UTKECHTSCHE PROCESSIE
NAAK
KEYELAAR,
TEM. QERAeHÃENlS
VAX HAAK
HONDEED VIJFTIG JAEIG BESTA AN.
â¢g.--------------4
1 j40-l8c)0. «⢠...... â--â¢Â»
ITEECHT.
J oor liekening der Broedermeesters
IMl'RIMI POTEST.
J. G. H. C. ESSINK. Libr. Ccns.
Maaussen, 32 .lulii 1890.
INHOUD.
Eladz.
Ann de Pelgrims......-J.
I. Jubellied.........10
II. Tronw aim Maria......12
III. Aan de H. Maagd......14
IV. Wij groeten TJ, o Koningin ... 15 V. Maria te minnen......16
VI. Maria's riaiim zoo zoet.....18
VII. Maria, Koningin......19
VIII. Smeekzang voor do Kerk .... 20
IX. Loflied op den Eozenkrans ... 22
X. Onze plichten jegens Maria ... 24
XI. Maria, onze hulp in den strijd . . 26
XII. De beteekenis van Maria's Naam . 28
XIII. O Weldadige........ 29
XIV. Waardigheid van den H. Joseph . 30 XV, Maria's Glorie in den Hemel . . 32
XVI. De Kinderen van Maria .... 34
XVII. Hvninus âPange linguaquot; .... 36
XVIII. Canticum Magnificat.....38
quot;quot;quot;olutrix atUictoï^vv ora pro nobis
De Broederschap der Kevelaarsche Processie gevestigd te Utrecht, heeft door Gods goedheid, dit jaar het voorrecht 150 jaar te bestaan. Het Bestuur heeft gemeend deze blijde gebeurtenis op de feestelijkste wijze te moeten vieren, en biedt ter gedachtenis van dit heuglijk feit aan de Leden der Broederschap het volgende gedenkboekje met eenige nieuwe gezangen aan. Ter inleiding geveiMvij een beknopt bericht over de Bedevaartplaats Kevelaar dat aan al onze Leden zeker welkom zal wezen.
Zooals bij de meeste van Gods wonderbare werken, koos de Voorzienigheid, toen Maria haar genadezetei te Kevelaar ging vestigen, twee eenvoudige lieden tot hare medehelpers uit, Hendrik Buschman en zijne huisvrouw Mechtildis.
Hendrik Buschman woonde te Geldern, waar hij een kleinen handel dreef. Voor zijne zaken reisde hij nogal veel in den omtrek. Zoo gebeurde het, dat hij in het jaar 1641, kort voor Kerstmis, van Wees m ar huis te-rugkeerende, voorbij Kevelaar kwam.
Bij een zoogenaamd hagelkruis, waar hij gewoon was even te bidden, hoorde hij cene stem, die hem toeriep;
âHierzult gij oen heilig huisje houwenquot;. Tlij zag rond, maar ontdekte niets. Acht dagen later op dezelfde plaats gekomen, hoorde hij andermaal de stem.
Overtuigd, dat er nu niet langer van zinsbedrog sprake kon zijn, besloot hij den opgelegden last te volbrengen. In overleg met zijne vrouw, zonderde hij nu dagelijks twee of drie stuivers af, om zoodoende langzamerhand eene som van honderd gulden bijeen te krijgen; want zijne middelen lieten geene groote uitgaven toe. Eenige dagen later, nogmaals bij het hagelkruis gekomen, hoorde hij de stem voor de derde maal. Dit sterkte hem in zijn voornemen, om den bouw zoo spoedig mogelijk te doen geschieden. Een paar maanden later, omstreeks drie weken na Paschen, zag Mechtildis des nachts eene verschijning. In een helder licht stond een kapelletje, en daarin eene afbeelding der reeds zoo vermaarde Lieve Vrouwe van Luxemburg, Zij herinnerde zich nu, dat twee dagen te voren een paar soldaten bij haar waren geweest, die twee dergelijke plaatjes, als zij er nu een had aanschouwd, hadden willen verkoopen. Deze prentjes waren eigenlijk bestemd voor een luitenant, die te Kempen gevangen zat, maar uit geldgebrek hadden de soldaten er zich van willen ontdoen. Mechtildis had ze echter niet gekocht, omdat zij den prijs te hoog vond.
Toen Buschman van zijne vrouw het nachtgezicht vernam, was hij eerst ongeloovig, doch toen de buren hem mededeelden, dat zij in de duisternis zijn huis helder verlicht hadden gezien, kwam hij tot andere gedachten. Hij begaf zich tot den pastooor van Kevelaar, Johannes Schink, en deelde deze zijn geheim mede. De pastoor verklaarde zich bereid hem te ondersteunen, en liet hout en steeneu bijeenbrengen. De bouw nam nu een aanvang, en Zondag na Pinksteren was het kapelletje reeds gereed. Het was gebouwd volgens de beschrijving, die Mechtildis gaf van 't heilige huisje dat ze in den bewusten nacht had gezien.
