|
'»mis
|
||||||||||||||||
|
EEEllillHl
|
||||||||||||||||
|
alElSlS
|
||||||||||||||||
|
HUISHOUDELIJK
DENBOEK,
|
||||||||||||||||
|
ZEVENDE DEEL.
|
||||||||||||||||
|
V.
|
||||||||||||||||
|
Gemeenebest nog gebruikt, om daar een natte maat
mede te betekenen, die twee kannen of vier mingelen bevat. VAAR, in de gemeene of ftraattaal word dit woord
gebruikt, om Vader te betekenen. VAAR-AAL, deeze Visch de vijfde zoort onder het
Geflagt der Aaien bij de Heer Linn/eus uitmaakende, is door de Ouden Mijrus genoemt, en voor hetManne« tje van de Murna gehouden ; Murctna roflro acuta, li- turis albis vario, margine pinnce dorfalis nigro. Arted. Gen. 24. Sijn. 40, ; (Murcena pinne ambiente alba, mar' gine nigro. Linn. Sijfl. Nat.) Het is deeze Visch daar Wiixoughbij den naam aan
geeft, van andere Zee-Slang met een zaamengedrukte Staart, welken hij, in't jaar 1664, te Rome kreeg; zo dat hij kon vast ftellen, dat dezelve zich in de Middel« landfche Zee onthield. Deeze was meer dan een derde korter dan de andere
Zee-Slang , en verfchilde er nog in verfcheide opzigten van, zo hij aantekent. De koleur was bleeker; de Snoet zo lang niet nog de Bek zo wijd , en men vond er geen uitfteekende Tanden in, maar twee of drie rijen kleine Tandjes in "t midden van't Gehemelte, behalve die aan de Kaaken ; op zijde. Aan de zijden van den Bek had hij twee kleine Baardjes of zeer korte Buisjes, gelijk de Konger-Aal. De Staart was niet zo rond, maar platag- tig en gevind, even als in de Paalingen of gemeene Aa- ien; daar de gewoone Zee-Slang de Staart aan't end on- gevind heeft. Omtrent de Ingewanden vond hij weinig verfchil. De Myrus der Ouden, dien zommigen agten het Man-
netje te zijn van den MoeuAal, komt, volgens dien Au- theur, met deezen Zee-Slang overeen. Dezelve word gezegt niet alleen eetbaar, maar zelfs maisch van fmaak te zijn, zonder eenige of tenminfte met zeer weinige graat- jes in hetvleesch. Men geeft voor, dat deAschvan des» zelfs Kop den Beet geneeze, dien hij toegebragt heeft. A ■ ■ VAA; |
||||||||||||||||
|
is de eenentwintigde letter en zestiende
Confonnant of medeklinker van het neder-
duitfche A'.phabeth.
De Romeinen gebruikten de V tot een talletter, maakende de hoeveelheid van Vijf;
IV doet een minder als Vijf of vier; VI, VII, VIII, doen«», twee en drie meer als vijf, en dus zes, zeven, agt; V= 5000.
In de oude Opfchriften betekent V. Vivit of Vetera-
nus; V. AED. Viro Aedilitio; V. A. F. Vivus Aram Fe- cit; V. C. Vivus Curavit, of Vir Confularis; V. DD. Votum Dedicatum; V.F.F. Vivus Fieri Fecit; V.M. S. Foto Merite Sufcepto ; V. E. Vir Egregius; V. OP. Vir Optimus; V. S. F. Univerfi Sic Fecerunt ; V. S. J. F. Voto Sufcepto Jusfit Fieri; -------- Op de Romeinfche Mun- ten betekent, VII. VIR. EPUL. Septemvir. Epulonum; VIB. Vibius; VIL. PUB. Villa Publica; VIRT. Virtus; VlC.Viiïoria; VESP. Vespafianus; V.C. Vir. Clarisfi- tnus;VOT. X.MULT.XX. VotisDecennalibusMultipli- catis Vicenalibus. betekent, V. D. M. Verbi Divini Minister; V. R. W. Van Regts Wegen. VAAK, betekent Slaaperigheid of Slaapzucht; 2ie
SLAAP. VAAL , in't fransch Fauve; dusdanig word een zo-
danige bruin roode koleur genoemt, die uit den rosfen is. ■ ' Ook is het woord Vaal in gebruik, om ee- 11e koleur mede te betekenen, die ten eenemaalen ver-
fchooten is, en in die zin zegt men, een Vaal Kleed, enz. VAALE-MIER, zie MIEREN, n.V.pas.'ziu.
VAALGEEL-GOUDHAANTJE , zie GOUD-
HAANTJES , ». XL. pag. 916. VAAL-LANDJUFFERTJE, zie L ANDJUFFER."
-TJES, n. XVI. pag. 1761. VAAM, zie VADEM.
v£rA£' ,dit woord word °P zommigeplaatzen in ons
ril Deel, |
||||||||||||||||
|
VAD.- ;;::'^f.':r;:'~::U.v,
om er voor te zorgen; van zifft'g0eaVöTiïegtëö"pv'ö%
ding, zal het geluk of ongeluk uwer dagen afhangen; tot een fchandeliike last voor de zamenleeving var« ,, (trekkende, indien de ondeugd hem weglleept.zal hij uw tot oneer en fmaadheid zijn; nuttig voor zijn Va- derland indien hij deugdzaam is, zal bij de eer ea het genoegen van uw oude dagen uitmaaken. Men kan nimmer te regt de vreugde der Vaders, nog
hun verdriet onderkennen,zegt Baco Ve-rulamxus, orn dat zij aan de eene kant niet in ftaat zijn, hun vermaak uittedrukken, en aan d'andere kant niet over hunne rede- nen vàn moeilijkheid durven fpreeken. De vaderlijke lief- de, maakt voor hun de zorgen en moeiten draaglijker; maar die wrogt ook teffens uit, dat de ongelukken en verliefen voor hun dubbel bitter zijn; vermeerdert ech- ter deeze toeftand de ongerustheden van het leven, zo is die ook teffens met onuiti'preekelijke vermaaken ver- mengt, en heeft zelfs- het voordeel om het vooruitzigt en de angften des doods te verzagten. Een Vrouw en Kinderen, zijn zo veele panden die
een Man aan de' fortuin geeft. Een Fader des Huisge- zins , kan niet ftraffeloos ondeugend zijn; nog de deugd en het eeuwig en tijdelijk welzijn zijner Kinderen be* tragtende, onbeloond blijven. Die welke in den onge- huwden ftaat leeft, word ligt onverfchillig ten aanzien van het tijdelijke toekoomende, daar hij geen belang bij kan hebben ; maar een Fader die in zijn Nakroost moet herleeven.is door onverbrekelijke banden aan.dat toe- koomende vastgeklonken. : Ook merkt men in't bijzon- deraan, dat Vaders die'het fortuin of de verheffing.van hun geflagt bewerkt hebben, hunne Kinders tederder beminnen; zonder twijffel, om dat zij ze onder twee oogpunten befchóuwen, die beide van even groot belang Zijn; namelijk, en als hunne Erfgenaamen, en ais hun- ne Voortbrengzels of Schepzelen ; wat is het verruk- kend, zich dusdanig door zijne eigen weldaaden té ver- binden/ Maar hoe fierk is niet de gierigheid in Vaders té veroor-
deelen, en wat is die kwaalijk geplaatst, dewijl die altoos tot hun eigen nadeel uitvalt.' Hunne Kinderen krijgen er laage denkbeelden door, en niet zelden vervallen zij tot een kwaad gedrag, en regten guiteftukken aan die hun zelfs onteerende, dik wils een geheel GeOagt doet ver» agten ; het is buiten dat een groote dwaasheid , gierig te zijn, om vroeg of laar Verkwisters te maaken. Een ander zeer berispelijke, dog gemeen e gewoonte
bij de Vaders, is , onder hunne Kinderen van de teder- fte jeugd af aan onderfcheidingen te maaken en de eens boven de andere te bevoorrechten, dit verwekt wanneer zij tot gevorderde jaaren gekoomen zijn, tweedragt, en men ziet er maar al te dikwils haateliike verdeeltheden onder de Huisgezinnen uit voortfpruiten. Schandelijk is het ook, zijn Kinderen door gedwon*
gene voorbefchikkingen tot deezeof geene levenftand aaa zijnen ftaatzucht of eigenzinnigheid opteofferen, alleen moet men tragten vroegtijdig hunne geneigtheden na die levenftand of dat beroep te leiden, 't welk men voor hun heeft uitgekoofen, doen zij de jaaren nog niet hadden bereikt, om zich tebepaalen; maarzo dra als een Kind een volkoom en tegenzin ofwel een klaarblijkelijke nei- ging voor en ander beroep heeft, als "t geen men voor hem had bepaalt, is het de ftém van het noodlot, men moet 'er aan toegeeven ; zulks te weerftreeven is niet al* leen wreed, maar bewerkt ook meestal het ongeluk vaa die gedwoBgene. > Teel
|
||||||
|
376+ VAA. VAC. VAD,
VAAREN; Vaaren kruid ; Vaaren *t Mannetje ; Woui-
Vaaren; Filix mas. Dodon. & Lobbl. ; Filix non ra- mvfa dentaia. Bauh. Pin.; (Polijpodium, fronde bipin- nata, pinnis obtufis crenulatis, flipite paleaceo. Linn. Spec. Plant.) Plaats. Deeze Plant groeit vanzelfsop dorre, zandi-
ge en veenige donkere plaatzen, van Neder- en Hoog- Duitcbsland, Engeland, enz. Kweeking. Dewijl- dezelve tot het,gebruik genoegin
't wild word gevonden, en niet veel fraais heeft, word die zeldzaam in de tuinen: geplant. Kragt en Gebruik. 'De Wortel van die Kruidgèwas
js maatig verwarmende, opdroogende, openende, iets zamentrekkende, pijnftillende, en wormdoodende; der- halve zeer dienftig voor yerftopte ingewanden, en daar uit ontftaande z/ektens, als fchorbuit, hijpochondrij, rnelancholij, jigt, enz., a Is mede voor de Tapia of platte Worm, 'tpoeijer der wortel tot een drachma, of in de- coiïie tot twee a drie drachma. Uitwendig is deeze wor- tel zeer dienftig voor verbranding, aambeijen, enz., het met roofe of gemeen water uit de g^ftampte wortel ge- trokken (lijm. VAAR.SCHROEF, zie SCHROEF.
VAATRIMON, dusdanig noemen deBewooners van het Eijland Madagascar een Citroen , die zo dik is als een kinderhoofd, en waar van de Schel met fuiker gecon- fijt zijnde, een alleraangenaamste verfnapering uitlevert. VACANT1E, dit onduitfche woord betekent eigent- lijk , ledigheid of ßilßand der Oefeningen. In de praktijk van regten worden er die dagen door'verdaan , op wel- ke geen regt word gedaan, en de Regtbanken Parthijen geen acces verleent tot regtvordering, zie Tit.ff. £ G> de Feriis. De Vacantien kunnen in gewoone en buiten- gewoone verdeelt worden. Gewoone Facantien zijn de zodanigen , die genoegzaam zonder verandering altoos de zelfde blijven ; ingevoertzoter eere Gods, L.2.ut.in- die. L. 6-quadraginta cum quinjuefeqq. C. li. t. als tot nood- zaaklijkheid en profijt der Menfchen. L. 1. &4-ff. h. I. L. 2. L. omnes 7. Cod. eodem. Buitengewoone Facan- tien zijn die, welke geen vaste bepaaling hebben, en en- kel door Gerechtshoven bij deeze of geene gelegenheid, voor een dag of langer worden genoomen. VACATIE, is een onduitsch woord,'t welk in den reg-
ten zin , beroep , neering of ambagt betekent. 'In Regten word er gemeenlijk het Salaris ofte Belooning door ver- ftaan,die aan deRegtersen bediendens van dejuftitie, als mede aan Advocaten en Procureurs, word gegee ven, voor de tijd dat zij zich bezig hebben gehouden, met' het onderzoek en expeditie, van de een of andere ju- diceele zaak. VACCA, zie KOEIJEN, n, I.pâg. 1530. VADE-MECUM, of Feni-Mecum, is een zeer ge- meenzaame latijnfche phrafis, om eene zaak uittedruk- ken,. die, men altoos bij der hand heeft, en gemeenlijk bij zich draagt. Doorgaans en wel 't meest word het op eenig geliefd boek toegepast ; zomrnigen niaaken hun Va- de-Mecum van ViRGiLius.anderenvan Hohatius,Eïic- ïetüs, Th.aKemeis; enz. dit is het geen de Grieken *yXi&*^'^ » en dat- wij anders Handboek noemen. De Arabieren hebben eene phrafis om het zelfde uittedruk- ien, teweeten habib al f.eir, dat reisgenoot wil: zeggen. VADE&. De betrekking vanFader is deallernauwfte Welkeer in de Natuur word'gevonderj.," Gijzijt Fader, j» «egt de verlichte Bkaïhin , uw Eind is een goedt welk jj^pemelaan uw heeft toevertrouwt ; het is uw zaak |
||||||
|
VAD.
|
|||||||||
|
VAD. 576S
|
|||||||||
|
: Veefal befpötlrt men in een talrijk Huisgezin, dat er
veel werk van een der oudfte Kinderen word gemaakt, dat er een onder dé jongden is, die tot Troetelkind van trader en Moeder verftrekt, en die welke tusfchen bei- den zijn, worden genoegzaam vergeeten; zulks is eene onrechtvaardigheid. De natuurlijke verpligting die op den Vaderlegt, om
zijne Kinderen te voeden, heeft het Huwelijk doen in- ftellen, welke de geene aantoont die deeze verpligting moet vervullen ; maar dewijl in de Kinderen niet dan trapswijze, het vernuft en de reden word ontwimpelt, voldoet het niet voor de Vaders dat zij ze enkel voeden ; neen, zij moeten ze ook beftieren engeleiden ; daar is een tijd dat zij zeer wel door middel van zich zelven zouden kunnen beftaan, dog geenzints zich beftieren. De wet der Natuur die aan de Vaders gebied om hunne Kindéren van voedzel te voorzien en op te voeden, ver- pligt hun echter niet om ze tot hunne erfgenaamen te maaken. De verdeeling der goederen, de'wetten over die verdeeling, de opvolgingen na de dood dier geene welke deeze verdeeling heeft bezeten, dat alles kan niet dan door het Genoodfchap en gevoeglijk door de Staat- kundige en Burgerlijke wetten bepaalt worden. Het is ivaar dat de ftaackundige of burgerlijke order geneenlijk eischt, dat de Kinders van de Vaders erven; dog daar zijn gevallen, waar in zij zulks niet altoos gebied. Wat zo wel de zedelijke als lighaamelijke Opvoeding
betreft, die een Vader in de verfcbili'ende levenftand, waarin de Voorzienigheid hem heeft geplaatst, verpligt is aan zijne Kinderen 'te gèeven, hebben wij volledig op hét artijkel OPVOEDING verhandelt, waar na wij ónze Lezers , om onnutte herhaalingen te vermijden, 'toe wijzen. VADERLAND, in 't latijn Patria. Meeftendeels
word het woord Vaderland geen andere zin toegeëigent, als om de geboorteplaats hoedanig die ook mag zijn, aan tó duiden , dog de Wijsgeer weet, dat dit woord van't fatijnfcbë Pater äfftamr,, 't welk een tafereel van Vader én Kinderen fchetst.en gevolgelijk dat geene uitdrukt, 't welk wij verdaan door Huisgezin , Genoodfchap en vrijeLevenfiand, waar van wij leden zijnde, door de wetten in onze vrijheden en geluk worden bevestigt, be- fchermt en gehandhaaft. Men noemt met geen regt Vai derland, een zodanig Rijk dat onder het juk van onbe- paalde heerfchappije aan banden van willekeurigheid ge- kluiftert legt. ss-* Eén hedendaagfch Schrijver heeft eene Verhandeling over het Woord Vaderland, dog in èène andere fpraake dan de onze, in 't licht gegeeven,waar in hij »met zo veel vernuft en waarheid, de betekening van deeze uitdrukking bepaalt heeft, met bijvoeging van derzelver aart, en het denkbeeld dat men er zich van moet vormen, dat wij kwaalijk zouden doen er dit ar- tijkel niet mede te verrijken, of om beter te zeggen, uit de opmerkingen van deezen geeftigen Schrijver, voor een gedeelte het zelve zamenftellen. Aan de Grieken en Romeinen was niets zo verheven,
beminnelijk, nog heiliger bekend , als het Vaderland; zij zeiden dat men alles aan haar is verfcbuldigt ; dat men geen meer regt heeft om zich over haar te wreeken, dan over zijn eigen Vader die ons het leeven heeft ge- fchonkeh ; dat men geen Vrienden moet hebben dan die de haare zijn; dat van alle de voorneemens de beste is, om voor haarte ftrijden ; dat het troostrijk, dat het lief- lelijk is voor haar te fneeven; dat den Hemel zich niet ontilmt' dan voor dé geeneh die haar trouwelijk gedient |
|||||||||
|
hebben.
drukten zich de Overheden, de Oorlogshelden, ja het gantfche Volk uit. --------: Welk voor een denkbeeld
vormden zij zich dan van het Vaderland?
Het Vaderland, zeiden zij, is een Gewest, tot wiens
behoud alle deszelfs Inwooners belang hebben, dat nie- mand wil verlaaten, om dat men aan zijn eigen geluk en welzijn niet als gedwongen vaarwel zegt, en in welk Vaderland, Vreemdelingen een veilige fchuilplaats zoe- ken. fchap haare melk uitftort als men die ontvangt.--------Het
is eene tedere Moeder die alle haare Kinderen lief heeft,
die er geen onderfcheidcusjchenftelt, als naar maatede eene d'andere in deugden en verdienden voor bij (treeft ; die wel kan zien dat er overvloed en middelmaat plaats vinde, dog geene Armen kan dulden; Groote en Kleine laat zij toe, maar niemand moet onderdrukt worden; die zelfs in die ongelijke verdeeling, een zekere zoort van gelijkheid in agt neemt, met aan een ieder de weg tot deverhevenfte ampten en bedieningen aantewijzen; die geen kwaad in haar Huisgezin duit, als zodanig dat zij niet in ftaat is te weeren, namelijk ziektens enden dood; die denken zoude niets voor haare Kinderen gedaan-te hebben, met haar bet weezen te hebben gegeeven, indien zij er het weiweezen niet bijvoegde. Het is eene Magt al zo oud als de zamenleeving, op de natuur en goede orde gegrondvest ; eene magt verhevener als alle magten die zij in haaren boezemaanftelt, als Keifers, Koningen, Rijksbeftierders, Burgemeefters, enz. ; eene magt die aan haare wetten zo wel die geenen onderwerpt, die in haaren naam gebieden, als die welke gehoorzaamen. Het is ee- ne Godheid die geene Offerhanden ontvangt dan om ze weder uittereiken, die meerder aankleeving dan vreeze vergt, dié met een vroolijk gelaat en lachgend weezen goed doet, en al zuchtende en als gedwongen, misdaa- den ftraft. Dusdanig is het Vaderlandl de liefde die men haar
toedraagt, geleid na de deugdzaamheid der zeden , en de deugdzaamheid der zeden geleid na de liefde voor het Vaderland; die liefde is de liefde voor de wetten en het geluk van den Staat, eene liefde die bijzonderlijk aart de Volksregeeringen is verbonden ; het is eene ftaat« kundige deugd, door welke men zich zelven verzaakt, het algemeene welzijn boven zijn eigen verkiezende} het is een gevoelen, en geenzints een gevolg van kuri-< digheden; het geringde Mensch van den Staat kan everf zo wel met dat gevoelen vervult zijn, als het Hoofd van 't Gemeenebest. Het woord Vaderland was een der eerfte woorden
die de Kinderen van de Grieken en Romeinen leerden ftamelen; het .was de ziel der zamenfpreekingen, hét was den Oorlogs-kreet; het verfraaide de Dichtkunst, zette een gloed van ijver aan de Redenaars bij, zat voor in de Raadsvergaderingen, weergalmde op het Toneel en inde Volksverzamelingen, ja ftond op de Gedenkzuilen gebeitelt. Cïcero vond dat woord zo teder, dat bij' het boven aHe anderen verkoor , wanneer hij over de belangens van Rome (prak. Bij de Grieken en Romeinen vonden ook nog gebrui-
ken plaats, die onophoudelijk het denkbeeld van Va- derland met het woord zelven voor oogen ftelde en het in't geheugen herriep ; kroonen, zegepraàlen, ftand' beelden, grafnaalden, Iijkredeneii, waaren alle zo vee- Ie prikkels om tot de liefde van het Vaderland aante- ' fpooren. Daar waaren ook openbaafeSchoiiwfpeelén, ■ Aa a\ |
|||||||||
|
J76Ö VAD.
alwaar alle de onderfcheidene Clasfen van Levenftanden
zich onderling gingen verlustigen ; insgelijks Spreekftoe- len waarin het Vaderland door de monden van haare Re- denaars , met haare Kinderen raadpleegde, over de middelen om hun gelukkig en roemrijk te maaken. », i Maar laat ons tot het verhaal.der daaden over- gaan , welke tot bewijs zuilen verftrekken van 't geen
wij gezegt hebben. Doen de Grieken de Peifiaanen te Salamine overwon-
nen , hoorde men aan de eene kant de ftem van een ge- biedenden Meefter die Slaven na den iirijd dreef," en aan de andere kant het woord Vaderland , 't welk vriije Menfchen aanmoedigde. Ook was er voor de Grieken niets dierbaarder dan de liefde voor het Vaderland; voor haar te ijveren, was hun geluk en roem. Licurgus, So- LON, Milttades, Themistocf.es , Aristides, fchat- tedenhun Vaderland.hoogst als alle dingen terweereld. De een in een Krijgsraad door het Gemeenebest gehou- den, ziet de rotting van Euribiades boven hem opge- heven; hij antwoord hem niets dan deeze vier woorden : Slaat, maar luistert tae. Aristides na langen tijddebe- ftiering der magt en geldmiddelen van Athenen in han- den gehad te hebben, iiet dervende zoveel niet na om hem van zijn eigen te doen begraaven. De Spartiaanfche Vrouwen wilden alzoo gaarne behaa-
gen als de onzen ; maar zij dagten zo veel te zekerder haar doel te treffen , met de ijver voor het Vaderland, met die der bevalligheden te paaren. Gaat mijn Zoon, zeide de eene, wapent uw ter verdediging van uw Va- derland, enkoomtniet te rug als met uw Schild, of op uw Schild, dat is overwinnaar of dood. Troost uw, .zeide eenander Moeder, aan een van haare Zoonen, troost uw mijn Kind, over het been dat gij verlooren hebt, ieder ftap die gij doet, zal uw in geheugen bren- gen dat gij het Vaderland verdedigt hebt. Na de Veld- flag van Leu&res, wenschten alle zodanige Moeders, wiens Kinderen gefneuveit waaren , malkanderengeluk, terwijl de anderen over hunne Zoonen die overwonnen zijnde wederkeerden, weenden. Zij beroemden zich van Mannen ter weereld te brengen, om dat zij hun reeds van de wieg af aan, het Vaderland als hunnen eer- den Moeder toonden. Rome die van de Grieken het verheevene denkbeeld
had ontvangen , dat men zich van 't Vaderland moet vormen, prentte zulks ten diepflen in het hart van haare Medeburgers. Daar vond zelfs dit bijzonders bijdeRo. meinen plaats, dat zij eenige godsdiendigegevoelens met de liefde die zij voor het Vaderland hadden, vermengden. Die Stad onder de gelukkigfte voorfpellingen geflieht; Romulus hun Koning en God, dat Capitolium 't welk zowel als hunne Stad eeuwig zoude duuren, en die Stad welke altoos zo wel als haare Stichters in wezen ftond te blijven, had op de Romeinen een buitengemeenen in- druk gemaakt. Om het Vaderland te behouden, liet Brutus zijne
Zoonen onthoofden, en geen andere dan zwakke Zie- len zullen deeze daad als ontaard befchouwen.,'Zonder de dood dier twee Verraders, ging het,Vaderland van Brutus kortftondig na haare geboorte ten gronde. Va- l,erius Publica behoefde flegts het woord VaderlAnd te noemen, om den Raad menschlievender gedagten in te boefemen; insgelijks Menentus Agrippa om het Volk van dengewijden berg wederom naar het Gemenebest te voeren; Veturia, want de Vrouwen te Rome zo wel als te Sparta., waaren Patriotten, om haaren zoon Ca- |
VAD.
RïOLAN te ontwapenen. Manlius, CAMH.CA,SçiMo\crtt
de vijanden vanden PvOmeinfchen naam te overwinnen / de Cato's, om de wetten en oude zeden te bewaaren» Cicero om Antonius te verfchrikken, en Catiliit* t' onder te brengen. Men zoude gezegt hebben , dat het woord Vaderland
een geheime kragt in zich befloot, niet alleen om de al- lervreesagtifte dapper te maaken, volgens de uitdrukking van Lucianus, maar ook om Helden in alle levenftan« den voorttebrengen, bekwaam om allerlei wonderen uit te wrogten. Laat ons duidelijker zijn, en zeggen , daar huisvesteden in die griekfche en romeinfche Zielen, deug- den, die hun gevoelig maakten aan de waarde van dat woord. Ik fpreeke niet van die geringe deugden, wel- ke ons met weinig kosten de loftuitingen in onze bijzon- dere Genootfchappen aantrekken ; ik verfta die patriot- tifche hoedanigheden, die kloekheid van ziel, die ons voor het algemeene welzijn doet lijden en verhevene daa- den uitvoeren. Fabius word door zijn Amptgenoot en gantfche Leger, befpot, veragt, ja zelfs mishandelt, zijn ftandvastige Ziel laat zich echter niet verwrikken, hij verandert niets in zijn genoomen ontwerp, wagt en- kel op een gunftiger gelegenheid, en overwint eindelijk Hannibal. Regulus, om een behaald voordeel voor Rome tebewaaren, ontraad de uiwisfeling der Gevan- genen, zelfs gevangen zijnde, en keert na Cartbago te rug daar een fmertelijkedood hem wagt. Drie Decius« sen maaken hun Burgermeefterfcbap roemruchtig, met zich aan een gewisfen dood toetewijden. Zo lange wij die edelinodige Burgers ais doorluchtige Zotten, en der- zelver daaden als toneel-deugden zullen befchouwen, zal nimmer het woord Vaderland in den regten zin door ons worden begreepen. Nimmer misfehien hooide men dat fchoone woord met
meerder eerbied, meerder liefde, meerder vrugt, alsten tijde van Fabricius. Een ieder weet wat hij aan Pjjr- rhus antwoorde; " behoud uw goud en uw eertijtels, wij Romeinen zijn alle rijk, dewijl ons Vaderland om ons tôt de verhevenfte posten te verheffen , niets anders dan verdienden van ons vergt." Maar een ieder weet niet, dat duizend andere Romeinen het zelfde zouden gezegt hebben. Deeze Vadërlanslievenden toon, was de algemeene toon in een Stad, waar van alle de leven- ftanden deugdzaam waarefi. Hierom is het dat Rome aan Cijneas Afgezant van Pijrrhus, eenen Temgel toeleek, en den Romeinfcben Raad, eene vergadering van Koningen. De zaaken veranderden met de Zeden, Doen het Ge«
meenebest na haar einde begôst te hellen, kende men het woord Vaderland niet meer als om het te ontheiligen. Catilina en zijn woedende medepligtigen, beftemden ter dood, al wie het zelve nog als Romeinen uitfprak. Ckassus en Caesar bedienden er zich niet anders van als om hunnen daatzugt te bewimpelen, en wanneer die zelfde Cäsar , vervolgens den Rubicon overtrekkende, aan zijne Soldaaten zeide, dat hij dë ongelijken het Vaderland aangedaan ging wreeken, misleide hij op ee- ne veiregaande wijze zijne Krijgsbenden. Het was niet aan tafel als Crassus , trotfche gebouwen (lichtende als Lucullus, zich aan wulpfe-wellusten overgeevende als Clodius, Landftreeken plunderende als Verres, ont- werpen van dwingelandij fmeedende als Caesar, of met Cäsar te vleijen als Antonius , dat men ohderweezen wierd om het Vaderland te beminnen. Ik weet nogthans dat er midden in die wanorders, die zo
|
|||||
|
.VAD. VA'D; S7e7
|
|||||||
|
zo wél in bet beftier der Regeering als Zeden ten hoog-
den plaats vond, men nog eenige Romeinen zag zug- ten voor 't weiweezen van hun Vaderland. Titus Lat bienus verftrekt er tot een aanmerkelijk voorbeeld van,; Verbeven boven de allerverleidenfte inzichten van ftaat- zuat, den vriend van Caesar, den metgezel en dikwils het ■werktuig zijner overwinningen , verliet hij zonder be- raad eene zijde die door het geluk wierd begunftigt; en zich aan de liefde van het Vaderland, opofferende, om- helsde hij de partij van Pompejus , waarin hij al- les had te vreezen, en daar hij zelfs in geval van voor- fpoed, niet dan een zeer middelmaatig aanzien koste wagten. > ne ri .' ■ .' ■ Maar eindelijk verdween binnen Rome onder de Re-
geering van Tjberius, alle liefde voor het Vaderland; en hoe zouden zij dezelve hebben kunnen bewaaren ? Men zag het rooven en gezag hand aan hand gaan, kuiperij en ongeoorloofde handelwijzen de Ampten uitdeelen, allede rijkdommen in bezit van een klein getal, een bui- tengemeen en verregaanden pragt de akeligfte armoede befchimpen, den Landman zijne Akkers in geen ander oog- punt befchouwen, dan als een voorwendzel tot moedwil en verdrukking; ieder Burger tot het uitterftegebragt, de algemeene welvaart vaarwel zeggen, om zich enkel met zijn eigen bezig te houden. Alle de grpndbeginzelen van regeeringsbeftier waaren bedorven; alle de wetten boogen na het welgevallen vandenSouverein. Geen ge- zag meer in het Senaat, geen veiligheid meer voor Par- ticulieren , zodanige Raadsbeeren die moeds genoeg hadden om de algemeene vrijheid te verdeedigen , (tel- den haar eigene in de waagfcbaal. Het was niet anders dan een verborgene tijrannije, onder het gezag der wet- ten fchuilende , en ongelukkig voor de geene die zulks vermerkte ; zijn vrees en angften te doen blijken, was dezelve te verdubbelen. Tiberius in zijn.Eiland Ca. préa door wellusten in..flaap gewiegt, liet Sejanus na welgevallen handelen; en Sejanus,een weerdigen Die- naar van een zodanigen ivieeiter,ft:elde.alle zijne pogin- gen te werk, om bij de Romeinen de liefde voor het Vaderland tot de laatfte fprank toe uitteblusfchen,. Niets verftrekt, tot meerder roem van Trajanus , dan
er de geringe overblijfzelen wederom van verzamelt te hebben. Zes Tijrannen die de eene voor d'andere niet in wreedheid behoefden te zwigten, bijna alle woedende en dikwils van hunne zinnen berooft, hadden opvolge- lijk voor hem den Troon bekleed. De Regeeringen van Titus en Nerva waaren al te kortftondig om de liefde voor het Vaderland te herftellen. Trajanus nam voor om zulks ten uitvoer te brengen, wij gaan onderzoeken welke middelen hij er toe in't werk flelde. Hij begost met aan Saburabus, Opperbevelhebber
van Rome, hem de tekenen van die verhevene post, 't weikin een degen beftond, ter hand ftellende, te zeg- gen; neemt dit flaal, om het ter mijner verdediging te ge- truiken, indien ik mijn Vaderland wel beftier , of tegens mij, indien ik mij kwaalijk gedraage. Hij weigerde de geldfommen dien de nieuw aangeftelde Keifers gewoon, waaren van de Steden te ontvangen ; hij verminder, de aanmerkelijk de belastingen en impofitien ; hij ver- kogt eengedeelte der Keiferlijfce Gebouwen tot voordeel van den Staat; hij bewees edelmoedige weldaadenaan, alle de arme Inwoonders; hij belette de Rijken om febat- ten op fchatten teftapelen; en die welke hij tot verhe- vene Amptenen Bedieningen aanftelde,.hadden maareen middel om erzieh in ftaande. te houden ..namelijk, het be- |
|||||||
|
tragten van 't algemeene nut en welzijn der Volkeren,
waar over zij gefield waaren. Onder zijne regeering nam den overvloed de overhand , de goede ordre en de gp* regtigbeid wierd overal hulde gedaan, zo wel in de Pro» * vintien als binnen de Stad Rome, alwaar zijn Paleis even- eens als de Tempelen voor een ieder open ftond, inzon- derheid voor die geene welke de belangens van het Va- derland kwam voorhouden. Toen men de MeefterderWeereld zich aan de wetten
zag onderwerpen, aan den Senaat haaren ouden luifter en magt wedergeeven, niets onderneemen of uitvoeren dan met overleg van dezelve, de Keiferlijke weerdig- heid uit geen ander oogpunt befchouwen als in dat van een enkel gezag, 't welk aan zijn Vaderland rekenfehap moest doen, eindelijk het tegenswoordige wel weezen, een aangenaam voofuitzigt voor het toekoomende fchet*- zen; als doen weerhield men zich niet meer, de vreug- de borst aan alle kanten uit. Men zag de Vrouwen zicf* onderling gelukwenfcben van Kinderen aan het Vader» land te hebben gegeeven; Jongelingen fpraaken van niets. anders, dan om door heldendaaden het zelve roemruch- tig te maaken ; de Grijfaards fcheenen te herleeven , en nieuwe kragten te verkrijgen om het te dienen ; alle rie- pen , gelukkig Vaderland ! roemruchtige Keifer ! allegaven- door toejuiching aan de beste der Vorften, eenen eertijtel die alle de eertijtelsin zich opfloot, Vader des Vaderlands* ---Maar doen nieuwe Geweldenaars deeze deugdlieven- de Vorst in het Rijksbeftier opvolgde, verviel de Regeer ring wederom tot haare voorige verdorventheid,- de Krijgs- lieden verkogten het Vaderland, en vermoorden, de Kei- fers, om het op nieuw te verkoopen.. Dog hébben wij voorbeelden gefchetst van oprechte Bei
minnaars haares Vaderlands onder de Griecken en Romei- nen, ons Gemeenebest en verfcheidene anderen van Eu« ropa.zijn geenzintsonvrugtbaargeweest in Helden voort- tebrengen,, die moeds genoeg bezaten,om goeden bloed' voor 't haare opcezetten. Een menigte aandoenlijke ta- fereelen zouden wij daar van voor onze Lezers kunnen fchetzen, dog eenige weinige voorbeelden zullen genoeg, zijn,, om te toonen, dat alle de eeuwen zodanige groo- teen edele zielen hebben voortgebragt, wiens; voor- naamfte zugt is geweest, hun Vaderland voor geweldena»- rijte befchsrmen, en daat alles ja zelfs het leven ,.aan op- teofferen. Vestigd uw oogen Nederlanders op Vader Willems
de ifte, en gij zult een Vaderlandslievenden-Vorst be* fchouwen, aan wien gij. naast de Geever van alles goeds,. Godsdienst en Vrijheid uwe allerdierbaarfte panden hebr te danken; zonder hem, zugtede gij nog onder't juk vara bijgeloof en dwingelandij. Hij offerde alles gewillig; voor uw op; van hem moesten zelfs zijne Vijanden zeg- gen, dat hij op 't hoogde vlijtig was in 't behartiger* van 't algemeene best en heil des Volks, tot wiens be-- fchutting hij niet fchroomde, der Grooten haat-, zwaare fteurnisfen, enkenlijk gevaar opzicbcelaaden.. Dejoiag- fte Bede van deezen Vorst verzegelde alle zijne Vader- landslievende daaden; doen hij dbor den kogel uit het Moordgeweer vanden vervloekten Balthasar Géimrds; gedreeven, zodanig wierd getroffen Y dat hij reed^aan't fuifelen zijnde, kortdaarna den laatften fnik gafy boezem- de hij nog deeze zo hartgrondige Zugt voor het Vader- land uit;. Heere God, veest mijner ziele,e» deezen-armm Volde genaadig.. W/e gevoelt ook niet een. gloed- van Vaderlands*-
liefde in zijnen.Boefem ontvonkeij, die. s'Lands-ge?-
£~3> - fchigf
|
|||||||
|
3768 VAT3I
|
|||||||||
|
VAD.
|
|||||||||
|
fchfgten nafpoorende, de dâàd va»; den kloekmöedigeii
Leidfcben Burgemeester Pieter van der Werveont- moet ?; Deez e braave Regeerder in het harde beleg van zijnen Stad door de Spanjaarden in 1574. van zom- mige wanhoöpigen en moedeloofen ait de Burgérije, aangemaand zijnde om met de Spanjaarden te handelen, gaf dit grootmoedige antwoord: Ik lieve Medeburgers, heb eenen eed gedaan, dien ik ook vertrouwende op den Geever van alles goeds, hoop geflandte doen.1' Ik weetdat mij eens te flerven flaat, dog de keur daar van niet aan mij zijnde, is het mij eveneens (als 't 20 weezen moet) of Gij het of de Vijand mij doet. Daarom, zo gij met mijnen dood beholpen zijt, flaat de handen aan dit Lighaam, ik ben des getroost, Jnijd het aan flukken en deelt die om tot on- derlinge fpijs, zo wijd als het ftrekken kan. Door welke heldhaftige redenen , vertoonende eene vaderlijke lief- de, verfraaide ftandvastigheid en chriiïelijke lijdzaam- heid, de klaagende Omftaanders van fchaamte getrof- fen, doorgingen, en hij zelfs zijnen naam in zegening heeft vereeuwigt. Ook mangelt het ons aan geen Voorbeelden van dap-
pere Heldinnen, die tot verdeedigingenbefcnerming'van het Vaderland , des'zelfs Vijanden moedelijk hebbehdur- ven beftrijdeh. Zo lange er nog vrijheidlievende Ne- derlanders gevonden worden, zullen die mét eerbied en liefde aan de Haarlemfchè Weduwe Kenauw Simons Hasselaar gedenken. Deeze Vrouwzesenveértigjaa- ren oud, onbefprooken van leven en van een der beste huizen, had moeds genoeg'door Vaderlandsliefde a'angé- prikkelt, om zich aan 't hoofd van driehonderd Wijven te ltellen, die alle in Vrouwen gewaad, jiiet fpiés, bus, en rappier gewapend, de Spanjaarden"die haaren Vader- itad in 1572 belegerd hielden, met een waaren helden- moed te keer te gaan. * Mede zullen deSwitzers nimmer Arnold van Win-
kelried vergeeten, dien Held, wiens daad verdiende door eenen Titus LiviusaandeNakoraelingfcHap oveï- gebragt te worden. Hij wijdde zich gantfchélijkaanzijn Vaderland; en tbónde teffens een onvertzaagtKrijgsman,1 en vrijheidlievend Held te zijn. Deezen Edelman uit Underwald geboortig, in den veldflag van Sémpach' ver- merkende, dat zijne Landsgenooten tegens deOoftenrij- kers te kort zouden fchieten, dewijl deezen met harnas- fen aanget-oogen van hunne'Paarden zijnde geftapt.en zich nauw in malkanderen hebbende gefloöten, een front uit- maakten 't welk met ijzer was gewapent, en niets dan fcherpe fpitfen van pieken en lancien aanbood ; nam het edelmoedig befluit, om zich voor het behoud van zijn 'Vaderlandopteofferen. Vrienden, fprak hij tot de'Swit- zers, die flauwmoedig begosten te worden, heden gaan ik mijn leven opofferen, om uw de overwinning te fchenken; ■enkel en niets anders verg ik van uw, dan draag zorg voor mijn talrijk Huisgezin; volgt mij , en mar.kt gebruik van 'S geen gij mij zult zien doen. Hier Op fchiict hij zijn Krijgs- volk in dïe gedaan te, welke de Romeinen Cuneus noemden; hij ftelt zich aan 't fpits van den driehoek,. gaat regel- regt na den Vijand,' en zo veele 'pieken Omarmende als hij toste vatten, werpt hij zich ter neder, hier door aan degeenen die hem volgden eenen wég openende om in dit welgeflooten Krijgsheir te dringen. De Oosten- rijkers door deezen onverwagten aanval als bedwelmt ,en van vooren uit een gerukt, wierden overwonnen ; de zwaarte hunner wapenen was hun noodlottig, en :de Switzers behaalden eene volkoomen overwinning, ten toste van hunnen braaven en Vaderlandslievenden Be* veifcebber. |
|||||||||
|
'Na 't geen .hier vooraf gaat, zal het»'voor mij niet no;
dig zijn om tè-bewijzen, dat er geen Vaderland in deü regten zin genoomèn, in willekeurige Regeeringen kan plaats vinden. 'Dus hebben die geene welke onder de on- bepaalde magt vandeOosterfche Vorften leeven, alwaar men geen andere'wet kent dan de wille van den Souve- rein, geen andere ftelregels dan de aanbidding zijner grillen, geen andere grondbeginzelen van regeering dan fchrik en vreeze, alwaar op het minste vermoeden hoé ongegrond dikwils ook, een ieder Onderdaan zijn hoofd voor het Staal moet buigen om hem te grieven ; die zegge ik, hebben geen Vaderland, en kennen zelfs dien naam niet, welke de waare uitdrukking van het geluk is. In den ijver die mij bezielt, zegt de Heer Coijer,
hebbe ik in verfcheidene plaatzen proeven genoomèn op Onderdaanen van allerleij zoort van levenftanden : Inwooners, heb ikgezegt, kent gij het Vaderland ! de Boer en gemeene Burger heeft gewéent; de Magiftraats- perzóon trok de fchouders op en zweeg bot ftil ; de Krijgs- man vloekte; de Hoveling lachte mij uit, en de Finan- cier vroeg mij of het de naam van een nieuwe belasting was. Wat de Kerkelijken betreft, die als Anaxagoras, de Hemel met den vinger wijzen, wanneer men hun vraagt waar het Vaderland is , van deezen is het niet te verwonderen, dat zij er geen op deez"en Aarbodem vie- ren. Zeker is het dat degrootfte wonderen van deugd door
de liefde'tot het Vaderland zijn voortgebragt ; dat zoetö en levendige gevoelen, 't welk de kragt oer eigenliefde bij alle de fchöonheid der deugd voegt ^ zet aan dezel- ve eenen nadruk bij, die zonder haar te mismaaken.er de heldbaftigfte van alle de hartstogten van maakt. Zij is het, gelijk wij reeds flauwelijk hebben gefchetst, die zo veele onfterfelijke daaden voortbrâgt, waar van de luister onze zwakke oogen doet teisteren ; zij bragt dis grqote Mannen voort, wiens ouwerwetfche deugden voor verdichtzelen doorgaan, zedert dat de liefde voor het Vaderland is befpot geworden. Laaten wij er ons niet over verwonderen, de verrukkingen van tedere har- ten worden niet anders dan fchimmen aangemerkt, door de zodanigen die ze nimmer ontwaar zijn geworden , en de liefde tot het Vaderland, die levendiger en oneindig ge- noeglijker is als die van een Minnares, word eveneens als deeze niet begreepen, als met dezelve te ondervinden; dogin alle de harten dien zij ontvonkt.in alle de daaden die zij inboezemt, valt het gemakkelijk die ziedende en ver- hevene drift te vermerken, waar mede dezuiverfte deugd zelfs niet fchittèrt, wanneer zij er is van afgefcheiden. Wij onderwinden ons zelfs Socr ates tegens Cato te ftel- len; de eene,wasgrooter Wijsgeer.en d'andere Vaderland- lievender Burger. Athenen was reeds verlooren, en So> CEATEs had geen ander Vaderland meer dan dé geheele weereld. Cato droeg altoos het zijne in zijn hart ;hij leef. de niet dan voor haar, en was niet in ftaat haarteoverlee. ven. De deugd van Socr ates is die van de wijste der Men- fchen; maar tusfchen CiESAK en Pompejus, gelijkend Catö een God te zijn onder de Stervelingen. De eerftë onderwijst eenigè weinigen, weerftreeft de Sophisten, en fterft voor de waarheid ; den anderen verdedigt tegens de veroveraars der Weereld, den Staat, de vrijheid en de wetten, en verlaat eindelijk de weereld, wanneer hij ziet, dat er geen Vaderland meer is te dienen. Een weerdig voedfterling van Socrates zóu de deugdzaam- fte zijner tijdgenooten zijn; een weerdig navolger van Cato zou er degrootfte van weezen. De deugd van
|
|||||||||
|
,.!£#D. VAD. VAL.
|
|||||||
|
wm de eerfle zoüdö'zijn eigen geluk tïîrtnââkeny'de twee-
de zoudezijn geluk in dat van bet algemeen zoeken. De eene zoude ons onderrigten en de andere tot leidsman en voorganger dienen, en dit alleen zoude tot Regter over de voorkeur verftrekken; want men heeft nimmer een gantsch Volk tot Wijsgeeren gemaakt, maar het is niet onmoogelijk een geheel Volk gelukkig te maafc'en. Begeeren wij dat de Volkeren deugdzaam zijn? Geen
beter middeltot bereiking van dat heilzaame oogmerk, da-n hun liefde voor het Vaderland tragten inteboefemèn ;■ niaar hoe is het moogelijk dat zij het beminnen, indiea het Vaderland voor hun niets meer is dan voor Vreem- delingen, en hun geen andere voordeden en lieflijkhe- den toeftaat, dan die zij aan niemand kan weigeren? Het zoude veel erger zijn, indien zij er zelfs die burgerlijke veiligheid niet genooten, en dat hunne goe- deren, leven en vrijheid aan de willekeurigheid "Va-H'1 Grooten was onderworpen, zonder dat het hun moöglifk ' ofgeoorlooft was, de wetten tot bijftand en hulp te roe-' per.' Als dan Onderworpen aan de pligtén van den Bür- gertet , zonder zelfs het aangeboórene regt der n'atuur- ftaat te genieten , en zonder hunne kragten te können gebruiken onr zich te verdedigen, zouden zij gevolgelijk in de ergfte toeftand zijn', waar in zich vfije Menfchen kunnen bevinden , én het woord van Vaderland, zoude als dan voor hun niet anders dan eëh-haatelijke of be- lachgelijkezin kunnen opleveren.' ; Is een ieder verpligt zijn Vaderland opregt te bemin- :
nen, en er het geluk en vöorfpoed, zo veel als in- zijn vermogen is van te behartigen; zo is het weerkee*-' rigookeenfchahdelijkeen verfoeiielijkemisdaad, aan dat' Vaderland nadeel toetebrengen: Die geene welke erzieh ' aan fchuldig maakt, fchend de allerheiligfte pligten, en vervalt tot eene lafhartige ondankbaarheid , hij ont- eert zich door de allerfchelmagtigfte tfouwloosheid , dewi.1 hij het vertrouwen van zijne Medeburgers mis- bruikt , en de zodah'igen als Vijanden behandelt \ die met het grootfte regt van hem hulp en dienften hadden te ver ■'. wagten. Men vind geen verraders van het Vaderland dm onder zodanige Menfchen1, die enkel door vuile gierig- heid beftierd, niet anders dan eigen belang en voordeel in 't oog hebben, en wiens hart geilooten is voor alle gevoelens van menschlieventheid jegens anderen, Ook worden zij te regte door een ieder verfoeit, als de eer- looften van alle Deugenieten. Maar dik wils geeven ongelukkige oorzaaken, gelegen-
heid , om de liefde voor het Vaderland te verfiaauwen of uittedooven. Onregtvaardigbeid, en hardheid inde regeeringswijze, wisfehen die maar al te ligtelijk uit het hart der Onderdaanen ; is het wel mooglijk dat de liefde voor zich zelven iemand aan de belangens van een land zal kunnen verbinden, daar alles gefchied uit inzicht voor een enkel Mensch? Integendeel ziet men, geliik wij het reeds hebben aangemerkt, dat alle vrije Volkeren meteen dnftigen ievér zijn~bezielt, voorde roemen geluk van het Vaderland. _De liefde en genegenheid van een Mensch voor het
Vaderland waar van hij een Medeburger is, kan men aan- merken als een noodwendig gevolg van de verlichte en redelijke liefde dien hij aan zich zelven isverfchuldigt, dewijl zijneigen geluk met dat van zijn Vaderland is ver- bonden. Dat gevoelen fpruit ook onwederfpreekelijk voort uit de verbintenisfen dien hii methet Genoödfchap heett aangegaan. Hij heeft belooft om zo veel als in »ja vermoogen was, er het welzijn en voordeel van te |
behartiger*; »"hoe is 'het nu moogelijk dat riij het met ijver,'
getrouwheid, en moed dient, indien hij het niet oprech- te) ijk en van harten bërnint. ! VADERLIJK , word gezegt van 't geen tot den Va-
der behoort, oft geen van zijn kant afkomftig is; zoals het vaderlijk gezag, de vaderlijke raagt, een vaderlijk* bloedverwant, het vaderlijk goed, de vaderlijke erffe- nisj een vaderlijk eigendom, de vaderlijke zijde, enz. VALERIANE; 'Speer-Kruid; zodanig genoemt,zegt
de Hr.Miller, om haare groote kragten , of wel van Valerius, die deeze Plant 't eerst in de geneeskunde» heeft gebruikt ; zij is dëopregte Phu van Djoscorides, Plinius en andere^ oude Natuurkundigen; in'tgrieksch (Ça, vdfâ@r ayejx; in 't latiijn Valériane , Nardus ßjlvefiris; enin'thoogduitsch Valerian, Balderian, Kat- genwurtzet', St. Georgenkraut. ^Kenmerken.. De Bladen van dit Kruidgewas, groeijen
bij paaren tegens malkanderen over aan de Stengen. De- Bloem beftaat uit een Blad dat pijpagtigis, en van bo- ven in vijf verdeelingen verdeeld. Meestentijds groeijen. deeze Bloemen in een zoort van een Kroontje boven op de Stengen, en worden door langwerpige en platte ge* vieugelde Zaadjes gevolgt, die met eene zagte woilig- heid zijn overtoogen. " Zoorten. Men heeft veelvuldige zoorten van dit Kruid-
geWas. De Heer Miller telt er '26 van op; wij zul» len ons vergenoegen met er de yoornaamlte van op te noemen. ' 1. Groote tuin Valériane; Valeriana hortenfis. Bauh.
Pin. 164... Valeriana,major. Lobel. ; Valeriana major hortenfis. Tournef. Infi. R. Herb. 131. Boerh. Ind. Alt* 1.74 ; Valeriana f'oliis infimis integris, proxhnis lacinia- tis, caulinis pinnatis. Roy. Lugdb. 234. ; ( Valeriana flori- bus-triandris , foliis caulinis pinnatis , radicalibus indi- vißs. Li NN. Spec: Plant.): 2. Groote wilde water Valériane ;. Valeriana fijlvestris
magna'aquatica. . Bauh. 3.. 211.; Valeriana fijlvestris major. C. Bauh. Pin. 1&4. Tournef. Infi. R. Herb*. 131. Boerh. Ind Alt. 1. 74.; (Valeriana f oliis omnibus, pinnatis: Link. Hort. Cliff. 16".) 3. Groote wilde berg-Valeriane ; Valeriana ßjlvestris
montana. C. Bauh. Pin.; Valeriana alpina, nardo celti- cs fimilis, inodorà. Pluknet. Alm. 380.; Valeriana foliis omnibus integris ex ovato-acuminatis leviten dtnta- tis, HALL. Helv.664.. iÇ. 8. ; (Valeriana flotibus,triant-
dûs, foliisovato-oblongisfubdentatis, cauleßmplici^LiNW.- Spec. Plant.) 4. Kleine water-Valeriane ; Valeriana palufiris minor
£p Valeriana paluflris inodora parum laciniata, C.Baüh; PM. 86. ; Valeriana, foliis caulinis pinnatis,, polijgama. Roy, Lugdb. 235.; Valeriana dioica: Dalib. Paris. 11; ! Valeriana, f oliis caulinis pinnatis, fexu difiin&a. Linn.
Hort. Cliff. ; [Valeriana floribus triandris diocis, foliis pinnatis. Linn. Spec. Plant.) 5. Roode tuin Valériane; Valeriana rubra. Bau». Pin».
, 195. (Valerianafloribus manandris cäudalis, foliis lanceo- latis integerrimis. Linn. Spec. Plant.)
6. Valériane van het Alpifcht Gebergte; Valeriana a/--
pina prima. C. Baüh. Pin. 165. ; Valeriana floribus triam. dris', foliis radicalibus cordatis , alit laciniatü. Sauvv Monfp. 276.; Valeriana al'pina minor, planta palmaris., Plükn. Alm. 380.; (Valeriana floribus triandris, foliis: radica-libus cordatis, caulinis ternatis. lanecolatisferratisk. Lim*-Spec. Plant,) ... 7. Cetiijéfte Valériane of Spikenatd; Vahrmnat e*Ö*
eut*
|
||||||
|
"VAL:
heen ftröoint en aan de zijden door Heuvels of Bergen i»
bepaalt, en die eene min pf meerdere lengte heeft, zon- der aanmerkelijke breedte.. ..... VALKEN is de naam van een Vogelen-Geflagt, door
de Heer Linnjeüs zo wel op de Vogelen die gemeen- lijk deezen naam voeren, ais op de Arenden, Havik.. ken en Sperwers, den Buizen, Kuikendief en andere Roofvogelen,-toegepast, die alle dezelfde Kenmerken hebben, naameiijk, den Bek haaks wijze krom, aanzijn grondituk met wasch bekleed; den Kop digt gedekt met Vederenen de Tong in twee-en gefpleeten. Hij onder, fcheid ze, in de zodanigen die geel wasch hebben, waar waarvan hij twintig zborten heeft, en in anderen met donker wasch waar van zes zooi ten ; zo dat het getal der zoorten van dit Geflagt bij hem zesentwintig is. I. Zwarte Arend ; Melancetus five Aquila valeria.
Rat. Av. 7. n. 4. ; (Falco cera lutea, pedibus femilanatis, corpore ferrugineo nigricante ftriis flavis. Linn. Sijfl. Nat.) Zie ADELAAR. ; ,.. II» Goud-Arend; Aauila chrijfaëtos. Willoughb. Or-
nithol.i (Falco cera lutea, pedibus lapatis , corpore f ufca ferrugineo vario, cauda nigra , laß, cinerea unàulata. Linn. Faun. Suec.) Zie GOUD-AREND. III. Gemeene Arend ; Aauila fulva five Chrijfaëtos,'
cauda annula alba cinüa. Will. Ornith. 28. ; (Falco ce* raßayat pedibus lanatis, dorfofufco, cauda J'ascia alba. Linn. Stß'Nai.) Deeze is, volgens den HeerBius- soN ,'de gemeene Arend, of die Vogel, welke bij de oude Autbeuren door den naam van Arend, zondereenig bij- voegzel, word aangeweezen. In lijvigheid gaat hij een Kalkoen te boven,- zijne langte of hoogte verfchilt weinig van die des Goud-Arends. Van het eene tot het andere end zijner Vleugelen, wanneer die uitgefpreid zijn, heeft hij zeven voeten agt duimen vlugts. Het grootfte deel van zijn Lighaamis bekleed met vederen, die bruin zijn van koleur ; dog de Kop en Hals, als ook de bin- nenzijde der Beenen, zijn rosagtig. De Slagpennen der Vlerken zijn grootendeels zwart ; de Staart beftaat uit Pennen, die tot twee derden van hunne langte wit zijn, en verder zwartagtig, maakende den gedagten witten Ring of Band. Tusfchen den Bek en Oogen, welker Kring hazelnootkoleurig is, vind men een kaale plek. Van deezen Arend, die insgelijks in de hooge Ber-
gen van Europa huisvest, zegt de Heer Ray, dat in't jaar 1668 een Nest gevonden werd in't Woud bij deRir ver Derwent, in Engeland. Het zelve beftond uit Hok- ken of taamelijk dikke boomtakken , waar van het ee- ne end ruste ophetuitftekvan eene Rots, het andere op tweeBerkeboomen. Boven opdeftokken waaren biezen gefpreid en op de biezen lag heij, op de heij weder bie. zen. Hier in vond men een Jong leggen, en een wind- Eij, benevens de doode Iighaamen van een Lam, Haas en drie Kuikens van Veldhoenderen. Dit Nest, nu, was vierkant, twee ellen breed, met geenehollighed in't mid- den , maar vlak en gelijk. Het Jong was bijna volwas- fen en tot vliegen bekwaam, hebbende de gedaante van een Dieren-Valk of Sperwer ; de Rug bruin ais de Leeuwrikdief en de zwaarte bijna van een Gans, met de Beenen tot de Voeten toe gevedert, en een witten Ring of Band om de Staart. IV. Arend van Kanada; Aquila canadenfis; (Falco ce-
ra flava pedibusque lanatis, corpore fusco, cauda alboapi- cefusco. Link. Sijfl. Nat.) De Heer Edwards zegt, dat deeze degewoone grootte heeft van de Arenden, dat is, als een Kalkoenfe Haan. Hij is plat van kruin, korl
|
|||||||||
|
VAL.
|
|||||||||
|
377P
|
|||||||||
|
ca. TouRNEF. Infi:R. Herb. ; Nardus celtka Diofcorfdis.
C. Bauh. Pin. i<36. ; Spica celtka fafligio flosculorüm ordine différent. Cam. Epit. 14. Valeriana foliis ovatisob- tufis minime dentatis. Hall. Helv. 664. ; {Valeriana //o-. ribus triatidns, foliis ovato-oblongis obtufis integerrimis. Li NN Spec. Plint.) 8. Valériane van het Alpifche gebergte, naar de Celtifchi
Spikenard gelijkende ; Valeriana alpina Nardo-Celticasfimi- lis. C. Bauh. Pin. 165,; Valerianafljlvestrisalpina zfaxa- tilis. Clüs. Hifi. i.p.56.; (Valeriana floribus triandris, foliis fubdentatis, radicalibus ovatis, peduncalis commu- nibus elongatis. Linn. Spec. Plant.) 9. Grootfte Pireneifche Valériane met Kakalia-blad ; Va-
leriana maxima pij renale a , Cacalia folio. Tournef. Infi. R. Herb. 131.; (Valeriana floribus triandris, foliis cordatis ferratis petiolatis, fummis ternatis. Linn. Sijfl. Nat.) ......
Plaats. De twee eerfle zoorten worden in Neder- en
Hoog-üuitschland, Vrankrijk, enz. op vogtïgeplaatzen in de weiden, naast Heggen en Bosfcben van zelfs groeijen-. de gevonden.-------- De derde zoort op het Alpifche ge- bergte als mede op dtooge kleijagtige gronden in befcha- duwde plaatzen, en verfcheidene gewesten van Enge- land. land en elders op vogtïgeplaatzen, aan de kanten der Sloo. tenï enz. Devijfde, zesde,zevende enagtflezoar- ïsn.zijn zeer gemeen op het Alpifche gebergte. -W: De negende zoort eindelijk, is natuurlijk àan bet Pire- ' neefche Gebergte. Kweeking. De vermeerdering van alle de zoorten,
gefchied door fcheuring der wortelfpruiten in het voor- jaar, in de maand maart of april, wordende op 10 a 14 duimen afftand van nralkanderen geplaatst. De- zelve beminnen een goede, losfe, vette, liefst zandag- tige en wat vogtige grond, daar bij een ppene of ook wat fchaduwagtige ftandplaats. Gebruik. Deezé Gewasfen dienen inzonderheid tot
medicinaal gebruik, en wel voornaamelijk de eerfle zoort,en hoofdzaakelijk.dewortel-Dezelve iszweet- en pisdrijvend, hoofd-, hart-, en moeder-verfterkend, en word zeer gepreezen , als een dienftig middel voor de moeder-ziektens, aamborftigheid, bloedfpuwing, en inzonderheid voor de vallende ziekte , en andere dier« gelijke fluiptrëkkïngen, van oude en jonge Menfchen. Men geeft tot dien einde verfcheidene dagen lang, van de drooge gepoeijerde wortels tot een half loot of iets meer naar den ouderdom, in wijn ofeenig ander bekwaam vogt, of men kookt deeze wortel een korten tijd in wa. ter of wijn, en drinkt daar dagelijks eenige glafen vol van., intusfehen van tijd tot tijd een zagte purgatie ge- bruikende. ■ Kinders die de Stuipen hebben, kan men tot een vierde loots van de gepoeijerde wortel in meikof wijn ingegeeven. Ook word deeze wortel, met zeer veel "voordeel in wonddrafiken gebruikt. Uitwendig is het afkookzel buitengemeen dienftig voor de vlek- ken Jn de Oogen ; en zuivert' de oude gezweeren en wonden. VALERIANELLA, zie VELD-SALAAD.
VALLEIJ, is gevormt van het latijnfche Vallis, en
word ook wel Da/genoemt; betekenende de afbelling van een harde en fpitfe Berg; ook verftaat men er een ruimte gronds of land door, aan de voet van eenigen Berg of Kust gelegen. Dog gemeenlijk koomt 'het woord Vallei] in de bete-"
kenis voor van eene zekere Vlakte,wa xdoor eea Rivier |
|||||||||
|
VAL.
|
VAL. s??*
|
|||||||
|
kort vanHals, rolvan Borst, en wel gëfpierd van Bee-
nen , hebbende zeer lange en breede Vleugels naar re- den van hetLighaam,. De Bek is blaauwmet geel wasch. De Oogkring is hazelnooten-koleur ; ds Kop en Hals zijn bekleed met fmalle bruine Vederen, uitloopende in fcher- pe punten even als denhals der Haanen. 'tGantfche Lijf is bedekt met bruine Vederen, donkerst op de Rug; aan de Borst met witte driehoekige vlakken getekent, wier puntert opwaards (trekken. De flagpennen van de Vler- ken zijn zwart; de Staart is, zo wel boven als onder, wit, uitgenomen de toppen van de Vederen of Pennen, die zwart zijn, of donkerbruin. Ook zijn de onderfte Dekvederen en die aan de Schenkelen der Pooten rood. De Toonen zijn dik en fterk, geel van koleur, de Na- gelen zwart, en bijna half rond geboogen, zo dat zij zeer krom ftaan. Zodanig een Vogel, van de Hudfons-Baaij oorfpronge-
lijk, 'heeft verfobeide jaaren te Londen geleefd. V. Witte gehaagde Sweedfche Arend ; Rusticolus;
(Falco cera, palpebris pedibusque luteis, corpore cinerea alba- que undulato, collari albo. Linn. Sijfl. Nat.) Deeze die ook in Noord-Amerika huisvest, word volgens Catesbit die er een nauwkeurige afbeelding van geeft, baldEagle, dat is, de Stoute genoemd. Hij\)vertreft in dikte niet alleen, maar ook in grootte> den gemeenen ja zelfs den Goud-Arend. De langte is , van't end des Beks tot aan het uiterfte van de Staart, drie voeten en drie duimen, en , tot het uiterfte der Nagelen, op een duim na. drie voeten; de Bek is drie duimen lang, de middelfteVin- ger of Toon, met de Nagel, drie duim zeven liniën; als de Vlerken uitgefpreid zijn, beflaan zij omtrent agt voe- ten vlugts. De Kop, en 't grootfte deel van den Hals, is bekleed met lange, fmalle, witte Vederen; het overige vandenHals, deRug, Stuit, Slagpennen en Dekvede- ren der Wieken, de Borst, Buik, Zijden en Pooten, zijn bruin. De zelfde koleur heeft plaats in de boven- fte Staartpennen , dog de onderften zijn wit, gelijk ook de Oogkring, maar de Bek, zo wel als 't Wasch, is geel, als mede de Vingeren, die zwarte Nagelen hebben. VI. Barbarifche Valk ; Falco tunetanus. Albin. Av.
III. p. 2.; (Falco cera pedibusque luteis, corpore coerules- cente fuscoque maculato. peBore-immaculato , cauda fas- eiata. Linn. Sijfl. Nat.) Deeze, die nader fchijnt te koomen aan de Valken dan de Arenden , word in het werk van Albtn dus befchreeven. De Bek is zwart; de Neusgaten zijn open en geel ; de Oogkring is ook geel, de Oogappel van verfcheide koleuren. De-Kop Rug, Schouderen en Vlerken , zijnblaauwagtig, boven op den Kop en de Rug fraai] met zwart gevlakt,- aan de Borst, Buik en Beenen, is de koleur geelagtig wit, met eenigblaauw gemengt; aan de Buik en Beenen ziinzwar- te vlakken, en eenige witte op de Wieken. De Staart heeft zeven breede zwarte Ringen of Banden. Deeze Vogel maakt een deftige vertooning, en heeft eenprag- tigen zwier. VII. Kleinfle Havik van Bengale ; Jccipiter minimus
bmghalenfis. Enw. Av. 108.; (Falco cera, palpebris pe- dibusque fubtus luteis, dor/o nigro coerulescente; tempo- ribusltneaalbainclußs. Li MN. Sijfl. Nat.) Dit is een der Memfte van het volmaakte Vaïken-Geflagt. die ik ooit heb ontmoet, zegt Edwards. De kleine Valken, in Euro- pa, hebben dorgaans lange dunne Beenen en kleine Bek«, feen; maar deeze is, in tegendeel, volmaakt Arends ge- J»tJ £ ende e?n terken Bek, wel gefpierde Dijen,
, ril Deel. |
||||||||
|
dikke korte Beenen, de Toonen gewapend met fterke
fcherpe Nagelen; zo dat men hem met reden, een klei- nen Arend zou kunnen noemen. , De Bek is aschgraauw met een weinig vleeschkoleur
gemengt. Hij heeft hoeken aan de zijden van deOpper- kaak. Het oog is omringd met een geel Huidje, geplaatst in zwarte Veders, die door een witten Kring of zoom worden afgefcheiden van de overigen. De top van het Hoofd, het bovenfte van den HalsofNek,deRug, en het bovenfte van de Vleugels en Staart, zijn zwartagtig met een weerfchijn van blaauw en purper. De Dekve- deren aan de binnenzijde der Wieken zijn wit, en die van de Staatt met wit en zwart, kruislings gcbandeert. De onderzijde van den Vogel, van den Bek tot aan de Staart is hoog oranjekoleur, bleeker aan de Borst dan elders ; do Beenen en Pooten zijn van eeneheldere goudkoleur.de Klaauwen zwart. Hij is een weinig onder de Kniéjen gevedert. Men heeft hem uit Bengale gebragt, alwaar zij tot de Vogeljagt fchijnen gebruikt te worden. VIII. Arend met een witte Staart; Accipiter albicillai
(Falco cera flava, reüricibus albis, intermediis apice ni' gris. Linn. Faun. Suec.) De griekfche naam Pijgargus duid, zo wel als de latijnfche Albicilla, de witheid van de Staart aan, die het Kenmerk is van deeze zoort, wel- ke ook in 't latijn Hinnularia en in 't engelsen Fawnkil» HngEagle, dat is Herts-kalfdooder,genoemt word. Men vind hem door geheel Europa, zelfs in de Noordelijke landen, alwaar hij gemeen is in de Bosfchen. Linn/eus zegt, dat zijne grootte is als een Gans; Brisson geeft hem de gewöone grootte der Arenden; Rht zegt, dat hij kleiner is dan de Goud-Arend, van welke hij boven- dien , door de geelheid van zijn Bek en de witagtige ko- leur van de Pooten en den Kop, verfchillen zoude. Het Wijfje is witter dan het Mannetje ; het overige van het Lijf is donker roestkoleurig. Brisson heeft nog een kleiner zoort van Witftaart,
die ook deezen Naam voert, en van Frisch naauwkeu- rig is afgebeeld op Tab. 70. Johnston geeft er een Af- beelding van op Tab. UI ; welke van Aldrovandus is ontleent, en gebrekkelijk. De Duitfchers noemen hem bruinvaale Adelaar, en de Engeifchen Erne. Deeze A« rend is niet grooter dan een groote Haan, hebbende, van het end des Beks tot aan het uitterftevan de Staart, de langte van twee voeten twee duimen. De Kop, de Keel en Hals, zijn bedekt met Vederen van aschkoleur naar helder kaftanjebruin trekkende en een weinig zwart-- agtig aan het end. De Rug, de Stuit, de Schouders en de buitenfte Dekvederen der Vlerken, zijn donker toest- koleurig en bijna zwart. De Borst, Buik, Zijden en Beenen, zijn uit roest en zwartagtig gemengeld, welke laatfte koleur het midden beflaat van ieder veder. De onderfte Vederen der Wieken, als ook de Slagpennen, zijn donker bruin, de Staartpennen wit, uitgenoomen twee die zwarte punten hebben. De Oogappel is zwart, de Kring geel, gelijk ook de Bek en het Wasch, dog bleeker dan de Pooten , die hoog geel zijn, met zwar- te Nagelen gewapent. Deeze Vogel onthoud zich ook in Europa. IX. Ringflaart; Accipiter■ pij g argus; (Falco cerafla-
va, corpore cinerea, abdomine pallido maculis oblongis ru- fis, oculorum orbita alba. Linn. Sijfl. Nat.) Men kan deezen, hoewel hij ook een witte Staart heeft, en daar- om mede Pijgargus heet, den naam van Ringflaart gee- ven , orfi dat hij in't engelsch Ringtail genoemt word, bijRAius, diezegt, dat men het Mannetje noemt Hen- B har. |
||||||||
|
VAE ; . VAL..
|
|||||||||||
|
iî. Saaker- of! Brittâttok-
JcheFalk., . * .
|
|||||||||||
|
harrow óf Henharrîer, tvegenshet'verfcheuren der Hen-
nen. Behalve zijn witte Staart die geringd is, heeft hij ook een kring van opftaande Pluimen bij de Ooren, die als een krans den Kop omringt. Het fchijnt dat hij tot de Havikken behoort. Bekwaatnlijk kan ik hier den Arend plaatzen, die in
Vrankrijk zeer gemeen is en aldaar genoemt word, le Je- an le blanc of St. Martens-vogel, waarvan de Afbeelding door Johnston, onderden Naam van Pijgargus, op Tab. ll.gegeeven word. Deezeheeft bijna de dikte van den zwarten-Arend, zegtBRissoN, dog hij is veel klei- ner van ftatuur, hebbende van 't end des Beks tot het uiterfte van de Staart maar een duim over de twee voe- ten langte. De Bek is iets meer dan twee duimen lang; dé middelde vinger of Toon met de Nagel, twee duim en zeven liniè'n. De Wieken ,zamengevouwen zijnde, ftrekken een weinig over 'tend van den Staart heen; de Kop, het bovenfte van den Hals en Vlerken, de Stuit en onderfte Staartvederen, zijn grijsbruin , de omtrek der Oogen is zwart. De Keel, het onderfte vanden Hals, dé Borst, de Zijden, het opperde van den Buik en de onderfte Vlerkvederen, zijn wit en gevlakt met eenige rosbruine plekken, dog zeer dun gezaait. Die aan de Keel en Hals ftrekken zich uit langs de Schaft der Ve- deren. Het onderfte van den Buik en Staart, endeBee- n'en, zijn zonder vlakken, de Siagpennen wit en zwart gemengeld, alsookdeStaartpennen, die overdwars met. bruin geftreept zijn. De Oogkringen zijn geel, gelijk de Pootenj de Beken Nagelenaschgraauw. . ; : X.' Kuikendief; Milvus; (Fako cera flava , cauda
foificita longisßma, corpore ferrugineo, capite pallidiore. Link. Faun. Suec.) Zie KUIKEN DIEF. ' XI Schaarflaart ; Accipiter forficatus ; Accipiter eau-
da furcata. Catesb. Carol. i- p. 4. ; (Falco ara flava, cauda forficata longisßma corpore fupra fufco fubtus al- Udo. Linn. Sijfl. Nat.) Deeze is bijna zo groot als de Koninglijke Kuikendief, hebbende een Staart van dertien duimen lang, aan de kanten, in't midden niet boven de vijf duimen, en leevende van Infekten, die bij, over de Boomen en 't Kreupelbosch vliegende, vangt. XII. Falk\Falco gentilis. Willovohb. Ornithol. 46.;
(Falco cera pedibusque f lavis, corpore cinerea, maculis fuscis, caüda fasciis quatuor nigricantibus. Li NN. Faun. Suec. 60.) Deeze zoort van Roofvogel is het die in 't bijzonder den Naam draagt van Falk, welke, zo wel als de franfche naam Faucon, de engelfche Falcon , en , die in andere taaien van Europa gebruikt worden, af- komftig is van het latijnfche woord Falco, 't welk waar- fchijnlijk ziet op de haakswijze figuur van derzelver Bek en Klaauwen. Zommige Valkeniers onderfcheiden deeze Vogelen, in't algemeen, in Edele en Berg.Valken, dog zulks voldoet niet ; zo Klein te regt heeft aangemerkt. Brisson brengt de Uitheemfche Falken in 't Geilagt der Havikken of Sperwers, {Accipitres, Eperviers,) en on- derfcheid de Falken van de Roofvogelen door de koleur alleen. Hij maakt van den gemeenen Falk, den Ede- len en Uitbeemfchen, ieder een bijzondere zaort. Zie " hier zijne veifcheidenheden van den eerften. ï. Eerjaarige Falk. 6. Gevlakte Falk.
2. Cel-oghelde of oude Fuik. 7.' Bruine Falk.
3 Falk ntt e en witten Kop. 8. Roode Falk.
■ 4. Wüte Fik. 9. Roode Indiaanfche Falk,
5. Zwart« Vaiki ao. ItaMwifcht Falk.
|
II. ïslandfche Falk.
|
||||||||||
|
De gemeene Falk, waar van dit verfcheidenheden zijn,
ten opzigte van den ouderdom , de koleur en woon- plaats , heeft-, zegt hij, de grootte van een middelbaar Hoen. De langte is, zo wel als de hoogte , agtien dui- men; de Bek is ongevaar een duim lang, de middelfte Toon, met de Nagel, tweej de Staart ruim vijf duimen. Zijne Wieken hebben drie voeten vlugts; hij is over 't ge- heele Lijf bruin, dog de randen der Vederen zijn een wei- nig ros; ook vind men aan den Hals eenige rosfe Vlakken, en een witagtige koleur aan de Keel. De Oogkring is geel, zo wel als het Wasch, de Bek blaauwagtig, dog aan dé punt zwart, dePooten zijn groenagtig geel, de Nagelen zwart. . ■ :.. De witte Falk munt in fchoonheid boven de anderen
uit, en word hierom bij de Vorftenmeest geagt. Veelèi Leenmannen, in zommige deelen van Europa, zijn ver- pligt geweest, aan hunnen Leenheer jaarlijks hulde té doen; met denzelven zulk een Vogel ter hand te ftellen.' Op die voorwaarde, bij voorbeeld, werd bet Eiland Maltha, door Keizer Karel den V., aan de Ridders van Rhodus opgedraagen. De Koning van Denemarken zend jaarlijks een Schip naar Ysland, om vandaar, in- zónderheid witte Falken te haaien, die van hem wél eens worden prefent gedaan aan deeze of geene Mogendhe- den. Zeer zeldzaam vind men er die geheel melk wit zijn; de meesten, die wit genoemd worden , hebben geelagti- ge vlakken, en inzommigenzijn de toppen der Siagpen- nen zwart. De eenigfte geheel witte Valk welke de Heer AüBRij heeft in zijn Kabinet, zegt Brisson, is op de Rug en Vleugels met bruine vlakken getekent, en heeft bruine Banden dwars over de Staart. Even zo min zijn ook de geenen, die zwart of rood
genoemt worden, t'eenemaal van zodan'g een enkele ko« leur. Meest alle Falken zijn min of meer, en zommi- gen zeer cierlijk gevlakt ; gelijk die van de Hudfons-Baaij, welke de Heer Edwards zokeurlijk afoeeld. Hij heeft omtrent de grootte van den gemeenen Falk; maar de Kop is vrij klein, de H als kort, en deBeénen van middelbaa- re langte. Op de Kop en Rug is hij bruin van koleur; de Stuit en Staart zijn donker aschgraauw, met zwarte Streepen gebandeert. Ter wederzijde van den Kop ver- toont zich een groote langwerpige zwarte vlak, die on- der de Oogen aanvang neemt, en zich uitftrekt tot aan het begin van den Hals ; van onderen is de Vogel geheel wit, dog met bruine vlakken. De meeste Falken worden gevangen in de Noordelij-
ke deelen van den Aardbodem. In Noorwegen komen jaarlijks eenige op den vangst deezer Vogelen afgerigte Valkeniers, uit Duitschland of Brabant, die daar toe ver- lof hebben van zijne Deenfche Majefteit, en blijven om- trent een maand lang in het gebergte; weetende de FaU ken, door middelvan een Duif, onder een zoort van Slagnet te lokken ; dog wel voornamelijk gefchied in Yflanddeeze vangst, gelijk ik gemeld heb ; alwaar men zemagtig word door middel van Vogelen, die daarop in 't bijzonder zijn geleerd, wordende de Kouwen op den grond gezet. A Is deeze Vogelen den Falk, in de lucht op ongelooflijke afffanden gewaar worden, geeven zij er onmiddelijk kennis van aan hunne Meefters, door zeker gefchreeuw; waar op deeze, die in een kleine Tent, met groente overdekt, verborgen zitten, aanftonds een Duif aan een Touw uitlaaten, en de Falk, die er op neder valt,
|
|||||||||||
|
VAL.
|
|||||||||
|
377?
|
|||||||||
|
talt^'word levendig gevangen, in het Net', dat men hem
»ver.'t hoofd fmijt, .:'-- - . Wanneer het Schip, dat tot overvoering der Falken
eefchikt is, gereed legt om't zeil te gaan, zo (lagt men »oor hun zeker getal'Rundvee en Schaapen ; waar van bet vleesch, met haaken aan de masten en touwen word opgehangen. Men fcheept er ook eenig levendig Vee in, om daar van agtervolgelijk op de reize gebruik te maa- kenvingevallemen geen Eiland onderweeg mögt können aandoen^ maar, zo menigmaal men elders aan Land komt, verzuimt men niet, aldaar een nieuwe voorraad op te doen van Beesten, frisch van't veld gehaald, dewijl er voor- gegeeven word, dat de Falken veel beter vaaren,. wan- neer bun versch geflagt vleesch word gegeeven. Men neemt er al het vet af, en geeft hun niet dan het magere, aan dunne lapjes gefneeden, gemengt met Olie en Eijeren, ook is men zorgvuldig, om ze alle morgens te kammen en te borftelen. Met één woord, men (lelt, al wat doen- lijk is, in't werk, tot behoud van dezelve; in't Schip zijnde, houd men hunne Oogen toegedekt en zij worden er geplaatst in onbeweeglijke raamen, of opdunnehou- cen latten, bedekt met Mos en met grof Laken bekleed, op dat!zij zagt en tevens koel mogen zitten; want anders worden hunne Pooten heet, en er komt een zoort van podagra in. De ledige rnimte, tusfchen de raamen en latten, is voorzien met touwen, overdwars endigt aan elkander gefpannen, op-dat'de-Patten eenig fteünzel mogen hebben in de flingeringen van het Schip, en dat zij zich niet kwetzen mogen, wanneer zij kwamen te vallen; .■■■■■>.:■.■■■■: Dit alles zegt de Heer Anderson, dac hij vernomen
heeft van een Koopman, die de reize van Yfland haar Koppenhagen had gedaan in het Valkfchip, dat jaarlijks derwaardsgezonden word met eeriige Valkeniers. De Ko- ning betaalt hun voor ieder graauwen Falk vijf Rijks- daalders , vooreen bonten tien, en vijftien voor een witten. Het Schip,; dat den i September des jaars 1754 te Kop- enhagen.aankwam, bragt honderd- agt- en- veertig Fal- ken, waar onder twaalf witte, waaren. Kï De witte Falken zijn niet alleen de fcboonften maarook kèurlijk tot de Vogeljagt. De Valken worden meest ge- bruikt tot het vangen van Kraan vogelen, Reigers en der- gelijke gtoote Dieren, ofook van Kraaijen en Aakfters, Veldhoenderen, Patrijzen, en zelfs van Haazen of ander Wild. In Perfie,; zegt men, vangen de Vorften enGroo- ten ook Harten door middel van Falken, of dergelijke Roofvogel em Vanouds fchijnt die liefhebberij in Euro- pa grooter geweest te zijn dan tegenwoordig; hoewel zij in Duitschland nog veel plaats heeft, inzonderheid op 't Keizerijk Slot Laxemburg'bij Weenen. In de Neder- landen word ook, in de Plakkaaten op de Jagt, welken zijne Hoogheid in den jaare 1750 vernieuwde, van het Vogel of Hoen vliegen melding gemaakt, en 't zelve, be- nevens het iaagen door middel van Honden, tot de Weijerij betrokken. Men telt er de Patrijzen, Faifan- ten, Korhoenderen, Zwaanen, Trapganzen, Reigers, Scholferts of Schol vaars en Kraanen, om die reden, on« ■der het vliegend Wild en Edel Gevogelte, 't welk nie- mand geoorloofd is te 'fchieten of te vangen in Hol» Jand en Westvriesland, nog ook in't Land van Heus- den, nog in Gelderland ; uitgezonderd de geenen , aie daar toe bevoorrégt zijn , en volgens de Plakkaa- ten. De Jagt met den Fogel ftaat voor de gekwali- eceerden vrij, van <ien 1 feptember tot het laat« van
«ovember. - - r |
|||||||||
|
De Saaterof'BHttdnnifche Falk word voor den pesten
gehouden tot de Jagt der groote Vogelen , dog' hij[js zeer moeijelijk te behandelen. Men noemt hem in Je engelsh the Sacre, in 't fransch le Sacré, en het Man- netje Sacret, in 't hoogduitsch Sacker of Sock er; anders ook Stok' en Stoot-Falk. Bij den naam van Falco facer, dat is Heilige Falk, vind men hem in de Werken der .Ou- den geboekftaafd, zonder dat de eigentlijke reden van die benaaming blijke. Men zou echter mogen denken, of zij ook zag op deszelfs uitmuntendheid in grootte en moed,- dewijl geen andere op het grove Wild aanvalt, dan deeze. Hij is veel grooter dan de gemeene Falken, en komt den Gier-Valk zeer nabij, hebbende een bruin- agtige Rug en een gevlakt Lijf, met witte Beenen. 1 De Valkeniers onderfcheiden er drie zoorten van, de eerfte Saph genoemt, die Haazen vangt en jonge Herten, vind men in Egijpte; aan de tweede, die zich méefter maakt van Deinen en Rheën, geeft men den naam van Leurij; en de derde, die Seinaire heet of Pelgrim, word voor een Trekvogel gehouden, die uit Rusland, Tartarie en van de Zwarte Zee, verhuist naar't Zuiden, zelfs tot in Indie. Men vangt deeze op de Levantfche Eilanden, Cijprus, Candia en Rhodus ; dog waar hij neftete of. zij« ne woonplaats hebbe, is geheel onbekend. De Edele Falk, die den naam van Gentilis draagt hij de Schrijveren, en van Albin tam gemaakt of getemde Falk genoemt word, maakt, volgensBrisson, een bij- zondere zoort uit, zijnde een weinig dunner en Meiner dan de uitkeemfchè Falk. Van boven is hij donkerbruin, faan de toppen der Vederen roestkoleurig; het Lijfvatt onderengeelagtig, met langwerpige bruine vlakken; de Slagpennen zijn bruin, dog met zwarte ftreepenover- dwars gebandeerd. Dezelve is het, welken Linnäüs in deeze zoort noodzaakeüjk fchijnt te bedoelen, alseen Inboorling zijnde van Sweeden, daar hij in de Dalekar- lifche Alpen menigvuldig gevonden en er jaarlijks, van de Duitfchers, gevangen word. De uitheemfchen vind men ook de Pelgrim genoemt',
wegens zijne verhuizing boven gemeld, en in 't hoog- duitsch Wander-Falck, bij de Engelfchen blaauw gerug' de Falk otArdearius, dat is de Reiger-Faik. Zijne koleur is van boven aschgraauw, met bruinagtige banden over- dwars geftreept; van onderen rosagtig wit, met zwart- agtige banden; de Slagpennen beurtelings aschgraauw en zwart geftreept, aan't end rosagtig wit, Brjssor, bij wien dit ook een bijzondere zoort is, telt er twee verfcheidenheden van; te weeten de Barbarifche, die wat kleender, ende Tartarifche die een weinig groo- ter is, hebbende de Wieken van boven ros- of rood»' agtig. ■' ,tmtm : ■ . _ Voorts heeft hij ook de Rots* en Berg-Falk, waar van
de laatfte ; zo 't hem voorkomt, wel eene verfcheiden« heid van den eerden zou kunnen zijn. Zij zijn, op ver na, zo groot niet als de Pelgrim of uitheemfche Falk* De koleur is van boven aschgraauw, met de Schaften der vederen zwart, van onderen rosagtig , gemengeld met langwerpige bruine vlakken; de Staartpennen asch- graauw, aan 't end zwart met witte toppen. Hij word bij de Schrijvers, omdat hij inde Rotfenneftelt, Litfn- Falco, of Falco lapidarius, dat is Steemalk, genoemt. De Bergvolk is van boven aschgraauw of bruin , met een zwarten Kop en ronde vlakken op de Borst. Men vind er eene verfcheidenheid van, met blaauwe Pooten en bleekblaauwagtig van koleur, die van de Duitfchers Zmiter-Fülch én van zommigeSprintzBlawfusz genoemt B * word, |
|||||||||
|
VAL.
|
|||||||||
|
nu VAL'
|
|||||||||
|
word, verfchillende van den geßernden Falk, die ook
fclaauw van Pooten, dog zwartagtig over't Lijf, met vlakken, die naar Sterren gelijken, gefprenkeld, en van den gekuif'den Falk der Oostindien. Bij Edwards word een Falk afgebeeld van de Hudfons Baaij, verfchillende weinig in koleur vandeEuropifche Bergvalken, omtrent van lijvigheid als een middelmaatig Hoen. Deeze maakt aldaar Jagt op de witte Bergboendei en, Lemery zegt, dat het vet der Falken dienftig zij voor
Oogkwaaien, om de Gezwellen te doen verflaan, als ook om de Zenuwen te verfterken. Hunne vuiligheid is oplosfende, wanneer mendie uitwendig legt op het onge- 'ftelde lighaamsdeel. ; Men kan erookvaninneeinenomte zweeten; het Vleesch werd oudtijds dienftig geagt tegen 2iekten der HerfeBen. i' v, Hoedanig men de Falken tot de Jagt africht. De Falken die men tot de Vogeljagt africht, zijn of
NesUFogelen of Wilde-Fogelen. De Naam van Nest» Vogelen word aan de zodanigen gegeeven, die nog niet kunnende vliegen, uit het nest worden genomen ; en het zijn deezen welke men 't gemaklijkst tot de Jagt kan, af- richten. . Wilde-Fogelen worden de zodanige genoemt» die reeds
in vrijheid gevloogen hebben; deeze laatften heeft men veel meer werk om te temmen dan de Nest-Vogelen. Het beste middel om de Valk aan zijnen wil te onderwer- pen is hem honger te doen lijden , en om zijn eetlust nog aantezetten, laat men hem kleine balletjes van werk of katoen doorzweigen, 't welk zijn maag zuivert; ook belet men hem gedüurende verfcheiden dagen en nagten het flaapen; en zo hij van natuuren boosaardig is, dom- pelt men hem met de kop in 't water ; als men dan be- fpeurt dat bij gedwee word, geeft men hem te eeten. De Vogelziende dat men hem wei behandelt, word gemeen- zaamer en onderworpen, en de Valkenier fpringt er ver« volgens na zijn welbehaagen mede om. Men moet zodanige Falken kiezen, die een korte Bek
hebben, zenuwagtig van Borst zijn, korte Pooten en vaste kromme Klaauwen hebben. Een der voornaamfte
kenmerken van uitmuntendheid in deeze Vogelen is, dat zij vast tegens den wind zitten, 't welk wil zeggen, dat zij het er tegens houden, en vast op den duim zitten, wanneer men hen aan een zwaare wind blootfteld. De Valkeniers behooren inzonderheid zorge te draa-
gen, dat zij de Vogelen die aan hunne opvoeding zijn toevertrouwt, vroegtijdig gewennen, om zich op den hand te houden, aftevliegen wanneet zij hen opfcheeren, deftem, fluiten, of eenig ander teken leeren gehoorzaa- men, en op hun bevel direkt te rug te keeren. Om deeze Vogels dusdanig afterichtenj bedient men zich van Lok' vogels. Door Lokvogel verftaat men de afbeelding van 't een
ofanderprooi, doorgaans uit hout vervaardigt, en waar aan men een Bek, Vleugelen en Pooten hegt, en er eenig aas aan vastmaakt. De Lokvogel word opgefchoo-
'ten, wanneer men de Falk wü doen terugkoomen; het befchouwenvan een Aas daar hij gretig na is .gevoegt bij
het gefchreeuw dat de Valkenier maakt, doet hem wel ras terugkoomen ; dog in 't vervolg voldoet de Stem al- leen hier toe. De Vederen van den Lokvogel. worden verandert volgens bet zoort van Vogel waar op men hem 'africhten wil. Om de Vogel naar zijn prooi gretig te maakën, hegt men Hoender of eenig; ander mals vleesch aan den Lokvogel vast, dog Jt welk altoos onder de Vleu« gelen moet verborgen zijn , hier yoegt »en opk.: wej |
|||||||||
|
fuiker, kaneel, merg, en andere dingen bij, die ge»
fchikt zijn om de Falk meer tot de eene zoort van jagt als tot de andere te verbitten ; indiervoegen dat wan- neer hij vervolgens wezentlijk jaagt, hij met een ver? wonderenswaardige drift, op zijn prooi zal aanvallen» Terwijl de Falken op deeze wijze geoeffent worden, worden ze aan een Snoer vast gehouden , dat zomtijds welso en meer vademen lang is. De Vogels op de bovenftaande wijze geduurende ver-
fcheidene weeken geoeffent zijnde, worden dezelve, in het open veld beproeft. Men maakt bellen aan bun Poo- ten vast,: om des te eerer van hunne beweegingen onder- richt te zijn. Ook worden zij altoos gekapt gehou- den; dit wil zeggen, de kop met een ftuk leder bedekt ; 'tgeen hun over de oogen afhangt, op dat zij bier door niet anders kunnen zien dan het geen men wil; en zo ras de Honden ftil houden, of het Wildopjaagen, trekt deValkenier.de Falk zijn kap af, en fchiet hem naarde plaats op alwaar het Wild zich bevind > als dan is het zeer vermaakelijk hem te zien opftijgen, door de lucht drijven, zchtrapswijze verheffen, tot dat men hem in de mddelluchtilreek ui: het oog verliest. Hij overziet dus het geheele veld, befpied de beweegingen van zijne prooi, die door den verren afftand van zijn Vijand ge« rustgefteld is, en. fcbieç er vervolgens als een pijl op neder, hem bij zijnen Meester brengende die hem te rug roept, Men verzuimt niet, vooral in den beginne, om hem wanneerhij weder op de hand koomt zitten, het in- gewand van den gevangen Vogel of het Wild dat bij te rug brengt te geeven; dit gevoegt bij de minzaamheid waar mede de Valkenier hem behandelt, moedigt den Falk aan omzijn best te doenen niet gemelijk te wor- den, dat is, uitgevloogen zijnde, niet weg te blijven, 't geen wel eens gebeuru ...... <.:.... ......., De Falken worden mede op het haair afgericht, dat
is te zeggen om Haafen tejaagen en te vangen ; ook heeft men er, die op haair en vederen beide, geleert zijö,; Zelfs kan men de jonge fterke Falken- op de jagt der Steenbokken, Wildezwijnen en Wolven africhten. Ten dien einde word het vel een deezer Dieren opgevult, en in de holligheid van derzelver Oogen plaatst men zodä- danig voedzel, 't welk men weet dat de Falken gretig naar zijn, en laat hem eenigen tijd te vooren vasten; als dan word het opgezette Dier voortgefleept, om het te doen fchijnen als of het in leven waare en zich beweeg- de; de Falk werpt erzieh terftond op, en de honger doet hem ras ontdekken waar het voedzel zit, bijzetzich op den Kop, en niet tegenftaande de beweeging van het Dier, fteekt hij zijn Bek in de Ooggaten, en haalt er het voedzel uit. Wanneer men vervolgens de dusdanig af- gerichte Falk mede op de jagt neemt, zo veilt het zel- den, of hij valt op 't eerfte wilde Dier aan dat hij in 't gezicht krijgt, en zet zich op zijn Kop om hem de Oogen uittepikken; hier door doet hij het Dier ftilftaan, en geeft aan den Jager tijd om er bij te koomen en zonder eenig gevaar te dooden, dewijl Jiet arme Dier genoeg te doen heeft om tegens den Falk te worftelen« XÜI. Boomvalk; Subbuteo. Albin. Av. i p,6.; (Fal-
co cera pedibusque f'lavisdor/o f u/co, nucha alba, abdomU nepallido, maculis oblongis fufcis. Likw. Faun. Suec. 0» Zie BOOMVALK, XIV. Buizert; Buteo vulgaris. Gess. Av. t. 46.;
(Falco cera pedibusque luteis, corpore fufco, abdomine paï'. Udo, macuHs fujefs., Lam> Sijß- Nat.\ Zi& BUI» ZERT. . . ; , x XV.
|
|||||||||
|
-------........_
|
||||||||||
|
.jmi.
|
||||||||||
|
W4
|
||||||||||
|
bruin; deKeel, Hals, Borst;,; J3uik en Vleugelen, zijn
wit van onderen, de Staart beeftgeeie en zwarte banden. Ais hij een Mensch verneemt, zoifchaterthij.. . XVIII. Sparyerius; Accipiter minor. Catesb. Carolin^ I-P- 5- j (Falco cera lutea, capitefujco, vettice abdomir.eque, rubro, alis coerulefcentibus. Linn. Sijfi. Nat.) DeEn- gelfchen noemendeeze Roofvogel, die in Amerika huijs. vest, den kleinen Havik. Pater Feuillee noemt hem kleine Sperwer, de Kuikenvreeter, çlpg deeze is het Wijfje.- Catjesby geeft van het Mannetje 'e.en zeer goede afbeel- ding. Mçn:vind.deezç,Vogel in verfebeide deelen van Amerika op;deWestjnd.ifche Eilanden. De,dikte is om? trent als een Merel , van boven is.hij wijnagtigros, met zwart overdwars geftreept,,^e Kop blaauwagtig, met een rosfen top. De wieken zijn boven, in het Manne» tje^.blaauwagtig asebgraauv^., inhet Wijfje wijnagtig ros ; in 't Mannetje met zwarte punten, in 't Wijfje met zwart overdwars gefireept.;.',, ; <.\,', .' Onder den latjjnfchen naam van MJdlon en den fran*
fchen ÈsmerillorLol Emerillon, is van de Ouden eenVo gel befchreeven, dien de Duifchers Mijrle olSmijrle noer mpn, de Engelchen Merlin. Johnston geeft daar van, pp Tab. XIII., een taameiijk goede Afbeelding, die van Gesnerus is ontleend. Tot deeze Vogelen word de Karolinijcbe Sperwer van Brtsson betrokken, dien hij deswegens noemt JEJalon Carolinienfis en Ethe,rillan de ia Caroline Voorts heeft hij er nog een vaarde Antil* lifehe Eilanden, dienietveel grooter dan een Lijfter is, van boven ros,, van onderen wit, en over 't geheele-Lijf ,met zwarte Vlakken getekent, dien de Ingezetenen der gemelde Eilanden Gri-Grij, noemen, wegens zijn gefchreeuw. Deeze aast.inzonderheid op kleine Haag? disjes en Sprïnghaanen, dog vreet ook wel jonggeboo- ren Kuikens, of Vogeltjes. Boven dien heeft Bris» son eenen Emerillon van St. Domingo befchreeven en; afgebeeld, die weinig vanden Karolinifchen verfchilt., XIX Amerikaanjche Valk; Accipiter columbarium
Accipiter palumbarius. Catbsb I. p. 3.; (Falco cera /»» tea, corpore fufco, fubtus albido, cauda fufca, fafciis line aribus quatuor albis. Li NN. Sijfi. Nat ) Deeze Duif' Sperwer van CATESBr word in Amerika gevonden. In verfcheidene opzichten verfchilt hij, van de gemeene. Havik of Duif-Sperwer van Aldrovandus. XX. Zwemmer; Lanarius; (Falco cera lutea, pedibus
rofiroque coeruleis, corpore fubtus maculis nigris longitu* dinalibus. Linn. Sijfi. Nut.) Deeze Vogel, die in 't fransch Lanier, in 't engelscb Lannar ofLanneret genoemt word, ftaat onder den Iatijnfchen naam bekend bijdè Au* tbeuren. Hij is weinig kleiner dan de gewoone Valken^,, en onthoud Zich in de Bosfchen van Europa, zelfs in 'tr Noorden , dog inzonderheid in Vrankrijk ; welhalvera bij ook Lanarius gallorum word genoemt. Zijn Naam word van het Italiaansch Laniero afgeleid , dat veel eer van de wolligheid der Pluimagie, dan van een bij- zondere verfcheurende aart zoude afkomftig zijn; hoe; wel-Klein bem den bijnaam geeft van wreeden Valk, De Duitfcbers noemen hem Lanete of 'ook Schwimmer, dat is Zwemmer, misfebien om dat bij als zwemmende ■ fchijnt te vliegen.. De engelche Naam van Butcher-Bird,^ datis Slagter of Slagt-vogel. behoort niet tot deezen Vàlk,. maar tot den Lanius of Klaauwier, die een- bijzonder.- .Geflagt uitmaakt. De Kenmerken van den Zwemmer zijny dat hij op dé*
Rug-en Vleugelen bruin is of roestkolerig; bet geheete:- , i,ijf.van-ondetea witagtig, roet langwerpige zwarte vlak« B 3. ' " -«a», |
||||||||||
|
XV.' Steenßnetzer; ; Tinnuvculus■ ßve.CenckrtSi Ges».
Av. s'il. ; {Falco cera pedibusqueflavis, dorj'orufgpunäis nieris 'peüore macülis longitndinalibus fufcis, cauda rg. tundata. Lim-, Faun. Suec.) Groot is de verfcheiden; heidvannaamen, welken deezeVogel in allerieij taaien heeft, en grootelijks verfcbillende in afleiding van zijne hoejftnigheden. De griekfche naam Çenchris, bij wel- ke hij den Ouden bekend was, fchijnt oorfprongelijk te 2ijn van ;de kleine flippen , waar mede zijn Pluimagie, even als de-Huid Van zommige Slangen cierlijk; is ge- fprenkeld* r:Hcf latijnfcbe-wöord Tinnunçuius, willen zommige afgeleid hebben van.bet geklank,zijner Stem, of zo het Tfistunculus moest zijn, van bet Italiaansch woord tristatello, 't welk een loozen Guit betekent, wegens hunne doortraptheid in't vangen van Vogeltjes en Muizen, dat de vpornaamfte fpijze deezer Roßfyo- gelen is. De ïpaanfehe naam Cemicale en de franfche Çiesferelle,. ook de ;engelfche■■Kefirel, zouden van het grieksch kunnen afkomftig'. Zijn. Hij maakt, een zon- derlinge bewëeging. roet zijne Vjeügeien in de lucht, even.of hij agn hetwannenwaaie, en deswegens noemen, hem deDuitfchers zomwijlen tV/innen-Faßer of Wannen Waeher, deËngejfcben Wind-V'anxm-en Windhover; want even als de M.eeuwen, wanneer;?ij op Visch loeren; zo boud hij zich inde, lucht door't flodderen, zijner, Wieken ftil, en mikt op zijnen prooij, daar.hij dan eensklaps op nedeivalt; Zijne gewoonfte naam, echter, is afgeleid van zijne huisvesting in de -Xoorens of Muiren van de oude Sloten, n&meliikSteingall, Steinfchmatz,. welben wij in't nederdliitch. navolgen, met Steengal, . Steen- fchmetzer. pe Sweêden noensen hem, nog eigener, Kerk Valk, Toorrt-ValL .-■' riLx.u 13 i; w>,'\ M i-.n Deeze Roofvogel is een inboorling van Europa , daar
menbem zo wel in de Zuidelijke als Noordelijke deelen vind. Hij is kleiner dan de Buizert, hebbende de lang. .te maar van veertien duimen , dog het Wijfje is een wei- .nig grooter; danchet Mannetje, daar het ook in de ko- jieur des Kops van verfchilt, die met zwarte vlakken is gefprenkeld, en in het Mannetje geheel asebgraauw; ; van; boven is de Steenfchmetzer bruinagtig ros óf donker .rood, van onderen bleeker ros ofroestkoleurig, over't geheele Lijf met zwart gevlakt. De Staartpennen zijn .aschgraauw, aan't end.zwart met witte toppen. Bris- -son twijfelt, of bet ook de Gulden-Valk zij van Klein, ,die een loodkojeurigen ronden Kop-heeften getekent is met zwarte pijiswijze vlakken. Linn-eds zegt, dat het Wijfjede grootte.vaneen Duif heeft, en voprnaamelijk .van het Mannetje, door de dekoléur Van de Staart ver- fchilt. Deeze Vogel zegt bjj, legt vier witagtige Eijeren, met veele roodevlakken. -, << XVI. Opblazer ,- Suffiatw; {Falco eer a pedibusque lu-
teis, corpore fufco albido,oculorumoperculisojj'eit. Linn. Sijfi, Nat.) Deeze word in Suriname gevonden, alwaar hij door den Heer Rolanmr is waargenomen en dus befchreeven, Zijn lijf is vanèoven bruin $ met Vederen ,die aan't orjderfte wit zijn; van onderen uit geel, wit
en bruin gevlakt, gelijk ook de Staartpennen. De Neus- .ga.ten zijn door een vleezïg uitwas Van elkander gefchei- . den. Vergramd zijnde of verfehiikkende, blaast hij den ,Kop op, dat dezelve zo groot word als het Lijf. XVII. Spotter ; Accipiter cachinnaris ; {Falco cera pedi-
Jusque, luteis,palpebris albis, corporefufcoalbidoquevario', ■ annula nigroyerticem album cingente.,']Ltms;, Sijfi, Nat.) fVolgens de Hr. Roe andbr huisvest deeze in Amerika. Hij xheeit het.lighaa bpven op.de Rug.de Wieken, en, Smit , JÜV
|
||||||||||
|
3775 -JTÄL.
feen, een'witte ftreep boven deO'ögen; de'Wiekenvan
onderen met ronde witté vlakken getekent! de Booten blauw. De Pooten zijn in deeze Vogel korter dan in de overige van dit Gefiagt, zegt Brisson, die ooK getuigt, dat het Mannetje kleiner dan het Wijfje zij; Deeze Autheur geeft nog twee Laniers op, waarvan
de een aschgraauw is, de ander wit. De eerfteis van Frisch onder dien naam, en van Edwards onder den naam van blaauwe Valk zeer -wel afgebeeld ; hoewél zij een weinig in koleur verfchillèr/vandien, welke hij uit het Kabinet van Reaumur bèfchrijft. De Duitfchers noemen hem graauw-wüte Gier ólFalk. Van den witten heeft Johnston , öpTab;IX-, twee Figuuren dieuithet Werk van AldroVandus zijn ontleend ; Deeze'noemen de Duitfchers ook Zwemmer; zo wei als den'eerftgémët- den, en zomtijds y/itte-Hoender-Arend ofgraauwe-Mui- zen-Arend. - . ;: XXI. Visch- of Zee-Arend; Haticetus; Morpfalos.Aii,
37'.'; Falco cijanopodâ, Gesü; Av. ?'$.';■ (Fai-cQ'cerapedi-
busque; coeruleis', cor-p'ofe fupra fufco fubt'Us élpb, çàpite albido. Linn.'FaunjSueci 57.) Onder-deVogelen 'van dit Gefiagt, die donker Wasch hebben, beging Lin- k/eus wederom met de Arenden, waarvan er maâr ééne zoort bij hem is, die- dit heeft; namelijk de- Visch- of Zee-Arend. Deeze hebben de Ouden in 'tgriekschHa- licetos genoemt, 't welk zo veel als Zee- Arend'betekent. Men noemde hem ook Mori hnosen Anatäria, waar' van men in 't neerduitscb Eenddooier maakt, omdat hij%> in de Rietbosfchen van Europa-huishoudende, veelal van Eendvogelen leeft, eetende echter ook Visch. De En- gelfchen noemen hem BaldBuzzard of kaalë Buizert, om dat hij van den Buizert meest verfchilt door de wit« beid van zijn Agterhoofd. ■ ■ -"■■ ■■< .■»-.;■ .... De Heer Brisson heefteene tekening van deeze Vo-
gel doen maaken, naar en onderwerp't welk door den Bisfcbopvan Senlisaan den Heer Reaumur was gezon- en opgezet in zijn Kabinet geplaatst. Hij bèfchrijft nog eengrooteZee-Arend, dien men gemeenlijk Beenbreeker noemt, volgens het Osfifraga der Ouden, zijnde onder deezen Naam bij Johnston afgebeeld, dog niet naauw- keurig. Hij fchijnt grooter te zijn dan eenige andere Arend, hebbende zo wel de hoogte als de langte van drie voeten vier en een halven duim. De koleur is wit- agtig, bruin en roestkoleurig, gemengeld; de Buik wit- agtig getekent, met roestköleurige vlakken 5 de Staart- pennenaan't end zwart ; de Pooten boven aan bekleed ■met bruinagtige Vederen ; hebbende gitzwarte Nagelen, die een halven cirkel uitmaaken. wsri:> Van deezen Arend, die in grootte zelfs den Baardgier
overtreft, word gezegd, dat hij wel het gewoone aas der Roofvogelen niet verfmaad, dog meest van Visfchen houd, waarvan hij zich zomwijlenmeéster maakt, door de Otters te berooven van de Visfchen, welke zij gevan- gen hebben; dog gemeenlik zijn voédzel trekt van de Kop- pen en Ingewanden, die door de Visfchers worden weg geworpen, offchoon erandere Vogelen op toeren; want zijn pnzaglijkheit verjaagt de andere altemaal. 't-Gebeürt ook wel, dat hij zelfs op den Vischvàngst gaat en mét zijne Klaauwen Visfchen, die taàmelijk groot zijn, uitdezee haait; maar in dit geval, vind hij zomtijds ih de zee zijn Graf; dewijl de Visch te zwaar zijnde, hem naar de diep- te trekt, zónder dat hij zijne Kiaauwen kan ontwarren. Dan hoort men .deeze Vogel ijflijk Schreeuwen,' en ziet hem geweldig iqet de Wieken flaao ; hoewel hij toet ein- |
'T VAL.
V
detijk moét kamp geeven.r Men verhaalt, dat aan de
Kust yan Noorwegen .zomtijds wel een Visch gevangen
word,i'die nog Arendsklaauwen in de Rug heeft; 'tgee- neinenwil dat meest met de Heilbotten, die er zo groot zijn, dat zij een'geheele Boot bedekken kunnen, plaats zou hebben. Ook zegt men voor de waarheid, hoe het niet ver van Bergen gefchied is, dat een Arend , die aan den Oever van eene Rivier ftond en een grooten Saint onderwater zag blinken, de Klaauwen van zijne ééns ■Poot in den Wortel ïloeg van een elzenboom, die over water uitflak, en dïe van 'den anderen Poot in den Visch. De Salm nu, die niet alleen zeer groot was, maar ook in zijn eigen Element een dubbele kragt had, gïng met aijn vijand onverhindert in de ftroom voort, en deed den Arend tót aan den hals toe in tween fpiijten. ■■ ■ XXII. Giervalk; Gijrfalco. Willughb. Om. 44.
Raj. Av.13.; (Falco cera coerulea, pedibits luteis, corpore fufco>,fubtusfaJciiscinereis, taud/e lateribus albis. Linn. Faün.Stiecj- Zit GIER-VALK. nh .1 - 1 ; ; ; ' 'XXIIt. Muis-Valk', Buteo apivotus, ßve vespivorus-,
iWiüLuGHB. Om, 38, R-AJ. -Avi -16V; (Fahó ceranigrai pedièusfeminudis flavis,capite cinerea,caudfâscia cine- rea; 'apice alba: Lmw. Faun, Séec.) 66.) In't> algemeen is deeze Vogel bij de Schrijvers bekend onder den naam vanBijën-tôWespeneetend'.->Bûizert,---en de Eng-eichen noemen bem1Honig-Buizert, de Franfchen Góiran of ßmdree, deSweedenSläghock, dogdeDuitfcbersMawj'- Falike, dat Is Muisvalk; 't welk ik als het naaste/ ge- volgd heb: fmmers deéze Vogel eet, wel is waar, Iri- 'fekten , en voed zijne Jongen met ac Poppen der Wes- 1 pen, zo Rajus fchrijft; maar zijn vooraaamfte fpijze zijn Muizen en Haagdisfen. Hij gelijkt in grootte en gedaante den Buizert zéér, hoewel hij, in de koleur van't Wasch-en van de Vederen j merkelijk daar van -verfchilt.: '; ,
■ XXIV. Wouw'; Milvus arugunofür. Willugb. Of».
■42.Raj. Av. 17.; (Falco cera fufca corpore grifeo .verti- ' ce,gula, axillis ,pedibusque Juteis; LïNN.Sijfl.Nat.yRAj loordeelt, dat deeze Vogel beter tot de Buizerten, dan tot dé Kuikendieven t'huis gebragt worden , dewijl hij
geen gevorkten of gefchaarden Scaart heeft. Veele Schrij- vers, noemen hem Milvus, en wel met den bijnaam van éruginofus, wegens zijne koleur, die volgens Br isson,
bruin roeftig is, met ros gemengeld , gelijk hem Lin- . »/eus ook te vooren een roestkoleurig Lijf gegeëven had,
maar hem thans grijs noemt. Deeze Vogel maakt zijn Nest in de Moerasfen, en des wegens word hij in'thoog- duitsch Wasfir*Falek, in't engelsch Moor-Buzzard, in
'tfransch Bufard de Marais, dat is Buizert der Moeras» J'en, genoemt; gelijk zommige Schrijvers hem ook Mil; vus Patußris, Falco Paluflris of Litioralis noemen, en de Sweeden Hoenderdief, iZijn Lijfis ,zo Ray getuigt, zo vanboven als van onderen, ijzer-roest ofArendsko- leurig, uitgenomen de top van 'tHoofddie uit den rog« fen wit is. 1 Hij is kleinderdan de Buizert, en verfchilt door zijne lange,'dunne, geele Pooten, van'de ande» -renr -' - r" -,.-. ',-'-; ■ ■ ■ 1 ■■ :c -.,''
XXV. Havik; Accipiterpalumbarius.ALmov. Om.I.
V.cap. 2. Raj. Av. 18. (Fàlco c-erä nigra, marginëpe- dibusque flavis, corpore fufco treÏÏricibus fafciis pallidis, füpeffiliis albis.' "LmmSijfl: Nat.) Men rióemr, deezen : Vogel gemeenlijk Havik of groóte Sperwer-Valk, en Diii- venvalk tôt dnderfchëiding van den volgenden, de Vin- kènvalk genoemt word. Dewijl echter, de Engelfeben hemde Naam geeven van Goihmk, 4at is Ganzen-HS« |
||||
|
val;
|
||||||||||
|
VAV
|
||||||||||
|
37=77
|
||||||||||
|
om dat deeze ziekte ten nitterfteri' nadeelig is, voorde
dierlijke huishouding van 's'Menfchen Jighaam; ook vind men flog bij vérféheidene'Schrijvers,-deeze Ziekte bé* tekénd/cloor'Morbuspiterilïs,:'ïof>Ïf*a'zir%ifior 'i volgenS lifppocRATES, om dat de Kinderen zeer onderhevig zijri door die Ziekte'aangetaSfte wOrdsn. '. ' Inzonderheid zijnhet Kinderen die week opgebragt
zijn, welke men doorgaans't veelvuldigst met'deeze kw'ïal ziet worftelen ;: óóktast zij gemeenlijk hét Man- nelijk meer dan' liet Vrouwelijke gefiagt aan,.en is zeer moeijelijk te ge'neezen. Wanneer jonge Kinderen' dee* ze .kwaal/krijgen., is er rede te hoopen, dat zij tot rijp» Meid komende van dezelve gêneezen zullen. Tast dee- ze kwaal, iemand aan die reeds twintig jaaren oud is, zo is de geneezing moeijelijk, dog gefchied zulks na de veertig jaaren, als dan is ze bijna ofimoogelijk. Zijn de, vlaagen'van dit ongemak koït en zeldzaam, zo is er'eé-'. riige ftoöp"; dog zijn dezelve lang.duurrg en veelvuldig , ajs dan is'er weinige reden om berftelling te yerwagten. Ook is het een zeer pngunftig teken , Wanneer de Lij- der geduurende* den ïlaap, door'vjaagén deezer kwaal, overvallen word. Oqrzaaken. ■■
erflijk, zonttijds krijgen Kinderen dezelve reeds in, 's Moeders, lighaam , wanneer die geduurende haare zwangerheid/door zwaare fchrik bevangen word. Ver- der dntftaat deeze kwaal, uit het ftqoten ,;kneu'zea"ö'f kwetz'en des, h o of ds ; vergaderingen van water ,.,'van bloed,' of van weiachtige vogten in de hersfenén; 'door inwendige uitwasfen; (Polijpi) gezwellen 'en aângroei- jingen binnen het bekkeneel; uit zuiperij; fterke en veelvuldige infpanning van gedagten, onmaatig gebruik van Vrouwen; uit wormziektens;ftremming vangewoo. ne ontlastingen ; uit eene luie eri weeldrïge leefswij- ze, zónder behoorlijke iichaams beweeging,,'en daar. uit voortkoomende overtolligheid Van fappeh ; uit he- vige driften en gemoedsaandoeningen; uit opftijgjngen ; : uit ïntvendige befinettingen, als die der Kfnderpokjes, Mazelen, enz. \ Toevallen. -~ X)çy\aageh der Vallende Ziekte,,
wórden gemeenlijk voorgegaan dóór ongewoone ver- moeidheid; hoofdpijn, dofgeeftigheid, duizelagtigbeid, het ruifchen der Opren ; het fçhemeren deropgen; door hartkloppingen; ontrusten flaap ;' moeijelijke ademhaa.■ ' lihg; de darmen zijn door winden opgeblaazen; de pis is zeer dun, dog word in groote hoeveelheid gelost; het aangezigt is bleek; de uiterfte deelen koud, en de Lijder gevoelt als het waare een ftroom van koude lucht ' naar het hoofd opklimmen. Geduurende de vlaag zelve maakt de Lijder een on-
gewoon geluid; zijn duimen zijn in de vuiften gewron* gen; zijn oogen verdraaid, het geheele lichaam word ge- fchud, het fchuiin (laatop den mond, de uiterfte deelen verdraaijen zich of ftrengelen zich in eikanderen , dik« wils ontloopt hem het zaadvogt, de pisfe of den afgang, en hij is geheel en al buiten gevoel en finnen. Na dat de vlaag over is komt hij langzaâmerhand weder bij ver- ftand, klaagt over dofheid, vermoeitheid en hoofdpijn; dog heeft geheel geen geheugenis van het geen hçm ge- duurende de vlaag deezer kwaal is overkomen," Deeze vlaagen. worden zomtijds verwekt, door hevi-
ge gemoedsbeweegingen, door onnMt'g drinken, dqpr . fterke hitte, feile koudg en diergelijke.. De oórzaaken deezer kwaaj en derzelver vreemde toe-
val. |
||||||||||
|
«ik en dé Volgende zeerijéet is? óp Duiven > (Jaar d'e.e-
tneer op Hoenderen en' andere groote Vogels' aase;' zo oordeelde ik > tot eenè duidelijke onderfcheidihg best, hem 'den naam van Havik toe te pasfen; te meer, dewijl. <je Naain van Sperwer! zo de Heer Bris'son oordeelt, aan den volgenden toebehoort. Volgens den 'griekfcben' naam Afierias, draagt hij ook wel den naam van Ster» valk, in 't latijn Âfiur, waar van de italiaarifche naaiir More, en dé franfche Autour; afkoniftig zijn.- Het Mannetje is kleiner dan det Wijfje', 't welk ongë-J
vaar de lijvigheid heeft van een Kapoen, ;-zijnde- véél1; grooter dande gewóoneBuizért.' Immers de langte varij den genen, daar de Heer BrÏssón van fpreekt, is om-' trent twee voeten , van 't end des Beks tot aan het uiter-; fte van de Staart; zijn kolear was, zegt hij, .van bo- ven bruin van onderen wit, met lancetswijze dwarze bruine Ëanden of d wars«ftreepen ; de'Stààrperinen bruin % ! overdwars met donkere ftreepen * her. end wit gerand .J Men vindrbii Johnston, Tab. Vil',', eene Afbeelding van deezen Havik, die vanGEsNÊRÜsontleéhd is H dog' niet zeer naauwkeUrigV zomin als.die van AlïOR'oyAN» dus , Tab, VIII, Frisch heeft varf't Mannetje en Wijf-' je, beiden, nette Figuuren^gegeven. Onderde Dieren, van Sweedefi word deèze Havik, dóór LinnseusV zo' 't mij voorkomt niet opgeteld. ' :.-!;■. ■XXVI.' Sperwer ; Acciphef fringijlariür.' Gesn. Av. '■
15. Raj. Av. 18. j (Fdlèo- cera viiidi , pedibu's-flavis, peäore albo fufco uniulato, cauia fajciis' nigticantibus. Lrtnn.Faun.Suec.-6S.) Zie SPERWER;' VALKRUID, zie ARNICA. ' «'-^ s3f '■'- VALLENDE ZIEKTE; Epilepfia; iseenezoortvan
ftuiptrékkende Kwaal, die alle de deelen des lighaams aandoet, of wel 'eenige in 't bijzonder, door tus fchen- poozinge of irreguliere aanvallen, geduurende welke de: Zieke eene berooving van ajlezijne finnen en vrijwillige* beweegingen ondergaat, en daar bij door ftuiptrékkende beweegingen word aangetast, die min of meerder hevig zijn, en in éen min of grooter aantal van lighaams dee- len huisvest. ~ * ■''■" Het woord Epilepfia, (jrtifaifyj%~ lari^d/K, is af-
komftig van het griekfcbe imÄotpßolv&ai) 't welk overrompelen betekent, pm dat deeze zjekte degeenendie er aan onderheevigzijn, eensklaps aantast. De Latijnen hebben dezelve Comitialis morbus genoemt, om dat de Romeinen hunne vergaderingen terftond fcheideden, zo dra het gebeurde dat iemand in hunne tegenswoor- digheid er door aangetast wierd, dewijl zij zulks als tot een kwaad voorteken verftrekkende, befchouwden. Anderen hebben ze Morbus Jacer genoemt, het zij om dat zij ze als een ftraffe des Hemels aanmerkten, of «vel om dat de zitplaats vande oorzaak in het hoofd fchijnt te huisveften, 't welk zij als't geheiligde deefdes lighaams befchouw- den , facra palladis. arx ; het zij eindelijk,. om dat Men» fchen diedpor de Vallende kiekte aangetast worden, zulks zo fchielijk overkomt als of zü door de donder of blixem getroffen wierden. Nog heeft men haar den naam van Morbus henuleus gegeeven, of om dat Hercules aan deeze Ziekte onderhevig was, ofwel om dat dezelve met veel geweld de geneesmiddelen fchijnt te weerftree- ven, en dat het zeer bewzaarüjk valt, om er de oorzaak van uitteroeijen, , De naam van Vullende-Ziekte, in 't lat, Morbuscaducus, beeft dezelveverkiçgen.omdatde Lij- ders die er (taande door aangetast worden, gemeenlijk plot2çJiik.;i;egeus.4n grond, villen; die vm.Somim, |
||||||||||
|
3778 VÄ|>V
Vallen, zeer bezwaarlijk"na te fpeuren, zijnde, fchreef
men dezelve eertijds toe aan de wraak der Goden of aan de werking van booze Geeftçn, In later tijden dagtemen dat bez weeringen of Toverijen er de oorzaak van .waa< jen. Echter ontftaat deeze zo wél als alle andere kwaa- ien uit natuurlijke oorzaaken, en is ook veeltijds door het aanhoudend gebruik van bekwaarae middelen te ge- heezeh. . , ;, Leefregel.
onderhevig zijn , moeten zich zo veel mogelijk in eene gezonde en vrije lucht onthouden. Zij moéten ligtedogj vöedzaame fpijzen gebruiken; zeer maatig in bet drin- gen zijn, en zich van het eeten van Varkensvleesch, yan Watergevogelte, en van alle winderige en olijagtt- ge groehtens en vrugten onthouden, als van kool, noo- ten en diergelijke. Zij moeten zich fteeds fragten vroo« lijk te houden en vergenoegd, zich voor alle hevige drif- ten en gemoedsbeweegingen als toorn , angstvalligheid enz. zorgvuldig wagten. ,- '.,' De beweeging is mede zeer nuttig, dog de Lijder moét!
zich omzichtig voor alle uiterftensvan koude eb hitte be- waaren ; zich nooit in eenig gevaar" begeeven van op den" kant van fteiltens te ftaan, van door het water tè rijden of diergelijke , wijl alles wat hem duizelig maakt eehe Vlaag der Fallende Ziekte veroorzaaken kan. Gekeésmiddele-N. <
kwaaie, moet naar derzelver verfchillende oorzaaken in-
gerjgt worden. [ Zo de Lijder van een bloednjk geftel is., en men rede vindeene verftopping der harsfénèn te vreezen, zullen er aderlaatingen en andereontlastingen veréischt worden. Zo de kwaal uit ftremmlng van ee- ne of andere gewoone ontlasting voortfpruit, moet' men dezelve zo moogelijk tragten te herftellen , of wanneer dit niet gefchieden kan, andere ontlastingen in derzel- ver plaats Hellen. 'Fontanellen of"Setons zijn doorgaans in dit geval van veelnut. Heeft men rede tegëloövén dat Wurmen er de oorzaak van zijn, zo moeten er be- kwaame middelen aangewend worden, om dit Ongedier- te dooden en af te drijven ; openbaart zich de Vallende' Ziekte voor het uitbotten der Uinderpokjes, de Maze- len en diergelijken, of ontftaat ze uit ftuiptrekkingen, zo moet men de Lijder door middel van verzagtende kliftee- ren open lijf doen bouden, hem dïkwils met de voeten iiï warm water zetten, en zo de vlaagen veetvuldig zijn en.langduurig, Spaanfche vliegen tusfchen de fchouder- bladen leggen. Zode kwaal erfelijk "is, ofuiteeneverkeerdeenkwaa-
de vorming der berstenen ontftaat., heeft men geen rede om gèneezing te hoopen. Wanneer ze uit verzwak- kingof al te groote gevoeligheid van het Zenuw-gezwel ■ontftaat, moet men gebruik maaken van zodanige mid- delen die de zenuwen ftevigenen verfterken, als van de Kina, van bereidingen van ftaal enz. "Zeker Geneesheer zegt, dat de Maaren-takken een zo
zéker middel zijn regens de Vallende Ziekte , als de Kina is tegen de tusfchenpozende Koortzen. De gifte daar van is voor eenen volwasfenen een half drachma, dit gébrükt hij viermaal des daags en dririkeer ieder keer «en teug fterk aftrekzel van dezelve Plant op. Dit middel echter is'bevonden niet aan den grooten ophef, die men er van.maakt te beantwoorden; dan in hardnekkige Val- ien'de Ziektens kan men het zelve nogtans beproeven; «dog "het moet een zeer geruimen tijd lang bij aan- üïoudenheid gebruikt worden, zo men er eeuige goe- de uitwerking vau wagten wil. |
||||||
|
.- In zommige gevallen -is opkde Vullende Ziekte dpor
middel der Eledriciteit geneezen. ; ;VALRUS,;zje ROBBEN, ». III. p. 305,2,'. Ij VALSCH,; Vaischheid; -als een bijvoeglijk woord ge« bruikt, 'word van zodanige dingen gezegt, die met de waarheid ftrijden; bij, voorbeeld, een ValJ'che daad, Valchfchrift; of wel't geen tegens de Wetten ftrijd, als Valsch gewigt, een ValJ'che maatr, enz. ■ ._. ■ . Dog wanneer men die uitdrukking voor een zelfftandig
woord neemt, zó word bet voor de misdaad van Vaisch- heid genomen, 't welk in derzelver alleruitgeftrekfte. betekenis, alle zodanige daaden bevat die bedrieglijk zijn, of welke gepjeegt worden, om ten nadeele van zijn Naaften de waarheid te verbloemen of te verber- gen. - :' > ; '";'., De misdaad van Vaischheid word op drieërleij wijze
gepleegt, te wéetendoor,4e Spraak, door Schrift, ea door daaden zonder, woorden nog fchrift-, ., : 1; Word het door de Spraak gepleegt, met meineedig
te zijn;, dat is valfche éeden te zweeren, of wel in wat zaak -het ook, mag zijn, met beter weeten tegens de waarheid aan te getuigen. 2. Word de misdaad van Vaischheid gepleegt met
Schrift , door de zodanigen die Contraften of Schriften van anderen van wat aart die ook mogen zijn nabootfen, met inzicht om er bedrog mede te plegen; insgelijks die een ander zijn naam namaakt, enz. 3. De misdaad van Vaischheid word op verfcheidene
wijzen dooreene daad of handeling werkftellig gemaakt, zonder dat de Spraak nog het Schrift ten dien einde ge- bruikt worden,- te weeten door die, welke met valfche maat of gewigt koopen of verkoopen ; die de waarde van het goud en zilver door de vermenging van eenig ander metaal verminderen ; die valfche munt Haan, of geldfpeci- en befnoeijen, die de zegels van Vorften, Gerichtsho- ven ofs eenig ander Genoodfchap hoe ook genoemd, namaaken. .VALSCHE BARNSTEEN, zie GOMLOOK.
VALSCHE DICTAM , zie PSEUDO DICTAM.
NUS. VALSCHE PLATANUS, zie PLATANUS. (BAS«
STERD-J VALSCHE PLEURIS , zie PLEURIS. (BAS*
TERD-) - VALVULA, zie KLAPVLIES.
VAMPIJRUS , zie VLEDERMUISEN, ». I,
"VANEENSCHEIDEN, zie RESOLUTIO.
VANELLEUS, zie KIEVIT. -
VANGEN. Het woord Vangen betekent eigentlijk
van vrijheid berooven, en word doorgaans toegepast op het jaagen van Wild en allerleij Gevogelte, als mede het visfchen. De bijzondere manieren om dit Vangen in 't werk te ftellen, kan men op de artijkels van zodanige Dieren nazien, die men gewoon is tot zijn vermaak, nut, of veiligheid voor bet Menschdom, te jaagen ea te Vangen. Om Vagek met een Mand door behulp van een
Uil of andere Nagtvogel te vangen. Neemt een Mand C. op de bovenfte afbeelding van Plaat LXI ; dekt die met varen of eenig andere groente, om die geene niet te kunnen zien die er onder is en de- zelve op zijn hoofd of fchouders draagt. Men maakt dat de Mande zodanig gedekt is, dat Jiet ee.ne takje niet boven het ander uitfteekt, waar op zich een Vogeltje zoude feun«
|
||||||
|
VAN. 3779
|
|||||||||
|
VAN.
|
|||||||||
|
tonnen nederzetten. Maakt boven aan de Mande niet
verre van de bodem een klein flukje hout vast, dat er op de wijze van een tiiletje of krukje uitfteekt, _zie D ; hier op maakt men met een touwtje aan zijn voet een tJil öfofander Nagtvogei vast. Neemt voorts een ftuk- je bouts, dat omtrent een duim duim dik is, en fpoud liet zelve zodanig in 't midden, dat de fpleet tot om- trent de helft komt van 't houtje F; fteekt aan 't einde van die fcheurna't midden toe een boutje G, dat het ge- fpleette houtje van een houd, en maakt aan dat houtje van twee of drie duimen, een touwtje H vast, waarvan 't eind in de Mand koomt, en dienen zai om de twee enden van't gefpieeten houtje bij een te haaien. Dee- ze Mand zodanig toegerust, opzijn hoofd gezet hebben- de, dat men er geheel door is bedekt, gaat men met dezelve langs de Heggen, daar zich kleine Vogels ont- houden , als danzulien de kleine Vogeltjes die alie Nagt- vogels haaten, den Uil ziende, beginnen te fchreeuwen en toetefchieten om hem te pikken; dog niets op de korf vindende, waar op zij zich neder kunnen zetten, doen zij zulks op 't flokje G 't welk het gefpieeten hout- je open houd. Die onder de mand is moet geftadig het oog op't houtje hebben, om te zien of er zich een Vo- gel op nederzet, 't welk gebeurende, hij terftond aan't houtje H moet trekken, waar door het gefpieeten hout- je word toegeneepen en het Vogeltje gevangen. Als dan haalt hij het houtje door de mand heen , neemt het Vogeltje, zet het houtje weer op, en handelt als vooren. VANILJE; Banilje; Vanigtia; Vanillins', van de In-
diaanen Mecafubil geheeten; is de naam van een uit- landscb peuldraagend Plantgewas,wiens Peul, een zeer i.ieffeüjke en fpecerijagtige reuk heeft, en waar van men gebruik maakt om aan deChocolaadeen aangenaame geur tegeeven. Zooiten. Daar is maar eene Hoofdzoort van de Vanilje,
die van de Autheuren genormt word; Lobus■aromatieus, : fubfufcus, terebemhi corniculis fimilis. C. Bauh. Pin. 404.; Volubilis filiquofa mexicana, foliis plantaginis. Raj. hifi. 1330.; Lobus oblor.gus, aroma'icus. Catesb. y'am. 70,; Latijrus mexicanus, fiiiquis longisfimis, mo- jchatis, nigris. Ammon. Char. Plant. 436. ; Aracus aro- matieus .... Tlixochitl , feu flos niger, mexicanus diäus. Hermand. 38.; Piperis arborijamaicenfis inas- eens. Pjlukn. Almag. 301. (Epidendrum. Link. Sijfl, Nat.) , Deeze Hoofdzoort. bevat drie voornaame veranderin-
gen; de eerfle word van de Spanjaarden genoemt, Pcm- pvnavf Bova, 't welk gezwollen betekent; de Vanilje de lecq of van goed alloij; de Simarona of basterd Vanil' je, zijnde de peulen hiervan dik en kort; die van de Va- nilje de lecq, zijn fmaller en langer, en die vzndeSimaro. wa zijn in alle opzichten de kleinflen. Plaats. De Vanilje groeit op veele plaatzen van Oost-
en West-Indien , en onder anderen veelvuldig aan de kuilen van Karthagena en van Caracques, de landengte '■ van Darien, en de gantfche uitgeftrektbeid, die tus- j fchen die land-engte en de golf van St. Michiel, tot aan Panama, Jucutam en de Honduras is gelegen, als mede ; te Caijenne. Befchrijving. De Vanilje is een Plantgewas die veel
I "a.de Klimop gelijkt; deszelfs Stam van drie tot vier
I 'Wien dik , is niet ten eenenmaalen rond ; en fchoon
taamelijk hard, is dezelve buitengemeen taai en buig-
ïaam; de Bast die haar bedekt is dun, kleevende en
VU Deel.
|
groen van koleur, zijnde de Stam door knobbels óf knoe'-
Iten verdeelt, die zes of zeven duimen van ma.kanderaf zitten. Uit deeze Knoeflen koomen de bladen altoos aan paren zittende te voorfchijn; van gedaante gelijken deeze Bladen veel naar die van den Lauwrierboom, beha!ven dat zij veel langer, breeder,. dikker en vlee- fcbiger zijn, daar bij genoegzaam zo fferk en taai als Je- der; van een levendige en fraaijegroene koleur,. enge- lijk als gevernist van boven, dog een weinig bleeker vaa . onderen, Deeze Plant is onbekwaam om haar zefven te onder»
deunen, en groeit om deeze reden altoos aan de de voe- ten derBoomen; zomtijds Hingen zij zich in'topkliinmea rondsom dezelven, en zomwijlen fchiet ze taamelijk regt op, en boud zien als dan aan de oneffenheden, knoeflen, klooven en fcheuren die zij ontmoet, vast, door middel van kleine zwarte draadjes, dierondsomme haare Knoe- flen, ten getale van vijf of zes aan ieder zijde uitfehie- ten , en die zich met kleine vezeltjes aan deBoom, vast- hegten, even als kleine en onzichtbaare klaauwtjes, die/ zich daar aan zo vast haakeu, dat men moeite heeft om ze daar van aftezonderen. Naar maate de Plant aan- groeit, verdeelt die zich in verfcheidene Looten, die zich over alle de takken van de Boom, waar tegen haare Stam leunt, verfpreiden; als dan maakt zich de Stam die nietmeer benoodigt fchijnt tezijn, om zich aan den Boom vasttebouden, vandenzelvenallengskenslos, "en de Son verbrand haare kleine voetjes, zo dat er van haar niet» meer overblijft dan eenzwarte fireep, die de plaats daar ze gezeten hebben, aantoont, Aan het einde der takje» koomen de Bloemen voort, die onregelmaatig zijn, uit zes Bladen zamengefleld, waar van vijf op dezelfde wijze als die der Roofengefchikt zijn; de Bladen deezer Bloe- men zijn langwerpig, fmal, gekronkelt ëri gegolft, van binnen fchoon wit, dog van buiten groenagtig van ko« leur; hetzesdeBiad, dat tot Honingkelk of NeBarium verflrekt, en ook zuiver wit is , beflaat hét middenfte- der Bloem , en gelijkt niet kwaalijk na een Lampetkan. Op de Bloemen volgt een' zoort van Peul, die zagt en, vleefchig is, en de dikte van een kleine vinger heeft * zijnde ruim.een half voet lang; rijp zijnde is de koleur daar van zwartagtig, en met een meenigte kleine zwart* Zaadjes vervult. Gaarne groeit de'Vanilje op koele ea febaduwagtige plaatzen,om welke reden men ze zelden» anders vind dan nabij Rivieren, ofwel in zodaanige çon- treijen, daar ze door de dikte en hoogte der Boomen tegens de al te hevig brandende hitte der Son bedekt zijn. Bereiding. De inzaameling van de Vanilje begint in 't
laatst van feptember, is 't drokst omtrent allerheiligen, en duurt tot op 't eind van december. Het is onbekend ot de Indiaanen die Plant kweeken, en hoedanig zij die voortzetten; maar men denkt dat de gantfche bereiding der Vrugt in niets anders beflaat, dan om dezelve tijdig te plukken j vervolgens Iaaten zij die geduurende 15 of 20 dagen droogen om er de overtollige of veel eer fchaade- lijke vogtigheid van te doen wegwaasfemen, want hierdoor zoude ze verrotten; dat zij deeze uitwaasfeming bevor-, deren, met de Vanilje tusfehen de handen te wrijven en dezelve zagtjes plat te drukken ; waar na zij dezelve met olie van Kruisboom, Cocos ofCalba beflrijken, ze voor de twedemaal droogen, en als dan tot pakken of bondels maaken, die zij met bladen van Balifier of Cachibou be« dekken. Een zodanig pak Vanilje uit vijftig Peulen zamen-, gefield,, word na derzelver hoedanigheid, deugd, en* , C fchaar». |
||||||||
|
VAN. VAP. VAR.
-fting als een fpecifijk middel in dat zooftvan ziek'tèf»
aangemerkt. Men geeft dezelve tot een drachma. in fubftantie; et|
tot infufie in wijn, water, of eenig ander bekwaam vogt, tot twee drachma. Men dient vooral in overwee- ging te neemen, dat dè Fanilje buitengemeen verhit wan- neer men er een al te groote dofis van neemt, of er een te veelvuldig gebruik van maakt; en deeze overweeging moet tot gids verftrekken, om zodanige gevallen aan te toonen, waar in dezelve niet dient gebruikt te worden. Onze Geneesheeren febrijven ze zelden voor, enlaaten 2e enkel in waarde tot een ingrediënt voor de Chola- de, waar aan zij een bijzondere aangenaame geur bijV zet, VAPEURS, is een fransch woord, dog bij veelenon-
zer Nederlandfche Vrouwtjes bekend; het betekent zo veel als Opflijging. Zie de befchrijving van dit lastig ongemak, met aanwijzing van dienftige middelen tegens hetzelve, op het Artijkel MOEDERZIEKTE. VAPORIUM, Zie DAMP-BAD*
VARECH is de naam van een Zeeplant, door d&
Hr. Tournefort genoemt, Fucus marieimus veßculat habens. Dit kruid draagt in Bretagne de naam van Gouê- mon; aan de kust van't land Aunis, en aan die Van Normandijen, Farech, welke naam zich over al'dat geene uitftrekt, 't welk de Zee op haare Oevers fpoelt. De Farechis een zoort van Fucus der Kruidkundigen;
het is een Ze expiant, uit wiens Stam verfcheidene fmallö platte Takjes voortfpruiten , dog welke in 't aangroeijen aiiengskens breeder worden, en zich in verfcheidene kleine Takjes verdeelen, waaraan breedè, langwerpige Bladen zitten . eenigzintsna die der Eicken gelijkende, dog veel kleiner, aan derzelver Steelen dooreen taaije, buigzaame, vliezige zelfftandigheid vastgehegt, welke zelfftandigheid doorgaans glad is, en zomtijds ook wel ruig als met witagtig haair bedekt; zulks is misfehien de Bloem der Plant, weike van ronde Zaaden word ge volgt j ook zitten hier en daar aan de Plant verheventheden of knobbels, die van binnen hol zijn even als blaafen, zomp tijds langwerpig en zomtijds rond van gedaante, de eene tijd grooter, de andere tijd kleiner. Doorgaans groei» deeze Plant zeer laag, en zomtijds tot op de hoogte van an- derhalf voet; versch geplukt lijnde heeft zij een leelijke geelagtig groene koleur, maar gedroogt word die zwart, inzonderheid die Welke aan de zanJige Oevers der Zee word gevonden. Eertijds bediende men zich in Creta volgens verhaal
van Plinius L. XXVI. c. 10 van die Plant om purper te verwen. Horatius Od. V. /.Hl. bevestigd zulks, met te zeggen Neque amisfos colores
Sana re/ere medicata fuco. , De Wol eens purper geverfd ziinde, neemt nimmer
,, baar eerde koleur weder aan". Wij hebben dat ge- heim verlooren , en aan ons is geen zoort van Fucus of Mos bekend, die tot eenigerleij verwinggebezigt word. Het eenigfte gebruik van de Farech beftaat, om opzommi-. ge plaatzen de landerijen te mesten; en in Normandijen maakt men er gebruik van, om die zoort van Souda te bereiden, welke men Souda van Farech noemt, en die in de Giasblaferien te Cherbourgword vertiert. Ook maakt men gebruik van de Farech in Zeepziederiien, daar vastt of zogenoemde Spaanjche Zeep word vervaardigt. VA-
|
||||||
|
378« TANT.
fchaarsheid.of overvloed die er van voor handen is, te
Amfterdâm van 10 tot 20 gulden verkogt. Wanneer de rijpe Fanilje te lang zonder afgeplukt te
worden , op de Plant blijft zitten, zo barst dezelve, en er vloeit een geringe hoeveelheid balfemagtig vogt uit, zijnde zwart van koleur en weiruikende, deeze eenigen tijd geftaan hebbende, verdikt tot Balfem, men draagt zorg om dezelve in kleine fteenen potjes, die men onder de peulen zet, te verzamelen. Wij bekoomen die Bal- fem niet in Europa; het zij dezelve het vervoeren niet *an uitftaan, oft geen denkelijkeris, datdelnwooners die voor hun zelfs bewaaren. Hoedanigheid. D6 enkele Fanilje de lea is de goede, zij
moet hoog bruin rood van koleur zijn, niet te zwart nog te jos,niet al te kleverig, nög te zeer uitgedroogt; derzelver Peulen fchoon gerimpelt, moeten vol fchijnen, en een paket van vijftig Peulen moet meer als vijf oneen weegen; die welke agt weegt is de Sobrebuena, de uitmeemende. 'De reuk moet er doordringende en aangenaam van zijn ; wanneer men een Peul dié goed inftaat en versch is,opent, vind.men dezelve met een zwart, olïeagtig, balfamiek vogt vervult,, waarin een groot aantal kleine zwarte kor- reltjes zwemmen, die bijna niet zijn te or>derfcheiden, en daarkomt zulkcen fterke reuk uit, datdie bedwelmt en een zoort van dronkenfehap veroorzaakt. De Pompona heeft fterker reuk, dog die is zo aangenaam niet, zij ver- oorzaakt hoofdpijn en vapeurs; het vogt van de Pompona is zo lijrni» niet maar vloeibaar, en de korrels dikker, koomende die omtrent met mostaartzaad overeen. De Simarona heeft weinig reuk, en bevat zeer weinig kor- rels en vogt. Men kiest zodanige Fanilje die wel gevoed en versch
is, daarbij dik, lang, Weiruikende, zwaar, iets weeKag- tig, uitwendig niet alte rimpelig nog olieagtig, zij moet op geen vögtige plaats gelegt hebben, dewijl als dan on- deihevig zoude zijn om te fchimmelen; niet alleen dat er geen de minfte fchimmel aan moet zijn, maar moet daar te boven een aangenaame verkwikkelijke reuk heb ben. Ook moet men nóg in agt neemen, dat zij egaale groot zijn, om dat dik wils het- binnenfte der pakken met verdroogde Peulen daar reuk nog fmaak aan is, opgevuld Zijn ; de korrels of het zaad dat in de Peulen zit, en bij nïtneementheid klein is, moet zwart en blinkende zijn; en geenzints is zodanige Fanilje te verwerpen, die met een ziltige bloem of waasfem bedekt is, dit is niets anders dan een Weezentlijk zout, waar mede deeze Vrugt is vervult en die na buiten uit zet, wanneer het heet weer is. Kragt en Gebruik. HuaMANDcz fchrijft aan de Va*
nUje verwonderens waardige kragten toe, dog wij durven voor de egtheid daar van niet inltaan. Hij geeft voor dat dezelve de maag verfterkt, dè fpijsverfeering bevordert, de winden verdrijft, de rauwe vogten kookt; zeerdien- ftig is voor de koude, ziekte der hersfenen, en voor de oatbarrën; hij voegt er bij, dat dezelve de maandftonden bevordert, de verlosfinge gemakkelijker maakt, en de nageboorte uitdrijft; dog dit alles is bij vergrooting. Het kan waar zijn dat de Fanilje door derzelver fpecerijagti- ge warmte, tot een goed maagmiddel kan vertrekken, in zodanige gevallen daar de vezels Van de verzwakte maag eifchen verfterkt te worden; om diezelfde reden kan zij ftondendriivend en openende worden ; derzelver vlugge, welriekende enbalfamiekeolie, maakt haar zomtijdsnut» tigvoorzenuwziektens, en hypochondrie; hierom heb- ben zejnmige Engelfchen dezelve met al teveel verhaa- |
||||||
|
TAR.
|
|||||||||||
|
VAR.
|
|||||||||||
|
378X.
|
|||||||||||
|
om, er-bijzondere zoorten van temaaken. Van het wilde.
Zwijn, bij voorbeeld, is buiten twijfel het tamme afkom* iligendathet den Snoet wat langer, deSIagtandengroo' teren fcherper,. deOoren korter en geen wolligbeid tus» fchen de Bordels heeft, alsook dat de koieur altijd grijs- agtig.zwart is, kan ten deele van de levenswijze en op- voeding afhangen. Het Chineefche of Varken van Siatn, hoewel de Rug bijna kaal hebbende en korter Poocen , zq dat de Buik bijna op den grond komt, verdient ook niet als een bijzondere zoort aangemerkt te worden; want, zegt Buffon, deeze drie Beeilen, met elkander ge- paard, brengen Beeilen voort, die weder vrugtbaar zijn. Deeze zoort van Dieren, fchoon overvloedig in Eu-
ropa, Afrika en Afie, word van natuure niet gevonde« in de nieuwe wereld. De Spanjaarden hebben ze der- waards overgebragt en zij Zijn er veimenigvuldigd niet alleen, .maarzelfs wild geworden op veele plaatzen. De Chineezen voeden een menigte Varkens op, om dat het. Vleesch en Spek derzelven hun zeer wel fmaakt. De: Turken in tegendeel, en alle die de leere van Mahometb. aankleeven, hebben er, gelijk de Jooden volgens dé Wet van Moses , een afkeer van, ja duiven ze niet aanraa- ken, als onreine Dieren zijnde-. De Negers brengen tot hun Onderhoud, ook een menigte Varkens op, die in de heete Landen meestal zwart zijn, als minder ontaard va» den natuurlijken wilden ftaat, en in tegendeel het aller- meest in de koude Landen; gelijk men aan de Qoren wel- ken de tamme en witte Varkens zeer lang hebben, dui* delijkst befpeurt. In het Lighaarn van een Varken (zegt de Heer Daï«
benton) openbaart zich niet minderwanftaltigheid, dan plompheid in zijne bedrijven, en driften. De Hals is zo korten dik, dat de Kop bijna aan de Schouderen raakte en het houd dezeïven altijd naar om laag, terwijl, door- de kortheid der Vo.orpooten, zijn geheele Lijf als naar de Aarde duikt. De beweegingen, die het maakt, ont-» beeren de deftigheid, welke er is in den gang van veele andere Dieren, en het loopt al fpringende, we« gens de ftijfheid zijner Beenen. In zijne grootfte woe« de heeft het een gedwongen houding, en maakt een flegte figuur om zich te verweeren, daar bet naauwe- lijks rets dan zijne Slagtanden toe heeft, zonder wel- ken zijn gelaat bij uitftek fchraal is, ontbeerende alle: fraaiheid. Het tamme Varken heeft den Kop langwerpig, hetend
van den Snoet dun , naar de grootte van het Hoofd te, rekenen, en het agterfte gedeelte Van 't Bekkeneel zeer verheven; de Oogen klein, de Ooren breed, den Hals dik en kort, het Lijf grof, het Gat afloopende, de Staart dun en van middelmaatige langte, de Beenen kort en regt, inzonderheid de Voorpooten. Het wilde Varken. beeft den Kop langer, het onderfte gedeelte van't Voor- hoofd meergeboogen ; de Slagtanden grooter en fcherper dan die'der andere Varkens ; de Staart is kort en regt. In het Chineefcbe of Siamjche [Varken is de Kop ook langer, de Snoet dikker,- de Oogen zijn zo klein nog de Ooren zo groot niet; de Hals en Voorpooten korter; de Hoe. ven grooter ; de Staart langer dan die van het tamme Var* Jenen zonder eenige kromte. Het Voorhoofd is bultig en de Rug ingezakt, omtrent even zo, als in het wilde Zwijn. De Ooren zijn in dé tamme Varkens voo'rwaards geftrekt, niet opwaards gelijk in de twee anderen; welk verfchil zich in de Jongen, die nog geen jaar oud zijn, openbaart. De Staart krult in deSpeenvarkensnïetop.,, C 2 voor |
|||||||||||
|
VARIOLJTES; Variolithus; Lapisvariolatitm; Kin-
d'erpok-ßeen. Dusdanig noemen de Natuurkundigen, Stee- néii van verfchillende koleuren, met vlakken of kleine knobbeltjes bezet, vaneen andere koieur als die van de grondileen. Daar is ook een zoon van deeze Steen in In- dien, welke de inwoonersGawafc« noemen, zijndegroen van koieur met bladderwijze heuveltjes bezet. , VARKEN, Zwijn. Deeze naam draagt een Dieren- : geflagt, tot den vierden Rang der zoogende Dieren be- 'hoorende; wordende in't hebreeuwsch, Çhafir, en in't /grieksch , Hus oiChoiros genoemt ; Jn 't italiaanscb heet het Porco, in 't fpaansch Puerco. De iatijnfche Naam, in't algemeen, is Sus oï Poreus; in 't bijzonder werd het i Mannetje, ófdeBeer, Verres, engefneeden zijnde Ma t jolis geheeten ; het Wijfje, ofdeZeug, Scrophd, enhet I Jong of de Big, Porcellus. Bij de Franfchen heet het in ; 'talgemeen Pore, de Beer Verrat en gefneeden Cochon; .de Zeug Truije. De Engelfchen noemen den Beer Boar, de Zeug Sow, de Big Pig, en de algemeene naam is îlog. De algemeene naam is bij de Duitfchers Saw, Su, Schwijn of Schwein; zij noemen het Mannetje Mier en gefneeden zijnde Barg,; het Wijfje M o s of Loosf, en ais bet gefneeden is Galts ; de Big of't Speen varken Faer- Ie, Seuwle en als dezelve nog zuigt Span Faerle. De Heer Brisson, bij wien het Zwijn of Varken het
eenigfte Geflagt uitmaakt in zijne zevende B.ang, behel« zende zodanige viervoetige Dieren, die Snijtanden in de heide Kaaken en de Hoeven der Pooten in tweën ver- deeld hebben ; is over de Tanden zeer uitvoerig. Wan. neer derzelver getal, zegt hij, in de beide' Kaaken ge- lijk is, zo zijn er in ieder Kaak vier of zes. Als het zelve ongelijk is* vind men altijd de meesten in de On derkaak. Het grootfte getal der Snijtanden gaat nooit het andere meer dan twee te boven , te weeten aan ieder zij- de van de Kaak één; deeze verfcheidenheid kan nier die- nen, om de bijzondere zoorten,in dit Geflagt te onder- fcheiden , om dat het getal der Tanden in de Dieren van , eene zelfde zoort verfchilt; ook niet de Sexe, want hij had zo wel in het Mannetje als het Wijfje van dezelfde ^jsoort, onverfchillig, alle die verfebeidenbeden ontmoet. ' De Snijtanden van de Bovenkaak zijn zaamenloopende, die in de Onderkaak, ten minfte de middelden , leggen fchuins, en fpringen voorwaarts uit. Hoektanden/zijn erboven twee kortere, onder twee langere, die uitilee- ken, zegt LinnjEus. Vier zoorten zijn er van dit Geflagt, volgens deezen
Autbèur; het Zwijn natamelijk of geneene Varken; het Genueefche, dat weinig daar van verfchilt; het Zwijn van Mexico, dat de reuk heeft van Meskelinat,- en het Osßindißhe Zwijn of Hoorn-Varken, Babijrousfa genoemt. Wij zullen de HeerHouTTurjN zijn uitneemende Na-
tuurlijke Historie tot een gids gebruikende, eerst de on- derfcheidene zoorten befchrijven; voorts de eigenfehap- pen en hoedanigheden van het Zwijn of gemeens Varken nagaan; en ten laatften dit artijkel befluiten , met de ver- scheidene bereidingen die men inzonderheid voor het watergebruik, van dit Dier vervaardigt. aantetoonen. x. Zeug; Scropha; (Sus dor/o antice fetofo , cauda pi- ma, Li NN. Sijfl. Nat.) Tot deeze zoort worden ook aonrdenHeer Buffon gebragt drie Beeilen, die men ge- meenlijk en zelfs door den Heer Brisson onderfcheiden Vind; naamelijk het wilde Zwijn, het tamme enhet Chi- neejehe. Want de uitwendige tekenen en'hebbdijkhe- \ heeft de Heer Linbu&us niet genoegzaam geoordeeld, |
|||||||||||
|
VAR.
|
||||||||||
|
var:
|
||||||||||
|
J782
|
||||||||||
|
voor dat zij' zes weeken of daar omtrent bereiken, In
de tamme Varkens is het Lijf ook langer dan in de wilde en deCbineefche; deeze laatften worden in Europa dik« wils opgevoed en gemest, hoewelzij kleinder zijn, we« gens de lekkerheid en blankheid van hun Vleesch; zij paaren en teelen voort met de Varkens van het gewoo- ne Ras. Een wild Zwijn , dat tweehonderd-zeven-en« vijftig
ponden woog, 'en welke langte, gemeten en in een regte Jijn van den Muil af tot aan den oorfprongvan deStsrart, vijf voeten agt duimen, was, en de omtrek dwars over het dikfte van het Lighaam heen, vier voeten twee dui< men; had den Snoet en de Ooren zwart het overige van den Kop uit wit, geel en zwart gemengeld. De Keel wasroodagtig; opde Rug had het ßorftels van drie en een half duim lang, welker koleur, van den wortel af tot over de helft der langte, zwart was, verder vuil wit en aan de.punt roodagt/g bruin, ter langte van ongevaar een half duim. Deeze ßorftels lagen agterwaards over en bedekten elkander, zodanig dat men niet ineer dan de bruine koleur van' hunne uitterfte tippen gewaar wierd. Het haair, opde zijden van'tLijf en aan den Buik, had maar de langte van omtrent drie duimen, en was van de zelfde koleur als de Borftels op de Rug, maar, hoewel ook agterover leggende, vertoonde zich deszelfs witte koleur zo wel als de bruine, om dat bet veeldunner^ ftófid. In de Öxels en Liesfcben, aan den binnenkant' der Dijen en bij het Gemagt, was het haair roodagtig; hoewélhet, naauwkeun'g onderzogt zijnde, bevonden^ werd, alleen maar rood te zijn aan de tippen. Het end van de Staart en het onderfte der Beenen, was geheel zwart. De Staart van een wilde Zeug liep uit in ßor- ftels van zeven duimen-lang. Een Varken van Siam, welks langte, gemeten in een
regte lijn van den Muil tot aan 't begin van de Staart, drie voeten was en negendhalf duim, had langs de Nek en Rug, Borftels van zes duimen lang,daar die op den top van 't Hoofd, en aan de Billen, maar van twee of drie duimen waaren , en de overige flegts een of twee duimen. De Lippen, de Kop aan de zijden , de Keel, de Borst, Buik en de binnenkant der Beenen, hadden weinig haair en fcheenen zeJfs, op eenige plaatzen ge- heel kaal te zijn. Alle de Borftels waaren zwart van koleur, maar men vond er witte tusfchen de Oogen en geelagfigen, gelijk die van de meefte tamme Varkens, op de Lippen, aan 't end van de Staart en aan dePooten. Nog verfchilt dit Varken van onze tamme Europeaanfche daarin, dat zijn Jong, ter wereld koomende, reeds de zelfde koleur heeft, dien het in de volwasfenheid be- houd; terwijl de Biggen der tamme Varkens eerst blank of wit haair hebben> dat naderhand geel word aan de tippen. Het Zwijn is in den rang der Dieren met gefpleeten
Hoeven geplaatst geweest, om dat het maar twee Ton- nen beeft, die op den grond raaken, aan ieder Poot; dat de uiterfte rij der Vingerbeentjes omwonden is met ee- Be hoornagtige zelfftandigheid; en dat de Poofen, in den eerften opilag, veel gelijken naar die van den Stier, Ram,Bok,enz. Zo dra men echter de Huid heeftweg- genoomen, vind men ze zeer verfchillènde ; Want daar zijn vier Beentjes in de Agterhand en Agtervoet, en vier Vis-.gers, waar van ieder beftaat uit drie regelmaa- tige rijen. De twee middelfte Vingers zijn langer dan de anderen, en hebben ieder een Schoen , die op da aard? rust; de twee anderen zijn veel korter, en hebben |
ieder een dergelijk Hoorn, dog 't zelve is hooger g».
plaatst, daar namelijk de Spooren der Osfen, Bokken, Rammen, zijn. Hier zou men de Natuur volgens de aanmerking van
den Heer de Buffon, haast van overtolligheid kunnen befehuldigen; dewijl het Varken , hoe zeer in volko- menheid van 't maakzel zijner Pooten de Dieren, die veel fraaijer zijn van Lighaamsgeftel, overtreffende, geen het minfte gebruik van deeze Vingeren heeft, om iets aan te grijpen ; dog wij weeten het oogmerk van den Schepper niet, en misfcbien doen zij grooterdienst, dan men zich verbeeld. Ondertusfchen is't zonderling, dat inzommige landen dikwils een Ras gevonden word van tamme Varkens, die altijd maar ééne Hoef of ongefplee- ten Poten hebben ; 't welk Aristoeeles reeds aanga» merkt heeeft, in Illijrie, Pasonie en elders voor te koo» men, en Linnjeus zegt, dat men zulks omtrent Upfal in Sweeden niet ongewoon is. De Ingewanden van het Varken gelijken, zo men ge«
meenlijk zegt, onder alle Dieren het meefte naar die vanden Mensch, enderzelver gefteldheid iszo bekend» dat ik mij niet op zal houden, met die te befchrijven. Alleen zal ik agt geeven op de deelen der Voortteeling in de Zeug , die wegens 't groot getal van Jongen , welke zij in ééne reis ter wereld brengt, merkelijk vaa de andere Beeften zoude moeten fchijnen te verfchillen. De Lijfmoeder echter, heeft maar twee Hoornen, of maakt een figuur gelijk de Karteldarm, waar in deVrug« ten agter elkander- geplaatst 2t'jn; en het Vatvlies omvangt, gelijk in de andere Dieren, het Pis vlies en de Vrugtett, die onmiddelijk zijn vervat in eenzeerdunendoorfchij« nend Vlies, geheel van't Lamvlies afgezonderd, dog met gaten doorboord voor den Mond, het Aarsgat en de Schaamdeelen. Ook gaat door hetzelve de Navelftreng heen, die in de Vrugten van een Zeug welke door deh HeerDAUBENTON ontleed werd, de langte had van ze« duimen. Men kon in derzelver Lijfmoeder naauwlijks iets, dat naar een Moederkoek geleek, ontdekken, dan alleen, dat men op de Oppervlakte van het buitenfte Vlies eenige donker roode puistjes vond, week van zelfftandigheid, die, zo gemelde Heer zich verbeeld, daar voor kunnen verftrekken; II. Guineefch Varken ; Pareus guineenßs ; Sus dorfi
posthe fetofo, cauda longitudine pedum ;umbitico cijflife- ro. Linn, Sijß. Nat.) Dit Beest verfchilt in Lighaams- 1 geftalte naauwlijks van tamme Varkens ; dog het heeft de Ooren zeer lang, uitloopende in eenefcherpe punt, en deS-taart, die geheel kaal is, hangt bijna tot op den grond. Men «indaan't zelve in't geheel geen Borftels, maar hetgeheeie Lijf is met kort Haair, ros van koleur en glanzig zijnde, bedekt. Op de Rug, echter, digt aan de Staart, en omtrent den Hals, beeft het langer haair, dat zich Borftelig vertoont. Men vind deeze Zwijnen in Guinea en Brafil. De Afbeelding, welke bij I Johnstoh Tab. XLVI. daar van gegeeven word, zegt I Brisson is goed. III, Muskus-Z.wijn ; Tajacu, five Aper mexicanvs
mofchiferus. Tijson, Aü. 153. Raj. Quadr. 8j.; Cuai- | gura. Marcg. Braf. 22p. ; Quavlîfà cogmati Quapizott. "' HERN.Mexic.63j.; (Sus dor/o cijstifero, cauda nulia. | Linn. Sijß. Nat.) Veelerleiinaamen heeftditBeestin de Anerikaanfche taal. InBrafïl heet het Tajacu of Cuaigua. | ra; in Mexico Coyamatï of (Juaucoyamatl, dat Muskuf* '-; Zwijn betekent. Johnstojs heeft er een Afbeelding van gïgeeven, onder den naam van Ziinus of Toiacit, dift
|
|||||||||
|
------------...... -- -_
|
||||||||||||
|
--------------------------■..............""......"..... ~........ ■■-■
|
||||||||||||
|
vàh;
|
||||||||||||
|
fAR.
aie: *a de Afbeeldingen van Prso, Marc<ïravë en
NiÈrVberq, goed zou zijn, indien er geen Staart aan was eetekent. De Franfchen van Quajana noemen het Cochon «oir, dat is zwart Varken. De gemeene Naam is Mexicaans Varken; fchoon het zich ook in andere dee- len van Zuid-Amerika onthoud. c \ Het Lighaam is kleiner dan dat der tamme Varkens in
Europa. Dat geene, waar vanRAjus fpreekt, had van den top des Hoofds af, tot aan de plaats daar gemeen* lijk de Staart is in de Dieren, de langte- van twee voeten. De Onderkaak ftak veel verder uit dan de Bo- venkaak. De Hals was kort en dik, en bet Haair uit zwart en wit gemengeld j even als over't geheele Lijf, dat bezet was met Bordels, dikker en grooter dan die der Varkens, dog zo groot niet als van den Egel. Aan den Buik was het Beest geheel kaal, dog aan de zijden had het kort haair \\ dat hoe nader aan't midden van de Rug hoe langer wierd;'zo dat eenigeBorftels aldaar vijf vingerbreedten lang waaren. Op't midden van den Kop, tusfchen de Ooren, had het een bosje ftijf haair, ten grootften deele zwart; de Ooren waaren derdehalf duim lang, regtopftaande en puntig. Het had kleine Oogen, en verder waaren de Snoet en Bek, Pooten en Hoeven, als die van onze tamme Varkens-, de Agterpooten met Nagelen voorzien, langer dan ze anders bij de Dieren zijn, met in twee-en gefpleeten Klaauwen. Het had geen,Staart, en zulks is minder te verwonderen, merkt deeze Schrijver aan ; dewijl er inbetGeflagt derAapen ook zijn, die geen Staart, en andere die een lange Staart hebben. Verfcheide Schrijvers merken aan, dat de Tajaca een
Bultje op't midden van de Rug heeft, zeer leelijk rui- kende, 't welk men zo dra-het Beest gedood is, daar af moet fnijden, dewijl, wanneer dit niet gefchiede, in- minder dan een half uur tijds het Vléescb, door zijnen ilankj niet eetbaar zoude zijn, daar het anders veel fmaa- heiijker en gezonder is dan dat van onze Mest-Varkens, koomende veel overeen met dat der wildeZwijnen. Bris« so» verzekert ook dat het Beursje op de Rug, 't welk waarfchijnlijk in dat Bultje zal begreepen«zïjn, een dun vogt inhout van zeer onaangenaarne reuk. De HeerTv- «on , die een Ontleedkundige Befchrijving van dit Zwijn aan 't licht gegeeven heeft, verzekert in tegendeel, dat het vogt, in dit Beursje vervat, naar Moskeljaat rook. Men weet dat de reuk, in verfcheide ftoffen, ligtelijk verandert. Zommigen zijn er, die dit Gat op de Rug, 't welk zo wijd is dat men er den pink in kan fteeken, een Navel noemen, en willen dat het Zwijn daar door adem haalt, om langer en fneller te kunnen loopen. Bij de Ontleeding van dit Dier, verhaalt Barthoi.1-
kus, werd op 't midden van de'Rug, uitwendig, of boven de Ruggegraat nabij de Lenden-W er velen, een Prammetja gevonden, hebbende den omtrek bijna van een.gouden dukaat, dat de Ontleeder zich verbeelde gefchikt re zijn om Biggetjes daar aan te laaten zuigen; alzo er Klieren onder lagen, en taamelijk groote Aders denvaards liepen, terwijl aan den Builde Tepels geen Klieren hadden, nog met genoegzaame vaten tot af- fcheiding van het zog fcheenen voorzien te zijn. Zelfs gaf dit Prammetje, zo de Laat aantekent, zomtijds een Vogt uit, naar Melk gelijkende; dog bij naauw« keurjge ondervraaging van de geenen, die in Bralil lang gewoonthadden, verftondmen, dat dit vermoeden on- gegrond was; alzo het Beest zijne Jongen uit de Tepels, «ie bet aan den Buik heeft, zoogt. . l |
||||||||||||
|
8783
|
||||||||||||
|
De LeVer Van de Tajacu, zegt hif, word rif et door
een opfchortende Band gehouden, maar is-tnet een en- kel Vlies aan de'Wervelbeenderen-gehegt. Zij heeft geene Galblaas, De Milt die naauwlijks de dikte van een pink heeft, is twee handpalmen breed. De Maag is; met tweeAanhangzels, als hoornen, voorzien, bet ee- ne boven, het ander onderaan dezelve. De dunne Dar« men waaren aan de regterzijde, om hoog; de dikke, aan de flinker zijde, om laaggeplaatst; hebbende, mefe elkander, 'de langte van vierendertig voeten. Het Hart is een handbreed af van't Middelrift. De Long is in zeven Lobben verdeeld, waar van drie ter weder« zijde, de zevende omtrent de punt van't Hart, als ge- meen zijnde aan de beide deelen. Volgens de Hr. Linmsus is het Lighaam ascbgraauw,:
met een geelen Band om de Schouders, en een zwattr Kruis boven de Neus; de Pooten zijn zwart. Het heeft een witte Vlak boven de voorfte Kniejen ; körte zwarte overendftaande Borftels tusfchen de Ooren, diekortzijn-,. niet op de Rug; een Bultje aan de zijden vanden Bek en boven de Neus. Boven de Billen is een Klier, die een vogt affcheid, dat zeer welriekende is. Deeze Beerten loopen troepswijze en houden huis in, -
de gebergten en bosfchen, leevende, gelijk de Var- kens, van wortels, eikelenen vrugten. Men verhaalt, dat zij allerlei/ zoort van Slangen, als ook de venijnigs Padden, den oorlog aandoen. Zo dra zij een van dee- ze Dieren vinden, vatten zij hetzelve met de voorpoo- ten, (laan de tanden in den kop en zetten er hunne nagels in. Wanneer het een Slang is of Adder , wes- ten zij het zelve de huid, zeer knaphandig, van den kop tot aan den ftaart toe, af teftroopen , en eeten het vleesch; gaande vervolgens zo men wil, den wortel op- zoeken van een Boom , die hen tot tegengift zou ftrek- kenvan allerlei] venijn, 't Welke het mögt hebben inge-; zoogen. Rajùs, echter, en veele anderen, twijfelen- aan dit ftuk. Men fcbrijft dat deeze Dieren zich als bij geheele legers verzamelen, en zich dusj ondereenen O- verften of Veldheer, tegen de Tijgers en andere Roof« dieren verdedigen. Laat heeft, zo Ruisch verhaalt, er een gehad, 't welk hij tam gemaakt had en zes maan- den hield, voedende het met dunne fpijze even als ge- woone Varkens. IV. Hoorn-Varken'; Babijrousfa; (Sus dentibns-dw*
bus caninis fronti innatis. Linn. Sijfl.,'Nat.) Met re» den word dit Beest Hoorn-Varken of gehoornd Varken, enz. genoemt, welke naam aan 't zelve veel- beter voegt dan die van Zwijn>Hert of Hert-Zwijn, geliik het ei- gentlijk zou moeten zijn, indien men deeze benaaming op eene behoorlijke wijze gebruiken wilde. Want het gelijkt het allerniinfte niet naar een Hert, dan wegens de Tanden op 't bovenfte Kaakebeen, die ondertusfchen. zeer weinig overeenkomst hebben met de Hoornen- van een Hert. Men zoude ook, wel is waar, niet zeg- gen kunnen, dat het volkoomen naar een Zwijn ge- lijkt; dog het verfcbil is zo gering, dat men geen re- den heeft, om het van de Zwijnen af te zonderen. Deln- diaanfche naam , Babijrousfa, betekent niet meer, dao- een Zwijn of Varken, dat iets heeft van het- Hert. Volgens het verhaal van Vai.entijn, door wierr dît
Beest befcnreeven word-, zou het zelve zich nergens an- ders dan op'fEiland Bouroeen derMoiukkes, bewesteil Amboina ; op dè Oostkust van Celebes en daaromftreeks, onthouden. Het.moet er vrij gemeen zijn, dewijl Ses* .getuigt,, wel, vijftig zodanige Koppen of Bekaeneeien C & gei- |
||||||||||||
|
\
|
|||||||
|
-.VAR.
de daar toe van 4e Natuur aan den Snoet voorzien me$
een rond Kraakbeentje,, dat opgeheven en ftijf gemaakt word door twee : Spieren,, die van den onderften rand van 't Jukbe.en af komen, en zich met twee fterke pee? zen in dit beentje inplanten. Dit wroeten ftrekt hun om de wortelen te vinden en magtig te'worden, diej voor hun eenJekkernij zijn ; meestal de genen die van den Mensch gegeten worden; gelijk Karooten, Raapen, Aardappelen, Scorzoneeren Paardebloemen; dog ook die van eenige andere tKruiden, gelijk de Filipendula, en Komijn; Men verwondert zich dikwils, hoe zij in de Bosfchen , daar niet dan Wortelen van de Boomen fchijnen te zijn, zodanig wroeten mogen; dog dit ge- fchied om de Aardbuilen , die geen fteng of bladen bo- ven den grond vertoonen , op te zoeken. D't wroeten, nu, ftrekt dikwils tot fchade van de Landlieden, dog aan den anderen kant worden daar door de.onbebouw- de Velden als geploegd en tot Koornland bekwaam ge- maakt. Op dat zij dit niet in de Akkers of Weidlandejij mogen doen, zijn de Boeren op zommige plaatzen door de wetten verpligt, hun jaarlijks den Snoet met een/,ijve- ren ring te voorzien, of, denzelven aan't end met, een els doorboord hebbende, een ijzer- of koperdraad daar door te fteeken en dit zodanig om te draaijen, dat het er niet uit kan gaan; 't welk de Varkens door de pijn, die het verwekt, in 't wroetsn verhindert. Thans word ons de uitvinding medegedeeld, om hun ditkragdaadig en voor altoos te beletten. Men moet, naameijk, de ge- melde Peezen omtrenteen duim van 't end van den Snoet niet nader, (om het Kraakbeen van de Neus ongekwetst te houden,) geheel affnijden ; waar door men ook ineens vrij is van het deerlijk fchreeuwen deezer Beeilen en Van de moeite om ze alle jaaren den Snoet te doorboo- ren.,. Behalven Wortejen, Raapen en dergelijke Aardvrug-
ten, Grasen Kruiden, eet het Zwijn ook Wormen en eenige andere Infekten , zelfs vleesch en ingewanden Van grooter Dieren. In 't bijzonder echter is gras en koorn, benevens allerleij boomvrugten, Nooten, Ap- pelen, Peeren, Pruimen, en wat meer van dien aart gevonden word., zijne gewoone fpijze. De wilde Zwij- nen mesten zich zelven met deEickejs, die zij in de Bos- fchen vinden. Om het Koorn te befpaaren worden de tamme, in Dalekarlie, dikwils met koeken, die van de Pijnboomen-fchors bereid zijn, vet gemaakt. Als de Beukeboom in de zuidelijke deelen van Sweeden vrugt draagt, "twelk alle jaaren niet gefchied, dan worden de Varkens, uit de nabuurige plaatzen, in den herfst der- waards gedreeven, en, tegen den winter terug gehaald', zijnde dezelve dan zo ver, als zij te vooren mager waaren; dog het Spek fmejt onder't kooken bijna weg, hoewel het aan de pottagieeen aangenaame fmaak geeft. Van de Eic- kels enKarftengen krijgen zij vaster, en koorn of meel, mét-zuur huij gemengd, het allerlekkerfte Spek. Ook worden ze wei met Jenever-Stookers-drank of Spoeling vet gemaakt, alsmede met het afval van Stijfzelmake- rijen, dog dit levert beide week en onfmaakelijk Spek uit. Men kan ze des noods, ook voeden met de blade- ren en takken vanOlmeofIJpeboomen, gelijk in Noor. wegen dikwils uit gebrek gefchied, en dus worden die tot winterkost voor deeze Beerten opgezameld. Behalve het Mesten moeten de Varkens ook in de*w,£«-
ter gevoed worden, 'twelk, als de grond bevroozen en met fneeuw bedekt is', kostbaar valt; alzo zij aan Hooij aileen zich niet voldoen, kunnen. Hierom heeft iemand voor?
|
|||||||
|
37*4 " f AU,.
gezien te hebben; die om de zeldzaamheid uit öosjindie
in Holland worden overgebiagt. Het gelijkt in ko.leur.- naar àe tamme Varkens, dog is wel zo blank ; het Lijf grof en vet; de Kop langwerpig en fmal, met een langen Snoet, tot het wroeten in de aarde bekwaam. De Oo ren ftaan regt op, zjjn klein en puntig; de Gogen klein. In de Bovenkaak heeft,het twee Slagtanden ,, of twee grooteomgejuoinde Tanden, die zodanig ftaan, dat de punten reiken tôt aan de Neusbeentjes, onder de Oo- gen; 't welk vootnaamelijk in deeze Dieren plaatsheeft, a;Js zij oud woeden, en hun dan pijn veroorzaakt. Dee- z.e Tanden koomen met de wortels bijna tot aan de Oog- hollen toe. Die van de Onderkaak zijn ook lang, ge- kroond en in 't voorde gedeelte, geplaatst; Pooten heeft het, gelijk de Europeaanfche Varkens, met gefpleeten Hoeven; deßeenenzijn langendun; de Staart is groot, gekruld, en eindigt met een Kwast. Zomroigen hebben beweerd, dat deeze Tanden Hoor-
nen waarerj, dog de zelfftandigheid toont: genoegzaam aar), dat het niets anders zijn dan Tanderi. Meer ver- fqhil is er over den diensc,, welke bet Beest er van beeft; het komt mij niet w a-ar fcbljn lijk voor, dat dezelven er tot enkel cieraad.aan zouden gegeeven zijn, nog ook, om zieh bij nagt daar mede op te hangen aan den tak van een Boom, ten einde in veiligheid voor te Tijgers en andere Roofdieren te kunnen flaapen; maar veeleer, dathetde« zei ven tot zijne verweering gebruikt; en misfchien ook om de vrugten van eenige Boomen af te fcbeuren, ter- wijl het andere Tanden om te bijten en te kaauwen beeft. De Indiaanen agten het Vleesch van dit Hoorn Var-
fa?« bet besteder wilde Dieren, en fmaakelijkerzelfsdan dat van 't gewoone wilde Zwijn. Het Lighaam is met haair bedekt, dat zeer zagt isop't aanraaken, kort en als Lammen-wol ; dog boven op de Rug is het borfte« lig en hard. Wat gebruik men daar, van maakt, vind ik niet aangetekenu... ; Migenfchappen en Hoedanigheden, en maniét
van mesten der Varkens. Onder alle viervoetige Dieren fchijnen de Varkens in
beestagtigbeiduit te munten. Behalve een onverzadelij- kegulzigheid, die bun onverfchillig wat voorkomt, zelfs Menfchendrek, doet-, inzwelgen, fchijnt de morzigheid hun aangeboorett, en dit maakt ze tot veragtelijkevoor- werpen,, die men fchuuwt aan te raafcen, en daar men, bij Luiden van fatfoen, niet dan mét befchroomdheid van fpreekt. Buitendien is ook de luiheid of traagheid en koppigheid hun eigen, zo dat men dikwils moeite beeft om ze langs den weg voort te krijgen, 't Is be- kend, hoe onagtza'am zij zich in de fiijk omwentelen, en in fonnefcbiin beminnen te flaapen of fluimeren, blij- vende dikwilf -tot aan den middag in hun Kot. De kou- de regenbuijen doen hun aanftond lijfberging zoeken, en bij't opkomen van een onweder geeven zij hunne on- gerustheid te "kennen, door gieren, herwaards en der- waards loopenen't opneemen van ftroo:zolang, totdat zij zich bij elkander in eenefcbuilplaats bevinden. Men ziet ze. zelden met elkander fpeelen , gelijk de mee- fte andere Dieren, nog jong zijnde,' doen; maar met ge. duurig knorren brengen zij hun leeven door, zo dat het een fpreekwoord geworden is ; hij knort'als een Var- heiu - ■ Het wroeten in den grond, om de kost te zoeken,
is ssneigenlchap, welke dit Dier, bijzonder heeft, zijn« |
|||||||
|
VAR. If gs
|
|||||||||
|
VAR.
|
|||||||||
|
"fchrikken, fnuiven zij zo geweldig, dat men hef. op een
grooten afftand hooren kan. Ziekiens en Ongemakken der Varkens.
Dit Beest is, uithoofde van zijne vetheid en ïnorfig. held, eenige kwaaien onderhevig. Van Schurft ïöopen de vetften meest gevaar, indien men niet zorgvuldig de hokken fchoon houd, en 't fpek van zulk een Varken kan, wanneer het gegeeten word, veel nadeel doen. Luizen gaan hier mede, gelijk in de Menfchen, dikwils gepaard. Het gemeenfte ongemak dathun overkomt, is het geene men Gortigheid noemt, als wanneer het Spek niet deugt, zijnde vol kleine harde korreltjes. Deeze ziekte, waar omtrent de Koopers ligt zouden kannen bedroogen wor- den, ontdekt men door't opligten van de Tong; als wan- neer dezelve zich-van onderen, .'tzij door kliergezwel- len of kleine zwarte flippen, duidelijk openbaart. Ook kan men zich van hunne ongezondheid verzekerd hou- den, indien de Borftels uit de Rug getrokken, aan den Wortel bloedig zijn, of wanneeer zij op de Agterpöö- ten niet kunnen ftaan. Om de Gortigheid van een Varken te geneezen, is het Spiesglas hun ingegeeven, van veel dienst. Het wilde Zwijn is van deeze ziekte bevrijd. Huishoudelijk gebruik van de Varkens.
Het Varken van geen 't minfte nut in zijn leeven, le- vert ons na dat is vet gemaakt en geflagt, een fchóohe voorraad in de winter en.fomer uit, het zij versch ge- bruikt, .gezouten of gerookt. Wij Iaaten de verfchillen-- de bereidingen volgen, hoedanig het zelve op eenen an-- dere wijzen gereed te maaken; en wij zullen dit artijkel befiuitenmet de Lezer te onderrichten, op wat wijze het tot winter- en fomer-pfovifïe word gezouten en gerookt. Hier moeten wij nu nog aantekenen, dat de lange Bor« ftels die op de rug der Varkens zitten, gebruikt worden tot allerléij zoort van Vloervegers, Luiwagens, KIe- derbe?sems ehz., dog die van de tamme Varkens als zeer flap kunnen niet als tot gemeen goed worden verwerkt,, maar het beste goed word uit uit Borftels van Wilde- zwijnen vervaardigt, waarvan een genoegzaame voor- raad uit zommige plaatzen aan de Oostzee en elders, tot pifs worden gebragr. Eertijds pleeg men het Vel of zo genaamde Zwoor van Varkens zodanig te berei- den, dat het koste gebruikt worden tot 't binden van Boeken, zo als mén nog veele oude Boeken vind met zodanige Banden gebonden , daar allerhande figuuren In gedrukt fiaan. . Hoedanig men een Speen-Varken braad. ' ".
Het Speenmvarien zindelijk geflagt en de borftels er tér deegen afgenomen zijnde, zo wascht en zuivert hét wel ; bewrijft het van binnen met zout en peper, en doet er een goed ftuk boter in, waar na men de buik ter deegen met houten "pennetjes toefteekt; de voor- zo wèl als de a'gter-poöten moeten zodanig geboogen worden als of hij. op zijn knijè'n lag, fteek hem alsdan aan het fpit en laat hem braaden ; zo dra men vermerkt dat het vel begint te fchuimsri, moet men het terftond met eqn fchoohe handdoek afveegen, dit maakt dat het hard en knappen» de wórd, ""bedruipt hem ter deegen met dejeu èrt boter; die er uitloopt; gaar zijnde, zo trekt er de houten pen- netjes uit, fteekt hem een oranje-appel in den bek, en zet het warm op tafel zommigengeeven.bier wel een cha* litte Jaus hij ; zie SAUS.. |
|||||||||
|
»oorgeftélddeEattenftaart, een waterplant, die ïn on«
diepe flooten overvloedig groeit, daar toe te gebruiken. Dezelve kan door middel van een ftok, die aan't end met twee doorgeftooken fpijkers, in't kruis ftaande, is voorzien, bekwaämüjk met haare wortelen worden uit- gehaald, en, indien men ze dan zodanig bewaart, dat zij maatig uitdampe en niet rotte, zo zal dit een lekker voedzel voor de Varkens zijn, waarbij dezelve zich wel bevinden en hunne kragten behouden. Zie Verhandel. der Kon. Sweedfche Akad. IV. Deel bl. 145. Met deeze Beeilen wagt men, gelijk met het overige
Vee, den tijd der volwasfenheid niet af, om ze vette maaken; wänrdit gefchied met de Varkens hoe eer hóe beter. Het Snijden, dat altijd de Mesting voorgaat ; word g woon! ijk verrigt als zij zes maanden oud zijn , in 'c voorjaar of in de herft-, en nooit in een zeer --beet of koud faizoen; 't welk de wonde gevaarlijk of moeijelijk te geneezen maaken zou. Wanner de Biggen in't voor- jaar zijn gefneeden, worden zij in de vol^endeherfst ge- mest, en het is zeldzaam , dat men ze twee jaaren laat Jeeyen; zij gröeijén echter nog in het tweede, derde, vierde, vijfde jaar, geijjk men ziet aande Zeugen en Bee- ren, die hoe ouder bijna hoe zwaarder en grooter zijn. Men rekent dat het leven der wilde Zwijnen zich tot vijf- entwintig of dertig jaaren uHftrekt. Aristoteles ftelt twintig jaaren voor den leeftijd van de Varkens in 't algemeen, en hij voegt er bij, dat de Mannetjes en Wijfjes, beiden , tot de vijftien jaaren toe vrugtbaar zijn. De Zeug is altijd ritzig, en Iaat zich, zelfs bevrugt'
zijnde, befpringen; zij draagt vier maanden, en, géduu- rende dien rijd moet de Beer van haar afgezonderd blij- ven, om de Vrugt niet te kwetzen. nog de Jongen, als die ter wereld koomen, op te eeten ; gelijk de Zeug zelve zom- tijdsdoet, wanneer zij gebrek aan voedzel heeft. Men laatze in 't begin van 't jaar befpringen, op dat de Big- gen nog voor den winter zouden kunnen groeijen; dog als men ze tweemaal in 't jaar wil doen jonden,- zo doet men zulks in november, wanneer de Biggen, in maart- ter wereld komende, nog voor den winter bekwaamlijk kunnnen worden vet gemaakt en geflagt. De wilde Zeug werpt maar eenmaal 'sjaars, en dat gemeenlijk in de fo- mer, zij laat haare Jongen wel drie of -vier maanden zui- gen, en houd ze bij zig tot dat ze twee of drie jaaren oud zijn. De tamme Zeïig hat men haâre Jongen niet meer dan twee maanden zoogen ; zelfs worden Aé Biggen als zij drie week en oud zijn , reeds met de Moer in 't land gejaagd, om ze aan 't gras:eetên te gewennen; vijf weeken daar na worden ze "van de Moer afgenomen,, en met huij en zemelen gevoed, om ze naderhand te niesten, of met melk toc Speenvarkens/gemaàkt, De botheid der. Varkens blijkt nog te meer, dewijl de
■Biggen naauwlijks hunne Moer kennen* prammende aan «e eerita; Zeug, die hun voorkoomt; dog in de wilde twijnen fchijnr, misfehien uit noodzaake, een grooter flnft te zijn van de Jongen naar de Moer, en de Ouden zijn ook daaromtrent oplettender. In den bronstijd zoekt net Mannetje en volgt het Wijfje, blijvende doorgaans aertig daagen , met haar, in het■ digtfte der Bosfcagiè'n. Wet isdiestiids woefter dan ooi'H en word zelfs verwoed indien een ander Mannetje zijne plaats inneemen wil,: wanneer zij met elkander vegten en zich zomtijds doode- ng kwetzen. Men hoort ze, in zulk een geval, ijzelijk g'eten, dat anders de 5««-zelden doet, maar de Zeug meermaalen, en, als zij verrast.worden of fchieljjk ver- |
|||||||||
|
VÄff.
|
||||||||
|
VAR;
|
||||||||
|
3736
|
||||||||
|
,., ... . .'..; Gefarceert Speen-Var%e%,.t ■ r; ' ,r:; liijop een gatje-pan wórd gelegt orn te veflekken; nog
'Het Speen-va'rfon gezuivert zijnde., trekt men er hst warm zijnde, neemt men er alle de beenderen en vellen vel zodanig af, dat er de kop, pooten en ftaart aan blij« nauwkeurig uit, dog het zwaard moet er aangelaatea. , ven zitten■; fhijd dan al het yleesch van de beenen, doet worden ; dit te zaamen fijn gehakt zijnde, doet men er er-de lever, de nieren en het hart bij, voorts nog een bij, peper, zout en kruidnagels dn het een verheven (maak kalvernier met het vet, hakt het ter deegen fijn, en maakt nebbe, en roert bet er ter deegen onder ; hebt dan een fier- het fmaakeiijtomet peper, zout en nootemuscaat, benevens ke doek in gereedheid, die men nat maakt en bier dan het eenige fijn gefneedenchalotten en wat thijmiaan, doet hakzel indoet, bind die ftijf toe, en laat het een nagt dit hakzel in het vel, en-fteekt het van onderen wel met over tusfchen twee ichoone planken met de ruimte ge- pennen toe, legt het dan op de vier pooten rustende in wigt boven op (laan te perlen. Deeze kaas word als dan jeen groote taartepan, en laat het in den oven, of met in een verglaasde pot gezet, en er een part wijn-azijn en vuur van ónderen en boven gaarbraaden, aandisfende, twee parten water't welk eerst gekookt en weder koud zo ftéekt hem een -'oranje-appel in den bek, en geeft er geworden-is opgegooten, men bezwaart het met eenzui- als boven een chalotte faas bij- ver ftuk leijfteen op-dat het onderde azijn blijve, kan ■■ ï , *. ' - . ! lange duuren en is's wjnters zeer fmaakelijk bij falaad, Gezult Speen-Varken...... ■--.- enz. Zommigen gaan heen en neemen de groote ftuk- Het Speen-vàrkenals boven gezuivert zijnde, zo fnijd ken zwaard die van het faufife-vleescb zijn gekoomen,
het in zes, ' ag't-of meer ftukken, kookt die in zouten kqoken die. met de kop gaar en leggen het na met zout,
water gar, dog moet vooral niet te week zijn; uit het peper en kruidnagels beftrooit te zijn; even als een korst
water genoomen en koud geworden zijnde, zo rangeert om het fiakzel, voorL dat het in de doek, word gedaan;
herïn een verglaasde pot, legt tusfchen de ftukken dit is ook zeer goed, en ftaat fraai, wanneer het hoofd-
ïri, 'wat heele peper,, foelie aan ftukken gebrooken en 'vleesch aan plakken^gefneeden opeen fchotel legt,
ïeeehige laurier -blader,\; neemt vooits twee deelen water . ~v.
dat eerst gekookt en weder koud geworden is, bstie- Ein Varkens-fchijf te bereiden. .
veins een deel wijn-azijn, giet dit op het Speen-varken dat , Neemt een verfche Farkens'j'chijf, befteektdiealsrnen1
het wel bedoven worde ; kan langer als een maand goed ér een Liefhebber van is met chalotten, doet er voort»
blijven, en is zeer lekker koud met vlier' of viookn-azijn bij zout, geftooten peper enkruidnagels; doet hem in een
gegeetenj : --, fteenen pot of casferol benevens wat water en laat hem
, ..... zoetjes ftooven, met een dekzel met vuur er op; gaar
Varfche Varkenskop gebraaden. zijnde, zo neemt hem uit de faus^ en geeft er mostert
' Klooft dezelve midden door, flaat er de fnuit en qo- ofwel een chahtten-faus bij. :y
ten af, en neemt er de hersfenèn en oogen uit die men ,
wegwerpt'■>, de fnuit en ooren befprehgt men met wat Hoedanig men de Varkens-pootjes en Ooren toericht. .
zout, om die naderhand bij groene erwten te kooken, of De ooren, pooten enjnuit eenigen tijd in het zoutgb-
wel een ragout van te maaken, befprengt dan de kop ftaanhebbende, laat men die in ruim water gaar kooken,
overal met zoz<t, legt hem in een braadpan, zodanig waar na de pooten aan kleine ftukjes worden gekapt,
ïdat het opperde gedeelte daar hetvel aan zit boven leg. en de ooren, enz. aan ftukken gefneeden; maakt dan
ge;, fnijd er nütswïjze kerven in, beftrooit hetdanmet eenfausrobert, zie SAUS; iaat hier de pootjes, enz.
een weinig geftooten peper en kruidnagels en laat het in een weinig met opftooven en discht het warm aan ; is
de oven gaar braaden; op de fchotel leggende zet men fmaakelijk voor de Liefhebbers. Ook kan men depootjet
de beide zijden van den.kop zo na bij een als doenlijk is, wanneer gaar gekookt zijn in het lang doorhouwen,
en geeft er een chalotte- of faus-robert bij, zie SAUS. . voorts op de rooster braden na metpeper en,zout beftrooit
Op dezelfde wijze kan men ook een ander ftuk van te zijn, en er een faus-robert of ckalotten-jaus bij geeven»
een Varken, als bij voorbeeld een Ribßuk of vexfche Ham gereed maaken. - " . Hoe een verfcheFarkens-rib word toebereid.
Steekt de rib, na dat de dezelve een dag a vier in 't zout
Üeßoofde Varkens-kop. geftaan heeft en wel afgewasfehen is aan't fpit, laathein
Ee kop op voorfchreevene wijze gezuivert, uitgedaan voor een heet vuur fchielijk gaar braaden, wel op be-
en geklooft zijnde, legt men dezelze vier à vijf dagen druipen pasfende en er van tijd tot tijd geftooten twee* In azijn,- er marjolein, tijmiaan, laurier-bladen, enz. bak waar in een weinig peper is gedaan overftroijendej bijvoegende^ legt hem dan in een vertinde çasferol of is zeer fmaakelijk met mostert gegeeten, of wel geeft er fteenen pan. doet er bij zout, geftooten kruidnagels en een chalotten-fausbij. peper, fijn gefneeden chalotten, eenkorst van roggenbrood Ook kan men de rib eerst gaar kooken, en daar na
en een bierglas vol roode wijn, laat hem dus de pot of met peper en zoat beftrooit zijnde, op den rooster bruin : casferol ter deegen gefiooten zijnde drie uuren op het braaden. : j
vuur ftaan dat hij maar zagtjes pruttele; als dan op de ;-.-,-
fchotel gelegt zijnde, zo fchud en roert défaits terdèe- Om rolletjes van Varkens-zwaard te maaken.
gen op dat die binde, en laat die voorts door een ver- Hier toe worden de zwaarden genoomen die men van j
.giet-test over de Kop loopen. ., het faufijfe vleesch affnijd, ten dien einde laat men er
. wat fpek aan ziften, beftrooit ze rijkelijk met zout, ge- ':
*1 Om Hoofd-vleesch of Kaas van een Farkens-kop - ftooten kruidnagels en peper, legt dan de zwaarden vijf \
te vervaardigen. of zes dik op malkanderen, de kleinfte ftukken van bin- ;
De kop op voorfchreeven wijze geklooft en gepeinigt nen en rolt ze aan rollettjes van een hand dik, dezelve
zijnde, dog de ooren en fnuit kan men er aan Jaaten; ter deegen met bindgaaren bewoelende; voorts laatmen j
jsookt men hem in ruim water ter deegen gaar, waar na ze in water ter deegen gaar kooken, .zo dat men er ge« i 1B3l£" ;
|
||||||||
|
,; VAR. VAR, v. 3787
|
|||||||
|
makkelijk met een ftroohalm kan infteeken, legt ze op
engatje-pan, en doet ze daar na koud geworden zijn. de, in een pot of kruik met azijn en water, zodanig als ten aanzien van het Hoof'dvleesch is geleert; dit is fmaa- keiijk, en men legt er gemeeenlijk een'fchijfje van, tus fchen het hoofdvleesh, 't wel niet onaardig op de fcho- tel ftaat. Hoedanig hit Varkens-vleesch in de Slagt-tijd
word behandelt. Het Varken zindelijk geflagt zijnde, laat men-het een
dag of twee hangen om te bederven ; intusfchen maakt men BeulingenoïlVorflen van hetbloedsa de lever, enz. zie WORSTEN. Afgehouwen zinde, zo maakt van de Kop op de voor-
fchreevene wijze een Kaas o? Hoofd vleesch , ofwel fnijd er de Kinnebakshammen af die men voorts zout orn in den rook tot fomerprovifie te hangen; de Tong, Öo- ren en't geen er verders nog goed aan de kop zit, kan als hutspot gezouten worden om vervolgens bij veeler- lei fpijfen te kooken , ook is de tong uitneemend lek- ker gerookt zijnde, naderhand gekookt. De Reuzel en 't Scheidel-fmeer worden aan kleine dob-
belfteentjes gefneeden en de vellen er uitgenoomen zijn- de gefmolten, voorts in een keulfche kroeg of pot ge- daan , en wanner het vet begint ftijf te worden wat fijn zout er onder geroert. Deeze dus toebereide reuzel is genoegzaam al zo goed als boter tot het- ftooven van groentens; insgelijks om er veelerlei zoort van gebak in te maaken, dog als dan moet dezelve vooraf gefmolten worden om er het zout uittekrijgen. De Ribben worden aan ftukken na believen gehouwen ,
insgelijks de Rug; deezen zout men bij malkanderen in een pot, om bij groene erwten, raupen, enz. te eeten, wanneer eerst braaf moeten worden geverscht of ander- zints apart gekookt. DeOoTOï, Pooten, het beneden-eind van den Staart,
ook doen zommigen hier aeßnuit bij, zout men in een pot apart, om naderhand op'de hier vooren befchreevene wijze te bereiden. De Schinken of Hammen worden uit de zijden fpek ge-
ineeden , insgelijks de Schouders; als dan de zijden fpek onder en boven gelijk gefneeden zijn , fnijd men er pog ter zijden aan de buik-kant een goede ftreen af, dienen- de tot het Jäüßjfen.vleeicJt, de Hammen worden ook or- dentelijk geratfoeneert en befnoeit, wordende dit afval mede tot de faucijfen gebruikt , als dan zout men de /.ij den, Hammen en Schouders ter deegen, vooral allede gaten , inzonderheid der Hammen bij de fchenkels vol zout (toppende, laat ze dus negen à tien dagen leggen, van tijd tot tijd het droog gewordene weder met zoutbe- itrooijende, hangt ze als dan benevens 'de Kinnebaks- hammetjes en Tong in de rook, en laat ze dus in een ver- trek daar dagelijks geftookt word een maand drie a vier m de Ichoorfteen hangen, zonder er zakken of iets ter waereldorn te doen; uit de rook genoomen zijnde, bor- ïelt men het een en ander meteen fchoone drooge hand. icbrobber af , en legt het op de deis of andere drooge ptaats tot het gebruik. De Schouders of vooriïe Hammen worden ook wel tot faufijfen-vleesch gebruikt-als men de ruimte wil-rnaaken. Het zwaorrf't welk van het faufij. Wgtev* a gekoomen, maakt men op de voorfchree- fcri Zl]ZS RolletJes van" Al het overi§e afl word tot VII D ?np0t sezouten- Zommigenlaaten de Ham- |
|||||||
|
men en Schouders aan de zijden zitten en rooken het dus
in zijn geheel ; dit is ook goed, dog dan kan men niet veel fanfijjen maaken , of men moet zulks van een ander Varken doen. VARKEJNS-BROOD; in't latijn Cijclamen , Panis
j>orcinus; in't grieksch , KutA«'jW£V(^, van Kust*©*,; een Cirkel, om dat de Wortel deezer Plant roodagtig is. Het draagt de naam van Varkens brood, om dat de Wortehniet kwaalijk naar een rond brood gelijkt, en door de Varkens word gegeeten. : Kenmerken, Dit gewas heeft een dikke, roode, vlees-
fchige wortel; de Bloemen koomenelk op zich zelve op voetfteeltjesuitde Wortel voort, beffiaandeuiteen blad, in vijf of zes verdeelingen onderfcheiden, die bijna tot de grond toe, alwaar ze verdeeld worden, omgekruld zijn. Het ftijltje der Bloem word eene ronde vlieiige Vrugt, welke veele rondagtige Zaadjes bevat. ■ Zoorten. Daar zijn veele Veranderingen van dit ge-
was , bijna ondoenlijk om ze alle onderfcheidentlijk aan te toonen ; dog welke men alle gevoeglijk na derzelver bloeitijd kanverdeelen; als.invoorjaars, fomer, herfst, en winter bloeijende; en deeze wederom in d,e gedaante der Bladen, als, metrondagtige, langwerpige, hoeki- ge, gefnippelde, of gefcheurde, en bontgevlakte Bla- den; diei men verder onderfcheid naar de Bloemen, ais met purperverwige, roode, witte, enkelde en dubbel, de, ruikende en niet ruikende. Wij zullen echter de voornaamften, die men't meefte in de Tuinen cultiveert opnoemen. i. Gemeene Herfst-Varkensbrood, met purpere Bloe
Cijclamen haderae folio, flore purpureo. C. Bauh. Pin. ; (Cijclamen corolla retroflexa. Liss. Spec. Plant.) 2. Herfit Varkensbrood, met witte Bloemen, Cijcla-
men folio, flore albo. C.Bauh. Pin. 3. Rondbladig Varkensbrood, met Bladen die van onde-
ren een purpere koleur hebben ; Cijclamen orbiculato fo' Ho, inferne purpurascente. C. Bauh. Pin. 4. Klein voorjaars Varkensbrood, met rondagtige Bla-
den die van onderen eene roodagtige koleur hebben, en kleine hoogroode Bloemen ; Cijclamen vernum , minus orbiculato folio , inferne rubente, flore minore ruberrimo. Moins. Hifi. Plant. - 5. Perfiaanfch in den winter en voorjaar bloeijend Var-
kensbrood; met grooteen witte Bloemen en een purperen grond; Cijclamen hijeme &? verne florens,folio angulofo amplo, flore albo, haf e-purpureo, perficum diäum. H. R. Par.; (Cijclamen corolles lumbo nutante. Link. Spec. Plant.) 6. Perflaansch Varkensbrood in den winter en't voor-
jaar bloeijende, met eengroote vleeschkoleurige Bloem en een purperen*grond ; Cijclamen hijeme &f vereflorens folio augulofoamplo,flore carneo, bafipurpureo. H.R. Par. Plaats. De vier eerfie zoorten groeijen van zelfs, op
berg-en fchaduwagtige plaatzen vanOoftenrijk, Honga- rijen, Switferland, Italien, enz. De vijfde en zesde zoor- ten in Perfien en omtrent Aleppo in Sijrien. Kweeking. De vermenigvuldiging van deeze Gewas-
fen gefchied door 't Zaad; ook door in ftukkenfnijding der Wortel, zodanig dat er aan elk ftuk iets van de kruin blijve, waar uit de Bladen fpruiten, in 't laatst van maart of april. Het zaad in feptember of october in potten of bakjes te zaaijen, die 's winters in 't oranjehuis moeten gezet worden, koomende dit zaad als dan de volgende fomer op. Alle de zoorten beminnen een goede, los- D < . ; fe |
|||||||
|
3?88 ^VAR.
fe zandagtige grond , liefst een Iommerijke ftandplaatói
's Winters moeten dezelve in't oranjehuis bewaard wor- den, inzonderheid de tweelaatfie zoorten; de overige kan men noodzijnde nog bewaaren wanneer de koude niet te ftreng is, dezelve met itroo, mos of bladen be- dekkende. Kragt en Gebruik. Dit Kruid is zeer verwarmende,
infnijdeude', openend, oplosfend, en van boven en be- neden fterk purgeerende ; wordende zelden of nooit in- wendig gebruikt, maar uitwendig word bet gepreezen voor klier-, krop- en harde knoest.geztvellen, de verfche Wortel gekneust zijnde, opgelegt. VARKENS.PRUIM, is de naam van een Amerikaan-
fche Boom onder het geflagt der Spondias behoorende; in 't latijn Spondias lutea; Prunus brafilienßs racemojo, ligno intus pro oßculo. Raj. Hifi. 1154 ; Arbor nuci juglandi fimilit, Jeu Hobos, C. Bauh. Pin, 417.; Spon- dias rücemis lerminalibus longitudine folia quantibus. Jacq. Amer, 138,; (Spondiasfoliolis nitidis. Liwzs.Spec. Plant.) Deeze zoort noemt Browne Spondias met vee- Ie ovaale Vinblaadjes, Trosfen aan 't end der Takken , de Schors aan de binnenzijde rood. Geen ander ver- fchil (lelt er Sloanë in, dan dat de Vrugten geel zijn. Het is de Amerikaanfche Pruimboom, door Juffrouw Me- rian zeer wel afgebeeld, zegt onze Ridder, dieer, ik weet niet om welke reden, den bn'naam van Mijrobala- nus aan geeft. De Engelfchen noemen hem Varkens- Pruim, om dat er die Dieren door gemest worden., zijn- de dezelvei>bij de Menfcben zo gewild niet, wegens het weinige Vleesch, dat er om den houtigen Steen zit. De fpaanfchen noemen het Hobos zegt Loeflikg, die het aan de Spaanfche Kust, in Cumana, wildgroei- jende vond, en aanmerkt dat het een taamelijk groote Boom word, zijnde met de Acaja van Marcgraaf en Labat, zo hij oordeelde, overeenkomftig, en dus ook de Brafilifche Pruimboom van Ray. De Heer Jacquin, die er den Indiaanfcben bijnaam van Mombin aan geeft, befchrijft denzelven als volgt. Het is een hooge fraaije Boom, met eene zeer uitge-
breide takkige Kroon , die een goede fchaduw geeft, en daarom ook dikwils in de weiden gepiant word om aan het Vee tot befchutting te ftrekken voor het fteeken van de Son. Men kan hem, zeer gemakkelijk van Stek voortteelen, tot Heiningen, en tevens tot afperking der Landerijen; Hij heeft den Bast aschgraauw en met bar- ften; het Hout witagtig dog zagt, en niet dan tot Kur- ken of tot branden bekwaam. De Bladen zijn gevind ; zij ftaan aan eene rib van een voet lang, meest van ne- gen Bladen, die langwerpig ovaal zijn met eene (lompe punt, glad en gedeeld, de middelden omtrent drieduim 'lang. Aan't end der Looten koomen Trosfen voort, van kleine witachtige Bloempjes, die vijf Blaadjes hebben, in een vijftandige Kelk , bevattende tien Meeldraadjes en een Vrugtbeginzel met vijf Stijlen, wier Stempels za- ■mengedrukt zijn en beilaan uit twee Plaatjes. De Vrug- ten koomen ook troswijze voort, gelijk men dit in de afbeelding van Juffrouw Merian ziet, welkeden Bioe- iem vergeleek bij dien van Vlier , behalve dat dezelve geen reuk heeft. De Vrugten zegt zij, zijn zamentrek- kende en zweet drijvende, en maaken een geel zweet, worden gemeenlijk geele Pruimen genoemt. Zij zijn eetbaar "dog zeer draadig van vleesch. , VARKENS-SNOET, zie LiPVISSCHEN, ».XVI.
tag 1847- . «■ VARKENSrSTEEN, zie PEDRA DEL PORCO.
|
||||||
|
VAR.
VARRENS-TORREN, dusdanig noemen zommigèn
het Infekten- Geflagt, 't welk doorgaans Olijphantjes word genoemt, en't welk wij op dat artijkel hebben belchree. ven. VARKENS.VENKEL; Varkens-Staart ; Sulfer Wor-
tel; fn't latijn, Percedanum; in'tgrieksch, niVKiêaxov^ vanwêu«»?, Pijnboom, om dat de Bladen eenigzints na die van den Pijnboom gelijken. Kenmerken. De Varkens.Venkel is een Plant die een
roosagtige Kroonbloem voortbrengt, uit veele Bloem« bladen beftaande, die in de rondte ftaan, en op denKo1 ker rusten, die een Vrugt word, uit twee Zaadjes be- ftaande; welke bijna vlak, eirond, zagtelijk geftreept, en geboord zijn. Voegt hier nog bij , dat de Bladen gevleugeit, fmal, grasagtig , en in drie verdeelingea verdeeld zijn. . Zoorten. Daar zijn hoofdzaakelijk twee zoorten van
djt Kruidgewas, waar van nog eenige veranderingen, die echter van weinig belang zijn. 1. Kleine duitfche Varkens Venkel ; Peucedanum; vel
Foeniculum porcinum. Lobf.l. ; Peucedanum Germanicum. C. Bauh, Pin ; (Peucedanum foliis quiuquies tripartitis filiformibus linearibus. Li nn. Spec Plant.) 2. Groote Varkens-Venkel; Peucedanum majus italicum.
C, Bauh. Pin. Plaats. De eerfle zoort groeit van zslven in de vette
weiden , bcsfcben en elders , in Hoog Duitschland, Frankrijk, Engeland, enz. De tweede zoort in Italien op het Eiland Greta. Kweeking. Deeze Planten können gekweekt worden
door haar Zaad in het najaar, ineen natte grond te zaai- jen, kort na dat het rijp is geworden, in welke plaaats het in't naastvolgende voorjaar rijkelijk opkoomt, als wanneer de Planten zorgvuldig moeten gewied, en daar zé te digt ftaan gedund worden, dewijl ze anderztnste fpillig opfchieten; in het volgende najaar kan men zeop- neemen, en ter piaatze verplanten, daar men voornee- mens is om ze te laaten ftaan, op welke plaats ze ten minften twee voet van malkanderen moeten geplant wor- den, want haare Wortels worden zeer groot en ver- fpreiden zich in veele fpranken, wanneer ze tot vol- wasfentheid zijn gekoomen. Het tweede jaar na de zaaijing brengen ze Bloemen en Zaad voort, dog dé ; wortels blijven veele jaaren over, en fpruiten telkens wederom uit. Kragt en Gebruik. De Wortel der eerfle zoort, word
eene verwarmend, opdroogende, infnijdende, verdun» nende, oplosfende, en pisdrijvende kragt toegefchree- ven. Men prijst dezelve inzonderheid als een goed middel voor engborftigheid en flijm op de borst, hoest enz. Uitwendig voor gezwellen, en om vuile wonden en gezweeren te zuiveren. Dog zeer zeldzaam,en niet dan bij mangel van beter middelen, word er gebruik van gemaakt. VARKENS-VISCH, zie LIPVISSCHEN, n. XL
pag- 1846. VARRONIA. De naams-afleiding van dit Plant-Ge-
flagt is waarfchijnlik van den vermaarden Varbo, die ten tijde van 's Heilands geboorte te Romen geleefd, en een werk over het Landieeven en derzelver bezig- I hen heeft gefchreeven, dat verfcheide maaien herdrukt ; is. Kenmerken. Deeze zjjn, behalven die van vijf Meel' [
draadjes te hebben, eenen enkelen Stempel, dat de Bloem in
|
||||||
|
-, 'VAR.
in vijven is verdeeld, en dat de Vrugt een Steen heeft
met vijf hollighede.n.. sis Zoorten. Vijf zoorten koomen in ditgeflagt voor, die
alle tot de. Boomen kunnen worden betiokken. 1. Streepige Farroniai Varronia lineata ; Ulmi angu-
fii folia facie baccifera jamaicenßs, &c. Pluknet. Al- mag. 393«> (Varronia foliis lanceolatis lineatis. Linn. Stift'. Nat.) ' . : '-. 2. Gehobbelde Varronia; Varronia .bullata; Varronia
fpicis fubrotundisinqualibus, corollis hijpocrateriformibus. JacQ. Amer. 41.; .{Varronia foliis .ovatis venofo-rugofis, fpicis globojis. Linn. Amoen. Acad. V.p. 394). 3. Bollige Varronia; Varronia globofi; Varronia /pi-
ca cequalibus. Jaçq. ^«er. |>. 41. ; (Varrronia foliis tan- eeolato-oblongis, êfc. Linn. Süß. Nat.) 4. Kurasfaüwfche Varronia ; Varronia, curasfavica;
Varronia afjurgens farmentofa, £fc. Brown. Jam. 153.; Periclimenum reüum falvi folio, &c. H.SLOxti.Jam. II. p. Si.Raj. i3«ïrf. 31; Varronia foliis lanceolatis, fpi- cis oblongis. Jacq. ^f«j«r. p. 41. 5. /Fïcte Varronia; Varronia alba; Meipilus america-
na, Alnivel Corijlifoliis, fruäu mucaginofo albo. Comm. Hort. Amft. I. p. 155- 6. Martiniekfche Varronia ; Varronia martinicenfis ;
Varronia fpicis oblongis, foliis oväto-acuminatis. Jaco_, Amer.p. 41. J (Varronia foliis ovatis acuminatis, fpicis oblongis. Linn. Sijfl. Nat.) Plaats. De eerfie zoort is door de Heer Sloane in de
noordelijke deelen van Jamaika waargenoomen. De tweede zoort, koomt veel voor op St. Domingo in het kreupelbosch rondom de Stad Port au Prince. __ De
derde zoort, word aan de zeekust der Karabifche Eilan-
den gevonden. De vierde zoort op Kurasfauw, de Barbados enz. De vijfde zoort groeit t>p Kurasfauw, en is ook door de Heer Jacquin bij Karthagena gevon- den. De zesde zoort, door den zelfden Heer aan de .kanten der bostenen op Martinique. Befchtijving. De eerfie zoort is volgene Pluknetius
een Gewas, dat de gedaante van den fmalbladigen Olm- boom heeft, met Bladen die van boven ruuw zijn, van onderen ruig, en zeer kleine geele Bloempjes. Sloane zegt, van de geene die uit zijn werk , onder den naam van regtopflaande Geitenblad'met grootere dan falie-bla- den aangehaald word; "de'Takken van deeze Boom waaren met een gladde zwartagtige Schors gedekt, waar onder een glad witagtig hout. Naar de Toppen » fchooten de Bladen uit, meer dan een duim van elk- ander, twee duimen lang, in 't midden een duim breed, j, met kleine Stoeltjes, aan de randen getand, van bo- ven rimpelig, eveneens als de Bladen van Salie of Brandnetelen, van onderen wollig en fterk geribd. Uit de Oxelen der Bladen kwaamen Steekjes voort, twee duimen lang, met trosfen van kleine Bloemp- De tweede zoon maakt, volgens Jacqüin, een Hee-
fter, dikwils van twaalf voeten hoogte, de fraaifte van" aanzien in dit Geflagt. Hij noemt ze Mirabiloides, om dat de Bloemen, zo als ook uit zijne afbeelding blijkt, veel naar die van de Merveilje du Pérou zweemen. Zij 2'inwit, fchoon en reukeloos, uit en bolronde aair van tte.ken voortkoomende. De Stempel is aan 't end in vieren gedeeld. De Vrugt van grootte als een erwt taakteen lijmerige zoete Befie uit, met een platten De derde zosrt die een Mans langte hoog groeit, vin-
|
|||||||||
|
VAS.
|
|||||||||
|
3? 8$
|
|||||||||
|
den wij geen andere bekhrijving van, dan dat de Airen
altooos bolrond zijn. De vierde zoort koomt overeen met de rankige klim-
mende van Browne, dog maakt volgens Sloane een Boom, wiens Stam ter hoogte van tien of twaalf voeten zich verheffende, de dikte van eens Menfchen beert heeft, en verder fterk uitkoomt, met Takken wier Bla- den zo zeer naar die van Salie gelijken, dat mehze op Barbados, de grootfle zoort van wilde Salie noemt. De Bloemen zijn wit, de Vrugten langwerpiger dan in an» deren. De vijfde zoort heeft haaren bijnaam van de witte ko-
leur der vrugten gekreegen. De Heer Commelin had die, Amerikaanfche Mispel, met Elzen* of Hazelaar-bladen en een lijmerige witte Vrugt genoemt. Volgens de waarne- mingen van Jacquin is het veeltijds een Boom, van dartig voeten hoog, met een Stam vaneen halfvoetdik en een uitgebreide Kroon j dog als men het aan Haagen plant, blijft het heefteragtig. De Bladen zijn ovaal of eirond, vier of vijf duimen lang. Aan de einden der Takken ko- men de Bloemen in toppen voort, die »iet zelden eea half voet breed zijn, uit een menigte van kloks wijze wit- te Bloemen zamengefteld. De dubbelde puntjes van den gevorkten ftijl loopen in ftompe ftempeltjes uit. De Vrugt, die langwerpig is, omtrent een half duim lang, enhalfdoorfchijnende, bevat een zoet lijmerig Vieesch, wordende op Kurasfau gegeeten. De zesde zoort, koomt in hoogteen geftalte, genoeg-
zaam inet de derde zoort overeen. VASA PRiEPARANTJA , zie HEDERACEA
VASA. VASAVELI, zie PAVATE.
VASSAL, dit onduitsch woord betekent een Leen-
man , zijnde een zodanige , die een eed van hulde en manfcbap aan zijnen Leenheer verpligt is te doen, ea zulks binnen de tijd van een jaar en zes weeken, tel- kens en zo dikwils als de Leenman verderft of het Leen van Bezitter verandert, zieNEOSTAD. deFeud. Cap. Uit. n. 4. ■.....; . Ten aanzien der oorfprong van het woord Vasfal zijn
veifchillende gedagten, zommigen leiden het van 't woord Geffuszï, 't welk bij de Oude Galliërs een dapper Man betekende, zo als Severius het aantekend op die plaats in Virg. Eneid. lib. VIIL Gessa manu.
Van dit woord Geffus zoude dan moeten afftammen,
Veffus of Va/Jus, waar in de Romeinen het door de uit- fpraak de V in G zoude verandert hebben. Spelman leid het in zijn Glosfarium af van het duitfche woord Ge- fel, insgelijks CujAciusin zijn voorreden over de Lee- nen, Sed&Va/fi& Vajfalli nomen fervitium ßgnificat, five Comitatum, cum deducatur non ex eo, quod funt in Vafario nobilium, Éf Vafa eorum inflrumenta cenfeantur fed a germanica & vetert gallica voce Gesel , qua fig- nificatur Comes, qui nobisfervit certamtreede. Zie ook Fr. JuNii Etimologicum Anglicaiwnu Oxon, 1743 »& voce Vassal. Anderen zijn van gedagten dat het Vas, Vadis , moet
afgeleid worden, 't welk een Borg of Verbondene be- tekent, en dat men door Vaffal een dapper Man moet verftaan. gelijk Vaffelage, Valliance, dat is dapperheid be- tekent.Wachtbr zegt in.zijn Gloffanumgmnan.p. 175°. D 2 Fast |
|||||||||
|
VAU. VECYVED.
VAUTOUR, zie GIER.
VECCHIO MARINO, zie ROB.
VECTIS , zie HEFBOOM.
VEDELHOUT-BOOM , in 't Iatijn Citharexijlumi
is een Planten-gellagt, 't welk in de Westindien te huis hoort, en tot Kenmerken heeft, een klokswijze, vijf- tandigeKelk; de Bloem trechtervormig en raderachtig, met de flippen van boven ruig en even groot. Dé Vrugt is een Befie met twee zaaden, welken ieder twee hol- ligheden hebben. Zoorten. Drie zoorten koomen inzonderheid in dil
Geflagt voor, als. 1. Aschgraauwe Vedelhout-Boom , Citharexijkim eine-
reum; Jasminum arborefcens racemofum , foliis lauri. Pi.um. ; Citharexijlon arbor lauri folia americana. Pi.u« KENET. -Alm. 108. ; Citharexijlon fruticofum, cortice ei- nereo, êfc. Brown. Jam.- 264. ; (Citharexijlum ramis teretibus, calicibus dentatis. Link. Sijfl. Nat.) 2. Geflaarte ■ Vedelhout-Boom ; Citharexijlum cauda-
turn ; Citharexijlum fruticojum, foliis fub-elleptkis, &c. Brown. Jam. 265. ; Citharexijlon americannm alterum , foliis ad marginem dentatis. Plukenet. Alm. 108. {Ci- tharexijlum ramis teretibus , calijcibus truncatis. Linn. Sijfl. Nat.:): '- ■ 3. Vierkantige Vedelhout-Boom; Citharexijlum quadran-
gulare ; Citharexijlum caule arberea, quadrangulari. 1 ACQ- Amer. 186. ; {Citharexijlon ramistetragmis. Linn. Sijfl. Nat.) Plaats. Allede zoorten zijn Amerikaanfcbe Gewas-
fen; de eerßeen derde zoorten, zijn door deHeerjAC- QuiN in de bosfehen op het Eiland Martinique waarge- noomen. 1 lue tweede zoorfis aan Jamaika eigen. Befchrijving. De eerfle zoort, onder den naam van hees-
teragtig Citharexijlonmet een aschgraauwe Schors en lang- werpig eijvormige Bladen door Browne voorgefteld en door Pluknetius lanrierbladige Amerikaanfcbe Boomtmet de Bladen witgeaderd, génoemt, komt bij Plumier on. der den naam van boomagtige trosdraagende Jasmijn, met lauwrier bladen, voor. De Heer Jacquin,zegt, dat het een takkigeKroonboomis, van twintig voeten hoogte met een ronden Stam, op't meefte een voet dik. De Bladen zijn langwerpig ovaal, wederzijds gefpitst, effen rondagtig, glanzig, dikwils gepaard,'zomtijds overboe- kig en ook wel drievoudig, doorgaans meer dan een half voet lang. Aan ieder zijde hebben de Steekjes van ba« ven, dikwils eenige weinige klieragtigekuiltjes, uk wel- ken , in jongere Boomen, druppeltjes als eene zoort van Honing zweeten; van de vier Meeldradjes in de Bloem, zijn twee een weinig langer dan de andere. De Bloe- men zijn klein, wit, en hebben een aangenaame reuk. Daar op volgenfappige, gladde, zagte, ronde Befiën, ■die eerst groen- zijn., dan rood en ten laatflen zwart worden. Zij maaken hangende trosfén uit, van bijna een voet lang. In het Vlek St. Pierre zijn zeer aangenaa. me Wandeldreeven van deeze Boomen. De Ingezete' nen noemen die Bois cotelets, wordende het Hout daar van tot het maaken van Vedels, Cijthers en ander Mu- flektuig gebruikt«; weshalve het mooglijk dat geene zal zijn, ''twëlk men bij de Kbnftenaars refonnantieHout noemt. vDie van Barbados, geeven er deswegen,, den naarhaan van Fidle-Wood,, dat is Vedelhout. De tweede zoort,is door den Heer BrowNE genoemt
hcefteragtige Citharexijlon,. met bijna ovaal e Bladen,, de Steekjes met voetjes, de Kelken geknot, de Tros- isoi aan't eaddet'Takken. langer.. Deeze zoude derhal» ve
|
||||||||||
|
VAS. VAT.
|
||||||||||
|
S19®
|
||||||||||
|
Vaffal, Vajallüs, Cliens fiduciariiis homo Divini, dimi-
nutivum a Vafus vel VaJJus, qued latino barbaris famu' lusfervus, j"ed libéra condition^ major vel minor pro for- tuna viri, Vaffos primitus fuisfe ques Familiäres cetas poßerior appellavit, jeu damefticos §f qui ex Regia aut alicujus Principes familia e rant, optime judicàt. D u C a n ge ex Lege Alain. Tit. 79, 3. Die meerder gevoelens over den oorfprongvandit woord wil weeten, zie de En- cijclofedie; Article Vassal. VASTE KLEUR , is een kunstwoord van Verwers;
die er een zodanige koleur door verllaan , die aan geen verfcbieten onderworpenis, maar beftendig gelijk blijft.
VASTELLUM, eertijds noemde men dusdanig een
groot« Kelk of Beker zomtijds uit zilver en ook wel uk hout vervaardigt, waar uit de oude Saxers gewoon waa- ien de gezondheeden op hunne gastuiaalen te drinken. Matth. Paris zegt in het leven der Abten van St. Al« ban: Abbas Jolus prendebat fupremus in lefeBorio , hi- lens vastellum. ,, Hij had bij hemde Beker dei- liefdaa- digheid, om op de gezondheid zijner Broederen te ,, drinken". Öit is 't geen in Duitschland de Vidrkum of IVillekom
betekent, zijnde een Beker die zomtijds zeer groot is, en een menigte vogt kan bevatten welke men op't voor- beeld der Duitfchers moet ledigen, om er welkom bij te zjjn. Van den zelfden aart is bij ons de Henfe of Henfe- Beker, die, wanneer iemand voor de eèrftemaal in zom- ïnige Collégien en Gezeifchappen word geadmitteert en onthaalt, vol wijn aan de Nieuweling word aangeboo» den, en dien hij verpligt is ledig te drinken; dog wei- gewoonte, het zij. tot lof der Nederlanders gezegt, van dag tot dag vermindert, en thans in de meelle en vöor- naamfte hunner Gezeifchappen, aaneen ieder een gulle gastvrijheid word gegund. VASTGESTELD REGT, zie REGT.
VASTIGHEID, word van zodanige lighaamen ge- zegt, die van een voor vogten ondoordringbaare zelf- ftandigheid zijn vervaardigt 5 zo als bij voorbeeld, ko- ' peren, ijzeren, zilveren Vaten, enz. In de Starrekunde bediend men zich van het woord
vastheid of vast, om zodanige Starren mede te beteke- nen die geen eigen beweeging hebben, in tegenover- ftelling van de Dwaal.ftarren; deezen noemt men Pla- tteten en de eerfte Faste-Starren. VAST-LEDER, zie LEDER.' 'r ? ' VASTMAAKING, zie FIXATIÖ. VAST-ZOUT, zie LOOG-ZOUT. VAT, Vaten, word in't algemeen van al zodanig huisraad gezegt, dat bekwaam is iets vasts of vloeibaars te bevatten. De ruimte of omtrek van een Vat is onbe- paald 1 daar zijn er grooten, kleine, van allerleij zoort van gedaantens, en tot allerlei gebruiken gefchikt; het Oxhoofd, de Vies, den Romer het Theekopje enz. zijn Vaten. " - 'J VATHOUTï dusdanig noemt meneen'zoort van eic-
kenhout, dat aan duigen is gekloofd, en gebruikt word om er Vaten van te maaken, VATTEN, is een kunswoord aan de Tuinbouw ei-
gen , waar mede begrepen word, dat de een of andere 'Pläht, Heefier of Boom dié men verplaatst heeft en d.us ' in een andere grond gezet, aan het groeijen is geraakt. Ook zegt men het ren aanzien van oculeeren, zoogen en 'entem bij; voorbeeld", dat Ent heeft gevat:,, wil zo. veel «.eggen, tiet is aan't groeijen,, |
||||||||||
|
-VE-D.
|
||||||||||||
|
VED.
|
||||||||||||
|
3791
|
||||||||||||
|
maar het is uiteen menigte van kleine bladjes of dunne
en;ftijve vefeltjes zamengefteld,. en die min of meer naar een- klein pijpje, van een Veder aar'ten. Naar de Stam ; of het pijpje toe., zijn,, inzonderheid iri.de dikke Vede- deren van den Vleugel.die kleine bladjes breeder eni in der- zelver breedte als een halfrond uitgeholt, 't welk veel tot haare fterkte toebrengt en om die bladjes beterde een op de ander te doen geflooten houden, wanneer de Vleugel of Wiek op de wind heen en weder klapt. Naar het boveneinde van de Veder, werden die bladjes zeer dun, en bepaalgn zich tot éénpunt, van onderen zijn,zij dun en glad, en derzelver uitjeinde verdeelt zich in twee dee- len die met kleine haairtjes zijn bezet.i Ik gaa tot andere waarneemingen over, en .merke in
de eerfte plaats aan, dat de, Vederen van de kop af tôt aan de ftaart toe, in een uitneegieride order afdaaf.en, en, wel ter degen tegens malkanderèn aanfluiten, daar bij door deiClie die dezelve beyogtigd en fchoonmaakt, glad en lijmig 'gemaakt, een gemakkelijke vlugt door de lucht vind, op dezelfde wijze als,een fcheepje dat nieuwlings is fchoon gemaakt,en geteerd, gemakkelijk inhet water voortfchuift. Indien'de Vederen integendeel in'een^te*. gengeftelde ordewaaren gefchikt geworden , of op eenige andere wijze hoedanig die ook zoude mogen zijn , zoals zijonbetwistelijk zouden geplaatst zijn geweest,.indien het enkel geval en niet een alwuze Vodrzienigheidêrde beftiering over had gehad, zouden zij al te veel wind gevathebben, en grpote hindernis in de. vlugt der Vo. gelen te; wegé gebragt. , . ,". -, Niet alleen,zijn: de Vederen met veel korist geplaatst
om ;de,,beweeging van het ligbaam der Vogelen, gemakke- lijker te, maaken, maartij yerftrekken het Dier ter zei« yer tijd tot een bekwaam dekzel tegens de koude en on- ftuimigheden der lucht?. .Tot dien einde zijn de meefte Vederen agterover leggende, en in een reguliere order de eene op d'andere geplaatst; aan de kànt van het lig- haamzijnzij met een week en warm dons bezet; aan de bovep ofluchtzijde, zijn zij vast, daar bij zeer fterk tegens malkanderèn aangedrukt, en dus volkoomen dien- ftig om het lighaam tegens de ftrengheid der koude en bet kwaade weder te befchutten. Met bet zelfde in- zigt ook om het lighaam zo veel te bekwaamer te maa- .ken ,rom de 1 ucht te braeken en te doorglie ven, befchouwt men een andere wonderbaare voorzorg der natuur in de beurs welke de olie bevat, in de klieren, en in hetgant* fche toeftel't welk dient om de Vederen te fmeeren; dee- olie-beurs heeft een doorgaate tepel ; en;wanneer de Vo- gel die met zijn bek drukt, vloeit er in zommigen een zoort van olie uit, en in andere, een vetagtiger ftoffe die meerder lijvigbeid heeft. De behendigheid is bekend die de Vogels in 't werk Hellen om hunne Veder-en met die olie te bevogtigen. . ......\ , ■ ■- Het is niet enkel eene zoort van Vogelen, welke de
olie beurs hebben waar van wij fpreeken, men ontmoet het in alle de geflagten van het Pluimgedierte, want alle ds Vogels hebben twee kleine kliertjes op hunne Sluit zitten, met uitloozende vaten, omwelke Vederen groeijen in de gedaante van knijpers.. A Ten laatften is de jaarlijkfche vernieuwing der Vèdn-
ren aan de Vogels, een ander vérfchijnzel 't welk onze: aandagt verdient,, en waar van wij op het. artijkel. VO- GEL, zullen fpreeken. VF.DKR..ALUIN',, zie ALUIN..
VED-ER.-GR.AS;, zie GRAS', n. is.pßff. 932-
B 3. VE*
|
||||||||||||
|
ve nader fchtjnen te koomen aan de gemelde eerfte zoort
van Plumier, welke deTrosfen uitermaate lang; heeft., voleens den Hoogleeraar J.Burmannus; dog de Bladen zijn daar in niet fpatelvormig, zo LiNNffius van deeze aantekent. ... ,. ' '. ''-""
De derde zoort, koomt in de meefte opzigten, zo vol-
maakt met de voorgaande overeen, dat de Heer Jacquin niet ontkennen durfde, dat die wel dezelfde oorfprong mogten hebben. De Stam en de voornaamfte Takken alleenlijk, waarenftomp vierkantig met vier fleuven; de Befiën rood. Van de Ingezetenen word deeze Bois fo telet genoemt., : - - - VEDER, Vederen; is dat geene'twelkde Vogels be-
dekt, en aan hun tot onderfchraaging in de luchit ver- ftrekt. De Vederen der Vogels hebben veele bijzonde- re fchoonheden, en verfchillen onderling niet alleen door de koleuren en algemeene gedaantens, maar daar tebo- "ven ook nog door de conttru&ie van: ieder gedeelte waar uit zij zijn zamengefteld, zo als derzelver baarden, pijp- jes, enz. Het valt zeer gemakkelijk zich hier van te over- tuigen, door het befchouwen van de Vederen eener Struisvogel, Pauw, Arend, Zwaan, Pappegaaij, Uil, ja van alle de zoorten van Vogelen die ons bekend zijn, en men zal tusfchen alle een merkelijk onderfeheid ont- waar worden. .-;■■ , Het pijpje van ieder Veder is ftijf en na onderen toe
hol, 't welk veroorzaakt, dat het ter zelver tijd fterk en ligt is; na boven toe is het niet alleen miqder hard, maar ook mpt een zoort vap.iqli-eagtig;rnerg vervuld die het voed, en tefFens tot derzelverL,fterkte en ligtheid toebrengt. ,'..;..-. f »djuri sa 3 ,-. . uUjfb De Baarden der Vederen; is op eene tegelmatige.iwijze
aan weerszijden gefchikt, maar echter met dit onder- fclieid,, dat het ;aan de,eene zijde breed; en aan d"an- dere fmâl is.dienendeomzo.veel te beter de voorgaande beweegihg der Vogelen-in ■.■de; lucht, te. hulp--te koomen. De.baarden eniranden'der.fmälle enuitwendjge draa-
dender Baard, krommen naar beneden, terwijl de inwen- digen die breder zijn naar boven toe krommen ; door dat middel houden de draaden zoveel tefterker aan malkan- deren vast, zij zijn geflooten-wanneer de Vleugel uitge. ftrekt is, zo dat geene der Vederen iets in 't minfte van derzelver kragt verliest, of van de drukking,die .zij op Je lucht veroorzaakt. Nog dient men aantemerken, hoe konftig de Federen
aan derzeiver boorden zijn uitgefneden; die inwendig akten, worden al langs hoefmalder, enbepaalen zich met een punt naar het bpvenfte gedeelte van de vleugel,; " .de uitwendige vernauwen zich op een tegenftrijdige wij ze van het, bovenfte. gedeelte van den Vleugel af naar het Jighaamtoej ten minfte in zeer veele Vogelen; dog de tKeâeteWm het middelde der Vleugel overal gelijk, ge- baard zijnde, hebben genoegzaam geene uitihijding. Het zij dan dat de Vleugel uitgeftrekt of ingetrokken zij, dezelve vertoont zich altoos zo naauwkeurig.befneden, als of die door een kundige- hand met een fchaar was geknipt. Het weefzel van de Baard der. Vederen' is zo konftig,
door een gewerkt, dat het. gezigt daar van onze- ver- wondering moet gaande maaken , inzonderheid wanneer .men die door middel yatv een■ Mictoscoop- befchouwt;, .deeze Baard beftaac niet uit een. enkeld. vlies, want als dan zou.dat vlies-eens gebrooken' zijnde, zich nimmer ,weer als mar, veel moeite- im order- kunneru fchikken |
||||||||||||
|
VEE;
zullen dienen,'onder anderen gaat hij ook, gelijk de
Lös \ in de Mik op de neerhangende takken zitten vaa èehboöm, en fpringt de voorbijgaande Dieren op éi R^tg-;-blijvende, indien zij;groot en, fterk zijn, gelijk Bokken, Reen en Herten, daar op zitten, hoe fneizij ook'ibopen,», en Vreetendeiiiiddelerwijl daar van met ge- weld, tot-dat hetBeest onmagtig neervalt. 1 "{ Hetzonderlingfte, en waar in dit Dier van alle andere
Sehepzelen fchijnt te verfchillen is, dat het bijna onverza- delijk fchijnt te zijn. Men wil dat het, een Prooijheb« bende, die zesmaal grooter is dan zijn eigen lighaam» nogthans met vreeten niet kan ophouden , voor dat het vleesch geheel daar af is. Nooit word de Veelvraat Ver- zadigt, Voor dat hij niet-meer kan eeten, 'rwelkgebeurt wanneer zijn buik dermaate is gezwollen, dat er om zó te fpreeken, niets meer in kan. Dit zet zijn lijf uit als een ton, enbrengt hem in de uiterftevadzigheid, zodat hij niet Ioopen, ja naauwlijks zich verroeren kan , leg- gende zomtjds als een dood Kreng, geheel buiten ftaat om zich te redden of te verweeren, en in dit geval word bij niet alleen dikwils van degroote Roofdieren, maar zelfs van,de Veldmuizen: of Rotten, aangetast en verfcheurd. Het oude denkbeeld, dat de Veelvraatin zommige geval. !en; door zijn Lijf tusfehen tweedigt aan elkander (taan- de boomen te knellen, de verteering helpt en zich ont- lasting maakt, is, derhalve zo onwaarfchijnlijk niet. O- laüs Maünüs verbeeld zich, datdit Dier, inzonderheid in Poolen, Rusland, Tartarie en Lapland, van de Na- tuur voortgebragtzij, om delnwooners dier landen we- gens hunhe gulzigheid tebeftraffen, en Crolliusmeent, dat de Geneesheeren van hetzelve 't gebruik der braak* 'éil purgèermiddelen geleerd.'hebben. -. ; ' ..' . , Bij de Öntleeding van dit Dier, welke, zo Bartho-
Ï.INUS verhaalt, door den Hoogleeraar Pavius, in te« genwoordigheid van J. de Laat, in 't werk gefteld werd, vond men eene wonderbaare overeenkomst met het Men- fchélijké lighaam, zelfs ten opzigt van den opfehortende band des Levers, waar in anders de Beeften altemaal van den Mensch verfchillen; maar het kanaal der Darmen was van het begin tot het end even wijd van de zelfde gedaan- te; 't welk de reden fchijnt te zijn, ;dat de Veelvraat de halfverteerde fpijzën door de enkele zamendrukking van zijn Buik kan loozen. «-----!ç-> - . DeVagt van den Veelvraat, die een glans heeft als zij-
de, eri zeer zagt is van haair, maakt een zeer kostbaar Bont uit, 't welk den Jagerende moeite wel betaalt zet', die zij zich geeven, orn het zonder fchietgeweer, of ook meteen boog, doormiddel van platte Houten Pijlen, te vermeefteren, ten einde de Vagt niet befchadigt word. De beste gelëgentbeid om hem te vangen is, wanneer bijzijn Buik vol gevreeten hebbende, in onmagt ter aarde legt, of zijn Lighaam tusfehen twee Boomen of Paaien knelt, om zich daar van te ontlasten. VEEN, Veengrond; dusdanig word die zoort van aar-
de genoemt, waar van de Turf word vervaardigt. VEEN-BESIEN, zie KRAAK-BESIEN, n. 4. pag,
IÖI3- \ 1
.- VEEN-MIER,- zie MIEREN, n. X.pag. 2111.
