maar alleen bij de woorden van naam, maar niet met de daad. Want dan had hij onmogelijk zoo laag kunnen handelen, daar die wederbarende smarte niet licht wordt vergeten. Maar Ds. Wisse loopt er maar even luchthartig over heen, alsof de wedergeboorte niets is. En toch zegt hij, dat zonder wedergeboorte niemand het Koninkrijk Gods zal zien.

„Wij dienenquot;, zegt Wisse, „daar net zoo ernstig bij bepaald te worden als een Nicodemus, een zeker leeraar uit Israël, die om de vreeze der Joden, in den nacht tot den Heiland kwam. Let welquot;, zegt Wisse, „het was een leeraar der Joden, een overste zooals wij het noemen, doorkneed in de Schriften en ondertusschen er niets van verstaande.quot;

Nu, ik geloof dat Wisse dien schoen zelf kan aanpassen.

Verder zegt hij: „Afgoden kan de mensch in zoo'n enge ruimte besluiten, niet het oneindige Wezen. Afgoden heeten het dan ook, die in zulk een zin gebracht worden.quot;

ja, daar heeft Ds. Wisse groot gelijk in. Alles wat zondig is, is afgodisch, en is niet uit het oneindige Wezen, al wordt het nog zoo bedekt met Gods Woord. Ziedaar de walg die God in zulk een dienst heeft.

Ds. Wisse schrijft verder, dat Nicodemus in eene verkeerde gestalte stond; zijne wijsheid moest dwaasheid worden. Nu, ik denk dat het bij Wisse hetzelfde geval is, daar hij in een anderen Wekker zegt: „Geen boek der wereld is zoo eenvoudig als Gods Woord, en geen boek is er, waar zooveel wetenschap toe vereischt wordt om het te kunnen uitleggen als de Heilige Schrift.quot;

Wat eene tegenstrijdigheid is zulk een gezegde. Ach, wat is Gods Woord toch waar, daar de waarachtige God zegt, dat geleerdheid bij God dwaasheid is, en gelijk Jezus Christus ook tegen Nicodemus zeide: „Zijt gij een leeraar Israëls, en weet gij deze dingen niet?quot;

En zoo zal het met Wisse ook gaan. Hij verstaat niets van de wedergeboorte in Christus Jezus, door den Geest Gods. Het bestaat bij hem alleen maar met water, waarmee

27

ocr page 444

4i8

hij gedoopt is, en boeken waaruit hij zijne wetenschap haalt, terwijl de driemaal heilige God geene boeken bij Zijn heilig en waarachtig Woord van noode heeft, daar een ieder die de genade heeft ontvangen van door den Heiligen Geest wedergeboren te zijn, in Christus Jezus het Koninkrijk Gods ziet, dat binnen hem is. Het is gelijk de wind die blaast, en zij weten niet waar het vandaan komt, maar de wedergeborene voelt eene kracht in de ziel opkomen en het doet hem spreken en schrijven, niet uit andere boeken, maar gelijk Christus het heeft gezegd: „Ik zal u mond en wijsheid geven, welke ze niet zullen kunnen tegenspreken noch weder-staan allen die zich tegen u verzetten. Want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest des Vaders die in u spreekt.quot; En de heilige Jehova zegt tegen Mozes; „En nu, ga henen, en Ik zal met uwen mond zijn, en zal u leeren wat gij spreken zult.quot;

En zoo zien wij dat de ware wedergeborenen in Christus Jezus God liefhebben en Zijne geboden bewaren en doen. De ware volgelingen en discipelen in het geloof van Jezus Christus behoeven niet te vreezen wat zij spreken zullen, want het zal hun ter zelfder ure gegeven worden. Paulus predikte ook terstond en Petrus en Johannes en de andere Apostelen van Jezus Christus waren niet geleerd en namen het niet uit boeken. Neen, zij hadden het getuigenis van Jezus Christus hun Meester in zich. Die zelf hen leerde, en zij konden door Zijne kracht de geboden Gods bewaren en ook doen, gelijk de Apostel Paulus zelf zegt: ,, Merkt op, broeders! degenen die alzoo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt.quot;

Ja, en die door genade een wedergeborene in Christus is, die let daar terdege op, of Jezus Christus, de Rechtvaardige, hun Leidsman is, daar Christus de wedergeborenen leidt in gerechtigheid, doordat zij der zonde gestorven zijn en dienstknechten der gerechtigheid zijn geworden, zooals Petrus het ook werd. Eerst stond Petrus in eigen kracht, en toch geloofde hij; maar hij verloochende den Heere Jezus tegenover eene dienstmaagd, omdat hij nog zijn vleesch te liefhad, en bang was dat ze hem ook in de gevangenis zouden werpen. Nu kon Petrus eens zien, wat zijne eigen kracht vermocht, toen Hij tegen zijn Meester zeide: „Dat zal u geenszins gebeuren. En al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen.quot; Dat geloofde Petrus, maar Jezus Christus wist het wel beter, hoe spoedig satan zou komen

ocr page 445

419

om hem te ziften als de tarwe en met zijn slangenvenijn Petrus' eigen kracht zou verslinden, om Hem te laten zondigen en zijn Heer te verloochenen.

En daarom had de Heere Jezus tot Petrus gezegd: „En gij, als gij eens bekeerd zult zijn, versterk dan uwe broederen.quot;

En o, toen Petrus later den Heiligen Geest ontving, zoodat Hij werd wedergeboren door de kracht Gods, toen verloochende hij zijn Meester niet meer, zelfs niet tegenover den hoogepriester Kajafas, daar hij tegen den hoogepriester sprak : „ Men moet Gode meer gehoorzamen dan den mensch.quot; En toch wist Petrus toen wat hem te wachten stond. Maar hij sprak nu door de kracht Gods, die in hem was, en welken God hij nu voor eeuwig toebehoorde, zoodat Petrus zelfs zijn leven moest laten voor de eere Gods.

O, hoe velen zijn er nog, die ook zeggen dat ze gelooven en hun vleesch daarbij zoo liefhebben, waardoor zij den Christus verloochenen en hun eigen eer en voordeel zoeken, in plaats van de eere Gods. Maar dezulken zijn niet wedergeboren ; dezulken staan nog in eigen kracht, zoodat ze telkens door den duivel worden gezift om te zondigen en den heiligen God te vertoornen.

En toch durft Ds. Wisse nog in zijn Wekker zetten, dat liet vreemd is voor den vleeschelijken mensch, en zonder wedergeboorte gaat men voor eeuwig verloren. Hij zegt; ,, Daar wandelen ze heen, die duizenden met snelle vaart den afgrond te gemoet, met een ingebeelden hemel naar de hel, zonder dadelijke kennis van de wedergeboorte. Zij be-hooren in naam tot de Christelijke Kerk; zij zeggen te strijden voor de eere Gods; zij branden wierook, een ge-denkoffer; verkiezen zich zeiven eenen weg; doch hunne ziel heeft lust aan verfoeiselen.quot;

Dat durft Wisse in zijn Wekker zetten. O, gruwel der gruwelen, wat een gruwel voor dien driemaal heiligen God ! Die man, die zich inbeeldt dat hij een wedergeborene is; die man, die zoo laag en duivelsch heeft gehandeld in Baarn ; die man, die mijne briefkaarten terugzond, waar niets dan de waarachtige waarheid op stond, om hem zijne lage handelingen onder het oog te brengen met het zwaard van Gods mond, en die hij mij terugzond met de woorden: „dat hij van dien onzin niet was gediendquot;; die man, die mij bij de justitie wilde aanklagen, omdat ik hem de waarheid zeide dat hij geen geest uit God was, want dat hij dan niet zoo kon handelen, want wie uit God geboren is zondigt niet!

ocr page 446

420

En toch durft hij zoo iets in zijn Wekker zetten, en vergelijkt hij zich zeiven bij een wedergeborene, terwijl hij de wereld tot ergernis is.

Nu, ik moet hem in den Naam van den Drieëenigen God zeggen, dat de man, Ds. Wisse, zich zijn eigen beeld in zijn Wekker heeft laten zetten, en dat de man niet wedergeboren is in Christus Jezus, den Rechtvaardige en Onzondige, en dat hij het Koninkrijk Gods niet zien kan, om reden hij den Vader noch den Zoon kent, en hij daarom geene gemeenschap heeft met den hemelschen Vader, en ook niet met den Zoon, Jezus Christus.

Maar hij kent wel den vorst der duisternis, van zonde en ongerechtigheid, onder de bedekking van Gods Woord en daarbij vleeschelijke wetenschap, die hij uit de boeken haalt. Maar den Vader, den Zoon noch den heiligen Geest, den Drieëenigen God, Die het heeft beloofd, dat Hij hen zou leeren en de wet in hun hart zou graveeren, en wat de waarachtige waarheid is, neen. Dien kent Ds. Wisse niet.

Ds. Wisse zegt in hetzelfde stuk, dat Jesaja zegt: zij vormen eene zoogenaamde eigen kerk, gelijk de profeet het uitdrukt in Jesaja 69; maar ik lees in dat hoofdstuk volstrekt van geene kerk; daar staat van geene kerk in; dat maakt hij er bij.

Hij zegt van die zoogenaamde kerk; eer zij barensnood had, heeft zij gebaard, en eer haar smart overkwam is zij van een knechtje verlost; ja, van een knechtje, geen zoon; van een dienstbare, geen vrije. Daar bedoelt Wisse zeker mee de kerk waaraan hij eerst heeft behoord, maar nu heeft hij zich een eigen Sion opgericht en spreekt tegen zijne kerk Sions in zijn Wekker.

Met Sion gaat het anders. Sion heeft weeën gekregen en zij heeft hare zonen gebaard. Die zonen mogen erven en ontvangen straks die onverderfelijke en onbevlekte erfenis, die voor hen weggelegd is in de hemelen. In het geestelijke dan ook geen geboorte zonder smarten.

Welk kind Gods weet er niet van te getuigen eer hem de uitroep van de lippen kwam, „ook ik in Sion geborenquot;. Zoo zegt Ds. Wisse het tegen zijne gemeente.

Maar o, wat een leugens; die man is in het geheel niet in Sion geboren, met zijn handel en wandel om zijn eer en voordeel te zoeken. Hij moest wat minder praats hebben en wat meer doen. Want uit de vrucht wordt de boom gekend. En daarom heeft hij groot gelijk gehad om het woordje

ocr page 447

421

„benquot; er af te laten; en hij niet zegt; „ook ik ben in Sion geboren

Ik zeg neen, Ds. Wisse, gij zijt niet in Sion geboren; dan hadt gij andere weeën gekend dan nu maar wat uit boeken in De Wekker te schrijven, met eene lange pijp in den mond, onder de bedekking van woorden uit Gods heilig Woord, terwijl de God Sions zoo rechtvaardig en heilig is, en gij Hem zoo veronachtzaamt.

Neen, Ds. Wisse, wanneer gij in Sion waart geboren, dan zoudt gij andere geestelijke smarten kennen; dan zoudt gij meer om uwe naasten denken en uit liefde tot den God Sions, de ongelukkigen bijstaan met raad en daad; dan zoudt gij u als een barmhartige Samaritaan moeten gedragen en een ieder bijstaan, althans degenen die u laten roepen om een stervende bij te staan, die daar worstelde met den laatsten vijand, den dood, den duivel, de oude slang, satanas met zijne gevloekte booze geesten, die daar streden tegen die weerlooze bekommerde en onmachtige ziel, die sterven ging, en waarop de vijand aasde met zijn geheele heir, en alle krachten inspande om zijne prooi niet te doen ontglippen, maar om ze mee te voeren naar de hel.

Maar waarom zijt ge niet gekomen, Ds. Wisse, met uwe onverderfelijke en onbevlekte erfenis? Kwam dat omdat die stervende niet aan uwe kerk Sions behoorde?

O, de waarachtige en rechtvaa rdige God Sions zal die stervende van zijne ziel eischen in zijn oordeelsdag, daar kan hij op aan. Ja, Professor Lindeboom, dat kan ik hem gerust zeggen, daar ik zeker weet, dat God een waarmaker van Zijn woord is, en die den wil des Heeren geweten en niet gedaan heeft, zal met dubbele slagen geslagen worden. En al wat de almachtige God in zijn waarachtig Woord heeft gezegd, dat volvoert Hij ook door Zijne kracht en op Zijnen tijd.

Ja, daar mag Ds. Hugenholtz ook wel eens terdege over denken met zijn modernen aanhang, dat er geen woord af noch bij mag van Gods waarachtig Woord.

O, die ongelukkigen, die maar een eigengemaakten godsdienst hebben gevormd om braaf te leven, terwijl er hoe langer hoe meer de zonde door op de wereld komt en ellende, met hunne braafheid van eigengerechtigheid, terwijl de duivel hun inblaast, dat zij geen Christus behoeven, maar zich zeiven wel kunnen beheeren. Dat zijn de anti-christen-verleiders, die in de wereld zijn gekomen, waarvan

ocr page 448

422

de Apostel Paulus in Gods Woord spreekt, menschen die niet belijden datjezus Christus, de Zoon des levenden Gods, in het vleesch gekomen, gestorven en weder opgestaan is. ,, Deze is de verleider en de anti-christquot;, zegt Paulus. En Jezus Christus zegt; „Ik ben gekomen in den naam Mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan; zoo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen.quot; O, wat eene waarheid.

Maar ik neem zulk een eigen gemaakten godsdienst niet meer aan, waar de duivel het hoofd van is, met zijne booze machten. Daar heb ik meer dan te veel van gehad. Het is niets anders dan een Café-chantant, waar de eene komiek nog mooier voordraagt dan de ander, om met hunne eigene brave woorden Gods Woord voor te dragen precies zooals de duivel het met zijne verdoemde machten van geesten, die onzinnig zijn, vanwege hunne pijniging, het hun ingeeft.