Huschmans vrouw had inmiddels getracht de twee prentjes weder op te sporen. Zij vernam, dat ze in het
bezit waren van den luitenant, die nog te Kempen gevangen zat.
Toen deze officier zijn vrijheid herkregen had, vervoegde de vrouw zich bij hem met verzoek haar één van de prentjes af te staan. Echter eerst, nadat hij de reden van haar aandringen vernomen had, liet hij haar uitkiezen. Buschman liet nu te Geldern een tafeltje maken en hel plaatje daarop vasthechten, opdat het beter gezien zou kunnen worden. Op verzoek van de Carmelitessen bracht de man, die het tafeltje gemaakt had, dit met het prentje er op naar het klooster. De Zusters baden toca den ge-heelen nacht voor 't beeld. Daags daarna haalde echter Buschman zijn eigendom weer terug en bracht het naar zijne woning.
Om den grooten toeloop van volk stelde hij het vervolgens gedurende drie dagen ten toon in de kerk der Capucijnen, tot op zijn verzoek de pastoor van Kevelaar het des avonds in stilte naar deze gemeente voerde. Den volgenden dag. Zondag 1 Juni 1042, werd het beeld in het kapelletje geplaatst. Later, toen liet volk al meer en meer toestroomde, verzocht de pastoor, wien deze beweging in de gemeente niet welgevallig was, aan Buschman het plaatje weer naar Geldern te brengen. Daar stond het nogmaals bij de Capucijnen, doch slechts drie weken, toen keerde het in het kapelletje terug.
Op dusdanige wijze nam de vereeering van de Lieve Vrouwe van Kevelaar een aanvang. Het aantal bezoekers van het beeld nam gedurig toe en het gevolg was, dat het gehucht, om de vreemdelingen te kunnen herbergen, nieuwe woningen kreeg, terwijl de oude vergroot werden en zoo langzamerhand een dorp werd. Groote scharen van bedevaartgangers uitDuitschland en deNederlanden trokken naarKevelaar.De oude kapel, toegewijd aan den H.Antonius Abt, bleek spoedig te klein, zoodat men in 1')4B reeds den eersten steen legde voor een nieuwe kerk, die in 1645 gereed was. liet is de tegenwoordige groote kapel, in de volkstaal ook wel kaarsenkapel geheeten. In de eerste ja-reu hadden te Kevelaar verscheidene wonderbare genezingen
7
plaats. De bedevaartplaats behoorde tot het bisdom Roermond. In 1647 vergaderde te Venlo eeue Synode, die het verhaal van Hendrik JBuschman en diens vrouw onderzocht en. voor echt verklaarde. De Synode erkende acht genezingen, te Kevelaar geschied, voor wonderbaar. Vele geregelde processiën begonnen naar Kevelaar te trekken. De bisschoppelijke overheid van Roermond had in den beginne tot bijstand van den pastoor, gedurende de zomermaanden twee hulppriesters te Kevelaar geplaatst. In 1G4G werd echter de voorziening in de geestelijke behoeften der pelgrims opgedragen aan de Paters van het Oratorium van onzen Heer Jezus Christus, eene broederschap door den H. Philippus Nerius omstreeks 1550 te Rome gesticht. Ten behoeve dezer geestelijken, zoowel als tot herberging der priesters, welke de processiën vergezellen, werd ia 1646 het nog bestaande klooster gesticht. In 1054 werd om liet heilig huisje van Buschman de kleine kapel opgebouwd, welke thans nog het belangrijkste van alle gebouwen is. Nauwelijks is de Pelgrim te Kevelaar, of hij richt zijn schreden naar dit kapelletje, waarin het wonderdadige Maria-becld wordt bewaard. Het ontstaan, de opkomst en de bloei der Mariavereering te Kevelaar is waarlijk wonderbaar.
Trots de vele oorlogen der 17e en 18e eeuw, trots de vele staatkundige beroeringenâmen denke slechts aan de Fransche revolutie op 't laatst der vorige eeuw, welke haren verderfelijke adem ook over de naburige landen uitblies,â trots onzinnige Meiwetten, welke in Duitsch-land de publieke godsdienstoefeningen voorgoed zouden vernietigen, bleven de bedevaarten naar Kcvelaar bestaan. Ruw geweld mocht een tijdlang aan de openbare vereering afbreuk doen,âzoo spoedig de Katholieken weelde rechtmatige godsdienstvrijheid hadden, trok men opnieuw met kruis en vanen ter bedevaart naar de Lieve Vrouwe van Kevelaar. Ons bestek gedoogt niet eene historische schets te leveren van alles, wat Kevelaar sedert 1642 wedervaren is. Een boekdoel zoude daarmee te vullen zijn. Gods zegen rust zichtbaar op de vereering
der Allerheiligste Moeder-Maagd Maria te Kevelaar.
