TWEE LEERREDENEN
OVER
HET DERDE HOOFDSTUK
VAN
den Brief aan de Filippensen,
DOOR
Dn. H. F. KOHLBRÃGGE,
in leven Predikant hij de Nederlcmdsch-Gereformeerde Gemeente te Elherfeld.
AMSTERDAM, SC HEFFER amp; Co. 1893.
Uit liet Hoogduitscli,
Uitgegeven vanwege de Maatschappij tot uitgave van Gerefokmeerde geschuiften.
E E Pt S T E L E E E EED E.
Voorzang: Lied 82 : 4 en 5.
Van God komt mij een vreugdelicbt,
Als Gij mij met Uw Aangezicht
Genadig aan wilt blikken.
O Jesus, o mijn dierste Goed!
Uw Woord, Uw Geest, Uw vleesch en bloed Mijn ziel geheel verkwikken.
Kom Gij, Troost mij 1 Help mij arme Uit erbarmen,
Help genadig;
Op Uw Woord pleit ik gestadig.
Mijn God en Vader, sterke Held!
Gij hebt van eeuwigheid besteld,
Dat ik Uw kind zou wezen.
Uw Zoon is Zelf mijn Bruidegom,
Ik ben Zyn bruid, Zijn eigendom,
Dus heb ik niets te vreezen.
Jesus, Jesus Zal mij geven 't Hemelsch leven ;
Ja daarboven Zal mijn hart Hem eeuwig loven!
Gehoiuleu 2 Mei 1852, 's voormiddags.
4
Tekst; Filippensen 3.
Voorts, mijne broeders ! verblijdt u in den Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig, en het is u zeker. Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding. Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jesus roemen, en niet in het vleesch betrouwen. Hoewel ik heb, dat ik ook in het vleesch betrouwen mocht; indien iemand anders meent te betrouwen in het vleesch, ik nog meer: Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van den stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de wet een Farizeër; Baar den ijver een vervolger der Gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zynde onberispelijk. Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht. Ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jesus, mijnen Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen, en in Hem gevonden worde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof. Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens. Zijnen dood gelijkvormig wordende ; of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding der dooden. Niet dat ik het aireede gekregen heb, of aireede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jesus ook gegrepen ben. Broeders! ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb; maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jesus. Zoo velen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal God u openbaren. Doch, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen. Weest mede mijne navolgers, broeders! en merkt op degenen, die alzoo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. Want velen wandelen anders; van dewelke ik u dikmaals gezegd heb, en nu ook weenende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn; welker einde is het verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hunne schande, dewelke aardsche dingen bedenken. Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker
5
verwacbten, raraelijk den Heere Jesus Christus; Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opd;it het gelijkvormis; worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzclven kan onderwerpen.
De heiligmaking is van de rechtvaardigmaking wezenlijk onderscheiden. Zal echter de heiligmaking eene ware zijn, dan mogen wy haar van de rechtvaardigmaking niet scheiden; veeleer is het volstrekt noodig, dat -wi) voortdurend bij de rechtvaardigmaking blijven, om uit kracht daarvan in waarachtige heiligmaking voor God en menschen te wandelen. De rechtvaardigmaking des zondaars voor God geschiedt wel op eenmaal en is volkomen, maar naardien zij slechts aan het geloof wordt toegerekend, heeft men haar ook slechts door het geloof, zoo zij onze gezindheid en onzen wandel zal regelen of ons voor God in zoodanigen staat houden, dat wij in overeenstemming met Zijne quot;Wet blijven. Waar is nu echter de geloovige, die steeds gezond in het geloof is? waar de geloo-vige, die zich in het geloof niet dikwijls krank bevindt? Heeft voor den zoodanige de rechtvaardigmaking dus hare kracht verloren ? Geenszins! maar hij heeft niet de vrucht daarvan tot heiligmaking, als hij krank in het geloof is. Daarom juist moet het geloof voortdurend gepredikt, voorgehouden en ingescherpt, en de geloovige tot het geloof aangespoord worden, daarom steeds op de rechtvaardiging uit het geloof gewezen worden, opdat hjj niet tevergeefs geloopen en gestreden hebbe, en al zijn denken en doen voor God niet vergeefsch geweest zij.
Wanneer wij de geschiedenis der apostolische Gemeenten en onze eigene ondervinding nagaan, dan moeten wij ons voor God schamen, en hebben alle oorzaak, om te sidderen en te beven en te wandelen in heilige vreeze, als wij aan andere geloovigen en vooral aan onszelven zien, hoe ras wij ons van het hierboven gezegde laten wegtooveren. En hoe boos wordt menigmaal de mensch, als hem deze zonde aller zonden, deze ondankbaarheid jegens God, voorgehouden wordt. Hier worstelt
ft
hij met eenen ijver Gods zonder verstand, om vast te houden, waarmee hij voor eeuwig verzinken moet. Zoo wij het niet bij onszelven ondervonden, wij zouden het voor onbegrijpelijk houden, dat de geloovige over den berg heen waant te zijn, wanneer hij juist eenen heuvel achter zich heeft. Ofschoon het eene uitgemaakte zaak is, dat wij ons gansche leven lang te leeren hebben aan de eerste en de zestigste Vraag en Antwoord van onzen Catechismus, meenen wij toch steeds, dat wij dat reeds lang machtig zijn en ons nu op iets anders moeten toeleggen. Het gevolg is, dat er niets groeit, dewijl wij den bodem verlaten hebben, waarop alleen alles gedijt. Zoo dikwijls wij van de rechtvaardiging uit het geloof af zijn, missen wij het doel, dat God met de rechtvaardiging heeft.
Hoe moet ik gezind zijn, om zalig te worden, en naar welken regel moet ik wandelen, om eenen hemelschen wandel te leiden? Ziedaar vragen, die te allen tijde de gemoederen hebben beziggehouden, en daar had dan de een dit, de ander dat, waarbij hij zich toch voor volkomen, of geschikt, of toegerust hield, om zoodanige gezindheid te koesteren, naar zoo-danigen regel te wandelen.
Ook de Filippensen hielden zich met zulke vragen bezig, en men gaf hun daarop dit de zielen beroerende en op het dwaalspoor brengende antwoord: âGij moet u laten besnijden, gelijk God door Mozes geboden heeftquot;, en zij schonken, ten minste een deel hunner, aan dusdanig antwoord geloof, dewijl ook zij zich reeds voor volmaakt hielden in de kennisse Jesu Christi, volmaakt in het geloof aan de rechtvaardiging van hunne zonden in Zijn bloed. Al is men echter volmaakt in de kennisse Jesu Christi, in het geloof aan de rechtvaardiging van zonden in Zijn bloed, men is daarin toch nooit in dien zin volmaakt, dat deze volmaaktheid volmaaktheid zou zijn, zoodra men ophoudt, deze kennis al verder en verder na to jagen, en zich van do rechtvaardiging afwendt, om zich op andere dingen toe te leggen.
?
Tusschenzang: Psalm 119: 47.
'k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw Woord,
Want ik ontving door Uw bevelen quot;t leven.
'k Ren d'Uwe Heer1, geleid mij ongestoord;
Behoud mij toch , naar 't woord , aan mij gegeven !
