ocr page 1

O 5 ■

*' f-'.'- ■'

GEYOLGTREKKINGEN

UIT DE

ARBEIDSEN QüETE

j IN HET

.. f

NOORDOOSTELIJK DEEL DES LANDS.

\ : - .

• . V-'. . ' :

- --■ 'lt;Sp i-

SM,

«■■■• WILLINK.

amp;

ocr page 2

y

ocr page 3

)

t

ocr page 4

!gt;

1

%

■ - *

ocr page 5

GEVOLGTREKKINGEN UIT DE ARBEIDSENQUETE

NOORDOOSTELIJK DEEL DES LANDS.

y'' i-j - ^ ^ O ,gt; \ r

ƒ foot btSCHiE^ÊKn PH

t PHKU'Hfv'ti?sr:t'i

y

ocr page 6

9444

056

ocr page 7

GEVOLGTREKKINGEN

UIT DE

ARBEIDSENQÜÉTE

IN HET

NOORDOOSTELIJK DEEL DES LANDS.

H. D.

HAARLEM, TJEENK WILLINK. 1893.

ocr page 8
ocr page 9

Het is bekend, dat de getuigenverhooren der Staatscommissie van arbeidsenquête een aantal lijvige bundels vullen. Doch ook de thans achtereenvolgens verschijnende, beredeneerde verslagen dier enquête blijken te omvangrijk, om in hun geheel door velen te worden gelezen. Eene afzonderlijke uitgave van gedeelten daarvan, die zich daartoe leenen, schijnt daarom gewenscht.

Blijkens een schrijven der Commissie aan H. M. de Koningin-Weduwe Regentes, opgenomen in de Nederlandsche Staatscourant van 16/17 April 1893 , worden de verslagen over de afzonderlijke deelen van het onderzoek als zelfstandige arbeid van iedere afdeeling voltooid. Daarna zullen de voorstellen omtrent maatregelen van wetgeving en bestuur, door de Commissie in haar geheel te doen, in een eindverslag worden nedergelegd.

De Cominissie is verdeeld in drie afdeelingen, waarvan: de eerste bestaat uit de heeren jhr. mr. Rochussen, voorzitter, De Bordes, Jansen en Van Wijck;

de tweede uit de heeren mr. Veeg ens , voorzitter. Van Alphen, dr. Reeling Beouwer en jhr. mr. Van Swinderen ;

de derde uit de heeren mr. Kerdijk , voorzitter, Kolkman , Emanis (in plaats van wijlen mr. Le Poole) en Visser.

De eerste afdeeling was belast met het onderzoek omtrent de middelen van vervoer en de onderstands- en verzekeringsfondsen, niet aan inrichtingen of ondernemingen van nijverheid verbonden, over het geheele land, en omtrent de overige onderwerpen voor zooveel betreft de eerste arbeidsinspectie (Noordbrabant, Gelderland

ocr page 10

VI

bezuiden Rhijn en Lek, Zuidholland bezuiden de rivieren, Zeeland en Limburg).

Aan de tweede afdeeling was het onderzoek opgedragen betreffende de tweede arbeidsinspectie ^Gelderland benoorden den Rhijn, Friesland, Overijsel, Groningen en Drenthe).

Aan de derde afdeeling dat betreffende de derde arbeidsinspectie (Zuidholland benoorden de rivieren, Noordholland en Utrecht, benevens het niet tot eenige provincie behoorende watergebied des Rijks).

Van de eerste afdeeling hebben verslagen het licht gezien aangaande: 1° de spoorwegen; 2° verzekering of andere voorzorgen bij ongevallen, ziekte, overlijden of ouderdom van werklieden, voorzoover die maatregelen niet in verband staan met eenige bepaalde inrichting van nijverheid (fondsen-enquête); 3° en 4° onderscheidene takken van bedrijf in de eerste arbeidsinspectie.

Van de tweede afdeeling is het geheele verslag verschenen. Het bevat 516 bladzijden en bestaat uit résumés van de verschillende onderdeelen van het onderzoek, voorafgegaan door eene inleiding en besloten door gevolgtrekkingen. Van die inleiding en gevolgtrekkingen wordt hier een herdruk gegeven.

Haarlem, 24 Juni 1893. H. D. TJEENK WILLINK.

ocr page 11

INHOUD.

nladz.

Inleiding....................................................................................1

Gevolgtrekkingen....................................................................20

Werking der arbeidswet...........................................21

Art. 3..................................................................................................21

Art. 5..................................................................................................23

Art. 6..................................................................................................28

Art. 7................................................................................................29

Artt. 10 en 11..................................................................................30

Artt. 18 en 19..............................................................................31

Verbod van kinderarbeid in veenderijen........................................32

Leeftijd waarop kinderarbeid kan beginnen................................35

Wettelijke regeling van den leerplicht. Arbeid van gehuwde

vrouwen buitenshuis......................................................................43

Herhalingsonderwijs enz....................................................................57

Werktijd van jongelieden beneden zestien jaren........................63

Theoretisch en practisch ambachtsonderwijs................................66

ocr page 12

Vin INHOUD.

Bhuiz.

Nachtarbeid. Werktijd van jongelieden tusschen zestien en achttien jaren......................................................................................68

Zondagsarbeid....................................................................................73

Werktijd van volwassen arbeiders..................................................80

Schafttijd..........................................................................................87

Aanbestedingen..................................................................................87

Kamers van arbeid............................................................................89

Arbeidscontract..................................................................................93

Misbruiken bij de betaling van het loon......................................90

Betaling in vreemd geld..................................................................97

Termijnen van betaling................................................................101

Winkeldwang......................................................................................104

Betaling in winkels en tapperijen..................................................107

Winkeldwang bij verlaten in de Groninger veenkoloniën..........111

Toezicht op stoomtoestellen............................................................111

Toezicht op arbeidslokalen..............................................................114

Toezicht op den bouw van fabrieken............. ..............118

Voorzorg bij ongelukken, ziekten, ouderdom of overlijden.... 120

Misbruik van sterken drank..........................................................122

Toezicht op woningen......................................................................125

Ontginning van gronden..................................................................132

Armenzorg..........................................................................................135

Banken van leening..........................................................................138

ocr page 13

INLEIDING.

De Tweede Afdeeling der Staatscommissie van Ar-beidsenquête werd, blijkens missive van den Minister van Justitie, den Heer Jhr. Mr. Gr. L. M. H. Ruus van Bbeeenbroek , dd. 8 Mei 1890, samengesteld uit vier leden, de Heeren J. Van Alphen, Dr. N. Reeling Brouwer, Jhr. Mr. O. Q. Van Swinderen en Mr. J. D. Veegens. De Afdeeling benoemde den Heer Mr. J, D. Veegens tot haren Voorzitter en verkreeg, door beschikking van den Voorzitter der Staatscommissie, den Heer Jhr. Mr. P. J. A. A. M. Van Nispen tot Sevenaer als Adjunct-secretaris.

De taak der Staatscommissie werd bij art. 1 der wet van 19 Januari 1890 (Stbl. n0. 1) aldus omschreven: „ Verzameling van gegevens voor de kennis van de \ maatschappelijke toestanden der arbeiders, van de verhoudingen tusschen werkgevers en arbeiders in de verschillende bedrii ven en van den toestand van fabrieken en werkplaatsen met het oog op de veiligheid en de gezondheid der arbeiders.quot; Landbouw en veeteelt werden door de Regeering van de werkzaamheid der Staatscommissie uitgesloten.

i

ocr page 14

INLEIDING.

Die taak werd, behalve wat betreft de openbare middelen van vervoer en onderstands- en verzekeringsfondsen, niet in verband staande met eenige bepaalde inrichting van nijverheid, aan de Tweede Afdeeling opgedragen voor de deelen des Rijks, gelegen in de tweede arbeidsinspectie. Deze bestaat, volgens het Koninklijk besluit van 21 Februari 1890 (Stbl. n0. 27), uit het gedeelte van de provincie Gelderland, dat gelegen is ten noorden van den linker Rhijnoever, en uit de provinciën Friesland, Overijsel, Groningen en Drenthe.

Waar de Afdeeling, met goedkeuring der Staatscommissie, haar onderzoek moest beginnen, lag voor de hand. De keus kon alleen op Twenthe vallen, als het belangrijkst industrieel centrum in het noordoosten des lands, dat ook by de in 1886 benoemde Commissie van enquête uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal het eerst aan de beurt zou hebben gelegen, indien zij haren arbeid verder had kunnen voortzetten.

Voor Twenthe betrof het onderzoek de volgende gemeenten, in alphabetische volgorde: Stad- en Ambt-Almelo, Borne, Stad- en Ambt-Delden, Enschede, Goor, quot;Haaksbergen, Hengelo, Nijverdal (gemeente Hellen-doorn), Oldenzaal, Rijssen, Vriezenveen en Wierden. Van het denkbeeld der parlementaire Commissie van enquête, om aan deze Overijselsche gemeenten de Geldersche gemeente Neede toe te voegen, werd afgeweken ; de Afdeeling zag geen reden, om Neede van de overige gemeenten in den Gelderschen Achterhoek af te scheiden. Wel had de Geldersche Achterhoek in zijn geheel onmiddellijk na Twenthe een voorwerp van onderzoek kunnen uitmaken; maar dan zou het vrij wat omvangrijker onderzoek betreffende de Groninger veenkoloniën niet meer in 1890 kunnen gehouden zijn.

2

ocr page 15

i

INLEIDING.

De getuigenverhooren omtrent Twenthe hadden plaats tusschen 7 Juli en 21 Augustus 1890. Behalve over den maatschappelljken toestand der arbeiders in het algemeen, liepen zij uit den aard der zaak vooral over de verhouding tusschen werkgevers en arbeiders en den toestand van fabrieken en werkplaatsen in de tex-tiel-industrie. Het onderzoek betrof tal van spinnerijen en weverijen (meest katoen-, doch ook wel linnen- en jute-) met verwante bedrijven (spoelerij, scheerderij, sterkerij , ververij , drukkerij, bleekerij, apprêteerderij , kalanderij , enz.). Daaronder enkele, die van het gewone bedrijf afweken, zooals eene nettenweverij en twijnderij en eene tricotfabriek. Voorts werd gelet op de metaalindustrie , vertegenwoordigd door machinefabrieken, eene ijzergieterij, eene kopergieterij. Verder werden binnen den kring van het onderzoek getrokken eene houtdraaierij , bierbrouwerijen, tabaks- en cigarenfabrieken, eene boek- en steendrukkerij, eene leerlooierij en enkele werkplaatsen der ambachtsnijverheid.

Ofschoon het onderzoek omtrent Twenthe — in het bijzonder omtrent Enschede, waar kort te voren eene langdurige werkstaking had plaats gehad — vrij uitvoerig was, is hier zoomin als elders naar volledigheid getracht. Ook ten aanzien der textiel-industrie bepaalde het streven der Afdeeling zich tot het verkrijgen van typen. Dit worde bij de beoordeeling van haren ge-heelen arbeid in het oog gehouden.

Na Twenthe was de Afdeeling door de Staatscommissie gemachtigd, in overeenstemming met het plan der parlementaire Commissie van enquête, om de Groninger veenkoloniën te onderzoeken. Voor deze streek werden de getuigenverhooren gehouden tusschen 8 en 20 September 1890. Zij betroffen de gemeenten Nieuw-Buinen (gemeente Borger), Hoogezand, Muntendam,

3

ocr page 16

4 . inleiding.

Oude- en Nieuwe-Pekela, Sappemeer, Stadskanaal, Veen-dam, Valthermond (gemeente Odoorn), Wildervank, i Winschoten en Zuidbroek. De ondernemingen, die daarbij ter sprake kwamen, waren hoofdzakelijk strookarton-fabrieken, aardappelmeel-, siroop-, sago- en gomfabrie-ken, eene tarwemeelfabriek, gist- en spiritusfabrieken, glasfabrieken, eene ijzergieterij, machinefabrieken on scheepswerven, steen- en pannenfabrieken, houtzagerijen, eene turfstrooiselfabriek, eene borstelmakerij, een korenmolen, eene boek- en courantdrukkerij, eene cigarenfabriek, eene knoopenfabriek, eene machinale breiorij.

Na het afwerken van dit deel harer taak begreep de Afdeeling aan de Staatscommissie machtiging te moeten vragen om over te gaan tot het onderzoek betreffende de hoofdstad der provincie Groningen en die overige deelen van dat gewest, waar, buiten de aan het onderzoek onttrokken bedrijven van landbouw en veeteelt, nijverheid van eenige beteekenis gedreven werd. In verband met de overige werkzaamheden der Staatscommissie en met de vereischte hulp van stenografen, kon zij echter eerst in de tweede helft van Februari 1891 met de getuigen verhoeren dienaangaande een aanvang maken. Zij hadden plaats tusschen 17 Februari en 3 April 1891 en betroffen de gemeenten Groningen, Aduard, Appingedam, Bedum, Delfzijl, Leens, Onder-dendam, Scheemda, Stedum, ülrum, Winsum en Zuid-I horn, benevens Stadskanaal voor een verhoor tot aanvulling van het onderzoek omtrent de veenkoloniën.

Wat de gemeente Groningen betreft, liep het onderzoek voornamelijk over eene machinale vlasspinnerij (sedert opgeheven), machinale breierijen, eene confectiewerkplaats, eene wasch- en strijkinrichting, eene machinefabriek en scheepswerf, eene kandijsuikerfabriek.

ocr page 17

INLEIDING.

broodfabrieken en bakkerijen, eene cichoreifabriek, eene worstfabriek, eene bierbrouwerij, eene likeurstokerij, eene zeepziederij, eene kalkbranderij, eene fabriek voor machinale houtbewerking en eene houtzagerij, eene meubelfabriek, eene stroohulzenfabriek, boek-, couranten steendrukkerijen en binderijen, tabaks- en cigaren-fabrieken, sjouwwerk voor den graanhandel, het graan-vervoer en het turfvervoer, polderwerk, en voorts over den dienst bij de gemeentewerken, de gemeente-reini-ging, de brandweer en de gasfabriek, benevens over een aantal werkplaatsen der ambachtsnijverheid. Ten aanzien der overige gemeenten strekte het onderzoek zich uit tot vlasfabrieken, eene klok- en metaalgieterij, eene stroopapierfabriek, eene cementfabriek en kalkbranderij , steen- en pannenfabrieken, eene fabriek voor machinale houtbewerking en houtzagerijen, cigarenfa-brieken, eene stoomzuivelfabriek, het houtvlotten en enkele ambachten.

Inmiddels had de Mdeeling zich bezig gehouden met de voorbereiding van het onderzoek betreffende een tak van nijverheid, die zich bijzonder leende om op zich zelf, onafhankelijk van de plaatsen waar hij voorkomt, in oogenschouw te worden genomen, namelijk de veenderij. Gaarne zoude zij, overeenkomstig het door de Staatscommissie vastgestelde plan, met dal onderzoek een aanvang gemaakt hebben na afloop van dat betreffende de stad en provincie Groningen, en dus in den tijd van het jaar, waarin de veenarbeid in vollen gang komt. Hare pogingen, om daartoe stenografen ter harer beschikking te krijgen, hadden evenwel geen bevredigenden uitslag, zoodat zij, geen kans ziende om hare taak zonder bijstand van stenografen te vervullen , zich genoodzaakt zag de getuigen verhooren betreffende de veenderijen tot den zomer uit te stellen. Zij werden

5

ocr page 18

INLEIDING.

nu gehouden tusschen 11 Augustus en 12 September 1891.

Het onderzoek omtrent de veenderijen betrof vooreerst de ]age-veenstreken in Friesland, gelegen in de gemeenten Aengwirden, Doniawerstal, Haskerland, Lem-sterland, Opsterland , Schoterland (gedeeltelijk), Smal-lingerland en Weststellingwerf, benevens in de aan laatstgenoemde gemeente grenzende Overijselsche gemeenten Oldemarkt en Steenwijkerwold. In de tweede plaats het hoogveen in het oostelijk deel der langwerpige gemeente Schoterland en in Ooststellingwerf, waarbij zich de aangrenzende Drentsche gemeente Smilde eenigermate aansluit. ïen derde de venen in het zuidoostelijk deel van Drenthe, meerendeels hooge venen en gelegen in de gemeenten Beilen, Dalen, Emmen, Hoogeveen, Oosterhesselen, Schoonebeek, Sleen, Wester-bork en Zuidwolde. Ten vierde het noordoostelijk deel van Overijsel, de gemeenten Avereest, Gramsbergen, Den Ham, Stad- en Ambt-Hardenberg, Hellendoorn en Ambt-Ommen, waar zoowel laagveen als hoogveen voorkomt.

Dit deel van het onderzoek liep nagenoeg uitsluitend over den veenarbeid, de verhouding tusschen verveners, veenbazen en veenarbeiders en den maatschappelijken toestand der laatstgenoemden. Naast den eigenlijken veenarbeid kwamen slechts enkele daarmede in verband staande bedrij ven ter sprake, als eene inrichting tot vervaardiging van machinale turf, enkele briquetten-en turfstrooiselfabrieken, eene kalkbranderij.

Na afloop van het onderzoek omtrent de veenderijen meende de Afdeeling aan de Staatscommissie te moeten voorstellen om in haar uitgebreid arbeidsveld nog drie grepen te mogen doen. In het gedeelte van Gelderland, benoorden den linker Rhijnoever gelegen, drong zich

6

ocr page 19

INLEIDING.

eenerzijds de Achterhoek, anderzijds de hoofdstad der provincie aan haar onderzoek op, waartoe voorts de streken langs Ehijn en IJsel benevens eene enkele plaats op de Veluwe stof boden. In Overijsel kwamen, behalve Twenthe en de veenstreken, de hoofdstad alsmede de nijvere steden Deventer en Kampen In aanmerking. Friesland scheen, nu de veenderij onderzocht was en landbouw en veeteelt buiten het onderzoek vielen , daarvoor betrekkelijk weinig aanleiding te geven. Toch kon ook in dat gewest de hoofdstad niet buiten het onderzoek blij ven, terwijl ook in andere steden en in enkele plattelandsgemeenten takken van nijverheid voorkwamen, die de aandacht verdienden.

Voor Friesland hadden de getuigen verhooren plaats tusschen 9 en 18 Februari 1892. Zij betroffen de gemeenten Leenwarden, Baarderadeel, Barradeel, Bols-ward , Dantumadeel, Franekor, Franekeradeel, Harlin-gen, Leeuwarderadeel, Menaldumadeel, Sneek en Won-seradeel. Zij liepen, behalve over den maatschappelijken toestand der arbeiders in het algemeen, in hoofdzaak over steen-, pannen-, tegel- en aardewerkfabrieken, cementfabrieken, olieslagerijen, cichoreidrogerijen en cichoreifabrieken, boter-, kaas- en zuivelfabrieken; voorts over eene strookartonfabriek, eene sajetfabriek, eene fabriek van goudwerken, eene metaalwarenfabriek, eene haarden- en brandkastenfabriek, eene kandijsuikerfabriek, eene broodfabriek en bakkerijen, eene boek- en courantdrukkerij , cigarenfabrieken, eene zoutziederij , eene touw-slagerij , eene steenhouwerij, den dienst bij de gemeentewerken, de stadsreiniging en de brandweer te Leeuwarden , het laden en lossen van zeeschepen en het houtvlotten.

Voor Zwolle, Deventer en Kampen werden de getuigen verhooren gehouden tusschen 19 Februari en 1

7

ocr page 20

INLEIDING.

Maart 1892. Daarbij werd, behalve op enkele ambachten, vooral het oog gericht op de centrale werkplaats der Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen te Zwolle en andere machinefabrieken en ijzergieterijen, twee bij elkander beboerende fabrieken van vertinde en geëmailleerde ijzerwaren, eene capsulenfabriek, eene katoenweverij, ververij en drukkerij, eene tapijtfabriek, eene trijpfabriek , eene wasdoekfabriek, eene stroopapier-fabriek, eene steenfabriek onder Hattem, eene aarden-buizenfabriek, houtzagerijen, olieslagerijen , eene gasfabriek, eene meelfabriek, eene broodfabriek, eene ver-micellifabriek, bakkerijen, tabaks- en cigarenfa brie ken, boek- en courantdrukkerijen, eene leerlooierij, eene wasch-en strijkinrichting.

Voor Gelderland eindelijk werden tusschen 20 April en 4 Juni 1892 getuigen verhoord uit de gemeenten Arnhem, Aalten, Angerlo, Apeldoorn, Borculo, Drummen , Dinxperlo, Ambt-Doetinchem, Eibergen, Gendrin-gen, Heerde, Hummelo en Keppel, Lichtenvoorde, Lo-chem, Neede, Nijkerk, Renkum, Rheden, Terborg, Voorst, Wageningen, Westervoort, Winterswijk en I Zutphen.

Wat den Gelderschen Achterhoek betreft, liep het onderzoek over de textiel-industrie, daar vertegenwoordigd door eene spinnerij , een aantal weverijen en bleeke-rijen met verwante bedrijven en eene tapijtfabriek, benevens over ijzergieterijen en fabrieken van geëmailleerde goederen, leder-, drijfriemen- en schoenfabrieken, eene fabriek van lijm en chemische praeparaten, eeno kam-menfabriek.

Voor de overige genoemde Geldersche gemeenten betroffen de getuigenverhooren, behalve de gemeentewerken en de gasfabriek te Arnhem en onderscheidene ambachten, hoofdzakelijk eene bandfabriek, eene passement-

8

ocr page 21

INLEIDING.

fabriek, eene fabriek van zijden garens en netten, eene fabriek van wis- en natuurkundige werk- en weegwerk-tuigen, eene fabriek van gasornamenten, lettergieterijen, boek-, courant en steendrukkerijen, cigarenfa-brieken, eene broodfabriek en bakkerijen, eene likeurstokerij , eene stroohulzenfabriek, eene papierenzakken-plakkerij , eene lijstenfabriek, steenhouwerijen, confectiewerkplaatsen , wasch- en strijkinrichtingen, steen-, pannen- en vloersteenenfabrieken, papierfabrieken, houtzagerijen , eene houtdraaierij.

Hiermede achtte de Afdeeling, wat het verzamelen van gegevens door middel van getuigenverhooren betreft, hare taak volbracht. Die taak, het worde nog eens herhaald, moest zich naar hare opvatting bepalen tot het bijeenbrengen van typen, met onthouding van eenig streven naar volledigheid. Waar zij een voldoend aantal typen van toestanden en verhoudingen in de arbeiderswereld meende te hebben verkregen, kon zij aan de Staatscommissie voorstellen haar onderzoek te sluiten, al waren lang niet alle belangrijke gemeenten en lang niet alle fabrieken en werkplaatsen van be-teekenis daarin betrokken, al waren op het bijna onafzienbaar veld der ambachtsnijverheid slechts enkele grepen gedaan, al waren zelfs enkele takken van fabrieksnijverheid, in andere deelen des lands ruimer vertegenwoordigd dan in het Noordoosten, ter zijde gelaten. Haar doel kon en mocht niet zijn, een steeds aangroeiend aantal boekdoelen met eenvormige beschrijvingen te vullen. Zij moest zich bepalen tot het geven van zoo juist mogelijke beelden; en hiertoe was, naar hare bescheiden meening, de door haar verrichte arbeid ruimschoots voldoende.

Bij de voorbereiding van haar onderzoek vond de Afdeeling een zeer te waardeeren grondslag in de nijver-

9

ocr page 22

inleiding.

heidsstatistiek, in de jaren 1888 en 1889 opgemaakt door de Heeren H. W. E. Struve, vroeger ingenieur van het stoomwezen, thans inspecteur van den arbeid in de derde inspectie, en A. A. Bekaar , ingenieur van den waterstaat. Deze statistiek, die niet voor openbaarmaking bestemd is, werd, voor zooveel zij de tweede arbeidsinspectie betreft, van Kegeeringswege ter beschikking der Afdeeling gesteld. Tevens heeft de Af-deeling veel te danken aan de inlichtingen, haar met bijzondere welwillendheid verstrekt door genoemden Hoer Struve alsmede door den Heer A. D. P. V. Van Löben Sels, inspecteur van den arbeid in de tweede inspectie.

Elk deel van het onderzoek der Afdeeling werd voorafgegaan door toezending, van wege de Staatscommissie, van de door deze bij den aanvang harer werkzaamheden opgemaakte lijst van vraagpunten aan de betrokken Kamers van Koophandel en Fabrieken, vereenigingen en personen, met verzoek om zakelijke inlichtingen aangaande feiten en toestanden en om opgave van personen, die in aanmerking konden komen om als getuige of deskundige te worden geboord. Onder de vereenigingen, die eene dergelijke circulaire ontvingen, namen vereenigingen van werklieden eene ruime plaats in. Bleven vele dier circulaires onbeantwoord en waren niet alle ingezonden antwoorden van evenveel betee-kenis, het ontbrak toch ook niet aan schriftelijke inlichtingen, die voor de Afdeeling van groot nut waren. In het bijzonder geldt dit van verscheidene der rapporten , omtrent de veenderijen ontvangen. De ontvangen antwoorden zijn, volgens het voorschrift van art. 15 dei-wet van 19 Januari 1890 (Stbl. n0. 1), achter de getuigen verhoeren gedrukt.

Voorts werd eene openbare oproeping, waarbij pa-

10

ocr page 23

INLEIDING.

troons, werklieden en alle anderen, die over bestaande toestanden, het onderwerp der enquête betreffende, uit eigen ervaring inlichtingen meenden te kunnen geven, verzocht werden zich daartoe aan te melden, van wege de Staatscommissie in elke te onderzoeken gemeente aangeplakt en tegelijk in de Staatscourant geplaatst. Slechts weinigen meldden zich ingevolge deze oproeping aan. Wie dit deden, werden in den regel als getuigen gehoord. Eene uitzondering moest evenwel gemaakt worden ten aanzien van hen, van wie bleek dat zij quot;alleen bedoelden de Afdeeling omtrent landbouw of veeteelt in te lichten.

Opgaven van personen, die in aanmerking konden komen om als getuige of deskundige te worden gehoord, verkreeg de Afdeeling, behalve op de beide wijzen hierboven vermeld, deels langs ambtelijken weg, deels door particuliere inlichtingen. Heeren Burgemeesters verstrekten haar zoodanige opgaven met groote bereidwilligheid. Tot het verkrijgen van opgaven van geschikte getuigen uit de arbeiders in de lage venen in Friesland veroorloofde de Afdeeling zich aan de betrokken Burgemeesters den wenk te geven, voor zooveel noodig met de opzichters-slikmeters in de onderscheidene veenpolders te rade te gaan. Daar het aantal opgegeven getuigen ten slotte meestal te groot bleek, moest uit den overvloed eene keus worden gedaan.

Het verkrijgen van opgaven van geschikte getuigen door middel van particuliere inlichtingen werd vergemakkelijkt door de besluiten der Staatscommissie, volgens welke de Afdeeling al hare verhooren heeft gehouden in de streken, bij het onderzoek betrokken. Daardoor was de Afdeeling tevens in de gelegenheid, een betrekkelijk groot aantal fabrieken en werkplaatsen te bezoeken en mitsdien omtrent arbeidslokalen en per-

11

ocr page 24

INLEIDING.

soneel eigen indrukken te verkrijgen. De toegang tot die fabrieken eu werkplaatsen werd haar steeds ge-reedelijk verleend.

Voor elke streek werd een middelpunt als verblijfplaats der Afdeeling gekozen. De meeste getuigen moesten derhalve een zekeren afstand afleggen, om voor de Afdeeling te verschijnen. Dit leverde onmiskenbaar eenig voordeel op, met het oog op hunne onbevangenheid bij hun verhoor. Slechts zeer enkelen — en dan nog meestal personen die buiten hunne woonplaats verblijf hielden — moesten ter wille van hun verhoor een nacht onderweg blijven. Was het houden der verhoeren in debetrokken streken voor de leden der Afdeeling persoonlijk niet zonder bezwaar, het strekte voor dit deel der enquête ongetwijfeld tot beperking van uitgaven.

In elke te onderzoeken gemeente zitting te houden, in plaats van in een middelpunt van elke streek, ware met het oog op de getuigen niet wenschelijk geweest, en met het oog op de benoodigde lokalen onuitvoerbaar. Daar de Afdeeling bij de verhoeren werd bijgestaan door den Adjunct-secretaris en vijf stenografen, en het stenografisch verslag bijna onmiddellijk na afloop van elk verhoor aan den getuige werd voorgelezen, konden slechts in die gemeenten verhooren worden afgenomen, waar voor een en ander voldoende lokalen beschikbaar waren.

In het verkrijgen der voor hare zittingen vereischte lokalen is de Afdeeling goed geslaagd. Alleen voor Twenthe heeft zij een lokaal moeten huren; het raadhuis te Hengelo, het aangewezen middelpunt, kon haar niet herbergen, zoodat zij aldaar zitting gehouden heeft in het lokaal „de Beursquot;. Voor de Groninger veenkoloniën heeft zij hare verhooren gehouden in het raadhuis te Veendam. Voor de gemeente Groningen en het overig

12

ocr page 25

inleiding.

deel der provincie van dien naam in het gebouw der Staten van Groningen. Voor de veenstreken in het rechtsgebouw te Heerenveen, in het raadhuis te Hooge-veen en in het raadhuis te Emmen. Voor het overig deel van Friesland in het gebouw der Spaarbank te Leeuwarden. Voor Zwolle, Deventer en Kampen in het provinciaal Gouvernementsgebouw te Zwolle. Voor Gelderland in het provinciaal Gouvernementsgebouw te Arnhem.

Voor de welwillendheid, waarmede deze verschillende, meerendeels zeer goede lokalen ter beschikking der Af-deeling gesteld zijn, is zi] grooten dank verschuldigd aan de gewestelijke besturen van Groningen, Overijsel en Gelderland, aan de gemeentebesturen van Veendam, Hoogeveen en Emmen, aan de Arrondissements-recht-bank te Heerenveen, doch bovenal aan Heeren bestuurders der Spaarbank te Leeuwarden, die der Afdeeling in voortreffelijke lokalen gastvrijheid verleenden, zonder aan het Rijk daarvoor iets in rekening te brengen.

Het afnemen van verhooren op verschillende plaatsen leverde wel eenige moeilijkheid op in verband met den bijstand door stenografen. Daar de Staatscommissie uitsluitend met leden van het corps stenografen bij de Staten-Generaal arbeidde en dezen geen verlof konden bekomen om buiten 's-Gravenhage voor de Afdeeling werkzaam te zijn, zoo dikwijls eene der Kamers van de Staten-Generaal vergaderd was, kon de Afdeeling gedurende een aanmerkelijk deel van het jaar geen verhooren houden. De Heeren stenografen, die werden aangewezen om de Afdeeling bij te staan, betoonden daarbij steeds lofwaardigen ijver.

Enkele malen mocht de Afdeeling den Voorzitter der Staatscommissie, den Heer Jhr. Mr. W. F. Roghussen, in haar midden zien. In hare verschillende verblijf-

13

ocr page 26

INLEIDINfi.

plaatsen had zij het voorrecht, in den regel althans in wettelijken zin voltallig te zijn. Dat twee leden der Afdeeling verhinderd waren bij hare verhooren tegenwoordig te zijn, kwam éénmaal voor gedurende een halven dag te Groningen, bij welke gelegenheid zij met het lid-secretaris der Staatscommissie werd aangevuld, en voorts bij een deel der zittingen te Arnhem, waarbij een der leden wegens eene ongesteldheid van eenigen duur afwezig moest blijven; bij de laatstbedoelde zittingen nam de heer S. M. Van Wijck, lid der Eerste Afdeeling, bereidwillig aan de verhooren deel. Tweemaal was de Adjunct-secretaris door huiselijke omstandigheden gedurende enkele dagen verhinderd de Afdeeling bij te staan; de eerste maal werd hij door den Heer Jhr. Mr. J. A. Stoop, ten tweede maal door den heer Mr. W. H. J. Roijaards vervangen.

Van hare bevoegdheid, om zich door toevoeging van een of twee niet-leden der Staatscommissie te versterken, heeft de Afdeeling geen gebruik gemaakt. Niet omdat het haar aan het besef zou hebben ontbroken, dat anderen meer dan hare leden met het onderwerp der verhooren vertrouwd waren ; maar omdat zij, bij de groote moeilijkheid om een even onpartijdig als bekwaam en geschikt medelid te vinden, hare ver van lichte taak niet met de verantwoordelijkheid voor eene zoodanige coöptatie wenschte te verzwaren. Zij werd in deze hare meening versterkt door een uitval van een der gehoorde getuigen betreffende de samenstelling der Afdeeling, die, van bevoegde zijde niet ondersteund, thans te minder beteekenis had , omdat hij tegen eene handeling der Regeering, niet tegen eene daad der Afdeeling gericht was.1

14

1

Twenthe 9872—9875. 10753,

ocr page 27

INLEIDING. 15 Het aantal gehoorde getuigen en deskundigen bedroeg:

Voor Twenthe..........................................244

„ de Groninger veenkoloniën............103

„ Groningen........................................183

„ de veenderijen................................220

„ Friesland..........................................83

„ Zwolle—Deventer—Kampen..........83

„ Gelderland benoorden denRhijn.. 143

Te zamen. . 1059.

Bij de keuze der te hooren getuigen en deskundigen is zooveel mogelijk naar veelzijdigheid getracht.

De oproeping geschiedde door toezending van een ingevuld imprimé, vergezeld van een exemplaar dei-lijst van vraagpunten en van eene briefkaart, waarop gedrukt was een bewijs van ontvangst met bereidver- j klaring om te verschijnen, die onderteekend terugverwacht werd. Aan deze oproepingen werd geregeld voldaan. Gemotiveerde verzoeken, om van het verhoor verschoond of op een anderen dan den bepaalden tijd verhoord te worden, werden door de Afdeeling steeds ingewilligd. Eene enkele maal, bij het onderzoek omtrent de veenderijen, achtte de Afdeeling het noodig een getuige, die aan de oproeping geen gevolg gegeven had, te doen dagvaarden; bij zijne daarop gevolgde verschijning bleek, dat hij op het laatste oogenblik naar 's-Gravenhage bericht had, verhinderd te zijn, terwijl de Afdeeling zich te Heerenveen ophield.1p Bij de beoordeeling van de waarde der afgelegde verklaringen houde men in het oog dat de werklieden, die als getuigen zijn verschenen, in den regel tot de

1

Veenderijen 201G—3017.

ocr page 28

INLEIDING.

