AFSCHEIDING en DOLEANTIE
IN VERBAND MET
HET KERKBEGRIP.
DOOR
F. M. TEN HOOR,
Predikant van de Christ. Geref. Gemeente te Franeker.
LEIDEN. â D. DONNER. 1890.
BIBLIOTHEEK DER
Rl J KSUN i V £ R3ITEIT U T ii i_ C H T.
INHOUD.
Bladz.
I. De stand der kwestie..........................................................................1
II. Het wezen der Kerk in de Doleantie................................................19
III. Opmerkingen over het wezen der Kerk in de Doleantie................34
IV. Vergelijking van de Afscheiding met de Doleantie in zake het
wezen der Kerk..............................................................................56
V. Het begrip âvalsche Kerkquot; in de Doleantie....................................76
VI. De Hervormde Kerk in het licht van Art. 27 â 29 van de Belijdenis. 102
VII. Theorieën van reformatie....................................................................129
1.
DE STAND DER KWESTIE.
De wijze waarop sommigen in den tegenwoordigen tijd over de kerkelijke beweging spreken en schrijven, drong ons reeds dikwijls tot de vraag, of het algemeen wel goed begrepen wordt, welke beteekenis de worsteling van deze periode heeft voor de Kerk van Christus. Men zij toch niet al te prikkelbaar tegenover beschouwingen, die van onze opvatting afwijken en met- ons kerkelijk standpunt in strijd zijn. Indien deze opvatting en dit standpunt juist zijn, zal al wat tegen ons gedaan en gedacht wordt, medewerken om ons als kerk tot voller zelfbewustzijn te brengen, en op den weg der ontwikkeling voort te leiden.
Wij moeten ons niet laten verleiden om de kerkelijke beweging met het oog der menschelijke wijsheid te beschouwen. Ook bedenke men wel, dat het eigenwillig ingrijpen van den mensch op den ontwikkelingsgang der historie, den oversten Leidsman, den Koning der Kerk, niet in verwarring brengt. In weerwil van menschelijke willekeur leidt Hij door zijn Geest den stroom der historie voort in de bedding van Gods onveranderlijk besluit. Men beschouwe daarom de kerkelijke beweging van onze dagen ook in verband met het geheel van den arbeid der Kerk om alle waarheden onder leiding des H. Geestes uit de Schrift op te diepen, voor het denken duidelijk te maken en in de praktijk uit te werken.
Bovendien beschouwe men de kerkelijke beweging van de laatste jaren niet te veel op zich zelf, niet te beperkt. Er is tweeërlei gevaar te vermijden. Sommigen' beweren, dat er in dit tijdvak een andere, geheel nieuwe schilderij in het groote museum der historie geplaatst wordt, en dat in die nieuwe
i
2
schilderij niets wezenlijks van de oude terug te vinden is. Alsof het heden niet in verband staat met het verleden.
Anderen schijnen te raeenen, dat de tegenwoordige historie eene nieuwe bewerking der oude schilderij moet zijn. Alsof het verleden nog eens kan herleven in het heden. »In het heden ligt het verledenquot; is volkomen waar, maar dit is niet hetzelfde als; het heden is het verleden.
De historie der Kerk is een nog onafgewerkte schilderij, waaraan de groote kunstenaar Jezus Christus, nog altijd voort-werkt. Onder de menschen, die als medewerkers gebruikt worden, dringen zich velen, die het plan van het stuk niet vatten. Zij bezoedelen de schilderij, en .brengen er veel op, wat niet in harmonie is met het geheel. Dit alles moet dan telkens weer van de schilderij der historie afgewischt worden. En dan kan de groote kunstenaar ook op die bedorven punten zijn kunstwerk weer voortzetten.
Hieruit volgt dus, dat er in de kerkelijke historie van onze dagen, niet een gansch nieuwe schilderij voor ons oog geplaatst wordt. Evenmin eene nieuwe bewerking van de oude schilderij. Het is de voortzetting van den arbeid aan de ééne, oude schilderij.
Doch ook de eigenwillige menschen willen mede voort-werken ; en de lijnen die zij trekken, en de kleuren, die zij er opwerpen, moeten ook in verband beschouwd worden, met wat hunne voorgangers vroeger gedaan hebben.
Met het oog op het . aangeduide, geven wij eerst enkele al-gemeene beschouwingen tot voorbereiding van hetgeen wij in het vervolg ter overweging aanbieden.
Elke periode in de geschiedenis heeft haar bizondere be-teekenis. Er is gang, ontwikkelingsgang, en dus ook verband in de geschiedenis, ook in de dogmengeschiedenis der Kerk. De H. Geest leidt in de op elkander volgende perioden de Kerk door de onderscheidene hoofdwaarheden der Schrift heen. Dit wil niet zeggen, dat de Kerk eerst de eene waarheid in haar denkend leven volledig moet opgenomen hebben, voor zij over de andere waarheden begint na te denken; integendeel, wanneer de waarheden worden aanvaard dóór het geloof.
.3
worden zij ook aanvankelijk verstaan. Doch het is niet genoeg de waarheid voor zich zelf te aanvaarden zooals zij in de Schrift is geopenbaard. Zij moet uit de Schrift opgenomen, en voor het denken duidelijk, en daarna in de belijdenis geformuleerd, en in de praktijk uitgewerkt worden.
En nu leert de dogmengeschiedenis, dat de Kerk niet zelden door de ketterij gedrongen werd om zich in de waarheden in te denken, en deze tegenover haar zoo juist mogelijk te formuleeren en te belijden. Al naar dat de ketterij de eene of andere hoofdwaarheid aanviel, werd de Kerk genoodzaakt deze op den voorgrond te plaatsen en te .verdedigen. Zoo gaat het ook in onzen tijd. In den ontwikkelingsgang der dogmengeschiedenis is thans vooral het dogma over de Kerk aan de orde. Wat is de Kerk, en hoe moet zij ingericht zijn? â dat is tegenwoordig in ons land, en ook in Duitschland 1), en dat wordt in alle protestantsche landen al meer de vraag, waarop men een bevredigend antwoord zoekt. Op die vraag is in, den loop der historie wel dikwijls een antwoord gegeven, doch dat antwoord kon nog niet volledig zijn. Het handhaafde slechts dit of dat deel van het begrip.
Men denke toch niet, dat de Kerk ten tijde van de apostelen reeds eene volledige en naar alle zijden belijnde beschouwing van de Kerk had. Dit kon niet, wijl zij toen nog niet stond voor de dwalingen en vragen, die later achtereenvolgens opkwamen. Door bizondere verlichting des Heiligen Geestes hadden wel de apostelen een volledig beeld van de Kerk voor den geest, maar dit werd dadelijk niet opgenomen in het bewustzijn der Kerk.
De schrijvers van het N. Testament hebben hunne .volledige en zuivere beschouwing ons niet gegeven in den vorm van een systeem, maar zij hebben toch al de elementen in de Schrift neergelegd, opdat de Kerk ze daaruit opdiepen, en tot een volledig en zuiver geheel zou ineenzetten, en in de praktijk uitwerken. Evenals van den O. Testamentischen tabernakel, heeft
') De stroom van geschriften over het Wesen en de Verfassung der Kirche, wordt in Duitschland nog steeds breeder. In Duitschland is de zaak meer theoretisch, bij ons meer praktisch aan de orde.
4
de Heere ons ook van den N. Testamentischen tempel het beeld getoond, dat in de Kerk moet worden afgedrukt. Dat de Kerk ten tijde van de apostelen meer in overeenstemming was met de gedachten Gods dan de Kerk in de latere perioden, bewijst nog volstrekt niet, dat de Kerk toen reeds een juist beeld voor den geest stond. Het meer zuivere in de apostolische Kerk is veelmeer toe te schrijven aan den bizonderen invloed van de apostelen, dan aan de Kerk zelf. Dit blijkt duidelijk uit de verkeerde toestanden, die ontstonden en geduld werden, wanneer de apostelen afwezig waren, b. v. in de Kerk van Corinthe. Indien het dogma over de Kerk in den aanvang reeds uit de Schrift volledig en juist belijnd, in het bewustzijn der Kerk was overgegaan, en door haar in de praktijk uitgewerkt, dan zou de spoedige verbastering, de deformatie van de eerste eeuwen een onverklaarbaar verschijnsel zijn. Doch bij onze beschouwing is dit niet vreemd, maar kon het wel niet anders. Zoodra de Kerk na het apostolisch tijdvak zelfstandig moest optreden, kwam het uit, dat ook de waarheden aangaande de Kerk door haar nog niet voldoende waren verwerkt, en in haar nog niet ten volle leven geworden waren. Daaruit is het te verklaren, dat de oude Kerk zoo spoedig en zoo vele menschelijke elementen in haar kerkbegrip kon opnemen; en dat de Kerk ten tijde van Constantijn reeds eene realiseering werd van een dogma, dat ten deele aan God en ten deele aan den mensch ontleend was. De vervolgingen vóór Constantijn hebben deze verbastering zeker nog eenigen tijd tegengehouden. Toen moest de Kerk strijden om haar bestaan, en daarbij was het haar wel duidelijk geworden, dat zij geheel iets anders was dan de wereld. Dat zij ook iets anders was dan de Staat, was haar nog niet duidelijk. Zij kon wel strijden voor haar bestaan tegenover de wereld, maar nog niet voor de zelfstandigheid en onafhankelijkheid van haar bestaan tegenover den Staat.
Men houde wel in het oog, dat het dogma over de Kerk toen nog niet zoo op den voorgrond trad; dat het toen nog geen eminent dogma was gelijk thans. Het werd toen in den strijd om andere waarheden meer op den achtergrond gedrongen, en er is nog nooit eene periode in de Kerkge-
5
schiedenis geweest, waarin men zich met zooveel ijver gewijd heeft aan de ontwikkeling van de leer over de Kerk als in onzen tijd.
Dit verwondere ons niet. Het dogma over de Kerk komt achteraan, zoowel in de praktijk van het geestelijke leven, als in de wetenschap. Eerst nadat de waarheden aangaande God, de zonde, Christus, de verlossing in het hart van den zondaar tot leven geworden zijn, ontstaat de behoefte aan de Kerk. Wat wij bij den ontwikkelingsgang van het leven des Christens opmerken, vinden wij ook bij de Kerk in haar geheel. De H. Geest leidt haar in den loop der eeuwen in alle waarheid, maar niet in alle te gelijk. Gelijk wij boven zeiden; er is een ontwikkelingsgang. Hij brengt niet ineens alle waarheden tot volle bewustzijn van de Kerk. De leer over God, over den mensch, over Christus en de verlossing, gaat aan de leer over Kerk vooraf. De Kerk komt het laatst tot helder bewustzijn van wat zij zelf is naar de gedachten Gods.
De ontwikkeling van het geestelijke leven, evenals de ontwikkeling van het dogmatisch systeem, loopt uit op de Kerk. Het dogma over de Kerk is de sluitsteen van het dogmatisch gebouw; en deze sluitsteen wordt in elk systeem zoo gevormd, dat hij is in overeenstemming met het geheel. Al naar dat men de andere leerstukken opvat, vat men dat over de Kerk op. Een Remonstrant en een Ethische krijgt noodzakelijk een heel andere opvatting van de Kérk dan een Gereformeerde. Het dogma over de Kerk oefent geen invloed uit op en bepaalt niet de andere dogma's; maar omgekeerd, het dogma over de Kerk wordt beheerscht door en gekneed en geplooid naar de andere.
Wijl nu de H. Geest in zijn onderwijs de Kerk achtereenvolgens de hoofdwaarheden tot bewustzijn brengt, volgt uit bovenstaande beschouwing, dat zij het laatst volledig ingeleid wordt in dat gedeelte der waarheid, dat de Kerk beschrijft. Wanneer wij nu hierbij letten op de teekenen der tijden, dan is er grond voor de gedachte, dat de H. Geest de Kerk thans brengen wil tot helder bewustzijn van wat zij zelf is. Geen wonder dus, dat schier alle bewegingen op kerkelijk gebied in verband staan met het begrip Kerk.
6
Dat de leer over de Kerk, zooals zij in de Schrift is neergelegd, nog niet algemeen in het bèwustzijn der geloovigen is opgenomen, blijkt duidelijk uit de kerkelijke verschillen en verdeeldheid. Zelfs zij, die overigens in de hoofdwaarheden ée'n zijn in belijdenis, zijn, blijkens de praktijk, juist op het punt van de Kerk verdeeld. Was de gedachte Gods over de Kerk door alle geloovigen volledig en juist aanvaard, dan zou men ook op dit punt één zijn; en alle geloovigen zouden dan behooren tot ééne zichtbare Kerk. Het verschil bestaat niet slechts in bijzaken; ook niet in de praktijk alleen; maar in de opvatting, die men heeft van de Kerk. De geloovigen, die het ééne kerkbegrip van God gemeenschappelijk en zuiver aanvaard hebben, kunnen kerkelijk niet gedeeld zijn. Ook hier is er slechts ééne waarheid; en zoodra die helder tot bewustzijn komt, grijpt zij ons aan, beheerscht zij ons, en dringt ons om ze te realiseeren in het kerkelijke leven; en dan is ééne Kerk van alle geloovigen daarvan het resultaat. Zoolang echter het wezen van de Kerk voor het bewustzijn van alle geloovigen nog niet voldoende helder is, kan men zich vast klemmen aan bijzaken, die. dan in het kerkelijk handelen overwegenden invloed uitoefenen.
Uit de dogmengeschiedenis blijkt, dat de leer over de Kerk spoedig op den achtergrond gedrongen is door andere dogma's, waarom de Kerk worstelen moest. Al .kwam ook zoo nu en dan het dogma óver de Kerk min of meer op den voorgrond, wanneer de Kerk op dit punt aangevallen werd; het is toch nooit de hoofdzaak géweest, waarom de Kerk een strijd heeft gevoerd. Zelfs in de reformatie van de 16de eeuw was het niet de hoofdzaak in den strijd, al kwam het toen ook wat meer op den voorgrond, omdat 'men tegenover Rome kerkelijk positie nemen moest. Men heeft toen het dogma over de Kerk wel gereformeerd; doch deze reformatie bestond op dit punt meer in de theorie dan in de praktijk. Het dogma werd 'wel gezuiverd van de hiërarchische bestanddee-, len, doch in de plaats daarvan nam men terstond weer staatkundige elementen er in op, zoodat men in de plaats van eene hiërarchische eene caesaropapistische, een overheids-kerk kreeg. En juist dit onkerkelijk element is in de .praktijk
7
het sterkst gerealiseerd, en heeft de zuivere elementen werkeloos gemaakt. Wat koning Willem I in 1816 gedaan heeft is niets'anders, dan de zuiver consequente toepassing van het onware bèstanddeel in het kerkbegrip, dat men in 1618 had aanvaard. Dé presbyterialt. Kerk heeft vanaf het begin zich gebogen onder een 'caesaropapistisch juk, en langzamerhand is hare geheele gestalte naar dat juk vervormd. Zij werd eene caesaropapistische Kerk; en deze heeft in 1816 weer eene hiërarchische Kerk gebaard.
Wel waren er in de 16de eeuw Gereformeerden, die de gedachten Gods over de Kerk tamelijk duidelijk hadden gevat uit de Schrift, maar deze waarheid was nog niet zoo met, hen vereenzelvigd, dat zij den moed hadden om er mede te staan of te vallen, zooals b. v. met de waarheid van de rechtvaardiging uit het geloof. Evenals Calvijn in Genève, gaf ook de Dordtsche Synode in 1618 en 'IQ de zelfstandigheid en onafhankelijkheid van de Kerk in de praktijk prijs tegenover de macht van de overheid. Dit is hieruit te verklaren, dat men toen het onderscheid tusschen Kerk en Staat niet duidelijk genoeg inzag. En dit volgde weer uit de oude fout, dat men zijn kerkbegrip voor een groot gedeelte putte uit het O. Test. Men kon het denkbeeld der theocratie niet loslaten, en beproefde nog altijd om den nieuwen wijn in oude leder zakken te doen, en moest dus de treurige ervaring opdoen, dat de lederzak barstte. Er was dus op dit punt wel zooveel repris-tinatie l) als reformatie.
Hierbij kwam, dat de dwaling van het Remonstrantisme al spoedig de aandacht van het dogma over de Kerk aftrok, en dat juist in dezen strijd de macht der overheid werd aangegrepen door de Kerk, om zelf staande te blijven. Geen wonder, dat dit zeer nadeelig werkte op het kerkelijk bewustzijn; en dat in het laatst der 18de eeuw ook het schriftmatig gedeelte van het kerkbegrip uitsleet, en plaats maakte voor eene geheel onschriftmatige opvatting.
Hoewel de Herv. Kerk zelf zeer bittere ervaringen heeft opgedaan van de macht der overheid, en de waarheid van het
') D. i. herstelling van het verouderde en afgeschafte.
8
woord heeft ondervonden: Die zijn leven zal willen behouden, zal hetzelve verliezen, toch zijn er nog vele geloovigen, die deze afgebogen historische lijn nog niet loslaten willen. Reformatie der Kerk met behulp van de overheid, is bij velen nog het ideaal.
Sinds de Dordtsche Synode tot aan 1834, is er dus in zake het kerkbegrip in het bewustzijn der Kerk geen vooruitgang, veeleer achteruitgang. En nog in onzen tijd is het duidelijk, dat de leer over de Kerk en alles wat er mede in verband staat, lang zoo ernstig niet wordt opgevat, en niet zoo hoog gewaardeerd als de leerstukken over de verkiezing en de rechtvaardiging. Toch is de leer over de Kerk even goed gedachten Gods als de andere waarheden, en moet daarom door ons even hoog gewaardeerd worden als de andere. Ook de leer over de Kerk moet een stuk van ons christenleven worden, zoodat men den moed heeft om zich des noods om het zuivere kerkbegrip te laten martelen, evenals om andere waarheden.
Eerst dan als de gedachten Gods over de Kerk door de Kerk zelf meer belijnd en met meer helder bewustzijn aanvaard zijn, kan zij zich onverdeeld wijden aan de leer dei-laatste dingen. Zoolang dit echter nog niet het geval is, kunnen wel enkele pioniers op het terrein der Eschatologie (leer der laatste dingen) arbeiden, maar de Kerk zelf blijft nog op een afstand staan. De H. Geest moet haar eerst nog dieper inleiden in de Ecclesiologie (leer over de Kerk), voordat zij in staat is tot de Eschatologie. Zij moet eerst tot helderder zelfbewustzijn komen, zal zij bekwaam zijn om haar toekomst te verstaan.
Wanneer wij nu in verband met deze beschouwingen de tegenwoordige kerkelijke en ook anti-kerkelijke bewegingen opmerkzaam gadeslaan, krijgt de strijd onzer dagen veel verhevener beteekenis, en dan komt het menschelijke en persoonlijke onwillekeurig meer op den achtergrond, en de verhevene zaak waarom het gaat, meer op den voorgrond. Ook de anti-kerkelijke strooming van onzen tijd wordt dan beter begrepen. Men vergete niet, dat de actie des H. Gees-
tes ook tot reactie van den boozen geest aanleiding geeft. Terwijl de H. Geest bezig is om ons dieper in te leiden in het dogma over de Kerk, doet de vorst der duisternis alle moeite om alle kerkelijke lijnen uit het bewustzijn van velen uit te wisschen. Hoe velen zijn er niet, die den strijd voeren tegen een vermeend kerkisme, en daardoor den H. Geest in zijn bizonder werk van deze periode tegenstaan en bedroeven. Alle richtingen, die in onze dagen min of meer het kerkelijke leven ter zijde schuiven, of negatief positie kiezen tegenover of buiten de Kerk, toonen, dat zij de werken Gods in onzen tijd niet begrijpen. In de eene richting komt dit meer uit dan in de andere, maar wij meenen hiertoe toch ook te moeten rekenen de beweging der Evangelische Allian-antie. Doch veel sterker komt deze negatie van het kerkelijke uit in het Leger des Heils, en alle richtingen, die daarmede meer of min verwant zijn.
Ook de oude dwalingen zijn nog niet verdwenen. Den eene zweeft nog altijd de oude theocratie als ideaal voor den geest, en houdt het begrip van staats- en volkskerk nog krampachtig vast, en wil dus repristineeren. De ander grijpt ongeduldig vooruit op de toekomst, en wil het volmaakte hier reali-seeren in eene Kerk van enkel ware bekeerden. Deze doopersche beschouwing in toepassing op de Kerk wordt meer of minder sterk verdedigd door alle Labadistisch, Baptistisch en Anti-nomiaansch gezinde christenen. Zij anticipeeren. Doch hoe verschillend ook in de beschouwing, toch komen beide in de praktijk tot hetzelfde, n. 1. een kerkje in de Kerk, of in Ethischen term: de Gemeente in de. Kerk.
Wanneer wij verder nagaan de tegenwoordige beschouwing en praktijk van vele geloovigen in betrekking tot enkele on-derdeelen van het dogma over de Kerk, dan komt het bij vernieuwing uit hoe weinig helderheid er is op dit punt. In welke verhouding staat het verbond tot de Kerk, en de Kerk tot het koninkrijk Gods ? Dit zijn voor velen zelfs geheel nieuwe vragen, wijl men alle drie zoo maar als een en hetzelfde beschouwde. Uit de tegenwoordige praktijk blijkt, hoe onduidelijk men de grenzen des verbonds ziet; wijl men anders onmogelijk eene groote schare van openbaar ongeloovigen
10
tot den doop hunner kinderen kon toelaten. En hieruit volgt van zelf, dat bij het kerkbegrip ook alle belijning ontbreekt, zoolang het begrip en de praktijk van het verband zoo onbepaald is.
Ook de begrippen van Kerk en koninkrijk Gods zijn in hun onderling verband en hun onderscheid niet helder voor het bewustzijn. Zoo onnadenkend mogelijk passen velen de uitspraken der Schrift over het koninkrijk Gods toe op de Kerk. De reden waarom men dikwijls zoo weinig op de begrippen ingaat, schijnt soms wel gezocht te moeten worden in de bedoeling, om een onschriftmatigen toestand der Kerk te rechtvaardigen.
Zoeken wij verder naar eene ontvouwing van het kerkbegrip zelf, dan vinden wij hier en daar wel eens fijne onderscheidingen, maar wanneer wij die alle hebben nagegaan, dan is het ons soms alsof wij in een doolhof staan; wat wel bewijst, dat eenvoudigheid en juistheid aan deze beschouwingen ontbreken.
Ginds maakt men onderscheid tusschen het wezen der Kerk en hare organisatie in dezen zin, dat het wezen goddelijk en onveranderlijk, maar dat de organisatie menschelijk en veranderlijk is. Elders spreekt men van de Kerk naar haar wezen, haar organisme en haar instituut; en daarbij wordt het wezen der zichtbare Kerk vereenzelvigd met de onzichtbare Kerk; en de zichtbare Kerk is dan de formatie of de Kerk als instituut. Ja, men spreekt zelfs van een wezen van de onzichtbare Kerk en een ander wezen van de zichtbare Kerk. â Hier legt men den nadruk op de eenheid der Kerk, en zegt, dat de zichtbare en onzichtbare Kerk e'én en dezelfde Kerk is; en dat die Kerk dus ook maar een wezen heeft; en dat die Kerk in hare openbaring eenerzijds organisme is en anderzijds instituut. Organisme is zij als vergadering der geloovi-gen; en instituut is zij als inrichting tot den dienst des woords.
Vraagt men verder wanneer eene Kerk waar en wanneer zij valsch moet heeten, het antwoord is al wederom verschillend, wijl. gene het begrip valsch op de onzichtbare, en deze het op de zichtbare Kerk toepast.
En wilt gij eindelijk doordringen tot de diepste oorzaak
11
van alle verschillende beschouwingen, dan vraagt gij: Wat is het wezen der Kerk? Het antwoord, dat gij daarop van verschillende zijden ontvangt, doet u zien, dat de diepste grónd van die' uiteenloopende beschouwingen over het wezen en de formatie, de waarheid en valschheid van de Kerk, en over de methoden van reformatie enz. te zoeken is in eene verschillende opvattting van het wezen der Kerk.
Wie de beschouwingen, die zich belichamen in de tegenwoordige kerkelijke bewegingen niet herleidt tot de beginselen, waarvan zij uitgaan, kan onmogelijk tot helderheid en vastheid van overtuiging komen. Velen schijnen dit tegenwoordig onnoodig te achten. Met eene opmerkelijke gemakkelijkheid aanvaarden velen, dat er b. v. geen wezenlijk verschil is tusschen het kerkbegrip dat in de Afscheiding en dat in de Doleantie belichaamd is, maar dat er slechts verscheidenheid is in de beschouwing van bijzaken.
Wij konden hiermede nog nooit instemmen; en het komt ons voor, dat er ook onder de Nederd. Gereformeerden wel zullen 'zijn, die in de Kerk der Afscheiding, ook geheel afgedacht van hare staatsrechterlijke verhouding en vermeende reglementaire genootschappelijkheid, een ander kerkbegrip, eene andere opvatting van het wezen der kerk belichaamd zien. Het verwondert ons daarom niet, dat men in zake de vereeniging van die zijde volstrekt niets wil toegeven op de punten, die rechtstreeks in verband staan met hunne opvatting van het wezen der Kerk. Op dit punt bestaat er naar onze meening principieel verschil.
Ook dit verschil moet historisch verklaard worden. Wij hebben boven reeds opgemerkt, dat het kerkbegrip en ook de Kerk zelf naar de zijde van den Staat in de reformatie der-16ae eeuw nog niet voldoende belijnd werd. ') Dit was het gevolg van de meening, dat de Kerk al het christelijke moest omvatten, en dat er dus buiten de zichtbare Kerk niets
') Op de verhouding van Kerk en Staat in verband met Afscheiding en Doleantie, hopen we D. V. in âDe Vrije Kerkquot; nog afzonderlijk onze aandacht te vestigen.
12
christelijks kon zijn. Met de beschouwing over de verhouding van Kerk en Staat, hangt de opvatting van de verhouding van verbond en Kerk nauw samen. Het komt ons voor dat het eerste volgt uit het laatste.
Het verbond in zijne bedeeling werd vroeger geheel vereenzelvigd met de zichtbare Kerk, zoodat allen, die gerekend werden te behooren tot het verbond, ook erkend werden als leden van de Kerk. Evenals nu in de Herv. Kerk, waren er ten tijde van de reformatie der 16ae eeuw ook vele openbare ongeloovigen in de gemeenten der Roomsche Kerk. In de plaatsen, waar heel of bijna geheel de Roomsche Kerk tot de reformatie overging, werden ook al die ongeloovigen voor leden der Gereformeerde Kerk verklaard. De redeneering was aldus: Al die menschen zijn gedoopt. Wie gedoopt is, is in het verbond. Het verbond en de Kerk zijn één en het zelfde. Derhalve zijn alle gedoopten, leden, van de Kerk, ge-loovig of ongeloovig, dat doet er niet toe.
i Deze redeneering gaat uit van de volgende stelling: Niet in de hoedanigheid van geloovige, maar in de hoedanigheid van gedoopte is men lid van de zichtbare Kerk.
Indien men deze stelling aanvaardde bij een zuivere praktijk in de bediening van den doop, zou zij niet zoo gevaarlijk zijn, hoewel toch altijd onjuist en onschriftmatig. Doch nu wordt deze stelling toegepast op een gedoopte massa, waarvan velen reeds in twee of meer geslachten naar Bijbel-schen maatstaf openbare ongeloovigen zijn. Indien in de Herv. Kerk naar eisch der Schrift alleen zij, die volgens hunne belijdenis en hun leven geloovigen zijn, tot den doop hunner kinderen waren toegelaten, dan zou een groot deel van de tegenwoordige leden ongedoopt zijn. Deze ongedoopten zouden dan ook geen leden der zichtbare Kerk zijn, wijl de ge-doopten als leden der Kerk erkend worden.
En nu ligt de vraag voor de hand, hoe men hen, die tengevolge van eene onschriftmatige, en mitsdien onwettige handeling der Kerk gedoopt zijn, als leden der Kerk erkennen kan. De vraag, of de zoo even genoemde ongedoopten in de bedeeling van het verbond zijn, kunnen wij hier laten rusten. Alleen zij in het voorbijgaan opgemerkt, dat het antwoord
13
niet noodzakelijk ontkennend behoeft te zijn, omdat men niet door den doop in het verbond komt.
Doch al werden door de Kerk slechts de geloovige ouders tot den doop hunner kinderen toegelaten, dan zou men nog niet uit de moeilijkheid zijn, wijl buiten de Kerk door de secten ook gedoopt wordt. En nu wordt de ketterdoop ook als ware doop erkend, b. v. ook die van de Roomsche en de Moderne Kerken. Door deze te erkennen als waren doop, aanvaardt men ook, dat die gedoopten zijn in de bedeeling van het verbond. Is het verbond nu in zijne uitwendige bedeeling hetzelfde als de zichtbare Kerk, dan zijn al die door de ketters gedoopten, leden van de Kerk van Christus.
Op de historische lijn van de beschouwing van verbond en Kerk, zooals die in de praktijk der Gereformeerde en later in de Herv. Kerk is gegeven, komen wij voor eene moeilijkheid, die nog niemand uit den weg heeft kunnen ruimen. Bij vereenzelviging van het verbond in zijne bedeeling en de Kerk in haar zichtbare formatie, moet men alle gedoopten, dus Roomschen, Modernen enz. als leden van de zichtbare organische Kerk erkennen, omdat zij allen in het verbond zijn. Doch dan moet men het kerkbegrip der Schrift noodwendig prijsgeven. De Kerk kan dan onmogelijk zijn eene vergadering van geloovigen.
Wil men echter op dat standpunt van vereenzelviging van verbond en Kerk, het zuiver kérkbegrip der Schrift vasthouden, en de openbare ongeloovigen niet als leden der Kerk erkennen, al zijn zij ook gedoopt, dan kan men zijn verbonds-begrip niet vasthouden. Wie dan niet tot de Kerk behoort, staat ook buiten het verbond, wijl de grenzen van beide ge-, lijk zijn. Dan zou men een groote menigte der gedoopten als Heidenen moeten beschouwen. Soms worden zij gedoopte Heidenen genoemd. Doch dit is eene onmogelijkheid. Indien zij werkelijk Heidenen zijn, dan is hun doop geen doop. Indien hun doop werkelijk doop is, dan zijn zij geen Heidenen. Indien zij echter buiten het verbond staan, dan zijn zij ook ongedoopt. De eerste voorwaarde van de wettigheid van den doop is toch, dat hij die gedoopt zal worden, in het verbond is.
14
Wij kunnen niet anders zien of op het oude standpunt van vereenzelviging van verbond en Kerk moet men óf het ware kerkbegrip, óf het Gereformeerde verbondsbegrip loslaten.
Naar ons voorkomt ligt de font in de vereenzelviging van verbond en Kerk, en kan men de moeilijkheid alleen ontgaan door beide begrippen juist te onderscheiden. Het verbond in zijne bedeeling en de Kerk in hare zichtbare formatie zijn, wat den personenomvang betreft, niet evenwijdig. Het zijn twee onderscheiden historische verschijnselen, die wel met elkander in verband staan, maar toch elk een eigen formatie hebben.
De Chr. Geref. Kerk heeft deze onderscheiding feitelijk aanvaard. Zij erkent zelfs den doop der Roomsche Kerk, en aanvaardt dus dat die gedoopten in de bedeeling van het verbond zijn, terwijl zij de Roomschen toch niet als leden van de Chr. Geref. Kerk erkent, en de Roomsche Kerk voor een valsche Kerk hopdt. Zij zijn dus geen leden van de zichtbare Kerk.
Bij de oude opvatting van verbond en Kerk, moet men noodwendig tot een volks- en Staatskerk komen. Wie gedoopt is, behoort tot de Kerk. Al het volk is gedoopt; derhalve behoort al het volk tot de Kerk. En eene volkskerk is niet mogelijk zonder Staatskerk te zijn.
Daarom schijnt het ons toe, dat genoemde onderscheiding tusschen verbond en Kerk op dezelfde lijn ligt als die van Kerk en Staat. Wie het eerste niet wil, kan het laatste niet uit beginsel willen. De Staatskerk moet uit haar eigen aard volkskerk zijn, de Kerk waartoe heel de natie behoort. Houdt de Kerk op consequente Staatskerk te zijn, dan kan zij ook geen volkskerk wezen. Zij neemt dan een eigen standpunt in naast den Staat, en handhaaft hare z-elfstandigheid en onafhankelijkheid in betrekking tot den Staat en de natie, en be-lijnt zichzelf als vergadering van geloovigen, en onttrekt zich aan allen, die niet één met haar zijn in de belijdenis der waarheid. Daardoor komen vanzelf velen buiten de Kerk, die toch gedoopt zijn, en onder de bedeeling van het verbond leven. Zijn zij niet in het verbond, dan is hun doop geen ware doop, en dan kan deze door ons ook niet erkend worden.
15
Het terrein van de zichtbare Kerk is dus veel enger dan dat van de verbondsbedeeling, en daaruit volgt vanzelf, dat de ware Kerk nooit volks- en Staatskerk kan zijn.
. Door de onderscheiding van Staat en Kerk eenerzijds, en van verbond en Kerk anderzijds, zooals die in de Chr. Geref. Kerk feitelijk aanvaard is, zijn wij ontkomen aan de machtige invloeden van historisch gewordene, doch onzuivere toestanden in de Herv. Kerk. In een onzuivere kerkelijke atmosfeer wordt het kerkbegrip onwillekeurig verbogen en geplooid naar de praktijk. Daaruit is het ook mede te verklaren, dat er onder de Gereformeerden in ons land zooveel verschil is ontstaan in de opvatting van het dogma over de Kerk. De eene is teruggekeerd niet slechts tot 1618, maar tot het oor: spronkelijke standpunt van de Kerk in de eerste eeuw, en beweegt zich nu voorwaarts op de schriftmatige, confessioneele lijn, dikwijls afwijkend van de lijn der historie. De andere stoomt echter voort op de verbogen historische lijn. Op de eerste lijn toetst men de historie aan de Schrift, en werpt het onzuivere uit, al is het ook historisch; terwijl men op de andere lijn het historische als zuiver aanvaardt om het verder uit te werken.
De Doleantie loopt echter geheel op de oude historische lijn. Al wat in vergelijking met de eeuw normaal historisch is, aanvaardt men. Men schudt alleen het later opgelegde synodale juk af. In de beweging der Doleantie vinden, wij meer het negatieve dan het positieve. Zij neemt geen nieuw element uit de Schrift in zich op. Zij brengt den ontwikkelingsgang van het kerkbegrip niet in een nieuw stadium.
Bij een, zoo wij meenen, nauwkeurig onderzoek, is het ons niet gelukt eenig wezenlijk verschil te vinden tusschen het kerkbegrip, dat in de Doleantie belichaamd is en dat van de mannen van het Reveil en van de Gereformeerden in de Herv. Kerk ten tijde van de Afscheiding. De methode van reformatie, door Doleantie aangeduid, biedt evenmin iets nieuws in vergelijking met wat genoemde Gereformeerden wilden. Men heeft aanvaard en vastgehouden, althans in theorie, en men heeft verder ontvoud, en naar de omstandigheden het een en ander in bijzaken gewijzigd, maar overigens conse-
16
quent toegepast, wat Groen van Prinsterer in zijn tijd reeds wilde: de Kerk in de Kerk herstellen; dus reformatie der Kerk in de Kerk, door de Kerk zelf. En dan vat men de Kerk op als vergadering van gedoopten, zoodat men de boven besproken vereenzelviging van het verbond in zijne bedeeling en de zichtbare Kerk in beginsel blijft handhaven. Dat men, zooals uit de processen der Doleerenden om de kerkelijke goederen duidelijk blijkt, in de hoedanigheid van Gereformeerde Kerk door de overheid wilde erkend worden, bewijst ook dat men in zake de verhouding van Kerk en Staat de historische opvatting nog in beginsel vasthoudt.
Wijl vele Gereformeerden in de Herv. Kerk de methode van reformatie door Afscheiding niet wilden aanvaarden, en toch ook met den toestand der Herv. Kerk niet tevreden waren, werden zij gedrongen een andere methode van reformatie uit te denken. Het moest eene methode zijn tegenover de Afscheiding, dus eene reformatie waarbij men in de Herv. Kerk bleef. In de Doleantie is eindelijk deze methode belichaamd. De grondgedachte van reformatie, door de Gereformeerden in de Herv. Kerk tegenover de Afscheiding geplaatst, is in de Doleantie breeder ontvouwd, maar overigens streng vastgehouden. Deze methode van reformatie is dus van huis uit anti-Afgescheiden. Tot de Doleantie, althans wat hare theorie betreft, staan wij wezenlijk nog in dezelfde verhouding als onze vaderen ten tijde van de Afscheiding tot de Gereformeerden in de Herv. Kerk.
Hierbij zij ook nog opgemerkt, dat de positie van de ge-loovigen, die in den loop der historie reformeerend optraden eenigszins anders was dan die der Doleerenden. Bij het optreden tot reformatie had men noch in de 16de eeuw, noch in 1834 eene reeds bestaande Gereformeerde Kerk buiten de Kerk, die men wilde reformeeren, zooals in 1886. Toen de Doleerenden de reformatie ter hand namen, bestond er reeds eene Gereformeerde Kerk, die men de kenmerken van de ware Kerk niet durfde ontzeggen. De kenteekenen van de ware Kerk, zooals die in de Geloofsbelijdenis aangegeven zijn, kon men in -de Doleantie niet als wapenen gebruiken. Tegenover de Herv. Kerk niet, wijl de plaatselijke Herv. Kerken
17
als ware Kerken erkend werden, en de Doleerende Kerken wezenlijk en in corporatieven zin dezelfde Kerken bleven; en tegenover de Chr. Geref. Kerken niet, wijl men deze als ware Kerk erkende.
De methode van reformatie, in onze Geloofsbelijdenis aangegeven, kon men niet gebruiken, want deze onderstelde eene valsche Kerk. In de Afscheiding plaatste men zich op het standpunt van de Belijdenis, en zag men in de Herv. Kerk eene valsche Kerk, niet alleen in toepassing op het genootschap abstract gedacht, maar ook in toepassing op de plaatselijke Kerken als afdeelingen van dat genootschap. Dat er plaatselijke Gereformeerde Kerken konden bestaan in eene Kerk, waarin het collegialistisch kerkrecht en kerkbegrip was belichaamd, konden de vroegere Afgescheidenen niet begrijpen, wijl zij zulke locale Kerken alleen denken konden in eene Kerk, waarin het presbyteriale systeem van kerkrecht en he,t Gereformeerde kerkbegrip was gerealiseerd. Dat de eerste Afgescheidenen de plaatselijke Kerken van de Herv. Kerk niet als ware Gereformeerde Kerken, maar als collegialistische afdeelingen van de Herv. Kerk beschouwden, blijkt duidelijk uit den eisch der individueele Afscheiding, dien zij van af het begin aan de leden der Herv. Kerk gesteld hebben.
In de laatste periode, d. i. sinds 1834, zijn er langzamerhand twee verschillende beschouwingen over de Kerk ontstaan. Zij hebben zich ontwikkeld in twee verschillende kerkelijke levenssferen, en onder verschillende invloeden. De eene is die van de Gereformeerden in de Herv. Kerk, die positie hebben gekozen tegenover de Afscheiding, en de ander is die van de Afgescheiden Kerk, die zich plaatste tegenover de Herv. Kerk. In de geschiedenis der Doleantie is men van gene zijde er eindelijk toe gekomen om zijn standpunt te formuleeren in het kerkbegrip. Wanneer wij dit vergelijken met het kerkbegrip, dat aan de Afscheiding ten grondslag ligt, dan is het, naar óns voorkomt, duidelijk, dat er wezenlijk verschil is. Daaruit alleen zijn ook de rechtstreeksche tegenstellingen te verklaren, die er tusschen ons en hen bestaan. Volgens de Afscheiding is de Herv. Kerk eene valsche Kerk, ook in plaatselijk corporatieven zin; en daaruit volgt,
18
dat elk Gereformeerde zich er onvoorwaardelijk van afscheiden moet. Volgens de Doleantie zijn de plaatselijke Kerken in de Herv. Kerk ware Kerken in corporatieven zin, en niemand mag zich in gee'n geval afscheiden van die Kerken. Hoe men met deze tegenstellingen voor oogen, kan bewijzen, dat er in het kerkbegrip geen wezenlijk verschil is, kunnen wij niet vatten. De Afscheiding onderstelt, dat in de Herv. Kerk en dus ook in hare af deelingen een valsch kerkbegrip belichaamd is; en heeft zich daarom er tegenover geplaatst,, om het ware kerkbegrip te realiseeren. Het eerste wordt door de Doleantie ontkend; het tweede wordf beknibbeld. *
Zooals boven aangewezen werd, kan de quot;Doleantie moeilijk van uit het standpunt der belijdenis haar werk beginnen, daarom heeft zij bij haren strijd een ander uitgangspunt gekozen. Er is van die zijde eene eigenaardige theorie over het âwézen der Kerk ontwikkeld, die als basis aan deze reformatie ten grondslag werd gelegd.' En nu moet erkend worden, dat hunne methode van reformatie de zuivere consequentie is van hunne opvatting van hef wezen der Kerk. Wij kunnen niet anders zien; indien hunne theorie van het wezen der Kerk de ware is, dan is ook hunne methode de ware. Doch in dat geval kunnen wij niet begrijpen,, hoé de vroegere Afscheiding als eene geoorloofde en normale methode van reformatie kan verdedigd, en hoe het kerkbegrip dat ^an de Afscheiding ten grondslag ligt, als waar kan gehandhaafd worden. Wij willen daarom in een volgend hoofdstuk onderzoeken, welke opvatting van het wezen der Kerk het uitgangspunt is van de Doleantie.
X
II.
HET WEZEN DER KERK IN DE DOLEANTIE.
Toen wij in 1884 voor de eerste maal het uTractaat van de Reformatie der Kerken^ lazen, ontstond er bij ons al dadelijk een principieel bezwaar tegen de opvatting van het wezen der Kerk, zooals die hier gegeven werd. Wij hebben toen echter gezwegen, denkende dat ons woord wel overbodig zou zijn, wijl meer bevoegden onze zaak wel zouden bepleiten. Daarbij kwam later; dat de kwestie der vereeniging, zóó sterk op den voorgrond wrerd gedrongen, dat wij wel denken moesten : Dr. Kuyper en vele andere leiders van het Gereformeerde volk zien zeker geen principieel verschil op dit punt.- Bovendien mocht men in die dagen geen enkel bezwaar in zake de vereeniging opperen, zonder dat een »teekent dienquot; publiekelijk toegepast werd. Hoewel wij dit in het minste niet vreesden, voelden wij óns toen toch niet gedrcyigen om ons als »tegenstander van de vereenigingquot; te laten brandmerkeij. Wij zouden daardoor in het oog van vele Gereformeerde men-schen een schijn op ons laten leggen, die men zoo lang mogelijk mijden moet. Velen konden toen nog niet begrijpen, dat iemand, uit liefde tot en uit behoefte aan vereeniging, gedrongen kon worden om een ernstig onderzoek in te stellen naar de beginselen, waarvan men van beide zijden uitging. Vereeniging komt nooit tot stand door over de principieele verschillen heen te gaan, maar alleen door ze eerst op te zoeken, en ze daarna uit den weg te ruimen.
Er was in die dagen eene zekere gejaagdheid, die het »nu of nooitquot; deed hooren, en die op ons een eigenaardigen indruk maakte. Het was alsof de Heere ons geen tijd gunde om eens ernstig de kosten te overrekenen voor dat wij een
20
toren bouwen. Wij verheugen ons daarom, dat er nu wat meer kalmte is gekomen, zoodat wij de zaken nu met minder prikkelbaarheid en met meer ernst en waardigheid kunnen indenken en bespreken. Uit die gejaagdheid is het misschien ook te verklaren, dat men tot heden nog zoo weinig heeft onderzocht of de Afscheiding en de Doleantie uitgaan van één beginsel ; of zij één zijn in de opvatting van het wezen der Kerk. Wij hebben ons menigmaal in stilte verwonderd, dat men zoo weinig de aandacht daarop vestigde; want indien er op dat punt geene eenheid is, wat baat dan het spreken over vereeniging in meerdere vergaderingen. Is er op dit punt wel eenheid, dan is het toch allereerst noodig, dat dit wederzijds algemeen helder ingezien worde. Dat het werk der vereeniging tot heden niet vlotten wilde is, naar ons voorkomt, juist daaraan toe te schrijven, dat men er niet beslist van overtuigd was, dat er eenheid was in de grondgedachte. Wij konden daarom den drang niet langer weêrstaan om op dit punt eens meer bizonder de aandacht te vestigen, opdat het openbaar worde hoe de verhouding in dezen is.
Met het oog op het Gereformeerde volk achten wij het noodig deze zaak wat breedvoerig te bespreken. Wanneer men bedenkt, met welke breedvoerigheid het Reglement van 1869 en andere punten in kwestie behandeld zijn, zal men ons dit niet kwalijk nemen.