En daarbij zingen de chanteuses de eene nog harder dan de andere mee, en de solisten schreeuwen zoo verbazend ter eere van hun afgod, den duivel, dat de geheele eigene braafheid, door den satan aangewakkerd, in verrukking uitbarst, om na eene wijle weer in het niet weg te zinken vanwege hunne brave ellendigheid, waarin zij verkeeren zonder Christus.

O, die ongelukkigen, zij zijn zoo braaf, dat er zelfs door een voordrager werd afgekondigd dat er niets in de bussen werd gedaan, zoo goed als niets, en daarom werd bij het uitgaan der uitvoeringen een persoon bij de bus gezet om goed toe te zien of er wel wat in werd gedaan. Wat eene braafheid.

Ja, daar was het, in dat gebouw op de Weteringschans, waar ik naar toe ging om braaf te worden. Ik dacht, dan zou ik wel in den hemel komen. Maar jawel, daar was het juist dat ik zoo ellendig werd.

Het was op een Zondagmorgen, dat ik er naar toe ging, en toen vond ik een affiche op de plaats waar ik ging zitten, en waaruit wij moesten zingen. Daar was het dat de duivel in mij voer. En van toen af werd ik hoe langer hoe erger van den duivel bezeten, zoodat ik eerst eenige maanden als eene bezetene thuis ben geweest. Maar toen het te erg werd, ging ik naar Veldwijk.

O, die ongelukkigen, die dat Chantant hebben opgericht, die moesten eens weten, en allen die er aan meewerken en degenen die er aan behooren, die zullen eens ondervinden.

ocr page 449

423

in den dag huns oordeels, hoe braaf zij zijn, als de almachtige heilige Jehova hen allen op Zijn tijd gaat oordeelen en zij met hun afgod, den duivel, daar machteloos nederliggen in den poel des vuurs, waar de duivel, de koning der verschrikking, hen aangrijnst met zijne booze geesten, en al die eigengemaakte brave menschen met hunnen afgodischen antichristelijken godsdienst zal belachen, omdat zij nu voorgoed zijn eigendom zijn, om hen tc pijnigen met zijne pijniging in de hel.

Ja, dat zullen die brave Christus-verzakers, Gods-Woordloochenaars eens ondervinden. Laten die verleiders nu hun gang maar gaan, om den menschen het verkeerde aan te toonen, dat zij den Doop en het Heilig Avondmaal niet noodig hebben, want dat het een oude sleur is.

O, o, o, wat een gruwel. En daar komt maar geen dominé tegen op uit eene andere kerk, om dezulken te verslaan gelijk een David deed en Goliath versloeg, terwijl hij sprak: „Zou ik niet haten die mijnen God haten? Ja, ik zal ze met een vreeselijken haat hatenquot;. En Jezus Christus zegt immers: „Vrees niet. Ik ben de Eerste en de Laatste; die overwint, die zal bekleed worden met witte kleederen, en Ik zal zijnen naam geenszins uitdoen uit het Boek des Levens, en Ik zal zijnen naam belijden voor Mijnen Vader en voor Zijne engelen.quot;

Maar ik vraag u: waar zijn de leeraars die gelooven om tegen die synagoge des satans op te komen, en met Jezus Christus te overwinnen? Christus zegt: „Ik ben levend in alle eeuwigheid, en heb de sleutels der hel en des doodsquot;. Maar waar is het leven van Christus in de leeraars te vinden, om den ongelukkigen, — die al dieper en dieper en lager zinken in de diepten van zonden des satans, — den dood en de hel aan te zeggen? Zij houden zich liever doof en zwijgen maar en toch zal God hen van hunne hand eischen.

Zij loopen er maar lauw heen, zonder het leven van Jezus Christus in hen, om met Hem te strijden en te overwinnen. De leeraars blijven maar het liefst ieder op zijn eigen houtje en even goede vrienden. Daarbij; „Vrede, vrede, geen gevaar.quot; Zij willen niet naar Gods Woord hooren, maar wel spreken, en daarom zal de waarachtige Getuige, Gods Zoon, hen uit Zijnen mond spuwen, die leeraars van de woorden maar niet van de daden, in plaats dat zij zullen zitten in den troon van Jezus Christus, den Overwinnaar der overwinnaars, tot in der eeuwigheid.

ocr page 450

424

O, die Hugenholtz moest eens weten wat zijn broeder lijdt. Want wie niet blijft in de leer van Christus, die is vervloekt, en die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.

Het zal die ongelukkigen precies gaan als den rijken man, die stierf en deed zijne oogen open in de hel, en van waar hij vroeg om eene boodschap te zenden naar zijne broederen, maar ten antwoord kreeg: „ zij hebben de wet en de profeten, laten zij daarnaar hooren.quot;

En, o wee, als de leeraars zeiven niet naar Gods Woord hooren en er niet aan gelooven als zij sterven. Dan zijn zij voor eeuwig verloren, gelijk de rijke man, wanneer zij hier op aarde geene genade hebben ontvangen om zich tot den waarachtigen God te wenden en zich te bekeeren van den dwaalweg waarop zij wandelen.

O, er zullen wat veel leeraars zijn, die maar op genade voortleven, zonder zich om iets te bekommeren, en zich nooit hebben beproefd of Christus in hen leeft. Ja, er zullen velen verwerpelijk zijn, voor wie eens een tijd zal aanbreken, dat zij zullen wenschen dat zij niet geboren waren, maar ook, dat zij nooit een kansel hadden beklommen, daar zij nooit hebben willen hooren wat de Geest tegen de Gemeente zegt.

O, mochten zij allen hier op aarde in de voorhei komen, gelijk ik, en dan ook genade ontvangen, door de straften van den levenden God gade te slaan, Die een verterend vuur is , dat niemand dragen kan, en waar ik van kan getuigen.

O, mochten zij allen dan die straffen Gods gadeslaan om zich tot Christus Jezus te wenden, en door Hem geleerd te worden naar Gods wil en welbehagen, zoodat zij voor eeuwig behouden worden in Jezus Christus, onzen Verlosser en Zaligmaker.

O, mocht de Paus die genade ook ondervinden, dan zou hij Christus volgen, zooals de Heere Jezus het aan Zijne Apostelen heeft gezegd, die Jezus, die niets had waarop Hij Zijn hoofd neer kon leggen, omdat Christus Jezus geene rust had, maar immer over het Koninkrijk van God sprak, om de menschen tot God te bekeeren.

Dan zou de Paus geen aardsch koninkrijk begeeren, zooals hij nu op den troon zit met een aardsch koninkrijk om hem heen, dat hij regeert naar zijn wil, door hoogere machten bestierd, die tegen den almachtigen God opstaan, om tegen Zijne ordonnantie te strijden.

Neen, dan zou de Paus een koninkrijk in zijne ziel binnen in hem hebben en van al die pracht en weelde, die hij eens

ocr page 451

425

moet achterlaten, niets willen weten, maar alleen Christus Jezus volgen, Die hem dan een visscher der menschen zou maken, gelijk Christus het ook heeft gedaan met een Petrus, die ook voor het Koninkrijk Gods moest arbeiden, maar niet voor een aardsch koninkrijk, wat wereldsch is, neen geestelijk.

Neen, als het Koninkrijk Gods binnen hem was, dan zou hij onmogelijk afgodische beelden kunnen vereeren, gelijk hij het nu doet en laat doen, door zijne eigene ordonnantiën, en die in strijd zijn met Gods Woord, daar de driemaal heilige God in Zijn waarachtig Woord heeft gezegd; „Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken van wat boven in den hemel of wat op de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienenquot;, daar God dezulken bezoeken zal.

Maar de Paus is daar blind voor; zeker omdat hij onfeilbaar is, neen, omdat hij het Koninkrijk Gods niet binnen zich heeft, met Christus, den gekruisten Heiland, zooals Petrus het had ontvangen van den gekruisten Christus, den Man der smarten. En daarom moest Petrus ook met Christus lijden, om hiernamaals verheerlijkt te worden.

Maar de Paus heeft liever een dood beeld van Christus aan een houten kruis, om dat te aanbidden, dan een levenden Christus met Zijn kruis te volgen en God te aanbidden in geest en in waarheid en niets dan waarheid en te doen wat Jezus Christus in Zijn heilig Woord heeft gezegd.

Hoe is het mogelijk dat Zijne Hoogheid zoo onbegrijpelijk kan zijn om eene Maria, de moeder van den Heere Jezus Christus, zooveel macht toe te kennen, daar zij geene macht bezit. Zij was eene begenadigde vrouw, gelijk wij ook genade moeten ontvangen.

Maria was door God verkoren om de moeder van onzen Zaligmaker te worden, anders niets. Zij was eene gezegende onder de vrouwen, meer niets. Daarom zeide Maria tegen den engel Gabriël; ,, Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar Uw woord.quot;

Daaruit kunnen wij zien, dat Maria niets had te zeggen, maar alleen geloofde. En de Heere Jezus zegt zelf tegen zijne moeder; „Vrouw, wat heb ik met u te doen. Mijne ure is nog niet gekomen.quot; Maar toch wist Maria, de moeder van Jezus, door de ingevingen des Geestes Gods, dat haar Zoon, Jezus Christus, de Zoon des Allerhoogsten, er de macht toe had, dat wat Hij zou zeggen zou gebeuren. Vandaar dan

ocr page 452

426

ook de watervaten met den heerlijken wijn, dien Christus Jezus door Zijne macht te voorschijn bracht.

Zoo zien wij dat Maria het van haar Zoon moest hebben, maar zelf niets kon doen, en de Zone Gods niets van Zijne moeder behoefde te hebben, die zelf genade had ontvangen, daar Jezus Christus, den Koning in der eeuwigheid, alle macht was gegeven, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

En daarom den Heere Jezus Christus alleen, den Zone des levenden Gods, Hem alleen, door den Heiligen Geest, toegebracht de eer, de lof en aanbidding, en niemand anders aangebeden dan den heiligen God en onzen Zaligmaker alleen en anders geen!

O, ik sta verwonderd, hoe het mogelijk is, dat de Paus Gods Woord vooruitloopt, daar er geschreven staat in Gods Woord: ,, Het is den mensch gezet te sterven en daarna het oordeel.quot; Maar de Paus heeft zich al vast onfeilbaar laten verklaren, alsof Zijne Hoogheid niet meer geoordeeld behoefde te worden.

Nu, ik hoop dat Zijne Hoogheid bewaard zal worden in den dag des oordeels, opdat hij niet in het eeuwige vuur omkome, waar weening zal zijn en knersing der tanden, daar de oordeelsdag voor een ieder eens aan zal breken, Paus of geen Paus.

En die Jezus Christus zijn nagevolgd en Zijn Woord hebben bewaard , zullen geoordeeld worden , om met Christus Jezus voor eeuwig te leven en te zitten in Zijnen troon, die in den hemel is, maar die Jezus Christus en Zijn Woord ongehoorzaam zijn, zullen geoordeeld worden ten eeuwigen vure, indien de laatsten geene genade ontvangen. En dat verhoede God, dat de Paus hiernamaals voor eeuwig zou vallen, zooals het pausdom eens op aarde moet vallen, daar het pauselijk koninkrijk geheel in strijd is met Gods waarachtig Woord, daar Gods Koninkrijk binnen in ons moet zijn, door Gods Heiligen Geest, maar niet met uiterlijke pracht en vertoon.

Maar o, daar zal nog eerst wat voor gestreden en geleden moeten worden, eerdat de heilige Jehova aangebeden wordt in geest en in waarheid door een ieder, en daar zal eerst wat bloed moeten stroomen over de gansche aarde vóór dat de ware leer van Jezus Christus en Zijn Evangelie naar waarheid door de geheele wereld zal gepredikt worden. Er zullen nog eerst wat oorlogen moeten aanschouwd worden vóór dat de banier van Christus over het gansche wereld-

ocr page 453

42/

rond is geplant. Er zullen nog eerst wat hongersnooden en epidemieën van pestilentiën en aardbevingen geschieden,, hier in ons land net zoo goed als wij het reeds hooren en zien in andere landen, eerdat de ware gekruiste Heiland wordt aangenomen om met Hem gekruist te worden, zoodat zij kunnen zeggen: „Ik leef mij zeiven niet meer, maar Jezus Christus leeft in mij.quot;

En er zullen nog wat valsche profeten en leeraars opstaan, die roepen : „ hier is de Christus; neen, daar is de Christus om de menschen te verleiden, waardoor de ongerechtigheid vermenigvuldigd wordt, en de liefde wordt verkoeld jegens den heiligen God en hunne naasten.

Ja, dat alles zal eerst terdege moeten geschieden, terwijl wij het begin reeds voor onze oogen zien. En dat is nog maar een begin der smarten, maar nog lang het einde niet. Laten zij maar roepen: „Hier is de Christusquot;, en „daar is de Christusquot;; „hier is het vredequot;, en „daar is het vredequot;, onder de bedekking van Gods Woord.

Ja, de almachtige, Drieëenige Jehova zal Zijn waarachtig en heilig Woord wel bevestigen , zoo waarachtig als Hij leeft tot in der eeuwigheid, en alle instrument dat tegen den almachtigen God gekant is, zal niet gelukken, maar zal Hij verdoen. Ja, de Heere der heirscharen verhief Zijne stem en de aarde versmolt. Ja, de heilige Jehova zal hen belachen en doen wat Hij wil, maar niet wat de duivel met de valsche profeten en de menschen maar willen.

