ocr page 1

HELDENSAGEN,

ER 1ST Hof FM AI N.

Mi

GRONINGEN. — P. L. F O LM ER. 1885.

■Jr=^r^i

v^A'T'.'cf' 'or.'.^^VT'^^VT-'vT-iTc-:T!.rT'Zv'T^VT-.'^r

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

GODEN- EN HELDENSAGEN.

'SfCaav -liet 3Coo^3vvil'ocfv

ERNST HOFFMANN.

IZf

GRONINGEN. — 1885. — P. L. FOLMER.

ocr page 6
ocr page 7

Me 71 behoeft geen profeet te zijn om te voorspellen dat deze en gene aanmerking zal maken op onze schrijfwijze der Grieksche eigennamen. Dat is een terrein voor eindeloos gekibbel, waarop wij naar ons beste weten hebben gehandeld. Voor alles zochten wij consequentie, iets ivaarvoor zelfs Vosmaer in zijn Ilias is opgedraaid.

Overigens moge dit boekje zelf zijn weg vinden. Ons aandeel aan de bewerking is zeer bescheiden. Wij ge lom en echter dat de Hollandsche jeugd het met pleizier zal lezen, en dat menig oudere bij het doorsnuffelen op nieuw zich zal verplaatsen in de Oostersch dichterlijke omgeving.

Als leesboek voor de eerste klassen van Gymnasia en Hoogere Burgerscholen kan het goede diensten doen.

DE BEWERKER.

ocr page 8
ocr page 9

INLEIDING.

De Christenen erkennen slechts éénen God, de Grieken hadden eene groote menigte. De Christenen stellen zich God voor als een onzichtbaar wezen dat alles ziet, dat overal tegenwoordig is, dat geene zonden of gebreken heeft, maar in alle opzichten volmaakt is; de Grieken daarentegen konden zich hunne goden en godinnen niet anders voorstellen dan in menschelijke gedaante, wel grooter en sterker en schooner dan de gewone stervelingen, maar evenzeer behept met zwakheden en gebreken. Hunne goden hadden op de menschen voor, dat zij nooit konden sterven en toch altijd jong bleven. Als zij er oud en afgeleefd bij waren geworden, dan zou hun het eeuwige leven een vloek zijn geweest in plaats van een zegen. Dat ondervond bijvoorbeeld de arme Tithönos, de zoon van den Trojaanschen koning Laomedoon. Deze had het hart gestolen van de godin van den dageraad, Eoos, dezelfde die bij de Romeinen Aurora heette, zoo zelfs dat zij hem huwde. Op haar verzoek schonk Zeus haren bruidegom het eeuwige leven, maar bij ongeluk vergat zij er de eeuwige jeugd bij te vragen. Vandaar dat lithonos al ouder en ouder werd en indroogde en verschrompelde, zoodat er van den eens zoo schoonen jongeling geen schijn meer overbleef. Uit medelijden veranderde Eoos hem daarom in een krekel.

Oud worden konden de goden dus nooit, daarentegen leden zij even goed als menschen, pijn en smart; daar zij veel vochten, gebeurde het soms dat zij werden gewond. Maar hunne pijnen duurden slechts kort, omdat heelende kruiden terstond hunne wonden sloten. Liefde en haat, nijd en afgunst gevoelden zij evenzeer als wij; kortom in ons oog hadden zij niets van dat

l

ocr page 10

2

verhevene en zondelooze dat wij van eenen God verwachten die de wereld regeert en het lot der stervelingen leidt.

Langzamerhand hebben de Grieken wel ingezien dat aan hunne voorstelling der goden veel ontbrak, dat de daden van dezen dikwijls streng waren af te keuren en dat hun voorbeeld daardoor alles behalve veredelend werkte. Toch heeft het nog eeuwen na Christus geduurd, voor hunne eeredienst geheel was verdwenen. De reden daarvan is iets wat de geheele geschiedenis door altijd is op te merken, dat namelijk een geloof als het eenmaal ingang heeft gevonden, bijna niet is uit te roeien. Van vader gaat het over op zoon, steeds van het 'eene geslacht op het andere, en daar de meeste menschen nooit ernstig nadenken, blijven zij maar vasthouden aan wat hun als kind is verteld; zij zijn er tevreden mee. Er gelooven in onzen tijd nog wel volwassenen aan booze geesten, die vee betooveren, die kinderen beheksen en land onvruchtbaar maken; waarom zouden dan de Grieken, vooral de eenvoudige plattelandbewoners, ook niet aan hunne goden zijn getrouw gebleven? Eerst het Christendom heeft langzamerhand hun geloof verdrongen, maar zoo aantrekkelijk, zoo dichterlijk en onderhoudend is de geschiedenis hunner goden en godinnen, dat zij nog steeds eene bron van genot is voor ieder die haar leest. En leerrijk is zij meteen, want eene menigte uitdrukkingen in onze taal zijn zonder haar niet te begrijpen.

De Christenen stellen zich hunnen God voor als almachtig, niets is Hem onmogelijk, geen wezen staat boven Hem. Eene niet-almachtige godheid zouden wij ons zelfs niet kunnen voorstellen. Bij de Grieken is dat anders. Zij weten zelf niet recht wat zij van de almacht hunner goden en godinnen moeten denken; soms gelooven zij er aan; soms weer niet. Allerbelangrijkst is het die weifeling na te gaan, omdat het naar onze meening zoo van zelf spreekt, dat wanneer men eenmaal aan goden in menschelijke gedaante, met menschelijke deugden en gebreken, gelooft, dat men dan ook in twijfel komt of die onvolmaakte wezens wel gerechtigd zijn om het opperste wereldbestuur uit te oefenen. Wij zelf ook zouden wankelen tusschen

ocr page 11

3

het ja en neen, tusschen het al en niet, evenals de Grieken het hebben gedaan. De macht nu die vaak boven de goden wordt gesteld, heet Moira, bij de Romeinen Fatum; wij zouden het woord het best kunnen vertalen door Noodlot. Wat was die Moira? Men wist het niet recht, het was een duister, onvolkomen begrip. Nu eens was het eene macht die het lot van goden en menschen bestuurde; dan weer stond zij onder de goden en volbracht hun wil; dan weer was het een wreed, onbarmhartig, ijzeren noodlot dat nooit te keeren of af te wenden viel. Maar ook werd het opgevat als eene hooge, rechtvaardige macht, die het booze onverbiddelijk strafte en het goede beloonde; zóó hebben de treurspeldichters haar gedacht.

Door het duistere en het onzekere van het begrip Moira, heeft men haar nooit in menschelijken vorm trachten voor te stellen ; zij ontsnapte aan elke bepaalde lijn en zou bovendien niet meer boven de goden hebben kunnen staan, wanneer zij in gedaante en wezen aan hen gelijk ware geweest.

Toch hadden de Grieken behoefte een deel der werkzaamheden van de Moira in beelden weer te geven. Drie zusters regelen den duur van het menschelijk leven ; Klothoon spint den levensdraad ; de naam beduidt dan ook spinster; L ache sis, de toe-deelende, meet zijne lengte; Atropos, de onafwendbare, knipt hem door. De Grieken noemden de drie zusters de Moir en, de Romeinen de Farcen en wij de Schikgodinnen.

Al waren dus de Grieksche goden almachtig noch alwetend , toch konden zij veel. Zij waren meester van de geheime krachten der natuur; op hunnen wenk openden zich de sluizen des hemels en regen, sneeuw of hagel daalde neder; op hun bevel beefde en sidderde het binnenste der aarde en braakten de bergen vuur en rook. Diende de mensch hen door offer en gebed, dan waren zij hem genegen, maar wee den sterveling die hen verwaarloosde of vergat I Hem trof hun vernietigende toorn op vreeselijke wijze.

1*

ocr page 12

4

Het ontstaan der wereld en der Goden.

In den beginne was er niets dan eene ledige, onmetelijke ruimte, Chaos genaamd. Toen ontstond de aarde, Gaia, en de afgrond onder de aarde , de Tarttiros en de macht die alles verbindt, de liefde , Eroos. Gaia bracht Oerünos , den hemel, voort en Pontos, de zee, en de gebergten. Aarde en hemel huwden en kregen achttien kinderen, van wie zes leelijke monsters waren en twaalf zeer schoon. Onder de zes leelijkerds waren er drie met ieder honderd armen en vijftig koppen ; zij staken met al die koppen boven de hoogste bergen uit en waren daardoor vreeselijk om te zien. De drie anderen hadden maar één oog , dat zoo groot was als een wagenrad en zich midden in het voorhoofd bevond. De honderdarmigen heetten Hekatoncheiren en de eenoogigen Kicklopen. De twaalf mooie kinderen waren gevormd als menschen, natuurlijk duizendmaal grooter en schooner. Zes waren goden en droegen den naam Titanen, zes waren godinnen en heetten Titaniden. Maar vader Oeranos had met zijn monsterlijk kroost niet veel op. Zij waren hem wat al te leelijk en daarom verstopte hij hen in den ïar-taros, de onderwereld, die even ver onder de aarde was als de hemel er boven en waar nooit zon of maan scheen , zoodat er geen hand voor de oogen te zien viel. Moeder Gaia echter hield van hare leelijke kinderen evenveel als van de schoone, en daarom werd zij boos om het gedrag van haar man ; zij kon niet velen dat die arme honderdarmigen en eenoogigen in eeuwige duisternis zaten. Zij beloofde dus aan den jongsten der Titanen, Kronos genaamd, dat zij hem helpen zou Oeranos van den troon te stooten en zelf koning der goden te worden , als hij zijne zes ongelukkige broeders- uit den Tartaros wilde halen. Gezegd, gedaan. Kronos bracht de zes weer aan het daglicht, en takelde zijn vader Oeranos daarop vreeselijk toe met een scherpen sikkel , dien Gaia zelf voor dit doel had vervaardigd.

ocr page 13

5

De regeering van Kronos.

Toen deze werkzaamheden waren afgeloopen en Oeranos was afgezet, nam Kronos de teugels van het bewind in handen en verlangde van alle goden en godinnen onderdanigheid. Hij koos zich eene der Titaniden, Rheia , tot vrouw en verhief haar daardoor tot koningin. De leelijke broeders moesten er evenwel weer aan gelooven en hadden van hunne vrijheid niet lang plei-zier. Kronos namelijk vertrouwde hen niet recht en was bang voor hen; daarom stopte hij ze fluks weer in den donkeren afgrond. Toen voorspelde Gaia dat Kronos eens evenals Oeranos, zijne heerschappij door een van zijne eigene kinderen zou verliezen. Dat was eene treurige tijding, maar Kronos vond er iets op. Telkens als hem een godenkind werd geboren, slikte hij het door. In weinig tijd had hij tot groote droefheid van Rheia reeds vijf verslonden. Toen hem dus weer een jongen geboren werd, volgde Rheia een raad op van Gaia; zij nam een grooten steen, wikkelde dien in doeken alsof het een zuigeling was en gaf hem aan Kronos, die oogenblikkelijk, in de meening dat het zijn pasgeboren kind was, den steen door het keelgat liet glijden. Maar den eigenlijken jongen bracht Rheia naar het eiland Kreta, legde hem daar in eene grot neder en beval eene prachtige geit, Amaltheia, het kind met hare melk te voeden. Als het begon te schreeuwen, wat ook godenkinderen wel,eens overkwam, dan dansten geharnaste mannen om hem heen en sloegen met hunne speren tegen de schilden, om Zeus het lawaai van den jeugdigen Zeus, zoo heette het kind, niet te laten hoo-ren. Reeds na verloop van een jaar was Zeus volwassen en de schoonste en sterkste van alle goden geworden. Toen de tijd naderde dat Zeus den strijd tegen zijnen vader zou aanbinden, gaf Gaia, die zooals men ziet niet erg vergevensgezind was uitgevallen , aan hare dochter Rheia eenen beker met een braakmiddel gevuld, en bestemd voor Kronos. Deze nam den beker aan, dronk hem zonder erg uit, en vond de smaak volstrekt niet leelijk; maar het duurde niet lang of de drank begon te werken.

ocr page 14

en de steen en de kinderen die in zijne godenmaag' bedolven lagen, kwamen achtereenvolgens weer te voorschijn, eerst de steen, toen de jongste kinderen en eindelijk de oudsten. Dit waren twee goden en drie godinnen, Poseidoon, Ploetoon, Hera, Devmter en Hestia. Nu begonnen de jonge goden tegen de ouden een strijd, en haalden tot hunne hulp ook de Hekatonchei-ren en de Kuklopen uit hun onderaardsch verblijf. De eenoog-igen, die bazen waren in alle sinidswerk, smeedden uit dank voor hunne bevrijding uitstekende wapens, bliksem en donder. De oude goden verschansten zich op den berg Othrus, de jongen bezetten den berg Olumpos. Tusschen beide bergen lag een uitgestrekte vlakte, uitstekend geschikt voor oorlogsveld. Er. werd slag geleverd. De aarde dreunde onder de voetstappen van de goden. De honderdarmigen sleepten telkens reusachtige rotsblokken aan en bombardeerden den vijand met honderd van die gevaarten. Zeus slingerde bliksem en donder in de gelederen der tegenpartij. Wouden geraakten in brand; de rivieren begonnen te koken. Toch duurde de strijd tien volle jaren.

Eindelijk behaalden de jonge goden de overwinning; de ouden werden geboeid en op hunne beurt in den Tartaros geworpen , waar zij binnen metalen heiningen, omgeven door driedubbelen nacht, door de honderdarmigen en eenoogigen werden bewaakt.

Zeus en de Giganten.

Toen Zeus koning der goden was geworden, koos hij zich zijne zuster Hera tot .vrouw en verhief haar tot koningin. Aan ieder zijner broeders gaf hij een deel zijner heerschappij. De zee kwam onder de bevelen van Poseidoon, Ploetoon werd vorst over de onderwereld, waar de dooden woonden. De goede geit Amaltheia, die eenmaal Zeus had gezoogd, was reeds gestorven en kon daardoor geene belooning meer krijgen; Zeus deed nog wat hij kon en maakte een harer hoornen tot een wonderboom.

ocr page 15

7

Wie dezen in bezit had , die kon maar dit of dat wenschen te eten of te drinken en dadelijk was het er. Doordat er in dien hoorn van alles in overvloed aanwezig was, noemden de men-schen hem Hoorn des Overvloeds.

Moeder Gaia was in haar wiek geschoten. De wraak had een geheel anderen keer genomen dan zij had gedacht; in plaats van hare leelijke kinderen zaten nu de mooie in den ïartaros gevangen. Daarom was zij vertoornd op de jonge goden en godinnen -en omdat zij dezen de heerschappij niet gunde, schiep zij ontzettend wilde reuzen om hen te bevechten en ten onder te brengen. Deze reuzen heetten Giganten en hadden verbazende kracht en onstuimigen moed. Zij braken brokken van de rotsen en bergen af, en wierpen die zoo forsch tegen den hemel, dat het gewelf dreunde. Maar de goden lachten er wat mee, omdat de steenen geen kracht genoeg meer hadden om hen te hinderen, en omdat geen berg zoo hoog Avas om vandaar eene bestorming te kunnen ondernemen. De reuzen kregen echter een snuggeren inval. Zij kwamen namelijk op de gedachte om den eenen berg op den anderen te stapelen en daarmede zoo lang te werk te gaan, totdat zij het hemelgewelf konden bereiken. Eerst reten zij den Ossa met den wortel uit en rolden dien bovenop den Pelion. Terwijl zij zoo met groote opgewektheid bezig waren, slingerde Zeus een geduchten bliksem tegen den Ossa aan, zoodat die kantelde en weer naar beneden rolde. Daarop stormden de goden onder krijgsgeschreeuw van den Olumpos af en begonnen een gevecht ; de Giganten waren zeer sterk en de slag duurde een geheelen dag. Eindelijk werden zij overwonnen en gevangen genomen.

Teneinde ze nu duchtig in bedwang te houden, wentelden de goden op iederen Gigant een zware rotsblok, zoodat niemand van hen aan opstaan kon denken. Een der Giganten wilde over de Middelzee ontvluchten; de dochter van Zeus, Athene, bemerkte het, scheurde een ontzaglijk driehoekig stuk land los en wierp daarmee naar hem. De worp was raak en de Gigant werd midden in zee onder de aarde bedolven. De

ocr page 16

8

aarde zelf bleef liggen, kreeg langzamerhand bosschen en steden en heet tegenwoordig Sicilië. Soms roeren de Giganten zich nog onder hunne last en trachten die van zich te schudden; dan zeggen de menschen ; „er is eene aardbeving.quot; En wanneer zij in hun ongeduld erg boos en driftig worden, dan blaast hun vurige adem door de rotsblokken en bergen heen en spuwen zij gesmolten erts en stéenen uit.

Na de overwinning op de Giganten gaf Gaia het nog niet op, maar schiep een ontzettend monster, den Tuphoon. Deze keek boven de hoogste bergen uit en wanneer hij zijne armen uitstrekte , reikte hij van het oosten naar het westen. Mij had slechts honderd koppen, met verschillende stemmen, zoodat hij spreken kon als een mehsch, brullen als een stier of leeuw, blaffen als een hond en sissen als eene slang. De andere goden werden bang voor hem en verstopten zich in den hemel, maar Zeus wapende zich met bliksemschichten en ging het ondier te lijf. Tuphoon wierp wel met ontzettende rotsen en uit al zijne honderd koppen klonk wel een mergdoordringend krijgsgeschreeuw; Zeus slingerde zijne vurige bliksems naar hem, zoodat hij eindelijk over zijn geheele lichaam — en dat beteekende iets —• in lichte laaie stond. Tuphoon brulde van pijn en rolde zich over den grond om de vlammen tè verstikken; Zeus zond steeds nieuwe bliksems en het vuur nam zoo toe dat de gloed zelfs de wouden aanstak en de grond onder den reus smolt. Nu werd Gaia bang dat de geheele aarde op die wijze zou wegsmelten , daarom pakte zij Tuphoon beet en slingerde hem in den Tartaros. Hier stierf hij, na een kort maar luidruchtig leven.

Gaia had van den oorlog met de goden genoeg ; zij bewaarde den vrede maar mokte nog lang na.

ocr page 17

Prometheus en Epimetheus.

Onder de regeering van Kronos werden de menschen geschapen en men beleefde liet zoogenaamde gouden tijdperk. Er heerschte namelijk eeuwige lente op aarde , en in bosch en veld bloeiden het geheele jaar door de schoonste bloemen. De menschen zelf waren goed en gelukkig; het kon ook slecht anders, want zij konden krijgen wat zij maar begeerden. Zij leefden zeer lang, driehonderd jaar en langer nog, werden daarbij niet oud en grijs, maar bleven altijd jong. Hun huis was de schoone aarde en hun dak de steeds heldere, blauwe hemel. Armen en rijken waren er niet, ook geen voornamen en geringen , allen waren gelijk en leefden onderling in liefelijke eendracht. Hadden zij lang genoeg geleefd, zoodat zij er genoeg van hadden, dan vielen zij in een diepen slaap, waaruit zij niet meer ontwaakten ; dat was hun dood.

Zoodra Zeus aan de heerschappij was gekomen , liet hij dadelijk dit gouden tijdperk ophouden en gaf er een zilveren voor in de plaats. Nu eerst maakten de menschen kennis met zorg en gebrek , nu eerst leerden zij wat levenslast eu stervenspijn is. Het duurde niet lang of bij deze kwellende zorgen kwamen zucht naar rijkdom en naar het ellendige goud. Het verlangen, hunne schatten te vermeerderen, dreef de menschen op de woelige zee en in de diepten der aarde. Dat was het koperen tijdperk. Nog treuriger werd het in het ijzeren. Haat en verderfelijke tweedracht nestelen zich thans onder de menschen; het vroeger zoo vreedzame ijzer dient tot schrikkelijk wapen. Bloedige oorlogen volgen elkander op. De vriend is voor den

vriend, de broeder voor den broeder niet meer veilig. Weer is 1 • i '

de eerbied voor de goden en diep verontwaardigd wenden deze zich van de menschen af, willen niet meer met hen omgaan en trekken zich voor goed terug naar de zonnige toppen van den Olumpos.

Er waren echter twee broeders van goddelijk geslacht, wier vader, een litaan, tegen Zeus had gestreden. Zij woonden

ocr page 18

lO

onder de menschen en waren hun zeer goed gezind. De een heette Promntheus, dat wil zegsen ; die vooruit denkt, de ander Epimetheus, dat, is ; die achterna denkt. Prometheus verzon dus eer hij begon , Epimetheus begon voor hij verzon. Nu had Prometheus ingezien dat de menschen behoefte hadden aan vuur; tot nu toe hadden zij het er zonder gedaan, maar dat kon in zijn oog niet zoo blijven. Men kon geen erts smelten, geen ijzer smeden , geene gereedschappen vervaardigen, dus smeekte hij Zeus om den menschen het vuur te schenken. Maar Zeus had daarop geen plan ; hij was bang dat zij te verstandig en te knap zouden worden en bij slot van rekening hetzelfde zouden willen doen als de goden. Om die reden besloot Prometheus tot heil der menschheid het vuur op aarde te brengen, ofschoon hij wist dat hij daarvoor gestreng zou worden gestraft. Ter volvoering van zijn plan, brak hij een rietstengel af, waarin veel kern zat. Hiermee begaf hij zich naar den hemel en toen de zon voorbij kwam , hield hij hem in de gloeiende stralen. De kern vatte daardoor vlam en brandde in de rietpijp voort. Daarop keerde hij snel naar de aarde terug, legde een groot vuur aan en riep de menschen bijeen om het nieuwe wonderlicht te aanschouwen. Zeus zag het eerst niet, maar toen het donker was geworden, toen werd hij het vuur gewaar en ontstak in hevige woede.

Dit alles viel nog voor in den tijd toen de menschen nog volmaakt gelukkig waren , dus in de gouden eeuw. Zeus besloot aanstonds hun ziekten en rampen te zenden, omdat zij tegen zijn wil het vuur hadden ontvangen. Met dit doel vervaardigde Hephaistos uit klei een wondervol vrouwenbeeld; Zeus schiep er het leven in , en alle andere goden begiftigden het met sierlijke geschenken. Athene bijvoorbeeld verleende haar de kunst om kostbaar weefsel te maken ; Aphrodite omgaf haar hoofd met liefelijke bevalligheid , Hennes schonk haar listigen aard en zin voor vleierij. Kortom deze vrouw werd uitgedost met vriendelijkheid , welsprekendheid en onweerstaanbare schoonheid en men noemde haar Pandöra, de albegiftigde. Hennes , de bode der goden , bracht haar op de aarde bij Epimetheus en zeide;

ocr page 19

11

„Dit schoone meisje zendt Zeus u tot vrouw.quot; Nu had Prometheus zijn broeder wel gewaarschuwd voor elk geschenk van Zeus, maar de zorgelooze en steeds te laat denkende Epime-theus stoorde zich daaraan niet, en nam de schoone maagd dankbaar aan.

Pandora leefde bij Epimetheus en neemt de zorg voor zijne huishouding op zich. Ongelukkig wordt zij op zekeren dag een gesloten vat gewaar en hare nieuwsgierigheid verleidt haar het ^ deksel op te lichten, om te zien wat er in is. Die nieuwsgierigheid kwam het geheele menschdom duur te staan. Zeus had dit vat, gevuld met allerlei ziekten en rampen aan Prometheus en diens broeder geschonken , natuurlijk nog vóór die ongelukkige geschiedenis met het vuur en met het offer. Want zoolang het gesloten bleef, waren de menschen gelukkig en de beide broeders hadden alle kwalen in hunne macht. Maar nu ? Pas was het vat geopend of daar stormden de ziekten en rampen naar buiten en verspreidden zich over de aarde. Alleen de Hoop bleef op den bodem liggen. Deze hoop werd thans een groote zegen. Want nu de uitgevlogen ziekten en rampen niet meer te achterhalen waren en wijd en zijd onhoorbaar de huizen binnendrongen en den mensch onverwacht overvielen te midden der grootste vroolijkheid , nu bewaarde men de hoop als een kostbaar kleinood op den bodem van het vat. Die is den mensch nooit meer te ontnemen en strekt tot troost en steun, ook in grootste lijden.

Zoo werd de mensch gestraft. Waarom ? Omdat Prometheus hem het vuur had geschonken. In ons oog was deze alleen de schuldige. Zeus trof den onschuldigen mensch, maar tevens op vreeselijke wijze diens weldoener.

Twee goden kregen bevel Prometheus naar den berg Kau-kasos te brengen, en Hephaistos, dezelfde die Pandora uit klei had geboetseerd, smeedde hem met sterke ketenen aan een rotsblok vast, zoodat hij hand noch voet kon bewegen. lederen dag kwam een geweldige adelaar, boorde met zijn scherpen snavel het lijf van den weerlooze open en reet er de lever uit. lederen nacht sloot de ijselijke wond zich weder en groeide de

ocr page 20

12

lever weer aan, opdat den volgenden dag het wreede spel op nieuw kon beginnen. Naamlooze pijnen leed Prometheus op deze wijze, maar hij weigerde standvastig Zeus om genade te smeeken, en nooit kwam de wensch bij hem op, dat hij nimmer het vuur had geroofd, en aan de aardbewoners had geschonken. Geduldig droeg hij zijn lijden, totdat eindelijk Herakles den adelaar doodde, en Zeus Prometheus van verdere straf ontsloeg. Tot herinnering evenwel aan zijne ketenen, rnoest hij steeds een ijzeren ring aan den vinger hebben ; daarvan is ook bij de menschen de gewoonte ontstaan ringen te dragen.

Deukalioon en Purrha.

Het menschelijk geslacht was ten gevolge van dat alles verwilderd en zoozeer verslaafd aan misdaad en zonde , dat er geene hoop op beterschap meer bestond , en Zeus het besluit opvatte het menschdom te verdelgen. Hij goot uit de hemelsluizen ontzettende regenstroomen neer, en Poseidoon zijn broeder, de beheerscher van zeeën en rivieren, deed met forsch geweld zijne wateren uit de diepte losbreken, zoodat spoedig de geheele aarde overstroomd werd. Wolf en schaap, leeuw en tijger zwommen bont dooreen, en verzonken de een na den ander in den vreeselijken vloed. De menschen zochten redding op heuvels en bergen en ook op schepen en vlotten; allen werden zelfs op de hoogste toppen, door het wassende water bereikt en bedolven of stierven van honger, terwijl hunne lijken op de wrakken bleven ronddrijven.

Slechts twee menschen, Deukalioon en zijne vrouw Purrha, ontkwamèn aan het algemeene verderf. Zij hadden steeds hun eerbied voor de goden bewaard en met innige vroomheid hunne gebeden en offers gebracht. Eenzaam dobberden zij rond op de onmetelijke watervlakte , in een bootje dat Denkalioon op Prometheus' raad getimmerd en van levensvoorraad voorzien had. Zeus zag hen en besloot hen te redden. Hij zond hun

ocr page 21

13

een gunstigen wind , die hen naar den berg Parnassos bracht, welks toppen nog boven den vloed uitstaken. Zij waren behouden. En het water begon te zakken , de zeeoevers werden weer zichtbaar, de rivieren krompen binnen hare beddingen. Maar rondom was alles akelig leeg; de velden waren bedekt met slijk, onder het water waren de boomen verstikt. Woest en onbewoond strekte de aarde zich voor hen uit; geen mensch, geen dier, niets.

Treurig overzagen beiden het tooneel der ellende; weenend zonken zij op den drassigeu- bodem voor een altaar op de ^ knieën, en baden om herleving van het menschelijk geslacht. Daar weerklonk plotseling eene luide stem en sprak; „Omsluiert uw hoofd en werpt het gebeente uwer moeder achter u.quot; Verwonderd hoorden beiden deze goddelijke woorden en wisten niet wat zij beduidden. Eindelijk echter sprak Deukalioon: „De woorden der goden zijn goed en bedoelen geen kwaad. Onze moeder is de goddelijke aarde en de steenen zijn haar gebeente, dat wij achter ons moeten werpen.quot; Toen deden zij wat hun seboden was. En zie, de steenen verloren hunne hardheid en

O '

onhandelbaarheid, zij werden smedig en namen menschelijken vorm aan. Nieuwe menschen ontstonden, een ruw, hardnekkig geslacht, dat nooit zijnen oorsprong verloochent.

Deukalioon heerschte langen tijd als wijs en rechtvaardig koning over zijne nieuwe onderdanen. Zijn zoon Hellen werd de stamvader van het volk der Hellenen of Grieken.

T a n t a 1 o s.

Geen sterveling stond zoo hoog aangeschreven in de gunst der onsterfelijke goden als Tantalos, koning van Ludia in Klein-Azie. Hij was een zoon van Zeus, rijk aan goud en kudden en vruchtbare weilanden; zijne koningsburg was een prachtig paleis. Dikwijls kwamen de goden bij hem te gast, en smulden aan zijne gastvrije tafel. Want de Grieksche goden hielden van lekker eten en drinken; vooral de geur van den vetdamp die van de

ocr page 22

14

offers omhoog steeg, snoven zij gretig in. Het gebeurde ook wel dat Tantalos op den Olmnpos werd genoodigd en daar deelnam aan de godenfeesten, en bij die gelegenheid hoorde hij alles aan, wat de goden onder elkaar bespraken.

Maar zulk een bovenmatig geluk was den ijdelen Tantalos te zwaar; hij werd overmoedig en zijn overmoed verleidde hem tot slechte dingen. De gesprekken der hemelsche goden, zelfs de geheimen die zij hem hadden toevertrouwd, verried hij aan de menschen. Hij kaapte Nektar en Ambrosia, den drank en de spijs der goden, van hunne tafel weg en gaf aan de aardbewoners daarvan te proeven. Eens stond Zeus hem toe een bewijs van zijne welwillendheid te vragen. Toen zei de kortzichtige; „Ik heb geen bewijs uwer welwillendheid noodig; mijn lot is gelijk aan dat der goden.quot; Er kwam meer bij. Een van Tantalos' vrienden had uit een tempel van Zeus op Kreta een gouden hond gestolen. Tantalos verborg dezen in zijn huis en toen Zeus het beest opeischte, zwoer hij meineedig hoog en laag dat hij nooit van een gouden hond gehoord had.

Alsof dit alles nog niet genoeg wras, viel nog het volgende ijselijke feit voor. Toen eens de goden weer bij hem te gast waren, besloot hij hunne alwetendheid op de proef te stellen. Hij slachtte zijn eigen zoon, den jongen Pelops, kookte zijn vleesch en zette dat aan tafel den goden voor; hij dacht, ze merken het niet. Maar de onsterfelijken weigerden den afschuwelijken schotel; alleen Denieter, de godin van den landbouw, was nog zoo vervuld van de schaking harer dochter Persephone door den god der onderwereld Hades, dat zij in gedachten een kluifje nam en in den schouder van het knaapje beet. 't Spreekt van zelf dat de jonge Pelops zijne menschelijke gedaante van de goden terugkreeg, maar zijn schouder was en bleef aangebeten en daarom kreeg hij een nieuwen van ivoor, 't Is wel aardig dat alle nakomelingen van Pelops daarvan een witte plek op den eenen schouder behielden.

Tantalos kreeg voor al zijne schelmerijen een zeer voldoende straf. Hij werd naar de onderwereld gebannen en hier werden hem de vreeselijkste martelingen opgelegd. Tot aan het hoofd

ocr page 23

15

zat hij in een' meer en leed toch den brandendsten dorst, want hij kon met zijn mond het frissche water dat om zijne lippen speelde, niet aanraken. Zoo dikwijls als hij zich bukte om gretig eene teug op te slorpen , week het water terug en liep weg tot op den grond. Bij dien gloeienden dorst kwam nog de vreeselijkste honger. Wel bogen van dén naasten oever, boomen hunne met kostelijke vruchten beladen takken boven zijn hoofd neer, en schenen sappige peren, roodwangige appels , zoete vijgen , groene olijven en gloeiende granaten met de hand te grijpen — maar zoodra de hongerlijder zich uitstrekte om de vruchten te plukken, dan gierde plotseling de stormwind door de takken en zweepte ze hoog op in de lucht. Eindelijk benauwde nog een derde ellende den ongelukkige ; de vreeselijkste angst folterde zijn hart. Nooit had hij een oogenblik vrede en rust, want vlak boven zijn hoofd hing een reusachtige rots, die elk oogenblik naar beneden kon storten en hem in haar val verpletteren. ' Zulk een jammerlijk , nimmer eindigend leed werd Tantalos beschoren , die eens in overvloed en heerlijkheid troonde , maar in zijn voorspoed den eerbied vergat, aan de goden verschuldigd.

N i o b e.

Niobe was eene dochter van Tantalos en gehuwd met Am-phioon, koning van Thebae. Zij was even trotsch en overmoedig als haar vader, en niets ter wereld vleide haren trots meer, dan dat zij moeder was van zeven knappe zonen en evenveel bloeiende dochters. Zij ging daarin zelfs zoo ver dat zij haren onderdanen, den Thebanen, verbood aan Latöna, de moeder van Apolloon en Artemis te offeren ; zelf verlangde zij voor zich dat goddelijk eerbewijs. „Waagt het niet die armzalige godin boven mij de voorkeur te geven! Op slechts tivee kinderen draagt zij roem, ik op zevenmaal meer. Weg dus met de offers voor haar; ik wil er in 't vervolg niets meer van hoo-

ocr page 24

i6

ren!'' Zooals van zelf spreekt, liep dat niet goed af. In eene wolk verborgen, vlogen Apolloon en Artemis in een ommezien naar Thebae. Daar waren voor de stadspoorten de zonen van Niobe juist bezig met vroolijke spelen. Apolloons snelle pijlen strekten den een na den ander ontzield ter neer. De mare van het ongeluk verbreidde zich snel door de stad. Amphioon, de vader , hoorde de jobstijding en doorboorde zich de borst met het zwaard. Het geweeklaag zijner dienaren en van het geheele volk drong spoedig door tot in de vrouwenvertrekken. Het duurde lang, voordat Niobe zich de schrikkelijke waarheid kon voorstellen; zij kon maar niet gelooven dat de hemelsche goden zulk eene macht bezaten , dat zij zoovele voorrechten op den mensch vooruit hadden. Maar spoedig was twijfel niet meer mogelijk. En nu, hoe veranderd was Niobe! Wat geleek zij weinig meer op die vrouw , die nog pas het volk had weggejaagd van de altaren der machtige godin en die zoo fier, met opgeheven hoofd door de stad voortschreed! Kort geleden nog benijdbaar zelfs voor hare vrienden , nu reeds beklagelijk voor hare vijanden! Zij snelde door de straten buiten de stadspoort, zij stortte zich neer op de kille lijken, zij overstelpte hare zonen met hare laatste liefkozingen; ieder kreeg zijn deel van hare kussen. Eindelijk hief zij hare handen ten hemel en riep; „Verkwik ii nu aan mijne smart, verzadig nu uw bloeddorstig hart, wreede Latona! De dood dezer zeven kinderen werpt mij in het graf; verheug u, vijandin, gij hebt mij overwonnen!quot;

Thans waren ook hare zeven dochters, reeds in treurgewaad gekleed, genaderd en omringden met loshangende haren, het teeken van rouw, de gedoode broeders. Een straal van leedvermaak gleed bij dezen aanblik over Niobe's bleek gelaat. Zij vergat alles om zich heen en sprak met schamperen lach, het oog ten hemel heffend; „Overwonnen ? Neen, zelfs in mijn ongeluk blijft mij meer, dan u in uw geluk. Zelfs na zooveel lijken ben ik nog overwinnares!quot; Zij sprak. ^ Maar onmiddelijk op haar woord snorde een pijl van Artemis' boog en trof doodelijk Niobe's oudste dochter. Weer suist het door de lucht; weer zonk eene in elkaar. Nog eene; nog eene.

ocr page 25

17

Alleen de laatste was nog over. De arme was gevlucht en had zich kinderlijk vertrouwend tegen moeder aangedrongen, die haar beschermend omgaf met de plooien van haar kleed. Laat Tnij deze ééne,quot; schreide Niobe, „deze ééne, mijne jongste, de laatste van zoovelen!quot; Maar nog was hare bede niet uitgesproken , of een doodelijke schok doortrilde het ongelukkige kind; ook zij viel levenloos ter aarde. Daar zat Niobe, tus-schen de lijken van haren man en van al hare kinderen. Het verdriet versteende haar. Geene ritseling of golving meer in hare lokken ; uit het gezicht week het bloed ; de oogen stonden onbewegelijk in het marmeren gelaat; in het geheele beeld was geen leven meer; de polsslag stokte; de hals, de arm, de voet, niets bewoog zich; tot in het binnenste was Niobe veranderd in kouden steen. Alleen hare tranen bleven vloeien ; onophoudelijk stroomden die uit de verstijfde oogen. Toen, op eens, daar kwam eene geweldige stormvlaag. Zij slingerde den steen de lucht in en sleurde hem mee over land en zee. Eerst in het oude vaderland van Niobe, in Ludia, liet zij hem los boven een woest gebergte, boven den eenzamen, verlaten Sipulos. Daar hechtte Niobe zich als een rotspunt aan den top van den berg, en nog huiden ten dage wordt het marmeren beeld gedrenkt door tranen.

P e I o p s.

Pelops, de zocrn van Tantalos, erfde na zijn vaders verhuizing naar de onderwereld, diens rijk maar werd door een naburigen koning daaruit verdreven. Hij trok nu over zee naar Griekenland en kwam op het zuidelijke Schiereiland van dit land, dat later naar hem Peloponntsos, dat is Pelopseiland, heette.

Daar regeerde in dien tijd in het landschap Elis koning Oinomüos, die eene zeer mooie dochter had , Hippodameia genaamd, eene prinses waarnaar reeds menige jonge held met smachtende oogen had gekeken. Nu had echter het Orakel

ocr page 26

i8

aan Oinomaos voorspeld dat zijn schoonzoon hem van het leven zou berooven. Daarom wilde hij dat Hippodameia, zijn eenige dochter, ongehuwd bleef, en om iederen vrijer af te schrikken, liet hij rondbazuinen dat hij zijne dochter alleen aan dengene tot vrouw zou geven, die hem in het wagenrennen overwon; maar dat ieder dien hij overwon, zou worden ter dood gebracht.