VEEN-MOL, zie MOL-KREKEL.
VEER-ANGELIER, zie ANGELIER, n. I. /1.7g.
■ VEERKRAGT ; Elafiiciteit. Van alle Lighaamen, die zich laaten persfen, 'behouden zommige den ftaat waar in de persfing heu gebragt heeft. Indien dezelve hen van grootte of gedaante heeft doen veranderen, blijven zij, ook na dat reeds de drukking ophoud, ech- ter |
||||||
|
3792. VED.TEE.
VEDER VEE, zie GEVOGELTE;- ;l-< -' -
VEE. Door dit woord verftaat men altë zodanige1
Dieren, welke, tot den landbouw van dieniï z;ijn y of tfó Mensch tot, Voedzei yerftre.kken.;i: De'- ßfetfiö Worden1 in twee zoorte'n onderfcheiden, namelijk *iti Hobfn-Bée- flen en woldraagende Dieren. 'Tot de eerften behooren- de Osfen^en Koeijen, tot de laatften de Hamels en Schaapen , en zo men wil, de Bokkenen Geiten. Dewijl wij nu onderieder zijn artijkel dezelve hebben befcbrëe- ven , benevens haar nut* en-huishoudelijk gebruik; de manier om zé met voordeel aaht'ekweeken enz. 5 zo' wijzen wij órri-onnutte herhaalingen r,e vermijden, onze Lezers na die Artijkelsl ■'■■■■ ':::--! VEELBLOEMIG, zie MÜLTIFLORUS. >< ''..
VEELBORSTELIJK, zie MULTJSETUS.
VEELGUTTA, zie BERG-FETERSELIE.
' VEELHOEKIGE PRISMA, zie PRISMA. ' VEELKOLEURIGE SALIE, zie SALIE, n 4* pag. 3184- - : :": ; _'; .'-' .'.: '";■ ' VEELPEULIG, zie MULTISILIQUOSUS. -' -VEELFOOTIGE SCHIETER, zie SCHIETERS, ii; II. pag. 3262.- ''":','' ' *" !: "': "v:;'f' VEELSTEELIG, zie-MULTIGÄ ULIS; % '-"-.
VEELVAKKIG, zie MULTILOCULARIS. :
VEELVOET, zie EICKEN-VAAREN.
VEELVRAAT ; Gulo. Ol. Magn. , (Mußela plantis
fijjßs, corpore rufofufco; medio dorfinigro. Lin sa. Faun. Suec.) Dit Dier is 't onregte met de Hijana verward geworden, gelijk van de hedendaagfehe Dierfçbrij'vers'i Klein en Brisson, noggefebied; daar het weëzéntfijk zo ten opzigt van de woonplaats , als van de gëffialtë'êö koleur , grootelijks van dezelve verfchilt. Hei lieëft zijnen latijnfchen en nederduufchen Naam van' zijnen gulzigen aart, en de gewoone benaaming in de rioprd- fche Taaien, Jerven of Erven, geeft het zelfde te kennen. > De geftalte van dit Dier is alsëen Wolf, dbg kleïhdër
en langwerpiger, zo dat het meer naar die vaneen Das- hond zweemt; waar van het in grootte ook weinig ver- fchilt. Klein heeft een afbeelding daar vanuitgegeeveiv, gemaakt naar een Dier dat in het Kohiriglijke Kabinet van Dresden gedroogd te vinden was, zijnde levendig uit Siberië derwaards gebragt. Dit at dagelijks dertien pon- den vleesch, en bleef niet te min onverzadigd. De langte was twee voeten, behalven den K°p; de hoogte ruim anderhalve voet; de koleur donkerbruin. Volgens ande- ren is de koleur zwart, met bruine en geelagtige vlam- men , of bruin met een rosfen glans, dog over de Rug loopt een gitzwarte ftreep, zijnde de Borst en Buik wit. De Staart heeft de koleur van't lighaam ; dePootenzijn dik, de Klaauwen en Tanden zeer feberp; waar door bet zoftoutis, in't aanranden van al Ie Dieren, daarliet bij kan koomen. De Veelvraat onthoud zich op de hooge Gebergten van
Lapland en Dalekarlie, en degroote Wüdsrnisfen van het noordelijk deel van Europa en Afie, zijn in'c algemeen zijne woonplaats. Men vind hem ook in Noorwegen, Sweeden, Rusland,Litbauwen, Kourland,jainzommi- ge bosfehen van Duifschland. Zelfs word in 'tberigtdat de Heer Gmelin van zijne reize door Siberië gegeeven heeft, aangemerkt, dat hij m alle zo heete als koude landen van Afie-, van de linie af tot aan den Noordpool, te vinden zij. In dat zelfde Werk word omfrandig van deszelfs levensmanier gefprqoken, en hoe hij de Dieren Hieeftendeels met list bemagtigt, die hemiot voedzel |
||||||
|
VEE.
ter nos in die nieuwe gedaante of grootte, welke de
drukking hen heeft doen aanneemen, even gelijk de.loo- den kogel na zijn val plattig blijft, en een fneeuwbal den vorm behoud, die men hem met de handen gegeeven heeft. Andere lighaamen integendeel hendellen zich, en neemen na dat ze zamengedrukt zijn, en de drukking ophoud, dezelfde afmeetingen en dezelfde gedaante we- | der aan, die ze te vooren hadden.
De Lighaamen van deeze laafde zoort noemt men Vee-
'■■ tige of Veerkragtige Lighaamen. Want door Veerkragt
verftaat men niets anders dan die kragt, welke zommige = zamengeperfte Lighaamen oeffenen , om zich weder in
hun eigen ftaat te herftellen. Deeze eigenfehap onder- fielt derhalven, dat de Lighaamen zamenpersbaar zijn; en dewijl men zulks totnogtoe van de vogten niet heeft ::kunnen gewaar worden, dient men er uit.te befiuiten ,
dat hunne tegenwerking, zo ze mogelijk Veerkragt be- zitten, te kort van uitgeftrektheid is, .en in te klein een ruimte werkt, om zigtbaar te zijn of gemerkt te kunnen worden. . ■ ■'-"■ ' Alle Lighaamen, zelfs ook die Veerkragt bezitten,
bezitten ze niet in den zelfden trap en Merkte. Daar zijn :er, die zich naauwelijks en bijna geheel niet herftellen;
in welk een geval men op de-/Vertragt geen agtflaat,. ' even als of ze er in't geheel niet waare. Die zoorten
van Lighaamen geeft men den naam van weekè Lighaamen, st welk niet anders zeggen wil-; tiah dat ze geen Veerkragt bezitten, die levendig en kragtig genoeg is, om ze in aanmerking te neemen. ' ■ '- ; De Lighaamen, die een merkelïjken trap van Veerkragt.
bezitten; werken met.minder ofmëëerder kragt te rug, ' naar maate van de mindere of meerdere hardheid, dijf-
I he;d, of bijzonderegefteltents van derzelver inwendige
deelen ; maar geen is er, daar men op daadelijke blijken ;van proeven en ondervinding van zeggen kan, dat des- ';Zülfs Veerkragt volmaakt en onveranderlijk is. Bijna door-
gaans word men gewaar , dat deeze eigenfehap geheel verloren gaat of ten minden zwakker word dooreen lang- duurige oeiFening, of door een zamenpersfing, die het Lighaameen al te langen tijd gekneld doet blijven. Een Boog, dien men te dikwilsfpant, of te lang agtereen ge- houden heeft, blijft eindelijk in den bogt ftaan, dien men hem heeft gegeeven. Paardshaair, Wol, Veeren, die men gebruikt in Kleedtren, Dekens, Kusfens of Bedden, .verliezen door den tijd, bijnaal die bekwaamheid, welke
zij nog nieuw zijnde, hadden tot onzen dienst; en der- zelver flapheid is niet anders, dan het onvermijdelijkge- volg van een door lai.igduurig gebruik verzwakte Veer- : iragt. ,
Wij behoeven ons derhalven niet te 'vleïjen met de
hoope, dat wij ooit, de Befchauwingder Veerkragt met : volkomen en volgens den ftrengften regel naauwkeurige
; Proefneemingïn beveiligd en opgehelderd" zullen zien;
| dewijl de Lighaamen,vdie dezelve in den hoogften trap
bezitten, echter er nog zo vee! niet van bezitten, als ze wel moeden, om volmaakt Veerkragtig te zijn. Daarenbo- ven kunnen wij geen Proeven doen, dan in een Middelflof, die mm of meer Ighaamelnk is: en fchoon men daar toe ;de lucht, als het dunfteen ligtfte, al verkoor, zij isech-
ter in ftaat om wederdand te bieden, en daar door, zo men met reden verwagten mag, bekwaam om het'uit- werkzel voor een gedeelte, hoe gering ook , te verhin- deren en onnafpeurlijk te tnaaken. De Konden hebben de Veerkragt tot zo veelerhande -en verfcheiden gebruiken weeten toetepasfen, dat het een
|
VEE,
|
||||||||
|
3793
|
|||||||||
|
langduurig en onnoodig werk zou zijn , die allen hier te
willen optellen. Ik zal er maar twee of drie voorbeelden van aanhaalen , waar uit men over de nuttigheid van de anderen zal kunnen oordeelen. . Is het nuttig en aangenaam op zijn gemak te reizen,
dat voordeel is men genoegzaam alleen verfchuldigd aan de ftaalen Beugels, de leeren Riemen, en andere veer- kragtige Lihaamen, daar men de Rijtuigen op hange. Zon. der die voorzorg zou de fraaifte Chais, de pragtigfte Ka- ros, niet anders zijn, dan een opgepronkte en verdekte Kar of Boerën-Wagen, waarop men vrij gevoelig ge» hotst en gefchud zou worden. Want indien de deelen waar uit het Rijtuig beftónd, alle even onbuigb.iar waa- ren; zoude de verfcheiden beweegingen en fchuddin- genr door de ongelijkheden van dengronci-veroorzaakt, en met onophoudelijk fiooten vergezeld , tot de Per- zoonen zelve, die er in zaten, in haar volle kragt overgaan; Tijd en Uur te weeten, is een zaak daar alle Menfchen
zo veel belang in hebben; dat er weinige zijn, die niet een ftaand . Orlogie , af Zak-Uurwerk bezitten, en't zelve als een onontbeerlijk (luk huisraads aanzien. Dee- ze zoorten van Werktuigen, welke men met regt voor meederdukken van de Konst houden mag, worden in beweeging gebragt door een Veer, van een reep Staal gemaakt, en op zich zelve opgerold in een Trommel, dien zij, terwijl ze zich ontfpanten herfielt, doet oim draaijen,' en wiens beweeging door middel van getande Radertjes, medegedeelt word aan de Spillen, die de Wij? zertjesdraagen , endezel ven, op een ten dien einde ver. deelde Wijzerplaat, de Uuren en Minuuten doen aan- wijzen; Van hoe groot een dienst zijn niet de veeren in Schiet-
geweer? .Door welk ander middel zou men beweegin- gen hebben kunnen veroorzaaken, zo fnel en fchigtig als deeze, en zo bezwaarlijk-te vooizien en te merken voor een Vogel, of een viervoetig Dier, 't welk, door ingeevinge der Natuur, voor alles fchrikt, wat zijn lee« ven, fchijnt te dreigen, en door middel van de fijnfte fintuigen of ongemeene vlugheid, de listen en laagen van den Jaager dikwils weet te leur te ftellen. De Haan van eenSnaphaan, door een Veergedreeven , flaat, zo fnel als een oogwenk, een fcherpen fieen tegen een klein (luk gehard ftaal; het Buskruid vat vuur, en de Kogel door deszelfs kragt voortgedreeven , treft het Dier, eer het door de vlam of't geluid gewaarfchouwd word, of ten minden eer het zich die waarfchouwing heeft kunnen te nutte maaken. Dog niet alleen hebben de Konden zich van de Veer-
kragt der Lighaamen bediend, en dezelve tot verfchei- dennuttegebruiken gelukkig v/eeten toetepasfen; maar zelfs hebben ze ook het middel gevonden, om dezelve aan Lighaamen, die ze of niet of weinig bezitten, me- de te deelen of daar in te vergrooten.. Alle klinkende en geluidgevende Lighamen , moeten
Veerig zijn en Veerkragt bezitten. Om die reden maakt men de groote Klokken, gelijk ook de kleindere Uur- werksklokies, van een mengzel van Koper en Tin onder een gefmolten ; dewijl men gemerkt heeft, dat een ge- mengd Metaal harder, ftijveren Veeriger is, dan de en- kele Metaalen, waar uit het is zamengefteld. De meefte Metaalen worden zelfs ook, zonder ver-
mengd te zijn, harder en vaster, en daar door'tot een kragtiger tegenftand bekwaam gemaakt, wanneer ze koud geklopt of gefiaagen worden ; 't welk de Werkmee- fters
|
|||||||||
|
VEE.
ondervinding deunt; want uit andere voorbeelden weet
men, dat het vuur,, bij 't fmelten van Wasch en Onge. lijkflagtige Soffen, altijd de gelijkvormige deeltjes, die van den zelfden aait zijn, met malkanderen vereenigt; en dat het, wanneer deszelfs werking op het Staal tot zekeren trap toe vermeerderd word , hetzelve van alle zijne zouten en zwavel berooft; 't welk de Werklieden den naam geeven van Verbranden. Het Staal word derhal- ven gehard op een tijd, wanneer deszelfs oorfprongelijke deeltjes, hoewel in natuur de zelfde blijvende, op een verfchiilende en andere wijs onder eikanderen gemengd zijn, Eer men't in 't vuur bragt, maakten de zouten, de zwavelagtige, de Metaal-Deeltjes enz., uitneemend fijn verdeeld en door en door onder een gemengd, een ge- beel uit van een eenpaariger en gelijkformiger weefzel, dog wiens bijzondere Stofklompjes ondertusfchen onge- lijkflagtiger van aart waaren, dewijl ijder van dezelve bezwangerd was met een hoeveelheid van die drie of vier zoorten van Stoffen, waar uit het Staal is zamengefteld ; maar wanneer,door een genoegzaametrap van hitte, de Zoutenen Zwaveldeeltjes van de Metaaldeelen gefcbei- den, en afzonderlijk, om zo te fpreeken, tot kleine klompjes gekneed zijn , word hetgeheel wel Gelißßag' tiger in zijn bijzondere Stofklompjes,maar teffens, als nu uit een vereeniging van alle die kleine klompjes van verfchiilende zoorten beftaande, ook teffens minder vast verbonden, en met meer hoiligheden of ledige tusfchen- ruimten bezet. Door middel van deeze Onderftelling, (zo het zelfs een Onderftelling genoemt moet worden,) kan men alle verfchijnzels die uit het Harden hun oor- fprong hebben, zeer gelukkig ophelderen en verklaa- ren. . ■ :
..ai.,Het gehard Staal fchijnt, als 'tgebrooken is,, gro-
ver van korrel te zijn; om dat de Metaaldeeltjes, die door hun koleur meest in 't oog loopen, en zigtbaarder zijn dan de andere, tot kleine klompjes, verder als te vooren onderling van eikanderen verwijderd, zamenge- loopen en vereenigt zijn. 2. Door het Harden zet het Staal zich uit, en beflaat
grooter omtrek dan voorheen: 't welk noodwendig daar uit volgen moet, dat het gehard en tot een vast Lighaam gemaakt word, juist op dat oogenblik, toen deszelfs deeltjes zo wel niet ondereen gemengd, en zo nauw en digt met eikanderen niet vereenigt waaren. 3. Het Staal word 'er harder door, om dat deszelfs
Stofklompjes gelijkftaltiger zijn, en beftaan uit deeltjes die alle van denzelfden aart zijn, en daar door bekwaam om zich digter en naauwer met malkanderen te veree- nigen. 4. Het gehard Staal breekt Iigter, dan het geen niet,
of tot een minder trap gehard is , want de onderlinge verbintenis en zamenhang der bijzondere Stofklompjes kan zo vast en groot niet zijn, dewijlzeuit verfchiilen- de zoorten van (toffe beftaan , en elkander met minder oppervlakte raaken. 5. Het Ontlaatett,- eindelijk, maakt het gehard Staal
minder bros en buigzaarner; dewijl een gemaatigde graad van hitte de ongelijkzoortige en van elkander afgefebei* -den deeltjes weder eenigermaate, als te vooren,,oncier een vermengt, en het gantfche Lighaam als een zoort
van middelftaat doet aanneemen, tusfehen ongehard en overmaatig gehard Staal. Maarfchoon wii onzegewisfeen zekere Handgreepen
hebben, om de Veerkragt in veel Lighaamen te vergro- ten, te verminderen, en zelfs geheel te vernietigen, ken<
|
|||||
|
3794 VEE.
fiers gewoon zijn Hameren te noemen. Dit ziet men
duidelijk aan het keuken en tafelgereedfchap; een lepel,, een vork, die maar alleen gegooten en opgevijld is, zon- der onder den Hamer geweest te zijn , kost minder aan fatzoen of maakloon, maar is teffens ook zo fterk en duurzaam niet; op de minfte kragt, die mener opdoet, buigen ze zich krom, en nooit legt er zo helder een glans op. Een Uurwerkmaaker, Goud- en Zilverfmit, een vervaardiger van Wiskonltenaars- Werktuigen, en dergeiijken, verzuimen nooit, zo ze hun ambagt en konst verftaah, hunne (tukken te Hameren ; niet alleen om de- zelve daar door meer vastheid bij te zetten, maar ook om ze door (lerker glans te verfraaijen en een beter oog tegeeven, dewijl de deeltjes van't Metaal ér digter door in een gedreeven worden, en de ledige tusfchenruimten kleinder gemaakt en verminderd. Maar onder alle de Lighaamen, wier Veerkragt men
door konst vergroot, is er geen, 't welk meer opmer- king verdient, dan het Yzer tot Staal gemaakt; en'het merkwaard igft e van de.gantfche behandeling, die men dat Metaal ten dien einde doet ondergaan , is het Har. den. Het Staal, dient men r. te weeten , is geen bijzon-
der zoort van Metaal; geen Metaal op z'rch zei ven; men moet het aanmerken als bereid Yzer, tioewel erMijnen gevonden worden, die hetzelve önraiddelijk uitleveren. Het algemeenfte en fijnfte is dat, het welk mefn van ge- fmeed Yzer maakt, door er een zeker maate van zoute en zwavelagtige deeltjes in te brengen, die deszelfs Hard- heid vergrooten, en 't bekwaam maaken om gehard te kunnen worden. 2. Het Staal Harden noemt men , bet zelve op het ogenblik, dat het gloeijend uit het vuur komt, fchielijk koud te maaken -, door het, gelijk men doorgaans gewoon is te doen, in koud Water of iets van gelijke Natuur, te dompelen. ; De voornaamfte uitwerkzels, die het Harden in 't Staal
te wege brengt, en daar de Eonften het meefte voordeel mede weeten te doen, zijn, dat het hetzelve zeer Hard doet worden, deszelfs Veerkragt vermeerdert, en het duurzaam maakt. Alle fchérpe en fnijdendè Werktui- gen, de zulke zelfs daar men het Land mede bebouwt niet uitgezonderd , met één woord, van de Laatvlijm af tot deSpade toe, zijn aitemaal hun voornaamfte verdienfte verfchuldigd aan die Hardheid* die zo weinig moeite en konst vereischt, en nadeelig worden zou door overmaat, indien mengeen zorg droeg om dezelve door zekeren trap van Hitte, dien men op het Harden volgen laat, weder te maatigen, 't welk men Ontlaaten noemt. e ,> De verwonderenswaardigé'uitwerkzeis, die men het
Harden in't Staal ziet voortbrengen , hebben niet zon- der reden de nieuwsgierigheid der bekwaamde Natuur- kundigen gaande gemaakt. Alleen hebben ze er de oor- zaaken van willen weeten, en zommigen ze'fs gewaagd, om er verklaaringen van ie opperen; dog niemand , dit moet men erkennen, heeft er waarfchijnlijker en beter gèftaafde uitleggingen van aan de hand gegeven , dan de HeerRßAUMUR. Na, verfcheiden jaaren agtereen, een gantfche reeks van Proefneemingen over deeze (tof ge- daaan te hebben, veronderftelt hij, dat de werking van *t vuur, een groot getal van de zoute en zwavelagtige deeltjes,' uit het binnenfte van de Stof klompjes van het Staal, door welke zij overal verfpreid lagen, uitdrijft, zonder dezelven nogtans uit her gantfche Lighaam van het Staal te verdrijven,- eene onderftelling die op dege- woone en bekende uitwerkzels van het vuur en op de |
|||||
|
VEL.
nen wii er echter de oorzaak der Veerkragtin 't algemeen
niet te beter door. Alles wat men tot nog toe uitgedagt heeft om er reden van-te geeven, verdient, op zijn best genomen, geen anderen naam, dan dien van gis- fingen; zoramige van welken zigtbaar door de ondervin- ding wederfprooken worden; anderen dat geen zelf, 't tfelk ingefcbil ftaat, veronderftelien; en andere einde- lijk, eer fchrander uitgedagt dan waarfchijnlijk, zich op : geene Proeve, tot ftaaving, beroepen kunnen.
Dat een Veer, die men fpant door haar krom te bui-
gen, haare openingen en ledige tusfchenruimten aan de, boll'e zijde wijder en grooter heeft, dan aan haar holle kant, is buiten twijffel waar; dat die openingen en tus- fchenruimten, fchoon wijder en grooter, echter nog, niec I groot en wijd genoeg zijn, om een dikke en grove lucht
I toe te laaten, en dus ledig en ijdel blijven, koomt ook
nog al niet onwaarfchijnlijk voor; daar dat, uit hoofde I van die kleine luchtledige en ijdele ruimten, de drukking
der lucht; die op de tegenovergestelde of holle zijde werkt, oorzaak zou zijn van de kragt, die men de Veer ziet doen om zich in haar voorigen ftaat te herftellen, is iets, 't geen ons de reden niet leert, en de ondervin- ' ding wel uitdrukkelijk tegenfpreekt. Want in een plaats
van grove lucht gezuiverd, in een luchtledigenOntvan- ger, bij voorbeeld, verrigt de Vertragt,haar werkin- gen eveneens als elders. Ik noem veronderftelien't geen in gefchil ftaat; wan-
neer men de Veerkragt der Lighaamen toefchrijft aan de lucht, die binnen in de Lighaamen zelfs, en tusfcben derzeiver deeltjes ingeilooten is, en daar zamengedrukt word; even als of men zo veele kleine blaasjes of leeren balletjes, aan de holie zijde van een Stok, dien men krom boog, tegen malkander en ineenperfte, en dezel- ve, gelijkze doen zouden, tegenftandbooden, zo lang tot dat men de Stok weer regt liet fpringen; want dan blijft eraltüd die vraag nog weer over ; welke de oorzaak is van de Peerkragt der lucht. Indien men eindelijk teffens met de verandering van
gedaante, welke de openingen en ledige tusfcbenruimte I van een Veer, als ze gefpannen word, ongetwijffeld on-
dergaan; ook nog te vinden isgelijkde fijnefloffen, bij voorbeeld, of iets dergelijks, dat door zijn zwaar te werkt; zou men eer een verklaaring uit kunnen opmaaken, die van alle waarfchijnlijkheid niet te eenemaal ontbloot zou zijn. Maar ik twijffel zeer of ze wel veel ingang vin- den zou, zo men geen proefneemingen, tot ftaaving, wist bij te brengen, en ik zie niet hoe men er ligtelijk eeni- zou bekomen, die ten haare voordeele en duidelijk fpraa« ken. Noli.et. VRER-UILTJES, zie NAGT-KAPELLEN, VEEZEL, in't latijn Fibra; is een deeltje des lig- haams, dat draadagtig is, zeer fraai en dun , waar door de andere deelen als zaamengebonden en de beweegin- gen veroorzaakt worden. Uit diergelijke Veefeltjeszijn bijna alle de deelen onzes Lighaams zamengefteld. Naar maate nu deeze Veefeltjes op verfcheiden wijzen te zaa- roen koomen, ontftaat er ook een verfcheiden wefen; want 't eene deel is vleeschagtig, 't andere haairagtig, en een ander wederom peesagtig* zommige Veefeltjes leggen r.egt, en anderen krom of geboogen. Men heeft er ook rigide, firoeve of harde, geliik de been-veefelen, naar maate van de ouderdom der Menfchen, als mede weeke en zwakke of fiappe; en naar maate van de vor- ming of beelding der Dieren, vind men er regte, fchee. ve' cj.rkj-lv°rniige, flangswijze en anderen. Derzeiver Vil Deel. |
|||||||||
|
VEL.
|
|||||||||
|
3795.
|
|||||||||
|
vermogen, als ze wel aan een zijn verbonden, en door
goed zenuw-fap aangevuld, maakt den tonus vitalis of ■ de levenskragt uit. De Veefelen zijn tot uitdijing be- kwaain, zo dat ze door den aangroeij des Ligheams a'. lengkens haare behoorlijke langte bekoomen; want de natuur van's Menfchen wasdom beftaat inzonderheid in de verlenging en verwijdering deezer Veefeldraaden. Ook moet de oorzaak van veele ziektens in de Veefelen ge- zogt worden. VEESTER-TORRETJE, zie ROOF-TORREN,
»: XI. pag. 2097. VEEZIEKTE, zie ZIEKTE van het VEE.
VEGETABILIËN, zie GROEIJENDE-DINGEN.
VEIL, zie KLIMOP.
VELU-AJUIN; Vogels melk; in'thtija, Ornithoga-
/«m;in'tgrieksch, oçviïîyahov > vano'pwç, een Vogel, en y»K») melk, als of men zeggen wilde, een Plant welker Bloemen zo wit zijn, als de witte pluimen van gevederde Dieren. Kenmerken. Deeze Plant heeft een leliegedaantige
Bloera, uit zes Bloembladen beftaande, die in de rondte ftaan, welker middelpunt door het Stijltje bezet word, 't welk naderhand een rondagtige Vrugt word, die in drie celletjes is verdeelt, en met rondagtige Zaadjes opge« vuld; de Wortel is bolagtig. Zoorten. De Heer Miller telt vijfentwintig ver.
fchillende zoorten van dit Gewas op, dog dewijl daar veele onder zijn van weinig belang, en enkel als veran- deringen zeer weinig van de overige verfchillende, kun- nen worden aangemerkt; zullen wij ons vergenoegen, met de voornaamfte of hoofdzoorten te plaatzen. i. Arabifche Veld.Ajuin, ook grootfie witte gekrans'
de of gekroonde Veld-Ajuin genoemt; Ornithogalumumbel- latum maximum. C. Bauh. Pin. 69. ; OtnitJiogalum ara- bicum. Clus. hifi. II. p. 186.; Melanomphale. Reneal. Spec. Sc.; (Ornithogalum floribus corijmbofis, pedunculis fcapo humilioribus, filamentis emargiiyxtis. Li NN. Spec. Plant.) 2. Gemeenewitte gekramde Veld-Ajuin; Ornithogalum
umbellatum medium angujlifolium. C. Bauh. Pin.; 70.; Eliocarmos. Reneal. Spec. 88.; (Ornithogalum floribus corijmbofis, pedunculis fcapo altioribus, filamentis emar» ginatis. Li NN. Spec. Plant.") 3. Lelie van Alexandrien, ook grootfie Ireedbladige
geaairde Veld-Ajuin met veel witte Bloemen, genoemt; Ornithogalum latifolium & maximum. C. Ba oh. Pin. 70.; Ornithogalum vel Lilium alexandrinum, ftoribus albis in- numeralibus, S weert. Flor'üeg 58. ; (Ornithogalum race- me longisjfimo ,foliis lanceolato enfiformibus. Linn. Spec. Plant.) 4. Grootße fmalbladigo geaairde Veld-Ajuin met veel
witte Bloemen ; Ornithogalum angufiifoliumfpicatum max- imum. C. Bauh. Pin. 70. ; Ornithogalum laEteum maxi- mum. Besl. Eijfi. ; Ornithogalum racemo conico, floribus numerofis adfeendenticus. Ror. Lugdb. 32.; (Ornithoga- lum pyramidale. Linn.Spec. Plafit.) 5. Groote fmalbladige geaairde Veld-Ajuin, met groen*
agtig witte Bloemen, ook klijfleragtige Affodille, of Hijacinth'Affodille genoemt ; Ornithogalum anguflifoli- urn majus, floribus ex albo virefcentibus. Bauh. Pin. 70.; Ornithogalum fpica longiffima, filamentis triangularihus. Hall. Helv. 204.,; Stachijoides. Reneal.. 93.; (Omi- thogalum racemo longifßmo, filamentis lanceolatis, pedun- culis fioriferis patentihus aaualibus, fruüiferis fcapo ap. E ' pr».
|
|||||||||
|
3>9S VEfc
ptoximatisl Li-K-K. Spec, Planta
6. Napelfehe Feld-Ajuin, met witte van luiten asch*
gfaauwe Bloemen, die een kleiner Bloem van binnen heb.' ben ; Ornithogalum exoticum , magno flore minori inna- to, C, Bacjh. Pin. 70. ; Ornithogalum neapolitanum. Clüs. App. 2. p- 9. ; {Ornithogalum floribus fecundis pendulis , nettareo. flamineo campaniformi. Link. Spec. Plant.), . 7. Geele gekroonde Veld-Ajuin; Bulbusßjlvestris. Do-
don.; OmWwg-alum.luteum* C. Bauh. Pin. 71..; Orni- thogalum dipkijllo, pedunculis fimpliçibus terminalihis.yfi- lamentis omnibus fubulatis. Roy. LugdL 31.; Pijrrachi- ton. Reneai.. Spec. 91. j (OrnAtho.gnlum. fcapoj angu.lofo diphijllo, pedunculis umbellatis ßhnpliciius. Linn. Spec. P4ant.) §. Kleine geele gekroonde VeMr Ajuin;-, Qmfckogalum
luteum minus, ç, Bauh- Pin, 7i->' Hijpoxis. R_eneal.. Spec. 92.; (Ornithogalum fca<po. ajigulato. diphijllo., pe- dunculis umbellatis ramofis. Linn. Spec. Plant.) .. Piaat.s. Dßeerße zoort groeit om.t.re,n.t.Alexandrie.n in
Egijpten. De, tweede in Hoog-D.uitschland , Bra- band, Vra.nkrijk, enz, in de Kporovelden. Deder- dß in Egijpten en Arabien.. De vierde-.oyd.e heuvels ip Portugal. - De vijfde in de Switferfche en Itali- aanfche Gebergtens. De zesde, in Napels, Sicilien en, Kand.ien,. -~ De zev.ende en~*agtft,e in Neder- en Hoog-Duitschland, Oo.ftenr.ijk,, S.witférland,.eng. naast de, akkers en heggen. Kweeking. De zes eerfle zoprten worden, door, A.fzet-
zjels. vermenigvuldigt, welke, haare Woit.els. doorgaans in groote.menigte voortbrengen. De beste. tijd. om haare. Rollen te verplanten, is in [ulij , wanneer, haaj-è Bladen verdord zijn;, want, indien ze Iaa.t in,, het najaar verzet. Worden, nebben ze haare.haairwortels uitgefcho.oten, als wanneer ze veel lijden opgenpomen wordende. Ze verkiezen een: ligte zandige, grond, die vooral niet veel mpetigem.est worden, dewijldaardoor de Bollen zpuden vergaan. Men kan ze met andere bolwortelige Bloe- men op de.rabatte.nvan, de de, pjajfler.-tuin ich akeeren , alwaar ze-, een, aangenaame verfcheidenheid geeven, en, Igngen tijd in bloei blijven. Haare Bollen behoeven iy,et. dan on] het andere jaar verplant, te wórden ; want neemt men ze alle jaaren op., zo zullen ze zo fpqedig njet vermenigvuldigen; dog, wanneer,men.ze in tegen- deel teJspg zojider opnegmen laat toa.n, .hekpprnen ze zo veele Aféetzels.ronds.omme. de. Mpeäej>Boi,, daj.deeze verzwakt word, en. op lange.na. zo tie.rig niet. bloeit, -r Me.n kan dee_zß Gewasfen;op^ dijpr Z.aad vermenig- vuldigen,,, moetende als. dan. gezaajt.en behandelt wor- den , zo als de meeste-andere'BoUBÎoemen, en drie of rçierjaar nadgz^^ijjpg,brengenzjj. Bloemen voort, waar qnde,r m,eji veeltijds- nie,uwe zpqrten of veranderingen be- -kppmt. n De zevende, en, agtft'c zoorten worden zel- den in de tuinen geplant,,, dog.dit ge/chiedende vermeer- deren zij dpor't.r,oe/,en cjer eropd.zpdanigj dat .het een lastig onkruid veroorzaakt;., dewijl de verflropjde jonge, Klifters.overal van zelven voortkoouien.. , i^èr^JÇçîjR.4 iwCÎ^^1 f^ê#»y^ö4? ßßve-
Jim., is een kleine, zpofry a^Ajij ejier,. icX^ÜJegraeU
jende.
* VÈL,D.BQPNEN, zje-RODNEN (KLEIJNE-.Y.
VELDBÇtUVV', zi,e LANDBOUW;* """ V.ELDRÓUWER, zie ^ANDBOrJWER,. VELD Ç1JPRES,' ; ïfpe langer'hóe liever , in 'tjatijn Cbapcepitis , in 't grieksch *«/*«(/tv s van #«/w«) en
|
||||||
|
VEL.
jrjTUf j een Pijnboom, als of men zeide laage Pijnboom,
om dat de Bladen deezer Plant naar die van een Pijnboom gelijken. Kenmerken. De Bladen zijn fmal, enindrieëngefplee«
ten; de Bloem gelipt; de plaats van de Kam der Bloem is met kleine tandjes voorzien ; derzelver baard of on- derfte Lip is in drie deelen verdeeld, en de middelfle' verdeeling is wederom in twee deelen onderfcheiden. De Bloemen groeijen zelden in Spillewervels, gelijk de meeftenvan dit Plantgeflagt, maar daar koomen aan de Vleugels der Bladen een of tweeBloemen voort. Zoorten. De zoorten beftaan hoofdzaakelijk in twee,
als. 1. Gemeene-geele Veld-Gijpres, Ghamcepiiis lutea vul*
garis, fivefolio trifido. C. Bawh. Pin. 24.9^ Champi- tis prima. Dod. Pempt. 46. ; (Teucrium foliis trifidis ti- nearibus integerrimis, fluribusfeJfiUbus axillaribus. Linn. Spec. Plant.) 2. Tweede Feld-Cijpres met getande Bladen; Chamepij-
tis altera. Dod. Pempt. 46.; Chamapitis mofchata, f o- lus J'erratis on priinis Diofcoridis. C, B-auh. Pin.; (Teu- crium foliis multijidis ,floribus verticitlatis utrinque ternis. Linn. Spec. Plant.) ■ Plaats. De beidezoorten worden in 't wild gevonden
in veele landftreeken van-Ooflenrijk, Honganjen, Swit- ferland, Vrankrijk, Italien enz. op fandige Akkers; als mede in Engeland:, op krijtagtige landen. Kweeking Men kweekt-deeze Planten zelden inde
Tuinen, dog wil men zulks doen, zomoet het zaad kort- na dat het riip is, gezaait worden; want wagt men hier mede tot in het voorjaar, zo koomt het zelden wel op, en al opkoomende, word er genoegzaam nooit rijp zaad van gewonnen. Kragt en Gebruik. Dit kruid word een maatige ver-
warmende, infnijdende, openende, pis»en (tonden-drij. vende, hpofd en zenuw verfterkende kragt toegefchree- ven ; wordende inzonderheid zeergepreefen voor de jigt, podagra, beving der leden, finkingen, en andere gebre- ken der zenuwen engewrigten, in decoftie of infufie in Wijn , met Gamander ingenoomen. VELD GRAS, zie GRAS, n. 21,pag.932.
VELD-HAASEN-LAÏUWE , zie HAAZEN-LA-
TÜWE, n.s.pag. 987. VELDHOENDERS. Onder den Geflagtnaam Tetrao,
worden van LrNN^Eus de Vogelen begreepen, die men Berghoenderen, of liever met een algemeene Naam, die op zommige zoorten beter past, wilde of Veldhoenderen noemen kan. Hier onder zijn de Patrijzen en Kwartels begreepen. De Heer Brisson maakt, in de tweede A fdeel ing van
zijne tweede Rang, een onderfcheiding tusfehen Berg- hoenderen en Patrijzen , door de ruigte of gladheid der Pooten , zonderende de Faifanien wegens de langte hun- ner Staart, van de Patrijzen af. In zijn Patrijzen-Ge- flagt zijn ook de Kwartels begreepen. Alle deeze Vo- gelen, zegt hij, leeven in 't wilde. De Hr. Li nn^üs geeft- tot Kenmerken van dit Geflagt der Veldhoenderen eenvou- digop, dat de Wenkbraaiiwen kaal zijn en getepeld. De ruigte of gladheid der Pooten is bij hem eene onderdee- 1 ing. Door Klein worden, de Kwartels zelfs van de Pa- trijzen afgezonderd. 't Getal der zoorten van Veldhoenderen is bij LiNNiE-
us dertien, waarvan de zeven eerden ruigpooten , de zes laatften kaalpooten zijn. Brisson heeft van deBerg- hoenderen twaalf, en van de Pat rijzen eentwintig ver- fchei-
|
||||||
|
FEL.
ftheidenbeden, waar onder agt van Kwartels zijn.
I. Omrlman; Urogallus f. Tetrao major; Gesn. Av,
aoi' (Tetrao pedibus hirfitus*, reBricibus exterioribusfub* brevioiibus, axillisaibis. Link. Faun. Suec.) Zie ÜÜ- ERHAAN.
II. BerkJieen; Urogallus . Tetrao minor. Gesn. Av.
194-'} (Tetrao pedibus hirjutis, cauda bifurcata, remigi- bus fe'cundarüs bafin verfus albis. Ltnn. Faun. Suec.)Zie BERKHOEN. III. Kamdaasch Veldhoen; Urogallus maculatus cana-
denfis, Gesn. Av. 118. ;(Tetrao pedibus hirjutis, reBricibus nigris apice fulvis, lituris duabus albis ad oculos. Linn. Sijfi. Nat) De Heer Edwards, die de Afbeelding van 't Mannetje van deezen, hem uit de Hudfons-ßaaij ge- droogd toegebragt zijnde, geeft, merkt aan, dat men denzelven aldaar noemt IVood.Patridgeoï Bosch'Patrijs. Deeze Vogel is van grootte, zegt hij, tusfchen den Fai- fant en Patrijs, maar wat dunner van Lijf en eenigerma- te langer van Staart dan de Patrijzen zijn. Het zelfde verfchil is er, zo bij aanmerkt, tusfchen deeze en het Wijfje, (dat hij veel vroeger ontvangen had , zijnde rood- agtig en zeer fraai gevlakt gelijk de Faifanten,) als in de Europifche Veldhoenderen, die men in Engeland zwart en graauw Wild noemt, dog in Amerika zegt hij, ont* houden zij zich op laag en vlak Land, 't welk in koude oveenkomt met de hooge Landen en toppen der Bergen; daar men alleenlijk de Attagens in Europa vind. IV. Sneeuwhoen; Lagopus. Gesn. Av. 577. ; (Tetrao
pedibus lanatis, remigibus albis, reBricibus nigris apice albis intenneiiis totis albis. Linn. Sijfi. Nat.) Bij de Schrijvers, in't algemeen, heet deeze Lagopus, van we- gen zijne Pooten, die meer naar Haazepooten zweemen, dan in de andere zoorten van dit Geflagt; bij Ai.dro- vandus Perdrix petrofa, om dat hij veelal in de Rotfen nestelt; inSwitzerland Steinhuhn. De Franfchengeeven er den naam aan van Gelinote blanche of wit Hazdhoen, en veelen noemen hem witten Patrijs; de Duitfchers Schnee Huhn, de Schotten Ptarmigan. In de Noord- fche landen is hij bij den naam van Ripa of Rijpen be- kend, en de Laplanders geeven er den naam aan van Snoe'Riper. " Deeze Vogels hebben hunnen naam niet zo zeer van de
witheid van hun Pluimagie, als van het vermaak, dat zij fcheppen om in de fneeuw te graaven; verdatende zelfs om die reden de Dalen , wanneer de fneeuw aldaar door de warmte der Son. in 't voorjaar, begint te fmelten. Zij onthouden zich op de hooge bergen van Europa, zo wel der noordelijke deelen , dog allermeest op de Lap landfche Alpen, alwaar zij zeer menigvuldig zijn. In Noorwegen vind men ervan tweederleijzoort, waar van de een Bergrijpe genoemc word, de andere Boschrijpe, naar de plaats, waar menze meest ontmoet. De eerfte heeft de grootte van een Duif, de andere die van een Hoen ; beide zoorten zijn in de winter wit, in 't voorjaar gefprenkeld, en inde fomer graauw. De Staartpennen, echter, blijven altoos zwart,, met witte flippen. De witte Patrijzen koomen omftreeks Bergen zom-
tnds in groote menigte, en 't eene jaar meer dan in het ander voort. Als de eerfte Sneeuw, met een oofte of noordoofle wind, valt, wordenzevande toppen der AL pen mde daalen gejaagd, dan ziet men ze menigvuldig; dog, als die valt met een weste ofzuidweste wind, zo heeft men er, dat jaar weinigen. Zij worden gefchoo- ten , of in ftrikken en vallen , die men van zwaare plan- Ken maakt, gevangen. Gefchooten zijnde, is het zeer |
|||||||||
|
VEL.
|
|||||||||
|
3797
|
|||||||||
|
goed Wiid, dog anders word het vleèsch, dôor verdikking
in hun bloed, onfmaaklijker, Men brengtze, bij duizenden, te Bergen (gelijk ookStokbolm) te koop, en zij worde» ook wel, half gebraden zijnde, in Vaten gekuipt, en bui- tenslands verzonden. Hun voedzel beftaat des fomers in Muggen, maar 's winters in de knoppen van de Naan« tjes«berkeboomen, als ook van Eist, die zij in groote menigte bij hun Nest onder de fneeuw vergaderen, en dit maaktjiun in't voorjaar zeer vet. Doktor Derham, die zulks aanmerkt, als een blijk van de voorzorg de& Scheppers omtrent het behoud der Dieren, fchijnt niet gedagt te hebben om de bijstere domheid deezer Voge» len, die, wanneer door de Boeren een kring van fteenen om hunne Nesten gemaakt word, daar niet over heen durven koomen. 't Gebeurt ook wel, dat zij, van Roof- vogelen vervolgd wordende, doorbenaauwdheidde Men- fchen in de handen loopen, en dus vallen zij, den re- gen fchuwende, naar hetgemeene fpreekwoord, in de Moot. In de Bosfchen ïnaaken zij veel gefnaps door hun gefchater. Rat merktaan, dat deeze witte Patrijzen bijna alleen-
lijk in koleur verfchillen van de Lagopus altera van Pli- » 1 us, die de Attagen van Aldrova ndus fchijnt te zijn, en in Italie Francolino genoemt word. Men noemt dee« zen in Engeland en Schotland, alwaar hij zeer veel voor« komt in de hooge Gebergten, Gor-Cock of Moor-Cock en Moor-Hen ; de troepen van jongen Gorfowl en Pouts. Albin heeft er, onder den naam van Coq de Marais, twee afbeeldingen van gegeeven, en derhalven noem ikze Môerhoenderen. Dejaagers geevener den tijtel aan van red Game, dat is, het roode Wild. Zij zijn grooter dan de roode Patrijzen, en koomen in geflalte en koleur zeer wel met den Faifant over een. V. Faifant van Kanada; Phafianellus; Urogallus mi'
nor, cauda longiore. EDw.Av.117.; (Tetraopedibushir^ futis, cauda cuneiformi, reBricibus tribus lateralibus albis. Linn. Sijfi. Nat.) Deeze krijgt van den HeerLiNN^u* om die zelfde reden, den bijnaam van Faifantje; hoe- wel hij inderdaad, in grootte weinig van den Faifant, of liever van het Berkhoen, verfchilt. Zijne geftalte en koleur niet alleen, maar de Staart zelfs, doen hem zeer naar de Hen-Faifantgelijken. DieTiem van de Hudfons« Baaij aan Edwards bragt, verhaalde dat de Haan zwar-' ter was en glanzig aan den Hals, welk verfchil er ook in onze Heij-Hoenderen plaats heeft, zegt die Engelsch- man. Zeker Doktor uit Virginie verhaalt, dat men al- daar, in de Bosfchen en Wildernisfen, ook zodanige Veld* hoenders vond, welker Haan een trotfche Vogel was, loopende zeer regt op. Edwards noemt hem'Meine Ouerhaan met langer Staart, en Brisson oordeelt hem tot de zelfde zoort, als de Ouerhaan te behooren. VI. Gehuifd Veldhoen; Urogallus minor fufeus, çer-
vice plumis alas imitantibus donata, Catesb. Car. Ui. p. r. ; (Tetrao pedibus hirjutis, alis fuccenturiatis cervi» calibus. Linn. Sijfi. Nat.) 't Amerikaanfche Veldhoen of kleine Ouerhaan, word deeze van Catesby , als een Virginifche Vogel, getijteld, en Brisson noemt hein Gelinote hupée d'Amérique, daar hij het Moerhoen, en- kel, gekuifd Hazelhoen genoemt had. Volgens Cates» by is het ongevaar een derde grooter dan een Patrijs, van koleur rosagtig bruin, inet zwarte en witte dwars- flreepjes, de Slag- en Staartpennen ten deele zwart; zo dat de Vogel in deezen zeer naar't Berkhoen zweemt. De Wiekjes aan dert Hals hebben hem Cupido doen noe- men. *mü\ wi E 2 VIL H*i
|
|||||||||
|
VEL.
koomen der Jongen uit de eitjes af, tot aan hunnen
ouderdom en dood toe, onderhouden. Zij beknab- beien ook allerleij Ooft, en üeepen, het geene zij ,, voort kunnen krijgen, naar hun Hul. Zij drinken fterk, doch liefst, regendruppelen van het Kruid of de vogtigheid van daauw, daar op vergaderd ; want te veel water doet hun de Sprieten aan het Lijf, of aan iets anders kleeven, zo dat zij die zomtijds kwijt raaken. Hierom, wanneer zij een klein (lootje moe- ,, ten pasfeeren, vullen zij hetzelve op met fteentjes, fpaantjes of gras en brokjes aarde, naar dat zij Dij der hand hebben. Ook maakten zij hunne Holen of Nesten nooit regt op en neer, maar waterpas, en liefst ,, aan een afloopende fchuinte. Die, waarin het Wijfje haare eijeren verbergt, zijn altoos met een kluitje aarde toegeftopt, dog die van het Mannetje open en zo groot dat het Wijfje, 't welk hij door zijn geluid tot zich lokt-, zich ook daar in verbergen kan. Wanneer het een weinig koel word kruipen zij weg, maar bla- keren zich gaarn in de fonnefchijn. Eerst gaan zij voor uit in het Hol, om te onderzoel.en of daar ook iets is ingekroopen ; en , het zelve ledig vindende gaan zii te rug , en met. hun agterÜjf eerst da^r in , dewijl ,, het zo naatjw is, dat zij zich niet kunnen omdraaijen. ,, Wat hun voedsel in de winter zij, heb ik nog niet kunnen ontdekäen." , Hei'Gekweel van het Mannetje is altoos een kente»
ken van de paaring ; de Wijfjes peeven geen geluid. Zommigen willen, dat mj hetzelve door de wrijving van hun Borstftuk maaken ; dog anderen beweeren, datzulks gefchied doordie der Dekfchilden tegen elkander, en dat dezel ven, in de Mannetjes, ten dien einde, met veel (1er- ker en dikker aderen doorregen zijn. Een proef, door den Heer Roesel in 't werk gefield, fchijnt zulks vol- ftrekt te bewiizen en doet het Gevoelen der genen, die den Bek of Pooten voer de Werktuigen van dat krieken houden, geheel vervallen. Moogiijk zouw het kunnen zijn, dat de wrijving der Dekfchilden tegen't Borstftuk hier in ook behulpzaam waare. Mouffetius verhaalt, dat iemand door het wrijven der Dekfchilden tegen elk- ander, hetknarfender Krekelen heeft nagebootst Frisch toont duidelijk aan, hoe gemelde Dekfchilden daartoe, niet alleen, maar ook tot het verhoogen of verlaagen van den Toon, zeer bekwaam zijn. De Paaring gefchied, volgens hem, opeene zonder-
linge manier. " Zo dra het Mannetje zijne gade nabij zich befpeurt, maakt het niet meer een zo fterk ge- luid, maar een geruisen, en tragt met zijn Lijf van voorenon der't Wijfje te koomen; ftrekkende de Hals uit, endraaiiendeden Kop, ten einde zich het Wijfje met de voorde Pooten, aan den Hals mögt kunnen houden. Hetfteekt middelerwijlzijn Schaftje.dat on- deraan'tLijf is opwaards, en hangtaan het Wijfjeeen rond Korreltje, dat naar Geerstzaad gelijkt, en op ,, een zeer fijn draadje ftijf ftaat, aan het gedeelte dat ,, daar vanin'tLijfgekoomen is. In dit Korreltje fchijnt dekragt der bevrugting van veele Eijeren te huisveften; ,, want het Wijfjedraagt hetzelve eenige uuren metzich om, en kan vervolgens bij de dertig en meer Eijeren leggen, fchoon het Mannetje maar een korren tijd on- der 't zelve is geweest. Ik heb zodanige Korreltjes, zo wel uit het Wijfje als uit het Mannetje, gehaald, en aan het end van den ftijven draad, of van het Steel- tie derzelven, een rond wit vliesje gevonden , het welk ergens aan kleeven kan, en in welks midden .. de
|
||||||
|
575,8 VEL
VII. Hazelhoen', Gallinacorijlorum. Gesn. Av. 229. ;
(Tetrao pedibus hirjutis, reQricibus cinereis punUis nigris, fafcia nigra, exceptis intermediis duabus. Linn. Faun. Suec.) Zie HAZELHOEN. VUL Roode Patrijs; Perdix rufaf. major.Gesn. Av.
682-, (Tetrao roflro pedibusque fanguineis, gula alba, cintta fajcia nigra. LlHö. Sijfi^Nat.) Zie PATRIJS, n. I. pag. 2013. IX. Gewoone Patrijs ; Perdix cinerea, Aldr.£>rn. /. 23.
c. ig. ; (Tetrao pedibus nuiiis, macula nuda coccinea pone eculos, cauda ferruginea, flerno brunneo. Linn. Faun. Suec.} Zie PATRIJS, n. II.pag.2614. X. Virginifche Patrijs; Perdix virginiana. Catesb.
Carol. III.p II.; (Tetrao pedibus nudis fafcia nigra jupra £f infra oculos , linea verticali fulva. Linn. Sijfl. Nat.} Zie PATRIJS, «.III.pag: 2614. XI. Marijlandfche Parijs ; Perdixnovte angli. Alb,
,/fy. I. p. 26.; (Tetrao pedibus nudis, f afcia nigra Jupra Êf infra oculos, linea verticali fuiva. Link. Sijfi. Nat.) Zie PATRIJS, n IV. pag.2614. XII. Francolijn. Tour/vef. ft. I.p. 158. ; Perdix da-
mascena. Willougb Orn: 128.; Tetrao orientalis. Has- SELQ ft. 278.«. 43.; (Tetrao pedibus antice pilofis ; ofe- domine gulaque aua , coUari ferrugineo, cauda cunei. formt Link. Srç/î. Ato.) Zie PATRIJS, n. V. pag. 2614. XIII. .Kwartel; Coturnix. Gesn. -^v. 353: ïetrao Is-
raëlitarum. Hasselq. ft. 279. ». 44.; (Tetrao pedibus nudis, corpore grij"eo maatlate, fuperciliis albis, reUrki- bus margine tunulaque ferruginea. Link. Faun. Suec.) Zie KWARTEL. VELD KERSE, zie CARDAMINE.
VELD-KLOKJESBLOEM.zieKLOKJESBLOEM,
tl. 13 pag. 1528. VELD-KOOL, zie KOOL.
VELD-KREKEL; GrijllusCampestris; (Grijllus ache-
ta, thoracerotundato, ciuda bifeta flijlo lineari; aliselij- tro brevioribus, corpore nigra. Frisch Infl.1.) In de Neuremburger Letterkundige Verzameling van 't jaar Ï740, geeft de Heer Kramer berigt van viifderlei Kre- kels, die hij in Oofteprijk waargenoomen had , te wee- ten , Huis-Krekels, V'eld-Krekels, OeverKrekels, Wijn- gaard* en Bosch-Krekels. Waarfchijnlijk zullen dierneer door de plaats, daar zij zich onthouden, dan door de Geftalte onderfcheiden zijn; aangezien de Heer Geof- froy zelf, omftreeks Parijs, geen verfchilgevonden heeft tusfchen de Huis- en Veld-Krekels, dan alleenlijk in de koleur, die in de laatfte bruiner of zwart is. Die Stijl waar vanLiNNus fpreekt, fchijnt ook maar deLegte zijn in de Wijfjes, welkedie der Huis Krekelen insgelijks hebben. Het voornaamfte verfchil zou dan beftaan in de lang of kortheid der Wieken of Vleugelen. Aan de Feld-Krekels fchrijft onze Autheur de woon-
plaats toe, in de zuiderlijker deelen van Europa, dan Sweeden, en men vindtze niet alleen in Vrankrijk, maar ook in onze Provintien. In Karniolie, alwaar zij Muntz genoemt worden, onthouden zij zich op de kleijige met kruid begroeide Heuvelen.alwaarzij kweelen van den eer- ften dag van maij tot aan Sf .Jan in de fomer, volgens Dok- tor Scopoli. Zie hier watFRiscH, in zijn naaukeurige befchrijving der Feld-Krektlen van Duitschland, meld Tan hunne Levenswijze. ** Zij eeten aljerleij Gras en Kruid ; benevens aller-
», leij Koorn en Zaad.. Ik hebze met Meel, gekneusde »Erwten, KauwOerd-Zaaden en andere, van het uit- |
||||||
|
VEL.
|
|||||||||||
|
VEL.
|
|||||||||||
|
37i>9
|
|||||||||||
|
fransen, Mache , Blanchette, Poule grosfe, Salade de
Chanoine; en in 't hoogduitsch, Akker*taUich, Veld- kropff, Muszjen-Salatk, enz. Kenmerken. De Bladen groeijen bij paaren tegen mal-
kander over aan de Steelen ; de Steelen zijn altoos in twee deelen verdeeld, en vertoonen zich van boven even als een fqheim. De Bloem beftaat uit een Blad, 'twelk in veele verdelingen is gefneeden, en van een naakt Zaadje gevolgt word , waar aan geene wolligheid zit, verfchillende hier in van de Valeriana. Zoorten. Daar zijn verfcheidene zoorten van dit Ge«
was, waarvan de meesten uitheemfche; wij zullen ons vergenoegen met die geene te melden, welke bij ons tot keukengebruik dient. . Gemeene Veld-Salade ; Valerianella campestris inodora .
major. C.Bauh. Pin. 165.; Locusta herba prior. J. Bauh. J.A.ï.75. Olus album. Dod.; Phu minimum alterum. LopEL. ; Valerianella aryenfis pracox humilis, femine comprejjo. Tournef. Infi. R. Herb. 132. Boèrh. Ind. alt. x. 75. {Valeriana caule dichotomo foliis lanceolatis integris, fruHu fimplici. Lihn. Hort. Cliff; 16.) Hier van zijn drie veranderingen, als met langer, ronder en gezaagder Bladen. Dog bet is de eerfte die'tmeefte in de Moestuinen word gecultiveert. Plaats. Dit Gewas groeit in Neder- en Hoog-Duitseh-
land, Vrankrijk,.Engeland., enz. hier en daar op de ak- kers, inzonderheid op eene zandagtige vette grond, en die van aart, wat vogtig is. llOïiJHj ;,"-! k-A Kweeking , enz. De Veld Salade word door het Zaad
gekweekt, 't welk men van julij af tot in feptember op verfcheidene reizen tamelijk digt zaait, om ze inden herfst en het geheele winter door jong te hebben. Men zaait het gemeenlijk op ledige bedden die reeds in dat jaar Vrugten hebben gegeeven, als, bij voorbeeld, daar Erw- ten op geftaan hebben, om dus meerder gebruik van de grond te maaken. Het bemind een goede, losfe, vette, eenigzints vogtige grond, en een opene ftandplaats, en kan de allerftrengfte winterkoude doordaan , zonder ta bederven. Het zaad word van zodanige Planten gewon- nen, die de winter hebben overgedaan en in 't volgende voorjaar opfehieten; waar bij ftaat aantemerken, das men het Zaad niet geheel rijp moet laaten worden, om dat het anders ligt uitvalt; men fnijd derhalven de zaad- ftruiken af als het zaad bijna rijp is, en legt het op eert kleed in de Son om verders rijp en droog te worden % als wanneer men het uitklopt, zift, fchoon maakt, en vervolgens gelijk als andere Moeszaaden bewaart. Gebruik. Dit Gewas verftrekt tot keukengebruik als,
Salaad in de herfst, winter en vroege voorjaarstijd, wordende met boomolie , azijn, peper en zout toebereid, ook wel meteen zuur boterzausj'e, en hoe jonger enklein- der de Veld- Salaad is, hoe lekkerder en aangenamer ook van fmaak; meest altoos voegt men er wat aan fchijven gefneeden gekookte bete-wortels bij, ook wel wat fijn gekorven endijvie. jelderij enz., al het welk deeze Salaad een verhevene fmaak bijzet. Schoon dit Kruid bij veelen als een gemeene Salaad
word aangemerkt, zo is hetzelve echter zeer gezond voor die van een heet teperament zijn, en voorzodanjgendie een fcherpen ziltig bloed hebben, en bardlii'vig zijn;, want het is maatig verkoelende , verbeterd de fcherpig- heïd des bloeds, en ßxeert, als men dikwils daar van nuttigt, het zü alleen, of wel met ««Avis » cichouij\ taraxicum, of lepelbladen vermengt. VELDVLIEGER, zie DUIVEN» n. liftm'Sé^
E 3 -" VELD-
|
|||||||||||
|
I de Draad is. Het Korreltje gaat eindelijk ook in t
I Liif Ik heb twee daar van, op eenmaal, in één Wijf 1 ie gevonden, waar van het eenebinnen in *t Lighaam " was het andere met zijn Vliesje aan dit gehegt. De " oorzaak, dat ikze uithaalde, was, dat ik dit Wijfje " na de Paaring, eenige maaien in 't ronde omloopen , " en als dood nedergevallen zag." ï " Buiten de Paaring komt Mannetje en Wijfje niet bij- i een; ieder woont op zich zelve; want zij mogen elk- '- ander niet lijden. De Wijfjes verminken de Manne- s tjes, bijtende hun de Pooten en Sprieten, zo welde " voorfte als de agterfte af ,■ jadikwils brengen zij die â wel om hals. en vreetenze op. Als het eene Manne- tje het andere ontmoet of aantreft, gaat het er mede jt als met de meeste Dieren; zij vervolgen elkander en j, kunnen met de Vleugels als dan een zonderlinggeluid | maaken't welk hunnetoornigheidaandu.it. Wanneer het een het andere .van vooren te na komt, ftoo- H ten zij met de Koppen tegen elkander als de Bokken, à en van acteren fchoppen zij als Paarden met de Spring- J, pooien. Zij geeven ook dooreen toornige beweeging I van het lighaam, en beeven, hunne Viiandfchap teken- nen, en trekken tevens den Buik dikwüs in de hoogte, E als of zij zwaar adem haalden. Dog in koud weer op zekere plaaats warmte befpeureude, gaan zij vreedzaam I, bij elkander leggen, en Jongen van één broed, vegten j, ook zelden",. , " . , Men kan zjch, volgens dien zelfden Autheur, van
leeze eigenfchap der Veld-Krekekn bedienen, om de Huis-Krekels of Kriekjes, wanneer dezelve te lastigzijn {e verjaagen. Om hun te vangen is 't de beste manier, pat men een teentje , of maar een langen buigzaarhen {teel van 't gras neeme , en denzelven in hun holletje ßeeke, waarvan de opening altoos zigtbaar is. De Kre- kel komt op die beweeging, daar op uit, en, als men ipan zijn holletje met de vinger digt hout, zo kan men iem met de hand gemakkelijk vangen. Hier uit is het îatijnfche fpreekwoord ontdaan, dat men op iemand toe past, die zich nodeloos in gevaar begeeft; zotter dan een ^Krekel. Indien menze bewaaren wil, moet men maaken pat hun geen lucht nog vogtigheid ontbreeke. Men kan dus, in een fuikerglas een Mannetje met een Wijfje hou- dende, degemelde bijzonderheden waarneemen , of ook zich vermaaken met hun Gezang, 'twelk veel fchelleris Ban dat der Huis-Krekelen, en ongemeen verfebilt van 'tworken dei Kikvorfchen; weshalve men, twee Perfoo- nen, die zeer ongelijk in lieflijkheid van fteni zijn , met elkander hoireide zingen, al boertende zegt ; een Kik- 'orsch met een Krekel. VELD KÜMMEL, zie CARWE1J.
VELD-LEEURIK, zie LEUR1KKEN, n. IV.tag.
795- VELD LEEUWENBEK, zie LEEUWENBEK, n.
3 & 4 pag. 1799. VELDMOSCH, zie VINKEN, n. XXVIII.
VELDMOT, zie MOTTEN. VELD-MUIS, zie MUISEN, ». VIL tag 2208. VELD-PAÏRIJS, zie PATRIJS, n.V.ptg. 2614. VELD RANUNKEL, zie RANUNKEL, w. il pag; 2894. VELD RIDDERSPOOR, zie RIDDERSPOOR.
VELD-ROT, zie MUISEN, pag. a2o4.
. VKLD-SALADE, Koomjalade, Vette Kous , Vette Kon, Veld-Krop, winter Raptmtze, JVitmoes enz.; in't Jatijn Laüuca agnina, Olus album, ValeriamUa,';' in 't |
|||||||||||
|
VEN.
dulce. C. Bauh. Pm. 147.; Faniculum five Marathrw»
vulgatius dulce. Lobel. , Foeniculum dulce majore Êfo^i* jemine. J. Bauh, 3.4. Plaats. De eerfle zoort groeit natuurlijk in Langue,
docq, Provence, enz___De tweede word gezegt van zelve
in de Azorlfche Eilanden voorttekoomen. .
Befchrijving. De Fenkel heeft een vezelige,1 lange,
en regte Wortel, ter dikte van een vinger of duim, die met hard houtagtig merg is vervuld. Zij brengt ronde, zenuwagtige, regt op ftaande, geftreepte, als mede verdeelde en met veel takken voorziene Steelen voort, dewelke met een fwamagtig wit merg vervuld, drie of vier ellen hoog groeijen , en donker groen van koleur zijn. __ De Bladeren zijn lang , ongemeen te- der verdeelt, donker groen, zoet van fmaak, en aan« genaam van reuk. __ De Bloemen zijn volkoomen , on«$j
geregelt, meerendeels vijfbladig, met ingekorvenblade-
ren, ftaande aan een kroon. De Bloemkelk veran- dert vervolgens in eene Vrugt, voorzien met twee lang- werpige Zaadkorrels, die eenigzïnts hard zijn, aan de eene zijde verheven engeftreept.maar op d'anderezijde plat; d[t zaad is aangenaam van reuk. Ds Fenkel bloeit in julij en augustus, en het Zaad word in feptem- ber rijp. ' ! Kweeking. Het is de tweede zoort die wegens haa«
re grootte en aangenaamer finaak , het meeste word ge- kweekt. Dezelve bemind een goede , losfe , vette, liefst zandagtige drooge grond ? en een opene warme ftandplaats. De voortkweeking gefchied door het zaad, het welk
in het voorjaar op een warme plaats, of in een niet al te warme broeibak gezaait word; daar na verplant men de jonge Planten in de maijtijd in diepe greppels, opl dezelfde wijze als de felderij op een goede warme plaats, op een & anderhalf voetaffiand. De Planten vervolgens bekwaam groot geworden zijnde, aard men die van tijd tot tijd aan, na de Bladen eenigzins losjes te hebben zamengebonden ; even zo als de felderij om tot hetgebruik Wit en mals te worden. Tegen de winter vergaan de Bla- den, en de Wortels fpruiten het volgende voorjaar weer uit, maar dewijl dezelve geen ftrenge vorst kunnen ver- dragen, zo moet men ze metwat losfe paardemest, of met los ftroo, tegens de vorst overdekken , of anders met run of kif. Het zaad word van zodanige Planten gewonnen die 's
winters zijn overgebleven, en in zaad gefchooten. Dog het zaad dat hier te lande word gewonnen, ontaart en verandert in de gemeene zoort; weshalven men jaarlijks van zodanig zaad moet zaaijen dat uit Italien gebragt word, en bij voornaameZaadkoopersin zommigegroote Heden is te vinden. Kragt en Gebruik. De Fenkel bezit veel flijm; esfen-
tièeleolie, en een vlugtig, vast, getempert en fpece- rijagtig zout ; zij heeft de kragt om te verwarmen en I op te droogen. De Fenkelwortel word ondsr de vijf openende wortelen gerekend ; maar het zaad behoort onder de vier grootere warme zaaden. De Bladen zijn' pisdrijvende en niaagverftêrkende, verwekken en vermeerderen de melk der zuigende Vrouwen, ;ver- fterken het gezigt, en bevorderen het zweet. DeJVor< tel opent en breekt of verdrijft de winden. Het Zaad word veel gebruikt om de winden en vogten te verdeelen. . Voor pijn in de Nieren , Graveel en Steenfmerten, word de Fenkel als een kragtig middel geroemt. |
|||||
|
3Î09 VEL.
VELD-WORMEN, zie REGEN-WORMEN.
VELD-ZIEKTE, zie LEGER ZIEKTE.
VELLICULA, zie OORWORMEN.
VELUM PALATINUM, zie CLAUSTRUM PA-
I ATI. ' VENA AZiJGOS, zie ONGEPAARDE BLOED-
ADER. VENA BRONCHIALIS , zie LONGPIJP-ADER.
VENA CAVA, z-ie HOLLE-ADER.
VENA CEPHALiCA, zie HOOFD-ÄDER. ' , ■
VENA CERVICALIS , zie NEK-ADER. ->■
VENA CORONARIA VEMTRICULI , , zie
KROONS-ADER der MAAG. VENAE ADIPOSAE, zie SMEERADEREN.
VENAE CORONARIAE CORDIS, zieKROONS-
ADEREN van het HART. VENAE EPIPLOICAE, zie NET-ADEREN.-■
VENAE GASTRICAE, zie MAAG-ADEREN.
VENAE HEPATICiE, zie LEVER-ADEREN.
VENAE JUGULARIS, zie KROP-ADEREN.
VENAE LUMBARES, zie LENDEN-ADEREN.
VENAE MAMMARIAiE, zie BORST ADEREN.
VENAE METALLE , zie METAALGROEVEN.
VENAESECTIO, zie ADERLATEN.
VENAE SPLENICjE, zie MILT-ADEREN.
VENAE SUBCLAVIA, zie SLEUTELBEEN-
ADEREN. VENA HAEMORRHOIDALiS , zie SPEEN".
ADER. VENA MESENTERICA, zie DARMSCHEILS-
BLOEDADER, VENA PHRENICA,zie MIDDELRIFTS-ADER.
VENA PNEUMONICA, zie LONG ADER.
VENA POPLITAEA, zie KNIESCHIJF-ADER.
VENA PORTAE, zie POORT-ADER.
. VENA SACRA, zie HEILIGE ADER. VENA SALVATELLA, zieHOOFDBESCHERM-
STER. VENA SURALIS, zie KUIT-ADER.
VENA THORACICA, zie BORST-ADER.
VENEETSCHE BOOzM-MALUWE, zie MALU-
WE (BOOMAGTIGE.) , «. 3. pas-. 194,9. VENEETSCHE KETMIA, zie KETMIA, n. 1.
pag. I49S- y . , VENKEL , is de naam van een Plant, die in 't
grieksch, MÛçyfyav word genoemt; in't latijn, Foe- niculum; in'tfransch, Fenouil en Fsnoi]'e; in't hoog - duitsch, FSnnchel, Fenchel; en in 't nederduitsch 00k wel denaamen van,Fenov:e, Fennekool en Fenkeldraagt. Kenmerken. De Fenkel is een kroondraagende Plant,
welkers Bladen in baair-vezels verdeelt zijn. De Bloem- bladen zijn geheel en ftaan in een kring, zich in de gedaante eener roos uitbreidende. E'ke Bloem word van twee langwerpige dikke bultige Zaadjes gevolgci, welke aan de eene zijde effen en aan d'andere gegroefd zijn. Zoorten. Hoofdzaakelijk zijn er twéé zoorten van dit
gewas, die van de Kruidkundigen genoemt worden als volgt. 1. Gemeens Venkel; Foeniculum 1 £ 2 Dod. ; Foenicii'
lumfive Marathrum vulgatius. Lobul. ; Foeniculum vul' garegermanicum. C. Bauh. Pin. 147. ; Foeniculmn vulgare minur, acriori ö" nigriori femine. J. Bauh. 3. 2. j Anet- hum fructibus ovaiis. Linn. Spec. Plant.*) ■ 2. Zoete italiaanfche, of roomfche Fenkel ; Foeniculum |
|||||
|
VEN,
|
|||||||||
|
lïct
|
|||||||||
|
De toebereidzelea welke van de -Venkelwarden ver-
aardiet zijn ____'r* Hec VenUhvattr, het welk de
Rorst en Long van flijm zuivert, de hoest, en waterzugt
«PvHrnft eraveel en fteen afdrijft, braakingen buikpfn fti t en de oogen verfferkt. 2. De Venkelolie , waaruitookeeneVenkelzuikerword toebereid; 3., De geest van Venkel. -------- 4 Gekonfijte Venkelwortel,
eo bet met zuiker overtrokken zaad. --------5. Venkel.
mt ._____ Alle welke toebereidzelen in-gemelde ziek-
'tens' van grooten dienst zijn. -----■ Men breekt de 3la-
âenvm de fteelen.voor dat de Bloemen en bet Zaad rijp-
iüjn, dewijl ze als dan haar meeste kragt hebben----------
De 'iVortelen moeten in het tweede jaar eer zij uitloo-
pen, verzamelt worden. Het keukengebruik van dit Kruid beftaat ,dat de wit-
gemaakte Bladen daar van als Salaad worden gegeeten,. jact üoamolie, -azijn, peper en. zout----------« Ook (looft men
-dezelve bij Vleesch en in Soepen, zijnde op allerhande
wijzen bereid, een zeer aangenaam en tellens, gezond eeten, dog word in deeze, landen weinig'gecultiveerd, niaar veel geagt ia Braband, Vrankrijk en Italien. «VENSTER, zie EENESTRA.
VENTER, zie BUIK. VENTER ËQUiNUS, zie BUIK ms. PAARDS. VENTRICULI CEREBRI, ,zie HERSSENKA- EREN. VENTRICULUS, zie MAAG.
-, VENTRiS, OBSTRUCTIO , zie BUIK (VER- . STOPTE ). ! VENUS* in't griekseh- »Qfofirti, is de glansrijkfte
onderde Planeeten, en die, welke onzen Aardkloot het dlgtst nadert.: De Heer Costa<r'd- leid- in zijne Astrono- iipmifche gejchiedenis die naam van de Chaldeefébe Hait of Hen af, welke gratia, decor, elegantia betekende; dit woord na de wijze der iEoliersgeTchreeveri', is f en óf yen geworden, en met den gewoonen uitgang der Latij- nen Venus; wat-de gr-iekfcbe-naanr betreft-, die is afkom ftig van de Chaldee<che pheridla,. 't welk in 't algemeen; zo veel als nfg-efcheklen betekend', en hier zo veel-wil zeggen als eene Schoonheid zonder weergaade. Ook heeft, men ze Phosphorits en-Lucifer genoemt wanneer zij des morgens flonkert, en Vesperen Hesper als zij 's avonds zich vertoond. ■Het was de eeifce van alle de Planeeten, welke door
cte Stervelingen wierd waargenoomen, en mislchien be- ftierde zij de aandagt der Starrekundigen naar de andere Dwaalfterren. Hesiodus en- Homerus haaien geen an- dere Planeet dan alleen Venus aan. Ook is men van gedagten, dat zij het is, waar van Jesata XIV: 12.' word- gewaagt, door deeze woorden, Helarien-Jhahar Morgen- Sfcnne, ter gelegentheid van derzelver verhevene luister; ïi dit zo, dan kan men deeze plaats als een der eerften aanmerken, daar van een Planeet is gefprooken gewor- den, dewijl hij opklimt tot omtrent 710 j'aaren voorde gemeene tijdrekening. Het was met de ontdekking dat Venus zich nimmer;
verder dan op een zekeren afftand van de Son verwijder- «3, dat de Egijptenaaren begreepen dat zij rond'som de *on draaide. De naam welke de Egijptenaaren aan die Waneer hadden gegeeven, betekende o!« allerfchoonße, en ^VS QngetwiJffelt hier van dat de naam der fchoonfte tóberoemfte HeidenfcheGodheid , aan wien het bewind °pr iiüfdensivermaakenwas toevertrouwt, moet afgeleid *0ok was het met de rtukkWoVpfaféi der Planeet Fe-
|
|||||||||
|
rras fe befchouwen, dat GAtiLêas een nieuw gewigt
aan het Sijftema- van Copeknicus verleende, doen hij door middel van dié phafes bewees, dat Venus rondsom- me de Son draaide. De middel afftand van Venus tot de Son is van
25144250 uuren, deszelfs omloop word in 224 dagen 16 uuren 41 minuuten en 32^feconden volbragt ; maar ter oorzaake van de beweeging der Aarde, welke in de zelfde zin gefchied als die van Venus, fchijnt zij aan ons niet eerer in conjunctie te treden als na verloop van 583 dagen, 22 uuren, 7 min. en 6 feconden. Daar zijn tijden dat Venu" zodanig fchitterd, dat men
ze op den helderen dag ziet fcbijnen. De Diameter van deeze Planeet is van 2785 uuren of wel een drie-ender- tigfte gedeelte kleiner als die van den Aardbodem. Zie ook PLANEETENen STARREKONST. VENUS. De Scheikundigen geeven deeze naam
aan het Koper. Zie KOPER., VENUS-KAM, zie NAALDE-KERiVEL.
VENUS-KRAAG, zie PARAPHIJMOSIS.
VENUS-K WA ALEN, Venus Ziekte, Lues venerea;
is eene befmettelijke ziekte, welke door een onzuiver vogt word voortgezet", en zulks gemeenlijk door middel van vleefchelijke vermenging; dezelve openbaart Zich door gezweeren en gevoelige pijnen aan de teeldeefen, en elders. Men zegt doorgaans dat deeze ziekte voor de eerite-
maai in 1493 in Europa bekend wierd. Anderen echter willen dat zij van veel ouder datum is, en beweeren, dat de Ouden die, dog onder andere naamen, gekend heb* ben. In 't bijzonder heeft de Heer Becket getragt, om
aantetoonen, dat her de zelfde ziekte is die onze Voorou- ders Melaatsheid noemden, en die in verfcheidene ou-\ de engelfche Schriften, Charters enz. brenningof bur- ning word genoemd, betekenende zo veel als branden, branding. Die Schrijver heeft om zijn gevoelen te bewijzen ;
de Acrens opgefpoort, dfe'dé fl'egte buizen of bordée* l'en betreffen , welke eertijds onder het rechtsgebied' van den Bisfchop van'Winchester gevonden wierden: In Keuren zodanige flegte huizen beireiFende, en wel«-
ke van het jaar puffa gedagtekend zijn, word onder an» deren bevolen, " dat het aan de houders van zodanige ,; huizen nietzal vrijftaan, eenig VrouwsperzöOn te hou« ,,den die van de gevaarlijkeziekte welke de naam van' burning draagt, aangetast is." En in een ander manu- fcript op parkément gefchreeven, gedagtekend in het jaar 1430, word nog bevoolen, dat geen Ho«der van flegte" huizen een Vrouwsperfoon bij hem zal'mogen hou- ,, den, die door de ziekte brenning genoemt, aangetast' is; maar dat hij zodanig Vrouwsperfoon buiten deur' zal zetten, en bij nalaatigheid hiervan, verbeurenee- ,, ne boete van 100 fchellingen, ten voordeele der Heer ,, van't diftricr. ;■■'..' Om zijn gevoelen verder te beveiligen, brengt Bèc-
ket eene beichrijving der ziekte bij, overgenoomen uit een Manufcrint van Jean Arden, Schildknaap en Heel- meester van Koning Richard II. en van Kiming Hen- drik IV. Arden bepaalt de ziekte Brenning genoemt, te zijn, eene zekere inwendige brand, en eene oritvel- ling van den waterweg of pisgang. Deeze bepaaling, geeft volgen«; aanmerking van Bec-
krt een volkoomen denkbeeld van't geen men Drttipert noemt; zij koomt met de laatfte en naauwkeurigfte ont- leed.»
|
|||||||||
|
VEN. VER;
Cotijledenl KatvMÏat van KarfAu, eene holligheid, om
dat haare bladen uitgehold zijn, of om dat ze naar eeu vat gelijkt, 't welk de Ouden gebruikten om water te fcheppen ; of wel naar de holligheid van de dije. Kenmerken. Ze heeft het Blad, den Steng, en de
geheele gedaante van Huislook; waar van ze verfchilc door dien zeeën langwerpige pijpagtige Bloem heeft, uit een blad beïtaande, 't welk van boven in vijf deelen is verdeeld. De vrugt is als die van Huislook. Zoorten. Daar zijn yerfcheidenezoorten van dit Kruid,
gewas, waar van de/meefte in Afrika te huishooren- de, van weinig belang zijn, wij zullen alleen de vol- gende melden. . i - -, 1, Venus Navel meteen knobbelige Wortel; Cotijle._
don umbilicus veneris. Clvs. Hijl. 2. p. 63.; Cotijledon veraradice tuberofa. Bauh. Hiß. 3. p. 683.; (jCotijledon foltis cucullatisferrato-dentatis alternis, caule ramofo, flo-
ribus ereüis. Li NN. Spec. Plant.) 2. Groote Fenus-Navel met een kruipende Wortel;
Çotijledon major. Bauh. Fin. 285. ; .Çotijledon flore lutea, radies repente. D-OB. Mem. 265.; Sedum luteum murale fpicatum, folio umbilicato ratundo. Moris. Hiß. 3, p. 470. Plaats. De eerlte zoort groeit op oude muuren en ge-
bouwen in Engeland, Vrankrijk, Duitschian j enz. <--------.
De tweede zoortin Portugal, Spanjen enz.
Kweeking. De voortkweeking van dit kruidgewas ge-
fchied door fcheuring in maan of april,- in een goede los. fe fandige grond, en opene warme plaats. VENUS ZIEKTE, zie VENUS-KWAALEN.
VENIJN, zie VERGIF.
.VENIJNIGE KRAB, zie KRABBEN, ». XXIV.
pag 1622. VER, zie LENTE.
VERANDEREN, zie CHANGEEREN.
VERANDERING, zie IMMUTATIO.
VERATRUM ALBUM , zie NIESWORTEL
(WITTE.). VERATRÜM NIGRUM , zie NIESWORTEL
(ZWARTE). VERBAAL. Dit onduitfche woord, betekent eigen-
lijk Woordelijk* Door een verbaale belofte , ver- ftaat men iets dat mondeling en niet fchriftelijk is belooft. -1. ■ In de praktijk van regten nogthans, betekent Ver- baal, een acte of accoord, ten overftaan van Heeren Cominiffarien eepes Geregts geflooten en metcondem- natie bekragtigt, bij welke acte men over zekere in verfchil zijnde pointen overeenkomt en een verdrag aan- gaat. Ook noemt men Verbaal een zodaanig ge- fchrift, waar in aldatgeene is vervat,'t welk door Com- miflarien uit een Geregt is verrigt in de een of d'andere zaak, tot welk onderzoek of beflisfing zij gecommitteerd waaren. _ VERBAND. Door Verband verftaat men 't een of
ander dat voor zekere zaak of fchuld word verbonden en als verpand.------ Een Verband is of gemeen of
conventioneel
ftaat men een zodanig, waar bij in 't algemeen Perfoon en
goederen word verbonden. - Een conventioneel Verband is datgeene, 't weJk bij accoord, of overeen« komst word getroffen, en waar voor zeker Huis, Hoe- ve, ftuk Land, enz. fpeciaal word verbonden. Het eerstgenoemde Verband geeft gesne preferentie; dog het laatfte al, naamelijk op het fpeciaal verbondene ftuk goed.. !Voorts is tusfehen het algemeen of bij- |
||||||
|
38o2 VEN.
leedkundige ontdekkingen overeen; en zij is van de
dwaalingen ontheven, waar in Platerus, Rondele- Tïüs.Bartholyw, Wharton en andere moderne Schrij- vers ter oorzsake van deeze ziekte zijn vervallen. Wat het denkbeeld betreft, dat de melaatsheid dezelfde
kwaal is. a!s die.'wij Spaan/e pokken noemen; moet men toeftaan, dat veelefijmptomata of kenmerken van die bei- de ziektens, zeer wel na malkander gelijken^ men heeft echter geen voldoenende redenen om het alseenbewee- zene zaak aantemerken. Het is een algemeen aangenoomen gevoelen, dat de
Venus-ziekte voor het eerst is ontdekt in het Franfche Leger dat voor Napeis gecampeerd ftond, en dat zij door ongezond voedzel wierd veroorzaakt. Hier van is het dat de Franfchen haar Napelfclie-ziekte, en de Italiaanen Franfche ziekte noemen. Maar anderen klimmen veel hooger op, en gelooven
dat het niets anders is dan de vreesfelijke zweer waar door Job zijn gantfche lighaam wierde bedekt. Hier- om vind men in een Miffel'm 154.1 te Venetien gedrukt, eene mis ter eere van St. Job, voor diegeenen weLke van die ziekte zijngeneezen, dewijl men geloofde dat zo. danige geneezing, door voorfpraak van die heilige Man gefchiedde. - Dog het algemeenfte gevoelen onder de kundigfte
Medici is, dat de Pënus-ziekie oorfpröngelijk in de Westindien te huishoort, en dat deSpanjaarden die uit de Amerikaanfche Eilanden overbragten, sJ waar zij fterk. heerschte voor dat de Spanjaarden er ooit voet aan land. badden gezet. Hier van koomt het dat de Spanjaarden haar ferro des India of las buvas noemen. Herrera verzekert nogtbans, dat de Spanjaarden die ziekte te Mexico bragten, in plaats van er die van daan te haa- ien. Lister en anderen beWeeren, dat zij haar eerfteoor-
fprong aan een zoort van Slang is verfchuldigt, waar van inen zoude gebeten zijn of het vleesch gegeeten hebben. Het is zegt men beweezen dat Mansfperfoo- nén die van een Schorpioen zijn geilooken, veel ver- lichting bekoomen door het minnefpel 'f maar Pli- eïüs verzekert, dat de Vrouwen daar door veel on- gemak lijden;'t welk bewijst, dat de 2iekte oorfprön- gelijk van iemand koomt, die dusdanig is vergiftigt ge- worden. . Lister. voegt er bij, dat er geen rede van twijffeling
is, of de Venus-ziekte moet aan zodanigen oorfprong wor- den toegefchreeven ; want wanneer een Manfperfoon door eenig vergiftig Dier is gebeeten, ftaat zijne Roe- de onophoudelijk gefpannen, de zieke door Satijriaßs aangetast, zugt niet anders dan na de vieefcbelijke ge« ineenfchap van Vrouwen, en het fchijnt of de natuur zulks tot een geneesmiddel voor hem eischt» Maar hetgeen de Manfperfoonen geneest, word ver-
derflr'jk voor de Vrouwen bevonden, die door dat mid- del van 't vergif befmet worden, en het zelve aan ande- re Manfperfoonen die gemeenfchap met haar hebben, me- dedeelcn, en het is op deeze wijze dat zich de ziekte heeft vërfpreid. Wij zullen; ons hier niet over den aart nog de bijzon-
dere.trappen deezer vuile ziekte inlaaten, dewijl het een en ander, benevens de geneezingswijze op bijzondere Artijkëls is verhandelt, daar wij onze Lezers na toe wijzen; nis-BUIL, pag. 314. GONORRHQEA, POKKEN pag. 2785, ZAADLOOP, enz. . VEN US-N AVEL ; Navel-kruid j UmMlkus veneris ;
|
||||||
|
VER.
|
|||||||||
|
VER.
zonder Verband dat onderfcheid, dat een bijzonder of
fneciaal Verband geoordeekwordgepvsifereen te zijn bo- ven een algemeen of generaal Verband, al was het laatst- genoemde ouder, en voor het zelfde Geregt gepasfeert. 6 VERBAND, zie OBDÜCTIO. VERBEELDING- Als er eens een Mensch waare
die alleenlijk zijn vijf Sinnen had, zonder de andere vermogens van een redelijk fchepzel te bezitten, zo zouden alle zijne denkbeelden als blikfemftraalen zijn, welke op het ogenblik, als zij verfcheenen, weder ver- dwijnen zouden; want daar ons de Sintuigen niet anders dan de tegenwoordig zijnde voorwerpen vertoonen, en al het tegenwoordige in eene geduurige beweeging is, en onophoudelijk verandert, zo zouden alle denkbeelden van zulk een Mensch,door loutere tegenwoordige aan- doeningen voortgebragt, op hetzelfde ogenblik bijnaar verdwijnen, als zij zich vertoonden, en daar zoude geen het minfte verband of zamenhang tusfchen die gedagten wezen. Om dit gebrek nu te vervullen,dient ons de^Ver beeldingskragt, welke dat vermogen der ziele is, waar door wij de voorledene denkbeelden ons vertegenwoor- digen, en met de tegenwoordige gewaarwordingen ver gelijken können. Dit zelfde vermogen is de moeder der Digtkonst, het bootst de Sinnen na, en door het zelve vereeuwigen zich de gewaar wordingen, die de uiterlijke voorwerpen flegts voor een enkel ogenblik in ons heb. ben voortgebragt. Maar daar is nog eene andere bijzon- derheid in dit vermogen op te merken. , ; . Zo dra wij ons eenig gedeelte van eene '"oorledene gewaarwording erinneren , zo brengt ons de verbeeldings- kragt die geheele aandoening in dezelfde omftandighee- den, voor den geest, en wij gevoelen , als't waäre, de zelfde aandoeningen en gewaarwordingen, Als'tviaare, zeg ik ; want de tegenwoordige voorwerpen werken, dewijl ze ons nader zijn, inderdaad met grooter kragt op onze geest, als de afwezenden, en door deeze meerde, ie levendigheid onderfcheiden zich gemeenlijk de gewaar- wordingen van de enkele verbeeldingen. Eene Muzijk die wij werkelijk hooren, een Perzoon dien wij voor oogen zien, maaken een veel levendiger indruk pp onzen geest, dan de blooteèrinnering van beiden. Desniette- genftaande, echter, kan de Verbeelding, als dit vermogen verhit is, en de aandoeningen der Sintuigen, door welke oorzaak ook, verzwakt worden , zo veel kragten leven- digheid krijgen, dat wij dezelve van tegenwoordige ge- waarwordingen nauwlijks of niet onderfcheiden kunnen, en in deeze gevallen zijn de Menfchen in een ftaat van krankzinnigheid, en meenen,' dat alles tegenwoordig is, hetwelk hen hunne verhitte Verbeelding vertoont. Men kan dit aan dronke Lieden, en'Menfchen, die, door welke oorzaak ook, als buiten zich zei ven vervoerd zijn, duidelijk opmerken. Plater verhaalt van een dronken Man, die het fchijnzel van de Maan , op de weg voor water nam, en zijne klederen uittrok, om in dat gewaan- de watene gaan zwemmen. Zij, die verbijfterd zijn , hoo- ren of zien niet de voorwerpen, die hen aandoen, en blijven zo vast bij hunne Verbeelding, dat men vrugte- ioos poogt, om hen door eenige redeneering tot andere gedagten te brengen Deeze al te groote levendigheid der Verbeelding, veroorzaakt zo veel nadeel onder 't Menschdom, dat ikniet voorbij kan mijneLezeren over dit onderwerp te onderhouden. Het is een erkende waarheid, dat alle onze gewaar-
wordingen van zekere beweesingen in het lighaam ver- gezeld gaan , welke des te fterker zijn, naar maate de ge- ril Deel.
|
|||||||||
|
3803
|
|||||||||
|
waarwording levendiger is geweest. Ikheb hiervan voor-
heen omftandiger gefprooken. Gelijk nu Verbeelding een zoort van tegenwoordige aandoening en gewaarwording is, en dikwils zelfs ruim zo fterk, als die wij' werkelijk door de Sintuigen ontvangen, zo begrijpt men hier uit, dat levendige harsfenfchimmen dezelfde beweegingen in hen lighaam voortbrengen kunnen, a!s wezentlijke aandoe- ningen. De ondervinding bevestigt dit gevolg buiten allen tegenfpraak. Hetgezigt eener fpijze, welke men voorbeen heeft moeten overgeeven, doet ons walgen, ja veroorzaakt niet zelden eene braaking; fchoon men de- zelve niet weder eete. Het gezigt van een Mensch, die naar een ander gelijkt, die men haat of bemint, brengt de opwellingen van vreugde of ongenoegen in ons harte voort, even als of wij onzen vriend of vijand voor onze oogen zagen. Daar dus de inbeeldingen dikwils zo fterk zijn, als of het aandoeningen zelve wahren, enderzeiver invloed evenredig is met die levendigheid, zo volgt na- tuurlijk , dat zij dikwils met al de kragt der gewaarwor« dingen op bet lighaam werken moeten; en dit is dat won- derbaars, het welk ik mijne Lezeren door de ondervin- dingnader bewijzen wilde. Niets is zekerer, dan dat men door enkele inbeelding
ziek worden en zelfs fterven kan ; en een Geneesheer ziet dikwils met verwondering, hoe het leven en de gezond- heid zijner Patiënten van enkele harsfenfchimmen af- Hangt, en hoebloote denkbeelden de plaats vandefterk- fte vergiften vervullen. Een Mensch, wiens Verbeelding eenmaal verhit en in verwarring gebragt is, is zo vast gehegt aan zijne fantaiïjën , dat hij de aandoeningen zij- ner uiterlijke Sintuigen niet meer gewaar word, of on> derfcheid, maar alles gelooft te zien, te hooren, te voe- len, het geen zijn verwilderd brein hem opgeeft. Kru- ger heeft een Man gekend, die over een plank willende gaan het ongeluk had, dat dezelve brak, en hij in een kuil viel, en zijn been brak. Schoon dit nu volkoo- men geneezen wierd, was hij echter, als hij een plank over een kuil zag liggen, zo vol angst, dat hij, al had hij' eene wiskunstige zekerheid , dat zij niet breeken kon- den , ja al lag dezelve op den vlakken grond, met geene mooglijkheid van zich zelven zoude hebben kunnen ver- klagen, om daar over te loopen. Gelijk de levendige vertegenwoordiging van 't gevaar, en de angst, daar uit gebooren, de beletoorzaak in dezen was, zo is het ook met alle Verbeeldingen, die ons aandoeningen vertegen- woordigen , welke voormaals zekere hartstogten ofge- moedsbeweegingen hebben voortgebragt, op even de zelfde wijze gefield; zij brengen die zelfde of dergelijke hartstogten voort, als de tegenwoordige voorwerpen voormaals verwekten, en door dit middel veroorzaaken zij' dezelfde beweegingen in het lighaam. Men denke echter niet, dat alle inbeeldingen enkel werken door middel van de hartstogten, die zij gaande maaken; neen, ik kan andere voorbeelden bijbrengen, waar in de. fantafij al- leen , zonder tusfcbenkomst der hartstogten, even dezelf- de werkingen voortbragt, als het uitwendige voorwerp gedaan zoude hebben. Bonetus gaf een Man , die Frankforder hoofdpillen
van hem wilde hebben, om tepurgeeren, eengelijkge- t'al pillen van verzilverd kruim van brood, om aan zijne begeerte te voldoen. Hij nam ze inde verbeelding, dat hij er van purgeeren zoude, en had daarvan eene braa- king en vijf ftoelgangen. Dezelfde Geneesheer kende een Meisje, welke op een avond Rhabarber inneemen zoude, maar die zij, uit tegenzin tegen den fmaak'niet' F " ' ' door |
|||||||||
|
VER.
|
||||||||
|
3804 VER.
|
||||||||
|
en eerst in zijn buik, vervolgens in zijn hoofd en geheele
lighaam, fpanning, drukking, en gerommel veroorzaak- te, en eindelijk den zelfden weg weder uittrok. Als bij bloedrijke Menfchen, door eene natuurlijke ligging ia denflaap, benauwdheid, bedwelming in de hersfenen, en kramptrekkingen ontftaan, zo vertoont hen hunne Verbeelding dikwils een groot Man, een Beer, een Bok, een Duivel enz. die hen op't hart ligt, drukt, knijpt, en ijsfelijk benauwt. Hier van verdient onder veele duizenden een voorbeeld, daar Bonetus van gewaagt, bijzonderlijk gedagt te worden. Zeker Man zag in zijne droom een grooten Polak, die hem meteen fteen tegen de kolk van't hart flaat; ontwaakende voelde hij we- zentlijk een heftige pijn aan deeze plaats, en men zag daar zelfs een ronden plek van de groote als een vuist, die men na verloop van vijf dagen, door bekwaams hulpmiddelen, verdreef. Zieke Menfchen gevoelen natuurlijker wijze de uit»
werkzelen hunner bedorvé geftellen. Maar nademaal zij van den waaren inwendigen toeftand des Jighaams geeneduidelijke denkbeelden hebben, zo kunnen zij bet geen zij gevoelen niet duidelijk uitdrukken. Als hunne Verbeelding na, door welke oorzaak ook, verhit is, zo fchildert dezelve hunnen innerlijken ftaat met zigtbaare koleuren, en onder tastbaare gelijkenisfen, welke zij dikwils in hunne ijlboofdigheid vertellen. Eenzekere Graaf Alexander droomde ijder nagt, dat hij den vol- genden dag van het graveel aangetast zou worden, en dât als hij iets at, en hoe harder het was, hetgeen hij ge- bruikte , hoe heviger zijne pijnen waaren. Als hij in zijn droom eens Tin gegeeten had, was zijn Nieren-wee meer dan gewoon zwaar en fmartelijk. Juncker heeft een Patient gehad, die op alles wat men hem vroeg, niet anders ten antwoord gaf, dan dat hij van de waterpot praatte. Deeze fantafij kwam hem insgelijks van Graveel, waar door de ontlasting van de pis verhinderd, en deze inbeeldinggebooren wierd. Volgens het berigt van Mar,-, cellus Donatus was er eens een Mensch, diemeende dat zijn lighaam een gefpannen trommelvel was, en bij ijder beweeging aan de oinftanders vroeg, of zij het ge- luid niet hoorden. Een lighaam van winden opgezet kan zulk eene gril te weeg brengen. Die zelfde Schrijver verhaalt uit Viga, dat een zeker Patient fterk belust was om te zwemmen, en door dat verlangen zo verbij- fterd wierd, dat hij zijn kamer voor een water aanzag. Nademaal men hem nu vrijheid gaf, omdaarintezwem- men, zo kroop bij over de vloer van zijn vertrek om, met alle de beweegingen van iemand die zwemt. Hij hield hier zo lang mede aan, dat hij eindelijk opftond, en betuigde nu herfteld te zijn. Dit was inderdaad ook waar. Hij had zich, door die geweldige bewegingen van het gewaande zwemmen, zo fterk inz weet gewerkt, dae zijne befteïling van toen aan begon. Men ziet hier uit hoe voorzigtig een Geneesheer niet
alleen de natuurlijke driften, maar zelfs de inbeeldingen zijner Patienten moet in agt neemen. De meefte fterke lusten der zieken fpruiten uit zodanige duiftere en ver- warde gewaarwordi ngen, van het geen hunne geneezing noodig is, daar zich de Verbeelding onder mengt, waar uit een bekwaam Geneesheer dikwils fchoone regels ter geneezingekan afleiden. Hoe wijsfeliik hadden de Dok- toren van voorige eeuwengedaan, met deeze ftemme der Natuur te hooren, als hunne Lijders in rotkoortzen een fterken trek naar wijn en zuur, in heete koortzen naar watet en overvloedige dunne dranken,, in convulfies naar.
|
||||||||
|
door krijgen konde; zij droomt desnagts dat zij werkelijk
Rhabarber had genoomen, voelt er de uitwerking van, ftaatop, en had verfcheide ontlastingen. Pechlin ver- haalt van een Mensch, die twintig grein van de Majfa Pilul. Cijnoglojjce had ingenoomen, in een denkbeeld zijnde, dat alle pillen purgeeren moeften. Ditdènkbeeld werkte zo fterk, dat dit Opiatijch middel, 't welk anders ftopt, hem verfcheide afgangen verwekte, als waare het eene wezenclijke purgatie geweest. Hij fpreekt van een ander, die van vijftien grein witte vitriool treffelijk zweette, omdat hij meende, dat dit braakpoeder zweet verwekken moest. Gelijk nu in deeze gevallen de Verbeelding zulke uit-
werkzelen van dingen, die niet voor handen zijn, kon teweegbrengen, zo kan zij ook aandoeningen verdigten in zulke ledemaaten, welke men niet meer heeft. Hil- danus heefteen Man hooren klaagen, dat hij in detee- nen van een voet, die hem reeds al lang afgezet was, koude, hitte, pijn en prikkeling voelde. Hrjwaszom- tijds zo levendig van deeze pijnen overtuigd, dat hij eens op een morgen wakker wordende , zonder ftok op ftond, en door de onmooglijkheid van te kunnen gaan eerst bevond, dat hij zich die aandoeningen alleenlijk Verbeelden moest, naardien hij de voet kwijt was, waar in hij deze meende te voelen. Dezelfde Geneesheer heeft een Mensch gekend, wien de arm afgezet was, en die echter in de vaste Verbeelding, dat hij hem nog had, dien uitftrekken wilde, om iets te vatten ; en zulk eene fterke beweeging maakte met de ftomp, dater een nieuwe bloedftorting van kwam, die hem wegfleepte. De waarneemingen van dien aart zijn gemeen, en men zou zesr onvoorzigtig doen, met dezelve te loochenen. Zomwijlen bedriegt ons de Verbeelding derwijze,. dat
wij ons dingen wijs maaken, die geen ander beftaan hebben, dan in onze verdraaide barsfenen. Die Men- fchen, welkekrampagtige toevallenen trekkingen heb- ben, beelden zich dikwils in, dat zij van den Duivel bezeeten worden, terwijl het hen toefchijnt, als of zij door een vreemd geweld getrokken worden. Plater befchrijft het geval van iemand, die in een vijver zwem- mende , daarin het lil van Kikvorfchen vernam. Van die tijd af overreedde hij zich, dat hij een levendige Kik- 'vorsch in den buik had, en het gerommel der winden bevestigde hem, dat hij het kwakken boorde, en dit denkbeeld prentte zich zo vast in zijn geest, dat Plater niet in ftaat was, om het hem op eenigerhande wijze uit het hoofd te praaten. Het gerommel der winden, een gewoon verfchijnzel bij miltziekte Menfchen, geeft in- derdaad eenige overeenkomst met het gekwak der Kik- vorfchen, en dit maakt, datmendeeze fantafie rneermaa- len bij dergelijke Lijders aantreft. Boketus heeft eene Lijderes gehad, welke hij insgelijks deeze opvatting niet ontpraaten konde. Zij had eens, uit een bron, water door een pijp gedronken, en vond daarna de poot van. een Kikvorsen in de pijp; dewijl nu de winden den vol- genden morgen, meer dan naar gewoonte in haare inge- wanden rommelden, zo geloofde zij, en bleef er tot haar einde bij, dat zij drie levendige Kikvorfchen in den buikhad.; Dewijl.dewindendikwils hijpochondrifche toe- vallen veroorzaaken, waar door de geest op vsrfcheidene wijzen word aangedaan, zo vind men niec zelden lieden onder dit zoort van Lijders u welke dit voor werkingen van den boozen geest houden Zo meld Thomas Bar- THOHNusvan eèn hypochondrisch Student, die klaagde, dat hem de. Duivel van onderen als een wind inkroop, |
||||||||
|
VER.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
1TER,
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3805
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
aâar braakmiddelen enz, betuigdetrtéhebben. AIsThq. op de aarde gezonden te zijn, maar dat Gob haar hart
mas Bartholinus van een'Zieken verhaak, die zich in den Hemel hadgehouden, over welkgerois z'q ten ui-
vafteüjk Verbeeldde een fpijker doorgeflokt te hebben, en terften neerflagtig was ; de Man, daar Thomas Bastho-
door een braakmiddel van zijne zötternij geneezen wierd, lijjus van meld, dat hij zich inbeeldde zo een groots,
onder welks werking, men een fpijker in den waterpot neus te hebben, dat hij uit vrees, of men er op trapper»
wierp, zo moet men daar niet uit befluiten, dat dit een mogt^niec uit dorst gaan; hij, wien de Geneesheer Pm-
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De Natuur werkte hier met lodotus door middel van een looden hoed genas, wijl
en heide toonden, dat er eeni- hij dagt geen hoofd te hebben, en dit niet eer gelooven wilde voor dat het drukken van den hoed hem daar vaa
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
volüaage Gek geweest zij
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
de Verbeelding zaamen
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge bederve ftof in zijne maag voorhanden was, die hem
I drukte en benauwde, en waar van hij niet anders dan door een braakmiddel verlost konde worden. Als Men- fchen, die veel zuur in de maag hebben , naar aardag. tige dingen, als kalk, kreeftsoogen, krijt, en dergelij- ken verlangen; als zij die hunne maag overlaaden , en I zich daar door eene koude koorts op den hals gehaald heb- I ben, een bijzondere trek tot Pekelhaaring gevoelen ; en ; door deeze te eeten geneezen worden, of als zij dikwils I uit een drift, waarvan zij zelve het beginzel niet ken* I nen, zulk eene fterke neiging tot braaken hebben, dat I zij zich den vinger in den hals fteeken, om het te be- vorderen ; als bloedrijke Menfchen van aderlaaten droo- \ men, en een fterk verlangen daar naar gevoelen; en ein- delijk , als de Lijders dikwils met een gewenschten uit- flag dingen gebruiken, welke hen door de Geneeshee- ren op het ftrengst verboden waaren, zo moet men dit alles aanmerken als driften der Natuur door de Verheel- ding verhit, welke voortfpruiten uit een verward gevoel vandatgeene, waaruit hunne ziekte ontftaat, en tegen hetwelk de fantafij zulke hulpmiddelen aanwijst, die zij door voorgaande ondervindinge van derzel ver werkingen hebben leeren kennen. Dus vreet een Hond, als zijn maag ontfteld is ftroo of gras, om aan't braaken te koo- men. Zo openen zommige Paarden als zij te veel bloed hebben, zich onder het loopen, met de hoeven een ader aan het been, 't geen de Liefhebbers heilrijken noemen , en't geen zij op allerhande wijze, tragten vóór te koo- ^men, zonder de oorzaak aan te tasten. Zoo ijlen de Schorbutijke Matroofen riaar het Lepelblad, als zij in zee Eilanden aantreffen, daar dit kruid overvloedig wast, |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
overtuigde; de Doftor te Venetien, die alle jaar in de
hondsdagen op zolder ging huisvesten, om niet verbrij- zeit te worden, alzo hij geduurende deeze vier weekerj een aarde pot was; de Bakker, die niet voor den oven- dorst koomen, omdat bij meende dat hij van boter was^ en hondert zulke gekken meer, die ik onmoogelijk aller befchrijven kan, zijn voor wezentlijk verbijilerde of droefgeeftige Menfchen te houden, bij welken de Ver* beeldings-kragt eveneens ontfteld en verdraaid is, als da oogen bij fcheelziende. ! ■ Hetgebeurt dikwils, dat men zulke lieden, zonder eeni-
ge artzenij, en enkel door eene tegen ftrijdige dwaasheid geneezen kan. Als men iemand, die meent beenen van Stroo te hebben, met den degen in de vuist aanvalt, en door de vrees kan dwingen om zich op de looptebegee- ven, zo moet hij daardoor overtuigt worden, dat hij we. fentlijke beenen heeft. Als men iemand, diemeend dat hij een worst aan de neus heeft hangen, de neus een weii nig kwetst, en hem tegelijk een end worst vertoont» enz. zo kan men zulke zotskappen door een tegenftrijdig denkbeeld zomtijds te regt brengen. Ondertusfchen is is het zeker, dat zulke kuren ook zomtijds misfen. Bo- KETUS ondervond dit bij een Vrouw, welke bij toeval eens haare huig in een fpiegel hebbende waargenomen, befloot, dat dit een tegennatuurlijk gezwel was, dat weg- gefneeden moest worden. Hij liet haar de'huig eenigen tijd door een Heelmeefter met rozenhoning en. een wei- nig zwavelgeest heilrijken, en zeide dat deeze midde- len het zelve weg bijten zouden ; eindelijk verzekerde hij haar, dat het weg was. Maar zij liet zich niet be», |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Het is eene geheime en onnafpoorlijkeingeevingderNa- dotten, onderzogt het voor den fpiegel, en wierd het
tuur in alle Dieren, die voor onze behoudenis waakt, gezwel gewaar als te vooren ; eindelijk liet hij' de huig |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
en zich in ijlboofdigheid en mijmeringen dikwils zigt-baarst vertoont, en haare ftemme des te kragtiger doet
hooren, naar maate het verftand vaster flaapt, of de konst des Doétors verder divaalt. Ik zoude ontelbaare zodanige gevallen kunnen bijbrengen , waar uit duidelijk /blijken zoude, dat de Lijders, als zij meest fchijnen te raaskallen, hunne Geneesheeren best den weg kunnen wijzen. |
een weinig kwetzen, en toonde haar te gelijk een ftukje
rauw vleesch, om haar te overtuigen, dat dezelve weg genoomen waaren, maar zij pleegde weder haar fpiegel raad, en nam het zeer kwaalijk, dat men haar voor zo dwaas en onnozel hield, om haar dus te willen paaijen; Eene anderekure van dien aart liep nog flegteraf. Mar- cellus Donatus verhaalt dezelve. Zeker Man, met naame Vicentinus, geloofde, dat hij zo dik was, dat |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
: . 9n.dertus fchen zijn er ook geheel zotteen buitenfpoo- hij niet door de deur van zijn flaapkamer zou können;
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
■tige inbeeldingen, die enkel uit vooroordeelen, eigen- koomen, zijn Doclorbelasteeenige
|
lieden, om hem aan
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zinnigheid, dwaasheid, droefgeefligheid, of al te lang te vatten, en hem uit de kamer te draagen, maar in plaats
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
van hem hier door te overtuigen, dat hij er wel door
konde, overreedde de Gek zich vastelijk, dat nu alle zij- ne leden door dit geweld gekneusd en gebrooken waa- ren , fchreeuwdegeweldig, en noemde hen, die hemmt' gedraagen hadden, zijne beulen en moordenaars, gelijk hij dan ook kort daar na van deeze geweldige overtuiging ftierf. : .<-■ ■ >-■■■. ::.. Al wat de Verbeelding verhit, brengt den Mensch i»;
deezen ftaat van krankzinigheid, waar in hij ziJHe hars- fenfehimmen van zijne gewaarwordingen niet meer on der* fcheiden kan. Maar bezonderlijk moet men zich over: de onbegrijgelijke werking der vergiften,op. de Verheel* $ngverwonderen» EenigeBediendenh.aidej»,eeiis, vol«. , p 3 lm rG ! gsos |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
gerekte gepeinzen fpruiten, en welke men dikwils enkel
door denkbeeldige middelen verdrijven kan. Zo verhaalt
JiORELLus, dat zich iemand inbeelde, dat hij de H. Geest
;waare, en datdieMan dit door zoveeleSchriftuurpIaat-
zen wist aan te dringen, dat er geen wederleggen aan
,waare, tot dat men hem door aderlaaten en purgeeren
;Toor de tegenlTrijdige bewijzen vatbaar gemaakt, en
1tu" Z1,ne fchrlftuurHjke dolheid geneezen had. De
-ûcniider van Tulpius, dieeen geheelen winter te bedde
K!!,. ggen ',om dat hijmeende, dat alle zijne beenderen
.week geworden waaren, en dat hij opflaande, als een
"ii^V" maIkanderen zakken zoude. Die Vrouw daar
'jvanbengt, dat zij zich verbeelde geftorven, en weet
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
38o6 p^R.
gens het verhaal van Val vasor, een weinig Dqtura on-
der Linzen genuttigd,en wierden daar allen tegelijk krankzinnig van, en wel krankzinnig op de allerklugtig- fie wijze. De eene droeg al het brandhout naar't Se- kreet , om daar te gaan distilleeren. Een ander floeg twee houten op malkander, om te klooven, een derde wróete met dèn mond in de aarde als een Varken; een vierde meende dat hij een Wagenmaaker was, en begon té boo ren. Hij zette een ft uk hout,^daar een gootje in was, voor den mond, en meende den voortreffelijkftendrank te drinken; de vijfde liep naar een Smisfe, en wilde daar Visch vangen, die hij in groote menigte meende tezien 2wemmen. Een Meid, diehetfpit bezorgde, gaf zich vrees felijk veel moeite, en fcheen het zeer drok te heb- ben, maar bragt alles in de war; een ander kwam uit zijn adem Ioopen omdat hem honderden van Duivels na liepen. Kircher Verhaalt van twee Monnikken, welke door het gebruik des Scheerling Wortels zo gek waa- ren geworden, dat zij zich in het water wierpen, omdat zij meenden dat zij Ganzen geworden waaren. Als nu zulk een woedende Verbeelding bij de gevaaren
en toevallen der ziektenskoomt, zo kan zij den Lijders dikwils het leven kosten. Een Mensch, die zijne inbeel- dingen toe geeft, is, als hij het ongeluk, heeft ziek te worden, een Soldaat gelijk, die zich naakt ontkleed, als hij in den flag gaan en vegten zal. Een zieke moet eene fterkte van geest fragten te bewaaren , die over de harsfenfchimmen zegenpraalt , en zijn gemoed als een fchild beveiligt, opdat hij voor derzelver grillen zeker zij: Bonetüs verhaalt, dat een zeker Generaal, die een heete koors had, in plaats van een bartfterking, een glas' gorgelwater van zijn Dienaar ontvangen en doorgedikt had; dewijl hij zich nu verbeelde, dat dit gorgelwaatef, inwenciig gebruikt, een Vergift waare, zo bereide hij zich ter dood. Hij lag meer dan een uur als zieltoogende, en was van zijn verftand en zinnen ge- heel beroofd, gelijk ook zijn Pols zeer ongeregeld floeg, Maar zo dra de Doctor kwam en verzekerde, dat men Van dit water wel een bouteille zonder nadeel drinken konde, zo bekwam de Zieke en fcheide uit met fterven. Men vind veels zulke voorbeelden in de Schriften der Geneesheeren, en zelfs van droefgeestige Lieden, die zich inbeelden dat zij op een zekeren tijd fterven moe- iten , en ook woord zouden gehouden hebben, en wer- kelijk geftorven zijn, zo men geen middel gevonden had, om hen die grillen uit het hoofd te praaten. ARTZ.
De omiddelijke werking der Verbeelding van zwangere
Vrouwen op haare Vrugt, zou nog het zeldzaamfte ver- fchijnze) zijn van allen, bij aldien het ten vollen bewe- zen waare; Zie INBELDINGS KRACHT VAN ZWANGERE VROUWEN OP HUNNE HINDE- REN. -I VERBINTENIS, zie OBLIGATIE.
- VERBLINDBOOM; AgelhouUBöom ; ArUr exc^ com. RuMPH. Ainb; II. Excïiria. LiNN". Sijfi. Nat, De eenigfte zö'ö'rc van dit Geflagt is' een Oöstindifcbe Boom, die bij RuMPHius den naam van Excmcaria, dat is verblindende Boom voert, wegens het fcherpe melkagtige Sap ■;'' daar "irr vervat", 'het''welk in de oogen fpattende eene blindheid kan veroorzaakën. De bijnaam" van Agel- hout-Boom is daar van ontleend, dat dezelve een zoortvan hout uitlevert, 't welk zeef nabij koomt aan Het regte Agallochum of Agelhout, en , op zekere manier bereid 21'jnde, dikwils daar voor verkogt word. De maleitfche |
||||||
|
VER.
naam Caju Coeda of Capal, de makasferfche Sambuta, de
ambonfche Mattha Huri en anderen, zijn van die eigen- fchappen afgeleid. Hij groeit op de meefte Stranden der Molukkifche Ei-
landen, veel al met de Wortels bloot, hebbende een krommen, fcheevenStam, dieknoeftig is engefcbeurd, met veele kuilen en holletjes. De Takken hangen ne^ derwaards; en draaijen zich aan de enden in veele bog« ten. Het Mannetje heeft dezelven niet onaanzienlijk, wegens deeffene bruine Schors, waar meedezij bekleed zijn ; dog die van het Wijfje zijn gfaauwer en ruiger. De Bladen gelijken naar die der Peerebbomen, zijnde vier duimen lang en twee duimen breed, met een rtom- pe punt, glad en glinfterende, met fijne adertjes over- dwars, in het Wijfje zo glad of blij'groen niet, als in het Mannetje. Uit de Oxels der Bladen komen Katten als die der Hazelaaren, een pink lang en een ftroohalm dik, groen-geel van koleur, met kleine moesagtige Bloempjes, van drie Meeldraadjes met geele knopjes. Deeze vallen af en geeven geen Vrugt, even als in de Mannetjes-Wilgen. Het Wijfje heeft ook Katten, dog veel kleiner, zijnde eigentlijkÄairenen Vrugtbeginzels ; kleine groene Knopjes, naamelijk, welken in Vrugten veranderen van grootte als Kappers, en veel naar die van het Wolfsmelk gelijkende, hangende aan Trosjes. Ie- der Vrugt heeft drie hokjes en bevat drie gladde Zaaden.. Deeze Boom mag wel, zo Rumphius aanmerkt, de-
fchrik der Matroozen genoemt worden ; want zo zij uit- gezonden om Brandhout te kappen, in den Stam hakken bij vergisfing, of om zich een weg te baan en de Takken daar van koomen te breeken, kan ligt het feberpe Sap, daar de Boom vol van is, melkwit van koleur, hun in de oogen fpatten, en dan maakt hetzelve een fchrikke. lijke ontiteeking met geweldige pijn; ja, indienmener geen hulp aan toe bragt, zouden zij het gezigt kunnen verliezen. Bovendien onthouden zich in de kuilen daar zij ftaan, of in de holle Stam, kwaadaartige Slangen, Mieren en Wespen, of Muggen, die wel niet fteeken, maar bij menigten in de ooren en het haair vliegen, 't welk het naderen van deeze Boom ook lastig maakt. Men kan ligt begrijpen, hoe fchadelijk het inwendige gehruik van dat Sap zijn zoude. Op plaatzen van den Stam of dikke bloot leggende Wor-
telen, die zich vertoonen als of zij uitgevreeten waaren, tusfehen het Hart en Schors, vind men een harde, brui- ne, vette zeifftandigbeid, die het Spint des Booms fchijnt te zijn« In de Stammen komt bet zomtijds twee of drie vingeren dik voor, dog aan de Wortelen niet veel dik- ker dan eene mesrug. Van binnen is het doorgaans ros- agtig, rriaar van buiten, inzonderheid daar het van de Son befcheenen was, pekzwart. Het is broosch als glas en zo vet, dat het niet alleen aan het vuur gehouden, veel. olie uit zweet; maar ook als een kaars offakkel brand. Versch gekapt heeft bet een aangenaamen geur van Benzöin , welke het, lang bewaart zijnde, ook door 't branden uitgeeft. Bij andere Houten of welriekende ftoffen gevoegt, verfterkt het in 't branden derzelver reuk. De finaak is wat bitter, als die van Aloë-Hout, en het gelijkt zodanig naar het echte Agallochum, dat' het "doof de Chineezen toebereid zijnde, voor Kalambak" Hout zelfs pasfeeren kan. Men vind het.alleenlijk in ou-< de, knoestige, gefcheurde of bolle Boomen, en de ge« zegde Iafekten , zo Mieren als Wespjes of Vliegen, daar , op te lang aazende, zuigen er de meefte Vettigheid uit. Bat van de Mannetjes Boomen is bruiner en beter dan i da*
|
||||||
|
-J
|
||||||
|
'ver.
Sät van de Wijfjes. Het Ternatàànfcbe is uit den rosfen
en araauwen gemengd, met zeer fijne Adertjes, en lief- liik van reuk. Men vind ook eene zoort die uit rood en peel gemengd is, of geheel geel, als het beste Sandel- hout met ilreepen o verlangs, en dit komt in de groótfte ftukkén voor. De geele zoort ruikt lieflijk als zijgraauw is dog in 't branden word de andere beter gekeurd. Wij krijgen, volgens1 zommigen , in Europa geen an-
der Aloë-Hout of Agalloc hum, dan van deezen Boom, wordende het echte.dat in Siam in en China valt, alsook bet beste, Kalambak genoemd uit Cphchifichina, door de Indiaanenin zoveel waarde gehouden, dat zij voor het once twee oneen zilver geevenj zie Tbillerus de Medic. Oßcin. pag.~2.23. Dat is'echter niet waar; in Europa zijn driederlei zoörten van dergelijk Hout be- tend, die meest inmeer of minder harsagtigheid èn fterkr te van geur verfchillen. Zommige'willen dat het Ka-' lambak-Hout' zoude koomen; uit het binnenite van den' zelfden Boom, nabij den Wortel. Hetzelve fmelt op 't vuur gelegt zijnde , bijna als Mallik, verfpreidendete- vens een zeer fierken geut. ' Het'is van een veel kruidi ger en bitterer fmaak dan het gêmeene Aloë-Hout, in Siam Kisfina , ook in Japan groeijende , eri aldaar Kawo- rikt, dat is de Welriekende Boom genoemd, waar van ÉAEMPFER'een jong Boompje ontvangen had^ uit het Gebergte, met Bladen als vanden Perfikboottf, zonder Bloem of Vrugt, De Chineezeh'verzeekerden'hem, dat deeze Boom in Siam, Cochinchiha én de aangrenzende Provinciën van China, genoemd Junan, op bijna on- toegangiijke Rotfen groeide. Zij zeiden,, " dat dezelve niet dan door den ouderdom , zijn welriekende geur verkreeg, plaatshebbende in bet harftigö Sap,*'t welk als de Boom vergaat en verrot , zekere inwendige ,, plekken van het Hout inneemt r wordende bij de ,, Kwasten fterker verdikt dóór ophooping. De brok- ken hier van, Kalambà of Kalàmbak genoemt, wor- ,, den tegen goud'opgewoogen'-; het overige noemt men met den eigen naam haam des Booms, Kisfina; en deeze verfchillen, naar dat zij harftiger, zwarter en ,, zwaarder zijn',' als tekenen van meer kragt of deugd, zeer veel in waarde. De eerfte komen in Europa ; de andere,, wegens de ongemeene duurte, nooit (of zeer zeldzaam.) Het Werkvolk, dat om dit Hout te zoeken uitgezonden'wórd, gaat óp zekere tijden wel gewapend en met Bijlen voorzien , in de Bosfchen, alwaar zij de Stammen van oude rottige, vermolmde of omgevallen Boomen , met veel moeite kloöven, neemende er de baairigebrokken, welke zij er-inaari- ,, treffen, uit, en het eerfte derzelve aan de Afgoden , die zij voor hunne befebermers houden, opofferen. De Cbineezen beelden in hunne Kruidboeken deeze Boom af, als een bijfter dikken, mismaakten, half ver- rotte Stam, met. een Takje daar aan, dat Bladen beeft die vee! naar Laurierbladen gelijken, dogeenigermaa- té gevind .fchijnen te'zijn. Op "dergelijke manier en met gevinde Bladen , maar met fleurig Loof, word' door hun de Sandelboom getekend." . De agting van het Kalambak Hout verhaalt die Autheur
rn deOoRerfcbe Landen zo groot te zijn , dat zo wei aan de Vos (lelijke Hoven , als bij de G'rooten van "Chi- na en Japan, geen gastmaal gehouden word', óf men verkwist veel geld aan het bewierooken "dë"r vertrekken met deszelfs geur, uit pragt en flat ie. Men. brand het door geheel Indie, daar men 't heeft, in de Tempels »oor de Afgoden. Het is- zeer hartflerkende , wan- |
||||||
|
-VER. 380?:
neer nièn 't inwendig ; 't zij in poeïjei* of in tinctuur,
gebruikt; inzonderfieid dé Olie, daar van gedistilleert. Dé Engelfehen hebben hét, tegen de Jigt en 't Podagra aangeprezen. Het Aloë-Hout komt in verfcheide win- kelmiddelen, volgens 't voorfchrift der Arabieren. In plaats van 't zelve neemt men dikwils hetgemélde AgaU lochum oï Agél-Hout, volgens den Portügeefchen Pao d'AquilaoïLignum Aquil, en anders ook. wel Paradijs- Hout genoemt. Zommige houden het Kalambak-Hout vóór het A/palathum-der Arabieren, waar van ik met zekerheid niet kan fpreeken." hi :. _r '-.' "In de Westindien valt een zoort van wild AgeU of Kalambak Hout, datligter en minder harsagtig is dan het Aloë-Hout der Apotheeken ; van kolëur uit den groenen bruin, zoet en fterk van reuk, bitter Van fmaak. Men brengt het in groote ftukkén over; dog het word meest van de Schrijnwerkers, Draaijers'en dergelijken, tot Vee- lerlei fraaijé Werkftukken, ' inzonderheid om Roozen-: k'ranfen te maaken, gebezigt. '.. .: ; 1 VERBLOEMING , zie ALLEGORIA. ..■■"'.. ".
VERBRANDING, zie EXUSTIOl
VERDEELENDE MIDDELEN, zie RESOLVEN-
TIA. ..... : VERDIENSTEN, in't latijn Meritum; verftaatmen
dat regt door, 't welk wij op de erkentenis van onze Medemenfchen bekoomen, door het plegen Van zodaa«; rrige goede daaden, waar toe wij niet vérpligt waarea en die niemand regt had van ons te vorderen. Want zo lang men niet meer doet als waar toe men volftrektelijk is'vérpligt, voldoet men enkel aan zijn pligt, en de ge- pleegde daad bevat om zo te fpreeken,niets overtolligs, én dat in (laat is eenige waare Verdienten voort te bren- gen. Eén latijnsch Gefehigtfchrijver de reden bij ge- bragt hebbende, waarom de Keifer Antoninus godvrug- tig genoemd wïerd, en welke reden daar in bêftond, dat hij met eigen handen;zijn Schoonvader die onder delast der ouderdom bezweek onderfteunt had, voegt er bij, ,; 't welk echter tot geen graoten blijk van gehegentheid en tederheid verftrekt; want met meerder regt kan. men woest en ontaart genoemt worden eendusdani- ge pligt verzuimende, als teder en erkentelijk met: te doen het geen de natuur ons gebied/': Jonus Ca- bitolin. in Aktonin. Cap. 2. .. . VERDIKKENDE MIDDELEN , zie INCRAS- SÂNTIA. ! . ■<: . . ..■ J'S'iit VERDIKKING, zie INSPISSATIOi fei«
VERDOOVING, zie NARCOSIS.
VERDRAAGZAAMHEID, in het latijn Tolemntia ',..
is die beminnelijke Deugd, die in haare natuure zo re- delijk , voor de rust des leevens zo heilzaam , tot den bloei van Koningrijken en Gemeenebesten zo noodzaa- keiijk is. Zij is hét tegenóvergeftelde van ONVER- DRAAGZAAMHED, waar van wij in het vierde Deel uivoerig fpraaken, en kan, zo wel als deeze in Kerke-: lijke en Burgerlijke verdeelt worden, Behalven deeze; is er noch eene derde zoort van Verdraagzaamheid, die men Christelijke Verdraagzaamheid zoude kurtnen noe- men ; en van deeze is het inzonderheid, dat wij hier fpreeken zullen. Deeze verfchilt van de Kerkelijke.&n Burgerlijke Verdraagzaamheid in zo verre, dat men ze-, als eene verpligting van iederen Christen iri het bijzon- der hebbe aan te merken. . De Kerkelijke kan, eigen- lijk gefprooken, alleen van hen, die in het Kerkelijke eenig bewind hebben', dë Burgerlijke alleen van diegee- neiï onder welken, de Burgerlijke regeering van eene: ff 3; Stad;,, |
||||||
|
Stad, een Gémeenebast of land beriet,, geoefent wor- Zaligmaaker? dit alleen is genoeg, om de ongegrond I
den; maar de Chriftelijhe Verdraagzaamheid, is een plicht heid van dit voorwendzel te doen blijken, en ons de die aan alle Christenen is voorgeit'hreeven , en door al- Verdraagzaamheid als eene algemeene verplichting voor len, in welkeomftandighedenzij zich ook mogen bevin. alle Christenen aanteprijzen. Wie had ooit meer ijver den, kan worden waargeneomen.' Zij verbiedt niet al- voor de Eere van God, dan Christus zelf? En wie 1 leenlijk alle heerfchappij over het geweeten van zijne was er ondertusfchen Verdraagzaamer, dan deezebeste Evennaaften yoietfleebts alle geweldenarijen, hun, om. Menfchen-Vriend? Hij, die geenen Samaritaan, hoe hunner doolingen wille aangedaan j maar zij wil zelfs, dat zeer ook bij de Jooden een voorwerp van de algemeene het hart zuiverzijn zal van alle liefdelooze beoordeelin- Verachtinge, van de uitwerkzelen zijner liefde uitfloot j gen van bunee gevoelens. Iemand^ bij wien.deeze.be«.- die geenen Heiden, hoezeer ook in degroflte dwaalin- minlijke Deugd gevonden word, zal niet ligtelijk de: gen verzonken, ongetroost van zich weg zond ; die met dwaalingen zijner Medebroederen van eenen ongunftigen eene. milde hand, ieder eenen die hem voorkwam, zij- kant befchquwen, of dezelve aan ondeugende beginze- ne weldaaden toedeelde; en die het niet te veel achtte, len toefchrijven. Alles, wat hij op goede gronden als om zijn leeven zelf, ter behoudntsfe van eene Waereld, eene doolrng kan aanmerken, keurt bij, welis waar, af, en die vol dwaalingen was, opteofferen! hij dankt God , die hem meer lichts gaf, om de waarheid VERDRIET ; Chagrin. Dusdanig noemt men de las- te vinden. Maar nooit ftrekt hij deezen afkeer tot de per- tige, dog voorbijgaande gewaarwording, welke deZJet zoonen zelve uit, die deeze dooling koefteten. Hij poogt* gevoelt, wanneerhet beloop der zaaken, waar op haar ze, door liefderijke onderrichtingente overtuigen, en met verbeelding als op de genieting van een aangenaam goed een taai geduld gewapent.wanhoo.pt hij; niet ligtelijk aan ftaat maakte, verandert ; of wanneer de gebeurtenisfen den goeden uitflag zijner poogingen. Mislukt hem dit diezjj verwagte, als bekwaam en dienftig om een van voor bet tegenwoordige, hij is er verre af, van hen om haare neigingen te vergenoegen, haare begeertens en ver« die rede als onverbeterlijk te befchouwen, ofte den- wagtingen niet beantwoorden, zonder haareven wejdaar- ken, dat het hem nu vriiftond, de hand*geheel en al om wezentlijk ongelukkig te maaken. van hun aftetrekken. Hij merktdes niettegenftaande-hen. De Droefheid verfchilt van het; Verdriet, i. door, den als zijne mede-Çhristerien, én dusals voorwerpen van die; aart van het kwaad , waar van de kundigheid en het ge- algemeene liefde aan, die het Euangelium zoo nadrukker voel zich tegen ons genoegen aankant ; 2. door de trap lijk aanprijst. Geene gelegenheid laat hij voorbij gaan, van indruk welke die voorwerpen op ons maaken. De om hun bewijzen te geeven, dat zijn-hart met zull^e' Droefheid veronderftelt gebeurtenisfen die wezentlijker Christelijke gevoelens van liefde en algemeene goeddaa-: invloed op ons geluk hebben, ons zodanige goedéren digheid vervult is, en hij veroorloofd zich tegen hen ontvoerende die wij van natuuren moeten agten. Het geenerleij" liefdeloosheid, die hij weet, dat hem door Verdriet veronderftelt gebeurtenisfen, die de wezentlijke zijnen Zaligmaker en deszelfs Apostelen, zonder eenige bronnen van ons geluk ongefchonden laaten, en enkel bepaaling verhooden is.' ï. - ■■"■■> ; : onze gevoeligheid aantasten door't verlies van voordee- Hier in beftâat deeze Deugd, en, zo beminnelijk is len of geneugtens, waar van.de waarde meerder inge«
baare gedaante. Zij: maakt het kenmerk van het Ghri« beeld dan wezentlijk is, en waar van men beroofd kan wor- ftendom uit,, en zonder deeze fcbiet men veel tè kort, den zonder ongelukkig te zijn. Het verlies van 't geen in dé beoefening van dieplichten, die ons, als Christe- noodïgis om aan de de neigingen vaneen deugdzaam hart nen zijn voorgefchreeven. , te voldoen, bedroefd ons; hetgeen onze neigingen en Maar waar vind men het land, daar deeze Deugd al- hartstochten weerftreeft, maakt ons Verdrietig.
gemeen geoefent wordt? Of wanneer zullen die ge- De uitwerkzelen van de droefheid.zijn fterkeren duur- wenschte tijden koomen, waar in ieder Christen dit zaamer, zij tast de ziel in baar geheel aan, maakt die nqer- kenmerk van zijn geloof vertoonen zal ? Het is waar,; flagtigy en boezemt zomtijds zelfs een afkeer voor het de Verftandigften en Godvruchtigften onder de Christe- leeyen in. Het Verdriet doet ons dikwils óp't zelfde lijke Leeraaren hebben dezelve, ten allen tijde, aange«. ogenblik in toorn on tfteeken, maakt ons knorrig, ente preezen; en hier en daar vind meri enkele déugdzaamen, onvreden over de Voorwerpen die ons omringen. De die niet denken , dat zij Goó door liefdeloosheid behaa- dood van geliefde Ouders of andere Bloedvrienden, het gen kunnen. Maar wie is er zulk een Vreemdeling in onherftelbaar verlies van ons tijdelijk aanzien en geluk, de waereld , om niet te weetendathun getal noch maar de oneer van Menfchen daar wij belang in ftellen, en gering is, in vergelijkinge met die menigte, die meenen meer andere gelijkzoortige zaaken, dompelen ons in Gode eenen dienst te doen, wanneer zij over eenen vreeni' Droefheid. Het verlies der voorwerpen van onze ijdele den Knecht oordeelen, endie hunnen ijver en getrouwheid pragt en geneugtens, zo als meubels, fchilderijen , da voor hem willen doen blijken door iets, het geen lijn- ontrouwheideener Minnares, het te leur ftellen der be- recht tegen zijne uitdrukkelijke wil, en het voorbeeld lofte eener Voorftandér, het flegt uitvallen der midde- van den verdraagzaamfien Menfchen-Vriend, zijnen ei- len die wij ter bevordering van onzen Staatzucht hadden gen Zoon, aanloopt? Zo verkeert is ondertusfchen te werkgeftelt, zijn alle zaaken die ons Verdriet aan- hêt menfchlijk hart, en zoo fcherpzinnig zijnwij, wan- doen. ,, neer het op de heillooze konst aankomt, om ons zelvete Het Verdriet heeft zijn onmiddelijken oorfprong in de
bedriegen. De Heilige Schrift geeft ons wapenen tegen alte gr'oote oplestenheiddie wij aan debérooving ofhet dit zelfs bedrog, en iemand, die zonder vooroordeel uit afzijn van het voorwerp, op welkers genot wij hadden dezelve regelen voor zijn gedrag zoekt te trekken, zal ftaatgemaakt, verleenen. En deeze al te groote oplet« niet ligtelijk gevaar loopen ,. om zich onder den fchoo- tenheid fpruit uit de dooling voort, van ons een al te ver-.. nen fchijn van ijver voor de Eer van God, aan de dui- 'heeven denkbeeld te vormen van de voorwerpen, waar delijkfte onteering van zijnen Gödsdiensfébuldigtemaa- van het verlies, ons Verdrietig maakt. Willen wij ons ken. Let men maar alleen op het voorbeeld van onzen dan voor het Verdriet, waar van de oorzaaken zo veel in
|
|||
|
▼ÈR.
|
||||||||||
|
▼er.
|
||||||||||
|
aso»
|
||||||||||
|
van des. Steekjes-, die de Vragten öf Besfèn draagen.
De Bloem is in't eerst als een Dfttiftros, van donker groene koieur, zegt DalechaMp., en opent zich ein» delijk als een waaijer, verdwijnende in eene fijafe haairigheid, welke niet kwaalijk naar de Pluimen, die men op de Helmen derSöldaaten plagt te fteeken, gelijkt, en in het dons van deeze pluimen koomea zwarte Zaadkorrels voor, Van èene hartvormige figuur. De Befie is, volgens den eerstgemelden, glad, zamen- gedrukt, gelijkende naar een Peukje van 't Harden- Tasch-Kruid, wanneer dat Peukje doorfneeden waare. Bacca glabra comprêsfa, fiUàulam ' Burßs PaßoriS, per me- dium quafi disje&am, refetettS. Flor. Carti. p. 323. Dit geheele Gewas is van een zaméntrekkende hoedä*
danigheid. Men maakt van de Bladen een afkookzel, dat tot zuivering der zweeren van mond en Meel, als ook Van de natuurlijke-deelen, uitmuntende is. In Gorgel' dranken dient het Zaad op gelijke manier als dat van dé Smack. Men heeft getwijfek; of het de Cotinus van ¥Lï- Hius wel kon zijn, alzo dezelve, volgens hem, rood verwt," maar dit is, ten öpzigt van de Wortelen,; Waar bevonden, als ook van de Bast, die een bruinroöde of paarfche koieur uitgeeft., VERGADERDE BLOM , zie AGGREGATUÖ
FLOS. VERGADERDE PLANTEN, zie AGGREGATE
PLANT-ffi. VERGENOEGSAAMHEID; in 't lâtijn Anlmusfua
fortecontentus. Men zegt, dat iemand deeze deugd bezit, wanneer hij te vreden is met, en een welgevallen heeft aan den toeftand, waar in hem de Voorzienigheid ge- plaatst heeft. Het is derhalve niet genoeg, órn den naam eenes Vergenoegzaamen te kunnen draagen, dat meti zich geduldig aan allerleie verwisfelingen vah 2ijh lot, zelfs aan degrootffie wederwaardigheden des leven s on* der werpt j want dit is alleenlijk lijdzaamheid , wél ook eene deugd, die het Christendom aanprijst, maar noch- tans, magikzofpreeken,eene Deugd, vaneenefiminder- rang, dan de Vergenoegzaamlteid. Ook moet men de Vet' genoegzaamheid niet verwisfelen, met zekere onvérfchil - ligheid, die men zomtïjds bij lieden van eenen dofFerï geest, en een waterig temperament, het welk hem vóop geene fterke aandoeningen vatbaar maakt, aantreft; nog: minder met eene ftoicijnfche ongevoeligheid, op welke? het zommigen hebben togelegt, en die wel verre van eene verplichting der Christenen uit temaaken , in zóm* m ige gevallen eigenlijke ondankbaarheid is, in anderen» eene lijnrechte tegenftreeving van de liefderijke poogifi- gen der Voorzienigheid, om dóór de fmarten die hij', ons toezend, ons geluk weezenlijk en duurzaam te maa- ken. . Niemand» die de zaak met aandagt overweegt, zal
één oogenblik aan den heilzaamen invloed twijfelen,, dien deeze deugd heeft in het geluk onzes leevens. Zij is de. rechte fauce van alle genoegens, en zonder Ver* genoegzaamheid heeft de geheele waeretd geene fchatten genoeg, om iemand gelukkig temaaken. Dikwi'ls verwondert gij U, wanneer gij den nijveren»
Arbeider,, na eenen geheelen dag in het zweet van zijn aangezicht gewerkt te hebben, des avonds vroiijk in zij- ne nedrige wooning ziet wederkeereri,. door zijn honge«- rig Hußgezin opgewagt;'gij kunt niet begrijpen,, hoe Menfchen, die voor zulk eenen, zwaaren arbeid,, zich niet dan eene armoedige tafel',- en eene legerftede van lEroo, beloo#eakunnen, Vroolijk kunnen;zijn;, daar. gi^'' »is»-
|
||||||||||
|
te aantal zljn.endfezo dikwerf aan 't werken raaken.behoeden? laat ons dan de regte waarde der dingen leeren
kennen, die niet hoogerfchatten als zewezentlijk waard zira én altoos in't oog houden wanneer wij er ons aan overgeeven, dat zij zeer wankelbaar zijn, dat men geen ftaat op haar kan maaken, en dat duizend oorzaaken ons die kunnen doen verliezen. ' .'..■ Zich aan het Verdriet overte geeven is het kenmerk
Iran een zwakke ziel, een gebrek van overdenking, en Rfcet afzijn van die deugden welke de agtensweerdige Ca- ta&ers vormen, waar op men kan ftaat maaken. Het doet altoos moeite wanneer zich onaangenaame omftan- digheden opdoen ,■ maar wanneer het kwaad alle de we- zentlijke Bronnen van een waar geluk onangeroert laat, »waarom ons dan over geringe rampen te ontroeren, én »als tegens ons noodlot te vergrimmen V VERDUISTERING, zie ECLIPS. VERDUNNING , ; zie EXSTENUATIO. VEREENIGING, zie COADUNATIO. VERF, zie VERFSTOFFEN. i VERFLOOF,- Fußet Hout ; Cotinus coriaria. Doo. ,Pempi. 780.; Cocconilia five Coccygtia. C. Bauh. Pin. 415. , (Rhusfol.fitnplicibus obovatis. LrNN. Sijfi. Nat.) Onder den naam van Coocijgrià is deeze gemeenlijk be- ekend , wordende in Vrarrkrijk Fußet of in Ooftenrijk Far- 'blaub, dat is Ferwloof, genoemt. ClüSius vondze in :-het Gebergte bij Baden. een weinig boven de Wijngaar- den , groeijen, en hâdze"ook ornftrèéks Avignon gezien. LiNKÄüs zegt, dat de groeijplaats ïn Lombardie, aan den voet der Apennijnfche Bergön en in Karniolie is. Zijn Ed. kon er Provence bijgevoegd hebben, alwaar dit Gewas, volgens Garidel,gemeen is. "Men vind het zelve ook in Dauphiné, alwaar de Ingezetenen het :<%', Rhunosmen, gebruikende den Bast totLeertouwing, >, ep daarom hebben zommigen dit voor de Ritus caria- it fia gehouden. Die van Gronoble gebruiken de Bia. », den en Toppen om linnen óf doek zwart te koleuren, ,, daar men Kasfen van maakt voor de Vrouwen, om ,, haare kleederen 'te bewaaren, voor de vuiligheid en ' ftof. DeSavoijaarden verkoopen den geheelen Boom, » °f de groote Takken, na dat zij er den Bast afge- ü nomen hebben, en noemen dat Hout Fußet, waar van ,; men zich bedient om, laken geel te verwen, en het is ,, cok geel van koieur. Die aan den voet der Apennij- nen noemen het Rosfilo ; die nabij den top woonen, ,, noemen het Scotano, en , als zij iemand affchilderen 'p willen, die de geelzugt heeft, dan zeggen zij, dat hij, ,, geelerisdanditHout." Hiß. des Plant, de Lion. Tom. I. p. 163. Het blijkt hier uit, dat dit Gewas niet alleen aan den voet, maar op dat Gebergte zelf groeit, zo als op de Bergen van Dauphiné; beminnende fteenagtige »laatzen, dis befchut zijn, en tevens niet te hoog,nog filet fneuw bedekt. K Tournefort merkt aan. dat de Coccijgria in de mid-
< «elfte deelen van VranKrijk, geen rijp Zaad geeft. Boer- .-«aave bepaalt de Vrugc, als rond zijnde, in een harde ;.Ondeelbaare Dop een driehoekig Zaad bevattende. Doe -tor ScopoLi bevond het , in Karniolie-, een knoopigen *agen Heefter, dog elders groeit bet wel tot drie of vier ■len hoogce. ;, De Bla.ien (zegt zijn Ed") zijn glad en W ettenrandig en rondachrig, met doorfchijnende wi'te- :»,. randen. Aan, 't end der. Takken groeit een: Pluim;, W cl",R.evsderde roode draaden of vezelen-en gladde *n j LeiSl" ■Sommigen hebben die- ruigte aangezien. *aor. de. BJoeman ; maar dezelve is ilegxs een. uitgpoeizeli; |
||||||||||
|
Wfc
|
||||||||||
|
VER.
|
||||||||||
|
Sil»
|
||||||||||
|
misfchien bij den grootften overvloed klaagt, dat U, gij
weet zelve niet wat ; ontbreeke,, althans dat gij niet ge lukkig zijt. Maar.,« Vriend,Adeeze Menfchen bezitten de yergenoegzaamheid, jdië U bij allen Uwen over- vloed mangelt. WUt gij ,er de proeve van neemen, gij zult zien, dat de Ferge^osgzaamheidsUeen het is, waar jdoor wij gelukkig wórden. X-aaten twee Kinderen van dien Arbeider, yan wjen, wij zo even fpraken, bij Uge- bragt worden ; het kan niet wel misfen, of zij zullen beide genoeg van eenen goeden, trek voorzien zijn, om .eenige fpijze, die gij hun aanbied, met blijdfchap.aan iß neeemen., Geef den oudften een duk, roggebrood-, het welk, gij met boter zult hebben laaten befmeeren; 4anftonds zal hij er greetig in bijten , en U door,z>jne geheele pouding genoeg doen zien, hoe zeer hij met dit onthaal voldaan zij;geef.vervolgens aan zijnen Broeder een ftuk tarwe bropd pet boter en kaas voorzien,en wat ge- beurt er? de Oudfte is met zijn brqod, het welk hem zo wel fmaakte, tepnvreden.-bij begint te pruilen, en het is veel zo hij het niet met verachting weg werpt, en fchreuwt, dat hij zo wêj als zijn Broeder tarwebrood'e,n kaas hebben wil. Wat is de,oorzaak van.die.fpóedige,verandering ?;Niets dan onvergenoegdheid, door nijdigheid, yoortgebragt; deeze àU leen beneemtfiëm denfmaak aan iets j bet welk bem-weinig ogenblikken ie voorenzo veel genoegen gaf. Gij kunt da- gelijks bijIJzelven en anderen deezezelfde proeve in het groot neemen, én de uitkomst zal u altoos leeren, dat men zondet.F'ergenoegzaatnheid nooit gelukkig is. Dee- ze is dekonst om rijk te zijn '^ degrqotfte armoede ,'ge- lukkig in den dorm der felde wederwaardigheden. Niets is meer te verwonderen, dan dat er zo weini-
gen zijn, Ziehet óp deezekonst toeleggen, zo veelen, die door hunne Onvergenoegzaaamkeid het geluk vergal- len, het welk zij genieten konden. Ieder een wil rijk worden, ieder een zoekt na geluk; maar weinigen flaan deezen weg daar toe in, dienochtans zo eenvouwig, zo gemaklijk, zo bekoorlijk, zo onfeilbaar is. Geene ver- plichting is er, die.daag (ijks meer, van allerleije zoor- ten van Menfchen, o vertreeden word, dan even deeze j en men zoude eengeheel boek moeten fchrijven, indien men alle klachten optekenen.en beantwoorden wilde, die de Onvsrgenoegzaamheid heeft, voortgebracht. , Nu eens zijn het de omdandigheden van anderen, dan eens onze eige toeftand, die ons doffe tot klaagen geeft. Nu eens zijn wij niet te vreden met de gedeldheid onzer lichaamen., dan eens .niet met die,van ons zielen. Nu eens zijn wij niet rijk genoeg naar ons gedachten, dan eens. word ons geene eer genoeg aangedaan. Nu eens is onze bediening te lastig, dan eens te weinig voordeels met dezelve verbonden. Nu eens klaagen wij overonze Vrouw, dan overonze Kinderen, dan eens wederom'óver onze Bedienden. Nu eens hebben wij te veel regen, dan te veel droogte, dan wederom gebrek aan genoegzaanien wind offonnefchijn. En wanneerzoude ik gedaan hebben, indien ik alles wilde opnoemen , het geen de Menschen daaglijks aanleiding geeft, om hun geluk te verwoeden, en ondankbaar tegen Gon.t'e murmüreeren, die het roer der waereld in .handen heeft.' Dog;om alle deeze ftormen in ééneh te bedaaren, .en
teffens eenige regels aan de hancj te geeven, die. óns töt; de gewenschte vaardigheid, van altoos vergenoegt te zijn , zullen kunnen breflgen, verzoek ik, dat men letteop de volgende (lukken. r. Houd geduurig in het oog, dat U niets bij geval
overkomt, maar dat alle omllandighedcu vm uw lee- |
||||||||||
|
ven, alle verwisfelingen van toeftand, door het wijsteea
beste aller Weezens beftiert worden; zonder wiens ml. k zelfs, gelijk Christus zich uitdrukte, geen Hair van uw hoofd vallen kan. 2. Vergeet nooit dat deeze groote Beftierer van alle
dingen, de liefde zelfs is, in het bijzonderde Vader der Menfchen; dat hij altoos het geluk van zijne redelijke Schepfelen op het oog heeft,'en volkomen geneigt is.oriv tot bevordering der meefte welvaart van ieder eenen al- les te doen medewerken. 3. Overtuigt U zelve , dat gij niet in (laat zijt, om dat
groote plan te overzien, het welk de Allerhoogfte ge- maakt heeft; dat gij doorgaans zeer verkeerde denkbeel. den hebt, van geluk en ongeluk; dat gij hetgeen in 3e oogeri fchittert goed noemt, daarentegen alles, watU niét in het uiterlijke toelacht, meestal als kwaadafkeurt. 4. Brengt U de gevallen te binnen, in welke gij wel
eer te vooren geweest zijt, de klagten die gij toen uit- boezemde over uwe omftandigheden, en de uitkomst die dezelve gehad hebben; en gij zult bevinden, dat het geen gij toen .als uw ongeluk befchouwde, dikvvils een 'middel, in dehand der Voorzienigheid geweest is, om U
wee^enlijk gelukkig te maaken. 5. Zijt gij ih tegénfpoed, leert U zelve recht kennen,
om uwe geeilelijke ongefteltheden ontwaar te worden; en gij zult God leeren danken, dieU deezesrtzenijen toe- zend tot uwe geneezingjen overtuigt worden dat het dwaas en ondankbaar is, U o ver de bitterheid deezer geneesmid- delen te beklaàgen. . 6. :Eindelijk zo gij, door vèrgelijkinge van uwen toe-
ftand met die van andere Menfchen onvergenoegd ge- worden zijt; vergelijk U met alle Menfchen, ook met hen die minder zijn dan gij, en met meer elenden te wor- delen hebben; vergelijk U met hen in alle opzichten, niet (kchts met betrekkinge tot hunnen uiterlijken luider, maar ook met betrekkinge tot de onaangenaamheden en onheilen, die achter dien fchoonen fchijn dikwils ver- borgen zijn; en eindelijk vergelijk U met hen, doorallé tijden heen, door die tijdftippen, bij voorbeeld, wanjj, neer zij misrehietj door onrechtvaardigheid den grond tot dien toeftand lagen, die Uzo bekoorlijk fchijnt, ofbe- fçhouw hen in die oogeblikken, wanneer zij buiten het gewoel der waereld de verwijtende demme van hunne geweetens hooren, of eindelijk volghen met uwe gedag- voor den rechterftoel van God , daar zij rekenfehap van het gebruiken hunner rijkdommen, macht, -aanzien, of andere voorrechten zullen moeten afleggen ; en gij zult hunne omftandigheden geheelanders leeren beoordee- lén, en geen gevaar loopen, om door derzel ver befchou- wing met uw lot ontevreden te worden, . Ten befluitekan ikden Eezeren, die latijn of francsh
verdaan niet genoeg aanprijzen het uitmuntend Werk I van A. h. de Sarasa, ar s J'emper gaudendi genoemt, ■ waar, van een gedeelte in het fransch vertaald is, onder ; den titel, l'art de feiranquUifer. Het waare ten hoogden wenfcbelijk, dat dit voortreflijk boek dooreene goede I nederduitiche vertaaling uit het latijn , algemeener ge- maakt, en iedereenen, als een tegengift tegen Onverge- noègZaamheid m handen gegeeven wierd. De Boekver- I koper BoLT.te Groningen heeft, eenige Jaaren geleeden, i? op zulk een vêrta'aling'hoop gegeeven; dog het is tot nog toe bij beloften gebleeven, VERGETELHEID, zie OBLIVIO. VERGIF; in het latijn Fencnum, in het fransch Pol- ï Jon. Vergif noemt men een zodanige Stoffe, welke fo.'l eet
|
||||||||||
|
..■v.-._r .,-"-r-!T*■-■ -; T-T- ----- - ........-- ...... .-- ........--
|
|||||||||||
|
-----
|
|||||||||||
|
VER;
|
|||||||||||
|
tÜR
|
|||||||||||
|
een kléïnè 'hoeveelheid-, ■' in het ^menfehélijkef sKgh,aam
vooftèebragt zijnde, ofwel van buiten fokoomehde, en met een zonderlinge kragt begaaft, in vergelijking van der» zelver hoeveelheid, uitwerkzelen voortbrengt, die ver- reweg de zodanige welke, men ei- van konde verwag- ten, te bovengaan ; 'ja uitwe'rkzelen, dië niet alleende gezondheid in denfterkften trap béhadeelen, maar zelfs dikwils den dood veroorzaaken, :■""'■"" . :> ,: i Daar zijn zo veelerlei zoorten van Vergiften, en der-
zelver werkingswijze zijn zodanig-verfcheiden ,. dat het bellek waar toe wij bepaald zijn, ons geenzjnts toelaat, om die alle in het bijzonder te verhandelen ; dog wij den- ken verpligt te zijn, om die ten minden in 't algemeen te ontvouwen, en zodanigenaante wijzen, welke in öns land het gemeenfte zijn, er teffens de dienftigfte mid- delen bijvoegende, welke in ftaat zijn om derzel ver.fchaa- delijke uitwerkzelen te verhoeden, cj ' '■'--;:. Een ieder Mensch.behoorde eenigermaate van den aart
en geneezing der Vergiften kundigheid te hebben. De- gel ve worden gemeenlijk onvoorziens ingenoomen, en haare uiwerkzeiëh zijn doorgaans zo fchielijk en, hevig, dat ze geen uitftel nog tijd overlaaten, om de bijftand eens Geneesheers te kunnen bekomen. Bij geluk, ech- ter is hiertoe geen hoogen trap van geneeskunde nood ig * wijl de middelen tegen de mee&e Vergiften gemeenlijk te bekomen zijn, en er tot-derzelver gepaste gebruik niet dan eene gewoone voorzigtigheid noodig is. %'s\ . Het gemeene denkbeeld, dat elk Vergift alleen door zeker tegengift als een foortmiddel, geneezen kan wor- den ( heeft vee! kwaad te wege gebragt. Veele Men- fchen verbeelden zich den Lijder geéne hulpe te kunnen toebrengen, zonder dat. men onderrigt zij van het bij- zonder tegengift tegen het Vergift, hetgeen hij inge- kreegen heeft.- Daar de geneezing van alle Vergifteti zonder eenige uitzondering, flegts alleen hoofdzaakeiijk afhangt, van de fpoedige ontlasting van het ingenomen Vergift. , . ■■■- . . - 'j Geen geval is er waar in de aanwijzingen der genezing
klaarder zijn dan in dit. Bet. Vergift is zelden, lange iq de maag zónder rniflijkbeid en neiging tot braaken te doen ontdaan. Dit. wijst duidelijk aan. wat er.behoórt gedaan ta worden. Inderdaad het gezond ^erfland alleen leert ieder Mensch, dat wanneer men iets in de maag gekre- gen heeft waar door het leeven in gevaar gèfteld word, er geen zekerer en veiliger middel is, dan zich zo fpoe.-' digdoenliijk, van die,gevaarlijke doffe, te ontlasten, Wierd dit altoosnaar beboorenin betooggebouden, het gevaar der Vergiften zoude zeer gering zijn. .,De manier van geneezing wijst zich zelve, en de middelen zijn bin- nen het,bereik, van ieder JMensch.. ,,.., ,:. . .,. ;. .'. . Wij zullen onze Lezers niet ophouden met een ver-
haal, van de belachelijke bevattingen van het onku.ndig Gemeen in de voorige eeuwen, .wegens den aart en de uitwerkingen der Vergiften; veel minder zullen wij mei. ding maaken van de tegengiften, met welke men meest- tijds zonder grond, zich beroemd de uitwerkingen der Vergiften\èkunnen tegengaan of verhoeden ; wij zullen ons alleenlijk vergenoegen met de aanwijzing van dieper. gyten welke in deeze G e westen de gemeenfte zijn, en de teverh SPgeVen om derzelver zo frhadelijke gevolgen Alle de Vrgiften behooren of onder het Rijk der MÏin-
Dieren' f d3tderPlaneten'ofond«-. het. rijk-der VU ZTj «'t MijnftQfFen, zijn gemeenlijk ^r/s-
|
|||||||||||
|
stticué; (Rottekruid).,- ié.Go&alt-i MjfenßefuUimaap -van
,Kwikïenzl m ', .ril' ..;;;''::- : l ■■ h ','h < - ■">■ na *. * De' Vergiften luit het groeiiend rijk zijn doorgaans van
'eenen verdovende)] en bedwelmden aart, gelijk flaap- ballen .enMuUsrke.rvg} pijiheerling,,.het Jbityenkrftifi,; de ließen der nagtfchade en meer andere. ' -: De'Vergiftige,Dieren deelen hun Vergift meede ;hët zij door bijten öfdeeken. Dit Vergift is geheel,yer- fchïilend van de voorige,; en brengt zijne uitwerkingen * niet -voort, dan alleen wanneer het. door middel van -ee- ne wonde in het lichaam gebragt word. f , j». Vergiften uit Mijwstoffbm. ■ Van deezé
is bet Atfeni'cwn of Rottekruid het gemeenst en meest
bekend; én wijl alle de overige van dit zoon met het zelve, zo in uitwerking als wijze van geneezing zeer veel overeenkomst hebben,; zal alles wat hier yaa dit Vergift gezegt word, .ook PP alle andere zoorten van bij- tende Vergiften kunnen toegepast worden. ; Zo draa iemand. Rottekruid of y&/è»ica»i ingekreegeri heeft, word hij ten eerften eene; brandende hitte en he- vig fteekende,pijn in de maag en ingewanden gewaar, verzeld van een pnlïjdeüjken dorst, en eene heiging tot braaken. De tong en keel zijn ruwen drPpg, en zo er geehe vaardige hulpe toegebragt word, ver vaïc de Lijder in gropte benauwdheid, krijgt den hik, valt in zwijm, en;alle zijne uiterde deelen worden koud. Vervolgens braakt hij zwarte doffen u-lt, en ontlast een zeer ftin? kenden afgang;-hier op volgt vérfterving der maag en in- gewanden , het welk de pnmiddelijke voorbode is van een aannaderende dood.. Zo draa zich deeze toevallen beginnen te vertoonen,
moet de-Lijder grootehoeveelheden verfchemelk en boom* olij drinken, zo lange hij aan het braaken raakt; of ook wel warm water met olij gemengd. Vette vleeschfoupen zijn mede zeer goed, mits men dezelve tijdig genoeg ge- reed hebbe. Zo men geen vlij bekomen kan, fmelte men verfche,boter en menge ;dezelve met melk of met water. Van deeze dranken moet uien drinken , zo lange'er zich neiging tot braaken opdoet, Zommigen hebben daar van agt of tien mingelen gedronken eer bet braaken ophield, en het is nooit veilig met drinken op te houden, zo lang er flegts iets het minde van het Vergift in de niaag ovèr- rig blijft, ; ,, i -.'. ',-.-, -.' Deeze olij tt"*" en.vetachtige'zelffiandigheden, be»
vorderen niet alleen het braaken, maar verzagten insge? lijks defcherpheid van 't Vergift en beletten betzelvede ingewanden tekwetzen; dog wanneer zijden Lijder niet doen pvergeeven, moet men hem een half drachma, of een paar fcrupels poeder van Hijpecacuanha doen gebrui- ken, of eenige lepels vol azijn van zee-uijen onderzijn drank mengen. Men kan ook het braaken aan den gang helpen, door den Lijder met een veer binnen in 'de keel te kittelen. Dan wanneer alle deeze middelen nutteloos zijn, geeve menfiem een half drachma witte vitriool, of ook wel vijf à.zes greinen tartarus emeticus. ( Zode Lijder Hevige pijn in den onderbuik gevoelt, en
men rede heeft te geïoovén, dat het Vergift in de darmen doorgezakt is, moet men bij herhaaling kliflesren zetten van melken olij, én de Lijder-moetyërzagtende afkook? .zeis drinken van garst en havermeel,heemswortel en dier- .gelijke. Insgelijks moet hij een aftrekzel neèmen van .nanna en fennebladen, eeneontbihding van,het zout van tjauber, of eenig buikzuiverend middel. ■^^a-dat het Vere^ft ontlast is, möèt de Lijder een tijd lang leeven van zodanigedingen die .heelend zijn en yerr G koe- |
|||||||||||
|
MW-'
vergiftig Dief is, in deeze gewesten bekend;' -^
De Dieren voor deeze dolheid vatbaar, zijn zo verte
ons bekend is, alle die van het geflagt der Honden,,Lge. lijk, Wolven, Vosfen en Honden. Hier van daan noemt men dezelve Rabies Canina of Hondsdolheid. De bee- ten van dolle Wolven en Vosfen, zijn in ons land zo zeld- zaam, . dat zenauwlijks verdienen in aanmerking geno- men te worden. Wanneer zulks echter mögt plaats heb- ben, is de manier van behandeling in dat geval dezelve als de beet vaö dolle Honden. Zie DULLE-HONDS- ZIEKTE, pag. 558. Een ander vergiftig Dier in de bosch en fandrijke ge-
westen van ons Gemeenebest overvloedig bekend, is de Adder*.- Het mi[ van dit Dier op de. wonde gefineerd, zegt men dat deszelfs beeten geneest. Schoon dit ge» meenlijk alles is, wat de Adder-vangérs, wanneer zij gebeeten zijn in het werk (tellen, fchijnt ons zulks 'echter'niet genoegzaam voor de beet van éeri vertoorn- den Adder, i Het is dus veel veiliger de wonde wel uit te zuigen, en vervolgens met warme boomoolij te wrij- ven;. Insgelijks kan men een pap van brood met melk en boomolijop de wonde leggen; en de Lijder moet rijke- lijk wei , brood oLgarftén-water met azijn gemengd , drinken, ten einde hem, te'doen zweeten. De azijn is eene der beste tegengiften die men gebruiken kan, en. dezelve.mag altoos vrij: en rijkelijk gebruikt worden* Zo de Lijder rutsfelijk is of walging heeft, moet hij een braakmiddel gebruiken. Dit opgegeêvene is< genoegzaam- tot geneezing van beeteüvan alle de vergiftige Dieren van deeze landftreekén. ' Zodraiemand door een Slang: ,, of Adder geftookenis, kan men ook niets beters doen, ü dan de plaats der wonde met een kruis-inede, wel door den huid heen gaande, te openen, dezelve met pekel af azijn uit te. wasfcben en te drukken. : Een Spaanfche Vliegpleifler op de aangedaane plaats ;,. gelegt, is mede zeer dienftig, want dewijl hier door veele vogten ontlast worden, heeft men rede te hoo» ,, pen, dat 'de vergiftige fioffén dus mede uitgetrokken zullen worden; Ten opzigte der vergiftige Infekten, Bijen, Wès*
pen, H'orjels enz. ; dérzelver fteeken zijn zelden van eej nig gevaar verzeld, ten zij het gebeurt dat.iemand van een groot getal hunner te gelijk geftooken worde; in welk geval men het een of ander middel'om de ontftee* kingen te verdrijven, gebruiken kan. Zommigen bedie- nen zich hier toe van honing ; andere leggen er gekneus- de peterfelij op j een mengzel van azijn en venetiaanfche Theriaak is mede zeer goed; dan niets van dit alles hebbe ik zoogoed gevonden, als het wrijven met-war- me boomolij. Dog wanneer de fteeken zo menigvuldig zijn, dat er dés Lijders leeven door- in gevaar gebragt word', gelijk zulks zorntijds plaats heeft, moet men niet alleen olijagtige- pappen op de gekwetste deelen leggen; maar oogden Lijder bloedlaaten , en hem eenige ver koelende middelen, gelijk falpeter of cremor-tartan- doen gebruiken'; voorts moet hij rijkelijk wateragtige en verdunnende dranken drinken. Wij hebben het geluk, in dit land weinig vergiftige^
Dieren te hebben, en die geene welke wij hebben, zijn geenzins van het kwaadaardigfte zoort.. Van de tien toevallen die-men aan Vergift toefchrijft, zijner wel rtegen dié uit gantsch andere oorzaakenvoortfpruiten,, en wezenlijk geheel andere ziektens zijn* Het ze Iva echter kuunen wij niet zeggen -ten Opzigte
der- vergiftige Planten en Kruiden.: Deeze. vind mem air
|
|||||||
|
j&ia VER;
koelend van aart. Hij moet zieh onthouden van vleesch
en fterke dranken, en niet gebruiken dan melk, foupen, gort, luchtige gebakken , en lepelfpijzen die ligt te verteeren zijn. Zijn drank zij garftenwarer, aftrekzel van- lijnzaad of van verzagtende en lijmachtige moes- kruiden; f l * De Vergieten'uit Planten en Kruiden, ver-
'oorzaaken behalvert dé verhitting én pijn der maag, ge- meenlijk duizelingen veeltijds zekeren trap van verdóo- ving, ja zomtijds eene voiflagene gekheid. Lieden die dit zoort van Vergift ingekreegen hebben, moeten op 'even dezelfde wijze behandeld worden,, als dewelke bijtende hebben.'.;." ... .-.,.... ■,>,., ■,-...,. . Schoon de Vergiften uit het Groeijbnd ryk,
wanneer ze zich èën tijd lang in de maag blijven ont- houden , veeltijds doodlijk zijn in haàre uitwerkingen, is echter doorgaans het gevaar voorbij, zo draa menzig Van dezelve ontlast heeft. Niet van zo brandenden en bij- lenden aart zijnde dan dé' mineradk Vergiften,kwetzen. en ontfteeken zij de darmen veel minder, echter moet iben geen de minde tijd verzuimen om ze ten fpoedfg- ftèft uit de maag té drijven, - . - ' ' : ' . Dog de Opium verdient inzonderheid onze opmer-
king, te .meer wiil dezelve dikwils of door misilag of Ineenbovenmaatige hoeveelheid 'ingenomen'word. Men gebruikt dezeivealseen geneesmiddel, in zelfftandigheid of afgetrokken, in welk laasft'é geval men ze doorgaans bij den naam van laudanum liquidum noemt. Opium is in derdaad een uideekend geneesmiddel, wanneer' ze in bëkwaame hoeveelheid gebruikt word; dog wijl dezelve in overmaat gebruikt zijnde, een ft'erk Vergift word', zullen wij dérzelver gewoone uitwerking in dit geval, benevens de geneeswijze der daar uit ontftaande toeval- len , opgeeven. Een onmaatige hoeveelheid Opium veroorzaakt ge-
meenlijk een fterke flaapzugt, met dofheid, veiftijving ën andere toevallen van beroerte gepaard, Zorntijds is de Lijder Zo zeer tot flaapen geneigd, dathetbijnage- heel onmogelik is hem wakker te houden. Hiertoe moet alles aangewend Worden ,' men moet hem op de been en Ïn beweeging houden. Men moet hem fchudden, fier-, heblaartrekkende pleifters aan de armen of beenen leg- gen ; en hem fterk prikkelende middelen, gelijk zout van hattshoom en diergelijke, onder den neus houden. Hem adertelaaten is mede zeer goed. Ter zelver tijd moet men alles aanwenden, om het ingenomen Vergift te doen ontlasten. Dit kan men doen op de wijze hier voor reeds opgëgeeven, als door het gebruik van fterke "braakmiddelen, door het rijkelijk drinken van warm wa- ter roet olij, enz. Dr. Mead raad in dit geval,, behalven de braakmidde-
len . ook het gebruik aan van zuure geneesmiddelen mtt hogzouten vermengd; Hij zegt dikwils mét zeer goederf uiiflag zich bediend tehebben, van herhaalde giften zowf- 'vanalzem in citroenjap gemengd.. Zo de Lijder nazien van hei Vergifionihst tehebben,
Zwak en flap blijft-, moet men hem vcedzaame fpijzen en hartfterkingen doen gebruiken! dog wanneer men re' de vind om éen onfteekihg;der maag'of ingewanden te Vermoeden,» is er dé g'rootfte. oinzigtjgheid noodigyzó, wel ten opzigte den fpijzen als der geneesmiddelen., j Betrekkelijk dé Bebten der. Veröiftige Dieren.,
>- Zullen wij beginnen met' de beet- van een-Dol- Un-.Hmä, WijVdit het.geinéènst teffehs en gevaarlijk« |
|||||||
|
J
|
|||||||
|
/VER.
«Herwege in overvloed, en zijniuet zelden aan deonküni
dteen en onvoorzigtigen doodlijk. Zulks ontftaat alleen
uit verregaande zorgeloosheid. Men behoorde dea Kin. deren reeds in hunne allereerfte jeugd af tefchrikken ," van eén zoort van vr-ugten , wortelen of bezien te ee- ten die zij niet kennen, en alle vergiftige Planten, welke onder hun bereik zijn, uitteroeijen en weg te rui- men. Dit zoude geenzins zo moeijelijk zijn als men I zich'verheelt. Vergiftige Planten hebben zekerlijk me- I de hun nut. Dog behoorden niet dan op daar toe ge- fchikte plaatzen voortgeteeld te worden; en dewijl vee- Ie hunner ook voor het Vee zeer nadeelig zijn, diende men dezelve ook uit alle Weilanden uitteroeijen. Ins- I gelijk moeten ze voor de veiligheid van alle Steden en I Dorpen weg geruimd worden, daar men ze nogtans veel- al in degrootfte menigte vind. Ik hebbede dolle kervel, ' de wolfswortel, het bilfenkruid, de nagtfchade en meer I andere Vergiftige kruiden alle zien wasfehen in ds na- I buurfchap eener kleine Stad, in welke bij Menfchen ge- heugen verfcheidene lieden, door een of andere deezer Planten het leeven verlooren hadden, zonder dat men ; zo verre mij bewust is, immer eenig middel in het werk ; gefteld had om deeze fchadelijke gewasfen uit te roe« . jen, het geen nogtans met zeer geringe kosten had kun- nen gefchieden. -: Geen jaar gaat er om of men hoort van verfcheidene
lieden, die vergeeven zijn door het eeten der wortels van Dulle kervel, in plaats van Pinxternakel-wortels, of door het gebruik van vergiftige Paddefloelen in^ de plaats van Champignons. Deeze droevige voorbeelden behoor« ; den een iegelijk omtrent de eerfte voorzigtig en op-, lettend te maaken, en van het gebruik der laatfte geheel af te fchrikken. De Champignons mogen eene aangenaa- me fpijze zijn, ze zijn echter zeer gevaarlijk , te meer wijl ze doorgaans, gezogt en opgegaderd worden door lieden die er geene kennis van hebben, en alles voorgoe« de Champignons neemen, het geen maar eenigzins der- zelver uitwendige gedaante heeft. Wij zouden hier van veele andere vergiftige Planten
en Dieren welke men in vreemde Landen vind, kunnen gewag maaken, dog wijl onze aanmerkingen alleenlijk -voor deeze Gewesten gethikt zijn, zullen wij dezelve met ftilzwijgeri voorbijgaan. Het zal echter ten behoe- ve van zodaanige onzçr landslieden die naar America gaan, niet onnut zijn te melden, dat men zegt, thans een onfeilbaar geneesmiddel tegen de beet der Ratel- : Hang, aldaar uitgevonden te hebben. Dit middeUshet volgende: Men neeme in den fomer eene genoezaame hoeveelheid weègbree en andoom of malraye, worteisen rßruiken te zaamen ; men ftoote dezelve in een mortier enpersfe er het fap uit, hiervan geeve men den Lijder ten Ipoedigften mogelijk een lepel vol; indien de Lijder ; °Pgezwol,en is, moet men hem het zelve door fpuiten ot anderzins door de keel doen gaan. Dit zal gemeen- W-a i ge Seneez,llg te wege brengen. Zo echter de Rijder binnen een uur na dit middel gebruikt te heb- i;^nVugeene verl'gting gewaar word , moet men de ^voorfchreeven gifte herhaalen, als dan zal nimmer de f^hT^ misfen* Wanner men deeze Planten niet t i bek00men kan. neeme men derzelver gedroogde |Worteien, en bevogtigedezelve eer men ze ftoote, met ^oeHr.T8,^- °P de wonde legge men een "'ad
tigd is 8eeB met rum of brandewiJn bèvog- Oii middel geeven wij op het gezag van Dr. Brook.es ,
|
||||||
|
drehet zélve zegt uitgevonden te zijn door een Negeiy
aan wien voor deeze ontdekking, door ,de algemegne Vergadering van Carolina, zijne vrijheid, oenevens een jaarlijks inzoomen van hondert ponden, geduuiende zijn leeveo gsfcbonken was, Het, is mooglijk, dat er in de natuur tegen allerlei
zoorten van vergiften, foortmiddelen of tegengiften zijn ; dan wijl de tot nog toe ondekte niet veel geloof verdie- nen, willen wij üeverjhet nauwkeurig in acht neemen der volgende regelen aanbeveelen , naamlijk ; dat zo draa er vergiftigeftoffen in de maag geraakt zijn, me«, dezelve ten fpoedigiten idoor braakmiddelen ,; clijfteeTj. ren en .buikzuiveringen fragte te ontlasten; en wannee', men door middel eener uitwendige wonde , Vergift in het lichaam gekreegen, heeft, men het zelve, tragte uit te drijven door zodanige: middelen dié de verfchil-, lende affcheidingen en onlastingen , inzonderheid het zweeten, de pisloozing en de ongevoelige uitwaasfe- ming bevorderen, bij deeze voege men kramptegenftaaa«. de geneesmiddelen, of zodanige, die de fpanning.en. prikkeling verminderen ; van deeze zijn de voornaamfte, de opium, demufcusrdecampher,deasfa-f{Btidaendet?t gelijke. Buch. .'■ . " ;,'. VERGIFFENIS,, betekent zoveel als eene aan ons
gepleegde belediging niet te wreeken, maar.dezeive edel»., moedig te vergeeten, en ten aanzien van den Belediger eveneens te handelen als of er niets gebeurd was. Men verleent aan zich zelven zo dikwils Vergiffenis,
dat het ook niet meer ais redelijk zij om zulks zomtijdg, aan anderen te bewijzen. De Menfchen zijn zodanig onderhevig om te: ftruike«
len enfauten te begaan, dat zij wel tot-de noodzaak ge« bragtzijn, om zich wederzijds Vergiffenis te verleenen, ; behalven dat is zulks zomtijds 't gereedfte middel om hun tot inkeer te brengen. De haat en wraak hebben nimmer iemand verbeterd ; en behalven dat, zo verlangt een iederv over zijne fauten beftraft te worden, door een edele en grootmoedige Vergiffenis van de kant der beledigde Per- zoonen; waarom zouden-wij dan ook niet op dezelfde wijze met onze Medemenfchen handelen? Zo wel hier/ ih, als ten aanzien der beoeffening van elk andere deugd, verftrekt ons waare belang tot eene voldoende beweeg- reden om ons te bepaalen." Want indien wij geen Ver» giffenis, vei leenen zo is het befluit tot wraak genoomen, dog indien de beledigde onzen meerder is, zo zal de' wraak zekerlijk op ons zelven te rug ftuiten ; is het ons gelijken, zo is er den uitflag onzeker en twijffelagtig van ; en is het onze minder, zó ontaart de wraak in lafhartig- heid. Indien wij Vergiffenis verleenen, verftrekt de aànge« naame kalmte van ons gemoed, benevens de verbetering^ en zelfs de erkentelijkheid van den Belediger, ons, tot eene ruime belooning. ! - VERGIF.-HÖUT, zie COLUBRIJN-HOUT..,.
VERGIFTBOOM; Hipppmane Mglandulofa; Tithi-
malus arbor americana, malt medici fqliis ampliofibus te; " nuisfime crenatis, fucco maxime venenofo. Pluk. jilm. 369,; Mancanilla lauri foliisoplongis. Plum. Gen. 50. ; (Hippomanefoliis ovato-ohlongis, ba/i biglandulofis. Lins, SijH.Nat.) :,u - Deeze Amerikaanfche Boom, van Plumier genöemt
Mancenilje met langiverpige L.awwrierbladen i is door Browne voorgefteld onder den naam van Sapiüm, wel- , ke de Heer Jacquin tot eenen Geflagtnaäm aangenomen heeft. Plukenetjus noemt hem Amerikaanfche Wolfs* ' meik-Boo»8,metgroote Citroenbiaden, die zeer fijn gefcar*> G 2 ■ teld - |
||||||
|
,5KER.'
tot bladen te brengen, maar nimmer hebben zij die w&
tenfchap vo verre gebragt, als wij idie in onze dagen, zien bloeijen; indien het naamelijk waar is, zo als Pu* p.ius zegt, dat zij van een once goud niet meer. ajs 750 bladen van vier vingerbreedte inhet vierkant verkreegen. Wel is waar, dat hij er bijvoegt, dat men er een gr.po. ter aantal van koste bekpomen ; dat de dikft.e fer«&« pree- ne/?jn« genoemt wierden, uit oorzaak dat het Standbeeld van't Fortuin te Prajneste opgericht, met zodanige bla- den Verguld was, en dat de dunden de naam van brac- te queßoria droegen. ,, , ,,.., ! De Vergulders van onzen tijd .gebruiken bladen van
verschillende«dikte;, maar daar;zijn er van een zo.dani- geifijnte, dat duizend;daar van nauwlijks vier a yijfdràch- rca weegen. Men maakt van de dikften gebruik om.ijzer en ver'fcheidene andere nietaalen .te Vergulden, en de dunften om ;het hout mede te overtrekken. (..'. -.Maar wij bezitten een ander voordeel boven de Ou« den ten; aanzien van dç wijze om het goud tewerk te Hel- len,, en het geheim .van metpjieverf te Schilderen, in het midden der vijftiende eeuw door Jan van Bruggen uitgevonden,, veifchaft.onsde middelen om het; verguld- zei duurzaamheid bij te zetten, en het zelve aan de open lucht bloot gefield zijnde, voorde indrukzelen van kwaad weer,, fonnefchij.n enz. te befchermeri, 't- geen -die varr den ouden tijd niet kosten doen. j Zij bezaten .geen an- der geheim om zodanige lighaainen die njet voor het vuur 'befland ws*\ren, .teVergulden,,als, wit. van .eijeren en lijm,, die. piet.in ßaat waaren, vogtigheid nog.water te weerflaan; Z0;çlat zij zich bepaalden om niets;anders te. Vergulden',. dan't geen voor de vogtigheid der -lucht béfehermt was. i ", ; < . ■ ,-., ..., - ., , , . De'Grieken, noemden de compofitie die zij op het
bout, ftropken om het goud tot 't Ferguldenv'ast te.doen houden, leucopjiceum of kucophorum. Men befchrijfc Ons die als,een zoort. van Jcleevende aarde, dfe waarfehijn- üjk.diende om het goud te doen vast hegten, .en da.ar bij het polijflen kost verdraagen ;: dog de Antiqijarii en Na-, tuurkundigen zijn hetgantsch niet eens over den aart en eigenfehap van deeze/aarde, insgelijks nietover-derzel» ver koleuren,. pog over de ingrediënten waar uit die za- mengefleld was. . '; .Onder pns,zijn vierfcheidene manieren van Vergulden,
in gebruik-r als 1. het Verguldenmet olie; 2.. die met- waterverf en lijm,- 3. het Vergulden in't vuur, welk laatfle inzonderheid ten aanzien van de metaalen plaats vind.. _ ,., . - . /. .;.,.".-;, !..",'" ,; ..;-. 1 Om met olie te Vergulden.,; ■ .'■ ■ -,i
,De. bafis pf ftoffe op welke men in deeze bewerking het goud légt, ïs. volgens de Heer Felibien niets an-, ders als goudkoleur:, dat, is te zeggen-, het overblijfzel van die koleuren , waar in de Schilders hunne penfeelen zuiveren. Deeze flof die buitengemeen ;vettig.enkleve-> rig is,, tef dege gewreeven .zijnde,, en door een, linnen: doekje gedrukt,,,dïe.nt tôt grond om èr,het bladgoud op te leggen. Zü word-even gelijk als wezentlijke koleu- ren met. het penfeel oyerflrooken, na-dat het werk''t v/elk men wil -.Verguiden, gelijmt i's-, indien het uit hout- werk, beflaat, en na dat het als dan té vooren twee of drie'. maaien »met witte waterverf i's ovérflrooken. Schoon deeze manier van bewerking zeer goed is, ver»
kiezen echter de engelfche Vergulders, liever eene ver« menging van ' geele O oker, die na mét water ter .dege tt^zijn, fijn gewreeven» en vervolgens op lsrfjtffieeri-,ge- 'droogt,
|
||||
|
zijn en een zeer venijnig Sap. Die van Barbados, zegt
hij, geeven er den naam van Vergift-Boom aam < '- i ; iDeeze fraaije glanzige Kroonboom (zegt de Heer ,r. Jjicquin), geeft veele lange Takken uit, die meest: al eene waterpasfe flrekking hebben. Zijne Stam is ,j regt, ter hoogte ;yan zeven tot.twaalf voeten,,met eene bruinagtige geftreepte Schors, eti het Hout wit. De geheele Boom is vol van eeU'melk-wit, iijmerig, Sap, die uit aile gekwerfle déelen afdruipt en gezegt ,j word venijnig te zijn. De Bladen zijn langwerpig,' ,1 lancetvormig, fpits, gekarteld, lederagtig, glanzig met evenwijdige dwars-adertjes,. hebbende, de tippen ,ï dik en ft ij f, een weinig omgekromd, meest aan de endender Takjes voortkoomende, een'half voet lang. ,, Derzelver ropdagtige Steel is aan'tbegin van-'t Blad; . wederzijds,met een langwerpige rolronde, ftompe, ,, Klier voorzieru Aan 'tend der Takjes komen dikke groene, Aairen, ongevaar een half voet. lang, die opwaards omgekromd zijn, van bov.en Mannetjes en ,v. daar onder Wijfjes Bloemen hebbende. De eerften -hebben,.insgetijksitwee. Klieren,,'.en ;b.ellaan,uic een. ,j : ronden ,hol|eh»Kelk, die tweeM^eldraadjes uitgeeft, welke van onderen zamengegroeid zijn *ivan .boven.; ieder twee Meelkhopies,hebbende; 20.;dat der.zelve/ ,, getal hier opk^geli.ik in de andere zoort, .vier is... ..De Wijfjes-Bloemen, ook ongedeeld, en mede voorzien ,, met twee .Klieren,, ztjji verder als vooren. De,Kelk .isin.beiden.dQDker.paarscb.jdeMeelknnpjeszijnroQd,. .de, Zaaden zwart, , , ,.-, .,,,,■..■.' ;,.;.;;;. Wie zouw, in zulk een pv.ereenkom.st def.Teel-. ,, deejen met de Mcmenilje, denken, dat de;B,aom ,-,, Vrugtén aWde Jatropha .droeg. De Vrugt is een rondacbtig, -.(lomp., driehokkig, driekleppig Zaad- huisje,. waar in enkekle rpndagtige, riijuwg Zaaden.,, aan den rand ongelijk gekarteld. De Am,erikaanen ,, zijp gewoon den Stam deezes Booms af tekappen,, en .vergaderen denvplgendendagbet uitgeflorte verdikte Sap, waar van zij tot het vangen van Pappegaaijen », en aóder.e Vogels gebruik maaken, noemende deii ,, Bo.um deswegen Mangle cautiva of FatjgrMangle* Men vyid hem bij Kartbagena in de Bosfchen,, ja.in de Voprftad Xiximani zelfs., voor de Hal of .Mark». plaats," i,■ ,'. . '. ..;,.,..■; h ,,r.-. ,. 1 ■■ :.,.
VERGIF-WEERSTAANDE ESSENTS, zie ES-
SENTS, pag. 682. . r i VERGOLDEN, betekent zodanig Gpud^attot bla-
den is geflagen of wel gemaalen, te werk, te Hellen , en het op metaalen, marmers, fleenen,(houtwerken, en, werfcheidene andere zelfftandighede.n te doen hegten» Zie GOUD. . ,.,-■; . ;; .;.. is ..':": , Deeze, Wetenfcbap.was aan deOuden niet onbekend,
dog zij hebben dezelve nimmer tot die trap van vpl-, maaktbeid gebragt, als waar toe die heden ten dage is geileigert. . '..- ----; .-:■._-.. ä -. .-.■],,■/ .Plinius verzekert,, dat,men van geen verguMzel. te :
Romen wist, als.na de verwoefling van Cartbago, on- der het zedemeefleriehap vanj,ucius Mummius- en dat;iien,als doen.begpst,de zolderingen of plafonds, der Tempelen en Palé'ifen' te 'vergulden. Hij voegt er bij, dat de pragt tot een zodanigen trap flejgerde, dat erge noegzaam gen Burger was ,diezulksmaareenigzintskofte' uitvoeren-, -of,, bij liet de muurenen zolders, van zijn buis Vtrgulden, ■ . - . , K , ,. . - ,Na alle waarfchijnl ijkheid waaren zij,zo. wel als wij,
in de kundigheid bedretven,, om het goud te liaan en |
||||
|
VER. sus
|
|||||||||
|
VER.
|
|||||||||
|
». _t óp nieuw met een behoorlijke hoeveelheid vet-
te enopdroogende olie, om haar de vereischte zelfftandig- beid bij te zetten, word gewreeven. ■ Met deeze compofitie overftnjken zij eenigemaalen
het werk dat zij willen Vergulden , en wanneer het ge- noegzaam droog is, dog nog kleev^g genoeg om het goud te vatten, fpreiden zij er de bladen overheen, of in haar geheel of welaan ftukken gefneeden; zich van zuiveren wel gekamd katoen bedienende, om het er op te leggen, of ook wel enkel met het mes, waar mede men de bladen gouds aan ftukken fnijd, dit alles geregelt ingevolge van het weik dat men wil: Vergulden;, .Naar maate-dat het goud opgelegt word,. drukt men het met eer. borftel of dikke penfeel-van zagt haair of wel mee.een hâfeiipoot neder, om het te doen vastbeg- ten en het goud met de koleur als te doen inlijven; en met het zelfde punfeel ofmet een dat kleinder js ..ver- beterd men de plaatzen daar geen goud gevat, heeft, of daar het is gebrooken , en' zulks op dezelfde wijze als hier beneden van het Vergulden 't-welk met lijm gefchied, zal gezegt worden. , ...-. Gemeenlijk maakt;.men, van 't Verguldzel met olieverf
gebruik om.de Koepls van Kerken, Paleifen en Vorfte- lijke-Huifen te Vergulden, insgelijks Beelden van.ple.i- fterwerk en loot, die aan de lucht worden blootge- ftelJ. '.. (ï , ,i l . Om'met lijm te Vergulden. ,
Schoon het Vergulden met lijm meerder bereiding, en
om zo'te fpreeken meerder konst vereischt als het Ver- gulden met olieverf; zo is het nogtbans zeker dathetjiiet tot zo veelvuldige werken kan gebruikt worden als wel de eerfte, dewijl houtwerk en.gijps genoegzaam het eenigfte is't welk men met lijm Verguld., en nog moet het aan zo- danige dingen gefchiede.n ,die binnen s'buiszijn , dewijl dit Verguldzel nog lucht nog regen kan tegenftaan, maar daar door ligteiijk bederft en affchilfert. De lijm waar van men tot net Vergulden gebruikmaakt,
moet van fnippe.ls parkement worden vervaardigt, die men zo lang in water laat kooken; tot dat zich-het zel- ve tot de zelfftandigheid van lil verdikt. - Ookkan men hier toe van gemeene fterke lijm gebruik snaaken, mits dat die ter degen zuiveren doorfebijnende zij; men laat er een pond van in agt of negen ponden water fmeltsn ; de lijm is als dan juist op de maat om het wit in te mengen. Indien het hout is dat men wil. Vergulden, beftrijkt
men het alvoorens met die kookende lijm, het geen in de lijmfirijken genoemt word ; de lijm droog zijnde, ftrijkt men het werk nog eenigemaalen over met een witte ko- leur in die lijm geroert, die-men na maate'twerk zulks vereischt,zwakker of fterker maakt met er water bij te Toegen. .■■■'-...'. >.. - ' . ' Men moet zorg draagen om niet te veel lijm in het
wit te doen ; want al te fterk gelijmd zijnde, fpiijt het vaneen, ofdaarkoomen kleine gaatjes in, -voorname- meiijk in de laatfte overftrijkingen, èn wanneer men het werk polijst, word het glinflerend; 't welk voor de grond fchadelijk is, die men er vervolgens op legt. Dit-wit is van verfeheide zoorten;, zommige Vergu?-
ders maaken het van fijn gemaalen-, gewreeven en wel gezifte pleißer, an deren, gebruiken er. Spöttisch o£Rou~ aansek wit toe. . .--:,- ■■ ,.vT^-,07Srft'rijkin& van het w'-t »gebrwiKt men een kwast
vKmu-Zwijneihbatïtel$y£zvmdi&.: Ds manier om. |
|||||||||
|
het zelve op te leggen, en het getal der làggçndîe,
men eroverifrijkt.zijn verfcheiden, naar maateyanVhec zoort van werk dat men onder handen heeft. Snijwerk- daar holtens en boogtens in zijn, ftrijkt men maar ze* ven of agtmaal over, daar in tegendeel glad of efFen werk tot twaalf laagen of overftrijkingen toe yerëifchen. Deeze laatfte wordener verzagtende opgelegt, 't geen wil zeg- gen, dat men er de borftel of kwast overftrijkt ; in de eerfte duwt of ftooc men de borftel zo lange, tot dat de. koleur allede holtens van bet Snijwerk gedekt,heeft. . Het werk wei droog zijnde, verzagt'men het zelve; 't welk gefchied door het met fchoon water te bevogti- gen, en. indien het effen glad werk is, met lappen grof doek te wrijven; dog is het Snijwerk, doet men 'zulks door middel van een.klein Stokje, waar. aan eenigeftree» pen van soortgelijk doek is vast gemaakt. Het wit ter degen verzagt zijnde, ftrijkt men er het
geel over; dog js het verheven of Snijwerk, zo ver- helpt menalvoorens zodanige ilédendaar te veel wit op zit, men zuivert de hoeken en holtens, enz. en dit al-* les gefchied met behulp van kleine Beeldhouwers werk-, tuigjes. ' " " . . ' Het geel dat men te werk fielt, bèftaat enkel uit ge-
meene Oker die wel gewreeven en gezift is, en die men met dezelfde lijm vermengt, welke tot het wit word ge- bruikt, dog de helft flappen Deeze koleur word geheel heet overftooken; in zodanige werken die pit Snijwerk beftaan, vervult die de plaats van het goud, dat men zomtijds niet in de holtens en op de agterkant der bla- den en andere vercierfelen kan brengen.. De grond word over het geele gelegt, zorgdraagen-
de om het niet te ftrijken in de holtens van't Snijwerk., Grond noemt men, de koleur of compofitie waar opJiet goud word gelegt. Doorgaans is die uit armenische bo- lus , draakenbloed, loodwit en een weinig ongel zamenge- fteid ; zommigeh voegen er zeep en boomolie, eVanderen, gebrand brood, roet dat door kooking met water gezui- vert is, antimonium, boter en candij-Juiker, bij. Dit. aïlesj óp een fteen onder malkanderen gewreeven zijnde, .roert menbet ih lijm. uit parkement vervaardigt, dié tamelijk, fterk en door heet is ; en men ftrijkt er van tot drie iaagèn toe over het geele, iedermaal bet zelve ter degen laaien- de droogen. De kwast of borftel om de grond op te leggen, moet zagt zijn ; dog wanneer het werk droog is , bedient, men zich van een wreder borftel óm het géheele werk over te wrijven, 't welk de kleine korreltjes wegneemt die niet' ter degen fijn. inogten gewreeven zijn, en daarteboo- ven de bruineering van het goud veel gemakkelijker maakt. [ 'i( ■ Daar zijn Vergulders die geen geel dan pp zodanige,
plaatzen ftrijkëri, die mat,dat is ongebruineerd moeten blijven; en deeze overdekken zij met geen grond. Zie hier de compofitie van een grond die mij altoos wel is gelukt. Neem armenische bolus, vier lood; wit wasch, een agt- fte loods; evenzo veel witte zeep; rood krijt, een vier- de loods, van hetzuiverfte en zagtfteloodwit, ïógrein; boomolie, een halve hazenoöte dop vóL 'Stoot en wrijft de bolus en het krijt ter degen fijr>, laat 'vervolgens het waschen de zeep, in een nieuwe aarden pot over het vuur"fmèltén, en mengt er al bet overige onder, ertef- fens een weinig lauw. "water bijvoegende;- neemt, ver- volgens drie witten van eij'eren, "klopt die zo langtotdat tweederde daar van tot fchuim is overgegaan , doet het geen overblijft, in de pot bij de andere ingrediënten, eg* t£r in agt neem en de om er het niet bij te Voegen, voor G $ .da |
|||||||||
|
38is -'Ver
dat het mengzel wàt verkoelt is, want fier moet er niet
mede kooken. Deeze compofitie kan zo lang bewaart worden als men wil-, en de Vérguldefs zijn zelfs van ge- dagtèn, dat hoe ouder die is boe beter. Wanneer men er gebruik van wil-maaken, neemt men er na genoegen van i wrijft het zelve op een fteen ter degen fijn, en voegt er zo veel water.bij, dat men het na bebooren met de penfeel kan uitftrijken. Zomtijds is het nodig dm er weder eenige druppels geklopt eijwit bijtevoégen, dog men moet oppasfen om er niet te veel bij te doen, om dat de grond opdroogende, dan met kleine gaatjes als bezaait zoude zijn. Men legt er tot twee a drie laagen van op, en men polijst het ten laatften met een lap fijn laken. Dient nog aangemerkt , dat de voorzigtigheid eischt.jom op een ftuk dat gewit is, de proef te neemen, of de grond goedlis; is de compofitie te vettig, 't geen men daar aan gewaar word, wanneer zich kleine gaatjes in het goud zetten, of vlakkig word wanneer men het' bruineert, zo verbetert men dit gebrek, met er een wei- nig rood-krijt bijtevoégen; is er geen eijwit genoeg bij, fchilfert het af, en-zo er in tegendeel teveel in is, kan men het niet polijsten, dewijl het te droog is; onv zulks te verhelpen moet men er eenige druppels boom-olie bij- voegen, dog met omzigtigheid, want koomt er te veel bij, is alles bedorven* Wanneer men wil Vergulden, voorziet men zich van
drieërlei zoort van penfeelen; de eene zoort verftrekt om te natten ; de tweede om zodanige plaatzen daar het goud niet gevat heeft, te verhelpen ; en einde- lijk penfeelen om te matten; ook moet men een houten Kusfen hebben, met kalfs-offchaape-leder overtrokken en met paardehaair gevuld, "t welk dient om de bladen goud wanneer men- die uit 't boekje neemt opteleggen,' een mes om die aan ftukken te fnijden, en ten laatften eèn droog penfeel of ander werktuig, om het goud op te leggen. Jn de eerfte plaats maakt men gebruik van de penfee-
len tot natten om vogtigheid aan de grond bijtezetten, dezelve met een mengzel van wakren brandewijnover- ftrijkende-, op dat het zelve om zo te fpreeken het goud kaninademen, en vast houden; vervolgens legt men de Bladen goud op het kusfen, en plaatst die met het daar toe bekwaame werktuig voorzigtig op zodaanige plaat- zen van het werk, die men alvoorens heeft vogtig ge- gemaakt. Indien het goud in 't opleggen breekt, verhelpt men
Zulks, dé gaatjes met kleine (lukjes goud overdekkende; dfe men er met de verbelp-penfeelèn oplegt. Wanneer het goud ter deégen gedroogt is, bruineert of matteert men het zelve. ' . Door het goud te bruimeren-, verftaat men het met een
daar toe bekwaam werktuig Merk te wrijven en tepolij- ften, dit werktuig beftaat doorgaans uit een Wolve-of HondS-tand, ofwel uit dieroode keifteen die men door- gaans Bloedßeen noemt, het,een en ander word in een houten fteel gevat, en dit polijsten zet het goud een ongemeenen glans en luister bij. Het goud maïteeren, is flappe lijm, waar in zomtijds
een weinig vermillioen is ontbonden over de plaatzen te ffrijken, die nietgèbruineert ofgepolijst zijn; dit noemt men ook hetgond koleur bijtezetten; deeze bewerking be- waart het goud, en belet dat het nietaffchilfert wanneer het behandelt word. Ten laatften vult men alle holtens der ornamenten
van'c Snijwerk, meteen weinig vermilioenin lijmontbon- |
||||||
|
VER.
den, en men verhelpt de ligte gebreken en fcheurtjes
met fchelp*goud. /'.:
Om in 't vuur te Vergulden.. 7:,i
Men Verguld op drieërlei wijze in 't vuur. Naamelijlc i. met gemaalen goud; 2. met blad-goud, en 3. met#e- hakt goud. Het Vergulden met gemaalen Goud gefchied met goud
't welk met kwikzilver is geamalgameert, zijnde de pro- portie hier gemeenlijk van, een once kwikzilver tot eea grein goud. ■ ^ Tot deeze bewerking laat men in de eerfte plaats de.
Smeltkroes gloeijende worden ; voorts het goud en kyvik- zilver er in gedaan zijnde, roert men het zagtjes met een ijzeren Staafje om, tot dat men ziet dat het goud ge- fmolten is en met het kwikzilver verbonden. Dit ge- fchied zijnde, werpt men het in 't water, om het te zui- veren en te wasfcben ; waar na het verfcheidenemaalen in ander water word gedaan, alwaar dit amalgama, 't welk genoegzaam zo vloeibaar is, als of het maar allten kwik* zilver was, langen tijd kan bewaard worden.dat het de hoedanigheid behoud om mede te kunnen Vergulden. Men fcheid van deeze ftoffe het kwilzilveraf, dat er zich niet mede vereenigt heeft, door middel van het zelve met de vingers door een doekje te drukken. Het ftuk dat men wil Vergulden, moet alvoorens ge?
zuivert worden, en zulks gefchied met het zelve te was- fcben in water, waarin op de hoeveelheid van een em- mer vol, anderhalf pond flerkwater is vermengt, in dit water laat men het een halven en ook wel een geheelen dag ftaan, naar maate dat het vuil is. Wanneer op deeze wijze de voörnaamfte onzuiverheid is weg genoomen, droogt men het werk af met hóutzaagzel , waar na men het zelve af borfteit, vervolgens beftrijkt men het door middel van een penfeel met flerkwater, daar^na wascht men het in fchoon water, en droogt het ten tw"ée- demaalen af, Me«t overdekt het gantfche ftuk dat men wil Vergulden
methetvoorfchreeven amalgama, dat men met de fcbuur- borftel ,* of zogenoemde Gratte-boësfe, zijnde een bosje van fijn koopérdraad, opvat en koud oplegt, vervolgens fpreid men ereen dubbeld blad geflagen goud over, de- wijl het goud zich anderzints in holtens zoude verzame- len, engeenzamenh'angnog glans hebben. Retkwikziiver laat men omtrent de tijd vaneen uur af lekken, en plaatst dan het werk pp kooien in 't vuur; hier laat men het ge- duurende een of twee minuuten lang op ieder zijde leg- gen, tot dat men ziet dat het glinfterend en helder word. Wanneer men klein zilverwerk Verguld, draagt men tec degen zorg, omgeduurendeden tijd dat het zelve droogt, dat wil zeggen dat het goud vat, hetgeftadig te borde- len. Zijn het koperftükken die men Verguld.deezen neemt men uit 't vuur, men klopt het met de borftel 0111 het goud tet degen in de poriën te doen indringen. Vervol- gens legt men het weder geduurende den tijd van twee minuuten in't vuur; als dan vervliegt het kwikzilver tot dampen, en het werk beeft een doffe geeiagtige kolèur ; men fteekt het in 't water, om het te wasfcben en te verkoelen. ' ; Ten tweedemaalen doet men gemaalen goud op het
zelfde ftuk werk, dog zonder er bladgoud op te doen, legt het dan weder in het vuur en behandelt het even gelijk ais de eerftemaal. Deeze bewerking is men zom- tijds verpligt tot driemaalen toe te herhaalen. Men klopt zoet hout meteen hamer, piat, laat het zei- ■ ■■■ --'.. ve
|
||||||
|
--:-----;-7
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
VER.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
VE.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
381?
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
*è in water trekken. Met dit water dat geelagtig is, ten minften van een groot gedeelte daar van fcunneh oht-
borftelt men het werk, om aan het zelve de doffe geele lasten, door het volgende gemakkelijke middel; zij zul- |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Jen eenige bladen goud in de fmeltkroes doengloeijen-,
en het zelve koud geworden zijnde doorflikken, dit goud niet ontbindbaar zijnde, zal het lighaam maar doorgaan, en de deelen kwikzilver die door de vogten omgevoert worden aantrekken en vast.houden. De Vergulders wee- ten waar zij hun goud zullen weervinden, dat zij na bet zelve alvoorens in het vuur gegloeit te hebben, we- derom zullen kunnen gebruiken. Dus zullen zij zonder moeite en gevaar hunne gezondheid bewaaren,' en veel- tijds de verloorene weder herftellen. - . ■ VERGULDEN BAARS, zie POSCH. - VERGULDEN HAAGDIS, zie HAAGDISSEN, ». XXXVJI. -pag. 971. ' '■ - .'^- .. VERGULDEN HULST, zie HULST. VERGULDEN VISCH, zie ORANJE-VISSCHEN, n. II. pag. 2459. 1 . ^ VERHAASTEN, hier door verftaan de Tuiniers het vervroegen van Plant.gewasfen, Bloemen, en Vrugten. Hoedanig zulks gefchied zal men óp ieder artijkel, daar toe betrekking hebbende, aangeweezen vinden. . ! VERHEFFENDE KOORTSEN. DeezeKoorts ont-
leend haaren naam, van de vermindering der toevallen»' welke zomtijds vroeger, zomtijds laater, -dog gemeen lijk voor den agtften dag voorvalt. Deeze vermindering word gemeenlijk voorafgegaan door een ligt zweet, na Ket welke de Lijder zeer verligt febijnt, dog binnen wei- nig uuren verheft zich de Koorts weder. Deeze verminv |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Koleur te beneemen; ook doet men dit zomtijds met
pis of azijn. Het vergulde werk is witagtig wanneer het uit't vuur
word gnoomen, het koomt er als dan op aan om bet zelve de goud koleurte geeven, 't geen met een zoutig, roodagtig en korligpoeijer gefchied, van welkers berei- ding de Vergulders een geheim maaken ; ook gefchied het met een mengzel van zout en mjnfleen. Men wrijft eerst bet vergulde ftuk met linnen doeken af, legt bet dan op een ijzeren rooster om terdege droog te worden, ver. volgens wrijft men het met de wnjfborftel in water, droogt het weder af, en fpreid er het poeiier met een penfeel op; als dan legt men het werk geduurenJe een halve minuit in het vuur 'op kooien ; waar namen' bet afwascht en ter degen droogt. Om het goud'op het koper te bruineeren, maakt men van de bloedfteeri ge- bruik. ., ■ . Het gebruik van 't kwikzilver bij het Vergulden, ver-
oorzaakt, dat de Vergulders onderhevig zijn om aan aile hunne ledemaaten verlamd te worden, of ten min- ften bevingen te ondervinden , die door eene prikke- ling aan de mercuriaàle damp eigen, worden te wege- gebragt. ".;■.,'■ i:^ ., ,.. -;. - ; Raadgeeving aan de Vergulden om zich voor
de kwaade uitwerkzelen van het Kwik' ' ">> zilver, te behoeden.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Wanneer de Vergulders een ftuk van 't een of ander dering en verheffing koomen zeer ongeregeld weder, en
metaal met hei door hun bereide Amalgama van goud zijn zomtijds van korter, zomtijds van langer duur. Hoe en kwikzilver bebben overtrokken, dpen zij dit ftuk werk nader echter deeze Koorts aan eëne geregelde tusfehen- in'tvuur, op dat bet kwikzilver vervh'ege, en het goud poozende komt, hoe minder gevaarlijk zij is. ■ - alleen óp het metaal blijve zitten. Uit vreeze van het OobzaÎcen. vervliegende kwikvilver te verliezen, floppen zij hun meest in die laage inoerasfige landen, in welke veele fclioorfteen met een bosch hooi digt waar aan zich dan bosfeben eh ftilftaande waterpoelen gevonden worden; het kwikzilver zet, dat zij er naderhand afneemen. Ligt dog ze zijn de gevaarlijkfte, in landen waar groote hit- begrijpt men, dat zij geduurende deeze bewerking een te en zwaare regens gepaard gaan , gelijk jn zommige geheelemeenigtemercuriaale dampen inademen, diegeen deelen van'Afrika, in Bengalen enz.,alwaar ditzoortvan uitgang hebbende, zich in de kamer verfpreiden, en men Koortzen, gemeenlijk van een rottend zoort, en veel- weet hoe fcbadelijk derzelver uitwerkzelen zijn. Want tijds doodelijk is. Ze zijn bij ftil en warm weder, in» |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
eenmaaien in dé vogien gedrongen zijnde, verlaaten zij
die nimmer; zij brengen te wege dat deVergulder mager en bleek daar bij verlamd word, en veroorzaakenhem ten laatften eene beeving, daar zelden als nooit beter- fchap voor is. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zond.erheid wanneer^zulks op langduurige regens of zwaa-
re overftroomingen volgt, het menigvuldigst. Geen ou- derdom, geflacht of lichaamsgeftel, is voor den aanval deezer Koortfen veilig ; dog inzonderheid tast ze lieden van een zwak geftel aan. en de zulken die eng en mors* |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Om zich voor dit kwaad te behoeden, moetende Ver- zig gehuisvest zijn, befmette ftilftaande lucht inademen,
guldersindeeerfte plaats zorg draagen, ineen vertrek te weinig beweeging neemen, en ongezond voedzel ge» werken, daar de lucht een vrijen doprtogt heeft, en daar bruiken. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
twee deuren in zijn die tegens malkaijderen overftaan ,
en die zij open moeten houden; vervolgens zullen zij in nun mond tegens het verhemelte aan, een ftuk ducaaten- goud houden. Dit ftuk goud zal al het kwikzilver dat zij I !"!.lm.e"'-n,aa ?if& trekken, en wit worden;, wit ge B
|
Toevallen.
zijn gemeenlijk geeuwen, rekken, pijn en duizeling in het hoofd,' met beurtelingfcbe vlaagen van hitte en kou- de. Zelfs is de Lijder reeds bij den eerften aanval ijl- hoofdig. Hij word inden omtrek der maag, piin, zom-
fijds zwelling gewaar, de tong is wit, de oogen en het
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
waar door het kwikzilver zal uitwaasfemen; verkoelt, vel'veetijds geelachtig en dikwijs geeft deLijder galag-
eezende, moeten zii het wederom op'dezelfde plaats tige ftoffèn over: De pols is zomtijds een weinig opge- |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
I *00ftvaaren, als het goud wit word; en dit zal het kwik-
I j*!'wr beletten om in hunne vogten te dringen, en daar I dij de ongemakken en ziektens voorkoomen,. die het- >ï ze ve anderzints veroorzaakt / " |
zet, dog zelden vol, en na de adérlaating vertoonrhet'
bloed zelden blijken van ontfteefcing. Zommige Lijders^
zijn uitermaaten hardfijvig, andere« integendeel meteeH-
zeer lastige buikloop gekweld.' Het is niet mogelijk'alle dé toevaHérr dèezer ziekte-
optegeeveW, wijLdèzelve-verfcbillendezijiï, rfaarmaa-* |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
hehK»» "ftwerkzelen vreezen; van 't geen zij" daar van'- té van de onderfcheidene lucb'tftreekenv jaargetijde*
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
IhsgeJijksV Uamem
dip |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
"eooeniingeademt-,, zullen zJcäi, is^het;nietEten-volieni,
|
&s> ligbaamsgeflellêö dee Lijders,
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
VER.
|
. VER.
|
||||||||||
|
'3818
|
|||||||||||
|
'die Koortjen zeer. verandert worden .door de nianier van
behandeling , en door veel andere ömftandigheeden, te Jang torn-te melden. Zomtijdszijn de toevallen der gal- S koorts i dan die der zenuwkoorts, ook wel der rotkoor ts, . die igeenen, welk zich fterkst verwonen ; zelfs is het niet ongemeen alle die, eikanderen tezien volgen, ja -ze gelijktijdig èn in dezelve perzoonen vereend, te vin- :den. i I I) B , ":. :;...,> : Leefregel. Deeze moet gefchikt worden , naar
de overheerfchende toevallen. Wanneer er teekenen zijn van ontfteeking, fchraale fpijzen en flappe verdummende dranken. Dog doen zich eenige toevallen van zenuw of rotkoorts op, zo moet men den Lijder met voedzaame .fpijzen en vèrfterkende dranken te hulpe koomen. Men dient echter in het gebruik van verhittende middelen zeer omzigtig te zijn,' wijl de verheffende koortjen door ver- hittende en verkeerde middelen, zeer ligt tot eene ge- duurige koorts overflaan. 3 'Hoedanigook de toevallen zijn mogen, behoort men
den Lijder altoos koel, ftil en rein te houden. Men moet hem zo het mogelijk is in eene ruime kamer leg- gen, in Welke men geduuriglijk toevoer van versfche hicht inbrenge, en door het fprengen van "azijn, citroen, fap of dergelijken verfrisfcbe.' Het linnen van zijn lijf en bed, behoord men menigmaal te veranderen, enalle zijne uitwerpzelen fteeds ten fpoedigften uit den weg te ïuimen.. Geneesmiddelen. Om deze Koorts, te genee-
zen, moet men ze in eene /geregelde tusjchenpoozende tragten te veranderen ; dit oogmerk kan men door ader- ■laafen bereiken, wanneer er zich tekenen van ontftee- king opdoen ; dog zijn er deeze niet, zo moet men voor algeene Iaating onderneemen, wijl daar door de Lijder verzwakt en de ziekte verlangd word. Een braakmiddel is doorgaans nuttjg en van dienst ; twintig of dertig grei- nen Ipecacu'anha beantwoorden' meesttijds aan het oog- merk; echter raaden wij als zekerder, liever hetgebruik aan, van een of twçe greinen tartarus emeticus, met het aftrekzel van vijf of zes greinen Ipeçacuanha tot een drank gemaakt; dit kan men wanneer de misfelijkheid en wal- gingen aan blijven houden, eens of tweemaal met be- kwaame tusfchenpoozing, herhaalen. - Men moet fteeds open lijf houden, door middel van filijfieeeren of zagte buikzuiveringen, gelijk flap aftrek. zei van jenne-bladen en manna , verzagtende conferven, y/ijnfleen, tamarinden, gefloofde pruimen en dergelijken; edog het gebruik van fterke en fcherpe buikzuiveringen, moet men zorgvuldig vermijden. Op deeze wijze, brengt"men dit zoort van Koortjen
gemeenlijk binnen weinige dagen tot eene geregelde tus- fchenpoozing, in welk geval het gebruik van de kina zeer zelden misfen zal de geneezing verder te volbren. gen." - >■-.-" :-..". ■ . De bekwaamfte middelen om zich voor deeze Koort-
jen te hoeden, is gezonde en voedzaame fpijzen te ge- bruiken , fteeds eene flipte zindelijkheid in acht te nee- men , het Üghaam warm te houden en genoegzaame be- weeging te neemen. In die plaatzen waar ze eene land« ziekte is, is het allerbeste beboedmiddel, 't geen wij weeten aàn te beveelen, de kina, het zij men zekauwe of op brairdewijhtrekken laate, zommige raaden het ta- bak rooken aan ;> ;als in mioerasfigé landftreeken zeer nurtigs ter vöorköörrringvan deeze,: zo-wel als vari tus- jchenpoozende Koortjen. Buch. ' VERHEFriN0,'zietÄRpXnSMüS. |
|||||||||||
|
■/ V;ERHEyELINGEN.!, Om! een. regt denkbeeld der
Verhevelingen te krijgen, dient men;zich de waereld voor :te ftellen, als een Bol, om we'ke.een cirkel ter afftand van 20 of liever ioomijlen is gefchreeven, tusfchen wel- ke de Dampkring hangt; alle dingen welke in dezelve worden bevat,noemt men Verhevelingen, welke hangen tusfchen de aardeen lucht, er in zwemmen,zich bewe- gen en vereenigen, waar door dus eenige verfçhijnzels kunnen voortgebragt worden. Het nederduitsch woord Verhevelingen drukt zeer welde aart der zaaken uit, als willende betekenen, iets dat opgeheeven word; het la- tijnfch ofgrieksch woord Meteora is van dezelfde kragt, zijnde zamengefteld uit /*«t<js en so^, van »lo^Uy het welk.optillen-, verheffen, zich in de hoogte begeeven, betekent. Men kan de Verbevelingen hehoorlijk in drie'zoorten
onderfcheiden ; te weeten, in water-, vuur-, en lucht- verhevelingen. De water-verhevelingen zijn de mist, den daauw, de wolken, den regen.de rijp, defneeuw, de hagel, de waterhoöfen , enz. De vuur verhevelingen maaken alle die verfçhijnzels, welke branden of lucht ■ van zich geeven, zo als het noorderlicht in derzelver zoorten, de verfchietende Starren.de Vuurballen, den blixem, het weerlicbt,den donder, enz. De lue ht-ver- hevelingen zijn de winden, ftormen enz. Zie.op alle deeze woorden. VERJUIS,, in't latijn Agrefia; dusdanig noemt men
het Sap-'t welk uit onrijpe druiven word geperst. Daar zijn echter zoorten van Druiven, die eigenaartig
den na'am van Verjuis draagen, dusdaaritg is inzonderheid de bourdelais-druif, die men in het land daar dezelve groeit ook bicanne en greij noemt. Van deeze maakt men door« gaans gebruik om goede Verjuis uittedrukken. Het gebruik van het Verjuis beftaat, om bij foupen,
ragoûts, gebakken visch, gebraaden vleesch enz. te ge« briiiken, zijnde een aangenaam en zagt zuur., >■ De Heer Duhamel heeft waargenoomen, dat de ge«
zuiverde en eenigzints gezoutene Verjuis een vogt is dat zich tamelijk wel laat bewaaren, en heilzaame zuurag« tige dranken onder andere dingen vermengt, voor de zieken oplevert. VERKEERP-SNAVELEN. Onder de zonderlingfte
Vogelen, waarlijk , mag men die van. ditGeflagt tellen, en hoe vreemd ook de Geflagtnaam is, zo wel de la« tijnfche Rijnchops, als de nederduitfche, Verkeerd-Sna- vel, de gedaante is nog misfelijker. De Bovenkaak naa« meiijk, tegen de gewoonte van den grooten Werkmee- fter, die dezelve in alle Vogelen bijna, langer of even lang als de onderfte gemaakt'heeft, komt er veel bi/te kort. Ook Reeft Brisson er , in 't fransch, den naam van Bec en Cijeaux. dat is Bek als een Schaar, en Rijg» chopjalia aan, dog in 't engelsch noemt menze Cut-Wa- ter, dat,is Water--Jriy'der. De Bek, voegt hij erbij, is tandeloos , regt,, aan de zijden plat. , Van dit Geflagt heeft LiNN^ustwee zoorten, Bris« son* merkt de iaatfte als eene Verfcheidenheid van de eerfte aan. I. Zwarte Verkeerd Snavel ; Rhijnchops nigra; Plau-
tus rofiro conico inaquali. Klein. AV.J4.1.; Lotus ma- jor, rofiro inaquali. Catesb. Carol.I.p oo.; Rijngchop- jalia dorjo nigro, ventre alba Barr. Av. 20.; Rhijncops I nigra Jubtus alba, rofiro bafi rubra. Linn. Sijß. Nat-}[\ Ray noemt deezen, een Vogel van Madrafs, met den ; Bek gelijk een Scheermes; om dat de Bovenkaak, even als eeu Scheermes in zijn handvatzel, in de Onderkaafc flUit.:
|
|||||||||||
|
1
|
||||||||||
|
vife
'Huit. Hij',zegt, dat de Malabäaren hein "Coddel-fcattka
vî Suenmoodra-Cauky noemen. Klein noemt hem Plo- tui; Moehring Phalacrocorax; Barriere de Visfcher- Meeuw> met een neergedrukte Beis, gelijkende naar een Çrhaar» Bbisson, die er de Afbeelding van geeft uit het Ka-
binet van Reaumur , verhaalt, dat deeze Vogel omtrent de grootte heeft van het gevlakte aschgraauwe Meeuw- tje, zijnde de koleur van boven zwartagtig bruin, van onderen wit, zowel op't Lijf als aan den Kop, dévier buitenfte Staartpennen wederzijds wit, maar, volgens de langte van de Schaft met bruin getekent. De Bovenkaak fluit niet, gelijk Ray zegt, in de Onderkaak; maar de randen van deeze laatfie zijn fcherp als een mes, en haar bo venfte rand word, terwijl de Vogel zijn Bek fluit, ingenomen van een groef, die in het onderfte van de Bo- venkaak is. Deeze laatfte is aan't end ftomp en de an- dere als dwars afgefneeden; de Pooten rood, gelijk ook de Bek aan den wortel, dog voor't overige zwart. Deeze Vogel zweeft langs de Oppervlakte van 't wa-
ter, en fteekt er middelerwïjl het onderfte van den Bek al vliegende in, om er dus zijn voedzel uit te haaien, dat in Vischjes en Water-Infekten fchijnt te beftaan. O.n die reden hébben de Engelfchen hem Waterjnijder genoemt. Hij onthoud zich zo wel in de West- als Oost- indien.- _ .:.,.,.. , il. Vaale Waterjnijder ; Rijnchops fulva; Rijnchopfa»
liafulva, rostro nigra. Barr. Av. 20.; {Rijnchopsfulva, rostro tiigro. Linn. Sijfl. Nat.) Linnjeüs geeft deeze op, als een zoort van welke hij geen regte kennis had. Buisson zegt, dat dezelve in grootte en dikte met den voorgaandeii overeenkomst, verfchillende daarvan niet, dan alleen door dékoleur zijns Lichaams van boven, 't welk overal vaal is, daar dat van den anderen een zwart- agtig bruine koleur heeft; endoor den Bek, diet'eëne- maal zwart is. Hij onthoud zich in Guajana. ■ LinnjEus merkt aan, dat dit Geflagt van Vogelen zeer fia vermaagdfcbapt zij met de Meeuwen. VERKEN, zie VARKEN, '
' VERENS-BROOD-, zie VARKENS BROOD.. , VERKENS.D1STEL < zie HAASEN-LATUWE. VERKENS-DOOD, z'ie GANSEVOET.
VERKENS-GRAS, zie DUISENDKNOOP.
' VERKENS-SNUIT, zie SISIjRINCHUM. ■ l?w ' VERKENS-VENKEL, zie VARKENS-VENKEL. VERKENS.WORM ,. zie SECREET-VLIEG. \i, ,
VERKLIKKER^ zie TOR BOKKEN,». XXXTP
tag. 3Ö67. VERKOELING, zie EXTINCTIO.
VERKORTING, zie ABBREVATIO. KOUDE?UDE MOEDER ' zie MOEDER (VER-
VERKOODHEID. De voornaamfte oorzaak der Ver-
kouMeid is dezelfde, welke zo dikwils zeer gevaarlijke ontlteekingen in de Borst en Keel hervoortbrengt, te weeten,de belettedoorwaasfeming der Huid. Men ziet opkgemeenlijk, dat deze ziekten op één' en denzelfden tijd in zwang gaan, en dat ze zelfs in den beginne zeer naar malkander gelijken , dewijl de toevallen welke ee- ne Iterke Verkoudheid voorfpellen, zeer veel overeen- komst hebben met die, welke de heeté Borst-én Keel- ziektenvoorafgaan. Eene fterke Verkoudheid begint ge. meenlijkrnet huivering en koortfige hitte, dié zomtijds eemgedagen duurt. Men hoest eerst een'tijd langdroog- aaarna begint men fluimen optegeeven, en met één ver- r U. Deel.
|
||||||||||
|
vm.
|
||||||||||
|
8&9
|
||||||||||
|
mindert dé hoek en'de drukking'op de Borst; 't Is dan,
dat men de Verkoudheid, rijp kan noemen» -Men yoélt zomtijds ligte fieekingeni, die zelden eene vaste plaats houden, of ook wel wat pijn in de Keel, Als de Neus de zit- plaats van 't ongemak is, heeft men dikwils fterke hoofd? pijn, welke meest voortfpruit uit de prikkeling van het Vlies, dat de holligheden van 't Voorhoofd en van de Bovenkaak bekleed. In den beginne fnuit men flegts eene dunne, fcheipe, waterige ftoffe uit, dog deeze word dikker, naar maate de ontfteeking vermindert, zo dat men op 't laatst door den Neus en door den Mond ea- nerleije ftoffe kwijt word. ündertusfchen gaat de reuk, fmaak, en eetlust voor eenigen tijd verlooren. De Verkoudheid duurt ongelijk lang. Die van 't Hoofd
houd meesttijds flegts eenige dagen aan,;:: daarentegen zijn Borst-v erkoudheden langduuriger, hoewel ze ook veelal na vier of vijf dagen eindigen. Als ze al te lang duuren, worden ze gevaarlijker, eerftlijk, wijl defter- ke Hoest het gebeele Lighaam in.wanorder brengt, en 't bloed met geweld naar 't Hoofd drijft; ten tweeden, wijl hij genoegzaam altoos denflaap belet; tenderden, wijl hij den eetlust en fpijsverteering bederft, waar uit noodwendigeene zwakte moet voortfpruiten; ten, vier* den, wijl hij de Borst zelve, welke zor veel dreuning moet uitftaan, verzwakt, van waar het dan komt, dat door den tijd alle de Vögten zich derwaards, als naar het zwakfte deel begeeven, en een' geduurigen hoest on- derhouden, de Long fteeds bezwaaren, zich in dezelve verdikken, de Ademhaaling belemmert, de Borst be- nauwt , en eene fluipkoorts veroorzaaken, waarbij de Lijder uitteert i zich afmat, en door flaaploosheid, zwak- heid en benauwheid in 't graf gefleept word. Naardien de Verkoudheid eene ziekte is van dezelfde
eigenfchappen als de Pleuris, de Long-enKeel-ontftee- king, enz., moet degeneezing ook op gelijke wijze on- dernomen worden ; alleen moet ze, evenredig weezen aan het gevaar, welke bij de Verkoudheid veel geringer is. Eene fterke Verkoudheid yeieischt.esns Aderlaatingop den Arm, waar door ze veel fchielijkergeneezen word. Ik weet wel, dat een algemeen vooroordeel bij ons zegt, men moet.bij Verkoudheid niet lauten, jan dat men zelfs, oordeelende, dat het anders noodzaakelijk zou weezen, alleen daarom nog eenigen tijd meent te moeten wagten, wijl men verkouden is. Dog,wanneer, zijn de vooroor- deelen, die de Geneeskunde betreffen, zo gelukkig, dat ze naar den regten weg leiden? Zij dwaalen altoos af, en dengemeenenMan.dieze volgt,, word ét ongelukkig door. Men kan vast vertrouwen, en de ondervinding heeft het honderdmaalen bevestigd, dat men bij Verkoud- heden, niet alleen veilig, maar ook met het grootfte nut kan aderlaaten, als.de Patiënt bloedrijk is, als hij fterk hoest, en zwaare hoofdpijn heeft. Zeer dikwils zou zulk eën Laating, gevoegd bij de behoorlijke Dieet, al- leen genoeg zijn, om 'tongemak in korten tijd te verbei- den. 3 Deeze Dieet is volkoomen gelijk aan die, welke in de Borst-ontfteekingen en alIebeete.Koortfen gehou-; den moet worden, en beftaat kortlijk hierin. De iueht moet zuiver, en niette heet nog te koud weezen. Ver- hittende, zoute, geestrijke, en met Specerijen toeberei. de Spijzen, maaken allé ontfteekingên eri aas pok de Vet-, koudheid erger, en kunnen, derhal ven niet^zorgvuldig gemijd worden. Daarentegen zal de Patiënt zich altoag; zeer wél bevinden.bij een wateragtigen, verzoetenden. drank, voornaamlijk een aftrekzel van vlier-bloemen,.-■ o& gerst-water met jtsijn, honing m-Jalpeter, vermengd ,:,©£ H ook |
||||||||||
|
VER.
versch geperfte amandel- en lijnolie niet lang aan een u^»
bij een verouderden en ingewortelden Hoest dienen gç,,. bruilu te worden, wijl ze de vezeltjes der Borst ver* flappen, en daar door den toevloed van vqgten naar d,f Borst iteeds onderhouden. Dat derhalven SijDENflAKt^ Pringle en vfeele andere groote Mannep het n,u.t yan de olieprijzen, en dezelver gebruik aanraadeq, moet men gelijk zij zelve te kennen geeven , alleen verftaan van een' nieuwen Hoest, die zich nog niet vast gezet heefç, Pringle wil in zulk een geval een vlug loog^out bij dq olie gevoegd hebben, om dus de Artzenij werkzaamer te maaken. Hij neemt er ook; wel flijm vm lijn-zaad vooç in de plaats. Bij een' Hoest, die lang geduurd heeft, zijn deeze middelen volltrekt te verwerpen, en de Hr. le Camus heeft wel gedaan daar tegen tefchrijven. Daaif zijn ondértusfchen ook gevallen, waar in de Hoest on* derhouden word dooreene vei flapping der Kiiereu, wel- ke men moet ptikKelen en verfterken door het gebruik, van de fcherplte zuuren^die men in oiieverfteekt. Meri mengt ten dien einde den vitriool-geest met olie en verzag- tende Burstniiidelen, en men verkrijgt dus eene artzeny, welke van zeer veel dienst is, wij! ze te gelijk de knaa- gende fcherpte, die bij Verkoudheid de overhand heeft, ftorop maakt. De Heer Tissot verhaak, dat een af? trekzel van Kerfenfteelen, 't welk een zeer aangenaams drank is, eene verouderde ingewortelde Verkouaheid ge« neezén hebbe. ' ■ . ■ *-/ De warme waasfem van zuiver water , of van een af-
trekzel van borstkruiden of kojfij, is in alle zoorten van Verkoudheid zeer aanteprijzen, wegens de fchie-, lijke verligteiiis, die men er van krijgt. In de Verkoud- heid van 't Hoofd, kan men veilig wat azijn daar bij doen, of maaken eene tip van een'zakdoek in ozynnat, om eraan te ruiken. Uit het nut, welk de waasfem van azijn den geenen verfchaft, die gevaar loppen door dé. menigte van taaij flijm te verftikken , en ujt de weergaa- looze werking van 't Qxicraat (Azijn en Water} bij de Keelbenaauwing, mogen wij billijk befluiten, dat dit mid? del ook te pas koome bij de ontileeking van't flijnivlies, welke bij de Verkoudheid van 't 'Hoofd plaats heeft, te meer, daar de proeven die er mede gedaan zijn, ons-in deze hoop fterken. Bii de hitte die 's avonds de hoofd- en borst-verkoucikeid pleegt te vergezellen , moet men veel gent-water met geest van vitriool, en fijroop oftoi- dij-zuiker vermengt, drinken. Om het druipen van den Neus tegen te houden is men gewoon, de kamer door inajlik, wier-aok, o.f iets dergelijks te berooken.. Een onfchuldig middel, welk hier in veel verligtenis toe- brengt, is met verbondene Oogen op eene gloeijendé kool teblaazen, op dat de Neus door de warmte ge- droogd worde, terwijl mq.n erde, warme lucht door in- ademt. Vorvolgens beftrijkt men de Neus van binnen; met wat olie of gefmolten Kaarsvet, om het geprikkel« de Vlies weder te verzagten. Het haair van bet Hooft kort af te fnijden, enden Mond dikwils metfalpeter*, water-te fpoelen, is ook zeer goed.. Zommige Menfçhen meenen, dat zij om de Verkoud-
heid kwijt te worden, eene uitermaaten groote menigte; water moeten drinken. A>ls zij daar bij even veel eeten als ze anders gewoon zijn, verderven zij er de gezondheid me- de; zij verteeren fiegtçr, en bij den Verkoudheids-hoest: voegt zich een Maag-hoest, die in ftaat is, hun 1-ig- haam te doen.uitteeren. Uitgebrande brandewijn, kruidéwijn, kandeel, in één
woord alles wat verhit, doet in den beginne zeer veel kwaad;,
|
|||||||
|
18«* ver;
eok eene dunne amandel-melk, óf bij verftopping van het
Lijf» eenafkookzel vanfemelen, met rozijnen en zoet, hout. Alle deeze dranken kunnen in groote maate ge- bruikt worden. Voeg hier bij het dagelijksch gebruik van voetbaden, het inademen van den waasfem van warm water, de dagelijkfche oefening van 't Ligbaam, en het vermijden van alle verhittende geneesmiddelen. De toevallen zijn dikwils zo ligt, dat deeze Dieet al?
leen genoeg is, om de geneezing in weinige dagen te volbrengen, inzonderheid als man daarbij, naar Sïdekt* Ham's raad, eenige dagen zich onthoud van Vleesch, , Eijeren, Wijn, enalle fcherpe vette enzwaare fpijzen, gebruikende in dien tijd alleen Brood, Groenten en Wa- ter, ofVlieMbeemetmelk, en's avonds weinig of nrets. Men kan niet gelooven, hoe veel hierop aankoome, en feoeweinig men met alle Artzenijen vordere, als men den Wijn , de Vleesch-fpijzen, de Specerijen en fterke dranken niet wil vermijden. De flaap word ongemeen door deeze Dieet bevorderd, inzonderheid door alle avond een warm voetbad te gebruiken, en , naar bed gaande, eene halve dragme falpeter , indik, litmig gerstiwater, ontbonden, inteneêmen. De lijmigheid van de Gerst maakt, dat men zulk eene groote dofis Salpeter, welke anders den hoest zou vermeerderen, gemakkelijk ver- draagt. Als de Koorts, de hitte, ende ontfleeking weg zijn,
en de Lijder eenige dagen eene goede Dieet gehouden, en de aangepreezene Dranken wel gebruikt heeft, zon- der dat echter de hoest en flaaploosheid ophoud , kan hij 's avonds na het Voetbad eenige droppels Laudanum liquidum met asij.n-homngof ontbondene gom-ammaniak , of adders wat theriaak met vlier-thee innèemen, zowel óm den hoest teftilfen, als om de uitwaasfeming te be- vorderen, waar door alles dikwils in één' nagt in order komt, dog hij moet den zelfden avond weinig gegeeten en de fpijs wel verteert hebben. Als men tot deeze Art- zenijen te vroeg zijnen toeviugt neemt, loopt men gevaar zijn doelwit te misfen, en het ongemak erger te maa- ken. - ■ Daar zijn zeer veele Artzenijen , die tegen de Ver-
koudheid aangepreezen worden , en die ten deele ook haaren lof verdienen. De eermprijs, de ijf&p, honds- draf, bernage, vijgen, rozijnen,, de fijroop van venus-. hair, zijn altemaal goede middelen. Alleen moet men rijet te veel zoet gebruiken ; want daar door word het flijm verdikt, en de toevloed naar de Borst onderhou- den. De %ee-ajuin is eene voortreffelijke Artzenij, die verfcheidene goede toebereidzels uitlevert. Men heeft onder anderen, zee-ajuins-azijn, en zeeajuins-honing.. Van deeze middelen kan men hier veel dienst hebben» Best doet men, een*'drank zaamen te Hellen uit één deel zee-ajuins-honing en vier deelen van 't aflrekzel van vlier-bloemen.. Hier van alle drie uuren een half chee- kopje völ neemende, en eet» goede Dieft daarbij hou* dende, kan; men-zekerlijk, !in'de.'meéste gevallen,, alle overige Artzenijen misfer?.. " De gemeeneMan neemt àaorgmnêsbï) eene Borst ver*
koudheidi veel walfchot, met kandij-zuiker , anijs, en al- lerhande dingen, die aan de Maag en Borst meer kwaad dan goed' doen;. Het walfchot is inzonderheid een on-, aefeer, middel;,/ om dqt het dikwils garstig is., 'f Is waar,. Bét bevordert de uitiacbeling ; dog dit doen de veffohe, »oef« oliin pi zeepen ookr ,> zonder dat er 't Ligliaam zo veel- bij lijd ; hoewel men in de daad; kan zeggen f. dat: selfs, de best«: oliën, gelijk 4efijnß& boom-olie, en de: |
|||||||
|
;
|
|||||||
|
VER. ■'
|
|||||||||||||||||
|
mt
|
|||||||||||||||||
|
VER.
|
|||||||||||||||||
|
fcwâàd, jVtwarèbèstdat men èr nooit gebruik TOnttiaafc. gepast voor Lïeden, die, wegehs de zwakheid vin'itwn:.
te Hebbendeeze dingen eenigë werking gedaan, het is aaà ne Maag of Long, zeer vatbaar ëijn voorde Vttkoué- ■ -'■...............-'-' -J- """'-"* heid,te meer, wijl deeze oorzaaken met der tijd altoo»
te zaâmen komen. ;,.",:
Onder alle Borstkoekjes en Plaatjes, die men met een,'
goeden uitflag, tot verzagüng van dea hoest, gewoon is in den mond te neemen, verdient het/sp van tsm-hout, door de wandeling örap genoemt, den meesten lof. Het verfchaft eene ongemeene verligting^ als men er maar genoeg van gebruikt. De Heer Tissor heeft er drie loot van op eene dag, met merkelijken nut van inge« noomen. trhj Wanneer een nieuwe hoest, in weerwil van de bei
fchreeven Dieet, en van de tot diis ver gemeide Artzê* nijen ftand houd, en met eene Koorts verzeld is, heeft men niet veel baat van deBorsUmiddelen ce Veit Wagten* De middelen waar mede men dan het ongemak moét' tragcen meester te worden, zijn voor eerst het Aderlâa« ten, ten tweeden, gepaste Purgaties, naamlijk )«sn«*,i zee ajuin, gonvammoniak, karnemelk, zoet-hout, faipetety en dergelijken, ten derden, de koorstbast, weike'n de Lij- der langen tijd moet gebruiken. '>>'ü Men hoort hier te lande het Gemeen dikwils fpreekett' van fpijzen die roozig, of die Jchraal op de Borst zijnV Dit wil zo vee! zeggen, als. Spijzen, drehet Lighaaftli vatbaar maaken , voor de toevallen van Verkoudheid De geleerdfte Vrouwen weeten alle deeze fpijzen óp de' vingers te tellen. Uit het geen ik boven zèidè van de; Dieet, die men in deze ziekte moet houden, is ligt Op téJ maaken , welke fpijzen al of niet verdienen, dus ge- noemt te worden; en men zal vinden, dat'het Volk vöot' 't grootfte gedeelte juist de vérkeerden daar voor uitgeeft» » Men kan vast Vertrouwen, dat alle Vleesch-fpijzen , ■ zelfs de bouiljons, visch, alle heete fpecerijën , kan»«, deel, en eijeren, niet alleen in de Verkoudheid zelve na*s deel doen, maar ook aanleiding daar toegeeven, bij Menfchen, die er wat Vatbaar voor zijn. Daarentegen l hebben de ïuinvrugten , het fruit en de groenten dee-,1 zé eigenfcba'p niet ; en in't geheel loopt iemand, die goed verteert, gezond van Borst is, en zich aan gëèa ■ weer nog wind ftoort, niet het minste gevaar, om väifj een ige fpijs verkond te worden. VERKWISTING. De Verkwisting beftaat in een«" |
|||||||||||||||||
|
enbmvtr
enZhow
dgdisenmflbDdvteJuv'erzede' grna: ofdi
|
|||||||||||||||||
|
wiens doorwaasfeming ligt in de war komt, is er altoos ijdele overdaad, dié zonder de minste reden, kundig-
flimmer aan , wanneer hij zich zeer warm houd; want hoe heid nog vooruitzigt, onmaatig veel voor zich zelvëff ;meer hij zich broeit hoe meer hij zweet De lucht die altoos verteert, ofwel buitenfpoorig aan anderen weg geeft, lauw is, verflapt hetgeheeleLighaam, en allermeest de Dit gebrek ftaat aan de eene kant tegéns de gierigheid ; Long .zodat de vogten meer en meer daar heenen vloejen. over, en van een andere kant aan -dé eerlijke, wel be* De Huid, die zonder ophouden met een zagt zweet bedekt zonne fpaarzaamheid, welke beftaat om wat te beWas-t ' is, wordweek, flap en onbekwaam tot het verrigten van ren, ten einde dé flaagen dié ons dikwils 't fortuin töe- : naare bedieningen. De geringde kleinigheit is dan in ftaat, brengt, te kunnen wederftaan» de doorwaasfeming te beletten ; en hjer uit ontdaan zeer Uit de Gefchiedenisfen kan men door menigvuldige ä
^pelefleepende kwaaien. Men verdubbelt dan derzorgvul Voorbeelden bewijzen, dat gierigheid eri Verkwisting digheid wegens de koude lucht, én alle maatregels diehiër dikwils geheele Staaten hebben omgekeerd j zo dra zij > I toe genomen worden, zijn zó veele middelen, om de ge- er de overhand behielden. Li jcüëgus', wiens Regeé- zondneid meer te verwzakken, vooral als er de ledigheid, ' ringsvorm zo veel achting heeft verworven, so lang Van > ; ^5t Z1"en » en het drinken van veel warm waterbijkomt, duur is geweest,'en Van zoveel geluks verzeld ging, wil» WËà i°0r §ebrek °P net hoogst gebragt word. Een de deeze bronnen des ondergangs ftöppen, door eene vóU mnpf 'Ier maar' om zuIke Lieden te geneezen; zij maakte gelijkheid van ftaat öhder deLeden van zijn GöVi "hm t Vrees v00r de vnje ,ucht afleSgen> de menebest in te voeren, en alle gouden én zilvereMun« "fiaan -ers vermiJden » allehgskens dunner gekleed ten te verbieden. Men bemerkt ook dat Sparte zich tea
f oud in vertrekken » waar niet geftooktword, flaapen, ondergang neigde, zo dra weder eenig aanzien eri ver* als de^iw enidrinken« veel béweeging maaken, én -, m Ogen aan het goud wierd toegeftaan."-= v, ?B* |
|||||||||||||||||
|
mtoriUii.-\ ;""*"* "j6<-w,wiciu is, uc Kuuae naaen, enden
J*?«rwart langen tijd gebruiken. Deeze methode is ook |
' Hét is mijn^oornéeoien geenszins om deèzé inftellin- !\
gen van Ljjcuroüs-, ©ver het geheélgtinomeB jals hé{|.< «
|
||||||||||||||||
|
H a za^oi
|
|||||||||||||||||
|
VER.
|
|||||||||
|
%l%% VEEU
|
|||||||||
|
«am te prijzen, daar.dezelvea nog eene andere fcbik-
king naar zich trokken, uit kragt van welke alle K'unftèn en Wetenichappen , die tot den Krijgsdienst geene be- trekking hebben, uit Lacedemonie verbannen wierden* Te meer nog, om dat ik het vrij wat edeler vindeV wan- Beerde Inwooners van eene Gemeenebest, over 't alge- meen genomen,, in't midden van overvloeden rijkdom leévende,nogthans roaatig en deugdzaam zijnf Hetzâ- menftel der Republiken.en verbintenisfen der Staaten, zijn tegenwoordig ook van een geheel andere hoedanig- heid, dan in tijd des bovçngemelden Wetgeevers; en, eindelijk, een verftandig Heelmeester befiuit nooit om geheele ledemaat en van het lighaam te fcheiden, dan in het uiterfte gevaar. Dog niettegenftaande du alles, is het een ftelling dié.in;alle ppzigten zeker gaatV dat namelijk, gierigheid "en Verkwisting, pesten, voor een Staat .zijn... , .. Ik zalmij tegenwoordig bezig houden met van de Ver^
tpi/isting alleen te handelen , welke van de meeste Men- fçhen niet in haare waäre gedaante befchoawd. word. Peeze toveres heeft niet minder dan andere ondeugden de kunst verftaan, om de Menfchen door beguichelingen te vervoeren ;; zij,heeft zich menigmaal onder degedaante van grootmoedigheid, mildheid en.weldadigheid ver- momd, en isdïkwils- verwaand, genoeg geweest van zich Cen ede' hart te'willen toeèigenen. Ik verklaar mij voor haaren vijand ,, en'zal haar, door haar in haare waare gedaante jtevertoónen,, alle: moegelijke afbreuk tragten tg doen... rl.' .. ..... - , :' ..," ±.'_ . ;. - S;iLA=5."us behoort tot den hoogden rang.der Verkwis^
ters Zijn Vader ftierf, en liet hem een aanzienlijk ver- mögen na. -Naaawlijkshad deeze Grijsaart de oqgen' ge- flpoten, of SiLAKüs was met niets drukker bezig dan met het opfpooren en befchouwen zijner nieuwverkree- gen fchatten. Het diende hem tot geene geringe vreug- de alle kasfen en kisten zo wei, voorzien te vinden, be- fluitende tevens dit voordeel tot zijn-genoegen aan.te leg. - gen. De valfche glorizugt, weelde, pracht, en alle al- le andere wellustigheden yermeesterden zijn hart, 'en Silamus ving zijn nieuw huishouden met Verkwisting. sa».«. - '.. V : . i
Hoe vlijtig zijne raadgeevers, omtrent de toebereid-
zelen, tot dé uitvaart des ouden Heers , zich naar zijne neigingen fchikten, waaren hunne voorflaagen niet Fer- twistende genoeg om aan dezelve voldoening te geeven. Silanus wilde zijn Vader op het prachtigfte.ter aarde befteld hebben , niet om zijne liefde jegens denzelven aan den dag te leggen, maar om zijne neigingen ^te vol-. doen. . Hij zou hier- door achting verwerven, en zich terilond doen uitmunten., welke uitmuntendheid zijne M edeburgers zou ontdekken wat zij zich. verder van hem tebelooven hadden*. .; De lijkflaajie wierd met groote dog tevens zeer kwaa-
lijkyoegende plegtigheid ter uitvoer gebragt, en Sjla- kus keerde mét groot genoegen in zijn woning te.rug,, den eersten ftap tot. zijn yerderf gedaan hebbende. .«Hij rufte twee dagen uit., na het verrichten van zulk
een zwaarwigtigen arbeid, en begon toenam de voor- genomen.verandering van zijn huishouden. De wagen van zijn Vader was-veel te gering om zulk een aanzien- lijke Verkwister te voeren'; hij gebruikte een fraaije Koets om zijn dwaasheid den gantfchen Stad door bekend. te maaken. Zijné"r?aarden waaren reeds te .dikmaal ge- gezien, zij kreegen derhalven hun affcheid; anderen iwaameji.hunne plaats vervullen, d|)e fcboon niet beter. |
crandevoorigen, hem echter op een hopgen prijs te ftaan
kwaamen. Zijn geheele huis nam eene andere gedaan, te aan,, en, hoewel de rouw hém belette zich met goud en zilver te dekken, verzuimde hij niets om. zijn gewaad door duizend veranderingen aanzienlijk te maa- ben. ... .: . Het getal der Bedienden wierd vermeerderd, die al.
ien hun best deeden om hunnen Heer na te aaperi. D» pngeregeldheid deed deeze huishouding zonderling uit- munten, en wierd er hoe langs hoe grooter; zo dra hij met fcbik,bet rouwgewaad kon afleggen, nam ook de Verkwistingin zijne kleederen toe. Hij ontlaste kisten en kasfen van haaren gouden er? zilveren last, om er zijn opfchik mede te verrijken. Wat behoefde hij zich ook te bekommeren om zijn geld, op eene yoordeelige wijze uit te zetten, daar hij niet dan. uit volle zakken greep? VèrmaakUjkhedeh , pracht, en gezelfchap ver- schaften hem'ook zo veele bezigheden, dat hij geen tijd had om op iets anders te denken, In 't midden deezer heerlijkheid wierd Silanus arm.. Het, gebrek verraste hem, en, eer hij nog uit zijn vleiienden droom ontwaakt was, zag hij zich van Schuldeifchers omringd, die hem. eensklapjden kleinen voorraad ontnamen, die hem nog overgebleeven was. TERTuLLusheeft een dergeliiken omkeer beleefd. Hij
had gezelfchap v'ekreegen dat hem om geld vleidde ; zulk Ijag van lieden vonden een open kist bij hem ; en Ter- tullus was nooit beter in zijn fchik, dan wanneer meii zich zijne gulheid te nutte maakte. Hij. had de mildda- digheid hporen roemen, en verviel tot verkwisting. Hij hield zich voor edelmoedig en groothartjg, terwijl hij zijn vermopgen pnbedagt onder eenige weinigen verdeel- de; hij richte groote maaltijden aan,en was niet vergenoeg- der dan als zijne Gasten zich regt verheugd toonden; kort om, hij ging in zijn Verkwistende mildaadigheid zolang voort, tot dat hij zich van zijne gasten, vrienden, en bezitting ontbloot zag. . . ,. ■ Terèntius is niet minder arm geworden. De tafel,
was zijn grootftevermaak, dié hij bij,aanhouding met de kostbaarfte lekkernijen liet belaaden, De uitgeleezenfle wijnen gebruikte hij tot zijnen dagelijkfchen drank, en hij was dikwilszo zat, dat hij in 't verkiezen daarvan met zich zelven overhoop lei. De Kok fcheen hem de aanzienlijkfle man te zijn;'en zijne drinkglazen waaren de. bronnen waaruit hij al zijn vergenoegen fchepte. Zij- ne maaltijden duurden een halven dag en een derde deel vandennagt. Om gezelfchap was hij nietzeer verlegen, integendeel was hij nooit beter in zijn fchik,, dan wan- neer hij zijn voorraad alleen kon verflinden. Eindelijk drong evenwef de armoede, waar voorbij de minste be- duchtheid niét had in zijne woning, en ftiet hem plotfe- lijk uit zijnen overvloed.in een afgrond* waar, hij dooi l het nijpenufte gebrek gefoltert wierd. Dog ik moet deeze voorbeelden door eenige'bijzonde-
re gedaRten doen verzeilen; ik moet den Verkwisteren nog duitlelijker toonen hpe onbillijk en nadeeligzij te- gen het gemeene welzijn, en tegen zichzelven, hande- len. . '. * . ' ~ Een Verkwister^ is fchaadelijk aan den geheelen Staat.