Wij zullen in dit hoofdstuk een poging doen om het wezen der Kerk te beschrijven, zooals het in de Doleantie belichaamd is. Zonder eenig gevaar van tegenspraak kunnen wij aannemen, dat in het vTractaat van de Reformatie der Kerken door Dr. A. Kuyperquot; de beginselen zijn neergelegd, die in de Doleantie zijn toegepast en uitgewerkt. Er is in de Herv. Kerk -geen enkele Kerk gereformeerd in afwijking van de hoofdlijnen, die hier getrokken zijn. Wij gaan dus veilig, wanneer wij uit dit geschrift zoeken de opvatting van het wezen der Kerk als uitgangspunt van de Doleantie. Noch uit »De Heraut,quot; noch uit andere geschriften van die zijde, hebben wij kunnen merken, dat men tot heden eenige wijziging heeft aangebracht in de beginselen van het gedachtenstel der Doleantie.
21
De beschrijving van »het wezen eener tot formatie gekomen Kerkquot; vinden wij in § 14 van het Tractaat. ^ Al aanstonds treft ons de eerste omschrijving in de volgende woorden: »Het wezen nu eener zichtbare Kerk is en blijft altoos de onzichtbare Kerk.quot; Die onzichtbare Kerk wordt daarna aangeduid als shet lichaam Christi,quot; d. i. de organische verbinding van alle uitverkorenen door den H. Geest onder Christus als hun Hoofd. De onzichtbare Kerk in haar geheel en in hare eenheid, als organische verbinding van alle uitverkorenen, wordt hier dus het wezen eener zichtbare Kerk genoemd. De onzichtbare Kerk wordt hier niet opgevat in plaatselijken zin, zooals het begrip zichtbare Kerk bedoeld wordt. Het wezen eener (dus plaatselijke) Kerk is en blijft altoos de onzichtbare Kerk, d. i. de organische verbinding van alle uitverkorenen op alle plaatsen. Het wezen eener onzichtbare Kerk op eenige plaats omvat alle uitverkorenen, terwijl tot die plaatselijke zichtbare Kerk slechts een zeer klein deel der uitverkorenen behoort. Daaruit volgt dan, dat het grootste deel van het wezen eener plaatselijke Kerk buiten de Kerk ligt.
Hoewel dit uit deze omschrijving volgt, wordt het in het vervolg toch niet aanvaard; want daar wordt gezegd: »Zijn dus in eenige stad of in eenig dorp een zeker aantal levende leden van het lichaam Christi woonachtig, dan is er het wezen der Kerk.quot; Hier wordt dus een zeker aantal levende leden het wezen eener zichtbare Kerk genoemd. Dit aantal levende leden is op die plaats dus de onzichtbare Kerk, d. i. de organische verbinding van alle uitverkorenen op die plaats. Eerst wordt gezegd: dat het wezen eener plaatselijke zichtbare Kerk is de onzichtbare Kerk in 't algemeen; en daarna: dat het wezen eener plaatselijke zichtbare Kerk is een zeker aantal levende leden, dus eën deel van de onzichtbare Kerk. Dat aantal levende leden op die plaats moet dan beschouwd worden als de plaatselijke onzichtbare Kerk. Daarmede wordt de gedeeldheid van de zichtbare Kerk ook op de onzichtbare Kerk overgebracht. Elke plaatselijke Kerk heeft haar wezen; en dit is overal »een zeker aantal levende leden;quot; en dit
1) Pag. 29 â 32 van de Volksuitgave.
22
aantal is overal eene onzichtbare Kerk. Is dit niet de bedoeling, dan had de omschrijving aldus moeten luiden; Het wezen eener zichtbare Kerk is en blijft altijd het aantal levende leden van het lichaam Christi, dat op eene plaats aanwezig is.
Afgedacht nu van de vraag, of het goed is de gedeeldheid van de zichtbare Kerk ook op de onzichtbare Kerk toe te passen, moeten wij toch erkennen, dat dit blijkens andere uitdrukkingen in het »Tractaatquot; niet de bedoeling vdn Dr. Kuyper schijnt te zijn. In § 4 1) wordt toch gezegd: »Naar heur geestelijke onzichtbare zijde is de Kerk één op heel de aarde.quot; Verder: »Naar haar waarneembare zijde daarentegen treedt de Kerk niet' dan stuksgewijze in hét licht en is dus altoos plaatselijk, d. i. in het onbepaalde gedeeld.quot; Hij wil dus volgens deze beschouwing niet spreker^ van eene plaatselijke onzichtbare Kerk. Toch wordt de gedachte, dat de onzichtbare Kerk op heel de aarde het wezen is eener plaatselijke zichtbare Kerk, in het vervolg^losgelaten, en in-plaats, daarvan worden i^de levende ledenquot; op eene plaats het wezen eener zichtbare Kerk genoemd.
Er is echter aan de algemeene omschrijving van sliet we-. zen eener tot formatie gekomene Kerkquot; nog eene nadete bepaling toegevoegd. Volledig luidt het: »Het wezen nu eener zichtbare Kerk is en blijft altoos de onzichtbare Kerk, mits men daarbij insluite de ingeschapen aandrift van deze geestelijke en mystieke Kerk om zich naar buiten te toonen.quot; Hieruit moeten wij wel afleiden, dat niet de onzichtbare Kerk als zoodanig het wezen eener zichtbare Kerk is, maar dat iets in die onzichtbare Kerk het eigenlijke wezen is, n. 1. »de ingeschapen aandrift,quot; of zooals even verder gezegd wordt: »de zin en de wil om de kerkelijke formatie te openbaren.quot; Dat deze »zin en wil,quot; en niet de onzichtbare Kerk, noch een zeker aantal levende leden, als het wezen eener zichtbare Kerk moet beschouwd worden, blijkt duidelijk uit de volgende nadere bepaling: »Gezelschappen, zooals door sommige onkerkelijke secten of antichristelijke kringen worden opge-
') Pag. 7 al. 2. en pag. 32 § 15.
23
richt, vallen hier buiten.quot; Toch wordt aanvaard, dat in deze gezelschappen wel levende leden kunnen zijn. Doch daarom is het wezen eener Kerk er nog niet, »overmits de zin en de wil er ontbreekt om'de kerkelijke formatie te openbaren.quot; Ondersteld wordt, dat in levende leden van het lichaam Christi die ingeschapen aandrift of die zin en wil kan ontbreken. En dit is juist het wezen eener Kerk. Er kunnen dus ergens levende leden van het lichaam Christi zijn, zonder dat het wezen eener Kerk er is. Het wezen eener Kerk is dus niet de onzichtbare Kerk, noch de levende leden, maar ligt in de levende leden. Waarom wordt dan in de eerste omschrijving van het wezen eener Kerk gezegd: Het wezen eener zichtbare Kerk is en blijft altoos de onzichtbare Kerk? terwijl uit de verdere ontwikkeling duidelijk blijkt, dat bedoeld wordt: Het wezen eener zichtbare. Kerk is de 'zin en de wil in de levende leden van het lichaam Christi om de kerkelijke formatie te openbaren.
Het daaropvolgende beeld van de pas gestekte rank en den volgroeiden wijnstok, waardoor de verhouding moet aangewezen worden van het wezen tot de formatie, d. i. van de onzichtbare tot de zichtbare Kerk, maakt ons de zaak niet duidelijker, wijl de pas gestekte rank niet het beeld kan zijn van het wezen, afgedacht van de formatie eener Kerk. Ook eene pas gestekte rank heeft reeds formatie. Deze rank kan dus wel dienen als beeld van eene Kerk met aanvankelijke formatie, gelijk de volgroeide wijnstok als beeld van eene Kerk met^ volledig ontwikkelde formatie, om zoo het onderscheid in graad van ontwikkeling in zake de formatie eener Kerk duidelijk te maken. Doch de verhouding van het wezen eener Kerk tot haré formatie wordt er niet door opgehelderd, evenmin als het ons duidelijker maakt wat eigenlijk-het wezen eener Kerk is, wijl de pas gestekte rank geen beeld is- van het wezen eener Kerk.
Nadat nog aangewezen is, dat het wezen eener Kerk niet ligt in de genademiddelen, noch in de instellingen, die deze genademiddelen helpen, aanwenden, wordt op pag. 31 weêr eene andere omschrijving gegeven van het wezen der Kerk, die het ons een weinig 'duidelijker moet maken, wat Dr.
24
Kuyper er onder verstaat. Hier wordt gezegd: 2Het wezen der Kerk ligt altijd uitsluitend in datgene wat de kerkfor-meerende kracht in zich draagt, en deze kracht nu berust, naar we zagen, voor de onzichtbare Kerk rechtstreeks in God, en voor de zichtbare in de leden van het lichaam Christi.quot; Beschouwen wij deze bepaling van het wezen der Kerk wat van naderbij, dan blijkt dat zij al wederom niet zeer nauwkeurig en duidelijk is. Hier wordt niet gezegd, wat het wezen /s, maar waarin het wezen ligt. Is die kerkfor-meerende kracht het wezen der Kerk? Dat wordt wel niet gezegd in de woorden: »Het wezen der Kerk ligt in datgene wat de kerkformeerende kracht tn zich draagt, maar uit de volgende beschouwingen blijkt toch, dat het wel de bedoeling is.
Voor de onzichtbare Kerk ligt deze kerkformeerende kracht in God; waaruit volgt, dat het wezen der onzichtbare Kerk ligt in God, terwijl het wezen der zichtbare Kerk ligt in de leden van het lichaam⢠Christi. Er is dus een wezen van de onzichtbare Kerk, en er is een wezen van de zichtbare. Het eerste wezen ligt in God; het andere in de leden van het lichaam-Christi, Hieruit moet, dunkt ons, noodzakelijk voortvloeien, dat de onzichtbare en de zichtbare Kerk twee onderscheiden Kerken zijn, wijl één en dezelfde Kerk toch geen twee wezens kan hebben. Doch hierop komen wij later nog terug.
Het wezen van de zichtbare Kerk ligt in de leden van het lichaam Christi; dus niet in het lichaam Christi als één geheel, als de organische verbinding van alle uitverkorenen, als de onzichtbare' Kerk; maar de enkele leden dragen het wezen in zich. Wat is het wezen der zichtbare Kerk, dat zij in zich dragen? Het is de kerkformeerende kracht. Elk levend lidmaat draagt die kerkformeerende kracht, d. i. het wezen der Kerk, in zich. Het wezen der Kerk is dus niet iets gemeenschappelijks, maar iets individueels. Nu is het wel- waar, dat die kerkformeerende kracht in de leden van het lichaam Christi niet actief, niet kerkformeerend optreden kan, indien er op eene plaats slechts één levend lidmaat is, wijl er een zeker aantal levende leden moet zijn, zal er eene zichtbare Kerk geformeerd worden; maar dit neemt niet weg, dat de kerkformeerende kracht, d. i. het wezen eener zichtbare Kerk naar
25
zijne potentia (vermogen), toch in dat ééne levend lidmaat, en dus op die plaats aanwezig is.
Bij de onzichtbare Kerk is het ook zoo volgens de aangehaalde deftnitie. Deze bestaat toch ook uit meer dan één levend lidmaat. Toch ligt de kerkformeerende kracht, d. i. het wezen der Kerk slechts in één n. 1. in God. Vóór er nog één levend lidmaat was, bestond het wezen der onzichtbare Kerk dus reeds potentieel in God. Kerkfonneerend trad die kracht, d. i. het wezen in God, eerst op in de formatie van de onzichtbare Kerk, dus toen er levende leden kwamen. Het wezen der onzichtbare Kerk ligt dus niet in die Kerk zelf, niet in het lichaam Christi, niet in de levende leden als een organisch geheel, niet in de éénheid of in de geheelheid; maar het ligt buiten de onzichtbare Kerk; het ligt in één n. 1. in God. In dit opzicht is het wezen der zichtbare en het wezen der onzichtbare Kerk in denzelfden zin opgevat.
Indien bedoeld werd, dat het wezen der zichtbare Kerk ligt in de levende leden als een geheel, als eene gemeenschap gedacht, dan zou er niet gezegd worden, dat het wezen, d. i. de kerkformeerende kracht, voor de zichtbare Kerk ligt m de leden van het lichaam Christi, maar in het lichaam Christi, Doch onderstel eens, dat het laatste de bedoeling is, dan is het weer de vraag: Indien het wezen eener Kerk, d. i. de kerkformeerende kracht, ligt in vijf of zes levende leden gemeenschappelijk, ligt die kracht, het wezen in potentieelen zin, dan niet in elk van die vijf of zes ? Het is hier niet de vraag of één levend lidmaat eene Kerk kan formeeren, wijl het eigenlijke wezen eener Kerk moet gezocht worden in die kracht, en niet in het formeerende van die kracht. Het wezen kan immers geene werkzaamheid zijn ? Doch onderstel dit eens, dan zou deze kracht vóór zij kerkformeerend optrad, en na dat zij de Kerk geformeerd had, niet het wezen der Kerk zijn, wijl in beide gevallen deze kracht niet kerkformeerend werkzaam is. Wij moeten dus aanvaarden, dat de bedoeling is: in elk levend lidmaat ligt de kerkformeérende kracht, d. i. in elk levend lidmaat, hoofd voor hoofd, ligt potentieel het wezen eener zichtbare Kerk.
Wat moeten wij verstaan door die kerkformeerende kracht?
- . 26
Wanneer wij deze uitdrukking vergelijken met die op pag. 30, zal het ons misschien wat duidelijker worden. Daar werd gezegd, dat het eigenlijke wezen eener Kerk is de ingeschapen aandrift, of de zin en de wil om de kerkelijke formatie te openbaren. En nu kan het, dunkt ons, wel niet anders, of met dezen »zin en wilquot; moet hetzelfde bedoeld worden als met de kerkformeerende kracht, die op pag. 31 het wezen eener zichtbare Kerk genoemd wordt. Maar dan blijkt ook weer duidelijk, wat wij boven zeiden, dat het wezen eener zichtbare Kerk ligt in elk levend lidmaat, hoofd voor hoofd, wijl in elk levend lidmaat ligt »de zin en de wilquot; om de kerkelijke formatie te openbaren.
Uit het tot nu. toe overwogene komen wij dus tot deze omschrijving van het wezen eener zichtbare Kerk; Het wezen eener Kerk ligt in elk der leden van het lichaam Christi; en dit wezen is de zin en de wil om de Kerk te formeeren, of anders, de kerkformeerende kracht.
Nu zou men hier tegen nog kunnen opmerken, dat de bedoelde »krachtquot; of »zin en wilquot; alleen dan als het wezen eener zichtbare Kerk wordt beschouwd, wanneer dit werkzaam optreedt om kerkelijke formatie te openbaren. Geschiedt dit niet, dan is deze »krachtquot; of »zin en wilquot; niet'het wezen. Hierbij moeten wij echter wijzen op de onderscheiding, die door Dr. Kuyper op pag. 32 gemaakt wordt tusschen het wezen eener Kerk naar zijn vermogen, (potentia), en het wezen naar zijne uitwerking (actu). .Hiermede is duidelijk aangewezen, dat die bedoelde ^krachtquot; toch potentieel het wezen eener Kerk is, al treedt zij niet kerkformeerend op. En nu moet toch aanvaard worden, dat in elk levend lidmaat van het lichaam Christi die kracht aanwezig is,' al is hij ook in eene onkerkelijke secte. Ja, al treedt die kracht geheel verkeerd kerkformeerend op, toch is daar de kerkformeerende kracht, die goed formeeren kan, en dus is er het wezen eener zichtbare Kerk.
Uit de volgende beschouwingen l) blijkt duidelijk, dat dit de eigenlijke opvatting is van het wezen eener zichtbare Kerk,
') Pag. 31 alin. 2 v. v.
27
al is het ook dat Dr. Kuyper zeer onvast is in de benarain. gen van het wezen. Wij ontvangen zoo nu en dan den indruk, dat hij de levende leden van- het lichaam Christi als eene eenheid op eene plaats als het wezen eener Kerk heeft willen vasthouden, maar dat hij onder den invloed der practi-sche toestanden van de Kerken in het Herv. kerkgenootschap er toe gedrongen werd om in de plaats van in de eenheid der levende leden, in die levende leden hoofd voor hoofd het wezen eener Kerk te zoeken. »Eene vergadering, zegt hij, waarin geen leden van het lichaam Christi meer zijn, heeft het wezen eener (zichtbare) Kerk verloren.quot; De vraag is, hoe vele leden van het lichaam Christi er nog moeten zijn, zal het wezen eener Kerk er. nog zijn. Indien hij zeide, zooals in het volgende omgekeerde geval: Indien er geen kring van levende lidmaten meer is in eene Kerk, dan is er het wezen niet meer, het zou dan- meer bepaald uitgedrukt zijn. Toch zou ook dan nog gevraagd moeten worden: hoe groot zulk een kring moet zijn, zal daarin nog het wezen eener zichtbare Kerk erkend worden. In verband met de boven besproken »krachtquot; als het wezen eener Kerk, kan in den zoo even aan-gehaalden zin de bedoeling niet anders zijn dan, dat eene vergadering, waarin niet één lidmaat van-het lichaam Christi meer is, het wezen eener Kerk verloren heeft, hoe symmetrisch zuiver zij ook nog in haar instellingen sta. Immers, zoolang er nog één levend lidmaat in is, kan niet ontkend worden, dat het wezen eener Kerk er nog is, wijl deze ééne de kerkformeerende kracht, d. i. het wezen eener Kerk naar zijn vermogen in zich draagt; en weldra zullen er wel meer levende leden in komen, want men heeft geen grond om te denken dat de lijn der verkiezing in die Kerk afgebroken is. En zpodra er meer levende leden komen, zal het wezen weer kerkformeerend of reformeerend optreden.
Het verwondert ons dan ook niet, da;t er volgt: »Dat elke Kerk nog altoos het wezen eener Kerk behoudt, zoolang ze een kring van levende lidmaten Christi in haar schoot draagt, ook al waren al haar instellingen verdorven.quot; Uit al die verdorven instellingen blijkt, dat in zulk eene Kerk de meeste leden openbare ongeloovigen zijn. In zulk eene plaatselijke
28
Kerk nu zijn nog enkele ware. geloovigen, en deze geloovigen staan tot de Kerk, waarvan de meeste leden ongeloovigen, en alle instellingen verdorven zijn, in verhouding als het wezen tot de formatie.
De vraag is, hoe groot zulk »een kringquot; moet zijn. Volgens de vroegere omschrijving van het wezen eener Kerk, en volgens de volgende beschouwingen van Dr. Kuyper behoeft er eigenlijk niet eens »een kringquot; te zijn. Indien er desnoods slechts een levend lidmaat is, dan is er nog het wezen eener zichtbare Kerk. Ook dit wordt weer duidelijk gemaakt door een beeld. »Zelfs een geheel afgekapte boom behoudt nog altijd het wezen van een boom, zoolang het leven nog in den wortel zit.quot; Men merke echter op, dat dit beeld onjuist is. Wat moet door het beeld voorgesteld worden? Eene Kerk, waarin nog wel het wezen is, maar waarin alle instellingen verdorven zijn. Doch deze geheel afgekapte boom zonder takken en stam, stelt een Kerk voor zonder instellingen. Juister beeld zou zijn een boom met verdorven of doode takken en stam. En wie kan bewijzen, dat bij zulk een boom het leven nog in den wortel zit?
Oppervlakkig beschouwd schijnt de volgende uitdrukking wat meer belijnd te zijn, doch het is slechts schijn. Niet wordt bedoeld, zegt Dr. Kuyper, »dat elke Kerk, hoe ontredderd ook, nochtans Kerk zou blijven, zoolang er nog maar enkele kinderen Gods lijdelijk in haar verkeerden.quot; Wat wordt bedoeld met het begrip »Kerkquot; in de uitdrukking; :gt;nochtans Kerk zou blijvenzichtbare of onzichtbare Kerk ? Uit de voorgaande en onmiddelijk volgende beschouwing volgt duidelijk, dat met Kerk bedoeld wordt, de formatie der Kerk. De bedoeling is dus, dat elke kerkformatie, hoe ontredderd ook, nochtans niet als zuivere kerkformatie moet erkend worden, al is het, dat er nog enkele kinderen Gods lijdelijk in haar verkeeren. Daarmede wordt echter niet bedoeld, dat zulk een ontredderde Kerk eene valsche Kerk zou zijn. In zulk eene Kerk zijn er immers nog kinderen Gods, die het vermogen, de kracht, den zin en den wil in zich dragen om de kerkelijke formatie te openbaren. Het wezen eener zichtbare Kerk is er dus nog, en mitsdien is het nog eene ware zicht-
29
bare Kerk, hoe ontredderd ook. Nogmaals neemt Dr. Kuyper de toevlucht tot een beeld, om de zaak duidelijk te maken. «Zoolang er nog eikels ter uwer beschikking blijven, is het wezen van den eik nog niet verloren.quot; De zaak, die door het beeld moet worden voorgesteld, is: eene ontredderde Kerk, of eene Kerk, die in al haar instellingen verdorven is; terwijl toch het wezen nog fti die Kerk is, omdat er nog enkele kinderen Gods lijdelijk in verkeeren. Dus eene verdorven formatie, waarin nog een goed wezen zit. Hier wordt zeker gedacht aan eene plaatselijke Kerk in corporatieven zin, als één geheel van leden. In het beeld wordt het echter in tweeën gesplitst. De eikel is het beeld van het wezen, en de eik het beeld van de formatie. Nu wordt eerst die eik weggedacht. Gij hebt geen eik, maar nog wel eikels. Doch zoo is de zaak niet. De verhouding van een eikel tot den eik, die er uit groeien moet, is geheel anders dan die van het wezen der Kerk tot hare formatie. Het wezen zit in de quot;plaatselijke Kerk; het is het wezen van die Kerk in corporatieven zin. Die plaatselijke Kerk, als geheel van leden, hoe ontredderd ook, heeft haar wezen in de enkele kinderen Gods, die er nog in zijn. De corporatie, waarvan die enkele kinderen Gods het wezen zijn, wordt dus nog als bestaande gedacht, terwijl bij het beeld de eik als niet bestaande gedacht wordt. Indien het beeld van een eikel gebruikt werd voor het geval dat ergens nog geene Kerk was, en daar dus geplant moest worden, zou het nog ietwat ter zake zijn, maar nu het gebruikt wordt in toepassing op eene tot formatie gekomene Kerk, is het natuurlijk geheel fout, en dient het slechts om onze gedachten in verwarring te brengen. Wij komen echter later in onze opmerkingen hierop nog terug.
Dat wij het wezen eener Kerk, naar de bedoeling van Dr. Kuyper, tamelijk juist gevat- hebben, blijkt, dunkt ons, duidelijk uit een paar gevolgtrekkingen, die hij uit het begrip van het wezen eener Kerk afleidt. Op pag. 31. alin. 4. wordt gezegd: »Voor de eerste openbaring van het wezen der Kerk is zeer zeker een kring noodig van uitverkorenen, die tevens reeds' volwassen en besliste belijders zijn... In een bestaande Kerk daarentegen rekent het zaad der Kerk wel terdege
30
mede, en is het wezen der Kerk .nog geenszins te loor gegaan, ook al waren de laatste uitverkorenen onder de volwassenen uitgestorven en nog geen der uitverkorenen onder de jongeren tot bekeering gekomen.quot; Afgfedacht nu van de onmogelijkheid om dit geval in de werkelijkheid aan te wijzen; waardoor zulke beschouwingen voor de praktijk waardeloos zijn, moet toch de vraag gedaan worden: Wat is in dit denkbeeldig geval het wezen eener Kerk? Hier wordt bedoeld: het wezen eener zichtbare Kerk; immers, er wordt gesproken van eene bestaande Kerk. Volgens de boven beschreven opvatting lag het wezen in de leden van het lichaam Christi; en wij dachten dat hiermede bedoeld werden, de uitverkorenen, die reeds tot geloof en bekeering gekomen waren; doch hier blijkt; dat wij ons hebben vergist. Ook al zijn er geen gebo-vigen in eene Kerk, indien er slechts uitverkorenen zijn onder de kinderen of zuigelingen, dan is er het wezen eener zichtbare Kerk nog. Men houde hierbij wel in het oog, dat deze uitverkoren kinderen gedacht worden in eene plaatselijke Kerk' in .corporatieven zin, terwijl vele openbare ongeloovigen leden zijn van die Kerk. Die uitverkorene kinderen, die nog niet tot bekeering gekomen zijn, zijn dan het wezen van die plaat-, selijke Kerk. Hoe kan dit ? Het' wezen was, volgens vroegere omschrijving^ de kerkformeerende kracht, of anders, de zin en de wil om de kerkelijke formatie-te openbaren. Hebben nu zulke nog niet geloovende uitverkorenen de kerkformeerende kracht in fich, ook als zij nog onwedergeboren zijn? Maar indien in zulk een? bestaande Kerk alle instellingen verdorven zijn, is er dan ook nog het wezen eener zichtbare Kerk? Zeker, wijl het wezen niet in de instellingen ligt. Met een bewijs uit het O. Testament wordt de aangehaalde stelling bewezen. »Davids huis blijft het huis van den Messias, ook al woedt een Achas en Manasse en Amon in gruwelijken afgodendienst, omdat uit Achas weer een Hiskia, uit dien Amon weer een Josia staat geboren te worden.quot; Dus al is zulk eene bestaande Kerk ook nog zoo verdorven in al haar instellingen, en in hare leden, zij behoudt toch altijd nog het wezen eener zichtbare Kerk. Hoe men uit het theocratische, nationale volksleven van Israël een bewijs kan halen voor het van het
31
nationale leven afgezonderde kerkelijke leven onder het N. Testament, vatten wij niet. Doch afgedacht daarvan, moeten wij uit dit bewijs wel opmaken, dat-in eene bestaande Kerk ook dan nog het wezen is, al is het dat er gedurende een korteren of langeren tijd, waarin heel het kerkelijke leven verdorven is, geen uitverkorenen voorkomen.
Op pag. 32. alin. 1. blijkt duidelijk, dat dit de bedoeling 'is. Daar wordt het denkbeeldig geval beschreven, »dat in eene vroeger bloeiende Kerk, waarin alle levende lidmaat uitsterft, en geen zaad des Heeren meer wordt opgeschreven, zoodat dientengevolge (let hierop) bok de genademiddelen wijken en de instellingen veryalscht worden.quot; Wanneer de instellingen vervalscht worden, terwijl er nog uitverkorenen in zijn of in voorkomen zullen, is zulk eene Kerk toch nog eene ware zichtbare Kerk. Alleen wanneer de vervalsching en verdorvenheid ontstaat als een gevolg daarvan, dat er geen uitverkorenen meer in zullen, voorkomen, dan is het wezen eener Kerk er niet meer; en dan eerst is zulk eene Kerk eene valsche in corporatieven zin.
Doch wat is nu in zulk een tijdvak, waarin geene uitverkorenen in eene bestaande Kerk voorkomen, het wezen van die Kerk. De uitverkorenen, die met een volgend geslacht of na twee of meer geslachten komen zullen, bestaan nog niet, en kunnen dus ook niet het wezen zijn van een bestaande Kerk. Toch wordt in zulk eene Kerk nog het wezen gedacht. Het komt ons voor, dat het wezen eener Kerk hier gezocht moet worden in de lijn der uitverkiezing, die door deze Kerk loopt. Er zullen nog uitverkorenen in voorkomen, derhalve is het wezen er nog. Wij moeten dus wel tot de gevolgtrekking komen, dat de uitverkiezing hier als het wezen eener zichtbare Kerk gedacht wordt.
Aan het slot van dit onderzoek komen wij tot het volgende resultaat. Tengevolge van de verschillende benamingen, waarmede door Dr. Kuyper het wezen der Kerk aangeduid wordt, is het niet gemakkelijk eene duidelijke en belijnde voorstelling te krijgen van zijne opvatting. Die verschillende benamingen laten ons het wezen der Kerk niet uit verschillende oogpunten
32
zien, maar telkens duiden zij weer iets anders aan als het wezen. Zal nu de eenheid van het wezen der Kerk gehandhaafd worden, dan moet men aanvaarden, dat Dr. Kuyper zich het wezen der Kerk voorstelt in onderscheidene trappen van ontwikkeling.
Het wezen der Kerk in zijne oorspronkelijke gestalte ligt in God. Het is de kerkformeerende kracht in God. Deze kracht treedt werkzaam, dat is kerkformeerend op in het eeuwig besluit der verkiezing. Dit besluit wordt door God uitgevoerd, en er komen uitverkorenen. In die uitverkorenen gaat nu die kerkformeerende kracht uit God over, als vrucht van de verkiezing. Dr. Kuyper stelt zich dus het wezen der. Kerk voor in eenen ontwikkelingsgang, die van God uit begint, in de uitverkorenen overgaat, en in de volledige formatie der Kerk het einde bereikt. De formatie der Kerk wordt telkens immers als uit-groeiing van het wezen voorgesteld.
Alleen bij aanvaarding van dezen ontwikkelingsgang van het wezen der Kerk, kunnen wij ons verklaren, dat Dr. Kuyper het wezen door zulke verschillende benamingen aanduidt als: de onzichtbare Kerk; de levende lidmaten van het lichaam Christi; de uitverkorenen; de zin en de wil om de Kerk te formeeren, of de kerkformeerende kracht in de uitverkorenen; de uitverkiezing, en eindelijk de kerkformeerende of uitverkiezende kracht in God.
Indien wij ons hebben vergist in de opvatting van de hoofdgedachten over het wezen der Kerk, verzoeken wij met allen ernst en drang ons toch eens duidelijk te zeggen, welke opvatting over het wezen der Kerk aan de Doleantie ten grondslag ligt. Bij de onduidelijke beschrijving, die wij tot heden van die zijde ontvangen hebben, konden wij tot geen andere dan de aangegeven opvatting komen. Het wezen der Kerk is niet de Kerk, maar wordt onderscheiden van de Kerk; het is iets in de Kerk; niet iets in de Kerk als geheel gedacht, maar iets in de geloovigen, of liever uitverkoren leden van de Kerk. Het wezen is niet iets gemeenschappelijks, maar iets dat in elk uitverkorene, hoofd voor hoofd, ligt; het is de kerkformeerende kracht in de uitverkorenen. Door deze kracht, die het wezen der Kerk is, komt de Kerk dus tot stand. De
33
Kerk is dus het voortbrengsel, de vrucht, het resultaat van haar eigen wezen. Zoo is het ook bij de onzichtbare Kerk, waarvan het wezen is: de kerkformeerende kracht in God, of wat zeker hetzelfde is: het vermogen om te verkiezen.
Het verband tusschen deze opvatting van het wezen der Kerk en de Doleantie als tegenstelling van de Afscheiding, is duidelijk. Immers, het wezen der Kerk duidt niet aan de Kerk' als zichtbaar geheel van leden. Wanneer de Kerk naar haar wezen beschreven wordt, moeten wij niet denken aan die gemeenschap van personen als zoodanig, maar aan iets dat ligt in enkelen of in e'én enkele van de personen die tot deze gemeenschap behooren. Die kerkformeerende kracht, d. i. het wezen van eene Kerk, die 500 zielen telt, kan dus liggen in twee of drie leden. Het wezen, dat ligt in die enkele leden, is het wezen van geheel die Kerk als zichtbare gemeenschap van leden.
Denk u nu eene plaatselijke gemeente der Herv. Kerk, waarin tien geloovigen zijn en 200 ongeloovigen. In die on-geloovigen ligt niets van het wezen der Kerk. Er is zelfs geen geestelijk organisch levensverband tusschen die geloovi-\ gen en de ongeloovigen. Hoewel zij niet met het wezen dei-Kerk in gemeenschap staan, behooren zij toch tot de Kerk, waarvan het wezen in de geloovigen ligt. Ook van het onge-loovig deel der Kerk ligt het wezen in de geloovigen.
Doordat zij er in zijn, is een plaatselijke Herv. gemeente nog eene ware Kerk. Indien nu die geloovigen zich afscheidden van die plaatselijke Kerk, zouden zij aan die Kerk het wezen ontnemen. Door hunne schuld zou zij eene valsche Kerk of minstens eene zoogenaamde schijnkerk worden. Afscheiding is dus misdaad, zonde.
De geloovigen zijn dus niet de Kerk, maar zij zijn het wezen
Ivan de Kerk.van de Kerk. In hen ligt de kerkformeerende, en dus ook de kerkreformeerende kracht. En deze kracht om de Kerk te reformeeren, is niet de kracht van de geloovigen voor hen zelf, maar van de geheele plaatselijke Kerk als zichtbare gemeenschap van leden. Omdat die kracht van die Kerk als geheel in de geloovigen ligt, is. de reformatie een daad van en voor heel die Kerk, al is het ook dat slechts enkele leden reformeerend optreden.
3
III.
OPMERKINGEN OVER HET WEZEN DER KERK IN DE DOLEANTIE.
Ook uit Dr. Kuypers beschouwing van het wezen en de formatie der Kerk, en uit de geschiedenis der Doleantie, blijkt bij vernieuwing hoeveel moeite de Protestanten, inzonderheid ook de Gereformeerden hebben, om tot een goed organische historische Kerk te komen. De historie wijst ons niet op eene Kerk, die zich voortgaande ontwikkelt, al schooner wordt in haar formatie, al vaster op haar fondament, al meer belijnd in haar omvang en machtiger in haar eenheid; maar op eene Kerk, die de verschillende phaseh van secularisatie doorliep, en wier geschiedenis eene voortgaande afbrokkeling is, zoodat zij nu, in vergelijking met het schoone gereformeerde kerkideaal, in vele opzichten den naam van ruïne verdient.
Naar het ons voorkomt is dit droeve verschijnsel te verklaren eenerzijds uit reactie tegen Rome's veruitwendiging van de Kerk, en anderzijds uit het nog niet genoeg inleven met hart en verstand in het Schriftmatig kerkbegrip. Men heeft nog nooit geloof en moed genoeg gehad en wellicht ook geen helderheid genoeg om volkomen te verwezenlijken, wat men in zake de Kerk beleed.
Tegenover Rome's veruitwendiging, hebben vooral ook de Gereformeerden het kerkbegrip verinwendigd en verdiept, en zochten het wezen en de eenheid der Kerk meer in het inwendige en onzichtbare. Daaruit is ook te verklaren de onderscheiding van onzichtbare en zichtbare Kerk. Sedert de reformatie der lö3® eeuw, heeft men tegenover Rome meer den nadruk gelegd op de onzichtbare dan op de zichtbare
35
Kerk. In het afgetrokkene kon men zijn kerkbegrip nauwkeurig beschrijven, maar de toepassing in de praktijk liet veel te wenschen over. Wanneer men de Kerk der werkelijkheid vergeleek met de Kerk der theorie, werd het duidelijk, dat het zuivere ook op dit punt, meer bestond in de leer dan in het leven. De bestaande Kerk beantwoordde niet aan het beschreven kerkbegrip. Is het wonder, dat men dan de verleiding niet kon weerstaan om zich te redden met een beroep op de onzichtbare Kerk?
Men make daaruit echter niet op de voorbarige gevolgtrekking, dat de Gereformeerden niet in staat zijn hun Schriftmatig kerkbegrip in eene zichtbare organische Kerk te verwezenlijken; maar men erkenne eerlijk en rond, dat wij in vele opzichten nog zoover niet zijn, en dat het meer dan tijd wordt om, in gehoorzaamheid aan den Heere, met inspanning van alle krachten er ons op toe te leggen.
De Doleantie met haar streng conservatief historisch karakter, ietwat reactionair, heeft op ons den indruk gemaakt, dat wij van haar in dezen nog niet veel verwachten kunnen. Tot verklaring van dezen indruk en ook tot rechtvaardiging er van, bieden wij de volgende opmerkingen over het begrip van het wezen der Kerk, in de theorie der Doleantie aanvaard, ter overweging aan.
In verband met hetgeen wij in het vorig hoofdstuk besproken hebben, moeten wij allereerst terugkomen op de opvatting van de begrippen onzichtbare en zichtbare Kerk, naar aanleiding van de stellijng: »Het wezen eener zichtbare Kerk is en blijft altijd de onzichtbare Kerk.quot; De onzichtbare Kerk is het wezen van eene Kerk. Het ligt voor de hand, dat de zichtbare Kerk dan is de formatie. De begrippen zichtbare en onzichtbare Kerk, worden vereenzelvigd met die van wezen en formatie. Pas deze theorie naar de bedoeling van Dr. Kuyper nu eens toe op eene plaatselijke afdeeling van het Herv. Kerkgenootschap. Tot die zoogenaamde plaatselijke Kerk behooren ge-loovigen en openbare ongeloovigen. Zij vormen saam het zichtbaar organisme of de corporatie der Kerk, een geheel van leden. Deze ééne massa van leden eener plaatselijke Kerk wordt door dé theorie der Doleantie in twee kringen gesplitst.
36
Tot het wezen der Kerk behooren alleen de ware geloovigen; en deze ware geloovigen zijn de onzichtbare Kerk. Doch behalve deze ware geloovigen zijn er in zulk eene plaatselijke Kerk ook openbare ongeloovigen. Waartoe behooren zij? Niet tot het wezen, dus niet tot de onzichtbare Kerk. Deze openbare ongeloovigen moeten dus gerekend worden tot de formatie of de zichtbare Kerk. Met het begrip onzichtbare Kerk bedoelt men niet de geheele corporatie van leden, niet de geheele plaatselijke Kerk van de innerlijke, geestelijke zijde, maar een afzo7iderUjken kring van leden in die Kerk. Daaruit volgt dat men het begrip, zichtbare Kerk noodzakelijk op een anderen kring van leden in diezelfde Kerk toepassen moet. De ééne plaatselijke Kerk laat men door deze theorie uiteen vallén in twee afzonderlijke deelen, in twee kringen van leden, d. i. in twee Kerken. En daardoor heeft men de eenheid der Kerk losgelaten.
Voert men ons nu tegen, dat deze opvatting van de begrippen onzichtbare en zichtbare Kerk op het standpunt der Doleantie noodzakelijk is om de plaatselijke afdeelingen van het Herv. Kerkgenootschap als ware Kerken Christi te handhaven, wij antwoorden daarop eenvoudig, dat het kerkbegrip niet mag gedeformeerd worden naar den verdorven toestand van de Kerk, maar dat de Kerk gereformeerd of geformeerd moet worden naar het zuiver Schriftmatig kerkbegrip. \\ ij mogen niet spreken van onzichtbare en zichtbare Kerk alsof het twee Kerken waren; evenmin om daardoor twee deelen in e'e'ne Kerk aan te duiden. Wanneer wij deze onderscheiding maken, stellen wij ons geen gedeformeerde Kerk voor, maar een goed geformeerde Kerk, d. i. een zichtbaar organisch geheel van geloovigen in leer en in leven. Wij beschouwen deze Kerk, als e'én geheel, van twee zijden; van de onzichtbare zijde zooals de Kerk bestaat voor God, die het hart aanziet; van de zichtbare zijde, zooals zij aan ons zich voordoet. De Kerk heeft eene inwendige en eene uitwendige, eene verborgene en eene openbare zijde, eene zijde naar Gods kant heen en eene zijde naar ons toe. Met onzichtbare Kerk bedoelen wij dus de voor ons onzichtbare zijde der Kerk, en denken daarbij aan het gemeenschappelijk geloof, de eenheid
37
des geestelijken levens van de geloovigen met elkander en met Christus, zooals die voor God alleen waarneembaar is. Wij kunnen niet in het hart zien, en kunnen nooit aanwijzen of ergens eene Kerk is, tenzij zij zich openbaart, dus zichtbaar voor ons optreedt. Van onzichtbare Kerk kunnen wij alleen spreken in toepassing op eene zichtbare Kerk. Is er ergens geen zichtbare Kerk, dan is daar voor ons ook geen onzichtbare.
Nu openbaart zich het inwendige leven; het geloof treedt naar buiten in de belijdenis, die woord en daad omvat. Zonder deze belijdenis in woord en daad, bestaat er voor ons geen ware Kerk. Wie met deze belijdende Kerk niet mede belijdt, maar tegen hare belijdenis ingaat, behoort voor ons niet tot de Kerk; hij is een vreemd, een antikerkelijk element: het wezen der Kerk openbaart zich in hem niet; hij is een stuk wereld. Openbaarde het geloof des harten zich altijd naar buiten in de belijdenis, en ware de belijdenis altijd openbaring van inwendig geloof, dan zou de onderscheiding van onzichtr bare en zichtbare Kerk geheel overbodig zijn. Zij is echter gemaakt, mag althans alleen gemaakt worden in toepassing op eene Kerk, waarin alle volwassenen volgens hunne belijdenis geloovigen zijn. Zij mag echter niet gemaakt worden met het oog op openbare ongeloèvigen in de Kerk, zooals men in de Doleantie doet; niet met het doel om dezen wel tot de zichtbare, maar niet tot de onzichtbare Kerk te rekenen. Zij mag nooit vereenzelvigd worden met de onderscheiding van geloovigen en ongeloovigen, wijl daaruit zou voortvloeien, dat de geloovigen saam de onzichtbare, en de ongeloovigen de zichtbare Kerk zouden vormen. Met het begrip zichtbare Kerk worden precies dezelfde geloovigen aangeduid als met het begrip onzichtbare Kerk, d. i. één en dezelfde Kerk in haar geheel. Deze onderscheiding mag ook niet vereenzelvigd worden met die van gemeente en Kerk, of van organisme en instituut, beide in Ethischen zin. Evenmin ook met die van wezen en formatie, zooals Dr. Kuyper doet. Hij verstaat dan onder het wezen de levende lidmaten, d. i. de onzichtbare Kerk, d. i. een afzonderlijken kring van leden in de zichtbare Kerk.
38
Het begrip onzichtbare Kerk kan men niet op de geheele plaatselijke Kerk toepassen, en toch wil men met het begrip zichtbare Kerk het geheel van die plaatselijke Kerk, zijnde eene vergadering van geloovigen en ongeloovigen, aanduiden. Indien men door onzichtbare Kerk alleen dè geloovigen wil verstaan, wij zijn het daarmede geheel eens; maar dan moet men door zichtbare Kerk ook het geheel van diezelfde geloovigen bedoelen. Anders is het geene onderscheiding in toepassing op de Kerk als zoodanig, maar eene onderscheiding van leden, van personen in de Kerk.
Wil men het begrip zichtbare Kerk op eene plaatselijke afdeeling van het Herv. Kerkgenootschap alg één geheel toe: passen, men zij dan ook zoo eerlijk en zoo consequent om door het begrip onzichtbare Kerk niet een deel van dat geheel, maar datzelfde geheel van leden aan te duiden. Dr. Kuy-per zegt toch zelf1) dat met zichtbare en onzichtbare Kerk één en dezelfde Kerk aangeduid wordt. Hoe hij dan later door zichtbare Kerk een deel van die Kerk, een afzonderlijken kring van leden kan verstaan, begrijpen wij niet, tenzij dan dat wij aannemen, dat de onderscheiding in dezen zin er op aangelegd is om de eenmaal aangenomen stelling te rechtvaardigen, dat de plaatselijke afdeeling van het Herv. Kerkgenootschap nog eene ware Kerk is, al is het ook eene vergadering van geloovigen en openbare ongeloovigen. Op het standpunt der Doleantie heeft men het wel gevoeld, dat men eene gemeente van de Herv. Kerk niet als ware Kerk erkennen kan, indien men het begrip onzichtbare Kerk op hetzelfde organisme van leden toepassen moet als het begrip zichtbare Kerk.
Dit laatste begrip is door een ware gereformeerde nooit gebruikt om daardoor openbare ongeloovigen als leden der Kerk te erkennen. Door het begrip onzichtbare Kerk op een afzonderlijken kring van leden in de Kerk toe te passen, voert men ons weer terug tot de Labadistische dwaling van een kerkje in de Kerk; of aanvaardt men het Ethische standpunt van de gemeente tn de Kerk. Dit blijkt overduidelijk uit de bewering, dat het wezen van de onzichtbare Kerk ligt in
') Tractaat. Volksuitgave pag. 7.
39
God, en het wezen van de zichtbare Kerk in de geloovigen. 1) De onzichtbare Kerk en de zichtbare Kerk hebben dus elk een eigen wezen, en daardoor een eigen bestaan. De zichtbare Kerk is volgens deze theorie van Dr. Kuyper niet de zichtbare zijde der Kerk, maar zij is een afzonderlijke kring, een breedere kring dan de onzichtbare Kerk. In dien breede-ren kring bestaat nog een engere kring van leden, en deze engere kring van leden vormt één geheel, een lichaam op zich zelf. Dit is een onzichtbaar lichaam, en dit is, of hierin ligt het wezen van dien breederen kring, d. i. van de zichtbare Kerk. De onzichtbare en de zichtbare Kerk staan dus. tot elkander in verhouding als wezen en formatie, en als twee kringen, waarvan de engere in den breedere ingesloten is, doch beide een eigen kring vormen.
Volgens een andere stelling: »De kerkformeerende kracht ligt voor de zichtbare Kerk in de levende leden Christiquot;, is de verhouding weer anders. Die kracht in de levende leden kan niet werkzaam optreden om de zichtbare Kerk te for-meeren, zonder die levende leden. De levende leden formee-ren de zichtbare Kerk door die kracht, die in hen is. Deze kerkformeerende kracht in die levende leden is het wezen der zichtbare Kerk. Volgens deze stelling staan de onzichtbare en de zichtbare Kerk tot elkander in verhouding als oorzaak en gevolg, als formeerder en formatie.