De Katholieken van Nederland stellen de procession naar Kevelaar op hoogen prijs. Uit alle oorden van ons vaderland trekt men in Augustus en September naar deze bevoorrechte plaats. Zonder overdrijving mag beweerd worden, dat Kevelaar jaarlijks door 58.000 Nederlanders bezocht wordt.
Reeds gedurende 150 jaren sluit de Utrechtsche processie zich ieder jaar bij die breedc scharen aan, welke hunne hulde aan de Moeder van God en de Moeder der menschen op deze bevoorrechte plaats komen brengen. Met welk een ijver en volharding, ten koste van hoeveel versterving en ontbering hebben onze Voorouders uit stad en land ieder jaar den pelgrimsstaf ter hand genomen, zijn de katholieke zonen en dochteren van het aloude Sticht jaar in jaar uit ter bedevaart getogen naar âde Troosteresse der Bedruktenquot; te Kevelaar! En wie zal ons zeggen, hoeveel heil en zegen, hoeveel troost en sterkte door Maria's voorbede, Gods barmhartige hand over hunne hoofden en gezinnen, over hunne familiebetrekkingen en vrienden, over stad en land heeft rondgestrooid! En terwijl wij allen. Leden der Utrechtsche processie naar O. L. V. van Kevelaar, in dit plechtige en blijde jubeljaar vast besluiten het schoone voorbeeld onzer Voorouders trouw te volgen; evenals zij, steeds vurig beminende kinderen van Maria te zijn;âis het ons ook een dierbare plicht God en Zijne heilige Moeder te danken voor al de weldaden, ons gedurende deze 150 jaren geschonken, en die dankbaarheid ook door zichtbare bewijzen te toonen. Ook hierin volgen wij het voorbeeld onzer Vaderen: immers de schoone Godslamp, die bij het Allerheiligste in de groote kapel te Kevelaar brandt, is een geschenk der Utrechtsche Processie, toen zij haar 100 jarig bestaan vierde.
Daarom heeft het Bestuur besloten, dat dit jaar, nu wij het 150 jarig bestaan onzer Broederschap vieren, zoowel de kerkelijke plechtigheden in de Broederschaps-kerk te Utrecht als de Processie naar Kevelaar zoo luisterrijk
9
mogelijk zullen zijn; dankbaar en blijde kunnen wij Iner vermelden, dat onze beminde Aartsbisschop Mgr. P. M. Snickers op dit jubelfeest persoonlijk zijne hulde aan de âTroosteres der bedruktenquot; wil brengen en de pontilicale Hoogdienst te Kevelaar zal opdragen;âen dat als een monument van ons geloof en onze liefde, van onze dankbaarheid jegens de gezegende Moeder des Heeren en de machtige Hulp der Christenen, ter gedachtenis van dit Jubeljaar, de tweede statie voor den schoonen en beroemden kruisweg te Kevelaar door ons zal geschonken worden.
Het dankbaar nageslacht, dat bij deze statie zal komen neerknielen, zal dus van ons kunnen getuigen, dat wij de erfenis onzer Vaderen trouw bewaard hebben; dat evenals zij, die voor ons hunne schreden naar Kevelaar richtten, deden, zoo ook wij in leven en sterven ons onwrikbaar vertrouwen gesteld hebben op Maria, de Moeder des Heeren, die te Kevelaar voor hare liefhebbende kinderen haar genadetroon heeft gevestigd. En onze aangenaamste belooning zal zeker wezen, dat evenals wij door het voorbeeld onzer Voorouders werden opgewekt, aldus de na ons komende geslachten door ons voorbeeld zullen worden aangespoord om steeds trouwe kinderen van Maria te blijven.
10
1740 I. JUBELLIED 1890
Op het honderd vijftigjarig Bestaan der Utrechtsche Processie naar Kevelaar.
| |||||||||||||||||||||
|
groe-ten, Mii-li-a Ke - vr - luar I | |||||||||||||||||||||
2. De. wonderdadige gunsten,
Pie hier Uwe sroedheid «r.'if.
11
Ontgloeiden 't, hart onzer vaadren
Ten heilgen pelgrimsstaf.
Geen weg was te'-'onbegaanbaar,
Geen kommer woog te zwaar. Om U te gaan vereeren. j Maria Kevelaar! j'
3. Gij, Troosteres der Bedrukten!
Toch lenigt steeds elke smart. En stort genezendeu balsem in 't diepst gewonde hart. Wat maakt 't dan, of ellende
Op reis hun wedervaar',
Wanneer zeUw troost maar smaken Maria Kevelaar!
4. Die troost is steeds hun gegeven.
En hulpe naar lijf en /.iel!
Geen wonde of pijn ooit in 't harte,
Waarop geen heuldrop viel!