De gelukkige gefteltenis van het Geméenebest vervalt, zo draa gebrek,, behoeftigheid en armoede in hetzelve dé overhand verkrijgen. Men kan geen lighaam voor welgefted em gezond houden ,, wanneer een brandende koorts in deszelfs ingewanden woed. maar het zal einde- lijk, ggfloopt worden.,, indien men.da daadelijke.kraok« ""- * Beid
|
||||||||
|
#ER.
|
|||||||||
|
VEKv'
fceid geen tegenftànd bied. De Verkwister is; op; de-
zelfde wijze, een pest yoor den Staat, die zijne befmet- ting rondom hem uitbreid, en eindelijk dit groote lig- haam ten vérderve brengt. Het is een onbedagte'tegenwerping, wanneer, men
«eet dat de Verkwisting het geld in den Staat ver- fpreid , en dat zij tot onderhoud der Burgeren dient. Zij bevordert genoegzaam het tegendeel. Een Verkwister heeft maar met eenige bijzondere perzoonen te doen , die zich eenigermaate door hem verrijken kunnen. Hij zal mooglijk een Snijder gegoed, en een Kok rijk maa- ien , of het bijzondere voordeel van eenige eerloQze, lieden bevorderen; en wanneer hij eindelijk tot gebrek: en behoeftigheid vervalt, word hij den algemeeneen Staat tot last, dîe nimmer door hem wierd onderfteund, wanneer het. geheel lijd door. het voordeel van déeze bijzonderen. ■ ■ !...;!.j .■:;. w Een gegoed Man denkt zeer kwaalijk , wanneer hij
gelooft metzijnvermoagennaar eigen wiHékëtw* te möo- gen handelen ; Alles wat hij bezit, beHsorrftrikteliik ge- fprooken , het Vaderland.; hij is verbonden op'tde onder- houding van het geheel acht te geeven Î "eri deezeopiet- tendheid ondeifteunt het algemeen vertrouwen; terwijl de voordeelen, die daar uiftpruiten, zichvveder tot an- dere leden uitbreiden.l' Deeze achtgeeying pp het alge meene welzijn beftaat zo wel in eerie ve'rftandige huis* houding als in eene onbekrompen mildaadigheid. Een rijk Man die.zijne fchatteri;njet Verkwist, :haVdhaaft zich in het verheven voorregt van altoos in ftaattezijn om: hét geluk en den bloei dés Staats'te bevorderen , terwijl hij tevens kan voldoen, aan het verlangen zijner éde« Ie neigingen , om Noodlijdenden te onderfteunen;, Ar- men te verkwikken, en de nutte Kunsten aan te moedi- gen. ;ï'ài..... - 1 ,:. i*i ' >"i
Uit deeze (telling moet noodwendig volgen, .dat een
gegoed Man geen Vrijheid heeft om zijn vérmoogen door- tebrehgen. Indien men in éenig Gemeenebest niet ver- der dan op,bet ooodzaakelijke wilde zien, zou deszelfs welvaart maar zeer middelmaatig zijn, ja veele Men- fchen in het zelve zouden van honger moeten ftervën. De Kunsten en Weetenfchappen vorderen enigermaate overvloed, en ik meen te kunnen bewijzen , dat het grootfte deel der Menfchenzich met het oefenen derzel- ven geneett. Een rijk Man moet zich van ziin zilver en goud bedienen ; hij moet van zijnen overvloed wat weg. geeven, dewijl bij de Man is , die den arbeid desKiin- ftenaars beloonenkàn, en hij moet den Staat..dóorihet toordeel dat hij denzelven aanbrengt, ook aanzien zoe« ken bij te zetten, Dóg al Ie-deeze verpligtingén zijn ten eenemaal ftrijdig met de Verkwisting, dewijl zij ons onfc zet van het voorregt, om zo veel goeds te kunnen ver- nchtem ..... ..,- , si : g , , | j , ,.,. ;.' Een Verkwister is nadeelig voor zich zelven, Kan
men zich wel onzinniger beftuit voorftellen , dan dat van een Verkwister,, »wanneer hij voorneemt gduurende drie jaaren zijne lusten den teugel te vieren, om dertig -?areD behoeftig te zijn-, en befpot te worden ? Een Mensch, die zich,, door zijne ongeregeldheden van Zijn vérmoogen ontzet heeft, word bij alle zijne Mede. burgeren voor verachteiijk gehouden. Men befchouwt Hem met afkeer, en meent-regt te hebben om zijnen val al .pottende aan te zien. Wàt verlies-lijd dus een Ver kwtster niet' op eenereis!' /', * ,!«f u'S .iJn5,rdaad Seen gering voordeel,. door de VooW
-aeai&b.e.d m omfiandigheden gefteld te zijn,. di&ons ver- |
|||||||||
|
S823
|
|||||||||
|
wttloovelvonzeverftandigé genegenheden voldoening te
geeven.;! Het ftemt bij uitftel wel overeen met onze ei» genliefde, wanneer, wij niet alle ogenblikken op vreem- de hulpe behoeven te wagten ; wanneer wij van. de noodzaaklijkbeid zijn bevrijd om trotsheid en harde be-. handelingen van wreede.belpers te moetenyerdraagen, maar integendeel in ftaat zijn, om hetgénöegen te ge- nieten om van een gedeelte van ons vérmoogen anderen mede te deelen. Een Verkwister berooft zich van alle deeze. vöorregten.. Daar hij magtig is om mededeelzaam te zijn, ijlt hij voortQm zich in een toeftand te brengen, in welken: hij zich gedwongen zalizien om alles te ver- draagen, wat hem de ongevoeligheid der geenen oplegt, dié hijom bijftand aanzoekt, en die gelooft meer reden te hebben om hem met véragting te bejegenen, dewijl hij zelf de. ooxzaak zijner.behoeftigheid is. : ... ;-.s Eindelijk, is men in 't algemeen van gevoelen,'dat.
lieden die zulk eene órjverftandige mildheid oefenen, goed van.gemoed nog. edel: van hart zijn« Hét zijn.zót- ten zonder.verftandgn Szonder, ervaarnis, diejzjch door, een belagchelijken hoogmoed, vöorregten willen verwer«; ven, en die den fchat eens Kon ingrijks''zouden' t'zoek maaken, zonder dat mén iets>anders van hen, zoudekuii- nen zeggen, dan dat zij eenvoudige Verkwisters waaren.*. Zij zijn. veragtelijke Slaaven hunner verblindende harts- tochten, die de menfcbelijkheid onteerén, en: iemand zeer ligt, zullen verwijten veel ten zijnen gevallegedaan. te hebben. Zij zijn valsch, boosâartig, hoogmoedig en onbezonnen,, en hun eenige troost', na hun. ongeluk, is dat zij de fchutd van haaren val, anderen te laste legt gen. : ■■ i !b ttsj '..--- ïÊfj § ',: M 'î-: :.. R> ; - Men had in Athenen een Rechtbank die.ondankbaar- heid ftrafte; en het zou een Gemeenebest zeer voordee- lig zijn, wanneer^men Gierigaarts en Verkwisters bï\ as Overheid kon aanklaagen; ; . :'- .VERLAKKEN, zie LAKKEEREN.. . ., ; hi
: VERLAMMING, Paralijßs. bij dê Grieken ; beduid in ;ohze taal niet alleen de onbeweeglijkheid van eenig lid, mâar teffens flapheid, en in zoverre koomt onze beduidenis ; geheel sovereen, met het lacijnsch woordiVe»"'' vorum refolutio, 'dat'is de flapwording- der Trekkenû in welken zin hier de Nervi genoomen worden. De Ara« bieren fchijnenookoro die .zelfde rede, de Paralij fis ge< noemdte hebben, moUificatio of verflapping.. Evenwel heeft deeze benaaming niet altoos dezelfde kracht j want de zwarte Staar, ;of'amaurofis dat is volftrekte blindheid zonder bederf in de vogten van het Oog, word ook afge- leid van eene Verlamming, in ;de gezigtzenuw-, terwijl nogthansde beweegbaarheid in den Oogbol völkoómen blijft. Stomheid,. en het afloopen van het water, wor« den ook toegefchreeveh aan Lamheid, of fehoon anders' de deelen zelve, niet zonderzigtbaare beweeging. zijn. Zoo dat wij Lamheid eigentlijk zouden moéten noemen de werkeloosheid van eenig deel, afhangende van eene verandering in die Zenuwen, welker takken door het ver- lamde deel verfpreid worden.■..", :.. ; . . Wat Zenuwen zijn, zullen wij in het vervolg zien,■
wij■ verftaan er'doór die-vezeldraaden.,, welke van de vereeniging derbeidéHèr.sfenënafdaalencle, naar alle de Sintüigen , en overige.deelen des'lighaatnsj',yerfpreid wor- den; -en welke drieëiflei nuttigbeid.behbén;' i; het lee-- ven in Je deelen,, dóör welke, zij verfpreid worden te onderhouden;-' 2. bet gevoel; ten 3; de beweeging,- Wanneer nu esn eenige.Zenuw gedrirk,t,, veritópt, af. gefaeeden-, bezeerd, of'óp eeneandere wijze aangedaan' H'3ï wordj, |
|||||||||
|
VER.
|
|||||||||
|
J8l| .VER.
|
|||||||||
|
Hérsfenen veroorzaakt, worden * hetzijjeene froofdwon-
de.,: inwendig beengewas, :of ftoffe die veroorzaakt^ het zij het bloed inde aderen blijvende, de vaten bui-; ten hunne middellijnen uitzet, en dus de hérsfenen drukt ; geheel, of half ; ofwel, wanneer eenige taaije koude (toffe op de hérsfenen valt, gelijk wij dikwils zien in hoog bejaarde Ménfchen, zie BEROERTE. De zoda* nigén: konnen door konst geholpen, en zomwijlen ge- heel weggenoomen worden. ....-' ...j !Gantsch anders is het gelegen met Verlammingen die
op'Zwaare ftuipen volgen, hoedanige zeldzaam geheel overgaan, en dikwils het verftand zelve benevelen; men ziet dit dikwerf gebeuren in kleine Kinderen, en jonge« re Menfehen; voornaamelijk in de Kinderpokjes» te wëeteri bij de koorss van uitbottinge; ftombeid, en ge- heele Verlamming zijn . er. de uitwerkzelen, van , die zomtijds of geheel of ten deele het geheele leeven lang ovérbljven. . ;' ■ ■ - t;; . :. '. c-ï' ■ ■■ ■■ ■ Men; word eene gantfch andere Verlamming gewaar,
bij de Kolijk van Pùi&oUi zie KOLIJK van POICTOU. p. 156-i. : De Oogen, hetSpraaklid, Armen, en Beenen worden-gelijk of ten deele lam, in dit geval lijden de Hérsfenen geheelnietf en de Lamheid word veroorzaakt door de uitwerking der-ziekte-ftoffe op de Zenuwen dier deelen, langs de beroemde en moeijelijk te verftaa- ne tusfqhenribbige Zenuwe, zo heerlijk door Eustachi" us afgebeeld ; de oorzaak zit derhalven in den Buik. ri De Vergiften, eindelijk, ge'ijk loot' en derzelver toe. bereidzelsv dé antimoriie , het ar/snicum en kwikzil? iwgeeven dergelijk eene kolijk, en Verlamming. De roede mjn met zuiker van lood vervalscbt.is daarom zo verderfelijk en zo gevaarlijk. De Barometermaaker» én Spiegelmaakers, vervallen van gelijken dikwils in Verlamming, doofheid enz. * Daar zijn andere Vergiften, gelijk de Belladoha , die
eenige weinige uuren na dat zij ingenoomen is, den Lijder blind maakt, dat is, het Oog Verlamt, tot dat hij hét vergift uitgewerkt hebbende, zijn gezigt wederom krijgt, zonder verder letzel. ... ^ . .. . Ziedaar de vefchillende Verlammingen, en haare bij^
zondere oorzaaken. Moejelijk zal het vallen den Leezer te voldoen in het net uitkiezen der geneesmiddelen, en wij-zouden hem naar alle die Ziektens afzondei lijk moe« ten heenen wijzen, indien wij niet liever eenige alge- gemeene (lelregels hier wilden ter neder zetten. ' Wij moeten derhalven de Verlammingen verdeelen;
to. in dé zulke die van heete en koude apoplexie afhan* gen; zo. in Verlammingen uit ftuipen gebooren ; 30. in- de zulke die uit de Kolijk vmPoiïïou ontdaan zijn; allcf de overigen 'zijn verhandeld op haare eigene plaatzenj Eerftelijk. In de Beroerte of apoplexie van eene hee-
te oorzaak gekoomen," in een jong , fterk , bloedrijk Méhsch, is het hoofd niet alleen hoog rood , maar fterk gezwollen, zo zijn herhaalde aderlaatingen ten uiterften noodig, hevige purgatien;, zelfs braakmiddelen, als die konnen ingegeeven worden, anders moet men door fterk prikkelende clijsteeren, met rook van tabak , metfmeeren ' van den Duik , met ung. artharitae &c. de ftoffen neder- waai rs dwingen. Dog,is de beroerte gevallen ineen oud, bleek, zwak Mensch, is de Verlamming ter halver zijde, zo zij'n de fpaanfche vliegpleisters aller noodzaakelijkst, digt bij den hals, in den nek, en andere deelen, het kop- pen zelfs is zeer dienstig, vooral met veel vlam, en geen« zints met nieuw uitgevondene pompjes, die bewerken '»etfinWb ,:.>■■:-' abïim mïs -.■;.■■.,..:.;-.. ■:,; vï:'/'' niet ■ |
|||||||||
|
ward; Jijd fret dâarâfirangend dëdv word rarerkelooS -m
fem , "Hîtoder:, meerder; nn8«a maate* dïer aandoening.; Wij zullen dit met voorbeelden moeten opheldérïen. iss : Wanneer ietnanddoor eenige oorzaak den R.uggràat zo« danig bezeert, dat hij agteriwaänsgeböchgeld word,,zö©nt dergaat het'Ruggemerg eene drukking, welke dagélijla grooter wordende, eerst deBeenen doetzwak, danmini der gevoelig, eindelijk'geheel gevoelloos en lam worden; De Lijder tan *nog water, nog zijn.gevoeg houden ; zij» ne ArmenZelven worden lam -, wanneer de kneufingiioog ai deniNek'begintjontwrigtzijrrNefc, ofHalswèrvel, zo is hij geheel lam, en. leeft weinige dagen ; zijn Hart aW leen enàsemhaaiingblijven-eenigentijd leeven,;omdat die fiunne Zemiwen Dnmiddetijk uit hét Hoofd, senhiet uit het Ruggemerg ontiangen^ Zulke'voorwerpen zïjn zeer ongelukkig, dog dit is in hun lijden «oostelijk, dat het niet lang duurt. * j ; , Een beënagtig uitwas hét Ooghol van binnen vullende,'
of iets. anders 't welke fiard is, zo-word deOogzénuw gedrukt, erifde Lijder'verlïest'langzaamerhand het ge- zigt. ■■ ':-':'; ' >noW ,; .'.-■-'■ >r ■-.! i1 :' . âf&33 -Word eene;Zenuw geheel atgefneëden, afgèfchooten ,'
of dooriverzweering doorgeknaagt; vólgtJer.een gehee- \i Verlamming van 'het daarvan afhangend deel; dikwils bij voorbeeld, ftooten wij de nSrvus ulniaris oï eltèpijps zenuw, en voelen-doofbeid, en tinteling in' den Pink,i en buitenkant van den Ringvinger , dog fnijdmen die ge- heel af/gelijk door vallen op ijs, of opglas'riiet zeldzaam gebeurt, zo wordeiy allede fpieren, dié Zenuwen krijgen van dat-deel, .geheellam. 'Evenwel- verliest'men niet geheel het gevoel, om dat bet vel van de Hand zeer veele takken-krijgt" van dé" nervus muscularib of radia- lis. . '-"■ \ -.:..';.:'■; t-fâd Ik heb bij het wegneemen van een gezwel op de Oor*
klier, zien affnijden de rechter harde Zenuwtak van het zevende paar , waar op aanftonds eene lamheid volgde, van dé voorhéainfte Spieren vari het aangezigt van die zijde, die altoos bleef duui en ; evenwel hérftelde zichal-i lengskens bet gevoel in het velydoqr de véreeniging van' die .Zenuw met de drie takken van het vijfde:paar Zenu- wen , en de Lijder had weihjg ongemak, alleen van het niet konnen fluiten van het rechter Ooglid, waar door ook traaning,enz. volgde; Allé die'zelfdetoevalienhefr ik gezien in een bejaarde Vrouw, afhangende van eene zinking op die Zenuw. '' > -' -■', ■ .', ; Dé Zenuwen konnen dooreene natuurlijke gefteldheid
van elkander gezonderd blijven ; gelijk ik dikwils gezien: hebbe in deSpinaebifidaé,zie'RUGG&A&T pag; 312z. aie niet alleen beftaàt in eené verdeéling en afwijking van de uitfteekzels der Werwelen,-ffi'aar in eene geneele op- houding van het Ruggemerg, gelijk de beroemde Le Cat zeer duidelijk heeft aangetoond; onderwijlen behouden de Nerviifchiadici, de crurales en 'obturatores, als mede de andere facri hunne natuurlijke gedaante, dikte, enz. her welke eene groote zwaarigheid aanbrengt aan het gemeene gevoelen der Ontledeis, over denoorfprongen' groei der zenuwen. ":■-; -.'bs :' De Leezer ziet zeer klaar, dat alle deeze opge-
haalde Lammigheden , volftrekt ongeneeslijk zijn ; uitJ gezonderd in eenige agterwaartfche Bogchels, en Lam' heden van de gezigt- en merg-Zenuwen, wanneer men <je oorzaaken der verftoppingen kan wegneemen. Van een anderen aart zijn de Verlwihmingen die door
apoplexie, of Hemiplegie, dat is door aandoening op dé |
|||||||||
|
.n.^ER.
|
|||||||
|
Baden van alfa land, of die in dó riabuBt&hap zijn. De
Boeken gefcnreevçn- over de bijna Goddelijke kragten der Baden ,Iaaten niet over om 'één Lijder- te overtui- gen van zijne geneezing; men gage er eens, twee, meer- maaien , en of fchoöji eenige weinige er fchijnbaar voor- deel bij vinden, blijven de meeste in den zelfden (laat^ althans het heugt mij ,'dfai een groot aantal derzelyen even lam te rug gekoomèn is,. als zij vertrokken waaren; het is öök;eöft middel, 'tgëene den Rijken alleen te beurt rriag vallen. In den'jaare 1744. 4.5. 46. 47 en 48. wag 'de Kolijk van poiilou zeergemeen, en bijna epidemicq iri ems land, vooral itt Holland, inzonderheid te-Leiden? het ftelde de fcbranderbeidderLeidfcheHoogleeraaren -,, zo wel, als de krachten van de Baden te Aken te leur; menbleef lam, of fchoon men alle déopgegevene mid^ delen gebruikte. . . . '. ." . ;.- -Toen men dé Eïeiïrifche proeven in den jaare 174»
en vervolgens, met zo veel geweld yoortaettecie, deed men wonderen'met dezelve, men genas alle dagen Ver» lammingen, alle geheelè en halve Wfjsgeeren, Koop-» lieden j Brillenflijpers en ik weet niet nog, gaven ge- heèle lijften op van hunne verbaazende geneeziftgen, en onderwijlen bléeven de Ve/riamdèn lam. Thans doét 'dè~Magn'ëét veélë wonderen, zijne krag-
tén zijn minder gevaarlijk dan de febok van het Ele&rfc feer-tuig, en daarom èer te dulden. ' Men kanzeggen-, dat-de Verlammingenboeook ver- oorzaakt, altoos degeesfel zullen blijven voor het Men« fcbelijk geflacht, 'en éen kruis voor a 1 Ie'braavé Genees- heeren.' De Groote Boerhäave heeft ligt té zeggen-,- de Pâralijfi §. ió'66i Caufa impedient aufertur variïmo- dis caufae ; prius perfpeüae, facile applicandi. Het komt er Op" aanj ó'm "dé oOrzaaken weite doorgronden, en diö doorgrond zijnde, valt de geneezing zelve nog zeer moei- jelijk; dé Zieken geneézen ligtst in de Schooien der Ge- neesmeesters, terwijl de meesteft in bun bed elendig ge* rharteld, zich zelven en anderen tén last zijn, en onder déezen zullen de! Verlamde altoos het beklaaghjkfte' Iet overhouden;' ''''- ';,'''■"-- '."« VERLEGGEN. Dit woord is in gebruik ten aanzie^
van Wijfjes-Dieren. Dus zegt men van een Koe, daF ze haar Kalf verlegt, 'fwëlk zo veel betekent als dat hef tevroeg te voorfchijn komt, en gebooren word eer da^ vdldraagen is. ' VERLICHTEN; Illumineereh ; is de werking van*
èen lichtend ligbaam, 't wêllt-verlicht; of welde lijding» van een öndoorfchinend lighaam , dat verlicht wor4.: Dit woord word in een eenvoudige en mede in een figuur- tipte Sin gebruikt. In de eérfte Sin word het gebezïgf tén aanzien van het Verlichten der Roomfche Kerken op* plégtigé feestdagen ; insgelijks het branden van kaarfen ','- lampions, enz. voor de gevels der huizen, ten blijke van opentlijke vreugdebedrijven. In den figuurlijken Sim noemde men eertijds het Bondzegel der H. Doop een» Verlichting, en wij bedienen ons nog van die zelfde uitV drukking, om dé Goddelijke ingeevingen mede "te betëké-- nen, die zommige Menlchen ondervonden hebben. Ook is het Geloof eene gave en Verlichting van^enHet» ligën Geest. 'VERLOSSING, noemt men wannéér eene Vrouw
ev.n Kind ter waëreld heeft gehragt. VERLOSKUNDE, zie KRAAMKUNDE.. 'VER-LÜ1SANT,;zie GLIMWORM.. ' <■ \ VERMAAK.: Door Vermaik- verftaat men 'dat ver-- rakkelijke gpnoegen,: 't welke voortfpruit «iE hèrgevoell vatu
|
|||||||
|
niet't eene de gemeèrië kop met eéneftërke vlamdoet;
het branden zelf van het vel met gloejende ijzers is nob- dia om de koude taaje ftoffen af te trekken , en vande hersfenen af te leiden. Hevige purgeêrmiddelen in den Aars ingefpooten zijn mede nuttig, niesmiddelen doen zomwijlen wonderen, althans oneindig meer nut, dan «3e fialogoga of kwijluiiddelen, om dat de Lijders geeft bezef hebben van die te kaauwen, nog hebben können zo Tang de hémiplégie duurt. V ,, * Uitwendige, verwarmende, doordringende falven ,
oliën ,fpiritus, zelfs gommen gerookt, metdoeken of han- den gewreeven op de aangedaane deelen-,■ vooral daar de voornaamfté Zenuwen loopen, doen veelal wonde- ren. Wij keuren onderwijlen de Spaanjche-vliegen niet 'af
in de heete apoplexie ; vooral, wanneer alle de andere omftandigheden zuiks niet verbieden; -;' Ten tweeden. De Verlammingen die op Sttiipen -vol-
gen, het zij die door fcherp zuur, 't welk deZenuweri van de Maag en ingewanden prikkelt,' of van Wor- men, welke met hunne knaaging het zelfde veroórzaa- ken; die Verlammingen zijn altoos zorgelijk, zij ver- eilchenbehalven de fpedfique middelen ; tot-vorkooming van nieuwe toevallen, de zul.ke dje de zogenoemlle ver- ftopping of ontfteltenis in de Zenuwen können voorkoo- men. Spaanfche-vliegen, fontanellen, fitont, en alwat in ftaat is om uitwendig op het vel,-in de nabuurfchap der aangedaane deelen te Wérken. -Hevige-purgeer- en braakmiddelen doen zomwijlen verwonderlijke uitwerk» zelen, en vooral, wahneer'teffehs verwarmèndéolien'y fnieeringen met fiece'rijen in'geesten ontbonden gewreë-' ven worden op de aangedaane deelen. Men geeft ook inwendig Zulke"'middelen y -die'zo als
de Geneesheeren het noemen, de geesten verdunnen eri in beweeging brengen konnehv Dé Beroemde-Locher van VVeenen, heeft de apetum ftillatitium met.'Verwar- mende middelen gemengd,' en met :kampher zeer àange- preezen; én in dé daad zijn ér weinige --fpeéifiéaj die te» gens dit middel opweegen können,vooral wannèermen de acetum fiillatitium tot twee Oneen daags laat gebrui- ken. In die gevallen zelven waar in de hersfenen veel geleden hebben, doet hét zeer grooten dienst.' Evenwél blijft er aloos vreeze over,/ dat het verftand min of meer aangedaan zal 'blijven , en eene of andere zijde5 minder fterk en minder beweeglijk zijn. In ie Verlammingen die ten derden-Op de Kolijk van-
porton, op het. gebruik vati loot, of in-de zulke vol- gen, die in lobt, en lootwit',, kwik; antimonie," arfeni- citm, enz. arbeiden, is de geheezing zeer twijfelach- tig, en de ziektezeer elendig om aan re zien, om'dat zij nooit het verftand bedwelmt, en dei halven den Lij- drr altoos zeer gevoelig maakt, en houd aan zijne fmer- ten. Zagte purgeêrmiddelen , en verwarmende oliën, vooral de cajaputi zo in als uitwendig, zijn zeer goe- den prijzenswaardige middelen, dog zij gaan niet ze- -dlgemeene middelen tegens Verlamming.
«[«gaat met de Verlammingen *\s met de Kanker, met
LT- f, 'en der8el')'ke. men begeeft zich' in handen dn oe zulke die zonder grondregelen , flegts woorwen- en geneesmiddelen te bezitten,.om Lamheid,-boe ook eroorzaakt, te herftellèn. Men begeeft zich uit dat &#' e oegmzel tot de Baden van Aken, van Pïjnnont. van'. w'i. enz.j, oin;koit te. zijn,,begeeft,zich-ijderi aaat dfe
|
|||||||
|
SSVÈR.
|
|||||||||
|
.%m>
daar dan ook- tevens den Mensch met Aandoeningen be«
gaafd,, die, de vpornaame bqwerkfters zijner rampzalig. ;heid zijn kunnen,, 't geen alleen afhangt, van het beftier ,en 't gebruik, 't welk wij van dat ycorregt weten te maa» ken. Zo wij het wél weten te gebruiken, is het de bron Van ons wezentlijk geluk , zonder't welke wij geen vreugt, van eenige zaiigheidof geluk fmaaken zouden; zo wij integendeel dit gefchenk "misbruiken, is het de oorzaak van onze' rampzaligheid, de bewerkfter van ons ongeluk, gelijk wij in 't yervojg nader zien zullen. ., Van. deeze waarheid nu, dat den Mensch.namentlijk gefchonken zijn zekere Aandoeningen, die hem voorde Vermaaken vatbaar maaken, worden wij door eene aan^ dagtige befchouwing onzer eigen gefteklheit , op de baarblijkelijkite wijze verzekert,, e ven, zo wel a|s we overtuigd zijn, datde Alwijze Schepper niets te ver. geefs gemaakt heeft, nog dat zijne werken wegens ee- nige overtolligheid te berispen zijn. En waarlijk indien men, den Mensch, om hem gelukkig te willen maaken, (lelde in eene ftaat zonder Aandoeningen, dat nie,t an- dersis, dan een'ftaat,van volmaakte gevoelloosheid, hij was voorwaar de bngelukkJgfte aller Sçhepzelen, en ver- diende niets meer dan den laagften rang in de Geïcha- penheid. ,, - ... ......:. > ... ..-..,. ... , ]v.
, Hier uit volgt,nu, dat de Aandoeningen, waarmede
fik Mensch voorzien is, die hem de indrukzels doen pntvangen van zaaken buiten hem, waar door hij voor de Vermaaken vatbaar"is; dat de Aandoeningen in haan jen eerften oorfprong,zeg"ik -, "niet zondig kunnen.zijn » zfï moeten jnderdaad, als uit het. voorgaande natuurlijk vp.lgt, volmaakt goed zijn, en, voor een redelijk wezen zo gefchikt,'dat ze dienen om een groot deel van des- zelfs geluk uitte maaken; dewijl ze hem dezelven regt beftierende,, zijne Zaligheid in haaren regten aart doen fmaaken,jwaar toe Hy buiten 'déeze geheel,ongefçhikt zijn zou. ,.. ,;..:.":/> v ■'■■■ ,' , : .'.'->../, . Met dit; yporregt', naamlijk,,, yäh de aandoeningen legt, te beftieren, en dezelve op geene verkeerde voor- werpen 'tehepaalen,, prijkte deftaatder eerftevolmaakt« beid; de z"onde,had de hartstbgten nog-:niet befmet> nog de minfte ongeregelde driften in den boezem óntftoken. De-Stamvader van het Menkhelijk geilagt was met zul- ke aandoeningen voorzien, die zich door geen onwaar- dige voorwerpen bewegen lieten. Hij was gewis gevoe- lig voor de indrukzels die hein van buiten toekwamen; andemnts, was bij, nimmer gelukkig, nog zijn ftaat nopit volmaakt geweest ;, want .hij bad de minfte bewustheid niet kunntn hebben van zijn geluk, zó,hij niet vatbaar gelchaapen was vooir aandpeniningen ; zijne Ziel had dan geene indrukzels altoos ontvangen, 'tgeen buiten Hem beftond^ en hij had dus niets gefmaakt van de Herneifche wellusten, waar van het Paradijs overvloeide. Dan hierin had.de grootp Formeerder aller dingen,, met een alwijs b'eleid,, en.onbegrijpelijk dóor?ig: voordien ; door 's Men- fchen Ziel' te fcheppen met die gefteldheid, waar dcor zij gefchikt was om vanbuiten indrukzels te ontvangen; hetgeen haar dus vatbaar maakte om waar geluk te fmaa- ken. Dit geluk heeft hij ook zo lang genoten , als hij van dat groote gefchenk, teweeten, de gevoeligheid0111 indrukzels van buiten te ontvangen, zich wel bediende» Maar zo groot als dit voorregt was, zo lang de Mensch het zelve beftendig regt gebruikte, even zozeerdiends het om hem te verlaagen, en ongelukkig te doen wor- den,, bij maugel van een goed gebruik. Bijaldien hijdi' ; voorregt,verwaarloosde, moest het hem onvermijdelijk ; ne« ;
|
|||||||||
|
■8*26
|
|||||||||
|
van de voldoening-onzer nooddruftefn ,;ûit de verbetsting
.van onzen ftaat, uit de vermeerdering van onze kundighe? den, uit het behoorlijk.gebruik dat wij ervan maakcm» en uit dege war word ing datwij aan onze vporbefebikking hebben beantwoord ; in een woord, het Vermaak is 't ge- not van't goede. ; ■' " i»«j a | -»;'- v-■; Dog de meeste Stervelingen hebben een zeer verkeerd
denkbeeld yandeezeaandoening,,epneemendikwilseen ingebeeld voor:een waar vermaak', het is hierom, : dat_wij niet ondienftig agterronze Lezers eene uitgebreide yer7 handeling ovçtMei ingßbeelde en wqare ^Vermaak m.ede te deeleij, en der.zelver .onderfcbeid.za-nauwkeurig'ais $ç-, nigzints doenlijk isàantetoonen. .: I. Dat de Sinnelijke Aandoeningen, even zo wel als
die, welke alleen, eenen onmiddelijken invloed hebben op ons redelijk wezen, zeer veel kunnen,toebrengen om den ftaat van ons gelukje volmaakei?;- denzelyen.wijder uit te brejjien,, of nauwer te bepaalen,- al naar gelang ze meer of mindere-heilzaame; of Schadelijke yermopgens over ons oefenen, is eene onbetwistbaars waarheid. En 'x komt mij piet minderzeker voor dat deeze Aan^oenin: gen., zowelde,.Sinnelijke, die alleen onze dierlijke drif- ten "gaandemaaken,, als die, welkeovereenkomftigons redelijk beftaan, bnmiddelijk onzen- geest -aandoen yen onze edeifte- vermoogens opwekken*; de .eçnjgfte be- werkfters van ons Vermaak zijn i aew[\\ßT. gqçn Fermaqh bujten deeze gemerktword; ende Menschzorider.dezêl- ve volmaakt gevoelloos zijn zou.-. Dit vast ftaande, zo, fpireekt het» dankt me, van,zelve, dat, ér zekere zoor?; Sen.vmFermaakenyvQï den Mensch gefehiktizijnf, dat;
Ie Vermaaken dus voorhem^en Hij voor derzelyerge-, nieting gemaakt is. Dit febijnt ;in het minst niet aan, te Ioopen tegens de al wijze -oogmerken Gons in het for-, meren van redelijke Wezens ; zo; we alleen maar pp het, oog houden deonderfcheidingder Vermqakem; die «ver-:, eenkomftig onze Natuur zijn, van .dezulke K -die'onze, bejaaging onwaardig moeten; gerekend;worden., om .dat, ze tegens dezelve ftrijden. ;.Wanthet qqgmerk van .óp» zen Almagtigen Formeerder kan niet wel anders geweest, zija» dan<den Mensch: zosgelukkjgTte'rrfaaken, als met eenige mogelikheid , zonder krenking zijner eigen vol- maaktheden, en derwijzeinzigtenj', die hij zich zelven bij de vorming van het Geheel-Al voorgefteld had, ge-, febieden kon; waar toe Hü dan ook alle redelijke Wezens niet zulke aandoeningen, befchonken ;beçft,, die hen vat- baar maaken voor; geluk en ongeluk,, en dus zeer gèypen lig doenzijn voor derzel.yer vermogens,; die den geest, oefenen.- ;.God, heeft-derhaly en,r mag 'Uien geredelijk befliu'ten, in den boezem van jeder; Mensch,niet.zon« der gewigtigeredenen, en aanbiddelijk.e Wijsheid, een zekere trek tot de .Vermaakelijkheden deezes levens in- geplant;, 't geen zeer veel toebrengt, om hern den tijd ïijnes.verblijfs hier op aarden aangenaam en genoeglijk te maaken; want.de oorfpropg yan ons beftaan, mets, te vergeefs,, nog ;overtoj)igs werkende,, heeft ons deeze natuurlijke -neiging zekerlijk niet zonder gewigt ige reden gefchonken,, maar ongetwijfeld met oogmerk, ,op dat, wij-er gebruik van zonden maaken. Zie daar dan'den, Mensen door God zelven met vermogens befchonken, en wei'met zulke venuogens, vraar door Hij vatbaar word, 'en zeer gevoelig voor alle de uitwerkzels en in- vloeden , weHreze-op den Geest oefenen. Een voor- regt voorwaar,,datrhopgte waardeeren is, en ons ver- ließ f boven, het groQtfte deel vanuiie tallooze Schepzelen, ia welker; midden wij ons .geplaatst-zien., Dog zjç, |
|||||||||
|
V2R.
|
|||||||||
|
VER;
«>«ftnrten in eenen ftaat van de Iaagffie rampzaligheid,
S bii de uitkomst klaarblijkelijk gebleeken is; hoe fppr ook alles in zijnen eersten oorfprong goed, en den GrooteB kerkmeester, door wien het gevormt was, Dan nadeinaal wij zien, dat het misbruik, 't geen de
Menscb, in't vervolg van tijd, van deeze gefchonken roorregten gemaakt heeft, en dagelijks maakt, tot gevolg heeft de bejaging veeier verderfelijke Vermaaklijkheden, zondige en vleefchelijke wellusten, welke de nadeelig- ftc gevolgen na zich fleepen, zo zal het der moeite waar- dig zijn, deeze Vermaaken een weinig nader van nabij te befchouwen. ' ■ f ' Men ziet veele Menfchen een oneindig aantal Vermaa-
gelijkheden met ijver eneene onverzettelijke begeerte na- jaagen ; dog die een redelijk Schepzel onwaardig, 's Men- fchen begeertens onmogelijk voldoen kunnen ; die alleen de vertooning maaken van iets, terwijl ze in zich zei- ven niets anders, dan ijdelheid zijn, geenzins gefchikt, nog overeenkomstig den aart en de natuur van ons zede- lijk beftaan. Dit zijn Vermaaken, die den bijzienden Sterveling misleiden, door eene ijdele vertooning van ge- waande beftendigheid ; die Hem onder hunne heerfchap- pij wegflepen, en onder de banden en het lastig juk der flavernij brengen; die zich in een vaisch ligt plaatzen , om den Mensch te misleiden;die recht befchouwd niets in zich bezitten, om de Ziel met zuivere en onvermeng- de blijdfchap te vervullen ; nog geen vermoogen altoos hebben om een waar geluk uit te werken. . Vermaaken, die integendeel in de Zieleene groote ledigheid laaten, ofwel, in plaats van die liefelijke en verkwikkelijke ge- moedsaandoeningen te vervullen; in plaats van in den boezem uit te ftorten die ftille gelatenheid en verkwik- kelijke kalmte, die voor de bron van.'s Menfchen geluk te houden is ; de Ziel in tegendeel daar na vervullen met onrust, met wroeging, met kloppingen, met moedeloo- ze vertwijfelingen, die den ftaat e'enes Menfchen aller- bejammerens waard igst maaken moeten; dewijl ze totge- volgen hebben, de gevoel igfte en alleraandoeniijkfte fmarten. Zulke Vermaaken hebben geen ander vermogen,' dan
het geen ze alleen op 's Menfchen uiterlijke Sintuigen oefenen: zii draagen daarom den naam van.Sinnelijke, en Dierlijke Vermaaken-s; om dat veele derzel ven, ons re- delijk wezen onwaardig, geene of zeer weinige indrukzels . van zuiver genoegen maaken kunnen ; nadien hun dat ver- mogen ontbreekt, 't welk der Ziele den verkwikkelijkften ; wellust inftorr. Van deeze Vermaaken ziet men niet zelden den Mensch onder de genieting walgen; terwijl hij ze zelfs driftig en vuurig bejaagd, haaren ze hem reeds al kwelling en hartzeer ; zij verlaaten Hem doorgaans heel fchielijk , en als dan vervullen zij bet hart met een jam- Dierlijk met een gevoelig verdriet, waar door niet zelden de ziel geftort word in een ftaat van ufrterfre rampzalig- heid.;Niet dat alle de finnelijke Vermaaken van die natuur zijn , dat zij allen een en dezelve nadeeüge uit- komften hebben 5 ver van daar! Men vind er, die, voor den Mensch gefchikt zijnde, deszelfs leven aangenaam I tn y-ernjaaklijk maaken, die in zekere omftandigheden ver- , Kwikkelijk, en om den Geest te verfterken van zeer veel ; nut en vrugt zijn. Deeze, gefchikt naar den aart en na- tuur van s Menfchen gefiel, mogen den naam draagen, niet alleen van geoorloofde, maar zelfs van natuurlijke rermatken ; maar het ander zoort dat thans het onder- ' S,âll#»ill8 is, waar aan de meeste Men- |
|||||||||
|
3827,
|
|||||||||
|
fchen zich zo verflaâfd overgeven jfbeftaat flegts in ver-
beelding. Zij riià|ken eenjge vertoon ing, als of ze in' ftaat waaren, het' wëzentli/k geluk vari een redelijk Schepzel te bewerken; omJffè reden ziet men zo vee- le Menfchen onledig, ten einde dezelve met ai dien ernst te bejaagen, die men behoort aan te leggen, óm een 'beftendïg en gedùurzaam'goed te verkrijgen. Maar men Iaat zich al të deerlijk misleiden door de enkele vertooning,- terwijl een vooruitzigt op andere Vermaaken, dog van dezelve natuur, de' eigen vermo- gens, in hoe een verren afftarid ze nog mogen geplaatst zijn, óp het gemoed oefenen, even gelijk; de voorige^ die fchielijk verdweenen zijn. Op deeze wijze laat men zich van dag tot dag beguicbèlen , door iets, in welker bejaaging nimmer eenige waare rust voor de Ziel gevon- den word. Door deeze Vloed vanrijdele, van ingebeelde Vér-
maakelijkkeden laat den Mensch zich veel al geftadig weg fleepen. Hij bevind zich als ineen dfaaiftróorrj, uit wiens midden hij zich niet weet të redden, ten miristen,zonder dathetbem veel arbeid koste; zich zelven van die Ver- maaken te fpeenen, of zieh aan zommigën te onttrekken, komt veelen als een -pijnelijk eb verdrietig werk voor, Deëze Ontrukking aan de Welfusteh dezes levens fchijnt voorwaar voor bet vleesch zeer aandoenelik en fàite» lijk te zijn; want duifend begeerlijkheden ten onder te brengen, allé zijne kwaade en verdorven neigingen t» dooden, zich zelven van dat geene te fpèenen, waar toe men door een talloos aantal van voorwerpen gelokt word, zulk een werk komt veeltijds'te zwaar voor om er aan te torfchen. Daarbij" hëëft de Deugd in haar eerste aanzien iets onbevalligs; aile haare voorfchriften fchijnen lastig, zwaar en moeijelijk;" én zulken, die der wellusten dienstbaar zijn^ kurtnën in dezelve niets voortreflijks vinden. De weg die tot de Deugd leid fchijnt hun hobbelig, oneffen, en ze meenen op den zelven zeer veele onaangenaame bejegeningen te zullen ontmoeten». De Deugd trekt de Mensch af van alles, waar hij van natuure toe fchijnt te neigen; daarom vertoont ze in "de oogen veeier Menfchen die fchóöhe gedaante niet die men haar toefchrijfr. Ze is, zeggen ze, op vér na zo bevallig nog aangenaam niet, als men haar wil af- fchilderen; integendeel ze doet niets dan geduufig be- rispen, den Mensch geftadig te rug roepen van bet in- volgen zijner lusten, en begeerlijkheden; zij maakt heni angstvallig; ja de gantfcbe weg der Deugd, is e'ér met fcherpe doornen bezaaid, dan Vermaakelijk en gebaand; 'dezelve is vol oneffenheden, die de bewandeling on- draaglijk lastig maaken. Daar en tegen is de weg des Vermaaks gebaand, glad en effen, en wegens duifend verkwikkelijkbeden, die zich geftadig aan het gezicht opdoen , en aan alle de overige Sintuigen aangenaam, vertoönen, zo uitfteekend bevallig om te bewandelen', dat elke trede, die men voortzet-den Wandelaar tel- kens nieuwe en tevens fchilderagtige bekoorlijkheden ontdekt. Ze leid hem als langs een pad van roofen', 'waar de verk*vikkelijkfte geuren dê lucht vervullen ; alles wat men ziet is fchilderagtig; alles wat men hoort is zielftreelend; en alles wat mën hier fmaakt is eene onafbeeldelijke wellust voor het """Vleesch ;. met een 'woord, het pad der Vermaaklijkheden leid ons ontwij- felbaar naar dezaligfte gewesten, daar de weg der deugd den Mensch van het waar geluk verwijdert. Zie daar, op zodanige eene wijze redekavelt het
Vleesch, en de vleeschgezinde Mensch; aldus redeneert
I .....'de
|
|||||||||
|
Vlït;
teri, met de ùitgezôgtfte Vemaaken,niet vervuld Wor-
den. * Ik bidu, doorzoekt uwe Zielen nauwkeurig; ziet hoe gij haar gefteld vind, als u deeze Sinneiijke' Ver* maaken flegts eene enkele reis ontdaan ? Als dan hebt gij den besten tijd, de allergepaste gelegenheid, ombe* daard bij u zelven vrij te itaan. -. Dan zulk een wérk zult gij zeggen, valt te pijneüjkj een vrolijk gemoed kan er zich niet toe verledigen, en zulke angstvallige gedagten rijzen echter nu en dan wel eens, tegens wil en dank, in uw gemoed op. Maar welk een verfchrik- kelijk afgrijzen ontltaat er als dan in de Ziel,1 de Vet* maaken zijn weg, verdweenefi » en zie daar, ze laaten niets dan. angstvallige vertwijfelingen. - Dit echter is nog niet alles, watude wellusten aandoen. De Ou* derdom genaakt; gij begint te walgen van al watu voor deezen zo bekoorlijk, van alles wat u Voor heen beval« lig was. fc-i Die zelve aandoeningen word gij niet meer ontwaar, gelijk als Voor deezen, toen gij uWin de Wel- lusten deezes levens baadde; de lust, de kragten, mét éen woord, alles ontbreekt u, om ze meer ffiet dien ijver na te jaage.n , ais toen "hét jeugdig bloed vrij door de ade* deren (peelde. Bet zijn dezelfde Vermaaken niet, ver- beeld gij u, ze doen u niet aan ; ze verwekken die zelve drift niet; ja ze vermoejen u veel eer, dan dat ze eenig genoegen geeven.«Het zijn nog dezelve Vermavckèn, maar ze oefenen dezelve uitwerking niet méér op uwe geitellen. Dog 'flaa mij toe n'pg eene trede verder te doen, en een ogenblik te vertoeven ; b/j de gevolgen, welke de ingebeelde Vermaaken in zich 'fleepen. O wel- ke gevaarlijke klippen, ten hoogsten te dugten. 's Men« fchen zwakke getteldheid word door bet ijverig najagen van valfche vermaaken, van verleidende wellusten, al te deerlijk ondermijnd! De vleefchelijke begeerlijkheden in te volgen doet de vrisfte gezondheid wel haest kwijnen, en verfpreid eene verbleekte magerheid op de aangezig- ten! Ziektens, pijn, fmart en elenden grijpen den be- drogen Sterveling aan, en Horten hem in eene deernis- waardigen toeitaud. Hij ligt vast gehegt aanzijne leger« ftede, gebonden met de knellende banden van krank- heid. Rusteloos kwelt hem eene ongeduurighéid, die zijne fmarten nog een gewigt van moejelijkheden bijzet, terwijl zijne Ziel geftadig gepijnigt word door een jam- merlijk terug denken aan het voorledene; welke gedag- ten hemden Boezem van een fcheuren. Maar hoe angst- vallig ziet hij op hettoekoomende; welk een bekommer, lijk vooruitgezigt, 't geen het hart in de moedelooste vertwijfelingen doet weg krimpen! Middelerwijl ver- meerderen de aanvallen van fmarten nog ieder ogenblik,; en wanneer mendat gevreesde tijdilip ziet naderen, dat tijdftip, dat met fchielijke fchreeden toefebiet, waar in men alles moet verlaaten, alles vaarwel zeggen , enden Wellustigen, in de tegenwoordigheid van eenen gedugten~ Regter., rekenfebap van zijne bedrijven itaat afgevor- dert te worden. O welk een allerijsfelijkste vertooning! Welk eene angstvalligheid prangt als dan het benauwd gemoed ! Duizend verwenfchin.gen volgen dé eene op de andere; alle zijn ze ijdel; want eindelijk ftort men neet in een onvermijdelijk verderf. Zie daar de gevolgen der verderfelijke Vermaaken dis
men veelal zo vlijtig ziet najaagen; dog die, voor ons natuur ongefebikt zjjnde, eene ernstige bejaging veel té onwaardig zijn. ' Zie daarliet uiteinde der zulken, die zich geheel aan de wellusten deezes leeyens overgee- ven ; die dienstbaar zijn aan de begeerlijkheden des vlee* fches, en, geboeidmet de ketenen derzonde, onder ee- ' ne
|
|||||
|
fftiift *Eft.
de Dwaas, 8ie geêne wellust kent buiten die, welke
èijne Sintuigen aandoet, die niet weet dat ons groots- te geluk bëftaat in die zuivète gemoeds-rust, welke een volmaakte wellust voor den Geest is ; een wellust die toet het vleesch weinig te (tellen heeft j een veel edeler, dan alle de vleefchelijke wellusten, die van veelen 20 gretig würden nagejaagd. Wel aan Waereldling, breng üWe Vermaaken ten voorfchijn. Laat ons zien waar ze in beftaan, of ze ook in ftaàt zijn de uitgebreide b'egeertens uwer Zielen te verzadigen. Befchouwen wij uwe Wellusten eens voor een öogenblik van den allervoordeeiiglten kant; maar ziet zij zullen ras tot Jjdelheid verdwijnen. Laaten vrij alle uwe Sintuigen op de gevoeligfte, op de aangenaamste wijze worden aangedaan. Laat het genot uwer wellusten u nog zo Vermaakelijk, nog zo verrukkend voorkoomen, en aart alle uwe verkeerde neigingen, aart alle üWe dwaaze begeerlijkheden, in allen opzigte fchijneh te voldoen; nögtha'ns met dit alles Zal het einde derzetven, u wel haast overtuigen, dat uwe wellusten géén wÈzentlijk goed in zich bevatten, nog den Mensch eenig beften- dig geluk fchenkén Minnen. Sla flegts het oog öp der- Zelver geduurzaambeid; hoe kortftondig is al uw Ver- «MööÄf Geen tijd is doorgaans vlugtiger , kortftondi- . ger, dan die men ift wellusten en Vertnaakelijkheden doorbrengt. Dwaas zijn derhalven, ten uitersten dwaas eh buitenfpoorig onze pogingen, wanneer ze "niets an« üers op het oog hebben, dan onbeftendige goederen, dan Vermaaken van erikele. öogenblikken ; wellusten ■ffiè. zo fcbieiik henen vlugten als de ligtste fchadu- wen, welke voor ons oog gemaakt worden en ver- dwijnen, bijna op eenen tijd; onverfchoonlijk dwaaä gift zulke pogingen , die zich niet verder uitftrekken, » tan tot dingen die in zich zelven geen wezen hebben ;
daar ijder in zijne eigen boefem een grondbeginzel ont- äekt, het geen zich tot iets van een edeler natuur uit- yftrekt. 'Onvergeefelijke Dwaàzen derhalven, die al. leen Wellusten bejaage'n .welke bij alle gebreken, nog een voornaam gebrek hebben, dat zij naamemlijk het ieeven verbaazend kort maaken ; een gebrek, " dat _ -veele Menfchen ïö veel angstvallige bekommeringen
"" "baart.
Dan tot nog toe hebben wij flegts de mgeieeUe Vermaa-
Tiilijkiiederi van den voordeeligften kant befchouwd. Nau- welijks zal een eenig Mensch, overgegeeven aan dartele, ian losbandige wellusten, die laaten vaaren, all een om \jatzij hem een goed gedeelte zijns levens fchielijk doen voorbij vliegen , omdat ze veel kostelijke tijd fcbande- ïijk doen misbruiken, en hem voor zulk een misbruik ten eenemàal onverantwoordelijk (tellen ;. men heeft zijn antwoord hier,op dadelijk gereed, Die tijd, welken men in Vemaaken doorbrengt, hoe fchtelijk ook mo- £e voortfnellen, heeft ten minsten dit voordeel, dat ons ,, de genieting ftreelend aangenaam is; en zijn deeze ogen- blikken fcbielijkvervlogen, ze zijn zo dra niet uit ons ',, gezigt of we zoeken terftond weer anderen op, om dus ons leeventoteen fcbakel van genoeglijkheden te_maa- ken".--Dog dwaaze Stervelingen,, laat ik u mogen zeg-- igen, dat gij uwe Zielen onverantwoordelijk .misleid, en 'het naberouw is te dugten, zal veel te fpade koomen.. ."Doorzoekt uwen boezem nauwkeurig, enbelijdter,goeder; irouw ofgij d enz elven, ooit met waar genoegen vervult-, vind, zo,gij ten deeze opzigte getrouw met uw zelven handelt-, zult gij wel dra moeten belijden, datgijerzulk eene.ledigheid ontdekt, die wet alle de aardfche weilus- |
|||||
|
£$$.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
,;:*PÄ; 1
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
im
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
à* onverdraaglijkeflavernij gebukt gaan, £{e daar de fljsteJMJiejt böge* t.ejlaa.tzen,zjjn., d.an binnsn denkring
wrance Vrugten die er-op. den weg der ondeugd teplük- der onvolmaaktheid, die de. ziel kwelling, en het ge«
ken zun wel verre daar van daan, dat het pad der on- moed onrust ba.aren.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
Dan, om ons bedoeld oogmerk niet uit het gezigt t$
^kTïsraenhet zelve opgetreden," of het verliest ras alle verliezen, word het tijd dat we ons werk maaken, ont |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
J.lJKS ... _ ._ j.
|
en hoe men verder voortwandelt,
|
tot de bronnen, waar uit 's Menfchen verkeertbeid in het:,
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
Êiine Schoonheden.
hoe het onaarigenaamer word. Dan de Deugd is van ee.
ne geheel andere natuur; deeze leid ons op tot het waa-
|
verkiezen der Fenizaafce/y&Wert voortvloeit, te komen;
ten einde aldus in deeze Verhandeling onze voorgeftelde
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
re geluk; de wegderwaards magin den beginne wat hob- orde te houden
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
belagtig, wat moeijelijk vallen; geen nood; wei dra ia
men deeze zwaarigheden te boven ; en hoe men verder
yoortwandek, hoe men meer aangenaainheden , meer
verkwikkelijkheden aantreft. Dog hier van zullen wij in
het vervolg nog nader overtuigd worden, wanneer wij
I zullen onderzoeken welke de beste middelen zijn om ons I een duurzaam geluk te bezorgen. Dat wij ons dan niet laaten bedriegen ; nog onbedagtzaam laaten misleiden,
; doof dingen, die in zich zei ven geen wezen hebben; maar ons allerwege toeleggen, om een beftendig geluk
te verwerven, dat ver boven het bereik van alle veran-
dering, en vergankelijkheid geplaatst is. II. Uit het verhandelde hebben wij gezien, hoe de,
Mensch eéne zekere gefteldheid ontvangen heeft, die hem voor de Vermaaken vatbaar, en aandoenlijk maakt. Dog, dit zo zijnde, dan dienen de Vermaaken, dieonze bejaging waardig geoordeeld worden , wel iet* meer te bezitten, dan ons flegts (loffelijk aan te doen, onze dier- lijke driften alleen in beweeging te brengen, of onze ui- terlijke zinnen te ftreelen; zij behooren in tegendeel van dien'aart te zijn .dat ze onze Zielen met eene zuivere Blijdfchap vervullen. JMen omfchrijft deeze Blijdfchap, welke het.wezentlijk geluk der Ziele uitmaakt, gewp- |
tls waar, dat er in de Natuur der dingen wel niets,
ligt, dat den Mensch volftrekt tot dwaling leid; vee! minder magmenonderftellen, dat onze AI wijze Formeer- der iets zou gefchaapen hebten met een oogmerk, om bet oordeel van den Mensch langs verkeerde wegen te lei- den , 't kan echter niet ontkent worden, dat het beoor* deelen der zaaken eene rijke Bron is van dwalingen,, en dat uit die beoordeeling, allereerst onze vooroordtee-! len voortvloeijen; even gelijk uit de yooroordeelen, 'eev ne verkeerde beoordeeling ontftaat. - Edoch-, is de fchuld hier van gelegen bij de Voorwerpen , die ons om- ringen ? Of is ze te zoeken bij onzen grooten Schepper, dien magtigenen wijzen Vormeerder van al het zieneiijY ke? Nogde gefchapen Voorwerpen,, nog derzelver aimag- tige Vormer hebben er een ige fchuld van ; want ontwijfel- baar heeft de Mensch de fchuld zijner eigen dwaaUng, ini. zijn eigen verdorven hart, in zijn eigen boezem te zoeken." Zo dra wij al te voorbarig oordeelen, ftaan wij bloot, voor allerleij zoorten van dwaalingen ; zo dra wij oor», deelen, voor dat wij eene genoegzaame kundigheid, wan* neer wij flegts eene twijfelagu'ge klaarheid in het ont» dekken en uitvorfchen van zekere waarheden ontvangen hebben, vooral indien wij de infpraak der rede geen ge- |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
nelijk,als die allerftreelendste gemoedsaandoening, die hoor geeven, maar luisteren naar onze bedorven net
het gevoel van fmerten doet wijken voor het gevoel van gingen, ons onderwerpende aan de leiding van vér |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
keerde en ongeregelde hartstogten, als dan ftellen wij
ons aan de grootste, aan de gevaarlijkste dwaalingea bloot. Wel ras'geeven wij ons over aan eene menigte van verkeerde bevattingen, die het valfche onder, een vercierd kleed van waarheid weeten te verbergen, en-ons' qngeyoelig wegfieepen,. onder deHeerfchappij vanhaar;, verderfelijk vermogen. Uit deezen Bron vloeijçn onze, verkeerde begrippen voort, die.in 'tgemeen den Mensch, zó dwaas over de Voorwerpen, welke hem bejegenen,' doen oordeelen. Men vergenoegt,zich met eene fçhijn-l baarheid, die ons veeltijds ongelukkig misleid, en dee- ze verkeerde neiging ontdekt men in de meeste Men«, fcben. Daar is er, die de waarheden in.déduisternisfe opfpeuren, en zich den arbeid niet ontzien, veel min- der beklaagen, wegens de moejelijkheid om dezelve net en klaar te ontdekken ; dog derzelver getal is waarlijk bijster klein, in vergelijking van die, Welke zich met een oppervlakkig oordeel "én kundigheid vergenoegen. Want yeele Menfchen zijn genegen, om 'demoeite van eén nauwkeurig onderzoek te ontwijken; en liever de, oyerheerfchende driften hunner bedorven hartstogten op te volgen, onbedagt te oordeelen , gisfende naar de klaarheid eener zaake, en zich volkóomen. overtuigd, houdende van derzelver zekerheid, voor dat èr moge-] h'jkhèid was, om tot de volkóomen kennis daar van te, kunnen geraaken; hier door treed men hef regte fpoot bezijden, en.men geraakt, op den doolweg, waar op men, hoe langer hoe meer verdwaald, naar maàtémen yoort- garigen, jgn pobgingen doet. ~ "' . '[.'.'"'.'.' Eene andere. Brpti weid ontelbre dwaalingen op, ei\
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
wellust en' Vermaak; en dus word de Mensch gezegt ge«
. heel van Blijdfchap vervuld.te zijn, wanneer hij het ge- voel van kwellende aandoeningen, het pijnelijk gevoel Van verdriet uit de Ziel verliest, en ondervind dat des- zelfs plaats duideiijk vervangen 'word van een zuiver ge* noegen. En zo dra. tog voelen wij deeze verrukkende; aandoening, reeds in het hart ge'booren, en door haaré vermogende kragt de overhand krijgen, of alle die be- letzels, welke haar nog in den weg ftonden ,' beginnen .fchielijk weg te vlugten; terwijl de Ziel zich inmiddels geplaats.t vind in een kring van ftreelen'de, va,n verruk- kende aandoeningen ; waar door men zelfs van eene : menigte moejelijke omftandigheden kan omringd zijn, dieanders den Mensch geweldig .ter neerftorten, zonder dat deeze gemoedsaandoening, verftoord word; dewijler eene zagte rust, eenë bedaarde kalmte den boezem blijft vervullen. Van zo veel vermogen is de waare blijdfchap, die, wanneer ze ons hart vervult heeft, het zelve vef- iterkt tegens alle kleinmoedigheid, wapend tegens alle onaangename bejegeningen, en beveiligt tegens alle gril- lige wisfelvalligheden , die den Mensch in dit'leeven ontmoeten. De Mensch dus kloekmoedig gemaakt zijn- de, onderwerpt zich het verdriet, en ftaat zijne heer- xcnappij af, aan eene veel aangenamer hartstogt. Hier » m, meende Diogenes , beftond des Menfchen hoogde >. geluk op aarde, dat hij eene bedaarde gerustheid plant- " l"in z!}ne Zie,e' en eene ongeftoorde blijdfchap in ,, zijnen Boezem". Het is zeker dat een Vermaak, dat "r5eef knagende wroeging te eeniger tijd gevolgd |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
lust ri ----- «>"»> ix »vgl ucuuadiu v au y ermaan or wei
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
<Ka?§en, mag ; daaj: alle, andere zoorten Vaii ,wel- fchijnt meet zijn oorfprong te neemen uit dg yoprwej pèfn.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
883« VE% -VÈK.
zelve. Z- *tls de aangenaame en bevallige vertooning, waereld, die zo veef vertooning maakt, en van veel«
waar mede zommige dingen zich voor ons opdoen. Ee« Menfchen zo gretig begeert word ; dog die ons, er naauw- nige voorwerpen hébben een' bevallig voorkomen, fchij- lijks ingetreden zijnde, met duizend ijdele beuzelingen nen meer in zich te bevatten, dan de uitkomst doet zien, omringt, die den onbekenden wel fchoon in 't oogglin- én in deeze ftrik laaten duizend misleide Stervelingen zich fleren, maar echter der waare verdienden haaren rech- vangen. Of liever men ziet van veele zaaken derzelver ten prijs onttrekken. Inmiddels is hetnogthans zeker, dat fevolgenover het hoofd, en dringt niet door deuitwen- onze Zielen met eene bijzondere fterkte moeten getva-
ige fchors tot in derzelver binnenste, welk aan ons ver- pend zijn, willen zij door het geweld, dier JchoonfcMj- ftandeen oneindig'onderfcheid zou vertoonen, bijaldien nende Fermaaken niet verwonnen worden; niet verlokt men zich flegts de moeite gaf, de zaaken meer inwendig worden door iets, daar het bedorven hart zo toe geneigt te befchouwen. . , is ; eene geftadige oplettenheid, eene geduurige waak- Dus is veeltijds de gewoone handelwijs der Menfchen zaamheid tegens deeze verleidingen, is eene zonderlinge
in het näjaagen der vermaakelijkJieden, in het zoeken van fterkte van Geest, eene allerprijswaardige Deugd. tun geluk, dat ze menen te zullen vinden in verkeerde, Een Man van uitfcbitterende verdienften, van vermo- in verderfelijke wellusten. Op deeze wijze laat zich de gen, van een goed verftand, en van eenen zagten inborst; lösfe Jeugd misleiden ; de Vermomming, onder welke vind zich geplaatst in den kring van Vermaak -zoekende jjich de verderfelijke Fermaaken vertoonen, bedriegt haar Lieden, van wellustige Menfchen ; hij vind zich genood, al te deerlijk; dewijl de Ziel als dan zelden moeds'gè- zaakt dagelijks met hun te verkeeren, en, zonder de wet- nocg bezit, om de verleiding tegen te gaan, en het ver. ten van befcheidenheid te overtreden, kan hij hunne da- fland te zwak is om de infpraak derRedegehoor te ver- gelijkfche opwagtingen niet wel ontwijken ;-. zij koomen leenen; waar van zich de bedorven neigingen, het ver- hem geiladig ontrusten, met eene menigte van geringe dorven hart,bedient," brengende de onbeftendige Jeugd pligtplegingen, met gedienftigheden , die hem geweldig onder haare heerfchappij, welke haar in vaste ketens verveelen; terwijl de welvoeglijkheid hem nu en dan na. kluistert, eh aldus" in hardt' dienstbaarheid geboeid, in hunne verveelende tijdkorting, Fermaak genoemt, wég-' overheerfcheride flavernij gevangen met zich fleept. Op fleept. Deeze doen niets dan ondertusfchen een menigte dezelve wijzejaatde vohvasfenOuderdom, en op geene van ketenen van dienstbaarheid fmeeden ; en pogen hein andere manier de bevende Grijsheid, kortom, het gant- met alle kragt, onder haar heerfchappij, onder haar druk' fche Menschdom zich verleiden, zo dra de gezonde rede kend geweld, in eene onlijdelijke flavernij te brengen- geenen genoegzaamen indruk op het gemoed meer maakt, zijne Ziel echter bezit eene al te groote fterkte, en is want zoras de Mensch zich maar in fchijnkan overtui- ongenegen onder dit juk der dienstbaarheid te buigen; gen, dat de Fermaaken , welke hij zoekt na te jagen, niet hij verzet zich tegens de lusten die hem pogen te over. r'egtitreeks tegens zijne pligten aanloopen, "nog de Rede heerfchen, en ontrukt zijne vrijheit aan eene verderfe- icbijnen te verkragten ,, vind hij weinig zwaarigbeidzich üjke flavernij. Zie daar eene fterkte, een kloekheid van aan dezelve gerustover re geeven, zonder naauwkeurig geest, welke vereischt word, om niet in den algemee- onderzoek te doen , of hij in zijne oordeeling misleid nen draaikolk van wereldfche vermaaken, van ijdele wel- word; 't is genoeg dat deeze beguicheling kragtdadigon- lusten verzwolgen te worden. Met zulke wapens dient d'erfteunt word door eene menigte van verkeerde.en zon- men zich te wapenen tegens de aanvallende verleidingen, digeneigingen. en metzulke wapens kan men zich de zege belooven Men vind den Mensch doorgaans fchieüjk gereed, om Zulke eene fterkte van Geest is in ftaat het geweld der
zijne verkeerde begeertens op te volgen; hij is genegen wellusten te weerftaan; deeze Deugd moet men het ge- zijnen zondigen aart in te willigen. Zo dra nu de voor- moed zoeken in te planten, en deeze alleen bezit het ver. werpen eenige vertooning maaken, begint hij eene zon- mogen om onze vrijheid te verdedigen.' derlinge geneigtheid te gevoelen;, om dezelve na te ja* Van alles nu,, wat op ons enigen indruk maakt 'tgeen gen, en voelt zich zelve van allé kanten daar toe getrok. de Ziel aandoet, de finnelijke neigingen overtuigt e» ken. Hij begint zulke voorwerpen als dan in een aller- onze begeertens opwekt, mogen wij alleen naar de' be- günstigte gezigtpunt te plaatzen, en dat geeft oorzaak ziting van.dat geen ftaan, 't welk, wegens zijne over-- dat zijn oordeel, niet meer onzijdig zijnde, gewoonlijk eenftemming met onze gefteldheid en aart, natuurlijk en geheel verkeerd is. Op dusdanig eene wijze is men ge« voor onsgefchikt is ; het dient de palen van redelijkheid woonaldepragtderGrooten, dèRijkdommen, en voor- niet te overfcbreden,-wantal wat die te buiten gaat be> al derzelver Fêrmaakelijkheden te befchouwen. Men ftaat niet meer, dan in bloote inbeelding 'tgeenz'eke- beeld zich in dat ze zuiver, dat ze onvermengd zijn re grillige neigingen in zwang gebragt hebben Wij moe« van eenige onaangenaambeden , dat al het zoet hier. ten daarom niet flegts ons gevoel en aandoeningen op- zonder zuur is. De vertooning welke zij maaken, mis- volgen; men behoort vooral gehoor te geeven aan de leid den Sterveling, terwijl zich ondertusfchen agter infpraak der Rede, om datdie niet minder dan het gevoel, deezen fchoonen fcbijn duizend ongenoeglijkheden, dui- tot de Menfcheliikkbeid behoort zend kwellingen, hartzeer,en verdriet vebergen, dlede Wanneer men nu eens agt flaat op de meeste poetn-
Zielen, dier Fermaak zoekende Qrooten niet zelden op. gen der Menfchen in het najagen hunner driftige begeer- eenen naaren pijnbank brengen ; want deMënscb , een- tens-, in de moeite, die ze aanwenden om hunne gril- maal zijne neigingen opvolgende, overgelâaten aan zijne ligheden op te volgen, zal men hierover niét minde! driften, kent al rasgeenepaalèn meer in het bejagen der verbaast moeten ftaan, dan over de vertooning der on- Vermaakehjkheden; de eene begeerte teelt ongevoelig dé: derfeheidèn voorwerpen, die ons het gezigt doen fche- andere, de. eene finnehkheid brengfde andere-voort,, meren. Wat ziet men dé Menfchen arbeiden watziet' en al dat overbodige doet bem.ftraks van déuitgezogte- men hen woelen door eikanderen, en boe onderfcheiden Vermaaken walgen, of pijnigt hem-geweldig, wanneer, zijn dé pogingen der menigte, fchoon élk voorwend niét« Jjy.ae moetmisfèn. Dusdanigjis dè gedaante der groote. anders,, dan.zijn geluk voor zich zelven op het oog té ' heb«
|
|||||
|
VER, ,383*
|
|||||||||
|
TER.'
|
|||||||||
|
rieude ongemakken, uit eene verwijfde wellust voorrge«
gevloeid, verre van zijne geringe woning vlieden; daar' ondertusfehen hét fchoon gelaat des Hemels, het zoet-' luidend gezang der Vogelen , het verkwikkelijk gezigt zijner Veldvrugten , hem den ftreelendften wellust in- Horten. Keert hij vermoeid van den arbeid naar zijne laage woning terug, zie daar het genoegen verlaat hem Biet; het volgt hem waar hij gaat; het treed met hem de geringe ftulpdeur in, en doet hem wel haast al de moe-- jelijkheid van zijnen arbeid vergeeten. E'en verbaazénd onderfcheid ontdekt men tusfehen den gerusten ftaat ee- nes Landmans, en dien van de bejaagers der dartele Ver: maaken. Hij word met toegenegentheid ontvangen door, het gantfche Huisgezin, zijne komst is altoos welkom, zijne Einders fchaaren zich rondom hem, (trekken de armpjes van tedere toegenegentheid tot hunnen Braavett Vader uit, en blijven hem in de uiterfte tederheid om den hals, aandehanden, én om de knieën hangen. Geen Vermaak is ftreelender dan het geen hij op dat ogenblik!; in zijnen boezem gevoelt, geen genoegen volmaakter,: dan 't geen in zijn hart ontftaat, de trouwhartige Huis1 moeder heeft midlerwijl zorg gedaagen voor haar afge- Hoofden Man, om hem van zijne vermoeidheid te herftei*- len, en zijne manbaare kragten te doen behouden} zé onthaalt hem, niet op eene menigte van lekkernijen, op verfcheidenheid van uitgezogte fpijzen, meer gefchikt om de dertelheid, dan het lighaam te voeden ; het is een fobere , dog een hartige maaltijd waar op ze hem out-' vangt, die hem ook veel fmaakelijker is, danmenigSte- deling de wellustigfte lekkernijen; terwijl de gulle vfo* lijkheid der lage Disgenooten de gedwongé vreugde der aanzienlijken naar de waereld overtreft. ô Dwaaze Stervelingen, die eenen ftaat, om dat ze ne»
drig en gering fchijnt voor het oog, veragt, welke nog-- thans oneindig den uwen overtreft! Ei laat U niet lan- ger meer misleiden door dingen, die geen wezen heb-- ben! III. In de twee voorige afdeelingen hebben wij ons-:
werk gemaakt. 1. Om aan te tonnen, dat de Mensch be*- ßhonken zij met'zodanige aandoeningen, welke hem vat'] baar maaken voor Vermaakelijkhèden, en gevoelig voor iw drukzels, die hem van buiten aankoomen. 2. Hébben wij; doen zien, welk een fchandelijk misbruik veelal van dat- voorregt gemâaktword, en tegelijk de Bronnen opgefpeurd, waar uit zulk eene onverfchoonelijké handelwijs haaren oorfprong neemt. Nu zouden wij eindelijk in deeze afdae- ling de beste middelen pogen aan dé hand te geeven, om- zulke Vermaaken te bejaagen, die ans een wezentlijk geluk' bezorgen, en dierhalven niets flégts beflioten zijn binnen den engen kring van een fcMelijk voorbij fnellend Leven, maar die zich bijzonder uitflrekken tot de gewesten der za- lige Wellusten, tot het rijk der onveranderlijke Gélukza-- ligheid, en bij gevolge om zulke Vermaaken na te jagen, > die redelijke Schepzelen waardig zijn. .Dan vooraf dienen wij ons nog.een enkel oogenblik'
op te houden, met het groot onderfcheid aan te wijzen, - tusfehen wellusten, welke voortvlóeijen uit het involgen- der dierlijke-driften, die voortvloejen uit een dartel los- bandig leven ; : en tusfehen Vermaaken, welke uit züive- fer Bronnen, uit de beoefening naamelijk der Deugd£ ' en deietragtingde christelijkepligten, hunnen oorfprong; neemen, ten einde dés te klaarder het groot onderfcheid s in déézen een ieder voor h'et'gezigt te brengen;. Nim-< mer togftèeken verfchillende k'oleuren ftèrker afï dari'i wanneer:ze.naast'elkanderengepjaatótzij'ijv. Nooitverî- U33 tôotftt |
|||||||||
|
hebben- nauwlljks breekt het verkwikkehjk morgenlicht,
door of zie daar eene verwarde beweeging van een groot aantaY redelijke en redenlooze Schepzelen ; eene wijle tiids hadden ze in eene bijna gevoelloosheid gelegen; maar al wat leven ontvangen heeft ftaat op, en raakt in beffeeWng. Maar ziet eens nauwkeurig toe , en let met aandagt op 'de onderfcheiden pogingen der Menfchen ; hoe veele derzelve zal men ijdel, en der bejaginge on- waardig vinden, wanneer men derzelver innige waarde overweegt, en nagaat of ze een redelijk Schepzel betaa- men. Ontelbaare Vermaaken nemen al aanftonds haaren aanvang, evenals of de Mensch alleen gefchaapen was voor dezelve; dog, ziet hier hoe verfchillende de po- gingen der Stervelingen zijn om die te bejaagen. De grootfte menigte tast maar in het wilde met eene vuuri- rige drift, grijpende de eerst voorkoomende gelegenhe- den aan, en alle voorwerpen, die hun bejegenen, wil- len zij alleen tot hun Vermaak doen dienen; terwijl ze telkens ijdele fcbaduwen omvatten, even gelijk de blin- den, die zonder iets van't geen ben omringt te kennen , in 't wild omtasten ; en ziet hoe bijster klein is het aan- tal dier Stervelingen, wejke edeler pogingen op het oog hebben. . Men zwoegt, men zweet, men arbeid en draaft onop-
houdelijk, maar wat heeft men doorgaans op het oog, niets anders dan ijdele beuzelingen ; men kwelt zijne Zie- le met zorgen, met verdriet, met lastige moejelijkhe« den. Dat zijn vooral zulke Menfchen, die alleen den rijkdom plaatzen in een gezigtpunt;; 't welk hun het ge: lukkigfte en Vermaakelijkfie fchijnt, Hier toe behooren ook de zodaanige, die lijf en goed opofferen aan eenen blooten naam, aan ijdele titels, aan dwaaze hersfen-' fchimrnen ; die al hunnen arbeid ten koste leggen, om ver boven hunnen medemensen in eer, in aanzien, in luister pitte fchitteren, en Vermaak ücbapp&v. in het beklimmen dergevaarlijkftefteiltens, aan welker voet een verfchrik- kelijke afgrond ligt, waar in ze ieder oogenblik dreigen npderteftorten. En evenzo is't meteene groote menigte die flaaft om eenen fraaijen opfehik , om bijzondere ko« leuren, verfchillende maakzels van kleeding, en de mo- dens van andere landen na te volgen. Zie daar de-po gingen der meeste Menfchen. Zijn dit nu wezentlijke verdienden? Zijn dit voorwerpen redelijke wezens waar- dig? Dog laat ik nog een ftap verder treden. Deeze Beminnaars der ijdelheid durven nog voorwende*, dat zij alleen een gezuiverden fmaakbezitten, en dat hunne Vermaaken de edelfte zijn , in ftaat om gevoelige Zie-, jen regt aan te doen; zij durven met alles fpotten, wat hunne dwaaze neigingen tegenftaat, en zich verbeelden alteen datgeene te bejagen dat hun geluk kan uitwerken. Zn waanen het regt tehebben om eenen vergenoegden, eenen gelukkigen Landman, wegens deszeifs eenvoudi- gen staat, te mogen befpotten ; zij kunnen niet begrij- pen hoe hij gelukkig zijn kan, om dat bij al te eenvou, ctig, en te na aan het natuurlijke komt, en daarenboven nog. voor een gering loon dagelijks zwoegen en zweeten moet, onder den zwaaren last van zijnen arbeid , terwijl W die dartele vermaaken mist., waar van het eenvoudig Landleven eenen affceer beeft. Dog zij hebben geen be- en Ml,, j-Sen,0egen' ''we)k "'igeruet op bet geruste SLEUärge Land ' wanneer w' °P zi;"e° tija^le ml nu*elijke vrugten -van zijnen arbeid pJffkken mag. Als> dan verbeet htj al den zwaaren last die hem drukt, en > Ötffn fjne allerm°eijelijk(te bezigheden eenen zon. klingen .lust ;, terwijl! de- Ijleeke-ktaiikheid.;,de-kwij.- |
|||||||||
|
3l3* VER
|
|||||||||
|
VER.
|
|||||||||
|
toont de Deugd zichaanvalligër, dan ats'er de dnbefàî*'"
lîgë ondeugd naast aan ftaat afgebeeld. Zó zullen de we- zentlijke Vermaaksn ook 'uitfchitteren, wanneer zij ge- plaatst worden naast zulke;, die, flegts in de verbeel- ding beftaan, alleen de uitwendige Sinnen aandoen , zonder den Geest eenig genoegen te kunnen fchenken, zonder het gemoed eene waare vergenoeging te bezor- gen- . ,. a ' . Kom aan dan, g>J losbandige Waeredling, laat.ik u
ééns. voor een oogenblik in uwe genoonelijke Vermaake- lijklteden volgenv iaat ik eens met aandagt befchouwen, wat uwe zinnen zo gevoelig aandoet, wat u geftadig' wegfleept naar plaatzen, waargij voor uw-anderzïns on- rüstig gemoed eënige vergenoeging zoeken wilt. Kom aan , ik woon met u een dier dartele bijeenkomften bij, werwaarts.gij dag aan dag word heen gefleept. - Ik ftaa verbaast op de eerde intrede ! Alles wat ronj
om u is fchittert, alles is leven en Vermaak,, gij fchijnt u te baden in een zee. wn énkele wellusten. Gij lagt, gij fchatert, ,gij geeft ,u volköomeri over aan de leiding uwer ongetemde driften. Niets .weerhoud'u. 'De.ugd, nog Godsdienst beletten u in. het bejaagen van uwé lós: bändige wellusten ; gij kentgeene andere leiding dan al- leen de involging uwer onbeteugelde hartstogten. Hier1 aan te voldoen, deezen den ruimen teugel te vieren,' meent gij is het groótfte gehjk, -dat een Sterveling op aarde bejagen kan. Gij oordeelt het çen redelijk wëzçn én voor alles uwe ijverige pogingen waardig. .Dan zie daar in het midden der josbandtgfte Vermaakelijkheden, Joost uw Boezem nu en dan een zugt. Terwijl gij hel- der uit-de borst lagt, in het midden van de fçhaterendtW vrolijkheid, zieikzomtijds uw gezigt beangst en bekom- mert; ik ontcjek er trelcken in , even. als of uw hart te onvreden, onvergenoegd en beklemd was, even als óf uw Boezem met benauwdheid en wroegingen geprangd wierd. Gewis, uw gezigt vertoont uitwendig de tekens; yan eene pnvergenoegde., van eene onrustige Ziel, gn' verraad het hart van' bjn.nen,; ik moet 'er iiit beiluiten dat uw boezem die zagte, die bedaarde, kalmte mist,' zonder welke nimmer zuivere wellust gefmaakt, zonder welke nooit waar geluk genoten word. Maar wat ge- naakt u? Zie daar, die beklemtbeid van uw hart, welke ik zo çven nu en dan bij tusfchenpoozen, in uw gezigt ontdekte, zie daar, die beklemtheid zie ik ogenblikke- lijk tpeneemen. Wat'cmgeval is er naakende?Geéne vro- lijke houding, kan langer meer de verwarring van uw Kart, voor een opmerkzaam oog, verbergen. 6 Ja, ik ontdek erde reden al van, wat vraag ik naar de oorzaak, daar ze zo zigbaarvoor de geringde oplettenbeid is ? Gij moet vertrekken , gij moet der Vermaakelijkheden vaarwel' zeggen, en gij word.gewaar dat ze uwe Ziele geheel le- dig laaten. Haastig fnelleri.de ogenblikken van Vermaak voorbij, geen'tijd is vhigtiger dan deeze , maar zie daar, geene omdandigbeid doet de Ziel der V~ermankzoeksnde Lieden geweldiger aan, dan dezelve te moeten .vergaten, daarom verlaaten ze nimmer de finnelijke wellusten, dan' me.toogmerkom weer fchielijk anderen óp te zoeken. Dog ik verlaat u nog niet, ik zal u yolgen tot in uwe een- zaamheid, om te zien wat gedrag gij aldaar houden zult. Gij zijt nu zo aandonds wedergekeert van eene plaatze, alwaar de dartele, alwaar de losbandigeVermaaken in den hoogden-top wa'areri, alwaar men zich baadde in aller- lei] vleefçhelij^e ^vellusten , alwaar men a,ar'i allé zijne rïejgingën en verkeerde driften defr'ruïmén teugel vi'erJé, Jtbjri aan V geef mif eene héttebéfchri'jvingVah-'t'geéri |
aldaar uwe Ziéde gëftrëeld' heeft ; van 't geeri tt zovemifci
te, vàn 't géén uwe uitwendige 'finnen zo bekoorde-, warte mij ontbreekt er 'als nog bet-juiste denkbeeld van ; ik kan tos riog toe niet begrijpen, om:welke redengij deeze Vermaa* ken zo gretig najaagt; mogelijk zal er dit de oorzaak af zijn,j omdatik er geen gunflige gedagten'af vorme. Ziedaar, alle uwe Sintuigen fcheenen gevoel ig, en op eenezeer aan- genaame wijze aangedaan te worden ; zo veel dagt mij in u te kunnen befpeurenj echter awe houding gaf mij iets te kennen, 't geen me geene al te gundige denk»' beelden van uwe Vermaaken doet vormen. En nu, nu iri deeze omftandigheden, afgéfkbieden van de plaatze, al* waâr'gij uwe Vermaaken genoot, nu heb" ik u flegts met een half oog te befchouwen, om ten vollen in mijn vermoe- der) bevestigd te worden; namelijk, dat alle uwe wel- lusten flegts in de verbeelding beftaan , en uwe Ziele' geene waare vergenoeging fchenken kunnen. Ach wat misleid gij uwe Ziele jammerlijk ! Ondervind gij zelve a*ari niet/ dat uwe omftandigheid naar is? Ondervind gij niet dat !gjj.,' na de genieting uwer■ Vermakelijkheden beangst, bekommerden benauwd zijt? Dat uw boezem op eene jammerlijke wijze geprangd word? Gewis gij moet zulks, ondervinden, naardien ik het uit uwgedrag" zo levendig lezen kan. Bedrieg ik me niet, zijt ge het ze.lye Mensch wel, dat nog maar weinige ogenblikken geleden zo uitbandig vrolijk was ? Ja gij zijt het zelve, Zeg me dan, zonder eenige -agterhbuding , zeg. me ter goeder trouwe, welkeis de oorzaak van deeze uwe fchie- Ifjke verandering? Ik da verbaasd over uw antwoord; gij zegt; ,, het Vermaak is mij fchielijkontvlugt, en dat maakt mij zo verlegen ; ô tijd, ô onverbiddelijke tijd,; ,, die zo fchielijk voortïhelt, duizend befchuldigingen ,", kan ik. tegens u inbrengen....." Laat af Dwaas,
laat af verdwaalde Mensch; het is geenzins de tijd, maar
ui eiggn zelven, dien gij te befchuldigen hebt, naarde- maal gij Vermaaken verkiest die de bejaging van redelij. ke Sc'óepzeien onwaardig zijn ; Vermakelijkheden welke geen wezen bezitten, niets in zich bevatten , om de wijde, uitgeftrekte begeertens uwer Zielen te kunnen ver; zadigen; wellusten die derhalven uwen boezem ledig la- ten, en alleen het hart vervullen met kwelling, met angstvallige benauwdheden, met een knagend -, meteen wroegend hartzeer. - ■ Dus ben ik dan nu ten vollen zeker, datalle uwe Ver-
maaken flegts in verbeelding beftaan; dat alle uwe Ver- rukkingen geveinsd, dat alle uwe aandoeningen verward waarën, dus. is er géén dé minste twijfel meer overig, of al uw geluk is werktuiglijk geweest, het geen geene enkele voétftap van genoegen'in: de Ziel overlaat; maar integendeel uwen boexém'vervult met bitter ongenoe- gen. Dat-ikme in deezen niet misleide, getuigen alle " de omftandigheden óp de overtuigende wijze. Verbeeld u nochtans niet dwaazeWaerel.dling, dat het met alle Ver- tnaaken aldus gelegen zij. Laat ik hier naast eene Schil- derij ophangen « van een Mensch, die, uitzuiveregrond- ' beginzels Van deugd, Vermaaken najaagt van*veel ede- ler Natuur, overëenkomfiig zijn redelijk beftaan., erç ; de'oogmerkén waartoe hijgefcbaapenis; ten einde men overtuigende zien moge, met welke bevallige en aan- genaame trekken dit Tafereel boven het andere uit fchit- tért. Hij. die oprecht betuigen kan : Wien heb ik nevens
U', ô Gvd! in den. Hemel, nevens U lust mi\ ook niets op der aarde. ' Deeze is ook verzekerd : D,at al filioon - Itijnvleesch'bezwijke', God-nochtans de Rotfleen van zijn heil |
|
||||||||
|
VE1U
|
||||||||||
|
VER.
|
||||||||||
|
-8**|
|
||||||||||
|
teil en zijn 'deel inEeuwigheid is:■ Voprwaar ieproots God, den Algénoegzamen God, die alle,onbee»ertens vervullen kan, te hebben, tot.zijn Roifteentotziin Des]; en dat niet voor eenen tijd;* flegts voweinige oogenblikken ; maar, ô onfchatbaargeluk.vooeene nooit eindigende Eeuwigheid. Dit moet de Zieene wellust fchenken, waar van een eindig vernu' eeene genoegzaamedenkbeelden vormen kam Zulk eenJ die deeze betuiging in waarheid doen kan, moet derhalven al in dit leven de voorfmaak genieten van die eeuwige wellusten, die hij eens op eene volmaakte wijzI in de Hemeifche gewesten fmaaken zal ; maar welke göI volgen moeten hier uit natuurlijk voortvloeien ? GeenI andere, dan dat zijn gemoed altoos met eene bedaardI kalmte vervuld is, dat zijn Ziel nooit door angstvalligï bekommeringen ontrust worde; en dus dat hij een VerI maak geniet, van eene veel edeler natuure dan dat de\ Waereldlingen. : -.,- i '.. ...: ,,...
f Dan zulk een vind ook zijn grootfte lust, al zijn Fer' maak, in de beoefening van zodanige pligten, die haa■ opzigt hebbefi op God zijnen Schepper, op zijnen Ev.enmens£h,.e0op zich zelven. Zulke Zielen bezitten-der-
halven eene waa.ragtige, en brandende Liefdevoor den Godsdienst; derzelver innigfte lust is,, haare genadigen Weldoener in deszelfs Grootheid, Volmaaktheid, Goedheid én Algenoegzaamhéid té aanbidden en groot temaa- ken* geftadig (tellen ze zich voor opgen zijne genadige onderhouding, zijne gunstrijke befcherming, en hier in ,.;- vinden «ij ftoffe eenër onvermengde-Blijdfehap. Alle . hunne bedrijven worden ingerigt naar het voorfçhrift van Goos AUefheiligfte Wil, en ze vereenigên zich in dit I middelpunt, om de oneindige Bron .van allen Goed te verheerlijken., en grootheid toe te brengen: ô Geene I aardfche wellust kan haaien bij die ftreelende verzeke- I ring, dat men zich op. alle moegelijke wijze toelegt om God te gehoorzaamen. om hem te vrezen... Geen Ver? maak is zu ftreelend, dan 'verzeker-d te zijn van zijnen Schepper bemind te worden, en hief van kan men ver- I xekerd zijn, Wanneer onze liefde tot God-ongeveinsd is. En,bij die zijne pligten omtrent God zijnen Schep- I Jjer en onderhouder op deeze wijze betragt, Hera har- telijk bemind, zal ook nimmermeer eenige haat tegens I zijnen Broeder in den boezem kunnen voeden; hij zal in I tegendeel eene algemeens liefde betoonen jegens alle I Menfchen als zijnen Evennaasten, en hier door zal hij I de liefde van allen tot zich trekken , in vrede en ftille I ë«^,u£theid leven , hij zal eene zonderlinge en hartelijke ; liefde toedraagen aan allen die God oprechtelijk beminnen in Christus Jezus; die allerwegen ookde voetfiappen I drukken van hunnen liefderijken Heiland; hij zal gaarne den .Schuldenaaren.vergeeven, om bii Go» vergeevinge I van fch uiden teerlangen, wel verzekert, dat zijne lief- de tot Gop nimmer oprecht zijn. kan, ten zij hij zijnen I üroeder lief hebbe. Daarom zal hij zijn hart zuiveren .van m verderfelijke ondeugden , niid, haat, twist en a tweedMgr den Vrede zal hij boven alles hoogfehatten, I 71 dü 'lelde z'inen voomaaamften pligt rekenen. Dus is I erceï (fODS« de liefde tot den Godsdienst, de op- mltiA GodsvruSt, de onderhouding der Euangelifche ,: eeuocien , en het beoefenen van alle Christelijke Deug. 1« deallerriikrtp Bron van wezentliïk geluk, de Bron I !?" ?ui^re veilmt, van beflendig en nooit walgend Ver. ■ lief■ hP f W'e GoD 0Pr«ht bemind, zijnen Eventnenscb ■dappn n' derha'ven het goede ondervinden; zijne P «Pf zjiijen gemeenlijk zijn dagen van voorfpoed enge. |
luk ; «n al gebeurt bet eens dat er winden van tegen-
fpoeden waaijen.datde booze waereld zich tegens den zulken verzet,zo zal de Gods vrugt'hem, nochtans kragt- dadig onderfteunen, en de troostende taal vanonzeri gezegenden Heiland hem bemoedigen. Lijd gij in dt weereld verdrukking , hebt goeden moed, ik heb de wee* reld overwonnen. ■ dius bemind, zijnen Evenmensen nimmer eenige haat toe- draagt, zal deze npodzaakelike, deeze groote en heilzaa* me .pligten tot, zijne eigen behoudenis , tot zijn eigen nut en zaligheid betragten ; want hij zal met blijdfehap geduurige voortgangen tnaaken in de heiligheid, en toe- nemen in waare Godzaligheid, en alzo.met vreugde zijhen-weg hier op aarde bewandelen, navolgende zijn Godlijk hoofd, naar wien hij din eernaam van Christen draagt, op alle mogelijke wijzen. Alduszai hij zijn be- minnelijk karaktervan tijd tot tijd nog beminnelijker po- gen te maaken, en hier door eenen vasten vrede mes God verkrijgen, die hemmet eeuwige liefde en ontfer» minge omringen zal. Hier door zal hij vrede met alle Menfchen hebben, en eenen'verkwikkelij'ken vredemet zijn eigen gewisfe. Nergens is-er eene beftendige vre- de, zo de Confcientie niet volkomen bevredigt is; maar als dan, wanneer men de vrolijke bewustheid heeft van te leven overeenkomftig met zijne verpligting, als daa heerschter in den Boezem die zagte kalmte, die zuive- re-blijdfehap, die onuitputtelijke vreugde, die alle ver« ftand en befehrijving te boven gaat ; dat vergenoegen, zonder welke alle:Vermaak verdwijnt ais eene gedagte j maar idat, boven het bereik zijnde van alle verbeelding, tevenï.opk buiten het oereik blijft van alle veranderingj dat zelfs blijft, fchoon den Mensch alles, ontbreke,- dat in het midden der rampfpoeden hem niet begeeft j dat ■ blijft fchoon de Waereld voorbij gaat. Zie daar befebouwt-nu, uit deeze ilaauwe trekken»
betgrootenmagtigonderfcheid tusfehen Deezen en Hem', dje de dartele wellusten, de ingebeelde Vemnmkelijkheden ten dienste ftaat j zie daar het verbaazend onderfcheid tus« fehen eenen Waereldling en Hem, die de Deugd bemind, zijne ware blijdfehap zoekt in de betragtinge der Christelij. kepligten, in het bejagen wat met de redelijkheid, billijk- heid en Gods uitdrukkelijk bevel inftemt. Zie daar eene duurzaame Blijdfehap, eenfloorloos Vermaak, dat nooit wroeging, kwelling, nog hartzeer baart; dat nooit doet wal- gen, nog aan de plaats gebonden is, die men moet verbra- ten. Zie daar Waereldling, die de vvellusten deezes levens najaagt. Zie daar hoe gij U op 't einde al te jammerlijk bedrogen en misleid zult vinden.- -, 't M aar Gij daarentegen, die uwen pligt betragt uit een
deugdzaam grondbeginzel, om daar door nainentlijk God uwen Maker, fteeds te verheerlijken, om te beantwoor- den aan het groot einde waar toe Gij geformeerd zijt, Gij fmaakt in uwen boezem ongetwijfeld de edelfte Wel- lusten , Wellusten van veel eedeier Natuur, dan diege- nen, welke de Waereld, met al derzelver dartele be- geerlijkheden, aan bet bedorven vleesch kan verieenen, veel edeler dan het geen ons aanzien, waereldfche magt , majesteit, grootheid, gezag, pragt of een lui vadzig leven fchenken kan. Alle grootheid en aan« zien in deeze Waereld, alle uitfteekende gaven boven andere, alle weten fchappen , kennis en geleerdheid kun- nen een flegt Mensch geen 't minste voordeel toebren- gen; want zouden we ai Ie die uitfehitterende hoedanig- heden,, met alle die voordeelen boven-anderen , wan- neer wij in den aart (legte. Menfchen blijven, wel geluk- |
|||||||||
|
3834 VÉR.
feig zijn kunnen? Het tegendeel is hier waaragtig. Hieris
een Vermaak dat de Ziel fmaakt,- en dat önmiddelijk voortvloeit uit deugdzaame grondbeginzels, uit pligten die van een zuiver Gemoed betragt worden; dit Fermaak is wezentlijk, en hangt niet af van eenige uitwendige ömllandigheden, het blijft de Ziel bij, fchoon zélfs alle omftandigheden veranderen; dewijl de Deugd te betrag- ten, zijne pligten waar te neemen, en Godvrugtig te léven , niet anders is dan zulke daden té verrigten, die onmiddeljk invloed op ons geluk hebben ; daar de aan- kweeking van Deugd, tot een zeker en ontwijfelbaar ge- volg beeft de vermeerdering van ons wezentlijk Fermaak, den eenigen grond van ons geluk Dan laat ons zien op welke Deugden een Christen zich
voor al behoort toe te leggen, om zijn wezentlijk geluk eenen on wankelbaaren grond, te bouwen, en zijn hart met de edelfte Wellusten te vervullen.--------Ik meen dat
de Regtvaardigheid, Voorzigtigtigheid, Trouwe, de be-
oefening van Weldadigheid, en Liefde, het beheerfchen zijner Driften , Barmhartigheid, ontzag voor God , Lief- de en eerbied voor den Godsdienst, onontbeerlijke Deug- den zijn, welke de Mensch niet kan nog mag verwaar- loozen, omdat ze önmiddelijk opzigt hebben op ons ge- luk; want worden onze daden naar zulk een rigtfnoer ge- regeld , a/s dan verkrijgt ons geluk eenen vasten fteun, een grondflag, die onwrikbaar is; ons Fermaak zal uit Bene zuivere en onvermengde Bron vloeijen; ons gemoed verkrijgt die (Mlle bedaartheid, die zoete kalmte , wel- ke onze boezem in rust houd. ■ ' Weldadigheid, om, met één enkel woord, van deeze asngenaame Deugd, in het bijzonder te fpreeken, fchenkt de Ziel zulk een wezentlijk genoegen, en is waarlijk een der bekoorlijkfte Deugden ; in zover dat ze als de voor- naamfte Bron onzer Blijdfchap, uit welke al ons Fer- maak en Geluk voortvloeid, mag aangemerkt worden; want wat is er ftreelender voor 't Gemoed dan veler moei- jelijkheden te verzagten ? WziVermaak kan er haaien, bij dejammerlijkfte.bij de aan de Wanhoop dikwils grenzende verdrietelijkheden dezes levens, voor veelen, te vermin« deren, all' derlei ver geweldigen aanvallen tegen tegaan, en de drukkendfte bejegeningen te leningen? iIs het niet met wederkeering tot zich zelve zijn eigen geluk te bewerken .wanneer men zorg draagt voor den welftand van zijnen Evenmensen? Slaan we niet op deeze wijze eenen aangenaamen omweg in , ten einde daar door on- ze wezentlijke Blijdfchap te vermeerderen, wanneer we de gelegenheid opzoeken, om Noodlijdenden bij te (laan ? Gewis nooit is onze Vreugd on vermengder, nooit is on- ze Blijdfchap uitgebreider, dan als we zo edelmoedig van hart zijn , om aan anderen wel te doen ; en deeze is eene ontwijfelbaare, eene euwige Waarheid. Tereerevan zijnen Schepper, en ten nutte van zijnen Evenmensen te leeven, is niets anders dan ten zijnen eigen nutte te leeven."-------. Zie daar eene voorname Bron aan- gewezen, om onzeBlidfchap te vermeerderen, om ons een wezentlijk Fermaak te bezorgen, en ons geluk duur- zaam en zeker te maaken.--------Wat zijn nu de inge- beelde Fermaakelijkheden, het involgen der verdorven driften en hartstogten ? het bejaagen der waereldfche ijdelheden." wat zijn nu Eer, Aanzien, Pragt en Lui- fter, in vergelijking van zulke Fermaaken, die ons ee- ne zuivere, eene onuitputtelijke eeuwige en volmaakte Blijdfchap fchenken kunnen? -------.
Dan is het Fermaak zo zonderling, ter eere van zij-
nen Schepper, #n ten nutta van zijnen Evenmensen |
||||||
|
te leeven ; 4o zal hét er voorrkàmelijk op aan koé;
men, ten einde dat gewigtig doelwit te treffen, dat »Wij al ons wandel in die leven , volgens dit rigtfhoer alleen inrigten. ■ dat het oneindig Opperwezen, de eerfte Oorzaak aller dingen, zo afkeerig vanonregt is, zo ver afgefcheiden van de zonde, dat alle wanbedrijven in zijne allerhei. ligfte oogen ten uiteiften walgelijk zijn, is eene onver- anderlijke Waarheid, die men boven al moet weeten. Maar dan zal het ook te gelijk van de uiterfte noodza- kelijkheid zijn, dat we onzen wandel overeenkomftig deeze onveranderlijke waarheid inrigten ; wij dienen dan allereerst van ons zelven af te beginnen, ons te bevlijti- gen om met allen ernst alle onze bedrijven te verbeete« ren, die de Deugden van den oneindigen God zouden kunnen kwetzen. Wij moeten alle onze bedorven harts- togten poogen te regelen, ten einde wij overeenkomftig den Wil van onzen Almagtigen Schepper leven, hem gehoorzaamen en onzen Naasten niet beledigen ,■ wij moe. 'ten alle onze driften maatigen, en onze uit-en inwendi- ge, dat is onze heimelijke en openbaaregebreken, frag- ten te verbeteren ; want hoe zwaar zulk een werk ook zijn moge, het zal ons daar na, op ieder ogenblik , een ßreelend Fermaak toebrengen, en wezentlijk ons geluk uitbreiden. Het is een teken van zwakheid, een doorflaand bewijj
van magteloosheid, zijne driften , voor welke men ge- ftadig bloot ftaat, niet te kunnen beteugelen, De ijver om Fermaaken, en vleefcbelijke Wellusten natejagen, is een teken van eenen laagen en kruipenden Geest. Salomo verheft de fterkte van Hem , die zich zelven overwint, boven die, waar door men eene Stad inneemt. Het kan ook geen wezentlijk Fermaak aanbrengen, zich aan zijne heerfchende driften te onderwerpen ; daar tog het denkbeeld van overwonnen te worden, niet dan ver- drieten hartzeer baart. De tweede trap om ons geluk uit te breiden , om om
een wezentlijk en duurzaam Fermaak te bezorgen, is àll» Goos Wetten en Geboden te onderhouden ; want hier in is groote loon. Wij moeten derhalven dat volmaakt Opperwezen welbehaaglijk tragten te leeven, en dat wel volgens het voorfchrift van zijnen geopenbaarden Wil, en ons nedrig aan alle deszelfs beveelen onderwerpen. ~ Dan, zonder kundigheid van iemands bevelen te hebben, is het onmogelijk overeenftemmend met zijnen Wil te handelen; derhalven kan't niet anders, dan de uitterfte noodzakelijkheid zijn, dat we ons boven al benaarftigen, om inde kennis van Gods geopenbaarde Wil toe te ne- men ; dewijl het zonder deeze kennis onmogelijk is, dat we onzen Schepper welbehagelijkkunnen levenjmaardat meer is, zonder eenegenoegzame kennis van deeze geopenbaar- de Wil van God, het eenige rigtfnoer van allen onzen wan- del, kan nimmer een redelijk Schepzeleenig wezentlijk ge- noegen,.een ige waare vreugde fmaaken, nog een ige on ver- mengde blijdfchap genieten, en dus nooit op een regt Fer maak, veel minder op eene volmaakte Wellust hier naa- maalshoopen-----'sMenfchen volmaakfte Wellust beftaat
in Gods bevelen te gehoorzamen, naar zijne heilige billij-
ke Wetten te leeven, en zo te wandelen op den weg van Deugd en Godzaligheid. Aldus voortgaande klimt men bij trappen, tot de hoogde Gelukzaligheid op, tot bet toppunt der volmaakfte Wellust , alwaar de kennis oB God te dienen, een onafgebrooken Fermaak zai opleveren. Maar het geen nu onze goedertierene Schepper val
eas af vordert-, ten eirjde wij ons langs dien weg eet iutt'
|
||||||
|
-VER.
iuumamVeriAaâlt bezorgen mogen, is de beoefening
onzer pügten r een gedrag te houden, betaamelijk ons re delijkbeftaan. -: Wij hebben gezien.dat alle onze handelingen uit dit voornaame grondbeginzel-, ds liefde Gods en des Naasten, moeten voortvloejen, en hoe wij God onzen Makernooit regt kunnen beminnen, wanneer wij in den boezem eenen haat koesteren tegens onzen E- venmensch; wij moeten derhalven onze verniaaning an- dermaal berhaaten, en fterk aandringen op de Beftlering van zichzelven-, en op zulke pügten, die onmiddelijk opzigt hebben op Goden onzen Naasten; als daar zijn, eene te- dere Godsvrugt, Nedrigheid, Onderdanigheid aan de Wei- ten des Euangeliums, de beoefening van goede Trouwe, E.- delmoedigheid, zelfs tegens de zulken die ons haaten, Me- dedogenheid, Belangkosheiden Grootmoedigheid van Ziel. Deeze pligten zijn van zo veel gewigt en aanbelang, dat we die, zonder ons kwelling en wroeging te berokke- nen , niet verwaarloozen kunnen ; want zo dra worden wij in de betragting van dezelve niet nalaatig, of ons ge- luk ftaat aan't waggelen, en loopt gevaar van geheel in teftorten; daarin tegendeel derzelver beoefening, ons gemoedtri een bedaarde kalmte houdende, ons geluk doet aanwasfen, waar door wij eene zuivere blijdfehap, en een onbedenkelijk Vermaak genieten.-*■ Een onvermengd genoegen word er gebooren, uit de bewustheid, dat we ons tegens wezens, van gelijke beweeging als wij, zo- danig gedraagen, als we wenfehen, dat ieder zich tegens ons gedroege ; en den Elendigen in alle omftandigheden te hebben bijgedaan, verkwikt en onderfteund, moet ons, gelijk wij reeds aangetoond hebben, een verrukke- lijk Fermaak fchenken. Dan welk eene zielftreelende Blijdfehap, welk eene vreugd en genoegen, werkt in ons gemoed'die overtuiging,van ons eigen gewisfe, dat wij nooit getragt hebben de Deugd om ver te rukken-, nog haar fundamenten -te ondermijnen; maar dat in, te- gendeel alle onze poogingen geftrekt hebben, om haare grondfteunen vastte maaken en te bevestigen; dat wij ons benaarftigthebben, om God onzen Schepper welbe« haaglijk te leeven, en altoos gepoogd, zo veel in ons was hulpelóoze ongelukkige Schepzels te onderfteunen, en jegens allen ons wel te gedraagen. genoeging is zo groot, dit Vermaak zo wezentlijk , dat er de Ziel geheel door vervuld word. Daarenboven ver- zeld ons dit genoegen ten allen tijde', op alle plaatzen, in allerleij zoort van omftand igbeden van dk leven ; het breid onzen voorfpoed wijder uit, en doet ons den te- gerifpoed geduldig draagen.----- Deeze blijdfehap der- na ven, dit Vermaak, en met een: woord dit wezentlijk geluk. is van zulk eenen beftendigen aart, dat nog haat, nognijd, nog vijanden, nog tegenbeden ons die immer ontnemen kunnen, terwijl de Dood zelfs niet meer daar am Ultrigten, dan dezelve eeuwig maaken. Aldus onzen pligt betragtende , zullen ons alle din- gen medewerken ten goede, wij zullen Vermaak fchep- fin" Uiï 5 V001'werpen, welke ons ieder ogenblik om- ringen^ de onzondige Vermaak lijkheden dézes levens, met matigheid gebruikende, zal derzelver genot ons ook vprmb?"6 ver,kw'.kking fchenken. Met een zobrt van »erruKking zul en wij degantfche Natuur, en met eene vi^lVe,rWr°,nc,erinS de Werken van Gods almogende luZ ? u-e/S , uwen- In alles auUen »ij zijne Grootheid, «jne aanbiddelijke Wijsheid, en zijnë'onverdiende Goed- werDPn0ntiekkeiï' Vest'gen wij ons gezichtopde voor- iele vr. \n 0DS beneden omringen, wij doen geeneen- J7/ £> T ' vinden-GVervlo(?dïge ftoffe, om onzen |
|||||||||
|
VER;
|
|||||||||
|
38.**
|
|||||||||
|
eeuwigen Makerertgöedertieren Weldoener te löoven en
te danken. ' hoogte, met eerbied en verwondering befchouwen wij die onmeetbaare ruimte, waar in muloenen Werelden bewogen werden, in de allergefcbikfte en de juiste or» de. -*--Zien wij den Morgenftond dagen, deeze brengt ons eene zoete, eene zagte verkwikking aan; daalt de A- vondftond, ons hart zal op de befchouwing daar van ver* vuld worden met dankbaarheit. -■*Op deeze wijze nu zullen alle dingen ten goeden werken, den genen die God vreezen. ■ Dan hoeftreelendè is het genoegen, hoe verkwikke-
lijk het Vermaak, hoe gevoeljg. de wellust; met diepen eerbied te overwegen, dat. men,'onder het oog en op- zigt van een alziende, almagtig en genadig God, leeft; dat die alle onze gangen ziet, dezelve beftiertj, en door zijne aanbiddelijke Wijsheid ten onzen,beste'inrigt. -t Dogboven alles zal niets onzeZielemet vermogenderin» drukzels vervullen, daa verzekert te zijn,* en bier vàn kunnen wij verzekert zijn, wanneeer wij een Godb .wel- haaglijk leven leiden, 'wanneer wij wandelen op den weg van deugd en godzaligheid, wanneer wij J$od in zijnen Zoon, onzen eeuwigen Vérlosfer aljejyj zoeken; dat Hij, naar zijne onfchatbaare goedheid^ qpkreukbaare regtvaardigheid, en aanbiddelijke wijsneidj, ons.de ver-* vulling aller onzer begeertens fchenken, zal ; dat wij Van God onzen Hemelfchen Vader eeuwig zullen/be- mind worden, en dat we uit zijne Volheid ontvangen zullen eene Gelukzaligheid, eene Wellust, zo onbe- grijpelijk a|s uitge.ftrekf, en, zo duurzaam als het bev ftaan onzer onftervelijke Zielen zelve, 't Uit zulke gedagten nu kunnen niet anders, dan, als
uit eene onui(jputtel.ijke Bron van Wellusten, de groot- fte Vreugd en de wezentlijkße Vtmaaken opwellen -; Vev maaken, waai van het vooruitgezjgt 's waerelds rooeje- lijkheden draaglijk maaken kan ; de jammeren en den- den, welke.ons leven verzeilen, verzagten; hetgenoe-- gen en de blijdfehap verdubbelen, -den geringften Raat verheffen, boven de içhittérende Majesteit; als zonder welke, alle aanzien, eer, heerlijkheid en magt, op deeze waereld lastig en onaangenaam "zijn. ■ Dat dan een Waereldling.zijne ingebeelde Vermaaketi
najaage. Dat hij zijne, driftige neigingen, zijne verkeerj de en zondige begeerlijkheden involge; laaten wij on- dertusfchen geene andere pogingen aanwenden, dan zul- ken , die ons eene onuitfpreelvelij.keeuwige en volmaakte Blijdfehap fchenken kunnen ; eene Blijdfehap die den weg baant tot die Vreugde , waar door alle de begeertens onzer Zielen kunnen , en zullen vervuld worden; al- waar eene Fontein van eeuwige Wellust zal ontfpringen, uit welker volneïtde eene Zaligbeitopde andere de Zieï zaltöevloejen ; Zaligheden, in welker overdejiking eea eindig vernuft-zich moet verliezen; Zaligheden, zo on* uitfpreekëlijk, dat geen fierfelijk oor van iets dergelijks gehoord; zo heerlijk,-dat geen verderfelijk oog ooit iets van die natuur, aanfehouwd beeft; zo groot dat ze zelfs in 'sMenfchen hart, in dit leven, niet kunnen opkoo- men; beftaande in die onuitfprekelijke ondervinding, ia dat Hemelsch genot der zuivere, eeuwigeen onverander- lijke Liefde van eenen Drieenigen God. VERMÀ AURICÜLARIUS , zie GORWOR*
MEN. VERMEERDERDE BQNÜÉK, zie ROE-HON*
GER. ,: VERMENIGVULDIGEN. Dît .woord betekend ÏA
|
|||||||||
|
VER.
van den töeßand des Lands waar de Volkrijkhefd voor<
valle. Onder een vrij en verlicht Volk, dat door 4e gelegenheid des Lands, of eenige andere middelenh beveiligd is voor buitenlandsch geweld, en dus elk ge- deelte gronds ten meesten voordeele kan worden aange- legd , kan het getal van Menfchen niet te groot zijn- Onder zodanig een Volk is elk in zijn doen gezeeten,. en door de Wetten befchermd tegen de onderdrukking, van anderen, terwijl de magt van denikaat denzelven fchootvrij (lelt voor vijandlijke aanvallen van, buiten. Onder zodanig een Volk, zullen Land- en Akkerbouw, met de Handwerken, Kunsten en Wetenfchappen door- gaans bloeijen;. geen plek gronds blijft nutloos leggen, en't geen't Land.zelve niet kan opbrengen, word door den Koophandel van buiten iogebragt. Wie zou zich hebben kunnen verbeelden, dat een zo grooten toevloed van Volk als ten tijde des Hertogs van AhVA na.Holland ging, daar zou kunnen bellaan? Maar het was genoeg voor dit Volk de Konsten.en Wetenfchappen te kennen, en eene verblijfplaats gevonden te hebben, waar. zij die zonder ftoornis-konden oefenen, om zich door noeste nijverheid dien voorraad te bezorgen,, welke de moeras- fige grond hun niet opleverde. Dan fchoon er eenige Landen gevonden worden, irj
welke de ¥emenigyuldigi?ig van'i Men(che\ijke Geflagt altoos vóordeeiig is, anderen zijn er waar dezelve fchaa. delijk bevonden word. 'Er zijn Landen , gelijk de Hr. nis Montesquieu het uitdrukt, waar een Mensch niets waardig is, en andere waar hij op minder dan niets moet gefield worden. Tot den eerstgemelden zoort behporen die bafcbaafde Volken, waar door eene verwisfeling van omftandigheden, den voorraad minder word dan deln- wooners, en waar, in gevolge bier, van, veelen leedig gaan en onnut zijn voorden Staat; Ook die Landen, waar de lucht, den voorraad, de wijze van leeven enz. gunflig bevonden worden, maar gebrek aan vrugtbaarheid, de flerke bevolking, nadeelig maakt; Dit is het geval van China. Tot de tweede zoort moeten alle Landenge- bragt worden, door Wilden en woede Menfchen be- woond , die van den jagt en de melk hunner Kudden lee- ven; en overzulks wijd uitgeftrekte ftreeken Lands tot hun onderhoud noodig hebben. Nieuwe Inwooners in dus een Land te brengen, is het zelfde als, geweld, roof en plonderingidaar in te voeren; want zij kunnen alleen beflaan door de eigen inboorlingen te berooven. De wilde Inwooners van Canada, moeten wij hier tot een lavend voorbeeld bijbrengen. Zij neemen (leeds toe; zij bebouwen het Land niet, en zijn geduurig bezig met elkander te verdelgen , op dat ze niet door hongersnood' zullen vergaan. Dit was ook voortijds de bezigheid der Germaanen, der Gäulen, der Illijrers; met één woord, van alle de oude Inwooners van Europa, wier toer (land volkoomen gelijk was met die van de tegenwoor- dige ingeboorenen van Canada. Zij waaren geduurig in, den oorlog merdeezeen geene hunner Nabuuren; en in een tijd van algetneene vrede, oorloogden zij onder ein- ander, zo,dat wanneer ze in den krijg buiten 's Lands niets te doen hadden, het Volk door burgerlijke onee- uigbeden en oproeren fueuvelde.. v Zonder de zeden en het ftaatsbeflüur te hervormen,
den Landbouw in deeze gewesten te willen invoeren, zou eer de kwaal vermeerderen dan tot een hulpmiddel ilrekken; wantdewijl deeze Volkeren verdeeld zijn in verfcheide kl.ei'ne, onafhanglijke en ftroopende Natiën, die het rooven,voor wettig en eerlijk.aanzien:, zouden . . ■■-'■' zij
|
|||||||||
|
?ER*
|
|||||||||
|
383«
|
|||||||||
|
de Dierlijke Huishouding, zoveel als vermeerderen en
jtijn, Geflagt voortplanten. Niettegenftaande de vet- baazende Vermenigvuldiging, eigen aan alle zoorten van. Dieren, wanneerze voor ongemakken beveiligd, en in ftaat zijn hunne eigen behoeften te verzorgen, moet men be- kennen , dat ze allen, zonder uitzondering., eenig bedwang, noodig hebben, om dien voortgang te (luiten, en voor. te kooinen dat zede behoorlijke evenredigheid, waar in zij tot andere Dieren ftaan , niet overtreeden; want het. is blijkbaar, dat, zonder zulks, de wet van Ver- menigvuldiging, zo noodig tot hunne inftandblijving, s hunnen volftrekten ondergang, zoude te wege brengen. Immers wanneer eene zoort de Overhand heeft, moet ze:noodwendig andere zoorten van haar voedzel beroo- ven» Dit zal ook de lucht met fchadelijkeuitwaasfemirig Vervullen, inzonderheid wanneer.er eene grootemenigte fterft. En- uit, alle deeze oorzaaken zamengenoomen, zal er een algemeene kwijning en verzwakking in de Dier* lljké Waereld (land;grijpen. Wij behoeven ons, om. hier van.overtuigd te worden,, de Plaagen niet te berin- neren, met welke God. Egijptenland bezogt, inzonder- heid die van de Vorfchen en Infeclen, of van de (lerfte welke daar op* volgde«. Wij hebben ons flegts voor den geest te brengen-, welke elende zomtijds een Land over- koome door de vernieling, diedeSpringhaanen aanrigten, Wanneer, de Boomen tot bet leven toe doorgeknaagd, en de Velden van alle hunne (chatten beroofd, niets andere vertoonen dan de jammerlijke overblijfzels eener uiterite Verwoefting.. Van alle de plaagen met welken God goed- vind het Menschdom te kastijden, is deeze raoogiijk de verfchriklijkfte... In Augenmois in-Frankrijk is. een klein*IiifecV, dat op-
de velden eft in de koornfchuuren het Graan opvreet, eens was.het dermaate vermenigvuldigt, dat bet bijkans al het Graan vernielde, zo dat het gemeene Volk broods ge, brekleed.. De Kevers hebben eenige jaaren geleden, veHcheide (Ireeken in Engeland verwoest. Een Zee- infecl bovénmaate vermeenigvuldigd', heeft meer dan eens, Holland op de oever des verderfs gebragt; Gelijk er.geén Land bevrijd is voor deeze overftroo-
mingen van leevend gedierte, dat ik mij dus uitdrukke, zt» is er ook géene zoort van Dieren of het kan er in val - Jen; en welke zij ook mogen weezen, zij worden dan eeftô plaag, niet alleen voor de andere zoorten, als daar rjoor bepaald-in al te nauwe perken en van voedzel be- loofd ; maar ook vôOr zich zelven ; want het is in de Bierlijke Waereldeven eens ais in de Groejende gefield ; de onderlcheidene zoorten kunnen alleen beilaan in de evenredigheid met het landdat zij bewoonen ; en wanneer hét getal van eenige zoon boven die evenredigheid loopt,. ftröetèh zij verminderen en verlö'oren gaan. Een te groot getal Leevendën- maakt noodwendig eene fchaarsheid Van ieeftogt.. Ook moetrdusdanig een overmaatig aan-; tal, geduurig in dezelfde lucht leevénde, alle de zou : fen tot;het leeven noodig,.Wegneemen; en de lucht, op, dèeze wijze, uitgeput fen verhit, zal «eindelijk eene fcfraa« delijke eigenfchap krijgen j 't Mehfch'eïrjk'Geflacht zel- ve ondervind de Waarheid van ditgeztgde In allegröötè- Steden, waardearmen, 't grootfte gedeelte der Inwoo- neren als met elkander opgeflooten zijTJ, in nauwe en- bedompte ftraaten, is,de fterfte jaarlijks zeet groot. Eenigen nogtbans fpreeken aloos -vandeVolkrijk°heid,-
ajfe.tne, zaak die altoos tot heil van eenen Staat'(trekt, cijn.dus de aanmoediging der Overheden verdient. Dog «fe&eyÊlgendaar vanzaUeEïeerterfchillen» naarmsate |
|||||||||
|
*U?
|
||||||||||||||||||||||||
|
VER.
|
||||||||||||||||||||||||
|
*ii die zfch op den' landbouw toeleiden, daar door té :in &en zelfden töeftand als voorheen, het zou irri, zb
|
||||||||||||||||||||||||
|
min als toen, zijne Inwooners kunnen onderhouden.
De Saxen, Deenen, en alle de Volken, die langs de kusten van den Baltifchön Zee woonen, zouden'zich nog- genoodzaakt vinden , het voetfpoor hunner Voorvade- ren* te betreèden, en zuidwaarts aan te rukken, om hun» |
||||||||||||||||||||||||
|
blootaefteld zijn aan degeweldenarijen van de an-defen terwijl ze ten zelfden tijde, in den krijg, het ee-
nie middel ter zelfverdediging, «nbedreeven wierden. De oude Germaanen beoefenden den Landbouw niet, geliik zij voofgaaven, uit vreçs dat zij door gewoonte, |
||||||||||||||||||||||||
|
f aar in meerder fmaak zouden vinden dan in den oorlog, ne Nabuuren te cermoorden, en zich levensonderhoud
en dat dan de fterken de zwakken zouden koomen plonde- te verfchaffen. De oorzaak van deeze verandering in ren. Zij hadden eene gewoonte, die grootelijfcs dient tot Europa moet derhalven toegefchreeven worden, aan de "''*" '-:■« >"«"»«J« -voortgangen die de Kunften en Wetenfchappen in dat tijdperk gemaakt hebben. In zulk een onbebouwdeftaat
als het voorheen was, kon het, op geenerlei wijze een onderhoud opleveren, geëvenredigt aan de vermenig* vuldigingyzn het Menschlijk Geflacht. Elk nieuw Ge- flacht, geen genoegzaame fpijze vindende'in'Hét land zijner geboorte, was verpligt het elders te gaan zoeken; en wanneer zij overal dezelfde menigvuldigheid van In» wooneren, en dezelfde fchaarsheid van voorraad von« den, zagen zij zich in de noodzaaklijkheid gebragt, ota anderen te verdelgen, of zelven verlooren tegaan. Van hier die woestheid van zeden, die geduurige uittochten i ftrooperijen en moorden ; oorlogzugtig en roofzugtig uit den aart, werden zij dit verder door nood. Wanneer ae Menfchen onkundig zijn in Kunften ea
Wetenfchappen, wanneer het onder hun fchandelijkïs van den arbeid zijner handen te Ieeven , en zij niet an» ders kennen dan den wapenhandel, moeten zij in tijden van vrede, noodwendig aan veele dingen gebrek heb-" ben; zij moeten, of van honger ftervén, of anderen doó". den en pionderen. Maar nu de handwerken bloeijen.èa nu, door tusfchenkomst van Koophandel en Zeevaart, de Landen met elkander ruilen, van'tgeen ze overvioe- dighebben, houden deeze invallen op , elk Mensch vind t' huis bezigheid en 't nodige onderhoud ; zij vinden zkh niet langer door noodzaakelijkheid gedrongen, om, ge- lijk zo veel hongerige Wolven , uit hunne holen voor den dag te fpringen, en op den prooij aan te vallen. Zijn ernogLanden in Europa, welker voorbrengzels niet ge» evenredigd gevonden worden aan de vermenigvuldiging der In wooneren, de'gevolgen zijn niet langer zo nadeelig zo befchadigend, het overfchotkan vertrekken na vreem- de Landen, waar dé Kunden, de Handwerken en de We- tenfchappen hun onderhoud verfchaffen. Zwitzerland zend 's jaarlijks verfcheide duizend Man naar andere Lari den. Duitschland maakt er zich ook eene groote menig- te kwijt; en Engeland is alleen, door middelvan zijne Volkplantingen, in ftaat, om alle de overtollige Inwoon", ers van Europa te plaatzen. Nogthans moeten wij toeftemmen, dat, fchoon de Kun-
ften en Wetenfchappen , in die Landen, waar ze aan- gekweekt en gehandhaafd worden, eene groote menigte ' Volks zamenlokken en onderftand verfchaffen, zijtevens |
||||||||||||||||||||||||
|
bddhDkmdnohkal'to
HkegeteinwOziriwzicgezeI Rvodion
Ikewodohaee
■ itave■' \,
|
||||||||||||||||||||||||
|
hjkeGeflacht nietzotalrijk is als invroegeTen tijd. Dan éenigezichblootgefteld vinden, de arbeid'dien anderen
u'IÏ^'j0015^?11?' Hoewashetmooglijkdat onbe- moeten ondergaan, en bovenal de buitehfpoorigheden ......' * m'vèrgezel-
diè dit uit.
TllftO^Î* U J ^ "*' * '*"w "■■»WW14 u^» wiiv vi IVlJ.1 UAIWfli UiaiJ" WblA^VI b*i *f bgU UlV'J^VUi *-» ^ ^ , w *J IJ-UUwO iHCf "tl/j
|
||||||||||||||||||||||||
|
I nftelljk?zwakhéidaanzagen, hoewashetmogelijkdat
j-maen,wierlnwooners voornaamlijk van de jagt belton- nen eeS grooter aantal Menfchen zouden hebbén kon- fijt Inn ' dan zij' "> dentegenwoordigen befcbaafden h»'S onderhouden?'t Is ontwijfelbaar, dat, was «et noordhjkftegedeelïe van Europa, heden t«n dage, |
met den Heer Rousseau, dit gevolg niet te trekken vdat
de ftaat der inWooneren van Europa elendiger is dan dis der Caraïbers of Hottentotten ; en dat een Mensch, dié
zich aan de letter-oefeningen overgeeft, mingelukkigte agten zij, dan wanneer airzijne kunde zich bepaalde tot loopen, jaagen, vegten, met den flinger werpen én boa- eren te beklimmen, dan of zijne gehéele"bezigheid 4- |
|||||||||||||||||||||||
|
K t &QVÀ
|
||||||||||||||||||||||||
|
a«*; ver. f
ftond: in't voldoen zijnerbehoeften-, en nas die voldaan
te hebben, zonder verdere zorge te gaan flaapen onder een boom, gelijk een Hond of een Zwijn. ■ ain denkbeelden in haast gevormd, bij het enkel opper- vJakkig befchouwen der zaaken, en die. dus tot geene grondflagen van waarheid kunnen dienen. De Kunften en Wetenfchappen brengen, gelijk wij hebben toegeftaan, / feaareongelegenheden mede;, maar zijn deeze gelijk aan de voordeden, welke zij verfchaffen ? Kunnen, mogen
Ze vergeleken worden bij de ongemakken, die derzel- ver verwaarloozing verzeilen?. Ja, zijn deeze ongele- genheden zelve van alle nutheid ontbloot? Is't.niet mo- gelijk, dat, ze dienen om de al te groote. vermenigvulr .diging, die anderzins plaats zou grijpen, te bedwingen? Dit:zijn vraagftukken, - die,, gelijk een ieder ziet,,nauw- keurig moeten overwogen worden, eer wij een beflisfend jrannis kunnen.vellen, over. derzelver, weezenlijke. ge- volgen.. ij In zekere oniftandigheden, is't Menfchlijk Geflacht
en,dat,der Dieren, altoos benadeeld, door zijn eigene Vermenigvuldiging., 't Geen wij aangemerkt hebben, omtrent de Dieren en de Inwoonders van Canada, en van alle Volken in 't algemeen, die.de Kunden en Wer tenfchappen verwaarloozen, ftelt deeze:Waarheid buit- ten.kijf., 't Is du'rhalven voprdeelig aan elke zoort,, dat er, zich.ftinderpaalen tegen, de. vermenigvuldiging^ opdoen,. De.Voorzienigbeidheeff, overeenkomftighiermede,
gezorgd..voor. het weivaaren van het Dierenrijk in dit ;öpzigt. Deeerfte ftap, hier tge beftaat-daar, in., dater aan elke.zoon perken gefield zijn,, welke van geen van ajlen,, die tot dezelve behooren, kunnen overtreden jworden», Schoon dit perk, van den eenen rang.van Die.- ren veel wijder is dan van eenen anderen, mogen wij nog- tbans.beweeren, dat het van korten duur is, zelfs met uitzïgt op hun, dis 't langst ; lee.ven. Zo dat wéJkfi. zor- ge een Dleriinoge aanwenden,pm.zich zelven te.bewaa- ren, wel.k eepe ilerkte hetmoge.bezitten in. zekeren tijd- perk zijns.leeyens ,,daar is een eindpaal, waar het niet voorbij kan, en wij zien dat het daar aan naderende., verzwakt,.afneemt en verdwijnt; even gelik de.vuuren die ontftooken. worden, om -des -nagts te.branden , niet langer duuren dan tot het aanbreeken, van. den dageraad. DJt eerfte.middel, 'tgeen de Voorzienigheid gebruikt, om een, juist eyenwigr in het Dierlijk zamenftel te.be? waaren». werkt alleen ï'n zommige zoor-ten kragtig ger npegv Dog ;daar. zijn er andere, op welken hét.weinig of geen indruk maakt; zo uitgebreid en fchielijk,is haaren aangroeïj!,Omtrent deezen gebruikt de. Voorzienigheid jde. örenghejd der jaarfaizoenea, in welken zij.of ve« ru'eld worden, ofin. eenen werkloczen .ftaat blijven. ÏJi* door.deeze,.middelen, alleen.,, dat die,:Verfchrikkelijke.- vermenigvuldiging.beletf,word ',. welke anderzins., in- dien zij maar eenige wecken langer voomeelden, on^- vermijdelijk'zouw plaatsgrijpen., Om hizteVermenig'-- vuldiging paaien.'te zetten., heeft de .Voorzienigheid ee.- ne menigte van Dieren ver wekt,, die op, haar aafen; .en i naardemaal de regel der Voortteeling in het vrugteeteiide Geflacht, grooter, is- dan die der, verniel ing. van. elk op aich zelven, ,na 't'-.verloop, van zeker tij.dsbeftek., heeft' de] Voorzienigheid, om dit voorte^koomen, en alles in een juist eyehwigt'te. houden-,., ze blootgefteld aan de vernieling van de Roofdieren ; zie'VQORTTEELlNG, . Blijkkaar, derhaiven is het invoeren van een vlèesch- wet.sad en verfcheuread Geflaïht in ds Dierlijke Was: |
Vr£JU'
eld, oßgeenerlei wijze nadeelig voor de. andere 200N
en; maar in tegendeel ten haaren beste ftrekkende. Zij ijn niets anders dan grenspaalen , door de Natuur ge- fteld, om die overftoomingen van welke,wij.gefprooken hebben, te beletten. En dewijl deeze grenspaalen val? ftrekt noodzaaklijk zijn,,wat kan er dan overeehkomfti- ger. met de regelen van wijsheid weezen, dan tot dat einde zich van lee.vende. Schepzelen te bedienen? Dus Werkt het als bij tegenwigt, en de. overtolligheid van Leeven,. inde een e zoort, dient om het gebrek daar vaa ïn een andere te vergoeden. Het medelijden moge in ons denkbeeld de verwoe-
Illingen,,-die verfcheide zoorten aanrigten, vergrooten; én, op ons zelve, teonvre.de zijnde,-mogen wij in ver» zoeking koomen, om ze aantemerken als zo vèele.pjaa; gen , van een' hoger hand koomende,.die niet te vrede is met zijn eigen werk. Maar indien w-ij, uit de bevin, ding, en.volgens daadlijke bewijzen oordeelen, zullen 'wij geheel andere denkbeelden vormen. Het is nu ten minsten vijf duizend jaaren, dat de W.aereld beftaan. heeft »en dat de Menfchen, met Leeuwen, Tijgers, enz.tegen.andereDieren,'den oorlog gevoerdhehben; want, met verlof'van het Dichterdom, geloof, ik, dat de dagen, de. gelukkige dagen, waar in de Menfchen eickels aateh,. en"de Tijgers zó beleefd,èn vriendüjk waaren, dat ze dé voeten likten van hun, die op de Liei (peelden, nimmer ergens anders dan in hun brein befton« den, 't Is,, zeg ik ,.ten,minsten vijf duizend jaa- ren, dat deeze leevende Dieren in een geduurfgen oor- log met anderen geweest zijn, echter zien wij niet dat deeze Wet der.Natuur, tot deezen dag toe, de Vernie- tinge; van één eenig zo.ort te wege gebragt hebbe. ' Ja, wij mogen er onbefchroomd bijvoegen, dat het dee. ze Wet is,, welke.haar in bloeij en kragt gehouden heeft. Zonder déeze. wijze en heilzaame inftelling der Na-
tuur» zou het leeven reeds over langen tijd, dat juiste evenwigti 't welk alleen, de onderfcheidene zoorten kan in weezen doen blijven, verbrooken, en ingevolge daar van vernietiging bervoprtgebragt hebben. De uitwerkin- gen van bet vleeschvreetende Geflacht met betrekking tot de andere zoorten, zijn even dezelfde als die van,eea fnoeimes ten opzigte van, böomen,. die ai. te weeïdrig groeijen, en die van een fchöflel ten aanziene.van Plan- ten, welkeal te.digt in elkander wasfén;. door de veri mindering, van't getal, koomen de. anderen tot grooter volmaaktheid. VERMENIGVULDIGT, zie.MULTIPLICATÜS,
VERMICELLI, zie, NOEDELS.
VERMICüLQXSt.JOIÏANNIS, zie CIOINDÜr
IiAi VERMILIO, zie LEEUW-WORM..
VERM1LI0EN, zie CINNABER.
VERMOEITflEID.in.'tiatijnLarjWtf, in'tgriekscb
«osrosj ,is:een onaangenaame gewaarwording , die men gemeenlijk ondervind ,.na.zwaaren arbeid>verrigt, te Paard gereedén , of een verren weg.tevoettehebben aft- gelegt; deéze,gewaarwording,is gevoegt,,bij. eene be? zwaarlijkheid in de beweeging.. Men onderkheid twee zoorten van Vermoeit'hHd: De eeneis de eigentLijk zo.ge*- noemde vermoeithéid, defdtigatio-, enJs het gevolg.eD' uitwerkzel eenerebovenmaatige-beweeging. De,anderei eene dit de natuur voortköomende Vërmaeithèid., dat Js* die door geen voorafgaande , ten minsten .fterke 'i8' hàams-oeféning^word. voortggbragt^. De^eerfte zoorf.. |
|||||
|
TER.
|
||||||||
|
UW*'
«eméeen baafblijkelijkeoofzaaltheefr, is opzien zetven
befchouwd geene ziekte ; ter naauwernood kan men het «en liet ©nemak noemen, ten zij dezelve zeer verre- saande flöge zijn; ook behoeft men om die te verdrij- ven nietet anders dan rust, zulks is er het eenvoudigfte en bes'e hulpmiddel tegen; het is de beroemde Hjppo- crates, welke zegt, Aphor. 48. lib. II. dat wan- neer men vermoeit is, door hoedanige beweeging ' " het ook mag zijn., rust alleen eene fpoedige herftel- - " line voortbrengt ; fchoon men behaivendat ook moet " zorgdragen niet te eeten , voor dat de Fermoeitheideea " weing over is; zonder dat loopt men gevaar, de-ge. bruikte fpijzen niet wel te verteeren. ;. X* De uit de natuur voorckoomende Fermoeitheden, die f men aan geen- buitengewoone beweeging kan toefchrij- ' ren, zijn op zijn minst genoomen, ongemakken, en zeer ; dikwils voortekenen of kenmerken van ziektens. Dee- I ze Fermoeitheden zijn altoos .voorboden van eene onge> fteltheid in het werktuig, eene zwakheid inhet zenuw- geftel enz. Bijnâ allé dehevige ziektes warden door Fer- ptoeitheid voorafgegaan, en daar van verzeld. Ook bèfpeürt men die veeltijds inde kwaadaartigekoortëen, waardoor bet gevaar word vermeerdert ; xt-a-iahs s-vfiraixuKathti^ aegt.den grooteniiippocRATBs, Porrhet. ri. 4=1. Hb. L VERMOGEN, zie FACULTEIT. VERMOGEND-VUUR, zie IGNIS> FOTENTJÄ* IilS. .<-■ 1 ■ ■' Uyti ■> r ■ ;ï: -■:'■■■■■■■. ■ , -. 71 VERNIS, inhet lattin: Vernix-, I is eene Compofitie van verfchilienden- aart,, die door; de Schrijnwerkers, Veriakkers-en. Schiiders-wörd.gebruikt,-om aan hunne werken duurzaamheid en glans■ 'foijtezetteäi.^ . . ; : ,* -Vernis .die. kookend-water weérfiaat;. , ; r .'
Néémt een mengelen lijnolie, de zuiverde die men kan' vinden, doet die in een verglaasde pot, en voegt er een viereodeels pond fijne fpiegel-hanbU , ; laat die. op een koolen*vuur tot zo lange zagtjes k'ooken ; tot dat-de olie begint te fpinnen, 't geen men'gewaar kan worden met er een Stokje in te fteeken.en het daar van telaaten;af- loopen. Deeze Vernis, kan heét-waterj tegenftaan zon- der te bederven, én is inzonderheid goed voor effen gekoleurde werken, ook voor zodanige Scbilderflukken daar niet veel ligte-.koleuren in; zijn., Beste Copaal-Fernis; .
Neemt 4 loot zuivere gmn'copaal, wrijft die bene« vens anderhalf loot eampher fijn, doet het zamen in een half mengelens flesje-,'t welk men op vîervingerbreed na aanvult met allerfterkfte voorloop of Jpiritus vini remfi* catis/imi, en zet het zelve in de fonnefchijn of van ver- ren bij 't vuur-, dan zal het fmelten, waar namen-het ineen fandbad, of in een pot met water daar een goedö laag^hooi op den bodem legt, een-weinig laat kooken ,- als dan bekoomt men een allerheerlijkfté Vernis. Een des kundige begrijpteemakkeliik , dat de fles vooral niet geheel onderwater moet bedolven-zijn-,. wanneer men die kookt. Dog dewijl deeze Vernis zeer kostbaar is, kan mende
volgende vervaardigen,om die eerst twee-a driemaaten ?ZtXAetftrijken» en dan vervolgens met de bovenftaande teoeciekken, t welk een buitengemeen fchoon uitwerk- sel voortbrengt.. - '. Neem bier toe een vierde mengelen beste voorloop -©f
JWVf, vwii reuificatißei, anderzints ook alcohol ge- aoemt-j döetebfei .in. 1 Jootcopaal-gw*-.*- iaoc-allerzui. |
||||||||
|
S*3fc
|
||||||||
|
vèrfte terpentijn-olie; viérdehalf loot gom-fandârak, een
vierde loot gon-elemi, een half loot witte wierook, en een vierde loot maftix; laat dit in een fles met een wij- den hals, vijf à. zes dagen in een heete fonnefchijnjOf wel bij 't vuur trekken, en roert het dikwiJs om. Deeze Vernis is ook uitneemend goed, en kangebruikt
worden, om dat geene 't welk men wil vernis/en, eerst twee à driemaal en overteftrijken, en dan voor het laatst de eerstgemeldePérair er op te leggen. Het werk dat. dusdanig word gevernist-, bekoomt.niet alleeneen fier- lijken glans, maar kan zelfs ook het afwasfehen met kookend water weerfiaan. j..■■ -'-,.. ' , : - , . Dient:aangemerkt, àztrfevoorUopoïfpiritus.vini tot» bereiding van, deeze Vernis, zodanig fterk moet zijn,, dat wanneer« mén een drup van dezelve van omhoog, laat vallen, die niet op den grond koomt, maar alvorens- in de lucht vervliegt,* indien ze deezen trap van fijnheid^ niet heeft, vleit men zich te vergeefs dat er de gom co- paal door zal ontbonden of opgelost worden, al waarom ten deezen, opzigte de grootfta naauwkeurigheid moet in-' agt genoomen worden. De. bewerking naar beho.oren.en. met de naauwkeurigfte zorgvuldigheid gefchied zijnde.- bekoomt men de beste Vernis die tot heden toe is bekend,, ervoor wiens recept.,dikwils,.vijfentwintig guldens ea. zelfs-meer isbetaald. ,. '; ;i .' 'iCopMl olie-Vernis, vin- Martin;.-.;;
Neemt een groote aarden pot die de gedaante heeft van?
een: Chocolade-kan;, van binnen en van buiten wel. ver- glaast, hebbende een-handvat, en die met een:dekzel is- voorzien dat ter deegep fluit. Deeze potmoet dik, ftexk,, en vooral niet gefcheurd zijn, op dat.die op 't vuurge-; zet wordende niet barfte, en daar door- de in -zich hev vattende olie: en gommen geen vlam vatten, waar door. niet alleen alles verlooren zoude zijn, maar zelfs groo- te ongelukken te weeg brengen..-- - Deeze pot ter degen warm gemaakt zijnde, doet men- daar in. vier oneen allerzuiverfte terpentijn , laat dje-. zoo lapge-ontbindenjot dat geheel vloeijeöd is»-doetf er danbij agt. oneen fijn geftooten en geziftebamßßen- die ook vfe\geele amber word genoemt, mengt dit in de- vloeieride terpentijn, en laathet een kwartiersunr op;- het vuur ftaani Neemt vervolgens de pot van 't vuur*; en voegt- er allengskens een pond fijngemaakte gom-coy paalb\y; dit ter degen onder een geroerd zijnde, zo doet- ernog.bij, vier oneen terpentijn als-boven, benevens een» vferde mengelen terpentijnolie die.warm.is gemaaktj. zet de pot danwederophetvuur., hetwelk als dan ee- nigzints fterker moet aangeftookt worden. Omtrent een, half uur op het vuur geftaan hebbende, zo neemt het er af, ontdekt de-pot, en roertalles wel onder een, daar. teffens vier loot fijn gewreevene aljerzuiverfteen blank- Refpiegelhirs bijvoegende* Zët als -dan de-pot weder,; te vuur, het zelve nog fterker aanftookende, en- Iaat het> over't vuur hangen-, tot dat alles; ontbonden-is en even- ; vloeiend als water; neem dan det»'"?t,van 't vuur, brengt die op eenigen-affland vanden haard, en iaat die daar- eenige oogenblikken ftaan,- tot dat degrootilehittedaaty van is vervlogen. Hebt-vierratwintig oneen.allerzui« verfte maankop, nosten» ,-of lijnzaad-olie die opdroogend is- gemaakt, bij der hand,^iet dié bij beetjes -nog kooken» dd heet in 'de- ontbondeie gommen, e» roe*-alles wet door een 'mét een lange viiarenhouten-ftök-k. Wanneer, als dande" vföeijende' gommen en otfewel doorgeroerd en- tot- ee» ligbiam zijn gebragt, zopkiafe5i^2elver^voot. |
||||||||
|
eenige weinigé'minuoten over het vuûr, geftadig âan«
houdende met roeren, tot dat alles eens opgekookt heeft , 'neemt dan depot van 't vuur, en doet in dezelve een mengelenheetgemaakte terpentijn; roertditalles weidoor een, en Iaat bet reis opkooken; neem het dan weder van 't vuur, doet er nogmaals een mengelen heet gemaak- te terpentijn bij, geftadig aanhoudende met roeren. De gommen door en doorgefmolten entoteenlighaatn.
gebragt zijnde*, zo is de Fernis gemaakt. Laat dezelve koelen, en als die zo lang heeft geftaan , dat het enkel lij warm zij, zo laat het door eeri groote doek in een ander vat loopen, en bevind gij als dan dat de Vernis te dik Is, zó verdun die tot zo lange met terpetitijn-olie, dat dezelve de dikte van lijn-olie behoude. Laat ze daar- na ten tweedemaalen door eçn doek loopen, en doet ze in vlesfen, om er na welgevallen gebruik van te maa- ketJ; dog deze Vernis dient zes wecken gemaakt geweest te zijn, voor dat men dezelve te werk ftelt. -■'>. : : 'De'eze Fernis word gemeenlijk in een open plaats ge- Kookt , dewijl anderzints' de uitdamping en reuk van de,, gamniehy de gezondheid des 'wèrkmahs zeer zoude.bena- döelen. Ook moét merf wel zorge draagen dat sie gommen nóg olie vooral niet aanbsanden,'dewijl alsdan de Vernis haare voornaamfte fraaiheid, die in derzel- ver doorfchijnenheid en klaarheid beftaat, zoude verlie- zen. De manier om deeze Ferhlstê werk rebellen, is als
volgti" "-"' '■■' i] ■'''■ <■' - <- /:-■- p -■.: ': Het ftuk dat gevernist ftaat te worden, afgefchildert
zijnde, laat men het zelve volkómen hard'-worden of dröogen, uit vteèze van de- Ver w door hét vernisfin af te ftrijken, indien niet volkomen droog was; < lijk als gezegt i's, moet de Fernis niet dikker- zijn dan: olie, dewijl anderzins niet gemaklijk kan bewerkt wor- den. ...;,..','■..-■ Het Stuk leenig gevernist zijnde, laat men het völkoo«
men droogen, daarna vernist men het nogmaals over, -zórg-, draagende, het van baairtjes, ftofjes en vezeltjes te Zui- veren , die zich aan het zelve zouden hebben'kunnen heg- ten ; wanneer dit zesmaâien agter denahderengedaanis, laat men het 3 a 4 dagen rusten, of tot zo lange, dat alles door en door droog is, als dan neemt-me'n fijngeftooten en gezifte püimfieen, die op een vogtige grove lap gedaan zijnde, men er* het geverniste'Stuk zs lange mede wrijft, totdat er alle de ftreeken van den kwast en âllezoorten van vlakken uitzijh. Wanneer het ftuk hier door volmaakt glad is geworden, wast men het Zelve af, en laat het ter degen droog worden;: daar óp vernist men het weder over, en herhaalt dit zodikwils, tot' dat men ziet, dat het zelve een genoegzaamen grond heeft ; voor zagt Schilderwerk gefchied zulks nooit meer als tien of twaalf keeren. ■- Wanneer het ten laatften genoegzaam 'droog geworden is, wrijft men het nog eenige minuiten met de fijngemaakte püimfieen als voren, en wast het zelve niet eer af, dan-wanneer men ziet, dat alle de vlak- ken uit de Vernis zijn. Vervolgens wrijft men het over met fijne atoaritj tot dat de oppervlakte van het Stuk even glad en'effen zij als glas: Daarna droogt men de amaril af, en neemt peerfer van fijne rots/teen, Wel gezift, en hier mede wrijft meri Het eenigen tijd meteen vogfigendoek, totdat men met de palm van den hand twee of driemaal over dezelfde ptea-ts te ftrijken, in bet ftuk een polijst óntdekt.als dat v^'ii'glai,*ditgedaèri zijnde,zuivert men Het werk en droop het fchóön af, waar ri'aa men hetmet óen anderen doek-in toovioHegedoopt , eenige weinige" |
keefen overwtijft ,ien da» vervolgens Met den hand, m«
fijne drooge poeder, of'bloem van tarwenmeel,, om het zel< ve verder te zuiveren, Wanneer het ; van de o/ie ges zuivert is, zal men het nogmaals met Hoem van meel op een flanelle lap gedaan ter degen wriiven, en hierdoor zal het Schilderwerk eenen luifter bekoomen,als of des. zelfs oppervlakte mét glas overdekt waare. Dit durven, wij verzekeren dat de beste manier is onj
zodanige ftukken te polijsten, die met olie-vernis over? ftrooken zijn. --■
het Stuk in een warmen oven plaatzen, en daar zulks
niet gefchieden kan, zo als bij voorbeeld aan Kabinet, ten, Rijdtuigen en ander groot werk, moet men die ftuk. ken in een vertrek plaatzen, 't welk men door middel van een kachgel ter degen kan verwarmen. ■- < Een gefloote. drooge kamer is te verkiezen bovende opene Son, uit hoofde dat er in de open lucht veel ftof en vliegjes zijn, die zich aan het Fernis hegten. Amber- ofSarnfieen-Fernis.
Smêltagtoncen beste zuivere terpentijn, en wanneer die vloeijend is, zo doeter een pond geftooten barnfieen bij; deeze bijvoeging moet zagtjes gefchieden, om het zelve onder 't roeren des te beter te mengen; ter.degea door een gemengt zijnde, zet men het op 't vuur en laat het er een half uur op ftaan ; waar na bet en afgenóo- men, wel doorgeroert, en er twee oneen zuivere eii blanke fpiegel-har,i bijgevoegt word'. Zet het dan we- der op het vuur; :ftop het dekzel;digt toe, en, maak dat het vuur ter degen brand. ■ ; Een felle hitte is noodr zaakelijk om.den barnfieen te doen fmelten; dit gedaan en alles volkoomen vloeijend zijnde, zo neemt de pot van 't vuur, en laat die op eenigen afftand van 't vuur be« koelen. G iet vervolgens op de gefmolte gommen een pond mdan<
hop- of lijnolie, die door kooking opdróogende is gemaakt, dezelve moet er kookend heet opgegooten worden, al. les terzelver tijd wel doorroerende, tot dat de olie met den gom als tot een Iigbaam is geworden. Giet hier dan zagtjes bij een mengelen heet gemaakte'terpentijn, roer alles wel door een, laat het dan bekoelen, en zijg het daarna door een doek om het te gebruiken. Dit voorfchrift volgende, zal de barnfieen-Femis buitenge- meen klaar en helder zijn. Misfcbien zal men zich verwonderen over de groote hoeveelheid terpentijn die er bijgedaan word, dewijl onkundigen hier ligt uit zou« den kunnenbefluiten, dat het geverniste vol barften zou- de raaken, dog de taaiheid van den barnfieen vereischt zulks , ook zâl de barnfieen nimmer klaar fmelten nog '. volkomen opgelost worden, ten zij dié in terpentijn wor- de ontbonden ; ook moet men daarbij bedenken, dat *Je helft daar van geduurende de bewerking uitdampt; ge- volglijk blijft er zulk een groote hoeveelheid niet over om zich met den Fernis te vermengen. *~ Ook kan de Jarn/freen eeniglijk klaar ontbonden worden, met dezelve in een lijmagtige gom te fmelten. ■" ■'■"' '^" m
■Goiidlak-Femïs. Neemt hier toe een pond guttegom en vier oneen er etto, tot poeder geftooten en fijn gezift;mengt dit te za- I men, en doet het in een vemispot, daar al vooreus vief oneen terpentijn in isgefmolten; roer alles wel door een, ; et het óp een heet vuur om te ontbinden, er geftadig I en weinig warmgemaakte terperaïi/n-o/ïebijgietende, tot I dit alles ontbonden zij; doeter als dan een mengelen I |
||||
|
ut' v
|
|||||
|
tfJER.
|
|||||||||
|
fft?
|
|||||||||
|
VER.
tirtitóffn bij, fctod hef wel door een, en koel gewor-
den zijnde, zo vermengt er een weinig van de boven- ftaande barnfleen-vemü onder, i : . . ; ■■ Oeeze Vernis zal van een booge en luisterrijke koleur *iin om goud mede te vemisfin. Na dàt dezelve twee- maale over't goud geftreeken en. droog. is,, ftrijkt men die eens met de bamfleen-vernis over, waar door belet "Word dat de geele gekoleurde Vernis verdwijne of fervliege,---------- Groen goud kan gekoleurt worden
»et Vernis waar onder J'paansch-groen is gemengt; en
*"it geele goud, met de hooge geele gpud'vemis, : j CopaaUvernis voor Schilderijen.
ï: Neemt een mengelen lavendel- of rofemarijn'Olie, voegt daar bij, agt oneen fijn geftooten gom-copaal, en twee «neen terpentijn; zet dit alles over een maatig vuur tot dat ontbonden zij, waar toe omtrent een kwartiers uur vereiseht word," roer bet dikwi's om, en wanneer alles sloeibaar is, zo neem het van 't vuur en giet er een men- gelen warme terpentijn-olie bij ; laat het door een doek loopen ,en giet het, vervolgens in vlesfen.Indien het door geen te groote hitte een bruine ko leur heeft gekree- gen, zal de Vernis zeer klaar en helder zijn.. Deeze /Vernis is uitmuntende voor Schilderwerken die geen po« lijsten behoeven, konnende verfcheidenemaaJen er me- de over gevernist worden , en indienmen iedere laag Ver- Ms behoorlijk laat droogen,, zal dezelve nimmer bar- ften. Vernis voor koper om het zelve ten luister
als van Goud te geeven. »Neemt twee mengelen alcohol,aai is aliervlugfte voor- loop , (fpiritus vini reBificatiffimi), doet die in een disti!leer»vat, voeg er bij een once guttegom, twee on» ctai gomlnk, en twee,oneen maß ik, laat dit geduurendë den tijd van zes dagen in betfandftaan,of wel digtbij een vuur, en fchudhet twee of driemaal daags om. Al- vorens deeze Vernis over -het hout te leggen, zo zuiver bet zelve naar behooren. tfEir ■■■.,,.. ■&Deeze Vernis is zeer goed om met alle zodanige ko>
»euren gemengt te worden, die naar 't roodeoverhel. ten; integendeel is-de barfifteen-vernisaienOs^vootbke- kekoleuren. Een Vernis voer Goud, of voor andere Mêtutt-
lenomhet Goud natehootzen."■ - '^Neemtfpiegelhars, en na dezelve gefmolten te hebben-, »■doet er twee oneen fijn geftooten barnfieen en een wei- nig geestvan terpentijn bij, roert het weldooraen ; doet er vervolgens een once gom elemi bii die ter degen is öjfl geftooten, insgelijks nog een weinig geest van ter- pentijn , en boud geduurig aan met roeren, tot dat alles wel gemengten vereenïgt zij,-; vooral dientmen zórg te »aasen zo weinig terpentijn-.tégebruiken alsmooglijk is, 2llai..e en,i 8emeenl'ik harder is-, naar maatede- &ll\T/f ef W°rd Semaakt- De bereidinggefchied over- Rijgen.'" "" °pen g!aS'-»»« namen .dezelwt laat, HL . Vernis voor Zilver.-:■
.bmelt meen verglaast dikbuikigaarden potjeeeniee fii-
ïnnoX' d0eC d3lr bij drie0nn »^ «K
K«ï ? enroFhet'8e(tadig, er nu en dan eeni- JtoaonLïZPija biJvoeëe,lde -tot *" »1 Ie de Urn- ■
J- ontbûûdenzij, voeg «vervolgens nogoij een on- |
|||||||||
|
ce wetibeflagen/flireeFoü« pïvleesch^Ujm^n een oncegpw
elemi, nu en dan een weinig geest mn terpentijn dur bii doende, tot: dat alles ontbonden zij',. De bereiding- moet over een maatig vuur gefchieden> al geftadig roe- tende. Deeze Vernis word warm te werk gefteld, en men
hard die bij trappen in een wen gelijk gevernist goud, waar door bet de koleur krijgt van gepolijst zilrer, Kenige nuttige onderrichtingen bij 't opleggen van
Vemisfen in agt te neewen. i. Wanneer gij houtwerk vernist, zo laat uw hout,
glad en effen zijn, fijn generft, niet befmeerd of vet,, en ter degen met biefen gewreçven. , z. Legt. er uw koleuren zo glad op als doenlijk is, er maakt de Vernis eenige bladders, zo neem dezelve we* door 't polijsten met biefen, 3. In 't leggen van de Vernis zo boud, uw werk maatïg
warm, dog niet te heet. r 4. In't opleggen van de Vernis, zo begint eerst in 'tmid-
den te ftrijken, voorts naa dé buitenzijden, totdat alles gedekt zij. 5. In fijne werken moet men tot polijsten gebruik van
de alierfijnfte tripel maaken ; polijst het werk niet in eens aan malkander af, maar laat bet zelve, na de eer* fie poiijfting, twee of drie dagen droogen, en polijst het dan op nieuw voor cje laaftemaaL . 6 Maak bij de eerfte poiijfting gebruik van een goe-
de hoeveelheid tripel, dog voor" de laatftemaal voldoet een --weinig ja ;. als gij gedaan hebt, zo neem detripelaf, met een fpons en water, droogdeVernis mct'ßea feboo- ne doek, en maak het werk zuiver indien het een witten grond is, met olieen witfel; of indien het zwart z\\, met olie en- lomp zwart.. 1 Berigt van het Chineefche Vernis.
sSAk, die eenig behaagen fcliept in die fraaje verlakte
werken,, welke wij uit China bekoomen, moet,, dunkt Âmij, natuurlijker wijze begeerig zijn, om den aart van dat Vernis te kennen, het welk men hier toe beezigti Meest al béfehouwde men het zelve voormaals in Eu- ropa ,, 'als eene Compofitie < «maar tegenwoordig weet men, dat het niets.anders is, dan het natuurlijk Hip van zekeren Boom, of deszelfs Gom of Harst, die men er met voorzigtigheid weet .uipfe haaien, en tot zijne ge- bruiken te bereiden. Ziehier het verkort berigt,'t welk de Vader d'Ikcarville, Misfionaris te Peking'ei'aan de Academie der IVètenfchappente .Parijs van heeft mede- gedeeld , en 't welk te vinden is in de Memoires de Ma- thématique £? dé Phijfique prifentès a l' Acad. Roy. des Sciences, Tom. TH.in^to. ■ De Vernis-Boom groeit in verfcheide zuidelijke Pro-
vinties van China.. Hijkoomt, zonder teelt, van zelve in de gèbergçens voort, en men vinder, wier ftara an- derhalf voetmiddellijnsheeftr Dezulke die menkweekt, worden gemeenlijk niet dikker, als het been, en blij- ven, nadeinaal de Chineefen hen geduurig van hun dier- baar fap, berooven, zelden langer, dan één jaar of tien in't leeven. Die boomen welke niet op de vrije Son, of welke zelfs in de fchaduwe (laan, leveren meer Ver-y nis uit, dan de anderen ,maar het zelve is ook evenre- dig flêgter, en wateragtiger, naar.de boeveelheid groo- ter is. ' Het Vernis word in den Somer gewonnen , als wan-
neer'men het dnemaalen.bekoamt uit^de taaimeBoo- men ,. |
|||||||||
|
3842 S;VÈR
men, dat il,'füllte, die gekweekt worden. Dat van
de eerfte Tnijding is beter dan van de tweede, en van de , tweede <bèter data de derde. Om naamelijk He Vernis te krijgen, maaktxmert-, meteen mes, drie keepen in den bast des booms, tot op het leven , om zo te fpreeken, af; dat is te zeggen, zonder den binnenften of onderden bast daar af te nemen ; die drie keepen, of fneeden maa- ken een driehoek uit, waar van de eene-punt beneden is; men fteekt als dan een klein riviermosfelfchelpje in die onderfte punt Van den driehoek, èri al het fap, 't welk bij de zijden langs komt loopen, vergadert zich in het gemelde fehelpje,- en men zet ten meesten drie of vier zodanige fchelpjes in een tamme boom ; maar wat de wilde boomen, of ztilken betreft, welke door de Na- tuur zelve geteeld en verzorgd, in hunnen regten grond ftaan , en den tijd gehad hebben, om groot en fterk te worden, eer men ze begeert te pijnigen , men kan met de zodanigen vrijer handelen; men maakt daar dan kee- pen in met een bijl, gelijk als men in Europa doet, om de hars uit den Pijnboom te''trekken, en als de boom groot is, zet men er tot twintig fchelpen jn.. Als de boom fchijnt uitgeput, en niet meer loopt, .zo omwint menJeszelfs kruin met ftroo, het welk men vervolgens in den brand fteekt, en al het fap of Vernis, dat er als dan nog in is, ftort zich naar beneden , en loopt door de keepen uit, welke men vooraf menigvuldig van on- deren daar in gemaakt heeft. .. v Zij, welke zich met het winnen van het Vernis bezig
houden, beginnen hunnen arbeid zeer vroeg, en zetten hunne fchelpen reeds met of voor het krieken van den dag, en ieder Mensch zet zelden meer'dan een hondert fchelpen, of daar omtrent, dewijl hij na verloop van drie uuren, de fchelpen die hij eerst gezet heeft, gaat ledigen, zij ftorten dan hunne fchelpen uit in een Ein- mer, welke zij, ten dien einde bij zich hebben, en fteeken er dezelveöp nieuwsweder in, herhaalende dit van drie tot drie uuren. Als zij die fchelpen langer in den boom lieten blijven., zo zoudehet Vernis daar beter door wor- den.maar zij zouden in de hoeveelheid verliezen, naardien de Son, het waterige dat erin is, zou doen uitwaasfemen. Dit Vernis, zo als het uit de boomen is gevloek, ge.
lijkt vrij wat naar week of vloeijend pik; voor de lucht blootgefteld, krijgt deszelfs opperplakte allengs, eene losfe koleur, en kort daar na word het zwart. Het is in deezen ftaat, dat men het Vernis aan de Kooplieden brengt, maar daar ontbreekt dan nog vrij wat aan de bereiding, eer men het gebruiken kan. Men vermengt het eerst met zekere olie, welke zeer
■geineen is in China; men doet 'net waterige, dat er in is, uitwaasfemen., en men laat het vervolgens herhaal- de reizen , met veele voorzigtigheid doorloopen, om het van alle ftof en vuiligheid te zuiveren, en als dit alles wel verrigt is ; dan is er nog degrootfte voorzorg in het gebruik deszelven noodig, want de-fraaiheid der verlakte werken, hangt inzonderheid af van de volmaakt- heid des arbeids, en de behengiaheid der handen, die hier mede bezig gehouden worden. Die, welke men ons in Europa overbrengt, worden gemeenlijk met wei- nig voorzorg of naauwkeurigheid gemaakt ,-~de fchoonfte zijn, welke men voor den Keizer vervaardigt, maar de veelvuldige zorg,, oplettenheid, en arbeid , welken zij ■er aart te toste leggen, -maaken ze zo duur, dat de Chi- neefche Grooten zelve ze niet bekostigen kunnen. Wij kunnen het verfchil van die manier van bewerken, nog ■ook de wijze hoe zij het goud en de hoe zij de verfchei- |
||||||
|
4 VER.
dene 'koletiren op huane verlakte ftukken leggen, «iet
wel aanwijzen;.;zonder te lang, en voor veele Leze« die geen denkbeeld daar van hebben, verveelend tewor? den; zijj wier'belang.dit vordert, kunnen dit in hetge- melde werk zelve nä zien. VERONICA , zie. EERENPRIJS en EEREN.
PRIJS (BASTERD.). VERNUFT., Indufiria Het Vernuft in een boven-
natuurkundige of metaphijßfche Sin genomen , is eene hoedanigheid der Ziel , waarvan het onderwerp be« ftaat, in de mechmifche of tuigwerkelijke voortbreng- zeis en bewerkingen, welke de vrugten zijn van de uitvinding, en niet enkel van de navolging,' fchrander- heid en gewoonte, zo als ten aanzien van de dagelijk- fche oefFeningen der Werklieden plaats vind. , Schoon het Vernuft de dogterder uitvinding rs, ver-
fchilt zij echter van de Smaak en het Verftand. Het allerfijnfte gevoel der fchoonheden en gebreken in de Konften en Wetenfchappen, maakt den Smaak uit. De levendigheid en vatbaarheid der gewaarwording, de uit- geftrektheid van de verbeeldingskragt, en de werkzaam- heid van de bevatting Hellen het verftand tezamen. Het vermogen der Ziel om zich allerhande voorwerpen uit- geftrektelijk voorteftellen, met gemak de zaaken die ber zwaarlijkfchijnen te doorgronden, en daarbij eene fchie- - lijke bevatting,; maakt het Vernuft uit. Die welke zeer Vernuftig zijn,, hebben niet altoos een volkoomen goede Smaak, nog zijn daarom niet met een verheeven Ver-, ftand begaafd. Ik zegge meer, gemeene Verftanden, Verftanden die weinig gefchikt zijn otn onderzoekin- gen , om ontdekkingen te doen, en afgetrokken denk- beelden te bevatten, zodanige Verftanden kunnen ech- ter veel Vernuft bezitten. Deeze drie hoedanigheden draagen niet over bet zelf-
de onderwerp. De Smaak onderfcheid die dingen, wel- ke aangenaame gewaarwordingen moeten te wege bren- gen. .Het Verftand verfchaft door dezelve , wonder- baarlijke, voortbrengzelen, onverwagte en.ftreelende ge- waarwordingen ; maar dat zoon van gewaarwordingen, die door het verftand of de fmaak worden voortgebragt,zijn geenzints het onderwerp van 't Vernuft. Deeze bepaalt zichenkelom werktuiglijke bewerkingen van de Natuur te ontdekken, nuttige Werktuigen uittevinden, enz. ; De hoedanigheden of eigenfchappen van de Smaak,
van het Verftand, en van het Vernuft, eifcben ook ver- fchillende zoorten Van wetenfchappen om er de beoef- fening vante volmaaken. De Smaak verfterktzich door de gewoonte, overdenking, befpiegelingen van WiJs" geerte, en de verkeering met Menfchen van Smaak. Schoon het verftand een vrij gefchenk van de Natuur is, breid het zich echter uit, door de kennisfe der on- derwerpen dien het kan fchilderen, van de fchoonheden waar mede het dezelve kan verfraaijen, van de caracters, van de haustogten.die'zij wil uitdrukken ; al het geen de beweeging der gees:en gaande maakt, begunftigt en voed het verftand. Het Vernuft moetbeftierd worden door de wetenfchap der hoedanigheden van de ftof- fe , door de wetten der enkele en zamengeftelde be- weegingen, door het gemak en de zwaarigheden die de lighaamen, welke weerkeerig op malkanderen wer- ken, zich onderling kunnen te weeg brengen , *" veroorzaaken. Het Vernuft, is 't uitwerkzel van eene Smaak de zich hijzonderlijk op de Werktuigkunde vestigt, en veeltijds door ftudië en tijd word ge- holpen. Bijna alle de verfchillende kundigheden v« |
||||||
|
ver, .iHfR.
|
|||||||
|
ïn^ERREKIjAER, zie-TELE§ÇOa^ ,; , ■
i ' j.VERR QT:£bRGy"Pupredo,PMrefa[iiof -f^Perrk\hig is eene inwendige beweeging van^gesting, affemëiitatte -welke uit de,naaste jbeginzelen.,van alle,de Planten-en Dieren ontftàat,. waar .uit eene ontbinding en volkoo« mené verandering Je. den aart van die beginzels, voort- vloeit , en die eene loogagtige hoedanigheid bijzet aan de zoutagtige -beginzelen van zodanigezamengeftelde lig- haamenj die de Verrotting ondergaan,...... -, ; . Dewijl de -Verrotting. eene, wezen.tlijke fermentatïe of
gesting is,-en dat die zelfs, als het doef,; het einde en de laatfte. trap van alle fermentatie moet worden aange- merkt, zo-volgt daar uit, dat allede grpeijendeeridier* lijke ilqtfen welke aan 't gesten kunnen gebragt worden, ook aan Verrotting onderhevig zijn. Daarzijn zelfs Hof- fen , die alleen maar de Verrotting kunnen ondergaan, eri niet.de Xtwee eerfte. trappen van de. fermentatie, dat wil zeggen,,-de geestige en zume fermentatie; het zijn na- melijk de zodanigen,die dezelve reedszo wel d'eene als d andere in alle derzelver uitgeftrektbeid hebben onder- gaan; of wel dezulken, waar van de beginzelen zodanig door de natuur gefteit zijn, ,afs of zij die reeds hadden ondergaan ; de meeste der volkoomen dierlijke zelfftan- gdiheden, zijn van dien aart. StofFen van dat zoort aan fermenteer ingonderworpen,
met eene genoegzaame hoeveelheid water doorweekt zijn-« de, en.aan een behoorlijke trap van warmte blootge- fteld, dat zij om kort te gaan. alle de nodige eigenfehap» pen bezitten om tot fèrmentaPie ovenegam, zullen niet lang duuren zonder te verrotten. Dé verfchijnfelen; welr kedieiaatfte trap van fermentatie verzeilen, zijn genoeg- zaam dezelfde als die van de beide eerfte trappen, be- halvendat die minder gevoelig gebeurt, ten minften wan- neer de Ferrotting maar langzaam in zijn werk toegaat,- .Want dit onderwerp is nog niet met alle denauwkeu. righeid waargenoomen,. die zij wel verdient. De Heer Baume verzekert, dat de Ferrotting met geen deminfte blijkbaars warmte verzelt gaat, ten minften fchljnthet vast te gaan, dat wanneer de Ferrotting enkel langzaam in zijn werk gaat en in eene kleine hoeveelheid van ftof, de warmte, indien er.die al bij gevonden word, yan zeer weinig belang is, maar de fcliielijkfteen b'ijkDaar» fte veranderingen welke aan eene zelfftapdigheid gebeurt, die tot rotten overgaat, zijn die van derzelver koleur, reuk, en fmaak. Een iederweet, datbet vleesch't -welk begint te bederven, zeer fpoedig een doordringendè,en Rinkende reuk van zich geeft, dat het zelve i>la*uw lèn zwartagtig word, dat deszelfs fmaak walglijk en^erzin inboezemende is,- en dat indien het een doorfcliijnend vogt is, zo als pis of vleescbnat, het zelve verrottende, troebel word. Naar maate dat de Feir-otiing meerder toe- neemt, verkrijgt zij ter zelver tijd, ook iets levendi- ger , iets dat buitengemeen dpordringende en zeer feberp is. . Zijn het vaste lïghaamen welke de Ferrotting onder-
gaan, zo ziet men dezelve opzwellen, in malkanderen zak- ken , week worden, ten laatften alle zamenhang van der» zelverdeelen verliezen, en eindelijk tot eenzoort van brij worden, of eerer een fcherp waïeragtig vogt, dat buitea- geineen walgelijk is. Bewijs d,at dt Ferrotting uit zich zelve geen , ..,
- levende SchepzeU voortbrengt, ., . Men vind Menfchen die bet ongerijmde denkbeeld voeden, als dat er levende Schepfelen uit doode Lïghaa- L 'men,
|
|||||||
|
%$%~:P4timft,ï>. Äi7n;6epaald:aan:i{a'stbaa!rerbevattfegen;eri
dçîgejijke hoedanigheden meer: , ; ;i$äin>Ji v -- : ' VERONICA, zie EER.ENPRIJS en EERENPRIJS (BASJERD-;,::; osa ösv *ä :-.-. àfS ffiî [ ^j.a^;.;; YERONTWEERDIGING.Jn 'tlat..Indignafio.--Dö Verontwaardiging is een gevoel, vermengt van misagting en toorn, welke .door 't plegen van zommige onverwagte pnregtvaardigbeden, in. ons word; verwekt en te wege. gebragt. De Verontweerdiging keurt de wraak goed, dog zoekt die niet. De toorn gaat over, dog de.welbedagb te Verony/eerdiging blijft duuren; zij trekt van'de\v®A weerdige af. De Ferontweerdiging is ftom;.het jsitnitfi der door woorden, dan door beweegingen dat zij.zicn: laat blijken.
Zeldzaam is zij onregtvaardig, of om mij beter uit-
tedrukken, zelden is men te onregte Vermtweerdigt. __Dikwils worden wij met Verontweerdiging aange- daan , over eene kwaadebehandeling, i fchoon ons -idie in perzoon niet aangaat. Een tedere ziel, Feront- weerdigt zich zomtijds over de hinderpaalen die men hem tegenftelt, over de beweegredenen die men aan deeze of geene van zijne daadeft toefcbrijft ,■ over de Mede- dingers die men ben in de wegfielt, over de beloonin- gen die men hem aanbied, over de loftuitingen die men hem' toezwaait, ja zelfs dikwiis over de voorkeur die men hem boven anderen geeft; in-een woord, over al het geene, 't. welk betoont, datmen voor hem dieach- ting niet heeft, welke hij denkt te verdienen. VERPANDING , is zo veel als Hijpotheecq, welk
laatfte een griekscfa woord is , betekenende , een onder- fand van een onroerend goed, en word afgeleid van het griekfche woord v^'Hxii, pandi hijpotheca efl contrai- ns quo res immobilis, nuda conventione obligatur credito- ti. ~ Ook noemt men het wel -Bezegelheit, omdat het voorde Overheid ofMagiftraat van de plaats.daar het te verpandene goed gelegen.is, ;verleeden, bezegelt, en aangetekent. word, en zulks mag niet vooreen No- taris gefehieden.. :, . .;;,:, i De Verpanding 'm conventioneel of'legaal. ■
conventionele Verpanding; vqrftaat men,- die bij conven« tie of overeenkomst werd verkr.eegen , en is wederom generaal of f pedaal.- ■ i goed. -----Speciaal.e alleen van dit of dat goed in,'t bij- zonde*. , : :. n ré ;;■:;; c'i ' ■. ' - : . .-■ . ■ Door legaak Verpanding .of .Hijpotheecq ,-verftaat men een zodanige, .die alteen uit, de wet fpruit, zonderee, pige overeenkomst van parthijen , en welke uit haar ei- gen aart prajferentie geeft ,. zonder agt te flaan op de ouder of jonger fchuld-; dog deeze houd op,* zo draade perfoneele verbindtenis een einde heeftgenomen.
Deeze {egaals Hijpotheecq die men ook Stilzwijgende
noemt, is als een bijzondere privilegie toegedaan, ten perfoneele -faveur« van den Schuldeifcher, of wel uit aanmerking van de oorzaak der fchuld. VERPLIGT1NG, zie OBLIGATIE. VERRAAD, in't latijn Proditio. Door Verraad ver- flaat men -eigent-lijk , het fchenden van trouw ten aan- zien van zijn Vorst, Overheid, Vriend, ofwel een zodanigen die vertrouwen in ons heeft geftelt. , _ Hoog-verraad noemt men, alle zodanige zamenzwee- ring, die tegens het Vaderland,of deszelfs wettige Over- heid gefchied ; zie Gequetstb Majesteit. Ook word het woord Ferraad gebruikt, voor misleiden, be* driegen , enz. . ' . . VERQUISTING.zie VERKWISTING.
KU. Deel. |
|||||||
|
VER».
heel ontviiedeh', levendige Schepzels, ik meen dè Jlf*/.
ten voor den dag, die, van tijd tot tijd, na één en ander-- maaien van vel veranderd te zijn, tot volkoömen Mij- ten worden , en de grootte van een kleine fahdkorrel hebben, wanneer ^ij weder Eijers, Waar uit zij te voor« fchijn kwamen, op de kaas leggen, als bewust zijnde dat deeze een bekwam voedzel voor hunue nazaaten;zal z-ijn. Maar niet te onregt zou men kunnen vraagen, hoe of het eerftê Eij op de kaas zijn plaats had gekreegen; dog daar toe waaren duizenden van mogelijke gelegen- heden bij te brengen, tot een van u onmogelijke bevat- tingen ; honderdduizend zulke Eijers oif Mijten zelfs kunnen door een Vlieg van de eéne kaas op de andere worden gebragt, wanneer déëze (wantwij zullen het maar bij dit eene voorbeeld als.genoegzaam laaten) door de reuk, de geleidfter der Infeélen, derwaarts getrok- ken word; en dat met geen nutteloos oogmerk ; want de zeer fijne deélen der reukzenuwtjes van de Vlieg door dezelve aangedaan zijnde, wijst hem zulks aanftonds den wegen de plaats, waar hij als bij ondervinding, verzekerd is niet alleen een goed, en zeer bekwaam broeibed voor. zijn Jongen te zullen aantreffen, maar dat zij er oofc , overvloed van voedfel zullen vinden; hier legttvij, als in een dille vergenoeging, zijn langwerpige Eijers op neder, uit welken , na verloop van eénigen tijd, kleine witte Maden te vborfcbijirkoomen, die , haare bepaal- den tijd met eeten hebbende doorgebragt, zich ter rust begeeven, en vervolgens in een klein bruin langwerpig rond Tonnetje veranderen, dat, van alle leven beroofd fchijnende, en niets in zich dan eenig vogt bevattende, een fchoone vlugtige Vlieg, begaafd met driften.om zijn geflagt voortteteelen, voor den dag brengt. Wat won- derlijk toneel openen ons die twee Schepzeltjes ! en ik twijfel niet of men zal met mij wel willen toeftemmen, dat gelijk het met deezen gaat, het ook met al het ande- re gefchied, dat maar leven in zich bevat; dit zo niet zijnde, dan hebben de Heeren Bobartius , tevergeefs bet zaad van de Vaaren , dat als (tof zich agter de bla- deren vertoont, Ltnnäus dat van de Mos/en, Reau- Müft dat van de Z$eéicken, enMiCHELtos dat van de Paddefloeten gevonden , en aan het gemeen bekend ge- maakt. De Heer Linn/eus heeft er menigmaal over uitgeroepen: Omne vivumexovo, al watleeft is uit zijn eij ! Zoude het derhalven niet zeer onredelijk, ondank« baar en uitzinnig voor ons Schepzels omtrent onzen Schepper zijn, deeze dingen toe te fchrijven aan het bloot geval? Zou het, zeg ik, niet onnatuurlijk zijn, te ftellen , dat uit de in zich zelve doode kaas, leven- dige Schepzels voortkwamen, zonder een voorafgaand Eij, daar dezelven uit gekoomen zijn f En, mag ik wel vraagen, hoe gaat toch deeze Verrotting toe? Is heter altoos even droog en vogtig, even warm en koud bij, zo dat die fijne deeltjes van zouten enz., welke geen gevoel nog leven hebben , overal en op alle plaatzen gelijk, Dieren en Planten voor den dag brengen, daar niets aan ontbreekt ?^ Is het met de natuur der Verrot' t'ing zo gelegen , dat zij duizenderlei Schepzels, alle, naar hunnen aart, van gelijke deelen en leden voorzien, voortbrengt?' Of heeft ieder Schepzel, hoe klein het ook is , toen het uit de hand van zijn Maker kwam, een bevel ontvangen, f Vast en vermenigvuldigt? Ja, dat ieder naar: zijn aart zijns gelijken zoude voorttee* ien, tot nut van den Mensch ? Nooit kon er elendi- ger waereld bedagt worden, dan door te ftellen dat de Verrotting levende Schepzels voor den dag brengt. Welk -«ene-
|
|||||||||
|
Bt-Â VÉR.
men,, die,, in sich zélf leven nog gevoel hebben, idöor
QlddeJ-van de: Verrotting'; als de grondoorzaak ,van zich zelf voortkoomen. -''-"■ * . . Nietskan er bedagt worden dat dekleinagting voor on*.
Zen Schepper, en Formeerder fterker doet aangroeijen, ja dat het Opperwezen meerer van zijn eer, berooft, alsdee- ze en zoortgelijke denkbeelden.. Niets kan 'immers reden loozer vooreen redelijk Schep»
jjel (die het.beeld van zijn eigen Maker draagt) zijn, dan de oorzaak van levende Schepzels, het zij Planten of Die- ten, aan het blind geval der Verrotting toe te fchrijvèn» Wanneer wij onze gedagten opeen redelijke wijze ge- bruiken, zullen wij zien dat er niets is, of kan bedagt worden, dat de hoogagting voor onzen Formeerder meer In ons opwekt;, en dat de eer van God grooter maakt, dan te zeggen, Heere gij zijfr de formeerder van groot en kleitil Ja wat is er billijker,, dan te ftellen dat hetHem, naar, zijn vrijmagtig welbehaagen, geliefd heeft', een waereld te fcneppen vol van.heerlijkheid en wijsheid?- En op di,t fpoör voortgaande, zullen wij zien dater niets is dat den ijver en de werkzaamheid in het onderzoeken van nuttige zaaken , (die immers allerbetamelijkst voor ons menfchen zijn) meer.doet aanwakkeren, dan deftu- die en de betragung van de Natuurlijke Hiftorij. Dé hoogachting voor den Schepper en Weldoender
groeit niet fterker aan , dan door het behandelen , onder- zoeken en nafpeuren van zijne kleinere Schepzelen, de grootere voor tegenwoordig niet in aanmerking komen- de, dewijl wij dagelijks hunne huihoudingen rondsora en bij ons hebben. Indien de zodanigen welke (tellen dat die kleine Dier-
tjes hunnen oorfprong aan de Verrotting verfcbuldigt zün, in der2elver plaatshadden beweert, dat zij haar ge- boorte of voor den dagkooming daar aan verfchuldigt waaren, zoude ik zulks gaarne hebben willen toeftem- men; dewijl eenieder, die niet ten eenemaalenonkun- dig is , met mij welbegrijpt, dat overal waar. Verrotting plaats heeft, ook een zekere graad vanwaTmteofbroei- -jing is; maar indien men in aanmerking neemt, dat de mest, of iets anders dat bederft, uit bedorven aardagtige Röffen, met vlugge zout en olijdeelen bezwangerd, be- ftaat, die wel vergaan, veranderen en wederom tot aar- , de. worden, om dus tot hun voorigen (laat weder te kee- ' j-en, na dat zij alle eerst het kanaal van broeijende warm- te zijn doorgegaan, zo kan men ligt begrijpen dat de Verrotte deelen wel aardagtige blijven, en, indien men het zeer ver wil zoeken, door zekere Travsmutatio par*. titim, of verandering der deelen, weder dezelve Plan- ten enz. kunnen worden» dog tevens dat dit alles on- mogelijk kan gefchieden zonder een, voorafgaand zaad; waar toe men zijn oog maar eens hebbe te (laan op dé Mijt, wien de kaas tot een geheelen waereldkloot ver- ftrekti en die wij thans eens uitveele duizenden verkie-«. zen, als best en,algemeenst bekend zijnde. Over niets hebben de onvermoeide ijveraars der Na-
tuurkunde zig meerder te verheugen, dan over de'nutte uitvinding der Vergrootglaafen of Mijcroscoopen^ deeze hebben ons hier toe niet alleen een. bekwaame gelegen- ïreid', maar ook eene nooit ftil zijnde tijdstip verfchaft. De Mijt dan is.een Dier, dat uit doorfchijnende Eitjes of Neten voortkopmt,. welke aan hunne b.uirenfte opper? vlakte of uiterlijk,vlies met-veele.ruiten verfierd zijn ; de broeijende warmte van de kaas, die in zich zelf zeer gering is, evenwel : groot en fterk genoeg tot dit oog« içejk, brengt ujt deeze.kleine,ftofjes, die ons oog ge- |
|||||||||
|
J
|
|||||||||
|
.'VÄR,
|
|||||||||||||||||
|
VER.
|
|||||||||||||||||
|
ms
|
|||||||||||||||||
|
éênelaagrjèid van zfeît'Mài'zouzijn Schepper e» Wel- ks er' bïfeoëwtt Dj gëvöbde» wórden-, friSben versa-
doener beroofenvan daf geen ,. waar hij zijn lust en dert > Ook beftaan de Verfieeningeni uit die ligbaamen |
|||||||||||||||||
|
zelve w-élfcè-eertijds in ;de aarde bedolven, er nader«
hand in Steen verandert, zijn uitgetrokken..
Wij" zullen beginnen met eenî tafreél van zodanige Verfieeningen te fchetfen, die in alle waereldsdeelea
worden gevonden, in de vlaktens zo wel als op de ber- gen; aan de zeekusten, en aan zodanige plaatzen die 'C verde van dé zee zijn afgetegen; op allerlei] diepten* en hoogtens. Vervolgens zuilen wij nafpooren hoeda- nig die toevallige ligbaamen zijn verfteend geworden; ten laatften, wanneer en bij welke gelegenheid die ifghaa- men van de oppervlakte des aardbodems, of uit de diep* tens der zeen, in deingewanden der aarde zijn gekoomen om die veranderingen te ondergaan. I. Regelmaatige optelling van de Verfieeningen. Me«
ziet door onze gegeevene definitie of bepaaling, dat wij denaam van Verfieeningen enkel geeven aan de delvbaa- r'e Hghaamën,: die vreemd aàn de aarde zijn, en uit het Dieren- of Groeijëhd-Rijk afftâramen , eh dus toevallig in de aarde worden gevonden, waar uit die in verfchil» lende gedaanteris worden getrokken, ofwel op eene ver- fcheidene wijze verandert en veraart ; men ónmoet er welke weinig verandering hebben ondergaan; anderen zijn als verkalkt; het grootfte aantal ii of wezentlijk verfteend , of tot een zoort van agaat overgegaan i of gemineralifeert, of wel met crijftalïen vervult. Eo- nige Verfieeningen maàken het lighaam zelven uit, dat ia. zijn geheel tot Steen is overgegaan ; anderen vertoonen niel dan het afdrukzel van de uitwendige gedaante ; men . vinder eindelijk, die niets anders behelzen dan de kern'; tot een Steen gevormd, in het ledige of de bolle encel- agtigedeelënvanheteigentlijke lighaam. ZteStruüurede la Terre. I. Mem. dans letyeceuil de divers traités fur F' Hifioire naturelle par Mr. Bertrand. Avignon in 4tö, r766. Wij geeven dus de voorkeur aan dë verdeeling van
Bromel , en van eenige andere Mineralogistén, die een afzonderlijke Clasfe van die toevallige Delvdof- fen hebben gemaakt, afgefcheiden van de gefigureerde Steeneh en alle andere Delvftoffen. De Schrijver vaa de éléments d' Orijiïohgie heeft een verkorte , dog teffens nauwkeurige en volledige verdeeling 'van die Verfieenf- ■ gingen gegeeven, en bepaalt die tot de twee algemeene Clasfen, yan Zoolitben én Phijtolithen. De eérfte algemeene Clasfe dér Zootithen,. bevat dé
Entomolithen, te weeten de verfleendè Litophijteri, zo als de Lithoxilà's,:àeHippürites, dëMadrepora's, Miïlèpora'i 'Releporità's; de verfleendè Zoophijten, zoals dé Trochite^ Encriniten, Zeeftarren, Belemniten, die anderen tot dë 7V- flacites-orthocératites brengen ; de Testacites, die ot -Uni' valvi, in dertien gezinnen, of Bhalvï in agt gezinnen, of MulUvalvi in vijf gezinnen, zijn verdeelt; de Helmin- tholiten, zo als de Vermiculiten, Tubiliten; de Verkorfiin- gen, of Crufiacei, zó als de Afiocolithen, en GammarO' lithen. De tweede Clasfe der Zoolithsn, bevat de lótJiijolï-
tlien, die verfcheidene deelen van Verfteende Visfcheii aanbieden, of wel verfcheidene zoorten die men kan erkennen. De derde Clasfe der Zoolithen, bevat de Amphilriolï- *
then,. zijnde de Verfieeningen van verfcheidene tweeflag- tige Dieren, of wel eenige van derzelver deelen. De vierde Clasfe der Zoolithen, bevat de 'Ornitholi"
|
|||||||||||||||||
|
vermaak in heeft,' ja IJem het formeereh deézer kleine
Schepzeltjes onttrekken, die veel duizendmaal konsti- ger zijn dan eenen grooten Ölijphant. De Olijphantis op zich zelfs uitnemend konstig; maar geenzins in verge- lijking met de Mijt, dat kleine Dier, dat ftofje, dat Op het minfte windje, of,de geringfte blaazing door de lucht gedreven word, en zo van plaats verandert. Moe- ten wij niet van verbaazing verdommen, wanneer wij in onzegedagten doen opkoomen , dat dit Diertje, zo we! ais de Ölijphant, een vermoogen verkreegen heeft j om teeeten, te ruiken, en wie weet wat nog al ; ja wat meer is, dat dit Diertje, zo wel als een, die millioenen- maalen grooter is dan het: zelve , van zijn konstigen Maaker ontvangen heeft een mond om fpijze te neëméh,' menigerleij ingewanden om dezel ven ten dienste van zijn ïighaampje te bereiden, en Cr zich , na er,den fmaak en het vöedfel van genooten tö hebben, wederom' van te ontlasten P Waar zullen wij heen , Lezer? ^Wij verliezen öris zelven, wanneer wij beginnnen tè ovëi> wegen, hoe het met die Dieren gaat, welke zo oriein dig klein zijn, en er de Mijt zich een Ölijphant bij ver- toont? Als opgetoogen moeten wij immers uitroepen : Hoe groot zijr. uwe werken, ó Heere ! Gij hebt ze aïlemei wijsheid gemaakt, het aardrijk is vol van uwe goederenl Deeze waarheden , die wij, zo kort ons mdgfejijlt
was, voorgefteld hebben , behoeven geen verderbe1 wijs; ieder, die op het fpoor der reden zoekt voort té gaan, en te regt begrijpt, dat hij'tot verheerlijking van zijn Schepper, en tot grootmaaking van deSzelfs naam, op de waereld is gekoomen, zal deeze dingen niet voor losfe beuzelingen, maar voor .weezendlijke proefftuk- ken der Goddelijke vingeren houden; zij leeren ons, dat een ondeelbaar, klein voor dat ATrnagtige Opper weezen is als een waereld.. : én een waereld flëgts als een ondeel- baar klein, op d,ezelfde wijze als voor de Eeuwigheid een dag gelijk duidend jaarèn is, en de tijd van dtii.zentf jaaren als maar.een dag* Het klejnfte en geringfte Dier«' tje in onze oogeh, kan ook dienen om onze hoogmoed in te toornen, en ons aantewijzen hoe gering onze kun- digheid is in den wezëntlijken aart der dingen. Het is God alleen bekend, hoe veel duizenden van zoorten er nog kunnen zijn, in grootte afnemende, die voor,óns tot, nog toe volftrekt onmogelijk zijn met eenig hulpmiddel, hoedanig ook, te befchouwen., Echter moeten wij in' het redeneeren over het geen ons onbekend is, met eer-* biedgelooven, dat de Voorzienigheid niet alleen de be- kwaamde middelen heeft gèfchikt tot voortteeling, be- liouding en geluk van alle deeze Schepzelen; maar dat zij dezelve-qok vercierd heeft met een fchooheid, ten minsten gelijk aan die van eenig ding, dat onze oogen is voorgekoomen, . VERSAGTENDE MIDDELEN, zie LENITIVA.
VERSEKERING, zie CAUTIE.
VERSPIEDER, zie SPION.
VERSTEENDE TANDEN, zie DENTES LAPI-
DEI. VERSTEENDE-VISCHTANDEN, zie ODON-
TOPETRiE. VRRSTEEND-HOUT, zie LITHOXIJLÖN.
VERSTEENING ; Petrificatio £f PetrefaBa. De
Vtrfleening is eene langzaame bewerking der natuur, |
|||||||||||||||||
|
■w hghaaraen zo uk het Dieren- als Groeiend-Rijk, wel- then of 4e tot Steen gewordenegedeeltens van Vogelen j
La so
|
|||||||||||||||||
|
-.....-~i7~~~~~
|
|||||||
|
3B4* iVEIL
zoals derzel ver nesten, bekken, kteauwen enz.; dog dee-
zen worden zodanig zeldzaam, gevonden , dat eenigeNa- tuurkenners er de beftaanbaacheid van: in twijfFel hebben getrokken.".:.... < vàm%\ v HilZfl \smti ■ Dé Ferflemde of- in de grond bewaarde beenagtige
ïdeelen van viervoetige Dieren en van den Mensen, maa- ien de vijfde C.lasfe der Zoolithm uit.. . Nog kan men hier eene onderfcheiding maaken,: ten ïâanzien der indmk.zelen dier lighaamen op het S;teen» -de lighaamen "zeiven/vernielt zijnde geworden ; het zijn als dan Zoatipolithen. , : nsrasii] saili;' ■■-'.*'. i : Indien men erbebalven dat nog de kerns ofpitten af-
fcheidtot Steenen geworden-, die in de.holligheden yan .dierlijke deelen worden gevonden, welke-tot vormen hebben verftrekt, als, dan zijn het Métrotrj.poiiihen. De tweede algemeepe.iClasfe.der.^r/^feöiiïgera, be-
vat alle de Ferfleeningen uit het groeijend-Rijk, die den naam. draagen vm>PMjtolithen. r, feez^n kan, men brengen ji qf tot de geflagten zelve 4er Planten, of wel die.door het Ver^een^ gedeelte, ,4aar van.on,derfcheideq zijn, zo al§ takken-, (tara, wortej,, bladen, ;en 2.,j-of wëj: teri aanzien -van, der-zelver. aart , : die; zij.uitgedolven^zy ndej vertoonen, zo als Ferfieende Planten,,,zodanigén,.die zich in afdrukzels vertoonen, diç welke'met aluindee- ierj.»i ijzerdeelen, zwaveldeelen e-riz. vermengt zijn.- ■■■- '■ i Xusfchen die Ferflemde en dé wezentüjk.e lighaaqien. welke zij'afbeelden,. het zij. de .zocUtnfge die op de-droog* te pf;ipjhet water .huisvesten;,. yipd;men^ geen e gelijkèij nis;die men; tan zeggen datonvojkaornch is.-^-Wan-. neer.men .het, natuurlijke, Voorwerp met het Féïflespr tfe of; uitgedplven Jighaam vergelijkt.--,.. wórd ,rrjen ,-geff drongen om: er dezelfde gedaante.,, jdezelfde.ilructuur, ja dezelfde werktuigkundein te erkennen, bok trekt er deSeheijkunde-veeltijds den zelfden- aart van zouten uit; JVÎen-wprd in de eeLnezo.w,e,Ija!s.ind*andere,.niet aileen.de zelfde toevallen, maar zelfs gelijke géflagt en' egènaartij gerkenirrerken ontwaar..t-:-Ib eenwoord, alle depver- eenkómften kunnen niet nauwkeuriger nog volkoome- ner-.zijn:» zo als zulks-ten aljerduidelijkften door dé He- ren Bertrad, Gesner, ;Spada , Âij,Lr,ON,"en eenaan- tal andere Natuurkundigen is.beweezen..~. Hoe' mee« rer men gelegenheid geeft gehad, om van die toevalli« ge DelvftofFen te.befchouwen, hoe minder men kan twij- felen , ja men word zelfs handtastelijk overtuigd, dat zij eertijds wezentlijk tot het Dieren-iOf Groejjend.Rijk hebben behoord.- .In,het' werk van de Hèér Gronóvi- us.tot een aanhangzel.van.SEGüiERii., Bibliotheca Bo? tunica enz.;,dienende, .vind. men hetzo-talrijke naamre- gister der Schrijvers, die-óver, deeze onderwerpen heb.. ken gefchreeven. Zie ook Bertrand Diäion. des Fosr files, l'article Pétrifications.. . ' II. Op welk een wijze zijn deeze Lighaamen Ferfl'eend
geworden ? Het geen men met de meeste zekerheid ten aanzien van dit onderwerpkan zeggen» beftaat itf beflîsfén» de waarneemingen, van-, verscheidene 'Natuurondefzóé» kers » wij zullen een'bègih'maâkëb mét'dié bij eéri te' brengen-,. \...j.:: ■... ■ v y* . .-^ .-.:.-. ,■ . .'.,'; Het is reeds bekenden voor eene onwedèrfpreekélijke
waarheid aangenoomen, dat. geen iighaâm 't 'welk aànde vrije lucht is blootgefteld, tot Ferfleénihg kan' overgaan ; het word'er .vernield, verteert, of wel gaat tot rotten over ;, zulks is bet gevolg van de. uitwerking der lucht, en der" vogtigheid, .die. er we.1 draa çeni^e gesting of' ónt- flöopicg-in te wegetirérigt.. -, . . -V'' Het. is niet,minder zeker,, dat.al te. vogtige e,h. te.
|
VER;
weekefloffen, zeldaaamer en bezwaarlijker; tot Kerflei-
ning overgaan , als harde* en. droogeVzej^andighedehj dus yi'nd", men .veelvuldig 'Schelpen, die",yerfte'end zijn,, en zeldzaam de jDieren die 'dezelve, he.fabèp bewoond. ;- Men- ónmoet in denaarde delvende',, JTerfieénfiè',.beende- ten van Dieren, Geraamtenns, Vischtanden'enVpgel- bekkens dog genoegzaam hooit, weeke, of, vleefchige deelën van die Dieren.' , ;. ' . ., Eene grond..of "sardç, zondét'yogtigheid., is.oo.k zónder werking om 'eene .verandering in. Steen, vborttebrengen, Men .heeft; 'in',het, Sand uitgedroogde liijken gevonden, daar, zij. langen tijd zónder ee,ntg'e andere, verandering te ondergaan .waaren.bedolven geweest., '. DJesyolge'ns is de aarde welke de lighâaipèn heeft; .Bevat!,, die wij' Fer- fteend vinden,, 'yogtig en daar'bij week geweest ; tot èen.bewijs.van- die weekheid verftrekt,, dat de holle deelen.» bij voorbeeld van de; Schelpen,met dezelfde ftoffe zijn vervult als ^e.itëënige.bedding waar tus» fchéa .zij bedólyen'zijn, '..ppk 'heeft 'de,Steen die de- zelyéónïvat, .de uitwendigeftreepeneh knobbels.nauw« keurig aahgenpqmçn,,,4ië,,aan'.dëeze lighaainen natuur. ïijkeig'en.'.'zijn'..,," ", ',.','..'. ■-,',.'' .'.11'. ..'.Mén. vind'op!zpm,mige;Bérgeh, beddingen van rots, of hard. gewordene,mergel', 'zodanig met Schelpen en andere Zeeljghaamén dqorzaait, dat men verwondert ftaat over het aantal 'der ^çlfftan.digheden van dien aart, welke men er.Jn-óntd.eTi^.'. dèèïtë uit zamenge,ftèt:d.,.r-^^' IZoftiiijds is het een enkele zoort yan dié zee-lighaa'men^pök!!we):eéne vermenging yan v'eele véifchëidene' zpbneii óndér.malkander.------ Zon- der gegronde, tège'nfpf aak moer men töeftaan, dat deeze beddingen" week. zijn1 geweest, teninètal het geen er in bevat was, tot hardheid zijn overgaan.' -■ Dokati leert ons, in zijn 'Histoire ndtUrdfè de:la Mer Miiati- ju«.,".'dat dè gronden en ftran.den van zommige Zeen met Schsïpenn Hoorritjès en andere, lighaamen aan de zilte wateren eigen, zijn vervult, We%e"lighaamen'op" élk- anderen geftapelt én door een zoort yari flijk bedolven zijn. Dat deeze grond, 'dat dit flijk yan dé zee verlaaten Wórde, dat deez'e bedding teri laafsten een harde zelf- ftandigheid àannéemè ; en,; men treft volkoomèn het zelfde aan »als in de Iaagen van verfcheidene onzer Bergen en Vlakteris"word gevonden.. *-'■ ; De ondervinding leert, dat eenige ftroomendö wate«, téren, de eigenfehap bezitten, van'zommige lighaamen' Wel: met een ftéenige korst te'overdekken, dog die éfchter nimmer tot Steen'kunnen veranderen. - Keij- fer Françiscus de I: liet iri Servie een 'pijlaar uitdel- ven, welke tot ftut yan een brug had verftrekt, door Trajaan geboüwt. Men bevond, dezelve ten deele róndspmme verfleend, dog het was enkel dat-gedeelte,- hetwelk in déri grond was bedolven geweest. Ook leert ons nog de ondervinding, dat debekorstin«
gen .taamelijk fpoedig in't werk gaan, daar in'tegen» deel vetftbeidene eeuwen 'v.ereischt worden , onï eenè- Ferfteening uittewrogten;'r E«ne meenigte van ona- ftandigheden..voor hetgroptste gedeelte niet optelosfén». kuntten fièt zelve aanmerkelijk verhaasten of vervroe- gen., He.t is dus eenlputer verdigtzel, vastte willen- bepaalen ,' op wat tijd-die- verfteendé lighaamen- in ds, aarde zijn bedolven geworden, en welk een aaneenfeha» keiing vä4i.jäaren.zij.hebben behoeft, om;ih -Steen ta veranderen., ;! ■'■ , ' Zö wel als er wateren zijn:, welke-dóor■ dè aardagti«
gç deeltjes., welke. ïij.voörtkrüijen t meer ofimïn fpoedi*
: : '- ,.-:-'.. . :-:: ,. -' ger.
|
||||||
|
VER.
Ȏr Steenagtige bekorstigingen voortbrengen, 20 moe-
ten er ook vogten in de aarde zijn, die de een meer de andere minder, éene Verfléenende hoedanigheid bezit- ten en de beddingen uit de aardagtige deelen, het zij fnergelagtige, kleijige, okerige, of mineraüfche, ver- binden, en de vreemde, Hghaamen die er-bij gevon- den worden, met meer of minder gemak doordringen, ïk' heb pp weinig afftand in dezelfde Bergen ," hier bed- dingen van rots gezien, .vervult met zee-ligbaamen, die inèt den rots vèrfleend waaren ; daar onder eene bedding mergel van denzëlfdenaart en koleur die niet bard" was, én in die nog weekjzijnde bedding, Verfleende 2,ee4ig- liaamen. ' , Men vind, houten en andere vreemde Delvftoffen in
glasfteenen,. agaten, vuurfteenen, ijzer, in pijrijten , enz. verandert, maar gemeenlijker zijn die ligbaatnën tot kalkfteenen overgegaan , om dat de kalkdeeltjes veelvul- diger in de natuur gevonden worden, en dat alles wat tot het Dieren- en Groeijend-Rijk behoort, een aardag» tig beginzel heeft, 't \velk insgelijks kalkagtig is. '■■'■ Men haalt uit den grond veel minder Verfleende Hg-
haamen, zowel van het Dieren als Groeijend-Rijk die op hèt aardrijk woonen, als de zodanige die insgelijks tot die beide Rijken bëboorende, oórfprongèlijk in de zeêhuis- vesten. -------Het zijn die voorcbrengzelën der zee, welk 't algemeenste overal worden gevonden, en zulks
op g'rooterdieptens:,.én in uitgeftrekterbeddingen bevat, ' én die door den aart en gefteltheid der laagen, gemeen- lijk eene masfa met de aaneehfchaakeling van Bergen üitmaakende, aan de-àlleroudfte tijden-fchijnen te'be-. hooren.'De Planten aan het aardrijk eigen , die^ dikwils Vèrfleend of met een Steenige korst overto- gen , inbeddingen van turf of leijfteen ontmoet worden, fchijnen aan een veel jonger oorfprong te moeten wor- den toegefchreeven,. ..'/-:'■' Dusdanig zijn de voornaamste waarneemingen,-die ik
gelegemheid heb gehad werkftellig te maaken,. en die van mijne Lezeren .welke wijdloopigér befchrijving ver- langen, kurinen het fchoóne werk van 'E. Bertrand Mémoires fur la firuükn intérieure de la Terre , raad- plegen. Nu komt b'etop't onderzoek aan, "hoedanig een lighaam,
't welk aan de aarde vreemd is, en er door't een of an der toeval onder bedolven is geraakt,, aldaar kan Ver- fieend -worden , zonder deszelfs gedaante te verliezen, en hier toe zullen wij bethout tot een voorbeeld neemen. Het Hout is zo wel als veele andere lighaamen in de natuur, uit aarde, een deel water, eene gom of.hars, of een olieagtig gedeelte, en eene zoute of vitriolifche, ofwel falpetrige zelfftandigheid zamengefteld^ , De werktuiglijkheid van hét Hout, beftaat in eene ver-
zaamellng. van dràaden, vezeltjes, ofwel buisjes, die hetTap'doorlaaten, daar bij kleinegaatjes of poriën, die van het midden af tot na den omtrek loopend : : Wanneer een (luk Hout in de aarde is begraaven-, is-
het wel draa met water doordrongen, het welke allengs- kens dé oplosbaare* deelen, zo als de zouten en gom- men ontbind -------, Daar gebeurt dus eene ontflooping; de buifen en poriën .worden daar-door grooter, het wa-
ter trekt er overvloediger in, eeven als in een fpongie.. Het.Hout bewaart ondertusfchende uitwendige gedaan- te, als mede de inwendige ftruftuur, en zulks door middelvan de aardagtige deelen, die haar tot bafïs ver- ftrekken, en al's 't geraamte van de Planten enz. uitmaakte Het; waten op. deeze'wijze-door. ds verwijde-vaten loo* |
VER.
|
||||||||
|
38'4f
|
|||||||||
|
pende, laat èr allengskens de aardagtige en fteenige
deelen vallen ; waar mede het min of meer is belaaden. Deezé deeltjes , met die aardagtige.deelen die het Hout van natuur eigen zijn, verbonden wordende, vergaderen zich in de vaten en poriën , vereenigen zich de eene met d'andere, werden hard, en het Hout is in die toe- ftândniet anders dan Steen, die derzelveruit- en inwen- dige gedaante welke zij te vooren had, behoud.-, Dit Verfleende Hout is als dan of kalk of leemagtig, of wel als keijfteen of agaat, en zulks ingevolge den aart, van de bijkoomende deelen, welke de overhand in die nieu- we verbinding van deelen hebben. Diensvolgens zijn de zoute of gomagdge deelen van
het Hout niet in Steen verandert, maar enkel zodanige deelen die- reeds aardagtig waaren ; daar heeft dus ei- gentlijk geene verandering ten aanzien van de oorfpron- gelijke deelen plaats, maar enkel eene verwisfeling van ftoffe, eene bijvoeging en eene nieuwe verbinding. Dus is de Verfteening niets anders, dan eene plaatsvulling. of verwisfeling van doffen-, even op dezelfde wijze als het ijzer, koper word, in zodanige fonteinen die met vi- triool en koperdeelen zijn vervult. De Verfteening der Dieren-gaat op dezelfde wijze in
zijn werk, zo wel als die der Scbelpvjsfcben enz. Die lighaamen hebben ook eene aardagtige bafis, met vettige en zoute deelen , vaten, vogten , en poriën. < Het water ontbind de oplosbaare floffen, laat de aardagtige deelen in haar geheel, en vervult de vaten met fteen- agtige deeltjes; en deeze verwisfeling van zelfftandig- heid, formeert ten Iaatsten op dezelfde wijze de Verfteew de lighaamen. ■ Om deeze reden is het, dat zoda- nige levendige lighaamen die het meeste aardagtige dee- len hebben, ook het gemakkelijkfte Vèrfleend worden, en dat zodanige Verfleeningen het veelvuldigfte zijn. Dus zijn de Verfleeningen van de vleefchige deelen der Dieren zeer zeldzaam, zo ze er zijn, maar de beende' ren, de tanden, fchelpen en hoorns zijn veel gemeen- deni-Dus worden ook nog, de bezielde fteenag- tige Zee-pianten, Madrepora's en anderen nog veelvut- diger, onder de Verfleeningen gevonden. lil. Hoedanig de toevallige Delvftoffen onder den grond'
zijn bedolven geworden! Tot hier toe hebben wij ons. met de befchouwing van daaden opgehouden, zijnde wel dat gedeelte van de natuurlijke Historie welke van het meeste belang is, en waar op men 't veiligste kan bou- wen ; thans zijn wij verpligt onzen toevlugt tot hijpothefen of onderftellingen te neemen. , Het koomt er op aan om te weeten, op welk tijdftipj
hoe en door welk toeval, die lighaamen van natuuren. vreemd aan de aarde,, in derzelyer boezem zijn begraa» ven geworden, zo wel in de Vlaktens al in de Bergen, van het eene end der Aardkloot tot aan het ander. Zommigen hebben ontkend dat hetvreemde lighaamen
zijn, en voorgegeeven, dat het Delvftoffen waaren, die aan eenige gronden eigen zijn, en eveneens gevorm,t en voortgebragt worden, als alle de anderen-; zo ais bij voorbeeld de crijstallen, en zulk een menigte onder* fcheidene Delvftoffen, waar van de gedaante en het maakzel altoos regulier en gelijk is; . Anderen hebben veronderftelt, datieder Delvftoffe en
Mineraal, van zijn eigen zaad voorzien was, en dus groeiden , en dathetonderfeheid tusfehen de voortbren- ging der Planten of Dieren met-de Delvftoffen , enkel beftond in "het onderfebeid van de voeding, ofwel van. de. vermeerdering; $3 £ '3? W*
|
|||||||||
|
VER.
|
|||||||||
|
jfflJ VER.
|
|||||||||
|
beddingen en.den oofprong.der vreemde lighaamen, dis
er in beflooten zijn, gezogt.Maar hier in zelfs ook, hebben de Geleerden zeer verfchillende wegengevofgt. Bürnet bij voorbeeld, veronderftelt, aat er voor de Sondvloed op den gantfchen Aardbodem geen Berg te vinden was; dat den Oceaan onder deszelfs korst vert fchoolen lag, dat die korst is gebrooken en ingeftort, dat de wateren er uit té voorfchijn zijn gekoomen, dat de Bergen zich hebben opgeheven, dat de Zeen zich over de laagste plaatzen hebben verfpreid en uitgeftrekt, er* dat daar aan, de aanmerkelijke veranderingen aan onzen. Aardkloot gebeurt, moeten worden toegefchreeven. « Van een andere kant neemt Whiston zijnen toevlugt tot een Comeet, om de omwenteling van de Aardbodem voor den Sondvloed), en de formeering van den nieuwen wae« reld te verklaaren. ;------Woodward integendeel,
verzint in het centrum of midden der eerste waereld, een
vreeslijk groote waterbol dien hij abijme cetitral noemt; de wetten van de zamenbinding (cohefio) wierden op het tijdftip van den Sondvloed opgefchort, alles wierd op de vlakte van den Aardboden vernielt en ontbonden. De Stoffen zonken vervolgens in de dieptens, fielden de ver« fchitiende làagen te zaamen, alwaar die vreemde ligbaa* men in beflooten gevonden worden, die te vooren ei- genartig tot de Zeen en aan de oppervlakte der aarde behoorden. Alle deeze veronderftellingen zal men ter toetze ge>
bragt en nauwkeurig ontledigt vinden, in het fchoone werk van de Heer E. Bertrand , getijtelt, Memoiresfur la ftufture intérieure de h Terre, waar toe wij onze Lezers die uitgebreider bericht verlangen, verwijzen. VERSTERFREGT , dusdanig word dat Regt ge- noemt waar na de Goederen bij iemands overlijden , worden verdeelt. ^ VERSTERKENDEN BALSEM, zie BALSEM. VERSTERKENDE MIDDELEN, zie CONEOR- TANTIA. VERSTERVING, zie DOODING. VERSTIKKING, in't latijn Suffocat io, verftaat men het verlies van de ademhaaling door, het zij In't geheel of wel ten deele. De Verfiïkking fpruit j uit verfcheidene oorzaaken
voort; dog wij zullen hier alleen verhandelen; i. die doof het verdrinken veroorzaakt word ; a. door de be- rooving van lucht in het werktuig van 't ledige; 3. wan« neer men op al te hoog verhevene plaatzen klimt; 4. wanneer men een al te warme, verdikte lucht, inademt, ofwel een zodanige lucht die fchadelijk voor de longen is. De Verftikkingen die uit ziektens voortkoo- men, hangen van die ziektens af, welke zeer verfchei- den zijn. In de verdrinking, fterven de Verdronkenen even eens
als de geene die geworgt worden. > Zo wel in 't ee- ne als in 't andere geval, is de doortogt van de lucht ge- flopt. Het is het water niet 't welk verfiikt, door in de longen te dringen, want de opening , dat is het Strot- tenhoofd (glottis), is maar een zeer kleine fpleet; het water nu deeze fpleet bedekkende, laat de lucht.niet toe om ér uit te gaan, «n bij gevolg kan die er ook niet indringen, en dus verfiikt een zodanige ; wanneer echter de Lijken boven drijven, vind het water niet altoos de- zelfde hinderpaalen ; want in zommige plaatzingen van die lighaamen, kan zij maareene van de uiteindens der glot- tis bedekken, terwijl het ander gedeelte aan de lucht blootgeftek is ; dus is het zeker, dat in zodanige plaat* zin-
|
|||||||||
|
Deeze veroriderftellingen, aan andere Wijsgêaren on-
mogelijk zijnde voorgekoomen , hebben die op hun beurt veronderfteld, dat onze aardkloot door de.oor- sprong aller dingen op depuinhoopen van een oude ver- nielde waereld is gefchaapen of geformt geworden, en dat de Schepping waar van Moses fpreekt, niet anders is geweest, dan eene herftelüng en wederopbouwing. Volgens hun , waaren er op die voorafgaande Aardkloot, Dieren en Planten genoegzaan overeenkoomende met de geenen die beden ten dage beftaan. gaande waereld is vernield geworden,op het tijdftip dat zij een einde moest neemen,en zulks door eene omwente- ling of eenig ander toeval, ingevolge de wille van den Schepper. De lighaamen van die voorfge waereld, zijn door de wateren gints en derwaarts gevoerd en verfpreid geworden, aldaar in weeke beddingen begraaven, die ver- volgens hard zijn geworden, en die na verloop van tijden tot Verfteening zijn overgegaan, en dit zouden die zelf. de lighaamen zijn, die wij heden ten dage als vreemd en niet tot onzen Aardkloot behoorende, ontmoeten. Dus is het, dat men in een groot ouderwets Kasteel het welk na den hedendaagfchen trant is vertimmert, ver- fcheidene Stukken van het eerde famenffel en der oude bouwkunde, aantreft. Eenige Natuurkundigen hebben de gefchiedenis van
de verfcheidene ongevallen, zedert de Schepping op verfchillende tijden gebeurt, verzamelt engedagt, en- kel in die bijzondere en uiterlijke toevallen, voldoenende oorzaaken te ontdekken omdeverkruijing van die vreem- de Delvftoffen, en derzelver aanwezentheid op zodanige plaatzen , daar zij niet van natuuren behooren, en al. waar wij die dagelijks ontdekken, te kunnen oplosfen en verklaaren. rugwijking van zommige Zeen, de aanfpoeling, landwor- dingen, gewoone en buitengewoone overftroomingen, verzakkingen en inftortingen van Bergen, veranderin- gen der loop van Rivieren, enz. De evenredige ftruótuur van deaarde en derzelver Iaa-
gen of beddingen, waarin die vreemde, inzonderheid zee-lighaamen beflooten gevonden worden, heeft zeer beroemde Wijsgeeren tot de gedagten gebragt, van te onderftellen, dat de Zee opvolgelijk den gantfche Aard- bodem heeft bedekten overitroomt, ofwel dat den Aard- bodem allengskens en bij gedeeltens, van onderde wa- teren der zee is te voorfchijn gekoomen en als opgewelt. « Dog dit denkbeeld dour beroemde Geleerden verde- digt en beweert, duid echter een gevoelen aan, als of de waereld veel ouder is, dan weide tijdrekening van Mo. ses die bepaalt. Behalven dat, 'nebben zommigen, om die opvolgelijke verandering der Zeen te ontwimpelen en te verklaaren, eene verplaatsing van den ceritraalen of middenpunts-zwaarte veronderfteld. Zommigen heb- ben verzonnen, dat de Planeet die wij thans bewoonen, door een Comeet van de Son is agefcheiden geworden, dat zij zich tot een langagtig rond (Sphéroïdes) heeft gevormt, dat de waterige dampen die dezelve omringden, een algemeene zee overdeszelfs oppervlakte heeft verfpreid, maar dat de dubbelde of weerkeerige beweeging van die Zeen, ongevoelig en na verloop van tijden, de Bergen, Valeijen, Vlaktens enz. uit de wezentlijke grond der Zeen heeft doen opwellen en voortgebragt. ' Een veel grooter aantal Natuurkundigen, hebben in de gefchiedenis van den algemeenen Sondvloed, door Mo- ses verhaalt, de verklaaring der tegénswoordige toeftand vta onze Aardkloot, derzelver verfchillende laagen of |
|||||||||
|
.VER.