Doch hoe men het ook bezie, duidelijk is het, dat de begrippen onzichtbare en zichtbare Kerk hier niet zien op één lichaam, op één en dezelfde Kerk, van twee zijden beschouwd, maar op twee onderscheidene zaken, zoodat de eenheid der plaatselijke Kerk daardoor geheel en al is prijsgegeven.
Onze tweede opmerking heeit betrekking op de stelling: »Het wezen der Kerk ligt altijd uitsluitend in datgene, wat de kerkformeerende kracht in zich draagt, en deze kracht nu berust.... voor de onzichtbare Kerk, rechtstreeks in God.quot; Het wordt hier wel niet letterlijk uitgesproken, maar toch duidelijk genoeg aangeduid, dat het wezen der onzichtbare Kerk ligt in God. Indien nu niet aanvaard wordt, dat de onzicht-
1
) Tractaat. Volksuitgave, pag. 31 alin. 1.
40
bare en zichtbare Kerk twee Kerken zijn, dan kan men ook niet vasthouden, dat zij elk een eigen wezen hebben. Is het één en dezelfde Kerk, dan moet het wezen van die Kerk ook één en hetzelfde wezen zijn. Toch wordt gezegd, dat het wezen der onzichtbare Kerk ligt in God, en het wezen der zichtbare Kerk in de geloovigen. Naar ons voorkomt is de eenheid van wezen op dit standpunt in zekeren zin alleen te handhaven, als men het wezen zich voorstelt in verscheidene stadiums van ontwikkeling. Dan kan men zeggen, dat het wezen van de onzichtbare Kerk één en hetzelfde wezen is als van de zichtbare Kerk, doch in de zichtbare Kerk een stadium verder in zijn ontwikkelingsgang. Brengt men hiermede in verband de beschouwing, dat de zichtbare Kerk uit-groeiing is van het wezen, d. i. van de onzichtbare Kerk, dan kunnen wij het ons eenigszins voorstellen, dat men op deze abstracte wijze ook de eenheid van de onzichtbare en zichtbare Kerk denkbeeldig handhaven kan. Is het wezen van de zichtbare Kerk hetzelfde als dat van de onzichtbare Kerk, dan volgt daaruit, dat het wezen der onzichtbare Kerk, dat in God ligt, uit God in de leden van het lichaam Christi, en zoo in de zichtbare Kerk overgaan moet.
Doch hoe wij ons dit, volgens die afgetrokken theorie, ook voorstellen moeten, duidelijk is het aangewezen, dat het wezen van de onzichtbare Kerk ligt in God. Dit is eene opmerkelijke stelling. Niet alleen omdat zij aan de onzichtbare Kerk een eigen wezen toeschrijft in onderscheiding van de zichtbare Kerk, maar vooral ook omdat zij aanduidt, dat het wezen der onzichtbare Kerk niet in die Kerk zelf, maar buiten haar in God ligt. Nu zal men zeggen, dat de onzichtbare Kerk hier gedacht wordt als nog niet bestaande, omdat de »kerk-formeerende krachtquot; het wezen wordt genoemd; en dat de stelling dus alleen zegt, dat het wezen, d. i. de kracht om de onzichtbare Kerk te formeeren, in God ligt. Afgedacht nu van de vraag: hoe het wezen van eene Kerk kan bestaan, zonder dat die Kerk zelf nog bestaat, waarop wij nog terug komen, is het toch duidelijk, dat de onzichtbare Kerk gedacht wordt als naar haar wezen bestaande in God. En wat naar zijn wezen bestaat, heeft een riëel bestaan, het bestaat zelf, wijl iets
41
een eigen en werkelijk bestaan heeft juist door zijn wezen. »Het wezen der onzichtbare Kerk ligt in God, komt ons daarom voor, een door en door pantheïstische stelling te zijn, wijl de onzichtbare Kerk reeds als bestaande in God gedacht wordt, en dus wezenlijk niet van God onderscheiden is, maar met Hem vereenzelvigd wordt. Pas deze stelling eensquot; toe op den mensch, en zeg: »Het wezen van den mensch ligt in God;quot; of op de wereld, en zeg: Het wezen van de wereld ligt in God,quot; en gij gevoelt dadelijk, dat een Gereformeerde, die gelooft, dat alle dingen door God geschapen, en wezenlijk van Hem onderscheiden zijn, zulk eene stelling niet aanvaarden kan.
In God is alle kracht ée'n. Het is dezelfde kracht waardoor Hij de Kerk formeert als waardoor Hij de wereld en den mensch heeft geformeerd. Indien nu die kerkformeerende kracht het wezen is van de Kerk, zou daaruit volgen, dat het wezen van de wereld, en van den mensch, en van de Kerk één en hetzelfde wezen was. Ook moeten wij er nog op wijzen, dat volgens bedoelde stelling, de Kerk naar haar wezen reeds van eeuwigheid heeft bestaan in God. Vóór dat de formatie der onzichtbare Kerk nog bestond, d. i. vóór dat er nog levende lidmaten van het lichaam Christi waren, was de Kerk er reeds naar haar wezen. En wijl nu het wezen van de onzichtbare Kerk, dat van eeuwigheid in God ligt, in zijnen ontwikkelingsgang ook het wezen wordt van de zichtbare Kerk, moet daaruit volgen, dat ook de zichtbare Kerk naar haar wezen van eeuwigheid in God heeft bestaan. De Kerk is dan geene schepping Gods, die Hij buiten Zich, onder- ' scheiden van zijn wezen, deed bestaan, maar eene emanatie, eene uitgroeiing en uitvloeiing uit Hem. Nog eene gedachte voegen wij hier aan toe, om te doen zien hoe men op deze lijn tot het uiterste Pantheïsme komen moet. De kerkformeerende kracht in God is het wezen der Kerk. Deze kracht is niet iets op zich zelf in God, maar is God zelf, wijl God ondeelbaar is. Wie dus die kracht in God het wezen noemt, kan en mag geen bezwaar hebben om God zelf het wezen der Kerk te noemen.
In verband hiermede maken wij eene derde opmerking, om
42
te doen zien hoe deze pantheïstische opvatting met het Ethisch kerkbegrip in verband staat. Het wezen der onzichtbare Kerk is de kerkformeerende kracht. Zoo ook het wezen der zichtbare Kerk. Als wij het nauwkeurig opvatten, wordt het wezen der Kerk hier voorgesteld als zijnde ee/ie werkende kracht. Volgens de uitdrukking; »De kerkformeerende kracht (d. i.
het wezen der Kerk) ligt.....voor de zichtbare Kerk in de
leden van het lichaam Christi,quot; is het duidelijk, dat die werkende, die kerkformeerende kracht ligt in elk levend lidmaat, hoofd voor hoofd. De kerkformeerende krachten in die levende lidmaten werken te zamen, en formeeren de zichtbare Kerk. Het wezen der zichtbare Kerk is dus de gezamenlijk werkende krachten der geloovigen, om de Kerk te formeeren.
Is het wonder, dat ons Schleiermachers beschouwing van de Kerk voor den geest kwam toen wij Dr. Kuypers theorie over het wezen der zichtbare en onzichtbare Kerk even indachten? Het kwam ons voor, dat wij zijne beschouwing hier in hoofdzaak terugvonden. Ook bij Schleiermacher is het wezen der Kerk de kerkformeerende kracht. ^ Volgens deze opvatting is de Kerk niet eene vergadering, eene eenheid van personen^ maar van werkende, krachten. Immers het wezen van de Kerk, het eigenlijk kerkelijke in de Kerk, datgene waardoor de Kerk Kerk is, moet dan gezocht worden in de krachten die de Kerk formeeren of stichten. Wij kunnen niet zien welk wezenlijk verschil er in dit opzicht bestaat tusschen de beschouwing van Schleiermacher en die van Dr. Kuyper. Evenals die theoloog, verstaat Dr. Kuyper door het begrip
') Der christi. Glaube, 5 Aufl. 1861 Bd. II Seite 442: Die unsiehtbare Kircke ist also die Gesammtheid aller Wirkungen des Geistes in inhrem Zusammenhang, dieselhen aber in ihrem Zusammenhang mit den in keinem einzelnen von dem göttlichen Geist ergriffenen Leben fehlenden Nachwir-kungen aus dem Gesammtleben der allgemeinen Sündhaftigkeit constituiren die sichtbare Kirche.quot; Ook aangehaald bij Seeberg. Der Begriff der Christi. Kirche, Erster Theil. 1885. Seite 203, die van Schleiermachers opvatting zegt: âVoor zoover in de wedergeborenen het produkt van de werking des Geestes zuiver en op zich zelf gedacht wordt, is het de onzichtbare Kerk; voor zoover het echter beschouwd wordt in vermenging met den invloed der wereld, is het de zichtbare Kerk.quot; Letterlijk hetzelfde kan gezegd worden van Dr. Kuypers opvatting van de onzichtbare en zichtbare Kerk.
43
onzichtbare Kerk niet de onzichtbare zijde van een bestaande Kerk als één lichaam of geheel van leden, maar een afzonderlijken kring van geloovigen, waarin de kerkformeerende kracht Gods werkzaam is. Hierbij treedt de persoonlijkheid der leden geheel op den achtergrond. Niet de personen als zoodanig behooren tot het wezen der Kerk, maar alleen de kerkformeerende kracht, die in hen is. Het begrip onzichtbare Kerk beteekent dan hetzelfde als onzichtbaar werkende kracht Gods.
De Kerk naar haar wezen is dus geen gemeenschap van personen, van geloovigen, maar een gemeenschap, een geheel van werkende krachten. De personen, de leden der Kerk, zijn dan de voorwerpen, waarin, en de organen, waardoor die krachten werken.
Uit deze vergelijking van Dr. Kuypers beschouwing met die van Schleiermacher blijkt duidelijk, dat de opvatting van het wezen der Kerk, waarvan de Doleantie uitgaat, thuis hoort in het pantheïstisch systeem van de Ethische vermitte-lungstheologen, maar niet in het stelsel der Gereformeerden.
Uit hetgeen wij in de drie opmerkingen gezegd hebben, volgt als van zelf nog een vierde. Zij betreft de vraag: In wélke verhouding denkt Dr. Kuyper zich het wezen der Kerk tot hare formatie ? 'Door dat hij het wezen der Kerk vereenzelvigd met de kerkformeerende kracht, komt hij, naar onze meening, ook hier tot eene geheel verkeerde voorstelling.
Kerkformeerende kracht wil zeggen de kracht, die eene kerkformatie, een organisme, een geheel van leden doet ontstaan. De kerkformeerende kracht, d. i. het wezen der Kerk, formeert de formatie der Kerk. Dit blijkt duidelijk uit de stelling, dat het wezen der onzichtbare Kerk, d. i. de kerkformeerende kracht, in God ligt. De formatie is het organisme, het lichaam, het geheel van leden. Het wezen is de kracht, die dit geheel van leden doet ontstaan. De formatie ontstaat dus door de kerkformeerende kracht. Deze kerkformeerende kracht bestaat dus vóór de Kerk als formatie nog bestaat. Deze kracht is het wezen der Kerk; derhalve bestaat het wezen der Kerk vóór, en zonder de formatie der Kerk; d. i. het wezen
44
der Kerk is er reeds zonder en vóór dat er nog leden zijn, en vóór dat er een geheel van leden is.
Dit volgt ook rechtstreeks uit de volgende uitdrukking: »Zoolang er nog eikels ter uwer beschikking blijven, is het wezen van den eik nog niet verloren.quot; Dr. K. gebruikt dit beeld in toepassing op de zichtbare Kerk. De eikel is het beeld van het wezen; de eik dat van de formatie eener Kerk. Dit beeld wordt gebruikt om te bewijzen, dat eene Kerk met een verdorven formatie daarom nog geen valsche Kerk is. Indien er slechts enkele levende lidmaten Christi in zulk eene Kerk zijn, dan kan de zuivere kerkformatie weer te voorschijn treden, evenals de eik uit den eikel. In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat wij hier dezelfde fout hebben als bij het beeld van den geheel afgekapten boom, waarvan het wezen nog in den wortel schuilt. Beide beelden zien op eene Kerk met verdorven formatie; en volgens deze beelden is dat bij Dr. K. hetzelfde als zonder formatie
De formatie van de zichtbare Kerk is niet slechts het instituut, d. i. de inrichting tot den dienst des woords, maar het zichtbaar organisme, het geheel van leden. Het wezen is immers de kerkformeerende kracht. Al wat er dus in de zichtbare Kerk is, behalve deze kracht, behoort tot de formatie. Ook bij de onzichtbare Kerk ziet het begrip formatie op het lichaam, het geheel van de levende leden.
Om de verhouding van wezen en formatie naar Dr. K's voorstelling beter te begrijpen, moeten wij nog even onze aandacht vestigen op het beeld van eikel en eik. Er is dus geen eik, d. i. er is geen zichtbare formatie der Kerk. Maar gij hebt nog enkele eikels, d. i. er zijn nog enkele levende lidmaten Christi. In dien eikel ligt het wezen, niet de kiem, neen, het wezen van een eik. Zoo ligt in de levende leden Christi het wezen van de zichtbare Kerk. Het wezen van een eik bestaat dus vóór en zonder dat de eik bestaat. Zoo is het ook bij de Kerk. Het wezen der onzichtbare Kerk is de kerkformeerende kracht; en deze ligt in God. Deze kracht, d. i. het wezen, bestond al vóór er nog één levend lidmaat Christi was. In deze levende leden ligt het wezen der zichtbare Kerk. Ook hier wordt het wezen gedacht als bestaande vóór dat de
45
formatie der zichtbare Kerk, niet zichtbaar wordt, maar bestaat. Zoo wordt het door het beeld van eikel en eik, en door vele andere uitdrukkingen voorgesteld Ook door deze: Het wezen is de kerkformeerende kracht. De kracht die iets formeert of maakt, ligt buiten hetgeen door die kracht gemaakt wordt, en bestaat reeds vóór het gemaakte.
Om iets van het onjuiste van dit beeld te doen gevoelen, willen wij een soortgelijk geval nemen. Het Woord Gods is het zaad, waardoor de Heilige Geest den zondaar levend maakt. Dat Woord Gods staat dus in dezelfde verhouding tot den geestelijken, nieuwen mensch, als de eikel tot den eik. Wij zouden dus moeten zeggen; In het Woord Gods ligt het wezen van den nieuwen mensch; en wij zouden daaruit de gevolgtrekking moeten maken, dat de nieuwe mensch naar zijn wezen reeds bestaat vóór dat hij nog bestaat. Indien men de levenskiem in den eikel voor het Wezen van den eik aanziet, en dit toepast op den Christen en de Kerk, komen wij op de lijn der ontwikkelingstheorie, en moeten wij het begrip en het feit der schepping loslaten.
Wanneer wij echter even nadenken over het beeld van eikel en eik is het toch duidelijk, dat hier sprake is van twee dingen, die elk een eigen wezen, en elk een eigen bestaan en formatie of lichaam hebben. De eikel staat niet in verhouding tot den eik als het wezen tot de formatie. Ook ligt het wezen van den eik niet in dien eikel. De eikel heeft een eigen bestaan onafhankelijk van den eik; en die eik, wanneer hij bestaat, heeft een eigen bestaan onafhankelijk van den eikel. Nu is het wel waar, dat een eik niet ontstaan ka;n zonder een eikel; doch men houde in het oog, dat het niet gaat over de vraag: Hoe eene Kerk ontstaat, maar over de vraag: Wat is het wezen van eene bestaande Kerk. En als gij nu over een eikeboom spreekt, kunt gij niet zeggen: Het wezen van dien eik ligt in een eikel. Het wezen van een bestaanden eik ligt in dien eik zelf. Bestaat die eik niet, dan bestaat ook zijn wezen niet, omdat het wezen van een ding niet kan bestaan, zonder dat het ding zelf bestaat.
De eikel, waarin volgens Dr. Kuyper het wezen van een eik ligt, is een ding op zich zelf, heeft een eigen bestaan en
46
formatie. Zoo is het, volgens zijne opvatting, met de levende leden als onzichtbare Kerk. Deze levende leden Christi zijn reeds ewz formatie, een lichaam van leden. Immers, de kerk-formeerende kracht in God heeft hen als formatie doen ontstaan. Nu bestaat de zichtbare Kerk nog niet als formatie, d. i. als zichtbaar geheel van leden. Wel bestaat zij naar haar wezen, want de kracht om de zichtbare Kerk te for-meeren, ligt in de formatie der onzichtbare Kerk. Deze kracht in de onzichtbare Kerk doet dan de formatie der zichtbare Kerk ontstaan. In beide gevallen wordt dus het wezen gedacht als bestaande vóór en zonder de formatie. De verhouding waarin het wezen en de formatie tot elkander staan is dus die van oorzaak en uitwerking, van werkende kracht en hetgeen daardoor ontstaat.
Wanneer wij nu deze beschouwing toepassen op eene plaatselijke gemeente van de Hervormde Kerk, krijgen wij de volgende opvatting. Dat zichtbaar geheel van leden is de formatie der zichtbare Kerk. Deze formatie is ontstaan door de kerkformeerende kracht, die ligt in de levende leden, die in zulk eene zichtbare Kerk zijn; en deze kracht is het wezen van die plaatselijke Kerk. Zooals nu de formatie van die zichtbare Kerk eene vrucht is van de werking van deze kracht (het wezen), zoo is ook de reformatie eene vrucht van de werking dezer kracht, die ligt in enkele levende leden van die Kerk.
In deze formatie der zichtbare Kerk, bestaat de formatie der onzichtbare Kerk; en hierin ligt het wezen van de eerste formatie. Van de formatie der onzichtbare Kerk ligt het wezen in God. Onwillekeurig vragen wij, of het wezen, de kerkformeerende kracht in God, ook uit God in de formatie der onzichtbare Kerk, in het organisch geheel van de levende leden Christi overgaat, terwijl die kracht de onzichtbare Kerk formeert; of blijft deze kracht, d. i. het wezen der onzichtbare Kerk in God, nadat zij als formatie bestaat? Dezelfde vraag kan gedaan worden in toepassing op de zichtbare Kerk, waarvan het wezen in de onzichtbare Kerk ligt. Wij hebben op deze vraag geen rechtstreeksch antwoord kunnen vinden. Doch welk antwoord ook gegeven wordt, er komt volgens
47
deze theorie altijd iets substantieel goddelijks in de Kerk, wijl het wezen in God ligt.
Uit het bovenstaande volgt dus, dat het wezen zich niet slechts openbaart in de formatie der Kerk, maar het wezen schept de formatie. De Kerk als formatie, als gemeenschap van leden, is dus product, schepping van haar eigen wezen. Met zulk eene opvatting kunnen wij ons niet vereenigen.
De zichtbare en onzichtbare Kerk is voor ons één en dezelfde Kerk, en één en dezelfde formatie. En het wezen van deze Kerk ligt er niet buiten, maar ligt er in. Dit wezen is geen kerkformeerende kracht, afgedacht van de leden, maar voor ons behooren de leden tot het wezen der Kerk. Wanneer er geen leden zijn, is er ook geen Kerk, noch naar haar formatie, noch naar haar wezen.
Wanneer wij spreken over het wezen van eene Kerk, denken wij aan eene tot formatie gekomene Kerk, al is die formatie ook nog aanvankelijk. Het is dan toch eene zichtbare Kerk. Alleen in dien zin heeft de Kerk op aarde voor ons bestaan. Van het wezen eener Kerk te spreken, zonder dat die Kerk zelf nog bestaat, kwam ons altijd voor te zijn ijdele philosophie. Het wezen van een ding onderstelt altijd het bestaan van dat ding, wijl het wezen in het ding zit. Zoo is het ook met de Kerk. Wijl nu met onzichtbare en zichtbare Kerk één en dezelfde Kerk als formatie, als geheel van leden bedoeld wordt, volgt daaruit van zelf, dat zij ook één en hetzelfde wezen moet hebben. Het wezen van de onzichtbare Kerk kan niets anders zijn dan het wezen van de zichtbare Kerk, want anders zijn het twee Kerken. Wat het wezen is der zichtbare Kerk, datzelfde is het wezen der onzichtbare Kerk. Zoo alleen blijft de eenheid der Kerk gehandhaafd. Wanneer wij spreken van onzichtbare en zichtbare Kerk, bedoelen wij daarmede niet twee kringen van leden in de Kerk, maar de Kerk als zoodanig, als één geheel van leden. Wij bedoelen met beide begrippen de Kerk naar haar wezen en naar haar formatie. Wij zoeken het wezen van de Kerk niet in enkele leden in de Kerk, maar in de Kerk als geheelheid, als organisme of corporatie. Dat ééne wezen en dat ééne organisme der Kerk is tegelijk zichtbaar en onzichtbaar, al
48
naar dat men het van onzen of van Gods kant beschouwt.
En nu hebben wij in verband met de vorige nog een vijfde opmerking; en daarmede komen wij tot de principiëele fout van Dr. Kuypers beschouwing van het wezen der Kerk, zooals die aan de Doleantie ten grondslag werd gelegd. Hij heeft de kerkformeerende kracht met het wezen der Kerk vereenzelvigd. Dat de Kerk is de realiseering van het eeuwig besluit dei-verkiezing, en in God haar oorsprong heeft; dat zij is eene schepping zijner almacht, gelooven wij met heel ons hart. Wij kunnen echter niet aanvaarden, dat die verkiezing of die scheppende almacht Gods, waaraan de Kerk haar ontstaa?i te danken heeft, het wezen is van een bestaande Kerk. Het wezen van eene tot formatie gekomene Kerk is toch geheel iets anders dan haar oorzaak, oorsprong, dan de scheppende kracht, waardoor zij werd; geheel iets anders dan het eeuwig besluit of bestek, dat door de kerkformeerende kracht Gods gerealiseerd werd. Wij hebben altijd gemeend, dat het wezen van de Kerk was datgene, waardoor de Kerk Kerk is; dat daardoor niet de oorzaak van haar bestaan, maar haar bestaan zelf werd aangeduid; datgene waardoor de Kerk is, en een eigen bestaan heeft, en iets anders is dan al het andere dat naast haar bestaat; datgene waardoor zij iets op zich zelf is, en zonder hetwelk eene vergadering ophoudt werkelijk Kerk te zijn. Het begrip Kerk is een eenheidsbegrip, en wel van personen en niet van krachten. Niet eene vergadering of gemeenschap van kerkformeerende krachten, maar eene vergadering of gemeenschap van geloovigen; dat is de Kerk naar haar wezen.
Dr. Kuyper zocht naar het wezen der Kerk, Aan welke Kerk dacht hij daarbij ? Niet zoozeer aan de Kerk zooals die in de Heilige Schrift beschreven of in de Belijdenis beleden wordt, maar aan de Kerk zooals die als verbasterde historische Kerk in de plaatselijke afdeelingen van het Herv. Kerkgenootschap voor hem stond. Omdat men van die kerkelijke afdeelingen zich niet afscheiden wilde, moest men zijn standpunt rechtvaardigen. En dat kon alleen door te bewijzen, dat die afdeelingen nog ware Kerken zijn. Dat men met het plan der zoogenaamde reformatie voor zich, eene groote beteekenis
49
hechtte aan de kerkformeerende of kerkrefonneerende kracht, kan óns niet verwonderen. Men stond immers in Kerken, die, zelfs naar het getuigenis der Doleerenden, zeer ontredderd waren en verdorven in zoo vele opzichten. De vraag: Ts er in die ontredderde Kerken nog kracht om in de plaats van die deformatie de zuivere formatie weer te openbaren, was bij de voorgenome reformatie in den vorm van Doleantie, van het grootste gewicht. Het aanwezig 'zijn van deze kerkreformee-â rende kracht in een kring van levende leden was noodzakelijke vereischte voor deze methode van reformatie. Zonder deze kracht of zin en wil om de verdorven kerkformatie te reformeeren, kon deze methode niet toegepast worden. Indien de kerkformeerende kracht er nog is, dan is in eene plaatselijke afdeeling van de Herv. Kerk ook nog het wezen der Kerk. Dan is zij nog geen valsche, maar een ware Kerk. De kracht, die de zichtbare Kerk kan formeeren, kan haar ook ^formeeren. Dan moet die kracht in de levende leden werkzaam gemaakt worden, opdat zij de reformatie ter hand nemen. Waar die kracht nog is, is de Doleantie als methode van reformatie mogelijk.
Doch nu wordt die kracht het wezen der Kerk genoemd. Dit is de principieele fout. Daaruit is het ook te verklaren, dat de denkbeelden van'dr. Kuyper over het wezen der Kerk zoo onduidelijk zijn. Het opschrift van § 14 van het 'tradaat luidt: »Wat het wezen eener tot formatie gekomene Kerk uitmaakt.quot; En dan wordt in de beschrijving van dit wezen gezegd, dat het wezen eener tot formatie gekomene Kerk is de kerkformeerende kracht. De kracht die de Kerk formatie geven moet is het wezen van eene Kerk, die reeds tot formatie gekomen is. Wij kunnen dit niet begrijpen.
Dat het wezen der Kerk hier verward wordt, met de oorzaak van hare wording, met haar oorsprong, blijkt duidelijk uit de formule: kerkformeerende kracht, d. i. de kracht, die de Kerk tot eene formatie, tot een zichtbaar geheel van leden maken moet. Dit blijkt ook uit de beschouwing, dat het wezen, d. i. de kerkformeerende kracht van de onzichtbare Kerk ligt in God. Door de kerkformeerende werking van die kracht in God, krijgt de Kerk formatie; daardoor wordt zij een ge-
50
heel van leden, eene onzichtbare Kerk. Door de kerkfor-meerende werking van die krachten in de levende leden, wordt de Kerk een zichtbaar geheel van leden, eene zichtbare formatie, eene zichtbare Kerk. De kerkformeerende kracht wijst dus op datgene, wat de Kerk doet ontstaan, op de oorzaak harer wording, op haar oorsprong, maar niet op het wezen van eene bestaande Kerk die tot formatie gekomen is. In de geheele § over het wezen van eene tot formatie gekomene Kerk, vinden wij dan ook geene beschouwing van het wezen van eene bestaande Kerk, maar van hare wording. Wij hebben door het begrip Kerk altijd verstaan eene vergadering van geloovigen, dus van personen. Voor Dr. Kuyper bestaat de Kerk reeds vóór er nog zulk eene vergadering van geloovigen is. Hij past het begrip dus toe op iets, dat reeds bestaat vóór de Kerk als organisme nog bestaat. Wanneer hij eene defe-nitie van de Kerk naar haar wezen zou moeten geven, zou deze moeten luiden:.»^ Kerk is de kerkformeerende krachtT
Nu verwondere men zich niet al te zeer over hetgeen wij tot hiertoe over het wezen der Kerk, zooals het aan de Doleantie ten grondslag ligt, gezegd hebben. Men is in de praktijk van het kerkelijke leven zóó ver van den gereformeerden weg afgedwaald, en dientengevolge is de gereformeerde opvatting zoozeer uitgesleten, dat men met e'én sprong te doen, zoo maar niet in eens weêr op den rechten weg is. En als dan bovendien de voeten nog vastzitten in het moeras van het verdorven kerkelijke leven, wordt het nog moeilijker. Voor menschen, die in eene gedeformeerde, of nog erger, in eene valsche Kerk leven, is het 't allermoeilijkste om in de beschouwing van de Kerk weêr gereformeerd te worden. Wij hebben er ook in onze Kerk ervaring van.
Voor dat wij echter de beschouwing van de Kerk in de Doleantie gaan vergelijken met het kerkbegrip in de Schrift en in de Belijdenis, en met de opvatting, die in de Afscheiding belichaamd is, vergunne men ons aan het slot van dit hoofdstuk nog iets te zeggen over de verhouding van het wezen der Kerk tot het geheel van leden eener plaatselijke afdeeling van het Herv. Kerkgenootschap. Met het begrip formatie wordt bedoeld, het geheel, het samenstel, het zichtbaar or-
51
ganisme van leden eener plaatselijke Kerk. Het is opmerkelijk, dat Dr. Kuyper in toepassing op eene plaatselijke afdeeling van het Herv. Kerkgenootschap, ons nergens duidelijk zegt, hoe het wezen der Kerk zich in zulk een zichtbaar organisme openbaart. Wij begrijpen wel, dat wij hiermede eene voor hem zeer moeilijke kwestie aanroeren, wijl hij door het zichtbaar organisme verstaat eene plaatselijke afdeeling, waartoe zoowel geloovigen als openbare ongeloovigen behooren. De Doleerende Kerk is immers geen nieuwe Kerk in vergelijking met de bestaande Herv. gemeente. 1) De Doleerenden openbaren de zuivere formatie der Kerk. In hen wordt het wezen der Kerk dus weer openbaar. Maar hoevele leden der Herv. gemeente zijn er niet, die niet meêdoen aan de openbaring van de formatie der Doleerende Kerk. Hoeveel ongeloovige leden in leer en in leven zijn er niet, die onmogelijk meêdoen kunne?i. En toch worden zij gerekend te behooren tot de zichtbare formatie, d. i. tot het geheel van leden eener Do-
*) Heraut N0. 460: âEene Doleerende Kerk is niet eene tweede Kerk naast de bestaande, maar het is en blijft geheel dezelfde Kerk, slechts met dit onderscheid, dat zij thans doleert'' .... âAlle denkbeeld alsof het optreden als Doleerende Kerk het oprichten van eene nieuwe of andere Kerk zou zijn, moet dus verre weggeworpen. Het blijft dezelfde Kerk.
Heraut N0. 490: âAan het denkbeeld alsof de Doleerenden bezig waren nieuwe Kerken op te richten, mag natuurlijk geen oogenblik voet gegeven.quot;
Heraut N0. 506: âNiet dat er alzoo (n.1. door de Doleantie) twee Kerken ontstonden. O neen, het is de ééne zelfde Geref. Kerk (d. i. plaatselijke Kerk), die er van 1578 af bestond, maar in die eene Kerk, nu reeds 175000 zielen tellend, staan nu twee kerkeraden tegenover elkander.quot;
Heraut N0. 528: âGeen Doleerende personen.... De Kerk als Kerk doleert.quot;. . . . âPersonen, die zouden gaan âdoleerenquot; om nu als doleerende personen een âdoleerende Kerk te stichtenquot; zouden in Abdera, maar niet in ons nuchteren Holland thuis hooren. Die wartaal banne men.quot;
Abdera is de stad van onnoozelen, dommen en dwazen. Wij stemmen toe, dat in de uitdrukking âdoleerende personenquot; het begrip âdoleerenquot; in een onhistorischen zin gebruikt wordt. Maar Dr. Kuyper heeft Prof. Wielenga toch moeten toegeven, dat het begrip âdoleerenquot; in toepassing op de tegenwoordige reformatie ook in een gansch onhistorischen zin gebruikt wordt. Gerekend met den feitelijken toestand, kunnen wij het ons niet anders voorstellen, dan dat in de plaatselijke Kerk van Amsterdam een deel der leden doleert, en het grootste deel niet doleert. En nu is het de bede' van ons hart, .dat het doleerende deel zich kerkelijk afscheidt van de niet-doleerenden, al moeten wij om dit gebed dan ook gerekend worden in Abdera thuis te hooren.
52
leerende. Kerk. Zij formeeren of reformeeren niet mede, en toch behooren zij tot de formatie. Wij hebben altijd gemeend, dat het wezen eener Kerk zich alleen openbaren kon in hen, die volgens belijdenis en wandel geloovigen zijn-, en dat de openbare ongeloovigen- buiten het wezen en dus ook buiten de formatie, buiten het lichaam der Kerk staan; en dat zij derhalve niet tot de Kerk, maar tot de wereld behooren. Dr. Kuyper kan dit natuurlijk niet aanvaarden, want dan zou hij het standpunt der Afscheiding innemen.
Hij kan echter ook niet aanwijzen hoe het wezen der Kerk zich openbaart in het ongeloovige deel van het organisme der plaatselijke Kerk. Hij komt tot eene stelling, die goed bezien het omgekeerde aanduidt. Letterlijk wordt immers gezegdquot; kDc geloovigen representeeren de Kerk.quot; *) Het begrip geloovigen wordt hier gebruikt in tegenstelling en onderscheiding van ongeloovigen. Al de geloovigen in eene plaatselijke afdeeling van het Herv. Kerkgenootschap zijn represen-tanten, vertegenwoordigers, en dat wel van de ongeloovigen. De o-eloovigen hebben alleen de kerkreformeerende kracht in zich, en zijn dus in staat het juk der synodale hierarchic af te werpen. De ongeloovigen kunnen dit niet meêdoen. De geloovigen doen dit voor de geheele zoogenaamde plaatselijke Kerk, dus ook voor de ongeloovige leden in die Kerk. In den vertegenwoordiger treedt de vertegenwoordigde handelend op, d. i. de ongeloovigen openbaren zich wat de kerkreformatie betreft in de geloovigen. De ongeloovigen beweren natuurlijk dat deze vertegenwoordiging alleen in de verbeelding dei Doleerenden bestaat; en wij zien geen kans om ze van misvatting te beschuldigen. Dr. Kuyper natuurlijk wel; want anders zou hij het standpunt der Afscheiding moeten aanvaarden.
Indien er eenige consequentie zat in deze beschouwing ovei het wezen en de formatie der Kerk, men ware dan ook met
'l Heraut N0. 598; Theorieën van kerkzuivering: âBij de Doleantie handelen zij (de geloovigen) als de geloovigen, representeerende W de Kerkquot; Met âheel de Kerkquot; wordt hier bedoeld, heel de plaatselijke af-Jeeling van het Herv. Kerkgen.; dus het geheel van leden.
53
de eenmaal aangenomene grondgedachte tot andere gevolgtrekking gekomen. De grondgedachte was: »De kerkformee-rende kracht in de levende leden is het wezen der Kerk.quot; Met deze levende leden worden de ware geloovigen bedoeld. Ligt het wezen in de geloovigen, dan kan het zich in die geloovigen ook alleen openbaren. 'Is het wezen der Kerk in hen: de openbaring, de formatie der Kerk is dan ook alleen tot hen beperkt. Bij het wezen en de formatie der Kerk, dacht men dan aan dezelfde geloovigen. Wij zeggen niet, dat wij het met deze beschouwing eens zouden zijn; maar er was dan in elk geval logische gedachtengang in de redeneering. Men bedenke echter, dat deze logica zou gevoerd hebben tot het standpunt der Afscheiding.
Het is duidelijk, dat men niet is ingegaan op het verband van het wezen eener plaatselijke Kerk tot haar organisme of corporatie van leden. Wanneer wij de beschouwing van het wezen en van het organisme van leden of van den omvang eener Kerk met elkander vergelijken, komt dat sterk uit. Tot het wezen eener plaatselijke Kerk behooren alleen de levende lidmatén Christi; maar tot het organisme of het geheel van leden, behooren alle gedoopten '); ook al de gedoopten, die in leer en leven zich openbaren als ongeloovigen. Dit geldt van elke plaatselijke Kerk, zoowel voor als na de Doleantie.
In den doop wordt de Kerk zichtbaar 1). Hoe is deze stelling overeen te brengen met: »Het wezen openbaart zich in de formatie ?quot; 2) In de formatie wordt de Kerk zichtbaar. Het wezen, dat in de formatie zichtbaar wordt is »de kerkfor-meerende krachtquot; of »de zin en de wil om de kerkelijke formatie te openbaren.quot; Hoe wordt nu deze kerkformeerende kracht als het wezen der Kerk zichtbaar in den doop als openbaring der Kerk? Op deze vraag hebben wij nog geen antwoord kunnen vinden. Het komt ons voor dat het antwoord ook niet gegeven kan worden, wijl men bij de stelling, dat de Kerk in breedsten zin is de vergadering van ge-
1
) Heraut. N0. 521 en 531.
2
) Tractaat. § 14 pag. 29 alin. 1. (Volksuitgave.)
54
doopten weêr van een geheel ander begrip van het wezen der Kerk uitgaat dan in »de kerkformeerende krachtquot; is geformuleerd. Dan moet het wezen der Kerk gezocht worden in het deel hebben aan de genademiddelen; en de Kerk naar haar wezen is dan de gemeenschap der genademiddelen.
De omschrijving: »De Kerk is de vergadering van gedoop-ten,quot; zou nog iets zeggen, indien de bediening van den doop in de Hervormde Kerk in overeenstemming was met de Heilige Schrift; indien n. 1. alleen kinderen van geloovigen werden gedoopt; maar nu dit in de Hervormde Kerk reeds zoo vele jaren zoo verregaand abnormaal is toegegaan, wordt door deze stelling de Kerk zoo onbelijnd mogelijk, wijl daardoor al het verkeerde als goed wordt erkend. De vraag of de doop der kinderen van openbare ongeloovigen al of niet als ware doop moet beschouwd worden, staat hiermede, naar onze beschouwing, niet in rechtstreeksch verband, wijl wij ons op grond van de Heilige Schrift gedoopten denken kunnen, die toch niet tot het zichtbaar organisme der Kerk behooren.
Door de Kerk eene vergadering van gedoopten te noemen, doet Dr. Kuyper in navolging van Ebrard 2) eene poging om de eenheid der plaatselijke Kerk te handhaven. Deze opvatting voert ons echter terug naar het Roomsche kerkbegrip, en duidt de onzichtbare en zichtbare Kerk dan alleen als eene eenheid aan, wanneer men den doop opvat als opus operatum in den Roomschen zin, n. 1. dat de doop zelf de genade meêdeelt en tot lid van het lichaam Christi maakt. Doch bij Gereformeerde opvatting van den doop, blijft de Kerk op het standpunt van Dr. Kuyper altijd nog eene tweeheid, n. 1. een kerkje van avondmaalgangers in de Kerk van de massa der gedoopten. Men verlaat daarmede de lijn van »de geloovigen en hun zaadquot; en stapt op die van »de gedoopten en hun zaadquot; over; en wijl daardoor in den tegenwoordigen tijd openbare ongeloovigen als leden der Kerk erkend worden,
â ) Heraut. N0. 519.
8) Aug. Ebrard, Christel. Dogmatik 2e Aufl. Bd. II. S. 392. Ook Munch-meyer, vilmar, Delitsch e. a. vatten de Kerk op als Gesammtheit der Getauften.
55
aanvaardt men werkelijk de lijn van »de ongeloovigen en hun zaad.quot; In plaats van ons eene schrede vooruit te voeren, voert men ons terug tot de oude dwaling van de Volkskerk.
Het kort resultaat van ons onderzoek is dus, dat de opvatting van het wezen der Kerk, waarvan de Doleantie uitgaat, principieel fout is, wijl zij de oorzaak van de wording der Kerk voor haar wezen aanziet. Door de kerformeerende kracht het wezen der Kerk te noemen, brengt men een stuk van het Ethisch-Pantheïstisch stelsel over in het Gereformeerde systeem. Daaruit volgt, dat men eene verkeerde opvatting krijgt van de begrippen onzichtbare en zichtbare Kerk, waardoor men de eenheid der plaatselijke Kerk prijs geeft, en de dwalingen van »de Volkskerkquot; en »een kerkje in de Kerkquot; nog eens doet herleven onder het Gereformeerde volk. En dit alles is te verklaren uit de poging om de plaatselijke af-deelingen van het Hervormde kerkgenootschap als ware Kerken Christi te handhaven en alzoo de Afscheiding te vermijden. Komt men niet tot de Afscheiding van die plaatselijke afdee-lingen, de tegenwoordige reformatie neemt dan van den aanvang af het beginsel der deformatie in zich op, en de geschiedenis van de deformatie der Kerk zal zich nog eens herhalen. De geschiedenis leert immers, dat een onwaar element in het kerkbegrip, door de Kerk zelf aanvaard en gehandhaafd, op den duur de overhand krijgt, en in de praktijk alle ware bestanddeelen verdringt.
IV.
VERGELIJKING VAN DE AFSCHEIDING MET DE DOLEANTIE IN ZAKE HET WEZEN DER KERK.
De taak om het kerkbegrip te beschrijven, zooals het in de Afscheiding is belichaamd, is eenerzijds moeilijker en anderzijds gemakkelijker dan bij de Doleantie. Moeilijker, omdat niemand der eerste Afgescheidenen eene theorie van reformatie heeft geformuleerd en aangekondigd, vóór dat men aan het werk ging. Men begon niet met een wel doordacht en fijn uitgewerkt plan. Men had geen »Tractaat van de reformatie der Kerkenquot; voor zich, waarin men tot in bizonderheden lezen kon hoe men denken en handelen moest. Bij de Doleantie heeft men echter vooraf een nauwkeurig bestek van de voorgenomene reformatie geteekend en beschreven. Men heeft de reformatie eerst op papier uitgewerkt, en daarna gerealiseerd. Vooraf werd eene breede beschrijving gegeven van het kerkbegrip, dat men in de Doleantie wilde belichamen. Bij de Afscheiding is het anders. Bij de Doleantie gaat de beschrijving aan de historie vooraf, terwijl bij de Afscheiding de historie aan de beschrijving vooraf gaat. De historie liep hier het denken vooruit. Men was »ziende in het gebod, en blind in de uitkomst.quot; Wij moeten het kerkbegrip der Afscheiding dus opmaken uit de geschiedenis, uit de daden en feiten der Afscheiding, en uit de Acten, waarin zij hunne daden beschreven hebben. Wij hebben dus geen nauwkeurig geformuleerd kerkbegrip voor ons liggen, zooals bij de Doleantie.
Anderzijds is die beschrijving gemakkelijker. Men was in de Afscheiding minder theoretisch, minder abstract, en minder berekenend dan in de Doleantie. Uit het eerste gedeelte van
57
de reformatiespreuk van Ds. H. de Cock: »Ziende in het gebodquot;, volgde dat. men onmiddellijk van de Schrift en van de Belijdenis uitging. En uit het tweede gedeelte: »blind in de uitkomst,quot; volgde, dat men geene voorwaarden stelde wat de uitkomst der handeling betrof. Men stelde vooraf niet vast, dat de plaatselijke gemeente van het Hervormde kerkgenootschap nog eene ware Kerk was, en dat men die plaatselijke Kerk niet mocht verlaten. Of de gehoorzaamheid aan Gods Woord tengevolge zou hebben, dat men buiten de Hervormde Kerk kwam of dat men er in blijven kon, liet men aan de toekomst over. Men wilde niet zelf de historie maken, maar liet dit aan God over. Er was geene berekening. Men vroeg eenvoudig: Wat eischt de Heere in zijn Woord, en wat is in overeenstemming met de Belijdenis. Daardoor is de Afscheiding minder ingewikkeld dan de Doleantie, en haar kerkbegrip eenvoudiger. Zooals de Doleantie zich bij het Tractaat van reformatie aansluit, sluit zich de Afscheiding bij de Schrift en de Belijdenis aan. Daarom moeten wij het kerkbegrip in de Afscheiding beschouwen in verband met de Schrift en de Belijdenis, terwijl eene vergelijking met het kerkbegrip in de Doleantie niet uitblijven mag.
Er zijn vooral twee punten, waarop wij bij ons onderzoek van de geschiedenis en de Acten der Afscheiding onze aandacht moeten vestigen. Het eerste is: hoe men de Hervormde Kerk beschouwde; en het tweede: Wie men als leden van de Afgescheiden gemeente erkende. Daaruit blijkt van zelf welk kerkbegrip men aanvaardde.
Terwijl Ds. H. P. Scholte in Januari 1834 aan Ds. H. de Cock te Ulrum reeds_ de vraag deed, of zijn kerkeraad met de gemeente eenparig bereid was om zich onafhankelijk te verklaren van de Synodale Herv. Kerk en als eene afzonderlijke Gemeente op te treden ') hield de Cock nog altijd vast aan de Hervormde Kerk als de ware Kerk, 2) en verklaarde, dat niet de breuke, noch de scheuring, maar de wederkee-ring en herstelling zijne hartelijkste wensch en vurige bede
') Hendrik de Cock in Leven en Werkzaamh. dl. I p. 121. 3) Ibidem, pag. 78. 79.
58
was Door de verschillende gebeurtenissen, die daarna volgden, waardoor de Hervormde Kerk in haar wezen voor hem meer openbaar werd, kwam hij eindelijk tot de overtuiging, dat zij was eene valsche Kerk. In de Acte van Afscheiding 13 October 1834, wordt dit duidelijk uitgesproken. Het is hem met zijn kerkeraad nu »meer als duidelijk geworden, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk niet de ware, maar de valsche Kerk is, volgens Gods Woord en Art. 29 van onze Belijdenis, weshalve zij verklaren, dat zij overeenkomstig het ambt aller geloovigen Art. 28, zich afscheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer willen hebben met de Nederlandsche Hervormde Kerk,.... en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware gereformeerde ledematen, en zich te willen vereenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergaderingquot; 1).