Dat was een uiterst lastig geval voor de vrijers, want koning Oinomaos bezat een span paarden, dat sneller liep dan de wind; het was een geschenk van den Zeegod Poseidoon. Daarenboven was er in geheel Griekenland geen wagenmenner te vinden, zoo vlug en behendig als zijn dienaar Murfïlos. Dat neemt niet weg dat vele voortreffelijke helden aan het koninklijke hof kwamen, bereid om voor het bezit van de schoone Hippodameia het leven te wagen. Maar Oinomaos was zoo zeker van de overwinning , dat hij aan de vrijers een aanzienlijk eind voor gaf. De renbaan, die de mededingers moesten afleggen, strekte zich uit van de stad tot een altaar van Poseidoon op de landengte van Korinthos. Dat was geene kleinigheid; Oinomaos was dan ook zeker dat hij zich bij den afrit niet behoefde te haasten. Op zijn gemak offerde hij, als zijn tegenpartij reeds was weggereden, nog eerst aan Zeus een ram, besteeg met Murtilos den wagen als het offer geheel was afgeloopen, en joeg in duizelende vaart zijn mededinger na. Altijd gelukte het hem voor den eindpaal den anderen wagen in te halen; altijd ook stiet hij, in het oogenblik van voorbijrijden, den ongelukki-gen vrijer zijne doodelijke speer in den rug. Op die wijze had hij reeds dertien jongelingen doorboord, en hunne hoofden boven de poorten van zijn paleis doen ophangen, als waarschuwend voorbeeld voor ieder die nog dacht aan de mooie oogen \ an

de schoone Hippodameia.

Toch verscheen weldra een nieuwe vrijer voor den koning. De roep van de schoonheid zijner dochter, lokte ook den jongen Pelops naar Elis, en toen hij de schitterende jonkvrouw met zijne oogen zag, toen was er geen houden meer aan; hij moest en zou haar echtgenoot worden. Zonder list kon evenwel haar vader met zijne vliegensvlugge rossen niet overwonnen worden.

ocr page 27

19

Daarom zocht Pelops in 't geheim 's konings paarden menner Murtilos op en sprak tot hem: „Wanneer Oinomaos het in den wedren van mij wint, dan gebeurt dit alles door uwe kunst en uwe verdienste, voortreffelijke Murtilos; maar welke bijzondere belooning ontvangt gij daarvoor van den koning? Niets. Ik echter zou u het rijkste loon schenken dat gij u denken kunt, als gij mij de zege in handen speelt. Want met het bezit van Hippodameia valt mij tevens het rijk van haren vader ten deel; hiervan zou ik u voor uwe hulp de eene helft afstaan. Dan zoudt gij niet meer zooals tot nu toe een koningsdienaar zijn, maar zelf koning en dat verdient gij immers ook door uwe knapheid en behendigheid. Moeilijk zal het niet zijn om alles zoo te regelen, dat niemand iets van het bedrog merkt. Hoe? Wel, gij zorgt er eenvoudig voor dat onder den wedren de wagen van den koning breekt en de oude eruit valt, dan zullen de snelste paarden hem weinig meer kunnen helpen.quot;

Door zulke voorspiegelingen liet Murtilos zich verleiden om zijn meester ontrouw te worden. Voor den afrit trok hij heimelijk uit den koninklijken wagen de ijzeren pennen die de raderen verhinderden van de as te loopen, en bracht daarvoor zwartgemaakte staafjes was in de plaats. Op de gewone manier begon de wedstrijd. Pelops reed vooruit, koning Oinomaos offerde, zorgeloos als altijd, zijn ram , en stormde toen , recht overeind in den wagen, de hoog opgeheven lans in de rechterhand zwaaiende , den in de verte nauwelijks nog zichtbaren Pelops in wilde vaart na, om hem den rug te doorboren zooals hij het den anderen had gedaan. Reeds was hij den jongeling op korten afstand genaderd, reeds maakte hij zich vaardig om hem den doodelijken stoot toe te brengen, toen plotseling de raderen van .den suizenden wagen sprongen, Oinomaos ter aarde stortte, zich in de teugels verwarde en door de steeds voortvliegende rossen te pletter werd gesleurd. Pelops daarentegen bereikte kort daarop zonder ongeluk het doel van den wedren. Zoo won hij de schoone Hippodameia en met haar den troon haars vaders.

Maar nu wendde Murtilos, de verrader, zich tot hem en sprak: „Vervul uwe belofte en geef mij het loon dat gij mij

2*

ocr page 28

20

hebt toegezegd.quot; Deze aanmaning beviel Pelops in het geheel niet; hij was veel te ingenomen met het pas verworven rijk om er een ander een deel van te gunnen. Hij overdacht op welke wijze hij Murtilos kon bedriegen, zooals hij zelf met Murtilos Oinomaos had bedrogen. Onder een of ander voorwendsel noodigde hij zijnen medeplichtige vriendelijk uit om eene wandeling met hem te doen langs het zeestrand. Toen beiden daar op een in de zee uitstekende rots stonden, gaf Pelops zijnen begeleider onverwachts een krachtigen stoot, zoodat deze hals over kop in de bruisende diepte stortte. Murtilos zonk weg maar kwam nog eens weer boven , en nu weerklonk uit zijnen mond eene ijselijke vervloeking over Pelops en zijn geheel geslacht. Daarop verdween hij voor altijd.

Deze vervloeking bleef niet onvervuld. Wel werd Pelops de machtigste koning van de geheele Peloponnesos , maar zijn huis raakte verdeeld en nieuwe misdaden brachten het nader aan den ondergang. Zijne zonen Atreus en Thuestes, vervolgden elkander in een vreeselijken broedertwist, en zelfs onder zijne kindskinderen kwam er nog geen einde aan de lange rij van zonden, die het ongelukkige geslacht van Tantalos bezoedelden.

M i d a s.

Toen de god van den wijn Dionusos, nog op aarde verkeerde om de menschen te leeren hoe zij den wijnstok planten en uit de druif den kostelijken wijn persen konden, kwam hij ook in het rijk van Midas, den rijken vorst van Phrugia. In zijn gevolg bevond zich ook de oude, dikbuikige Silvnos, die op bevel van Zeus den jongen god had opgevoed. Toevallig raakte deze verdwaald en werd door de dienaren van Midas voor den koning gebracht. Welwillend nam deze' hem op , onthaalde hem vele dagen lang gastvrij en liet hem toen tot Dionusos terugbrengen. Daarover ten zeerste verheugd , stond de god aan Midas toe een geschenk, wat hij maar wilde , te vragen. En wat koos Midas? „Laat alles wat ik aanraak, in goud veranderen!quot; bad de dwaas.

ocr page 29

21

Natuurlijk werd zijn wensch vervuld, een man een man , een woord een woord. Buiten zich zelf van blijdschap dankte Midas den god voor zijne goedertierenheid. Te laat echter kwam het berouw! Het eten dat hij aan zijn mond wou brengen, veranderde in goud, goud werd de wijn dien hij aanraakte met zijne lippen. Angstig en beschaamd snelde hij naar Dionusos terug en bad vurig dat hem de heillooze gave weer werd ontnomen. „Ga u baden in de rivier Paktölosantwoordde de god , „en duik driemaal met uw hoofd onder water.quot; Midas deed het, en de verleende gave verliet hem, maar sedert dien tijd voert de Paktölos goudkorrels met zich mede.

Eens waagde de herdersgod Paan het, met Apolloon een wedstrijd aan te gaan in het fluitspel en in het tokkelen op de lura. De lura was een snareninstrument, eenigszins lijkende op onze harp en gewoonlijk lier genoemd. Koning Midas was scheidsrechter. Toen Paan zijn spel geeindigd had, begon Apolloon de lura te bespelen en ontlokte haar zulke wonderschoone tonen, dat de vogels verstomden en zelfs de boomen des wouds ingespannen luisterden. Maar de dwaze Midas kende den herdersgod den prijs toe. Daarvoor rekte Apolloon zijne ooren uit en maakte er ezelsooren van. Sedert dien tijd droeg de koning eene lange muts, waarin de lange ooren verstopt waren. Alleen zijn hofbarbier moest bij het scheren 's konings schande wel bemerken , de muts moest dan wel af. Op straffe des doods werd hem echter verboden over de zaak te spreken. Maar een barbier kan slecht zwijgen; zoo was het in de dagen van Midas en zoo is het nog. Ook onzen vriend werd het geheim te machtig en toch, hij had zijn hoofd ook lief. Op een oogenblik dat hij het geval niet langer kon inhouden, ging hij aan den oever eener . rivier, groef een diep gat in den grond en fluisterde met zachte stem er in; „Koning Midas heeft ezelsooren!quot; Toen maakte hij het gat weer dicht en ging tevreden opstaan; hij had zijn hart gelucht en toch het geheim bewaard. Zoo dacht hij. Maar toen op de plaats later biezen groeiden, toen klonk het dikwijls zachtjes in den wind; „Koning Midas heeft ezelsooren!quot; en zoo is het geheim onder de menschen gekomen.

ocr page 30

22

Orpheus en Eurudike.

Wonderlijke gaven bezaten de menschen van dien overouden tijd. De zanger Orpheus zong zoo heerlijk bij den klank der lier, dat wilde beesten zich als lammeren zoo mak, aan zijne voeten nedervlijden, dat boomen hunne wortels uit den grond scheurden om de zoete tonen te volgen, 'ja dat zelfs steenen door zijn gezang tot in hun binnenste werden geroerd. Zijne echtgenoot was de nimf Kurudïke. 1 oen deze eens met hare vriendinnen op eene weide speelde, werd zij door den beet \an eenen adder vergiftigd en moest sterven. Orpheus echter opende door zijn bezielenden zang, de poorten der onderwereld. Hij daalde daarin af. Kerberos, de driekoppige helhond, die geen levende in het huis van Hades mocht toelaten, liet geheel be-tooverd, Orpheus door en deze bereikte zonder de minste hindernis den troon .van Hades. En zoodra hij in de volle snaren greep en met smeekende stem hare liefelijke tonen begeleidde , toen gebeurde iets wat nooit had plaats gegrepen. De Eumeni-den, de schrikkelijke godinnen der wraak, weenden hare eerste tranen, Tantalos vergat den hem ontvluchte nden vloed, endiep ontroerd gaf Hades den zanger zijne vrouw terug.

Maar niet eerder zou hij naar haar omkijken, beval de god, voordat hij buiten het onderaardsche schimmenrijk gekomen was. Het hartverterende verlangen was echter machtiger dan het goddelijk bevel. Reeds waren zij genaderd tot de grens der bovenwereld, toen Orpheus zich omkeerde en de armen naar zijne vrouw uitstrekte — als eene ijle schim ontvlood zij zijnen handen. Treurend zat de machtige zanger zeven dagen en zeven nachten aan den oever van den Acheroon, de rivier die het rijk van Hades omklotst, toen eerst keerde hij naar de aarde terug. Eenzaam en alleen leefde Ifij voort en het verdriet over zijne verloren gade knaagde aan zijn hart. Door woedende Mainaden werd de ongelukkige aan stukken gescheurd, zij waren vertoornd geworden omdat hij het gezelschap van vrouwen vermeed. De vogelen des wouds beklaagden zijnen dood,

ocr page 31

23

treurend lieten ook de boomen hunne twijgen hangen, zelfs de levenlooze steen jammerde luid en met droevig gemurmel ijlden beek en stroom voort. Orpheus werd thans echter voor goed met zijne vrouw vereenigd.

Phaëtoon.

Phactoon was de zoon van den zonnegod Helios, en van eene sterfelijke koningsdochter. Toen hij eens met zijne maktcers speelde, beroemde hij zich op zijnen vader, maar men lachte hem uit en zei dat hij niet van goddelijke afkomst was. Diep gekrenkt besloot hij zelf zijnen vader te gaan opzoeken en zich zekerheid te verschaffen. Hij ging op weg naar de schitterende zonneburcht, door Hephaistos' hand op de hoogste top eens bergs gebouwd. Hij trad door de poorten van het paleis, zag het stralende gelaat van zijnen vader en bleef verblind aan den ingang staan. Maar Helios steeg terstond van zijnen troon, nam den stralenkrans van het hoofd en vroeg zijnen zoon wat hij verlangde. „Men twijfelt op aarde dat gij mijn vader zijt,quot; zoo sprak de jongeling; „geef mij een pand , dat mijne afkomst ontwijfelbaar bewijst.quot; „Wees gerust,quot; antwoordde de god, „daar gij zeker mijn zoon zijt, moogt gij eene gunst van mij vragen, ten teeken dat ik waarheid spreek. Ik zweer u bij 'de goden der onderwereld, dat ik uw verzoek zal vervullen.quot; Toen bad de onbezonnen jongeling, dat Helios hem voor één enkelen dag het bestuur over den zonnewagen zou toevertrouwen. Tevergeefs bezwoer zijn vader hem van zijne bede af te zien; Phactoon liet zich niet overreden. Helios had den heiligen eed gezworen en moest volbrengen wat hij had beloofd.

En nu, de jongeling begeeft zich naar den met goud en zilver en kostbaar edelgesteente schitterenden wagen. De Horen, de eeuwig jeugdige godinnen der jaargetijden, spannen de vuursnuivende , met godenspijs gevoederde paarden aan, en met de vaderlijke vermaning om toch steeds den juisten weg te houden, springt

ocr page 32

24

riiactoon op den bok. Driftig schieten de rossen voorClit — maar weldra missen zij de zekere hand van den goddelijken bestuurder ; als een lichte boot zwaait de wagen door de wolken, en onbeteugeld verlaten de dieren de zekere baan. Phaëtoon verschrikt , zijne knieën knikken, te laat voelt hij berouw over zijne onzinnige bede. Vol angst staart hij naar de dreigende gestalten van den dierenriem aan den hemel. Daar strekt de kreeft zijne lange scharen naar hem uit; hij laat de teugels glippen en van nu af sleuren hem de rossen in woeste vaart mee. Zij -rennen den weg naar de aarde op ; de wolken beginnen te verdampen, de boomen van het woud beginnen te branden, de rivieren drogen uit, en zelfs tot de onderwereld dringt het verblindende licht van den zonnewagen, zoodat Hades verschrikt de schaduw zoekt. Driemaal verheft Poseidoon zijn gelaat uit de kokende zee, driemaal duikt hij doof de hitte weer onder. Toen erbarmde zich Zeus over de bedreigde aarde, en met een trillende bliksemschicht stort hij den ongelukkigen Phaëtoon van den reeds brandenden wagen. Als eene ster die verschiet, zoo tuimelde hij neer in de onmetelijke diepte. Treurend weeklaagde de vader over den zoon; een geheelen dag bleef hij verborgen in zijn paleis, een geheelen dag bleef het menschdom van het zonnelicht verstoken.

De aarde heeft sints Phaëtoons onbezonnen waagstuk, de sporen daarvan behouden. Afrika is voor een groot gedeelte uitgedroogd en tot woestijn geworden. En de bevolking van dat werelddeel heeft nog steeds eene verbrande , zwarte huid.

Sisuphos.

Korinthos, de prachtige handelsstad aan de smalle landengte tusschen Hellas en de Peloponnesos, werd gesticht en voor het eerst geregeerd door Sisuphos, den listigsten aller menschen. Als rusteloos zeeman onvermoeid bedacht op winst, wist hij zich door sluwheid en bedrog onmetelijke rijkdommen te ver-

ocr page 33

25

werven. Zijne hebzucht verleidde hein, zelfs verraad tegen de goden te plegen. Toen zond Zeus tot straf den doodsgod op hem af, om hem naar de onderwereld over te brengen. Maar Sisuphos was niet licht te vangen. Hij bemerkte de nadering van Thanatos , den doodsgod, viel hem o verwacht te lijf en sloot hem op in een diepen kerker. Een tijdlang stierf er nu geen mensch.

Eindelijk verscheen de sterke krijgsgod Ares, bevrijdde Thanatos uit zijne boeien en leverde Sisuphos aan hem over. Tegen zijn zin verhuisde deze nu naar het rijk van Hades, maai* hij had reeds zijne maatregelen genomen om spoedig weer weg te loopen. Hij had namelijk aan zijne vrouw opgedragen om de gebruikelijke doodenoffers voor hem niet te brengen, en toen nu de god der onderwereld zijne ontevredenheid betuigde dat hij geene offers ontving ,* sprak de listige Sisuphos; „Dat is een zwaar vergrijp van mijne vrouw tegen u , hoogen heerscher van het doodenrijk ! Ik gevoel mij over dat onwaardig gedrag zeer bezwaard. Sta mij toe dat ik eventjes naar de bovenwereld terugkeer , om die goddelooze vrouw te straffen en tot haar plicht te brengen. Zoo spoedig als ik maar eenigszins kan, dat zweer ik u met de heiligste eeden , zal ik weer voor u verschijnen, om hier eindelijk rust te kunnen vinden.quot;

De god liet hem gaan , en de sluwaard ontsnapte andermaal aan de macht des doods. Niet de minste haast maakte hij om weder in de onderwereld af te dalen, zooals hij had beloofd. Het heldere zonnelicht der bovenwereld beviel hem veel te goed, om het dadelijk weder te verruilen tegen de duisternis van het schimmenrijk. Lichtzinnig gaf hij zich over aan het vroolijkste, weelderigste leven. Maar met deze heerlijkheid was het spoedig gedaan ; te midden van een overdadig feest grijpt plotseling Hermes hem aan , de god die steeds de dooden naar den Hades geleidde , en sleurt hem met geweld terug in de onderwereld.

Nu is er geen ontkomen meer aan voor den misdadiger, en nooit eindigt de kwaal, hem in het schimmenrijk opgelegd. Met geweldige inspanning, werkend met handen en voeten, wentelt hij een zwaar rotsblok uit het dal tegen eene steile berghelling

ocr page 34

26

op Heeft hij hem stenend, met ongeloofelijke krachtsinspanning, op'den top gebracht, en gelooft hij eindelijk de laatste wenteling te kunnen volbrengen, dan plotseling draait de last terug en de grillige steen rolt in onophoudelijke vaart terug in de diepte. Zoo moet de verdoemde, van angstzweet druipend, altijd van voren af zich afmatten in vergeefschen arbeid.

Bellerophonles.

• Een kleinzoon van dezen Sisuphos was Bellerophontes de zoon van Glaukos, koning van Korinthos. Hij had het ongeluk op de jacht met een werpspies, waarmede hij een hert dacht te treffen, zijn broeder te raken en te dooden. Daarom moest hij vluchten; want wie, al was het ook zonder opzet, een moord

had begaan, die werd als bezoedeld uit zijn vaderland verdreven.

Zoo kwam hij bij den koning van Argos, een zijner bloed-

/jUU JVWrtlU Hij i-quot;J O rr 1

verwanten, die hem goedhartig opnam, door zoenoffers van e bloedschuld reinigde en als vriend in zijn huis behield. Maar wat wil het geval. Na eenigen tijd klaagde de koningin den ionCTeling, wien de goden schoonheid en edele mannendeugd ha -den verleend, bij haren echtgenoot aan dat hij haar tot ontrouw had willen verleiden. Dat was een door haar verzonnen leugen-, want zij haatte Bellerophontes juist daarom, dat hij haar lichtzinnig verlangen had versmaad, om met schandelijk bedrog tegenover haren man, haar tot vrouw te nemen. Maar de koning „eloofde de lasterlijke woorden zijner vrouw en besloot aen jongeling te dooden; toen liet er op aankwam, schrikte hij er echter van terug, zelf de hand te slaan aan zijnen gastvriend. Daarom zond hij hem naar Klein-Azie tot zijnen schoonvader, koning /Ms van Lukia, en gaf hem een tafeltje mede, waarin zekere teekenen waren gegrift, die het verzoek bevatten om den overbrenger na zijne aankomst te dooden.

Bellerophontes, niets kwaads vermoedend, deed. ce \erre reis van Korinthos naar Lukia en kwam bij lobates aan. De koning

ocr page 35

27

ontving, naar de gastvrije gewoonte dier heldentijden, den edelen jongeling zeer eervol, zonder hem eerst te vragen wie hij was, en vanwaar hij kwam. Negen dagen lang onthaalde hij hem feestelijk, iederen morgen offerde hij een vetten stier en het eene vroolijke gastmaal volgde op het andere. In dien tijd kreeg de koning den schoonen, wakkeren jonkman lief en op den tienden dag vroeg hij hem zijn naam en het doel waarmee hij gekomen was. Toen overhandigde Bellerophontes hem het verzegelde tafeltje. lobates schrikte van de bloedige opdracht, hem door zijn schoonzoon gezonden; ook hij kon niet besluiten den vreemdeling, die hem zoo lang een dierbare gast was geweest, zoo maar om het leven te brengen. Toch geloofde hij dat deze schuldig was aan een misdrijf, dat slechts door den dood kon worden geboet; daarom droeg hij hem ondernemingen op, die hem naar het scheen, onvermijdelijk den ondergang moesten berokkenen.

Allereerst zond hij hem uit om de Chimaira te dooden, een vreeselijk, vuurspuwend monster, van voren leeuw, van achteren slang en in het midden geit. De goden verleenden den held hunnen bijstand bij het gevaarlijke werk, door hem het onsterfelijke, gevleugelde paard Pegasos van den Olumpos toe te zenden. Dit beroemde ros was uit het lichaam van de door Perseus ge-doode Medoesa ten hemel gestegen, had nog nimmer een mensche-lijken ruiter gedragen en had zich nooit laten opvangen en temmen. De hulpvaardige godin Athene echter schonk Bellerophontes een met goud beslagen teugel, dien het edele dier zich gewillig liet aanleggen; toen sprong de held in metalen rusting op zijnen rug en rende pijlsnel de lucht in. Suizend vloog hij voort, tot hij boven de bergkloof kwam waarin de afschuwelijke Chimaira huisde. Hij schoot eenen pijl naar beneden en wondde het monster aan den hals, zoodat het oorverdoovend brulde en woedend zijn vuuradem de lucht in blies, zonder trouwens den op zijn krachtig ros rondzwevenden ruiter te zengen. Een tweede schot boorde de wondergeit in den bek; een zwarte bloedstroom gudste naar buiten. Daarop een derde schot. Dit drong midden in het hart. Met-een woesten zijsprong zakte de Chimaira dood

ocr page 36

28

in elkaar. Nu daalde de Pegasos op aarde neer, Bellerophontcs steeg uit den zadel, hieuw het drieledig beest den kop af en bracht dezen den verbaasden lobates.

Na deze heldendaad droeg de koning aan Bellerophontes den strijd op tegen de Solumers, een krij gshaftigen volksstam, die van de naburige bergen strooptochten deden in het Lukische land. De held overwon deze vijanden in een moorddadig gevecht.

Hierop beval hem lobates eenen tocht tegen de dappere Amazonen, een volk dat enkel bestond uit vrouwen, en dat ten oosten van de Zwarte Zee woonde. Ook dezen bestreed hij met grooten roem en keerde zegevierend uit den kamp terug. amp; Nu erkende lobates dat de geduchte held die bij hem als gast was gekomen, een lieveling was der goden; hij gaf hem de schoonste zijner dochters tot gemalin en deelde met hem zijn rijk. De Lukiërs echter zochten den vruchtbaarsten akker voor hem uit en gaven hem dien in eigendom.

Zoo leefde Bellerophontes vele jaren in ongestoord geluk, bemind en geprezen door de menschen, gezegend door de liefde der onsterfelijke goden. Maar in het geluk, zie toe! De voorspoed vervulde zijn hart met overmoed, zoodat hij, strevende naar het bovenmenschelijke, de begeerte koesterde zich met de goden op eene lijn te stellen.

Om door te dringen tot het paleis van Zeus op den hoogen Olumpos, besteeg hij op nieuw den Pegasos, die hem tot zulke luisterrijke overwinningen had gebracht. Toen trof de toorn des verhevenen hemelvaders den verblinden sterveling. Het goddelijke paard, door Zeus wild gemaakt, steigerde torenhoog in de lucht en wierp den driesten ruiter ter aarde, zoodat hij ellendig neerkwam.

Maar Pegasos roeide op zijne wieken naar de eeuwige woning van Zeus.

ocr page 37

29

Meleagrös en Atalanta.

In de stad Kaliidoon woonde koning Oinens, wiens vrouw Altheia was. Toen deze eens na de geboorte eens zoons, in den nacht ontwaakte, zag zij op den haard een vuur branden en er om heen drie vrouwen staan, grooter en statiger dan andere vrouwen. Het waren de drie Moir en, de godinnen waarvan wij in de inleiding hebben gesproken. De eene zeide; „Tk schenk het kindje dapperheidquot;; de tweede zeide; „Ik schenk het een edel hartquot;; de dettle zeide; „Ik schenk het een leven dat zoo lang duurt, tot dit brandhout in asch verandertquot;, en wees daarbij op een in het vuur liggend blok hout. Toen zij daarop verdwenen, verhief Altheia zich van haar leger, nam het blok uit het vuur, bluschte het met water en legde het in eene kast waarin zij hare kostbaarheden placht te bewaren. De ouders noemden het kind Meiengros; het groeide flink, werd sterk en moedig. Toen Meleagrös jongeling was geworden, was hij reeds een dappere held en hielp in alle oorlogen wakker mee. Nu had Artemis, de godin der jacht, die vertoornd was op den koning, omdat voor haar alleen van alle goden en godinnen bij het oogstfeest geen altaar was opgericht, een geweldig everzwijn in het land gezonden. Het was veel grooter dan andere wilde zwijnen, had twee lange, spitse slagtanden en was zoo wild en sterk, dat geen jager den moed had zich met het dier te meten, ofschoon het groote verwoestingen aanrichtte, in de kudden viel en mensch en vee doodde. De koning zond daarom boden tot alle bekende helden en noodigde hen uit, naar 'Kaludoon te komen om op den ever jacht te maken; allen beloofden het en verschenen op den bepaalden tijd. Met hen kwam evenwel een meisje de jacht bijwonen. Zij heette Atalanta en had een wonderbaarlijk lot gehad. Haar vader had de goden gebeden hem een zoon te schenken, en werd over de geboorte van het meisje zoo boos, dat hij het kind in eene eenzame bergstreek te vondeling legde. Toen het daar eenen dag en eenen nacht had gelegen, kwam eene berin, wie de jagers hare jongen hadden ont-

ocr page 38

SO

nomen, treurig dien kant uit, hoorde het schreien van het kind, naderde, liefkoosde het en bood het haar voedsel, dat het kind gretig nam. Sedert dien dag kwam de berin dagelijks terug, speelde met het kind en zoogde het. Na eenigen tijd vonden jagers het, namen het mee en brachten het naar hun huis. Daar maakten zij een zacht bedje gereed, gaven het zoete melk tot voedsel en namen het meisje, toen het grooter was geworden , steeds mede op de jacht. Atalanta, zooals zij door hen genoemd werd, kende geen grooter genot dan het woud te doorkruisen en de wilde dieren na te loopen, en hield niet op voor zij van de jagers eene jachtspeer had gèkregen. Toen werden hare voeten snel en hare armen sterk; zij velde vele dieren en werd eene knappe jageres. Alleen de beren liet zij met vree, omdat zij aan eene berin het leven dankte. Op de tijding van de op handen zijnde jacht, begaf ook zij zich op weg om daaraan deel te nemen.

Negen dagen lang vermaakten de helden bij Oineus zich op allerlei wijze. Voor den tienden dag was de jacht bestemd, en diegene die den ever doodde, zou als eereprijs huid en kop ontvangen. Daar intusschen Meleagros , de fiere , kloeke jonkman de heldhaftige jonkvrouw had lief gekregen, zette hij het door dat ook zij aan de jacht zou mogen deel nemen, ofschoon zijne eigene ooms daar tegen waren. Met vele dienaren togen de helden het woud in, waar de ever zijn leger had. Ter plaatse gekomen, joegen de drijvers hem op en dreven hem naar eene opene plek , waar de helden zich achter boomen verscholen hadden. De ever stond, loerde naar alle kanten, alsof hij gevaar rook en woelde den grond met zijne slagtanden om; zijne oogen brandden als vuur, de borstels stonden recht overeind en hij knorde zoo vreeselijk dat menig held de moed in de schoenen zonk. Nu vlogen van verschillende kanten speren op hem los; het everzwijn stoof vooruit in de richting waaruit de eerste worp was gekomen, en reet met zijne scherpe tanden een der jagers het lijf open. Een tweeden verging het niet beter, en een derde werd doodelijk gewond door de te hoog aangelegde speer van een zijner makkers. Drie helden lagen dus ter aard en nog had

ocr page 39

31

de ever geen droppel bloed vergoten. Nu wierp Atalanta naar hem; de speer trof in den rug, zoodat het bloed er uit gudste; wierp andermaal en de speer boorde in het oog. Meleagros' speer zwierde door de lucht en drong in de vveeke zijde, zoodat het ondier dood neerstortte. Men sneed het den kop af, stroopte de huid en gaf Meleagros den eereprijs, die dezen echter aan Atalanta afstond, daar zij den ever het eerst had gewond. Hiertegen echter kwamen de ooms van Meleagros op; er ontstond twist en de ooms werden gedood. Toen de koningin den dood harer broeders hoorde, beving haar radelooze smart; zij weeklaagde en rukte zich de haren uit. Er bestond in dien tijd evenwel eene gewoonte, waarbij de bloedverwanten van een ge-doode den moord op den moordenaar moesten wreken. In haar eersten toorn bedacht de koningin niet dat hij, die hare broeders had verinoord, haar eigen zoon was, maar dacht alleen aan haar gedoode bloedverwanten; daarom haalde zij het in de kast bewaarde blok hout voor den dag, waaraan Meleagros' leven hing, wierp het op den brandenden haard en liet het daar verteren. Meleagros was nog met de helden onderweg; toen evenwel het laatste vlammetje op den haard was uitgebluscht, zonk in hetzelfde oogenblik, de jongeling neer en gaf den geest. Nu kwam het berouw bij Altheia over haar onberaden daad; maar als altijd, kwam ook nu dat berouw te laat. Een onzeglijke smart greep haar aan, zoo overweldigend dat zelfs geen tranen haar ontvloeiden. Zij verwenschte het leven, dat geene bekoorlijkheid meer voor haar had, en sloeg de hand aan zich zelf. Zoo eindigde geluk en blijdschap in jammer en geween, en de oude koning bewoonde nu eenzaam en treurig het eens zoo vroo-lijk paleis.

Atalanta was evenals alle andere helden, weer heengegaan en zwierf van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in het woud rond, en was nergens .liever dan onder de groene boomen. De roep harer schoonheid lokte vele vrijers in hare nabijheid ; maar steeds denkend aan Meleagros wees zij ieder aanzoek af en bepaalde eindelijk dat haar hand zou krijgen, wie haar in den wedloop overwon; de verliezer zou evenwel moeten sterven.

ocr page 40

Drie vademen voorsprong gaf zij ieder die het waagde, zich met haar te meten, en stak hem zonder genade neer als zij hem had bereikt. Reeds hadden velen hun leven verspeeld, toen waagde Meilanioon den kamp en overwon haar met behulp van Aphrodite , de godin der liefde.

D a n a o s.

Koning Belos van Lubia, dat is Afrika, liet zijn rijk aan zijne beide zonen na. Aiguptos kreeg het naar hem genoemde Aiguptia (Egypte), Danaos erfde het overige land. Beide broeders waren zeer rijk aan kinderen. Aiguptos had vijftig zonen, Danaos vijftig dochters. De vijftig zonen van Aiguptos begeerden de dochters van Danaos , de Danaïden, tot vrouw; maar toen hun verlangen werd geweigerd, begon Aiguptos een oorlog tegen zijn broeder en overwon hem.

Danaos van zijn rijk beroofd, vluchtte met zijne dochters naar het landschap Argos, in Griekenland, vanwaar zijn geslacht stamde en naar Afrika was overgeplant. De vluchtelingen vonden in hun oude vaderland vriendelijk onthaal; zelfs riepen de burgers van Argos Danaos tot koning uit, nadat een wonder-teeken hun had beduid, dat dit de wil der goden was.

Ondertusschen hadden de trotsche zonen van Aiguptos schepen uitgerust en landden nu met vele troepen in Argos, om met geweld de Danaiden meester te worden. Danaos moest voor de overmacht wijken en zijne dochters aan de gehate vrijers tot vrouw geven. Maar door eene gruwzame list trachtte hij terstond den gedwongen huwelijksband te verbreken. Hij gaf zijnen dochters in het geheim dolken en liet haar zweren , in den nacht, volgende op het schitterend bruiloftsfeest, hare echtgenoo-ten in den slaap te vermoorden.

Alle Danaiden volbrachten de schrikkelijke daad; slechts eene van haar, ffupcyiyiïicsti'ci genaamd, spaarde uit liefde haar man Lunkeus. Om hem van het doodsgevaar te redden, wekte zij

ocr page 41

33

hem uit den slaap en sprak; „Sta op en vlucht; uwe broeders zijn door hunne vrouwen gedood.quot; En zij voerde hem heimelijk uit het paleis en gaf hem eene fakkel, die hij op den berg voor de stad moest ontsteken en in de hoogte houden, tot teeken voor zijne gemalin, dat hij gelukkig was ontkomen. Daarop steeg zij op het dak van het huis en staarde met kloppend hart naar den berg. Eindelijk vlamde het toortslicht omhoog; Hu-permnestra echter keerde vroolijk naar haar vertrek terug; zij wist nu, dat Lunkeus was gered' Den volgenden morgen trad zij onbevreesd met hare zusters haren vader onder de oogen ; deze prees zijne andere dochters alle, dat zij, aan zijn bevel gehoorzaam , hare mannen hadden doorstoken ; op Hupermnestra echter was hij geweldig vertoornd en liet haar in boeien slaan. Maar eene rechtbank, die hij uit de aanzienlijkste en wijste mannen samenstelde, om zijne dochter te veroordeelen , sprak haar vrij van schuld en straf. Ook Danaos zelf liet zich eindelijk verzoenen en stond Lunkeus toe, als gemaal van Hupermnestra naar Argos terug te keeren. Van dit paar, dat later Danaos in de heerschappij opvolgde , stamde een nieuw koningsgeslacht , waartoe de ■ beroemde helden Perseus en Herakles behoorden.

De overige Danaiden moesten evenwel voor haar misdrijf in den Hades zware straf verduren : onophoudelijk, dag en nacht, moesten zij water gieten in een vat, dat nimmer vol werd, daar in den bodem tallooze gaten waren aangebracht.

Perseus.

Perseus was de zoon van Zeus en Daniïr-. Zijn grootvader, koning Akrisios van Argos, had eens van het orakel de voorspelling ontvangen, dat hij door de hand zijns kleinzoons den dood zoude vinden. Daardoor verschrikt, liet hij moeder en zoon in eene gesloten kist in zee werpen. Maar Zeus redde hen en liet hen drijven naar een eiland, waar een gastvrije koning

3

ocr page 42

34

regeerde. Vriendelijk trok deze zich de ballingen aan en voedde Perseus aan zijn hof op.

Toen Perseus volwassen was, ontving hij van den koning de opdracht, het hoofd van Me doe sa te halen , die aan den versten oever van den Okeanos woonde. Medoesa was eene der drie Gorgoneu, een afschuwelijk monster in vrouwengedaante. In plaats van haren, kronkelden slangen om haar hoofd, dat bovendien met drakenschubben was bedekt; uit haren mond staken evenals bij wilde zwijnen,- groote slagtanden ; hare handen waren van ijzer en aan de schouders zaten vleugels, die haar in de lucht droegen. Wie haar aanzag, werd door haar vreeselijken blik in steen veranderd.

Om te beginnen wist Perseus niet eens den weg, die hem naar de Gorgonen moest brengen. Maar de goden verleenden den zoon van Zeus hunne hulp: de wijze Athene gaf hem haar schitterend schild, Hervies zijne gevleugelde schoenen en zijn zwaard. Zoo met het noodzakelijkste uitgerust, tevens ook ingelicht omtrent den weg, vloog Perseus door de lucht naar de duistere woonplaats der Gorgonen. Hij trof ze slapend en naderde haar ruggelings, om niet door haar aanblik te worden versteend. Daarop, terwijl hij het spiegelgladde schild van Athene zóó hield, dat hij daarin Medoesa kon zien, hieuw hij forsch toe en scheidde haar in één slag het hoofd van den romp. Hij verborg het in eenen zak, dien hij voor dit doel had meegebracht, en sprong weer terug in de hooge lucht om den weg naar zijn vaderland terug te keeren.

Vermoeid door de lange vlucht, wilde hij onderweg bij koning Atlas uitrusten, die het ontzettend groote hemelgewelf op zijne schouders torschte. En toen de onvriendelijke grijsaard hem met harde woorden onderdak weigerde, hield hij hem plotseling Medoesa's hoofd voor. Atlas versteende en werd een reusachtige berg. Tot in de wolken reikte zijn rotsige kruin. Nog altijd staat hij daar, aan Afrika's noordkust.

Na andermaal te zijn opgevlogen, zwierde Perseus boven de woonplaats van vele volken en bereikte eindelijk de kusten van het land Aithiopia. Daar zag hij aan eene rots, die in zee

ocr page 43

35

uitstak, eene schoone jonkvrouw geketend, in wier oogen tranen glinsterden. „Wie zijt gij?'', vroeg hij, terwijl hij nederdaalde, „en wie heeft u in deze boeien geslagen?quot;

„Ach, antwoordde zij treurig, ik ben de ongelukkige dochter van den koning van Aithiopia en heet Andromeda. Mijne moeder heeft de zeenimfen tegen zich in het harnas gejaagd, omdat zij zich beroemde schooner te zijn dan zij allen. Vertoornd klaagden dezen toen over den smaad haar aangedaan, bij Poseidoon, den heerscher der zeeën; hij zond terstond een grooten vloed over het land en daarbij nog een ontzettend monster, dat alle dagen uit de zee opduikt en inensch en dier verslindt. In dezen nood wendde zich mijn vader tot het orakel, en dit beloofde redding aan het land, wanneer ik, de dochter der koningin, het afschuwlijke zeedier tot spijs werd voorgehouden. Het angstige volk drong bij mijn vader aan, om het bevel der godspraak te gehoorzamen; daarom ziet gij mij hier aan deze rots geklonkenquot;.