Ik heb met lust Uw wetten nagespoord En die gezocht, door Uwen Geest gedreven.
De kennisse Josu Christi, de kennis van de rechtvaardiging in Zijnen Naam is eene peilloozc zee, is eene goudmijn, waaruit wij met het geloof al het Gode welbehaaglijke putten. Verlaat men deze zee, deze mijn, om met het geloof te putten, wat der wet is, dan zal men zich kruit verzameld hebben, waarmede men in de lucht vliegt, zoodra de eerste vonk van de begeerlijkheid des vleesches daarmede in aanraking komt.
Zoodanige schade voor de zielen in de Gemeenten te verhoeden, en ze steeds op dezen eenigen grond te houden, op welken zij alleen Gode vrucht zouden dragen, dat was eene der eerste zorgen des Apostels. Hij wil hen houden op den eenigen grond, op welken alleen voor de eeuwigheid gebouwd wordt. Daarom houdt hij hun âdezelfdequot; zalige dingen voor, t. w. hoe een mensch rechtvaardig is voor God; en al weer opnieuw: Het is do Heere! Hem te kennen, daarom gaat het! In Hem gevonden te zijn, dat zij ons eenig doelwit! Daarom betuigt liij, Yers 1: Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig, en het is u zeker, en hij spreekt hen in Vers 1 en Vers 17 vriendelijk aan met den naam âbroedersquot;, opdat hij de schapen niet in den kuil jage. Trouwens, het moet ons wel duizendmaal gezegd worden, dat wij goddeloozen zijn met al onze aanmatiging van kunnen en moeten, en dat wij als goddeloozen voor God gerechtvaardigd worden in de toegerekende gerechtigheid van Christus. Het is eene geweldige liefde, die niet het geduld verliest, om ons steeds dezelfde dingen te zeggen en ons bij het rechte geloof te houden, waar zij ons telkens opnieuw in het
8
Roomsche geloof aantreft, dat nml. de mensch zalig wordt door zijne werken. Het verdriet echter de liefde niet, het oude, het eenvoudige en ware, het alleen zaligmakende steeds opnieuw in te scherpen; en de geloovige wordt des te zekerder in de hoop der heerlijkheid, en des te vaster in de volharding bij het goede werk, hoe meer hij hiervan verzekerd is, dat hij daarboven eenen genadigen God en Vader heeft, Die hem om Christus' wil al zijne zonden vergeven heeft.
Dat nu is de grond, waarop alles groeit, wat tot de Gode welgevallige vrucht behoort, â dat de gezindheid, welke men hebben moet, om zalig te worden, â dat de regel, die onder de waarachtig volmaakten als regel van allen goeden, heiligen en Gode welaangenamen wandel geldt: dat wij alles overboord geworpen hebben, wat der wet is, alles overboord geworpen hebben, wat wij als onzen roem zouden willen aanmerken, en waardoor wij een houvast in onszelven en voor anderen zouden wenschen te vinden, â derhalve overboord werpen alle zelfheiliging en eigene heiligheid, al datgene, waarmee een mensch zich als uit werken meent te kunnen rechtvaardigen voor God; dat wij daarentegen zoeken de overvloedige kennisse Jesn Ghristi, daarnaar trachten, dat wij in Hem mogen gevonden worden, opdat wij zoo aan ons en in ons gewaarworden de zalige vruchten en gevolgen, welke deze kennisse Ghristi en dit in Hem gevonden zijn medebrengt. Eindelijk dat wij ons niet houden voor zulken, die reeds uitgeleerd zijn in deze kennisse Christi, of reeds volmaakt zijn in het geloof aan de gerechtigheden, die wij in Hem hebben; wij hebben veeleer ons te gedragen als degenen, die in do loopbaan loopen, welke den uitgeloofden prijs trachten te verwerven en deswege hoe langer zoo meer hunnen loop versnellen en zich uitstrekken, om het doel, den eindpaal, bereikt te hebben; op dezelfde wijze hebben wij er naar te jagen en ons daarnaar uit te strekken, dat wij van het eene einde tot het andere komen van al hetgeen voor ons in de rechtvaardiging ligt, en hebben wij daarop uit te zijn, dat wij in deze rechtvaardiging als goddeloozen, in Christus
9
Jesus als arme zondaren blijven, opdat wij de vrucht des levens en de kroon der gerechtigheid mogen verkrijgen.
Het kan niemand, die de eigene verdraaidheid en de ondankbaarheid des harten tegenover de liefde van Christus heeft leeren kennen, bevreemden, dat hij vroeger de woorden des Apostels van Vers 10 tot Vers 14 zoo opgevat heeft, als leidden zij van de rechtvaardiging tot eene zoogenaamde heiligmaking; want hij heeft het bjj zichzelven ondervonden, dat het moeten en kunnen in den mensch zich handhaaft, zoolang de menseh niet door de wet der wet gestorven is, om Christus Jesus te leven. Is hij daartoe echter gekomen, dan ziet hij zich door deze woorden tot de rechtvaardiging door het geloof teruggeleid, en in deze steeds dieper ingeleid, zoodat hij uitroept: O diepte des rijkdoms en der wijsheid, der ontferming Gods over ons in Christus Jesus!
Dat de Apostel daarheen terugleidt en ons al dieper en dieper in haar inleidt, is duidelijk. Of wat beoogden de valsche broederen en valsche leeraars ? Was het niet dit ? âZiet, gij zjjt nu wel rechtvaardig door het geloof in Jesus Christus, maar nu moet gij u daarmee volmaakt, u daarmee der Wet gelijkvormig maken; gij hebt nu het middel ter hand te nemen, om deze gerechtigheid en dit geloof in het leven te verwezenlijken, in prachjk te brengen, opdat alsnu de nog overgebleven zonden en begeerten van den ouden mensch in u ophouden, en de oude mensch van dag tot dag, nadat hij met Christus gekruisigd is, ook gedood en te niet gedaan worde, â en daartoe bevelen wij u de Wet aan, met name de besnijdenis, als het zekerste en door God in Zijne Wet bevolen middel. Wanneer gij u besnijden laat, doet gij Gods wil, en zult voortaan Gods wil doen. Zoodra gij dit zegel ontvangt, trekt gij den ouden mensch geheel uit en den nieuwen aan, en ontvangt gij den Geest, door Welken gij het dan gevoelen zult, dat gij Gode aangenaam zijt.quot;
Zooals deze valsche broederen en apostelen, deden ook de pausgezinden, die de zekerheid hunner zaligheid niet bouwen willen op de uitspraak van den mond Gods, en liever eene
10
onzekere hoop op hunne werken stellen. Zoo deden ook de Wederdoopers en alle heiligheidsdrijvers, die niet genoeg hebben aan Gods daad en Woord, maar het zelf willen gedaan hebben, en Gods Woord gebonden willen weten aan eigen werk.