16

meest ontwikkelde en bekwame zullen behooren. 1' Dit is een natuurlijk gevolg van de omstandigheid dat ieder, die eene aanbeveling van getuigen doen wil, zoekt naar geschikte werklieden, in staat behoorlijk hun woord te doen. Trouwens de als getuigen gehoorde werklieden doen veelal zelf uitkomen, dat zij tot degenen behooren, die het hoogste loon verdienen. !f Voorts rijst de vraag, wat er is van de door een der getuigen — in min gepasten vorm — uitgesproken | bewering, als zouden de werklieden bij hun verhoor niet de waarheid durven zeggen. Onmiskenbaar ver-toonen de processen-verbaal der getuigen verhoeren hier en daar sporen van vrees bij werklieden, dat het door hen verklaarde hun door hunne patroons euvel geduid zou kunnen worden. In hoever die vrees, ook waar zij niet geuit werd, op den inhoud der afgelegde verklaringen invloed kan hebben uitgeoefend, is moeilijk te beoordeelen. Van eenige getuigen, werkzaam aan eene aardappelmeelfabriek te Zuidbroek, bleek dat zij de ontvangen oproepingen hadden ter hand gesteld aan den opzichter, die, alvorens de bewijzen van ontvangst voor hen en voor hem zelf te verzenden, aan den patroon verlof gevraagd had. In een dergelijk geval is er zeker wel aanleiding tot de onderstelling, dat de gedane mededeelingen eenigszins rooskleurig getint kunnen zijn. Daarentegen bleek het in vele andere gevallen den als getuigen gehoorden werklieden geenszins aan vrijmoedigheid te ontbreken. Zelfs meent de Afdeeling te mogen zeggen, dat vrijmoedige antwoorden op hare vragen regel, beschroomde uitzondering waren. Wie de kunst verstaat om in de getuigenverhooren tusschen de regels te lezen, zal, naar zij vertrouwt, tot dezelfde

1

Veenderijen 1040.

ocr page 29

INLEIDING.

17

slotsom komen. Natuurlijk valt eenig verschil te maken tusschen onderwerpen, die den getuigen meer of minder ter harte gaan. Zoo is aan eene verklaring van een werkman omtrent het door hem gebeurde loon in den regel meer waarde te hechten dan aan zijn getuigenis omtrent den toestand zijner werkplaats met het oog op de veiligheid en gezondheid van hen, die daar arbeiden.1

Eén geval van ontslag, aan een werkman na zijn verhoor verleend, kwam ter kennis der Afdeeling. Het betrof een werkman aan de (sedert opgeheven) machinale vlasspinnerij te Groningen, wiens dienstbetrekking twee dagen, na zijn verhoor werd opgezegd. De Afdeeling achtte zich verplicht het geval te onderzoeken. Daarbij ontving zij den indruk, dat het verleend ontslag niet aan de bij het verhoor afgelegde verklaringen was toe te schrijven. Volgens de mededeelingen van den directeur der fabriek was de reden daarin gelegen, dat de weggezonden werkman, blijkens het vroeger en later voorgevallene, zijne metgezellen opruide en ontevreden maakte. Tevens zou hij bij zijne terugkomst aan de fabriek, een paar uren na zijn verhoor, onder den invloed van sterken drank zeer brutaal jegens den opzichter geweest zijn. De werkman zelf ontkende ten stelligste, na zijn verhoor een borrel gebruikt te hebben , terwijl ook uit andere verklaringen bleek, dat hij niet gewoon was misbruik van sterken drank te maken; wel erkende hij bij zijn gesprek met den opzichter zich door drift te hebben laten vervoeren. Voorts bleek uit zijne verklaringen, dat hij en zijne medearbeiders in dezelfde zaal onder elkander besloten hadden dat, wan-

2

1

Twenthe 1905. 6-100. Gr on. veenk. 1063. 2196. 2256. 2336. Gelderland 839. 840. 3654. 3655. 5678. 5691. 5692.

ocr page 30

inleiding.

neer een hunner na verhoor voor de Afdeeling ontslagen werd, allen zouden vertrekken — aan welke afspraak de overigen zich evenwel niet hielden — alsmede dat hij van den hem gelaten termijn van acht dagen geen gebruik gemaakt had, maar dadelijk weggegaan en weggebleven was. 1

Bij de bewering van een der getuigen, dat aan een werkman te Deventer na de enquête de dienst met een termijn van veertien dagen zou zijn opgezegd, valt waarschijnlijk aan verwarring met het bovenbedoeld geval te denken; althans heeft de Afdeeling uit Deventer niets van dien aard vernomen. 2

In de volgende bladzijden vindt men de uitkomsten van het door de Afdeeling ingesteld onderzoek in hoofdtrekken samengevat Die résumé's zijn geplaatst in de volgorde, waarin het onderzoek gehouden is, met deze afwijking, dat de veenderijen, als afzonderlijke tak van nijverheid, die van de overige onderzochte bedrijven zeer verschilt, de laatste plaats innemen. De résumé's betreffende Twenthe, de Groninger veenkoloniën en Gelderland benoorden den Rhijn zijn van de hand van den Adjunct-secretaris, aan wiens nauwgezette werk zaamheid en helder oordeel de Afdeeling veel verplicht is. Dat omtrent Groningen is ontworpen door den Heer Van Swinderen, dat omtrent Friesland door den Heer Reelinö Brouwer, dat omtrent Zwolle, Deventer en Kampen door den Voorzitter en dat omtrent de veenderijen door den Heer Van Alphen. De lijst van vraagpunten is bij de résumé's zooveel doenlijk gevolgd en wordt daarom achter deze inleiding nog eens afge-

18

1

Groningen 5228. 7287—7476.

2

Gelderland 3654. 3655.

ocr page 31

INLEIDING.

drukt. 1 Ten slotte worden eenige, door den Voorzitter ontworpen, gevolgtrekkingen medegedeeld, die stof kunnen leveren ter beoordeeling in hoever aanvulling van de sociale wetgeving vereischt wordt. Daarbij worde niet uit het oog verloren, dat de Afdeeling slechts gevolgtrekkingen kon maken voor dat deel van het onderzoek, waarmede zij zelve belast was.

1

De bedoelde resume's zijn te vinden in het verslag der Afdeeling.

{Noot van den uitgever^,

ocr page 32

GEVOLGTREKKINGEN.

De feiten, door de Tweede Afdeeling der Staatscommissie van Arbeidsenquête verzameld, getuigen over het geheel van grooten vooruitgang der fabriekmatige nijverheid. Treft men in sommige streken van het noordoostelijk deel des lands takken van industrie aan, die betrekkelijk jong zijn, elders vindt men eenelanger gevestigde, zich krachtig ontwikkelende nijverheid. Als zoodanig verdient vooral de textiel-industrie te worden genoemd. Zij heeft, gelijk bekend is, hare hoofdzetels in Twenthe, welke nijvere streek door den Gelderschen Achterhoek reeds eenigszins op zijde gestreefd wordt.

Met den vooruitgang dezer nijverheid heeft verbetering van den maatschappelijken toestand der arbeiders in menig opzicht gelijken tred gehouden. Te Enschede en Hengelo zijn de loonen in vele onderdeelen van het bedrijf in de laatste vijfentwintig jaren verdubbeld. Ziet men eene halve eeuw terug, zoo blijkt de vooruitgang nog grooter. Bejaarde spinners en wevers weten nog te verhalen van de geringe loonen en van den lang-durigen werktijd in hunne jeugd. Destijds werkten de huiswevers van den vroegen morgen tot den laten avond, met hulp ook van jonge kinderen, wier nachtrust dikwijls

ocr page 33

— 21 —

veel te kort was. Die toestanden behooren tot een verleden, dat weinigen zullen betreuren. Toch vergete men niet, dat de fabrieksarbeid meer aanhoudende inspanning vordert en zich van lieverlede moeilijker met het verrichten van eenigen veldarbeid laat vereenigen. In de hoofdplaatsen van Twenthe heeft het bebouwen van een stukje grond door fabrieksarbeiders, althans door de jongeren onder hen, grootendeels opgehouden. Elders daarentegen, niet alleen te plattelande, maar zelfs in eene stad als Deventer, komt het uitoefenen van een weinig landbouw of veeteelt door fabrieksarbeiders nog veelvuldig voor. Bij vergelijking der loonen in verschillende plaatsen moet hiermede ongetwijfeld rekening worden gehouden. 1

Omtrent de werking der arbeidswet en de naleving Werking dor

arbeidswet.

van hare voorschriften kunnen de bijeengebrachte feiten slechts tot aanvulling dienen van de verslagen dei-inspecteurs van den arbeid, die op veel meer volledige gegevens berusten. Naar de rechtspraak krachtens die wet viel nog geen onderzoek in te stellen, wijl zij daartoe nog te kort werkt. Maar op grond der verkregen inlichtingen mag worden gezegd , dat de meeste voorschriften der arbeidswet aanvankelijk voor de werklieden heilzaam en voor de nijverheid niet belemmerend werken.

Art. 3.

Zeker geldt dit in de eerste plaats van het verbod om kinderen beneden twaalf jaren arbeid te doen verrichten. Werden zoo jeugdige kinderen, reeds vóór het wettelijk verbod krachtens de wet van 1874, in sommige fabrieken niet aangenomen, voor vele andere was

1

Twenthe 1238. 1292—93. 1297. 4422. 8574. 10825. 10831. 11515—16. Gelderland 4411.

ocr page 34

— 22 —

de tusschenkomst van den wetgever maar al te zeer noodig. Zoo wordt verklaard, dat die wet wel een kleine 150 kinderen van 5 tot 12 jaar uit de glasblazerijen te Nieuw-Buinen geweerd heeft, en wordt zij desniettemin thans door den eigenaar van eene dier fabrieken uitdrukkelijk goedgekeurd. 1

Doch hoe algemeen het verbod van kinderarbeid in het rechtsbewustzijn des volks moge zijn doorgedrongen, aan overtredingen ontbreekt het allerminst. Uit den aard der zaak worden zij het meest begaan bij de ambachtsnijverheid en vooral bij de huisnijverheid, waar zij minder in het oog vallen dan in fabrieken. Om enkele voorbeelden te noemen, worden jonge kinderen veelvuldig gebezigd tot hulp van vrouwen bij het strippen van tabak (Kampen en Deventer), bij het naaien van jute-zakken (Rijssen),2 bij het erwten-lezen (Leeuwarden en Franeker). Te Franeker, waar het veelvuldig schoolverzuim ten gevolge van het erwten-lezen zeer de aandacht trok, zag de burgemeester tegen het doen vervolgen dezer overtredingen op; waarschijnlijk doelt op deze gemeente het gezegde op bladz. 164 van het verslag der inspecteurs van den arbeid over 1891 omtrent een te verscherpen politie-toezicht deswege op voorstel van den inspecteur. Ook bij den fabrieksarbeid wordt het verbod van kinderarbeid niet altijd nageleefd Het bleek bijvoorbeeld te worden overtreden in eene kandijsuikerfabriek te Sneek, waar tijdens de getuigen-verhooren een jongen beneden twaalf jaren werkzaam was. Uit een en ander volgt, dat het aantal overtredingen

1

- Gron. veenk. 2998. 2999. 3122.

2

Uit eene gevoerde briefwisseling in een dagblad bleek intusschen dat het schoolverzuim te Rijssen wegens het zakken naaieu van veel minder gi-oolen omvang was dan het te goeder trouw was voorgesteld.

ocr page 35

— 23 —

van art. 3 der arbeidswet zeker veel grooter is dan het aantal veroordeelingen, dat voor de tweede arbeidsinspectie in 1890, 3 en in 1891, 13 bedroeg. 1

Zie daarover hierna, bladz. 112—118.

Het voorschrift, dat personen beneden zestien jaren en vrouwen in fabrieken en werkplaatsen niet meer dan elf uren per etmaal aan den arbeid mogen worden gehouden, gaf bij het in werking treden der arbeidswet aanleiding tot eene werkstaking van ongeveer drie weken in de sedert opgeheven machinale vlasspinnerij te Groningen, waar vrouwen en meisjes vroeger des zomers veertien uren daags arbeidden.

Aan den maximum-werktijd van elf uren voor jongens beneden zestien jaren werd, tijdens de getuigenverhooren, aan onderscheidene steen- en pannenbakkerijen in de provincie Groningen, waar de werktijd voor volwassenen bijzonder lang bleek, niet de hand gehouden. Wel werd gebruik gemaakt van de afwijkingen van de voorgeschreven uren van begin en einde van den arbeid, bij het Koninklijk besluit van 9 December 1889 {Staatsblad n0. 176) toegestaan; maar de daaraan door de wet verbonden voorwaarde, dat men jongens niet langer dan elf uren daags mag doen arbeiden, werd niet nagekomen. Deze overtredingen bleven in den regel ongestraft, te meer daar de wettelijke voorschriften, ook aan een welmeenend burgemeester, niet altijd even helder voor den geest stonden. Erkend moet worden, dat de Koninklijke besluiten ter uitvoering der arbeidswet hier en daar duidelijker konden zijn. Bij de redactie, voor den bedoelden algemeenen maatregel van bestuur van 9

1

Twenthe 5069—71. 8099. 8100. 8198. Gron. veenk. 3389—92. Groningen 2039. 2040. Friesland 179—82. 1461—63. 1584—92. 1634—36. 1881—82. Zwolle enz. 1323. 1467. 1720. 2341—42. 2817. 2865. 3045. 3179. 3223. Gelderland 2485—87. 5052. 5598.

ocr page 36

— 24 —

December 1889 gekozen, konden de voorschriften omtrent den werktijd van elf uren en omtrent den dage-lijkschen rusttijd zeer wel bij elk bedrijf herhaald zijn; het Koninklijk besluit zou daardoor iets langer, maar ter raadpleging door personen, niet gewoon wetten te lezen, ruim zoo geschikt zijn geworden. Aan sommige steen- en pannenfabrieken werden jongens beneden zestien jaren niet meer aangenomen. Ook in dezen tak van bedrijf achten geneeskundigen een te langdurigen werktijd voor hen zeer nadeelig. 1

Ook in ambachten,. alsmede in bleekerijen, wasch- en strijkinrichtingen en confectie-werkplaatsen wordt de wettelijke maximum-werktijd voor jongelieden en vrouwen niet altijd in acht genomen. Te kort kan men dien werktijd, in verband met de mogelijkheid om vergunning voor overwerk te verkrijgen, intusschen zeker niet noemen. 2

Meer bezwaar levert het doen eindigen van den arbeid des namiddags te zeven uren op. In het bijzonder in wasscherijen en bleekerijen wordt niet zelden na dat uur gewerkt, hetzij krachtens eene vergunning als bedoeld bij het derde lid van art. 5, hetzij zonder zoodanige vergunning en derhalve in strijd met de wet; ook nemen de arbeidsters wel werk mede naar huis. De meeningen der belanghebbenden over het bedoelde voorschrift zijn zeer verdeeld. Het ontbreekt niet aan arbeidsters, die toonen prijs te stellen op het vroeger eindigen van haren vóór de arbeidswet soms zeer lang-

1

Gron. veenk. 157-59. 2502. 2549—50. 2592—96. 2638—40. 4112—14. Groningen 5016. 5157. 5263. 6759—62. 6979—80. 7527. 7652—54. 7684. 7742—48. 8310—11.

2

Gron. veenk. 4459. 5184—87. Groningen 354—56. 742—47. 2364—66. 2308—13. 2318—20. 2431—34. Gelderland 315. 757—60. 2031.

ocr page 37

— 25 —

durigen arbeidsdag, en op hare vrije becdükking over den avond voor het verrichten vaii eigen werk, het ontvangen van onderwijs of andere doeleinden. Ook zijn er mannelijke arbeiders, die waarde hechten aan het vroeger einde van den arbeid, door hen verkregen als middellijk gevolg van het wettelijk voorschrift ten behoeve van vrouwen en kinderen. 1 Aan den anderen kant wordt verklaard, dat het wettelijk uur voor verschillende takken van bedrijf te vroeg is om den arbeid ,te staken. In eene ijzergieterij en emailleerfabriek bijvoorbeeld, waarin het vormen hoofdzaak is en de arbeid der jongens eerst begint wanneer de vormers met den hunnen gereed zijn, moeten laatstgenoemden thans reeds om zes uur daarmede ophouden, omdat de jongens om zeven uur gereed moeten zijn. Ook zou het met name in den winter, wanneer het om zeven uur reeds lang donker is, veel meer in het belang der beschermde personen zijn des morgens wat later aan het werk te gaan en des avonds wat later te eindigen. Tevens rijzen luide klachten, dat jongens en meisjes hunne vrije avonden gebruiken op eene wijze, die de wetgever zeker niet bedoeld heeft, en dat het vervroegd vertrek uit de werkplaats tot niet veel anders leidt dan tot straatschenderij en losbandigheid. Hier en daar laat zich de philanthropie een paar avonden in de week aan fabrieksarbeidsters gelegen liggen; „doch dan blijven er nog vijf avonden overquot;. 2

1

Zwolle enz. 5. 1323. 1468—69. 3484. 3494. 3539. 3545. 3898. Gelderland 169. 173—74. 281. 315. 896, 1164. 1755—56. 1789—92. 1798—1801. 1836—37. 1845—47. 1970. 1993. 2031. 2036. 2055. 2365. 4759. 4760. 4803. 5126.

2

Twenthe 10935. Groningen 2227—28. 2257. 2273. 2394. 2495. 5556—57. Friesland 1715. Gelderland 219. 281. 324. 578—79. 814. 1314. 1656—57. 1732—34. 1861—62. 2072. 2088. 3465. 4563. 4633—35. 4686. 4880—81. 5113. 5952. 5956. 6127—28.

ocr page 38

— 26 —

j In deze bezwaren tegen het wettelijk voorschrift ligt I veel waars. Reeds bij de behandeling der arbeidswet in / de Tweede Kamer werd eene uniforme regeling van ƒ begin en einde van den arbeidsdag, voor alle takken ' van bedrijf en in het geheele land, krachtig bestreden. Art. 5 werd toen aangenomen in de hoop, dat de tijd na zeven uur door jeugdige arbeiders en arbeidsters hetzij in het gezin zou worden doorgebracht, hetzij zou worden besteed om onderwijs te genieten. Dit doel blijkt echter grootendeels te zijn gemist; althans van onderwijs na zeven uur is bij de overgroote meerderheid geen sprake. Trouwens die tijd van den dag is daarvoor niet de meest geschikte; de jongelieden zijn dan vermoeid van den arbeid en behoeven eenigen tijd om het werkpak af te leggen en zich te reinigen, terwijl de lessen niet te laat in den avond kunnen eindigen en dus ook tijdig dienen te beginnen. Het zou voor alle partijen beter zijn indien verzekerd werd dat jongelieden beneden zestien jaren, in fabrieken en werkplaatsen arbeidende , tevens herhalings- of teekenonderwijs of lessen in de nuttige handwerken ontvingen. Geschiedde dit, dan zou den werkgevers meer vrijheid kunnen worden toegestaan in de regeling der werkuren voor jongelieden overeenkomstig de behoeften van hun bedrijf, met inachtneming van den maximum-werktijd. Daardoor zou een bezwaar worden opgeheven, waaraan wel is waar voor sommige takken van bedrijf is tegemoetgekomen (laatstelijk bij Koninklijk besluit van 10 Juni 1892 (Staatsblad n0. 136) voor wasch- en bleekinrichtingen, die zonder krachtwerktuig en met niet meer dan vijf jongelieden of vrouwen werken), maar dat voor andere bedrijven is blijven bestaan. Tevens zou daardoor gelegenheid worden verkregen om, zonder de nijverheid te belemmeren, het nog te hoog gesteld maximum van

ocr page 39

— 27 —

den werktijd van jongelieden beneden zestien jaren te verlagen. Op een en ander wordt nader teruggekomen.

Het verbod van nachtarbeid voor jongelieden en vrouwen werd aanvankelijk door sommige — niet door alle — strookarton- en aardappelmeelfabrikanten bezwarend geacht. De Regeering toonde zich echter ongezind, voor nachtarbeid van jongens dispensatie te verleenen: zeer terecht, want nachtarbeid in deze fabrieken moet voor hen, met het oog op gezondheid en veiligheid beide, zeker hoogst bedenkelijk geacht worden. De industrie blijkt zich sedert naar het verbod te hebben geschikt, veelal door geen jongens beneden zestien jaren meer aan te nemen; voor jongelieden boven dien leeftijd is het loon iets hooger. Tijdens de getuigenverhooren bleek de wet op dit punt in eene strookartonfabriek te Sappe-meer geregeld te worden overtreden ; van enkele andere fabrieken in de Groninger veenkoloniën werd vermoed, dat ook daar overtredingen plaats hadden. 9

Eene andere soort van fabrieken waar des nachts wordt doorgewerkt, de glasblazerijen, zou het moeilijk buiten jongens beneden zestien jaren kunnen stellen, omdat dezen, onder hun lichten arbeid door, het vak geleidelijk leeren. De eigenaars der glasfabrieken te Nieuw-Buinen zagen dan ook den bij het Koninklijk besluit van 9 December 1889 bepaalden datum van 1 Mei 1891 met zorg tegemoet, in zoover van dat tijdstip af de nachtarbeid van jongens beneden veertien jaren verboden zou zijn. Blijkens het gezegde op bladz. 173 van het verslag der inspecteurs van den arbeid over 1891 heeft men zich in eene dier fabrieken trachten te red-

9 Gron. veenk. 1095—98. 1138—42. 1174—77. 1315—1334. 1638—43. 1670—71. 2175—78. 2318. 2443. 3397. 3509. 3585—86. 3871. 3952. 4332—33. iWi. Groningen lOZQ—Sl. Friesland ZZIO—W, 2299. Zwolle evz. 3702.

ocr page 40

I

— 28 —

den door eene indeeling van den arbeid, waardoor van de bij de ovens werkzame jongens beneden veertien jaren en meisjes zooveel mogelijk partij getrokken wordt bij de dagploegen. Onder de redenen, die tegen den nachtarbeid van jongelieden in deze fabrieken pleiten, behoort het daar heerschend gebruik van sterken drank onder het werk. 10

Nu art. 22 der arbeidswet sedert 1 Januari 1892 heeft uitgewerkt, kan van het verbod van nachtarbeid voor jongens beneden veertien jaren en vrouwen geen ontheffing meer verleend worden. Voor fabrieken van zijden vischnetten is bij Koninklijk besluit van 10 Juni 1892 nog gedurende eenige jaren vergund, jongens tusschen veertien en zestien jaren onder bepaalde voorwaarden des nachts te laten werken. Die vergunning zal echter eene zoodanige fabriek te Apeldoorn, volgens den eigenaar, slechts ten halve baten, omdat het daar te verrichten werk zich voor meisjes beter leent dan voor jongens en nachtarbeid, wegens de concurrentie van buitenlandsche fabrieken, niet kan worden gemist. 11

Het voorschrift der arbeidswet omtrent een dage-lijkschen rusttijd van een uur wordt in den regel opgevolgd, ofschoon er op dien regel uitzonderingen zijn. Aanvankelijk werd dat voorschrift stelselmatig overtreden in spinnerijen te Enschede, waar jongens en meisjes zich des Zaterdags, soms ook des Vrijdags en bij uitzondering ook op andere dagen, gedurende het rustuur bezig hielden met het schoonmaken der machines. De fabrikanten beweerden dat de arbeids-

10 Gron. veenk. 2679—84. 2955—58. 3002—07. 3068—3069 3120—21. 3132—35.

11 Gelderland 2398—2404.

ocr page 41

— 29 —

wet dit veroorloofde, op grond van de fantastische wets-uitlegging dat, zoolang de stoommachine stilstond, er in wettelijken zin niet zou gewerkt worden. Uit het medegedeelde op bladz. 173 en 174 van het verslag der inspecteurs van den arbeid over 1891, waar kennelijk Enschede bedoeld wordt, blijkt dat de fabrikanten zich, na eenige bekeuringen, tot den Minister van Justitie gewend hebben en er een modus vivendi verkregen is door vermindering van den rusttijd op Zaterdag tot een half uur, terwijl de krachtwerktuigen dan een half uur daarna en voorts des namiddags om vijf uur worden gestopt, ten einde gelegenheid te geven tot het reinigen der machines. 12

Het verbod van Zondagsarbeid in fabrieken en werkplaatsen voor jongelieden beneden zestien jaren en vrouwen wordt door verscheidene steenfabrikanten afgekeurd. Zij achten het, bepaaldelijk voor handvorm-fabrieken, zeer bezwarend dat vrouwen des Zondags geen steenen meer mogen opzetten. Meermalen komt het voor, dat de steenen des Zaterdags nog te week en des Maandags reeds te hard zijn; zij bederven nu, wanneer het des Zondags regent. Het overdekken der vormbanen ware een middel, erger dan de kwaal; het zou nadeelig voor het drogen en tevens veel te kostbaar zijn. Ook het opdragen der bedoelde werkzaamheden aan mannen zou minder doelmatig zijn en te groote kosten medebrengen. Niet alle belanghebbenden stemmen echter met deze afkeuring in. Een directeur van steenfabrieken te Zutphen, die sedert jaren geen vrouwen te werk stelt, verklaart dat het opzetten van

12 Twenthe 604—07. 1210—13. 1308—15. 1558—62. 1713—15. 1766—70. 1916—17. 2026—28. 2107—09. 2251—52. 2379. 2780. 3194—95. 3225—27. 3417. Groningen 2289—90. 2314—17. 2435.

ocr page 42

— 30 —

steenen even goed door mannen kan geschieden; dit kost alleen wat meer arbeidsloon. Wel laat hij onder sommige omstandigheden, ter voorkoming van schade, des Zondags steenen opzetten. Aan eene machinale steen- en pannenfabriek te Winschoten, waar geen jongens beneden zestien jaren of vrouwen arbeiden, wordt des Zondags in het geheel niet gewerkt, ook niet aan het stoken der ovens. Dezelfde gedragslijn wordt reeds sedert vijftien jaren gevolgd aan eene machinale steenfabriek onder Hattem, waarbij wel jongens en vrouwen werkzaam zijn. Aan beide fabrieken keurt men den Zondagsarbeid in beginsel af. Ook aan eene steenfabriek te Scheemda wordt des Zondags niet gewerkt. — Het is moeilijk te beoordeelen in hoever de aangevoerde bezwaren met eenigen goeden wil uit den weg te ruimen zijn. Men mag aannemen dat dit bij de eene fabriek gemakkelijker zal vallen dan bij de andere. Bij het bestaand verschil van meening onder belanghebbenden en met het oog op de groote belangen, aan beperking van Zondagsarbeid verbonden, komen de bedenkingen tegen het wettelijk verbod niet overwegend voor. 13

In zuivelfabrieken moet ook des Zondags werk verricht worden; de Zondagsarbeid schijnt daar zonder bezwaar door mannen te kunnen worden verricht. 14 Artt. 10 en II. De voorschriften omtrent arbeidskaarten en lijsten veroorzaken aan gemeentebesturen en werkgevers vrij wat overlast, vooral ten gevolge van de gedurige afwisseling van jeugdig personeel in vele bedrijven. Ook is in groote fabrieken nauwkeurige invulling der lijsten, wat den aanvang en het einde van den werktijd en

13 Gron. veenk. 4093—94. Groningen 6735—36. Friesland 1767—69. 1854—56. 1907—09. 2338—41. Zwolle enz. 1133—38. Gelderland 2248—49. 2701—05. 2738—45.2805—11.2859—65. 2897. 2901—06.

14 Groningen 8418—20. Friesland 2927. 3438.

ocr page 43

— Si

de werkuren voor ieder der beschermde personen betreft, soms bezwaarlijk uitvoerbaar. Daar deze middelen van controle in het stelsel der arbeidswet niet kunnen worden gemist, zijn de bedoelde bezwaren niet geheel weg te nemen; wel kunnen zij door oordeelkundige toepassing tot den geringst mogelijken omvang worden teruggebracht. 15

In sommige gemeenten werd de naleving der arbeidswet bevorderd door uitreiking van gedrukte exemplaren van de krachtens die wet genomen algemeene maatregelen van bestuur van wege het gemeentebestuur aan de werkgevers. 16

In hoever op de naleving der arbeidswet doeltreffend Artt. 18 en 19. politietoezicht wordt uitgeoefend, hangt vooral van het beleid der burgemeesters af. Het toezicht is op de eene plaats veel strenger dan op de andere. Van sommige gemeenten wordt getuigd, dat de ambtenaren van politie er geregeld fabrieken en werkplaatsen binnentreden.

Elders onthouden zij zich daarvan en bepalen zij zich tot opletten bij het aan- en uitgaan dier inrichtingen. Te Hengelo, waar overigens de fabrikanten tot stipte naleving der wet gezind zijn, verkondigde de sedert afgetreden burgemeester de zonderlinge meening, dat het „ minder goed zou werken.. . wanneer de arbeiders zoo kort na de invoering der wet zien, dat de fabrikanten gecontroleerd wordenquot;. Gemakkelijk is het opsporen van overtredingen der wet over het geheel niet; getuige de verzuchting van een hoofdagent van politie:

„als ik eene straat inkom. waarschuwen de lieden elkanderquot;. Te Groningen wordt, wanneer een kind be-

15 Twenthe 10632—34. Groningen 360—61. 2229. 2495—98. Friesland 1593. Gelderland 2062—63. 3404—05. 4524—25.

16 Friesland 2932. Gelderland 4526. 5054.

ocr page 44

— 32 —

neden twaalf jaren de school verlaat, daarvan door het hoofd der school kennis gegeven aan de plaatselijke commissie van toezicht op het lager onderwijs.

De schriftelijke bijzondere last, bij het tweede lid van art. 19 bedoeld, schijnt in de practijk veelal achterwege te blijven. Men volstaat dan met eene doorloopende machtiging. Moeilijkheden rijzen hieruit niet; van weigering van toegang tot fabrieken en werkplaatsen aan ambtenaren van politie wordt geen enkel voorbeeld vermeld. 17

kinderarbeid ■■ a^Z00 over werking van ^e meeste bepalingen

in veende- der arbeidswet een gunstig oordeel worden uitgesproken, rijen. j; in meer dan één opzicht vereischt die wet aanvulling en uitbreiding. Op grond van het ingesteld onderzoek moet in de eerste plaats een verbod noodig geacht worden om jonge kinderen in veenderijen tot voor hen ongeschikten arbeid te bezigen. Niet in alle veen-streken komt exploitatie van kinderen tot voor hen te zwaren arbeid in gelijke mate voor; maar zoowel uit de hooge als uit de lage venen worden van misbruik van jeugdige arbeidskrachten treurige voorbeelden vermeld. Deze betreffen in de hooge venen niet zoozeer het turfleggen en droogmaken als het kruien van natte turf. Turfgravers in de hooge venen van Appelscha, Hollandsche Veld en Schoonoord erkennen, dat zij hunne zoons reeds op hun tiende jaar met turfkruien hebben doen beginnen. In andere gevallen beginnen kinderen daarmede op hun elfde en twaalfde jaar. Ook dit is, wegens den aard dier werkzaamheid, veel te vroeg, en wordt door verveners en veenbazen sterk afgekeurd.

17 Twenthe 4944. 9472. 9808—-09. Gron. veenk. 2435. 3393—9quot;. 4454—55. 5174—76. Groningen 3—4. 363—64. 372. 681. 7582. Friesland 5. Gelderland 171. 305. 311. 4521.

ocr page 45

— 33 —

Deze kinderen genieten onvoldoende nachtrust en sommigen blijven achterlijk in lichamelijke ontwikkeling. Zelfs voor kinderen van veertien a zestien jaren, op welken leeftijd zij veelvuldig voor het turfkruien gebezigd worden, kan dit een te zwaar werk zijn. Veel hangt daarvan af, of de wagen licht geladen wordt. „Anders kan menquot;, zegt de administrateur eener groote ; veenderij, „in 13, 14 weken zoo'n jongen zoo maken, dat hij nooit geen mensch meer wordtquot;. Daarom is het kind, dat bij zijn vader werkt, veelal van gunstiger conditie dan hetgeen bij vreemden werkzaam is. Doch er zijn ook vaders, die hunne kinderen bovenmatig drijven. Uit te zwaren arbeid bij het turfkruien komen rugge-graatsverkrommingen en andere kwalen voort. Sommigen gaan zoover, dat zij jongelieden eerst op het zestiende jaar, of zelfs nog later, voor dezen arbeid geschikt noemen.18

Ook in de lage venen wordt van kinderarbeid veel misbruik gemaakt. Bij het turfmaken worden kinderen soms reeds op hun tiende a twaalfde jaar aan het werk gezet. Wel kunnen twaalfjarige kinderen, indien zij ten minste door de ouders niet misbruikt worden, zonder bezwaar voor hunne lichamelijke ontwikkeling bij het droogmaken van turf behulpzaam zijn; maar het trappen en steken van klijn is voor kinderen van dien leef tijd te zwaar werk, en de dertien- of veertienjarige leeftijd is in elk geval niet te hoog om te beginnen het vak te leeren. Wat het baggelen betreft, daarbij werken veelvuldig jongens van dertien a veertien jaren

18 Veenderijen 4480—81.4581.4587.4810—13. 4874—75. 5792. 6314. 6681. 6898—901. 7214—20. 7363. 7417—19. 7546—48. 7641—42. 7671. 7955—56. 8192—94. 8379—82. 8622—27. 8822—27. 8968. 9017. 9081—83. 9281. 9653. 9758—59. 10265. 10435—38. 10513. 10609. 11445—51. 11538.. 11578. 12214—16.