Nauwelijks had Andromeda deze woorden gesproken, daar ruischten de golven der zee en uit de diepte dook het ondier op. Vol doodelijken angst gaf de jonkvrouw een luiden gil. Nauwelijks echter had Perseus het gevaar bespeurd, waarin het meisje verkeerde, of hij greep zijn zwaard en hieuw dit zoo diep in den nek van het monster, dat het onmiddelijk stierf. In hunne groote vreugde en dankbaarheid gaven de ouders hem hunne dochter tot vrouw, juist zaten de gelukkigen aan het bruiloftsmaal, toen Phineus, de verloofde van Andromeda, met gewapend gevolg de zaal binnentrad en van Perseus de bruid terug-eischte, die hij zelf vroeger lafhartig had verlaten. Een gevecht was onvermijdelijk, het vroolijk feest zou met bloed worden bezoedeld. Daar grijpt Perseus het Medoesahoofd en houdt het Phineus en zijnen makkers voor; als steenen beelden bleven zij staan.

Nu keerde Perseus met zijne gade naar zijne moeder terug. Maar nog moest het woord worden vervuld, dat het orakel tot zijnen grootvader Akrisios had gesproken. Toevallig troffen grootvader en kleinzoon elkaar bij een wedstrijd aan, zonder elkaar

1

3*

ocr page 44

36

te kennen. Perseus deed een ongelukkigen worp met de diskosschijf en trof Akrisios zoo geweldig tegen het oog, dat de oude man doodelijk gewond ter aarde zonk. Te Iaat werd Perseus gewaar, wien hij had gedood. Hij volgde zijn grootvader in de regeering over Argos op en leefde verder rustig met zijne gemalin, niet langer vervolgd door de slagen van het noodlot. Het hoofd van Medoesa schonk hij' echter aan godin Athene, die het op haar borstharnas hechtte, als een vreeselijk wapen tegen hare vijanden.

H e r a k I e s.

De sterkste held uit den Griekschen voortijd was Heriikles, de zoon van Amphitruoon en AlktmnK, in Thebai geboren, waarheen zijn vader wegens een moord zonder voorbedachten rade, uit Argos was gevlucht. Daar Herakles zulk een geweldig held was , die bovenmenschelijke daden bestond , geloofden de Grieken dat niet Amphitruoon zijn vader was, maar Zeus, de hoogste God, en dat de gemalin van Zeus , Hera , daarom Herakles zoo heeft gehaat en hem aan allerlei gevaren en moeiten heeft blootgesteld. Toen Herakles nog in de luren lag, zond Hera twee reusachtige slangen om hem te dooden ; maar het ventje richtte zich op , pakte in iedere hand een der monsters en vermorzelde ze tegen den rand van zijne wieg. Zij wendde het lot zoo , dat Herakles, wien door Zeus de heerschappij over Mukënai was toegedacht, de dienstknecht werd van zijnen zwakken en lafhartigen neef Eurnstheus , aan wien Hera de regeering van Mukenai had verschaft.

Toen Herakles ongeveer zestien jaren oud was, zond hem zijn vader naar de kudden op den berg Kithairoon. Hier versloeg hij den zoogenaamden Kithairoonschen leeuw, die onder de kudden veel schade had aangericht. De huid droeg hij als mantel, zoo dat zij hem over den rug hing, en de muil hem als een helm op het hoofd zat. Zoo ziet men hem dikwijls in oude beelden voorgesteld; zijne gewone wapenen zijn de boog en de

ocr page 45

37

zware knots. — Op zekeren dag sloop de jongeling van de kudden en herders weg naar de eenzaamheid, en overlegde daar welken levensweg hij in de toekomst moest bewandelen. Toen naderden hem twee rijzige vrouwengestalten. De eene was vol waardigheid en ingetogenheid , eerbaar en bescheiden , de andere was schoon en verleidelijk, ijdel en behaagziek, en drong de eerste op. zij. Zij beloofde hem langs den aangenaamsten en gemakkelijksten weg te zullen voeren, door louter vreugde en geluk. „Wie zijt gij?quot; vroeg de jongeling. „Mijne vrienden noemen mij Genot, maar mijne vijanden die mij willen vernederen , noemen mij Zondequot; Nu kwam ook de andere naderbij en sprak; „Ik ben de Deugd; als gij mij volgt, mijn zoon., dan wordt gij een voortreffelijk arbeider op het veld van het goede en schoone; gij zult wel vele moeiten en gevaren hebben te doorstaan — want de goden verleenen dén menschen zonder arbeid en moeiten geen geluk — maar eenmaal oogst gij eer en roem.quot; Ue jongeling volgde zonder dralen den weg der Deugd.

Niet lang daarna beval het Delphische Orakel Herakles naar Mukenai te gaan tot koning Eurustheus, om in diens dienst twaalf zware werken te verrichten; na de volbrenging daarvan zou hem de onsterfelijkheid ten deel vallen. Allereerst beval Eurustheus hem het vel van den Nemeischen leeuw te brengen, die vreeselijk in het dal van Nemoa huis hield. Herakles schoot naar het dier, maar de pijl stuitte af; het was onkwetsbaar. Daarop viel hij het met zijne knots aan en dreef het in zijn hol. Hier wilde hij het monster te lijf, maar dit dook ineen en schoot met woesten sprong op de borst los van den jongeling. Herakles ving het op en wurgde het in zijne armen. — De tweede strijd gold de thuira van Lerna , een waterslang met negen koppen, waarvan de middelste onsterfelijk was. Wanneer Herakles één kop afhieuw, dan groeiden daarvoor telkens twee koppen in de plaats. Daarom diende hij er iets op te vinden , wilde zijn arbeid niet hopeloos worden. Zoodra er een kop was afgevallen, brandde hij onmiddelijk den stomp met een gloeienden boomstam uit, en op den onsterfelijken kop wierp hij een ontzettend rots-

ocr page 46

38

blok. Met de giftige gal der hudra bestreek hij zijne pijlen , waardoor hunne wonden ongeneeselijk werden. — Nu volgden de drie jachtavonturen in Arkadia. Het Kerunitische hert, een aan de jachtgodin Artemis geheiligd dier, met gouden gewei en koperen hoeven, onvermoeid en van ongeloofelijke snelheid, ving Herakles op Eurustheus' bevel levend, nadat hij het een jaar lang door vele landen had vervolgd. Ook den -Erumatiti-schen ever, die het landschap aan den voet van den berg Erumanthos verwoestte en de menschen doodde , ving hij levend; hij dreef het varken in de diepe bergsneeuw, bond het en droeg het weg. In een woest dal aan den oever van een meer bij Stum-phalos huisden in ontzaglijke zwermen de Stumphalische vogels, afschuwelijke roofvogels met metalen vleugels, klauwen en snavels; hunne scherpe veeren konden zij afschieten als pijlen. Zij waren de schrik van mensch en dier. Herakles joeg ze op door het geluid van twee ijzeren kleppers , die godin Athene hem voor dit doel had gegeven , en schoot ze toen met zijne pijlen dood. Een deel echter vloog ver weg.

Koning Angelas in Elis had kudden vee , talloos als de wolken des hemels , en in den grooten hof waarin al deze dieren waren saamgedreven , had zich de mest zoo opgehoopt, dat het onmogelijk scheen hem te reinigen. Herakles deed dit op verlangen van Eurustheus en wel op één enkelen dag , door namelijk de rivieren Alpheios en Peneios er door te leiden. — Hierop ging Herakles naar Kreta en ving den Kretischen stier levend. Dit schoone , reusachtige dier had Poseidoon uit de zee laten opduiken opdat Koning Minoos hem zou offeren. Maar toen Minoos hem in zijne kudden behield en een ander offerdier slachtte, toen maakte de vertoornde Poseidoon het dier dol, zoodat het alles verwoestend, het geheele eiland onveilig maakte. Herakles bracht den stier gebonden naar Mukenai, waar Eurustheus, doodelijk verschrikt, het dadelijk weer liet loopen. Bij Mariithoon in Attika werd hij later door Theseus gevangen en aan Apolloon geofferd. — In Thrakia huisde in een sterken burcht, aan het strand der zee, een barbaarsche koning, Dionudes, die zeer sterke en wilde paarden bezat, welke menschenvleesch vraten. Daar

ocr page 47

39

elk paard op behoorlijken tijd zijn voedsel moest hebben, was Diomedes er steeds op uit, de vreemdelingen die op zijn strand verzeilden , dood te slaan en zijnen rossen voor te werpen. Hera-kles ontving de opdracht deze dieren naar Mukenai te halen. Hij versloeg Diomedes in een bloedigen strijd, wierp het lijk aan zijne paarden voor en bracht ze daarop naar Eurustheus, die ze natuurlijk weer liet loopen. Zij werden in het gebergte door wilde dieren verscheurd.

De volgende tochten van Herakles gingen ver naar Oost en West. In Azie woonde het krijgshaftige vrouwenvolk, de Amazonen , die door Koningin Hippolttte werden geregeerd. Deze droeg als teeken harer waardigheid een kostbaren gordel, welken Admeta, de dochter van Eurustheus, gaarne wilde bezitten, en daarom werd Herakles uitgezonden om hem te halen. Hippolute wilde aanvankelijk den gordel vrijwillig geven ; maar door toedoen van Hera kwam het tot een gevecht met de Amazonen, waarbij Herakles de koningin doodde en haar den gordel ontnam. — In het verre westen, op het eiland Erutheia, weidden de runderen van Gerusnes, een reus, uit wiens buik drie lijven waren gegroeid; die runderen werden gehoed en bewaakt door den reus Eurutioon en den tweekoppigen hond Orthros. Toen Herakles het bericht ontving de runderen te gaan halen , trok hij door. Europa en Libua (Afrika) en richtte, aan beide zijden van de straat van Gibraltar, geweldige rotsen op, als gedenk-teekenen aan zijn eersten tocht. Aan den rand van den Oketoos gekomen, wist hij niet op welke wijze hij over de w-ateren van dien grooten wereldstroom, Erutheia zou bereiken. Nog zat hij, onzeker wat te doen, toen juist Helios, de zonnegod, met zijnen wagen van de toppen des hemels kwam rijden en het hem met zijne gloeiende stralen wat al te warm maakte. Toen hem dit begon te vervelen, spande de held zijn boog en legde op den god aan. Deze bewonderde zijnen moed, en in plaats van boos op hem te worden, leende hij hem zijne bekervormige zonneboot, om daarmee naar Erutheia te varen. In deze boot placht Helios iederen nacht op den Okeanos terug te varen naar het oosten, het punt van zijnen opgang. Herakles

ocr page 48

40

versloeg op Erutheia den herder met zijnen hond en dreef de runderen weg, en toen Geruones hem nazette, velde hij ook dezen. Aan Helios gaf hij de boot terug en dreef toen de runderen met vele moeite naar Griekenland.

Ook de volgende daad voerde hem naar het uiterste westen. Aan den oever van den Okeanos stond in de bloeiende tuinen van Atlas, een wonderboom \\\q.1 gouden appelen, welke de aarde eens voor Hera als een geschenk bij haar huwelijk, had laten groeien; de dochters van Atlas, de Hesperiden, verzorgden den boom en een nimmer slapende draak bewaakte hem. Herakles moest drie van de gouden appelen halen en kwam eindelijk, na lang rondzwerven, bij den reusachtigen Atlas, die voor zijne tuinen staande, het hemelgewelf op zijne schouders droeg. Deze plukte de appelen, terwijl Herakles zoo lang de ontzettende vracht van hem overnam. Toen Atlas evenwel met de drie appelen terugkwam, wilde hij den zwaren hemel niet weer opnemen , maar zelf de appelen aan Eurustheus brengen. Herakles, ook niet dom, verzocht hem in dat geval effentjes den hemel op te lichten, dan zou hij zich een kussen op den schouder leggen, die wat zeer deed. Atlas liet zich vangen, en Herakles raapte snel boog, pijlen en appelen van den grond en poetste vriendelijk groetend, de plaat. Eurustheus schonk hem de gouden vruchten en hij wijdde ze aan Athene, die hem in zijne werken zoo dikwijls had bijgestaan.

De laatste en zwaarste onderneming van Herakles was het naar boven slepen van Kerbëros, den vreeselijken hond, die de wacht hield in de onderwereld. Hij had drie koppen en een in den kop van een levenden draak uitloopenden staart; bovendien droeg hij op den rug manen, die in plaats van uit haren, uit slangen bestonden. Herakles daalde bij Tainftron(kaap Matapan) in de onderwereld en verkreeg van Ploetoon, den vorst der schimmen, verlof, den hond met zich naar de bovenwereld te nemen, als hij hem zonder wapenen kon machtig worden. De held drukte Kerberos in zijne ijzersterke armen, bond hem stevig vast en droeg hem zoo naar het rijk des lichts, om hem aan Eurustheus te laten zien. Daarop bracht hij het liefelijke schepsel naar Ploetoon terug.

ocr page 49

41

Na de volbrenging dezer twaalf daden was Herakles uit den dienst van Eurustheus ontslagen, en kon naar vrije keuze op avonturen uitgaan. Zoo ondernam hij onder anderen uit wraak eenen tocht tegen Troja, het bekende Troje. Hij had namelijk, toen hij van de Amazonen terugkwam, de dochter van den Troischen koning Laomëdoon, Hesiom, die tot redding van haar vaderland, aan een door Poseidoon gezonden zeemonster zou worden opgeofferd, gelukkig bevrijd. Als belooning. hiervoor, had haar vader hem de paarden beloofd, die hij van Zeus voor den geschaakten Ganumëdes ten geschenke had ontvangen. Na den dood van het ondier, had Laomëdoon echter geen woord gehouden. Om die reden trok nu Herakles met een leger tegen Troja op en veróverde het. Laomëdoon werd met al zijne zonen, behalve den jongsten, Todarkes, omgebracht. Hesione werd den held Telamoon, die zich door dapperheid had onderscheiden, als krijgsbuit uitgeleverd; met haren sluier kocht het meisje haren broeder Podarkes los, die hiernaar PriïuHos werd genoemd, de losgekochte. Deze bleef in het land en herstelde liet koninkrijk.

In Oichalta op Euboia heeschte koning Eurütos , een bekwaam boogschutter. Deze beloofde dengene die hem in het boogschieten verwon , zijne schoone dochter lok tot vrouw. Herakles won het van hem; maar Eurutos gaf hem zijne dochter niet en joeg hem nog met smaad en hoon zijne woning uit. Daarom doodde Herakles niet lang daarna in zijn eigen burcht Eurutos' zoon Iphïtos, door hem, zijnen gast, in eene vlaag van waanzin van den burchtmuur naar beneden te storten. Tot straf hiervoor moest Herakles op bevel van Zeus drie jaren voor loon gaan dienen. Hij werd aan OvipMk , de koningin van Lukia, verkocht en de koopprijs werd Eurutos als zoengeld aangeboden. In dien tijd namelijk kon men eenen moord uitdelgen , door aan de naaste verwanten eene geldsom tot schadevergoeding te geven. Eurutos was met dit bloedgeld niet gediend en weigerde het aan te nemen; hierdoor werd de vijandschap tusschen zijn geslacht en Herakles nog grooter. Bij Omphale werd Herakles diep vernederd; de trotsche koningin trok hem een lang vrouwenkleed aan en zachte

ocr page 50

42

sandalen en liet hem wol spinnen , terwijl zij zelf daarbij stond , in zijne leeuwenhuid gehuld en met de knots spelend , die eens reuzen en monsters ter aarde had geveld. Toch vergunde zij hem somtijds nog op een heldenavontuur uit te gaan ; zoo bleef de oude geest in Herakles voortleven.

Niet lang na zijne slavernij in Lukia trok Herakles naar Kalüdoon in Aitolia , waar de gastvrije koning Oineus troonde; deze Jiad eene schoone dochter, Deïaneira ; naar welke Herakles wilde vrijen. De jonkvrouw had nog een ander minnaar, den naburigen stroomgod Acheloos , die haar tot haar grooten schrik, dikwijls in de gedaante van een stier een bezoek kwam brengen. In een vreeselijk tweegevecht, waarbij de stroomgod zich in allerlei gedaanten veranderde , ontworstelde Herakles het meisje aan zijnen medeminnaar. Als echtgenoot van Deïaneira bleef hij langen tijd in het paleis van Oineus, tot een moord zonder voorbedachten rade, hem dwong het land te verlaten. Hij trok met zijne jonge vrouw naar Trachis , naar zijn vriend Keüx. Toen hij onderweg de rivier Euënos overtrok, liet hij haar door den Kentaur Nessos op zijn breeden rug overbrengen. De Kentauren hadden namelijk van voren een menschenlichaam en eindigden van achteren in een paardenlijf. Toen Nessos op den anderen oever was, wilde hij met zijnen last doorgaan ; maar Herakles zond hem een pijl na en doodde hem. Stervend ried nu de Kentaur aan Deïaneira, het aan den vergiftigden pijl klevende bloed als toovenniddel te bewaren , voor het geval dat Herakles haar ontrouw werd en aan een andere vrouw zijne liefde schonk.

Terwijl Herakles in Trachis woonde , ondernam hij uit wraak eenen tocht tegen Eurutos. Hij veroverde en verwoestte Oichalia , versloeg Eurutos en zijne zonen en nam Ible als krijgsgevangene mede. Toen hij haar naar Trachis vooruitzond en Deïaneira hare schoonheid aanschouwde, werd deze bang dat Herakles haar verstoeten en löle huwen zoude. Daarom liet zij hem , om zijne liefde aan zich te boeien , een feestgewaad brengen, dat doortrokken was met het vermeende , van Nessos ontvangen toovermiddel. Hiermede bekleed, wilde Herakles aan Zeus , op

ocr page 51

43

het Euboiische voorgebergte Kenaion, een dankoffer wijden voor zijne overwinning. Maar nauwelijks was het in het gewaad getrokken gif aan zijn lichaam warm geworden, of het drong verterend in zijne leden, zoodat hij de schrikkelijkste pijnen onderging. In zijn woede slingerde hij den overbrenger van het kleed in zee. Daarop liet hij zich naar Trachis brengen, waar Deïaneira zich zelf had gedood, zoodra zij had vernomen welk onheil zij tegen willen en weten had gesticht. Toen Herakles gewaar werd, dat het gif van Nessos afkomstig was, die op deze wijze zijn eigen dood aan hem had gewroken , toen werd hij overtuigd van zijn naderend einde, want een orakel had hem voorspeld dat hij gedood zou worden door een doode! Hij liet zich nu naar Oita dragen , richtte zich daar een brandstapel op en ging er op liggen, de voorbijgangers, maar te vergeefs, smeekende dien aan te steken. Eindelijk deed Philoktctes het, de koning op den berg Oita, en kreeg daarvoor van den held zijnen boog en de nooit missende pijlen. Het vuur vlamde hoog op , bliksemstralen schoten van den hemel neer en wakkerden den brand aan, en Herakles steeg onder het rollen van den donder op eene wolk omhoog, naar den Olumpos. Het sterfelijke aan hem is door het vuur verteerd en de held, die op aarde zoovele grootsche werken heeft volbracht, neemt als onsterfelijke deel aan de gemeenschap der goden. Hebë, de godin der eeuwige jeugd , wordt zijne vrouw.

De Argonautentocht.

In de Boiotische stad Orchomenos heerschte koning AtMmas, een zoon van Aiolos. Hij had eene godin tot vrouw, NepMli, die hem twee kinderen schonk Phrixos en Helk. Maar toen Athamas bovendien nog eene sterfelijke vrouw nam, Ino, eene dochter van Kadmos , toen verliet Nephele zijn huis, en hare kinderen hadden het van nu af slecht; want de stiefmoeder haatte ze en stond hun zelfs naar het leven. Eindelijk bracht zij het

ocr page 52

44

zoover, dat Athamas besloot Phrixos als offer te slachten. Maar Nephele zond den kinderen eenen ram met gouden vacht of vlies, en die droeg hen op zijnen rug ver weg, steeds door de lucht, over land en zee. Helle viel van den ram af in de zee, die naar haar den naam Hellespontos ontving, de zee van Helle; want pontos beteekent zee. Het kind verdronk. Phrixos evenwel kwam gelukkig in Kolchis aan, aan de noordoostkust der Zwarte Zee, en werd daar door den tooverkoning A iet es gastvrij opgenomen. Hij offerde den ram aan Zeus, ten dank voor zijne redding en schonk het gulden vlies aan Aietes , die het ophing in eenen tuin, aan den god des oorlogs, Ares, gewijd en door eenen nimmer slapenden draak liet bewaken. In Griekenland gold het voor onmogelijk het vlies te rooven. Maar het werd toch geroofd , en wel door held lasoon en de Argonauten.

In lolkos namelijk, een stad in Thessalia, was Aisoon , uit het geslacht van Aiolos, koning; hij werd door zijn halfbroeder Pelias van de heerschappij beroofd. Toen hem zijn zoon lasoon geboren werd, vreesde hij dat Pelias dezen zoude dooden, en zond den knaap daarom heimelijk naar het naburig gebergte Pelion, naar den wijzen kentaur Cheiroon, om hem op te voeden, terwijl Aisoon in zijn huis een lijkfeest ging vieren , als ware de jeugdige lasoon gestorven. In Pelion groeide lasoon op tot een prachtigen jonkman. Twintig jaren oud, keerde hij naar zijne vaderstad terug. Onderweg verloor hij bij het doorwaden eener rivier zijn eenen schoen, en toen op de markt van lolkos de toevallig voorbijkomende koning hem met éénen schoen zag staan, verschrikte hij hevig ; want een orakel had hem gewaarschuwd voor den man met éénen schoen; die zou hem ongeluk brengen. lasoon maakte zich aan den trotschen koning vrijmoedig als zoon van Aisoon bekend, en ging naar de woning zijns vaders, die den krachtigen zoon met vreugdetranen ontving. Na eenige dagen trok lasoon met zijne bloedverwanten naar het paleis van Pelias en eischte van dezen voor zijnen vader de teruggave der heerschappij. Pelias deed alsof hij gaarne afstand zoude doen van den troon; hij verzocht alleen aan lasoon hem vooraf uit Kolchis het gulden vlies te halen; hem zelf had het

ocr page 53

45

orakel deze onderneming als familieschuld opgedragen, maar hij was er te oud voor. Pelias hoopte natuurlijk, dat de gevreesde jongeling van dit gevaarlijke avontuur nooit zou terugkeeren.

lasoon nam echter de opdracht vol vreugde aan en bereidde zich voor tot den verren tocht. Hij verzamelde als krijgsmakkers de eerste helden van Griekenland, onder wie Herakles en Theseus, de gebroeders Telfimooii en Peleus, Meiengros, den zoon van Oineus, Laertes, den vader en Autolnkos, den grootvader van Odusseus, Zetes en KalWis, de gevleugelde zonen van Borëas, den Noordenwind, dén beroemden zanger Orpheus en nog vele anderen meer. Toen de helden, de bloem van Griekenlands jongelingschap, zich in lolkos verzamelden, stond het groote schip dat hen zou opnemen, reeds kant en klaar op het strand. De bouwmeester Argos had met behulp van godin Athene het schip gebouwd; daarom heette het Ar go, en de helden die er op voeren, werden Argonauten (Argo-schippers) genoemd. Zij kozen lasoon eenparig tot aanvoerder.

De tocht ging over Lemnos en door den Hellespontos. Toen zij na tal van avonturen aan Musia's kust landden, op de plek waar later Prusias, tegenwoordig Bursa, lag, ging Hulas, een schoone knaap, dien Herakles teeder lief had en met zich mee op reis had genomen, uit het legerkamp, om voor zich en zijnen beschermer water voor het avondeten te halen. Hij vond in een bosschigen kloof eene bron, en toen hij zich bukte om te scheppen, trokken de nimfen der bron, in liefde ontgloeid, den schoonen knaap tot zich neder in den stroom. Een vriend van Herakles, Poluphemos, hoorde de angstkreten van den zinkenden Hulas; hij meende dat een wild dier of roevers hem het gebergte in sleepten en doorzocht haastig den omtrek. Hij vond Herakles, die zich in het bosch een nieuwen roeiriem had gesneden, en nu dwaalden beiden den geheelen nacht en den volgenden dag roepend en zoekend door het gebergte; maar zij vonden den knaap niet. Ondertusschen voeren de Argonauten verder. Poluphemos zette zich in het land neer, Herakles echter ging naar Argos terug, in dienst van Eurustheus, nadat hij vooraf den inwoners der streek had opgedragen, Hulas te zoeken, tot

ocr page 54

46

zij hem hadden gevonden. Zoo kwam het dat de Musiërs in het vervolg jaarlijks een feest vierden, waarop zij, den naam Hulas roepende, in de bosschen ronddwaalden.

Op hunne verdere vaart kwamen de Argonauten aan den ingang der Zwarte Zee. Hier stonden de Sumplegaden, twee geweldige rotsen, aan beide zijden van den ingang, die aanhoudend onder ontzettend ruischen en bruisen tegen elkaar sloegen, zoodat tot nu toe geen schip het had gewaagd, er tusschen door te varen. Aan deze zijde der Sumplegaden op den Thrakischen oever woonde de waarzegger Phinetcs, dien de goden om zijne zonden met blindheid hadden gestraft, en die bovendien nog door eeuwigen honger werd gekweld; als hij zich eten liet voorzetten , kwamen terstond de Harpuien (Harpyen), jonkvrouwen in vogelengedaante, uit de lucht aanvliegen en roofden alles weg. De Argonauten bevrijdden hem voor altijd van deze onliefelijke wezens, en als dank hiervoor lichtte hij hen in omtrent de Sumplegaden, en ried hen, voor zij den -doortocht beproefden, eene duif te laten uitvliegen; ontkwam deze gelukkig, dan moesten zij moedig de vaart wagen , anders echter er van afzien. De Argonauten deden zooals hij gezegd had; de duif vloog ongedeerd tusschen de rotsen door; alleen het uiterste puntje van den staart werd haar nog afgeknepen, en zoo ging het ook met het schip, dat maar een klein stukje van den achtersteven verloor. De rotsen gingen nog eens uit elkaar; sedert dien tijd echter staan zij stokstijf op hare plaats en heeft men nooit meer van ongelukken gehoord.

Na lange vaart door den Pontos Euxeinos (de Zwarte Zee), landden de Argonauten in Kolchis, en lasoon ging naar Aietes en verzocht hem de uitlevering van het gulden vlies. Maar daarop had Aietes in 't geheel geen plan, want van dat vlies hing voor hem het bezit der heerschappij af. Hij deed lasoon daarom eene opdracht, waartegen deze niet opgewassen scheen; hij moest twee vuursnuivende stieren, met metalen hoeven, opvangen, ze onder het juk brengen en er een stuk land mee beploegen; vervolgens moest hij op dat land drakentanden zaaien, lasoon toog aan het werk en volbracht het met behulp der

ocr page 55

47

toovenares Medeia, de dochter van Aietes, die op den jeugdigen held verliefd was geworden. Zij gaf hem namelijk een zalfje , waarmee hij zijn lichaam en zijne wapenen moest insmeren; deze zalf gaf hem onoverwinnelijke kracht en staalde tevens zijn lichaam tegen het vuur der stieren. Nadat hij het veld gelukkig had omgeploegd, zaaide hij de drakentanden; onmiddelijk schoten woeste, geharnaste mannen uit den grond op, die zich dreigend tegen lasoon wendden. Deze wierp echter op raad van Medeia een steen onder hen; de woestelingen elkander van den worp verdenkende, gingen de een den ander te lijf en versloegen elkaar. Geen enkele bleef over.

lasoon had den verlangden arbeid volbracht en eischte nu het vlies. Maar Aietes weigerde het, omdat hij gewaar was geworden dat lasoon door de tooverkunsten zijner dochter was ondersteund. Daarom stalen hij en Medeia in den nacht het vlies uit den hof van Ares , nadat Medeia den draak, die het bewaakte, had doen inslapen. Hierop snelden beiden naar het schip en voeren met de overige helden weg; want Jasoon had Medeia beloofd, haar mee te nemen naar zijn vaderland en haar te huwen. Medeia had ook haar kleine broertje Apsurtos mee aan boord genomen, en toen Aietes hen nu met eene vloot nazette, toen slachtte zij het kind en wierp zijne ledematen in zee , zoodat Aietes door den tijd aan het opvisschen besteed, te veel achterbleef en de vervolging opgaf.

Langs groote omwegen en onder tal van gevaren kwam eindelijk de Argo in lolkos terug. lasoon vond zijn geheele geslacht door Pelias uitgeroeid; deze had zijnen vader en zijn kleine broertje gedood, en zijne moeder had uit smart daarover de hand aan zich zelf geslagen. De wraak bleef niet uit. De toovenares Medeia wist als priesteres der toovergodin Hekst te , in Pelias' huis binnen te dringen en haalde zijne dochters over haar ouden vader te slachten en in stukken te snijden, om hem daarna met tooverkruiden op te kooken en weer jong te maken. Eerst hadden de meisjes geen vertrouwen in dit recept, maar Medeia deed het haar voor met een ouden ram, dien zij stuk sneed en in den ketel stopte; een lammetje sprong er uit, toen

ocr page 56

48

zij na behoorlijken kooktijd het deksel oplichtte. Hierdoor overtuigd, duwden de liefhebbende dochters hun gevierendeelden vader in den ketel, kookten hem en namen eindelijk het deksel weg, in de blijde verwachting een jeugdig Peliasje er uit te zien springen. Maar niets daarvan ; Medeia had dezen keer hare kunsten achterwege gehouden en koning Pelias bleef in den ketel, dood als een pier.

De zoon van dezen Pelias , Akastos , verdreef lasoon en Medeia uit de stad. Zij begaven zich naar Korinthos. Toen Jasoon daar, zelfzuchtig en ondankbaar in de hoogste mate, Medeia verstiet, om de dochter van den Korinthischen koning te huwen , toen wreekte de diep gekrenkte vrouw, die alles voor haren man had opgeofferd , zich op de vreeselijkste wijze. Zij vermoordde de kinderen van lasoon , tevens hare eigene, twee lieve knaapjes , en ontvluchtte toen op een wagen, bespannen met een gevleugelden draak , door de lucht naar Athene. lasoon vond zijnen dood door de Argo , die op den Isthmos (landengte) van Korinthos als wijgeschenk aan Poseidoon was opgesteld. De man, wiens levensgeluk was verwoest, sliep eens in de schaduw van het oude schip ; het viel uiteen en verpletterde hem.

Medeia zocht na menige wederwaardigheid , haar vaderland Kolchis weder op en herstelde haren vader Aietes op den troon.

Theseus.

Te Athene leefde in Herakles' tijd een koning, Aigeus genaamd. Eens bezocht hij koning Pittheus, van Troizënë in den Peloponnesos , en trouwde heimelijk met diens dochter Aithra. Bij zijn vertrek verzocht hij haar om wanneer hij soms een zoon mocht krijgen, dezen den naam zijns vaders zoo lang te verzwijgen , totdat de knaap in staat zou zijn, een grooten steen , waaronder Aigeus zijn zwaard en zijne voetzolen verborg, op te tillen. Kon hij dit echter, dan moest zij hem naar Athene zen-

ocr page 57

49

den ; aan beide onderpanden zou Aigeus gemakkelijk zijn zoon erkennen.

Werkelijk werd kort na Aigeus' vertrek een zoon geboren, Theseus genoemd. Toen de knaap jongeling was geworden, bracht op een goeden dag Aithra hem bij den grooten steen en liet hem beproeven dien op te lichten. Tot haar groote vreugde ging dat zeer gemakkelijk; zij gaf hem het zwaard zijns vaders, liet hem de sandalen aanbinden en deelde hem mede dat Aigeus in Athene zijn vader was ; tot dezen moest hij nu gaan , zich aan hem bekend maken en de herkenningsteekenen toonen. De zorgzame grootvader en de liefhebbende moeder wilden hem den kortsten weg, over zee , zenden ; maar de dappere jonkman vol zucht naar avonturen, koos den weg over land , omdat hij hier gevaarlijke ontmoetingen hoopte te hebben. Deze bleven dan ook niet uit.

In dien tijd namelijk waren bergen en wouden nog bewoond door reuzen, roovers en monsters, en Theseus vond ze in grooten getale op zijnen weg. De eerste die kennis maakte met zijne kracht, was de knotszwaaier PeripJiïtes, die zich had aangewend de zorgelooze reizigers te overvallen en neer te vellen; Theseus echter ontwrong hem de knots en tikte hem daarmede zoodanig op het hoofd, dat er de dood op volgde. Een ander was de roover Sinis. Deze plag met zijne reuzenarmen, de toppen van twee naast elkaar staande pijnboomen samen te buigen, en de reizigers daaraan vast te binden. De wreedaard liet dan op eens de beide toppen los, dezen vlogen in hun vorigen stand terug en prijkten elk met de uiteengereten overblijfselen van het ongelukkige slachtoffer. De derde was de roover Skiroon, die de reizigers dwong hem de voeten te wasschen, en als zij dan gebukt op den top eener rots voor hem stonden, dan stiet hij hun hoonlachend de voet in den buik , zoodat zij ruggeliugs in zee stortten. Ieder raadt van zelf dat Theseus zoowel Sinis als Skiroon van hetzelfde laken een pak gaf, waarvan zij anderen zoo dikwijls hadden voorzien.

De vierde eindelijk was Prokroestes, die veilig de wreedste grappenmaker aller tijden kan worden genoemd. Deze heer had

4

ocr page 58

So

twee ijzeren ledikanten. Het eene was kort, het andere lang. Ving hij nu een reiziger van lange gestalte op, dan sleurde hij hem naar het korte bed, legde hem er op en, terwijl hij riep: „Kijk je past er niet in, ik moet je wat korter maken!quot; hieuw hij hem de uitstekende deelen, hoofd en voeten , af. Was echter de reiziger te klein, dan werd hij in het lange gelegd. „Wel, wel, riep hij dan, wat ben je toch klein! Wacht ik zal je wat grooter maken!quot; En dan trok hij hem zoo lang uit elkaar, tot hij het ledikant vulde, of zijn lichaam stuk was gescheurd. Nu kwam Theseus; reeds verkneukelde Prokroestes zich over de goede vangst, en dacht aan het korte bed, toen eensklaps Theseus hem oppakte, neersmakte en tot welverdiend loon denzelfden dood gaf, dien hij zoovelen ongelukkigen had bereid. Het gerucht ging zelfs dat hij hem eerst op het lange, en toen nog eens op het korte ledikant heeft bewerkt.

Met de knots van Periphetes kwam Theseus nu te Athene. Aan het zwaard erkende hem Aigeus spoedig en was hartelijk blij, plotseling eenen zoon, en dat nog wel een zoo wakkeren zoon, te kunnen omarmen. Maar de werkzame jongeling bleef niet lang in het huis zijns vaders. Hij hoorde van eenen wilden stier, die in de buurt van Athene, de vlakte bjj Marathoon onveilig maakte en veel schade aanbracht. Niemand vertrouwde zich in die streek. Toen maakte Theseus zich op, ving het ondier en leidde het voor de oogen van het verbaasde volk, door de straten van Athene. Bij deze gelegenheid openbaarde zich een schoone trek van vrouwelijke barmhartigheid. Toen Theseus tegen den stier was uitgetrokken, dreven hitte en honger hem in éene kleine hut, waarin eene arme vrouw alleen woonde. „Hebt ge niets te eten, moedertje?quot; vroeg Theseus. „Helaas niets,quot; antwoordde zij, dan eenige kruiden; zijn deze u niet te slecht, dan wil ik ze u gaarne bereiden.quot; En snel reinigde zij ze en maakte er eene groente van, waarmee zij den smachtende laafde. Met vreugde in het oog zag zij hoe het hem smaakte, en vurige gebeden zond zij ten hemel voor zijn gelukkigen terugkeer. Eén ding moest hij beloven, op de terugreis haar weder te bezoeken, opdat zij zekerheid bekwame van zijne redding. Maar toen hij

ocr page 59

51

naar huis terugkeerde, vond hij het arme, oude moedertje niet meer inleven; dood lag zij in hare hut; de goden hadden haar terstond na hare goede daad tot zich genomen. Maar Theseus vergat de oude niet en stichtte haar ter eer een jaarlijksch feest.