Hoe doet echter de Apostel ? Hij noemt zulk eene besnijdenis rondweg eene versnijding; want de besnijdenis was óf een zegel des geloofs op den Zaligmaker Jesus Christus, Die in het vleeseh komen zou, óf zij bracht onder de verplichting, het gansche werkverbond zelf te vervullen, den vloek medebrengende, zoodra men eenen tittel of jota niet nakwam. In het eerste geval werd dit zegel verbroken, toen de Heiland in het vleeseh kwam, ia het tweede heeft zij geen doel meer, maar kan slechts der ziele schaden, nademaal het genadeverbond opgericht is, waarin men alleen door het geloof opgenomen wordt. Wat men nu noodeloos snijdt, dat versnijdt men. En dat zulke valsche broederen honden en kwade arbeiders genoemd worden, daarmede wordt hun geen onrecht aangedaan ; want waar men zich van het geloof tot de werken begeeft, daar is dit spreekwoord van toepassing; âDe hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraakselquot;, en dat zijn kwade arbeiders, die met hout bouwen, waarin reeds de molm zit, en onkruid zaaien, waar de landman tarwe wil gezaaid hebben. En wie in het vleeseh roemt, diens roem is verwelkt; want verwelkt is alle vleeseh voor den Heere Zebaoth. Maar een verslagen gemoed, dat de macht der dwaling aan zichzcl-ven ervaren heeft, zegt het den Apostel weenend na en spreekt met Jeremia : âOch, dat mijn hoofd water ware, zoo zou ik beweenen de zonde mijns volksquot; (zie Hoofdst. 9:1), als hij gadeslaat, dat deze valsche broederen en apostelen slechts jagen naar hetgeen de aarde biedt, dat zij datgene tot eenen God hebben, wat hun den buik vult, en hunne eer zoeken bij degenen, die met hen gelijk denken iu de dingen, waarover zij zich moesten schamen, en dat zij zich niets laten gezeggen, ook zelfs niet aan hun einde denken, dut toch het verderf moet zijn (Vers 19), dewijl er alleen voor diegenen geene
11
verdoemenis is, die in Christus Jesus zijn, die niet naar het vleesoh wandelen, maar naar den Geest.
Aan den wandel wordt het intusschen toch steeds openbaar, door welken geest men gedreven wordt, en wat voor werken men doet, waar men wandelt naar eenen regel, die van Christus en Zijne kennis afvoert. Daarom kan de Apostel, die wel weet, waar de rechte werken zijn, zichzelven en zijne mede-apostelen, gelijk ook alle broederen, die met hem van hetzelfde gevoelen waren, aan de valsclie broederen en apostelen voor-houden. Daarom schrijft hij Vers 2:Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, en Yers 17: Weest mede mijne navolgers, broeders! en merkt op degenen, die alzoo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. Want gelijk de boom is, zoo is zijne vrucht. Onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jesus Christus, schrijft hij Vers 20. Wat wil hij daarmede zeggen ? Dit: Wij zoeken het hier op aarde niet, niet bij onszelven, bjj alle vleesch niet. Wij zien naar boven, ons leven, lieven en loven, ons trachten en werken is daarboven voor den troon der genade, cn dewijl daar het kruis in al zijne heerlijkheid voor God straalt, hebben wij het kruis gekozen, en, daaraan verbonden, onzen God, onze eer, ons dagelijksch brood. Wij weten, dat hierbeneden alle doen des mcnschen, ook alle eer, roem en heerlijkheid des vlocsches louter ijdelheid is, â wij zoeken het blijvende, wij zien opliet einde, opdat wij voor God beproefd bevonden worden, wanneer liet einde aller dingen en het begin der eeuwige blijdschap zal gekomen zijn. Wij weten, dat onze Verlosser, de Verhoogde, komen zal; alsdan begint onze volkomene verlossing. Hij is de Heere, Hem, Jesus Christus, hebben wij te gehoorzamen, op Hem wachten wij. Het gaat ons er om, dat wij van Hem de kroon ontvangen, die Hij ons verworven heeft, cn wij versmaden daarom elke andere kroon. Wij mogen niet onszelven willen verlossen in eenen zelfgekozen weg, waariu toch geene
12
verlossing is. Wanneer Hij zal gekomen zijq, dan zal Hij dit ons lichaam, dat nu nog door allerlei kruis en lijden vernederd wordt en ons eene oorzaak van menige verootmoediging is, verheerlijken, zoodat juist dit lichaam gelijkvormig worden zal aan Zijn verheerlijkt lichaam. Moge dat ook onmogelijk schijnen, â wij gelooven, dat Hij de Almachtige is; Zijnen gena-digen wil aangaande ons kan niets wederstaan. Intusschen zijn wij tevreden met Zijne genade, verdragen, en hebben een welgevallen aan onze zwakheden, want als wij zwak zijn, verheerlijkt Hij Zijne macht en trouw.
Vernemen wij nu van den Apostel, wat diegene, wiens wandel in den hemel is, doet, waarmede hij zich bezighoudt, die al door voor den troon der genade blijft liggen, of er voor staat, en bidt, en vooroverbukkend er inziet, meer dan de engelen er kunnen inzien. O, hoe zeer verdwijnt alles uit het hart en de gedachten des menschen, die naakt tot God gebracht en voor Zijnen genadetroon met Christus' gerechtigheid bekleed werd. Wat baat het den mensch in den hemel, wat voor den genadetroon, dat hij hier dit of dat was, dat bij menschen waarde heeft en geprezen wordt? De Heere ziet het hart aan! Wat baat het, of men een vrome uit de vromen was? Het gansche Farizeïsme, hoe heilig ook in de oogen der menschen, wat is het voor God anders dan een gruwel ? en wat richt men daarmede anders uit, dan dat men moordt, dat men raast en woedt tegen zijn eigen heil ? wat anders, dan dat men verwoest, wat God heeft gebouwd ? En wrat baat het, of men naar de gerechtigheid, die in de wet is, onberispelijk is? â is de wandel in den hemel, dan ligt voor God en het geweten het gansche hart open met al de onreinheid, die daarin is. Waarlijk, is onze wandel in den hemel, dan ondervinden wij dag aan dag moordenaarsgenade. O, in de genade Jesu Christi, in de liefde Gods en in de gemeenschap des Heiligen Geestes aanschouwen wij voor den genadetroon Gods eene eeuwige ontferming en een vrij welbehagen in menschen, aanschouwen wij de eeuwige genade en eeuwige trouw, welke
13
over ons opgegaan is, aanscliouwen wij aan de hand des Geestes den Raad Gods tot onze zaligheid, â Gods werk en doen aanschouwen wij, ja wat het bloed des Lams heeft vermocht. O, voor de gerechtigheden, die wij hebben in den Ileero Heere, vallen al onze werken, die wij gedaan hebben, weg, en als wij omgord worden met Zijne sterkte, hinderen ons het geleende pantser, de geleende wapenen. Voor Hem worden wij als dooden, en als wij door Hem opgericht worden, zien wij alle leven, onze gansche zaligheid alleen in Hem. Voorwaar, het is eene heerlijke en wonderbare kennis, de kennisse Jesu Christi! Als de gerechtigheid in Hem ons genadiglijk geschonken wordt, dan komen wij tot deze kennis, dan leeren wij verstaan, waartoe Hij in het vleesch gekomen is, welke heilsgoederen Hij ons verworven heeft. Als wij Hem deelachtig zijn geworden, dan ervaren wij, AVien wij aan Hem hebben, wat wij in Hem en met Hem zijn, wat Hij voor ons is en eeuwig zijn zal, dan verblijden wij ons in dezen Heere, zooals de Apostel hier in Vers 1 en Hoofdstuk 4 : 4 schrijft, en dan is deze blijdschap onze sterkte, zoodat wij ons niet uit de goede vesting des geloofs laten dringen, â en geestelijke blijdschap, hoe zeer maakt die het oog vast tegen alle bestormingen des boozen! Als wij ons nu in den Heere verblijden, dan werpen wij ras alles overboord, waarmede wij eerst den geestelijken mensch meenden te moeten voeden, en doen als de schippers, die, op het punt zijnde van op het droge te vervallen of schipbreuk te lijden, zelfs het kostelijkste niet sparen, opdat het schip weder vlot worde, en zij er het leven afbrengen. Dat is het, wat Paulus bedoelt, als hij zegt in Vers 7: Hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht, d. w. z. ik heb alles overboord geworpen, wTaarmede ik mijn leven meende te kunnen rekken. Ja, opdat iedereen wete, dat hij daarvan geene spijt heeft, dat hij zulks volstrekt niet herroept, het ook nooit ofte nimmer herroepen zal, voegt hij er in Vers 8 aan toe: Ja gewissel ijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om do uitnemendheid der kennis van Chris-
14
tus Jesus, mijnen Heere. Om Diens wil, betuigt hij, had hij alles overboord geworpen, en alles, geen ding uitgezonderd, geacht als iets, dat men den honden voorwerpt, en dat had hij gedaan, opdat hij Christus gewonnen hebbe, d. w. z. als eene winst ontvangen hebbe, en in Hem gevonden zij, en wel niet als zulk een, die zijne eigene rechtvaardigheid, namelijk die uit de wet is, heeft, maar als een, die deze volkomen prijsgegeven heeft, en de rechtvaardigheid heeft, die door het geloof van Christus is, d. i. de rechtvaardigheid, die, gelijk Luther vertaalt, door God aan het geloof wordt toegekend, of, zooals de Statenvertaling heeft,die uit God is door het geloof. (Yers 9.)