En daarom al wat menschenwerk en duivelsch is, zal te niet gedaan worden door den Almachtige, want Gods troon is eeuwiglijk en de scepter Zijns Koninkrijks is een scepter der rechtvaardigheid, daar God de gerechtigheid liefheeft, maar haat alle leugen en goddeloosheid.

O, moge het Gode behagen door Zijne genade allen te brengen, Paus of geen Paus, maar alle menschen, aan het Kruis van den levenden Christus, opdat zij kunnen getuigen met den heiligen Apostel Paulus: „ Het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin

Maar dan ook hier op aarde geen troon, ook geene kroon , ook geen eer en voordeel; dat zijn instrumenten die geheel strijden tegen God en Zijn Woord. Maar een Christus in het hart, en Zijn kruis dat wij volgen, en eene doornenkroon op ons hoofd, dan zijn wij Christus Jezus deelachtig, en leven in Hem en is het sterven ons gewin, maar dan zijn wij geborgen voor tijd en eeuwigheid.

ocr page 454

428

Nu, eerwaarde Professor, ik zal nu maar eindigen, hoewel ik UEw. er eerst nog op moet wijzen, dat ik niet in eigen kracht de brieven aan UEw. heb geschreven, maar door de kracht Gods, in Christus Jezus, door Zijnen Heiligen Geest.

UEw. kan hierin zien, hetwelk ik ook mag zien, hoe waarachtig Gods Woord is, als de Waarachtige daarin zegt: ,, Het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou, en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen, en, het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niet is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou doen. Maar uit God zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing.quot;

O, Eerw. wat eene waarachtige waarheid van den almach-tigen God. Want wat zou ik, dwaas schepsel, die zoo goed als nooit naar eene kerk is geweest en geen Bijbel in mijn huis had! En nu is het ruim vier jaar dat Jezus Christus mij uit satans macht heeft verlost, en nu ben ik gerechtvaardigd in Christus Jezus, om door Zijne kracht in heiligmaking godzalig te leven, Gode welbehagelijk.

Ja, eerwaarde Professor, UEw. zal wel met mij moeten bekennen dat deze brieven niet door mijne kracht op het papier zijn gebracht, maar wel door den Drieëenigen God, in Christus Jezus, Zijnen geliefden eenigen Zoon, door den Heiligen Geest mij gegeven, en Die mij alles ingaf om het UEw. te doen geworden.

En daarom breng ik, zwak en onedel, nietig sterveling, de eer, de lof, de roem, prijs en aanbidding en dankzegging toe aan den driemaal heiligen en rechtvaardigen God, nu en tot in der eeuwigheid. Amen!

Ja, eerwaarde Professor, zoo zijn de brieven af gekomen na een vreeselijken strijd met Jezus Christus tegen den duivel en zijne vreeselijke booze machten, en die tegenwoordig maar weg worden gecijferd. Maar ik ken dien overheerscher der wereld met zijne listige en venijnige aanslagen van verleidingen. Ik ken nu die oude slang, dien satanas. Hij heeft mij wat gesard eer ik dezen brief af had, inwendig en om mij heen, daar die oude slang, die leugenaar, niet kon dulden dat ik zoo naar waarheid voor Jezus Christus mocht getuigen. Maar Christus Jezus, de Overwinnaar der overwinnaars heeft overwonnen , en zal blijven overwinnen tot in der eeuwigheid. Amen!

ocr page 455

429

O, eerwaarde Professor, moge het u door genade gegeven worden, om te bidden en te smeeken, in den Naam van Jezus Christus, opdat gij met Hem door genade moogt strijden den goeden strijd des geloofs, en om in Christus Jezus te strijden tegen den duivel en zijne booze machten van booze geesten en die moedig door de kracht van Christus het hoofd te bieden , en er rond voor uit te komen, wie ze zijn, opdat gij hen allen kunt verslaan met de wapenrustingen Gods en het borstwapen der gerechtigheid van Jezus Christus. Daar moet de oude slang, de duivel met zijn geheele rijk van booze geesten met hunne ongerechtigheid voor wijken. En dan weet gij ook, dat Jezus Christus, de Zone Gods, in u leeft en in u werkt. En dan zult gij ook moedig strijden tegen alles wat menschenwerk is onder de bedekking van Gods Woord, maar niets anders is dan eigen eer en voordeel te zoeken.

En die nu door genade de wet in Christus Jezus bewaren, mengen zich in strijd tegen hen, maar die de wet verlaten prijzen de goddeloozen en gaan hun eeuwig verderf te gemoet.

En daarom niet het mes aan twee kanten geslepen, waarvan de eene kant voor den duivel met zijne gevloekte machten van booze geesten is, en de andere kant voor Christus en Zijn kruis, zooals men het liefst zelf maar wil. Neen, met de punt des zwaards van Gods waarachtig Woord, den menschen het Evangelie verkondigd in geest en in waarheid, en niets anders dan waarheid. Geene wijsheid van mensche-lijke formulieren, geene belijdenis van ja, op menschenwerk, van te gelooven aan de Drieëenheid en eene Algemeene Christelijke kerk, omdat wij gedoopt zijn.

Neen, dat geloof geeft niets, zonder te beproeven of Jezus Christus in ons leeft. Men moet door Christus met den Pleiligen Geest gedoopt zijn. Dan kunnen wij gelooven en weten dat wij met Christus gekruist zijn en Christus in ons leeft en werkt, Hij Die ons heeft liefgehad, en wij Hem. Ja, dan kunnen wij niet anders gelooven dan in den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, daar de Geest Gods, in Christus Jezus, zelf het ons openbaart, dat de driemaal heilige God, Drieëenig is.

En daarom ook geen gezonde waarheden der Gereformeerde leer; die leer is menschenwerk en is oud en gaat dood, daar het Evangelie van Jezus Christus immer leeft. En de almachtige Jehova schept immer nieuwe dingen uit Zijn waarachtig en heilig Woord, aan allen die Hem liefhebben en de

ocr page 456

43°

verschijning van Jezus Christus hebben liefgehad. Want de Geest Gods onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods, maar de Geest van God onderzoekt niet de Reformatie, ook niet de beginselen van Calvijn.

Bij den almachtigen God is alles nieuw. Ook schept de Geest Gods geen nieuwe beginselen die gevolgd zouden kunnen worden en grondtrekkingen door vleeschelijke wijsheid en wetenschappelijke theologie van menschen. O neen , de Heilige Geest Gods, in Christus Jezus, schept uit de volheid van Zijn dierbaar Woord al wat geen oog ooit heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart des menschen niet is opgeklommen, dat nieuwe Jeruzalem van hier boven, met zijne eeuwige zaligheid in de ziel; dat openbaart de Heilige Geest aan allen die God liefhebben en Zijne geboden onderhouden in Christus Jezus. Die Geest geeft hun eene voorsmaak uit de volheid Gods, zoodat hun de levende wateren uit hunne ziel vloeien, tot eer en roem van den Drieëenigen God.

Eerwaarde Professor, moge het Gode behagen, door Zijne genade, u te geven, dat gij in eenvoudigheid en oprechtheid des harten, niet met vleeschelijke wijsheid en leerstellingen van menschen, maar door de genade Gods en uit de volheid van Zijn heilig en waarachtig Woord in Christus Jezus, moogt verkeeren in de wereld, opdat de liefde bij u volmaakt worde en u vrijmoedigheid mag hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk Hij, Jezus Christus is, gij ook moogt zijn in deze wereld, en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods, hetwelk ik ook door genade heb ontvangen, en waar ik nu maar uit mag scheppen door de kracht van Christus, tot verheerlijking Gods.

En o, dan zult gij een ware parel aan de kroon van Jezus Christus zijn, niet om u zelven te behagen of een ander te eeren, maar om in waarheid van Hem te getuigen en Zijn Naam groot te maken. Want dan behoort gij niet meer aan eene Algemeene Kerk, met den naam van Christelijk. Neen, maar aan de ware Gemeente van Jezus Christus, die over de gansche aarde verspreid ligt, in de vier winden, van het eene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.

Dan zult gij schijnen als een licht in de wereld tusschen een krom en verdraaid geslacht, en dan hebt gij den nieuwen keursteen ontvangen, dien niemand kent dan degene die dien Naam ontvangen heeft; en die Naam is Christus Jezus, de Zone des levenden Gods, de Rechtvaardige.

ocr page 457

43i

Dan strijdt gij onder Zijne banier den goeden strijd des geloofs, om in de kracht van Jezus Christus het rijk des satans, den vorst der duisternis, van zonde, ongeloof en bijgeloof, en rampen en ellende af te breken, en Gods Koninkrijk te helpen opbouwen van waar geloof, gerechtigheid , liefde en vrede, tot eer en lof van den driemaal heiligen, Drieëenigen God, zoodat uw leven Christus is, en het sterven u gewin.

Dat is de hartelijke wensch van eene begenadigde en verloste door het bloed des Lams, eene vrijgekochte en wedergeborene, in Christus Jezus, met wien ik hoop te strijden en te volharden in Zijne kracht, tot den einde toe, en te overwinnen tot in der eeuwigheid. Amen! Ja, driewerf in Christus Jezus, Amen!

Na beleefde vriendelijke groeten,

Hcilbiddend en hoogachtend,

UEiv. dienstwillige dienaresse, Mevr. Wed. A. R. REINSBERG, Bezuidenhout 231,

den Haag.

P.S.

Eerwaarde Professor,

Deze brieven zijn gekopieerd, daar de driemaal heilige en Drieëenige God wil hebben dat deze brieven met de brieven van Ds. Notten en de brieven die ik aan Dr. H. H. Kuyper, en Ds. Wisse en eenige vrienden heb geschreven er bij moeten , om het licht te zien; maar eerst moet mijne bekeerings-geschiedenis, waaraan ik reeds ben begonnen, af, om dan gezamenlijk in een boek uit te geven.

En de almachtige Jehova heeft mij geopenbaard, door Zijnen Geest, dat er vele blinde zielsoogen door geopend zullen worden en vele verharde harten gebroken, doordat zij zeer bevreesd zijn geworden, en hebbenden Gods des hemels heerlijkheid gegeven, want God werkt mede. En zij zullen zich tot God bekeeren, om in Christus Jezus behouden te worden, want de Drieëenige God zal het doen om Zijn verheven grooten Naams wille.

ocr page 458

432

N.B. Maar dat zal nog eerst wat strijd kosten; dat laat de duivel zoo gemakkelijk met zijne trawanten niet toe. Maar o, geen strijd geen overwinning, om alles te beërven en te zitten in den troon van God, den Vader, en den Zoon, Jezus Christus, Wiens Koninkrijk geen einde hebben zal, daar Christus overwint. Ja Christus overwint en Jezus Christus overwint tot in der eeuwigheid. Amen! In Christus, Amen!

ocr page 459

Nabericht.

Pinksternacht jl. had ik mijn boek af na een heftigen strijd; de laatste week met Christus tegen satan en zijne machten. Jezus Christus zeide tegen mijne ziel: „Het boek moet vóór de dagen van Pinkster afquot;, en de duivel sprak; „Ja, maar ik ben er ook nog, en zal alles doen om het te beletten; ge zijt er nog niet.quot;

En wat satan mij een lagen heeft gelegd is niet om te zeggen. Verscheidene brieven heb ik moeten beantwoorden, daar ik anders zelden brieven ontvang, en bezoeken ook niet; zoodat mij dat alles niet een beetje ophield, en ik dacht: ik krijg het onmogelijk af; maar ik kreeg telkens in mij: „Christus overwint. Christus overwint. Jezus Christus overwint.quot;

En dat gaf mij moed en kracht tegen al de lagen en bestrijdingen des satans, zoodat ik van Vrijdagsochtends tien uur tot 's avonds 6 uur — daar ik naar de Vereeniging van het geloof in de volheid van Christus ging, en toen ik terugkwam, weer — mij aan het schrijven zette tot 's ochtends 5 uur. Ik ging toen uur te bed, waarna ik opstond,

mijne kamer aan kant maakte en toen weer ging zitten te schrijven, en te middernacht kwart voor één was het boek af, waarbij ik uitriep: „Jezus Christus, de Zone des levenden Gods, heeft overwonnen. Hem alleen de eer.quot;

En toen werd ik zoo verheerlijkt, dat mijne ziel jubelde en juichte. Ja, dat was nog eens Psalmen zingen in den nacht, zooals ik dat door genade mocht ondervinden, eene ware voorsmaak uit den hemel, daar satan weer door mijn Zaligmaker Jezus Christus was overwonnen,

Ik was de Pinksterdagen recht gelukkig. De Geest van God was kennelijk met mij, zoo verheerlijkt was ik en de menschen konden het aan mij zien, ook vanwege het getuigenis van Christus in mij.

28

ocr page 460

434

Na eenige dagen begon de strijd weer, daar ik met het boek dat ik geschreven had naar Ds. Notten te Velp ging. Ik werd heel vriendelijk door hem ontvangen en Z.Ew. beloofde het boek te lezen, maar raadde mij aan het niet uit te geven, waarop ik antwoordde: „Dominé, het is voor God!'

Eenige dagen er na zond Ds. Notten mijn boek terug met een brief er bij van den volgenden inhoud;

Waarde Mevrouw,

Eerder dan ik dacht is het mij mogelijk geweest uwe cahiers te lezen. Volgens belofte zend ik ze u tijdig terug.