Nooit trof hen eenig lijden.
Nooit dreigde hen gevaar.
Of Gij boodt hulp en redding I ,.
Maria Kevelaar! S
5. Wat ongeneeslijke kwalen
Genazen op Uwe bec!
En wat gefolterde harten Ontvingen zaalgen vree! Bij stroomen viel Uw zegen Op heel de pelgriinsschaar Van Utrecht's Katholieken, j ,.
Maria Kevelaar! ( quot;s
12
ii. üauk, Troosteres der Bedrukten! Heb dank van ons juublend hart Voor .al wat door Uwe voorspraak
Aan troost ons ooit gewerd; Voor alle hulp en zegen,
In honderdvijftig jaar Aan Utrecht mild geschonken,), â Maria Kevelaar! ) 'S'
M. H. Eademaker.
II. TROUW AAN MARIA 1).
-----------
3E
£
ÃE
P
j ('k Zweer pleoh-tig op deez' heil' -gen ( Ge-trouw be - wa - ren zal 'tver-
-17-4-^â-
grond, Dat ik in vreugd en smar-bond. Ma - ri - a! met uw har -
te, )
te' ) fii.i ^ijt mijn Moe-der, tefir be-mind.
Bij wie ik steeds een hul - pe vind.
Ã
Wuar-iTiec 'k de we - relcl tur - - te.
13
3. Gij hebt den kop van 't helsch serpent Met sterkeu voet vertreden,
Verslagen beel des satans bent,
Geen neerlaag; ooit geleden. Met renzenkracbt en heldenmoed Hebt Gc â'eiken vijand, hoe verwoed, Verwinnend steeds bestreden.
3. Altoos, zoodra de Christenheid
In nood of druk verkeerde,
Waart Gij tot hulp en troost bereid,
Maria, Hoogvereerde!
Gij waart het, die èn Halve Maan En dwinglandij èn ketterwaan Zoo diep in 't stof verneêrde!
4. En niemand wordt geprangd door leed.
Geprikkeld ooit tot zonde.
Of Gij staat tot zijn hulp gereed
Eu balsemt zacht de wonde.
Al wie op U zijn hope bouwt,
Onwrikbaar steeds op U betrouwt.
Neen, hij gaat nooit te gronde!
5. Daarom in leven en in dood,
In voorspoed en in lijden.
Blijf ik 't verbond, dat 'k met u sloot,
Getrouw ten allen tijden.
Gij zijt mijn Moeder,'k blijf Uw zoon ! Gij helpt mij voor mijn hemelkroon Steeds onbezweken strijden!
M. H. Eademakek.
I) Deze melodie is met toestemming van den WelEenv. Hoer Kr. Eppink overgenomen uitzijn âVijfgezangen voor Kinderen op den dag der eerste II. Communiequot;. Wed.J.K. van Rossum. Utrecht.
14
III. AAN DE H. MAAGD 1).
(Metblijd-sehap op dit feest-ge gt; i
( U Je- sus' Moe-der groe-ten wij, O
si-
-Ma-ri-H _.4,( ^ Moe-der van Gods Zoon;
-le- In- ja (Wij jui-chen voor Uw troon.
$
1.
tij, Al-ac
i
4=
33
Ã
tgö
1â4. Wees ge-groet, o Ko-uin-gin, Sal-ve, sal-ve, O,__
2.
3.
Sal- ve Re - gi - na.
U, die ook onze Moeder zijt, O Maria! Zij steeds vol liefde ons hart gewijd. Alleluja! O Moeder van Gods Zoon, en/..
O zegen mild 't gereinigd hart, O Maria! Niet meer in satans strik verward. Alleluja! O Moeder van Gods Zoon, enz.
Bewaar iu ons een reine deugd, O Maria! Beloond hierna met hemelvreugd. Alleluja! O Moeder van Gods Zoon, en'i.
4.
1) De melodie en ook de tekst zijn met toe-
stemminij van den WelEenv. Heer Fr. Eppink overgenomen nit zijn âVijf gezangen voor Kinderen op den dag der eerste 11. Communiequot;. Wed. J. R. van Rossum, Utreclit.
15
IV. WIJ GROETEN U, O KONINGIN 1).
Melodie ids No. III. Aan de H. Maagd.
1. Wij «Toeten U, o Koningin, o Maria! U Moeder, vol van toedre min, AUelnja!
üroet haar, o Cherubijn!
Prijs haar, o Serafijn!
Prijst met ons Uw Koningin,
Salve, salve, salve Eegiua!
2. U Moeder vnn barmhartigheid, o Maria! Die altoos voor den zondaar pleit. Alleluja!
Groet haar, o Cherubijn, enz.