Den Heere te kennen, is de hoofdzaak; dat is ook de belofte van het Nieuwe Verbond, van het Verbond der genade; âZij zullen Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere; want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenkenquot;. Nog eens: er ligt iets onuitputtelijks in de kennis des Heeren, waarom de Apostel het ook herhaalt in het 10de Vers.
Voorwaar, daaraan leert men den Heere kennen, dat Hij ons al onze zonden genadiglijk vergeeft op grond van de gerechtigheid, die Hij Zelf aangebracht heeft. O, wanneer men deze genadige vrijspreking aan Zijne ziel ondervonden heeft, hoe liefelijk wordt ons dan de Heere! hoe zeer wordt men dan dronken van Zijne liefde, hoe begeerig. Hem nog meer, nog inniger te kennen! Hoe werpt men dan alle eigene gerechtigheid, die uit de wet is, weg! Met welk eene blijdschap geeft men die prijs, als men als een naakte, arme zondaar bekleed wordt met de gerechtigheid, die God Zelf ons schenkt en toerekent op grond van het geloof daaraan, dat de Heere voor onze zonden gestorven is, en voor ons een volkomen losgeld betaald heeft, ook om onze rechtvaardigspreking uit de dooden opgewekt is, Hoe begeerig wordt men dan ook, de kracht Zijner opstanding aan zich te ondervinden, want alle kracht krijgt men daarin te zien. Hoe begeerig
wordt men dan, meer en meer te verstaan, welke heerlijkheid daarin gelegen is, dat men gemeenschap heeft aan Zijn lijden. Voorwaar, daar ziet men er louter vreugde in, dat men Zijnen dood gelijkvormig gemaakt wordt! Men spoort alles na, wat men van Zijne kennis kan te weten komen, verlangt vurig naar het oogenblik, waarop men Hem geheel zal omvatten, en Hem volkomen zal zien, gelijk Hij is, en wil gaarne met Hem eiken dood ondergaan, opdat men met Hem de wegen des levens gevonden hebbe en over alle hindernissen en beletselen van het zichtbare heen eenigszins tot de wederopstanding der dooden moge komen. (Vers 11.)
Menigeen zou willen vragen: Had Paulus dan Christus nog niet gewonnen? was hij dan nog niet in Hem gevonden? bad hij dan nog niet de rechtvaardigheid des geloofs? kende hij dan Christus en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdons nog niet? had hij dan zijne eigene gerechtigheid nog niet afgelegd ? Wij antwoorden op al deze vragen: Ja en neen! Ja, voor zoover zijne zaligheid, zijne rechtvaardiging eene uitgemaakte zaak was voor God in Christus Jesus, â ja, ook voor zoover hij daarvan alleszins zeker en verzekerd was in den Heiligen Geest; en neen, in zooverre bij vleesch en bloed met zich omdroeg, en hij nog den strijd des geloofs, den goeden strijd te strijden had. En dat zegt hij zelf. Want wie zóó schrijft, ziet zich niet aan voor iemand, die het reeds volkomen deelachtig is; hij laat er dan ook op volgen : Niet dat i k het a 1 r eede gekregen heb. Doch hierover eenen anderen keer meer.
Dat nu is het, waarom het gaat, en daaraan hebt gij u te beproeven, opdat gij het rechte geloof en den rechten wandel hebt, en u niet voor volkomen houdt in de kennisse Jesu Christi en der vrije rechtvaardiging in Hem, opdat gij u niet tot de werken der wet laat leiden, maar veeleer met Paulus daarop bedacht zjjt, dat gij overboord geworpen hebt den ijdelen last van alle eigene werken en allen eigenen
16
roem, en als arme en naakte zondaren er dagelijks op uit zijt, dat gij bij den genadetroon blijft. Zoo gij dat doet, zult gij weldoen, en zult gij op alle vaten in mv huis, zelfs op de bellen der paarden dit opschrift vinden: de heiligheid des Heer en. (Zach. 14:20.) Amen.
Nazang: Lied 82; 6.
Zingt, zingt met eerbied onzen Heer',
Doet 't snarenspel te Zijner eer
Met blijde vreugde hoeren!
Prijst Jesus op verhoogden toon,
Mijn' Bruidegom, zoo wonderschoon,
Het heil, aan mij beschoren.
Zingt nu , Springt nu !
Plukt u meien, Juicht, o reien,
Dankt uw' Koning,
Die den hemel heeft tot woning.
T W E E 1) E L E E 11 E E D E.
Voorzang: Psalm 22 : 2 ex 3.
'k Erken nochtans, Gij, Gij zijt heilig, Heer'! En hebt Uw huis, den zetel Uwer eer, Bij Isrel, daar uw lof klinkt keer op keer,
In gunst doen bouwen;
Op U stond vast der vaderen betrouwen; Gij zaagt hen aan;
Gij hebt, wanneer z'in nooden Tot U om hulp, vertrouwend, zijn gevloden, Hen bijgestaan.
U smeekten zjj, van menschenhulp ontbloot, En zijn gered; zij hebben in hun' nood Op U vertrouwd: van schaamte nimmer rood,
Na hun gebeden.
Maar ik, ik ben een worm, van elk vertreden: Een worm, geen man,
Een spot en smaad vau menschen,
Dien 't booze^ volk, naar zijn baldadig wenschea, Beschimpen kan.