De groote meerderheid van de leden der Hervormde Gemeente te Ulrum verklaarde, dat zij zich met den kerkeraad vereenigde, zich niet langer aan het kerkbestuur wilde onderwerpen, en alzoo de vereeniging met de Hervormde Kerk, zooals die sedert 1816 bestond, opzegden. Ook in het kerkeraadsboek werd aangeteekend, dat zij zich van de valsche Kerk afscheidden, en in de mogendheden des Heeren het ambt aller geloovigen aangenomen hadden 2).
Ook bij Ds. Scholte, Brummelkamp en Van Velsen vinden wij dezelfde beschouwing. Zij verwerpen niet alleen het Hervormde kerkbestuur, maar scheiden zich ook af van allen, die zich aan dat kerkbestuur onderwerpen, en willen met hen niet in kerkelijke gemeenschap leven. 3) Ook door de eerste Synoden wordt deze opvatting telkens op den voorgrond geplaatst.4 )
Er waren te Ulrum eenige leden van de Hervormde Kerk, die niet met de Afscheiding meêgingen, en er bleef dus eene
1
a) Ibidem pag. 291.
2
) Ibidem pag. 294. 295.
3
*) Zie Officieele stukken van Scholte pag. 1 (Inleid), pag. 15. 106; van Brummelkamp pag 87; van Van Velsen pag. 2. 15.
4
) Zie de verslagen van de eerste Synoden.
59
plaatselijke afdeeling van het Hervormde kerkgenootschap bestaan.1) Leden van de Hervormde gemeenten op andere plaatsen werden als leden van de Afgescheiden gemeente te Ulrum aangenomen. 2) Reeds in 1834 werden te Groningen en te Smilde door de Cock Afgescheiden gemeenten gesticht, onafhankelijk van en naast de Hervormde gemeenten.
Deze beschouwingen en feiten nu zijn voldoende om de boven aangewezen punten in het juiste licht der historie te beschouwen. Uit alles is het duidelijk, dat de Cock geen onderscheid heeft gemaakt tusschen de Kerk als reglementair genootschap en als zichtbaar organisme van leden. Wie bewijzen wil, dat hij zich wel afgescheiden heeft van het reglementair genootschap als valsche Kerk, maar niet van de Hervormde Kerk als genootschap van leden, verwringt de geschiedenis der Afscheiding, en schrijft aan de Cock begrippen toe, die hij niet had. Het begrip Kerk werd in e'e'ne beteekenis opgevat, n. 1. als geheel en eenheid van leden. Zij waren te eenvoudig, in den goeden zin van het woord, om in te zien, dat door het begrip Kerk ook kon aangeduid worden het geheel van reglementen belichaamd in de besturen, afgedacht van de Kerk als geheel van leden. De Kerk als vergadering van reglementen en besturen was voor hen een te abstract begrip. In dezen onbijbelschen, onhistorischen, onconfessioneelen en onkerkrechterlijken zin hebben zij het begrip Kerk niet gebruikt. De kerkbesturen in de hoedanigheid van besturen afsnijden, en hen in de hoedanigheid van leden als leden der ware Kerk blijven erkennen, lag geheel buiten hun gedachtenkring. De Kerk als zichtbaar geheel van leden, openbaarde zich voor hen in de besturen. Wat de besturen deden was voor hen een bewijs wat de Kerk als geheel van leden was. Zij beschouwden ze als besturen van de Kerk, en niet als op zich zelf staande, niet als aan de Kerk bijgevoegd. De valsche handeling van de besturen was hun daarom een bewijs van de valschheid der Hervormde Kerk
1
*) H. de Cock in Leven en Werkz. dl. II pag. 5,65.
2
) Ibidem pag. 7, 22, 28, 29, 33, 34.
60
als zichtbaar geheel van leden. De valsghheid zagen zij dus niet slechts in de besturen, maar in de Kerk.
De besturen en door en met die besturen vervolgde de Kerk allen, die het Woord Gods boven de reglementen plaatsten, en de waarheid handhaafden tegenover de dwaalleeraars; hen die de Sacramenten wilden bedienen naar de instelling van Christus, en de tucht naar den eisch der Schrift wilden handhaven. Nu waren er hier en daar wel geloovigen in de Herv. Kerk, die individueel als geloovigen dit in het openbaar afkeurden, maar de gemeenten als gemeenten, en ook die geloovigen als leden van de Kerk hebben tegen al die onbijbel-sche handelingen der besturen zich niet vèrzet. Ieder wist, dat zulk een ernstig en volgehouden protest afzetting van het ambt, en verlies van het lidmaatschap tengevolge zou hebben. Dit was in Ulrum duidelijk genoeg openbaar geworden. Gehoorzaamheid aan Gods Woord en gehoorzaamheid aan de reglementen der Kerk was eene tegenstelling in het kerkelijke leven. Wie het eene deed, kon het andere niet. In de Afscheiding kon men daarom niet begrijpen, dat de gemeenten, die een valsch bestuur handhaafden, nog ware Kerken Christi konden zijn.
Dat de Cock met zijne volgelingen niet alleen het juk van reglementen afwierp, maar zich afscheidde van de Herv. Kerk als historisch bestaande zichtbare gemeenschap van leden, blijkt uit alles overduidelijk. Zij zetten of sneden de besturen niet af, maar lieten ze als besturen van de Herv. quot;Kerk bestaan ; zij onttrokken er zich aan; zij scheidden zich van hen af. Zij beriepen zich tot rechtvaardiging van hunne daad op Art. 29 van de Belijdenis, en vonden al de kenmerken van de daar beschreven valsche Kerk in de Herv. Kerk terug. Daaruit is het ook alleen te verklaren, dat men in de Afscheiding niet handelde krachtens het kerkelijk ambt, maar krachtens het ambt der geloovigen. De afscheiding als kerkelijke handeling krachtens het ambt der geloovigen, onderstelt altijd dat de Kerk, waarvan men zich afscheidt, eene valsche Kerk is. Anders is deze daad ongeoorloofd. Volgens Art. 28 der Belijdenis is het ambt aller geloovigen zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk, d. i. niet van de ware
61
Kerk zijn. In de Afscheiding vatte men het ambt der geloo-vigen op als een recht en plicht niet om zich af te scheiden van reglementen en besturen, maar van personen, wijl het begrip Kerk bij hen niet was eene verzameling van reglementen of een geheel van besturen, maar eene vergadering van leden, dus van personen. Die vergadering van leden was voor hen eene ware Kerk, wanneer zij zich openbaarde als geloovig, en eene valsche, wanneer zij zich toonde als onge-loovig. Omdat de Herv. Kerk als geheel van leden zich in hun oog als ongeloovig openbaarde, dus als een valsche Kerk, scheidden zij zich van haar af. Hoewel heel de kerkeraad met Ds. de Cock zich afscheidde van de Herv. Kerk, handelde die kerkeraad blijkens zijn eigen getuigenis, niet krachtens zijn kerkelijk ambt, maar krachtens het ambt der geloovigen volgens Art. 28 der Belijdenis. Ook hieruit blijkt duidelijk, dat men de Herv. Kerk als geheel van leden beschouwde als eene valsche Kerk.
Het onderscheid van plaatselijke Kerk en landskerk wordt in de Afscheiding niet op den voorgrond gezet, omdat men de Herv. Kerk beschouwde zooals zij na 1816 historisch bestond, en niet zooals zij volgens de Belijdenis en het Geref. kerkrecht van vóór 1816 had moeten zijn. Men beschouwde de plaatselijke gemeente als collegialistische afdeeling van het hiërarchisch Genootschap, dat Herv. Kerk genoemd werd. Ook de gemeente te Ulrum was zulk eene afdeeling, en als zoodanig. als deel van de Herv. Kerk, valsch. Indien de gemeente te Ulrum als deel van de Herv. Kerk zich als ware Kerk had beschouwd, had de kerkeraad voor de gansche gemeente het juk van reglementen moeten afwerpen, en de besturen moeten afsnijden op doleerende wijze. Doch de kerkeraad heeft- als vertegenwoordiger niets gedaan. Hij heeft zelfs voor zich zelf niet in de hoedanigheid van kerkeraad krachtens zijn ambt gehandeld, maar als geloovigen handelde elk krachtens het ambt der geloovigen, alleen voor zich zelf. Noch de geloovigen beschouwden zich als vertegenwoordigers van de ongeloovigen, noch de kerkeraad trad handelend op voor de geheele BPrneente, maar elk geloovige handelde in de Af-scheicim^etrekK- zich zelf. Daardoor maakten zij zich los van
62
de gemeente te Ulrum als plaatselijke afdeeling van het Herv. Kerkgenootschap. Wie zich niet persoonlijk afscheidde bleef tot die plaatselijke afdeeling en mitsdien tot het Herv. Kerkgenootschap behooren. Alle leden der Herv. gemeente te Ulrum werden opgeroepen, en elk lid moest voor zich zelf krachtens het ambt der geloovigen zich afscheiden. Daardoor hield men niet alleen op te behooren tot het Herv. Kerkgenootschap, maar ook tot de Herv. gemeente van Ulrum. Men scheidde zich daarvan af, en formeerde samen eene andere gemeente dan de bestaande Herv. gemeente. Deze hield niet op te bestaan. Er waren ook te Ulrum enkele leden, die met de Afscheiding niet meêgingen. Deze bleven de Herv. gemeente te Ulrum, als plaatselijke afdeeling van het Herv. Kerkgenootschap. Deze gemeente werd beschouwd als een deel van de valsche Herv. Kerk. Wanneer er toen nog een enkele geloovige in was, of ook wanneer er nu enkele geloovigen in zijn, moeten de Doleerenden krachtens hun kerkbegrip die Herv. gemeente te Ulrum als een ware Kerk van Christus beschouwen. Niet in de Afgescheidene, maar in die Herv. gemeente moeten zij de historische Geref. Kerk van Ulrum zien. In de Afscheiding wordt echter overal de Herv. Kerk als genootschap van leden in haar geheel zoowel als de plaatselijke gemeente beschouwd als ongeloovig, en daarom als valsche Kerk.
Om tot eene juiste opvatting te komen van het kerkbegrip, dat aan de Afscheiding ten grondslag ligt, moeten wij de geschiedenis en de Acte der Afscheiding nog op een tweede punt onderzoeken. De vraag is: Wie erkenden zij als leden van de Afgescheiden gemeente ? Zij verklaren zelf, dat zij zich niet slechts afscheiden van de Herv Kerk in haar geheel, maar ook van allen, die niet van de Kerk zijn. Met hen die zich onderwerpen aan het Herv. kerkbestuur, willen zij geen kerkelijke gemeenschap hebben. Van de enkelen, die te Ulrum niet met de Afscheiding meêgingen, werd dan ook verklaard, dat zij niet erkend werden als leden der gemeente. Te Ulrum werden zij alleen als leden erkend, die de Acte van Afscheiding teekenden, en daardoor ziclj ^openbaarden ware Ge-reformeerïïen en als geloovigen,, . .
63
De kerkeraad wierp het juk der Synode niet af voor de geheele gemeente, noch voor de gereformeerde leden in de gemeente. De kerkeraad deed voor die bestaande Herv. gemeente niets. Elk lid van de gemeente moest evenals elk lid van den kerkeraad, als geloovige zich afscheiden van de Herv. Kerk. Het was dus bij allen eene individueele daad des ge-loofs, want men deed het krachtens het ambt der geloovigen. Daaruit volgde vanzelf, dat men niemand als lid der gemeente erkennen kon, die zich niet wilde afscheiden. Hoewel men de Herv. Kerk in haar geheel en in hare afdeelingen als valsch beschouwde, aanvaardde men echter toch, dat in die Herv. Kerk nog wel geloovigen, nog wel leden van de ware Kerk waren. Daarom verklaren zij kerkelijke gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware gereformeerde leden. Zij scheidden zich niet af van de ware, van de gereformeerde Kerk, ook niet van de gereformeerde leden der ware Kerk, maar alleen van hen, die niet van de ware Kerk zijn. Dat vele geloovigen in de Herv. Kerk geen leden werden van een Afgescheiden gemeente lag aan - den onwil van die leden, maar komt niet voor rekening van die gemeente. Men keerde als geloovigen, als leden van de ware Kerk terug tot de leer, dienst en tucht der vaderen en openbaarde of formeerde daardoor eene ware zichtbare Kerk. Wie uit ongeloof niet mede terugkeerde, kon men niet als lid erkennen, en wie geloovig was, moest mede terugkeeren.
Dit alles volgde rechtstreeks uit het standpunt dat men ingenomen had. Men handelde eenvoudig volgens de Belijdenis. En duidelijk is het, dat men van een kerkbegrip uitging, dat geene vereeniging van geloovigen en openbare ongeloovigen toeliet. Had men zich slechts willen onttrekken aan de reglementen en besturen, men had zich niet mogen afscheiden van de Herv. Kerk, indien deze als zichtbare vergadering van leden nog de ware Kerk was; en evenmin aan de leden die met de Afscheiding niet meegingen. Men had dezen als leden der Kerk moeten blijven erkennen, zooals in de Doleantie. Doch de Afscheiding was niet slechts eene kerkrechterlijke, maar ook eene confessioneele reformatie; zij had niet slechts betrekking op de Kerk als instituut, maar ook op de
64
Kerk als zichtbaar organisme van leden. Een ander kerkbegrip werd aanvaard en toegepast dan in de Herv. Kerk was belichaamd, en daaruit volgde vanzelf eene andere Kerk naast de Herv. Kerk. Omdat de Herv. Kerk als geheel zich als on-geloovige Kerk openbaarde, scheidde men zich van haar af; en omdat vele leden als ongeloovige leden zich openbaarden, erkende men hen niet als leden van de Afgescheiden Kerk. Duidelijk is dus, dat de Afscheiding uitging van dit kerkbegrip: De Kerk 'is de vergadering va?i geloovigen. Uit dit kerkbegrip volgt rechtstreeks de Afscheiding van de Herv. Kerk, en de erkenning van alle geloovigen als leden der Afgescheiden Kerk. De Afscheiding handhaafde dus de katholiciteit én de continuïteit in den eenig mogelijken en eenig waren zin van het woord.
De Kerk is eene vergadering van geloovigen; dat is de beschrijving van de Kerk naar haar wezen. Men mag noch met Dr. Kuyper het wezen der Kerk zoeken in de en kele leden, noch met de waarheidsvrienden in de leer der apostelen en profeten of in de Belijdenis, wijl niet een van beiden het begrip Kerk vasthoudt. Het geloof is niet het wezen van de Kerk, maar het wezen van een Christen. De Kerk is eene vergadering, eene eenheid van leden, en het wezen der Kerk moet dus deze eenheid aanduiden. Wat de Kerk eene eenheid, eene vergadering, een organisme, eene Kerk doet zijn, is het wezen. De vraag is: waardoor zijn de leden eene eenheid, eene Kerk? En het antwoord kan wel niet anders zijn dan: De ware geloofseenheid der leden is het wezen der Kerk. De nadruk moet niet alleen gelegd worden op het begrip »geloovigen,quot; maar evenzeer op het begrip «vergadering.quot; Anders spreekt men niet meer over de Kerk als Kerk, maar over iets in, of over bestanddeelen van de Kerk. Zoo alleen kan ook de eenheid van onzichtbare en zichtbare Kerk gehandhaafd worden. En die ééne Kerk heeft maar één wezen. Er is dan geen wezen van de onzichtbare, en een ander wezen van de zichtbare Kerk. De Kerk van de onzichtbare zijde is dan de eenheid der geloovigen, zooals zij geestelijk en inwendig voor God bestaat; en van de zichtbare zijde de eenheid der geloovigen, zooals die voor ons openbaar wordt.
65
Wijl de Afscheiding zich telkens op de Schrift en de Belijdenis beroept, moeten wij het kerkbegrip, zooals het daar voorkomt, even in het kort aanduiden. Wij merken hierbij echter op, dat wij ons kerkbegrip niet ontleenen aan het Oude, maar aan het Nieuwe Testament, wijl de Kerk onder het O. Testament nog gewikkeld zat in de staatkundige instellingen der theocratie, en nog niet te voorschijn trad in haar eigen formatie. In de O. Testamentische theocratie was de eenheid eene nationale volkseenheid, zoodat ieder Israëliet door uitwendige geboorte lid der natie was. Wie aan de O. Testamentische theocratie zijn kerkbegrip wil ontleenen, moet absoluut komen tot eene volkskerk en tot eene Staatskerk, en komt nooit tot toepassing van het N. Testamentische kerkbegrip. Wij zien in die nationale volkseenheid der O. Testamentische theocratie eene schaduw en type van het koninkrijk Gods zooals het nu aanvankelijk in wording is en eenmaal na de voltooiing der verlossing zal bestaan. Hieruit volgt vanzelf, dat wij ons kerkbegrip ook niet mogen ontleenen aan de beschrijving van het koninkrijk Gods in het N. Testament. Het is toch duidelijk dat deze begrippen elkander volstrekt niet dekken. Slechts een enkel bewijs daarvoor. Aangaande het koninkrijk Gods gebiedt Jezus in Matth. 13 ; 28â30, dat men de vermenging ,van geloovigen en openbare ongeloovigen zal laten bestaan, terwijl in zake de Kerk gezegd wordt: »Doet dien booze uit uw midden weg.quot; Indien het rijk Gods hetzelfde was als de Kerk, dan gebiedt Jezus in Matth. 13 : 30, dat de openbare ongeloovigen in de Kerk moeten blijven, terwijl Hij in Matth. 18: 15â18 leert, dat de Kerk zulken moet beschouwen als heidenen en tollenaren, dus als menschen, die buiten de Kerk staan; terwijl Paulus 1 Cor. 5: 13, Tit. 3 : 10, 2 Tim. 3 : 5, Gal. 5:12 gebiedt, dat de Kerk met zulken geen kerkelijke gemeenschap mag hebben, en hen niet in haar midden mag dulden. Met de bewijzen aan de O. Testamentische theocratie en aan het koninkrijk Gods ontleend, is waarlijk al lang genoeg geschermd om een kerkdijken toestand te vergoelijken die in strijd is met de Schrift en de Belijdenis.
Wij bepalen ons dus tot de uitspraken der Schrift, die toegepast worden op de historisch bestaande zichtbare Kerk, wijl
66
het er voor ons op aan komt te weten wat de Kerk in dien zin is. Zulk eene zichtbare plaatselijke Kerk wordt genoemd »Gods gebouw, een tempel Gods, een geestelijk huis van levende steenen, het lichaam van Christus, eene vergadering van heiligen en geloovigenquot; En als zich iemand in zulk eene Kerk openbaart als ongeloovige in leer of in leven, moet hij door de Kerk vermaand worden, en zoo hij niet hoort, moet de Kerk zich aan hem onttrekken, en moet hij gerekend worden niet meer te behooren tot de Kerk 1). Kerken die, na vermaning, dit niet doen, worden door den Heere niet meer als zijne Kerken erkend, maar door Hem verworpen 2).
Duidelijk is dus, dat de zichtbare Kerk volgens de Schrift eene vergadering van geloovigen is, en dat daarom de openbare ongeloovige leden niet als leden der Kerk mogen erkend worden, tenzij zij zich bekeeren. Indien de Kerk hen toch blijft erkennen, houdt zij op Kerk van Christus te zijn. Wijl de Kerk eene vergadering van geloovigen is, moet de Kerk zich van de ongeloovigen afscheiden, èf de geloovigen moeten zich van de Kerk afscheiden.
De Kerk is dus eene zichtbare vergadering, eene eenheid van geloovigen. Zonder die «eenheidquot; is zij geen Kerk, maar slechts een optelsom van los naast elkander staande individuen; en zonder dat die eenheid eene e'e'nheid des geloofs is, is zij geene kerkelijke eenheid in den eigenlijken zin. Dus door wergadcringquot; van geloovigen te zijn is zij eene Kerk; en door eene vergadering wan geloovigenquot; te zijn is zij eene ware Kerk. Het eerste begrip wijst ons aan, dat de Kerk is eene eenheid, het tweede zegt ons van welken aard deze eenheid is, zoodat wij datgene, waardoor de Kerk eigenlijk Kerk is, moeten zoeken in de ware geloofseenheid der leden. De ongeloovige leden der Kerk, waarvan in de Schrift gesproken
1
Joh. 10. Openb. 18 : 4.
2
quot;) Openb. 2 ; 5, 16.
67
wordt, waren voor de Kerk geloovigen toen zij als leden aangenomen werden. Zij bleken later hypocrieten (schijngeloovi-gen) geweest te zijn. En zoodra dit openbaar wordt, mogen zij niet meer gerekend worden tot de Kerk te behooren. Dat een openbare ongeloovige als zoodanig als lid der Kerk aangenomen wordt is in de Kerk van Christus volgens de Schrift eene onmogelijkheid. 1)
De onderscheiding van onzichtbare en zichtbare Kerk komt in de Schrift niet voor. Toch kan zij in goeden zin wel uit de Schrift afgeleid worden. De beteekenis, die de Doleantie aan deze begrippen heeft gegeven, is echter geheel onschriftmatig. Volgens de Schrift is eene zichtbare â plaatselijke Kerk het lichaam van Christus, een geheel van heiligen en geloovigen 2), terwijl in de theorie van de Doleantie eene vergadering van geloovigen en openbare ongeloovigen eene zichtbare Kerk wordt genoemd. Op de Doleerende Kerk van Amsterdam die 175.000 leden telt, kan Dr. Kuyper onmogelijk het woord van Paulus toepassen: »En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bizonder.quot; Paulus past het toe op de zichtbare plaatselijke Kerk van Corinthe, terwijl Dr. Kuyper het alleen toepast op een afzonderlijken kring van geloovi-â gen m die zichtbare Kerk, welken kring hij de onzichtbare Kerk noemt.
Nu beroept men zich menigmaal op de apostolische Kerken, en wijst er op, dat daarin ook openbare ongeloovigen waren. Ten eerste zij opgemerkt, dat wij ons kerkbegrip niet ontleenen aan de apostolische Kerken, maar aan God; niet aan de historie, maar aan de openbaring. Ten tweede zij er bijgevoegd, dat de Schrift eischt, dat die ongeloovigen, zoodra zij na vermaning blijken werkelijk ongeloovigen te zijn, niet meer als leden der Kerk mogen erkend worden. Volgens de Schrift is de Kerk dus eene zichtbare vergadering van geloovigen.
Evenals de Schrift werd ook de Belijdenis in de Afschei-
1
') En toch zou, naar het eigen getuigenis van Dr. Kuyper zelfs Mr. Levy wel als lid van de Herv. Kerk aangenomen kunnen worden.
2
) Zie de aangewezen teksten, o. a. 1 Cor. 12 : 27. Ef. 1:1. quot;
68
ding veel sterker op den voorgrond gedrongen dan in de Doleantie. Het is zeer opmerkelijk, dat Dr. Kuyper in § 14 van het Traciaat, over het wezen van de Kerk, geen enkel woord der Schrift aangeeft, waaraan hij zijne begrippen ontleent. Even opvallend is het, dat hij niet van de Belijdenis uitgaat, maar aan het slot van § 14 met zijne theorie tot de Belijdenis komt, om haar met zijne begrippen in overeenstemming te brengen.
De Belijdenis beschrijft de Kerk als »eene heilige vergadering van ware Christen-geloovigen.quot; Hiermede wordt niet slechts aangeduid de Kerk in het algemeen als het geheel van de geloovigen over de gansche aarde, maar ook de plaatselijke Kerk; niet slechts de onzichtbare Kerk, maar ook de Kerk zooals zij als historisch zichtbare gemeenschap moet bestaan. In de Belijdenis is het kerkbegrip nog niet verbogen en verwrongen naar een verbasterden toestand. Het is niet de beschrijving van eene Kerk, zooals de van de lijn afgeweken historie ons, haar laat zien, zooals de menschen door ongeloof haar gemaakt hebben, maar zooals de Heere haar zelf geteekend heeft in zijn Woord. Daarom is het kerkbegrip der Belijdenis zoo glashelder en zoo eenvoudig. Het is zuivere theologie, zonder bijmengsel van menschelijke elementen. De Belijdenis geeft ons niet, op de wijze der Ethi-schen, eene beschrijving van de Kerk zooals zij zich in het leven aan ons voordoet, en uit de ervaring tot bewustzijn komt. Het kerkbegrip der Belijdenis is geen Ethisch-anthro-logisch begrip aan de praktijk ontleend, maar een theologisch, uit de Schrift opgediept, en dus van God zelf geleerd.
Dat de Belijdenis met de Kerk »als heilige vergadering van de ware christengeloovigenquot; niet slechts de Kerk van hare onzichtbare zijde, maar ook de zichtbare Kerk bedoelt, is duidelijk uit Art. 28. Omdat de Kerk is de vergadering van geloovigen, moet elk geloovige zich er bij voegen. Wie dat niet doet, handelt tegen den wil van God. Uit dit kerkbegrip volgt van zelf, dat elk geloovige krachtens het ambt der geloovigen zich moet afscheiden van hen, die niet van de Kerk zijn, en zich moet voegen bij de ware Kerk. Het is duidelijk, dat hier sprake is van amp; zichtbare Kerk, wijl de ge-
69
loovigen er zich anders niet bijvoegen kunnen. Met hen die niet van de Kerk zijn, worden de openbare ongeloovigen bedoeld; zoodat daaruit volgt, dat de Kerk eene vergadering van geloovigen is. De Kerk die de openbare ongeloovigen erkent als leden, en de geloovigen, die zich kerkelijk niet van de ongeloovigen afscheiden, hebben beide het kerkbegrip van de Belijdenis losgelaten, en een ander, een onschriftmatig, een menschelijk kerkbegrip aanvaard.
Tot deze korte aanduiding van het kerkbegrip in de Belijdenis moeten wij ons thans beperken. In een volgend hoofdstuk over het begrip »valsche Kerkquot; in verband met Dr. Kuypers theorieën, en zijne beschouwing over de Belijdenis en Zondag 21 van den Catechismus, hopen wij de bizonderheden breeder te ontwikkelen. Het was ons nu slechts te doen om aan te wijzen, wat wij volgens de Belijdenis door de Kerk als plaatselijke zichtbare Kerk te verstaan hebben.
Wanneer wij nu het kerkbegrip der Schrift en der Belijdenis vergelijken met de opvatting die wij in de Afscheiding gevonden hebben, dan is het duidelijk, dat de Afscheiding geen eigen kerkbegrip heeft uitgedacht. Men heeft letterlijk dat der Belijdenis aanvaard, en daardoor kwam men nood-, wendig tot Afscheiding van de ongeloovige Kerk en van de ongeloovige leden.
In de Doleantie heeft men dit kerkbegrip niet aanvaard, zooals het in de Schrift en de Belijdenis gegeven is, en daarom komt men niet tot Afscheiding van de openbare ongeloovigen, maar blijft hen als wettige leden der zichtbare Kerk erkennen. De Doleerende Kerk te Amsterdam telt immers 175.000 zielen, met inbegrip van de ruwste ongeloovigen. Deze ongeloovigen behooren niet tot de Kerk als reglementair genootschap, want als zoodanig bestaat de Doleerende Kerk niet meer. Zij heeft zich immers van de Kerk als reglementair genootschap afgescheiden? Indien die ongeloovigen behoorden tot het reglementair genootschap van de Herv. Kerk, dan zouden de Doleerenden zich door Afscheiding van dat genootschap ook afgescheiden hebben van die ongeloovigen, en dan zou de Doleerende Kerk te Amsterdam geen 175.000 zielen tellen. Neen, al die ongeloovigen worden gerekend te
70
behooren tot de Doleerende Kerk als zichtbaar gemeenschap van leden, dus tot de Kerk, die volgens de Belijdenis zijn moet; eene vergadering van geloovigen.
Hoe Dr. Kuyper meenen kan, dat zijne opvatting van het wezen en de formatie der Kerk, van de onzichtbare en de zichtbare Kerk in overeenstemming is met de Belijdenis 1), begrijpen wij niet. Met zijne opvatting van het wezen der Kerk komt hij tot eene zichtbare plaatselijke Kerk, die eene vergadering is van geloovigen en openbare ongeloovigen; terwijl de Belijdenis de zichtbare Kerk noemt eene vergadering van ware geloovigen. Het verschil zit allereerst in de opvatting van het wezen der Kerk. Volgens Dr. Kuyper is het wezen iets abstracts en individueels, in de enkele leden der onzichtbare Kerk liggende, n. 1. de kerkformeerende kracht, of de zin en de wil om de kerkelijke formatie te openbaren. Het wezen ligt bij hem niet in de Kerk als zoodanig, als eene eenheid van leden, maar in elk geloovige. In het vorige hoofdstuk zagen wij reeds, dat hij bij het begrip »wezen der Kerk,quot; het begrip wezen heeft losgelaten, en nu moeten wij er op wijzen, dat hij daarbij ook het begrip Kerk losliet. Voor het begrip wezen stelt hij het begrip »kracht,quot; of «ingeschapen aandrift,quot; of »zin en wilquot; in de plaats, en voor het begrip Kerk het begrip «levend lidmaatquot; of «geloovige.quot; Het begrip wezen der Kerk is bij hem geen eenheidsbegrip, geen kerkbegrip. Het begrip Kerk komt bij hem eerst in de beschouwing van de onzichtbare Kerk. Dan beteekent het eene eenheid van leden, eene vergadering van ware geloovigen. De zichtbare Kerk is bij hem geen zichtbare vergadering van geloovigen als plaatselijke Kerk. Zichtbare Kerk duidt slechts eene kortstondige ontwikkelingsphase aan, die de Kerk doorloopt op haren weg van onzichtbare Kerk tot in-stituaire Kerk 2). Zoodra de Kerk de gestalte van instituut
') Tractaat pag. 32.
quot;j Dr. Kuyper schijnt te meenen, dat eene Kerk, als vergadering van geloovigen, nog niet is een instituut (d. i. inrichting tot den dienst des Woords), zoolang er geen kerkeraad is opgetreden, en nog geene offici-eele Belijdenis en Kerkenorde is aanvaard. Dit is onjuist. Ook zulk eene vergadering van geloovigen is een instituut; zij is eene inrichting tot den
71
heeft aangenomen, is de Kerk als zichtbare vergadering van geloovigen daarin opgegaan en â- opgelost, en voor ons niet meer zichtbaar als vergadering van geloovigen, maar als instituut tot den dienst des Woords. Het kerkbegrip, zooals het in de Schrift en de Belijdenis voorkomt, en zooals het in de Afscheiding aanvaard is, komt bij Dr. Kuyper en in de Doleantie niet voor. De Kerk als zichtbare vergadering van geloovigen heeft men losgelaten.
Na deze vergelijking van het schriftmatig kerkbegrip met dat in de Afscheiding eenerzijds, en met dat in de Doleantie anderzijds, moeten wij hier nog even terugkomen op eene foutieve voorstelling, die Dr. Kuyper van de Afscheiding heeft gegeven. Het is bekend, dat de Christelijke Gereformeerde Kerk naar zijne meening na 1834 afgeweken is van het standpunt, waarop zij zich in Ulrum heeft geplaatst. Deze afwijking, zoo wordt beweerd, is niet eerst in 1869, noch in 1839 geschied, doordat de Kerk zich bij reglement in de rechtssfeer van den Staat liet erkennen, maar reeds dadelijk na, of goed gezien reeds in 1834, doordat men het standpunt der Doleantie verlaten heeft. Dr. Kuyper beweert, dat men in Ulrum het standpunt der Doleantie innam 1). Hij zegt: »Wat Ulrum deed, doen ook wij, en al onze bede is, dat onze Christelijke Gereformeerde broeders tot het Ulrumsch uitgangspunt mochten terugkeeren. Dat zij hiervan te goeder trouw afweken, is moeilijk betwistbaar.quot; Deze afwijking wordt toegeschreven aan onkunde en oppervlakkigheid in het geestelijke leven. De gereformeerden in de Herv. Kerk, die »dieper ingeleidquot; 2) en van »hooger geestelijk karakter waren dan de uitgetredenenquot; 3), zagen in die afgeweken Afscheiding een baken in zee 4) en moesten in de historische Kerk blijven om dit gevaar te ontzeilen.
1
dienst des Woords, al is het, dat zij als zoodanig nog niet werkzaam is opgetreden. Het is niet alzoo, dat de Kerk eerst is organisme, en dan later ook wordt instituut. Als stichting van Christus is zij beide vanaf het eerste oogenblik van haar bestaan. Zoodra zij als organisme zichtbaar is, is zij dit ook als instituut.
2
^ Heraut N0. 544, 597 e. a. p. 2) Heraut N0. 362.
3
) Heraut N0. 364, 371. 4) Heraut N0. 370.
72
Dat het standpunt der Afscheiding in zake de verhouding van de Kerk tot de Overheid gewijzigd is, stemmen wij Dr. Kuy-per met vreugde des harten toe. Doch deze afwijking wordt hier niet bedoeld, maar eene, die op de Kerk als zoodanig betrekking heeft. Beweerd wordt, dat de uitgetredenen na 1834 eene andere beschouwing van de plaatselijke Herv. gemeente, en dus van de Herv. Kerk hadden, dan in Ulrum was aanvaard. Er was dus wijziging gekomen in het kerkbegrip. Het is ons echter nog nooit duidelijk geworden, waarin' deze afwijking bestaat, en dientengevolge bleef het ons nog altijd onbekend welk wezenlijk onderscheid er is tusschen de Afscheiding in Ulrum en die van later; en evenzoo welke wezenlijke overeenstemming er is tusschen wat te Ulrum in 1834 en in Amsterdam in 1886 geschiedde.
Dr. Kuyper heeft zijne bewering van dat verschil en van die overeenstemming ook nog nooit bewezen. Het bedoelde onderscheid is ook slechts denkbeeldig, evenals de vermeende overeenstemming. In de Doleantie wordt de plaatselijke af-deeling van het Herv. Kerkgenootschap en dus ook de Herv. Kerk als geheel van leden als ware Kerk beschouwd. Daaruit volgt, dat de plaatselijke Kerk als zoodanig reformeert. De geloovigen in zulk eene Kerk zijn de vertegenwoordigers van heel de Kerk, dus ook van de ongeloovigen. In de Doleantie handelen de leden (de geloovigen) dus massaal en kerksgewijze. Zoo deed men ook in 1834 te Ulrum, meent Dr. Kuyper. Na 1834 is men daarvan afgeweken door zich persoonlijk af te scheiden. Het bedoelde verschil is dus, dat men in '34 en '86 massaal en kerksgewijze handelde, en na '34 individueel; dat in '34 en '86 de plaatselijke Kerk als Kerk zich afscheidde van het valsche kerkbestuur, terwijl men na '34 zich als enkele geloovige afscheidde van de Kerk. Na '34 werd de Afscheiding dus ongemerkt eene sectarische beweging, die alleen wegens de onkunde der Afgescheidenen ietwat te vergoêlijken is.
Deze beschouwing van Dr. Kuyper en zijne volgelingen is het gevolg van een geheel onjuiste opvatting van de geschiedenis in 1834 te Ulrum. Men denke toch niet, dat er wezenlijk verschil is tusschen massale en individueele Af-
73
scheiding. Uit hetgeen wij in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk gezegd hebben, blijkt dit duidelijk genoeg. Of er 200, of 10 tegelijk, of dat slechts één zich afscheidt, het is altijd Afscheiding van de bestaande zichtbare Kerk als geheel van leden. Niet in het massale of individueele der afscheiding, maar in het al of niet zich Afscheiden van de Herv. Kerk als zichtbaar geheel van leden, ligt het verschil tusschen de reformatie van '86 en die van '34 en later.
Dr. Kuyper past zijn stelsel van reformatie op de Afscheiding van '34 toe, maar plaatst die gebeurtenis daardoor in een geheel onzuiver licht. De reformatie van '34 was niet slechts eene kerkrechterlijke, maar ook eene confessioneele en corporatieve reformatie, die betrekking had op het zichtbaar organisme van leden; terwijl de reformatie in de Doleantie slechts eene kerkrechterlijke is, die de plaatselijke Kerk als zichtbare eenheid van leden onaangeroerd laat. De Afgescheidenen keerden terug tot de leer, dienst en tucht der Gereformeerde Kerk; terwijl de Doleerenden alleeti de Dordt-sche kerkenorde in de plaats stellen van de reglementen, wijl zij beweren, dat de plaatselijke afdeelingen van de Herv. Kerk wat de leer betreft, nog ware Kerken zijn, zoodat zij niet behoeven terugkeeren tot de Gereformeerde Belijdenis. De Afgescheidenen keeren terug tot de Gereformeerde Kerk zooals die vóór 1816 bestond; de Doleerenden blijven dezelfde Kerk zooals die na 1816 bestaat. De Afgescheidenen wierpen niet slechts het juk van het kerkbestuur af, en scheidden zich niet slechts af van de Herv. Kerk als reglementair genootschap, maar ook als genootschap van leden, en dientengevolge van elke plaatselijke afdeeling van dat genootschap en van allen, die tot dat genootschap bleven behooren; de Doleerenden werpen alleen het valsche kerkbestuur af en scheiden zich slechts af van de reglementen, van het reglementair genootschap, afgedacht van de leden, maar blijven dezelfde zichtbare plaatselijke Kerk, hetzelfde geheel van leden. De Afgescheidenen zagen het valsche niet alleen in het reglementair genootschap abstract gedacht, maar ook in de Kerk als geheel van leden, terwijl de Doleerenden niet in den eigenlijken zin spreken van eene valsche Kerk, maar al-
74
leen van valsche reglementen en besturen. Te Ulrum zoowel als later scheidde men zich dus af van de Herv. Kerk als zichtbaar geheel van leden met de besturen aan het hoofd, zoowel van de Herv. Kerk in haar geheel, als van de plaatselijke afdeelingen, en van de enkele leden van de Herv. Kerk. De niet meêgaande leden te Ulrum bleven daar de afdeeling van de Herv. Kerk, en de historische voortzetting van de Herv. gemeente te Ulrum. Doch in de Afgescheiden gemeente werd de vroegere Gereformeerde Kerk te Ulrum weer openbaar en historisch voortgezet.
Uit dit alles volgt, dat men geen wezenlijk onderscheid zag tusschen wat men te Ulrum deed en wat enkele leden der gemeenten uit de omgeving deden, die zich persoonlijk afscheidden van hunne gemeenten, en zich bij de gemeente te Ulrum aansloten. Evenmin zag men wezenlijk verschil tusschen het stichten der gemeenten te Groningen en te Smilde, en de Afscheiding te Ulrum. In beide gevallen scheidde men zich af krachtens , het ambt der geloovigen van de valsche Kerk, en van alle ongeloovige leden. Of men predikant, ouderling, diaken of gewoon lid was, of velen of weinigen tegelijk het deden, of dat slechts één het deed, men deed het persoonlijk, elk voor zich zelf, omdat het begrip valsche Kerk heel hunne handeling beheerschte, en omdat men het begrip Kerk in overeenstemming met de Belijdenis opvatte als zichtbare vergadering van ware geloovigen. Omdat men in de Doleantie het begrip Kerk in een gansch anderen zin opvat, n. 1. in den zin van reglementair genootschap, en van instituut tot den dienst des Woords, afgedacht van de Kerk als organisme van leden, kan hier geen sprake zijn van Afscheiding in den zin zooals het te Ulrum geschiedde. In de Doleantie scheidt de plaatselijke Herv. Kerk als geheel van leden zich af van de reglementen en van de besturen, niet van hen als leden, maar als besturen. In de Afscheiding scheidden de geloovigen zich af van de Herv. Kerk als geheel van leden, met alles wat daarbij behoort. Dit deed men ook te Ulrum. Indien men te Ulrum de Herv. Kerk als zichtbaar geheel van leden niet als valsche Kerk had beschouwd, had men geen leden van elders mogen aannemen, en te Gro-
75
ningen en Smilde enz. geen Afgescheiden gemeente naast de Herv. gemeente mogen stichten.
Dat de Afgescheiden gemeenten zich beschouwden als de historische voortzetting van de vroegere Gereformeerde Kerk, is volkomen waar, maar dit is geheel iets anders dan de historische voortzetting van de Herv. Kerk in haar geheel of in hare plaatselijke gemeenten. Zij wilden noch in con-fessioneelen, noch in kerkrechterlijken, noch in corporatieven zin, de historische voortzetting zijn van de Herv. gemeenten. Zij zagen geen kerkelijke continuïteit tusschen hen als Gereformeerde Kerken en de Herv. Kerk na 1816. Zij gingen terug tot vóór 1816, en beschouwden zich als de voortzetting van de vroegere Gereformeerde Kerk. De Herv. Kerk, ook in hare plaatselijke afdeelingen, was voor hen de valsche Kerk, en daarmede was alle kerkelijke continuïteit voor zoover zij waarneembaar is, verbroken, en daarom verbraken zij ook de continuïteit van het lidmaatschap.
Het verschil tusschen het kerkbegrip der Afscheiding en dat der Doleantie is dus niet gering. Dat blijkt duidelijk uit de toepassing van beide. Uit het kerkbegrip der Doleantie volgt, dat de Herv. Kerk als zichtbaar geheel van leden nog eene ware Kerk is, en dat openbare ongeloovigen als wettige leden der Kerk moeten erkend worden; terwijl uit het kerkbegrip der Afscheiding volgt, dat de Herv. Kerk als zichtbaar geheel van leden eene valsche Kerk is, en dat ongeloovigen geen leden van de Kerk zijn. In hetgeen uit de beide kerkbegrippen voortvloeit, is er dus rechtstreeksche tegenstelling, wat bewijst, dat er tusschen de beide begrippen niet slechts een gradueel verschil is, maar dat zij, goed bezien, elkander uitsluiten. In het kerkbegrip der Doleantie wordt het openbaar ongeloof als wettig kerkelijk erkend door de Kerk zelf. Zoo is het ook in de praktijk. Zoodra de do-leerende Kerken de openbare ongeloovigen niet meer als leden hunner Kerken erkennen, verlaten zij hun eigenaardig standpunt en gaan op dat der Afscheiding over. Doch dan moeten zij eerst het kerkbegrip aanvaarden in den zin van de Belijdenis, n. 1. dat de zichtbare Kerk is eene vergadering van ware geloovigen.
V.
HET BEGRIP âVALSCHE KERKquot; IN DE DOLEANTIE.
Wie het stelsel van Dr. Kuyper, zooals het in de Doleantie belichaamd is, begrijpen wil, moet allereerst een antwoord zoeken op de vraag; In welken zin gebruikt hij de begrippen in zake de Kerk? Een nauwkeurig onderzoek leert toch, dat zijne begrippen niet altijd dezelfde beteekenis hebben als in de Belijdenis en in de Afscheiding. Sommigen zijn door eigen schuld misleid, wijl zij de uitdrukkingen van Dr. Kuyper opvatten in hun zin, maar niet zooals hij ze bedoelde, Daardoor is hij in onze Kerk niet altijd begrepen, en is er zooveel verwarring ontstaan.
Zooals hij het begrip Doleantie niet in den gewonen, historischen zin heeft gebruikt, maar een gansch nieuwe beteekenis heeft gegeven, heeft hij ook in mindere of meerdere mate gedaan met bijna alle begrippen, die op de Kerk betrekking hebben. Zij beteekenen bijna altijd iets anders dan bij ons. De begrippen Kerk, wezen van de Kerk, onzichtbare en zichtbare Kerk, Synodale Herv. Kerk, instituaire Kerk, organische of corporatieve Kerk, afscheiding, valsche Kerk hebben doorgaans een anderen inhoud dan bij ons Juist daardoor is het zoo moeilijk om zich eene heldere en be-lijnde voorstelling te vormen van zijn gedachtenstel over de Kerk. Neemt men aan, dat hij de woorden in onzen zin verstaat, dan krijgt men onwillekeurig den indruk, dat hij hetzelfde wil als wij. Maar verstaat men ze in zijn zin, dan blijkt het tegenovergestelde.
Wie de beteekenis van de onderscheidene begrippen over de Kerk in hetgeen Dr. Kuyper de laatste acht of tien jaren geschreven heeft, nauwkeurig nagaat, merkt al spoedig
77
dat er nog al afwisseling is in de beteekenis; en dat zij langzamerhand eene belijnden en vaststaanden zin hebben gekregen. ') Het begrip Kerk heeft in zijne terminologie verschillende beteekenis gekregen, zoodat men telkens vragen moet: In welken zin wordt het hier opgevat? Door die onderscheidingen heeft hij het zich echter mogelijk gemaakt om de plaatselijke afdeeling van het Herv. Kerkgenootschap nog als ware Kerk te beschouwen. Werd het begrip Kerk altijd gebruikt in den zin van historische zichtbare gemeenschap van geloovigen, zooals wij in overeenstemming met de Schrift en de Belijdenis het opvatten, dan was het eenmaal ingenomen standpunt onhoudbaar. Doch door allerlei onderscheidingen en scheidingen in het begrip Keirk weet men nu zoo te redeneeren, dat onze opvatting een ondiepe, ondoordachte en zeer oppervlakkige schijnt te zijn. Het mag ons echter niet ten kwade geduid worden, dat wij deze beschouwingen eens nauwkeurig nagaan en ernstig overwegen, voordat wij er aan denken kunnen om ze te aanvaarden. De historie onzer Kerk getuigt, dat gelooven en ook begrippen aanvaarden op men-schelijk gezag, bij ons niet thuis hoort. 1)
Een ernstig onderzoek van Dr. Kuypers onderscheidingen in het begrip Kerk, die onmiddellijk in verband staan met het begrip valsche Kerk, is ook noodig met het oog op ons eigen Kerk. Voor ieder die de dingen onder de oogen ziet en eerlijk wil zijn, kan het toch duidelijk wezen, dat het standpunt van onze Kerk, ook geheel afgedacht van hare verhouding tot de Overheid, niet te handhaven is, indien de begrippen van Dr. Kuyper juist zijn. Indien de Herv. Kerk alleen in den zin, waarin hij het opvat, eene valsche Kerk is, dan was er voor het stichten of formeeren van gemeenten naast en tegenover de plaatselijke gemeenten van de Herv. Kerk geen voldoenden grond. De Afscheiding is dan niet slechts ondoordacht en
1
) Ds. H. P. Scholte zeide eens: Bij ons zijn geen gewone soldaten; de minste bij ons is korporaal.