»Ingen, die niet vreemd zijn aan een lighaam dat drijft,
het water in de iongen zal kunnen dringen, dog dit ge. beurt niet als langen tijd na de dood ; dit isook de re- den , waarom men niet altoos water in de longen nog maa- gen der verdronkene Menfchen vind. Het zoort van Verflikking dat door konst word uit-
gewrogt, namelijk dat van Dieren, welke in het werk- tuig van't ledige fterven, is niet bezwaarlijk om te be- vatten; om die echter te begrijpen , moet men zich te binnen brengen, dat de takken der long-aderen, met fcherpe hoeken de een uit d'andere voortkoomen , en dat daarbij veerkragtig zijnde, zij wederftand zullen bieden, wanneer men ze van een zal willen fcheiden ; nu is het onmooglijk om longen te dcen opzwellen, zonder de takken der longe-buifen van malkanderen te verwijde» ren ; maar de takken welke de een op d'andere wee- gen, weerftaan de kragt welke haare poogingen tewerk fielt om die te verwijderen. Voegt hier bij de zaamen- trekkende hoedanigheid van het longenwecfzel, dat al- toos ftrekt om alle de vezels te doen inkrimpen , eene zaamentrekkende hoedanigheid, die zelfs niet in de Lij- ken ophoud. Dit gefield zijnde, zo plaatst een Dier onder de Luchtpomp of het werktuig van 't ledige, pompt er de lucht uit, wat moet er dan gebeuren, wanneer de lucht minder verdikt dat is ijler zal zijn ? Het is zeker dat die niet meer in ftaat zal wezen, om de long-vaten op te heffen , bijgevolg zullen die malkander naderen ; en van d'andere kant, zo zal zich de lucht welke binnen 't inwendige weefzel der longen is, zich uitzetten, daar zal dus eene uitzetting en zaamentrekking in de longen van zodanige Dieren plaats vinden, die zich in het werk- tuig van het ledige of Duchtpomp bevinden, wanneer er de lucht is uitgepompt. Het is klaarblijkelijk dat de voortgaande beweeging van
't bloed, bezwaarlijk in zodanige longen zal worden; want in de eerste plaats zal de lucht geen kragt genoeg heb- ben , om de long vaten optebeffen; en ten tweeden zul- len de longen, zodanig door de lucht van het inwendige weefzel uitgezet worden, dat het niet anders kan wee« zen, of de vaten moeten getrokken, gedrukt, en ten laatsten verfcheurt worden of bersten ; dus zullen zoda- nige Dieren welke zich onder het werktuig van 't ledige bev*ïnden,allervreesfelijkfte benauwtheden en angsten uit- ftaan, en derzelver middenrif en tusfchenribbige Spie- ren te werk flellen; maar zelfs de werking van deeze Spieren zal voor hun verderflijk zijn, want de ruimte die de Thorax bevat daar door vergroot wordende, zullen zich de longen des te meer uitzetten, en hier van zal het gevolg zijn, dat de vaten zich ook meer van mal- «anderen zullen verwijderen.--------Om een denkbeeld
te bekoomen wat als dan gebeurt, moet men zich erin-
neren , dat de blaasjes van de Visfchen dikwils in het werktuig van't ledige, bersten, en dat Kikvorfchen op. 2wel!en; het eerste moet plaats vinden ten aanzien der longen van Dieren, die in het ledige of bij gebrek van lucht fterven. De derde zoort van Verflikking is die , welke men on-
dervind , door het klimmen op zeer hooge plaatzen. Buitengemeen hoog verhevene plaatzen , moet men als een zoort van luchtledige werktuigen aanmerken, de- wijl er de lucht buitengemeen uitgezet is ; dus is die "iet in ftaat om langer tot een tegenwigc te veiftrek- ien voor die lucht, welke binnen het inwendige weef- zel der longen huisvest. Men moet de longen als een blaas met lucht vervult befchouwen, die.men op de krui-. |
VER. ? 3f4r
tien der Bergen brengt; nu weet een ieder, dat die blaas
opzwelt naar maate die in de hoogtekiimt; hetzelfde vind plaats ten aanzien van de Longen ; dus zijn zij daar aan een gelijke opzwelling blootgefleld, als die wel- ke zij in 't werktuig van 't luchtledige ondergaan. . Ook zalmenerdezelfde verfchijnzelen onrwaarworden, naamelijk, dat de Longen de vogten die zij bevatten zul- len kunnen laatcn ömfnappen, en dat zij door de m'rzet. tingeen buitengemeene drukking en benaauwtheid zullen veroorzaaken. Men zal thans niet meer verwondert ftaan, van 't geen Acosta verhaalt, die over de Geberg. tens van Peru reizende, aan allervreesfelijkfte ongemak» ken wierd blootgefteld; de Maag keerde als t'onderfte boven; de poogingen tot braaken waaren allerijsfelijkst en deeden hem na dat alles er uit was, bloed over- geeven, en hij twijffetde ten laatsten niet, of hij zou. de het met de dood moeten bekoopen. Andere Rei« zigers hebben waargenoomen, dat de ligbaamen alsdan bij zeeven kunnen worden vergeleeken, het water loopt er van alle kanten uit, ja overvloediger dan men bij de fterkste zweeting ontwaar word. De drukking der lucht welke vermindert naar maate men verder van het aardrijk af is, moet noodwendig alle deeze toevallen veroorzaaken. En vierde zoort van Verflikking gebeurt, wanneer ee-
, nigDierin een benaauwdeplaats, die geen getneenfchap- met de buitenlucht heeft, is bellooten; als dan vervul t zich de lucht die men inademt, niet vernieuwt wordende, met grove en voor de ademhaaling verdervelijke uuwaas; femingen. - De volgende gebeurtenis ftrekt tot waar- borg van deze verklaaring, en bewijst, dat men de be- lemmerde ademhaaling te hulpe koomt en herfielt. met nieuwe of verfche lichaampjes in de lucht te brengen, die in flaatzijn dezelve te zuiveren en dus te verbeteren, De groote engelfcbe Wijsgeer Boyle verhaalt in zij ne werken; dat Cornelis Drebber een Schip vervaar- digde, met de hoedanigheid begaaft, om onder het water door voorttefnellen ; dog het had een zeer aanmerkelijk ge- brek, voor die geenen welke zich op derzelver bodem durfden waagen, naamelijk, dat van verfche lucht ; Dreb- ber vond het geheim om doormiddel van eenzeker vogt', dit gebrek te hulp te koomen. Wanneer de lucht dooi de uitademingen der geenen die in het Schip waaren, overlaaden wierd, ontkurkte men een vies die metzijn vogt vervult was, en ogenblikkelijk waasfemde ér uit die vies een menigte lichaampjes, welke de lucht ver- beterde, en dezelve geduurende eenigen tijd weder be« kwaam maakte om met gemak ademtehaalen. Een heete lucht veroorzaakt Verflikking, om reden
dat het voornaamlle gebruik'der lucht beftaat, om de hitte der Longen te verkoelen en te temperen, dus kun- nen wij met de aanmerking befluiten, dat zodanigen lucht die met fchaadetijke dampen is vervult, door de fcherpheid van die dampen, het weefzel der Longen prikkelt, engevolgelijk de ademhaaling hinderlijk is en belemmert. VERSTOPPING,in 't latijn Obftruttio.-------Zodik- ,
wils wij onze gedagteB laaten gaan over het maakzel on-
zes Ligbaams, en dit uitmuntend gewrogt der Scbeppin-- ge befchouwen als een weefzel van oneindig veele en grootendeels verbaazend fijne-Buisjes, waarin onze Vog-- en geduurig rond loopen, moeten we ons ten uiterften i verwonderen over de wijze zorg der Natuure, welke, bij zulk eene inrigting der Machine, tevens verhoed' heeft, dätnietalle.dagen,ja..alle uuren eenigen deezer»- |
||||||
|
Buis*
|
|||||||
|
sHo -vër. .;;VER.
|
|||||
|
Buisjes verflopt worden, waardoor de beweeging des
Werktuigs fchielijk in wanorder zoude koomen. **■ 't Is eene bekende zaak, dat aan Kunst-Machines, als ze zeer zaameogefteld-, en fijn gemaakt zijn,, dikwils wat te verhelpen valt, en dat er bijna altoos wat aan hapert. Nu is het allerkunftigfte Werktuig, dat ooit door Men- «Tuben handen gemaakt is, zo men het bij de werken;der Natuure vergelijkt, een zeer grof zaamenftelzel. Ver- volgens moest, dit in aanmerkinggenomenzijnde, ieder oogeublik in ons Lighaam eenige verfiopping en befcha- diging te vreezen zijn, ware niet daarvoor bij den eer- ften aanleg reeds gezorgd, dat, dergelijke ongelukkige toevallen of niet dikwils voorvallen, of ten minfte zich zelven verhelpen kunnen. Mijne Lezers zullen hunne aandagt met eene der nuttigde befpiegelingen kunnen be- zig houden, als ik hun de maatregels, welkedeNatuur tegen deze hoogst waarfchijnlijke ge vaaren genomen heeft, voor oogen ftelie. Tevens zal mij de verhandeling van deze weetenwaardige.zaak, gelegenheid geeven tot het openen eens "nieuwen toneels van Menschlijke onhei- len. . . ■ -, ■ - - Het gebeurt, buiten alle twijfel, zeer dikwils, dat
eenige der fijnfte Buisjes, waar in de .Vögten door den geweldigen aandrang der ievenskragten gedreeven wor- den, verftopt raakën. Want behalven dat de grofheid, taaiheid of al te groote menigte der Vögten derzelver doortogt door de Vaten ligtlijk kan verhinderen, zijn ook de Vaten zelve onderhevig aan eene onnatuurlijke ver- nauwing , welke den Vögten, die er door moeten loopenj, al hebben ze hunne behoorlijke vloeibaarheid en de overi- ge eigenfehappen, die tot den omloop vereisebt worden, evenwel belet, dieper intedringen, entotaan de verwij- dingen der te rugleidende Buisjes te koomen. De Va- ten, waarin deVerftoppingen voorvallen, zijndie, waar- in de Vögten van het wijdfte eind naar het nauwfte vloei- jen, en 'tis.gemaklijk te begrijpen, dat in de .andere zoort van Vaten, die de Vögten van het nauwfte eind naar het wijdde, en dus eindelijk naar het Hart terug brengen , zo iets niet, dan onder zeer zeldzaame voor- waarden te vreezen is. De Vaten van de eerfte zoort worden Pols of Slagaders., en die van de laatfte zoort Aders genoemd. Het moet derhalven, waarfchijnlijk, niet zelden gebeuren, dat eenige der kleinfteSlagade- ren met Vögten overlaaden of verftopt worden, zo dat de doorftrooroing of langzaam en gebrekkig voortgaat, of geheel.en al ophoud. Het eerfte noemen deGeneeshee- ren Stagnatio, het laatfte Stafis. Dewijl de omloop in on6 Lighaam, zo lang wij Jee-
ven, nooit ophoud, en de Slagader, waarin de Vögten ■bijna of geheellijk ftilftaan , fteeds van agter een' nieu- wen toevoer ontvangt, kan bet door degen natuurlijken aandrang zomwijlen gebeuren, dat de beletselen over- wonnen, en de Vögten regt uit door hun Kanaal heen geperst worden, zodat zij hunnen vrijen loop weder be- koomen. Mogelijk Valt dit in ons Lighaam. alle dag voor, zonder dat het gemerkt wordt, omdat de genee- .zing snmiddelbaar op "het gebrek volgt. Ondertusfcben -is dit de eerfte manier, op welke de kragten der Natuu- re eene Verftopping in de Vaten weder verhelpen, en dus kan 't gebeuren, dat de ftilftaande Vögten, zonder .eenige verandering in hunne menging te ondergaan, -voortgeftuwd worden. Dit geval is dan allerwaarfcbijn- lijkst, wanneer de Verftopping geheel aan 't einde van eene Slagader zich bevind, dewijl dan eene nieuwe druk- king van agjer de Vßgten niât in een nauwer kanaal |
drijft, maar of in de Vaten, die zich vér wijden f,';of in
de holligheden , in welke de Slagader, zich opent. Wij zien het aan de kleinfte openingeivder Vaten opde.Huid., waardoor de ftofie van de onzigtbaare uitwaasfemingin de lucht vliegt. Zodradeze openingen bij eenigzins koud weer zaamengetrokken worden, blijft de ftofFe der uit- waasfeming vast zitten, en maakt eene kleine verheven- heid, of zwelling, naar gierstkorrels gelijkende, welk verfchijnzel men niet oneigen Ganze.vel.pleegt te noemen. Maar nauwlijks wordt de kragt van 't Hart en de Slagade- ren, door een weinig beweegingin dezelfde koude lucht, vermeerderd, of deze oppervlakkige Verftopping ver- dwijnt op 't oogenbük, dewijl de rtofre., door den fterkea aandrang voorwaards gedreeven zijnde, de opgevulde ein- den der Zweetbuisjes verlaat en weg vliegt. De Kanaalen onzes Lighaams zijn wonderlijk dooreen
gevlogten, en iedere zigtbaare'Buis kan befchouwd wor- den als een groote ftam, welke een menigte van takken nitfehiet,, die het Vogt, dat er in onthouden is, op- neemen en in verdeelde kleinere klompjes verder weg- voeren. Deze takken openen zich in andere; zomtijds in clezelfde, waar de ftam zich ingeplant beeft ^ zom- tijds ook in zulke, waarmede de ftamgeeneoniniddel- baare gemeen fchap heeft. Dog wat onderfebeid maakt dit, dewijl de gemeenfehap op het laatst geheel algemeen word? Op gelijke wijze openen zich de zij« takken hier in dezelfde, ginds in andere holligheden, dan waarin de ftam zich opent; ja dikwils brengen ze hun Vogt in eene holligheid of doen het in de lucht vliegen, daar de ftam het in een ander Vat gebragt zou hebben, gelijk wederom elders de vloeiftoffe die de ftam in eene holligheid of in de lucht gejaagd zou hebben, in andere Buizen uitgeftort wordt. Wat ondertusfchen hiervan ge- fchiede, zo is de hulp van de zijtakken der kleinfte Slag- aderen een nieuw middel, waardoor de Natuur eene ver- traaging of ftilftand der vogten weder aan den.gang kan brengen. Genomen, dat de doorgang van een kleine ftam verftopt worde, zo zuigen zijne takjes hem uit, neemen de ingehoudene Vogten op, en brengen ze ver- der voort. Misfchien brengen zij ze naar elders, dan waarheen de ftam ze zou gebragt hebben; maar 't is ge- noeg dat zij ze weg brengen, en den ftam lediger rnaa- .ken. Na deze hulp kan veelligt de volgende aandrang van den omloop de toegedarode opening weder berfteMen; en is dit niet mogelijk, zo blijft de ftam verftopt, zon- der dat daar veel aan gelegen is, dewijl de kleinere tak- jes van 't oogenbük afzijn' dienst waarneemen. <m Men vind bij oude Lieden veele Deelen, die anders week zijn, verhard, en de Kanaalen, waarin de Vogten voorheen -regelmaatig omliepen , verflopt, zonder dat zulks eenige gevolgen van belang heeft. -------- Waren
wij van dit hulpmiddel beroofd, wij konden niet zonder
hetgrootfte gevaar ftaan, zitten, liggenofonskleeden; want hierbij worden altoos eenige kleine Vaten tezaa- mengedrakt, en de omloop in dezelven dermaate verhin- derd, dat men ze voor verftopt kan houden j maar de Vog- .ten vinden hier tot ons geluk uitwegen, om hunnen om- loop, die anders weldra geheellijk zou ophouden, voort- tezetten, tot dat deze Kanaalen weder open zijn. Onze gezonde Vogten zijn hunne eigenfehapen voor
M.grootde gedeelte verfchuidigd aan den omloop, zon- der welken ze nog in hunne behoorlijke menging, nog in hunne deeltjes op zulk eene wijze werkzaam zijn, als zij bij een gezond Mensch moeten weezen. Al het brand« baaie» dat in 'tJäloed is, brengt geene warmte hervoort) |
||||
|
.seeä.
|
|||||||||
|
VESi
|
|||||||||
|
"ii-\Al£allRtöt^dus.vérieifeé(^r^\^
"ivbldöencje zijn,-omide ftilftaàrideivTogjen we^eraatidso 5ig»ng;&;brengeni zouden .'zeiim-zeei korte» ta jdlgeheel verrokten!,; ;en het lijdende Deel ïzoiiiafiterven.^-r-- Om zo groot-. een^.onheil rvoor ke koornen,,* heeft -de Natuur eene vérwonderenswaaïdigë kuöstinde Macbine.jge- bragt,'. waardoor zij toet gelukkig afkeert. - <Dog ;op -dat «rijné. Lezers hiervan, een -gaèd denkbeeld mogen krij- gen gj mpetik ver-haaien'^ wat .er gebéuié, zodra.ee&liiÏ- 'fta~hd;yan Vogteh inde;Vatemiplaats: heeft, Bagfe ■.tg ■-, ? :-Vermits de omlóöpfteeds aanhQudt,;.maaken deïoe- vloeijende Vögten natuuriijkerwijzü: wan, àgter een'aan- drang^ op die, welke lHIftaan; en naardien dezen niet ■ wijken.kuhhen, -volgt vanizelf ,-'dac ze:toett Vat, waarin de Verftopping. is, uitermaate verwijden; het Vat zelf is gevoelig,, en dus veroorzaakt iedere verwijdering, die toet ondergaat.telkens y. einige Pijn, Dewijl n« bijireiken polsflag eene nieuws ...menigte/ bloed in de Va- ten: geperst ; word,; waarvan de ■ verwijding, van het ver» flopte :Kanaal af hangt -, wordt de pijn pok evemzo dik- jwils .vernieuwd:, ien, deze met den pols overeenftemmen- de pijn", noemt tóen eene Klopping. De kloppende pijn, welke' eene ^«j^£pjngt.vergezelt, is een zeer levendig gevoel, en naardien, op iedere gewaarwording eene be- weeging pleeg tevolgen, die aan derzelver levendigheid evenredigis^ zo^veroürzaaken de kloppende pijnen een' fterkeren toevloed vari Vogtén>naar de plaats,, waar de ftilftand^is ; toierdoöc; worden de nabuurige Vaten in:'t lijdende deel ongewopnlijk opgevuld en volbloedig,* zij worden : fterker opgefpannen.., dan inden natuurlijken ftaat; deze'hevige opfpanning veroorzaakt insgelijks in 'tJgetoeele .Deel, een onnatuurlijk,gevoel van klopping; toet Bloed wordt met meer geweld in de Vaten gedree- ven,. en doet :niet-, alleen dë kleinfte Bloedvaten onge- woonlijk.fterk uitdijen, maar dringt ook ,wel door de ge- Tveldige perfing jn die Vaten, welke andew geen Bloed sonthouden. ^_ M en, ziet in zulke .omftandighedea het -lijdende Deel. onnatuurlijk rood worden, doordien het -Bloed zich vertoont inde Vaten, waarin te vooren;geen- rood Vogc was; en dewijl dezefterise wrijving van bet Bloed' in: de:-Vaten de -warmte noodwendig moet ver- meerderen, onftaatjn het lijdende.Deel een zeer.ongç- woone graad van hitte./ rrrrr Dus koomen a,liengs de- ze vier .hoofdkenmerken te zaamen, eene kloppende Pj§&t Zwelling, onnatuurlijke Rpoilteid, en-ongewoqfieluk- te. Déze omftandigheden vermeerderen zich trapswijzej niet zo zeer -naar den graad der verftoppinge, als wel ■naar den graad der gevoeligheid, die-in 't lijdende Deel plaats heeft, en dewijl deze gevoeligheid zélve de drijft veder der dierlijke beweegingen is, zo kan men begrij». pen, dat de pijnlijke aandoening der Zenuwen geen'ge- ringen invloed moet hebben op de levensbeweegingen, en dat die daardoor zeer merkelijk moeten vermeerderd worden. 't Is een gemeen, deg niet op de wet- ten: der Natuurkunde gegrond gevoelen, gelijk Kruge.r. zeer wel begreepen heeft, dat deze vermeerdering der levensbeweegingen op eene enkel en alleen phijfikaale wijze haaren oorfprong neemt van den weerftand, of de toindernisfen, die den omloop tegenhouden, veroor- zaakt door het ftilftaan der Vögten in het lijdende Deel. Een grootçr weerftand kan nooit, op eene alleen phijfikaale .wijze, de beweegende kragt, waartegen hij werkt, vermeerderen; maar in het Dierlijk Lighaam, waar dç gevoeligheid,. dienaar andere wetten werkt, ziehender de ril van ds pbiififche .en Méchanifchë ver- |
|||||||||
|
M-ontwikkelt'hèt''zicS'duizenrdvGU;dïg^ «âar-deomloop
"ontwikkelt toet door het. wrijven op zulk 'eene manier!, .dat toet de natuurlijke watratekan te wege brengen.. Q'ee- ^ne Scheikunst, geene natuurlijke, fcheiding, die «Heep 'phijfikaal is, kan uit het Bloed, Gal, Speekzel en diér- gelijke Vögten bereiden. Door den omloop volbrengt de Natuur dit voor ons verborgenekunstftuk. Dewijlaiü de ftilitaande Vögten niet meer deel hebbenaan den'om. Joop, verliezen ze ook de éïgenfchappen;diede:.om- ïoop hun verfchafr. Het Bloed, dat':niets langer rond jooptj gaat in eene warme hiebt na zeerkorten tijd tot (Verrotting over. De HoofdftofFen,. waaruit het fee- flaat, worden naar de Natuurkundige wetten vaneen ge- scheiden', -en veranderen in hunne eerfte grondbegin* zeis. - Als derhalven een gedeelte onzer Vögten in een vat ftilttaat,Jcrijgt het weldra eene neiging tot de .verrotting, voornaamlijk, dewijl het in de lauwe warm? je onzes Lighaams: vertoeft. De eerfte igraaden der yerrottinge zijn reeds eene- ontbinding en. fcheiding derHqofdftofFen.des verrottenden Lighaams. Door.der ze ontbinding, welke op 't laatst in eene waare :vêrrot- tingzoude veranderen, kan eendik en taai Vogt't welk eene Slagader verftopt; verdunt, vloeibaarder gemaakt, en door den aandrang van den omloop daardoor heenge- dreeven worden, waar het te vast bleef zitten. Dit is de derde manier, op welke de Natuur bij menigen ftil- ftand van Vögten zich redden kan; en h'ieruit-.is reeds genoegzaam j optemaaken, dat: hoewel, waarfchijolijk, alle dagen, ja alje uuren Verfioppingm. in onze! .Vaten voorvallen, evenwel, in vergelijking: van zo eene "veel- vuldigheid, zelden gevallen plaats hebben, waarbij de- ze verhindering van den omloop veel kwaad doet, en tot nadeel der algemeene gezondheid desganfcheii Lighaams »aftrekt.; ; ., ; is;.,;.. - ... .'.:,.'. g« Deze laatfte natuurjijbecure is ook zeer gemeen. ■~~»^
Hoe dikwils ontilaat, als een Bloedvat der Huid verftopt is, roos, ontfteeking, of.eenig ander hard heet gezwel;, welk na weinige dagen-van zelf .weder verdwijnt ; zon- der dat men weet, waar het gebleevën zij?>; '■'-<rr-? De ftilftaande Vögten hebben, door hun vertoef buiten den ftroorn van den omloop, ,zfch bereid tot hunne.fcheiding en verrotting." In deze ontbinding zijn ze bekwaamer geworden, om de Kanaalen doortedringen, waartoe ze te voorente grof of te taai; waren. De herftelde om- loop door het verltopte Kanaal fleepte ze weder mede voort, en dus moesten de uitwerkzels van den fiilftand van zelve verdwijnen.. ... , .'..:.' ' Dit kuntftuk. der Natuure bevorderen de Geneeshee-
ren dobrhunne Artzenijen. ; Als zij merken, dat er Dog hoop is op het ontbinden van de. Verstopping,, bedie- nen zij zich van zulke middelen, die de taaije Vögten oplosfen en tevens de Vaten, die te nauw. zijn ..flap maaken, en verwijden ; hierdoor koomen ze dikwils tot hun oogmerk, zelfs in gevallen, waar de kragten der ■Natuur alleen niet toereikend geweest zouden zijn. ~ - De roos, diedoor warmte en ontbindende om- ogen geneezen wordt, is hiervan een duidelijk voorr Men zal mij vraagen, wat fpooren of tekenen er zijn,
7 r.aan,men eene Verftopping in de Vaten kent? ■ ?"-i 'H, leiddraad mijneibefpiegelingenteverliezan, zaï ik deze vraag kunnen beantwoorden, dewijl de be- tu r HSr der overiSe manieren, op welke de Na- leidt ft0^PinEetl geneest, mij van zelve daar toe |
|||||||||
|
MHS.
|
|||||||
|
38$!£. >Üf£R.
|
|||||||
|
fthijnMÄv^raiengti volgtbfriaéerfcverftopçln&Adie .feBg8:eefljei?ewpetHi^'.aec:zalfft;aftdighèM, «sftet'gâir.
mekhevige pijn gepaard is;; een. algemeens, ofiftaöd'idsr, Sehe, weefzel der. veiftopfe. Vaten word, «iet àl-hetin. ievöqsbewaegingen ;; en nu:zabmen. kunnen, raadeny ws t ^ahpuien,eeejie algemeene, mas fa van Etter; 'zodat ie 'het voor een; tóeftand'zij", waarin de Lijdecgetogt jjjaats zélve yeran.dert.in: een' volien-zak., welke men #en, <wordJ.» ■>■ een': drift in feet ganfche Bloed, de Bols word.risfer.,. pj,ngiB vaoren hard én ten uiterfte gevoelig was, wordt 4sn de hitte groeit aan,, naàrmaate de omloop in fpelheid zelriu na dat de verandering voibragt is, week enge» töéneeintJ ■Kwts,, enbefcblijkAdus, dat elite Ferßoppingy.diehw xDel Etter, ; beeft' de. Vaten verknaagd , waària hij re gevolgen afijduitbreidtv/meteene-Koorts in'rgehee- «rasü zac, toen bij nog: Bloed was. «fi Nu. zouden dé na- te'tiîghaaùiJ verjïhogfr is, ~*w~* De =toeftandvm 'bet buurige Vaatjes,'dia er aan raaken, aan de beurt lig- -lijdende DeeM waarin een (filftand van Vögten met pijn, gen* en het onftojkéne Deel, weHt in'dezen'ftaatvvan zwelling, hitte en roodheid; plaats- beeft, wordt, eene voïbloedigheid bijna uit Jouter verftopte Vaten beftaat,. Ojitfieeking oftnßammatiegenoemd', endeEooits,,die zou weldra geheel in zulke ftoffe veranderen , indien er> bij is, draagt den naam van eene inftàt^m4.toHfc}ie- of niet door. dit- knaagen zelf e ene opening gernaakt-wierd, Mtfieekmg*£!oorts. *-****«*.'.'GauenuS ïzeide. yan; de waardoprde.Etier, uitvloeit» Ais een Ettèrgez wel na aan iOntiteekihgen, dat betKoortzen van bijzondefe:Deelën, de oppervslakté; des-Llghaams obrftaat, doorknaagt de rij- de*: Lighàarns -waren; 'en, ais de. vermeerderde'polsflag, pë'Etter welhaast de Huid, en dan zegt!men, dat hei vergezeld van iéene onnatuurlijke1 hitte »au een gsheel f&zwM dootbrçskïi deéj'onzes Ligbaams, mét eene algemeeherziêlite mag abders ce doen',: dande opene/plaats ter deege van al vergeleèken worden,, is-deze uitdrukking waarügfcntette déniEtter te zuiveren:..:' Dit gedaan'zijnde, fluiten zich v.eragten. !- Dog waartoe deze befpiegeiingon,^ iq c'> in 't kort dé wonden der kleine d6of knaagde Bloedvaat» De Ontfteeking is het middel i-weikik-.itrakszeidé dat jes, en groei jen toe, waarmede dan alle gevolgen van 't
de Natuur uitgevonden had; om een'/ftilftand der Vogf ongemakv weggenomen zijn, en de öntfteeking van het ten(>die op geene andere: wijze te verhelpen was in^ deelf nesens.aiLe.fómre'wezentlijfeeoiiiftandigheden, te diervoege te geneézèn, dat de Vögten niet'.vpikasanen gelijlc. mets rfjè':oorzaak ophoudt. '^*~.^i Maar is het ïbttig worden, en het lijdende deel niet geheelafftéxfÈ. .Euergezwefcïfieeirin wendig'deal d-esLigbaams, zoftort De ongemeens hitte, dieinbetontdoken deel piaats'bëéfti. ^öfdeHtbiFe.zich.iiftinetn'ebolligb'eid, waar zij zomtijds "verrig't aan- de flilffaandet Vögten', hetzelfde,. waMfaét tgevaarlijii kan weçzèp, oftzij .wordt van de te rugleiden- keukenvuur aan onze spijzen doet,dat is;- zijkooktze de Vaten: ingezoogen en ,in 't Bloed gebragt, of zij be< gaar, eer ze kunnen verderven. >*~ Het ware te v-eeiop geeft zich naar zulke piaatzen V waar ze haaren uitgang gisfingen gebouwd,; té fpaeaiattef «u van té weinig;,be.. uit het Lig'haam op eene.middelbaare wijze vindt, of zij lang voor mijne Legers, als ik bun» naarde-leerwijze blijft gok, eindelijk, in haare geflootene bewaarplaats, van de. beste bedendaagfebe Geneeshëeren; wildenrer^ en wordt door eene gelukkige zaamenkomstderomftari- Maaren, foóede httte van def öntfteeking, dedeëltjesdes digheden allengskensirietbehulp vande natuurlijke warm- .Ëlaeds van maikatider- fchetdé,: en boe bet koomev dat te verdikt en veranderd in eene vaste masfa, die als een bet üitwetkzel hiervanigeböël 'ändersCs, dan wanneérde barde knoest (Scirrhus) op de plaats, waarde Etter ge- Vörrotting-zulks-dóet. 'tlsgéhoeg, teweeten.'datdë- maakt is, blijft zitten, en aldaar dikwils in een bijzon- (ze bitte, als zij de ftllftàâbde Vögten ontbind; dezel- der vast Vlies beflöotën gevonden word. venof zodanig verdunt, dât zij wede* vloeibaar worden, Op. zulk eene wijze maakt de Natuur dikwils van de waardoor dan bet gebrek öj>;dé reeds'befebreevene wij- Verfioppingen,. Ontfteekingen, en alle gevolgen, die ae geneezen wordt, of, indien'dit niet mogelijk is, in daar aan vast zijn, een einde^ zonder dat het Deel be- plaatssvan de Vögten'te laaten verrotten, ëenefchade- hoeft aftefter ven, welk dit gev'aarbedreigde; dog zom> lèoze, zagte en olieagtige ftôffe daaruit kookt, welke tijds mislukt deeze voortreffelijke kookkunst der Natuu- löen Miter noemt. ■ «rezentlijk tot de verrotting heliendie, en mogelijk zeet heil, dat zulk een ongelukkig Deel kan overkoomen, weinig daarvan afwijkende; is egtèr, door dit kleine on- naamlijk, de Verfterving. ■ Als de ftilftaande dèrfcheid, gefehikt', om een der vérfchrikkelijkfte ge* Vogtën niet door hulp van de Öntfteeking in Etter ver- naaren vàn ons afteweeren. i-----Zulke Etter, wei anderd kunnen worden, maar tot verrotting overgaan, gekookt zijnde, is gelijk wit vankoleur, zonder reuk, zegt men van hèt-ontftoken deel, dat er het Heet-vuur
oiieagtig eneénigzinszoetvan fmaak. Hierin veranr in is» ----------- Hier is nog mogelijkheid om door de
den de Natuur, door den Dierlijken Mechanismus der: kunst gered te worden, als de artzenijen de Öntfteeking
OBtfteeking, het fttiAaande Bloed» welkzij nietuitzij- 'te hulp kopmen, om uit het Bloed, welk reeds aan't ncgevangenis verlosfen kan, en het blijkt hieruit van verderven is, evenwel nog Etter te kooken; maarzo zelf, dat. alle <wezentlijkö' déelen der- Öntfteeking,, dra de verrotting wezenlijk het lijdende deel aangetast naamlijk pijn , zwëllingVUHtté en roodheid moeten- beeft, is alle gevoel, alle omloop, alle warmteen alle duuren.totdat;de.;rijpingofettermaaking geheel yolbragt leven daaruit, zo dat het overeenkomt met een deel js, van een dood Lighaam.-----Deze ftaat wordt het Koud' De Mtte> diehet ftilftaande Bloed zo-kragt igbntbind, ca« genoemd, ende eenigfte hulp, diede kunst hier:
en- in etter verandert, bevordert tevens hierdoor, dat nog verfchaffen kan, beftaat daarin, dat zij bet geftor- bgtiBloed, terwijl het ontbonden-_word;, tegelijk de ven deel van 't Lighaam affcheid , dewijl anders het eneindig J3jne en tedere vliezen der'kleine, meëstalont kwaad in korten tijd verder voortloopt, en den Lijder1 zigtbaare Vaatjes; die bet^o lang,gevangen gehouden overgeeft aan dien jammerlijken dood,,waarvan men: hebben, verbreekt en mgde ontbind. Dus ontftaàt kan zeggen, dat een Menseh, die hem ondergaat, aan Ofhde plaats; waat-ie, vaçipeiade Verjivpping^ym,-aï- A* verrotting fterft. Ziedaar het.beloop der^ |
|||||||
|
'mm.
|
|||||||||
|
uwer. : ■ ■ '%m
|
|||||||||
|
0ngenrakkefer'été va«, het Mitaam dèf 'v?bgwfo; intet
dierlijk Lighaam afhaftgëffi dig, -dat ikook de Vöörftaamfte oöfzaakéfiVerliaale'i wet- fce gemeenlijk-deVogt-eft t&ß ftMand brjengènv' 4 -. < 't Is waarfchijnlijk, dat al te dikke en taaije Vog> ten in de kleinfte Vaten'zëër lig'tlifk küniren ftilftâàn. h Des niëttegenltaande-gebeurt dit in de daad veelzéldzaamer, dan men zou geloóven, ten xij er te gelijk andere offlftandigheden bij kooruen,. welken of de Vögten met groóte* geweld in de Vaten: drijven, of de Vaten zélve zo aantasten,'dat ze tot den omtoop der Vögten het bühne niet naar bëbóoren kunnen 'toe- brengen ; eene aanmerking, Welke ik vtnde dat/Jcrsr- SER reeds gemaakt heeft. -2^ Oörzaaken van-' de- zen aart kunnen zekerlijk zo veel ligtereene.Fer/r«pp«^ te wege brengen,'hoe taaijer de Vögten 2ijn , maar zij doen het ook dikwils, al hebben de Vbgten alle hunne natuurlijke hoedanigheden ; daarom komt het den gezon- den Lieden Met zelden over,' dat zij, naheWge beWeë- :gingen: van dànfenv dràagen van zWaarepakken,> en:na sfterke verhittingen, door geestrijke dranken of dooi iteorh, Verfioppingên in hunne Ingewanden krijgen ^Waar- bij ontfteëidngen'koorts! is; hierdoor word bet Bloed niet alleen'verdikt, maar ook met groot ge weid gedree-' ven in de kleinfte Vaatjes, die^e'r door opgepro.pt wor- den.-------'Bij zeer blpedrijke Menfchen, welke* Vaten buiten dtrt reeds te vol zijn, kufinenZiilke por»
.zaatfén wel hét mééStë doen V éndaaröm zijn" tfës© Lie- den zo dikwils ohderhevîg aanOrifteekingsn'in^e'Boïstv éf;ih een der Ingewanden i wanneer'zij ëëné lëvëüwijze lebben, die hunBlöed:fteVkihbeweégihgbrengt. >-: ■ Naardien deSlàgadereB,iWàaïihdé!Pe»^opJJngen^o6îa Vallen,- door!haaré geduürigë kloppiftgdëiïófflioop dei Vögten zeer bevorderen, zo kan alles,. Wat deze Vere- ngung belet', een' ftilftaftd daarin té Wëge Srèngën. ~j- jDebeletzelen, die hier plaats kunnen h'étiliötïy zijn twéedéfleil ee'fstlijk zilFk'év waardoor dëSlagadbrs te zwâk- gemaakt'Worden,: om) fiaare VögtëtfverdëVVöoïf të drijven1, ten' anderen 'zulke, waar -door ze ze-'ftëfk zaamengetfókken worden, dat dé doorgang5nietruimgê» noeg blijft jf voeg hier nog Bij dé ohmiddèH&arè'kwet- fing, welke haar geheel onbekwaam maast fothâ'ai'éver- xlgtingen. '. een flag of ftoot öp eenige deeleny e'ehe Wöiid1, eene; al tefterke prikkeling, ëene geWèldigezaamentrékking der Vaten 'door artzeriijeft, door léoude'of vuur, enee- ne groote verfiapping der Vaten, na lang àanhùudertde Verzwakkende bloèdvoeij'ingen, zeer ligt!ijktot:Fèr/?o'p- pitigen gelegenheid geevert. r-"-* Gp dezen zelfden grond, dat naamlijk de Vaten gehinderd worden in" het bevorderen Van den omloop door hun' eigen' levens-' kragt, berust ook dë verklaaring van eeftewaarneemibg,- die anders vrij onbegrijpelijk zou weezen, beftaandébier» m, dat de Verfoppingen der Vaten gemeenlijk voorval- 'en op zulke plaatzen, waar zij minst in ftaat zijn, den aandnngenden Vögten weerftand te bieden, eh ditheeft inzonderheid plaats, waar ze in 'twéekëvetvliesliggen,; ■te meer, wijl de olie hier dërokken der Vaten befproeit,: veiflapt, en tot nadrukkelijke tégënwërkingënoftbek Waa- mer maakt. ' ä'iS -fe meeste gevaïlen zijn er meer dan eeneomftari-
g'Me tot den ftilftand der Vögten iets toebren. |3n'ft A's, bijvoorbeeld, een hevige ftoot'de £eW?!Wg,of Ontfteëking Veroorzaakt, worden niet al--
een de Vaten door hetgeleedengeweldvanhtmneveer--: |
|||||||||
|
daSf'ööB del VögtëWn .gïaötéprifêtfigteen met meer itik
naar Jïët iifdefiëe" DeeF 'vloëijewf ■Wfi ,.waaf twee'zulk* 'Omftandigbeder* te ztófnën koonieft', <is dé Verftopping geheel oftver^ijdëfijte.7 Bloedvaten gekwetst «Heeft, welker doörgefneedene'eift* den, na dat ze uitgeblöed hebben, eerlang door hünfl'e 'veerkràgt zich Aaairiëntïekften ëh 'fluiten, ftolt-het f-aat- fte droppeleje bloëds in deze ftömpen, en word daa* opgehouden., 'bïërrgeride eindelijkdë werking der levëtf*- kragten ife heilzaëme Ontftéêking-" te Wëge-, welke dtt geftoldë' bloed k^okt' tot Etteir, -Wàîa'rvan de tend de* Beslméëéfiérs' hel lijdende Déei ztiWert;- ëff dit rs>'d6 iod0i 'waarom1 dë inëëste*Wonden döörde Ettetmàâkibl môetëngenéëzenWorden.' fing in de inwendige Dëelen voorvalt, bij Vöofbeëidv als'Wegens een'of andér-ë6prz?a'Sk;eënaanme¥kelijk Bloed- vat ih de Long berst, ën" een' Bloedfidest verwekt, volgt op dëëëlfdë'W;ijzé in dit:Deel eBnë'V-ér^weering., Welkei? 2Ufvërmg: altoos tftöeilijk te bewërkëh' is,- vëVmits me«f de Etter op zulke plaatzen niet, gelijk bij uitwendige wonden, ofimiddelbaar beletten kän, fteeds verder zich Uit te breiden', «rt alléfigSkéns de geheéiezelfftandigheiê der Longe té-verheeren.:' ; Onder aile dingen, dié tot het (lollen der Vögten ge*
légerfhéid geëH'ër), ïs 'dëpiin'hetgemëëirfte'i en tevené eent der kragtigften ; deze yerwektn.iet alleen een' zëet: giéWerdigen toevloed der- Vogtën naar 'z -lijdende Dee!, rhSar priiikelt ödk deszélfs vezeltjestöt krampëri ëft ffleri kézarfmën'Éfëkkingën, 'welke de VogteBi diëernaarto«* gelokt zij«, va^t houden ; tevens wëkt-zë döoï;haarfn»; drukWel in 't Zënuwgéftel, de leVëhsbeweégingefi oöki óp,-' èn hierdoor word dë omloop en de verhitting de» Bioeds dërmâatë vermeerderd, dat er eene Koorts'Uit' erntftâat. öórz'aaken van\ flilftaan dér Vogt«n, de pijn , diedea1 rëëds gebeurden ftilftand "vergezelt, dikwils mede kas werken', om- bët'OngeirJak te vermeerderen-óf të onder-v hèUdën. 'Bij dë'"Wóndëhkan'dëpijri de-oBtfteekitJgver- haasten of fterker maaken,. en men kan even'Veeie gé»' vaHëftzich vborftellen,: wäfe deze p'ïjri gei ijklijk iets tot het Wel, als tot bet kWaa'lijk aflöèpëh def ziekte töé-' brengt, zo dat men ook hief uit z'iët, dat dekragteïi dër Natuurëbij dé'ziekteÏÏniéï^rtoöa tot 's Lijder« bëSt werken/«"'"- "ï '■'■<: ; ."';:: ...;,::■-; ■VERSTOPPING des BÜIKS.'Éie HARDLIJVÏS-
HEÏD.:":V '- : : '-■■■ ''■'- i-?? ' :■: - "- ^-- *"''"- VERSTÜIJKING,, <mtbïfiv, en bîjde FratifcrieB
Enïorfe genoemd, is, wanneer teftiäiiddoöf Vallen", ftoo» tén, of anders, doot1 te'gjbote'-infparjning van kragt dié banden'verrekt, Welke dë geledingenomvahgen. 35ö hand, hétfchoudet, dë heup, -èii dë voet können doot zulk eëne P'erßuifkh'g aangedaan", efi vtjpï het gebruik onnut worden.-----■ Het zijn nogthans de banden alleea
niet die verrekt worden, de"trekkers zélve; endekraak»
bèenige of peezigé koökers'zijJQ er aan;ondernévig.' De- Voet bij deri ankël'fen bij de kttié, (Vaan er meest aaii ' bloot, omdat zij de 'Zwaarte van het geheele lighaam ia eene fchüirrfelijn diaagbn-, de Aftkei en Voet allermeest, ' om dat het kootbeën 20 fmalëh bëwëegliijk zijnde, ligt ' verzwikt. Dé Hand word medëligt Perfiuïjkt, omdatdre bij hét vallen meest voor ifltgeftoôkett,al fiet geweld ont- ' vangt. - . . .. ...... , . ! TWeé" rfirlgëh' geBétirën ërï vèó¥ eerst' bovenrnaatïg^
aitfëkfâri^der ^éezïgé déelen; 'die ftét'-rid «éWar^eWï* ' M '2 -til»
|
|||||||||
|
I VER.
eene öpkoorriéhdë zwelling zrulksiverhiriderd*
zwagtel dient voorzeker daartoe ;. dat bij d_é beweeging van het: lidver,hindert,> eö-.wel. aangelegd als een,uit* wendigen:band yerfcbaft:aan, den: voet; pf eenig andej; deef: Sijk i 'v, b \i\ï si \S :;\ , - iln :" H -,."- ,.; t De 'hijdrartkros-fnitis , pfknierledewater kàn zoda-
nig opgezwollen, zijn, dat men het vogt ligt bevoelen kan; ftopvingen met wijn, met verfterkende, en geesu middelen zijn danzeer noodigj ook ben, ik niet vreemd dat meü met.hetr^o/sarf: eene aftapping zoude können doen,; omten-eerstenjn,degen.eezingje,flaagen,..'zijde- lings van dekniefchijf; men behoeft immers niet te.yree,- zen voor.de kwetzjrg.der;apqneurofts_, ofpeezige: vliezen, terwijl, men zonden hinder,oen,fteenig gewas binnen:uit het lid' wegneemen. kan., .met het dooifnijden zelfs van de fascia lata aan den buitenkant van de knie. Vopr alles behport men zp wel om de Km'e, als, An-
kel t.e leggen, eene fpica pf korenairen verband, ofwel, eene/^^a fljnger verband van lgder met gespen, pm dat aan .beide dgeiedeeieB,:de Verfluijking veelvuldig plaats beeft. , re 'rr, *<& .,: ..- ■ : ;.;. ,-. m\r>\t\ *v ■,'.,[ ■. Tot de Vevfiuiiking behport van gelijken de Verrek- hinge, ;;Deeze heeft meest plaats aan: de Hand , door wringen, ,.-, rmmersi-he.bben.de. Vroiiwen;,; veeltijds de dwarfche band, welke boven over de trekkers ligt,, ver- rekt.; : De Mans verrekken dikwerf den trekker, van de biceps;, die over het hoofddes;armbeenssloopt; -men verf rekt de peezen van den Voet enz. ; vermits nu in de kop- kers ..waarjin. de peezen ipopen ,ftjiwviq of ledevpgt is, gebeurt- het veelemaalen, dat dft water eene ,]jnobbel maakt pp de hand,- die;men,te onrecht een Ganglion
noemt,, alzo. zij een gezwej is, welke ligt door hevig flaan verdwijnt,' of door andere bëkwaame middelen ; zie PEESKNOOP.; ; ' , :. ■{, : . ... ; uTot Verftuijking behoprt ten anderen de Dïastafis of
afwljkingder beenderen.; ; _. : . '. : De Grieken .hebben deeze kwaaie zeer wel gekend,
en nergens;mpest,zij meer plaats hebben, dan in de wor- ftelperken ; gefijk uitHipppcRATEs en Galeküï blijken kan., ; Cß-LStys npemt haar JDehiJientia. Delupqtis, Cßp. X/lLJô.v.S.:-/). .542., en telt, .vèrfcheidene zoprten pp. -. Zpmwijlen (zegt hij) wijken die beenderen van een, welke verbonden "zijn aan. elkander, gelijk wanneer het Schouderbeen yan het Sleutelbeen afwijkt; de ra- dius van de ulna':, de tibi.a van de fibula; bijwijlen 'zelfs raakt het Hielbeen van den talus dpor fpringen; ,,- dog zeldzaam , enz. . DuyEKWEijondertusfchen en Petit, ontkennen de
afwijking van den Voorarm," in weerwil van het gezag, der Ouden, zélfs willen zij aantoonen dat dit volftrekt onmogelijk zoude zijn; zie den eersten malad des Os. Tom. 2. p. 72,, 73. en Petit Tóm. i.ch 9.^.234. Wij willen geen tijd flijten met deeze redeneeringen om ver; re te dooien.,, dewijl wij dezelve meer dan eenmaal door vallen, hebben zien gebeuren, en zeker weeten, dat na de breuken van twee beenderen van den Voorarm, de« zelve altoos plaats heeft eenige jaaren na de geneezing. Het is nogthans niet onmogelijk, dat door de bijkoomen- de ontfleeking en zwelling,.de ontdekking.daar van ■on- mogelijk zij, en hier doörzo wel Petitals Duvebnejj. gedwaald hebben; , De ondervinding heeft mij ook geleerd, dàt Celsüs
ib. p, 543: waar gezegd heeft;, Namdiduda os/a nunquam intsrje juhguntur, dé. afgeweekene.beenderen.vereeni- gen, zich,nooit.w.èder.. " Wan«
|
|||||
|
385* .SjffôER..
ten tweeden; eene uitfforting ,van het. vogt, 't werke iri
de geledingen, en in allekopkers van peefen huisvest; .«n. op deeze volgen hevige pntfteekingen, kports, ver* zweering ,-, beenbederf.fungeufe en als kankeragtige ge* zwellen, en eindelijk ds dood f vopral,: wanneer de Et- ter het geheÊle bloed.aangeftooken heeft. Zijnflegts de beurs.banden der.Geledingen uitgezet, en opgevuld met àeSijnovifiOÎ'Lede-vogP-, niets dan zwakheid:, en zwelling in,het Jid, is er het gevolg van , dit beeft dikH werf bii.de Knie plaats.;;~« Maar, is de.Lijder met ge«, weid op de Heup gevallen, en.".heeft het hoofd van het; Beijebeen, teffens gene, kneuzing- gemaakt im den pan; yan deHeup, zo ontwrlgt langzaamerhand het Deijebeen,' klimt naar om hoog, het Be,en.woid; korter, ...es,-het. lid inde heupvolftrekt onbeweeglijk, omdatde beursband, geheel opgevuld met.vogtjdedr-aaijing van het Deijebeen. belet. Deez-e opfpanning>-ver0,orzaakt pijn in de deije, knie, ,en langs den fcheen, het zijn de Deije-zenuwen die aangedaan, worden.; gelukkig ijs hij wanneerersgeer4; beenbederf op. volgt; fistel, enz. gelijk,-bJj,;ai)e be,f?n».ee-; te.l'«..plaats-vind._ ;; ,-, ,:-f , ■..' - :/,.-: n$ .-;-.- -.;j. .«;., i Hetzw'kken op den Koot v^lt nogtbaris-rneest voor, de Vrouwen, hebben daar meerdgr : last, van »:.omdat' zij, breeder heupen hebbende, de zwaarte des ligbaams in een fchuinzere lijn diaagen;dan de Ma.nsi.0m Mankgaande, en, Kinderen om de zeifde reden van ge- lijken. - ',.,.', , . .: ■:. Hit f;.. ,e Deeze ziekte,1 of de toevallen -van Verßuijking- daar, .■ men altoos zeer lang.,, zelfs- al heeft,er alleenlijk,ee.ne bloote verrukking der banden plaats,, gelijk ;aan dpn An- lteL.vof een uitzetting van den beursband; gel ijk; ,aa%de. Enie;; die indiet,-,i,e.de.wateriI;ïiet Gliedtrqsfir ;van.iiih? banus, of de Ijijdrarthros mitis overgaat; deeze kpomt ligt wederom,, en zij word zoinfijdsdopdelijk, wanneer de zijdelingfcbe'banden van de Knie, naar het fcbenkel- beenlpopende en daarin gezet,te veelgeleden hebben ; omidat er-altoos beenbçderf-op: vplgt » die om de knaa», ging der banden van. het■': lid «ü onvergelijkelijk pijnlijk en> daar: nadoqdelijk word ,.r::wanjieer men. de Knie. niet tijdig-,afzet,,-, ù :-.; j n.,n r,3 ,.;..-;., - .,-;;..;. -. n d ■ \i\ De, Leezer.begrjjpt Jigt,dae<na.deni aart der ziekte env Haa re .trappen, bijzondere geneesmiddelenvereischt wor- den* iB het eene, enkele verrukking of Verftuijking, het befmeeren van het lid met fpiriius van yvijn, eau/des carmes f eau de lavande, d'arquebulade, genever, gene- VÉtfj met; çamferj, enz-, jaal |ji|fejnenjJ(zijpi vooral wanneer eene bëkwaame zwagteling teffens het lid zo veèlmoo-; geHjkMn rust'h<?^d,?en Vjerftfsrktj. ,";.-nv ;: '" Maar, is ^r,,nevige,pijnÏCont;fteek"ing,; zwelling enz.
bij;,, zalmerj-bio,ed,aftappen>,,,njen.za'i(door een bekwaam, diaeteh uitwendige miadeler*dehÏ.ijder behulpzaam zijn.. lit; weet dat DuvERNEij.cZÓj^el-als Petit, dit. willen woorkoomen door, het yerftûijkte. Ji'd aanftonts in koud water; te dompelen ,of andereinflaahdb., ÇRepercutientia), middelenaan te leggen,; deftz$o~rn,.t!..p, 33J, nialadiedes Qigene Tim.2.68,;,dogtik,^zqu!de.rdfar nietgaarhepp, vertrouwen ,.,en. liever pp den,raad der oude Griekfcbe Geneesheeren,, olie gebruiken,, warm;, om het lidlge- dwee te maaken-en als teilooveh^.df wel,,het lid be- fmeeren met olie ,. een. weinig .zout,, en wijn,, of azijn dooreen geklutstt, omde uitgerekte vezelen te yermur- . wen^, en, alle. anders, volgende.zwelling, vóór te. koo- roeni Hfejomzwagtelingvarj hetVerßüijkttilidAs noodzaakè-
lijkç, vootal dient: dit; ilerk te gefchieden, 'tenmaare |
|||||
|
VER* 'a y
Wanneer de radius en >ulna, ofde tibia enfibula van
eenwijken door bet beenweer,.'twelk de beide gebroo- kene Beenderen langzaam van een doet gaan, is de ge- Heezing nog meer onmogelijk, om dat de oorzaak niet alleen piet weggenoomen kan worden, maar dagelijks ßerker word. ■ meester voor uit ce zien, en voor uit te zeggen , wanneer
de beide beenderen teffensBreeken. De van eenwijking van het Schouderblad, en Sleutel-
been, is niet alleen door Celsus bevestigt, maar door Galenus in zijn eigen zelven waargenoomen ; zo dat hij er twee vingers tusfchen in konde leggen ; en door zijnen Heelmeester verkeerdelijk voor eene ontwrigting des Schouders aangezien wierd; zieGALPN. in Hippocr. p. 60. §. 6ó, E. Galenus e venwei genas, en of fchoon ik meer dan eens die afwijking waargenoomen en opgemerkt hebbe, heugt mijs evenwel niet dit volmaakt geneezen. te hebben gezien. Die geleding verfchilt, bekenne ik, veel van, de geleeding der arm, en fchenkelbeenderen,. want het is eene waare beweeglijke vereeniging , door tusfchenkomstvan een kraakbeen,, maar evenwel is dat gelid omwonden metzwaare banden, die gerekt zijnde, even zo min als de overige,. te regte koomen. Behalve deeze, afwijking, zo wijken de Schaambeen.
deren van een in «ene natuurlijke baaring, en derhal- ven ook de Darmbeenderen van het Heiligbeen. Ditftuk is zo breedvoerig beweezen door den Heer Louis in de Mem. del'Acad. de Chir.. dg. Paris, en zo klaar betoogd door-Prof. Camper in zijnen brief aan van Gescher, en in, zijne verhandel,,; gevoegd'.bij Mauriceau , over de ziektens en gebreken der Vrouwen, dat het buiten' fpooiig zo.udezijn daar aante willen twijffelen. Dee- ze afwijking echter , verfchilt zeer veel van de opge- noemde, want zij gefcbied door de wijze fchikking der Voorzienigheid,en herfielt, zo ras het Kind gebooren iSj in een enkel geval uitgezonderd , daar: misfchien eene mankheid, ,of losheid in deaHeupbeendëren over« blijft. Tot/de. geneesmiddelen in dit geval behoort al- leen rust, ;geene andere dingen zijn nodig.,. Vermits tot de afwijking dezelfde middelen aante-,
prijzen zijn,, welke tegens de Verfiuijking en verrek- fcingdienen,- en deeze reets opgenoemd zijn, zullen wij den Leezer derwaarts wijzen.. -, . VERTAALEN, zie OVERZETTEN.
VERTEERING, zie SPIJSVERTEERING.
VERTIGO, zie DUÎSELING.
: VERVALSCHEN, zie ADULTEEREN. VERVATTES, zie AMBARVASTI. ,
VER V-EX, zie HAMEL.
VERVOLGING, Perfecutio. Deeze ondeugd kan,
»iins oordeels,, niet beier dan op deeze wijze befchree- ven. worden,, dat zij eene geduur'ge en openbaare poo* ging is, om iemand te benadeelen. Het grondbeginsel daar van is haat, en de uitwerkzelen zijn zodanig, als_ pien van zulk eene oorzaak verwagten zoude. Het woord isdusin zoo verre van eene algemeene betekenis, maar doorgaands word het bijzonder opgevat van eene Vervol. Rjng om den Godsdienst. Dan verftaat men er de po- gingen der hevigfte onverdraagzaamheid door, om die geenen, dewelkevan ons verfchillen in zaaken van den «odsdienst', 'n het openbaar als onze Vijanden te be- handelen, en ons vandèmagt, die wij bezitten, te be- dienen, om hen ongelukkig te maaken, De Christenen' zijn ten alten tijde het doel geweest, van zulke Vervol &ngM;> die.zij,nu;een.s van de geenen-die-buiten- waa- |
|||||||||
|
VER.
|
|||||||||
|
38 S S
|
|||||||||
|
ren, J-ooJen, ; Heidenen-j enz. te verduirren hadden ; en
dan eens wederom eikanderen, onderling aandeeden, op eene onzinnige wijze in hunne eigene ingewanden wroe- tende. Het lust mij niet, alle deeze Vervolgingen opte« noemen, men zoude een geheel boek moeten fchrijven, indien men alles wat hier toe behoort, én waar van in alle opftelien van Kerkelijke gefcbiedenisfen in hetbree« de gefprooken word, wilde bijbrengen. Alleenlijk zal men van mij verwagten, dat ik de voornaamfte Vervol' gingen, die den Christenen in, de eerste eeuwen door de Heidenfche Keizeren werden aangedaan, met geen ftilzwijgen zal voorbijgaan. Zij leveren ons te fterte een bewijs op, van de bijzondere befcherming door God aan zijne Kerk verleent, om de zelve in het -midden van zo vèele op een geftapelde elenden, het hoofd te doen. boven houden, dan dat derzelver kennisfevoor de Chri- ftenen nutteloos zoude kunnen gerekend worden. Even« wel'ik zal er het voornaamfte maar van aanftippen, om. dit Artikel niet tot eene onmaatige grootte te doen uit-, dijen. Men telt doorgaans tien bijzondere Vervolgingen. der Christenen, door de Roomfche Keizeren, hoewel anderen, zo als Sui.pici.us Sevehus , dezelve-maar tot negen brengen, en wederom anderen wel dertien Keizeren- als Vervolgeren der Christenen geftelt hebben. De rede. van dit verfchil is, metbetrëkkinge tot Sulficïus Se* verus een vooroordeel, dat de tiende groote Vervol- ging der Christenen, door- den Antichrist zoude be« ftookt worden, 't welke hem van de gewoone rekening deed afzien; en met betrekking, tot.hen/ die van 13 Vervolgeren fpreeken, eensdeels, dat zij Keizeren die men anders bij eikanderen neemt,, zo als Gallus en Valeriaan, Diöcletiaan en Maximiaan, ieder- bijzonder tellen, en anderendeels, dat zij Antoninus Prus op den lijst der Vervolgeren plaatzen, daar de- ze nogtans duidelijk genoeg te kennen gaf, dat hij van alle die onregtvaardigheden en geweldenarijen wars was, beveelende , den Christenen geen leed te doen , indien- zij niets de eden, het geen voorden Staat nadeelig was; zoo als men bij Eusebius B. VI. Kap. 12. SulpjciusSeve- rus B. II. Kap. 46. MosHEiM Kerkel. ßeft-hiedenisfen.. tweede Eeuw. D. I.'§',119. en elders vinden kan. Dan,, zonder ons met deeze verfchillen langer op te houden, de naamen der Keizeren, brider dewelke die tien Ver- volgingen., volgens gewoone rekening, hebben plaats- gevonden, zijn de volgende. I, Nero.. II.Domiti-aan. III, Trajaan. IV.Hadriaan.V, Marcus Aurelia us Antoninus, de. Wijsgeerg,ebï]mamt. VI, Severus. VII. Maximijn. VIII, Decius. IX, Gallus en Va- leriaan; en X, Deócletiaan en Maximiaan. Het; is hier dé plaatze niet, om het geen er in deeze alge- meene Vervolgingen der Christenen is voorgevallen,, breedvoerig voor te ftèllen; genoeg zij het, dät rnen^ in dezelve de wreedheid.en het bijgeloof op eene on- gelooflijke wijze over de menfchelijkheid heeft zien ze»- gepraalen; dat men dé uitgezoch'tfte martelingen, wel«- ker verhaalalleen ons doet fchrikken, tegen de belij- ders van het Euangelium geoefent heeft; dàt men ini dezelve nog grijzen ouderdom ontzag, nog tedere jeugd- verfch'oondé; Ouderen uit de omhelzingen kunner Kin- deren wegfeheurde; weerlooze Maagden op den pijni. bank b'ragt,. en den naam van Caristen te zijn genoeg. achte, om de verfchrikkelijkste wreedheden, die men; door konsfwist uit te denken, als geoorlooft aanteziem- Mèn hoore alleenlijk' ten voorbeelde, hoe het, volgensi het verhaaüvan MosHEiM, in de Vervolging, van De» M 3G eius-
|
|||||||||
|
VER.
|
|||||||||
|
385« VER.
|
|||||||||
|
eius eoeging. Zijn bevelfchrift, zegtïïij, was [timmer
en omegtvaardiger, dan alle de voorgaande Wetten der Keizeren, met naame, dan die van TrAjaan. Qngelwor- .èt kwaaien werden eringedreigt, en eene veel verJehikMij- kere Vervolging , dan zij te voeren ondergaan hadden. De Stadhouderen vonden veelerteie, wel eer onbekende ma- nieren vunpijnigen en 'martelen uil, en/telden üefchrik- tijke werktuigen, waar van zij zich bedienden , om de cngelukkigen te verfcheuren, en dezelve te pijnigen, ïoor.elks oogen bloot. Het Bijgeloof wapende zich met alles, het geen voor de menfchelijke natuur afgrijslijkst kan bedacht worden, en men is niet inflaat, omdebe- Jchrijving van de overwreede behandeling der Christe- nen , zonder aandoening te kezen ' Men bediende zich van het zwaard, vuur, wilde Dieren, gloeijende poelen, roosters, pijnbanken, en nagels, om de ftandvastigheid der Christenen te overwinnen, enz. Door het één en ander bedoelde men niets minder, dan het Christendom ten éénenmaale van de aarde te verdelgen ; en zoo fel waa- ren deze Vervolgingen, dat men zich reeds beroemde, dit oogmerk bereikt te hebben, en tér gedagtenisfe van zulk eene groote overwinning zegentekenen oprichtte , waar van de twee Infcriptien te Clunia in Spanje ge- vonden, getuignis geeven; dezelve zijn van deezen inhoud, I.
DrOCLETIAN. JOVIÜS. MA.
IMP. HeRCULEUS. CiES. *-' : AüG. AMPUFICATA. PER. ORT. ENTEÏï: ET. OeCIDENTEM. IMP. ROM.
ET, NOMINE. CHRISTI ANOR. DELETO. QUI. REM'P. EVER- TEBANT- DlOCLETIAN. CffiS.
AUG. GALERrO. ÏN. OKI- ENTE. AD OPT. SUPERS- V" TiTiONE. Christi.
UBIQ. DELETA. ET. CUt-
TU. DEOR. 2R0PAGAT0. Waar van de zaakelijke betekem'6 is; dat Diocleti-
aan en Maximiaan den naam en de god'ooze bijge- loovigheid van Christus overal hebben uitgeroeit, en den dienst der Goden voortgeplant. Onder de Regeering van Constantijn hebben deeze
Vervolgingen opgehouden, als die den Christenen vrij- eid gaf,niet alleen, maar ook aanmoedigde, om God naar hunne wijze te dienen. Dan het is er verre af, dat de Kerk van dien tijd af in rust zoude geweest zijn, dewijl de Christenen, niet van buiten te vreezen hebbende, tegen eikanderen hebben beginnen te woe. den- Het geen men van de Heidenen geleert had, oe- fende men toen tegen zijne Geloofsgenooten ; en een gering verfchil in gevoelens was genoeg voor Christenen, om hunne Medechristenen te Vervolgen, die met hen eenen zelfden Heiland eerbiedigden. Niet minder fel waaren deeze Vervolgingen, dan die men wel eer van de Heidenen ondergaan had, en geen wonder, daar het Bij- geloof altoos dezelfde uitwerkzelen voortbrengt, indien het maar de-magt daar toe in handen heeft. Om er voorbeelden van te zien, behoeven wij niet eens tot die vroege tijden opteklimmen; de gefchiedermfen der |
|||||||||
|
Reformatie, inzonderheid in de Nederlanden^ toveren
er ons bewijzen van op,, die, waaren zij niet door dó geloofwaardigfte Getuigen verhaalt, alle geloof zouden te boven gaan. En de wreedheden, zedert de herroe- ping van' het Edict, van Nantes, in Erankrijk gepleegt, zullen niet ligt vergeten worden. Gelukzaalige tijden, die wifthans beleven, en geze-
gend Nederland, waar uit dit wanfchapen voortbreng- zel van bijgeloof en onverdraagzaamheid verbannen is! Degeest der Vervolginge moogezich zomtijdsin zömmige heethoofdige ijveraaren openbaaren, dan door de Gods- vrucht onzer Overheden word die liefdeloosheid wet ras in haare uitwerkzelen beteugelt. De belangens van ge- zonde Staatkunde en Christelijke Verdraagzafnheid zijn, bijons vereenigt, en zij die het volgens de bepaalde magt, dewelke zij bezitten, daarop toeleggen^, om bet vuur der Vervolginge wederom te doen ontbranden, verraaden niet alleen hunne heerschzugt en liefdeloos- heid, maar doen ook ten duidelijkften blijken, dat zij de waare belagens van den Godsdienst zo wel als -van .ons Vaderland niet kennen, of het niet te veel achten dezelve aan hunne Onchristelijke driften opteofferen. ; VERVROEGEN; zulks word gezegt ten aanzien van
Groentens en Vrugten, wanneer die door broeij ing vroe- ger als wel natuurlijk worden voortgebragt. VERWEN. Door Verwen verftaat men aan iets een
andere koleur geeven, als het van natuuren had; of wel i het beftaat in die xvetenfchap om aan de meestezelfitan- Handigheden der natuur, en werken door s'Meriïchen handen gemaakt, verfcbillende koleuren te geeven. > Om een Laken-Verwers Blauw-Kuip te ßettenj \
en te bewerken. Doet in de ledige Kuip ruim een half mudde tarwen- femelen, benevens 300 pond beste erfurter-weede, ert; giet daar op"s'avpnds omtrent zes uur, zo 'veel kookend heet water, dat de Kuip halfvol is, roert als dan alles ter degen door malkander, dek de Kuip toe,'en laat die rusten tot omtrent de klok tien uuren s'avönds, roert ze dan nog eens ter degeq door, en laat ze dan tot «'morgens ten zes uuren ftaan ; roert ze als dan weder- om, en Iet op oft niet begint te werken, 't geen men zeer wel aan deTeuk kan gewaarworden, dewijl het als dan een fterkegestende leuk van zich geeft. zo zijnde, zo roert het nog eens losjes op, en wanneer het alsdan een paar uurgeftaan heeft, zo zet ereenftaal op , 't welk men er na verloop van een uur weer uit trekt om te zien of het al begint een weinig groen te worden; zo ja, roert dan de Kuipnogmaals losjes op, laat die we- derom een paar uur rusten , en zet er een tweede Staal op, 't welk men er na verloop van een uur wederom uit- neemt, en het zelve bij 't eerste Staal beziet of het niet wat hooger groen van koleur is; dit zo bevindende, zo roert de Kuip wederom losjes op, laat die twee uuren ftaan , en doet er dan een derde Staal in, wanneer dit er wederom, een uur op geftaan heeft, zo neemt er het Staal uit en bezigtigt het bij 't voorgaande of niet hooger groen van koleur is.-------! Vaar dus voort, de Kuip alle
twee uuren met een nieuw 'Staal te beproeven, tot dat
men ziet dat de groene koleur niet hoger word,; dit zo be- vindende, word het tijd om er goede Steenkalk bijtevoe- gen, naamelijk op 300 ponden weede éen paar goede akers vol kalk; dit daar ingeroert zijnde, en wederom een paar uur hebbende gerust, zo beproeft hetöpdevoo- rïge wifze weder met een Staal, wanneer dit er een'uur |
|||||||||
|
VER.
|
||||||||
|
3857
|
||||||||
|
'IVtrwen gaan, na alvoorens dezelve nog eens ter de»
gen te hebben omgeroert. Is er 12 pond of daar omtrent indigo 'm gedaan, zo kan men er een paar halve ftukken iaaken die groot en dubbel Staal zijn, een uur óf anderhalf in Iaaten ftaan, wringen het dan uit, en werken het voort na behooren af. Dog is er 24 pond in, alsdan mag men eronbefchroomt ten eersten twee paar ftukken laakens indoen,, wel te weeten het eene paar na bet an- der, en die ook zo voorts afwerken. Wanneer het gebeurt dat de Kuip door te veel kalk '
al te ftijf is gemaakt, en de loog: in plaats van fchoon pap- pegaai-groen of geelagtigi- integendeel zich vuil duister blaauw of wel zwartagtig vertoond, en dat men de haod er infteekende, dezelve glad of glibberig aan het gevoel is,:en in plaats van een zuuragtig gestende, een reuk van kalk of potasch heeft, dan moet men die op de vol« gende wijze te regte brengen; maakt door ftooking.de Kuip ter degen heet, en indien ze niet al te zeer ver- fteeken is, zo doet er een halve aker vol tarwen-fimden in ,. met omtrent 6 of 7 pond krap, en laat ze daar me- de vijf of zes uuren naa alvoorens ter degen doorgeroert zijnde, ftil ftaan, als dan zal de loog wel haast een an- dere koleur en reuk bekoomen, en ook anders op 't ge- voel zijn; namelijk, in plaats van dufster blaauw groen,, fchoon geelgroen ,. en in plaats dat ze al te fterk naa; kalk ruikt, een lieflijke zuuragu'g en wel geilende reuk van zich geeven, daar bij op bet gevoel wel getempert en vermengt zijn; en het Staal dat zich in plaats van wel groenend, leeiijk blaauw of grijsagiig vertoonde, nu fraaij gras-groen en in een goeden toeftand zijn.
Dbg indien het mogte gebeuren dat de Kuip tot zo ver-
re-met kalk verfteeken waare, dat geene der voorfchree- vene middelen in (laat waaren om dezelve op zijn regte pas en getemperheid te brengen, zo moet men een paar . akers vol tarwm-femelem in een fakdoen, en die geduu- de tien a twaalf uuren lang, 'met een lange ftok tot op de grond van den Kuip fteeken, jaa tot zo lange als men ziet dat de Kuip van onderen op groote werkende bel- len of blafen die blaauwagtig zijn, begint op te borre- len, daar-bij dat de loog wat fchraalder op 't gevoel is, en een gestende reuk van zich geeft; dit alles gebeuren- de, zo neemt men de fak met femelen er uït, roert de loog wel door, en als dan zal ze wederom bekwaam tot het gebruik zijn.. Wij hebben nu onderweezen hoedanig men een ver-
fcbe Kuip moet toeftèllen , | en te regte brengen als er' 't een of ander feilt, nu zullen wij overgaan met aante- ftjonen, hoedanig die moet bewerkt worden, en wat er onder de bewerkinge dient in agt genoomen te wordeB. Alvoorens zullen wij echterde tekenen aanwij- zen , die tot kenmerken verftrekken, dac de Kuip onder- de bewerking in een goede welftand is. ~r~ Insgelijks die geene welke aanduiden, dat de Kuip in geen behoor- lijken toeftand is en een kwaaden weg wil inflaan. . De vier volgende kenmerken kan men als voldoende te-
kenen van de welftand eenerKuip befchouwen. i; Wanneer men met het loot een floot op de treeft-^
doet, en dat daar door van de Kuip een fraaije, wel- ftaandé en'dikke koorn blaauw-Bloem opwelt, die in hetf befterven heel donker blaauw word, en ftijf ftaan blijft ",. verftrekt zulks tot: een bijzonder-goed teken van de welftand der Kuip.* '.>. Wanneer die Bloem onder het werken niet veri-
dwijnt, maar van tijd tot tijd aanwast en toeneemt; 83 WanneerideJöeg onder het bewerken-, niet van ko- -
leur:
|
||||||||
|
ineèftaan heeft.,en ertiitgetrokisen wordende, een fchoon
grasgroen vertoond, 't wei kin het befterven bijna he- nielsblaauw wwâ~, ftrekt zulks ten b.lijcke dat de Kui> net op de maat roet kaik is verzorgt, als men er dan na verloop van twee uuren wederom een Staal indoet, en het zelve dan ook een groene koleur aanneemt, dan mag men vrijelijk de Kuip verders met- water aanvullen. Dog indien het mögt gebeuren, dat er. wat ai te veel'kaik in : de Kuip geraakt was., 't welk men daar- aan gewaar word, dat het Staal als dan in plaats van fraai groen, grijs of bleek vaalagtig van koleur word; moet men in 't beete water- waar mede men den Kuip aanvult , omtrent een aker vol krap en een aker vol wwen-j'emelen indpen, dit zal alles weer te regt hel- pen , zodanig dat er weer een Staal in doende, gij er die fchoon groen zult uittrekken; doet er als dan In- digo in, zo veel of zo weïpig gij oordeelt noodig te zijn, hetzij 8,12, 20, 24 jaa tot 30 pond toe, voe- gende nog bij elke pond indigo, een pond krap, en een half pond potasch, en op de gantfche Kuip, een geede aker vol femslen. <---- Dit te zaamen dus
ja 4.uuren geftaan hebbende, zet men er eenStaal op,
om te zien hoedanig het zich in 't groene vertoond, is't dat ze omtrent van 8; of 10 ofl-2. pond indigo, een mooij grasgroen Staal maakt, zo is de Kuip wel- gefteld,. dog heeft men er 25 a 30; pond indigo bijge- daan, zo moet zich het Staal vrij hooger vertoonen-, en van een donker groene koleur zijn, 't welk uit- gegroend zijnde, een goed blaauw Staal vertoond.-- Dog ontbreekt er nog kalk of potasch.'in"de Kuip, zo zal het Staal in plaats van'fraai groen, er mager geel en bleek- agtiguit zien, ook zal de loog die in de Kuip is, in 't aan- raaken fchraal, dun en maager zijn, daar bij in plaats van mooij geel, of pappegaai-agtig van; koleur, zich wit en mager Iaaten befchouwen, en de bloem dèrzelve. in plaats van fchoon koornblaauw , maar een bleeke bloeme'rantagtige koleur aanbieden. danig gefteit zijnde, moet men er een goede fchepbek- ken zeven of agt pond houdende, potaschbenevens een goede fchóp vol kalk ondermengen , en er dan na ver- loop van een paar uur weder eenStaal opzetten, 't welk ik wel verzekerd ben, dat als dan en fraaije donkere groene koleur zal aanneemen, en de loog zal in het aan- raaken vettig zijn, en een fchoone donkere geele of wel pappegaaij-groenagtige koleur hebben aangenoomen, Haar bij zal zich de Bloem dèrzelve fchoonder blaauw op de loog vertoonen, en ter degen digt en van alle kanten beflooten zijnde, lazuur-blaauw of nog hooger van koleur opdroogen en befterven; zo lange-nu dit niet gebeurt, verftrekt zulks ten teken dat er geen ge- noegzaame hoeveelheid kalk of potasch in is, en moet dus met deeze ingrediënten geholpen worden. Dog is er te veel kalk in de loog zo zal die fchraal zijn, en zich al te dun en van een rosagtige koleur vertoonen, en dit eischtdat er meer potasch moet biigevoegt worden. "***; Is er integendeel te veel potasch in dé Kuipen te weinig kalk, zo zal men zulks wel draa aan 't Staal vermerken, dewijl het fchoon wel fpoedig groen wor^ dende, echter in het bederven, geen zuivere blaauwe koleur zal aanneemen, maar iets groenagtigs zal behou- tfi' ^.'5 Seb»,efe verhelpt tnen, met er nog een febopvol w» bij te voegen.. Alle deezegebreken geen plaats- vindende of dezelve naauwkeurig verholpen wezen-- *' zodanig dat het Staal beftórven zijnde, zuiver blaauw aQ tolem.is,,dankarmmeadé Kuiprbearbeiden«n-aar/j |
||||||||
|
iSSSS
|
|||||||||||
|
Vffl.
|
|||||||||||
|
VER.
|
|||||||||||
|
-leur verandert,maar derzelver fchoone koleur volftan-
idig behoud. 4. Indien de loog zich bij het uitwringen, niet al te
fclaauwagtig naar het zwarte hellende, en zich ook voor al niet wit of karnemelkagtig vertoond, maar integen- deel fchoon-geelagtig- groen is. Deeze opgenoemde tekenen van welftand aan uw Kuip
ontwaar wordende, moogt gij die vrij de gantfche dag bewerken, mits dezelve naar ieder bewerking ter degen oraroerende." De tekenen waar bij men ontdekt dat de Kuip in een
flegten toeftand is en ten kwaaden wil overflaan, zijn de volgende. 1. Wanneer men met het loot een ftoot op de treeft
doet.en de Bloem niet koorn-blaauw, maar in tegen- deel zwartagtig van onderen koomt opborrelen * daar bij
grijsagtig blaauw bederft, en ten laatsten fchielijk ver- -dwijnt, zuiks is'een gewis en zeker teken, dat-de Kuip
■ niet wel is geftelt.'.
■'■'■ 2, Wanneer de loog zich in plaats van in eene geele
3 in een duistere groene zwartagtige koleur verandert, en daar te boven glad en glibberig aan het gevoel is, ook in plaats vaneen frisfezuuragtjgeengestende, een raau- . wekalkagtige reuk van zich geeft; dit zodanig bevinden- de en laaken in de Kuip hebbende, zo moet men hetzel- ve terftond daar uitwringen , de loog oproeren, die heet ftooken, en eikrap en weiten-femelen bijvoegen, en zo dît niet helpt, er een goede aker vol gekookte pis bijvoe- gen; dit zal meestijds alles weder in een behoorlijken toeftand brengen. u* 3. Met het loot op de treeft ftootende, en ziende dat
de Bloem in plaats van fchoon kooren-blaauw , bleek geel, ofwel witagtig van onderen op komt fchietén, en dat de bellen of bobbels niet digt en aan malkanderen, maar in tegendeel ijl en ver van malkanderen zijn ver- wijdert, ook niet donker lazuur, of bruin-blaauwbefter- veh, maar in tegendeel, plat, dun, en flaauwelijk op ■ de loog neer vallen , dan mag men vast befluiten dat
de Kuip in geen goeden toeftand is. 4. Wanneer de loog van fraaij en helder geel, onder de
bewerking in een vaale rosagtige koleur verandert, en derzelver reuk in plaats van zwartagtig en ge'stend, flaauw word , is het fpu-1 niet goed, en men, moet maar fpoedig met de bewerking ftaaken. 5. De loog die uitgewrongen word, zich in plaats van
mooi geel, bleek of rosagtigVertooneride, zo is het hoog tijd , het ftuk laaken indien het in de Kuip is , hoe eer hoe beter er uit te neemen ; voorts een opgehoopte fcbop
vol kalk in de loog te doen , die ter degen om te roeren, een paar uuren te laaten ftaan, en erdaneenStaal op te zetten, om te zien welk groen het van zich geeft. In gevallehet nog eenigermaate aan 't groenen blijfr, heeft men gewonnen fpel, roert het dan maar eens om de twee uuren braaf door een, en houd het ter deegen warm, en het kan hietmisfen.ofhetzat weer tot zich zelvenkoo- men en goed worden. ■ Dog geeft de loog geheel en al geen groene koleur meer van zich, dan is't gevaar-
lijker, dog men moet als" dan de moed nog niet opgee- ven , maar de loog aanftooken tot dat die kookende heet is, en er als dan zeven a agt pond pvtatch in doen, die men er eenigen tijd in laat doorkooken, waar na men ze overflaat, braaf doorroert, en dan agt a tien uuren laat ftaan rusten ; koomt er naar verloop van die tijd op nieuw leven en gesting in, zo. raaktalles wederteregt, en men bekoomt er als dan een fchoone blaauwe koleur vaa. |
|||||||||||
|
Nu dienden wij nog iets te zeggeiï'vari het ovërloa.
pen der Kuipen, en de oorzaaken waar uit zulks voort- fpruit, en hoe men dit ongemaak kan vermijden en voor- koomen ; de voornaamste oorzaak van het overloopen det Kuip moet aan de krap enfemelen worden toegefchree- ven, geen beter hulpmiddel hier tegen, is dan dezelve aanhoudend omteroeren, dit zal ze ten laatstén doen bedaaren. , Onzen taak eischt nu om nog iets ten aanzien vande ber
werking der Kuipen aan onze Lezers medetedeelen, en die beftaatvoornaamelijk hier in. -Voor eerst,zo dik- wils als men's morgens de Kuip in een goeden welftand bevind, kan men er den gantfchen dag in werken, tot vier a vijf bewerkzelstoe, die alle goed zullen zijn , mits dat men geene verandering onder de bewerking aan de loog bevinde, maar dat dezelve onder het werken en roeren haar fchoone geele koleur, en daar bij haargestenderetik pïi uitwaasfemingibehoude. 'dien de Kuip zoverre uitgewerktis, dat men er niet meer ais lichte koleuren, als bij voorbeeld bloemerant in kan Ferwen, zo roert de loog wel dooreen, voor dat gij er de Stoffen in doet, dewijl dit verwaarloozende, uw werk veeltijds als met bruine plakken zal doorzaait zijn, en dus onaanzienlijk worden. -' ...:'.. : , , Ui . .'. ',' Om êen Blaauw-Kuip tot het Ferwen van ï >,*■>.
■ Linnens tae te.'fielten. zth .. . ... Néémt hier toe, twee pond poiasch, twee ponden krap,
Sn dertien handvollen tarwen-zemelen; doet het tezamen in een ledige ketel of kuip van omtrent 20 emmeren vpgts, giet dan de kuip vol kookend heet water; doet dan een pond indigo die alvoorens met een vierendeels pond pot- asch wel gekookt, en tot eene fijne brij gewreeven en geroertis, doet dit zeg ikinde blaauwkuip bij het ander, enroerthetaltezaamen door malkander, dekt dan de kuip digt toe;, ftookt er een matig koolenvuur onder, en laat het geduurende den tijd van vierentwintig uur ftil ftaan te rusten; ziet er dan naa, en fcheptmeteen houten bakje wat loog uit de kuip en giet die van der hoogte er weder in, als hier door dan blaauwe bellen veroorzaakt worden en de loog een kragtige geftende reuk van zich geeft, daar bij geel groenagtig van koleurbegintte wor- den, zoo is alles in een goeden toeftand,* roert het dan nog eens ter degen van onderen op, laat het wederom geduurende den tijd van drie uuren wel toegedekt ftil ftaan, roert bet dan nog eens, en vaart hier zo een reisof vier naa malkanderen mede voort, wel te weeten dat men alle drie uuren de loog dooi roert; bij ieder doorroering zal men bevinden, dat het mengzel al beter word om te verwen, en ten laatften zal de loog uit duister groen al langs hoe meer in blij geelgroen veranderen. ■-------
De loog deeze geelgroene koleur hebbende aangenoo-
iiien, en de bloemen of bellen op de Voorblijvende ftaan, daarbij dat de handen in de loog geftooken zijnde braaf bruin-blaauw daar van worden, als dan kan men het lin- nen 't welk men voorneemens is te verwenwelin de Kuip fteeken , en blaauwen maatig voort. ------Wanneer
men een uur op zodanigen kuip geblaauwt heeft, zo
moet men die wel omroeren, en ze dan een paar uur laa- ten rusten, alsdan weer aan 't verwen gaan, en op dee- ze wijze een reis vier of vijf op een dàg er mede voortvaa- ren. - Word men ontwaar dat de loog wat fchraal vaa potasch valt, als dan kan men er omtrent een halfpond potasch bijvoegen, en ookzomtijds wel een houten bak- je vol kalk, '.'-.. . ,.!.-;.:.. Om
|
|||||||||||
|
. YX.K.
! f Om een' Zijdenverwers Slaauwkuip toeti*
.;., . füllen ente bewerken. Doet in een Kuip die twintig emmers vol vogt houd,
12 pond erfurter weed, en twee dubbelde handen vol Wwen-fewelen, giet daarop vijf emmers vol kookend heet water, roert het wel door een, en Iaat het van s'avonds agt uuren tot s'morgens zes uuren toegedekt ftaan, als dan weer omgeroert en nog vijf emmers kookend heet water daar bij gegooten, dan weer drie uuren laatën ftaan, en een ftaaltje er op gezet; voorts er even gelijk mede gehandelt als hier boven ten aanzien van de Laken- Blaauwkuip is geleert. ' de om er de indigo bij te doen, zoo voegt bij elke pond indigo 4 loot potasch, kookt dit te zaamen op en wrijft het tot een fijne brij, als wanneer men het in de kuip doet, er nog een half pond potasch, een half pond krap en een paar handen volfemelen bijvoegende, roert dan alles ter degen door een, houd het met vuur braaf heet, en laat Jiet dan drie a vier uuren zonder roeren digt toegedekt ftaan; waar naa men er een ftaal opzet, 't welk er naa verloop van een uur word uitgenoomen, om te zien welk een groen het nu met de indigo oplevert. Heeft men er circa twee pond indigo bijgedaan,en het geeft uw een ftaal van een donkergroene koleur, die in het befterven mooij donkerblaauwword, zoo is de Kuip volkoomen weigefteld. Dog is deszelfs groen nog uit den 1 igt gee» len, en bederft het grpenagtig bleek-blaauw, zoo is zulks een teken dat er nog wel een goede hand vol kalk in de Kuip mag gedaan worden Dog is integendeel het Staal al te zeegroen en bederft het zelve grijsagtig, zo is het een teken dat de Kuip te veel kalk heeft, men moet die als dan een igen tijd laaten ftaan, ze onderwij- len braaf heet maakende, en doen er dan nog een half pond krap in, waarna men ze naa verloop van een uur drie a vier wederom met een Staal beproeft, en het zal als dan zelden misfen of men zal die in een goeden welftand -aantreffen.. '~ '*■ - - Om het Blaatiwgeverwde een levendige
, - koleur bijtezettèn. De geverwde Stoffen enz. uit de Kuip genoomen zijn- de, zo neemt een aker vol heet water, endoetdaareen :paar.pond potasch-in,-klaart die loog verder.met koo- kend water, roert het braaf door een, enfpoeltdaarhet geverwde.goed door, en. het zal buitengemeen helder blaauw worden.' -In de plaats van potasch kan men ook glas/mout neemen, 't weik nog ruim zoo goed is. Om fchoon f ranselt Blaauw op zijde te Verwen.
Kookt in een ketel watlakmoes, 't welk men na om- trent een halfuur gekookt te hebben, door eenzeef in een groote pot of bak moet laaten loopen, en verders met .kookend water aanvullen, haalt hier de zijde 2es a ze. venmaal dóór, en voorts eens door deBlaauwkuipwan- neer die op zijn beste is-gefteld, zo zal men een uiter- fflaate fchoon fransen blaauw op zijde bekoomen. Om goed kastoor-zwart te Perwen op Laaken.
Op een groot ftaal Laaken, dat van 45 tot 48 pon-
den weegt .neemt men tot den grond 16 pond goedefmak, een half pond galnooten, een half pond geelhout, twee ponaMaauwhout en twee pond Ujnkoeken-m'eeL Op een dufebeld Staal, 16 pond fmak-, een half pond galnoo- 7>rereikhalf vond geelhout ,6 pond mul, 2 ponden-
|
||||||
|
ioekenmeel, en 3 pond blaauwhout. ?-r-;,Op een ander-
half Staal, 16 ponden fmak,, een hal.f p.ond galnooten, een hajf-pond geelhout, 5 pond mul, 2 pond lijnkop- kenmeel en drie pond blaauwhout. Op een Kastoor zwart, 16 pondy»zû£, een halfpond geelhout, 4 poHd blaauwhout, 2 pond lijnkoekenmeel; en 3 ponden muf- Eindelijk op een Felp zwart, 16 pond fmak, een half pond galnooten, een half pond geelhout, 5 pond blaauw* hout, 3 pond mul en twee pond lijnkoekenmeel. Op een van wit op zwart, 16" pond fmak een half pond gal- nooten, een half pond geelhout, 3 pond mul en 8 pond blaauwhout. En dit verftrekt totgronden vandezebo. venbenoemde, dubbeld, groot anderhalf Staal, castoor en felpzwart. Het zij dat men van eenerleij zóorc een Ketel vol hebbe, of dat er veelerlei onder malkan- der in een Ketel is; zo moet men nogthans op eiken ftuk en op eiken zoort in 't bijzonder, eennaauwkeurige rekening maaken, en laatenze geduurende twee uuren lang agter malkanderen in den grond kooken; alsdan er uitgedraait en verkoelt, .en in den ketel gewoogen, op een groot Staal 5 ponden, op een dubbeld Staal 6 en op een felp of kastoor-zwart 8 ponden koperroodl, en hier mede dan een uur laaten kooken, dan ten tweedemaalen uitgedraait en verkoelt, en nog op eiken ftuk twee pond koperroodgedaan en wederom een uur laaten kookenjvoorts weer uitgedraait en verkoelt, en op omtrent5 halve la- kens, weder een pond 4 a 5 koperrood bijgedaan, en daaf mede nog een half uur laaten kooken, als dan uitge- draait en fchoon gefpoelt, zal een fraajj en goed.zwaft opleveren. Om fchoon zmrt op allerhande Wolle-Zijde- en
Kemelshaairen-Stoffen te Verwen. Neemt tot elke pond Stoffe die gij wilt Verwen, rîjK- lijk 8 lood fmak, twee loot mul, twee loot lijnkoeken' meel, en half loot geelhout, en omtrent 4 loot blaauw- hout; laat dit geduurende twee uuren, zoetjes en aan. houdend met de Stoffen kooken; voorts er uitgenoomen en verkoelt; dan op ieder pond Stoffe die men Verwt, 4 lood koperrood gedaan, laat daar het goed nog een uur in kooken, en dan wederom uitgedraait en verkoelt; voorts nog eens 2 loot koperrood, op elke pond goed ge« daan, en daar^mede nog een uur kooken, voorts weer uitgewrongen en verkoelt, en dan daar bij nog in de ketel gedaan, 2 loot uingeü.a.mptfpaanschgroen, en laaten hét een klein uurtje daar mede kooken v als dan verkoelt en fchoon gefpoelt zijnde, zal het volkoomen en fraai zwart zijn. , . Om Stoffen die in het Verwen met rosfe of , -.
tlaauwe plekken bezet zijn, te verbeteren.
Neemt een ketel die groot is naarmaate van het goed dat men heeft te bewerken, doet er water in en beste fumak, de hoeveelheid geêvenredigt naar maate van het goed, als dit begint te kooken, zo doet er uw vlakkig ofresfe goed in, en Iaat het ér een half uur in kooken, ■waar naar gij zult bevinden dat het goed zwart zal zijn geworden, en geen vlakken meer hebben. Om Staal-blaauw op te maaken.
Op een Laaken dat Staal geblaauwt is, en omtrent 48 ponden weegt, "zo neemt tot elk pond gewigt, 2lootgàî, en 3 loot fantelkout, dat is op het geheele Stuk laaken, 3 pond gal, en 6 pond fantelhoui, laat dit-zaamen seeij goed uur inde.galling kooken, als dan uitgedraait èn N ' ■ ver-
|
||||||
|
VER.
|
||||||||
|
#$* TER.
|
||||||||
|
gelich of gïûn-tooà, zo moet men in plaats van 7; loot
krap tot elke pond maarts loot gebruiken, dog er als dan 2 loot curcuma tot elke pond bijvoegen.. Verkiest inên. in, tegendeel om zijn Stof na den oranje
hellende van koleur te hebben , zo neem 5 loot krap, en 3,of4:lootc«w«?«a, als dan bekoomt men een fchoone oranje koleur. . Om koleur de Bourgonje of Krap purper te Verwen.
Deeze behandeling gefcbied op dezelfde wijze als de
voorgaande, uitgenomen dat hier bebalven de krap ,oök brafitie-kout word bijgevoegd, 't welk op-de volgende wij- ze gefchied. Kookt in een Ketel op 100 emmeren water. omtrent joopondenbestgeras-ptroodbrafilien-houtyenwan- neerditbijna een halfuur heeft gekookt, zo doet er bij een goede aker vol uitgezifte houtasch,. en een gelijke hoeveelheid kalk', laat het hier mede nog anderhalf uu- ren doorkooken, dan in een groote houten kuip het vogt door een mande laaten loopeii, zo dat bec dik in de man- de blijft. Als men dan genoegzaam water in de Ketel heeft gepompt, en dat het zelve door heet is gewor. den, zo voegder bij 16 of 20 akers vol van het gekook- te brafilie-nat, dit we! doorgeroerd zijnde,, zo draaidhet Laaken dat gij wilt Verwen, in dat vogt geduurende een quartiersuur lang over den haspel, 'korter of langer, na dat men ziet, dat het Laaken.vol verwig word.; als dan er uitgedraaid; en een goede aker«vol wel opgekookte pot- asch loog in den Ketel geklaard, en wel doorgeroerd zijn- de, het Laaken daar zo lang in gehaspelt, tot dat het na uw begeerte hoog genoeg van koleur is. . .....jQin fçhoon geel-op-allerlei] Wolle-Stoffen
te Verwen.
Doet in uw Ketel half zuiver en half femelen-water. en wanner dit begint beet te worden, zo doet op elke pond wolle-goeddat gij wilt Verwen, 4loot aluin , bene. vens een loot wijnfieen, draagt zorg tegens dat het aan de kook komt wel te fchuimen, waar na gij uw wollen goed in de Ketel doet, en heter eengoed uur mast ig in laat koo» ken, draait er het dan uit, eri'pompt 5 a ö"emmeren vol koud water in de Ketel, en doet er een paar dubbelde han- den vol kalk bij, roert het dan met een ftok ter degen om. een Laaken 7, 8ofp tot ligt of donker groen, zo neemt
15 a 20 bosof wel 200 pond wouwe (refeda), benevens 7 of 8 pond fijn ■ geftooten potasch, en befchroeft ze dan met een ijzeren woudrad-, op.dat dejchaaren wouv/t niet op en drijvej als dan met een goed vuur hoe eer hoe liever de Ketel aan dè kook gemaakt ; en als da wouwe eenigentijd doorgekookt heeFt, zo fchept et vanbet nat in een ander vat of ketel, 't welk men bewaart, es dan de woud ketel opnieuw vol water gepompt, geftookt, en wanneer aan de kook raakt, het goed dat geel moet zijn eerst in-de Ketel gedaan* en daarna dat groen moet weezen; voorts zulks braaf over den haspel gehaspeld op dat niet bont worde, en wanneer de Ketel begint le- dig te worden, wederom van die uitgefchepte wouw* in de Ketel gegooten, en zo voort vaaren tot dat alles verteerd is, op zulk een wijs-zal men goed groen en ook goed geel maaken.--------De Laakenen of Stoffen tol
donkergroen, moeten alvoorens omtrent groot- Staal ge«
blaauwd zijn, die tot eenigzints ligter groen omtrent anderhalf Staal, tot grasgroen koorenblauw-,. tot licM' groen hemels-bläauw, tot maijgroen licht bloemerant, en tot paapegaaijgroen,,maar effen het witte er af.-*' |
||||||||
|
verkoelt, voorts 4 pond of daar omtrent kopemod in de
ketel gedaan, en laaten het laaken al over den haspel draaijende, hier zo lange in kooken,, tot dat het donker, genoeg is geworden. O« valsch violet te Verwen zonder blaauw.
Behandelt eerst uw laaken als tot Groen, naamelijk "ïléemt tot ieder pond Stoffe 4 loot aluin en 1 loot wijn- fieen,-dtt is op een laaken van 48 pond, 6 pond ml««'» én .vijf vierendeel wijnfieen; hier een uur mede gekookt', dan uit den ketel gedraait, voorts fchoon water in den ketel gepompt, en hier op elke pond goed ingedaan 3 loot.blaauw en 3 lood rood brafilien-hout, te zaamen in een fik gedaan , wanneer dit nu een uur in de fak befiooten in den ketel gekookt heeft, zo fpoelt die fak zo lang met koud water, totdat de ketel geheel van de kook is, als dan het Laaken zo lang over den haspel in de ketel gedraait, dat alle de kragt van het gekookte hout in het Laaken is getrokken, en het zelve van pas op zijn Staal is, dan uitgedraait enter degen bezigtigt of de koleur wel blaauwagtig violet genoeg is, dit niet na genoegen be- vindende , gelijk het veeltijds gebeurt, zo fchept een aker vol nat uit de kuip, en doet er een paar goede handen vol beste kalk- in, roert-dit-met een ftok ter degen door-, en als bet wel is gezakt, zo giet het dunne daarvan in den Ketel en roert-als vooren de Ketel braaf om, draait dan uw goed daar zo langé in, totdat het blaauwagtig genoeg na uw (in is. #fiç/et dat eerst geblauwdjs, moet even a!s hier boven
van het ongeblaauwde gezegt is, behandelt worden, al- leen met dit onderfcbeid, dat. er in 't geheel geen blaauw.- kovt;\oe moet gebruikt worden. Violet a,ld^node<in\e. vooren geblaauwt is, w-ordeven
bp.dezelfde wijze""bèhandelt, -enkel word er in 't laatst op een Laaken van 48 ß 50-pond omtrent een half pond ßerkwater, waarin tin even als tôt Schariaakea is ont- bonden,. bijgevoegt.. Om Ctap-rood te Verwen. ■
Stort in uw Ketel die met zoet water is opgevult, egn goeden aker vol tarwen-femelen, en wil men het krap- rood donkeren na purper zweemende hebben, zo doet in deketel op elke pond wolle Stof 4 loot beste aluin, en 2 loot zuivere wijnfieen, dat is op een Laaken van 48pond, omtrent 6 pond aluin-en 3 pond wijnfieen, dog wil men hetiniet purperverwig hebben, dan doet men er van de aluin en wijnfieen elks 4 en een half pond-in, dat is op elk pond Stoffe die men V.erwt, 3 loot aluinen evenzo veel wijnfieen, als dan bekoomt men een lieffelijker en fehoonder kraprood, als het bovengefchreeven. wel af-, en doet daar nahet te Verwene gpet in de Ke-. tel, en laat het dan twee uuren na malkanderen maatig fcoöken. Als dan het goed er uitgedraaid, verkoelt, en tot* den; anderen dag toe laaten hangen.:----- Pompt dan
fchoon water in de Ketel, en doet er omtrent 25 akers-
vol femel-water bij, voorts ruim 7 loot beste £ra/>tegens elke pond goed gerekend, dit ter-deegen met het water Vermengd zijnde, en zo heet geworden, dat men "er de. hand niet langer in kan verdraagen, ao draait het te Ver- w.fnegoéd wakker-in den Ketel over,den haspel, en tot EO lange tot-dat het vogt begint te kooken; als daner uit- gedraait én fchoon gefpoeld, en men zal het fchoon krap- rood gpverwi bevinden^ Dog -wil men het nog Iiehtej. hebbgn, naamelijk «« |
||||||||
|
VER.
|
||||||||||||||
|
WS*
|
||||||||||||||
|
#stee een vette-loog, en kfenst bier w gsed rer dee-
gendoor, 't welk gefchied- zijnde, zo hangt het zonder uittewrfngen met zeepfop en al op een ftok en laat nee' uitloopen. Doet voorts in een zakje voor ieder pon* goed, een half loot van het besteBlaauwhoutdat nietuis den ros fen maar meest uit den blaauwen fchijnt, bene- vens een loot witte aluin, en een half loot fijngeftooten indigo, en laat het te zaamen een klein half uurtje door- kooken, waar naa men het zakje daar de verfftofin is mW koud water doorfpoelt, het vuur onder den ketel weg«: neemt, en het goed met zeep en al ter degen in de ke- tel doorroert; of indien het Laakens en Zaaijen zijn-, wakker en lustig over den haspel gedraait, tot dat het boog genoeg in 't blaauwe valt ; en op deeze wijze word het fchoon paarelverf, inzonderheid indien het geene me* Verwt van aart zeer wit is. Öm beste Scharlaakerfkoleur-te Verwen,
Tot ieder pond goed dat gij Scharlaaken wilt verwen, zo neemt 3 loot zoet en drie loot fierkwater, benevens een half loot van het fijnfte engelsch-tin, aan fijne fpaan« dertjes afgefchaaft of gedrasit, doet dit te zaamen in eea' fterke keulfe pot, en laat het heelzagtjeswerken enfer-' menteeren, zo dat men ter naauwer nood-kan zien, dat er kleine blaasjes van onderen uit den grond koomenop» fehieten; dog ingevalle het zodanig fterk mögt beginnen: te werken, dat het gevaar liep om boven uit den potte Ioopen, dan moet men er maar wat gemeen water bijgie* teu, dit zal 'tterftond temperen en doen bedaaren. **; Vult dan uw Verwketel met water, en doet'er in op elke* pond Goed dat ge verft ftaatte worden, d erdeh al floot bes»! te fijngeftooten wty«/?Mn;tëgens de kobk aan zijnde, zO' fchuïmt het wel, en doet er nog bij Op eikepond 2 loot witte Jtijfzel in water fijn gewreeven, en omtrent eett half vierendeel lootsfijn geftootene conehenilje; en dan* "Wanneer 't fierkwater een klein uurtje op de befchreeve- ne wijze zagtjes gewerkt heeft en tot eene tin-folutie is geworden, zo doet die mede in den Ketel; wanneer het- ntt begint te kooken, zo doet er uw Goederen in ; is het Laaken, zo draait het twee of driemaalen over den naspel* zijn het Kousfen, als dan ter degen met ftokken omge- roert, en laaten het een uur lang maatig kooken, als dan uitgedraait -en uitgefpoelt. Dan voor de tweede» maal een gelijke folutie van tin vervaardigt, voorts weder-; om op ieder pond goed een loot wijn/teen, 2 loot witte Jtijfzel en 2 loot conehenilje, wel grfebuimt en als te vaa- ren behandelt zijnde, zo doet er het goed in; zijn het Laakenen als dan over den haspel gedraait, zijn het inte- gendeel kousfen of ander kleingoed, dan braaf met (lokken omgeroert en laaten het een klein uur met malkanderen zagtjes kooken ; als dan uitgedraait en fchoon gefnoett» zal fraai Jcharlaaken>rtod zijn. Om Schariaalien rood of Canttoßjnöp dts
menagie te Verwen. Men behandelt het even op dezelfde wijze als dit bö» - venftaande, de eenigfte verandering beftaat daar in, dat ' men in plaats van 2 loot conehenilje töt elke pond gOed , ,' maar vijf vierendeels loot neemt, en er rijkelijk een loot ' curcuma bijvoegt; zulks geeft ook een fraai/efcharlaake» ! koleûh OmCamofijn-pürperteVerwii.,.
Set Goed clat men deeze fraaijekoleur wil geeveft»; |
||||||||||||||
|
Wil men het gmrfde hoog geel maaken, moet men
wat grooter hoeveelheid petasch of kalk in de wouwe doen. "- - -■■
'■ ■ . . Ö« muskus-Meur te Verwen.
"Na dat het goed in de blaauwkuip eerst licht blaauw is eeverwt, zo doet voor iedewpond Stoffe dat men olijf, koleur begeert te hebben , in de Verwketel 1 loot gal, 4 loot geelhout, 2 loot mul; wat meerder of minder van ieder ingrediënt, naar maate der koleur van het Staal daar men na Vetwt, is het zelve licht olijf, dan wat veel geelhout, is het Staal in tegendeel uit den rosfen, dan 'wat veel mul en weinig gselhout gebruikt, en zo ver- tiers. Om mtiskusrkoleur te Verwen.
Na dat het geen men deeze koleur wil doen aannee- men, eerst in de blaauwkuip een lichte koleur is gegee- ven, zo neemt tot.ieder pond goed, anderhalf loot gal, 2 loot mul, en 2 loot geelhout ; laat daar het goed een klein uurtje mede opkooken , als dan uitgedraaid, en in de Ketel gedaan anderhalfioot koperrood, voorts wat nat uit de Ketel in een aker gefchept, en daar in een paar goede handvol kalk gèroert, het dunne daar van in den Ketel gegoocen en naar hetzelve ter degen door- geroerd te hebben, het Laaken of de andere Stoffen die men wil Verwen er in gedaan , en ter degen over <Jen haspel gedraaid, tqt dat het een rosfe of muskus-koleur heeft aaßgenomen. Öm feemsleder'keieur te Verweft.
Neemt tot een pond goed, naadathet aivoorens bij 't geen men groen heeft geverwt gekookt is, 1 loot gal, 4of 5 loot geeilivut en een half loot mul, dat niet febaa- den kan al is die var* de flegtfie zoort, dit te zaamen in de ketel gedaan zijnde, en braaf heet geworden, zo doet er hetgeen gij te verwen-hebt bij, draait het braaf ovfcr den haspel, en zulks gednUrende den tijd van Één klein half uur. Om Celadin ef zeegroen-koleür te Verwen.
Het Water in. de Verwketel beginnende warm te wor- den, zo hebt in gereedheid tot ieder pond goed dat gij wik Verwen, 2 loot fpunschgroen dat ter degen is fijn geftooten, en in een zakje gedaan , fpoelt dan het zakje daar'tjpMnjcAgfösreinis zoo lange" door het heete water in de Ketel, tot dat bet geheel ledig is; als dan de Ketel braaf doorgeroert, en het Laaken er zo lang in gehas- pelt , tot dat naa uw gedagten een goede koleur heeft. "< Dfg is het Staal waar naa gij vërwt zo volverwig«, dat uw dunkt 2 lood opeen pond niette kunnen voldoen, als dan mag rhen er wel drie, jaa zelfs tot vier loot öp een pond neemen. Céladon op ten andere wijze. *
Blaauwt eerst't geen gij deeze koteur wilt geeven zó hgt als 't iets doenlijk is, echter zodanig dat het door en door daar bij helder en fchoon geblaauwt is ; als dan door zeer goede wouwe gedraait, -zal men vaster en beter Céladon bekoomen, als het boven befchree- ?ene, - - ' . -_ tu Om Jchoon paarel-hteur te Verwen.
Neemt tot ieder pond goed dat gij wilt Verwen, een |
||||||||||||||
|
°«t vierendeels pond smrte s«?p,fr&akt hier vas met heet- móet eerst hemelsbjaaow geblaâuWt ïtjti 'k %Ö datt eVeu * '
|
||||||||||||||
|
»* '■■' Na
|
m
|
|||||||||||||
|
*
|
||||||||||||||
|
. VER,
|
||||||||
|
88«! VER.
|
||||||||
|
gelijk a\s carmofijn dat voor de twe edemaal in den Ketel
kootnt, behandelt worden. Om het violet te heb- ben, zo moet het alvoorens hoog koorenblaauw ge» terwt zijn. ..; Om Carmofijn-purper te Verwen dat niet
!,,,,,, geblaauwt word. Verwt uw goed eerst roofekoleurig, namentlijk per
pond met een loot conchenilje; kookt daarna op elke pond, 4 loot.goed brafilisn-hout, in een zakje gedaan zijnde in uw ketel, en wanneer dit er een groot half uur in gekookt heeft, zo fpoelt het zakje braaf met koud wa- ter door, en draait uw Laaken daar omtrent een halfuur in over den haspel, waar na het uit den Ketel moet wor- den genoomen, en een loog van potasch die men in ge- reedheid moet hebben in den Ketel gedaan, voorts hec Laaken daar zolange in over den haspel gedraait, tot dat het donker genoeg na uw zin is. ' ■' Om Linnen-gaaren fchoon rood te Verwen.
Smelt voor ieder pond Gaaren 8 lood aluin in heet wa- ter, en giet het in een bak of tobbe die groot genoeg is, dat er bet gaaren met gemak onder water in kan leggen, roer het aluin water in die bak dan ter degen onder mal- kander , leg er het Gaaren dat gij wilt rood verwen in, laat het er 24 uur in leggen, wringt het dan uit, en hangt fe$t op (lokken om tedroogen; terwijl het zei ve droogt, zo doet in de Ketel voor elke pond Gaaren, een half pond van het beste rood brafilienhout, laat dat daar.een uur in koeken, en ,giet het dan door een zeef of teenen mande in tien vat of tobbe; doet het hout dajt in de zeef of mande te rug blijft, weer in de Ketel, giet er, fchoon water op, laat het een, half uur kooken, en giet dit even als het eerde afkookzei dooreen zeef ofmande, niet bij-het voor- gaande maar in een apart vatoftobbe, en fpoel het hout dan in de mand of zeef leggende, met koud water door, *' 't. welk men mede in de tobbe daar het tweede af kook- zeïinis, laat loopen; wanneer dit Iaatfte afkookzei nu Hiaar tot ruim bloedwarmte toe is verkoelt, zo legt daar de veraluinde gaarens die gedroogt zijn in, roer die ge-: duurende een goed kwartier daar ter degen in om, en laat ze er daar na nog een paar uur in leggen, zorgdraa- gende dezelve van kwartier tot kwartier omtekeeren, . als dan uitgewrongen en op Slokken gehangen om te droo- gen; onderwijlen dat die Gaaren droogt, zo ftookt in een pàt een gedeelte - van het eerfte en fterkfte uitgekookte roode. vogt van 't.6ffl/ïiïen/;o«4kookendeheet,intusfchen. moet men 10 a 12 beste witte galnooten die fijn geftootcn zijn, in een Scbepbekken doen, en daar van het kooken« de roode vogt uit de pot opgieten, het zelve met een ftok ter deegen omroeren, het dikke tijd geeven om na déri grond te zinken, en als dan het dunne, in het eerfte afgetrokkene rood vogt gieten, dit ter deegen omge- loerc en iets. meer.als- Moedwarm geftookt zijnde, zal men zien dat dit vogt van hoog bruin-rood in fchoon ko- raatrood zal veranderen, doet hier dan het Gaaren. in-, en* .roert het- er geduurende een (lijf half uur geftadig in door, laat bet er voorts nog een paar uur in leggen zon- der, ommeren, dog het zelve van kwartier tot kwartier omkeerende-, waar- naa men het uitwringt, op Mokken hangt om"te"droógen, het zelve van tijd tot tijd uitftrek- kende en fchuddende, en droog zijnde hetzelve glad ge» maakt; deeze behandeling naauwkeuxig- volgende, kan- »finveizekert zijn dat het Gaaren eenuitermaaten fchoo- se en duuiiaame roode koleur aal hebben aangenoo- |
Om Linnengaaren violet te verwen, -rr: ,: "i
Aluint uw gaaren even gelijk als tot rood ». en kookt dan op elke pond, 6 loot blaauwhout en 2 loot.raotf. hout, gaat er voorts op dezelfde wijze mede tewerk, als hier boven om het gaaren rood te verwen, gezegt is.;-..:: ■ !. ■;**;■ ';':■■■■ ■■■■>;■ ib -K ; ;&? nélT* e'-ï Om Linnen-gaaren een frmije aschgraau- -.;-■ "■,
we koleur te geeven. Zonder het Gaaren alvoorens te aluinen, zo neemt tot elke pond een half loot blaauwhout,, behandelt het als vooren, en het zal fraaij aschgraauw worden. sfi»: Om Linnengaaren fchoon groen te verwen.
Blaauwt eerst het Gaaren, licht of donker naar maate gij de groene koleur begeert, aluint het vervolgens met 8 loot aluin op ieder pond Gaaren, en gebruikt dan op de voorfchreeven wijze tot elke pond, agt loot geelhout van de beste en zuiverfte zoort. ■> Wil men het Gaa- ren geel hebben, zo- is het eenigfte onderfcheid in de hebandeling, dat men het te vooren niet blaauwt. 1 Om Zijde of Linnen fchoon oranje te Verwen. .
Neemt tot elke pond Zijde of Linnen, 8 loot beste or- leane, doet dit in een groote vijzel of fteenen mortier, en giet er zo veel kookend water op, dat gij ruimte ge- noeg over hebt om't er ter deegen fijn in te ftooten en te wrijven, giet dit dan in een ketel vol water, en voegt bij ieder loot orleane een loot potasch,. laat dit tezaamen. een goed kwartier kooken, als dan van't vuur genoomen en tot bloedwarmte toe laaten bekoelen, waarnaa men er de zijde of't linnen indoet, het zelve tot zoo lange daar in omroerende, tot dac het naar uw begeerte hoog ge- noeg van koleur is; met er een weinig aluin bijtevoe- gen, zal zulks de koleur buitengemeen ophelderen en verhoogen. . > ,-..'.. -.-.:■: -- ?j -, VERWERS.BREM, zie BREM. (AKKER-) ■ ,-' ...
VERWERS-ROOD, zie MEEKRAP* , VERWISSELENDE REGT VAARDIGHEID, zie REGTVAARDIGHEID. VERWISSELING, zie IMMüTATIO. 1 -'s VERWMIJT, zie MIJTEN «. XX. pag. 3230^ : VERWONDERING, is de fterkfte indruk die een on-, verwagt voorval op de ziel kan te weegebrengen ofver- oorzaaken----Volgens den aart waar uit de Verwondering
voovtfpruit, gaat die vèrzelt van vreugde, vrees, ach-
ting, wanhoop enz, -, / Verwringing, zie ledenverstuiking.
VERWIJDERAAR, in het latijn Dilatorium; is een
werktuig't welk in zommtge handgreepen der Heelkun- de gebruikt word,, om daar wonden mede te verwijde- ren, zo als bij voorbeeld in. het Steenfnijden boven bet Os pubis. VERZADIGEND, word van zodanige Spijzen ge»
zegt, waar van men niet veel teffens kan eeten ; het zij dat dezelve fpoedig de fmaak verftompen, ofwel de maag te veel bezwaaren, ofwel die te fchielijk vullen zonder "die te bezwaaren, of eindelijk, dat dezelve zeer voedzaam zijnde, de eetlust met een.kleine hoeveelheid te vreden, fielt en voldoet. VERZAMELING, Receuil, betekend onder de Gei
leerden, een register of beredeneerde Collectie, van alle zodanige zaaken die opmerkenswaardig zijnde-, door iemand in 't ftudeeren^of beoeffenen van Wetenfchap- pen. zijn aangetekend. en. die in. een zodanige order zijn |
|||||||
|
VER. VES. VES.1VET. 386S
|
|||||||||||
|
VESELAGTIE PLANTEN, zie PLANT, III. ».
I. pag.:%i%7, ■.-
; VESELIGE KRAB,, zie KRABBEN, n. XXXIII.
pag. 1623. I VESELWORTEL, zieB.ADieULA.-j- ; ,'2 '
■VÉSICA, zie BLAAS.-. ; , .,
VESICATORIA, zie BLAARPLEISTERS.
:, VESIGATORIUS» is ingevolge derzelver hoedaanig-
heid, de latijnfche naam van de Spaanfche-Vlieg, zie de befchrijving daar van op MEIJ-TORREN. n. III. pag. :2io3. - , /, :. fi - . :., Z ;. , l;.o! !, VESPERTILIO, zie, VLEDERMUIS. 1 VET, in,'t latijn Pinguedo; iseenwitagtige, fmeerig».
en gevoellooze zelfftandigheid .wordende in zeer dunna buisjes .(blaasjes, zakjes en, celletjes bewaart, die even als een weefzel, 't welk het eene 't andere influit, door de- punten der Smeer-Slag-aderen, Arter'vs adipofce ge- maakt zijn, waarom, men het ook Vetrok, contenus cel- lulofm, of tunica celluhfa, noemt. - I; Dat er, bijzondere Vet-buisjes zijn, heeft Malmg-
hius gefield, en zulks om dat bij voorgaf die zeer dui* delijk in het. Darmnet van Kikvorfchen gezien te heb- ben; dog deeze Buisjes, zjjn eerder de zijdelijke takken der flagadertjes, uit welke?de-wette zelfftandigheid van den chijl en't weij gevoerd word naar delobbetjes en cel- letjes in het vlies, 't welk de bafis van het bevatte Vet'xs« II. De Celletjes of Zakjes, die het Vet in zich bevat-
ten zijn trosgewijze onder malkander zamengebond'en, en worden zigtbaar in ligbaamen door magerheid uitge- teerd, of wel koomen te voorfchijn, wanneer het Vet iPikookend water gefmolten is. i , \%{ ; , t p , Het lSide;moeite.wel waardig om hier bij aahteteke-,
nen, dat niet alleen in ligbaamen door magerheid uitge- teerd , maar zomwijlen ook in Melancholici geen het min- fle overblijfzel van Pet in het lighaam gevonden word. ~ Des zegt de Hr.Frid.Hoffman (in Op. omn.Supplem. fecund. Part. 3. pag. ■i.y.hebbe ik drie Melancholici ont- leed , en wel de eerfte die zich zelven in eene melancho- lifchejjlhoofdigheid had"verhangen-, deeze fchoon fterk van lighaam, was.geheel en al van,Vet ontbloot. -De andere was een Student, welkeaan de Kinderpokjes ftierf, zijnde-van een melancholifche gefteltheid; na de ontle- djng, vond ik niet,het, mm&eVetbij hein. - De derde perfoon was eene Vrouw , die uit melancholie rotten* kruid ingenomen had; zij was geopent zijnde,, van bin- nen geheel zonder Vet. Men moet evenwel'ook toe- ftemmeft,; dat niet altoos -allen.die aan eene- teering, ta- bès of phtifis fterven, van' Vet beroofd zijn , maai- dat het zelve zomtijds in eene vrij groote menigte bij,_hun»- ne ontleding, gevonden word. . . III. Die eene brandende koorts hebben, word het Vet
dikwils zeer fchielijk van verteert, het welk. mede in een uitteerende koorts gebeurt. ■ Het Vet fmelt door eene al te groote hitte, word in-
de aderlijke vaten ontvangen, en waasfemt vooreen ge-' deelte door het zweet weg, een gedeelte word men met de pis kwijt; om welke rede de Teeringagtigen hun wa- ter zondereeniggeiuidafflaan, evenals ten aanzien van de oliën.gebeurt» zodanige pis die door koortzigen wordl ontlast, heefteen zeker vlies van verfcheidene koleuren boven op drijven, welke zich ook hegt aan de zijde,van het urinaal. % , ■.. IV. Gemeenlijk word er eene groote menigte TeS-g«).
vonden onsrent deNieren, 'tNet.'tDarmfcheil,'tHart,, de B-orften en omtrent de Klieren,, en wel in die buiten« Na ß&
|
|||||||||||
|
ccfchikt dat onder een groot aantal tijfels en onderwer-
pen van allérleie zooït,■ men gemakkelijk en als met een opflag van oog kan vinden *t geen men zoekt, om er bij gelegenheid gebruik van te maaken. j .;;[ .Zodanige Verzamelingen zijn van groot nut, menkan
die aanmerken als eenzoortvan magazijn , alwaar de beste en fchoonfte plaatzen uit de Schrijvers te bewaaren ge- legt worden, om ze altoos tot het gebruik bij der-hand te hebben. - om die zaamenteftellen te fchikken. De geagtfte en die bij de Geleerden het meest.gebezigt word, is die van de Hr. Locke, welke hij goed vond in een gedruk- ten Brief aan de Hr. Toijnard algemeen1. te maaken, daar toe zo wel door de fterke en aanhoudende verzoe- ken zijner goede Vrienden, die^ erdeinattigheid van had- den ondervonden bepaald zijnde, als door bet groote voordeel dat er hem zelven van was gebleken, in eene ervaarenheid van meer dan twintig jaaren. VERZAGTENDE GENEESMIDDELEN , -zie
EMOLLIENTIA*. ! |
|||||||||||
|
MIDDELEN ,| zie; OBVOL
STOOVING, zie FO.MEN- |
|||||||||||
|
VERZAGTEN DE
VENT1Ä.; ■ VERZAGTENDE
|
|||||||||||
|
TUM. .,v
VERZAGTENDE TREKPLEISTER, zie PLEI-
STER. '..:''; ■- '. . VERZILVERDE HULST, zie HULST. ». 3.
ne.-. 1169.tr . . ; .; {■ .,. - ; VERZILVERD OLIJPHANTJEizie OLIJPHÄN-
TJES. m L1X. pag. 2361. ;. y. VERZILVEREN, zie ZILVER..
VERZOETEN, zie EDULCORATIO.. ■;. :
VERZWAKT-GEZIGT , zie OOGVERDUISTE-
RING. ■;■;■ -: *', j VERZWEERING, Verettering, in 't latijn Exuke*
ratio, valt doorgaans aan de zagte of weeke deelen des lighaams voor; .en pntftaat uk hoofde van eene in-- vreetendefcherpeftoffe; is groot of klein; breed of fmal, naauwof wijd.,ZieETTER, ETTERGEZWEL, enz-. : VESEL, in 't latijn Fibra ; is éen deeltje des lighaams,
dat final, dun, daar> bij,langagtig.als een draad is, waar door de andere deelen aan malkanderen verbonden , en de bew.eegingen veroorzaakt woeden.,.■■ Uitzo- danige Vefelen, worden genoegzaam alle de deelen der Dierlijke ligbaamen zarnengefteld.. Na dat nu deeze draadjes op verfcheidene wijze te zaamkoomen en-zich vereenigen ; pntftaat er ook een verfcheiden wezen; want 't eene deel is vleeschagtigj 't andere haairagtig, en een ander wederom peesagtig; zommige Vefelen leg- gen regt, anderen krom of gebogen. -.Ook,heeft men er rigides, ßroeve of Imrde, gelijk de been-Vefelen, naat maate van den ouderdom der Menfchen of andere Die- ren, als mede weeke ei) zwakke, of flappe ; en naar njaate van de vorming of beelding der deelen,' vind men er regte;, foheev.e, cirkelvormige, flangswijze en an- deren. Derzelver vermogen, als ze welaan een, ver- bonden , en door goed zenuwfap aangevuld zijn, maakt as tonus vitalis, of ievenskragt uit..-* De Vefelen zijn ook tot uitdijing bekwaam, zo dat ze door den groeij des lighàams allengs haare beboottijke langte bekoomen, want de natuur van 's Menfchen en aile andere Dieren, wasdom , beftaat voornamelijk in verlenging en verwij- dering deezer Vefeldraaden..- Ook moet de oorzaak, *an veele ziektens in de Vefelen gez'ogt worden. VESELAGTIG» zie FIBRATUS
|
|||||||||||
|
fte VlleCén, -die deëze deelen geWoóli zijnie omrin-
gen Dog op het Voorhoofd , Oogleden , Lippen," op de Penh, hét ScrotüM en'de öo'rah, wórd geen F« gevonden. E'öi Het Vet dat.birinëri&èt lighaamge vonden #ord, word
doorgaans Smeer Çadeps) genoemt, en is iets zaïijenge» pakter eu vaster vàh zelfftândighejd. îWi Integendeel is bet "Vet dat men uitwendig aan het lighaam; vullende 4e tüsfehenwijdténs der Spieren vind, van een dunner en aieér zwavelàgtigeh aart, om welkeredefl het ook gee» 1er van koleur is dan Smeer. Aan de uiteffté lede-, maateu als Vingeren, Têenën , enz. zit geen Vet, ook äöudehdt zelve daarvan geen gebruifczijn, én de kou- de, die deeze 'deelen meërer dan dè andereaanraakt, ichijnt de uitvloeijtng Van het Têt buiten de pooren der Slagadertjes te verhinderen. V. Omtrent deri Navel, Billen en dé Dijen^' word
gemeenlijk eene groote nieenigte Vet gevonden, dewijl de Spieren aldaar zeer groot zijn »welker luslèhenruirh- tens meestal door hét Vet opgevuld worden, op dat Het Lighaam overal glad en effen gemaakt wördë-----Ooij
brengt het menigvuldige fstop deBillen zeer veel toej
om gemakkelijk te kunnen zitten. VL Ook vei'fehilt het Vet 'm hoeveelheid, näarmaate
van het temperament, de Sexe, ei dé gefteitheid van het Lighaam, ' ■ Hier uit volgt tlus, dat die voos én fpöngieus vleesch
hebben, veel meerhef uit het voedzel trekken, dan dié vaneen drooge gefteitheid zijn. < Vervolgens-brengen dfe Êloedrijken en deSanguineo-phlegmatici, insgelijks de Sanguinep-melancholici eene grooter menigte Vet Voort, erf behouden dit ook langer bij hen, -dàfi de Cholerici en Melancholici.»-**< Ook hebben de Vrouwen door- gaans meer Vet dan de Mannen ; want de àankleeving van het Vet eischt èene tràég'e voortgang van bloed en eertë gematigde hitte, welke in blöediijke VröuWen, en die van 'eene fponsag*tige g'éfteldheid zijri, waafge- nöömen worden. VIL Dé ftoffe waar uit het Vet voortkomt, is'geen
blóéd, maar veel eer de vette en böteragtige zelfstan- digheid vanden Chijl zelve, Wanneer wij dus begeeren, dat Dieren, bij voörbéeld-
Varkens, Kapoenen, enz-, -fobielijk zullen i>et wórden, dan moet men die op plaatzen fluiten, daar zij zich niet kunnen beweegeiij vervolgens heri mét zodanig voedzel mesten <, het welk een nieenigte Vet Verfehaft , als bij voorbeeld, meel of koorn, garst^ rogge, tarw.boo- nen, erwten, alles wel gemaalen en ter degen met wa- rer bbflaâgen, ook is melk hier buitengemeen dienftig toe; insgelijks het drinken van warm watet, dewijl hier dóór 'niét alleen de vette en oüëagrige zelfftahdigheid beter uit-het voedzel getrokken, maar ook de openingen, waar naa toe het voedend ßp gebragt moet worden, door hét gantfche lighaam heen béter geopent, en uitgebreid worden. ■ dat de Egijpti'fche Vrouwen-, buitengemeen Vet wór den, mét menigvuldig gebruik van dé Baden te maa- kèh, altoos Spijzen van eene gemakkelijke kooking té nuttigen^ én tusfehen beiden warm water te arinken. VIII. Wat het gebraik vaii 't Vet betreft, zulks
vër'ftrétó tot voeding van 't Lighaam, i biet om is hét, dat vette Menfchen langer de honger kunnert weder» ftaahi dan wel maagere. - Dit kan men zeer gemaküjk bevatten, wanneerrnen inaanmerkihgneemt,
«lat ■ ïHe'ib&ar Vet of'olie met eenig waieragtig vogt ter |
||||||
|
degen vermengt, eenë Mèlkdrankühtevm, van welkem
aart insgelijks de ehijl of het <votóend-fup iss:dat zich door kooking in de Maag, van de fpijzenafklenst, ." IX. Het Vet tempert de èsMigefcherphêidder vogten*;
offl welke- reden- meri zeldzaam zal zien dat Menfchen door fcheiirbuik gekwelt, Vetmllen zijn.-, zijn alle zodanige ziektens welke uit ziltigheid der vogten voortfpruiten , altoos van eene ergeren aars en uitwerking, in maagere dan in vette Menfchen. Éen ieder die niet volkomen in de natuurlijke hiftorie
ohbedreèvén is, Weet, dat de Zouten met veelerleije zoörteh van angels en punten zijn voorzien, waar mede zij de vaste deelen afknaagen.en fchaaven. Ook is het bewéezen, dat deeze angels en punten derzouteni door geen bekwaamer middel worden verftompt én van derzel* ver béfchaadigende hoedaanigheid beroofd, dan wanneer dié metvettighedeh ëri olién worden vermengt, die als 't waare met haare flijmerige en takkige beldeedzels dee- ze angels en punten omvatten,- endaar door al derzel- ver fchaadelijke hoedaanigheid beneemên. * Dus is het, dat'de 'vergiftigende kragt der Céufika ofknaagende din* gen, niet veiliger en beter kunnen 't ondergebragt Wor-,' déri, dan door het menigvuldig gebruik van vettighe- den. Waaruit blijkt, dat de fterkwerkende zoute hóe-' danigheden, geenzints zoo nadeelig zijn am"Vette als wel aan maagere wezens , die van alle Vet ontbloot zijn. * Hier uit kan men ook befluiteny dat maagere Men- fchen, veel meer dan vétti, aan jicht en zinkins-pijnén als mede aan ongeregelde buikloopen, ondérhèvig'zijn. - X. Het afbrengt veel toe tot de fchoohheid van het
Aangezigt en den Hals, om rede dat het de tusfehen- ruimtens der Spieren opvult. Hier oin is het, dat wéhheer het zelve is weggeteerd, bet vel zaarnentrekt, en er rimpels te voorfchijn kqomen, zo als men door« gaans bij öudë Menfchen ontwaar word. ( dok is het Vet van veel dienst om de buigzaamheid
der ledémaaten te bevorderen, die anderzints zeer ligt zouden vërftijven en droog worden. Dus maakt het Vet, de harde, beenige, kraakbeenige en vliefige dee- len, zagtjes en glibberig, en daar door bekwaamer om hunne bewëègingen te volbrengen ; om dit te volbrengen druipt volgens het al wifze beftuur van den Grooten Maa- kér aller dingen,-bij allé gewrichtenen geledingenj een vet flijmerig vogt uit dezogenaamdeSlijmklierèn, wel- kers eerfte ontdekking men aan den Engelfchen Genees» heer*Cr.opTON Havers is verfchuldigt. XII. Nu zijn Wij 'gevordert tot de Ziektekundige ie-'
fchouwihg van het Vet; en voor eerst brengt het zelve ongemak toe, wanneer het al te overtollig is; want al- te overbodige Vetheid, maakt hét Lighaam uitwendig niet alleen onaanzienlijk en wanfehaapen, maar beneemt aan hët zelve ook de bekwaamheid, om dé noodige bewee- gingen aan het ligbaam dien (lig te kunnen volbrengen, in/ zondèrheid de zodaanigen die tot de vaardigheid van be- weegingèn flerkte van 't lighaam, onvermijdelijk vereischt worden. ■■ ' ■ ■ ' | 2. Ten tweeden, veroorzaakt het overtollige Veteene
benaauwde en moeijelijke ademhaaling, om welke oor- zaak zwaarlijvige Menfchen dikwils benauwd van Borst zijri, en wanneer zij het lighaam fterk beweegen, het zij door opklimmen van trappen als anderzints , hun dé adem als benoomön word, dewijl als dan het Vet de Spieren belet om naa behooren te kunnen verwij-, deren. 3. Ten dtri.n, fterven volgens opmerkiig van Hippö>
caA-
|
||||||
|
dftfpHiïv
|
|||||||||
|
¥EIt.
■CRftTps SiVl.II. jtäporis. 4i^vettgMetikben{ch[eliiker,
herftellen bezwaarlijker van eeneziekte, en zijn veelvul- diger daar aan onderhevig als de magere, vermits de dppr>- waasfeming bij hun moeijelijker is. Ligtelijk vervallen buitengemeen Vette Meufchen tof
apoflhemata, benaauwde Borst, Steen in de Nieren, waf terzugt, zugtige gezwellen derbeenen, enz.; en Vette Vrouwen krijgen daar bij ongemakken aan de Baarrnoe der om' dat er omtrent de Trompet van Fattopjus eene al te groote menigte Vet is, dit Vet de vaten drukt,, tor zonderheid de kleine, waar door de vrije omloop van het bloed, en vogtenword verhindert, en de doorwaasfe- niing moeijelijker voortgaat, waar van bederf in het bloed en vogten, en eene zeer vrugtbaareftoffe voor haränekkigeziektens (marbichronicï)opleeveren. Ook leert de ondervinding, dat FeMe Menfchen veelzeld- zaamer oud worden dan magere, zulks fpniit. ten,deele voort, om dat er een groot er menigte van uitwerp»vui' Ugheden (fordes exrementitia) in hunne lighaamen is,. en ten deele om dat de omloop yan het bloed, door wel- kers behulp de ziektens gezuiverd en overwonnen moe- ten worden, in die lighaamen zeer belemmert en moei. jelijk gebeurt, gere lieden toe, diegemeenlijk wijder Vaten dan de Vet' te hebben. ■.■... XIII. Eene al te groote Vetkeidmaakt bij de Vrpuwen
eene mindere ontlastingdermaandelijkfcbezuiveringen, en zijn zij zoogende, word er minder melk afgefcheiden.-r Dit word voornaamelijk veroorzaakt .door de kleinheid der Vaten en der.affchei-buisjes.;,ook houden de Maand- ftonden, het geen aanmerkelijk is, eerderin Vette dan in maagere op.. \ ..>-, XiV. Al te groote 'Vetheid maakt de Vrouwen inzon-
derheid onvrugtbaar, om deezerreden,, dud.enflßdagti' ge waasfem niet door de trompetten yan,FuHopiuS,-volgens hetalgemeen gevoelen, mar het Vrouwelijk EjjernetizQ deezeüeelen met Vet bezet zijn, gaan Kan. ►Vervol« gens, om dat ook in vette Vrouwen, de Vateniveejüjei- ner dan gewoonlijk zijn, waarom er geen voiftaande me- nigte bloed om het Eij te bevrugten endeVrugttevoe-- den, aangevoerd word, en dus:kan er noodwendiggeene 'bevrugting gebeuren. ' * VET-ÄDEREN, zie SMEERADEREN.. >:.,/,
VETAGTIG, zie GLEAGITROSUS*m .. ..
VETHEIP, zie CQRPüLENTIA'. .
VET-LEDER, zie LEDER.
VET-VLIES, zie ADIPOSA TUNICA»
VEULEN, zie PAARDEN. S
VEZEL, zie VESEL. -.
VIBACÜM, zieREINVAL.
.VICIA SESAM ACEA APULA V zie ASTRÄGA. LUS n. VI. pag. 115. rt'ji V1CTORIE-WORTEL, zie DAS LOOK.
VICTORIOLA zie MUISRDOORN. i
VIERBLADIG, zie QUADRIFOLIUS.
V ERDEDAAGSCHK KOORTS, zie KOORTS.
ttniElD00RN]GE SPINNEKOP, zie SPINNE. KOPPEN, n XLV.pag.U79. y ERHÖEKJG, zieQUADRILATERUS.
ttâlS.HOORNIGE KNORHAAN, zie KNOR-
HAANEN, «.ij. pag. I53,., V ERKANT, zieQUADRAAT. -
VERKANTE ALLEES, zie LAAN. ^.'ERKANTIGE PRISMA, zie PRISMA ; VJERKAPZELIGi zie QUADR1CAPSULARIS. |
|||||||||
|
w*m
|
|||||||||
|
Vm&hOWIG, zie QüADaiLöBüS; ! 'O
VIERSCHILLIG, zie QÜADRIVALVIS. VIERSTUFIGE .SPINNEKOP, zieSPINNEKOP-
PJSNn. XXVIII.p^. 347S-
VIERSTREEPIGE SPINNEKOP, zie SPINNS*
KOPPEN. n.KUhpßg. 3475- - VIERTANDIGJEBilE.zieHONINGBIJE, n. XXII.
pag. 1120. .. .. ... ,.-, - ..,:'/ VIERVAKHG* zie QUADRILOCULARIS.
,: VIERVINGERIGE MIERENEETER, zie MIE- RENEETÉRS,n. UI. pag. 2118. VIERVLAKKI.GE ROOF-TOR, zie ROOFTOR-
REN, n. XXX, pag. 3098. ... VIERVLAKKIG MESï'REVERTJE, zie MEST-
KEVERTJES, n. IV. pag. 2089. VIERVOETIGE DIEREN, in het latijn, Quadrupè-
des. De Dieren welke men doorgaans onder deezea naam bevat, brengen derzèlver Jongen levendig ter wee« relt, zijn met haair of-wol bedekt, en hebbeneenige overeenkomst niet den Mensen, dewijl zij zoo wel ais deezen bloed hebben, door de Longen ademen, twee holligheden in het hart hebben, en hunne Jongen zoogen. Zij gaan op vier Voetenv die of genagelt of geboeft zijn, en met de Handen en Voeten derMenfchenover- eeakoo.roen, -*~ In navolging van Akistotei.es, verdeelt men deeze Dieren 1. in Eenklaauwige; z.i in die welke ge/p 'leete Voeten hebben; en 3, dezodanige die met vingers aan de Voeten zijn voorzien. ' . r, Eenklaauwige, (ßolipeda aut Soliungula) noemt mendie geenen; welke maar eenen Nagel of Hoef aan de Voeten hebben, en hier toe behoort hetPaard, denEzel, -en Zebra. ■ . ; . 2. Bieren mei gevorkte Voeten, (Bifuka,) deezen heb-
benden Hoefin tweën verdeelt of gefpleeten; zoo als het Schaap, de Geil, den Os, het Hart,' enz. 3; DiereA met Vingers aan de Voeten , (Digitata,")
;yar^endus,gen0ettid,-.om dat derzèlver Voetenin ver- fcheidene Vingeren zijn gefpleeten ; onder deezen telt menden Leeuw, den Vos, den Hond, den Haas, enz. ■ . Zpromige;Natuurkundigen voegen nogbijdeeze Ver- deelingen, die der Viervoetige Dieren welkers Voeten in drieën zijn gedeelt, Trifukes, behoorende hier toe den Rhinocéros ; ook de zodanigen wiens Voeten in vier dee. Jen gedeejt zijn, QuMrifulces, zijnde een van deezen het. Nijlpaard of Hippopotamus i.of die. de Vaten in vijf deelengefcheiden hebben,PetXifulcesgelijk den Olijpharit. Dog wanneer men de zaak van nabij befchouwt, zijn deeze Dieren niet^^ anders dan Bifukes en Quadri/ukêt; neemt bij voorbeeld het Vai ken het geen als onder de Qua- drifukes behoorende word aangemerkt, dit leunt innet; voortgaan enkel op twee nagelen. Men geeft de naam vznGehoevde, (ungulata) aan zoda-
nige Viervoetige Dieren, wier Vingeren of uiteinden« der Voeten met een zoon van hoorn bedekt of omringt zijn; deeze ftoffe is hard, heeft de zelfftandigheid van hoorn en is hol; zij bedekt en bevat de uiteinden« der Vinge- ren,: en het is op haar dat liet Dier ten deele gaat; tot deeze behoorën de Solipedes, Bifukes en de Quadri- fukesi Door Genagelde Dieren (ünguiculata) verftaat men
die geene, wiens Vingeren of uitéindens der Voeten ont- ■bloot en alleenaan het opperfte uiteinde eerstvoortkoo- mende Nagelen hebben, die dikwils fmal, 'fpits, ge- kromt en met haairen bezetzi.in, inzonderheidaandeon- i«r/ijde, en zomiijd breed eveBeen*alïdie4er Aapep zijn.. |
|||||||||
|
&S& VUßiflL. VIN.
Ook kunnen de Viervoetig?Eieren-irfHerkaauwénde
en niet H'erkaauvrenäe.ondetfcbeideri wórden; bebporen- de ojiderjhet getal der -eër-ftenj de ösfen;,:Schaapen, Gei- ten, Harten enz., en onder dat van de làatften, de Var- kens, Paarden, enz. 'A :.'. .,..i ».- >.>..-..: ■■.*■..-.: Wat nu de verdeeling in Clasfen enz. dei'Fiervoeti-
ge Dieren betreft, als mede debefchrijvingvan derzel- ver aart, huishouding, levenswijze, en een »aantal an- dere bijzonderheden' meer, #iizen wïj onze Léezers om BerhaalingeW te vermijden,naa RIJK DER DIEREN en de naam van ieder Dier in't bijzonder.. !..".-'. . VIES-VISCH, zie KARPERS n. XlU.pag.Hu7- VILTBOOM, is de naam van een Plantengeflagt, 't
-welk in 't latijri die van Tomex -draagt, <en tot kenmer- ken heeft, een Bloem uit vier langwerpige ftompeBlaad- -jes beftaande;, langer dan.de Kelk,'die buisagtig is, en .-eenigermaaten viertandig. »De Meeldraadjes vier . ifi getal j izijnveens zo lang als de Bloemkrans, en heb- ben ovaaleMeelknopjes. ri-*- Het .vrugtbeginzel is rondagtige meteenedraadigenftijl.-zo lang als de Meel- draadjes ; de Stempel uitgerand. :-<.-De Vrugt een Befie. -. -;■- Daar is maar een zoort van dit Geflagt bekend; na-
melijk: De Wollige Filtboom;. Tomex tomentofa ; Ar.bor malabarica: lila diBa.>: Burm; Zeijl.} (Tomex. LiNN. Sijft-Nati) ;aeVJi 5. .1 ;■ .vy.'A riàtsb .-..,- jlsaöi Deezen J3oom die ;veelvul'dig op'Malabaar groeit,.-èn
^aldaar lila word genoemd, vind. men rnede-op Ceilon ; de Indiaânen kàauwen des?ètfs Bast, in- de plâatsivan Betelbladen.-------5-t* Iets zeer zónderlings en moog-
lijk zonder weerga is aan deezen Boom eigenaa'rtig ; een
dikke wolligheid naameüjk als Vilt, bekleedde Tak- ken , Twijgen en Looten, en.des wegen noemt men hem te regt in 't nederduitsch, Filtboom..'^-De Bladen zijn ovaal, van grootte als.de. handpalm,gepaard-, ongëkar- :teid,'-lederagug, rimpelig,.van boven kaai, van onde- ren wollig met aderen -, gefteeld,--***--*».Van de Vrugt : vind men geen befcbrijvïrig;? n{i$ 'i:..:,i;V scaksrfsl . VINCA, zie MAAGDERALM.- r-«l .: mm - VINCETOXICUM, zie ZWALUWE-WORTEL.
. VINGTrüRJE, zie'BANDAGIE. ' >h - -..... 'am, VINGEREN, in 't latijn ■'Digiti...** Dus worden
■ de uitfteekzels van den Hand genoemd* zijnde natuur
lijker wijze tien in. getal,aan ieder-Hand vijf, den Duim daar onder gerekend. ^ De Vingeren ftrekkeh ?ïch uit, . buigen, en wenden zich van de,de eene zijde na de an-
de andere, door middel van 23 Spieren. .;Ook wor- den de Teenen van de Voeten de naam van'Vingeren wel gegeeven. , uitgezondert de Duimen,; die er. maar twee hebben;
waar van het eerfte een Been der Agterhand of des Na voets maakt.' Het eerfte in ieder Finger is dikkec'dan de andere , en het tweede.fterker- dari het derde. De Vingerleden der vier Ffngers: die.op den Duim.vol-
gen, hebben wat hun maakzel betreft,, onder elkander veel.gelijkenis, en verfcbillen alleen.maar-in! grootte.- VINGERHOEDS-KRUID, Pingeràruid ; in 't latijn, Digitalis,-,: is, een Plantengeflagt, dat dtisdaanig is ge- noemd, om dat de Bloem min of meer naar een Fin- igerAoeaKgelijkt.u .',:...<■ . :-.-/:; .,:, . . -.;.(.;
ui■ Renwerken*: -Dß Bladen koomën overhands aan ;de -Takken voort.-.* ,-D.e Kelk,der;Bloem hefiaat uit één
■ Bladv 't w.elkjn zes breede lange verdeélingen önder-
- fchdiden is.-^;DeBloem beftaat uit een Blad, is pijp-
.«gtjg.en plat, en aan den rand een weinig omgekruld. |
||||||
|
vim
>
jen altoos aan eene zijde, van -den Steel. Ôvàriùm der Bloem word een rondagtige Vrugt, die ui een punt eindigt en zich in het midden opent. heeft twee Celletjes, waar in veele kleine Zaadjes zijn befiooten. .... <, -'■Zoorten. Daarzijn verfcheidene zoorten van dit Kruid-
gewas■', waar van de volgenden de voornaanfte zijn, -■■^ Purperkeleurig. Fingerhoeds-Rruid; Digitalis pur* puree./ Dod. Pempt. 168.; Digitalis purpureafolio aspt* ro. Bauh. Pin. 229.; {Digitalis colijcinisfottolis.ovatis acutis, corMis obtufis, labio fuperiore. integro. Likn. Spec.- Plant.) - 2. Finherhoeds-Kruidmet een kleine bleekgeele Bloem ;
Digitalis lutea, minore flore. Morison. Hiß. 2. p. 470. ; Digitalis major lutea vel.palUida , parva flore. C. Bach. Pin. 224. y (Digitalis foliis calicinis fubuhtis, fioribus. imbricatis. Limn. Spec. Plant.}. _ . ■ . ; :3. Fingerhoeds- Rruid met een ijzerkoleurde Bloem,.
■Digitalis angustifôlia, flore ferrugineo. Bauh, Pin, 224.; Digitalis'foliolis calijcinis ovatis obtufis. Rojj.. Lugdb. 292.; Digitalis foliolis calicinis ovatis obtufis, corollis villoiis; labio longisflmo. Buttn. Cunon. .226.; (.Digi- talis calijcinis f'dialis ovatis obtufis, corolla labio inferiore longitudine floris. Linn. Spec. Plafit.) .:;,f.\. | - -4.' Heesierâgtig Vïngerhoèds-Rruid met een goüdko-
leurde Bloem ; Digitalis acanthoides canariehßs frittes* yens,- flore aureo. Commel. Hort. 2. p. 105.; Digitalis hffinis" canarienfis folidaginis acutis foliis leviter pilofis, flore aüreo* Pluknet. Alm. 400.; (Digitalis calijcinis foliolis iânceolatis , corollis. Mlabialis acutis-, cauie frttticoß, Linn. Spec Plant) ' ,-;:-. ,. Plaats. De drie eerste zoorten, 'worden van zelfs groe-
jende gevonden in Italien, Vrankrijk, Hoogduitschland, enz. op- bérgàgtige plaatzen, ■ hefchaduwde bosfchen, onbebouwde heiden. Amerika te huis. : ..-'; ■-. .., . . Riveeking. -<~ ■ De drie zoorten welke in Europa te
huis hoorèh, kunnen alle vermenigvuldigt worden, door derzelver zaad in het voorjaar in een verfche grond te zaaijen.dte niet ftijf is ; en ! wanneer de Planten opkoo- men, moeten ze op Bedden zes duimen van malkander verplant worden, I alwaar tot aan St- Michiei .toe kunnen blijven ftaan,;inagt; hèèmende haar van onkruid fchöon te houden. Als.dan kân men ze midden op groote Ra- batten planten, mengende-de. verfoeide koleuren op geregelde afftaridèh, tusfchen Bloemen van omtrent de- zelfde grootte. In de maand- meïj van.het volgende jaar, brengen ze haare Bloemen voort, die bijna een maand blijven bloeijen ,'indien het weer niette heet en -droog is,'en in augustus wórd: het :zaäd rijp,, 't welk in- dien men het zonder inzaamelen van zelve.n laat ftrooi« jen , de tiiin overvloedig'met:Planiten voorziet. Zel- den duuren deèze -Planten langer dan twee jaareh, "als wanneer ze na haar Zaad rijp gemaakt te hebben, fterven, tehzijmen.zorg draagt de Bloemen aftefnijden, wanneer ze-öp haar fchoonst. zijn, eer ze beginnen te verdor- ren, 't welk dikwils "te wege brengt, dat de wortels weder uitTpruitén', waar door ze inzonderheid de ijzer- koleurde zoort, verfcheidene jaar.ën.kunnen gehouden, en door het fcheuren van haare wortels vermenigvuldigt wordend Het bësf tieren'.deèze Planten in eenemaa- gere, onbemestë, vërfehe grond, en ze kunnen niet veele jaaren in een vette grond gehouden worden, ook zijn haa- reBIwémenxlaar in geplant ftaande, veel kleinder en *an korter duur. De |
||||||
|
vw,v $m
|
|||||||||
|
VIN,
|
|||||||||
|
vamSEB^i aangetekend word-; :,zdu het: niet volkomen de
dubbelde, langte fchijnen ceihèbben. , Heer vond, door naauwkeurige afmeeting,, de langte,! vinide Snoet tot aan het end van de Staart, tiendhalf duim ec tot aan het uiterfte van hetlangfte of derde bij« hangzel een voet, vijf en een vierde duims. 't Schijnt dat, tot nog toe, weinig Voorwerpen van
deeze-zoort in Europa bekend zijn, want de Heer Gro- novius .had bet zijne op de verkqoping van Seba's Ka- binetten-gekogt. Hetzelve.heeft, zo-zijn Ed, meld, den. Kop en't Lijf hoóger dan breed; den Kop niet groot» de Snoet, domp; zeerkleineTandj.es in de Kaaken,. het Gehemelte en de Keel; de Tong glad. De Oogen zijn. middelmaatig, rond, aan de zijden van den Kop, ver van elkander af, digt aan den Bek geplaatst ; de ÏJeus-, gaten groot, en de Kieuwen-Openingen taamelijk,.wijdj de Zijddreep krom, de Buik final en plat. In de voor- de Rugvin heeft bij 7, in de agterile 16 Beentjes ge- teld,, zijnde van deeze laatften het eerde of voorfte, en; de anderen alteöiaal-doornagtig fcherp. De Borstvin-, nen hadden 16 weerlopze offlappe Beentjes, de Buik-, vinnen 6, waar van één; de Âarsvin 30 en daar van twee gedoomd; de Staart die groot, breed en zeer ge- gaffeld, is, 17 van taamelijke langte. De Schubben zijn in dit Vischje niet'zeer groot, wit,
buigzaam en dun, vaniagteren een weiniggetanden der- halven, tuiiw. op 't gevoel; ligt afvallende. De kpv leur is , aan de Zijden en Buik, zilveragtigjop de Rug. roodagtig en die van alle Vinnen wit. ^ Aangaande het gebruik of eigen fchapp.en is niets bekend. - II.' Firginiaâitfche Finger-Fisch ; Polijnemus virgim-- cus; (Polijnemus digitis feptem, cauda intégra. Linn. Sijß. Nat,) Dit voorwerp, waar van deHr. Lirïjjeus de tellingen opgeeft, fchijnt uit Virginie af komftig te zijn. Het heeft in het Kieuwen-Vlies 7 Straalen, gelijk-ook-in de Voorde Rugvin, en 13 in de agterde, waar van een fcherp; in de Borstvinnen ieder 15, inde Buikvinnen 6 en één daar van ; in de Aarsvin 16 en twee gedoomd ; in de S taart vin 15 Straalen. De Kieuwendekzelen zijn zaagswijze getand. De eerde Straal van devoorfteRugvinisdeallerkortde; deStaart* vin breed en fpits. III. ParadijS'Fisch; Polijnemtis paradifeus; (Pqlïjnt-
mus digitis feptem, cauda bifida. Lirn. Sijfi.Nat.) Een Oostindisch-Vischje, geheel oranje- ofgoud-koleur, dat van den vermaarden Édwarbs, in zijn Werk over de Vogelen, om de aartigheid is afoebeeld , word, als eert derde zoort tot dit Geflagt betrokken. Hetzelvevoert bij hem den naam van Mango of Paradijs Fiscb, Des» zelfs langte is, volgens de Afbeelding, die gezegd word in natuurlijke grootte gemaakt te zijn, negen dui- men en de breedte twee duimen. Het is taamelijk rond en dik, zeer fraajj vangeftalte; vast en hard ge- fchubd , met de Staart zeer gevorkt of gegaffeld. Het heeft twee Rugvinnen en een zeerkennelijkezijddreep, die krom loopt, digt aan de Rug. De Vinnen en Staart. zijn donkerer dan het overige des Lighaams. Onder de Kieuwvinnen zijn wederzijds zeven hairagtige Ve- zels , waar van de langfte zestien duimen, de overigen al« lengs verkleinende tot aan de onderde, die maar twee duimen langte heeft. .Ais eengroote bijzonderheid word van Edwards aan-
gemerkt, dat deeze Visch twee Neusgaten heeft aan ie* der zijde van den Kop, dat echter, volgens de afbeelding, maarzeerkleinegaatjes.zijn, tusfehenbet Pogende Snoet. of Bek geplaatst. O' VIN*' |
|||||||||
|
... gevierde %wft jS;Vaneeh tederénaartyeri"mbet?des
winters in het Oranjehuis bewaart worden, 't geen zij ook overwaard is, 'dewijl ,ëene der fchoondé;Bloemen onder de Oranjehuis planten voortbrengt,Dezelve word vermenigvuldigt door het zaad vroegtijdig in de lente in een warme Broeibak te saaijen; en wanneer de Planten opgekoomen zijnde, ßerk genoeg worden bevonden, om te verzetten, moeten ze in potten worden geplant, met verfche ligte, zandigeaarde gevuld, endepottenineeii maatige warme Broeibak gezet worden, ora de wortel- fchieting der Plasten te bevorderen , zorgedraagende baarnat te maaken en tebefchaduwön, tot: dat ze ter de- gen wortel hebben gevat, waar na ze allengskens aan de open lucht moeten gewend worden , -en in den fomer kunuen ze onder andere buitenlandfchegewasfen, in een bedekte plaats aan de lucht blootgefteld worden. ..~ In de winter moeten de potten zodanig in het Oranje- huis geplaatst worden, dat de Planten zo veel vrije lucht genieten als eenigzints doenlijk is, dog ze moeten voor- al tegens de vorst worden befchennt. De fraaije Bloemen van dit gewas, koomen in julij voort,en der» eelver zaad is in augustus rijp. V1NGER-SPIER ; grooteuitfirekkende FingeuSpier ;
Musculus èxtenfor magnus digitorum manus. ■- Deeze Spier neemt zijn begin aan 't agterde deel van den Elleboog, en,eindigt op den rug der Hand inde vier Vingeren,. in derzelver tweede en derde been,. VINGiiR-VlSSGHEN, dusdanig noemt de geleerde
Heer M. Hovttuin in zijne uitneemende Natuurlijke Hiftorie,, die yisfcben, welke door de Heer Grono- vi us in 't grieksch Polijnemus worden get Ijtelt j zijnde dat woord om de onbepaaltheid, door zijn Ed. gebruikt in plaats van Peutanemus, gelijk Artedi de eerlle zôort genoemd had. - De naam is afkomftig van zekere ve- zelagtige of draadvormige bi/hangzeis, bij het onderde gedeelte der" Borstvinnen , welken Linnäus Vingers noemt, in andere Visfchen ongewoon. V.ijfdaar.van waren in. die zoort,, welke Pentanemus genoemd word, in de andere ze ven.'. " " Die Bijhangzels maaken een der voornaamfte kenmer-
ken uit van ditGeflagt; 't welk bovendien het Lijf zamen- gedrukt, overal gefchubd; de Snoet zeer domp en uit- fteekende heeft. In't Kieuwenvlies w-aren vijf of zeven Beentjes geteld. T Voorts is dit Geflagt van dat der Zeeliianen, die ook afgezonderde Vingers nevens de Borst- vinnen hebben, onderfcheiden; zo door de plaatzing der Buikvinnen, als doordien de Vingeren hier niet met Leed- jes of Gewrichten zijn. , ■ . ,: Van deeze-Visfchen tekent Linnus drie zoorten
aan, waar van de twte eerfte uit West-, de laatfteuit Ooftindie af komtlig zijn. De Heer Gronovius had maar de eerfte zoort, die in 't Werk van Seba afgebeeld word, naamelijk. ■ l'_ Vijfvingerige Finger-Fisch ; Polijnemusquinquarius;
rolijnemus oßculis filiformibus utrinque quinquead pinnas peBorales. Gros. Muf. f, ?>. 74. ; (Polijnemusdigitisquin- ?Mä, corpore longioribus. hitiîi.Sijfi. Nat.):- Zeer wei- nigovereenkomst fchijnen mij de gedagte draadswijze Bijhangzels te hebben met. Vingeren; want dezelvep wa- ren , in het voorwerpdatdeHeerGRoNovius befchrijft, geen twaalfde duims dik en de twee middelden eens zo lang als 't Lijf; de bovenden maar weinig korter, de onderde .allerkleinst.. - Indien de langte van den visch maar agt duimen was, en die van 't langde Bijhang-
^'^g^inder dan vijfcieiaduimen,, gelijk in 't Werk . Vfl Déeî* * ' |
|||||||||
|
VIN.
teheeldonker van kolenrjeni heeft daar doei d'en'bijnaam
van droevige gekreegen. tf -. : VIII. Rood-Qag; Fringilla erijthrophthalma; Pasfir
higer, eculis tubris. Catesb. Car. I. p. 34.; (Fmtgilla, nigra, nUim relucens abdomine rufefce'nte, macula ala- rum alba.' Linn. Sijft. Nat.) Zwarte Moschmet roode Oogen had Catesbij deezen genoemd, die in Karolina gevonden werd,,en daarom bij Brisson dennaam voert Van Karolinifche-'Vink. ■ ■■■ zijne Mosfchen geplaatst. - netje is boven zwart, van onderen donker rood, aan 't midden van den Buik wit; dievaii 't Wijfje t'eenemaal bruin, dog ? op de Borst met eenig rood- gemengd'. Dé Slag-en Staartpennen zijn, in berden, zwart, al&ools de Bek; de Pooten bruin. ';■■' ni - r. - Hier op kat Br isson volgen een Kaapfclie-Fink, die
glimmend ©f gitzwart is- van Lijf én Staart, met de Rug, Stuit en Vlerken geel, dé Slagpennen bruin en'geel ge» rand. '->- Een'Senegalfcken, die van boven bruinen geel bont is-,--var» onderen-oranje-geel, met den-Kop . I zwart eri den Hals kaftanie-bruin gekr'aagd; de Staart- pennen olijf koleur. dan onze ; gewome-Vink ; dog een Chineefche, dien hij heeft, is veel kleiner, zéér fraàij met bruin, geef, ros en zwart,'getekend-. 1 -IX. Distelvink; Putter; Carduelis; (Fringilla remi-
gibus antrorfum luteis, extim'a Immaculata re&ricibus dua- bus extimis medio, reiiquisque apice albis. Linn; Faun. Suec 195,.) Zie DIS f EL VINK. ;!; ' i ■ 'i - Xi'Groene'iPûtter; Cardueli affinis viridis. Edw. Av. 128. (Fringilla facie caudaque rubris , abaomine albo ni- groque undato, dorfoviridi. Linn. Sijft. Nat.) __Dee-
z-e word in China gevonden zegt Linnäus, dog Bris-
son betuigd niet te weeten waar hij woone. De Por- tugeezen noemen hém Maracaxao. Hij heeft bijna de grootte van den Europifchen. XI. Geftippeide Vink; Amandavai Alb. Av. III.p.
.72. ,''(Fringilla reUricibus purpureis j medietate poflica a- tris. Linn. Sijft. Nat.) -------- Deezen beeft Brisson
onder de Mosfchen geplaatst en noemt hem geftippeide
Bengali. ~ Anderen hadden hem Indiaansch--Koning- je genoemd, of het gevlaite Vogeltje van Bengale, A- madavad genoemd. ---------'~- Een is er van Jjva in het
Kabinet vanREAUMUR gezonden, zijnde een Mannetje,
't welk vàn boven bruin met donker rood gemengd, van onderen donkerrood was, met röndë witte plekken hier en daar getekend, en de Staartpennen zwart hebbende. Het Wijfie is asehgraauw, behalve de Bek en Staartpen- nen. Klein noemt dit Vogeltje dekleinßeroode Vink, en 't is inderdaad niet grooter dan ons Winterkoning' je. XII. Roodkop; Fringilla gijrola; Pasferviridii, capite
rubra. Edw. Av. 23. ; (Fringilla viridis, capite rubro, col-- larifiavo;pcftore caerulea. Linm'. Sijft. Nat.) ------On- der de Tangara's van Brisson is deeze de dertiende, en dezelve word van hem, groene Tangaru van Peru getij» teld.-------- Zijngrootte is als een Vlasvink, Men vind
hem te Suriname en in Peru.
XIII. RoodemVli?genvanger; Fringilla rubra ; M'uscicapa
rubra. Catepb. Car. l. jpr-^6.; (Fringilla rubra tote.. Li:NN. Sijft. Nat.) ------- Van Brisson word deeze
in zijn Geflagt van VHegenvangers geplaatst, waarin het
de zeven-en-dertigfte is, onder den naam van roeden Karolinifchen: - - - gewoone Mosicheu. Het Wijfje is geheel bruingeel. |
|||||||
|
S8SI VIN.
VINKEN, ts een geflagtnkam van Vogelen, die men
in't latijn Fringilla, en in't fransch Poinçons noemt. De Heer Brisson heeft de meeften van ditGeflagt, zp wel als de eigentlijkefiwfcm onder de Mosfchen, en de overigen onder de Geelgorfen, Putten en Kernbijters,. ja zelfs onder de Tangara's en Vliegenvtmgers betrok» ken. De Kenmerken der Vinken zïjn , bij LinnjEds, al-
leenlijk een kegelvormige, regte, fcherpe Bek. Bris- son onderscheid dé Putters, die van LiivnjeuS tot de Vinken t'buis gebragt zijn , door de dunte en langte van de punt hunnes Beks, van de Mosfchen, Kernbijters- en Geelgorlen. Li NNffius heeft in ditGeflagt een en-twintig zoorten,
in welken, behalve de gewoone Vinken en Putters,'ook' de Kanarijvogels, Sijsjes, Kneuties, Vlasvinken-en Ell» ropifche Mosfchen vervat zijn; gelijk blijken zal.- I. RijsuVink; Fringilla orijzivóra; Horlulamis caro-
linenfis. Catesb-ij Car. i-p. 14.; Emberiza aarolinenßs.' Klein. Av. 92; (Fringillafttsca,.cervkefulva, macula alarum dorfoque postice albis. Liün. Sijft. Nat.) Deeze word de Karolinijche Ortolaan genoemd van Brisson,' die hem onder de Geelgorfen plaatst, gelijk Kleum. 't Is die Rijstvogel of Rijstvinü, waar van gemeld word ,. dat zij in fëptember in Karolina komen, wanneer de rijst op Kuba en de nabij gelegene Eilanden weg is; dog de: Wijfies zijn het alleen,, zegt men, die dit doen; ver- fthillende van de-Mannetjes daar in, dât zij t'eenemaal graauwagtig ziin.. Hun vöedzel beiraat in rijst. Zij hebben de grootte'van een Berg-Vink. II. Gewoom- Vink ; Schildvink ; Fringilla coelèbs ;
(Fringilla artubus nigris, revtigibus., fttrinque albis, tri- bus pritnus imm-iculatis; reïiricibus duabus oblique albis. Linn. Faun. Suec.) Zie SCHILDVINK.. III. Berg-Vink; MontifringUla, feil. Fringilla mon*
lam. JoKST. Av. 90*1 (Fringilla alarum baßfabtusfia- vißma.limi.Fatin.Suec.) Zie BIÏRG»VINK. IV. Sweedfche-Vink; Fringilla lulenfts; (Fringilla fu-
fea, peUore humerisque ruß s, alt s nigris macula-rufa. Linn. Faun. Suec.) Deezen, die door Rüdbeck te Lu- loa in Sweeden is afgetekend, heeft Brisson onder zij- ne Putters gebragt, waar van het de tweede is en den- Zéfven Sweedfche Putter genoemd. In grootte komt hij naagenoeg- met onzen Putter of Distelvink over- een. V. Laplanâfche-Vïnk ; Fringilla lapponica ; Fringilla'
Major. Albï Av. IL p-. 59. ; (Fringilla capiie nigricante tnaculato, macula pone oculos alba. Linn. Faun. Suec.) Deezen wederom, heeft Brisson geplaatst onder zij- Mosfchen,. en Iaat hem volgen op den Vink der Arden* ries, onder den naam van Pinçon de Montagne-, ~ Al» fin had hem ie groots Berg-Vink genoemd, en hij is, inderdaad, nog wat grooter dan die andere. Rüdbeck heeft hem Laplandfche Distelvink genoemd. VI. Bosch-Vink; Fringilla fijhatica; (Fringilla arti-
hus remigifius reBricibusque nigri's, duabus, utrinqueex- timis, a medio extrorfum 'albis. Linn. Faun. Suec ) Dee» ze, die in Sweeden gevonden, en door den naam van ^Bosch-Vink onderfcheiden word, is de verfcheidenheid
' ùer gewoone Finken, met zwarte Staart en Wieken, waar van ik heb gefproken VIL Droevige Vink; Fringilla melancholie a ; E'mVeri»-
aa fusca americana. Edw. >. 85.; (Fringilla grij'en ni- gra puniïata, 'area'a roftro per latera colli atra. Linn. Sijft. Nut.) Deeze die zich in^uid-Amerika. onthoud, |
|||||||
|
/
|
|||||||
|
,?:VIN.'
|
|||||||||
|
VI». 3^9
|
|||||||||
|
jm<$-# -Menivjndtze, <}es foiner^j itvjprolina en Vir-
XIV. Amerikaanfche-Putter; Fringilla tristü,;:Car-
âuelisamericana.-,Catesb. Car.i.p.,,yä.;{F.ringillaflava, fronte nigra alisfuscis. Linn, Süß. Nat.) ^------- Dee- ze zijn woonplaats is in Noord-Amerika. --■ is geheel geel, met het Voorhoofd zwart, de Wieken bruin- w.; ... '
XV. Bahamafche-Vink; Fringilla zena-, Frmgillabâ-
hamenßs. Catesb. Car. t p. 42., (Fringilla capite^nigro-,
fascia alba alarum fupra .infraque ocuhs., peftore fitlvo,. Linn. Sijfi.Nat.) der het geflagt derMosfchen geplaatst, imHij is van grootte als onze Vinken, en komt op't Eiland Ba. hama menigvuldig voor. XVL Braßliaanfche-Vink; Fringilla braßliana; Frin-
gilla coloribus rufo & caerulea , braßlienßs. Edw. Av. 191- j (Fringilla cauda cuneiformi, corpore ruf 'efcente.tem- ponbus uropijgio abdomineque violaceis, roßro rubra Li n n. Sijfi, Nat,.) -----1 De Heer Brisson geeft er, mis-
fchien wegens de koleur, den naam; van Grenadin of
Paffet Granatinus aan. Zodanig een werd,,- in 't jaar 1754, van de Kust van Afrika levendig gebragt aan Ma- dame de Pompadour, bij welke hij vierdhalf jaar ge- leefd heeft. Hij was bijna geheel kastanie bruin.» Die, welke Edwards afbeeld, was. uit Brafilien afkpm- XVII. Indiaónfche - Groenling : Fringilla bïttijracea;
Chloris indiens. Edw. Av. 84. ; (Fringilla wens, juyer- ciliis peüore abdomineque flavis,), iremigibus primofibus margine exteriore albiSi LtNTx,Sijfl. Nat.) is bij Brisson de vijf-en-twintigfte zoort varkzijri Mos'. fchen Geflagt. ------( In grootte overtreft bij den
ifa«ane-.F0ge/eenigzints. -------- Zijn koleur is groen -
agtig, met deWenkbraauwen, Borsten Buik geel, de
Slagpennen vanden éerftenrang aan debuitenkantjwiti beesje genoemd word; zeer; maar de Bek iskleiner, zegt Linn/eus..-, Zijn woonplaats is op. Madera, als ook aan de Kaap en in Oostindie. '■ I <'- XVIII. Kanarie-Vogel; Canaria. Gusn. Av. 240. ;
Paffer canarienfis. Jonst. Av. ; (Fringilla rofiro corpo- reque albicante ; re&ricibus remigibusque virefcentibus, Linn. Faun, Suec. 207.) Zie. KANARSE VOGEL. XIX. Sijsje; Spinits feil, Ligurmus. Aldrov. Om. I.
1,8i e.4; WillJOrn. ïçz^Raïj. Avv.91. ». I.; Atari-' thus avicula. G-esn. Av. I.;.'(FringiU'ßremigibus medio luteis , prirhis I quatuor immacultytis, I reiïricibui bnfi . (la- vis ttpité'-niçris. Linn. Faun. Suec.) ? Zie-SIJSJE, ' 1 XX.' Brandfijs;. Fringilla fiammea ; Littariafcil. Luret-
lanigra.X.LKis.Av..g^.; (Fringillafusca■;, .cristaflam- ma. Linn. Faun. Suec} 201.)---------Dit is het Vogel-:
tje dat men anderzints ook Frijtertje noemt, :zijnde van:
den Heer Brisson als eeneJvijfde verfebéidenhefti der. gewomie Misfihen^opgetekénd. ~-&uj Deszelfë koleurï is bruin, meteen vlammig Kuifje. ■= '- ' . ." ; , n XXl. Kmutje; Fringillaflavirostris ; (Fringillafusca, nstri flavicante. Linn. Faun. Suec. 204.) Dit is de tweede verfcheidenheid der Finken bij Brisson, heb- bende |i een 1 gevorkte Staart. Hij word van de S wee- den Riska, en bij ons Kneutje of Kneu geheten. Des- zelfs koleur is bruin, met eengeelagtigeBek; Wieken en-Pooten zijn zwar«. , - . n■...-.■> ■■ XXII Hennip-Fink; Fringilla canabina; Linaria ru- >
ira majti)r.Wii.iÀ Ortu 191., (Fringilla remigibus prinro- |
|||||||||
|
ribtts'retlricibusqtts nigris, utnqùe tnargine albis, Link.
. Faun. Suec. 209.) r- Vsta Buisson word deeze, in zijn Mo'sfchèu-Geflagt, de groots Vlasvink der Wijngaarden genoemd; de Duitfchers noemen hem Henffling, dat is Hennip-Fogei, en BluuHaffiing, wegens zijne roode of rosfe koleur, die in het Wijfje met bruine vlakken is gefprenkeld, daar het Mannetje den top van 't Hoofd en de Borst rood heeft. De grootte is als die van den gewoonen Flasvink. XXIII. Flas-Fink; Fringilla linaria; Linaria rubra.
Gesn. Av. 591. A1.DR0V. Orn, l. 18. c. p.; (Fringilla remigibus reüricibusque fuscis margine obj'olete pallido, lu iura alarum albida. Link. Faun. Suec.) __ Brisson
noemtdeezen de kleine Flasvink der Wijngaarden , en
in 't algemeen word hij de kleine roode genoemd, in te- genftelling van den voorgaanden , dien men de groot« roode Flasvink noemt , anderen noemen hem roodkoppige, en de Duitfchers geeven er den naam aan van Schoesferlt en Zoetfcheriin of Meufe-Fogel. Door den bijnaam van rood fchijnt men hem, zo wel als den voorgaanden, van de gewoone Vlasvinken te onderfcheiden, die niettemin ook roodagtig zijn en zelfs tother Henffiin genoemd wor« den. In 't fransch geeft men er den naam van Linotte, in 't engelsch dien van Linnet aan, om dat zij veel op de zaaden van vlas aazen, dog zij eeten ook die van hennip, distel, kanarie-zaad en zelfsgeerst; weshalve zommigen- er den naariraan geeven van Miliai ia of Geerstm vogels± Dei kleine r oode leeft féhools wijze, dog de groote niet. süm- Hun Gezang is zeer lieflijk, «H Een zeerJslein Vlasvinkje ; dat dé Borst geelagtigheeft, vind men-doörERiscHzeer naauwkeürig afgebeeld. Het wbrdiri Duitschland Quitter, en in Engeland Twite ge- noemd. ■ ■ De Sijsjes, Frijters, Kneutertjesen Vlas- vinken, zijn door geheel Europa gemeen. ■ XXIV. Bengdalfche-Vink', Fringilla angolenfis; Fringilla ventre coeruleo. Edw. Avt 131 ; (Fringilla dorfofusco; abdomine caudaqueicoemleis. Linn, Sifi.Nat.) Van dee. zen geeft Brisson dè befchrijving en afbeelding onder den naam van Bengali, zijnde^een Vogeltje uit Bengale , van grootte als het zo even gemelde allerkJeinfte Vlas- vinkje ; ten minften oordeelt hij den AngoUfchen-Fink van Edwards daar mede overeenkomftig. -------- Als
dan 20ÜW het zo wel in Afia als in Afrika woonagtig
zijn. :. 'ist' i XXV. Teitei ; Fringillaviolacea ; (Fringilla violacea,
frmtefubtusqueflavisfima. Linn. Muf. Ad.'Fr. //.) Deeze'n, die uit het tweede deel van 't Kabinet des Ko« nings van Sweeden door Li-nnäüs voorgefteld word, agt de Heer Brisson overeenkomftigmetdezijnendiezwart engeelen Tangara genoemd word.Het Mannetje is van boven glimmend zwart, van onderen geel," als ook aan't voorhoofd; het Wijfje van boven groenagtig,-van onderen geelagtig olijfkoleiir, met de Keel aschgrauw; zij'heeft de Staartpehnen ook âschgraauw en het Man- netje heeft dezelven zwart. Deeze Vogeltjes zijn kleiner dan MosfcUert. ' ' ;ÏXXVI. Riet-Mosch; Pasfer torquatus in arundinetis
nïdificatis. Will. Orn. 196.; Cännevaroi. Alb. Av. II, p. 47. ; Juncoßil. Pasfer arundinaceus. Aldr. Orn. 529. ; Pasfer aquaticas,fcil.Schoeniclos. Gesn. Av. 652. ; (Frin- gilla re&ricibus fuscis, extimis duabus macula alba cunei- formi , corpore nigroque, capite nigro. Linn. Sijfl. Nat.) ■- Te vooren had LiNNbs deezen onderde Fin- ken gefchikt; ook in de 6e druk van zijn Sijfl. Natwtt onder de Geelgorfefl, alwaar Brissqn hein thans nog O a plaatft, |
|||||||||
|
'/:V-ÏN.
Dùitschlànd, --liW e&'-'tfa#j maéf-hët 'DantJvoIk jjaar-
lijks zeker getal van Mosfchen Koppen als Schatting:op^ brengen, en,' diëïii■'t getal m'ankeerd ,. boeVzuHts-met geld. De voorgaande Koning van Pruisfen, die een 'dergelijk bevel'gegaeve-ri bad, bemerkende dat de Boeren brbederijen van Mosfchen aanleiden, om het vereischte ■getal te k-unnéh levéren, trok dit Bevel weder in. J 't Was in den jaare 1749, dat de Keizerin-Koningin Van Hongarie en Bohème haare Onderdaarien in Neder-Oo- jftenrijk gëïafteV dit Gevogelte izö- veel; mooglijk uitte', roeifen ; âlzotmèn uitreisende, -dat^oor. het zelve, jaar- lijks,;''in dat Aai'Èshertogdom,; wefvpór. duizend Rijks- Flöreinen'-aan Köoin' vern'ièid werde. Eiwop. Mercu- rins'. \»an 174$)»' //.. De^bladz.. iö"8. Van hoe veele uitwerking dit Bevel geweeft zij , is mij onbekend. Ongedierte, en in'?t bijzonder- op die der Mosfchen, eeni. ge' Pi'einïen-gefte'ld'zijndeV-zo'hebben de;Sf.aaten van dié ^Provincie* goedgevonden t"'tn. Ai voqrfte des',|aars T7öï Vdaar-in eenig'îiveranderîng-te- maaken, eb zom- migé' töe'-deUieif-e te- verlaageri,-';waar uit: men; haaft 'denken gou,,''dar er 'veel = van^aangebragt.werd. - dat voor ieder die gevangen en gedood.werd:in:de maan. den Dec4m'ber ;'Jaffuarij ,'E'ebruatij',-Maart'en April-i'voli daan zoüdén würden: tweélduiten',.: en ,voor die. tn het overige des jaars geleverd werden één duit,*, mids.de Lëver-âhti'ë, aïs. vöorhee.mi gefcbksle'bij- zefi-ieri ftuk te gelijk. Tn 't JoödfchäLand wètdsn|Ioudtijds, .twee 'Mbifchetï. voor een 'penninkske verkogL'.- ■ . . ' li -: Omtrent -de Eigénfcbàppen deezér' Vogelen komt, in de'èèrfté -piaars ».derzelvèrigeilheidun aanmerking, die 2o groot is:dat. het.Wiifje van het Mannetje zeer dik- wils getreden word. -Aldrovandus zegt, dat hu een MannetjeS'Moscft twintigmaal' in een mir zijn Wijfjen heeft 'zieh;>tredden ,r,en dats die:zulks nog meer zou .ge- daan'hebben/, dndienvhet Wijfpe.niet van "plaats -veran« derd waare. ïfei«Äls.verfcbeide Mannetjes;eeniWijfje vervolgen, zo verweert zij zich "met bijten en doet dit zo vinnig, dat zommigeri neervallenren< leggeb blijven,. wordendë;dus van de Katten betrapt, ken een onderfcheidéb'geluid,, zo inLhet paaren, als in het vegtën, en ook i naar' het fchijnt; om: de Jongen te- waàrfchouwen,% wanneer,er, een vijand tip handen.is'j 't Welk'deroorzaak moet;;z.ijtf',, .datde, Jojigenv-ZO dft zij vliegen können [ rreeds .den ..geenên diK hun grijpen wil ,, tragten tèiöntvlugt'en. ' Men kan:hun echter'gemakke- lijker in" Netsén,-. Knippen<of mat. Lijmilokjes vangen, en fchietënu dan: deaud'e. Mosfchin\idis zeer flimzijn- om 't gevaarte ontwijken. Echter laäten de jongen zich zeer gemakkelijk gewennen, dafdeaJKinderen bekend, is, en de Ouden zelfs munten uit«. in gemeenzaamheid- met- den Mensch:!:^$4Behalven 'allerleij. zoprt van. gra&nten-zaad-,■ Rruimpies brood en dergelijken,. eeten'- zijhvrugten en'yeellerlei-j- infekten, ; inzonderheid. Spin-- nekoppen en Wonnen,.ook Bijen.en-Wespen; Mènwit. dat zij zeifs de. jonge Duiven om 't-leven, brengen,- döör. ze' den Kfop.op te bijten , öm hét geeneer'jnis.te eeten.> Zommigen hebben gemeld, dat de.'Mannetjes maar- twee jaar:en leefden,, van-wegen hunne.- geilheid ■, en in' 'twilde kan.dit waar zijn,-maar in Kouwtjes heeft men; eri: zo Mannetjes als Wijfjes, tqt-agt j^aren lang ge- ; houden, en andere zeggen , dat hunne leeftijd.negenpf: tien jaarerj isv,, .-.-.--i » ' '■;. '.. :- T r-;;^ ''■'/':'. De,gertalte ea grootteidstMôsfphm.ia ieder eenbe-- Hbo».
|
||||||
|
317» *"'"■" VIN.
jjlaatft,, geevendeer den foortnaatn aan vàfl Ortolan 'des
rofßaux___De rneelle Schrijvers noemen hem Rietmsch,
weiken naam hij ook voert in de Europifchè fp'raakeri,
: met den Griekfchen Schoiniklos overeenkomftig.Jïe
Mexicaanen noemen hem Atototl, dat is Watervogel, ■■■■
Hij heeft de Staanpennen bruin, de tweebuitebftemèt
een wigswijze vlak getekend, het Lighaam. grijs», en
zwart, den Kopzwart, daar bij een witre kraag om den
Hals, die men echter in het Wijfieydatdé Kop rosag-
tig bont heeft,: naauwlijks kan' zien." >■*->.' Hij 'onthoud
zich in Europa,, en maakt zijn Neil in* rietbosfchen,
. hebbende de grootte van een, Wink. : ,'':;-,■. rj.tw«*
XXVIJ. Gemeene Mosth; FringUladomefika;ïPnsfer
domeßicus. Gksn. A». 643.. Aldrov. Orn.;l;.■■15; c. 10,
WlrLL. Om. 182. 6fc'> ■ iFringilla remigibus reSricibus*
qße fuscis, gula nigm, temporibus ferrugineis. "Li "WW.
Sijfl'. Nat.} -----te Qnze gewoone Mosfchen voeren in 't
hebreu w'sch den naam van Ziphar-, in 't grieksch dierivan
Strouthos, in 't latijn l'asfer, I waanvan.deTtaliaanen.hurï Ëasfara,- de Spanjaarden dien-van Paxaro ontleend heb* ben. De -.Duitfchers noemen ze Spats, Spur-,. Sperljngt, de- Engeifchen StrarrêMr, de.Frànfchen Païsfeen Pasfire^- pit-,- dog ook Moineau. 1 Moiisfet'en Moisfon waar mede de naam., dien wij er, aan geeven-, meest fchijnt te ftroo- ken. ' i ..-■- ■.,■{■ ■ - ..- . I.-js-. Allerwegen vind men dit Gevogelte in Europa ,i en
fchoon het zelve ,;van:wegen.,;zijne. gemeenzaamheid:^ den- naam-wel van Hms-Mosch.,' die;ih!t. ùiùsch-Mmne* ß^./twic heet, voeren, rpag ,,-'in dé 'Steden naarnelijte-tijs. hebte Landeten afgrijzeîijke plaag dér.'Boejen'en Tuin; Jieden.. Inzonderheid dóet het den;Liandman :fohade"in het graan, dog. da erwten, worden ivanShetizelvielTiiet minder.gefpaard.iv Hoe kleiri'.Qok, -doet de.ontel- baare menigte.er veel van verflihden.., laatenden iets'dan de ledige p.eulenover.. En.'t allerergfte is, 'dat zij-op groene dop-erwtén 'nög-.hTun.ei-jZO veel als.ide Menfehen zijn verflingerd.,| Daareijbpvenïzijn;.zij met- Schietgè* weer-op't veld, naauwii-jks> te-traff.en:;en:do.or.. Molik* ken laaten zij zich:niet. w£gjaagçn.; zo'dat-men-'t on* doenlijk vind, gioote akker» daar-vân-tejbevmjdeny dan door magt v,an volk:; 't: welk t«,koftbaar: valt.' ; ,* Om deeze reden heeft de Hr. Leche, inSvveéden, onderzogt, hoe/jnen dit fctiàdeiijk Gedierteïbeft in ge- tal zouw kunnen verminderen ; want op-een geheel» uitroeijing,.gelijk' die- det.Wolven- 'in Groot Eriitàiûïfe, is niet ie hoopen. ■ Hij-meent-, dat het van .deimeefté uitwerking zij, 'zekere vlakke, plaatze.n..-bijbeen Schuur. of S'.al-, des winters, in de langte rpetza.ad tebeftrooijen , en- dan-met hagel onder.den-hoop te febieten; op.wëlto een wijze-zegt hij, men er honderden daarboven kan treffern In Schopnen vertelt:.men eikanderen, dat ze» k-er Boer-,. die niet ver van de plaats woonde, daar- thans Gbriltlaanftad legt., in eens-een geh.eelen reiskofr fer-vol Mosfchen gefchpoien,; e.n- daar mede zijne- wiedr dingfehap tegen Koning. Cr i T;I. a -an den ÏV v/snOerte-: marken gewonnen heeft ; welke Vorftbezig'-aan/dieStad; te doen bouwen ,- bij zijn heen en, wederteizemdikwlis ten huize-van dezen Boer logeerde, B-ij de-ferner., als; de Jongen uiigekoomen zijn-, kan men.,: op-die, zelfde; wijze s er- ook- een menigte.van fçhietev.-ZiecStahltolmf.'. fferhand; van' 1752; pa^. 154. -, . -,. , Maar,, dewijl zodanige -middelen zglden in 'talgeme.em
werkftellig worden gemaakt,.indien zij niet van booger band- zijn- aanbevolen zo heeft de Overigheid, daar' ointyept'Op.veele^aatzeniZprg^gédraagen, |
||||||
|
'VIN.
|
|||||||||
|
3871
|
|||||||||
|
XXIX. Chineejche-Mosch; Pasjer cJiincnfis. Alb. äv.
11. p. 49. E»w. At. 43.; (Fringilla ferruginea, capitè atro rostrocoeruleo. Linn. Sijfl. Nat.) De Chi'.' neeJche-Dikbek of Kembijîer heet deeze bij Bkisson, dië hem wegens de dikte van zijnen Bek in dat geflagtgeplaatst heeft, waar in ook LrNN-ffius erkent, dat hij buitengemeen- naar een Kernbijter zweemt. -------- Anderen noemen hem de Chijneejche-Mosch, waar van hij de grootte en
geftake heeft. .----------, Over het gantfche Lijf is zijn
koleur ijzergraauw, met een zwarten Kop en blaauwen
Bek. XXX. Winter-Mosch; Pasjer hijemalis; Pasj'er nivalis.
Catesb. Car. '1. p. 36. ; (Fringilla nigra , ventre alba. Linn. S\jfl. Nat.) -----!------Van Brisson word deezen
aangemerkt als een verfcheidenheid van de Sneeuw-Mos-'
Jcheri aï Sneeuw-Vogels, hier voor befchreeven, die hij on-. der de Geelgorfen plaatft - Hij geeft aan deezen. den bijnaam van zwarte, om dat die zwarter dan den Eu- ropifchen is. ■ Virginien en Kârolina. . : XXXI. Brafiliaanjchc-Mosch; Pasjer bicolorbaliamen-
fis.. Catesbi Car. 1. p. 3,7.; (Fringilla capite peüoreqw- nigris , dorjo- alis caudaque obfcure virescentibus. Linn. Sijfi, Nat.)
der Mosjchen van Brisson, onder den naam-van Ba-
hamasfihe Groenling. -_ De grootte komt met die- àeï Kanarie-Vogelen overeen. ■■ Borst zijn. zwart, de. Rug, Wieken en Staart, donker groen... . ^ ...-:.-:- .1 - Of» Finken en andere Vogeltjes met de- Lijm.
fiang te vangen. Dit is in het najaar een zeer vermaakelijke jagt, ge* fchiedende door de Vogeltjes met lokfluitjes te lokken.j -----------Ten dien einde maakt men een zoort van Vin-
kebaan in het hakhout, dat fterk en ten minften in geen
zes jaaren gehakt is, en verre van den gemeenen weg is- afgeleegen. Inhet zelve moet een kleine Booni ftaan , die'niet zeer hoog is, en ten minften vijftig fchreden-, van andere groote Boomen is afgezonden, gelijk A, B,- j op Plaat; LXXII. de bovenfle af deeling. Van deezen- Boom flaat men rondsom de takken af, op eenige voor- naairie na,. die van de eene en andere kant bij een koo-- men, maakende niet kwaalijk de gedaante van een kop- of drinkglas uit, zodat de hoogften tusfchen beide, de, onderfte koomen, op dat't geen van bov?n koomt, zich. niet op't andere zette. Ook moet men elke groot e tak. der-Boom dekleindere takken beneemen, en zodanig maa- ken, als men zulks op de aangehaalde Plaat bij C ziet-,, die van alle derzelver kleine takjes en bladen isontbloot5I behalven aan het uiterfte. Alle de groote- takken dus van de kleinere en van de bladeren beroofd zijnde, maakt men er kerven aan om er lijmlïoutjes in vast te maaken, zie bovenß. àfd.\ï,z, 3,4,.5»-6, 7,?.. -*^J3e Boom dusdanig geheel toegefteld zijnde , zo /leekt reg- te Boomtakken rondsom den ftam van den Boom, op de plaat.2en door M. R. Si T.. V. aangaweezen; zo dat de' voet van elke Tak van de vpet des Booms-omtrent vier voeten af is, en dat de takken daar van fchuins na-den Boom toe opgaan na de letter B,gelijk men zien kan aant de linien getekend M B; R B, SB, enT B.. Het Hutje dat hier door ontftaat, moet zo groot zijn, dat er viert of vijf Menfchen in kunnen zitten; ookmoet er een- opening in gelaaten worden,die groot genoegis dat-er een Mensch door uit en in kan gaan.. , O 3? Dé:
|
|||||||||
|
vend il.' i jP? Mannetjes zijn gröörer dan de Wijfjes,
en verfchil len ook een weinig van dezelven in koleur. Men-vind er enkelde die geheel fneeuw-wit zijn, koo- mendeuit de gerne ene Mosjchen voort, gelijk.de zwarte Lammeren uit witte Schaapen of blanke Negers uit de zwarten; dog 't geval is niet minder zeldzaam.-------He-
dendaag-fche Schrijvers verzekeren, dat zij, in een Neft
van vijf Tongen, twee witte gevonden hebben, die nu zeven of agt jaaren geleden nog leefden ; zie Suite de la Mat, Medicinale de Geoffroy, Paris i-js6.Tojn.III. i) 369. Ook worden er geele gevonden, zo de Schrij- vers ,-nelden, en zomüjds graauwe met een geele Staart. - Men wil ook dat de er Kanarit-Vogelen wel mee paaren, 't welkgelegentheid zou kunnen geeven tot die oneewóone koleur. - . , - De graauwheid der Mosfcken,.d\e naar t gewaad van
zommige Monnikken zweemt , zou er den franfchen naam Moineau aan gegeeven kunnen hebben, gelijk Beii-_ goulus meent. 'De latijnfche naam Pasjer is, volgens Schwenkjeld, afkomftig apatiendo, om dat zij deval- lende ziekte onderhevig zijn, die, volgens Joubert, in Languedok de. kwaal der Mosjchen genoemd, word. Zommigen'willen, dat zij deeze kwaal ook zouden over- zetten, niet alleen aan de geenen die er van eeten, maar ook aan.zulken, die matrasjes of kuiïentjesgebrui- ken ,, niet Mosjchen-veeren gevuld. En, hoe ongerijmd- dit ook voorkome, aan iemand die de gezonde reden- plaats geeft; men vind in de Hoogduitjche Verhandelin- gen', waarnemingen om het een, zo wel als't ander te- bevestigen; zie. Ephem. Natur. Curiojor. Dec. II. Ann. III pag. ZJ1-& Ann. VlI.Append. pag.133. . Veiligft zal men derhalve zich daar van onthouden , zo lang men beter fpijze heeft.De Drek is fcherp, gelijk uit de Hiftorie van Tobias fchijnt te blijken; hij verbijt de koleur van't laken, en met een weinigje kan men de jonge Kinderen afgang maaken,,------- Als zeep ge- bruikt , 'om- de handen, te wasfchen ,. maakt hij het vel blank en zagt. . ; . . . . XXVUL BergTMosch",.P.tiffermontaiius.Ai.-DïLOf&iir).. Om.T. 15. c 15. ; (Ffingilla remigibus reBric.ibusque [us- cis, corpore grifeo nigroque, aiarüm fascia alba gemina. Lmv.Sijft. Nat.) 1 Berg*Mosch genoemd, dog het gemeene Volk in'Engeland, noemd hem White-Cap, zegt,Çnasleton, om dat hij een wit plekje heeft, aan ieder zijde van den Kop. rr. Brisson geeft hem eeri'.witte'.Kraag om den Hals5 dog Linkkus maakt geen gewag van eenig verfchil met den Huismasch, dan dar- hij kleiner is en een dubbele witte üreepop. de Wieken heeft.■In 't Manneje is de Koproodagtig bruin van boven en de Keel zwart. - Den lVUdénmMoschva.n- Aldrovandus onderfcheidde Heer Brisson, bij den naam van Veldmosch of Friquet) van de anderen; dog het verfchil van deezen mèt den Bergmoich, ten-minften,met dien waar- van Chap.let.on- fpreekt, fchijnt mij toe zeer-klein te zijn. Beide vind men ze in de Beig- enBosçhagtige p-laatzen van Europa, alwaar,zij in gaten van Boomen neftelen, en zich.daar ook verfchuilen voor de-winterkoude; zodat er bij har» de vorst, veelen fneuvelen..In Sweeden fchijnen zij niet-re zijn.--Jn Noorwegen, onthouden zich, in de Bosfchen meest Geelgorfen of dergelijke geel en groenagtige Vogeltjes,die men er wilde-Mosfclun noemt, en.de anderengeeftmendennaamvan Eum-Kcdd. Zommigen verzekeren , dat-, in de Noordelijke Landen., 's winters alle de Mosjchenwitzün, gelijk ûe-Uaoûnein rMdlwendefs;. |
|||||||||
|
aflaÉR vin. vio.
|
||||||
|
VIO.
|
||||||
|
De Hut .op voorfchreeven wijze vervaardigd zijn- , Kenmerken. De Viole is een Plant, wolkers Bladeren
de, zoekt'men rondsomme de Boor», vier of vijf open aanftonds uit de Wortel voortkoomen,, zijnde die Bla.
vakken, of zo er die niet zijn, maakt men ze, ery laa» den rond, wijdj.aan de rand ingefneden, groen en aan
tende rondsom zeven àagt takken ftaan die glad zijn, en lange Steelen zi'.tende.--------De Bloem beftaat uit vijf
alwaar men insgelijks kerven in fnijd om lijmftangen in Bladeren, heeft geen reguliere uitwendige gedaante, en
vast te maaken , zie op Plaat XLIL bovenfte afdeeling min of meer naar Vünter-bloemen gelijkende. De ko-
N. O. P. Y, L. leur is zomwijlen wit, dikwils blaauw, en menigwerf
Alles dus in gereedheid hebbende, gàat men met zijn purperverwig, de reuk buitengemeen aangenaam en wel-
drie, vier of vijven om bet vermaak van deezen vangst ruikende. ----- De Bloem vergaan zijnde, zo komt het
te neernen, een is er die gednurig op het lokbeenje fluit, Zaadhuisje te voorfchijn, 't welk als 't rijp is , zich in
en de anderen draagen zorg, om de Vogeltjes die zich- drie verfcheidene deelen uit malkander fplijt, waar in op de lijmftangen nederzetten en aldaar vastraakeri, er af dan veele rondagtige witte Zaadkorrels leggen. De
te neernen en te bergen. Inzonderheid word er veel Wortel eindelijk is vezelagug. " _ ......
ftilte bij dit vogelvangen geëischt, dewijl anderzintsde . Zoorten. Daar zijn zeer veele zoorten van dit wel-
Vogels vetfchrikt worden, én hier door verhinderd om ruikend Kruidgewas. De Hr. Miller teld er in zijn
op het geluid van hetlokfluitje te naaderen , en zich op Woordenboek wel een-en veertig verfcheidenheden van
de lijmftangen neertezetten. op, wij zullen ons vergenoegen met de voornaamften
VINKEN-LUIS, zie MIJTEN, n.X.pag. 2238. te befchrijven. ' ,.
VINKEN-VALK, zie SPERWER. 1. Gemeene purpere-Viole met een weiruikende Bloem;
VINK-MEES, zie MEESEN, n. III. pag. 2011. Viola nigra, feil. purpurea. Dod. Pempt. 156.; hola
-VIN, Bloedvin, Bloedzweer; in't latijn Furunculus , martia purpurea flore fimptici odoro. Bauh. Pin. 114.;
iseen klein, zeerhard, pijnlijk en ontfteekend Gezwel, ( Fiolaacaulis foliis cordatis, ßolonibusreptantibusA,isvi.
't welk onder de huid in 't vetvlies is gelegen, en zeer spec. Plant.')
heet en fmertel ijk is,- vertoonende zich zomwijlen na ee- 2. Grooté haairige Ma.art-Viole zonder reuk; Viola
nige dagen in deszelfs midden, een klein wit blaartje, martia major hirfuta inodora. Moris. Hifi. i. p. 475.; VU
Waardoor, alsmen'tdoorfteekt, eenige etter met bloed oiatrachelii folio. Raj. Hiß. 1051.; (Viola acaulis Joliis
vermengd, kan uitgedrukt worden. Bij zommige cordatis pilofo-hifpidis. Ltnn. Spec. Plant.)
Menfcheu koomen die dikwils in groot antal te gelijk, 3. Wilde-Viole; Viola martia inodora fijlvestris. C. en zijn meeftentijd zeer moeijelijk om tot verdeeling en Bauh. Pin. 199. ; Viola caerulea martia inodora fijlvati-
verzweeringte brengen.-------< De oorzaak beftaat altoos ca, in'cacumino fernen ferons. J. Baüh. Hiß. 3. p. 343.;
in een verdikt, onzuiver bloed, 't welk zo wel van ou- (Viola caule demum adfeendente , foliis oblongocordatis.
de als jonge Lieden en Kinderen word opgehoopt. LtNW. Spec. Plant.)
Zo de Lijders er veel mede behebt zijn, moet men hen 4; Witte weiruikende Viole ; Viola martia alba. C.
iawendig,bloedv,erdunnende en openende middelen laa« Baüh. P»». ;.
ten gebruiken, en de volwasfene daar bij door aderlaa» 5. BergViole met groote geele Bloemen ; Viola mon-
ten en't zetten van koppen, het bloedzuiveren.------ tana lutea grandiflora. C. Bauh. Pin.; Melanium monta-
Uitwendig kan men de meloot- of diachijlon-pleister, of de num. Dalech. Hiß. 1204.; Viola pijrenaica, folio teu~
honing-pleister of anders een verzagtende en rijpmaakende cra, ferotina. Raj. Suppl. 510. ; (Viola came abreviato,
pap er opleggen, om ze te doen verdwijnen. -----Ook fhrum neüario fubulato petalis longiore, foliis fubovatis.
is de verzweeringte bevorderen, door weekmaakende mid- J.isnt. Spec. Plant.) .
delen, en ze wijders met pleisters tot de volkoomené ge- ß. Driekoleurige Viole ; Viola tricolor 'hortenßs repens.
neezing toe behandelen.--------De puiften in 't aange- C. Bauh. Pin. 199. ; Jaceafcil. Flostrinitatis. Cam.£-
zigt, dat ook veeltijds kleine Blaedvinnen zijn, kan men pit 912. -t Tnnitaiis herba. Fuchs. Hiß. 803. ; (Viola cm-
op dezelfde wijze geneezen ; of ze in't begin met koning, u triquetro diffufo , foliis oUongis incifis, (lipulis dents* die door geest van vitriool of zwavel is zuur gemaakt, be- tis. Linn. Spec. Plant.) "" . 1" ftrijken; en als .dan gebeurt: het veeltijds dat ze we- 7. Gladde rondbladige Water Viole; Violapalufiris ro- det verdwijnen. Heois dikwils van veel dienst, dat de tundi folio glabra. Monis. Hiß. 2.p.475.; Viola acaulis, Lijders hun aangezigt met rijnfehenwijn of eau delà rei- foliis reniformibus.HA^. Helv. 501. ; (Viola foliis fw, ne waar onder geineen-water is vermengd , betten of was- brotundocordatis, pedunculis radicatis. Linn. Flor.lapp. fchen. 278.) V1N-VISCH, zie WALVISSCHEN, n.II. 8. Alpifclie ■ Viole, met roodagtige Bladen en geele
VINUM , zie WIJN. Bloemen; Viola alpina rotundifolia lutea. Bauh. Pin.
VINUM ABSINTHICUM, zie ALSSEM. I09.; Viola rotundifolia montana. Pluknet. Alm. 388.;
VINUM ALBANUM.zie ALBAANSCHE-WIJN. (Viola caule bifloro, foliis renifomibus ferratis. Linm.
VINUM EMETICUM, zie BRAAKWiJN. Spec. Plant,)
VINUM HORDEACEUM, zie BIER. 9, Boomagüere Maart-Viole met purpere Bloemen;
VINUM M1RRHATUM , zie MIJRSINITES. Viola martia arborescens purpurea. Bauh. Pin. 199.; Vio-
VIOLA, zie VIOLEN. \a arborefcens. Cam. Epit. 911 ; Viola ovato-lanceolatis,
VIOLA LATIFOLIA, zie M AAN-VIOLIER, n. caule ereSo, fllpulis dentatis. Roij. Lugd. 430,; {Vio-
I. pag. 19I9» . la cau$ibus erectis ; foliis cordatis oblongis. Linn. Spec>
VIOLEN: Violette; Maart Viole; in't latijn , Viola, Plant,)
Viola martia ; in't grieksch, '/<.» vepQv f«V, ■ i'o» n't\m *) io. Spaanfike-Viole, dieheefteragtigis met langeBia' jB^aini; in't arabisch, Seneffigi, Sonofrig, Benefigi; den; Viola hispanica fruticofa langifolia. Tournef. h"
efï in genoegzaam alle de europifche Spvaaken , min of fi. R. Herb. 421.; Viola hispanica fruticans. Barr. Icon.
meer met het latijnfche Viola, overeenkomende. 568. (Viola caule fmticufo, foliis lancsolato inteirerrimis.
Linn. Spec. Plant.) '" > \\»*V*f
|
||||||
|
VIO.
|
||||||||||||||||||||||
|
VIO*
|
||||||||||||||||||||||
|
387S
|
||||||||||||||||||||||
|
ftuiptrekkïngen, vliegende /igt, verzwakt gezigt, hoest,
aamborftigheid, ontfteeking der keel, beescbheid, pleu- ris, hartkloppingen, flauwte , Itinderpokjes enz. Ze verfterken de levensgeesten, fmooren de hitte der Lever, als mede van de koortzen, en lestenen den dorst, beliooren onder de IV hartfierkende Bloemen, en het Kruid onder de V. weekmaakende Kruiden. . Uit haare Bloembladen word in de Apotheeken die onge«
meen lekkere Sijroop vervaardigt, zijnde een middel 't welk zeer dienftig is, niet alleen voor de zo aanftonds opgenoemde ziektens en ongemakken, maar dat ook in- zonderheid aan Kinderen die veel hoeften, en bezwaar, lijk ademhaalen, fteekende dies wegens vol gal en taaije flijm, van veel nut is. - ■ Zommigen raaden de Vloo- ien ook aan tot een ingrediënt in laxeer dranken, en als een poeijer gedroogt en fijn gemaakt zijnde, te gebrui- ken.- De Bladeren daarvan, welke insgelijks ver- koelen, bevogtigen en verweeken, worden uitwendig tot gorgeldranken , klijsteeringen , pap-omflagen en voetbaden genoomen. Het zaad van Viool-Bloe- men word door middel van overgehaalde of gedistilleer-
de wateren, tot een Melkje bereid, 't welk de zenu- wen en pis-blaas opent, ook de moeijelijkheid in 't wa- terlosfen, ende opgeftoptbeid van de pis bij uitneement- heid lucht verfchaft. -------■ Men fchrijft aan de Wortel
eene kragt toe, om braaking en buikzuivering te bevor-
deren, dog hedendaagsch word die genoegzaam nooit rrieer gebruikt. . . De beste en gewoonlijkfte dingen, welke in de Apo-
theeken uit de Violen bereid worden, zijn; 1. het Ge- distilleerdeJVater, 2. de Conferf, 3. de Sijroop, 4. de Honing -van Violen , 5. een Koeldrank, 6. de blaauwe Viool- of Kandeel'Zuiker, 7. een Azijn, en eindelijk 8. de door afweekzel vervaardigde Olie. ■ VIOLET OLIJPHANTJE, zie OLIJPHANTJES n. IV. pag. 2357. - VIOLETTE, zie ANJELIER.
VIOLETTE DAMAS, zie PRUIMBOOM.
VIOLETTE KERNBIJTER, zie KERNBIJTERS
n. XXX.pag. 148I. VIOLIER; zie LEUCOJEen NAGT-VIOOLEN.
VJORNE, in 't Jatijn Viburnum. Behalve het ge-
woone Gewas', 'c welk deezen naam voert, ziin in dit Planten-Geflagt ook anderen van een geheelverfchiilende geftalte, gelijk de Laurier-Tinusçn Gelderfche-Roosbe- greepen, wegens de overeenkomst der Kenmerken, die in een vijfdeeiige Kelk en Bloem beftaan, en eene éën- zaadige Befie. Om deeze rede is 't getal der zoortennegen. waar onder
zes voorkoömen ,. die haar natuurlijke groeiplaats in Noord-Amerika hebben. 1, Laurus Tinus; Viburnum tinus; Lantus tinus ßvt
fljlvestris trium generum. C. Bauh. Pin. 461 ■ ; (Vibur- num foliis integerrimis ovatis, ramificationibus venartiih fubius villofo glandulofis. Link. Sijft. Nat.). Zie LAU- RIERBOOM (WILDE-). . ■ ' .2: Naaktbloemige-Viorne; Viburnum nudum; Opultts
aquatïca &fc. Claijt. n. 64.; Tinus foliis ovatis £fc. Gronov. Virg. 33, 46.; (Viburnum foliis integerrimis lanceolato ovatis. Linn. Sijft. Nat.) - Dezegr.oeft natuurlijk in Virginien, heeft de Bladen rondagtig, de Befiën donker paarsch toet eèn blaauw fteentje. 3; Pruhnbladige-Vißrne; Viburnum prunifoliiim ; Vi-
humum canadenje glabrum. Vaill.; Mefpilus prunifolia virginiana non fpinofa. Plükenex. Alm. 249., {Vilur- num
|
||||||||||||||||||||||
|
iii Virgmißlie-Vivle met kleine haairige Bladen, van
gedaante gelijk die van' den Platanus, en witte Bloe- men; Viola alba, folio fieuris romance effigie, floridana. Pluknet.7 Amalt, 209.; Viola virginiuna, platani f ere foliis parvis £f incanis. Pluknet. Mant. 187. Viola fo- liis palmatis finuatis', flolomm reniformibus. Gronov. Virg- 181. (Viola acaulis, foliis palmatis auinauelobis dentatis indivifisque. Linn. Spec. PhntJ) plaats. De vier eerfte zoorten.worden in de meefte
Europifche geweften, in de 'Bosfchen en befchaduwde Laanën gevonden.-----------De vijfde zoort die groote
geele Bloemen heeft, is natuurlijk aan koude bergag-
tige plaatzen van Europa. " De zesde zoort, hoort insgelijks in de meefte geweften van Europa te huis. De zevende zoort in Lapland, en andere koude noordelijke Landen meer. Deagtfie zoort op de Alpis- che, Pireneefcbe, enz. Gebergten. De negende en tiende zoorten, in Italien, Zuid-Frankrijk, Spanjen enz. De elf de zoort eindelijk, in Virginien en andere Landfchappen van Amerika. ; Kweeking. Tot vermenigvuldiging van dévier eerfte
zoorten is niet anders te doen, dan derzelver wortels te fcheuren , de beste tijd daar toe is omtrent Sr. Michiel, als dan kunnen de Planten nog voor den winter wortel vatten, en diensvolgens in het toekoomende voorjaar fterker bloeijen. - Deeze Bloemen zijn fraaije verfchetdenheden in een tuin, alwaar ze geplant zijn- de, onder Heggen en Wildbosfchen of andere befcha- duwde plaatzen, uitneemend wel tieren, en geene an- dere oppasfing nog kweeking noodig hebben, dan alleen haar van onkruid fchoon te houden; en in bët voorjaar Wanneer ze in bloei flaan ,geeven ze een zeer aangenaa- me reuk, inzonderheid in den morgen of avondftond, zo dat ze zulke plaatzen in dien tijd zeer vermaakelijk maaken. ----- De vijfde zoort aan koude bergagtige
plaatzen eigen zijnde, moet eene befchaduwde koele
fhndplaats hebben, en is zeer bekwaam voor noordelij- ke Rabatten, alwaar ze uitfteekend tiert, eh hetgroot- fte gedeelte van den fomer blijft bloeijen. Men verme- nigvuldigt die op dezelfde wijze als de voorgaande, naa- meiijk door fcheuring.--------De overige zoorten worden
in tuinen van zommige Liefhebbers bewaart om de ver-
fcheidenheid. Zij zijn alle hard genoeg om in de open lucht bij ons te können tieren; die zoorten daar van wel- ke aan de Alpen en atidefe bergachtige plaatzen groei- j.en, moeten vooral in een befchaduwde ftandplaatsgezet Worden , en een vrij ftrafi'e natte grond hebben, ander- zints willen, ze niet voort. Gebruik. Het is genoegzaam alleen de eerfle zoort,
Welke tot het geneeskundig gebruik dient, fchoon zij, die deeze Bloemen op de Markten verkoopen, onkun- dig6 wel eens Bloemen van de tweede zoort in de hand floppen, die veel grooter zijn, dan die van de eerfte, Én de maat beter vullen, maar deeze weinig of geen reuk hebbende, zijn tot het gebruik onbekwaam- De Violen worden zeer hoog gepreezen , van weegens "aare flijmagtige met eenige zoute fcberpheid verknog- fe deelen, envooreen polijchrest-middel, of middel voor J'eelerleij ziektens teffens, gehouden, 't welk zo wel u«t Bloed als den Buik zagtjes zuivert, en aan 't Hoofd , ^°?en, Hart,-Borst, en Lever voortreffelijke nuttig- enen te wegebrengt; weshalven de' verteile Bloemen , |
||||||||||||||||||||||
|
verweeken, bevogti-
|
||||||||||||||||||||||
|
I openen,
|
||||||||||||||||||||||
|
maatigen , verzagten,
|
||||||||||||||||||||||
|
Ipn, zuiveren en verfterken.
|
Ze worden groo-
|
|||||||||||||||||||||
|
selïjKs geroemt; voor al te lange flaapeJoosbeid, hoofdpijn,
|
||||||||||||||||||||||
|
.c ivio
|
|||||||||||
|
3&74
|
VIO;
|
||||||||||
|
ntm foliis'fulrotmdiscrenato-ferratisglabtis. Link. Sijfl.
■Nat.)------- De Heer Claijton heeft deeze in Virgi- nie waargenomen, als een Boomtje met Pruimboom- Bladen, de Bloemen in Kroontjes, de Befiën donker- paarser), langwerpig, met een hard platagtig Steentje, wordende aldaar gegeeten. Hier toe behoort de Pruim- bladige Virginifche Mispel van Plukenetiüs, met ee- ne zwartagtigé Vrugt , welke de Kanadafche gladde Viorne is van Vaillant.. <-■. 4.i Tanbladige-Viorne ; Vihirnum dentatum \ (Vibur-
iiuni foliis ovatis, dentato-ferratis plkatis. Link. Sijfl. Nat.) --------- Deeze wiens Bladen eijrond van gedaan- en zaagswijs getand zijn, heeft insgelijks haare natuur- lijke groeiplaats in Virginien. 5. Europifche-Viorne ; Viburniim vulgo. C, Bauh. Pin.
a4Q7; Lantana. Don. Pempt. 78Ï. {Vibumum foliis cor- ■datis ferratis venofis, fubtus tomentofis. Li NN. Sijfl. Nat.) .« Dit Gewas voert gemeenlijk de naam van Vibur- mum of Lantana, welke laatfte naam van de taaiheid van deszelfs Takken afkomftig zal zijn," waarop Virgi- lius reeds gefinfpeeld heeft, wanneer hij van Rome -fprak, . ■> Verum hcec tantum alias inter caput extulipUrbes,
Quantum tenta f oient inter Viburna Cupresfi. Bue. E- ' çlog. 1. . De franfche naam is Viorne of Blanche-Putain; ook
Mausfaine, Riorte en Hardeau ; de engeifche Waijfa- rin'g-Tree of'the pliant Mealij-Tree, datis, de buigzaa- ms Meelige - Room, en de hoogduitfche Meelbaum of Meelboom, om dat de Bladen zich als met meel beftoo- ven vertonen. De Groeiplaats is in kleijige Heggen ,der zuidelijke deelen vanEuropa, gelijkLinnjeuszegt, niet alleen, maar ook in Oostenrijk en andere deelen Van Duitschland, daar men het Schlingbaum noemt, dat is Slingerboom. In Switzerland is het , volgens den Heer Haller, niet ongemeeu , en word aldaar een Heester van zes voeten hoogte; ja het groeit zelfs ïn de middelfte deelen van Vrankrijk en in Engeland, op de zelfde manier, in't wilde, volgens Merret. Ook verdraagt bet, in onze Nederlanden, alle de ongemak- .ken van het winter-faizoen, zelfs buiten (taande, zo Munting aantekent. Het is een boomagtige Heester, die zomtijds vrij
groot word, met een digte Kroon van Bladen, welke hartvormig ovaal zijn, inzonderheid van onderen met een wit poeijer befprengd, zo wel als de Takken of Rijn- zen, die zeer voos of vol merg zijn, gelijk mede het Hout. Zij gelijken .wel wat naar Olmen Bladen , maar zijn breeder, zeer ruig, en worden tegen 't afvallen roodagtig, gelijk die der Peereboomen. De Bloemen komen, even als in de Tinus, bij Kroontjes voort, en .zijn wit van koleur, eenbiadig, klokvormig, in vijven gedeeld, met vijf regtopftaande Meeldraadjes, dog heb- .ben in plaats van Stijl een Klier zegt Doctor Scopoli , wordende het Vrugtbeginze.I, dat in de Kelk vervat is, een eijronde Befie, eerst geelagtig, dan rood en einde- lijk zwart, met de puntjes van den Kelk gekroond, en een enkelen Zaadkorrel bevattende. Deeze Befiën wor- den , op zornmigèplaatzen, in Duitschland gegeeten. De Bladen-zijn zamenrrekkende; in loog gekookt maaken zij het Hoofdhair zwart; van de Wortelen word vogel- lijm gemaakt. Meest echter word dit Gewas, wegens ibet fier'aad der Bloemen, in de Tuinen gehouden. 6. Virginifche-Viorne; Vibumum acerifolium; Opu-
|
|||||||||||
|
lus. Geon. Virg. 47. i (Vibumum f6liis'lobqUs,,Qrti-olts
leevibus. Linn. Sijfl. Nat.) gelijken naar die van den Esch-doom,, waar van de la-.' tijnfche bijnaam is ontleend. - 't; Gewas komt irr Virginie voort, en zou, door deszelfs effene Bladftee« len enz. van de volgende zoort v.erfchillen. .. ,,..,' 7. Gelderfche-Roos ; Water.Vlier ; Sambucus palüs'
tris. Dod. Pempt. 846.; Sambucus aquatica flore globofo pleno. C. Bauh. Pin. 456. ; Vibumum foliis lobatis, pe- tiolis glandulofis. Linn, Sijfl. Nat.) Deeze door- gaans bij den naam van Gelderfche-Roos bekend, groeit zelfs in de koude deelen van Europa, tot in Sweeden, natuurlijk, in vogtige landsdouwen. In Gelderland is dezelve gemeen, waar van zijden naam heeft,' dog komt ook in het Stigt, in Overijsfel en Vriesland,over- vloedig voor. De franfche naam is Obier,' ds duitfche Waldtholder en Hirsch holder, de neerduitfche Schwel' kenhout zegt Dodoneus; dog wij noemen die meten- kelde B!oemen gemeenlijk IVatervlier, de Engeifchen Water-Elder, met den latijnfchen naam Sambucus aqua' tica overeenkomftig. De Sweeden noemenze, onder an- deren, Olwoon en Fogelbaer, dat is Vogelbefie, in Schoo. nen Utaroon, enz. Het is een Heester van ruim zes voeten hoogte, met
verfcheide Stengen opfehietende, hebbende voos, wit- agtig hout. De Bladen gelijken eenigermaate naar die van den Wijngaard, of liever naar,die van den Ahorn« boom, loopende in drie breede punten of Kwabben uit die getand zijn. Twee paar Klieren zitten doorgaans op de Bladfteeltjes en aan derzelver Wortel twee paar tand- jes, die zomtijds ieder ook een Kliertjedraagen. De Bloemen komen bii Kroontjes of Zonnefchermen voort, als die van deVlier, en zijn ook, niet onaangenaam maar flap van reuk, wit van koleur. Die aan den rand van 't Kroontje zijn grooter en onvrugtbaar. Hier op volgen Befiën, die rijp wordende rood zijn, of gevlakt, met een wijnagtig bitter fap, walgelijk van fmaakj des men daar van tot een braaknfiddel gebruik kan maa- ken. De gewoone, met dubbelde Bloemen, zogenoemd,
heeft dezelyen balswijze vergaard, en daarom noemt men ze Sneeuwballen of Balroozen; in onze Provincie gemeenlijk Gelderfche-Roos , als gezegd is. Deze draagt geen Vrugt, en word alleenlijk tot verfiering der Tui- j nen, of wallen van Plantagiën, nagehouden. Men heeft ook met paarfche Bloemen daar van gezien. .Vaillant, dit Gewas befchrii vende, merkt aan, dat I
TouRNEFORT ten opzigt van de Bloemen, zo wel van I 't zelve 'als van de Laurier-Tinus en Viorne, hierin heeft j mis gehad, dat hjj dezelven ftelde doorboord te worden I van den top des Kelks,* daar de Buis, zegt hij, vanden I eijerftok (of de Stijl van het Vrugtbeginzel, gelijk wij | zeggen zouden,) zulks doet, dog dewijl die Kruidkenner j den geheelen Kelk nam voor het Vrngtbeginze!, hetwelk 1 dezelve ook weezentlijk is; (want hij blijft en maakt I niet het bekleedzel, maar een gedeelte van de Vrugt f uit,) zo is die aanmerking, inderdaad, van weinig be- lang. V' 8. Kamäafche-Viome ; Vihurnum canadenßs; Vibur'
num lantago ; (Vibumum foliis ferrulatis ovatis,, acU' minatis, glabris, petiolis marginatis. Linn. Sijfl- Nat-} In Kanada groeit deeze, volgens Kalm, welke de Takken, neerhangende heeft en dikke Bladen, die gla" zijn, met zeer kleine Tandjes, de Steekjes overlangs gezoomd. De End Knop is elsvormig, van onderen uit' zwellende. r |
|||||||||||
|
vijrvyiR.
», JZlein-bhdlge Viorne',, Ffbiiptuw cnsßnoides; Vt-
lurnum phUlyrece folio.pVRHm-J.rkr. U'p, 530. &ê" ïurnumfoliis ovatïs crenatis glabris,,.petielis eglandula- titcarinatis. Linn. Sijfl. Nat!}------■ Deeze insgelijks
afkomftig uit noord-Amerika, is een Boompje dat zeer
veel naar de Ca sßna gelijkt* ,. ; . '^ r r VIPERÂ, zie ADDER. , . ,.
VIPERA jEGIJPTIACA , zie EGIJPTISCHE-AD-
VIRGA AüREA, zie GULDENROEDE. ' :v
VIRGJNISCHS-ACAÇIA.zieBASTERD-ACACIA VIRGINISCHE BOERE-KERS , zie KERSSE (BOERE-), ». XIV."pag. 1482. ..;■;■ . VIRGINISCHE DIKBEK, zie KERNBIJTER, n.
V. pa^-1479- ..". ' m
VIRGINISCHE ESCHDOORN , zie ESCH-
DOORN,*». 3-6. pag. 670. ..'■.. , n ;
; VIRGINISCHE GUaJACANA , zie GüaJACA-
NA,n. 3- pag. 959- '.-:■■;.; râj
VIRGINISCHE HAAGROEKE, zie HAAGBOE-
KE, ». 3, £«£. 565. ; M ... ;.,,;
VIRGINISCHE HAAGDOORN, zie HAAG-
DOORN, ». 4. pag. 972. VIRGINISCHE JENEVER-BOOM , zie JENE-
VER-BOOM, ». V.paf.1285. , « VIRGINISGHE JOODEN-KERSSE, zie JODEN-'
KERSSE, » 4. pag. 1351,. . , . : -...- : ,.'■, VIRGINISCHE KASTANJE-BOOM , zie KAS-
TANJE-BOOM, », 3.'pag. 965,. VIRGINISCHE LAURIER,zie LAURIER-BOOM
(W1LDË-), ». 2.pag. 1778. VIRGINISCHE LEEUWENBLAD , zie LEEU.
WENBLAD, n. 3. pag. 1799. .., - VIRGINISCHE LELIE-NARCISSE, zie LELIE-
NARC1SSËN, m. 4. pag. 1802.: ,"., ' -.■ À VIRGINISCHE LISCH, zie LISCH,«. 15. 'p, 1851.
VIRGINISCHE LOTUS-BQÖM, zie LOTüS-
BOOM, n.^.pag, 1865 .'..".'' VIRGINISCHE XUPIjNE.Izie LUPIJNE ,, n. 7.
pOg. 1876.' ' rri"(l
VIRGINISCHE MAIJ-APPEL, zie MAIJ-APPEL,
«. 2. pag. 1984. '" ' "-< . ', ', VIRGINISCHE MOERBESIEN-BOOM , zie
MOERBESiEN-BOOM", ». 3. pag. 2162. -, . VIRGINISCHE MOL-, zie MOL. VIRGINISCHE. NAGTEGAAL ',.. zie KERNBIJ.
,TERS.; ,11. V.pa^.1479. ,':"- -■ - .- " f,
VIRGINISCHE- NAGTSCHAAIJE , zie PHIJTO-
VIRGINISCHE NIES-WORTEL , zie NIES-
WORTEL (ZWARTE-), ». 6. pag. 2295! VIRGINISCHE PATRIJS, zie PATRIJS, ».III. Pag. 2614. '. v*
VIRGINISCHE PHALANGIUM, zie EPHEME-
RUM. VIRGINISCHE PIMPERNOOT , zie PIJSTA.
CIE.BOOM (WILDE-), n. 3 pag, 2716. -, VIRGINISCHE POLIJGALA , zie SENEKA-
WORTEL. VIRGINISCHE POPULIER , zie POPULIER-
aOOM, ». 5. pag. 2815. - VIRGINISCHE REINETTE, zie REINETTE,«.
3' Pag. 2964. VIRGINISCHE ROOS, zie ROOSEBOOM, ».
3°- Vag. 3I©5>
|
|||||||||
|
VIR. VIS.
|
|||||||||
|
■ urn
|
|||||||||
|
r * VJRGINlSÇHE.SCHAARKRUID.zie SCHAAR-
, KRUID,«. 3.:p«â'-.324S-
..- VIRGINISCHE SORBENBOOM , zie SORBEN-
BOOM, «,5.^.3450. ,
VIRGINISCHE STARRE-KRUID,zie STARRE- KRUID, n 6. pag. 3525. .-,
., VIRGINISCHE SÜMACH, zie SUMACH, ». 8. pag- 3581. ; ,
. VIRGINSICBE TULP-BOOM. zie TULP-
BOOM, ». i.pag. 3719. "
;' VIRGINISCHE UIL, zie UILEN, ». III. pag. -3743-',:i.>'. ; ri'xki-d '.
VIRGINISCHE VIO&NE, zie VIORNE, n. 6.
kmWm....- , , .' ,m", /
VISCH, in 't latijh Piscis, j's een Waterdier van
, bloed voorzien, datgeftadig ,in het., wat er leeft, en ér ^zicli nimmer vrijwillig uit begeeft', 't w.elk van geen Voe- den is voorzien,,maar met Vinnen, toet Schubben, of ;met een glad én. effen Vel is bedekt, en zónder haair; die , of door de: lóngèh', oï door het bet werktuig vàn 't ge- ihoor adein fcbept, en die maar eene Maag heeft. Zie ICHTIJÖLOGIA en VISSCHEN-GESLAGT. VISCH-AREND', zie VALKEN, ». XXÏ.pag. 377?. VISCH-BÖOM, 'ih'tlatrjn Pücidia, is de naam vah ,e,en Planten-Geflagt, dat torkenmerken van onderfcbei- "ding heeft, een fpiife Stempel, en een Peul die aan vier zijden gevleugeld is. ten van, als volgt. -1. Kleine Viscliboom*, Tiscidia trijthrifia ; Coralarbor
'polijphilla, non fpïnofa, £ft. H. SLOAN.^am. ii\.3.Hiß. II. p. 39- ; PJeudo-Acacia filiquis alatis. Plusï, Spec. lp. Ichtijomethicafoliispitinatisoyatis &c. Brown. ¥am. 296; (Pïfcidïa foliolïs ovatis. Link. Sift. JSFat.) , Deeze .voorheen door Lïnnje.üs in het Geflagt der Kooraal' boomen begreepeh, voert deswegens den bijnaam van 'S* rijthrina. Slöake had hem genoemd veelblaädige m- gedoomde Koraalboom,, met Esfchenbooms-bladen, die xöné Peuldraagt, met bladrige Wieken als vaneene 'Water-Mc-'en- Het is de Baiïerd.Acacia met gevleu- gelde Peulen van Plumier, onder den naam van Rvbï- nia met takkige Steeitjes en gevliesde Peulen voorgefteld door den Hoogleeraar J.BuiiMÄNKus.Browne geeft, er den zeer gepasten griekfchen geflagtnaam Ichthijome^ tówaan, die daar van afgeleid is, dat zij de Visfche» dronken maakt, zo datdieaan de oppervlakte van 't wa- ter koomen en zich met de handen laaten griipen. Deeze uitwerking heeft men van gekneusde Bladen ea Takken in't Water te fmijten; dog dezelfde eigenfchap heerscht in verfcheide Amerikaanfche Plantgewasfen, welke doorgaans Barbasco genoemd Worden, als waaren zij met het Kruid, Verbafcum genoemd, overeenkom, ftig. Deswegen voert thans dit Geflagt den naam vaa Piscidia, en ik heb- het Fifchenboom getijteld. DeHeerjACQoiN, d{e hem op Jamaika doorgaansaaa
de gemeene wegen waarnaam, zegt dat het een regtop- ftaande, dog ongefchikte Boom is, van vijfentwintig vos* ten hoog, dien men gemakkelijk door zijne.gedaante V3n de anderen kan onderfcheiden. Zijne gevinde Bladen vallen jaarlijks af.-De Bloemen, die uit eene eenbladige Relit voortkoomen, zijn Vlinteragtig, en hebben tienMeeJ. draadjes. Zij koomen bij Trosfen voort, en hebben geen den minften reuk. ■ De Peulen, die platagtig zijn met vier zeer breede vliezige Wieken overlangs, bevatten in ééne holligheid veele niergelijkende Zaaden. De Engelfchen noemen deezen Boom 'Dogwoâ-Ttee* |
|||||||||
|
WUB*
hebben VôÔHgetitage, ' ' Sén gérchënk ïe' "dièrtraafrlerf opi
dat het önsgeêri zorg'baart dezelve op te voeden,; en 'maar weinig moeite'kost, hun te vangen. Niettemin ver. ftrekkën de Wateren vaft het gehéele Aardrijk, daar door, tot een onuitputbaar voorraadhuis of magazijn, van fpijze niet alleen, maar ook van 'ändere' behoef. ten.. ; :......... ._ . . ix i hf
fiJ3# bertaamirtg-van Vufitien is, oudtijds, 'totalleDiç<
ren, die.in.'t water of in.de zee leeven, uitgeftrekt ge- weest, Naderhand heeft men denzelven bepaald tot al. Ie èivemin&itdeotVatsrdiereni dog RArjnvas reeds van oor. deel, dat men dien nâmn:, oai'èigenïlij'k-te'fpreèkén, niet toepasfen moest dah opye zodanigçn,, die door Kieu- wen aderohaalen en maar eene holligheldhebben in 'tHart, Niettemin voegt hij> om de gewoone. maiflér te volgen, dé Wâlvisjchen en dergelljken, dfe Longen hebberi, ook onder de Fisfchen; hoewel .h"!j èrkeijf, dat dezèjven, behake de uitwendige gedaante,- de haairlooze Huid en het zwemmen, bijna niets gemeens met Visichérr heb- ben, kohlende voor 't overige met dé viervoetige Die« ren overeen. Met^ regt heeft LiHNfeus dan'dêezebe. trokken tot de afdeeling der z'öOgende^Dieren. Vfat de £rqakbeenige-VisJehen aanbelangt, ,dezelven, zijn daar door' niet à! ieen",;maa'r ook door hunne ongefcfiubde Huid , en zeldzaame ja monftreuze gedaante, maar wel inzon- " derhèid om- dat zijy in' plaats van Kieuwen, een 'zoort Van,Luchtgatenuitwendig hébben,, Van LxBWjE.üs tot de Dietef^van beidéfiéij Leven of tweedagtige, van devoor- gaande afdeeling, betrokken. ^- Van deeze beiden maakt de Heer Bftissoiy ieder éeh bijzonder Klasfe,, en Gao. >'ovrus betrektze, wederom, àltemaal onderde Vis- fehen,' ' ■ ■■ - ... ,, Wij.veiftaan door VUjchen zodartigé iVaterdieren, die ' met vrije Kieuwen, uitwendig zigtbaar , ademhaalen; die Vinnen hebben en met Schubben bekleed zijn; döj ■ met'gee.n Ledemaaten, Armen of Pooten, geen uitwen dige Teeldeelen, Obren 'nog Oogleden, voorzien. Het water, dat een element.is, waarbuiten zij, in 't alge- meen; niet, of niet lang, kunnen leeven, maakt een ander kenmerk uit. Zommigen huisvesten in de Zee, anderen in Meiren, dog veeleh beminnen de Rivieren, en komen daàr hunne Kuit fchieten, gelijk de Satmen; anderen gaan, ten dien einde, uit zoet water naar zee, gelijk de Aaien. Zommigen onthouden zich bij dé op- pervlakte;, anderen laag bijden grond; eenigen zwem- men fchoolswijze, anderen op zich zelf. Degefchubde-Fisfchenzïjn, in 'taigémeen, niet alleen
eetbaar, maar ook een gezonde fpijze; weshalve het eeten derzelve aan de Israëliten werd toegelaaten._ Op zommige plaatzen,. echter, fchijnenze nadeelfg tezijn. Het meeste deel der Visfehen van Visie de Providence, een der Babama-Eilanden, zegt zeker Schrijver, Lettrt aJ'AutJt. des Tranf. phil.dans lesColleiï. Académiques. Tom. IL p. 412. veroorzaakt zwaare pijnen in de ge- wrigten aan degenen die er van eeten; pijnen die eeni- gen tijd dutiren en op 't laatst eindigen met een jeukt van twee of drie dagen*. Onder Visfehen yan eén en de- zelfde zoort, gedaante en grootte, vind men er die ver- giftig zijn, en anderen die geen het minfte kwaad doen; Ook hebben de eerstgemelde de zelfde uitwerking niet, op allen die er van eeten. Ik heb niet vernomen, ge- tuigt dé Schrijver van dien brief, dat er iemand door ge- ftorven zij ; de Honden en Katten eeten doorgaans het overblljfzei zonder nadeel ; maar de Menfchen, dieet eens ongemak van gehad.hebben,, voelen hunne pu» |
||||||||
|
zegtStoANE, éïe aanmerkt, dar men mét dêft Ëast der
■Wortelen, tot Poeijergewreevén en in zakjes gedaan, ' door dezel ven in de Rivier te-Wasfchen* of ook, dóór al- leenlijk den gekneusden Bast daif in te fmijten i de'Vts- fchenop de gezegde manier dronken maakt; zijnde de- zelven niettemin zeer goedorri te eetên ên'getond.J'-"- ' a» Groote Visfchboom ; Pifcidia carthaginenfis ; PhaS' colis accedens Coral_ arbor polijphillos £fç. PcüRït. Alm. Ü93;. (Pifcidia f oliis ovatis. Jftcij. Amer. Htfl:it0..y B.ehalven het onderfcb.eid, der Vinblaadjes \ die haat het end niét ïpits'maar ftomp Jooperi , hoewel zij daar zom- tïjds een puntje hebhen, komt,deezezQOjt met dsvoor- gaande in gedaante overeenv dog valt: wel eens zo groot. . -----; Dezelve is bij Karthagern in de Bosfchen aan de
zeekust waargenoomen.' ' " '"
VISCHDOODER, is de naam van eëriüttlandréh
Heeftee of Boom;, dus genoemd, om'dât bet dehdèdà. . higheidbezie^in' hét water geworpen-zljpde.dö Vis- ~£chen té bedwelmen en. te doó'den ^eerie eigehfchap-dfe .het zélve.met eenige andere Planten gemeen'hééft.J De "laüjn'febé naani is Asfa, én 'dóór' de .afbeelding' ,die M') er Q$.Piaat R fig. i;van gééven,: blijkt het, dat d.è; Bla- den, gelijk de HéerRuMP.tjr.us in Aucp,fivß X<m- KH- Cap.XXX.p. 20. van de Aij-Asfa-Boom zegt, veel naar die van den zogénoemden Kanarij-Boom gelijken, éïi hoewel géén zeven duimen lang zijnde en ruim drie-.vitÏT- 'gerenbreed .gelijkhij dbnzëlveii befchrjjft,nogthanè ge- ..noegzaana die. zelfde proportie hebb^rï, zijnde , van'eén. lancetswïjs óvaale gedaante. ~ . "üit eenéh Kelk die vierbladig fcbi'jnt te zijn y dog."w.ààr 'Vànde Bladjéséeiîe zamenbégting hebben, orn het Voet* ftükv waar op. het Vnigtbeginzèl rust..-Déeze Kelk die men. met regt Perianthium mag noemen, bevat eéne grootë menigte, van. gekriodste Meeldraadjes, bijna on- telbaar; na gedagten' rnaakeh, dié omtrent tweehonderd ,uit, vah het Voetje ondel' hét Vrugtbeginzel voórtkoö- 'raeride,,. en daartusfchen Vëjtöonen zich deStljlen, zijn* "de vier in. getal, zittende ieder op eén GerÀiéh; zoals dit in de Kelk,. na het uitplukken van de Rl'eéMraadjés", een weinig vergroot zijfide, bij fig. "2. zich duidelijk openbaart. kander gegroeid, verbeeldende het balzakje van èe'n'm "Mi'i rijp zijnde donker geel, openendeïich meteen naad, .en dan hét eene beursje ledig zijnde,, het ander een kor» 'rel als een Bakelaar-Bobjitfe bevattende. DeezeBoom, zegt Rümphius, word tamelijk groot,
^endik, hebbende een hard Hout en een witagtige Schors^, met vuil graäuw gemengd, van eenfterkén vischagtigen "reuk. =- Hij groeit veelvuldig op hetftrand der Am- bónfche Eilanden. ^ Alen gebruikt meest daar van de Schors, die klein geftooten. en met aschvermengd, opde 'ftaande plaatzen Van Zeé-water, door overilrooming ver- oorzaakt, geftrooid wórd, oin deVisfchen daarintedoo- den,, ten einde dezelve gemakkelijk te kunnen; bekoo. men. ...... ' , , . ; ,..'
, VlSS.CHEDKRtJID:, zie RERSE (BÖERE-);. '
; VTSSCHEN, zie VlSCHVANGS'P: VlSSCHEN.GESLAGT: Onder de Dieren (zegt
de Heer Houttuin in ziin uitmuntende Natuurlijke His* toris 6f£ ) verdienen.deVisfehen hiet minderopmerking dan eenige anderen, in verfcheide opzigten. Hbe een- voudig ook hunne geftalte zij, voor 'toog; de manier, épi welke zij leeven en voortteeien, maakt de Wijsheid van. den Schepper openbaar, die hun niet: zo zeertot Vermaak,, als tot nuttigheid: van den Mensch fchi/nt ta |
||||||||
|
J
|
||||||||
|
l ' /
|
||||||||
|
'VïS.
|
|||||||||
|
tm
|
|||||||||
|
l'filkeDs.vertóeBwen.'^apwer.zIi erv^eftefij; fÉPCf
Jjet zelfs van 'd'à minst fchàdpMjken ware. D De Geneeskundigen, aiç.over 'de,natuurenhoeda-
nigheid dêt Visfchen, inzonderheid .van de geenen die op onze tafels komen, gefchreeven hebben, getuigen, dat dezelveri, in 't algemeen, voedzaamer zijnen gezon- der dan wortejen, kruiden.en, vtugtep ;,hoewel Fisch, ten dienopzigte, geenzinsin vergelijking komt bij vleesch. Niemand twijfelt, dat zij veel wateriger eojlijmiger zijn ; weshalve Hïppocrates den Fisch aanmerkt;>als een voedzel van weinig zelfftandigheid, Inditopzigt, echter, word! de Zee-Fisch beter.geagt dan die der Ri- vieren en die uit diep water overtreft den geenen, zejfs,,, die aan de ftranden gevangen word, Menwil dat;de Zee-Fisch, in 't verfche water, onfmaakelijk worde, niettegenstaande hij, daar in vetheid toeneemt, en zulks is, zekerlijk, ten opzigt van de Salmen waar. Onder», tusfchen overtreft de Riyier-Fisch, groptelijks, diendet Meiren en fta.ande wateren; gelijk wij dit in de Baars. zien, die in zommige Meiren een grondige koleur en fmaak aanneemt,. De. Karper, wederom, wil in, de Mei- ren ,en modderige flopten weggevangen zijn-, De ForeU len, welker lekkerheid alles te'bovem gaat > vind men nergens dan in Bëeken en Rivieren* De lekkerheid, ondertusfehen, is juist het-tekenniet
van de gezondheid of verteerbaarheid der Visfchen. Aan dit laatfte kan, bovendien, ten goede of tenkwaade, door de bereidingveel worden toegebragt. :Hetzouten, droogen en rooken» maakt den Fisch niet alleen duur- zaam, maar bekwaam tot fpijze voor Arbeidsltiiden-ert Menfchen die zich fterk be weegen * in wier Lighaarn de, verjche-FiscJt te fchielijk verteert en, verrot. Dit iaat« ile vorderd, in allerlei geftellen, dat men denzelven met een bekwaame veelheid- van zout köoke; 'Door 'x braaden aan 't: fpit, of op den rooster, word de hoëda-, nigheid van den Fisçh zeer verbeterd, gelijk ook; door, 't bakken in de pan; ;hoewei de- ftfirke roosting van boter, of olie,, waar inmen ze bakt 5 een.-onbekomelijkheid, te weeg brengt voorizwakke fnâagen; indien men geen. azijn, limoenfap, of dergelijke zuure dingen «n tOefpij« zen, tot temperfng gebruikt,- Eerst gebraden,, dan ge- ftoofd en met fpécerijën toegemaakt, kan men'vanden. Visch, gerechten laatënbereiden, die in gezondheidniet alleen, maar ook in lekkerheid uitmunten. DenKilöos. terlingen enanderen, in de Roomfche»Landen, iszulkSi zeer gewoon, : - :; »bofrtS ■■::■ ,.: '. -■. ■'' ,, Schoon men, in 't algemeen.de.Mannetjes meest agt van
wegen de Hom, zijn dog de Kuiters, naar zommiger oor- deel, lekkerer van Fisch. Niets gaat, hief te Lände, ho ven Speenbaars. Een Engelsman heeft, voor eenige.jaa- ren, het middçl uitgevonden om den Visch,.het gehee- le jaar door, die zelfde hoedanigheid by te zetten-, en oenzelven altoos gevoed en eetbaar te maaken. De Heer Füll, van wien deeze uitvinding is, heeft zulks iri 't, werk gefield, zo wel op Hommers als op Kuiteis, en. merkt aan, dat de beste tijd, daar toe, eenige weet, ken na de zaadfchieting zij. Hü maakte den Fisch een °Pening in de Buik, en fneed de Zaad vaten voorzigtig wor, näaijende vervolgens de uitwendige wond met zij- de weder toe, en laatende den Fisch.dan zwemmen, fierst had hij zulks in 't werk gefield , om de groo. e vermenigvuldiging in zijne Vijvers voor te komen... Ditbrengrmü, thans, tot het onderzoek van.de Mart».