3. Zie vol ontferming op ons neêr, o Maria! En bid voor o.is bij God den Heer, Alleluja! Groet haar. o Cherubijn, enz.
4. Bezwijken wij soms in den strijd, o Maria! Ons liart blijft immer U gewijd. Alleluja!
Groet haar, o Cherubijn, enz.
5. Blijf onze voorspraak bij nw Zoon, o Maria! En voer ons naar Zijn glorietroon. Alleluja!
Groet haar, o Cherubijn, enz.
6. Zoo bid ik immer, zoete Vrouw, o Maria! Totdat ik eens uw Zoon aansehouw, Alleluja!
Groet haar, o Cherubijn, enz.
1) Met toestemming van den WelEerw. Heer ïi'. Eppink overgenomen uit zijn âLooft den lieerquot; Utrecht, Dekker cn Van de \ egt.
16
V. MARIA TE MINNEN 1).
i\M
(Mii-ri-ii to min-nen, Wat wi-lig' ge- not! (Zij is ou-zo Moe-dor, De Moc-der vanGod
| ||||||||
|
Ma- ri- a, miju Moo- der, U wijd ik uiiju |
| ||||||||||
|
liart,Aaii U mij-ne liei'-de, In vreugd en in smart |
2. Gij helpt Uwe kindien In droefheid en strijd, Met machtige bede, O Moeder, altijd!
Maria, mijn Moeder, enz.
8. Het schijnschoon der wereld Verblindt ons gezicht. Doch steeds wijst uw liefde
Op 't heraelsehe licht. Maria, mijn Moeder, enz.
1) Met toestemming van tien WelEerw. Heer Fr. Eppink overgenomen uit zijn âLooft den Heerquot;, Utreeht: Dekker en Van de Vegt.
17
4. Het zoete der anrde Verlokt onzen geest, Gij geeft ons de zoetheid Van 't liemelsclie feest. Maria, mijn Moeder, en/.
18
VI. MARIA'S NAAM ZOO ZOET I).
mm
dood en le - ven.
3. O teedre Moedermaagd,
Hoor, wat ons hart n vraagt.
Verhoor ons smeeken; Wil voor ons op Uw troon Bij God, Uw lieven Zoon, Goedgunstig spreken.
8. Als satan ons bekoort.
En tot het kwade spoort.
Toon dan erbarmen.
ê
1. Ma- ri- a's iiiiam zoo zoet. Staat diep in ons ge-
Versterk ons door Uw kracht, Eu steun ons door Uw macht, Wil U ontfermen!
1) Met toestemming van ilcu WelEenv. Heer Fr. Kppink overgenomen uit zijn âLooft tien Heerquot;, Utrecht: Dekker en Van de A egt.
19
1. .Hl ij ft trouw aan onze zij, Sta met Uw liefde ons bij
In 't uur van scheiden. Wil Moeder, aan Uw hand Naar 't hemelsch vaderland Uw kindren leiden.
VII. MARIA KONINGIN.
Wijze als No. VI. Maria's uaam zoo zoet
1. Maria Koningin,
'k Wijd u met hart en zin
Mijn gansche leven.
O, Moeder, teêr en zoet,
Aau U hoort mijn gemoed. En al mijn streven.
3. Door Uwe reine deugd.
Waart gij Uws scheppers vreugd
Geheel Uw leven.
O leer ons vroom en blij, U, Moeder, van nabij Steeds na te streven.
3. Gij ziet zoo liefderijk.
Zoo zoet, zoo moederlijk
Op mij ter neder.
Doch ook mijn dankbaar hart. Zoowel in vreugd als smart, Klopt voor U teeder.
30
VIII. SMEEKZANG VOOR DE KERK 1).
|
P ^ dâ J 1111 | ||||
|
|
tij - den Stondt Gij zoo dik - wijls Do | ||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||
3. Kozenkrans Koningin !
Wil als te voren Nu de gebeden der Kerk weer verhooren. Overal bidt Zij thans IJv'rig den Kozenkrans;
Wil Haar nu ook verhooren.
1
Uit: A. J. A. Heus âMariiituiutjequot; Zwollr, Thomas . Keinpis-Di'ukkcnj.
3. Eo/enkrans Koningin!
Hoor onze bede:
Solienk aan de Kerk nu de vrijheid, den vrede Bloeie zij overal,
Groeie ze in ledental;
Schenk Haar vrijheid en vrede.
22
jeugd, ik zal U nooit ver - la - ten, in
iSE
droef-heid of in vreugd; Tot het oo-gen-blik
Van mijn laat-stensnik. Bij dag, bij nacht blijft
Gij, O Ko - zen - krans mij bij
2. O Rozenkrans, ik eer U, Verheven hemelsch pand. Dat we aan Maria danken. Aan hare Moederhand; Moeder van den Heer, ü zij dank en eer,
Voor 't groote ⢠liefdeblijk, Aan hemelgunsten rijk.