3

ocr page 46

— 34 —

in den bak of zelfs in den bok mede. Gewoonlijk worden zij door hun vader medegenomen; deze spit of trekt, en twee jongens mengen in den bak. Het gebeurt echter ook wel, dat zij vreemden behulpzaam zijn. Veelal overnachten zij mede in eene trekkerstent. Ofschoon voor hen ook hier veel daarvan afhangt, of zij door den volwassen werkman gespaard worden, en tevens de aard der specie niet zonder invloed blijft, stemmen toch de afgelegde verklaringen daarin overeen, dat voor jongens van dien leeftijd deze arbeid te zwaar en de daarmede gepaard gaande levenswijze geheel ongeschikt is. Nog bedenkelijker wordt deze exploitatie van kinderen, zoo dikwijls zij reeds op het twaalfde jaar of daarbeneden begint. Voorbeelden worden genoemd van jongens, die reeds op hun elfde, tiende, ja negende jaar bij het baggelen medehielpen.19 H Met het oog op deze feiten kan de omstandigheid, dat de veenarbeid in de open lucht geschiedt, geen voldoenden grond opleveren om de daarbij voorkomende exploitatie van kinderen ongestoord te laten voortduren. Mogen andere bepalingen der arbeidswet op de veenderijen bezwaarlijk zijn toe te passen, tegen uitbreiding van het verbod van kinderarbeid tot dezen tak van nijverheid kan geene andere bedenking rijzen dan deze niet overwegende, dat de controle niet overal even ge-11 makkelijk zal zijn. De wetgever zou dan ook een goed

/ werk doen, door den arbeid van kinderen beneden j 7

i veertien jaren in veenderijen, voorzoover die niet bestaat in het verleenen van hulp bij het droogmaken

19 Veenderijen 166—71. 245. 292—93. 342. 389—91. 578—82. 776. 882—85. 1096—99.1298—99.1681.1831—35.2126.2147—49. 2318—27. 2495. 2599—600. 2767—72. 2933—36. 3082. 3286. 3330. 3727—28. 3765—71. 3911—14. 4236. 4270. 5295. 5310. 5314. 5929—32. 6520. 6980—83. 9546. 11782—88. 11932.

ocr page 47

— 36 —

van turf, te verbieden. Aldus geformuleerd, zou het verbod zich ook uitstrekken tot het laden van schepen,

waarbij zeer lange werkdagen voorkomen en het misbruik is ingeworteld dat de schippers aan het arbeidend personeel, zonder onderscheid van sekse of leeftiid, aanmerkelijke hoeveelheden sterken drank verstrekken. 1 Verder te gaan ware, met het oog op den maatschap-pelijken toestand der veenarbeiders, niet raadzaam.

Door eene verbodsbepaling in den aangegeven zin zouden echter de ergste misbruiken ten deze zooveel doenlijk worden gekeerd, zonder bezwaar voor de nijverheid en evenmin voor de gezinnen der veenarbeiders, wier jeugdige kinderen juist niet bij de bedoelde soorten van arbeid behoeven te worden te werk gesteld. Wel verre van daarmede een bedenkelijken greep in bestaande toestanden te doen , zou men aldus handelen in overeenstemming met de volksovertuiging in de veenstreken ,

die zich tegen mishandeling van jonge kinderen, door het vergen van arbeid boven hunne krachten, met klem verzet.

Aan den arbeid van twaalfjarige kinderen — arbeid Leeftijd nu genomen in den zin der arbeidswet — heeft de derorbeid kan nijverheid geen wezenlijke behoefte. Dit heeft het ge- beginnen, houden onderzoek voor het noordoostelijk deel des lands overtuigend aangetoond. In de eerste plaats wat betreft de katoen-industrie, waaromtrent het vroeger wel eens betwijfeld werd. Wel verklaarden twee invloedrijke werkgevers uit Enschede dat met den fabrieksarbeid , om dien goed te leeren, bij voorkeur op het twaalfde jaar moet worden begonnen; een hunner meende dit zelfs niet alleen van spinnerijen, maar ook van weverijen te mogen getuigen. Maar tegenover hun woord,

hoe zwaar het wege, staat eensdeels het feit dat ook

ocr page 48

— 36 —

aan hunne fabrieken geen kinderen worden aangenomen, die niet het examen voor de fabriekschool met goed gevolg hebben afgelegd, waartoe kinderen uit arbeidersgezinnen veelal eerst tegen het dertiende jaar in staat zijn; anderdeels de afwijkende meening van de meeste andere getuigen, waaronder vele groote werkgevers in Twenthe en elders. Onder die werkgevers zijn er, die in hunne weverijen geen kinderen beneden veertien Jaren aannemen, of althans overtuigd zijn dat men, op dien leeftijd beginnende, het weven nog even goed leert. De meesten gaan echter niet zoo ver, maar nemen toch liever dertienjarige dan twaalfjarige kinderen aan, en dit zoowel in spinnerijen als in weverijen ; slechts op sterken aandrang der werklieden, die hunne Ipnderen gaarne reeds op twaalfjarigen leeftijd geplaatst zien, wordt soms van dien regel afgeweken. Nog anderen drukken wel op de wenschelijkheid om den fabrieksarbeid vroegtijdig te doen beginnen, doch voegen er bij dat het op een enkel jaar niet aankomt en het dertiende jaar in dit opzicht even goed is als het twaalfde.30

Hetzelfde geldt van vlasserijen, waarbij de werkgevers wel prijs stellen op goedkoopen kinderarbeid en er op wijzen, dat het vak beter geleerd wordt wanneer er op jeugdigen leeftijd mede begonnen wordt, maar de kinderen hunner werklieden toch veelal eerst op of na het dertiende jaar aannemen; zij doen dat ter wille der ouders, maar zouden hen liefst wat ouder hebben.

Bij eene machinale breierij worden meisjes niet beneden het dertiende a veertiende jaar aangenomen.

2» Twenthe 124. 188. 487—89. 742—44. 771—72. 819. 1112—14. 1334. 1923—26. 2127. 2391—92. 2494. 2801—02. 3247—48 4304. 4507. 6332—33. 6778. 7934. 7946. 8362. 8649. 8970. 9238—39. 9338—39. 10638. 10874—73. 11444. Zwolle enz. 2016. 2081. Gelderland 1309—10. 4761. 4930-31.

ocr page 49

— 37 —

Reeds bleek dat er steen- en pannenfabrieken zijn, waarbij men geen jongens beneden zestien jaren meer aanneemt. Intusschen bestaat er ten aanzien van den kinderarbeid verschil tusschen machinale en handvorm-fabrieken. Voor de laatstgenoemde wordt door een steenfabrikant de meening geuit, dat twaalfjarige kinderen er zonder bezwaar kannen werken. «Oudere jongensquot;, zegt hij, „moeten veel te veel verdienen.quot;

In glasblazerijen begint de kinderarbeid gewoonlijk op het twaalfde jaar. Wat de glasslijperij betreft, wordt verklaard dat het tijds genoeg is om het werk goed te leeren, wanneer daarmede op het dertiende a veertiende jaar begonnen wordt.

Aan houtzagerijen neemt men liefst geen jongens beneden zestien jaren. Ter wille van den vader wordt soms eene uitzondering gemaakt. Bij eene enkele houtzagerij worden jongens op het dertiende jaar aangenomen. Bij eene houtdraaierij op het dertiende a veertiende jaar.

In eene lederfabriek worden jongens niet vóór het vijftiende jaar toegelaten, en wel bij voorkeur zoons van eigen arbeiders.

Van strookarton- en aardappelmeelfabrieken bleek reeds, dat men er veelal geen jongens beneden zestien jaren meer bezigt. Van eene gist- en spiritusfabriek wordt hetzelfde getuigd.

Aan eene vermicellifabriek worden meisjes beneden veertien jaren niet aangenomen.

Een cigarenfabrikant neemt zelf geen jongens beneden veertien jaren in dienst, doch laat zijne cigaren-makers vrij om ook jongens van twaalf of dertien jaren aan te nemen. Van de zijde van laatstgenoemden wordt de meening uitgesproken, dat jongens op niet veel hoogeren dan twaalfjarigen leeftijd moeten beginnen het vak te leeren.

ocr page 50

— 38 —

In eene olieslagerij werken geen jongens beneden zestien jaren.

In verscheidene metaalgieterijen, machinefabrieken en scheepswerven worden in het geheel geen jongens beneden zestien jaren aangenomen. Bij andere laat men jongens op veertienjarigen, soms op dertienjarigen leeftijd toe. Echter minder, omdat zij er met vrucht werkzaam kunnen zijn, dan op aandrang der vaders. De ingenieur-chef van de centrale werkplaats der Exploitatiemaatschappij te Zwolle, die om zijn werkvolk genoegen te doen reeds op twaalfjarigen leeftijd jongens aanneemt, voegt er bij: „ik doe het ongaarne, maar word er wel toe gedwongen.quot;

Van de ambachtsnijverheid geldt hetzelfde. Timmerlieden, metselaars, loodgieters, blikslagers, steenhouwers, meubelmakers, schilders, stukadoors nemen of in het geheel geen jongens beneden zestien jaren, omdat zij het werk voor hen te zwaar achten of wegens de voorschriften der arbeidswet, öf bepalen zich tot het veertiende, bij uitzondering tot het dertiende jaar. Om deze vakken te leeren, wordt vroegtijdig verkeer in de werkplaatsen, waar de jongens hoofdzakelijk voor het doen van boodschappen enz. gebezigd worden, niet noodig geacht. Ook in boekdrukkerijen en binderijen heeft men liefst geen jongens beneden IS1/^ 14jaren, al worden jongere kinderen er wel als loopjongens gebruikt.

Van het sjouwwerk bij den graanhandel wordt getuigd, dat jongelieden beneden achttien jaren het in den regel niet goed kunnen verrichten.

Nagenoeg alle geneeskundigen, die als deskundigen gehoord zijn, keuren fabrieksarbeid van kinderen beneden veertien jaren nadrukkelijk af. Slechts een enkele meent, dat kinderarbeid in de katoen-industrie op vroe-

ff

!

ocr page 51

geren leeftijd kan beginnen, onder bijvoeging echter, dat kinderen in zijne woonplaats feitelijk eerst op hun dertiende jaar op de fabriek plegen te komen. Anderen oordeelen daarentegen, dat fabrieksarbeid vóór het zestiende jaar op de meeste kinderen, in het bijzonder op meisjes, uit een physiek oogpunt schadelijk werkt; kinderen, die in weverijen en vooral die in spinnerijen werken, zien er bepaaldelijk in den eersten tijd slecht uit; velen komen later bij, doch lang niet allen. Ook uit andere takken van nijverheid worden nadeelige gevolgen van vroegtijdigen arbeid vermeld. Een jongen, aan eene pannenfabriek geplaatst, kon het daar niet uithouden maar kwam spoedig ziek tehuis. Van eene machinefabriek wordt getuigd, dat er van jonge kinderen vaak te veel gevergd wordt. 31

Niet minder schadelijk is het uit zedelijk oogpunt, wanneer kinderen op jeugdiger leeftijd dan noodig is in fabrieken en werkplaatsen worden toegelaten. Veelal heerscht daar een ruwe toon, die in het kinderlijk gemoed diepe sporen moet achterlaten. In het bijzonder wordt daarover geklaagd ten aanzien van die werkplaatsen , waar personen van beide seksen werkzaam zijn. Het voeren van losbandige taal kan daar moeilijk worden belet; en op dit punt ontbreekt aan het toe-

21 Twenthe m. 187. 7571—72. S021. 8562. 8756—58. 8880—81. 9379. 9880—82. 9885. 9919. 9924. 10304—06. 10362. 10635—36. 12225. 12252. 12297. Gron. veenk. 344. 345. 500—02. 681. 778. 1695—97. 2452. 2453. 2628. 2872. 3327. Groningen 516. 652. 729. 875. 958. 1386. 1771—73. 2145. 2392. 2473—74. 3127—28. 3175. 3311. 3315. 3886. 3986. 4040.4301—02.5080. 5906—11.6117—22. 6314—16. 6684. 6858—60. 7068. 7165. 7220. 7811. 8184—85. Friesland 1761. Zwolle enz. 695. 770. 818. 943. 1049. 1228. 1659—60. 1783. 1939. 2578. 2643. 2899. 2991. 3140. 3167. 3372. 3389. Gelderland 349—50. 895—97. 921—22. 2096. 2139—40. 2293. 2412. 2693—94. 3581. 4050. 4931. 5924—26. 6071—73.

ocr page 52

— 40 —

zicht dikwijls zeer veel. Tevens geeft de aanwezigheid van hoogzwangere, wegens de warmte half gekleede vrouwen in de werkzalen van katoenspinnerijen recht-matigen aanstoot. Wel worden zoodanige vrouwen in theorie door werkgevers en opzichters verwijderd, maar in de practijk wordt in dit opzicht niet altijd de noodige strengheid betracht. Van achtenswaardige zijde wordt aangedrongen op een wettelijk verbod, om vrouwen gedurende een zekeren tijd vóór hare bevalling in fabrieken en werkplaatsen te doen arbeiden. Dit schijnt, bij gebreke van de noodige middelen van controle, moeilijk uitvoerbaar. Maar het is wel mogelijk en ge-wenscht, kinderen althans iets langer buiten het zedelijk bederf te houden, waaraan zij door verschillende omstandigheden in fabrieken en werkplaatsen blootstaan. 23

Het beginnen van den indastriëelen arbeid op het twaalfde jaar, zonder genot van herhalingsonderwijs, doet zelfs bij die kinderen, die tot dien leeftijd de school trouw bezochten, de vruchten van het onderwijs voor een goed deel teloorgaan. Juist omstreeks dien leeftijd begint bij kinderen uit arbeidersgezinnen de vatbaarheid om het geleerde niet alleen op te nemen maar ook te verwerken, zoodat het niet spoedig vergeten wordt maar blijvend nut verschaft. Thans heerscht onder de arbeidende klasse het noodlottig begrip, dat een kind met zijn twaalfde jaar volleerd is. Zoo spoedig mogelijk na het bereiken van dien leeftijd, soms met den verjaardag zei ven, verlaten de kinderen met koortsachtige haast de school. Deze eenige dagen langer te

- Tvent/zs 1643—46. 1722—25. 1782—83. 1936—37. 5092—94. 6230—31. 9534. Groningen 4250—51. 4305. Zwolle enz. 866. 1516. 2020. 2484. 2958. 3382—88. 3414. Gelderland 1311—12. 1404. 1536—37. 1858—60.

ocr page 53

blijven bezoeken, wordt als een bewijs van bijzonderen ijver voor het onderwijs voorgesteld. Eene Geldersche fabrieksarbeidster, gevraagd of zij tot haar twaalfde jaar trouw heeft schoolgegaan, antwoordt met zelfvoldoening: „Ja, altijd trouw; ik was al veertien dagen over de twaalf, toen ik op de fabriek kwamquot;. Predikanten verhalen van hunne ervaring dat kinderen, die tegen hun twaalfde jaar bij hen ter catechisatie komen en de school trouw bezocht hebben, alsdan aardig ontwikkeld zijn, maar na een paar jaren industriëelen arbeid een zeer groot deel van het geleerde zijn vergeten en niet goed meer kunnen lezen en schrijven. Niet alleen onderwijzers, maar ook werkgevers komen van soortgelijke bevindingen getuigen. Eene verschuiving van het begin van den arbeid ware dan ook voor de ontwikkeling van het opgroeiend geslacht van hooge waarde. ~3

Vele werklieden zouden wenschen, dat het verbod van kinderarbeid tot het veertiende jaar werd uitgestrekt. 34 Zij denken daarbij hoofdzakelijk of uitsluitend aan de ambachtsnijverheid of aan de ijzer-industrie, waarin arbeid van kinderen beneden veertien jaren zeker kan worden gemist. Andere belangrijke takken van nijverheid zouden echter een verbod van zoo verre strekking minder gemakkelijk verdragen. Het zou ook geen aanbeveling verdienen, den kinderarbeid in sommige takken van bedrijf tot hoogeren leeftijd te verbieden

23 Twent he 10397. Groningen 129. 416. 1225. Zwolle enz. 133. 187. 533. 1572. Gelderland 2412. 4893. 5362.

24 Anders dacht er een arbeider aan eene steenfabriek le Giesbeek over, die had hooren zeggen — hij voegde er niet bij door wien — dat verboden zou worden om kinderen beneden veertien jaren te laten werken, maar meende dat dan van den arbeidenden stand niemand meer zou kunnen bestaan. Leerplicht tot het twaalfde jaar zou hij echter heel goed vinden. Gelderland 2693—94.

ocr page 54

— 42 —

dan in andere. Dan touh zouden kinderen, die anders bijvoorbeeld voor een ambacht of voor eene machinefabriek zouden bestemd worden, allicht in eene voor hen een jaar vroeger toegankelijke spinnerij of weverij terechtkomen. Feitelijk zou eene soort van premie staan op arbeid in die takken van nijverheid, waarbij kinderarbeid op jongeren leeftijd werd toegelaten.

Tegen het aannemen van ongeveer den dertienjarigen leeftijd als grens, waarbeneden de kinderarbeid verboden is, blijken echter in het noordoostelijk deel des lands geene overwegende bezwaren te bestaan. Wel zouden velo arbeidersgezinnen daardoor tijdelijk worden benadeeld. Het is niet te ontkennen, dat zoodanige gezinnen veelal een moeilijken tijd doorleven, zoolang nog geen der kinderen aan den arbeid is, en eerst tot eenige welvaart geraken, wanneer de oudste kinderen hunne verdiensten gaan inbrengen. Elk uitstel van den tijd, waarop het oudste kind daarmede kan beginnen, zou aan menig werkman opofferingen kosten. Zonder voor dit bezwaar ongevoelig te zijn, mag men opmerken dat op het gebied der sociale wetgeving nauwelijks eenige maatregel in het belang der arbeidende klasse denkbaar is, zonder dat de tegenwoordige arbeiders daarvoor tijdelijk offers brengen. Wanneer het verbod verder werd uitgestrekt, kon daarvan de scherpste kant worden weggenomen door aan het uitvoerend gezag de bevoegdheid voor te behouden, om aan twaalfjarige kinderen in bijzondere gevallen ontheffing te verleenen.

Sommige geneeskundigen achten voor de toelating in bepaalde fabrieken eene geneeskundige keuring van kinderen wenschelijk. Deze wordt aan enkele fabrieken in Twenthe van wege de werkgevers toegepast, meestal in verband met het lidmaatschap eener ziekenkas; er wordt echter niet zeer streng de hand aan gehouden.

ocr page 55

— 43 —

r

r Andere werkgevers meenen dat de ouders zelf moeten weten of hunne kinderen tegen den fabrieksarbeid zijn opgewassen, en dat een fabrikant niet wei kan weigeren een kind van zijn arbeider in dienst te nemen, wanneer de vader daarop aandringt. 25 Wat hiervan zij,

zeker is het dat eene keuring van kinderen voor bepaalde fabrieken hier te lande verschillende bezwaren zou ontmoeten. Volgens den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij art. 4 der arbeidswet, kan van den werkgever voor personen beneden zestien jaren of vrouwen, werkzaam in fabrieken en werkplaatsen of gedeelten daarvan, waarin vergiftige stoffen bereid of verwerkt worden of wel de dampkringslucht veronteinigd wordt met stof, binnen vier weken overlegging van eene geneeskundige verklaring betreffende hunne licha-melijke gesteldheid worden gevorderd. Verder te gaan dan een zoodanig voorschrift, schijnt vooralsnog niet geraden.

Door verbod van kinderarbeid wordt intusschen we/ Wettelijke

regeling van

exploitatie van kinderen tot voor hen ongeschikten ar- den |eer.

beid tegengegaan, maar niet bepaald verhinderd dat plicht.Arbeid

van qehuwde

hunne opvoeding door onthouding van het noodzakelijk vrouwen bui-onderwijs worde verwaarloosd. Zeer velen hunner wor- tenshuis. den reeds op jeugdigen leeftijd bij den veldarbeid of in de gezinnen gebezigd. Er zijn ook gevallen, dat men hen laat rondloopen en bedelen. Het schoolverzuim is dan ook in vele streken van zeer grooten omvang.

Niet zoozeer het volstrekt schoolverzuim, waarvan de beteekenis soms overdreven wordt voorgesteld, als het:

-(

betrekkelijk schoolverzuim en het te vroeg verlaten der

25 Twenthe 4424—25. 4496—98. 4765. 7858. 8563. 9920—22. 10637. 10884—88. Gron. veenk, 3324—26. Groningen 170. Gelderland 111.

ocr page 56

— 44 —

\ school. Het schoolverzuim gedurende bepaalde jaargetijden heeft ten gevolge, dat het geleerde bij de ver-zuimers spoedig vervliegt en het klassikaal onderwijs ook voor de overige leerlingen minder goede vruchten draagt. En het behoeft geen betoog dat kinderen, die na ongeregeld schoolbezoek reeds, met hun tiende jaar voor goed ophouden onderwijs te ontvangen, na korten tijd in kennis en ontwikkeling niet veel zullen verschillen van hen, die in het geheel geene school bezochten.

Ter bevordering van het schoolbezoek wordt hier meer, ginds minder gedaan. Er wordt getracht invloed uit te oefenen op de ouders der ongeregeld schoolgaande kinderen; er worden belooningen uitgereikt en schoolfeesten gegeven; aan behoeftige schoolkinderen wordt voedsel verstrekt. Geheel zonder uitwerking blijven die verschillende middelen niet. Maar ook in het beste geval kunnen zij geen voldoende uitkomsten opleveren, omdat er niet mede verkregen wordt dat de kinderen de lagere school geheel doorloopen.

Voor aanstaande fabrieksarbeiders wordt dit laatste wel verzekerd in verschillende plaatsen in Twenthe, waar vele katoen- en machinefabrikanten op hoogst verdienstelijke wijze voor het onderwijs der arbeidende bevolking zorgen. Te Enschede zijn de meeste, te Hengelo alle fabrikanten overeengekomen kinderen slechts na een met goed gevolg afgelegd examen in hunne f;b-brieken toe te laten. Om in dat examen te slagen, moeten de kinderen het in de lagere school tot de hoogste klasse gebracht hebben. De in de fabrieken aangenomen kinderen ontvangen herhalingsonder wijs in fabriekscho-len, waarop nader wordt teruggekomen. In andere Twent-sche fabrieksplaatsen heeft men dit voorbeeld in meerdere of mindere mate nagevolgd. Het fabrieksexamen wordt

ocr page 57

— 45 —

bij onderscheidene fabrieken vervangen door een bewijs van het hoofd der lagere school, dat het onderwijs door het kind met vrucht gevolgd is. Aan ééne fabriek wordt geen zoodanig bewijs gevorderd en is het toelatingsexamen afgeschaft, maar wordt nog wel onderwijs gegeven. Kr zijn echter ook plaatsen — Stad-Almelo, Borne, Delden — waar de fabrikanten deze bemoeiingen hebben laten varen of nooit hebben beproefd. Buiten Twenthe heeft men hier en daar denzelfden weg betreden. Te Deventer hebben vele patroons zich verbonden geen kinderen beneden veertien jaren aan te nemen dan op een getuigschrift van het hoofd dei-school, dat zij voldoend onderwijs hebben genoten. Te Zwolle was kort vóór de getuigenverhooren eene poging aangewend om de patroons tot het aangaan eener soortgelijke verbintenis te bewegen. Te Winterswijk is in 1891 voor twee der fabrieken een examen ingevoerd; de daarbij geslaagde kinderen worden echter alleen bij voorkeur, niet bij uitsluiting geplaatst.

Hoeveel lof deze maatregelen verdienen, en hoezeer zij vooral daar, waar de fabrieksnijverheid sterk op den voorgrond treedt, in hooge mate strekken om het schoolbezoek te bevorderen, afdoende middelen tegen schoolverzuim zijn zij niet. Op het schoolverzuim wegens veldarbeid blijven zij natuurlijk buiten invloed. Andere patroons, niet door eene aangegane overeenkomst gebonden, zijn bereid de kinderen aan te nemen, die de lagere school niet doorliepen. Maar ook onder de fabrikanten te Enschede zijn er, die zich aan de fabriek-school onttrekken; en hun aantal is helaas toenemend. Blijkens het verslag van de fabriekschool te Enschede over 1892 zijn er thans reeds 197 kinderen, die genoemde school niet bezoeken ; eene circulaire van het bestuur der school aan elf firma's, houdende dringend

ocr page 58

— 46 —

verzoek om het schoolverzuim te helpen keeren door voortaan slechts zulke jonge arbeiders in dienst te nemen, die het bewijs van toelating tot de fabriek-school kunnen overleggen, leidde wel tot beleefde antwoorden, maar niet tot de gewenschte toezeggingen. Bij de getuigenverhooren werd geheele of gedeeltelijke onttrekking aan de gemeenschappelijke instelling verdedigd met de opmerking, dat er toch een uitweg moet zijn voor kinderen, die niet goed kunnen leeren. Dit bezwaar — zelf een uitweg — kan echter ook op andere wijze worden ondervangen: te Hengelo wordt eene uitzondering gemaakt voor kinderen, die de lagere school getrouw bezochten, maar blijkens advies van deskundigen lichamelijk of geestelijk achterlijk zijn.

Elders dan in Twenthe en in de overige genoemde plaatsen verzekeren de werkgevers zich in den regel niet of slechts oppervlakkig dat de kinderen, die zij in dienst nemen, behoorlijk onderwijs hebben genoten. Dit is zeker te betreuren; doch erkend moet worden dat, waar de samenwerking der toongevende fabrikanten zelfs in Twenthe onmachtig is om het schoolverzuim afdoende tegen te gaan, dit doel in streken, waar bepaalde takken van nijverheid niet zoo algemeen worden beoefend, nog veel minder bereikbaar ware.

Evenmin als particulieren, hebben de gemeentebesturen het in de hand de kinderen, die zonder voldoende redenen van onderwijs verstoken blijven, in de scholen te brengen. Het is bekend dat de bevoegdheid tot het vaststellen van verbodsbepalingen omtrent kinderarbeid , den gemeenteraden bij art. 82 dor wet op het lager onderwijs toegekend, over het algemeen zeer weinig uitwerkt, al kan op enkele gemeenten worden gewezen waar eene dergelijke verordening, vooral in den eersten tijd na hare vaststelling, gunstige uit-

ocr page 59

_ 47 —

komsten heeft opgeleverd. In geen geval kan het tehuis houden der kinderen langs dezen weg worden belet. Tegen het willekeurig schoolverzuim bestaat slechts één afdoend raiddel: wettelijke regeling van den leerplicht. Alleen daardoor kan een einde komen aan het schoolverzuim , voor zoover het ontstaat uit laakbare onverschilligheid der ouders of uit het gebruik der kinderen hetzij tot hulp bij landbouw of veeteelt, hetzij tot huishoudelijke bezigheden. /

In menig geval heeft het schoolverzuim geene andere ƒ reden dan onverschilligheid. Deze strekt zich veelal ook tot het godsdienstonderwijs uit. Kinderen , die de school verzuimen, koraen evenmin ter catechisatie. Er zijn kinderen, die alleen ter school koraen zoo dikwijls zij er voedsel ontvangen. Naast die gevallen staan andere, waarin niet behoeftige ouders zonder eenige noodzaak hunne kinderen laten werken. 30

Eene niet minder veelvuldig voorkomende reden van f schoolverzuim is het bezigen der kinderen in de huishouding. Dit hangt ten nauwste samen met den arbeid van gehuwde vrouwen buitenshuis. Waar de huisvrouw jf uit werken gaat of fabrieks-, veld- of veenarbeid verricht en geene bejaarde of gebrekkige verwante deel van het gezin uitmaakt, blijven de kinderen reeds op jeugdigen leeftijd tehuis om op nog jongere broertjes of zusjes te passen, aan den vader eten te brengen, enz. Het schoolverzuim plant zich dan veelal van het \ oudste op de jongere kinderen over.

Werkt de gehuwde vrouw in eene fabriek, zoo doet zich deze aanleiding tot schoolverzuim gedurende het j geheele jaar gelden. In gezinnen, waar de huisvrouwI

26 Grot/, veenk. 3454. 3-457. 4185. 4866. Groningen 138. Gelderland 453. 075. 1926. 3819—21.

ocr page 60

— 48 —

\in het veld of in het veen arbeidt, bestaat zij slechts in bepaalde jaargetijden. Maar dan is ook het daaruit voortvloeiend schoolverzuim van buitengewonen omvang. Zoo loopen in de Groninger veenkoloniën de scholen ledig gedurende de aardappelcampagne, wanneer daar bijna alle tot de arbeidende klasse behoorende vrouwen in het veld werken.27

De meeste bijzonderheden bevatten de getuigen verhoeren omtrent den arbeid van gehuwde vrouwen in veenderijen. Die arbeid bestaat eensdeels in het verleenen van hulp bij het bereiden en droogmaken van turf, anderdeels in het helpen vervoeren daarvan naar de hoop-steden en in het indragen en stuwen in de schepen. Het laden van schepen wordt voor een groot deel door vrouwen en meisjes verricht. Zij stellen er eene eer in de turf netjes in het schip te stuwen, en hebben haar deel in den sterken drank, die bij die gelegenheid dooiden schipper verstrekt wordt. 38 In de lage venen is het regel, dat de vrouwen hare mannen behulpzaam zijn bij het turfmaken. Niet alleen bij het opzetten, keeren en droogmaken van turf, maar ook wel bij het trappen en steken van klijn, waarbij dan het zwaarste werk door den man, het lichtere werk door de vrouw verricht wordt. Ook in de hooge venen bepaalt de werkzaamheid der vrouwen zich niet tot het turfleggen of droogmaken van turf, maar strekt zij zich ook veelvuldig tot het kruien uit. De zwaarte van dezen laat-sten arbeid is zeer verschillend. Het kruien van droge

Gron. veenk. 2457—58. 3426.

58 Veenderijen 6152. 6411—12. 6446—47. 6469. 6526. 6538. 6543. 6704—05. 6757—58. 6924. 7094. 7198. 9373—75. 9837. 10165—66. 10300—02. 10313. 10462. 10838—41. 10940—43. 11168—75. 11192—96. 11240—44. 11630—31. 11665. 11719—20. 11955. 12048—51. 12287.

ocr page 61

— 49 —

turf naar den hoop, waartoe de vrouwen zich bijvoorbeeld in de Krim plegen te bepalen, geldt niet voor een bijzonder zwaar werk, evenmin als het kruien van machinale turf. Erger is het kruien van natte turf, al is ook deze arbeid naar de gesteldheid van het veen nu eens lichter, dan zwaarder. De vrouwen worden daarvan dikwijls kreupel, terwijl zij op eenigszins gevorderden leeftijd niet zelden aan verkrommingen lijden. Zeker is niet alle door vrouwen verrichte veenarbeid voor haar geschikt, vooral niet, wanneer zij in zwangeren toestand te lang blijven werken. Het gevolg van een en ander is, dat vooral in de hooge venen vele vrouwen vroeg versleten zijn en geen hoogen leeftijd bereiken. 29

Desniettemin bestaat onder de vrouwelijke bevolking der veenstreken groote voorliefde voor den veenarbeid. Vele vrouwen van veenarbeiders werken bij voorkeur in het veen en gevoelen zich weinig geroepen tot huishoudelijke werkzaamheden. Op dit gebied is hare kennis gering. Weinigen onder haar kunnen goed naaien en breien. Van het opgroeiend geslacht, voorzoover het eenigszins geregeld de school bezoekt, mag in dit opzicht meer verwacht worden, nu de nuttige handwerken voor meisjes bij de wet van 1878 onder de verplichte leervakken der lagere school zijn opgenomen. Vooralsnog evenwel bezitten alleen de knapste vrouwen van veenarbeidêrs de noodige bekwaamheid om hare huishouding te besturen. Dezen plegen dan ook niet in het

23 VeendenjenZW—IZ. 341. 343—44.498—99.886—87.986—89. 1145-47. 1836—39. 2042. 2328. 2565. 2773—76. 4026—27. 4170—71. 4314—18. 4592—95. 4610. 4879—80. 5311—12. 5496 —502. 5552—54. 5559. 5782. 5786—90. 5859. 6904—05. 7051. 7414. 7540—44. 7640. 7643. 7684. 8821.9119.9270—76.9315—20. 9427. 9706—07. 10157. 10342—43. 10515—16.

4

ocr page 62

— 50 —

veen te werken. Overigens worden gehuwde vrouwen ook tot veenarbeid gedreven door den drang der ver-veners, die aan het verhuren eener woning veelal de voorwaarde verbinden, dat de vrouw of hare dochters • turf droogmaken. Vooral ook ia de hooge venen is deze voorwaarde zeer gebruikelijk. Een veenarbeider, die geene vrouw heeft welke turf kan leggen, kan soms geene woning in huur krijgen en moet uit armoede zelf een hutje bouwen. De betaling der huur wordt door dezen arbeid der vrouw verzekerd. Ook zijn er in den tijd van het jaar, dat de mannen turf graven, hier en daar handen te min. Toch zijn er groote ver-veners, die den arbeid van gehuwde vrouwen aan het droogmaken van turf voor hunne industrie volstrekt niet onmisbaar achten en meenen dat jongelieden van zestien tot twintig jaren voor het turfleggen konden worden opgeleid.