GeUouden 9 Mei 1852,
18
De moordenaar aan het kruis, tot wien de Heere zeide: âVoorwaar zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijnquot; (Luk. 23 ; 43), was volkomen gerechtvaardigd, volkomen geheiligd en gereinigd, volkomen zalig door deze uitspraak van den mond des Heeren. Van Gods zijde stond zijner zaligheid niets in den weg, zij was eene uitgemaakte zaak. Die moordenaar had echter nog iets door te maken, dat ongetwijfeld gelijk staat met al het lijden, dat menig Christen in zijn geheele leven ondervindt; want welhaast trad de zonsverduistering in, die bijna drie uren aanhield. Wie onzer kan beseffen, wat de moordenaar doorgemaakt heeft gedurende eenen tijd, waarin onze Heere Zelf Zich verlaten gevoelde van God, Zijnen Vader? wat hij daarin doorgemaakt heeft, terwijl hij volkomen te gronde en in den dood ging als mensch, als zondaar, en zich verzonken gevoelde in de diepte zijner verlorenheid?! Wat nu heeft toen den man kunnen houden, zoo niet des Heeren woord? Wat was zijn houvast, wat de grond, wat het uitzicht, de hoop, wat de waarheid, wat het leven voor zijne ziel, â zoo niet de Heere, Die met hem gekruisigd werd ? zoo niet Zijn woord? En na de drie uren duisternis, â wat heeft hij toen gezien, de moordenaar? Niets, niets dan eenen krijgsknecht, die op hem toekwam met eene knots, en toen werden hem de beenen stukgeslagen, en hij stierf, de moordenaar, en had in de drie uren de kroon des levens verkregen.
Terwijl ik u dit voorbeeld van den moordenaar voorhoud, moet het u daaruit reeds duidelijk zijn, wat de Apostel bedoeld heeft met de woorden, die wij Vers 8â15 lezen. Intus-schen baat ons het recht verstand dezer woorden niets, tenzij het ons ga gelijk den Apostel.
Tussehenzang; Psalm 25 ; 1.
'k Hef mijn ziel, o God der goden!
Tot ü op, Gij zijt mijn God;
'k Heb op U vertrouwd in nooden;
Weer van mij tocli scliaamt' en spot.
19
Dat mijn vijand nooit van vreugd'
Om mij opspring'; die U wachten,
Dekt nooit schaamt', maar die de deugd Zonder oorzaak stout voraehten.
Tekst: Fiuppensen 3.
God de Heere heeft gezegd: Gerechtiglicid, gerechtigheid zult gij najagen. Naar deze stem Gods heeft dc Apostel Paulus geluisterd, gelijk ook allen, die zalig worden, dezer stem gehoorzaam zijn. In het gansche karakter, in al hot doen en trachten des Apostels komt dit uit. Het ging hem steeds om den wil des Heeren. Daarom kon hij betuigen, dat hij vóór zijne bekeering naar de rechtvaardigheid, die in de Wet is, onberispelijk was. Hoe het hem steeds om Gods wil was te doen geweest, sprak hij op zeer treffende wijze uit op het oogenblik, waarin hij bekeerd werd; toen nml. de Heere Zich aan hem bekend gemaakt had, antwoordde hij terstond bevend en sidderend: âHeere! wat wilt Gij, dat ik doen zal?quot; (Hand. 9 :6.) Daarom schrijft hij ook van deze gebeurtenis later aan de Galaten (Hoofdst. 1 : 15 en 16): âMaar wanneer het Gode behaagd heeft, Zijnen Zoon in mij te openbaren, zoo ben ik terstond niet te rade gegaan met vleesch en bloedquot;. En dat was waar, want terstond predikte hij Christus. Daarom betuigt hij ook voor koning Agrippa: âIk ben dat hemelsch gezicht niet ongehoorzaam geweestquot;. (Hand. 26 : 19.) Daarom ook voor Felix: âHierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de menschenquot;. (Hand. 24 : 10.)
Iemand, die gerechtigheid najaagt, moge in het hoe van het najagen verkeerd te werk gaan, het hoe geeft hij er aan, aoodra hem door den Heere een betere weg getoond wordt, â het najagen zelf geeft hij echter niet op.
Zal hij het doel bereiken? Gewis, zoo hij geloovig den weg houdt, dien de Heere aanwijst. Dat Paulus het voorgestelde doel
20
bereikt heeft, zien wij uit zijne woorden aan Timotlieüs: âDe tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijne verschijning liefgehad hebbenquot;. (2 Tim. 4 : Gâ8.) Deze woorden van den Apostel helderen op, wat hij twee jaren te voren aan de Pilippensen schreef, en wat hij ook vroeger (in den tweeden Brief, Hoofdst. 5) aan de Corinthiërs had geschreven, zoodat het dezelfde bedoeling heeft, wat hij hier aldus uitspreekt: âMet dat ik het aireede gekregen heb, enz.quot;, en aan de Corinthiërs schrijvende zegt: âWij zuchten, verlangencte met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden, â wij zijn ook zeer begeerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehaaglijk te zijn. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den Rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaadquot; (2 Cor. 5:2, 9 en 10); en wederom hetgeen hij in den eersten Brief betuigt (Hoofdst, 9:27): âIk bedwing mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet eenigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk wordequot;; en wederom: âWij wandelen door geloof en niet door aanschouwenquot; (2 Cor. 5:7). â Ik vestig vóór alles uwe aandacht op de laatste woorden, want zij leeren ons, welk een kostelijk iets het geloof is, hoe wij alles alleen in het geloof hebben, en welken nood de geloovige ziel hierbeneden doormaakt, om dit geloof te behouden. En als de Apostel Paulus met een verbrijzeld en dankbaar gemoed bij het naderen van den tijd zijner ontbinding zich aldus uitlaat: âIk heb het geloof behoudenquot;, dan spreekt hij daarmede uit, welk eenen heeteu strijd hij heeft moeten strijden, om het geloof te behouden. Want dit, dat men voor God rechtvaardig is, dat men met Zijne Wet, in het bijzonder zooals deze geestelijk oordeelt, in overeenstemming is; dit, dat men vergeving der zonden en
21
ecuwig loven heeft; dit, dat mon vrede met God heeft en eeno zekere lioop op de eeuwige heerlijkheid; dit, dat men naar den wil Gods denkt, handelt en wandelt; dit, dat men doet, wat goed is in de oogen des Heeren; dit, dat men van de zonde verlost wordt, en dat men den dood niet meer vreest; dit, dat men van het booze niet overwonnen wordt, maar dat men de wereld overwint, ja overwonnen heeft; dit, dat men aan al het tegenstrijdige het hoofd biedt, en naar al het zichtbare niet meer vraagt, maar met God wandelt, zich aan God houdt, â dit alles heeft men alleen in hot geloof in Christus Jesus, en voor dit geloof heeft men alleen hot Woord.