Athene was te dien tijde in drukkende afhankelijkheid van het eiland Kreta, tegenwoordig Candia. Aigens had den zoon van koning Minos van Kreta, gedood, en moest daarvoor zich aan de harde voorwaarde onderwerpen, alle negen jaren zeven jongelingen en zeven jonkvrouwen naar het eiland te zenden. De ongelukkigen werden dan in den laburinthos , een doolhof vol dwaalgangen, opgesloten en door het hier huizende monster , den Minotauros, een wezen half mensch , half stier, opgevreten. Juist zou weer zulk eene lading, de derde, weggaan. Reeds was het lot geworpen , en de straten van Athene weergalmden van het luide gejammer der moeders bij het aanstaand vertrek harer dierbare kinderen. Toen greep medelijden met het lot der weeklagenden en toorn over den smaad van zijn vaderland , het edele hart van Theseus aan. Hij verlangde mee te gaan , om den strijd met het monster te bestaan. Ongaarne bewilligde zijn vader dit; Theseus was zijn eenige zoon. „Wees niet bang vader!quot; sprak. Theseus, „als ik behouden terugkeer, wat ik hoop, dan zal uit de verte een wit zeil u mijne redding verkondigen ; val ik echter, verwacht dan het schip met enkel zwarte zeilen.quot; Dus voer hij weg, landde gelukkig op Kreta , werd met de overigen voor koning Minos gebracht, en zou juist naar den Laburinthos worden gevoerd, toen de lieftallige dochter van Minos, de schoone Ariadne, heimelijk tot hem sloop. Zij had hem dadelijk op het eerste gezicht lief gekregen, en het had haar gespeten dat de moedige jongeling zou worden opgeofferd. „Als gij hem eens kondt redden!quot; had zij bij'zich zelf gedacht; „zeker zal zijn heldenmoed overwinnen, maar dan nog, hoe kan hij den weg weervinden uit de doolwegen van den Laburinthos ?quot; — toen kwam het verstandige meisje op de gedachte ; „Als gij hem eens een kluwen meegaaft, waarvan hij het uiteinde aan den ingang vastmaakte en dat hij onder het voortgaan liet afloopen ? Langs dien draad zou hij dan, na

4*

ocr page 60

52

volbracht werk, den uitgang kunnen terugvinden.quot; -— Gezegd , gedaan. Zij ijlde heimelijk naar Theseus , drukte hem het reddende kluwen in de hand , gaf met een enkel woord hem eenen uitleg , en was weer verdwenen , voordat Theseus tijd had gevonden, haar zijne eeuwige dankbaarheid te betuigen. Moediger dan te voren drong nu Theseus den doolhof binnen , de knots ter hand; in het laatste vertrek vond hij reeds den van honger brullenden Minotaurus. Theseus' knots suisde door de lucht, en rochelend zakte het ondier voor zijne voeten ineen. Door den draad van het kluwen geleid , kwam Theseus gelukkig aan den ingang terug en omarmde zijne redster. Beiden spraken af on-middelijk samen te vluchten. In der haast vergat Ariadne hare plichten tegenover den achterblijvenden vader, en snelde met den vreemden jongeling naar het schip , een vergrijp dat het arme meisje spoedig zwaar genoeg moest boeten. Aanvankelijk ging alles goed; gunstige winden deden de zeilen zwellen , en als een pijl doorvloog het schip de zee. Onderweg deden zij het woeste eiland Naxos aan en toen de avond daalde, vielen beiden in eene koele grot in slaap, zij echter om Theseus nimmer weer te zien ; want gedurende den nacht verscheen Dionasos , aan wi en Naxos was geheiligd , en ontdekte, terwijl hij tusschen. de wijnbergen wandelde, de schoone Ariadne. Haar aanblik ontroerde hem zoo , dat hij als versteend stond en meende zonder haar bezit niet gelukkig te kunnen zijn ; reeds wilde hij haar rooven en naar den Olumpos voeren , toen hij bedacht dat zij reeds met Theseus was gehuwd , en dat het wreed zou zijn, de gelukkige verbintenis te verbreken. „Maar, dacht hij , is aan den anderen kant die sterfelijke jongeling het meisje wel waard ?quot; Snel besloot hij hem op de proef te stellen. Hij verscheen hem in den droom en beval hem, als hij zijn leven lief had , onmiddelijk Ariadne te verlaten. Theseus ontwaakte hevig verschrikt; want nog was het hem , als hoorde hij de woorden van den god. Vlug sprong hij op van zijn leger. De bedenking, Ariadne, zijne weldoenster, te verlaten, was spoedig op zij gezet; Theseus wekte zijne makkers , ging scheep en toen de zon zich verhief boven de golven der zee en Ariadne wekte , was hij reeds zoo

ocr page 61

ver weg , dat zij nog slechts de zeilen op grooten afstand bespeurde. Toen stortte zij zich -— naar sommiger verhaal — in onuitsprekelijke angst van de rots neer in den schuimenden vloed, en vond hier vrijwillig een graf. Anderen evenwel, dichters met meer medelijden bezield, vertellen dat üionusos zich over de verlatene heeft ontfermd, haar getroost en ten hemel opgevoerd , waar zij nog heden als sterrebeeld in heldere nachten schittert;

Theseus zeilde ondertusschen de vaderlandsche kust tegemoet. De trouweloosheid tegenover Ariadne echter kon niet ongestraft blijven; het zaad van booze daden ontkiemt altijd en bot uit. Op Delos, een ander eiland in den Archipel, bracht hij Apolloon een dankoffer; daarop voer hij verder. Maar hetzij hij eerst zijnen vader schrik wilde bereiden, om later hem des te blijder te verrassen , hetzij hij in zijne onrustige gemoedsstemming het afge-sproken zegeteeken, de witte zeilen had vergeten — genoeg, hij naderde met het zwarte zeil, het teeken van rouw, de kust. Lang reeds wachtte daar de zorgdragende vader de komst zijns zoons. Op een hooge rots stond hij en weidde zijne blikken over het onmetelijke watervlak. Daar speurde hij een donkere stip; nader en nader kwam het — eindelijk herkende hij duidelijk het vaartuig met het treurdoek in top. „Wee mij !quot; zoo jammerde de wanhopige grijsaard, „mijn zoon is dood! Weg is met hem elke vreugde mijns levens!quot; Oneindige smart verwon in zijn hart elk ander gevoel, en slechts in den dood geloofde hij verzachting te vinden voor zijn lijden. Hij stortte zich van den rotswand neer in de zee, die van nu at den naam Aigaiische zee droeg.

Theseus vermoedde van deze ramp niets. Vroolijk liep hij den haven binnen, om in de armen zijns vaders te snellen. Wie beschrijft zijne droefheid, toen hem de burgers weemoedig de tijding brachten van den dood des grijsaards. Met luide weeklachten vervulde hij het paleis, en des te heviger was de smart, daar hij zich zelf moest aanklagen als oorzaak van het geheele ongeluk. De burgers echter vierden een feest voor zijn behouden terugkeer, en bijna duizend jaren lang bewaarde men

ocr page 62

54

het schip van Theseus. Deze werd nu koning van Athene. Van zijne daden wordt nog veel verteld. Zijn vriend was Peiri-thöos, die onafscheidelijk bijna al zijne avonturen deelde. Eindelijk ten leste moeten de Atheners ontevreden zijn geworden over Theseus' gestrengheid, zijn opgestaan en hem hebben verdreven. Hij ging naar het eiland Skuros, waar hij door een verraderlijken vriend van eene rots werd gestooten. — Zijne tweede vrouw was Phaidra en zijn zoon Hippolutos. De geschiedenis van deze twee is door de dichters meermalen bezongen. Hippolutos namelijk, een voortreffelijke jongeling, werd door zijne stiefmoeder Phaidra belasterd; Theseus geloofde eindelijk de leugentaal zijner slechte vrouw, sprak de verschrikkelijkste vervloekingen uit over zijn eigen zoon, en bad Poseidoon, den god der zeeën, deze ten uitvoer te brengen; want deze god had hem eens eene bede toegestaan. Toen nu Hippolutos met paard en wagen langs den oever reed, zwollen de golven bruisend op; een vreeselijk monster dook uit de zee en bestormde den oever. De paarden werden schuw, sleurden in vliegende vaart den wagen mee, en Hippolutos, wien de teugels ontvielen, werd tegen een rotsblok verpletterd. Phaidra echter klaagde zich zelf, zoodra zij het lot van den edelen jongeling vernam, als bewerkster aan van dit onheil, ontdekte Theseus de onschuld van zijnen zoon, en maakte uit wanhoop een einde aan haar leven.

K a d m o s.

In Phoinikia (Phoenicie) regeerde een koning met name Agt-noo7-. Zijne dochter Europa wandelde eens aan den oever der zee, toen een wonderschoone witte stier hare opmerkzaamheid trok. Hij was zoo tam en zoo gedwee, dat de jonkvrouw alle vrees liet varen en op zijn rug ging zitten. Plotseling stond de stier recht overeind, joeg in woesten ren voort, stortte zich met zijne schoone last in zee en zwom met haar naar het

ocr page 63

eiland Kreta. Hier nam hij eene menschelijke gedaante aan: Zeus zelf was het, die het meisje had geschaakt.

De oude koning Agenoor was ontroostbaar over het verlies zijner dochter en gaf zijnen zoon Kadmos bevel, haar over de geheele aarde op te zoeken, ja hij ging zoo ver hem zelfs den terugkeer in het vaderland te verbieden, indien hij zijne zuster niet medebracht. Kadmos begon zijne zwerftochten, maar al zijne pogingen om de verloren Europa te vinden, bleven vruchteloos. Toen hoorde hij dat in de stad Delphoi, aan den voet van den Parnassos, een tempel stond, waarin de alwetende god Apolloon den sluier oplichtte van elk geheim. De antwoorden door dezen god op hem gedane vragen gegeven, heetten Orakels. Eene priesteres, zittende op een gouden drievoet, deelde in zijnen naam die antwoorden mede. Daar nu de wreede bedreiging van zijnen vader hem den terugkeer onmogelijk maakte, ijlde Kadmos naar Delphoi en vroeg de goden raad, waar hij zich een nieuw vaderland zou zoeken. Deze bevalen hem op die plaats eene stad te stichten, waarheen eene koe hem den weg zoude wijzen. Kadmos maakte zich op, vond de beloofde koe en volgde haar. Zij leidde hem naar Boiotia en daar, waar zij zich nedervlijde, legde hij den grond tot de stad Thebai. Nu wilde Kadmos de koe aan de goden offeren en zond zijne makkers naar eene bron, om water te halen. De bron werd echter door eenen draak bewaakt, die de meesten zijner makkers doodde. Kadmos versloeg hem en zaaide toen op Athene's raad de drakentanden. Daaruit groeiden gewapende mannen, die weldra met elkaar in het gevecht geraakten en elkander van weerszijden op vijf na doodden; de overlevenden hielpen hem de nieuwe stad bouwen. Van Kadmos zegt men dat hij den Phoinikischen godsdienst en het letterschrift in Griekenland heeft ingevoerd. In vervolg van tijd verhuisde hij vrijwillig uit Thebai en trok naar Illyria, waar hij en zijne gemalin in slangen werden veranderd.

ocr page 64

56

Oidipoes en zijne zonen.

Onder de koningen, die uit Kadmos geslacht in ïhebai regeerden, is vooral Laios door zijn vreeselijk lot vermaard geworden. Een orakel had hem verkondigd, dat de zoon van zijne vrouw lokastu. hem van het leven zou berooven. Laios vreesde daarom den zoon, die hem spoedig daarna werd geboren, en beval een dienaar het kind te vondeling te leggen, na het eerst de voetjes doorboord en vastgebonden te hebben. De dienaar legde het neer op den berg Kithairoon, op de grenzen van Attikö (Attica) en Boiotia. Daar vonden de herders van den Korinthischen koning Polubos het schreiend knaapje en brachten het aan hunne koningin Merspe, die geene kinderen had. Het koningspaar nam den vondeling tot zich en voedde hem op als een eigen zoon. Daar zijne voeten in den eersten tijd nog gezwollen waren, noemde men hem Oidipoes, dat is „gezwollen voet.quot; In Korin-thos groeide hij voorspoedig op en meende in het huis zijner ouders te zijn, totdat een zijner makkers hem eens in twist voor de voeten wierp, dat hij maar een aangenomen kind was. Deze mededeeling trof hem geducht; hij wilde zekerheid en ondervroeg het orakel te Delphoi omtrent zijne afkomst. Dit gaf hem den raad zijn vaderland te vermijden, anders zoude hij zijnen vader dooden en zijne moeder trouwen. Daar Oidipoes gewoon was, Korinthos als zijn vaderland te beschouwen, keerde hij niet weder naar die stad terug en begaf zich van Delphoi op weg naar Thebai. Onderweg kwam hij door een hollen weg en ontmoette hier eenen wagen, waarin een voornaam man reed met zijnen heraut. Het kwam tot eenen twist over het uitwijken en Oidipoes versloeg beide vreemdelingen. Daarop zette hij zijne reis voort en kwam in Thebai aan, waar de tijding zich reeds had verbreid, dat koning Laios door roovers was overvallen en gedood. Zoo was Oidipoes, zonder het te vermoeden, de moordenaar zijns vaders geworden.

Te dien tijde werd Thebai' door een vreeselijk monster bezocht; het was de Sphinx, die van boven een prachtig meisje was

ocr page 65

57

maar overigens leeuwin; aan de schouders had zij vleugels. Dit ontzettende beest trok het land door, kwaad doende. Het gat den menschen een raadsel op en wie dit niet kon oplossen, werd jammerlijk verscheurd. Het raadsel luidde: „Welk schepsel, dat eene stem heeft, loopt 's morgens op vier, quot;s middags op twee en 's avonds op drie beenen?quot; Het orakel echter had voorspeld, dat Thebai eerst dan van dezen geesel zou worden bevrijd, als iemand het raadsel had opgelost. Reeds velen hadden het leven gewaagd en nog steeds was de rechte man niet gevonden. Toen verklaarde koningin lokastë, dat zij hand en kroon zou schenken aan hem, die het raadsel zou raden.

Ook Oidipoes had van den nood gehoord, waarin het land verkeerde. Moedig begaf hij zich naar den berg, waar de Sphinx op dat oogenblik zich ophield, hoorde het raadsel aan en vond dadelijk het antwoord. „Het raadsel, zei hij, is een mensch; in den morgen van zijn leven kruipt hij op vier beenen, 's middags staat hij op twee en aan den avond neemt hij als derde been eene staf te hulpe.quot; Overwonnen was de Sphinx; zij stortte zich in den afgrond en lag verpletterd op den bodem.

De overwinnaar deed zijnen intocht in Thebai en ontving lokaste's hand en daarbij de koningskroon. Het orakel was nu geheel vervuld, zonder dat Oidipoes er evenwel vermoeden van had. Twintig jaren regeerde hij zacht en wijs over Thebai, toen een vreeselijke pest uitbrak en vele duizenden wegnam. Daar geen middel wilde baten, vroeg men het orakel om raad en ontving het antwoord, dat de pest eene straf der goden was, omdat Laios' dood ongewroken was gebleven; zij zou niet eerder ophouden voor de moordenaar gevonden en gestraft was. Oidipoes deed nu onderzoek, en dit voerde langzamerhand tot de ontdekking van het geheele geheim: hij leerde zijne afkomst, zijn vondelingschap kennen, en de gansche, onheilvolle keten van gebeurtenissen lag open voor zijnen geest. lokaste hing uit vertwijfeling zich op, Oidipoes stak met eigen hand zich de oogen uit.

Hij had twee zonen Eteokles en Poluneikes, en twee dochters, Antigö/ie en Istmnë. De beide zonen spraken over den onge-

ocr page 66

58

kikkigen vader de verbanning uit, en zoo doolde de diep vernederde grijsaard van allen verlaten, alleen geleid door de hand zijner trouwe dochter Antigone, van stad tot stad. Eindelijk kwam hij bij het vlek Kolönos, bij Athenai, en legde zich in eene heilige ruimte der Eumeniden, de godinnen der wraak, bij de Romeinen Furiën genoemd, ter ruste. Geen menschelijke voet mocht deze plaats betreden. De Atheensche koning Theseus verleende hem hier een veilig toevluchtsoord. De door het noodlot zoo vervolgde Oidi-poes was intusschen door zijn lijden met de goden verzoend, en het orakel had voorspeld, dat dat land tot grooten bloei zou geraken , dat het gebeente van den grijsaard in zijnen schoot zoude bergen. Toen baden Oidipoes' zonen hun smadelijk verstooten vader om terug te keeren naar Thebai; deze echter sprak den vloek uit over de hardvochtigen , die thans hun eigen belang zochten en bleef op de plaats, die hem veiligheid had verschaft en waar hij spoedig ter eeuwige rust zou ingaan. Een donderslag dreunde, de aarde opende zich en nam den levensmoede in haren stillen schoot. Zijn graf bleef een geheim.

Aan Oidipoes' zonen werd de vloek des vaders maar al te spoedig vervuld. Zij hadden een verdrag gesloten, waarbij zij om het andere jaar afwisselend de regeering in handen hadden. De oudste, Eteokles, weigerde echter na verloop van het eerste jaar, afstand te doen van den troon en verdreef den jongste, Poluneikes, uit het land. Deze ging naar Argos, waar koning Adrastos heerschte, huwde diens dochter en haalde hem over tot een krijg tegen zijne vaderstad. Deze oorlog is de beroemde strijd der zeven vorsten tegen Thebai, zoo genoemd omdat behalve Adrastos en Poluneikes nog vijf andere helden daaraan deel namen. Onder deze valt in de sage voornamelijk het licht op Antphiarnos. Hij wenschte zich aan den tocht te onttrekken, omdat zijne zienersgave hem den ongelukkigen afloop des oorlogs en zijn eigen ondergang had voorspeld , maar zijn gemalin Eri-phülë liet zich door Poluneikes met eene gouden halsketting omkoo-pen en verried zijne schuilplaats. Nu kon Amphiaraos er niet meer af en hij sloot zich aan bij den tocht, waarin zijne voorspelling werd vervuld. De Thebanen geraakten in den beginne wel geducht

ocr page 67

59

m de klem, maar de vrijwillige dood van Menoikeus, die zich van den stadsmuur stortte, bezielde hunnen moed, zoodat zij de zeven helden, die elk eene der zeven poorten van Thebai bestormden, met groot verlies terugsloegen. Allen, met uitzondering van Adrastos , verloren het leven; Amphiaraos verzonk met zijnen strijdwagen in den zich opensperrenden grond; Eteo-kles en Poluneikes vielen beiden, door eikaars hand.

Na dezen bloedigen afloop nam Kreoon, de oom van Eteokles, de teugels van het bewind over Thebai in handen. Waar de vloek der goden rustte nog niet. Kreoon liet het lijk van Eteokles plechtig begraven, maar beval op straffe des doods, het lijk van Poluneikes onbegraven te laten, honden en roofvogelen ten buit. Nu gebood eene heilige wet den Grieken, geenen doode onbegraven te laten, omdat hij anders naar hunne voorstelling inde onderwereld niet tot rust konde komen. Antigöne voelde zich daarom in haar hart verplicht de voorschriften der goden hooger te achten, dan de bevelen van eenen aardschen vorst. Zij begroef heimelijk het lijk van haren broeder, werd echter op hee-terdaad betrapt en voor den koning gebracht. Zonder vrees bekende zij hare daad en hetgeen er haar toe had geleid. De strenge Kreoon veroordeelde haar en liet haar wegvoeren, om levend te worden ingemetseld. Toen verscheen de blinde ziener Teiresias en vermurwde door zijne onheilspellende orakeltaal 's koning stug gemoed. Kreoon snelde naar Antigone's kerker om haar te bevrijden. Maar te laat! In hare wanhoop had het meisje zich reeds met haar sluier geworgd, en haar bruidegom Haimoon , Kreoons eigen zoon, doorstak zich voor het oog zijns vaders, op haar lijk. Overstelpt door smart over het verpletterend verlies, dat hij zich zelf door zijnen onverzettelijken trots had bereid, ging hij naar huis, waar nieuwe jammer hem wachtte; zijne vrouw Eurudïkë, reeds onderricht van Antigone's en Haimoons einde, had de hand aan zich zelf geslagen en lag badende in haar bloed. Te laat erkende Kreoon dat de halsstarrigheid , waarmede hij zijnen wil had geplaatst tegenover de eeuwige wetten der goden, den ondergang van zijn geslacht had veroorzaakt. Hem bleef niets over dan gedwee te dragen, wat het lot hem had opgelegd.

ocr page 68

6o

Na tien jaren ondernamen de zonen van de voor Thebai gevallen helden, de Epigonen , dat wil zeggen de nakomelingen , eenen nieuwen tocht tegen de stad. En ditmaal was het teeken der goden de onderneming gunstig, want de Epigonen geleken hunnen vaders in kracht, maar overtroffen hen in gematigdheid en eerbied voor de goden. Alkmaioon , de zoon van Amphiaraos verkreeg het opperbevel. De Thebanen werden overwonnen eu vluchtten uit de stad, op raad van Teiresias, die echter zelf op de vlucht aan de gevolgen van eenen verkoelenden dronk stierf. Zijne dochter, de zieneres Manto , die in Thebai was achtergebleven , werd door de overwinnaars met een deel der buit naar Delphoi gezonden , waar zij den god als priesteresse werd gewijd. Poluneikes' zoon Thersandros erfde de heerschappij over Thebai.

De Trojaansche oorlog.

i.

De bruiloft van Peleus en Thetis.

De eerste aanleiding tot den Troischen oorlog had haren grond in de bruiloft van den Thessalischen koning Peleus met de zeenimf Thetis. Deze beiden waren de ouders van Achilleus, den grootsten held uit den oorlog. Alle koningen, vorsten en voornamen van het land Thessalia waren tot het bruiloflsfeest uitgenoodigd, en zelfs de goden waren van den Olumpos neergedaald, om bij het huwelijk der schoone Thetis, de dochter van den zeegod Nereus, tegenwoordig te zijn. Wijn en voortreffelijke spijzen in overvloed verheugden de menschelijke gasten; den goden echter reikten Hï-bv , de godin der eeuwige jeugd, en Ganumvdes , de'schenker der hemelbewoners , ambrosia en nektar, godenspijs en godendrank.

Met gezang en snarenspel vermaakten Apolloon en zijne negen vriendinnen , de Muzen, alle aanwezigen en de vroolijkheid steeg

ocr page 69

6i

voortdurend. Daar openden zich plotseling de deuren der feestzaal , en binnen trad de booze Eris, de godin van twist en tweedracht. Zij was niet op het feest gevraagd, om het niet door ruzie te storen. Juist daarom echter was zij verschenen. Op eens verdween alle vrooiijkheid, verstomd zagen alle aanwezigen haar aan. Zij wierp een wonderschoonen gouden appel in de zaal en verdween even plotseling, als zij was gekomen. Want zij wist wel, dat de goden niet van haar hielden , en ook zij gevoelde zich in hun gezelschap niet op haar gemak.

Nauwelijks was zij weg, of men raapte nieuwsgierig den gouden appel op, die tot opschrift droeg; „voor de schoonste.quot; Voor wie is de appel bestemd? wie is de schoonste? zoo vroegen de gasten, en menige schoone maagd, menige edele vrouw, menige godin geloofde in stilte dat voor haar alleen de prachtige appel was bestemd. Maar geene sprak liet luide uit, totdat drie godinnen verklaarden, dat slechts haar de appel kon ten deel vallen.

Dit waren Hera, de vrouw van Zeus, de opperste aller godinnen , Athene , de godin der wijsheid , die de mannen in den krijg door verstand en list overwinnen en de vrouwen kunstige handwerken vervaardigen leert, en AphrodïtQ, de godin der schoonheid en der liefde.

Al waagde het thans ook geene der andere godinnen, aanspraak te maken op het bezit van den appel , toch mengden zij alle zich in den strijd. Sommigen stemden voor Hera, anderen voor Athene of voor Aphrodite ; er ontstond ten laatste zulk een lawaai en zulk eene ruzie , dat alle vrooiijkheid weg was. Dit juist had Eris gewild. De gasten gingen xiiteen , deels bedroefd , deels vertoornd, en zoo nam het schoone feest een treurig einde.

Vergeefs had Zeus beproefd , door bevel, bede en bedreiging vrede te stichten ; de drie godinnen waren te verbitterd , en daar hij tegen zijne vrouw en zijne dochters geen geweld wilde gebruiken , ging hij geergerd heen en begaf zich naar het naburige land Troia, waar hij op den berg Ida een prachtig paleis bezat, om daar veilig te zijn voor vrouwelijk gekibbel. Het hielp niet.

ocr page 70

62

De drie godinnen lieten Zeus niet los maar vervolgden hem tot in zijn paleis , en verlangden dat hij tusschen haar zon beslissen. Daaraan had Zeus geene lust, omdat hij niet gaarne eene der drie vrouwen zoude krenken. Wel hield hij in zijn hart Aphrodite voor de schoonste en had haar lief als zijne dochter , maar zijne lieveling Athene en zijne gemalin Hera wilde hij toch niet vertoornen, en daarom weigerde hij beslist hare zaak uit te maken. Hij zei haar evenwel dat zij aan den voet van den Ida een mensch zouden vinden , dien zij tot scheidsrechter moesten kiezen. De godinnen volgden deze aanwijzing en vonden op de afgesproken plaats een herder, Paris, die een zoon was van koning Priamos van Troia of Ilios.

II.

Priamos en Paris.

Priamos was getrouwd met Hekabn (Hecuba) , maar had buiten haar nog vele andere vrouwen. Dat was in Oostersche landen toen eene gewoonte, is het trouwens nog. Vijftig zonen en vijftig dochters veraangenaamden 's konings ouden dag.

Onder zijne dochters waren Poluxma en Kas san dra de schoonste. De laatste, even weetgierig als schoon, won de liefde van Apolloon, den god der dichtkunst, der muziek en der voorspelling. Toen deze haar nu tot gemalin begeerde, verlangde zij eerst door hem in de voorspellingskunst te worden onderricht. Dit deed Apolloon ook; maar toen zij de kunst verstond, wilde zij hare belofte niet gestand blijven. Daarom vertoornde zich de god en hij strafte hare woordbreuk. De gave der voorspelling kon hij haar niet weer ontnemen , maar hij sprak den vreeselijken vloek over haar uit; „dat niemand ooit zou gelooven, hetgeen zij verkondigde.quot; Zoo voorzag dan liet arme meisje alle rampen , die hare vaderstad llios en hare bloedverwanten zouden treffen , en zij voorspelde ze geheel naar waarheid , maar niemand sloeg geloof aan hare waarschuwende woorden, en zij werd slechts bespot en uitgelachen.

ocr page 71

63

Van Priamos' zonen was Hektoor de oudste en dapperste. Zijn gemalin Andromac/ië, die hij innig lief had , schonk hem een zoontje Astuanax geheeten. Deze kleinzoon was evenals zijne ouders, de vreugde en de trots van het oude vorstenpaar. Maar het meest bekend van Priamos' zonen zou Paris worden , wel niet door dapperheid of wijsheid , maar door het ongeluk dat hij bracht over zijn land en zijn geslacht.

Reeds vóór zijne geboorte was dit zijnen ouders voorspeld. Hekabé droomde namelijk dat de zoon, die haar zou worden geboren, geheel üios in brand zou steken, en daarom rieden de waarzeggers den koning, den pasgeboren knaap in een woud te vondeling te leggen en daar geheel zonder voedsel en hulp, aan zijn eigen lot over te laten. Dan zou hij wel omkomen, zonder dat Priamos gezegd kon worden hem te hebben gedood. Dit geschiedde; maar toen na vijf dagen een herder in die streek kwam, vond hij eene berin die als eene moeder het knaapje zoogde. Hij nam het mee naar huis en bracht het groot als zijn eigen zoon. Zoo groeide Paris op en werd een schoone en sterke jongeling, die de kudden van zijnen pleegvader zoowel als zijne makkers, dapper tegen wilde dieren en roovers beschutte, en daardoor den naam Alexandras, den mannenverdediger, verwierf.

Toen Priamos gewaar werd, dat zijn zoon nog leefde en zulk een schoon en dapper jonkman was geworden, wilde hij hem niet dooden, in de hoop dat de booze voorspelling nu niet meer zou worden vervuld. Hij nam hem tot zich en gaf hem de dochter van eenen stroomgod, OinorB, tot vrouw, die voornamelijk in de heelkunde zeer ervaren was. Ook droeg hij hem de zorg op voor zijne talrijke runderkudde, en deze hoedde Paris juist aan den voet van den berg Ida, toen de drie godinnen , door Zeus gezonden, hem kwamen bezoeken, om van hem te vernemen, wie van haar de schoonste was.

Men kan zich voorstellen hoe vreemd Paris opkeek, toen op eens drie verblindend schoone godinnen voor hem stonden en van hem de beslissing verlangden in haren strijd. Lang zat hij neer in stomme bewondering; liet was hem onmogelijk te zeggen welke hij voor de schoonste hield. Toen wilde Hera door be-

ocr page 72

64

loften hem overhalen om haar den appel te geven, en zei dat zij in dat geval hem tot den rijksten koning op aarde zou maken , en hem de heerschappij over geheel Azie verleenen. Pas bespeurde Athene dat Paris onder den invloed was dier heerlijke voorspiegelingen, of zij beloofde hem wijsheid en krijgsroem, wanneer hij haar den prijs der schoonheid toekende. Aphrodite echter wilde hem de schoonste vrouw op aarde, tot gemalin schenken.

Hooger dan alles ter wereld, schatte Paris het bezit eener schoone vrouw, en daarom besliste hij ten gunste van Aphrodite — haar reikte hij den gouden appel. Ten zeerste daarover verheugd, nam zij van nu af Paris onder hare bescherming. Des te woedender daarentegen waren Hera en Athene, en koning Priamos en zijn geheele geslacht, zelfs de stad llios moesten door den toorn der machtige godinnen , voor het oordeel van Paris boeten.

III.

De schaking van Helena.

Nu was er in dien tijd op aarde geene vrouw schooner dan Helena, de vrouw van Menelitos, koning van Sparta. Derhalve besloot Paris naar Griekenland te varen, om Helena te schaken, hoezeer zijne trouwe gade Oinone het hem afried. Door Aphrodite begeleid, ging hij werkelijk op reis.

Aphrodite vergat hare belofte niet en hare pogingen om aan Paris de schoonste vrouw tot gemalin te geven, waren niet te vergeefs. Op hare aansporing had hij dan ook den tocht naar Sparta ondernomen, en de listige godin wist het zoo in te richten, dat wanneer Paris daar aankwam, Menelaos juist op reis was.

Naar de gewoonte dier tijden bij de Grieken, nam Helena den vreemdeling gastvrij in hare woning op. Toen Paris haar aanschouwde , bleef hij sprakeloos staan en geloofde eene godin voor zich te zien. Spoedig ook neigde Heiena's hart tot den vreemden jongen man, en liet zij zich overreden haren man te verlaten en met Paris op een schip naar Troia te vluchten.

ocr page 73

65

Niet slechts dat de tromvelooze haren plicht tegenover Menelaos vergat, zij nam ook vele kostbare voorwerpen van goud en zilver mede, die aan Menelaos toebehoorden.

Toen deze van zijne reis terugkeerde en ervoer dat zijne vrouw gevlucht, zijne schatten geroofd waren, werd hij bovenmate bedroefd en vertoornd. Van zijne dienaren vernam hij , dat Paris , de zoon van den machtigen koning van Troia, de roever van zijne vrouw en zijne bezittingen was.

Zelf voelde hij zich niet machtig genoeg, om alleen, zonder bijstand , deze trouweloosheid te wreken en Helena te dwingen, in zijn huis terug te keeren. Daarom zond hij allereerst naar zijnen broeder Agamemnoon , den koning van Mukonai, en liet hem weten, wat er was geschied. De machtige Agamemnoon, over de onbeschaamdheid van den roover buiten zich zelf van woede, beloofde zijnen broeder hulp, wanneer deze wraak wilde nemen op de vluchtelingen. Daarmede vergenoegden zich echter de broeders niet. Zij zonden boden naar alle Grieksche vorsten en lieten hen om hulp vragen. Van alle kanten stroomden de dappere helden toe ; Diormdes, koning van Ar-gos, Nestoor, koning van Pulos, Idomeneus, heerscher van Kreta, Aias, uit Salamis, zijn broeder Teukros, dan Aias, de Lokriër, ook de Kleine Aias genaamd, terwijl de andere de Groote heette. Door slimheid en listige overredingskracht onderscheidde zich Odusseus, de wereldberoemde vorst van het eiland Ithaka ; door dapperheid en mannelijke kracht Achilleus, de grootste held voor Troia, dien zijn beste vriend en strijdmakker Patröklos overal vergezelde.

IV.

Iphigeneia in Aulis.

Alle Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, zetten koers naar Aulis, eene stad aan de Grieksche kust, tegenover het eiland Euboia. Ieder hunner schepen voerde ongeveer 200 manschappen aan ; het aantal vaartuigen liep evenwel tegen

ocr page 74

66

de 1200, zoodat meer clan tweemaal honderdduizend Grieken zich bij de onderneming aansloten. Het duurde natuurlijk lang voor allen samen waren. Onder het wachten vermaakten de helden , die niets anders te doen hadden, zich dikwijls met de jacht. Dat deed ook eens Agamemnoon. Hij joeg in het woud een prachtig hert op , dat hij lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Daarover was de koning zeer ver-

O O

heugd ; al te spoedig zou hij echter reden hebben tot berouw. Het hert was namelijk een aan de godin der jacht , Artemis, geheiligd dier geweest, en de godin was over zijn dood zoo bedroefd , dat zij om Agamemnoon gevoelig te straffen, Poseidoon, den god der zee , bad de afvaart der Grieken te verhinderen.

Dit beloofde Poseidoon gaarne , want alle goden hielpen elkaar bereidvaardig, wanneer zij door menschen werden beleedigd, en bovendien was Artemis de dochter van zijnen broeder Zeus. Daar hij nu als zeegod ook het bevel voerde over de winden , die de golven in beweging brengen , liet hij weken en maanden lang volkomen windstilte heerschen, alleen afgewisseld door tegenwind , zoodat het den Grieken onmogelijk was , de haven van Aulis uit te loopen. Dit drukte natuurlijk de Grieken, maar voornamelijk Agamemnoon en Menelaos zeer ter neer, en zij zonden naar het Orakel, om de oorzaak te vernemen van de ongenade der goden. Dit antwoordde hun dat de aanvoerder van het leger Artemis had beleedigd, en dat hij , om haar te verzoenen, op haar altaar zijne oudste dochter Iphigeneia moest offeren.

Zwaar trof Agamemnoon het bevel, zijn eigen kind den dood te wijden , en gaarne had hij de uitspaak van het orakel voor het leger geheim gehouden ; maar zijne boden hadden daarvan reeds gesproken , en luide eischten alle strijdlustige vorsten de vervulling van het goddelijk bevel. „Gij hebt de godin beleedigd,quot; zeiden zij, „uw plicht is het ook , haren toorn te stillen, en al is het waar dat zij u hard en gruwzaam straft, toch mogen door uwe schuld niet allen lijden, nog minder mag de misdaad van Paris ongewroken blijven.quot;

Eindelijk gaf Agamemnoon met een beklemd gemoed, zijne

ocr page 75

6?

toestemming tot het offeren van Iphigeneia. Daar het meisje evenwel niet te Aulis in het legerkamp , maar te huis bij hare moeder Klutaimnestra was , eene zuster van Helena, moest deze bedrogen en Iphigeneia met list derwaarts worden gelokt. Onder het voorwendsel, Iphigeneia aaa den dapperen Achilleus te willen uithuwelijken , gelukte het den sluwen Orlusseus, de toestemming van Klutaimnestra tot Iphigeneia's vertrek te verkrijgen. Niets kwaads vermoedend , kwam het arme meisje naar Aulis en met schrik vernam zij, wat haar te wachten stond. „Och vader, sprak zij, offer mij toch niet in den bloei van mijn leven ! Vreeselijk is de dood , maar zoet is liet, het licht der zon te aanschouwen.quot; Eindelijk echter gaf zij zich gedwee aan den wil der goden over. „Latere geslachten , riep zij uit, zullen roemend mijnen naam vermelden. Zoo sterf ik dan getroost en offer mijn jeugdig leven voor het vaderland.quot;

Den morgen, volgende op den dag hunner aankomst, zou de offerande plaats vinden. Met zijn blank mes stond de offerpries-ster Kale has aan het altaar; in wijden kring waren de Grieksche vorsten en krijgers gelegerd, allen diep geschokt door het treurige !ot der edele maagd. Weenend hield Agamemnoon zich het gelaat bedekt. Daar werd Iphigeneia, feestelijk bekranst, rondgeleid. Ernstig en vol zelfbeheersching schreed zij naar het altaar en vleide het hoofd er op neer; de priester sprak het gebed — reeds bliksemde het vlijmscherpe offermes boven den hals van het onschuldige meisje, toen op eens een wonder zich vertoonde voor aller oog!

Een zwarte wolk daalde neer op het altaar , zoodat niemand kon onderscheiden wat er gebeurde. En toen de wolk weer was opgetrokken , lag niet Iphigeneia, maar eene hinde in haar bloed. Slechts om door angst het vergrijp van Agamemnoon te straffen, had Artemis van hem de slachting zijner dochter verlangd. Toen hij zich echter gehoorzaam had betoond aan den wil der goden, had Artemis de jonkvrouw gered en ver weg gevoerd naar het land Tauris, waar zij voortaan in den tempel der godin het ambt van opperpriesteres zoude bekleeden.

Nauwelijks was de wolk weder opgetrokken, die de offerande

5*

ocr page 76

68

omgaf, of een frissche , gunstige wind blies in de zeilen. Luide jubelden de Grieken , en daar nu de toorn der goden was verzoend en lang reeds alles tot de afvaart gereed lag, zou deze den volgenden dag plaats vinden.

De tocht van de Grieken van Aulis naar Troia was zeer gelukkig. Zij voeren steeds langs den oever, want in die tijden waagden de schippers zich nog niet gaarne in open zee. Kregen zij nu gebrek aan versch water of aan levensmiddelen , dan gingen zij aan land en de bewoners gaven hun, wat zij noodig hadden , vrijwillig of gedwongen.

Eindelijk kwam de vloot voor Troia aan. Zoodra de Grieken waren geland , trokken zij hunne schepen op het strand , sloegen daarbij hunne tenten op en trokken eenen aarden wal om de geheele legerplaats. Driemalen beproefden zij de stad stormenderhand te nemen , waar de muren het zwakst waren ; te vergeefs , want de stad was zwaar versterkt en de Troërs weerden zich dapper. De Grieken moesten tot een langdurig beleg overgaan ; daar evenwel hunne troepen niet voldoende waren , om de stad aan alle kanten in te sluiten , werd de onderneming van het eene jaar tot het andere slepend gehouden. Ondertusschen ondernamen enkele afdeelingen uit het Grieksche leger naar alle zijden roof- en plundertochten , en verwoestten vele van de met Troia verbonden steden. Zoo veroverde Achilleus alleen 23 Aziatische steden , terwijl de Groote Aias verscheiden Thrakische plaatsen te vuur en te zwaard verwoestte.

V.

Achilleus en Agamemnoon.