Hoeveel liefelijks ook in uwe schrifturen voorkomt, en waarover wij ons geestelijk te verblijden hebben, moet ik toch bij mijn uitgesproken advies blijven, en u de uitgave ernstig ontraden, niet alleen omdat, zooals vanzelf spreekt, het geschrevene met het oog op taal en stijl niet persklaar is en zou moeten nagezien, maar omdat in uwe beschrijvingen allerlei namen genoemd worden, b.v. die van patiënten te Veldwijk, en bovenal omdat er namen in aangetast worden, die in des Heeren Kerk in groote achting zijn.

Geen oogenblik twijfel ik aan de oprechtheid van uwe bedoeling, en dat u overtuigd is dat de dingen zoo zijn als u weet; maar ook in oprechtheid kunnen wij dwalen en te goeder trouw een verkeerden blik op vele zaken hebben.

Ook mogen wij niet uit de gebreken die wij ontdekken, besluiten dat iemand zonder genade is.

Ik kan u geen anderen raad geven dan dezen; Ga in stilheid uw weg; schuil bij den Heiland. Raadpleeg biddend Zijn Woord. Woon rustig de prediking van trouwe leeraars bij, en beweeg u weinig in het gewoel des maatschappelijken en kerkelijken levens. Help eens een zieke of hulpbehoevende, en houd u overigens bezig met de armen. Wat voor den een goed is, is het niet voor den ander.

De Heere heeft u door Zijne genade verlost uit droeven toestand. Dit is reeds eene prediking; al zegt gij niets, dan is uwe herstelling reeds eene welsprekende prediking. Moge de Goede Herder u zachtkens leiden aan zeer stille wateren. Geef Hem alles in handen. Wijs satan steeds naar Hem heen. Laat Hem voor alles zorgen; Hij zal het maken.

Den Heere bevolen, door

Uwen U liefh. in Christ. J. Velp, 18 Juni 1897. J. W. A. NOTTEN.

ocr page 461

435

Toen ik den brief had gelezen, viel ik op mijne knieën en schuilde bij mijn Heiland om Hem te raadplegen en kreeg onder het bidden in mijne ziel ten antwoord: „De heilige Jehova zal u bijstaan met Zijnen raad, want Mijn oog zal op u zijn voor tijd en eeuwigheid, en daarna zal God u opnemen in Zijne heerlijkheid.quot;

Ik heb toen Ds. Notten teruggeschreven met deze woorden:

Weleerwaarde Dominc Notten, Zeergeachte Dominé!

U schrijft mij; „de Heere heeft u door genade verlost uit droeven toestand. Dit is reeds eene prediking; al zegt gij niets, dan is uwe herstelling eene welsprekende prediking.quot;

Waarde Dominé, als ik niets zeide, hoe zouden zij dan kunnen hooren, als ik hun niet vertelde de groote dingen en deugden die de almachtige God aan mij heeft gedaan; en als ik zweeg, dan zouden de steenen spreken, daar ik een levend getuige van Gods waarachtig Woord ben.

Ik heb mij geheel aan den rechtvaardigen God overgegeven. Hij zal mij bijstaan met Zijnen raad, zooals de heilige Jehova het op Veldwijk ook heeft gedaan, want ik weet. Zijn oog zal op mij zijn, en daarna zal Hij mij door genade opnemen in Zijne eeuwige heerlijkheid. Amen!

Na vriendelijke groeten, heilbiddend, hoogachtend,

Eene zvedergeborene in Christus Jezus, Wed. A. R. REINSBERG.

De volgende week, nadat ik mijne cahiers terug had, ging ik er mede naar Ds. Knottnerus. Ik vroeg aan Z.Ew. of hij mijn boek dat ik had geschreven, eens wilde lezen. Dominé antwoordde van ja, maar zeide niet alles te kunnen lezen, daar Z.Ew. uit de stad ging; en toen ik hem het een en ander vertelde van Veldwijk en mijne bekeering en ik er onder andere van sprak, dat die heilige Jehova zoo veronachtzaamd werd met de daad, antwoordde hij, dat ik moest geen Jehova zeggen; de Heere had gezegd: „Onze Vaderquot;, en dat moest ik zeggen.

ocr page 462

436

„Jaquot;, zeide ik, „er staat ook in den Bijbel van Jehova.quot;

Verder sprak Dominé, dat ik een Lydia moest zijn en mij laten leeren. „Jaquot;, sprak ik, „maar er zijn ook nogDebora's om voor God te strijden, en met Christus te overwinnen.quot; En nadat ik nog het een en ander had gesproken vanwege het ongeloof, waardoor er geene kracht van Christus uitging, zeide Ds. Knottnerus dat hij het boek niet wilde lezen. En toen ging ik heen, Dominé Gods zegen toewenschende.

Eenigen tijd daarna ben ik met het boek gegaan naar Professor jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman. Z.H.G. ontving mij heel minzaam. Ik sprak wel een half uur met Z.H.G. over mijne bekeeringsgeschiedenis, waardoor Z.H.G. zeer was getroffen en geneigd was mijn boek te lezen, dat mij navier dagen terug werd gezonden met een brief, welks inhoud luidde;

I Juli 1897.

Geachte Mevrouw,

Ik zend u uw boek hierbij terug. Het bevat vele belangrijke en merkwaardige mededeelingen. Ik hoop van harte, dat, steeds meer, gij den vrede zult ervaren die boven alle verstand en gedachten der menschen is, en dat gij den moed zult behouden om van uwen Weldoener en Zaligmaker te getuigen.

Ik geloof echter dat gij getuigen moet met den mond, maar niet met boeken uit te geven. De Heere geeft aan ieder bijzondere gaven. Hij verlangt niet dat wij juist boeken zullen uitgeven.

De Heere Jezus heeft heel weinig van zich zeiven gesproken en de Apostelen ook niet. Wij weten van hunne eigenlijke bekeering heel weinig. Slechts met een paar woorden spreekt de Apostel Paulus er van. Des te meer spreekt hij van Zijnen Heer.

Ik zou denken, dat gij uw boek moet bewaren voor uwe kinderen. Deze kunnen er veel uit leeren. En willen die of hunne kinderen het later nog eens uitgeven, dan kan dat zeer goed. Ik heb een mooi boek van een Franschman, die vóór 200 jaar om zijn geloof verbannen is, en dat boek is eerst nu uitgegeven.

Op deze wijze wordt gij ook bewaard van de strikken des duivels; want de duivel is zeer listig en pakt ons soms zoo, dat wij het eerst niet merken; hij kan nu op uwe ijdelheid werken, om u over te halen een boek uit te geven.

ocr page 463

V

437

Daarom zou ik het boek eerst maar bewaren en het aan dezen of genen geven om het te lezen.

Ik ga nu voor langen tijd uit de stad, en daarom zend ik u het boek over de post.

Ik bid u 's Heeren zegen en genade toe.

DE SAV. LOHMAN.

Nadat ik den brief had gelezen , ging ik er over nadenken, en dacht bij mij zeiven: de heer Lohman heeft het boek zeker niet geheel doorgelezen of niet goed opgemerkt. Want als later mijne kinderen of hunne kinderen het eens uit zouden geven, dan waren al de getuigen van Veldwijk, bij voorbeeld zooals Ds. Notten, Dr. van Dale, de Vader en Moeders en al de verpleegsters die ik in mijn boek heb opgenoemd, al lang overleden en konden dus niet meer getuigen , zoodat de menschen die het dan gingen lezen tot de conclusie zouden moeten komen, dat hetgeen ik er in heb geschreven, en wat de waarachtige waarheid is, een leugen zou zijn.

Verder dacht ik; en wat de gave betreft om een boek uit te geven, dan heeft de almachtige God mij al eene bijzondere gave geschonken, met Zijn goddelijk licht bestraald, daar ik het geheel heb geschreven bij zelfondervinding en uit mijn geheugen, nadat ik eerst zoo dom ben geweest, en daarna eene bezetene des satans, en nu zulk een waar boek mag schrijven door de genade mijns Gods; terwijl als een ander een boek gaat schrijven, deze het eerst uit allerhande boeken gaat halen en er zelf naar zijn goeddunken wat bij doet, zonder voor de waarachtige waarheid van Christus op te komen, en met Christus satan met zijne engelen neer te werpen, zoodat het rijk des duivels beschaamd wordt en Jezus Christus zegeviert, niet met mooie woorden, maar met krachtige daden, die Christus dan zelf in ons volbrengt.

En wat mijne ijdelheid betreft, daar zorgt de duivel wel voor met zijne aanvechtingen en bestrijdingen, zoodat hij mij telkens met vuisten slaat en een doorn in mijn vleesch is. En hoe ik nog bij de dominé's en professoren ben gekomen, dat begrijp ik zelf niet, daar ik telkens op den weg bleef

ocr page 464

438

stilstaan, en riep; „o, God, ik kan niet, help mij. En dan riep ik weer; „Neen, ik doe het nietquot;, en ging dan zelfs weer een paar huizen terug. Zoo vreeselijk was de strijd tegen de machten der hel. Maar Christus overwon, zoodat ik in mijne zwakheid krachtig werd, om van mijn Weldoener en Zaligmaker bij hen te getuigen, met vreeze en beven mij zelve zaligheid werkende, om Gods heiligen Naam groot te maken, door Jezus Christus, Die er mij de kracht toe gaf; daarom mijn Jezus alleen de roem, prijs en glorie toegebracht, voor de genade en gave mij geschonken. Amen!

Toen er weer door omstandigheden eenige weken verloopen waren, ging ik met mijn boek naar Professor Lindeboom te Kampen, maar vond Z.H.G. tot mijn leedwezen niet thuis, daar Z.H.G. met Mevrouw al op reis was, zooals de buren mij vertelden.

Ik ging toen door naar mijn broeder in Winsum, waar ik eenige dagen bleef, terwijl ik in de terugreis naar Veldwijk ging. De gewaarwordingen daar kan ik moeilijk beschrijven.

Toen ik weer thuis kwam, ging ik de volgende week met het boek naar een boekdrukker om er over te spreken. Die heer zeide mij, dat hij het zou nazien, en daarop kwam ik eenigen tijd er na terug. Hij antwoordde toen dat ik een uitgever moest hebben, dan wilde hij het wel drukken. Ik sprak dat ik er niet een wist, en daarom bood hij zich aan om er mede naar den heer Beschoor te gaan, en dan zou hij het mij laten weten.

Maar daar het wat lang duurde, ging ik er weer naar toe, en vernam dat de heer Beschoor uit de stad was, maar zoo gauw als hij thuis kwam zou ik iets hooren.

Het duurde mij te lang en daarom ging ik er weer naar toe. En toen vernam ik dat Mijnheer in de stad was en dat de boekdrukker er naar toe zou gaan om er over te spreken.

Een paar dagen er na ging ik zelf naar den heer Beschoor, maar nadat de bediende binnen was geweest zeide hij dat Mijnheer niet thuis was. Ik antwoordde; „Wanneer is de heer Beschoor het beste te spreken?quot;, waarop hij zeide; „Vóór twaalf uurquot;. „Nuquot;, zeide ik, „dan kom ik Maandag vóór twaalven.quot;

ocr page 465

439

Toen ik kwam en vroeg of Mijnheer thuis was, zeide de bediende van ja, en toen hij mij had aangediend en terugkwam, zeide hij dat Mijnheer niet thuis was. Nu, dat zal hij zelf moeten verantwoorden of het waar is.

Ik wist dat de duivel op zijn loer lag, om met zijne instrumenten van strikken en lagen mij tegen te komen. Ik ging toen naar den boekdrukker en vroeg hem, hoe het er mede stond. Hij antwoordde dat de heer Beschoor het boek hem terug had gezonden, maar dat hij het niet wilde uitgeven.

Het verheugde mij toch dat Z.Ed. het had gelezen. Ik hoop, dat het hem, omdat hij ouderling is, zooals ik heb gehoord, in de Hervormde Kerk, tot zegen mag zijn, daar zijn oordeelsdag ook eens zal aanbreken, en dat hij als een rechtvaardige op mag staan.

Verder zeide de boekdrukker dat ik zelf het wel kon uitgeven , en als ik het dan had laten herzien voor de pers, dan zou hij het drukken, daar hij ook voor de waarheid was.

Ik ging toen hier en daar informeeren. Maar de een zeide: „Daar moet ge bij een dominé mee zijnquot;, eh een ander sprak : ,, Gij moet er mee gaan naar iemand van eene hoogere burgerschoolquot;, enz. enz. En zoo kwam ik niet verder.

Op zekeren dag kwam mij iemand in de gedachten die al dikwijls tegen mij had gezegd, als ik hem het geschrift had laten zien toen ik er mede bezig was: „Ja, maar dat kunnen zij zoo niet van het schrift af drukken; dat moet persklaar gemaakt worden.quot;

Daarom ging ik naar hem toe en vroeg of hij iemand wist om het voor de pers in orde te maken. Al spoedig werd mij iemand gezonden die zich bereid verklaarde om het te corrigeeren en het voor de pers gereed te maken. Het duurde evenwel nog al tamelijk lang, omdat het geheele boek moest worden overgeschreven en te gelijk de drukproeven moesten worden gecorrigeerd. En in dien tijd heb ik weer veel ondervonden van mijn God, maar niet minder van den duivel. Het was een strijd zóó hevig, daar de almachtige God mij in het gebed had beloofd, dat vóór het boek uitgegeven zou worden, het hótel zou verkocht zijn. De strijd heeft drie maanden geduurd, en toen was het afgesprongen, om reden ik maar niet door de koopers met mij liet doen wat zij maar wilden.

Toen het af was, i November, was ik zoo moedeloos, dat ik niet kon bidden, daar mijn Jezus het had verloren.

ocr page 466

44°

terwijl mij telkens in was gegeven; „Jezus overwint! Jezus overwint!quot; En nu was alles verloren, daar de huurder het weer in had gehuurd in plaats van gekocht.