78
voorbarig, maar goed bezien gansch onwettig. Dit zou nog eenigszins te verhelpen zijn, indien wij van onze zijde konden verklaren, dat wij in de Afscheiding eigenlijk bedoelden in Doleantie te gaan, gelijk Dr. Kuyper deze bedoeling aan Ds. de Cock en zijn kerkeraad toeschrijft; en het practisch gevolg zou zijn, dat onze Kerk zoo spoedig mogelijk den schijn van sectarisme (in het oog der Doleerenden) afwierp, en op het standpunt der Doleantie overging. Indien ons bewezen kan worden, dat dit eisch der Schrift en der Belijdenis is, het zij zoo; wij zullen ons buigen en ons zelf verloochenen. Maar op het gezag van een mensch doen wij het niet.
Het is naar onze meening voor onze Kerk een ernstige, maar ook een gelukkige tijd. Het gevaar bestaat, dat bij het tegenwoordig geslacht de beginselen der Afscheiding ietwat beginnen uit te slijten. Gelukkig dat de Doleantie gekomen is; want nu wordt ons volk gedrongen zich rekenschap te geven van het standpunt, dat men ingenomen heeft. Te betreuren is het, dat sommigen zoo oppervlakkig en met zoo weinig ernst er zich afmaken, alsof zij vreezen dat het eigen standpunt tegenover de Doleantie bij ernstig onderzoek niet te handhaven zou zijn. Men vreeze toch niet op de dingen in te gaan. Indien het ons om Gods waarheid te doen is, en niet om eigen meening, zal men zelfs dankbaar zijn, wanneer het onwederlegbaar mocht bewezen worden, dat eigen standpunt niet is in overeenstemming met het Woord Gods.
Met het oog op dit alles zij het ons geoorloofd nog een en ander ter overweging aan te bieden.
1. Wanneer wij de volgende beschouwingen van Dr. Kuyper lezen, en daarbij het begrip Kerk in onzen zin opvatten, zoü men onwillekeurig denken; Wij zijn het geheel eens. »De Nederl. Herv. Kerk (is) een fictiequot; (een verdichtsel, onwaarheid 1). »Onze vaderen zagen daarom zoo juist. Nooit maten zij de valschheid of waarheid eener Kerk af naar de doode Belijdenis, die in de kist lag, maar altoos en alleen naar eene
1
) Heraut N0. 272.
79
Belijdenis, die leefde in de predikatie des Woords, en in de toediening der sacramenten.quot; ') »In de Synodale Kerk ligt de Belijdenis dood in de kist; heel haar organisatie is er mee in strijd; de meest openbare afwijking van elk artikel dezer Belijdenis wordt straffeloos geduld; voorzitter der synode is een man, die met elk mysterie der Christelijke Belijdenis gebroken heeft; kortom, er is geen dwaling denkbaar, die niet vrijelijk op haar erf bloeit. Van tucht geen sprake. De Belijdenis mag voor dood in de kist liggen. Een vin verroeren mag zij niet.quot; 2)
Wanneer ge het begrip Kerk in deze aanhalingen nu opvat in den gewonen zin van zichtbare gemeenschap van leden, dan zoudt ge als man der Afscheiding hier heel uwe opvatting beschreven vinden. Wanneer ge echter deze uitdrukkingen beschouwt in verband met de geheele theorie van Dr. Kuyper, blijkt het spoedig, dat hij het begrip Kerk hier op geheel iets anders toepast dan wij. »Heel iets anders (n. 1. dan de Herv. Kerk, die een fictie is) is de levende Kerke Gods te Amsterdam. Twaalf leeraren prediken het zuiver Evangelie. Bijna alle Kerkeraadsleden onderteekenen de formulieren van eenigheid. De stemgerechtigden verzetten zich zelfs sterker dan in meer dan een gescheidene Kerk tegen het
insluipen van moderne orthodoxie.....Het spreekt wel van
zelf, dat de oudere Kerk (in vergelijking met de Chr. Geref.) te Amsterdam in ons oog niet is de valsche, maar de ware (let wel: de ware) Kerke Gods zij het ook in glans verduisterd. 3) Dat in de eerste aanhalingen het begrip Kerk niet opgevat wordt in den zin van historische, zichtbare gemeenschap van leden, is uit deze laatste beschouwing duidelijk; want dan kan die Herv. Kerk in geen zin meer de ware Kerk zijn. Toch wordt door Dr. Kuyper het begrip valsche Kerk gebruikt in toepassing op de Herv. Kerk. In welken zin? Dit blijkt uit de volgende woorden: »Dat hij (Gravenmeijer) niet voor ware Kerke Gods aanzie, wat niets is dan een mensche-
') Heraut N0. 570.
') Heraut N0. 586.
s) Heraut N0. 272. Tractaat § 36 pag. 88 alin. 2.
80
lijke hoogst gebrekkige, vaak tegen den Heere ingaande organisatie '). Wij zouden deze aanhalingen kunnen vermeerderen om aan te toonen, dat Dr. Kuyper er volstrekt geen bezwaar in heeft om de Herv. Kerk eene valsche Kerk te noemen. Doch vraagt ge dan, wat hij hierbij door het begrip Kerk verstaat; het antwoord is: de organisatie, het geheel van reglementen en besturen, het zoogenaamd reglementair genootschap, afgedacht van de Kerk als geheel, als zichtbare gemeenschap van leden. Het begrip Kerk beteekent hier dus organisatie. Er wordt geen gemeenschap van personen, maar een geheel, een stel van reglementen door aangeduid. Indien hij zeide: De reglementen en besturen vati de Kerk, als zichtbare gemeenschap van leden, zijn valsch, zou het ons duidelijk zijn. Doch op zijn standpunt zou het een minder juiste uitdrukking zijn, die hij eigenlijk niet kan gebruiken. De reglementen en besturen zijn niet van de Kerk, niet van haar uitgegaan, maar van buiten af tot haar gekomen; zij zijn iets op zich zelf, vreemd aan en los van de Kerk als corporatie van leden. Indien zij werkelijk van de Kerk waren, tot haar behoorden, zou de valschheid van de reglementen getuigen van de valschheid der Kerk. Daarom worden in zijne beschouwingen reglementen en besturen onder den naam van organisatie of reglementair genootschap losgemaakt van de Kerk als zichtbaar geheel van leden, en voorgesteld als van buiten af aan de Kerk toegevoegd en er omheen gezet naar het bekende beeld van een net of van een stolp; zoodat in de organisatie zich niets openbaart van de Kerk als geheel van leden; en uit de valschheid van de Kerk als reglementair genootschap nog niets bewezen wordt voor de valschheid van de Kerk als gemeenschap van leden.
Met welk taalkundig of historisch recht Dr. Kuyper die organisatie, zoo abstract gedacht, met den naam van Kerk aanduiden mag, kunnen wij niet begrijpen. Te zeggen, evenals bij de kwestie over het gebruik van het woord Doleantie; Indien dit woord deze beteekenis waarin wij het gebruiken, tot
') Heraut N0. 570. In dezen zin zegt Dr. Kuyper: âDe Herv. Kerk is geen Kerk.quot;
81
heden ook al niet had, dan geven wij het thans deze betee-kenis, is in dit verband onwetenschappelijk. Het begrip Kerk te gebruiken in den zin van organisatie, afgedacht van de Kerk als gemeenschap van leden, is een misbruik van het woord Kerk. Noch in de Schrift, noch in de Belijdenis komt dit woord in die beteekenis voor. Hier beteekent het altijd eene vergadering van personen, hetzij het die vergadering aanduidt als plaatselijke zichtbare Kerk, hetzij de Kerk in het algemeen als eenheid van alle geloovigen op aarde.
Men mag wel spreken van de organisatie van de Kerk, maar men mag die organisatie op zich zelf gedacht, niet Kerk noemen. De organisatie duidt aan de wijze waarop eene Kerk ingericht is, de inrichting van de Kerk. De Kerk is een organisme, een geheel van leden. Die leden staan met elkander in gemeenschap. De wijze nu waarop die leden, en de organen (de ambtdragers) in betrekking tot elkander staan en werken, wordt organisatie genoemd. Eene organisatie, afgedacht van eene Kerk als gemeenschap van leden, bestaat niet, en is ondenkbaar. In die organisatie openbaart zich de Kerk als organisme, als gemeenschap van leden. Zij doet ons zien van welken aard de levensgemeenschap der leden is. De organisatie is de Kerk als zichtbaar organisme. Een organisatie buiten om de Kerk als gemeenschap van leden heen, is geen organisatie van de Kerk. Een net is geen organisatie van de visschen, die er in besloten zijn, evenmin als een stolp eene organisatie is van de bloem, die er onder zit.
Naar de wijze van deze redenering zou men op het standpunt der Doleerenden kunnen beweren, dat onze Kerk nog in veel slechter toestand is dan de Herv. Kerk. Zij heeft immers, naar hunne meening, ook een collegialistisch reglement, en is dus een reglementair genootschap, en als zoodanig eene val-sche Kerk. Daarbij kwam dan nog, in onderscheiding van de Herv. Kerk, voor haar rekening de verzwarende omstandigheid, dat de stemgerechtigden in meer dan eene gescheidene Kerk zich veel minder sterk verzetten tegen het insluipen van moderne orthodoxie dan in de Herv. Kerk. ') Waarbij dan nog
') Heraut N0. 272.
82
iets komt, dat nog veel erger is. De reglementaire organisatie van de Herv. Kerk is niet uit de Kerk zelf voortgekomen, maar, naar hunne bewering, van buiten af, door vreemde macht haar opgedrongen, zoodat zij niet behoort tot de Kerk als zoodanig, en er geen deel van is. Doch bij de gescheidene Kerk is het geheel anders. De reglementaire organisatie heeft zij zich zelf gegeven. Niet tegen eigen zin en wil is zij haar opgedrongen, maar uit eigen beweging, gansch vrijwillig heeft zij zelf dat collegialistisch reglement gemaakt en aanvaard. Het is dus bij ons geene organisatie van buiten om de Kerk heen, maar de organisatie van de Kerk zelf. Onze Kerk zou dan in lageren graad ware Kerk zijn dan de Herv. Kerk, en in hoogeren graad valsch.
Tot zulke zonderlinge gevolgtrekkingen komt men, of moet men wel komen als men het begrip Kerk in anderen zin gebruikt dan in de Schrift en in de Belijdenis. Waaraan men zich in de Afscheiding ook moge hebben schuldig gemaakt, het begrip Kerk heeft men althans opgevat in den schrift-matigen en confessioneelen zin. Door Kerk verstond men altijd eene vergadering van personen. En het begrip valsch, werd op het begrip Kerk, alleen in dien zin, toegepast. De onderscheiding of scheiding van de Kerk als reglementair genootschap of als organisatie op zich zelf gedacht, en de Kerk als plaatselijke of algemeene zichtbare vergadering van leden, kende men niet. Men zag in de onschriftmatige reglementen en besturen niet iets op zich zelf staande, aan de Kerk bijgezet, los van de Kerk, buiten verband met haar levensorganisme, maar men zag daarin reglementen en besturen va7i de Kerk, de organisatie waarin zij als zichtbaar organisme van leden bestond en leefde.
Wel wist men in de Afscheiding, dat de reglementen van buiten kerkelijken oorsprong waren. Doch dat doet hier niet ter zake. Feit is dat al de plaatselijke gemeenten van de Herv. Kerk de reglementen hebben aanvaard, terwijl bij een enkele gemeente slechts een beetje verzet met woorden openbaar werd. Doch ook daar onderwierp men zich en aanvaardde en nam als Kerk in zich op, wat gegeven werd. En nu bleef er onder deze door de Kerken zelf aanvaarde orga-
83
nisatie geen ander zichtbaar organisch verband der leden bestaan. In die organisatie trad zij op als zichtbare Kerk. Indien er in zulk eene Kerk nog een kring van geloovigen was, die een waar en geestelijk organisme vormden op eene plaats, deze kring trad toch niet op in een eigen zichtbare organisatie, en openbaarde zich daar dus niet als Kerk. Had zulk een kring van geloovigen zich geopenbaard in eene zichtbare organisatie overeenkomstig eigen aard, dan zou dit corporatief eene andere Kerk geweest zijn dan die daar bestaande plaatselijke Herv. gemeente.
Al de gemeenten der Herv. Kerk hebben in overeenstemming metquot; de reglementen gesproken en laten spreken, gehandeld en zich laten behandelen tot.op den huidigen dag. Al werd door de reglementen het gezag van Christus in de Kerk ter zijde geschoven, en het gezag van den mensch daarvoor in de plaats gesteld, de plaatselijke gemeenten van de Herv. Kerk vonden daarin geen voldoende reden om zich met ter daad te verzetten. Ja, zoozeer waren die gemeenten reeds verbasterd, dat het over het algemeen niet eens begrepen of gevoeld werd, hoe men kerkelijk het koningschap van Christus verloochende.
Wat het wezen van de zaak betreft, is er voor ons geen verschil of die organisatie van de gemeente zelf is uitgegaan of van buiten tot haar is gekomen; de historie, het feit is onweersprekelijk, dat zij de reglementen en besturen actief heeft erkend en aanvaard. Dit bewijst dat zij reglementen en besturen zijn van de Kerk zelf, met haar organisch vereenzelvigd. Nu mogen er leden zijn, dien de oogen ten leste opengingen, en die voor zich die reglementen en besturen niet kunnen erkennen, de Kerk als zoodanig, de Kerk waarvan zij leden zijn, heeft ze erkend. Wie ze niet erkent, houdt daardoor op te behooren tot de Kerk, die ze wel erkent.
Wij hebben hier dus eigenlijk drie fouten in de beschouwing. De eerste is, dat de organisatie voorgesteld wordt als op zich zelf staande, los van de Kerk als gemeenschap van leden, van buiten om haar heen. De tweede fout is, dat deze organisatie Kerk genoemd wordt. En daaruit volgt als derde, dat de Herv. Kerk slechts als organisatie valsch is, terwijl
84
zij als gemeenschap van leden nog ware Kerk is. Zulke abstracte theorieën klinken wel schoon, maar gaan geheel buiten de feiten en den werkelijken toestand van de Kerk om. Wie deze werkelijkheid onder de oogen ziet, begrijpt toch bij nuchteren en onbevooroordeeld nadenken, dat hetgeen feitelijk bestaat, door zulke afgetrokken redeneering niet anders wordt. De geschiedenis en de feitelijke toestand leeren immers onweersprekelijk, dat de organisatie niet als een net of stolp de Herv. Kerk tegen haar eigen aard belet heeft zich te ontwikkelen, maar dat deze Kerk vrijwillig en gewillig, over het algemeen zelfs met. dankbaarheid de reglementen en besturen heeft aanvaard als de teekening van haar eigen levensorganisme. De Kerk leefde naar haar eigen aard en wezen in overeenstemming met de reglementen en liet zich leiden door de besturen.
Tegenover de Afscheiding, die in de valsche organisatie het bewijs en de openbaring zag van de valschheid der Kerk, heeft men echter altijd beweerd, dat de organisatie onwettig is ingevoerd evenals de Dordtsche kerkenorde onwettig is afgeschaft. ') Alsof men zeggen wilde: Indien de Dordtsche kerkenorde op wettige wijze ware afgeschaft, en indien dit ook geschied ware met de Belijdenis, dan zoudt gij gelijk hebben, en wij zouden uw voorbeeld volgen. Laten wij deze bewering even van naderbij bezien. De valsche organisatie is onwettig ingevoerd. Dit onderstelt de mogelijkheid, dat het wettig zou kunnen geschieden, óf hét zegt niets. Art. 86 der Dordtsche kerkenorde zegt, dat deze wettelijke verordeningen der Kerken veranderd kunnen worden; dat het echter geen bizondere gemeente, classis of prov. Synode zal vrijstaan zulks te doen, maar alleen een generale of nationale Synode.
Aan dezen eisch is voldaan. Geen gemeente, classis, of prov. Synode heeft de kerkenorde veranderd, maar eene algemeene Synode heeft de reglementen voor de I^erk aanvaard. Maar men zal zeggen; Deze Synode was niet overeenkomstig de Dordtsche kerkenorde samengekomen, en dus niet wettig.
') Heraut No. 273. 274. 599.
85
Dit is waar. Maar dat is eigenlijk de zaak niet, waarop hier alles aankomt. De vraag is alleen of de Herv. Kerk als geheel van leden deze vergadering als haar wettige Synode erkend heeft. En dat dit het geval is, blijkt duidelijk uit de aanvaarding en toepassing door de gemeenten van alles wat de Synode besloten heeft. Neem echter eens het geval, dat een volgens de Dordtsche kerkenorde wettig samengekomen Synode de Dordtsche kerkenorde had afgeschaft en de nieuwe organisatie had ingevoerd, zouden onze tegenstanders dan erkennen, dat dit wettig was? Immers neen. Welk wezenlijk onderscheid is er nu in, of een wettig samengekomen Synode de reglementen voor de Dordtsche kerkenorde in de plaats stelt, en daarin door al de gemeenten gevolgd wordt; of dat een onwettig samengekomen Synode dit doet, en door alle gemeenten wordt gehoorzaamd. Het laatste geval getuigt nog sterker tegen de gemeenten dan het eerste, wijl eene onwettige Synode door haar als wettig wordt erkend. Ons dunkt de volgende redeneering is tamelijk juist. De organisatie is naar de maatstaf der Schrift en Belijdenis onwettig en dus valsch, wijl zij een menschelijk gezag erkent in de plaats van het gezag van Christus. De Synode, die deze organisatie heeft ingevoerd, is onwettig en dus valsch, wijl zij aan zich zelf hooger gezag toeschrijft dan aan Christus. De Kerk als vergadering van leden heeft deze Synode als haar hoogste wetgevende macht erkend, en zich overeenkomstig hare wetten georganiseerd. Derhalve heeft zij daardoor duidelijk getoond, dat zij het menschelijk gezag erkent en het gezag van Christus verwerpt, en dat zij dus naar de wet van Christus eene onwettige Kerk is, en dus valsch. In eene ware Kerk is de erkenning en aanvaarding van eene valsche Synode en van valsche reglementen eene onmogelijkheid. Uit die erkenning is gebleken, dat Synode en reglementen in overeenstemming waren met het gezag, dat in de Kerk reeds feitelijk erkend werd. Indien de plaatselijke gemeenten van de Herv. Kerk in 1816 kruiskerken geworden waren, zouden zij een bewijs gegeven hebben, dat zij nog ware Kerken waren.
Men kan deze redeneering van de Hervormde tegenstanders der Afscheiding op dezelfde wijze toepassen op de
86
Roomsche Kerk. De Roomsche hierarchie is valsch. Die hiërarchie is echter onwettig ingevoerd. Derhalve is de Roomsche Kerk niet valsch, maar waar. 't Is trouwens opmerkelijk, dat men alle bewijzen, die ons overtuigen moeten van de waarheid der Herv. Kerk, overnemen kan om te bewijzen dat de Roomsche Kerk nog een ware Kerk is.
Naar onze meening is de Herv. Kerk als organisatie, afgedacht van de Kerk als zichtbare gemeenschap van leden, eene fictie, d. i. eene Kerk die alleen denkbeeldig voor Dr. Küy-per en zijne volgelingen bestaat. Wij kennen zulk een Herv. Kerk niet. Evenzoo meenen wij, dat de ware Herv. Kerk in den zin van zichtbaar organisme van leden eene fictie is, wijl zij gedacht wordt los van en zonder de organisatie of het reglementair genootschap. Zulk een Herv. Kerk bestaat er niet.
2. In het vorige zagen wij, dat in het stelsel der Doleantie het begrip valsche Kerk gebruikt wordt in toepassing op de organisatie, afgedacht van de Kerk als zichtbare gemeenschap van leden. Doch dit begrip komt ook nog in een andere beteekenis voor. De Kerk als instituut kan ook valsch zijn. 1) Als instituut is de Kerk de inrichting tot den dienst des Woords. 2) »Geïnstitueerd wordt eene Kerk als er ambten in haar midden optreden; als die ambten een bestuur vormen; en als door dit bestuur een officieele belijdenis wordt gepubliceerd en een kerkenorde vastgesteld enz.quot; 3) De Kerk als instituut moet, naar de opvatting van Dr. Kuyper wel onderscheiden worden van de Kerk als organisatie of reglementair genootschap. Immers de Herv. Kerk als organisatie is eene valsche Kerk, maar de Herv. Kerk als instituut is nog de ware, slechts gedeformeerd en in glans verduisterd. Van de Herv. Kerk als organisatie scheidt men zich af door het juk van reglementen af te werpen en de besturen af te snijden,
1
') Heraut N0- 532. â Stahl. Die kirchenverfassung, 2 Ausg. 1862. Seite 53 â 94. De onderscheiding van gemeente en Kerk als organisme en instituut, werd door hem reeds in 1840 op den voorgrond geplaatst. Bij Dr. Kuyper vinden wij op dit punt veel, dat ons aan de beschouwingen van Stahl herinnert.
2
| Heraut N0- 572 â 576. Over Zondag XXI van den Catech.
3
) Heraut No. 532.
87
maar de Kerk als instituut wordt gereformeerd. Indien de Herv. Kerk als instituut, als valsche Kerk moest beschouwd worden, zou op het standpunt van Dr. Kuyper daaruit volgen, dat de ambten, de besturen, b. v. de kerkeraad en ook de officieele belijdenis valsch was, kortom, dat de inrichting tot den dienst des Woords valsch was; en daaruit zou volgen dat men den kerkeraden niet kon verzoeken om de reformatie ter hand te nemen, en men zou eene andere belijdenis in de plaats moeten stellen van de bestaande. Duidelijk is dus dat de Kerk als instituut niet wordt beschouwd als valsche Kerk, en dus is zij iets anders dan de Kerk als valsch reglementair genootschap.
Anderzijds wordt ook nog scherp onderscheiden tusschen de Kerk als instituut, d. i. als inrichting tot den dienst des Woords, en de Kerk als zichtbare gemeenschap van leden. Dit blijkt duidelijk uit de bewering, dat de Kerk als instituut valsch kan zijn, terwijl zij als zichtbare gemeenschap van leden nog ware Kerk is. De inrichting tot den dienst des Woords denkt Dr. Kuyper hier weer als iets, dat in de Kerk op zich zelf staat, buiten organisch verband met de Kerk als gemeenschap van leden, zoodat de laatste zich niet in de eerste openbaart. Het instituut toont u niet hoedanig het organisme is. Het instituut behoort niet tot de zichtbare zijde van de Kerk als gemeenschap van leden. Neen, het instituut is de zichtbare Kerk zelf, zoodat Dr. Kuyper bij het begrip zichtbare Kerk niet denkt aan het zichtbaar geheel van leden, maar aan de inrichting van den dienst des Woords. 1) Wanneer gij dus spreekt over zichtbare Kerk, denkt gij daarbij niet aan personen, aan het geheel van leden, maar aan bedieningen in de Kerk, afgedacht van het geheel van leden. En het geheel van deze bedieningen in de Kerk met alles wat daarbij behoort, behalve de leden, wordt instituut genoemd, en daarop wordt het begrip Kerk toegepast.
1
) Heraut N°. 572: âMeer is de zichtbare Kerk niet. Zij is eenvoudig een instituut voor den dienst des Woords .... âNeem den dienst des Woords weg, en er is geen zichtbare Kerk meer; het instituut vervalt.quot; Zie ook N0. 573 : âZoo zagen wij, dat de zichtbare Kerk niets is dan een instituut tot den dienst des Woords.quot;
88
Nu trachtte Dr. Kuyper nog wel aan te toonen, dat de Kerk zichtbaar is, ook afgedacht van het instituut tot den dienst des Woords, doch dit geldt alleen maar van eene Kerk in hare wording. 1) In eene bestaande Kerk, in eene Kerk, die tot formatie gekomen is, blijft toch niets zichtbaars over, dat niet door het begrip instituut, naar zijne opvatting, aangeduid wordt. Het begrip instituaire Kerk wordt dus vereenzelvigd met het begrip zichtbare Kerk.
Ook deze zonderlinge beschouwing moeten wij zeker weer verklaren uit de kerkelijke positie van Dr. Kuyper. In het Herv. Kerkgenootschap zijn vele gemeenten waar de bediening des Woords valsch is. Indien nu die valsche bediening des Woords de zichtbare zijde was van zulk eene plaatselijke Kerk als geheel van leden; wanneer de Kerk als zoodanig daarin toonde wat zij als organisme was, dan werd het zoo moeilijk om zulke Kerken nog als ware Kerken te handhaven. En dat moest toch, wanneer er nog enkele belijders in zijn, wijl dezen zich anders zouden moeten afscheiden. Doch nu is men aan dat gevaar ontkomen. De zichtbare Kerk is niet de zichtbare gemeenschap van leden, maar het instituut, de inrichting tot den dienst des Woords. Al is er nu in die zichtbare Kerk veel dat valsch is, ja al is zij door en door valsch, die plaatselijke Kerk als geheel van leden blijft daarom nog wel een zuiver ware Kerk. Want het valsche zit niet in de Kerk als gemeenschap van leden, maar alleen in het instituut, en dit instituut is iets op zich zelf staande, zonder organisch verband met het geheel van leden. Het instituut d. i. de zichtbare Kerk kan immers valsch zijn, terwijl de Kerk als geheel van leden nog ware Kerk is. Al is de predikant, en al zijn al de Kerkeraadsleden van eene Herv. gemeente modern, en al is heel hunne bediening in strijd met de Schrift, de enkele ge-loovigen in zulk eene gemeente mogen zich daarom nooit ofte nooit afscheiden van die gemeente als geheel van leden, want al dat valsche zit niet in de gemeente als geheel van leden.
') Heraut N0. 575; âIn de belijdenis van twee of drie wordt he' lichaam van Christus openbaar of zichtbaar.quot; â Doch dit zichtbaar zijn behoort volgens Dr. Kuyper niet tot het begrip âzichtbare Kerk.quot;
89
maar alleen in het instituut. Nam men aan, dat dit valsche een bestanddeel was van de gemeente als geheel van leden, dan zou men het uit de gemeente moeten wegdoen; en in de Doleantie zou men zich van alle ongeloovige leden afscheiden, en hen niet als leden van de Doleerende Kerk erkennen. In de plaatselijke Kerk als gemeenschap van leden vindt men niets dat valsch is. Alle leden worden als wettige leden erkend. Er zijn geen valsche leden in. Anders moest men tot afscheiding komen van zulke leden. En dan kon men de bestaande Herv. Kerk niet blijven. Want die valsche leden, van wie men zich afscheidde, zouden als de Herv. gemeente erkend worden; en dan kon de Doleerende Kerk geen aanspraak maken op de kerkelijke goederen. Zij werd dan eene andere Kerk naast de plaatselijke Herv. Kerk.
Doch hoe verklaarbaar ook op het standpunt van Dr. Kuyper, toch meenen we, dat het begrip Kerk als instituut door hem geheel verkeerd gebruikt wordt. Ook wij onderscheiden tusschen de Kerk als instituut en de Kerk als organisme, doch niet zóó, dat de Kerk als instituut valsch kan zijn, terwijl de Kerk als organisme nog waar is. Wij denken hier niet aan twee Kerken, zooals Dr. Kuyper, waarvan de eene onafhankelijk bestaat van de andere. Bij de onderscheiding van de Kerk als instituut en de Kerk als organisme, vatten wij het begrip Kerk in dezelfde beteekenis op, n. 1. als gemeenschap of vergadering van geloovigen. Dit doet Dr. Kuyper niet. Bij het begrip instituaire Kerk beteekent het begrip Kerk de inrichting tot den dienst des Woords, afgedacht en los van de gemeenschap, het geheel van leden. Bij het begrip organische Kerk beteekent het begrip Kerk de gemeenschap van leden, afgedacht van de inrichting tot den dienst des Woords. Zooals reglementaire Kerk beteekent het geheel van reglementen, afgetrokken en op zich zelf gedacht; zoo beteekent instituaire Kerk het geheel van ambtelijke bedieningen, afgedacht van de personen als leden.
Het begrip Kerk kan echter nooit iets anders beteekenen dan eene gemeenschap van leden. ^ Bij de onderscheiding van
1) Behalve in den zin van Kerkgebouw.
90
instituut en organisme moet het begrip Kerk dit beide malen beteekenen. Dezelfde Kerk als gemeenschap van leden is organisme en instituut te gelijk. Deze beide begrippen duiden niet aan twee onderscheiden kringen van leden, evenmin twee op zich zelf staande bestanddeelen in de Kerk, maar één en dezelfde Kerk, als geheel van leden, maar uit tweeërlei oogpunt beschouwd. Organisme duidt de Kerk als gemeenschap van leden aan met het oog op de verhouding en het innerlijk levensverband, waarin de leden tot elkander staan. Instituut beteekent dezelfde Kerk als gemeenschap van leden, maar met het oog op haar taak in de wereld.
Deze onderscheiding is bij ons dus een andere dan die van onzichtbare en zichtbare Kerk. Bij Dr. Kuyper niet. Hij vereenzelvigt het begrip instituaire Kerk met dat van zichtbare Kerk, wanneer hij de beide begrippen gebruikt in toe-passijig op eene bestaande Kerk. Hieruit volgt, dat hij ook noodwendig komen moet tot vereenzelving van de begrippen onzichtbare Kerk en de Kerk als organisme. Het zijn dan twee onderscheiden namen voor dezelfde zaak.
Naar onze opvatting is er echter verschil. Het punt van onderscheiding is bij de begrippen zichtbare en onzichtbare Kerk een ander dan bij die van instituut en organisme. Bij de eerste onderscheiding wordt de Kerk beschouwd uit het oogpunt van waarneembaarheid; bij de tweede uit het oogpunt van werkzaamheid. De onderscheiding van instituut en organisme is eene onderscheiding in de zichtbare Kerk. Bij het begrip organisme denken wij aan de zichtbare zijde der Kerk, evenals bij het begrip instituut. Eene bestaande Kerk is het eene, omdat zij het andere is. De zichtbare Kerk is tegelijk gemeenschap der geloovigen en moeder der geloovigen
Wij verzetten ons met allen ernst tegen deze onjuiste opvatting van de onderscheiding van instituut en organisme, wijl zij ligt op de lijn der Ethischen. Deze richting vereenzelvigt deze onderscheiding met die van gemeente en Kerk, evenals met die van zichtbare en onzichtbare Kerk. De ge-meenie is de onzichtbare Kerk, het organisme van ware geloovigen. De Kerk is de uitwendige, zichtbare inrichting tot den dienst des Woords, het instituut. De gemeente als geeste-
91
lijke gemeenschap van geloovigen gedacht, is dan eene schepping Gods; en deze geeft zich zelf eene inrichting, een instituut om ook op anderen te werken. Allen die onder die bewerking komen, d. i. onder de bediening der genademiddelen, vormen dan de Kerk, d. i. de instituaire Kerk. Hiertoe behooren dus alle gedoopten. Tot de gemeente (Ethischen) of het organisme of organische Kerk (Dr. Kuyper) behooren alle levende lidmaten Christi. Het wezen van de instituaire Kerk is dan de gemeenschap aan de genademiddelen; en het wezen der organische Kerk is het persoonlijk geloof. Alle valschheid die er nu in eene plaatselijke afdeeling van de Herv. Kerk is, heeft alleen betrekking op de Kerk (het instituut), niet op de gemeente (het organisme).
Wat de opvatting van de begrippen betreft, gaat Dr. Kuyper hier met de Ethischen mede. Wat echter het ontstaan van het instituut betreft, wijkt hij van hen af. Evenmin als wij, gelooft hij, dat de Kerk als instituut eene stichting is van de gemeente, en dus eene menschelijke inrichting, zoodat de bediening des Woords zou geschieden in naam en op gezag van de gemeente; het sacrament slechts belijdenis, een daad van ons is; de ambten organen van de gemeente zijn. Hij erkent met ons, dat dit alles instelling, stichting van Christus is, en dat de Kerk als instituut niet in naam en op gezag van de gemeente, maar in naam en op gezag van Christus werkt.
Wat het overige betreft, wijkt hij op dit punt van ons af in Ethische richting. Evenals hij feitelijk de eenheid van onzichtbare en zichtbare Kerk prijsgeeft, laat hij ook de eenheid van organische en instituaire Kerk los. Volgens zijne opvatting is de onzichtbare Kerk een andere kring van leden dan de zichtbare Kerk. Zoo wijst ook het begrip Kerk bij organische Kerk iets anders aan dan bij instituaire Kerk. Anders kon immers eene Kerk als instituut niet valsch zijn zonder ook als organisme valsch te zijn. Was het één en dezelfde Kerk, dan zou het ééne valsch zijn omdat het andere valsch was.
Hoe moeten wij ons nu de verhouding denken van de organische en de instituaire Kerk, volgens de opvatting van
92
Dr. Kuyper? Hoewel hij het begrip instituaire Kerk nog al breed heeft ontwikkeld, hebben wij op deze vraag geen recht-streeksch en belijnd antwoord kunnen vinden. Wij meenen echter voldoende gegevens te hebben, dat hij het zich soms op de volgende wijze voorstelt. Het begrip Kerk duidt drieërlei kring aan. De eerste kring van leden is die van de uitverkorenen; dit is de onzichtbare Kerk. De tweede kring is die van de belijdende geloovigen; dit is de Kerk als organisme. De derde kring is die van alle gedoopten, dit is de Kerk als instituut. Al zegt men nu ook, dat de breedere kring telkens den engere omvat, de eenheid zooals die in de omschrijving: vergadering van geloovigen, gehandhaafd wordt, is hiermede voor goed los gelaten. Bovendien volgt uit deze voorstelling, dat het begrip organisme niet op de gedoopten, die nog geen belijdenis deden, van toepassing is. Zij behooren niet tot de Kerk als organisme. Zij zijn dus nog geen leden van het zichtbare lichaam Christi, van de vergadering der geloovigen, en staan daarmede nog niet in geestelijke gemeenschap. Immers indien dit zoo ware, dan behooren zij tot het organisme.
Anderzijds worden door het begrip instituut (alle gedoopten), weer velen aangeduid, die openbare ongeloovigen zijn, die dus onmogelijk tot de Kerk als organisme kunnen behooren. Indien men organisme en instituut nu op ée'n en denzelfden kring van leden toepaste, zooals wij, dan zouden de Doleerenden hebben moeten beginnen met al die ongeloovigen in eene Herv. gemeente niet als leden van de Kerk te beschouwen. Doch dit zou op de lijn der afscheiding gevoerd hebben. Door nu het begrip instituut op alle gedoopten toe te passen, kon men het geheel der Herv. gemeente omvatten.
Hier liggen echter twee vragen voor de hand. De eerste is: Op welken grond der H. Schrift mag men alle gedoopten, dus ook de ongeloovigen, die gedoopt zijn, tot het instituut, d. i. tot de zichtbare Kerk rekenen te behooren? De tweede is: Op welken grond duidt men doof instituut aan alleen de gedoopten in de Herv. Kerk, en niet in de Roomsche en andere Kerken? Men erkent die immers ook als gedoopten. Wij hebben bij Dr. Kuyper op deze vragen geen antwoord kunnen vinden.
93
Wij hebben soms echter den indruk ontvangen, dat Dr. Kuyper de onderscheiding van de Kerk als organisme en instituut zich niet voorstelt als twee kringen, waarvan de engere in den breedere ingeschoven zit. De Kerk als instituut kan immers valsch zijn, terwijl de Kerk als organisme nog ware Kerk is. Denk u ergens eene gemeente in de Herv. Kerk, waar het Evangelie van Christus niet meer verkondigd wordt, en de doop niet meer bediend wordt naar de instelling van Christus ; waar alle ambtdragers het gezag van Christus verwerpen, en de belijdenis hebben afgeschaft; dan zou zulk eene gemeente instituair eene valsche Kerk zijn. Doch indien er een kring van geloovigen in zulk eene gemeente was, zou zij als organisme van leden in haar geheel nog eene ware Kerk zijn, waarvan men zich niet afscheiden mocht. Dan worden dus ook alle ongeloovigen weer gerekend te behooren tot den ' engeren kring, tot het geheel, het organisme van leden.
Indien dit laatste niet de bedoeling is, dan zouden alle openbare ongeloovigen niet erkend kunnen worden als leden van de corporatieve Kerk als geheel van leden, wanneer de Kerk als instituut valsch wa:s. Dan verviel alles wat tot den breedsten kring, tot het instituut behoorde.
Het komt ons echter voor, dat het begrip instituaire Kerk, evenals dat van reglementaire Kerk, bij Dr. Kuyper over 't algemeen opgevat moet worden in abstracten zin, d. i. afgedacht van de personen als leden van de Kerk, en dat het dus alleen zaken en handelingen aanduidt. In § 14 van het Tractaat wordt toch beweerd, dat eene Kerk, die in al hare instellingen verdorven is, als geheel en gemeenschap van leden nog geen valsche Kerk is, zoolang er onder de kinderen nog uitverkorenen zijn. In al hare instellingen is zij verdorven, dus als instituut is zij eene valsche Kerk. Al ware ook de doop aan velen valsch bediend, toch zouden deze gedoopten tot dat organisme, als ware Kerk, behooren, wijl men immers niet door den doop lid der Kerk wordt, maar door of met de geboorte in de Kerk. De valsch bediende doop behoort dan tot de valsche instituaire Kerk, maar de valsch gedoopte behoort tot de organische Kerk; hij behoort als lid tot de gemeenschap, het geheel van leden.
94
Zoo is het ook met de moderne predikanten en besturen in de Herv. gemeenten. Hun tegen de Schrift ingaande prediking cn bestuurshandelingen behooren tot de deformatie van de plaatselijke Herv. Kerk als instituut, maar zij zelf zijn ledeti van die plaatselijke Kerk als organisme. Hun prediking en bestuur moet worden verworpen, maar zij zelf als leden der Kerk moeten worden erkend. Het is dus duidelijk, dat Dr. Kuy-per door het begrip instituaire Kerk niets anders verstaat, en op zijn standpunt ook niets anders verstaan kan, dan zaken en handelingen op zich zelf, afgedacht van de personen als leden van de Kerk.
Rekenend met de Schrift, de Belijdenis en de werkelijkheid, is het ons niet mogelijk om de Kerk als instituut ons voor te stellen los en afgedacht van de Kerk als organisme, zoodat de Kerk in den eersten zin valsch zou kunnen zijn, terwijl zij in den tweeden zin nog waar is. Het is bij ons e'e'n en dezelfde Kerk, slechts uit tweeërlei oogpunt beschouwd. De zichtbare plaatselijke Kerk, die als instituut valsch is, is bij ons als organisme ook valsch. Het instituut, d. i. de bediening des Woords in eene Kerk, toont ons wat die Kerk als organisme, als geheel van leden is.
Niet alsof de Kerk als instituut tot den dienst des Woords in Ethischen zin in de Kerk als organisme haar oorsprong heeft. In beide opzichten is de Kerk stichting van God. De Kerk als gemeenschap van leden, en de Kerk als inrichting tot den dienst des Woords staan echter niet los naast elkander, en zijn geen twee dingen in elkander ingeschoven. Niet de dienst of bediening des Woords als instelling op zich zelf gedacht is instituut, maar de Kerk, het geheel van 'eden, dat de dienst des Woords oefent, is instituut. Het is dus niet iets in of iets van de Kerk als geheel van leden, maar het is dit geheel van leden zelf. Dezelfde Kerk als geheel van leden, die organisme is, is ook tegelijk instituut.
De ambtdragers zijn geene organen van Christus buiten de Kerk als gemeenschap van leden om, maar door de Kerk zijn zij organen van Christus, niet door de ambtdragers in de Kerk (het instituut), maar door de Kerk als gemeenschap van leden. De uitdrukking in het Bevestigingsformulier van Predikanten,
95
Ouderlingen en Diakenen: »Dat gij van de gemeente en mitsdien van God geroepen zijt,quot; wijst dit ook duidelijk aan. De Kerk als gemeenschap van leden kiest als orgaan van Christus den dienaar tot het ambt, en is als zoodanig in haar geheel ook verantwoordelijk voor zijne bediening. Indien eene Kerk een ongeloovige kiest tot de bediening van het ambt van leeraar, ouderling of diaken, en dus zijne valsche bediening erkent, is dat dan geen afdoend bewijs, dat zulk eene Kerk het gezag van Christus verworpen heeft, en dus valsch is? Als geheel van leden wil zij niet meer Christus dienen en gehoorzamen, maar plaatst zich tegenover Hem.
Zoo vat ook onze Belijdenis het op. De kenteekenen van de ware en valsche Kerk in Art. 29 zijn geen kenteekenen van de Kerk als instituut, afgedacht van de Kerk als organisme. De Belijdenis wil ons niet aanwijzen wanneer de dienst des Woords m eene Kerk valsch is, maar in de valschheid van den dienst des Woords ziet zij het bewijs dat de Kerk als zichtbare gemeenschap van leden eene valsche Kerk is. Dan is zij valsch als organisme en als instituut tegelijk; het eerste om het laatste. Zoo heeft ook de Afscheiding het opgevat.
3. Dr. Kuyper gebruikt het begrip valsche Kerk echter nog in eene derde beteekenis, n.1. in toepassing op eene Kerk als corporatie van personen, als geheel van leden v). Zoolang in eene zichtbare plaatselijke Kerk nog levende leden zijn, of als er nog uitverkorenen in voorkomen zullen, kan er geen sprake van zijn, dat zulk eene Kerk als organisme of corporatie van leden valsch is. In dezen zin wordt eene Kerk eerst valsch als er geen levend lidmaat Christi meer in is of in voorkomen zal. 1)
Ook hier moeten wij weer wijzen op eene onjuistheid in de redeneering, waardoor verwarring in de beschouwing ontstaat. Wie eerlijk en logisch redeneert over ware en valsche Kerk, gebruikt in beide uitdrukkingen het begrip Kerk altijd in
1
) Ibidem § 14 pa^g. 31, 32. § 49 pag. 112.
96
denzelfden zin. Door Kerk verstaan wij dan eene plaatselijke zichtbare vergadering van personen. Blijkens de aangewezene plaatsen in het Tractaat doet Dr. Kuyper dit niet. Boven hebben wij reeds gezien, dat hij door het begrip Kerk in de uitdrukking »valsche Kerkquot; heel iets anders verstaat. Doch eindelijk gebruikt hij in het derde geval van valsche Kerk het begrip Kerk in bedoelden zin. Dan duidt het een zichtbaar geheel van personen, van leden aan. Doch bij het begrip ware Kerk wordt, in toepassing op de plaatselijke afdeelingen van de Herv. Kerk, niet gerekend met en geoordeeld naar het zichtbaar geheel van leden, maar alleen naar iets in die Kerk. Niet wordt gevraagd of die zichtbare Kerk, dat historisch zichtbaar geheel van leden nog ware Kerk is, maar of in die Kerk ook nog enkele geloovigen zijn. En zoolang er nog twee of drie geloovigen in zijn, is die Kerk als zichtbaar organisme van leden nog eene ware Kerk, al is zij naar haar organisatie en instituut ook valsche Kerk.
In de redeneering over de schijnkerk wordt dezelfde beschouwing gegeven. In de schijnkerk is alle leven verdwenen; er is geen enkel persoon meer, die belijdt. Daaruit volgt al wederom, dat eene plaatselijke afdeeling van de Herv. Kerk, als zichtbaar geheel van leden, nog geene schijnkerk, en dus veel minder eene valsche Kerk is, zoolang niet alle leven er uit verdwenen is, en zoolang er nog enkele personen in zijn, die belijden. Het ware van de Kerk wordt hier dus niet gezocht in het geheel van leden, maar in enkele personen uit dat geheel. Het begrip ware bij Kerk ziet slechts op enkele personen in de Kerk, en het begrip Kerk ziet op heel de zichtbare plaatselijke vergadering van leden. Hoe kunnen deze begrippen nu samengevoegd worden ? Goed bezien kan in de uitdrukking: »ware Kerkquot; met het begrip »Kerkquot; alleen de enkele geloovigen in die plaatselijke afdeeling van de Herv. Kerk aangeduid worden. En toch wordt heel die Kerk ware Kerk genoemd. Zie, dat is, naar ons voorkomt, eene gansch onlogische redeneering. Wij staan voor een plaatselijke gemeente van de Herv. Kerk, en vragen: Is die gemeente als historisch zichtbaar geheel van leden waar of valsch? De vraag is niet, of er in die Kerk nog iets waars
97
is; of er nog leden van het lichaam Christi in zijn; maar is die Kerk als Kerk waar of niet; is die Kerk als zichtbaar organisme van leden naar objectieven maatstaf eene vergadering van geloovigen of niet; is zij als Kerk in hare levensopenbaring geloovig of ongeloovig; daarop en daarop-alleen komt het aan. Wat enkele geloovigen tn die Kerk persoonlijk, op zich zelf zijn en doen, bewijst niets voor de Kerk als zoodanig.