Op deze wijze waren reeds negen jaren verloopen, zonder dat een der beide volken een beslissende zege had behaald. Ook de goden namen een werkdadig aandeel aan den strijd ; Hern, Athene, Hervies, Poseidoon en Hephaistos stonden aan den kant der (irieken ; Aphrodite, Ares en Phoibos Apolloon aan dien der Troërs.

ocr page 77

69

Eindelijk brak onder de Grieksche vorsten een twist uit, die hun geheele leyer verderfelijk dreigde te worden. De aanleiding daartoe was het volgende. Op een zijner plundertochten had Achilleus aan eenen priester van Apolloon, Chruses genaamd , zijné dochter Chruseïs ontroofd. Dit meisje was bij de verdeeling der buit aan Agamemnoon als slavin toegedeeld.. Na eenigen tijd verscheen de priester in de legerplaats der Grieken en bood voor zijne dochter een rijkelijk losgeld. Agamemnoon wees hem met dreigende woorden af; Chruses ecliter hief de handen ten hemel en bad tot Apolloon , dat hij de (irieken zou straffen voor den smaad, zijnen priester aangedaan. Zijn gebed werd verhoord. Apolloon schoot zijne pijlen onder de Grieksche troepen en- ieder dien hij trof, werd door de pest aangegrepen en stierf binnen weinige uren. Negen dagen reeds woedde de vreeselijke ziekte ; toen verklaarde Kalchas , dat Apolloon niet eerder daaraan een einde zoude maken , voor zijnen priester de geroofde dochter was teruggegeven. Agamemnoon werd woedend; toch bleef hem niets over dan gehoorzamen. Terwijl hij echter Chruses' dochter terugzond , verlangde hij tot schadevergoeding de gevangen koningsdochter Briseis, die uit den krijgsbuit aan Achilleus was ten deel gevallen, en liet haar door zijne herauten uit diens tent weghalen. Verontwaardigd over dezen smaad en over de hebzucht van Agamemnoon , besloot Achilleus nooit weder het zwaard tegen de Trocrs te trekken , en ook zijne krijgslieden niet langer aan den strijd te doen deelnemen. Dit bracht eene geweldige verandering in den stand van zaken, lot nu toe had Achilleus, waar hij verscheen, schrik en verwarring onder de vijanden verbreid; ook was hij de eenige onder de Grieken , voor wien de mannenmoordende Hektoor op het slagveld telkens was uitgeweken. Nu hij in zijne tent bij de schepen zich van elke inmenging onthield, nu hij werkeloos ne-derzat, bevochten de Troërs overwinning op overwinning; honderden dappere helden vielen onder Hektoors vreeselijke slagen; in 't Grieksche leger sloeg moed en hoop om tot vrees en schrik, en hier en daar gingen reeds stemmen op , dat men den bloedigen krijg moest staken en naar huis terugkeeren.

ocr page 78

70

Intusschen gelukte het den vorsten, de ontmoedigden voornamelijk door uitzicht op buit, steeds weer tot vechten te bewegen , zoodat geen dag verliep , waarop niet de vlakte tusschen het legerkamp en de stad, gedrenkt werd met het bloed der gesneuvelden.

VI.

Paris en Menelaos.

Eens had zich het geheele leger der Grieken , naar volksstammen opgesteld, in de vlakte in slagorde geschaard ; de Troërs stonden tegenover hen, en de strijd zou beginnen , toen Paris , een bont pantservel om de schouders, gewapend met boog, zwaard en speer, uit het gelid trad en met luider stemme den dappersten aller Grieken tot een tweestrijd uitdaagde. Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijnen strijdwagen , en wierp zich als een leeuw den roover zijner vrouw en zijner schatten in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij ; bleek en sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep Hektoor vol verontwaardiging hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart gij toch gestorven, eer gij zulk eene schande over uw huis hadt gebracht! Hoort gij dan niet het spottend gelach der vijanden, die zich vroolijk maken over uwe lafheid ? Dus hadt gij wel den moed dien held zijne vrouw te ontrooven, maar niet u met hem te meten in den strijd ?quot; „Gij hebt gelijk antwoordde Paris, „ik schaam mij over mijne kleinhartigheid. Wilt gij mij echter zien vechten, verkondig dan aan Troërs en Grieken , dat ik thans met Menelaos voor de oogen der beide legers den strijd wil aanbinden. Wie van ons overwint, die mag Helena en hare schatten behouden ; gij bebouwt dan weer in vrede uwe akkers , en die daar schepen zich weer in naar Griekenland.quot; — Hektoor was zeer verheugd over de woorden van zijnen broeder; hij ijlde naar het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapenen te laten rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap ; Paris , mijn broeder , die alle ongeluk heeft verwekt,

ocr page 79

71

wil het ook doen eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Helena en al hare schatten tot inzet. Wie overwint, die neemt beide mee en de dood van den overwonnene zal het einde zijn van den geheelen krijg.quot; Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht aan te nemen , en dadelijk ijlde een bode naar de stad, om den ouden koning Priamos te ontbieden , die naar landsgebruik, onder voorgeschreven offerplechtigheden, het verbond moest bezweren. Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover Troërs, en verbeidden in de open ruimte voor zich, den tweestrijd.

Toen Priamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en Agamemnoon verrichtte het offer. Hij schoor de lammeren den kop , bad tot Zeus, en nadat alle vorsten hadden gezworen, dat zij de voorwaarden van het verdrag zouden nakomen , keelde hij de offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich de vorsten wijn in de bekers , plengden den goden ter eere de eerste droppels , en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht vergieten desgenen, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug ; hij kon het gevaar dat zijn dierbaren zoon dreigde, niet blijven aanzien.

Hektoor en Odusseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in eenen helm , om te beslissen , wie van beide strijders den eersten worp zou hebben , en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug, en beide strijders traden vooruit; Paris wierp met forsche kracht zijne speer in de richting van zijnen vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild, en de speer viel machteloos ter aarde. In hetzelfde oogenblik suisde Menelaos' geweldige lans door de lucht, viel kletterend neer op Paris' schild, en zou dezen zeker het hart hebben doorboord , ware hij niet door eene snelle wending den dood ontsprongen. Nog geheel ontzet staarde hij op zijn schild , toen Menelaos met het zwaard op hem losvloog en hem een zoo geduchten slag op het gehelmde hoofd gaf, dat het zwaard in vier stukken uit zijne hand viel. Bijna schreiend van woede over het verlies van dat

ocr page 80

wapen, schoot Meuelaos op Paris toe, greep met beide handen zijnen helm en sleurde hem zoo mee naar den kant der Grieken. Paris dreigde te stikken door den vreeselijk knellenden kinband, en zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Zeus' dochter Aphrodite den band doen springen. Menelaos hield den leegen helm vast en slingerde dezen zijnen landgenooten toe; daarop stormde hij opnieuw los op zijn slachtoffer , maar te laat; in een dichten nevel had reeds Zeus' dochter hem ver weggevoerd ! Vergeefs speurde Menelaos rond naar zijnen vijand; hij was weg en niemand vermocht zijne verblijfplaats aan te wijzen.

Gejuich daverde door de lucht van de zijde der Grieken , en Agamemnoon verklaarde luide zijnen broeder tot overwinnaar. Hij verlangde om die reden de uitlevering van Helena en van alle geroofde schatten en bovendien schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals het bij het verdrag was bezworen. Maar in hetzelfde oogenblik snorde een pijl uit de gelederen der Troërs , recht op Menelaos aan , en verwondde dezen. Plotseling veranderden de juichtonen der Grieken in de heftigste verwenschin-gen tegen alle Troërs , en Agamemnoon zwoer dén geduchten eed, niet eerder te zullen rusten, voor hij dit meineedige, trouwelooze geslacht van de aarde zou hebben verdelgd, en hunne stad aan de vlammen prijsgegeven. Hij wist niet, en kon ook niet weten, dat de woordbreuk der Troërs de wil was geweest der onsterfelijke goden!

VII.

Hektoor en Adromache.

Op zekeren dag, dat de strijd op het hevigst woedde, was Hektoor naar de stad gesneld, om zijne moeder Hekabe te smeeken, met andere voorname Troische vrouwen aan godin Athene een wijgeschenk te brengen en haar te bidden, de Troërs bij te staan. Toen hij zijne opdracht had vervuld, en de stad weer wilde verlaten, kwam hem aan de poort zijne eerzame

ocr page 81

73

en verstandige gade Andromüchz te gemoet, vergezeld van eene slavin , die haar klein , nog hulpbehoevend zoontje op de armen droeg. De trouwe vrouw begon te weenen , toen zij hem zag,, vatte teeder zijne hand en sprak: „Dierbare man, uw moed zal ii nog ten verderve voeren. Blijf bij ons , en heb medelijden met uw onnoozel kind en uwe ongelukkige vrouw. Als ik u verlies, wie zal mij dan bijstaan ? Mijne moeder is gestorven, mijnen vader en mijne broeders heeft Achiileus gedoodr en SÜ gaa': nu ook van mij weg, nu de Grieken reeds onze muren bestormen. O blijf hier op den walmuur 1quot;

„Lieve vrouw,quot; antwoordde Hektoor, „hoe kan ik dat ? Rust niet op mij het behoud der stad en ziet niet al het volk tot mij, als tot zijnen redder op ? Zou ik mij niet voor de vrouwen moeten schamen , als zij mij op den muur zagen staan , toekijkende hoe anderen vechten ? Voorzeker zal ook mijne moeite-te vergeefs zijn, want mijn voorgevoel zegt tot mij ; de dag zal komen, waarop Troia in asch verzinkt en Priamos' edel geslacht te gronde gaat. En dan wee u, mijne arme Adromache , wanneer een trotsche Griek u als slavin wegvoert, om in zijn huis voor zijne vrouw te weven of uit verwijderde bron water te scheppen, en de menschen u nieuwsgierig aanstaren en zeggen: dat was eens Hektoors gemalin , de doorluchtige vorstin der 1 roers, in den tijd toen die beroemde stad nog bestond! O, c'a'- yÜ dat zult moeten hooren, ongelukkige vrouw ! En toch , ik kan u niet bevrijden uit uwe slavernij, want ik verneem uwe klachten niet meer en mijne asch dekt de grafheuvel!quot;

Zijn droeve blik gleed van de vrouw naar het teere knaapje , op de armen der voedster. Maar toen hij de handen naar hem uitstrekte , toen schreide het kind en borg het hoofdje vast aan de borst van het meisje. Het werd bang voor den wuivenden helmbos. En Hektoor gespte zijn helm los en zette dien neer op den grond ; toen keek hij zijn jongske vriendelijk aan , nam het op den arm en wiegde het met kinderlijke blijdschap heen en weer, kuste het en sloeg vurig biddend het oog ten hemel. „Genadige goden , riep hij uit, verhoort mij ééne bede! Laat dezen mijnen zoon sterk en dapper worden, dat hij anderen

ocr page 82

74

overtreffe en voor zijn volk een sterke schutsmuur zij ! Eens mogen de mannen zeggen , wanneer hij uit den strijd terugkeert; Die gaat nog zijnen vader te boven ! En moge, dit hoorende, de goede moeder dan zich verheugen !quot;

Zoo sprak hij en gaf het kind aan zijne weenende vrouw, die het vol liefde aan haren boezem drukte, lachend door de tranen heen. Ook Hektoor werd door onweerstaanbare!! weemoed aangegrepen. Hij liefkoosde zijne dierbare echtgenoot en zeide troostend; „Arme lieveling, gij moet niet bedroefd zijn. Het menschelijk leven rust in de hand der goden en niemand zal mij , tegen den wil van het noodlot, naar het verblijf der dooden zenden. Maar wien het lot eenmaal treft, die moet volgen , hij zij edel of gemeen. Ga nu aan uwe bezigheden , zorg voor het spinwiel en de weefstoel en spoor de dienende vrouwen tot werkzaamheid aan. De oorlog is het werk der mannen, maar vooral van mij. Ga, leef gelukkig!quot;

Hij zette zijnen helm op en snelde weg. Ook zij ging met het kind , maar stond dikwijls stil en oogde hem na. Eerst in hare vertrekken barstte zij I9S in smartelijk weenen en met haar weenden de slavinnen; want zij hadden allen haar lief, haar en den edelen Hektoor. Somber voorgevoel vervulde hare harten; zij beschouwden den krachtigen held reeds als dood en zongen bij zijn leven reeds zijnen lijkzang.

vin.

Hektoor en Aias.

Hektoor, nog woedend over de lafheid zijns broeders , wilde gaarne de schande der Troörs uitwisschen en daagde daarom openlijk de vijanden uit, een man uit hun midden tegenover hem te stellen, met wien hij geheel alleen den strijd, voor altijd , wilde beslissen. De Grieken waren met de uitdaging van een zoo geduchten held zeer verlegen , maar namen haar, om hunne eer te redden , onmiddelijk aan , en wezen op Nestoors raad den kampioen door het lot aan. Dit trof den Grooten Aias,

ocr page 83

75

den vorst van SalSmis. Deze sprak nu zegevierend tot Hektoor de gevleugelde woorden; „Ziet gij wel, dat onder het volk der Grieken nog mannen zijn , die uwe uitdaging niet vreezen ? Ik ben slechts een van de velen. Welaan, begin den strijd!quot;'

„Denkt gij met uwen overmoed mij te bevechten, Aias ?quot; antwoordde Hektoor. „Vergis u niet, ik ken den oorlog der mannen, weet de speer te drillen, zoo dat zij treft, en het schild te hanteeren, dat geene worp mij deert. Te voet en met den wagen haal ik den vluchtenden vijand in, en mijne daden getuigen voor mijne woorden. Geef thans acht, dappere krijger , ik wil niet met sluwe list u verrassen, maar openlijk u treffen !quot;

Zoo sprekende, slingerde hij de geweldige lans met alle kracht op hem los , en zij drong door het metalen beslag van het schild en door zes van de stierhuiden , waarmede het was overtrokken; toen eerst bleef zij steken. Snel wierp nu Aias de zijne op Hektoors borst; maar Hektoors schild was niet stevig genoeg om de speerpunt te weerstaan en slechts door eene behendige beweging verhinderde hij, dat zij in het vleesch drong. Met geweldige kracht rukten nu beiden de lans uit hun schild en gingen daarmede elkander te lijf, van begeerte brandend de tegenpartij te dooden. Op nieuw trof Hektoor met juist gemikten worp, den sterken metalen beugel van het vijandelijk schild , zoodat de speerpunt krom boog; zij drong echter niet door. Ook Aias' wapen schampte af op de gladde welving, maar gleed over den rand van het schild in Hektoors hals, waardoor het bloed het harnas rood verfde. Snel wendde zich Hektoor en greep een reusachtigen steen ; dezen wierp hij uit alle macht naar Aias' hoofd en hij zou hem hebben verpletterd , had deze niet snel zich met zijn schild gedekt. Dreunend viel het gevaarte ter aarde. Nu greep Aias een nog veel grooteren kei en smakte dien op den Trocr ; het voorgehouden schild kraakte en brak; Hektoor werd aan de knie gewond. Niettemin maakte deze, brieschend van woede, zich op tot een nieuwen, onstuimigen aanval, toen de Grieken zelf aan het gevecht een einde maakten. Zij zonden een heraut , die de beide vechters scheidde.

Aias loerde nog steeds op iedere beweging v/m Hektoor en

ocr page 84

76

riep tot den heraut; „Goed, mijn vriend, vermaan dien man daar tot staking van den strijd ; hij is begonnen; wil hij wat rusten , dan is het mij ook goed.quot; Toen sprak Hektoor op rustigen toon ; „Aias , gij hebt u mannelijk gedragen in het gevecht en een god heeft u kracht en beleid geschonken. Laten wij thans uitrusten van den strijd en dien later weer aanbinden, totdat een god door den dood ons van elkander scheidt. Maar eerst zullen wij elkander waardige geschenken geven , opdat men voortaan onder Grieken en Trojers getuige; Ziet, zij bestreden elkander eerst lang in bloedigen tweestrijd , maar scheidden daarna in vriendschap.quot; Hij reikte hem zijn kunstig bewerkt zwaard met de scheede en den sierlijken draagband , en Aias schonk hem van zijn kant zijn purperen gordel. Zoo scheidden zij en ieder leger ontving zijnen held met juichkreten en voerde hem zegevierend naar de zijnen terug. Hoe voortreffelijk smaakte het maal na een zoo heeten dag 1 Agamemnoon onthaalde de vorsten als gewoonlijk in zijne tent, en reikte aan Aias eershalve het grootste stuk, dat men uit den rug van een vijfjarigen, vetten stier had gesneden. Ook Hektoor verkwikte zich in zijn paleis aan een rijkelijken maaltijd , en verhaalde zijn ouden vader de groote gebeurtenissen van den vervlogen dag.

IX.

Patroklos.

Dagelijks nu wisselden gevechten en veldslagen in de vlakte voor Troia elkander af, en menige trotsche held werd van weerszijden door een onvervvachten, gewelddadigen dood naar den Hades gezonden. Sedert Achilleus echter vol wrok tegen Agamemnoon, zich in zijne tent had teruggetrokken, sedert bovenal Hektoor de zijnen moedig aanvoerde en voorging in den strijd, hadden de Grieken steeds grooter verliezen geleden, en hoe dapper ook hunne helden ieder voor zich, hadden gestreden , was het den vijand toch gelukt, ten laatste zelfs den walmuur en de gracht te overschrijden en in de legerplaats , ja zelfs tot

ocr page 85

77

aan de schepen voorwaarts te dringen. Hier ontspon zich een bloedig gevecht, dat tot nadeel der Grieken en met hunne geheele vernietiging moest eindigen , zoodra het den Troërs gelukte hun plan te volvoeren , om de schepen in brand te steken.

Dit gevaar voorzag Patrokios , Achilleus' boezemvriend; hij wist dat de strijd , die thans werd gevoerd , een strijd was op leven en dood , en hem ging het bloed ter harte van zoovele dappere mannen, die allen tot nu toe op het veld van eer Avaren gevallen , zonder door hunnen dood eenig nut te hebben gesticht. Daarom trad hij de tent van Achilleus binnen en smeekte dezen om zijne wapenrusting, in de hoop dat de Troërs, wanneer zij hem zagen, hem voor Achilleus zouden aanzien en den strijd zouden staken. — De held stond hem zijn verzoek toe, maar waarschuwde hem tevens voor Hektoor; aan dezen moest hij zich niet wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood hoog gestegen en redding dringend noodig. Aias zelfs, de dappere held, had ten laatste voor Hektoor uit den weg moeten gaan , en deze had met de zijnen den brand in een schip gestoken , zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook de overige schepen in groot gevaar verkeerden. — Toen Achilleus van zijne tent uit, de vuurzee uit het schip zag opstijgen , toen doortrilde diepe smart 'den onbuigzamen jongeling en zelt spoorde hij zijnen makker aan , zich te wapenen. Patrokios rustte zich ijlings ten strijde, en liet zijnen wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilleus zijne manschappen in slagorde schaarde. Evenals hongerige wolven, vol onstuimigen moed , stormden zij, Patrokios vooraan, op de 1 roers in. Dezen sloeg de schrik om het hart en snel wendden zij zich ter vlucht; want zij geloofden , dat Achilleus zijnen toorn had laten varen en in eigen persoon zijne troepen in het gevecht voerde. Patrokios rukte onmiddelijk ter vervolging op ; meer dan twintig krijgers waren reeds onder zijne slagen gevallen en nog steeds zocht zijn oog nieuwe slachtoffers. Daar benevelde plotseling Apolloon zijn verstand , zoodat hij de vijanden niet bemerkte , die in den rug hem naderden. Een hunner doorboorde hem met de lans ; op

ocr page 86

78

hetzelfde oogenblik sprong Hektoor op hem los en' stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf, ■ zoodat hij van den wagen stortte. Juichend weerklonk uit des Troërs mond; „Ha, Patroklos, zeker was het uw plan onze stad in puinhoop te doen verkeerenl Voorloopig heb ik den dag van haren ondergang een weinig verschoven, en u zullen de gieren vreten. Wat heeft u nu Achilleus geholpen?''

„juich vrijquot; , antwoordde stervend , met zwakke stem , Patroklos , „maar dat voorspel ik u , dat gij zelf ook niet lang meer zult leven. Het doodslot staat reeds aan uwe zijde, en ik weet door wiens hand gij zult vallen.quot; Met deze woorden blies de jeugdige dappere den laatsten adem uit. Om zijn lijk ontwikkelde zich thans een reusachtige strijd. Grieken en Troërs zochten het mee te sleuren; wel bleef het eindelijk door Aias' en Menelaos' heldenmoed in handen zijner makkers, maar de schitterende wapenrusting was het kwijt. Die was de krijgsbuit geworden van Hektoor.

X.

Hekïoors dood.

*

Achilleus had, .onbekommerd om het ongeluk zijner vrienden, zich overgegeven aan zijn mateloozen wrok, en elk aanbod van voldoening van den kant van Agamemnoon onverbiddelijk geweigerd. Thans was hij voor zijn onmenschelijken toorn gestraft door den dood van zijn dierbaarsten vriend. Buitensporig als die toorn was ook zijne smart. Toen het dierbare lijk, vol gapende wonden, voor zijne tent werd gebracht, wierp hij zich jammerend ter aarde , bestrooide zich het hoofd, het gelaat en de handen met stof, en weeklaagde zoo luid, dat diep in den schoot der zee zijne goddelijke moeder de smartelijke kreten vernam en opdook, om hem te troosten. Slechts één gevoel beheerschte hem thans, wraak te nemen op Hektoor, die zijn vriend had gedood, hoewel hij doordrongen was van het voorgevoel , dat ook hem spoedig na Hektoors val de dood beschoren

ocr page 87

79

was. De haat tegen Hektoor bracht eiken wrok tegen Aga-memnoon tot zwijgen. Hij verzoende zich niet dezen en wilde terstond in het strijdgewoel, om den vervloekten vijand op te zoeken. Maar hij had geene wapenen , Hektoor pronkte zegevierend in zijne rusting! Nog denzelfden nacht begaf zich zijne moeder Thetis naar den Olumpos, tot Hephaistos, en liet voor haren zoon een nieuwe, ongehoord prachtige wapenrusting maken. Daarin reed Achilleus den volgenden morgen op zijnen strijdwagen , schitterend als Helios , de zonnegod, in den slag, begeleid door het geheele leger der Grieken.

In den nu volgenden strijd worstelden menschen en goden in wilde verwarring, want Zeus had dezen dag aan de hemelbewoners verlof gegeven , aan het gevecht deel te nemen en bij te staan , wien zij wilden, opdat niet Achilleus, door niets in zijne woede gestuit, de stad ïroia tegen de bedoeling van het lot, zou veroveren. Van beide zijden dreven de goden de bloedgierige scharen aan, Zeus donderde vreeselijk van den hoogen Olumpos, en Poseidoon schudde de aarde, dat zelfs Hades, de god der onderwereld, verschrikt van zijnen troon sprong, uit vrees dat de aarde zou bersten en zijn afzichtelijk doodenrijk voor aller oogen bloot zou leggen. Nadat Achilleus tal van Troërs had gedood, dreef hij hun gansche leger in wilde vlucht voor zich uit; een deel vond redding binnen de stadsmuren, een ander deel werd door den onweerstaanbaren held in de rivier Skamandros gedreven, en meedoogenloos door hem verslagen, zoodat ten laatste de stroomgod zelf, de slachting niet langer kunnende aanzien, zijne wateren in opstand bracht, ze over de oevers joeg en Achilleus met den dood bedreigde. Hephaistos echter, de god van het vuur, wierp zijne vuurvlammen over de baren en droogde het land.

Hektoor was de eenige die nog stand hield buiten den muur en den vijand opwachtte, vast besloten te overwinnen of te sterven. Toen hij echter den vreeselijken tegenstander zag naderen , greep schrik en ontsteltenis hem aan en hij ging op de vlucht. Achilleus stormde hem na en joeg hem driemaal de vlakte rond. Eindelijk hield de vervolgde stand, en na

ocr page 88

8o

wanhopige tegenweer zonk hij onder 'de speer van zijnen vijand ineen. Fluisterend sprak hij nog , de doodskleur reeds op het gelaat: „Bij uw leven, Achilleus, bij uwe knieën, bij uwe ouders bezweer ik u, geef mijn lijk niet aan de honden prijs ; neem van mijnen vader koper en goud, zooveel gij wilt, ten losprijs aan , maar zend mijn lichaam naar Ilios, om daar door de Troërs te worden begraven!quot;

Norsch antwoordde de snelvoetige Achilleus ; „Bezweer mij niet bij mijne knieën noch bij mijne ouders. Niemand zal van uw hoofd de honden en gieren verjagen, zelfs wanneer men tien- en twintigvoud losgeld bracht en Priamos aanbood tegen goud uw lichaam op te wegen.quot; „Ik ken u, steende Hektoor, uw hart is van ijzer. Maar denk dat de toorn der goden mij wreken zal, op den dag waarop Paris en Apolloon u , hoe dapper gij ook zijt, zullen dooden.quot; Zoo voorspelde hij stervend de toekomst en blies den adem uit. Achilleus echter riep , terwijl hij zijne speer uit het lijk rukte, den doode na: „Sterf! Mijn eigen noodlot zal ik afwachten, wanneer Zeus en de andere onsterfelijken het willen!quot; Hierop doorboorde hij zijn slachtoffer de voetpezen , trok er een riem doorheen en bond het lijk aan zijnen strijdwagen, om het naar zijne legerplaats te sleepen, ten buit aan honden en roofvogelen. Luid jammerend stonden Priamos en Hekabc, te midden der Troërs op den muur der stad, en zagen hoe hun dierbare zoon , de beste uit het geheele volk , smadelijk werd voortgesleurd.

XI.

Priamos lost het lijk van Hektoor.

Twaalf dagen lang lag het lijk van den ongelukkigen Hektoor voor Achilleus' tent in het stof,-en telken dage sleurde deze, in steeds klimmende woede , hem aan zijnen wagen gebonden, om den grafheuvel van zijnen vriend ; maar de goden beschermden met liefderijke zorg den doode tegen verrotting en verminking. Eindelijk geboden zij Achilleus, het lichaam aan de

ocr page 89

8i

bloedverwanten uit te leveren , en bevalen Priamos, zich met een wagen, beladen met rijke geschenken, naar de legerplaats der Grieken te begeven , om het overschot van zijnen zoon los te koopen. Door nachtelijke duisternis beschut, kwam hij bij Achilleus' tent aan. Deze had juist zijn avondmaaltijd geeindigd en zat nog aan de tafel, op eenigen afstand van zijn vrienden; daar trad de oude koning ongemerkt binnen en wierp zich plotseling voor den verbaasden jongeling op de knieën en kuste zijne handen.

„Godgelijke Achilleus, zoo sprak hij, gedenk uw vader, die door ouderdom gekromd, misschien door vijandelijke naburen wordt bedreigd en hulpeloos is als ik. Maar hem blijft de hoop over, eens zijn geliefden zoon behouden naar huis te zien terug-keeren, ik echter mis eiken troost; vijftig zonen bezat ik, toen de Grieken in mijn land kwamen, waarvan de oorlog mij de meesten heeft geroofd, en eindelijk hebt gij mij den eenigen, die in staat was de stad te beschermen, mijnen Hektoor, verslagen. Dien kom ik thans lossen tegen rijkelijk losgeld; eer de goden, Achilleus, heb medelijden met mij, gedenk uw eigen vader. Ik ben uw medelijden nog meer waard dan hij, want ik lijd wat nog geen sterveling leed, ik druk de hand aan mijne lippen, die mijne dierbare zonen heeft gedood.quot;

De jonge held voor wien de zwaar beproefde grijsaard vveenend in het stof lag, was diep geroerd; met afgekeerd gelaat weende hij om zijnen vader, dien hij nimmer terug zoude zien, maar ook om Patroklos, den gestorven vriend. Plotseling sprong hij op, hief den ouden man op uit het stof en sprak: „Arme ongelukkige , waarlijk, veel leed hebt gij ondervonden. Hoe echter hebt gij durven wagen hier heen te komen, onder het oog van hem die uwe zonen heeft verslagen? Gij hebt nog stalen moed! Thans echter, zet u neder en laat ons het verdriet vergeten; weeklacht baat toch niet meer. Zoo is nu eenmaal het lot der ellendige menschheid. Twee vaten staan in de woning van Zeus, het eene met onheil gevuld, het andere met de zegeningen van het geluk; wien de goden hunne gaven dooreengemengd schenken, die heeft nu ramp-, dan voorspoed, maar wien zij

6

ocr page 90

slechts ongeluk toedeelen, dien stooten zij in eenen poel van jammer en ellende. Zoo schonken de goden aan Peleus, mijnen dierbaren vader, wel heerlijk geluk, toch bedeelde eene godheid ook hem groote rampen; want hij ontving slechts een eenigen zoon, wiens verpleging de dagen zijns ouderdoms niet verheldert, maar ver weg zit ik hier voor Troia en breng droefheid over u en uwe kinderen. En ook u, grijsaard, prezen de menschen eens gelukkig om uwe macht en uwen rijkdom en uwe bloeiende zonen, maar thans hebben de onsterfelijke goden u grievend leed beschoren. Draag het en jammer niet zoo, de weeklacht wekt de dooden niet!quot;

„Noodig mij niet tot zitten, antwoordde de grijsaard, zoo lang Hektoor voor uwe tent onbegraven ligt. Lever hem mij uit en neem onmetelijk losgeld.quot; Met droeven blik sprak de jongeling: „Wees gerust, eerwaarde oude; ik zelf toch heb het voornemen hem ii af te staan, Zeus heeft het mij bevolen.quot; Daarop snelde hij naar buiten, liet de geschenken afladen van Priamos' wagen en daarop het lijk van Hektoor nederleggen, nadat het eerst was gewasschen, gezalfd en in lijnwaad gewikkeld. Teruggekeerd in de tent, zette hij zich weder tegenover den koning en sprak; „Uw zoon is losgekocht, morgen zoodra Eoos aan den hemel verschijnt, kunt gij hem zien en naar huis voeren; nu evenwel willen wij den maaltijd gedenken.quot; Na het maal sprak Priamos: „Laat nu mij rusten, edele held, want sedert mijn zoon in uwe handen viel, hebben mijne oogen zich niet gesloten, maar verteerd van smart, heb ik mij gewenteld in het slijk van mijnen hof, en eerst heden kwam weder vleesch en wijn over mijne lippen.quot; Achilleus liet zijnen gast buiten in de halle een leger bereiden, opdat hij in het vroege morgenuur zou kunnen vertrekken. Daarop stond hij hem nog eenen wapenstilstand toe van elf dagen, voor de begrafenis van zijnen zoon, nam toen de rechterhand des grijsaards in de zijne, en liet hem ter ruste gaan. De jonge held, in zijnen toorn zoo wreed en onmenschelijk, was na de hevige aandoeningen der laatste dagen, door den aanblik van den ongelukkigen grijsaard, en door de herinnering aan zijnen vader, hulpeloos achtergebleven in het verre vaderland.

ocr page 91

83

zacht en vriendelijk geworden; zijne ziel was gelouterd en had zich weder geopend voor zachtere aandoeningen. Hij erkende den heldenmoed zijns vijands en leverde hem uit ter eervolle begrafenis.

XII.

Troia's verwoesting.

Nog daagde het niet in het oosten, toen Priamos met het lijk van zijnen zoon naar de stad terugkeerde. Reeds voor de poort kwamen hem Hektoors moeder en vrouw te gemoet, Hekabe en Andromache , snelden op den lijkwagen toe en legden weeklagend beur handen op het hoofd van den doode. Spoedig verdrong van alle zijden het volk zich om de treurige groep , zoodat de wagen slechts langzaam en met moeite zich naar het koninklijk paleis voortbewoog. Daar werd het lijk op een prachtig rustbed gelegd; ter zijde stonden zangers en hieven den treurzang aan, waarin zich de jammerkreten der klaagvrouwen mengden.

Negen dagen lang voerden de Troërs eene onmetelijke hoeveelheid hout aan uit de bosschen , en bouwden in de vlakte voor de stad een torenhoogen brandstapel. Den tienden dag was alles gereed , en Hektoors lijk werd onder luide weeklacht op de mijt gelegd en verbrand. Daarop verzamelden broeders en strijdmakkers het onverteerde gebeente, en borgen het in eene gesloten gouden kist , die met purperen lijnwaad omwikkeld, in het gedolven graf werd neergelaten. Reusachtige steenblokken dekten de groeve, terwijl bovendien een grafheuvel werd opgeworpen. Hierna keerde de volksmenigte naar de stad terug , en een feestelijk lijkmaal in het paleis van Priamos was het laatste eerbewijs, aan den edelen Hektoor bewezen.

Spoedig daarna sneuvelde ook Achilleus. Onstuimig stormde hij, overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op ïroia los; de Troërs boden weinig weder-

6*

I

1

jam-njnen Iheid ligen 'lert, rer u :hen Mide leed ■ekt

ing

en I

lg:

en de sa as in

si ;1

.

ocr page 92

84

stand en Achilleus zou Ilios hebben ingenomen , ware het door de goden niet anders besloten geweest. Reeds was men bezig de poortdeuren uit hare hengsels te lichten , toen Apolloon van den hoogen Olumpos, den bedreigden Troërs ter hulpe, nederdaalde en den held toeriep, af te laten van den strijd. Achilleus evenwel sloeg de vermaning der godheid in den wind; toen nam deze de gestalte van Paris aan , legde een pijl op zijnen boog en schoot den held in de hiel, de eenige wondbare plek aan zijn lichaam , waarop deze met zvvaren slag ter aarde stortte. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken, waaruit het donkerroode bloed gudste, verhief hij zich met een sprong van den grond en stortte zich weder in de vijandelijke drommen. Vele Troërs doorboorde nog zijne speer; nu echter verstijfden hem langzamerhand de ledematen en stervende zonk hij ineen , zoodat de aarde dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht door de Grieken naar de legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals hij had gewenscht, verzamelden zijne vrienden het overschot en zetten dit in eene gouden urn, tegelijk met eene andere , die het gebeente van Patroklos bevatte , in een en hetzelfde graf bij.

Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had gewoed, viel Troia door list in handen der Grieken. Op raad van den slu-wen Odusseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoog-stammige dennen, waaruit held Epeios een reusachtig paard vervaardigde, eerst de pooten, toen den buik en daarover den gewelfden rug; over den kunstig nagebootsten nek golfden sierlijke manen ; kop en staart werden bedriegelijk nagebootst, zoo zelfs dat de ooren en oogen niet ontbraken. Zoo volbracht hij met Athene's hulp den arbeid in drie dagen, tot verbazing van gansch het leger.

Nu verborgen de dappere helden zich in de ruime holten van het paard; de overige Grieken echter staken hunne tenten en legertros in brand en zeilden over naar het naburige eiland Tenëdos, waar zij landden.

Toen de Troërs den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad

ocr page 93

85

uit naar de legerplaats der Grieken , en aanschouwden hier het reusachtige houten paard. Terwijl zij onder elkaar oneenig waren, of men het wonderwerk in de stad zou slepen of aan de vlammen prijs geven , trad Laokooon, een priester van Apolloon , in hun midden en riep ; „Ongelukkigen , welke dwaasheid bezielt u ? Meent gij dat de Grieken werkelijk zijn heengegaan , of dat een geschenk uit hunne hand geen bedrog verbergt ? Kent gij Odusseus zoo weinig ? Een van twee, of in dit paard schuilt gevaar, of het is een oorlogswerktuig , dat door den in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend. Wat het ook zijn moge, ik voor mij vertrouw het volk van Danftos niet, zelfs niet als het met geschenken komt!quot; Op dit woord sliet hij'eene machtige ijzeren speer, aan de hand ontrukt van een naast hem staanden krijgsman, in den buik van het paard. De speer boorde trillend in het hout en uit de holte klonk een doffe dreun, als uit een diepen kelder. Maar de Troërs bleven blind voor het naderend onheil.

Ondertusschen trokken eenige herders een Griek onder het paard weg, die op raad van Odusseus was achtergebleven , om door een verdicht verhaal de Troërs gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard, en hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Priamos gebracht, vertelde Sinoon , zoo heette de Griek , met goed gespeelde onnoo-zelheid, dat de Grieken het kolossale beeld tot wijgeschenk voor Athene hadden bestemd, om deze godin te verzoenen. Het was zoo verbazend groot gemaakt, om den Troers te verhinderen het door hunne stadspoorten te brengen , daar in dat geval de godin zich van de Grieken zou afwenden , om in het vervolg Troia bij te staan. Mochten evenwel de Troërs zich aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk in het verderf worden gestort.

Priamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof, en werden nog meer doordrongen van de waarheid zijner woorden, toen op hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep , waarin zij eene bestraffing meenden te zien van den priester Laokooon, wegens zijnen twijfel aan de heilige bestemming van het paard.

ocr page 94

86

Van liet eiland Tenedos namelijk naderden twee ontzettende slangen ; in reusachtige kronkels bewogen zij zich over de zee. Laoköoon stond juist met zijne zonen aan het strand en offerde. Daar schoten de monsters op de knapen toe, omstrengelden hunne lichamen, het teere vleesch met giftige tanden verwondend ; toen de vader zijnen kinderen met opgeheven zwaard ter hulpe snelde, kronkelden de slangen zich ook om hem. Vergeefs waren alle pogingen zich los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif doortrokken. Toen gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel van Athene en verborgen zich onder het beeld der godin.

Nu was bij de Troërs elke twijfel gebannen; zij haalden een deel van den stadsmuur naar beneden en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad binnen. De taal van Kassandra, de eenige die het dreigende verderf voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der stad, en door wijn en vermoeidheid bevangen , verzonken de Troërs in diepen slaap. Toen begaf zich Sinoon naar het strand der zee en gaf door het zwaaien van een brandende fakkel aan de Grieken op Tenedos , het afgesproken teeken. Hierop opende hij het deurtje in den buik van het paard , waardoor de gewapende krijgers een voor een te voorschijn kwamen. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Aller-wege werd brand gesticht en niet lang duurde het of uit de daken der woningen stegen rosse vlammen omhoog. Ook de troepen van Tenedos waren geland, drongen door de bressen de stad binnen, die thans het schouwspel werd van ontzettende ellende. De verwarring had haar toppunt bereikt, daar ook vele Grieken waren geveld, door brandende balken en steenen getroffen. Hunne gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel slachtoffers; ouderdom , geslacht noch stand bleef gespaard; de oude Priamos werd aan den voet van het heilige Zeus-altaar doorstoken, Hektoors zoontje As-tuanax uit de armen zijner moeder gescheurd en van den

ocr page 95

8?

torenmuur naar beneden geslingerd. Alleen Aineias, een dappere Troër, ontkwam; hij nam zijn ouden vader And as es op den rug, zijn zoontje Askanios aan de hand, en vluchtte door de straten der brandende stad, wadende door bloed en stapels lijken, naar het strand der zee. Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven, een nieuw vaderland te vinden. Hij werd de stamvader van het Romeinsche volk.

Menelaos stormde het paleis binnen zijner gemalin Helena en zou haar in zijne eerste woede wellicht hebben gedood, ware niet zijn broeder Agamemnoon tusschen beiden gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen van het eens zoo machtige Troia, nu voor goed van den aardbodem verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door de Grieken als slaaf medegevoerd. Zoo eindigde dit treurspel.

Orestes en Pulades.

Terwijl de Troische oorlog met zoovele verbittering werd gevoerd, greep in Griekenland zelf, in de woning van menigen vorst, groote verandering plaats. Voornamelijk was dit het geval in het paleis van Agamemnoon te Argos.