Denzelfden avond, toen ik mijne knieën boog, daar ik mijn God daarom onmogelijk kon verlaten, kreeg ik in mijn gebed ten antwoord: „Jezus Christus heeft overwonnen en moet overwinnen.quot; O, ik begreep er niets van. Den volgenden morgen toen ik opstond en weer mijne knieën boog voor den Troon der genade om te bidden, kreeg ik weer in mij; „Jezus moet overwinnen. Ge moet, zonder dat je kinderen het weten, naar Amsterdam gaan en naar den huurder en dan het verschil deelen, dan zal Christus Jezus overwinnen.quot;

Ik kreeg daar zulk eene kracht bij, dat ik mij spoedig aankleedde en tegen mijne kinderen zeide, dat ik belasting ging betalen en niet thuis kwam om koffie te drinken, wat trouwens wel meer gebeurde als ik dezen of genen^ ging bezoeken. Ik zeide verder niets, want dan hadden zij mij misschien er van teruggehouden.

Ik ging toen naar het belastingkantoor, maar daar was het zóó vol, dat ik dacht, dat moet maar wachten, anders kom ik niet op tijd aan den trein. En zoodoende zat ik om half twaalf in den trein en was om half één in Amsterdam. Ik ging toen naar den huurder van mijn hótel en sprak met hem om het verschil te deelen. Maar hij antwoordde, dat hij niet kon beslissen, want dat de advocaten B. en M. het

in handen hadden.

Ik zeide: „Goed, dan ga ik zelf naar den advocaat B. toe

om met hem te spreken.quot;

Ik ging er toen naar toe en na een klein half uur met den advocaat B. gesproken te hebben, was het verschil gedeeld en de koop gesloten. Jezus Christus had overwonnen.

Toen ik heenging, riep ik onder weg: „Glorie Jezus! Hij heeft weer voor mij overwonnen. Hem de eer en lof tcege-bracht tot in der eeuwigheid.quot;

Ik ging toen naar het telegraafkantoor en telegrapheerde aan mijne kinderen; „Huizen verkocht; kom morgen thuis , en den volgenden dag vertelde ik hun hoe alles zich had toegedragen.0Zij waren geheel verslagen; eerst zulk een lange en bange strijd, en nu in eens zulk eene overwinning.

En nu kon ik met mijn boek voortgaan, daar het hótel was verkocht gelijk God het mij had beloofd, ook nog om reden ik toen geen liggende gelden had, en de 2000 exemplaren, die ik van mijn boek had besteld bij de aflevering

ocr page 467

441

betaald moesten worden. Maar daar ik telkens in mij kreeg: „Ik, de Heere, de almachtige Jehova, zal er in voorzienquot;, deed mij dit moedig voorwaarts gaan, steeds op den aimach-tigen Schepper des hemels en der aarde vertrouwende, dat de heilige Jehova er in zou voorzien.

En dat betrouwen is niet beschaamd geworden, daar mijn God er boven bidden en denken in heeft voorzien. Ik mocht toen een gezegend Kerstfeest vieren.

Maar den Dinsdag daarop kreeg ik op eens zulk eene pijn in mijn been, dat ik niet kon staan en mijn been niet kon bewegen; de pijnen waren vreeselijk, zoodat ik er de koorts van had en niet kon eten noch drinken. Daarbij waren de aanvechtingen en bestrijdingen van satan met zijne onreine geesten zoo verschrikkelijk, dat ik van pijn en angst uitriep; ,, O, groote God! heb ik daarvoor zoo gebeden, om nu zoo te lijden naar ziel en lichaam? Neen, zoo iels heb ik nog nooit ondervondenquot;, riep ik.

De satan gaf mij niet meer en niet minder in dan: „God gebruikt je om je boek uit te geven, opdat de menschen zullen weten dat er een God en een duivel is; en dan stuurt Hij je naar de hel. Dat zult ge eens zien.quot;

Ik was geheel krachteloos. Bidden kon ik niet. Verschrikkelijke gewaarwordingen moest ik hooren; daarbij de vreese-lijkste pijnen uitstaan, zoodat mijn kind zeide: „Wrijft u eens met koud waterquot;. Maar toen kreeg ik in mij; „Jezus kan het zonder water wel doenquot;. En daarom zeide ik; „Neen, geen water.quot;

Ik leed dien nacht bitter en riep telkens:

„Gena, gena!

Om Golgothaquot;,

wanneer de pijnen en aanvechtingen des satans hevig waren, terwijl ik ook in mij kreeg; „Nu kunt ge eens zien; terwijl de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar moet dan de goddelooze en zondaar blijven. En er is eene opstanding der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen, en die het goede gedaan hebben in Christus Jezus zullen opstaan ten eeuwigen leven, en die het kwade gedaan hebben in de eeuwige verdoemenis.quot;

O, ik wist niet waaronder ik behoorde op dat oogenblik, zoo duister was het in mijne ziel, met de hel van satan, in- en uitwendig, vóór mij. Maar, o genade, den volgenden dag was ik wat beter en de pijn minder, hoewel de diepten

ocr page 468

442

des satans aanhielden, wat mij verschrikkelijk zeer deed, en

die mij het bidden wegnamen. ,

Toen de Oudejaarsdag aankwam en ik 's ochtends opstond, kon ik haast niet loopen en dacht: Nu kan ik van avond ook niet naar de kerk. Maar jawel; Christus, mijn Heelmeester, Die maar heeft te gebieden, herstelde mijn been in een oogen-blik en ik ging 's avonds naar de kerk, naar Ds. bryce.

De preek was erg toepasselijk op mij. De tekst was Genesis XXXII : 24, de eerste regels; „En Jacob bleef alleen . Ds. Bryce vergeleek onzen dood bij dat woord „ alleen , daai wij ook eens alleen zouden zijn bij ons sterven. Z.Ew. raadde daarom een ieder aan „nog heden avond alleen te zijn met uwen Godquot;, zeide hij; daar het alleen zijn bij het sterven

zonder God verschrikkelijk zou zijn.

Nu, ik kon dat begrijpen, daar ik dat weer voor eenige dagen had ondervonden, en moest bij het uitgaan van de kerk getuigen van mijn God en mijn Jezus , Die weer mijn Verlosser was geweest, hoewel de duivel het zoo gemakkei tj niet opgaf en mij telkens bestreed en zich op inij vergnmae, omdat ik door genade weer het getuigenis van Jezus Christus in mij had ontvangen om Zijnen glorierijken Naam te verkondigen en groot te maken tot eer, roem en prijs van Gods grooten en driemaal heiligen Naam!

En nu zal het boek wel eerstdaags worden uitgegeven daar er reeds achttien vel van is afgedrukt. Het overige hg persklaar, en ik zit op het oogenblik het laatste bij te vullen, zoodat het boek, dat de almachtige God, en door de liefde van Jezus Christus gedrongen, vervuld met Zijnen Heiligen Geest, mij heeft laten schrijven, weldra gereed is.

En nu, waarde lezers, gij kunt in dit boek zien hetgeen ik heb ondervonden, hoe verschrikkelijk de dood en duivel en hel is, en dat een ieder zal moeten ondervinden wat de dood en wie de duivel is. Zelfs degenen die hier op aarde het Koninkrijk Gods binnen zich hebben, zullen toch den dood zien, gelijk Jezus Christus het in Zijn waarachtig Woord

heeft gezegd. . ......

Er zijn er die den dood niet zullen zien, tenzij zij het

Koninkrijk Gods zullen ontvangen hebben. Ja, die die genade

hebben ontvangen, zullen toch eens den dood zien met al

zijne verschrikkingen van den dood en den duive , Vc-nie

oude slang, die Eva verleidde en zoo velen verleidt. Dan

zullen zij zien wie die draak, die satanas met zijne verdoemde

machten van geesten zijn.

ocr page 469

443

Maar, o wee, o wee dengenen die niet in de gerechtigheid van Christus leven om door Hem tot God te gaan, die zullen uit den dood in de hel geworpen worden, waar zij voor eeuwig moeten blijven onder satans macht, om van pijniging die hun wordt aangedaan door den duivel, hun aanvoerder, die in hen heerscht, krijg te voeren tegen Michael, den Archangel; maar zij hebben Hem niet over-mocht en niet kunnen overwinnen.

En daarom allen die dit boek leest, vertelt het voort: er is een God en een duivel. O, de liefde van Christus dringt er mij toe, wendt u allen, die geen waren Christus in u hebt om door Zijne kracht in gerechtigheid te leven in de gemeenschap der heiligen, waarvan Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods, het hoofd is, — o, wendt u naar het kruis van Golgotha en pleit op Christus' zoenbloed. Laat u reinigen en heiligen, dan zult gij de zaligheid smaken voor tijd en eeuwigheid. Rust niet vóór dat gij dien vrede hebt gevonden in het bloed des gekruisten Lams, in het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, en u in Zijn licht doet wandelen. Brengt vruchten voort der bekeering waardig, en rust niet vóór dat gij uwen Zaligmaker Jezus Christus hebt gevonden; dan behoeft gij niet bang te zijn dat gij met satan in de hel komt, om in den poel des vuurs geworpen te worden, die brandt van pulver, en waarvan de rook opgaat tot in der eeuwigheid.

En gij leeraars, van welk geloof of welken godsdienst gij ook zijt, blijft niet langer op uwe lauweren zitten, maar kijkt om u heen, en ziet, hoe er bij duizenden, ja millioenen met een gedoopten Christennaam , rijk en arm naar ziel en lichaam , omkomen. O, laat Christus u niet meer behoeven te volgen, maar zoo gij wezenlijk door God zijt geroepen, volgt dan Christus en gelooft in Zijn waarachtig Evangelie. Gaat heen door heggen en steggen naar die ongelukkige verwaarloosden, en predikt hun het Evangelie van Jezus Christus, den ge-kruisten Heiland, door Wien zij moeten zalig worden, door Hem alleen en anders geen, om in Hem te leven en te sterven.

O, blijft niet langer rustig voortleven bij uwe kerkelijke instellingen, zonder te doen wat in Gods Woord staat geschreven. God zal eens in uwen oordeelsdag al die ongelukkigen, die er nu omdolen zonder God of Zijn gebod, van uwe ziel eischen.

O leeraars, wie gij ook zijn moogt, beproeft u zei ven of gij in het geloof zijt en of Christus in u leeft. Dan zult gij

ocr page 470

444

ook gaan het land door goeddoende en sprekende over het Koninkrijk Gods, dat binnen den mensch moet zijn, zal hij eens den heiligen God zien.

Ja, dan zult gij versterkt worden met kracht uit den hooge, door Jezus Christus, genezende alle ziekten en kwalen. Dan zal het rijk van satan ter neer geworpen worden van zonde en ellende, daar Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods gisteren, heden en tot in der eeuwigheid dezelfde is.

O, leeraars, wie gij ook zijt, blijft niet langer dood met mooie woorden, maar ontwaakt uit uwen doodslaap, dan zal Christus over u lichten. Gelooft in Gods Woord en bedenkt, dat zonder de werken uw geloof dood is. O, denkt aan die millioenen gedoopte Christenen, die afvallig zijn, en waardoor de liefde tot God hoe langer hoe meer verkoeld wordt, omdat het tegenwoordig alles dood is en zonder kracht uit den levenden Christus en uit den waarachtigen God.

O, denkt aan uwen oordeelsdag, dien dag die voor een ieder is daargesteld, en wee dengene die niet blijft in de leer van Jezus Christus, om dezelve te doen. Degene die niet blijft in de leer van Jezus Christus is vervloekt, en degenen die met u in de hel komen, zullen u daar aanklagen, omdat gij hun de ware leer van Christus niet hebt gepredikt, zoodat zij niet door de deur van Christus konden binnengaan, omdat gij en zij den weg der waarheid van Christus niet hebt bewandeld, om in Hem als een rechtvaardige op te staan, maar wel buiten Christus als een onrechtvaardige.

O, de goede God geve, daar het nog heden de dag der genade is, dat allen die dit lezen zich tot God zullen wenden om in Jezus Christus behouden te worden en levend worden gemaakt door Gods Woord en door Zijnen Geest, om in Christus Jezus, Die leeft, te leven tot in der eeuwigheid, tot eer en verheerlijking van den driemaal heiligen en rechtvaardigen God.

Dat is van ganscher harte mijne bede, die opstijgt tot de hoogste hemelen, waar de Almachtige troont tot in der eeuwigheid, en welk gebed ik tot besluit laat volgen, steeds biddende in den Naam van Gods Zoon, Jezus Christus, dat de genadige God het wil verhooren en bevestigen om Jezus Christus, Zijnen geliefden Zoons en om Zijn grooten en ver-hevenen Naams wil. Amen!

's Gravenhage, Januari 1898.

ocr page 471

Besluit.

Gebed uit den Heiligen Geest, door genade, van iemand die nooit gebeden heeft.

O, driemaal heilige Jehova! Ik kom hier met diepen eerbied en ootmoed voor den Troon Uwer genade, en breng U mijn stamelenden dank toe voor dezen nacht, dat Gij mij behoed en beveiligd hebt, en dat ik weer gezond ben ontwaakt.

Ik dank U, o goede hemelsche Vader, dat Gij mij niet in Uwen toorn hebt doen omkomen, gelijk ik heb verdiend; maar dat Gij in Christus Jezus in genade op mij hebt neergezien.

O, moge die genade mij meer en meer tot zegen zijn, tot roem en prijs van Uwen grooten en heiligen Naam, in Christus, Uwen geliefden Zoon.

O, goede God, zie mij dan niet aan gelijk ik ben, maar zie mij aan in den Zoon Uws eeuwigen welbehagens.