1) Uit: A. J. A. Hens âTwintig gezangen voor de Meimaandquot; Zwolle, Thomas a Kempis-drulckerij.
33
3. O Rozenkrans lioe lieflijk,
Hoe wondeïsclioon zijt Gij, Hoe geurig zijn Uw rozen, Wat deugden melden zij;
O, boe wonderzoet Klinkt Uw wees gegroet; Hoe dikwijls ook gehoord Steeds klinkt het zoet dat woord.
4. O Krans met Uw geheimen
Der liefde van mijn God, 1 wil ik vaak beschouwen. Verzonken in genot;
Leer mij onzen Heer Minnen meer en meer, Eu prent diep in mijn hart l 'w glorie, vreugde en smart.
5. Eens, als ik lig te sterven.
Zal ik met klnmme hand, U met 1 w Kruisje Omvatten,
0 heerlijk Hemelpand;
Ook zult Gij mijn lijk,
1 Herbaar liefdeblijk
Dat mij mijn Moeder gal'. Nog volgen in het graf.
6. Maria éene bede,
O weiger mij die niet:
Gij gaaft me een krans op aarde. Die nimmer mij verliet;
Schenk mij nog een krans, Schitt'rend en vol glans;
Schenk mij dat liefdeblijk Eens in het Hemelrijk.
X. ONZE PLICHTEN JEGENS MARIA 1)
i
l ej ti \ i } d \ ȉ -/ quot;
1. Moe-der I ver - co - ren \*ij, U zoo
liooquot;' door God ver-he-ven, O, wat zijn Uw
[gt;^3âjâÆâ^--r-hts--
P^gr^grr:- ^ .....,4-
kin - d'ren blij Om de p;lo - ric U p;e-
ge-ven; 1T, o Moe-der van Gods Zoon,
Lo-ven wij op kin - der toon.
3. Aarde- en Hemelkoningin,
Alles kunt Gij ons verwerven, Uwe voorspraak roepen we in, En bij leven en bij sterven, Bij gevaar, in allen nood. Vluchten wij aan Uwen schoot.
1) Uit: A. J. A. Hens, âTwintig gezangon voor Je Mei-mnsndquot; Zwolle, Thomas a Keuipis-clvukkeiij.
Moedor die ons teêr bemint,
Om uw niatelooze liefde, Om het oft'ren van Uw Kind,
Om het zwaard dat U doorkliefde. Toen Ge ons baardet in veel smart, U bemint ons kinderhart.
Moeder wij beloven nu.
U te dienen heel ons leven. Steeds te doen al wat aan I ,
Jesus' Moeder vreugd kan geven; O Gij zegt ons, doet slechts al AVat mijn Jesus zeggen zal.
Op V richten wij den blik
Om Uw deugden na te streven, ()m tot onzen laatsten snik
Als T'w kind'ren steeds te leven; Om voor eenwig, bij Uw Zoon, Ook te deelen in T'w loon.
36
XI. MARIA ONZE HULP IN DEW STRIJD 1)
Naar het Duitsch.
iji*1' P j r p i L'Jï
1. O Ko-nin-gin vol heer - lijk - lieid, Ma-vi - - a! Tot. hulp tier Chris-te-nen be-reid, Ma-ri - - ii! Zie ik beu Uw on - der - daan, Ster-ke Maagd, voer Gij ons aan: O help ons
^ ^ J r
strij-clen Op al-Ie tij-den, In al-len nood. Tot
87
3. O Maagd en aller maagden Kroon, Maria i Uw God en Schepper werd Uw Zoon, Maria! Bid Uw Kind op Uwen arm Dat het onk.er zich erbarm;
O help ons strijden, en/,.
3. O lief, o heilig Moederhart, Maria!
Gij leedt voor ons zoo bitt're smart, Maria! Laat die matelooze pijn Niet voor ons verloren zijn;
O help ons strijden, enz.
4. O Morgenster na duist'ren nacht, Maria! Verlicht ons met Uw heid're pracht, Maria! Als wij zinken in den vloed.
Ster der Zee geef nieuwen moed?
O help ons strijden, enz.
5. O leliereine Hemelpoort, Maria!
Ontsluit voor ons het Hemeloord, Maria! Geef barmhartig ons gehoor.
Laat ons tot Uw .Tesus door;
O help ons strijden, enz.
28
XII. De betoekenis van Maria's Naam 1)
1. Op-jipr Ko-niu-gin, He-mel-sohe Vor-stin,
$
Ijiiidt TJw Naam, o Ma - - vi - - ;i!
Hocrscli mi iu dit. lo - vpii Rn in 's Hemels
dre - ven, O - ver nns, o Ma ri - ».
2. Aan den Hemeltrans,
Seliittert Gij vol glans,
Ster der Zee, o Maria !
Op der wereld baren.
Bij de zielsgevaren.
Voer ons veilig, Maria.