Zijne vrouw Klutaimnestra koesterde sedert den offerdood van Iphigeneia, een innigen haat tegen haren man, dien zij voor den bewerker van dit onheil hield. Door Agamemnoons voortdurende afwezigheid vervreemdde zij meer en meer van hem , begon te gelooven dat hij nimmer zou terugkeeren en schonk hare hand aan Aigist/ios, zijn neef.

Maar Troia viel en na gelukkige vaart naderde Agamemnoon als overwinnaar; van eiland tot eiland, van Troische tot Grieksche kust, meldden seinvuren den val der vijandige stad en den terugkeer van den koninklijken gemaal. Thans was voor Klutaimnestra hei oogenblik der wrake aangebroken, en in het zelfde uur waarin Agamemnoon in den kring der zijnen de eerste rust van de vermoeienissen van den langen tocht dacht te vinden, werd hem

ocr page 96

88

een smadelijke dood bereid. Met gehuichelde vreugde werd de trotsche held door zijne vrouw ontvangen en naar de badkamer geleid, waar volgens Grieksche zede, iedere reiziger onmiddelijk na zijne aankomst de eerste verfrissching nam. Na het bad wierp de ontaarde vrouw hem een kleed over het hoofd en terwijl Agamemnoon moeite deed dit af te werpen, bracht Aigis-thos hem, den weerlooze, verraderlijk met eene bijl een slag op de hersenen toe, waarop hij ineenzonk. Ook aan Orestes, toen nog een knaap, had de onmenschelijke moeder, uit vrees voor latere wraakneming, een gelijk lot toegedacht, maar bij tijds nog werd hij gered door zijne oudere zuster Elektra, en in veiligheid ver weg gebracht bij eenen gastvriend van zijnen vader.

Van nu af leidde Elektra in diepen rouw over haar vermoorden vader, een somber, treurig leven, door hare moeder wie zij openlijk hare schanddaad verweet, belasterd en gehaat. Haar eenige troost was de in een vreemd land opgroeiende Orestes, van wien zij eens volvoering harer wraakplannen en bevrijding uit haar ellendigen toestand hoopte. Op zekeren dag verscheen een vreemdeling, -die tijding bracht van den dood van Orestes: de jongeling was bij eenen wedren uit den wagen gestort en verpletterd onder de raderen en de hoeven der paarden. Klutaim-nestra weerhoudt bij deze tijding ternauwernood hare groote blijdschap; alle vrees voor wraak bant zij thans verre. Elektra daarentegen, beroofd van hare lang en vurig gekoesterde hoop, is ter prooi aan grievende smart. Geen twijfel, hoe gaarne zij dien voedde, bleef haar over; een bode toch verschijnt met de urn, waarin Orestes' asch is verzameld.

Maar terwijl het arme meisje weeklagend de vaas omvat houdt, fluistert haar de boodschapper toe, dat hij zelf Orestes is, gekomen om zijnen vader te wreken; dat hij deze list heeft verzonnen, om zijne slachtoffers door zorgeloosheid in slaap te wiegen. Broeder en zuster spreken thans alles af voor de uitvoering hunner plannen en weldra valt de moeder onder de slagen van haar eigen zoon. Ook Aigisthos, die niets kwaads vermoedend, van het land stadwaarts keerde, ontvangt door Orestes' hand het loon voor zijn misdrijf.

ocr page 97

89

Nauw was echter de daad volbracht, of Orestes onderging de straf voor den moedermoord. De Eumeniden, wier doel was wraak te oefenen waar onrecht was gepleegd, vervolgden hem waar hij ging of stond. Met ijzeren voeten, het haar doorvlochten met sissende slangen, zweepten zij hem van oord tot oord. Nergens vond hij rust, vandaar dat hij zich wendde tot het orakel te Delphoi, waar de godheid hem ontheffing van schuld beloofde, als hij zijne zuster uit Tauris, het barbarenland, in haar vaderland terugbracht.

Toen ging hij met zijn dierbaren vriend Pultides op weg, om het bevel van Apolloon uit te voeren en het altaarbeeld van Artemis, de zuster van den god, uit Tauris te rooven. Op het punt de daad te volbrengen, werden beiden gevangen genomen, en moesten naar de wreede gewoonte dier streken, evenals elke vreemdeling, aan Artemis worden geofferd.

Reeds stonden zij voor het altaar en maakte de priesteres zich gereed Orestes de lange haarlokken af te snijden, toen deze, gedachtig aan zijne vroeg gestorven zuster, uitriep: „Zoo stierf ook Iphigeneia iu Aulis!quot; De priesteres — Iphigeneia zelf, door Artemis in eene wolk naar Tauris behouden overgebracht — deed den jongen vreemdeling vraag op vraag, en ervoer dat hij Orestes was, haar broeder, en tevens welke gruweldaden in Agamemnoons paleis hadden plaats gehad. Nu was de godspraak duidelijk; niet zijne eigene zuster Artemis had Apolloon bedoeld, maar Iphigeneia, de dood gewaande maar behouden gebleven zuster van Orestes.

Thoas, de koning van Tauris, stond Iphigeneia's terugkeer toe, en Orestes en Pillades voeren met haar naar het geliefde vaderland. Orestes, van de vervolging der vreeselijke Eumeniden bevrijd, werd vorst over het rijk zijns vaders, en in Agamemnoons huis keerde de lang begeerde kalmte terug. Volgens eene andere sage gebood Apolloon aan Orestes, zich naar Athenai te begeven. Hier werd hij door den Areiopügos gericht, en daar de stemmen voor en tegen zijne vrijspraak, gelijk in aantal waren, legde Athene eenen steen in de zoogenaamde

ocr page 98

90

urn der genade, waardoor hij werd ontheven van straf en bevrijd van de vervolging der wraakgodinnen.

De zwerftochten van Odusseus.

I.

Penelope.

Tot de helden, die eerst na lange rondzwervingen en ont-zettenden tegenspoed, hun vaderland temgzagen, behoorde Odusseus, de koning van Ithitka. Zijn lijden en strijden heeft Homeros, dezelfde voortreffelijke dichter, die in de Ilias de daden der Grieken voor Troia heeft bezongen, in een ander even schoon dichtstuk, de Odiisseia, vereeuwigd.

Een god had aan Odusseus zoovele rampen beschoren. Posei-doon, de heerscher der zeeën, was op den held vertoornd, want zwaar was hij door hem beleedigd. Daarom joeg hij hem voort over het wijde watervlak, van noord naar zuid, van oost naar west, verbrijzelde zijne schepen, doodde zijne makkers en dreef hem door maalstroom en branding naar volken, wier zeden en taal hem vreemd waren.

Terwijl Odusseus door Poseidoons toorn werd rondgeslingerd op de zee, en tegenspoed moest dulden van allerlei aard, werd ook zijn trouwe gade Petielopv. met haren zoon Telemdchos, dien hij eens als knaapje op moeders schoot had achtergelaten, op Ithaka door zware rampen bezocht. Bijna twintig jaren waren verstreken, sedert Odusseus het vaderland had verlaten; alle andere vorsten en helden waren lang teruggekeerd , hij alleen zwierf nog rond. Men hield hem voor dood en had alle hoop op zijn behoud verloren. Penelope was de eenige die altijd nog vertrouwde op zijnen terugkeer. Elke reiziger, die het eiland aandeed, werd ondervraagd of hij niet iets van den beroemden held had gehoord; maar alle navraag was vergeefsch. Toch

ocr page 99

91

bleef zij den vriend harer jeugd, haar dierbaren man. met onwankelbare trouw liefhebben. Meer dan honderd vrijers hadden zich in haar paleis verzameld en hielden daar op de on-beschaamdste wijze huis. Zij slachtten de runderen van Odus-seus, zijne bokken en zijne zwijnen en dwongen zijne slaven en slavinnen hen te bedienen. Dag aan dag leefden zij in verhoogde feestvreugde en wilden de edele Penolope dwingen, een van hen tot man te kiezen. Drie jaren reeds had dit onbehoorlijk gedrag geduurd en nog was geene redding nabij. Laertes, Odusseus' vader, was den overmoed der vrijers ontvlucht, en woonde eenzaam in het binnenland; zijne vrouw was van verdriet gestorven en Penelope treurde dag en nacht om haren echtgenoot. Daar de vrijers telkens heftiger op een huwelijk aandrongen, verzon zij eene list. Zij was namelijk bezig met het weven van een kleed, en beloofde nu, zoodra dit af was, zich een uit de velen tot gemaal te kiezen. Waar 's nachts bij het schijnsel der toortsen rafelde zij telkens weder uit, wat zij des daags had gewerkt, en werd zoodoende nooit klaar. Een babbelachtige slavin evenwel verried den vrijers de list en van nu af werden deze nog onbeschaamder.

II.

Telemachos in Pulos en Sparta.

Athene, de godin; die Odusseus steeds als helpster ter zijde stond, wekte bij den jongen Telemachos het voornemen, de helden te gaan bezoeken, die met zijnen vader voor Ilios hadden gelegen. Van hen hoopte hij het zekerst te vernemen, welken weg zijn vader had ingeslagen en of diens terugkeer nog kon worden verwacht. Zijne moeder liet hij onkundig van dat plan, opdat zij niet om zijnentwille bezorgd zou zijn. Een vriend leende hem een schip en een twaalftal kloeke jongelingen was terstond bereid, als roeiers hem te vergezellen. Tegen den avond kwamen allen aan het strand bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en vlug door-

ocr page 100

92

kliefde het schip de golven. Den volgenden morgen reeds bereikten zij de haven van Pulos, in het landschap Messer.ia, op de westkust van de Peloponnesos. Hier woonde Nestoor, die onder de helden voor Ilios voornamelijk om zijne jaren en zijne wijsheid in hoog aanzien had gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van zijnen vriend Odusseus met de meeste hartelijkheid, vertelde hem van Ilios al wat hij had ervaren, maar van Odusseus wist hij niets, daar hij vroeger dan deze was vveggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar Menelaos en Helena woonden, die hem misschien betere inlichtingen omtrent zijnen vader zouden kunnen geven. „Wilt gij soms over land de reis doen?quot; vroeg hij. „In dat geval geef ik u paard en wagen mede. Een mijner zonen zal u er brengen.quot; De wagen werd ingespannen; Telemachos en Peisis-tnttos, een zoon van Nestoor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde de rossen aan, en zoo kwamen zij den volgenden dag reeds bij Menelaos.

Juist was daar bruiloft; Menelaos huwde tegelijk een zoon en eene dochter uit. Vroolijk feestgewoel, zang en dans, vervulden de zaal; men bemerkte niet eens het voorrijden van den wagen, totdat een dienaar het Menelaos kwam berichten. Deze liet dadelijk de paarden uitspannen en aan de krib binden, terwijl hij de beide vreemdelingen gastvrij in zijne prachtige woning opnam. Toen nu de gastheer in den kring zijner gasten van zijne tochten begon te verhalen, en den naam van Odusseus daarbij vermeldde, bedekte Telemachos zijn beschreid gelaat met den purperen mantel en Menelaos, die hem nog niet naar zijne afkomst had gevraagd, vermoedde nu wie hij was. Op dat oogenblik trad Helena, de vrouw die alle rampen over Troia had gebracht, binnen en erkende onmiddelijk door de groote gelijkenis Odusseus' zoon, die nu met hartelijke liefde werd verzorgd en alles moest verhalen, hoe de vrijers in zijn paleis te keer gingen. „Waarlijk,quot; riep Menelaos uit, „als eene leeuwin die bij haren terugkeer de jonge reeën vaneenrijt, die zij in haar leger vindt, zoo zal Odusseus de nietelingen verscheuren als hij terugkeert!quot; De vrienden beklaagden nog lang het iot van den

ocr page 101

93

edelen held. Menelaos echter wist niets naders van hem te verhalen, dan wat hem eens een Aiguptische zeegod, Proteus, had voorspeld; „Odusseus zal na tien jaren rondzwervens, zonder een enkelen makker, zijn vaderland wederzien.quot; Met deze me-dedeeling moest de jonge Telemachos zich tevreden stellen; maar zij was gewichtig genoeg, om hem dadelijk aan zijne moeder te doen denken en te doen verlangen naar de terugreis, hoezeer ook Menelaos en Helena hem bij zich trachtten te houden.

Den volgenden morgen bestegen de beide jongelingen, na eerst aan de onsterfelijke goden te hebben geofferd, den wagen en reden terug naar Pulos, waar Telemachos, zonder Nestoors paleis weder te bezoeken, dadelijk scheep ging. In den stillen nacht zeilde hij met zijne makkers over de watervlakte naar Ithaka terug; maar zij namen eenen omweg, om op de noordkust van het eiland te landen, want de vrijers loerden op Telemachos, met het doel hem te vermoorden. Athene, zijne schutsgodin, had den jongen held in den droom voor dit gevaar gewaarschuwd.

III.

Kalupso.

Athene, die Telemachos vriendelijken bijstand verleende, trad ook op voor zijnen vader. Door den toorn van Poseidoon was deze op zee steeds uit den koers geslagen, en ten laatste na velerlei avontuur en gevaar op een eiland geworpen, Ogiigia genaamd, waarop eene nimf, de schoonlokkige Kalupso, woonde. Deze ontving den zwerver gastvrij en wilde hem niet weer laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijne op Ithaka achtergelaten Penelope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht, maar had geen schip. Smart en heimwee knaagden aan zijn hart; dagelijks ging hij, de zeven jaren die hij bij Kalupso gevangen was, naar het strand der zee en zag uit in de richting, waarin zijn dierbaar vaderland lag. Hij boezemde den goden medelijden in en zij besloten hem uit de boeien van Kalupso te bevrijden. Op voorbede van Athene

ocr page 102

94

werd Hermes, de bode der goden, naar Ogugia gezonden, tot de schoone nimf, om deze het onherroepelijk raadsbesluit van Zeus te verkondigen, waarbij den zwerver Odusseus de terugkeer naar Ithaka was beschoren. Hermes sprong van den hoogen Olumpos op het zeevlak, vloog als eene meeuw over de golven en kwam op het eiland van Kalupso aan. Hij vond de schoon-lokkige nimf in hare grot. Op den haard brandde het vuur; de liefelijke geur van het vlammende cederhout verspreidde zich alom. Zelf zat zij en zong met zilveren stem en weefde met gouden weefspoel een sierlijk kleed. Populieren en cipressen omgaven schaduwrijk de landelijke woning, en dienden bont-kleurigen vogels tot wijkplaats. Ook de wijnstok breidde zich uit over het rotsig gewelf en prijkten met sappige druiven, die in dichte trossen tusschen het loof doorschemerden. Vier beekjes kronkelden met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en welriekende kruiden begroeid.

De bode der goden bewonderde de heerlijke ligging der woning en trad daarop de ruime grot binnen. Kalupso zag hem naderen en herkende hem terstond; immers op hoe grooten afstand de goden van elkander wonen, zijn zij toch elkander niet onbekend. Odusseus was afwezig. Hij zal als gewoonlijk aan den oever der zee en staarde vol heimwee op het onafzienbare water. Toen Kalupso de mededeeling van den god vernam, dien zij vol vreugde had ontvangen, werd zij pijnlijk aangedaan en sprak: „Wreede goden! Duldt gij dan niet, dat eene onsterfelijke zich eenen sterveling tot echtgenoot kiest ? Ontneemt gij mij den man, dien ik van den dood heb gered, toen hij op de kust van dit eiland werd geworpen? Al zijne dappere vrienden waren in de diepte verzonken; zijn schip was door den bliksem uiteengeslagen; eenzaam dreef hij rond op het wrak. Ik nam den schipbreukeling liefdevol op, sterkte hem met voedsel, zelfs beloofde ik hem ten laatste onsterfelijkheid en eeuwige jeugd. Maar tegen Zeus' wil vermag niemand; zoo moge hij dan weer wegvaren op de oneindige zee. Verlangt echter niet van mij, dat ik zelf hem wegzend; mij ontbreken schepelingen en riemen. Mijn goeden raad zal ik hem echter niet ont-

ocr page 103

95

houden, opdat hij ongedeerd het vaderlijke strand bereike!quot; — Hermes was tevreden met dit antwoord en steeg weder op ten Olumpos. Kalupso echter ging naar het zeestrand, waar de treurende Odusseus nederzat, vlijde zich naast hem en sprak; „Arme vriend, uw leven mag langer niet in droefenis vergaan. Ik geef u de vrijheid. Op! vel reusachtige stammen, smeed met ijzeren banden ze samen tot een vlot, en omlijst dit met hooge planken! Allerlei benoodigdheden, water, wijn en spijs zal ik zelf aandragen, ik zal u voorzien van kleeding en gunstigen wind doen waaien van landzij. Mogen de goden u gelukkig naar het vaderland geleiden!quot; Wantrouwend zag Odusseus de godin aan en sprak: „Zeker, gij meent geheel iets anders. Nooit bestijg ik het vlot, wanneer gij mij niet den grooten godeneed zweert, dat gij niet eenig kwaad tegen mij brouwt!quot; Maar Kalupso glimlachte en antwoordde; „Kwel u niet met zulke gedachten! Aarde, hemel en de Stux zijn mijne getuigen, dat ik niets kwaads met u voorheb. Ik raad u hetgeen ik mij zelf zou toewenschen, indien ik in uw geval verkeerde!quot; Na deze woorden ging zij voor en Odusseus volgde; toen namen zij afscheid. Weldra was het vlot gebouwd en op den vijfden dag blies een gunstige wind in het zeil. Zelf nam hij het roer ter hand en stuurde met zeemanschap door de baren. Geene slaap look zijne oogen, onafgebroken richtte hij zijnen blik naar den hemel en speurde den koers, hem door de godin gewezen.

IV.

De schipbreuk.

Snel gleed hij over de rustige golven, en op den achttienden dag kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in 't zicht. Als een schild lag het op de donkerblauwe zee. Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidoon, die juist uit Aithiopia terugkeerde.

Hij had de laatste raadsvergadering der goden niet bijgewoond en zag dat dezen zich zijne afwezigheid hadden ten nutte gemaakt om Odusseus uit de gevangenschap te bevrijden. „Welnu, sprak

ocr page 104

96

hij bij zich zelf, hij zal toch nog ellende genoeg ondervinden.quot; En hij verzamelde de wolken , joeg niet zijnen drietand de wateren te berge , en riep de stormen en orkanen op tot onderlingen strijd. Zee en aarde werden geheel in duisternis gehuld. Alle winden gierden op het vlot los, zoodat Odusseus hart en knie beefde en hij zijn lot bejammerde , dat hem niet den dood op het slagveld had gebracht. Nog slaakte hij deze verzuchting, toen een reusachtige golf dreigend zich verhief; het vlot geraakte in eenen maalstroom , hij zelf werd ver over boord geslagen. Onmiddelijk daarop kraakten mast en stangen op onheilspellende wijs, en sloeg het zwaargebouwde vaartuig uiteen. Odusseus was door de bruisende branding overstelpt en zijne natte kleederen deden hem steeds dieper zinken. Eindelijk dreef hij weer op, kwam boven , spuwde het zilte water uit, dat hij had binnengekregen , en zwom naar de overblijfselen van het vlot, die hij eindelijk bereikte. Toen hij nu op de weinig betrouwbare balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin LeukotJim gewaar en zij ontfermde zich over den armen zwerver.

Als een waterhoen vloog zij op uit de zee, zette zich neer op het vlot en sprak; „Laat u raden, Odusseus! Trek uw kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om de borst en trotseer dan zwemmend alle verschrikkingen der zee.quot; Odusseus nam den sluier; de godin verdween en ofschoon hij de verschijning wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidoon de wildste golf op hem los zond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen, zette hij zich als een ruiter op een enkelen balk, trok het lange, zware kleed dat Kalupso hem geschonken had, uit en sprong met den sluier omgord , in den vloed. — Poseidoon schudde ernstig het hoofd , toen hij den koenen sterveling den sprong zag wagen , en sprak: „Dool dan rond door de wateren der zee, omringd van rampen! Waarlijk, uw ongeluk is nog niet geëindigd!quot; Op deze woorden verliet de godheid zijn gebied en trok zich terug in zijn paleis. Odusseus dreef nu nog twee dagen rond; toen eindelijk ontwaarde hij een boschachtig strand, waar de -branding tegen de klippen don-

ocr page 105

97

derde , en een hooge golf droeg hem , voor hij zich kon bezinnen ,

vooruitstekende rotspunt. .Maar zie ! een baar en slingerde hem in het ruime sop terug, heil in 't zwemmen en vond ten laatste oever, juist daar waar een klein riviertje zich in zee stortte. Hier bad hij tot den god van dezen stroom, die hem verhoorde , het water tot rust bracht en hem in staat stelde, zwemmende het land te bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond , uit mond en neus stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning viel hij in diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam, en het bewustzijn langzamerhand

terugkeerde, bond hij dankbaar den sluier der

Met beide handen

vasten grond

van zelf den Idemde hij een nam hem weer op Opnieuw zocht hij zijn

te

gemoet.

om-

veiligen

een genaakbaren ,

jodin Leukothea los en wierp hem weer in de

kon nemen. Daarop wierp hij

,b hem , want uit het oosten woei de frissche over de vlakte. Daarom besloot hij den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een beschut plekje op te zoeken. Hij vond werkelijk eene schuilplaats onder twee samengegroeide, dichtbladerige olijven , wier zware kronen wind, regen noch zonnestraal doorlieten. Van de gevallen bladeren taste Odusseus een leger op , legde zich neer en dekte zich weder met bladeren toe. Een verkwikkende slaap sloot weldra zijne oogen en deed hem alle doorgestane en nog dreigende leed vergeten.

zich neer in de zware biezen en kuste de weergevonden aarde. De koude beving hem, want uit het

Odusseus bij de Phaiaken.

loen Odusseus gesterkt ontwaakte, werd al zijne aandacht gespannen door vroolijke jeugdige stemmen , onmiddelijk in zijne nabijheid. Op eens vloog een bal, blijkbaar verdwaald, huppelend en springend tot dicht bij hem, terstond gevolgd door eenige bloeiende meisjes, die lachend en stoeiend den vluchteling

V.

golven

opdat

de goede

/eefster hem

terug

morgenlucht

ocr page 106

98

achterhaalden. Verbaasd rees Odusseus op, maar een hevig gillen der verschrikte meisjes, die op het zien van de woest uitziende en vervallen gedaante, zich snel uit de voeten maakten, bewees hem maar al te zeer, hoe lijden en ontbering zijn krachtig lichaam hadden gesloopt Hij trad vooruit, buiten het geboomte , en zag toen voor zich eene jonkvrouw , die alleen van de velen moedig had stand gehouden. Zij scheen hem eene godin, zoo stralend van jeugd en schoonheid stond zij daar voor hem.

Dat was Nausikad, de koningsdochter. Vroeg in den morgen was zij met hare slavinnen naar het strand gegaan, om het lijnwaad te wasschen. Terwijl de schitterende, rijk geborduurde kleederen te drogen lagen , hadden de meisjes zich vermaakt met het balspel, en een der ballen was in de nabijheid van Odusseus neergevallen. Vol medelijden schonk Nausikaii den moeden zwerver een passend gewaad. Terwijl hij dit omsloeg, na eerst op een eenzame plek zich van het vuile zeewater te hebben gereinigd , gaf als met een tooverstaf godin Athene haren lieveling de vroegere kracht en mannelijke houding terug. Vol verbazing zag Nausikaii ten tweeden male den vreemdeling naderen, kort geleden nog zoo ontdaan en zoo lijdend, thans schitterend van hooge waardigheid , een vorst gelijk.

Toen het tijd was geworden voor de meisjes om naar beur woning terug te keeren, laadden zij de kleederen en het lijnwaad op den wagen en voeren stadwaarts. Tot de poort vergezelde Odusseus haar, toen echter zonderde hij zich af en sloeg alleen den weg in naar het paleis van Nausikaii's vader; dit geschiedde op 's meisjes verlangen, immers zij vreesde den spot barer stadgenooten , indien zij met den schoonen , krachtigen vreemdeling door de straten ging.

Hij bereikte het fraaie paleis van Alkinoös, koning van de Phaiaken, in wier land hij zich thans bevond. In de koningszaal vond hij gastvrije en eervolle opname. Spijs en drank werd hem voorgezet, en daar intusschen de nacht was gevallen , werd hem een zacht leger gespreid , om door een zoeten slaap geheel te worden verkwikt. Nog was hem niet gevraagd naar zijnen

ocr page 107

99

naam ; in dien ouden tijd , wij hebben dat meer gezien , verleende men gastvrijheid zonder onbescheiden vragen naar afkomst en stand.

Met het krieken van den dag gingen Alkinoös en zijn gast naar de markt, en zetten eik zich neer öp een der steenen zetels , die in eenen kring voor de Phaiakische vorsten waren aangebracht, zoo dikwijls deze ter algemeene beraadslaging bijeen kwamen. Weldra verschenen ook de vorsten en namen hunne plaatsen in, terwijl het volk nieuwsgierig zich verdrong, om den vreemdeling te zien , over wiens uitgeleide heden zou worden beraadslaagd. Odusseus nu geleek eenen god, reusachtig van gestalte en bloeiend van jeugd als hij was , sedert Athene's too-verachtige aanraking. Algemeen oogstte hij bij de Phaiaken bewondering en liefde. — Toen allen verzameld waren , nam de koning het woord. „Hoort naar mij zoo sprak hij , „gij roemrijke vorsten van het Phaiakenland! Deze vreemdeling, ik ken hem niet en weet niet of hij van oost of van west tot ons is gekomen , kwam als smeekeling in mijn huis en verlangt van ons een verder geleide. Op dus, jongelingen , vereenigt u, trekt een goed uitgerust schip in zee , en maakt al het vereischte gereed ! Gij echter vorsten, staat mij eene andere bede toe ! Volgt mij in mijn ruime zaal, opdat wij den vreemdeling passend onthalen , en opdat aan onze vreugde ook het lied niet ontbreke , zoo roept mij den goddelijken zanger Demodokos.quot;

Toen het maal bereid was , verscheen de uitgezonden dienaar met den ouden zanger, wiens taak zou zijn het feest te ver-vroolijken. Demodokos was blind , maar in zijn geheugen zetelden schoone verhalen , die hij welsprekend wist voor te dragen, terwijl zijne hand , ter begeleiding, de snaren der lier tokkelde. De heraut leidde den zanger zachtkens aan de hand tot midden in de zaal, naar eenen zetel, die in den kring der feestvierende vorsten voor hem was neergezet. Boven des zangers hoofd, aan eenen knop, hing daarop de dienaar de lier, en bracht voorzichtig de hand van den blinde daarheen , opdat deze later het speeltuig zou kunnen vinden. Daarop zette hij eene tafel voor hem neer, overvloedig voorzien van vleesch, plaatste den

7*

ocr page 108

lOO

broodkorf naast hem, mengde zijn wijn en bediende op dezelfde wijze de overige gasten.

Toen nn de aanwezigen zich allen hadden verzadigd aan spijs en drank, greep Demodokos naar de lier. En nu weerklonk zijn lied. Hij verheerlijkte den strijd der roemruchtige helden , Odusseus en Achilleus , en hoe der mannen vorst Agamemnoon in zijn hart zich verheugde over de tweespalt onder de besten der Achaiers. Immers reeds vóór het begin van den oorlog, had de godspraak hem voorspeld, dat de val van Troia nabij zou zijn , als er twist zou zijn losgebroken onder de krachtigste helden.

Met ingehouden adem luisterde elk naar de machtige woorden, en voelde in zijn hart den weergalm daarvan. Maar als eene dolksteek trof de herinnering aan dat alles het hart van Odusseus; de oude wonden werden weer opengereten en weenend trok hij zich den mantel over liet hoofd, en verborg zijn gelaat, opdat de Phaiaken zijne tranen niet zouden zien. Maar aan Alkinoös waren de tranen van zijnen gast niet ontgaan. Met groote kieschheid verheelde hij zijne ontdekking en vatte het woord, toen de zanger een oogenblik ophield, en sprak;

„Hoort vrienden , ik geloof thans hebben wij genoeg van het maal en den zang. Laat ons naar buiten gaan en ons wijden aan het kampspel, opdat onze gast daarin de ervarenheid der Phaiaken aanschouwe en bevvondere, en roemend daarvan bij zijne vrienden te huis kunne getuigen !quot; Terstond stonden allen op en volgden den koning naar de markt. Ook de blinde zanger ging mede , nadat een trouwe dienaar hem de lier had afgenomen en aan den knop had gehangen, terwijl hij hem zeiven bij de hand geleidde. De marktplaats vulde zich wederom met woelige scharen. De vorsten namen hunne zetels weer in, rondom stond het volk, en naar het midden van den ruimen kring traden de jongelingen, die hunne vaardigheid wilden toonen in worstelen, vuistkamp, wedloop en werpen. De strijd werd geopend door drie zonen des konings , die elkaar de palm in den wedloop betwistten. Daarop traden worstelaars op, onder wie de dappere Euruülos overwinnaar bleef. Nu toonden

ocr page 109

101

de steenwerpers hunne kracht en behendigheid , die weder door schijfwerpers werden gevolgd ; na dezen kwamen de vuistvechters. Thans was het oogenbiik gekomen , waarop Odusseus zelf door den overmoedigen jongeling Eurualos werd uitgedaagd. Nieuwsgierig richtte aller oog zich op den vreemdeling, wiens kracht tot nu toe geenszins was gebleken. Odusseus stond langzaam op , nam de zwaarste der metalen schijven , die tot den worp gereed lagen , zwaaide haar aan den riem eenige malen met duizelingwekkende snelheid rond , en slingerde haar toen hoog in de lucht, zoodat zij ver, zeer ver, achter de reeds geplaatste inerkteekenen neerviel. Een der toeschouwers liep naar de plek, sloeg, waar de schijf lag, een paaltje in den grond, en riep bij het terugloopen luide uit; „Dat teeken vindt een blindeman wel, zoover staat het van de andere af. In dezen wedstrijd kunt gij gerust zijn , dat doet niemand u na 1quot; En al de Phaiaken zwegen ; niemand verstoutte zich weer, den held de handschoen toe te werpen. De koning echter sloeg in de vergadering voor, dat ieder der twaalf Phaiakische vorsten den gast een geschenk aan goud en een schoon bewerkt opperen onderkleed zou geven ; zelf wilde hij daaraan nog een buitengewone gift toevoegen, en zoo zou men hem laten gaan. Alle juichten dit voorstel toe en zonden herauten naar hunne woningen, om de geschenken te halen. — Intusschen was de avond gevallen. De dienaren kwamen met de geschenken terug op de markt, legden ze bijeen en droegen ze naar het koninklijk paleis. Daarheen volgde het geheele gezelschap , en de vorsten namen in de groote zaal weer hunne zetels in. Nadat de honger was gestild, wendde Odusseus zich tot den zanger en verzocht hem , daar hij toch alle gebeurtenissen uit den Troischen krijg kende, nog de geschiedenis van het houten paard voor te dragen. ïoen zong de grijsaard bij de tonen der lier, van de wondervolle list, weinig vermoedend dat de held die de hoofdpersoon was van zijnen zang, als toehoorder naast hem zat. En Odusseus! Hij werd aangegrepen door de waarheid der voorstelling en het was hem, alsof hij die dagen opnieuw doorleefde , die zoo roemrijk maar ook zoo verschrikkelijk waren

ocr page 110

102

geweest. Zijns ondanks werd zijn oog weer vochtig en zware zuchten ontsnapten zijne borst. Wederom bemerkte Alkinoös de ontroering van zijnen gast, en opnieuw gebood hij den zanger het stilzwijgen. Maar thans weerhield hij niet langer de vraag, die reeds eenigen tijd op zijne lippen had gebrand; „Vreemdeling , wie zijt gij toch en welk land ter aarde noemt gij uw vaderland ?quot;

Elk zat in gespannen verwachting, het oog op den onbekende gevestigd.

Odnsseus verhaalt den Phaiaken zijne lotgevallen.

Op de uitnoodiging van Alkinoös, naar zijne afkomst en zijnen naam, antwoordde Odusseus: „Heerlijk is het hier bij u, en een genot is het naar den zanger te luisteren en naar zijn onsterfelijk lied. Iets schooners ken ik niet, dan wanneer de rijen der gasten in feestvreugde door de zaal zijn verspreid , wanneer de heraut van de eene groep naar de andere gaat om de bekers te vullen , dat dan de zanger zijne liederen zingt van de grootsche heldendaden van ouden en nieuwen tijd , zoodat alle toehoorders zich verheugen. Maar gij vraagt mij thans naar mijn droevig lot. Ach, dat zal mijne somberheid nog vergroo-ten ! Wat toch zal ik liet eerst, wat het laatst u verhalen ? Want de hemelsche goden hebben vele ellende op mijn hoofd gestapeld. Gij zult met mij gevoelen waarom ik ween, als ik u zeg, dat ik die Odusseus ben, van wien Demodokos zong en dat ik sedert den strijd voor Troia nog steeds ronddwaal, zonder mijn vaderland te kunnen bereiken. Ja, ik ben Odusseus , de zoon van Laertes , door menige daad aan de wereld bekend ; de roem van mijn verstand is over de aarde verbreid. Met mijne vloot, bestaande uit twaalf schepen, had ik na mijn vertrek van Troia, reeds de zuidkaap van Griekenland bereikt, toen een vreeselijke storm zich verhief, die ons in volle zee terugsloeg. Nadat de schepen negen dagen lang waren rondgeslingerd , landden wij eindelijk aan het strand der

ocr page 111

103

Lothophagen.

Dit volk voedt zich alleen van de vruchten van den lotosboom , die zoo zoet zijn, dat wie ze eens heeft geproefd , het land niet weder wil verlaten en eigen vaderland en vrienden vergeet. Met groote moeite gehikte het mij mijne makkers weder aan boord te krijgen; toen lichtten wij het anker en kwamen na eenige dagen aan een klein , onbewoond eiland in de nabijheid van de Sikelische kust, waar ik den hemelhoogen berg Aitna gewaar werd, waaruit onophoudelijk een zwarte rookwolk opsteeg. Dit wonderbare verschijnsel noopte mij, met een deel mijner makkers naar het groote en vruchtbare eiland over te steken. Als voorzichtig man vergat ik evenwel niet, een leeren zak met kostelijken wijn mede te nemen. On-middelijk na de landing, verborgen wij het schip in eene afgelegene en weinig toegankelijke baai. Maar al te spoedig zou het blijken dat beide maatregelen zeer verstandig waren geweest, want ik bevond mij in het land der

Kuklopen,

inonsterreuzen met een enkel oog midden in het voorhoofd, onbekend met eiken landbouw en oneerbiedig jegens goden en menschen. In de nabijheid van het strand bemerkte ik een ontzettend groot hol, van reusachtige rotsblokken , als een muur, rondom omgeven; hier woonde, zooals wij tot ons ongeluk te laat ervoeren, een der wildste reuzen, Poluphemos. Wij traden de grot binnen en waren juist bezig in gespannen nieuwsgierigheid rond te kijken , toen de vreeselijke eigenaar verscheen. Hij dreef zijne schapen en bokken binnen de perken , sloot den ingang van het hol met eenen steen , dien vijftig paarden niet van de plaats zouden kunnen trekken , en stak een groot vuur aan om zijn avondeten te koken. Bij het heldere schijnsel van de opflikkerende vlammen werd hij ons spoedig gewaar, ofschoon wij in doodsangst getracht hadden ons in de uiterste hoeken der grot te verbergen. Op zijne vragen, wie wij waren en of

ocr page 112

104

soms roofzucht ons tot hem had gevoerd , antwoordde ik, dat wij door een storm op dit eiland waren geworpen , maar paste wel op een juist antwoord te geven op de verdere vragen van het monster, waar zich dan ons schip bevond ; want ik merkte heel goed dat de Kukloop geen ander plan koesterde dan zich van het vaartuig meester te maken. Integendeel, ik maakte hem wijs dat het op de rotsklippen was uiteen geslagen , en dat ik met mijne makkers het bloote lijf had gered; vervolgens smeekte ik den reus om gastvrijheid. Als antwoord greep hij hoonlachend twee mijner ongelukkige vrienden als jonge honden beet, smakte ze tegen den rotsigen grond, scheurde met zijne ontzettende \ ingers telkens een stuk van hen af en peuzelde dien afschuwelijken kost voor onze oogen, smakelijk op. Na onze twee makkers geheel te hebben verorberd, legde hij in zijne volle lengte zich te slapen neer. Wij hadden thans allen tijd, om over het verschrikkelijke van onzen toestand na te denken. Allerlei middelen tot redding werden verzonnen, maar geen enkel was uitvoerbaar, totdat ik zelf op een inval kwam , die wanneer het gelukte, ons uit de klauwen van dat monster moest bevrijden. Zoodra de Kukloop den volgenden morgen met zijne kudde de grot had verlaten en weer met den vervaarlijken steen had gesloten , gingen wij over tot de uitvoering van mijn plan. Ik koos uit het overschot der schepelingen — want Po-luphemos had weer twee bij zijn ontbijt opgeknapt — de vier moedigsten. Na hun te hebben medegedeeld dat mijn voornemen was, de reus van zijn eenig oog te berooven, om dan ongezien het hol te kunnen ontvluchten, maakte ik met hunne hulp een boomstam , dien het monster als knots plag te gebruiken, aan den eenen kant spits en stopte hem toen weg. De reus kwam terug. Met geveinsde vriendelijkheid ging ik hem te gemoet en reikte hem uit den meegebrachten zak een'e kan wijns. De buitengewoon lekkere drank smaakte den Kukloop ; hij verlangde en kreeg meer en steeds meer en geraakte spoedig in de opge-wekste stemming. „Ha, riep hij vroolijk uit, dat is een heerlijke drank. Maar zeg mij nu eens hoe gij heet, dan kan ik u de noodige eer bewijzen.quot; „Ik heb een wonderlijken naam,

ocr page 113

105

antwoordde ik ; vader en moeder en alle menschen noemen mij Niemand.quot; „Nu , vriend Niemand , zei daarop de reus , uit dankbaarheid voor dien lekkeren wijn , zal ik u het laatst opeten.quot; En met die woorden leegde hij opnieuw de kan. —- Het duurde niet lang, of de wijn liet zijne verdoovende kracht in volle mate gelden, zoodat de Kukloop in diepen slaap viel. Nu was het gewenscht oogenblik gekomen ; snel maakten wij den gepunten paal in het vuur gloeiend en dreven hem toen in het gesloten oog van het monster. Sissend verzonk de spits in de holte. Met ontzettend gebrul sprong de Kukloop van zijn leger op en vervulde de lucht met zijn geschrei. Uit hunnen slaap gewekt, naderden de Kuklopen uit de naburige holen, en schreeuwden door den gesloten ingang naar binnen , wat hem toch scheelde, en wie hem kwaad had gedaan. Poluphemos antwoordde: „Niemand wil mij vermoorden , Niemand brengt mij om 1quot; Toen de anderen dat hoorden , riepen zij terug; „Als niemand u wat doet, waarom brult gij dan zoo ? Gij zijt ziek of gek.quot; En met die woorden trokken zij weer af.