"J i der v^fchen; een zaak, welke de Heer Lin- h«us als nog duister aanmerkt. Het algemeen gevoe- |
|||||||||
|
-len,fis geyefsf»: da*:«?', in #g■Vi&'hvn gesne paaring,
.of lighaamelijfce. vermenging van de beide Sexen, plaatf had; dog deoiidervindirig van den gemelden Engelsen njan toont hetitegendeeL Ook zou er.eenrweezentlijke Coïtus,, en uitwendige .Teeldeelen, in de Sümen zijn waargenomen ; waar uit men befluit, dat de Eijertjes der« zely,en be.vr.ugt woelen ..terwijl zij nogin 's Moeders Lig« haam zijn,,. Zie hier,. wat de Heer de Buffom dien aan- gaande -zegge,; -.. .. ' ■ . , De Mannetjes Visfchen naderen het Wijfje, ter» tijde vanhetKuitfchieten: het fchiint zelfs datzij zicht ,-, Buik tegen Buik wrijven\ want het Mannetje keert ,, zich, zointijds, op de Rug, om den Buik van het Wijf- ,, je te ontmoeten; dog niettemin heeft er geene kop« pel ing plaats, dewijl hetnoodig Lid daar toe hun ont« ,.v breekt, en jj wanneer de Mannetjes Visfchen het Wijf« ,i, je zodanig naderen, gefchied zulks niet, dan tot Hit« ,-, ipreiding van;het Vogt, t welk in hunne,Hommen, vervat ware, op, de Eijeren van Kuit, die het Wijf- ■ je dan laat loopen. Hetfchijnen de Eijeren te zijn, i, die hun aantrekken, meer dan het Wijfje; want, ,, indien hetzelve ophoud jnet Kuit fchieten, laat het Manöetje haar: vaaren, en volgt driftig de Eijeren, die doorden ftroom weggevoerd of door den wind ver- ,, :ftrooid worden, Men-ziet hem honderdmaal heer» .en .weer I gaan ■,■ op alle plaatzen, daar Eijeren zijn; 't is zekerlijk niet uit minnedrift jegens het.WiJfje," dat hij zich alle die bëivéegingën geeft;'t istevefwon- ^xjeren zelfs, dat hij baar dikwils niet eens kenne,; ,f, Want men ziet hem zijn Vogt uitfpreiden over alle Eije- ren die^hem. voorkomen, en dikwils voor dat hij het ,, Wijfje ontmoet heeft." Biß.-Natur, gen. & partie* S.edit. a Paris inoSavo. Tom. III. p. 461. -: Z'.e daareenzeeraanmerkelijkverfchil ; tusfchen waar- neemingen en waarneemingen. Terwijl.ook de Autheur van het zoevengedagte vertoog verzekert, dat de Sah men niet alleen een Vulva, maar de Hommers zelfs eerj Fenis:hebben,'die;: door drukking op den Buik, dris agtfte dufrns lang uitkomt, en waar de JHom dan uitloopt, ^ zbgt: de ! Heer Lïnnjeus , aangaande de Visfchen in 't algemeen, dat hün zo wel de Vulva als de Penis ontbreekt. Tot opheldering van het geheele ftuk der Voortteeting, in deeze Schepzelen, zal ik hier, derhalve, deverftan. dige én naauwkéurige aanmerkingen van den HeerSTEV tERUs, uit .de Verhandelingen der Petersburgfche Aka« demie, mededeelen. zie^Vov. Comment. Acai. Sc. Petro* pol. Tom. III. Ann. 1753.,p.^^405. . : ïsffl . ;,, Van sMeWalvisch-aartigeenKraakbeenïge'Fisfchen, die een leevend Jong zonder Eij, of in een Eij befloo, ten, voortbrengen , hebben de Mannetjes de Werk. tuigen tot Voortteeling uitwendig blijkbaar, en hun Lighaam is tot de Paaring gefchikt, Hunne Koppeling gefchied zodaniger wijze, dat het Wijfje agterover, op de Rug legge, en het Mannetje,, welk haar komt dekken, in dat onvaste Element des Waters, met de Vinnen vange ; terwijl de aanhangzels bij de Schaam» deelen, of de breede en van boven rirawe geftalte«. ,, of ook het ondereen ftrengelen der Staarten, gelijk irt. de breede Kraakbeënige, een beletzel is voor't afglip. pen. Degenen, die Graatig enKraakbeenigzijn, ea Kuit fchieten, hebben wel Eijerftokken en Zaadblaâs. ,, jes, dog alle uitwendige deelen der Voortteeling ont. breeken hun. Daar, nu, alle Dieren door eenige aandoening van
wellust tot de Paaring, en bijgevolg tot voortplan«
Pb ., ting
|
|||||||||
|
,51 vig,
% ting en"3âîmed;i\e%èèièn, dal; de Wijfjes'"^éer gre*
, tig zijn, omdë Hom in teflokkèn.mét den B.èk. ßi vendién heb tk waargenomen, dat de Mannetjes pok de<Kuit eètenJ 't Is er vér vin daan.,' dat ik dit als een gevolg zou aanmerken van 't onderlinge Minne- . fpel.. Veeleer vermoed ik, dat hier door dé prikke- 1, ling vergroot en-het- Zaad vloeibaarer -gemaakt wof- i,-de; want ik heb nog geen Buis kunnen vinden, die ,y vän de Keelnaar denEijbritok loopt, anders dan der* ,, 'Stam "vari'dé-'neergaande'Hart-Slagader.■ '' t.,, Maar, :op welk : een wijze" gefcbled dè Paaring en ;, Bèvrugting? Aniw. 1.' Door hèt t-e'gen'elkander aan« f} wrijven van de'nBüik Iokt'-dé'ëérie;het Zaad vàn den ,', ander :uïc:- =*. De-Knie wiord door èefproeijing mét de ,v Hom bevrügr. 31 De Wijfjes maakèn met de-Buik- ,y vinnen -éenkuil ■,» en-fchieten-de-Kuttdaar-in-, om met fand, door middel van 't'water, bedekt te worden ; ,V ja de-5a/?h;ktéz'enfieenen uit; en maaken zich daar ,;,: onder--holen. '.. Heü Mannetje en Wijfje gaan zamen ,j, !de Rivieren bp;: tot- dat 'zij'van Zaad uitgeput zijn, ,',' 'fchieteB'dë HöHi én Kuit op ver fehéidê plaatzen:; waar i,r-ihi'tie NaKwr-haare zorg-doel'blijkên',; voördévérme« /, nigvijldigtog,} Oök^fchijnt de Schepper,' door een bij- zonderen tijd, van-'Cöpfwemmen'der'Rivieren, ge- ;, ^cliöst-t-eJrjéb&in'voor bijzón'dareïz-oorten'votn daar door te verhoeden, dat er eene: verwarring in de Voort- fl teeling erlogt ontftaan^) Ii3'diën;'er'vbrfébeide zoorten- ii-teigelijk in:Dpg'aan^-z#*)^er,bewaarders van'de Eiie- ;}#eni> eri.'geleideVs.van(deJö»gen bi:deherfst; "Dé'Sal ,,-med, ih ondiepe,Rivieren:géföhooten'hebbende,:fter- f,i ven datzelfde jaar,*! -in diepe ffiroomen léeven zij nog j,1 een" jaar ;.''maar;: eenmaal uitgeput zijnde, tëelen-zij ;? niet:meer voott. ■ Anders beftaat het met de zaak in 'j, "4&-ÏL>utitigent'en andere 'opzwefrffiïen'de Fisfchen, ,-/ die de Eijeren .zeer klein hebbén. 3'Hoe meer God de Visfehen," tot voedzel en voor.' ,V deel van zommige Landen, heeft :willen doen die- ,ynèn; zo.veel meer Fisfchen daar tóe bekwaam, die * groote Kuiten en de Eijeren^groot van korrel hebben! f\ 'heeft zijne Almagt1 gegeeven. De ^/mffTx'zijn.daar- ,y om nergens, opden geheelen Aardkloot, menigvuldi- ger, dan' in het Rusfifche Rijk, en komen in het zel- ,V've meestvoor'opdie:plaatzen, daar het'Äärdrijk elen- digst en armst is.. In 't Land vari Kamtfchatka-, alwaar, ,-, van- wegen :deloudeen menigte van Xneeüw, geenBee- ,, ften gehouden, geen Brood nog Moeskruid, veel min ,, Boomvrugten",.geteeld.'kumien-wbrden, is Fisch bij- ,-,, na de eenigfteiSpijzeyiï',' fiï.i De Eijerftokken der Fisfchen zijn van zeer groot ge-
bruik; bij voorbeeld die der Salmen, 'twelk devoor- ,, naamfte leeftogt in die Gewellen is. Hoe grootèr- de Kuit gekorreld'zij en 'hoe voédzïamer , zo vee! meer . voed ook de Fisch; Hoe grooter Eijeren, hoe fchie- ,, lijker ,vcriiifinigvuldiging;Mdit.ziët'nien:in de Forellen. De Hom!én Kuit groeijen aan,' naar dat'de'Fisch-in ,, grootte toeneemt, en .krijgen hunnen'toevoer,''te-' ,i vens, van: Iden neerdäalende- ftam:der"Hart-Slagader;- :'t welk '\nde.Knbeljaaneen zeer duidelijk waar teneé- men i>.. Het Forellen-Geflapt heeft groote Eueren en- de'Wijfjes-fchieten eens in haar leven , vervolgens, van Kuit uitgeput zijnde, fterven 'zij. In de: overigen, .die langer leeven., is de Kuit: kleiner gekorreld en- 'word' nooit uitgeput.;,; maar groeit: zomwijlen w.èdef' :aan".:. -,:[ .7 ,* .- - :. ■ k&&\ ito ;; J-'; - .Uit desze. Waarnéemingen, dis ik , niejjtegenftaan is
de
|
|||||
|
,, ting van htm Ras, worden'gedrongen}' zöü dan de
ü Natuur dit vermaak, deeze Fisfchen alleen, ohttijok- ken hebben? Geenszins. Dat zij, fcboon een zeer i, langen tijd niet paarende, evenwel een duürzaame aan- doeningvan wellust hebben, bewijz' ik door het vol- gende. i. De Mannetjes hebben veel grooter over- vloed van Zaad en de Wijfjes meer Eijeren-» dan de >» Fisfchen die leeVende Jongen baaren. Zommigenftor- ten dit alles uit, en worden , na bet fchieton y ledig van Hom gevonderi. '2.'Hun'vermaak is za groot, dat de Salinen geen voedzel in't geheel gebruiken, en de ij ondiepe plaatzen zoeken:, om doorgeduurige wrijving- zich van hun zaad te ontlasten ,tot datzij ,doer.gebrek- van voedzel en wellust uitgeput, geheet vermagerd i, fterven. 3, Van de Fisfchen, die in de laate herfst ^itaunne Kuit fchieten., worden .des wintersnte: Wijfjes- j, alleen,van Zaad ontbloot gevangen. De Mannetjes en Wijfjes, beiden, begeeveir.zich tegen den winter naar ,-, ."diep: water, en worden niet'alleen door,weinigbewee- t, ging en ftaap vet", maar herftellen oök',■ clóot>ónder-: i, ling bijflaapeh , bun Zaad, orn zich inde h.aïfst wëders j, naa* den Oever en ondiepe plaatzen of Zandbanken, '$g in 'Zee, te begeeven. Wegens de fchietingvanïHorn en- Hj, Kuit xvorden zommige ook gevangen; en teelén:, ge^
jj-lijk ik in'def'Kabeljaauwen-;w:aargenomen heb, in't i, voorjaar voort, verfchuilende zich 1 in de fomer:en! sherfst.: :; ... -. - ■ -■ 3iu .:> ;-! v...:'i\ \ Y ,t n<g Terwijl, nu,, de Zaadblaasjes en EijéritokkenJza-. i,!'danig gezwollen zijn, dat er nieismeer-ih'kan^i-lieri jfjftiitèb zij , dooreet overfcbar vari voedzelv ;hun h; vleesch. en fpiereri. Dit gcfchiedzijnde, begint het Zäqd te .vlqeijen, word. dunner, prikkelrde Uitwerp-s M, "buisjes in. de Navel', en maakt aldaar "een jëuking, die ; de Visfehen uit de 'diepte naar de "ondiepte lokt orii de wellust der Voortteélingte genieten. Evenwel heeft },j de milde Natuur gemaakt ;i dat zij.,. tegen de gewoon- fffl66? van andere Dieren, op deezen tijd:,, deeenigfte, wanneer zij gevangen kunnen worden.,: wel gevoed en fmaakelijk zijn. .., ,:.-.:,::.■ ; ;ub afljsE . ,-, Dat de Sluitfpiervan.de Navel der Fisfchen 'doorde
uïtvloeijing van het Zaad geprikkeld worde, blijkt f,, niet alleen uit de zwelling van dat Lighaamsdeel, maar ti ook uit een zekere gisting en fcherpbeid y ten minügn uit de zeer bederflijke natuur van-de Kuit en Hom. De Kuit, fchoon.op het,zorgvuldigile gezouten ofge* Jr droogd, .kan: niet lang bewaard worden, 1 of zij word garftig. Dat er een zwavelagtigheidinzij,rblijkt;da'ar uit, dat de Verfche Kuit der Zee-Fisfchen bij nagt licht geeft, gelijk de Phosphorits, 't welk onder het droogen allengs overgaat. Oqk is dit waarfchijnlijk, j.,, doordien de Hom der Salmen, bij fomer, in het Land van Kamtfchatka, raauw gegeeten zijnde, buikloop, verwekt, gekookt zijnde weeklijvig maakt. Inde. ,ywarme Landftreeken ontftaat, uit het eeten van< de. ,',; Hom .of Kuit der- Snbneh-, een-gevaarlijke.rooloop ,. die dikwils doodelijk Is, gelijk de Kalmukkenmij'beT7 . rigt hebben.*. De Itaelmani derhalve, hoewel zij. naar de.Kuit van Salm, gekookt, zeer graag zijn, dur-, , ven die echter, fchoon gedroogd zijnde; niet raauw,. en de Hom in 't geheel nieteeten, ,nng:raauw nog ge?. kookt, vreezende daar door tor bijflaapen onmagtig, .. te worden, en .nietzpn.der.reden, dewijl een fterke.- afgang weinig daar toe aanmoedigt. rtfd ■ ■ 9>id « 't,-.Gene da.- wijdver-maardeiLrNN.us in de K'aft>e?s ji,, waargenpmen. heeft.,.;dit-. befpieurde,ik;o9kjo.de.ÄflM? |
|||||
|
VIS.
|
VIS. 387»
|
||||||||
|
hij oordeelde, niet op een tijd kunnen 'doen'. Zendbrie:
ven. II. Vervolg bladz. 257. De magerheid, ondertus- fchen, fchijnt wel het tegendeel aan te duiden.. Deeze iaatfte Autheur was van verbeelding, dat da
Visfchen nooit van ouderdom (terven. Zij zijn, in- derdaad, veele toevallen onderhevig in hun Element. Behalve de lucht, welke zij zo wel noodig hebben, als de Vogelen en Landdieren, brengt de kwaade ge- fteldheid van den Dampkring hun zomtijds om 't Le- ven. Het eerfte blijkt in het fterven van de Visfchen onder't ijs, dat in kleineMeirtjes, Vijvers en ilooten, zo dikwils gebeurt, indien men hun, door bijten te maaken,geen lucht geeft. Verwonderlijk is het te zien, hoede Visfchen zich, fchoolswijze, derwaards vervoe- gen, om dien levens-adem in te haaien. Evenweiheeft dit geen plaats dan met zeer dik. ijs. Van het ande- re zag men een aanmerkelijk voorbeeld in den jaare 1759, toen de wateren, door de zwaare hitte en droog- te, in de maand'julij, dermaate befmet werden, zo't fchijnt; dat men, door ons geheele Land, een menigte Visch op 't water dood zag drijven. De Karper, Snoek, Baars en Voorn, niet alleen, maar zelfs de Paaling, had er aandoening van; bij 't openen werden de Ingewanden bedorven en vol Wormen gevonden. Nederl. jaarboeken van 1759, bladz. 789 j 79.0. '. ... Hier uit blijkt dan, dat die langleevendheid der Vis-
fchen toe te fchrijven zij aan hunne befchutting door 'p Element, waar zij in leeven, voor de aandoeninge van de lucht; gelijk de Heer de Bupfon zichverbeeld.-Dat hunne Beenderen altoos van gelijke hardheid blijven, kaner wel een gevolg, dog geen oorzaak van zijn. Zijn Ed. merkt aan, dat men den ouderdom-der Visfchen, eenigermaate, ontdekkenkàn, doormeteen Mikroskoop te onderzoeken, uit boe veel blaadjes hunne Schubben zamengeCteld zim. De Graaf van Maure pas , zegt bij, had in de Graften van zijn Slot, te Pontchartrain, Karpers, welke men met zekerheid wist, ten minft'e,, honderd, en' vijftig jaaren oud te zijn. 'Hifi. Naturelle G ener, T. III.. p.. 557.. -, - Omtrent den ouderdom der Forellen of Forelagtige-Vis-
fchen, vind ik de volgende Waarneemingen vanden ga- meiden Steleerus. r. Uit hoe meer plaatjes de Vlie- ,-, zen die de Kieuwen dekken beftaan, zo veel grooter i, word de Visch. Indien er derhalve veelen veertien, zestien, agtien of twintig hebben, kan men daaruit ligtelijk befluiten, dat de Visch jong zij. 2. .Hoe dik- ker en korter de voorfte Beentjes der Rugviniien, en . der Vinnen agter de Navel zijn, zo veel grooter word de Visch ; indien deeze Beentjes niet-naauwkeurig-ge«- ;,. teld-nog gezien kunnen.worden, voor dat de Visch gekookt is, dan blijkt het, dat de Fisch jong zij. 3. Hoe meer Bijhangzels er zijn, en hoe langer zich de^ zelven voorbij den uitgang van de Rubmitftrekken, zo veel grooter word de Fisch, ten zij dezelve zeer klein" zij. De reden is, dat er zo veel meer ruimte word véreischt, om 't yoedzel van een groot Lighaam - te bevatten.. 4, Hoe grooter het getal der Wervel, beenderen is, zoveelgrooter word de Visch. Indien hij er veelen heeft, die klein zijn. is-dit een teken',. dat de Visch nog zeer jong zij. Dus is, in de Jon, gen; ook de zamenbang kleiner van de bovenfteen grooter die van de onderde Wervelen, en .dévaste ,,. Uitftèkken gaan er gemakkelijk af. Die zelfde Heer heeft er nog deeze keurige aanroer.
kingen,,01ntreDt.de Visfchen, bijgevoegd; Hij vraagt.:
E ï "1.
|
|||||||||
|
Je'duhierheid, welke daar in op zommigeptaatzen, er-
kend word te zijn, getragt heb te vertolken ; ziet men dat de Heer Steller zo min de bevrugting binnen het Lighaam,: als uitwendige Teeldeelen in de Visfchen er- kend; welk beide, niettemin, in de Salmen, door Dr. Grant was waargenomen. En dewijl Setller ook toe- ftaat, dat de Fisch een kuil ma^akt in het fand, Om haar Kuit in te fchieten, ten einde dïe bedekt worde; zo vraag ik , of dit geen vrugtelooze arbeid, zo zeldzaam in de Natuur; janadeelig aan de Vermenigvuldiging zon zijn, indien er tevens niet zulk een Paaring onder 't fchie- ten plaats had, als Dr.-Grant befchrijft. Is 't ook niet waarfebijnlijR, dat deEijeren van de Kuit, die dus, door onderlinge wrijving der Buiken, bevrugt worden, in de Kuil blijven en bedekt worden, teruitbroeijing; ter- wijl het Mannetje de overigen, die weg drijven, na- zwemt, en, zo veel mooglijk is, inflokt, als een nut- teloos voortbrengzel ? Ongelijk waarfcbijnlijker dunkt Hiij, is dit, dan dat de Wijfjes de Hom, eenige dagen eer zij Kuit fchooten, in, den Bek.ontvangen zouden; gelijk L.INN.US in de Snoek, Baars, Karper, waarge- nomen had. Du Verne y heeft reeds aangemerkt, dat de Wijfjes "der.. Visfchen haar Kuit niet fchieten dan na de Paaring, welke, zegt hij, oogenblikkelljk gefthied. Oeuvres Anatomiques. tont. Jl.pag. 55,0. ' De Heer Pöntoppidans merkt insgelijks aan, dat, wanneer de-Kuiters'-, onderde Salmen, vaardig zijn om Kuit te fchieten , de Hommers daar bij .komen, en hun- ne Hom daarover laàten loopen; terwijl zij beiden zich zeer krom buigen, 't welk het Zaad uitperst. De mees- te Zoorten. van Visfchen, zegt-hij,. dié van Kuit vqort- teeleri, komen; jaarlijks hier onder *t Land; waarfchijn- lijk tot geen ander einde, dan om,,in de fiitle Inham- men van de Zee, met veiligheid voortteteelen. De Ondervinding, .naamelijk leert, dat zij vol en dik der- waards komen, dbg dun en ondedigdweer vertrekken"; ja, 't is aanmerkelijk, dat zij, tegen den terugtogt, ee- nige kleine fteenen inflokken, die men in dpRob vind-, als tot ballast in plaats van het gefebooten Zaad.. Als de Visfchers. zulke Steentjes vinden in den Buik der Vis- fchen, zo oordeelen zij, dat dezelven zich tot hun ver trek gereed maaken, en volgenze derhalve,, met hunne Netten,,eenige mijlen verder, en op de-groote. Zand- banken naa. Napurl. Hifi, von Norwegen. LI. Th. bl. ips.. Aantek. i.u ■- ■ - f ■De mismaaktheid, die men in veele andere Dieren
vind, gelijk dat zij twee Koppen of twee Staarten heb- ben , en wat men al meer aan de kragt der Inbeeldi-nge in.de Vrouwelijke- Sexe toe mag fchrijven; heeftzeer zeldzaam,in de Visfchen plaats, 'i Daar zijn er evenwel, tegen gewoonte gevlakt,,of met febeeve Staarten, en aanzegt 'men, dat de Visch gefchrikt heeft. Hetgemee. »e. Spreekwoord', zo gezond.als een Visch, fchijnt toe- gepast te kunnen word'en op de gefteldheid der Ingewan- den , welke naatfwlijks ooit, in levendige Visfchen, feilt. Men vind-echter de Lever wel met Wormen-bezet,- en ZDmmigen zijn. met den Lintworm zeer geplaagd. Men ontmoet er ook , tlie oogfchiinlijk-kwijnen . 't gene Wi van een ervaren Vischvrouw verzekerd is-plaats te nebben jn die Kabeljaauwen, daar zowel Hom als Kuit tf> is, van Dr. Baster waargenomen en afgebeeld. Na- wurk.Hïtfpannfogen. F. Deel Hßdz: 257. Leeuwenhoek-, Wien iets dergelijks voorgekomen is, (getuigt deze Heer,) ï'as van gedagten-, dat die Kaleijaanwen- het eene jaar «oma het. andere. Kuit fchieten ;.. alzo zij hét-béide,., zo |
|||||||||
|
vis.
terwijl een ander* met twee hoosvaten, bij voorbeeld *
in plaats van riemen, dezelve voortzpuwillenfcheppen.' Niemand zal twijfelen, wat meest doen zou tot den voortgang. Ook heeft Borelli aangetoond, dat de Fisfchen hun zwaarbeids-middelpunt niet, gelijk de Voge- len, om laag, maar boven het middelpunt van hunrie figuur, en dus inde Rug hebben. Derhalve zijn de Borst« vinnen hun, als Vleugels, noodig om zich op te heffen en in postuur te houden; terwijl de Buikvinnen hun als Pooten dienen om op te rusten en de Aarsvinnen met de Rugvinnen tot hun beftuur, zo Linnjeus aanmerkt. Ik geloof, echter, dat alle die Vinnen elkander, zowel in't zwemmen, als in'tomdraaljen, en inzonderheid in zich fchielijk tegen te houden in hunne vaart, tot behulp ftrekken. In de Platvisjchen, die dun en breed van Lijf, en aan den geheelen omtrek van hetzelve gevind, ja als gevlerkt of gevleugeld zijn , gelijk de Rochen; heb- bende de Staart zeer dun; kan men klaar zien, dat de Vlerken tot zwemmen dienen en de Staart tot beftuur. Daar de Haaijen in tegendeel, hoe zeer ook gevind, een duidelijk blijk geevenvan de kragt, die er plaats heeft in de Staart der Fisjchen van dergelijke figuur. Het voornaamfte, dat de Fisjchen in 't Zwemmen be-
hulpzaam is, is dat zij nagenoeg van de zelfde zwaarwig- tigheid zijn, als het water, en tevens, dat zij zich ligter en zwaarder kunnen maaken, naar welgevallen. Hier toe dienen hun de Luchtblaasjes, die in de meeste Kraak- beenige Fisjchen, uitgenomen de Steur, en in deWal- visjchen, wel; dog onder de Gejchubde of zogenaamde Graat Visjchen zelden,dan in de Schol, Both, Tong en dergelijke Platvisjchen, ontbreeken. Cardanus heeft het derhalve zeer mis, wanneer hij fchrijft, dat dit Blaas-, je in de Aaien niet, maar in de overige Fisjchen al ge- vonden worde. - .<■■< -, Artedi fpreekt omftandig van de verfchillendheid ,<
die daar omtrent iri de Fisjchen plaatsheeft. Zommigen hebben heténkeld, gelijk wij dit zien in de Snoek, Baars, Kabeljaauw, Salmen veele anderen; in eenigen is dit Blaasje, als't ware, dubbeld, of weezentlijk verdeeld in twee holligheden, van welken de agterfte degrootfte is; en wel overdwars, gelijk in de Karpers; of over- langs, gelijk in de Meirval. In eenigen, als inde Kar- pers, BaaiJen, Snoeken, Kabeljaauw , Salin, Steur; ftrekt het zich door den geheelen Buik, van het Mid- delrift tot de Navel uit; in anderen word het door een Vlies van den Buik afgefcheiden.. Men vind het zom- tijds vrij geplaatst; zomtijdsis het over degeheelelang- te aan de Ruggegraat gehegt; als in de Salinen, Snoe' ken, Baarjen, enz. In alle Fisjchen, die hetzelve heb- ben , is een kanaal, of luchtbuis, die, van de Rob of derzelver mond afkomftig, in de enkele Blaasjes aan derzelver end of midden; iri de dubbele aan de laagite Kwab haare inplanting heeft ; gelijk in de Karpers, Braa- Jems, Foornen en dergel ijken. 't Gebruik van dit Kanaal is de lucht in- en uit te Iaa-
ten ; van 't Luchtblaasje dezelve in te houden ; door welk middel het gefchied, dat de Fisjchen, welker zelfftan- digheid zwaarder is dan die van 't water, zich daar me- de evenwigtig of ook ligter kunnen maaken, en dus tot de oppervlakte opftijgen. Wij zien, naamelijk, dat de Platvisjchen, Oesters, en dergelijkeSchulpvisjchen, wien dit Blaasje ontbreekt, zulks niet kunnen doen. Indien men 't zelve met een fpeld of ander werktuig kwetst of fcheurt, is.de Visch daar ook onmagtig toe. BorelU verhaalt, dat hij, op de proef ondervindelijke Akade- |
||||||
|
9880 . VIS.
,i t. Of den 'Làmpreij'en en Stoppelruinen de zijdftreèp
ontbreeke en waarom? Misfchien hebben zij de Spie- ren fpiraai, of de Wervelen zijn zonder Graaten en Uitftekken. 2. Of de Kraakbeenige, die Kuit fchie- i, ten; gelijk de Steur, geen zijdftreep hebben, dewijl zij mét de voorgaande overeenkomen? 3. Ofdelaatst- gemelde de Neusgaten dubbeld hebben, om dat zij, boven de Oogen, met Gehoorgaten zijn voorzien ? Anders zal het zeer zeker zijn, dat de Neusgaten der Visjchen zo wel Werktuigen zijn van 't Gehoor als van de Reuk. 4 Staat te onderzoeken , wat van een levendigen Fisch worde, indien mener.eermen hem in 't water doe, al het (lijm afftrijke met warm water. 5. 't Is zeker, dat de Fisjchen van fmaak niet onbedeeld zijn, dewijl zij het eene Aas boven 't an- dere verkiezen, en zommig in 't geheel niet hebben ,, willen. 6. Dat hun Vernuft niet klein zij, blijkt uit de Salmen, die in 't land van Kamtfchatka onderzoe« ken, op'welke plaatzing de fchutting laagst zij, om ,;i er te kunnen overfpringen, en, als er een is över- «i gefprongen, word hij gevolgd van alle de overigen; ja, zo zij er niet kunnen overfpringen, van wegen de hoogte der fchutting, dan durven zij gaten booren ,, onder dezelve, en indien erzulk een opening is ge- maakt, zal niet een Visch misfen in dezelve te vinden. Ik gaa nu over tot de algemeenfte Eigenfchap der Fis-
Jchen.het Zwemmen naamelijk. VeeleViervoetige-en Kruipende-Dieren, ja de Menfcben, en eenige Voge- len zelfs, kunnen dit ook doen; dog de Fisjchen z\\n er, veruit, de baas en leermeesters in. Hun Lighaam bevind zich, door de Natuur, daar roe bekwaam gemaakt en als tot Zwemmen gefchapen. Men befpeurt, im- mers', dat die Schuiten en Schepen fnelst zeilen kun- hen, welker hol gefatzoeneerei is als een Visch. Ten änderen zijn zij voorzien met de noodige Werktuigen, Roer en Riemen, die hun in ftaat ftellen, om tegen een fterken Stroom op te zwemmen. Veelen verbeelden zich', dat de Vinnen der Visjchen
de Riemen, en de Staart het Roerzij; dog dit denkbeeld is valsch. De Borstvinnen, die dan eigentlijk de Rie- men zouden moeten zijn, komen klaarblijkelijk veel te ( kort en zwak voor, om de Visjchen die flerke bewee- gingen te doen maaken, welke in het voorfchieten, plaats
hebben. Zij gebruiken , buiten twijfel , daar toe de Staart, in welke ongelijk meer kragt is. Dus zien wij, dat de Prikken en Aaien, die naauwlijks Vinnen heb- ben ; ja de Slangen, die er geen hebben ; evenwel fnel voortkomen in het water. Wij zien ook de Visjchen, Onder 't Zwemmen, hunne Staart geduurig beweegen , inzonderheid de Staartvin, en de noodzaaklijkheid daar van, tot het Zwemmen, neem ik duidelijk wâar in Visch- jes, wien ik de Staartvin heb afgeknipt. Zulk een Fisch- je maakt met het ftompje zo veel te grooter beweeging en zwemt zeer fober ; terwijl een Fischje, daar ik de Borstvinnen heb afgefneeden, naauwlijks minder fnel voortkomt ; dog het waggelt, valt overzijde en heeft geen beftuur. Dikwils ook zie ik, dat een Fischje, in 't Water ftil (taande, niettemin de Borstvinrien geduurig beweegt, gaande zelfs, onder die beweeging, en als door dezelve, agter uit. Uit hoofde van dit alles fchroom ik niet, met den ver-
maarden Borelli , te verzekeren ; dat de Staart, inde Visjchen, het Werktuig van Zwemmen zij. Men moet 'zien deeze Schepzels voordellen als een Schuit, die met een lange fterke Riem, op 't Agterfte ven, gewrikt word , |
||||||
|
VIS» . 388ï
|
|||||||||
|
VIS.
|
|||||||||
|
verder aan, dat de koleur der Visfchen niet af hange ran
de Schubben, die in allen wit of paarkoleurig en door- fchijnende zijn ; maar van lïec Vlies, 't welk, onder het flijm, den Visch bekleed, Door een Mikroskoop ge- zien, gelijken zommigen, ais die van de Baars en Snoek, naar de St. Jacobs Schulpen, of naar zogenoemde Bonte- Mantels ; anderen, gelijk die van de Kabeljaauw en Schelvisch, naar de Klipklevers; anderen naar Mosfel fchulpen of Arke Noachs-Doubletten. Alle de Schub- ben , naamelijk. zijn van boven eenigermaate verheven, van onderen holrond; veelen hebben ook aan die zijde, welke onmiddelijk het Lighaam raakt, eenige punten of ftekeltjes, tot vaster inplanting in de Huid. Het fat- zoen der Schubben, van een zelfde Visch, is ook naar de legplaats, op de Rug, Zijden of den Buik, aanmer« keiijk verfchillende. : Omtrent de uitwendige Geftalte der Visfchen, zegt
de Heer LriVK^us het volgende. Men verdeelt die in Kop, Lijf en Vinnen. De Kop is zamengedrukt (hoo- ger dan breed,) of neergedrukt (breeder dan hoog) en platagtig. De Bek heeft de Kaakbeenen , die hem flut« ten, beweeglijk of vast. Tanden zijn er, dikwils, in de Kaaken, Tong of Keel. Twee Oogen hebben zij;, ongedekt, met een oogluikend Vlies; den Oogappel kloot* rond; de Neusgaten doorgeboord, dikwils dubbeld , weinig uitfteekende. Draadagtige zagte Baardjes zijn er zomtijds aan de Lippen ingeplant. De Kieuwen zijn geplaatst in openingen, die naar den Bek toegaapen, van buiten gedekt met Kleppen, die open en toegaan; hun getal is gemeenlijk vier, gegroeid aan een krom Bèenig ftuk; zij beftaan uit kamswijs gefchikte Straalen, met een vrije fpeeling aan 't andere end. -. :> Het Lijf der Visfchen isgefchubd, flijmig, langwer-
pig, van agteren in een Staart verfmallende. Weder- zijds heeft hetzelve eenftreep, die afgefchéiden is van de middelftreep, dikwils met Kliertjes geftippeld, zel- den met ftekeltjes gewapend, zo wel regt als krom. Zij hebben Borst en Buik, en een Navel, tot den gemee- nen uitgang dienende van de Darmen, Pisblaas en van de Teeldeelen. De Staart, aan 't agterfte van het Lijf gehegt, is vast van zelfftandigheid, niet hol, en fterk gefpierd. De Vinnen zijn Vliezig en worden uitgefpannen door
Kraakbeenige draaien, welke men in zomin ige Visfchen, even als Graaten, hard, beenig, enkeld en fteekende vind, in anderen, week en buigzaam , peezig, in tweeën verdeeld en ftomp. Derzelver getal verfchilt zeer;, men vind er drie in de Aal; vier, vijf, zesjnan deren; in de Karpers, B'aafcms, Voomen, Snoek, Salm en veelen meer; agt in drie zoorten van Baars; tien in de Kibeljaauwen en de meeste Visfchen van dat Geflagt. De figuur is, in de meesten, driehoekig, in eenigen rond of langwerpig vierkant. In allen hebben zij weinig, langte, ten opzigt van het Lijf;.-de Vliegende Visfchen, bljha alleen, uitgezonderd. De Kieuwendekzels vind men voorzien met een gedraald Vlies , behalve in eeni- ge weinige Visfchen. Allen, bijna, hebben Borst* en Buikvinnen, van haare plaatzing dus genoemd. De Rug. vin is meest enkeld, zelden dubbeld, in weinigen drie- voudig; maar, behalve dezelve, vind men dikwils een Bastaard-Vin, zonder gedraalde Beentjes, op de Rug. Agter de Navel, onder de Staart, is een overlangze Aarsvin. Die van de Staart, aan 't end van 't Lijf;, ftaat loodregt in allede gefchubde Visfchen; dog de figuur itzomtijds rond, zomtijds gevorkt j.zoiutijdsonverdeeld. Eer
|
|||||||||
|
jnfé van den Hertog van Toskanen, te Florence, orj'
der de Luchtpomp dit Blaasje hebbende doen barften, Waargenomen'heeft, dat deeze Fisch, terwijl hij nog ten geheele maand in de Vijver leefde, niet anders deed dan langs den grond kruipen, gelijk de Platvisfchen. De manier ; echter, op welke dit luchtblaasje Uitge-
fpannen word in een zelfde lucht, kwam deeze Italiaan eenigermaate-duister voor. Wij begrijpen ligtelijk, zegt hij, dat de menigte van zeer fterke Spieren, die den Buik der Visfchen omringen, het luchtblaasje, daar in vervat, kunnen zamenkniipen; zo dat, door verdikking van de lucht, deszelfs inhoud verkleind worde; dog. ik zie niet; op welk een wijze-die lucht kan uitgezet wor- den, op dat het Lighaam van de Visch een grooter plaats 'beflaa ; aangezien de holligh'eld van hunnen Buik niet kan verwijd wordendoor de zamentrekkingdertusfchen- rlbbige Spieren, even als die van obze Borst. Misfcbien zal er iets dergelijks plaats hebben, als met een Blaas, die, door lucht gefpannen, zamengeperst zij, en, zo dra men de drukking vermindert, zich uitzet. Dus kan men onderdellen, dat het luchtblaasje der Visfchen altoos eenigermaate bekneld zij, en, door het verminderen van deperzing, zicb uitzette. Deeze uitzetting,nogthans, Tcbijfit niet genoegzaam te zijn om Visfchen, die uit zout in zoet water overgaan, -te doen rijzen; weshalve zij, alsdan, misfehien door de Vinnen zich opheffen, om aan de oppervlakte nieuwe lucht te fcheppen. Dat bekleedzel, 't welk de Visfchen voor de aandoe»
ning van 't water befchut, en tevens bekwaam maakt, om er, onverhinderd, met groote vlugheid door te ftrij- ken, komt thans in aanmerking. Ik meen hier datwon- derbaare zamenftel van Schubben, die aan de Visfchen van deeze afdeeling, genaamd CraaUVisfchen, zodanig eigen zijn, dat men ze van de Poëeten, niet onaartig, in navolging van Salvianus ; het Gejchubde-Vee ge. noemd vind. Hier uit blijkt tevens, dat de verdeeling van onzen "Autheur op de reden deunt; want de Schub- ben ontbreeken 't eenemaal in de Schepzels, welken wij met hem, in de eerde Afdeeling, onder de Zeugen- de Dieren geplaatst hebbén ; de IValvisfchen en der. gelijken, naamelijk, welker Huid lederagtig is; en in die meestendeels monftreufe Visfchen, de Rochen, Haaijen, enz.; wien van de Natuur, tot vergoeding van de Schubben , ook een zeer taaijeHuid i veelal met Stekeltjes of Doornen , ter befchuttinge en verweeringe, of met welk een oogmerk het anders ook zijn moge, is gegeeven. De zelfftandigheid deezer Schubben is hoornagtig of
kraakbeenîg. Zij leggen, in demëesten, als de fcha- lien van een ïeijen-dak over elkander, gelijk inzommi- ge■Slangen, en dit maakt hun getai zeer groot. Zeker Liefhebber heeft er, in een Zandbaars, wel twintig, duizend gerekend te zijn. In een ige Visfchen zijn de Schubben uitermaate klein, gelijk in de Zeelt. In de Paalingen Aal, welker Huid bij uitftek taaij is, heeft ds Natuur de Schubben zeer ijl en van elkander af, ge- plaatst , bezorgende de Huid , daarentegen, met een groote veelheid flijm. DeKàrper, wederom, heeftde schubben bij uitftek groot, ja, in oude Karpers, vind roenze wel van grootte als een gulden. Alsdan beftaan "ie Schubben uit onbefchrijfiijk dunne blaadjes; dewijl « jaarlijks een nieuw blaadje over heen groeit. Het Jerfchil der grootte en figuur van de Schubben , inveer- »gderleij, meest inlandfike Visfchen, heeft Dr Baster ?eer naauwkeurig in plaat vertoond. Deze Heer. merkt |
|||||||||
|
3882 VIS.
|
|||||||||
|
VIS.
|
|||||||||
|
minder graad bij hun plaats heeft. Ook is in deszelft
omloop die bijzonderheid, dat al het Bloed, uit het Hart komende, in de Kieuwen gaat, en door de Aderen., uit de'Kieuwen, naar alle deelen des Lighaams word gebragt, bijna gelijk in de Haagdisfen en Salamanders, Üit het bovenfte van ieder boogswijs ftuk, echter, komt een Slagader voort, die Bloed aan de Sintuigen en de Herfenen toebrengt, en de weerkeerende Aderveree- nigt zich met die, -^velke uit het naaste ftuk komt, ont- lastende zich aan 't andere end, bij den wortel der Boo- gen, in een Stam, die eindigt in de vergaarplaats van du Verney,zie Oeuvres 4»at. torn. II.p. 567. Deeze Vergaarplaats is niet anders dan een Stam, uitdezamen- looping van veele Aderen gefprooten, die, van de Rug- gegraat, Lever en andere deelen , voortgekomen, uit« loopen in het Harts-Oör. Het Bloed, door de Aderen üit alle deelendes Lighaams teruggevoerd, naainelijk, word uit deeze Vergaarplaats in het Hart gebragt. Hier ziet men dan, dat iets dergelijks plaats heeft als in de Poort-Ader der Zoogende Dieren; dat, naamelijk, de Aderen, Slagaderen worden, gelijk in die plaats heeft, welke uit de Kieuwen terugkomen-en zelfs dikker en der- ker zijn van rokken dan de overige Aderen. Het Hart der Visfchen, digt onder de Kieuwen ge-
plaatst, is in 't grootfte deel vierkantig, dog in zom- mige ook halfrondTen platagtig , gelijk in de Karpers enz. Het is niet, gelijk in de Kruipende Dieren en -Slangen,' in de zelfde holligheid met de Ingewanden des Buiks vervat, maar word er van afgëfcheiden door een wit en. taamelijk fterk Vlies, 't welk het Middelrift in de Visfchen maakt. Hunne Maag is, in grootte, dik- te', figuur, en anderen opzigten, grootelijks verfchil- lende, dog legt in de meesten niet dwars, maar over» langs, ten opzigt van het Lighaam. Men noemtze ge- meenlijk de Rob, die koud is op ons gevoel en waarin, dikwils, Schulpjes, Hborntjes en dergelijke harde dof. fejn, gevonden worden ; dienende hun waarfchijnlik, even als aan zpmmige Vogelen, tot behulp van de ver- teering. . ' ' , Het grootfte deel der Visfchen heeft aan de poort of
uitgang van de. Rob, en aan 't begin der Darmen, ze- kere Bijhangzeis, van binnen hol. Derzelver getal is, opeen verbaazende wijze, verfchillende. In.de Wal- visfchen en .Kraakbeenigè, als ook .inde Karpers, Snoe- ken, Braafem, Voorn en: veelen anderen, vind'men er geen; in.zommige Platyisfchen twee; in de Baarfenvuii drie tot zeven; in de Haring bij de twintig; wel der- tig in de Kabeljaauwen; zestig en meer in de Salmeneü Houting; .omtrent tagtig in de Elft en meer dan hon- derd , ja bijkans ontelbaare, in de Steur, Zwdardvisch en anderen. Meestal zijn zij zeer naauw, bijdeDar- msn te vergelijken, en dikwilsJang, gelijk inde Kabel' jaauwen, Salmen; zomtijds kort en dik , als in de Plet' visfchen, enz. Omtrent het gebruik van deeze Bijhangzeis, die zeer
naar dat van den blinden Darm in de Menfchen gelijken, merkt Stellerus het volgende aan. ,, Daar word wel een voedzaam. Sap door afgëfcheiden uit het Bloed, dat, in den Darm uitgeftort zijnde, de Veneering helpt en voortzet in de koude Lighaamen der Visfchen> ,, maar bovendien ftrekken zij tot vergaar- en bewaak plaatzen van de Chijl; op dat de Visfchen dus, & tijden van gebrek, zich lang in 't leven zouden kun- nen honden. Dit bewijs ik vooreerst, doordien vee* Ie Visfchen zo wel het Alviees hebben als deeze Bij' 'J hang« |
|||||||||
|
■ Eer ik tot de befchrijving der inwendige Dëelen over-
gaa, za! ik van de Kieuwen fpreeken, welker uitwen- dige plaatzing de Graat-Visfchen van de Kraakbeenigen onderfcheid. 't Zijn Werktuigen, waar door de Visfchen het water, met lucht bezwangerd, inhaalen 'en uitwer- pen, zo dat zij den dienst beklëeden vàn de Longen, in de Vogelen , Viervoetige en Kruipende-Dieren. Al- len hebben zij zulke Werktuigen, behalven de Wal' visfchen of Waivischaartige en de Prikken of Lamprei- jen, zegt Artedt. Van de vier, ter wederzijde, zijn de naasten aan het Hart de kleinften. Ieder beftaat uit een beenig ftuk, dat meestal rond is geboogen, en aan de buitenkant van de kromte voorzien met beenige plaat- jes, op een dubbele rij, gelijk de Baardjes aan een pen- ne -veder,, gefchikt, en' door. het Vlies, dat den boog bekleed, daaraan gehecht. Deplaatjës, zelf, zijn van eene zeisfénswijze gedaante', aan de verhevenrondekant met langer, aan de holronde' kant met korter haairtjes bezet, die daar llegts tot de helft der langte zich uitftrek- keri. De haairtjes zijn, aan de beide kanten, te zamen- gevoegd door een zeer fijn Vliesje, dog hebben de en- den vrij. . Het holronde deel van ieder plaatje is aan het verhevenronde deel, van het tegenovërftaande gevoegd, en zij worden allen te zamen-verbonden door een Vlies, ,dat van het onderde ftrekt tot aan het midden der hoog- te, en aldaar verdikkende een zoort van koordje maakt. Het overige heeft een vrije fpeéling, loopende uit in een zeer fijne en buigzaame tip. Deeze plaatjes ontvangen , doormiddel van een zeer dun Vliesje, dat hun bekleed , de fijne takjes, die van de Vaten, welke door de hol- ligheden der boogswijze ftukken loopen, zo Aderenen Slagaderen , ais Zenuwen, af komftig zijn. Het'holronde of binnenfte deel, der beenige boogs-
wijze.of halfronde ftukken, verfchilt merkelijk in ge- daante. Het heeft, voor e.erst, in zommige Visfchen , knobbels of gladde korte uitpuilingen, gelijk inde Kar- pers, Braafems, Voornen, enz. Die knobbels zijn wel rond, dogruuw in anderen. In de Salmen vind menze langwerpig en oneffen of getand. In zommigen zijn dee- ze boogen, aan de binnenzijde, met lange haairen als gedraald, gelijk in de Haring, Elft, Sprot, of Sardij- nen. Eenigen eindelijk, gelijk de Snoeken, hebben al- daar niets dan korte Stekels. ! .. Dat de V isfchen niet zonder lucht kunnen leeven, heb«
ben wij hier voor gezien. Men.heeft zelfs ondervon- den, dat zij niet Jeeven Juinnen in water, 't welk van : lucht ontbloot is. Ook bevind men,, door middelvan de luchtpomp, dat hun geheele Lijf ais 't ware, met lucht doordrongen is. Hunne Kieuwen derhalve , die de Werktuigen zijn van hun Leven , moeten zekere eigen- fchap hebben om de lucht van het water af te fcheiden, dat, door den Bek ingenomen, met kragt tusfchen de plaatjes der Kieuwen heen geperst, én dus weer uit ge» worpen word. Ook vind men 't Bloed, i'ndeKieuwen, veel hooger rood,.dan in andere deelen des Lip.haams'; 't welk geen kleine blijk is, van de vermenging van een~ ge luchtdeeltjes met hetzelve, zo de Heer.du Verney oordeelt. Oeuvres Anatomiqites. Paris 1761. Tom. II. J>. 507. . Deeze Visfchen komen met de Kruipende Dieren daar
in Overeen, dàt zij maar eene holligheid in 't Hart en maareen Harts-Oor hebben; van de Viervoetige en Vo- gelen verfchillen zij, verder, door dien bun Bloed koud is. ; Men kan, daar uit, met reden onderftellen, dat die wrijving, welke^ in ons het Bloed warm maakt, in |
|||||||||
|
yî$r 3883,
|
|||||||||
|
m§
|
|||||||||
|
) kapt,- die wel -blijken,geeven van geyqeI,,dog nietrhet-
minfte teken van geluid, [ Het zou nogthans kunnen zijn, dat zijin 't water daar toe bekwaamheid hadden, hun daar buiten, evenals het gezigt ontbreekende. Zelfs zijn er Visfchen bekend, die een brommend of fnorkend ge- luid maaken, en de Knorhaanen hebben, zomen wil, daar van den naam. Aangaande het Gehoor der Visfchen zijn, van ouds
tot heden, zo veele getuigenisfen en ondervindingen, dat men zich verwonderen moet, hoeeenig Mensch het- zelve kan ontkennen. Gelijk ook de Franfche Schrijver doet van een Thefis, welke door den Heer KißlN.we. derlegt word, in Mantiff. Ichtyol.de Sono'& Audsta Pifcium. Plinius bewijst het, om dat hij, in de Vij- vers van CmsAR, ieder zoon van Visfchen, op het roe- pen van hunnen naam, had zien komen, en dat zij, in 't algemeen, door handgeklap zamen fchoolden om te vazen. Hifi. Nat. libr. X. cap. 70. SEVERiNuszegt, dat in de lusthoven van den Vorst van Ferrare, de Vis-; fchen door het luijen van een bengel, om eeten te krij- gen,, werden zamengeroepen, even of het Kloosterlin- gen waren. RoNDELETius eu anderen bevestigen dit pok. Ray twijfelde er aan, zich verbeeldende, dat mis- fchien die bengel geluid konzijn in'tgezigt der Visfchen} weshalve hij oordeelde, dat zulks agter een muur of fchutting gefchieden moest; Willoughb. Hiß. Pifc. App.pag. 28. Ondertusfchen zijn deze voorbeelden aan de geeneh, die Vijvers hebben van helder water, te blijk« baar, om tegen fpraak te lijden. Op de lustplaats van de Hertogin van Holftein, bij Koningsberg, worden, zo de Heer Klein aanmerkt, de Visfchen, nog dagelijks, met een fchelletje zamengeroepen, wanneer men ze ee^ ten geeven wil. Hoe zouden zij dit, in de afgelegene deelen van de Vijvers, kunnen zien, en, indien zij bij der hand waren, was de zamënroeping onnoodig. , De Heer Nollet heeft, onlangs, door proefnèe- mingen, die zeer lastig waren , onderzogt en bevon- den , dat het geluid zich zo wel uit de lucht, als in het water gemaakt, onder water mededeelt aan de werktuigen van het menfchelijk gehoor. Mem. del''Acad. Roijale dei Scienc. de Paris, 'del'Ann. 1743. Van ouds waren der- gelijke proeven reeds in 't werk gefield, zo Bonanno aanmerkt in Recreatio mentis & oculi, incontèmpl. Tefla~ ceorum. Rom 1684. P- 238., die dezelven bijbrengt om 't gevoelen van Aristoteles, dat de Visfchen m et .ge- hoor bedeeld zijn, te bevestigen. Het blijkt derhalve, dat de Visfchen onder water kunnen hoóren .indien zü màar een gehoortuig hebben. Du Verney , nu, had getoond, dat alle Visfchen met oorgaten zijn voorzien, dog in de meesten-waren die openingen , uitwendig, naauwlijks te vinden, en zo klein, dat men er den kop van een kleine fpeld, ternaauwer nood, kon inbrengen; inwaards, liepen deze gaten uit in verfcheide beenige cirkels, die met elkander gemeenfehap hadden, en waar in de gehoorzenuw zig op de zelfde wijze verfpreidde, als in de Vogelen, zie Du verney Oeuvres Anatomiq. Pa- rts, 176L Tom. II. p. 536. Zodanige halfcirkeïswijze-. kanaalen had Geoffroy in de Roch gevonden, en hij zou zijn onderzoek ook tot het gehoortuig der Vis- fchen hebben uitgeftrekr, indien hij niet door de dood was weg gerukt geweest. Het gezag echter van den beroemden Willis, die
verklaarde, dat de Visfchen geen gehoorzenuwen heb- ben, fcheen dat alles om verteftootén. Dit gaf den ver- maarden Hoogleeraar P. Camper aanleiding, om naar |
|||||||||
|
L hangzels; weshalve, indien zijVal!eenI|jk^de.n: dienst-
,, deeden van het Al vlees, er ;d^ elven, overtollig ?ou- , den zijn; ten anderen hebben de Visfchen, hoegroo- ter zij v/orden, hoe fcbieüjkerzijgroeijenenhoelan- ger zij honger kunnen lijden, die Bijhangzels zo veel grooter en ménigvuïdiger. Dit blijkt mij uit de ont- leding der S atmen, die gëheele zes maanden bun Lig- ,, haam door"fterke beweegingen minnedrift afmatten, en, geduuren'dé dien tijd, zonder een ig voedzel te ,, gebruiken, leeven. " Nov. Comment. Acad, Petropol. Tom III. Ann. 1753. p. 414. g , r De Darmen zijn in eenige Visfchen, gelijk in de Kar''
pers en veelen van dat Geflagt, bijna even lang als het Lijf; in anderen veel langer; in anderen korter, gelijk in de Prikken, In zomtnigen ftrekt het kanaal der Dar- men zich regt uit, van de Rob tot aan de Navel ; in 't groot deel der Visfcnenis het eens naar boven omgefia. gen,-in eenigé weinigen met verfcbeide flingeringen en bogten omgedraaid, gelijk in de Mensch. Dit heeft in de Dolphijnen, Znaardvisch en Harder plaats. De Le- ver is ook in gedante zeer verfchillende; in de meeste Visfchen beflaat zij de geheeie langte van den Buik niet, dog in die van 't Karper-Geflagt ten naasten bij. Allen hebben zij een Galblaasje en Milt ; ook zijn de Wijfjes, in allen, met Eijerftokken, de Mannetjes met Zaadblaas- jes voorzien. De Nieren maaken, in de meeste Graat- visfcheri, een L'ghaamuit, zijnde langwerpig en door den gantfchen Buik zich uitftrekkende. De Pisblaas, die doorgaans op den Endeldarm legt, ontlast zich door de Navel, alwaar, zo Klein verzekert, de Drek en Pis te gelijk uitgeworpen word, even als in de Voge- len. B OKNET, Confia, fur les Corps Organifés. Amfierd. I7Ö2. torn. II p. 251. Een Tong, of eenig bewijs daar van,- vind men in al-
le Visfchen. Dezelve heeft in zommigen een fcberpe, in anderen een ronde punt, in eenigen is zij aan 't end «en weinig gefpleeten of gevorkt. Men vindze van bo- ven glad in de Karpers en Kab e Ij dauwen; getand of ruüw in de Haring, Salmen, Snoek en anderen. In 't groot- fte deel der Visfchen kleeft zij, onbeweeglijk, aan het onderfte gedeelte van den Bek. Ditlaatfte, endekraak- beenige zelfftandigheid inde meesten, fchijnthaar min. der bekwaam te maaken tot een werktuig; van de fmaaTs of fpraak in deeze Dieren, en voornaamelijk te doen dienen tot_het zwelgen. In dezulken, daar zij getand is, kan zij, buiten twijfel, helpen tot het infiokken van het Aas; dewijl de Tandjes altoos inwaards gekeerd (laan. Dat de gladde Tongen der Graat- en Kraakbeen!ge~Vis- jchen, ook met een flaauwe aandoening van Smaak kun- nen voorzien zijn, heeft reeds Rast erkend. Zo min als de Visfchen de fmaak ontbreekt, 't welk
uit hunne keuze van voedzel blijkbaar is; zo minkan menze onderftellen van andere fintuigen ontbloot, of «omen doof te zijn,- gelijk Lissmiis, op't voetfpoor vanAsTEDi, heeft gedaan. - Aquei Elementimuti fur- aique Volucres. Pifces M muH futdique theris fonum «o« audiunt, aëris licet tremorem fentiant. Sijß. Nat. Ed. f' Pog- 239, 240. Het een en andere word, met'kragt, tegen gefproken door Klein, die uit het voorbeeld der walvisfchen, welker geloeij of brullen men meer dan ^nm'jl verkanhooren, beweerenwil, Jat zelfs de (lern jn ri aan de VisIchen ontbreeke. Indien er iets zodanigs ">ae gefchuhde Visfchen plaats had, echter, dunkt mij. u daar van nader moeten blijken. Hoe groote worden'
rri' £>p onze markten gefchraapt, gefneeden enge-
|
|||||||||
|
* H Deel,
|
|||||||||
|
m.
étaissfàk'feâlfie vinden. In zommigé KràakbeenigèVi&
fiheri komen zij zeer moeielijk voor, zie Klein. Hiflor. Pifc.Mijf.1. -';. De Beentjes, uit verfcheidezoorten van Visfchen, zijn,
door deezen Autheur, zeer nauwkeurig, afgebeeld. De Heer P. Camper merkt aan, dat dezelven, in't alge- meen , getakt zijn als zaagjes, gelijk menze ook in zom> migen noemt, en dat zij fchijnen onder ggvoed te worden. Of zijn Hoog Gel. hier door verftaat van onderen, en wat dan het onderde gedeelte zij, weet ik niet. Te vooren had zijn Hoog Gel. gezegd: Binnen deeze Beurs legt ,, het fteenbard Gehoorbeen, [dathij afbeeldt,] zoals het fchijnt geheel los, waarfchijnelijk evenwel met dunne V-ïiesjes gehecht, dvor weiken het gevoegd word." Hoe 't zij,- deeze Beurs, merkt zijn Hoog Gel. aan, is kraakbeenig, van figuur als een fchuitje, bovenopen, agterwaardsl gehecht aan de beenige brug , die de voor- fte en grootfte holte, waar in de drie halfcirkelswijze Kanaalen uitkqrnen , van agteren bepaalt, zie Verh. der Holl. Maatfch. ais boven, blàdz. 103. De Heer Camper, vervolgens overgaandeom de wij- ze van hooren in de gefchubde Visfchen te verklaaren, verbeeld zich, dat het Gehoor in dezelven op dergelijk een wijze'gefchiedé, als plaats .heeft in de mededeeling van 't geluid van harde lighaamën, door drilling, en onmiddelijke aanraaking, zonder tusfchenkomfte van de lucht,- 't welk omtrent op 't gefielde van Linnjeus uit- komt. Want (zégt zijn Wel Ed.) de gefchubde Vis- fchen hebben geen Gehöorweg; de drilling van het ,, waterkan derhalvehiet anders dan aan hunnen harden ,, Kop medegedeeld worden, binnen welken het Werk- tuig van 't Gehoor rondom beflooten is in een beeni- ge kas, opgevuld met lilagtige ftoffe, bevattende een of meer, los leggende Beentjes." De Heer le Cat had den Kop der Visfchen niet vatbaar gefteld voordril- ling. De Heer Camper fielt het tegendeel waarfchijn- lijk, en houd de openingen, die anderen in zommige Visfchen meenen gevonden te hebben , voorden uitgang van Slijmbuizen, zie Verh. dir Hoil. Maatfch. als boven, lladz. 116. Minder gefchil is er Over de Reuk der Visfchen, di«
Plinius in dezelven tragtte te bewijzen, dewijl zij den ftank der fekreeten fchuuwen. Men plagtze van ouds, ook reeds, door een welriekende geur aan te lokken, önize te vangen. Meest alle Visfchen hebben daar toe, àan't end van de Snoet, twee zeer kennelijke gaten. Hoe dat de Reukzenuwen in de langte loopen, en aan 't end als kleine platte knobbeltjes maaken, heeft Côllinsîh de Koppen van een jongen Kabeljaauw en Karper zeer klaar vertoond: Anatómij ut fupra. Tab. LXIII, LXIV. in beiden Fig. 1. dog de afbeelding, welke hij vooraf van het werktuig van de Reuk in de Roe hen geeft, aan- toonende, höe regelmaatig de takjes deezer Zenuwen over den hollen böde'm van het Neusgat, die zwart is, zich verfpreidenj gaat alles te boven. Ibidem.Tab. LXH< Fig. 2. De Gezigtzenuwen geeft deeze Autheur ook uit vee-
lè Visfchen op, en toont aan, dat in de Platvisfchen, ge« lijk Schol, Both, Tong, de een langer zij dan de andere. Zij komen af van zekere uitpuilïngen of verhevenheden der Herfenen, die men als de Beddingen in de Mensch kan aanmerken. Ook kruifen zij elkander niet, maar deregter loopt naar de regter, de flin-ker naar de flinke zijde ; ja zelfs zijnze in veelen geenszins met elkander vereénigd , komende ieder Zenuw aan een zijde uit bet |
||||||
|
f8»* VIS.
het ïîeifengéftet en de Zenuwen, der gefchùhde Visfchen,
een nauwkeurig onderzoek te doen. In 't Werk van; Collik's, dat zijn Hoog. Gel. erkent niet gehad te heb- ben, zijn de Herfenen van Haaijen en Rochen niet alleen, maar ook van Kâbeljaauwen, Karpers, Snoeken andere gefchubde , als ook van Schol, Both en verfcheiderleij Platvisfchen meer, in plaat vertoond .éfi bçfchreeven. Ik vind daar in, nögthans, wel van gezigt-en reuk zenu- wen, maar niet het minfte vàn geh'oor-zemiwen gefproken, 2ie CollïNS Anatömij. Lond. i(38s- tab. LX-LXVIH. zo dat de Heer Camper weinig dienst daar van gehad zou hebben, en niet te minder nut gedaan heeft, met dit ft'uk op vaste voeten te ftellen door zijne navorfchingen. Verhand. der Holl. Maätfchappij. Vil. D. I: St. Haarl. 1763- W. 79-
Deeze Hoogleeraar vond het Herfen. en Zenuwgeftel,
in de fpilrondagtige Grdatvisfchcn, eenigermaate.gelijk in óns Hoofd. Zijn Hoog Gel.heeft KàbeljaaUwen, Schel- yisjcheneh Snoeken, onderzogt, en in die allen een zeer àuidelijke Gehoor-Zenuw ontdekt, welke tusfcbett het vijfde en zesde paar haaren oorfprong heeft, en zich, zeer aartig, in kleine takjes veripreid over het beursje, waar in dé Gêhoorbeéntjes'Vervat zijn. Deeze Zenu- wen zullen het waarfchijnlijk zijn, daar Willoüghby gedagteh op had, dat zij Gehoor-Zenüwen waren, die nier veel fijne takjes in twee klieragtige, naav lil of ftijf- zel gelijkende Lighaamën verfpreid werden in de Rochen, hoewel' zij öok takjes naar elders àfgàaven. ' Deeze Lighaamën, zegt hij, ràaken aan de Huid van die ga» ten , wélkè voorbij de Oogén in dit gantfche Geflagt worden gevohden; weshalve wij die gaten voor Oor« gaten houden, en "geenszins twijfelen, of deeze F«- Jchen zijn met 'Gehoor'voorzien'1'. De Heer Geoffroy heeft het Gehöortuig van ienRoch
zeer omftahdig en haauwkeurig, befchreeven én afge« beeld. Hij vond er een Portaal in, een Doolhof en drie Kanaalen of Gehoorbuizen, benevens Verfcheïde ope- ningen-, dié naar de Herfenen doorgaan. Ook vond hij, in't Portaal, een lighàam vangrootte als een erwt, be- Jlaandé uit een zagte zelfftandigheid, dat hij zieh ver- beeldde voor Gehoorbeentjë in de Roth te verftrekken. -Klein ftëlt dezelven övereënkouiftigmet de Beentjes, die men weleer in de Koppen der Visfchen gevohden, en |n de Geneeskunde gebruikt hééft üitde Karpers en Baar' Jen'. ■ ..... Bj- . '
Vanouds zijn deeze Beentjes, reeds, "aangemerkt als
de inwendige Werktuigen van 't Gehoor; gelijk Seve- riküs doét in navolging van Casserius. De Heer Klein vond in de meeste Visfchen niet een maar driepaaren van aie Beentjes ; gelijk er Casserius reeds zes gevonden had in de Herfenen van een Snoek. Evenwel hebben de meeste Schrijvers maar gewag gemaakt van een paar zulke Beentjes, om dat de twee ver de grootften zijn ; gelijk men die ook, zeer gemakkelijk, in de Kabeljbauw en Schelvisfchen vind. In alle Visfchen leggen zij niet op een zelfde plaats. In de lange Koppen der Graat- Visfchen, die in langagtige en breede Snoeten uitlöo- pen, het eerftepaar of de tweegrootften gevonden heb- bende, zegt Klein, zijn de naasten daar aan, agter- waards, de Hamerbeenijes ; het derde paar legt aan 't end van 't eerde>, naar den Bek toe, in een bijzonder yliesje, dat echter met de anderen is verknogt. In de Koppen van Karpers en dergelijken, leggen de kleine Beentjes dieper in 't voorde van den Kop, wederzijds, als begraven ; zo dat men een fcherp mes'nöodig heeft, |
||||||
|
'ivis. -^aes
|
||||||||||||
|
~Y)S.
|
||||||||||||
|
verlaagde- Merg voort. I» de,P(at,visfç}uiH;Çç\>'ijn&frzi}-; ftukken is qrjffndjg verfehülendei'dqg.de Begntjestfaa
een weinig vereenigd te zijn, gelijk de Heer Camper, 't Gehemelte hebben, in een zelfde G.eflagt, altoos de dit ook in de Ka.beljqa.uw- vond. De pogen der F<\s/ç#ew- zM(defiguur, zegt Artedi. Zelfs hebben de gefchtfb. worden, bovendien, bedeeld met de takken, van andere de Visfchen Sleu:el-en Borst-beenderen, enSchoudejr- paaren Zenuwen, çven als in de Viervoetige Dieren en beenderen,, daar. de Borstvjnnen aan gehecht zijn ; als Vogelen. ook Beentjes tot inplanting der Buikvinnen, De Wer- Tot het Gezigt der Visfchen word eene andere ge. veje.n en Ribben, die men gemeenlijk Graaten noemt,
fteldheid in het Oog vereischt, dan er in ons plaats heeft, zijn in getal verfchillende in een zelfde Geflagt van Vis- Dewijl de licbtftraaien, naameiijk, uithet waterdaarin fchen. In veelen zijn de Ribhen, met tusfchenkomen- vallende, minder breeking ondergaan, dan die uit de lucht de Kraakbeenderen, aan de Ruggegraat gehecht ; gelijk 'in 't Oog komen, zo was er, tot vergoeding, eenfter- in de Karper, Braasfemt Snoek, Sahn, Houting, 4fa- ker ftraalbreeking in bet oog der Visfchen noodig, dan kreej-,- enz. 5 in anderen vrij en niet aan de Wervelen in dat der Menfchen. Om die reden, is't dan, dat zij raakende,, 't welk in de Baars, Kaheljaauw en eenige het krijstaUijne lighaamklootrond hebben ; 't geen in de Platvisfchen plaats heeft. Het laatfte derRuggegraafen Schelvisfchen, Karpers, Baar/en, aan iedereen zeer dik- loopt in twee: Uitftëkken uit, door middel van welken wils zal voorgekomen zijn. Het krijstallijn is, in hun , de Beentjes van de Staartvin vastigheid bekomen. Voorts ook als in 't midden des Qogs, en dus digteraan betNet- zijn in alle Vinnen eenige Beentjes, van welker getal, vlies geplaatst ; terwijl de Oogbol, zo wel van voorin thans, de onderfcheiding der zoorten mede wordt afge- als vanagteren, plag.tagtigis; want de bultigheid van't leid. ..In zornmige Visfchen zijn deeze Beentjes flap en Hoornvlies kon, in hun, niet dienftig zijn tot ftraal- buigzaam, inanderen ftijf, fpits en fcherp; gelijkmen breeking. Buiten 't water moeten zij derhalve niet, dan dit onderfcheid, inde Karper en Baars, dagelijks waar- zeer digt van nabij, kunnen zien. . l«%tt .U\ :"■. ■':. neemt. ■ -...:[-.., . . Dus zagen wij, dat de Visfchen de Sintuigen van Smaak,, ist Het Voedzel der Visfchen is verfchillende. Meest
Reuk, Gehoor en Gezigt, geenszins misfen. Man kan- fchijnt hetzelve te beftaan in Waterdiertjes van allerlei] ze ook niet ontbloot ftellen van Gevoel. Hoewel fle -zoort; ook Vischjes en.Kikvorfcbenj naar de grootte .Schubben de Graat-Visfchen merkelijk fchijnen terbe- der Visfchen of naar dat zij verflindende zijn van aait. fchutten voor uitwendige aandoening ; zal nogthans tjer- .Dus ziet men dat de Snoek zelfsWater-Rotten en Voge- zelver drukking eenige prikkeling maaken in de Huid., en len inilokt. Ik heb in de Maag van een Baars, diemeec bij 't afichraapen derzelven worden zij als met. Stuipen dan een voet lang was, eengeheelen Kikvorscb gevon- bevangen. Zouden niet ook die kleine dunne Graatje«, den. Mijn Vrouw (zegt de Heer Houttuijn) haalt, uit meestal gevorkt, welke men,in zommige Visfchen fn't de Schelvisfchen, Zee Sterretjes, enz. In de Kabel. vieesch vind fteeken, iets.daaraan toebrengen? Deëze jaauwen vind men dikwils Schulpen, KrabbetjeS en Gar« worden in Karpers, Braafems, Voorn, Snoek, Hou- haaien; ook wel jonge Haaitjes, Schelvisfchen en Ha- ting,. Salm,. Elft,, Makreel,, Spiering, Aal en.anderen ring of Sprot. Zo ziet men dat, wederkeerig, de ee- gevonden. ne Visen den anderen verflindt. Veelen echter fchijnQ« Behalve de flijmigheid, waar mede de Lighaamen van , Ook wier, gras en waterplanten, ja zelfs flijk en mod-
alle Visfchen, dog wél meest van de geenen, dïp weinig der te eeten. en kleine .Schubben hebben, gelijk de Aäl.en.Pmling-en, -O Behalve het Keuken-Gebruik fchijnt het mij niet toe',
uitwendig o vertqogen zijn, hebbenzij allen: er inde Kop .dat men van de Gefchubde-Visfchen eenige nuttigheid een groote veelheid van, die men met een:pijp:opflur- trekt, die van merkelijk belang zij, 't zij'in de Huis- pen moet, om de "Herfenen te befebouwen. Indexa- -houding of Geneeskonst. De Schubben, immers, ea beljaauw en Schelvisch vond de Heer P, Camper dit Graaten, benevens het grootfte deel van't Ingewand, vogt groenagtig en veerkragtig van aart,.,febi;nende. als worden weg gefmeeten. De Visch, 't zij versch of ge- in een dun netwerk vervat te zijn, en, zelfs Lndç Snoek, droogd, is voor een groot deel van Europa de voornaam- zeer zout van fmaak.; DeHeer CoLLiKs.vond heczel- fte, en op zommige tijden bijna deeenigfteverfhapering. ve, in een Karper, ;befpikkeld met een onteihaare veel- Jn-de Noordelijke Landftreeken , zo van ons Werelds- hejdvan-vlakjes of bolletjes,, die. geelagtigwiren.van kei- deel, als'van Afia én Amerika, daar men wegens de kou- leur^ en eenigzings géleeken naar goudglit, In de Her- dé geen Koorri'teëlt, leeven delnwooners bijna alleen |
||||||||||||
|
fenen van deezen, -zp wel als in die vari andere Visfchen,
werd door hem zomtijds een aanmerkelijke fpéelingder Natuur^ ontdekt, die dézelven, dooreen rcgelmaatige vergaaring van uitpuilingen, naar een tros druiven-deed gelijken, Het verlangde Merg, merkt bij aan, is in.veeie Visfshen. dooreen fpleet, o verlan ?s verdeeld, zie. Cai.- Uns Anatonij, ittfupra. Tab.; LXVII.Eig. 4. DèHer- tenenziin, in hun allen, zeerklein.' - Alle Graat-Visfchen hebben ëen zeer groot getal van
Renderen of beenige (tukken, waar van er omtrent tag- »g gevonden worden in de Kop van een Baars. Onder ue Oogen heeft dezelve er tien aan beide zijden ; vijf "i de1 Tong en elf die het Bekkeneel ultmaaken, waar vcT1 naaste aan de Wervelbeenderen grootst is, met 'encheide uitftëkken en holligheden, bevattende, in zijn ondërfte gedeelte, de twee Zaagjes, hier voor be- wreeven. De geftalte en grootte van deeze beenige |
||||||||||||
|
Van Vis eb. 't Zelfde heeft onder de Negers aan de Ku6t
van Afrika, hoewel in minder graad, en wie weet in hoe veel landen naar den Zuidpool, öm die of andere rede- nen-plaat«. "" : - - Wat de Rangfebikkingen Verdeeling van de Vis-
fchen betreft,, die: hebben wij reeds verhandelt onder het àrtijkel ICHTHIJOLOGIA:, alwaar mede een nauw- - keurige Lijst is geplaatst van de beste en voornaamfte Au- theuten die over dezelve nebben gefchreeven ; en wat de mahiefen betreft om dëdiverze zoort van Visch te van» gen, zie hier beneden op VISCHVANGST. VISCHJAAGER, dusdanig word een zoort van WaU
visfchen genoemd, die men jaarlijks aan de Westkust vaa Noorwegen in de maand januarij ontwaar word, én die men wel 'verre van als vijanden veel eerer als vrienden aanmerkt; dewijl dqor eene bijzondere voorzienigheid ' van den Schepper, ontelbaarè Schaaren Zee-Visch tus« |
||||||||||||
|
Q_ a . fcheà »
|
||||||||||||
|
S886 .ftl-WIS. VIS.
fchen de Banken niet alleen en agte'r de Klippen', maar 'ren,' alwaar't Getij móet worden gereguleerd, of in
zelfs diepin'de Inhammen en tot in de Rivieren drijven, > Westfriesland en 't Noojder-Kwartier, alwaar zulks op 't welk ten voedzel en onderhoud van duizenden Men-s Spiering, Aal en Paaling, met verlof van de Magiftraar, fchen ftrekt. mag gèicbieden; De Baars, die ter Markt gebragt en VISCH-KIKVORSCH, zie KIKVORSCHEN, n. verkogt word, mag niet minder dan 5 en een tweede
'JLU.pdg.i504- '"''■■'■■-':■ ' duim, de Voorn niet minder dan 6, en de Pos rïiet min- VISCH-KORRELS, zie COCCEL-KORRELS. der dan 4 en een tweede duim, rijnlandfchemaat, lang
! VISCH-LIJM, HuizenUas, in1't latijri: Ichtijocolla, ■ zijn. mét Kopen Staart'gemeten. Alles volgens de Sie STEUREN, ». III. pag. 3549- -alwaar men eene 1 vernieuwde Keure en Ordonnantie-, der Staaten van Hol- volledige befchrijvi'ng van de bereiding deezer Lijm.be- land- en-Westfriesland, óp bet Visfcbeii in de Binnen- nevens het gebruik daar van ,t zal vinden.;' ■'Wateren en Rivieten, van den 16 fébruarij des jaars ' J VISCH-MÜNÏE, zie MÜNÏE', n. 6. pag-20.12,.' ''170p. zie'Gróót Plakkaatk V. Deel. blaak. 1573.
VISCHVANGST, Visfchsrije. Hier door verftaat men In dit Plakkaat Word den Visfcberen op het "Ye-, Pam
deonderfcbeidenewijzienom zich van allerlei! zóortvan pus en in de Zuider-Zee, toegelaten te mogen visfchen ■ Wisch meester te maaken, zo wel van die welke inde Ri- met; zodanig Wand, als aldaar vanouds gebruikelijk was
■ vieren en Meiren leeft.als de zodanigendiein'tdiepfte .geweest. In 't jaar 1687 was, ten opzigt van het vis,
1 der Zeen zwemmen, van den Walvischaftötde'n Spiering fchen in 't Ye en andere buiten-Wateren , vasfgefteld, ■toe* Ligt elijk begrijpt men datdè manieren om Fisch te dàt de Maazen Van de Zetnetten-niet naauwer mogter ;■ vangen, veelvuldig en zeer v.ei-fqbèiden zijn; geregeltjrigé- zijn, dahvan 12 Overgangen in een el, en moesten dif >.voigedezoorténdaarvan;enderzeivergrootte. ■ dewjïwijopdetvoofnamKartljkelsdatdeeerie.of d'ande- ;geenVistuig; gebruiken, dat van-Zijde was gebreid. '1 xe Fisch ten doele heeft, doorgaans ook de wijze om de- zelfde IV. Deel. bladz: 1363. De Provinciën van Hol
zelve te vangen hebben bijgevoegd, zullen wij hier nu . land en'Gelderland maakten, in 't jaar 1683, een over kunnen voldoen , met éenige algemeene' manieren van eenkomst, ten opzigt van het visfchen in de Zuiderzee Wisch te vangen, verzelt met de daar toe vereischt wor- ingevolge' van welke hunne Ed. Grootmogende het ge dende Afbeeldingen, aan ónze Lezers mededeelen. bruik van Zijder-Wand verbooden; dog de Visfchers Dan eer wij hier toe overgaan, zullen wij iets zeggen van Monnikendam en andere plaatzefi in Waterland,
van de verfebeide bepaalingen .die erwten aanzien van;de ;.vertoonden àanftonds:, dat dit hun-eenigfte beftaan ei Visfcherij, in ons Land zijn gemackt.-«r-----Zedert alle : kostwitfning was en veele jaareri was geweest; waar oj
deBinnen-Wateren, in Holland en, Westfriesland,ver- het bun toegedaan werd, daar mede te visfchen aan di
jagt geworden 21 jn, mag door de genen, dié êrlgeen; regt Kusten van onze Provincie , dog niet* aan die van Gel toe hebben óf Partikulieren, zo genaamd, nergens gé- ; derland. De Burgers van Enkhuizeri hebben nietalleei vischt wórden, in gemeen water, dan met de Hengel- een bijzonder,regt, om te visfchen in de Wateren bin roe'iïe. 7^ Ook is het Visfchen met Sthrobnetten ge- : nensdijks, het Çrootflag genoemd r maar hunne vrijdon heel verbooden, en, op dat de jonge Visen niet opge- ftrekt zich buitendijks uit, naar de kant van Hoorn tot aal vangen zou worden, moeten de Maazen der Netten, rde Nek, haar :die van Medenbliktot aan den Àrm, er daar de bevoorregten mede Visfchen, van een.behoor- 'een mijl 't zeewaards.'in, ten zuiden-; alwaar aan dii lijke wijdte zijn ; naätnelijkdie der Vim-wen vân 18, O- ,der omleggende Plaatzen verbooden werd te visfchen o vergangen of 9 Maazen in een El, die der Schaketeny'w .Netten te fteeken, door-Koning Phtlips, diedezelvi aa Overgangen of n Maazen in een El; die der Zegwu -noemde onze Visfcherij:, als benoorende tot zijne oudi van 18: en de Kuil van 18 tot 23 Maazen, die der Fui- -Regten en Domeinen, zie Groot Plakktb, II. Deel ei . te van 21 Maazen., der Kubbens van 26 Maazen, en Handy, v. Enkhuizen hl. 343. ' r-
het Schutwand,, daar:het.g§brinkt. mag worden, moet , In de Zeedorpen van Holland was het gebruikelijk ge-
de wijdte hebben van. Haringwand. In de maanden weest, dat niemand vischte met kleiner of nauwer Net maart, april ofmeij, mag met geenerleij Vischtuig, van ten, dan Sckolwand, zijnde-gebreid op een fpaan val -Netten, ja zelfs niet meer met de Hengelroede of eenig agt-en twintig ; waar door de Visfcherij in fleurwerdge
ander Inflrument, gevischt of Visch met de hand ge- houden, buiten vernieling van .kleine oneetbaareVis greepen worden, behalve de Steur, Salm, Elft, Ri-~.fchen; dog zommige baatzoekende Menfchen metnaaU vierfpiering, Aal, Paaling, Both, Schol, Houting of wer zóortvan Netten, ja met Schrobnettenr, aldaar be G.arnaat, en zulks alleen met Korven, Fuiken of Net» gönnen hebbende te visfchen j 't welk ftrekte tot mini ten» daartoe en tot geen andere Visfcherij bekwaam, op van den Visch, dewijl zelfs het zaad daardoor ten on de boete van 25, gulden voor de eerftaen verbeurte van foruik werd gemaakt; zo is door hunne Edele Grootmo de-Schuit-, Wand en 't Vischtuig, voor de tweedemaaL gende, bij een vernieuwd Plakkaat, in den jaare 1687 Voorts mag, zelfs in de andere maanden., in de Rivie- uitdrukkelijk verbooden (behalve dat men visfchen ma] ren niet gevisebt worden met eenig fleepend Wand.ag- .mét Tongen Wand, gebrëidi op een fpaan van de 32, ter. Schepen of Schuiten vast gemaakt, nog met Schut- eeniger naauwer Netten te gebruiken, dan op eenfpaa; wand , dat de geheele breedte der Wateren bezet; nog van volle 28 gebreid zijnde; nog zelfs met die Netten met Schakels of Vlouwen van zijde gebreid.- uitgezon* .zo door 't inhangen van. zwaarte als anders tot Schrob derd in Westfriesland en het Noorder Kwartier, alwaar netten gemaakt zijnde, te visfchen, op de verbeurti het Z'ijde-Wandword toegelaten^ Niemand mag met van de Schuiten en nog 600 guldens boete, daarenbo
Hoeiwand,. Scbeerwand, Kardeelen, Fleuren, of op ven. 't zelfde Deel, bladz. 1263. eenige andere manier, met Groeij- of kleine Vischjes De wettten en bepaalingen die in de andere P'rovinti visfchen. Na Zonne ondergang mag zelfs niet gevischt en van ons Gemeenebest ten' aanzieri van de Visfchen worden, met. Vlouwen, Fuiken, Puiken, Aalkorven, jen zijn bepaalt,, kan mennazien.og hetartijkel JAGT ©Qhhersen Poeren, uitgezonderd in ftroojnende Rivie- ]>ag? 1.233;, enzi, .... . .<. ■'
|
|||
|
'VIS.
|
|||||||||||
|
VIS.
|
|||||||||||
|
38&Ï
|
|||||||||||
|
Geluk wij reeds hebben aangemerkt, is de manier van
Visen te vangen, naar de verfcheiderleij landaart en omltandigbeden zeer verfchillendé. -r- Men kan zezoin- tijdsmetde hand grijpen; een manier hoe eenvoudig oök die een groote behendigheid vereischt. Van deWegers en Indiaanen word de Zee-Visch die wat groot is dikwils met pijlen, javelijnen of werpfpiefen gefchooten.------
Het vangen met een Hengel of Hoek kan van de klein-
ften af totin de grootften bijna, van de eigentlijke Vis- fchen plaats hebben.---------Om kleine Vischjes op de
Gambia te vangen, word van de Negers, aldaar, eene
zoort van lange korven gebruikt, die, open zijn en met eenig aas voorzien. Het Vrouwvolk fchept daar mede de Vischjes uit het water die dan in een houten mortier geftampt worden tot een deeg, waar van men ballen maakt, welke onder den naam van Stinkvisch , hun het geheele jaar tot voorraad ftrekken. Goede manier om met de Zein of Zegen te vis/dien,
Onderfteld dat de plaats tusfehen T. en S. Plaat LXII. de beried, fig. de kant zij daar uw Net moet tegenaan op- gehaald worden , zult gij 't boogswijs zetten T. Z. S., of gij zult het ten minïle die gedaante geeven, als gij het aan de kant zult brengen om de Visch in te fluiten, die zich altijd na't midden Z. begeeft, naar maate dat men 'taanhaaalt, om'tgeraas te ontloopen, dat zehoort, en 't geen door dereepen op de einden gemaakt word. Dit maakt de Visch vervaart, en veroorzaakt datze om de einden van 't Net niet wegloopt, -zo dat de Visch zich gemaklijk tot aan de kant laat trekken, en geen geweld maakt, voor dat men't water begint te roeren en het Net op 't land te haaien. Dan begint ze de neus in 't flijk te fteeken , en laat.bet Net over den kop heen haaien, ge- lijk de Zeelt en Karper doen. Om dit te beletten, moet men altijd een lange ftok V. hebben, die ligt, regr, glad , en rond aan't dikke einde gefneden is; en als de einden T. S. van de Zegen of het Spannet bij malkander zijn gehaald, zo voegt ze bij een, dat het eind van dereep met lood op de aarde is, en loopt langs den kant, op den grond a.b. ; fteekende daar na de ftok in't water, zult gij op't ondereind van bet Net met haar dikke eind zetten , op de plaats door de letter e. getekend; en zetweemael omdraaijende zal men- er't Net omwinden; vervolgens zult gij het na u toehaalende drukkende in de modder tot dat het komt aan.de letter h.daar na zult gij de ftok anders omdraijen, en draijen ze ook twee flagen om, om 't 'Net al- fleepende op de plaats 1. te brengen en van daaraan f. om ook het Lood op de plaatste haaien door i. getekent, doende dit eveneens rondom 't Net, geleidende naderhand 't Lood a. op de plaats met o, en 't Lood b. op de letter q, Op deeze wijze zal er geen Visch na de grond gaan,
als men maar zorg draagt, dat men met het roeren van den grond van 't water zoo lang voort gaat, als men de reep van het Lood bij een doetnaderen ; en nadat het Net dus nader aan den kant zal gebragt zijn ,. zal- men de Reep van de Kurk en die van 't Lood van den zelf- den kant bij een neemen , om-het Net uit het water te naaien; dragende zorg, dat men 't op land haaiende het Lood gedurig den grond van 't water volgt, anderszints aoude de Visch onder 't .Net doorgaan. Om, met. eenen flag van 't Net- een meenigte van
; ■ Visch te vangen in een Rivien
m> gij een Rivier hebt, daarmen geene ruigte in heeft, of
|
|||||||||||
|
zo er zulk een groote meenigte in is, dat men het alle nte*
dan met veele Netten kan beflaan; ofwel zoo de Rivier - belemmert is met een menigte van ruigt, takken en wor« tels van boomen of rotzen, die beletten daar in te koomen, om op die wijs te kunnen Visfchen, als men met Netter» vischt, die men Zegen, oïAfzet-netten noemt, zomoet men op plaatzen daar niets in de weg is, op de vol- gende wijs te werk gaan. Want de Visch gaat, als zij gerügt hoort, of die Netten ziet, na die ruigfce, of on- der de rottige Boomen of Takken, waar in zij eene fchuilplaast vind; dit maakt, dat men ze niet, dan met groote moeite vangt, en zulks nog in kleine menigte- Om die Visch in zodanige plaatzen te zoeken., zo zui- vert een plaats ineen Rivier, Mein, Moeras, of Graft,, welke dertig, veertig, vijftig pasfen lang is, en daar geen ruigt nog ander beletzel in word gevonden; werpt dan op dssze.plantsgekookte boonen of ander- aas, omde Visctr te lokken. Neemt verders eenigeongefchilde Staken, lang naar da.:
diepte van't water, weleenarmdik, en zonder oneven- heden, daar 't Net aan baaken kan. Het dikke eind zal tot een punt worden gehakt, om 't in den grond der Rivier te fteeken. Als alle deze Staaken in gereedheid zijn , zo legt ze in uw fchuit om ze te gaan planten, be- ginnende met de eerfte; zie E. Plaat LXI1I de hvenße- fig. tegen de wal aan te fteken, die door de letters A.B. verbeeld word, plant vervolgens dwarser over, opeen roede van daar, eene andere F. na den anderen kant G. D. toe, op een roede van daar. Steekt daarnaeender- de G. een roede van de tweede af, gaande dus voort met alle de andere G, H. in een regte lijn, tot op den: kant G.' D; komende delaatfte als H. tegenden anderen kant aan ; zet er ook zo vele langs R. S. T. van de ge» zuiverde plaats, op de zelfde wijze als de anderen. Ah zij allen zijn gezet, zult gij er gelijks waters een gat in- boren, om er een pen, zo dik als een duim,, in te fte-- ken. Deze Pennen moeten er gemaklijk ingaan, en aan haar dik,eind een gat hebben, om er een touwtje aan vast te maaken, dat welfterk is en anderhalf voet lang». Alle die touwtjes moeten aan een lang touw vast zijn^ gelijk uit de kieine letters a. b. cd. blijkt. De.Pennen moet men (teken in alle de gaten van de Staken ,en zijn- getekend met de letters N. O. P. Q. Deze Staken dus; zünde toegefteld ; moet men 's morgens en 's-avonds,. maar een hand vijf, of zes boenen op de bereide plaats werpen. En daags voor datmèn vischt, zalmen er boo- nen met aloë gekookt werpen, zorgdraagende dat men'i de Netten twee of drie uuren naden middag, op devot gende wijze zet. Neemt twee Afzetnetten, zo làngals de plaats wijd fa*,
of liever zo wijd, als de Rivier is* daar men wil Vis- fchen. Begint inet.de reep van de kurk op den. kant van- de oever A. B. vast te maaken. Laat de reep van 't lood nçu den grond zakken ; vaarende daar na met de Schuit langs; de ftaken E. F. G. H. voort, laat het Net fpannen aan< de andere kant van de Rivier C. D, daar gij.de reepvan< de kurk desgelijks zult vast maaken; dit gedaan zijnd©.-- zo,haalt bet touw met de pennen a. b^c. d. K. en bind* een eind daar van aan 't land, aan een tak vast, of aan eeiri paal V. van de ftaak N. omtrent zes. voeten, of omtrent' denkant, dié geaasdis', vaarende daar na met uw Sch'uit»- je tot in 't m idden van 't water. Neemt dan de reep van d®-* kurk met de linker hand -, en ligt allengskens'tNet opjtot: dat gij 't lood krijgt; fronst de kurk en 't Net inde hand',, op de plaats E. en fteekt er de pen O. onder, en legrem |
|||||||||||
|
s~
|
|||||||||||
|
tffttt -VIS,
'het Net op. Gaat vervolgens na de andere ftaak G;
doet daar ook zo, en gaat dus van ftaak tot-ftaak voort, tot dat het Net gefpannen is, gelijk te zien is in de aan- gehaalde bovenüe fig. van Plaat LXIII. Daarna zal men 't ander eind van de reep op den oever C. D. regt tegen over de geaasde plaats leggen, en daar zal men een luds maaken en leggen die ,om K. Als het Net dus is toegefteld, zal men nog eenander
zetten, en alles daar omtrent waarneemen, dat ik van het eerfte gezegt hebbe. Ik heb dit tweede alleen met de Touwen verbeeld, om er de gedaante te beter van te lee- ren kennen, en de bijzondere (lukken, die met de zelfde "letters verbeeld worden, als in de eerfte figuur. Een van de einden van de keep der pennen, zal ook gaan aan de Staak K. Alles in gereedheid zijnde, zo werpt het overige van
de Boonen in 't midden van de zuivere plaats, en als de nagt gekoomen is, zo neemt drie of vier helpers mede 'die zagtjes zullen gaan, twee aan den kant A. B. en twee aan den anderen kant C, D., fcheidende van een om elk aan een eind'van de Afzetuetten te wezen, zon- der echter nader bij den andere te zijn, dan een roede afftand, en 't teken moet door hem worden gegeven, die de Netten doet fpelen. De vier helpers dusgefteld zijnde; zal de handigfte van de koppel, die gefchikt zal zijn om 't teken te geeven, de twee einden van het touw nemen, waar aan de pennen zijn, die aan de pen K. zullen wezen; en al loopende zal hij 't er uit- trekken met al zijne iriagt, en haaien er al de pennen te gelijk uit, die aan de Netten de vrijheid zullen geeven om te zinken, en de Visch in te fluiten, die bezig zal wezen met het Aas te eeten, dat men tusfchen beide de Netten heeft ingeworpen. Ter zelver tijd als men het touw trekt, word het teken gegeeven , en de vier hel- pers loopen fchielijk, elk met een ftok , om 't eind van "t Net kort aan den kant tefchikken, op dat er niets ontfnappe; en op dat de reep met lood , met de letters X. Y. Z. getekejid, de eene op de lijn E.F. G. H. zijn, en de andere op R. S..T. Dus zal de Visch tusfchende twee Afzetnetten als in een kooij zijn, en men zal niefr meer te doen hebben, dan die te vangen. Om zulks wel te doen , zullen twee Luiden, elk een eind van een der Netten neemen en brengen 'tallengskens bij den anderen, terwijl de anderen de Rivier en den grond van 't water zul- len beroeren, om te beletten, dat de Visch niet over het Net fpringe en teffens dat zij niet onder 't Net doorfchie- ten. Hier mede zal men aanhouden tot dat de twee Net- ten tegen malkander aankomen ,ende Visch gelijk als tus- fchen tweelakens.in is, die dubbeld zijn; daar na zal men ze uit het water haaien. Geen Visch is loos genoeg, of die laat zich op die
wijze vangen, en zelfs in een groot aantal. Ik dien hier evenwel bij aantemerken.datmen op dee-
ze wijs in loopend water niet kan Visfchen, om dat de loop der Rivière, de Netten beletten zoude, zich te fpan- nen, en op de pennen te blijven. Daarom moet men altijd een zodanige plaats kiezen, die niet al te fterk ftroomt, om dus genen vérgeefzen arbeid te doen. ~ Om allerlei] zoorten van Visch , in meenigte, inet be-
hulp vai) Vuur en Netten te vangen. Het geheim o.m'Visen des nagts met behulp van Vuur en Netten te vangen, verdient eenige aanmerking. Ik .lieb voor heen gezegd, dat alle Visch nieuwsgierig is _«m te gaan zien, waar ze gerügt heeft vernoomea. Hier |
|||||||||||
|
.TTI3.
om is 't vrij gemaklijk ze op de volgende wijze te va».
gen, 't zij in een Rivier, of in een Meir. Kiest een plaats, die tenminfte veertig, ofvijftigpaf.
fen in het vierkant heeft, zonder ruigte, hout, rotzen, of iets anders, dat beletten kan, om een groot Net over haar heen.te trekken. "" Ik onderftel dat de plaats om te Visfchen gefchikt door
de boog, of ronde afgepunttetrek, verbeeld word, die getekend is, door de letters O. P. R. Q. Plaat LXIII de benedenfle figuur. De lengte I. L. verbeeldde den kant van 't land, daar men't Net moet ophaalen. 't Zal goed zijn, een dag drie vier aan malkander in 't midden van die zuivere plaats aas te hebben gegooid, omtrent<op een roe- de naa, aan den kant, mede op deplaats, door de kleine geflipte Boog K. getekend, om daar door de Visch op die plaats te lokken en te gewennen. Aast's morgens, als gij dien dag wilt gaan Visfchen, met de purgeerboonen met aloë gekookt, gelijk onder 't woord Aas gezegd is', en weest gereed opdeplaats, om 't Net te fpannenten twee, of drie uuren na den middag. Doet een groot Afzetnet, ofeenZegen, in een Schuit-
je, op den kant P. D. van de zuivere plaats. Daar moet men 't Net even eens zetten, als het te zien is bij de letters A. B. C. D., dat is te zeggen, dat het aan een hoopje zo legt, dat men aan de twee einden E. F. trek- kende, 't zich in de lengte, zonder verwarren, uit kan breiden; en men het echter in 't water niet anders zien kan, dan of het een ftuk houts was, dat van den kant M.N. veertig, of vijftig pasfen aflegt. Men maakt een reep aan 't eind E. vast,' welker ander einde aan het land aan de paal L. vast is; en eene andere aan 't eind F, waar van 't eind desgelijks aan den kant van 't land op de plaats, met de letter I. getekend, vast is, en vaa de geaasde plaats K. omtrent honderd pasfen min, of meer, of naar dat de plaats is. De plaats die geaasd is, zii midden tusfchen I. L, en regt tegen overde plaats, daar't Net is. Dit dus gefchikt zijnde, moet men geen geraas daar omtrent maaken. Men zal zorge draagen, dat men een weinig droog hout en ftroo, aan den kant van 't water, ter plaatze brengt, door de letters M. en N. aangewezen, om daar den brand in te fteken, als het tijdis. Gaat daarop tot den avond, omtrent ten agt, of negen uuren toe heen ; bedenkt, dat de duister- fte tijd de beste is, om te visfchen. Wanneer de nagt gekomen is,;zal de Visch uit de
ruigte, en ftruiken te voorfchijn komen en naar de plaats zwemmen , daar ze is gewoon Aas te vinden; voor al die welke reeds boonen hebben gegeeten, om dat ze 't hongerigfte zullen wezen, als hebbende veel afgegaan, door de aloS die met de boonen is gekookt; blijf dan niet in gebreke , daar ter gezetter uure te zijn, om die visfcherij te beginnen ; en om bene« vens u, twee of drie Menfchen te brengen , waar van de een zagtjes zal gaan , om het touw I. te vat- ten, zonder ergens in 't water te roeren, en de an« der 't touw L. zal neemen, en beidenzich zeer ftil zul- len houden, tot dat het teken gegeeven is. Gij zult ook zo zagtjes, alsmooglijkis, gaan, om den brand in't hout M. N. te fteeken, dat ten dien einde is gereed ge- maakt; waar na gij op uwen buik zult gaan leggen, aan den kant van het water , om de Visch te zien, en zich te hooren beweegen , die na 't vuur toe, uit nieuwsgierig- heid zal komen. 'Zo dra gij dit zult merken , zo neemt een meenigte boonen , voed de visch hier mede,, en blijft hier een half uur mede bezig, en wanneer gij denkt dtt
|
|||||||||||
|
J
|
|||||||||||
|
vis, m%
Om Karpers en andere Visch te hehlten, dat ze niet
over 't Net heenfpringen. ' *ï
Dewijl deze uitvinding uitneemend is, zo wel als voor-
deelig, daarbij gemaklijk om uit te voeren, zo oordeel ik, dat de Lezer eenigermate genoegen in 't geheim zal neemen, dat ik voorneemens ben hem te leeren. Onderdelt, dat A. B. Plaat LXIV de'bened. a/dee*
ling fig. 6. de kant van het Water zij, daar men 't Net wil doen aankomen, en daarmen denkt, dat Karper, of andere groote Visch zich onthoud, zo zet het Net» om op de gemeene wijs te visfchen, dat is, dat men ' t eind E. moet zetten aan den kant van 't land, én 't auder eind in 't water, als een half rond,brengen- de 't eind F, desgelijks aan 't land, zo dat het lood op den grond zinkt, en de kurk aan den kant zij, Doet. daar na 't vliegend Net, dat aan het Afzetnet E.H. F. vast is, naderen;' 't geen gemaklijk zal te doen zijn,; trekkende aan de reep P. Door dit middel zal de kurk K. van het enkel Net, zich bevinden op de plaats Q, en 't ander eind L. op de plaats R., M. op 't cijffer 8 , en N. op 't cijffer 7, die den zelfden boogzal maken als het Hoofdnet, zo dat men vervolgens den grond, en den kant van 't water met de Pols X, V zal roeren, om de Visch te dwingen, zich daarin te verwarren , en za zij te loos zijn, zullen zij over de Kurk tragten heen te fpringen , als dan maar zal zij het vliegend Net bejegenen , dat haar den weg zal affnijden ,- zo dat zij niet kunnende ontvlugten , tragten zullen zich door 't Net heen te begeven , dog daar in blij- ven hangen , en zo men verzekerd is, dat groote Visfchen binnen den omtrek van 't Net zijn , moet men eerst in 't midden roeren, en de einden van 't Net allengskens bij een brengen, tot dat men ziet, dat de twee kurken van 't Net aan de plaats Y. Z. komen, en er niet meer dan vier, of vijf voeten plaats tusfchen de twee reepen is, op die wijze zal geen Visch uw Net kun- nen ontkomen. Ik geloof, dat het geen ik van deze Visfcherij gezegd
heb, genoeg is om een begrip te krijgen hoe diegefchied, onder 't werk zal men 't overige leeren. Hoe men zogenoemd Poortvisfchen moet.
Gij kunt dat zoort van Holen ,' van maand tot maand
maaken, ofwel alle vijftien dagen, zo er veelvuldig Visch is, 't geen gij weten kunt, als gij met uw Schuitje na- derende , een weinig met uw Stok rondom in den grond zult roeren, en daaruit als kleine borrels voortkomen, of als het water borrelt, dit is een teken, dat er Visch onder is ; als dan zult gij op deze wijze visfchen, Ziet deze tweede figuur, die de Holen verbeeld, of
de Poort, binnen de letters C. D. E. F. Plaat LXV. de bovenfle af deeling. Neemt in uw Schuitje een Stok, die op 't eind een haak heeft, S. T, en een, of twee Polfen X. V. op Plaat LXIV. afgebeeld, met een Span- net, dat groot genoeg is, om een plaats van zes, ofagt voeten in te fluiten, 't welk gij zo zult zetten, als gij' in de figuur ziet. Laat eerst het eind A. in 't water, en zettende het in 't rond, omringd dan de Holen, en brengt 't eind B. tegen 't ander zo aan, dat het er een voet, of twee voorbij fleekt, gelijk gij getekend ziet, op dat het er niet uit zoude kunnen-komen. Dit gedaan zijnde, moet gij hebben een goede dikke houten ftaak G. I. die wel glad, en lang genoeg is, naar de diepte van 't water, waarin men wil visichen, en aan "t dunne eincl Biet een ijzeren punt beflagen, om die zo veel te gemak- |
||||||
|
vis.
dit'er Visch genoeg bij een zal zijn ; zo geef een teken
aan uw Volk, dat ook, zo dra't kan, en zo fchielijk 't de Reep na zich zal haaien, om't Net, dat ze na zich trekken, aan elk eind tegen de kant zo te fpannen, dat liet een halfrond befchrijft, dat gedipt is met O. P. il. O, op dat dé Visch daar in verblijve. De eene kant vast tegen den kant aangehaald zijnde, die door O , is getekend, en de anderen tegen Q. zal men met Polfen , die hier agter worden verbeeld, in't water ftooten, en den grond omroeren aan den kant van't water, en bren- gen allengskens de twee einden van 't Net bij malkander, op de plaats getekend doorK; en als neeze bijeenko- men, zullen twee andere Menfchen elk de Reep van de kurk nemen, en daar na zal men alle drie het Net, zo zagtjesals men zal kunnen tegen/t land opnaaien, tot dat het geheel en al uit het water is. Andere manier, om de Fisch, door behulp van Vuur,
inflroomend Water te vangen* Zo men des nagts door behulp van Vuur en Neuen in
een droomend water zoekt te visfchen, moet men een ma- nier uitvinden, om het Net vast, en geplooid in 't mid- den van 't water, op eene zelve plaats te houden, die zo digt als mooglijk is, is gefloten , anders zoude't water het zelve wegflepen. Ziedaar de uitvinding, waarvan ik mij bedien, en die
op Plaat LXIV bovenlie af deeling word afgebeeld. Als men die plaats heeft vastgefteld, daar men 't Net
wil dellen, bij voorbeeld, de plaats door de letters A. B. C D. getekend van den kant E. F. af, naar de wijdte der Rivier, fteekt daar dan een goede dikke paal C, die fterk, regt, en overal glad is, op dat het Net daar niet aan haake, en van eene langte, die naar de diepte van 't water is geregelt, boven 't welke 't maar een voet moet uitkomen, Om 't Net daar agter te leggen.' Leg't eer- de eind B, en zwajende het Net met halve (lagen om de paal C, moet men, als men tot de Letter D. is geko- men, 't weder om flaan na B. toe, en doen 'twedereen halve flag om de paal C. flaan ; en als het aan de Letter p. is, moet men 't omflaan na B , en voortgaan met het in orde te plooijen gelijk men heeft begonnen, totdat men aan 't eind A. komt ; zo dat het lood op den grond is, en de kurk boven drijft. Dit gedaan zijnde zo maakt een touw aan 't eind-B. vast, en brengt deszelfs eind aan land, aan de paal F, maakt een tweede touw vast aan't eind A. van 't Net,, en brengt het ander eind onder aan E, dan zal 't Net gezet wezen. Men zal een hoop houts tegen't Net over leggen , op de plaats, door de letter G. getekent, blijft niet in gebreke om aan te merken, <te het Net altijd tegen de paal aan, boven de droom der Rivier, en niet onder dezelve ftaa; bij voorbeeld, zo «eloop der Rivier van 't oosten komt, moet het Net °ok aan dien kant der paal flaan, boven de paal C, want zo't aan den anderen kant lag, zoude het water het zel- ve wegfleepen. Men moet anderzints op de zelfde wijze te werk gaan,
?iS mer boven geze'gd is-, uitgenoomen, dat de Man, die t touw E. vast houd , vroeger en flerker moet trekken, a ye ander, die de reep F. vast heeft; en naar maatezo veel te meer, als de droom der Rivier't Net na om Jaag zal fiepen. Dees zal de reep zo dra niet trekken, hij zal. bevinden, dat het Net bij de paal bijna uit het * er ,s> daarom moet het touw E. van 't vuur G. hon. «rdpasfen verder afzijn, dan het touw F. |
||||||
|
S80O, VIS.
|
|||||||||
|
VIS.
|
|||||||||
|
kelijker in den grond te kunnen krijgen. Men zal ze
tegen 't midden der Deur aan zetten, en vast op den grond van't water, daar na zult gij met de ijzeren Haak in de Deur vast haaken, in een van de gaten, die aan 't ander eind F. zijn, en zal die regt ophaalen tegen de Paal G, en fteeken een touw in een van de Gaten, men moet het ter degen aan 't eind van de paal vast maaken, ter plaatze met de letter G. getekend. Als het wel zal wezen vast gemaakt, zo maakt het Schuitje vast, en neemt de Pol- zen, om den grond van 't water onder de Steenen te roeren, en de Visch te dwingen, in de Netten te loo- pen; en als men merkt, dat alles gevangen is, zo haalt het Net op, om erde Visch uit te haaien, die er in is. Legt dan de Pooit op de plaats, daar ze te voren was, om daar weder te visfchen, als 't u goed zal dunken. Zo gij gelieft zelf een Net te maken, de manier van
arbeiden ftaat elders befchreven. Hoe men Netten fpant, en vischt met een ■
Net, genoemd Vijf-ink. Men zal op 't Artikel Net de befchrij ving vinden, van
het Net" Vijf-ink genoemd, om dat het vijflnken, of Poorten heeft. Ter deezer plaatze word de manier verklaart hoedanig hetzelve te zetten zo wel in een Meir, als Rivier, of in een ftaand, of lopend Water. Voorziet u van vierter degen fterke, regte Stokken,
van bekwaame langte, naar de diepte van 't water, daar 't Net moet gezet wezen; zij moeten gepunt zijn aan 't dikke eind, gelijk blijkt in de figuur 7 van Plaat LXV. de benei, afdeeling. Men moet op een voetna, bij de punt aan elke vast maaken, de hoek van 't Net E. F. G. H, en vier voeten hooger aan de vier hoeken, boven aan de dunne einden der Stokken, de hoeken om hoog A. B. C. D, zo dat't onderfle en vierkante duk, waar aan geen Ink is, onder is; en dat, waar aan er een is, boven. Het Net dus aan de ftaaken zijnde gebonden, zet men 't in een Schuitje, orri 't in 't midden van 't water te brengen , en daar op deeze wijze te zetten. . Zo 't geen droomend water is, zo doet u Schuitje in 't water ftil leggen, en neemende de vier Stokken tege- lijk, werpt,ze recht in 't water; daar na zal men er een fteeken in den grond, zo recht en ver, als men kan. Onderdelt, bij voorbeeld, dat het die ftok zij, welke met de letter D. G. getekend is. Neemt dan de ande- re ftok B, F. die ze volgt, en haalt ze in 't lood, en langs het Schuitje, tot dat de kant van 't Net wel ge- zet, en ftijf ingeftoken is, langs het Schuitje, in rechte Hnie van't andere. Dit gedaan zijnde, gaat heen, en keert het Schuitje om, om 't over'angs in de droom van t water te houden, om de (laak E. A. te planten, ge- lijk men met de twee anderen gedaan heeft , en van daar nogmaal 't Schuitje omkeerende, z.al men er de vierde ftaak G. H. bij doen, zo dat de vier ftaaken geflooken zijnde op den grond vrij vast zijn. Dat Net zij vier- kant, op die wijze gefpannen, als in de figuur word verbeeld. . ,..Is 't in loopend water gelijk ik gezegd hebbe, datgij
uw Net gefpannen hebt, zal dit de ftaaken zonder op- houden beweegen, en gevolglijk't ganfche Net, 't geen de Visch zal bang maaken. Ôm dit ongemak te hel- pen, zult -gij zes, of zeven (lokken neemen , negen of tien voeten lang , welke gij om hoog aan de flaaken zult vast binden, om ze in ftaat van onbeweeglijkheid *te houden. «©m beter de manier te weeten, hoe men die ftaa-
|
ken vast maakt, onderftelt, dat ze verbeeld worden,
door lijnen getekend, door de kleine letters a. c. d. Neemt, bij voorbeeld, de twee einden a, en bindt die kruisling aan de ftaak A. E. om hoog, en neemen- de weder eenen anderen ftok, maakt ze vast met het eene van des anderen einden aan C. H. op de plaats c, en neemende een vierde (lok, bind hem desgelijks met een eind aan de ander d, en het ander eind aan de letter b ; en door dit middel zal men 't Net in 't water doen vast ftaan. Nog (lijver zal 't (laan, eu beter ge- fpannen, zo men er nog twee andere (lokken in 'tkruis aanbind, en men ze van hoek tot hoek plaatst, te we. ten, een eind aan de ftaak A. a, en 't ander aan 't eind getekend D. d, en de twee aan de eene hoek van de (laak Cc, en de andere aan die, welkemetB. is getekend. Maar zo gij 't Net in (lil water zet, als een Meir, een
Vijver, een Graft, of Moeras, is 't genoeg de viet voornaame ftaaken van 't Net in den grond te zetten, als zij maar regt geplant zijn, .Middel om eenige andere Visch te vangen,
als Snoekjes en Baars, met een Strik van Paardshaair. De Snoek en Snoekjes, flaapendoorgaans indemaaB.
den februarij, maart, april, mai, junij, julij en augu- flus in de fonnefchijn, en houden zig gemeenlijk gelijk met het water aan den kant. 't Is niet moeilijk die als dan te vangen, met een ftrik van paartshaair, gelijk op Plaat LXVI in eene der bovenfte figuuren te zien is. Neemt een dunne ftok of Henge!, van omtrent negen
voeten lang, die (lerk en teffens ligt genoeg is, om ze met eene hand te kunnen houden; maakt aan't dunne eind N. een ftrik van paardshaair, van zes, of agt dubbeld vast, die langs den Hengel, en niet over dwars open ftaat. En als de Son helder fchijnt, gaat dan langs het water wandelen, dan zult gij de Snoeken en Snoek- jes, zonder beweegen zien flaapen; komt dan zachtjes bij de eerde die gij ziet, tot dat gij ze gemaklijkmet uwe Roede bereiken kunt; ftrijkt de ftrik dan zacbjes over den kop toe op 't midden van 't lijf, en flaat uwe Roede fchielijk op, als dan zult gij hem onfeil- baar gevangen hebben. In plaats van paardshaair tot den ftvik te neemen, is 't ruim zo goed daar toe dun en taai gegloeid koperdraad te gebruiken. Op dezelfde wijze kan men Karpers geduurende ds
maanden april en maij vangen. Hoe men Karpers met Moordflagen vangt.
, Men doet dit in een plaats, daar 't water een Kon verheelt, en daar't zonder takken, of wortels, of ruig' te is, en daar overvloed van Karper gevonden word. Men omzet dat water met Zegens, die den grond raa- ken, gelijk in de figuur van Plaat LXVI. te zien is. Men neemt eenige Moordflagen, daar men fteenen aan
bindt, om ze te doen zinken, en werpt die de een voor, de andere na in 't water, na dat ze ontdoken zijn. Als deze (laan, beroeren ze 't water op een vreeslijke wijze; en doen de Karpers uit de holen in't Net vluchten. A. is 't Schuitje, B. die de Moordflagen aan een (leen
gebonden werpt. C. is de plaats van de Rivier of Meir die van een Net is omringd. Gemaklijke wijs om Karpers te visfchen.
Men neemt een oud Schuitje met takken Ä. Platt, LXVI-
|
||||||||
|
ys&
|
|||||||||
|
ait
|
|||||||||
|
vis. vît,
%Xv*ï; Dît doet men zinken, en "laai hèt drie Maan-
: den leggen, zonder er aan te raaken. 't Water moet diep zijn» °P dat-de Vischer in kan komen, zónder te worden gezien ; als dan nestelt ze daarin. Neemt, als gij visfchen wilt, twee Schuitjes B, waar aan gij -t oude Schuitje vast maakt, 't geen gij uit-den grand zult gaan Jicbsen met de touwen, die daaraan vastgemaakt wor- den. Als gij dat Schuitje geligt hebt, brengt gij 't tus- fchen twee Schuitjes in een Graft, of aan de waterkant; alwaar 't Schuitje zodanig op 't droog word gezet, dat er't water niet vanboven in kan komen. Daar na neemt men er 't hout uit, en fchept het van 't water ledig; als wanneer men er zomtijds meer dan honderd Karper* M gelijk in vind. Hoe men Visch met een Hoep-net vangt.
Men heeft een Hoep vaneen wilge tak, ofwel van twee gemaakt, en maakt daar aan een Net vast, en een (lok, die dwars over.de Hoep heen gaat. Hier medegaatmen in de Slooten visfchen. Steekt het Net aan den kant in, daar men is, en zo langs den grond geduwd als 't aan de overkant is, met de Hoep boven 't water, en haalt bet na zich. Hoe men vischt aan ie Strand.
Men neemt twee Paarden A..B, en een Net C zie Plaat LXVI. de bened, af deeling, als een Zegen zonder kuil. Aan elk eind van het Net is een Paard, gelijk in de figuur is te zien. En als 't water wast, gaat men daar aiede in zee; men rijd vrij diep in zee, indien het ftrand vlak legt, eer 't water de fthoft vaJi 't Paard bereikt; 't Paard A, dat digt aan ftrand is, rijdt daar weer heen, als 't water het andere B, tot die hoogte (laat, om 't Net wat ftrak te haaien. Daar na rijd het langs 't ftrand door 't water 50,-6® fchreeden ver. Dan blijft het Paard, dat naast aan ftrand is, ftil (laan ; en. 't ander Paard rondom rijdende, gelijk de poot van eenPasfer, die beweegbaar is, komt dan op de hoogte van 't ander Paard. Dan rijden ze beide na't ftrand, en haaien 't Net m zich, dat vijftig a zestig voeten lang, en vier diep is. Men vind er zomtijds veel, zomtijds weinig, zomtijd3 jeen Visch ,in. -............ - ■ , , ; Het Visfchen met de Totebel.
Onder 't woord Totebel hebben we van dit Net gefpro-
ïen. Hier zullen we leeren hoedanig het te werk te (lellen. Men heefteenSchuitje A,PIaatLXVL waar in tegen't boord aaïi, rust een (lok, dïe vrij ftevig is E, waar aan boven een Katrol is B. Men heeft in dat Schuitje ook een wind, bijna aan 't ander boordC. Hiervandaan reikt een touw D , dat over de katrol B gaat, tot aan 't kruis van 't Net H. Het wind heeft een handvat, en een arm , waar mede men 't opwind, en 't los laat. Met zo een toeftel is men in (laat, een Totebel te ge. oruiken van 18 en 20 voeten wijd. Op dat het Net ie beter zinke, doet men (lukken lood, aan de vier «okken van 't Net. yiSCUS, zie MARENTAKKEN.
VISUS, zie GESICHT.
yiTELLUM OVIS, zie EIJER-DOOIJER,
yiTEX, zie KUISCHBOOM,
yjTlS, zie WIJNSTOK.
yiTlS ALBA, zie BRIJONIE. CWITTE )f,
VITIS 1DMA, zie KRAAKBESIEN.
«TlSNiGRi, zie BRIJONIE. (ZWARTE-)
E.ril Btü . |
|||||||||
|
yiTREC, zie- K WIKSTA ARTRN, «. XVII. &R
1,794. ... VITRIOOL, is een zout van eenfeherpeen zamen»
trekkende fmaak, voortgebragt door de vereeniging van een bijzonder zuur, 't welk men vhrioiisch noemt, met ijzer, koper of zink, of wel met eenfge aarde vermengt. Het Vitriool, in de winkels Vitriolum, waar van men
wil, dat de naam ontleend zou zijn van het latijnfche woord Vitrum, Glas,om dat het daar van de koleur e» doorfchijnendheid heeft, droeg bij den Grieken de naam van Xâ?M(MltH, even als of men zeide Bloem van koper, .De Latijnen hebben het genoemd AtramentumSutorium, Schoenmaakers Inkt, om dat het 't Leer zwart maakt-. De Itaiiaanen noemen het Couperofe, even als of men zeide wegbijtzel van koper. Men heeft er verfcheidene zóorten van. Met be-
trekking op zijnen oorfpronk verdeelt men het in natuur» lijk en door komt gemaakt. Het natuurlijke is datgeen, het welk zich vasthegt om hoog aan de metaal-grotten in de gedaante van kegels of krijftallen; de Grieken noemen het o-*a«*i-ixo\. Het geen door kunstgemaakt is, is tweederlei; want men doet of de Vitriool-wate- ren van eenige Mijnen kooken, welke wateren vervol- gens, door de koude, krijftallen maaken, en dan is dat het Vitriool, het welk deórieken genoemd hebben sruxr«» of (çS-it., of men maakt het door middel van Aqm 'pyritum,, welke eenigzins bedorven zijn en gefermen« teerd hebben. Het fchijnt dat de Grieken deeze ma* nier om Vitriool te maaken, niet geweeten- hebben; Zij hebben het de naamen gegeeven van A<yx»r«i< & w<v«f loï, of mogeiijk htiiSüh. naar het formaat der krij- ftallen. Met betrekking op de koleer word het Vitrhol ver.
deeld in wit, in blaauw, en in groen. Het vitte Vi- triool, dat men gemeenlijk in 't ftansch Cotiperofe-blafi- che, of wit-Koperrood noemt, word ons gebragt uit Duitschland in groote witte (lukken, die naar, fuiker gelijken , van eene zoetachtige en zameutrekkende fmaak. , Die geen, welk gelooven, dat het witte-Vttriool va»
üoslar, niets anders is als groen-Vitriool tot witwor- dens toe gecalcineerd, bedriegen zich ; want het groeit van zelfs in de Vitriool-mijnen onder de gedaante van dons of kattoen, het welk men fmelten laat in water, het geen men dan tot eene bekwaame dikte laat ver» kooken om er eene witte masfa van te maàken als fui- ker. Zomtijds zelfs vind men in de Mijnen kleine ftukjes Vitriool als krijftal doorfcbijnend. Het witte Vitriool van Goslar, bevat in zich het ijzewnineraal Zt welk nog niet rijp is, of mogelijk de lapis calami* naris of loot, vermengd met de minera-ferri. ■ Het Uaauv/t'Vitriool is droog op het aanraaken ; het
maakt blaauwe krijftallen als Sapphïren, van eene lang- werpig ruitachtige gedaante, met'tien platte zijden. Het word op verfcheidene plaatzen bereid , maar voor- namelijk op hetEiland Cijprus en in Hungarijen; om die reden noemt men het Cij.prïsch of Hungaristh-Vi- triool. Zijn blaauwe koleur die zeer fchoonis, komt van het koper, waar van het vol zit; zijn fmaak if, bitter en zeer fcherp. Het groene-Vitriool, of dat een gras»koIeur beeft,
heeft verfcheide naamen naar de plaatzen, daar men het van daan haalt. Want men noemt het Roomsch, Pifaansch, Sweeds, Sngelsch of Pransch-Vitriool. Het heeft veel ijzer in zich, waarvan de groene koleur komt. % Me*
|
|||||||||
|
Vit.
|
||||||||||||
|
389*
|
||||||||||||
|
vit;
|
||||||||||||
|
Men vind- hët in de winkels of onder de gedaante van
groote langwerpige vierkante krijstallen, of in klompen gëtnâakt!uiï verfcheide krijstal-greinen, welke zómtijds feeri weinig fmeerig zijn] en zich aan de handen hegten; zijn fmaak is fcherp en zament'rekkend. De Vitriool is inderdaad het vitriool-zuur, het welk
het koper of het ijzer af knaagende met dezelve (lolt en dus eeridoorfchijneild bläauw of groen lighaam maakt naar het metaal, dat bet ontbonden heeftt. Eenige maakeh ook gewag vari éeh rood-Vitriool;. dog zulks is bij mij niet bekend. ' ' ; - - ' '«": '; Men (lelt verfchéidene middelen in 'twerkom het Vi-
triool te krijgen uft de waters, aardens» Vitriool-fieenen, en inzonderheid uit de Pij'riies. / Eertijds was men op het eiland Cijprus, ten tijde van
Galeküs, gewoon het 'blaauwe-Vimoól te maàken uit een -vitriool-water, in de bette van de fon uitgedampt. Tegens woord ig Iaat men het water van de vitrlool-fon- tetnen, welke gevonden wórden in eenige kopermijneh digt'bij Srnolnik en Neufol'in Hurigarijen, kooken'en uitdampen,^ öp dezelve "wijze maakt men' het groene- Vitriool op andere plaatzen van Duitsçhlànd. ■ "' ' '"■ > w InSiennois,., een landflreek vanToscaanen, krijgtmén
het Vitriool door verfchéidene maaien wasfchen vaneene ascbagtige aarde, vol niét verfchéidene vlakjes, waar van-eenlge in hun koieur gelijken naar roest van ijzer, andere haar die van'koper, én die eene onaangenaarne Neh ftïhkende zwavél-lucht hebben en vaii 'een fcherpe fmaak zijn. Dit Vitriool heeft een groen blaauwë ko- ieur van' Wegens ' <fc zameninenging van het ijzer en kb- |
-"". Maar 'als Jfci Pijrites veel zwavel in zichbehbeh, gè.
lijk die, daar men in S weden het Vitriool van maakt, en in Luikerland, trekt men er de zwavel af pèr JDifienfum op de manier als wij in de verhandeling van 't zwavel zeggen zullen; men verbrand het geen dat overblijft, en men maakt er een loog van, die men giet en kooken laat in loode vaten, en het welk men vervolgens op ee- ne koele plaats zet om te krijstallizeeren. ; Defilutie 'van Vitriool maakt de tinStura Heliotropii een weinig roodagtig; zij coaguleert de melk en geeft een weinig groene koieur aan den Sijrupusviolarum; zij ver- anderd de foliitie van den Mer'cüriiisJuUimatus corroß. vusx niet;- gemengd met de J'olutio faiis'Tartari of net kalk-water, word zij roodagtig of van eene groenezeé- koleur; zij geeft eenezwarte of eene zwart-purpre koieur aan de infuße van galnooten, het geen het eigen ken. merk van de Vitriool 'is. , Men krijgt 'van -de Vitriool door een chimifche ont-
binding een zuur vogt"; dog het is niet dan'door middel vaneen groot vuur; men geeft het den naam van Spiri* tus of' Oieum-Vitrioli. Deeze Jpiriiusgeeft een vuur-ko- leur aan de tin&ura Heliotropii én aan den Sijrupus vio- larum; hij dreint de melk en bet bloed; met een alkali- zout maakt hij eene groote effervefcentie met hette. De Oleum-Vitrioli, het welk een zeer ftérk Aciàwn is, mee gemeen regenwater gemengd, verhit zeer veel. Het :fermenteêrt aanmërklij'k met het Jal ammoniacum , en doet eene groote koude gewaar worden, fchoondedamp die ér uit opvliegt ; Warm' fchijnt. Na de distillca.it van het Vitriool Blijft er in den ftromhals een zwart- agtige of roode aarde, Welke men Doode-kop noemt, dit is een Kalk, of gelijk men. zegt, een Saffraan van ij- zer' of koper, naar. dat het van groen of blaauwVitriool komt. Men ziet daaruit ? dat bet Vitriool zamengefteld is van
een fa!~widum, 'té onder gebragt door metaal-deelen; het welk gemaklijk is te bewijzen.,-niét'alleen door ds 'chimifche ontbinding, van het Vitriool, maar ook nog door de verfchillende wijze1 van.hetklaar te maaken. Want zo men geest- van Vitrioolgietop vijlzel van ijzer, maai« men een fraai groen Vitriool; en zo men bladen koper doormengd met zwavel in eenkroeslegt, en men ze ver- volgens calcinèert,, en daarna het water doet uitdampen, waarinde masfa, die overblijft, geduurendeeenigentijd gekookt heeft, blijft.er een.zeer natuurlijk blaauw- Vitriool ■over.. Het is ongelooflijk hoe veel-kragten de Scheikundigen
'aan het Vitriool toegefebreéven hebben, fçhoon de uit- komst niet altijd aan hunne belofte beantwoord heeft. DxoscoRiDEs fchrijft het eene vis emetica toe; hij zegt, dat hetingenomen zijnde niet water een goed middel is tegen vergiftigde champignons,die men gegeeten heeft, en in (laat om de breede Wormen in het gedarmte te verbrijzelen,- hij verzekert, dat, zo men het ontbind in water, en in de neusgaten propjes-wol, hier in nat gemaakt, (leekt, 't hoofd zuivert. Hij plaatst ook nog het Vitriool onder de. adflringev.tia , calef.acientia en caußics. Plinios fchikt het voor de ziektens der oo« gen, om bet bloed te dempen en om dezweeren tege« neezen,; en Gai.enüs bediende er zich van om collijnt temaaken. Men gebruikt hethedendaagschin deGen.ees' kunde om braaking te, verwekken, de'Wormen te doen derven, dê bloed-dorting te duiten, zweereri te zuive' rën. en.om inflatomatien. te verzagten;- Maar men ge' bruikt het zelden van binnen Zonder hét'geprepareerd te *-«« beb;
|
|||||||||||
|
per.
In Engeland, in het dorp Debford, omtrent zesdui-
zend "fchreecfen van""Londen gëlergên, rmaak't 'men bet frotnt-Vhriool ^nret'dé Pijrites, het welk zwaar weegen. e fteeneri zijn, bruin van ■buiten ", vertoortendè van binnen'draaien, Wefke-van bet middelpitntriaar denorrt- trek gaan, blinkende ais klatergoud y én welke geheel 'eh al-fmàakeloos zijn ; zo 'mén 2e'larigenrtljaaan de lucht bloQt ,laa,t , fsnnenteeren zij van binnen, en fcheuren vanzëlfir, en ï'rï de fcheuréh ziet men één Wit' zoutagtig dons, het welk een zuure en zamentr.ekkende fmaak heeft,' eindelijk' ontbind zich de ge'bee'e"zèlFftandigheid 'van. de fteen,'- en'word gebragt tot eene zeer fijne aarde of dof,? welk.'eenè zoete fmaak' 'van;Vitriool en een reuk "Van zwavel hééft; Maar zo-mèn'deeze Pijrites brand en calcinèert'in 't vuur, geeven 'zij zeer véél damp van ; zich mer. een lucht '.van\'zwavé!,' en-er blijft een roode .kalk over, waarjn een' weinig ijzeren köpéris.,"'*.' Zie h'ier dé 'wijze om 'het Vitriool uit de Pijrites té krij-
gen. Mén (Trooit geheéle pijritesop eene groote plaats, ter hoogte orötrent van drie voeten. Men laat ze drie jaaren aan dé-lucht bloot jeggen, en leert ze alle zes maanden eens om, opdat zij des te gemaklijker gecalci- neerd worden door de fonne-draafen en geweekt door de regen. Men laatzé dus tot datzegebeel:en al gecalci- riëerd zijn, en gebragt tot eene. Vitriool.aarde. Vervol- 'gens laat men door pijpen en kahaalen het regenwater, dat op deeze aarde vak, ineenbakloopen, alwaar men het bewaart. Vervolgens Iaat men betlooken in groote loode ketels totdat het dik genoeg zij, nadatmeneroud- ijzer in geworpen beeft, 't welk van diï iixivium zeer fehieliik verteerd word. Daarna giet men dit vogt fn een ander Iood-vat om bette faaten verkoelen, zijnde ér van tevoren eenige latten ingelegd, opdat het Vitriool zich bier aan hegte en krijstallen maake,-.'■'" -' |
||||||||||||
|
...,_"... r- - '";""--""..... T":^-■-
|
||||||||||
|
!', 17 Wft .T1V
|
||||||||||
|
-:ss«3
|
||||||||||
|
hebben. Van buiten gebruikt men het,, inzonderheid
het witte Vitriool, in Collijria, welke men op de volgen- de wijze kan klaar maaken, om deinflammatiender Oor gen te verzagten en te verdrijven, en om de vJoeijingen voortekomen. Neemt witte-Vitriool ï fchrupel, en roozenwater4 on»
Cen ; laat de Vitriool in het warme water ontbinden, het welk men daarna door een doek giet. Van dit water bedient men zich, doende drup voor drup in het oog druipen. Zo bet te fterk door zijne fcherpheid verteert, ?al men het verzagten door er nog wat «03«»-water bijte- voegen. Men gebruikt bet blaautve-Vitriool in poeijer bij won-
den, en aan het uiteinde van vaten, waaruit bloed ftort. Het fluit de bloedftortingen door de vaten toe te fchroei- jen en het bloed te doen ftolien. Onder de Praparaaten, die men van het Vitriool maakt,
heeft zijne zuivering, welke men Gilla-Vitrioli noemt, den eerften rang. Om dezelve te bereiden kiest men voor? namelijk het yi/i» t-Vitriool, hetwelk men zuivert door het te laaten fmelten, door te gieten, te droogen, en dat twee of driemaalen; want als het dus geprepareerd is, verwekt het braaking van een fchrupel tot een drag- ma ingenomen in een bekwaam vogr. .. ...... \. . Donr Paracelsus en andere Scheikonftenaars is de
Cüla-Vitrioli als een uitmuntend braakmiddelaanbevoo- len. Het ontlast niet alleen de Maag door een. zagte braaking, maar verfterkt ook na de braaking en de maag en het gedarmte door zijne zamentrekkendekragt; om die reden gaf men het met. eenen goeden uitflag in diar- rha en dijfenterice. Dit middel was van eengroot ge.- bruik eer men de Emetica antimonialia en de Ificacuan* In kon; maar hedendaagscb is het niet meer in gebruik. Door middel van difiillatie krijgt men van de Vitriool
een geest en olie op de volgende wijze. Neem groene Vitriool, zo vee! gij wik; Iaat bet naar
de kunst calcineeren totdat.het wit word," doet het alles in eenen aarden Krombals twee derdendeelen. vol. Doe hetdistilleeren in een llever'aereer-oven, inden begin» ne eerst met .een zagt vuur; want op deeze wijzezal de phlegma van het Vitriool. zich opheffen ; vermeerder het vuur bij trappen, totdat er zuure droppels uitkomen ; verander dan den Recipiënt en maak.de openingen, daar hij mede aan den krombals vereenigd word, naauwkeu^ rig toe; breng het vuur bij trappen tot de grootfte het* te, welke men in denzelven graad moet houden geduu- rende drie of vier dagen en even zo veele nagten, tot dat er geen rook nog witte dampen meer uit den krom. hals komen. Laat dan de vaten verkoelen., en giet in eenen glazen krom-hals het vogt, dat in de recipiënt is, het we'k gif op nieuw in een zand.bad zult diftijleeren. Het zuure vogt, dat overloopt, word Geestvan Vitriool genoemd, en dat overblijft en bet zwaarst en zeer zuuri's, heet men Olie van Vitriool. . ,.-- - _ De Spiritus en Oleum-Vitrioli verfchillen alleen hier- in, dat in denS/w-ifwhetzuurezoutontbonden is ineen- veel grooter menigte phlegma, en in de Oleum is het in fflmderqiiantiteit ontbonden. ..... ,- Zo er, terwijl men de distillatie doet, een 'fcheur ia,
*ai kromhals komt, zal er geen vaste olie van Vitriool meer overkoomen, maar een zwavelagtige.Vitriool, dat "gt en zeer vloeibaar is, geliik de beroemde Heer Stahl- Jaargen.omen heeft. De Scheikunflenaars zoeken fterk Vgf?en zwavelagtigen en vluggen geest van Vitriool, en< « ■ en er zeer veel mede op. Para^ëlsus maakte -er |
||||||||||
|
zijn DiopTtofeUcwh vdn in fcherpe'ziek'tens óp à; vcljenr
de wijze. 1 . " ..-.- - > Spirit, volât. Vitriol, une. j. Spirit. Tartar, reUif. Une.
iij. Aa. Theriacal. ïtne. v. fiat mixtum, 't welk omdat het uit die drie vogten zamengelleld is, genoemd word Mixtura de tribus. Het verwekt zweeten, weerftaat het bederf, en word met eenen goeden uitflag gebruikt ia kwaadaartige ziektens, van een fcr. tot een drachma. . . De Spiritus Vitrioli ililt gelijk de andere zuure geeste* de opgisting der humeuren, ftelpt de bloedftortingea en verwekt pis. Het geneest zomtijds ook intermittee- rende koortzen. Men giet het in een glas met water-, tot het de fmaak van een aangenaam zuurheefc, in het begin van de ziekte. Deeze geest word veel zagter» door ze met overgehaalde wijn te doen digereeren» De olie van Vitriool is een Causticum, dat in zeer vee«
Ie chimifche operatien van gebruik is; het heeft dezei- ve kragten als de Spiritus-Vitrioli; dog men geeft er kleiner dofis van in. De wijze om de Spiritus-acidi ia te geeven is denzelven drop voor drop te laaten druipea in een bekwaam vogt totdat er een aangenaam zuur va« voortkomt. Men maakt den Tartarus-vitriolatus uit den Oleum*Vi-
trioli belaaden en verzagt door eene genoegzaame me- nigte fal-iartari- -* Met denzelven Oleun>Vitrioti maakt men het Sal en Vitriolum-Martis. De masfa,- die na de distillatie van het Vitriool in dei»
krom-hals overblijft, wordDoreden-kop genoemd. Ditis een roodeaarde, welke ijzer in zich heeft, enwelkenog vervuld is-met een gedeelte" van bet VitriooUzout. Dee< ze aarde, welke men verfcheidemaalen affpoelt en droogt, is adfiringeerend, en uiterlijk op wonden gelegt, ftelpt zij het bloed. Door het aftefpoelen krijgt men een zout, het welk men Salfixum Vitrioli of SaUColcothar noemt. Als de Colcothar niet.veel gecalculeerd is, is zijn zout een weinig groen, en verwekt braaking, integendeel zo het wel gecalcineerd is, is het wit endoorfchijnend, en vér« wekt geen braaking, maar word pisdrijvenden openend. Schoon dit zout zeer vast is, en dat een fterk vuur ée» nige dagen aan een vervolgd het niet heeft kunnen óp« heffen, word het ondertusfehen vlug door middel van-de Borax, en het fublimeert onder de gedaante van Flores van een blinkend zout, en welke de glans van zilver heeft. Zie hier de wijze om dit zout te maaken, wel- ke de Heer Homberg, zeerervaaren in de Schei» enN&* tuurknnde', openbaar gemaakt heeft. r r.-■ ,:.:: Sal. fix. Vitr. bene calcinât: £? Borax anaunc. 'ij: Doel
ze ieder ontbinden in 4 pond water ', dat zeer heet is ; meng; deeze folutien zamen; zij worden troebel,- laatze door een vloei-papïer lekken, en door middel van een glaaze heim distilleertze tot droogwordens toe. Alle vogtigbeid weggedampt zijnde, verheffen zich van de zoute màsfa" zoutagtige zilvere bloemen, welke in dePïelin fubümee» ren; men maaktze los en bewaart ze tot het gebruik.' Men giet op nieuw water op 't Sal-fixum, dat opdengrond ' is blijven leggen; men herhaalt de distillât ie, hadat.de: vógtigheid nog eenmaal is weggedampt ; nieuwe flores/ fublimeeren er, welke men ook losmaakt. Men herhaalt' deeze operatie, tot dat al het zout gefublimeerd zij. Men kan het zelfde preparaat mäaken, neemendede
Olenm-Vitrioïi in de plaats van het Salfixum-Vitriali ,en ■ mengende het met een dubbel deel Borax; als dangebeürt ergeene pracipitat'ie, en ondertusfehen verheffen erzieh Flores, aan de vooirigen gelijk. Deeze Flores zijn bijna fmaake-loos voer de tong en ontbinden bezwaarlijk in wa- R a -ta*.
|
||||||||||
|
3894. VIT. VW. VLA.
\ -
ter. : Zij dillen de gistingen van 't bloed in de koorts,
en vooral in f 'ebres ardentes ; zij bedaaren de ijlhoofdig- heid, en verminderen ten minsten voor eenigen tijd de fpasmodicque beweegingen, en de Paroxijsmi injpochon- driûci ê? hijsterict ; in een woord het is een voortrefiijk anodijnum, en het verdient al de loftuitingen, die de Scheikundenaars gegeeven hebben aan 't SulphuvVitrio- li, en aan dat pijnttillend,. 't welk zij Arciius noe- men. De dofis is vaniijtot xgr. in een bekwaam vogt. Men moet óndertusfcben wel in agtneemen'; datmen dit Sa!»yolatik-Vitrioli niet ingeeve in eene infiammatie der Longen, in bloedfpuu'wing en in andere inflammd' toire ziektens van de borst; want fchoon het fmaakloos ?oor de tong fchijnt, heeft het echter punten in zich ver- borgen, welke van tijd tot tijd los wordende, de vlie- zen, van ; de; Long -kunnen prikkelen en hoest veroor- zaaken.- ,* -?- - ' ; ■ ..-..-'-; Men maakt ook .-met4 de Vitriool het zo berugte poe-
jer, het welk men Poudre 'de Sijmpathie noemt. Om het- zelve te tnaake» legt men in de hondsdagen aan de zon- se fträalen bloot Romeinfche1 Vitriool,. totdat het veran- dert in eeh wit of een weinig geel.agtig poeijer; als dan bewaart fhen'het in eenweltoegefloöten vies tot het ge. bruik. De Ridder Dïgbi en eenige anderen hebben wonderen varrdit poeijer verhaald, die niet altoos door de ondervinding zijn bevestigd geworden. Ondertus» feh'ertftolt zulks het bloed , dat uit wonden vloeit, door- wieken met dit poeijer voorzien opdeüiteindens der ope- nevaten te leggen. Sommige tragten alle wonden door dit poeijer té geneezen, altemets doen zij ereenegelijke menigte gom-tragant: bij,- wanneer er. etter uit de wond ïloeit.. - - ■' " - : - '■■ - ■ ■-■ VITRIOLISCHE PIJRITEN, ziePIJRITENv
VITRIOOL-GEEST, zie GEESTEN pag. 812=. k :
VITRUM, zie GLAS. i : ■>■:■ VITRÖM ANTJMONil,. zie GLAS. van ANTJL-
MONIE.. P'**< ■ -;:,:.■-■-: « \ï < VIVERRA, zieFRET. ; =rrv- -, hw
VIVERRiE, zie FRETTEN«, - "- ,;
. VIVERS, zie VIJVERS.
VI VIP ARA, dusdanig worden die Dieren genoemt.
welke levendige Jongen ter waereld brengen ; zo als in de eerde plaats.de Mensch,- onder de Viervoetigen, de Paarden, Koeiien, Honden, Katten, en alle de overi- ge, eenige weinige uirgezonder-t, als de Krokodil enz.;; onder de'Visfchen, de Walvisfchen, Haaijen, Aaien, enz. Dit zoort- van Dieren is daar door van de Ovipa- ra of Eijerleggende onderfchéiden, onder welk Iaatfte het Pluimgediert, de meeste Visfchen * en een groot aantal Infecten behoor-t; > ...■>*■-.'■< : . . VLAADE: Door het woord Vhade verûaatmen een
zeer, lekkere en vervrisfchendefpijs, aieuiteijeren, vrug- ten enz* word vervaardigt, waar van ook verfcheidene zoorten zijn ; en daar. wij de bereidingen van opzodanige artijkels van Vrugten,,daar hettepaskwam, hebben aaar geweezen. -■..:...■,... _... . VLAADE-APPEL, is de naam. vaneen Vrugt aaneen.
Boom.groeijende welke onder 't gefiagt der Annona's,be- hoort; Annonareticulata; Annona fruütbüsoblongis, «« dulatis-, venofis. Brown. Jam. 256.; Annona maxima fo- ins oblongis àngmtis:, £?*;, Ht ShOAN.jfam. 204. ; (An- nmafoliis lanceolatiï, fru&ibusovatis reticulato-areolatis. Li-NN» Sijfl. Nat.)- Deeze zoort van -Annona verfchilt van de overigen,. doordien de Vrugten niet gedoornd , r4pg.gefchu.bd.zijn,, maar eene. effène Schors hebben, |
||||||
|
vir.
welke als netswijze fn ruiten is afgeperkt. Volgens dee.
ze gefteldheid vandeVrugt, moet bet de Anona-Maram van den Malabaarlchen Kruklhofzijn , zowel als de eerde of gemeene Anona van Rumphiüs ; dog het fchijnt naauw- lijks de Guanabanus met een goudgeele zagt gedoomde Vrugt te kunnen zijn van Plumier, niettegenftaande onze Ridder dien thans daar toe betrekt, Sloane, die deezen Boom alkrgrootfle Anona tijtelt, met langwerpige fmalle Bladen en een zeer groote geele kegelvormige Vrugt, den Bast glad in perkjes verdeeld hebbende, merkt aan, dat de Engelfcben dezelve Cuflard Apple, naar zekere Vlaade.van melken eijerengemaakt,noet men. Ziehier de befcbrijving door Jacquin. Onder de aanhaalingen heb ik die van Plaat 85, uit
het tweede deel van GATESBrj, door Linnjeus, weg- gelaten; aangezien de bulten tusfchen de afperkende ftreepen in 'de Afbeelding, in de befchiijving ook aangemerkt en de zesbladige Bloem, van die dervol. I gende flijmêrigé Anona verfchillende, een andere sa > van alle de Soorten mij bekend en van LiNN-ffiuson- j fcheidene Soort, fehijnen te (lellen. De Figuuren I van'SuoAKB en Rheede zijn-taamelijk goed, hoewel [ iy in beide de perkswijze tekening der Vrugt kwaalijk ' ,, uitgedrukt is. Ik. héb dit door. mijne Afbeelding ge ; tragt te verbeteren. Het is een Kroonboom, veel I ,, uitgebreider en booger dan de voorgaanden, dog voor I 't overige aan den Kaneel-Appel-Booirr gelijk. De I reuk is walgelijker; de Bast wat ongelijker. De Bla- \ den komen in koleur en figuur overeen ; verfchillendi ; ,, daarin, datzij fpitzer en veel langer, en evenwel niet : ,, breeder zijn. De Bloemfreekjes en Bloemen zijn i' ,, everffens, hebbende de volgende Kenmerken". De Kelk is in drieën verdeeld en zeer klein, met de ;
Slippen hartvormig, bol, gefpitst. Zes lederagtige.on- I gefteelde Blaadjes heeftde Bloem, waar van de drie bui- ; tenften,' beurtlings, langwerpig, ftomp, zeer dik en i groot, aan de Rug verheven rond, van binnen hoekig, ] aan den grondfteun bolrond en zeer wijd gaapende; as j drie binnenfte eijvormigen veel kleiner dan de flippen j van de Kelk zijn. Men vind naau wlijks Meeldraadjes, maar j een menigte van Meelhièpjes, die regt overend geplaatst zijn op bet Vrugthuisje, waarop het Zaadbeginzet zit, I geen ftijl hebbende', maar bedekt zijnde meteen menigte I van (lompe Stempels. Dit alles komt nagenoeg met de f eerde Soort overeen; maar de Frugtis een groote hart' | vormig ronde Appel,! die een gladde Schors heeft, door f ftreepen ruitswijze afgeperkt-, bevattendeveelelangwer* pige; zamengedrukte, gladde Zaaden. ,,.= De Vrugt is bijna altoos grooter dan een vuist, en :;
heeft eénigèrmaate de figuur vaneen Osfen-Hart. Zij is glad, niet mét eenige verhevene fehubben of bulten, maar door netswijzeStreepen in ongelijke meestal vijf' [ hoekige ruiten afgeperkt* Rijp zijnde is zij vuilgeel, I ,, zomtijds ook roodagtig, wordende door lang of on- I ,,. voorzigtig handelen bruin en dan in 't kort-bedervende, I Het Vleeschiswitagtig, week, zoet, naauwlijks fmaak I of reuk hebbende| en alleen van delnlandere, ja zelfs I niet van allen, gegeeten wordende. Voor'toverige t komt zij met de anderen overeen. De onrijpe Vnig< I ten, aan (lukken gefneéden en gedroogd, zijn van i zeer goeden dienst-, tot het doppen van een langduu- E rige Buikloop; Deeze Soort groeit van ze!fop^êj Karibifche Eilanden. De Franfchen noemenzeCarf'* I man Caur de Bwuf of Osfen-Hart, de Engelfchen Cn> ■ .flard Apph-Tree,, dat is Vlaade'Ap}el?,.. |
||||||
|
5«&
|
|||||||||
|
/VLA.
|
|||||||||
|
VLA.
JJe gemeene Oostindifcbe Anona van B.umphius, die
door Linnjeus tot deeze Soort betrokken was, word door Tacquin t'huis gebragt toteene nieuwe Soort, Slij- mge-Anonagenoemd , omdat het Vleesch flijmeriger is dan dat der anderen en niets aangenaams in defmaak heeft. Rumphius prijst hetzelve ten dien opzigte ook niet veel, zeggende dat bet maf zoet is, van zeifrtandigheid bijna als Potkaas en fmaakende als gebraden Queen. Jacouin1 vond deeze wild groeijende in de Bosfchen op Martini- que, komende-in geftalte volmaakt met de andere over» een,' dog bet buitenfte van de Bloem zamengegr.oeid heb- bende, en de flippen tevens zo wijd uitgebreid, dat de geheele Bloem niet kwaalijk nasr eenhedendaagfcben hoed geleek. De perkjes van de-.Vrugtwaren bultig, en evenwel niet getepeld of gedoornd,, VandeFranfcben werd dezelve Cachiman morveux, dat is Jnotterige Ca- shiman, genoemd. Ik heb ze derhalve Snot-Appel ge- noemd. -;. - . . . . VLAAMSCHE-GAAIJ, zie RAVE n. VII. p. 2714.
VLAAR-BOOM, zie VLIER-BOOM. VLAKKEN, zie VLEKKEN. ,
VLAKTE, dusdanig noemt men in de Aardrijksbe«
fchrijving een ftuk vast land, dat naar't uiterlijk aanzien ten eenemaalen efFen is,.en gevolgelijk zonder Bergen, Heuvelen of Dalen. , .- mno.'s« VLAM, zieFLAMMAv Wso:
VLAM-SIJS, zie BRAND-5IJS.
VLAS, Lijn-Kruid, Linnen Kruid.; in 't griekscft,
>hn; en in de meeste Europifche fpraaken met delatijn- lebe naam Linum- overeenkoomender is een Gewas 't welk tot het allergrootfte nut in't huishoudelijke ver- ftrekt,. dewijl het die ftoffie is, welke het.genoegzaam onontbeerlijke Linnen voor het Menschdom uitlevert. Linnen is immers het eerde, daar men 't onnozele W'gt ter wereld komende mede bekleed, en Linnen is ook dat geene, 't welk men ons alseenlaatflegefchenk wan- neer wij levenloos in het graf aan de verrotting worden overgclaaten , medegeeft. Plinrus in de voorreden van zijn 19de Boek ever de Lijn of het Vlâs fpreeken- de, getuigt, er vraagender wijze van; Ut welk gedeelte des leevens werd het wel niet-gebruikt ?, en wat gronter »onderwtrk is er in de waereld te:V,indmß _ Neemt hier bij in aanmerking, de menigerleigebruiken vande Olie uit deszelfs zaad vervaardigt, tot veelerleiKönften en Hand- werken , en bekend.dan rondborftig, dat het £7<weender nuttigde geichenken is, welke ons door het Goedertie- rene Opperweezen, aan wien-onze nooddruften zowel zijn bekend, isgegeeven. j; ■-..■■;..-.. ■. Kenmerken. De Bladen- van bet Fias groeijen meest
overhandsaan de Takken. ' r~r-. De Kelk der Bloem beftaat uit een Blad,, ispijpagtig, en van boven in vijf deelen verdeelt-. De Bloem beftaat uit vijf Bladen, die zich in de gedaante van eenrAnjeïier uitbreiden.. Het Ovariüm, dat midden uit den Bloemkelk voortkoomt, word een bijna ronde Vrugt, die doorgaans puntig is, en uit veele Celletjes beftaat, waarjn een menigte effen, gladde Zaadjes leggen , die meestentijds aan bet een end Homp en aan het. ander- fcherp zijn. Zoorten. Daar worden veeleiieije zoorten enveran-
Asrmgen van dit, Kruidgewas'.gevonden; wij zullen ons vergenoegen,, met er de. voornaamften van aantewij. zen. ' 1. Tam-Vtas, of Vlas met groote blaa-uwe en ook wel
w'tte Bloemen; Linum fativum vel arvenfi. Baub. Pin. HjUi Linum Jßtivum kumiiius, ßore majore. BQ£ä«av. |
|||||||||
|
Lugdbat. l. p 284-; Linum ramis foliisqut alternis linea-
ri-lanceolatis, radice annua. Roij. Lugdbat. 433. ; (Li- num calijcibus capfulùque mucronatis, petalis.crenatis, f o- liis lanceolaXo-altemis, caule Jubülitaria. Linn. Spec. Fiant.) , ._ -, ; . .2. Groot-wUd-Vlas-; met groote blaau-we Bloemen;
Linum ßjlveßre.cosruleum, perenne,e■reéius-, ßore- £? capi- tula majore. Rh], Angl, 3. p, s,62( ; Linum perenne majus cosruleum, capitula majore. M or is. Hifi. z:p. 573.; Li- num perenne, ramis foliisque alternis lineari-lanceolatis. Roij. Lugdbat. 434.; (Linum calijcibus capfulisque ob> tußs, foliis alternis lanceoiatis integenimis. Linn. Spec* Plant.) , . ,,;,,,, :■_,.,. -3. ^W-rKï|-'F/^,metbreedeBJaden;,ien.blaauwe wit-
te of witte met blaauwgeaderde Bloemen:;. Ljnumfijlve.- ftre latifolium hirfutuin caruleum C, Bauh.' Pin. 339.; Linum ßjlveßre latifolium. Clus. Hifi. r. p. 317.; (Li' num calijcibus fiiifutisacuminätisßßlib.us-ßliernis, caule, corijmbofo. Linn.Spec. Plant.)-..,.-■ u. ,. . 4. Wild'Vlas met fmaUe Bladen, en;groote blaauwe,
violette, purpere» incarnaate.,, ofbonteBloemen; Lul numßjlveßre anguflifiolium, fiorç mflgna.-Ç-. Bauh. Pin: 214,' Linum ßjlveßre-V',, angu-fiifolium. Çlus, ,Hifi. l, p. 318..; Linum perenne,, foliis-atigufiipribus, calijce atii flato. Hall. Helv, 371. ; (Linum calijjsibuS/açummatis.,, foliis fparßs. lineari-ßtaeeis ntmrfumfcabns^L.iN.N. Spec Plant.) ;, . . .',-. e 5. Wild-Vlas niet- breede-Bladen en geele Bloemen;
Linum ßjlveßre latifolium luteum.: Clus.Hifi. i*p. 317. ; (Linum-calijcibus.fubferratofcabris lanceoiatis fubjeßilibus panicula ramis dkhotomis,-,Li-NN.-Spe(:. PÏatfhj 6. IVild-Zee-Vlas met geele Bloemen,. Linum Jij Ivt-
ßre. Dop. Pempt.^2^. ; Linummaritimum luteum. Bauh.; Pin. 214;.Linumfoliisovatis, ßoribusracemofis. Gubttj Stamp. 2.p. 499.; Linum caule fimplici,.ramis foliisqut' inferiqribus oppofitis lineari-lanceolatis'. .Sawvag. MonfpJt 147 ; (Linum calijcibus ovatis acutis muticis,, foliis lath, ceolatis-, inferioribus oppofitis. L iwsr, ; Spec.;.- Plant.), 7. Afrikamisch-Vlas met geele Bloemen, en tegen
o ver. malkander, ftaande Bladeni Linum afrieanum luteuw foliis conjugatis< H. B'oekh. Lugdh.'.i. p. 284.; Linunt foliis oppofitis lineari'lanceolatisr,ißor4bus Jer-tninalibus.pe- dunculatis. Roij; Lugd, .4.34. ; (LinV>mafrieanum foliis oppofitis. Linn. Spec. Plant.% :-. , tra; s ./ 8. Breedbladig-geel-Vlas, aan|elk lid hloeij'end ; Li-
num luteum ßjlveßre latifolium.-Coi.vMii.Ecphr, 2.p. 79. j Linum luteum ad fingula genicula, floridutn. C. Bauh. Pin. 284-; Linum foliis. oppofitis lanceoiatis■■, fioribus al* ternis fejfilibus:, caule fimpliai. LrUN. Spec. Plant.) -9. Klein-wild-Vlas met purpere, witte of geele Bloe»
men; Linum ßjlyeßttminus;, flore luteo.Ç*,Bavh, Pitt. 2l4i; Linum : foliis. lineari-lanceolatis pedunculis bifidis fioribus luteiSi Saw. Monfp, 53., (Linum calijcibus acu- tis, foliis lineari lanceoiatis alternis, panuidaipedunculis lifioris.Lms. Spec.-Plant.) , . ,, Plaats, De eerfiesoortgroeitnatuurlijk in Oostenrijk,
Hongarijen, Languedooenz, tusfçhen.de, G'raar>gewasfen,; en is eenjaarig. De tweede zoort insgelijks in Engeland, Sibérien enz; Dé derde; .vierde,, -TO vijf'dê:soorten, ia Oostenrijk, Hongarijen, Tartarijen., S witzerJand,,Frapk» rijk,,Italien, op dorre grasàgtige plaatzen.. , De zw«- de, zoort- in Oostenrijk omtrent de BadpqfcheGezonde- Bronnen, in Languedoc, Provence enz., oratrent de aee- - kanten. ,/?s,in;de. weiden van Jtaliep. «r-i-«. De' negende zoortc & .3.5 »iß*- |
|||||||||
|
sspè
|
VLA.
|
VLA.
|
|||||||||
|
eindelijk in Zuid Frankrijk, Italien enz. en is eenjaa-
ïig- .'
Kweeking. Het is de eerfte zoort, die bij ons en in
verfcheidene andere Gewesten van Europa tot allernnt- tigst gebruik word gekweekt. Men houd het wel kweeken en oppasfen van het zelve, voor een proef- ftuk van den landbouw. - Het Fias moet in een vette grond, worden gekweekt,
die tot greide heeft geleegen , of ten minden in verfchei- dene jaaren niet is geploegt, hier in wil het 't weelig- fte tieren en groeijen, maar dewijl het zeer veel voed- Zel uit den grond trekt, moet het geen twee jaaren aan een in den zelfden grond gezaaid worden. Het land hier toe moet wel geploegt, glad, en ter de-
gen effen gemaakt zijn , bier in zaait men het zaad in 't laatst van maart ..wanneer het weer zich ontlaat en zag- ter begint, te worden. Geduurende het voorjaar moet men het Vlas zorgvuldig wieden, want zo men dit ver- zuimt, inzonderheid bij nat weer, word bet gewas van 't onkruid verdrukt en vernielt.-------- Daar zijn er
welke Schaapen op het land daar Fias geteelt word las»
ten weiden, wanneer, het zélve een bekwaame hoogte heeft gekregen., en zij geevéri voorreden, dat de Schaa- pen het onkruid en gras opeeten,en het Fias goed doen; dat bij aldien zij er al in gaan leggen, en daar door neer- drukken of plat maaken, dat het naa een volgenden regen weder opxijst. Dog ai wat meq ook bijbrengt om dit fmaakelijk voortedraagen, zoo moet men het egter geheel niet doen, dan bij nat v/eer, en op een vetten grond, want indien de grond mager en het voorjaar droog is, rijst het Fias neergedrukt zijnde zelden weder op , en groeit behalven dat, ab dan tot geen merkelijke hoog- te. Het befte zaad is dat geene, 't welk uit de Oost komt,
en onder den naam. van Rigaas.Vlas is bekend ; want in- dien het zaad dat t>ij ons valt, drie ofviermaalen agter- èen word gezaaid, is het zeer onderheevlg om te verbas- teren. ------ Tegens het laatst van julij of begin van feptember begint het,Fias rijp te worden, als wanneer
men zorg moet draagen dat het niet al te rijp word; hierom moet men het uittrekken, zoo ras als de koppen beginnen bruin te worden, en naar beneden te hangen; anderzints word het zaad fchielijk verftrooit en gaat ver- looren, zo dat.de Plukkers vlug moeten-zijn, en het methàndvollen opbinden, zettende het oyerend tot dat volkomen droog is. en dan in huis brengen. Indien het Fias uitgetrokken word wanneer eerst begint te bloei- jen, is het witter, fijnderen fterker, dan indienmenhet laat ftaan tot dat het zaad rijp is, maar als dan mist men bok het zaad. Alle de andere zoorten van Fias können van de Liefheb-
bers gekweekt worden, door het zaad in maart ofbet be- gin van april op een bed met verfche Iigte aarde te zaai- jen, en wanneer de Planten opkoomen, moeten ze zorg- vuldig gewied worden, 't welk al de kweeMng is, dioze noodig hebben, en ze zullen haaie Bloemen voortbren gen, en haar zaad zeer wel rijp maaken. > Bereiding. De bereiding van het Fias toomt grooten-
deels met die der Hennip overeen; zie HËNNIP, pag. 1030. wij zullen er evenwel het volgende nog van zeg- gen: Naa dat men het Fias geplukt, of om eigentlijker te fpreeken, uit de grond gerukt heeft, legt men bet in de Sonne om het zaad eerder te doen rijpen ; vervolgens forscht men de knoppen, om er-hetZaaduïtteflaan. A's «en het Lijn-saad verzamelt heeft, legt men de Stengen |
bij bosfchen in een floot, of onder ftaand water,'t welk
de Boeren de rotte of rootte noemen; het zuiveifte watet is hier toe het befte. Men fteekt houten pennen door de bosfchen om ze onder water te houden, of men maakt de bosfchen aan malkander vast en legt er fteenen op. Als het hout der ftengen ten naaften bij verrot is, baalt men de bosfchen uit de rootte, en men legt ze op het veld om in de Sonne te droogen. In plaats van het Fias dus in de rootte te leggen, laaten zommigen het beurte- lings 's nagts bedaauwen, en over dag in de Sonne weder droogen, waar door 't helderder op 't oog woird. Het Fias dan door en door vermurwd, en wel droog zijnde, word het gekraakt, dat is te zeggen gebrooken met een werktuig dat men Braak noemt, en zodanig ge- maakt is, dat al.het hout der ftengels verbrijzeld en weg. genomen word, zonder de Bast die er om zit te befcba- digen. Al het houtige der Flasftengels weggenoomen zijnde, houd de Arbeider niet anders in de hand dan de Bast, die de geheele lengte van den ftengel heeft. Deeze handvol draaden houd hij vervolgens tegens eene plank die loodrecht ftaat, fchud haar altemet uit tegen die plank, der dikwils opfiaande met den Klopper, die ee- ne zoort van plak is, met een langwerpig blad, om er de minfte brokjes van de Flasflehgels die er, naa het braaken, in gebleeven konden zijn, uit te doen val- len. Nu is al het hout en de grove deelen van de ftengels verdweenen. De draaden van de ba,st diede Werkman in zijne hand overhoud, zijnomtrent fchoon. Zij worden volmaakt door het Hekelen, dat is tezeg- gen door hen door den Hekel te haaien, eerst door een grover , en vervolgens door een fijnder. Deeze Hekel is zamengefteld uit een houten blokje van om- trent een voet lang, wat minder in zijne breedte, en met ijzeren punten bezet/ die naar boven fteekenals men hekeld. Men ilaat het Fias tusfchen die punten, en dan trekt men die weder naar zich toe. Het uit' fchot dat tusfchen de tanden of punten van den Hekel blijft zitten, word Hede of Hijde genoemd, en dient om lont voorde Busfcbieters, en zelfs grofgaaren van te maaken , waar van het Pakdoek geweeven word,, dat van een groot nut is , dewijl het dient om kos- telijke koopmanfchappen en waaren.te bekleeden, en te beletten dat zij in 't overvoeren niet befchadigt worden. ;- Het Fias dus bereid zijnde, word het tot nette boscbjes gedraait, en doorgaans bij pon« den gepakt. . -: ■ ■< --. Gebruik. Een ieder weet dat het Fias bet Gewas
is waar uit het zoo nuttige Linnen word vervaardigt, ■en ook als de bafis van het Papier kan aangemerkt worden., dewijl het Linnen verfleeten zijnde, deszelfs lompen bf overblijfzels .bet beste ingrediënt uitlevert, om Papier van te vervaardigen ; zie PAPIER, pag. 2583. Van het zaad word ook eene Olie geflagen tot branding in de Lampen,- welke ook zeer veel van de Schilders, Verwers ; Boekdrukkers, en andere ge- bruikt word. overblijven, verftrekken tot een goed voedzel 's win-
ters voor de Melk-Koeijen, geevende zeer goede Melk.. . . Het Fias of Lijnzaad is maatig verwarmend, ver-
weekend, verzagtend, pijnftillend en rijpmaakend;en word zeer veel gepreezen voor opgeftopte pis, gra' veel en fteenfmerten, pleuris, ontfteeking der long en hoest, een infufie gemaakt van een half once lijnza in een feboon linnen doekje gebonden zijnde, waar over.
|
||||||||||
|
VLA. 3893»
|
||||||||
|
VLA.
|
||||||||
|
Iange fcherpe rerdeelingen. ■ . .
een Blad beftaat, is van eene ongeregelde getronijde figuur,, eindigende van agteren in een Staart, en van vooren verdeeld in twee Lippen, waar van debovenftes in twee of meer deelen gefneden is, en de onderfte in ' drie. Het Ovarium, 't welk midden uit den Bloem» kelk koomt, word een rondagtige Vrugt of Dopje, door een middelfchotje verdeeld in twee huisjes of celle- tjes, en vol Zaadjes, die zomtijds plat en gezoomd, zijn, zomtijds hoekig en rondagtig, aan de Moederkoek vastzittende. . Zoorten. Daar zijn een menigte zoorten van dit
Kruidgewas, waar van wij de voornaamfte Iaaten vol*- gen. ; ; , - ./ 1. Gemeen Vlaskruid, met geele Bloemen; Linaria
vulgaris lutea, flore majore. C. Bauh. Pin. 112.; (An* tirthinum foliis lanceolato-Hnearibus confertis, caule ere-, Bo, fpicis terminalibus fesfilibusfioribusimbricatis. Linn. Spec. Plant.) Van deeze zoort is nog eene verande- ring met bleeke Bloemen, en een purpere of goudgee-, le Bek. 2. Amerikaanfch' vierbladig grootfie Vlashuid met
purpere Bloemen; Linaria americana maxima purpure» flore. Herm Lugdb. 376. ; (Antirrhinum foliis quater- nis Ianceolatis, caule ere£io ramofo, floribus peduneula* tis, Li NN. Spec. Plant.) . " 3. Breedbladig Vlaskruid met groote Bloemen ; Li-
naria maxima, folio lauri. Bauh. Hiß'; % p: 458.; Li» naria latifolia dalmatica, magno flore. C. Baüh. Pmï 2t2.; (Antirrhinum foliis Ianceolatis alternis, caule f ru* tiçofo. Linn. Spec. Plant.) ' 4 Groot ruikend Vlas-kruid met purpere, .blaauwe of
witte Bloemen ; Linariaaltera purpurea, Dodon. Pempt. 183.,* Linaria purpurea major odorata. C.'Bauh. Pin, 21.3. ; (Antirrhinum foliis quaternis Ianceolatis,caule ere- &o ramofo, floribus pedunculatis. LïiSN.Spec. Plant. ». ■ 5. Ruikend Vlas-kritid met heel fmalie Bladen, en* kleine witte of blaauwe, purpere of bonte Bloemen; Linaria capilaceo folio, odora. C. Bauh. 213.; (An- tirrhinum foliis Hnearibus confertis, caule nitido panicui lato , pedunculisfpicatis nudis. Linn. Spec. Plant.) 6- Vlas-kruid met kleine Madeliefjes-Bladen,r'.en klei'
ne purpere Bloemen; Linaria odorata. Dodon. Pempt: 1S4.," Linaria bellidis folio. C. Bauh. Pin. 212. ; An* tirrhinum fêliis imis fpatulatis-, fummis digitatis. Sauv. Monsp. 67.; (Antirrhinum foliis ovatis ferratis, corollis patulis. Linn. Spec. Plant.) ■ . - 7. Veelfiengig Vlas-kruid met fmalie Mollügo-bla-
den ; Linaria ficala multicaulis, molliginis folio. Boccon. Sicul. 38. (Antirrhinum foliis quihis Hnearibus. Linn. Spec. Plant:)- ' ^ , '* 8. Klein driebladig Vlas-kruid met geele, ofgeel pur-
pere Bloemen; Linaria triphij lia minor lutea. C.Bauhî Pin. $12.; Linaria hispanica. Ctus. Hiß. 1. p. 320.; Antirrhinum" foliis ternis ovatis. Linn. Spec. Plant.) Van deeze zoort is nog eene verandering met grooter Bladen, 9. Vierbladig Vlas-kruid met geele Bloemen ; Linarià
quadfifolia lutea. C. Bauh. Pin. 213;; Antirrhinum foliis limaribus alternisrecurvis, tamis■ caule trevioribus. Roij; Lugdbat. 297. ; (Antirrhinum foliis fublineari* bus, inferioribus verticillatis, calijcihus pihfo viscidis\' floribus fpicatis, caule ere&o. Linn. Spec. Plant.) 10. Vierbladig leggend Vlas-kruid, met violetteBloe-
men en een goudgeele Bek; Linaria quadrifoliafupi- 71»,
|
||||||||
|
©ver men een mengelen kookend water giet, en wat
trekken laat. Voor buikpijn en roode loop word de decoftie aangepreezen. - Uitwendifkagt men 't jMeel zeer dienflig om de pijn der gezwellen te verzag- ten en dezelve rijp te maaken. . -1*- De verfche Olie heeft dezelve kragt als 't zaad, word
inzonderheid gebruikt voor 't koüjk tot 1 a a oneen in- Tenoomenj voor pleuris , etterborst, de olie met fui- ter tot een flikking gemaakt; - VLAS-BOOM, in't latijn Antidesms, is een uitland-
febe Boom, waar v&ndQ Kenmerken z\]h eenvijfbladi- ge Kelk, zonder. Bloemkrans, hebbendein dé Manne- tjes-Boomen, vijf Meeldraadjes, met gëfpleeten meel. knopjes, en in de Wijfjès-Boonien bevat dezelve vijf Stempels'; wordende de: Vrugt eene cijltndrifche een- zaadige Befie. Zoorten. Daar is maar een zoort bier van bekend,
welke den naam van tegengif tige Fias-Boom draagt,-, we. gens de hoedaanigheid die daar aan word toegefebree- ven," Antidesma fpicis geminis.BüRK. Zeijl. p. 22. Ber» beri funtlis Arbor. &c. Heem Herb, ; {Antidesma. Li m v. Sijfl. Nat.)- " ". '■ Plukenetius beeft dezelve Indifche-Boom, met o-
vaale Bladen , die veele Bloempjes in Aairen Op de toppen der Takjes gefchikt en Beflën draagt, getijteld, Het is de Noelitalivin den MalabaaiTchen Kruidhof, dien de Hollanders Vlasch-Boom Of Vlasch-Hout, en de Por- tugeezen Cordueira noemen, om dat men aldaar vanden Bast, even als van Vlasch ofHehnip, Draad, Gaaren of Touwen draait: In 't Kruidboek van Hebmannus komt hij voor,-onder den naam :van Boom, die Be- fiè'n draagt ais tBerberisfen , en deeze worden in die Linden tot verfnapering gegeeten. De Griekfcbe ge- fiagtnaam is daar van afkomftig, dat dë Bladen ees geneesmiddel zouden zijn tegen de gevolgen van den vergiftigen beet van zommige Stangen. De Hoogleer- aar j. Bubmannüs heeft van den Ceijlonfchen, An- tidesma met dubbelde Aairen getijteld,«. de afbeelding ge- geeven, en oordeelt, dat ook de Tsjeriam-Cottamvan Malabar, die men aldaar Lijsbesfen noemt, zo we! als zijn Ed. witte Aalbeßen Boom, van!:Cei3"lon , daar toe behooren. ■-.■ ' '■ ffeqqi Kfli *&.&i De eerstgemelde is een Boom van middelbaaregroot-
te,.den Stam taamelijk dik hebbende met een asch- graauive Schors en veele groene Takjes; -De Bladen zijn langwerpig rond, met een punt en gelijken naar Oranje, of liever naar Citroenbooms-B laden, dik, glad, donkergroen, glanzig, zonder'réttk''of fmaak-. De Bloempjes, die aairwijze aan dunne Steeltjés voörtkoo- men, hebben drie kleine meeldraadjes'; waar op cij- lindrifche roodachtige Bellen volger»; als' Berbérisfën. Ee Boom is altijd groen , "en blijft dikwils zeventig j-iaren vrugtbaar. De Tsjeriam-Cottam'heen laag Boomp- je, dat dergelijke Befiën draagt, zijnde debladen van eene famentrekkende hoedanigheid. - ; VLASKRUID , Lijnkmid, oók wel Wild-Vlas- ge
noemt, in 't latijn Linaria, Ofijris; in 'f grieksch, irv f";.in't engelsch, Tond-FlaX; in 't deenscb Wildhor, fj?; in ?,e overige europifche fpraaken meer of min met ^etiatijnfche Linaria overeenkoomende; is een Kruide gewas, dusdanig genoemtyom dat deszelfs Bladen veel »awdie van Vlas gelijken. «wtilea. De Bladen zijn largwerpig, enkomen
"verhands voort aan de Takken.----------De Kelk der
*'oem beftaat uit een Blad , 't welk verdeeld is in v\yf
|
||||||||
|
Sfet- ft*/
É«. C Batjb. Fjb, 213. j Linaria 3 fiiriaca'. Clus,
H»yï. 1. >. 3212.; (Aiitirrlrinum föliis fubquatemis linea- ribus, caule diffufo , fkribus racemoßs. LiNN. Spec. Plant.') 'J«:t 1. Sem Akppisch Vlas'kruid met witte, "©f "wit en
violet-bonte gefpoorde Bloemen; Linaria dnnao arjga- fiifolia., fksculisalbis longis caudatis.R ai j. Hiß. 1884.; Linaria chalepenfis minór-erè&ï, flore allo lineis viola* tels. MoRis. Hiß. 3. p. 502. ; (Antirrhinum foliis li- ttearilanceolatis alternis■■',fkribus racemoßs, calijcibus ebrolla longioribus, caule ereBo. Linn. Spec. Plant. 12. Vlas-kruid met ronde Bladen, enblaauwe of pur-
pöre lang gefpoorde Bloemen; Linaria annua purpureo* vlolacea , calcaribus Jongis , foliis imis rotundioribus. Vaill. Paris/118.,;. Antifrhinumfoliis aft caulem linea- ribus, ad radkem ovatisfkpe ternis. Saitv. Monf. I6Ö\; (jdntirrhinum foliis caitlinis lanceolato linearibusfparßs, radie alihus rotundis ternis. Li BN. Spec. Plant.) Plaats. "De eerfie zoort, groeit natuurlijk in Neder-
en Hoog.Duitscbland, Frankrijk, enz. op fandige en vervallene plaatzen, en word zeer zeldzaam in de tui- sen gekweekt. De verandering daar van met bleeke Bloemen vind men veelvuldig in Hongarijen.
De tweede zoort', in Portugal, Amerika, enz.
De derde en vierde zaorten, in Napels, Sicilien, Dal-
matien en Kandifn. .in Zuid-Frankrijk, Italien, Spanjen, enz. De zevende en agtfle zoorten, in Sicilien en Spanjen op berg- en . fchaduwagtige plaatzen. De negende zoort, in, de velden van Engeland, Frankrijk, Italien, enz. ■ Ooftenrijk', Hongarijen, Stiermark, Switferland, Ita- lien, enz. Zuid-Frankrijk en -Italien.
Kweeking. De eerfie zoort dlein de Geneeskunde word
gebruikt, kweekt men genoegzaam nooit in de tuinen, dewijl ze zich al te zeer uitbreid, fpreidende de wor- tels zich ongemeene fterk onder den grond uit, en koo- men als dan ver van de Moederpiant op, waar door ze »He de Gewasfen, die daar omtrent ftaan zeer veel be- hadeelen en ontcieren.: * niet eigen aan ons land, dog worden vanzommige Lief- hebbers in hunne tuinen gekweekt, om de verfeneiden- heid van haare Bloemen. Het zijn alle Plantenvan kor- ten duur, zelden overblijvende na dat zebaar zaad heb- ben rijp gemaakt, zodatze, daar men haar zaad niet laat ftrooijen, alle jaar moeten gezaaid worden om de zoor- ten te bewaaren. Het zaad moet op zodanige plaatzen worden gezaait, daar men voornemens is de Planten te laaten (laan, dewijl ze niet wel tierenen doorgaans aan 't zukkelen raaken wanneer men ze verplant. Het best is om 't zaad in de Herfst te zaaijen in een droegen grond die zodanig is gefebikt dat de Planten daar kunnen blijven ftaan, deeze zullen als dan bet volgende jaar veel eer dan die in het voorjaar gezaaid zijn, bloeijen, en behalven dat zal men uitdeezen in de herfst gezaaiden goed zaad krijgen, daar het zaad van zommige zoorten in het voor- jaar gezaaid zijnde, bij guurig en flegt weer zelden rijp word ; dog wanneer men en in 't voor- en in 't najaar zaait, als dan zal men langer agtereen bloeijende Planten heb- ben. pasfens noodig heeft, dan wanneer ze zijn opgekomen van onkruid zuiver te houden, en ze te dunnen daar te dik ftaan , kan men ze plaats geeven op de rabatten van gioote tuinen, alwaar ze de mfcheidenheid vermeerde- |
||||||
|
VLA» VLE.
ren ; want in tegenftelling van de eerde zoort, zijn bei
Planten die zich niet verfpreiden , ook maaken de ver- fcheide kojteuren van haare Bloemen onder andere harde Planten eene fraaije vertooning. Gehfuik en Kragt. De eerfiezoort van dit Kruid, word
voor matig verwarmende , opdroogende , verzagtende, oplosfende, pijnftillende, laxeerende en pisdrijvende gehouden, ook inzonderheid gepreezenvooropgeftop. te pis, graveel, geel- en waterzugt, hec af kookzel of dscoBie daar van gebruikt. aambeijen en fljgwratten, in verjcht loter of varkens- reufel tot een groene-zalf gekookt. VLAS-VINK, zie VINKEN n. XXIII. pag. 3869.
VLEDERMUISEN. De naam, die men in verfchei.
derleij taaien aan deeze Dieren geeft, is meestal van der« zei ver Lighaamsgeftalte, of manier van Ie ven en houding, af bomftig. In 't bebreeuwsch worden zij genoemd -dal leph, als een Gedierte dat zich bij dag fchuil houd of ver- bergt; in '■tgriekschiVyfoerw, als een dat bij nagt fpookt; in 't latijn Vefpertilio. Deeze drie naamen zijn in 't vers van OviDius, Metamorph. IV. 1.2. begreepen, daarbij zegt: Zij haaten 't licht grootelijks ; zij vliegen bij nagt, en hebben van. den laaten avond haaren Naam.. In 't tra« liaansch noemt men ze, insgelijks, Nottola, Vefpetti- lione, als ook Ratto penago of Pipißrello, dat is gewiek- te Rot, of piepend Dier, wegens 't geluid dat zij maa- ken. De franfehenaam CJmwe-Souris, dat zoveel zegt als een kaaleMuis, fchijnt minder gepastheid te hebben dan de nederduitfehe die waarfchijnlijk afkomt van 't hoogduitfche woord Fledermaufs, waarmede men dit Diet betekent; dat in 't engelsen Flittermoufe of ook Bat ge- noemd word. De Ouden hebben getwijfeld'of de Vledermuis moest
geplaatst worden, in den Rang der Vogelen of der Land- dieren. PlAto noemde dit Diere«« Vogel die geenVt- gel is, om dat het Borften heeft; weshalve Aristöte-, les en Plinïus hetzelve plaatften onder de Viervoeti- ge Dieren. Belxonius, niettemin, maakte geen zwa- righeid, om het; wegens de Wieken of Vlerken,'te tel- len onder de Vogelen, en bier in is bij gevolgd door Ges- nerus, Aldrovahdus, en door Johnston , die den Vledermuis een plaats geeft in den Rang der Landngti len die yleesch eetenof verfebeurende zijn van aart, en als zodanigen een middelzoort uitmaaken. De voornaamfte bedendaagfche Natuurbefchrijve'J
Hemmen overeen, dat de Vledermuis tot de Viervoetige | Dieren behoore, dewijl hij niet alleen Borften maar weezentlijk vier Pooten heeft., daar hij eenigermaate | mede loopt. Klein begrijpt hem, in zijnen tafelden Viervoetige-Dieren, met den Inkhoorn, Rot, Muis e" Mol, onder den Geflagtnaam van de Sorex, in het vierda J Gezin der Dieren .van den tweeden Pvang, naamelijkdie f Hairig en Gevingerd zijn. De Heer Bhisson brengtds f yiedermuifen 'm zijnen veertienden Rang der Viervoetige \ Dieren, waar van hij twee Afdeeüngen maakt, naar dat f de Vingeren der Voprpooten van elkander afgezonderd» | of door middel van een Vlies zamengevoegd zijn. De | eerfte AfdeeJing beftaat uit den Maki of ïnkJioom:A> I voorheen befchreeven; de tweede uit de Vledermuifin>l - waar van hij zes zoorten opgeeft. Ziehier, welke*! Kenmerken van dit Geflagt van Dieren volgens deeze' I Heer zijn. . I Zij hebben vier Snijtandèn in de Boven- en zes in"' I
Onderkaak; de Vingers zijn met fcherpe Nagels geffa' I pend, die der Voorpooten te zamen gevoegd door jjf I |
||||||
|
3TLE.
Vlies dat totWtefcen jsuitgefpreid, die der Agterpóo*
ten van elkander afgefcheiden. ... De Snijtanden van de Bovenkaak zijn, in alle de zoorten van dit Geflagt, fcherp en bij paaren van elkander afftaande; de middelfte ge- vorkt en grooter dan de buitenfte ; die van de Onderkaak ftaan digt aan een, «n aijn allen uitgefneeden. 't Getal der Hoektanden èn Kiezen verfchilt. Hunne Voorpoo- ten zijn zeer lang, aan 't end verdeeld in lange Vinge- ren , die altemaal, uitgenomen de Duim, welke van de anderen afgezonderden meteen fterken baakswijzen Na« gel voorzien is, tezamen gevoegd zijn door 't -.gejagte Vlies, dat niets anders is dan eens vërlanging van de Huid der Rugge> die zich wederzijds van den Hals tot den Aars of het end van de Staart, verder langs de Beenen en tot aan het end der Vingeren van de Voorpooten uitftrekt. De Vingeren der Agterpooten zijn; van elkander afge- fcheiden, en gewapend met zeer kromme fcherpeNage- len. ' De Heer LiNN/Eus, die in de voorige uitgave van
zijn Samenftel der Natuure den Vledermuis in den twee- den Rang der Viervoetigen, onder de Roofdieren,, ge- plaatst en toen daar van dergelijke Kenmerken ópgegee- ven had als de Heer Brisson nu doet; zegt thans aïleen, dat dit Dier de Tanden heeft opftaande, fcherp, digt aan elkander; de vier Voortanden eveneens; de Handen palmswijze uitgebreid tot Vlerken, door middel vaneen Vlies, dat het Lijf omvangt. Hij geeft zeven zoorten op van dit Geflagt, naamelijk. I. Fliegende Hond van Ternate; Vampijrus; Canis
volans tetnatanus orientait?. S eb. Muf. I. p. ei>; Yes- pertilio ingens. Clus. Exot. 9^.;ÇVespertiliocaudanulla. Lws.Sijjl. Nat.) Dit is een zeer groot zoort van VU' dermuij'en, een wreed Dier, 't welk bij nagt bloed zuigt %uit (kapende Dieren, de Kammen der Haanen en het uitzijperend'vögt der Palmboomen inzweigt. Bris- .sqn ..heeft het zelve,, om dat het in de beide Kaakén .vier Voortanden heeft, met de Aapen geplaatst in zij- nen dèrtienden rang der viervoetige Dieren, onderden naam van Piewpus of Rousfette. 'befchrijvende 'tzplve; ;dat de langte van den top des Hoofdstot aan den Aars ,is zeven en een half duim, die van.den Kop, (ot aan het end van de Neus, twee en drie jyierde duim, De Doreii zijn korten «en weinig puntig. Het Vlies, daar het mede vliegt, volkomen uitgefpreid zijnde, heeft de breedte van drie voeten, ëri is met maar weinig .haair bedekt. Over't Lijf hebben'zommige Dieren Van deeze zoort, rood of ros, anderen zwart haair; dog het voorfte van den Kop en de Snoet zijn altijd ros, en daar van heeft het den fran'fçben naam Rms- Jette. Het woont in de Öoatihdiën, en in 't bijzonder op de Eilanden Bourbon en Ternate. , Brisson befchrijft eéne verfcheiden.hejd van dit Dier,
naamelijk een bxaine Rousfetteof Pteropus met eenroo- derrHals uit het Kabinet van Reauriur; Welke over 't Lijf de langte heeft van vijf en een half duim ; langs den Kop anderhalf duim, en de Wieken fpreiden Z\g twee voeten uit. Deeze was uit het Eiland Bourbon gekomen. ,11. Vliegende Hond van Nieuw Spanje-, SpeBrum \ (Ca-
»w volans maxima aurita. Seb. Muf. I. p. 92.) Deeze zooi tv die uit Zuid-Amerika afkómftïg is, word door pp,n..fïeer LtNNffius aldus befchreeven. De Neusgaten geiiïken uitwendig naar een tregter en loopen opwaarts ""'nXT.' een 'ancetswijs blaadje; de Ooren zijn ovaal-, ^in"en met een els wijze vliesagtige Strook, ter |
|||||||||
|
VLE.
|
|||||||||
|
38W
|
|||||||||
|
langte :*an 't Oorlapje, voorzien. De Voortanden zijn
vier; de Hoektanuen zijn groot, enkeld en ftaan digt tegen dë anderen aan; de voorfte Kiezen zijn korter en ftomper. De Vingeren der Wieken zijn vier, waar van de eerfte gehegt is aan den tweeden ; de Duim kört met een krommen Nagel gewapend, even als de Vin- geren der Pooten, die vijf in getal zijn engelijk van grootte. De Hiel geeft een elswijzè Pees uit, langs den rand van het Vlies, tusfchen de Agterpooten,niet zamenloopende met die van de andere zijde. Het beeft in 't geheel geen Staart. De Heer Brisson noemt her, Rousfette met lange Ooren, en betrekt er toe die, wel- ke Klein genoemd heeft, zeer,groote Vledermuis mei een Hondskop, mei Ooren, utt Nieuw Spanje. ■ . III. Gebrilde Vledermuis; Vespertilioperfpicillatus;Ves* pertilio rofiro appendice auricul forma donato: H. Sloan. Jam.p. 330.; ÇVespertilio americanüsvulgaris. Seb. Muf. I.p. 90.) Dit AmerikaanschDier, zegt Brisson, ge- lijkt zeer veel naar den grooten Vledermuis van Europa, dog verfchilt daar van, door dien het grooter en lan- ger Ooren heeft, en op de Neus een klein Kammetje, dat naar een helm gelijkt. Dit uitwas zweemt ook ee« nigermaate naar een Bril, en hierom nöemt Liknäus het de gebrilde Vledermuis, dog; Vraagt, of 't oók het Wijfje zij van de volgende?Sloane hadt het genoemd de Vledermuis, die eenbijhangzèl als een Oorlapje aan den Snoet Heeft ; dog bij Seb a en Edwards heet het en- kel de gemeene Amerikaanfché Vledermuis. Dè koleur is muisvaal. ' l . IV. Vliegende Rot van Ternate; (Glis volans ternata-
nus. Seb. Muf. I.p. 90.) Bij den Heer Brisson is deeze, dien hij de groote Vledermuis van Ternate noemt, de vierde zoort in 't Geflagt der Vtedermüifen ; waar van de voorgaande bij hemde zesde is. Sebâ hééft het de Vliegende Rot van Ternate geheeten. Hij fieeftover 't geheele iighaam ros of roodagtig haair, dog voor op den Kop is't zelve zeer bleek. Het Vlies, daar hij me- de vliegt, van vooren glad en kaal, van agteren met dun baair bezet, is eenigzins gemarmeld. Hij heeft zeer groote en als dubbelde Ooren ; de Neus insgelijks dubbeld , uitpuilende en iets bladerigs vertoónende. De Heer Linnäüs noemt hém, geflàarte Vledermuis (Caudatus), dog uit dé afbeelding blijkt, dat hij geen Staart heeft; zo dat dit ecaudatus zal moeten zijn. V. Vledermuis meteen Haaiemond'; Vefpertilió lepori-
nus; (Vefpertilió caio fimilis americanus. Seb. Muf. -I. p. 89.) Deeze, zegt Brisson , is met bleekros haair bver't geheele lighaam bekleed ; hij heeft een ronden Kop, een wijden Bek; een neerhangende "Kin; dé Neusgaten rond ; de Ooren groot. De Staart is vastgehegtaan het Vlies; dat hem tot Vlerken dient. Aan de Voorpoo- ten heeft hij vier, aan de Agterpooten vijf Vingeren. De woonplaats is in Amerika. Klein noemt hemde Amerikaanfché Vledermuis met een renden; Kop en een Haazemond. -'-"»'- " ' VI;: Gemeene Vledermuis met groote Ooren', Vespertilio
'auriiüs', (Vefpertilióauribiis majorïbus.YRlsck. Av.*) De Heer Brisson noemt deezen, die zijne derde zoort van Vledormuïzen is, de kleine van ons Land. Bij ver-, fchilt, zegt hij, van den Geméev.m alléén, door de grootte van zijne Ooren,- die meer dan een duim lang zijn. Linnjeus twijfelt'of deeze ook in fexe alleen van den volgenden verfchüle. \ VlL Gemeene Viedermuis met kleine Ooren', Vefpertilió
murinus; (Vefpeitilüauribusminoribus.'Es.lhcH.Jv,) De S Heet
|
|||||||||
|
3300
|
|||||||||||
|
VLE.
|
|||||||||||
|
:vle.
|
|||||||||||
|
Heer BrissoN noemt hem degroote vanonsïand; zijndzijn eerfte zoort, van dit Geflagt» Deezeen dvoorige, maaken de verfcbeidenheden der Vledermuijein Europa uit.
De Vledertnmfen hebben dit gemeen met de BeerenDas/en, Egels en Mollen, zegt LiNNffius, dat zijden
geheélen winter flaapen, zonder fpijs of drank te gebruiken, 'tIs een Gedierte, dat in holen en gaten deBoomen , dog allermeest in die van de muureri der Huizen en in het bovenfte der daken nestelt Zij zweeven in den avond door de lucht, orn de kost te zoeken, die voornaamelijk beftaat in Muggen en allerlei Vliegen of Vlinders^ Zij blijven aan de ruige koppen der Klisfen met haare Vlerken hangen, en zijn niet in ftaat om van den grond op te vliegen. Zelden' brengen zij meer dan twee en doorgaans maar één Jong voort, die zij aan haar lijf hangende zoogen, waar aan deeze Jongen blij- ven zitten, tot dat zij van de Ouden daar afgedaan worden , die ze aan den muur ophangen; Uit het gezegde blijkt, dat dé Dieren, die tot het
': GetTagt der Vhdemuifen behooren, zeer veel van el- kander en van de. Vledermuifen die wij in Europa heb- ben, welker grootte des lighaams omtrent alseenMuIs, ■of als een Rot op't hoogfleis, verfchillen. Men vind er, volgens 't berigt van de bedendaagfcbe Reizigers, in Afrika, die zó groot zijn als Raven of Duiven, met zeer lange Wieken; zommigen in Egijpten hebben een Staart, die gelijk een Muifen of Rot ten-S taart buiten baar Vlies uitfteekt. Men vind er die vier Ooren hebben, anderen twee; zommigen zijn zwart van ko- leur, zommigen vaal ; zommigen witagtig of asch- graauw. Dog 't is aanmerkelijk hoe deeze Dieren, die in
ons bind zo weinig gedugt zijn, in andere Waerelds- deelen, door haare menigte en verfcbeurendeh aart, met r.egt als een ïandplaag worden aangemerkt. De Engelfche Reiziger, Philips, verhaalt, dat er op de Slaavenkust een groote menigte is van bijfter groote I -piedermuifen, die zich over dag verfchuilen in 't Ge- boomte. Zij zijn van grootte, zegt hij, als Eendvo- gels. Des Marchais merkt aan, dat, indien men daar Vled'emuifen at, gelijk in de Oostindiën; men nooit 'Voor hongersnood zou behoeven te vreezen. Zij zijn er ,s zegt. hij, zo menigvuldig, dat zij bij het onder- gaan van de Son de lucht yerduifteren.,'■% Morgens, bij 't aanbreeken van den'dag, maaken*'zij zig vast in de toppett van groote Bóomen, hangende bij bos- fen aan elkander, gelijk éen zwerm Bijen, óf als een tros ftokosnóoten. ! Het is dan zeer plaizierfg, dien keten te breeken met een Snaphaan fcboot, en te zien, in welk een belemmering, deeze afschuwelijke Schep- zels zich door 't daglicht bevinden. Hunne grootte is als jonge Hoenderen. Zij komen dikwils in de Hui- zen ,- daar- de Negers hun tijdverdrijf zoeken met ze te dopden, dog zij zien ze met een zoort van af- grijzen aan, en, hoe hongerig zij ook mogen zijn, zij hebben geen lust om er van te eeten. Pater du Tertre zegt, dat dègehvomdePtedermuis
van Brafil,- genaamd Andera.Guacu waarfchijnlijk de tweede zoprt van Ltnnäus, een kleine beet geeft in bet Oor,, waar van men veel moeite heeft het Bloed te ftempen. Her«era verhaalt, dat er aan de Kustvait Parien, in de Westindiên, Vledermuifen zijn. 'wefftèf ft-eek venijnig en zomrijds doodelijk is. 't Is in dée- zen zeer aanmerkelijk , indien men 't mag gelao ven, dat |
zij, een Mensch gefloken: hebbende, '« andereridaa«
denzelven onder honderd Menfchen weëten op te zo! ken om hem wederom op die zelfde plaats te fleeken De Inwooners der Karaibifche Eilanden , die E Dieren eerbied bewijzen, neemen ze voor goede S gelen, die hunne huizen geduurende de nait bewaa. ren, en houden 't voor heiligfcbennis dezelventeS De Fledermuifenjm de Rivier der Amazoonen 2Uj>
gen zo wel als die van Brafil en van Ternate, he bloed uit de Dieren terwijl aie flaaoen. Men wil StnU ff W bsd kn,ipeD' en de »deren der Mei'
fchen aan de beenen openen, 't Is zeker, dat zij zelfs Paarden Muilezels en andere groote Beerten S den en aerbalve als de plâag der heete landen van A- menka worden aangemerkt. De Autheur der befchril ving van de Rivier der Amazoonen meld , da h« Hoorn vee,'t.welk de Zendelingen op verfcbeide olaa?. zen geplant hadden ,en zich reeds begon te Senï vuldigen, door dit Ongediert geheel is uitgerS 5 worden Men wil ook, dat zij Hoenderen eni& klem, Vee rooven. Katten en Honden dooden Ja zelf de Menfchen m 't aangezigt vliegen en zout jds de Neus of een Oor afbijten; 't welk niet onge óofbaï »s, mdien men op de grootte van deeze Dieren 5 geeft, en op de feherpte hunner Tanden. g Het ontbreekt in zommige' deelen van Europa, in-
zonderheid in de bergagtigfle ftreeken, gelijk in de AU pen van Switzerland, ook niet aan groote Fledelm Jen. En die van ons land, zelfs de allefgemeenft kan men niet van de verfcheurende Dieren afzonderen dewijl zij vleesch, kaarfen en al wat vet of fS is zeer greet.g en gulzig verflinden, inzonderheid het fpek indien het op zolders of piaatzen hangt daa zij er kunnen bijkomen. ' ê ' Albin-geeft ons de volgende befchrijving van het
lighaamsgeflel der Vledennuifen. Zij hebben" zeg h.j, de langte van tien of twaalf duimen, en de Vie? ken, uitgefprc.d zijnde.de breedte van twee Ö5 [dog dat moet een veel grooter zoort z.in dan1 woonl.jk; want onze gemeene Vledermui \\lïn Mi dl van IMP , DC K0P en Ha,s MPS
naar die van een Vos, ten opzigt van de koleur en gedaante ; het ovérfge des lighaamf, zo wel al de Wie-
ken of Vlerken, s zwart. Jn de klfinln fJ 1
merkelijk verfchil dan ten fPSt% |MS
hghaamsdeelen. Deeze Diereniiebben Ä over
eenkomst met de V ervoetfee zo fPn h&$M I
Kop ais van het Lijf; ffij^iffil g5Ä£
Verken, gelijken z.j meer naar de Vogeleii tefll
zijI ook, de Haakjes uitgezonderd, df saS 't beÄ
Vlerken zijn, maar'twee Pooten hebben' t Gebiid
dat z.j maaken heefé iets van 't gekweel der VoS
hunnerJVernkenerr7ierVOet,'ge-JDieren- "Het nS5d
hunner Vlerken is zeer wonderbaar; want dezelven te£n vaan ÊI?IÏenkele,Hui^ e" ÄiSI
ten van een Watervogel, als aaneen verbonden zünde doormiddel van een vlies. De Klaauwen, "fHaaken! bovenvan de Wieken, dienen haar om | overVl di vaneen »M»den ÏWrWCB
to,Zie t%ymm êBrmm Ann. 1.0MXLVM. De
|
||||||||||
|
y.LE
|
|||||||||
|
vtEi . mm
|
|||||||||
|
j^Umken dßri:Vledermuifen,zegt hij; 2ijn vaneen
jniddelbaaren aart'tusfchen Pluimen en Hoofdhaair. De VlTieken zijn kaalt, meç dubbele geledingen , zo dat zij op twee plaatze'a kunnen zamengevouwen worden. Van't holle der Hand loopt nederwaards een lang Been-, tje, dat de Vlerk uitfpreid, met een dubbeld Knietje buigbaar en beweeglijk. Daar aan volgt een ander, dat langer is, tot de punt van de Vlerk uitgeftrekt, ook met twee leden. Het derde en vierde Beentje zijn, insgelijks, als Vingeren buigbaar. Boven aan loopt de Vlerk uit een punt, die als een duim met een nagel is gewapend, en beweeglijk naar alle kanten. De Op. per- en Onder-Arm zijn door een fcharniergeleding za- mengeyoegd, op de gewoone manier. De Opper-Arrn is enkeld, en komt met het Armbeen van den gemee- nen Muis overeen; de Onder-Arm dubbeld, hebbende een groote en kleine Eüepijp. De Borst is breed en met Sleutelbeenderen voorzien ; de Buik evenredig naar 't lighaam; de Heup breed. De Dij beftaat uit één Been ; de Schenkel uit een Scheen- en Kuitbeen. De Spieren van den Voorvoet zijn in de Vlerken zelf inge- plant, welker Vliezen dubbeld zijn, op dac tusfchen dezelven de Zenuwen veilig mogten verfpreid worden, en derhalve worden, ten deele door de Spieren aan den Arm, van boven, ten deele door die van de Dijen, Schenkelsen Pooten, ja van de Vingeren zelfs, de Wie- ken wederzijds, naar welgevallen van het Dier,, be« woogen. De ronde Staart legt ook tusfchen die ver- dubbeling der Vlerken. De Poot heeft zeven leden, in zijne zes Vingeren, waar van de agterfte met een langwerpige Spoor is gewapend, hebbende een omge- kromde punt, als eeft haak, die men gebruikt om hout uit het water te haaien. De Borstfpier is in het Op- per-Armbeen aangehegt en beweegt het zelve voor- waards j de driepuntige plant haar Pees in den Onder- Arm, dien zij opwaards trekt, en de. tweehoofdige ftrekt denzelven weder uit; de Aörifpier beweegt den« zelven in 't ronde. De Lever legt in den flinker Bo. venbuik; de flinker Nier is laager dan de regter. De langte der.Darmen was een half elle, en zij/hadden o- veral de zelfde wijdte. De Lijfmoeder was tweehoor- nig en met een dubbeld Eijernest voorzien. Voor 't overige verfchilden de inwendige deelen niet van die der Muifen. Van ouds heeft men het Vleesch en Bloed der Vie-
dermuifen als nuttig in de Geneeskunde aangemerkt.' Het Vleesch, behoorlijk toebereid zijnde, werdt tegen de Knoestgezwellen en de Jigt dienftig geoordeeld. Het Bloed zou bet uitvallende Haair weder aan doen groei- jen. Plinius en anderen, zelfs Förestus, leeren, dachet verfche Bloed, uit van één gefcbeurde Vleder- muifen, op den Buik geftreeken, dienftig istegenhet drekbraaken of darmkrinkeling. Zommigen willen dat net Lijf, zonder Kop gedroogd en tot poeijer gewree- vpn, de Waterzugt niet alleen, maar ook de verftop- pingen van de Lever geneest. Avicenna ftelt tegen een verharding van de Milt het volgende voor. Neemt 11 zeven vette Vledermuijcn , fnij ze den Kop af, en i> doe ze fchoon gemaakt zijnde in een verglaasde pot; »j giet er fterken azijn op, en zet het op 't vuur te koo- it ken; koud geworden zijnde, maak de Vledermnifen ., Wet de vingeren klein, en geef van die Sop dagelijks >. een lepelvol in: 't is een beproefd middel. " Men verhaalt dat zij in de Oosterfche Landen , gevild en gebraaden zijnde, als eene lekkernij plagten gegeeten |
|||||||||
|
te rW(9fden; -Be Ctóneezen, zegt men i dóen zulks eog
heden, zo wel als de Negers in 't binnenfte van À* frika. Ondertusfcben is 't aanmerkelijk; dat het Hart en de Tong dei groote Amerikaanfihe ■ Viedermuifen voor een vergift gehouden worden, ai?o zij de War tervrees veroorzaaken, en de Heer Linhjeus zegt van de gemeene Europeaanfche. dat zij venijnig zijn. VLEDERMUISEN-LUIS , zie MIJTEN ft. IX.
pag. 2238. '■',■' VLEER.BOOM, zie VLIER-BOOM.
VLEESCH, hier door verftaat men het fpieragtigge- deelte der Dieren, en, inzonderheid Word dat van dea zodanigen Vleesch genoemd, 't welk tot voedzel vanden Mensch verftrekt, zo als dat van Gsfen, Kalveren, Schaapen, enz. De onderfcheidene manieren om het zelve tot finaakelijke fpijzen te bereiden, hebben wij op ieder zijn Artijkel volleedïg aangeweezen. Hoe- danig het Vleesch tot wintergebruik word ingezouten* zie op OS. VLEESCH-BREUK, in 't latijnSarcoceh, gevorint
van de beide griekfche woorden Sarcos en Kele, Vleesch en Breuk, is een ongemak 't welk beftaat in een vleefch'g gezwel in den Cremaster of Rang-Spier, die de Testiculi draagt, ofwel in deeze laatften zelve; en dus niet be- ftaat in eene uitvalling of Breuk van 't Ingewand. Dit is daar uit af te neemen om dat de Hernia of waare Breu- ken af en toeneemen; en integendeel dit gezwel dage- lijks grooter word , niet alleen, maar ooknogvoorden vinger, nog voor andere aanraaking wijkt, gelijk de an- dere Breuken doen. is hier't eenigfte middel ter geneezing; 'tzij dat men het Gezwel af binde, of wel door middel van een Biftouri wegneeme. . . VLEESCH-GEWAS, zie POLIJPUS.
VLEESCHKOLEURDE-ROOS , zie ROOSE-
BOOM n. 23 en 35. pag, 3105. - VLEESCH-LIJM, zie SARCOCQLLA. ^ VLEESCHMAAKENDE MIDDELEN, zie SAR-
COTICA. VLEESCHNAT, zie BOUILLON. "
VLEET, zie ROCHEN «. II. pag. 306S.
VLEK-KOORTS, dus worden de Peper-Koortzm eft
alle zodanige Koortaen die metroode puisten of vlekkea verzeldgaan. genoemd. VLEK KRUID, zie CERÏNTHE.
VLEUGEL, zie A LA.
VLEUGEL-SPIEREN, in 't latijn Musculi alares,
zijn twee Spieren van het Kaakebeen; waarvan de ee- ne extermts of de uitwendige word genoemd i neemende deeze zijn begin van den uitwendigen aanwas des Vleu- gel gedaantigen Wiggebeens, en word inden Nek Man het onderde Kaakebeen ingeplant. na* of inwendige is, die zijn begin neemt van de inwendi. ge aanwas des Wiggebeens, en ingeplant word in het in- wendige en agterfte deel van 't'Kaakebeen, niet verre van den Nek. ■ * 1 VLEIJEN; Vleijerij, in 't latijn Adulari. Door het
woord Vleijen, betekend men alle zodanige betuigin- gen van agting, ontzag en eerbied, welke men regt-1 ftreeks of van ter zijden, en zulks ftrijdigmethet oordeel- van 't geweeten, aan iemand doet welke men zoekt kQi behaagen, om er eenig voordeel van welken aart zulks ook mag zijn, van te trekken. Dus heeft de Vleïjerïj de valschbeid tot caraöer; zij verbeeld't geen zij niet is, en heeft eigenbelang tot eengrondbeginzel. Men Vkijt S 2 . om |
|||||||||
|
3904 VLB.
|
VLL
|
||||||||
|
;, geeft, en dat de buitenfpoorige'éfgênïiefde Vaar ffléî
de gij als doorkneed zijt, u daar dóór geneigt zal maa- ken om mij de gunften te bewijzen, dien ik verlange, ,, en door u kunnen verleent worden; zo heb ik gëdagt, nom tot verkrijging van dezelve, een middel te kunnen ,, in 't werk fteilen, 't welk bij een redelijker en ver- ftandiger Mensch als gij zijt, ten mijnen opzigtejuist het tegendeel moeste voortbrengen, van 't geen ik ver- ,, wagt en begeer". Alle levenèimen, alle zodanige Menfchen welke in
ftaat zijn om dienst te bewijzen of vermaak te verfcbaf- fên, zijn aan de gevaarlijke verleidingen Van de Vleijerij blóotgëfteld, en moeten er zich als voor een verdervend vergif van wagten. Ten dien einde voldoet, volkomen overtuigt" te zijn, dat men ons nimmer Vleijt om dat men ons liefheeft tff agting toedraagt, maar enkel, om dat men ons genoeg ve'ragt om te kunnen denken, dat men ons prijzende, alles van ons kan verkrijgen. Dus dient men de loftuitingen te» mistrouwen," weinige; zijn er»die niet door eigenbelang worden voortgebragt, en een ïsderVieijér is een lafhartig en veragtenswaardigBedrie- ger, m -::,. DÏfi VLFEGEN in 't Iatijn Volare, is de voortgaande be.
weeging »welke een Vogel, of eenig ander Dier; dat Vleugels beeft, in de lucht maakt. " ■■' :,-.* VLIEGEN. De latijnfche Geflagtnaam Musea, bui-
ten twijfel van het griekfche woord mw« 't welk het zelfde betekende, afkomftig, is weleer van een alge- meen gebruik geweest, voor allerlei] kleine vliegende Infekten. Dit heeft ook ten opzigt van hetfranfche woord Mouche plaats, en Vliegen, gelijk wij zeggen, is van bét werkwoord van dien naam afkomftig; zo wel als het engelsen a Fliè oïFlij. In 't bijzonder, nogthans, worden er die Tweevleugelige»Infe&en door verftaan, die de Kenmerken hebben vanditGeflagt, en van de Duit« fchers Mucken, van de Italiaanen Mdscagenoemd wor- den. Het Spe! der Kinderen, B lindemannetje genoemd, noemden de Grieken x«ax* MvI», dat is de Koperen-Vlieg, om dat zij alsdan in de lucht flaan, even als of zij Vlie- gen wilden vangen ; het welk, volgens HttPOCRATEs, ook ; in heete Köortzen, een doodelijk teken is. De hebreeüwfche naamrwas Tsebub, en daarvan werd een Afgod derPhiliftïinenfiaa/»J!feitt6 genoemd; dat is, God of Heer der Vliegen. » ' De VliegenzijB zeerbékende Infeften, wier woonplaats
int algemeen de lucht is, en zomtijds ook de oppervlak- te van het water. Eenige zuigen , gelijk de Bijen, Ho- ning uit de Bloemen; veelen leeveh van vleesch en an« dereeetbaare wàaren; anderen aazen op drek en vuilig- heden. Haare Maskers, in't algemeen, worden Ma- den genoemd, en naar de ftoffen, waarvan zij leeven, met ;den»bijnaam van Vleesch-, Kaas-Maien, enz., on«, dëricheiden. Het zi;n tedere, witagtige Wormen, zon« der Pooien , wier Kop niet hard is en van veranderlijke figuur. Het Lighaam dezer Maden beftaat uit verfchei- de Ringen, en haar Bek is niet anders dan een zoort van Zuiger, die dikwils vergezeld gaat met een hard, fpits- puntig pijltje, en met twee plaaties, op^zijde zittende, waarmede het Wormpje zich vasthoud, terwijl bet inde ftoffen boort, die aan hetzelve tot voedzelftrekken.en dezelven van een fcheurt. Deze Maskers haaien adem door vier luchtftippen,waarvan twee voorwaards geplaatst zijn, aan ieder zijde één, vrij gemeenlijk aan de za- menvóeging van den tweeden en derden Ring, en ds twee anderen aan 'tend van 't Lijf» Deeze twee.laat- |
|||||||||
|
om geen andere reden, dan om te verkrijgen 't geen men
ons zonder dat laage middel zoude weigeren; zij ver Onderfteld in het gevleijd wordende voorwerp, weinig Verftand, eenezotteligtgeloovigbeid, eeneverblinden- de eigenliefde die de kennis van zich zelven beneemt, eene zwakheid van geest die zonder beweegreden toe- geeft ; en met wezentlijke weldaaden, ingebeeideen be- drieglijke vermaaken.beloont. 'Zonder twijffel," denKt bij zich zelven de Vorst of ander groot Perfohaadje die bewierookt word', 'dé Vrouw die men Vleijt, de Meester dië om mij zoo uitte drukken.het voorwerp der geftadige aanbidding zijner minderen is, zonder ;, twijfel, ben ik mét uitmuntende verdienften begaaft, dewijl zo veëleMenfchen die bij mij koomen, er mij door hunne redenenp gefçhriften, manieren, hou« ,, ding, endoor al 'f.geen ik hun zie doen> van verze- keren. Wie kan bij,mij vergeleken worden, en wie is er boven, wienrik niet uitmuntte, dewijl ik niemand ,, rondsomme mij ontwaar worde, of men vind in hem de eene of andere hoedanigheid diëgebrekkig is en wel- ke Verdient»berispt te worden? Wieken ik, diens re« j, denen zo aanhoudende toegejuicht worden,- wiens j, uitwijzingen men zogeredelijk goedkeurt, wiens wil men met zulk een ijver volbrengt, in een woord aan ,, alle wiens daaden menzulk een gedüurigen lof hegtals bet in ,alle opzigten ten aanzienvan mij plaats vind? ., Is er wel eerie deugd,<eenëagtenswaardige hoedanig- heid,. of die word door de genen die mij naderen, in ,, mij opgemerkt en gepreezen ? heeft men immer iets gelaakt van;'t geen ik gedaan hebbe? Te vergeefs zegt ,, men, dat er;hiets volmaakt in bet Menschdom word M gevonden,-.hoe kan ik mijn eigen volmaaktheid in ,, twijfel trekken, daar zulk een groot aantal Getuigen ,, zulks bevestigenen verzekeren ? wat ik denke, wat ik zegge; wat ik wil, wat ik doe; hetis alles prijzënswaar- dig» ah! wat is het genoeglijk om zich dus welven te ,, kunnen goedkeuren! boe hartig bemin ik die lieve Ge« . tuigen en Verkondigers van mijne deugden en verdie'n« ftenl zoude ik zodanige Menfchen, die ten aanzien, van"zich zelven die.hoogmoed overwinnende, wel- ,, ke veeltijds zo onregtvaardig over de verdienften van »I anderen doetoordeelen, dog mij zogewjlligden wie. ,, rook taezwaaijen die aan de verbevendbeid van de mij-: j, ne verfchuldigt is, te veel kunnen beloonet). Ja mijne; Vrienden, Dichters, Redenaars* Schrijvers, en gij alle die mijne verdienften zo wel,kent, vandieopentlijkin mijne tegenswoordigheid; te verkondigen», en mij dus leert mij zelven toetejuiçben, ik wi! uwe opregtheid beloonen,en de aangenaame ©ogenblikken, diegij mij doet doorbrengen, wanneer ik mij zelve ingevolge uwe redenen en handelingen waardere, ruim betaalen". Dit zim de kinderlijke denkbeelden welke eenieder die Vleijerij bemind.en toelaat dat men hem Vleijt, in zijn harte voed; maar is dat ook 't geene den Fleijer denkt ? Indien al betr geen dat in het hart van een laffe Vleijer die aan ingebeelde verdienften zijnen wierook toezwaait, ontwifnpek en inrhet' daglicht geftelt koste worden, zoude men het zelve tot dit vreemde compli- ment kunnen bepaalen. Verbeeld u vooral niet, dat M ik het minfte geloof flaa aan de loftuitingen dien ik u M geeve:; ik gevoel voor u die billijke;verachting wel- ^ ke gij zo regtmaatig verdient; maar dewijl ik weet ,, dat gij verwaant genoeg zijt, om te gelooven, dat men in zijn hart dat gevoelen van agting voor u voed, 't welk w, ik u betuige;, de loftuitingen, verdient,. welke men uf |
|||||||||
|
Vtl. 3903
|
|||||||||
|
VLI.
|
|||||||||
|
Hen'zijn groötérdan de vdorgaandén,en verfchillende
in gedaante; zomtijds verborgen en als ingedrukt onder een zoort van rand; zomtijds verheven , en naar Hoorn- tjes gelijkende. 'Doorgaans word men, in de gaaping van ieder groote Srip, diie andere kleinere openingen, gewaar, die naar kleine Luchtftipjes gelijken, welke a!s in een groote beflooten zijn. De woonplaats deezer Maskeren of Maden is zeer
veifchillende. 'Men vind er die zig onthouden op de Boomen en Planten, en aldaar op de Plantluizen aazen* Anderan houden haar verblijf in 't> vleesch van geflagte Dieren, dat eenigermaate begint te rotten;- gelijk be-, kend is aan de gebeele waereld, ; <Een anderetzoort,. aflïomftig.van die Vliegen-, .welken lïien^KaasvUegen, noemt, vermenigvuldigt zich, op,;een vurbaaiende ina. Bier, in de Kaas. Deeze. zijn door.haare kpnftigs;ma- nier van fpringen aanmerkelijk. Aridere dergelijke Ma- den leeven in Krengen, en in de drek van Menfchen, en Dieren, die, rottende in de bloote, lucht, van de- zelven krielt. Deeze hebben geen merkwaardige bij-t zonderheid ; maar die Vliege-Wormen, welken in rottig,, ßinkend water, van gooten en fekreeten, huishouden,, verdienen onze opmerking,..wegens haare geftalte. Zij, hebben een zonderling lange Staart, die zij, om lucht te fcheppen, tot aan de oppervlakte van 't water ver-. heffen, en deswegen noemde Reauïïur haar, Wormen mttde kotten-Staart. Het Lijf vandeezen Worm is na a uw-, lijks een half duim lang, daar de Staart zich uitrekken, kan tot de langte van bijna een; half voet. Dit lucht of adem fcheppen is haar inoodig, en daarom leeven deeze Wormen, die met het lijf Op den modder leggen» nooit in zeer diep water., . . ,, j ■--.,■-.-■ '■.. ]) ,, In 't algemeen heeft eenerlei} verandering, die men
de Vierßaltige kan noemen, onderde Wiegen plaats, -s. Op bet artijkel TWEEVLEUGELIGE INSECTEN,,. P"S- 373 2- hebben wij daarvan reeds gefprooken > -.wij. zullen bier derhalve alleenlijk agt geevec op eenigebij- zonderheden , welke ten dien opzigte voorkoomen on- der de Infekten van dit Geflagt. .,- De Tonnetjes, van de Huid der Maden geformeerd,
in welken de verandering gefchiedi zijn van verschil- lende figuur. De blaayiwe Vliegen, en inderdaad de meeden, hebben ze eijrond,; bfiftaande.luit-zeer blijk, baare Ringen, en dus naar een tonnetje of vaatje, dat aan de enden niet plat maar rond is, gelijkende. De Wormen die op Plantluizen aazera,.;in tegendeel, heb- hen de tonnetjes aan 't ééne end dik en breed, aan het andere end puntig of fpits uitlocpendej, bijna van figuur als een Traan wordt afgebeeld. Zij zijn,tegen een Blad gehecht, en dus aan die zijde plat, aan de bovenzijde rond. De Maden, onder water .(eevende, meteen lange Staart, veranderen in Tonnetjes welke gehoornd zijn; het geene ook in andere VliegwMaskers, dié in * water zich onthouden, plaats heeft., Zommige Ton- netjes yan deeze zijn met twee , anderen met vier Hoorntjes voorzien, dienende tot adetnhaaling voorde Pop. ; . ., .;.; ■...; De Poppen der Vliegen z\in, ,^\s .gezegd is, eerst
langwerpig ronde Bolletjes, die welhaast, langs-hoe nieer, de geftalte aanneemen van het volmaakte Infekt; v .V?,0' lanS deeze Popjes nog in de Tonnetjes baar erblijf houden, zijn zij zeer week van zelfttandig-
neid: des men , in de eerfte opflag, niet ligt begrijpt, £°e zij het harde kalotje van het end der Tonnetjes innen doen affpiingen, om als Vliegen te veifehij.-
|
|||||||||
|
nen. Eèri naauwkéurigerbefcbouwing, niet te'mjri,
kan deeze duifterheid dèenopklaaren.' Qp den Kop van. de uitkomende Vlieg wordimen een vleefchig bultje ge- waar , het 1 welke, do.or zijne: uitzetting, : zekerlijk dien dienst verrigten moet, en naderhand,door opdrooging, in de Vlieg verdwijnt. Ooköntdektzich aan de Tonne- tjes, van boven,'een.zoort. van naad, die rond loopt,, en een andere, welke de eerfte regthoekig ftijd; gee- vende dus gelegenheid, dat, door\de drukking van het gedagte vleezige bultje, dit Kalotje'daar af kan fprin- gen, of aan ftukken fplijren-; na:datamooglijk, even. als in de Poppen bij 't uitlsomen^der: Kapellen, de voe- gen door een vógt zijn week: gemaakte-' ■< m ; . Wanneer,de:Vlieg, volmaakt erMmebWieken voor»
zien zijnde, uit haar Tonnetje tetvoQrfrbijnbomty.vër» toonfczij zich,;:in,'t eerst, zeerWeini;. maarzin weinig, tijds, wórdt zij, door uitzettingi, zonderling dik en, groot; ja fchijnt grooter dan: zjjr.behoprtte zijn ; door opdrooging, egter, wederom watingekrompen, behoud , zij verder haar gewoone grootte.■::<A sHïön$55 Deeze Infekten i gaan" ook outóö haaredverandering,
wel; haast over., oni''höt;.ooginerk vamdeniSchepper, dat de vermenigvulding is van haar Geflag't7'sfe:bevor- deren. Wijnebhen op bet artijkel/T.WEEVLEDGE. LIGE INSECl'EN-,v$8g.* 3733,'içezienpop:welke een zonderlinge manier dei paaring der: Vlifgetilgefchied, en dus zou het Mannetjeiligtvoör/het Wtjfjejgenomen worden,iindien het laätfteniet,-'door derdikte.desAg- terlijfs', rgemakkelijfe daar van te:ónderfcheiden waare. Hét zelve openéndeyivindtimen:gemeenlijk ook vol Eijertjès., ; die; te koleur : eDigeftalte-'merkelijk verfcbil- len.,- naar, dat zij gelegd worden ivan-deezesof geene zoort. H ::. tl ; :■: ' >.1 '" '■ '■''■' '" >' ': :~'' ' :De rEi jtjes, bij voorbeeld is van diev groote blaauwe-
Vleesch'Vliegen, zijn langwerpig, een weinig'kram en paarlkoleur, zij'hebben overlangseen Tongetje.dat zich, opent, om) hét kleine Wormpje te lasten,.uitkomen. Die der .Vliegen, wier Made een lange Staart heeft,, zijn wit,-.langwerpig, en, met: een vergrootglas be-, fchouwd zijnde, vertóonenzij.zich vanbuitenalsfagrijn. De Vlieg legt dezelven digt aan: het water;, op: dat het Wormpje.,;'daar uit voortkomende, aanftonds:een be-. kwaame woonplaats, voor zich ,«zou kunnen vinden. De Strontylieg, wier Worm in drek leeft, legt Eijtjes die wit zijn en langwerpig, henbende-aan-'t eene end een zoort van Wiekjes, waar door zij zich gehoornd; vertoonen. Een dergelijk maakzel was noodig, wegens, de plaats, daar dit Infekt;zijne Eijeren legt; naamlijk, op den drek van Varkens; Koeijen en andereBeeften ; daar deeze Eijtjes niet te diep moeften inzakken, op dat het uitkomende Wormpje lucht zou kunnen fchep- pen of adem haaien. Alle de Eijtjes der Vliegen zijn niet zo zonderling; hoewel men er. veelen ontmoet,, die, met den Mikroskoop befçhouwd "zijnde, zich op verfcheiderleij wijzen geftippeld, ; gegroefd, of op een andere manier bewerkt vertoonen; -terwijlanderen ge- heel eenvoudig, effen ,. en als glad gepolijst van op« per-vlakte zijn. ... : r.. -, * Daar zün Vliegen, .(hetswelk een zeer aanmerkelijke
bijzonderheid uitmaakt,) die geen Eijtjes leggen, maar leevende Jongen voortbrengen. Over deeze Jongwer- pende>Vliegen heeft Reaumur een gebeel Vertoog-ge- maakt-, getüteld des Mouches vivipares a deux Ailes.Tom. IV. Mem. ro. waar uit ik, hier eenige bijzonderheden zat entlegnen., «- j 3-1 Sa^
|
|||||||||
|
00* VU,'
|
|||||||||
|
VW;
|
|||||||||
|
:% ScAtrèïR,,-waargebôofcen'hebbende* dat~een.wjr
,i danige Vlieg, op zijne.hand; 'leevende Jongen ge- Worpen had, befloot daar uit ten onregte, gelijk ,i Redi aanmerkt, dat alle Vliegen van dien'aart, waa- ren. Deeze voegt er bij, hoe Pater. Eaprï niet min- ,; der ongelijk had , van ftaande te houden, dat alle ,t Vliegen eijerleggende,waaren, als,van eenigen de Eijtjes hebbende gezien. Voorts gaf hij in beden- ken, of niet as Vliegen, die anders Eijtjes leggen, door'zekere «mftandigheden*, in 't geval gebragt ,» konden Worden', dat "zij, -in plaats Van Eijtjes, Jee- ,;"- vende Jongen; wierpen.; «mooglijk, dagfi hij., ,zou een, grooter trap van wanrite.>daar van de oorzaak kun-: ,V nen'zijnj/fnaari die vraag komt (zö.Reaiimur oor* deelt) op *t zelfde uit; als, of niet een Hoendereij,; ,; door langduurig verblijf in:'t lighaam van dsüäen.,, aldaar uitgebroed zou kunnen worden. .Zo min,: ,?£rfu», als men 't eéne:gezien heeft, is misfcbien het andere ooij ooit gebeurd! iDe Schepper heeft gewild,« dat de Dieren , die leevende Jongen voortbrengen ,: "inwendig anders igefteld zouden zjjn, dan dieEijdïen ,, leggeriï'en even dit zelfde hééft ook bij de Wiegen plaats," ■"?.-".' v. «" :." :.-, n-jnnuv a a;> 'Gelijk Wij, öndér de Infekten« in 't algemeen, tot nog
toe flegts dePimt'~$n,ScMldiui£en<, en mooglijk op ver na niet alle z'óorten daar van, gezien hebben Jong- werpende té zijn; zo is ook het getal der zoorten van Vliegen,.die deeze eigehfenap hebben, gansch kleinv Gêöï'fröy heeft er thans, omftreeks Parijs, tnaaftWee; waargenomen,beiden op de Klimop «huisvestende. Jtfi-~ AütóiiR , ondertusfchên, kende daar ' van zes ,of ;zevéH poorten ) ea hijmeende, dat ffi| er meer gevonden zou' hebben, indien bij, geduurende een geruimen tijd, meef oplettendheden; ten dien opzigte, ,had gebruikt. ;,yMen kan, zegt hij, gemakkelijk, -in onze Huizen, ,; een Vlieg vangenivan i deeze» aart, dié zeer gemeen; ,> is .béminnendeünzondefhéid-zulke piaätzen, waar ,j men het vleesch bewaart; op het,welke' zij haare Jongen werpt. Haaf Sprieten béftaanuit prismatieke ,i paletten; hét Borstftuk is omlangsgraauwgeftreept, met bruin daar tusfeheny en het Lijf op dergelijke wijze gevlakt; de Pooten zwart en de Oogen rood. ,i Zulk een Vlieg tusfchên de vingeren houdende en van agteren bekijkende , zal men dikwils, (inzon- derheid wanneer- dezelve : op het vleesch gevangen ,-, is, en den Buik niét'plat heeft,) eén wit Lighaam- pie daaf dit zien voortkomen, 't welk door zijne be- ,; weegmgen blijken geeft van een jonge Made te zijn; en, indien irien het niet ergens op vangt,'op den grond valt. Dan volgen er meer of min, somtijds dertig of veertig zulke Maden. De jongwerpingop- houdende, kan men die op nieuws doen voortgaan, door het Lijf van de Vlieg zâgtjes te drukken, en dus gebeurt het wel, dat men er zeventig of tag« ,, tig, in'een zeer Weinig tijds, het Jicht doet zien. Men is wel haast verzekerd , dat het wezentlijk Jongen van die Vlieg zijn, j wanneer men ze op' vleesch zet, en haare gretigheid niet alleen, maar ook haar aangroeijing en verandering, die in weini- ge dagen voorvallen moet, waarneemt. Zij komen ,, daar in met de Wormen, die uit de Eijtjes der blaauwe ,, Vliegen gebóoren worden, overeen; beiden verlaa- ;, tèn zij het vleesch en kruipen in den grond, als zij gereed zijn om te-veränderen.^ ' _3>ee andere zoorten van jongwerpende Vliegert had
|
|||||||||
|
ziJirEdt^aargenooHfen, die grootelijks, ijaardeeze ge«,
leeken,; dog verfchilden-door de gedaante van het Lijf; dat minder langwerpig was, en dikker. Zü waaren ook mgroot niet als die, dog de kleinfte nog grooter dan de gewoone Huisvliegen , en niet gemakkelijk van andere graauwe eijerleggende Vliegen te onderfebei« den. In de herfst (zegt hij) heb ik dikwils, op de bladen
der Klimop, jongwerp.ende Vliegen van tweederlei} zoort gevonden, die duidelijker Kenmerken tot on. dérfcheiding. van de meefte anderen hebben. Die van de ééne zoort derzelven zijn gemeenlijk wel zo groot., ja grooter dan de gewoone blaauwe Vliegen, en dikker van Lijf, dog verfcbillen grootelijks door de figuur der Sprieten; het welk rondagtige psletten zijn,, niet driekantig* gelijk in de blaauwe'Vliegen. Ook is, nabij het gewricht der Wieken, een Vlak van feuiljemort-koleur, gelijk die eijerleggendeVlit> gen hebben, welke van geele Wormen uit de plag- gen van Koeijendrek voortkomen. Hàar Lijf is, ,. boven i dien, niet zwart maar taankoleurig of feuilje- rflort-btuin; het Borstftuk in beiden zwart; maar «dat "Kuifje van goudgeel baair,het welk die eijerleggende Vliegen op dén Kop hebben , ontbreekt in deeze, die ook grooter zijn van ftuk. De anderezoort is kleiner en-gelijkt veel naar de blaauwe Vliegen in koleur, dog heeft bok de gemelde vlakken aan 't gewricht ' -dér Wieken, en de Sprieten zijn niet driekantig. ,, Hét openen deezer Muggen is hetallerzekerftemid-
,j delom te ontdekken, of zij weezentlijk Jongwer- pende, dan Eijerleggende zijn.'. Met een fijn fchaar- tje den omtrek aan ieder zijde van het Agterlijfdôor- knippende, kan men het ftuk, dât den Buik bedek- te, opl igten, én flaan het zelve op het Borstftuk bin, zonder een merkelijke verandering, in de fchikking . >der inwendige deelen t te veroorzaakeh. In de eijer- leggende Vliegen ziet. men als dan de Eijtjes,'diehet it grootfte deel van de holiigheid des Buiks opvullen, als twee paketjes of ftapeltjes uitinaakende, het één ter regter, het ander ter'flinkerzijde, welke duide- lijk van elkander afgezonderd zijn. In de jongwer- pende word men niets dergelijks gewaar. Daaropen- ,, baart zig alleenlijk, aan den omtrek, een fnoer, dat fpiraalswijze vijf toeren maakt, wier middelpunt om- trent het midden«is van het Lighaam,en aldaardoor een, klein holletje aangeweezen word. ,. Het geen, voor de eijerleggende Vlieg, de eijer-
ftokken of paquetten zijn van Vaatjes, welken de Eijtjes bevatten; is voor dejoogwerpende ditSnoer; als een vat zijnde of verzameling van vaten , in wel- ,, ken de ongebooren Vrugtjes en Wormen zijn be- greepen ; het is, om kort te gaan, de Lijfmoeder van de Vlieg. Bij naauwkeurige befchouwinge, meteen vergrootglas, vertoont het zich op een zonderlinge manier gegroefd,, en niet ongelijk aan een geftren» ,; geit Snoer, dog dat op de eene plaats anders bewerkt ,, is dan op de andere, en hier en daar met paarltjes dooneegen. Dé öiiitenfte toeren zijn graauwagtig. de binnenften wit van koleur. Maar, als men 't uit het Lijf haalt, loopt deszelfs verwonderiljke zamen- ftelling nog meer in "toog. Dan ziet men dat het een zoort van lint is of dikke platte plaat, opgerold als de (laaien veeren der zak-orlogies, en welks dikte overeenkoomt met de langte derWormpjes, uit wel« ken hec zamengefteld is; da lengte, zo wel als de breed'
|
|||||||||
|
■■■ breedte. niet tii ißenigte t#p iugnâàriïéiijké. tfikteiï:
"-deêzér Wórmpjes, dié-dit'lint-liitmäaken. a I j " Verbaazend groot moet derhalve:het vermogen:va!i vöórtVeeling zijn; in*deze Vliegert; aangezien er, vol- gens de uitrekening van Reaumur, wel twintigduizend Wornipjes "in dit Plaatje'waarenj zó- dat Geoffroy bijfter mis heeft, wanneer hij aanmerkt > dat deeze fliegen maar twee Jongen te gêli-jk, ëh de eijëtieggan? de, daarentegen, wel honderden van Ëijtjes voortbren- gen,- en dit daar uit afleid, dat dé Èijtjes 'wetnigpfàats inneemén, terwijl van de'Jonge«,'-aü-grooter zijnde-; maar twee tevens in het Lijf van een Wiieg-konden huisvesten. Mooglijk zal hij vergist zijn door bet leezen van 't vertoog van Reaumur, die aanmerkt, hpe het te verwonderen is, dat, nlettegenftàandê'een'zôver- baazeride vrugtbaarbeid, deeze zoortjvan Muggen niet gemëener zijn dan die,anderen uit de Kóeijend rek, naar. welken zij gelijken: én" in wier ßijerftokken tiiöt meer dan twee Eijerén, te gelijk,, worden gevonden, a Des* zelfs vermoeden is, dat-dë Wormpjësdereerstgemel- dengefchikt zijn tot voeding var» aridere Infekten j dog ik zou denken, ;dat het daarvan daan komt, dat zijhaar voedzel zo gereed en zo onbelemmerd niet vinden. J Da geftalte der'■"■Fliegen,: in 't algemeen, 't overbe»
kend zijnde, zal ik alleen-maar agt'geeven op die Dee. len, welke derzelver ö'nderfcheidêne Kenmerken uit? maaken, >ten opzigtvaii de' overige Infekten van deezen Rang.. Jn de eerfte plaats hebben, zij een Snuit; deè- ze Snuit verfchilt van de ZüigVrs der Kapel ten,-door dien zij: yleefchig is'en-zagt,. hiet'bard of kraakbeenig'; maarzij komt daar mede overeen,- ïri zo verre de Vlie- gen haar ook, evenwel op een adere manier, intrekken en verbergen kunnen. Zij korren de Snuit in, öfplooi- fenze tezamen, en doen-dezefve dus wijken in eené heiligheid y die gefcbikt is haai* in te neemen, alwaar zfi als in een doosje zonder dekzel legt." 'Deezenolligheid is voor aan den Kop; dog heeft' 'm allé TOugera-dezelfde gedaante niet, zomin als de Snuit, welke in bijzonde- re zoorten niet rriinâçf irimaakze! verfchilt, dan de pom- pen, die men, tot opheffingë van't water, in de wèrk- tuigkunde gehrnikt.,. Door eene Vlieg, 't zij aan de zijden, 't zij aan het Borstflnk, van boven én van on- deren, te drukken, dwingt men haarde Snuft of Zui- ger uit te freeken,' die,menpok-mét één fpeld uifhâar holletje kan haaien; als1'wannéér ,'door'een:vergroot- glas, haare zonderlinge-' geftalte -blijkt, zö als dë Heer R eaumd,r dié, uit de blà'aitwé Vleesch-Vliegén, in ver- feheide ptaatzingén, heeft afgebeeld. Tbm. IV. i. Partie. PI. iL '-'.'- Men word als dan gewaar, dat deeze Snuit, bij haare
opening, aan 't eind, als met twee groöte dikke lippen is yoor/.ien, die tot liet,inzuigen der'vogten niet minder behulpzaam zijn,1 dan die Van-onzen' mond.:' Met een Vergrootglas befchouwd zijnde,, vértoonén zij zich on- gemeen fraaij bewerkt, hebbende ieder eengroot getal groefjes, die: aan elkander evenwijdig,"en alle bijna regthoekig zijn roet dè fpleet of gróote middellijn van het ovaal, dat den Mond of Bek maakt. Als mën op den Kop drukt, zwellen deeze lippen, en dan ontdekt tten, dat die groefjes geformeerd zijn door een rij van watjes, pevens eikanderen, leggende, door welken eenig ^°gt loopt;,- her welk de kanten van dé groefjes,'01 e te vopren zwart waaren,, wit maakt. , «oe menigmaalén heeft men niet eèn-Vlieg haarZui:-
§ei of Snuit, dia veelal de Tong genoemd, word, ergeik |
||||||
|
op zien zetten,: om te zuigen^ De gelegenheid daar
toe, immers, kornf alle-dagen voor ,*■ maar deeigehtlijke manier vahzufgirigte1 ontdekken, is het aarétge, dat een Liefhebber der-Natuur, in deezen, met verwon- dering door een gewapend oog befchouwt* Terwijl het Lighaam van de Snuit te vastgezet en ftil gehouden word, bevind deszelfs .end izich in groote beweeging; men ziet de lippen;verfeheide werkingen doen, met ongemeene vlugheid. Haar'oppervlakten zijn nu eens in 't zelfde plan, dan maaken zij een hoek met elkander, of formeeren een tregter van méér rif minder wijdte ; terwrjl'de'opening van den.iBelt op:bonderdlejj,manie, ren verandert. Het beftêndiglie is een zoo« van gol- vende beweeging, die men in alle de kanten der groef- jes befpeurt , met fterke drillingen in deeze Lippen vergezeld gaande. Dit alles toont klaar, dat zulks tot die werking, welke-de z'üigïng'genoemd word ,~dienftig zij- -:;- ' ;': "" ': " De Sprieten der Vliegen beftaan uit verfeheide kleine
leedjes, en löopén uit in een palet, diedikker, platter, meer of min langwerpiger rs, en uit verfeheide Huk- ken , welke tegen elkandersaangeyoegd zijn, zamen- gefteld. Uit het midden of ondèrfte van deeze palet komt, in veelen, een baairtje voort, naar een borftel gelijkende, het welke zig dusöp de zijden vâii de Spriet geplaatst vertoont ■ De geenen,' waar in dit bbrftettje' ontbreekt, ma'aken de eerße' 'Afdeelingfuit." Inzoriimi« gën, wederom, zijn de,Sprieten als^gepluimd. Het Lijf hebben eenigen geheel ruig én'wollig; andéren- maar dunnetjes gehaatrd. Dit geeft voet tot de vier an- dere Af deelingen, gelijk wij zien zullen; Geoffroy, door wien alle de geenen, welkende
haairtjës op zijde van de Spriet ontbreekën, in bijzon- dere Gefragten geplaatst zijn ; heeft niettemin- oqê 'vijf Ajbedingen.of Familien gemaakt, onder zijne Vliegen. In dë eerfte febikt hii de zodanigen, wier Wieken bont of met, verfchillendekoleurengetekendzijn ; 'mdetv/eede de geenen die op den Kop een doprfchijnend Viïesje hebben, dat uit den witten,ofgéelen.-ziet, en zig als op- geblaazen vertoont; weshalven hij de zodanigen noemt gemaskerde Vliegen. Deeze zijn, bovendien,. kenbaar aan de lengte van haar Sprieten en Borstftuk; haar Ma- den leeven in 't: wateren worden dikwils in bet Kroos- gevon4en. Veele hebben de Wieken pok bont of ge- vlakt, gelijk die van de derde Familie het Lijf hebben,, dat zoinmigen derzelven zeer verliert.' Daar toe be- hooren de Vliegep , wier Wormen op Plantluizen aazen.. In de vierde Familie plaatst hij de vergulde of gebronße,. en in de vijfde de gewoone Vliegen, die ten opzigt van dë koleur of geftalte niets bijzonders of aanmerkelijke hebben.. ... ,■ D°ktor Scopoli, wederom,heeft een geheel.andere-
fchikking gemaakt in het geflagtderFli«^ ;'waar vari het Kenmerk bij hem is ; den Bekgewapeni re Jiebbenmes een Zuiger of Snuit, die terug get renken'kan worden, aan de tip breed uitloopt, en üj den'grmdßeun Baardjes heeft welke geknodst zijn. Zïe hier eené fchets van zijne verdeeling.. / ' 't. Edele Vliegen^ ''■' '.-'■■■.".,■ ■'.":. ^JiiLpf-
Wier .Wieken door haare - phatzing -een Driehé^kiWr»-
Itóeérerj of van elkander, afwijken, jj i , ; , . ' ,.. A. Diç gepluimd zijn., inec een ziiöeHngs^PJuinipjé aan dû
■ Sj)riäie!U ■ . ' ' '.-...-..- v-,.:..'... ,,.,iv.V
';- '' SU.
|
||||||
|
30oß:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zie: VLEDERMUISEN, ».; IL- pag.-sHfr **. -
VLIEGENDE INKHOORN, - zie INKHÖOR.; NEN,».,VII. pag. 1320.
VLIEGEN DE KAT van TERNATE, zie SPOOK«
DIEREN, n. UI. pag. 3485. VLIEGENDE LUISEN- De overeenkomst in groot-
te en uitwendige geftalte, benevens de plaats, waar zij zich onthouden , heeft aan de Infekten van dit Geflagt, die gevleugeld zijn, den naam doen toe-sigenen van Fliegende Luis. Sulzes geeft er den naam van Flie- gende Paard'Luis aan, het welk inderdaad meer over- eenkomst met de griekfche ben aam ing van JHippobofca heeft, dog oneigen is, om dat maar ééne zoon, en dit nog op ver naa niet, bepaald fchijnt te zijn aan de Paarden. Men plagt de F aarde-vliegen , of B remfeh weleer, en mopglijk met ruim zo veel reden, Hippo- bofcus te tijtelen. ~ X Men zou deeze. Infekten, misfehien, alzo .eigen,
Fliegende Spijmekoppen kunnen noemen ; dewijl zij, in geftalte,,meer naar een Spinnekop gelijken, dan naar een Luis, . Haar Kenmerken beftaân, bovendien, in een rolrond, ftomp, twee-kleppig Snuitje , als ook, dat zij verfcheide Nageltjes hebben aan ieder Poot. De Sptieten, die in zomin igen als zeer kleine Draadjes zijn, fchijnen in anderen, en wer in de gemeenden, geheel te pntbreeken. ..'_.'.' Vier zoorten vind ik van deeze Infekten opgetekend,
als volgt. ; , i . - I. Spinnekop-Flieg; Hippobofcaequina;(Hippobofcaali:
obtufis, thorace albo variegato. Linn. Faun. SuecJ Hier word dat Infekt bedoeld, daar Reaumur een geheel vertoog over gefchreeven heeft, onder den naam van Spinnekop-Flieg; hoewel het, in verfcheide deelen van Vrankrijk, zo hij getuigt, verfchillende naamendraagt. In Normandie noemt, men ze Mouches-Bretonnes, en el- ders, vrij gemeen, Fliegen van Spanje. Omdat zij zomwijlen , bij fomer, ten platten lande, op de Hon- den gevonden worden, voeren zij opk wel den naam van Hondsvliegen; dien Geoffroij, als bijuitfteeken- heid, aan haar gegeeven heeft, Hiß,des Inf. env-Paris Tom. II. pag. 547. Dus krijgen zij, bij zommigen, den naam van Ricinus volans; dewijl de Hóndsluis onder den naam van Ricinus bekend (laat bij de Ouden. In Sweeden geeft men er den naam van Haefl-Fiuga aan. Zij onthouden zig ook in Noord-Amerika. : ,j Deeze Fliegen, zegt Reaumur, zijn de geenen, daar de Paarden,. hier te lande, het meefte van ge- plaagd worden, en dus , aan alle de liefhebbers van Paarden, niet dan te veel bekend. Zij hebben twee Wieken en zijn,kleiner dan die men gemeen! ijk Brem- fen noemt, maar ^rooter dan anderen, vrij veel ge- lijkende naar órize gewoon e Hithvliegen , die inde fomer bij groote plekken zich verzamelen aan den Hals, op de Schouders en andere plaatzen, van het ,, Lijf der Paarden. De Fliegen , die men gemeenlijk ,, Bretonnes noemt of Fliegen van Spanje, zoeken de deelen der Paarden op, welke minst door het haatr befchutzijn, en zitten dus gemeenlijk onder aan den Buik, tusfehen de agterfte Dijen, of aan den bin- nenkant van deeze Dijen zelf; zomwijlen pasft-eren zij onder de Sta?rt door, en dan kwellen zii de Paarden allermeest. Wanneer men zich te vreede houd, met ze weg te jaagen, zo komen zij, na een korte vlugt, weder op het Paard, en volgen het ,, zelve hardnekkig. Men vind ze op de Paarden met alleen»
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
C aan'< Ejjrol lang
|
GeWficlittftorij^" .
idpfigvaal,,,;
en fmil of langwerpig. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
a. y Het Agterüjf
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
}
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
B. Die. sel/orfield zijn, met een Borfteltje op zijde ivan de
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Sprië
i.*J - r rondagtig.