Wanneer de huisvrouw in het veen werkt, moeten de kinderen op de huishouding passen, tenzij er andere hulp is of een dienstmeisje gehouden wordt. Zoowel het een als het ander kost aan het gezin ongeveer evenveel als de arbeid der vrouw opbrengt. Het houden van een dienstmeisje is betrekkelijk kostbaar. Jonge kinderen zijn natuurlijk volstrekt niet in staat de huishouding naar behooren te verzorgen. Deze wordt verwaarloosd en er wordt duur geleefd; terwijl vader en moeder in het veen werken, halen de kinderen bijvoorbeeld met ruime hand waren op het boekje van den veenbaas. Onder de veenarbeiders is dan ook de overtuiging vrij algemeen , dat in den regel de arbeid der huisvrouw in het veen voor het gezin niet voordeelig is. Natuurlijk maakt het hierbij groot verschil, of zij haren man slechts nu en dan, wanneer de omstandigheden het medebrengen, eenige hulp verleent, dan wel of zij zich

ocr page 63

— 51 —

voortdurend den geheelen dag in het veen ophoudt. Ook de afstand tusschen het veen en de woning is ten deze van overwegende beteekenis. Zeker valt niets in te brengen tegen de hulp der vrouw in de bij de woning behoorende kleine boerderij van sommige veenarbeiders,./ in daartoe geschikte streken gevestigd.30 '

Evenmin brengt, om tot den fabrieksarbeid terug te keeren, de arbeid van gehuwde vrouwen in fabrieken, naar het oordeel van bevoegde getuigen, den gezinnen veel voordeel aan. Het reinhouden der woning en het bereiden der spijzen laten daar, waar de huisvrouw fabrieksarbeidster is, meestal veel te wenschen over. Voor het maken en verstellen van kleedingstukken heeft de vrouw geen tijd. De kinderen blijven zonder toezicht. De vrouw meent van haar loon wat meer voor zich zelve te mogen uitgeven, en de man, die het tehuis niet aantrekkelijk vindt, brengt allicht een paar kwartjes meer in de herberg. Een en ander weegt gewoonlijk wel tegen het loon der vrouw op. Ook in fabriekstreken vindt men de meeste welvaart in gezinnen , waar de vrouw tehuis blijft. 31

Deze ernstige en onmiskenbare bezwaren leiden som- , migen tot den wensch, dat de arbeid van gehuwde vrouwen in fabrieken, werkplaatsen en veenderilen bij de wet moge worden verboden. Die wensch schijnt i

30 Veenderijen 2601. 3655. 4010—13. 4103—08. 4579. 4642.4877. 5534—35. 5739. 6025—27. 6125—29. 6242—48. 6350—55. 6471 —72. 6525—26. 6745—47. 6808. 7021—24. 7901—04. 8087. 8102. 8166—71. 8324—27. 8339. 8517. 8551. 8629—30. 8643—44. 8687 —90. 8814—18. 8875. 8899. 8966. 9020—23. 9080. 9136—37. 9232. 9341. 9520. 9754. 10153—55. 10159—62. 10271. 10319. 10322—23. 10617—20. 10899. 10914—15. 10949—51. 11028—30. 11044—53. 11244—45. 11426. 11509—12. 11590—91. 11669. 11706—11. 12276—77. 12298.

31 Twenlhe 321. 2496. 2712—13. 2947. 3446. 3903. 3912. 9943.

ocr page 64

— 52 —

evenwel, hoe ongunstig men over dien arbeid oordeele, niet voor verwezenlijking vatbaar. Een dergelijk verbod zou niet alleen buitenechtelijk verkeer in de hand werken en in die gevallen, waarin de gewraakte arbeid der huisvrouw onmisbaar is, het arbeidersgezin van zijn middel van bestaan berooven; maar ook zou het op de vrijheid der gehuwde vrouw eene moeilijk te rechtvaardigen inbreuk maken. Door wettelijke regeling van den leerplicht kan men echter in vele gevallen, zonder , op deze bezwaren te stuiten, hetzelfde doel bereiken. quot; Worden de ouders genoodzaakt hunne kinderen onder i wijs te doen genieten, dan zullen zij hen althans ge-$ durende de schooltijden niet meer kunnen bezigen om op de huishouding te passen. Het natuurlijk gevolg daarvan zal zijn dat in vele met kinderen gezegende gezinnen, waar niet over andere hulp beschikt en de arbeid der huisvrouw in de fabriek of in het veen niet door de omstandigheden gewettigd wordt, zij genoopt wordt dien arbeid te laten varen. De nijverheid zal zich zonder veel moeite naar den gewijzigden toestand voegen en de gehuwde vrouw als arbeidskracht leeren missen. De natuurlijke regel, dat de vrouw de huishouding verzorgt en de kinderen onderwijs genieten, zal meer en meer in de plaats treden van de betreurenswaardige afwijkingen, die thans zijn waar te nemen, j Vooral ook in de aan Duitschland grenzende streken i van ons land wordt het ontbreken van wettelijken leer

plicht pijnlijk gevoeld. Uit verscheidene gemeenten wordt

getuigd, dat kinderen van Nederlandsche arbeiders aan

Duitache boeren verhuurd worden om op Duitsch grond-ï gebied vee te hoeden enz., waartoe in Duitschland, wegens den schoolplicht, jonge kinderen niet kunnen worden gebezigd. In de nabijheid der oostelijke grenzen is men over het geheel beter dan elders in de gelegen-

ocr page 65

heid waar te nemen, hoe de wettelijke leerplicht de ontwikkeling der arbeidende klasse ginds hooger heeft opgevoerd. In sommige takken van nijverheid hier te lande ziin die onderdeelen van den arbeid , die de meeste ontwikkeling vereischen en het best betaald worden, in handen van Duitschers, en gelukt het wegens de mindere ontwikkeling der Nederlandsche arbeiders niet deze daarvoor op te leiden, waartoe de Duitschers natuurlijk niet hard medewerken. Zoo zijn, ofschoon de gewone papiermakerij hier van oudsher inheemsch is, in die papierfabrieken, waar men zich op machinale en massale productie toelegt, de papiermakers geregeld Duitschers. Tot die nationaliteit behooren ook de brandmeesters in verscheidene Groninger steenfabrieken en de werkmeesters in eene bandfabriek.33

Ongetwijfeld zou regeling van den leerplicht voor menig gezin met bezwaren gepaard gaan. Het ontbreekt intusschen niet aan verklaringen van personen, met de nooden der arbeidende klasse wel bekend, volgens welke j die bezwaren ook hier te lande geenszins onoverkome-| lijk zouden blijken.33

Met dat al is de Afdeeling omtrent den leerplicht niet tot eenstemmigheid kunnen geraken. Hare minderheid ontkent niet den plicht der ouders om hunne kinderen te doen onderwijzen, maar acht het invoeren der handhaving van dien plicht door wettelijke poenale sanctie althans vooralsnog.hier te lande niet geraden. Niet omdat zij het recht van de overheid daartoe volstrekt ontkent. Ook naar hare meening is deze be-

32 Grouinijen 7727. Vriesland. 2238—40. 2262. 2495—99. Gelderland 1546. 2994. 3037—40. 3137. 3362.5190—94.6018. Veenderijen WZi 6103. 6272—74. 6878. 10412. 10652. 10704—06.

33 Groningen 8122. Gelderland 286. 501. 515.

ocr page 66

voegd tot bescherming der personae miserabiles. Zij heeft echter andere, deels principiëele, deels practische bedenkingen. Bij vele ouders bestaan tegen de strekking van het openbaar lager onderwijs bezwaren, die moeten worden geëerbiedigd. Genoodzaakt hunne kinderen onderwijs te doen genieten, zouden zij hen in zeer vele plaatsen, waar geene Christelijke scholen bestaan, naar eene openbare school moeten zenden. Terecht wordt er echter door geestelijken op gewezen dat er onderwijzers zijn, wier onderwijs van dien aard is dat men de kinderen niet zou mogen verplichten bij hen ter school te gaan.34 Door tot het bezoek van zoodanige scholen te dwingen, zou men het geweten van conscientieuse ouders geweld aandoen. Ook worden geene leerlingen in de scholen toegelaten dan na de vaccinatie te hebben ondergaan, waartegen velen zoo op wetenschappelijke als op godsdienstige gronden bezwaren hebben, die bij invoering van schooldwang evenzeer zouden worden veronachtzaamd. Daarbij komen de niet te loochenen bezwaren voor de gezinnen en de practische moeilijkheden, welke ten plattelande niet zelden uit groote afstanden en slechte wegen en paden voortkomen. Op grond van een en ander meent de minderheid der Afdeeling onder de bestaande omstandigheden hier te lande wettelijke regeling van den leerplicht niet te kunnen aanbevelen.

De meerderheid der Afdeeling is van oordeel dat het overwegend belang, om aan de kinderen der arbeidende bevolking behoorlijk onderwijs te verzekeren, zwaarder moet wegen dan de bedenkingen, die tegen regeling van den leerplicht zijn in te brengen. Volgens ons burgerlijk recht zijn de ouders verplicht hunne kinderen

34 Gronimjen 310. Veenderijen 6535.

ocr page 67

te onderhouden en op te voeden. Wat het onderhoud betreft, dwingt de wet de ouders daartoe in geval van verzuim van dien plicht; doch zij doet dit niet waar het de opvoeding geldt, die onderwijs omvat. Dit is eene inconsequentie, die door wettelijke regeling van den leerplicht is weg te nemen. Deze is, gelijk het door een predikant juist wordt uitgedrukt, „eene bescherming van het arme kind, dat slordige ouders heeft, tegen de ondeugd van de oudersquot;.35 Voorzeker moet de Staat de gewetensvrijheid eerbiedigen. Deze wordt echter gehandhaafd, waar door huisonderwijs aan den wettelijken eisch kan worden voldaan en overigens de keuze der school aan de ouders verblijft en de oprichting van bijzondere scholen door het verleenen van subsidiën bevorderd wordt. Voorzoo ver feitelijk, bij gebreke van eene bijzondere school, de ouders zouden worden genoodzaakt hunne kinderen naar eene openbare school te zenden, kan bij de regeling van den leerplicht aan behoorlijk geconstateerde gemoedsbezwaren hunnerzijds tegen de strekking van het daar gegeven onderwijs worden tegemoetgekomen. Intusschen valt aan geene zoodanige bezwaren te denken in de menigvuldige gevallen, waarin de school tegenwoordig gedurende sommige jaargetijden of tot zekeren leeftijd bezocht, maar in andere jaargetijden verzuimd of wel te vroeg verlaten wordt; het ware eene groote weldaad voor ons volk, indien hieraan een einde gemaakt werd. Ook in de bezwaren tegen de verplichte vaccinatie van schoolkinderen kan worden voorzien, hetzij door intrekking van het daaromtrent bestaand wettelijk voorschrift — gelijk een van de hier bedoelde leden der Afdeeling stellig zou wenschen — hetzij op andere wijze. Voorts

35 Gelderland 286.

ocr page 68

— 56 —■

zouden zij, die buiten de bebouwde kommen van gemeenten op al te grooten afstand van eene school wonen, of die een reizend beroep uitoefenen en geen vast verblijf hebben , ontheffing van den leerplicht moeten kunnen bekomen; terwijl de bezwaren voor de gezinnen zouden kunnen worden verminderd door ten plattelande vucantien te doen invallen in die tijden des jaars, waarinde veldarbeid de meeste handen vereischt.

Mocht tot wettelijke regeling van den leerplicht worden overgegaan, zoo zou deze zich reeds dadelijk kunnen uitstrekken tot het twaalfde jaar of enkele maanden daarboven. Bij de vast te stellen regeling zou dienen te worden gewaakt tegen het verlaten der school onmiddellijk na den twaalfden verjaardag. Twaalfjarige kinderen, die schoolonderwijs genieten, zouden de school nog tot het einde hunner klasse moeten blijven bezoeken. Daartoe zou eene algemeene regeling van de verdeeling der lagere school in klassen aanbeveling verdienen. Thans geschiedt die verdeeling door het hoofd der school, onder goedkeuring van Burgemeester en Wethouders en van den districtsschoolopziener, en heerscht daarin groote verscheidenheid. Invoering van een klassenstelsel en van bepaalde tijdstippen voor de toelating van leerlingen op de lagere school, voor zooveel noodig uiteenloopend naar plaatselijke gesteldheid, ware echter ook op zichzelf zeer gewenscht.

Door middel van eene overgangsbepaling zou aansluiting zijn te verkrijgen van den leeftijd, waarop kinderarbeid mag aanvangen, aan dien waarop de wettelijke leerplicht eindigt. Werd de lagere school in halfjarige klassen verdeeld, dan zou aanvankelijk kunnen worden bepaald dat een schoolkind mag beginnen te werken na het doorloopen der klasse, waarin het zich bij het bereiken van zijn twaalfde jaar bevindt. Eenigen tijd later

ocr page 69

— 57 —

ware het verbod van kinderarbeid, tegelijk met het verplicht schoolbezoek voor kinderen die geen huisonderwijs ontvangen, tot eene verdere halfjarige klasse uit te breiden.

Met het ontvangen van onderwijs tot den twaalf- a dertienjarigen leeftijd kan de toekomstige werkman in-tusschen niet volstaan. Zal het onderwijs voldoende vruchten dragen, zoo dient het na dien leeftijd althans' nog eenige jaren gedurende een zeker aantal uren in. de week te worden voortgezet. In vele takken van bedrijf doet zich voor jongens bepaaldelijk de behoefte aan onderwijs in het teekenen sterk gevoelen. Van niet minder belang is voor meisjes uit de arbeidende klasse het genieten van verder onderwijs in de nuttige handwerken, dat terecht met andere leervakken op ten minste gelijke lijn gesteld wordt.36

Omtrent het herhalingsonderwijs kon het gehouden onderzoek weinig nieuws leeren. Men maakt er in de eene plaats meer werk van dan in de andere; beweerd wordt dat de onderwijzers er daar, waar zij er geene toelage voor ontvangen, niet altijd evenveel ijver voor betoenen. Doch dit staat vast, dat er door jeugdige werklieden betrekkelijk zeer weinig gebruik van gemaakt wordt. De meeste patroons laten zich er weinig aan ] gelegen liggen, of de bij hen werkzame jongelieden de herhalingschool bezoeken. Bij drukte in het bedrijf geven zij ongaarne verlof om de werkplaats eenigen tijd cVl' vóór het wettelijk uur te verlaten; zelfs het bijwonen van het godsdienstonderwijs wordt niet altijd even grif toegestaan. De volwassen werklieden trachten veelal de jongens zoolang mogelijk te houden; vele ouders zijn

36 Tuienlhe 10854.

Herhalingsonderwijs enz.

I

ocr page 70

— 58 —

van het belang van herhalingsouderwijs voor hunne kinderen niet genoeg doordrongen; en het is niet zeldzaam dat dezen de lessen, die zij ondersteld worden te volgen, bij gebrek aan voldoend toezicht verzuimen. Over het algemeen is het eene illusie gebleken, dat de bij de arbeidswet vrij gehouden avonduren aan het herhalingsonder wijs te baat zouden komen, ofschoon van enkele gunstige uitzonderingen gewaagd wordt. Aan teekenonder wijs wordt onder de arbeidende klasse meer waarde gehecht; dit wordt door toekomstige ambachtslieden in verschillende plaatsen vrij getrouw gevolgd. Zoo valt, om een enkel voorbeeld te noemen, een druk bezoek ten deel aan de gemeentelijke avondschool voor handwerkslieden te Arnhem, waar, naast herhalings-onderwijs, hand- en rechtlijnig teekenen hoofdzaak is. Ook ten opzichte van het bezoek van deze school wordt overigens over gebrek aan medewerking bij de patroons geklaagd.

Zeer gunstig onderscheiden zich, wat het herhalings-onderwijs betreft, sommige plaatsen in Twenthe, in het bijzonder Enschede en Hengelo. Te Enschede wordt door de katoenfabrikanten, voorzoover zij zijn toegetreden , gezamenlijk eene fabriekschool onderhouden, waar de in hunne fabrieken werkzame jongelieden tot hun zeventiende jaar herhalingsonder wijs genieten. Dit onderwijs wordt gegeven tusschen de werkuren, zoodat de leerlingen niet te vermoeid zijn om het te volgen. De school, die den fabrikanten jaarlijks ongeveer ƒ 10 per kind kost, is in vijf klassen verdeeld. De eerste klasse heeft wekelijks acht lesuren, de andere klassen hebben een paar lesuren minder. Voor leerlingen, die zich onderscheiden en baas willen worden, bestaat gelegenheid later teekenen, natuur- en werktuigkunde enz. te leeren. Te Hengelo bestaan meerdere dergelijke fabriekscholen.

ocr page 71

Eene daarvan, die voor verschillende fabrieken dient, telt vier klassen, waarvan de beide laagste wekelijks acht, de hoogste vijf uren onderwijs ontvangen, alles onder fabriekstijd.

De bij uitstek nuttige werking dezer fabriekscbolen lijdt geen twijfel, ofschoon tegen die te Enschede door werklieden en anderen grieven geuit worden. Die grieven betreffen den geest van het — in beginsel openbaar — onderwijs, de keuze van boeken voor de aan de school verbonden bibliotheek, de houding van een bepaald onderwijzer, doch vooral den leeftijd tot welken het onderwijs duurt. Het gezamenlijk schoolgaan van zeventienjarige jongens en meisjes wordt door sommigen voor de zedelijkheid minder goed geacht, ofschoon beide seksen in de school gescheiden en onder voortdurend toezicht zijn; volwassen meisjes vinden het onaangenaam nog school te gaan; en bovenal, de verdiensten der leerlingen staan in de lesuren stil en de volwassen werklieden lijden schade door het tijdelijk gemis hunner hulpen. Uit Hengelo verneemt men weinig of geen dergelijke klachten. Aan de katoenspinnerij aldaar loopen de verdiensten der jongelieden gedurende de lesuren door; zij komen intusschen, bij de daar gevolgde wijze van berekening der loonen, feitelijk ten laste der spinners. Op het uitblijven van klachten te Hengelo is zeker niet zonder invloed, dat het onderwijs aan de fabriekscbolen aldaar zich niet verder dan tot het zestiende jaar uitstrekt.

In andere Twentsche gemeenten vindt men fabrikanten, die het herhalingsonderwijs voor de in hun dienst zijnde jongelieden verplicht stellen of krachtig bevorderen. Aan de jeugdige arbeiders van sommige fabrieken wordt dat onderwijs tusschen de werkuren of in een morgenuur verstrekt; die van andere fabrieken

ocr page 72

ontvangen het eerst na fabriekstijd. Daar waar verschillende fabrieken zijn, laat de samenwerking der fabrikanten ten deze meestal te wenschen over. Te Stad-Almelo bestaan geen fabriekscholen meer en is eene poging, om dit onderwijs opnieuw te regelen, op gemis van samenwerking tusschen de fabrikanten afgestuit. Eene fabriekschool te Borne heeft ten gevolge van tegenwerking der ouders slechts korten tijd bestaan.

Buiten Twenthe is van nog in wezen zijnde fabriekscholen niet gebleken. Aan eene cigarenfabriek te Kampen was vroeger eene dergelijke school verbonden, die echter wegens tegenwerking van de zijde der volwassen cigarenmakers is opgeheven. Bij de Koninklijke Deventer tapijtfabriek heeft eene vroegere fabriekschool hetzelfde lot ondergaan, omdat het daar gegeven onderwijs naar de meening van het schooltoezicht niet aan de eischen voldeed.

In de ijzer-industrie, waar de opleiding van leerlingen bijzondere zorg vereischt, ontbreekt het niet aan werkgevers, die het ontvangen van teekenonderwijs enz. door hunne jonge werklieden zeer in de hand werken. Aan onderscheidene machinefabrieken wordt onderwijs gegeven in hand- en rechtlijnig teekenen en de beginselen van wis- en werktuigkunde, of wordt tot het bezoek van teeken- en burgeravondscholen aangemaand. Ook buiten dezen tak van nijverheid wordt de behoefte aan dergelijk onderwijs gevoeld. Zoo wordt de vorming van plateelschilders bij eene plateelbakkerij nabij Har-liagen bevorderd door het verstrekken van teeken- en andere lessen voor rekening van den patroon.

Vein de invoering der nuttige handwerken voor meisjes als verplicht leervak op de lagere school wordt zeer veel goeds getuigd. Aanvankelijk wekte deze nieuwigheid hier en daar eenigen tegenzin. die echter meer en meer overwonnen wordt. Uit Ooststellingwerf wordt, om een

ocr page 73

— 61 —

voorbeeld te noemen, verklaard dat het onderwijs in nuttige handwerken er uitstekend werkt en zelfs vele meisjes na haar twaalfde jaar op de school houdt; meisjes van dertien a veertien jaren, die vroeger geregeld buitens-luns gingen werken, blijven nu tehuis, omdat zij met naaien en breien meer kunnen verdienen.37 Intusschen heeft men wel te kampen met gebrek aan goede onderwijzeressen, terwijl de mannelijke onderwijzers niet altijd evenveel sympathie betoonen voor dit leervak, waarvoor zij nu en dan vrije uren moeten missen. Ook wordt uit eene veenstreek eene klacht geuit die , al staat zij op zichzelve, aandacht verdient: namelijk dat de beschikbare tijd niet geheel besteed wordt om de meisjes te leeren naaien en breien en voor zooveel mogelijk knippen en verstellen, maar ook aan een minder prac-tisch handwerk zooals haken.38 Onderwijs in de nuttige handwerken gedurende twee uren 's weeks wordt voor meisjes, die met haar twaalfde jaar de lagere school verlaten, toch reeds onvoldoende geacht. In sommige gemeenten worat nog, hoewel in mindere mate dan vroeger, aan afzonderlijke naai- en breischolen de voorkeur gegeven.

Voor meisjes, die do lagere school niet meer bezoeken , ontbreekt de gelegenheid , om voortgezet onderwijs in de nuttige handwerken te ontvangen, ook ten plattelande meestal niet geheel. Maar meisjes uit de arbeidende klasse maken daarvan weinig gebruik, omdat de ouders dit onderwijs moeilijk kunnen betalen. Eene loffelijke uitzondering vormen ook in dit opzicht sommige Twentsche fabrieksplaatsen, waar onderwijs in de nuttige handwerken voor meisjes met herhalings-

37 Veenderijen 4483—84. 4768—69. 4883.

38 Veenderijen 6130—35. 6747—49. 7303—08. Zwolle enz. 52a—33.

ocr page 74

onderwijs gepaard gaat of daarvoor in de plaats treedt.

Oprichting van fabriekscholen in streken, waar die instellingen nog onbekend zijn, kan niet verwacht worden , zoolang geenerlei verplichting tot het ontvangen van herhalingsonder wijs is opgelegd. Niet zoozeer wegens de tegenwerking der volwassen werklieden, die voor een goed deel uit inhaligheid voortvloeit, als wegens de practische bezwaren die er thans bijna overal aan verbonden zijn. Men kan in eene fabriek, waar zekere onderdeelen van den arbeid door kinderen verricht worden , bij eenigen goeden wil, die kinderen nog wel gedurende een deel van den werktijd missen, doch alleen ploegsgewijze; gingen allen tegelijk naar school, dan zou hun arbeid geheel stilstaan, hetgeen ook in andere deelen van het bedrijf allicht stremming zou veroorzaken. Nu is het alleen in zeer uitgebreide fabrieken mogelijk, uit de daar werkzame kinderen ploegen te vormen, talrijk genoeg om eene schoolklasse te vullen. Uit minder groote fabrieken en werkplaatsen zullen gevulde klassen alleen bij deelneming der gezamenlijke werkgevers te verkrijgen zijn. Deze is echter, bij gebreke van eenig wettelijk voorschrift, onbereikbaar; zelfs te Enschede en Hengelo, waar in de katoennijverheid genoeg kinderen gebezigd worden om fabriekscholen mogelijk te maken, is van toetreding van ambachtsbazen tot die instellingen geen sprake.

Is het wenschelijk dat de wetgever tusschen beide kome om het ontvangen van herhalings-, teeken- en handwerken-onderwijs door jeugdige arbeiders en arbeidsters meer dan tot dusver te bevorderen? Ook omtrent deze vraag is het gevoelen der Afdeeling niet eenstemmig. Hare meerderheid is van oordeel, dat het in Twenthe gegeven voorbeeld hier den goeden weg wijst. Herhalingsonderwijs kan, met groot nut voor de jonge-

ocr page 75

— 63 —

lieden en zonder bezwaar voor de nijverheid of voor de arbeidersgezinnen, den arbeid in fabrieken en werkplaatsen afwisselen. Om die combinatie in de hand te werken, worde bepaald dat personen beneden zestien jaren in fabrieken en werkplaatsen slechts mogen arbeiden onder voorwaarde dat zij, behalvè in den tijd der gewone schoolvacantiën, een zeker aantal uren in de week onderwijs genieten. Dat aantal uren zou bijvoorbeeld voor kinderen beneden veertien jaren wekelijks acht of negen, voor jongelieden tusschen veertien en zestien jaren zes kunnen bedragen. De overheid zou in bijzondere gevallen ontheffing van de gestelde voorwaarde kunnen verleenen of daarin wijziging kunnen brengen. Verder dan tot den zestienjarigen leeftijd zou men, met het oog op de ondervinding in Twenthe,

niet moeten gaan. Omtrent den aard van het bedoelde onderwijs schijnen weinig of geen voorschriften noodig; , j

de belanghebbenden zouden zelf hebben uit te maken, ^

in hoever het gewone herhalingsonderwijs geheel of ge- .

deeltelijk door teekenlessen, of voor meisjes door on- ƒ derwijs in de nuttige handwerken, behoorde te worden ^ vervangen. De kosten zouden, (voor zoover niet van ) het gemeentelijk herhalingsonderwijs werd gebruik ge-maak^, ten laste der werkgevers dienen te komen.

Voorts zou het aanbeveling verdienen den tijd, voor Werktijd het onderwijs en voor het gaan naar en komen van JJ'JJ 'beneden de school bestemd, voor de toepassing van art. 5 der zestien jaren, arbeidswet als werktijd te beschouwen. Daardoor zou de normale werktijd in fabrieken en werkplaatsen voor kinderen beneden veertien jaren feitelijk tot een maximum van ongeveer negen uren daags worden teruggebracht en voor jongelieden tusschen veertien en zestien jaren een half uur meer bedragen. Hierin ware een groot voordeel gelegen. Een dagelij ksche fabrieksarbeid van elf

n

ocr page 76

uren is toch voor jongens en meisjes beneden zestien jaren te afmattend; en ook in de werkplaatsen der ambachtsnijverheid behooren jongens van dien leeftijd geen elf uren per dag te verblijven.39

Bij eene dergelijke regeling zou men, met behoud van het verbod van nachtarbeid voor kinderen en vrouwen, den werkgevers meer speling kunnen geven ten aanzien van het uur waarop de arbeid der beschermde personen moet eindigen. Hun ware vrij te laten -die personen des avonds aan het werk te houden, mits niet langer dan elf uren per etmaal in het geheel, met inbegrip der lesuren voor personen beneden zestien jaren. De nijverheid zou daardoor gebaat worden; enkele fabrikanten , die zich thans door art. 5 der arbeidswet belemmerd gevoelen, verklaarden desgevraagd, in eene verkorting van den maximum-arbeidsduur voor kinderen beneden zestien jaren tot negen uren daags geen bezwaar te zien, mits zij die jongelieden niet zoo vroeg in den avond behoefden te laten gaan. 40

Ook ten aanzien van de uren van den dag, voor het onderwijs te bestemmen, zou eene ruime speling moeten worden gelaten. Zeker zou het, om het onderwijs zooveel mogelijk vrucht te doen dragen , zeer gewenscht zijn dat zij binnen den werktijd in fabrieken en werkplaatsen vielen; doch waar de bezwaren daartegen overwegend bleken, zou ook door lessen na afloop van den werktijd, die ook in dat geval zooveel korter zou duren, aan de wettelijke voorwaarde voor het doen arbeiden van personen beneden zestien jaren kunnen worden voldaan.

Dè minderheid der Afdeeling kan zich met het op-

39 Groningen 515. 876. 3320—21.

« Gelderland 4881. 4931—33. 6128.

ocr page 77

— 65 —

leggen eener hetzij directe, hetzij indirecte verplichting tot het ontvangen van herhalingsonderwijs door jongelieden beneden zestien jaren niet vereenigen. Naar hare meening moet de wet zich aansluiten aan de volkszeden , maar vermag zij deze niet te scheppen. Eene wet, die de zeden te zeer vooruit is, kan niet goed werken. Nu ligt het geenszins in onze zeden, dat ouders uit de arbeidende klasse hunne kinderen tot het zestiende jaar moeten laten schoolgaan. Zij die dat niet doen, worden daarom nog niet geacht hunne kinderen te verwaarloozen. Aan een wettelijk voorschrift, dat jongelieden slechts in fabrieken en werkplaatsen mogen arbeiden onder voorwaarde dat zij onderwijs genieten, zou het bezwaar eigen zijn dat het een nevendoel zou beoogen, waarvoor de wetgever zich in den regel behoort te wachten. Bij de toepassing op kleinere werkplaatsen zou men bovendien op niet gering te schatten practische moeilijkheden stuiten. Ook zou de inmenging van den wetgever allicht ten gevolge hebben dat de fabriekscholen, door particulier initiatief opgericht en in stand gehouden, in stede van te worden uitgebreid, werden opgeheven.

De meerderheid acht deze bedenkingen deels minder juist, deels niet overwegend tegenover het groot belang dat hier in het spel is. Zelfs zou een harer leden niet alleen aan hen die in fabrieken en werkplaatsen arbeiden, maar ook aan anderen tot het zestiende jaar herhalingsonderwijs enz. willen verzekeren, door het ontvangen daarvan verplicht te stellen, voor zoover de ouders in de bebouwde kom eener gemeente wonen. Door deze beperking zouden te groote practische bezwaren worden ondervangen. Natuurlijk zou ook door voldoend huisonderricht aan den wettelijken eisch kunnen worden voldaan.

5

ocr page 78

— 66 —

Voorts verdient het naar de meening der Afdeeling ernstige overweging, het onderwijs in de nuttige handwerken voor meisjes, die den leeftijd voor de lagere school te boven zijn, door het verleenen van subsidiën te bevorderen. Vindt bij de vrouw de overtuiging ingang, dat zij tehuis met naaien en breien en verdere huishoudelijke werkzaamheden meer kan verdienen dan in het veen of in de fabriek, dan zal de uithuizigheid -verminderen en zullen orde en netheid in het arbeidersgezin toenemen. Wellicht kon ook, bij eene nadere herziening der onderwijs wetgeving, voor het herhalings-onderwijs in het algemeen meer dan thans worden gedaan.

Theoretisch Het is bekend dat de opleiding van leerlingen in de ^ambaohts-11 meeste werkplaatsen der ambachtsnijverheid zeer veel

onderwijs, te wenschen overlaat. Daarvoor bestaan verschillende redenen. In sommige ambachten wordt veel arbeid, die vroeger met de hand geschiedde, thans machinaal verricht. Over het geheel wordt er met meer spoed gewerkt dan voorheen. Ook leidt het stelsel van aanbesteding hier en daar tot sterke afwisseling van personeel. De banden, die de gilden oudtijds tusschen patroons, gezellen en leerlingen legden, zijn verbroken. Van het leerlingstelsel vindt men nauwelijks sporen meer; ook in het lettergietersvak, waarin het lang heeft stand gehouden, behoort het tot het verleden. Voor herstel van het gildenwezen, zonder zijne gebreken , gaan nog wel stemmen op ; maar dit stelsel is te zeer in strijd met de richting, waarin onze maatschappij zich sedert eene eeuw heeft ontwikkeld, dan dat de wetgever dien weg zou kunnen inslaan.

Wel mag verwacht worden, dat de overheid haren steun verleene tot aanvulling van hetgeen aan de opleiding tot het ambacht ontbreekt. Bij de wet op het

ocr page 79

— 67 —

middelbaar onderwijs wordt dit belang behartigd; maar de voorschriften dier wet omtrent het onderwijs voor aanstaande ambachtslieden zijn deels onpractisch gebleken, deels op niet altijd even doelmatige wijze uitgevoerd. De burgerdagscholen, bestemd voor aanstaande ambachtslieden en landbouwers, zijn geheel mislukt; de eenige dergelijke school die nog bestaat, die te Leeuwarden , zou denkelijk reeds door eene hoogere burgerschool met driejarigen cursus vervangen zijn, indien men niet gevreesd had van de Rijks hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus in die gemeente te veel leerlingen te zien overgaan.41 Wat de burgeravondscholen betreft, deze wordeh over het geheel slechts matig bezocht ; het aantal leerlingen van deze scholen zou stellig veel grooter zijn, indien zij aan de behoefte van aanstaande ambachtslieden beter beantwoordden. Meermalen is van bevoegde zijde aangetoond dat de programma's der burgeravondscholen — veelal gelijk aan dat der burgerdagschool — vereenvoudiging behoeven en dat bij het daar gegeven onderwijs meer rekening dient te worden gehouden met de eischen der practijk. Wijziging der wet op het middelbaar onderwijs in dit opzicht wordt dan ook sinds lang gewenscht.

Practische ambachtscholen vindt men in onderscheidene gemeenten, dank zij het initiatief der ingezetenen, door provinciale en gemeentebesturen en thans ook door het Rijk met subsidiën gesteund. Terecht wordt in deze scholen, waar de practijk op den voorgrond staat doch met de theorie is samengeweven, een middel gezien om het peil der ambachtslieden hooger op te voeren. Wel zijn de patroons niet allen evenzeer ingenomen met de leerlingen der ambachtscholen, die.

41 Friesland 117—20. 278.

ocr page 80

— 68 —

veel beter onderlegd dan andere jongelieden van hun leeftijd en van hunne maatschappelijke klasse, aan-, vankelijk de routine der werkplaats missen. Maar desniettemin doet de grootere vatbaarheid , door deugdelijk practisch onderwijs verkregen, de eerstgenoemden spoedig vooruit komen. De verkregen uitkomsten wegen dan ook ruimschoots op tegen het tweeledig bezwaar, dat de ambachtscholen kostbaar zijn en het aantal vakken dat er onderwezen wordt, hoewel voor uitbreiding vatbaar, beperkt is.

Industriescholen voor meisjes zijn nog in haar begin. Men vindt er eene te Arnhem, waar lager onderwijs wordt verstrekt en in het bijzonder nuttige en fraaie handwerken worden onderwezen; er is een afzonderlijke cursus voor costuum-naaien aan verbonden, benevens een avondcursus ter voorbereiding voor de acte-examens in de handwerken. De leerlingen vinden veelal plaatsing in winkels. In den aanvang is zonder veel gevolg beproefd, haar ook voor kantwerken en litho-graphie op te leiden. Elders behooren dergelijke scholen vooralsnog tot de vrome wenschen. In sommige steden wordt door cursussen voor volwassenen, waaraan ook mannelijke leerlingen deelnemen, ook aan het gemis van industriescholen voor meisjes eenigszins tegemoetgekomen.