Wij waren ondertusschen zoo ver mogelijk weggekropen, terwijl de reus als een brieschende leeuw rondstapte, zoekende wien hij zou verslinden. Maar ofschoon wij er in slaagden, aan zijne nasporingen te ontsnappen, was daarmee toch nog slechts de eerste helft van onze taak volbracht; wij moesten nog uit het hol en dit scheen niet doenlijk. Want toen des morgens de reus zijne kudde door de half geopende deur naar buiten liet, voelde hij nauwkeurig met de handen rond , opdat geen onzer bij deze gelegenheid zou ontsnappen. Maar ook nu zegevierde mijne slimheid. Ik koppelde evenveel drietallen groote rammen aan elkaar, als er makkers waren , en bond toen onder de buiken van ieder drietal een hunner; daarop pakte ik zelf een verbazend grooten ram in de dikke wol en liet mij zoo onder zijn liji hangen. Wat ik vermoed had, gebeurde. Toen de Kukloop den volgenden morgen opnieuw zijne beestjes naar de weide dreef, werden wij behouden mee naar buiten gedragen en aanschouwden weer het blijde daglicht en waren weer vrij ! Fluks dreven wij de geheele kudde naar ons schip , gingen aan

ocr page 114

io6

boord en stieten verlicht van hart, af. Toen het schip zich een eind weegs van land had verwijderd, kon ik mij het genot niet ontzeggen , den reus met luider stemme zijne schanddaad te verwijten en hem in te lichten omtrent mijn waren naam. In zijne woede greep de Kukloop vervaarlijke rotsblokken en slingerde die uit alle macht in de richting waaruit hij mijne stem vernam. Maar de rotsblokken die anders het brooze vaartuig zouden hebben verpletterd , stortten voor en achter boord in de hoog deinende zee, en behouden bereikten wij het kleine eiland, waar de achtergebleven scheepsmakkers ons met luid gejubel ontvingen. Na ons door den slaap te hebben gesterkt, zetten wij den tocht voort. Maar vele gevaren stonden ons nog te wachten. Allereerst kwamen wij bij

A io lo s ,

den beheerscher der winden , die ons vriendelijk opnam en ons eenen zak op de terugreis medegaf, waarin de winden, stormen en orkanen waren besloten, opdat zij ons geen letsel zouden kunnen doen. Maar na eene vaart van negen dagen openden mijne gezellen den zak in de meening dat hij wijn bevatte; de gevangen winden stormden er uit en zweepten ons vaartuig op de golven rond, zoodat wij steeds verder werden teruggeslagen naar de oorden vanwaar wij kwamen. Helaas, helaas ! Reeds hadden wij gehoopt, in weinige uren Ithaka te bezeilen , en nu waren wij weder op het eiland van Aiolos. Uitgeput van vermoeidheid en teleurstelling gingen wij aan wal, en na ons een weinig met spijs en drank te hebben verkwikt, maakte ik opnieuw mij op naar Aiolos' paleis. Ik vond den god in den huiselijken kring, bezig met den maaltijd , en hij was niet weinig verbaasd mij de zaal te zien binnentreden. Hij vroeg vanwaar ik kwam en wat mij overkomen was , want hij dacht mij reeds lang te huis. Ik verhaalde hem de onvergefelijke dwaasheid mijner vrienden en bad om nieuwen bijstand voor den verderen tocht. Maar Aiolos verhief vol ontzetting zich van zijnen zetel en riep met vreeselijke stem mij toe; „Ongelukskind, pak u voort! Weg uit mijne woning! Ik herberg geenen man.

ocr page 115

icy

dien de toorn der goden vervolgt en bied geen bijstand aan hem , dien hunne wrake treft!quot; Met deze vervloeking joeg hij mij uit zijn paleis. Ik snelde naar buiten en keerde diep bedroefd tot mijne makkers weer. Andermaal moesten wij het woeste spel der baren trotseeren , en mijnen vrienden ontzonk de moed. Zes dagen roeiden wij rusteloos voort, eindelijk op den zevenden landden wij bij de

Laistrugoiien,

een menschenetend reuzenvolk, die mij en de mijnen te lijf gingen en al de vaartuigen op een na vernielden. Met dat eene ontkwam ik gelukkig en bereikte een eiland, dat door de schoone halfgodin

K i r k e ,

eene tooveres , werd bewoond. Deze veranderde mijne makkers in zwijnen en met mij zelf zou het niet beter zijn gegaan , had niet eene godheid mij gewaarschuwd. Nu echter ontkwam ik aan hare listen, bevrijdde ook mijne gezellen uit hun dierlijk omhulsel en won Kirke's genegenheid. Zij liet vrijwillig ons wegvaren en zond ons eeu gunstigen zeilwind, die het schip snel voorwaarts dreef. Nauw was de zon in zee gedompeld , of wij waren reeds aan het einde der wereld, aan de kust der

Kininieriërs

gekomen , die in eeuwige duisternis is gehuld en nooit door de zonnestralen wordt verlicht. Hier moesten wij op Kirkes raad, de schim des Thebaanschen zieners Teiresias over onze thuisreis ondervragen. Wij kwamen aan de rots en de samenvloeiing der schimmenstroomen , steeds naar de voorschriften ons door Kirke gegeven , en offerden met alle vereischte plechtigheid. Zoodra uit de kelen der schapen , die wij daar slachtten , het bloed in de groeve vloot, doken nit de diepten der onderwereld de schimmen der afgestorvenen naar de rotskloof op, waarin wij ons ter zijde van den machtigen stroom bevonden. Jongelingen en grijsaards, vrouwen en kinderen snelden aan,

ocr page 116

io8

ook vele helden met bloedende wonden en in niet bloed bevlekte rustingen ; in dichte scharen , met afgrijslijk dof gesteen omfladderden zij naar schimmentrant den offerkuil, zoodat eene vreeselijke ontzetting zich van mij meester maakte. Snel beval ik mijne volgelingen, naar Kirke's raad de geofferde schapen te verbranden en gebeden te richten tot de onsterfelijke goden. Zelf trok ik het zwaard, van mijne zijde en verhinderde de schimmen van het offerbloed te drinken, voor ik Teiresias had ondervraagd. De eerste die mij naderde was de schim van onzen vriend Elpenor, die voor het vertrek van Kirke's eiland door eenen val van het dak den dood had gevonden en in der haast onbegraven was gebleven. Met tranen in de oogen klaagde de schim mij zijn lot en bezwoer mij, naar de plaats van zijnen dood terug te varen en hem eene eervolle begrafenis te schenken. Ik beloofde het hem en het schaduwbeeld legerde zich tegenover mij. Zoo zaten wij in weemoedig gesprek verzonken, daar de schim, hier ik, mijn zwaard dwars over het offerbloed houdend. Eindelijk naderde ook de moeder des gestorvenen , die ik nog levend had gezien, toen ik naar Ilios opbrak. Zij-zag mij smeekend en smartelijk aan en verwijderde zich langzaam met haren zoon. Nu verscheen de schim van Teiresias, den Thebaan, een gouden staf in de rechterhand. Onmiddelijk herkende hij mij en begon: „Edele zoon van Laertes, wat dreef u aan het zonnelicht te verlaten en dit oord der verschrikking te bezoeken? Trek thans uw zwaard van den kuil weg, opdat ik drinke van het offerbloed en zoo in staat worde gesteld , u uw lot te voorspellen. Ik week op deze woorden van den kuil en stiet mijn zwaard in de scheede. Nu dronk de schim van het zwarte bloed en onthulde daarop de toekomst; „Gij doet bij mij onderzoek, Odusseus, naar uw blijden terugkeer in het vaderland , maar een god zal u dezen bemoeilijken en aan de hand van den Aardschudder kunt gij niet ontkomen. Zwaar hebt gij hem beleedigd, omdat gij zijnen zoon Poluphemos van het oog hebt beroofd. Toch zal u de thuiskeer niet geheel zijn afgesneden, houd slechts uw eigen hart en dat uwer makkers in toom. Eerst landt gij op het eiland Trinakria. Wanneer gij

ocr page 117

log

daar de heilige runderen en schapen van den Zonnegod ongedeerd laat, zal uwe reis gelukkig alloopen ; maar doet gij hun leed , dan voorspsl ik uw schip en uwen vrienden verderf. Al ontsnapt gij zelf aan den ondergang, dan komt gij toch laat, ellendig en eenzaam op een vreemd vaartuig in het vaderland. Ook daar zult gij slechts jammer vinden : overmoedige mannen, die uw goed verbrassen en naar de hand dingen uwer vrouw Penelope. Hebt gij dezen , hetzij met geweld of list, bedwongen of gedood , heeft daarna geruimen tijd kalm geluk u toegelachen, neem dan , maar eerst wanneer gij oud zijt geworden , uw roer op de schouders en loop steeds door, steeds door, tot gij aan menschen komt die de zee niet kennen, geene schepen hebben , en met geen zout hunne spijzen kruiden. En wanneer in dat verre , vreemde land een wandelaar op uwen weg komt en u zegt, dat gij eene schoffel op den rug draagt, steek dan het roer in den «grond , breng Poseidoon een offer en keer weder huiswaarts. Eindelijk zal, terwijl uw rijk bloeit, een vreedzame dood op de zee u wegnemen.quot; — Dit was de kern zijner voorspelling. Ik dankte den ziener, maar eene nieuwe schim die zich nu vertoonde , legde mij een vraag in den mond. „Wat zie ik daar ?quot; sprak ik tot hem. „Dat is immers de schim mijner moeder ? Hoe leg ik het aan , eerwaarde grijsaard , dat zij mij herkent ?quot;

„Vergun haar slechts,quot; antwoordde de ziener, „van het offerbloed te drinken, dan zal zij haar zwijgen verbreken.quot; Toen week ik van den kuil met het zwaard terug, en mijne moeder dronk. Dadelijk herkende zij mij , hield het weenend oog op mij gevestigd en sprak; „Dierbare zoon, hoe zijt gij levend nedergedaald in den nacht des doods ? Hebben de Okeanos en de andere vreeselijke stroomen u geen leed gedaan ? Doolt gij nog altijd rond sints Troia's val, en komt gij niet van uw vaderland Ithaka ?quot; Nadat ik haar over dit alles had ingelicht, ondervroeg ik mijne moeder over haren dood ; want ik had haar levend achtergelaten, toen ik tegen Troia optrok. Ook hoe het thans bij ons te huis toeging, vroeg ik haar met angstig kloppend hart, en de schim hernam; „Uwe vrouw, naar wie

ocr page 118

no

gij zoo angstig vraagt, vertoeft in uw huis met onwankelbare trouw en weent dag en nacht om u. Geen ander voert uwen, schepter, maar uw zoon Telemachos bestiert uw goed. Uw vader Laertes heeft zich naar het land teruggetrokken en komt niet meer in de stad : daar slaapt hij niet in een vorstelijk vertrek, niet op een zacht gespreid leger; als een slaaf ligt hij naast het haardvuur, op stroo, in een slecht kleed gehuld, den ganschen winter door; in den zomertijd vindt hij op een hoop rijs onder den vrijen hemel zijn bed , en dat doet hij uit ellende over zijn lot. Ik zelf ben bezweken door verdriet over u , mijn dierbaar kind , en geene ziekte heeft mij weggeraapt.quot;

Zoo klonk haar woord en mij greep onweerstaanbare heimwee aan naar mijn geboortegrond ; in mijne armen wilde ik haar sluiten , maar zij zweefde weg als een droombeeld. Andere schimmen kwamen, vrouwen van beroemde helden en helden zelf, voor allen Agamemnoon, wiens aanblik mij het hart in den boezem roerde ; verder Achilleus , Patroklos en al de helden, die voor Troia of op de terugvaart of in hunne woning hun einde hadden gevonden. Zij dronken van het offerbloed en verhaalden mij hun lot. Slechts de schim van Aias, den zoon van lelamoon, dien ik eens in den strijd om de wapenrusting van Achilleus had overwonnen , en die daarom zelfmoord had gepleegd , hield zich op een afstand en zelfs toen ik hem bad toch niet verder te toornen , antwoordde hij niets maar verdween in het duister onder de andere schimmen. Nu aanschouwde ik ook de schimmen van lang gestorven helden ; den doodenrech-ter Miuoos, den geweldigen jager Orioon, die met de knots gewapend', schaduwbeelden van lossen en leeuwen opjoeg , Tituos den reuzenzoon der aarde , die eens in overmoed had gewaagd de goddelijke Leto, de moeder van Apolloon en Artemis, te beleedigen ; tot straf lag hij hier in het doodenrijk vastgesmeed en twee bloeddorstige gieren scheurden hem de lever uit het lijf. Niet minder verschrikkelijk was het lot van Tantalos, die smachtend van dorst midden in het water stond en hongerend de schoonste vruchten onder zijn bereik had, maar water en vruchten verdwijnen zag, zoo dikwijls hij zijn gemartelden mond

ocr page 119

Ill

wilde verfrisschen. Ook Sisuphos zag ik, die met vergeefsche moeite een reusachtig rotsblok tegen eenen berg opwentelde, dat telkens zijnen handen ontglipte , zoodra hij den top genaderd was. Naast hem stond de schim van Herakies, maar 't was slechts zijne schaduw , want hij zelf leidde als echtgenoot van de godin der jeugd Hebe , een gelukzalig leven bij de goden. Zijne schim echter stond daar duister als de nacht, hield den pijl op de boogpees en zag dreigend rond, als wilde hij een vijand bespringen. Gaarne had ik ook Theseus en diens vriend Peirithoös gezien ; maar door het spookachtig gewemel der ontelbare schim-menscharen overviel mij plotseling eene vrees , alsof het Medoesa-hoofd mij werd voorgehouden. Ijlings verliet ik met mijne makkers de rotskloof en begaf mij weder naar het strand van den Okeanos. Daarop zeilden wij volgens de belofte aan Elpenoor gegeven , naar Kirke terug. Hier verbrandden wij het gebeente van onzen dooden vriend, begroeven de asch, wierpen een grafheuvel op en plaatsten daarop een gedenkzuil. Toen voeren wij weer heen , door Kirke nog voor allerlei gevaren gewaarschuwd , en rijkelijk van levensmiddelen voorzien. Vele avonturen wachtten ons nog. Allereerst de

S e i r e u e n.

Deze nimfen, die aan het strand gezeten, alle voorbijvarenden door hare betooverende liederen met schip en al tegen de rotsen trachten te verpletteren, beproefden ook ons te betooveren. Ik stopte de ooren mijner makkers vol was , om hen doof te maken voor de verleiding en liet mij zelf daarop aan de mast vastbinden. Zoo ontkwamen wij aan dit gevaar om onmiddelijk in een ander te vervallen. Nauwelijks waren wij namelijk doorgezeild of wij waren in de nabijheid van

Skulla en Charubdis,

de eerste een blaffend monster, dat in eene grot tegenover de Charubdis huisde, de laatste eene draaikolk die dagelijks driemalen uit eene rotsholte schoot en met onweerstaanbare wielingen terugliep. Om het eene gevaar te vermijden, verviel men in het andere en

ocr page 120

112

ook ons kostte deze doortocht zes manschappen. Overigens liepen wij gelukkig vrij en zetten koers naar Trinakria, waar mijne makkers trots het verbod, eenige van de

Runderen van Helios

slachtten , evenwel niet zonder met mij, onschuldige , hiervoor op de verdere vaart te boeten. Want in een hevigen orkaan werd het schip uit elkaar geslagen; al mijne gezellen verdronken, terwijl ik zelf ternauwernood aan de kolk der Charubdis ontkwam en eindelijk na negen dagen rondzwalkens op de onstuimige zee, op Ogugia werd geworpen, het eiland van Kalupso. Vandaar ben ik na nieuwe gevaren te hebben getrotseerd, bij u geland.quot;

De Phaeaken waren in bewondering verzonken over al het gehoorde, en de oude zanger beklaagde het verlies zijner oogen, omdat het hem niet gegeven was den man te aanschouwen, wiens heldendaden hij zoo dikwijls met eerbied had bezongen , en die thans in levenden lijve voor hem zat; Odusseus echter vertoefde nog eenen dag onder zijne gastvrienden en voer den volgenden avond met een snelzeilend schip, bemand met krachtige jonkmannen , op zijn vaderland aan.

VI.

Het wederzien.

Vlug als een vogel scheerde het lichte scheepje over de zeevlakte. Odusseus zonk in diepen slaap. De dappere held , die zoovele daden had verricht, zooveel lijden had doorstaan , lag nu een doode gelijk en sliep gerust, alsof alle beproevingen slechts een droom waren geweest. Juist ging de morgenster op , toen het vaartuig in eene bocht van Ithaka landde. Zelfs de forsche stoot van den voorsteven op den zandigen oever wekte den held niet uit zijnen slaap, en de jongelingen , die den armen zwerver de rust van harte gunden, vatten zachtkens de uiteinden aan

ocr page 121

113

van het kleed, waarop hij lag uitgestrekt, en droegen hem voorzichtig aan land. Ook de geschenken droegen zij uit liet mini en plaatsten ze naast hem onder eenen olijf, opdat hij ze zoude zien, zoodra hij ontwaakte. Daarop zetten zij zich weer ■op de roeibanken en keerden vroolijk huiswaarts. Maar ach, zij zouden hunne dierbaren niet terugzien. Door het geleide aan Odusseus gegeven, was een oud orakel vervuld, en spoorloos verdween Scheria , het tooverachtige eiland der Phaiaken, in de diepte der. zee.

Ondertusschen sloeg Odusseus de oogen op en zag rond. Overal hing een dichte nevel en de ongelukkige herkende zijn vaderland niet. Troosteloos doolde hij rond op de kust en onderzocht den naasten omtrek. Toen naderde hem Athene in de gedaante van een schoonen herdersknaap, de werpspeer in de hand en sandalen aan de voet. Verheugd aanschouwde Odusseus den knaap en vernam van hem met onuitsprekelijke blijdschap, dat hij terug was gekeerd in het dierbare, Umg verbeide vaderland. Nu maakte Athene zich den held bekend en zette zich met hem neer onder een ouden olijfboom , om verder raad te plegen. Ofschoon zij hem ten volle haren bijstand beloofde, beval zij hem toch dringend de grootste voorzichtigheid aan , omdat de vrijers velen in aantal waren. In geen geval, meende zij, mocht iemand eenig vermoeden koesteren van zijne aankomst, voordat hij onder de hand zijne vrienden had legren kennen, en eene menigte aanhangers heimelijk om zich had verzameld. Daarom wilde zij zijn voorkomen veranderen , opdat hij onkenbaar zou zijn, en hem eene kleeding verschaffen, waarin niemand op het geheele eiland den grooten koning zoude vermoeden. Zij beroerde hem met den staf, en terstond schrompelde het vaste, krachtige vleesch ineen , de huid werd stram en vol rimpels, de trotsche nek boog zich, het bruine, weelderige haar viel uit, en mat straalden de oogen, voor kort nog vo) van jeugdig vuur. De Icinge, schitterende kleedij , die in breede plooien sierlijk zijn lichaam omgaf, werd tot een gelapte, smerige kiel, en als mantel hing een oud, versleten schaapsvel over zijne schouders. Ter voltooiing van het bedelaarspak, schonk zij

8

ocr page 122

114

hem nog een vitilen , met moeite bijeengehouden knapzak aan een touw als draagband, en gaf hem een knoestigen stok in de hand. In deze uitrusting beval zij hem den zwijnenhoeder op te zoeken, die een der trouwste aanhangers van het koninklijk 'huis en een aartsvijand der vrijers was, en van wien hij spoedig meer zoude verneriien ; zelf wilde de godin in den tusschentijd den jongen Telemachos te gemoet snellen, die juist Sparta had verlaten, en op wiens verderf de vrijers loerden ; zij zou hunne lagen verijdelen en hoopte weldra den jongeling in 's vaders armen te kunnen voeren. Zoo scheidden zij , en Odusseus besteeg het steile, ruwe pad over de bosschige hoogten in de richting , waarin hem Athene de woning van den braven zwijnenhoeder Eumaios had gewezen.

Den volgenden morgen kwam echter ook de gelukkig gelande Telemachos bij Eumaios, dien Odusseus gemakkelijk had gevonden, en werd door hem hartelijk begroet, terwijl de onbekende bedelaar, wiens hart bij den aanblik van zijn kloeken zoon blijde klopte' met moeite zijne vreugde bedwong. Met de eerbiedigheid van een armen zwerver stond hij op van zijn leger, om den jongen vreemdeling zijn plaats af te staan ; maar de bescheiden Telemachos weerhield hem en sprak; „Blijf zitten , vreemdeling., ik zal wel hier of daar een plekje vinden. Eumaios-zal mij wel herbergen.quot; Odusseus ging weer zitten, en de zwijnenhoeder maakte terstond een nieuw leger gereed van rijs en bokkevellen* waarop-Telemachos plaats nam. Daarop droeg hij de overblijlselen van den laatsten maaltijd aan en zette die Telemachos voor , mengde den wijn voor zijne gasten en bood vrijgevig alles wat hij. bezat. Gedurende den maaltijd vraagde de jongeling den zwijnenhoeder, welken gast hij daar gekregen had , en hoe die hier was verzeild geraakt. Eumaios antwoordde; „Hij zegt, dat hij uit Kreta stamt en vele reizen heeft gedaan en daarbij vele rampen heeft geleden; nu wacht hij op verder geleide; ik draag hem aan u op, reeds heb ik hem van uwe hulpvaardigheid gesproken.quot; Na deze woorden verwijderde zich de herder, en ging tot Penelope om deze den gelukkigen terugkeer haars zoons te melden. Nog oogde Odusseus door de

ocr page 123

115

halfgeopende deur hem na, toen daarbuiten de gedaante van eene schoone, slanke jonkvrouw verscheen , die hem tot zich wenkte. De honden kropen stilletjes weg, maar Telemachos zag de verschijning niet. Odusseus ried onmiddelijk de nabijheid zijner goddelijke vriendin, en ging onder een voorwendsel de deur uit. Nu gebood hem Athene, zich aan zijnen zoon bekend te maken , en op hetzelfde oogenblik veranderde hij weer in den edelen Odusseus. Met koninklijke waardigheid trad hij de hut binnen, die hij kort te vüren in lompen had verlaten. Telemachos staarde verstomd de heldengestalte aan en 't werd hem bang om het hart; hij dacht dat een god hem op de proef kwam stellen. „Vreemdelingzoo richtte hij zich tot hem , „hoe anders verschijnt gij mij thans in kleeding en voorkomen ! Ik gevoel het, mij nadert eene godheid. Spaar mij , heilig wezen, en wees mij genadig ; gaarne bied ik u de u toekomende offers !quot;

„Zoon !quot; riep Odusseus met fonkelende oogen en sloot in zalige verrukking hem in zijne armen , „neen , ik ben geen god ; hoe zoude ik onsterfelijken gelijk zijn? Uw vader ben ik, om wien gij zoo lang reeds treurt, om wien gij te veel smaads hebt moeten verdragen van overmoedige mannen ! Ik ben Odusseus !quot; — Nu vloten de ingehouden tranen en gaven vader en zoon zich over aan de weelde van het eerste wederzien. Ja, in dit oogenblik geleek Odusseus eenen god ; want de hemelsche vreugde over het bezit van zijn kind, van zijn dierbaar vaderland , verhoogde den glans van zijn mannelijk gelaat. Vergeten was in deze eene omarming alle ellende van vervlogen jaren, alle tegenspoed en gevaar, alle smart over zoo dikwijls teleurgestelde hoop ; verdwenen ook was de vrees voor de te wachten bezwaren.

VII.

De moord der vrijers.

Nadat Odusseus met Telemachos de maatregelen had beraamd, hoe de vrijers te straffen , toog hij aan het werk en bepaalde

8*

ocr page 124

116

den dag, waarop met hen zou worden afgerekend. Nauwelijks was de morgen van den beslissenden dag aangebroken, of de ruime hallen der koningsburcht wemelden weder van de ongenoode gasten. Weldra begon opnieuw het gastmaal, en Odusseus, dien Tele-machos aan een afzonderlijke tafel had geplaatst, was aan vele mishandelingen en beleedigingen van den kant der overmoedige vrijers blootgesteld. Plotseling verscheen Penelope, door hare dienaressen vergezeld, en sprak: „Welaan, mannen, ik ben bereid een van u als vrouw'te volgen. Begin-t den wedstrijd, opdat ik ervare wie onder u mijne hand het meest verdient. Hier is de boog van mijn doorluchtigen gemaal; hem viel het gemakkelijk een pijl door de openingen van twaalf achter elkaar geplaatste bijlen te jagen. Wie uwer dit ook kan, dien volg ik morgen als vrouw!quot;

Terwijl zij zoo sprak , bracht de zwijnenhoeder boog en pijlen aan, en sloeg Telemachos op een rij achter elkaar de bijlen in den grond, en riep de vrijers op ten wedstrijd. De een na den anderen t beproefde nu den geweldigen boog te spannen; maar hoe zij zich afsloofden , het wilde niemand gelukken , ofschoon zij hem ten laatste met vet insmeerden , en om hem leniger te maken nog boven het vuur hielden. Terwijl dit in de groote mannenzaal voorviel, bleef Odusseus niet werkeloos. Hij wendde zich tot den trouwen zwijnenhoeder en den koeherder, die niet minder aanhankelijkheid aan zijn geslacht had betoond , maakte zich aan hen kenbaar en beval hen, de naar de achterzalen voerende deur en de buitenpoort der burcht zorgvuldig te sluiten, en de wapenen der vrijers te verwijderen. Daarop keerde hij in de zaal terug, waar de vrijers, mismoedig en slecht gemutst over de vruchteloosheid hunner inspanning, reeds hadden besloten, verdere pogingen tot den volgenden dag uit te stellen. Nu trad Odusseus vooruit en smeekte als gunst, ook eens te mogen beproeven den boog te spannen. De vrijers stonden verstomd over zooveel onbeschaamdheid, maar Penelope beval hem den boog te reiken en beloofde hem , voor het geval dat hem het proefstuk gelukte een nieuw kleed, eene speer en een zwaard en verliet met hare dienaressen de zaal.

ocr page 125

U7

Odusseus sloeg de hand aan den boog ; niet geringe moeite spande hij het reusachtige wapen , en sissend vloog de pijl door de twaalf openingen. Nu was het uur geslagen ; de held stond in zijne ware gedaante voor zijne vijanden en riep ; „De wedstrijd is eigenlijk afgeloopen; maar nu kies ik mij een ander wit, dat geen schutter nog ooit heeft getroffen.quot;

Zoo dreigende, schoot hij Antinoös, den onbeschaamdsten vrijer die ooit heeft geleefd , een pijl dopr den strot, zoodat de beker hem uit de hand viel en hij ter aarde zinkend de tafels met spijzen en wijn omverwierp. Nog hadden de vrijers den tijd niet gehad zelfs te overleggen, wat hun te doen stond, of een tweede stortte ontzield ter neer en daarop een derde. Schot op schot vloog onder de drommen. Op een wenk van den held waren hem Teleinachos en de beide trouwe herders, met zwaarden en werpspiesen gewapend , ter zijde gesprongen en steeds bloediger werd de slachting. Nu echter vermanden zich de aangevallenen; bewust van hunne overmacht drongen zij met hunne quot;zwaarden op de vier tegenstanders in , en vreeselijk dreigde de kans te keeren, te meer daar de sluwe geitenhoeder Melanthios, die intusschen de plaats had uitgevorscht, waar de wapenen der vrijers verborgen waren , met eene dracht lansen in de zaal verscheen. Twintig speren werden thans gedrild om de borst van den held te doorboren ; maar Athene verscheen en wendde met haar onzichtbaar schild de doodelijke worpen af, die tegen de kleine schaar geslingerd werden. Weldra was het gruwelwerk volbracht; de wraak van den vertoornden Odusseus had op Te-lemachos' voorspraak slechts twee mannen gespaard , omdat deze tegen hun zin aan de gelagen der vrijers hadden deelgenomen.

Odusseus en Telemachos reinigden thans met de beide herders de met bloed bevlekte zaal, sleepten de lijken naar buiten , lieten tafels en stoelen af boenen en brandden zwavel ter ontsmetting. Penelope, over wie gedurende de slachting Athene eene weldadige sluimering had uitgegoten, vernam door eene harer slavinnen wat was gebeurd, en toen nu de geliefde man \ oor haar verscheen, toen zonk zij , wegsmeltend in tranen,

ocr page 126

118

aan zijne borst. Ook de veelbeproefde held weende van vreugde en verhaalde vervolgens aan zijne trouwe gade van de ontelbare rampen, door hem in zijne lange afwezigheid geleden. Den volgenden morgen zocht Odusseus zijn vader Laertes in diens l landelijke woning op. De grijsaard, die tot nu toe, uit verdriet over zijnen zoon, het slavenkleed had gedragen, tooide zich thans weder met den purperen mantel en keerde terug naar de koningsburcht. Inmiddels hadden de verwanten der vrijers het volk opgehitst en trokken op tegen Odusseus, om van hem en de zijnen den zoen te nemen voor de vermoorden. Maar Athene bracht hen tot rust en weldra was de eendracht hersteld tusschen koning en volk.

A i n e i a s.

I.

Vlucht uit het brandende Troia.

Aineias of Aeneas, zooals de Romeinen hem noemden, was door de goden tot groote dingen bestemd; dit bleek reeds in den strijd voor Ilios , waarin op Zeus' bevel, Poseidoon hem in het uiterste gevaar uit Achilleus' handen moest redden. Toen de Grieken Ilios binnendrongen, wekte hem een waarschuwende droom. Hektoor namelijk verscheen hem met bloedig hoofd, geheel zooals hij er uitzag, toen Achilleus hem, vastgebonden aan zijne zegekar, door de vlakte voor de Skaiische poort had gesleept. „Vlucht, vlucht!quot; sprak de schim , „Troia's ondergang is nabij; red de heiligdommen der stad en sticht een nieuw Troia!quot;

Verschrikt vloog hij op , gordde de wapenrusting aan en ijlde naar buiten om hulp te verleenen. Maar al spoedig had hij de overtuiging , dat alle tegenweer vergeefs zou zijn, en besloot in eigen huis slechts de zijnen te redden. Hij nam zijn ouden vader

ocr page 127

H9

AncJcises, sints lang reeds verlamd, op den rug, zijn zoontje Askanios aan de hand , en begaf zich zoo de straat op , gevolgd door zijne liefhebbende vrouw Kreoesa. Onderweg sloten tal van Tr'oërs zich bij hen aan. Maar in de verwarring en haast der vlucht verdween Kreoesa in den donkeren nacht. Vergeefs keerde Aineias, zoodra hij haar vermiste, terug, om haar te zoeken; hij vond haar niet. Doch haar schim verscheen en verkondigde hem, dat de goden hem hadden uitverkoren als •den stichter van een nieuw rijk , in het verre westen; zij zelf echter mocht hem niet vergezellen en was hem ontrukt door de goden.

Treurig was de afvaart van Aineias. Met tal van makkers verliet hij op twintig schepen de Troische kust. Eerst kwamen zij in Thrakia , een land niet ver van Troia , waar Polumestoor, een gastvriend van Priamos heerschte. Deze nam hen gastvrij op , en Aineias en de Troërs besloten daar te blijven en eene stad te bouwen. Toen .Aineias tot dit doel een offer wilde brengen , plukte hij , voor de bekrooning van het altaar, een tak van een schoonen mirteboom. Hoe groot was echter zijn ontzetting, toen uit de breuk bloeddroppels ter aarde vielen. Nog eens brak hij eene twijg af en eene klagende stem, die van den boom, sprak tot hem : „Spaar mij, Anchisesquot; zoon ! Ik ben Poludoros, de jongste zoon van Priamos en Hekabö. Toen mijne ouders bemerkten dat Ilios' laatste ure naderde, zond mij mijn vader, om tenminste éénen zoon te redden, met vele schatten hierheen tot zijnen gastvriend Polumestoor, en beval mij in zijne bescherming aan. Zoodra deze echter hoorde, dat Ilios verwoest was, en dat de Grieken weldra op hunne terugreis voorbij zouden komen varen, bracht hij mij om , omdat hij zich bij hen wilde indringen en zich meester maken van de schatten, die Priamos mij had meegegeven. Maar de goden, hebben mij in eenen mirt veranderd.

Verontwaardigd over zoo snood verraad, gaven de Troërs en Aineias alle gedachte op , om zich hier metterwoon te vestigen en voeren snel wég. Polumestoor evenwel ontging zijn rechtvaardige straf niet. Spoedig namelijk landde terzelfder

ocr page 128

120

T

plaatse een deel der Grieksche vloot, onder Agamemnoon en 1 do Odusseus' bevelhebberschap. De laatste had bij de verdeeling j en der buit Priamos' gade, Hekabe, als slavin in bezit gekregen. 1 to' Deze vernam het verraad van den onmenschelijken Polumestoor, 1 Al en met Odusseus' toestemming lokte zij hem onder valsche beloften met zijn beide zonen, bij zich in hare tent. Hier gingen { in de Troische vrouwen onder Hekabe's aanvoering den schurk te 1 ni lijf en bonden hem. Daarop worgde de koningin met eigen 1 g« hand, voor zijn oogen, de beide weerlooze zonen en stak hem I k( toen de oogen, uit. Luid jammerend ging Polumestoor tot Aga- | zi , memnoon en verlangde de bestraffing van Hekabe , maar de vorst 1 D weigerde dit zonder omwegen en verklaarde, dat hij billijk had 1 h. geboet, omdat hij in Poludoros het gastrecht had geschonden 1 K en bovendien een beschermeling had vermoord.

Van Thrakia koerste Aineias met zijne makkers naar het | k

eiland Kreta , om daar zich te vestigen. Maar pest en hongers- | z

nood kwamen over hen , toen zij reeds eenigen tij[d daar hadden I V,

gewoond , en verder voeren zij weer, want eerst in Italia zou- I y den zij volgens den wil van het noodlot rust vinden, en den

grond leggen tot een machtig rijk. | t

I L

I \

ir. I 5

I 1

■

D I D o.

Nadat Aineias en zijne Troërs nog menig gevaar hadden ge- -trotseerd, kwamen zij op het eiland Sikelia (Sicilië), waar Anchises stierf en door zijnen vromen zoon werd begraven. Vandaar wilde de Troische . held zich naar Italia inschepen , in welks nabijheid hij zich reeds bevond. Maar de oude vijandin van llios, de koningin der goden Hera (Juno), had het anders besloten. Op haar verzoek liet Aiolos, de god der stormen en orkanen , dezen uit hunnen kerker los , en van alle zijden aanstormend, verstrooiden zij Aineias' vloot naar alle richtingen , totdat Posei-doon, die als opperste zeegod ook over de winden heerschte.

ocr page 129

121

door het geloei en gebrul het hoofd boven water stak, vloekend en dreigend de stormen weer in hunne holen dreef, de zee tot bedaren bracht, en de schepen van Aineias behouden naar Afrika's kustland dreef.

Niet lang was het geleden, dat daarheen eene vrouw uitTuros, in Phoinikia (Phoenicie) was gevlucht, Dido, de dochter van koning Belos. Deze had in haar vaderland een rijken Turiër, Suchaios, getrouwd ; maar haar broeder Pugmalioon, die na Belos' dood koning van Turos was geworden, had hem vermoord, om zich van zijne schatten te kunnen meester maken. Toen wilde Dido niet langer in Turos blijven en vluchtte zonder medeweten haars broeders over zee naar Afrika , waar zij eene nieuwe stad, Karthago , stichtte.

Door haar nu werd Aineias gastvrij opgenomen en hij vertoefde langen tijd bij haar. Want de schoone koningin behaagde hem zeer en ook zij zou gaarne met een zoo dapperen held zijn gehuwd. Hera- (Juno), die Dido beschermde, en Karthago gaarne tot bloei had gebracht, begunstigde deze verbintenis.

Maar zoodra Zeus (Jupiter) merkte, dat Aineias te lang in Karthago bleef, zond hij zijn trouwen bode Hermes (Mercurius) tot Aineias en zeide hem aan, dat hij dadelijk naar Italia moest vertrekken, om daar het machtige, hem beloofde rijk te grondvesten en zoo den wil van het noodlot te vervullen. Aineias had wel medelijden met Dido , maar waagde niet, het bevel van Zeus te weerstreven, en door langer oponthoud in Karthago zijne toekomst en die van zijnen zoon, te vernietigen. Nog denzelfden nacht voer hij met de zijnen weg, zonder iemand van zijn voornemen in kennis te stellen, en zonder dat zijne vlucht werd opgemerkt. Maar toen den volgenden morgen de koningin het vertrek van den geliefden man bespeurde, greep woeste vertwijfeling haar aan. Haar eerste gedachte was den trouwelooze te vervolgen, maar van de Troische vloot was niets meer te zien , en de jacht op de vluchtelingen, bij gemis aan elk spoor, zeker vruchteloos. Nu liet zij een hoogen brandstapel oprichten, om naar hare verklaring, alles daarop neer te leggen wat haar de valsche Trocrs kon herinneren, en

ocr page 130

122

besteeg hem eindelijk zelf, sprak een vloek uit over Aineias en de stad , die hij zon stichten , en doorboorde zich daarop met eigen hand.

III.

Aineias landt in Italia.