:5. Zee vol bitterheid,
Hoe liebt Gij geschreid.
Onder 't Kruis, o Maria!
Moeder vol van smarten.
O niet kinderharten Minnen wij U, Maria.
1) ril: A. J. A. lii-ns âTwintig gezungon voorde Mii-miiandquot;. Zwolle. Tiiomas a Krinpis-dnikkcnj,
2!)
4. Naam door God bereid,
Naam vol heerlijkheid.
Zoete Naam, o Maria!
Mogen w ij eens zingen In de Hemelkringen,
Uwen Naam, o Maria!
XIII. O WELDADIGE.
Wijze als No. XIL Do betookcuis van Maria's naam.
1. O Weldadige,
Hoog'genadige,
Zoete Moeder Maria!
Zie op ons neder,
O Moeder teeder.
Bid voor ons, o Maria!
3. O Gij goedige.
Gij kloekmoedige.
Help ons. Moeder Maria!
Troost ons in lijden,
Sterk ons in strijden.
Bid voor ons, o Maria!
3. O lofwaardige.
Gij Imlpvaardige,
Lieve Moeder Maria!
Leid onze schreden Naar 't eeuwig Eden,
Bid voor ons, o Maria!
30
Op ecu blij-den ju-bel-toou, Eer /.ij U door
D , â . I -1 ! . .1
ons bo-we-zeu, Voed-ster-va-der van Gods Zoon
J ï ' I.1 ' i i
Brui - de - gom van 's Hee - ren Moe - der
ji I ^ ,1 i ï i
Eu hun bei - der trou - we Hoo-der
Iquot; r J I 1 r quot;^1
Om die hoo - ge waar - dig - heid
31
3. Wat een eer werd u beschoren, Hoofd van 't Heilig- Huisgezin, Daartoe heeft I God verkoren, Daar bestaat Uw grootheid in; Ja, de Moeder Onzes Heeren Wilde, Joseph, U vereeren. En het Goddelijke Kind Heeft U kinderlijk bemind.
3. Wat een glorievol genieten.
Wat een niet te meten loon. Zalig mocht Uw leven vlieten. Naast Maria en Haar Zoon. Om l w deugden zoo verheven, Werd dis glorie U gegeven.
Heeft Maria U bemind.
Noemde Jesns zich U Kind.
4. En nu troont Gij hoog verheven
Naast Maria, bij Haar Zoon, Smeek dar. na een deugdzaam leven
\A ij ook deelen in Uw loon; Dat wij in de Hemelkringen Ook l w loflied eenmaal zingen, Eu daar zien de heerlijkheid, Door Uw Jesus U bereid.
33
XV. Maria-s Glorie in den Hemel I;.
^ , n m
Ã
J J-iâgt;
]. Als de Ko-iiin - s;iii des Ho - mels
Met de star-ren tot een krims, Met de maan aan
$ j nn j iJ
llu-re vou -ten, Eu lt;;'e-kleecl in zon-ne-ü'lans
.rr-fcjs!:
In het hoogst des He-mels, ze-telt Aan de zij-de
3=ifF^sÃSE
|
van luiur Zoon, Jc-sns' vlek-ke- loo-zc Moe-der | ||||||
| ||||||
|
Op LJaar Ko - uiu - giu-ne- troon. |
1) Uit: A. J. A. Heus. âTwintig gezangen voor dc Mci-iLaaudquot;. Zwolle Thomas Kenij)is-di,ukker;j.
33
2. Ã wat luisterrijke stralen,
Welk een God'lijk giorielicht, Schitt'ren op Maria nedor,
Uit het God'lijk aangezicht Van den Zoon die Haar als Moeder, Van den Vader die Zijn Kind, Van den Heirgen Geest den Bruigom Die Haar als Zijn Bruid bemind.
8. Alle Heiligen eu Eng'len
Zingen juichend Haar ter eer, Alle glorie Haar bewezen,
Straalt op 't God'lijk Wezen weer: Zij bezingen 's Vaders Doehter,
Bu de Moeder van den Zoon, En de Bruid des Heil'gen Geestes, Glorie van de Hemelwoon.
4. Wij ook mengen om.e zangen In het juub'lend Hemelkoor, Onze zwakke jubeltoonen Dringen tot Maria door; Hoe verheven Zij daar zetelt.
Hoeveel Glorie God Haar biedt. Eeuwig blijft Zij Onze Moeder, Zij vergeet haar kind'ren niet.
34
XVI. DE KINDEREN VAN MARIA.
Wij allen zijn Maria's kinderen,
Ontler 't kruis nam Zij ons aan;
Zijn wij bij Haar, niets kan ons hindren. En onz' harten /.ijn voldaan;
Maria 1
Allen zijn we uw kindren;
Maria
Lacht ons als moeder aan.