Straf mij niet naar mijne zonden, en vergeld mij niet naar mijne ongerechtigheden; delg al mijne overtredingen uit in het bloed van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus; in Zijn bloed, dat niet vloekt, maar dat zegent; het bloed dat reinigt van alle zonden.

O, goedertieren God, reinig, heilig en zalig mij in dat bloed, opdat ik gerechtvaardigd worde door Hem, den Rechtvaardige, om in heiligheid te leven in Christus Jezus, Uwen eenigen Zoon.

Barmhartige hemelsche Vader, ik smeek u in den Naam van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus, geef mij een verbroken geest en een verslagen hart, opdat ik in oprechtheid des harten mijne zonden voor U, den heiligen Jehova, belijde.

ocr page 472

444

ook gaan het land door goeddoende en sprekende over het Koninkrijk Gods, dat binnen den mensch moet zijn, zal hij eens den heiligen God zien.

Ja, dan zult gij versterkt worden met kracht uit den hooge, door Jezus Christus, genezende alle ziekten en kwalen. Dan zal het rijk van satan ter neer geworpen worden van zonde en ellende, daar Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods gisteren, heden en tot in der eeuwigheid dezelfde is.

O, leeraars, wie gij ook zijt, blijft niet langer dood met mooie woorden, maar ontwaakt uit uwen doodslaap, dan zal Christus over u lichten. Gelooft in Gods Woord en bedenkt, dat zonder de werken uw geloof dood is. O, denkt aan die millioenen gedoopte Christenen, die afvallig zijn, en waardoor de liefde tot God hoe langer hoe meer verkoeld wordt , omdat het tegenwoordig alles dood is en zonder kracht uit den levenden Christus en uit den waarachtigen God.

O, denkt aan uwen oordeelsdag, dien dag die voor een ieder is daargesteld, en wee dengene die niet blijft in de leer van Jezus Christus, om dezelve te doen. Degene die niet blijft in de leer van Jezus Christus is vervloekt, en degenen die met u in de hel komen, zullen u daar aanklagen, omdat gij hun de ware leer van Christus niet hebt gepredikt, zoodat zij niet door de deur van Christus konden binnengaan, omdat gij en zij den weg der waarheid van Christus niet hebt bewandeld, om in Hem als een rechtvaardige op te staan, maar wel buiten Christus als een onrechtvaardige.

O, de goede God geve, daar het nog heden de dag der genade is, dat allen die dit lezen zich tot God zullen wenden om in Jezus Christus behouden te worden en levend worden gemaakt door Gods Woord en door Zijnen Geest, om in Christus Jezus, Die leeft, te leven tot in der eeuwigheid, tot eer en verheerlijking van den driemaal heiligen en rechtvaardigen God.

Dat is van ganscher harte mijne bede, die opstijgt tot de hoogste hemelen, waar de Almachtige troont tot in der eeuwigheid, en welk gebed ik tot besluit laat volgen, steeds biddende in den Naam van Gods Zoon, Jezus Christus, dat de genadige God het wil verhooren en bevestigen om Jezus Christus, Zijnen geliefden Zoons en om Zijn grooten en ver-hevenen Naams wil. Amen!

'sGravenhage, Januari 1898.

ocr page 473

Besluit.

Gebed uit den Heiligen Geest, door genade, van iemand die nooit gebeden heeft.

0, driemaal heilige Jehova! Ik kom hier met diepen eerbied en ootmoed voor den Troon Uwer genade, en breng U mijn stamelenden dank toe voor dezen nacht, dat Gij mij behoed en beveiligd hebt, en dat ik weer gezond ben ontwaakt.

Ik dank U, o goede hemelsche Vader, dat Gij mij niet in Uwen toorn hebt doen omkomen, gelijk ik heb verdiend; maar dat Gij in Christus Jezus in genade op mij hebt neergezien.

O, moge die genade mij meer en meer tot zegen zijn, tot roem en prijs van Uwen grooten en heiligen Naam, in Christus, Uwen geliefden Zoon.

O, goede God, zie mij dan niet aan gelijk ik ben, maar zie mij aan in den Zoon Uws eeuwigen welbehagens.

Straf mij niet naar mijne zonden, en vergeld mij niet naar mijne ongerechtigheden; delg al mijne overtredingen uit in het bloed van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus; in Zijn bloed, dat niet vloekt, maar dat zegent; het bloed dat reinigt van alle zonden.

O, goedertieren God, reinig, heilig en zalig mij in dat bloed, opdat ik gerechtvaardigd worde door Hem, den Rechtvaardige, om in heiligheid te leven in Christus Jezus, Uwen eenigen Zoon.

Barmhartige hemelsche Vader, ik smeek u in den Naam van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus, geef mij een verbroken geest en een verslagen hart, opdat ik in oprechtheid des harten mijne zonden voor U, den heiligen Jehova, belijde.

ocr page 474

446

maar ook late, opdat mij, de grootste der zondaren, barmhartigheid moge geschieden om Jezus Christus, Uwen geliefden Zoons wil, en om Uwen grooten Naams wil.

O, God van genade en ontferming! Gij weet hoeveel en vele mijne zonden zijn; hoe gruwelijk, hoe misdadig, hoe afschuwelijk, hoe ellendig, hoe verschrikkelijk, hoe vuil, hoe zwart mijne ziel is van zonde. Er is geene benaming voor om ze alle voor U, o rechtvaardig God, op te sommen, en de diepte der zeeën en de diepsten der afgronden is nog niet diep genoeg om mij voor U, heilig en Drieëenig God, neder te buigen, en uit te roepen: O, goedertieren God, wees mij zondaar genadig, gedenk U mijner om Uwen lieven Zoons wil en rechtvaardig mij in Hem.

O, goede God, ontferm U mijner om Uw grooten Naams wil, daar mijne zonden zoo groot zijn vanwege de aanslagen en bestrijdingen des satans in mijne ziel.

Ja, rechtvaardige God, ze zijn te groot om vergeven te worden, ware het niet dat het bloed van Jezus Christus, Uwen Zoon, reinigt van alle zonden; ware het niet dat Uw geliefde Zoon ook voor mij had gestreden en geleden. Ja, Hij heeft alles volbracht ook voor mij.

O, heilige Jehova! schenk mij nu genade voor recht, terwijl ik mij aan het vloekhout nederwerp en beken, dat ik den vloek in de wereld heb gebracht door mijne zonde en misdaden , waarvoor Gij, o Zone Gods, de Onzondige en Rechtvaardige, zoo moest strijden en lijden. Maar daardoor hebt Gij juist den vloek weggenomen, door Uw strijden en lijden en Uw bloed dat Gij vergoten hebt op Golgotha, tot vergeving mijner zonden.

O, dierbare Heiland, wil mij nu reinigen met het bloed dat uit Uw lichaam werd geperst, door Uwe doorboorde handen, waar ik in gegraveerd ben.

Reinig mij niet alleen opdat mijne zonden zoo wit worden als sneeuw, maar heilig mij ook in Uw bloed, opdat ik in de kracht van U, o Zone Gods, in heiligheid en godsvrucht daarheen mag leven.

En, o, mijn Verlosser, zalig mij ook met uw bloed, zoodat ik in zalige gemeenschap met U, den driemaal heiligen God, moge leven in Christus Jezus, vervuld met Uwen Heiligen Geest, die mij in alle waarheid leidt, Uwen grooten Naam ter eere en velen en mij tot zaligheid.

O, ontfermende en goedertieren Jehova, moge het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt, geheel mijn zonde weg-

ocr page 475

447

nemen en ze in de zee der vergetelheid doen wegzinken, en ze niet meer gedenken, maar uitdelgen met Zijn dierbaar bloed, en mij kronen met Uwe goedertierenheid.

O, barmhartig en heilig God, ik smeek U, in den Naam van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus, den Zoon Uws eeuwigen welbehagens, bespreng mij met het bloed van Uwen lieven Zoon, en geef mij Zijn lichaam tot spijze, opdat ik Hem deelachtig en gelijkvormig worde, om Uwen geliefden Zoon na te volgen.

O, Zone Gods, de Rechtvaardige, Gij, Die altijd Uws Vaders wil deedt, mijn Borg, Middelaar en Zaligmaker, volbreng Gij Uwe kracht in mijne zwakheid en help mij, want zonder U kan ik het niet doen.

O, almachtige Jehova, heilige Vader in den hemel, ik smeek U in den Naam van Christus Jezus, Uwen geliefden Zoon, vervul mij met Uwen Heiligen Geest, opdat die Heilige Geest mij leide, bestiere en regeere naar Uw wil en welbehagen; dat die Heilige Geest alle andere geesten in mij doode, die tegen U, den Drieëenigen en driemaal heiligen God opstaan.

O, laat ik U niet bedroeven, laat staan vertoornen, maar laat die Heilige Geest mij doen strijden den goeden strijd des geloofs, om in Zijne kracht te strijden tegen den satan, de wereld, mijn booze hart en mijne vleeschelijke begeerlijkheden, ja tegen alles wat uit het slangenzaad, den duivel, is; ja strijden, zelfs lijden; zooveel te meer zal ik met mijn Jezus verheerlijkt worden, mijn Jezus, Die zoo voor mij heeft geleden en gestreden, maar nu verheerlijkt is.

O, heilige Jehova, heilige God, heilige Vader, graveer daartoe Uwe wet in mijne onsterfelijke ziel, als op eene steenen tafel in een vleeschelijk hart, door het bloed van Jezus Christus, Uwen Zoon, opdat het nimmermeer kan uit-gewischt worden; maar zóó diep ingegrift, dat mijne nieren en ingewanden met Uw goddelijk licht worden omstraald, ja, gelijk de zon in een spiegel weerkaatst.

O, God, laat het bij mij ook zoo uitstralen, opdat de menschen mijne goede werken mogen zien , U verheerlijkende, en zij bekennen; dat is uit God.

O, almachtige en genadige God in Christus Jezus, ik smeek U in Zijnen Naam, trek mij immermeer met de koorden Uwer eeuwige liefde en genade tot U, en bekeer mij meer en meer.

O, Gij, barmhartig God, Die geen lust hebt in den dood eens zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve;

ocr page 476

448

o heilige God, laat mij leven in U, door U en tot U; laat mijn wandel hier reeds op aarde in den hemel zijn, tot roem en prijs van Uwen grooten Naam, in Christus Jezus, Uwen Naam ter eer, en velen en mij tot zaligheid, nu en tot in der eeuwigheid. Amen! Ja driewerf in Christus Jezus Amen!

O, heilige en goedertieren Vader, dat ik U dan meer biddende moge zoeken; zoeken den weg die ten leven leidt. En die weg zijt Gij, o Heere Jezus Christus. Gij zijt de Weg, de Deur en het Leven.

O, dat ik dan dikwijls naar die Deur moge gaan, om daar te kloppen, te roepen, te bidden en te kermen.

O, Heere Jezus, Gij, Die opent en niemand sluit, ik smeek U, maak mij levend door Uw Woord en door Uwen Geest; neem meer en meer het deksel van mijn hart weg, opdat wanneer ik in Uw waarachtig en heilig Woord lees, ik het ook moge verstaan, zoodat Uw Geest in mij is, en ik niet alleen een hoorder des Woords ben, maar ook een dader; want zonder de werken is het geloof dood.

O, laat mij dan den Geest niet tegenstreven en daarbij maar Heere! Heere! roepen, want dan zal ik met dubbele slagen geslagen worden.

Neen, laat mij Uwen Geest gewillig volgen, om het kwade te haten en te laten en de gerechtigheid te zoeken, om het goede te doen en lief te hebben, in U, o Zone Gods, den Rechtvaardige.

O, dierbare Heiland, bid voor mij, opdat Uw Vader zich mijner ontferme en beware voor den booze, de oude slang met zijn slangenzaad van booze geesten.

O, medelijdende Hoogepriester, bid voor mij en kom mij te hulp.

Heere Jezus, Gij weet hoe zwak ik ben van krachten, maar mijne hulpe en betrouwen is op U gevestigd.

O, almachtige Zone Gods, laat mij niet beschaamd worden, maar wees mij genadig om Uw verheerlijkten Naams wil.

Ja, almachtig, rechtvaardig en heilig God, ik bid U in den Naam van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus, den Zoon Uws eeuwigen welbehagens, wil mij bewaren voor de listen en lagen des satans, opdat hij met zijn slangenvenijn mij niet beheersche, maar wil Gij, o groote Koning der koningen, Koning over mij zijn.

O, driemaal heilig God, Gij Koning der koningen. Gij Heer der heeren, ik wil dat Gij Koning over mij zijt, ook over mijne kinderen.

ocr page 477

449

Genadige Vader, Gij hebt mij reeds uit satans ketenen verlost waarin ik op Veldwijk gebonden lag; Gij hebt mij verlost uit de macht des duivels, dien duivel dien ik vijftig jaren lang heb gediend in de wereld, maar Gij, o goedertieren Jehova, Gij hebt mij verlost; door Uwe genade ben ik nu dat ik ben.

O, heilige Vader, ik smeek U, verlos mij geheel en ai; laat niet toe dat er nog een haar breed mij aan satan vast-kleve.

Neen, Zone Gods, maak mij geheel vrij, opdat ik waarlijk vrij moge zijn. Ja, God der gerechtigheid en des vredes, verpletter den satan onder mijne voeten, gelijk Gij het in Uw dierbaar Woord hebt beloofd, en op dat Woord pleit ik, dat Gij het wilt doen, om Uwen grooten Naams en Uwen lieven Zoons wille.