Daarom vorheuge zich onze ziel, als wij den Apostel hooren
zeggen: â.....opdat ik Christus moge gewinnen, en in Hem
gevonden worde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus isquot;. Zoo iets
te vernemen, als wij hier lezen: â......opdat ik Christus
gewonnen hebbe, in Hem gevonden zijquot;, â en niet: Ik heb Hom gewonnen, ik ben in Hem gevonden, â dat is waarlijk eene kostbare vondst voor oen aangevochten gemoed, en luidt voor zulk een gemoed volkomen, alsof er stond: Welaan, er zij gezondigd, of welgedaan, ik kan cn wil naar al het vorige niet meer vragen. Was alles niet, zooals hot behoorde, â Christus leeft toch heden, Zijne gerechtigheid is er toch heden, om mij te be-kloedon. Daarom werp ik alles, zoowel het een als het ander, waarover ik aangevochten word en mijn geweten mij aanklaagt, overboord, en ik moge verdoemd zijn. God hebbe gelijk, â ik laat het alles liggen, en wil niet meer denken aan hetgeen achter is. Voorwaarts, zoo als ik ben, zoo als ik mij gevoel en bevind, zoo zondig, zoo ellendig, zoo zwak, zoo verwerpelijk, als ik ben. Daarom gaat het toch, dat ik op dien dag, waarop Hij ten oordeel zal komen, en de boeken zullen geopend worden, in het Boek des levens des Lams gevonden zij. Daarom gaat het, dat ik alsdan van alles, wat het mijne is, niets heb, en de parel van groote waarde kan aanwijzen, dat ik al mijne gerechtigheid verkocht heb, en Christus heb, dat ik niet in mijzelven,
22
maar in Christus gevonden zij, en dus voor den Rechterstoel Grods sta als een, die voor tijd en eeuwigheid zich op Christus verlaten, op Hem, als op het Lam Gods, gesteund, en daarop zijne zonden gelegd heeft, dat God. de rechtvaardige God, om dit zich verlaten en steunen op Zijn Lam, den duivel met zijne aanklachten afwijze en mij arme tot Zich opneme in Zijne eeuwige heerlijkheid.
Dat is immers de bedoeling van den Apostel, want het geloof was hem geen rekenvoorstel, maar het werd bij hem, zooals bij alle heiligen, hard aangevochten, en de ongelukkige kennis van goed en kwaad, welke wij aan onze ongehoorzaamheid en de verleidelijke leer des duivels te danken hebben, stond den Apostel even schrikkelijk in den weg, als zij al den heiligen Gods in den weg staat, naardien zoodanige kennis in het hart voortdurend allerlei sterkten bouwt en hoogten opwerpt tegen de heerschappij der vrije genade. Daarom zegt hij hier, dat hij deze kennis vervloekt, overboord werpt, en eene spijze der honden acht, dat hij niets weten, niets kennen wil dan zijnen lieven Heero en Heiland Christus, als wilde hij zeggen: Zoo gaat het mij dagelijks, ik zeg tot mijn vleesch en bloed, tot mijne gerechtigheid, kracht en sterkte, en tot mijne zoude en zwakheid, tot den duivel, tot den dood en tot de wereld, die mij toefluisteren; Gij zijt te goed, of te slecht voor zoodanig geloof, en het baat u alles toch niets, â : Blijft mij van den hals en van het lijf met uwe theologie! hierbij blijft het: daarboven hangt de kroon des levens en der rechtvaardigheid; ik heb eens gezien, dat zij voor mij werd opgehangen, en ik werd mede in de loopbaan geroepen, om er naar te jagen, ik werd krachtiglijk door Christus gegrepen, gegrepen, om deze kroon te grijpen. De stem Gods riep mij toe: âKom, en voorwaarts! en volgehouden tot aan het einde! dan hebt gij haarquot;. Daarom wil ik van u niets hebben, mij ook niets laten wijsmaken; het gaat mij om dit eene, om het âhoequot;, het ééne âhoequot;, dat ik het einddoel bereike, dat ik over alle hindernissen en beletselen, die mij in mijnen loop willen
23
tegenhouden, heen kome. En dit âhoequot;, het éene âhoequot;, dat ik het einddoel bereike, â ik heb het gevonden: Christus is het! Hij is de weg'. Hij de waarheid, Hij het leven, alleen door Hem komt men tot den Vader. (Joh. 14 : 6.) Weg met mijne en uwe kennis van goed en kwaad! Ik zeg met Salomo: âVoorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen menschenverstand; en ik heb geene wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend. Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald ? Wie heeft den wind (den Geest) in zijne vuisten verzameld? Wie heeft de wateren (der genade) in een kleed (der gerechtigheid) gebonden? AVie heeft al de einden der aarde gesteld (om op Hem te hopen)? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons? zoo gij het weetquot;. (Spr. 30 : 2â4.)
Dat verstaat echter de dwaze en blinde wereld niet, dat het hierbeneden daarom gaat, dat men het geloof behoude, en alzoo in de woorden des Heeren Jesus blijve, juist opdat men vrucht gedragen hebbe. Zij verstaat het niet, dat de vrucht van het Woord komt, en niet van onzen akker. Zij weet ook niets van dezen nood, dien de heiligen Gods ondervinden, om de vrucht te brengen; niets weet zij van de aanvechting der heiligen, welke dezen juist daarom te verduren hebben, omdat zij op don rechten grond blijven, waar de goede werken groeien en gedijen. De dwaze en blinde wereld is altijd rechtvaardig in hare oogen, is ook met het stuk der rechtvaardiging spoedig klaar, en begeeft zich weder tot de wet, daarom juist, omdat zij niet deze vrucht, maar het genot der zonde wil. En omdat zij bij allen huichelaclitigen roem van werken zich bestraft gevoelt, dat zij geen enkel goed werk heeft, legt zij met de hulp des duivels den rechtvaardigen alles in den weg, dewijl dezen met deze waarheid optreden, dat een mensch geheel van de wet af en geheel in Christus zijn moet, opdat hij vrucht brenge, en zijne vrucht blijve. De wereld heeft de zaak liever in bespiegeling, weet slechts van een geloof in het hoofd, maar niets van dat geloof, dat zich in kracht en metterdaad bewijst.