Hoe er echter bij deze theorie nog Afscheiding van eene Kerk als organisme van leden mogelijk is, verklaren wij niet te begrijpen. Voorwaarde om zich op wettige wijze af te scheiden is, dat men meer dan overtuigd zij, dat de Kerk die men verlaten wil als zichtbaar organisme van leden valsch is. ') Omdat eene Kerk als organisatie of ook als instituut valsch is, mag men zich van die Kerk als zichtbaar geheel van leden niet afscheiden, en buiten haar eene andere Kerk formeeren. De Kerk moet in dat geval gaan doleeren. Voor afscheiding blijft dus alleen over het geval, dat de Kerk als organisme van leden valsch is. Doch de Kerk als organisme van leden is dan alleen valsch, wanneer er geen geloovige meer in is. Wie moet zich dan afscheiden?
Dr. Kuyper beweert, dat het wezen der Kerk er nog is, zoolang er nog levende leden in eene verdorven Kerk zijn. Men lette er wel op, dat hier niet bedoeld wordt of ergens in eene stad of dorp nog eene Kerk naar haar wezen aanwezig is, want dan zou men de zaak beoordeelen, afgedacht van de daar bestaande plaatselijke gemeente van de Herv. Kerk. Bedoeld wordt, dat die daar aanwezig zijnde geloovigen in de Herv. Kerk het wezen zijn van die plaatselijke Herv. Kerk als geheel van leden. En die Kerk, waarin de levende leden nog zijn, kan geen valsche Kerk zijn, want het wezen is er nog in.
Op deze wijze wordt echter de kwestie geheel verkeerd gesteld. De vraag is niet of ergens nog het wezen van eene Kerk is, maar of die plaatselijke zichtbare Herv. Kerk als geheel van leden nog 'is de ware zichtbare Kerk op die plaats. Denk u
') Tractaat. § 58. pag. 159 v.v.
98
eene Kerk van 500 leden; en in die Kerk leven nog 25 ge-loovigen, terwijl de andere volwassene leden in leer en leven openbare ongeloovigen zijn. Hoe kan men dan bewijzen, dat die 25 geloovigen het wezen zijn van dat geheel, dat lichaam van 500 leden? Bestaat er dan organisch levensverband in kerkelijken zin tusschen die 25 geloovigen en die menigte van ongeloovigen ? Zou die plaatselijke Herv. gemeente als zoodanig ophouden te bestaan, indien die 25 geloovigen er uitgingen? Immers neen. En dat moest dan toch het gevolg zijn, indien die geloovigen er uitgingen. Indien men het wezen van een ding wegneemt, houdt het ding zelf immers op te bestaan. Die 25 geloovigen zijn dus niet het wezen van die plaatselijke Herv. Kerk, maar zijn een gansch vreemd bestanddeel in die Kerk. Zij staan er los in. Zij behooren er niet toe, en daarom moeten zij er uit volgens den eisch des Heeren,
Men gaat echter nog verder dan in het beschreven geval. Niet slechts als er in eene plaatselijke gemeente nog geloovigen zijn, is zij als organisme van leden nog eene ware Kerk, maar ook als in zulk eene Kerk alle volwassene uitverkorenen gestorven zijn; indien er slechts onder de kleine kinderen uitverkorenen zijn, of nog geboren zullen worden, dan is in die Kerk nog het wezen, en zij is dus als geheel van leden niet valsch. 1)
Op deze wijze kan men beweren, dat de wereld, die in het booze ligt, waarvan satan de overste is, dat het rijk der duisternis niet valsch is, wijl in dat rijk uitverkorenen zijn en voorkomen zullen. Wij worden immers getrokken uit de macht der duisternis en overgezet in het koninkrijk van den Zoon zijner liefde. 2) De uitverkorenen waren dus tot op dat oogen-blik in het rijk der duisternis; zij waren daarin onderdanen. Christus zon dan geen nieuw, geen ander rijk tegenover satans rijk gesticht moeten hebben; maar satans rijk had Hij moeten reformeeren; want het wezen van zijn rijk was er nog, wijl er uitverkorenen waren. Zulk een theorie moet in de
') Tractaat § 14 pag. 32, alin. 1. quot;) Col. 1 : 13. Joh. 17 : 6. v. v.
â 99
praktijk uitloopen op vereenzelviging van Kerk en wereld.
Doch afgedacht hiervan, komt het ons voor, dat Dr. Kuy-per een zeer gevaarlijke theorie heeft verkondigd, die in de toekomst allertreurigste gevolgen kan hebben. De waarheid van eene Kerk wordt immers afhankelijk gemaakt van het aanwezig zijn van enkele ware leden in die Kerk. Daarmede wordt in enkele leden de maatstaf gegeven ter beoordeeling van de Kerk als geheel. Indien enkele leden in eene Kerk de maatstaf moeten zijn, waarnaar de Kerk als zichtbaar geheel van leden moet beoordeeld worden, kan een ander met dezen maatstaf juist het tegenovergestelde bewijzen als Dr. Kuy-per. Men kan dan zeggen: Omdat er in eene plaatselijke zichtbare Kerk enkele valsche leden zijn, is het wezen van de valsche Kerk er, en dus is die Kerk eene valsche. Zoo kan men bewijzen, dat eene valsche Kerk een ware is, en dat een ware Kerk een valsche is. Zoo wordt de Labaditische willekeur weer gekweekt; en voor het Labadisme, dat men de voordeur heeft uitgedreven, wordt de achterdeur wijd open gezet.
Met een enkel woord moeten wij hier nog even wijzen op de onderscheiding, die Dr. Kuyper maakt tusschen schijn-kerk en valsche Kerk. 1) Een schijnkerk is zulk eene, die in geen enkel opzicht Kerk meer is, maar toch nog den schijn van Kerk te zijn behouden heeft. Wat wordt bedoeld met »Kerkquot; in de uitdrukking: »de schijn van Kerk te zijn?quot; Wil dit zeggen: de schijn van ware Kerk te zijn ?quot; Dat kan niet, want »aan deze schijnkerk is niet meer te deformeeren,quot; omdat zij absoluut gedeformeerd is. 2) En wijl nu deformatie van het ware zich niet denken laat zonder een valsche contraformatie, is deze schijnkerk met absolute deformatie dus een valsche formatie geworden. Zelfs de schijn van Kerk, d. i. van ware Kerk te zijn, is verdwenen. Schijn van valsche Kerk te zijn kan deze uitdrukking ook niet beteekenen, want zij heeft niet slechts den schijn van valsche Kerk, maar zij is het.
') Tractaat § 49, 50.
^ Hoe Dr. Kuyper zulke Kerken in Indië, N.-Holland en Groningen vinden kan, begrijpen wij niet, wijl de doop in die Kerken door hem nog erkend wordt als iets waarin de Kerk zichtbaar wordt. Hoe kan dan zulk eene Kerk absoluut gedeformeerd zijn?
100
Naar het gebruik van het woord schijnchristen, zou men schijn-kerk kunnen noemen eene Kerk, die in Belijdenis als ware Kerk zich openbaart, maar innerlijk het leven en het wezen der ware Kerk geheel mist; b. v. eene Kerk, waarin de doode orthodoxie zich geheel had belichaamd.
Waarom dan zulk een gezochte onderscheiding gemaakt? Naar ons voorkomt, om het begrip valsche Kerk zoover en zooveel mogelijk op den achtergrond te schuiven, en ontoepasbaar te maken in den tegenwoordigen tijd. De heele redeneering over de valsche Kerk in corporatieven of organischen zin komt toch hierop neer: Er is eigenlijk nog geene valsche Kerk. De valsche Kerk, in onze belijdenis beschreven, is eene satanische contraformatie van Christus' Kerk; en die valsche Kerk toeft nog. Er zijn wel vervalschte, d. i. gedeformeerde Kerken, maar de valsche Kerk, die in de Belijdenis beschreven wordt, ligt nog in de toekomst. Zoo wordt Art. 27â29 van de Belijdenis op nonactiviteit gesteld. Gij moet dus nog wat wachten voor dat gij uw Belijdenis in zake de ware en valsche Kerk kunt en moogt gebruiken als maatstaf om te beoordeelen of eene Kerk waar of valsch is. Onze vaderen kwamen dus niet te laat toen zij in 1618 en '19 reeds den toetssteen in de hand namen ter beoordeeling van eene Kerk, die in 1890 nog toeft!
Dr. Kuyper vat het begrip «valsche Kerkquot; hier op in den zin van absoluut valsche Kerk, d. i. eene Kerk, waarin niets waars meer is; waarin geen geloovigen meer zijn, en waarin niet het minste bestanddeel waarheid meer is. Hoe weet Dr. Kuyper dat er zulk eene absoluut valsche Kerk komen zal? Wij meenden altijd, dat het absoluut valsche even als het absuluut ware eerst na den oordeelsdag, den dag der schifting, komen zal. Indien Dr. Kuyper op dit punt consequent wil zijn, zal hij ook moeten beweren, dat de ware Kerk, in de Belijdenis beschreven, nog toeft, wijl een absoluut ware Kerk, waarin niet de minste onwaarheid is, nog nooit heeft bestaan.
Volgens zijne beschouwing hebben onze vaderen in de Roomsche Kerken geene valsche, maar slechts vervalschte d. i. gedeformeerde Kerken gezien; en toen zij Art. quot;29 van de
101
Belijdenis formuleerden, dachten zij niet aan eene toen bestaande Kerk, maar aan eene Kerk, die nog toeft. Wij kunnen dan niet begrijpen, waarom zij de Roomsche Kerk verlieten, en tegenover haar eene andere Kerk formeerden. Er zijn toch zoo. vele plaatsen, waar de Roomsche Kerk bleef voortbestaan zooals die vóór de reformatie bestond. Daar is de Roomsche Kerk dus niet Gereformeerde Kerk geworden, maar er is eene andere Kerk naast en tegenover haar geformeerd.
Trots al deze beweringen zullen wij in een volgend hoofdstuk het Art. onzer Belijdenis over de ware en valsche Kerk in toepassing op eene bestaande Kerk bespreken; en dit met Dr. Kuypers beschouwingen en de praktijk der Doleantie vergelijken.
VI.
DE HERVORMDE KERK IN HET LICHT VAN ART. 27â29 VAN DE BELIJDENIS.
De Doleerenden aanvaarden even als wij, dat de Belijdenis is in overeenstemming met de Schrift. Indien dit niet het geval ware, zouden wij bij de beoordeeling de Belijdenis niet als toetssteen van de Herv. Kerk mogen gebruiken, maar ware het korter weg, om haar rechtstreeks met de Schrift te vergelijken. Nu is dit echter niet noodig.
Aan het slot van Art. 2Q, over de kenteekenen van de ware en valsche Kerk, zegt onze Belijdenis; »Deze twee Kerken zijn lichtelijk te kennen en van malkander te onderscheiden.quot; Voor wie met de Belijdenis het begrip Kerk altijd opvat in den zin van historische zichtbare gemeenschap van leden, is dit ook waar. Tegenwoordig schijnt het evenwel zeer moeilijk te zijn om de valsche van de ware Kerk te onderscheiden. Immers, wat de Afscheiding valsche Kerk noemt, wordt in de Doleantie als ware Kerk erkend. Dit is het gevolg van eene verschillende opvatting van het wezen der Kerk; en hieruit volgt dat de Doleerenden het begrip Kerk in anderen zin gebruiken dan wij. In het stelsel der Doleantie wordt, gelijk wij zagen, het begrip Kerk in drieërlei zin opgevat, n. 1. de Kerk als reglementaire organisatie, de Kerk als instituut en de Kerk als organisme.
In den eersten zin kan er voor een Gereformeerde nooit sprake zijn van ware Kerk, omdat elk collegialistisch genootschap als zoodanig valsch is. Hierin gaan de Doleerende Kerken met de beschouwing der Afscheiding mede. Doch ook slechts zoover. In geschil is dus of de plaatselijke Herv. gemeente als instituut en als organisme ware of valsche Kerk is.
103
1, Bij het onderzoek of eene Kerk de kenteekenen van de ware of van de valsche Kerk vertoont, moet dus allereerst gevraagd worden, welke Kerk wordt bedoeld: de instituaire Kerk, als inrichting tot den dienst des Woords, of de organische Kerk, als gemeenschap van leden. Wijl Dr. Kuyper nu tusschen deze twee Kerken scherp onderscheidt, zelfs zoo, dat de instituaire Kerk valsch kan zijn, terwijl de Kerk als organisme van leden nog ware Kerk is, moet daaruit volgen, dat er ook onderscheid is tusschen de kenteekenen van deze twee Kerken. Een onderscheid, dat men in de dagen toen onze Belijdenis werd geformuleerd niet schijnt gezien te hebben, wijl zij slechts spreekt van kenteekenen van ééne Kerk. Volgens het stelsel der Doleantie moet men spreken van kenteekenen van de instituaire Kerk, en van andere kenteekenen van de organische Kerk. Wie de beschouwingen van Dr. Kuyper met aandacht nagaat, merkt dan ook spoedig, dat de kenteekenen van de instituaire Kerk andere zijn dan die van de organische Kerk. Van de eerste Kerk vindt hij de kenteekenen beschreven in Art. 2Q van onze Belijdenis. Dit zijn echter geen kenteekenen van de Kerk als organisme. Om te beoordeelen of eene Kerk als zichtbaar geheel van leden valsch is, moet men vragen, of er nog ware geloovigen in zijn; of er nog uitverkorenen in zijn of nog in voorkomen zullen. Kan dit bevestigend beantwoord worden, dan is zulk eene Kerk als organisme van leden nog eene ware Kerk. Zoo niet, dan is zij valsch.
Doch wie zal onfeilbaar uitmaken of ergens in eene plaatselijke Herv. gemeente geen geloovigen of uitverkorenen zijn of nog geboren zullen worden ? Een Labadist moge zich daartoe in staat achten; een Gereformeerd mensch zegt: Ik kan het niet. Daaruit volgt nu, dat de Kerk als zichtbaar organisme, als geheel van leden, aan onze beoordeeling wordt onttrokken. Niemand kan dan uitmaken of de Kerk in dezen zin eene ware of valsche Kerk is, wijl zij kenteekenen heeft, die buiten het bereik van onze waarneming liggen.
Uit het stelsel der Doleantie volgt, dat het begrip valsche Kerk alleen van toepassing kan zijn op de Kerk als als instituut tot den dienst des Woords. De kwestie of eene
104
Kerk valsch is, heeft dus niets te maken met de Kerk als geheel van leden. Zijn er nog enkele geloovige leden in zulk eene plaatselijke Kerk, dan is zij nog eene ware Kerk. En niemand kan afdoende bewijzen, dat zij er niet in zijn, of niet in voorkomen zullen.
Het komt ons echter voor, dat de kwestie op deze wijze geheel verkeerd wordt gesteld. Men kan de Kerk wel uit onderscheiden oogpunten beschouwen, van verschillende zijden bezien, maar de Kerk als zoodanig is toch altijd eene vergadering, dus een geheel van leden. Men kan spreken van de Kerk van Christus, in algemeenen, meer abstracten zin, zooals zij voor ons geloof en voor ons denken bestaat; en van de Kerk in meer bizonderen, bepaalden, concreten zin, zooals zij voor onze waarneming als historisch zichtbaar geheel van leden zich openbaart. Gebruiken wij in den eersten zin het begrip Kerk, dan denken wij alle geloovigen in de geheele wereld, of in een land of in eene stad of dorp samen tot een geheel; of die geloovigen zijn in de Doleerende, de Herv., de Chr. Geref., de Luth., de Roomsche Kerk of in welke Kerk ook, het doet er niet toe. Als e'e'n geheel gedacht zijn zij de Kerk van Christus. Doch in dezen zin bestaat de Kerk voor onze waarneming niet als historisch zichtbaar geheel. Vat men nu het begrip Kerk op in dien zin, en vraagt men dan of ergens nog de Kerk van Christus aanwezig is, dan kan men een bevestigend antwoord geven, al ware het ook dat in alle Kerken van eene stad alle leden openbare onge-loovigen waren behalve een lid in elke Kerk, die als gelóo-vige bekend was. Die enkele geloovigen worden door ons dan samen gedacht tot een geheel, maar voor onze waarneming bestaan die geloovigen niet als Kerk. Wij kennen ze dan wel als leden van de Kerk, maar als zichtbare eenheid, als Kerk zien wij ze niet, ten gevolge van hunne ongehoorzaamheid aan Gods Woord in zake de Kerk.
Pas dit nu in het bizonder eens toe op een Herv. gemeente, waarin een kleine kring is van vijf of tien leden, die volgens belijdenis en leven geloovigen, dus leden van Christus' Kerk zijn, terwijl al de andere leden b. v. 100, zich openbaren als ongeloovigen. Vraagt gij nu, of op die plaats, waar geene andere
105
gemeente bestaat, de Kerk van Christus nog is, dan zal het antwoord bevestigend zijn. Maar vraagt gij, of die Herv. gemeente eene ware Kerk is, dan wordt de zaak gansch anders. In het eerste geval vraagt gij alleen, of er nog geloovigen zijn, geheel er van afgedacht, of die enkele geloovigen zich openbaren als een geformeerde, zichtbarre Kerk, als eene eigen, zelfstandig geheel, als eene vergadering van geloovigen. Als geloovigen, als individueele leden van Christus' Kerk zijn zij voor ons zichtbaar, maar als Kerk, als een eigen, zichtbaar geheel van leden, bestaan zij daar voor ons niet. De geloovigen zijn en leven daar verspreid onder de ongeloovigen. Houden wij ons aan de Schrift, dan moeten wij zeggen: Het Koninkrijk Gods is er wel, maar de Kerk als zichtbare formatie is er niet. 1)
In het tweede geval vraagt gij niet in het algemeen, of ergens nog enkele op zich zelf staande geloovigen zijn, maar of die historisch bestaande zichtbare Herv. gemeente als geheel van leden eene ware Kerk is. Bij de eerste vraag denken wij dus aan den e7ikele geloovige, afgedacht van de Kerk als zichtbare gemeenschap van geloovigen; bij de tweede aan de Kerk als zoodanig, als vergadering van geloovigen.
Dit onderscheid nu wordt in het stelsel der Doleantie geheel voorbij gezien, en die beide zaken worden zoo maar vereenzelvigd. Heel dit stelsel gaat uit van de onderstelling, dat het aanwezig zijn van enkele geloovigen in eene plaatselijke gemeente van de Herv. Kerk hetzelfde is als: die plaatselijke Herv. gemeente is eene ware Kerk. De redeneering is aldus: waar geloovigen zijn is de ware zichtbare Kerk. In die Herv. gemeente zijn nog geloovigen. Derhalve is die Herv. gemeente eene ware zichtbare Kerk.
Dit is al wederom geen zuiver logische redeneering. Dan zou men aldus moeten zeggen: De geloovigen zijn de ware Kerk. In die Herv. gemeente zijn geloovigen. Derhalve is in die Herv. gemeente eene ware Kerk. Doch elk gevoelt, dat dit heel iets anders is dan: Die Herv. gemeente is eene ware Kerk. Kan dit bewezen worden dan zou het volgende waar moeten
1
J Matth. 13:24 â 30. Waar twee of drie in Jezus' naam vergaderd zijn, afgezonderd van de openbare ongeloovigen, openbaart zich voor ons de Kerk.
106
zijn: De ware Kerk is de vergadering van geloovigen. Die Herv. gemeenfe. is eene vergadering van geloovigen. Derhalve is die gemeente eene ware Kerk. Niemand zal beweren, dat deze redeneering met de werkelijkheid in overeenstemming is. Daarmede komt de volgende overeen: De ware Kerk is de vergadering van geloovigen. Die Herv. gemeente is geen vergadering van geloovigen. Derhalve is zij geen ware Kerk.
In de Afscheiding is nooit ontkend, dat er vele leden van de Kerk van Christus, d. i. vele geloovigen in de Herv. Kerk waren; evenmin dat in den boven beschreven algemeenen zin de Kerk van Christus nog aanwezig is op eene plaats, waar nog geloovigen in de Herv. Kerk zijn; maar de Kerk van Christus werd niet vereenzelvigd met die plaatselijke zichtbare Herv. gemeente. Dat deze eene ware Kerk was, werd ontkend. Wanneer wij de op eene plaats aanwezige geloovigen ons samen denken tot een geheel, stellen wij ons eene geheel andere vergadering voor, dan wanneer wij denken aan de bestaande Herv. gemeente. Die geloovigen in de Herv. Kerk of in welke Kerk ook, moeten zich allen afscheiden van de valsche Kerk, en zich samen als e'én geheel als ware Kerk openbaren. Dat is het standpunt der Afscheiding.
Uit het bovenstaande volgt als van zelf, dat wij de ken-teekenen van de ware en van de valsche Kerk niet kunnen bespreken in toepassing op de geloovigen, die in een plaatselijke gemeente van de Herv. Kerk aanwezig zijn, wijl die geloovigen voor ons niet bestaan als zichtbare Kerk. Wij moeten dus vragen of die historisch bestaande zichtbare Herv. gemeente deze kenteekenen vertoont. En al blijkt het, dat die Herv. gemeente de kenteekenen van de ware Kerk mist, en die van de valsche Kerk bezit, daaruit volgt volstrekt niet, dat in die gemeente geen geloovigen zijn. Ook onze Belijdenis gaat uit van deze beschouwing, dat in eene valsche Kerk nog wel ware leden van Christus' Kerk kunnen zijn.
2. In verband met dit alles dient nog een ander punt besproken, voor dat wij de kentpekenen, in onze Belijdenis genoemd, kunnen gebruiken als maatstaf ter beoordeeling van de plaatselijke gemeente der Herv. Kerk. De vraag is: In
107
welken zin gebruikt de Belijdenis het begrip Kerk, waarvan zij de kenteekenen opgeeft. Toen Dr. Kuyper zijn Tractaat van de reformatie der Kerken schreef, schijnt hij nog niet die onderscheidingen in Art. 27â29 te hebben gemaakt, die later in 'ide Herautquot; gemaakt worden. In het Tractaat worden de kenteekenen van de valsche Kerk nog verstaan in toepassing op de Kerk als een organisme, als een zichtbaar geheel van leden; de satanische contraformatie van Christus' Kerk. 1) In tde Herautquot; wordt Art. 29 verstaan van de Kerk als instituut 2), zoodat b. v. eene Herv. gemeente als instituaire Kerk de kenteekenen der valsche Kerk kan hebben, terwijl zij als zichtbare organische Kerk, als gemeenschap van leden nog eene ware Kerk is. Wijl Dr. Kuyper voor zijn stelsel der Doleantie vooral in de onderscheiding van onzichtbare en zichtbare, ot liever organische en instituaire Kerk zijne kracht zoekt, moeten wij ons hier aan de laatste opvatting houden. Volgens deze beschouwing wordt in Art. 29 onzer Belijdenis niet gesproken van de kenteekenen van de zichtbare Kerk als organisme van leden, maar van de instituaire Kerk als inrichting tot den dienst des Woords. Daar zou dan alleen gezegd worden, wanneer eene Kerk moet beschouwd worden als goed geïnstitueerd en wanneer als valsch geïnstitueerd. In Art. 27 en 28 wordt volgens de bewering van Dr. Kuyper gesproken van de zichtbare organische Kerk. En deze Kerk is er, ook al is er niets dan een valsch instituut. 2) Dit wil dus zeggen, dat eene plaatselijke Kerk, die in de bediening des Woords met alles wat daarbij behoort valsch is, »omdat zij zich en harer ordonantiën meer macht en autoriteit toeschrijft dan den Woorde Gods enz. 3), als zichtbaar geheel van leden nog eene ware Kerk is, waarvan men zich niet afscheiden mag, maar waar men zich bijvoegen moet.
Volgens de opvatting van Dr. Kuyper kan men dus uit Art. 29 alleen bewijzen, dat het instituut van de Kerk waar of valsch is, maar niet dat eene Kerk als zichtbare gemeen-
1
') Tractaat § 50.
2
) Heraut N0- 532.
3
) Belijdenis. Art. 29 laatste gedeelte.
108
j schap van leden valsch is. Indien deze opvatting juist is, berust de Afscheiding op eene groote vergissing, wijl daarbij de ken-teekenen in Art. 29 opgevat werden in toepassing op de Kerk als zichtbare gemeenschap van leden. Daaruit volgde de . Afscheiding van de plaatselijke gemeente van de Herv. Kerk.
Het is echter de vraag of Dr. Kuyper de Belijdenis op dit punt uitlegt, of dat hij zijne theorie aan de Belijdenis opdringt. Wij hebben natuurlijk gezocht naar bewijzen voor zijne opvatting, maar hebben niets kunnen vinden. Dat in Art. 29 bedoeld wordt de Kerk als instituut, geheel afgedacht van de Kerk als organisme van leden, wordt eenvoudig gezegd zonder eenig bewijs. En toch kwam het op dit punt op bewijzen aan. Was het bewezen, dat in Art. 29 alleen het instituut bedoeld werd, dan zou hetgeen hij van Art. 27 en 28 zegt nog iets beteekenen. Nu begint de redeneering echter met de onbewezen stelling: Art. 29 ziet op het instituut, afgedacht van het organisme. Van Art. - 27â28 wordt gezegd: »Dat dit niet op het instituut, maar op de onzichtbare 1) Kerk slaat, blijkt: l0- daaruit, dat er in Art. 28 van de in Art. 27 omschreven Kerk staat: dewijl- buiten dezelve geen zaligheid is, wat geen enkei Calvinist van eenig instituut zal beweren; en 20- daaruit, dat ze over heel de wereld verspreid is, wat van niet één Gereformeerd instituut geldt.quot; 2) Dit zegt niets ten bewijze, dat in Art. 29 het instituut bedoeld wordt. Onwillekeurig vragen wij met eenige verwondering: Wie heeft ooit beweerd, dat in Art. 27 en 28 het instituut der Kerk beschreven wordt? Wel is beweerd, dat in Art. 29 de zichtbare organische Kerk wordt bedoeld, dezelfde Kerk als in Art. 27 en 28. Deze opvatting ligt aan de Afscheiding ten grondslag. Bewezen moest dus worden, dat in Art. 29 niet de kenteekenen gegeven worden van de'zichtbare organische Kerk, maar van het instituut der Kerk. In de plaats daarvan wordt een bewijs gegeven, dat in Art. 27 en 28 niet het instituut bedoeld wordt.
quot;) Zeker een drukfout, wijl volgens het verband de zichtbare organische Kerk bedoeld wordt.
a) Heraut No- 532.
109
Wijl Dr. Kuyper voor zijne opvatting van Art. 29 geene bewijzen gegeven heeft, behoeven wij ze ook niet te weerleggen. De vraag is dus alleen of zijne bewering juist is. Men lette er toch wel op, dat er volgens zijne opvatting in Art. 29 alleen sprake is van de kenteekenen van het ware of valsche instituut der Kerk, geheel afgedacht van de zichtbare organische Kerk. Wijl deze al de leden van eene plaatselijke Kerk omvat, wordt met het instituut alleen de dienst des Woords, geheel abstract, aangeduid. De kenteekenen in Art. 29 zijn dus alleen kenteekenen van den dienst des Woords in eene Kerk; en zeggen ons alleen, wanneer die dienst des Woords waar, en wanneer hij valsch is. Wijl nu met den dienst des Woords het werk van de Kerk wordt aangeduid, zegt Art. 29 ons wanneer dit werk van de Kerk waar of valsch is, maar niets van de Kerk, die dat werk doet. Hiermede is dus deze stelling opgezet: Een ware Kerk kan valsch zijn in de geheele bediening des Woords, in geheel haar werk als Kerk. Is dit in overeenstemming met de Schrift? Of geldt het ook niet van de Kerk, evenals van den Christen: »Toon mij uw geloof uit uwe werken;quot; en: »Een goede boom brengt geen kwade vruchten voort. Uit de. vruchten (d. i. uit de werken) zult gij den boom kennenquot; ? 1)
Indien Dr. Kuyper door het begrip Kerk altijd hetzelfde verstond, n.1. gemeenschap van personen, en altijd hetzelfde geheel van leden, denzelfden kring, de toepassing van zijne onderscheiding op de Belijdenis zou niet zoo bedenkelijk zijn. Het is toch duidelijk, dat in Art. 27, 28 en 29 de Kerk telkens van een andere zijde, uit een ander oogpunt bezien wordt, doch telkens wordt een en dezelfde Kerk bedoeld. In Art. 27 wordt meer in het algemeen gesproken van de Kerk, zooals alle geloovigen in de wereld door ons als één geheel gedacht worden; de Kerk dus ook meer van de onzichtbare zijde, als het mystieke lichaam van Christus. In Art. 28 wordt meer bepaald en concreet gesproken van de Kerk, zoo als zij op eene plaats als zichtbaar organisme van leden bestaat. In Art.
') Jak. 2 : 18. Matth. 7 : 17-20 ; 12 : 33.
no
29 wordt de instituaire zijde van de Kerk meer op den voorgrond geplaatst. Wanneer men echter aandachtig leest is het duidelijk, dat deze Artikelen niet opgesteld zijn met het doel om in elk Artikel de Kerk van een bizondere zijde te beschrijven, en nog veel minder om in het eene Artikel de Kerk in een anderen zin aan te duiden dan in het andere. De opschriften spreken in dit opzicht duidelijk genoeg.
Nu Dr. Kuyper echter bij zijne onderscheiding van onzichtbare Kerk en zichtbare Kerk en instituaire Kerk 1) het begrip Kerk telkens in anderen zin opvat, is de toepassing van zijne onderscheiding op Art. 27â2Q geheel verkeerd. Duidelijk is toch, dat in alle drie Artikelen het begrip Kerk telkens in denzelfden zin gebruikt wordt, n.1. als gemeenschap van personen, zooals het ook overal in de Schrift voorkomt. Tegenover Dr. Kuyper ontkennen wij zoo beslist mogelijk, dat in Artikel 2Q gesproken wordt van de kenteekenen van het instituut der Kerk, en niet van de Kerk als zichtbare, organische gemeenschap van leden. Dat Art. 29 de kenteekenen beschrijft van de Kerk in dezen laatsten zin, blijkt al aanstonds duidelijk uit het eerste gedeelte. De Kerk wordt beschreven in onderscheiding van en in tegenstelling met de secten, die zich met den naam van Kerk bedekken. Er wordt dus niet gesproken van een waar instituut in tegenstelling met een valsch instituut, beide van de ware Kerk. De tegenstelling is niet die van een ware/i en een valschen dienst des Woords in de ware zichtbare orgatiische Kerk, maar die van een ware en valsche Kerk als zichtbare gemeenschap van leden. Dat
1
) De naast elkander plaatsing van deze drie begrippen (zie Heraut N0. 576) is onjuist. De onderscheiding van Ecclesia invisibilis, visibilis en formata, d. i. van onzichtbare, zichtbare en geformeerde Kerk, gaat niet van één punt van onderscheiding uit, en is dus verwarrend. Indien Eccl. formata eene geformeerde Kerk aanduidt, is dit reeds opgenomen in het begrip zichtbare Kerk; indien het instituut beteekent, is het ook door het begrip zichtbare Kerk reeds aangeduid. Wij kunnen de Kerk uit onderscheiden oogpunten bezien en onderscheiden, a. Als onzichtbare en zichtbare Kerk. b. De Kerk naar haar wezen en naar hare formatie, c. De Kerk als organisme en als instituut. De onderscheidingen b. en c. zijn onderscheidingen in de zichtbare Kerk, en dus daaraan ondergeschikt, en mógen er daarom niet naast geplaatst worden.
Ill
de Kerk uit dit oogpunt beschouwd wordt, blijkt ook uit de daaropvolgende vermelding van de hypocrieten, die in de Kerk onder de goeden vermengd zijn, wat bewijst, dat het begrip Kerk gebruikt wordt in toepassing op personen. Daarop wordt het met duidelijke woorden gezegd, dat men spreekt van de Kerk als xlichaamquot; en «gemeenschap,quot; dus als zichtbaar organisme van leden. Van de Kerk in dezen zin, dus van de Kerk, en niet van iets in die Kerk, worden de ken-teekenen opgenoemd, zoodat de reine dienst des Woords niet slechts een bewijs is voor de waarheid van het instituut, d. i. van den dienst des Woords, maar van de Kerk als zichtbare gemeenschap van leden. Bovendien komt men bij Dr. Kuy-pers opvatting tot dezen nietszeggenden zin: De ware bediening des Woords is een kenteeken van de ware bediening des Woords; of m. a w.: Het ware instituut is een kenteeken van het ware instituut. Het kenteeken is dan hetzelfde als de zaak, waarvan het een kenteeken is.
Uit onze opvatting volgt, dat eene Kerk, die eene onreine, eene onzuivere bediening des Woords heeft; die zich niet aanstelt naar het zuivere Woord Gods, maar naar menschelijke meeningen, volgens de Belijdenis eene valsche Kerk is; niet slechts als inrichting tot den dienst des Woords, maar ook als zichtbaar organisme van leden. Wanneer men onbevooroordeeld leest, zijn de bewijzen voor deze opvatting ook in het vervolg van Art. 29 zoo overvloedig en duidelijk, dat men niet begrijpen kan hoe een Gereformeerde hieraan een andere beschouwing kan vastknoopen. ^
Uit bovenstaande volgt nu, dat de oefening van den zuiveren dienst des Woords volgens onze Belijdenis niet slechts eene zaak is van den kerkeraad of van.de ambtdragers in de Kerk, maar van de Kerk als zichtbaar geheel van leden. De geheele plaatselijke Kerk en elk lid in het bizonder is er verantwoordelijk voor, en openbaart zich daardoor als waar
') Indien men mocht meenen, dat onze Belijdenis op dit punt onvolledig of onnauwkeurig is; of indien men het niet geheel eens is met Art. 27 â 29, men zegge het ronduit. Men trachte echter niet onze Belijdenis te verwringen naar eigen theorie.
112
of valsch in kerkelijken zin. De dienst â des Woords is door Christus ingesteld, en wordt uitgeoefend in zijn naam en op zijn gezag. Men vergete daarbij echter niet, dat hij is gegeven aan de Kerk, en dat hij dus niet los op zich zelf staat. De Kerk moet zorgen, dat de dienst des Woords geschiede naar het bevel van Christus. Doet zij dit niet, dan toont zij daardoor, dat zij als Kerk aan menschelijke ordonnantiën meer macht en autoriteit toeschrijft dan aan het Woord van God, en dat zij dus als zichtbaar organisme van leden valsche Kerk is. De dienst des Woords in de Kerk is ge'en private zaak van enkele ambtdragers, maar de zaak van de Kerk als geheel van leden.
Hierbij moet nog opgemerkt worden, dat volgens onze Belijdenis de Kerk de zuivere bediening des Woords niet slechts in theorie moet willen zonder ze in de praktijk onvoorwaardelijk toe te passen. De Belijdenis zegt, dat de Kerk die reine bediening moet oefenen. Te zeggen: Wij willen wel, maar kunnen niet; de synodale reglementen en besturen verhinderen ons, is een bewijs, dat men in de praktijk aan menschelijke ordonnantiën meer gezag en autoriteit toeschrijft dan aan het Woord Gods. De bedreiging: Wie den wil Gods geweten heeft, en niet heeft gedaan, zal met vele slagen geslagen worden, ') moest meer dan genoeg zijn om de geloovigen tot gehoorzaamheid te brengen.
Vast staat dus, dat met de Kerk, waarvan in Art. 29 de kenteekenen genoemd worden, bedoeld wordt niet alleen het instituut, afgedacht van het geheel der leden, maar de zichtbare organische Kerk, waaraan de dienst des Woords is toevertrouwd; en dat dus het doel van dit Artikel is om aan te wijzen, wanneer de Kerk in dien zin waar is of valsch. Nu dient nog de vraag beantwoord: In welken zin moeten de kenteekenen van die Kerk opgevat worden. Dr. Kuyper heeft ook hierover eene breede beschouwing gegeven, a) waarin, naar het ons voorkomt, de Belijdenis ook op dit punt krachteloos gemaakt wordt. In Art. 29 wordt gezegd: «De merkteekenen.
â ) Luk. 12; 47, 48.
quot;) Tractaat. § 59 pag. 167â178.
113
om de ware Kerk te kennen, zijn deze: »Zoo de Kerk de reine predikatie des Evangelies oefent; indien zij gebruikt de reine bediening der sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft; zoo de kerkelijke tucht gebruikt wordt om de zonden te straffen. Kortelijk, zoo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd.quot; â Dr. Kuy-per zegt in overeenstemming met eenige godgeleerden, »dat niet elk dier drie kenmerken even onmisbaar is, alsook, dat in het afeischen van deze drie kenmerken zekere speelruimte dient gelaten voor gradueel verschil.quot; In de plaats van de drie kenmerken in de Belijdenis, stelt hij de volgende: »De zuiverheid in de grondslagen der leer, en de heiligheid des levens.quot; 1) Met hem verwerpen wij de door hem beschreven persoonlijke of subjectieve richting, die op Labadistische wijze over het inwendige leven der leden oordeelen wil; wij kunnen echter niet medegaan tot het tegenovergestelde uiterste, wijl dit ook tot subjectivisme leidt. Wat wordt toch met die sspeelruimte,quot; en dat «gradueel verschil,quot; en die «grondslagen der leerquot; bedoeld? Hoe groot mag die speelruimte zijn in de prediking des Woords? Wanneer houdt zij op »reine prediking des Evangelies,quot; en kenmerk van de waarheid der Kerk te zijn ? «Gradueel verschilquot; moet toegelaten worden; maar in welken zin; wat de zuiverheid of wat de volledigheid van de leer betreft? Het laatste is eene vanzelfheid, wijl niet alle dienaars even volledig de waarheid verstaan. Dit wordt dus niet bedoeld; maar wel: gradueel verschil in zuwerheid der prediking. Geldt dit ook van de grondslagen der leer, of mag in de prediking van de grondslagen geen gradueel verschil van zuiverheid voorkomen? Wie moet het uitmaken, wat tot de grondslagen behoort, en wat niet ? Hoeveel onzuiverheid mag de Kerk in de prediking toelaten? Wat is het minimum van zuiverheid, en het maximum van onzuiverheid, waardoor de prediking des Woords een ware of een valsche wordt? Wat is de objectieve maatstaf ter beoordeeling? Wat is het wezenlijk verschil tus-schen deze opvatting en het feitelijke «quatenusquot; van 1816?
') Tractaat § 59, pag. 168, 169.
8
114
Het is duidelijk dat onze Belijdenis op deze wijze ook op dit punt tot een wassen neus wordt gemaakt, omdat men haar niet beschouw^ in verband met de Schrift, waaruit ze opgediept werd. Men wil haar verbuigen en verwringen naar de praktijk om een onbijbelsch kerkelijken toestand er mede te dekken en te rechtvaardigen. Wie ook op dit punt eerlijk en oprecht wil zijn voor God, kan met zulke theorieën niet medegaan. Wat in het aangezicht van de brandstapels door onze vaderen uit het Woord van God gegrepen en beleden werd, moet in onzen tijd van rust en vrede. voor de Kerk nog veeleer scherper belijnd en ernstiger toegepast worden, in plaats van verwaterd en krachteloos gemaakt. In de Afscheiding had men het geloof en den moed om Art. 29 te a'ccen-tueeren en toe te passen; doch er is nu reden om te vreezen, dat het rekenen met den bedorven kerkelijken toestand weer de overhand zal krijgen. Wie hiermede niet beslist breken wil, moet met onze Belijdenis altijd schipperen en plooien. Wij hebben echter geene vrijmoédigheid om daaraan mede te doen, maar aanvaarden wat de H. Geest de gemeente in hare Belijdenis deed uitspreken. Wij aanvaarden dit zonder eenige speelruimte of gradueel verschil van zuiverheid in de toepassing er van toe te laten. Alles wat in die »speelruimtequot; en door dat «gradueel verschilquot; erkend wordt is valsch, en moet dus verworpen worden.
3.. Na al het gezegde zal het niemand meer onduidelijk zijn, welk antwoord wij krachtens onze beginselen moeten geven op de vraag: Is de plaatselijke afdeeling van de Herv. Kerk eenè ware of eene valsche Kerk? Het is het antwoord der Afscheiding.
Men versta ons echter wel. Daarom zij er nog eens de nadruk op gelegd, dat wij geenszins ontkennen, dat er geloovi-gen in de Herv. Kerk zijn, al noemen wij de Herv. Kerk, ook in hare plaatselijke afdeelingen, eene valsche Kerk. De kenteekenen van de Kerk worden door ons niet toegepast op de Kerk als geestelijk organisme, als het mystieke lichaam van Christus, als de onzichtbare Kerk, abstract gedacht; maar in overeenstemming met Art. 29 van onze Belijdenis op de
115
Kerk naar haar zichtbare zijde, dus zooals zij als zichtbaar geheel van leden historisch bestaat, en onder onze waarneming valt. Wil men in den eersten zin spreken van Kerk, dan vinden wij daarvan ook leden in de Herv. gemeente van Amsterdam, evenals wij onderstellen, dat er nog enkelen zijn in de Roomsche Kerk. Doch als wij spreken over de ken-teekenen van de waarheid en valschheid eener Kerk, denken wij niet aan geloovigen, die als op zich zelf staande personen hier en daar verspreid zijn, maar aan de Kerk; niet aan de Kerk van haar onzichtbare zijde, maar van haar zichtbare zijde, zooals zij op een plaats als zichtbare gemeenschap van leden bestaat. De Kerk is voor onze waarneming geen aggregaat, ') maar een organisme van leden. Wij zien niet slechts de deelen, de enkele leden zonder de eenheid der leden, maar wij zien de Kerk, d. i. die leden als een geheel, een organisme; zij bestaat voor ons als een zichtbare fortnatie.
Pas nu Art.. 27â-29 van onze Belijdenis eens toe op de Herv. gemeente b. v. van Amsterdam, zooals zij was vóór de Doleantie. 2) Willen wij bewijzen, dat deze Herv. gemeente als zichtbare Kerk niet eene ware, maar eene valsche Kerk is, dan moeten wij ditquot; doen uit tweeërlei oogpunt, n. 1. die Kerk als instituut tot den dienst des Woords, en als organisme van leden, wijl dit voor ons eene onderscheiding is in de zichtbare Kerk, waaruit volgt, dat wij haar uit beide oogpunten moeten beoordeelen.
Nemen wij eerst die plaatselijke Herv. gemeente van Amsterdam uit instituair oogpunt, en toetsen wij haar aan de ken-teekenen der ware Kerk in Art. 2Q aangegeven. Het is dan niet de vraag of predikanten de reine prediking des Woords oefenen; ook niet of de meeste predikanten dit doen; ook niet of de kerkeraad dit eischt; ook niet of zeer vele leden van
') Aggregaat duidt aan eene menigte van personen of dingen, die elk op zich zelf en los naast elkander staan. Organisme wijst op de onderlinge levensgemeenschap der leden.
a) Wij kiezen de gemeente van Amsterdam in navolging van Dr. Kuy-per, die in de Heraut N°. 272 en later in het debat met Ds. Wielenga Heraut N0. 360, 361, 367 â 375 de gemeente van Amsterdam tot voorbeeld koos, en trachtte te bewijzen, dat zij eene ware Kerk was.
116
de gemeente dit verlangen; maar het is alleen de vraag of de Kerk als zoodanig dit doet. En dan moet het antwoord ontkennend zijn. Al zijn er ook twaalf leeraren, die het zuiver Evangelie prediken; en al onderteekenen ook bijna alle kerke-raadsleden de formulieren van eenigheid 1); dit bewijst nog niets voor de Kerk als zoodanig, wijl zij dit persoonlijk en alleen uit zich zelf doen. Zij doen dit niet van wege de Kerk, zoodat men hetgeen zij doen, eene daad der Kerk noemen kan.
»Een gereformeerd predikantquot; zegt Dr. Kuyper »richt de bediening des Woords en der gebeden en der sacramenten juist zoo in, als Art. 29 meent, dat het naar eisch van Gods Woord zijn moet.quot;2) Hij had er dadelijk kunnen bijvoegen: »Een ongereformeerd predikant in die zelfde Kerk richt de bediening des Woords enz. juist zoo in, als hij meent, dat het naar zijne eigen overtuiging zijn moet.quot; Een straatprediker, die geheel op zich zelf, buiten alle kerkelijke gemeenschap staat, doet hetzelfde. Het woord van Dr. Kuyper bewijst juist, wat wij zeiden. De predikant richt, als hij het wil, zijne bediening in overeenkomstig de Belijdenis, maar de Kerk doet het niet. Dit is dus geen kenteeken van de Kerk, maar van den predikant.