Nachtarbeid. In vele fabrieken en werkplaatsen wordt voortdurend Werktijd van ook des nachts gearbeid, deels wegens het aanhouden tusschenzes- van vuren, deels wegens den aard van het bedrijf, tien en acht- deels alleen om zoo voordeelig mogelijk te werken, tien jaren. Meestal geschiedt de nachtarbeid met afwisselende ploegen, die om de andere week dag- en nachtdienst verrichten. Dit is onder anderen het geval in strookarton-en stroopapierfabrieken, papierfabrieken die lompen, hout-stof en andere grondstoffen verwerken, aardappelmeel- en

ocr page 81

siroopfabrieken, tarwemeelfabriekengist- en spiritusfabrieken , glasblazerijen, gasfabrieken , olieslagerijen, emailleerfabrieken, hoogovens (waarvan intusschen thans geen meer werkt), in eene lijmfabriek, in de beenzwartbranderij eener kandijsuikerfabriek. Voorts komt nachtwerk zonder afwisselende ploegen geregeld voor in broodbakkerijen en broodfabrieken en in sommige courantdrukkerijen; veelvuldig in bierbrouwerijen; een groot deel van het jaar bij de ovens in steen- en pannenfabrieken; gedurende den herfst in cichoreidrogerijen. Bovendien bij verschillende takken van bedrijf in drukke tijden, wanneer het nachtwerk intusschen meer als overwerk te beschouwen is. Het meest regelmatig geschiedt nachtarbeid in sommige takken van nijverheid, die vooral in de Groninger veenkoloniën gedreven worden.

— Aa,n voordurend nachtwerk zijn, zoo voor de arbeiders als voor hunne gezinnen, zeer groote nadeelen verbonden. Veler gezondheid lijdt er onder. De werkman kan over dag, te midden van zijn gezin, niet goed slapen. Ten gevolge van den nachtdienst worden zijne behoeften grooter. Zijne abnormale levenswijze werkt op zijn gezin niet gunstig. Een geneesheer meent dat het voor hem nog beter zou zijn altijd nachtwerk te verrichten dan om de andere week, omdat zijn gestel en zijn gezin zich daarnaar gemakkelijker zouden voegen. Daartegenover merkt een werkman op: „menschen die altijd des nachts werken, krijgen het karakter van roofdierenquot;. 42 Hierbij komt, dat het toezicht op den nachtelijken arbeid in menige fabriek zeer veel te wenschen overlaat. Soms is er eon nachtopzichter; maar niet zelden houdt enkel een der werklieden, een machinist of een stoker eenig toezicht. Men heeft opgemerkt dat de meeste

45 Twenthe 11627. Gr on. veenk. 390—96. 477. Friesland 2266.

ocr page 82

— 70 —

ongelukken in fabrieken, waar dag en nacht gewerkt wordt, in het laatst van don nachtdienst voorvallen. Dit kan aan afmatting liggen, maar ook aan gebruik van sterken drank. Wel is dit laatste in de meeste fabrieken verboden, maar voldoende controle dienaangaande wordt dos nachts niet mogelijk geacht. Van sommige fabrieken wordt verklaard, dat daarin werkzame arbeiders wel des nachts sterken drank halen. Elders gaan sommigen hunner, na afloop van den nachtdienst, aanstonds eene tapperij binnen.

Deze bezwaren moeten worden verdragen, waar de nijverheid den nachtarbeid niet ontberen kan. De wet kan echter meer dan tot dusver rekening houden met de nadeelen, voor jongelieden aan nachtwerk verbonden. Het arbeiden des nachts wordt uit een hygiënisch oogpunt voor een ieder nadeelig geacht, doch in het bijzonder voor jonge-, nog niet geheel volwassen werklieden ten sterkste afgekeurd. De meeste geneeskundigen in de provincie Groningen, wier gevoelen hieromtrent gevraagd is, meenen dat het althans niet vroeger dan met het achttiende jaar behoorde te worden vergund. 43

De arbeidswet gaat met de bescherming van mannelijke arbeiders niet verder dan tot het zestiende jaar. Het ontwerp dier wet wilde de voorschriften van het tegenwoordig art. 5 in hun geheel tot het achttiende jaar uitstrekken. De Minister van Justitie kwam daarvan tijdens de behandeling in de Tweede Kamer terug, voornamelijk ten gevolge van bedenkingen van de Commissie van Rapporteurs, die echter niet zoozeer tegen het verbod van nachtarbeid of tegen den maximumwerktijd voor jongelieden van zestien tot achttien jaren gericht waren, als tegen de verplichting der werk-

43 Gron. veenk. 173. 392. 3213. 8328. 463-1. 4692. Groningen 5688.

ocr page 83

— 71 —

gevers om die jongelieden reeds des avonds om zeven uur weg te zenden. Een dergelijk voorschrift zou inderdaad verkeerd gewerkt hebben. Maar het is eene open vraag gebleven, of de wet ook niet jongelieden van dien leeftijd tegen overmatigen en voor hen nadeeligen arbeid behoort te beschermen. De verzamelde gegevens pleiten sterk voor een toestemmend antwoord.

Voor jongelieden tusschen zestien en achttien jaren ware in het algemeen nachtarbeid, bijvoorbeeld tusschen negen uur 's avonds en vijf uur's morgens, in fabrieken en werkplaatsen te verbieden, wellicht ook een normale werktijd van ten hoogste elf uren per etmaal vast te stellen.

Op deze regelen zouden voor sommige takken van bedrijf uitzonderingen noodig zijn. Die uitzonderingen zouden liefst in de wet zijn op te nemen. Dit geldt ook van de afwijkingen van wettelijke voorschriften, die thans ten aanzien van den arbeid van personen beneden zestien jaren en vrouwen zijn vastgesteld bij den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij artt. 5, 7 en 11 der arbeidswet. Deze laatste afwijkingen zouden trouwens meerendeels kunnen vervallen, wanneer overeenkomstig het hierboven aangegeven denkbeeld den werkgevers werd toegestaan de beschermde personen des avonds aan het werk te houden. Voor zoover aan zoodanige afwijkingen bij voortduring behoefte bestaat, zouden zij bij de wet zelve zijn te regelen.

Daarnevens zou de wet alzoo de uitzonderingen hebben vast te stellen, die op de regelen betreffende den arbeid van personen tusschen zestien of achttien jaren vereischt worden. Daarvoor zouden in aanmerking komen sommige fabrieken en werkplaatsen, waarvoor thans reeds, wat den nachtarbeid van jongens tusschen veertien en zestien jaren betreft, onder bepaalde voorwaarden van de wet wordt afgeweken, benevens enkele

ocr page 84

— 72 —

andere. Voor papier- en kartonfabrieken, die zich met eenige moeite naar het verbod van nachtarbeid voor jongelieden beneden zestien jaren en vrouwen geschikt hebben, meestal door de beschermde personen niet meer in dienst te nemen, zou in elk geval een ruime overgangstermijn noodig zijn om zich op het wettelijk verbod voor te bereiden. In deze industrie schijnt trouwens , door uitbreiding van den machinalen arbeid, hier en daar nog vrij wat handenarbeid bespaard te kunnen worden. Ook voor aardappelmeelfabrieken zou een verbod van nachtarbeid voor jongelieden tusschen zestien en achttien jaren aanvankelijk eenig bezwaar opleveren, althans in den herfst gedurende de aardappelcampagne.

Voor sommige takken van nijverheid zou de wet kunnen volstaan met de aanwijzing van een vroeger uur voor het begin van den arbeid. Waar bijvoorbeeld thans voor steen- en pannenfabrieken en daarmede verbonden tegelfabrieken, die met afwisselende ploegen werken, voorwaardelijk veroorloofd wordt den arbeid van jongens tusschen veertien en zestien jaren in de zomermaanden des morgens om drie uur te doen aanvangen, zou dit natuurlijk ook ten opzichte van jongelieden tusschen zestien en achttien jaren moeten worden toegelaten.

Een ander voorbeeld levert het bakkersbedrijf, waarin de concurrentie der broodfabrieken aan den nachtelijken arbeid groote uitbreiding gegeven heeft. In gemeenten, waar de arbeid in bakkerijen vroeger eerst om drie a vier uur in den morgen begon, duurt die tegenwoordig den geheelen nacht. De wensch wordt geuit naar tus-schenkomst van den wetgever in dien zin, dat alle arbeid in broodbakkerijen en broodfabrieken eerst tegen dien tijd zou mogen beginnen.44 Zonder zoover te gaan,

44 friesland 736—38.

ocr page 85

— 73 —

zou de wet zich hier kunnen bepalen tot bijzondere voorschriften voor personen beneden achttien jaren , wier arbeid eerst des morgens om drie of vier uur zou mogen aanvangen en des Zaterdags bijvoorbeeld twee uren langer dan de overige dagen der week, alzoo dertien uren, zou mogen duren. Thans mag de arbeid van jongens tusschen veertien en zestien jaren in bakkerijen reeds om twee uur beginnen en beloopt de dagelijksche werktijd der bakkersgezellen veelal veertien a zeventien en des Zaterdags twintig a vierentwintig uren.

Omtrent de groote beteekenis van Zondagsrust voor den maatschappelijken toestand der arbeiders is geen twijfel mogelijk. Hun komt een wekelijksche rustdag toe, om zich te ontspannen en zich aan de hunnen en aan andere belangen dan den dagelijkschen arbeid te wijden. Voortzetting van den gewonen arbeid op den dag, door de kerkgenootschappen als wekelijkschen rustdag aangenomen, leidt tot misbruik van sterken drank en tot desorganisatie van het arbeidersgezin.

Bevordering van Zondagsrust is dan ook als een belangrijk onderdeel van sociale wetgeving te beschouwen, ofschoon de wetgever ten deze betrekkelijk weinig vermag. Nevens arbeid, die des Zondags niet behoefde te geschieden, zijn toch in eene ontwikkelde maatschappij zeer vele werkzaamheden aan te wijzen, die op dien dag moeten worden verricht. Dit kan niemand betwisten die de redenen overziet, waarom des Zondags gewerkt wordt.

Vooreerst zijn er werkzaamheden, die niet kunnen stilstaan zonder dat het product van den arbeid bederft. In zuivelfabrieken moet de melk ontvangen en verwerkt worden. In takken van nijverheid, waar men rundvee of paarden houdt, moeten de dieren verzorgd worden;

ocr page 86

— 74 —

Zondagsarbeid van vee- en stalknechts is onvermijdelijk. In bierbrouwerijen, gist-, lijm- en andere fabrieken, waar het onafgewerkt fabrikaat aan spoedig bederf onderhevig is, kan Zondagsarbeid ook niet altijd achterwege blijven. In de lage venen moeten de turfmakers bij sterk drogend weder soms des Zondags de klijn trappen, die des Zaterdags gespreid is, om het scheuren daarvan te voorkomen. Wel ware de Zondagsarbeid ook in deze bedrijven voor beperking vatbaar. Het rondbrengen van bier des Zondags kan bijvoorbeeld zeer wel worden nagelaten, en andere werkzaamheden zouden op dien dag onnoodig worden, indien de daaraan voorafgaande arbeid des Zaterdags niet verricht werd; maar dit laatste kan moeilijk in alle gevallen verlangd worden.

Voorts dienen in sommige fabrieken des Zondags vuren te worden aangehouden of aangelegd. Men denke onder anderen aan glasblazerijen, emailleerfabrieken, steenbakkerijen. Onder de laatste zijn er trouwens, waar het stoken der ovens des Zondags wordt nagelaten.

Ook is er arbeid, die des Zondags geschiedt in het algemeen belang. Als zoodanig kan, behalve op dien voor openbare middelen van vervoer, op dien in gasfabrieken worden gewezen.

In de meeste fabrieken geschiedt het schoonmaken van den stoomketel des Zondags; de ketel wordt des Zaterdags afgeblazen en heeft tijd noodig om af te koelen. Buitendien wordt gewoonlijk de Zondag bestemd voor het nazien en repareeren van machineriën, hetgeen voor een deel slechts kan geschieden wanneer de machine stilstaat. Aan sommige fabrieken in ïwenthe ontvangen de bazen alsdan eene bijzondere vergoeding wegens overuren, ten gevolge waarvan het Zondags-werk niet altijd tot het onvermijdelijke beperkt blijft.

ocr page 87

— 75 —

Andere redenen om des Zondags te doen arbeiden bestaan in tijdelijke drukte in het bedrijf of spoedver-eischende bestellingen. Vele ambachtslieden — behangers , stukadoors, schilders, enz. — werken in het voorjaar veelvuldig op Zondag. Ook timmerlieden en metselaars besteden soms den Zondag aan het verrichten van dringende reparatiën. In machinefabrieken wordt dikwijls des Zondags gewerkt aan reparatiën ten behoeve van andere fabrieken.

Eindelijk wordt in sommige takken van bedrijf gedurende een deel van den Zondag voortgearbeid, met geen ander doel dan ter verkrijging eenor grootere productie. Vele aardappelmeelfabrieken, strookarton- en stroopapierfabrieken, andere (Geldersche) papierfabrieken , glasblazerijen en olieslagerijen staan slechts vierentwintig uren in de week stil. Sommige zelfs slechts twaalf uren, van Zondagmorgen zes uur tot Zondagavond zes uur; dit is het geval bij aardappelmeelfabrieken, gedurende de aardappelcampagne of ook wel daarna, en bij eene olieslagerij. Vroeger was liet ook zoo bij onderscheidene strookartonfabrieken in de Groninger veenkoloniën, waarbij er echter op aandrang der werklieden, bij ééne fabriek na eene werkstaking, verandering in gebracht is. Thans onthoudt men zich in eenige der bovenbedoelde fabrieken geheel of grooten-deels van Zondagsarbeid, door de machine in den nacht van Zaterdag op Zondag om twaalf uur te doen stilstaan en in den nacht van Zondag op Maandag om twaalf uur weder in werking te brengen. Daar dit in-tusschen voor de arbeiders ongerief oplevert, is het meer gebruikelijk door te werken tot Zondagmorgen zes uur en Maandagmorgen zes uur weder te beginnen. Aan enkele strookartonfabrieken en gewone papierfabrieken stopt de machine van middernacht tusschen

ocr page 88

Zaterdag en Zondag, ook wel iets vroeger, tot Maandagmorgen. Dertig uren stilstand van de fabriek is wel het minimum, waarbij de arbeiders elke week wezenlijke Zondagsrust kunnen genieten. 45

Niet zoozeer de wensch naar grootere productie, als felle concurrentie is oorzaak, dat aan vele bakkersgezellen de Zondagsrust onthouden wordt. De broodfabrieken in sommige steden werken door in den nacht van Zaterdag op Zondag, ten einde de klanten op Zondagmorgen aan versch brood te kunnen helpen, en beginnen weder des Zondagsnamiddags of avonds. In die te Zwolle is de arbeid zoo ingedeeld, dat elk lid van het personeel om de andere week gedurende twee etmalen niet te werken heeft; maar in andere broodfabrieken hebben de knechts nimmer, of alleen met Christelijke feestdagen, een geheelen Zondag vrij. Particuliere broodbakkers zien zich genoopt dit voorbeeld in meerdere of mindere mate te volgen; de een gaat in dit opzicht verder dan de ander, maar zeer velen onder hen beginnen reeds Zondagsavonds weder te bakken. Bij de banketbakkers in de steden is Zondagsarbeid regel. Een wettelijk verbod van Zondagsarbeid, hier en daar van de zijde der bakkersgezellen bepleit, zou aan broodbakkers en directeuren van broodfabrieken niet onwelkom zijn — ofschoon sommigen het verbod niet tot het bakken op Zondagavond zouden wenschen uitgestrekt te zien — en hoofdzakelijk eenig ongerief ople-

45 Gron. vemk. 1058—60. 1280. 1288—91. 1373. 1555—59. 1657—62. 2118—20. 2282. 2750—51. 2916. 3127. 3148. 3495. 3576—79. 3643—49. 3756—57. 3920—24. 4211. 4313—14. 4400. 4726—28. 4882—85. 4965—68. 5062. 5097—105. 5212—17. Groningen 7017. Friesland 494. 495. 1243—44. 1343. 2206—07. 2493. 7,wolle enz. 3691—92. Gelderland 3025—26. 3130. 3182. 3185—86. 3225—26. 3263—65. 3352—53.

ocr page 89

— 77 —

veren voor hotels en groote restauraties, „die voor de reputatie van hunne consumtie prijs stellen op versch broodquot;. 46

In de katoennijverheid te Enschede klagen Roomsch-Katholieke arbeiders, dat zij op kerkelijke feestdagen , Protestantsche ook wel, dat zij op de provinciale bid-en dankdagen moeten werken. Elders wordt deze klacht ( niet vernomen; hior worden Katholieke arbeiders op feestdagen van arbeid ontheven of wordt alsdan niet gewerkt, ginds is door overleg tusschen fabrikanten en geestelijken eene bevredigende oplossing verkregen. De grief schijnt dan ook meest van localen aard te zijn.

Eene oplossing van het vraagstuk, wat van overheidswege ter bevordering van Zondagrust kan gedaan worden, zoeke men hier niet. Slechts enkele denkbeelden mogen hier eene plaats vinden.

Vooreerst mag worden verlangd dat de overheid, ook in gewest en gemeente, zich er van onthoude rechtstreeks of middellijk des Zondags arbeid te doen verrichten , die even goed op andere dagen kan geschieden. Daaraan wordt lang niet altijd voldoende de hand gehouden. Zoo worden de losse manschappen der brandweer te Groningen des zomers om de andere week des Zondags geoefend ; het is waar dat zij dit zelf wenschen, om op werkdagen geen tijd bij hunne patroons te verliezen. Zoo is het wel niet te vermijden, dat politiebeambten des Zondags dienst doen, maar verdient toch eene klacht, dat er onder hen zijn die jaren lang als zoodanig gediend en nooit een vrijen Zondag gehad hebben, te worden onderzocht en, blijkt zij gegrond, voor het vervolg te worden opgeheven. Zoo is het des-

4' Oroningen 3585. 3624. 3830. Friesland 739—41. 765—69. 819—21. 856—61. 1037—42. Zwolle enz. 852—57. Gelderland 1129—34. 1165. 1170—72. 1238—47. 1266—74.

ocr page 90

— 78 —

noods wel eenige verhooging van uitgaven waard, aan stokers bij gemeentelijke gasfabrieken om de twee of drie weken een vrijen Zondag te verschaffen, die hun thans in sommige gemeenten slechts zeer zelden ten deel valt. Zoo kan men het moeilijk eene goede regeling noemen dat in sommige boekdrukkerijen des Zondags gewerkt w.ordt, hier om de andere week aan het verslag der handelingen van den gemeenteraad, ginds vóór de zomervergadering der Staten aan het provinciaal verslag. Zoo is het niet vrij van bedenking dat onder de redenen, waarom de Arnhemsche broodfabriek in den nacht van Zaterdag op Zondag doorwerkt en des Zondags brood laat rondbrengen, ook behoort dat „de kazerne versch brood moet hebbenquot; ; en evenmin dat bij de Arnhemsche waschinrichting des Zondags „geregeld drie of vier man benoodigd zijn om de militaire wasch op te halen, die alleen des Zondags gehaald kan wordenquot;. 47

In de tweede plaats ware, bij uitbreiding der wettelijke bescherming tot jongelieden tusschen zestien en achttien jaren, ook het verbod van Zondagsarbeid in fabrieken en werkplaatsen op hen toe te passen. Enkele uitzonderingen op dat verbod zouden in de wet zijn op te nemen. De algemeene maatregel van bestuur, bedoeld bij artt. 5, 7 en 11 der arbeidswet, vergunt thans onder bepaalde voorwaarden jongens tusschen veertien en zestien jaren in courantdrukkerijen, gist-pakkerijen en glasblazerijen op Zondag tot uiterlijk zes uur in den morgen aan het werk te houden. Die vergunning is niet noodig voor de glasblazerijen te Nieuw-Buinen, die van Zaterdagnacht twaalf uur tot Zondag-

« Groningen 1513—14. 1533—36. 1716—18. 4170—85. Friesland 554. Zwolle enz. 617—22. 3735—36. Gelderland 123. 850.1272.1838.

ocr page 91

— 79 —

nacht twaalf uur stilstaan, en waarin des Zondags alleen door de stokers gewerkt wordt. Voor zooveel de thans bestaande uitzonderingen noodig zijn, zouden zij ook voor mannelijke personen tusschen zestien en achttien jaren moeten gelden. Wellicht zouden nog uitzonderingen dienen te worden gemaakt voor enkele andere fabrieken en werkplaatsen, waar het fabrikaat aan spoedig bederf onderhevig is.

Voorschriften ter bevordering der Zondagsrust van volwassen mannelijke arbeiders zouden in de arbeidswet minder op hunne plaats zijn. Zij zouden beter passen in eene afzonderlijke wet, strekkende ter vervanging van de verouderde Zondagswet van 1 Maart 1815. Bij eene zoodanige wet zou het overweging verdienen het aanwenden van stoomkracht of daarmede gelijk te stellen beweegkracht in fabrieken en werkplaatsen op Zondag te verbieden , met uitzondering van fabrieken waar . het fabrikaat aan spoedig bederf onderhevig is en voorts van gasfabrieken enz., en behoudens de bevoegdheid van het openbaar gezag om in bijzondere gevallen onder te stellen voorwaarden vergunning tot het bezigen van stoomkracht op Zondag te verleenen. Tevens ware zorg te dragen dat de werklieden in die fabrieken en werk plaatsen, waarop het verbod niet van toepassing zou zijn, om de twee of drie weken den Zondag vrij zouden hebben. Wellicht zouden bijzondere regelen zijn vast te stellen voor hen, wier kerkgenootschap een anderen dag dan den Zondag als wekelijkschen rustdag aanneemt.

Verbodsbepalingen in dezen geest zouden niet in den weg staan aan die werkzaamheden in fabrieken en werkplaatsen, die des Zondags moeilijk achterwege kun-i nen blijven, als daar zijn het afhouden of aanleggen van vuren, het nazien, repareSen en schoonmaken van werktuigen en stoomketels. Zondagsarbeid van

ocr page 92

— 80 —

ambachtslieden en anderen, die zonder behulp van stoomkracht verricht wordt, zou daardoor niet worden belet. Maar wel zou worden tegengegaan, dat de stoommachine regelmatig , jaar in jaar uit, in den nacht van Zaterdag op Zondag in werking gehouden of des Zondags weder in werking gebracht wordt. Ook in bedrijven, waar men geen stoomkracht bezigt maar met fabrieken concurreert, zooals in het bakkersbedrijf, zou men daarvan den terugslag ondervinden. De wetgever zou niet aan alle arbeiders een wekelijkschen rustdag verzekeren, waartoe hij niet in staat is, maar wel binnen de grenzen zijner macht het streven naar Zondagsrust in de hand werken. Toch ontveinst de Afdeeling zich niet, dat het hier een ingrijpenden maatregel geldt. Zij meent echter dat, waar elders voorschriften van veel verdere strekking van oudsher gelden of kortelings zijn ingevoerd, het overwegend belang van een wekelijkschen rustdag voor de arbeidende klasse voldoende aanleiding geeft om het aangegeven denkbeeld hier te lande in beraad te nemen.

Werktijd van Over het algemeen is de dagelijksche werktijd in fa-beiders?quot; s' krieken en werkplaatsen tegenwoordig korter dan vroeger. Met den wettelijken maximum-werktijd van jongelieden is in takken van nijverheid, op het gebruik van jonge werkkrachten ingericht, veelal verkorting van den arbeidsdag van volwassenen gepaard gegaan. Maar tot zoodanige verkorting heeft ook het besef bijgedragen, dat de nijverheid evenmin als de werklieden door zeer lange werktijden gebaat wordt.

Een en ander geldt met name van de katoennijverheid, waarbij een dagelijksche werktijd van meer dan elf uren nog slechts bij uitzondering voorkomt. In spinnerijen wordt gewoonlijk elf uren per dag gewerkt. In weve-

rolwassen ar-leiders, x

ocr page 93

rijen loopt het aantal werkuren uiteen tusschen 11, 10l/2 en IQ1/!- In eene weverij te Enschede, waarin vele boerenlieden werken, duurt de arbeid niet meer dan 54:3/4 uren in de week: de eerste drie werkdagen 93/4, de beide volgende lO1/^ en des Zaterdags slechts 5 uren.

Wat spinnerijen betreft, zijn de meeste fabrikanten van meening, dat een korter werktijd dan de tegenwoordige evenredige vermindering van productie zou teweegbrengen. Voor weverijen, waarin de werklieden op de productie der werktuigen meer invloed kunnen uitoefenen, bestaat ten aanzien van den normalen werktijd meer verschil van gevoelen. Sommige fabrikanten beweren dat de werktijd ook hier niet minder dan elf uren kan bedragen , om de productie op de gewenschte hoogte te houden. Aan anderen heeft de ervaring geleerd, dat een werktijd van 101/2 uren daarvoor de juiste grens is.

Een werktijd van niet meer dan tien uren daags wordt voorgestaan door een fabrikant, wiens meening in Twenthe en elders groot gezag heeft. Hij is vast overtuigd, dat bij tien uren arbeids op den duur het maximum van productie verkregen wordt, niet alleen in weverijen, maar ook in spinnerijen, en beklaagt zich dat geen voldoende proeven genomen worden om dit te onderzoeken. Wel geeft hij toe, dat eene spinnerij bij een werktijd van tien uren in den aanvang iets minder zou voortbrengen, maar deze vermindering zou slechts van tijdelijken aard zijn. Verkorting van werktijd oefent een hoogst gunstigen invloed uit op het gehalte en de oplettendheid der werklieden. Ook in de machinefabriek zijner firma te Hengelo, waar de gewone werktijd tot ongeveer 91/2 uren is teruggebracht, heeft men dit ondervonden. 48

^18 Twenthe 10835—38.

ocr page 94

— 82 —

Deze meening vindt, wat den arbeid in weverijen betreft, steun in de ervaring der Enschedesche firma, in welker fabriek de wekelijksche arbeid tot 543/4 uren beperkt ia, alsmede in het gevoelen van een fabrikant te Winterswijk, volgens wien in tien uren evenveel kan geproduceerd worden als in elf. Ook in andere takken van bedrijf heeft men hetzelfde waargenomen. De meesterknecht eener stoomhoutdraaierij te Wageningen , vroeger te Hengelo werkzaam, heeft in beide plaatsen bevonden dat, bij loonsberekening bij het stuk, in tien uren op den duur evenveel verdiend wordt als in elf of twaalf. In eene boekdrukkerii te Zwolle, waar eveneens bij het stuk gewerkt wordt, is eene proefneming met een verkorten werkdag aanvankelijk volkomen geslaagd ; in een gewonen werktijd van negen uren, met een uur overwerk, wordt daar niet minder werk afgeleverd dan vroeger in een werktijd van ll1^ a 11 Vs uren. In eene kammenfabriek te Aalten heeft men bij verkorting van den werktijd van twaalf tot elf uren de productie niet zien verminderen, en zou naar de meening van een lid der firma bij verdere verkorting tot tien uren hetzelfde verschijnsel zich voordoen. Ook de bejaarde directeur der Koninklijke Deventer tapijtfabriek heeft tot zijne verwondering opgemerkt, dat bij vermindering van den arbeidstijd van vrouwen en meisjes van twaalf tot elf uren — namelijk des zomers; des winters wordt er korter gewerkt — de productie dezelfde gebleven is, doordat de arbeidsters nu meer geregeld doorwerken. 49

Dit neemt niet weg, dat de voorbeelden van zeer lange werktijden in verschillende takken van nij verheid

49 Twenthe 950—54. 2474—77. Zwolle enz. 814—17. 2943. Gel-derland 3368. 4689. 4880.

ocr page 95

— 83 —

voor het grijpen liggen. In Groninger steen- en pannen-fabrieken bedraagt de dagelijksche werktijd a l^/s uren. Die lange werktijden zijn herkomstig uit den tijd , toen er vele Duitschers kwamen werken, en worden, onder veelal Duitsche brandmeesters, niet licht ingekrompen. In Friesland vindt men in pannenfabrieken een werktijd van dertien uren. In de aardewerkfabriek te Leeuwarden wordt veertien uren, in eene cementfabriek in de nabijheid dier stad IS1/^ uren gewerkt. In cichoreidrogerijen in Dantumadeel werken de drogers , trouwens slechts tien a elf weken in het jaar, 96 a 100 uren in de week. Ook in houtzagerijen en olieslagerijen komen lange werktijden voor, als een overblijfsel uit den tijd toen de eenige beweegkracht, de wind, moest benut worden zoolang zij voorhanden was.

Evenmin kan van alle machinefabrieken gezegd worden dat zij zich, wat den werktijd betreft, die te Hengelo ten voorbeeld stellen. Aan fabrieken van deze soort, ijzergieterijen en scheepswerven bedraagt de normale werktijd veelal elf a llVai soms twaalf uren. In de ambachtsnijverheid pleegt des zomers twaalf a dertien uren per dag te worden gewerkt, buiten de overuren.

Den langsten werktijd hebben de bakkersgezellen. In gewone bakkerijen »staanquot; zij de eerste vijf werkdagen der week veertien a zeventien, des Zaterdags twintig a vierentwintig uren achtereen, ofschoon zij daartus-schen wel vrije oogenblikken hebben. Eene bakkerij, waar de werktijd tot twaalf en des Zaterdags tot zestien a zeventien uren beperkt blijft, wordt als eene gunstige uitzondering geroemd. In broodfabrieken is de werktijd meestal twaalf uren. Toch zijn er ook onder deze fabrieken, waar de arbeid des Zaterdags tot zestien a twintig uren verlengd wordt.

ocr page 96

In verschillende bedrijven wordt van de zijde der werklieden, ook wel met instemming van een deel der werkgevers, op wettelijke vaststelling van een normalen werkdag aangedrongen. Voor de ijzer-industrie en de ambachtsnijverheid wordt de wensch geuit naar een wettelijken werkdag van tien uren, waarin bij grooteren ijver evenveel werk zou kunnen verricht worden. Patroons, die in dit gevoelen deelen, zien er zonder wettelijk voorschrift bezwaar in , korter te laten werken dan hunne concurrenten. Een pannenfabrikant zou voor zijn bedrijf een wettelijken werktijd van twaalf uren verlangen. Bakkersgezellen te Leeuwarden zouden tevreden zijn met een werktijd van twaalf uren gedurende de eerste vijf werkdagen der week en van achttien uren des Zaterdags.30

Verkorting van te lange werktijden is zeker om vele redenen hoogst gewenscht. Maar tegen tusschenkomst van den wetgever tot dit doel verzetten zich, hoe men daarover in theorie moge denken, in elk geval ernstige bezwaren van practischen aard. Voor de werklieden is een korter werkdag alleen begeerlijk, mits hun loon ten minste even hoog blijve als thans en dus, waar het bij het uur berekend wordt, verhoogd worde. Dit is, bij al hunne uitingen in dezen geest, uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde. Zelfs is het hun in den regel niet zoozeer om verkorting van werktijd als om een ruimer loon te doen. Tegen behoorlijk betaald overwerk zouden zij, werd hun wensch naar een normalen werkdag verwezenlijkt, niet het minste bezwaar hebben. Ook nu is zoodanig overwerk bij hen zeer geliefd. De ingenieur-chef van de centrale werkplaats der Ex-

50 Gron. veenk. 341. Groningen 508. 2192. 2467. 3090—92. 3120. 3135. 7004. 7005. Frieüand 812. 2669. 2700.

ocr page 97

— 85 —

ploitatiemaatschappii te Zwolle antwoordt op de vraag, of er wel overgewerkt wordt: „Ja, de werklieden werken gaarne over; zij zijn niet tevreden, wanneer zij maar tot 6 uur werken; gewoonlijk werken wij tot 7 of 8 uur. Des nachts werken wij ook wel, dat is gewoonlijk op een Zaterdagquot;. Ter verdediging van den werktijd van veertien uren in de aardewerkfabriek te Leeuwarden wordt aangevoerd, dat de werklieden niet korter willen werken. Een modelmaker aan eene machinefabriek te Deventer geeft toe dat de werktijd van llVa uren wel wat lang is, maar voegt er bij dat men, bij een groot gezin en een klein inkomen, liever een uur langer dan korter werkt. Aan eene ijzergieterij te Hooge-zand hebben de werklieden eenmaal gedreigd het werk te staken, omdat de gewone werktijd van twaalf tot elf uren verkort was.51

Nu is het evenzeer gewenscht dat de werklieden een behoorlijk loon genieten, als dat hun werkdag niet te lang zij. Maar of een korter werktijd met een verhoogd uurloon kan gepaard gaan, zal in de meeste gevallen daarvan afhangen, of in dien korteren tijd evenveel arbeid verricht wordt als vroeger in den langeren. Is dii op den duur niet het geval, dan wordt de winst van den ondernemer door de verhoogde arbeidsloonen verslonden en moet ten slotte de nijverheid te gronde gaan. Immers de Staat kan wel de voorwaarden van den arbeid vaststellen, maar geen werkgever dwingen om onder die voorwaarden te laten werken.

In hoever in een gegeven bedrijf dezelfde productie in een korteren werktijd is te verkrijgen, vermag de Regeering niet te beoordeelen. De statistische gegevens, die haar ten dienste staan, schieten tekort om haar

51 Gron. veenk. 239. friesland 1718. Zwolle enz. 758. 2633.

ocr page 98

— 86 —

de daartoe vereischte kennis te verschaffen. Het is niet voldoende dat zij met den toestand van eiken tak van nijverheid in elk deel des Eijks bekend zij. Zij dient ook den lichamelijken en geestelijken toestand der arbeidende bevolking in bijzonderheden te kennen. Zij moet weten of het voordeel van meer vrijen tijd de arbeiders tot grooter inspanning en oplettendheid vermag te bewegen, of zij bekwaam en vlug genoeg zijn en de eischen van den arbeid voldoende begrijpen om in minder tijd evenveel te kunnen doen. Slechts dan toch zullen verkorting van arbeidstijd en betere betaling van den arbeid tot verhoogde dienstpraestatie leiden, wanneer zij strekken om het peil der arbeiders te ver-hoogen.