1. We aanschouwen U, met de armen open, De hand omstraald met 't noodig gratie-licht;
Wat mag Uw kind van U niet hopen? God heeft U troon naast Zijnen troon gesticht. Wij allen zijn Maria's kindren, enz.
3. Een sterrenkrans blinkt om Uw schedel. Uw glans verdooft den felsten zonnegloed.
Gij trapt de maan, zoo lief, zoo edel; ])e helsche draak ligt. plassend in zijn bloed. Wij allen zijn Maria's kindren, enz,
3. Komt schrik ons teeder hart bespringen. Op 't zien van satans list en boos geweld...
^ie kan ons uit Uw armen wringen? Uw liefde. Uw macht is tusschen ons gesteld. Wij allen zijn Maria's kindren, enz.
Do wereld toont liaiir broze goedren,
Koerat 't schijngeluk, dat hare mitmuars streelt,
Terwijl Gij, Moeder aller moedren. Het ware goed aan Uwe Icindren deelt. Wij allen zijn Maria's kindren, enz.
quot;Weg, ver van hier, gij schandvermaken, Die lach en dans met zneht en tranen paart!
Men kan uw doodend gift niet naken. Waar Jesns' liefde ons ware vreugde gaart. Wij allen /.ijn Maria's kindren, enz.
Trek steeds tot U ons hart en zinnen. O Koningin van 't zalig Hemelhof,
Dat wij, naast Jesus, U beminnen, En eeuwig meer verheffen Uwen lof. Wij allen zijn Maria's kindren, enz.
sr.
XVII. HYMNUS â I'ANGE LIIVGITAquot;.
]. Pange, lingua, gloriosi Corporis mystcrinm,
Sfingrjnispue pvetiósi
Quern in mnndi prctinm Fructns ventris generósi Eex oiiïïdit gentium.
2. Nobis datus, nobis natns
Ex intacta Virgine,
Kt in iriundo couversatus
Sparso verbi semino,
Sui moras incolatns Miro olausit órdine.
3. In snpremae nocte coenae
llecumbens cum fratribus, Observata lege plene Gibis in legaiibus.
Cibum turbae duodéuac Se dat Puis mauibus.
4. Verbum care, panem verum
Verbo carnem éfficit:
Fit (j ue sanguis Christi menmi
Et si sensns deficit, Ad finnandnm cor siiieérum Sola (ides snllicit.
5. Tantum ergo Sacraméntum
Venerem ur cérnui. Et antiquum doonméntum
Novo cedat ritui:
Praestet tides supplementnm, Sénsutim deféetni.
6. Genitóri, Genitópne
Lans et jnbilatio,
Sains, honor, virtus quoque
Sit et benecïïctio; Procendénti ab utróqvie Compar sit laudatio. Amen.
Panem de eoelo praestitisti eis.
Omne delectaméntum in se habéntem.
88
XVIII. CANTICUM B. M. V.
1. Magnificat* anima mea Dominura.
3. Etexultavit spiritus mens* in Deo salutari meo. 8. Quia respéxit hnmilitatem ancillae suae;* eece
enim ex lioc beatam me dicent omnes g'e-nerationes.
4. Quia fecit mihi magna qui potens est:* et sanctum nomen ejus.
5. Et misericordia ejus a progénie in progenies* timentibus eum.
6. Fecit potentiam in bvachio suo* dispérsit superbos niente cordis sui.
7. Deposnitpoténtesde sede,*et exaltarit hi'miles.
8. Suscepir, Israël puerum suuin, * recorddtus misericordiae suae.
9. Esnriéntes implévit bonis:* et divites dimi-set inanes.
10. Sieut locutus est ad patres nostros,* Abraham, et sémini ejus in saecula.
11. Gloria Patri, et Filio,* et Spiritui saucto. 13. Sicut erat in principio, et nunc, et semper,*
et in saecula saeculorum. Amen.
â â
88
XVin. CANTICUM B. M. V.
1. Magnificat* anima mea Dominnm.
3. Et exultavit spiritus megt;is* in Deo salutari meo.
3. Quia respéxit humilitatem ancillae suae:* ecee enim ex hoc beatam me dicent omnes ge-nerationes.
4. Quia fecit mihi magna qui potens est;* et sanctum nomen ejus.
3. Et misericordia ejus a progénie in progenies* timentibus enm.
6. Fecit potcntiam in bracliio suo':- dispérsit superbos mente cordis sni.
7. Depusuit poténtes de sede,* et exaltavit lif miles.
8. Suscepit Israël pilerum suum, * recordatus misericordiae suae.
9. Esuriéntes implévit bonis:* et divites dimi-set inanes.
10. Sicut lociitus est ad patres nostros,* Abraham, et sémini ejus in saeculr.
11. Gloria Patri, et Filio,* et Spiritui sancto.
12. Sicut erat in principio, et. nunc, et semper,* et in saecula saeculorum. Amen.