Doch het is niet eens geheel waar, wat Dr. Kuyper hier zegt. Een gereformeerd predikant kan de bediening des Woords niet inrichten naar eigen keuze, overeenkomstig den eisch van Gods Woord. Dan zou hij openbare ongeloovigen niet tot den doop en het avondmaal mogen toelaten. En in de Herv. Kerk moet hij en doet hij dit. De reglementen verhinderen hem in vele opzichten naar Gods Woord te handelen. Bovendien behoort deze opvatting van de bediening des Woords niet thuis in de presbyteriale Kerk. Zij is door en door hiërarchisch. De bediening des Woords is in de Gereformeerde Kerk geen zaak van den predikant, waarin hij handelt zooals hij meent dat het zijn moet. Het is eene zaak va7i de Kerk, en niet van den priester. Niet de predikant, maar de Kerk moet de bediening des Woords inrichten naar Gods
') Heraut N0. 272. ') Heraut N0. 361.
117
Woord. De predikant is dienaar van de Kerk van Christus. Dat de predikant den dienst des Woords kan inrichten zooals hij meent, dat het zijn moet, bewijst op zich zelf reeds, dat de Herv. Kerk op dit punt geheel in strijd is met Gods Woord.
Dr. Kuyper geeft ons dus hier zelf het bewijs, dat de zuivere bediening des Woords in de Herv. Kerk geen ken-teeken is van de Kerk, maar van haar dienaar. Dit blijkt overtuigend uit die predikanten te Amsterdam, die zelfs modern zijn, en dus een valsch Evangelie verkondigen; en ook uit de kerkeraadsleden, die niet de formulieren van eenigheid ónderteekenen, omdat zij de leer, daarin beleden, ten deele of geheel verwerpen, en in de plaats daarvan een valsche leer belijden. Indien de Kerk van Amsterdam de reine predikatie des Woords oefende, zou zij niet dulden, dat sommigen van hare dienaars een valsch Evangelie verkondigen. De zuivere prediking des Evangelies in de Herv. gemeente te Amsterdam is dus geen kenteeken van die gemeente, maar alleen van enkele predikanten, wijl deze het niet vanwege de gemeente, maar alleen uit persoonlijke overtuiging doen. De gemeente laat den dienaars vrij, wat zij persoonlijk willen doen. Er is dus geen sprake van, dat zij het Evangelie zuiver doet prediken. Willen alle dienaren den volgenden Zondag het moderne Evangelie verkondigen, de gemeente van Amsterdam zal het niet verhinderen, evenmin als zij dit doet bij de predikanten, die nu reeds de tolken des ongeloofs zijn in die gemeente. Dit alles bewijst duidelijk, dat de Kerk als zoodanig niet de reine predikatie des Evangelies oefent, en dat zij dit eerste kenteeken dus niet vertoont.
Evenmin het tweede, n. 1. de reine bediening der sacramenten gelijk ze Christus ingesteld heeft. Tot de reine bediening der sacramenten behoort niet slechts het gebruik van de door Christus ingestelde uitwendige teekenen van water bij den doop, en van brood en wijn bij het avondmaal; niet slechts het gebruik van de instellingswoorden, door Christus gegeven; maar ook de ware belofte, waarvan de sacramenten zegelen zijn; en het Evangelie, dat tot verklaring bij de bediening der sacramenten gevoegd wordt in de formu-
118
lieren van doop en avondmaal, en ook de belijdenis van de personen, aan wie de sacramenten toegediend worden.
Nu is het duidelijk dat een modern predikant van Amsterdam de sacramenten niet bedient naar de instelling van Christus. Het is hier niet de vraag, of het de ware sacramenten zijn, die 'hij uitdeelt; ook niet, hoe een geloovig lidmaat bij de bediening van een modern predikant de sacramenten gebruikt. Het komt hier alleen aan op de wijze, waarop ze door den predikant bediend worden. En deze is niet naar de instelling van Christus. In zijne verklaring van de beteekenis der sacramenten doet hij er af of toe, zoodat zij in geheel anderen zin voorgesteld en opgevat worden dan Christus geleerd heeft. Bovendien deelt hij ze uit aan openbare ongeloovigen.
Dr. Kuyper zegt echter, dat de sacramenten wel bediend worden naar de instelling van Christus. ') Er zijn twaalf leeraren in de Herv. gemeente van Amsterdam, die het zuiver Evangelie prediken, en dus ook de sacramenten bedienen naar de instelling van Christus. Deze bedienen de sacramenten niet aan openbare ongeloovigen, wijl »niet alleen de modernen, maar zelfs de irenischen de prediking van gereformeerde leeraars zoo goed als stelselmatig mijden.quot; ') Doch dit zegt niets, want in diezelfde gemeente bedienen openbare ongeloovige predikanten de sacramenten wel aan openbare ongeloovigen. Dat de eene leeraar van die gemeente het doet naar de instelling van Christus, en de andere niet, bewijst al dadelijk dat de gemeente als zoodanig niet zorgt voor de reine bediening der sacramenten, maar het toelaat, dat haar eene leeraar het uit eigen beweging zuiver, en de andere het onzuiver doet.
Doch goed bezien blijkt de bewering, dat de twaalf gereformeerde leeraars het zuiver doen, eene onwaarheid. Denk u het geval, dat er in de Herv. gemeente van Amsterdam niet e'én ongereformeerde leeraar was, dan zou wellicht niet één modern of openbaar ongeloovig lid van de gemeente aan het avondmaal willen komen. Afgedacht nu van de bediening van den doop, zou men dan toch kunnen zeggen, dat het avondmaal in de gemeente bediend werd naar de instelling van
') Heraut N0- 360.
119
Christus, die het voor de geloovigen verordend heeft. Doch dit is slechts schijn, omdat het niets bewijst voor de Kerk als 'zoodanig. De bediening aan geloovige?i alleen zou dan nog geen daad zijn van de Kerk, maar slechts een gevolg van het vrijwillig wegblijven van de ongeloovige leden der Kerk.. Dit schijnbaar zuivere in de bediening der sacramenten door de gereformeerde predikanten in de Herv. Kerk, gaat dus niet positief uit van de Kerk, maar negatief van de ongeloovigen, en is dus geen kenteeken van de Kerk.
Volgens onze Belijdenis' is de reine bediening der sacramenten eene daad van de Kerk als zichtbaar geheel van leden. De plaatselijke Herv. Kerk als zoodanig laat echter door openbare ongeloovige leeraars aan openbare ongeloovige leden de sacramenten bedienen. En voorzoover geloovige leeraars het zuiver doen, doen zij dit niet vanwege de Kerk, maar uit eigen beweging, zonder dat de Kerk hen daartoe verplicht; en voorzoover zij het niet aan openbare ongeloovigen doen, ligt de reden daarvan niet in de Kerk, zelfs niet eens in de leeraars, maar alleen in het vrijwillig wegblijven van die ongeloovige leden. In elk geval dus bewijs te over, dat de Kerk van Amsterdam als zoodanig ook dit tweede kenteeken mist.
. Het derde kenteeken van de ware Kerk is volgens onze Belijdenis: »Zoo de kerkelijke tucht gebruikt wordt om de zonden te straffen.quot; Het gemis van de beide eerste kenteeke-nen is op zich zelf reeds bewijs genoeg, dat dit derde in de Herv. Kerk van Amsterdam niet bestaat. Dat die Kerk openbare ongeloovigen als leden der Kerk erkent, en hun de sacramenten bedient, bewijst afdoende, dat er van tucht naar eisch der Schrift geen sprake is.
Is deze laatste uitdrukking niet in strijd met de werkelijkheid? Er is in de Herv. Kerk wel geen tucht op de leer, maar toch wel op het leven, zegt men. Doch wij vragen niet of er nog iets van de tucht is, maar of de tucht als instelling van Christus er nog is. De tucht in de Herv. Kerk is eene menschelijke instelling, en daarom als kerkelijke tucht niets beteekenend. Zij is als een plant zonder wortel, die nog wel eenigen tijd het voorkomen kan hebben van te leven, maar toch werkelijk dood is. Wat. beteekent in de Christelijke Kerk
120
tucht op het leven zonder tucht op de leer ? 't Is immers de grootste tegenstrijdigheid om de zonde vrij en ongestraft te laten in de belijdenis, en ze wel te willen tuchtigen wanneer de zondige belijdenis in praktijk gebracht wordt in een zondig leven. Doordat men geen tucht op de leer oefent, heeft men de tucht, als instelling van Christus, prijs gegeven. Men wil geen gemeente van heiligen, van afgezonderden van de zondige wereld, en men kan dus ook de tucht niet meer gebruiken als een middel tot heiligmaking der enkele leden en van de gemeente in haar geheel. Het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat er in de meeste Herv. gemeenten ook zelfs van tucht op het leven der leden zoo goed als niets gezien wordt.
Uit het gezegde volgt dus, dat de Herv. Kerk van Amsterdam zich niet aanstelt naar het zuiver Woord van God, en niet verwerpt alle dingen, die daartegen zijn, en niet Jezus Christus houdt voor het eenige Hoofd. Doch dit alles is nog slechts de negatieve zijde van de zaak, en bewijst ons alleen, dat de Herv. Kerk de kenteekenen van de ware Kerk niet bezit. Met het oog op de positieve zijde is het de vraag, of zij dan de kenteekenen van de valsche Kerk vertoont. Art. 29 van de Belijdenis zegt: Aangaande de valsche Kerk, die schrijft zich en hare ordonantiën meer macht en autoriteit toe dan den Woorde Gods, en wil zich aan het juk van Christus niet onderwerpen; zij bedient de sacramenten niet gelijk Christus in zijn Woord verordend heeft, maar zij doet daar af of toe, gelijk het haar goed dunkt; zij grondt zich meer op de menschen dan op Christus; zij vervolgt degenen, die heiliglijk leven naar Gods Woord, en die haar bestraffen van hare gebreken.quot;
In deze kenteekenen van de valsche Kerk wordt van punt tot punt de rechtstreeksche tegenstelling gegeven van de kenteekenen der ware Kerk. In plaats van in onderwerping aan het gezag van Christus en zijn Woord de reine prediking des Woords te oefenen, werpt men het juk van Christus van zich af, en schrijft aan eigen meening en menschelijke reglementen meer gezag toe dan aan Christus. Dit doet de Herv. Kerk van Amsterdam, die in plaats van zich aan Gods Woord te
121
onderwerpen, het gezag van de reglementen handhaaft, ook wanneer deze reglementen regelrecht tegen Gods Woord ingaan. Wanneer de kerkeraad van Amsterdam, in zake het doen van belijdenis door moderne leden, Gods Woord gehoorzaamt en niet de reglementen, wordt hij afgezet. En de Herv. gemeente zou door het kiezen van een anderen kerkeraad toonen, dat zij den menschen meer gehoorzaamt dan Gode. De gemeente als geheel plaatst dus de menschelijke ordo-nantiën boven Gods Woord.
De valsche Kerk bedient de Sacramenten niet gelijk Christus in zijn Woord verordend heeft. Hier wordt niet gezegd, dat de valsche Kerk niet de Sacramenten, niet den waren doop en het avo7idmaal toedient, maar de wijze waarop zij ze bedient is in strijd met de verordening van Christus, wijl zij daarin handelt naar eigen goeddunken. Bij de bespreking van het tweede kenmerk van de ware Kerk is het reeds genoeg in het licht gesteld hoe dit in de Herv. Kerk van Amsterdam is. Het is een noodzakelijk gevolg van het eerste.
In plaats van de tucht te handhaven, en het onheilige uit de Kerk te weren, vervolgt de valsche Kerk degenen, die heiliglijk willen leven. Men heeft in de Herv. Kerk wel vrijheid om persoonlijk voor zich heilig te leven, maar dat is niet wat de Belijdenis bedoelt. Zij bedoelt niet het persoonlijk christelijke leven, maar het kerkelijke leven. En wie nu als ambtdrager of als lidmaat in de valsche Kerk heilig wil leven, en weigert te doen, wat de reglementen hem in strijd met de Schrift bevelen, wordt vervolgd. Indien de geloovige leden in de Herv. Kerk maar niet slechts klaagtonen deden hooren, of met zoetsappige verzoekschriften en protesten zich tevreden stelden, maar naar den eisch van Gods Woord de Kerk over hare gebreken langs kerkelijken weg open en eerlijk ^bestraftenquot; het zou nog ieder oogenblik duidelijk uitkomen, dat de Herv. Kerk dezulken vervolgt. Wij behoeven slechts te herinneren aan de Afscheiding en de Doleantie, om te bewijzen, dat dit gedeelte der Belijdenis over de valsche Kerk, op de Herv. Kerk van toepassing is.
Die vervolging is niet slechts een daad van het kerkbestuur, afgedacht van de plaatselijke Kerk als zichtbaar geheel van
122
leden, maar van de Kerk zelf, die blijkens de geschiedenis aan dat kerkbestuur meer macht en autoriteit toeschrijft dan aan Christus, en het als haar wettig orgaan erkent, waardoor zij als Kerk handelend optreedt.
Nog een kort woord over de organische zijde van de zicht- J bare Kerk, als gemeenschap van leden, worde hieraan toegevoegd.
Volgens Art. 27 en 28 van onze Belijdenis is de ware Kerk de heilige vergadering vanr de ware Christengeloovigen. , De Kerk is dus geen optelsom van los naast elkander staande leden, zonder onderling levensverband en gemeenschap. ') De Kerk is eene vergadering, een geheel, een lichaam, een organisme van leden, die eenzelfde leven hebben, die bij elkander hooren en met elkander overeenstemmen in aard, werking en doel. Naar zijn wezen is. dit leven der Kerk geestelijk en heilig; het is het leven des geloofs. Alle leden zijn organen, waarin hetzelfde leven des geloofs is, en waardoor het werkt en zich openbaart.
Dit nu is in de Herv. Kerk van Amsterdam niet het geval. Zij openbaart zich niet als een eenheid des geloofs, als een heilig organisme. De bestanddeelen, de leden, sluiten zich niet bij elkander aan, en vormen niet e'én geheel; zij zijn alle geen organen, waardoor hetzelfde leven des geloofs zich openbaart en werkt in belijdenis en wandel. Er is in die Herv. Kerk een deel der leden, dat geloovig is, en een ander deel, dat ongeloovig is. Dat geloovig en dat ongeloovig deel der leden vormen samen een geheel, eene kerkelijke eenheid, eene zichtbare Kerk. Wat is het nu, dat die beide deelen tot eene kerkelijke eenheid verbindt, en eene plaatselijke Herv. Kerk doet zijn? Het gemeenschappelijk geloof kan het niet zijn, want het geloof bestaat bij een groot deel niet. Indien dit het was, waardoor de leden eene kerkelijke eenheid, een zichtbare Kerk was, dan zou het openbaar ongeloovig deel er niet toe behooren. Doch de openbare ongeloovigen worden in en door die plaatselijke Kerk erkend als wettige leden met alle rechten. Zij zijn mede een wezenlijk deel van die
') Voetius, Politica Eccles. Pars I. Lib. 1. c. 1. pag. 14. 3.
123
Herv. gemeente. Juist zij, in de hoedanigheid van ongeloovi-gen. In de hoedanigheid van geloovige is iemand geen wezenlijk bestanddeel van eene plaatselijke Herv. Kerk. Dit blijkt duidelijk als geloovigen en ongeloovigen met elkander ko-^ men in een kerkelijk conflict, dan wordt de geloovige als een antikerkelijk element in de Herv. Kerk, als eene kerkelijke abnormaliteit uitgeworpen.
Nog eens, wat is het dan, dat al de leden der Herv. Kerk van Amsterdam tot een organisme maakt en een kerkelijk lichaam doet zijn? Geloovigen en ongeloovigen saam kunnen nooit een kerkelijk lichaam vormen, waarvan het geloof de innerlijke, en de ware belijdenis de waarneembare organische levensband is. Indien geloovigen met openbare ongeloovigen eene plaatselijke Kerk, een kerkelijk lichaam willen vormen, kan dit alleen op voorwaarde, dat zij hun geloof in het kerkelijke verloochenen. Niet hun geloof is het, waardoor zij werkelijk organisch met de ongeloovige leden tot een geheel verbonden zijn en gemeenschap hebben. Niet in hoedanigheid van geloovige is men lid van de Herv. gemeente. Persoonlijk voor zich mag men geloovig wezen, maar als lid van de Herv. gemeente behoeft men het niet te wezen. Een openbare ongeloovige is even wettig lid als de persoon die voor zich geloovig is. Niet het geloof of de ware belijdenis is het waardoor alle leden tot een geheel, tot eene Herv. gemeente, tot een kerkelijk organisme vereenigd zijn, maar de gehoorzaamheid aan de reglementen. Niet in de hoedanigheid van geloovige, maar in de hoedanigheid va7i dienaar der reglementen is men lid der Herv. Kerk, ook van de plaatselijke Herv. Kerk. Dit blijkt toch zoo duidelijk mogelijk hieruit, dat iemand, die on-geloovig is wel lid der Kerk worden en blijven kan, maar iemand, die weigert de reglementen te gehoorzamen, wordt niet als lid der Kerk erkend. Wanneer iemand bij zijne belijdenis zeide: Ik geloof, dat bij Jezus Christus, de Koning der Kerk de hoogste macht in de Kerk berust, en daarom verwerp ik het Art. van het reglement der Herv. Kerk, dat de Algemeene Synode als de hoogste wetgevende macht erkent, evenals ik alles verwerp wat overigens in de reglementen met Gods Woord in strijd is; â hij zou niet als wettig
124
lid der Herv. Kerk kunnen worden erkend. Men kan wel lid worden, wanneer men zegt: Ik aanvaard de Belijdenis iwor-zoover (quatenus) zij met Gods Woord overeenstemt. Ook kan men wel lid worden, wauneer men belijdt: Ik geloof de H. Schrift, voorzoover zij met mijne meening overeenstemt. Maar men kan op wettige wijze geen _ lid worden, wanneer men zegt: Ik aanvaard de reglementen der Herv. Kerk voorzoover zij met de H. Schrift overeenkomen. Op. voorwaarde van gehoorzaamheid aan de reglementen kan men dus in het zichtbaar organisme der Herv. Kerk opgenomen worden. Hiermede staat of valt het lidmaatschap. Al ontbreekt ook al het andere, het doet er niet toe; indien dat ée'ne maar niet ontbreekt, dan is het in orde. De gehoorzaamheid aan de reglementen, is dus de band der organische eenheid, waardoor alle leden van eene plaatselijke Herv. Kerk tot een kerkelijk lichaam verbonden zijn.
Niet de geloofseenheid, maar de reglementaire eenheid is het wezen van eene plaatselijke Herv. Kerk. Zoodra de reglementaire eenheid uit de Herv. Kerk van Amsterdam verdween, doordat de reglementen afgeschaft werden, zou zij ophouden te bestaan. Zij staat -of valt met de reglementen. Het zichtbaar geheel van leden zou in verschillende deelen uit elkander vallen. Er zou dan niets meer zijn, dat de verschillende be-standdeelen tot eene kerkelijke eenheid verbond.
Wat de kerkelijke organische eenheid betreft, dus in kerke-lijken zin, is er geen wezenlijk onderscheid tusschen eene Herv. gemeente, waarvan alle leden modern, dus openbare onge-loovigen zijn, en de Herv. gemeente van Amsterdam, waarin vele geloovigen zijn. Al het geloovige dat in deze gemeente is, is slechts persoonlijk; het is niet kerkelijk. Het onderscheid bestaat dus alleen in enkele personen, maar niet in de Kerk als zoodanig. Dit blijkt ook duidelijk hieruit, dat de moderne leden in de Herv. gemeente van Amsterdam als wettige leden erkend worden evenals in eene moderne gemeente. Evenzoo de openbare ongeloovige prediking. Indien de geloovige leden in die gemeente er allen uitgingen, zou zij niet ophouden als plaatselijke Herv. Kerk te bestaan. Zij bleef de Herv. gemeente van Amsterdam in denzelfden zin als zij dit nu is. Zij
125
zou daardoor niets verliezen van wat tot het wezen eener Herv. gemeente behoort. Indien nu die Herv. gemeente wezenlijk eene vergadering van geloovigen was, of indien in de ware geloovigen het wezen lag van die Herv. gemeente als organisch geheel van leden, dan zou zij ophouden te bestaan, indien al de geloovigen er uit gingen.
Dr. Kuyper meent echter dat de plaatselijke Herv. Kerk als organisme, als gemeenschap van leden nog eene ware Kerk is. De geloovigen mogen die Kerk als gemeenschap van leden niet verlaten. Op de volgende wijze wordt dit bewezen. »De toestand is bijna overal zoo, dat een gereformeerde thans in de oude Kerken dezer landen buiten persoonlijk conscientie-conflict blijft.quot; 1) Natuurlijk, men laat elk vrij wat men persoonlijk voor zich zelf gelooven wil. Op deze wijze wordt het echter mogelijk om het gaan naar de kermis, en het lid zijn van een Sociëteit te verdedigen. Men wordt immers ook op de kermis niet gedwongen om aan de zondige daden persoonlijk mede te doen, evenmin als in een Sociëteit! In dezen zin blijft men hier dus ook buiten persoonlijk conscientiecon-flict. Doch het gaat hier niet over het persoonlijke, indivi-dueele, maar over het kerkelijke leven. Het is niet de vraag wat wij persoonlijk op en voor ons zelf doen, maar wat de Kerk doet, waarvan wij lid zijn. De vraag is dus of een ge-loovige als lid van de Herv. gemeente van Amsterdam buiten een kerkelijk conscientieconflict blijven kan. Het is hier dus niet de vraag of hij voor zich iets doet, dat in strijd is met zijn geweten, maar alleen of zijne Kerk, de gemeenschap, waarvan hij lid is, iets doet dat met zijne overtuiging in strijd is. Ontkennend kan hierop alleen geantwoord worden, wanneer het kerkelijk geweten totaal ongevoelig geworden is. Een geloovige echter, die zich de beteekenis van zijn lidmaatschap bewust is, die zich één gevoelt met heel het lichaam der Kerk, is zich óók bewust, dat hij mede verantwoordelijk is voor wat de Kerk in haar geheel is en doet, evenals voor wat elk lid, en elke ambtdrager in de Kerk doet; en hij kan geen enkele minuut buiten een conscientieconflict léven.
') Heraut N0. 361.
126
De geheele Kerk is verantwoordelijk voor wat enkele leden doen; evenzoo is elk lid verantwoordelijk voor wat de Kerk doet. ') Dit kan men alleen aanvaarden, wanneer men erkennen wil, dat de Kerk eene vergadering van geloovigen is. Laat men dit in de practijk los, en erkent men ook openbare ongeloovigen als leden der Kerk, dan werpt men ook deze kerkelijke verantwoordelijkheid van zich af. Men laat het organisch verband der leden, het kerkelijk gemeenschapsleven los, en de Kerk houdt op een organisme van leden te zijn in overeenstemming met de Schrift. En men zoekt dan rust in de armen van het kerkelijk Antinomianisme. Indien een geloovige in de Herv. Kerk al de kerkelijke zonden beschouwt als hem persoonlijk niet aangaande, en dus buiten persoonlijk conscientieconflict kan blijven, begrijpen wij niet waarom men telkens de boetbazuin doet hooren in de Herv. Kerk om de geloovigen tot schuldbelijdenis op te wekken.
Dr. Küyper heeft het doen voorkomen alsof het aanwezig zijn van openbare ongeloovigen in de Kerk ook door Art. 28 van onze Belijdenis gedekt wordt. Daar wordt gezegd, dat er altijd hypokriten in de Kerk zijn. Wanneer wij met onze Belijdenis zeggen, dat de Kerk eene vergadering van geloovigen is, denken wij er niet aan om het hart der leden te beoor-deelen. De maatstaf ter beoordeeling of iemand een geloovige is, ligt alleen in eene belijdenis en levenswandel overeenkomstig Gods Woord. Daaruit volgt vanzelf, dat wij met onze Belijdenis op grond van Gods Woord en in overeenstemming met de historie der Kerk aanvaarden, dat in deze Kerk, die eene vergadering van geloovigen is, hypokriten kunnen zijn. Het is mogelijk, dat enkele leden der Kerk, die volgens hunne belijdenis en hun leven voor ons naar onzen maatstaf geloovigen zijn, terwijl zij innerlijk vijanden zijn. De hypokriten zijn in de Kerk echter niet met den vinger aan te wijzen. Zoodra het voor ons naar voorwerpelijken maatstaf duidelijk wordt, dat een lid der Kerk slechts in schijn een geloovige is, en in
') 1 Cor. 5 en 11 : 17 â 32. Catech. vr. 82. Wanneer de gemeente een openbaren ongeloovige toelaat tot het avondmaal, wordt de toorn Gods over de gansche gemeente, dus ook over elk lid verwekt.
127
werkelijkheid een ongeloovige en vijand, wordt het voor ons openbaar, dat hij een hypokriet was, maar houdt ook juist daardoor op een hypokriet te zijn, wijl hij nu voor ons een openbare ongeloovige is. Een openbare ongeloovige is geen hypokriet. ') Ook de leden van wie wij vreezen, dat zij slechts historisch geloovigen zijn, zijn geen hypokriten. Hypokriten zijn huichelaars, kerkelijke tooneelspelers, voor wie het Christendom, de vroomheid een rol is. Zij doen zich voor als ware â¢geloovigen, als vromen en godzaligen, terwijl zij met hun hart vijanden zijn.
De hypokriten verbreken voor ons dus niet de organische eenheid der Kerk, wijl zij voor ons geloovigen zijn. In weerwil van hunne aanwezigheid is de Kerk als zichtbaar organisme van leden eene gemeenschap -der geloovigen. Deze eenheid is een levende, en openbaart zich dus in de gemeenschappelijke belijdenis 1) en het gemeenschappelijk leven in overeenstemming met Gods Woord.
De hypokriten behooren dus tot de normale deformatie der Kerk, die een noodzakelijk gevolg is van het onvolmaakte dezer bedeeling. Dit kan niet anders, omdat wij geen hartenkenners zijn. Al waren er ook 50 hypokriten in eene Kerk van 150 leden, zij zou voor ons even goed eene vergadering van geloovigen zijn, als eene Kerk waarin niet e'e'n is. Juist omdat de Kerk geen last en macht heeft om de harten te beoordeelen, is het aanwezig zijn van hypokriten geen zonde voor de Kerk. Zij is er niet verantwoordelijk voor. Het aanwezig zijn van hypokriten kan dus nooit een bewijs zijn voor de- valschheid eener Kerk, eenvoudig omdat zij als zoodanig
1
a) Heraut N0. 272. Terecht zegt Dr. Kuyper hier: âGemeenschappelijke belijdenis en dat alleen is het kerkbouwend element.quot;
128
onbekend zijn. Geheel anders is het echter met het aanwezig zijn van openbare ongeloovigen in de Kerk. Aangaande hen heeft de Kerk het gebod ontvangen: Doe ze uit u midden weg. Doet de Kerk dit niet, zelfs in weerwil van alle vermaningen, die tot haar komen, dan bewijst zij daardoor, dat zij zich niet meer onderwerpt aan het gezag van Christus. Evenals wij een lid van de Kerk, die aan openbare zonde schuldig is, niet meer als een geloovig lid kunnen beschouwen, wanneer hij, na herhaalde vermaning, in de zonde blijft volharden, zoo kunnen wij ook eene Kerk niet meer als geloovige Kerk beschouwen, wanneer zij na herhaalde vermaning toch in de kerkelijke zonde blijft voortleven, en ze zelfs op anti-nomiaansche wijze tracht goed te praten.
Uit al het overwogene is het-dus duidelijk, dat eene Kerk, die als instituut valsch is, tegelijk ook valsch is als organisme. De Kerk, als gemeenschap van leden is valsch, dus zoowel in hare levensgemeenschap der leden onderling, als in haren in-stituairen arbeid. De prediking des Woords, de bediening dei-sacramenten, en de oefening der tucht zijn de daden der Kerk. Uit deze werken moet zij haar geloof toonen. Wij hebben deze werken des geloofs niet gevonden bij de plaatselijke Herv. Kerk b. v. van Amsterdam. Wel vonden wij zulke werken in, maar niet van die Kerk.
Voor ons volgt uit dit alles, dat het de plicht der ge-loovigen is, zich af te scheiden van deze Kerk; indien het mogelijk is massaal, alle geloovigen tegelijk, maar kan dit niet, omdat sommigen of de meesten niet willen, welnu, dan individueel, elk voor zich zelf. De ongehoorzaamheid van anderen mag ons nooit terughouden om gehoorzaam te zijn aan den eisch des Heeren. Anders zijn wij den menschen meer gehoorzaam dan Gode.
VII.
THEORIEÃN VAN REFORMATIE,
De methoden of theorieën van reformatie heeft Dr. Kuy-per zeer breedvoerig ontwikkeld in het Tractaat van reformatie ') en in de Heraut. 2) Hij onderscheidt op de volgende wijze. De eerste methode is die van réveil; de tweede die van kerkherstel; de derde is de reformatie door breuke met het bestaande.
Wat de eerste methode betreft, zij kan in den eigenlijken zin geen reformatie der Kerk genoemd worden. Het réveil bedoelt toch niet de Kerk als zoodanig te reformeeren, maar alleen het geestelijke leven der geloovigen op te wekken. Zij betreft niet de kerkformatie, maar de enkele geloovigen. Het is trouwens ook bekend hoe weinig het réveil ook in ons land zich bekommerde om de Kerk als zoodanig. Het is veelmeer een algemeen christelijk dan een speciaal kerkelijk verschijnsel. Er is zelfs reden tot de vraag, of het kerkbegrip in het bewustzijn der geloovigen door het réveil niet veel-, meer gedeformeerd is dan gereformeerd.
Wat de methode van kerkherstel betreft, zij is tot op den huidigen dag gebleken een denkbeeldige methode te zijn. Het is de reformatie der Kerk in en door de Kerk. Toegepast in den eigenlijken zin is zij nog nooit. Noch in de Roomsche Kerk vóór de reformatie, noch in de reformatie der 16e eeuw, noch daarna is de methode van Kerkherstel toegepast. Het is tot heden eene leuze. Kerkherstel is immers de reformatie der bestaande zichtbare Kerk in en door die Kerk zelf. Er
') § 51-58.
) No. 586 â 602. Theorieën van kerkzuivering
9
130
ontstaat daardoor geen andere Kerk, noch naar haar wezen, noch naar hare formatie, naast of in de plaats van de bestaande Kerk. Indien de reformatie der 16® eeuw kerkherstel ware geweest, zou er nergens eene Gereformeerde Kerk naast eene Roomsche ontstaan zijn. Men heeft toen echter overal andere, nieuwe Kerken geformeerd naast of in de plaats van de Roomsche Kerken. Er was dus van het herstellen der Roomsche Kerk geen sprake. De reformatie der 16e eeuw was Afscheiding, zij het dan ook massale. Dat in enkele plaatsen de -meeste of bijna alle leden overgingen tot de Gereformeerde Kerk, is toe te schrijven aan den invloed der overheid. Indien de reformatie niet tegelijk eene staatkundige omwenteling, maar slechts eene zuiver kerkelijke reformatie geweest ware, zou het heel anders geweest zijn.
De geloovigen leefden tot op die reformatie in eene valsche kerkformatie. Zij scheidden zich hoofd voor hoofd daarvan af, al deden velen dit ook te gelijk, en vereenigden zich in gemeenschappelijke belijdenis, en formeerden daardoor een nieuwe zichtbare Kerk. In de hoedanigheid van lid der Roomsche Kerk kort niemand lid der Gereformeerde Kerk worden; evenmin als de Kerk in de hoedanigheid van Roomsche Kerk Gereformeerde Kerk worden kon. De Gereformeerde Kerk was naar wezen en formatie een ander lichaam, een ander geheel van leden, een andere zichtbare Kerk dan de bestaande Roomsche Kerk, en kwam er niet slechts naast, maar er zelfs tegenover te staan.
Van herstellen van de bestaande Kerk 'is hier dus geen sprake. De Roomsche Kerk bleef even verdorven als zij vroeger was. Of de methode van kerkherstel, in den zin zooals het tot heden opgevat wordt, een toepasbare methode is, zal de toekomst ons nog moeten leeren. Noch Erasmus en zijne medestanders in de Roomsche Kerk, noch de waarheidsvrienden in de Herv. Kerk, waren in staat ze toe te passen. In elk geval behoort réveil tot kerkherstel, en was kerkherstel tot heden niets dan een beetje re'veil. In geen opzicht zijn het dus twee onderscheidene methoden van reformatie.
Doch wij kunnen dit verder laten rusten, omdat voor ons de nadruk alleen valt op de methode van reformatie, die
131
Dr. Kuyper de derde noemt. Deze alleen staat rechtstreeks in verband met ons onderwerp. Hij noemt deze: »Reformatie der Kerk door breuke met het bestaande.quot; Volgens het Trac-taat kan dit op drieërlei wijze plaats hebben:
1. Door breuke met de bestaande organisatie.
2. Door breuke met het bestaande kerkverband.
3- Door breuke met de bestaande Kerk, of nieuwe kerk-formatie.
Welk onderscheid er bestaat tusschen de eerste en de tweede, vatten wij niet. Met »de bestaande organisatiequot; bij i. wordt bedoeld de reglementaire organisatie in de Herv. Kerk. Behalve deze organisatie moet er dus volgens 2. in de Herv. Kerk nog een ander kerkverband bestaan. Wij hebben dit nog nooit kunnen ontdekken. De geschiedenis heeft geleerd, dat de reglementaire organisatie het kerkverband is van de plaatselijke afdeelingen in de Herv. Kerk. Wanneer eene plaatselijke gemeente breekt met de reglementaire organisatie, komt zij daardoor te staan buiten alle kerkelijk verband met de Kerken, die in het reglementaire verband blijven. Zulk eene Kerk kan dan wel correspondentie hebben met enkele personen in de Herv Kerk, maar niet met eene plaatselijke Herv. Kerk als zoodanig. Geen plaatselijke Herv. Kerk zal afgevaardigden kunnen zenden naar een classis van Doleerende Kerken, en hare besluiten in de praktijk aanvaarden. Breken met de bestaande organisatie en breken met het bestaande kerkverband is dus één en hetzelfde.
In de Heraut wordt dit later ook feitelijk erkend. Daar vinden wij de volgende onderscheiding. »Er zijn in hoofdzaak drie theorieën van kerkzuiyering.quot; Theorie i. mijdt de separatie en poogt de Kerk in de Kerk te reformeeren.
Theorie 2. aanvaardt de separatie, maar in den vorm der Doleantie, door de Kerk van onder het zondig verband uit te leiden.
Theorie j. eindelijk zet de separatie zelfs in dat uiterste door, dat zij tot nieuwe kerkstichting overgaat.quot; 1)
Volgens het Tractaat kan de Kerk op drieërlei wijze breken
') Heraut N0. 597. Theorieën van kerkzuiyering.
132
met het bestaande; volgens de Heraut slechts op tweeërlei wijze. Dat er behalve de reglementaire organisatie nog een ander kerkverband tusschen de plaatselijke afdeelingen van de Herv. Kerk bestaat, is hier dus losgelaten. Behalve kerk-herstel is er dus slechts tweeërlei wijze van reformatie mogelijk. Wij meenen echter, dat het onderscheid tusschen theorie 2 en 3 even denkbeeldig is als dat tusschen 1 en 2 in het Tradaat.
Het oogpunt, waarvan de indeeling der drie theorieën in de Heraut uitgaat, is dat van separatie of afscheiding. Dr. Kuy-per zegt: 2gt;Elke Kerk, die in Doleantie ging, kon dit niet doen dan volgens het beginsel van separatie,quot; Naar het ons voorkomt wordt hier niet alleen het begrip Doleantie, maar ook het begrip separatie in een onhistorischen zin gebruikt. Separatie beteekent hier: afscheiding der Kerk van het kerkverband. In dien zin komt het in de Belijdenis niet voor. En voorzoover wij konden nagaan, gebruikt Voetius het ook niet in deze beteekenis. Separatie beteekent ook bij hem: afscheiding van personen, n.1. dat de geloovigen in eene plaatselijke Kerk zich afscheiden van de ongeloovigen, die er in zijn. Ook in de Doleantie van 1600 was er geen separatie van het bestaande kerkverband, maar van de in de plaatselijke Kerk aanwezige Remonstranten.
Om logisch juist te spreken, zegt Dr. Kuyper, zijn er eigenlijk slechts twee methoden van reformatie, t. w. reformatie zonder of met breuke van het kerkverband. ^ Afscheiding moet dus als methode van reformatie wezenlijk ook niets anders zijn dan breuke met het \x.x\verband, bi het is geen reformatie, maar scheurmakerij.
Wanneer wij Dr. Kuyper's onderscheiding der theorieën van reformatie in verband beschouwen met zijne onderscheidingen in het kerkbegrip, kunnen wij niet zien, dat alles zoo logisch juist is. Met het oog op zijne onderscheidingen in het kerkbegrip, zou men een geheel andere theorie van reformatie verwachten dan hij ons biedt. Wij hebben gezien, dat hij onderscheid maakt tusschen de onzichtbare Kerk, de zicht-
l) Heraut N0. 597. Theorieën van kerkzuivering.
133
bare organische Kerk, en de instituaire Kerk. De Kerk als instituut kan valsch zijn, terwijl de Kerk als geheel, als organisme van leden nog waar is. ') Daaruit volgt, dat de Kerk als instituut ook gedeformeerd kan zijn, terwijl de Kerk als geheel van leden nog zuiver is.
Wanneer nu de Kerk slechts ah instituut gedeformeerd (be-bedorven) is, moet er alleen reformatie van dit instituut plaats hebben. En nu zou men naar de onderscheiding van Dr. Kuy-per onwillekeurig denken, dat de Kerk als organisme gereformeerd moet worden, wanneer de deformatie zit in de Kerk als gemeenschap van leden, of de zichtbare organische Kerk, b.v. wanneer er openbare ongeloovigen tot het lichaam der Kerk behooren, ot wanneer er iets onzuivers is in den orga-nischen band van de gemeenschap der leden. Wanneer echter de Kerk als instituut niet slechts gedeformeerd, maar valsch was, zou de Kerk als instituut opnieuw geformeerd moeten worden. En was zij eindelijk ook als organisme, als zichtbaar geheel van leden valsch, dan zou er bo.vendien een nieuwe formatie van de zichtbare organische Kerk moeten plaats hebben. Bij het begrip Kerk in den anderen zin, waarin Dr. Kuyper het gebruikt, n.1. als onzichtbare Kerk, kan natuurlijk van geen deformatie en dus ook van geen reformatie sprake zijn.
Zoo van Dr. Kuyper's kerkbegrip uitgaande, zouden wij dus tot de volgende theorieën van reformatie komen. De reformatie kan tweeërlei zijn. Zij betreft
a. de Kerk als instituut, d. i. als inrichting tot den dienst des Woords;,en dit zou men instituaire reformatie kunnen noemen.
b. de Kerk als organisme, of de zichtbare organische Kerk, d. i. het geheel, de gemeenschap van leden; en dit zou men organische reformatie kunnen noemen.
Bij elk van deze twee methoden moet weer tusschen tweeërlei onderscheiden worden. Bij de Kerk als instituut kan het:
1 i Heraut N0. 532. âDeze (n.1. de zichtbare organische Kerk) is er, ook al ontbreekt tijdelijk elk instituut, of ook al is er niets dan een valsch instituut.
134
i. reformatie zijn door de instituaire Kerk zelf, wanneer de Kerk als instituut slechts gedeformeerd is..De reformatie kan dan geschieden door de ambtdragers en den kerkeraad. Dit is dan instituaire r efortnatie van deze Kerk in eti door de Kerk zelf.
Of 2. reformatie door breuke met het bestaande instituut, wanneer de Kerk instituair valsch is. Dan moet de Kerk als instituut opnieuw geformeerd worden. Dit is dan nieuwe instituaire formatie.
Ditzelfde is van toepassing op de zichtbare organische Kerk. Ook hierbij heeft men dan
i. reformatie van de Kerk als gemeenschap van leden door die organische Kerk zelf, wanneer zij als zoodanig slechts gedeformeerd is. Dit zou men kunnen noemen organische reformatie der Kerk.
Of 2 reformatie door breuke met het bestaande geheel van léden, wanneer de Kerk als gemeenschap van leden valsch is. Dan moet de Kerk als zichtbare organische Kerk opnieuw geformeerd worden. Dit zou dan nieuwe organische formatie kunnen heeten.
Als die onderscheidingen van Dr. Kuyper werkelijk gelden in toepassing op de fortnatie en de deformatie der Kerk, ons dunkt dan moeten zij ook vastgehouden en toegepast worden bij de reformatie en de nieuwe formatie der Kerk. Indien de Kerk toch slechts als instituut, afgedacht van de Kerk als zichtbare gemeenschap van leden, gedeformeerd of ook valsch kan zijn, zooals Dr. Kuyper beweert, dan behoeft zij ook slechts als instituut gereformeerd of opnieuw geformeerd te worden. Dr. Kuyper heeft echter die onderscheidingen bij zijne theorieën van reformatie niet vastgehouden. Het gevolg daarvan is, dat het verband tusschen zijn kerkbegrip en zijne theorieën van reformatie zeer onhelder, en naar ons voorkomt ook onlogisch is. Bij het ontwerpen van zijne theorieën van reformatie schijnt hij ei zich vooral op toegelegd te hebben, om zijn begrip van Doleantie er m op te nemen.
Het is niet zoo gemakkelijk om zich eene heldere voorstelling te vormen van Dr. Kuyper's beschouwing van de Kerk en hare reformatie. Vooral als men tusschen het eerste
135
en het laatste het verband tracht te vinden, zoekt men dikwijls tevergeefs. Op vele vragen, waartoe hij zelf aanleiding geeft, vindt men geen antwoord. De onderscheiding van de instituaire en de zichtbare organische Kerk doet toch onwillekeurig de vraag ontstaan: Hoe kan de Kerk als instituut valsch zijn, terwijl de Kerk als zichtbaar organisme nog waar is? Wij hebben voor die stelling van Dr. Kuyper nergens eenig bewijs en dus op die vraag geen antwoord gevonden. Evenzoo is het met de volgende vragen: Heeft de reformatie door breuke met het kerkverband alleen betrekking op de Kerk als instituut of ook op de Kerk als organisme? M. a. w. wordt daardoor alleen de dienst des woords gereformeerd, of ook het geheel van leden? Wordt in de Doleantie de Kerk als instituut gereformeerd, of ook de Kerk als organisme, als geheel van leden ?
Wanneer Dr. Kuyper nu telkens spreekt van reformatie der Kerk in de Kerk, en reformatie der Kerk door breuke met het bestaande; wat wordt dan bedoeld met het begrip Kerk\ de Kerk als instituut of als organisme? Reformatie der Kerk als instituut in en door die instituaire Kerk, is op zijn standpunt toch heel iets anders dan reformatie der Kerk als organisme, als geheel van leden in ett door deze organische Kerk. En heel iets anders is op zijn standpunt weer de reformatie der Kerk als instituut dooj- de Kerk als geheel van leden. Hij zegt toch, dat de Kerk als instituut valsch kan zijn, terwijl zij als zichtbaar organisme, als geheel van leden nog ware Kerk is. Dan moet de Kerk als inrichting van den dienst des woords gereformeerd, of eigenlijk geformeerd worden door de Kerk als zichtbaar geheel van leden. Is dit nu reformatie der Kerk in en door de Kerk; is dit kerkherstel of niet ? De Kerk zelf als zichtbaar geheel van leden reformeert immers. En toch moet het antwoord ontkennend zijn, wanneer wij letten op de omschrijving die Dr. Kuyper geeft van de methode van kerkherstel, d. i. van reformatie der Kerk in en door de Kerk zelf. Hij zegt: »Die regeeren reformeeren.quot; l) De Kerk als instituut is de inrichting tot den
') Heraut N0. 601.
136
dienst des Woords. Daartoe behooren dus alle regeerders of ambtdragers in de Kerk. Wanneer nu deze ambtdragers als zoodanig reformeerend optreden, dan is het reformatie der Kerk in de Kerk, d. i. kerkherstel. Dit is volgens Dr. Kuy-per de eerste theorie van reformatie. 1)
Bij de tweede theorie reformeeren de geloovigen als zoodanig en als corporatie (één geheel), vertegenwoordigende heel de Kerk. 2) Dit is dus volgens Dr. Küyper een andere theorie dan de eerste, en behoort dus niet tot die van reformatie der Kerk in de Kerk. Dit begrijpen wij niet. Indien hij zeide, dat deze theorie niet behoort tot de reformatie van de Kerk als instituut door die instituaire Kerk, dan zou het ons duidelijk zijn. Dan zouden wij deze tweede methode op de volgende wijze kunnen omschrijven: De zichtbare organische Kerk {de geloovigen) reformeert de Kerk als instituut door nieuwe instituaire formatie.