Daarom is de wensch naar een wettelijken arbeidsdag in het algemeen bezwaarlijk te verwezenlijken, tenzij men het maximum zoo hoog stelde, dat der nijverheid geen band van eenige beteekenis werd aangelegd; maar in dat geval zou verkorting van arbeidstijd door de wettelijke voorschriften misschien veeleer tegengegaan dan bevorderd worden. Voor zoover die verkorting de productie onverminderd laat, zal zij de ontwikkeling der nijverheid op den voet volgen. Want binnen deze grens — die de wetgever toch zou moeten eerbiedigen — bestaat in dit opzicht tusschen werkgevers en arbeiders in den regel geen strijd van belangen. Geen werkgever heeft er onder normale omstandigheden belang bij, zijne werklieden langer in de werkplaats te houden dan noodig is om de productie te verkrijgen, die hij van hen verwacht. Integendeel, hoe minder tijd zij daarvoor behoeven, des te voordeeliger voor den patroon. Over het algemeen kan ddn ook bij vooruitgang der nijverheid op verkorting van te lange werk-

ocr page 99

— 87 —

tijden en ruimer vergoeding van den arbeid worden gerekend , naarmate de industriëele begaafdheid der werklieden hooger stijgt.

Ook een wettelijke middagschafttijd van niet minder dan anderhalf uur wordt van verschillende zijden ge-wenscht. Voor arbeiders, die op eenigen afstand van de fabriek of werkplaats wonen en het middagmaal tehuis gebruiken, is een schafttijd van een uur, gelijk die hier en daar in onderscheidene takken van nijverheid voorkomt, inderdaad zeer kort. Intusschen loopen de belangen der arbeiders ten deze sterk uiteen. Velen hunner zijn met de voor hen bestaande regeling tevreden en zouden met verandering daarvan, zoo deze met een later einde van den arbeid gepaard ging, zeer slecht gediend zijn. Ook zijn er fabrieken, waar de machines bezwaarlijk kunnen stilstaan en de daarbij werkzame arbeiders geen eigenlijken schafttijd hebben, maar tusschen den arbeid schaften, waarmede zij genoegen nemen, indien slechts hun loon doorloopt. Een vaste middagschafttijd van anderhalf uur zou voor deze categoriën van arbeiders nadeelig werken. Daarom komt het niet geraden voor, bij de wet aan anderen dan jongelieden en vrouwen een bepaalden dagelijkschen rusttijd te verzekeren.

Eene andere vraag is, of vaststelling van een maximum-werktijd, met of zonder bepaling van minimum-loonen daarnevens, aanbeveling verdient bij werken, door openbare besturen aanbesteed. Van meer dan ééne zijde wordt met klem gewezen op de nadeelen, voor de werklieden uit het stelsel van openbare aanbesteding voortvloeiend. De korte leveringstijd, die bij aanbestedingen in den regel wordt bedongen, leidt tot overhaaste uitvoering en te lange werktijden. De tot het uiterste

Schafttijd.

Aanbestedingen.

1

ocr page 100

— 88 —

gedreven mededinging tusschen de aannemers drukt de arbeidsloonen, die minder vastheid bezitten dan de prijzen der materialen. Een aannemer verklaart dat diegene zijner beroepsgenooten, die zijn werkvolk ruim betaalde, van de markt zou worden gedrongen. Deze bezwaren doen zich het scherpst gevoelen, wanneer deelen van een werk door den aannemer onderaanbe-steed worden, gelijk bij aanbestedingen in het groot veelvuldig geschiedt.

De gegevens, door de Afdeeling hieromtrent verzameld, zijn te partiëel om daarop een advies te gronden aangaande de middelen, waardoor het best aan de aangewezen nadeelen ware tegemoet te komen. Het ligt in den aard der zaak dat gemeentebesturen, aan welke de vraag van een maximum-werktijd en minimum-loonen wordt voorgelegd, haar in verschillenden zin beantwoorden. Te Leeuwarden is op een verzoek van die strekking afwijzend beschikt. Te Arnhem heeft men , bij de aanbesteding van werken tot uitbreiding der gasfabriek, wel een maximum-werktijd maar geen mini-mum-loonen vastgesteld, en voorts eene commissie uit den raad benoemd om het vraagstuk nader te onderzoeken. Minimum-loonen zijn gemakkelijker voor te schrijven dan te controleeren, en hebben bovendien, al worden zij naar eene schaal voor elke categorie van werklieden bepaald, de strekking om diegenen uit te sluiten, die door hun leeftijd of om andere redenen niet den hoogsten graad van bekwaamheid bezitten. Intusschen is het moeilijk te ontkennen, dat het stelsel van openbare aanbesteding zonder dit correctief voor de werklieden dikwijls zeer ongunstig werkt. Onderhandscbe aanbesteding van gemeentewerken moet krachtens de voorschriften der gemeentewet, ter voorkoming van gunstbetoon, uitzondering blijven. Wel is er veel te zeggen voor

ocr page 101

— 89 —

het doen uitvoeren van onderhoudswerken in eigen beheer , waardoor aan de werklieden niet overmatige werktijden en behoorlijke loonen kunnen worden verzekerd;

voldoend toezicht is echter moeilijk.53

De dagelijksche werktijd behoort tot die onderwerpen. Kamers van waarop wellicht invloed ten goede zal kunnen worden arbeid, uitgeoefend door kamers van arbeid. De behoefte aan dergelijke colleges, die geschillen tusschen patroons en werklieden kunnen helpen voorkomen en de overheid ook omtrent de belangen van laatstgenoemden kunnen inlichten, wordt meer en meer gevoeld. Door de richting,

waarin de nij verheid zich heeft ontwikkeld, is de zedelijke band tusschen beide maatschappelijke klussen zeer los geworden, in vele gevallen geheel verbroken. De werkgevers plegen de loonen en verdere arbeidsvoorwaarden eenzijdig, zonder eenige bespreking met de werklieden, vast te stellen, niet zelden ook even eenzijdig te wijzigen ten opzichte van werklieden, die reeds bij hen in dienst zijn; wie er geen genoegen mede neemt, krijgt geen werk of kan vertrekken. Van het recht van vereeniging wordt door de werkgevers in sommige takken van nijverheid gebruik gemaakt om zich onderling te verbinden gedurende de campagne geen werklieden aan te nemen zonder ontslagbriefje.

van den vorigen patroon, ook wel om de loonen gemeenschappelijk vast te stellen. De werklieden blijken over het geheel niet bij machte, daaraan door hunnerzijds georganiseerde vereenigingen een tegenwicht te bieden. Alleen gebruiken zij nu en dan het wapen der

51 Groningen 242. 344—47. 584—86. 830. 2199. 4770—73. 5362. 5637. Friesland 661—68. 3223—24. Gelderland 47. 82—3. 125—27. 826—28. 1033—35. 2226—38. 2348—57.

ocr page 102

— 90 —

werkstaking, dat in den regel het gevaarlijkst is voor de hand die het voert en aan beide partijen groote stoffelijke en zedelijke schade berokkent.

Deze gebrekkige verhouding tnsschen werkgevers en arbeiders treedt nergens in sterker licht dan in de veenderijen. De losse arbeiders, die vooral in de lage venen een belangrijk deel van den arbeid verrichten, beginnen telken jare te werken zonder dat hun loon bepaald is. Wel rekenen zij eenigszins op hot loon van het vorig jaar; maar noch zij zelf, noch de verveners achten zich daaraan gehouden. Nadat zij een paar weken hebben gearbeid, wordt van wege de verveners hun werk opgemeten en het bedrag van het loon hun kenbaar gemaakt. Meenen zij hoogere loonen te kunnen verkrijgen, zoo staken zij daarop geregeld het werk en beginnen bollejagerijen, waaraan andere arbeiders gedwongen worden mede te doen en die gewoonlijk met min of meer ernstige ongeregeldheden gepaard gaan. In den laataten tijd breidden deze werkstakingen zich hier en daar uit tot de vaste arbeiders, de turfmakers, die overigens tot de verveners in eene veel meer geregelde verhouding slaan en bij den voortgang van den veenarbeid groot belang hebben. Als middelen ter voorkoming van werkstakingen worden aanbevolen voorafgaande contracten omtrent het loon — die werkelijk in sommige streken zelfs schriftelijk worden aangegaan, maar ook wel eens worden verbroken — en voorafgaand overleg tusschen partijen. Ook van dit laatste wordt een voorbeeld genoemd ; eene vereeniging van verveners in de lage venen in Friesland heeft een paar malen eene commissie uit de afdeelingen van het werkliedenverbond „Patrimoniumquot; in hare vergaderingen toegelaten. In andere veen-streken evenwel, met name in de hooge venen, waar minder met losse arbeiders gewerkt wordt, willen de

ocr page 103

werkgevers van zoodanig overleg niet weten. In Drenthe en in den Noordoosthoek van Overijsel bestaan vereeni-gingen van verveners, die jaarlijks tarieven van arbeids-loonen vaststellen en bekend maken. Aan den wensch der arbeiders, dat enkelen hunner in de vergaderingen dezer verveners mogen worden toegelaten, wordt in gewone tijden niet voldaan. Dan alleen heeft eenige bespreking tusschen partijen plaats, wanneer de arbeiders het werk hebben gestaakt, in grooten getale zijn samengekomen en gewelddadigheden hebben gepleegd. Onder dergelijke omstandigheden plegen de arbeiders overdreven eischen te stellen, welke de verveners dan wel bewilligen , om de afgedwongen toestemming echter zoo spoedig mogelijk weder in te trekken. De leden dezer vereenigingen van verveners verbinden zich om gedurende den graaftijd elkanders werklieden niet in dienst te nemen. Een geval wordt vermeld, waarineen vervener zich door de meerderheid zijner collega's liet dwingen tot het bezigen van een verlengden maatstok ter opmeting van het werk der turfgravers, ofschoon hij dit zelf niet noodig achtte en het voor zijn werkvolk bezwarend was. Hiertegenover hebben de arbeiders, die ver uiteen wonen en geene organisatie bezitten, niets te stellen. Wel geven de bedoelde vereenigingen hun gelegenheid om eventueele geschillen aan de beslissing van commission uit haar midden te onderwerpen; maar het is licht verklaarbaar, dat zij van deze eenzijdige wijze van beslissing juist geen druk gebruik maken.53

Door oprichting van kamers van arbeid, waarin werkgevers en arbeiders zouden zijn vertegenwoordigd, ware in dergelijke verhoudingen verbetering aan te brengen en

63 Veenderijen 1249. 6435. 6454, 6567»

ocr page 104

aan de arbeiders een orgaan te verschaffen, dat zij thans, voorzoover zij niet vereenigd zijn, missen. Reeds zijn op enkele plaatsen zoodanige lichamen in het leven geroepen. Het is van belang die beginnende beweging te bevorderen, door aan de kamers van arbeid een officieel karakter toe te kennen. Om de instelling te doen slagen, zal men haar geen te hooge eischen moeten stellen. Eene bijzondere rechtspraak ter beslissing van geschillen kan men haar naar onze staatsregeling niet opdragen. Hare werkzaamheid zal niet dwingend, alleen bemiddelend en adviseerend kunnen zijn. Aldus opgevat, vindt de instelling bij velen sympathie, bij werkgevers doch vooral bij arbeiders en bij derden. Voor eene doelmatige uitbreiding der sociale wetgeving is het van groot belang te achten, dat stemmen uit de kringen van den arbeid zelf gelegenheid vinden, zich in de adviezen van kamers van arbeid te doen hooren.

Over samenstelling en werkkring van kamers van arbeid zouden bijzonderheden hier minder op hare plaats zijn, nu het onderwerp bereids bij de Staten-Generaal in behandeling is. Hoe zij zouden zijn samen te stellen, staat blijkbaar aan de meeste daaromtrent ondervraagde getuigen, ook voorzoover zij er gunstig voor gestemd zijn, niet helder voor den geest. Onder hen, die er over hebben nagedacht, zijn er die de beteekenis der instelling hoofdzakelijk zoeken in de gemeenschappelijke beraadslaging van patroons en werklieden, liefst met toevoeging van een derde onpartijdig element. Op dezen voet is bijvoorbeeld te Bolsward een arbeidsraad opgericht. Verscheidene andere getuigen, waaronder eenige fabrikanten, denken zich veeleer commissiën uit de arbeiders, die de wenschen van hunne medearbeiders zouden hebben kenbaar te maken aan commissiën uit de werkgevers en daarover met laatstgenoemden over-

ocr page 105

— 93 —

leg zouden hebben te plegen. Eene enkele maal wordt de vraag, hoe men zich de samenstelling van kamers van arbeid voorstelt, teruggewezen. „Reeds sedert jarenquot;, verklaart een getuige, „ga ik met de gedachte rond: men weet in Den Haag zooveel tot stand te brengen, dat men ook daar wel eene behoorlijke regeling zal weten te vinden.quot; De werkgevers, die van kamers van arbeid goede verwachtingen koesteren,

leggen er intusschen nadruk op, dat haar invloed tot de toepassing der bestaande arbeidsvoorwaarden zal dienen beperkt te blijven en zich niet tot wijziging daarvan kan uitstrekken, reeds wijl hunnerzijds aan die lichamen geen opening van zaken kan worden gedaan.54

Het in dienst nemen van werklieden pleegt aan fa- Arbeids-brieken en werkplaatsen met zeer weinig omslag te contract, geschieden. Een schriftelijk contract wordt in verreweg de meeste gevallen niet opgemaakt. Alleen blijkt dit soms te geschieden bij het aannemen van opzichters of werkbazen. De inhoud der mondelinge overeenkomst bepaalt zich gewoonlijk tot den aard van den te verrichten arbeid en het bedrag van het loon benevens dat der kortingen voor ziekenfondsen enz., waar die bestaan. Daar de betaling van het loon wekelijks pleegt te geschieden, wordt de overeenkomst elke week opzegbaar geacht. Verplicht om haar eenigen tijd te voren op te zeggen zijn partijen meestal niet. Wel achten de meeste werkgevers het behoorlijk, daarbij een termyn van acht of veertien dagen in acht te nemen, behalve

54 Twenthe 460. 1130. 1968. 2429. 4969. 5309. Gron. veenk. 5749. Groningen 555. 8044. Friesland 673—76. 949—53. 2941—51. Zwolle enz. 450—56. Veenderijen 1000. 3605. 4740.

ocr page 106

— 94 —

in geval van wangedrag. Vele werklieden houden zich niet aan een zoodanigen termijn, maar vertrekken, wanneer zij daartoe aanleiding vinden , op stel en sprong. Soms wordt de opzegging van het dienstcontract, alsmede het opleggen van boeten en enkele andere arbeidsvoorwaarden, geregeld bij fabrieksreglementen, die echter bijna uitsluitend in groote fabrieken bestaan. Gevallen worden vermeld van wijziging van zoodanige reglementen door de werkgevers, geheel of nagenoeg zonder overleg met de reeds bij hen werkzame arbeiders, in kleinere fabrieken en werkplaatsen vindt men geen reglementen; boeten worden daar niet zelden door patroon of meesterknecht naar willekeur opgelegd. Andere werkgevers weten het zonder toepassing van boeten met hunne arbeiders te vinden. Waar boeten geheven worden, geschiedt dit hoofdzakelijk hetzij wegens het leveren van slecht werk of het veroorzaken van schade, hetzij wegens te laat komen en andere kleine of groote ongeregeldheden ; aan boeten van de laatste soort wordt meestal eene bestemming in het belang van het dienstpersoneel gegeven. In groote fabrieken, of tegenover jonge werklieden, kan het heffen van boeten noodig zijn; maar dan behoorde die straf althans haren grondslag te vinden in een vooraf bekend gemaakt reglement. Van anderen aard zijn, behalve de kortingen op het loon voor fondsen in het belang der werklieden, die voor het aanvochten en klaarmaken van tabak en voor licht en zitplaats , die nog hier en daar op de cigarenmakers worden toegepast ; licht- en zitgelden komen ook wel in andere takken van bedrijf voor. Ofschoon over de laatstbedoelde kortingen veelvuldig geklaagd wordt, zullen de werklieden daarvan in den regel wel reeds bij het aangaan van het dienstcontract kennis dragen.

De ongeordende rechtsverhoudingen ten deze zijn

i

ocr page 107

— 95 —

voor een groot deel te wijten aan de verwaarloozing van het dienstcontract in het Burgerlijk Wetboek, dat over huur van dienstboden en werklieden en aanneming van werk slechts gebrekkige en verwarde, ten deele ook zeer onbillijke voorschriften bevat. Veilig mag worden aangenomen, dat de klachten over den bestaanden rechtstoestand veel talrijker zouden zijn, indien de meeste werklieden niet feitelijk langen tijd achtereen voor denzelfden patroon pleegden te arbeiden. Daarin mag in-tusschen geen reden worden gevonden om van verbetering van dien rechtstoestand af te zien. Aan klachten over ontslag, dat door den patroon of meesterknecht zonder voldoenden grond op staanden voet zou verleend zijn, alsmede over bezwarende of willekeurig opgelegde boeten, ontbreekt het overigens niet. Ook minder eenvoudige dienstcontracten met van elders gekomen opzichters of meesterknechts worden niet altijd getrouw nageleefd. 55

Een voorbeeld van de bezwaren, die voor de werklieden uit gebrekkige regeling van het dienstcontract kunnen voortvloeien, vindt men bij steenfabrieken in een gedeelte van Friesland. Daarbij wordt het zoogenaamde tichelvolk niet bij de week, maar voor een geheel seizoen gehuurd, en wel op den Isten Februari voor den tichel-tijd. Deze duurt volgens plaatselijk gebruik van 12 April tot 12 September. De steenfabrikanten houden zich echter niet altijd aan die datums, terwijl het tichelvolk niet weet en niet in alle gevallen eenigen tijd vooraf verneemt , wanneer met het tichelen zal worden begonnen en geëindigd. Daardoor worden deze werklieden, die van den fabrikant alleen loon genieten voor verrichten

5'' Gron. veenk. 3839—53. Gelderland 1(U9. 1060. 1107—09. 3785. 4015—16.

ocr page 108

arbeid, bemoeilijkt in het vinden van ander werk vóór en na het tichelen.66

Eene meer uitgewerkte regeling van het arbeidscontract in het Burgerlijk Wetboek, behoudens vrijheid van partijen tot het bedingen van afwijkende voorwaarden , voor zoover de wet dit niet om redenen van algemeen belang verbiedt, mag dan ook als een eisch des tijds worden beschouwd. De wet zou onder anderen eenige voorschriften dienen te geven omtrent de onderlinge rechten en verplichtingen van patroons, onder-bazen , gezellen, fabrieksarbeiders en losse werklieden; omtrent den voet waarop boeten en kortingen op het bedongen loon kunnen worden toegepast; omtrent den duur en de ontbinding der overeenkomst; omtrent de termijnen van opzegging en de gevallen, waarin die termijnen niet behoeven te worden inachtgenomen; omtrent het bewijs. Bij de ontwikkeling van het arbeidscontract in deze richting zullen de adviezen der in te stellen kamera van arbeid goede diensten kunnen bewijzen.

Misbruiken j Het is bekend, dat de vrije beschikking der werkbij de beta-/. , ut u- j n t •

ling van hetpie(^en over hun loon hier en daar op allerlei wijzen

loon. j wordt ingekort. Een administratief onderzoek, dat daaromtrent in 1888 door de Regeering is ingesteld en geleid heeft tot de indiening van een — sedert ingetrokken — wetsontwerp houdende bepalingen om die vrije beschikking te waarborgen, heeft tal van belangrijke bijzonderheden aan het licht gebracht. Veel daarvan wordt, wat het noordoostelijk deel des lands betreft, bevestigd door de gegevens, die de Afdeeling heeft verzameld. Alle op dit gebied bestaande misbruiken te

56 Friesland 1973—74. 2028. 2060—63. 2071—72. 2578—83.

ocr page 109

— 97 —

keerea, ligt buiten de macht van den wetgever. Hetgeen hij daartoe vermag, behoort hij echter niet na te laten. Zoodoende zal hij zich bewegen in de lijn van het geldend burgerlijk recht, dat geene persoonlijke dienstbaarheden duldt en het aangaan van levenslange dienstverbintenissen verbiedt. Eene andere vraag is, in hoever hier niet alleen bepalingen van burgerlijk recht, maar ook strafbepalingen op hare plaats zijn. Daaromtrent zij in het algemeen opgemerkt dat sommige feiten,

waardoor inbreuk gemaakt wordt op de vrije beschikking over het loon, uit hunnen aard op het gebied van het strafrecht vallen, terwijl andere handelingen van soortgelijke strekking daartoe moeilijk te brengen zijn,

maar door voorschriften van burgerlijk recht, met nietigverklaring van het in strijd daarmede verrichte, kunnen worden tegengegaan.

' De bedoelde misbruiken kunnen, met eenige wijzi-jquot;

ging van de indeeling, in de Memorie van Toelichting van bovenbedoeld wetsontwerp gemaakt, in vier groepen worden gerangschikt: 1°. betaling in vreemd geld; 2°.

betaling op te lange termijnen; 3°. winkeldwang; 4°. betaling in winkels en tapperijen.

Langs de oostelijke grenzen van ons land is zeer veel Betaling in Duitsch geld in omloop. In Overijselsche en Geldersche vreemlt;, 9e,d-grensgemeenten worden de loonen in Nederlandsch geld vastgesteld, doch in Duitsch geld betaald, waarbij de mark tegen 60, het tienpfennigstuk tegen 6 cents berekend wordt. Uitzonderingen vormen fabrieken te Olden-zaal, te Enschede en te Ulft (gemeente Gendringen), waaide loonen meestal in Nederlandsche munt betaald worden;

hetzelfde geschiedt sedert eenigen tijd bij twee fabrieken te Eibergen. Te Haaksbergen is vóór jaren eene werkstaking, die tegen de betaling in Duitsche munt

7

ocr page 110

— 98 —

gericht was, mislukt; intusschen geschieden thans bij de weverij aldaar betalingen beneden den thaler in Nederlandsch geld.

Ook uit onderscheidene gemeenten, die niet aan de grens liggen, wordt van betaling der loonen in üuitsch geld gewag gemaakt. Zoo wordt ia die munt betaald bij eene ijzergieterij en emailleerfabriek bij Terborg (gemeente Wisch), ofschoon bij de reeds vermelde, gelijksoortige fabriek in de grensgemeente Gendringen in Nederlandsch geld betaald wordt; bij katoenweverijen te Stad-Delden, niettegenstaande in de aangrenzende gemeente Hengelo sedert lang betaling in Nederlandsch geld wordt toegepast; bij steenbakkerijen in het zelfs nog verder van de grens verwijderde Rijssen, ondanks de betaling in Nederlandsch geld bij de grootste fabriek aldaar. Te Almelo en te Borne is de betaling in Duitsche munt jaren geleden, toen het koersverschil aanmerkelijk hooger was dan thans, afgeschaft ten gevolge van werkstakingen; in eerstgenoemde plaats ging die maatregel destijds met vermindering der loonen gepaard. Bij fabrieken te Neede en te Borculo is sedert kort betaling in Nederlandsch geld ingevoerd: te Neede, blijkens verklaring van een fabrikant, ten gevolge vaneen voorschrift bij aanbestedingen van wege het Departement van Koloniën, dat het arbeidsloon in Nederlandsch geld moet worden betaald.57 I In de gemeenten, waar meerendeels Puitsch geld ij in omloop is, plegen de winkeliers het koersverschil bij betalingen, die niet beneden den gulden zijn, in rekening te brengen. In het verstrekken van Nederlandsch geld aan de werklieden, zoo dikwijls zij dit bijvoorbeeld voor betalingen aan notaris of ontvanger

57 Gelderland 5512.

ocr page 111

— 99 —

behoeven, is de eene werkgever vrijgeviger dan de andere; er zijn er, die daartoe gereedelijk overgaan, maar men vindt er ook, die het niet gaarne doen of niet dan onder inhouding van het koersverschil. In het algemeen kan worden aangenomen, dat de betaling in Duitsch geld den werklieden tegenwoordig eene schade berokkent van l3/4 a 2 pet. van hun loon, al blijft dit bij kleine betalingen onopgemerkt.

Van de zijde der werklieden wordt over deze benadeeling met reden geklaagd. Zij voeren aan dat betaling in Nederlandsche munt hun rechtmatig toekomt; en waar het loon in die munt is vastgesteld, is hiertegen niets in te brengen. Hun wensch naar een wettelijk verbod van betaling in vreemd geld vindt instemming bij een deel der werkgevers. Andere werkgevers verdedigen de betaling in Duitsch geld op grond dat ook zij daarin betalingen ontvangen; maar dit zou hun minder dan thans overkomen, wanneer zij zelf enkel Nederlandsche munt in omloop hielpen brengen, en zij zijn in elk geval beter dan hunne werklieden bij machte om zich bij het ontvangen van betalingen voor schade te vrijwaren.

Voor tusschenkomst van den wetgever, ten einde de werklieden tegen betaling van hun loon in vreemd geld te beschermen, is dan ook zeer veel te zeggen. Het is waar dat het bestaande verbod, om in het algemeen vreemde pasmunt in betaling te geven, in de oostelijke grensstreken niet veel meer dan een doode letter is. Bij art. 8 der wet van 28 Maart 1877 (Staatsblad no. 43), dat dit verbod inhoudt, wordt bij wijze van uitzondering toegelaten in de grensgemeenten, bij al-gemeenen maatregel van bestuur aan te wijzén, vreemde pasmunt tot eene waarde van ten hoogste twintig cents in betaling te geven, onder toestemming

ocr page 112

— 100 —

der wederpartij en tegen geen hoogeren dan den vast-gestelden koers. Die grensgemeenten zijn bij Koninklijk besluit van 17 Juni 1877 (Staatsblad no. 149) aangewezen en de koers van den Duitschen pfennig is daarbij bepaald op Vs cent- Desniettemin blijkt Duitsch geld, pasmunt zoowel als standaardmunt, niet alleen in grensgemeenten maar ook dieper landwaarts in, veelvuldig in betaling te worden gegeven, en houdt men zich bij de betaling in die vreemde pasmunt noch aan het maximum van twintig cents, noch aan den vastgestelden koers. Van Regeeringswege wordt hiervoor het oog geloken.

Intusschen zou men hieraan ten onrechte een grond ontleenen tegen een verbod om arbeidsloonen in vreemde munt vast te stellen of te betalen, dat veel gemakkelijker zou zijn te handhaven, reeds omdat de betrokken personen daarbij meer belang zouden hebben. Een dergelijk verbod zou den omloop van Nederlandsch geld in de grensstreken stellig zeer bevorderen. Dit wordt bewezen door de ondervinding in fabrieksplaatsen als Enschede en Hengelo, waar Nederlandsch geld in de fabrieken als betaalmiddel wordt gebezigd en in omloop blijft, ofschoon in de omliggende gemeenten meest Duitsch geld circuleert. Het in omloop zijnde geld is voor een goed deel afkomstig van de arbeidsloonen, die nagenoeg geheel spoedig weder worden uitgegeven. Voorzeker brengt het verkeer tusschen de grensbewoners in twee landen veel vreemd geld in omloop. Dit zal echter veel meer dan thans worden ingewisseld, wanneer de arbeidsloonen niet meer daarin betaald mogen worden. De werkgevers zullen genoopt worden, bij geldelijke transactiën met de bewoners van het naburige land meer op het koersverschil te letten. Zij behoeven dit minder te doen, zoolang zij niet, gelijk

ocr page 113

— 101 —

hunne Duitsche collega's, verplicht zijn de loonen, voor zoover deze in geld bestaan, in de munt van het eigen land te betalen. Immers zij kunnen nu de schade, door te groote toegeeflijkheid ten aanzien van den koers der vreemde munt geleden, op hunne arbeiders verhalen.

Bij het geringe koersverschil, dat tegenwoordig bestaat,

zou een verbod om arbeidsloonen in vreemde munt te betalen wel niet tot verlaging der loonen leiden.

Deze zouden op hetzelfde peil blijven; maar er zou een einde komen aan de bevoordeeling der vreemdelingen,

die hunne munt in het land brengen, ten koste van Nederlandsche arbeiders.

De betaling der loonen geschiedt, behalve aan in- Termijnen wonende bedienden en sjouwerlieden, in den regel van betal,n9-wekelijks, soms behoudens latere afrekening, waar zij bij het stuk of naar de maat berekend worden.

Wekelijksche betaling is van groot belang voor de arbeiders, die bij gebreke daarvan niet zelden voorschotten moeten vragen of bij de winkeliers in het krijt komen te staan. De uitzonderingen op den regel zijn,

wat den arbeid in fabrieken en werkplaatsen betreft,

niet talrijk. Bij de centrale werkplaats der Exploitatie-maatschappij te Zwolle wordt het loon betaald om de veertien dagen, den 3den en den 17den der maand,

en het stukloon den 5den en den 19den; wanneer betaling om de week bij de wet werd voorgeschreven,

zou de ingenieur-chef daarin geen bezwaar zien. Ook aan eene katoenweverij te Winterswijk en aan papierfabrieken te Eerbeek en te Heerde heeft de betaling der loonen om de veertien dagen plaats; de werkgevers achten dit voor de arbeiders minder bezwarend, omdat dezen meerendeels nog een weinig landbouw drijven.

Aan de glasfabrieken te Nieuw-Buinen wordt met de

ocr page 114

— 102 —

*

glasblazers, die bij het stuk werken, om de twee of om de vier weken afgerekend; zij ontvangen echter elke week een gedeelte van hun loon.

Minder regelmatig geschiedt de betaling van die werk zaamheden in de open lucht, waarvoor de loonen naar de hoeveelheid verricht werk berekend en de werklieden ; i voor een geheel seizoen of gedeelte daarvan aangenomen worden, zooals met veenarbeiders en arbeiders bij steenfabrieken het geval is. Van het loon van laatstgenoemden wordt veelal, als waarborg tegen ontijdig vertrek, een zoogenaamd staangeld ingehouden, dat hun bij het einde van het seizoen wordt uitgekeerd; soms ook heet deze uitkeering eene fooi. Dit gebruik heeft eene goede zijde, inzoover het strekt tot besparing van een deel van het des zomers verdiende loon un de arbeiders den winter helpt doorkomen. Bedenkelijker is het voor het tichel-volk, wanneer de betaling geschiedt per zoogenaamden dubbelen rekendag, gelijk bij sommige steenfabrieken in Friesland. Een dubbele rekendag bedraagt eene hoeveelheid steenen, die bij gunstig weder in ongeveer tien dagen , maar onder minder gunstige omstandigheden eerst in drie a vier weken wordt opgeleverd. In het laatste geval blij ven de arbeiders te lang zonder loon en moeten zij, wanneer de tasker hun geen voorschot geeft, veelal in winkels borgen. 58 In Geldersche steenfabrieken worden de loonen naar geringer hoeveelheden berekend en plegen zij wekelijks te worden betaald. Ook hier doet zich het bezwaar gevoelen, dat de arbeiders bij regenachtig weder op het einde der week slechts weinig loon tehuis brengen. Uitkeering van een gemiddeld vast weekloon, behoudens latere afrekening, wordt echter door fabrikanten bedenkelijk geacht, omdat deze

ss Friesland 1892—95. 1913. 1949. 1970—71. 2068. 2334. 2384.

ocr page 115

— 103 —

wijze van betaling op den ijver der arbeiders ongunstig zou werken.59

In de lage venen wordt met de losse arbeiders, de trekkers, afgerekend aan het einde van den trekkerstijd, met de vaste arbeiders, de turfmakers, aan het einde des jaars. In de hooge venen rekent men met de turfgravers, voorzoover zij vaste arbeiders zijn, tweemaal in het jaar af, na afloop van den graaftijd en na afloop van het droogmaken der turf. Inmiddels plegen deze verschillende categoriën van arbeiders wekelijksche voorschotten op te nemen naarmate van hunne behoeften en van den verrichten arbeid. Zij kunnen echter bij de veenbazen soms moeilijk geld los krijgen.

Voor de arbeiders en hunne gezinnen ware het zeer gewenscht, dat betaling van het loon ten minste eenmaal 's weeks, behalve aan inwonende bedienden, bij de wet werd voorgeschreven. Wegens de zeer gebruikelijke berekening der loonen bij het stuk of naar de maat zouden dan de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over aanneming van werk (artt. 1640 en volgende) ten deze niet toepasselijk verklaard of gewijzigd moeten worden. Overigens schijnt eene regeling in dezen geest voor den arbeid in fabrieken en werkplaatsen zeer goed uitvoerbaar, mits de noodige ruimte worde gelaten voor berekening bij het stuk of naar de maat. Een voorschrift dat, waar die wijze van berekening gevolgd wordt, bijvoorbeeld Ys Vim het gemiddeld weekloon, door denzelfden of een soortgelijken werkman in den laatsten tijd verdiend, wekelijks moet betaald worden, zou in fabrieken en werkplaatsen op geene ernstige bezwaren stuiten. Niet zoo algemeen zou een dergelijke regel kunnen worden toegepast op werkzaamheden in de open

59 Gelderland 2760. 2821—22. 2878. 2916—19.

ocr page 116

— 104 —

lucht, die naar de hoeveelheid verrichten arbeid betaald worden. Deze hangen toch in hooge mate van de weersgesteldheid af, en het zou niet aangaan de werkgevers te verplichten tot betaling van loon buiten verhouding tot hetgeen afgewerkt is. Men zou hier eene uitzondering moeten toelaten voor het geval uit eene opneming van het verrichte werk bleek, dat bij afrekening op dat oogenblik geen saldo ten bate van den werkman zou overblijven. Het werk, dat aan een gewonen werkman wordt opgedragen, is niet zoo gecompliceerd, dat het ondoenlijk zou zijn het zoo noodig bij gedeelten op te nemen.