O, heilige Jehova, leef geheel in mij; leid, bestier en regeer mij naar Uwen wil; houd gemeenschap met mij; openbaar Gij in mij de verborgenheden die in alle eeuwen niet zijn bekend geweest. Maar die openbaart Gij, o waarachtig en heilig God, aan allen die oprecht in U, den Drieeenigen God gelooven, ja, aan al de geheiligden, die op U geheel betrouwen en U liefhebben om Uwe geboden te doen in Christus Jezus, den Rechtvaardige.

Ja, heilig en rechtvaardig God, ik smeek U in den Naam van den Zoon Uwer eeuwige liefde, Christus Jezus, sta mij bij met Uwen heiligen raad; laat Uw oog op mij zijn, daar ik pleit op het zoenbloed van Uwen geliefden Zoon, en op Uwe beloftenissen, die Ja en Amen zijn, dat Gij het wilt bevestigen, o goede God, om Uw verbonds en driemaal heiligen Naams wil.

Hemelsche Vader, schenk mij Uwe gedachten, Uw woorden en Uwe werken; geef mij den Geest Uws Zoons, opdat ik spreke en doe, wat ik spreken en doen moet, en zwijge en niet doe, wat ik zwijgen en niet doen moet, alles tot Uwe eer, vertellende de groote dingen die Gij, almachtige God aan mijne ziel hebt gedaan, daar ik door U we zondaarsliefde ben geworden wat ik nu ben. Ja, mij, de grootste der zondaren is barmhartigheid geschied door Uwe onuitsprekelijke genade en liefde, om Jezus Christus zoenbloeds wille.

O, heilige Jehova, liefdevolle God, bestraal mij met Uw volle liefde, opdat ik daaruit mag putten genade voor genade, en ik U liefhebbe boven alles en mijne naasten en mijne kinderen als mij zelve, want waar liefde en gerechtigheid

29

ocr page 478

45°

woont, daar gebiedt Gij Uwen zegen, want daar woont Gij zelf met Uw goddelijk licht, daar wordt Uw heil verkregen en het leven in Christus tot in der eeuwigheid. Amen! Ja, heilige Vader tot in der eeuwigheid. Amen!

ü, barmhartige en genadige God, ik bid U in den Naam van Jezus Christus, de Zonne der gerechtigheid, wees mijne kinderen genadig door Uwe grondelooze liefde. Wil dat eene kind, hetwelk Gij aanvankelijk met Uw goddelijk licht bestraalt, bijstaan in den strijd dien zij tegen satan met zijne trawanten zal te strijden hebben. Maar ik vertrouw geheel op U, goede God, dat het werk dat Gij aan haar zijt begonnen, ook zal voleinden tot den einde toe, opdat zij in leven en in sterven voor eeuwig de Uwe zij, om Uwen Naam groot te maken.

Wil Gij, hemelsche Vader, Die een man der weduwen en een vader der weezen zijt, mijne kinderen bewaren voor de listen en strikken des duivels, opdat hij hen niet van U aftrekke; maar trek Gij hen meer en meer tot U, en bekeer Gij hen, dan zullen zij bekeerd zijn.

Reinig, heilig en zalig hen in het bloed van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus; in Zijn bloed, dat niet vloekt maar dat zegent; dat bloed dat reinigt van alle zonden, opdat zij in Uw goddelijk licht mogen wandelen, doende wat den wil des Heiligen Geestes is.

Werp al wat niet uit U is, o heilig God, ter neder en trek ze veel tot den Troon der genade, opdat zij aan hunne zonden ontdekt worden waarin zij zijn geboren, en de zonde die zij hebben misdreven, daar hunne ziel zwart is van zonde, vanwege de gedachten des satans en hun booze hart.

Genadig God, straf hen niet in Uwe grimmigheid en vergeld hun niet naar hunne zonden.

O, goede God, dat zij veel de toevlucht tot U nemen, om hunne zonden te belijden, maar ook te haten en te laten, opdat hun barmhartigheid moge geschieden om de zoen- en kruisverdiensten van Christus Jezus, den Zoon Uws welbe-hagens.

Heilig en goedertieren God, ik smeek U, vervul mijne kinderen met Uwen Heiligen Geest, opdat Die hun een licht op hun pad zij en eene lamp voor hunnen voet, en zij niet struikelen door de ingevingen des duivels. Versterk hen in het geloof, om op U te betrouwen.

En, Gij, Sterke Held uit Juda's stam, verbreek de werken des duivels, en bewaar hen door Uwe kracht. Schep in hen

ocr page 479

45i

een nieuw leven; laat al het oude voorbij zijn gegaan, en rechtvaardig hen om niet, dierbare Heilandopdat zij, door genade gerechtvaardigd zijnde, in U, o Zone Gods, den Rechtvaardige, in gerechtigheid mogen leven als een wedergeboren en nieuw schepsel, dat U, heilig en rechtvaardig God, vreest, eert en liefheeft om Uwe geboden te bewaren in Christus Jezus, Die hun dan de kracht er toe verleent, tot eer en roem van Uwen grooten en driemaal heiligen Naam, nu en tot in der eeuwigheid. Amen! In Christus Jezus, Amen!

O, genadig en goedertieren hemelsche Vader, ik bid U in den Naam van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus, zegen mijn broeder en zuster en kinderen naar ziel en lichaam beide; stort Uwen Heiligen Geest in hunne zielen overvloedig uit, opdat Die hen leide en regeere naar Uwen wil en naar Uw welbehagen, en zij U, den heiligen God, dienen in geest en in waarheid. Uwen Naam ter eer en hun tot zaligheid.

Goede God, voorzie ook in hunne nooddruft; schenk hun die middelen en de kracht, opdat zij in hun onderhoud kunnen voorzien, U daarvoor dankende en prijzende.

O, barmhartig en goedertieren God, ik smeek U, zegen mijn broeder en zuster die in de verre landen zijn; dat zij geloovig op U betrouwen; dan zullen zij niet beschaamd worden, nu en tot in der eeuwigheid niet.

Goede God, zegen mijne schoonzuster met hare kinderen. O, dat zij de straffen die haar worden toegezonden, moge gadeslaan, opdat zij zich tot U, o ontfermende God, mag wenden om behouden te worden in Christus Jezus, Uwen geliefden Zoon.

O, almachtige, genadige en eeuwig goedertieren Jehova, met diepen ootmoed smeek ik U, in den Naam van Onzen Verlosser en Zaligmaker, Jezus Christus, o, zegen Veldwijk; ja ik zal Veldwijk nooit vergeten; zegen den dominé en de dokters en die ongelukkige patiënten.

O, verlossende Jezus, laat vele krachten van U uitgaan bij die bezetenen, daar niemand ze helpen kan dan Gij, o Zone Gods, alleen; werp de duivelen bij die ongelukkigen uit, en genees hen naar ziel en lichaam beide, gelijk Gij, dierbare Heere Jezus, het bij mij ook hebt gedaan.

Laat hen naar hunne dierbaren terugkeeren, naar Uwen wil en op Uwen tijd, om te verteilen de groote dingen die Gij aan hen hebt betoond, zooals ik het ook door genade mag doen.

ocr page 480

452

O, almachtige God in Christus Jezus, doe het om Uwen verheven Naams wil.

O, liefderijke en heilige Vader, ik vraag U een zegen in den Naam van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus, voor de Vaders en Moeders, Zusters en Broeders van Veldwijk, en voor allen die in Uwen liefdedienst over de gansche aarde werkzaam zijn.

O, laat allen hun hart geloovig op U richten, in het vertrouwen dat Gij , o goede God, hen zult helpen in het moeilijk werk dat zij hebben te verrichten, en dat de liefde van Christus hen dringe om die ongelukkigen bij te staan met raad en daad, U verheerlijkende. O, dan zullen zij hun weg met blijdschap bewandelen, U steeds lovende en prijzende, psalmzingende in hun hart.

Goedertieren, heilig God, ik bid U een zegen af over de familie Volten en hunne huisgenooten. Gij weet het, goede Vader, welke groote genade en herinneringen ik daar van U, genadige God, heb ontvangen. O, er zijn twee van de familie bij, die voor Uw Koninkrijk arbeiden; dat zij goede krijgsknechten van den Heere Jezus mogen zijn, om van Hem te getuigen en Zijnen Naam groot te maken; dat zij met Uw heilig Woord velen tot den Troon der genade mogen brengen, om door U, Heere Jezus, gereinigd, geheiligd en gezaligd te worden, opdat zij met U, Zone Gods, in gemeenschap mogen leven, Uwen Naam tot eer en hun en velen tot heil.

O, heilige Jehova, heilig God, heilige Vader, ik smeek U met diepen eerbied en ootmoed, in den Naam van Jezus Christus, den Zoon Uws eeuwigen welbehagens, zegen de Gemeente van Christus, Uwen geliefden Zoon; die Gemeente, die over de gansche aarde verspreid ligt. Laat ze bloeien en groeien; geef Gij, almachtig God, den wasdom over die Gemeente van Christus, opdat zij door Uwe goddelijke liefde en genade vermenigvuldige, en laat hen schijnen als lichten in de wereld tusschen een krom en verdraaid geslacht.

Hef daartoe, goede God, de banier omhoog, waar die nieuwe Naam op geschreven staat, op dien witten keursteen dien niemand kent dan degene die dien heeft ontvangen; en die Naam zijt Gij, o Zone des levenden Gods, de Rechtvaardige.

O, dat wij dan onder Uwe banier mogen strijden den goeden strijd des geloofs, om in Uwe kracht, Heere Jezus, het rijk des satans af te breken van ongeloof, zonde en

ocr page 481

453

ellende en Uw Koninkrijk helpen opbouwen van geloof, liefde, gerechtigheid en vrede, om alles te doen wat Uw Vader welbehagelijk is.

O, laten wij ware parelen aan Uwe kroon zijn, dierbare Christus, om van U te getuigen en Uwen Naam groot te maken, daar Gij het toch zoo waardig zijt, Heere Jezus Christus, de lof, de aanbidding en dankzegging voor den Troon des Lams, nu en tot in der eeuwigheid. Amen!

Genadig, rechtvaardig en goedertieren God, ik smeek U in den Naam van Uwen geliefden Zoon, Christus Jezus, den Rechtvaardige, zegen de jeugdige Koningin en de Koningin-Regentes, en al de overheden van ons dierbaar vaderland.

Laat, o groote God! dat Koninklijke Kind opwassen als eene rechtschapen vorstin, en in de genade en kennis van Uwen geliefden Zoon, den Rechtvaardige; maak Haar rechtvaardig, door Zijne rechtvaardigheid, opdat de Koningin moge leven in Christus Jezus, Uwen grooten Naam tot eer en velen en Haar tot heil en zaligheid.

Goede God! geef Haar vele goede leidslieden om Haar heen, die de Koningin bijstaan met raad en daad; maar dat het dan ook allen zijn, die U, o heilig God, vreezen, zoodat zij in gerechtigheid wandelen, opdat zij rechtvaardig het land bestieren en regeeren naar Uw wil en welbehagen, en dat zij in de nooddruft van velen van hunne onderdanen en medemenschen voorzien, gelijk Gij, hemelsche Vader, zoo rijk in de hunne voorziet.

O, dan zult Gij, almachtig en goedertieren God, het land doen overvloeien van melk en honig, want Gij zult het dan zegenen om der gerechtigheids en om Uwen geliefden Zoons en om Uwen grooten Naams wil.

O, barmhartig, heilig en genadig God, zegen alle ouders. Schenk ons de krachten in het geloof, om onze kinderen op te voeden in godsvrucht en deugd, hetzij in vermaning, hetzij in bestraffing, maar alles in de liefde en tot opbouwing van Uw Koninkrijk, tot eer van Uwen grooten en heiligen Naam en tot heil onzer aller zielen, in Christus Uwen geliefden Zoon. Dan zullen de kinderen ware onderdanen worden, die U, o heilig God, vreezen en hunne Koningin eeren, tot zaligheid voor tijd en eeuwigheid.

Goedertieren en barmhartig God, ik bid U in den Naam van Christus Jezus, den Zoon Uws welbehagens, ontferm U over alle zieken en kranken, kreupelen, blinden, melaatschen, zwakken en lammen.

ocr page 482

454

O, goede God, zegen hen allen. Gij zijt aan geene plaats noch tijd verbonden. Gij, almachtig God, zijt overal met Uwen grooten Geest tegenwoordig. Zalf hen met de zalving des Geestes, Die van U uitgaat, o Drieëenig God, opdat hunne zielen verkwikt en versterkt worden in het allerheiligst geloof, en dat zij weten, dat Gij hun Losser en Heelmeester zijt, Wien zij toebrengen, o driemaal heilig Opperwezen, de aanbidding en dankzegging, nu en in der eeuwigheid.

Goedertieren God en Vader in den hemel, ik smeek U, zegen de armen. Neig onze harten voor die ongelukkigen; dat de liefde van Christus ons dringe om de ellendigen bij te staan met onzen raad en daad, en dat wij doen wat onze hand vindt om te doen; ja, dat onze linkerhand niet eens wete wat de rechterhand doet, U, rechtvaardige Jehova verheerlijkende , en de armen mogen bekennen: Dat is uit God, en zij meer en meer gelooven, Uwen heiligen Naam tot eer, en hun tot zaligheid.

O, genadige, heilige en almachtige Jehova, ik smeek U, in den Naam van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus, zegen al de leeraars die waar zijn, en in de gerechtigheid van Jezus Christus, de Zonne der gerechtigheid, leven.

Zegen al de Gemeenten, die U liefhebben en Uwe geboden betrachten, in Christus Jezus, Uwen verheerlijkten Zoon.