* V'-HétAgterlijf J ovaal. .:
3- j ; ;, } langwerpig, p vaal,
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
... .
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
lang en fmal.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
; ÎI. Offedele F liegen.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Wier Wieken op het Lijf leggen, met de Ribben
aan elkander evenwijdig. i A. Gepluimde. ! .
B. Gèiorftelde.
, ., j. ;^Iet.het Borfteltje aan't end, ,r . ...
a. Ivïêt het Borfteltje op zijde van de Palet.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
opgeheeven.;
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
. > De Sprieten, <
|
regt uitgeftrekt,
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
V-
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
c. j [ neerloopendé. .
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
' : C Ongewapende i zond« Pluimpje of Borfteltje" aan de
:'., . ..Sprieten. . . . ...-. . ,,..,,. . ,,-.:. Deeze vejdeeljng fchijnt... inderdaad,,: zeer,naauw-;
keurig te zijn ;.dog Doktor Scopoli was niet; verzekerd, of alle ;de,,Infekten, door; hem daar toe betrokken, en waar van het getal,viçrentagtig is,, de Snuit of Zuiger hebben van een Vlieg,.: . : , . De yerdeeling. van : de Hr. L i nnjeus vertoont zig een-
voudiger; gelijk uit. de volgende fchets, daar van, blijk- baar is... .- _. .. :... .,, ],.... nu De Fliegen worden, naar dat. de Sprieten gewapend
of ongewapend; zijn.» pnderfcbeiden in^ ,; ■ Draadtge', met Sprieten' zonder Borfteltje'of'Pluimpje op zy-
- i ':"- de.'- I ' ,''■■ : '■:..■.:. I . :. ■ , "Die riiig zijn, bet Lijf bezet hebbende
met eene Wolligheid, dikwils naauwlijks blijkbaar, en wel ' i j Gepluimde , met de Sprieten ge-
. ,, ... ,,. r kamd. , U. '. , 'JSorflelige,met de Sprieten enkel Gewapende j ' geborfteld. in. 'Die Dünhaairig zijn, het Lijf met dunne
haantjes-, weike voornamelijk, aan ,liet Borstftuk zigtbaar zijn, en wel . ... .Gepluimde, met deSprietenge-
kamd. IV. ' Bvrßeliget$ niet de Sprieteu en- : kei geborfteld. V. De Heer Linnäus heeft, in zijn Geflagt van Fliegen,
honderd zoorten , dat meest al Europifche zijn,, aange- tekend, die men befchreeven vind -in de-uitmuntende Natuurlijke Hifiorie, waar mede de kundige Heer M. Houttuijn ons Vaderland heeft verrijkt, en waaruit- wij ook die ganfche artijkel zo. wel.als verfçheidene an* deren van dezen aart, hebben overgenoomen. : VLIEGENDE AAP, zie AAP.
VLIEGENDE BAARS, zie STÉKELBAARSEN,
n.VI. pag. 3537- VLIEGENDE EENHOORN, zie OLIJPHAN-
TTES. , , . :. -, VLIEGENDE-HAAGDIS, zie DRAAKÈN.
VLIEGEND HERT, zie TORREN, n, LVIÏI.
$Ag. 36S0., VLIEGENDE HOND van NiEUW SPANJE,
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4HK
;; alléén, hiaat Vrlf ^1^1|atl|^îîtfôrïSelA?i^i
. zomtijds ook op Honden, als gezegd is. . Aan de Geftalteftan men deeze genoegzaam onder-
0 fcheiden van de meeste andere Fliegen. Zij vertoonén zich platter dan die van het vleesch én van onze ver- trekken. Haar Lighaam raakt bijna aän de vlakte, waar op zij zitten, niettegemtaande haâr Pooten lang zijn; maar dit komt, om datizij dezeiven ver van'*t Lijf houden, bedienende zich daarvan om fnel te loo- pen, het welk zij; gereedelijk doen, wànrfeér men ze met. de vingéren .vatten wil, en 'gebruikten, ö"m tb vlugten, veeleer haar Pooten dan 'haare Wieken." Als men haar deeze" afgeplukt heefri doel haar platagtlg ,, [rofid] Lighaam, benevens de langte en h0uding"dèr popten, haar eenigermaate gelijkennaarzommigözoor- t, ten van Spinnen, die zich weinig verheffen op dèPöö- ten, en hetLijf plat hebben. Dus fchijnfde naam van Spinnekop-Vliegen mij taamelijk eigen voordié'vaftdit ,, Geflagt; hoewel men deeze in 't bijzonder, wegens ,, eene hartvormige uitfnijding, welke zij ; ten minfte op zekere tijden, aan 't, end van 't AgteriijPhebberr', wel Hart-Fliegen zou mogen noemen. De,. Kop is kleiner, ten-opzigte vanhet Lighaam",
dan bij. de Vliegen in 't algemeen, en eenigermaate ,, driehoekig van figuur. HerBörstftuk, daarentegen', isgrootenrond, dogplaten fterkgliniterendè, fchöoh bezet met eenige haairtjes, die niet dan met een vet- grootglas te ontdekken zijn; bruin koffijkoleur met geelagtig witte vlakken. Het Agterlijf, nog platter enrondagtig, is doorgaans breedêr dan lang, hoewel dat der Wijfjes zich, tot de eijérlegging, een weinig uitrekt; of langer maakt, dog meesrop de zijden , waar door het Lijf een 'eenigermaate 'hartvormige figuur verkrijgt. Hetzelve is van boven bruin en geenszins glanzig. Doorgaans is haar Buik weinig gevuld met fappige ftefFen, het welk maakt, dat de geenen, die ze op de Paarden vangen, ze möeijelijk te verplëtte- ren vinden,, en men kanze met de vingeren, waarïus- fchen zij doorgiippen, naauwlijks dood drukken". Ook leeven zij, na dat de Kop er afgenomen is, nog een lan- ge poos, gelijk zommige Kapellen. \ * ,, Deeze Infeften houden, wanneer zijniet vliegen,
de; Wieken kruislings over elkander,, boven 't Lijf, ftrekkende zich wel de helft daarover' uit. Haare Pooten zijn taamelijk helder geel,- en hebben ieder, aan 't end, twee groote kromme Klaauwen. Met » alle moeite, door mij aangewend,'heb ik de drie kleine Oogjes,- die men agter op den Kop vind in de meeste i, Vliegen, niet bij haar ontdekken kunnen. Zij fcbijnen dezelven ook niet noodig te hebben, want de nets- ,, wijze Oogen, die bruin zijn, ftreklcén zich vanvoo- » ren uit, tot aan het ag'terfte vàn'den Kop, die bo- iï: ven pp witagtiget is, meteen zoort van indrukking. j, Van Sprieten fcbeen mij deeze Vlieg ontbloot te zijn, » of dezelve waren zo klein, dat ik ze erniet-voor heb ., aangezien. Onder alle zoorten van Fliegen, door mij >, waargenomen, is deeze de eénigfte, aän welke die « beide.Lighaamsdeelen ontbraken.: ., Van vooren fchijnt de Kop een zoort van Bek te
» hebben, die taamelijk lang is, geformeerd;wordende » door twee paletten, die ovaal zijn van figuur, glim« >■< mend zwart, en op een horizontaale lijn, zeer digt bij » e'kander, geplaatst. Gewoonlijk voegen zij zich te- '* j>?" elkander aan, en, hoewel zij anderzins veelge- " P7r6nnnaar de Paletten deiVliegenïn 't algemeen ; heb« |
||||||
|
-Vhï. *35Qy
""">ben zij dOg"«efi gebruik,' daar die "geheel onbèkwaarft
" toe zijn. Met elkander maaken zij de Scheede uit, " van een uitérmaate fijn Snuitje; het welk men dikwils " tusfchen de twee paletten ziet uitkomen, ter langte " van een of twee linfen. Men zou het, wegens zijne " fijnte, voor een haairtje.neemen, daar het naauwlijks " de dikte van heeft, indien het heftendigdezelfde lang- " te hield; dog; het word door de Flieg, naar believen., " uitgerekt en ingetrokken.' ! .....Het onderzoek der Voortteelingyan deeze Fliegen
" heeft mij lang opgehouden. Men ziet er, nu en dan,
" wenigen'in f't voorjaar;-: maan in de fomer, en vooral " in de herfst, zijn zij menigvuldigst.ü Mijn Volk,dat " ;rk belast bad de geenen te vangen, die zij op mijne "Paarden vinden zouden, heeft mij er» geduurende " verfcheide jaaren, leevendige gebrag't; uit welken " ik niets leerde, van hetgeente-lktegeerigwastewee- " "ten, aangaande de manier, op welke zij haar Geflagt " voortplanten. Eindelijk, tegen 't midden van oclobec " des jaars r 739, bragteên mijnerDomefÉekenmijeea " zodanige Flieg, welkte uitérmaate dik van Lijf was» "weshalve ik, die oordeelendeaan:'t.leggenrtpete zijn, " haar in't eerfte fuikerglas, datmij voorde hand kwam» " befloot. Zij was, daarin, naauwlijks een kwartieruurs " geweest,'of ik;iwierd, op:den bodem'van hét glas, " een wit Korreltje gewaar, zo. groot, dat ikwiet den- " ken kon , dat hetzelve van de Vlieggekomen ware. "Het had bijna de grootte van een erwt; met een zwart; "piekje, dog was eenigjins langwerpig en platagtig, " aan hét eene end een weinig uitgerand; Ik dagt, veel- " eer, dat het een zaadje van eenige Piantmógt zijn, " het welke in 't glas geweest ware; dog, door fterke *' drukking en wrijving met de vingeren, wierdtk-, hoe- " wel te laat, overtuigd, dat hét een Eijtje was van de " Vlieg. Immers het borst en gaf een geelagtig vogt " uit; terwijl de Flieg haar Lijf zodàhiggeflpnken had» " dat zij niet dikker ware, dan een Flieg van haare zoort "is, na eenige dagen gedwongen te^zijn geweest tot " vasten. " Deeze bijzonderheid hield mij opgewogen. ïk wist
" dat zommige Infecten haar Lijf op eenmaal van de Eij» " tjesjdie zij bij zich draagen,als in een klomp on.tledi- S gen jgelijk dit in de Haften plaatsheeft. Anderen ken» " de ik, die een zoort van Scbeedeuitwerpen,. waarin " verfcheide Eijtjes geplaatst zijn. In het Vogt, dat uit " het. Eij van de Spmnèköp-Fliegigelaopen Was, wierd '"men een zoort van randagtige korreltjes gewaar-, die " deEijertjes, dagtlk, konden zijn. Dus zou men oor- " deelen, uithetgenein meest alle andere Gevleugeld* " /«/cSen plaats heeft,: alwaar het' Masker, dat eeß " Wormpje of" eenigermaate wormagtig is, in 't eerst "zeer klein-,1 allengs-aangroeit tot diegrootte, welke "bet, ongevaar, na de verandering moet hebben, es " >dus het Eij Ongelijk kleiner is, <ém hetvolmaakteln» " fekt. Maar my erinnerende, wat door my van te " vooren omtrent die zwarte Korreltjesi welk men in " de Zwaluwen-Nestenvind, waargenomen was; die het " vliegend Infekt, opftaandevoet.enin volwasfenheid, " uit het Eij uitleveren ; zo veranderde Ik van denk* » beeld". - Verbaasd moet men ftaan over de onuitputbaare Ver»*
mogens tot de Voortteeling, die de Natuur door haaren" almagtigen oorfprong ingefehapen zijn. Alle Fliegen , wier hiftorie tot dien tijd toe bekend was, koomen uit, een Wormpje voort, het welke, in sommige zoorjen, ; ï vs« |
||||||
|
VLI.
|
||||||||||||||||||||
|
590Î
|
VU,
|
|||||||||||||||||||
|
rvan zijn eigen Huid zich een Tonnetje formeert, dat - "Het Eij der Spinnekop Vlieg blijft ,rindien het niet
uitermaate il hard word, en in allen ten minfte t'een of " uitgebroeid word, den winter over, en legtzomiiids |
||||||||||||||||||||
|
bijna een jaar, zonder uit te komen; des het te den-
ken is, dat de Viiegheizeive, natuurlijk, opeen plaats " legge, alwaar de br.oeijing, der natuurlijke warmte "van een ander Dier, het uitkomen bevorderen kan. "iMooglijkashetom diereden, dat men ze zo dikwils "op Honden ziet, die het haair uitermaate lang heb. "ben, gelijk de Water en Krulhonden. Ook is het "Eij, wanneer het uitgeworpen word genoegzaam lij. " mig, om zich .bij den wortel der haairtjes aan de huid ." te hechten. ■ .- '■ , M "Maar, hóe is het mooglijk dat een Eij vervat kan
" geweest zijn in eert Lighaam, 't welk kleiner dan het. V zelve is.? Men moet het Agterlijf van de Spinnekop-. * 'Vlieg, vergelijken bij;een beurs, die veerkragf heeft, " en zich zamentrekt, wanneer het Eij de Pop of het " Jong, dat dezelve uitgefpannen hield, doorde baaring " ter wereld isgebragtj Dan, ondertusfehen, worddes- " zelfs dikte bij .die van bet Eij, 't welk zijne grootte " volkomen behouden heeft, vergeleekert. Het febijnt, "■ in tegendeel, wanneer men de Vlieg met alle haare "'Ledemaaten, Kop, Borstftuk, Pooten en Wieken, '" te zamen, in aanmerking neemt, bijna onmooglijk, " dat zij in bet Eij vervat kart zijn; dog die zijn als- " dan, behendig en ftijf, te zamen geplooid, enalstot " een paket gemaakt. . '..--. '.' Onder deeze Fliegen, gelijk onder die van de mees-
" te bekende zoorten, worden Mannetjes en Wijfjes "gevonden. Het Wijfje overtreft, wanneer zij haar Éij " gelegd heeft, het Mannetje niet kennelijk ingrootte, " en heeft, buitendien, geen duidelijke kenmerken van " onderfcheiding. Het Mannetje, in tegendeel, geeft, "wanneer men het tusfeben de vingeren boud, en 't "Lighaam maar een weinig drukt, zeer duidelijk bewijs " van zijne Sexe.. Dan komt uit zijn agter-end een " vleezig Buisje, 't welk als opgefpleeten is om uitte > loopen in twee takken, en de Stam geeft, wederzijds, " een dikker, langer, Deel uit, met haairtjes bezet, " eri dikst naar 'c end toe. Alle deeze Deelen rusten, " als 't waare , op een zoort van Blaas, die allengs meer m en meer zwelt, naar maatede drukking toeneemt. Bo- " ven den oorfprong van de vleezige Buis bevind zich " eene driehoekige ruimte, waarvan de twee zijden * " die duidelijker dan de onderfte zich verwonen, zwart » zijn en met hairtjes gezoomd. In 't midden van die » ruimte verbeeld men zich een klein gaatje te zien". ' Ten einde nu, zich te verzekeren, welke de manier van aazen was, .in deze Infekten, bad Reaumur het ge» duld, van zich door een derzelven , zo wel als doorde Muggen en Brefnfen<, te laaten fteeken. Eene Spinnt' kop-Vlieg op zijne Hand gaande zitten, hield hijziçh ftil, en nam waar, dat dezelve het fijnedraadje, 'twelfe hij de Snuit of Zuiger genoemd had, in zijne Huid in* |
||||||||||||||||||||
|
;t'ander bekleedzel aantrekt, dat het Popje moet be-
fchutten. Het Wormpje is het geenede grootfte vertee- ring maakt, dat, als 't ware» werkt, om de Flieg ter ^wereld tö'éiïengen, dieniet meer dan een weinig voed- zelnoodigichtjntte hebben, tot haar leevensonderhoud. Hier, integendeel, arbeid de Vlieg, als 'twaare, tot voortbrenging van de Pop, van een Schepzeitje dat', gelijkerwijs de Vrugt der Zoogende Dieren, in bet Eij of Moedervlies gebooren, allengs in t zelve tot vol- maaktheid koomt; dog, 't welk ten uiterfte verwonder- lijk is, naauwlijks febijnt aan tegroeijen; naauwlijks §evoed of grooter te worden. Zo heeft dan de Schepper ier willen toonen, dat het kenmerk derjongheid, het welk men algemeen mag-ttellen in de kleinheid te bë- ftaan, geen regel maakt zonder uitzondering. Tot deezen uitftap kreeg ik aanleiding door de onder-
vindingen van onzen gemelde grooten Waameemer, dieieindelïjk,; met veel moeite, een genoegzaam getal van Eijtjes àex:Spinnekop-VUegen kreeg, om de Voort- teeling met zekerheid te kunnen nagaan. Eerst, zulk een Eijtje uitbroedende, door èene zagte en egaale warm- te, kreeg Wjery na verloop van omtrent een maand, een dergelijke Vlieg uit; en wierd dus verzekerd, dater Vlie- gen zijn;-; die zo groot uit het Eij ter wereld komen, als de Moet is, die het Eij gelegd heeft. Deze waarneeming werd verfebeidemaafen doorhem herhaald. Hetzwar» te, dat zich aan 't eene end van net witte Eijtje, zodra het gelegd is, openbaart, is het Vrugtbeginzel, dat, na een etmaal broeijens, hetgebeele Eij vervult; dewijl hetzelve--alsdan git zwsart is geworden. Het Eij heeft ook een merkelijke bardheid aangenomen. Tegen 't end der broeding wondde Heer REAUMüRdaarde Vlieg in, onder de gedaante van eert: Popje of Paapje, met alle de Ledemaaten zigtbaar, zonder eenig vogt of blijk van af- gang. De Eitjes vroeger openende, heeft bij er nooit eenig blijfc van Wormpje in kunnen vinden. Het gehee- Ie Eijtje was met een witte pap vervuld, die leeft, eu het Dier zelf is; op gelijke» wijze als men begrijpen moet, dat de Kapellen kort na de eerfte verandering, en zotnmige nog zeer lang daarna, in de Pop, als haare vormy begreepen zijn ; zonder dat baar Lighaam, op zich zelve, alsdan nog eene bepaalde Geftalte fchijni te heb- ben. " Men heeft tot dus verre de Dieren ('tis Reaumur
" die hier wederom fpreekt;) verdeeld in tweeKlasfert, " van ffongwitpende, naamelijk, en Eijerleggende; maar " de Splnnekop-Vliegen vereifchen, dat men er een derde " bijvoeg«; dewijlzij, eigentlijk gefproken, nog tot dé " eene nog tot de andere, betrokken kunnen worden. " De J ongwerpende brengen Jongen ter wereld, dieniet 't onder een Dop of Tonnetje beflooten zijn, en in de * Eijeren, die door de Eijerleggende gelegd worden , |
||||||||||||||||||||
|
oncfnapt het Vrugtje of Schepzeitje, daar in vervat, bragt, veroorzaakende hem, daardoor, niet meer pijn.
ons gezigt door zijne kleinte. Als men de ftaat van als van een vlooijèn-beet. Dus is bet ligt te begrijpen, langwerpig Bolletje wilde gelijk ftellen met dien van waarom de Paarden en Bunders daarvan minder aan- |
||||||||||||||||||||
|
een Popje, feboon onvolmaakt; zo zou men- de nieu
*" we Klasfe kunnen noemen die detPop werpende (iV*)'!»- ** phiphares) Infekten. Deeze naam zal mooglijk beval- M liger Zijd, dan die van Bolbaareftde(£oMi!!>awr), welke "' naauwkeuriger' was '% dog ik zöti ze eenvoudiglijk |
doening hebben, dan'van het fteeken der Bremfen. De
Vlieg zoog zijn bloed wel een kwartiers uurs, en, go duurende dien tijd werd van hem niets, dan eenefterke jeuking, waargenomen. De wonde, die overbleef, vas' flegts aan een rood plekje kenbaar, bet welk in minder |
|||||||||||||||||||
|
Baärende» noemen-; om dat zij,in de'Vó-artreeliflg, veel dart een half uur tijds verdween, zonder eenige opzwel«
meerovereenkomstifchijnen te hebben-metdè Zoogende ling van de Huid. Hier uit befluit hij, dat deze V'ie- Bieren of met de Menfchen, daûde:afldeïeinfek;tej3. gen niet zo zeer te fchtoomen zijn dan dé Muggen, door wei-
|
||||||||||||||||||||
|
VLL
«reiken de wond, die zij maaken* als *t ware , vergif,
rigd word. 't Gemeene Volk, ondertusfchen, is er, cp zijne reistochten, in Sweeden, zeer bekommerd voor, vreezende dat zij hun in deOoren zullen kruipen, zegt Liknmvs Faun. Suec. Ed. II. p. 471. Ik weet niet, dat Reaumur, ergens, deze Flieg bij
een Schaapen-Luis vergelijkt, het welkeFRiscH met uit- drukkelijke woorden doet, wanneerde zogenoemde Vlie- gende-P-aar iluis, doorhem, befchreeven word, en de- ze had hij ook gevonden aan de Oever-Zwaluwen, die in de gaten der muuren van de gebouwen haare Nesten maakt, hebbende de Wieken zo lang, dat zij zelden op de aarde gaat zitten, omdat zij alsdan niet gemakkelijk weder kan opvliegen. Men twijfelt echter thans niet, of die-der Zwaluwen is een geheel andere zoort, hoewel een dergelijke j als die der Paarden en Runderen, ook aan het Gevogelte gevonden word;'gelijk blijkbaar is uit de volgende. , -.■■ ->v■■■,■ , II. Kleine Spinnekop-Flieg i Hippobosca avicularia ;
(Hippobosca alis obtufis, thorace unicolore. Linn. Sijfi. Nsl) Op de Mosfchen, of ook aan ander Gevogelte in Sweeden, is door den Heer Solander een Vlieg waar- genomen, die de helft kleiner was dan de befchrevene, m^t welke zij overeenkwamin de bijzonderheid van de Wieken niet gelijk de volgende fcherp, maar ftomp te hebben, zowel als 't Agterlijf, dat geftippeld is. Men zou deze dan kleine Spinnekop-Vlieg kunnen noemen. -III. Zwaluwen-Luis; Hippobosca: hirundinum; (Hippo*
loscaulis fuhulatis.ljiNN. Faun. Suec.) Deezedie men ook wel de gemekte Schaapen-Luis'noemt, was door den Heer Reaumur lang voor de Spimiekop-Vliegontàekt. Zij komen voor, in denestenderZwaluwen, die. wan- neer zij afgeftoaten worden, buiten en behalve de Vlooi- jen-, dikwilsookgrimrnelen van zulke Infekten, welken zich als kleine Spinnekopies vertoonen. Meer dan der. tig kreeg er de Heer Re4ümur, zomtiids, uit een en. kei nest, en bovendien vèèle gitzwarte Korreltjes, die rond waren en größter dan deze -Fliegen, waarvan zij evenwel de Biitjes of' Poppen moesten zijn s alzo hij er, dezelven bewaarende , dergelijke Spinnek-op Fliegen oi Gewiekte Luizen-'uit voortteelde. i ' - w " Zij vérfchilf van de 'voorgaande ^zoorten^ niet alleen
door,de figuur der Wieken, die zeerfmaTen puntig en als onbekwaam zijn, om tot vliegen te gebruiken ; wes- halve het ook niet waarfchijnlijk is, dat zijvliegt; maar bovendien door het getal der Klaauwtjes of Nageltjes, welken er dit Infekt zes beèftaanhet Vôët-end vànieder Poot. LINN.KUS zegt, dat zij kleiner is dan de'voor- gaande, waar door hij denkelijk deeerfte zoort verdaan zal; en inderdaad de onze is geen vierde duitris lang; gelijk Geoffroy van zijne Zwaluwen-Luis zégt,; welke nieteigen van hem, nu de andere:zoort bekendis* de Spinnekop-Vlieg genoemd word. Hifi. dés Inf. ènv. Paris, Tom. II p. 547, ■ ■ - ■. ■; li ■ _ Doftor Scopoli , die deze ïwalmven- Litis ook inKar-
Biolie waarnam, vond aldaar, op de'Rääveri,';èene an- dere zoort, meer gelijkende, in'geftalte, naar die der jaarden, dog niettemin ook van deze zeer verfchilleh- °e- Dezelve had wel vier langé'Zwarte' Nagelen aan ieder Poot, maar de Dijen waren groen endè Schenkels {"et gebandeerd; de Oogen minder helderen kaftanje» wuin. Het Agterhoofd had geen witte driehoekige ?U| -ùen drie ZWarte Knobbeltjes tegen elkanderaan. Het öCmldje van het Borstftuk was niet wit, maar de Bek 60 «e rand der Wieken ongebaard; het Lijf rosagtig. |
||||||
|
IV. Schaapen Luis', Hippobosca ovïria ;■ (Hippobosca
alis nullis. Likn. j§& Wgoth. 59.) Zo oneigen als de Geflagtnaam in 't nederduitsch aangemerkt kan worden te zijns niet minder oneigen is degriekfehe, Hippobosca* voor deze zoort, die men algemeenlijk kent onder den »aam van Schaapen-Luis. Dat deze, evenwel, tot dit Geflagt behoore, zal genoegzaam blijken uit de naauw- keurige befchrijving, welke E&tsca van dit Infekt geeft, als volgt. . ' 3 ' " Men vind bij de Ouden geen regte befchrijving, ja
zelfs de regte naam niet, waarbij men. deze-van ander
" dergelijk Ongediert kanonderfcheiden. Het zeldzaam» " fte, dat ik er aan bemerk, is, dat zij altoos maar eea " Eij legt, en dit Eij is zo groot, ais het geheele Lijf " van de Schaapen-Luis. Hetzelve word, gelijkerwija "de Neeten der Hoofdluizen aan het baair, aan de wol " van het Schaap vastgekleefd. 'Het is in't eerst«wit, " en word bruiner; naar dat de Luis-, diezich daarin, "als in een Pop of Paapje, formeert, grooter word; " barftende eindelijk open door de perfing;, zo het " fchijnt, van de jonge Luis; alzo die niet inftaat is, " om de harde Dop van binnen door te knaagem Zij " heeft niets dan een Zuiger of Snuitje,'bet welk van " haar in een foudraal of Scheede gedraagen word, die " ïfi 't midden van elkander fplijt, en op zijde'gaat leg» " gen, wanneer de Zuiger van de Luis, tot aan den Kop " toe, diep in de Huid geftooken word. Wanneer de "Angel indringt, kan hij zich een weinig ombuigen, "ten einde onder deHuidookzijdewaarts zich te kunnen " uitftrékken en dus van alle kanten het Sap naar zich "haaien. Uitkoomende zijn deze jonge Luifen reeds " half zo groot als de ouden, en, bij aldieneeneSchat- " pen- Luis zo veele Neeten aan zet te als de Hoofdluifen, " zou dat dik gewolde Vee er onverdraaglijk door ge« " plaagd worden. De afgefchoorene Wol, niettemin, " is vol zodanige Neeten, die er door't wasfchen en " kammen menigvuldig uitvallen, en wanneer de Schaa- rpen gefchooren zijn, komen de Kraaijen'en andere " Vogelen , Om deze zwartblaauwe Schaapen-Luifen, " welke alsdan ook van verre zigtbaar zijn, op {e.zoefcen * tot haar Aas. Het Agterlijf is van de Borst, waaraan "de Pooten zijn, afgefcheiden, hangende met zijn " dunfte deel daaraan. Het is vanonderen breeder ent "dikker, en bijna driehoekig van'figuur, zijndeboven- " dien met fterke haairtjes, bieren daar bezet. De Kop " is geheel korten vlak, zonder Hals, dog heeft van* " vooren twee blijken van. Oogen, en agter zich eenr n Hals-Schild". 3 ' VLIEGENDE MUIS, zie MUISEN«. XVI. f. 2210.
VLIEGENDE OLIJPHANT, zie TORREN n.lV.
pag. 3672- ' " !o-3s-i , VLIEGENDE PAARDSLÜIS, zie VLIEGENDE
LUISEN n. I. pag. 3907. VLIEGENDE ROT, zie INKHOORN «. VIL
pag. 1320. VLIEGENDE ROT van TERNATE, zie VLE-
DERMUISEN n IV. pag. 389a- VLIEGENDE STIER, zie TORREN n. II. p. 3672.
VLIEGENDE VISGH, zie ZEEHAANEN n. VUL
VLIEGENDE VISSCHEN. Van de eigentlijk eo-
genoëmde Fliegende-Fisfchen behooren verfcheidene tot andere Rangen en Geflagten; de Vliegende Baa,rs, en de Lier van Harwhh, bij voorbeeld,'de eerfte onder het artijkel van STEKELBAAR.SEN en de tweede onder dat van SCHEL VISCHDUI VELEN befchteeven; als T 2 oofc |
||||||
|
$9*6' ■'.■ JM'
ook het beenig vliegend Vischjevan'Amloitta, dat iJï'ge-
ftalte veel naar een Vlinder of Kapel gelijkt,, çn derhal- ve hei laatfte Geflagt iii deze afdeeling, uitmaakt, De griekfcbe naam Exocwtus, zou van het flaapen pp den oever afkomftig, zijn. Zommigen hebben dezen Visch ook Adonis genoemd, en eenigen der Ouden noemen hem gewiekte'Harder, , .. Dat van de Fliegende--Visfchen, wegenshunnegeftalte
of manier van zweeven, zommigen de fVouw.ol KuU kendief, andere, daxRaaf. en; Koekoek genoemd en met meernaamen yan Vogelen zijn betekend, weeten alle die geene welke in de Natuurlijke. H iftorie geoeffend zijn. Deze zou de Zwaluw zijn van Plin.ius, die te Rome Pesce. rondine genoemd vyord; elders de Zee-Falk, ente Marfeille Landola genoemd., Ó.ok betrekt men er toe ds^lboadars. derPortugeefen* de Parabebe van P^so, en. de Meerfchwalke of Fliegende-Fisch, van Va» LENTïij; (Ex.occetus volitans. Linn. Sijfl. -Nat.). , . De Keninerken, welken, de Heer Linsjeus opgeeft,
beftaan in,.eea gefchi^bde Kop; . é,entandejoozen.Bek,ïde K.aaken.aa.n beide:'zijden zamengejiecht;, het Kieuwen- vlies roet, tien Sïraqleii; het Lijf. witagtig.,, de Buik hoe- kig, de Borstvinnen zeer groot, tot vliegen.'bekwaam-, rnet de Straalen van vqoren fcherpkantig. .Volgens Gron.ovius is, het, Lijfjiooger dan breed,, met groote Schubben, die/over elkander, leggen, gedekt, zowel als de Kop, die.van voorenfcherpagtigis, van onderen gpkield en dus driek.ant.ig,\ de.Rug en Aarsvin.nen.,, digfc gan.de Staart, tegen eikander over geplaatst, zijnde de onderfte "Kwab van de Staart langer dan de bovenfte; de. Rotstvtnncn zeer. breedfc als Vlerken,;hebben bijna. <}e langte.van het Lijf., ,, ,. , ■', ■'■'-.,; .. Zpmmigen merken aan , dat in deeze -Visjeben d&
"Vlerken fpits aan 't.end zijn, 't welk hun genoegzaam onderfcheid van au. Vliegende-Poon. . Een ander Kenmerk is, dat de Zijditreep: om-breekt of over bet onderfte van qê|i. Buik «Ipópt. . M.en. vind er, die de Buikvinnen zo- groot .hebben.,, dat dez.el.ven zich ook als Vleugeltjes- vertoonen» De Heer.Grokovius maakt,van,deze Iaat-, Hen een bijzondere zoort.,, of eigentiijk van de anderen,^ die. de Buikvinnen zeer kort, den Buik op Zijde niet ge« Sield en de Q.nderkaak langst hebben , en bijomfchrijft die Exoctus Pinnis ventjalibus breyijjimis, Abdominis carU nis lateralibus nullis ; Maxiila inferiore longiore.. "Zoöph. Cron. Fase. Lp,116. t). .358.. waar van er,zegt zijn Ed., in de Spkanfche ,Zee voorkomen., gemeenlijk vief, duir men lang. De tweede zoort, "dié.deBuikvïnnen langer, én den Buik wederzijds gekield heeft, en dien hijnoemt, EjxtcmtusPinnis yentralibus Imgieribut■■;. Abdamine ,« trimque carinato. ibid.. M.:.359,.is de gs.wbone Vliegende- Visch, 'die men zo wëlin'de Atlantifcheals indelndi«. fche Oceaan,, en^in de groote, Zuidzee ontmoet, bij" Ruysch Bilavisck genoemd. * . De Heer Kleim beeft dezen tot deSnoeken t'huis ge-
bragt, noemende hem Lucius,'diedë'Kieuwvinnen zeer. breed, en zo Jang ;als..'fc,geh,e.çle,Lijf heeft; de S~nóet: fcherp, dé Onderkaàk. langst ; den Be.k tandeloos; op, de Rug een korte, buigzaame Vin, täamelijk digtaande Staart, en ,, daar tegenover, 'een,weinig.kleinere Vin , onderaan den Buik, kort agter.de Navel; deStaartvin halfmaanswijz.e; de Buikvinnen fma! en lang, het Lijf gedekt met breede Schubben ; de koleur op de Rug zwartagtig blaauw, aàn den Buik witagtig. Klein Pifc, Miff;r.p,7s.n.5, ■ ■ -. : -
Vojgeas. éAPHOMüi. zijn; de Kaaken bijna egaaj j. de
|
||||||
|
.VLÏ-
Kop en.'t Lijfbreeder dan hoog, dik ; t'eerrëmaaLge.
fchubd; de Schubben brééd, zilverkoleuf, effen;ower elkander heen leggende, afvallende; de Buik bijna regt en plat;-,de onderfte Zijden wederzijds, digt aan den Buik, door de zamenlooping der Schubben gekield. De Borstvinnen zijn zeer breed en lang, reikende tot aan de plaats der agterfte Beentjes van de Rugvin, op 'tbr> venfte der zijden kort agter de Kieuwendekzelen ge- plaatst. De Rugvin lang, nabij.de Staart, weerioos; de Buikvinnen! ver.van eikander af, een weinig digter aan de Naveldan aan de Kieuwendekzelen , als Vler- ken-, zeer lang,, reikende bijna totaan de agterfte. Been- tjes van de Aarsvin, die laag is, tegen de Rugvin over geplaatst en .ftoinp. De -jSuart is.gevorkt.»> roet de on* derfte Kwab eens zolang .en breed als de bovenfte. Bij de telling dei Vinftraalen vond zijn Ed. in de Rug.
vin 15, in de Borstvinnenieder 17,-in de Buikvinnen 7 Beentjes. In een zodanig Voorwerp, dat zich be- vond in 't Vorstelijk Kabinet der Akademie van Upfai, hadde Ruggen Aarsvin iederii.,- de Buikvinnen 6, de Staartvin 15 en de Borstvinnen ook 17 Straalen, Artedi beeft er in dat geene, 't welkebij naauwkeurig onderv zogt,-dat zonderling is,, juist even .zo veel.gevonden. De tellingen zijn, 1.door den Heer-Likm^us, geheel anders aangetekend. " Van deze Vliegende »Fis/eken, die doorgaans van
grootte als een Haring zijn, ziet men, in.de andere werelsdeelen ,; dikwiis geheels Schoojen over 't water zwëeyen. Men fchrijft zulksdaar aan toe, dat de Bruin- visfehen, Dolphijnen en Dorado's, er jagt op maaken; welken zij dus, voor een tijd, weeten te ontkomen. Evenwel is het, voor hun, in de lucht ook niet vei-, lig; alzo er de Eregatvogelen en dergelijken niet min« der hunne prooij van maaken. Men vangtze ook dik- wils op de Schepen en bevindze dan niet minder fmake- ljjk als verfche Haring. Hierom hebben zommigen, misfehien niet zonder reden, vermoed, dat de Kwakkels, welken de Albeftuurder, op betiLeger der Israëliten deed nedervallen, zodanige Visfehen uit de Roode, Zee zul- len geweest zijn. Dit is te minder onwaarfchijnlijk, om dat deeze, van wegen de grootheid hunner Vleuge- len, nog-al een goed end wegs vliegen kunnen ; inzon- derheid als 't niet op't heetfte van den dag is., ofajs't re- gent en voorden wind. Anderszins is hunne vlugt, door- gaans, tot denafftand van een fnaphaanfehoot bepaald. De Heer Edwards heeft in zijn Werk over de Vo-
gelen, om dat de Afbeeldingen der Vliegende-Fisßhen, zo hij, oordeelt, veelalgebrekkelijk zijn, daar, van een figuur ' ingevoegdv Het Lighaam, zegt> hij, is van ge- daante en,grootte als..een Haring , dog de Oogen wat grooter; de koleur, roodagtig en die der Vlerken , wel- ke vier in getal zijn, aschgraauw, met donkergraauw. gevlakt. , Hij merkt aan, dat het bovenfte.gedeeltevan de Staart, die gevorkt is, kleiner dan het onderfte zij; 't. welk-niemand, zo,hij meende, -nog waargenomen had. P.ETiVER, voegt hij er hij, geeft de af beelding van een Vliegende'Visch der PhilippijnfcheEilanden, daar deze Schrijver van getuigt, datdezelve van binnen.en buiten rood is, en in eene nagt, door pp te hangen, in een hoog rood vogt ontbonden word, dat zeer beftendig is van koleur, en waar, van men,,, om te Schilderen ,-■ 8e' bruik maakt. De Visch, die een halve-fpan lang,is, heeft Wratten in plaats van. Schubben. Hij noemt hem Hirundo Luzonica, die venijnig is, en zeer rood,, Bari'~ gjj^genaamd,b.ij:delngezetejieii.. . , |
||||||
|
VLI; VU.
|
|||||
|
. vLlEGEN-KAMPERNOELJE , zie KAMPER- groeijpläats van de derde -zoort is door geheel Europa,
POELJE i'-'i - ' aan de kanten van wateren, beeken en rivieren. De
VLIEGEN-VANGER,? zie KWIKSTAARTEN, ». vierde zoort, behoort natuurlijk totKanada en meer ande.
XVHl. pag. 1705. -■: i . . (et! re AmeriKaanfche Gesvestem
VLIEGEN-VOGELTJES. Dusdanig worden een -Befchrijving. De eerfle zoort of gemeene Vlier-Boom--
zoort van kleine Indifche Vogeltjes genoemt, die-door kan door opfnoeijing., tot een boomagtigen ftam gebrag»
de Vrouwlieden in dat land alsorliettenindeOoren wor- worden, van een voet dikte, en bereikt als dan ook wel
den gedraagen;zieer de befchrijving van, op betArtij- de hoogte van zestien of twintig voeten. DejongeTak-
iel BLOEM-ZUIGERTJE. ken zijn altoos van binnen voos-, meteen wit merg ver.-
VLIEG-LUISJES, zie MIJTEN n. XXIV.p. 2239. vuld, dog dit vergroeit allengs, gelijk in de wijnftokj.
. VLIEG-WANTS , zie WANTSEN, n. XLVIII. - zo dat het hout van den dikken ftam , hard en taai is,.
VLIER-BOOM, Vlaar-Boom, Vleer-Boom, Helder-j geelagtig van koleu'r. De Schors is vol barften, asch-
Boom; in 't grieksch, 'Axr?'; in 't :arabisch, Jafaâi; graauw, gelijk die der Takken, dog daar onder zit een, in 't lithauwsch, Bezdaz-, in 't hongaarscb, Bozzofa; groene Bast, die men de middelfie noemt. 'De Bladen,, in't indiaansch, 'Sob; in'tenge\schÈlder.,Bur, Elder- die langwerpig en fcherp getand zijn, zitten bij paaren,. Tres; in'tdeenscb, Hijlde-Tree;'m'tfweedscb, Fla- doorgaans vijf of zeven aan een dikke rib, zijnde groen ier-Traed, Fläder; in 't hoogduitsch, Holder-Baum, van'koleur en zwaar van reuk; de Bloemen maakenbree- Holder, Hollunder; in 't fransen, 5« reau, Sujeau; en in de, platte ronde kroontjes uit, zij zijn wit en aange« 't-latijn, Sambucus, welke Iaatfte naam men zegt te naam van reuk,1 de Befiëneerst groen endoor derijp- moeten worden afgeleid van een zeker Mufikaalinftru- heid zwart, zeerfappig, bevattende drie zaadkorreltjes.. ment bij deOuden in gebruik, 't welk van dit hout wierd------. De verandering deezer zoort waar van de-Ber
Tervaardigt en de naam van Sambuca droeg.. . ■ fiên groenagtig of bleekgeel blijven, zijn«tot:het gebruik
Kenmerken. De Takken van dit Heester zijn vol pit,, veel llegter. ■ .. , -,.. r -
hebbende maar weinig: hout,' de Bloemen zo wel als .-De tweede zoort of B er g-Vlier, 'door de Heer H-iü-ler-
de Kelk zijn eenbladig, in vijven gedeeld, en breiden op de Bergen vanden Elfazenin Switferland gevonden j.
zich uit in de gedaante van een roos ; deeze Bloemen zegt dien Heer als een Boompje te zijn van vier voeten
worden gevolgt van zagte, fappige, driezaadige Befiën. hoog, in gedaante weinig^van degewoone Vlier verfchü-
Zoorten. Men field doorgaans de volgende zoorten lende, maar de-Bloempjes en Vrugten aan geaairde Tros- -
van dit zo alom bekende gewas.. fen hebbende; de Bladfteelen en aders der Bladen als-
1. Gemeene.Vlier; Sambucus. Dor». Bempt.%tâ.;Sam- ook de Befiën, zijn rood. ; ■■- '. - .
bucu:fruftu in umbella nigro. C. Bauw. Pin. 456.; Sam- De derde zoort, zijnde de laage-Vlier of"Hadig, v-er«-
lucus caule, arboreo ramofo; florihus umbellatis. Roij. fchilt van de gewoone-Vlier bijna alleen in hoogteen-
Prodr. 243.; (.Sambucus cijmis quinqwpartitis, -caule ar- minder houtigheid van gewas , bereikende zelden de.
bono./Limi. Spec. Plant.) Van-deeze zoort is nog eene langte van een Mensch. De Stengen , die. zij voort»
verandering met groenagtige of witte Befiën , Sambucus brengt, zijn kruidig en vergaan des winters; dog hoekig;
fiuBu albo. Lobet,.,- Sambucus fruüu in umbella viridi. en met, verfcheiden kiioopen, even als de jonge Scheu-
C'. Baüh. Pin. 456. ,-, ;. ten van den Vlier-Boom. De Bladen zijn ook gevind,,
.2. Berg-Vlier metroode Befiën; Sambucusfijlveflris. maar fmaller; de Bloemen groeijen aan Kroontjes , zijn-
Kodon,;. Sambucus montàna racemofa. Lobel.; Sambu- wit van koleur, en werden gevolge vanzwartagtigroo-
cus caule arboreo ramofi, ftoribusracemofis:.Roij. Brodr. ; de Befiën. -----a----■ Dit Gewas heeft een fterkerreuk.
Sambucus,racemofa rubra. C. Bavii- Pin. 4.56,; (Sambu- dan de gewoone-Vlier, ja zo fterk, dat zommigeri het:
eus racemis; compofitis ovatis , caule arboreo. Linn. Spec. om die reden voor vergiftig hebben gehouden.
Plant.)r,,/, , -,,,-.- . .:. . - De vierde zoort, die doorden_HeerKALM in Kanadais:
3. Laage-Vlier of Hadig; in 't hoogduitseb, Attigwaargenomen , enalseenmiddelflagtusfcbendeg-eweone-
of Nieder-Holder ; in 't engelsch Dwarf-Eider ; in 't Vlier en Hadig uitmaakt, koomt in gedaante met bei- fr.ansch Teble; en in 't latijn Ebulus; Sambucus humüis,. den overeen, maar de Bladen,, die gevind zijn y heb* 0 ßve. EbuhiSi-C. Bauh. Pin. 45Ö. » -Sambucus canleherba- ben alle de .Vinblaadjes ronder, en de agterftedrtevou- ao fimplici. Roij. Prodr. ; (Sambucus cijmis tripartitis, djg. Het.is een beesteragtig;Gewas, dat echter door-, fiipulis foliaceis. Linn. Spec. Plant.) . ; r :. n .-,.» gaans in dewintetvergaac. Draadagtigeftoppel« 4, Kanadaafclie-Vlier; Sambucus- canadenfis; (Sambu-- tjes, die geknot s-ijn, heeft het e.venials-de VUen-Boom,
eus cijmis quinque partitis, foliis fub.bipmnatis. Linn. en niet tot Blaadjes uitgebreid als de laage-Vlier. Spec. PlantJ) .. . ... ' ~KweebMg.DekY/sekiag-d&rtw.eeeerßezoorten.gekhied Plaats, De eerfii zoort■■of gemeene Vlier-Boom, groeit, door Uitloopers of door fteektag van de jonge Takken,,
inNeder- enHoog Duitschland, Frankrijk , Italien, En- welke in het voorjaar <5-.of 8 -duimen diep geftooken wor-, -
pland enz..; veel in de heggen-, omtrent dehuizen, op- dende, gemakkelijk in een jaar bewortelen ,.en daar nage--,
fchaduwagtige vogtige plaatzen. ■ Behalven de opge- pjaiät kunnen= worden, w-aar men begeert.-----Ook kan-
noemde, met witte of groenagtige Befiën, zijn er nog men ze wel door 't zaad vermeerderen 't welk menin't:,
twee veranderingen van deeze.zoort, als-de eene met vroe&e voorjaar in een goede, losfegrond-za-ait, enge-.
geelbonte Bladen,, en de andere-met gefnippelde Bla- makli|k opkomt; dog dewijl zulks door. Ui:loopers o.f"
den, doorgaans Vliet- met bladen als Peterfelie genoemt, Stekken fchielijker.gefchied,. zo.wordde.zaaijing.zeld»-
jiaardeze zijn zeldzaam, en worden niet andersgevon. zaam in *t werkgefteld., .
oen, als bij de Lief hebbers van verandering van Gewas- " De Hadig óf derde zoort- word ligtelifk, vermeerdert:
fen. ^___ Detweede zoort groeit in Hoogduitscbland, door de kruipende. Wortelfpruiten,. die in menigte voort-
*witzerland, Lotharingen , Vrankrijk, en elders in de koomen. .-- ■
b*rg- en.bosthag_tigepJaatzejrj, dog;zeldzaam..- Der -Het gebruik,dat men van de gemeene~Vlieï.'m de |üï~
r :i ': T 3,, v hè*1
|
|||||
|
VLI.
|
||||||||
|
59« TLI.
|
||||||||
|
nen maakt, is zeer gering, om dat die genoeg bij ons in
het wilde groeijt, en voor een gemeen Gewas geagt word. Men plant ze echter ^ zomtiids aan de kanten van flooten, gragten, in de bosquets onder ander wild: gewas, of elders, om de verfcheidentheid van Gewas- fen, en inzonderheid om de fraaije witte Bloemtrosfen die dezelven geduurende de maand maij in menigte voort- brengen, als mede om 't gebruik der Befiè'n. Zom- mige planten er Scheer-Heggen van, dog die zijn van weinig cieraad, dewjjl ze fpoedig van onderen naakt; en dus onaanzienlijk worden. -» Dar-dtiè overi- ge zoorten, worden ook allen om de verandering van Gewasfen , hier of daar in de Tuinen geplant, ins-" geliiks mede de bonte en gefnippelde zoorten. Kragt en Gebruik. 'De conferf die van het fap der
Befiën mer zuiker word gekookt, is een zeer goed zweet- middel, eii-dient ook in groote hoeveelheid en naar be- hooren gebruikt, Om een zagten afgangte maaken. Dit zelfde do'en de Bloemen , verscb zünde, dog gedroogt dient het aftrekzel daar van om de doorwaasfeming te be- vorderen. ■» Salade gegeéten, zijn ook laxeerende. zo wel als het Zaad. ! Hier uit blijkt, dat deeze Boom vrij al- gemeen geneesmiddelen vóór de gewondheid uitlevert.
Of hij dusook in ftaat zij om het leven der Menfchen te verlangen en ze een hoogen ouderdom te dóen berei- ken , gelijk zommigenfchrijven, is zo zeker niet. In de geneeskunde worden de Beften, naar den griekfchen naam des Booms, Grima aBes geheten. - Men heeft ook een Vlier-Azijn, die zeer vervrïsfchende is, zo wel als hetgedißitieerde Water van Vlierbloemen. _ Maar bovenal en van de meeste uitwerking is de middel- de Bast (Cortex médiams), welke echter zo geweldig niet werkt, als die Van den Hadig of' laage-Vlier, kun- nende het uitgeperfte fap daar van tot een half of geheel once, van Volwasfenen, worden ingenoóraen. Aan den- Stam groeit eene Gom, van eene zamentfekkende hoedanigheid. Het hout van de Vlierboomisgeëlagtig van koleuï, en vrij hard, wel te weeten het oude, dik- ke, want de jonge Scheuten en Takken zijn weeken hol. Veel word hetvah Draaijers gebruikt om daar uit -allerlei] Snuisterijen te vervaardigen. Ook word het vandePlug- fnijders veel gezögt, orner pluggen voor de Schoenniaa- kers van te fnifdën. ■■ Van de Bellen der-derde zoort, zijnde de laage-Vlier
of Hadig, word- ook een Conferf gemaakt, die op veel e plaatzen in algemeen gebruik is; dewijl zij vërsch zijn- de, zagtelijk afgang maakt§ en oud zijnde onderde op- losfende middelen word gerekent. ; De middelde Bast, inzonderheid die der wortelen, zet het water fter- -ker af dan de middelde bast der Takken van den Vlier- loom. geperst zijnde, fterk,doorbraaken; afgangenwaterloo. zing, werkt, wordende flegts tot de gifte van een fcrupel ingegeeven, en dë Bast in water gekookt, totniet'bovën ' een loots gewigt. Het inwendig gebruik verèischt voór- zigtigheid, --^Uitwendig dienen de Bladen tot en pap of ftooving, die zeer oplosfende is. Het Tap der Befiën zo wel als dat der Bladen, is zeer bitter. De Wortels en Zaadert, zo wel als die, koomen in de zamenftelling van verfcheide winkel middelen. De binnenfle Schors of de Bloemen in melk gekookt, en
daar van zomtiids war gedronken, waar bij men een wei Big zuiier kan voegen, is zeer dienfrig voor Menfchen 4is loosagtig zijn ; dezelve in water of goede -wittfrwijn - |
gekookt, en daar van daags twee a drie foemers vol ge.
dronken, zegt men dat niet ondiènfiig voor IVaterzugtiv gen is; indien men er wat kaneel en anijs-zaad bijvoegt, is het zo veel te beter, dewijl het acderzints veeltijds walging veroorzaakt, De binnenfteSchors in boom*olie gedaan en in de Son
of bij 't vuur laaten trekken, is een der beste middelen voor 'branden, als mede voor jigt, podagra en allerlei! inflammatien. i De gedroogde Vlierbhemen in een linnen zakje ge«
daan en in de wijri of nieuweri'most eenigen tijd ge- hangen , geeft zegt men aan dezelve een miiscadelle fmaak. Om doriferf van Vlier te maaken.
Neemt rijpe Viieréejtên, perst of wringt er het fap uit, laat het daarna door eën haairen teems loopen, en ver. volgens in een koperen ketel of bekken gedaan en zoo lange over een koolenvuur gekookt tot dat de dikte van ftijve fijroop heeft; ónder het kooken moet men het fap geftadig met een lepel of fpatel roeren, op dat het niet aanbrande; dik genoeg zijnde, zo doet het in een of meer potten, en giet er, als het koud is, watgósde brandewijn boven op, waar door het voor 't febimme- len bewaard word; bind dan de potten wel toe, en be- waart die op een drooge plaats; kunnende deeze Conferf wanneer behoorlijk is dik gekookt, wel twee a drie jaa- ren goed blijven. Daar word een goede hoeveelheid Befiën verèischt," wanneer men eengrooten voonaad van deeze Conferf wil maaken, dewijl 't fap op weinig na verkookt. Zo men wil, kan men zuikeronder het uit- geperfte fap mengen, om het fap zoet te hebben, dog het geen zonder zuiker bereid'word, is even zo goed, zo niet beter. een Conferf gemaakt. Om Vlier-Azijn te bereiden.
Neemt van haaregioóve, groene Steelengezutvert zijn«
de Bloemen; laat die langzaam in'de fchaduw'e eenigen tijd droogen , doet ze daarnain een vies niet beste wijn- azijn, te weeten op ieder mengelen, 'ongeveer eenhani vol Bloemen; vervolgens Iaat men de vies ter degen' geflooten zijnde, twee a drie weeken in dè Sön ftaan, dezelve altemets eens'omfchuddende,; daarna giet men de azijn door ëbtf fijne doek, Cn bewaart die tot het ge- bruik. Groen of-ver«ch moet men de Bloemen niet iii de aaijndoèn; want'als dan bekoomt die ëerie purgée- rende- kragt of 'wef^ontdelt de maag. Deeze Azijn gebruikt'men in plaats van gemeene Azijn
bii zommige fpijzen'y inzonderheid bij zulte.fpek, hoofd vleèsch enz., iszeërgëzond, en voor veelen niet onaan- genaam van fmaak:-,:;verwekt appetijt en helpt de fpijze vërtèeren. --------- Uitwendig gebruikt is dezelve zeer
diënftig voor de -roosi heetegezwellen, ontfteekingen
en hoofdpijn, op doeken gedaan en dus laauw warm om- gefiagen wordende ;'waar toe ook deverfche of gedroog- de Bloemen diënftig zijn, een omflag daar van gemaakt wordende. -! VLIER-ZWAM, zieJUDAS-OOREN.
VLIES, in't Mijn Membrana; is een witagtig, dun,
zagten breed, óf uit malkander verfpreid of verbreed deel. De meeste jaa genoegzaam alle de Vliefen, worden even als een weefzel, \\M draaden of vezeltjes, die zeef wojjderbaaf door malkander loopen, zamengeftelt. £>e Vlïefën zijn dienftig i. em andere deelen te bedekken |
|||||||
|
SEK
en te omvatten ; 2. óp dat daar uit zekere vaten en pij-
pen inoogen zamengefteld worden ; 3. op dat ze de deelen te beter aan malkander doen hangen, ten 4. dienen zij ©m de plaats te doen onderfcheiden; en ten 5. op dat daar door 't gevoel bevordert worde, - ■ VLIES VLEÜGELIGE INSECTEN, in 't latijnHij-
jnenopter, is een Rang van gekorvene Diertjes wiens Wieken die zij vier in getal hebben, veel naar een op- gedroogd dunVliesje gelijken, ofeigentlijkgefprooken, vertoönen zij zich, als onbefehrijflijk dunne plaatjes van moskovisch-glas, die takkig en als met bloed-vaten zij» geaderd. Het fchijnt dus oneigen, die Wieken perga* thentae-Flugel te noemen, zo als Schulzer doet, in Ken- zeichen der In/ellen. Surich. 1761.P. 139. Het is niet minder ^onaartig (zegt de.Hr. M. Hout-
tuyn iiï zijne Nat. Hiflorie QfeQ mijns oordeels, dat Geoffroy Hiß. dès Jnjeé, env. Paris Tom. II, p. 206; deeze met de Peesvleugelige tezaamenvoegdendaar vari maar eene afdéeiing gemaakt heeft, onder den tijtel van Viervleugelige InfiÜenmet kaak Wieken (Infe&es tetrap- tires a Ailes mies). Want boven en behalve de Geftalte, die de Wespen en Bijen zo bijster doet verfchillen van de. Juffers, de Water-Uiltjes en Gaasvliegen of Land. Libellen, dat een Kind dezelven voorgéene gelijkaarti- ge" zou aanzien, hebben die van deezen Rang nog een aanmerkelijke en wezentlijke bijzonderheid. Zij sijn* naamelijk, aan de Staart met een Angel voorzien, waar mede zommige vinnig kunnen kwetzen; dog die, dat zeldzaam is, in de Mannetjes van, veelen niet gevonden word. J 1 ., ■- Het verwonderlijke, 't welk in dit laatfte doorftraaft ;
omdat, in de meeste Dieren, die van 't MannelijkGe- flagt tot verdediging bekwaamst zijn, zaj haast verdwij- nen, wanneer men agt geeft op het gebruik, dat veelen van dit Werktuig maakèn. Het dient baar, immers, om gaatjes te booren, 't zij in de Bladen der Planten of Boomen, in Vrugten, in Hout, of in de Huid van an- dere Dieren. Zommigen hebben den Angel zo klein, dat 1 die geen aandoening maakt op ons Ligbaam; gelijk de Gal-Wespjes daar van een voorbeeld uitleveren. In an- deren, gelijk de Bijen en Wespen, fchijnt-hij alleen te dienen tot vèrweering als een wapentuig. In die, wel- ke Ruprdoodeis genoemd warden, ftrekt de Angel, baar- Wijkeli/k, tot beiderleij oogmerken. De Sprieten der Vliesvleugèligen verdienen ook haar
opmerking. Eenigen zijn zeer kort en dilt geknodst, als in zommige Blad-Wespen; dog in de meesten zijn zij draadagtig dun, uiteen groot getal van kleine ringetjes zamengefteld. De Wespen, Bijen en Mieren, hebben er van een zonderlinge gedaante.Het eerfte Lid maakt, op zich zelf, bijna de helft der langte van de Spriet uit, die verder beftaat uit zeer korte ringetjes. Dit laatfte .gedeelte maakt, met het eerde Lid, een zoort van el- leboog, waar door de Sprieten zich verwonen als of zij geknakt waren. In de Slnipwespen hebben de Sprieten altoos^ zekere blijkbaars trillende, beweeging., 't welk zormnige Liefhebbers deezé Infekten door een bijzon- dereh mam, van die eigenfchap afgeleid, heeft doen onderfcheiden. De Peesvleugeligen, vanden Vierden Rang, verfcbif-
leii door hét getal der Leedies in het ulterfte^gedeelte oer Póoten, dat men den Voet noemt, aan,merkeliik.: ► nfers en Siinkviiegen hebben er drie Leedies in j «et Kemeh.Halsje vier, de overigen vi|f."* In de Vlies- »lugelagen, zo Wespen, als Bijen en Mieren., heeft al- |
||||||
|
toos dit laatfte getal van teedjes in de Voeten plaats.
Het getal der Geflagten van dezen Rang, isagt; waar
onder de vijf eerften gemeenlijk Wespen genoemd of daar toe betrokken worden; het zesde bevat de Bijen, in her zevende zijn de Mieren begreepen, en de onge- vleugelde-Bij maakt het laatfte uit. 't Getal der zoorten was tweehonderd negen en twintig; waar van het Ge» flagt der Rupsdoodérs alleen bijna een derde, en dat der Blad-Wespen, benevens dat der Bijen, ieder ruim- eert zesde bevat,, , ; i; VLINDERS, Uiltjes, Rapellem Dus noemt men voor-
werpen tot dat zo welbekende Geflagt van vliegende Diertjes behoorende, 't, welk de Jatijnen Papitiones noemen. ... Onder de Artijkels van RUPSEN en POPPEN, heb*
ben wij de eigenfchappen van deeze Gekoryene-Diertjes in derzelver beide eerfte Staaten nagegaan en aan onze Lezers medegedeelt; thans doet zich een toneel voor ons open, in welke wij deeze Diertjes naa verfcheidegeftal-' tewisfelingen te hebben ondergaan» in haare volmaakt» held zullen befcbou wen, in die ftaat: waar in de mees- ten met de heerlijkfte koleuren pronkende, haar Geflagt voortplanten. ....... u. ... Even ais bij de Artijkels van Rupfen en Poppen, zullen;
wij aan onze Lezers ten aanzien van: de Vlinders of Ra* pellen het merkwaardigfte mededeelen, 't geen daar onw trent in de uitmuntende Natuurlijke Hiflorie van deHeer M. Houttuijn word gevonden. . ui ,, > Men plagt (zegt dien Heer), weleer, deeze Infeften
rn 't nederduitsch, Vlinders ol Uilen te noemen ,* pasfen« de de eerfte benaaming toe op de Dag- de andere op de Nagt-Kàpellen-, gelijk zommige nog beden doen. Over" de benaaming van Vlinders ziene men het fraai je werte van Sepp, en over die van Uilenhet vierde deel van de Hr. Seba na. Zij werden evenwel, al van ouds Capellekens geheten, volgens Aldrovandus, of Botervliegen, en in Vlaanderen Boterjchijte; gelijk deEngelfchen er, vrij" algemeen, den naam aangeeven van Butterflüs, hoewel zommigen ze ook Seuls datis Zieltjes noemen, misfchien van 't grieksch woord <&»%■] of *»^jj , dat degemeenfte benaaming deezer Infecten was. Mpoglijk, heeft men die van baar fnel vliegen of van de verandering uit een log» gen kruipenden, in een vluggen ftaat, afgeleid. De oor- fprong van den latijnfcben naam, Papility, isduister; maar de Italiaanen en Franfchen hebben dien , met wéinig verandering , nagevolgd, noemende de eerften het Man- . netje Parpaglione, -het Wijfje Parpaglia; de laatften die beideii Papillens, de Spaanfchen Màripofa, de Po- lakken Motil, de Hongaaren Louoldek. De Duitfchers geeven er zomtijds den naam van Zweifalter en Molken^ teller, zomwijler},.dien van Pfeiffholter en ook van Som- inervogelin of Samervogeltjes.aan ; gelijk zommigen haar ook in Tag-, Abend-en Nctgtvogel onderfcbeiden, waär onder dan eenigen zijn die zij Skhab'en. datis Motten of Mot-Uiltjes, noemen, 't Woord Schmetterling word, bij hun, ook wel gebruikt. Ik geef er met de meeste Lief- tiebbers in ons Nederland, in 't algemeen, den naam aan - van Kapellen. Welke Infeften wij hier op 't Oog hebben, is ieder-
een, ten minfte gedeeltelijk,- bekend. De Kinderen vermaaken zich dikwilsmetde Kapellen, die hun in de 'fomercijd voorkomen, na teloopén én te vangen ; want r behalve dat eenigen verrukkelijk fcho.on 'zijn, heeft hét Menschdom , in 't algemeen, van haar dien afkeer niet,, als van de Rupien » hoewel daar onder 00K veelen,- we* gens
|
||||||
|
m* Wß
|
|||||||||
|
VLI;
|
|||||||||
|
gens haare fierlijkheid, wel duBBeld be&hóuwéns waar-
dig en ver: van affchuwelijk zijn. De Geftalteder Ka- pellen , inzonderheid der Oost- en Westindifche, die wij kennen, heeft een bijzondere en onvergelijkelijke fchoon- heid, wegens de fchikking en luister "der koleuren, die in zommigen den fterkften goud-en zilver-glans tarten, of het Oog doenfchemeren, wegens den fchitteren de gloed van beinelsblaauw, geel, rood, purper, rooze- koleur of groen ^zömmmigen met een weerfçhijn, die onverbeeldelijk is,; anderen met een mengeling zelfs van. gemeens koleuren, die zeer fraaij ftaat. Ik wil nu niet in 't bijzonder ' fpreeken, van de 'geenen die op een," donkeren of flaauwén grond zeer fiërlijk geoogd en als gevenfterd zijn, gelijk de Paauw-Oogen, ^t/ar,endie1 welke. 'men Spiegeldräagers noemt, nog' ook van veele anderen- In dit alles is't zonderling, dat jnen, gelijk de Heer Reaumubreeds 'opgemerkt heeft, geene overeenkomst,; bijna vind, tusfchen de.fchöqnheid der Rupfen én.Ka-. pellen.. .Het:is~bekend, datzeer ieelijke,bruine, graau- we, zwarte,Rupfin,..dikwils Kapellen uitleveren die heerlijk gekoleurd zijn; terwijl dé Kapellen van fiërlijk getekende Rupfenden fraaijs vertoonen. .Wat beval- ligs is er, bij voorbeeld, in die ruige Beer-Rups, dat de fchoonbeid' van haare Kapel zou evenaaren, en hoe weinig beantwoord de.gemeene koleur der JVitfes die van haare ,Rupfen\'ap de,.Kool aazende. Men/vind evenwel fchoon'getekende Rupfen die ,zeer fierlijke. Kapellen voortbrengen; gelijk de Venkel-Rups,, die van de Wolf's-melk,deLigufier, Jasmijn en Oleander. Ook; zijn er eenige weinige Kapellen, die nagenoeg dezelfde koleuren hebben als haare Rupfen. De Àallefiè'n-Rups, die onder de Spanrupfen behoort, en het Lijf witagtig, met zwart« vJakjes zeer fraaij gefpikkeld, aan de enden e,n op zijde, hoog geel getekend heeft,, levert'.immers, . het bekende Aalhefiën-Kapelletje uit dat van derge- lijke tekening is. Zo onthouden zig.op de Eickenook Rupfen, -die zeer, fraaije fcbuits.wijze Tonnetjes maa-, ken, groen zijnde en geel geftreept; en bet Nagtka- pelletje daar uit yoprüiomende, heeft een dergelijke koleur. .-..'..;. .. , . . ..... Dé oorzaak, van die koleuren, evenwel.is in de Rup-
fen geheel iets anders danin de. Kapellen.^' In de eerst» gemelden.fchijnt het een vernis te zijn,"waar mede de Huid gekoleurd is, ten minften lijd het niets door het- aanraaken; daar al die fchoonheid der Kapellen door, enkel aantaften of behandelen- hoe z.agt en voorzigtig ook gefcbiedende, in veelen geheel verdwijnt. De Bieelagtige ftofjes, die aan de vingers kleeven, wanneer men de Kapellen gevat beeft, ja die zij veelal door de fchuuring en wrijving der Wieken tegen eikanderen of tegen iets anders kwijt raaken, met bet Mikroskoop. onderzoekende, heeCl'Bïe,s*'öiHdekt de oorzaak te zijn, van die koleuren;zo wel van de beftendige.als van.de.. veranderende in deWeerfchijn-Kapellen. Veele Autheu-. ren hebben er den naam van Pluimpjes.. aan gegeeven, om dat zij zich als met een fteeltje vertoonen, dogReau- mue noemt ze Schubbetjes. Geen van beidediebenaa- mingen is volkomen eigen, en mooglijk zou die van Pluisjes meer met de algemeenc vertooning overeen- komftig zijn., ^-In de KJasfe der Infekten heeft-Linsjeus, uitaan-,
merkinge van deeze Pluisjes, aan die tot deezen Rang behooren, derhalve, ook in 'tjatijn den naam gegeeven van Lep.idoptera, dat is Schubyleugelige; dog om de |
|||||||||
|
gemelde redenen, en niet tot hettiiterfte willende over*
gaan , van ze Stefvleugelige te noemen; dewijl het ei« gentlijk geen ftof is,, dat de Wieken der Kapellen be- dekt; gebruik ik de benaaming van Donsvleugelige In- fekten, voor die van deezen Rang; dewijl zij de Wie- kçn met méelagtige 'Schubbetjes gedekt.hebben , die zich, op 't öog, als Dons vertoonen. Door Dons, weet men, worden de kleine Pluimpjes "v«n Zwaanen en an- der Pluimgediert verftaan; naar welken deeze Pluis- jes, met het b|oote oog of door niet zeer fterke ver« gróotipg befchouwdzijnde, wel wat, en immers meer dan naar Schubben of naar Stof gelijken. . Het gaat,.hier mede, als met dé meefteWerken der
Natuur; zodanig, dat men ze niet ligt toteene.bijzon- dere uitdrukking kan bepaalen. Welkeen oneindige verfcheidenheid vind men niet in de Visfchen ; hoe groot een ..verfchil," (om, bij de Infekten te blijven ,) in die Werktuigen, welke in 't. algemeen den -naam van Sprie- ten voerend Daar is,, in de gedaante van deeze Pluis- jes , een zo aanmerkelijk verfchil, dat Reaumur zelf, die ze altèmaal Schubbetjes noemt, .bekennen moest, dat men aan eenigen beter den naam zou geevén van. HaairtjéSj ten minfte aan die, welke lang, dun en te-, vens..final zijnde,, het end niet plat, maar in. twéé of drie haairtjes, uitloopende, en als gefpleeten'hebben ; waar vän hij, onder anderen, eenigen in Plaat ver- toont. Mem. des Inf. Tom. I. I. Part. PI. VII. Fig. 33. 34j 35- En, dewijl de al lerbreèdften zelf eenklein Steekje hebben, dat aan de Schubben der Visfchen of van andere Dieren, in 't algemeen, ontbreekt, zo fchijnt. de" benaaming van Pluimpjes, hoefcbubagtig zommigen, voor 't overige,.zich vertoonen, eigener dan die. van Schubbetjes te zijn; .waar.in ik de gedagten van den Heer de Geer met. de mijnen bijna oyereenkomftig vind. Mem. Tom. I. Mém, 2.' p. 63. .... Door eene naauwkeurige befchouwing met het Mi-
kroskoop, waar van, veele Autheuren hun werk gemaakt hebben, koomen. de meeften voor als dunne,plaatjes, zommigen bijna zo breed als lang, aan 't breedfte end, veelal, tandswijze ingefneëJen, enzomtijds ookrondj aan 't anderen .end of,final en puntig.uitloopende, of met een. Steekje,als gezegd is, dat eenigermaate voort- loopt in het plaatje-, even als in de Pluimen. Veeleii van dèeze Schubbetjes gelijken, in 't rüuwe, naar de afbeelding van een Tulp, 'eenigen naar Paletten van het Kinderfpel. ". Men vind er, die tot zeven en agt, ja tien, twaalf en. meer tanden of infnijdingen hebben,, tegen over het fteeltje of puntje, waar mede zij in de Wiek. worden ingeplant. Eenigen vertoonen zich als driehoekige plaatjes, waar van het breedfte end allede gemelde verscheidenheden heeft. Zommigen zijn, over de,gebéele lengte, .gegroefd, dog-in de meeften loopt een naad, die als een verlanging van het fteeltje is, door 't midden van ieder Schubbetje ten einde uit. Ook verfchilIen zij in grootte ongemeen, niet alleen in de zelfdev maar inzonderheid in verfchiilende Kapellen. Deezé.verfcheidenheid van figuur der Schubbeijes_of
Pluimpjes, (hoe men ze dan wil noemen,) heeft niet alleen in bijzondere zoorten van Kapellen:, maar zelfs, en.bijna altoos, in eene zelfde Kapel plaats; dogop het grootfte gedeelte van de Wiek, en 't welke een wei- nig af is van den rand, zijn zij van eene zelfde figuuji en .leggen in eene .wonderlijk nette fchikking. De rijé'P loepen evenwijdig, en fchoon de Schubbeties weinig of niet over elkander heen fchieten, is dog het puntje |
|||||||||
|
il
»f fteeîtjê: eenigermaate door"het end der -Iààger5g*
|)!aatfte Scbiibbetjes bedebt,':.vrant Rien moet wëetenV dat zijlzodanig leggen, dat haar ftrekking'van de-gele* "ding der Wiekopwaàrds is. Dit doet de oppervlakee der Wieken zichin de meede Kapellen, wanneer zij-on« fcefcbadigd, zijn en .men;dezelven .met een flaauw ver- grootglas befchouwt, als van kamelot vertooneö; dog in zommigen zijn, tasfcben deeze Schabbetjes , flog van .die haa.iragt.ige Pluisjes ingeplant, èetwelk der opperv- lakte, fluweelagfig ruig maakt. Men vind er ook,die $an den rand der Wieken een zoort van franje hebben^ dewelke ait driekantige/Schubbetjes beftaat/.- ■ ■ l i , /Dat. de gemelde Pluimpjes dei eenige oorzaak van ds koleur.der Kapellen op de Wieken, zijn, is niet alleen daar juit blijkbaar, dat men, wanneer zij er afgeveegd of afgefleet.en zijn, de=Wieken bijna gansch doorfchij.- oende .vind ; .jnaar ook: daar uit, datnien de verandering van kolëur in de DuitfcbeweetfcMjn-Kapellen, wier ee: ne Vlerk zich., jn zekere plaatzingtegen 't licht, graauw, de andere hejuelschblaauw- vertoont, thans ook verze- kerd is, alleenli;k;af te hangen van Pluimpjes van deeze koleuren, op rijen beürtlings, en zodanig fchuins tegen elkander geplaatst, dat zomtijds de eene, zomtijds de, andere zigtbaar zijn. Zie zulks duidelijk en doorfterke vergrooting aangeweezenin 't werk van Ledsrmüller. JV*««-.; .1.764. Tab, 49. ( . * i " : : ., .Ik heb van dit Dons der Kapellen «erst móeten- fpreei-
ken, om dat het zelve aanleiding gegeeven heefttot de benaaming, van den'Rang der Donsyleugelige-Infekten; als ook, om dat de Wieken haar allermeell van d^ftup," Xenonderfcheidem Z:ij, hebben er vier, welke inde meeden dienen om te vliegen; dog haare -manier, van ^liegen is. zeer yepfchjl.lende-, in zommigen vlug, in anderen log en traag,-paar dat:de.Schepper dit goedge- vonden heeft. ■, Y)ßiDag~ Kapelie'U,' In 't ajgémeen, die met zeer grpote Wieken zijniVoo'rzten ; vliegen iwel vlug, dog.niet in,een regte lijn, gelijkte.rneefte' VogeLenien andere Infekten, maar met allefl.eiji daalingerï én verhef- fingen "of fprongen op en neer-, îjetîveîk ze* dikwilsgeer hioejelijk om te vangen maakt.1;.Dit,is het ook,;<het welk haarmèrkelijkbefchut tegen de vervolging van'het Pluimgedijerl; voor.het weike zij een, Wekker aas'zijn; Men ziet dejjwaluwen dus, dikwijs misfen, wanneer *-ij ppeene vliegende Kapel toe.fchietGû; door dien de- zelve de ftreek vàn haaren koers ontduikt. Wat; de ïïagtkapetien- aanbelangt;. onder dezelyen 'zijn 'er' vee- Jen, die mèn niet ligt, dan door het -opkweeken der Rupfen, of uit de-gevonden Poppen , .magtig word/; 't zij dat .die weinig vliegen, 't zij. dat zu.lks alleen bij avond of bij nagt gefchied. Daar zijn zelfs IVijfjes-Ka- feilen, die in 't geheel geen of maar zeer kleine Wiek- jes hebhen , én dus tot vliegen geheel onbekwaam ; het welk ook te.dehken is, dat veçje der andere Magtka- fellenziin. , -. . ■ ; -, ■ Onder degeftalfe. van Rupfen "hadden, deeze Infekten
e?DnSr0V en vaste fpijze,- gelijk de bladen der Boomen ci Planten, of zelfs de Schors en."het-Hout, gebruikt.; oen ftaat van Poppen hadden -zijden zommigen maan- «en lang, gelijk gemeld is, a*s ilaapende doorgebragt;. ^gevleugeld, en in volkomenheid op het toneel ver-: whijnende, zou men mogen denken, dat zij eerst regt begonnen te leeven, en dus ook bijzonder eenigvoedzel *>oodig hadden. Men vind er ondertusfeheny veelen, inzonderheid onder de Nagtkapellen, die in 't geheel jciijnentè nuttigen, *n het is-ten hoogden waar-» ï wil DieL |
|||||||||||
|
VU.
|
|||||||||||
|
m$
|
|||||||||||
|
fchijnlijk, dat zulketDagJapeJM, Aieden sinter; ovef>
blij ven én' zich als dan hier of daar verbergen ï.ten minfte gèduarènde dat faizOeir-fflok. niets gebruiken. Änder- z'ins moeten zij iets uh. de Bloemen zuigen, dewijl zij .die opzoeken en van.de eene op de.-a-Edere vliegen, of ook misfebien van betfap der Bladen , of van de Daauw, die op dezelve legt., iets. nuttigen; HetfehijnC dat de V.oortteeling Jiet hoófdzaakelijke.oogmerk iSj waar-toe zij ini de waereldikomen ;'.geljjK.Ffieleti pok', zo dra dezelve is volbragt,.'wel dra fterye^. -,- .Wij hebben de taaiheid'van het;Iee»èp#et Rupfen t
onder delaefatpeim,p,in aanmerking genomen * en gezien boe de Poppen, zelfs onder water, en.zekerlijk ind® aarde, ademhaalen ; terwijl een ligte drukking hun beide« doet fterven.. Met. verwondering" heb ik, roeertnaa« len, in de Kapellen,opgemerkt,,shoe lang zij, aan;ee» fpêld geftoken zijnde, in *t leven blij'ven, niet alleen» maar hoe zommigen zelfs van vopren iaeteen heete fpeld of naald geprikt, niet gemakkelijk dood te krijger» zijn. Men is, in't algemeen, zeer gereed met te zeggen, dat dé oorzaak, daar van.zij, dat het Hart zo moejelijfe te trefFen is.' Dit brengt oriltundigen in verbeelding, als of de Kapellen een dergelijk Hart Jiadden als de viervoetige Dieren en de Menfchen; dog ik vind, dat aanmerlijk is, bij de naauwkeurigfte Waarneemers geen dë minfte afbeelding van het Hart der Kapelten, en ia de Rupfen hebben wij gezien!, hoe zeker kanaal, langs de rug ioopende, 'en -zig, op 't raeefte» ;a{s een ilag- ader verwonende,- roor- het Hart gehouden word. J)e knobbeltjes' daar aan door MAurcHrüs waargenomen, en voor .eefl fchakel van Harten aangezien, zijn door Reaumür ontkend, en het heeft mij toegefcheenenj, dat men het Ruggetinerg weleer daarmede verward heeft in de, Rupfen. Hoe weinig het Hart van den inland- fchen ,Rhbms%er-Tor, en zelfs dat der Bljën, aaar da ge"wo"c-ne fig uar ,van een Hart gelijkt i: kan, m en b ij S wam? merda-M, Bijbelde^Wattiur. Tab. X%Xtfig. 57. & Tah XIX. fig.'i. nazien, Harv^userkent, dat het inveele Infekten naauwlijks» zelfs met een ^Vergrootglas, is te vinden. Het .uiterfle1 waar toe men in 't algemeen kas komen, is door redeneering va.5t; te fielten, dat zij alleij een-Hart moeten hebben, ;of iets' dat daar voor yer- ftrekt. Ils faut donc, qu'ils\çcyenp pu un Çwureu quelgns chofe ^équivalent, Lesser /par; Ij ton »et Tpm, II, p. 91, Maar wat grond is «r. voor deeze gevolgtrekking;?-Wi| zien wel, dat' er een ;omlopp van.vogten plaats heeft ïn de a8«?/?.«.i.wij:beflaiten metreden, dat er- die ook moet zijn in de. Kapellen,; dog, ©f de bevveegendeoor,- zaak daar eveneens zij als in de. viervoetige Dieren<" zou ik grooteJijks twijfelagtig ftellen. Ten.minfte, indiea het zulkeeti overlangze Buis ook in de Kapellen rnogt zijn; dan -had men geen reden om te denken, dat het Hart door de doorfhijding van bet Borstffruk in de langte Bfier getroffen zou; worden, dan door den Kop van het Bprstftuk en ditvan het Agterjijf aftefnijdeninde leven^ dige Kapel. De proefneemt'ng van Se^p, op die van de Liguster-PijIfiaart, welke dus de taaiheid vanderzelver l.eevep aantoont; zie Sepp. III. Stuk. %.yerhand.vande, Nachtvlinders, bladz. ij. bewijst ook,ten overvloede,. dat het natuurlijk- en werktuiglijk gefiel, in deeze In- fekten, meer met dat der Kikvorfchen en dergelijke Dieren moet overeenkotnftig; zijn, welke nog eenige, uuren zwemmen na dat het Hart hun is uit liet 'Lijf gev nomen; zonder dat men daar uit ligt bed^iten zal, dat de dierjijke beweegingen in de zodanigeH Aeritec «il», '" ' " . ? " 4sm |
|||||||||||
|
tau* ■ imr*
dari 'In de; vfefTOetfge Diëreri ofWenTchefc. . ; ' ! :5 û
paterMannetjes en Wijfjes-onder ide Kapellen-zlfy Iseettalgemeene-regel». 'In veeten heeft eeaig veifcbil der; Sexen plaats in de koleur der Wieken-; het welk iri; zommigen vrij groot is-en alt dan.niooglijk dietnt,.öp- dat de eene Sebe «Ie andere .zou; kennen ; gelijJc men ., <dus,: onder detr'ëféhaafde Natif», 'het Man en Vrouw« volk, iri.de^-éerften opflag, aat de kleederen ondert fçheid. Maar, gelijk er onder lonsvsael nader Jcenoierv ken daar toê»2ijcj'zo'hebben,ookxotHmige JSspiy/sreeen: aàrimerkelijîtv'érfchil iri de figuur der Sprieten^ éh,/in 't algemeen,' gijn de Wijfjes dikker «a van agteren ftoriipef dan de Mannetjes, dategtei duidelijkst-waar-te Seemen is in de Nâgtkapellen,. waar ondermen er vind,, 'die.eebs zolang zijn en dik naar eteeriredigheid*: ,'.' De Mannetjes'zijninaauwitjbsitfft lié ©op-gekomenen- tot vliegen bêkWaam=, of zij izoeken oogfchijnlijk da Wijfjes op-, om die te rbevrugtenç -want de Wijfjes, ëpgevèed zijnde in ''eenzaamheid, "leggen welEijbjes-, dög daar kómen geen Rupfen uit; zijVzijn.onvr-ugtbaar-, Üe.lijk trien er-ook veéléni onder de anderen: wind-, die dóór de koleur, gemakkelijk teonderfcheidenzfjn. Men. "heeft in veele Nâgtkapellen.waargenomen., dat zij het liijfnevens elkander plaatzen, endande agterftedeelen 'tte. zamep voegen-; het welk een bijzondere manier van pààring is» Het Mannetje, dat dik wils. aan de regter- jsijdë is, bedekt met'zijne Wiek een gedeelte der. Wiek "wan bét Wijfje,. en de paaring'duurt, zomwijlen-, een Irai f of geheel Uut langs Zij hebben die maar eenmaal fï'oóclig., en gaan',' kort daar ma, aan tiet; Eijerleggen. fthderen , gelijk de Zijdemri&s-Kapellen, voegen '"zich iri een regte Ifjrij, gat regen gat, aan één; enbewee- gen midderwijlde Wieken, met verfcheide'herhaalingen,. "fcfier 'vlug; daàr ;de iraeeileh, volgensK.EAUMUR ,-zich, ged-ùuiénde'dé paaring, zeer uü en bijna oribewoogen. houden. ' Mëh■'* vind ' ei', veëlen, waar- van het Wijfje^ op de wijze. Öer viervoetige Dieren" en Vogelen; door liet Miannétje: gedekt wöfd , 'fcödanig dat de;Wieken bijna op ëlkàiidër/fluiten, én de beide Kapellen zich ais. ëene, die twéé Koppen heeft," óf dat van 'het Wijfje toiets danhet Agterlijfzigibaaris, vertoonen. Ineenigen inaakthet Lijf Van 't Mannetje, met dat van 't Wijfje,, een hoek, die zOmtij'ds feherpjs 'Of kleinderdanfegt', zpmtijds. regt »of in' de-'wrnkèlhàak , zomtijds grooter? of ftomp, gelijk men "t noemt» Véelé Wijfjes fdhijnen de Mannetjes, door de epligtirig;'vah h'ääT^Agterlijf». ais aan té lokkeiï. oftèn minfte zidh gereed te houden tot de paaring;, hlijvende'in dit poffüur.-rriethet Agter- fte zomtijds; tothij den Kop omgekrofnd, uuren ja dagen lang, indien er geen Mannetje zieh openbaart» " De paaring der Dagkapellen heeft eeni'ge nog meer:
aanmerkelijke bijzonderheden.- Men ziet zè, met el- kander, hét minhefpel reeds al vliegende beginnen-'in de lucht, De eene vervolgt hèürtlings 'én ^Fchijht dan Wederom te 'vlugten.-voor; dé andere; -het welk dever- tponing maakt "van- één gevegt ).■ dög Waar tóe deeze Infekten,. als volkomen weerloósgèboóreri zijnde-.gee». wapenen 'hebben. In de herfst gebeurt dit zeer dikwils, e=n dan ziet men» na dat dit fpel eënigen'fcijd geduurd heeft', een van haar beiden; dat hét Wijfje is, zich als vermoeid op èeh ig Blad; of elders, neerzetten, enhet- Mannetje; nàveffcheide h'uppélingëh'Vó'm het ogenblik te'trefFën, wanneer zij de Wiékën nfeëiflaaf-, eindelijk zîçbdaàr op be£eevén. Als dan haaktzich het agterfte. TlÄJzijn liijfi deoromkrom'miDg, aäridätvan 't Wijfje, |
||||||
|
het:welk:, tevens ie Wi^^weteoter^nè'zettenda,
dus bet geheeld Lijf van 't Mannetje als omvat; zo dat men-niet meer dan het Borstftuk en den Kop vân 't Mannetje kan zien, »maar de Koppen zijn regtftreeks yan elkander afgeplaatst; dat is, om zo te zeggen, de -Kop van de «en naar 't oosten , en- van de andere 'naar :'t westen» Eenigp: Dagkapellen vind men, die ztcivgediiursnde de paating, iri een andere plaatzing ■houden; zij raaken elkander niet dan met het Agter* fte van baar Lijf; de Buiken iijn ,naar -elkander toe« gekeerd en zij liouden zich., elk in 't »bijzonder, me» de Pooten. aan een fteeltje gras óf bloem vast. Men zou zeggen, dat zi\, in, dit geval,, piefeier hadden om elkander aan te kijken. Men vind er, die dus aan (elkander blijven .zitten, niettegenftaande de bloem of het .takje geboogen, gefchud'-'of anders bewoogen, ja afgefneeden word; .zodat men;ze gemakkelijk, dm gepaard, .in een doos lfcan doen,,enzommigen blijven wel: denige:uüren in dat spoftuar; dog de eerstgemelden vliegen, uiet elkander tweg, wanneer rrien ze te nabij komt of tragt: te vangen.' Het'-Wijfje, -naamlijk, als de-vreesagtigfte inooglijk, -torst -het Mannetje,dat zijne Wieken, middelerwijl, overend en-ftil houd. Men kan ze verfcheidemaalen, vande eene -naarde andere plaats verjaagEB, minder dat zij elkander ioslaaten, en, als men ze vangt,, blijven zij dog^neg-éenigen tijd ge- paard ;. gelijk, dit in de Witjes zeef'gemakkelijk waar te neemen is. . : Buiten twijfel beeft men, ïn tuinen en óp lustplaat-
zen, .van deéze en andere Kapellen, gelijk die men 't 'Paauw-Oog en Gouden-Vlinder noemt, nu en dan een« gezien, die de Wieken plat nédef hield op een bladof aan een boom;,-: dezelven bij wijlen opllgtende, enwé« derom nederflaande. Indien men de reden hiervan niet begrijpt, zo. febijht het vreemd; dog dit poftuiir dient eeniglijk om/bet Mannetje te ontvangen of aan te lokken;*:'bet. welkes door "het Wijfje, dikwils een ge- ruimentijd, pp den tuil gehouden word; alzo zijde Wieken t'elkens opligt," wanneer hij nadert, en als hij afwijkt wederom neerflàat ; 'blijvende dus, zomwijlen, wel een kwartier uurs lang, hem afwagten ; terwijl hij t'elkens, bij het aankomen , de Wieken geflooten vindende, zich als uit het gezigt begeeft. Men kan, in dit minnëfpël te zien, zich zomtijds met pleizier ver* ■lustigen» : -Zö men de:gedaante en het maakzel van de uitwen-
dige deelen der voortteeling inde Kapel vanden Zijd? ipförnt wilweeter',' behoeft men flegtsde afbeeldingen en befchrijvingên'-na té zien van Malpighi-us; alwaar blijkt', dat die Deelen in allerleij Kapellen niet even- eens-geschikt of:geplaatst zijn». Men kan ze, in d* Mannetjes, doen te voorfchijn komen, door het Ag« tfertijf een-weinig-'beknijpen, nabij de laatfte Ringen. Dan openbaart zich, in veelen,regt over't midden van het Lijf-een hoOrriâgtig haakje»\ in anderen twee, met tweedergeJijke holle plaatjésr, die.iiiwaards fëheppende ftaari, ter wederzijden» Deezè, deelen dienen, oa^het agterfte van-het Wijffe te vatten-, waar opvervol£enJ het Mannetje zijn Teelüd, dat in zommigen als de An- gel van een Wesp is-,--inbrengt..- Door (lijve drukking blijkt, dat dit deel, 'weezentlijk,. een Scheedeis, waar uit eén-v-leézig deel,.of mooglijk de ftofre' zelve,..°'B tot'bevrugtirig dient, voortkoomt. Dezelve immerf heeft gemeénfehap met zulke inwendige, deelen, ais mei Kijaävaten fân noemëö*. : è |
||||||
|
TU
I ßelf agîerend vaor't -Wijfje heeft ookïwee naaeèag.
tige plaatjes ,, die als een zooçt van; tjootekraakër zich verwonen, of naar de lippen vaneen puntfëew nijp, tang gelijken; maar men vindt ze in veelenniet.. : Aan het agterfte van alle Wijfjes«Kapellen zijn-, in 't alge- peen, twee openingen; eene boveaile die voor den afgang, dog inzonderheid totde eijeriegging ftrekt;een ondetne, welke dient tot inneeming van de Schaft in deeze Infekten, en gedekt word. door een, Lip, die jnea de Klink, zou kunnen jnoemen. In veeien heeft deeze Iaatfte opening, zo wel als (Ja de Kapellen der Zijdewormen, de figuur van een halve of wasfendé SlaäJli ! >;.:■-.-' In de Memoir. de Trévoux, 1735. juillet page -tzfio",
heeft men aan'tend vaneenuittrekzel,döordeJefuiteri gemaakt van het eerde deel der Vertoogen over de In- fekten, de aanmerking geplaatst, dat de Rups geheel aard' 4gtig zij, de Pop geheel wateragiig en de Kapel uit lucht teßaat. Indien de ; Wijfjes-Kapellen, die zo log zijn door de menigte van Eijeren, vol lucht zijn, zegt Reau- uur; zo moet dit zekerlijk wel een verdikte lucht zijn. inderdaad het iaatfte van die aanmerking firookt 'zo weinig als, het eerfte; de Kapellen- zijn ruim zo, vast van zelfstandigheid als de Rupfen, en deeze immer zö waterig als de Poppen. Een Wijfjes-Nagtkapel ope- nende, 't zrj aan den Buik, 't zij op de Rug, komt een menigte van Eijtjes te voorfchijn, zo verbaazend groot, dat er naaawlijks plaats overblijft voor deingewanden. Deeze Eijtjes zijn nevens elkander geplaatst als ketting- jes kraaien., en de agt vaatjes, waar in dezelven vervat zijn,,worden van.MALPicHius nu eens de Trompen, dan takken of armen van den Eijerftok genoemd. In dezelven moeten , volgens zijne waarneemingen > de Eijtjes geformeerd zijn of groeijen. Deeze vaatjes zijn bijna onzigtbaar dun en doorfchijnende, het welk de Eijtjes, als aan een draad gereegen, zicb doet vertooaen. Hij heeft, in ieder, meer dan vierenzestig Eijtjes ge- teld, befluitende daar'uit, dat de Kapel van een Zijde- Worm et over de vijf honderd legt; wanneer zij zich ontlast van alle degëenen.dieztjin 'tLigbaam draagt. De Eijtjes, van het grootfte;getal der zoorten van
Kapellen., hebben de figuur van Eijeren; datas zij zijn, hoewel zómrfligen min, anderen meer-, rondagtig. We- nigen zijn volkomen klootrond , .eenigen een weinig langwerpig of ovaal, anderen een weinig platagtig of regedrakt, dat zommigen noemen knolrond. Men vind er j van deeze zoórt, die zeer plat zijn, bijna^ls een' Hollandfcbe Kaas, en van de anderen die zeer langwer- , Pjg en bijna knolrond of cijlindrisch zijn, verioonehdé zich bijna, als'Tonnetjes. Eenigen zijn van onderen plat," van boven rond; eenigen Ioopen fpits als een fuikër- Mood^ of ftom'p, als een geknotte kegel. De opper-° klakte is, in zommigen, effen englad, in anderenfterk gegroefd ; zo dat zij zich als een zoort van knoopen ver« : töonen. Dit is de figuur van de Eijtjes der Kapellen van een ige Rupfen, aie op de Eicken en deKoo! Jeeven,' »isook van die fcboone Rups, welke haar voedzelvind op het Wolfsmelk met Cijpresfe.Bladen; maar die der mPs welke de fchoonfte van de Kool geheetên wordv *> een kleine groene "van die zelfde plant, hebben een "°g veel zonderlinger en aartiger figuur. Het zijn als héfir«ïaStzijdïge Pieramieden, waar van de voet aan t öiad is vastgelijmd. Ieder paneel is door een -in-
sroeving van de anderen -afgefcheiden. en neeft nog |
||||||||||
|
.!BM.
|
||||||||||
|
'%m
|
||||||||||
|
«t afade'tttfppeâ'Van: deigrootiPierarhiéd m ftgijpte
vertoonen. Meu yànd; er anderen die naar culbaadea gelijken, of naar betete enpotten,; zonderpooten ea dekzel, of naar vingerhoedenen wat dies, meer is; kooi mende>van dezelven bijna, oneindige verfebeidenhedea voor. . ' -'■ .. , ,*. : De koleur van deeze Eijtjes, wanneer zij nieuwiingt
gelegd zijn , is witagtig of geelagtig wit; men heeft er die glinllerend wit zijn; als paarlemoer, ,en eenigen Van verfebeide andere koleuren. Daar zijvt geheel brui- ne, groene, blaauwe en roozekoleurige"Eijtjes. Mes vind er van eene enkeleen anderen die gevlakt zijn of van gemengelde' koleur» : Zommigen /behouden die ko* leuren, nagenoeg, van dat zij gelegd zijn tot aan het uitkomen toe; dog in anderen gefchied een groöte ver- andering van koleur; gelijk dit aan ieder een bekend fs en blijkbaar in de Eijtjes dgr Zijdewormen, die vrij fcbielijk van bleekgeel blaauwagtig paarseh worden. Ia eenigen gebeurt dié verandering van koleur veellaater. Zij word eeniglïjk.door: de doorfchijnendheid van-het, Eijérdopje veroorzaakt, : en. neeft derhalve geen plaats in Eijtjes-die dikker zijn van dop, wier zeifftandïgheid» in-de allerhardften zelfs, niets overeenkomitigs heefit met Eijerfehaalen, maar veeleer, voIgensMju-piCHius, hoornagtig genoemd mag worden jalzo zij zich, metee* fchaartje, fnijden laat; . Ieder Eijtje bevat niet meer dan ééne Rups, 'end«
Kapellen Jeggen dezelven op planten of op boomen» wier bladen een bekwaam voedzelaan de jong geboore* Rupsjes kunnen verfebaffen» AHerleij zoorten van Kam pellen koomen den honing likken op de bloemen van me- nigerleij verfchillende plantgewasfen ; maar tot de eijV legging begeeven zij zich op die, welke haar in de (laat van Rups gevoed heeft. Tot een voorbeeld kunne» die van de kool en van de brandnetelen verftrebkes. Men bevind evenwel dat deeze regel zijne uitzoriderin» gen beeft, en dan moeten de jonge Rupsjes of kast voedzel elders gaan zoeken, of door gebrek van \zel- ve vergaan. Men kan zich, zeer gemakkelijk, door een proefneeming dien aangaande verzekeren, Eenige ,\ inzonderheid der Dagkapellen, vertpreïàea
haare Eijtjes hier en daar, op het loof der planten of boomen, maar anderen voegen die, zo veel doenlijk is; plekswijze bij elkander* Van alle, zo wél S)ag* als Nagtkapellen, zijn de Eijtjes als met een zoort vaa lijm aangehecht. Een bijzonder aartige fchikking.'ea zamenvoeging heeft plaats -in de Eijernesten der izoge« noemde Ring-Rupfen, welke aan ieder een, die eea tuin of buitenplaats heeft, 't over bekend zijn. ,Me» vind deeze, die naar platte ringetjes of brafeléttén ge« lijken, zeer dikwils, onder 't fnoeijen aan de jonge takjes der Appel-, Peer-, Pruimen en andere Boomen. Ieder ringetje beftaat uit twee of drie honderd en ineer Eijtjes, volgens de waarneemingen van Reaüuur*, die aanmerkt, dat er een verbaazende veelheid van lijm no» dig zij tot het maaken van zulk een ringetje, welks 2a- menftetling een bijzonder vernuft onderftek in deeze Kapellen. .... ,r Hoe weinig dit laatfte: ook plaats hebbe in deeze In-
fekten , wier,' vlugheid veelal onbekwaam fchijnt'tot zaakeh, waar ijl behendigheid word vereischt; vind (rrea er dog, die eène zorgvuldigheid gebruiken tot bewas-, ïing van haare Eijtjes, welke eene oplettend beFcboa» " werdoet vérwoinderd ftaan, dommige Ëifentesten zija |
||||||||||
|
ïon*eibaare.fflenigtevaD4watfi5groefjes, diegkhbij*1 niet alleen in "'t .geheel met-haair^^ als -toegedekt, of in
|
||||||||||
|
mjJL
|
|||||||||||
|
.«w*
|
|||||||||||
|
vu,
|
|||||||||||
|
zekere wolltgbèid begraven, màar ieder Eijtje legt af*
zonderlijk in een bolletje van donsi zo dat zij- naauw- lijks te vinden, zijn, hoewel men de' Nesten gemakte? lijk aan deteleur ontdekt. .Een groot getal van, üVag*» kapellen heefjÉideeze bekwaamheid, en' eigenfchap'pen; De ruige-,witte-, bastaard*fatijn-Kapellen, welke:van zeer gemeéne dog fraaije Aap/e» koómen, ma'akën van haare Eijtjes dikke bondeltjes., en plaatzen diè opzulfc een wijze tegen een blad, dat men in den eeriten opflag zich verbeeld een ruige-- Rups te zien, : die/in eikander is: gekrompen, robdagtig.of kofflkoleur Van. haair, dat ; even als op een hoed. of kaftobr, altemaalover éérie zijde legt, en zich als fluweel vertoont:^ 'befchuttende dus de Eijtjes voor den regen; en,mooglijk:0ojc voor de verflinding door Vogeltjes/, enz. Men'Vind er eveii; wel, die haaré Eijtjes maar gedeeltelijk mer haair be- dekken, zo dat men dezelven, daar onder,, zeer wel kan zien^, :. ■;';,' :' . Geen grooter. bewijs van.deeze bekwaamheid der Ka-
feilen, zal men ligt aantreffen'., 'danrih.de afbeelding van 'dat zonderling raàre eijernest, het welke aan den. Heer Rbaumub, om een takje haagedöom als 't waàre geflingerd', uit Neder Poitou .wis.1 toegezonden. Hij; Vond" de Eijtjes daar in;-ook. tegen het;.takje aangelijmd: met een zoört.;van gom,./gelijk die der. Ring-Rupf en,, en zo verhoolen zittende, dat zij niet dan door weg-, öéeming-varieen gedeelte der wollighèid; ztgtbaar wa- ren..: Deeze- haantjes- lagen niet .neer, maar Monden, o verend .en maakten hét Eijernest tuig, a!s eeri vosfeh." itaart of iabel, muisva'al vankoleuf.:. > . ■ : '-■- -Men.fcehoeft geéngrootêjihfpanning van den geest, ein,te:begrijpèir, ;van -waar ;de;haaitties komen ,;;diede- Eijtjes- a.kfus- bedekken.. Zo,me'n de 'Kapellen voor,,^^ on- der en nâ de eijerlegging bèfchouwt, zal men welhaast (overtuigd .worden zegt aêaumör-,.dat zij -de ,wolüg- Jaeid.Van. haar. eigen. Lijf daar toe gebruiken, 'even als de: Vogelen haar dons; Het is dan hier flegts de vraag; doonwelke: werktuigen deeze Infekten zich van haair- ontblopten, en het zelve dus in orde fch'ikkentennen; «n deeze zwaarigheïd, hoe gering.in den eerften opflag. Qoktosqrkomende, is zekerlijk'vrij groot. Die vlijtige Waarneefeer bad, fcho.ôn r«eds weetende dat deJFijf-- jés-Kapel, eer zij" aan 't leggen gaat ', een groote kraag ©r pariiik. van haair aan 't gat heeft, ;.het; welke, i zo hij meende, buiten twijfel daar- toe dienen moest ; niet- tegenstaande zulks, zeg ik, had hij de grootfte moei- te om agter, dit gerieiiii té komen.. Hopr.hem zelf fpree- kern..'. ,% -..:;.* . - ' ; , * '; " ;. ';/, '..V'i ~. >. ,, "Verfcheide maaien heb" ik in mijn Kabinet van deze* ^..Kapellen gebragt-, die, aan de eijerlegging toe waar'en , ,; en zij. voleinden dezelve, 't- elkens, zonder dat ik kwam te ontdekken, waar iivhaare behendigheid be- ,; ftondj het werk gefcbiedeondermijn oogen, zonder ,; dat ik de bewerkingen van de Kapel kon zien j want ,-j. het haairzélf,. datrzü tpt.werkftof gebruikte-, diende- ,» de handgreep te verbergen. - Het paket eijeren isorft<, ,i laag rtiel zo zeer mei wollighèid bekleed-, ais;van.' boven; dit deedt mij denken, dat ik gemakkelijker». zou kunnen z'iep; hoe. het -zeig e -yaFi anderen ,door:de ,; Kapel bewerkt worde. Ik tteéder verfçheidep&,idie'; ,,-;aan 't- leggen f toe waaren, in vierkante doozen-van- 'glas;- deeze maakten -met de eijerlegging geen 'aan-M vang« voordat- de-nagt begon; een tijd» die mij-niet- ,y gëvaliig Was», -om ze waar*te meernen,- ,"Wat bad ik-,- d daa. te.doen f,- ikiaaajae-vaoïsu^eren*, dia. ik in,j; |
|||||||||||
|
,i dergelijke doozen dééd, >dat ihef nâgt wierd?'dp 't
^midden van- den dag.; door haare doozen toe te dek; si :ken; en, na eenige uuren, verioops:, Vond ik er,die met.eijerleggeB begonnen waaien.- ; Ik weet niet, of », -zij altoos'de nag't daar-tóe.afwagiien ; -maar dit weet ;, ik y al« zij in'de donderheiddaar mede een aanvang ù hebben genomen, dat zij daadaar mede in't allerfterk- » fte dagltèht voortgaan. - ; " Wanneer- men deeze Kapellen bèfchouwt,, zo als
'II tkize befohouwdedoor hecglas heen-, terwijl dat zij '■'.àan.'t eijerleggen bezig zijn, ziettnen het agterend '' zicb veel meeruitrekken:, dan men hec zelvezou den- ken te kunnen doen. Het is v/el waar, dat men , het ""âgterlijf ^in.een'Wijfjes-Kapel Ciisfcfien' Me& vinge- ';;rèn kne'llerrde.'uit hec agterfte een zbort van langs "-tepel doet voortkomen, die uit ringen fthi-jnt zamen«; '■gefield re zijn , eil- in wierend de opening is van het "fondament; maar, wanneer de-iföperdit deel ver- "langt,, om dat.zijde uitrekking daar. vamnoodig heeft,, "'zo.geeft: zij .meer: dan eens zo veel langte aan, en "haar dat zij dit Siaartje éen-.werntg verder,: nader,: '* :hooger,. laager; ter regier lof -ter flinker hànd.'brengt, "'kan. zij-.ide Eijtjes-.'.bier of daac'plaatzen ; want de " gemelde .opening- maakt 'tevens haard leg uit1. Dit "kleine lighaamsdeël^ waar vàn wij fpreeken, is tot " zo-.veel.erieïj'buigingen en beweegrogen bekwaam,. " dat men het'zelve,- niettegenftaande de plaatzing en " kegelvormige figuur-, als een zoortvan haudkanaan- "' merken', daar zij zich zeer gevoeglijk van bedienen " kan, zo 'om-.de: Eürjes in een geregelde fcbikking te " hrengeii:, als om die met haairôf ; wolligheid -te ■bè- ":>klê.eden'.en té-.deMkeni- - \'à& :"; ■ ' : ,. " Wij hebben hier voör-gefprooken van twee hoorn-
" agtige-Plaacfes , die men aan het agterfte van de " meëfte ■Wtjfjeï'Kapellm-v'md; zijnde in zommigen " lepelswijze hol, in anderen platter, ente zamen een " zoort van nijptang uitmaakendé;. In dezelven eindigt '- dé gemelde-kegelvormige hand', en uit het maakzéi '"kan men genoegzaam: befluit'en; dat; zij daar van gé- ". bruik maakt om de-haairtjes af te plukken; die zij ' noodig heeft ; want de haairtjes zelf maaken, dat "toen haar manier van werken niét zo" duidelijk kati. "zien,, als rjien- wel zou wenfchen; Evenwel kan ". men-er genbsg-van waameemen,- om Verwonderd te- " ftaan over de onbegrijpelijke behendigheid: van In* " fèkten, diedoorhet werk, dat zij als in den: blinden "en öp 't gevoel gemaakt hebbeir, den fcherpstzien- "■de Bontwerker doen befehaamd ftaan. ' Eerst maakt " 'zij eenzoori; van:;beddiög,. om de Eijtjes- op te leg" "gen; dan plaatst zij anderen-rondsom' dezelve, en "bedekt eindelijk 'Het- geheele nest mét haairtjes, 't'. " zij overend' of,in een zelfde ftreek geplaatst; waar: "toe zij zich dari van haar agterfte alsdan eenftan^' " per bedient., Inmiddels groeijen die haairtjes met " ,de Eijtjes. tezamen vast inde gommigeflöffe,.waa(* ". mede zij dezelve aan-elkander lijmt. "" ' ; Zommige Liefhebbers .te Ainfterdam, hebben dui-
delijk waargénoomen-,, dat- eenige .Kapellen, in de eij- erlegging,"tevens! eert wollige ftreng- of draad, .als van- (lijm en'haair-, uit het: Agterlijf ontlasten, die.-dan> verder-,, mét'de-leg, over de Eijtjes geftleekefl word.- En-,-, fchoon'die- niet bewijst; "dar die-haairtjes' niet te voaren va-n. het Lijf waaren-geplukt-geweest; zo'^o&_ ik evenwel'bekennen, 'dat-.zulks zo -gemakkelijkf* té-bfigiiJReu- ù- ia .ds Gtaotkop,.dejc«Eiclseû^aangezJ11' |
|||||||||||
|
fezelve geen " bruin haait, gelp dat waar mede de
gijtjes bedekt zijn, op het Lijf heeft, Niettemin is liet gëreeder te ouderftellen , dat dit haair afgeplukt iijnde en- ingebaa-id-, .door vogt van- koleur kan- ver- anderen, dan dat die haait-tjes, als zij in het Lijf groeiden, van zulk een eenpaarige langte, in (lijm ver- lengd,;..daar uit zouden komen. ; Om dien aangaande een befïuit te maaken., (laat nog naader te onderzoe- ken of de ruige krans , aan het' Gat der basterd'Satijn- Kapellsnr na de eijerfegging wezentlijk, verkleind, is-,, gelijk Reaumur verzekert- ',' Men zou zich mogen verwondèren.over degrootte
"deezer E-ij.ernesten, die-veel grooter zijn dan hetLijf " van de Kapel zelve was-, voor dat.zij de, ejjerlegging "begpnjjDiaar men moet weet-en, dat dit -daarvandaan " kpmf ,.-datzij de Eijtjes en het baair zq.digt niet heeft " kunnen te zamën drukken-, als die in en op het- Lijf 1 zijn geweest. Een der enden van ...het paket is ge- " meenlijk puntig-., maar rondagtig en taamelijk plat, "het andere verhevener en hok- .Dit-laatile; heeft de. " Kapel laatst voltooid, en de holte .is de: vorm zelve "van, haar ;agter(lè, waar- mede. zij dit, heeft;gedaan,, ". Onder/t werk rust de Kapekzomwijlen, en zit;, dan. " niet haar agterfte in het .eijernest;,.aan> welks voltooi- " jing- zij doorgaans- een etmaal enopk weltweégeheele " dagen te zoek brengt.. Men vind eijem.esten van veel- "... erleijanderefiguuren,.koekswijze platofpieramidaal, '■'--en zomm.igen.zeer zeldzaam,gefktfpeneerd,,alsgemeld " IS. . t '; ....-..:' ■' ■ -
, "r.Alle de'.,Wijfjes. der NagtkapeÜen, door mij waar'
"genoomen, zegt Rea.umur-, Mem. Tom. IL u Part. " Mem,%% adfinem. leggen haatßijtjes niet laog.nadat '-' zijuit.de Pop;rgekoHien zijn;., maar- ik- beb'reden om " te, vermoeden-, dat verfcheide. zoorten van Dagkapel-1 " /«n,"fehoon in de fbmeruïtgekarnen, de haare niet "-leggen, dan na. dat de- winter iverftreekenis; Inde *j eerfle dagen van'april heb-ik verfcheide zoortenvan " Dagkqpeflen z'en vliegen, die.tot de gedoomde Rup*- '[Jen van de, fjpeboomen en-;brandnetelen, behooren, ■". Deeze .waaren even - zodanïgen.-, als.-ik , geduurende "de. winter, in holle boomen gevonden had. DeRup- "_/«», waaren er- tqen-: nog. niç,t. geweest» Ren van de "■ Wijfjes-openende, vond ik,.datzij. deBuiik vol Eij- ". tjes.had, waar uit blijkt, dat deeze .Kapellen de eij■ " erlegging tot na. de winter-hadden uitgefteld. Der- " halve, fehoon .>de Eijtjes van een menigte ;zoorten "- van.Kapellen,-den-gehseien.winter..,de ongemakken "van het weer verduuren kunnen,, fcbijnen.dog an*- '': deren in-'t koude faizoen bewaard-te moeten blij- "".ven binnen -'t lighaam van de Jlups.". . Dat ik dus omftandig van de eigenfchappen der/fi.
pellen gefproken heb -, voor het, befcbrij ven van der- zilver geflalte., is,om dat deze eigentlijkde.onderfqhei» ding in Geflagten en Zoorten uitmaakt. Ik, gaa dan nu- tot dezelve, over, en zaLeerstefijkdeuit-en inwendige deelen in 'talgemeen,dan vervolgens die bijzon derbe-- den ■befcboawen, welke aanleiding- gecven tot de.ver» deeling der Kapellen-, om in order van élk- in 't bijzon-- der-ie-kunnen handelen. ... ' Suiten -en .behalve.de vier Vleugelen, wier :ftand;in
sommigen-- loodregt of overend fiaande ,, in anderen «oriftmtaal of vlak ,- en in veelen dakswiize aflóopendë is^beaaat het lighaam uit drie.deelen, Kop.Borstftuk ea-Agterlijf. ' ... ße; Oogen, die., voor. aan den Kop (taan,,. hebbea.de..
|
zel'fde ffgaurnieUn alle Kapellen. Hoewel'zij' gemeen-;
Üjk.een gedeelte luitmaaken van een kloot, is dog.hef zelve in eemgen kleiner, in-anderen grooter dan eer^ halve hol. Ook. zijn zij, in-, grootte, niet altoos mes die van den Kop der Kapellen evenredig. Het uiter- fte bekleedzel, dat: men ajs bet Hoornvlies van onze. Oogen zou kunnen aanmerken, heeft een, zoort van., glans of weerfchijn, die dikwils. allerlei kojeuren ver?, toont; maar de grondkoleur, die men de eigentlijka noemen kan, is in eeftigen zwart, In anderen bruin, in veelen graauw of grijs-, en in een menigte van' Ka- pellen zeerglinflerend goud- of bronskoleurig, zomtijds, naar 't roode, zomtijds naar 't geele, zomtijds naai- 't. groene trekkende. Eenige Autheuren,, waaronder db. la Hire , zelf«, hebben getwijfeld, of het wel regte. Oogen zijn; dog. iedereen, die zich ooit met het vanr gen der Kapellen bemoeid heeft,.js zekerlijk.van.de, fc-herpheid van haar gezigt overtuigd. Van waar,-.nu^ kan dezelve, andere, ontftaan.-,,. dan uit,de.menigte van! facetten,, welke in.deeze Jighaamsdéelen zijn. Mal? pighiüs merkte dëzeiven ieder,als een Qog op-zicri, zelve aan ,en dan zoude een Kapel,in plaats van twee 'H volgens de-rekening van Pugjet, tusfchen de vier-en^ vijfendertig duizend Oogen hebben., Het gedagteHoorn?. vlies-,..naam,elijk,. is- vervuld met kleine verhevenhe- den , die ieder-den. zelfden; dienst fçhijnen te doen als het Kriftaliijn in de Oogçn der viervoetige Die? rem ■ ,;,:..,-..,..-..-,.., . ■ . .' j Veelé.' zoorten .van. [Kapellen .zijn voorzien met;een.
Tromp of Snuitje, 'dat haar, baarblijklijk dient, pm.- eenig vogt uit.de bloemen, te zuigen; dog hetzelve: fcbijnt aan'de meaRe Nagtkapellen,. gelijk, in 't bijzon- der aan die van den ity$mwri-t te ontbreeken. In de, geenen, die zulk een Zuiger hebben, is dezelve regt in 't; midden onder aan den Kop geplaatst.) en. wan- neer de Kapel geenvoedzeLtragt te gebruiken, (langs- wijze, of gelijk een veer van eenorlogie, opgekruld». Men vind er korten dje niet meer dan anderhalve pP twee draaijen maaken , middeJmaatigen van drie of vier,, en zeer langen,, van agi of tien draaijen.. Duszijn er veel langer dan het Lijf,, ja- van drie. duimen langte,.; Een Kapel, zich daar van bedienen, willende, als zij,' op de een of andere bloem gezeten is, ontrolt den Zui-: ger en brengt het end tot aan het diepfte van de- Kelk.- Zömwijlen"haalt zij denzelven,. een pogenblik.verloop- pen zijnde,, wederom daar uit-en doet hemyomkrullen ;., dan maakt, zij-den Zuiger Weder regt en (leekt denzel« ven als vooren tot binnen in de bloem, haaiende hem.; dan daar op nieuws uit.- Dit zeven'of agt maaien vervat hebbendei vliegt zij, naar een andere bloem. Zpmmige Kapellen gaan niet op de bloem;zitten,maar haaien er, op .dergelijke manier, den honing, .even als, eenige BJjên of Hommelst al-vliegende uit. ,-. Wat het maakzel van dit Snuitje aangaat, hetzelve
vertoont zich ,pp't bloote opgrals een degenswijs ftaafv je, daf aan 't end zeer fpjts uitloopt; dog zommigen, hebben het kort en breed, als een laneet. De Heer, Keaumur heeft door 't Mikroskopp; ontdekt, dat het zelve weezentlijk dubbeld, is, en'dat de.twee- deelen-;. zich dikwils van elkander fcheideri, zodanig dat het. Infekt veel moeite heeft, om dièwedérzamen te voe*- gen ; hoewel p"ië,;tóf de zuiging naauwJijks nppdig fcbijnt te zijn. Immers ieder deel heeft varr binnen1 een hol- kanaal., bekwaam om bet vogt inrte neemen en op te- voeren,; waar tusfchen nog in een middel-kanaal V."3,; (shunts.
|
|||||
|
VLI.
|
||||||
|
'fi* '■ -.. fttj
|
||||||
|
fchîjnt té zijn in veele Trompen» Dianen zîj alla fflede h*hei brokje. De doorfcbi:jriendbefd?anbet Suait.
drie, om het fap der bloemen in het lighaam van de' je deed' hem befpeuren.,-dat daar in, van tijd tot tijd,
*A Kapel te brengen? (vraagt Reaumur.) Ik zou den-, een kolommetje vogt opfteeg, en wel door het midden ,', ken , dat er van deeze kanaalen zijn, die (trekken van de Tromp; door dat kanaal, het welk door de z*.
,, om de lucnt te voeren, weike de Kapel in-ademt, menvoeging van de geutjes, die er in de beide belftea
ó en dan zou de Tromp of 't Snuitje zo wel voor zijn, geformeerd word.
. Neus als voor Mond verftrekken. Een bijzondere Maar, aangezien het een droog brokje zuiker was;
waarneetning fcheen mij dit denkbeeld te bevesti- zo fcheen het duister, waar dit vogt van daan mögt ko.
f, gen» . men. Het Opperwezen heeft de kieinfte Diertjes mid-
Ik befehouwde een Kapel detfihome Rups van het delen van werken ingefcbapen, zomtijds zeereenvoit»
,-, Wolfstnelk, die pas uitgekomen was, en de twee helf. dig, en die wij echter van vooren.nietkunnen raaden,
,► ten niet tegen elkander aan had kunnen voegen; zo terwijl de fijnheid der Werktuigen dezelven dikwils'.voor
., dat zij van elkander afgefcheiden bleeven tot vrij digt ons gezigt verbergt. Puget oordeelde een honigagtig
,, aan den wortel van het Snuitje. ' In de hoek,; die vogt te dik en taaij,om te pasfeeren door zo enge Buis-
,, door derzelver van een fcheiding geformeerd werd , jes, en wij zien hier een Kapel aazen op drooge zuiker;
,i bevond zich een druppeltje zeer helder doorfcbijnend dat meer is, in zuiker voegen, dat men het brokje, daar
,» vogt, het welke, zonder eenigekennelijke bewee- zij op geaast heeft, hier en daar als week gemaakt of
,, ging van bet Snuitje, nu voor-dan agterwaards werd half geftnolten vind!
gedreeven. Naar maate hetzelve verder vooruitging, ,, Terwijl ik, zegt onze Waarneemer, naauwkeurig
fcheen het te zwellen even als een luchtbel, die men agt gaf op-de Tromp van de Kapel, waren er; be-
van zeepwater maakt door blaazen, en in te krimpen, halve de.tijden, wanneer ik kolommetjes vogt zag op-
,» naar maate het agteruit ging. Zomwijlen werd het ,« ftijgen, ook tusfchenpoozingen, dog zeldzaamer, in
een of twee lijnen voortgedreeven ; en keerde dan ' welken ik een ftroom van vogt, door het zelfde Ka-
naar zijne voórige plaats te rug. Dit fpelletje duur» ' naai, naar de punt zag nederdaafen. Dit vogtbefloeg
de lang. De beurtlingze beweegingen van het drop- zomtijds de helft., zomtijds wel twee derden der lang-
peltje, zoeven gemeld, konde niet toegefchreeven te van de Tromp. Dus begrijpt men ligt, hoede
,V worden, dan daar aan, dat hetzelve week voor die Kapel zich voeden kan met honing, dikke fijroop of
der lucht, welke de Kapel in- en uit-ademde. Het drooge zuiker. Het vogt, datzijneerwaardsuitfchiet,
,j viel erzomwijlfen af, en dan vertoonde zich wel dra zal waarfchijnlijk zeer vloeibaar zijn, en dat hetzelve
eenander, dat voortgedreeven een langwerpige figuur tot weekmaaking of ontbinding van de zuiker dient,
,i aannam , bevogtigende de beide takken. Misfebien ,j is uit het voorgemelde blijkbaar. Wij hebben ge-.
dient het daar toe, of mooglijk ook om de Baardjes zien,.■ dat de Kapellen metzulk een vogt voorzien zijn,
4, oVerend te doen rijzen, die tandswijzé in elkander en buiten twijfel word hetzelve van haar, als het
rt moeten fluiten ; hoedanigen er aan't end zijn van de met zuiker of honing beladen is, weder ingezoo»
,-, Trom. Swammerdam fcheen ook te gelooven, dat ,, gen".
^ de KapeJlen door dezelve ademhaalen, doghij brengt Maar, hoe déze zuiging gefchiede , dit was het eigent-
tJ geen bewijs daar vân bijv lijk dat te onderzoeken ftondi- Wij hebben gezien, dat
De Trompen of Snuitjes, die dik en kort zijn, de Kapel, van tijd tot tijd, haare Tromp uit het binnen-
# loopen Uit een harde en fpitze punt, welke naar die fte van de bloem, of van het brokje zuiker terug haalt,
,, vaji een 'verfneedeh fchrii'fpen gelijkt. Men vind üTa» om dezelve op te krullen,; Zou dit mogen ziin, om
,, pellen ,■' die het end van haar Snuitje zo (lijf hebben, dat zij dezelvenzo lang niet regt uit kan houden; of
,-i dat het in de vinger kan prikken; gelijk die groote zöu het alleen tôt verpozing ftrekken ? Het is waar-
t, eii zeldzaämö, welke de Doodekop genoemd word. fchijnlijker, dat zulks dient om de opflijging van het
,, Men kan dan niet twijfelen, of deze fcherpté, die vogt te bevorderen , gelijk Rjsaumur door afbeel-
.,, men ook bevind plaats te hebben in de Snuitjes van dingen aantoont. Ondertusfchen is deze omkrulling
,, andere Kapellen-, dient om daar mede zo diep in de aan de Trompen eigen; men vindze opgekruld in des-
bloemencf zomtijds ook in de bladen te booren, dat ie Kapellen, eil , als menze in water week gemaakt
zij het fap, tot haare voeding, daar uit kunnen haa« heeft en dan uitrekt, krullen zij van zelf weder op.
,, len; doggefoMed zulks bij wijze van zuiging, of door De dwarie vezelen, die de Tromp zamenftellen, zijn als
,, de menigvuldige omkruilmgen van het Snuitje "f zo veele geledingen of gewrichten, als zeer kleine wer-
De Heer Reaumör vond zich, door eene gevallige velbeenderen óf liever als de kraakbeenderen van onze
waarneeming, in (laat, om dit ftuk eenigermaate op te Luchtpijp; buitendien zullen er overlangfe vezelen zijn,
helderen. Terwijl hij een fraâije Nagtkupeldeed afte- die tot de uitllrekking dienen, dog welker fijnheid ons
Kenen, die negen dagen aan het dekzel van het fiiikerglas oog geheel ontglipt.
gezeten had, zonder vóedzel, en zeer onrustig was; De veerkragt van de Snuitjes der Kapellen is ten dui-
even of zij naar aas zogt; kwam hem in 't hoofd, haar delijkfte blijkbaar uit een zonderlinge waarneeming vaa
één brokje broödzuikèr aân te bieden. Dit flaagdë naar d'en Heer de Geer Mem. pour l'Hiß.4es Inf. Tom. h
#ensch,<de Kapel voegde er aanftonds het end van haat Mem. 2.p. 77. Dedubbeie Tromp, (zegthij,) welke
Snuitje ään, én bleef bijna twee uuren dus in rust. Dat ik met een fchaartje affneed aan eene mijner. Kapellen
meer is, zij liet hâar met bet dekze! oprieemen, en' op ,, van den Wilgêboam, gaf mij eën zeer aanmerkelijke
illerjeij wijzie meteen vergrootglas befchouwen, zonder ,, vertooning. Het een en andere deel bleefzich op den
tfée"-laaien van haar bezigheid. Het Snuitje hield zij, tafel, daar ikze geworpen had, beweegen, omkrul-
verfcheidë minuutén agtereen, aan de zuiker; dan krul- ,, len en uitftrekken, bij verfcheide herhaalingen. D'£
de zij hetzelve, als vóör een dogen'blik, op, en (lak is het niet al! Een uur, na dat zij afgefneeden wa-^
ftet däü weder regt uit, booïende er zelfs zomwijlea ren, maakten zij-nog dezeifde beweesingen; zij hièl-
|
||||||
|
Vil.
|
||||||||||||||||||
|
VLh
|
||||||||||||||||||
|
j, den zich bij beurten ftil ; maa* ,so dra ik Mmnmfo Iijk,,pp1e«fer!r;ïrJg tVflli 'tAgterluftwee.Iu.ebtg^atjestWaar-
te, ^begonnen zij, op nieuws, zich te.beweegen. Ten. iiam, (da-t is veertien. De Ka,pel nog pst zijnde, ■zo.j |
||||||||||||||||||
|
einde, van drie of vier uuren gaven zij nog de zelfde, lageotde ;fëhubbetjes en het baair vjajc neer, ;en .konden
|
||||||||||||||||||
|
deiluahtgastfjes niecähede,kken. Op dergelijke wijze;had
Bazin .de .twee.flippen aan het Borstftuk gevonden' ; ..dia deHteer jPEiGeer ook waarnam ; dog dus waren.er nog
twee minder, dan.de $?$.rigehad had. Reaumürgiste, " dat,de &»#<?#<?» <er.zo .wel vier pp 't Borstftuk hebben, moesten als de Vliegen, vporgpmeW. :Dit deed den Heet, ixe Gmsr. naar dezeiven zeer zorgvuldig,zoeken, rtta,. toen hij op het punt (Ipnd van de zaak kamp te geeven t, ■ had zijn Ed. het pleizier van de twee ontbreekendeftjpr. pen te vinden, dog niet pp 't Borstftuk. Pm dg jlaat». zing derzelven te doen kennen , geeft bij de volgende befchrijvingvan bet Ägterlijf. » iHet beftaat .uit negen deelen, van -figuur alsrin»
gen, die In elkander fluiten, als een doosinzijn.dek- zei. Zeven van deze sRingen zijn^zeer gemakkelijk ikenoaar, en wij hebben gezien, dat op ieder eenpaar ,i luchtgaatjes gevonden worden. Wij neemen vopr een ondesfeheiden Ring bet end des-Agteïlijfs, alwaar he* Fondament en de deeleji der Voortteeling-zijn ge* plaatst. Deeze Ring is, in zijneinatuurlijkegefteld*- heid, bijna geheel binnen den voprgaanden ingetrqk« .ken., en de lange haairtjes, die den agter-rand van ïdenzelven. omzoomen, helpen nog meer om deezen te verbergen ; maar-een zagte drukking pp het Agter- .lijf dwingt'hem dat.hijzieh vertqone.. Zie daar agf! Ringen; de negende is het Deel, dopr het welke '% Agterlijfanet hetiBoetftukaamengevoegdwprd, zijq- de doorgaans ;bedekt van de lange haairen, die zich agter aan bet Borstftnk en vooraanbet Ägterlijf be- vinden. Deze negende, pf, om beter te zeggen, .eerfteiRing, heeft minder uitgeftrektheid in dikte dan ,, de anderen ; dewijl het Ägterlijf,, in zijn geheel, eenigermaate van -figuurj's als een langwerpige olijf., Hetzelve beftaat, derhalve, uit negenRingen, ;waar van de voorfte en de agterfte verborgener zijn dan de zeven daar tiisfchen. Hetis;devporfteofeerfteRing, ,', die men wel kennen moet, om de twee ,-ftippen of luchtgaatjes te ontdekken,die.wij tegenwoordig op 't oog hebben; ,w.ant zij zijn op dezen geplaatst. Men vind er een aan ieder zijde, die, wanneer met een ,, penfeel of eenig ander werktuig de haairtjes en.fchub- betjes, op de zijden van deezen Ring, worden weg« genomen, zich duidelijk .openbaaren. Ten minde ,i heb ikzeaan verfebeide KapMkngezien, enrnenont- dektze gemakkelijkst.in de genen, die men uit het bekfeedzel van de Pop haalt. Zijzijn^grooterdan.de, anderen; ovaal maarzo langwerpig niet als die der ,v overige Ringen. Men vindze fchuins geplaatst ten opzigtvan de Jangtevan.hetLighaam, en onderfcheid gemaklcelijk, dat zij eenindtuMing, eenebolligheid, ' ,; in 't midden hebben, en datsde randen witagtig,zijn., Het zijn deezeftippen of luchtgaatjes, welke deHeer
., Reaumür, op vergelijking redeneerende, gemeend heeft aan het Borstftuk te-moeten zijn. !Ik bén-verzer kerd dat ieder Waarneeroer, dicdezelven zoeken wil.j it ze even zo duidelijk ,zien;zal, als4k ze heb gezien $ maar de, roem der ontdekkinge behoort niettemin, regtswege:; aan dien doorlugtigen Heer; opzijn aan- wijzing heb ik beflooten ernaar te zoeken, dat ik waar», fehijnlijk anderzins verzuimd zou.hebben, indien hij: mij niet op den koers geholpen hadde^ dooi.-het wei- nige, ,-dat:bij,eri¥an zegt .. ». wijh
|
||||||||||||||||||
|
tekenen vanbeweeging, .of leven, zoemen,'t noemen
wil; dog verdroogden eindelijk. De Kapel t waar ik de Tfomp aan afgefneeden had, was zo even eerst uit de Pop gekomen ; des de Tromp nog geen djdbadge- had-, om zich op te krullen. Vervolgens diezelfde operatie doende aan twee Kap'elknyanxwee dagen oud,* maakten de Trompen, van den>Kppafgefcbeiden ,geen de m in (te beweeging meer. *Men kan.derhalve dit ,', verfcbijnzel niet zien, dan in Kapellen die zo eerst uitgekomen zijn ". Gelijkerwijs inlangte.en dikte,. zo verfchillen dezui-
gm der Kapellen ook in köleiir ; men vind er die geheel gwart, die ros of kaftanje bruin, die graauwagtig of bruin endie geel zijn. Sommigen hebben haairtje^-aso de onderfte oppervlakte, eénigen op zijde van de Tromp die In anderen geheel glad en baairloos is. In de-.gea. nen, dieikort en zeer'breed aijn, wind men maar ee- ne heiligheidof Buis, meteen pees of fpier ter .we- derzijden, 'H<Jt Borstftuk, dat aan den-Kop volgt ..fchijnthetivoor-
naamfte fteunzel van de Kapel te zijn, en is, ten dien. einde, ook uit hoornagtige (lukken, zonde'reeriige on- derlinge beweeging, zamengefteld; In hetzelve, naa- melijk, zijn niet alleen de vier Wieken of Vleugels in- geplant,'maar de Pooten hebben aldaar ook hunne aan- hechting. Deze Lighaamsdeelen vereifeben geen.bijzon- dere befchn'jving, .zo min als 'c Ägterlijf, rdatiitt ver- fclieide. Hingen beftaat, en in de Mannetjes-Kapellen dikwiis zeer klein is. Ik zal hier nog kortelijk van de Stippen of Luchtgaatjes, volgens de iWaarneemingen van gemelden Sweedfchen Heer, fpreekén. Ibidem, Î- 78. ' -De Vliegen met twee Wieken, en verfebeidezoor-
ten met vier Wieken, hebben aan het Borstftuk vier luchtgaatjes offtippen, vier gróote openingen :der a- i, demhaaling; het geen de:waariieemingenv4hden:Heer j, Reaumur óns leeren. Maar deze beroemde Autheur »heeft bovendien ontdekt, dat dezelnfekten twee lucht- )", gaatjes hebben op ieder Ring van't Ägterlijf. Bij.ver- », gelijking redeneerende heeft hij geoordeeld, ;dat de ,, iï«pei/m,;behalven die van't Borstftuk, ook luchtgaat- » jes moesten hebben aandeRingen van bet Ägterlijf; dog bij heeft dezel ven aldaar vrugteloos gezogt ; hij » 'heeftze niet in't oog kunnen krijgen, wegens'het groot » getal febubben en haairtjes, waar mede'het Ägterlijf » der Kapellen bedektjs, die de luchtgaatjes.verborge» » houden. »Hij verhaalt ons, niettemin ,;'dat de Heer » Bazi-n"dezelven gevonden had, dog door die tezoe« » ken 'binnen in 't Ägterlijf1, na- hetzelve geopend en » er alle de Ingewanden uit gehaald te hebben. DeHeer i Bazin heeft ook twee. luchtgaatjes aan het Borstftuk » der Kapellen gezien.. Wat-de luchtgaatjes of (lippen ,, ii aan het Ägterlijf-inzonderheid, betreft, ben ik nog, » gelukkiger geweest, zegt de'Geer, dan die beide m Heeren; ik hebze, en op eene gantsch niet twijfel. » agtige wijze, gezien. Zie bier mijne waarneemingen » daar -omtrent." t ^an verhaalt gemelde Heer, hoe hijeenmenigte Pop-
?jB.Van.'de gedoemde-Rupfen van de brandnetelen, diede Wine Aurelia of Goudvlinder geeveh, Verzameld héb- |
||||||||||||||||||
|
ftOnd
|
, een daar van opende, zo als de Kapel gereed
|
|||||||||||||||||
|
van eraiit te komen;, en' dat hij toen,, zeeiiduüler
|
||||||||||||||||||
|
lia*';- v|p
|
|||||||||
|
VLI.
|
|||||||||
|
' Wij zien uit deze waarneemlngen, dat de Kapellen
< voorzien zijn met agttien Luchtgaatjes, waar van.ne- ggen aan ieder zijde van hetLijf,volÖrekt als in d# Rupfen; dat de agt voorfte Ringen van 't Agterlijf ^er ,j -ieder een paar hebben; dog de laatfte en agterfte Ring geene. Even 't zelfde heeft in de Rupfen plaats, ten opzigt-van den agterften Ring. Wij zieh daarenbo- ,,' ven, dat het vliezige deel, naar een hals gelijkende, ,, waar door-de Kop en het Borstftuk te zamen vereenigd, >en daar de twee voorfte Poöten aangehecht zijn, ook voorzien is met-twee flippen, die overeenkomen met de twee op de voorde Ring van de Rups. De tweeds en derde-Ring- van de Rups heeft geen fti-ppen of lucht- «, gaatjes'; hetzijn deze dieovereenkomen met het hoorar agtig Borstftnk in de Kap el, het welkze ook niet heeft. ,i'Hierdoor word ons de aanmerkeljke gelijkformigheid ,-, aangeweezen, die er tusfchen de lighaamsdeeien van ,t, de Rupfen en Kapellen plaats, heeft, m is " De holle dop van dé Pep is van binnen geftoffeerd met verfcheide dikke-witte draaden afs zijde, welke ,, met eéis van hunne enden aan den rand dèr Stippen », zijn aangehecht, en voor't overige los hangen. Hun- ne aanhechting maakt het-zeer blijkbaar, dat dit op. ,i gedroogde luchtpijpjes móeten zijn of gedeelten van luchtpijpjes, welken de Kapel aan deHuid van de Pop ,, heeft laaten-blijven, toen zij die verliet. Alle deze \i draaden zijn geftrekt naar de zijde van den Kop van ,; het'Infekt. Ik fcbrijf hier flegts de uitdrukkingen na van den Heer Reaümur, die op de volgende manier ,i voortgaat'V Dit doet ons denken (zegt bij.) dat de Luchtjiijpjes^fdie tot de adembaaling van de Rups dien- den, ten minfte een gedeelte van de genen die,daar toe dienden:, niet doordrongen tot in 't binnende van de Ka- pel; dat zij kroopen tusfchen de eigen Vliezen van de Pop en de genen, die aan de Kapel eigen ziin.;" Zie hier de waarneemingen, door mij öaar omtrent in 't ,, werk gefield op de Dag Kapellen van de Brandnetelen fy en van den Wilgeboèm. ,, Dat men zagteMjk, en met voorzigtigheid, deHuid
wegneeme van een Pop, daar de Kapel gereed is uit te komen; dat men waarneeme het geen alsdan aan de rt Stippen gebeurt^ zo zal men zien dat witte draaden, die van binnen aangehecht zijnaari de Stippen van de Huid der Pof, allengs getrokken worden uit de lueht- ,v gaatjes of openingen der ademhaaling van de KapeL Ik heb dit wel duidelijk, zo aan de flippen van 't Ag» ,-, ter lijf'als-aan die. van 't Borstftuk, gezien, en ik heb de proefneeming meer dan eens herhaald, omdaarvan ,; wel verzekerd te zit'n., Zomwijlen kwamen uit ieder luchtftip drie draaden voort; op andere tijden heb ik ,-§ er niet meer dan twee kunnen onderfcheiden. De ,t Luchtpijpjes, derhalve, die aan deHuid van de Pop blijven zitten en er niet dan met hun eene end aan vast zijn, hebben wezentlijk tot binnen in ie-Kapel ,, doorgedrongen; want, naergeheeluitgehaaldtezijn, ,1 zweeft het andere end los en vrij ". Keaumub fchrijft, dat de draaden van de eene Luchtftip zich met die van een andere vereenigen, dog bij moet er zeker- lijk de Stippen van de Pop en Kapel^ door verftaan hebben. *■.,....-,- Deeze aanmerkelijke draaden, welke de Kapel ag-
,i ter laat, wanneer zij uit dehuid van de Pop voortkomt, ,\ zijn dit de géheeie Luchtpijpjes, of zijn het niet dan ,)de inwendig huid der Luchtpijpen,van deKapel ? Het a, if waatfchy'HlJijk dat de Luchtpijpen:, zo wel als de. |
andere lighaamsdeeien V eene verandering moeten o».
dergaan, in de geftalte-wisfeÜngvan de Rups, waar door zij tot een Kapel word, en dat dezelven inwen. dig van Huid moeten verwisfelen, -bijna op gelijke ,, manier, als de Maag der Kreeften bij elke vervélling word vernieuwd. ; Jk. geloof dan dat deeze idfaadea ,, de inwendige Huid der Luchtpijpen zijn, Swammer. dam heeft zulks in de ver veilingen, van den Worm der Rhinoster.Torren ook waargenomen. Zie zijn Werk genaamd Bijbel der Natuure 1. Deel. bladz. 309, ;, Het geene deHeer Rkaumur niet fchijnt op te mer-
ken, wegens den uitgang der draaden of afgeftr.oopte luchtpijpen uit het Lijf van de Kapel ; heeft-hij zeer wel waargenomen inde Infekten, die den naam; van » fuffers draagen. Hij heeft gezien dat er draaden, witte koordjes,, inde geftaltewisfeling.uit de. Stippen van het Juffertje getrokken worden. Deeze Infekten, zegt hij, ieggendte koordjes, die luchtpijpen af, als voor haar. geen gebruik, meer, zijnde* Zou het niet. veeleer een waare vervelling der Luchtpijpen zijn? ,y Want dé Ju fers, zo wei als de Kapellen,; blijven nog ademhaalen door de Slippen van het Borstßuk, even als zij deeden in deftaat van Nimfen en Wor- ,,, men. . .".-■■-■,..- Van de Deelen dèr Voôtiteeling, die in bijzondere Ka*
pellen eenigermaate verfcbillende zijn, reeds in 't alge- meen gefproken hebbende, ga ik thaus over tot de an- dere inwendigedeelen of Ingewanden. Alleen.zaliknog kortelijk in aanmerkingneemen, hoe de Heer De Geer, in ieder van. de agt Pijpjes of Vaa'jes, die de Eijerea bevatten, geteld heeft tusfchen de zestig en zeventig; zo dat bij in '-t geheel rekent ten minfte vierhonderd en tagtig Eijtjes in de Eijerftokken van een zijner Nagtka- pellen vervat te zijn ; een groote hoeveelheid, inderdaad, voor eene enkele Kapel. Hij merkt aan, dat deeze Vaat- jesniet gemakkelijk te ontwikkelen zijn, wegens de me- nigte van luchtpijpjes, die dezelven aan elkander verbin- den-, zilveragtigwit van koleur. Ik zal zijn Ed. niet na- volgen in het gene hij van, de Deelen der VoorUeeling'm de Mannetjes-Kapellen zegt, om niette zeer uit te wei- den of te verwarren in de omftandige befchrij ving van zaa- ken, wier nafpooring het geduld van de meeste Liefheb- bers te boven gaat. -...' - - Wij hebben gezien , datin deRupfen hetgrootftedeel
des Lighaams, wanneer menzeopent en ontleed, vervuld gevonden word met een flijmerige Stoffe, die doorgaans meer of min witagtig-geel!is, belFetagtig Lighaam bij Reaumür genoemd. Deze Autheur fchrijft daaraan het gebruik toe, van te dienen, tot voeding en verfterking der Lighaamsdeeien van deKapel, die uit ,de Rups tot voort te komen ; maar het zonderlingfteisi dat een niet minder veelheid van dergelijke Stoffe, die geel is cn uit een menigte van dunne Vaatjes fchijnt te beftaany in de Kapel gevonden worde. Wat moet men natuur- lijk daar uit opmaaken, vraagtde Heer BE Geer ?., Zn'j1- ,, fchijnt aan te duiden, dat, indien het vetagdg Lig« haam van de Rups-tot het gemelde einde ftrekt, zu^8 ,, dog het eenigfte gebruik daar van niet kan zijn ; want anders moest men dit Lighaam, die geeleftoffe, ge" heel verteerd bevinden; daar moestnietsmeer van^ vinden-zijn, wanneer de Kapel zijn volkomendbei- heeft bereikt. Het is derhalve een ftoffe die, ten min« fte voor het grootfte deel, in wezen blijft, en dus wezentlijk tot het Infekt, in alle zijne ftaaten, be' ^ booten moet, Het deakbeeid vaa-SwA»»MEED^, |
||||||||
|
__.... - - -
|
|||||||||||||
|
......f
|
|||||||||||||
|
: vet/
;, dia dezelve '»oor bét ttaare Vet gehouden heeft, is dan
nietonwaarfchijnlijk.> . De boornagtige deelen van lepelswijze form, die
v aan bet agterfte van het Mannetje zijn, en waar mede hetzelve bet Agterlijf van 't Wijfje in de paaring vat, zijn aan den grondfteun voorzien met eenige dikke wifte Spieren, die met haar andere end gehegt zijn aan de hoornagtige Huid der Ringen, en dus tot be- weeging zo van de lepels dienenaïs van de andere dee- len van het Gat. Boven en behalve deze Spieren zijn de gezegde deelen nog omringd met een dun fpierag- tig Vlies, dar vereenigd is aan de inwendige opper- vlakte van den laatften Ring. Over degeheele inwen- dige oppervlakte der Ringen, ziet men een groot ge- tal van witte Spieren, in de langte uitgeftrekt, heb- bende de gedaante van kleine lintjes, of gelijkende naar die, welke men inde Rupfen op de zelfde plaats vind.: Zij hebben baare aanhechting in de zamenvoe* ging der Ringen. De gemelde Sprieten, echter, zijn niets, in vergelijkingmet degeenen, welke zich aan 't Borstftuk openbaaren, maakende bondels uit," zo dat het bijna gevuld is met Spieren.- Zij moeten erin groote menigte en met uitmuntende kragt begaafd zijn, alzo zij ftrekken tot de beweeging der Wieken en der Pooten. ■"" _ - Wij hebben gezien, dat het Wijfje inwendig, na-
bij het Fondament, een Ligbaamsdeel heeft als een langwerpige blaas, die den afgang bevat, of dat dik- ,,/ke vogt, het welke de Kapel gewoon is van agteren iUit te werpen. Het Mannetje heeft er een vols omen dergelijke, die ook eveneens is geplaatst. Ik heb duidelijk gezien, hoe deeze Blaas geineenfcbap met ,, het Fondament heeft, en, dat meer is, ik heb gezien ,, dat.de Darmen zich naar de Blaas vervoegen en,hun» ne uitloop hebben jn dat ligbaamsdeel.- Ik was ten uiterfte vergenoegd met die ontdekking , want op dee- ze,manie,r begrijpt men gemakkelijk, boe de afgang; of diejzoort van, pap, in degedagte ß laas gebragt wor* de; dat zij afkomt van de Maag en Darmen, van waar zij voortgaat inde Blaas, om vervolgens door het Fondament te worden uitgeworpen. Men moet evenwel in aanmerking neemen, dat de uit.
werping van. vuiligheden in de Kapellen, die veelal zeer weinig vqedzel gebruiken, zeer gering is in vergelijking met djg -der Rupfen, uitgenomen j wanneer.zij zo eerst uit de; Po/i^M.gekomen'zijn,: of liever, zo dra zij in ftaat zijn.om te vliegen:; want dan fpuiten zommigcn een groo- te. veelheid-van een dik vogt uit, bet .welk aanmerkelij- ke vlakken maakt op de boomfchors en bladen, inzonder. heid, op hout en papier zeerzigtbaar én beftendig. Het vogt, datzijdus uitwerpen, is in veelen bruin of witag- f'g',dog hoogrood in eenige Dagkapellen, gelijk die van gedoornde Rupfen, komen, ais de aurelia, Nommer»Ka- ??(> t' Paauw*Oog,. enz. Debloedregen, diemenzoji- üjds zich wijs smaakt dat hier of daar gevallen zou zijn, word niet ten onregt aan de uitwerpzelen van zodanige Kapellen toegefchreeven ; zie Journal des Scavans. Fevr. 1767. 4rt. 8. ■De verfcheidenheid der Rupfen en Kapellen is onge-
meen groot. Juffrouw Mer i an had van de inlahdfclie of üwopifche, met die van Suriname, omtrent tweehonderd en zestig Soorten opgegeven ; dog de. Heer N. Strüyk ■inleiding tot de Algemeene Geographie of Aarérijksbe- Wrijving. Amfterd. 1740. bladz. 90, 91. heeftvan Oost. ii&^tfcht , Afrikaanfche* en ander uitlandfcht,
ril Deel.
|
|||||||||||||
|
VLÏ.
|
|||||||||||||
|
SPïS'
|
|||||||||||||
|
uit dèKabinetten van verfcheidé Liefhebbers, driehon*
derdagt en zeventig, en bovendien honderd drie en vijftig* Inlandfche, door bem zelf om en in Arnfterdam verzamelt, op bet naauwkeurigfte doen aftekenen In haare natuurlij- ke koleuren; zo dat dit een getal uitmaakt van vijfhon- derd een en dertig bijzondere zoorten van Kapellen, Na- derhand zijn nog verfcheidé onbekende overgekomen ; hoewel Linnäus er niet meer dm vijf honderd vijf ett dertig, in de tiende uitgaave van zijn SamenfieLder Na* tuur, geteld heeft. DeHeerLYONNET zieLâssER Theol. des InfeUes. remarq. Tom. Lp. 116- verhaalt, dat hij zelf, in minder dan vier jaaren, over de driehonderd en veer' tig zoutten van Kapellen, in een beftek van omtrent een mijl in 't ronde, bij 's Gravenhaage waarfchijnlïjk , heeft gevonden. De vraag is, of de Mannetjes en Wijf* t jes door zijn Ed. "niet wel eens voor bijzondere zoorten gerekend zijn ? ? Men is van ouds gewoon geweest, tleeze Infekten
in Dag- en Nagt-Kapellen of Vlinders te onderfcheiden, en dit maakte een aanzienlijke hoofdverdeeling uit. De Heer Reaumur is ook op die wijze te werk gegaan, en bij merkt aan, hoen'n de Kapellen regt het tegendeel plaats heeft van de Vogelen, onder welken die bij nagt,, vliegen, veelal Roofvogelen genaamd -, 'ongelijk minder in getal zijn^ dan die zich over dag vertoonen. Onder de inlandfche of Europifche zijn thzns wei eens zo veel Nagt-Kapellen als Dag-Kapellen bekend. Na dat men die uit de Rupfen begonnen heeft te teelen, koomen nog langg boe meet Nagt Kapellen te voorfcbijn; dat niet te ver- wonderen is, aangezien men zelden bij nagt uitgaat op den vangst der Infekten, Onder de UitMemfche, inte- gendeel, hebben wij, waarfchijnlijk om die zelfde re- den , tot nog toe veel meer Dag' dan Nagt-Kapel~ len.u- '-.'' üs - De Kentekenen, tot onderfcheidingderDag-en Nagt-
Kapellen van eikanderen, zijn niet duister,-zo de Heer Reaumur aanmerkt. Men onderfcbeidze , inzonder» beid,'door de figuur der Sprieten, het welk dieLighaams- deelen zijn in de Kapellen, hoe zigtbaar en uitmunten- de ook, van wier gebruik men nognaauwlijks een denk- beeld kan maaken. Men vind, bovendien, verfchillen- heden in derzelver figuur, die deezen Heer aanleiding gaven, om: verfcheidé Geflagten daar vaii te vormen. Die van het eerfte Geflagt noemt hij Geknopte (Antennes. a bouton), om dat zij, tot digt aan 't end even dun blij- vende, 1 aldaar een dikke Kop of Knopje hebben; hoeda- nigen men in de-Witjes en veele andere Waarneemt ; die van bet tweede Geflagt noemt hij Knodsagtige(enmafpue); om. dat zij, van den wortel af allengs dikker worden- de, aan 't end ftomp uitloopen; die vairbet derde Ge- flagt komen met de laatstgemeldèn overeen, uitgenomen dat zij platagtig rond zijn, en aan 't end wederom ver» fmallen ;: gelijkende dus eenigerrnaare naar Ramshoornen {Cornes de Bélier). Zodanige Sprieten hebben die Gras» kapelletjes, welke men St. Jans-beestjes gewoon is te noemen. Deeze driederleij Sprieten houd men voor Kenmerken der Dàg.Kàpellen. De Nagt-Kapellen, zegtREAUMUR, hebben Sprieten...
van drie andere Geflagten, te weeten de geene die ik Prismatiekt (Antennes prismatiques) genoemd heb, als. ; over de geheele langte nagenoeg even dik en driekantig als een prisma, dog aan 't end fpits zijnde. Haar bo- venfte oppervlakte is rond, dog bet overige beftaat uit ». twee egaale vlakke zijden, die onder aan de Spriet za- menloopen, . Het getal der leedjes, waaruit deSprieten i X za. |
|||||||||||||
|
■-<_
|
|||||||||||||
|
vu,
|
|||||||||
|
m* vlî.
|
|||||||||
|
van die der eerfte daar in, dat zij de Wieken riietrei
overend, maar meer ofmin vlak en evenwijdig aan c vlakte, waar op zij rusten, houden. Men vind er z< danig een, die uit een'gladde Rups van de Althéa voor komt, hebbende de Wieken van boven agaatkoleur met zwarte bruine en witte vlakjes fraaij gefprenkeli De Pop, van deeze zit in een tonnetje of dop; daar di van de vier eerfte Klaffen altemaal naakt zijn enhangei Men ziet van deeze Dagkapellen nooit vootkomen u langhaairige en zeer ruige, of uit Rupfen die knobbe tjes hebben,, naar turkoifen of andere edele fteenengi lijkende^ Alle de, Gedoomde-Rupfen veranderen in Ki pellen van de tweede Klajfe. Maar van de gladde en kor, haairige zijn er zomm igen die Nagt , anderen die Daç Kapellen uitleveren. Reaumurheeft, in zijne zesde Klaffe, zodanige ifr
j?e/ie»gefchikt,, die de Sprieteiiknodsagtighebben; hot wel Juffrouw Merian deeze tot de NaguKapeUen b( trokken bad; want alle, die hij daar van kende, vlie gen bijna den gehee/endag, en, dat meer is, zommige: maaken een brommend geluid, in'-t vliegen; weshalv menze Onrust Kapellen noemt. Eeriige geeven er, we gens de manier vanzweeven, .en in de lucht te blijve hangen zonder bijna van plaats te veranderen, den naar van Sperwer aan. Zekere kleine Kapelletjes, die me Glaswiekjes noemt, behooren pok tot deeze Klaffe. D zevende bevat zodan ige Dagkapellen, wier Sprieten pla agtig zijn als Ramsboornen, gelijk de zogenoemde 5, Jans-Kapelletjes. Indien alles naauwkeurig afgebeeld; op de XXfle Plaat der Surinaamfche Infekten van Ju frouw Merian, zegt hij,, zou men er nog een agtft Klaffe moeten bijvoegen, van Kapellen die de Wiekt regt overend houden, en niettemin de Sprieten kegelvoi mig, dat is naar 't «nd verfmallende hebben, gelijk d SurinaamfchcmPagie- i "> Een der voornaamfte Kenmerken, tot onderfeheidin
yan de Nagt-Kapellen onder elkander,, word door ge melden Heer afgeleid van de Trompen of Zuigers, wei ke aan zommigen ontbreeken, of ten minfte niet duide lijk zichtbaar zijn. De eerfte Klaffe word door hemg£ formeerd van, zodanigen die prismatieke Sprieten heb ben, en deezeallen zijn met Zuigers voorzien. Veelei der grootfte en fchoonfte Nagtkapellen, gelijk die van d Jasmijn, Oleander^. Liguster, enz.behooren totdeeZ' Klaffe, waar in hij de bijzondere Geflagten door de lang te en figuur der Z uigers; onderfcheid. Die van de twee de zijn bij hem de zulken, ook Zuigers hebbende, wie Sprieten kegelvormig in een fpitfe punt uitloopen, er die van de derde verfchillen daar van alleen, doordiei zij geen Zuiger fcbijnen te hebben. In zijnevierdeKlas feplaats bij de Kapellen met gebaarde Sprieten en een Zui gif,; terwijl de vijfde wederom de zodanigen bevat, die gebaarde Sprieten en geen zigtbaare Zuigers hebben. Eet zesde Klasfé heeft zijn Ed. geformeerd van zodanige #« pellen, wier Wijfjes, van Wieken ontbloot zijn Of onge vleugeld; hoedanigen er veelen voortkomen van Span- rupfen of Landmeeters, als ook van Borflel-Rupfen. Zul ke Kapellen, eindelijk, wier Wieken als uit Pluimpjes beftaan, maaken zijnen zzvende Klaffe uit. Deeze laat ften heeft hij, wegens de figuur der Sprieten, niet- tegenftaande zij bij dag vliegen, hier 't huis gebragt. De talrijke veelheid van NaguKapeUen gaf den Hee'
R-EAUMUR^aànleiding tot verfcheide Ondérdëelingen,af- geleid van de houding der Wieken, waar door hij iedei der vijf eeriteKlaffen in. Geflagten Jaajdeelt. Die van |
|||||||||
|
zamengefteld zijn, is in deeze veel grooter dan in die
van 't eerfte Geflagt. Die van het vijfde loppen, van 't begin naar 't end toe, allengs dunner; hijnoemtze Kegelvormig en Gekraald (a filets coniques £ graines,) om dat men gemeenlijk met het biooteoog zelfs kan zien, hoe zij als uil-korreltjes, die tegen elkander djgt aange- voegd zijnt beftaan, omtrent als in een paternoster of ketting kraaien. Van deze korreltjes zijn er rondere en plattere,1 als ook die eenigermaate naar wervelbeende- ren gelijken, en deeze figuur der Sprieten is onder de Nagt-Kapellen zeer gemeen. Die van het zesde Geflagt zijn de geeneü, welken men Gepluimde of Gebaarde (en plumes') noemen kan; dog zulke Sprieten ftrekken meest tot onderfcheiding van de Mannetjes der Nagt'Kapel- len, ' .:,,. Men moet evenwel deeze onderfcheid'.ng, zo hijzelf
aanmerkt, niet ten allernaauwilen opvatten , en zich verbeelden, dat gelijkerw.ijs. de Dqg'Kapellen allemaal bij dag vliegen, zo ook de Nagt-Kapellen niet dan des nagts of in de duisterheid..;Men ziet van,deeze laatften pok zomtijds over dag., en men kan er gemakkelijk veelen van te zien bekomen -,.. wanneer men het loof van zommi- ge boomen en heesters* ofdigtgewasfen kruiden, fterk ichud of op de takken fiaat. Evenwel neemen zij door- gaans geen groote vingt, gaande zich wel haast Wreder* om verfchuilen. Men zietze ook wel in de bosfchen, inzonderheid legenden avond, vliegen, dog het zijn dan meestal Mannetjes,, met gepluimde Sprieten; hoe« danigen men ook met een brandende fakkel of lantaarn, in 't donker, in de tuin gaande, op het licht ziet toe- vliegen. Bet fchijnt dat zij door dit licht verhijsterd wor- den, even als de Roofvogelen. Over dag ziet aren er ook wel eenißen op de bloemen, dog,ongelijk zeldzaa- mer dan de Dng-Kapellen. Men vind zelfs verfchei- de zoorten van 'Nagt-Kap ellen., die y an haare Wie- ken , om te vliegen, weinig of geen gebruik fcbijnen te maaken.,; ''■■'', De Heer Reaumur heeft,de Dag-Kapellen inKIasfen
verdeeld. De eerfte formeert hij van de zodanigen met geknopte Sprieten, die de Wieken overend houden , en in welke de laagfte rand der onderfte Wieken het onder» fte van het Lijf omvat, en die opzesPooten gaan of rus- ten. De tweede.begrijpt de geenen , die in alle opzig«, ten met de voorgaande overeenkomen, uitgenoomen dat »ij niet meer dan vier Pooten gebruiken..* De twee voor- fte Poolen houden zij doorgaans omgeboogen; het zijn onregte Pooten, die uitloopen in eenzoort van ruige Staartjes, gelijkende naar de zabels van Bont, welke de Vroüwsperfoonen om den hals plagten .te draagen. Van deeze laatften geeft de kleine Aurelia, zo wel als van de eerfteri het Witje.een voorbeeld. IndederdeKJasfebad hij zulke Kapellen geplaatst, die van de laatften alleen Mserfchillen , 'doordien de twee voorfte Pooten niet in Staartjes eindigen ; het zijn waare Pooten, maar zo klein, dat menzemet het bloote oogsnaauwlijks kan zien.,De zogenoemde Smid- of Gras-Oogjes, die men in de fo- merzeer menigvuldig op de velden vind, behoorentot deeze Klaffe. Die van zijn vierde verfchillen. van die der eerfte Klaffe daar in, dat de. rand der onderfte Wieken, zich omkromt, om het bovenfte van het Lijf te komen omvatten en bedekken, laaiende het overige't eeaemaai bloot. Zij behben, bovendien, een zoort van Staart, of uitfteekende punt aan ieder Wiek; hoedanigen die Kapellen zijn , welke men deswegens Pagies .noemt; Die. van, de vijfde KJaiSf der. Deg-Kapelkn, xerfchillfin |
|||||||||
|
vir.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
VLL
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ms
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
fi& mfl^ G^flagth&aiêtt âe Wieken evéiïwljdigtàh de d© everrrédigheW der ohdêrft'è Wieken hrgroette, rót
vlakte, waarop zif zitten; maar zodanig, dat de twee de boveeften; ntór derzëlver figuur en uitgeftrekthefd
bovenfte elkanderen kraifen, leggende de een over de ofplopijing, als de Kapelzicb in rust bevind, enz. Ook
andere heen. Dit hebben die van hét tweede Geflagt zoude irïën, zegt hij, vafl de Baarden, die onder aan
niet, alzo de binnenzijden der twee bovenfte Wieken, den Köp zijn, en waar tusfchen Het Snuitje, de TromJ»
die ook de onderften bedekken, tegen elkander zijn aan- óf Zuiger geplaatst is, nog andere Onderdeelingen kutf-
gevoegd. Die van het derde Geflagt hebben in de hou- nen afleidern Men vind erook, diealsGekuifdfehijaeii
ding haarer Wieken een bijzonderheid, welke haar zeer te zijn.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Een groote zwaarigheid, welke deeze Heer tegen zijn
eigen Verdeeling oppert, is, dat men Kapellen v{nè; wier Mannetje en Wijfje in houding der Wieken ver- |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
kenbaar maakt. Dat gedeelte der beide Wieken, 't
welk het Lighaam van boven dekt, legt niet even zo vlak als het overige ; het omvat het Lighaam en voegt |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
geh daar tegen aan, zo dat men de figuuryan 't zelvedaar fchiilen. Ik weet niet of deeze dan iets anders de oöt-
uit gewaar word. Een vierde Geflagt maakt hij varide zaak zij geweest, welke de hedendäagfebe andere Fe* genen, wier bovenfte Wieken ook of bijna evenwijdig deelingen heeft doen ter baan brengen. Tkzal bier eerst zijn aan de vlakte, daar zij op zitten, dog dezelven zijn van die fpreeken, welke tot nog toe den meesten ingang vart 't Lighaam afgefchei den, zo dat zijj't zelve niet al- bijTde Liefhebbers gevonden beeft, |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
leen niet bedekken, maarzelfs de onderfte Wieken bloot
haten. Men zou in dit G^/Zagt vërfcheide Onderdeel in» kunnen maaken, naar dat zich een grooter of kleiner ge- deeltes van de onderfte Wieken ontbloot bevind. Tot een vijfde Geflagt worden van hem de zodanige betrok- ken, wier onderfte Wieken door de bovenfte t'eenemaal bedekt zijn -, die met dé binnenzijden tegen elkander aan- |
De Dag-Kapellen worden door Roesel flegts in twee
JT/a/^raonderfcheiden, waar van de ««r/ifëis van dië met vier, de tweede van die met zes'Posten. Ook;heeft hij onder de Dag-Kapellen geen anderegeteld, dan die de Sprieten haairagtig dun en met knopjes aan 't end hebfi ben; zo dat die, welke de Sprieten knodsagtig hebben, of als ramshoornen, bij hem van de Dag-Kapellen uit* |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
gevoegd*, wanneerde Kapel zit fernsten, eenzoort van geflooten zijn. VandeNagt-Kapellen heeft hij vier Klas*
fcherpï toeloöpend dak over 't Lijf formeeren. Deeze yén gemaakt. De ' eerfie bevat de geenen, die men thans, zou tttët)'fikerp Gerugde kunhen noemen. Men vind er wegens het fpitfè Hoorntje, flat zij agtër op het Lijf |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
hebben, Pijlflaartennoemt,: voerende, in'tlatijn, derl
naam van Sphinges. Zömmige Liefhebbers noemen dee- ' ze, in 't algemeen, Onrusten of Onrust-Kapellen. Dó tweede Klasje der Nagt-Kapellen is van zodanigen, die de Wieken niet plat of horifontaal, maar dakswijze of |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Van, in welken de rug van het dak zich agterwaards zo-,
danig.verheft, dat zij als gezadeld zich vertoonen. Die varihet zesde Geflagt verfchillen van de naast voorgaan» den, doordien zij rondgerugd zijn. De Wiekenkrom- men zich, op bet Lighaam, eenweinigom, endaaraan |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zijn zij gemakkelijk van dejeherp Gèrugde teondérfchei- fchuins afloopende houden, en zodanig, dat het Àgter<
den. Veele Kapellen- worden er- gevonden van deeze lijf door dezelven, van boven, geheëlenal bedekt word. Geftalte, en daar onder zelfs vrij groote. Die Van het De Rupfen, daar de Nagt-Kapellen van de twee eerfte zevende zijn meestendeels klein. Men onderfcheidze Klaffen, en alle de Dag-Kapellen, voorgemeld, uit doordien het dak, datde bovenfte Wieken met elkander voortkomen, hebben altemaal zestien Pooten; dog die maaken; plof gerugdis. Bovendien hebben zij de ei- van de derde Klaffe der Nagt<-Kapellen, bij Roesel, genfehap, van zich als breed van Schouderen te ver- hebben maar tien en eenige weinigen twaalf Pboten. toonen. Men vindze, naamelijk; van vöoren of in 't Het zijn die geenen, welke men Landmeeters of Span- midden, een weinig breeder dan naaragteréri, alwaar rupfen noemt, gelijk hier voor gemeld is. Deeze Kapel- le Wieken zich iets fchijnen zarrien te trekken. Eenige len hebben de Wieken nooit zo digt om 't Lijf geflóo- kleine Kapelletje hébben de-Wieken'geheel-öm 't Lijf ten, als de overigen, maar breiden dezelven meer uit geflagen, gelijk die der Vogelen,;ïenaeezêraaakeh bét en houdenzëtegen 'tgeene, daar zij op zitten, 'tzijeën, »pfle Geflagt *bij Rei umus uit. - Men vind er onder, muur, febuttihg of boom, zodanig, als of zij er aan ge* die wel deeze houding hebbén als Zijftilzitteri, dogdie, plakt waren. Haar Lijf is ook altoos ranker óf dunne* '^opende; de Wieken overend zetten,: bijkans als de dan. dat der andere Nagt-Kapellen. Eenige weinigen dagkapellen. In het negende Geflagt fchikthij Zodanige echter hebben dê Wieken dâKswijze, gelijk die van de Kapelletjes^ meestendeels nog kleiner dan de voorgaan- tweede Klaffe. Die van de vierde onderfcheid hij voor« ds. wier Wieken, na zich bijna over de geheel© lang- naamelijk door de kleinte van de andere Nagt-Kapellen, |evan het Lijf omgeflagen te hébben, bovenhet Ag-- eh daar onder zijn de rheesten begreepen die van de Rup' terfte breeder worden én zich verheffen, om éen zoort fën komen, Welke zich hrbladen ihfpinnen en daarom y^an Staart te formeeren, welke eenigermaate naardfë' Bladrolders of Blihders genoemd worden, benevens de; 'aneen Haan zweemt. Daar is, eindelijk, een tiende zogenoemde Motten of Mot-Kapelletjes. ' |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
c yt, dat de Wieken niet enkel'elk aan haar zijde het ongelijk kleiner is dan bij Reaumur , wiens manier van
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dat j0mvatten'maar zelfs obk a&ndë ändere zijde; zo verdeëling meer konftig dan natuurlijk lchijnt te zijn.
KOJ:,e. oov.enfteVdie haare weergaâtèngroötfteh deele De Geftalte immers der Rupfen of Maskers, dient te- |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
oekt, als om het Lijf gedraaid is;* vens in agtgenomeii te worden, zal men een romp leete;
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
tote ezeilêra Gefl«gten had de Heer Reaomur gefehikt Hiftór/e opmaaken van de Infekten van deezen Rang. In»
eene Onderdeeling van àeKlaffen der:Nagtkapellen\ dien Roesel, echter, zo veel uitheèmfche InJektënïQ-
bén >i^'lde h,J ^e zoorten Verder ondérfcheiden,' heb- befchrijveh had gehad, als thans bekend zij» zou hij,
het r n°T den trap' waar in ie^er' ^e Kei-inièrlten van waarfchijnlijk zich in verwarring gebragt bevonden hëb-
dat ïfe''aSt » meer of min, bezat, bij voorbeeld naar ben, met zo weinig hoofdverdeelingen. Hierom werd
ttserof -eken ' dakswiJ'ze> meer ofmin fcherpgerugd; er een orde vereischt, die niet alleen op de natuur ge*
-■"" otann; van het Lighaam afgefcheiden waren,' naar grond was, maar ook; al-hët behulp te baat nam, Hét
, X z ' welk
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
S*a(î VU* <VLO.
|
|||||||||
|
VLO.
|
|||||||||
|
welk de konst en een fchrander oordeel, op't voetfpoor
van twee zulke voornaame Leidslieden, aan de hand kon . geeven. - . . ■ ■ ■■ ... > ., :> De Heer Linn-ssus had tot aigemeene Kenmerkender
Infekten van deezen Rang, die ik Dotuvleugeligenoem, gefield, dat zij vier Wieken, die met fchubbetjes ge- dekt of op de wijze van dakpannen belegd zijn ; tot Bek eene fpiraal omkrullende Tong, het welk de gedagte Zuiger is; en het Lijf haalrighebben. Van deeze maakt zijn Ed. drie -Geflagtgn,, waar van het.eerße degeenen bevat, die men gemeenlijk Dag-Kapelkn noemt.; Dee- ze hebben, zegt bij,, de Sprieten naar.'t,end toe dikker en meestal knodswijze geknopt; de Wieken ftaan, inde zittende Kapel, regt overend, ja voegen zich opwaards tegen elkander aan^ zij vliegen overdag. Het tweede 'Gefiagi bevat degeenen, daar wij den naam van 'Pijlftaar- ten aan geeven, om dat, de Rupfen, waar zij uit voort- komen,, pp bet agter-end een.hoornagtig pijltje hebben. De Sprieten zy'n in 't midden dikst,, en Ioopen dunner, ZO naar 't begin als naar't end toe, eenigermaaten drie- kantig;, de. Wieken sitffl dakswijze of wederzijds afloo- pende,;,: haar vlugt is zwaar;, zij vliegen bij avond of 's. moigensvfoegi,.Het,derde Geflagt,. waar in de geenen geplaatst,.zijn, die ,inen .Nagt-Kapellen noemt, begrijpt alle de overigen, wier kenmerk is, dat de Sprieten naar 't end verdunnen, en de Wieken, in de zittende Kipel, rneesta! v.tak, leggen ; als pok, het vliegen bij nagt. .Ie- der van deze drie Geflagten is door hem gefmaldeeld in yerfcheide Ar,tik,eJen.; Het eerfte bevat honderd-twee en- pegentig , het tweede'agt-en*dertig en het derde drie honderd-envijf.Som ten.. Die eene bijzondere befchrijving van ieder Vlinder of
Kapel op zich, zelven begeert, kan te regt raaken met bet Xle., Stuk IJle deels te doorbladeren, van de naauw- keurige eji uitmuntende Natuurlijke. Hiflorie volgens het Samenßel. van den Heer Linnjéus door de kundige en arbeidzaams Heer M. Hoüttüijn aan zijne Landgenoo- ten gefchonken; insgelijks het werk van de Heer Roesel waar, van,,eene, nederduitfche.vertaaling bet licht.ziet; vooral ook, het keurige werk van $epK 't welk om des- zelf uitmuntendheid te beklaagen is dat met geen meer- der fppe.d word voortgezet Insgelijks zal men zich ver- lustigen met Juffrouw Mbrian's werken te doorfhuf- felen. Voeg hier eindelijk nog bij, ,de,fchppne voort- brengzel en van de Heeren S wammerdam , Reaomur, §eba, Geoffroy, de Geer, en meer anderen. , , VLINDER-VISCH, zie SNQTVISSCHEN n, IV. ppg- 3435- , lit ■ . ... .:, :. ili' ,/
VLOED, zie EBBE. , ■
'■ -VLOEIBAAR, Vloeibaarheid',Vheifloffen. Een VJoeifiof of Vloeibaar-Lighaamrword van zbmmigen om- fchreeven te zijn ,; een lighaam , wiens deeltjes maar los aan malkander hangen, wo*dende:hu,nne onderlinge za- meohang ten,grpoten deele verhinderd van eenige uit- wendige porzaak.. In welken zin em.Vloeißofover ftaat tégen een vast lighaam, en wprd -van den uitmuntenden Heer IZA.AK Newton omfehreeven te .zijn een lighaam,, w'iens-deelen. gemakkeHik wijken, of uit den weg gaan, door allerlei kragten, die er op wérken en door dat mid- del dus. gemakkelijk oyer malkander fchuiven. Welke oirifchrij.ving veel beter is, dan die van Des Cartes, dat 'een Vlèeifiof is een lighaam, wiens deelen in eene ge.diiürjgc beweeging zijn, om dathet niet klaar blijkt, dat de deeïen. van; aUe Vloeißaffen zodanig zijn,, nog ook dat ds deelen van zommigè vtelighaamen.zodani&nietziïn. |
' Vloeibaarheid is eenlhatöf eigenfchapvanlighaamerj',
naar welke ze Vloeibaar genoemd; wprdeb, of die haar Vloeibaar maakt, en regtftreeks overftaat tegen Hard. heiden Vastheid. ■'.-.- - Ze word onderfcheiden van Nattigheid en Vogtigheid,
omdat het denkbeeld van Vloeibaarheid vollirekt is, en de eigenfehapin de zaak zelve befloten, terwijl het denk» beeld van vogtigheid betrekkelijk is, en nat zijn of aan- kleeven in zich befluit, dat is, iets, dat ons een gevoel geeft van nattigheid-of vogtigheid, en geen beftaanzou hebben, dan voor onze fintuigen. . -DuszijngeßnoltenMetaalen, Lucht, Hemeiftof, en zelf Rook en Vlam vloeibaare lighaamen, en geen natte, zijnde derzelverdeelen wezentlijk droog, ;en laatende geen gevoel van nattigheid na. Zie VOGTIGHEID. -.. Vloeibaarheid fchijnt hier int« beftaan, dat de deelen van eenige lighaamen fijn en klein zijnde, zo gefchikt zijn door beweeging n figuur, dat zegemâkkelijk op allerlei manieren over-malkanders oppervlakte konnen fchuiven. De Heer Boijle merkt pok aan, dathetno- dig is, dat ze verfcheidenlijk en afzonderlijk heen en weer konnen bewoogen worden, en dat ze malkander maar in eenige deelen van hunne oppervlnktens aanraâken. De zelfde Heer zegtin zijne Hiflorie der Vloeibaarheid, dat de gefteldbeden,';die noodig zijn; om een vloeibaar lighaam te maaken ,'< voornaamelijk de drie volgende zijn. ;. -.-■ - ' na;*'?!. ..■■..-..- . ■ ■■ ,-■■ ■,.., ,- i. De Kleinheid van-hunne deelen« Dus;zien we, dat vuur, door de metaalen in zeer kleine deelen te~verdee- len, dezelve fmelt, en-vloeibaar'maakt'. Op dezelfde wijze ; ontbinden de zuure fmeltvogten
dezelve, houden haare vogtop, en maaken ze vloeibaar. Het vuur veranderd het hard lighaam van gemeen zout door overhaalingbijna geheel in een vogt, fcboon het niet onwaarfchijnelijk is, dat de gedaante en figuur van deeze kleine deelen veel kan toebrengen, om deeze ei- genfcbap van vloeibaarheid voorttebrengen;'want men heeft bevonden in het overhaalen van Olijven-Olie, 't welk een vogt is, die alleen door perfing gemaakt word, dat het meeste van den olie, door de, werking van de deeltjes van het vuur,; indien men het in een Kromhals doet, veranderd word in een zoort van dikke fubftantie, gelijk Boter. - - Insgelijks is Kwik, welker deelen, buiten twijffel,
veel groover-zijn, dan die van olie en water, nogthans vloeibaarder, dan een van die beide. ; -_-"■-■-■' o a. Het fchijnt nodig tot Vloeibaarheid, dat er over'
vloed.van leedige plaatzenofruimtens istusfehen de lig- haamtjes van de Vloeiflof ; want anders zou er geen plaats zijn voor elk »deeltje, om zijne beweeging te onderhouden: over'de opper vlakt ens van de nabuurige» want. : s-.jDe voornaamflegefteldheid, dieervereischtword,
oui-eèn vloeibaar. lighaam te maaken, iV dat deszelfs deeltjes-verfcheidenlijk'en afzonderlijk bewoogen wor* , den;, 't--zij door hunne eigene beweeging, ofdooreeni*
geriiibftantie, die zeopen neer doet tuimelen door haa- ren doorgang door dezelve. : :Dat deeze hoedanigheid inzonderheid vereischt word .tot: Vloeibaarheid, kan men afneemen uit die,iemeene
proef van, wat drooge poejer- van Albast of Parijfe p'«'5' ter-, fijn gekift,- in een plat bodemig va^op het vuurie zetten; want dit zal in-korten tijd kooken , gel ijk wa-
ter, en alle beweegingen van kooiende vogt navolgen; het zal veifcbeidenlijk, even g,elijk dat, in grootegoi- |
||||||||
|
VLO,
|
|||||||||||
|
VLO.
|
|||||||||||
|
39«7
|
|||||||||||
|
TfiiJ pmtuimelen ; hei'zaLverdraagenimet'eenßök" ofk^
pel omgeroerd te worden zonder tegenfland te bieden, gelijk het doen zal,-, wanneer het koud is; ja indien het fterk geroerd word aan den kant van het vat,, zullen de golven zichtbaar opfpatten: tegen de kanten ; nogthans in-. dien er iets van fchielijk word uitgenomen, en op een ftuk papiewgelêgd i zult gij niets j daneendrooge poejer.zien. Zodat het hieruit klaar is, dat er een wezenlijk o,n-
derfchejd is tusfchen een, vloeibaar lighaam en: een nat yogt;: want jn'et-alleen .deezekóokende.paejerengefinol- ten metaalen i maar.de lucht en hemel ftof ». en de vlam zelve zijn. eigenlijk vhsibaare ligbaamen.j fchoon .geen: aattevogten, pii.'s ::.;..■ ..::'?..■..■" :-e ;, 1:.,s. ;:.,- Die verftandige Heer vond ook ,dat, door den rook van Äosmarijn in een glaazen piip;te blaazen, endan.de pijp» ^wanneer, ze gevuld is', over end tehoiiden", de;, oppervlakte van ,de-n rook zich fchikte naar hef waterpas,; en: op welke wijs de bujs ook op zij:geboudenwerdi de oppervlakte van den rook waterpas was,'e*n dat de rook ,- wanneer het glas zeer vee) op zij gehouden werd,: daar langs.heen afliep.jvgslijfewater..« .>.;: :'?■ .■ Waaruit hij befluit, dathet, om een lighaam v/oesjaar
te maaken, niet nodig,; isr,\'dat' dészelfs deelen zo digt verdikt worden, als die van Water, . Dr. Hoos geeft ons; in zijne Micrographia p. 1.2. een
of twee fraaje,proeven,, om dit berigt van de Vloeibaar-, hiid te bewijzen,; namelijk dat een bak met fand, gezet zijnde.boven op een Trommel ,,die fchielijk met deftok- ken gefiagenword, of:op,den i>o>venften:fteen van een Molen , die fchielijk rond. gedraaid w,ord over den (ledi»; gen) ond.erften, lil alle. opzigten de eigenfchappen' van een vloeibaar lighaam nabootst ,\;warit. een zwaar lighaam. zal daarin aanftonds, naar-den grond zinken, en een licht lighaam. naar'boven komen.; Elk korreltje fand heeft cenegeduuurige, flingerende.i'danzendebeweeging, en indien roen een .gat in de. zijde.;van .denibak maakt," zal er het fand uitlekken, gelijk.water... ;>■. .\ ■. ■■' ■"> De wijsgeertevan-kleineligbaamtjesi .eer zevän den
Heer Izaak Newton wonderlijk verbeterd was, kon dit:ftuk» niet ophelderen ; rwanCrze gaf geen berigt vanrde oorzaak van de^vpornaamfte.gefteldneid jdie er "vereischc. word, om. tot een vloeibaar lighaam te maaken,; name-! lijk de verfcheiden beweegingen van dészelfs dseltfei; maar hiervan kan men ten grppten deele.;rede:geeyen,:indien men onderftelt, dathet een vqnr.de voomaamfte-wetten der Natuur is, dat, gelijk;alle.deeltjes:van Aofmalkan- der aantrekken, wanneer ze. binnen een..zekerenafftand; komen, ze insgelijks ook van malkander afwijken-met grooterafftanden. , t, v ,, ■■:.!.■ ..;.. Want, fchoon hunne gemee.nerzwaarta ze bij malkan-
der, in eene masfa. kan houden, ^elijkioolt.'de;drukking van andere li'ghaamen op dezelve (zo als zomtijdsge- beurt) dan können evenwel hunne gecknirige poogingen ■ om malkander te vermijden,? ende bijkomende.Invlpe-: den van licht, -hitte of andere.uitwe.iidigeoorzaaken j de. deeltjes der Floeifloffen geduurig.:ronds0m malkander doen beweegen, en dus deezeüboedanigbeidvoortbreii« Sen- .■ > . -m, 1 n ■;■ ' : tjb m .Het is inderdaad eene: zwarigheid;, ...die -niet gemakke-
lijk over.te koomen is, van redende.gee.ven-,-waarom de deeltjes, der Floeifloffen akijd op■ zu.it een afftand-van mal. kander blijven, dat ze niet komeiihinnen. den kring van ffialkanders aantrekking. '■-. -..', _ Het maakzel en de gefteîdbeid van. het vloeebaar lig*
wam. Water, is verbaazehdj ,dateen:ligtaam, zp ijl,. |
|||||||||||
|
evti !t ; welk : zefij- veel -meer Poriën, óf ledige, tusfcben-
ruimtens heeft, dan de vaste ftof, nogthans door de grootfté- kragt volmaakt onindrukbaar is y 'eh dat'die ïFloeiftofi evenwel gemakkelijk gebragt word tot dàt vasty doorfehijnend, bros ligbaam, 't welk we ijs noemen, door alleen aan een zekeren trap vankoude te worden blóot- gefteld.' ■ ; .. :■■ *.V '. ; ■■ .; ■.' -' -v Men moet denken, dat fchoon de Waterdeeltjes niet
digt genoeg können bijmalkander kobmeh, om malkan- der aan te, trekken,; dat nogthans de tusfchenkomende koudmaakende ftof, daar met; zeer kleine deeltjes' on- der vermengd zijnde, dezelve fterk aantrekt, ja zelfs insgelijks fterk daardoor: aangetrokken word, eri dus de geheele masfa tot een vast lighaamUnaak-rpWelk vastlig- haam zijne vastheid wederom verliest y wanneer de band door de hitte ontbonden word,«ndeeze koudmaakende deeltjes van,die van het^wätergefcheiden, engenood- zaakt worden, om Weg te-vliegen,- en misfchien kunnen dus de dampen van tood het Kwik tot een vast lighaam maaken. ■■ ,-.: ; ; ".,■>'■' ■■■'■'■■■ ,/ . -, ■,* Wanneer een bard vast lighaam, ;gelijk Metaal, door
de hitte tot een Vloeiflof -gebragt word, zo fcheidhec vuur dészelfs zamenftelleride; déeltjes-mief, Wèlké de onderlinge aantrekking te' vooren-deëd afin 'een hangen r en het houd dezelve niet zo ver varirhalkandér verwijdert, dat ze buiten den. kring van malkanders-aiantrêkking koo- men , zolang alsdie hevige beweeging duurt? en wanneer die over,.en de hette vervloogen is, koomeh ze dan niet nader bij malkander aan te trekken î en weer 'te vereeni- gen?,;' ;;/.; V5 ,;!, . '. ;■.. >m«: :■■■ ;v. -.: ■/ Dewijl derhalven de oorzaak van zatnÈhhâng van »de
deeltjes der vaste Lighaamen blijkt te zijn httn'ne onder- linge aantrekking, fchijnt de voornaàmfte oorzaak der Vloeibaarheid te zijn eene tegenftrijdig'e beweeging, in» gedrukt in de deeltjes1 der Floeifloffen, waardoor- ze mal- kander fchuwen en vlieden, zoras als ze bij een komen, en zo lang als ze op zulk een afftarid van malkander blij- ven..- '■■ .■:■-. U -■. 'f. i i! ■ - ' .;■ .-," ; '.- . ' - Men heeft,ook bevonden in de PJoeißofem, dat.de. ftreek van hunne perfing tégen de vaten, die ze bevat- ten , is in lijnen, die loodregt zijn- met de zijden van zul- ke Vaten, welke eigenfehapi hoodzakehjüvoortkomen. de van hét bolronde wezen van de deeltjes dëtVloeifloffen,. toont; dat de deelen -van ^lle1 Floeifloffen'-''xättsdanig ge- fteitzijn , óf van eene figuur, die er zeer na-bij köomt.. Dr. GtAßE zegt, dat, indien de deelenvan een: lig-
haam malkander >niet 'aanraaken i- of gemakkelijk over malkander glijden j en zo groot zijn, dat zegemakkelijk. door de hitte kennen bewogen worden, en de hhtegroor genoeg is, vom- ze te bewéegèn, " fchoon die,misfchien. niet-voldoen de ! is ^ = - om -het water te beletten van te- bevriezen. of zelf Tchoön de deelen-niet wérkelijk be- wogen worden ; nogthans indien ze klein , glad, en glibbe- rig Zijn,én van zodanigen figuur en grootte,; die haar be- kwaam maakt, om zich te beweegen, en. te wijken, een. zodanig lighaam vloeibaar is. . ■ A- -- - : : En. nogthans hangen de deeltjes van zulke vloeibaars.
Lighaamen.-eeniger maate aan malkander .gelijk hieruit/ blijkt, dat Kwik, wanneer die weljvan.lucbtgezuiverd. is, in de Barometer zal opgehouden worden tot de boog-, te vàn zestig of zeventig duim , dat water zal op» klimmen ; in haairkleiné buizen, zelf in een 1'uchledi- ge. plaats , en dat dé droppels-der Floeifloffen 'm eem Uichtledige plaats loopen tot eenè bolronde gedaante,, als malkaridéraankleevende doop ëenige onderlinge. zar; X 3, . men>. |
|||||||||||
|
39*5 , vna
|
|||||||||
|
VLO.
|
|||||||||
|
De Kenmerken beftaan in zes Pootentëheoben, di«
tot fpringen bekwaam zijn, benevens, twee Oogen eiï draadagtige Sprieten; in plaats, van.Bek een omgeboo- gen Snuit, die Borftelagtig is en een verborge Angel heeft; het Agterlijf op zijde plat of zamengedrukt. Behalven de gewoofle Vlooijen zijn in dit Geflagt ook de
Ametiïaanfche Sandvlooijen ; die de tweede Zoort uit- maak en, begreepen; Dus. r. Gewoone Vloo; Pulex irritans; Pulex, proboscide
corpore breviore. Linn.- Faun. Suec. Het is deeze , (vervolgt de Hr. HouttuYn), die met de voorgaande naamen, van ouds tot heden, bedoeld word, en waar van zeer veelen Authéuren, de afbeelding, zo door de gewoone als door het Sonhe Mikroscoop, onder 'toog gebragt hebben. In geen derzelveri, geloof ik, heeft (1er- ker vergrooting plaats dan in dié van Bonanni, voikoo- men1 met die van Hooke overeenkomftig, alwaar dit klei- ne Schepzeltje terlangtevan bijna een amfterdamfchen "voetj en ter dikte van bijna de vijf duimen vertoond word; izo dat de Vloo aldaar j in lighaamelijken inhoud; meer dan vijfhonderd-duizendmaal vergroot: is voor« gefield.' ■ "'.' '.: ■■■ ":.■"' Bh ■ -,-.■■ De Vlooijen, hoe lastige Infekten ook door hun krieu ■
welen en bijten, hebben geenzinsde affcbuwlijkheid der Luifen. « zekerlijk anders niet hebben durven wenfcben een Vloo te zijn, om bij zijn Meisje onder de Kleederen te kun- nen kruipen. Ondertusfch'en ftrekt dat Gedigt niet veel tot lof der Vlooijen, die immer zo gehaat zijn, wegens baar vinnig bijten, 't welk den Mensch zomtijds uit een diepen flaap wekt en geen ruste laat, en nog boven- dien de Huid met leelijke Vlakken befmetten. Parve Pulex £? amara- lues, inimica Puellis
Carminé quo fungar in tua faSa feroxl ■ Tu laceras Corpus tetierum, duriffime, morfus Cujus cum fuerit plèna Cruore Cutis; Emittis maculas nigro de Corpore fuscas, -&c. Dus zijn de Vlooijen, nietalieen, eenalgemeeneplaag
der Menfcben en van verfcheide Dieren, óp den gehee- Ien aardbodem'i\ ten miibfte daar de Menfchen gekleed gaan en huizen bewóónen, en daar het tevens nier al te koud ofte' weinig fömer is; gelijk in Lapland, alwaar LiNNiÈUs er geenen vond. Ook worden zij, des Win- ters, bij ons, zeer wein ig vernomen, enzommige Men- fchen zijn fer meer dan anderen van geplaagd, ofTchoon zij in een zelfde 'vertrek zich onthouden, ja bij elkander flaapéh. Van kranke Menfchen, of die op 't fterven leg- gen , en van dé Lijken, gaan zij af. Men vindze, bijster 'yeel, -iri' öade afgeworpen Zwaluwen-Nesten. ' Dé geftalt'e van een Vloo is meer zonderling dan ver- féhrikkelijk ; * want de wapening, als uit over elkander heenleggendë $Chi!den of iterke Schubben beftaande, dié haar gëheeIèJLijf bekleed, heeft niets dat afgrijzen- kan verwekken, en de gedaante van den Kop, bene- vens die der Pootèn, in 't groot gezien-, fchijnt eer èen bedrieglï/ke flimheid, om den Mensch door verborgen wapentuig teverrasfen, dan openbaar geweld of gevaar- lijkheid, aan te duiden. Duskanik niet goedkeuren, dat Geoffroy van zijne Afbeelding zegt ; On i verra la figure terrible de ce petit Animal, && Hiß. des Inf. aux'envir, de Parts. Tom. II, p. 615. Men moet dit In- fekt onder de Springers tellen; want tot loopen fchijnen de Pooten, die het de twee voorften aan den Kop ende ■ twee |
|||||||||
|
meribanf,: gelijk de zamenhang vsügepolijste marmers
plaaten. ■.,:;■.. . ; . ': ■ .h Hierbij kan men voegen, dat deeze vloeibaare-Lighaà'
men, indien ze uit deeltjes beftaan, die gemakkeüjk- met malkander vereenigd worden, gelijk: OZk; af in- dien ze in ftaat zijn, om door de koude verftijfd en ver- eenigd te worden door tusfchenkomst van zeker vógt gelijkWater, gemakkelijk hard gemaakt worden; maar indien hunne, deeltjes zodanig zijn, dat ze niet können vereenigd worden, gelijk Lucht, of n iet ftijf gemaakt wor- den door koude, gelijk Kwik, dat ze als dan nimmer hard en vast worden» ;. Ia't kort, de Cartesianen omfchrijven een Vloei-
fiof, dat het een lighaam is, wiens deelen ingeduurige inwendige beweeging zijn, en Dr. Hook , de Heer Boyle, en de Hoogleeraar Boerhaave, fcboondie hemelsbreed- te te gevoelen1 van Gartesiüs verfchillen, onderfchrij- ven deeze omfchrijving, en'brengen bewijzen bij, welke toonen, dat de deelen der Vloeifloffénm geduurige be< weeging zijn, die de: Vloeibaarheid te weegebragt.en de" raatfte fchriifi deeze en alleïandere beweeging toe aan vuur.,; ZieVUUR. ,.:,;; . aVloeiftoffen dan zijn of natuurlijk, gelijk Water;
of dierlijk, gelijk Bloed, Melk , Gal, Waterig vogt, Pis; ofwel gemaakt, zo als Wijnen, Geeßen, Oliën enz, VLOEIBAARE DINGEN, zie FLUIDA.
VLOEIBAARS HARS, zie ALCHITRUM,
VLOEIBAARE MANNA, zie MANNA.
.VLOEIBAAR VQGT, zie LIQUOR. VLOEIENDE AMBEIJEN, zie AMBEIJEN.
3 VLOEIENDE LADANüM, zieLADANUM. ' VLOEISTOFFEN, zie VLOEIBAAR.
VLOO, Vlooijen. De oorfprong van den latijnfchen
ßeflagtnaam Pulex, is duister ; (zegt de Heer M. Hout- TtrrjN in deszeifs uitmuntende Natuurlijke Hiflorie).. Sommigen: habbeo dien.daarvan afgeleid, dat zij uit Stof voortkomen-,: en,, inderdaad,, dit heeft meer eigenfchap, dan dat het van haare donker bruine koleur zou zijn. Ik weet niet, waarom* men nietgedagt heeft óp het latfjn- fcbe woord Peilere, dat ook kloppen of ftooten betekent, en, in de volmaakt voorleeden tijd, een dergelijkenuit- gang heeft. Dit zou op deVlomjm, wegens haar ftoo- tend opfpringen, dat haar als uit het gezigt weg drijft, niet ontoepasfelijk ziin. Dog men kan het ook, metVos- SJEUS, afleiden van het. griekfehe Pfijlla, of Pfijllos, 't welk voor een Vlo« gebruikt is; gelijk-mendaar van een duidelijk blijk in het VIookruid(Pjï///.a?») heeft, dus we- gens de figuur der Zaadjes genoemd zijnde, Calcagui- Hus, die een iofdigt ter eere van de Vlooijen heeft ge» fehreeven, geeft ons de volgende, zeer natuurlijke , afleiding van dat woord. Hij meent dät de Vleo\ den Mensch eerst de aderlaating geleerd heeft, of liever de uitzuiging van het venijn uit vergiftigde wonden. Nu weet men dat de geenen, die zulks oudtijds deeden , Pfijlli ge- noemd werden.- De hebreeuwfche naam Pargneesth, -die van een wortelwoord, 't welk wegwiiken betekent, afkomftig zou" kunnen zijn , word een Vtoö vertaald. Maar tweemaal komt die in 't Oude Teftament voor,1 naamelijk i Samuel 24. vs. 15, en 26. v. 20. Op wel- ke laatfte plaats het, door de Zeventigen, Ziel vertaald is. De Italiaanen noemenzePt</ee, de Spaânfchen Pulgas, de Franfchen Puces. De Engelfche naam Flei, de Hoogduitfche Flohe, en de Hol land fche Vloo, fchijnen ajtemaal van het fnel fpringen, waar door zij als wegvlie- gen , herkoinftig te zijn, ; : ' |
|||||||||
|
VLO,
|
|||||||||
|
VLD.
rtree middeirîen langst heeft, geheel onbekwaam te zijn.
Door de buiging van alle de Leedjes der Pooten, te gelijk, die zich allen eensklaps ontfpannen, en dus een ongelooflijke uitwerking doen, worden de vervaarlijke fprongen veroorzaakt van dit Infekt, wel tweehonderd» maal de hoogte van zijn Lighaam overtreffende. Deeze maaken, dat het .bijna niet, dan in wollen ftoffen of baaifigheid verward zijnde, te vangenlzij. De Ingeze- tenen van Daiekarlie, in Sweeden, draagen derhalve, zo wij leézen, een ftukje van een Haazen-vagt aan 't Lijf; welk bont de F/e»y« zeer. beminnen, en dikwils daarin kruipen» r^.vso ...;... . ■' .....--.. .. ,_ , Alen moet zich niet alleen over den geweldigen fprong,
die een ongemeene kragt en vlugheid in dezelven te ken- nen geeft, maar ook over haare:fterkte verwonderen ; wannéér men de konsttuigjesziet, daar zoinmigeh deeze Infekten toe gebezigd hebben. Mouffetus verhaalt reeds,' dat zeker Engelscbroan dié^M&M genaamd was -, eengouden kettingje gemaakt had , van een vinger lang,. met een flot en Hemeltjei welk,hij een Vloo wist aan te doen, die er mede fprong.- ■ De-grootfte verwondering, echter, verdiende zijn handigheid in deezen; dewijl.die geheele toeftel. nog geen grein woog, Hooke verhaalt iets, dat meer bewijs-geeft van-3e kragt der Vlooijen- Een. Engelsen Werkman had van ijvoor een Karos ge- maakt met zes Paarden, op den Bok een Koetfier, die een Hond tüsfcberi dè beénen bad; een Postiljon op 't rijpaard, en vier Pèrfbonen in de Karos, met twee Knegts agter.op, en die geheele toefiel werd door een Vloo voort- gehold. ' ' " j ; ■ ■■' ■"- " ' Dat Werktuig, het welk men den Angel der Flooijen
noemt, heeft de opmerking van verfcheide Waarneemers naar zich getrokken > hoewel dog weinigen hét te regt befchouwd hehben, dewijl er niet gemakkelijk bij te ko- men is. BonanjNI fielt ons, opeen zelfde plaat, de afbeeldingen voor, welke Tortoki y -Griendel en Hooke, daarvan in 'tlicht gegeven hadden, en voegt er dé zijne" bij, zodanig als déeze Angel hem v door de bes- ie Mikrosköopen, was voorgekomen. Hij had er een , gemaakt door den Hollandfcben Konftenaar de Raves- wat, het welk hem in het Snuitje, dat de Vlooom bloed te zuigen uitfteekt.-vier deelen heeft doen waarneemen., waar van er twee naar den krommen fnabel der Roofvo. gelen gelijken, en dus een Bek maaken, die zijdewaards opengaat, 'zijnde zeer fpits en hoornagtig. Hier tu£~ fchen, zegt hij, is een Snuitje begreepen, dat uit een zeer hard Vlies beftaat en dun met haairtjes is bezet, tweevoudig als het hecht van een knipmes-, bevattende in zijne hollighéid den Angel, daar de Vloa-meàe (leekt en het bloed inzuigt. Die Angel, naamelijk, is, als een buisje, van binnen met-een holte voorzien. Wan» neer de Vloo daarmede kwetzen wil, dan rekt de Angel zich op dergelijke wijze uit, als wij dit zomtijds de Aard- wormen zien doen .wanneer zij in den grond gaan boo^ ren. Een fioe met lijm aan papier vastgemaakt, ende- zelve daardoor, als,'t waare, tot dolheid gebragt heb- bende, zag hij dezelve den Angel dus niet alleen:,uifc «eeken, maar zomtijds tusfehen de deelen van deuBek, z°ratijds daar boven, zomtijds daar béneden houden," Sslijk hij denzeiven met de Scheede en den'Bek, iri oeeze driederieij ftanden, beeft doen afbeelden; zie fi'g.. Co> 61, 62, van zijne Micographm'cwïofa. _De Ouden , dievoor de toevallige' voortbrengingder fieren waren, maakten geen zwaarigheid,: om-te fiel; eB> dat de Vlooiden: uit ftof voortkwamen, endaarom. |
|||||||||
|
9S*J
|
|||||||||
|
vrori dit Infekt ook, volgens Isiboros, genoemd een.
Kind van,'t Stof CPuherisfiiius.) Aristoteles, even- wel , heeft reeds erkent, dat de Vlooijen,, 20 wel als dei Luifen en Weegluifen,, haaren oorfprong uit Eijertjes als JNeeten hadden, die door de, ouden gelegd, waren, Swammerdam heeft deeze overeenkomst veel te ver ge-, trokken, wanneer hij fielt, dat de Vlooijen, zo wel als de Lm/e®,;-volmaakt uit de Eijertjes voortkomen, en dus tot zijnen eerften Rangvaii Verandering,, ook, b&- hopren zouden.. Dus fpr.eeken zommige Autheureri,:in navolging van anderen, 4i& alleenlijk zijn eerfte Werki* in 'c latijn vertaald,{Hifi."Inf. generalis Lugd.Bat. 1733. p.66.") hebben ingezien, en 't is waar.datdie.fcherpzien- de Waarneemer de veranderingen tot een bruinekoleur, in het Eij der Floo meende befpeurd te hebben,- dog na- derhand, toen hem verhaald was, dat de Heer Leeu- wekhoek, te Delft, het voortkomen van een Wormp* je uit het Eij der Vloo had waargenppmen » iieeftbij». edelmoedig, zijne onkunde daar omtrent betuigd, en dé verzekering, dien aangaande, uitgefleld tot nader waar. neemingen , zie Biblia Nature of -Bijbeldir 'Natuur». Leijda 1737.P. 59. ■ . ,.,, : .- ! Leeüwekhoek , dan, had waargenomen, dat uit het
Eij der Vloo een Wormpje voortkwam, hetwelk zich in- een kasje befloot, en tot aan het volgend voorjaardaarin beflooten bleef. , Zodanige kasjes , dat eigentlijk de 2"»»« netjes zi\m, /waarin het Wormpje zich befpint[ eri eerst een Popje, dan een volmaakte Vloo word, moetSwAM» merdam aangezien hebben voor Eijtjes der Vlooijen. E", hoe ligt is het, zich daarin te bedriegen ; dewijl rfe> eigentlijke Eijtjes. of Neeten van deeze Infektenzo moei» jelijkte vinden zijn; eensdeels van wegen de Weinte, andersdeels, omdat zij veel in ftoffigereeten offcheuren van planken gelegd worden; want bet Wijfje, dat aart de dikte zeer wel te kennen is, legt de Eijtjes altoos, gelijk de Rupfen , op plaatzen, waarde uitkomende Jon- gen, aanftonds, hun voedzel vinden, zegtEßiseu, diede volgende niet onaartige aanmerkingen over de Voorttee-t ling en menigvuldigheid der Vlooijen op zekere plaatzen, opgeeft. [>r(, - -.-." . ii Du*-,-, De Vloo is, wanneer zij uit haar Eijtje Jtruipt, ei~\
gentlijkeen kleine Houtworm, alseenÄ«px, voorzien roet zes Pooten en een Rupfen.gebit. , iDie, onge- ,-, fchaafde bedplanken onder het bedftroo heeft, heeft ,i alles bij .een, wat tot opvoeding der Vlooijen behoort,. ,; en derhalve ook. geen gebrek daaraan. Want .aldaar zijn deeltjes van hout en iftroo ; daar, is warmte tot; .uitbroeding, door het flaapen op de bedden. Ver>- mogende luiden daarentegen, dié de vertrekken net- jes metftéenen belegd, ofmethardglad hout gevloerd .hebben, lijden, in.de.fomer, op yernaazo veelvan de Vlooijen niet. Zeker Amptman verhaalde mij, dat hij onder de planken vamzijn vloer zaagzel had laaten 1 werpen ;. wien ik, antwoordde.,. dat hij, den volgenden, fomer, geen gebrek aan Vlooijen hebben zou; en, in- derdaad, hij was genoodzaakt uit dat vertrek te vlug* wegens de menigte van dit Ongediert. 't Gemeene- ' Vulk verbeeld zich, dat zij uit de pis voortkomen ; dbg dit zijn ongegronde meeningen. Hoe morfiger een vertrek is, hoe,meer Vlooijen daarin huisveiten.. Die een vloer van planken heeft, moet denzeiven, in- ,, ;de .fomery alle Maanden ; met kookend heet Water iaa- ten fchrobben; het welk dienen zal om de Eijtjes ear- ' Warmpjes- te dooden. Als de Warmpjes töt volwas- -fcnbeid zijn gekoomen, vouwen zij deenden te zâ»: men-
|
|||||||||
|
VLO;
|
|||||||||||
|
VLOi
|
|||||||||||
|
393«
|
|||||||||||
|
ó men;;enjpirsnén êetf Torinetj% , äls'datvaÄ één Zijde-
IVcmf, om z ich heen. 'Van deeze Tonnetjes heb ik veelen, honderden geopend, en in eenigen de'■Vioei- n~' jen nog geheel wit, in anderen zo "bruin én volkomen -■ aangetroffen , dat zij mij tegen 't aangezigt fpron« j.'gen". '...?. In de Verandering der Vlooijen moet, naar het jaar-
feizoen, eën ongemeen verfchil zijn; wart men heeft ontdekt^ dat zij, door de Eitjes, in een klein glazen buisje, bijzich, geduurig inde,'Boezemte draagen, in *t midden van de fomer in vier dagen uitkoomén, en, wanneer men de Wormpjes, dab, met doode" Vliegen voed, die zij gretig uitzuigen," zo komen zij, iri elf da- gen , tot volwasfenheid, als wanneer het Wormpje zich in- fpint, en, na vier dagen.verloops, in een Popje veran- dert, dat, na negen dagen tijds in die geftalte gelegen te hebben, overgaat tot den volmaakten ftaat. Dus blijkt,' volgens de waarneemingen van>LEÈuwÉNHOEK. dat een Vloo, in omtrent een maand tijds ; haar Geflagt kan voort- planten. Op de-Honden .Katten en Haazen, hechten zich AeEijiies, dié giinfterend witlijn, aan de Haair-' tjes digt bij het lijf, en de uitkomende Warmpjes zul» len'; ;waaffchijnlijk, van défméerigheid der huid in deeze Dieren, hun beftaan vinden. U ..... , De Paaringsdér Vlooijenkän, wanneer men een Man-
netje en Wijfje in een glazen buis doet, die wel digt, dog niet luchtdigt tóegeftopt is,.genoeglijk wàargeno«; men worden. Men zegt, dat dezelve op een zonder- linge wijs gefchied ;: alzo het Mannetje gedekt word door. het Wijfje. Leeuwenhoek heeft haare Ingewanden, op dergelijke manier als Swammerdam die der L; uifen,: naamelijk door ontleeding in' een weinig water » waarge- nomen. Hij meende, in het Mannelijk-Zaad van deeze: Infekten, de Zaaddiertjes zeer duidetijk te hebben ont- dekt. i-\ ■,.,-;.:,.:■:..:-.,' ■..':-, sb De.Vlooijen onthouden zich, als een plaag der Ménfch'en:
en Dieren, ook in,alle wereidsdeelen. Men heeft; der- halve, vanouds al verféheide middelen beproefd om ze te verjaagen, 'die goed. bevonden dog niet allen even ge- makkelijk te gebruiken zijn. Dat Kruid, onder ande- i ren, 't wèlkmëh Poleij noemt, groeijehde in Gelder- land in 't wilde, zou daar van den naam hebben. Alst,. Perfikkruid, ftinkendc-Kamiile en Kun of Boonkruid , worden ook als dienftig', tot verdrijving van dit Orige« diert, opgegéevën. Deeze Middelen -, echter, fchijnen, zo gemakkelijk .niet té gebruiken, nóg zo onfeilbaar te zijn, als een: geduurige zuivering der Vertrekken en. Bedfteeden, benevens het vlijtig opvangen van de Vlooi?. jen, dat,, met een wéinig Katoen in het BedftedeofLer dikant te floppen, zegt men, gemakkelijk kan gefchieden.. De Schaapen wol , nog ;op: het Lijf fittende , fchijïnt, geen aangënaame vebüjfplaats voor dit Ongediert te zijn; daar zij dog, 't geen zeldzaam is, best in wollen. dekens en wollen kleederengevangen worden.: Mooglijk. zal die vettigheid indeéze Wol, welke tot uittoeijing. der Matten dienftig is,,- oothinderlijk zijn aan 'de Fio'oi-. jen. Zij worden uitgeroeid doordikwiis veegen van den. vloer, metelzebladeren-ofderzelvérafkookzel; alsook, door de Ondérlaagen der Ledikanten en Bedfteden dik-, wils af. te wasfehen met fterke loog van potasch,- zegt Doctor ScopOLi. Ook verzekert,men dat Dekken die. over zweetende Paarden hebbén gelegt een onfeilbaar, middel tëgehs de. Viooijen is. a» j. . ido ■ ->■■ ,, ll.Sand-Vlooy.Pulex.cütém pénétrons.: C&tesb. Va-,
fti.Jil. p, io. ; Jicarus.fuscus fubcuie nidulans,. proms^. : J3 " "
|
|||||||||||
|
cïdé acutkre. Brown. Jam.%i$. ; Pulexfroloscide cou
poris , longitudine. Marcgr, Braf. 249.' Zie SÀND- VLGO. . : VLOG-KRUID, is een Plant-gewas.'t welk in 't la-
lijn den naam van Pfijllium draagt, afkomilig van het grieksch '*»»«, een Vloo, om reden dat het zaad in gedaante en koleur naar een Vloo gelijkt, Kenmerken. Het Vloo-Kruid koomt in de meeste op«
zigten overeen met de Weegbree en tamme Kerstboom; behalve dat deeze Plant met bladige Stengen opgroeit, entzieh in veele Takken verdeelt,-terwijl de Weegbree en tamme Hertshoorn haare Bloemen op naakte Voetftee- len voortbrengen, ; : . ; . Zoorten. Daar zijn verfcheidene zoorten van dit Plant-
gewas , die van de Schrijvers over de Kruidkunde onder- scheiden en befchreeven worden; dog dewijl die tot geen gebruik verftrekken en weinig fchoons vertoonen, zullen wij ons enkel bij de twee volgenden bepaa- len. . , ... ;,-:.-.,■■ . . I. Groot:regtop.-gróeijend Vloo-Kmid; Pfijllium offi.
çinarum. Dodok.. è? Lobel..; Pfijllium majusereüum. C. B Awa. Pin. 191 ; : Plantage annua, foliis integerrimis, Cüule ramofo ereüo. Dalib, Paris 51.; ÇPlantago cauli ramofo., foliis integerrimis, fpicis foliofis, Linn. Spec. Plant.) ; . :■- ■■ ia,..VJóO'JCruid^^met gekartelde Bladen; PfijlliumDks-
condis.vel indmmt:,feliis crenatis.-Ç. B&uhin. Pin. 191.; (Plantage cauk ramofo, foliis dentati.s, fpicis aphijllis. LTsmSpec.-PJant.. ' ■,;.. , . ■ ; Plaats. De eerfte zoort behoort natuurlijk tot Hoog-
Duits'chland, Suid-Frankrijk, Italien, Spanjen, enz.op dorre fandige plaatzen, naast de heggen en elders. De tweede zoort is uit de Indien afkomftig. - Kweeking. Beide de zoorten vermenigvuldigt men, door haar zaad in het voorjaar Opeen bed met ligte aar- de te zaaijent. en wanneer ze zijn opgekoomen moeten- ze van onkruid worden zuiver gehouden, en daar ze te "digt: (laan verdund worden, laatende de overblij- vende Planten van agt tot negen duim van malkan- der; waar na ze geen oppasfen meer,nodig hebben, dan ze van onkruid zuiver te houden ; in de maandx junij koomerj' de Bloemen te voorfchijn, en het zaad word in de herfst rijp. Kragt én Gebruik. Het is alleen''t^Zym van 't geweek-
te zaad, , 't welk dog zeer zeldzaam> in de Geneeskun- de word gebruikt; het zelve, word aangepréezen als een goed middel voor brandende.pis, inwendige inflamroa- tien der ingewanden, en ornfeberpe vaten te temperen; zijnde dus ook dienftig Voor de.roode» en andere loop, welke de darmen aantast-; naamelijk het flijm van 't in^ waf e Jol weegbree-water geweekte, zaad,, zo wel geflikt als in klijsteeren. Uitwendig is deeze flijm dienftig voor ontftookene Oogen; ook in gorgelwater vermengt. voor een zeérekeel. -, -, VLOÓ.TOÊRETJE, zie TORRETJES ». XXVI-
pag. 3687..-.. ■' ; :' VLOO.WORMPJE, zie VLOO»,
VLOT GRAS, zie GRAS n. zz.pag. 932.
: VLOUW noemt men een Net, 't welk inzonderheid dient om Sneppen te vangen, en waar van wij debe- febrijving onder dat Artijkel hebben medegedeelt. Wij moéten hier echter nog bijvoegen dat men in Hol-
land-bij de Slag-Vlouwen; die onder -'t opzigt van een dies kundigen wprden:geftelt, geen hutje of verbergpla3ts behoeft, maar dat de Liefhebber of Vogel vanger door- - gaan»
|
|||||||||||
|
VLO;
gaans aan den-voet .van den ^éenen kant -zit, onder
eèri hooge Boom, mét de Laatreep door een mik loo? pende, inde hand, aan weise Boom de eene zijde der fioww zit, waaraan defteen gehegt is. Terwijl men de touwen in handen heeft, moet men
geduurig zijn gezigt op het Net vestigen, om beide de handen los te laaten, zoo draa er een Snep tegens het Net aankoomt, daar die als dan terftond in zal verwarren , en met het Net op den grond vallen,' dit gebeurd zynda, moet men in aller yl weer naa de haak toeloopen, de beide touwen in de handen neemen, 't Net wederom ophaalen, en op zijn voorige plaats gaan, en voorts zijn beft doen om anderen te vangen. Somwijlen heeft men nauwlijks de tijd het Net weder op te haaien, of daar vliegt een Snep over, en ande- ren komen er in voor dat het ten halven is opgehaald. Hier uit blijkt dat naar maate iemand;handig is, urn bet Net fpoedig te ftellen en op te haaien, hoe meer Vogels hij ook zal vangen. , ~ Hier bij dient nog aangemerkt, dat het Net niet
geheel op den grond moet zakken, maar omtrent vier- yoeten daar van afblijven. Indien een Flouw aan een Meir of wijde waterplas
word géfpannen, daar zich Snep ophoud, zal men een goede vangst doen, indien men enkel zorg draagt om zich weinig te beweegen, en daar bij handig is. Twee middelen zijn er om de fieepen van de Vlouw
vaft te houden, zonder dat men ongemak aan zijne handen krijgt, en teffens tegens de koude befchut blijft.------ Her eerfte-word. in een der figuuren van
Plaat LX VII. bov. af deeling vertoond. Onderftelt
dit de haak R aldaar getekend zij door cijffer i. de enden der twee touwen door 2 en 3 , en dat 5 en 6 de twee reepen zijn die het Net ophouden. Ais dan in het Hutje of onder den Boom zittende, zoo houd ter deegen het touw vast op de plaats met 7 getekend, ,en haalt met de andere hand de twee reepen: bijeen op fle plaats met 4 getekend, en zulks tusfchen uw bee- nen die boven uwe knie haaiende,- draagt voorts zorg, ftw knieën vaneen te verwijderen wanneer er een Snep in 't Net koomt. te houden, zonder iümde te lijden of zijn handen te bezeeren, is in de tweede fig, der bovenfie af deeling Van Plaat LXVII. afgebeeld. Ten dien einde onder- ftel ik dat de zitplaats van den Vogelaar zij bij R, als to moet hij een paal bij H in den,grond Haan, die twee duim dik is, ftaande vier duim boven den grond, 6n anderhalf voet van K en M gelegen ;' fteekt als dan n°g twee andere dikke ftaaken in den grond, getekend met J en L die omtrent een voet boven den grond Koeten uitfteeken; twee duim van boven moeten dee- ze beide ftaaken, elk van een gat ter wijdte van een y^gerdikte zijn voorzien, waar naa het ftuk hout N, P> O. 't welk aan de beide enden Nen O niet dik-, Her dan een pink is, fteekt; in't midden van dit hout zal men een gat maaken, dat ruim genoeg zij om er een pen van een vinger dik in te,fteeken, -moetende-deeze Pen vijf ,3.zes duimen lang zijn, deeze pen moet men ln t gat fteeken, voor dat men de twee I, L, K ; M.> yaft zet. ____ jsfeem als dan nog een ander ftuk hout «■■> G, F, van drie vierde duims dikte, maakt aan ie- «eï einde van het zelve een kerf, door welk middel j^t vast kan gezet worden aan de paal H, en de pen *".■"*- Alles dusdanig toegeftelt zijnde, en het Net geipannén hebbende; zoo neemt de beide reepen A en PU Deel. :
|
|||||||||
|
VLO.
|
|||||||||
|
3531
|
|||||||||
|
B in de eerie hand, legt die bij malkander aan letter C,
om het eind van de middelpen D, haalt daar na't andeç eind van die pen E, na de kant van 't Net; en haal de rol.N, O. twee flagen rond, zet ze dan vast door'tee-r ne der einden van 't kniphout G tegens 't paaltje H te zetten, en't ander end F tegens het eind der pen E, zo dat de zwaarte der Flouw de rol willende omhaa- len, door't kniphoutje daar in belet en weerhouden word, op deeze wijze behoeft men het Net niet met de handen vast te houden, maar kan die om warm te blijven in de zak ftêeken , alleen moet men zorg draagen de voet geftadig in G te hebben, en zoo draa er een Snep in de Vloww koomt er tegens aantrappen, als dan zal 't Net even fpoedig ftrijken of neervallen, als of gij 't in handen had. Om Warvlowwen toeteflellen.
Vlouwen die aan weerskanten ladders hebben, of van fijn garen zijn vervaardigt, en met beurzen, zak- ken en fal balaas voorzien, daarbij ruim en flap, zijn goed aan de wegen in de Bosfchen. Zij zijn daar in gemaklijk, dat een Man in ftaat is er veelen te zetten, en dat er niemand behoeft bij te zitten ; want de Snip bij dag als ftikziende, geraakt en verward zich daar in, mat zich, door't onbefuisd voortdringen, af, en blijft er in hangen. Zij worden aan't eind van Star- rebosfchen en ruime Doorzichten en Plantagien, te- gen't open veld over gezet, 's Morgens, en 's avonds gaat men er naa zien, of als men op den dag eens gaat wandelen; dit Net is niet kostbaar, geeft veel vermaak en voordeel, en is't oprechten dubbel waard. De gedaante er van, word in de benedenfie fig. van Plaat LXVII. afgebeeld. . Onrer zoo een te maaken, moet men de maat van
de wijdte en hoogte van de plaats neemen, daar het moet gebruikt worden,, de ladder aan vierkante maafen maaken. Die ladder moet zijn van goed grof vier draads garen, en de maafen moeten tien, of twaalf duimen wijd zijn. ,r . i_ : 't Want moet zijn van los gefponnen garen van twee
draaden, en de, maas twee duimen wijdte. Men zal dat Want twee of derdehalf maal langer dan de lad- der neemen. zo dat er groote zakken in zijn. Men moet ze tusfchen twee ladders maaken; en het gant« fche Net op maaken. f' : Span een van de ladders op den grond, op een ge«
lijke plaats, die zuiver is, maaktze àan de vier hoe- ken A, B, Ei F. aan paaltjes vast, fteekt daar -na een glad touwtje zonder knoopen in de laatfterij maa- fen, die rondom het Net gaat. Dit gedaan ziinde, moet men't eind van dat touwtje, en den hoek van't Net, aan den hoek A van de ladder vast maaken, doende daar na'c touwtje langs den kant A, Q, B, dan zal men't vast binden met een hoek van 't Want, inden boek B van de ladder, en van daar voortgaande met het touwtje door te fteeken, zal men 't' aan eenan-r dere hoek van 't Want, inde letter F vast maaken, en eindlijk de laatfte hoek in E, waar aan mjen 't Net gelijklijk zalleggen, zo dat het fronst, en ojverat ; zakken maakt. Daar na moet men de andere ladder op dat Net leggen, om dus de vier hoeken te binden, met die van de andere A. B, F, E. Als't Net dus tusfchen de; twee ladders in legt; moet men een fterk touwtje nemen, en maaken't eind van de twee ladders aan een vast,en 't touwtje, 't geen;door den rand van'* Y Net |
|||||||||
|
VLO.
|
|||||||||
|
$93* V*-0-
|
|||||||||
|
Net gaat', gelijk men ziet in de touwtjes door de Cij'£
fers i, 1, 3, 4, 5, 6, 7» 8, o, en doen dus rondom het Net, om dus van de drie Netten niet meer dan een te maaken. Men moet dus in't geheel beflas; op Sekere plaatzen, van drie tot drie voet de twee ladders aan een binden, gelijk men ziet op de plaatzen door de Letters G, H, I, K, h, M, N, O, P, en op-anderen,'< daar men kleine knoopjes heeft, op dat het Net in de hoogte gefpannen, niet om laag zakke, 't geen 't doen zoude, zo de ladders niet bij een wierden gebonden, en men fomtijds geen meer zakken vond in de eene dan in de andere plaats. ?t b Om de gantfche Flouw roe te tuigen, zal men een
»ouw neemen van een pink dikte, 't welk men er rond- om aan vast zal naaijen, 'om hetzelve te boorden; men zalaan de twee hoeken A, B, twee lusfen van't zelfde touw maaken, die beide omtrent een voet lang zijn, en aan de-tweé andere hoeken E, F, zal men twee einden laaten omtrent van een voet of zes lang;, om't Net aan de Boomen vast te binden en 't in ftaat te houden, dat het niet door de wind verwaaije en er de Snippen beter in blijven.r> v Men moet de Flouw laaten bruin taaneh, om ze te
Hinder te doen zien. Om Vlouwen aan groote Basfchen te maaken,
In groote Bosfchen, daar't Hout fterk én hoog groeit, ♦alt het bezwaarlijk open plaatzen te hebben, of men ftioet een menigte van Boomen weg hakken; en'dan is fflen nog niet verzekert, dat er de Flouw goed zal zijn; of't »oet al een plaats wezen van tien of twaalf Morgen groot of meer, zonder Boomenr daar die opent plaats op eindigt," zo dit niet kan wezen, kunt gij van de uitvinding een proef nemen, die in de volgende Fi- guur verbeeld wordt. Jk onderftel dat gij weet't geen van de Snip op zijn plaats en derzelver vlucht gezegd is. Kiest een plaats aan den kant van't Bofch, die zui- ver is. bij voorbeeld Ä, D. (zie Plaat LXVIÏÏ. de bo- renfle af deeling) voor'tBofch, en de ruimte tusfcben den Boom A, en de letter E, zij de open plaats, die vier, of vijf roeden wijd moet zijn ; kiest een hooge en rechte Boom aan den kant van't Bofch; gelijk die door A getekend, om er de takken na de open plaats toe af te hakken, en om hoog een fterke (laak vast te maa- ken, getekend door de letters K, R, Z. Zoekt in 't Bofch een Boom die maatig dik is E, F. daar bij zo hoog en recht, als mooglijk is. Na dat men er de tak- ken van 't een tot het ander eind heeft afgenomen, zo brengt ze op de plaats van de Flouw, en maakt een gat in de grond op de plaats E, dat drie, vier of vijf voe- ten diep is; en drie, vier roeden, van den kant van't Bofch A. Steekt in dat gat 't dikke eind des Booms, die afgehakt is, en recht ze op, hebbende er eerst, op drie a vier voeten na aan't eind F, eenige banden van hout om vast gemaakt, en de eene aan de «nder ge hecht, a, b. c. d. e. f. enz. om de ftaak met houten hakeni, rondom in de grond vast teflaan, en daardoor vast te houden. Zij moeten van E een voet of negen af zijij, even, als de ftaag en hoofdtouwen van een Schip.- Men moet echter zorg draagen dat er geene binnen de open ruimte A, E. koomen, op dat het Net daar niet aan verwarre. Gij moet uwen omgehakten Boom zodanig planten, dat de punt F. omtrent twee voeten over de open p'aats na het Bofch toe overhan- ge; en men moet daar bij tij ds een katrol C aan't dun ; |
eind vast maaken, meteen touw, dat- daar door gaat,
even gelijk aan den Boom A, daar men de katrol £ ziet. i Men kan daar't groote touw wel in laaten, maar om
dat het er ligt uit zoude geftoolen kunnen worden, laat men er niet dan dunne touwtjes, en die kort zijn, maakende daar't eene eind van, boven den Man , aan den Boom vast, en aan't ander eind een fteen; ge- lijk in B. Of wilt gij in ftaat zijn om 't nog beter te doen, zo draagt altijd een leer of ladder bij u. Zie hier nog een andere uitvinding; hierin betraan-
de, datrnien het Net hebbende van den fteen afgedaan, na datide vlucht over is, men de twee touwen bij den andere neenït, en de fteenen tot aan de katrol ophaalt; daar na een knoop X gemaakt hebbende, men die een roede of anderhalf na boven doet opgaan , na dat de hoogte der katrol is. Neemt daar na een houtje V, dat twee voeten lang.is, aan weerskanten gefpleten, waar op men 't overige van bet touw zal winden. Na die twee touwtjes in de twee fpleeten gedaan te hebben op de einden van't ftukjehout, zalmen alles om hoog laten gaan. Dus zullen de fteenen S, T, neerhangen, tot op de halve hoogte der Boomen, om dat de toir- wen aan de letter X aan malkander zijn geknoopt, en 'É overige zal men met het houtje V ophangen, zo dat men om die te vatten, een haak mede moet neemen om ze daar mede neer te haaien. Of men moet een touwtje hebben, en aan't eind daar van een fteen vast maaken, zo groot als een ei, om 't te werken over't houtje V, en 't neder te haaien, gelijk men anders me£ een haak doen zoude. > Ander zoort van Flouw, die men een Schuif'
. Flouw noemt. Getoond hebbende hoe men twee zoorten van Flou-
wen maakt, zoude ik denken aan mijn oogmerk niet te voldoen , zo ik niets van de fchuivende Flouw zeide, welke men in't franfch ook wel Pantine, of Panteinc noemt, die op alle plaatzen goed is, vooral in landen, daar men niet dan hakhout heeft, en Bosfchen, waar van de Eigenaars niet zouden willed toeftaan, dat metl de Boomen om ver, of er takken afhakte, om de bei- de Fhuwen te zetten, waar van ik heb gefproken. Hebbende de twee ftaaken E, B, D, C. (zie Plant
LXVIII.de benéd. figuur) die een arm dik, van achtiefl of twintig voeten lang, en regt en ligt zijn : hakt er aan 't dik eind een punt aan ; gij zult aan elk dun eind B,D. een ijzeren of koperen ring vast maaken, om voor een katrol eenigetmaate te dienen. Ook zult gij een Net of Flouw met ringen hebben, a Bouclette in 't franfch geheeten, waar van ik op zijne plaats, het maakzel ge- toond heb. Door die ringen zal men een fterk touwtje fteeken , dat glad en 6 roeden lang is. Dit touw word betekend met de letters B, G, D, E. Hebt dergelijks een houten haak F, die een voet
lang is', en bindt die bij al den toeftei vast, om u daar van op zijn tijd te bedienen. Men moet aanmerken, dat die Flouw niet anders
word gefpannen, dan op den kant van een Bosch, van gehakt bout, nabij een ftuk grond of wijngaard, op den grooten weg, of de dreeven van een Bosch of Perk, voornamentlijk, als die plaatzen eindigen op Velden, of open plaatzen, in 't midden van't Bosch. Ook kan men het fpannen langs een Beek, aan den
kaut van een Meer, of wel aan den ingang van Wei- den, |
||||||||
|
VLO. VL& tfLIJ. VOE. arflffi. ^9S3
|
|||||||
|
ietij, en van Bosfçhen;: kort om, op alle plaatzetj,
Jaar men denkt dar. Snippen vliegen. Om zoo een Vlouw te zetten, moet men op deeze wijze t,e werk gaan. Onderftelt, dat de Boom L, de ingang van een Bofch zij, of andere plaats, daar gij voornemens zijt aw Net te zetten. Maakt daar uw Net los; neemt het eind van't dikke touwtje, 't geen gaat door de ringen, en maakt het aan't eind van de Maak op de letter B. vaft. Steekt een klein touwtje E, K, door de ring, die aan de letter B. is, en maakt ze aan de eerfte.ring bij B. van de Vlouw vast, om ze ais een bed-gordijn open te haaien. Steekt daar na de ftaak B. E. aan den Jsant van het Bofch L, zo, dat ze wel ftijf in den grond fteeke, én een weinig na den Boom H. toe over- hange. Neemt het ander eind F. van 't dikke touw, jen fteekt het mede door de ring D, die vast is aan't top- eind van de ftaak D. C. welke gij desgelijks in den grond zult fteeken, drie, of vier roeden van't Bofch, of van de andere ftaak B. E. af. Gaat daar na drie, of vier roeden .van 't Net, achter uit, aan den voet van 't een oft ander ftammetje, of boomtje zitten, of van eenlge takken in den grond geftoken, recht tegen over de Vlouw, gelijk op de plaatzen door Z. of F. gete kend. Op die plaats moet men den haak in de grond fteeken, en daar aan 't een eind van 't dik touw vast maaken, en na het 'er geheel doorgehaald te hebben , tot dat het Net ftaat, zal men't touw een reis drie, of viermaal om dsn haak winden, om't ftijf te houden, als gij aan't kleine touwtje E. K. trekt, om't Net te /pannen, uitgedaan zijnde, neemt het touwtje I. C. dat door alle de ringetjes fteekt, keert weder na uwe haak, en gaat bij 't Bofchje zitten, hebbende geduurig 't oog op de Vlouw, om 't bij een te haaien, zo dra er een Snip in vliegt, en zo dra 'er een is gekomen, moet men die dooden, en't Net weder fchielijk zetten, en doen gelijk de eerfte maal ; 't zal niet kwaad zijn een dun touwtje aan de laatfte ring D van't Net te doen, -gelijk aan de andere kant; men zal te eer de Vlouw weder in order gefchikt hebben. Zij die dit foort van Vlouw gemeenlijk gebruiken , hebben doorgaans een lange ftok bij zich, waar mede ze't Net verbrengen op'tgroote touw. aanmerkingen op de Schuif-vhuw of Vlouw
met Ringen, ;. Dit foort van Vlouw wordt gemeenlijk niet gemaakt,
aan met fcheeve maazen, om dat ze langs een touw moet fchuiven, gelijk een fchuif.gordijn. Zij moet niet meer dan drie of vier- roeden wijd zijn, en twee en een halve, of drie roeden hoog. De maazen moeten twee duimen wijdte hebben, men kan ze ook van twee eneen halve, en drieduimen maaken, maar niet meer. Dit Net moet ook los gedraaid, maar fterk zijn, en pen maakt koperen ringen aan alle de maazen van de oovenfte rij B. D. vast. Men-zal twee andere touwtjes B. E. ,D. C, nemen,
weike men door de maazen aan weerskanten heen zal «eeken,_ waar van 't eene aan den ring B. en't ander j>an de ring D. moet vast zijn, om de Vlouw in ftaat te "ouden, als men ze gebruiken zal. Hierom zal men «e twee einden E. en C. los laaten, en tien of twaalf voeten langer maaken dan het Net. '■ vLUGT , zie VOGEL-VLUGT. ■■
VLIJM, zie LANGET.
VOEDENDE,, pf Vqedend Ughzmn, arqri alte.iZQ»
|
|||||||
|
danige ftoffe daw verftaan, die oet'dierjjijk lighaam
fljet alleen onderhoud, maar ook tot deszelfs voort-, .groeijing verftrekt. De voedende Stoffe, of eigentlijk zo genoemd" Voedzel
beftaat in alle zodanige lighaamen, 't welk van Dieren gegeeten zijnde, bij hun eene verandering en ontfloo- ■ ping ondergaat, zo dat die met derzelver zelfftandigheid
yereenigt wordende, het dierlijke Lighaam daar door aangroeit en herftelt word. VOEDEND-SAP. De werktuigen en middelen zijn
bekend, waar van de Natuur haarfeediend, om uit de Spijzen dat Voedend-Sap te bereiden, welk eindelijk de.ftoffe onzer gantfche Machine word, alfchoon men niet begrijpt, hoedanig deeze verandering eigentlijk in zijn werk gaat. Dog wanneer men wil bewogen, hoe- danig de Natuur het melkfap, dat door middel der fpijs- verteering word bemerkt, in Bloed verandert, zijn de zwaarigheden nog grooter, en alles, wat men tot na- den toe verzonnen heeft, om dit ftuk op te helderen, en in een klaar dn^Jicht te ftellen , is zodanig twijffei- achtig en met onzekerheden vervuld, dat men in plaats van gegronde en beflisfende bepaalingen, loutergisfin- gen moet voor lief neemen. In her artijkel SPIJS- VERTEERING, hebben wij van de Verteering der Spijzen, ais mede over de verandering, die ze in de zoo genoemde eerfte wegen ontmoet, gehandeld, en het geen men er tot nog toe van weet, voorgefteld. Wij, hebben daar ook de plaats aangeweezen, waar het Voedend Sap in de algemeene masfa van het Bloed uit« geftort word. Bij deeze overgang beeft het nog eene melk-koleur, en behoud dezelve ook nog een' tijdlang, naa dat het reeds met het Bloed vermengd is j dog al» ,-lengskens verliest het zijne witheid, en neemt de ge«
daante en alle de eigenfchappen van 't Bloed aan.