Zeer heilzaam ware wekelijksche betaling ook voor mindere beambten in dienst van openbare besturen, zooals politie-agenten, oppassers in gevangenissen enz., die door betaling om de maand licht in schulden geraken. 60

Winkeldwang. - De vereeniging der bedrijven van werkgever en winkelier, in de veenstreken nog aan de orde van den , dag, is elders zeldzaam geworden. Toch vindt men haar in Twentho en in de Groninger veenkoloniën nog op enkele plaatsen. Soms wordt de winkel door een familielid van den werkgever gedreven. Meer komt het voor, niet alleen in de genoemde streken maar ook elders, dat werkbazen winkels, bierhuizen of tapperijen houden. Er zijn werkgevers, die dit niet dulden, maar ook andere, die het stilzwijgend of uitdrukkelijk veroorloven. Het ligt voor de hand, dat de vrijheid der werklieden om hun loon naar goedvinden te besteden niet ongerept blijft, waar door hunne werkgevers of door werkbazen , onder wier gezag zij staan, een dergelijk neven-bedrijf wordt uitgeoefend. Al zijn zij niet contractueel

60 Groningen 2186. Gelderland 850.

ocr page 117

verbonden om den winkel van hun patroon of baas te begunstigen, feitelijk kunnen zij dit moeilijk nalaten. Zeker van zijne klanten, stelt de baas-winkelier zijne prijzen allicht hooger dan noodig ware. Daardoor lijden de arbeidersgezinnen eene dagelijks terugkeerende schade.

Omtrent den omvang van dit misbruik in de veen-streken zijn in het overzicht betreflende de veenderijen tal van bijzonderheden opgeteekend. Vooral in de hooge venen van Drenthe en in de lage venen van Friesland zijn de klachten over de „zware winkelsquot; van verveners en veenbazen nog zeer talrijk, al wordt hier en daar erkend dat de prijzen niet meer zoo hoog worden opgedreven als voorheen. Het ergst is het misbruik waar,' /-in afwachting van de jaarlijksche of halfjaarlijksche afrekening, het loon niet in geld betaald wordt, maaide arbeiders „winkelenquot; op een boekje en slechts bij uitzondering eenig geld in handen krijgen. Daardoor, wordt niet alleen het arbeidersgezin vastgeklonken aan een duren winkel en de kooplust der leden van dat gezin boven mate aangewakkerd, maar wordt ook aan de veenbazen aanleiding gegeven tot het leggen van ; opcenten op de prijzen van brood en verdere levensbe- | hoeften, die in hunne winkels niet te koop zijn doch j door hen, op rekening van het loon der arbeiders, aan ; bakkers en anderen betaald worden. Dat de winkels der • veenbazen in het belang der arbeiders noodig zouden ' zijn, wordt wel beweerd maar niet aangetoond. Ook afgelegen oorden worden door rondventers bezocht; en voor zoover de arbeiders des winters moeten borgen, staan andere winkels aan vaste klanten evenzeer ten dienste.

Hier en daar komen de baten van den winkeldwang | voor een goed deel terecht in den zak van werkgevers, die zelf geen winkeliers zijn. Eensdeels doordat zij aan |

ocr page 118

— 106 —

bazen, wien zij veroorloven een winkel te houden, minder loon behoeven te betalen. Hiervan worden ook buiten de veeastreken sporen gevonden; zoo heeft eene firma te Rijssen indertijd aan een harer bazen het houden eener tapperij verboden en tevens zijn loon verhoogd. Anderdeels bevoordeelen zich de eigenaars van uitgebreide venen in Drenthe door het verpachten van veenputteu. Zij bedingen daarbij hooge huurprijzen, omdat' dehuur-' ders rekenen op de winsten, die zij uit de combinatie van het bedrijf van veenbaas met dat van winkelier zullen trekken. Voor zoodanige huurders is de winkel hoofdbron van bestaan; niet zelden leggen zij zich op de vervening slechts toe, om veenarbeiders als vaste klanten in hun winkel te krijgen. Zoowel voor het tegenwoordige als voor de toekomst, wanneer het veen zal zijn uitgegraven, is deze verpachting van veenputten in het algemeen belang zeer ongewenscht; en het zou een voordeel te meer zijn indien zij, door bepalingen ter verzekering van de vrije beschikking der werklieden over hun loon, bemoeilijkt werd.

Van wettelijke maatregelen tegen den winkeldwang verwachte men intusschen niet te veel. Die dwang is een Proteus, die, in de eene gedaante bedwongen, aan stonds eene andere weet aan te nemen. Rechtstreeksche dwang kan worden gekeerd, maar zijdelingsche dwang kan zich in zooveel vormen hullen, dat g.ene strafwet den arbeider daartegen geheel vermag te beveiligen. Daarom verdient het aanbeveling slechts tegen ééne categorie van feiten, waarover aanstonds nader, straf te bedreigen, en overigens den winkeldwang alleen door , i voorschriften van burgerlijk recht te bestrijden. Daartoe bepale de wet dat het loon alleen mag bestaan in geld, in voedsel, in brandstof, in het genot van woning,

ocr page 119

— 107 —

grond of weide en in enkele andere zaken, welker verstrekking in natura onder bepaalde voorwaarden in het belang van den werkman kan geacht worden. Het ligt in den aard der zaak, dat verstrekking van sterken drank als deel van het loon verboden worde. Voorzoo-;

ver het loon in geld bestaat, worde de werkgever tot betaling in geld aan elk zijner werklieden afzonderlijk verplicht, met nietigverklaring van betalingen, in verboden vorm gedaan. Overeenkomsten, waarbij een werk-1 man zich verbindt zijn loon op eene bepaalde wijze; te besteden of zijne benoodigdheden in een bepaaldenj winkel te koopen, worden eveneens nietig verklaard.

Voorts worde de vrije beschikking over het loon den werkman zooveel doenlijk gewaarborgd door de compensatie met door hem aangegane schulden te beperken cn bepalingen vast te stellen tegen cessie van het loon,

volmacht tot het ontvangen daarvan en inbeslagneming.

Dat het Burgerlek Wetboek voorschriften behoorde in 1 gt;3 houden omtrent den voet waarop boeten en kortingen op het loon, ook die voor fondsen in het belang der werklieden, kunnen worden toegepast, werd boven reeds opgemerkt.

Voor de toepassing der civiele rechtsmiddelen, die de werkman bij eene regeling in dezen zin in geval van op hem uitgeoefenden dwang kan doen gelden, zou hij tegen zijn patroon in rechten moeten optreden. Maar al zal dit niet dagelijks voorkomen, toch zal het gevaar eener dergelijke actie voor menig werkgever groot genoeg zijn, om althans forschen winkeldwang te voorkomen.

Intusschen is eene groep van feiten scherp genoeg Betaling in

winkols on

omlijnd om tot het gebied van het strafrecht te worden tapperijen, gebracht. Winkeldwang wordt in vele gevallen uitge- ) f

ocr page 120

— 108 —

oefend door middel van betaling der loonen in winkels en tapperijen. De arbeiders worden daardoor zijdelings, maar krachtig, gedrongen tot het koopen van waren of het gebruik van sterken drank. Vooral in de veen-streken komt betaling in winkels, door werkgevers of hunne familieleden gedreven, zeer veel voor. Betaling der loonen in het veld was eene der beloften, bij de werkstakingen in de Drentsche venen in 1888 van de verveners verlangd en hun een oogenblik door geweld afgeperst. Moest dat geweld worden bedwongen, de wensch naar eene andere plaats van betaling dan den winkel van den veenbaas schijnt op zichzelf volkomen gerechtvaardigd. De wet kan tegen onvrijheid der arbeiders althans in zoover waken, dat zij hen waarborgt tegen pressie op het oogenblik dat zij hun loon ontvangen. Ook buiten do veenstreken vindt men nog enkele voorbeelden van betaling der loonen in den winkel van den werkgever. Bij eene fabriek te Oldenzaal geschiedde tijdens de getuigen verhoeren de betaling in den winkel der firma, die echter, naar verklaard werd, eerlang zou worden opgeheven. Te Stad-Delden worden de werklieden bij eene der weverijen, tot hun groot ongenoegen, in den winkel van een lid der firma betaald. Het is waar dat in een enkel geval van betaling in een winkel niet van onvrijheid der arbeiders bleek. Een vervener-winkelier in de Krim betaalt in zijn winkel, zonder dat de gehoorde arbeiders over eenige pressie klagen, hoewel de prijs van het brood, dat hij hun tehuis laat brengen, vrij hoog is. Dit is echter een exceptioneel geval, gelijk reeds daaruit blijkt, dat hij ook door een aantal andere verveners met de betaling der door hen verschuldigde loonen belast wordt. Eene dergelijke uitzondering kan, althans naar de meening van de meerderheid der Afdeeling, geen voldoenden

ocr page 121

— 109 —

grond opleveren tegen het verbieden van hetgeen in verreweg de meeste gevallen een ernstig misbruik is. 61 Het bedenkelijkst is dit misbruik voorzeker, wanneer de betaling geschiedt in eene tapperij of wel in een winkel, waar ook sterke drank verkrijgbaar is. Dit laatste is ia de veenstreken dikwijls het geval. Betaling in tapperijen is echter ook elders zeer gebruikelijk. Zoo worden bij eene steenfabriek te Wester voort de loonen betaald in de tapperij van den tichelbaas, die tevens ■ broodslijter is. In het bijzonder de zoogenaamde losse werklieden en sjouwerlieden worden veelvuldig door ploegbazen in tapperijen betaald. Hierbij valt niet altijd qjE. aan pressie tot het maken van verteringen van wege den ploegbaas te denken, ofschoon het mogelijk is dat hij met den tapper in betrekking staat. Maar de drang op de werklieden tot het gebruik van sterken drank is daarom niet minder wezenlijk. De eigenlijke werkgever betaalt gemakshalve het gezamenlijk loon van eene ploeg werklieden aan den ploegbaas, die het ontvangene onder hen uitdeelt in eene tapperij, waar de werklieden hom opwachten. Deze wijze van betaling wordt te Groningen veel toegepast bij aangenomen metselwerk en bij het werk van losse sjouwerlieden — wel te onderscheiden van vast of half vast personeel — en voerlieden in den graanhandel. Ook in andere steden , als Leeuwarden, Sneek, Zwolle, Deventer, Kampen, Harlingen, Delfzijl, worden losse sjouwerlieden , in het bijzonder in den graanhandel en bij schepen, dikwijls op dezelfde wijze betaald. Bij hunne tijdelijk ruime, maar zeer wisselvallige verdiensten is de verleiding tot overmatig gebruik van sterken drank voor hen niet ge-

61 Veenderijen 6100. 6322—35. 6399—401. 6419. 6457—63. 6686 —90. 7104.

ocr page 122

— 110 —

ring; en een verbod van betaling van loon in tapperijen, zoo door den werkgever zelf als door een tusschen-persoon, zou ten zeerste in hun belang zijn.63

fDe mserderheid der Afdeeling acht het mitsdien wenschelijk, dat het betalen of uitdeelen van loonen in winkels of tapperijen onder bedreiging van straf worde verboden. Eene uitzondering zal moeten worden toegelaten voor de loonen van werklieden, bij die winkels of tapperijen zelve «verkzaam. Voorts verdient het overweging of betaling van loonen kan worden veroorloofd in koffiehuizen, waar geen sterke drank verkocht wordt. Ter verbetering van den toestand der losse sjouwerlieden, die op vele plaatsen gewoon zijn in de open lucht op werk te wachten, ook wel daarom bij voorkomende gelegenheid te dobbelen, zou namelijk inrichting van wachtlokalen, waar zij kunnen worden aangenomen en betaald, zeer gewenscht zijn. Die inrichting zou wellicht hier en daar worden bemoeiliikt, wanneer in de bedoelde lokalen geen koffie of melk mocht worden verkocht. Hiertegenover staat, dat de mogelijkheid van pressie tot het gebruik van die artikelen niet is uitgesloten. Te Groningen en te Harlingen zijn pogingen, om de losse sjouwerlieden eenigszins te or-ganiseeren en een wachtlokaal of koffiehuis voor hen in te richten, mislukt.De mserderheid der Afdeeling acht het mitsdien wenschelijk, dat het betalen of uitdeelen van loonen in winkels of tapperijen onder bedreiging van straf worde verboden. Eene uitzondering zal moeten worden toegelaten voor de loonen van werklieden, bij die winkels of tapperijen zelve «verkzaam. Voorts verdient het overweging of betaling van loonen kan worden veroorloofd in koffiehuizen, waar geen sterke drank verkocht wordt. Ter verbetering van den toestand der losse sjouwerlieden, die op vele plaatsen gewoon zijn in de open lucht op werk te wachten, ook wel daarom bij voorkomende gelegenheid te dobbelen, zou namelijk inrichting van wachtlokalen, waar zij kunnen worden aangenomen en betaald, zeer gewenscht zijn. Die inrichting zou wellicht hier en daar worden bemoeiliikt, wanneer in de bedoelde lokalen geen koffie of melk mocht worden verkocht. Hiertegenover staat, dat de mogelijkheid van pressie tot het gebruik van die artikelen niet is uitgesloten. Te Groningen en te Harlingen zijn pogingen, om de losse sjouwerlieden eenigszins te or-ganiseeren en een wachtlokaal of koffiehuis voor hen in te richten, mislukt.

De minderheid der Afdeeling wenscht alleen tegen het betalen of uitdeelen van loonen in tapperijen straf bedreigd te zien, niet tegen dat in winkels, hetgeen

63 Groningen 411. 630—36. 930—32. 1782. 1845. 220a. 272a. 3060—65. 3074—75. 3104. 3429—31. 4636. 4654—56. 4752—57. 4791. 5657. 7547. 7640—44. 7940—47. 7988—92. Friesland 1482—83. 1712—13. 2117—21. 2919—23. 3452—66. 3502—08. 3543—53. 3562. 3587—90. 3633. Zwolle enz. 355—58. 1340—45. 1616—23. 2874. 3456—67. Gelderland 2768—74.

ocr page 123

— Ill —

niet in alle gevallen met pressie op de arbeiders tot het aldaar aanschaffen van benoodigdheden blijkt gepaard te gaan.

Van versohillende zijden wordt ernstig geklaagd dat Winkeldwang schippers bij verlaten in de Groninger veenkoloniën,

waarbij zij belang hebben zonder oponthoud te worden ger veen-doorgelaten , door de sluismeesters gedwongen worden koloniën, tot het koopen van waren of sterken drank. Bij dit laatste wordt de drankwet veelvuldig overtreden of ontdoken. De Afdeeling meent de aandacht op dit misbruik te moeten vestigen, ofschoon het eigenlijk buiten de grenzen harer taak valt. Meer bijzonderheden vindt men daarover hiervoor, bladz. 82, 83 en 175.1

Tegen de gevaren, die het gebruik van stoomketels Toezicht op

stoomtoe-

medebrengt, wordt hier te lande met goed gevolg ge- stellen, waakt. De wet van 28 Mei 1869 (Staatsblad no. 97)

vordert voorafgaande vergunning voor het in werking brengen van stoomketels en onderwerpt die toestellen aan een voortdurend toezicht van Regeeringswege.

Dank zij dat toezicht, komen ontploffingen van stoomketels slechts in geringen getale voor. Voor toestellen waarin stoom verwerkt wordt, zooals droogcilinders en kooktoestellen , is onderzoek of beproeving door de ambtenaren van het stoomwezen echter niet verplicht. Daartoe wordt ten aanzien van deelen van stoomtoestellen buiten den ketel met toebehooren alleen overgegaan op last van den betrokken Minister, ingevolge schriftelijk kenbaar gemaakt verlangen en op kosten van de gebruikers. Dezen maken van die bevoegdheid slechts zeer zelden gebruik.

y' j Toch kunnen ook deze toestellen groot gevaar op-

1

Hier wordt verwezen naar het verslag der Afdeeling. {Noot van den uitgever.)

ocr page 124

— 112 —

I leveren. Van het springen van droogcilinders worden •/ verschillende gevallen vermeld; en veelvuldig zijn de ongelukken, ten deele met doodelijken afloop, die, in het noordoostelijk deel des lands vooral in strookarton-fabrieken , door kooktoestellen worden veroorzaakt. De meeste dier ongelukken ontstaan uit het losmaken der deksels voordat de stoom is uitgelaten; eene hoogst onvoorzichtige wijze van handelen, die soms voortvloeit uit overhaasting ten gevolge van een te gering aantal kooktoestellen in verhouding tot de productie; ook de wijze van sluiting der toestellen blijft hierbij niet buiten invloed. Doch er bestaan ook voorbeelden van het springen van kooktoestellen ten gevolge van zwakke constructie of slecht onderhoud, hetgeen in den regel met groote verwoesting en verlies van menschenlevens gepaard gaat. Dit is in Februari 1890 aan eene stroo-papierfabriek te Kampen voorgekomen. Het gevaar voor ernstige ongelukken van dezen aard bij gebreke van voldoende voorzorg wordt grooter, naarmate de kooktoestellen in de stroopapierindustrie, die betrekkelijk nog jong is, langer in gebruik zijn.

Uitbreiding van het verplicht Staatstoezicht tot toestellen die onder stoomdruk werken komt der Afdeeling dan ook dringend noodig voor. Wel is waar is bij den algemeenen maatregel van bestuur ter uitvoering van art. 4 der arbeidswet — laatstelijk gewijzigd en aangevuld bij Koninklijk besluit van 11 Augustus 1892 (Stbl. no. 199) — een stap in deze richting gedaan; maar het daarbij bepaalde is ter verzekering der veiligheid onvoldoende. Volgens dien maatregel van bestuur is het verboden personen beneden zestien jaren of vrouwen arbeid te doen verrichten in een werklokaal, waar aanwezig is een kook- of ander toestel of droogcilinder, onder druk werkend en naar het oordeel van den inspecteur

ocr page 125

— 113 —

r

van den arbeid bij ontploffing gevaar opleverend, tenzij dat toestel door de ambtenaren van het stoomwezen onderzocht en goedgekeurd alsmede van behoorlijke veiligheidsmiddelen voorzien is. Dit baat echter niet voor de werklieden in aangrenzende lokalen, die bij eene ontploffing even goed gevaar kunnen loopen, en blijft geheel buiten toepassing wanneer in de lokalen, waarin de kook-toestellen of droogcilinders geplaatst zijn, geen vrouwen of kinderen werken. Voor beperking van voorzorgsmaatregelen tegen ontploffing van stoomtoestellen tot het geval, dat het leven van vrouwen of kinderen daardoor bedreigd wordt, bestaat overigens geen redelijke grond.

De aanbevolen uitbreiding van toezicht vindt vrij algemeen sympathie bij de werkgevers, in het bijzonder bij de strookarton- en stroopapierfabrikanten, doch niet bij den hoofdingenieur van het stoomwezen en den ingenieur van dat dienstvak in het vijfde district. Deze ambtenaren hebben bezwaar tegen uitbreiding van hun werkkring en zouden het toezicht op kooktoestellen en droogcilinders liever zien opgedragen aan de inspecteurs van den arbeid — die intusschen als zoodanig geen bijzondere kennis van stoomtoestellen behoeven te bezitten. Voorts merken zij op dat een stoomketel een afgerond begrip vormt, terwijl bij het onder toezicht brengen van andere gevaarlijke toestellen de grens moeilijk te trekken is. Die moeilijkheid bestaat echter alleen voor den wetgever, niet voor de ambtenaren met het toezicht belast, en kan worden opgelost bij de aanwijzing der toestellen , tot welke het toezicht is uit te breiden.63

63 Twenthe 3293—94. 4815. Gron. veenk. 1135—38. 1207—-09. 1252—53. 1347—59. 1386—93. 1602—07.- 1832—39. 3543. 3727 —32. 4006. 4023—37. 4054. 4061—65. Groningen 7055—62. ïriet-land 2245—53. 2282—84. 2542—57. Zwolle enz. 450—56. 3709—27. Gelderland 153—60. 2430—31. 3009—11. 3060—64. 3391. 4033.

8

ocr page 126

— 114 —

\

Voor de veiligheid bij het gebruik van stoomtoestellen , vooral in kleine fabrieken en werkplaatsen, is het niet vrij van bedenking dat de machinisten geen bepaalde opleiding als zoodanig plegen te ontvangen. Vroeger meestal als smid of arbeider in eene machinefabriek werkzaam, hebben zij van de werking der stoomtoestellen slechts een beperkt begrip. Voor de kleine nijverheid zou het intusschen wel eenig bezwaar opleveren, indien zij aan een verplicht examen werden onderworpen. Van de opleiding aan ambachtscholen mogen ook voor het verkrijgen van bekwame werklieden van deze soort goede vruchten verwacht worden.

De behoefte aan wettelijke voorschriften in het belang van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn der werklieden in fabrieken en werkplaatsen doet zich in hooge mate gevoelen. Sedert 1 Maart 1890 vervullen de inspecteurs van den arbeid hunne omvangrijke en nuttige taak; maar aan een belangrijk deel der hun toegedachte werkzaamheid, het toezicht op arbeidslokalen ook met het oog op de belangen van volwassen mannelijke arbeiders, ontbreekt nog de wettelijke grondslag. De inspecteurs zijn ingesteld bij de arbeidswet, in welker ontwerp zij niet voorkwamen, maar waarin zij bij de behandeling in de Tweede Kamer werden opgenomen. Dientengevolge bepalen zich hun werkkring en hunne bevoegdheden tot het toezicht op de- uitvoering dier wet, welker voorschriften behoudens eene enkele uitzondering — het onderzoek omtrent voorgekomen ongelukken — alleen den arbeid van jongelieden en vrouwen betreffen. Het ligt echter in den aard der zaak, dat hunne wettelijke werkzaamheid verder moet reiken en tot het houden van toezicht op den toestand der werklokalen in het algemeen dient te worden uitge-

Toezicht op arbeids-lokalen.

ocr page 127

- 115 —

breid. Reeds in het verslag der parlementaire Commissie van enquête van 1886 werd, onafhankelijk van verder onderzoek, eene wettelijke regeling in het belang van de veiligheid en gezondheid der werklieden bij den arbeid aanbevolen en de inhoud daarvan in hoofdtrekken aangeduid.

Eene zoodanige regeling zal het hier bedoelde toezicht op breederen grondslag vestigen dan waarop het thans berust krachtens den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij art. 4 der arbeidswet. Die maatregel heeft in zijne eerste gedaante aanleiding gegeven tot eene scherpe critiek, onder anderen van de zijde der Twentsche Kamers van Koophandel en Fabrieken, waarbij intusachen die voor eene der hoofdplaatsen, Hengelo, zich niet heeft aangesloten. Eene herziening op sommige punten is daarop gevolgd. Tot beoordeeling van de gemaakte bedenkingen van technischen aard is de Afdeeling zeker niet bevoegd. Naar hare meening valt echter in den geldenden maatregel van bestuur, zij het buiten schuld van den ontwerper, tweeërlei fout aan te wijzen. Vooreerst wordt daarbij veel verordend, dat alleen voor jongelieden en vrouwen van toepassing is, terwijl het voor volwassen mannen evenzeer behoorde te gelden. In de tweede plaats wordt het beroep der belanghebbenden van aanwijzingen en voorschriften der inspecteurs zoowel bij het gewijzigd als bij het oorspronkelijk Koninklijk besluit op gebrekkige wijze geregeld. Eene geheel voldoende regeling daarvan is, in den tegenwoordigen stand van dit deel onzer wetgeving, bezwaarlijk te maken. Dat recht van beroep is intusschen van te meer belang, omdat de bevoegdheid der inspecteurs ten deze, met hoeveel bescheidenheid ook uitgeoefend, inderdaad vrij uitgebreid is. Aanvankelijk werd de beslissing op ingebrachte be-

ocr page 128

— 116 —

zwaren opgedragen aan den Minister (toen van Justitie), op verslag der gezamenlijke inspecteurs van den arbeid. Dit is sedert gewijzigd in dien zin, dat de Minister (nu van Waterstaat, Handel en Nijverheid) beslist op rapport van den bevoegden inspecteur en op advies van de Kamer van Koophandel en Fabrieken of, bij gebreke van zoodanig college, van Burgemeester en Wethouders. De geschiktheid der Kamers van Koophandel en Fabrieken , om over bezwaren van werkgevers tegen aanwijzingen en voorschriften der inspecteurs van den arbeid te adviseeren, is echter aan gegronden twijfel onderhevig.

Eene der grieven tegen den bedoelden maatregel van bestuur, dat deze zich namelijk ook tot het toezicht op kooktoestellen en droogcilinders uitstrekt, zal vervallen wanneer de wet op het gebruik van stoomtoe-stellen de hierboven aanbevolen uitbreiding ondergaat. Maar ook aan de overige bedenkingen zal, door eene doeltreffende regeling van het toezicht op arbeidslokalen in het algemeen, kunnen worden tegemoetgekomen. Die regeling zou eenige algemeene voorschriften kunnen inhouden omtrent het nemen van de noodige voorzorgen voor het geval van brand, omtrent bescherming der arbeiders tegen het in aanraking komen met drijfwerk of in beweging zijnde werktuigen die gevaar opleveren , omtrent zorg voor behoorlijk licht, voldoende luchtverversching, afvoer van stof, dampen en gassen, omtrent afscheiding, voor zooveel noodig en mogelijk, van werklieden van beide seksen en zorg voor betamelijkheid en reinheid. Die voorschriften zouden den grondslag vormen van het algemeen toezicht, door de inspecteurs van den arbeid uit te oefenen. Daarnevens zouden bijzondere bepalingen moeten blijven gelden voor bepaalde soorten van arbeid, die voor de gezondheid of voor het leven van jongelieden of vrouwen ge-

ocr page 129

— 117 —

vaarlijk zijn te achten; deze zouden echter veel minder omvangrijk behoeven te zijn dan de thans geldende maatregel van bestuur. Voorts zou de bevoegdheid der inspecteurs ten aanzien van het toezicht op arbeidslokalen zijn te omschrijven en het beroep van de door hen te geven voorschriften op een hooger gezag zijn te regelen. Wordt aan kamers van arbeid een officieel karakter toegekend, zoo zijn deze colleges, waarin werkgevers en arbeiders gelijkelijk vertegenwoordigd zullen zijn, als aangewezen om de Regeering, bij verschil tusschen eenig werkgever binnen haar ressort en den inspecteur, door hare adviezen voor te lichten.

Ofschoon bij de inrichting der arbeidslokalen, mede onder den invloed der inspecteurs van den arbeid, onmiskenbaar een streven naar verbetering valt waar te nemen, was de Afdeeling toch ruimschoots in de gelegenheid om zich van de noodzakelijkheid van een op broederen grondslag gevestigd toezicht daarop te overtuigen. Van • menig ongeluk vernam zij, om slechts enkele voorbeelden te noemen, aan volwassen werklieden overkomen door niet altijd zooveel doenlijk be veiligde stroosnijmachines, cirkelzagen, hydraulische persen, mangels of kalanders, door uitvliegende spoelen in weverijen, door het opleggen van drijfriemen of door verrichtingen aan in beweging zijnde werktuigen. Van meer dan ééne soort van arbeid werd voor haar getuigd, dat bij gebreke van behoorlijken afvoer van stof of damp de gezondheid der werklieden er door te gronde gaat. Dit geldt onder anderen van het uitstoffen van krasmachines van oud model in spinnerijen, van het bewerken van Bentheimer steen, van het kammen van varkenshaar en het inademen van pikdampen in borstelmakerijen, van het inademen van zwaveldamp bij het eesten van graan in slechte eesten. Het is zeker,

ocr page 130

— 118 —

dat door doelmatige inrichtingen tot verwijdering van stof en damp bij deze en allerlei andere ongezonde werkzaamheden veel leed kan worden voorkomen en het leven van menig werkman kan worden verlengd. Evenzeer vordert het welzijn der werklieden, dat voor betamelijkheid en zedelijkheid in de werkplaats de noodige zorg gedragen worde. Men denke bijvoorbeeld aan de inrichting der privaten, die in menige fabriek niet voor de beide seksen gescheiden en uiterst primitief zijn en in sommige kleinere werkplaatsen geheel ontbreken. Tevens is het ver van overbodig, dat werkgevers en bazen aan het belang van geregelde reiniging der arbeids-lokalen herinnerd worden. Aan sommige fabrieken, als daar zijn ijzergieterijen en strookartonfabrieken, kan men in dit opzicht geen hooge eischen stellen. Maar ook in zoodanige fabrieken loopt de graad van reinheid zeer uiteen; en in zindelijker bedrijven vindt men eveneens lokalen, waarin de arbeid vrij wat gezonder zou zijn, indien de vloeren veelvuldiger geschrobd en de muren op geregelde tijden gewit werden. Op dat alles en veel meer nog — hier zijn slechts losse grepen gedaan — kan een op wettelijken grondslag gevestigd en met tact uitgeoefend toezicht van zeer heilzamen invloed zijn.

Toezicht op Door een zoodanig toezicht op arbeidslokalen kan

den bouw vdn

fabrieken, intusschen voor de veiligheid en gezondheid der werklieden niet altijd voldoende worden gewaakt. Vele dier lokalen vertoonen gebreken, die in bestaande fabrieken moeilijk zijn te verhelpen. Daartoe behooren het blijven hangen van rook of damp bij gebreke van doelmatige schoorsteenen, lucht- of walmkappen en andere venti-latie-middelen; gebrek aan daglicht; te lage verdiepingen; gebrek aan ruimte met de daaruit voortvloeiende opeen-

ocr page 131

— 119 —

hooping van werktuigen; bovenmatige hitte in werklokalen , grenzend aan ovens, kooktoestellen, filters, droogkamers, enz. Waar deze en dergelijke, met den bouw der fabriek samenhangende gebreken zich voordoen, is afdoende verbetering meestal slechts te verkrijgen door eene verbouwing, waarmede aanzienlijke uitgaven gemoeid zijn.

Het komt der Afdeeling dan ook wenschelijk voor, dat reeds bij den bouw van fabrieken toezicht van overheidswege worde uitgeoefend. Bij de wet ware te bepalen, dat voor het in werking brengen of uitbreiden eener fabriek vergunning van het gemeentebestuur wordt vereischt, te verleenen na overlegging van het bouwplan met de noodige toelichting. Aan de vergunning zouden voorwaarden moeten kunnen worden verbonden. Voor belanghebbenden zou beroep op een hooger gezag moeten openstaan.

Het behoeft geen betoog, dat dit toezicht eene andere strekking zou hebben dan dat bij het oprichten van inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken, hetgeen laatstelijk geregeld is bij de wet van 2 Juni 1875 (Staatsblad no. 95). Het bestaande toezicht dient ter verzekering van de openbare veiligheid en gezondheid en wordt mitsdien uitgeoefend in het belang van derden, bepaaldelijk van hen, wier perceelen in de nabijheid eener op te richten fabriek gelegen zijn. Het toezicht, dat daarnevens wordt aanbevolen, zou dienen ter verzekering van de veiligheid en gezondheid van het personeel, bij eene in werking te brengen fabriek in dienst te stellen. Pogingen, om de wet van 1875 ook hieraan dienstbaar te maken, stuiten thans op eventueel verzet der belanghebbenden af. Een voorbeeld daarvan levert eene welgemeende poging van het gemeentebestuur van Oude-Pekela, dat, getroffen door het

ocr page 132

— 120 —

groot aantal werklieden, door ongelukken in de aldaar bestaande fabrieken verminkt, voorziening in hun lot van wege de werkgevers noodig achtte. Het stelde daarom bij het verleenen van vergunning voor de oprichting van nieuwe fabrieken de voorwaarde, dat de ondernemers aan hunne werklieden, die door ongevallen bij den arbeid mochten worden gekwetst of verminkt, geneeskundige hulp en verpleging zouden moeten verschaffen en de gezinnen dier werklieden gedurende zekeren tijd zouden moeten onderhouden. Een der belanghebbenden ging daartegen in beroep, en werd in het gelijk gesteld op grond dat de bedoelde voorwaarde niet strookte met de wet van 1875, vermits zij de strekking had niet om gevaar, schade of hinder voor derden te voorkomen, maar om de belangen van de werklieden aan de inrichting verbonden en middellijk ook die van de gemeentekas te bevorderen.64

Bij de aanbevolen regeling zal de aanwijzing der fabrieken , waarop zij van toepassing zal zijn, eenige moeilijkheid opleveren. Men zal moeten kiezen tusschen eene opsomming onder voorbehoud van aanvulling, gelijk in de wet van 1875 voorkomt, en eene omschrijving van het begrip van fabriek. Voor het laatste geval zouden het aanwenden van stoomkracht of daarmede gelijk te stellen beweegkracht en het aantal gebezigde werklieden als criteria in aanmerking kunnen komen.

ongelukken''^en aanzien van verzekering of andere voorzorgen, ziekten, strekkende om de gevolgen van ongelukken, ziekten, 0quot;ove'rli'den0'^ olK'erc'om overlijden voor de arbeidersgezinnen te verzachten, had de Afdeeling alleen gegevens te ver-

6lt; Gr on. veenk. 3409—33.

ocr page 133

— 121 —

zamelen omtrent bestaande instellingen bi] ondernemingen van nijverheid. Het onderzoek naar fondsen, niet in verband staande met eenige bepaalde inrichting van nijverheid, werd bij de verdeeling van de taak der Staatscommissie aan hare Eerste Afdeeling opgedragen.

Van de verkregen inlichtingen over fabrieksfondsen en verdere voorzorgen van wege werkgevers is melding gemaakt in de voorafgaande overzichten, waarnaar de Afdeeling meent te mogen verwijzen. Zij verkreeg daaruit den indruk dat althans bij vele grootere ondernemingen, zij het in de eene streek meer dan in de andere, voor vaste werklieden, tot den arbeid onbekwaam geworden, wel gezorgd wordt. De wenk van een geneesheer, dat de werkgevers hunne zedelijke verplichting moeten beseffen om niet alleen de slijtage van hunne gebouwen en werktuigen, maar ook die van hunne werklieden af te schrijven, en dat werkgevers en arbeiders meer moeten inzien dat zij voor elkander bestaan, verdient intusschen ook hier ten volle behartiging. Bij kleine bedrijven komt het niet zelden voor, dat bejaarde werklieden aan de armenzorg worden overgelaten; en tot losse werklieden strekt de zorg der werkgevers zich na het ophouden der zeer tijdelijke dienstbetrekking niet uit. Pensioenfondsen kunnen door werkgevers, die slechts een gering aantal werklieden in dienst hebben, bezwaarlijk worden gesticht. En waar zij wel bestaan, zien de werkgevers zich daardoor soms genoodzaakt tot het vaststellen van beperkende bepalingen omtrent het aannemen van werklieden, die niet van hardheid zijn vrij te pleiten.65

Verscheidene werkgevers brengen uit eigen beweging

65 Twenthe 11353—55. 11387. 1U59—63. Gron. veenk. 418. 435. 473. 2130. 4709—13.

ocr page 134

— 122 —

de pensioneering van werklieden ter sprake met den wensch, dat zij van Staatswege moge worden geregeld. Een Geldersch fabrikant, wiens firma twee bij elkander gelegen fabrieken bezit, eene in de grensgemeente Dinxperlo en eene in de Duitsche grensplaats Süderwyck, verklaart zeer ingenomen te zijn met de Duitsche wetgeving omtrent verzekering tegen ziekten en ongelukken, maar niet met die omtrent pensioneering van werklieden. Hij voert daartegen aan, dat de werklieden eerst op hun 70ste jaar kunnen beginnen te trekken en dat de administratie zeer kostbaar is, zoodat de pensioenkans veel te duur betaald wordt.66

Het ligt in den aard der zaak dat de Afdeeling, bij de beperkte strekking van haar onderzoek ten deze, omtrent de gewichtige belangen die het hier geldt geenerlei meening kan uiten.