24
Daarom treedt zij terug, als het eigene leven moet prijsgegeven worden, en stelt zich vijandig tegenover het geloof, dat gehoorzaam is aan Christus' woorden; âIndien iemand tot Mij komt, en niet haat zijnen vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijnquot;, en; âZoo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mijquot;. Zoo wordt dan het geloof zeer vijandelijk bejegend door de wereld, omdat het den eenigen grond van alle goede werken wil, t. w. de kennisse Jesu Christi, des Gekruisigden, en bij de wereld voegt zich het gansche beirleger der zonden, allerlei aanvechtingen en doodsangsten, allerlei krenking en verlatenheid. Dat zien wij immers bij Paulus overal in zijne Brieven tot onzen eeuwigen troost; overal zien wij, hoe hard hij aangevochten, hoe vijandelijk hij bejegend werd, juist daarom, dat hij het voor zeker hield, dat de menscb voor God gerechtvaardigd wordt alleen uit het geloof, zonder de werken der wet. Inderdaad, waar deze waarheid recht verstaan, waar zij geloofd, waar zij betuigd wordt, daar is de hel in rep en roer, opdat de geloovige deze prediking en getuigenis, die alleen goede werken zaait, gelijk licht (Ps. 97 : 11), moge prijsgeven; want de hel zou liever de huichelachtige werken gehandhaafd zien. De geloovige komt dus in allerlei benauwdheid; ten eerste door zijne eigene zonden en dooi-zijn vleesch en bloed, â vandaar de klacht: âIk ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ?quot; zoodat hij bijna tot vertwijfelens toe aangevochten wordt, om het geloof te laten varen; ten andere vanwege het heirleger der valsehe broederen, die zich over hunne schjjnbare werken, hunne monnikerij en ontucht, hun boeleeren met de wereld, en hunne ongerechtigheid en geldgierigheid niet willen laten bestraffen; bovendien vanwege de talloos vele nooden, zorgen en angsten! Ach, hoe hoog kunnen de ons overstelpende golven gaan! âWij waren zeer in twijfel van het levenquot;, schrijft de Apostel (2 Oor. 1:8); en wederom: âDe dood
werkt in onsquot; 12 Cor. 4 : 12); en wederom; âIk sterf alle dagquot; (1 Cor. 15 : 31) ; en wederom: âWij worden altijd in den dood overgegeven om Jesus' wilquot; (2 Cor. 4 : 11); en wederom: âWij worden in alles verdruktquot; (2 Cor. 4 : 8); en wederom: âVan buiten was strijd, van binnen vreesquot; (2 Cor. 7 : 5), en dan âeen scherpe doorn in het vleesch, een engel des Satans, om mij met vuisten te slaanquot; (2 Cor. 12 : 7). Waarlijk, alle heiligen en gcloovigon des Heeren Jesns hebben nooit anders ondervonden, dan dat alle zichtbare en onzichtbare machten zich te allen tijde opmaakten tegen Christus in hen, Dien zij nooit hebben willen laten leven. Dat heeft ook de Apostel Paulus rijkelijk ondervonden, maar hy heeft zich niet naar do vijanden willen voegen. Dat was een rumoerige strijd, en dat zal het wel blijven. In dezen strijd ligt men menigmaal onder, maar komt telkens weer boven; men ligt menigmaal neder, want men is gevallen, maar men staat weder op; menigmaal blijft men moedeloos, radeloos en machteloos bij de pakken liggen, maar men herstelt zich weder, en richt zich weder op.
In den boeten strijd tegen de zonde in allerlei vorm moet ons de weg tot den genadetroon versch blijven, en, zijn wij vóór tien of twintig jaren vertroost geworden door het woord; In den Heere, Heere hebben wij gerechtigheden en sterkte, â deze gerechtigheden moeten ons dagelijks nieuw en versch zijn, zooals het kostelijke brood, zooals de dagelijks nieuw opgaande zon, zoodat wij heden zeggen, alsof wij het voor de eerste maal in ons leven zeiden, met waarachtig geloof: Gij, Heere Christus, zijt mijne gerechtigheid, en ik ben Uwe zonde! â en voortdurend moet ons versch en nieuw ingeschonken worden de troost, hoe wij rechtvaardig zijn voor God. In den heeten strijd tegen de zonde en tegen de wereld juichen wij, haar ten spijt, dat wij in Christus als in het Hoofd volmaakt zijn, volgemaakt zijn van al het goede naar de maat der Wet, en in de volheid Christi alles hebben; en voorts, dat wij kracht tegenover haar behouden, dat wij den moed niet opgeven, dat zonde en wereld niet over ons heerschen, â daartoe dient ons, en helpt ons de macht
26
der opstanding van Cliristus. In den hoeten strijd tegen zonde, dood, duivel en wereld zeggen wij, den vijand ten spijt: Wij hebben het eeuwige leven! Worden wij nu evenwel om Christus' wil gedood als slachtschapen, zoo verzaken wij met blijdschap onzen eigenen wil, opdat do wil Gods geschiede, en de vijanden kunnen des te minder met ons uitrichten, hoe meer wij der machteloosheid en den dood van Christus gelijkvormig worden. Wij zullen het niet doen, maar het quot;Woord: Christus is opgestaan van de dooden. O, dat wij moer en meer Ilem leeren kennen; des te meer zullen wij er van afgezien hebben, iets van ons en uit onszelven te verwachten! AVat staat ons in den weg, dat wij door de macht Zijner opstanding niet opgewekt worden tot een nieuw leven? Is het niet dit, dat wij niet met Hem lijden, niet met Hem sterven willen ? Hoe zeer heeft onze natuur er eenen afkeer van, met Hem te lijden, met Hem te sterven! hoeveel liever heerscht zij met en in de wereld! hoeveel liever leeft zij als de eerste onder degenen, die naar het oordeel der wereld vromen en heiligen zijn! hoeveel liever werkt zij en vermoeit zij zich, dan dat zij niets zou werken, niets willen en niets kunnen, maar het afwachten en bij het Woord Gods volharden! Maar het helpt niets, do natuur moge willen, of niet, zóó moet het er doorheen, zóó voorwaarts, â om te zien, dat men tot de wederopstanding der dooden gekomen zij. Verstaat dit toch wel. Geliefden! Gods heiligen en geloovigen ondervinden het hier reeds bij aanvang, dat, als zij met Christus in den dood gaan, en de dingen, die tegen de Wet zijn, met name de eigengerechtigheid en het eigen willen enloopen, afsterven, verloochenen en prijsgeven, opdat Gods Wet Gods Wet blijve, â dat midden in hunnen dood het machtwoord der opwekking van Christus hen als opgewekten stelt. De Apostel heeft het echter gezien, hoe velen, toen dit aan hen zou verheerlijkt worden, zich terugtrokken en in dezen dood niet wilden ingaan. â Was het wonder, dat hij, die er nooit aan dacht, dat hij voortreffelijker zou zijn dan een ander, er toe kwam om te schrijven: n .... of ik eenigszins moge
27
komen tot de wederopstanding der doodenquot;? â en niet minder liad hij daarbij op het oog den dag, den grooten dag Tan de opstanding der rechtvaardigen; alsdan hoopte hij mede opgewekt te worden, om met blijdschap den Heere te aanschouwen, en waardig geacht te worden, dat ook hem de kroon der gerechtigheid zou geschonken worden. â Neen, deze kroon had hij nog niet gegrepen, neen, hij had het doel nog niet bereikt. Hij jaagde er echter naar, of hij het ook mocht gegrepen hebben, waartoe hij toch van Christus Jesus gegrepen was.
Dat zijn alles betuigingen van den diepsten ootmoed, die zich niets aanmatigt, en alles aan de genade van Jesus Christus toeschrijft; betuigingen echter niet van iemand, die nog niet zeker is van zijne zaligheid, maar van iemand, die, dewijl hij daarvan zeker is, de middelen en wegen, welke alleen tot deze zaligheid leiden, ten zeerste roemt. Betuigingen zijn het van iemand, die het voor de broederen wel weten wil, dat hij niet over alle bergen heen, ja hun in niets voor is, maar die van hen verlangt, dat zij zich niet zullen aanzien voor dezulken, die over alle bergen heen zijn, en zich nu van Christus tot de wet zouden mogen begeven, maar dat zij zich met hem zullen houden voor schoolknapen en leerlingen van Christus, voor dezulken, die in de loopbaan loopen, en moeten trachten te verwerven en te behouden, waartoe zij te voren door het Evangelie met eene hemelsche roeping van Boven geroepen waren, opdat zij zouden houden en ontvangen, wat zij hadden, t. w. Christus en Zijne gerechtigheid, zoo als zij den armen op het geloof door God wordt toegerekend.