Men is begeerig te weeten, door welk Werktuig, en
op wat wijze deeze verandering uitgewrogt worden ? hier is het waar de zwaarigheden zich opdoen. De kundigfte Geneesheeren hebben hunne naarftigheid en oplettenheid aan dit onderzoek hefteed, en hoe ver zij daarin gevorderd zijn, zal ik in dit Artijkel kortelijk aan mijne Leezers voorftellen. 't Is waarfcbijnlijk, dat de Long aan deeze verrigting
deel heeft. Een ingewand, van zulk eenè grootte, ea wigtigheid fchijnt tot dit voornaam oogmerk allerge- fchikst te zijn. De gantfche masfa des bloeds, welke uit de regter holligheid van't Hart in de linker moet overgaan, vloeit, terwijl zij deezen weg doet, door de Long. Het melkßp, welk zig jn eene Ader, onder het linker Sleutelbeen gelegen, uifftort, komt na wei- nige oogenblikken in de regter holligheid van't Hart,, en begeeft zich van daar', te geüik met het bloed, dat uit het gantfche lighaam te rug gebragt is, en waarme- de het zig vermengt, in de Long. Op deezen weg-, naamlijk van de Onderfleutelbeensader tot de Long,, wordt het bloed, dat met het nieuwe melkfap belaaden. is, nog tot eenige affcheiding, nog tot de voeding des lighaams gebezigd, zo dat de Natuur fchijnt bedoeld te hebben, niet eer eenig gebruik van het melkfap te maa- ken, dan na de bearbeiding, die het in de Long onder- gaat. Dog als men mïj vraagt, waarom de Natuur tot dit oogmerk niet liever den Gijl-leider in de holle Ader ingeplant hebbe, waar uit het vogt terftond in de reg- ter hólh'gheid ;van?t Hart, en vervolgens in de Long zoude komen; zo moet ik antwoorden, dat ik het niet weetev !en dit is-even zo veel gezegd > :»ls of men 'er
Y a fija |
|||||||
|
3934 ' VOE.
|
|||||||||
|
VOE.
|
|||||||||
|
fijn over geredeneerd had. Nog meer; de gantfche
■masfa des bloeds; welke het Harten de Long alleen uit alle de overige deelen des lighaams ontvangen, ondergaat in beide deze Ingewanden veranderingen, welke zekerlijk op de vermenging der hoofdftoffelijke -deelen een' grooten invloed hebben. Het bloed wordt door het Hart zeer fterk gedrukt en geperst; het wordt door de geheele Long in oneindig verdeelde bloedva- ten geleid en verfpreid. In dezen (laat kan er de lucht, welke wij inademen, bijna onmiddelbaar aan raaken. Hierdoor wordt het verkoeld, en gevolglijk eénigzins t'zamengedrongen. Te gelijk waasfemt er hier eene aanmerkelijke menigte wateragtige vogtigheden uit, welke de lucht bij het uitademen met zich voert. 'In één woord, het word, terwijl het door de Long vloeit, op zo verfcheidene wijzen behandeld, dat men tot nog toe geen waaifchijnlijker oogmerk van zo groot een' toeftel heeft kunnen vinden, dan eene algemeene ver- andering of herftelling van de menging, die het bloed behoort te hebben, dewijl het door het verlies van zo veele deeltjes, die 'er op den weg van den omloop af- -gefcheiden zijn, natuurlijkerwijze onbekwaam wordt, om wederom een omloop te doen, daarrt lighaam nut van kan hebben. Men moet met deze gisfingen te vre- de zijn. zo lang het aan gewisfe gronden ontbreekt. Aan het bloed zelf kan men, na dat het zijn loop door de Long volbragt heeft, geene veranderingen door de Sintuigen ontdekken.- Zommigen, 't is waar, hebben «ich verbeeld, zulke veranderingen te befpeiiren, dog (anderen hebben deze xvaarneemingèn tégerigefprooken, en dus blijft het verfchil nog onbeflist. Daar is zelfs over de manier om deze verandering te verklaaren zo veel oneenigheid onder de gröotfte Theoristen, dat het Onmogelijk is één gevoelen te noemen, dat niet vaneen groot deel Gêneesbeeren verworpen wordt. Ik weet de driftige tegenwerpingen, die de groote van Haller, en" meer Leeraars der kunst, tegen de boven-vöorgeftel- de verklaaring hebben ingebragt. Dog het beflisfen van ftrijdigheden komt in dit Woordenboek niet te pas. Ook bén ik'er geheel de Man niet toe. 't Is genoeg, als ik mijne Lezers waarfcbouwe, dat zij't geen ik hier gezegd hebbe, voor niets anders aanneefnen, als waar voor ik het uitgeeve, naamlijk voor gisfingen, diezom- mige groote Mannen in twijfel trekken, zonder andere Hellingen, waar aan niet te twijfelen valt, in de plaats te geeven. - ■'' a :;!!; ■ ;■.. ' Dewijl de lucht, die wij inademen, gemeenlijk koe-
ler is, dan het bloed; en veel warmer uit de Long te rug komt, dan ze 'er is ingegaan, heeft men van deeze verkoeling des bloeds in de Long de gröotfte verande- ring, die het daarin waarfchijnlijk ondergaat, willen af- leiden. Door de verkoeling" des bloeds, zeide men, worden zijne deeleu een weinig t'faamen geperst. De kleine bloedbolletjes kómen naderbij een, en dewijl men meende waargenomen te hebben, dat do kleine bolletjes van het melkfap,wanneer eenigen>daarvan zich tôt één grooter vereenigdeny. eene roodekoleur kree- gen, zo geloofde men, dat door het in een .dringen der bolletjes van't melkfap in 'de Long roode bloed» bolletjes gevormd wierden, en dat dus de'gantfche.ver- andering van melkfap in bloed-eigentlijk een gevolg was van dé werking der koele lucht' bij't ademhaalen.; Schoort deze verklaaring 'zeer fchrander Uitgedagt: is, heeft men echter door verfcheidene bondige?bewijzen willen aantoonen,. datcbet; bloed,; in de Long-j'-ruim.zo |
|||||||||
|
veel warmte, als het-door dén toegang van de lucht
verliest, op eene andere wijze wederom verkrijgt, en dat het dus, in plaats van verkoeld te blijven, eer heeter dan kouder wordt. Wijl men nu hierom de ver. andering, die het melkfap ondergaat, niet van deze verkoeling wilde afgeleid hebbén, zogt men dezelve uit eene zamendrukking van de masfa des bloeds te verklaa- ren. Deze difputen zullen mogelijk nog t'eeniger tijd de waarheid aan den dag leggen. Al het geen er thans van gezegt kan^worden, dient alleen tot bevestiging der gis- finge, dat de Long veel moet dóen tot de verandering van 't melkfap. Dog de manier, op welke zij dit groo- te werkverrigt, is'er niet uit te verklaaren. De ver- koeling van het bloed in de Long hééft ontwijfelbaar plaats, zo lang de lucht kouder is dan het bloed. Dit ontkent de Heer van Haller zelve niet. Hij beweert alleen, dat deze geringe -vermindering van warmte aan- ftonds weder berfteld wordt, én dat zij niet voldoende is, om bet bloed digter te maaken. Ik wil hier niet te- gen ftrijden. De waarheid fchijnt op van Haller's zijde te wezen. Dog of rhen uit dé oogenbliklijkeher- ftelling der warmte des bloeds te regt moge befluiten, dat de verkoeling geen doelwit der Natuure bij bet adem- haaien zij, en dat zii geheel geen nut doe, komt mij twijfelachtig voor. Het is gewis, en door Hume be- weezen, dat de warmte den Pols niet altoos vermeer- derf', ■ en dat alzo ook de verkoeling denzelven niet al- toos behoeft te verminderen. Dog daar ontftaat ook eene warmte in't bloed, wannéér'bet in zijne menging veranderd wordt, zonder vermeerdering vanden.pols- flag, gelijk in dé rottige en kwaadaartige koortzen. De omloop brengt zekerlijk het bloed buiten zijne men- ging. Veelligt dient dé verkoeling in de Long om de goede menging door eene zagte verdikking te herftei- len, op dat het wederom in ftaat geraake, tot het on« dergaan van een' nieuwen omloop , zonder geheel te bederven. Dit is niet onWaarfchijnlijk, wijl men het bloed van Dieren, die in eene heéte lucht geftorven zijn, geheel ontbonden vindt. Dat het bloed, na de verkoeling, zijne vorige warmte reeds in de Long zei« ve weder krijgt, kan waar wezen, zonder dat daardoor dit gevoelen tegengefproken wordt.- Want de warmta is het niet alleen, die het blqed bij zijnen omloop bui- ten de behoorlijke menging brengt, maar men heeft dis ook voor een groot gedeelte toe te fchrijven aan de menigvuldige affcheidingen van vogten, het fchudden en.wrijven, waaraan het gedüurig onderhevig is. 't Is denkelijk, dat het melkfap niet flegts ééns door
de Long behoeft te vloeijen, om in bloed te verande« ren, maar dat hier toe eene lange en herhaalde bearbei- ding noodigis, en dat de omloop in de bloedvaten, ■en de werking der overige Ingewanden op het bloed, insgelijks iets toebrengen, om déze gewigtige taak vol- komen af tedoen. Men kan bier des te minder aan twijfelen, wijlmen zomwijlen nog eenig fpoor van on- .veranderd melkfap in 't bloed ontdekt, na dat het reeds verfcheidene keeren den weg door de Long afgelegd hééft. Vermits het nu telkens in zeer kleine maat met het bloed vermengd, en daarin verfpreid wordt, gelij'* een droppel in de zee, zo kan de werking der bloed* deeltjes, waar mede het inwendig vermengd is, naar alle waarfchijnlijkheid,. reeds een groot deel der ver- anderinge alleen volbrengen, vooral, wijl men niet kan ontkennen, dat de verandering der fpijzen in de Maag en Darmen p waardoor een voet, zo overeenkomftig ®e[ |
|||||||||
|
tÖÈ.
|
|||||||||||
|
VOE.
|
|||||||||||
|
393$
|
|||||||||||
|
het bloed, berftid "wordt, grootendeels toe te fchrijveri
-is aan dé fappen, die van het bloed afgefcheiden zijn , en zich met de pap der fpijzen vermengen. De roode koleur fcfcijnt geen wezenlijk onderfcheid te maaken. Ten ininfte kan men het in de boofdftoffen van't melk- fap en van't bloed niet vinden. De koleur der lighaa- men hangt dikwils af van kleine veranderingen, waar- van in de zamënftelling der beginzelen niethet minfte fpoor te merken is. Eene verfch geperste of gediitil- leerde Olie heeft genoegzaam geene koleur, en gelijkt naar water. Dog als zij lang op eene warme plaats ftil ftaat, wordt zij eerst geel, vervolgens rood en einde- lijk bruin. Een Onderzoeker zou werk hebben, de kleine veranderingen in de vermenging der oliedeeltjes te vinden, en daaruit de tegenwoordige koleur te be- paalen, zonder ze te zien. Des niet tegenftaande, moet men, om de verwarring der denkbeelden te ver- mijden , op dit onderfcheid agt geeven ; en daarom houd men te regt de verandering van melkfap in bloed niet eer voor vol bragt, dan wanneer alle deeltjes, door de kragten van den omloop en van de Ingewanden, der- wijze vermengd zijn, dat ze met malkander de roode lichcftraalen terug kaatfen. De Natuur verbergt haare grootfte meesterilukken ;
en de kennis der Geleerden vermag niet verder te gaan, dan zij toelaat. Men weet van de groote veiàndering, die het melkfap ondergaat, bijna niets, als dat ze we- zenlijk plaats heeft; en mogelijk is dit ook alles, wat wij behoeven te weeten. Zonder de onkunde met ee- ne lofrede te vereeren, kan men in't algemeen zeggen, dat wij, tot onze onderhouding en welvaart, flegts ee- ne kleine weetenfchap noodig hebben, welke de Na- tuur niemand onthoudt, die ze zoekt. Als het melkfap eenigen tijd met het bloed rond ge-
loopen en de hoedanigheden daarvan aangenomen heeft, dient het, gelijk de geheele masfades bloeds, eensdeels tot alle de verrigtingen der dierlijke huishoudinge, an- derendeels tot de voeding en den wasdom. Deze ver- wonderlijke, eigenfchap onzes Li'ghaams kan ik hier niet met ftilzwijgen voorbijgaan. Bij alle Dieren hebben drie zoorten van wasdom en
'vergrooting plaats, de verfcheidenheid van welken in de Natuur zelve gegrond is. Het lust mij, den natuur- 'lijken (phyßkaalen) wasdom eerst te noemen , fchoon men niet kan' weeten, of deze bij de vorming der Die- ren de eerde zij? Het is die, welken wij met de Lig» haamen, die alleen phijfikaa! zijn, gemeen hebben, naamlijk de vermeerdering van de masfa door den toe- voer van nieuwe deelen , die aan de ouden gelijk zijn, en daar mede vereenigt worden. Dit heeft zo wel plaats oij onze vloeibaare als vaste deelen. "Onze vogten verlie- zen alle dag zeer veel. De gantfche ma-sfa des bloeds verteert allengskens: en wij zouden niet lang kunnen beftaan, zo zij niet weder herfteld wierd. Hier toé dienen ons de levensmiddelen, welke, door de krag- ten der verteeringe, en door die van den omloop, ver- andert worden in eene vloeiftoffe, die de natuur en hoedanigheid van ons bloed heeft, waar mede ze dage- lijks vereenigt word, deels om het verloorene te her- wellen , deels ook om alle die vogten in die evenreedig- neid te vermeerderen, welke de wasdom van de vaten en van het geheele Lighaam vereischt. Hét onderfcheid rerenen de meenigte van vloeibaare deelen in het Lig- naam van een Kind, en van een volwasfen Mensch is 2e« aanmerkelijk, en't is alleen het verteerde voedfel, |
|||||||||||
|
dat deze meenigte van vogten uitlevert. Schoon de
dierlijke mechanismus tot de bereiding onzer vogten noo- dig is., zo gefchiedt echter derzelver vereeniging met de overige masfa flegts op eene phijfïkaale wijze. In de vaste deelen is ookzulkeen phijfïkaale wasdom waar te neemen, wanneer zomtijds eenige deelen, die uit hunnen aart week en buigzaam zijn, door bet toevoe- gen van harde deeltjes, beenagtig, fteenig of meteene fteenagtige korst, welke aan hunne ftru&uur geen deel neemt, bekleed worden. De tweede manier, van vergrooting en wasdom der
vaste deelen des Menschlijken Lighaams is àe groeijert' de (vegetabilis). Deze is zonder de phijfïkaale vergroo- ting niet beftaanbaar, en verfebilt daarvan alleen hierin, dat de nieuwe deeltjes aangelegt worden naar de wet- ten, die de vorming der werktuigen des Lighaams vereischt. Een duidelijk voorbeeld ziet men aan de "fchilden der Kreeften, welke in 't eerst zeer week zijn, dog allengskens, door't toeneemen der vaste, endoor 't verlies der vloeibaare deelen, de hardheid van been verkrijgen, en nogthans in dezen phijfïkaalen wasdom de wetten van den .dierlijken mechanismus opvolgen, zo dat ze het Lighaam van het Infekt, gelijk esn harnas, omgeeven. Het is moeilijk te verklaaren, hoe deeze foort van
wasdom gefchiede. Zij kan, volgens haare Natuur, alleen in de werktuigen van het Dierlijk Lighaam plaats hebben; en echter zijn het de vloeibaare deelen, die de ftoffe daartoe uitleveren. Ons bloed onthoudt veel kleevige vogtigheid, welke naar het wit van een eij ge- lijkt, en door ontelbaai e kleine kanaalen allerwegen in ons Lighaam rond loopt. Deze vloeiftoffe, die de Geneesheeren Lympha noemen, dient waarfchijnlijki om de vaste deelen met malkander te verbinden en te bevestigen, zo dat ze verfcheidene graaden van taai- heid, veerkragt en nardheid verkrijgen. Daar is in ons Lighaam geen plek, geen vezel, geen ftipje, hoe klein, of dit dierlijk lijm, gelijk van Halj.er het noemt, dringt zich er in, en verbind het een met het ander, indiervoege, dat elk deel, zo veel ftévigheid» rekbaarheid en veerkragt verkrijgt, als het noodig heeft, om te voldoen aan die oogmerken, waartoe het ge- fchapen is. Het kan zijn, dat het bloed verfcheidene foorten van zulk een dierlijk lijm onthoud, zommige van welken, de ftoffe van 't Gebeente, andere dievan Vleesch, Klieren, Zenuwen enz. uitleveren, 't Is ook mogelijk, dat een en 't zelfde lijm, op eene ver- borgene wijze, meer of min vastigheid aan bet eene deel geeft, dan aan het andere, Hoe het zij, dit is zeker, dat zo wei de fijne, oorfprongliik vaste deelen aller onzer werktuigen, als die, wefke door hunne lijmagcigheid dezelven met malkander verbinden,, uie één' en den zelfden bron, naamlijk de masfa des bloeds, voortvloeijen, én, op eene onbegrijpelijke-wijze, door de Natuur in zulk eene order gefchikt worden, dat ze de ftructuur van die werktuigen uitmaaken, welke tot den dierlijken mechanismus behooren. Dus krijgt ons Lighaam niet alleen alles weder, wat het door de ge- duurige beweeging en wri/vnlig der vaste deelen ver-- liest, maar het-wordt zelfs lange iaaren aan een in alle zijne afmeetingen vergroot. Na verhoop van dien tijd, welke bij 't eeneDiér vroeger eindigt', dan bij't andere, en bij de- Menfchen omtrent tot het vier-en- 'twintigfte t'aar zich uitftrekt, dient de voedende (toffe die van de fpijzen en dranken dagelijks in 't bloed Y 3 komt» |
|||||||||||
|
393« ^°E'
komt, alleen tot onderhouding en verfterking der dee-
len. De Beenderen worden (leeds harder, de Spieren en Peezen (leeds taaijer en vaster, en alle Vezelen nee- ajen met de jaaren in ftijfheid en onbuigzaamheid toe. De overtollige voorraad van voedende deelen, kun- nende niet langer tot de vergrooting des Lighaams be- , iteed worden, verzamelt zich in de holligheden en cel- letjes der vliezen, en verfchaft de (toffe tot de vetheid. Dog wijl de voeding en verfterking geduurig aanhoudt, verliezen de Vezelen op't laatst natuurlijkerwijze haa- ire buigzaamheid; de kleine Buisjes groeijen toe; en dus geraakt de beweeging van de geheele Machine allengs- kens in wanorder. Men vindt wezentlijk bij ftokoude Menfchen deze ftijfheid en onbeweegelijkheid der Ve- zelen , welke zelfs de levensbeweegingen vertraagt, het Vleesch verdroogt, de Peezen verhardt, ja zom- tijfls de grootfte Slagaders in been verandert, Geen wonder, dat, na eene dagelijkfche voeding, geduuren- de honderd of zelfs anderhalf honderd jaaren, eindelijk hetgantfche gebouw tot ftilftand komt, en dat de dier- lijke dood van alle werkingen een einde maakt. Hoe zeker, hoe onvermijdelijk is de natuurlijke dood zelfs- voor de gezondfte Menfchen, die in hun geheele leven nooit eenige ziekte ondergaan hebben! >
£t calcanda femel via lethi. "Daar is nog eene derde foön van wasdom en voeding,
welke alleen den Dieren en Menfchen eigen is, en de dierlijke genoemd kan worden, 't Is die ontzwagceling der werktuigen, waardoor de Geest tot de Dierlijke verrigtingen bekwaam gemaakt wordt. Het zij men dee zen wasdom van de levensgeesten, of van de ftruftiiur der Hersfenen en Zenuwen afleidt, zij is zekerlijk van .de vegetabilifche ondetfcheiden, en heeft ook geheel' andere perioden. Men bemerkt reeds in de eerfte kinds- heid eenige vordering in de volmaaktheid der gewaar- wordingen, en men kan dezelve aan niets anders toe- fchrijven, dan aan de verbetering der fintuigen. Men kan niet beweeren, dat de verandering in de Hersfe- nen, welke de,Ziel tot het gebruik van't verftand be- Jtwaam maakt, alleen van de volmaaktheid des ganfchen werktuigs af hange, vermits deeze niet eer kan plaats hebben, dan bij't eindigen van den vegetabiiifchen was- dom , daar evenwel het gebruik van 't verftand reeds in't twaalfde jaar of een weinig laater begint. Dit vermogen houd ftand gedu.ur.ende de manlijke jaaren, en overleeft dikwils den tijd, waarin de vegetabilifche ftaat des Lighaams, om zo te fpreeken, afneemt, en reeds na,aan zijnen ondergang is. Des niet tegenftaande, befpeurt men de afhangelifk-
heid beider volmaaktheden van malkander; want over 't geheel kan men zeggen, dat'de dierlijke kragten eh vermogens in dezelfde evenredigheid toe en afneemen, gelijk de werktuiglijke. Schoon het gebruik des verftands reeds begint, ter-
wijl het Lighaam midden in zijn wasdom is, houden nogthans veele Menfchen reeds op met groeijen, wan- neer het verftand zich bij hen openbaart; en 't is be- bend, dat men het einde der minderjaarigheid gemeen- lijk bepaalt op dien tijd, wanneer omtrent de mecha. nieke wasdom ophoudt. Zo dra het Lighaam de zwak- heden des ouderdoms ondergaat, pleegen de Zielsver» saogens te gelijk met de zinnen ook af te neemei),, en |
||||||
|
VOf.
- . >»
het valt een Grijzaard even lastig te denken, als zijne
leden te beweegen. Dit alles zijn werkingen der Na. tuure, die men kan verhaalen, dog niet uitleggen, ea waarbij het begrip der beste Geneeskundigen verre te kort fchiet. Zij zijn echter zeer bekwaam, om on- zen Geest tot verhevene befpiegelingen op te leiden. Unzer. VOEDER , zie FOURAGIE. Met hoedanigea
Werktuig men Raapen, Wortelen enz. zeer gemakkelijk en fcbielijk tot Voeder kan (tukken hakken, vind men de afbeelding van op Plaat LXI. de bened. af deeling. VOEDING, in't latijn Nutritio, Nutriçatio van't
.griekfch S-gs^'s- Door voeding verftaat men de onderhouding van het dierlijk Lighaam, door middel van fpijs en drank. Hier bij (laat aan te merken; (i) Het onderwerp, of dat geene't welk gevoed word, dit is't geheele Lighaam. De geesten worden immers dagelijkfch verzwakt, insgelijks ook de Sappen; daar in tegendeel de harde of vaste deelen van de eerfte formeering der vrugt af, tot aan die tijd toe dat het Ljghaam zijne volmaaktheid heeft bekoomen, door aan- groeijing gekweekt en gevoed word; na dien toeftand voldoet het, om hetzelve maar in die ftaat te doen voortgaan en behouden. (2.) De flof die't voedsel t( wegebrengt, deze beftaat in fpijs en drank, en de daar uitgemaakte chijlus of voedend»fap, en uit deeze we- derom het bloed. (3.) De werkende oorzaak (caufa «■ ficiens), welke in de lavens-geesten is gelegen. (4 ) Het doelwit der voeding, welke vervat is in de welvaart en onderhouding van het Lighaam. Uit dit gefielde vloeit voort, dat er op-een,drie«
ledige onderfcheiding moet agt gegeeven worden. 1. Wanneer't Lighaam gevoed word en toeneemt,
gelijk zulks in de jonge jaaren gebeurt. .,«- a. Wanneer 't Lighaam gevoed word, en in des
zelfden ftaat blijft, gelijk in de middelmaatige ouder- dom plaats vind. 3. Eindelijk, wanneer't Lighaam gevoed word, ea
echter daarbij afneemt, zo als in Bejaarden word waar- genomen. VOEDSTER, zie MINNE.
VOEDZEL, in't latijn Nutrimentum, verftaat me»
in"t byzonder al dat geene door, 't welk zoo wel uit het Dieren-, als Groeijend- of Planten-Rijk tot on- derhoud van 's Menfchen Lighaam verftrekt. Ongezond-voedzel en eene ongeregelde lévens-wijze,
yeroorzaaken menigvuldige ziektens en kwaaien. Het is ontwijfelbaar, dat hec geheele lichaams-geftel, door de levénswijze^verandering ondergaat. De vogten kun- nen daar door verdikt of verdund, aangezet of verzagt, gedold of getemperd worden. Niet minder invloed heeft dezelve op de vaste deelen des lichaams. Verfchillen- de foorten van yoedzel, verzwakken en verfterken de- zelve en vermeerderen of verminderen grootelijks haare gevoeligheid, beweegbaarheid enz. Eene geringe op« lettenheid op deeze zaaken, toont ten klaarden aan, hoe zeer de bewaaring der gezondheid van eene ge- fchikte Ieevens-wijze afhangt. _ Hier op te letten is niet alleen tot bewaaring deig&
zondheid noodig; maar ook in het geneezen van ziek- tens zeer gewigtij». Eene goede leevenswijze alleen, beantwoord fchoo'n niet altoos zoo fpoedig, nogthans gemeenlijk duurzaamer, aan alle de oogmerken der ge- neeskunde; zij is daarenboven den Lijder niet zoo on- aangenaam en gevaarlijk als het gebruik van genees- middelen» |
||||||
|
' VOË.
middelen, en zij is fteeds gemakkelijk te bekomen én
goedkoop. Ons oogmerk is nier, bier nauwkeurig de natuur en
eigerifcbappen der verfchillende foorten van menjchelijk wedzel te onderzoeken, of derzelver uifwerkzelen, op ie onderfcheidene licbaams-geitellen der Menfcben, aan te toonen; maar alleenlijk willen wij de verderflij- ke dwaalingen aanwijzen , 'm welke veele Menfcben, ten opzigte der hoeveelheid zoo wel als der hoedanig- heid huns voedzeIs, vervallen, eo derzelver invloed op de gezondheid onder het oog brengen. Het is zeker geen gemakkelijke zaak, de gefchikte hoeveelheid van yoidzel, voor allerlei ouderdom, .fexe en geftellen nauwkeurig te bepaalen; ook is bier geene zodanige nauwkeurigheid noodig. De beste weg is, alle uiter- ften te vermijden. Het is den Menfchen niet opgelegt, hun voedzel te weegen en te meeten.. De natuur waar« fchouwt ieder Schepzel als bet genoeg heeft, en de hon- ger en dorst zijn genoegzaam om hen te onderrigten, wanneer zij meer noodig hebben. Alhoewel de maa- tigheid den besten zet-regel is, ten opzigte der hoe- veelheid van voedzel, verdient deszelfs hoedanigheid nogtans nadere opmerking. Veele wegen zijn 'er waar door de anderzins goede
leevensmiddelen, ongezond gemaakt worden. Siegte jaargetijden knnnen bet rijpen der Graanen beletten, of dezelve rijp zijnde, bederven. Dit zijn in der daad befchikkingen der Voorzienigheid, aan welke wij ons behooren te onderwerpen ; doch voorzeker geene ftraf is te ftreng voor die geenen, die Graanen ophouden en bederven Iaaten, met oogmerk om derzelver prijzen op te jaagen. Het beste Graan word,, te lang bewaard aijnde, tot het gebruik onbekwaam. Dierlijk zoo wel als groeijend voedzel, te lang*be->
waard zijnde, word ongezond. Alle dierlijke zelfltan- digbeden, hebben eene beftendige geneigtheid tot ver- rotting; en als deeze te verre gaat, worden ze niet al. leen voor de uiterlijke Sinnen onaangenaam, maar ook fcbadelijk voor de gezondheidi^Het vleesch van zieke ofgeftorvene Beesten, behoorde nooit gegeeteh te wer- den. Het is nogtans op veele plaatzen, waar veel Vee geweid word, het gemeen gebruik dat Dienstboden en "me Lieden, het vleesch van aan de ziekte of andere toevallen geftorvene Beesten, eeten. De armoede kan het gemeen noodzaaken, dit te doen; doch het was be- ,er ï dat zij eene mindere hoeveelheid van goed en ge- zond vleesch aten, zulks zoude hun beter voeden en van minder gevaar verzeld zijn. Het gebod het geen, den Jooden gegeeven wierd, van
geene Dieren die van zelve geftorven waren, te eeten, fehijnt eene naauwe betrekking op de gezondheid te heb« °*n, en behoorde door de Christenen zoo wel als door d6 Jooden betracht te worden. Dieren fterven uit hun J-Wen nooit, zonder eenige voorafgaande ziekte; hoe "*B het vleesch van zieke Dieren, een gezond voedzel*. jf'in kan is onbegrijpelijk; zelfs de geenen die dooreen ielijlc toeval gedood worden, moeten een fcbadelijk v>mel zjjn> Wjj| het bloed in hun vleesch blijvende, ^et zelve veel fchielijker voor verrotting vatbaar maakt. ■ ta lerep,»wier vleesch een zwaar voedzel geeft, als
mme Endvogels, Varkens enz., zijn niet ligt te ver-
't w6? en ^reki5en tot geene gezonde fpijze. Geen Dier
2 ^'k geene genoegzaame beweeging heeft, kan ge-
Dd zijn. Het Rundvee, de Varkens enz. worden op
|
VÖE.
|
||||||||
|
ént
|
|||||||||
|
de Mallen 'met zwaar voedzel opgevuld, doch hebben
noch beweeging nog frisfche lucht , hier door groeijen zij wel en worden vet; doch hunne vogten niet be- hoorlijk zijnde, blijven rauw en veroorzaaken zwaare fpijsverteering, verdikking der vogten en zwaarmoe- digheid aan die geenen die zich met derzelver vleesch voeden. Het Vee word niet zelden ongezond gemaakt, door
het zelve al te zeer te verhitten. Buitenmaatige hitte, veroorzaakt koortzen, verheft de dierlijke zouten, en vereenigt bet bloed zodanig met het vleesch, dat ze niet weder van den anderen te fcheiden zijn. Om de- ze reden behoorden Slagters die bun Vee overdrijven, (Irengelijk geftraft te worden. Geen Mensch immers zoude verkiezen het vleesch van een Dier te eeten, 't welk in een heete koorts geftorven was; dit is nog- tans het geval van alle te fterk gedreevene Dieren; zelfs klimt zomtijds die koorts tot een zekeren trap van dolheid. Doch dit i's bet eenigfte middel niet» waar door de
Slagters bet vleesch ongezond maaken. De verfoeije- lijke gewoonte van den vet-rok der Dieren op te blaa- zen, om ze vet te doen fchijnen, word! dagelijks in 't werk gefteld. Dit bederft niet alleen hetvleesch en maakt het onbekwaam om bewaard te worden, maar is ook eene zo morsfige bedriegerij, dat het denkbeeld er van genoegzaam is, om iemand van eenige keurigheid te doen walgen, van,al het geen uit de vieeschhal komt. Wie kan zonder misfelijk worden denken.dat hij vleesch eet het geen opgeblaazen is met de lucht van een vuilen Knaap, die misfehien aan de ergfte aller kwaaien kwijnt. Geen Volk der waereld, eet zoo veel vleesch als de
Engelfchen, dit is eene reden, waarom zij zoo alge- meen met het fcheurbuik en deszelfs talrijk gevolg van kwaaien, als kwaade fpijsverteering, neerflagtigheid, zwaarmoedigheid, milt-ziekte enz. gekweld zijn. Dier- Hjk-voedzel is zeker tot gebruik van den Mensch ge-1 fchikt, en met eene gefchikte boeveelheid, groentens en gewasfen gepaard zijnde, is het inderdaad het ge- zondfte. Doch zich twee of driemaal daags met Rund-, Schaa-
pen- of Varkens vleesch, Visch en Gevogelte te over- laaden, is ontwijfelbaar te veel. Al wie de gezondheid hoog fchat, behoord zich in vier en twintig uuren met een maaltijd van Vleesch, en dat wel van maar eene foort te vergenoegen. Het hardnekkigst fcheurbuik is niet zeiden door al»
leen groentens te eeten, geneezen; ja zelfs het gebruik van melk alleen, zal in die kwaal dikwijls van meer nut, dan eenig ander geneesmiddel zijn. Dus is bet klaar, dat indien men in de gewoone levenswijze, zich meer bij het gebruik van groentens en melk hield, men niet zooveel bet fcheurbuik, heete rotkoortzen, en dier- gelijken befpeuren zoude. Ons voedzel moet noch te nat noch te droog zijn.
Nat voedzel, verflapt de vaste deelen, en maakt het lighaam zwak. Dus zien wij Vrouwen welke bijna al» leen van thee en diergelijke dranken leeven, in 't al- gemeen zwak en onbekwaam tot het verteeren van vas- te fpijzen worden; hier uit ontdaan opflijgingen en al ' derzelver fchrikkelijke gevolgen. Aan de andere zijde i maakt al te droog voedzel de vaste deelen in zekeren op- zichte ftijf en de vogten dik en ilijmig, bet geen bet lighaam blootfteld voor fcheurbuik, beete koo-rtzen en diergelijke kwaaien. ... De
|
|||||||||
|
VOE.
|
|||||||||
|
3938 VOE.
|
|||||||||
|
komen kan, zullen wii liever, dan het geene door de
algemeene gewoonte zoo gevestigd Is, te veroordeelen, tragten den Mensch in het verllandig uitkiezen dier dranken behulpzaam te. zijn. Het is niet het maatig maar wel het buitenfpoor.g gebruik van gezonde of het drinken van (legte en bedorvene gegeste dranken, het welk het Menschdom zoo nadeelig is. Gestende dranken, die te (lerk of zwaar zijn, belem-
meren de fpijsverteering in plaats van ze te bevorde- ren, en het lighaam wel verre van er door verfterktte worden, verzwakt zich bij derzelver gebruik en word weekelijk. Veelen verbeelden zich, dat harden ar- beid, zonder hef drinken van fterke en zwaare dranken, niet op den duur kan uitgehouden worden;' doch zij dwaaien zeer. Menfchen die nooit fterke dranken ge- bruiken, kunnen niet alleen meer vermoeiiingen uit- (laan, maar leevenook doorgaans langer dan die gee- nen, welke ze dagelijks gebruiken. Doch onderfteld, fterke dranken (lellen den Mensch in (laat om meer werk te doen, zij verrtielen des niet te min de Ieevens-krag' ten, en veroorzaaken eenen vroegtijdigen ouderdom. Zij brengen een foort van gedadige koorts te weeg, welke de geesten uitput, het bloed verhit en ontfteekt, en het lighaam aan ontallijke kwaaien bloot (leid. Doch gestende dranken, kunnen zoowel te flap als
te (lerk zijn; dit zijnde, moet men ze varsch drinken, anderzins worden ze zuur en verdaan; drinkt men ze varsch, dus niet genoegzaam uitgegest, ze veroorzaa- ken winden enz. Gebruikt men ze alsze verfchaalc zijn, men krijgt het zuur in de maag en belemmert dt fpijsverteering. Om deeze redenen moeten bieren, ap- peldrank enz. niet langer bewaard worden, dan om be kwaamlijk te gesten en te bezinken noodig is, en als dan dient men ze te gebruiken. Bewaard men ze lan ger, zij worden fchoon niet zuur, ten minden hard er dus fchaa JeÜjk voor de gezondheid. Men vind dage- lijks dat bier lang op vlesfchen bewaard,- de maag be^ derft en veeltijds oorzaak is, van graveel en diergelij' ke kwaaien. Alle Huisgezinnen ïn wiens vermogen het is, behoor
den hunne eigene dranken te bereiden. Zedert het go reed maaken en verkoopen derzelven, een der alge meende beroepen geworden is, heeft men dezelven 01 ailerleij wiizen beginnen te vervalfchcn. Het hoofd oogmerk van de Bereiders zo wel als van de Verkoo. pers dier dranken, is dezelve koppig te doen zijn, an ders gezegf een dronkenmaakende kragt bij te zetten Doch het is genoeg bekend dat hier roe andere inmeng zeis noodig zijn, dan men alleen tot het fterkmaaken die dranken behoeft. Het zoude onvoorzfgtig zijn, he geene tot bet hoofdig maaken der wijnen enz dagelijli gebruikt word, "zelfs maar te noemen. Het is genoeg te zeggen, dat die bedriegerij maar al te gemeen is, ei aat alle dei daar toe aangewend wordende middelen van een verdoovende en bedwelmende natuur, dus u zekeren opzichte vergiftig zijn; men ziet derhalve! klaarlijk, welke de gevolgen van het gedadjg gebruil dier dranken, zijn moeten. Schoon zij geen fchielij kén dood veroorzaaken, bederven zij nogtans het ze nuw-gedel, verflappen en verzwakken de maag, ver hinderen de fpijs-verteering, enz. Wierden alle dn dranken getrouwelijk bereid. te gepaster tijd en maî , tiglijk gebruikt, zij zouden een zegen voor het Menu* dom-zijn. Doch nu ze kwaliik toebereid, op veele' hande wijzea vèrvalscht en onmaatiglijk gebruikt woi |
|||||||||
|
- De kunst van fpijs-bereiding, maakt veele dingen on-
gezond, die het uit haaren aart niet zijn. Het zamen mengen van een aantal verfchiilende inmengzels, om eene fmaakelijke faufe of geurige foupe te maaken, maakt dat geheele mengelmoes tot een vergift. Al wat fterk met fpecerijen enz. toebereid is, dient alleenlijk om de wellust aan te zetten , en de maag te bederven. Het waar zeer nuttig voor het Menfchdom, indien het konstig toebereiden van fpijzen geheel verboden was. Eenvoudig braaden of kooken is al wat de maag vereift voor gezonde Lieden, en zieken hebben nog minder een Kok nopdig. Het gefchikt gebruik van dranken vereischt mede on-
ze oplettenheid. Water is niet alleen het grondbeginzel van meest alle de vogten die wij gebruiken, maar word ook bij het gereed maaken van het grootfte deel van ons vast voedzel gebruikt. Goed water is dus van het uiterde belang in onze geheele ieeyenswijze. Het leste water is dat geene het welk het zuiverst, en minst met eenige vreemde doffen vermengd is. -Hét water fleept deeltjes mede van de meeste ligbaamen welke het aanraakt; hier door word het niet zelden bezwangerd, met metaalen of mijndoffen van fchaadelijke, fomtijds van vergiftige eigenfchappen. De Bewoonders van fommige bergagtige landftreeken,
hebben zekere bijzondere ziekteiis, welke naar alle waarfchijnlijkheid uit het water dat zij gebruiken voort- fpruiten. Dus zijn de Bewoonders der Alpilche ge- bergtens in Zwitferland, en die der Piek van Derbij in Engeland, veel gekweld met groote wennen of gezwel- len in den nek. Deeze kwaal word veelal aan het gebruik van fneeuw-water toegefenreeven ; doch er is meer reden te gelooven, dat dit ongemak uit de mi- neraalen ontftaat, welke in die Bergen gevonden wor- den, en welker deeltjes zich met het water vermengen. De vermenging van het water met andere vreemde
ftoffen, word gemeenlijk uit deszèlfs gewigt, kouleur, reuk, (maak, zekeren trap van warmte of andere ei- genichappeo, ontdekt. Het is derhalven best, zoda- nig water tot het gebruik te verkiezen, hetgeen zeer ligt is, en geen bijzondere kouleur, reuk of fmaak beeft. Op veele plaatzen is dit in de magt der In- woonders, en eene behoorlijke oplettenheid hier om- trent, zoude zeer veel tot het algemeene welzijn toe- brengen.; Doch de luiheid doet doorgaans dat water gebruiken, 't geen 't naaste bij de hand is, zonder op deszèlfs hoedanigheden agt.te flaan. De gewoone middelen om water door doorzijpeling
klaar, en door het aan de fon en lucht bloot te (lellen, zuiver te maaken enz., zijn zoo algemeen bekend, dat het onnoodig is met het opgeeven derzelve tijd te ver- fpillen. Alleenlijk zullen wij aanmerke.n , dat water uit ftildaande Poelen, Vijvers of diergelijken, door- gaans verrot en in het gebruik gevaarlijk is. Het Vee zelfs word ongezond door het drinken van water, het welk bij drooge jaargetijden lange in bakken ftaat , zonder «vérverscht te worden. Men behoorde de wa- terputten altoos fchoon en ongefloten te houden. In- dien op derzelver bodem vuiligheden leggen, word het water daar door bedorven. Befluit men de lucht in dezelve, zij wórd vergiftigd en maakt het water ongezond.: '.' ;Dewijl gesttndt dranken, hoe zeer ook derzelver
gebruik door veele Schrijver« veroordeeld is, (leeds de gewoone drank blijven, vau een iedsr die,ze flegts be- |
|||||||||
|
VOE.
|
|||||||||
|
VO£, 3P39
|
|||||||||
|
len, moeten 2ij noodzaakeltjk veele droevige gevolgen
naar zich fleepen. Wij beyeeien niet alleen iederHuis-gezin aan, hunne
eigene dranken, maar ook hun brood zelve toe te berei- den. Brood is een zo nodig en voornaam deel van ons voedzel, dat memiooit te veel zorge kan aanwenden om Set goed en gezond te hebben. Ten dezen einde is niet genoeg, dat het van goed graan gemaakt is, het dient ook behoorlijk toebereid en voor alle fchadelijke immeng- zels bewaard te worden. Dan wij hebben rede te ge- looven, dat dit bij die geënen die van het bakken en ver- koopen van broed hun beroep maaken, op verre na niet altoos gefchied. Doorgaans leggen zij zich meer toe, het oog tebehaagen dan degezondheid te bevoordeelen. Bet teste brood is het geene nog te grof nog te fijn is ; wel gereezen, en toebereid uit blom van witte, of liever van witte en roode tarwe zaatnen gemengd. Alle de verfchillende zoorten van voedzel óp te noemen,
derzelver aart en eigen fchappen uit te leggen, en derzel- ver uitweikzelen, in de onderfcheidene gelcellen aan te toonen, zoude verre buiten de paaien van ons beftekioo- pen. In plaats van een omftandig verhaal hier van, het geen of niet algemeen verftaan, of de oplettenheid van flegts weinigen trekken zoude, zullen wij alleenlijk de volgende gemaklijke regelen opgéeven. Lieden, welkers vaste deelen zwak en verflapt zijn,
behooren alle voedzel dat ilijmig of zwaar te verteeren is, te mijden. Zij behooren nogtans vaste fpïjzen te gebruiken, en veel lighaamsbeweeging in de open lucht te neemen. - '!','■ De zodaanigèn die bloedrijk zijn, behooren fpaar-
zaara te zijn in het gebruik van alle fierkvoedende /pij- zenen dranken , als het vleesch, fterke wijnen, zwaa- re-bieren enz. Hunne fpijze dient grootendeels uit brood en groentens, hun drank uit water, hui en diergélijke te beftaan. -. . Vette lieden, moeten weinig olljagtige fpijzen eeten,
of zulke die het vet aanzetten, maar in tegendeel veel radijs, knoflook, Jpeeerijen, en andere dingen die verhit- tend zijn, doorwaasfeming en pis-Ioozing bevorderen. Hun drank zij water, koffij, theeën diergelijken, zij moe- ten veel beweeging neemen en weinig flaapen. De gee» nen die al te mager enfchraalzijn, behooren eene regt te- gengeftelde levens-wijze te volgen. De geenen die met fcherpe oprispingen of het zuur
in de Maag gekweld zijn, behooren meest vteesch-fpij- zen te eeten; en die geenen welke veel dezoode heb- ben, behooren veel zuur en zuuragtige groentens te ge- bruiken. - Lieden die aan de jicht, zwaarmoedigheid, miltziek-
te of hijpochondrie en opftiigingen onderworpen zijn, moeten zich wagten van ai wat winderig, fiijmerig of zwaar te verteeren is, van al wat gezouten, gerookt, Wrang, zuur of gefchikt is om in de Maag zuur te wor» oen. Hun voedzel moet ligt, dun, verkoelend en ope- nend zijn. Iemands Ieef-regel, behoord niet alleen naar ziine jaa-
ren Hgbaamsgeftel, maar ook naar zijne leevensmanier gefchikt te zijn. Ëen zittend of ftudeerend Perfoon, behoord veel maatiger te leeven, dan iemand die in de open lucht zwaar werkt. Veele zoorten van voedzel, die voor de Maag van Stedelingen onverteerbaar zijn zou- oen, bekomen een Boer zeer wel, 'en de leevenswijze je voorden eerften zeer gefchikt en gezond is, zoude den l«tfted00deIijkzi.n> , m Deel. -
|
|||||||||
|
De levenswijze, behoord ook niet al te eenpaarig te
zijn. Het beftendig gebruik van een zelve zoort vari voedzel, kan zommige. kwaade gevolgen naar zich ilee- pen. De natuur zelve wijst ons dit aan, door degroote ver« fcheidenheidvan voedzel voor den Mensch gefchikt, en de doorden Menschaangeboorenen trek, tot verfchillen- de zoorten derzelve. De geenen die met eenige bijzondere ziekte of kwaal
worftelen, behooren voedzel het geen ftrekken kan om dezelve te doen toeneemen,~ zorgvuldig te vermijden ; bijvoorbeeld een jichtig Mensch'moet geene fterke wij- nen of vleesch-foupen, geene zuuren of diergelijken ge- bruiken. Iemand die met het graveel gekweld is, dient zich van al wat wrang en zaamentrekkend is te wagten; en de geenen die aan het fchorbut onderhevig zijn, be- hooren weinig vleesch te eeten enz. In het eerfte tijdperk onzes leevens, moet het voedzel
ligt, voedend en getemperd zijn, dog yerfcbeidene rei- zen 's daags gebruikt worden. Vaste en duurzaame fpij- ze is voor de Mannelijke jaarengefchikter. Deleevens- wijze bij de klimmende jaaren des ouderdoms, wanneer de kragten afneemen, moet weder fterkaan die onzer jeugd naderen ; de fpijzen moeten ligter zijn, en getem- perd en meermaalen daags genomen worden, als in de kragt onzes leevens. Gezond voedzel alleen, is tot een goeden leef-regel niet
genoeg, het moet ook op bepaalde tijd ingenomen wor- den. Veelen verbeelden zich, dat lang vasten eene be- gaane onmaatigheid vergoed ; dog in plaats van verbee* tering, ftrekt dit doorgaans om het kwaadte"Verergeren. .Als de Maag en Ingewanden bovenmaatig met fpijzen opgepropt en uitgefpannen worden, zetten zij uit en verliezen haare kragten, door vasten worden zij du* met wind opgevuld en zwak. Vasten is derhalven voor de verteeringskragten even nadeeling, als gul- zigheid. . Hét herhaald gebruik van voedzel is niet alleen noódig
tot herftellingen van het geftadig verval onzes lighaams, maar ook tot het gezond en frisch houden van deszelfs fappen en vogten; dezelve hebben, zelfs in dengezond- ften toeftand, eene beftendige geneigdheid om tot rotting over te (laan, dit kan alleenlijk door een geduurig her- haalden toevoer van verch voedzel, verhoed worden; zulks te lang uitgefteld, gaat de verrotting niet zelden zo verre dat er zeer gevaarlijke koortzen uit ontftaan. Hier uit leeren wij de noodzaakelijkheid van gezette maaltijden. Geen Mensch, wiens vaaten nu overlaa- den , dan weder van den noodigen toevoer van Tap- pen beroofd zijn, kan eene goede gezondheid blijven genieten., Lang vasteri, is voor jonge Lieden bij uitftek nadèe-
lig; daar door worden hunne fappen bedorven, hunne groei en kragten verhindert ; voor bejaarde Lieden is zulks niet minder nadeelig. Veele Menfchen in den afgaan- den ouderdom, zijn zeer met winden gekweld; dit ongemak groeit dooi- vasten niet alleen aan, maar word. daar door gevaarlijk, zomtijds zelfs doodelijk. Oude lieden worden als hun Maag ledig is, zeer dikwijls aange- tast door duizelingen, hoofdpijnen en flauwtens. Deezö ongemakken worden meestentijds verdreeven, door een ftuk brood en een glas wijn, of eenig ander goed voed* zelte gebruiken; zulks wijst duidelijk bet middel aan-, om ze te verhoeden. Het is meer dan waarfchiihlijk, dat veele fchielijke,
Sterfgevallen van hoogbejaarde lieden, veroorzaakt wor-,
'Z den
|
|||||||||
|
VÖE, "V'
Naardien de Beenderen van den Voet zeer hard, dik
én klein tenopzigte van hunnen lighaamenzijn, worden die zeer zelden dan met eene wond verzeld, gebroo- ken. De mijdende werktuigen kunnen dezelve doorklie« ven. De kanonfchooten en kneuzende werktuigen ver- morzelen dezelve eerer door hunnen gewelt en zwaar, te, als dat ze dezelve breeken ; en de Bekleedzelen we]. ke deeze Beenderen \pedekken, kunnen het gewelt dezer heviger flaagen nïet wederftaan; bijna geene dan het Hielbeen alleenlijk kan in tweeën, zonder wond gebrooken worden; het geerie door eenen val op het voorfte van den Voet, of door eene valfche treede, de Schenkel en den Voet geboogen zijnde, kan ontdaan, zödaanig dat de gantfche zwaarte van het Lighaam daar op draagt," in dit geval de Pees van Achillis, om het geheele Lighaam te houden, trekt zich zo fchielijk, en zo fterk te zamen dat het agterftegedeeltevanhet Hiel- been, waar zéaan vast gehecht is, zich dwars doorbreekt; doordien dit Been bet geweld van de Pees niet kan we« derftaan. De Breuken van den Voet worden zo veel te gemaklijker door het gezigt en het gevoel ontdekt, na- dien ze met weinig of geen vleesch bedekt zijn. Zij zijn op haar zelve niet gevaarlijk, rrialr worden gemeenlijk door geweldige flaagen veroorzaakt; welke de bekleed« zelen, de peezen, en de bandenk wetzen en kneuzen; zij worden van geweldige pijnen en van hevige ontftee- kingen, en andere kwaade toevallengevolgt; voornaam« lijk indien de Breuk aan het Kootbeen is, om dat de Ont- fteeking aan de banden van de geleeding van den Vut met de Schenkel zich gemeen maakt. Wanneer er geen buitengewoone toevallen zijn, behoort er flegts vijf en twintig of dertig dagen , tot het maken van de Ctl- lus. Om de Breuken vân den Voet te herftellen, behoort
men eene ligte uit- en tegentrekking met de handen te doen; en vervolgens door dezelve met de vingeren of ■met de palm van de hand in hunne natuurlijke plaats te brengen ; de herftelling bewerken. Zommige konstoe« fenaaren om gemaklijker deeze herftellingte doen, plaat- zen de Voet op eene plank, met eenen drukdoek bekleed. Indien de Beenderen in verfcheiden ftukken gebrooken, en dat er losfe Beenfplinters zijn, moet men dezelve wegneemen, dog men zal de nog- aan het Beenvlies vast- zittende, laten blijven; zij kunnen zichgemaklijkhech- ten; men moet alleenlijk agtgëeven, dat ze geen peezi- ]ge, zenuwagtige of. bandagtige deelen kWetzen. Men moet zich vaneen veelhoofdig-verband bedienen, tus- fchen welke men lange driikdoeken, om de Beenderen te houden, zal plaatzen. Aangaande de Breuk van het Hielbeen , nadien &
fiées van Achillis het agterfte gedeelte van dit Been na haar toetrekt, behoort den Voet uitgeftrekt te worden- om deeze Pees flap te maken, en het afgefcheide gedeel1 te met de hand weder te doen naderen. Vervolgens leg' men een Verband zödaanig gefchikt, dat het de twee fti*' ken in eene onderlinge vereeniging houden kan. Ten' dien einde na alvoorens de Hiel, met eenen enkelen Drukdoek, in brandewijn of balf.fioraventi natgemaakt; en aan béide de einden gefpleeten, bedekt te hebben. om de Hoofden op het bovenfte van de Voet te 'oW' kruizen; maakt men met eene zwagtel op een hoofd op gerold, twee of drie ronde flaagen om de Voet ; men gaat fchuins over de Voet agter den Hiel, menkomtffJ' der 'op en onder den Bal van de Foet, men herb» tweemaal deeze overkruizende oniflaagen Op de w-F |
||||||
|
§94» ^ÖÊ-
den door al te lang vasten , «.dewijl zulks de geesten uit-
put en de darmen met wind vuld , wij raaden derhalven alle lieden die in het afgaan des leeftijds zijn, dat zij nimmer zich gewennen de Maag te langen tijd leedig te laaten. Veele Lieden neemen van des avonds ten negen uuren tot des anderen daags middag ten twee of drie uu- ren niets anders dan eenige weinige kopjes thee en een klein ftukje brood. De zulken kan men met regt zeggen 'dat drie vierde gedeelte van den tijd vasten. Noodzaa- fcelijk moet hier door den eetlust verlooren, de vogten "bedorven eri de ingewanden met wind opgevuld worden, "al het welk door het neemen van en goed ontbijt, Kon- 'de voorgekomen worden. Het is een zeer gemeen gebruik een ligt ontbijt, en een
Hevig Avondmaal te neemen. Deeze gewoonte diende om- "gekeerd te worden. Ménfchendie des avonds laat ee- "ten, bebooren een ligt avondmaal, maar eenftevigont. ■bijt te neemen. Als iemand des avonds een weinig ligte kost gegeeten hebbende, daar op te bedde gaat* en des morgens bijtijds opttaat, zal hij zekerlijk tot zijn ont- bijt een grooten trek vinden, welke hij zeer-gerust mag "Opvolgen. Sterke en gezonde lieden, lijden inderdaad niet zo
'Veel door'het vasten als zwakke en tedere Menfchen ; dog zij loopen ook groot gevaar van het tegen-geftelde, 'namelijk zich te overlaaden. Veele ziektens, inzonder- 'heid koortzen\ zijn het gevolg van een e al te groote volheid dèr vaten. Sterkeen zeer gezonde Lieden, "hebben gemeenlijk een groote hoeveelheid bloed en an. dere vogten. Als deeze fchielijk, door het gebruik, Van overto/tfg'en zwaar voerfgW aangroei jen, wordendeva- ten te fterk uitgezet, en daar door verftoppingen en ontfte- 'kingen veroorzaakt. Het is hier door, dat zo menigmaal ïieete en diergelijkekoortzen het gevolg van onmatige gas- "tereijen zijn. Alle groote en fchielijke veranderingen der levenswij-
ze zijn gevaarlijk. Hetgeen de Maagzedert lange gewoon 'is geworden te verteeren zal ze beter verdragen dan iets ;anders, fchoon het ook gezonder zij, aan het welk ze "niet gewend is. Als derhalve verandering noodig is, tnoet men dezelve trapsgewijze maaken, wijl een fchie- lijke overgang van een fchraale en armoedige, tot eene Jrijkelijke en wellustige leevens-wijze, of het omgekeer- de, de gewoone werkingen des lichaams belemmeren, He| gezondheid benadeelen, ja zelfs den dood veroorzaa- 'ken kan. Men moet, als wij van eene geregelde leevenswijze
rpreeken, niet begrijpen, dat wij ieder kleine afwijking van dezelve veroórdeelen. Het is den Mensch bijna on- mogelijk, om altoos zekeren trap van overdaad te vermij- den; en al te gereegeld teleeven, zoude zelfs degering- fte verandering gevaarlijk maaken. Hetis derhalven voor- éigtigst eenige yerwisieling te neemen, zomtijds wat ineer, zomtijds wat minder fpijs en drank als naar gewoon- te te gebruiken, behoudens nogthans, dat men altoos de maatigheid in het oog boude. VOELERS, zie INSECTEN.
VOET - in 't latijn Pés. -------Dit deel van s'Men-
fchen Lighaam word op twee verfchillende'wijzen aange-
merkt; als i. voor 't gebeele deel van 't onder-lighaam tot beneden toe, en dit word als dan in het Dije-been (Femur), in het Scheen-been ( Tibia), en in de Voeten zelfs (Pedes) verdeelt. 2. Word het voor de Fort alleen genöomen, welke in Voor-voet (Tarfus), in de Na-voet \fdetatarjus), en in de Temen (Digiti) verdeelt word. |
||||||
|
VQE, VOG.
|
|||||||||||||
|
VOG.
|
|||||||||||||
|
304*
|
|||||||||||||
|
I m
|
|||||||||||||
|
buigza*m en teffens buitengemeen gevoelig zijade, bet
oog doet opzwellen of plat maakt, het zelve bedekt of ontbloot, verwijd of vernauwt, en daarbij met geringe moeite fchielijken bij beurten, alle de nodige gedaanten« aanneemt, om op alle trappen van lichten allerlei afftan- den , te kunnen zien en werkzaam zijn. Het fintuig van 't gezigt, 't eenigfte zijnde dat de denk-
beelden van beweeging voortbrengt, ook het eenigfte met welkers behulp men onmiddelijk de doorteloopene ruimtens kan vergelijken, en de Vogelen onder alle de Dieren die uitmaakende, welke met de vlugtfte endien- ftigfte hoedanigheden tot de beweeging nodig, begaaft zijn;zo kan het tot geene verwondering verftrekken,dat zij teffens de begaaftheid bezitten om het zelve volko- mener en zekerer te beftieren. Zij kunnen in een gering tijdftip een zeer groote ruimte doorloopen, het is dan ook een onbetwistbaar gevolg, dat zij er de uitgeftrektheid en bepaalingen van zien en ontwaar worden. Indien de na- tuur met aan hen de fnelhejd der vlugt te fchenken, hun teffens kortzigtig had gemaakt, zouden die twee hoeda- nigheden tegens malkanderen hebben geftreeden; deVo- gel had nimmer gebruik van zijne vlugheid durven maken, nog een fnelle vlugt onderneemen; uit vreeze van zich te ftooten of onvoorzienen tegenftand te ontmoeten, zou- de hij enkel zagtjes heen en weer gevloddert hebben. De fnelheid alleen met welke men een Vogel ziet vliegen, verftrekt ten kenmerk hoe ver zijn gezigt draagt, ïkwil hier niet iets volftrekcelijks medebetoogen, maar enkel iets betrekkelijks. Een Vogel wiens vlugt bij aanbou- denheid zeer fnel is, ziet. onbetwistbaar verder, als een van dezelfdegeftalte, die zich echter langzaamer en meer van zijdelings beweegt j en indien ooit door de natuur Vo- gels zijn voortgebragt, die een kort gezigt hebben en tef- fens fnel vliegen, zo zijn die zoorteri verloorengegaan, en zulks door de tegenftrijdigheid van hoedanigheden, waar van d'eene niet alleen de oefFening van d'andere be- let, maar daar te boven nog een zodaanige Vogel aan ontelbaare ge vaaren is blootgefteld; waar uit men met grond kan gisfen, dat zodanige Vogels wiens vlugt het kortst en langzaamst is, teffens ook die geenen zijn welke met het minstuitgeftrekfte gezigt zijn begaaft. Onderde Viervoetige Dieren ziet men den Luijaart zich langzaam beweegen, en de Natuuronderzoekers leeren ons, dat dit Dier, de Oogen als 't waare bedekt heeft, en met een. zeer kortzienend gezigt is begaaft. Het denkbeeld van beweeging, en alle andere denk-
beelden die er uit voortvloeijen; zo als bij voorbeeld, de betrekkelijke fnelheden -, de uitgeftrektheid der,ruim- tens, de proportie der hoogtens, der dieptens, van de , oneffenheden deroppervlaktens, zijn derhalven duidelij- ker, en beflaan meerder plaats in het hoofd der Vogel als in dat van het viervoetige Dier; en het fchijnt dat de Na- tuur ons die waarheid heeft willen aantoonen, door mid- del van de evenredigheid die zij tusfchen de grootte van het Oog en die vanhet Hoofd gefield heeft; want inge- volge de regelen van evenredigheid, zijn in de Vogelen de Oogen veel grooter dan in de Mensch en in de viervoe- tige Dieren," zij zijn niet alleen grooter maar ook wert.« tuiglijker, dewijl er twee vliezen meerder in gevonden worden, dus ook gevoeliger ; en dewij I derbalven het fin- tuig van 't gezigt in de Vogel uitgeftrekter, meerer on- derfcheiden en levendiger is, als in bet viervoetig Dier, zo volgt dat zulks teffens invloed heeft op bet in- wendige werktuig van't gevoel, dus het,infiinü der Vogelen dooi deeze eerfte oorzaak» yerfchillepde ge- Zn vormt |
|||||||||||||
|
als de cijffer 8; men ligt vervolgens eene langwerpige
drukdoek agter de Hiel, van de Kuit van het Been af tot aan de Teenen; men veftigt deeze drukdoek met. eenige ronde omflaagen, en men flaat de twee hoofden ever malkanderen ; om de ronde flaagen agter de Hiel en onder den Veet te doen naderen, en dus de gebrooken fluk^en desto beter zamen te voegen. Men hecht de twee hoofden van den langwerpige drukdoek met fpelden, en men maakt ronde en fchuinfche omflaagen van ón- deren aan het Been, en aan de Voet. . VOETEUVEL, zie PODAGRA.
VOETGESTEL, zie POSTEMENT.
VOETPÜNT, zie NADIR.
VOETZOOL, zie PLANTA PEDUM.
VOGEL word een Dier door verftaan dat met Vede-
ren is bedekt, en 't welk twee Vleugelen heeft, twee Pooten, een Bek van een hoornagtige zelfftandigheid, enz.
De Sintuigen welke de eerfte beweegende oorzaaken
van het inftindt in alle de Dieren uitmaaken, onderling vergelijkende, zullen wij terftond gewaar worden, dat bij de Vogelen in 't algemeen, het fintuig van't gezigt, uitgeftrekter, levendiger, zuiverer en duidelijker on- derfcheidende is, als in de viervoetige Dieren; ik zegge in 't algemeen, om dat er uitzonderingen ten aanzien van Vogelen fehijnen te zijn, die als bij voorbeeld de Nagt-Uilen, minder kunnen zien als eenig zoort van viervoetig Dier; maar zulks is een bijzonder uitwerkzel 't welk wij afzonderlijk zullen onderzoeken, te meer daar ,die zoort van Vogels bij dag zeer flegt ziende, integen. deel hun gezigt bij nagt zeer goed is, en dat het niet an- ders dan een overmaat van gevoeligheid in het werktuig is, dat zij ophouden om bij een fterk licht te zien; zulks dient zelfs tot onderfteuning van ons voorftel, want de volmaaktheid van een fintuig hangt voornaamlijk der trap van derzelver gevoeligheid af; en't geen daadelijk aantoond dat het Oog in den Vogel volmaakter is, b/ijkt, doordien de natuur het zelve meerder heeft bewerkt. In de Oogen van alle de Vogelen, zijn, gelijk bekend is, twee Vliezen meer als in den Mensch zijnde bet eene daar van uitwendig en het andere inwendig, het eerfte, dat is të zeggen het uitwendige van die Vliezen, is in den grooten Ooghoek, zijnde een tweede ooglid, door- schijnender als het e£rfte, waar van de beweegingen ge« lijkelijk aan de wil gehoorzaamen, en wiens gebruik be- ftaat om het Hoorn vlies zuiver en glad te houden, en teffens ook dient om het al te fterke licht te temperen, en diens volgens de groote gevoeligheid van hunne oogen behulpzaam te zijn; de tweede is agter in het oog geiee- geti, en fchijnt een voortgang van de gezigt-zenuw re zijn, die regtftreekzet de indrukzelen van het licht ont« vangende, daar door gemakkelijker in beweeging word gebragt, en dus gevoeliger is dan in de andere Dieren ; ook is het deeze groote gevoeligheid die het gezigt der Vogelen veel volkomeneren oneindig uitgeftrekter maakt. ta ^erwer Zlet u'c der hoogte op twintigmaal verder
afftand als een Mensch of Hondzulks kunnen ontdekken , een Leeuwrik op eene zoode gras zitten. Een Kuikendie/ we zich tot een zodanige hoogte in de lucht verheft dat Jf'J hem uit het gezigt verliezen, ontdekt van diediftan- «e de kleine Hagedisfen, Jardmuiferi, Vogeltjes enz. n kiest die geenen uit, waar op hij wil neerftriiken ;
°k gaat die meerdere uitgeftrektheid in het fintuig van
« ?,ez,8ï> met een evengelijke juistheid en naauwkeurig. seid vergezelt, om dat het werktuig terzelvertijdzeec |
|||||||||||||
|
'394» VÖG.
vormt moet zijn van die der Viervoetige Dieren.
Een tweede oorzaak die tot onderfteuning van het eer»
fte Verftrekt,. en het inflinU van de Vogel verfcheiden maakt van die der viervoetige Dieren, is het element 'dat hij bewoont, en 't welk hij doorloopen kan zonder de grond te raaken. De Vogel kent misfchien beter als de Mensch alle de trappen van tegenftand der lucht.derzel ver getemperheid op verfcbillende hoogtens, de betrekkelijke ke zwaarte daar van, enz. Hij voorziet beter dan wij, hij zoude beter dan onze weergla^en, de variatien, de ver- anderingen welke dat beweeglijke element ondergaat, kunnen aantoonen ; duizend en meermaalen heeft hij zijn kragten tegens die der wind beproefd, en nogdikwijler heeft hij er gebruik van gemaakt om fneller en verder te vliegen. De Arend zich boven de wolken verheffende, kan eensklaps uit een onweersbui tot een luchtftreek daargeen winden woeden, overvliegen, een aangenaa- me en verrukkende kalmte, een zuiver licht genieten , terwijl de andere Dieren door een loejénden ftorm als heen en weer geflingert worden ; in vierentwintig uuren kan hij van klimaat veranderen, en boven verfchillende xontreijen op zijne Vlerken voortgedreeven wordende, heen zweevende, zienereen tafereel van vormen, waar van de Mensch niet in ftaat is zich een denkbeeld te febet- zen. De Vogel welke het vermogen bezit om zich op de regte gezigtpunten te plaatfen, en dezelve fchielijk en beurtelings in alle opzigten te doorloopen, ziet er in een opflag van oog meer van, als wij door alle onze redene- ringen,al worden die zelfs door alle de aaneenfchakelingen van onze kundigheden oriderfteunt; en het viervoetige Dier, om. zo te fpreeken tot bet plakje gronds bepaalt waar op het is gebooren, kent niet anders dan zijne vallei, berg, of ftreek gronds 't welk hij bewoont ; hij heeft geen het minfte denkbeeld van het zaamengenoomene der op- përvlaktens, geene kundigheid boe genaamt van groote verafgelegentheden, niet de minfte trek of begeerte om die te doorloopen; en het is om deeze rede, dat verre reizen en verandering van woonplaats even vreemd is ten aanzien van de viervoetige Dieren, als gemeen en veel« vuldig omtrent de Vogelen. Het is deeze begeerte, ge« grondvest op de kundigheid der verafgelegene Gewesten, op het vermogen dat zij ondervinden hen aangebooren te Zijn om er zich in korten tijd na toe te kunnen begeeven, op de voorweetende kundigheid ten aanzien der veranderin- gen van de luchtftreek en de aankomst der verfchillende iaifoenen, 't welk hun bepaald om met algemeene goed- keuring, gezamelijk en in gezelfchap te vertrekken ; zo dra het bun begint aan levensmiddelen te mangelen, zo dra de koude of warmte hen te fterk aandoet, begin- nen zij aan hunne verhuizing te denken , terftond fchij- nen zij zich met algemeene toeftemming te verzamelen om hunne Jongen mede te voeren, en aairdiedezelfde begeerte inteboezemen om van klimaat te veranderen, 't geen onmöogjijk is dat deezen door eenige aanduiding, kundigheid, of voorafgaande ervaarentbeid kunnen ver- kreegen hebben. De Vaders en Moeders verzaamelen hun Kroostom diegeduurendeden overtogtte geleiden.en alle de Huisgezinnen vereenigen zich, niet alleen om dat alle de Hoofden daarvan met dezelfde begeerte zijn vervuld, maar ook om dat zij door hunnen troep te vermeerde» ren* beter in ftaat gefteld worden om hunne Vijanden te weerftaan. En deeze begeerte om van klimaat tcveranderen, wel-
ke zich doorgaans tweemaalen in-hét jaar vernieuwt, na-' meiijk in het voor- en in het najaar, is een zoort vanzoda» |
||||||
|
¥OG.
nig dringende nooddruft, dat het zich zelfs aan de in de
kouwtjes gevangen zittende Vogeltjes, door de ailerzicht- baarfte ongerustheden openbaart. Deeze begeerte ts een der hevigfte aandoeningen van het inflind der Vogel; daar is niets dat hij in die twee tijden van bet jaar onbe. pioefd laat om in vrijheid te geraaken, en dikwils be- koopt hij met de dood de poogingen dien hij te werk ftelt om uît zijne gevangenis te geraaken, in plaats dat hij op alle andere tijden dezelve gerustelijk fchijnt te verdraagen, en zelfs behaagen in zijne gevangenis te fcheppen, indien hij in de tijd der voortteeling zijn Wijfje maar mag bij hem hebben en gerustelijk lief- koozen. Wanneer het faifoen der verhuizing nadert, ziet men niet alleen de Vogelen die in vrijheid lee- ven hunne Huisgezinnen bij een brengen, zich met andere huisgezinnen van hun zoort verzaamelen, maar zich behalven dat nog in het doen van verre vlugten oeffenen , voor dat zij hun groote reisvon- derneemen. Dog de omftandigheden die deze ver- huizingen verzeilen, zijn verfcheiden in de verfchil- lende zoorten ; alle de reizende Vogels vereenigen zich niet bij benden, daar zijn er die alleen ver- trekken, anderen verzelt van haare Wijfjes en Kroost, en zommigen die bij kleine troepen vliegen enz. Met de Dieren in geen ander oogpunt/dan binnen der-
zelver kring bepaalt, te befchouwen; fchijnt het, dat de meeste der Viervoetigen, de reuk fijnder en uitge« ftrekter hebben als de Vogelen; want wat men ons ook van de reuk der Raave, der Gier, enz. verteld, is de- zelve verre beneden die der Hond, Vos, Wolf, enz., in den eerften opflag kan men er over oordeelen door de overeenftemming van het werktuig. Daar is een groot getal Vogels die geen neusgaten hebben, dat wil zeggen geen opene geleidbuizen boven den bek, zo dat de zodanigen dereuk niet kunnen ontvangen dan alleen door de fpleet die binnen de bek in het verbe- melte zit; en in zodanigen die opene geJeidbuizen bo- ven den bek hebben, en dus fijnder van reuk als de ander- ren, zijn echter de reukzenuwen na evenredigheid veel kleinder, minder in aantal, en zo uitgeftrekt niet als in de viervoetige Dieren ; ook verwekt de reuk in de Vo- gelen zeldzaam eenig merkwaardig uitwerkzel, in plaats dat dit fintuig in de Hond en verfcheide andere vier- voetige Dieren, de porfprong en voornaameoorzaak van hunne.bepaalingën en beweegingen fchijnt te zijn. Dus kan men zeggen, dat het gevoel in de Mensch, de reuk in de viervoetige Dierenen het gezigt in de V»ge\en, de eerfte en voornaamftefintuigen uitmaaken , dat wil zeg- gen, die welke het volkomenfte zijn, en welke aan die verfchillende wezens de bij hun heerfchende gewaarwor- dingen mededeelen. ; . Na het gezigt, fchijnt mij toe dat het gehoor het twee-
de fintuig van de Vogel is, dat is te zeggen, het tweede wat derzelver volkomenheid betreft; het gehoor is ia de Vogel niet alleen voikomener als de reuk, de fmaak en her gevoel, maar zelfs, voikomener als het gehoor der viervoetige Dieren; men word zulks ontwaar, wan- neer men gadeflaat hoe gemakkelijk de meeste Vogels de geluiden met derzelver toonvallen, en zelfs het (pree- ken onthouden en nabootzen, en geduurig berhaalen; men ziet zulks, door 't vermaak datzij fcheppen metgefa' dig te zingen, onophoudelijk te kweelen, inzonderheid wanneerzij hetgelukkigftezijn,dat isin hunneliefdens en paaringtijd; zij hebben de werktuigen van hetGehoor buigzaamer en fterker, en zij. maaken er ook veel toeet |
||||||
|
voa
gebruik van als de viervoetige Dieren.' De meesten van
deezen, zijn buitengemeen ftilzwijgende, en hunne ftem- men die zij maar zelden doen booren, is bijna altoos onaangenaam en fcherp ,* in die der Vogelen in tegendeel, word men lieflijkheid, ja veeltijds iets aartdoenlijks en melodie ontwaar; men moet egter toeftemmen dat eree- nige zoorten zijn, waar van het geluid onverdraaglp fcbijnt, inzonderheid wanneer men die met de zang dtr anderen vergelijke, maar die zoorten zijn in zeer klein aan- tal en daarbij de zwaarfte Vogelen welke door de Natuur op dezelfde wijze fchijnen behandelt te zijn ais de vier- voetige Dieren,, met hun niet anders tot ftem tegeeven dan een of verfcheidene fchreeuwen, die zo veel te Merker giftender en onaangenaamer fchijnen, naar maaee zij min- der evenredigheid met de grootte van het Dier hebben. Een Pauw die het bonderfte gedeelte van den omtrek ee- ner Os niet bevat, doet zijn geluid vee! verder hooren. Een Nagtegaal kan door zijn zoetluidende dog fchelle toonen, al zo veel ruimte en omtrek beflaan als een man- nelijke en forfe Menfchen ftem; die ongemeene uitge« ftrektheid, die kragt van hunnen ftem, hangt alleenlijk van de natuurlijke febikking of gefteldheid hunnes lighaams af, terwijl de aanhoudenheid van hun gezang of ftil- zwijgen, enkel aan hunne innerlijke geneigtbeden of aan- doeningen onderworpen is; dit zijn twee zaaken die-men enderfcheidenlijfc moet in 't oog houden. Vooreerst hebben de Vogels veel fterker en vleefchiger
Borstfpieren als de Mensch of eenig ander Dier,, en hier van daan komt het, dat hij zijne Wieken, met veel meer kragt en fnelheid kan beweegen, als de Mensch zijne Ar- men en Beenen; en ter zelver tijd dat de kragten die dé Wieken doen beweegen grooter zijn, is ook de uitbrei- ding der Wieken uitgeftrekter, en de hoop of klomp ligter, tot de grootte en het gewigt, van het lighaam der Vogel, betrekkelijk ; dunne en holle beenderen, weinig vleesch, ftevige peefen en vederen, die veeltijds twee, drie, .en viermaalen meer uitgeftrektheid beflaan als den omtrek van het lighaam, maaken de Wiek of Vleugel van de Vo- gel uit, die niets anders dan de medewerking der lucht behoeft om zijn lighaam optebeffen, en daarbij zeer ligte- beweegingen om het zelve in der hoogte te onderfchraa- gen. De min of meerdere gemaklijkbeid der vlugt.de verfchillende trappen van fnelheid, zelfs zijne beftiering van beneden na boven en van boven na beneden, han- gen enkel der zamenhang van alle de uïtkomften dier na- tuurlijke- febikking of gefteltbeid af. Zodanige Vogels wiens Wieken en Staart het langfte zijn, en den omtrek van het lighaam 't kleinst is, vliegen het fnelst en kunnen het ook 't langst uithouden ; daar in tegendeel die, zo als de Tropganfen, de Cafuaris en Struisvogel, welke de Wieken en Staart zeer kort hebben, daarbij een grooten omtrek van lighaam, zich met veel moeite aan't vliegen geeven, ofzelfs zich niet van de grond kunnen opheffen. _ : - . De Merkte der Spieren, de overeenkomst der Wieken,
de geordende febikking der Vederen en de ligtheid der Beenderen, zijn de natuurlijke oorzaaken van het uit- Werkze! der vlugt die zo luttel de Borst van deVogel fchijnt 'e vermoeijen, dat bij dikwils vliegende zijn ftem door aanhoudendgefchreeuwdoet weergalmen; en zulks koomt uaar van daan, dat in de Vogel den Thorax met a|lede peelen die dezelve bevat en er van afhangt, fterker of inwendig uitgeftrekter is, dan in alle andere Dieren; ins- gelijks om dat de uitwendige Borstfpieren dikker zijn, °°kis deLongpijpgroo:erenftaker, en die eindigt doo>. |
VOG. SP«
gaans na beneden toe, in eene wijde hollfgbeid die den
omtrek van 't Geluid vermeerdert. De Longen die groo- ter en uitgeftrekter zijn als die van de viervoetige Die- ren, hebben verfcheidene aanbangzels welke zakken for- meeren, die tot bewaarplaatzen voor de lucht verftrekken, en het lighaam der Vogel nog ligter maaken, terwijl die ter zelver tijd in overvloed en op een gemakkelijke wijze aan de lucht zelfftandigheid verfchaft, welke tot voeding van de ftem verftrekt. Het fchijnt mij toe, dat inen door aaneenfcbakelde
gebeurden« kan betoogen, dat de ftem der Vogels niet alleen fterker is als die der viervoetige Dieren, betrekke- lijk ten aanzien van de grootte of omtrek van derzelver lighaamen, maar ook teffens volftrektelijk, en zonder die overeenkomst van grootte in aanmerking te neemen. Gemeenlijk doet zich de ftem van onze tamme of in 't wild loopende Viervoetige Dieren niet verder hooren als een vierde of derde van een mijl, en datgeluid gefchied in het dikfte van den dampkring, namelijk in dat gedeel- te, 't wellt het dienftigfte is om het geluid voorttezet- ten j in plaats dat de ftem- der Vogels die van boven uit de lucht tot ons nederdaalt, in een ijler ruimte word voortgebragt, alwaar een grooter kragt vereischt word om het zelfde uitwerkzel voorttebrengen. De Vogels wiens ftem wij van boven ontwaar worden ,
en zelfs dikwils zonder die te zien, zijn als dan opee- hoogte verheven, die gelijk ftaat met drie duizend vier- honderd dertigmaal hunnen omtrek of diameter, dewijl het op dien afftand is dat bet menfchelijk oog ophoud om de voorwerpen te kunnen zien. - Veronderiïellen wi| datde Vogel met zijn uitgeftrekte Wieken een Voorwerp uitmaakt, van vier voeten diameter, zo zal hij voor ons niet eerder onzigtbaar worden als ter hoogte van 13.744 voeten; en indien wij een troep van drie of vierhonderd lijvige Vogels veronderiïellen, zoals Ojeraars, Ganfen, of Eenden, waar van wij zomtijds de ftem hooren voor dat wij die met ons gezigt ontwaar worden j zal men moeten toeftemmen, dat de hoogte waar toe zij fteige- ren nog verhevener is, dewijl de troep min of meer ge» flooten zijnde, een voorwerp vormt waar van den om- trek veel uitgeftrekter is. Diensvolgens heeft een Vo~ gel die zich een uur ver uit de hoogte der lucht doet hoo- ren, en geluiden voortbrengt in eene Iucbtftreek die er de weergalming van vermindert en derzelver voortgang meer als de helft verkort, gevolgelijk de ftem viermaa- len fterker of fcheller als de Mensch of het viervoetig Dier, dat zich op de oppervlakte vanden aardbodem naauwlijks een halfuur ver kan laaten hooren ; en deéze bepaaling kan waarfcbijnlijk «ërderals teflaauw dan te fterk gefchetst, aangemerkt worden, want daar is nog eene overweeging die onafhangelijk van het geene wij hebben voorgedraagen, ter ónderfteuning van onze be- fluiten verftrekt, en wel hierin beftaat, dat het geluid in't midden der lucht voortgebragt, zich uitzettende, on« wederfpreekelijk een kring moet vervullen waar van de Vogel het middenpunt is, terwijl het geluid op de vlakte van den aardbodem voortgebragt, maar een halfrond of kring, vervu ! t, daar bij dat het gedeelte van 't geluid 't welk tegens de grond aanbotst en weerornkaatst, behulpzaam eii dienftig is tot voortzetting van dat gedeelte dat zich na boven en ter zijden verfpreid; bier door is de fpreek- wijze ontftaan, dat de ftem klimt, en dat twee Merifchen waar van de eene boven op een toren ftaat en d'andere heneden aan deszelfs voet, die van boven mèt de onder- fte. willende Ipreeken, genoodjsaaktis zijn ftem veel fterker Z 3 te |
|||||
|
VOG,
|
||||||||
|
WW VOO.
|
||||||||
|
te verheffen als de andere,, wil hij er zich even duidelijk
van doen hooren en verftaan. En wat de lieflijkheid der ftem een zoetvloeijenheid
van het gezang der Vogelen betreft, leert ons de onder- vinding, dat heteene hoedanigheid is die ten deele aange- faooren, en ten deele verkreegen is ; de gemakkelijkheid waar mede zijde geluiden in het geheugen bewaaren en herhaalen, brengt niet alleen voort, dat zij die de een van d'ander ontleenen, maar zelfs dat zij dikwils de bui- gingen en toonen van de Menfchelijke Stem en derzel- ver fpeeltuigen nabootzen. =--------- Is het niet iets zon- derling«, dat in alle de bevolkte landen die teffens be- fchaafd zijn, de meefte Vogelen een alleraangenaamfte ftem en zoetvloeijend gezang hebben, terwijl inde wijd- uitgeftrekte Woestijnen van Afrika en Amerika, daar men niet dan woeste Menfchen heeft gevonden, zich ook geen andere dan fcbreeuwende Vogelen onthouden, en dat men ter naauwer nood eenige zoorten weet aan te haaien, waar van de ftem zagt en het gezang lieffelijk zij? moet men dit verfchil enkel aan den invloed van't klimaat toefchrijven ? de overmaat van koude en hitte, brengt wel is waar, buitengemeene uitwerkzelen in den aart der Dieren voort, en vertoond zich veeltijds uitwendig door deszelfs wreeden imborstenfterkekoleuren. Zo- danige viervoetige Dieren, waar van de vagt met ver- schillende en tegensmalkander ftrijdende koleuren is ge- tekend j met ronde vlakken als bezaait is, of met lange ftreepen gebandeert, zo als bij voorbeeld het Panther- dier, den Luipaard, de Zebra, de Civetkat enz., zijn alle Dieren die in de warmfte Gewesten woonen, in plaats dat in gemaatigde iuchtftreeken , de fchaduwen fiaau- wër worden bevonden, daarbij zagter en meer ineen- vloeijende. Onder driehondert zoorten van Vogelen die wij in ons land kunnen optellen, is de Paauw, àenHàan, de Loriot, en het Puttertje, genoegzaam de eenigften, die men wat de verfcheidenheid der koleu- ren betreft, kan te berde brengen, terwijl de natuur haare penfeeleri fchijnt verfleeten te hebben op depluima- gie^der Vogelen van Amerika, Afrika en die der Indien. De viervoetige Dieren waar vân dé Vagt zo uitneemend fchoon is, zodanige Vogelen wiers vederen doordeglim- tnenfte en heerlijkfte koleuren zijn geverft, hebben ter. zelver tijd eene harde en onbuigzaamefteni, daarbij een onaangenaam gefchreeuw ; men kan geen ogenblik twijf- felen, of de invloed van het klimaat is de voornaame oor- zaakvan dit uitwerkzel ; ik geef echter in bedenking, of men er niet den invloed en het gezag die de Mensch over alle de Dieren is gefchonken, als een tweede oorzaak moet bijvoegen? Want van allede Dieren, zeerweinigen uitgezonden, die huisfelijk worden opgevoed of als ge- vangenen gehouden,ontaarten de koleuren, vloeijen in een, en zijn minder helder en levendig, als van deso- danigen,_ die in vrijheid leeven; hier Van ziet men een menigte voorbeelden in de viervoetige Dieren, en het is even eens gefteld met de huisfeiiike Vogelen. De Haanen en Duiven hebben nog meerder verfcheidenhe- den wat de koleuren betreft opgelevert, dan de Honden of Paarden. De Mensch heeft minder invloed op de VogeleA dan
op de viervoetige Dieren, om dat zij ten aanzien van hun aart ermeerder van zijn vervreemt, en daarbij minder vatbaar zijn voor gevoelens van onderwerping, gehoor- zaamheid en aankleeving. Zodanige Vogelen die wij tamme of kuisfelijke Vogelen noemen, zijn gevangenen, 4ie ons zo lang als zij leeven geen de tninfte dienst bewij- |
||||||||
|
zen, en enker voor ons nuttig zijn door hunne voorttse.
ling, dat; is te zeggen door hun dood; het zijn flagtof. fers die wij zonder moeite vermeerderen, en zonder hart. zeer en met voordeel Aagten. Dewijl han inftinä van dat der Viervoetige-Dieren verfcheiden is, engeen over- eenkomst hoe genoemd met het onze heeft, zo zijn wij Sliten de mooglijkheid hun regtftreeks't een of ander iiïteboefemen, ja zelfs niet van ter zijden eenig betrek- keiijk gevoelen medetedeelen; wij hebben enkel invloed op het Werktuig, en zij hebben ook geene begaaftheid, Qm ons op een andere dan werktuiglijke wijze, 't geen zij van ons hebben ontvangen wederom,te geeven. - Een Vogel wiens gehoor met eene voldoenende vlug. en naauwkeurigbeid is voorzien om eene aaneenfchaakeling van geluiden en toonen ja zelfs van woorden te onthou- den , en wiens ftem de vereischte buigzaamheid heeft, om die duidelijk te herhaalen en natebootzen, ontvangt die woorden, zonder dat hij ze verftaat nog begrijpt, en geeft die op dezelfde wijze weer over als hij ze ontvan- gen heeft. Schoon hij de woorden op eene verftaanbaa- re wijze uitbrengt, fpreekt bij evenwel niet, en zulks, om dat deeze uitbrenging van woorden, geenzints uit het beginzel aan de fpraak eigen, voortvloeit; het is'er enkel eene naa volging van dat in't geheel niets te kennen geeft, nog uitdrukt van 't geen 'er inwendig binnen het Dier omgaat, daar bij geene van zijne aandoe- ningen: afbeeld, ßcque bekwaamheden,, eenige uitwendige hoedanighe- den in de Vogels gevormt en te wege gebragt, zo als in- zonderheid ten aanzien van het gehoor én ftem, dog hij beeft minder invloed gehad op deszelfs inwendige hoedanigheden. -~* Zommigen heeft men tot de jagt weeten afteriehten, en zelfs om het door hun gevan- gene Wild optebrengen; eenige anderen weet men tot zo verre tam te maaken, dat zij gemeenzaam worden; door den invloed der gewoonte brengt men 't zoo ver met hen, dat de gevangenis waar in zij zijn opgeflooten voor hen als aangenaam word, en zij den Oppasfer lee- ren kennen die hun van voedzel en andere noodwendig« heden verzorgt; dan alle die gevoelens zijn zeer flaauw, en geheel en al niet te vergelijken bij die welke wij in viervoetige Dieren jweeten over te brengen, en die wij met veel beter uitflag, en in korter tijd en in grooter aantal aan dezelven mededeelen. Welke over« eenkomst, bid ik ü, isertusfchen de verkleeftheid van een Hond en de gemeenzaamheid van een Kanarie, tas- fcheh fiet vernuft van den Olijpbant en dat van een Struisvogel, die nogthans de aller ftatigfte en wel be- dagtfte Vogel fchijnt te zijn. | Laat ons nu eens, de Stem der Vogelen in haar eigen
aart befchouwen, dat;is te zeggen, van den invloed af- gezonderd die er de Mensch op heeft; fcheid eens van de Pappegaai, van de Kanarie.Vogel, van dé Vink, en van de Lijster, de verkreegene geluiden en toonen, met dié welke hun eigenaàrtig zijn; dat men inzonderheioi zodanige Vogelen die dé eenzaamheid beminnen en in vrij' heid leevgn, gadeflaa, en men zal gewaar worden» dat alleen derzetver ftemmen of geluiden, zich naar hunne aandoeningen fcbikt en verandert worden. Dew de Stem dat geene van alle hunne hoedanigheden is die 't gemakkeliikfte werkt, en waar van teffens de uitvoe- ring de minfte moeite aan hun kost, bedienen zij er zien zodanig veelvuldig van, dat men waarlijk zoude zeggen dat zij er dikwils misbruik van maaken, en het zijn geen- zins de Wi'fjes, zo als men zoude kunnen gisfen, diene groot*
|
||||||||
|
VÖG.
gröötfté misbruik van dit werktuig Waaken ; deezen zijn
in het Geflagt der Vogelen veei rtilzwijgender dan de plannetjes; zo als deezen, kweelen zij een geluid't welk finerte of vrees aankondigt, zij hebben een gêneur of uitdrukkingen die ongerustheid en bekommering aandui- den, inzonderheid ten aanzien van hun Kroost, maar het zingen fchijnt aan de meésteh van haar oneigen te zijn, terwijl het in't Mannetje een der aandoeniijkfte eigenfchappen uitlevert. *--.. lijk voortbrengzel van eene geneugtijke gewaarwor- ding, het is de liëffelijké aandoening van eene tedere drift > die nog maar ten hal ven voldaan is. Befchouwt de Kanarie-Vogel in zijn vlugt, het Vinkje in de vel» den, de Lijster in de bosfchen, deezen zingen alle om ftrijd met luide toonen hunne liefdens-driften, waarop het Wijfje geen ander antwoord geeft, dan een dof geluid 't welk haare goedkeuring te kennen geeft. ■_ Inzom- mlge zoorten, beantwoord het Wijfje 't gezang van het Mannetje, met een gelijktoonig gezang, 't geen echter veel zagteren zo fchelluidend riiet is. De Nag- tegaal zich met den aanvang der lente na de bosfchen begeevende, zingt niet terftond, hij zwijgt beftendig tot dat hij gepaart is; en zijn zang is in den beginne kort en afgebrooken, eveneens ais Wilde hij aanduiden, dat hij nog in de onzekerheid is of zijne liefdensbetuiging word goedgekeurt dan niet, ook word zijn ftem niet eerer ge- duurzaam aanhoudende en fchelklinkende, dan wanneer liij befpeurt dat zijn Wijfje bevrugt zijnde, zich reeds bij Voorraad bezig houd om de moederlijke plichten te ver- vullen ; ijverig is het dan, om die met baar te deelen, hij helpt haar in 't zamenftèllen van bet nest, en nimmer zingt hij met fcheller toonen en meerer aanboudenheid, dân wanneer hij aan haar de fmerten befpeurd die bet éijerleggen verzeilen,* nietalleen draagt hij geduurendeal dien tijd zorg voor het onderhoud, maar hij tragt dat tijd- ftip te verkorten, door de vermeerdering zijner liefkoo- zingen, en het veelvuldig herhaalen zijner verliefde toonen; hetgeen ook tot een |>nwraakbaar bewijs ver« ftrekt, dat de zang wel degelijk én geheel en al van de lief- de haaren borfprong heeft, is, dat zo draa de liefkoo- zingen ophouden, het gezang ook geheel en al ge- ftaakt word; zoo draa het Wijfje broed, houd zij op Biet zingen, en omtrent het einde van Juny zwijgt het Mannetje insgelijks, of doet zich ten minften niet anders hooren, dan door eenige fchorre toonen, niet kwalijk te vergelijken hij het kwakken van zommig on- gediert, en zodanig vërfcheiden van zijn eerfte gezang, dat men moeite heeft om te kunnen gelooven, dat die too- ien van den Nagtegaal jaa zelfs van eenig ander Vogel, word voortgebragt. : - Dat gezang 't welk alle jaareh ophoud en vernieuwt
word, en, maar twee of drie maanden duurt; deeze ftem waar van de fchoone klanken en zoetvloeijende toonen Z|chniet anders laateh hooren, dan inde tijd,dat deaan- |enaame lente de plaats der guure winter inneemende, het Pluim-zo wel als het meeste andere Gedierte tot liefdens- Plegingen uitlokt en de drift inboezemt om huns-gelijken v°ortteteefen, die vervolgens verflaauwten tegelijk met «e'vlam van die verzadigde drift, uitdooft, wijst,jene Natuurkundige overeenkomst aan, tusfchen de deelen der ^oortteeling en 'die der ftem ; eene overeenkomst, wel- h M? ^en ^aSe^ eene naauwkeurigerzamenhang fchijnt te «ebben, en daarbij grooter uitwerkzelen voorrtebren«'/ ßeji dan in eenig ander Dier. Het is eene bekende zaak, w de ftem'van den Mensch niet völkoornen word, dan |
|||||||||
|
VÖÖ.
|
|||||||||
|
wsk
|
|||||||||
|
wanneer hij' de jaaren van huwbaarheM heeft bereikt;
dat die in de viervoetige Dieren wanneer de drift tot paaren hun vermeesterd, heviger word ja zélfs verfchrik- kende; de volheid der zaadvaten, dén overvloed van het werktuiglijk voedzel, brengen eene grooteprikkeling in de deelen der voortteling te wege; die der keel en ftem, fchiinen meer ofmin te deelen in die prikkelende warmte. Hetgroeijen der Baard, de kragt van de ftem, de uitzetting van het Teellid in 't Mannetje, deontwim- peling der klierige lighaamen in het Wijfje, die alle ter zei ver tijd gebeuren, ftrekken tot een genoegzaam be- wijs van de overeenkomst der voortteelings-deelen, met dié der keel en ftem. - In de Vogelen worder* die veranderingen nog veel Merker befpeurd; niet alleen dat die déeien door ilezelfde porzaaken aangedaan, -§Sl- prikkeld en veranderd worden, maar zij fchijnen zelfs ten eenemaalen vernield te worden, om daarna op- nieuw te ontluiken. De Zaadballen welke in deMenfcK en in de meeste viervoetige Dieren, ten allen tijde genoegzaam gelijk gefteld zijn, verteeren of om beter te zeggen, droqgen in de Vogelen uit, en zijn naaüw- lijks in dezelve te vermerken, wanneer de paartijd over is; dan die tijd herleevende, zwellen zij weder op, en worden dikker als men zoude kunnen verwagten, die met de evenredigheid van hunne overige Ïigbaams- deelen vergelijkende,- bet zingen dat ter zei ver tijd op- houd en herleeft, boodfchapt ons overeenkomftige aan- doeningen in .de keel der Vogel; en het waare de moei- te dubbel waardig om met aandagt te letten of'er als dan ,, in de werktuigen van zijn ftem niet de een of de andere nieuwe voortbrenging, ja aanmerkelijke uitzet- ting van deelen gebeurt, die ook niet langer duurt, dan de zwelling der voortteelings-deelen. Voor 't overige fchijnt het alsde of Menfch gézagheeft
verkreegen over die gewaarwording van liefde, ander- zints de vervoerendfte drift welke 'er in de natuur word gevonden; het fchijnt ten minften als of hij 'er in de viervoetige Dieren en zodanige Vogelen dien om zo te fpreeken 'tot zijne huishouding behooren, de duurzaamheid van heeft weeten uit te rekken, en de uitwerkzelen- van te vermeerderen. De viervoeti- ge Dieren die -gemeenzaam met hem omgaan ; en de Vogels welke op zijn voorplein woonen, zijn niet zoo als die welke in vrijheid leéven , enkel aan eene bronstijd onderhevig; de Haan,' Duif en Eendvogel, kunnen even zoo wél als het Paard, het Ram enden Hond genoegzaam in alle jaargetijden zich met hunne Wijfjes verzamelen, en Jongen voortteelen; in plaats dat zodanige viervoetige Dieren en Vogelen die in bet wilde leéven, en enkel den invloed der natuur heb- ben ontvangen, aan een of twee Saifoenen zijn be- paalt, en "in die tijden koppelen en haar Gefiagt-voort- teelen. Wij hebben nu eenige der voornaamfte hoedanighe-
den gefcbetft, waar mede de milde natuur-de Vogels heeft begaaft, daar bij hebben wij getragt te ontwim- pelen, tot boe verre de invloed van den Menfch zich over.hunne hoedanigheden uititrekt;* wij 2i"jn ontwaar geworden, dat zij denzelven en inzonderheid de vier- voetige'Dieren, door de uitgeftrektheid en fcherpheid ' van't fintuig desgezigts, door de fijnte en nauwkeu- righeid van het gehoortuig, door de gemaklijkbeid en kragt derftem, en nog meerer door de bekwaamheid van voorttéteeien.eri de fnélbeidder beweeging diehun natuurlijker %n de rust fchijnt <te-zijn, verre te boven gaat.
|
|||||||||
|
?" ;-"
|
||||||||
|
VOG. _
zijn afgericht, in een dag meerder wegs fpoeden, als
een voetganger in zes dagen kan afleggen. De.Ridder Hans Sloase verzekert, dat op het Eiland Barbados, de Meuwen bij troepen verzamelt, meer als twee-hon- dert mijlen diftantie van die plaats als gaan fpelemeijen, en op den eigenden dag te rug keeren. Eene wandeling of fpelemeijende vlugt van honderd en-dertig uuren, toond de genóegzaame mooglijkheid eener reis van tweehonderd uuren; en ik derik dat men uit de zamen- voeging van dit alles, zonder vermetelheid zal kunnen befluiten, dat een hoogyiugtige Vogel eiken dag vier of vijfmaalen langer weg zal kunnen afleggen, dan bet at- lerfnelstlpopende viervoetig Dier. , Alles werkt ook in de Vogel mede, om die gémaklijk-
heid in de beweeging voomebrengen ; let in de eerde plaats op de Vederen, waar van de .zelfstandigheid bui- tengemeen ligt is; de oppervlakte zeer groot, en waar van de pennen hol zijn ; vervolgens de fchikking van die Vederen 1 het maakzel der Vleugelen, die binnenwaarts hol- en uitwaards bol-rond zijn, derzelver vastheid, groote uitgeftrektheid, benevens dé fterkte:der Spie- ren die dezelye doen beweegenj ten laatften , de ligt- heid van die zelfde Lighaamen, waar van de allervast« fte deelen, zo als bij voorbeeld, de Beenderen, veel ligter zijn als die der viervoetige Dieren ; want de hol- ligheden in de Beenderen der Vogelen, zijn na evenre- digheid veel grooter als in de viervoetige Dieren, en de platte"Beenderen die geene holligheid hebben, zijn veel dunner, en weegen minder. Deeze ligtheid v&n Beenderen vermindert aanmerkelijk het gewigt van het Lighaam des Vogels, en men zal moeten toeftemmen, het.Geraamt van een viervoetig Dier, met dat van een Vogel volgens de regelen der waterweegkunde weegen- de, het eerfte naar evenredigheid aanmerkelijk zwaar- der zal zijn, dan het laatfte. Een tweede uitwerkzel dat zeer aanmerkenswaardig
is, en 't welk men tot den aart der Beenderen moet te huis brengen, ,is de levensduurzaatnheid der Vogelen, welke in't algemeen laïlger is, daarbij geenzints de- zelfde regels volgt, nog dezelfde evenredigheden in waargenomen worden, als wel in de viervoetige Die- ren. - In de Menfch en in de laatstgenoemde Die- ren, is de duurzaamheid van het leven altoos even« redig met de tijd, die 'er noodig is tot voortgroeijing van het Lighaami, en'in't algemeen genomen , zijn dezen niet tot het voortbrengen van hun's gelijken be- kwaam , voor dat die groei ten grootften deele volbragt is. In de Vogels ■ gebeurt de aangroeijing fchielijker, en de weder hervoortbrenging vroeger; een jonge F*i gel kan uit de dop komende, gebruik van zijne Poo- ien maaken, en kort daarnaa van zijne Vleugels; hij kap terftond naa zijne geboorte, loopen, en een maand of vijf weeken daarriaa, vliegen; een Haan is in ftaat den ouderdom van vier maanden bereikt hebbende, om voortteteelen, en heeft een jaar noodig om vol- groeid te zijn; kleindere Vogels zijn het in vier ol vijf maanden; zij groeijen bijgevolg veel fchielijket en teeleh vroeger voort als de viervoetige Dieren 1 en nogtans leeven zij na evenredigheid veel langer! want de geheele duurzaamheid van het leeven in de Mensch en viervoetige Dieren is zes of zevenmaale» zo lang als hij tot zijne volkoomen aangroei nodig is» hier uit zoude dan moeten volgen, dat de Haan o» Pappégaai, die beide maar een jaar noodig hebben om hunne,volkomene wasdom te bekomen, niet l«jj'. |
||||||||
|
3945 VOG.
gaat. Daar zijn 'er, zoo a!s bij voorbeeld de Paradijs,
vogels, Meeuwen en meer anderen, die altoos in be- weegtng fchijnen te zijn, en zich genoegzaam maar ter loops of flegts eenige weinige oogenblikken ter rust be- geeven; verfcheidene voegen zich bij een , raaken zich aan, en fchijnen in de vlugt te paaren ; alle vatten hun prooi zonder zich op te houden, of van hunnen weg te verwijderen; in plaats dat bet viervoetige Dier ge- noodzaakt is fteunpunten te neemen, en oogenblikken van rust uit te kiezen om zich bij eikanderen te voe- gen , en dat het oogenblik waar in hij zijn prooi agter- haalt, het einde zijner loop is; dus kau dan de Vogel wanneer in beweeging is, verfcheidene dingen doen, welke in het viervoetige Dier de toeftand van rust eischt; ook kan hij in korter tijd veel meer uitvoeren, enzullcs, om dat hij zich fnèller, en aanhoudender be- weegt; alle deeze oorzaaken bij malkanderen vereenigt zijnde, hebben invloed op de natuurlijke hebbelijkheden van den Vogel, en brengen daar door ook te wege, dat -zijn inftinft van het viervoetige Dier onderfchei- den k. ., Om een flauw-denkbeeld van de duurzaamheid en
aanhoudenheid van de beweeging der Vogelen aan on- ze Leezers te fchetzen, insgelijks van de evenredig- heid der tijd en der afftanden die zij gewoon zijn in hunne reizen te doorloopen, zullen wij hunne fnelheid met die der viervoetige Dieren, in derzelver grootfte of door de jagt daar toe gedwongene loopen vergelij- ken. Het Hert/Rendier en Eland kunnen veertig uu- ren in een dag afloopen; het Rendier voor een Sleede gefpannen, legt'er dertig af, en kan die beweeging verfcheidene dagen agter een goed maaken ; de Kemel fpoed een weg van drie honderd uuren in agt dagen; het Paard tot fnel rennen afgericht, en daarin door zijne ligtheid en fterkte in uitmuntende, zal een uur gaans in zeven minuten afdoen, maar wel dra verflaauwt zijn fnel loopen , en hij is niet in ftaat om met zulk een genoegzaam vliegenden ren eene weg die maatig ver is, af te leggen; wij hebben het voorbeeld van een Engelschman, welke in elf uuren en twee en dertig minuten, twee en't zeventig uuren te Poft afleide, in die tijd een en twintigroaalen van Paard verwisfelende ; diensvolgens kunnen de beste Paarden geen vier uuren in een afdoen, nog meer als dertig uuren in eenen dag. Dan de fnelheid der Vogelen gaat dit verre te boven, want, in min dan drie minuten, verliest men de groot- fte vogel uit het gezigt, bij voorbeeld een Kuikendief die wegfnelt, een Arend die in de lucht opftiigt, en eene ruimte beflaat, waar van de uitgeftrektheid zo groot is, dat deszelfs diameter of omtrek meer dan vier voeten behelst; bier uit moet men opmaaken, dat de Vogel in ieder minuit meer als drie-honderd-vijf-en-ze- ventig roeden doorfné't, en dat hij in een uur twintig uuren wegs kan afleggen» diensvolgens zal hij alle da gen in tien uuren, vlugts twee-honderd uuren ver kun- nen voöxtvliegen, en als dan nog verfcheidene maaien 's daags en daarbij den gantfchen nagt door kunnen rus- ten. Onze Zwaluwen en de andere reifende Vogelen die een gedeelte vàn het jaar bij ons doorbrengen, kun- nen dus in zeven of agt dagen uit' ons klimaat tot onder de Linie geraaken. De Heer Adanson heeft den 9 Oo tober, Zwaluwen op de kust van Senegal zien aanlan- den, dus niet langer dan agt of negen dagen na derzel- ver vertrek uit Europa. P. DELLA Vaixe verhaalt, dat in Perfien zodanige Duiven welke tot brief-draagea |
||||||||
|
■
|
||||||||
|
:.......■■" " '_'"":--------------------------------------
|
||||||||||
|
.: VÖG.
:;^er* dan zes of zeven jaarén zotedeU moetenr leeven,
, ju; plaats dat de ondervinding het tegendeel -leert ;ilk heb
Sijsjes en Vlasvinken gezien die in kouwtjes gehouden wierden, en evenwel veertien of vijftien jaaren oud ■waaren, Haanèn van twintig jaar, en Pappegaaijen , die 'er meer als dertig bereikt hadden ; en het zoude
mij niet vreemd voorkoomen dat hun leven zich nog langer kopde uitftrekken, als ik bet hier bepaalt heb- ie; ook ben ik overtuigd, dat men deeze zoo lange lee- vensduur, in zodanig tedere Schepzels, die door de geringde ziekte aangetast wordende, fterven, moet toefchrijven aan het maakzel van derzelver Beenderen, waar van de zelfftandigheid minder vast, en Iigter zijiv de als die der viervoetige Dieren, langer tijd poreus blijven, zo dat het been op lange na zo fchiélijk niet , bard ward nog verftopt als in de viervoetige Dieren;
, deeze verharding van de zelfftandigheid der Beenderen
is, zo als wij het gezegt hebben, de algemeene oorzaak van de natuurlijke dood-; hoe min vagter dat de Been- . deren zijn, hoe verder men nog van dat tijdftip af is;
; het is ook om deeze reden, dat de Vrouwen veelvuldige!-
dan de Mannen tot een buitengemeen hoogen ouderdom geraaken^ en dezelfde oorzaak maakt ook dat de Fo-. gels langer leeven dan de viervoetige Dieren, en de Visfchen langer dan de Fogels, om dat de Beenderen van de Visfchen van eene nogjigtere zelfftandigheid zijn, en die buigzaamheid of taaiheid langer behou- den, als wel de Beenderen der Vogels. Op dezelfde wijze als de natuur aan de viervoetige
Dieren, welke ten deele in het water leeven, ofwel die koude luchtftreeken bewoonen, een dubbelde vagt . heeft gefchonken, en van dikker, meer in een gedron-
gener haairen als de anderen , heeft voorzien, zoo zijn ook aile de Water-Vogels, en die welke de Noordfche , Landen bewoonen, met een groote menigte vederen en zeer fijn dons bezet, zo dat men door dat kenmerk kan ontdekken welk hunne geboorte-plaats is, en of zij, liefst op het land dan in het water leeven. In alle de luchtftreeken zijn de Watervogels genoegzaam met even
veele vederen bedekt, en zij hebben bij den 'Staart, dikke klieren, ftreklende tot bewaarplaatzen van eene olieagtige zelfftandigheid, dienende om hunne vederen glanzig te. maaken en als te vernisfen ; dit bij derzelver dikte gevoegt, maait die ondoordringbaar voor het wa» ter, 't welk maaralleen over derzelver oppervlakte heen ■ glijd; zodanige Fogels die op het drooge leeven, zijn
van deeze klieren niet voorzien, of hebben die ten minften veel kleiner. De bijnaa naakte Fogels,- zóo als de Struisvogel ,
Kafuaris, enz. worden alleen in warme Landen gevon- den; alle die de koude luchtftreeken bewoonen, zijn wel bedekt en rijkelijk van vederen voorzien; de Fo- gçls die hoog vliegen, hebben alle hunne vederen nd- 'Jj'S om in de middellucht aan de koude weerftand te
kUHnen bieden. Wanneer men een Arend wil beletten
°m heel hoog te vliegen, en zich daar door uit ons
jpzigt te begeeven, behoeft men hem flegts de Buik
KaaUeplukken, als dan word hij oogenblikkelijk al te
atbaar voor de koude, om zoo hoog in de lucht op te
«eigeren. , "',-/,
De Fogelen int algemeen zijn eveneens aan't ruijen
nderworpen, als de viervoetige Dieren ; het grootfte
gedeelte hunner vederen valt jaarlijks uit, en maakt
die a voor ar)(3eren, en zelfs zijn de uitwerkzelen
%reTe^ ve«ndering veraeilen, veel gevoeliger, als
*uJJeel,
|
||||||||||
|
VOG.
|
||||||||||
|
394?
|
||||||||||
|
die men bij 't verhaairen der viervoetige Dieren ont-
waar word; de meesten zijn onder het ruijen ziekelijk, eenigen fterven 'er zelfs aan, en geenen hoe genaamt teelt in die tijd voort ; de best gevoed wordende Hen houd als dan op met leggen, het werktuiglijk voedzel dat te vooren diende tot de wederom voortbrenging, word door de voeding van die nieuwe vederen ver- teerd en opgeflorpt, ook fcheid zich dit werktuiglijk voedzel in geen genoegzaamen overvloed af, voor dae die nieuwe vederen haare volkomene groei hebben volbragt. Gewoonlijk ruijen de Fogelen in het.afgaan van de Somer en in den Herfst; de Vederen wor4en ter zei ver tijd op nieuw herboren, het overvloedige voedzel 't welk zij in dat Saifoen vinden, word ten grooten deele door de aangroei van die nieuwe Vederen verteert, en het is eerft na dat zij haare volkomene wasdom hebben verkreegen, dat is te zéggen, bij ds aankomst der Lente, dat de overvloed van het voe- dend fap, als geholpen door het aangenaame Sâifoen, hun tot de liefde uitlokt en aanfpoort; als dan fprui« ten alle de Gewasfen weder uit, en komen met een nieuwen luister te voorfchijn; de bedwelmde Infek» ten worden weder vlug of ontvlieden de Poppen, waar in zij befloten waren, de aarde fchijnt van leevendi- ge voorwerpen te krielen; en deezen nieuwen over- vloed die alleen voor hun fchijnt voortgebragt te zijn, zet hun nieuwe kragten bij, eene overmaat van Iee- vens-fappen die door de liefde word verfpreid, en door het voortteelen in werking gebragt. In de viervoetige Dieren, inzonderheid in de zodanï..
gen die niets met hunne vingers kunnen vatten, hebbei- de niets anders dan hoorn of harde Nagelen aan hunne voeten, fcbijnt zich het Sintuig van't Gevoel met dat der Smaak in den Bekte vereenigen; dewijl dit bet ee- nigfte deel zijnde dat verdeelt is, ook het eenigfte waar mede zij de Lighaamen kunnen vatten, en 'er de ge- daante door leeren kennen, met zijn tong, verhe- melte en tanden om derzelver oppervlakte te flaan, nademaal dit deel de voornaamfte zitplaats zoo wel van hun Gevoel als Smaak is. in de Fogelen is het Gevoel van dat deel dan ten minften al zo onvolkomen als in dat der viervoetige Dieren, om dat hun tong en ver- hemelte minder gevoelig is; maar het fchijnt dat zij deezen vooruit zijn door het aanraaken met de vinge- ren , en dat de voornaamfte zetel van dat fïntuig daar in is geplaatst; want, in't algemeen bedienen zij' zich veel meer van hunne Vingeren, als wel de viervoeti- ge Dieren, zo wel in het aanvatten als betasten der Lighaamen; dewijl nogthans de inwendige zijde van de Vingers der Fogelen altoos met een hard en hoornag- tig vel is bekleed, zo kan het gevoel 'er niet zeer naauwkeurig van zijn, en de gewaar wordingen die 'er door worden voortgebragt, kunnen niet zeer duide- lijk zijn.. Zie hier de fchikking der Sintuigen, zodanig de na-
tuur die ten aanzien van de verfchillende Wezens, die ons bekend zijn, heeft bepaalt. In de Meofcb is het Gevoel het eerfte, dat wilzeggen, het volmaaktfte Sintuig^ de Smaak de tweeda, het GeZigt de derde, het Gehoor de vierde, en de Reuk het laatfte of min volkomenfte van alle de Sintuigen. In het viervoeti- ge Dier is de Reuk het eerfte, de Smaak het twee- de, of veel eer maaken deeze twee Sintuigen 'er maar één uit, 't Gezigt bet derde, het Gehoor'fe vierde, en 't Gevoel het vijfde, In de Fogel is het Gezigt 't eer- Aa fte, |
||||||||||
|
VOG.
duurende den gantfchen broeitijd in haar volle kragt
werkzaam, ja zelfs fchijnt die te vermeerderen-en met uitgeftrekter tederheid te ontluiken, wanneer de Jongen gebooren worden; het is eene tweede genie- ting, maar ter zei ver tijd zijn het ook nieuwe banden van vereeniging; de opvoeding van die Jongen is een nieuwe zorg, waar aan Vader en Moeder geineen- fchappelijk moeten werken. De Vogelen bieden ons een treffend tafereel aan, van al het geen 'er in eer- lijke en wel bèftierde huishoudingen omgaat- zij ver- tponen ons de liefde, gevolgt van een zuivereen met niemand anders dan met haar wederhelft gedeelde aan- kleeving, die zich vervolgens over haar gantfche gezin uitftrekt. Dit alles, is, gelijk men ziet, verbonden aan de nooddruft om zich te zaamen met onvermijdelijke zorgen en gemeenfchappelijken;arbeid bezig te houden; - en men befpeurt ook niet, dat die noodzaak tot arbeid, die bij ons niet anders dan in de tweede klasfe van Men- fcben word gevonden, dewijl de zodanigen die rijklijk met de gaven van 't Fortuin zijn bedeelt, 'er ten min- ften voor eengroot gedeelte van zijn .ontheft, veeltijds onverfcbilligheidien ontrouw voortbrengen. In-de viervoetige Dieren, befpeurt meuten deezen
opzichte, geen andere hartstocht dan dierlijke liefde en drift, zonder dat dfe«met de minfte blijkbaare aan- kleeving of genegenheid verzelt gaat, en dit fpruit voort, .dewijl de vermenging of vereeniging van het Mannetje met bet Wijfje, geene te vooren beraamde fcbikkingen vereifchen , en , mog wederzijdfcben ar» beid, nog gemeenfcbappelijke zorge vorderen, en dus indien men'c zoo mag noemen, geen huwelijks veree- niging plaats vind. Zo draa het Mannetje zich met het Wijfje heeft vermengt, zondert hij zich van haar af, het zij om zijne kragten te herftellen, ofwel om zich op nieuw met andere Wijfjes van zijn zoort te vermen- gen; hij kan nog in de hoedanigheid van Echtgenoot, nog in die van Vader eenes huisgezins aangemerkt wor- den, dewijl hij het inftinft niet heeft om zijn Wijfje of Jongen te kennen; het Wijfje zelfs zich aan de omhel- zingen van verfcheidene Mannetjes hebbende overge- geeven, verwagt van niemand derzelven eenige hulp-of bijftand, zij alleenblijft-met het oppâsfen van haar Kroost belaaden, benevens de zorge die derzelver oy kweeking verzelt, zij heeft, geene aankleeving als al« leen voor haare Jongen, en deeze aandoening blijft haar zomtijds veel langer bij dan men zulks.in de Vogelen ontwaar word; dewjji dit fchijnt af te hangen van de behoeftens die de Jongen van .haare Moeder verwag- ten, die dikwils zelf gebrek lijd, en nogthans haare Jongen zoogt en van het noodige voedzel voorziet; i daarbij word de bijftand van de Moeder.ten aanzien van haare Jongen in de meeste viervoetige Dieien langer vereiseht dan.wel in de Vogelen, om dat die langzaamer aangroeijen als deeze laatften, en dus is ook de aankleeving duurzaamer; daar zijn zelfs ver* fcbeidene zoorten van viervoetige Dieren, waar in deeke gewaarwording zelfs niet door nieuwe liefdens* driften word uitgebluseht, ja waar in men de Jongen van twee of drie verfchillende.dragten, door dezelfde Moeder met eene gelijke zorg ziet oppasfen engeleiden. Men vind echter ook eenige weinige zoorten van vie>' voetige Dieren, daar de zamenleeving tusfchen Man- netje en Wijfje, gedtiurende den gantfchen tijd -aie tot de opkweeking der Jongen vereiseht word, ûùtu> aaanven ongeftoordis; ten voorbeelde-hier-van, vef' . ..ftiefcken
|
|||||||||
|
VOG.
|
|||||||||
|
3943
|
|||||||||
|
.fte, het Gehoor % tweede, het Gevoel *t derde, de:
Smaak en Reuk de laatften. De Sinraakingen die het' veelvuldigfte in ieder van deeze Wezens de overhand hebben, volgt dezelfde .ordre; de Mensch word het meest aangedaan, door de indrukzelen van het Gevoel, het viervoetige Dier door die der Reuk,-en de Vogel door die van't Gezigt; het grootfte gedeelte van hun- ne beoordeelingen en bepaalingen, hangen vandieheer- fchende Sinraakingen af ; die der andere Sintuigen voor hun minder aandoenlijk en in geringer aantal zijnde, Zijn aan de eerstgemelden onderworpen, en hebben maar in de tweede plaats, of als van ter'zijden invloed op den aart van 't Wezen. ; Dan daar is een zesde Sintuig, die fchoon niet an-
ders dan bij tusfchenpoozingen werkende, nogthans wanneer die aan de gang is, aan alle anderen fchijnt te gebieden, en als dan de heerfchende Sinraakingen voort te brengen , gevoegt bij de allergeweldigfte be- weegingen, en de tederfte en naauwverbindendfte aan- doeningen; zulks is bet Sintuig der Liefde, of wel de drift tot voortteeling; niets kan men vergelijken bij het geweld van derzelver indrukzelen in ide viervoeti- ge Dieren, nog bij den nooddruft dien zij als dan ont- waar worden, ook gaan als dan hunne bégeertens met een buitengemeenen ijver en onbefuistbeid verzelt ; Mannetje en Wijfje zoeken zich wederzijds met de verregaandfte drift op, en koppelen meteen zoort van woede. In de Vogelen befpeurt men meerer rteder- heid, grooter aankleeving, meerzedekunde in hetftuk van liefde, fchoon de natuurlijke drift 'er. mis fchien nog hevigertoe is dan in de viervoetige Dieren; nauwlijks kan men in deeze laatften eenige voorbeelden van huw- lijks-kuischbeid aannaaien, en nog minder wat de zorg der Vaders voor hun Kroost betreft { in plaats dat in de Vogelen, de tegenovergeftelde voorbeelden zeldzaam zijn, dewijl alleen die van onze huisfelijke en eenige weinige andere zoorten, uitgezonden, zich alle door een ftandvastig verbond fchijnen te vereenigen, 't welk ten ininften zo lange ftand boud, als de opvoeding van hunne wederzijdfche Jongen volbragt is. 'Onafhankelijk van de nooddruft om zich te vereeni-
gen, veronderftelt ieder huwelijk eene noodzaakelijk- heid van fchikking, zoo wel voor zich zelven, als ten aanzien van het geen 'er uit moet voortfpruiten ; de Vogelen welke genoodzaakt zijn, tot legging en bewaa- ring van hunne Eijeren, een Nest zamenteftellen, bet welk door't Wijfie uit nooddruft word begonnen, en waar aan het verliefde Mannetje uit toegeventbeid me- dewerkt, zich beide roet dien arbeid bezig houdende, krijgen genegenheid voor malkanderen; de fteeds aan- groeiende zorgen, de wederzijdfche dienstbewijzin- gen, de onderlinge ongerustheden, dit alles te zamen genomen, verfterkt buitengemeen dat gevoelen van ge- negenheid, dat daarteboven nog vermeerdert en duur- zaamer word, door een tweede nooddruft, namelijk, om de Eijers niet te laaten bekouden , 't welk hun on- tegenzeglijk de vrügc van hunne liefde daar zij reeds zo veel zorg voor hebben gedraagen, zoude doen ver. liezen; het Wijfje de Eijeren niet kunnende verlaaten, zorgt bet Mannetje met ijver voorbaar onderhoud ,■ en brengt haar bet noodige voedzel; zomtijds zelfs neemt hij haarplaats in, of voegt zich aan haare zijde om de warmte van het Nest te vermeerderen, en met haarde ongemakken die het broeden verzelt,^ te deefen; de aankleeving welke de liefde is opgevolgt, blijft ge- |
|||||||||
|
VOG.
|
|||||||||
|
29\9
|
|||||||||
|
dat'wij''opwinden, en om titde vermenigvuldiging te
dienen, in order fchikken ; wij vermeerderen 'er aan- merkelijk het getal van, met ze bij eikanderen te hou- den, en ruim te voeden, en van allen arbeid, zorgen en bekommetingen voor 's leevens nooddruften, te ont- heffen; want de Haan en-Hen die in 't wild leeven, tee- len in hunnen natuurlijken ftaat niet fterker voort als de Patrijfen en Kwartels ; en niettegenftaande van alle de Vogelen, die, welke onder bet gefiagt der Hoenders behooren, het vrugtbaarfte zijn, zoo bepaalt zich echter hunne voortbrenging tot agttien of twintig Eijeren, ook duurt hunne liefdensdrift niet langer dan een Sai- foen, wanneer zij in de ftaat der natuur zijn; bet is wel waar, dat zij onder gunstiger luchtftreek, tweemaalen zouden kunnen broeden ; zoo als men bij ons verfchei- dene zoorten van Vogelen in een Somer twee en wel driemaalen ziet Eijeren leggen en Jongen voortbrengen;1" dan het getal der Eijeren is veel minder in alle zodanige zoorten, ende tijd tot de uitbroeding noodigis in zom- migen ook veel korter. Bijgevolg, fchoon de Vogelen inderdaad meerer bekwaamheid hebben om voortte« teelen dan de viervoetige Dieren, zo zijn zij echter in 't algemeen genoomen, weinig vrugtbaarer; de Dui- ven , Tortels, enz. leggen maar twee Eijeren; de groo- te Roofvogels vier of vijf, en de meeste andere Vo» gels niet meer dan vijf of zes; enkel zijn het d« Hoenders, en die verders onder dat gefiagt behooren, zoo als dePaauwen, Kalkoenen, Faifanten, Patrijfen en Kwartels, welke 'er in grooter aantal voortbrengen. Het gebrek aan voedzel, de zorgen, ongerustheden, den gedwongen arbeid, verminderen in alle Wezens de vermogens *en uitwerkzelen der voortteêling. Men ziet zulks in de viervoetige Dieren, en nog klaarblij- kelijker in de Vogelen ; zy teelen rijkelijker voort, naar maate zij rijkelijker gevoed, beter opgepast, en zuiver- er worden gehouden; en indien wij geene anderen be- fchouwen dan die aan haar eigen noodlot zijn overgela- ten, en aan alle de ongemakken welke eene volftrekte onafhangeiijkheid verzeilen, zijn blootgefteld, zullen wij bevinden, dat geftadig bezig gehouden door't zoe- ken van hun nooddruft, daarbij aan veelvuldige zorgen en bekommeringen blootgefteld, zij op verre na zo veel niet als wel in hunne magt is van de vermogens om voortteteelen, gebruik maaken ; zij fchijnen 'er zomtijds zelfs de uitwerkzelen van te vermijden, en die tè rege- len naar de omftandigbeden waarin zij zich bevinden. Een Vogel zijn Nest vervaardigt hebbende, en het ge- tal zijner Eijeren gelegt, dien ik veronderftelle vijf in getal te zijn, houd op met leggen, en bezigt zich ver- ders met niet anders dan derzelver behoudenir; al het overige van 't Saifoen -zal verlieten worden met zijn Jongen uittebroeden en die optevoeden, en hij zal geen Eijers meer leggen; maar indien men bij toeval de Eijers breekt, en het Nest vernielt, zal hij 'er fpoedlg weer ' een ander vervaardigen, en hij legt op nieuw drie of vier Eijers ; vernielt men ten tweedenmaale zijnen ar- beid, wei ras zal de Vogel op nieuw aan't werk trek- ken, en niet rusten voor dat zijn arbeid voltooid is, ea vervolgens nog twee of drie Eijeren leggen; deeze twee- de en derde eijerlegging hangen dus in eenige opzigten van de wille der Vogel af. Indien hij niet word geftöort en dus het eerfte broedzel gelukt, geeft hij zich verder aan geen liefdens-driften en inwendige aandoeningen over -, die in ftaat zijn om aan nieuwe Eijers dat béginzel vaa leven bij te zetten, 't welk tot hunne voortgroeijing Aa 2 vereischt |
|||||||||
|
ftrekfcen de WoTveij sen Vosfen; de Rheebok Inzon-
derheid kan als een voorbeeld van huwlijks-trouw aan. gemerkt worden. Integendeel zijn 'er eenige zoorten van Vogelen, waar van de paartijd niet langer duurt dan de drift tot voortteelen, zo dra die lust verzadigt is, verlaat het Mannetje het Wijfje, zonder verder na haar of hun onderlinge Kroost om te zien. Dan dee- 2e uitzonderingen beletten niet, dat in't algemeen de Natuur "meerder ftandvastigheid in de liefdensdriften' der Vogelen heeft verleent, dan wel in de viervoetige Dieren. En 't geen verder nog tot bewijs verftrekt, dat het
zoort van huwelijk,benevens het zedelijke in de liefde, 'tgeen men ten aanzien van de meeste Vogels befpeurt, bij dezelven uit geen andere bron voortwete dan uit de noodzaaklijkheid van een gemeenfchappeüjken arbeid , zoo dat'de zulken die geen Nest maaken ook niet paa- ren of trouwen, maar zich onverfchillig met een ieder van haar eigen zoort vermengen; zien wij dagelijks het voorbeeld van in onze huisfelijke Vogels, het Mannetje fchijnt enkel een weinig meer opletten- heid voor zijne Wijfjes té hebben ais wel de viervoet!' ge Dieren; en dat om rede dat de liefdenstijd niet be- paald is, dat hij langer gebruik van een en het zelfde Wijfje kan maaken, dat de legtïjd van langer duur is, en dat dewijl men de Eijeren wegneemt, de tijd van broeden kan uitgefteld worden , ja dat de Wijfjes zelfs geen begeerte tot broeden doen blijken, dan naa dat haar drift tot voortteêling verdooft en genoegzaam uit- gebluft is: Voeg bij dit alles, dat de huisfelijke Po- gèlen geen Nest behoeven zamenteftellen tot haare vei- ligheid, dat den overvloed waar in zij leeven, de ge- maklijkheid om haar voedzel te bekoomen, of het ten minften altoos op dezelfde plaats te vinden, daarbij de andere gemakken die hun door den Mensch worden ver« zorgt;en dat dusdeeze^gWen, van dien arbeid, diezor- gen en ongerustheden worden ontheft, die de anderen onderling gevoelen en deelen; dit alles, zeg ik, gade- flaandej vind men bij haar de eerfte uitwerkzelen der weelde, en de kwaaien die doorgaans den overvloed verzeilen, naamelijk ongebondenheid en luiheid. Voor 't overige, is de bron van de phijfique liefde, dat is, de ftoffe, de zelfstandigheid, welke die gewaar- wording doet opwellen, en 'er de uitwerkzelen van voortbrengt, veel grooter,zo wel in de Vogelen wiens zeden wij hebben bedorven door dezelven op tepasfen, en van al het noodige te voorzien, als.wel diegeene wel. ke deeze zeden bewaart hebben, om dat zij genoodzaakt waren gemeenfchappelijk te werken en zich van het noodige te voorzien ; dan in de viervoetige Dieren. *- Een Haan ftelt gemaklijk twaalf of vijftien Hennen te vreede, en maakt door eens te treeden, alle de Eije- ren vrugtbaar, die een ieder derzelve in twintig dagen kan leggen,* dus zoude hij in een volftrekt genomen fin, ieder dag Vader van driehonderd Jongen kunnen wordend Een goede Hen kan in een enkeld Saifoen, dat is van het Voorjaar af tot in den herfst toe, honderd Eijeren leg- gen. Welk een, onderfcbeid van die groote meenigte, yergeleeken bij de geringe voortbrengzelen van ons al- lervrugtbaarfte viervoetige Dieren ! het fchijnt of al het oedzel, 't welk men in overvloed aan die Vogelen ver- enaft, zich in zaad-vogt veranderende, tot, geen an- greinde dient, dan alleen tot hun vermaak, en dat zulks ^■en geheel en al ten behoeve van de voortteêling be- P3-""; het is eveo-eens als een zoort van werktuig, |
|||||||||
|
395« VOG. - VOGî
|
|||||||
|
vereischt word ; dan doet eenig ongeval zijn Gezin ',
't welk nabij was te ontluiken, of kort geleeden gebo- ren wierd, foeeven, geeft hij zich wel dra weder aan die geneigtheden en aandoeningen over, en toont door een nieuw voortbrengze!, dat zijn .voortteelende ver- mogens enkel opgefchort, maar geenzints uitgeput zijn, en dat hij zich enkel en alleen van de vermaaken die dezelve voorafgaan, fpeent, om aan de zoo we. zenlijke natuurpligt, naametrjk het zorgen voor zijn Huisgezin te voldoen. Dus zien wij dat de pligt ten deezen opzigte over het vermaak der Siniaen zege praalt, en de liefdensdrift voor de aankleeving tot zijn Kroost moet wijken. Op dezelfde wijze als in de Vogelen, de zeden ten
aanzien van de liefde zuiverer zijn dan in de vier- voetige Dieren, zo munten zij ook boven deezen uit in de eenvoudigheid der middelen om daar aan te'vol- doen; zij verzamelen enkel op eenerlei manier, in Me- de dat'men in het geflagt der viervoetige Dieren ^oor- beelden van allerlei] plaatzingén vind; daar zijn enkele zoorten van Vogels, zo als bij voorbeeld die der Hoen- ders , waar van bet Wijfje nederduikt door de pooten te buigen; anderen, zo als dat van de Mosfchen, daar zij geduurende den tijd dat het Mannetje baar treed, haar natuurlijke houding bewaart,en regt op de pooten blijft ftaan. In allen is de duuring der tijd van de verzame- ling zeer kort, en nog korter ten aanzien van die,, wel- ke regt op ftaan blijven, als der geenen die nederbuk- ken. De uitwendige gedaante en inwendige ftr.uiShiur derTeeldeelen, is ook zeer verfcheiden van die der vier- voetige Dieren; en de grootte, .plaatzing, werking en bewéeging van die deelen, zijn zeer verfcheiden in de verfcbillende zoorten van Vogelen. Ook fchijnt'het dat 'er bij zommigen een. wëzentlijke inbrenging van bet mannelijke lid piagts vind, daar 'er in anderen flëgts ee- ne aanraaking itand grijpt; dan dewijl wij op elke zooit van-Vogel bier omftandig over fpreeken, zullen wij 'er ter deezer plaatze niet meer van zeggen. I De "denkbeelden en bedrijven die wij bier gefchetst
hebben, alle onder één oogpunt verzamelende, wor- den wij ontwaar," dat bet inwendige Sintuig, bet S<en- forium vanden Vogel, voornaamelijk met afbeeldingen is- vervult , die door het Sintuig van't Gezigt worden voortgebragt; dat die afbeeldingen oppervlakkig zijn, dog teffens wijduitgeftrekt, en de meesten hunne be- trekking hebhen tot de beweeging en afftanden; dat zij een geheele landftreek even gemakkelijk kunnen over- zien als wij onzen horifont, en om 20 te fpreeken in hun- ne hersfens een landkaart geprent hebben, van de plaat- zen die aan hun Gezigt zijn blootgeftelt geweeft ; dat het gemak waar mede zij die op nieuw doorloopen, eene der bepaalende oorzaaken is van haare veelvuldige wan- delingen en reizen. Wij zullen erkennen dat ongemeen vatbaar zijnde, om door middel van het Sintuig van't Gehoor gefchokt- te worden, onverwagte geluiden de- zelve geweldig moet ontroeren, vrees inboezemen en op de vlugt drijven, daar men ze in tegendeel.met zoetvloeijende en zagte toonen kan doen naderen, en met lok-fluitjes in het net krijgen; dat de werktuigen van hun ftein buitengemeen fterk en buigzaam zijnde, de Vogel 'er zonder tegenfpraak gebruik van maakt, om zijne aandoeningen uittedrukken, 'er zijne geneigt- heden door aan te duiden,, daar bij om zich van een zeer verre afge'egene ruimte te doen hooren ; dat bij zich ook veel beter kan uitdrukken dan het viervoetige |
Dier, dewijl bij meerder tekenen tot zijn gebïm'k heeft j
naamelijk een grooter aantal van buigingen in zijn ftein,, dat hij in itaat zijnde, om gemakkelijk de indrukzelen der geluiden te vatten, en die langen tijd in het geheu- gen te houden, het mechanismus waar uit dit Sintuig beftaat , eveneens word geftelt als een mufijk-inftru- ment, ït welk hij genoegen vind om te doen. klinken; dan dat deeze aan hem.medegedeelde geluiden, en die hij op een werktuiglijke wijze herhaalt, geen de minfte. overeenkomst met zijn inwendige aandoeningen hebben; dat het Sintuig van 't Gevoel hem geene anMere dan on- volkomene gewaarwordingen verfchafFende, hij zeer onduidelijke kundigheden bekoomc ten aanzien van de vorming en het maakzel der lighaamen,- niettegenftaan- de hij 'er ten allerduidelijkften, de oppervlakte van ont- waar word; dat het door middel van't Sintuig des Ge. zigts, en niet door dat der Reuk is, dat hij van ver- ren gewaarfchouwt word van het aanweezen der dingen die hem'tot voedzel kunnen verftrekken; dat hem de. nooddruft eigenaartiger is dan graagte, gulfigheid meer- er zijn kenmerk uitmaakt, als; lekkerheid en kiesch- heid van fmaak. - de magt van den Mensch kunnende onttrekken , ja. zich zelfs buiten bet bereik van zijn gezigt kunnende hegeeven, hebben de Vogelen ingevolge daarvan, nood- wendig een fchuwen en wilden aart moeten behou- den,.» daarbij al te -vee' zugt tot onafhangelijkheld om regt huisfelijk te kunnen, gewend .worden , en gemeen», zaam met den Mensch om te gaan;- zich vrijer, afge«- legener, onafbangelijker van het gebied der Menfcben. bevindende dan de viervoetige Dieren, worden zij minder geftoort in de loop van hunne aangeboorene. hebbelijkheden en gewoontens; hierom is bet, dat zij gaarne bij malkanderen in gezelfcbap zijn, en dat de meesten een doorftraalende geneigtheid voor het gezel- lige leven hebben, genoodzaakt- zijnde om zjch weder- zijds met de zorgen van hun gezin en huishouding te bezigen, en zelfs bij;voorraad aan het. zamenftellen van een Nest te. werken, word 'er eene, fterke aankleeving voortgebragt, die tot eene heerfchende genegenheid overgaat» en zich vervolgens over hunne Jongen uit* ftrekt ; deeze aangenaame gewaarwording en bemin- nenswaardigegeneigtheid, tempert de geweldige hans'. tochten, beperkt de liefdens driften binnen de paaien *an gemaatigtheid, en maakt in een woord de kuisch- heid, zuiverheid van zeden, en zagtheid van aart in de meeste Pogelen. uit; fchoon met ruimer middelen, bedeelt dan eenige andere Dieren, om de wellust van dierlijke liefdens-driftèn op'te volgen en te -voldoen* maaken zij 'er naa evenredigheid veel minder gebruik van, gaan,zich nimmer, daar in te buiten, en weeten hunne vermaßen te beteugelen en die aan hunne plig- ten op te offeren. Ten be/luite (en deeze Poërifcbe omfchrijving worde mij niet haatelijk aangeduid) kan men zeggen, dat deeze jçlasfe. van luchtige Wezensdie de Natuur in een vrolijke luim fchijnt voortgebragt te hebben, echter als een ernftig, ftaatig en eerlijk-leevéml Volk kan aangemerkt worden, uit wiens levenswijze en hutshouding, men nuttige lesfen kan ontkenen om den Menfehen~tot voorbeelden te dienen. - Ter vervulling van onzen taak behoorden wij hier W nog. verfcheïdene Eigesfcbappen, benevens de Rang- fchikking en verdeeling in Clasfen der Vogelen te ver- handelen, dan dit beide hebben wij hier boven onder- het artijkel ORNITHOLQGIA, reeds gedaan, ah«» |
||||||
|
VÖG; r- VOG, "Si
|
|||||||
|
VOGEL-DIEF, zie MEEUWEN,, n. VI. pag,
1215. . ; . ; ■ ■ I3 .-.-; ■ "-■■, VOGEL GESLAGT, zie ORNITHOLOGIA. ',
VOGEL-lßlS, - zie REYGERS, ». X VIII. pag,
2964. :, VOGEL-KERS, is- de naam van een Heesteragtige
Boom, door- de Heer Li»n^us onder het geflagt der Pruinvbopmen geplaatst,' daar anderen ze bun bedun? kens met meerder regt onder die der Kersfeboomen plaatzen, .', . ■ ,- "' . . ■ -'A \ Zoorten. Hoofdzaakelijk vind'men drie zoorten va»
deezen Boom, fchoon 'er bebalven dat nog eenige Veranderingen van worden gevonden.; 1. Zwarte Vogel-Kers ^ 'm 't fransch Bois de ft. Lucie'r in 't engelscb, wild Cluster-Cherrij ; in 't hoogduitsch, Zwarte Vogel-Kirfchen, Eltzenbawn; in'tlatijn,- Cera*- Jus, avium nigra ; Pfeudo-Liguftrum. Dqdon.;. Cerafus avium racemqfa. Lobel.;- Cerafus rqcemofa fijlvefiris* fruElu non eduli, C. Ba-uh. Pin. 451.; Padus 'foliis an-», nuis-. LiNN. Flor. Lapp.; (Prunusfioribusracemoßs,,/<> liis decidujs baßfubtus biglandulqfis. Link. Spec. plant.) -. 2i ) Bittere\ Vogel-Kers , RotS'Vogßl'Kers; in- 't : la-» tijnsch, Mahaleb, welke naam het met geringe verande« ringen.in de meeste Europifcbe Spraaken draagt; Ma- bakb Gesneri & Maithioli. Lob ; Cerafo ajfinis. C. Bauh: Pin- 451 ; Cerafus. foliis ovatis, Hall, tlelv. .360.; (Prunus ßfiribus* cqryitibofis fotiis ovatis. Likr. Spec? ■ Plant) " . ; *■ : .: ., \ ;';\ ■ . '":
3 Virginifttie Vogel-Kers; Cerafi ßmilis arluscula
mariana padi-folio,: flore albo parvo racemofo. Piükn. ManP. 43.;. Cerafus.ßjlveftris, fm&u nigricante: in ra- cemis longis pendulis phijtolaccm inftar congeftis. _ G RON: Vhg. 54.;, (Prunus floribus racemofis, 'foliis deciduis baß antke- glanduloßs,- Limi.Spec. Plant) ^ Plaats. De eerfte zoort groeit natuurlijk in het wild
in zommige gewesten van -Hpogduïtschland, Braband ,x SWitferland, Lotharingen,., Vrankrijk ; mede in het Noorden, als in Sweeden, Noorweegen, Lapland era elders meer-, in koude berg-en bosehagü'ge plaateen. De Heer D. de Gorter merkt aan, dat men.dit zoort van Vogel-Kers-, onder den naam van Wilde-Sijringe, ook bij Harderwijk op de Veluwe aantreft, » De-tweede zoort,-. die volgens denieuwfte Botanici een waare mëdezoorc van de Kerfebopm- is, word na- tuurlijk groeijende gevonden in zommige gewesten van iHoogduitschland-, Switferland, Savoijen, Vrankrijk , Italien; en elders, in de berg- en rptsagtige plaatzen. De derde zoort groeit in Virginten, Carolina ■, Pen;- fijlvanien en meer, andere- Amerikaanfche Gewesten. BefcMjving. Volgans-den Heer Hai.lbr is de Va-
geUKers een loofrijke Heester van tien voeten hoog, die de Bladen effen, zagt, fijn gekarteld, en uit den wanftaltig-ovaalen in een lange punt uitloopende heeft ; de Bloemen aan lange risten, onaangenaam van,reuk-, beftaande uit-kleine ,.flappe,. witte, bijna ronde Blaad- j'es, en van twintig tot drie-en deftig Meeldraadjes-, naar dé holligbeid van de Kelk gekeerd. Dé Vrugten v zijn fchraalen zwart, van groot-te, als Aalbefîën. r- Men vind'er/ook een mee- roode vrugten bij Taber- WiEMONTANUS afgebeeld ," welke gedagte Heer-voor -tamme Vogel-Kersfen -aanziet-, dog van beiden zijn de .vrugten voor oneetbaar, ofnietgegeetenworden.de, uitgemaakt, daar niettemin, Liknsvs getuigt, hoe 'er de Kinderen in denoordelijke deelen van Swaden, zeer greetig,naar zijn. eetende-deeze Befiën met een wei- Aa 3 nig; |
|||||||
|
èn ipede op. pag. 24-78 enz. eene nauwkeurige opteJV
jjng, van de: voornaamfteen beste Autheuren zal vinden,.- die pVei" de Vogels en.derzelverEigenfcbappen hebben gefchreeven. Hier beneden op bec Art!jkel VOGEL- VANGST y en inzonderheid op zodanige Artijkels. van die Woordenboek, daar ieder Vogel bij,deszelfs meest gebruikelijke naam word: hefcbreeven.,; zal men zich kunnen onderrichten,, wellte middelen; her vernuft en de konst,hebben uitgedagt, om. van deeze .Dieren- msester te worden. :: ■ ." ■ .\ .■■ ■/ u% Mannfr om Vogels met hunne fraaije' Veeren. ■
mbefcbadigf te bewaaren: : Wanneer;men een Vogel bekoomt -die; verscb ge- dood isi zo opent die den Ruik, van 't laager gedeelte van't Borstbeen na beneden tot den Aars toe, meteen: fijn gepunte Schaar, en trek fer de/ïganrfchen inhoud, als Darmen, Lever,; Maag,, enz. uit. Hebt dan een mengzel in.gereedbeid, .beftaande uk een pond gemeen zout, , vief oneen aluin tot poeijer gemaakt, twee-oneen fijn - gemaalen -peper; vult, hier mede terftond. de ge- maakte holligbeid, en naai de lippen der wonde, weder* t'zamen, zo dat 'er 't ppvulzel niet uit kunne vallen,; Dan moet de Strot of Gorgel gevuld worden, van den Bek nederwaarts tot aan de plaats der Maage, met het zelfde mengzel, dog fijnder gemaakt, dat bij een wei- nig tegelijk, na beneden geftooten moet worden, met behulp van een fchaebt, ijzer of koperdraad.- Het Hoofd ■moet nabij.de wortel der'fonge met de fchaar. geopend worden, en diet'er drie.a viermaalen rond in. draaijen, om 't weefzel der -Hersfenen te verbreeken, waar na deeze hoiligheid frjsgeïijks met dat. zeiïde mengzel moet gevuld worden. Hier in heftaat de ge- heeie toebereiding. Wat de Vleugels en de Bouten be- treft, die moet men geheel niet aanraaken , maar dezel- . ve,in;haar natuurlijken.ftaat laaten-; want het misrzeld- ' zaam of het zout dringt in weinig dagen zodaanig in de.eze-deejen,. dat.het ^ezel-ven'.gelijkelijk met het Lig- haam,en;de Hals van den Vogel bew;aaren. De Vogel dus opgevuld, zijnde -met- cl.it mengzej,,,! moet nu voor. den tijd van twee dagen bij de Beenen opgehangen "worden.,, ten einde het mengzel, door deeze geftalte, te kragtiger indringe rondsom, dtr-fpier-en en bindz-els-; diedeWervelftukken van den Hals vereenigen. Voorts beeft men den Vóg'elxe. plaatzen in eene,. geftalte pm te droogen, in dezelve,houding als- men hem gewoonlijk; leevend -in't Veld of op, een Boom ziet j en in deeze geftalte moet hij gehouden worden, door middel van twee draaden ,. gaande den een van de Aars tot aan 't laager gedeelte van. den Rug, en de ander door de Oogen ; de efnden deezer. draaden moeten den Vogel ophouden in-deszelfs natuurlijke; gefta!te;en -aan't bo- veneinde van't raam vastgemaakt worden. Ten laatften hegt men de; Voeten-vast, met nageltjes van kleine fpij- kertjes. In deezen ftand moet deVogel gen maand-of wat langer bliiven, tot dat hij volkomen droog is, 't geen men, uit deszelfs dufheid gereedlijk zal bemerken, wanneer hij uit het raam genomsn, en op zijn gefchik- £e plaats geftelt kan worden; hebbende nu verder geen andere onderfteuning-noodig,-dan een nageltje door ie- der Voet op zijne vastgeftelde plaats. De Oogen ver- hit men met welgefchikte gl.ifen koraalen, op ..hun* 0e pjaats-.gehegt.met fterk gom-water. VOGJÏL-BESGHRJJVING , zie ORNITHOLO-
6*A en VOGEL- -.",,/ |
|||||||
|
ifji *vög.
|
||||||||||
|
VOÖ.
|
||||||||||
|
nig zou!, ü De derde zoort / Mijnt weinig van
de Europifche Vogel-Kersjen te verfchillen ; het is, zegt de Heer LiNNJEUs, een voortbrengzel van denPadus, rhàar heeft de Wratten en de Takken eens zoo groot; de Steeltjes van vooren aan de punt met twee paar Kliertjes; de Bladen van onderen minder netswijze en bijna glad j zijnde rond, niet fpatelvormig; déVrugteh viermaal zo groot én rond. Die nogthans daar de Heer , Claijton van fpreekt, waren zwartagtig. ■ ■ Kweeking. Alle de zoorten willen m de meeste goe-:
dé lósfe gronden tierig groei jen, én dè ongemakken àan de winter vérknogt, bij ons doordaan. Dé ver- meerdering gefchied door Uitloopers, óf nog beter dooï inlégging der jeugdige Takken ; welke binnen het jaar doorgaans wortels genoeg màaken, om daarna verplant te kannen worden in de Enterij of elders, waar men zulks goedvind. Ook kan de vermeerdering ge- fchiedén door de te meuken gedaan hebbende zaaddee- nen vas rijpe Vmgtên, in één weigeroerde grond te zaaijeri, op dezelfde wijze als men mét Kersfen doet. Gebruik. Deeze Boomen worden van zommige Lief-
hebbers hier en daar in de Tuinen of Piaifier-böscbjes geplant om je verfcbeidenheld vàn Gewasfen, als me- de de éefjle zbort, inzonderheid om haar mooije witte Bloemen, dié in larigé nederwaarts" hangende Trósfen, in dé Maijtijd voorkomen. Het Hout van de eerfie àbort; is ligt en buigzaam, en diendig tot Wagenmaa- kers-, Timmermans-, en Draaijers-werk. VOGEL-KÖÜÏJ. zie VOGÉL-VANGST.
VOGEL-KRUID, zie HOENÈRBEET.
VOGEL-KUNDE , zie ORNITHOLOGIA en
VOGEL. "4 VOGEL-LïJM,. is een zoort van Lijm, die ingevol-
ge derzelver naam tot de vangst van Vogelen" word ge* Brüikt, en die men op de ondérdaande wijze bereid. Neemt van de âfgefchildè/càorr of bast van de Hulst',
«n van deszelfs bladen, ftampc dié ondereen in een Mor- tier, daarna in een pot gedaan zijnde L waar Op een dekz«! 't welk tér deegen -fluit, zó begraaft die op een vogtige plaats in den grond, of nog béter in wärme P aarde-mist; laat die daar ïö a 14 dagen in daan om te rotten, neemt het 'er als dan ûit, dampt het op nieuw kei deegen fijn, vervolgens met fchoon water gewas- fchen en gefpöelt, zoo blijft 'er ten iaatdén éen taai je lijm over, Waar onder men wat riooteiuolie en beste taai- je terpentijn roert, om die handelbaarder te maaken; als wanneer deêze Lijm uitneemend tot den Vogelvangst is. Om deeze Lijm tôt Het vangen van Vogelen té ge-
bruiken, gaat men dus te werkj neemt één lange dunne Steng, evenveel van wat hout die"is:, boort daar in aan "het boveneinde rondsom en onder malkander verfchei- dene gaatjes, fteekt daar dunne rijsjës in, die met dé yoorfclireeven Lijm tamelijk dik zijn beftreeken, zo- danige dat de Steng mét Rijsjès een Boom met Takken ■vertoont; dan de Sijsjes moeten 'er maar heel'los in ftéekeh, op dât wannéér een Vogel daarop gaat zitten, het Rijsje nederwaarts buigt, waar 'door de Vogel den- kende te vallen,zijn Vleugels uitfpreicl, en die behalven ''zijn Pööten als dan met Lijm befmet'worden, zo dat hij daardoor verhindert wordende in hét vliegen, óp dé grond valt, en zich laat vangen.
ze Steng op zodanige plaatzen" zetten, daar zich vëele
Vogels onthouden, clan van andere Boomen eénigzints afgefchêideB, -op dat zij op Wezelve geert zitpïaats mo- |
||||||||||
|
gen vinden f óók bedient men; zich tóT déeze Vogel.
vangst 'van een Uil, die rriën op een verhevene daak nabij den Lijmfieng plaatst, om rede, dat allerleij zoort van Vogels dén Uil, 't zij uit vijandfchap ofwel uit 'nieuwsgierigheid, wanneer die zich bij dag ver» toont, navliegen en vervolgen, zie UILEN. In plaats Van een ievendigen Uil' die men niet aitoós kan bekomen, maakt men gebruik van een doóden, die ge; droogd of opgezet is. Ook kan men zich met vrugt bij deeze vangst van Lob-fluitjes bedienen, om 'er dé kleine Vogeltjes mede re lokken; dan nog" beter is het, ■dat men veeJerleij zoort 'van kleine Vogeltjes, aan touwtjes vastgemaakt zijnde.; digt bij de Lijm-fleng plaatst. Intusfchen moet zich de Vogelvanger in een van groene takken vervaardigt Hutje , verborge» houden. VOGEL-NEST, zie NIDUS-AVIS.
VOGEL-SCHELP, zie OESTER.
VOGEL-STRUIS, zie STRU1S-VOGEL.
VOGEL-TONG, zie ORNITHOGLOSSUM.
VOGEL-VANGST. Oneindig verfcheiden en me«
nigvuidig zijn de middelen welke het Menfchelijk ver- nuft heeft uitgedagt, om ds Vogelen naar derzelver aart, hét zij tot vermaak, voedzel, oft gebruik vam derzel- ver pluimagie, te vangen en meester te worden. Op ieder Art'ijkel van dit Woordenboek, dat de een of de ander Vogel ten onderwerp heeft, hebben wij 'er tef- fens de Jagt, dat wiTzeggen, hoe men die bekwaame- lijk.zal vangen, bij befchreeven; dus zoude onzen taak ten déézen aanzien vervult zijn, waare het niei dat wij nog aan de Liefhebbers van het Pluim geliert eenige middelen aan de hand wilden geeven om' Vogelen te vangen, die niet algemeen bekend zijn, en wij hier lâatén volgen. Om Vogeltjes langs een Beekje of fmalle Sloot met een
zogenoemd Spring-Net te vangen.'
; Kiest hier toe een plaats uit, daar doorgaans veel kleine Vogeltjes kooraen, om ineen beek of (lootje te gaan drinken. Langs den oever óf wal van dit beekje, kiest men een daartoe bekwaame plaats uit, namelijk daar het niet boven een voet of anderhalf Wijd is, en hier fpant meii zijn Net zodanig, dat de kant waar het zelve gefpannen is, zoo hoog zij dat de-Vogels zich daar niet kunnen plaatzen; integendeel moet dé over- kant langzaam rijzen of Opgaan, op dat de Vogels daar gemakkelijk bij het water kunnen koinén. 00,ï moet men zorge draägen; jdat. de waterplaats zuiver zij, en bedekken daarbij 't water dat aan de boven en beneden* kant van't Net is, een cindweegs heen, met grasen lie- fen, op dat de Vogels geen water dan zo verre het Net drekt kunnen zien. De plaats op 'de voorfchree- ven manier gefchikt zijnde, zal men'ér het Net op de volgende wijze plaatzen. Schikt het Net A. (zie Platt LXVilI. de bened. /%\)in de langte bijeen, en zet aas élk eind B. B. een haak of paaltje in den grond, om'er hét Nét 'aan vast te maaken, ook zet men van agteren nog verfcheidene andere haàken langs den kant van ]C Net, op dat'er de Vogels niet onder heen kunnen flui- pen wannéér zij gevangen z'jn; daarna maakt men de eerie reep of't touw C. om den haak L. vast^ en ae ändere reep laat men door het oog D. loopen, 't welk in een Hutje komt of aan een Boscbje G. waar in de Vogelaar verborgen'zit. Om't Net te doen overflaan, maakt men van kleine houtjes gebruik, die twee a drie voetc»
|
||||||||||
|
flllfll
|
||||||||||
|
* VOG.
(Voeten lang zijn, daar worden 'er doorgaans niet meer
als twee van gezet ; deéze Houtjes die men met I. I. -heeft' getekent, worden Springboutjes genoemt; aan'c boveneind van dezelve móet een keep gefneeden zijn, om''er dö reep of het touw B. B. in te vatten, die 't voorde van het Net-vasthoud; en aan den anderen 4ant moeten ze door middel van kleinepaaltjes worden cegengehouden, of wel door platte fteenen in den grond te leggen, zie K. K., om te verhoeden dat zij niet ag- eer uit fcbieten wanneer men aan't Net trekt; Deeze paaltjes moeten niet te veel boven de grond uitfteè. ken, dewijl ze als dan de beweeging der Springhauties zouden beletten, ofwel die na den kant doen overglij» ëen. Door K. K. worden die fteenen of paaltjes aan^ geweezen ; E. verbeeld het beekje of flootje daar de Vogeltjes koomen drinken, en F. de waterkanten, die met ruigte bedekt moet zijn. Wanneer zich een trop Vogels hier of daar bij het Beekje neerzet om 'er te koomen drinken, moet men niet wanneer'er flegts een of twee onder het Net zijn het zelve overhaalen, maar wagten tot dat de andere 'er ook naar toe zijn gevlqo- gen, om 'er dus veel in eene keer te vangen. Hoe men-veel Vogeltjes in kuilen kan vangen. .
Op fommige plaatzen zo wel in Vrankrijk als el-
ders, daar de Boeren gewoon zijn hun Vee in de bos- fchagien te weiden , vangen zij daar veelvuldig Merels, Lijsters en ander Gevogelte, die op Wormen aazen , door middel van zekere kuilen die zij in den. grond graaven; deeze vangst begint met November en eindigt met Maart. -.; j ! Maakt een kuil in de grond, zodanig als op Plaat
LXIX. bovenfle af deel. bij fig. 2. word verbeeld, zijn- de van X. tot Y. zeven duimen wijd,-aan den kant Ó. ■vier of vijf duimen breed, en van X. tot O. zes, voorts vijf of zes duimen diep. Neemt dan een klein Houtje V. R. iets dunder zijn-
de dan de pink en vijf duimen lang, fnijd het aan't end V.-fcbuins af, en dat andere end na R. toe traps- wijze hoe langer hoe dunder; fteekt dittHoutje aan de binnenzijde van het kuiltje in de grond op de plaats met M. getekend, zodanig dat't fchuinfche end gelijk met de grond köome; hebt dan nog een Houtje S. T. in gereedheid, vier duim lang, ,iets dikker dan een Schrijfpen, dat aan de eene kant plat is, en aan;de an- dere kant aan't einde'S. een kleine kerf heeft; als dan word 'er nog een klein houten Vorkje Y. Z. vereischt, 'vijf a zes duimen lang en iets dikker als de beide ande- re'Houtjes, zijnde aan 't einde 2. wigswijze gefneeden; neemt dan de platte Schopf. 1. in Plaat LXIX. af- gebeeld, en fteekt hier of daar een met gras begroeide , zoode uit, die door de letters F. K. L. word aangewee- zen, zijnde vijf duimen dik, en drie vingerbreed groo- 'fer dan't kuiltje, en zodanig gefneeden, dat die aan't 'x^ ^" P' c'rie v'ngerbfeed fmallef is dan aan de kant *> plaatst dan deeze-zoode met de boutjes zodanig in 'en bij het gegraavene kuiltje, als men in fig. 3. kan _zien, welker opfta! ieder nauwkeurig Liefhebber ook eter en duidelijker uit de afbeelding zal kunnen be- grijpen, als wij het kunnen omfchrijven5 alleen moe- jen wij hier nog bij aanmerken, dat bet Vorkje en Stok- J?'Zodanig wankel moeten gefield ziin, dat een klein '.vogeltje op't eind T. van 't Houtje fpringende, in ftaat *'s de zoode te doen nedervallen, en daar doorhrbet -ÄUiltje gevangen te raaken. - Tat het lokken ' der |
||||||||
|
VOG.
|
||||||||
|
tm
|
||||||||
|
Vogels ßeekr men dikke Wormen door middel van
dunne doorn tjes op de grond van het kuiltje vast, eà om te beletten dat de Vogeltjes die niet aan de kanten uit het kuiltje kunnen haaien, befteekt men dië met kleine boomtakjes of rijsjes., zodanig 2ulks iirfffi>ï% door de letters A. B. C. D. E.F. G. word aangewee- zen; hier door worden de Vogels genoodzaakt, willen zij de Wormen hebben, aan de voorkant te komen, en op hex Houtje te fpringen, het welk als dan ter- ftond valt, en hein onder de zoode in het kuiltje be- fluit. .- ' q. ; -,: .- ' Om Vinken en andere Vogeltjes' ia Kfornfehmtirett
en $p Zolders te vangen. Deeze manier van Vogelvangen gefcbiëd doorgaande
in den winter, wanneer die Dieren niet dan zeerlbe- zwaarlijk vuedzel in het veld kunnen vinden, en dûs zeer greeu'g zijn om het zelfs ten koste wan hun .vrij,, heiden leven op zodanige plaatzen te zoeken, die ten hunnen verderve ftrekken. I Zie hier. hoedanig dit te; werk word gefield. Onder«
Hele dat: de_Kofijnen A, B, C. Plaat LXIX. onderfie af- deel. aan die kant ftaan daar de Vogeltjes gewoon izijn te komen; fluit dan alle de venflers, een alJeen met A. aangeweezen, uitgezondert, dog laat de luiken h, K.-L. M. open; bind een touwtje aan de knop van de raam F- vast, dat door een lus of ring G. gaat, en voorts door een gaatje in de kamerdeur bijH. gebooit, zoo dat het touwtje aan de buitenkant van den deur op de grond hangt; opent voorts nog het venfier door E. aangeweezen, en fpant hier aan de binnenzijde een Net voor.uit kleine maafen beflaande, het welk met fpijkertjes in bet kozijn word vastgehegt, ilrooit dan wat koorn of kruim van wittebrood op" de kant van 't venfter A. en in't midden vari.de vloer der kamer O. P. Q. om hier door de Vogels te lokken. Al het geen voor'fehreeven is in gereedheid gebragt zijnde, gaat dan buiten de kamer, fluit daar.de deur van toe, en Jrijkt van' tijd tot tijd .door het fleutelgat, of wel: ee- ne andere opening die tot.dat einde in.de deur ge- maakt is, en wanneer gij ziet dat er eenige Vogels in, de kamer zijn gevloogen, en zich bezig houden, om het daar geflrooide graan of kruim van brood te ver- flinden, zo fluit het Venfier A. doormiddel van aan het touwtje H. te trekken ; gaat; voorts in de kamer,, fluit alle de blinden toe, behalven dat waar voorwet Net is gefpannen, als dan zullen alle de Vogeltje-s die zich in de kamer bevinden daar; na toe vliegen, ;en gij zult ze tot een toe met gemak kunnen vangen. Om Vogeltjes te vangen, die gewoon zijn Graanen in
de'KoornfchuurènJe gaan opzoeken. In de tijd dat de Boeren gewoon zijn het koorn te
dorfchen, 't welk doorgaans 'swinters gefchied;-koo- men de Mosfchen, Schildvinken en andere kleine Vogeltjes voor en zelfs in deSchuuren, door de gaten en gaapingen die 'er yeeltijds; van onderen aan de deu- ren zijn, om zich daar met het ;geftrooide graan te ver- zadigen; wjl men het vermaak hebhen bij zodanige ge- legenheid een menigte van die Vogeltjes te vangen,vbe- hóeft men flegts het volgende-te werk te fteHen. j Onderflel dat de bovenße afdeel. van Plaat I XX een
Schuur verbeeld, P. is daar van de deur,, en Q. een
gat wa,ar door,de Vogels binnen koomen; deezeSehutir
moet van een venfter. of opening voQrzienzjjn, waar jn
,.'.< ','■" - men
|
||||||||
|
|?S* VOGT
|
VOG.
|
||||||||
|
men eén Äalkorf, of een van teen gev'ogten- Visehfulk
fteekt, met.het breede end, waar aan de vleugels ge plaatst zijn, aan dé binnenkant, het geene't welk naar fruiten, uitfteekt, ftoptmen de opening van dopr middel van een dot hooij. Om de Vogels te lokken, werpt wat ftroo nabij de deur én wat koorn voor aan in de Schuur, als men dan vermerkt daf'er:Vogels genoeg na zijn genoegen binnen zijn, zo doet men met geweld deideur open, en fluit die fchielijk weder toe, als dan zullen de Vogels op het licht van .de JFuik,aanvliegen en daar in gevangen worden ; door de ftop ftroo .door T. aangeweezen uit de Fuik te trekken, kan men 'er de-Vagéltjes gemakkelijk uitkrijgen.- ré snij " raÖ V: ';.' Om'kleine Vogeltjes vp de Sneeuw "te vangen.,/:
- Kiest hier toé een plaats in uw Tuin of anderzints', sdie omtrent dertig treden van 'uw huisdeur of venfter ■éf is, ontbloot die plaats zes a zeven voeten in 't vier- kant van fneeuw,zodanig fret op Plast LXX. debened-, afdeel. door de letters O. P. Q. R. word aangeweezen? legt in't midden van dit vak; het blad van een houten tafel, of wel 'een deur, waar>0aan eerst de ftu'kjes hout of :ftijltjes B. CD. E. ieder zes duimen lang, en een duim breed gefpijkerd zullen zijn; eer men 'er die aan fpijkért, moeten'er gaten in-gebo'ort worden, die-: rut» mer zijn dan de fpijkers dikte hebben, waar mede men ze'ér aan vast zal (laan C op dat ze gemakkelijk kunnen draaijén, onder ieder deezer ftijltjes legt men eert ftükje fteen of leij, óm daar door te'verhoeden dat zij door de zwaitte niet in den grond zakken, en op deeze wijze legt die ideunof.'tafel ook niet vast, maar zo drà men 'eraan roert valt die nederi. Aan 't end van 'de tafel met ;H. getekend, moet men een klein keepie of kerfje maaken,; om daar 'eend van 'tftijltje i. inte zetten, dat zeven duim lang en een duim breed moet zijn, en dat insgelijks pp «en fteen of (tukje leii tooet. rusten,- 'r"in dit ftijltje moet een gaatje geboord Zijn waar door men een touwtje, fteekt en 'er aan' vak maakt, en waar van men.bet ander end aan't venfter of de deur M.Ni zal brengen.:- rtaqo .:;'.:: Dit alles in gereedheid zijnde, zo werpt wat ftroo
over de tafelheen om 'er die mede te bedekken, als mede wat koorn'er ónder en'rondsomme. De Vogels het ftroo in't oog "krijgende, zullen'er terftofid op aan vallen, en het koorn öpgegeeten hebbende dat'er ronds- omme legt,7 zuUenze 'er daar na ondergaan; van tijd tot tijd moet men dooreen gaätjedat_tei}-dien einde- in de deur gemaakt is, loèreaven;wanneer men'er Vogels onder gewaar wpidv zo moermen terftond het touwtje M. naar zich toehaalen, als dan vliegt 'er het houtje I. uit, en maakt dus dat "de tafel op de Vogels " valt■; welke men 'er als dan, oogenblilikelijk'on'der weg zal neemen, én dezelve opnieuw Hellen om'er meer te -vangen. H \ « ■ ■■, ■ ■-.' ' ! 'Hoedanig men eënSfringnet Mt'fielt, 't Welk overal ■
käh 'gezet'"worden. De afbeelding van 'dit- Netje' en' de wijze hoedanig
-hSt zelve iteftellen, vind men gefchetst op Plaat LXXI. 'de bövènfie afdteling. ■■■■■.- Om het zfrlvé -te yêrVaardfgettVzö neemt een 'tak ie
-Wilgen," hafelaaren, of van een ig ander hout, dat taaij en'buigzaam is, zijndë-iets meer-dan'een vinger dik, en anderhalf voet lang;-' nog een dusfianig: takje im alles aan" Bet - boveriftaandeS gelijk '," befraiven'! dat "het twes |
|||||||||
|
duim korter is, buigt deeze beide tot een Boog, en
houd ze in die ftànd door middel van een fterk dubbeld -touw, en daar aan een plat houtje P. m. lï. h. fig. r, ,welk anderhalf voetlangfs, dit draait men tot.Spanning Van die Boogen, Op dezelfde wijze als men gewoon is een fpanzaag.te doen, maakt voorts 't einde van dat houtje in 't midden van de,kleine Boog.g-. vast; 't welk ter deegen met eenige nageltjes vastgeklonken zijnde, zo neemt met deeene band het houtje P. en ligtmetde andere de fruitende of groote Boog k. zodanig op, dat die los raakt, en fchielijk omflaat, vêrftrekkende zulks ten teken dat zé naar behooren is gefpannen; maal^t bij: P. een klein touwtje vast dat genoegzaam negea duim langis-,aan;welkers eindemen een klein houtje van drie duimen lang en een fchrijfpenne dikte vastmaakt, en tusfehen dat touwtje. P..en, het andere K. omtrent in't midden bij m. maakt een dubbeld touwtje m. n. o, vast, overtrekt voorts de beideBoogen met een Net, dat in't midden flap is,, en in.ftaat om toegevouwen te kun- nen worden, zoo als in fig. 2.. van. Plaat LXXI. de bovenfie äfdeel, kan gezien worden, al waar tefFens word afgebeeld, hoedanig hetzelve behoorlijk te fpan- nen; 't welk pp de volgende wijze gefchied : Ligt met de eene hand de'grootéBoog;A. omfroog, en haalt met de andere van onderen 't klein froutje q. aan; fteekt voorts het dubbeld touwtje m. n.'0. door't Net heen, waar aan het lokaas in't midden m. moet vastgemaakt zijn, flaat voorts de luts,vari het touwtje e. om't end van 't houtje r, waarna het Netje volkoomen en zoo als ft 'behoort is gefpannen. . ■_; Als men hier van gebruik wil maaken , zo ligt ee-
Tnigei bladen van onderen en agter boven q- op dat de Vogels 'er niet dan van vooren kunnen bijkoomen; het- aas moet beftaan uit Aardwormen, die men aan 't touwtje n. in 't midden van haar lijf vast bind; dan om Nagtegaalen te vangen,.'t geen zeer gevoeglijk mét deeze Netjes kan gefchieden, moet men gebruik 'Van Meelwórmen maaken ; en voor graan-eetende Vo- gels; maakt men 'er*een koornair, of wel een draad- je met geregen hennipzaad aan vast. - - Om bij nagt kleine Vogeltjes door middel van vuur
, '. f '. s ; te vangen. Om dit werkftellig te maaken, zijn de donkerde nag'
ten bet gefchiktfte, en men rust zich gewoonlijk met zijn drieën daar op toei .De-eerfte heeft een Net aan ■ twee ftokken yan 10 a 12 voeten langte, vast zitten; zie de lened. afdeel. van Plaat LXXI.; de tweede is van een Klange Stok' voorzien, en de derde eindelijk met bosjes .Stroo frelaaden. Op de plaaas in het Bosch komende, daar zij denken. dat veele Vogels op de -Boomen zitten te roesten, ontrold de eerde zijn Net. en houd het op die wijze tegens de Boomen aan, als in de aangehaalde Plaat word afgebeeld , de derde ontlleekt een bosje Stroo, en boud zulks in»-de hoogte, voor het Net; terwijl- de> tweede met zijn Stok helder op de Boomen flaat, waar door de Vogels die 'er °P zi6ten' verfchrikt wordende, op het licht van de Stroo-fakkel aanvliegen ,uen :dus in het Net geraaken, 't welk door - de Beftierder fchielijk word toegeflapt, en dus de Vo-
gels gevangen.. .,''. Om kleine Vogeltjes in't midden van een Veld te vangst
i; "Èegeeftuwten deezen einde, vroeg morgens n3ar een - ftukiLânds i dat «er van Boomen en Hagen is afgelese";
1 - w fteesi
|
|||||||||
|
ÄP55
|
|||||||||
|
VÖG,
|
|||||||||
|
ßeefct daar drie a vier groote takken in den;grond-, zo."
danig op Pliât LXXII. Bovetrße afdèel, door de letters. A B. T word aangeweezen; ilingert de toppen deézer takken die vijf of zes voeten boog moeten zijn, onder een, zoo dat ze volkoomen naa èénë in" malkander ge- groeide Haag gelijken; neemt dan twee of drie takken van de zwarte Doorn zie C. D., die zoo digt in een begroeid moeten zijn als men ze maar eenigzints kan. vinden, zet die boven op de andere takken, en flaat ze 'er door middel van een houten hamer vast ip. Neemt vervolgens 40 a 50Lijmftangjes ieder ja io duim lang, na die tot óp twee duim van het dikke' end af, alwaar dezelve gefpléeten moeten zijn, ter deegen met Vogel!ijrn beftreeken te hebben, zo fteekt die hier en daar van boven op de takken in haare fpleeten vast;* voorts moet men van Lok vogeltjes voorzien zijn, die in kleine kooitjes zitten, welke men vijf a zes voet ver van het gemaakte Boscbje af op houten vorkjes 10 duimen hoog plaaist, zie G. F.; dertig fchreeden hiervan daan moet men op de plaats S. een Hutje van boomtakken maaken, om zich voor de Vogels te ver- bergen. '": . Twee of drie Vogels van't een of ander zoort gevan»
gen-hebbende, moet men eeii touwtje fpannen, 't welk door fig. 2. bovenfie af deel. van Plaat LXXII. word aan-, geweezen. Neemt ten dien einde een Houten paaltje I. H. twee voeten lang, fteekt bet regtftandig in den grond, een voet eenige van't Boschje af, maakt aan deeze ftaak het touwtje bij I. vast, 't welk men ver- volgens op't vorkje L. M. legt, en tot aan't Hutje Iaat toefchieten ; om Hit touwtje maakt men de Vogeltjes tusfchen het kleine paaltje 1. H. en het vorkje L. M. aandePooten vast; zo als men op de aangehaalde Plaat zien kan N O. P. Q_. R. Gaat vervolgens naar uw Hutje, en wanneer gij eenige Vogels ziet vliegen, zo trekt aan het touwtje S. dan zullen de Vogeltjes die'er aan vast zijn gebonden, beginnen te vliegen, en dcor dat middel ve.ele anderen derwaards lokken, en op de Lijmftangen doen vliegen, daar men ze dan rnoet af- neemen» :- ■'■; :; - "/■' '■ * : Om kleine Vogeltjes aan â'erzelver Ùrinkpîaats 'te vangen.
Deeze manier om Vogeltjes te vangen, gefcbied
doorgaans ia 't midden van den fomer, en word op de volgende wijze in't werk gefield. Onderftélt dat de plaats A. zie PkatLXXll. de be-
nedenfle af deeling, 't midden "van een Kolk i; Poel of vijver zij, daar't klein Gevogelte gewoon is 'te koo- ien drinken. Kiest'hier dan een plaats uit, daar de «°n 't minst fchijnt, zoo als'bij voorbeeld aan de kant E-, maakt t daar ter deegen fchoon en effen, op dat oe Vogeltjes daar gemakkelijk kunnen aankoomen om le drinken, fteekt dan Lijmhoutjes die van onderen puntig zijn( en ter deegen met lijm zijn beftreeken °P die plaats twee duimen van malkander af iri clen |r°nd, en zulks fchuins aan de eene kant overhangen- de, echter zodanig dat ze malkander niet kunnen raa- »en, zo als men het uit de boven aangehaalde afbeel. g gemakkelijk zal kunnen nagaan. ' De plaats "B.~dus- aanig verzorgt zijnde, zo fteekt rondsom 't water aan «e Kanten C. L. Y. een menigte takken van boomen, y'«aar door te beletten dat de Vogels hier niet bij j 2«n?afer kunnen koomen. Dit zal van die uitwerking ■ièl " ae te dier P,aatze zuI,en neerftrijken, daar men yjlmngen heeft gezet; verfchuüt uw verders op
|
|||||||||
|
eene plaats daar gij; de Lijmftangen kunt zien-; en ;alg,
'eriièts gevangen is, zoo; haalt het'er af. : ; " ■Hoedanig een Vinkebaan,tae te flellen, en 'er een me- ,
nigte Vog eitjes te vangen. Het vangen van kleine Vogelen in het Najaar, in de maand-October, onder den naam van Finken bekend , is een van de giootfte vermaaken, welke het buitenle- yen op Hoeven en Plaatfen in Neerland, voornamelijk in Holland, bijna zo veel bezigheid en verlustiging ver- fchaft, als in andere plaatzen de Wijn-oogst en derge». lijke. Dit vermaak is ijdereen geoorloofd, daar in te« gendeel het vangen van de van buiten aankomende, en zogenoemde Trekvogels, van de afzonderlijk be- voorrechte Jacht, van den Adel en Overheden afge- zonderd, en vrij verklaard is. Deeze Vinken beftaan voor het grootfte gedeelte in Schild-vinken, Keepen, Kroeningen, Putters, Distelvinken, Cijsjes, Knut- ters, Barmpjes, Meezen, Pimpels, Mosfchen en der- gelijke; welke in een .ongelooflijke menigte in drom- men en fchoolen, als 'gehëele wolken, bij de naderen- de koude uit het noorden na het zuidwesten komen vliegen, en op daar toe bereidde Baanen, Finkebaanen. genoemd, met een onverzadelijk vermaak gevangen, en tot een zeer lekkere fpijs gebruikt worden. Men om- heint de Baan met een befchoeijing van drie voet hoog, om het uitzicht te beletten. De Baan wordt geplaatst bij eenig laag geboomte van Eist, Willig, of dergelij- ke, fomtijds ook hooger Linden enz. en met dor hout, als trapsgewijze tor de Baan toe bepoot. De Baan zelf is effen grond, en beftrooit met een wéinig zaad, of liever de. doppen van het gegeeten zaad, om de Pinken te lokken, én niet te fchielijk te yerzaaden. DeNettén uit twee deuren, die tot malkander toeflaan, beftaan. de, worden in twee groeven te weerzijden verholen; óp de Baan worden "op zekeren afftand onder boog. jes van groene Willigen, met een drinkbakje daar on- der geplaatst, aan gareelen vastgemaakt Vogeltjes van dat,tfoort, welke men hoopt en meent te vangen, in 20 veel verfcheidenheid, als men, wil, tot zestien of twintig in getal,'naar gerade en lengte van de Baan. De deuren van het Net zijn gehecht aan een treklijn, die geleid is tot binnen een opgeflagen Huisje, waar in vijf of zes Menfchen zich kunnen bergen, en door de kleine openingen daar in gemaakt, dit vermaak genieten. Geblinde 'en Zingende Vinken, worden in kleine kooit-, jes, aan alle kanten rondom de Baan, gehangen en ge- plaatst; op welker geluid de trekkende Vogels, als uit de lucht in het hout vallen, en dus pp de Baan gelokt worden. Twee ofdrie leevende eerstgevange Vinken, worden verder van de Baan, aan een lijntje aan een afftaande mik , vast gemaakt, met de pootjes gebonden en door den kundigen Vinker tot opvliegen genood- zaakt,, wanneer deeze merkt, ziet of hoort dat'er Vink. in de lucht is; deeze worden Roervinken genoemd. Men'-' houdt zich in en om het Vinkenhuis zeer ftil en fcbuil, om dât op het minste gerisfel en gewemel de Vink ter- ftond uit het hout zich weer ter vlucht begeeft, en op het/vertrek van eene, al de rest, als verfchrikt, volgt ; en beenvliegt j daar dezelve anders in ftilte, ais zullen- de rusten, op,de Baan druipen; en bij geduldige Lief- hebbers tot Vijftig, zestig, en fomtijds tot honderd in een flag gevangen worden. Tot het verkiezen en aan- ' leggen van zulke Baanen, is veel opmerking en'kundig- öeid van nooden, eerst om den ftreek van wind waar Bb : te |
|||||||||
|
395* VÖG.
|
|||||||
|
vog:
|
|||||||
|
fe nëëtnefty tegen welke de Vogel altijd intrekt, en. vangften bij kunnen voegen, die oen óp derzeïïer
dus een vasten ftreek boud. Deeze verkiest men aan plaatzen Vindt. -
den Duinkant, meestin het zuidwesten, als welke
wind dèi ter tijd wel meest waait; doch men bedient J Om door middel van een afgerichtetl XJil Vogels
zich van allerlei ftreeken, uitgezonden het noorden en te vangen. " noordwesten, warSrteer de Vink neerflaat, en in't veld Een Uil afgericht hebbende, Om langs een touw,
fpeelt, eh zonder (ïreék vliegt én fchijnt te dwaalen; waar aan hij door middel van een ring is vast gemaakt'
als of zij niet weder na het noorden wilde. Dit noemt te Ioopen; kiest men deszelfs ftandplaats bij een boom,'
rhen , op den druip Vßketi, en kan van teere Mans én waar aan een Net Word vastgemaakt, zoo als men zien
Vrouwen, mits zich (lil houdende, 'zonder vermoeijen kan uit de bovenße afdeeling van Plaat LXXIÏL alwaar
gedaan worden. Maar om de ftiltë bij deeze Bdanen déh gantfchen toeftel', totdeeze Vogelyimgst veteischt
te kunnen hebben, en een luidruchtig gezëlfcha'p te ver- wordende, is afgebeeld; zijnde ds Uil door M., de
zoeken, maakt men thans dé Huisjes van ftéen dub- beide blokken Waar pp het touw rust döör H. I., den
Béid, met twee vertrekjes , om door praatërr geen hin- ring waar door het touw loopt door N., en het Net
der te doen, en fnenkan bij'het kofaen van hét Gevo- door T. E. V, en het Hutje uit boomtakken zamen-
gelte in't hout, door een Tbihhédeür in het Baafihuisje gefteld, waar in zich den Vogelaar verbergt, door S.
tot het gezicht, en dus tot het genot van het vangen M.'R. aangeWeezen.
Kómen. ;"■; -;v ,',"';.,..' '»" .. : ";, Allés dus gefchikt en in order gebragt zijnde, begeeft
\ l ; .!. .'■) zich den Vogelaar in het Htkj.ey ën hij heeft geftaadig
Vinken op de vlucht. '..,'.',,. zijne opgèn op dën Uil: gevestigd, om gewaar te war-
Men' vatlgt ook deeze VogéitfeS'opj dé .vlucht, dat den of deeze geèh Vogels verm'efkt, dewijl het ge-
ii> in het open veld, met de Nettert uïtg'eipreid óp ef- zigt van een Roofvogel veel fcherper is als dat van
fen gëïnaakte grond, en zingende Vinken' röridöm, eh den Ménsëh. Zó draa den Uil iets ont waar word,
Èóervinken ter weerzijden ; zittende de Vinkers aan een kan men zulks vermerken *, doordien hij terftönd de
wat langer treklijn, agter eenig groen ingepóot bout, kop ter zijden lióud om na bpvërt ,fe zien, én men
óf wel in een ppgeflagen Lootsje, en lokken met roeren moet hem als dân nooclzàaken om van hét blok I.
de Vogels uit de lucht, die danin hef neervallen zon- waar op men hem gezet'"Beeft, na het blok H. dat
der gevoed te Worden, in't honderd,-en in de vlugt nabij den boom geplaatst is, längs dé koord of het
geflagen, eiï't'Nét over't hoofd gebaald Wórd, zónder touw te vliegen. D e Vogel dié in de lucht zweeft,
aaf mén naar den teste of een ander fch'ool Wacht;.zijh- zulks ziende, valt op hem neder, dan in zijne vlncht
dédit vermaak van de Liefhebbers vèrré boven hét an» het Net ontmoetende, yerw.art hij" daar in, doet het
der'e gëft'eld, doch daar in beeft mén meer kó'üde én zelve neervallen en word gevangen;,,zulks gebeuren»
ongemak in. dé blppte lucht uit te flaan, en .d/e^van^sXis de, moét men 'er terftönd naar toe Ioopen , om'er
zelden zo" groot, als op den druip, wâar ih veeltijds hem uit te haaien,- op dat hij door't worftelen geen
duizend en meer óp een' dag met' een Net geflagen, 'en vleugel bjeeke. Vervolgens fpant men het Net we-
tot buit gemaakt worden. r der, en doet zijn best om meer, Vogels te vangen.
Het vàngen vàn Leeüwrïkken. . Befchrijving en afbeelding van een Vogelkooi].
Even eens als het laatfte, gefchiédt het vangen vari Door Vogelkooi] verffiaat men een zodanig afgeperk-
LëeuWilkken in de vlucht, en op den zelfden tijd , te en van boomen omheinde Plaats, in welk midden
wanneer deeze Inlandfche Vogel door een grooten trek een vijver of water is, waar in men Endvogels en meer
Van de vàn buiten aankomende, grootelijks vermeer* ander Gevogelte, tot dat geflagt behoorende, vangt.
dert wordt, én tot een vermaaklijk tijdverdrijf in het Zie hier de'befchrijving (benevens de afbeelding op
Buitenleven vérftrekt. Doch hier toe is meer kundig« Plaat LXXIlt. benedenße afdeeling) van een zodanige
heiden weetehTchap vannooden, zo om dé plaats daar Kooij, genoegzaam zeven morgen groot, leggende op
toe, als wind en faizoen uit te kiezen. een Éiiandje nabij de Helder en Texel, zijnde aan den
De Leeuwrikker moet ook zeer geoefend zijn pin eenen kant door den Dijk, én aan de andere kant door
nét Fluitje te gebruiken, "t welk van ijvoif of zilver, dè Duinen befchut ; deeze Kooij heeft eertijds aan de
uit twee ronde plaatjes tegen malkander, meteen klein. Heer Willem Pckerts toebehoort,
randje tusfchert beiden, en in het geholde midden een De Kom. of Vijver daarvan, waar in't Water-gevogel-
kleine ronde opening beftäät; op welks gefluit, 't geen te neerftrijkt, maakt een zoort van zeshoek-uit, van
weinigen volmaakt kunnen uitvoeren, de Leeuwrik, omtrent 167 roeden in deszelfs omtrek, hier in bevin-
als eeh fteen üit dé lucht komt vallen, en bij de loo. den zich op zijn'minst een getal van 600 Vogels, als
pê'rtjes Pp de Baart, als de Viökën ónder een wilgen Endvogels, Pijlftaarten, Smienten en Talingen; van
Boogje geplaatst, zich vervoegen, en dân knaphandig dëeze 600 zijn 'ér 200 die niet kunnen vliegen, de-
geflagen worden, Het zelfde Wórdt in het voorjaar wijl men dezelve de groote -flag-pennen van de eene
met Kievitten, Mèéflen.Plëviers, ëhKémphaaneh ge- vleugel heeft uitgetrokken, om hier door te maaken
daan; doch'dit Wórd met dé opgezette veeren dief Vó- dat zij altoos in de Kom blijven; van de andere 400
gelen, Welke men daar tóe niet overhouden, óf gewen» zijn enkel de vleugel-vederen afgefneeden, naa dat men
nen kàn, uitgevoerd ; en dit géfchie'dt meer tot vóófdëeï diê tam heeft gemaakt, en afgericht om op een drijvend
van Duinmaaijers ën dergélijkèh, dân tôt vermaak van iltik hout, wilde Vogels te lokken en gevangen te
den Landheer; én kan dërbalven PWdêf de liefhebberij brengen.
van het Vinken niét gerekend, ëhté.Öqe'8 gezet wof- Üit déés Kom gaan al kronkelende^ vier kromme
den. 4. graftèn of flopten, die ieder zes roeden lang zijn, en
Mëh zoude hier nóg verfcheidéri föórtén Van Vögel« aân de bolronde kant met eèn Hegje van rijs (zie A- °P
|
|||||||
|
J
|
|||||||
|
■VQö. VOmWOL -305?
|
|||||||
|
èovenaangehaalde Piaat) zijn afgeperkt, hangende dît
Hegje een weinig na de binnenkant van dégrafe over], en zijnde aan de holle zijde met tien kleine Heggen voorzien, ieder van omtrent zes voeten langte (zie B.) die de eene voorbij de andere springen, en aan elke Heg (zie C) is nog een klein Heggetje, daar de Hondjes D. uit toefchieten, om de wilde Vogels ten geleide te verftrekken. De Rustplaats of wel de Kom, éie beftemd is om de tamme Vogels in te voeden en te doen rusten, beeft tusfehen elke graft een bolle of lie- ver holle kant, welke een halver Maan maakt, die op zijn midden 27 voeten wijd is; om deezen zijn kleine Banketten G. geplaatst, en daarboven Heggetjes van fcheerhout; die van de eene tot de andere kant loopen, zijnde in't midden van elk een gat I. met een plank K. daar voor, die men naar welgevallen kan openen en fluiten, en waar door de Hondjes langs de rustplaats kunnen koomen. De befchreevene gragten die 27 voet treed zijn, krommen zich agterwaards, alwaar't Net L. dat vier voeten hoogte heeft, geplaatst is; ook zijn aan den ingang Boogen. van latwerk, die 17 voeten wjjd, en in 't midden eene gelijke hoogte boven het water hebben, vertagende naar agteren toe tot op vier voeten; deeze Boogen zijn van agteren tot vooren niet een geteerd Net befpannen en overdekt, waar van de maafen zo klein zijn, dat'er geen zodanigen Vogel die men gewoon is in de Kooij te vangen, door kan. Aan 't einde van een deezer graften is een Hok geplaatst, daar de wilde Eenden in tam gemaakt en afgericht wor- den ; dit beftaat uit een vierkant van water met Heggen omringd, als mede van een Hek dat een halve Mans -hoogte heeft; het is hierin dat zijleeren aan Menfchen te gewennen. Voorts beftaat deeze Kooij uit een wandelperk met
allerlei] zoort van Boomen en Heesters beplant, insge- lijks tusfchen de graften, en zulks aan rijen van vier voeten wijdte in t vierkant, zoo dat 'er niet andersdan een kleine en naauwe doorgang bij de kleine Heg over- blijft, om de Eenden in de graften te kunnenjaagea. Deeze Kooij. die gelijk reeds is gezegt 15 morgen groot, en met verfcheidene wandelwegen is beplant, die mal- kander kruisfen, is voorts met hooge Haagen en aller- lei]' zoort van Boomen voorzien, die 'er een lommerrijk en donker Bosch van maaken, zodanig dat Menfchen daar in wandelende van de wilde Vogels niet kunnen gezien worden, en zulks teffens ook dient, 'om 'aan de ÏVaterkom eenzaamheid en-ftilce.ee verzorgen. Om nu wilde Vogels te vangen , heeft men gelijk
fezegtïs, omtrent 600 tam gemaakten; deezen gewend »en van een klein vlottend hout, waar van ieder graft Js voorzien, en waar op hennip-zaad is geftrooid, al »bakkende en geraas m^akende van het eene naar het andere te 2wemmen; voorts vermengen zij zich onder de wilde Eenden, Jokken die-met zich, en leiden de- zelve naar de graften daar ze hec kenmp-'saad vinden ; . .^ooijman die op alles nauwkeurig agt geeft, houd geftadig een rookende turf in de band, wanneer hij ^eipügt is voor de wind af te gaan, dewijl de Vogels nem anderzints door middel van de reuk zouden ont bekken en oogenblikkelijk wegvliegen, ten deezen ,op- 2|gte kan niet te veel naauwkeurigheid worden in agt jenomen; voorts laat bij een hairig, ros Hondie door *en der Hekjes loopen, 't welk van de wilde Vogels air vliegende en haff zwemmende word gevolgt, tot «« zjj onder't bovengemelde Net koomen, 't welk |
|||||||
|
'■men -als dan laat «aflen, en de Vogels dasr door g-e*
vangen, een voor een den hals omdraait. VOGEL van PALAMEDES, zie REIGERS n. IV*
pag. 2960. VOGEL-VLUGTEN, zie KANARIEN.
VOGT, zie LIQUEUR.
VÖGTEN, zie HUMORES.
VÖGTEN in hm BLOED, zie HUMORES nr
SANGUINE. VÖGTEN van het OOG, zie HUMORES OCU-
LORUM. VOGTIGHEID, in het latijn Humiditas, is die
hoedanigheid welke men doorgaans nattigheid noemt, of wel het vermogen om andere dingen nat te maaken, met welke eigenfchappen zommige vloeiftoffen zijn voorzien; dezelve verfchilt zeer veel van vloeibaarheid, om reden dat ze alleen afhangt van de overeenkomst der zamenftellende deeltjes van eenige vloeijfiof met de poriën of oppervlaktens van zodanige Lighaamen, ais waaraan ze in ftaat is vast te kleeven. Dus is Kwik geen nat vogt, ten aanzien van onze
Handen of Kleederen, en zal ook aan veele andere dingen niet hegten; maar ten aanzien van Goud, Lood óf Tin, kan dezelve een nat vogt genoemd worden, dewijl ze zich terftond aan derzelver oppervlaktens vasthegt. Ja zelfs Water, dat bijna alle dingen nat maakt, en
tot het voornaamfte onderwerp van vogtigheid of not- tigheid verftrekt, is niet in ftaat om alle dingen nat te maaken; bij voorbeeld op de Bladen van Kool en vee- le andere Planten, ziet men het in ronde droppels za- menvloeijen, en 'er ligtelijk afioopen, ook maakt het de Veeren van Zwaanen, Eenden en ander Water- Gevogelte niet nat. Het blijkt ten duidelijkften; dat het alleen de bijzon-
dere zamenvoeging is, die eene Vloeiftof vogtig doet zijn, om dat nog Kwik alleen, nog Bifmuth zich aan het glas vasthegt : dan te zaamen vermengt zijnde. maaken zij eene masfa, die *er aan vasthegt; gelijk be- kend is aan de Spiegelmaakers, die dit mengzeltot het verfoeiiën der Spiegelglazen gebruiken. VOGTMEETER, zie HYGROMEETER.
VOLA-MANUS, betekent den Hand-Palm of in«
wendige vlakte der Hand , zie PALMA. VOLBLOEDIG, zie PLETHORA.
VOLBLOEMIG, zie FLORIBUNDUS.
VOLDERS-AARDE , in't latijn Fullonia■ Terra ,
noemt men alle zodanige aarde, welke vet en zeepagtig zijnde, bekwaam is om vet- en fmeerigheid uit linnen« en wollen goed weg te neemen. VOLDERS KAARDE, zie KAARDE-DISTEL.
VOLKAAN, in het latijn Volcanum. naden Heiden«
fchen God Vulkanus, die over het vuur gefteld was, genoemt. Denaam van Felkaanen geeft men, aan brandende en bergagtige Maalftroomen, wel- ke op eene hevige en ónftuimige wijze, de meesten niet aanhoudende maar bij tusfchenpoözing, gantfché ftroomen van gloeijende hars- en zwavelige ftoffen uiï- braaken, of wel een hagelbui van fteenen in de hoogte Werpen, waar van zommigen verkalkt, anderen gedeel- telijk verglaast en tot fcorien verbrand zijn; ofwel uit dwarrels van dampen, gantfché lighaamen van aseb dié zich even als wolken vertoonen, benevens ftroomen van rook vormen, waar van de gezamentlijke uitwerk- zelen, geweldiger en woedender zijn, dan die door den B b z Dondei |
|||||||
|
VOL.
|
|||||||||||
|
3358
|
|||||||||||
|
'TOL,
|
|||||||||||
|
Donder en het Buskruid worden veroorzaakt} die ook
van de vroegfte tijden af aan de Menfchen verfchrikt en den Aardbodem verwoest' hebben.-----«. Onder bet
groote aantal van allerijsfelijke en meest te vreezene
Vuurbraakéftde Bergen, is het genoeg de Vefiivius , iEthna en Hek la optenoemen , om ons een treffend voor- beeld te fchetzen, van hoe veele onderaardfche Kolken en Afgronden ons Aardrijk vervuld is. Niets is-bij de woede der Volkaanen te vergelijken, dewijl die ten zelven tijde, lucht, aarde en zee .aantasten, en alom- me angst, fchrik en dood met zich voeren. Deeze 200 rampzaalige verfchijnzelen , zijn baar oorfprong aan allerijsfelijkfte vuuren verfchuldigt, die zich in den , boefem van deeze Bergen onthouden, en waar van zij de wulften langznamerbandafknaagende, die eindelijk doen inftorten; deeze vuuren worden door de bijkoo- mende lucht aangeftookt, en het water verdubbeld der- zeiver geweld; de allerfcherpfte en onoplosfelijkftezelf- flandigheden, zijn niet in ftaat aan het geweld deezer vuuren weerftand te bieden, gelijk men zulks ontwaar word door den aart van zomin ige ftukken Lava, waar van een gedeelte verglaast zijnde, het ander gedeelte't welk in kalk is verandert, bet geweld des vuurs van o?ze .Glasovens weerftaat. Wij herhaalen zulks, de werking van dat vuur is zodanig hevig, dat zij door haare we- derwerking, fchuddingen veroorzaakt, die hevig genoeg zijn om den Aardbodem ie doen waggelen en beeven , de Zeeën te beroeren, Bergen te doen inftorten, Steden en alletftevigfte Gebouwen, fchoon, op aanmerkelijke verre afitandea gelegen, te vernielen en onderfte boven te keeren. Niettegenftaande, zegt de Heer Buf- TON-, dat deeze ujtwerkzelen zeer natuurlijk zijn, heeft men die egterals bovennatuurlijke wonderen aangezien; en de Bewooners van Ysland gelooven, dat de opening der vuurbraakende Berg die in hun land word gevonden, de mond der Helle is; bet Ipeijen en brullen dat bij tijd en wijle gehoort word, zijn de klagten der Veroor- deelden ; en de uitbarftingen zijn naar het denkbeeld van dit Volk, de uitwerkzelen der wanhoop van deeze On- gelukkigen; intusfehen is dit alles niets anders dan ge- raas, vuur, rook en zwaveligen damp. ' De uitbarstingen der Volkaanen, worden gemeenlijk
door onderaardfche -geluiden voorafgegaan , die even als de Donder kletteren ; men hoort de ij&felijkfte blaa- fingen die als van een guilenden wind worden voortge- bragt, en dit alles gaat verzelt van een allerverfcfarik- kelijkst geraas, zo dat men niet anders kan beiiuiten, «f het aardrijk word inwendig van een-gereeten en der- zeiver wel geftigtfte grondfteunen zijn aan't waggelen; de doffen die de kom bevat, febijnen te kcoken; dik.- wils borrelen zij tot zulk eene hoogte op, dat zij over de randen der mond van de Volkaan overloopen, en diensvolgens langs den Berg neerftroomt, vernielende en verbrandende al het geen zij op haaren weg ontmoet. Ook zijn de plaatfen rondsomme en nabij de Volkaa-
nen gelegen , bezaait met verwardliik onder een ver- mengde hoopen_ascb, en allede andere ftoffen, welke door de uitbraakingen in de hoogte worden geworpen ; men vind 'er buitengemeen harde Lava, Aluin, AmmO' niak zout, Pijrijten, Jandagtige Steenen, en Puim-aar- dem. Paarden over de meesten van die gronden gaan- de, doen die dreunen en daveren, eveneens als of'er alles hol onder' was. Ook ziet men rondsomme de Volkaanen veele barQen in den grond. Dat zoort van Scb-oörfteenen verfchaffen een'vrije doortocht aan d.e |
lucht en aan het water, welke door ëe onderaardfche
vuuren die in de Volkaanen huisvesten r uitgezet en in beweeging gebragt worden. Bii dag ziet men 'er de rook uitkoomen, en bij nagt fchijnen die dampen phos- phorisch te zijn en als vlammen uittewerpen. Zonder die luchtgaten, zouden die werkingen veel verfchrik- keiijker omwentelingen te wege brengen, als die wij door de Aardbeevingen zien gebeuren; zij zouden al' toos verzelt gaan van eene gantfche omkeering van het ■land waar in zij voorvielen. De Volkaanen moeten dus als* eene weldaad van de Natuur gefchonken, aange- merkt worden; ook zien wij dat de Voorzienigheid 'er in alle de waereldsdeelen beeft geplaatst. -' De meest verfchrikkelijkffie Volkaanen worden door.
gaans op zeer hooge Bergen, welke naabij de Zee zija gelegen, gevonden. Alle zodanige Bergen die vuur fpuwen of zulks voor
deezen gedaan hebben, paaien aan verwarde verzame« lingen van yreesfelijke Rotfen, die zich als vergruist en vernielt verwonen, en zonder de minfte- evenredigheid de een op d'andere geftapelt zijn; de toppen van die Bergen zijn dor, afgeknot, inwendig als een kom of fmeltkroes uitgeholt, ofwel als ingeftort, ofwel ten uiterften fteil; alomme word men 'er zigtbaarlijk, da treeken ontwaar die 'er d-oor de vuurftroomen en uit- braakingen van.verfchiliende doffen, zijn nagelaaten. Ook heeft men waargenoomen , dat 'er een g.rooter aantal Spelonken of Holen in zodanige Landftreeken zijn, die aan Aardbeevingen onderhevig, of waar in brandende Ber- gen gevonden worden, dan wel op eenige andere plaats; en het fchijnt teffens ook, dat de uitgeftrekte menigte van Eilanden in den Archipel, waar van het gantfche terrein eveneens als de Berg Ararat enkel uit Holen beftaat, niet anders zijn dan de toppen van even zoo veele Bergen, door het geweld vati Volkaanen in den afgrond der Zee zich onthoudende, opgeworpen. De allerberoemdfte Volkaan van Afien, is de Berg
Albours, bij den Taurus, agttien uuren van Herat ge- legen; bij rookt onophoudelijk , en werpt dikwils vuur- vonken, benevens eene groote menigte asch en lait uit. In 1603. »was Sorca eene der Molukkifche Eilan- den nog bewoond, dan den hoogen Berg die in 't mid- den van dat Eiland fïond, een Volkaan zijnde, braakte , zulk een menigte van brandende'ftoffen uit, dat'er eer. gloeijende ftroom door wierdgevormt, die zich allengs- kens aan "weerskanten uitzette, en ten laatften het gantfche Eiland overftroomde en geheel deed verdwij- nen. ! Een der beroemdfte Volkaanen van de Eilanden in den
Indifcben Oceaan gelegen, en't welk ter zeiver tijd onder de jongften opgeteld word, is dat. van Panaru- can op het Eiland Java. De Volkaan die in het Jaar 1754, na eene Aardbeeving die met korte tusfehenpo- zingen drie maanden duurde, uit het midden van een Meir in de Maniljes oprees is nog jonger, en derze!- ver uitwerkzelen zijn veeltijds niet minder te vreezen. Die van den Berg Gounape, op het Eiland Gutnana- pi, door de Franfchen Grenade de Banda genoemt, nabij dat van Banda, is niet minder affchuwelijk. Het Hol *t welk de haam van Benignazsval draagt,
en nabij Fez in Afrika- legt,, is insgelijks een Volkaan, die onophoudelijk rook en dikwerf vuurv-lammen uit- werpt. Op Fuogez. een der Eilanden van Kaap Ver»-» is een Volkaan, waarvan de uitwerkzelen de Portugee- fen hebben genoodzaakt hetzelve te verlaaten, en■» |
||||||||||
|
VOL.
|
|||||||||
|
VOL, .JSPS9
|
|||||||||
|
Volkplantingen aie 'et reeds gevestigd waaren, naar
elders te doen vertrekken. De Piek van Téneriffe op een der Kanarifche Eilanden gelegen, welke men meer als 40 utiren verre in Zee kan zien, fpuwt insgelijks vuur, en aan de zuidkant van derzeiver top, ftroonien gantfche Beeken van gefmolten Zwavel door de Sneeuw. Deeze Zwavel verftij/t wel draa, en vormt aderen in de Sneeuw, die men van een zeer verren afftand kan onderfcheiden. De Heer Hëberden, zijnde een geleerd Geneesheer, die op bet Eiland Maderawoont, zegt, dat de Omleggende Screeken van die brandende Berg, uit een zandigen grond, fteiltens en verfchrikkende af- gronden is zamengefte/d, en dat hoe nader men bij deeze Volkaan koomt, hoe meerer men in het denk- beeld word bevestigd, de overblijfselen van een ge- floopte Waereld te zien, ja zeis de puinhoopen van de gantfche Natuur. Allerijsfelijkfte fchoonbeden, waar van het fchouwfpel fcbrik en teffens verwondering in- boezemt! Het aardrijk is ter deezerplaatze met zwavel- agtige hars en barften of fpleeten vermengt, waar uit dampen opftijgen- in het gaan hoort men onder zijne voeten de ftoffen door het vuur vloeibaar gemaakt, borrelen en kooken ; dit vuur brand in 't midden der vervroorene wateren, en die beide onder een vermeng- de hoofdftoffen, bieden niet kwaalijk het denkbeeld van den Chaos aan. In Amerika zijn een groot aantal Volkaanen, welke
nogthans niet verhinderen, dat men daar, veelvuldiger dan op eenige andere plaats Aardbeevingen ondervind, inzonderheid tusfchen de Bergen van Peru en Mexiko. Bij Aréquipa negentig uuren van Lima gelegen , is de al- lerijsfelijkfte Vtlkaan van gantsch Peru; in't jaar 1600. fpoog die zulk een menigte asch en verkalkt fand uit zijnen vuurkolk ,-dat de omleggende ftreeken daar dertig tot veertig uuren in 't ronde mede bedekt wierden. Vervolgens teld men onder de meest berugtfte Folkaa* tien van dat oord, die van Carappa, Maiahallo, Coto« paxi en Pitchinka. Te Mexiko zijn de aanmerkelijk- flen , Popocampeche en Popocatepec. Ook vind men Volkaanen en Sulpher-Bergen te Guadaloupaen Terce- ra. In het Kordillifche Gebergte ontmoet men verfchei- de diepe Kolken of Afgronden en breede'openingen,. Waar van de wanden zwart en brandende zijn, op de- zelfde wijze gelteld als de afgrond van den Berg Ararat in Armenien, die men Abijmus noemt, en waar van de Heer Toubnefort in het begin deezer eeuw de al- lerijsfelijkfte uitwerkzelen heeft waargenoomen. Vol- gens het denkbeeld van de Heer Buffon zijn deeze Afgronden of diepe Kolken, Volkaanen die eertijds v.uur fpoogen , dan naa verloop van tijd zijn uitge- bluscht-geworden. Ten laatften, om een einde van dit Artijkel te maa-
ken', bied ons de wateropwerpende Volkaan, onder de naam van brandende Fontein bekend, in de Provin- ze Shrop bij Bofeleij geleegen, een der zeldzaamfte voortbrehgzelen van de natuur aan. Het is omftreeks zeventig jaaren geleeden dat de Fontein van Bofeleij voor de eerftemaal haar water opwelde, en zulks 00- genblikkelijk naa het bedaaren van een allervreesfelijkst Onweer. Naauwlijks'ging de wind- eenigzins leggen, en den b'ixetn met zwaare donderffagen verzelt, bedaar- de, of men hoorde in het holfte van den nagt een aï- ferverfchrikkenst geraas, 't welk alle de Inwooners-ge« heel omfteld uit den flaap wekte, deezen het Aardrijk seerftexk bewoogen vindende, en als gereed om't on- |
|||||||||
|
derfte boven te keeren, dagten dat het tijdftip van de
algemeene verwoesting naakende was. Verfcbeidene onder bun, bezaten echter moeds of ftoutbeid genoeg van hunne Huizen te verlaaten, en naa een Berg te gaan van de Rivier Severne befproeit, daar het geraas zijn oorfprong fcheen te hebben ; in de tijd van een minuit verhefte zich het Aardrijk na boven en zonk weer in, niet oneigen bij voortduwende zee-golven kunnende worden vergeleeken. Een van de onvertzaag- ften onder de Aanfchouwers, nam een mes en fneed een gat in den grond dat eenige duimen omtrek beflóeg; oogenblikkelijk welde uit dit gemaakte gat een water« fprong, waar van de uitbarfting zoo geweldig was, dat die Man 'er door omvergefmeeten wievd* Een oogen- blik daarna kwam dat zelfde Mensch met een richt bij die opwellende Bron, hierop vloog het water ijlings in brand en wierp vonken van zich; men onderfchepte en dempte de toegangen der lucht, en de vlam bene- vens de vonken wierden gebluscht. Zedert dien tijd beeft deeze Fontein altoos dezelfde hoedanigheden be- houden, naamelijk, dat deszelfs water in brand vliegt, zoo draa men 'er met een ontftooken kaars bijkoomt, en de hitte van deszelfs vuur is zoo hevig, dat die in een oogenblik groote ftukken groen hout tot asfche verteerd. Maar het geen boven dit al, buitengemeen zonderling is, beftaat, dat niettegenftaande de hevig- heid van het vuur en vlammen, het water niet de min- fte trap van hitte bezit, en even koud is als dat van an- dere Fonteinen. VOLKAMERIA, is de naam van een Planten Ge-
flagt, dat genoemd is na den vermaarden Heer Vólc- kamer, die eene befchrijving der Planten om Neu- remburg groeijende, in't begin der voorgaande eeuwe heeft uitgegeeven. Kenmerken. Tot bijzondere kenmerken van dit Plan«
ten-Geflagt worden opgegeeven , dat de Kelk in vijven is gedeelt, de flippen van de Bloem zijdelings zijn ge- boogen, en dat het een tweezaadige Belle voort- brengt, met tweefchillige Zaaden vervult. Zoorten. Daar zijn drie zoorten van deeze Planten na-
kend, als volgt. - 1. Gedoomde Volkameria; Volkameria aculeata; Du-
glasfia Jpinoja Ifguflri-folio. hum. fferb. 576.J Ligus- trum aculeatum fruftu teflkulato. PtuM. Spec, 489.; Clerodendrum fruticofum fpinoßtm &c. BKOWis._yaM.262.; Pa.liuro ajfinis liguflri-foiiofpinofo, flore monqpatalo dtf- farmu H. Sloaw. Jam. 137. fitst. 2, p. 137.J (Volka-
meria fpinispetiohrum rudimentis. Likn. Spec. Plant J' 2. Ongedoornde Volkameria ; Volkameria inermis; Niir»
Notsijl. BvrM-Fl. Ind. p. 130"s, *faaninum littoreufn. Rumph. Amb. v. p. 86.; jàsminl flore frutex phïlïppèn- fes. Petiv. Gaz.; Periclymeni fïmilis myrti/olia arbor
maderafpatenfis, Pluknet. Alm- 287,; {Volkameria ra* mis inermibus. Link. Spec. Plant) ...... 3. Gekartelde Volkameria\ Volkameria /errata; [Vol*
kameria foliis lato-tancealatis, firratis, fubfesfllibus. Mant. 90. / " ' ■ Plaats en Befchrijving. De eerße zoort- kwam de
Heer H. Sloain'e veelvuldfger voor in de velden van Jamaika, ende Heer Jacquin heeft bet doorgaans op de Karabifche of Voor-Eilanden van Amerika aange- troffen. .De laatstgemelde Heer zegt, dat het een tak- k^ge regt op (taande Heester is, van vijf a zes voeten hoog, geheel met reukelooze witte Bloemen belaaden, daar men zeer dikwils vijf en zorutijds zes Meeldraad« Fb 3 je$ |
|||||||||
|
35(56 .WL. . , VOL.
|
|||||||
|
5és in aantreft; hoewel 'er ook zijn', in welken het
kenmerk deezer klasfe, van vier Meeldraadjes, twee langer, twee korter, plaats heeft. De Bloemen zijn *gaal in vijven verdeeld, aan den mond van haar piip- jê, dog twee deezer Slippen wijken meer van elkander %f, dan de drie overigen, en dit maakt de Bloem ee- inigzins wanftaltig,* gelijk Sloane daar van zegt. De tweede zeen is de Strand-J asmijnflruik van de Hr.
Rümphïus, die met harde ronde Stengen opfchiet, geevendetiladdraagende Takjes ter zijden uit, in 't kruis fjij elkander, waar aan de Bladen gepaard voórkoomën, van figuur als Limoenbladen, van bovendonker groen ■fen glad, van onderen met ribbetjes. De TSIoemen, naar die der Jasmijnen gelijkende, koomen aan Kroont- jes voort, hebbende een fchéef uitgebreide mond en daar op volgen Vrugten in de gedaante van Befiën, peer- agtig van riiaakzel, en zoo groot als kleine Kersfen, zittende op een Kelkje, door vier fleuven in 't kruis verdeeld, die hard blijven al zijn ze rijp. Het is een gemeene Strandboom op alle de Oosterfche Eilanden. Water-Kuischboom noemt, word hier ook t'huis gebragt, door den Heer Boemannus, wiens fiinkende Ceijlonjche Jasmijn, de Ghurenda van Hebmannus, een Boom is van dergelijke geftake. De derde zoort, die in Indie groeit, heeft de Takken
tondagtig, met een gearmde Bloempluim, zijnde de Kelken klokvormig, onverdeeld, en nauwlijks getand, en de Vrugten uit vier Befiën zamerigefteld. De overeenkomst van dit alles (zegt de groote Na-
tuur-onderzoeker M. Houttuijn in het zde de,els 5de firik zijner doorwrogte Natuurlijke Historie) " doet mij hier een Takje t'huis brengen met Vrugten belaaden, ,, 't welk mi), onder den naam van Pegougoet, met en ,, benevens veele andere raare Plantgewasfen, door », den Wel Ed. Geftr. Heer Radermacher, Baljuw ,, te Batavia, uit Oostindië is toegezonden ; te meer, dewijl ik nog Bloempjes daar aan gevonden heb, niet alleen met deeze Klasfe, maar ook met dit Ge- flagt overeenkomftig. Dus kan ik verzekeren, dat dezeiven pijpagtig zi]n, in vijf Slippen verdeeld, met een langen Stijl en vier zeer lange Meeldraad- », jes, waar van twee zich korter dan de anderen ,, vertoonden; zelfs heb ik de tweeledigheid van den ;,, Stempel daar in waargenomen.
juist zoo als hier in de bepaaling van deeze zoort is
w opgegeeven,tegens over elkander in 't kruis geplaatst", (gelijk de afbeelding daar van op Plaat R fig. 1. die 'Wij insgelijks uit bovengemelde werk hebben ontleend, zulks aantoont.) " De Vrugt-PIuim beftaatuit Trosjes, die uit de Oxelen voortkomen, op enkele Steekjes, . welke zich doorgaans in drieën verdeelen, en dan bij iedere verdeeling twee fmalle Blikjes hebben. .,, Op het. end van dezelve komt een of meer thans zwarte Befiën voort, waar van de volkomenlïe vier-, de andere drie-, tweedubbeld of enkeld zijn? gelijk j, zich dit alles aan een Trosje hier openbaard. Ieder Befie heeft eene holligheid, en bevat daar in een rond Zaad. Voorts rusten deeze Vrugten op den ,, Kelk, die uitgezet is, en anders zich volmaakt kiok- vormig, onverdeeld en nauwlijks getand, even als ,,,,in de befchrijving vertoont. Dit doet het gewas .van de Volkameria multiflora van den Heer N. L. j,j BuRMANNUs.naär welke het anders, wegens de hart- ,, ïûraùge Trosbladen, wel gelijken zou, blijfcbasrlijk |
,, verfchilien; 'hoewel het wegens de lange Meeldraad.
jes en eénzaadige Befiën, nader fchijnt te koomen ,, aan het Geflagt van den Clerodendrum of Lotboom. VOLKEREN-REGT , zie REGT der VOLKE.
REN. VOLKS REGEERING. Door Velks-Regeering ver.
ftaat men een zodanige Heerfthappije, alwaar het Volk te zamen genoomen, de oppermagt in handen heeft, Deeze Regeeringf-wijze word doorgaans Democratia ge- noemt. Het is nodig onze Lezers bier te doen opmerken, dat
in een DemocratiJcheRegeenng ieder Burger niet de Souveraine magt ofwel een gedeelte daarvan in handen heeft; maar dat die magt en dat gezag, enkel bepaalt is tot de algemeene Volks.Vergadering, ingevolge de Wetten zamengeroepen. VOLMAAKT. VOLMAAKTHEID. Per/eäus,;
Perfeiïiol In eenen flrengen en philofophifchm zin ge- nomen, wordt'er door verflaan, de overeenkomst van onderfcheidene dingen tot een en het zelfde einde. Bij voorbeeld; in een Gemeenebest vindt men eene groote verfcheidenheid van perzoonen en zaaken, die alle tot een zelfde oogmerk kunnen dienen. Men vindt 'er overheden en onderdaanen, rijken en armen, heeren en knechten, ouden en jongen,- men vindt 'er wetten, ftraffen, belöoningen, eerampten, rijkdommen, wee- tenfehappen, konden, handwerken enz. Wanneer nu alle deeze verfcheidene ftukken, die in een Gemeene« best gevonden worden, waarlijk te zamenliepen tot dat groote doeleinde, de algemeene welvaart; wanneet daar toe alle de leden van dat lichaam het hunne toe- brachten, alle de onderfcheidene Haaren en betrekkin- gen altoos medewerkten, en daar heenen alle de wet- ten, bedieningen, konften enz.~ftrekten, zoude men aan zulk een Gemeene-best de volmaaktheid moeten toe- fchrijven, en het zelve een volmaakt Gemeenebeit in de ftrengfte betekenisfe kunnen genoémt worden. Men gebruikt dit woord in dien zelfden zin, wan-
neer men Godt volmaakt noemt, en van zijne volmaakt- heden gewag maakt. Naamlijk fchoon 'er in Godt zei» ven geene verfcheidenheid van deelen gevonden wor- den, dewill hij een zuivere Geest is, vindt'er echter bij hem eenej verfcheidenheid van eigenfehappen en werken plaatze, die wij Menfchen ons niet anders dan als afzonderlijke hoedanigheden en verrichtingen kun- nen vertegenwoordigen. Befchöuwt men dezelve yan nabij, men ziet, dat ieder derzelverop de voortrefHik' fte wijze dient, om één groot doeleinde, da verheer- lijking van Godt1 zelven, en het geluk der Schepzelen te bevorderen;1 zijnde dit, om zoo te fpreeken, het middenpunt, waar in alles, wat wij, zoo door het licht der « Rede, als door de nadere openbaaring van Godt weeten, famenloopt; en deeze de .waars rede, waarom zijne aanbidlrjke Eigenfehappen, zoo als zijne Almacht, Alweetenheid, Eeuwigheid, Goeder« tierenheid,Heiligheid, Overaltegenwoordigheid, Recht' vaerdigheid, Wijsheid enz., Volmaaktheden geoaamt worden, en men aan hem zelven den naam van den vol- maakten Godt, of hit volmaakte Weezen, bij uitfteken« heid, gewoon is te geeven. In deeze betekenis«* kennen wij onder ons niets, het geen gezegt »a worden, volmaakt te zijn. Al wat ondermaanscb1 «« is onvolkomen, en het is niet, dan zeer oneigenlijk» dat men van Menschlijke-Volmaaktheden fpreeken kan. Het is ondertusfehen zeer gemeen , dit woord |
||||||
|
VOL. VOM. VON,
Hooien, en de Volmaaktheid aan perzoonen of zaaken,
Hie wel zeer onvolmaakt zijn, toetefchrijven. Dus fpfeekt men van volmaakte Staatkundigen, volmaakte Ge- leefden', volmaakte.Kooplieden; dus zegt men, dat iemand lene volmaakte Vrouw heeft; dus geeft men aan een paar Vrienden den lof van e ene volmaakte vriendschap te oefe- nen; dus wil een Konftenaar, dat men zijn werk voor volmaakt zal houden; men beroemt zich een volmaakt uurwerk te bezitten ; men geeft voor volmaakte hoog- achting voor iemand te hebben, enz. In alle deeze ge- vallen, wordt dit woord in eene zeer ruime en oneigen- lijke betekenisfe gebruikt; geevende niets meer dan pede Staatkundigen, bijzondere Geleerden, fchrandereKooplieden, enz. te kennen. Meest al bedient men 'er zich van, wanneer mén ongemeen hooge gevoe- lens van zekere perzoon of zaak heeft, die men, fe- dert de éénvouwigheid in denken en fpreeken de aarde Terlaaten heeft, niet wel anders, dan door zulk eene vergrootende manier van fpreeken kan uitdrukken. Eer ik hier van afftappe, moet ik noch iets zeggen
sangaande de Machte, die veelen genoegfaam altoos in den mond hebben. Bien klaagt naamlijk over de ge- breken en onvolmaaktheden, die men in zijne Bedien- den ontwaar wordt; en deeze klachte zoude ten hoog- ften redelijk zijn, indien de onvolmaaktheid niet zoo gemeen was op aarde, of men redenen hebben kon- de om volmaakte Dienstbooden te verwachten. Dan wie weet niet, dat het tegendeel waar is ; en waarom klaagt men dan over iets, het geen men vooraf weet, dat niet anders zijn kan ? waarom eischt men van zijne Be- dienden, het geen men zelf niet bezit? waarom kwelt men zich met na het onmooglijke te zoeken, en zich , zoo dikwils men op het nieuw befpeurt, dat men het niet gevonden heeft, ongelukkig te maaken? Men trachte zelf zoo veel mooglijk na de volmaaktheid, en zij wel te vreden, indien men Dienstboden heeft, die ditvoorbeeld navolgen 1 men draagede gebreklijkheden van anderen met geduld, weetende, dac men 'er zelf, rijklijk mede behebt is; en pooge dus zijnen toeftand, die hier op aarde nooit volmaakt kan worden, zoo ver- re van de onvolmaaktheid te doen afwijken, als maar «enigszins gefchieden kan.. ' VOLUTE, zie KINKHOORNS.
VOLVÜLUS, zie KRPNKELDARM-
VOMIÏUS, zie BRAAKING.
VONPELING. Het is een aloud gebruik geweest
onder de Heidenen, zoo Grieken als Romeinen, de Kinderen, fchoon in echt gebooren, te vondeling te IeSgên, wanneer de Vader dezelve niet wilde opgevoed woben voor de zijnen. De Thebaners hebben evenwel *eze gewoonte als onmenfchelijk door eene wet ver- wen.' De Romeinen lagen de Kinderen aan de meest handelde wegen op driefprongen, bij de fecreeten, änden oever van de Rivier,.of in een kistje wel be- j ' °*. ln eeti kruik te vondeling, of mogelijk een of
■■Wet zich ontfermen zoude over bet onnozele Wicht, L- °Pv°eden. De Historie van Moses die in een 4h yan Piefen te vondeling gelegd wierdt, is te be- ' 3 dan dat wij die verders aanhaalen zouden. Zom«
j'en wierden zij inde wildernisfen gelegd, en der-
'ven van het wild Gedierte verfcheurd, of zij frier- en voorzeker van honger. çJj^st-intanus, Valens en Gkatianus, zijn de
firenoi?eweest onciçr de Romeinfche Keizers, die door K''Iiu> wetten deeze afgrijsfelijke gewoonte behben |
||||||||||
|
VON.
|
||||||||||
|
396-ï
|
||||||||||
|
Onder de Christenen is deeze wreedheid niet afleer?
veracht, maar geheel opgehouden, en de Kinde en die* te Vondeling gelegt worden, zijn altoos onechte Kin* deren, tot welkers onderhoud de arme Moeder geene kans ziet, ofwel om voor te koomen.dat zulk een Kind niet zij een geduurig verwijt van haar wangedrag. Het te vondeling leggen fcbijnt ook in Nederland?
plaats gehad te hebben, wanneer iemand eenige Vrou- we ingenoomen badde, die bij die gelegenheid aldaar kraamde. Want de wet zegt uitdrukkelijk, zie E. v. Zurck Codex Batavus, dat zulks niet mag gefchieden, maar dat men het Kind tot de zeven jaareri toe zon moeten onderhouden; en was de Waard arm die zulks deedt, hij dan op het Schavot,of Kaak ftaan moest, van middags ten elf tot twaalf uuren, en dan aanftonds de ftad ruimen , p. 1171. Dog in Friesland ftaat 'er volgens Huber Hed. Rechts»
gel. Tom. II. pag. 488. de dood op, als ze Weg- gelegd worden in eenzaame plaatzen, zoo dat de Kinde- ren fterven. Evenwel is de draf verzagt 1643. aan ee- ne Meid, die te Harlingen hebbende gebaard, haar Kind gelegd hadt op een Soutkeets goot, daar het ge- vonden wierdt, en drie dagen daarnaa ftierf. Deeze Meid heeft een half uur op het Schavot geflaan met een Pop om den hals, en is vijf jaaren gebannen. Maar zij zoude gegeesfeld geweest zijn geworden, indien zij zoo jong niet in de kraam geweest ware. Nauta Decif. 136. Alle deeze Wetten, hoe billijk zij ook zijn om de
goede ofde te onderhouden, geeven gelegenheid dat de onechte Kinderen om hals gebragt worden, en dus wordt een nog grooter misdaad begaan, die men niet kan voorkoomen, t' en ware men hét te vondeling leg- gen op woelige plaatzen door de vingeren ziet, en de zelve opvoedt op kosten van het Gemeen. of in een bijzonder Godshuis, gelijk men het te Amfterdam ge. woon is in het Aalmoesfeniers-huis te doen, en met zulk een uitmuntenden uitflag, dät de Kindermoord aldaar in evenredigheid van de Stad, ongelijk minder voorvalt, dan in de kleinere Steden. * De ftrenge wet, dat men een Vondeling aan onze
deur gelegd , fchoon in den winter niet mag innee- men dan met voorkennis van de Regeering, of dat men verplicht is zulk een Kind op te voeden, maakt dat men onbarmhartig wordt, en liever het Kind laat omkomen, dan zich zulk eène last op den hals hnalen. Zie daar dan een ander kwaad gevolg, uit eene wet, die anders nog al verdedigd kan worden, en eene rede te meerder om op genieene kosten zulk een Huis te openen, daar men die elendige en verlaatene Kinde- ren , konds opvoeden. VONDELING-HUIS. Parijs is de eerfte Stad ge-
weest, daar door de prijsfelijke grondbeginzels van christelijk inededoogen, een Vondeling-Buis opgeïigt is, door eene rijke Vrouwe, dog alleen voor twaalf Von*?- delingen. Dit Huis ftond tegens over het Hotel-Biea; en wierdt door veele andere weldenkende Mehfchen zeer rijkelijk vermeerdert, tot dat men dagelijks dé groote voordeden daar van bemerkende, den Koning, verzogt om 'er het gene te kort fchoot, uit zijne Schat- ten bij te voegen; deeze voordeelen waren deezé, dat men geene Vondelingen op de ftraaten meer vondt, en derhalven om die reede geene ongelukkige Moeders met den dood behoefde teftraffén, gelijk-te voren ge- beurde, volgens het getuigenis van den Heer Bou-* CHER
|
||||||||||
|
L
|
||||||||||
|
VON. VOO.
gebooren worden, te kleeden. Hier uit blijkt dat men
tot voorkooming van grootere misdaaJeri op eene ver- ftandige en niet min Christelijke en kwanswijze bedek- te wijze vrij wat door de vingeren ziet; wanneer de Kinderen daar gebooren, van de Moeders verlaaterj worden, 't gene, of fchoon men 'er nauw acht op geeft, nugthans enkele reizen gebeurt, worden zij in net Aal. moesfeniers-huis grootgebragt, in welk Huis ook alle Vondelingen en verlaatene ingenomen worden. Op dee« ze wijze dan komt men de onheilen voor, welke zoo dikwerf gezien worden in andere Landen, daar men zulke voorzorgen niet gebruikt. .De hooggeleerde Heer P. Camper , heeft onlangs de
noodzaakelijkheid en nuttigheid van een Vondeling-Huis, in zijne verhandeling over de tekenen van Leven en Dood in nieuwgeboren Kinderen, Leeuw. 1774.. p. 18. en in zijn antwoord aan S. M. V. D. zeer bondig betoogt. Wij zullen 'er niets "Bijvoegen, dan dat het zeker is, dat men de Kinderen met weinig befwaar der Armeftaaten kan inneemen 4 om dat een Moeders Kind het zij in echt, het zij buiten echt gebooren, altoos als zii in armoede vervalt, door den Arméndaat moet onderhouden wor> den, het is derhalven geen bezwaar. Dan wanneer men in zekere Stad een Vondeling-Huis openzet, zou- de daar toe zeer veele zelfs van andere Steden en Lan- den te zamenvloeijen, maar dje zwaarigheid is wegge- noomen, zo draa in iedere Provintie zulk een Huis gedicht wierdt, of gelijk de Heer P. Camper delt in ie- dere Plaats door de Armbezorgers zulk een Kind zon« der verdere navraag dan omtrent den H. Doop, wierdt aangenomen.
Het is daarenboven zeker, dat die Kinderen als ze
al in het leven blijven, zeer verwaarloosd worden om- trent de lighaamelijke opvoeding, en nog meer omtrent de zedelijke opvoeding, zoo dat men eindelijk die Kin- deren gebrekkig geworden, altoos tot last heeft, en die al tot eene zekere volkomenheid gebragt worden, hebben nog zeden, nog godsdienst, en zijn dus zeer fcnadelijke Inwooners, die daarenboven weder huwen- de, hun Kroost even flegt opvoeden. Daar men door een Vondeling-Huis , welgemaakte, fterke, tot allerlei} werk dienkige Inwooners verkrijgen zoude, en van een goed zedelijk gedrag, beide voordeelen die zeer hoog te fchatten zijn , boven het weinige ingebeeld voordeel van de affchaffinge van zulk een prijsfelijk Ge' flicht.
Men zoude daarenboven den Kindermoord geheel
voorkoomen, en dus niet alleen bet leven der ongeluk- kige Schepzelen, maar daarenboven van die mededoo- genswaardige Moeders bewaaren, welke tot die fnoode misdaad vervallen. Straffen., hoe zwaar ook, hebben, dus leert de droevjge-ondervinding, deeze misdaad niet können voorkomen. Het is derhalven de plicht van de Overigheid alle nadeelige gevolgen der ongefaon« denheid weg; te neemen, of de. wetten aangaande on- wettige -bezwangeringe te veranderen. VOOGDEN, zie CURATOR.
VOOGDIJE; in't latijn Tutela van Tueri, is de
magt die iemand heeft over de Perfoon en Goederen van een minderjaartge Pupil, pf wel ten aanzien van iemand die uirfinnig of een doorbrenger is, en dus zo" wel de een als d'andere niet in ftaat oui naar behooren hun belang waar te neemen. De Voogdïje over onmondige Kinderen, en inzonder-
heid over ouderlooze Pupillen, vloeit af van 't Regt de Na'«81»
|
|||||||||
|
VON.
|
|||||||||
|
3952
|
|||||||||
|
cher d'ÄR-Gis, Äi Di&ion. Encyclop. Expaßt. d'Enfant.
De Koning heeft zedert dit Huis .geheel aan zrch ge- nonen, en verlof gegeeven, dat alle de Kinderen , die in het Hotel-Dku geboren worden, daarin wor- den opgevoed. In het begin was 'er een Draai, gelijk aan de Kloos^
ters, men fchelde, lag 'er het Kind in, en het wierdt aangenomen, zonder dat men de Perzoon zag die het bragt. Tegenswoordig is het Huis zeer fraai herbouwd,
heeft eene Kapel, en geen Draai; de groote Poort ftaat altoos open, en 'er is een fchel bij het kamer- tje van den Portier in het voorhuis, dat vrij groot is. Men gaat 'er in, men fchelt, of als de Poortier 'er is geeft- men dien het Kind over zonder een woord te zeggen. Getneenelijk is 'er, een briefje.op geftooken, als het gedoopt is, zoo de Poortier geen teken ver- neemt, vraagt hij of het Kind gedoopt is, zoo neen; neemt hij zonder verdere navraag, het Kind evenwel over, en fchelt, terftond Komt de Kapellaan, en eene der Geestelijke en wel adelijke Susters, die uit prijs-, felijke godsdienftigheid die Kinderen oppasfen, en men brengt het Kind terftond in de Kapel, en doopt hetj Waarnaa het in de Kinderkamer gebragt, gevoed, en wel gehavend wordt. Ik heb 'er dikwijls bijgedaan, als 'er ingebragt wierden, en ik fmolt weg in traanen, als ik dagt boe gelukkig die Kinderen en die Moeders wa- ren, welkers zwakke en misdaadige oogenblikken niet verzwaard wierden door eene ftrafwaardigèr misdaad. Geene Kinderen können beter opgevoed worden dan deeze. En in de daad behoorden veele Vrouwen daar te gaan leeren hoe men die kleine Schepzels behandelen moest. Het getal der Kinderen, 't welke, toen ter tijd in het Huis opgevoed wierdt, beliep op vier duizend. 'Er is in dat Huis zoo omtrent de verdeel ing der Kin-
deren in jaaren.om ze inzaaien bij een te voegen, als leerwijze, eene uitmuntende orde en fchikkinge. De Eerstgeboorene worden- wel de eerde twee of
drie dagen in het Huis opgekweekt, maar dan terftond op het land bij Minnen uitbefteed. In Londen is mede een zeer uitmuntend Fond«.
ling-Huis even buiten de Stad aan de landzijde gedicht, de vrije opene lucht heeft 'er eengroot voordeel boven dat van Parijs; het Gebouw is zeer eenvoudig, dog zeer wel gefchikt, beftaande uit twee vleugelen en een Kapelle in het midden. In het begin waren de fondfen te gering om alle Kinderen in te neemen ; zij zijn thans merkelijk verbeterd, evenwel niet groot genoeg; men kan daar niet als te Parijs de Kinderen alle oogenblikken van den dag inbrengen, maar daar zijn dagen toe ge- beld, en wanneer het getal grooter is 't welke zich aanbiedt dan ontfangen kan worden, kiest men bij het lot. Hier door gaat menig eene zeer bedroefde Moe- der zeer mistroostig heenen, en vergaat door droefheid als zij haarehoope verijdelt ziet, zij lijdt nu dubbeld, zij blijft zuchten onder den last der opvoedingvan haar teder Kind, en haare wensch word te leur gefield. WÜ gaan die van andere Landen voorbij, -en zullen
een woord zeggen van het Aalmoesfeniers huis, en van ' bet St. Pieters Gasthuis te Amfterdam. In het Gasthuis mogen eigentlijk geene zwangere Vrouwen of Dogters ingelaaten worden, en evenwel is 'er eene Kraamkamer, Vroedvrouwen en een Vroedmeester, als mede eene -Linnenkamer, daar overvloed is van Kinder-klederen «f Luijer«mandens, om de elendige Schep2e!en die 'ex |
|||||||||
|
VOO.
|
|||||||||||||||
|
VOO, . 3963
|
|||||||||||||||
|
fTatuor, welke eischt dat men zorge draagt voof de
Perzoon en goederen van die geenen, welke niet in ftaat zijn dezelve te befchermen.------f~ De yoogdije
over zodanige Menfchen, die het zij om kwaad gedrag,
finneloosheid, enz. Voogden noodig hebben, vloeit af va* "het Burgerlijk Regt. - ; VOOR-ARM, zie ELLEBOOG.
VOORBEELD. Ëxemplum. Wij zullen van dit
Artikel aileenJijk in twee betekenisfen fpreeken, die ■ook wel dé gemeende zijn, en van de algemeenfte nut- tigheid. Naam-lijk in de eerfte plaatze wordt dit woord gebruikt, om het gedrag van iemand, het zij zulks goed of kwaad zij, te kennen te geeven, voor zoo verre het zelve door anderen kan worden nagevolgt. Beide zijn zij van veel gewichts, dewijl niets zoo zeer in ftaat is, om ons tot Deugd of Ondeugd te trekken, als de voor- beelden van anderen, voor al, wanneer het Lieden zijn, die door hunne geboorte, macht, middelen, bedienin- gen of andere uiterlijke omftandigbeden, indruk op ons maaken. Men behoorde, wel is waar, ten aanziene van hetgeen men te doen ofte laaten beeft, zich altoos voornaamlijk te richten naar het denkbeeld van zijnen plicht, en dien getrouw te blijven, zonder op een ander zijne daaden te letten, dewijl het zeker is, het geen Salomo gezegt beeft, zijt gij wijs, zoo zip gij wijs voor u zelven, maar zijt gij een /potter, zoo zult gij het alleen draagen; maar ondertusfchen weinig Menfchen hebben die gezetheid van geeft, en ftandvastigheid des gemoeds, die daar toe vereischt wordt; de meesten moeten door Voorbeelden getrokken worden tot hunnen - plicht ; en veelen wijken van het rechte fpoor af, om dat zij zich Lieden ter cavolginge voorftelden, die ee- nen geheel anderen weg infloegen, dan die hun door rede en Godtsdienst werdt aangeweezen. Skneca ken- de deeze kracht der voorbeelden reeds, zeggende Ion- gum her est per prcepta: breve &effiçax per exempta; dat is, de weg van bevelen is lang, van voorbeelden kort tnkrachtig; en ten aanziene der nadeel'ige uitwerkzelen van kwaade voorbeelden, vindt men eene nadrukljjke be- tuiging bij Juvenalis Sat. xiv. Sic natura y übet: velocius £ citius nos
Corrumpunt yitiorum exïmpla domeflica : magnis Cum Jubeaht animos auBoribus. geevende volgens de vertaaling van D. van Hoog-
straaten te kennen: " - - * 'T (laat dus met onzen aart : de vuile zondenvlekken
Der Ouderen, of hen, die ons voor Oudersfirtkken, Die kleeven onzen Geest en ras en grondig aan. En deeze Oude Hekeldichter heeft het waarlijk recht
getroffen, wanneer hij 'er deeze rede op laat volgen : Turpibus ac pravis omnes fumus.
n .. dat is: vvmjl wij alle leerzaam zijn in het navolgen yan het
geen fchandelijk en kwaad is. En wat behoeven wij ons met getuignisfen te behel-
Pen. daar.de zaak zelve fpreekt, en men zijn eigen att maar behoeft te raadpleeaen, om daar van over
|
|||||||||||||||
|
getrelde ziel van eenig uitmuntend Voorbeeld van braaf-
heid, edelmoedigheid of godtsvrucht te hooren, zon- der daardoor getroffen en tot navolging bewoogen te worden: en dit gaat zoo verre, dat verdichte Voorbeel- den die zelfde uitwerking op ons hebben, zelfs al wee» ten ivij vooraf, dat zij verdicht z-ijn. Ik behoef de ver- dichte gefchiedenisfeu van Grandison , Clarissa en Pamela maar te noemen, en elk, die dezelve gelee- zen heeft, zal mij, zo zijne ziel voor alle indrukzelen. van braafheid niet ongevoelig is, zijne toeftemming geeven. En wie weet aan den anderen kant" niet, hoe gevaarlijk de voorbeelden van ondeugd zijn, vooral in die jaaren, waarin het hart nog buigzaam is, en de gemoedsgefteltheid noch geenen vasten plooij ontfangen heeft. Ik beken bet, een Lovelace zal niemand ver- leiden, om h,em gelijk te worden,* maar dit heeft men aan de voorzichtige penne van den kundigen Schrijver te danken, die zijn Caracler in zulk een haatlijk licht wist te doen voorkomen, dat iederéén, die in zijn hart niet reeds een Lovelace is, hem met fchrik en veront- waardiging befchouwen moet, en op het gezicht der diepe laagte ijft, waar in hij ziet, dat een Mensch val. len kan. Ondertusfchen hoe veele Jongelingen zijn'er niet bedorven door het leezen van Romans, waar in hun foortgelijke voorbeelden minder fterk , en daardoor minder haatlijk gefchetst wierden; om niet te fpreelien van de zoodanige, waar in dezelve onder den eenen of anderen fchoonen naam wo/den voorgeftelt, of door de uitkomst, die men aan h'unne bedrijven geeft, aan- gepreezen? Hoe veelen hebben niet de zorge en hoop van hunne Ouderen verijdelt, naa dat kwaade Voorbeel- den van anderen hen bewoogen hadden, om derzelver vermaaningen in den wind te flaan ? Hoe veelen heb- ben niet doordat middel alle fchaamte verlooren, en zich in ftaat geftelt, om van erger tot erger voortte- gaan? Niemand is zulk een Vreemdling in de waereld, dat hij zich niet eene menigte van gevallen, waar in dit beweezen wordt, zoude kunnen te binnen brengen. Men zie hier uit, van hoe veel gewichts het zij, eene verftandige keuze te doen, ten aanziene der boeken die men leest, en der gezelfchappen, die men bijwoont. Van deeze keuze hangt dikwils alles af, om geduuren- de zijn geheele' leeven deugdzaam te zijn, achting te verdienen, en gelukkig re worden, of zich aan allerleie ondeugden over te geeven, de achting van alle welden- kende Menfchen te verliezen, en zijn geluk onherftel- baar te verwoesten. Ouderen kunnen daarom niet te voorzichtig zijn, om hunne Kinderen in deeze keuze te beftieren, niet te veele moeite aanwenden om hen al vroeg te leeren, van de Voorbeelden van anderen een goed gebruik te maaken. Zij behooren hun dikwerf Voorbeelden van godtsvrucht, edelmoedigheid, maatig- heid.enz. op eenen aanprijzenden toon voorteftellen ; op eenen anderen tijd het haatlijke der tegenovergeftel- de ondeugden in Voorbeelden te doen kennen j op die wijze moeten zij den goeden fmaak bij hunne Kinderen zoeken te vestigen', hunne manier van denken eenen goeden plooij te geeven; het welk veel zal toebrengen ont hen naderhand, wanneer zü zich niet meer onder het onmiddeliik opzicht hunner Ouderen bevinden, voor den verderflijken invloed te bewaaren, dien kwaade Voorbeelden op een hart, het welk op zulk eene wijze niet gewapent is, gewoon zijn te maaken. Inzonder- heid behooren Ouderen zorge te draagen, om zelve Voorbeelden vaneen geregeld gedrag voor hunne Kinde- Cc ren |
|||||||||||||||
|
^ te worden,
|
Het is niet jnpoglijk, voor eene wel-
|
||||||||||||||
|
vII Deel,
|
|||||||||||||||
|
■~~'"-
|
||||||||
|
! JVOÖ,
VOORJAARS-LEUCOJE, zie LEUCOJE (VOOR
JAARS.) 7 J v tt
VOORJAARS-TOR, zie TORREN, n. XXXI
P"g 3677. VOORINGENOOMENTHEID, zie VOOROOR.