Misbruik van De getuigenverhooren vloeien over van bedroevende Sdrankn mededeelingen omtrent den omvang van het misbruik van sterken drank. Al bepaalt zich dat misbruik niet tot de arbeidende klasse, hare welvaart lijdt er het meest onder. In fabrieken is het gebruik van sterken drank in den regel verboden. Van kleinere werkplaatsen kan dit niet gezegd worden; daar wordt de sterke drank meestal slechts geweerd, indien het besef van zijne verderfelijke werking bij den patroon zeer levendig is. Zeer algemeen is het gebruik bij den arbeid van sjouwerlieden en bij het laden van schepen in de veen-streken. Waar zelfs bij den arbeid het gebruik van sterken drank zoo veelvuldig is, behoeft men nauwelijks

66 Twenthe 7920. Gron. veenk. 5170. Groningen 6063—64. 7209. 7645. Friesland 3182. Zwolle enz. 2420—24. Gelderland 5171—74. 3306-13.

ocr page 135

— 123 —

te vragen hoe diep het in het algemeen in de zeden des volks is doorgedrongen. De cijfers van het verbruik leggen daaromtrent een welsprekend getuigenis af; en tusschen gebruik en misbruik ligt hier slechts ééne schrede.

Valt ter bestrijding van het misbruik van sterken drank vooral van zedelijke ontwikkeling heil te wachten, de wetgever heeft terecht begrepen, dat daartoe ook door beperking van het aantal tapperijen en beteugeling van openbare dronkenschap kan worden bijgedragen. Van verschillende zijden wordt geklaagd, dat de drankwet niet overal met de noodige klem gehandhaafd wordt. Dit geldt vooral het aantal vergunningen, waarop de wijze van toepassing der wet door gewestelijke en plaatselijke besturen natuurlijk wel invloed heeft: in het bijzonder in Gelderland worden gemeenten vermeld, zooals quot;Winterswijk, Eibergen, Neede, waar het aantal vergunningen beneden het wettelijk maximum is, en blijkt ook buitendien van een nauwlettend toezicht van hoogerhand.67 Intusschen wordt bij de klachten over onvoldoende handhaving der drankwet niet altijd in het oog gehouden, dat de besturen gehouden zijn aan de overgangsbepaling van art. 26, en dat geleidelijke beperking van het aantal tapperijen op grooter schaal dan tot dusver eerst kan worden verwacht na den eersten Mei 1901, wanneer die overgangsbepaling in hoofdzaak zal hebben uitgewerkt. Zoo is bijvoorbeeld de wensch, dat de gemeentebesturen van hunne bevoegdheid krachtens de laatste zinsnede van art. 2 der drankwet mogen gebruik maken om tapperijen te verwijderen uit de nabijheid van fabrieken, losplaatsen en kazernen, op zichzelf zeker gerechtvaardigd, maar zijn zij daartoe, zoolang

67 Gelderland 5614.

ocr page 136

— 124 —

de bedoelde overgangsbepaling werkt, in het algemeen niet bij machte. Men zal het genoemde tijdstip moeten afwachten.

| Clandestiene drankverkoop komt niet alleen in de

lt;i steden, maar ook ten plattelande zeer veel voor. Onder hen, die zich daaraan schuldig maken, worden uit de veenkoloniën en veenstreken in het bijzonder tolgaarders en sluismeesters vermeld. Een burgemeester verklaart in zijne gemeente geen enkel tolgaarder te kennen die niet geverbaliseerd is; eene bekeuring heeft ten gevolge, dat men zich meer in acht neemt en alleen aan vaste klanten tapt. Op de gezindheid der gemeenteraden tot hot tegengaan van het misbruik, dat tollen tevens clandestiene tapperijen zijn, valt niet overal te rekenen. Afschaffing van tollen zou stellig ook tot vermindering van verboden drankverkoop leiden. 68 | In verband met de groote moeilijkheid, om clandes-tieneu drankverkoop te constateeren, wordt door burgemeesters en door een hoofdinspecteur van politie de meening geuit, dat overtredingen van dezen aard niet zwaar genoeg gestraft worden; eene klacht, die intus-schen minder de bestaande strafbepalingen dan de toepassing daarvan door kantonrechters betreft.69

In verschillende gemeenten bestaan verordeningen, waarbij de tapperijen aan bepaalde uren van opening en sluiting worden onderworpen. Het komt niet zelden voor, dat werklieden in den vroegen morgen, vóór het begin van hunnen arbeid, sterken drank gebruiken. Bepaling van een uur, vóór hetwelk geene tapperij mag geopend zijn, kan dit helpen voorkomen, mits het later gesteld worde dan thans veelal geschiedt;

68 Gron. veenk. 2612. 3440. 3877. 3940—42. 4483. 5192—93. Veenderijen 10303.

69 Twenthe 4909. Gelderland 183. 5019. 5059.

ocr page 137

— 125 —

des morgens vijf of zes uur is een tijd van opening,

die weinig nut sticht. Wellicht zou eene algemeene regeling ten deze in aanmerking kunnen komen, ofschoon men daarbij wel hier en daar op bijzondere plaatselijke toestanden zou stuiten.

Tot beperking van misbruik van sterken drank zal het bereids aanbevolen verbod van betaling of uitdeeling van loonen in winkels en tapperijen het zijne kunnen bijdragen. Zie hiervoor, bladz. 107—111.

Eene goede woning is voor den zedelijken en stoffe-UToezi.cht 0P

11 woningen.

lijken toestand van den arbeider van overwegend belang, j Zij voorkomt uithuizigheid en houdt het gezin bijeen.(j Het bewonen van slechts één vertrek, zonder neven-1 vertrek of opkamer of zelfs zonder zolder waar half 1 volwassen kinderen kunnen slapen, moet op de gezond- ;

heid en zedelijkheid der leden van het arbeidersgezin \

nadeelig werken. Zoogenaamde kazerne-woningen, be- 1 .

stemd om een aantal gezinnen te huisvesten, komen in de steden in het noordoostelijk deel des lands niet dan bij uitzondering voor. Maar wel vindt men, in de steden en ten plattelande, zeer vele arbeiderswoningen,

die aan matig gestelde eischen niet voldoen.

Erkend moet worden, dat in den toestand der arbei- ' derswoningen in de laatste dertig jaren veel verbeterd is. In vele gemeenten zijn tal van goede woningen ge- '

bouwd, deels door vereenigingen tot dat doel, aanvankelijk meest uit andere kringen, later ook uit de arbeiders zelf voortgekomen, deels door particulieren.

Vooral bij den aanleg van nieuwe wijken in vooruitgaande steden heeft toezicht van gemeentewege gunstig gewerkt. Dat toezicht wordt uitgeoefend krachtens verordeningen in het belang der openbare veiligheid en gezondheid, waarbij het bouwen van woningen wordt

ocr page 138

— 126 —

onderworpen aan bepalingen betreffende rooilijn , hoogte, fundamenten, peil, trasmam, samenstelling van buitenmuren en daken, uitgangen, oppervlakte en hoogte der vertrekken, vloeren, schoorsteenen , toevoer van licht en lucht, waterafloop, privaten, enz. Natuurlijk zijn die verordeningen in de eene gemeente vollediger dan in de andere, en wordt hier meer, ginds minder aan de uitvoering overgelaten. Burgemeester en Wethouders ontleenen aan de gemeentewet de noodige macht om te beletten, dat in strijd met eene verordening gebouwd wordt.

Toch ontbreekt het nergens aan slechte woningen, nadeelig voor de gezondheid der bewoners en middellijk ook voor de openbare gezondheid. In vele gemeenten treft men stegen en sloppen aan, die bij gebreke van verwijdering der faecaliën, niet zelden ook door verontreiniging van het drinkwater, brandpunten van besmettelijke ziekten zijn. Dit is een gevolg van onvoldoend toezicht in vroeger tijden, dat ook daar wordt waargenomen, waar vele betere arbeiderswoningen zijn verrezen. Opruiming van krotten houdt toch met den aanbouw van nieuwe woningen geen gelijken tred. Bij toeneming van de bevolking der steden belet het bouwen van betere woningen niet, dat de krotten bewoners blijven vinden. In plattelandsgemeenten ziet men soms ongaarne nieuwe woningen verrijzen, uit vrees dat de bestaande slechte woningen door behoeftige lieden van elders zullen worden betrokken. In de steden staan de meest gebrekkige woningen bijna nooit ledig en worden zij voor betrekkelijk hooge prijzen verhuurd. Terwijl de weekhuur eener redelijk goede arbeiderswoning in de grootere steden in het noordoostelijk deel des lands gemiddeld ongeveer ƒ1.50 zal bedragen, wordt daar voor krotten allicht ƒ0.75 a ƒ 1 betaald.

ocr page 139

— 127 —

Opruiming van bestaande slechte woningen, in het | algemeen belang en in dat der arbeidende klasse hoogst gewenscht, is zeer moeilijk te verkrijgen. Tot vernieu- . wing of verbetering van zoodanige woningen gaan de eigenaars, die uit dit hun bezit hooge renten trekken, uit eigen beweging zelden over. Een enkel geval wordt vermeld waarin slechte woningen, aan een aanzienlijk j grondeigenaar behoorend, op aandrang van het gemeente- : bestuur vernieuwd zijn. 70 Dit is echter eene uitzondering. In de overgroote meerderheid der gevallen zijn krachtiger middelen noodig. In sommige gemeenten geeft de bouwverordening gelegenheid tot onbewoonbaarverklaring van woningen, gevaarlijk voor de openbare veiligheid of nadeelig voor de gezondheid, hetzij van de ingezetenen in het algemeen, hetzij van de bewoners; op dit laatste punt gaat de eene verordening verder dan de andere. Leidt het verbod van bewoning niet tot verbetering of afbraak van wege de eigenaars, zoo zijn Burgemeester en Wethouders bevoegd de afgekeurde woningen te doen ontruimen en dichtmaken. Elders is in de onbewoonbaarverklaring van slechte woningen niet voorzien; en waar zij wel kan plaats hebben, pleegt zij slechts in uiterste gevallen, ten aanzien van huisjes die nagenoeg zonder waarde zijn, te worden toegepast.

Dit is gemakkelijk te verklaren. Onbewoonbaarverklaring zonder schadeloosstelling der eigenaars is toch een hard middel, dat nog wel wordt aangegrepen tot opruiming van bouwvallige woningen, die de openbare veiligheid in gevaar brengen, maar niet licht wanneer alleen de openbare gezondheid in het spel is. Daarbij komt dat in gemeenten, waar vele slechte woningen zijn, gelijkmatige toepassing moeilijk wordt. In de steden

7» Twenthe 6750.

ocr page 140

— 128 —

is het gemeentebestuur niet altijd voldoenrle op de hoogte van den toestand der woningen. Te Arnhem bijvoorbeeld acht de directeur der gemeentewerken eene algemeene opneming van woningen noodig, ter voorkoming dat de gezondheidscommissie eenig huisje onbewoonbaar mocht bevinden, zonder te letten op een aantal andere, die even slecht zijn. Ook in kleinere gemeenten kan hetzelfde geval zich voordoen. Te Wildervank heeft de burgemeester met den inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht en de plaatselijke geneesheeren in 1889 een onderzoek naar gebrekkige woningen ingesteld, waarbij een zeker aantal huisjes onbewoonbaar zijn bevonden ; de onbewoonbaarverklaring was daar intusschen nog niet bij plaatselijke verordening geregeld. 71

De onbewoonbaarverklaring wordt op verschillende wijzen toegepast. Er zijn gemeenten, waar zij op voorstel van Burgemeester en Wethouders geschiedt door den raad, die alvorens te beslissen eene commissie benoemt tot onderzoek en tot het hooren der belanghebbenden. In andere gemeenten kunnen Burgemeester en Wethouders ter uitvoering der verordening handelend optreden zonder tusschenkomst van den raad. Zoo zijn bijvoorbeeld te Deventer Burgemeester en Wethouders bevoegd de bewoning te verbieden van alle kleine woningen — van niet meer dan 40 M2. bewoonbare oppervlakte voor elk huisgezin — die wegens haren slechten bouw of om eenige andere reden door de gezondheidscommissie voor de gezondheid der bewoners nadeelig geacht worden. Voor beslissing door Burgemeester en Wethouders in elk bijzonder geval is veel te zeggen; door het benoemen eener commissie tot onderzoek en tot het hooren der belanghebbenden betreedt de raad

71 Gr on. veenk, 166. 4624—29. Gelderland 51.

ocr page 141

— 129 —

het gebied der uitvoering zijner verordening. Waar deze de inrichting der woningen niet in bijzonderheden regelt, is echter twijfel mogelijk en ook wel gerezen omtrent de wettigheid der beslissing door het dagelijksch bestuur. Bij herziening der gemeentewet zoude het overweging verdienen, de grenzen der bevoegdheid van den raad en van Burgemeester en Wethouders ten deze eenigszins nauwkeuriger af te bakenen.

Hier en daar wordt soms een ander middel tot opruiming van slechte woningen aangewend, namelijk aankoop daarvan van gemeentewege ten fine van slooping. Dit is echter eene wijze van handelen, die wegens hare kostbaarheid slechts zelden kan worden toegepast. Daar onderhandsche aankoop op overdreven eischen van de eigenaars pleegt af te stuiten, dient het gemeentebestuur eene gelegenheid af te wachten om woningen, die in liet algemeen belang behooren te worden gesloopt, in het openbaar te koopen. Voor vereenigingen tot verbetering van arbeiderswoningen is dergelijke aankoop bijna altijd financieel onuitvoerbaar. Bij uitzondering heeft eene zoodanige vereeniging te Zwolle eenige jaren geleden eenige van de ergste krotten in publieke veiling gekocht, om die te sloopen en door betere woningen te vervangen. Te Deventer heeft aankoop van gemeentewege wel eens plaatsgehad na onbewoonbaarverklaring, welke alsdan de gemeente voor onredelijke eischen eenigszins vrijwaarde.72 Dat eene gemeente zich aldus moet redden, wijst intusschen duidelijk op eene leemte in de geldende wettelijke bepalingen.

Zoodanige leemte bestaat inderdaad. De opruiming van slechte woningen zou veel sneller voortgang hebben , indien de gemeentebesturen de waarde dier huisjes,

75 Zwolle enz. 1449.

9

ocr page 142

zonder den grond, door eene eenvoudige procedure konden doen bepalen, ten einde die aan de eigenaars uit te keeren. Eene onbewoonbaarverklaring, krachtens plaatselijke verordening gedaan, zou van wege de gemeente aan den eigenaar der woning moeten worden aangezegd, met aanbod van eene geldelijke vergoeding en met dagvaarding om, bijaldien hij daarmede geen genoegen mocht nemen, het bedrag der schadeloosstelling door den rechter te hooren vaststellen. Ten dienenden dage zou opneming door deskundigen zijn te verzoeken, op wier bericht de rechter uitspraak zou doen. Snel recht ware door korte termijnen en uitsluiting van hooger beroep te bevorderen. De woning zou van gemeentewege zijn af te breken, tenzij de eigenaar daartoe zelf mocht willen overgaan. De grond zou aan den eigenaar verblijven, die hem zou kunnen verkoopen of tot nieuwen aanbouw bezigen; in het laatste geval zouden de voorschriften der plaatselijke bouwverordening van toepassing zyn. De afbraak zou achterwege kunnen blijven, indien de gebreken ten genoegen van Burgemeester en Wethouders werden verbeterd.

Door eene dergelijke regeling zouden de gemeentebesturen tegen overdreven eischen, de eigenaars tegen benadeeling beveiligd worden, terwijl de ingezetenen woningen, welker voortbestaan hunne gezondheid bedreigt, spoediger zouden zien verdwijnen. Een matig bedrag, bij de gemeentebegrooting beschikbaar gesteld, zou voldoende zijn om op dezen voet vrij wat krotten op te ruimen.73 Thans blijven noodige verbeteringen in dit opzicht veelal achterwege, waar geen termen zijn voor een omvangrijk plan tot onteigening ten al-

quot;3 Groningen 235,

ocr page 143

— 131 —

gemeenen nutte, gelijk thans te Arnhem in de arbeiderswijk Klarendal wordt uitgevoerd. Afbraak van afgekeurde woningen, zonder eigendomsovergang van den grond, behoort tot die handelingen van het openbaar gezag, waarvoor het eerste' lid van art. 152 der Grondwet geschreven is. Wel blijft die bepaling buiten toepassing , totdat eene wettelijke regeling der gevallen, waarin geene schadeloosstelling in geval van vernietiging of onbruikbaarmaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden. Maar niets belet inmiddels, in den geest van het grondwetsartikel, regelen te stellen voor de opruiming, tegen schadeloosstelling, van woningen die voor bewoning ongeschikt verklaard zijn.

In de lage venen, waar aan woningen in het algemeen geen hooge eischen gesteld worden, doet zich de behoefte gevoelen aan eenige voorschriften van gemeentewege omtrent den bouw der trekkerstenten, tijdelijke verblijven voor losse arbeiders, die intusschen niet zelden een tiental jaren en langer in stand blijven. Die tenten zijn in vele gevallen, bij gebreke van schoor-steenen en vloeren en door groote onreinheid, voor menschelijk verblijf ongeschikt en hoogst nadeelig voor de gezondheid van het daarin, dikwijls bovendien in te grooten getale, overnachtend personeel. Dat zij niet zoo slecht behoeven te zijn, blijkt daaruit dat sommige verveners betere hebben, terwijl in het bijzonder met lof gewaagd wordt van de inrichting in de Weerdinger-venen, waar de trekkers in schuren achter de woningen der turfmakers gehuisvest worden. Tot dusver strekken de gemeentebesturen hunne zorg niet tot de trekkerstenten uit.

Voor de veiligheid der werklieden bij den bouw van woningen en andere gebouwen wordt door de gemeentebesturen in den regel weinig zorg gedragen. Het politie-

ocr page 144

— 132 —

toezicht ten deze wordt meer ia het belang der voorbijgangers dan in dat der werklieden uitgeoefend. In-tusschen wijzen de talrijke ongelukken, door zwakke constructie van steigers, ladders en verdere hulpmiddelen bij den bouw veroorzaakt, op de noodzakelijkheid om het begrip van openbare veiligheid eenigszins breeder op te vatten en het toezicht van gemeentewege tot de deugdelijkheid der bedoelde hulpmiddelen uit te breiden.

Ontginning 7 Ten plattelande en in niet al te bevolkte steden is van gronden, ƒ het j)ewerken van een stukje grond voor eigen rekening door loontrekkende arbeiders een krachtig werkzaam middel ter voorkoming van armoede. Voor de arbeiders is het uit een zedelijk en stoffelijk oogpunt van hooge waarde dat zij den tijd, waarop hunne werkgevers geen beslag leggen, aan een weinig land- of tuinbouw kunnen /besteden. Dit prikkelt hen tot ijver en spaarzaamheid, houdt hen uit de herberg, vermeerdert hunne inkomsten en stemt hen tot tevredenheid. Soms strekt het wel is waar tot aanmerkelijke verlenging van hunnen dage-lijkschen arbeid en komen de eischen van hunnen eigen landbouw min of meer in conflict met die van den fabrieksarbeid; maar dit laatste bezwaar is voor oplossing vatbaar, waar de nijverheid geen al te aanhoudende inspanning vordert, en de veldarbeid bepaalt zich tot een gedeelte van het jaar.74

Terwijl het in sommige streken'regel is, dat indus-triëele arbeiders tevens een klein landbouwbedrijf hebben, wordt hier en daar geklaagd dat zij moeilijk een stukje grond in pacht kunnen bekomen of daarvoor te veel moeten betalen. Onder anderen rijzen dergelijke klachten uit Almelo, waar de grond rondom de stad

74 Gelderland -1016—47. 4532. 4539. 5050. 5401. 5725. 5891.

ocr page 145

— 133 —

voor een goed deel behoort aan een groot grondeigenaar, die kleine perceelen voor hooge prijzen aan arbeiders verhuurt, en uit Deventer, waar de gemeente veel grond bezit, die door de arbeiders zeer begeerd wordt en hooge pachtsommen opbrengt. 75

In veenstreken, waar het veen uitgeput geraakt, heerscht veelal gebrek aan werk. Dit is voornamelijk het geval in de lage venen in Friesland. Daar wordt beweerd dat de slikgelden soms te lang worden opgelegd, in plaats van te worden besteed tot het doel waarvoor zij zijn opgebracht, inpoldering en droogmaking van gronden ; door daartoe over te gaan, zou men vrij wat werk verschaffen. Met name de inpoldering van den grooten veenpolder in Opsterland en Smallin-gerland was tijdens de getuigenverhooren eene brandende vraag, waaromtrent sedert eene beslissing is genomen. Eene andere grief is dat de grondeigenaars, behoudens loffelijke uitzonderingen, niet genoeg laten werken aan het verbeteren hunner gronden. Zoo worden vele uitge-veende gronden verwaarloosd, ofschoon zij geacht worden de kosten van drooglegging, bewerking en bemesting ruimschoots te kunnen goedmaken, hetgeen intus-schen bij de tegenwoordige lage prijzen der landerijen door anderen betwijfeld wordt. Onteigening van zoodanige gronden van gemeentewege wordt van de zijde dei-arbeiders met warmte aangeprezen. Soortgelijke klacht wordt ook wel uit de hooge venen vernomen. Op verschillende plaatsen in den Noordoosthoek van Overijsel en in Drenthe meent men dat de ontginning van dal gronden goede uitkomsten kan opleveren; maar ooquot; daar heeft die ontginning wegens de lage landprijze

75 Twenthe 4983. Friesland 2004—05. 3430. Zwolle enz. 1433—34. 2452. 3358—61. 3475. 3787—90. 3825. Veenderijen 8226—28.

ocr page 146

— 134 —

in minder ruirae mate plaats dan in het belang der arbeidende klasse gewenscht ware.

/ Uitgifte van grond in kleine perceelen aan arbeiders (tegen lage pachtsommen of in erfpacht verdient dan ook alleszins aanbeveling. Vele gemeentebesturen zouden , door dit middel ter voorkoming van armoede toe te passen, hunne uitgaven voor armenzorg op den duur aanmerkelijk kunnen beperken. Uit den aard der zaak zouden meestal gronden worden uitgegeven, die in hun tegenwoordigen toestand weinig waarde bezitten. Voor de gemeenten, waarin zij gelogen zijn, ware verbetering of ontginning dier gronden een groote vooruitgang. Die verbetering of ontginning kan in het klein en in handen van arbeiders rekening geven, ook waar de uitkomsten in het groot voor de eigenaars ongunstig zouden zijn, omdat eerstgenoemden er aan kunnen werken in tijden dat zij weinig of geen anderen arbeid hebben. Waar de flnancieele toestand eener gemeente niet mocht toelaten de noodige kosten te bestrijden, ware geldelijke steun van Rijkswege wellicht gewettigd. Over het geheel zouden de gemeenten recht hebben te verwachten, dat eventueele hinderpalen tegen harerzijds ontworpen plannen tot dit doel zoo spoedig doenlijk werden uit den weg geruimd.

Gemeenten, die niet in het bezit zijn van gronden, voor uitgifte in kleine perceelen aan min gegoeden geschikt, zouden die kunnen bekomen door aankoop of door onteigening. Voorzoover eigenaars, die hunne gronden verwaarloozen, ongezind mochten zijn die af te staan of daarvoor onredelijke eischen mochten stellen, zouden er zeker termen zijn voor onteigening ten alge-meenen nutte. Deze geschiedt thans bijna uitsluitend voor den aanleg van publieke werken. Ruimere toepassing is intusschen zeer gewenscht en kan worden be-

ocr page 147

— 135 —

vorderd door eene herziening der onteigeningswet, waarbij de doeleinden, voor welke onteigening ten algemeenen nutte kan plaats hebben, breeder worden omschreven.

Op het omvangrijk gebied der armenzorg kon de Af- Armenzorg, deeling uit den aard der zaak slechts verspreide gegevens verzamelen, te meer daar landbouwende gemeenten als zoodanig buiten den kring van haar onderzoek vielen. De mededeelingen die zij ontving laten den indruk achter,

dat de feitelijke toestand in verschillende streken al zeer weinig strookt met de verwachtingen, bij de vaststelling der armenwet gekoesterd.

De hoofdbeginselen dier wet zijn, dat de ondersteuning ■ der armen in de eerste plaats wordt overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid, dat burgerlijke besturen alleen bij volstrekte onvermijdelijkheid onderstand aan armen verleenen, en dat instellingen van weldadigheid alleen bij volstrekte noodzakelijkheid door burgerlijke gemeenten mogen worden gesubsidieerd. Met deze beginselen is de practijk,

in het bijzonder in tal van gemeenten in Friesland, in schrille tegenstelling. Daar wordt van vele diaconiën getuigd, dat het haar aan de noodige middelen ont- \

breekt; van andere, dat zij weinig opgewektheid betoenen om hare middelen tot verzorging der armen te besteden. De armenzorg rust dan bijna geheel op de burgerlijke armbesturen en legt aan de burgerlijke gemeenten zware, zonder onderstand van Rijkswege veelal niet meer te dragen lasten op. Kenschetsend zijn getuigenissen als deze, dat in eene gemeente de kerke- i lyke armbesturen de armen met briefjes, inhoudend :

dat zij ondersteuning weigeren, naar het burgerlijk armbestuur zenden; en dat in eene andere gemeente een j kind wel ter catechisatie komt, maar geen lidmaat der i

ocr page 148

— 136 —

Hervormde Kerk wordt, omdat het burgerlijk armbestuur ruimer bedeelt dan de diaconie. 76 ! Het is waar dat de practijk der armenzorg niet overal zoo ver van de wettelijke beginselen afwijkt. Ook in Friesland vindt men nog gemeenten, waar diaconiën aan hare roeping beantwoorden; en in Gelderland en Overijsel staat de kerkelijke en bijzondere weldadigheid meestal nog op den voorgrond.77 Toch heeft ook daar, waar men de beginselen der armenwet kon handhaven, de taak der burgerlijke armbesturen eene sterke neiging tot uitbreiding, en komt het voor, dat de werkzaamheid van diaconiën zich in hoofdzaak tot het onderhoud van gestichten bepaalt, daar hare middelen haar niet veroorloven buitendien veel onderstand te verleenen.

Hier en daar geeft de wijze, waarop de bedeeling door burgerlijke armbesturen geschiedt, aanleiding tot bedenkingen. Zij wordt niet zelden verleend in den vorm van' vergoeding voor huishuur; maar in meer dan ééne gemeente wordt geklaagd over den ellendigen toestand der woningen van bedeelden, welker eigenaars de huur van het armbestuur ontvangen en dus van den onderstand vrij wat voordeel trekken. In eene gemeente , waar het burgerlijk armbestuur in geld bedeelt, komen de bedeelden dit halen in een winkel, waar de meesten hunner zich tevens benoodigdheden aanschaffen. Ook wordt wel, gemakshalve of uit vrees dat de bedeelden sterken drank mochten koopen, bedeeld in den

quot;6 Friesland 1706. Veenderijen 434. 1694. 2285. 3299. 3489. 3681.

Opmerkelijk i8 bijvoorbeeld bet verschil tusschen twee aan elkander grenzende en in gelijksoortigen toestand vcrkeerende gemeenten in de veenstreken, de zwaar belaste Friescbe gemeente Weststellingwerf en de Overijselsebe gemeente Oldemarkt; naar verhouding der bevolking geeft laatstgenoemde gemeente veel minder voor het armwezen uit, terwijl de diaconiën er betrekkelijk meer doen. Veenderijen 4930—34.

ocr page 149

— 137 —

vorm van bons voor waren op bepaalde winkels, hetgeen in de veenstreken niet zonder bezwaar is.78

Voorts dragen de uitgaven der burgerlijke gemeenten voor bedeeling er ongetwijfeld toe bij, dat de geneeskundige armverzorging ten plattelande, en ook wel in r/de steden, dikwijls onvoldoende geregeld is. Hierbij verdient vermelding, dat in het bijzonder te Arnhem in de ziekenverpleging voor armen door de hulp van Protestantsche en Koomsch-Katholieke diaconessen op hoogst verdienstelijke wijze voorzien wordt.79

In gemeenten, waar de armbesturen in het bezit van ruime fondsen zijn, zooals bijvoorbeeld teBolsward en te Lochem, wordt een sterke toevloed van armen van elders waargenomen. In laatstgemelde plaats in het bijzonder doet zich de behoefte gevoelen aan grootere eenheid in de uiteenloopende pogingen tot leniging der armoede. Die behoefte bestaat ook elders in meerdere of mindere mate. Er zijn voorbeelden, dat eene burgerlijke gemeente het bedrag, bij hare begrooting voor onderstand beschikbaar gesteld, door een kerkelijk armbestuur laat uitdeelen ook aan hen, die niet tot die gezinte behooren, opdat de bedeeling uit ééne hand geschiede.80

Vooral echter in grootere steden geeft de verdeeling der armenzorg over burgerlijk armbestuur, diaconiën en bijzondere instellingen van weldadigheid veelvuldig aanleiding tot dubbele bedeeling of onderstand aan lieden die daarvoor niet in de termen vallen.81 Het besef hiervan heeft op verschillende plaatsen geleid tot de instelling van kamers van navraag, bestemd tot het

'8 (iron, veenk. 420—22. Veenderijen 4762. 5665.

J9 Gro/i. veenk. 408. 2481—83. Gelderland 12. 293—97. 469. 485.

80 Gron. veenk. 2617. Gelderland 5631.

81 Groningen 5582.

ocr page 150

— 138 —

geven van inlichtingen omtrent de armen, ten einde onverstandige bedeeling tegen te gaan. Die colleges lossen zich van lieverlede op in vereenigingen tot verbetering van armenzorg, die naar meer centralisatie op dit gebied en in de toekomst naar toepassing van het Elberfelder stelsel streven. De verhouding van die vereenigingen tot de diaconiën, die van oudsher armenzorg uitoefenen en op grootere kennis van den toestand der armen bogen, levert intusschen, bij alle wederzijdsche (welwillendheid, eigenaardige moeilijkheden op.

Voor het leggen van een organisch verband tusschen . kerkelijke, bijzondere en openbare armenzorg is wijzi-/gt; ging der wet op het armbestuur noodig. Bij meer eenheid en betere organisatie zal voor hen, die hulp behoeven en daarvoor in aanmerking komen, beter dan thans kunnen gezorgd worden, terwijl bedeeling van lieden, die reeds onderstand bekomen hebben of dien i onwaardig zijn, gemakkelijker zal kunnen worden tegengegaan. Herziening der armenwet zal dan ook naar de meening der Afdeeling den wetgever eerlang moeten bezig houden.

Het Koninklijk besluit van 31 October 1826 betreffende de banken van leening beschouwt deze als instellingen van liefdadigheid; en hoeveel op die qualificatie moge zijn af te dingen, in het belang van hen, die in tijd van nood aan dezen vorm van crediet behoefte gevoelen, kunnen die banken althans in de steden moeilijk worden gemist. Van meer dan ééne zijde wordt intusschen geklaagd over de hooge kosten, aan het be-leenen van panden door tusschenkomst der inbrengers bij de banken van leening verbonden, alsmede over den verregaanden woeker der stille pandjeshuizen, veelal onder den naam van huizen van koop met beding van

Banken van leening.

ocr page 151

— 139 —

wederinkoop verborgen. Sedert de invoering van het Wetboek van Strafrecht, waarin geene strafbepaling tegen het houden van pandjeshuizen zonder vergunning voorkomt, mist het Koninklijk besluit van 1826 wettelijke sanctie en hebben de houders dier huizen geene simulatie noodig om straffeloos te blijven. De woeker dien zij drijven is echter zoo erg en breidt zich zoozeer uit, dat voorziening niet langer achterwege mag blijven. Wat dé inbrengers betreft, moet erkend worden dat de kortzichtige eigenaars van zoogenaamde weekpanden voor onevenredig hooge kosten moeilijk zijn te vrijwaren en dat het inbrengen en weder terughalen dier panden veel bezwaar oplevert. Maar er zijn vele inbrengers, die zich die moeite besparen en panden voor eigen rekening beleenen. Hunne handelingen zijn niet behoorlijk te controleeren en het crediet, dat door hunne tusschenkomst verleend wordt, komt den beleeners ontzettend duur te staan. Hulpkantoren, door ambtenaren met vaste bezoldiging bediend, zijn dan ook verre te verkiezen. 83

Wettelijke regeling der banken van leening is meer dan eens beproefd, doch telkens mislukt; de laatste poging dagteekent reeds van omstreeks vijfentwintig jaren geleden. Door het vervallen van art. 411 van den Code Pénal is de behoefte daaraan thans dringend geworden. Bepaaldelijk zijn er alleszins termen om de inbrengers bij de stedelijke banken van leening door hulpkantoren te vervangen en om de pandjeshuizen hetzij geheel te verbieden, hetzij althans onder strenge con-tröle te brengen.

Voor het overige veroorlooft zich de Afdeeling, naar

82 Groninyen 1133. Zwolle enz. 438. Gelderland 149. 481—83.

ocr page 152

— 14

de voorafgaande overzichten te verwijzen.

van de verzamelde gegevens

25 Mei 1898.

ocr page 153
ocr page 154
ocr page 155

_

ocr page 156