Deze methode moet immers een andere wezen dan de vorige, waarbij zij die regeeren reformeeren. Bij deze tweede methode is dit niet alzoo. Die regeeren kunnen niet reformeeren. Die regeeren, de ambtdragers, zijn de organen van de Kerk als instituut. Deze organen zijn tot de reformatie niet in staat. Het instituut kan zich zelf niet meer reformeeren. Anders zouden immers de. geloovigen als zoodanig het niet behoeven te doen. Kerkherstel is reformatie der Kerk in en door de Kerk zelf. Is het dan reformatie der Kerk buiten de Kerk, wanneer de geloovigen, vertegenwoordigende heel de Kerk, de Kerk reformeeren? De geloovigen in eene plaatselijke Herv. Kerk zijn de vertegenwoordigers van dat zichtbaar geheel van leden, met inbegrip ook van alle openbare ongeloovige leden. Zij vertegenwoordigen heel die Kerk, al zijn er ook slechts 25 geloovigen, die van de 300 of meer leden eener plaatselijke Herv. Kerk gaan doleeren; in en door deze 25 handelt heel die Kerk als geheel van leden. In die geloovigen zijn alle leden begrepen en vertegenwoordigd. Wanneer
1
') Heraut N0. 597: âTheorie één mijdt de separatie, en poogt de Kerk in de Kerk te reformeeren.quot;
2
) Heraut N0. 598.
137
dus de geloovigen reformeeren is dat hetzelfde als de Kerk reformeert.
Wanneer de regeerders ontrouw zijn in hun ambt, en niet reformeeren willen, nemen de geloovigen ambt en gezag, vroeger door hen aan die regeerders opgedragen, weer terug, en treden nu zelf in dat ambt en met dat gezag op om te doen, wat de regeerders, de ambtdragers, doen moesten. De geloovigen treden nu in de plaats van de regeerders. Zij treden nu zelf als regeerders op. Dus, »die regeeren reformeeren,quot; zooals bij de eerste theorie.
«Theorie ée'n mijdt de separatie, en poogt de Kerk in de Kerk te reformeerenquot;, zegt Dr. Kuyper. Wordt bij de tweede theorie de separatie dan niet gemeden ? De geloovigen handelen immers als vertegenwoordigers van heel de Kerk, met inbegrip van alle leden. Ook zelfs de ontrouwe ambtdragers worden in de hoedanigheid van leden door de geloovigen vertegenwoordigd. ') Men scheidt zich dus van geen enkel lid af, en nog veel minder van de bestaande plaatselijke HerV. Kerk. Wanneer men liet begrip separatie opvat in wettigen zin, n. 1. als afscheiding van de Kerk of van leden van de Kerk, kan men bewijzen, dat ook de tweede theorie van reformatie, door Doleantie aangeduid, de separatie mijdt. Uit alles blijkt, dat er, uit theoretisch oogpunt beschouwd, geen onderscheid is tusschen de eerste en tweede methode van reformatie. Doleantie is kerkherstel.
Blijven wij nog even op Dr. Kuyper's eigen standpunt staan, om van daar uit zijn theorie van reformatie nog uit een ander oogpunt te beschouwen. Hij spreekt van reformatie met of zonder breuke met het kerkverband. Het oogpunt van onderscheiding bij de theorieën van reformatie wordt hier dus gezocht in de verhouding, waarin de reformatie staat tot het kerkverband. Men lette er op, dat het eigenlijke punt, waarop de reformatie betrekking heeft, verlegd wordt uit de
') Heel deze ambtelijke vertegenwoordiging van de geloovigen is de toepassing van Dr. Kuyper's opvatting van het ambt der geloovigen als kerkelijk ambt. Heraut N0. 574 â 585. Dr. Wagenaar. Het ambt der geloovigen. Deze opvatting is echter nog met geen enkel bewijs uit de H. Schrift of uit de Belijdenis gestaafd.
138
plaatselijke Kerk als zichtbaar geheel van leden naar het kerkverband. Reformatie der Kerk in de Kerk beteekent dan eigenlijk niet reformatie der plaatselijke Kerk, maar reformatie van het verband, waardoor de plaatselijke Kerk met andere Kerken tot. één geheel verbonden is. Het is dan reformatie in zake het synodale of reglementaire kerkverband. Het wil dus zeggen: Reformatie der Kerk in of buiten, zonder of met hrcuke van dat kerkverband. Reformatie met breuke van het kerkverband is op het standpunt der Doleantie volstrekt geen reformatie met breuke van de bestaande Kerk.
Ook hieruit blijkt, dat Dr. Kuyper in de omschrijving van de theorieën van reformatie even onvast en onhelder is als in zijn theorie van het kerkbegrip. Het eene is een gevolg van het andere. Dat alles in de reformatie zoo in verband gebracht wordt met het kerkverband, geeft ons den indruk, dat déze theorie van reformatie ontworpen is met het oog op de synodale Herv. Kerk, zij gaat toch uit van de onderstelling, dat de plaatselijke Herv. Kerk nog een ware Kerk is, en dat de deformatie eigenlijk alleen bestaat in het reglementaire of synodale kerkverband. Men verzoekt de kerkre-geerders der plaatselijke Kerk het synodale juk af te werpen, d. i. het kerkverband met de synodale Kerk te verbreken, en terug te keeren tot de Dordsche kerkenorde. Weigeren de kerkregeerders dit, dan treden de geloovigen als zoodanig in hunne plaats kerkelijk handelend op, en doen wat des kerke-raads is. Zij werpen voor heel de plaatselijke Kerk het synodale juk af, en maken haar los uit het reglementaire kerkverband. Dit is de eigenlijke buitengewone daad, de eigenlijke reformatie in de Doleantie. Hetgeen er verder volgt is dan niet meer buitengewoon, niet meer bizonder reformatorisch, maar behoort tot het gewone ambtelijke werk van den nieuwen kerke-raad. Op deze wijze is het eigenlijk reformatorische niets anders dan reformatie der Kerk in zake haar kerkverband.
De vraag is, of het op Dr. Kuyper's eigen standpunt juist is, het eigenlijke punt van reformatie te zoeken in het reglementaire kerverband, en van uit dit oogpunt de theorieën van reformatie te onderscheiden. Wanneer wij spreken van reformatie der Kerk, dan denken wij op Gereformeerd stand-
139
punt toch aan de plaatselijke Kerk als zoodanig. Hij heeft het ons zelf lang en breed aangewezen, dat de deformatie begint in de plaatselijke Kerk; ') en daaruit volgt nu dat de deformatie of ook de valsche formatie van het kerkverband een gevolg is van de deformatie of valsche formatie van de plaatselijke Kerken. Wie in het werk der reformatie zuiver wil gaan, moet dus altijd bij de plaatselijke Kerk beginnen. Deze moet als zoodanig gereformeerd worden. En daaruit volgt ook, dat bij de onderscheiding der theorieën van reformatie niet gevraagd moet worden, in welke verhouding de reformatie staat tot het kerkverband, maar alleen in welke betrekking zij staat tot de plaatselijke Kerk. Dan volgt als van zelf de volgende onderscheiding in de theorieën van reformatie. Er is dan eene reformatie zonder breuke met de plaatselijke Kerk, en eene reformatie door breuke met de plaatselijke Kerk.
Reformatie zonder breuke met de plaatselijke Kerk, is ook reformatie zonder breuke met het kerkverband, wijl het ondenkbaar is, dat Kerken in ware formatie, zij het ook gedeformeerd, zouden zitten in valsch kerkverband. Volgens de wet der ontwikkeling van de deformatie, gaat het van beneden uit, en daaruit volgt, dat de plaatselijke Kerk eerder valsch wordt dan het kerkverband. Zoolang dus de plaatselijke Kerk niet valsch is, kan ook het kerkverband niet valsch zijn, en behoeft er niet mede gebroken te worden.
Reformatie door breuke met de plaatselijke Kerk, heeft altijd breuke met het kerkverband tengevolge; en breuke met het kerkverband is ook breuke m'et de plaatselijke kerkformatie. De geschiedenis geeft ook geen voorbeeld van normale reformatie, of breuke met het kerkverband is ook breuke met de plaatselijke Kerk, en dus nieuwe kerkformatie. 1) Voor een logisch juiste en Gereformeerde onderscheiding van de methoden van reformatie, geldt dus alleen de vraag: In welke verhouding staat de reformatie tot de formatie der plaatse-
1
) De Doleantie van 1600, waarbij men zich wel separeerde van de Remonstranten, en schijnbaar van de plaatselijke Kerk, was geen breken met het kerkverband. Zij was echter een gansch abnormale reformatie. Wij hopen dit nog wel eens aan te wijzen.
140
lijke Kerk. De verandering, die de reformatie in het kerkverband brengt, is slechts gevolg en bijkomstig. En wat gevolg en bijzaak is in de reformatie mag niet tot het wezen en de hoofdzaak gemaakt worden. Het komt ons voor, dat deze opvatting geheel in overeenstemming is met Dr. Kuy-per, die zoo sterk den nadruk gelegd heeft op de plaatselijke Kerk.
Toch kon hij bij de onderscheiding van de methoden van reformatie dit zuiver Gereformeerd standpunt niet innemen, omdat hij de eigenlijke deformatie zijner Kerken niet zag in de plaatselijke Kerken als zoodanig, maar in het kerkverband, in het reglementair genootschap. Had hij nu aanvaard, dat dit collegialistisch kerkverband een gevolg was van de deformatie der plaatselijke Kerken, en dus openbaring was van wat deze Kerken zelf waren, het zou hem niet van de rechte lijn geleid hebben. Maar juist dit aanvaardt hij niet. Het reglementair of synodaal genootschap is als een net of stolp om de plaatselijke Kerken heen, als een aan die Kerken geheel vreemd kerkverband. Voorzoover er nog deformatie in de plaatselijke Kerken erkend wordt, is dit alleen reglementaire deformatie, een gevolg van het van buiten aangebrachte en gedwongen opgelegde synodale juk. Wij beschouwden het juist omgekeerd; het reglementair, het collegialistisch kerkverband is een gevolg en bewijs van de deformatie der plaatselijke Kerken. En de historie, ook die der Doleantie, heeft deze beschouwing gerechtvaardigd.
Nu Dr. Kuyper het genoemde standpunt eenmaal ingenomen had, en in overeenstemming met de aloude waarheidsvrienden de deformatie alleen zocht in het kerkverband, vond hij hier ook het eigenlijke punt voor de reformatie, en dus ook het punt van onderscheiding wat de theorieën van reformatie betreft. Zoo kwam hij tot de twee theorieën; Reformatie zonder breuke met het kerkverband; en reformatie door breuke met het kerkverband. Van reformatie door breuke met de historisch bestaande zichtbare Kerk kan volgens de theorie van Dr. Kuyper geen sprake zijn. Doleantie is dus goed bezien reformatie der Kerk in en door de Kerk zelf. Nog eens, Doleantie is kerkherstel.
141
Doch wij voegen er dadelijk bij: Dit is de abstracte, theoretische Doleantie. En men vergunne ons te onderzoeken of de feitelijke Doleantie gelijk is aan de theoretische.
Doleantie is reformatie der plaatselijke Kerk in corporatieven zin door breuke met het kerkverband. De Afscheiding was in den aanvang hetzelfde, beweert Dr. Kuyper. 1) Later kwam men tot nieuwe kerkstichting, en daardoor heeft men het oorspronkelijke standpunt der Afscheiding verlaten. Wij zien daarin ontwikkeling, Dr. Kuyper verloochening van het beginsel der Afscheiding van 1834. Wij meenen, dat Doleantie en Afscheiding wezenlijk slechts ééne methode van reformatie is, terwijl Dr. Kuyper beweert, dat zij wezenlijk twee zijn. Hij tracht dit ook te bewijzen door enkele punten van onderscheid aan te geven tusschen deze beide methoden. Tot hiertoe hebben wij de Doleantie beschouwd in het licht van Dr. Kuyper's theorie; laten wij haar nu nog even beschouwen in het licht der feiten, en daarbij de bewijzen voor het onderscheid tusschen Doleantie en Afscheiding (nieuwe kerkstichting) wat nader beschouwen. Wij zullen ze bespreken in de volgorde, waarin Dr. Kuyper ze in de Heraut gegeven heeft.
Het eerste bewijs is, dat in de Doleantie de geloovigen als zoodanig en als corporatie handelen, representeerende heel de Kerk 2), terwijl bij de Afscheiding elk geloovige individueel de Kerk verlaat, en dus alleen voor zich zelf handelt.
Wanneer de kerkeraad geweigerd heeft de reformatie ter hand te nemen, treden de geloovigen als zoodanig en als corporatie handelend op, doende wat des kerkeraads is. Het recht daartoe wordt op de volgende wijze bewezen. »De macht der Kerk is door Christus oorspronkelijk niet in de voorgangers, maar in de geloovigen gelegd.quot; 2) De geloovigen dragen die macht gemeenschappelijk over op de voorgangers, waardoor die voorgangers handelen, representeerende al de geloovigen, d. i. de Kerk. Worden deze voorgangers ontrouw, dan nemen de geloovigen de macht weer terug. Zij roepen
1
) Heraut N0. 597 e. a. p.
2
a) Heraut N9. 598.
142
alle leden der Kerk op, en die dan opkomen treden handelend op, en hunne besluiten zijn wettig en bindend ook voor p,llen, die niet tegenwoordig zijn, wijl zij tegenwoordig konden zijn. Denk u nu eens dat b. v. te Amsterdam of te Frane-ker alle leden der Herv. Kerk waren opgekomen, en met de doleerend gezinde leden hadden besloten over de vraag, of men het synodale juk zou afwerpen; wat zou het besluit geweest zijn. De Doleerenden handelen krachtens hun lidmaatschap der Herv. Kerk. ') Al die anderen zijn lidmaten van diezelfde Kerk als de Doleerenden, en zij konden dus krachtens datzelfde lidmaatschap met meerderheid een even wettig besluit nemen voor de Kerk als de Doleerenden. Zouden de Doleerenden dit besluit dan ook voor hen als bindend beschouwd hebben? Zoo ja, dan ware er van reformatie niets gekomen. Zoo neen, dan moesten zij tot nieuwe kerkstichting komen.
Om de rechtsgeldigheid van het besluit van de doleerende geloovigen voor heel de Kerk duidelijk te maken, beroept Dr. Küyper zich op het voorbeeld van »het Engelsche parlement, dat voor het Lagerhuis uit pl. min. 700 leden bestaat, terwijl toch gedurig besluiten genomen worden met 50, 60 en minder stemmen.quot; Dit voorbeeld is onjuist, wijl deze 50 of 60 hier niet handelen als representeerende de 700, die recht hebben om te besluiten, maar als representeerende het volk, dat zijn recht op hen overgedragen heeft. Krachtens deze overdracht alleen kunnen zij rechtsgeldige besluiten nemen. En juist deze overdracht bestaat bij de geloovigen in zake de Doleantie niet. Bovendien zijn de besluiten van die 50 of 60 dan alleen rechtsgeldig, wanneer de wet dit zegt. En nu heeft Dr. Kuyper geen enkel woord aangehaald uit de Schrift, de Belijdenis of de Dordsche kerkenorde, waaruit hij bewijst, dat de besluiten van de geloovigen als zoodanig representee-
') Heraut N0. 601. Of maakt Dr. Kuyper onderscheid tusschen de âformatie van de Kerk van Christus, die te dier plaatse nog bestaatquot; en de Herv. Kerk als geheel van leden op die plaats? 'tls mogelijk. Doch dit maakt ons bezwaar niet krachteloos, wijl hij toch al de leden der Herv. Kerk erkent als leden van die formatie van de Kerk van Christus. Anders konden de doleerende geloovigen hen immers niet representeeren.
143
rende heel de plaatselijke Herv. Kerk, voor heel die Kerk rechtsgeldig zijn.
Doch er is meer. De geloovigen als.zoodanig zijn in hun reformeerend handelen vertegenwoordigers van heel de Kerk. Gaat dit niet uit van de gansch ongereformeerde onderstelling, dat er eene menigte ongeloovigen in de Kerk zijn en gerekend worden te behooren tot de Kerk. Met hen, die door de geloovigen gerepresenteerd worden, bedoelt Dr. Kuyper niet alleen het zaad der geloovigen, maar ook b. v. in Amsterdam al die duizende leden van de Herv. Kerk, die niet mede doleeren, omdat zij naar den maatstaf der Schrift min of meer openbare ongeloovigen zijn. Die allen behooren tot de Kerk, die door de geloovigen d. i. de Doleerenden, vertegenwoordigd wordt. ') Op het standpunt van het Gereformeerd kerkbegrip is dit onmogelijk. De Kerk is immers de vergadering der geloovigen. De geloovigen representeeren niet de Kerk, maar de geloovigen zijn de Kerk. Hieruit volgt ook de onjuistheid van de stelling: 2gt;De macht der Kerk is door Christus oorspronkelijk niet in de voorgangers, maar in de geloovigen gelegd,quot; wijl hier opzettelijk het begrip de geloovigen, en niet het begrip de Kerk gebruikt wordt. De onderscheiding tusschen de geloovigen en de Kerk is naar onze meening ongereformeerd. De macht der Kerk is in de geloovigen gelegd, wil toch niet zeggen: in elk geloovige individueel, maar in de geloovigen gemeenschappelijk, en is dus hetzelfde als de macht is in de Kerk gelegd, wijl de Kerk de gemeenschap der geloovigen is.
Uit dit alles volgt nu, dat dit eerste punt van onderscheid tusschen Doleantie en Afscheiding slechts denkbeeldig is. Waar de geloovigen handelen is dit hetzelfde als'de Kerk handelt; de geloovigen reformeeren niet representeerehde de Kerk, maar zijnde de Kerk, wat hare openbaring of zichtbare
') Dit is, naar ons voorkomt rechtstreeks in strijd met hetgeen Dr. Kuyper zelf zegt in de Heraut N0. 596: âIn de Kerk is uitsluitend voor de geloovigen plaats, en wie, hoewel ongeloovig, toch in de Kerk leven wil, moet dit alleen kunnen doen door hypok riet te wezen.quot; Dit is geheel juist, - indien het begrip hypokriet hier maar in de juiste beteekenis wordt opgevat. Zie pag. 126.
144
formatie betreft. Deze Kerk omvat dan in hare formatie alleen de doleerende geloovigen, die in gemeenschappelijke belijdenis reformeerend, of eigenlijk opnieuw formeerend optreden. Deze kerkformatie is dan een nieuwe in vergelijking met de Herv. Kerk als formatie. Doleantie is dus feitelijk Afscheiding.
Dr. Kuyper heeft* echter nog een tweede punt van verschil tusscben Doleantie en Afscheiding aangegeven. Het staat rechtstreeks in verband met het vorige. In de Doleantie handelen de geloovigen massaal, corporatief en kerksgewijze; in de Afscheiding handelen zij individueel, elk op en voor zich zelf. Wij hebben er vroeger reeds opgewezen, dat het verschil tusschen Doleantie en Afscheiding volgens de theorie van Dr. Kuyper niet daarin bestaat, dat het eerste is massale Afscheiding en het tweede individueele Afscheiding, maar daarin, dat het eerste is geene Afscheiding van de historisch bestaande Herv. kerkformatie, en het tweede wel. Is de Doleantie feitelijk wel Afscheiding van de bestaande Herv. kerkformatie, gelijk uit het vorige bleek, en uit het volgende nog duidelijker zal worden, dan volgt als van zelf, dat ook het massale, corporatieve en kerksgewijze handelen van de geloovigen slechts denkbeeldig bestaat.
In de Afscheiding heeft men zich nooit willen separeeren van de geloovigen als zoodanig, die nog in de Herv. Kerk bleven, maar slechts van hen als leden van de Herv. Kerk. Het was geene Afscheiding van de geloovigen, maar Afscheiding van de in hun oog valsche Kerk als zoodanig, en dus ook van alle geloovigen in die Kerk in hun qualiteit van leden der Herv. Kerk. Is nu die Herv. Kerk als formatie valsch, dan volgt daaruit, dat de geloovigen in die Kerk ook niet meer kerksgewijze, d. i. massaal handelen kunnen, tenzij zij zich eerst individueel in nieuwe kerkformatie vereenigen. Dit doen feitelijk de Doleerenden evenals de Afgescheidenen dit gedaan hebben. Elke Doleerende begint met een individueele daad, door zich met elkander té vereenigen in eenheid van Belijdenis en kerkenorde. Dit doen zij niet in hun qualiteit van leden der Herv. Kerk. Want als zoodanig hebben zij geene Belijdenis. De Herv. kerkformatie is een reglementaire.
145
geen confessionede formatie, geen kerkelijke gemeenschap in eenheid der Belijdenis. Wanneer men zich in gemeenschappelijke Belijdenis vereenigt, doet men dit dus niet als lid der Herv. Kerk, niet krachtens zijn lidmaatschap, maar in strijd daarmede, en feitelijk verbreekt men daardoor zijn lidmaatschap. Men doet het individueel als geloovigen, elk voor zich zelf. En of men nu zijn lidmaatschap bij de Herv. Kerk opzegt of niet opzegt, dat doet er niet toe; feitelijk heeft men het individueel verbroken. Doleeren is eene handeling niet krachtens, maar in strijd met zijn lidmaatschap der Herv. Kerk. En daarom kan niemand doleeren in de qualiteit van lid dei-zichtbare plaatselijke Herv. Kerk als geheel van leden. En daaruit volgt, dat men het ook niet massaal of kerksgewijze kan doen. Dr. Kuyper zegt zelf: «Gemeenschappelijke belijdenis, en dat alleen is het kerkbouwend element.quot; In de Herv. Kerk bestaat deze gemeenschappelijke belijdenis niet. Het ware kerkbouwend element ontbreekt er dus. Voor dat men zich kerksgewijze kan openbaren, moet men zich dus individueel bij elkander aansluiten in gemeenschappelijke belijdenis, en eerst daarna kan men formeel kerkelijk of kerksgewijze handelen. Of men dan ook nog eens gemeenschappelijk het synodale juk afwerpt, wat men individueel voor dien tijd reeds heeft gedaan door er zich aan te onttrekken, of dat men denkt, zooals vele Afgescheidenen, dat het laatste voldoende is, maakt geen wezenlijk verschil.
Ook hieruit volgt dus wederom: Doleantie is feitelijk Afscheiding.
In verband met de twee genoemde punten, wijst Dr. Kuyper nog op een derde punt van verschil tusschen Doleantie en Afscheiding. In de Doleantie treden de geloovigen op en continueeren de oude firma in nieuwe formatie, terwijl men in de Afscheiding tot nieuwe kerkstichting komt.
Dr. Kuyper legt telkens den nadruk op de geloovigen. Wij moeten echter de opmerking maken, dat in de Doleantie b. v. in Amsterdam niet de, al de geloovigen doleeren, evenmin als zij alle meêdeden in de Afscheiding. Slechts geloovigen doen het, en er blijven ook nog vele geloovigen in de Herv. Kerk. Deze geloovigen nu continueeren (doen voort-
10
146
bestaan) de oude firma in nieuwe formatie. De oude firma ; â vreemd beeld. In welk opzicht gelijkt de Kerk op eene firma? Bedoeld wordt natuurlijk de oude Kerk; en deze wordt voortgezet in de nieuwe formatie der Doleerende Kerk. Uit dit begrip »nieuwe formatiequot; volgt dat de oude formatie valsch was. Doleantie is dus nieuwe kerkformatie, en wat is dit anders dan de nieuwe kerkstichting in de Afscheiding. Wat wordt nu door het begrip »oude Kerkquot; verstaan in onderscheiding van de » oudequot; en de »nieuwe formatie rquot; Wij verstaan hier onder Kerk het geheel der geloovigen, die individueel in de Herv. Kerk leven, en zich daar niet openbaren in eigen kerkformatie, als zichtbaar geheel van leden, maar leden zijn van de valsche formatie. Wij vreezen echter, dat Dr. Kuyper iets anders bedoelt. Hij zal wel de reglementaire organisatie bedoelen als oude formatie. En »de oude Kerkquot; in deze formatie zal wel zijn de instituaire en zichtbare organische Kerk. Daar wij deze onjuiste onderscheidingen vroeger reeds besproken hebben» behoeven wij er hier niet op in te gaan. Verstaat hij door het doen voortbestaan van »de oude Kerk in nieuwe formatie,quot; dat de geloovigen in de Herv. Kerk zich in de Doleantie in eene nieuwe kerkformatie openbaren, dan is dit hetzelfde als de Afscheiding. Wil het iets anders zeggen, dan is het onjuist, want dan wordt door »de oude Kerkquot; een zichtbaar geheel van leden, eene kerkformatie aangeduid. Nieuwe formatie be-teekent dan niet een andere formatie of geheel van leden dan de plaatselijke Herv. Kerk, maar zegt dan alleen, dat de bestaande formatie vernieuwd is, zonder een andere te worden. Als formatie, als zichtbaar geheel van leden, is de Doleerende Kerk immers geen andere Kerk dan de plaatselijke Herv. Kerk. ^
') l;De oude Kerk in oude formatiequot; wil dan zeggen: De plaatselijke Herv. Kerk als zichtbaar geheel van leden in het reglementair of synodale kerkverband. âDe oude Kerk in nieuwe formatiequot; duidt dan aan: De plaatselijke Herv. Kerk buiten dat reglementaire kerkverband, nu bestaande in het nieuwe, d. i. Gereformeerde kerkverband. Op het standpunt van Dr. Kuyper moet het zoo wel opgevat worden; want als wij het begrip âformatiequot; hier toepassen op de plaatselijke Kerk, dan zou er uit volgen, dat de plaatselijke Doleerende Kerk in vergelijking met de plaatselijke Herv. Kerk eene nieuwe en dus een andere kerkformatie was. Dit is Afscheiding.
147
De feitelijke toestand leert echter, dat de plaatselijke Herv. Kerk niet voortgezet wordt in de Doleerende Kerk, wijl de oude zichtbare Herv. Kerk, b. v. te Amsterdam, naast de Doleerende blijft voortbestaan. Om het beeld van Dr. Kuyper even te gebruiken, de oude firma zelf ondergaat geen enkele wijziging. Alleen gaan er eenige of vele firmanten uit, die naast de oude firma een nieuwe oprichten. Alleen bij de methode van kerkherstel is het mogelijk om de oude Kerk als zichtbaar geheel van leden te doen voortbestaan. De Do-leerenden reformeeren de historisch bestaande zichtbare Herv. Kerk niet, evenmin als wij dit gedaan hebben. Deze blijft te Amsterdam even ongereformeerd voortbestaan als zij vóór de Doleantie was. De Doleerende Kerk van Amsterdam is als kerkformatie geene voortzetting van de Herv. Kerk. Dit is eene onmogelijkheid, wijl die Herv. Kerk dan ware formatie moest zijn.
Van reformatie kan alleen gesproken worden in toepassing op de Kerk als zichtbare formatie. Nu weten wij, dat de ge-loovigen zich als zichtbare Kerk, d. i. als formatie openbaren, wanneer zij als e'én geheel, als eene gemeenschap optreden. Datgene wat hen tot één geheel, tot eene kerkformatie maakt, is het kerkformeerend element. Dr. Kuyper zelf zegt, dat gemeenschappelijke belijdenis, en dat alleen, het kerkbou-wend, d. i. het kerkformeerend element is. Bekend is dat de Herv. Kerk van Amsterdam, als zichtbaar geheel van leden, geen in haar levende, ware Belijdenis heeft. »De Belijdenis ligt dood in de kist.quot; Zij is dus belijdenisloos. Het ware kerk-formeerende element ontbreekt er dus.
Toch bestaat er eene kerkformatie; er is eene kerkelijke gemeenschap van leden. Er is dus ook een kerkbouwend element. Dit is niet de ware belijdenis, maar de synodale reglementen. De Herv. Kerk als zoodanig heeft geene belijdenis; elk lid heeft er voor zichzelf een, of misschien ook geen. De Herv. Kerk is dus geen confessioneele, geen kerkformatie in eenheid van belijdenis, maar een reglementaire kerkformatie. De reglementen zijn het eenigste, wat al de enkele leden tot één kerkelijk geheel verbindt. Dit kerkformeerend element is valsch; derhalve is ook de Herv. Kerk als formatie valsch.
148
, wijl nu de plaatselijke Herv. Kerken geene kerkformaties zijn ^ in eenheid der ware belijdenis, en dus geen ware formaties, kunnen zij als zoodanig ook niet voortgezet worden in de Doleantie. Wat niet bestaat, kan niet voortgezet worden. Als reglementaire formatie wil men de plaatselijke Kerk niet voortzetten in de Doleantie, wijl men het reglementaire juk afwerpt, d. i. de reglementaire kerkformatie verlaat. Voortzetting van de historisch bestaande zichtbare plaatselijke Herv. Kerk, bestaat er in de Doleantie dus noch in confessioneelen zin, noch in reglementairen zin, derhalve niet. in kerkelijk formeelen zin.
Dat de plaatselijke Herv. Kerk geen zichtbare gemeenschap van leden is in eenheid der ware belijdenis, wordt theoretisch niet, maar feitelijk toch wel erkend door de Doleeren-den zelf. »Zoodra de geloovigen optreden, moeten zij hun geloofsbrieven toonen, alvorens recht tot actie te hebben.quot; Zij moeten erkennen de Belijdenis der Kerk. 1) Zoo eischt men ook van allen, die zich later bij de Doleantie aansluiten, instemming met de Belijdenis. Dit gaat dus uit van de onderstelling dat de Belijdenis tot op dat oogenblik als kerk-bouwend element niet bestond bij de leden der Herv. Keik. »Bewijs van lidmaatschap der Herv. Kerk is geen voldoende geloofsbrief.quot; 0 Men is niet als ware belijder lid van de Herv. Kerk. Het lidmaatschap staat of valt met de gehoorzaamheid aan de reglementen.
Daaruit nu volgt zeer natuurlijk dat de Doleerenden hunne reformatie aanvangen door elk voor zich zelf belijdenis te doen. Hier begint nu de zichtbare formatie van de Doleerende Kerk. Immers «gemeenschappelijke belijdenis, en dat alleen, is het kerkbouwend element.quot; Deze kerkformatie, dit zichtbaar geheel van leden is in vergelijking met de Herv. kerkformatie nieuw. De Doleerende Kerken zijn dus niet de voortzetting van de Herv. Kerken.
De Kerk van Christus in het algemeen, opgevat als het ge-
') Heraut N0. 598. Hier wordt zeker bedoeld, de Belijdenis der vroegere , I Gereformeerde Kerk. De Herv. Kerk als zoodanig heeft immers geene Be-; » lijdenis.
149
heel van alle geloovigen op aarde, is in de Herv.- Kerken nog in enkele leden gepresenteerd (aanwezig). Doch niet in de hoedanigheid van leden der Herv. Kerk vertegenwoordigen zij daar de Kerk van Christus, maar in de hoedanigheid van geloovigen. Niet in de Herv. Kerk ah zooda?üg, maar in deze geloovigen 171 de Herv. Kerk is de vroegere Gereformeerde Kerk voortgezet; en deze geloovigen nu verbinden de Doleerende Kerken aan de vroegere Gereformeerde Kerken. Indien de Herv. Kerken geloovige Kerken waren, zouden zij de voortzetting zijn van de vroegere Gereformeerde Kerken; en dan zouden ook de Doleerende Kerken voortzetting kunnen zijn van die Herv. Kerken. Doch in dat geval zouden zij niet buiten.de Herv. Kerken gekomen zijn; evenmin als de Afgescheidenen dan andere Kerken naast en tegenover de Herv. Kerken zouden geformeerd hebben. Doleantie is dus, ook uit dit oogpunt beschouwd, feitelijk gelijk aan de Afscheiding.
Met voorbijgang van andere onjuistheden van Dr. Kuy-per's beschouwing over Afscheiding en Doleantie, onjuistheden, die voor de hoofdzaak van minder belang zijn, 1) willen wij nog even onze aandacht vestigen op enkele gevolgtrekkingen, die hij uit de boven genoemde punten van onderscheid afleidt. »Wel spreekt het van zelf, zegt hij, dat deze derde theorie (de Afscheiding) eerst recht van bestaan erlangt, als theorie ée'n en twee (kerkherstel en Doleantie) onprofijtelijk bleken.quot; 2) Indien Doleantie en Afscheiding wezenlijk onderscheiden zijn, is dit volkomen waar. Maar daaruit zou dan ook onvermijdelijk volgen, dat Dr. Kuyper, op zijn standpunt aan de Kerken der Afscheiding, die na 1834 zijn ontstaan, alle recht van bestaan moet ontzeggen. Zij zijn immers geformeerd naar eene theorie, die toen, en zelfs nu nog geen
1
,) Om nog eens iets te noemen. In N0. 601 van de Heraut stelt hij de nieuwe kerkformatie in de Afscheiding voor alsof zij nieuwe plantaiie der Kerk bedoelde. Alsof wij ontkenden, dat de Kerk van Christus in vele Herv. Kerken nog in enkele geloovigen gepresenteerd is. Wij ontkennen alleen, dat de Herv. Kerk als zichtbaar geheel vafi leden, de openbaring, de ware formatie is van de Kerk Van Christus.
2
) Heraut N0. 601.
150
recht van bestaan heeft. De Afscheiding heeft eerst recht van bestaan, wanneer de Herv. Kerken valsche Kerken zijn. Zoolang dit nog niet het geval is, kan de methode van Doleantie toegepast worden, waarbij, zoo men zegt, geen nieuwe Kerken naast en tegenover de Herv. Kerken geformeerd worden. En terwijl deze methode thans nog toepasbaar is, heeft men voor 50 jaren reeds de methode van Afscheiding toegepast, en daardoor reeds uitgemaakt, dat de Herv. Kerken valsche Kerken waren. Nu blijkt bij de Doleantie, dat zij nog ware Kerken zijn. Dit is de zonde der Afscheiding.
Doch indien het onderscheid tusschen de Doleantie en de Afscheiding slechts denkbeeldig, en het feitelijk één en hetzelfde is, dan wordt het gansch anders. Dr. Kuyper tracht echter nog eens het onderscheid aan te wijzen. »De tweede theoriequot; (Doleantie), zegt hij, »gaat uit van de onderstelling, dat als ze op 1 Januari 18Q0 in werking treedt, er op 1 December 1889, hoe gebrekkig ook, toch nog eene formatie van de Kerk van Christus te dier plaatse bestond; dat de geloovi-gen tot die formatie behooren; en dat deze krachtens de rechten, die deze formatie hun gaf, alsnu reformeeren.quot; ')
Al wederom wordt de zaak hier onjuist voorgesteld, en dientengevolge eene onjuiste gevolgtrekking gemaakt. Het is niet de vraag, zooals Dr. Kuyper het hier doet voorkomen, of er i7i de plaatselijke Herv. Kerk, hoe gebrekkig ook, nog eene formatie van de Kerk van Christus bestaat, maar of die plaatselijke Herv. Kerk ah zoodanig, als zichtbaar geheel van leden, nog eene ware formatie is van Christus' Kerk. Het is niet de vraag, of de Kerk van Christus zich nog op eeniger-lei wijze openbaart in de Herv. Kerk, maar of die Herv. Kerk zelf de openbaring is van Christus' Kerk. Ook de Afscheiding aanvaardt immers, dat in eene plaatselijke Herv. Kerk, waarin nog geloovigen zijn, de Kerk van Christus nog in enkele belijders gepresenteerd is en voortleeft. Dat er eene zekere kerkelijke eenheid van die geloovigen onderling in de Herv.
') Met die formatie bedoelt Dr. Kuyper toch zulk eene, waartoe alle leden der plaatselijke Herv. Kerk behooren.
151
Kerk kan ontstaan, zoo iets van een zeer primitieve kerkfor-matie, b. v. in de vroegere vereenigingen der waarheidsvrienden, dit ontkennen wij niet. Doch deze eenheid is dan in elk geval niet beperkt tot de geloovigen in de Herv. Kerk; ook de eenheid tusschen hen en de geloovigen in de andere Kerken blijft niet geheel verborgen. Indien nu deze eenheid der geloovigen, die op eenigerlei wijze openbaar wordt, den naam van kerkformatie dragen mag, dan is deze formatie niet alleen in de Herv. Kerk, maar in alle Kerken, waarin geloovigen zijn.
Doch dit' doet hier niets ter zake. De vraag is uitsluitend en alleen of de plaatselijke Herv. Kerk als formatie nog de ware Kerk van Christus is. En dan is het duidelijk, dat het antwoord beslist ontkennend moet zijn, wijl de Herv. Kerken geen ware confessioneele, maar collegialistisch reglementaire kerkformaties zijn. Daaruit volgt nu van zelf, dat de geloovigen krachtens hun geloof tot deze Herv. Kerkformatie niet behooren, wijl het geen formatie is in eenheid der ware belijdenis. Zij moeten zich dus afscheiden. Krachtens hun geloof mogen zij geen leden zijn van een ongeloovige Kerk.
De onjuistheid van de volgende stelling is nu openbaar. »Dat de geloovigen krachtens de rechten, die deze formatie hun gaf, alsnu reformeeren.quot; Met deze »formatiequot; wordt niet bedoeld, wat wij zoo even eene zeer primitieve kerkformatie noemden, want deze is dan, zoo zij bestaat eene andere gemeenschap en geheel van leden dan de Herv. kerkformatie; in vergelijking hiermede een gansch nieuwe, waartoe alleen de geloovigen in de Herv. Kerk behooren; het is dan eene primitieve afgescheiden kerkformatie. En daaraan kan men toch waarlijk geen rechten ontleenen om de Herv. Kerk als formatie te reformeeren. Dit is dan ook overbodig, wijl men feitelijk reeds begonnen is met nieuwe kerkstichting. Door de formatie, waaraan de geloovigen volgens Dr. Kuyper hunne rechten ontleenen om de Herv. Kerk te reformeeren, wordt echter de Herv. kerkformatie zelf bedoeld. Doch de plaatselijke Herv. kerkformatie kan aan de geloovigen geen ware rechten geven, wijl zij valsche formatie is. Krachtens het lidmaatschap der Herv. Kerk, krachtens de rechten, die deze formatie hun
152
gaf, kan geen geloovige optreden om te reformeeren naar eisch der H. Schrift. Hoe men het keere of wende, er blijft niets anders over dan dat de geloovigen zich afscheiden van de Herv. kerkformatie, en krachtens het recht, ontleend aan het ambt der geloovigen, in nieuwe kerkformatie zich openbaren. Wie in de Herv. Kerk naar eisch der H. Schrift metterdaad reformeerend optreedt, verliest daardoor zijn recht van lidmaatschap der Herv. Kerk. Hij wordt uitgeworpen.
Uit de genoemde onware stelling volgt nog eene andere onjuiste gevolgtrekking: »Eerst door het optreden van de zuivere formatie wordt de oude (formatie) ') voor valsch verklaard.quot; Als dit zeggen wil, dat de zuiver geformeerde Kerk als Kerk de oude kerkformatie voor valsch verklaart, hebben wij geen bezwaar; maar als het zeggen wil, wat toch blijkens het verband de bedoeling is, dat de oude formatie, d. i. de Herv. Kerk als zichtbaar geheel van leden, eerst valsch wordt op het oogenblik, als de nieuwe, doleerende kerkformatie dit zegt, dan klinkt dit zeer vreemd. Daaruit zou dan immers volgen, dat de Herv. kerkformatie door de Doleantie eene wezenlijke verandering heeft ondergaan, want vóór .de Doleantie was zij niet valsch, en na de Doleantie wel. Wij hebben van die wezenlijke verandering der Herv. Kerk niets gemerkt. Dat de valschheid van die formatie naar aanleiding van de Doleantie meer openhaar is geworden voor velen, zal wel waar zijn. Doch wij hadden daaraan geene behoefte, wijl ons die valschheid al meer dan duidelijk gebleken was in de eerste jaren der Afscheiding. '
Na de Doleantie is de Herv. Kerk als formatie valsch. Welke bewijzen zijn er nu meer voor de valschheid van de Herv. Kerk dan vóór de Doleantie? Nog zijn er vele leeraren en kerkeraadsleden, b v. ook in Amsterdam, die de drie Formulieren onderteekenen, of althans wel willen onderteekenen. Nog kan de dienaar des Woords alles inrichten zooals de Belijdenis zegt, dat het zijn moet. Nog is geen gereformeerd
') Wordt hier weer bedoeld; de Herv. Kerk als synodaal of reglementair genootschap ? Zeker niet, want deze was ook vóór de Doleantie reeds voor valsch verklaard.
153
leeraar' in de Herv. Kerk genoodzaakt om het avondmaal te ontheiligen, wijl de modernen en zelfs de irenischen stelselmatig bij hem wegblijven. Nog wordt geen gereformeerde tot een persoonlijk conscientieconflict gedwongen. Om al deze redenen was de Herv. Kerk vóór de Doleantie nog eene ware kerkformatie. En diezelfde bewijzen kan elk Gereformeerde in de Herv. Kerk nog in hun volle kracht Dr. Kuyper voorleggen.
Hierbij zij nog opgemerkt, dat Dr. Kuyper, ondanks zich zeiven en zijne theorie, hier begint te spreken in de termen der Afscheiding. Hij spreekt immers van »zuiverequot; en »oude formatie,quot; bedoelende met de eerste de Doleerende Kerk, en met de andere de daarnaast bestaande oude Herv. Kerk. Indien deze de oude formatie is, .staat de Doleerende Kerk daarnaast als een nieuwe formatie. Dr. Kuyper zegt het hier zelf (misschien in een onbewaakt oogenblik), dat de Doleantie ook nieuwe kerkformatie, d. i. nieuwe kerkstichting is, en feitelijk dus hetzelfde als de Afscheiding.
Hoe hij eenige regels verder de Doleantie weer kan laten zeggen: »Door mijn reformatie heb ik aan dezelfde plaatselijke Kerk (bedoeld wordt de plaatselijke Herv. Kerk) een nieuwen kerkeraad gegeven,quot; is onbegrijpelijk, tenzij men aanneemt, dat de theorieën en de feiten in hem om den voorrang worstelen, en dat de theoreticus zich bij kris en kras handhaven wil. Hij zegt toch zelf, dat de oude plaatselijke Herv. kerkformatie als valsche formatie staat naast en tegenover de nieuwe kerkformatie der Doleantie. Hoe kan dan de Doleantie zeggen: Ik heb aan de bestaande plaatselijke Herv. Kerk een nieuwen kerkeraad gegeven ? 't Is toch niet te doen om alleen de terminologie der Afscheiding te mijden ?
Uit alles volgt duidelijk, dunkt ons, dat er feitelijk geen verschil is tusschen Doleantie en Afscheiding als methoden van reformatie. Bij beide handelt men niet krachtens het lidmaatschap der plaatselijke Herv. kerkformatie, maar krachtens het ambt der geloovigen. Bij beide begint men dus met zich individueel af te scheiden van de Herv. Kerk als historisch bestaande zichtbare gemeenschap van leden, en laat deze Herv. kerkformatie voortbestaan, en formeert naast en
154
tegenover haar een nieuwe kerkformatie. Bij beide zijn enkele gevallen, waar bijna alle leden der Herv. Kerk aan deze reformatie deelnemen; vele gevallen, waar een meer of minder groot gedeelte meedoet; en ook gevallen waar slechts enkelen, of ook hier en daar slechts een eenige er zich bij aansluit. Nadat op eene plaats een nieuwe kerkformatie opgetreden is, moet elk lid, die er zich bij aansluiten wil bij beide dit individueel doen, door zich eerst individueel af te scheiden van de Herv. Kerk. De Doleerenden eischen ook van dezulken, dat zij instemming betuigen met de Formulieren van eenig-heid, wat slechts een andere vorm is van belijdenis doen dan bij ons, maar wezenlijk hetzelfde. Bewijs van lidmaatschap van de Herv. Kerk is voor de Doleerenden evenmin een voldoende geloofsbrief als voor ons.
Dat men tot de Kerken der Afscheiding niet meer massaal overkwam, of ook dat men in de Afscheiding niet meer massaal handelde, hebben wij alleen te danken aan de vroegere theorieën van Dr. Kuyper en zijne kerkherstellende voorloo-pers, en zijne thans doleerende volgelingen. De Herv. Kerk als zoodanig was immers nog de ware Kerk, waarvan men zich in geen geval afscheiden mocht. De Kerk der vaderen moest in de Kerk gereformeerd worden! Deze oude theorie werkt bij Dr. Kuyper nog na op machtige wijze. En de vraag is, wat in de Doleerende Kerken op den duur de overhand zal krijgen: de theorie of het feit. Krijgt de theorie de overhand, dan moet men zich op den duur op de eene of andere wijze weer vereenigen met de Herv. Kerken. Krijgt het feit de overhand, en komt de werkelijkheid der Doleerende Kerken tot helder bewustzijn, dan kan vereeniging met de Kerken der Afscheiding niet uitblijven. Doch met de Doleerende Kerken der theorie kunnen wij ons nooit vereenigen. Daarom is onze dringende bede aan de Doleerende Kerken: Laat nu toch ook uwe oude denkbeeldige en verouderde theorieën los. Gij hebt feitelijk immers ook het beginsel van nieuwe kerkstichting toegepast. Niet wat gij feitelijk zijt, maar wat gij theoretisch wilt zijn, houdt de vereeniging tegen.