Zegen de zending, zoowel hier in ons vaderland als elders, opdat de duivel met zijne ongerechtigheid de menschen niet van U aftrekke; maar laat Uw Koninkrijk komen en Uw wil geschieden van gerechtigheid, op aarde, gelijk in de hemelen.

Zegen al de gestichten van liefde.

Zegen de vereenigingen die U zoeken in geest en in waarheid, Uwen heiligen Naam ter eere.

Zegen bijzonder het Leger des Heils, daar Gij, o waarachtige God, het beloofd heb, dat Gij, Heer der legerscharen, ook op de jongelingen en jongedochteren van Uwen Geest zult uitstorten om te profeteeren aangaande het Koninkrijk van Jezus Christus Uwen Zoon, en Wiens Koninkrijk geen einde zal hebben.

Goede God, laten zij veel over heggen en steggen gaan, en de ongelukkigen, waar geen herder naar omziet, dwingen om in te komen, ja als een brandhout uit het vuur rukken, opdat die verdwaalde schapen van het huis Israels niet voor eeuwig verloren gaan, om met satan in den poel des vuurs geworpen te worden, en waar zoo vele valsche broodleeraars

ocr page 483

455

de schuld van zijn met hun; „Vrede, vrede, geen gevaarquot;, en er niet naar omzien.

O, rechtvaardig God, vervul ze allen, die ware arbeiders in Uw Koninkrijk zijn, met Uwen levendmakenden Heiligen Geest, opdat die Geest hen leide en regeere, en alles in gerechtigheid en liefde moge geschieden, Uwen verheerlijkten Naam tot eer, in Christus Jezus, Uwen rechtvaardigen Zoon, opdat ze allen voor de eeuwige zaligheid behouden worden.

Barmhartig, goedertieren en genadig God, ik bid U, in Christus Jezus, den Zoon Uws eeuwigen wil en welbehagens, erbarm U over de ongeloovigen, die niet in Uw heilig en waarachtig Woord gelooven; ontferm U over al degenen die maar in zonde en ongerechtigheid voortleven, en wees de onbekeerden genadig, die zeggen dat zij gelooven en meer den duivel dienen dan U, den driemaal heiligen volzaligen God.

O, Heere Jezus, red hun aller zielen en verlos hen uit de macht des satans, en breng ze over van den vorst der duisternis in Uw goddelijk en wonderbaar licht, opdat zij, o God, allen U leeren kennen en vreezen, U liefhebben en Uwe geboden onderhouden, in Jezus Christus, Uwen lieven Zoon.

Reinig hen daartoe in het bloed van Christus Jezus, in Zijn bloed, dat reinigt van alle zonden, opdat zij, gereinigd zijnde, in Uw goddelijk licht mogen wandelen, in gemeenschap met U, den Drieëenigen en driemaal heiligen God, Uwen Naam tot verheerlijking en hun allen tot zaligheid, nu en tot in der eeuwigheid.

O, rechtvaardig God, heilige Jehova, ik smeek U, in den Naam van Jezus Christus, den Rechtvaardige, geef daartoe vele ware arbeiders in Uwen wijngaard, daar de zondenoogst zoo groot is.

Laten die het waarachtige Evangelie prediken, zondaars tot bekeering en allen vruchten voortbrengen der bekeering waardig.

Weer alle valsche leeraars die met hunne vleeschelijke wijsheid en omslag van woorden — dat zij uit allerhande boeken halen in plaats van uit U, o rechtvaardige God, en Uw heilig Woord —, die de menschen van het Koninkrijk Gods afhouden met hun Heere! Heere! roepen, en den duivel dienen met hunne zonden om krijg te voeren tegen U, den levenden, heiligen en rechtvaardigen God, en tegen Uwen lieven Zoon, Jezus Christus, den Onzondige en Rechtvaardige, Wiens Naam zij smaadheid aandoen met hunne goddelooze daden, waarmede zij U tergen.

ocr page 484

4S6

O almachtige God, werp alles ter neder wat duivelsch en zondig is, en vervul allen die uit U zijn overvloedig met Uwen heiligen levend makenden Geest, opdat zij de levende woorden uit Uw heilig en waarachtig Woord mogen ontvangen in de ziel, om door Uwe kracht, o driemaal rechtvaardige God, over heggen en steggen te gaan en de menschen die van U, o Gocï, en Uw gebod zijn afgevallen, te dwingen om in te komen, en ze op hun Verlosser, Jezus Christus, te wijzen, opdat door Uwe ondoorgrondelijke liefde en genade de menschen als een brandhout uit de macht des duivels worden gerukt, die hen verleidt en van U, den heiligen God en den rechtvaardigen Zone Gods aftrekt in den afgrond van zonde en ongerechtigheden, hunne eeuwige verderfenis

te gemoet. , „ , j

O, goedertieren Jehova, geef ons dan allen door genade

één geest te zijn met Uwen Geest, opdat wij één zijn ^n Christus Jezus, en blakende van liefde en gerechtigheid, zoodat wij gelooven met woord en daad, waardoor Uw groote Naam wordt verheerlijkt, en waarvoor Gij ons wilt zegenen en behouden, om Christus Jezus, Uwen geliefden Zoons wille, nu en tot in der eeuwigheid. tt

O, barmhartig, goedertieren en genadig God, ik bid U, om het zoenbloed van Uwen geliefden Zoon, Christus Jezus, wees de geheele wereld genadig; breng ons allen onder cene kudde, waarvan Gij, o dierbare Heere Jezus, de Goede Herder en Leidsman wilt zijn.

Leid ons in eene grazige weide, waar wij gevoed cn gedrenkt worden van die Levensboom, die geplant is midden

in de hemelen. _ tt t

Geef ons van Uwe vruchten te genieten, o Heere Jezus,

dat ware Manna, dat uit den hemel nederdaalt; laat dat onze

zielen verkwikken en versterken in het allerheiligst geloot.

Goede God, geef ons ook te drinken uit de Fontein des

levens de levende wateren om niet.

O laten wij door genade hongeren en dorsten, ja smachten naar' de gerechtigheid van U, o Zone Gods, den Rechtvaardige, Gij die het beloofd hebt in Uw dierbaar Woord, dat Gij velen rechtvaardig zoudt maken door Uwe rechtvaardigheid , om in gerechtigheid te leven, Uws Vaders Naam tot eer, en ons en velen tot zaligheid.

O, genadige God, wij hebben niets om te betalen dan zonde, daar onze ziel zwart is van 's vijands onderdrukking; maar wij pleiten op de zoen- en kruisverdiensten van den

ocr page 485

457

b'üuon lt; '-o. herv

Zoon Uws eeuwigen welbehagens, dat Gij het ons wilt schenken om niet, daar [Uw geliefde Zoon, Jezus Christus, dat alles voor ons heeft verdiend en betaald.

O, heilig en genadig God, laten wij nu ook de genade ontvangen om Uwen geliefden Zoon deelachtig te worden, om in Zijne kracht U Gode welbehagelijk te leven en Uwen wil te betrachten, opdat wij behouden worden in Christus, den Rechtvaardige.

O, geduchte God, doe het uit eeuwige zondaarsliefde en vrijwillige genade, om Uwen geliefden Zoons en om Uwen grooten genadigen Naams wil.

Goedertieren Vader, heilige Jehova, in Christus, Uwen geliefden Zoon, ik smeek U in Zijnen Naam, wil mijne stamelende bede hooren en verhooren, alleen om de zoenoffers van Uwen geliefden Zoon, Jezus Christus, het onbe-straffelijke en onbevlekte Lam.

O, genadige God, aanschouw Uw verbond en wees ons allen genadig, en rechtvaardig ons in Christus Jezus, Uwen Zoon, opdat wij in Zijne gerechtigheid leven, door het geloof in Hem, opdat wij vrijmoedigheid hebben in den dag des oordeels, en gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.

O, goede God, doe het, mijn Vader, mijn Verlosser, mijn Heiland en Zaligmaker, nu en in der eeuwigheid.

Goede hemelsche Vader, nu smeek ik U, in den Naam van Jezus Christus, den Zoon Uws eeuwigen welbehagens, geef mij dezen dag een zegen met mijne kinderen; laat Uw Geest ons bezielen, opdat wij U dienen in geest en in waarheid.

Wees ons een God van goed en nabij, en laat alles tot Uwe eer geschieden; sta mij ter rechterzij en ter linkerzij, opdat ik moedig voorwaarts ga in Uwe kracht, o Heere Jezus, opdat alle ongerechtigheid met satan valle, en waarvoor Gij, Zone Gods, zijt gestorven, en laat de gerechtigheid zegevieren, gelijk Gij, Heere Jezus Christus, uit het graf zijt verrezen en hebt duivel, dood en zonde overwonnen en hebt gezegevierd.

O, dierbare Heiland, versterk mij door Uwen Geest, opdat Uw wil geschiede en Uw wil alleen; dat is mijne bede, dat is mijne leuze, ook voor mijne kinderen, ja de geheele wereld.

Heere Jezus, wees Gij mijn triumf. Gij, Die altijd Uws Vaders wil deedt en Uws Vaders eer zocht; o, volbreng Gij Uwe kracht in mijne zwakheid, daar mijne hulpe, vertrouwen en verwachting geheel op U alleen is gevestigd.

O, Zone Gods, bid voor mij.

ocr page 486

458

Hemelsche Vader, hoor Uwen Zoon Jezus Christus, Die voor mij bidt, en verhoor het gebed, dat Uw lieve Zoon zelf ons heeft geleerd. Bevestig dat over de gansche aarde en in ons aller harten, opdat het Koninkrijk Gods binnen ons zij:

Onze Vader, Die in de hemelen zijt!

Uw naam worde geheiligd;

Uw Koninkrijk kome;

Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde ;

Geef ons heden ons dagelijksch brood en vergeef ons onze schulden ; wij vergeven ook een iegelijk die aan ons schuldig is;

Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.

Want Uwe is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid, tot in der eeuwigheid. Amen! Ja, driewerf in Jezus Christus, Amen!

O, heilige God, heilige Vader, heilige Jehova, dat Uw'

[liefde ons blijk'!

O, Zoon des Allerhoogsten! maak ons Uw beeld gelijk!

0, Heilige Geest, daal in ons neer!

Drieëenig en driemaal heilig God! U zij daar eeuwig voor

[de eer,

Wiens Naam eeuwig eer moet ontvangen;

Men loov' Hem vroeg en spa',

De wereld hoor' en volg' mijn zangen Met Amen, Amen! na.

Ja, Jezus Christus heeft geleden En volstreden,

Overwonnen ook voor mij; Helsche list en macht gebonden Dood en zonden,

Overwonnen ook voor mij!

O , Heil'ge Jezus, mij ten leven, Ter heiligmaking mij gegeven, Hoe heerlijk zijt G' in heiligheid .

O Gij , zoo onbesmet,

Gij zijt mijn hoofd en wet; Heilige Jezus!

O, heilig mij,

Dat ik als Gij,

Ook in mijn wandel heilig zij.

ocr page 487

459

Halleluja, eeuwig dank en ecre,

Lof, aanbidding, wijsheid, kracht Word' op aard' en in den hemel, Heere!

Voor Uw liefde U toegebracht!

Vader! sla ons steeds in liefde gade!

Zoon des Vaders! schenk ons Uw genade, Uw gemeenschap, Geest van God!

Amen I zij ons aller lot!

O, heilige, driewerf heilige Jehova! dat uw zegen dan op

[ons daal',

Uw gunst uit Sion ons bestraal'.

Gij almachtig God, schiept het heelal Uw Naam ter eer. Loof, Loof dan aller Heeren Heer!

Amen! Ja driewerf Amen in Christus Jezus! Ja, heilige Jehova, tot in der eeuwigheid Amen!

O, als ik zoo door genade op mijne knieën lig te bidden, dan krijg ik zulke goddelijke antwoorden in het gebed; dan spreekt de Geest Gods tegen mijne ziel:

„ Zoo waarachtig als de Zone Gods u gereinigd heeft in Zijn bloed, en u uit de macht des duivels heeft verlost, om nu in Zijn goddelijk licht te leven van gerechtigheid en liefde;

ja, zoo waarachtig ge niet meer op Veldwijk zijt, en zoo waarachtig als ge nu van uw Verlosser en Zaligmaker moogt getuigen. Wiens Koninkrijk geen einde zal hebben;

en zoo waarachtig Ik, de Heere, de God Israels ben, de heilige Jehova, Die leeft tot in der eeuwigheid;

zoo waarachtig zal Ik, de Almachtige, het bevestigen, en het zal Mij, den God van hemel en aarde, tot eer, Mijnen geliefden Zoon tot roem, en u en velen tot zaligheid zijn, want Ik, de God van het heelal, zal het doen, om Mijnen geliefden Zoons en om Mijnen grooten Naams wil. Amen!quot;

EINDE.

ocr page 488

VERBETERINGEN.

158, regel 1 van boven, staat: en ik kan niet begrijpen, moet zijn: en ik kon niet begrijpen.

191, regel 10 en 9 van onderen, moet de naam van Ds. F. P. L. C. van Lingen vervallen; deze brief is in dit boek niet opgenomen.

216, regel 14 van boven, vervallen de woorden: der gezondmaking.

224, regel 17 van onderen, staat: de hel voor den hemel, moet zij n: den hemel voor de hel.

244, regel 13 van boven, staat: zullen gevoelen, moet zijn: zullen geweten.

287, regel 12 van boven, staat: komt dan, moet zijn: kimt dan.

339, regel 10 van onderen, staat: Imis, moet zijn: kruis.

384, regel 17 van onderen, staat: zij en hun raad, moet zijn: zij en hun zaad.

4I5gt; regel 13 van boven staat van, vervalt.

ocr page 489
ocr page 490