Ondertusschen was Aineias gelukkig weder op Sikelia aangekomen en had ter eere zijns vaders , die een jaar geleden was gestorven , plechtige lijkspelen aangerecht. Hieraan namen ook vele Sikelioten deel, en daar de Troërs op dit eiland een vriendelijke ontvangst genoten , bekroop hun ten deele de lust daar te blijven. Om nu Aineias, wiens voornemen om naar Italia over te steken zij kenden , op Sikelia te houden , beproefden eenige Troische vrouwen de schepen in brand te steken. Aineias bemerkte dit weliswaar tijdig genoeg, om de meeste vaartuigen te redden, maar was gedwongen de grijsaards, vrouwen en verder al wie weigerde mede te gaan, op Sikelia achter te laten ; toen voer hij met de overigen zoo snel mogelijk naar Italia en landde aan den mond van den Tiberstroom.

IV.

Aineias' oorlogen in Italia.

Aineias begon met naar den machtigsten koning dier streek, die Latinus heette, boden uit te zenden en hem verlof te vragen , zich in zijn land te mogen vestigen. Dit stond Latinus onmiddelijk toe, en toen hij den vromen, verstandigen en dapperen held had leeren kennen, zou hij hem bovendien gaarne zijne dochter Lavinia tot vrouw hebben gegeven. Wel dongen tal van vorsten naar de schoone koningsdochter, en haar moeder had haar liever aan een naburigen koning uitgehuwelijkt, maar daarvan wilde Latinus niets hooren, omdat hem was voorspeld, dat een schoonzoon uit vreemde landen de roem van Italia

ocr page 131

123

zoude grondvesten en eene stad stichten, die eens de gansche aarde zou beheerschen.

Een kleine aanleiding veroorzaakte echter hevige oneenigheid. Askanios doodde op de jacht een tam hert, dat aan een Latijn behoorde. De eigenaar van het gedoode dier en zijne vrienden vielen de Troërs aan en doodden er velen; maar ook van hunnen kant vielen eenigen in het gevecht, en zoo werd Latinus ■ tegen wil en dank vijand der Troërs, en tot een oorlog met hen gedwongen. De naburige volkeren namen allen gaarne deel aan den strijd tegen de vreemdelingen, omdat zij niet wilden ckilden, dat zij zich in Italia metterwoon vestigden. Noodzakelijk had Aineias tegen zoovele vijanden het onderspit moeten delven , maar ook hij vond bondgenooten, die de kleine schaar van Troërs in hunnen nood wilden bijstaan. Niet ver van de plaats, waar hij zijne nieuwe stad was beginnen te bouwen, lag de kolonie van eenen Griek, Euandros (Evander). Deze was een gastvriend van Herakles geweest en reeds voor den Troischen

O O

krijg in deze streken gekomen. Met hem verbond zich Aineias en Evander bewees met een legertje Grieken alle denkbare hulp; zelf echter was hij reeds te oud om ten strijde te trekken, waarom hij aan zijnen zoon Pallas de leiding van den oorlog opdroeg. Maar hij deed nog meer, hij begeleidde Aineias naar den nieuwen koning der Etruskers. en bewoog dezen de Troërs tegen de Latijnen te steunen.

De vijand evenwel had zich de afwezigheid van Aineias ten nutte gemaakt, om het kamp der Troërs aan te vallen en zeer in het nauw te brengen. Twee vrienden boden zich aan, den afwezigen Aineias van het dreigende gevaar in kennis te stellen, opdat hij zoo snel mogelijk-tot ontzet zou kunnen aanrukken. Zij verlieten bij nacht de stad, slopen door de Latijnsche legerplaats, waar zij vele slapende vijande'n doodden, en waren,gelukkig er doorheen geraakt, toen zij door een vijandelijke patrouille werden ontdekt en neergesabeld. Zoodoende werd Aineias van den benarden toestand niets gewaar; toch keerde hij bij geluk spoedig, vergezeld door een Etruskisch leger, terug en binnen weinig tijd keerde voor de Latijnen de oorlogskans.

ocr page 132

124

Met vreugde gaf Latinus nu zijn dochter Lavinia aan den overwinnaar , wien hij haar reeds vroeger had toegedacht. Aineias noemde de door hem gestichte stad naar den naam zijner vrouw Lavinium. Van deze stad uit werd later Alba en van Alba uit, de beroemde stad Rome gegrondvest, dat vele eeuwenlang werkelijk de hoofdstad van de toenmaals bekende wereld is. .geweest.

- De sage van de Nevelingen.

r.

Siegfried. De draak en de Nevelingen.

Te Xanten in de Nederlanden woonde de machtisre konin'r Siegmond met zijne vrouw Sigelinde. Dezen hadden eenen zoon , Siegfried genaamd, een knaap , rijk aan moed en schoonheid, fier en krachtig naar lichaam en geest. Daar men hem echter trots dat alles, met het oog op zijne jeugd en onbedrevenheid, nooit deel liet nemen'aan de krijgstochten, vatte hij het koene besluit op , alleen op avonturen uit te gaan.

Op een goeden dag verliet hij zijn vaders burcht en volgde den oever van den Rijn, steeds verder en verder. Eindelijk kwam hij aan eene hut in het woud, waaruit het dreunen van zware smidshamers weerklonk. Hij nam bij den wapensmid dienst, maar sloeg met den hamer zoo forsch op het aambeeld, dat dit in den grond werd gedreven als een spijker in week hout. Toen greep den meester schrik en ontzetting aan, en hij wenschte den al te sterken gast spoèdig weer kwijt te zijn.

Den volgenden morgen zond hij daarom den jonkman het bosch in, om houtskool te branden, in de werkelijkheid echter om hem door een draak te laten verslinden. Siegfried doodde het monster, sleepte het naar de reeds opgerichte houtmijt en stak er den brand in. Bij dit vuur smolt hij den hoornen huid van

ocr page 133

125

den draak, waarop hij zich in het bloed en het vet van het monster baadde. Van nu af was zijn vel hard als hoorn, zoodat hij onkwetsbaar was. Een plek echter aan zijn lichaam was niet gehard, omdat er onder het baden een lindeblad op was gevallen, dat de aanraking met het drakenvet had verhinderd.

's Avonds keerde Siegfried naar de smidse terug, drukte de deur in, omdat men hem niet opendeed, en versloeg zijn meester. Daarna pookte hij het vuur op, trok de blaasbalg en smeedde zich een goed zwaard. Nu toog hij verder.

Na menig lotgeval kwam Siegfried in het land der Nevelingen. Daar waren de zonen van den gestorven koning, Neveling en Schilbing, in twist over de verdeeling van den schat, door hunnen vader hun nagelaten. Deze schat, uit louter goud en edelgesteenten bestaande, lag in eene bergholte en werd door den vreeselijken dwerg Alberik bewaakt.

Zoodra Siegfried was aangekomen, verlangden de koningszonen dat hij den schat gelijkelijk zou verdeelen, en gaven hem bij voorbaat het beroemde zwaard Balmung tot belooning. Maar zij waren met zijne uitspraak niet tevreden en overvielen hem met twaalf reuzen. Hij echter versloeg alle twaalf, benevens de beide koningszonen. Met den dwerg Alberik bestond hij nog een • langdurig gevecht, waarvan het einde was dat hij hem de onzichtbaar makende Tarnkappe roofde, en daarop hem zelf overwon.

Voordat Siegfried van dit land scheidde om naar zijn vaderland terug te keeren, liet hij den overwonneling, die hem trouw had gezworen , als wachter bij den schat achter; de tarnkappe echter nam» de held mede.

II.

Grimhilde en Brunehilde.

Toen Siegfried eenigen tijd te huis was gebleven, hoorde hij van de schoone prinses Grimhilde. Zij was de zuster van den

ocr page 134

126

Boergondischen koning Gunther en woonde bij haren broeder te Worms a tin den Rijn. Siegfried had in zijn hart besloten , naar de hand dezer edele jonkvrouw te staan en trok daartoe met twaalf beproefde ridders van Xanten op.

Het hof te Worms was wijd en zijd beroemd. Naast koning Gunther schitterde Hagen van Tronje, een man van rijpen leeftijd , maar altijd nog dapper en verstandig; dan de zanger Volker van Alzey , die speer en schild even vlug wist te han-teeren als het speeltuig; vervolgens Dankzvaart, Hagens broeder, en Orturin zijn neef; eindelijk Gunthers broeders Gemot en Giselheer.

Bij het binnenrijden van Worms kende niemand de statige ridders. Toen werd om Hagen gezonden, wien alle vreemde landen bekend waren. Hij sprak: „Vorsten of vorstenboden moeten het zijn;quot; spoedig voegde hij daaraan toe ; „Ik heb Siegfried uit Nederland nog nooit gezien, maar ik moet gelooven dat hij het is, met zijn gevolg.quot;

Op zijn raad werden de vreemdelingen door Gunther gastvrij ontvangen en rijk onthaald.

Meer dan een jaar bleef Siegfried aan het Boergondische hof, zonder dat hij de schoone Grimhilde ook slechts een enkele maal had aanschouwd. Toen brak een oorlog uit tusschen de Denen en de Saksers. Siegfried bood aan in Gunthers ■ leger mede ten strijde te trekken. Hij overwon de beide koningen Ludigeer en Ludegast en bracht hen gevankelijk naar Worms. Een groot zegefeest werd aangerecht, waarbij Siegfried voor het eerst de wonderschoone jonkvrouw mocht begroeten.

Eenigen tijd daarna drong de faam der prinses Brunehilde van IJsland , tot in Worms door. Zij was verheven sghoon , maar tevens bovenmenschelijk sterk. Daarom liet zij rondzeggen dat zij slechts hem tot man zou nemen , die haar in den wedstrijd zou hebben overwonnen. Wie in den kamp de nederlaag leed, zou het hoofd verliezen. Reeds menige held had zoo den dood gevonden. Desniettegenstaande besloot koning Gunther naar Brunehilde's hand te staan, en verzocht Siegfried hem in zijne pogingen te helpen. Siegfried beloofde dit, in geval Gunther

ocr page 135

127

hem zijne zuster Grimhilde tot vrouw wilde geven. Hiertoe verbond deze zich van zijnen kant.

Prachtig uitgerust voeren Gunther, Siegfried , Hagen en Dank-waart op een schip den Rijn af naar zee en bereikten in twaalf dagen IJsland. Toen zij landden, sprak Siegfried tot Gunther: „Hier wil ik als uw leenman optreden , opdat de schoone prinses slechts oog hebbe voor u, en ik over het hoofd worde gezien.quot; Daarop hield hij eerst Gunthers stijgbeugel en steeg toen zelf niet de anderen eveneens te paard. Bij den intocht begroette Brunehilde allereerst Siegfried, want zij kende hem ; hij echter verklaarde dat' deze eer Gunther toekwam, wiens leenman hij was. Daarop maakte hij haar met 's konings voornemen bekend en Brunehilde rustte zich ten strijde.

Toen nu vier man Brunehilde s schild , drie man haar geweldige speer e'n twaalf man den reusachtigen kei, dien zij ver weg kon slingeren , hadden aangedragen, sprak Gunther : „O wee, zelfs de satan kan deze vrouw niet bedwingen ; ik zat op dit oogenblik liever te huis bij de mijnen !quot; Hagen echter viel uit; „Wij halen hier den dood in plaats van de bruid ; het is niet goed geweest dat wij onze wapenen hebben afgelegd.quot; Deze laatste woorden hoorde Brunehilde en hoonlachend beval zij, dat men den helden toch hunne wapenen zou teruggeven.

Nu begon de kampstrijd. Siegfried had zich bij den aanvang verwijderd, maar keerde, met de tarnkappe bedekt, ongezien terug. Hij stiet Gunther aan en sprak; „Ik zal onzichtbaar voor u vechten; geef mij uw schild en doe slechts alsof gij vecht!quot;

Brunehilde's speer zwierde suizend door de lucht en kwam met zoovele kracht op Siegfrieds schild neer, dat de vonken er uit spatten en den held het bloed uit den mond stroomde. Snel evenwel vermande hij zich en slingerde de speer zoo geweldig terug, dat Brunehilde's schild werd doorboord , dat het vuur als een bliksemstraal er uit schoot en de prinses ter aarde stortte. Toornig vloog zij op , wierp den zwaren steen twaalf roeden ver en deed daarop een forschen sprong, het werptuig na, zoodat helm en pantser dreunend weerklonken. Maar Siegfried

ocr page 136

128

wierp den steen nog verder, nam den koning onder den arm en droeg hem, ook in dep sprong, voorbij de plaats waar Brunehilde was neergekomen. Zoo was de overwinning bevochten en de bruid gewonnen. Dat Siegfried evenwel zich bij Brunehilde voor Gunthers leenman had uitgegeven, dat werd later de oorzaak van zijn verschrikkelijk verderf en dat der Nevelingen.

Nadat Siegfried nog eenigen tijd met Grimhilde , die zijne vrouw geworden was, te Worms bij Gunther en Brunehilde had vertoefd , keerde hij met zijne gemalin naar Xanten terug. Zijn vader deed thans te zijnen behoeve afstand van den troon. En Siegfried gaf zijnen zoon den naam Gunther, terwijl Gunthers erfgenaam te Worms Siegfried werd genoemd.

IK.

Siegfrieds vermoording.

Na verloop van tien jaren zeide eens Brunehilde, zooals zij dat vroeger reeds herhaalde malen had gedaan, tot haren man: „Waaraan ligt het toch dat Siegfried in zoo lang niet aan ons hof is geweest, terwijl hij dit toch als leenman zou behooren te doen?quot; Gunther antwoordde verlegen; „Onze bloedverwanten wonen te ver weg; ik kan van hen niet eischen, dat zij zulk een lange reis ondernemen.quot; Maar Brunehilde hield niet op en bewerkte eindelijk dat een gezantschap werd afgezonden, om Siegfried en Grimhilde naar Worms te noodigen. Volgaarne gaven deze aan de uitnoodiging gehoor; zij brachten ook koning Siegmond en vele der Nevelingen-helden mede, maar lieten den kleinen Gunther te huis.

Te Worms volgde het eene feest het andere op. De ridders oefénden zich dagelijks op het burchtplein in het edele wapenspel en beide vorstinnen, door hartelijke vriendschap verbonden, zagen daarbij toe. Eens roemde Grimhilde haren gemaal, hoe die boven allen uitstak en de dapperste en schoonste was. Brunehilde bleef met Gunthers lof niet achter. Maar hare schoon-

ocr page 137

129

zuster wist telkens nieuwe deugden van Siegfried te berde te brengen, waarop eindelijk Brunehifde antwoordde, dat hij toch nooit met koning Gunther zich konde meten, daar hij naar eigen bekentenis zijn leenman was. Grimhilde verzocht van zulke taal verschoond te blijven; haar broeder zou haar nooit aan een leenman hebben uitgehuwelijkt. „Ik trek mijne woorden niet in,quot; antwoordde Brunehilde, „uw man is en blijft onze onderdaan.quot; „Goed,quot; zei hierop Grimhilde, „van avond nog bij den vesper zal ik xi toonen, dat ik niet de vrouw ben van een leenman, maar eene koningin zoo goed als gij; ik zal vóór u de kerk binnentreden.quot; De beide vrouwen scheidden in twist.

Des avonds begaven zich de koninginnen rijk getooid ter kerke. Brunehilde verscheen het eerst aan den ingang van het bedehuis en wachtte Grimhilde op. Toen deze naderde, riep zij haar toe te blijven staan! Driftig geeft Grimhilde tot bescheid; „Tergt gij mij nog en kunt gij uw tong niet bedwingen, dan zal ik u dienen te verklaren, dat Siegfried en niet Gunther u heeft overwonnen!quot; Als door den bliksem getroffen staat Brunehilde, bij het hooren van die taal; trotsch schrijdt Grimhilde haar voorbij, zonder dat zij de macht heeft het haar te verhinderen. Na de godsdienstoefening blijft op nieuw Brunehilde bij den ingang staan, en verlangt van Grimhilde het bewijs van hetgeen zij heeft gezegd. En dat bewijs wordt haar geleverd! — Bru-nehilde's trots was gebroken; door smart en toorn overweldigd, riep zij haren gemaal tot zich; ook Siegfried kwam. De mannen brachten, zoo goed zij konden, de vijandige vrouwen tot bedaren en legden haar het zwijgen op.

Maar Brunehilde, de diep vernederde vrouw, zwijgt niet: het kookt in haar binnenste, zij klaagt en jammert. In dien toestand vindt haar de reus Hagen en verneemt van haar de ge-heele toedracht der zaak. Hij weet thans dat zijne koningin beleedigd is, beleedigd door een man; die man moet sterven. Hagen betrekt nog andere Boergondiërs in het plan; zelfs Gunther laat zich overhalen tot deelneming aan de samenzwering tegen zijnen bloedverwant.

Het allereerst diende men te weten, waar de wondbare plek

9

ocr page 138

13°

aan Sieglrieds lichaam was. Hagen liet daartoe een valsch krijgs gerucht verbreiden, in de hoop dat Siegfried zich aan zou bie den voor den tocht. Dit gebeurde dan ook, en nu nam Hagei in schijn afscheid van koningin Grimhilde, waarbij deze hen smeekte in het strijdgewoel op Siegfried te letten. Hagen zeide vol arglist: „Gebiedster, dat zal ik; maar om nauwkeurig U weten, op welke wijze ik hem kan beschermen, vraag ik u tei plaatse waar het lindeblad is gevallen, een kruis in het kleet uws mans te werken.quot; — Den volgenden morgen draagt Siegfried werkelijk het teeken. Nu is de veldtocht niet meer noodig in stee van ten oorlog , zal men ter jacht trekken in het schoone Wasgen- of Odenwoud.

Grimhilde trachtte met tranen in de oogen haar man van de jacht terug te houden, te meer daar zij des nachts door boozt droomen was verontrust. Zij had Siegfried, door twee woedende evers vervolgd, over een weideveld vol bloedroode bloemen zien rennen, en onder het puin van twee op hem vallende rotsen zien verdwijnen. Maar in het argelooze hart van Siegfried was voor wantrouwen tegen zijne verwanten geene plaats, en welgemoec reed hij uit ter jacht.

De vervolging van het wild werd gestaakt; de bazuin dei konings van Boergondie riep de helden tot het maal. Eten was er in overvloed, maar aan drinken was gebrek. Hagen wendde voor, dat de lastdieren met den wijn, bij vergissing naar een ander gedeelte van het woud waren gezonden. „Maar, zoo sprak hij, ik weet in de nabijheid een goede bron; ik sla een wedloop daarheen voor; de vlugge Siegfried kan dan meteen de snelheic zijner voeten doen bewonderen.quot; Siegfried nam de uitdaging aan en beloofde dat hij niet eens zijne wapenrusting zou uitdoen; Gunther en Hagen mochten zich zoo luchtig kleeden als zij wilden. Hij was het eerst aan het doel, maar wachtte beschei den tot ook Gunther zou zijn aangekomen en zou hebben gedronken ; toen bukte hij zelf zich over het water. Op dit oogen-blik greep Hagen Siegfrieds scherpe speer en joeg haar op de gemerkte plek den held diep in den schouder. Siegfried sprong op en wierp zijn schild zoo forsch naar Hagen, dat deze ter aarde

ocr page 139

131

stortte. „Laffe moordenaars,quot; riep de stervende held, „deze daad zal u eeuwige schande brengen!quot; Men nam het lijk op en droeg het op het schild terug. Aan Grimhilde zou men zeggen dat haar man door roovers was overvallen en verslagen; de boosaardige Hagen echter beroemde zich openlijk op zijne daad. Hij liet den vermoorde in den nacht voor Grimhilde's drempel leggen, zoodat zij hem den volgenden morgen , als zij ter mis ging, moest zien. Zoo vond zij den dierbaren doode.

Siegfrieds mannen wilden terstond een aanval op de Boergon-diërs doen, maar Grimhilde weerhield hen; hun aantal was te klein en nog was de tijd der wrake niet daar.

Siegfrieds lijk werd in den Dom ten toon gesteld. Grimhilde behield zich het baarrecht voor, en toen Hagen het doode lichaam naderde, begonnen de wonden op nieuw te bloeden. — Koning Siegmond trok in diepe rouw naar Xanten; Grimhilde evenwel bleef daar, waar haar Siegfried was begraven. Drie jaren lang verwaardigde zij Gunther met geen woord, Hagen met geen blik.

Om hunne zuster te verzoenen, lieten de broeders den schat der Nevelingen naar Worms overbrengen en in gewelven en torens bewaren. Nu schonk de treurende vrouw mild daarvan weg aan de armen, voornamelijk aan behoeftige krijgslieden. Hagen zag dat met wantrouwen aan en sprak tot koning Gunther, dat zij op die wijze een geheel leger wierf; hij maakte zich van den sleutel meester en liet den ganschen schat bij Bingen in den Rijn zinken.

Sedert den tijd dat de Nevelingenschat in handen is gekomen der Boergondicrs, heeten deze laatsten zelf meestal Nevelingen.

IV.

Grimhilde's wraak.

Meer dan twaalf jaren nog bleef Grimhilde te Worms. Toen zond de Hunnenkoning Etzel (Attila) den markgraaf Rudigeer, en dong naar hare hand. Eerst weigerde zij het aanbod, maar toen Rudigeer haar de hoop voorspiegelde, dat de heidenkoning

9*

ocr page 140

132

Etzel door haar tot het Christendom zou worden bekeerd, en zij zich met zijne hulp op hare vijanden kon wreken, toen ontkiemde bij haar het plan om de sluipmoordenaars van Siegfried te straffen. Zij stemde toe en trok naar Etzelburg. Te Weenen werd de bruiloft gevierd; niet minder dan zeventien dagen duurden de prachtige feesten.

Weer verliepen dertien jaren en nu liet Grimhilde door haren gemaal de Boergondicrs tot een bezoek uitnoodigen. Hagen, die het -plan der koningin doorzag, ried den tocht af. Gunther gaf hem verlof thuis te blijven, indien hij soms bang was voor eene vrouw; in zijne trots gekrenkt dreef nu Hagen de reis zelfs door, en beval zijne eigene leenmannen zich gereed te houden. Na twaalf dagen kwamen zij aan den Donau, die zeer gezwollen was, terwijl brug noch schip den overtocht mogelijk maakte. Hagen reed stroomop en ontmoette drie waternimfen , die hem de toekomst voorspelden. De eene zeide; „Behouden zult gij bij den vorst der Hunnen aankomen.quot; De tweede; „Niemand keert terug, als gij niet hier omkeert!quot; De derde: „Eén slechts ziet zijne woning weder, uw kapelaan!quot; Hierop vonden zij een veerman, die echter weigerde de Nevelingen over te zetten. Hagen sloeg hem dood, sprong in zijn vaartuig en bezorgde allen aan den overkant. Ten slotte wierp hij den kapelaan in het water, om de voorspelling der fee te logenstraffen. De arme drenkeling werkte zich echter naar den oever en — was de eenige die Worms terugzag. Bij Markgraaf Rudigeer vertoefden de Boergondicrs bijna eene week lang en Giselheer verloofde zich met diens aanvallige dochter.

Etzels gemalin ontving slechts haar jongsten broeder met de welkomstkus. Toen was Hagen overtuigd dat het gevaar dreigde, en schraagde zijnen moed. Weldra werd hij dan ook door Grimhilde over den roof van den Nevelingenschat onderhouden. Hij antwoordde in harde, bittere bewoordingen, zoodat zij weenend in haar paleis terugkeerde. Toen plaatste zich Hagen, met zijn vriend Volker op eene steenen bank , die juist tegenover de kamer der koningin stond.

Grimhilde zag uit het venster haren doodvijand zitten, en

ocr page 141

133

wraakgevoel maakte met volle kracht zich meester van haar hart. Vurig smeekte zij hare getrouwen , hem te straffen , die zooveel jammer over haar had gebracht. Dadelijk wapenden zich vierhonderd Hunnen, en aan hun hoofd betrad de koningin het slotplein, waar Hagen en Volker ondertusschen , uit vrees voor een noodlottigen afloop, hun vriendschapsbond voor leven en dood hadden vernieuwd. Hagen bleef kalm voor de vertoornde Grimhilde zitten, opzettelijk met Siegfrieds zwaard voor zich op de knie, en bekende luid en openlijk zijne daad. De vrouw echter barstte uit in weeklacht, en gebood de Hunnen den aftocht.

Daarop werden de Boergondiërs door Etzel gastvrij ontvangen en in de koninklijke zaal feestelijk onthaald. Niet zonder bange vrees begaven de gasten zich ter ruste, en uit voorzorg hielden Hagen en Volker de wacht. — Den volgenden dag werd een toernooi gehouden, waarbij Volker eenige Hunnen-ridders onder den voet reed. Woedend over dezen smaad snelden dreigend de Hunnen toe, maar Etzel sprong tusschen hen en gebood met forsche stem vrede; de daad was immers niet met voordacht geschied.

Gedurende het eerstvolgende maal toonde Etzel zijn zoontje Ortlieh den aangekomen verwanten, en beval hem in hunne vriendschap aan, als eens hij een man zou zijn geworden. Hagen antwoordde spottend. „Mij schijnt het kereltje zwak , ik vrees dat daar nooit een man uit groeit!quot; Deze bittere woorden verdroten den koning en ook de Hunnen gaven blijken van afkeuring.

Hagens broeder Dankwaart was met een groot deel der ridders in een ander gebouw gehuisvest. Terwijl zij aan den maaltijd zaten, verscheen Blodelijn, Etzels broeder, die aan Grimhilde wraak had beloofd voor den moord op Siegfried, met eene schaar gewapenden. Vriendelijk trad Dankwaart hem te gemoet; maar Blodelijn vorderde strijd. Toen sprong Dankwaart op hem los en hieuw den Hun met éénen zwaardslag het hoofd af. Een woedend gevecht ontspon zich tusschen de Hunnen en de Nevelingen.

ocr page 142

134

Dankwaart trok zich al vechtend terug naar Etzels eetzaal, plaatste zich met het blanke zwaard in den vuist, op den drempel en riep; „Broeder Hagen, te lang reeds zit gij hier en weet niet van onzen nood; de ridders en rijzige ruiters liggen verslagen in hunne zaal 1 Hagen stond op en beval hem den uitgang goed te bewaken; nu was de tijd aangebroken om aan Grimhilde den vriendschapsdronk te wijden. Zoo sprekende hieuw hij den knaap Ortlieb het hoofd af en gaf daardoor het teeken tot een algemeen gevecht. Moord en doodslag vervulden de zaal. Aan Dankwaarts zijde trad Volker, om van den buitenkant den aanval der Hunnen af te slaan. „Thans is de zaal goed op slotquot; , riep hij den Nevelingen toe , „want vier heldenvuisten winnen het van duizend grendels.quot;

In doodsangst bad Grimhilde Diederik van Bern om hulp. Hij sprong op eene tafel, gebood met geweldige stem wapenstilstand en verkondigde, dat hij en Rudigeer, als buiten den strijd staande, met het koningspaar zich wilden verwijderen. Nauw waren dezen in vrijheid , of op nieuw ontvlamde de krijg en niet lang leed het of alle Hunnen lagen verslagen ter aarde. De Boergondiërs rustten op de lijken van het gevecht uit en verlangden vrijen aftocht; deze werd hun toegestaan onder voorwaarde dat Hagen aan Grimhilde werd uitgeleverd. Vol verontwaardiging werd dit geweigerd; elk wilde zijne trouw gestand doen.

Toen liet Grimhilde alle uitgangen van het paleis met strijd-knechten bezetten en aan de hoeken brand stichten. Rook en hitte, maar ook nog de van het dak neerstortende balken, brachten de Boergondiërs in groot gevaar; toch stonden zij pal bij eiken nieuwen aanval der Hunnen.

Toen de morgen aanbrak, eischte Etzel Rudigeer op, om tegen de Nevelingen te strijden ; deze echter weigerde en wilde liever alle hem geschonken leenen teruggeven. Nu herinnerde Grimhilde hem den vroeger gedanen eed, om haar tegen al hare vijanden bij te staan. Treurig wapende zich de held en mengde zich met zijne mannen in den strijd. Hagen toonde hem het schild, dat hij eens uit Rudigeers hand als teeken van

ocr page 143

135

gastvriendschap had ontvangen, en sprak: „Zie hoe het uit elkaar hangt; het kan mij niet meer beschutten !quot; Zonder een woord te spreken nam Rudigeer zijn eigen schild van den arm en reikte het den held. Hagen en Volker zwoeren beiden, den edelen Markgraaf in het gevecht te zullen sparen ; maar weldra stortte hij in het strijdgewoel neer, op de lijken van al zijne ridders. Ook tal van Roergondirrs werd verslagen; alleen Hagen en koning Gunther waren over, wien beiden Diederik van Bern, die eindelijk ook aan den strijd had deelgenomen , vrede bood , wanneer zij zich wilden overgeven. Maar zij deden het niet. Diederik vocht thans met Hagen, bracht hem een zware wonde toe en voerde hem gevankelijk naar de koningin. Ook Gunther werd door Diederik bedwongen en geboeid in een kerker geworpen.

Grimhilde beloofde Hagen het leven te zullen schenken , wanneer hij haar zeide , waar de schat verborgen lag ; hij echter antwoordde dat hij had gezworen het geheim te bewaren , zoo lang nog een zijner meesters in leven was. Toen zond zij mannen af naar Gunthers kerker en liet haar broeder onthoofden. „Thansquot; , zoo sprak Hagen, „zult gij, duivelin , nooit de plaats vernemen, die buiten mij slechts God kent.quot; Nu verhief Grimhilde Siegfrieds zwaard en maaide den geketenden held het hoofd af. De oude Hildebrand echter, Diederiks wapenmeester, sprong woedend op, trok zijn zwaard en met een vreeselijken gil zonk Grimhilde ineen. Eén slag had haar het leven benomen. Haar lijk lag naast dat van haren doodvijand. Zoo eindigde het feest. Uit liefde en vreugde waren de bitterste rampen geboren.

De sage van Goedroen.

Hagen, de koning van Ierland, was in zijn jeugd door een ontzettenden adelaar geroofd en naar een eiland overgebracht. Daar groeide hij op, tegelijk met drie eveneens ontvoerde koningsdochters , en verkreeg door lichamelijke oefening groote kracht.

ocr page 144

136

Eens voer een groot zeeschip voorbij , dat hij aanriep; de bemanning nam hem met de drie jonkvrouwen aan boord, en bracht hem in zijn vaderland terug. Hier droeg hem zijn vader de regeering over, waarop een huwelijk volgde met de liefelijke Hilda uit Indie, de oudste der drie koningsdochters.

Hagen en Hilda kregen eene schoone dochter, eveneens Hilda genoemd , naar wier hand vele machtige vorsten dongen. Maar de vader wilde van zijn kind niet scheiden en sloeg elk aanzoek af. Toen besloot Hettel, de jonge koning der Friezen, naar de hand der uitverkorene te staan. Zelf echter kwam hij niet; hij sloeg den weg der list in. Drie boden zond hij uit; den beroemden zanger Hor and, den slimmen, vrijgevigen Froete en den dapperen, gebaarden Wate. Zij gaven zich uit voor verbannen kooplieden en wonnen door beleidvolle taal en prachtige geschenken, weldra het vertrouwen des konings en de welwillendheid der vorstelijke vrouwen. Maar de hoogste gunst verwierf Horand met zijnen betooverenden zang. Toen hij bij zonsopgang eens weer zijne stem deed weerklinken , zoodat de vogelen des wonds hun morgenlied vergaten , de dieren hunne vette weiden verlieten en de visschen onbewegelijk stand hielden in het water, toen sprak Hilda tot haar vader; „Lieve vader, zeg hem dat hij nog meer zingt!quot; En Horand zong meer en hij zong van den man , die hem tot haar had gezonden, en ten leste ging zij heimelijk met den zanger scheep en werd Hettels bruid. Hagen echter zette de vluchteling na en er ontstond een vreeselijke strijd. Maar spoedig volgde de verzoening en daarop een vroolijke bruiloft.

Hettel en Hilda hadden twee kinderen , Ortwin en Goedroen. Ortwin groeide onder leiding van den ouden Wate tot ridder op ; Goedroen echter ontwikkelde zich tot maagd van zeldzame schoonheid. Naar hare hand dong Hartmoet, de jonge vorst der Noormannen , Lodewijks zoon ; hij werd , als andere vrijers, door Hettel uit oude veete tegen zijn geslacht, afgewezen. Daarop kwam Harwig, koning van Seeland, en won door heldenmoed de liefde der edele jonkvrouw; slechts werd de bruiloft één jaar uitgesteld.

ocr page 145

137

Spoedig daarop ondernamen vader en bruidegom een krijgstocht naar een ver verwijderd land. Gedurende hunne afwezigheid komt de afgewezen Hartmoet en voert Goedroen met vele vrouwen en maagden, onder de laatsten ook de trouwe Hildburg , gevankelijk weg.

Onmiddelijk sluiten Hettel en Herwig met hunne vijanden vrede en vervolgen de roovers. Op een der zandige eilanden der Noordzee ontbrandde het vreeselijk gevecht; tot de oksels in het water staande, streden de helden , en de strandgolven werden rood gekleurd van bloed. Hettel viel door Lodewijks hand ; Wate echter wreekte zijn konings dood en ontstak , toen aan den hemel het avondrood was uitgebluscht, met snel opvolgende zwaardhouwen een nieuw avondrood uit de helmen zijner vijanden.

In den nacht ontvloden echter de Noormannen met hunne buit; de koningsdochter en hare gespelen werden met oogen-blikkelijken dood bedreigd, wanneer zij hulpkreten uitten. Treurig keerden Herwig en Wate —- alle anderen waren verslagen — naar huis terug. Goedroen daarentegen werd door de vijanden naar Hartmoets sterke burcht gevoerd. Onderweg trachtte de oude koning haar liefde voor zijnen zoon in te boezemen; toen zij zich echter koel van hem afwendde, greep de oude woestaard haar in hare schoone, blonde haren , sleurde haar over dek en slingerde haar in zee. Met moeite redde Hartmoet haar nog.

In de burcht werd zij weliswaar door Ortroeu, Hartmoets zuster, liefderijk ontvangen , maar des te meer had zij te verduren van zijne moeder Gerlinde. Zij , die eene kroon had moeten dragen, moest thans slavinnenwerk verrichten.

Zoo verliepen dertien jaren in smart en ellende. Maar het mir der verlossing brak aan. Goedroen ontving, terwijl zij aan het zeestrand het lijnwaad wiesch, van eene fee, in de gedaante eener zwaan , de tijding dat redding daagde. Den volgenden morgen moest zij weder voor haar werk diep door de sneeuw naar het strand waden , waar zij, zonder herkend te worden , de voorloopers van het leger, Ortwin en Harwig, zag en sprak. In hare blijdschap over de naderende hulp wierp zij Gerlinde's

ocr page 146

138

kleeren, in stee van ze te wasschen , in zee. Woedend wilde het oude wijf haar met slagen voor dien overmoed bestraffen, toen op eens zij zich in schijn bereid verklaarde , Hartmoet hare hand te reiken. Het onweer sloeg plotseling om in helderen hemel, de slechte behandeling in een liefdevol koesteren en van stonden af deed men voor het zwaar beproefde meisje alles, wat zij 'slechts wenschen kon.

Maar reeds bij het aanbreken van den volgenden dag waren de wakkere vrienden met hunne zeeschepen geland en stonden voor de burcht. Door Herwigs vuist viel koning Lode-wijk , Hartmoet werd gevangen genomen en Gerlinde stierf, trots Goedroens edelmoedige voorspraak , door Wate's zwaard. Zij had nog geen uur geleden een krijgsman omgekocht om Goedroens hart te doorboren; slechts door Hartmoets bedreigingen was dat boevenstuk verijdeld.

Hiermede was het bloedige werk der wraak gedaan. Nu ving vreugde en jubeltoon aan , die op hunne beurt op Goedroens verlangen , door vrede en zoen werden gevolgd. En zoo werd Hartmoet de vrijheid hergeven; de trouwe Hildburg werd zijne vrouw. Ortroen werd Ortwins bruid , en op éénen dag vierden beide paren tegelijk met Herwig en Goedroen hunne bruiloft.

ocr page 147

INHOUD.

Bladz.

Inleiding..................................^

Het ontstaan der wereld en der Goden............4-

De regeering van Kronos......................5-

Zeus en de Giganten.............

Prometheus en Epimetheus......................9-

Deukalioon en Purrha........................i2-

Tantalos....................

Niobe......................................IS-

Pelops....................................I7-

Midas......................

Orpheus en Eurudike.............22■

Phaëtoon.................23-

Sisuphos..................24-

Bellerophontes...............26-

Meleagros en Atalanta............29-

Dan .....................32-

Perseus..................33-

Herakles.................

De Argonautentocht.............43-

Theseus..................48-

Kadmos..................54-

oldipoes en zijne zonen........................56.

De Trojaansche oorlog.

I. De bruiloft van Peleus en Thetis......60.

II. Priamos en Paris............62.

III. De schaking van Helena.........64.

IV. Iphigeneia in Aulis...........65.

V. Achilleus en Agamemnoon.........68.

VI. Paris en Menelaos...........70.

VII. Hektoor en Andromache.........72.

ocr page 148

VIII. Hektoor en Aias............ 74.

IX. Patroklos...............' '

X. Hektoors dood............ ? '

XI. Priamos lost het lijk van Hektoor......^0-

XII. Troia's verwoesting..........

Orestes en Pulades . . ...........

De zwerftochten van Odusseus

I. Penelope...............^0'

II. Telemachos in Pulos en Sparta..........

III. Kalupso..................

IV. De schipbreuk.............

V. Odusseus bij de Phaiaken

Odusseus verhaalt den Phaiaken zijne lotgevallen . 97

Lothophagen............

Kuklopen.............

Aio los...............

Laistrugonen............

Kirke...............

.......................

Seirenen..............

Skidla en Charubdis.........

Rundei-en ran Helios...... . . .

VI. Het wederzien............

VII. De moord der vrijers..........

120. 122, 122.

Aineias.

I. Vlucht uit het brandende Troia.......11

II. Dido...............

III. Aineias landt in Italia.........

IV. Aineias' oorlogen in Italia........

De sage van de Nevelingen.

I. Siegfried'. De draak en de Nevelingen .... 124-

II. Grimhilde en Brunehilde.........I2^'

III. Siegfrieds vermoording..........12 '

IV. Grimhilde's wraak............I31'

I

De sage van Goedroen............

83-87.

103. 103.

106.

107. 107. 107. ui. in. 112. 112.

ocr page 149
ocr page 150
ocr page 151