Mijne Geliefden! dat nu zij door Gods genade het nut, hetwelk gij van de apostolische woorden en van deze prediking moogt hebben, dat gij ter harte neemt, welk een noodzakelijk ding het geloof is, en welk eenen strijd het kost, dit geloof te behouden en er ten einde toe bij te volharden, opdat gij de zaligheid uwer zielen moogt verkregen hebben. Verstaat het toch eens, wat het beteekent: âDe rechtvaardige zal door zijn geloof levenquot;, en: âIndien gijlieden niet gelooft,
28
zekerlijk gij zult niet bevestigd wordenquot;. (Ilab. 2 : 4 cn Jes. 7:9.) De meesten uwer laten zich door den duivel met de vraag: âIs het voor mij?quot; van Christus afhouden; bij dat alles zijn zij evenwel tamelijk gerust en denken: Het zal toch wel goed uitkomen. Zoo vleien zij zich toch daarmede, dat zij rechtvaardig voor God zouden zijn; en intussehen ligt in de harten de zeer diepe, gruwelijke giond van de werken der wet. Vandaar die slapheid, die volkomene krachteloosheid, ja dat dood-zijn, waar men met blijraoediglieid behoorde te strijdeu tegen zonde, dood, duivel en wereld, â vandaar een toegeven aan, een najagen en slaafs dienen van allerlei begeerlijkheid, en bij dat alles eone verwonderlijke onverschilligheid en zielen verdervende rust, terwijl men in het geheel niet denkt aan eene kroon der rechtvaardigheid. En wanneer men nu zijn einde te gemoet gaat, waar is dan het goede geweten voor God? Ontwaakt toch eens, gij, die slaapt! de Wet moet vervuld zijn, goede werken moeten er zijn; zonder dc heiligmaking, zooals zij bij God is, zal niemand den Heere zien; de wrereld en de begeerten moeten verloochend zijn, met alles, wat van do wereld is. Dat nu wordt niet gedaan, van dat alles komt niets terecht, als wij ons niet geheel en alleen aan Christus houden; dit kan echter niet geschieden zonder geloof. Dus moet het geloof er zijn. Dit laatste wil God geven aan degenen, die het op Zijn Woord wagen. Is dit geloof er, dan is er ook strijd, dan is er ook een loopen, dan is er ook bekommering en angst, â dan is er leven en werkzaamheid, want er is dan werkelijk aanvechting, en waar aanvechting is, daar is een werkelijk opwassen in de kennisse Jesu Christi, en waar dit opwassen is, daar gaat bij den mensch alles in den dood, en daar verheerlijkt zich het leven van Jesus in het sterfelijke lichaam. Dat is geen stilstaan, maar een âerdoorheen!' en âvoorwaarts!quot; opdat men behoude, wat men heeft, terwijl men, zich uitstrekkende, daarnaar jaagt, dat men niet als op het onzekere geloopen hebbe, maar het beloofde erfdeel hebbe verkregen. Beproeft u daaraan, want het is met het rechte geloof niet
29
anders gesteld, dan zooals wij liier van Paulus, en zooals wij het ook van David vernemen, wiens Psalmen de gebeden uitmaken van alle heiligen en geloovigen van alle eeuwen, die ook door Job in een paar woorden worden wedergegeven, als hij uitroept: âIk weet, mijn Verlosser leeft!quot; en: âZiet, zoo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?quot;quot;en door Micha in deze woorden: âVerblijd u niet over mij, o mijne vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan!quot; â want voorzeker, er is hoop voor degenen, die den Heere vreezen. Amen.
Nazang: Psalm 24 ; 4.
Verhoogt, o poorten! nu den boog;
Eijst, eeuw'ge deuren! rijst omhoog;
Opdat de Koning in moog' rijden.
Wie is die Vorst, zoo groot in eer?
't Is God, d'almachtig' Opperheer;
't Is God, geweldig in het strijden.
Werken van Dr. H. F. KOHLBRUGGE: Opleiding tot recht verstand, der Schrift, voor ccnvoudigen,
Betrachting over het Eerste Kapittel van Mattheüs, met
eene Voorrede en Aauteekeaingen vermeerderd door J. J. Gobius du Sart.
Nieuwe uitgave........................- 1,40
Betrachting over den Eersten Psalm...........- 0.60
De Tabernakel en zijne Gereedschappen- AcM en twintig
Leerredenen, gehouden in de jaren 1856â'59. üit het Hoogduitseh . . - 2,40
Leerrede over Psalm 8. l it het Hoogduitseh.............- 0,15
Drie Leerredenen over Psalm 13. üit het Hoogduitseh .... - 0,30
Leerrede over Psalm 16 Uit het Hoogduitseh.........- 0,15
Vier Leerredenen over Psalm 23. Tweede herziene Druk ... - 0,40
Leerrede over Psalm 24. Tweet'e herziene druk........- 0,15
â â â 32- Uit het Hoogduitseh.........- 0,10
Eerste Twaalftal Leerredenen. Gehouden te Elberfeld iu de Jaren
184() en '47. Tweede Druk...................- 1,50
Jesus en de Zondares Drie Leerredenen over Lukas 7 vs. 36â50 - 0,80 Op weg naar den Hemel. Drie betrachtingen over Markus 5 vs. 25â34,
Mattheüs 20 vs. 29â34 en Lukas 15 vs. 1, 2 en 11â30. Tweede Druk - 0,40 Twee Leerredenen over Galaten 2 vs. 19, 20. üit het Hoogduitseh ............................- 0,25
Genesis 3 voor de Gemeente uitgelegd. Derde herziene Druk . - 0,45
Op Goeden Vrijdag. Korte stichtelijke gedachten, enz. Tweede Druk. - 0,30 Drie Leerredenen over Johannes 1 vs 29, Openbaring van Johannes 16 vs. 9 en Hosea 11 vs. 8 en 9 Gehouden
in October 1849, ten tijde der heerschende Choleraziekte, Berde Druk, - 0,30
Twee Leerredenen over Psalm 77 vs 1-14 en Mattheüs
8 VS 17b üit het Hoogduitseh................- 0,20
Historisch Theologische gesprekken over het Formulier
van den Heiligen Doop. Tweede Druk...........- 0,50
De taal Kanaans. Een gesprek tusschcn twee reizigers naar de eeuwigheid - 0,50 Het Gebed- Vier Leerredenen over lieid. Cat. Vr. en Antw. 116â118.
Tweede Druk.........................- 0,23
âHeere, leer mij Uwe inzettingen.quot; Eene uitbreiding van Psalm
119 vs. 33â40. Derde Druk..................- 0,10
Hoogst belangrijke briefwisseling tusschen Dr. H. F. Kohlbrügge en een van de meest beroemde zijner tijd-genooten, over do leer der Heiligmaking, naar aanleiding van en vermeerderd met eene Leerrede van Dr, Kohlbrügge over Rom. 7 vs. 14. Derde Druk.....................- 0,50
Uitgaven van SCHEPFER amp; O., te Amsterdam,