DEEL. * VOORLEGGER , zie RECIPIENT.
e VOORLOOPER, zie PRODROMUS. VOORN, is een zoetewaters-Visch onder het geflagt
der Karpers behoorende; in'tlatij'n Rutilus; Rutilut five Rubellus fluviatilis. Willuhb. p. 252.; Cyprinus iride pinnis ventris ac ani plerumque rubentibus. Arted. Gen. 3.; (Cyprinus pinna ani radiis duodecim rubkundc, Linn. Faun. Suec. 320.) '' Den algemeen en naam van Voorn, geef ik (zegt de
Heer M. Houttuijn) aan deeze zoort, die van fornmi. gen getijtelt word blanke Voorn, omze dus van de Rùisch- of Riet-Voorn, die geelagtig is, te onderfchei- den. In Sweeden, daar men ze Meurt noemt, is dee- ze Visch in alle Meiren, niet minder dan bij ons, ge« meen. Men noemt hem in Deenemarken, Reudfchl- lig, in Duitscbland Rotauge of Reod-oog en Ratel, 'm Engeland Roche', in Vrankrijk Rotje oiRotele, in Italie Piota. ■ Hij onthoudt zich minder in Rivieren en fterk ftroo-
mende, dan in Meiren en ftaande Wateren, of Sloo> ten, Vaartenen Vijvers, alwaar de Voorn op een won- derbaare manier, en veel meer dan andere Visch, ver- menigvuldigt ; wordende ook zelden geheel uitgeroeid. Ondertusfchen is hij, doorgaans, week, laf en onfmaj. keüjk, wordende weinig dan van den gern eenen Man gegeten en zelden ter Markt gebragt, dan in't voor« jaar, als men weinig andere Visch heeft. De Heer Kletn ftelt in zijn Geflagt van Braafemen,
(die van de Karpers verfchillen * doordien de Rugvin korter en de Aarsvin larrger is,) eene foort vooraan, welke hij deezen uitvoerigen naam geeft, Braafeir., met alle Vinnen en de Staart rood , de Rugvin zwart« agtig; de Zijden geelagtig gekleurd; het Lijf, boven de geftippelde Zijdftreep, uit den bruinen blaauwag- ,, tig, onder dezelve geheel zilverkleur; de Schubben breed geftreept; de Rügen Buik, agter de Nek en f. Keel, aanftonds in een ovaale figuur krom geboogen; de Kop klein; de langte naauwlijks een voet te boven gaande." Artedi heeft de Sweedfche, Meurt naauwkeurig on-
derzogt, en in derzelver Rugvin gevonden 13; In cfe Borstvinnen, die witagtig grijs waren, 15; in de Buik* i vinnen, die rood of in de Jongen geelagtig waren, 9> in de Aarsvin die gemeenlijk rood of roodachtig, doch j fomtiids ook uit'den geelen was, 13, en in de Staart« vin 19 Beentjes, zijnde deeze laatfte grijsagtig en gp' vorkt. -De oude Heer Grokovius hadt in de Rugvin van onze gemeene Voorn geteld n, 12 of 13, «'" & Borstvinnen 9, in de Buikvinnen 10, en in de Aarsvin nB.eentjes. De jonge Heer, wijlen zijn WelEd.Zoon, vondt vier verscheidenheden. onder onze Foorhen, waar van de eene de Rugvin hadt van 12, de Buikvin- nen van 9 en de Aarsvin van 13Beentjes; de andere * Rugvin van 9, de Butkvinnen van 7, en de Aarsvin van ja Beentjes; de derde de Rugvin van ir, de Buikvin* nen van 10, en de Aarsvin van 13;'de vierde, emiV lijk-, de Rugvin van 13, de Buikvinnen van ro en Aarsvin van 12 Beentjes. ,_.- Hier uit blijkt, dat in faToornen ook het &etra ,.,
|
||||||||
|
"3954 VOO.
ren te zijn. Vehcius £? citius nos corrumP&nt vitlorum
exempta ; magnis cum Jubeant animai auSoribus, zegt Juvenalis. Het is daarom een algemeene les voor Ouderen/, Overheden en Leeraaren, dat zij hunne les- fen, wetten en vermaaningen voornaamlijk door hun Voorbeeld behooren (e bekrachtigen. Doen zij dit niet, zij moeten de kracbtloosheid daar van voornaamlijk in zich zelven zoeken, en hebben, recht uit gezegt, wei- nig rede om gehoorzaamheid te verwachten. Ik moet'er noch iets bijvoegen, aangaande eene twee-
de betekenisfe, waar in men gewoon is van het woord Voorbeeld te fpreeken. Men verftaat 'er naamlijk in het algemeen, het gebruik door, het welk men van een an- der zijn lot te maaken heeft. In dien zin worden de burgerlijke ftrafFen anderen ten voorbeelde geoefent; dat is, om anderen te doen zien, welke gevolgen deeze of geene daad te wachten heeft, eneenen iegelijken dus van dezelve aftefchrikken. Dus leverenons de gefchied- nisfen Voorbeelden van allerleie foorten op ; en zo men be- wijzen wil, dat braafheid achting en geluk, ondeugd verachting en ongeluk ten gevolge heeft, kan men daar overvloedig te recht raaken. Op deeze wijze zijn in het bijzonder de lotgevallen der Jooden een zeer leer- zaam Voorbeeld voor de Christenen, het welk'hun met eene fterke ftemme toeroept, hoe rampzalig de gevol- gen van ondankbaarheid tegen Godt, en verwaarloozing zijner langmoedigheid zijn. En van dien aart kunnen Koningen en Onderdaaneg, Gemeenebesten en Steden, Leeraaren en Onderwijzelingen in de gefchiednisfen Voorbeelden aantreffen, die bun hunne verplichtingen en het gevaar van dezelve te overtreeden, met fterke trekken affchilderen. VOORHOOFD, in het latjjrt Frons,. is het bovenfte
gedeelte van het Aangezigt, van de haairen af tot aan de Oogen toe, en zich tot aan de beide zijden der Slaa- pen uitftrekkende; zomtijds is het meteen gladde, en zomtijds met een rimpelagtige huid bedekt, om reden dat de daar onder gelegene Vezeldraaden door allerleij gemoedsaandoeningen, nu op de een en dan op de an- der plaats getrokken worden; oôk word deeze huid door ziektens en ouderdom pp veelerleij wijzen gerim« pelt. ? VOORHOOFDS-MIDDEL, zie FRONTALE. VOORHOOFDS-SPIERKEN, in het Iatijn Fronta-
lis Musculus, neemt zijn begin boven bij de kruin, en loopt van daar in de huid die.de Oogen dekt, plantende zich in de Oogleden ; of volgens anderen neemt hij zijn begin van de Winkbraauwen en van't Osfrontis, loó- pende opwaarts naar boven toe, daar hij, of zij (want het zijn eigentlijk twee Spieren) een aponeuroßs maaken ; welke met dié geenen, die door de Agterhoofds-fpieren word gemaakt, zich vereenigt. De werking derzelven beftaat in de Wenkbraauwen opwaarts te trekken, en de huid van't Voorhoofd te doen beweegen. v VOORHUID, in't Iatijn Präputium, is het dikke Vel waar mede den Aker van het Mannelijke Lid word bedekt, wordende van onderen door een tederen band , het Toomken geheet-en; aan den Aker vastgehegt. VOORJAAR, zie LENTE.
V O O R JA A R S-B OSCHKROK, zieKRO K
(BOSCH-) B. 1. pog. 1641. VOORJAARS-KEUKENSCHEL, zie KEUKEN--
SCHEL. n. 3. pag. 1498. VOOR ) AARS -LELIE NARCISSE, zie LELIE.
NARCISSE, ». 9. pag. 1803. |
||||||||
|
J
|
||||||||
|
ypp.
Vinftraalen merkelijk verfchillende zij. E en e'vijfde
Verfcheidenheid, die in de Rugvin 10, in de Buikvin. »en 9, en in de Aarsvin 15 Beentjes hadt; wordt van zijn Wel Ed. aangemerkt ais de Koning van-Voorn, zo- genoemd, welke bij Waverveen gevangen was, hebben- de volgens de telling van den ouden Heer, gehad in de Rugvin 10, in de Borstvinnen i8, in de Buikvinnen 9, in 3e Aarsvin 14, en'in de Staartvin 28 Beentjes. JLinn/eus betrekt'er ook toe, zo wel den Koning van de Ruisch of Ruij, te Waverveen dus genoemd, als den Ruismom, met 15 Straalen in de Aarsvin en 22 in de Staart. Volgens het getal der Beentjes in de Aarsvin, zou
tot deeze foorc ook behooren, die , welke men in ons land Windvoom of Winden tijtelt, zijnde in de vijvers en rivieren vrij gemeen. Aft. Helv. vol. iv. p. 268. N. 188. Zoöph. Crcn. Fa/c. I. p. 106.N. 337. Grono» viüS betrekt daar toe de Umbra van Ausonius; want, fchoon de koleurvan dit Voorntje aan den Buik en Zij- den glinfterend wit is, gelijk die der anderen, zo heeft het doch ook de Rug en den Kop van boven, bruinag- tig; de Rug- en Staartvin loodkleurig, maar de overige Vinnen robdagtig. Het Lijf is langwerpig, fpiliond, met de Onderkaak wat langer, de Rug vin veel agter- lijker dan de Buikvinnen, de Staart halfmaanswijze. De Rug of Buik puilen in deeze niet uit,- gelijk in de andere Voornen, Zijn Ed. vond ft de Rug- en Buikvin- nen 10, in de Aarsvin 12, in de Borstvinnen 16, en in de Staartvin 18 Beentjes. De Oogkringen waren geel- agtig. .-■ - Niettegenftaande de Voorn geenzins onder het getal
der bestfmaakendfte Visfchen word geteld, zo vind die egter nog Liefhebbers, inzonderheid wanneer de Visen in't algemeen fchaars is. Zelden eet men die anders als met boter in de pan gebakken, even als Snoekjes ; waar van men de behandeling op het artijkel SNOEK kan nazien. VOOROORDEEL. Prjudiciut/s. Deeze is de be-
naaming van eene heerfchende zwakheid der Menfchen, die als eene zeer voornaame hinderpaal van hunne ken- nisfeen Godtsvrucht, en dus als een krachtdaadig be- létfel van bun geluk moet worden aangemerkt. Dezel- ve beftaat in de gevoelens, die men van zekere zaaken beeft, of het oordeel, het welk men 'er over velt, zon- der te letten op hetgeen ons tot onze gevoelens, of oor- deel over dezelve brengen moest. Zij beftaat in eene overijlde beoordeeling, die op geene vaste gronden fteunt, maar uit vooringenomenheid■% een' opgevatten Waan, of zekere uiterlijke vertooning der dingen voort- vJoeijt. Bij voorbeeld, wanneer het gemeen de Zonne aanmerkt als een Kloot, die des avonds in de Zee on- dergaat, en des morgens uit dezelve wederom opkomt; °f den Bol, waar op wij woonen, als eene platte febijf befchouwt, is dit een vooroordeel-; dewijl deeze" gevoe- lens zekerlijk op geene de minile redenen fteunen, fflaar enkel" uit eenen ouden waan, en de uiterlijke vertooning voortkomen. Ik heb gezegt, dat dit eene heerfchende zwakheid der
Menfchen is: en waarlijk niets is'er algemeener dan "»'troordeelen, onder Menfchen van allerleie foorten: geen Volk is 'er geheel vrij van, en fchoon het één met, «ezelve minder dan het andere behebt zij, kan nochtans SKirVolt van dezelve ten éénenmaale vriigefprooken gorden. Ook denke men niet, dat het alleen het on- fiWdig Gemeen is, bet welk, bij mangel van wcezën- |
|||||||||
|
voa
|
|||||||||
|
3905
|
|||||||||
|
lijke kundigheden, zich door vooroordeelen laat beftie-
ren; neen, het zijn de Geleerden zelve, bij welke men dezelve in foorten vinden kan. Vergeeft het mij, eer* waardige Godtgeleerden ! bedreevene Rechtsgeleerden ! ervaarene Artfen! fchrandere Wijsgeeren! vergeeft het mij, zo ik zegge, dat ook onder u vooroordeelen gevon- den worden, die het licht vanuwe Wetenfchappen niet zelden benevelen, en uwe verhevene Geesten beletten, tot den hoogden trap van waarheid, dien gij zoudt heb- ben kunnen bereiken, op te klimmen. Alles, wat gij" op het gezag van uwe Leeraaren en Voorzaaten aan- genomen hebt, zonder het zelve in zijne gronden te on- derzoeken; alles wat gij vastftelt, om dat uw ftelfel (fijflema) het zoo medebrengt; alles wat gij begeert, om u tegen den heerfchenden fmaak of het oude ge- bruik niet te verzetten, dit alles, noch ééns vergeeft het mij dat ik bet rond uit zegge, dit alles is een voor- oordeel; en gij zult hoop ik zelve niet begeeren, dat men van u zal denken, dat'er onder uwe kundigheden niets van dien aart gevonden wordt; begeert gij het waarlijk, dan bevestigt gij mijne uitfpraak, en het blijkt dan, dat gij door uwe vooroordeelen reeds geheel ver« blind zijt. Het zoude mij gemaklijk vallen, eene me- nigte van voorbeelden bij te brengen,-en daar door te bevestigen, dat'er onder allerleie foorten * van kundig- heden, veelvuldige vooroordeelen gevonden wolden : maar zulke voorbeelden zijn doorgaans haatlijk, en ie- mand, die de kundigheden, dewelke hij bezit, aan de befchrijving toetst, die ik van het vooroordeel gegeeven heb, zal zelf gemaklijk kunnen zien, welke van dezel» ve wezenlijke kundigheden, welke vooroordeelen moeten genaamt worden. Dat de vooroordeelen aan de bevordering van waarheid
en deugd zeer veel nadeels toebrengen, zal mij niemand betwisten, die op de natuur der zaake let en in de ge- fchiednisfen van het Menschdom niet onbedreéven is. Men hoore de taal van den beroemden Ostebvald, in zijne uitmuntende verhandeling over de Oorfprongen van het Bederf onder de Christenen, bl. 40". (in de Ne- derd. vert.) " Deeze vooroordeelen, zegt hij, zijn noch veel dimmer en fchadelijker, dan de on- weetenheid, en zijn een grooter hinderpaal aan de her- itelling van de deugd en de Godvruchtigheid. Het ,, was beter te doen te hebben, met enkelijk onwee- tende, dan met kwaalijk onderweezene en met voor- oordeelen ingenomene Menfchen. De eerde noch niet vooringenomen zijnde, können lichtelijk te recht gebragt worden: mair veel meer is'er aan vast, om Menfchen, die met vooroordeelen bezet zijn, te win- ,, nen : bezonder, als bet vooroordeelen zijn, omtrent den Godtsdienst; om dat zij hunne gevoelens voor- ,, ftaande, waanen, dat zij de waarheid verdeedigen, ja zelfs voor de belangen van Godts eere pleiten. Derhalven zijn de valfchedenkbeelden en vooroordee- Un omtrent den Godsdienst, eene der oorfprongen van het bederf der zeden, die het meest noodig is ,, gade teflaanen te overweegen ènz." Indien ik eene Godtgëleerde verhandeling over dit Artijkel fchreef, zoude het mij gemaklijk vallen , dit zeggen van Oster- vald ie bewijzen, en om de gegrondheid van zijne aanmerkingen in een helder Hebt te itellen, voorbeel- den uit de gefchiednisfen bij te brengen. Voor het te- genwoordige zij het mij genoeg, mij alleenlijk op één voorbeeld, het welk niet Hechts aan Godtgeleerden be- kend is, dat naamlijk der Jooden te beroepen. Geen Cc 2 Volk, |
|||||||||
|
VOO.
|
|||||||||||
|
-39Ö6
|
VOO.
|
||||||||||
|
Volk, als Volk, is ooit meer aan vioroordeelen gehecht
geweest, dan het Volk van Israël, en geen Volk heeft 'er de nadeeligfte uitwerkfelen zo van-ondervonden, als die zelfde Israëliten. Niets anders dan hunne voor- oordeelen waren het, die hen den'Heiland deeden ver- werpen , die altoos de hoop van het geheele Volk ge- weest was, en de krachtigfte bewijzen voor het Mes- fiasfcbap van Jesus , waren uit geene andere oorzaak zoo krachtloos op hunne gemoederen,> dan, om dat'zijne Perfoon en verrichtingen tot dus verre niet ftrookten met hunne vooroordeelen. Deeze beheerschttén hen der- wijze, dat zij het niet te ongerijmd oordeelden, zijne wonderwerken aan den Duivel toe te fchrijven, en dus om de kracht van dit bewij's te ontduiken, eene uit- vlucht bedachten, die men zoude denken, dat in geenen Mensch van gezonde zinnen immer bad "kunnen opko* men. En wat was 'er het gevolg van? De tijd van Godts langmoedigheid is vruchtloos voor hen voorbij- gaan; door hunne vooroordeelen waanende, dat zij ge- 2ond waren, wilden zij geene raadgeevingen tot her- ftelling van hunnen welftand aanneemen : hunne ziekte is eindelijk ongeneesbaar geworden; Godt heeft hen aan zich zelve overgegeeven ; en blindheid en armoe- de is hun bijzonder deel geworden, die wel eer het grootfte licht hadden in zaaken van den Godtsdienst, en rijk waren in het genot van zegeningen, die Godt onder hen met een milde hand uitdeelde. Het geen de vooroordeelen inzonderheid gevaarlijk
maakt, is, dat zij, wanneer zij eens bij iemand'heb- ben beginnen te heerfeben, niet gemaklijk kunnen verdreeven worden. Zij hechten ,zich zoo vâst, en weeten zich derwijze in onzen hoogmoed, ongeregelde zelfsliefde, traagheid enz. te wikkelen, dat zij niet dan niet het uiterst geweld kunnen los gefcheurt worden. Wil men dan voor dezelve bewaart blijven , hier geldt, zo ergens, het bekende, principiis obfla, gae de heginfelen te keer. Men moet zich gewennen niets voor waar aanteneemen ,~op het gezag van anderen; de gronden van waarheid eo zekerheid te onderzoeken; de oroftandigbeden gade te fiaan, en zijn oordeel naar voorafgaande overtuiging te fchikken. Met betrekking tot den Godsdienst, zijn de vooroor'
deelen het allergevaarlijkst; en ondertusfehen hebben zij ten dien opzichte het allermeest plaatze. Gemeen- lijk wordt men van zijne Ouderen lot zekere gezindheid geweezen, om van dezelve een lid te worden, Deeze geeven ons Leermeesters, die ons de waarheden van het Christendom volgens de bijzondere leerftellingen van die gezindheid zutlen voordellen; men geeft ons geene andere boeken in de hand, dan dieop dien zelf- den leest gefchoeit zijn. En wanneer wij van dit alles een naarftig gebruik gemaakt hebben , worden wij ge- zegt van die waarheden overtuigt te zijn, en wij doen belijdenis van dezelve. Maar met verlof van alle, die op dien voet Christenen geworden zijn, hun Christen- dom is louter vooroordeel. hunne overtuiging is niets an- ders , dan van geene tegenwerping te weeten,- de voor- keur, die zij aan deeze of geene gezindheid gaven, heeft geenen anderen grond, dan dat zij van de leerftel- lingen der overigen onkundig zijn; en ik zeg niet te veel, wanneer ik beweere, dat zulke Lieden met de- zelfde overtuiging Muhammedaanen of Heidenen zou- den geworden zijn, zo zij het ongeluk gehad hadden van uit Muhammedaanfche of Heidenfche Ouderen ge- fcóoren te zijn, of onder deeze Volken opgevoed te |
|||||||||||
|
worden. Dit is fchande voor onzen heiligen Godts«
dienst, die waarlijk op zulke onwrikbaare gronden ge- vestigt is, dat een ieder, die denzelven zonder voor- oordeel onderzoekt, de zekerfle overtuiging van des. : zelfs waarheid bekomen kan, en dit alleen moet ons doen zien, hoe haatlijk het zij, 21'ch aan zijne vooroor. deelen over te geeven, en hoe veele redenen men heb- - be, om zich voor alles te wachten, hetgeen voedfel aan dezelve geeven kan. VOORSCHRIFT . zie FORMULA en RECEPT.
VOORS1GTIGHEID, zie VOORZIGTIGHEID. !
VOORSPOED, zie GELUK.
VOORTREFLIJK. Exvellens, Prclarus. Dit woord
wordt gebruikt van alle perfoonen en zaaken, aan wel- ke men eene bijzondere goedkeuring wil geeven, of den voorrang boven andere toefebrijven. In het bijzonder wordt het genomen van zaaken, die den oorlog betref- fen; en men noemt in dien zin voortreflijke bedrijven, resprclarce gestas, overwinningen in Veldflagen , vero- veringen van Steden enz. De vleijerij heeft de bete. kenis van dit woord gemeen gemaakt, en ten tijde der Roomfcbe Kefzeren, heeft men, zoo wel den belach- lijken tocht van Caligula na Engeland, van waar hij, zonder den Vijand gezien te heb.ben, wederkeerde, naa dat hij zijne Soldaaten, de ftormhoeden vol fchel- pen had laateii raapen% als de dappere bedrijven, waar door 'de Romeinen wel eer een groot gedeelte der waereld onder hunne macht deeden buigen, -res pra< claras, voortreflijke damden, genaamt. Ondertusfehen is het met dit woord geftelt, als met den bijnaam groot. Dezelve is dikwils aan Menfchen gegeeven, om dat het geluk hunne onderneemingen begunftigde, of om dat zij door hunnen ftaat boven het bereik der wetten \ waren. Men heeft Alexander den Koning van Macé- donien groot genaamt, om dat hij in het groot daaden bedreeven hadt, om welke men bij ons iemand die dezelve in bet klein wilde nadoen, verfoeijen zoude- En zoo ook worden wel eens zulke daaden voortref- lijk genaamt, op welke bij ons de galg ftaat. Ik kan eenen Hannibal niet groot, noch zijne daaden voortref' lijk noemen, om dat zijne meesterftukken van dapper« heid uit niets anders dan eenen overgeërfden haat tegen de Romeinen 'voortvloeijden; veel grooter ten minften en voortreflijker komt mij een Regulus voor, die niet febjoomde zijnen Mede-burgeren eenen raad te geeven, dien de liefde tot zijn Vaderland hem inboezemde, fchoon hij wist,, dat het hem zijn leeven kosten zoude; veel voortreflijker de edelmoedigheid van den jongen Scipio, ten opzichte eener gevange Schoonheid, die hij haaren- Bruidegom ongerept ter hand (lelde, hoe- wel het lot des porlogs en het gebruik van die tijdei hem tot eene geheel andere behandeling recht gaven. Met één woord geene daaden verdienen, mijns oor- deels groot, of vo.örtrefljjk genaamt te worden, dewelke niet uit bronnen van waare braafheid en verheve deugd voortkomen; en met dewelke geene oogmerken, oie tot heil van het Menschdom dienen, verbonden zijn. VOORTTEELING. Onder alle de werken der
Scheppinge is 'er geene zoo verheven, zoo verbaazend, en zo Goddelijk, als àeVoortteeling. Daar fchijntmin- der wijsheid en minder macht vereischt te worden om een Mensch, een Dier, ëéfre Plant volmaakt wel te fcheppen , dan om , het teffens die 'kracht, en die ver- mogens mede tedeelen, om zijns gelijken voort te bren- gen tuet die ftandvastigheid in de voortgroefj, en "»p* _ - tielnei-> |
|||||||||||
|
c
|
||||||||||||
|
VOO,
|
||||||||||||
|
VOO.
|
||||||||||||
|
3967
|
||||||||||||
|
tielheid in de eerfte beginzels van den nieuwen-Mensch,
jist nieuwe Dier, ofPIanf, welke wij in. dezelve be- wonderen. Hoe groot het Goddelijk Weezen' in zijne. Schepzelen zich ook vertoonen mag,'in dit ftuk komt hij ons voor nog grooter, nog verheverier, en nog on- begriipelijker te zijn. De onnavolgbaare kleinheid der deelen van'een eerst gevormd Kind, van een eenig Dier hoegenaamd, of in het zaad eener Plant, verbaasd ons; onze ijver om het geheim te doorgronden , beeft ons Microscoopen uit doen vinden, eD of fchoon wij thans de voorwerpen duizendmaal vergrooten können ; die eerfte beginzels, die nogthans alle de duizende deelen in zich bevatten, welke flegts vergroot,'en als uitgedijgd in een groot Mensch gevonden worden, die eerfte beginzels zijn, en blijven even onzigtbaar, en doen telkens nieuwe even önnaavolgbaare wonde- ren op voor het oog, die ons eindelijk ons zelven doen verliezen, en in verrukking uitroepen: groot zijn de Wonderen van den-Goddelijken Schepper, en zijne Al» macht heeft geen einde ! Wij keeren weder van deeze befchouwing, hoe waar*
dig ook aan'redelijke Schepzelen, en zeggen dat de voortteeling eene eigenfchap is, alleen aan Menfchen, Dieren, en Planten gegeeven. De Steenen immers , de Metaalen, de Zouten groeijen niet, en ondergaan geepe vermenigvuldiging. Door voortteeling vermenig- vuldigen de eerstgenoemde, en wel met deeze voort- gaande eigenfchap, dat ieder voortgeteeld levend Schep- zei wederom voortteelen kan een Jong, volftrekt ge- lijkvormig aan het' eerfte, 't Welke God bij de fchep- ping der waereld voortbragt ; de duizenden jaareh, dié reeds verloopen zijn, hebben tot nog toe daar in geene verandering gemaakt, en de eeuWen die nog ftaan gebooren te wordeh, zullen 'er geene'de minde ver- andering in maaken; zoo ftandvastig, zoo oneindig wijs, zoo oneindig vooruitziende, en zoo machtig is cïe God"; die ons gewrogt heeft,- en nog dagelijks de Triichten doet.genieten van zijne zegeningen! Men be- hoort wel op té letten dat wij.hier wiisgeerig fpreeken, en als'wij van Menfchen en Dieren handelen, de zulke mftaan die naar den val onzer eerfte Ouderen, zoo- danig geworden zijn, als zij nog voortduuren en be- ii'a'an. ' "'" P?' ;: ; '-... Deeze voortteeling nu gefcbiecït op veeterletje wijzen,i
de meeste Dieren hebben daar toe bijzondere deelen, eïi werktuigen, zie GEN1TÄLIA, EIJERS, LIJP- MOEDER enz., die op eene bepaalde plaats hunnes lighaams gevonden worden. Menfchen, alle viervoe- tige Dieren, Vogelen, en de meeste Infecten téelen «fus voort, en bebbetï daar en boven eene verfchil- IJifslç fexe.: wij noemen Vrouwelijk die fexe, dat ge- flacht,.'t welke bet jonge Diej voortbrengt; Manne- W, 't welke alleenlijk tot de jevendigmaaking, of be» Wuchting iets toebrengt, en zonder welkers vermen- ging v0]ftre|it geene voortteeling gefcbiedt. Onder deeze Dieren derhalven is de zamenleeving
een noodzaakeliik gevolg dier fchik.kinge, temeer, om «at God in die Dieren téffens ingefchaapen heeft eene groote drift om vomteteelen, en de aandoening in de voortteeling zelve daarom zoo verrukkend-..gemaakt "ew, dat zij alles te boven gaat; uit die drift, fchoon anders zeer dierlijk, is voortgefprooten dat Godiijk ui», 't welk in ons zoo teder gloeit, de liefde naa-
leliik, de band van zamenleeving, de troost in ónze ,oorkooBiEnd-s elenden, en iet eenig genoegen '' van |
||||||||||||
|
ons dierlijk leeren ! Zoo verre nu is de Mensch -vol-
maakter en verhevener, zelfs gelukkiger, dan alle: Die- ren, dat hij altoos' lieven kan, èn dat het dierlijke van die drift overgaat in zuivere vriendfchap, het verrukke« lijkfte en inneemendfte vermaak van ons leeven. ' De Jiefkoozérijen, door de drift tot voorttetling geheel fin- tuigelijk, veranderen dan in kusfen van vriendfchap, waarin de ziel alleen deelt. Grijze Ouders, wier har- ten enkel uit genegenheid en liefde vereenigt zijn, hoe Verrukkend zijn de geneugtens van de vriendfchap, die gij te zamen fmaakt! een nieuwe liefde tot uw Kroost is in uwé aderen ontftooken, en die houdt niet op dan met den dood,- uwe Kinderen beminnen u op hun beurt, zij verdubbelen uwe geneugtens. Hemel! hoe geluk- kig iè de ftokoude Vader, die zijne zwakke leden op de fterke fcbouders van zijnen Zoon laat rusten-? alle deeze vermaaken en volmaaktheden behooren alleett tot de ziel, en geen Schepzel geniet die, dan alleen , de Mensch! De tedere zorg van de Hen tot haare Kiekenties gaat over, zoo draa zij zich zelven de kost verfchaffen können; zij ftoot ze af, zoo draa die tijJ genaakt, en is dan niet langer Moeder. Het gaat even eens met alle andere Dieren, het was de voort- teeling alleen die den band van zamenleeving maakte, en deeze volbrägt zijnde, beftaat ieder op zig zelven ; daar is geen Man, geene Vrouw, geene onderlinge vriendfchap, geene kinderliefde, alle die voorrechte» blijven alleen voor ons, de eenige redelijke Dieren van den aardbodem! Zoo draa bij de verwisfeling van het jaar ieder redeloos Dier weder naar voortteeling haakt, is dezelfde drift de drijfveer van dé zamen- leeving, en zij..fterft. even ais de-voorige. De Dieren die wijopgenoemd hebben, fmaaken dan
evenwel zeker, vermaak van zamenleeving, maar de Dieren, gelijk de Polijpi, die nogthans zulke uitgebrei- de Huisgezinnen maaken, gelijk wij inde Koraal-gewas-- fen en Meandriten zien, wat vermaak gevoelen zij van hunne voortteeling ? de Jongen botten uit hunne zijden uit, even als' de uitfchietzels in de Planten zon- der vermaak van de Moeder, en zonder dat. *er maat» fchappije plaats heeft. Vergelijk dit met het gebooren worden-van een Kind; welk eene vreugde-gevoelt de Vader terwijl zijne Ega begint te haaren ! hij maakt haare fmert door zijn teder medegevoel draagelîjk, zij wordt eindelijk beangst, eene ftuip bevangt haar, zij baart; Hemel welk eene verrukking! gelukkige Vader wat gevoelt uw hart niet in dat zelfde oogenblik eene inwendige vreugde ? en op het eerfte gefchreij van uw lieve Kind, terwijl de traanën van blijdfchap uwe foodverwige wangen befproeijen, drukt gij de hand van uwe ontftelde Ega, nu Moeder geworden,-en omhelst haar, hij kust haar klam gezigt, èn bedauwt het met heete traanen, en in al die drift deelt alleen de verhe- vene ziel van beide ; niets fintuigelijks, niets wulpsch , bezoedelt dit Hemelsch genoegen:, en gij alleen rede- lijke Schepzelen, hebt het voorrecht om de voortteeling met zo' veele zegeningen te oeffenen t Befchouw de Boomen, Kruiden, alle dïeop de aar-
de en in-het Water groeijen, gij zult bevinden dat déë- ze "op twee wijzen voortteelen, doorZaaden, welkers voortteeling gelijkvormig is aan de onze, en door het maaken van Knoppen cïgemwae. die wederom een nieu» We Plant in zich-bevatten ; deeze gemmae groeijerr zij. deüngs uit de takken der Boomen, tusfehen de oxels der bladeren, deeze geoculeerd op een anderen Boom groeit Cc 3, voort» |
||||||||||||
|
3968 VOO.
|
|||||||||
|
VOO.
|
|||||||||
|
voort, en geeft de Vrugt eigen aan deezen-knop, en
niet gelijk de Boom anders draagt. In het oneindige vermenigvuldigen deeze. In een Appelboom bij voor- beeld, ieder knop draagt Vrugten,, en als de geheele Boom met deeze duizenden knoppen in vollen bloem ftaat, is hij gelijkvormig aan een Koraal-boom aan wel- kers vermenigvuldigde takken even veele Polijpen groeijen, en zich onder water uitfpreiden. Terwijl de takken deeze knoppen vermenigvuldigen, geeven de Wortels zoortgelijken, en overal fchieten nieuwe Boomen voort, dus teelt dan de Boom! Het Gras. het Riet in ons land, de Aardbefiën, en duizend andere Planten, fchieten of;boven over den grond, of langs den grond, of wel onder den grond dunne draaden, die op zekere afftanden knoppen draagen, en daar uit nieuwe Planten voortbrengen. ' In de Oost- en West» Indien fchieten de Aloës, de Juncas, de Pifangs, ge- lijksoortige takken onder den grond, en brengen even veele nieuwe Planten voort. De Aardappelen zouden zoo voordeelig een Vrugt niet zijn, gaf ieder oog geen knop, en vermenigvuldigde hij,op deeze wijze niet onder den grond! De Bloembollen hebben flegts een levendblijvenden knop, gij kunt, gelijk de Marquis de St. Simon getoont heeft, den geheelen Bol bijna wegfnijden, indien deeze Knop flegts bewaart wordt , de Bloem zal weeiig groeijen. Dan, hoe lang zoudt gij niet verlangen moeten, Liefhebbers van Flora , om de geurige Bloemen in haare volmaaktheid te zien,; wanneer gij wagten moest naa de voortteeling, en op- was uit het zaad? De Bollen geeven zijdelings geduu- ïig en veelvuldig nieuwe Bollen, zij vermenigvuldigen de keurige voorrbrengzels van uwen zorg zeer fchie- lijk, en teelen voort, of fchooii de, Zaaden zelve niet medewerken. De Dieren die leevend baaren, brengen zeker getal
gelijk voort, hoe zij grooter zijn, war zij minder ver» menigvuldigen. De Olifant, de Rhinocéros, de Hip. popotamus, de KameeJ brengt een Jong te gelijk voort, de Walvisch van gelijken. De Leeuw, de Kat, de Hond, verfcheidene Rotten, Konijnen, Varkens, zeer veelen. De Mensch meest al één, dikwijls twee, nu en dan drie, daar zijn voorbeelden van vier Kinderen van eenen dragt, zommige fpreeken van vijf, 3og dit iç twijffeiagtig. De Dieren die eijeren leggen, fcbij. nen minder aan. een getal bepaald. De Infeften verme- nigvuldigen bovenmaatig. Kikvorfcben, Padden, Spin- nen, Rupfen en al wat klekie eijeren legt, en dezel- ve niet uitbroedt, nog de Jongen opkweekt, teelt in het oneindige. Lees Leeuwenhoek , om de honderd duizend eijeren of kuit eens Kabeljauws te tellen, be-. fchouwónze Baars, de Both, de Kreeften, gij zult u verliezen in bet getal eijeren, welke ieder voort- brengt. De grooté Dieren zijn aan eenigen ouderdom gebon-
den eer zij voortteelen, en gelijk in den Mensch houdt die bekwaamheid in zekere jaaren op ; maar de Visr fchen draagen Kuit, lang eer zij de honderrfte part van bunne grootte hebben, en blijven alle Jaaren draagen tot eenen hoogen ouderdom toe. De Baars zal u daar van overtuigen, nauwlijks zijn ze een halven vinger lang, of zij draagen Kuit, ende zuîken die" een of een half voet lang zijn, draagen in evenredigheid "van hun- ne grootte, Kuit van gelijken, en onderwijlen verloopen *er zeer veele jaaren eer zij die grootheid krijgen. De Mensch gefchikt tot zaamenieeving, teelt. eerst
|
|||||||||
|
op zekere jaaren zijns ouderdoms, die naa de warmte
dt*r landftreekeh vroeger beginnen, en dan weder vroeger ophouden. Op de negen Jaaren heeft men ten tijde van LoDuwyK ds. xiv. een paar Kinderen, mag men zeggen, zien teeien; in de Oost-indien fchijnt die in Vrouwen meer te gebeuren; maar onze Vrouwen zijn gefchikt ^tpt voeding van haare Kinderen, daarom teelen zij minder : zeldzaam immers geraaken zij zwan- ger terwijl zij Minnen zijn. Hiervandaan duurt het ge- meenlijk negen maanden, eer zij naa de baaring weder bezwangerd worden, 't en waare zij haare Kinderen anderen te zoogen gaven, of die met fpijze voedden. In de meeste viervoetige Dieren heeft het zelfde plaats, de Westindifche Rot alleen uitgezonderd, de Ma; Porcellus van Linnjeus , deeze verzaamelt zoo draa zij haare Jongen gebaart heeft. Over het.geheel genoomen brengen de Vrouwen niet meer dan zes Kinderen voort, of fchoon 'er zommige tot 20 gebaard hebben, wij moe- ten bij het natuurlijke blijven. Om zes Kinderen te teelen,- en met zog op te voeden, verloopen ten min- den zesmaal 18 maanden, dat is 9 jaaren, een e Vrou- we heeft dan genoeg te doen om die op te vpeden, en de Man om 'er de kost voor te bezorgen. Men heeft dikwerf gemeend dat de Veelwijverije de
voortteeling begunftigde, dog dat is'er zoo verre van daan, dat wij dagelijks zien , dat onder de Vorstinnen in Europa, eene alleen meerder Kinderen voortbrengt, dan het geheele Serrail van den Grooten Heer te zaamen. Het is geheel wat anders te verzaamelen, en geheel wat anders vrugtbaar te zijn," en bet is om die rede on- gerijmd te ftellen, dat een Man-zoo veele Vrouwen be- hoorde te hebben, als hij zou kunnen bezwangeren. Het is mogelijk dat hij 'er meer dan een binnen zeke- ren tijd bezwangert, maar geene honderden, veel min- der duizenden. Behalven het gelijke recht dat ieder Man tot eene Vrouwe heeft, terwijl 'er omtrent een gelijk getal van ieder over de aarde gevonden wordt; is de liefde, die zich altoos tot «ne bepaalt, zelfs daar de Godsdienst en de wet'er meerder toeftaan, een zeker bewijs, dat God gewilt heeft dat een Man flegts eene Vrouw zoude hebben; wij zien het zelfde onder de Dieren.: | Hoe zeer wij veele Hennen aan eenen Haan geeven, zoo is het tegens de natuur, 'er worden even veel ^Haanen als Hennen gebooren, en in het wild zouden zij paaren, even als de Eindvogels, twee aan twee, en niet gelijk wij deeze Dieren om voordeels wille boven hunnen aart noodzaaken. Wanneer wij dej Plant-gewasfen nagaan, zien wij
dat zommige in hunne Vrugt flegts ,«n Zaad , gelijk de Pruimen, Perzikken, Nootèn enz. voortbrengen, dan 10 en meer gelijk de Appelen, dan meer dan hon« dert geliik de Leliën, eenige duizenden gelijk de Papa- ver, zelfs millioenen gelijk de Bovist en diergelijke. Voortteeling hoe gefchied in de Schepzelen, die in Wf'
Geßackten verdeeld zijn. In-alle Schepzelen, waar in Mafi en Vrouw plaats heeft, gefchiedt tot voortbren- ging van een derde, eene verzaameling, dat is eene vermenging van eenige deelen, dîe de Man en Vrouw te zaamen brengen, en die werking heet ontfanging. bevruchting; het geene daar uit voortkomt, is befloten in een E ij, en van daar de oude ftelregel, omne Ani' mal ex Ovo, alle Dieren komen uiteen Eij voort, D»j Eij groeit in het ligbaam van de Moeder op, totdat het Kind groot, rijp en bekwaam is door den mond ge' voed te worden, gelijk ia de Menfchen en de meeste |
|||||||||
|
VÖO.
|
||||||||||||||||||||||||||
|
voa
|
||||||||||||||||||||||||||
|
3P&>
|
||||||||||||||||||||||||||
|
voerige Dieren; ofwel het Dier neemt de Eijeren op twee, drie, vfer of meer zulke Diertjes 'm evetf'zo»
zijn rug, en broedt-ze.daar uit gelijk in de Sipal; of veele eijertjes, zoo heeft men twee, drie, vier of vijf- |
||||||||||||||||||||||||||
|
lingen!
Dit gevoelen, fchoon inneemend doorzijne eenvou-
digheid, heeftnogtbans veel tegenftand ontmoet, men heeft uitgerekend, dat indien zoo veele millioenen Beestjes of Kindertjes, 'tgeene nu hetzelfde is, moes- ten verlooren gaan om flggts een enkel Eij te bevruch- ten, de Schepper gehouden wierdt te veel te verfpillen tot voortbrenging van een enkel Dier, en in de daad, heeft deeze tegenwerping rede; doch men heeft dit ras opgelost, met te zeggen, dat de overige Diertjes nooit vergingen, maar eindelijk weder tot den Vader keer- den , even als de Wijsgeeren (tellen , dat de fonneftraa- len weder tot de Son keeren, om voor te koomen dat zij in hitte en grootte niet verminden. Zie daar dan ée- ne ftelling, door d,e grootfte Mannen beweerd en tegen« gefprooken ! Haller vondt dat het Kieken in bet Eij reeds deeJen
hadt, vereen igt met het vlies van het dooir; en ftelde daarom dat het Kieken reeds in het Eij moest zijn, eer het bevrucht wierdt, en dat de Man niets deed dan 'er |
||||||||||||||||||||||||||
|
wel het Eij wordt gelegd in een nestje, daar toe ge-
maakt, en uitgebroed, gelijk bij de Duiven, enz.; ofwel het wordt aan de Son te broeden overgelaaten, gelijk door den Struisvogel, Schildpadden;'of in de mest van Dieren begraaven , gelijk door de S langen. In de Vis- fchen heeft dergelijks plaats; alle ademende Visfchen baaren levendige Jongen, ook de kraakbeenige Visfchen, alsHaàijen, Róchen, enz., zelfs hebben wij een Kwab- aaltje, in de Zuider-zee en het Y overvloedig voorko- mende, welke levend baart. De Acus Arijlotelis of Zeenaald, mede aan onze ftranden veelvuldig voorkoo- mende, baart levendige Jongen ; de meeste overige fchieten kuit. ' 'In de Planten heeft juist hst zelfde plaats, deZaaden
zijn zoo veele Eijeren, waar in het jonge Plantje zit, men kan dit best zien in Hazelnooten, Amandelen, Perfik.pitten enz. De vraag is nu, komt het Jong of Kind van den Va-
der, of van de Moeder, ofwel van beide? Eer de vergroot-glazen gevonden, en door Leeu
|
||||||||||||||||||||||||||
|
WENHOEK tot volkomenheid gebragt waren, meende die deelen bijbrengen, welke het leven gaven aan het
|
||||||||||||||||||||||||||
|
Kieken. Terwijl nu alle Dieren op gelijke wijze uit
Eijeren komen, die binnen of buiten de lijfmoeder uit- gebroed worden, moest dit ook bij allen plaats héb« ben. ' Wij hebben reeds hier over iets gezegt onder MONSTERS, p. 2177. Het Kind konit dan volgens Haller van de Moeder. En ik gejoof dat men deeze ftelregel zou können bevestigen met alle de Planten, die zichtbaarezaaden draagen, want de zaaden zijn 'er reeds eer de bevruchting gefebiedt. Men kan dit zien in de Leliën, en Tulpen allerduidelijkst, gelijk ook in veele anderen, vooral in, de Turkfcbe-Tarwe. Het ftof der Bloemen, dat géele fijne ftof, is het Mannelijke voort- teelings ftof; en op gelijke wijze gefebiedt de bevruchting. ('Vraagt men wat doen die Dieren, of Diertjes dan ia |
||||||||||||||||||||||||||
|
men, dat zekere vermenging van vogten van" Man en
Vrouw gefchiedde, dat daarin waren zoo veele deelen die de oogen, neus, armen, beenen, vingers, enz. voortbragfen, van beide kanten; dat wanneer die van den kant des,Mans meest kwamen, het Kind naar den Vader, en anders naar de Moeder geleek, en dat wan- neer 'er te veele tegelijk toe gebragt wierden, als dan een Kind met twee hoofden, vier armen enz. gewrocht wierdt; ofwel zo 'er een ige agterwege bleeven, zon- der hoofd, armen, of vingers enz. Op deeze wijze dan ftolden die deelen te zaamen, en dus begreep men dat een Kind gevormt wierdt; vervolgens, dat het Hegts in het iighaam van de Moeder voortgröeide door de koek, even als een Boom door de wortels in den grond, tot |
||||||||||||||||||||||||||
|
dat het om gemis van ruimte nu niet langer in de lijf- ons voortteelings-vogt? ik antwoorde, het volftrekt niet
moeder kunnende blijven, zich uitkomst zogt en teweeten, en ik behoef het niet te weeten, veel mi«
maakte; dat daarom zommige negen, andere tien, ande- zulk een ongerijmd gebruik 'er aan toe te fchrijven,
re twaalf en meer maanden in de lijfmoeder bleeven, om dat ik onkundig ben van het Goddelijk geheim der
endaar, van de overrijd ige ver Josfingen afhangen. Dit voonteeling. Het past een verftandig Man te bekennen
gevoelen is bijna van alle Wijsgeeren aangenoomen, dat hij het niet wçete, maar niet eene onderfteiJing
tot dat Hartsoeker in het voortteelings-vogt van Hon- een ander op te dringen.
|
||||||||||||||||||||||||||
|
den en Menfchen, zekere Diertjes vondt, hebbende
ovaale lighaamtjes, met langagtige ftaartjes. Leeu- |
||||||||||||||||||||||||||
|
Vraagt men van waar de doorflaande gelijkenisfea
van Kinderen dan aan den Vader, dan aan de Moeder, |
||||||||||||||||||||||||||
|
wenhoe\k heeft die Dieren nog meerder onderzogt, en dan voor een gedeelte aan den een, voor een ander ge»
■Pro noemt ze daarom de Diertjes van Leeuwenhoek; deelte aan de andere, zoo dat men 'er vindt die de 00*
Boerh^ave, dé vriend van Leeuwenhoek, en fpits- gen van den Vader, en den morid van de Moeder beb-
vindig, heeft aanflonds bet geheele geheim der be- ben. Ik antwoorde, verbaast te zijn over bet verfebijn-
vruchting daar uit ontvouwt* En zie daar het ftelzel zei, maar onkundig van de wijze hoe de groote Schep*
tßeene tot Hallers ontdekkingen toe, zondereenige perdit alles bewerkt.
lwijffel aangenoomen is ! In de Moeder zouden ge- Het gevoelen van den grooten i>e Büffon omtrent
*°rmd worden kleine holle eijertjes, en daar in zoude de particule organizantes, of-voortteelende deeltjes,
tgn enkel gaatje zijn ; bii de verzaameling zouden eeni* fcheelt niet veel van dat der Ouden, en is niet ligt te
8e honderd duizenden Kindertjes of Diertjes van den gelooven. Zie MONSTERS,
«der gebragt worden, rondom zulk een Eijtje, een Wat dan? wij betuigen, hbt niet te weeten.:;: "an die Diertjes zoude het gaatje vinden, en krui* Verders in de Dieren die geen verfchil in het Geßachi Pe" fchielijk in het Eij, en hegten zich'met de ftaart hebben, gelijk in alle de bijzondere foorten van Water*
oaar aan vasv, dat ftaartje wordt nu de navelftreng, polijpen, waarin flegts eene uitbotting, of enkele ver-!
*» net Diertje verandert in een Kind, 't geene langza- deeling plaats heeft, hoe gefebiedt daar de voortteeling$
merhand uitgroeit bij trappen, en zie daar de wording even gelijk in de Planten de knop door uitbotting, 'en
an het Kind göestig Ontvouwd! kruipen twee Diertjes daarom noemt men ze Piantdieren. Maar boe ge-
<; gelijk of kört op een in het zelfde eij, zoo heeft men fchiedt dit :'n de Planten?- wij antwoorden bet niet
"^öfters die aan elkander groeïjen; of wel kruipen tè weeten; alleen weeten wij. dat het gefebiedt.
|
||||||||||||||||||||||||||
|
3976 , VOO;
|
||||||||||
|
VOO,-
|
||||||||||
|
De Botanisten of Kruidkundigen hebben op het voet*
ipoor. van Linmjeus, zeer fraaije vonden uitgedacht, pm hunne onkunde te bedekken. Zij noemen alle. die Planten, waar in zij geene Bloemen , of verfchiilende deelen t©t de voortteeling können ontdekken, Crijpto> gamiae, Crijptantherae, Crij'ptanthae, enz. dat is, Plan- ten , welkers huwelijken onbekend zijn, welkers Man- nelijke deelen, of welkers Bloemtjes onbekend -zijn; dog dit beduidt alteen, dat'er zeer veele Planten zijn, gelijk al de Varen, de Mos, de Paddeftoelen , enz, waar in de voortteeling zoo bedekt gefchiedt, en door zulke fijne en onnaavolgbaare deelen, dat zij het fchranderst onderzoek ontwijken ; even als de voortteeling van de Aaien tot nog toe ons allen onbekend is. Het is jam- mer dat Artedius geene clasfe voor die Visfchen uitge- dagt, en ze Crijptogamn genoemd beeft. Zie daar dan alle de verfchiilende;wijzen van Voort*
teeling, zoo in de Dieren als Planten naa genoeg uitge- legd, het zoude tegens het bedek van dit boek zijn, indien wij'er verder in wilden uitbreiden; verlangt de Leezer eenige meerdere onderregting,zoo moet bij lee- zen het fraaije werk van Maupebtius , la Venus Phij. fique, hij moet leezen 't geene Ngedham, de Buffon, en vooral het geene de beroemde Bonnet daar over heeftgefchreeven, en inzonderheid dePhijfiokgie van den uitmuntenden Halier; Hij zal bevinden dat degroot- ftè Mannen onzer eeuw, al hun verdand uitgeput heb- ben in het ontdekken van het groot geheim der voort- teeling, hij zal bij Harveus, den onfterflijken uitvin- der van den omloop onzes bloeds, zien, hoe duister de bevruchting is, zelf in de grootfte Dieren. Hij zal eindelijk zien, dat wij in het begin zeer wel aangemerkt hebben, dat God in zijne gefchaapene levendige din- gen, nergens grooter in is, dan in het mededeelen van die onbegrijpelijke kragt. Om de voortteeling in de Planten van nabij te kennen, zal men leezen Vail- lant over bet zamenftel der Bloemen, de Werken *van Linnäüs. voor al de fchoone verfen van A.v.Ro- ten over de huwelijken der Planten, de werken van J. Baster , en de Redenv. van P. Camper, enz. Doch het Hoffelijke der Scnepzelen geeft alleen igee-
se oorzaak tot verwondering. De voortteeling van het Dier, gefchiedt niet afzonderlijk van de vermenigvuldi« ging van even veele Zielen? Ieder Kind van een Mensch, fchooh lighaamelijk geteeld-, is voorzien van eene Ziel, van een denkend wezen! Ieder Dier van den Oiijphant af, tot het geringde Diertje heeft wil, het oordeelt, fchoon bepaald, over afftand, grootte; het heeft geheugen,- het heeft derhalven eene Ziel, fchoon onvolmaakter dan de onze, en niet tot een eeu- wig leeven gefchikt; de vraage zoude können zijn, hoe gaat het met de Zielen? hoe worden die vermenigvul. digt ? want voortteeling kan 'er geene plaatze hebben. . Om bij de Kinderen van Menfchen te bln'ven, fchept 6ob t'elkens bij iedere bevrucht ing eene Ziel tot het voortgeteelde Kind ? of heeft hij- zoo veele zielen ge- fchaapen "in eens, als 'er Menfchen zullen gebooren worden? zoo ja, waar blijven de Zielen intusfcben? hoe vindt ieder zijn befchooren lighaam ? aflerdonkerst is hier ons doorzicht. Hoe gering wordt de Mensch als hij op zijn oorfprong denkt, en hoe groot zijnen afdand van volmaaktheid, wanneer'hij zich vergelijkt bij zijnen Maâker, die dit alles niet alleen weet, maar fceftiert en bewerkt! J3« vraag van -veele Rechtsgeleerden is fchielijk op se
|
||||||||||
|
losfen,- of naamelijk, iemand fchuldig is aan doodHaj
die eene Vrouw doet iniskraamen , bij voorbeeld in het begin der zwangernis? om dat zij oudtijds delden, dat de Ziel niet kan gezegt worden met het lighaam van het Kind vereenigd te zijn, dan wanneer het zich bewoog; wij antwoorden, dat beweeging als een teken van lee. ven, zeer onzeker is, doch dat de Ziel allerwaarfchijn. lijkst gevoegd wordt door den Schepper bij bet Kind zoo draa de bevruchting gefchiedt, en derhalven dat hij even fchuldig is aan Kindermoord, die een miskraam veroorzaakt, als die een gebooren Kind van het leven berooft. Wij zullen niets zeggen van de Zielen der Dieren,
of die verdeeld können worden, gelijk zomin igen ge. wild hebben te konhen gefchieden, en werkelijk te ge. fehieden bij de zoet- Water- Poli)'pen, en andere Dieren, als men die in ftukken fnijdt. Is het Iighaamelijke zelfs inde Olijphanten zoo verborgen voor ons, wat zalhet ondoffelijke niet zijn? wij bekennen onze on- wetenheid, en aanbidden het Opperweezen , wiens werken niet te doorgronden zijn. . Die zich echter hierin willen voldoen, moeten de doorwrochte werken der Pfijchologi leezen , onder welken wij in het bijzonder dé Inflitutiones Metaphijff cae van den beroemden Leidfchen Hoogleeraar van ds Wijnpersse aanraaden; wij vinden ook bij deezen, Pfijcholog. cap. iv. §. 653. p. 174. a Deo produci animu circa id tempus quo cum corpore nafcituro conjungeniu Junt. Wij durven ons omtrent de waare overzetting niet betrouwen, om dat 'er eenige twijfFelacbtigheid zoude können leggen in produci; dog het fchijnt dit te willen zeggen, dat de Zielen van God juist op dien tijd worden voortgebragt of gefchaapen, op welken zij met het lighaam 't geene gebooren daat té worden, moeten vereenigd worden. Hét gevoelen vah een Man, die zoo veele proeven gegeeven heeft van zijn doorzichtig vernuft en zuiverheid in de leer van on- zen'Godsdienst, können en mogen wij midden in ai« Ie deeze duisterheden, beflisfend houden. VOORWEETENSCHAP. Verfcheidene gewichti-
ge zaaken vallen 'er over dit Artijkel te zeggen, die ilsi om 'er te onderfcheidener van te kunnen fpreeken, on- der zekere bijzondere afdeelingen brengen zal. Voor- eerst naamlijk zullen wij het oog vestigen op de Pon- v/eetenjchap, als eene Eigenfchap der Godtheid, en be- wijzen , dat dezelve bij Godt plaats vindt. Ten twee- den zullen wij onderzoeken, of dit te voorondei Hellen -niet teffens te zeggen zij, allé Menscblijke vri'heid wegteneemen, en hunne daaden en lotgevallen aan ze- .kere onvermijdelijke noodzaaklijkheid te onderwerpen? En ten derden zullen wij de Voorweetenfchap be- fchouwen, als een vermoogen, het geen den Menicben veelal zoo wenschlijk voorkomt, en bewijzen, dat w/N indien wij", het zelve bezaten, zeer ongelukkig zij" zouden. Eerste Afdebling.
Over de Matuur der Voorweetenfchap, als eme
■Eigenfchap der Godtheid. Het woord Voorweetenfchap behoort onder als <"'!
drukkingen, dewelke ieder een meent te verdaan, ® die nochtans in de famenleevinge zelden wel begreep^ wordea.. Iets westen, en te veore» westen, wie is |
||||||||||
|
j
|
||||||||||
|
VOO.
|
|||||||||
|
VOO. 3971
|
|||||||||
|
zijn zoude; Cicero zélfftemde hunne redenen toe, de-
wijl zulk eene Voorweetenfchap naamlijk alle toevallige dingen noodzaaklijk zoude maaken, en 'er dus geene plaatze voor ftraffen of belooningen overblijven , iets waar van wij de ongegrondheid in onze tweede af deeling zien zullen. Ja daar is'er zelfs onder die geenen, de- welke zich Christenen noemen, geweest, die de Godt- lijke Voorweetenfchap op eenen anderen grond loochen- den,, vastftellende, dat het eene lijnrechte ftrijdigheid was, te zeggen dat 'er toevallige dingen zijn , en dat deeze evenwel door eenig weezen met zekerheid ge- weeten worden; eene zwaarigbeid, die wederom be- rust op bet denkbeeld, dat de Godtlijke Voorweetenfchap de toekomftige dingen noodzaaklijk zoude maaken, en daarom, wanneer ik in het vervolg tiet tegendeel daar van zal beweezen hebben, van zelf verdwijnen zal. Vooraf moet ik noch een enkeld woord zeggen, om te bewijzen dat den Allerhoogften deeze volmaaktheid ei- - gen is, die wij gewoon zijn; Voorweetenfchap te noe- men. Dezelve is buiten twijffel een gedeelte der Al- weetenheid, want iemand kan nooit gezegt worden alles te weeten, zoo lang zijne kennis, flechts bij het voor- ledene en tegenwoordige bepaald is, en hij zich niet in ftaat bevindt, om tot het toekomftige door te dringen. Alles weeten, fluit in, van niets onkundig'zijn ; en der- halven Godt is al of niet Alweetend; is^hij het niet, dan ontbreekt hem eene mooglijke volmaaktheid, die wij bij een Weezen vooronderftellen kunnen; dan is bij bijgevolg niet het allervolmaakfte Weezen ; dan kan hij geen Godt zijn ; en dit is ongerijmd : maar is Godt al« weetend, dan moet hij ook van het toekomftige niet onkundig zijn, bijgevolg, dan moet hij ooif eene vol- maakte Voorweetenfchap hebben ; want anders zoude men moeten zeggen dat hij alweetend was, en ook niet alweetend; dat Godt alles wist, maar evenwel dat'er ook iets was, het geen hij niet wist. Het komt mij voordat dit bewijs zoo kort, duidelijk en onomftootlijk is, als 'er eenig bewijs kan bedacht worden ; en het ver- wondert mij daarom, dat de meeste Godtgeleerden en Wijsgeeren liever eenen omweg hebben willen neemen, en door eene langdraadige redekaveling betoogen, het geen op deeze wijze zelfs voor de minstgeoefende ver- banden allerduidelijkst kan gemaakt worden. Wilt gij ondertusfchen een beredeneerd vertoog, waar in alles uit den grond opgearbeid wordt, en hetgeen de eerftè denkbeelden zelve ontwikkelt, die men bij hét onder- zoek van deeze waarheid vooronderftellen moet ; gij kunt het vinden in de Kerklijke Redenvoering van den - bordeeikundigen en geleerden Heere van der Aa , over Hand. xx»'ii; 21-31. te vinden 'm zijne één- entwintig Predikatieti, bl. 166 en volg. '■■'";., Tweede Afdeeling.
Of de Godtlijke Voorweetenfchap alle Menschlijke Vrij-,
ïieid wegneemt, en onze daaden en, lotgevallen aan ze- kere onvermijdelijke noodzaaklijkheid onderwerpt? Eer ik tot de beantwoording van deeze tegenwer-
ping overgaa, moet ik een enkeld woord in het voor- bijgaan zeggen van eene andere, waar van wij insge- lijks reeds gewag gemaakt hebben. Dezelve behelst niets minder,'dan dat de Godtlijke Voorweetenfchap on-, mooglijk is. . " Degevvisheid van alle weetenfchap.zegt. men, (om mij van de woorden, te bedienen-, waar* D d .",; mede' |
|||||||||
|
die niet denken zoude, den zin dier woorden volkomen
te bevatten? en ondertusfchen is het zeker, dat dezel- ve dikwils in éenezeer verkeerde betekenisfe gebruikt worden. Ik wist dit wel, óf ik heb dit ie vooren al ge- weeten, zijn uitdrukkingen, die men daaglijks booren kan, en die veeltijds zo men ze ontwikkelt geenen anderen tin hebben, dan, ik heb dit reeds gegist, of, het is mij waarfchijnlijk voorgekomen, ja zelfs fomtijds wil men 'er niets anders mede zeggen, dan dat men de uitkomst, die men nu ziet, dat zekere zaak heeft, te voo- ren gehoopt ofgevreest heeft. Alledeeze wanbegrippen, door het misbruik aan dit woordgegeeven, moet men van het zelve afzonderen, indien men zicb een denkbeeld van de Godtlijke Voorweetenfchap maaken wil. Iets wee- ten betekent eigenlijk, de redenen kennen waarom iets voor waar of valsch te houden is. Iets voorweeten of te noren weeten kan dus geenen anderen zin hebben, wan- neer men het bepaaldlijk opvat, dan deezen : een onder, fcheiden denkbeeld hebben van de redenen, waarom eene zaak, die noch toevallig is, haar beflaan al of niet hebben zal. Wanneer men dan aan Godt dergelijk eene Voorweeten- fchap toefchrijft, vooronderfte.lt m'en in hem kennis en inzicht van en in alla-de toevallige omftandigheden, fchik- kingen, betrekkingen enz. die de aanleiden'de'oorzaaken van die dingen, dewelke hij te vooren wist, geweest zijn. Bij voorbeeld: indien men zegt, Godt wist te vooren, dat Jerufalem door Titus zoude verwoest wor- den, zegt men teffens, Godt wist, dat de Jooden zich van tijd tot tijd tegen de Romeinen.verzetten zouden; dat hunne oude vooroordeelen hun niet zouden toelaa. 'ten zich met geduld te onderwerpen aan het juk, het welk ' deeze hun opleidden ; dat de Romeinen juist op dien tijd hunne geduurige tegenftribbeiingen en oproerigheden niet langer zouden willen dulden; dat dezelve het be« fluit zouden neemen, om hen daarvoor met eenen gansch- lijkeo ondergang te ftraffen ; dat zij door hunne verftokt- heid de Godtlijke gunst voor af verbeuren zouden, en deAllerhoogfte dus zijne befchermende hand van hen af- trekken; dat juist op dien tijd Vespastaan, die de be- legering van Jerufalem begonnen hadt,genoodzaakt zijn zoude, na Rome te vertrekken, en het werk zijnen Zoo- se Titus over te geeven; dat de menigte van Men- fchen, dewelke zich juist op dien tijd in de Stad be-, vonden, hongersnood en pest zoude veroorzaaken; dat «it de elende en verflaagenheid zoude vergrooten, en vervolgens de verovering der Stad gemaklijker maaken enz. Dit alles en noch ontelbaar meer, want wij kun- nen degeheimfte bijzonderheden, roerfelen, enz. wel. *er kennis daar toe noodig was, met geene mooglijk- nejd bevatten, dit alles, zeg ik, moet Godt geweeten, duidelijk gezien, en als voor zijne oogen gehad heb- oen, zo hij te vooren wist, dat Jerufalem op dien tijd, 'angs dien weg, en door middel van die Lieden zoude verwoest worden. Maar, zegt gij misfchien, kan men zulk eene eigen fchap wel aan Godttoefcbrijven? Is het weite begrijpen, .dar'er een Weezen zijn zoude, het .^^"keenedoorzicht heeft in de toevallige toekomst, «alle dingen voor het zelve reeds als tegenwoordig °uden moeten aangemerkt worden ? In waarheid, dit seln°Tel te beSri'Pe.n> dat ik gaerne belijden wil, mij 3Jjn denkbeeld van eene Godtheid te kunnen maaken, Wa ^.e,ke. dergelijk eene Voorweetenfchap niét eigen s- Ondertusfchen zo men aan het verhaal van Ci-
**o geloof geeft, oordeelden Epicurus en Carneades pfj^^fef dat 'er eene Godtlijke voorweetenfchap
|
|||||||||
|
VOO.
|
|||||||||
|
397*
|
|||||||||
|
mede de groote Tillotsow deeze tegenwerping
. voorfteit) hangt af van de zekerheid van het voor ,, werp; derhalven kan 'er geene zekere en bepaalde ,, weetenfchap of kennis zijn van iets, dan het geen ,, zekerlijk, en bepaaldlijk waar is: maar toekomende ,, uitkoinften, die können gebeuren of niet gebeuren, hebben geene zekereen bepaalde waarheid, dat is, het is niet zeker, dat ze gebeuren zullen of niet, ,, om dat ze geene gewisfe en zekere oorzaak heb- ben, derhalven kan 'er geene onfeilbaare weetenfchap zijn of dezelve zullen gebeuren dan niet." Dus luidt de tegenwerping, waar van Tillotson zegt: Ik beken- ne, dat dit de grootfie zwaarigheid i.' : ik zal mij zoo zeer niet bekommeren om dezelve weg te neemen, als om dien aangaande genoegen te geeven. De vree.'.e van voor ver- meetel aangezien te worden, weerhoudt mij bijna van te zeggen, dat mij deeze zwaarigheid zoo gewichtig niet voorkomt, en dat dezelve, naar mijn oordeel, gemaklijk kan weggenomen worden. Men behoeft tot dat einde zich maar te herinneren, waar in ik gezegt hebbe , dat de Godtlijke Voorweetenfchap beftaat; Ie wee- ten in een onderfclieiden denkbeeld, of duidelijke kennis- fe van de redenen waarom eene zaak, die noch toevallig is, el of niet befiaan zal. De dingen die wij toevallig noe- men, zijn toevallig ten onzen opzichte, om dat wij 2ieh dat dezelve befiaan of niet befiaan kunnen, en geene kennisfe hebben van de redenen, waarom zij meer befiaan dan niet befiaan zullen. Maar gelijk ik beweezen heb, dewijl jGodt alweetend is, moet hij ook de redenen kennen, dewelke de fcbaale van en- kele mooglijkheid, mag ik zoo fpreeken, tot zekerheid 2ullen doen overflaan; die dingen houden dus op ten zijnen opzichte toevallig te zijn, bijgevolg hebben zij ten zijnen opzichte een vaste en ontwijfelbaare zeker- heid, en bijgevolg hij kan en moet van dezelve eene aekere en bepaalde kennisfe hebben, die hem zulke toekomftige dingen als tegenwoordig, het toevallige als zeker en ontwijfelbaar voorfteit. Alle zwaarigheid, die 'er noch mochte overblijven, beftaat daar in, dat men niet begrijpen kan, hoe het mooglijk zij, dat Godt iets met zekerheid te vooren zoude weeten, en dat hetzelve evenwel toevallig blijven zoude; of met andere woorden , daar in, dat men meent dat de Godt- lijke Voorweetenfchap de toekomftige dingen noodzaak- lijk maakt. En deeze is de tegenwerping, dewelke vee- len zoo gewichtig heeft toegefcheenen , dat zij daarom deeze eigenfchap der Godtheid geheel en al loochen- den-, gelijk wij vanEpicüRUs, Carneades en Cicero gezegt hebben. Dan, meer dan één uitmuntende Godt- geleerde Wijsgeeren hebben,dien knoop zoodanig ont- bonden , dat 'er voor niemand, dien het om waarheid te doen is, ten dien opzichte eenige twijfel meer kunne -overblijven. Onder de Nederlanders behoef ik alleen maar wederom den beroemden Heer van dek Aa re noemen, dewelke op zijne gewoone wijze, dat is, op eenen oordeelkundigen trant, deeze tegenwerping on- derzocht, en weggenomen heeft, opzetlijk bewijzende, dat de Voorweetenfchap van Godt', detoevallige dingen noch natuurlijk noch zedelijk noodzaaklijk maakt, gelijk ^k alle waare Liefhebbers van gezonde Wijsbegeerte rerzoeke, in zijne bovengemelde Redevoering over Hand. xxvi i: 2i 31. na teleezen : en onder onze ge- leerde Nabuuren zal ik mij wederom alleen op den ge. leerden TiLLOTsoN beroepen, wiens woorden men, om dat hij korth'jk alles zegt, het geen tot beantwoor- |
|||||||||
|
v ding van deeze tegenwerping vereischt wordt, hier niet
ongepabt oordeelen zal. "Gódts Voorweetenfchap, zegt hij, legt geene noodzaaklijkheid op de uitkomst. In alle uitkomften kunnen wij het uitwerkzel in zichzelf, of met betrekkinge tot de oorzaak aanmerken, mitsga' ders de manier hoe het te wege gebracht wordt: Ia zich zelfs aangemerkt is bet toekomende, met betrek- ,, kinge op deszelfs oorzaak 'hét contingens of gebeur- lijke. Godt ziet het op beide manieren, en zoodanig als iets, dat, eer het gebeurd is, kan zijn of niet zijn: en wanneer het gefebied, ziet hij den Mensch het zelve vrijwillig doen, en derhal ven heeft bet gee« ne noodzaaklijkheid in zich eer hety gedaan is, dan alleenlijk op onderftellinge van het voorzien: gelijk als het, wanneer het reeds is, eene noodzaaklijkheid lïeeft op onderftellinge, dat het is, gelijk Origenes ,, het uitneëmende wel verklaart. De Voorweetenfchap ,; is geene oorzaak van dodingen die voorweeten wor- den ; maar om dat de zaak toekomende is en weezen ,, zal, is dit te rede, waarom die voorgeweeten wordt; ,, Want dezelve gebeurd niet, om dat ze voorgewee- ten wordt, maar om dat ze ftond te gefchieden, wordt ze voorgeweeten : En de enkele weetenfchap is niet meer de oorzaak vaii eenige uitkomst, dewelke, oi dat die geweeten word, zekerlijk zoude moeten ge- fchieden, dan mijn zien, dat iemand loopt, de oor- zaak van zijn loopen is, 't welk, om dat ik het zie, t, onfeilbaar lijk zoo is. * - y'* Derde Afdeeling.
Om te bewijzen, dat wij zeer, ongelukkig zouden zyn,
indien wy het vernoegen, ''om loekomflige dingen
te veeten , ontfangen hadden.
'Er kan misfehien niets gezegt worden, bet geen wij
met den eerden opflag minder zullen toeftemmen, ea het welk nochtans bij eene nadere pverweeging meer blijken zal onze toeftemming te verdienen, dan dat wij zeer ongelukkig zouden zijn, indien wij het vermogenbt' zaten, om toekom^ige dingen te weeten. Immers ichijnt de begeerte, om de toevallige toekomst geopent te zien, den Menfchen zoo natuurlijk te zijn, dat wij niet ligtlijk één Volk op den aardbodem zullen aan- treffen, bij het welk deeze algemeene neiging niet aan het één of ander uitwerkfel zichtbaar is. De droonv uitleggers der .fögiiptenaaren, de Wichelaaren der Ro- meinen , de Orakels enz., zijn 'er bewijzen van. De zucht, om zijn toekomftig lot te vooren te weeten, was ten allen tijde de fterkfte pilaar van het bijgeloof; dee- ze bouwde tempelen en vercierde dezelve; deeze voed» de eene menigte van'Priesteren onder alierleie Afgo den-dienaaren, dewelke in vergelding voor hun onder- houd bijna niets anders deeden, dan door dubbelzinni» ge uitfpraakèn de dwaaze weetlust te verzadigen, e" ben,! die aan hunne woorden geloof floegen, of dezelve verkeerdlijk uitleiden, onhefftelbaar ongelukkig te maaken. Ja onder de Christenen z&lve vindt men 'er, die van dee?e dwaasheid niet vrij zijn, en in onze da« gen noch ziet men 'er de blijken van. De zoogenaam- de waar- of goed-gehrk-zeggers, Handenkijkers, Koffij' fchouwers .enz. vinden altoos noch gelegenheid, om hun bedrog te oefenen, en het ontbreekt hun zelden aan Vrouwtjes., of Mannen, met Vrouwelijke zielen, die hen voor die moeijte gaerne beloonen. En wij be- -.".■- hoeven |
|||||||||
|
VOQ. 3973
dooor het opftapelen-van Rijkdommen, de Eerzucht door
het klimmen in Ëère niet : vermindert, maar toeneemt; zoo zal ook de begeerte, om zjjn toekomftig lot te ken- nen, door een beknopt bericht daar van, niet zoo zeer geftilt, als wel heviger gaande gemaakt worden. Wil iemand dit beweezen hebben, hij zal het bewijs in zijn eigen hart, in het geen hij bijzichzelven ontwaar wordt, door eene kleine opmerkfaamheid gemakiijk kunnen vin- den. , En iemand die niet bekwaam is, om deeze Waar- heid in zich zei ven te voelen, die zal noch veel minder bekwaam zijn, om het bewijs voor dezelve te vatten. Ja, zegt men misfchien, het is waar, ik weet op deeze wijze niet genoeg; maar ik weet evenwel iets! Ik w-eet, dat ik groot, aanzienlijk, rijk, en oud zal worden. Dit zijn aangenaame verwachtingen; en is eene kleine ont- dekking vanaangenaame verwachtingen niet beter, dan in het geheel geene? Maarten laatften, ik begeer geens- zins mijnongeluk, ik begeer mijn geluk alleen te vooren te kennen. Zulk een voorflag kan men wei in zijne ge- dachten doen, maar misfchien is dezelve moeilijk te ver« vullen. Immers zo het al mooglijk ware, zijnegoede lot- gevallen, zonder de kwaade te leeren'kennen; vreeze ik nochtans, dat het grootfte gedeelte der Menfchen-, wanneer zij hun toekomftig geluk voor uitzagen , naar hunne gedachten niets dan Ongeluk zien zouden. Ik zal dit duidelijker maaken. Zo wij de vervulling van hel geen wij wenfeben, geluk noemen, dan zijn de meeste Menfchen ongelukkig. Indien wij derhalven ons toe- komftig geluk te vooren zagen, enhetzelvemethetgeen wij wenfehtten vergeleeken, dan zouden wij of een zeer gering geluk, of geheel iets anders, dan waar na wij ver« langden, en dus, naar onze gedachten, in het geheel geen geluk zien. Het is een geluk, wanneer ik geduu- rende mijn gebeele leeven, van eene behoorlijke Werk- faamheid een genoegfaam inkomen kan hebben. En zo de meeste Menfchen, door eene foort van ingeeving, een kort uittrèkfel van hun toekomftig lot ontfingen; zou- de het zelve van deezen inhoud zijn. En hoe veel ver- maaks zoude het aan Hoogmoedigin, GierigaartsofWel. lustigen geeven, indien zij dit hun geluk te vooren wis- ten? Niemand van hen zoude dit voor een geluk hou- den. En dus zouden zij, in plaatze van hun gelukte kennen, niets anders weeten, dan dat er voor hen geen geluk ie wachten was. Men neeme eens eenen viees' achtigen, en zeggen hem. dat het zijn lot zal zijn, een groot Generaal te worden, en met het uiterfte gevaar wonderen van dapperheid te doen, Hij zal verfebrikken, en over deeze ontdekkinge meer angst gevoelen, dan hij" met de daad gevoelen zoude, indien hij, door de omftan- digheden geperst, zijn leeven tegen den Vijand moest waa. gen, waar in hij zich misfchiendoordegewoontegemaklij- ker- zoude fchikken, en eindelijk noch we! een Held in dap- perheid worden. Ondertusfchen hij zal bet op dien tijd, wanneer hij noch zoo vreesachtig is, voor geen geluk achten, en of denken, dat hij geen geluk in de waereld te wachten heeft, of toch, dat hij noch niet alles weet. Op deeze wijze ziet men, dat, bij aldien ons zelfs maar ons geluk alleen, volgens onze begeerte, buiten deszelfs fa- menbang met ons ongeluk, geopenbaart wierdt, wij daar door evenwel niet gerust zouden worden, maar veel meer ftoffe tot kwelling vinden, dan nu, daar wij 'er niets van weeten. En Tioch ééns ! wanneer moest ons ons geluk toch wei
voorzegt worden? Naar alle gedachten, in die Jaaren,
in dewelke wij beginnen natedenken, in de Jaaren wan-
Dd 2 Beer
|
||||||
|
hóeven too verre niet eens te gaan, om te zienf-.âat
deeze begeerte bijna algemeen is; bijna ieder een, die zich zefven. raadpleegt, zal het bewijs daarvan in zijn eigen hart vinden, dewijl 'er misfchien niemand is, die deezen trek, om zijn toekomftig lot, al is het ook maar jn deeze of geene bijzonderheid, te weeten, niet wel ééns beTpeurt heeft. Ondertusfchen deeze wensch is, geIiik veele andere, die daarom, tot ons geluk onver- vult blijven, zeer dwaas, dewijl het niet goed zoude zijn, indiende gordijn, dewelke de toekomst voor ons verborgen houdt, was weggerukt, en ons een vrij ge- zicht van onze volgende lotgevallen geoorlooft. Ik kan dit niet beter bewijzen, dan met het geen de al- omberoemde Gellf.rt daar van in eene opzetlijke ver- handeling gezegt heeft, waar. van ik een gedeelte, (en wel dat, bet welk op de lotgevallen van elk bijzonder Mensch doelt, en het nadeel aanwijst, hetwelk ieder in het bijzonder van zulk eene fcbadelijke voorweeten- fchap hebben zoude) zal bijbrengen.- , Ik verftaa (zegt bij) door het Lot van eenen Mensch de
goede en kwaade voorvallen van zijn leeven. Zuilen wij deeze te vooren zien, dan kan dit ftuksgewijze en onbe- paald, of in derzelver famenhang gefchieden. Dezelve ftuksgewijze yoorzien, noem ik, wanneer ik,bij voor beeld, voor uitwist, dat ik geduurende mijn leeven meer ziek dan gezond zal zijn ; dat ik groote Rijkdommen zal verkrijgen, en dezelve naderhand wederom verliezen, zonder teffens de Oorzaaken van deeze gevallen te ken- nen. Zijn lot in deszelfs verband vooruit zien, is te zeggen, alle de Omftandigheden en den geheelen fcba- kel van Gebeurtenisfen te kennen, uit dewelke ons lee- ven beftaat-, ongelukkigen zoo wel als gelukkigen. Bij- gevolg moest ik, met betrekkinge tot mijne liefde en mijn huwelijk, niet flegts. weeten, dat ik door den tijd trou- wen zal; maar ik moest ook voor uit kunnen zien, door welke omftandigheden, en op welken tijd dat gefchieden 2al, of mijne Vrouw fchoon of leliik, rijk of arm, van eene goede ofkwaadegemoedsgefteliheidzal zijn, en of ik dezelve lang of kort hebben zal. Zulk eene volledige Voorwetenfchap van zijn lot zoude, indien dezelve tnooglijk was, verfchriklijke gevolgen hebben, gelijk ons in het vervolg zal blijken. Daarentegen fchijnt de eerstgemelde Toon van Voorweetenfchap de gemakiijk- fte te ziin; maar deeze zoude ons weinig baaten , en on- ze nieuwsgierigheid meer gaande maakea, dan voldoen.' Want iets te weeten , en ondertusfchen niet alles te wee- ten, is even eens, als dorftig zijn, en bij een put, die geflooten is-, gebracht te worden. Jk zal in mijn leeven 'ijk en groot worden. Goed! Dit is mij aangenaam. Maar, wanneer"zal ik dit worden? Op welke wijze? Kort voor mijnen dood, of'lange te vooren? Hoe lang zal mijn geluk duuren? Wie zal mij daar van berooven ? De dood, ofik zelf, of de boosheid van Menfchen ? Zul- len deeze uit het getal van mijne Vrienden of van-mijne- Vijanden, van ben die mij begunftigen of die mij benij- den, zijn? Zullen zij het opzetlijk, of zullen zij bet door cene onvoorzichtigheid doen? Duizend zulke vraagen zullen 'erzieh opdoen, indien ik mijn toekomftig lot niet dan gedeeltlijk kenne : en hoe zullen zij mij n iet k wel- 'fin, daar ik wenschtte dezelve te kunnen -beantwoor- den , maar mij daar toe buiten ftaat bevinde! Verre daar v'n daan , dat zulk eene Vooryveetenjchap mijne begeer- te voldoen zoude," zal dezelve daardoor te fterker wor- den aangeprikkelt, want deweetlust komt daar in met «Ie andere begeertens overeen. En gelijk de gierigheid |
||||||
|
r
|
||||||||||||
|
VOO.
|
||||||||||||
|
3974
|
VOO.
|
|||||||||||
|
neer wij de kinderfchoenen hebben uitgetrokken. Dan
men vergeeie niet, dat die Jaaren eenen geweldigen in- vloed in onze neigingen hebben, dat wij met ieder nieuw tijdperk van ons leeven onze begeeytens veranderen , ■geringachten, hetgeen wij te vooren hoog waardeer- den, en op eenen -hoogen prijs ftellen, het'geen "wij weleer verachtten, . Hoe zal het nu gaan met onze te- vredenheid P Deezen Jongeling kwelt deEerzucht. HeÉ wordt voorzegt dat hij een Landspachter zal worden: en daar beftaat zijn geluk in. Hemel, hoe zal hij ver- fchrikken ! Hij hoopte ten minften een aanzienlijk Staats- dienaar in zijn Vaderland te worden; en de post van ee- nen Pachter is al het geluk, waar mede hij zich, naa zulke grootfche verbeeldingen, zal moeten te vreden ftellen? Hij ziet in dit geluk zijnen wensen niet ver- vult, en deezen willen wij toch eigenlijk vervult zien, wanneer wij ons'geluk te vooren weeten willen. Men oordeele zelf, öf deeze Jongeling zich over zijn lot verheugen, dan of hij'er ?ich over bekiaagen zal. Zoude het niet beter voor hem zijn, dat het bem tot op dien tijd, waar op het hem zal overkomen, verborgen gebleeven was. Want misfebien hebben de omftandigheden van tijden en zaakën, in tien Jaaren tijds, zijne gedachten zoo vermoeijt, dat deeze be- diening hem dan zeer wel aanftaat. De jonge en ver- liefde Clelia, die niets zoo zeer wenscht, dan zich haar leeven lang in de armen van haaren tederen en bekoorlijken Minnaar te zien, begeert haar toekomftig lot te weeten. Zij'ziet met fchrik dat zij haaren Da- Mon niet bekomen zal, ma»r aan de zijde van eenen dorren en reeds bejaarden Man haare dagen moet eindigen. Dit is haar geluk; en ongelukkig zoude baar Huwelijk geweest zijn, indien de onftandvastige Damon zijne oogmerken met haar bereikt hadt. Maar in haare te- genwoordige gefteltheid zal zij, op deeze ontdekking, haare handen wringen, en zich voor de ongelukkigfte op aarde houden. Zo het derhalven al mooglijk ware, onsgeluk opzulk
eene wijze te voorzien, dat ons ongeluk ons onbekend bleef, zouden de meeste Menfchen 'er zich nochtans niet wel bij bevinden, dewijl de meesten, om de taaie der waereld niet der Wijsgeeren te fpreêken, geen ge- luk hebben. Want bij het grootfte * getal, beftaat het geluk, in hunne verbeelding, in niets anders dan bet geen luisterrijk in de oogen fchittert, in overvloed aan goederen, in wellust, in aanzienlijke eerampten , en uitgezochte genoegens. Ondertusfchen geraaken de minften tot deeze foort van gelukzaligheden , zoo als zij dezelve wenfchen: en dus zouden de minften hun ge- luk , de meesten hun ongeluk voorzien. Bijgevolg dee- ze begeerte om zijn lot te vooren te weeten, al bepaalt men het ook maar alleenlijk tot de aangenaame gebeurt- nisfen zijnes leevens, wordt 'er niet verftandiger door. h >i ; . Hier bii komt noch, dat bet geluk der meeste Men-
feben niet beftaat in eenen langen reeks van aangenaame gebeurtnisfen, maar dat onze vrolijke omftandigheden met droevige doorvlochten zijn, en onze blijde oogen- blikken dikwils door eene menigte van akelige, die 'er voorafgingen, eerst recht vermaaklijk worden. Indien een Mensch deeze<niet weet, (en deeze wil hij niet weeten, die niets dan de gelukkige zijde van zijn lot begeert te zienj zal hij, hetgeen in den famenhang be- fchouwt, een groot geluk was,, buiterr den famenhang voor zeer klein, of voor geheel geen geluk houden. |
||||||||||||
|
Doch wij zullen deeze wijze, van zijn geluk, als ware
het, in een kort uittrekfel te voorzien, niet verder uit- pluizen, noch over het nadeel, het geen daaruit zoude voortvloeijen in het bijzonder fpreêken. Men zal het gemaklijk kunnen befluiten, uit het geen wij ten aan- ziene van de andere wijze, om zijn lot uitvoerig, en in alle flukken te voorzien, zeggen zullen. Men kan van deeze manier zich omtrent ,een denk-
beeld maaken', wanneer men dezelve vergelijkt met het zoogenaamd planeet-leezen, waar bij men den ligtge- loovigen belooft, te zullen vertoonen, wat hun van dag tot dag zal overkomen, en wel met alle zijne oor- zaaken. De oorzaaken van onze gebeurtnisfen zijn ge- grond , of in de gefteltheid der waereld, of in ons zei. ve, of in andere Menfchen,; en zijn lot met deszelfs oorzaaken voorzien, is te zeggen, te vooren zien wat de natuur of de gefteltheid-der waereld, wat wij zel- ve door ons doen of laaten, of wat andere Menfchen, tot ons vermaak of ons ongeluk zullen toebrengen. Zoude zulk eene Menschlijke Alweetenheid, indien ik het dus mag uitdrukken, geene voortrefiijke zaak zijn? Op deeze wijze waren wij van de vreeze, die ons het hart benauwt, op éénmaal verloft, en wij zouden duizenden van dingen, daar wij nu bij fidderen, kloek- moedig en zonder aandoening waagen. Onze hoop zou- de fterker en zoeter worden, dewijl wij nu bet doel kenden, waar op wij te oogen hadden. En iederéén, die wist, waar toe bij voor zijn geheeie leeven beftemd was, zoude zich tot dat beroep, tot die leevehswijze beter bekwaam maaken. Deeze drie voordeden zijn het waarfchijnlijk, die bij de meeste Menfchen het ver- langen voeden, om hun lot voor uit te weeten; en waar- lijk zoo deeze verwachtingen gegrond waren, niets zou- de rechtmaatiger zijn, dan dit verlangen, i Wel aan, laat ons dezelve onderzoeken. Is het wel waar, dat onze vreeze vermindert, wan-
neer wij weeten, wat ons in ons leeven zal overko- men? Niets jninder dan dit! Immers wij zullen zeker« lijk niet enkel goed te wachten hebben, en het kwaade zal ons , tot op het oogenblik; toe, waar op het ons overkomt, eene gedutirige j vreeze veroorzaaken. Te vooren vreesden tvij alleenlijk voor mooglijke, of op zijn hoogst waarfcbijnlijke'ongelukken. Van deeze vreeze zijn wij nu Verlost; maar in piaatze daar van vreezen wij, nu voor een kwaad, het welk zeker is. Is deeze verandering vóordeelig voor ons ? zal een kwaad* het geen mij zeker,zal overkomen, mij niet zwaarer treffen, dan een ander, dat onzeker is? Ik voorzie dat ik eens van mijne bemtnnenswaardige Vrouw, van mijne Kinderen en Vrienden afgezonden, drie Jaaren lang, in eene gevangenis zal doorbrengen : zal ik dee- ze gevangenis niet door mijne vreeze al-tien maaien in mijn hart inoefen doorftaan, eer dit onheil eens weezen- lijk wordi ? Hier komt noch bij, dat ik mijn ongeluk, niet alle deszelfs omftandigheden, en den geheelenreeks van dingen kenne, dier'er zullen voorafgaan. Dus zal ik dan weeten, of dat deeze gevangenis mij °m verborgene redenen door de Voorzienigheid zal wor- den opgelegt; of dat ik, het zij door mijne fouten w door mijne eerlijkheid, daar van de fchulJ zal hebben, of dat andere Menfchen mij in dit ongeluk zullen ft°r' ten. Hoe zal ik mij kwellen ! Alle hoop. om mijn on- heil tebntvlieden, is verdweenen, en nochtans konv 'er geduurig in mü eene begeerte op, om het te on ' gaan. Deeze begeerte wil voldaan worden, en omifr |
||||||||||||
|
VOO,
|
VQO. . 3§7S
|
|||||||||
|
En hoe weet fc toch, hoeveel, van het geen ik in
mijne gedachten voor een genoegen boude, mij ten dee- le vallen zal? Hoe, bij aldien mijn leeven eens weinig geluk, en zoo veel te meer ongeluk opleverde? En ik moet gevaar loopen,van zulk een leeven te ontdekken, zoo ras ik mijn toekomftig lot voorzie: hoe gelukkig ben ik, dat mijn Schepper het zelve voor mij verbor- gen heeft.' Maar het zoude evenwel een ongemeen genoegen
moeten geeven , indien ik geduurig een juist bericht van eeniggeluk, dat mij over tien Jaaren te wachten ftondt, in mijne gedachten hadt. Indien ik, bij voorbeeld, wist, dat ik eene beminlijke, verftandige, tedere en getrouwe Echtgenoote bekomen zal. Hoe fpoedig, hoe vergenoegt zouden die Jaaren voorbijgaan ? Ik twijfel 'er zeer aan.' Mijne hoop zelve zoude mij"
tot een Jast worden, orri dat ik dezelve niet terftond voldoen konde. En gelijk het ongeluk ons altoos te vroeg komt, zo komt het geluk, hoe vroeg het ook kome, ons altoos noch te laat. Ik ben zelfs vangedachten, dat men niet mis zoude
hebben, zo men beweerde, dat het genoegen, door ee. ne omftandige Voorweeienfchap van ons aardfche geluk, ten minften bij de meeste Menfchen, minder zoude worden. Het geluk, het welk wij ons in onze gedach- ten voorftellen, en bet welk wij doorgaans wenfchen of hoopen, is meestal grooter, dan het geen ons waar- lijk ten deele valt; en mën kan zeggen dat hetgeen wij* wenfçhen de grenspaal van onze hoop is. Hoe üitge- ftrekt, hoe onbepaald zijn deeze grenzen niet ? indien wij nu ons toekomftig geluk weeten, hangt bet niet meer van ons af, wat en boe veel wij wilien hoppen, maar onze hoop wordt dan door ons geluk beftiert. Is dit klein, of te'n minften klein, indien wij het met het geen wij wenfchen vergelijken, dan zal ook het genoe- gen der hoope, kleiner worden, dan het was, eer wij ons lot kenden. Doch wij zullen de hoop, als den voorfmaak van ons
geluk, niet verder onderzoeken. Laat ons liever eens nagaan, of wij niet zelfs ten aanziene van het genoegen, het welk het weezenlijk genot van een, geluk ons geeft, iets verliezen zouden , indien wij het zelve te vcoren wisten. Mij komt het zoo voor. Daar is eene zekere vreeze. die het zelfde bij onze genoegens doet, het geen fcherpe kruiderijen bij fommige fpijzen veroorzaa- ken. Zij maakt naamlijk, dat wij bet genoegen te be- ter kunnen fmaaken. Waarom doet een geluk, het welk ik geniete, mij dikwils zoo fterk aan? Gemeen- lijk, om dar ik de beangftigende vreeze, van het mis. fchi.en nier te zullen genieten, nu overwonnen hebbe. Ik zoude 'er zoo veele aandoening niet van hebben, in- dien de vreeze mijne gewaarwordingen, om zoo te fpreeken, niet in volle.beweeging gebracht hadt. 'Dit vervalt, zoo ras ik mijn geluk, te vooren weet. Het is vervolgens ook waar, dat een onverhoopt geluk ons meer inneemt, dan een ander het geen wij voorzien hebben, indien de omftandigbeden aan beide zijden ge- lijk zijn. Ten laatften zouden wij, zo wij ons lot te vooren wisten, insgelijks gewaar worden, dat wij .ons geluk meest al niet aan ons zelve, niet aan onze be- kwaamheden , niet aan onze verdienften, maar dikwils aan toevallige omftandisjjeden en andere Menfchen te danken hebben. Op deeze wijze zoude onze grootfche verbeelding een genoegen moeien rnisfen, met hetwelk wij, in onze tegen'wooi dige omftandigheden, de geluk- Dà 3 . kige |
||||||||||
|
tusfchen het is onmooglijk haar te vrede te ftelïen. Met
welke wanhoopige klachten zal ik den Hemel niet las- tig vallen! welke bittere verwijten zal ik mij zelven doen, indien ik zelf van mijn ongeluk de fchuld heb ! of is het.niec door mijn eigen toedoen, met Welk eene vijandfchap zal ik niet tegen hen worden ingenomen, die ik weet, dat mij het zelve veroorzaaken zullen? zullen alle deeze voorfleüingen mij de dille rust niet doen verliezen, die ik zoude genooten hebben, indien ik mijn ongeluk niet te voor'en geweeten hadt f- zullen zij mij in dien. tusfchentijd, eer mijn ongeluk komt, niet alle genoegens vergallen, welker genot zich mij aanboodt? Maar, zoude men mij kunnen antwoorden, is dat re-
delijk gedaan, dar men eene zaak alleen van haare kwaade zijde befchouvvt? Men moet in het oog hou- den, dat, indien de-vreeze door een ongeluk, hetwelk zekerlijk toekomftig is, g'rooter wordt, de hoop, door eene zekere verwachting van een-toekomftig geluk, in dezelfde evenredigheid moet toeneemen. -~------> Dit
valt zoo gemalslijk niet om te beflissen. Want, indien
men geluk en ongeluk met elkander wil vergelijkenden het één, om zoo te fpreeken, tegen het ander afwee- gen ; moet het zekere evenredigheid met eikanderen heb- ben. Vooronderftelt eens, dat mijn ongeluk, in het verlies van mijnen goeden naam beftaan zal, en'dat het geluk, het welk ik naderhand te wachten heb , het bezit zal zijn van groote rijkdommen. Deeze beide ftukken kan men niet tegen eikanderen weegen, wanneer men op de Menfcben en hunne wijze, om de goederen te beoordeelen, acht geeft, iets het geen van vooroordee- Jen en iemands natuurlijke geaartheid afhangt. Want de kracht waar mede mij beiden, het één door vreeze, het ander door hoop, al te vooren zullen aandoen, Jigt niet zoo zeer in die dingen zelve, als wel in mijne ei- ge gemoedsgefteltbeid, en in de grootere of kleinere zucht voor Eere of Rijkdommen, die mij eigen en in »tij natuurlijk is. .Indien ik van natuure eergierig benden ik zie vooruit, dat ik binnen twee Jaaren met al mijn roem, tot een fpot zijn zal, maar ook kort daaina of te vooren tien duizend Guldens er. ven, zal de hoop op het Jaatfte, in vergelijkinge met dèii indruk, djen de vreeze voor toekomftige fchande in mij zal veroorzaaken, zeer gering zijn. En zo ik goed en kwaad, en, het geen dezelve altoos verge- zelfcbapt, hoop en vreeze met eikanderen wil veigo lijken; moeten zij bij mij in eene en dezelfde drift gegrond zijn. Zoo is tusfchen de drifc voor% Eere , ePjde drift-'om geene fchande te ondergaan, op zich zeit genomen, geen onderfcheid; al het v.erfcbil ont- gaat alleenlijk door onze manier van denken. Daarom moeten; wij Eer en Schande, Rijkdom en Armoede, Wellusten Smart, tegen eikanderen overftellen, indien wij t-uefcben de grootte van boopen vreeze eene verge- lijking willen maaken. Dan op deeze wijze is het met °ns lot niet gefielt. Een eergierig Mensch, die eeni- fie fchande te vreezen heeft, heeft niet 'altpos weder- om eenige Eer te'hflopen. Een Gierigaard, die zijn v.erinoogen verliest, kan niet altoos op andere rijkdom». roen ftaat maaken. Derhalven zal het maar zelden waar Zi'n, dat het genoegen over de hoop van een zeker SQed, het geen ik vooruit zie, in dezelfde evenredig- heid zal wasfen, waar in de vreeze voor het kwaad, he* welk mij boven het hoofd hangt, was toegeno- men.. .,.*.. |
||||||||||
|
u
|
||||||||||
|
3975 VOO.
|
||||||||||
|
VOO.
|
||||||||||
|
kige voorvallen van ons leeven 'doorgaans aan onze ver-
dienden toefcbrijven, hoewel zonder grond. ' Dan hét roooge eene dwaaling zijn; ook eene dwaaling kan ons genoegen baaren, zoo lange wij dezelve voor waarheid aanzien. En zullen wij, mee dit alles, ons lot noch te Vooren willen weeten? Daar is noch ééne tegenwerping over. Men zoude
kunnen denken; ik zoude mij beter tot deeze of geene manier van leeven kunnen voorbereiden, indien ik wist, wat mijn lot zijn zoude. ■--------Ik denk, dat men zich
met deeze gedachte zeer bedriegt; en hoe veel zoude
'er niet op kunnen geantwoord worden! Dan ik zal maar ééne aanmerking maaken. , Indien ik van natuure geene lust hadttot dieleevenswijze, diemijngelukzoude uitmaaken , zoude ik 'er mij te minder toe voorbereiden ; want, zoude ik denken, dit geluk heb ik buiten dien te wachten. Wat behoef ik mij juist moeite aan te doen? Ook zonder verdienden zal ik tot dien ftaat ge- raaken, die mij befclïooren is. Maar heb ik van zelfs liefde voor dien ftaat, dan zal ik 'ermij bekwaam toe trachten te maaken, al is het dat mijne ijdele weet« lust mijn toekomftig lot niet ontdekt heeft. Wat baat mij dus zulk eene Voorweetenfihapl enz. VOORWENDZEL, in't latijn Prtextus; is een
valsch voorgeeven, waar mede men iets bedekt, 't welk fchandelijk of gevaarlijk is te bekennen. zegt het voorwendzel van den oorlog ; het voorwendzel van zijn fchelden.-------< Hij wagt enkel maar na een
voorwendzel om mij de voet te ligten. Hét is een voor-
gewende reis. Hij heeft eene ziekte voorgewend, enz;; VOORZIGTIGHEID, in 't latijn Prudentia. Vol-
gens hetzeggen van zeker Schrijver, is de Voorzigtigheid zoo nauw met de andere deugden verbonden, dat zij zonder haar al derzelver luister verliezen. Ook vinde ik de be- paaling die 'er de Heer J. Masojst van geeft, zeer naauw- keurig. De Voorzigtigheid (zegt dien Heer in zijn Op- merkende Christen) is eene gelijkvormigheid aan, of over- eenkomst met de regelen van reden, waarheid en wel- voegenheid, ten allen tijde en in alle omftandigheden. Dit is een algemeene bepaaling van Voerzigtigheid, die op alle gevallen, in Welke wij tot derzelver betragtin- ge geroepen worden, past. Eene klaarblijkelijke en aan- gewende overtreeding van deeze regelen, is regtftreeks Godloosheid; geringe en toevallige afdwaaling van de- zelve is Onvoorzigtigheid, eene beftendige aangewen- de gelijkvormigheid aan dezelve, is Wijsheid; en een doorgaande werkzaame aandagt op dezelve, is Voorzig' tigheid. > _ / _' - ; Uit deeze bepaaling van de Voorzigtigheid, leeren
wij dus, waar in zij verfchilt van Wijsheid; te weeten , alleen in trappen. Want Wijsheid is niet anders dan eenhooger trap, of meer gevestigde hebbelijkheid van Voorzigtigheid, en Voorzigtigheid flegts een laagertrap of flaauwer hebbelijkheid van Wijsheid. Dit is de re- den dat Wijsheid en Voorzigtigheid dikwils worden yoorgefteld om een en het zelve te betekenen; of als even veel betekenende woorden gebruikt worden; ge- lijk Onvoorzigtigheid en Dwaasheid, welke op dezelfde wijze van elkander verfchillen. Hier uit blijkt, dat de Voorzigtigheid niet alleen eene
Deugd, maar zelfs de uitgebreidfte van alle Deugden is; want zonder haar kan 'er geene Deugd plaats heb- ben. ' Door haar worden alle de overige Deugden in or- de gefchikt en beftuurt. De meeste Deugden können bij gebrek van Voorzigtigheid te verre gaan ; waar door |
||||||||||
|
zij van natuur veranderen, en in Ondeugden ont«
aarten. Uit deeze bepaaling, die ik van Voorzigtigheid ge-
geeven hebbe, blijkt,verder, dat zij voornaamelijk hier in beftaat, dat wij ons overeenkomstig met onze om« Handigheden in dit leeven gedraagen.., en.gelijkvormig met het charaéter dat wij in het zelve handhaaven of behooren ts handhaaven. Want ieder een begrijpt wel, dat een gedrag, welk onbeftaanbaar met iemands cha- rader is, in wien het- ook zij, eene verregaande O«. voorzigtigheid, dat is regtftreekfche Dwaasheid, uit- maakt. De zelfde daad kan voorzigtig gedaan zijn van den een, en niet van een ander; ja welke van dien an: der zeer on voorzigtig, verkeerd en dwaas gedaan zou- de zijn, om dat zij aan het cb.aracr.er en de omftandig. heden van den eerften, maar niet van den laatften pas. fen zal. Wederom, niet alleen het onderfcheid van charatter
en omftandigheden können dezelfde daad voorzigtig of on voorzigtig gedaan maaken in twee bijzondere Per« zoonen; maar zelfs kan het onderfcheid-van tijden en faifoenen dezelfde daad voorzigtig of onvoorzigtig doen zijn in eenen den zelfden Perzoon. Want 'er zijn wei- nige dingen , die altijd even regt, redelijk en betaame- lijk zijn. Derhalven ontftaat de Voorzigtigheid of On- voorzigtigheid van een daad niet zo zeer uit de daad zelf, als wel uit het cbarafrer van den Perzoon, die dezelve bedrijft, of uit de omftandigheden die dit be- drijf verzeilen. Deeze korte aanmerkingen können dienen om ons
een algemeen denkbeeld van de natuur en uitgeftrekt- heid van deeze Deugd van Voorzigtigheid te geeven. Maar om een volkomener en meer onderfcheiden be- grip hier van te verkrijgen, zal het noodig zijn, eeni- ge van derzelver algemeene beginselen te melden, of eenige voorbeelden van dezelve op te noemen , die bei- de, tot het Burgerlijke en Godsdienstige leven behoo- ren, om dus de groote aangelegenheid van deeze Deugd in beide (landen aan te toonen, en verfcheidene voor- beelden van dwaasheid, die in de waereld overvloedig te vinden zijn, ter onzer waarfchouwinge voor ons ver- ftand te ontvouwen. Het is eene der eerfte grondregelen van Voorzigtig'
heid, dat iemand zijn allergewigtigst belang eerst be« vorderen moet. .Hier toe nu worden deeze drie dingen vereischt. r. Dat hij weete; waar in zijn gewigtigü belang beftaat. , 2. Dat hij goede kennis hebbe, aan de middelen, waar door het zelve kan bevorderd worden. 3. Dat hij ftandvastigÜjk in 't gebruik van deeze middf len volharde. De ontbeering van een deezer drie din- gen , zal zijn oogmerk verijdelen. Want zoo hij nie£ weet waar in zijn waar belang beftaat; of, dit wel wer- tende,-geen kennis heeft aan de middelen, waardoor hij het kan bevorderen; of, dit ook weetende, deeze,mia-- delen niet in't werk fielt, is het onmooglijk, dat ^'Jt zijn waar belang willende bevorderen, zijn oogmerk bereiken zal. 1. Hoeontelbaare dwaasheden worden'er nu in dit op»
zigt niet al in deeze waereld gepleegd? Veelen hebben gansch. verkeerde bevattingen van.hun Tenor Belang'.e» houden zich bezig, met in plaats van het zelve, ie(s naa te jaagen, dat 'er niet alleen geheel vreemd van is, maar dat 'er zelfs tegen ftrijdt; gelijk dithet Dedr'j is van waereldschgezinde en ondeugende Menfchen.di hun opperst geluk in uifwendige vermaaklijkheden, e |
||||||||||
|
J
|
||||||||||
|
VOO, m7
zouden wij geen den minden trek in ons gevoelen, om
van de regte paden der Deugd af te dwaalen; dan de iufpraaken van natuurlijke Neiging en van Oordeel zou- den altijd overeenftemmen, altijd eenen, en wel den regten weg heenen leiden. Maar dewijl het tegendeel klaarblijkelijk is, behoort het alferwezenlijkst tot de Voorzigtigheid, dat wij beftendige wagt houden over onze Lusten en Begeerlijkheden; op dat wij door geen ongeregelde, uitfpoorige, of ontijdige'toegeeving aan dezelve tot overtreedinge verleid zouden worden. Hoe fcbuldig helaas! enten uiterften ongelukkig zien wij niet dat die Menfchen zich zelvera maaken, die hunne Lus- ten door Reden niet willen laaten beteugelen. 5. Voorzigtigheid leert ons, dat wij ons afhouden van
den weg der verzoekinge. Want zoo groot is de on- gelijkheid tusfehen het deugdzaam en ondeugendgrond- beginzel in ons Gemoed, of zo ongelijk zijn de kragten van onze geestelijke Vijanden aan onze kragt, dat het veel veiliger is den ftrijd te mijden, dan te waagen. Hoe menigvuldige zonden en dwaasheden koomen niet uit de tegenftrijdige indringingen der Onvoorzichtigheid voort ! uit het bedrijf van Perzoonen, die zich zorge- loos en weerloos in de gevaarlijkfte verzoekingen, en tot de uiterfte eindpaalen van het geene zij denken ge- oorloofd te zijn, begeeven, terwijl hunne bedorven Verbeelding de paaien der Deugd mooglijk reeds heeft verzet tot op het grondgebied der Ondeugd! Daar het altijd Voorzigtig rredaan is, dat wij ons op een goeden afftand hier van afhouden, en zelfs den fchijn des kwaads tragten te mijden. r ■ 6. Een andere zeer gewigtige Grondregel der Voorzig-
tigheid is, dat wij zagtzinnig zijn in 't verdraagen der "gebreken, zwakheden en verkeerde behandelingen on«
zer Medemenfchen. Ontelbaare onheilen koomen voort uit een ftuurfche, ftraffe, bekrompene en berispzugti- ge Gefteldheid, welke vee! on wetendheid, meer kwaad- aardigheid, maar meest trotsebheid blijken laat, en ein- delooze twisten en ongenoegtens verwekt in Menfchen, wier harten volmaakfelijk behoorden zamengevoegd te zijn door de Liefde. Daar legt meer Voorzigtigheid en deugd in de liefde des Naasten, en meer dwaasheid en zonde in een bijgeloovig alles veroordeelend Humeur opgeflooten, dan meenig een wel denkt; en de waar- heid hier van komt uit de gevolgen van beiden klaar te blijken. Een voorzigtig Man zal nimmer buiten nood- zaaklijkheid eenige ergernis geeven nog neemen. Een Dwaas is altijd vrijpostig en verwaand, en fpaartgee- nerleijemisflagen en gebreken van anderen, terwijl hij' voor zijn eigen fouten blind is. Eindelijk is het eene Grondregel van de Voorzigtig-
heid, dat wij op de waare Natuur der dingen , afgefchei- den van alle valfche vertooningen, agt geeven, en onze agting voor dezelve naar haare wezentlijke waar- dijeafmeeten. Dit is een algemeene Regel, en van den, uifgeftrektften invloed ; aan de verwaarloozing van weJi ken wij meest alle dwaasbeden en ongerijrmbeden, daar de waereld van overvloeit, vrijelijk moogen toefebrij- ven. De Menfchen vormen zich valfche begrippen van de dingen, en dit doet hen verkeerde voorwerpen na» jaagen! De reden'nu, dat zij zoo menigmaal in hun oor- deel bedrogen worden, is,-dat zij, of hunne kundighe«' den uit de tweede hand van anderen, of uit het eerfte uitwendige en oppervlakkig voorkomen der dingen, of onder de voorinneeming van drift,, belang, of gewoon- te, ontvangen; zonder dat zij de moeite neemen om de- ze!« |
||||||
|
VOO.'
'de voldoening hunner Dierlijke driften zoeken. Ande-
ren die hun waar Belang kennen, hebben een verkeerd begrip van de middelen om het te bevorderen,- gelijk de Biigeloovigen , die Gods gunst en hun hoogst geluk zoeken te verwerven, doormiddelen, die niets Gods» die'nstigs in zich vervatten. Anderen, wederom, die wel vveeten, dat de waare weg ten eeuwigen gelukzali- gen Ieeven enkel en alleen in een doorgaande praktijk van Godsdienst en Deugd gelegen is, gaari echter voort met dezelven hun geheele ieeven lang te verwaarloo- zen; gelijk zij doen, die; hun ganfchen Godsdienst in uitwendige plegtigheden doen beftaan, en de Schijnhei- ligen, 2. De Voorzigtigheid leert ons altijd, het noodzaake.
lijkfte werk eerst af te doen. Wanneer wij als gedrongen en overlaaden worden door een menigte van bezighe- den, en men ,naar een te gel'ik kan waarneemen, moe- ten wij altijd beginnen/, met die, welke noodzaakeiijkst is; op dat, welke ook verzuimt of vergeeten worden, deeze niet ongedaan blijve. Dit is een goede regel, die zo we! op onze tijdelijke, als op onze.geestelijke be- langen past. Onze dagelijkfche gewigtigfte bezigheid is, ongetwijfeld, de aanbiddingj?an God, of de gods- dienstige uitftorting onzer harten voor de opperde Oor- zaak onzer wezen. Plier mede behoort elke dag te be- ginnen, zo wel ais te eindigen. En zo de aanvang en Het einde van eiken dag aan God word toegewijd; zul- len zij van een zeer gelukkigen invloed zijn, op de tus- fchenbeidekoomende verrigtingen van dezelve. Bij deezen grondregel van Voorzigtigheid, ontdekken
Wij- een anderen zeer vrugtbaaren oorfprong van dwaas- heid; in die menigte van Menfchen, welke als zonder God in de waereld heenen Ieeven, en hunne tijdelijke bezigheden aanmerken als dingen, die hun meesteen voornaarofte zorgen vereisfchen. 3. Een voorzigtig Man let op zijnen wandel; dat is,
hij geeft niet.alleen met veel omzigtigheid agt op de plichten van zijn characler en rang, maar ziet ook voor- uit op'de gevolgen der dingen; inzonderheid op de ge- volgen van het gedrag welk hij leid; en niet alleen op de naaste maar ook op de verder afgelegene, niet alleen °P de zekere, maar ook op de waarfchijnlijkfle gevol- j gen van zijne bedrijven. Heel veele onheilen en elende
i zou men vermijden of voorkbomen können , met op dee-
zen éenvoudigen' grondregel van Voorzigtigheid flegts agt te geeven! Want waar aan zijn de meeste rampen, i die wij in de waereld zien gebeuren, anders toe te fchrij-
Vin, ais hieraan, dat de Menfchen niet vooruit wii- <en zien? Dat zij niet ver genoeg vooruit willen, zien, cn. hun leven niet wiilen aanftellen en beftuuren door #ê beftendige opmerking op deszelfs laatfte uitkomst. . 4« Een andere algemeene Grondregel van Voorzigtig' "tïdk deeze; dat wij altijd meer gehoor moeten gee- ■ ; vw.aan de lesfen der Reden, dan aan de toegeevingen
°"Zer dierlijke Lusten. Of met andere woorden; wan- eer wij door natuurlijke neiging en inbeelding naar f^zen, en door Oordeel en Confcientie naar geenen /■Wgetrokken worden, (gelijk wü niet dan al te dik- ""s ondervinden) dan moeten wij de trekking der laatst- genoemden altoos beftendiglijk volgen. Dit verfchil aP de natuurlijke Neigingen met de Confcientie, of 0ef?e °pftand der dierlijke. Lusten tegen de Heden, nt'taan uit de verdorvenheid onzer Natuitre, en die- en tor een geduurzaam gedenkteken van dezelve. Als rize Geest onder geen zedelijk gebrek gevangen lag, |
||||||
|
v.
|
||||||
|
3978 VOO,
zelve in haare waare natuur en gevolgen te onderzoeken.
En de reden, dat wij de tijdelijke Voorwerpen zoo ge- redelijk boven, en de eeuwige zo ligtelijk beneden hun- ne waarde fchatten, is alleenlijk, dat wij meest alle an-" dere Mentenen het zelfde zien doen; en dat de dingen van deezen tijd tegenwoordig zijn en onder 't bereik on- zer Sinnen vervallen, maar dedingen der eeuwigheid toekomenden onzigtbaar zijn, en niets bezitten om on- ze opmerking te trekken en in te neemen, dan haar on- twijfelbaar gewigt en aangelegenheid. Maar deeze aan- gelegenheid is zo groot, dat het niet fiegts onvoorzig- tigheid, maar tevens hooggaande uitfinnigheid is, de. zelve te verwaarloofen en gering te agten. - - Hij derhalven , die op zijne gangen wil merken, moet Zich door deeze Grondbeginzelen en Regelen der Voorzig~ tigheid gefchiktelijk -bewerken, en beftendiglijk beftuu- ren laaten. Want wanneer dezelve eenmaal eeneeenpaa- rige hebbelijkheid en praktijk hebben- te weeg gebragt, zuilen zij ons van wezentiijker dienst zijn, dan dealler- hoogde trap van kennis, omgeeven van den gantfehen kring der Wetenfchappen, zonder deeze Deugd. ■ -Uit het het boven verhandelde hebben, wij in *t bij- zonder aangetoond, wat eigentlijk Voorzigtigheid is; nu zullen wij nog I. ontvouwen, van welke eenegrooteaan- gelegentheid zij is, met betrekking tot ons gezellig en god- dienflig CharaRer; daarbij den invloed, die zij, Zo wel in het Burgerlijke als in het Godsdienßige Leeven heeft, aantoonen; en dan II. uit hoofde van deeze Bedenkingen, tp haare Betragting aandringen. - I. In het Burgerlijke koomt haare heilzaameen groote
invloed in veelerhandeopzigten te blijken; want. i. Het is de Voorzigtigheid, welke iemand, fchoon van
geringe bekwaamheden, tot een van denutfteenagtbaar- fte Leden der zamenleevinge maakt; terwijl anderen, die grooter bekwaamheden bezitten, bij gebrek van een ge- meene maat van Voorzigtigheid, tot Scand vlekken en Pes- ten der Maatfchappije ontaarden. En waarlijk, hoe grooter bekwaamheden een hoogmoedig en dwaas Mensch bezit, hoe grooter nadeelen hij, door het misbruik van dezelve, in (laat is toe te brengen. Ik weet geen fchaa. delijker Voorwerp voor de zamenleeving, dan iemand diegeleerd, rijken magtig zijnde, de Voorzigtigheid niet heeft om deeze kostelijke Talenten tot eenig nuttig ein- de te befleeden, maareen ondeugent Hartin den boe- fem draagt, 't welk hem aanzet om deeze zijne aanzien- lijke vermogens te misbruiken tot zijn eigen verderf en dat van zijnen Evenmensen. De waarheid hier van heb- ben wij wel eens met ons eigen oogen, en zomtijds ook wel uit de gefebiedenisfen bevestigd gezien. Indien de Voorzigtigheid onze Vermogens nietbeöuurt, zullen het de Driften doen; onder welker involginge dezelve wel haast zo woest en wild zullen worden, als de Drif- ten op zich zelven gelaaten, zijn. Maar de Voorzigtigheid verdrijft onze Driften, niet
alleen uit haare voorzittingen, (want haar plaats is ag- teraan te kóomen, maarniet vooruitte gaan) maar neemt derzelver toom in de hand, en roept ze alleenlijk bijeen als haare hulpbenden, even als een Krijgs-0verde aan 't hoofd van zijn Heirleger, om de verftandige maatrege- len die zij genoomen heeft, kragt bijtezetten en wakker- lijk uittevoeren. Door'haar word de Mensch eerst tot nadenking ge-
bragt, op welke wijze hij, in dien (laat, waar in hij door de Voorzienigheid gefield is, bet meeste nut kan <loen; en hoe hij de vermogens die hij bezit (bet zij de- |
||||||
|
VOO.
zelve gering of aanzienlijk zijn)/tot zijn eigen voordeel,
en het wei weezen van anderen,, aan kan legden. Dus doet hij veel meer goeds jn de waereld, en word een veel dier- baarder Lid der Samenleevinge door een verllandig en regt gebruik zijner weinige Talenten, dan een ander, die veel grooter bekwaamheden bezit, maar dezelve of verwaarloost*, of kwalijk aanlegt. 2. De Voorzigtigheid word noodzaakelijk vereischt tot
een voordeelige waarneeming van ons Beroep. De Voor- zienigheid heeft weihet Opperbeduur over alles , en (lelt de verwagting der Verftandigilen en Vlijtigften wel eens te leur; maar in 't algemeen is het egter de Voorzigtigi wiens zaaken hec voordeeligstgaan; want de Voorzienig. heid geeft hem allezodanige maatregelen aan de hand,als tot bevordering van zijn geluk meest können dienen; te weeten in naarlligheid, fpaarzaamheid,. eerlijkheiden de onverbreekbaarile vrindfehap. Maareen Onvoorzig- tige die opeen zeer goeden weg is om rijk te worden, word, of door ledigheid, of door overdaad, of door ver- kwisting, of door voorbaarigheid, of door het verlies vaa zijn crediet door laage en oneerlijke konstgreepen , dik. werf tot fchande en armoede gebragt. Iemand die de waarheid van deeze Stellingen niet dikmaals heeft be- vestigd gezien in de handelwijzen der Menfchen, en in de gevolgen van hun verfchillend gedrag, moet wel een vol- flaagen vreemdeling zijn in deeze waereld. 3. Eene Gefleldbeid en Gedrag die op den duur door
Voorzigtigheid beftuurd worden, dienen,grootelijks tot bevordering van iemands crediet, goeden naam en aan- zien in de waereld. Zij verwerven de hoogachting en 't vertrouwen van andere Menfchen, en bevorderen en bevestigen de beste en duurzaamde toegenegenheden. Niemand is een openbaar Vijand van zulk een Mensen, dan ten koste van zijn eigen oordeel én charafter. En fchoon een Voorzigtig Man zomtijds ten doel van nijd en kwaadfpreekentheid kan gefield worden, echter zullende i'chigten die op hem worden aangelegd, (inzonderheid indien dit van zeer nabij enmeteenfterkebandgefchied) te rug fluiten in het aangezigt van hem~die ze werpt. Opregtigheid, dat zevenvoudige Schild, befchermtzijn Borst tegen al het gefpitfle moordgeweer van onverdien- de veTongelijkingen en eerroovingen , veeK beter dan bet bestere koperen borstharnas vanonbefchaamtheidenlaat- dunkenheid,1 welke dezelve misfehien een weinig mis kunnen doen vallen; maar Opregtigheid drijft die geduurig terug, en breekt ze altoos in Hukken, terwijl onbe- fchaamdheid en laatdunkendheid, derzelver fcherpte flegts een weinig können beneemen. 4. Een Levenswandel die doorgaans word ingerigt naar
de Voorfchriften van Voorzigtigheid, is een bron van be- flendige vreede en duürzaame vergenoeging. Een god Man (zegt Salomon Spreuk. Xiv. 14.) zal van zich 2«'' ven verzadigd worden; dat is te zeggen, hij vind een fpringader van inwendige voldoening in zijn gemoed uit de goedkeuring van zijn Geweeten. En dit vermaak word hij nooit levendiger gewaar, dan wanneer hij zich iö ee* nigerhande tegenfpoed r die hij niet vermijden kan be- vind. Zijne fmerten worden in hem niet vermeerdert, ; door de bedenking, dat hij zich zelven dit kwaadopden hals heeft gehaalt; maar hij heeft het genoegen van te denken, dat, fchoon hij het niet heeft können voorko°' men, door het allervoorzigtigst gedrag, hij nogtto" deszelfs last grootelijks kan verligten , en deszelfs du ring veel kan verkorten., door beftendige en'onwariK ' baare Voorzigtigheid ; of ten minden, dat hij in d^ j |
||||||
|
VOO.
oiiiftandigheden verzekerd is, dat dezelfde Voorzienig-
heid, die hem dit kwaad heeft; laaten overkoomen, hem een gelukkige^uitkoomst geeven zal," of we! zal bemer- ken dat deeze rampen hem veel goed zullen doen, zo hij maar zorg draagt, dat ze hem geen kwaad doen. 5. De aangelegenheid vandéeze Deugd" in de Samen-
leeving, blijkt ook uit de menigvuldige ongemakken en elenden, die zij verhoed, en die een onvoorzigtig, los enbuitenfpoorig gedrag, dagelijks omringen. De heil- looze gevolgen van een losbandig en onbeteugeld gedrag nu zijn ontelbaar, en dikwils doodelijk; en niets isge- meener, dan dat zulk een gedrag het Verftand verdooft, en den Zondaar ongevoelig maaktvan zijne elende. Menig «en voortreffelijk Charafter is bedorven, en menigvul- dige groote goederen zijn doorgebragt, niet alleen door een levensloop van doemwaardigeongeregtigheid.maar zelfs door éên nafleep van diegeringerdwaasheden, wel- ke men Onvoorzigtigheden noemt,,en welke in haare gevolgen niet minder verderflijk zijn voor onze tijdelijke belangen;- bij voorbeeld, een overheerfcbende neiging tot iedele en kostbaare Vërmaaklijkheden, tot pragt en het voeren van een grpoten ftaat; of een toegeeving aan het geen men een fraaijen fmaak noemt, in het huislijk beftier, boven hetgeen onze middelen kunnen goedmaa« ken; zich in een grooter meenigte van bezigheden te ftee- ken, dan onze bekwaamheden, inkomften, of tijd ons toelaaten behoorlijk waar te neemen; onbedagtelijk veel crediet te geeven aan Perfoonen van een verdagt cbara- fter; zich buiten noodzaaklijkbeid voor anderen Borgte Hellen ofte verbinden ; kwaad gefelfchap te houden;door- gaande verwaarloofing in Kantoor en Huishouding; on- yerfcbilligbeid en verzuim in zich van goede voorkoo- mende gelegenheden te bedienen, zich, wanneer men jongis, in gevaarlijke en verftrikkende verbindtenisfen te wikkelen; inzonderheid, door zich reukeloos, onbe- dagtzaam en tegen alle raadgeevingen van Vrienden, voor al zijn leven in de nauwfte en tederfle banden te leggen , 't geene een kwaade (lap is, die wij dikwils zien dat van een lange fleep van onheilen, die niet dan met de dood eindigen, agtervolgd'word. Alle deeze rampen en elen« I depu, welke noodwendige gevolgen van deeze en der- I gelijke dwaasheden en önbedagtzaambeden zijn, wórden ! door Voorzigtigheid geheel en al voorgekoomen ; en niet I alleen dat zij dezelve voorkoomt, maar zij verzekert [ ons van de tegengeftelde zegeningen; 't welk klaarbüj. j keiijk aantoond van hoe grooten gewicht, en van hoe veel invloed zij in de burgerlijke zamenleeving is. Maar De Aangelegenheid van deeze. Deugd der Voórzigtig- ii'id is niet minder in het Godsdienltige; maar zelfs veel grooter. Want . ,T; Niets onteert den Godsdienst meerder, dan gebrek 'an Voorzigtigheid. Hoe veel, helaas! heeft het Chris- tendom, door de onvoorzigtigheid van deszelfs voorbaa- nde en ijverigfte Belijderen, geleeden J Deverfcheide- ie zoorten van onvoorzigtigheden te gaan optellen, door welken veelen, die hoog opgeeven van den Godsdienst, «enzelve intusfehen febenden en fmaatheid aandoen, zou 20 veel zijn, als een zwakheid te laaten blijken, -dieik zelf veroordeel ; want derzelver voorkoomingen ziin zo Wchillende, en derzelver zoorten zo talrijk als die van i ?i ondeugd zelve, van welke zij alleen in trappen ver- Zonder mij dan optehouden met het onbefcheiden ge- jj S' .waar door zotnmige 'Christenen den Godsdienst, £?jj belijden, menigwerf fmaadbeid aandoen, zal ik v*l Deei. - |
|||||
|
VOO, 3979
hier alleenlijk in aanmerking neemen > eenigen van die
verkeerde begrippen, welke zij haastig en onvoorzigte- lijk inneemen, en waar door zij den Godsdienst veel- tijds benadeelen, terwijl zij denzelven zoeken te bevor- deren. Bijvoorbeeld, het is groote onvoorzigtigheid, dat men Godsdienltige eer bewijst aan dingen, die niets Godsdienftigs in zich hebben; als daar zijn Menfcbelijke pligtpleegingen, uitwendige Godsdienst-plegtigheden, bijzondere manieren van kleeding, of bijzondere kunst- woorden en fpreekwijzen in den Godsdienst, de geringde afwijking van welke (fchoon van geen Godlijkgezag zijn- de) bij zommigen vooreen kenmerk van Godloosheid ge- houden word. Het is zeer Onvoorzigtig, dat iemand zo driftelijk gekleefd is aan zeker bijzonder »zamenftel van Leerftukken, dat hij allen, die dezelve niet in den zelfden zin gelooven, nog den zelfden ijver voor dezelve laaten blijken, als bij, een kwaad hart toedraagt, en als onwaardige Leden .des Christendoms zonder genade ver- oordeelt; inzonderheid, wanneer deeze begrippen duis- ter, diepzinnig en verborgen zijn, en op de beftuuring van het gedrag of de verbetering des Harten geen de min- fte invloed hebben; maar nog meer, wanneer dezelve van een gevaarlijke nscuurzijn, en zeer ligt verkeerd be- greepen en misbruikt können worden , gelijk dit menig- maal is gebeurt, tôt onteering van God, en omkeering van allen Godsdienst. Wederom, 't is onvoorzigtig, dat men veel gewigt fielt
in overfchillige dingen ; want de ijver die dus nuttelooä word verfpild, ontbreekt gemeenlijk in ftukken van de grootfte aangelegenheid. 't Is onvoorzigtig, dat men de hulpmiddelen tot den
Godsdienst den voorrang geeft voor deszelfs eindoog- merk; en nog onvoorzigtiger, dat men 't verzuim van dit eindoogmerk zoekt te regtvaardigen met het gebruik der hulpmiddelen; gelijk dit het bedrijf is van de zoda- nigen , die denken , dat zij des te beter te verfchoonen zijn, over de verwaarloozing van bun zedelijk gedrag, om datzij de uitwendige plegtïgheden van den Godsdienst vlijtig waarneemen. . Het is, wiiders, zeer onvoorzigtig, (zoniet erger)
dat men den Godsdienst gebruikt tot een dekmantel van geldgierigheid, en tot een werktuig van bevordering tot ampten en bedieningen. 't Js zeer onvoorzigtig, dat men grooter eerbied heeft voor Menfchelijk Gezag, dan voor dat van CHRrsT/us ; dat men naar een anderen naam, dan naar den zijnen, wil genoemd worden ; dat men eene Godsdienltige leere of gevoelen vestigt op een of twee bijzondere Schriftuurplaatzen, zonder dezelve met het algem'eene oogmerk der Heilige Schrift te vergelijken ; dat men de duisterfte en twijfelagtigfte ftukken het fterkfte ftaande houd; en eindelijk, dat men meerbe- lang ftelt in een regtzinnig Geloof dan in een heilig Leven. Dit zijn altemaal groote ■onvoorzigtigheden, welke wi|
door veele Chriftenen onbedagtelijk zien begaan ; waar door zij het waare belang van den Godsdienst groot nadeel toebrengen, terwijl zij het denken te bevorderen ; en des- zelfs Vrienden verdriet aandoen, terwijl zij deszelfs Vijan-, den begunftigen. 2. Voorzigtigheid verliert den Godsdienstzö veel, en
prijst haar zofterk aan, als de Onvoorzigtigheid denzelven ten toon ftelt. De Voorzigtigheid vertoond den Godsdienst in zijn eigenaartige zuiverheid. kragt en aanmin- nigheid, maakt iemand tot een deftig, gefchikt, ver- ftandig en beftendig Chriften ; houd alle. dingen in E e göe. |
|||||
|
3pgo ; VOO.
|
VOR.
|
||||||||
|
eens gelukt eenige nieuw opgeworpene buitenwerken te
vernielen, zij het Kasteel, zelfs nimmer können over. weldigen. gewigt is de Foorzigtigheid voor 't belang van den Gods-
dienst. II. Ziehiernti nog eenige algemeene Aanmerkin-
gen, die'tot flot van dit Artijkeï zullen verftrekken. Hoe gelukkig zou het gefteld zijn, zo Godsvrugt en
Foorzigtigheid geduurig hand aan hand gingen ! Maar he- laas ! hoe menigmaal zien wij haar van elkander gefchei- den ! Zagtmoedigheid met wijsheid, Godsvrugt met Foor- zigtigheid, gezond verftand met een ernsthaftigen geest, bevalligheid met befcheidenbeid, de Foorzigtigheid der Slangen met de opregtheid der Duiven, te zaamen veree- nigd, maaken een allerbeminnelijkst Character uit. Maar wij hebben niet dan al te dikwils het verdriet van te moeten zien, dat Luiden die zelfs Voorvegterszijn van den Godsdienst,, door grove onvoorzïgtigheden endwaa- lingen, het zij in oordeel of in gedrag, meer nadeel aan denzelven toebrengen, dan alle deszelfs gezwoöreneen openbaare Vijanden.. Dit moet ons leeren, van nu~>a6rtaan meerwerkste
maaken van dit gedeelte der Christelijke Gemoedgeftelt. heid, dan wij tot nog toe gedaen hebben. Deheilzaame uitwerkzels van deeze Deugd, welke hier in aangewee- zen zijn, voldoen om haar onze hoogachtingeen betrag- tinge aan te prijzen,inzonderheid, wanneer ze met de bovengemelde gevolgen van bet ftrijdige Character ver- geleeken worden. Laat ons niet denken, dat deftof, die ons 'm dit Ar-
tijkel aangepreefen is, touter.zedelijk zij; zij is een van de aanminnigfte' en wezentlijkfte takken eener Chriftelij- ke gefteldheid, van welke onze Gezegende Heer en Meester ons het doorlugtigfte Voorbeeld, in zijn leven en -character gegeeven heeft, welk Voorbeeld wij, als zijne Difcipelen, verpligt zijn na te volgen. VORK SNUIT, zie MUGGEN. n.ÏL pag.220i.
VORMING, zieFORMATIO.
VORSSCHEN, zie KIKVORSSCHEN.
VORSSCHEN-BEET, dusdanig worden wel 'een
- zöort van Plompen genoemt, met kleine witte Bloe- men. VORST, Friezen, in 't Iatijn Ge/w. ---------- Vtif
zen is het verftijven van eene vloeibaarheid, of wel de
beroovingvanderzelver natuurlijke beweegbaarheid door de werking van koude; of het is de daad van eene vloei- bâare zelfftandigheid te veranderen in een vaste, zamen« hangende en har,de, die ijs genoemd word. De voornaamfte verfchijnzelsdie bij 't vriefen waarge-
nomen worden, zijn de volgende. 1. Dat water en alle andere vochten, olij alleen
uitgezonderd, door vriefen uitgebreid of verdund zijn» de, meer plaats beilaan en merkelijk Iigter dan te voo- renzijn. * Dat het lichaam en de uitgebreidheid des wters àoor't
vriefen aanwast, is door veelvuldige proeven bevonden, enbetza! hier niet kwalijk voegende voortgangen der na- tuure in aanmerking te neemen. In een glazen buis dan, met water tot een weinig o»'
der den rand gevuld en in een andere buis vol water met zout gemengd gezet zijnde, zal het waterteifiond tot ze- ker punt oprijzen, het welk-fchijnt toegefehreeven '5 moeten worden aan de zamentrekking van het glas, ver- oorzaakt door deszelfs fchielijke dómpeling in zulk e6" houd midden ; kört hierna zakt bet bij aanhoudendheid o« ver»
|
|||||||||
|
goede ordre; én bifinen behoorlijke paaien; befchouwt
alle dingen in haar regte licht; bepaalt het waare gewigt, overziet de gantfche uitgeftrektheid, en geeft agtop de natuurlijke gevolgen der dingen; onderzoekt de eerfte oorfprong van die Leerftukken, welke als Godsdienftige geloofs artijkelen worden aangepreefen; vormt de ge- moedsgefteldheid, en fchikt het gedrag naar dezelve, in zo verre zij befpeurt datze den ftempel van Godlijk ge- zag, en de baarblijkelijke kenmerken van de uiterfte aan- gelegentheid draagen ; maar in zo verre zij bemerkt, dat zetwijffelagtigeftukken en onnutte befpiegelingen behel- zen , behandelt zij ze met zuivere onverfchilligheid,- en daar zij ontdekt dat dezelve van gezag ontbloot zijn, en tot een fchadelijk einde dienen, verwerpt zij ze met een vast, dog liefdaadig befluit; een af keer hebbende van de fchaadelijke einden en gevolgen dezer Leerftuk- ken, terwijl zij de vriendelijkfte infchikkelijkheid be- toohd, omtrent de geenen, die door dezelve misleid wor- den, en hen op eene regt Christelijke wijze tragt te ver- deedigen. Maar boven alle dingen zal een Voorzigtig Man zorg»
draagen, dat de fchuldeloosheid en nuttigheid van zij- nen Levenswandel een werkdaadigen invloed op allen hebbe, tot voordeel van 't Geloof, waar van hij be- lijdenis doet. Tot zulk een fraaije vercieringen fterke aanprijzing van een Godsdienftig Character, dient de Foorzigtigheid. 3, Daarenboven is de Foorzigtigheid niet alleen nood-
zaakelijk om den waaren grond van alle Leerftukken in den Godsdienst te onderzoeken, maar ook om alle Deug- den, die in denzelven voorkbomen, wel teonderfchei- den, want zonder dit, zullen dezelve, of door ontijdige oefFening, of door een pronkende vertooning, of door evermaatige ftrengheid, van Natuur veranderen, en zon- dig worden; Godsdienftige ijver zal dan wel haast ont- aarden in kwaadaardige woede,-1 nedrigheidin laaghartig- heid; zelfverlochening in onnpodige naauwgezethejd ; Godsvrugt in bijgeloof ; geloof in waan; liefde tot de waarheid in vrijgeesterij; natuurlijke liefde in ongere- gelde drift; gemaatigheid in koele onverfchilligheid, en v regtzinnigheid in dweeperij. En langs deezen weg zul- len andere Menfchen niet alleeneen verkeerden'indruk Tan deeze Deugden krijgen, maar ook gunftigëgedagten van de Ondeugden, die onder derzelver dekmantel ver- borgen leggen; en aan zommige Menfchen zal dus aanlei- ding gegeeven worden om goed voor kwaad te ftellen, en anderen in verzoeking te brengen om kwaad voorgoed na te jaagen. Hoe veel verwarring is er door dit mid- del in Godsdienftige Samenftelzels en Cbaraéiers inge- voerd! en dat alles bij gebrek van opmerkzaame on- derfcheiding, of een weinig gemeene Foorzigtigheid. 5 Eindelijk blijkt het groote aanbelang van de Foor-
Ssgtighid, in den Godsdienst verder, hier uit, dat zij denzelven niet alleen van alle vermommingen ontbloot, maar dat zij daar benevens deszelfs grondvesten verdee- digr en verfterkt. Zij bewaakt alle toegangen, langs welken deszelfs Vijanden können naderen tot den aan- val; en terwijl zij, met bet fterke Schild des geloofs, alle Dagen, die op haar gemunt worden, afweert, doet se dezelve tevens te rug ftuiten op het hoofd haarer aan- valleren, door een fterke Weerftuk van klaarblijkelijk- heid en reden ; zij keert te rug in haare fterkte, die met bet grof gefchutder waarheid rijkelijk beplant is, onder ■welks bereidde Vijanden van den Chrisreüjken Godsdienst ahijd vt bezen te genaaken. Zo dat, fchoon het hun wel |
|||||||||
|
VOR,
verdikking, tot dat .het tot een veel laagerpunt gedaald
f s,- waar het voor eenigen tijd In rust fchijnt blijven ; maar eerlang herftelt het zich weder, en begint zich uittezetten, Vijzende eed weinig hooger, en kort daarna, ftijgt het met een fchielijken fprong, tot aan den »and. wanneer het water, dat omtrent den bodem is-, zich terftond dik en wolkachtig vertoont, en in het zelfde oogenblik van deeze fchielijke opftijging in ijs veranderd is. Terwijl dit ij's harder word, en het verdere water omtrent den bodem bevriest, rijst het vloeibaare bij aanhouding op naar den rand, en loopt er eindelijk over heen buiten het glas., 2. Dat deeze vogten niet alleenlijk in de bijzondere,
maar ook in de volftrekte zwaarte door vriefen verminde- ren » zodat, wanneer zij weder gedooid zijn, zij merklijk Jigter dan te vooren bevonden worden. 3. Dat bevrozen water niet zo geheel doorfchijnend is als
tnen het vloeibaar was, en dat er geene lighaamenzo on- belemmerd door ademen. 4. Dat het water, bevrofen zijnde, bijna zo veel uit-
waasfemt als wanneer het vloeibaar is. 5. Dat water niet in luchtledigeplaatzen bevriest, maar
dat er de tegenwoordigheid en werkzaamheid der lucht toe vereischt word. * 6, Dathetwater, gekookt zijnde, zoo licht niet&evrwt
als het ongekookte. * . 7. Dit water, met eene oppervlakte van boom* of olijf-
ulij bedekt zijnde, zo fchielijk niet bevriest als zonder dit bedèkzel ; en dat noot-olij het volftrekt voor bevriefen be- <hoed, wanneer de vorst zo fterk is dat olijf-olij zulks niet doen kan. , , 8.' Dat geest van wijn, noot-olij en terpentijn-olij in 't ge-
heel niet bevriezen. 9. Dat de oppervlakte des waters, bevriezende, zich
geheel rimpelig vertoont,- welke rimpels zomtijds als evenwijdige lijnen zijn, en zomtijds als ftr'aalen die uit bun middelpunt na den omtrek voortfchieten, ■«.": De begrippen wegens het vriefen, of de wijze van
ledengeeving omtrent dit verfcbijnfel, zijn zeer meenig- vuldig. De voornaamde grondftellingen , waarop verfcbil-
lende Schrijvers deswegen gebouwd hebben , beftaan hierïn; dat eenige vreemde ftoffe in de poriën van de vloeibaarheid geleid worden, door middel van 't welk zij verftijft en haar lighaam grooter gemaakt word, enz. Of dat eenigeftoffe, die natuurlijk inde vloeibaarheid
vervat is, nu van dezelve word uitgedfeevèn, en dat dit afzijn de reden van haare verftijving word. Of dat er eenige verandering voortgebragt word in de geftelte- IHS' of vorm , het zij van de bijzondere deeltjes der vloeibaarheid zelf, of van iets anders dat in dezelve begreepen is. " Tot de eene of andere van deeze grondregelen zijn
alle de ftelzels, die wegens het vriefen gemaakt zijn,,te brengen. ' ... - De Cartesuanen verklaaren bet vriefen door 't ont-
wijken of weggaan van de luchftoffe uit de poriën des wa- ters of andere vochten; want zulksgefchiedzijnde, zeg- 8e.n zij, zijn de fijner deelen te klein en te (lap om de fpichtige en aalgelijkende deeltjesdes'waters langer vloei- jend of in de gedaante van vocht te houden. Maar de-CpRruscuxARiAANEN, of Gassendïsten,
Ichrijyen het bevriefen des waters, met meer waarfchijn- "Jkneid, toe, aan den ingang eeaer meenigte van£ou-of |
|||||
|
.VOR. ■.■;-_, 3981
vorsudeeltjes, gelijk zij ze noemen, die, bij zwermen,
in het vocht komen, en zich er allerwegen doorheen verfpreidende, zich in de poriën des waters dringen, de gewoonebeweegfng van deszelfs deelen verbinderen, en het tezamen (toppen tot een hard en weerftandbiedend lig- haam van ijs;en hieruit ontftaat deszelfs aanwas van afmee» ting, koudheid enz. Dat ijs inzichzelflïgterdanwtósris, waaruit het door
vriefen gevormd word, blijkt ontegenzeglijk door zijn drijven op hetzelve; en dat deeze ligtheid van het ijs ontftaat uit deontelbaare blaazen, die in deszelfs fainen« zetting voortgebragt worden, is even duidelijk; maar boe deeze blaazen in het vriefen voortgebragt worden, en welk eene zelfstandigheid zij in zich bevatten, indien zij niet geheel ledig zijn, is eene nafpooring van groot belang; en moogiijk, indien het ontdekt wierd, dat zulks veel zou toebrengen om de natuur van de vorst te verdaan. De Heer;HoBBEs is van gedagten dat het gemeene lucht
Is, die, in het water, terwijl't zamenzet, indringt, zich met de deeltjes van den vloed vermengt, hunne beweeging be- let, en deeze ontelbaare blaazen voortbrengt, waardoor het lighaam des waters uitgezet, en het in zichzelve ligtet gemaakt word. Maar om dit te beantwoorden, heeft men alleen aan
te merken, dat er geen blijk is van zulk een indrin. ging der lucht in het water onder deszelfs zamenzet- ttng; en dat zulks in bevrieftnde olij niet voorvalt is klaar, dewijl het gantfche lighaam daarvan door vont ver- dikt word. De Heer Boyle heeft ook door onwederfpreeklijke
proeven getoond, dat water bevriefen zal in glaazen Bui- zen , wier openingen, door fmelting van de einden, toe« geftooten zijn; en in koperen lighaamen of vaten, wel digt gemaakt, vond hij, fchoon er de lucht niet kon in- dringen, nochtans het water dat er in beflooten was in ijs veranderd, met dezelfde ontelbaare blaazen voor- zien als of het in de open lucht bevroofen was. Hij heeft insgelijks door proeven beweezen, dat wa-
ter een poos in den ontledigden ontfanger gehouden, tot dat alle deszelfs bellen opgereezen en verdweénen waa- ren, en naderhand door een vriefend mengzel in ijs ver- anderd zijnde, dat ijs naauwlijks eenige blaazen had; waaruit ten klaarden blijkt, dat deeze blaazen met eeni- ge ftoffe, die in het water zelf is, moeten gevuld zijn, indien zij anders in 't geheel iets in zich bevatten. Dog hij bewijst ook door duidelijke proeven, dat zij geen of een zeer klein gedeelte van waare veerkrachtige lucht in zich bevatten. Anderen, en wel de meesten, zijn van gevoelen dat
de vriefenie fioffe een zout is ; en voereri daartoe aan, dat een ongein eene ftrenge koude het water wel traag en dik,.maar nooit zonder zout zal veiftijven of hard maa- ken. Zij zeggen dat de deeltjes die de voornaame oorzaak van 't vriefen zijn, zoutdeeltjes zijn, naar eene vereischte evenredigheid gemengd, dewijl de zamenftelling zeer na met kristallizeering overeenkomt. Dit zout ondefftellen zij van de falpetrige foorte te
zijn, en door de lucht verfchaft te worden, die in 'c algemeen bevonden word met overvloed vanfalpeter ver- vuld te zijn; Het heeft niet veel moeite in, omredentegeeven van
het beletten der vloeibaarheid in het water door defalpeter- deeltjes. Deeze zijn onderfteltzo veele harde, puntige lig. haamtjes te zijn, welken gemaklijk in de deeltjes of bolletjes E e a van |
|||||
|
39,8* Ç > <'■'-.' VOR.
|
|||||||||
|
VOR.
|
|||||||||
|
van het water gedrukt of gedrongen worden; en, door dit
middel verfcheidentlijk met dezelven vermengd en ver- ward raakende, de vloeibaarheid bij graaden verzwakken en vernietigen. De reden dat deeze uitwerking alleen bij ftreng win-
terweder vernomen word, beftaat hierïn, dat dan alleen» lijk de tegenwerking van de falpeterdeeltjes meer dan gelijk is: aan het ' vermoogen of beginfel waardoor het water anders in of bekwaam tot beweeging gehou- den word. Verfcheide proeven van door kunst veroorzaakt vriefen,
onderfteunen dit gevoelen. Want, indien men zekere hoeveelheid van falpeter
met fneeuw of kleingefiooten ijs vermengd, en dat meng- sel op vuur doet fxnelten, en na de fmelting een glazen buis vol water in hetzelve dompelt, zal dat water, ten minden dat gedeelte, 't welk zich naast bij het menf« zei bevind, tetftond bevrkfen, en dat zelfs in een warme lucht. Hieruit beweeren zij, dat de fcherpe zoutdeeltjes door
de poriën van het glas gedreeven en met het water ver- mengd zijn, door de zwaartekracht van het mengze!, en van de drukkende lucht; want het is klaar, dat het zout die uitwerking heeft, daar het in tegendeel hekend is dat geene waterdeeltjes eenigen weg door deporiën van het glas kunnen vinden, In deeze kunstvr lezingen, aan wat gedeelte het meng-
zel ook word toegepast', word altoos op bet oogenblik eeii huid ofplaatje vanijsveroorzaakt, hetzij op de bo- venvlakte. op den bodem, of aan de zijden, om reden dat er altoos een gènoegzaame voorraad van zoutdeeltjes is om de vuurdeeltjes te overmeesteren ; maar de na- tuurlijke verftijving door verft, is aan de oppervlakte des waters bepaald, waar de grootfte overvloed der zoutdeeltjes gevonden word. Maar dit flelfel word door den Schrijver van Nouvelle
tonjeSure pour expliquer la nature de la Glace weêrfproken , werpende hij tegen, dat het niet blijkt, dat de falpeter altoos zich onder famenzetting van ijs dringt; en dat indien zulks waar was, het groote belemmeringen zou- de baaren in het oplosfen van eenige d'er voornaamfte uitwerkingen die de vorst veroorzaakt; als bij voor- beeld : Hoe zonden de falpeterdeeltjes door de poriën van het
fiüter in te gaan, en deszelfs deelen vast te zetten, oor- zaak kunnen worden dat het water zich uitzette, en dat zijne bijzondere zwaarte minder wierd? In tegendeel, Zij zouden het zwaarder moeten doen worden. Deeze en eenige andere zwaarigheden rnaaken éene
nieuwe befchouwing noodzaaklijk ; en daartoe brengt de vernuftige. Schrijver het volgende bij, waardoor het verfchijnzel op eene gemaklijker en eenvoudiger wijze febiint opgelost te worden, als de toelaating of wer- king van eenige vreemde ftoffe van elders niet noodig hebbende. Hii zegt dan dat de reden waarom het water alleen«
lijk in den winter bevriefl, hie'rin beftaat, om dat des- zelfs deelen, in dat jaargetij, fterker met elkander ver- eenigd zünde, elkander onderling als omhelzen , en dus alle de beweeging die zij hadden, kwijt raaken; en dat de lucht, of liever eene verandering in de veerkracht der lucht, de oorzaak van deeze vaster vereeniging der waterdeelen is. Het is door proefondervinding klaar, dat 'er eene on-
telbaare menigte van groove luchtdeeltjes onder de bol- |
|||||||||
|
letjes van het water vermengd zijn ; en men Maat alge.
meen toe, dat elk luchtdeeltje een veerkiachtig vermoo- gen heeft; en hieruit bewijst onze Schrijver, dat de ge. ringe veerkracht van grove luchtdeeltjes, met water ge. mengd, meer kracht in koud winterweer hebben, en zich dan meer uitfpannen dan in andere tijden. Ter- wijl deeze veerkrachtige luchtdeeltjes zich uitzetten aan de eene zijde, en de buitenlucht volhard in het drukken van de oppervlakte des waters aan de andere zijde, moe- ten de waterdeelen,- dus te famen bedwongen en opge. flooten, hunne beweeging en vloeibaarheid kwijt raa- ken, en een hard weêrftandbiedend lichaam formeeren-, tot dat eene verflapping in de veerkragt der lucht, door eene vermeerdering van warmte, de waterdeelen weer tot haar afmeeting doet verminderen, en dus weder ruimte krijgen om geüik voorheen tevloeïjen. Maar dit ilelzel fchijnt op valfchegrondbeginzelengebouwdtezijn; want de veerkragt der lucht word door koude niet vermeer. derd, maar integendeel vermindert. Lï^Ats verdikt zich door koude, en zet zich uit door
warmte; en het is bewijsbaar door de hiehtproeven, dat dé veerkragt van uitgezette lucht tot die van dezelfde lucht verdikt, is, als het lighaam, uitgezet zijnde, totdat wanneer het verdikt is. Het is wel waar dat zommige Schrijvers, om reden
te geeven van den aangroei des lighaamsen de afmeeting van de bijzondere zwaarte van bevrofen water, het vol- gende hebben bijgebragt; dat, naamelijk, de waterdeel- tjes in hunnen natuurlijken ftaat, bijna vierkanten waa- ren, en dus hunne ruimte vervulden, zonder dat er veel poriën tusfehen waaren, maar dat zij door verdikking van vierkanten tot ronden geworden zijn, waaruit noodzaak, lijk zal volgen, dat er een groet deel van ledige ruimte tusfehen dezelven zijn moet. Maar, integenftelling van deeze gisfing, heeft men maar
te zeggen, dat de natuur van vloeibaarheid en vastheid duidelijke blijken geeft dat ronde deeltjes veel gefchikter zijn om een vloeibaar lighaam zaam te ftellen dan vief kante; en minder gefchikt om een vast lighaam te for- meeren dan vierkante. Dog na dit alles, moeten wij, om tot een beftaanbaj<
re betegelende kundigheid van 't vriefen te geraaken, ons keeren tot de vorstdeeltjes van de Córpuscui.akh- nen, overwoogen bij het nieuwe Jicht en de voor- rechten der Newtoniäansche Wijsbegeerte; of on- zen toevlucht nèemen tot de ftelling derluchtftoffevan deCARTEsiAANEW.en de verbeteringen daarin gemaakt . door den Heer Gauteron. De waare oorzaak van vriefing of de flremming vM
water tot ijs, zeggen de eerden, fchijnt duidelijk te zijn. de inkoming van vorstdeeltjes tusfehen de deeltjes van het water, doende zij dezelven door dat middel zo na bijeen komen, dat zij juist in de kringen der aantrekkracht van elkander zijn; en hierdoor moeten zij blijven famenhan« gen, en zich tot een vast lichaam vereenigen; maar hit- te fcheid hen naderhand weder vaneen, en, ben in ver- fcheide beweegingen brengende, verbreekt zij deeze ver- eeniging, en zondert de deeltjes zo ver van eikander af, dat zij op een afftand buiten elkanders aantrekkracht komen, en binnen de grenzen van hunne terugdrijven- de kracht blijven, en dan herneemt het water zijns vloeibaare gedaante weder. Dat nu koude en vorst uit eenige zelfftandigheid van
eene zoutachtige natuur voorkomt, die in de lucht drijft, fchijnt niet onwaarfcnijnJijk uit het volgende : |
|||||||||
|
r
|
||||||||||||||||||
|
398^5
|
||||||||||||||||||
|
VOR.
Dat alle zouten, en voornaamlijk éenfge bijzondere,
de kracht en de uitwerking der koude zeer aanmèrklijk vermeerderen, 'wanneer zij met fneeuw en ijsvermengd zijn. Het is insgelijks klaar, dat alle zotttac litige lieIlda- men eöne ftijf heid en hardheid voortbrengen in de dee- len van die iicnaamen in'welken zij ingaan. - Het bliikt uitgezichtkundlge waarneemingen omtrent
zouten, dat defiguuren van fommige zouten, eer zij tot een hoop fatnen fcbieteh, dun en dubbel gewigd-zijn , gelijk deeltjes die veel oppervlakte ten opzichte van hunne vastheid- hebben; en dit is dereden waarom zij in het water drijven, wanneer zij 'er eenmaal in opge- heeven zijn, fchoon zwaarder in zichzelve. Deeze dunne punten in de poriën van het water gaan«
de, waardoor zij ook eenigermaate in den wintertijd wor- den opgefchort,wanneer de hitte der Son doorgaans niet fterk genoeg is om de zouten tot vloeibaarheid te ont- binden, hunne punten te breeken, en ben in eene ge- duurige beweeging te houden, zijn dus minder geftoord, en in grooter vrijheid om eikanderen te kunnen nade- len; en, door tot kristallen in de bovengemelde ge- daante te fchieten, dringen zij, door beide hunne uit- einden, zicbzelveri in de poriën van bet water, en doen het door dat middel tot een vast lichaam bevrièfen. En het is ook ivaarfcbijrilijk, dat dé afmeetingen van water aanwasfen door't vriefen, zijnde de deeltjes van het- zelve op eenigen affïand van elkander gehouden, door de tusfchénkomfte der vorstflojfe. ' Maar behalven dit,' zijn 'er veele kleine luchtdeeltjes,
op verfcheide affhndenbefiooten, beide in de poriën van de waterdeeltjes, en in de tusfchenwijdtens die door dei- zelverklootfche gedaante geformeerd worden. Nu wor. den door de indringing der kristallen, de luchtdeeltjes gedreevenvan uit de-waterdeeltjes; en veelen van dezel- ven, zich vereenigende, vormen grooter deelen, wel- ken daardoor een grooter kracht verkrijgen om zich uit te zetten, dan toen zij van een gefcheuien waren; en dus yergrooten zij de afmeètingen dés waters niet al- leen, maar verminderen ook deszelfs bijzondere zwaar- te, daar het dus tot ijs gefWëmd is. Hieruit zegt Dr. Chijne (van wien wij dit laatfte be-
richt ontleend hebben) kunnen wijgpsfen, op welk eene Wijze water, bezwangerd met zouten, zwavel of aarde , kelken niet gemaklijk te ontbinden zijn, zichzeiven in Kanalen, mineraalen, gommen, en andere delfßoffen verandert; wordende de dee'en deezer mengfels hecht- ftoffä voor de waterdeelen, of veranderen die, door in derzelver poriën te gaan, in deeze verfcheide zelfftan- digheden. Ten anderen; dewijl een luchtfloffè of midden, alge-
ween erkend word de oorzaak van de beweeging der v|oeibaarheden te zijn, en dewijlde lucht al baar be- *ee?it)g uit hetzelfde beginzel heeft, zo volgt, dat alle *'oeibaarheden jn een flaat van rust of vastheid moeten "lijven, wanneer die ftoffe haare noodzaaklijke kracht "iiuaakt. En gevolglijk is de lucht in den wintertijd-, wanneer zij minder verwarmd word, wegens dé fehuin- ■jeder fonneftraalen in dat jaargetij, dikker en vaster in n winter, .dan in eenig ander faizoen van het jaar. Maar verder, het is door verfcheide proefneemingen
oewuezen; dat de lucht een zout in zich heeft,' dat on- tferfteld word van eene falpeterige natuur te zijn. In- |
||||||||||||||||||
|
VOR.
|
||||||||||||||||||
|
van de lucht verdikt moeten worden ; daar in tegendeel
een verdunning van de lucht, en eene vermeerdering van haare vloeibaarheid, dezelven moet verdeelen erf van elkander'afzonderen. - ' ; En indien hetzelfde gebeurd aan alle vogten die eenig
zout 'm zich gekreegen, of ontbonden hebben; indien de warmte van het vogt hét Hout wezenlijk verdeeld houd, en indien dekoude van een kelder of van ij-s ver- oorzaakt dat de deeltjes van het ontbonden zout elkander naderen, het eene in het ander doet Joopen, en tot kristallen doet famen fchieten, waarom zou dan de lucht, die men voor eene vloeibaarheid houd, van de algemeene wetten der vloeibaarheden uitgefiobtén zijn? Het is waar? dat de falpeier van de lucht-, dikker in-
koud- dan in heet'weer, in het eerfte ook minder vlug- heid moet hebben; maar het voortbrengen van zijn vermeerderden hoop in de vlugheid die overblijft, zat hét een grooter momentum of hóeveelheid van bewee- ging bijzetten. Ook word niets verder vereischt om tè maafen dat dit zout met grooter kracht tegen de deelen der vloeibaarheden werkt; en dit zoumooglijk welde oorzaak kunnen zijn van de grooteuitwaasfémihg die in vfiefend-weer vernomen word. } Deeze luchtfalpeter moet noodzaaklijk de ftremming
der vogten voortbrengen; want het is de lucht," noch ook de falpeter, die zij in zich heeft, die beweeging aan de vloeibaarheden geeft; maar het is het dampkrin- ging midden ; waarom ook een vermindering van rust, uit de vermindering van die kracht voortkomt. Nu moet deeze ftoffe van den dampkring, dié fn den
winter vrij zwak is, fteeds meer van haare kracht ver- liezen door haare werking tegen de vérdikte lucht, df© met groote zoutdéelen belast is. Zij moet derhalven haar vermoógen in koud weer kwijt raaken, en veel mindergefchikt worden om de beweeging der vloeibaar- heden te handhaven. Eindelijk kan men de lucht,gedainendevriefendweer,
aanmerken, als ijs, met zout bezwangerd, waarmede vogten in den Sómer rot bevrièfen gebragt worden. Het is zeer waarfchijnlijk dat dé reden van derzeiver bevrie- fing gelegen is, in het verminderen der beweeging van het dampkrfngig midden, door deszelfs werking tegen het ijs en zout te gader; en de lucht is met alle haare brandende hitte niet in ftaat om de flremming deezer vogten voor té komen. De lucht, zegt de Heer Boijxe, een vloeibaarheid1
zijnde, zo wel als water, en bezwangerd met zouten' van verfcheide foorte, zo is 't niet onwaarfchijnlijk, dat het-geen 't welk in water, met verfcheide zouten be~ zwangerd, voorvalt, insgelijks in de lucht gebeurt^ Twee evengelijke hoeveelheden van onderfcheide zou* ten, in heet-water ontbonden zijnde, vloeijen zonder eenige blijk van verfcbillend te zijn, door hetzelve heen, en behouden eene bekwaamheid om bij verfchei- de gelegenheden vereenigd te werken ; wanneer even- weichet vogt koud-word, fchieten de zoutdeeltjes der eene foorte, niet langer door den vereifchten graad* van bitte aangedaan wordende, in kristallen; en, haare- vloeibaarheid en beweeging verliezende, fcheiden zij zich zichtbaarlhk van die der andere foorte, welkefteed» aanhoud vloeibaar in het vogt te blijven, en bekwaam? om afzonderlijk: te werken, Wii hebben verfcheide "berichten, in de Verhande-
lingen der Phifofophifche Maatfchappii, yan een vne- fenden regen, die in de wintermaand van 1672, in het E e 3. Weste» |
||||||||||||||||||
|
Vrl
|
men dit erkent, en de dikte der lucht toeftaat, zo
|
|||||||||||||||||
|
dat de déeln'es van deeze falpeier insgeüiks na«
|
||||||||||||||||||
|
au bij elkander moeten gebragt, en door de verdikking
|
||||||||||||||||||
|
§9U VOR.
Westen van Engeland viel. Zo dra âeeze regen iets
boven den grond, als een tak of diergelijke, raakte, Was het terftond met ijs omringd; en door vermeenig- Vuldiging en vergrooting braken alle de be-ijste takken door de aanhangende zwaarte van de ftammen af; de regen, die op defneëuw viel» bevroor opgenbliklijk tot 'ijs, zonder eenigszins in defneëuw in te zakken. Dit weer veroorzaakte zulk een ongelooflijke verwoes-
ting, dat het alles, wat van iets dergelijks in. de histo- rie gemeld word, te boven ging. Zeker Edelman woog een tak van een Esfchenboom, die drie vierendeelen van een pond haalde; terwijl het ijs, waarmede denzelven belaaden was, meer dan zestien ponden gewigts uit- maakte. Sommige lieden waren niet weinig verfchrikt, door het gerucht dat zij in dé lucht vernamen, tot dat . zij gewaar wierden dat bet door 't gekletter der ijzige takken tegen elkander veroorzaakt wierd. Dr.'Beale, merkt aan, dat'er, geduurende den ge-
heelen tijd van dit voorval, op den grond geenßerke vorst vernomen werd; waaruit hij befluit dat 'er een hef. tige en gevaarlijke vorst op de toppen van fommige Bergen en in Vlakten kan zijn, terwijl dezelve pp an- dere plaatzen, op een afftand van twee, drie of vier voeten boven den grond, en boven de oppervlakte van Rivieren, Meiren enz. verheven blijft, en dat bet vrie- zen fterk in zwang kan gaan op fommige plaatfen, en «eer gering zijn in andere die 'er zich nabij bevinden. 1) e Vorst wierd in,dien tijd door zwaare.hitte gevolgd, en men vernam eene wonderbaarlijke voorlijkheid in Bloemen en Vrugten. Qorzaaken van het bevriefen der Boomen in flrenge Win-
' ters, en middelen om zulks voor te koomen. Wij moeten als grondregelen ftellen, zo als ook uit
het boven verhandelde is gebleeken, ditwater, bevfofen zijnde, meer plaats beflaat dan wanneer het ; in een vloeibaaren ftaat is, doch het vet en de olijder Planten minder; dat alle Boomen, voornaamlijk die, welken hunne bladen in den herfst laaten vallen, geduurende den Somer eene groote hoeveelheid van vogten indrin- ken en naar evenredigheid weder uitwaasfeinen; einde, ïijk, dat de vaten van kleine fpruiten grooter zijn dan die van den ftam, en bijgevolge meerder vogten in zich hebben. Dr. Hales heeft beweezen, dat een Boom, die in
Blad ftaat, vijftien, twintig, ja dertig maaien zo veel ■water naar zich neemt, dan een andere, die geen Bla- den heeft, inhaalt; gevolgelijk zijn de Bladen de oor- zaaken dat een Boom zo veel vogten indrinkt. Dr. Grew heeft opgemerkt, dat hoe langer het vogt
in een.boom omloopt, hoe meer deszelfs waterachtige natuur in een lijmagtig vet verandert; het welk;door Dr. Hales bevestigd word. De laatstgenoemde heeft insgelijks waargenomen, dat de Boomen , die zoo wel in den winter als in den fomer groen zijn, weinig wa- ters intrekken; hun vogt heeft eene zeer langzaame be- weeging, en word daar door lijm- en olijachtig; en in den winter niet ftilftaande , blijven de Bladen door deszelfs'beweeging, hoe langzaam die ook toegaat , op den Boom bij aanhoudendheid bewaard. Dewijl de Boomen, terwijl zij nog Bladen hebben,
noodzaaklijk met waterachtige fappen moeten vervuld zijn, zo volgt, dat wanneer zij door een harden, win- ter overvallen worden, voordat hunne vogten vermin- derd: zijn of een lijmacbtige natuur hebben aangeno. |
y or.
men, wanneer zij zo ligt niet bevriefen of zich uitzet-
ten, de fappen vanden Boom noodzaaklijk moeten barsten; gevolglijk moet hun vogt uit de vaten wijken, en veroorzaaken dus, gelijk in Dieren, de dood van' den Boom door een heftige ftorting van vogt, die niet kan geflopt worden. De ondervinding bevestigt de waar. beid van bet geene hier is bijgebragt,....... De Boomen , die uit een warme in een koude lucht-
ftreek zijn overgeplant, en dat wel in het rechte jaar- getij daartoe, verduuren koude winters ; integendeel fterven zij als zij te vroeg in den herfst geplant wor- den, wanneer de vogten nog te menigvuldig of te wa- terachtig zijn, of in de lente, na dat de fappen in den Boom reeds hebben beginnen op te rijzen. De ftrenge winter die in den jaare 1708. omtrent S. Michael begon, deed een groot getal van Boomen fterven, die te voo. ren doorgeftaan hadden, en welker"foort federt door- ftonden, een koude, die even fel,was,,maar laater in't, jaar kwam. In de Noordfcbe gewesten-, daar het koorn zeer dikwils bevriest, zijn de Bouwlieden lang zo be- vreesd niet voor koude winters,. als voor zulken, die tot laat in de lente aanhouden. De wijze fcbikkïng des Scheppers fchijnt tot een regel gefteld te hebben, dat de Boomen voor den winter hunne bladen zouden laaten afvallen, om dat zij^dezelven in dat jaargetij zoo veel nadeel toebrengen als nut in den fomer. Die Boomen , welken uit warme en, zuidelijke land-
ftreeken komen, bevatten meer waterachtig vogt in zich, dan die welken in het Noorden grpeijen, gelijk Dr. Hales, insgelijks door proeven getoont heeft. Het bes- te hulpmiddel om het fterven van deeze Boomen voor te komen, is de Natuur na te bootfen, naamelijk hen van hunne Bladen te ontlasten, voor dat zij van zelve afvallen, om dus de vogten minder waterig en meer lijmachtig te doen worden, want het waterachtige, in een ftrengen winter bevriefende, zal de fapvatbnvan den Boom door deszelfs uitzetting doen van een barsten; De proeven die de Heer'Stromer, in gevolge van
deeze grondregels, heeft, in,'t werk gefteld aan dunne takken van den top der Boomen, welken doorgaans be- vriezen, zijn bij uitftekendheid wel uitgevallen. En het verhaal vanden Heer Laurent, wegens het geen in Engeland, ip de jaaren 1708 en 1709. is voorgeval" len, is een verder bewijs daarvan. Hij zegt dat alle foor- ten van Booméii in deeze harde vorst ftierven, uitge* zonderd de Möerbefieboomèn, die, tot voedfel der Zijwormen, voor den winter van hunne bladeren be- roofd waaren. Voorts merkt de Heer Stromer aan, dat alle de Bla-
den niet op eene reize den Boom moeten ontnomen wor- den, gelijk zij, volgens den loop der natuur , niet in eenen dag afvallen ; maar dat ze van langzaamerhand bij,kleine gedeeltens moeten afgeplukt worden, zo dat zij bijna tegen deii aanvang des winters bijna geheel dor zijn. Hij geeft insgelijks een waarfchouw/ng om de jonge fpruiten niet op denzelfden tijd afterukken. De rechte tijd.voor ieder moet bepaald worden door herhaalde proefneetnin,gen, om dat die Boomen, wel- ken zeer waterachtig zijn .hunne Bladen vroeger die- nen ontnomen te worden, dan zulken, die minder vogten hebben; mooglijk behooren ook uitheemfchen- en zulken die onlangs geplant zijn vroeger afgepW" te worden, dan zulken die lang in't land gewees- of zedert welker planting eenigen tijd verloopen is- Bij deeze laatfte aanmerkingen van den HeerSTRotfs |
|||||
|
VOR.
ni.noges wij nog, bij ■wijze van opheldering, voegen,
dat dewaterachtigfte Boomen deezen zijn, welken in de lente het vroegst hunne Bladen verkrijgen , en dat de natuur, altoos regelmaatig in haare werkingen, de- zelve het. eerst in den herfst van hunne bladen ontlast. Ten bewijze hier van heeft men maar acht te (laan op den Eik en Olm, die traaglijk zijn' in het uitfcbieten hunner Bladen, maar ze ook nog lang behouden na dat de andere tedere Boomen reeds geheel naakt zij'n |
|||||||||||||||||||||
|
VOR.
|
|||||||||||||||||||||
|
398?
|
|||||||||||||||||||||
|
f eeuw wrijven en z,cb eenigen ti/d in een koud ver-
rek houden, of ten mmften het vuur niet naderen D?r is altoos eene noodige voorzorg, als men door en SB koud geworden is. Zo fchadehjk als het voorde mees' te Volkeren is eensklaps uit eene groote hitte In eene groote koude over te gaan, zo nadeelig is het ook eene overmaatige koude aanftonds in een fomerhl te te ver- anderen, 't Is waar, dat een Rus, in't har e v an den winter, Van zijn beetgeftookten kachel afloopt in het |
|||||||||||||||||||||
|
Middelen om het bevriefen voor te hoornen, en hoedanig
met bevroorene Menfchen'te handelen Bij de Ouden (zegt den Ap.tz, in een van zijn gées. tige Vertoogen) is reeds Olij onder de middelen gere- kend, om de Leden tegens de koude te befchutten de- zelve leenig en buigzaam te houden, en het bevriefen voor te koomen. Ten deezen einde nu kunnen de fleen-, terpentijn-, raapolij, en andere oliën, gelijk ook harten-, ganzen-, runder-vet, kaars/meer enz. met vrugt gebruikt worden. Men moet, ais men genoodzaakt is een felle koude en vorst tegen te gaan, vooraf die Ie- den en deelen hier mede befrrieeren, welke meelt voor den wmd of koude bloot ftaan ; de Neus Ooren en Lippen vooral niette vergeeten. Men kan ze ook'met terwasfchen, daar men vooraf heet kaars/meer of boter m heeft laaten druipen, latende vervolgens het een met het ander op het vuur vermengd worden. Als men deeze mku'eïer; te fmeeng vinden moet
zo kan men toê het zelfde oogmerk, 'wijn-geest met óf ïonder kamfer, ttniïuur van barhfieen olmijrrhe fter lm b,andewijn, en dergelijke geestrijke middelen, ge. bruiken. Men doopt een ftuk vloeipapier, of Hnnen m deeze vogten , en ftrijkt'er deledemaaten mede en Wn f 6r d3n' zo't.moogel/jk is, een papier over- heen. Paracelsus prijst.reeds bet papier boven alle Pelfed, en andere bekleedzels, om.de leden voor de Äefhutten- Het is met Mer even e^*£
De Brandewijn, die uitwendig zulke goede diénften
t»vi AilerallJkm°etmendenzèlven maatiggebrui-
»»" f rrap Va" dronkenfchap verzwakt onze ge- waarwordmgen, en maakt ons, geneigd tot den flafp. SV"' aIs eeD 0Dzer Ieden bevriefl, zo word het rent doof en gevoelloos, en men bemerkt niet, dat het W« is, voor dat men in de warmte koom , enda ÄÄte 0?td°oi]en' Zo 00k als een Mensch Ir:
walrin VerVaIt ^ eerSC '5 een za8ten flaaP. welke
an en in ^ "' *% T" f*} niet ^éêrftaan
S,,ln Meezen ftaat verlaat de Ziel het Lighaam.
verdLfbev:hzing', TV5 «»e dronkenfchap! eené
zJkfn ',. n de hand' dus vermeerderen wij de oor-
|
ijsfpnngt, en op den kant van de bijt gaat zJmfn
om zich a te wasfehen, maar dit zijn vSSe»B ik met ge loof, dat iemand mijner Lezeren zal verïézen na te volgen. Het is altoos beter de eraaden S$>J5J2 en koude allengskens te veranderen en ^fJl ,f* I eXervguurteteTnofenen Uwa^ »Ä
dij een neet vuur brengen, of in een warm bed leseert zo zou de wijkende ziel ijlings vlugten dan I
integendeel op die wijze, als Ie f(anTd?aanen n zu?, ke gevallen de gewoonte hebben, dezelve wezenIHk te rug roept, en.den dooden in het levenS f- Zij begraaven namelijk de bevroozenen in de fneeuw alwaar zu hen dien nagt liggen laaten, en èra hut over hen heen maaken om ze voor de bJitenkoude e be- fchutten. Den volgenden ogtend ftaan de Patiënten op en zijn genoeg herfteld,%m hunnen weg té S
vorderen. " In den jaare 17s« is er iri n.L J j dergelijk eene wederopftandin/voor^ev$i£Ul»%S
Jne5tj d.e met zijn Heer op reis |as, vTelagterva" den wagen af en raakte p.nder de fneeuw bedolven Zun Heer hield hem voor verlooren, en zon* nmds eerfte pleisterplaats koomende, Menfchen uit om den vermeenden Dooden op te zoeken. Deze i tér bal! de plaats gekoomen, vonden deledigeplekindefneeuw maar de Man was vertrokken". *wlv%-*t- Dergelijk een gunftig gevolg kan men verwagten ars5
men bevrooze Menfcben in de mest begraaft waar door zij langzaam warm worden, en niet dan allengs öWooifen Men vind ,n bet eerße deel der GedenkfcMfienïR Academtr der Natuur-onderzoekers, een omftandig er! inderdaad zeldzaam geval, door den Heer vSiaï medegedeeld , van een Kat, die bevroozen, veivoSs , door de jongens gefleurd, gefleept, gefchokt gel? gen, met voeten vertreeden, en eindeüjk op eenmest hoop neergefmeeten was, en metftroo overdekt Deze Kat hier een.ge dagen gelegen hebbende, herleefde kwam te voorfebijn, liep meteen zoort van doIfebeÏd" gints en herwaards zag er woedend uit, en 1 Siéh door geene vnendelijkheeden lokken.s De langzaame ntdoo.jing.s zo noodzaakelijk ter herftellîng vInfelZ. en Menfchen dat men ze wezenliik om hals brengen oude, bijald.en men ze in eene fchieliike warmte over" ragt Zo ftierf de Marquis v*n Bhiquimao |
||||||||||||||||||||
|
eeuwigheid vö re Ä ^ deh fZUg naa' de
|
van MuNBHicK gewaagt, enkel omdat men hem' door
|
||||||||||||||||||||
|
«aas en gevTar.i k het" .Ts nfen'voor" JéfSren' Kt V^T*' Vf f* b« ee" » vuü^
|
|||||||||||||||||||||
|
?e vor« iS blooteefteld . *<, in A *.. "1 ',."?.Itren-
|
en bevrooze Visfehen, welke d^ln^s ZZte't
flaapen, wanneer men ze, voor hun tijd, dooreene fchiehjke warmte urt hunnen flaap opwekt. En seik- het dus met bevroozen Menfchen en Bieren is, zo is her eveneens met bevroozen Leienaaten.ó Wjnslow heeft twee -Perfoonen gekend, waarvan de eene het koudvuur in de bevroozene deelen kreeg, de andere blind wierd omdat men ze te fchielijk bij 't vuur gebragt had Als de Leden eens bevroozen zijn geweest, 20 word mea
|
||||||||||||||||||||
|
kbbênAS £ e^ne Z^arf 5°udf IanS °"thouden
v°elloos w;n kt' dat 2!jne ]eden d,00f' ft;Jf' en ge. 2élen da?r J"'Z0 m0et Ten' °m de fAadelÜkeuitwerk. ,1J'« te fchS?aTO°r !f k-00mCn^Z,°rg draaëen' dat ze
°oft in S' iljk 0ntd0OJien. Gelijk men bevrooren dooijen Water Iegt ' om bet aiiengskens te ont-
|
|||||||||||||||||||||
|
398* VOR. -
men daarin op dien tijd > als de vtrst weder aanvangt,
eene onlijdelijke jeukte gewaar, waardoor de leden zwellen, en rood en blauw worden, jazeKs openbree- ken, als men het niet tijdig voorkoomt. Te dezer tijd dan is het noodig de leden met de bovengedagte oliën, en geestrijke vogten te (meeren,. waardoor het openbree- ken word voorgekoomen. Men kan de Steenolij, met olij van witte lelijèn vermengd, tot dit oogmerk ge- bruiken, of verfcheide anderen zalven en middelen, alle welke tamelijk onvérfchillig zijn. Gebrande ap~ pelen of knollen worden hier toegebeezigd ; ook klein geftoote huisloük, met geraspte raapeu, en wat eij en mijrrhe vermengd. Dienftig hier toe is ook de on- gezoute boter, of.eene zalf van geel nasch, wittelelij- >> °Hj, ganzeyet, of vet van jonge hoenders ; of eene an- defe zalf uit vier lood bokkevet, twee lood geel wasch, een half lood.geelehars, 'een iood terpentijn-olie, en een half lood bootwolij beftaande; welk alles men onr der malkander fmelt, heet op linnen giet, enzovoort op de deelen, Jaar de koude in is, legt. Een bad van afgekookte agrimonie, hijsfoep , en marjolein ,! of een zoort van Bading in wannen asch, worden dikwils met vrugt gebruikt." Men kan uit dit alles kiezen wat men goedvind. ,De gemeene Man ondermsfchen, die minder omflag maakt, neemt zuurdeeg of biergs'st, of het vel van een bokking, en legt dit, niet zelden met goed gevolg, op de van koude verftijfde ledemaa- ten. . ; Als de deelen reeds werkelijk doorgebrooken zijn, zo
heelt men ze met zalven, uit üjngs&GOic bevroozeneraa- pen, welke metgejmolte boter, of olij, op het vuurzaàm- gekookt worden. En om de zweeren te zuiveren, maakt men een loog uit .den asch van berkenhout, in koud water uitgetrokken, daar men zo véél meel bij doet, dat het een pap wordt, welke pap men verfcheide dagen agter malkander op de zweeren legt, tot dat ze volkomen zui- ver zijn; waarna inen ze meteen pap vangekaauwd brood o?gekauwde erwten verder geneest. De.Laplanders ftee- ken een ftuk gloei jend ijzer 'in' een kaas, trekken heter weder uit, en fineeren de deelen, daar de koude in is, met de olij, welke er alsdan afdruipt, waarvan zij be- weeren ongelooflijk fchielijke geneezing te krijgen. Snee- den van een-&a«.r, heet gemaakt en óp de openingen ge- leid, doen denzelfden dienst. Als de zweeren nu door die middelen gezuiverd en geheeld zijn, zo kan men ze, door vlijtig wasfçhen ma kamfer-brandewijn, ottinctuur van barnßeen, ia 't veryojg beveiligen van weder open te breeken. \ Het ware te wenfchen, dat men met bevrwzene Men-
fchen meer proeven nam, dan tot hier toegefchied is , of zij niet te ontdooijen, en in 't leven,te herroepen zouden zijn. Want naardien men verdronkenen, die eenige dagen onder't w.ater gelegen hebben, weder tot zichzelven gebragt heeft; naardien dit zelfs dikwils ge-' fchied is met rieny die er eenige uuren in geweest, en bij alle dè Omftanders voor onherftelbaar dood gehouden zijn, zo worden de verhaalen van die perfoonen, welke bevroozen zijnde, na eenige dagen, weder in't leeven gebragt wierden, 'hier door te minder onwaarfchijnlijk, omdat het verdrinken een zoort van verdikking, en der. tialven een veel geweldiger dood is, dan het bevriezen, Kruser verhaalt dergelijk eene gefebiedenis van een èevroozen Kind, het welk eerst na den vierden dag gevonden, en toen nog door baden als opgewekt en m îierfleld is." Zo dit moegelijk is, kan men ten min- |
||||||
|
-: vor.
ften boopen, datde meestebeyroosene Menfihen., wel.
ke, na eenige weinige uuren, wedergevonden worden te herftellen zouden zijn, als de Gèneesbeeren hen niet zo fchielijk verlieten, en aan de Doodgravers overga- ven. '..'.'. De proeven met bevrooze Menfchen zijn gemaklijk in 't
werk te ftellen, en zij zijn ten minften altoos even twijf. felagtige Dooden, als de verdronkene, of verltikcen. Ik zie derhalven geene reden, waarom men voor deeer- ften niet dezelfde moeite, als voordelaatfteaanwenden zoude, daar zelfs gruoter waarfchijnlijkheid voor hun. ne herftelling voor handen is. Daar wordt hier nauwe- lijks, iets meer vereischt, dan met fneeuw of fneeuw. water te wrijven, te beweegen,' en langzaam te ver- warmen. Als een bevrooze Mensch 'm koud water ont.' dooit, zo zet'er zich een korst van ijs rondom zijn lichaam, even als om de bevrooze ooft, als men het in water legt. Als deze korst van ijs weder ontdooit, zó is dit een bewijs, dat het lichaam zo veel meer warmte heeft gekreegen, als koud water warmer is dan ijs. Derhalven moet men het zelve alsdan uit het wa- ter, of de fneeuw uitneemen, om het een meerder trap van warmte, dan het koude water heeft, te geeven. - Hier nu kan warme asch, of mest en ftroo, van dienst weezen. Te vöofen was dit gevaarlijk, om dat de warm- ■ te dan te fchielijk zoude gekomen zijn. Dit was 'mis- fehlen de reden, dat de Kat van Valentini dol wierdt, naardien ze door de mest de warmte te plotfelük hadt gekreegen, galijk. wij aanmerkten, dat die Dieren, wel- ke des winters verftijven en flaapen, altoos fterven, als men ze te ras opwekt. Zo dra men nu, door welke middelen ook, het lig-
haam tot zulk een trap van warmte heeft gebragt, als met eenegemaatigdelucht overeenkoomt, zo moet men het zelve met doeken wrijven, fchudden en beweegen, lucht in de longen blàazen, baaden, en bijzonderlijk die dëelen verwarmen, welke meest van de koude lijden, en welke reizende Lieden daarom zorgvuldigst hier- , voor moeten bewaaren. Mijne Lezers zullen, denk ik, begrijpen, welke deelen ik meen, zonder dat ik de- zelve verder nöeme. Als men nu eenmaal zo ver.gekomen is, zo moet
men door zenuWerfterkende geesten, en andere hulp- middelen, in andere dergelijke gevallen gebruikelijk « de levenskragtenpoogen op te wekken, en de drijfvede- ren der Machine weder aan het werken helpen Begit-t men allengskens meer leven te befpeuren, dan is 'er geene zwaarigbeid of men zal eene volkome herftelling uitwerken. Men zal mij tegenwerpen, dat deeze herftelling daar-
om alleen zo fpoedig voortgaat, om dat ik ze flegts "P het papier verrigte. Ik durf echter nogmaals verzeke- ren, datde werkelijke uitvoering zomtiids nog minder omdag vordert, dan ik befchreeven heb. De dood dooi bevriezing is, van alle geweldige foorten van (Ier- Ven de twijffelagtigfte. De enkele ftremming der vog- ten in de kleinfte vaten onder de huid, legt 'er den eer- ften trap toe. Deeze wordt gevolgt van eene ongevoe- ligheid en flaap, daar uit voortkomende, om dat deonv loop der levens-geesten in de hersfenen en zenuwen door de ftremming of verftijving wordt afgebroken. Dit alles nu gaat zo langzaam en trapsgewijze t0.e'...i7r het maakzelder vaste deelen daar door zeer weinig lijd'- Als men nu de geftremde vogten door eene iangzaame ontdooijing weder ontbindt, zo is'er niets meer n°odJ;' |
||||||
|
VOR. VOS.
Jan door bekwaame middelen de drijfveeren der levens«
ïbeweegingen weder aan den gang te brengen, en daar dit bij Verdronkenenen Verdikten zo dikwils gefchied, zo is er geen t wijffel aan te flaan, ofbetfook bij Bevroo- zene dikwils gefchieden kan , als men zich de moeite wil geeven, om het werk langzaam en voorzigtig aan te van- gen. Inzonderheid, daar men gezien heeft, dat ze nieermaalen van zelve opgeftaanzijn, als zijflegtsden eerften trap van warmte hadden,, welke de Sneeuw of het Water geeven kunnen. VORSTELIJKE-HAAGDIS , zie HAAGDISSEN
n. VI. pag. 966. VOS, in 't latij'n Pulpes. Dit Dier heeft zo als het
<ïe Natuurbefchrijvers aanmerken, een wezentlijke be- trekking tot den Hond ; gelijkende niet alleen van gedaan- te veel naar denzelven, maar ook een blaffendgeluidraaa- kende; wesbalven hij door de Heeren BiussoNen Lin- Haus beide, in het Geflagt der Honden begreepen word. De Fes word door de Grieken AXd*ii% geheeten, en
door de Latijnen Vulpes, 't welk eene verkorting fchijnt te zijn van Fvlipes, waar mede de gezwindheid van dit Dier in't loopen, betekend word; zijn franfche naam is Renard, de italiaanfcbe Volpe; de Spanjaards noemen hem Rapofa, de Duitfchers Fuchsf, de Sweeden Raef, en de Poolen Liska. Op de Fosfen beeft de verandering der luchtftreeken
grooten invloed, men vind er bijkans zo veel verfebei- denheden onder als onder de Huisdieren. De meesten onzer Fosfen zijn roodagtig of geelagtig ros ; eenigen grijs met witte plakken, beiden hebben zij Staarten aan 't ein- de wit, en de laatstgemelderi hebben zwarte pooten; zij fchijnen ook korter van lijf te weezen doordien hun vagt dikker is. 'Er zijn andere die, in de daad, langer van lijf zijn ; hunne koteür is donker graauw, zweemende naar de koleur der oude Wolven; dog ikdurfniet bepaa- len (zegt de Heer Bt/ryoN) of dit verfchil in koleur ee- ne weezenlijke verfcheidenheid is, dan of dezelve al- leen veroorzaakt word door den ouderdom van het Dier, 't geen mooglijk, met de jaaren, in grijsheid toeneemt, * ^ ,; Inde NoordfcbeLandfcbappen, vind men Fosfen van
bijkans alierleij koleuren« Zwarte, blauwagtige, graau- we, ijzerkoleurige, zilverglanzige, witte met geelagti« ge Pooten, witte met zwarte Koppen, witte met een zwarte top aan den Staart, rosfemet een witte Nek en Buik, zonder eenigen zwarten plek; en, eindelijk, ee- nige met een zwarte ftreep langs den Ruggegraad, een «n andere zwarte ftreep overde Schouders elkander kruis- fende; deeze Fosfen zijn grooter dan de anderf, en hebhen een zwarten Nek. De gemeene zvort treft men op'meer plaarzen aan dan
eenige anderen, en word genoegzaam overal in Europa gevonden, als mede in de noordlijkfte en gematigde dee- len van Aßa en zelf Amerika; dog is zeer zeldzaam in Afrika, endelanden nabij Je Evena*rslijn. Reizigers, die zeggen er gezien te hebben te Calcutta en andere duidelijke Landfchappen van Indie, hebben Jakhalfen J»oor Fosfen genoomen. Aristotei.es is tot dezelfde waa ing vervallen, als hij zegt, dat de Fosfen in Egiip. de ff "ne-r zijn dan in GrieIien'and' Deeze zogenoem-
]. Eg'iptifche Fosfen waaren Bontzems, aie een ondraaee» »iken ftank hadden. zJznzePr<>sfin uit koude landen herkomftig, zijn aan on- J^aj'gdeGe westen «igen geworden; en als ingeboo-
rii Deel,
|
|||||||||
|
SP«?
|
|||||||||
|
VOS.
|
|||||||||
|
renen ingelijfd; dog zuidwaards hebben zij zich niet
wijder uitgeftrekt dan Spanje en Japan. Van onder kou- der Luchtftreeken oorfproDgiijk, vind men daar alle de zoorten, en daar alleen; daarenboven kunnen zij de ftrengtfte koude verduuren, en zijn dus in grooten over» vloede zoo aan de Zuid- als aan de Noord-Pool. DeVagt der witte Fosfen is niet zeer geagc, om dat ze ligt uit- valt, de zilverglanzige is beter; de blauwe en geftreep- te zijn meer gewild, ter oorzaake der zeldzaamheid; dog de zwarte Vagten zijn de kostbaarfte van allen, en naast aan fabelbont koomende, maaken ze de fchoonfte en duur- fte Pelterij uit; men vind deeze op Spitsbergen, in Groen- land , Lapland en Canada, waar men ook eenige geftreep- ten aantreft, en de gemeene zoort minder ros is dart in gemaatigder Europifche Landen, als mede langer en dik« ker haatr heeft. In Lapland zijn de Fosfen bovenal zeer talrijk, meest alle wit, fchoon er eenige van de gemee- ne koleur voorkoomen. Deeze witte gelden 't minst» dog men heeft er ook eenige blaauwe, die zeldzaam en duur zijn; hunne Vagten worden zomtijds voor veertig of vijftig kroonen het ftuk verkogt, het haaïr is zo fijn en lang, dat het afhangt aan welk eene zijde men begeert, zo dat wanneer men de Vagt bij den Staart opvat, net haair over de ooren valt. Van ouds her, is de Fesaangemerkt als een zinnebeekl
van "behendigheid en list, dewijl het daar in de meeste andere Dieren fchijnt te overtreffen. Menfcben die een ander weeten te verfchalken, worden looze Fosfen ge» noemd. Inderdaad, de ondervinding leert, dat de Ou- den in het vernaaien van de loosheden waar van deeze Dieren, zo tot hunne beveiliging, als tot het- bejaa- gen van hun aas, gebruik maaken, de zaak niet ver» grpot hebben. Ook heeft dit Dier dezelfde behoeften als de Wolf, daar bij dezelfde neiging voor den roof; hij beeft even fijne fintuigen, meer vaardigheid en behen- digheid; maar de fterkte ontbreekt hem, en hij is ge- noodzaakt deeze door list en geduld te te vervullen. Een der eerfte uitwerkzelen van zijn meerdere kloekheid bo- ven den Wolf, is, vanzich een Hol te maaken, ómzich voor de ongemakken van het weder te beveiligen en zich tevens een wijk. en fchuilplaats te bezorgen. Om zich de moeite te befpaaren van zelf te graaven, maakt hij zich gemeenlijk meester van een Konijnen-Hol, die hij daar uitjaagt. Wanneer eenige reden hem bepaalt om van woonplaats te veranderen, is zijn eerfte zorg alle Holen te gaan bezigtigen, die hem dienen kunnen, %yooral de zulken die Oudtijds door Fosfen bewoond zijn. Hij red ze, de eene na de andere, op, en 't is niet dan na dezelvert allen nauwkeurig onderzogt te hebben, dat hij zich in bet zijne vestigt, alle middelen tewerk ftellen- de om die veilig buiten 't oog en gemaklijk te maaken; daar bij voorziet hij het zelve, met zo veele bogten e» uitgangen, dat geen Jaager met zijne Honden in ftaàt is, dus den Fes in zijn geweld te krijgen. Doorgaans kiest hij zijne woonfteede op den kant der Bosfchen, nabij Dorpen en Gehugten, waar hij hetgekraai derHaanen, en 't geluid van andere Vogelen kan hooren. Maarzo hij in 't minst daar in ontrust word, verlaat hij hetftralts, en duld niet, dat de onrust nadere tot de plaats zijner rus- te." De Pm dus gevestigd, doorloopt vervolgens alle de omtrekken van zijn Hol, op een vrij grooten afftand; hij neemt de Dorpen, de Gehugten, de eenzaamè Huizen op; hij befpied het Gevogelte; hü onderzoekt de plaac- zen daar hij beweeging boort, endaardeftilteheerscht; hij ziet uit naar Heggen, en andere verborgen hoeken, Ff die |
|||||||||
|
- «VOS.
■ en op: de vlugt te drijven, door hém een ontélbaareme-
:nigte fteeken toétebrengen. Hij gaat-t is waar, been' ;dog't is om ziehte wentelen, en dus zijne Vijanden té dooden; waar op hij weder komt, en dit zo dikwerf her-
haalt, dat zij genoodzaakt worden het Nest te verlaa- -ten; wanneer de Vus het opdelft en al den Honing als mede het wasch verflind. Hij vangt ook Stekelvarkens, die hij zo lang met de pooten rolt, dat zij genoodzaakt "zijn, zich uitteftrekken. Dan de jagt en het opfpooren van voedzel ,is nietal-
tijd onmiddèlijk het voorwerp der zwervingen van den Vos; fchoon reeds verzadigd, doet zijn 'werkzaam voor- üitzigt hem evenwel zwerven , minder met oogmerk om nieuwen buit op te doen, dan om naauwkeuriger kennis te bekoöuien van de middelen:, die bet land hem'verfchaft, om'van te leeven. Hij koomt dikwils weder tot de ver- schillende Holen, welken, hij eerst opgered heeft, hij loopt dezelve öm, met veel voorzigtigheid, hij gaat er in", en onderzoekt de verfebeidene uitgangen nauwkeu- rig ; hij nadert- trapsgewijze tot de'voorwerpen, die hem nieuw zijn; alle nieuwigheid is; hem in 't begin verdagt, en elk zijner treden tót dat voorwerp geeft zijn wantrou. wen en onderzoek te kennen. Met lokaafen echter vân dingen', daar de Vos/én; graag naar zijn, krijgt menze vrij gemaklijkindënftrik, ais zij die dingen nog niet kennen, maar hebben zij er eenmaal de ondervinding van, zo wor- den dié middelen naderhand nutteloos. Daar is geen lokaas, het welk dan een Vos het gevaar zal doen tar- ten , dat hij kent of voor vreest. Hij verneemthet ijzer van den Strik, en die gewaarwording, verfcbrikkelijk voor hem geworden , baalt het boven alle indrukzels over. Zo hij bemerkt, dat de hiriderïaagen rondsom hem vermenigvuldigd zijn, verlaat hij het landom een veiliger verblijf op te zoeken. Zomtijds echter, door trapswijze en herhaalde naderingen aangemoedigd, en door het zekere gevoel van zijn neus geleid, zal hij het ■ middel vinden ,c om behendiglijk, èn zonder zich aan
gevaar blootteftellen , het lokaas uit een ftrik wegtê' neemen. Men ziet dat« dit bedrijf, in alle zijne omftandighe-
dén, verfcheide fijne opmerkingen, en eene vrij zaaiiien. gefielde f edeneéring, onderftelt. Ik zou nimmer gedaan hebben, zo ik alle de oogmerken die hem zijne vlugt doen Veranderen, én de oogmerken dié in hein het vermogen van de gewoonte, zo kragtig in alle Dieren,tegenhou- den , en alle de verfcheidenhedeh, welke een nieuw to- neel van zaaken fn zijn gedrag te weeg brengt, wilde op- geeven. Dit alles is noodzaaklijk voor een zwak Dier, 't welk te doen beeft met den Mensch, die hem in de voldoening#zijner behoeften of venrïaakén hindert. Zo het een natuurlijk voordeel voor hem is een wijkplaatste hebben, en "als gehuisvest te zijn, zó is dit ook een mid- del te meer, 't welk zijn Vijand heeft om hem aantetas- ten; de Mensch ontdektligtelijkzijn verblijf, en koomt hem daar verrasfen; maar de Mensch met alle zijne kónst én werktuigen, beeft zelf veel ondervinding noódigom door de voorzigtigheid en listen van den Vos niet te loot gefield t,e worden. Zo alle de uitgangen van een Ho' met ftrikken bezet zijn,"ontdekt'het Dier dezelve, Çn getroost zich liever,den wreedften honger,, dan zien w dezelve te begeeven; hij blijft zomtijds veertien da- gen hardnekkig In hef Hol, en bepaalt zich, niet om « uittegaan j dan wanneer de overmaat van honger hem S<j?' De keus meer laat dan wegens het zobrt van dood. P1, vrees, v/elke den Vos wedeïhoud, is als dan niet vr&'
.. , tuig-
|
||||||||||
|
VOS.
|
||||||||||
|
3988
|
||||||||||
|
die hem in tijd van nood zouden kunnen dienen om zijne
vlugt te begunfligen. Die toeftel van voorzorge?, d*t VöorUitzigt van zo veelemooglijke toevallen, onderftel- len noodzaakelijk, dat hij veele bijzonderheden en'uit- 'komflen van zaaken kent en in aanmeiking neemt. Steeds door een beredeneerend wantrouwen geleid, laat hij zich zelden vervoeren door de drift om- een prooi, die vlugt, haastig te agtervolgen, hij nadert dezelve langzaam, en maakt er zich meester van meter,, nabij zijnde, boven op te fpringen. Veeltijds houd hij zich op eenigen af- ftand van de plaats daar hij roof heeft ontdekt, en wagt op eenëgunftige gelegenheid, bedekt zijn oogmerk en gang ; verhoolen kruipt hij voort en komt ten laatften op de plaats zijner beooginge, zelden onderneemt hij iets te vergeefsch. Indien hii de fchuttingen kan over- klauteren of er onder door wroeten, verzuimt hij geen ogenblik, maar koomt op deBasfecours enBoerewerven bij de Volières of Hoenderhokken,; endooder alles, ftil- lèties aftrekkende met een gedeelte van de gevangen prooi, dien hij onder ruigte verbergt, of terftond in zijn Holfïëept; weinig oogenblikken daarna keert hij weder om een ändere vragt te haaien, die hij 't huis brengt, of even als de voorgaande, fchöön opeene andereplaats, verbergt ; hiermede vaart hij voort tot alles is weggehaald, of dat de dag en het gerügt der Huislieden hem Waar- fchouwt, dat hij zich moet: verfchuilen j en niet weder köomeh. Op dezelfde wijze gaat hij te werk tér plaatze waar men ftrikken en knippen om Vogels te vangen, ge- fpannen-en-gezet heeft; hij komt den Vogelaar voor en ;gaat zeer vroeg in de morgen uit, en dikmaais bezoekt hij dié plaatzpn meer dan eens op een dag, en neemt de ' vërftrikte'öPgevange Vogels mede-. Dus verzamelt hij ^levensmiddelen voor verichciden dagen, en verbergt 't «geen hij overhoud zorgvuldig, om het in tijd Van nood Weder te vinden. ' ; Zo 'de Vos t'hnis hoort in een land daar veel Wild valt,
.moet zijne kloekheid op eene' andere wijze werken, om aan' zijne gulzigheid te voldoen. Dan eens doorloopt hij »de velden met den neus in den wind, hij neemt op, waar of een Haas in zijn leger ligt, of een Patrijs zich in de vobïen verhoud; hij nadert die plaats in ftilte, zijne flappen, nauwlijks getekend op den weeken.grond, too- nen zijne ligtvaardigheid, en het oogmerk dat hij heeft Van té verrasfen, daar bij ook zeer dikwils in flaagt. Zomtijds neemt hij zijn toevlugt tot geduld; hij gaat ■ langs de Bosfchen, neemt den loop van een Konijn waar, verbergt.zich, wagt het op, en valt het aan, als het zel- ve onbezorgt weder derwaarts loopt. In 't vervolgen vaaWild keft hij gelijk een Dashond, en verfcbrikt dus het Beest 't welk veeltijds door een anderen Vos,die>$zn 'de baan of doorgang oppast, gevangen word. Hij eet . öok" Mollen, Aardmuifen, wilde Katten en Lammeren.; Springbaanen, Kikvorsfchen, en allerlei] zoort van Viseb. Men verhaalt dat hij aan de oevers der Rivieren listig, lijk zit te loeren, tot dat er een Otter komt, om zijne prooii op té eeten, dien hij dan, fchielijk opfpringeri- de, doet verfcbrikken, zo dat de Otter zijn gevangen Vifcb aan den Vos ten buit laat. Opdergelijke'manier, weet hij ook Eraaijen en andere Roofvogels té verrasfem Zelfs wil men, dat hij zich zomtijds dood veinst, oin'het Gedierte, 't weikin deezen op hem aanvalt, te betrap- pen. Den Wijngaard kan hij ook befcbadigen, doordien de'Druiven en andere Vrugten zijne Snóeperijzijn. Zeer is dé Vos ook gefield op Honing, en valt dus aan op wil- de-Bijen, en Wespen j die hem wel póogen afteweeren |
||||||||||
|
vos.
tuiglijk nog werkeloos; daar is geen middel, dat hij' on«
beproefd laar om het gevaar te ontkomen ; zolang bij nagels heeft, werkt hij om een nieuwen uittogt te maa- ken, waar door hii dikwils'aan de hinderlaagen van den Jaagerontfnapt. Zo eenig Konijn, met hem in het Hol opgeflooten, zich in den ltrik werpt, of zo die ftrik door eenig ander toeval ontfpannen word, oordeelt het Dier, dat het Werktuig zijne werking gedaan heeft, en gaat er gerust en veilig door. De eenige drift, die den Vos een gedeelte zijner ge-
woone voorzorgen doet vergeeten, is-de ouderlijkcte* derheid. De noodzaakelijkbëid om zijn Kroost te voe- den, als het zelve mede in 't Hol'beflooten is, maakt den Vader en de Moeder, en vooral de laatfte (louter, dan zij voor haar zelve zoude zijn, en Hie dringende nood doet haar dikwerf het gevaar uittarten. Dejaagers weeten bun voordeel wel te doen met die ouderlijke te- derheid der Vosfen voor hun Kroost; degemeenfchapder zorgen voor't Gezin, die vereeniging van belangen, on- derftellen een zoort van zedekunde en beredeneerde ge; negenheid, die zich verder dan tot de natuurlijke behoef- te der liefde of wellustigbëid uitftrekt. Deeze Dieren fchoon gewend toneelen van moord en bloed te zien, hoo- ren niet zonder deernis het gefchrei en den hongerkreet hunner Jongen; de Hoenders hebben ongetwijffelt regt Om hen voor medoogenlooze Dieren aantezien, maar hunne Wijfjes, hunne Jongen, en zélfs allen, die tot hetGefiagt bebooren, hebbén geen reden, om zich over hente beklaagen. Die tedere ongerustheid, die de Vos- fen tot een drijfveer verftrekt om zich zelven te vergee- ten, maakt hen oneindig oplettend op alle de gevaaren, die hunne Jougen kunnen dreigen. ZoeenigMensch het Hol nadert, brengt de Moeder-Vos dezelve den volgenden, nàgt naar een ander Hol, en zij ftaat bloot, om dus veel- maaien te moeten verhuifen, om dat de Vosfen-Jaagers geduurende deezen tijd, in haare nabuurfchap meer ïlagtingen aahregten, dan anders, én dat de Mensch zich thans bijzonderlijk bevlijtigd om ze te verdel- .gen. --C- ' ■■ " x ■>■■■"{ ; v' : Behalven het groot belang dat de Mensch heeft om
de Vos te verdelgen, is derzelver-jagt ook niet onver» maaklijk ( die> van boe veel moeite ook vergezeld dik- *ils met Honden word ondernoomen, en des winters in de fneeuw, doorgaans niet kwalijk uitvalt, 't Is zeer moeijelijk zijn fpoorte ontdekken, om dat devoetftap pen zo weinig, van die der Honden verfcbillén; dog hij zet zijne Hielen zo ftijf niet neer, nog zo wijd van el- kander, ten zij men hevig jaage. De beste tijd tot. die jagt is in 't vroege voorjaar, wanneer deßosichen luch- (|gtst en de Vagten op haar best zijn. Men laat de Vosfen ook wel door Dashondjes mét fcbeeve pooten, of kleine '-poorhondjes, uit hunne Holen drijven, om van den Jaa- ge''gefcbooten te worden. Dit',is een goed middel om een geheel Vosjenest te krijgen, de Moer met de Jongen ; ter- wijl zij bezig is met zich te verdedigen en tegen de Das- npnden te vegten oridergraaven de Jaagers het ander emde van het'HoI, waar in de Vos gedood of ieeverid ^eggenoomen word. Maar dewijl de Vosfen, dikwils, nunne Holen in rotzen, onderde wortels der boomen, ^ Veelal zeer diep onder den grond hebben , wil. deeze 'JZe van jaagen niet altoos gelukken. Dë gebruiklifk- .'e. de vermaaklijkfte en zekérfte wijze van Vosfen te jaagenfs, dat men hunne Holen toeftopt, Indienmen .°Pr heeft hen te fchieten, moeten dejaagers op eenen voorlijken afftand geplaatst worden; men Iaat de Hon- |
||||||||||
|
VOS.
|
||||||||||
|
mo
|
||||||||||
|
den -lös," en wanneer zij bet fpoör Vinden, fnelt de Vor
naar zijn Hol; maar pp zijn aankomst^ moet bij htt eer- fte fchieten door ftaan; ontkomt hij zulks, dan vlugthij uit al zijn magt, en eenen grooten omweg heemende, keert hij weder tot zijn Hol, dan word ten tweédemaal op hem gëfchooten; en den ingang geflooten vindende, tragt hij zich te redden, door regtftreeks weg te loopen, zonder om te keeren, dan zetten de Hondsn hem na, en de Vof mat zich zeer af, dewijl hij door de digst begroei- de wildernisfen, waar de Honden hem 't bezwaar!ijkst' Runnen volgen, heen dringt, en als hij op eene vjakte komt, zonder ftilftaan of omzien voortfnêlt. Nog dient aangemerkt, dat de Foj/èn eerder alles zullen béftaandan een Mensch voorbij te gaan; in zodanig geval, ontzien zij niet Omzomtijds eenmuurof fchutting van agt of ne- gen voeten hoogte over te fpringen. Wanneer de Hon- den gereed zijn een Vos die zij vervolgen, te vatten, weet hij zich zomtijds te redden door middel vän zijn Staart, die hij bepist en dan zijne Vervolgers daar me- de in de oogen kwispelt, zo dat zij vooreen oogenbük blind wordende, hem weder uit het gezigt verliezen. Om de Vosfen te vernielen is het veel gemaklijkerhen in ftrikken en vallen te vangen, doormiddel van lokaas, een ftuk vleescb, een Duifof eenigen andere levendigen Vogel. Yzeren Angels, die de gedaante van Voet-an- gels hebben, zijn zeergefchikt om Vosfen mede te vangen ; want dit Dier in een ftrik of val geraakt zijnde, wendal-~ Ie moeite aan om die-te vernielen, Jaatendezelfs dikwils een van zijn Pootén in de.loop, wanneer hij zich red- den kan, door die aftebijten of af te fcheuren. In de Noordfche Landen, daar de Vosfen' zeer veel fchaade toebrengen aan de Kudden,word er zomtijds vergif- tig Aas voor gelegt, om deeze Dieren maar van kant te belpen; waar toe niet alleen de zogenoemdeBràak- nooten, maar zelfs bittere Amandelen dienftig zijn. Zeer veel gelijkt de Vos naar den Hond, boven al wat
de inwendige doelen betreft; nog;bans i's er verfchil in de Kop, Die van de Fox is grooter naar evenredig. heid van het Lijf, de Ooren zijn korter, de Staart en het haair is veel langer, het laatfte krult meer en is dik- ker, desgelijks verfchilt hij vân den Hond door eefi on- aatjgenaamenftank, welke hem bijzonder eigen is, en ein- delijk, is een allërwee'zenljjkst kenmerk, denatuurlijke geaartbeid. De Vos laat ajch bezwaarlijk en nooit vol- komen temmen; hij kwijnt wanneer hij niet in vrijheid is, en fterft van-verdriet, als bij te lang opgeflooten ge- houden word. Hij paart niet met eene Teef, en, in- dien ze geen wederzin tegen eikander hebben, zljnze ten minden Wederzijds onverfchillig. De Vos brengt een kleinder getal Jongen ter weêreld, en werpt maar eens in 't jaar, doorgaans vier of vijf jongen teffens, zelden zes en hooit minder dan drie. Wanneer het Wijfje zwan- ger is, verbergt zij zich, en komt zelden uit haar Hol te voorfcbijn, waar zij een leger voor baare Jongen toe- bereid. Zij is in den winter ritzig,- en men vind de jon- ge Vvsféfi in april. Wanneer zij bemerkt, dat men baar. verblijf ontdekt heeft, en dat de Jongen in haarafwee- Zen geftoórd geworden zijn, brengt zij ze alle weg, den een voor, den ander na, in een nieuw verblijf. De Jon- gen koomen, als die der Honden, blind ter weereld; zij groeijen agttien maanden of omtrent t wee jaaren," en leeven dertien ef veertien jaàren. DeSintuigen van den Vos zijn zo goed als die van den
Wolf, en hij bezit een fchranderer begrip ; ook kan bij
meer verandering in zijngemid maâken. ■ Van den Wolf
Ff 2 hoort
|
||||||||||
|
3S>S» VOS.
|
|||||||||
|
VOS.
|
|||||||||
|
hoort men niet anders dan een fcbrikkelijk gehuil ; de
Vos huilt, blaft en flaat het geluid van een Paauw. Hij weet verfchillende toonen te vormen, naar de verfcbil- lende aandoeningen, welke bij gevoelt; doch de kla- gende toon van pijn laat hij nimmer hooren, of hij moet een fchoot gekreegen hebben, die een zijner Leden wegneemt; over eene andere wonde fchreeuwt hij niet, en laat zich, even als de Wolf, met ftokken dooi flaan, zonder geluid te geeven; doch hij ftelt zich altoos dap- per te. weer, bijt fel toe, en houd zeer vast; zo dat men een ijzeren geweer, of een goeden ftok, noodig hebbe om hem af te weeren. Zijn gehuil is een zoon van ge« blaf, beftaande uit gelijke en fchielijkop een volgende verheffingen; *op't eindigen van het gehuil flaat*hij een luider en fterker toon, gelijkende naar het gefchreeuw der Paauwen. In dea winter, bovenal wanneer bet vriest of als 'er fneeuw legt, huilt hij onophoudelijk; integendeel houd hij zich des fomers meest ftil. In dit faifoen valt het hair uit, en dus zijn de huiden der Vos- fen , in den fomer gevangen .weinig waard. Het vleefch der Vosfen is flegt, doch beter dan dat van den Wolf; Honden, ja zelfs Menfchen, eeten het in den herfst, bovenal in Landen, waar de Vosfen veel Druiven eeten.. De Vosfen flaapen zeer vast, en kunnen, zonder ze wak- ker te njaaken, gemaklijk genaderd worden. Onder het flaapen leggen zij krom, ineen gebogen als de Honden; dog, wanneer zij flegts rusten , ftrekken zij de agter- pootenuit, en.leggen verder op den Buik; in deeze ge. ltalte loert de Vos op de Vogelen ter zijde van de Haa- gen ; deezen hebben zo geweldig eenen afkeer van den Vos, dat zij, op't eigen oogenblik als zij hem zien, een fchreeuw van waarfchouwing geeven. De Meer- kollen en Meerlen begluuren den Vos uit de toppen der boomen , en herhaalen dikmaals het gefchreeuw van waarfcbouwing, zomtijds volgen zij hem twee of drie honderd fcbreedeit ver. Ik kweekte, (zegt de Heer Euffon) eenige" Vos-
Jen op, die zeer jong uit het Nest genoomen waa- ren. :Doordien zij een zeer leelijken ftank van zicb geeven, kunnen zij alleen op afgezonderde plaatzen, als Stallen of Schuwen, gehouden, en. dus zo ge- maklijk niet geduurig bezien worden ; en 't is moog- lijk te deezer oorzaake, dan men ze niet zo wel kan temmen dan den Wolf, die men naderbij buis kan hebben. Toen de jonge Vosfen vijf of zes maanden bereikt hadden, zetten zij de Hoenders en Eenden agterna, en moesten vastgezet worden. Twee jaa- ren lang hield ik 'er drie, een Wijfje en twee Man. netjes. Ik poogde, dog te vergeefsch, hun met Teeven te doen fpeelen; fchoon zij nimmer Wijfjes . van hun eigene zoort gezien hadden, en bleeken zeer loops te zijn, konden zij niet befluiten zich met Tee- -ven-te vereenigen. Dog op 't eigen oogenblik als ik een Wijfje van hun eigen zoort bii bun bragt, dek- ten zij het, hoewel aan de ketting leggende, en het bragt vier Jongen voort. Deeze zelfde Vosfen, die op de Hoenders jagt maakten, wanneer zij los lie- ,., pen, raakten ze niet aan als ze aan de ketting fton« den. Men bond dikmaals eene leevende Hen bij hun vast, en liet dezelve den geheelen nagt blijven, zelf ,, na dat de Vosfen gevast hadden; dog, in weerwil van den honger, en die gunftige gelegenheid, vergaten zij niet. d-at ze gebonden waren, en lieten: de Hen ongedeerd. Uit dît alles heeft men moeten opmerken, dat de ge«
|
|||||||||
|
woone levenswijze van den Vos, en het verflag zijner
dagelijkfche verrigtingen, een beter geregeld ontwerp onderftellen, meer opmerking, grooter uitzigten te kennen geeven, dan die van den Wolf; de voorzich- tigheid is de toevlugt van de zwakheid, en zij is niet zelden voordeeliger dan de kragt en moed tevens. Voor het overige bemerkt men eveneens in deeze Dieren ee- ne vatbaarheid om zich te volmaaken, die zij gemeen hebben, in weerwil van't verfchil, dat hun uit- en in. wendig maakzel en hunne behoeftens in de uitkomften voortbrengen. Onkundig, dom, bijna verftandeloos in. die plaatzen, alwaar men hen geen openlijken oorlog aandoet, worden zij bekwaam, fchranderr listig, als. de vrees voor de fmart of den dood, onder duizend ge- . daanten vertoond, hen meerdere gewaarwordingen doet ondervinden, als die gewaarwordingen, in hunne ge. heugens ingedrukt en bewaard, daar onderfcheidene oordeelen en befluiten voortbrengen, en vervolgen« met andere omftandigheden vergeïeeken, den kring hun. ner redeneering uitbreiden. De eerfte befluiten zijn niet altoos juist, maar de ondervinding verbetert ze, en het is niet bezwaarlijk, de verfchillende trappen van vorde- ring deezer Dieren in hunne verfchillende leeftijden, zo wel als leefwijzen, duidelijk na te gaan. In de Jeugd doen de onvoorzichtigheid en onbedagtheid hen veel verkeerde flappen doen ; vervolgens veroorzaaken de gevaaren daar zij .zich aan blootgefteld zien, hen eene vrees, die dikwils hun oordeel verbijsterd, die henal- Ie de onbekende gedaanten der dingen als gevaarlijk doet befchouwen» een denkbeeld yan ramp hegt aan al- les wat nieuw is, en bijgevolg harfenfchimmige zwaa- righeden maakt. De oude Wolven en de oude Vosfin, welken de noodzaaklijkheid dikwils verpligt heeft om hun oordeel over dingen te verbeteren, zijn minderon- derbevig om zich door valfche vertooningen te laaten misleiden, en voorzigtiger om zich tegen wezenlijke ge« vaaren te befchermen. Gelijk eene verkeerde vrees ben hunnen nagt kan doen misfen, en een lastig gebrek van voedzel veroorzaaken, hebben zij veel belang om de ingebeelde van de wezenlijke gevaaren te onderfcheiden. Het belang brengt de oplettenheid, de oplettenheid de voorzigtigheid en den moed tevens voort. Dus zijn deeze Dieren vbinwakbaar, en zo het verfchil- van ge.' ïeeding de volmaak baarheid der zoorten bepaalt, zo- hebbeq zij dit met ons gemeen, en belet dit niet, dat alle zoorten dit voordeel in een zekere maat bezitten, 't welk men zich .inderdaad nau-wlijks verbeelden kan afgefcheiden te kunnen worden van een Die», dat ge« waarwordingen, denkbeelden en geheugen beeft, en zijne behoeften moet vervullen, door zijne verkreegen denkbeelden te vergelijken, en zich naar vereisch van omftandigheden verfchillend te gedraagen. Voor 't overige-zijn de Vosfen aan dergelijke ziekten.
als de Honden onderhevig,, zij paaren op dezelfde ma- nier. Zeldzaam kan men een bevrugt Wijfje magt'g worden, om dat die zkh nimmer ver van honk begee- ven, en op het mi nfte geraas weder in bun hol kruipen- De Jaagers, die ze hebben opgewroet, verzekeren, dat het diepfte in drie gaten is verdeeld, het een tot een Nest voor de Jongen,, het andere tot berging, ^n voorraad, én het derde voor de vuiligheden. Het D'et toont niet minder drift, dan de Wolvin, om haare Jon- gen te befchermen, die met hun allen, aan den ing?.n£ van het Hol* afwagten , dat de Moer hun mzi |
|||||||||
|
VSÖSL .
De wermaarde Geneesheer, Th. Bart hol rires, ver-
haalt eene waarneeming van zijn Zoon, die digt aan den wortel van den Staart, vijf vingerbreedten van het Stuit- been, zekere KHertjes gevonden bad, die een zeer aan- genaame reuk, als van Violen, uitgaven, en Schwenk- feld zegt, in zijne Hiftorie der Viervoetige Dieren van Silezie even'tzelfde. Egter zijn erandere Ontle.edkun- digen geweest, die deeze Kliertjes, nog de borfteiige baairtjes, daar ingeworteld, nog dien aangenaamen reuk, jn.ee.ne Fos, die in 't voorst van meij gedood was, geens- zins hebben kunnen vinden. Zij wierden, integendeel, bij de ontleeding van dit Dier een fchrikkelijken ftank gewaar, zodanig dat men er mede in de open lucht moest gaan ; 't welk geenszins uit eenige verrotting fproot. De olieagtige deelen van den Fos moeten fijndes of
vlugger zijn dan die van den Hond, dewijl zijn pis zoo fcherp en (linkende is. Men gebruikt er het vjeesch en vet en de Long van in de Geneeskunde. Het vleesch zo gezoden als gebraden, word als verzagtende in verfchei- den borstkwaaien aangepreefen. Het gebeele Dier, ge- vild zijndeen ontweid, word in olie gekookt, volgens iet voorfchrift vaneenige âpotheeken, zijnde die Qlfe dan een zeergoed uitwendig middel, tegen de verharding gen, uitdroogingeq en uitteeringen der Ledemaaten. Het Fosfe-vet word daar tegen ook gebruikt, en inzon- derheid tegen de beroerdheid, lammigheid en andere ze- Bswkwaalen. Maar de Lang is wel het meeste vermaard. ais een middel van bijzondere kragt tegen de ongemakken van deBorst. Schneiderus verhaald, dathijeenMan wiens Long van een musketkogel was doorboord, en die, met bloedige fluimen, dikwils brokken van zijn Long opgaf, daarmedegeneefen heeft. Men maakt daarvan, met yerfcheide andere borstmiddelen en honing,, die be- kende Lohock de pulmane Fulpis, welke oudtijds in zo veel agiing is geweest. Men vind ook aan de Lever» Milt, Gal, en t Bloed van den Fos,eenige kragten toe.- gefchreeven, die weinig opmerking verdienen; dog 't is zeker dat zijne drek da ruwheid wegneemt van het vel. De voornaamfte dienst, die men thans van deeze Die*
ran heeft,, beftaat in derzelver Vagt, waar van het bont tot voering in. Rokken en Winterkiederen gebruikt word. Dit Bont is van zeer verfcbïliende waardij, naar de ko- leur der Vagten» die gelijk wij reeds in den beginne van- dit Ärtijkel hebben aangemerkt, gemeenlijkroodagtig of' geelagtig ros zijn, met graauwe haafrenop de Rug en ee- lige witte plekken aan den Buik getekend. Vanzodani-- êe Vagten worden 't eene jaar door 't ander, wel vier duizend-te Bergen in Noorweegen uitgevoert. Oog daar. zijn nog; witte en zwarte, als ook eenigerbsfe met een- zwart kruis boven op de Rug, ja zelfs blaauwe of blaauw- agtige Vâgten. Her Vel der zwarte Fosfenhzo kostbaar,, dat men voor ieder ztilken Vagt, in. Möskovie, alwaar efde,.vooinaamfte Luiden mutfen van plagten tedragen, We'eens vijftien dükaateri~betaald beeft Nu zuHen wij, onze Lezers nog eenige middelen aan
, je hand geeven, om met ftrikken enz. Fosfénte vangen ; * Aft leidingen de/nood'ge Werktuigen die hier tóe-ver- «ischt worden, er.bijvoegende. Hoedanig een Bouten Strik te manken en tevervaar-
|
|||||||||||||||
|
vos.
|
|||||||||||||||
|
3991
|
|||||||||||||||
|
halve duim d/k is; maak in deszelfs midden een rond gat
G. van drievierde duims middellijn, en met eenen fpon- ning H. vaneen half duim breedte, die tot op-de helft der dikte van 't hout is ingefneden, voorzien; verlengt deeze ronde fponning in een regte lijn tot aan 'tend der plank bij I. zodanig egter dat er bij E. een.zwaluwen- Maart geformeert worde.Neemt voorts een klein ftukje hout dat rond is gefneeden van de zelfde dikte als de zoeven befchreevene plank en ook met een zwalu-- wen ftaart voorzien, zodaniginfig, 2. door de letters È, G, H. ward afgebeeld ; dit moet op eene wijze toege- fieid zijn, dat men deszelfs end E. in de plaats E. en 't end H. in de fponnigH. van fig. i. zettende, het zef. ve de opening G. ten eenemaalen fluit. In 't.midden van fig. 2. boort men een rond gaatje G. om er den vin- ger in te kunnen fteeken___Maakt dan nog infig. i. aan ieder van deszelfs boeken Ä, B, C, D. een gat om in
ieder een houten pen te kunnen fteeken, teneinde^, i. aan den grond vast te kunnen hegten. Nog word er een ftevig touw' vereischt ter dikte van een gemeene fchrijfpen. dat zeven a agt voeten lang is; aan deszelfs end bij M. maakt inen een lus, en een voet daar van daan bij Y. een knoop , en om te verhoeden dat die knoop door lankheid van rijd niet verflijte, zo neemt men een ftukje 4ioorff P. dat de grootte van een ftuiver in zijn omtrek heeft, hier ineen gat gemaakt zijnde, fteekt men er 'tend van 't touw N. door, en brengt het bij de knoop Y, Nog een tweede touw vier a vijf voeten lang word er veri eischt, waar aan men bij O, een ftevigeftok bind die twee voeten lang is. Verders moét men nog.hebbea een tamelijk dikke, en ter degen ftèvige en taaij'éftoic die twaalf voet lang, is, zodanig in fig. 4. wórd afgebeeld j> insgelijks drie of vier houten baaken, die dik en fterfc zijn, anderhalf voet lang,, aan 't. einde gepunt en bij* JL. wordende afgebeeld« De Strik op de voorichreeven wijze \rervaardlgt zij"h>-
de, en de plaats uitgekeeken hebbende, daar men voor^ neemens is dezelve te plaatzen, 't welk ik veronder- ftelle te zijn de ruimte,M, N, P, Q. zo legt het lok.- aas,. uit een ftuk vleësch beftaande, dat verseh gebrâa- deri is, in een daartoe vervaardigde grüppel, onder de- S*trik Ä, B', C, D, fig. 5. fluit voorts het ronde gat van de, groote plank met het kleine, zodanig, dat de zwaluwftaar.t na.de kant P, Q. is alwaar de Staak moet geplaatst worden ;.. fteekt dan de vier pennen A+B, C, D~ in.de gaten van- dtegrooteplank, en flaat die in de grond* vast; dit verrigt zijnde, zo legt de gróote Staak of Stok fig.ty op den grond, 't dikke end L, ïn een rechte lij» met de Strik en 't ander G. overdwars, zodanig dat het van de kant C', D. der plank omtrent zes voeten af zij f neemt dan een der ffaaken K, en fläat die bij L, een tweede haak drie voeten vande eerfte af, bij KT, en nog: eën derde, wederom drie van de tweede af, insgelijks bijK.; maakt dan aan 't ead G. het touw vast, waaraan de Stok H'. is gebonden^, trek dan door dit middel de Stok of Staak na uw toe, dat die als een Boog vertoon ne en maakt Hem vast. Neem dan het touw waar aaij de lus even als een ftrik is gemaakt, en Iaat die met eert klein boutje in de fponning gaan, welke van onderen in de plank is, ter plaatze met F. getekend. Opent en fpant voorts de Strik om het, bordje, zodanfg dat dé.Knoop» van 't touw, met het kleine- ftukje hoorn,.. juist in het kleinekeepjékoomt, 't welk opzettelijk in de kant der öpenifig is gefaaten;, plaatst verders hetbordjeE. opee* né wijze,, dat het- de opening F. fluite, en de'Strik ter Ff 3, degens |
|||||||||||||||
|
digen, om Fos jen te-vangen.
|
|||||||||||||||
|
Neemt f
|
|||||||||||||||
|
«.eeotteen houten plank (ziej%.i. van Plaat LXXIV.)
«nuerhaif voet, lang, een. voet breed, entenminften een |
|||||||||||||||
|
\
|
|||||||
|
3992 VOS. ,. -
degen open én gefpannen is, onder de fprong vân de
groote plank. De Strik dusdanig toegefteld zijride, zo maakt hét ein-
de van 't touw aan de Staak G. Vast, zo digt aan mal- kander als eëhigzints doenlijk is,' op dat het te beter toe- trekke, Ook moet het touw ftijf gefpannen zijn-; de 'Staak'dus irr een kfbmme~~b'ogt ftaande; zo als uit tie figuur te zien is, neemt men'er het tcuw af, waar aan ftet houtje H. vast'is gebonden. '; Wanneer de Strik tins itl ftaat gefteld en gefpannen is, zo bedekt die mét bla- den of ruigte, en werpt'er hier en daar een ftukje gé- braaden vleesch bij. De Vos daar terplaatze zijnde gekoomen, en het wei»
hige aas dat rorjdsom legt, hebbende verfionden, zal dat geene, 't welk hij in 't gat van de Strik gewaar word, met zijn Poot'er tragtenüit te haaien j dog door deeze pooging zal het rond bordje 'er uitvallen, 't welk üit zijn plaats geraakt zijnde, de knoop, die aan't touw vast, is vrijheid zal geeven om door tè flippen ; waar doof de kromgeböogèfie Staak te rug fpTingende, veroorzaakt dat hetBeest; bij'de Poot word gevat, en gevangerù Veilig middel om Vos/en, Wolven, en ander wild
Gedierte te dooden.' Een Vosfén-'Ho^ontdekt hebbende, 't welk op Plaat,
LXXV.fig: 1. middel fie àfdeeling bi] Â. is afgebeeld; zo fteekt een Paaltje dat een duim dik is, en een half voet; boven' den .'grond uiffteékt bij B.; nog een' dergelijk: Paaltje van dezelfde dikte; dog de helft langer bijJD.Rï in dit iaatfte Paaltje moet een klein kerfje zijn, omtrent vier duim boven den grond; voorts heeft men een Hout- je B, E, C. dat .vier duimen langer moet zijn als de wijd.' fe tüs.fch.en de beide Paaltjes D, B., aan. het eene end heeft, dit Houtje een haak, 't welk om hét' Paaltje'B. word gevat, en' aan het ander end eene keep E.; de ver- dere toerusting van het een en ander kan men gemak- kelijk uit de afbeelding nagaan.' ■[' Kiest als dan eené plaats dié. twaalf fchreeden van het
Hol isafgelegen, en van waar men békwaamelijk op't Hol kan fcbieten, zonder daar' in ;door eenige-ftruikeh of takken belemmert te}zijn; bijvoorbeeld de plaats in de Plaat .aangeweezen doof de letters G, Q., fteekt een houten vork P, Q.' vast in dén grond,' zodanig dat die 'er vier of vier en een half voet boven uititeekt, eri dan een weinig verder na't Hol 'toe, bij R, G. een twee- xle houten vork, die wat korter is; deeze twee gaffels ^of vorken dienen ter onderfteuri'ing van de Snaphaan I, R, M. die men 'er oplegt, en, die" zodanig gefielt moet zijn, dat dezelve in 't midden dêf, opening van 't,Hot mikke, waarna men die'Vastbind ter plàatzendpor dé let- ters M en R'. aangeweezen. De Snaphaan óp deeze'wijze gefteld zijnde,zo neemt
een ftefk touw, fteekt dit onder de Snaphaan dopr in de houten gaffel, en maakt aan deszelfs einde P. eén fteen of ftuk lood vast, dat 'zeven a agt ponden .zwaar is, én âan 't'ander end van 't touw, bij E., e'e.h klein houtje vah een pink dikte en omtrent twee dtiimen lang; trekt zo lang aan het touw, tot dat de fteen óf't lopd genoeg- zaam tot aan de Gaffel bij P. koome, en 't kleine Hout- je aan 't eene eind in.de keep E, van't treëdje of haak- je B, E, C. kan gézët wórden, zodanig dat het treedje een duim. vari den grond ftaat, en de zwaarte van den fteen of het lood't een. en ander psthou.de; legt voorts op dat haakje eén klein plankje I.,agt.a negen.duimen Jang en vier a vijf breed; hedèkt dît mei drooge "bladen |
|||||||
|
VOS.
of aarde, zodanig dat het niet zigtbaar-is, maakt ver.
ders het eind van't "touw, waar aan de fteen of 't lood is vastgebonden, eri 't welk door den houten gaffel loopt, aan de trekker van den-Snaphaan vast. ■ Het éeri én ander wel gefteld zijnde, 't geen men uit de afbeelding volkoomén zal kunhen nagaan, is't bijna onfeilbaar, of't eerfte Beest, dat uit het Hol koomt, óf'er in wilgaan, zijn Poot op't plankje I. koomendë te zetten, 't Trekhoutje Ç. zal doen neder- vallen, 't kleine Houtje F. uit de keepen doen gaan, dë fteen 'öf het lobd vrijheid Van'vallen geeven; en deeze door zijne zwaarte 'de ,haan van 'de Snaphaan ovërhaalen , én dus die losbraridende de kogel die'erop gezet is, het Beest treffen.- ; Om door middel eener zoort van ijzeren Voet-angel
Vos/en en ander wild Gedierte te vangen. Wanneer gij aan het fpoorde weg hebt ontdekt,waar
doof'één Fw gewoon is te loopen, welke weg wij ver- óriderftéllen een klein paadje tè zijn van anderhalf of 'twee: voeten wijdte, aangeweezen door de twee lijnen getekend "met M, N, O, P. Czie Plaat LXXV. (Je h. ned. af deeling) zo'graaft'in deszelfs midden-een gat, getekend door 't rond V. Y. -van twee df'-drie duim diepte, om-hier iri den Voetangel te leggeh;: maakt in ■'t midden van dit groote gat éen ander dat klemder is, en dtié. a vier duimen dicper dan het1 eerftè, dit word in 'de figuur aangeweezen door de letters Q, T. dit tweede gat 'dient : om het Tree-plankje' R. op te leggen, pp dât zulks na berieden kan wijken als'eree- nig Dief op 'ftapt. Dit gedaan zijn.de 'zoo legt de Voetangel rhidden in't pad, zodanig in de figuur word afgebeeld, 'maakt voorts 't eind van 't kettingje Z. met een touwtje aan't Paaltje' S. vast, drie a vier voeten . van de Voetangel afftaande, dekt alles met ruigte en drooge bladen' toe, enzijt verzekert dat wan« neer1 een Fo-r of ander Dier hier overloopt, hij onfeilbaar zal gevangen worden. "VOSSE-BESIEN, zijn de vrugten van een gewas on-
der de Bosch-Befiën behoorende; zijnde een Struik of kleineHeestef, die in 't latijn de naam van Vitis ida draagt; Vitis ida foU fubrotundis non crenatis, baccis rubris. C. Bauh. Pin. 4.70.; Vaccinium tacemis terminalïbusnuttm- tibus, foliis oiovatis revolutis integerrimis fubtus pun&&' tisï&c,'Lim*t.Flor.Lappon.i$'$. Debenaamingvan Vitis ida fchijnt van den Berg Ida afkomftig, hoewel de HeerToüR!NEFOB.T op die van Kandie geene zodanige _ gewasfen aantrof. 1. Deeze zoort van Bosch-Befiën valt dóór geheel Europa, inzonderheid op hooge, dorre, bergachtige gronden en in drooge Bosfcbagien. Ook vind men ze bij ons pp de Veluwe, alwaar de Boeren er den naam van Vosfè-Befiën aan geeven. Anderzints worden zij doorgaans bier te lande roode Krakel~Befiëii genoemde Bij de Duitrchsfs worden deeze ïn 't bijzonder, fiei"' beerlein geheeten,- om dat zij veel op ftéenige plaatzen voortkoomen ; in Sweede.n Lingon. Dit.Gewas vërfchilt veel in gróótte, naar derzelver
groejjplaats. Camer&rivs die erheen welgetrof- fé'né afbeelding van geeft, noemt het eèh^k.'^inHeester- tje enScopoLi geeft er kruipende fteelen aan", 'twelkna^ der met de afbeelding van DodoNjEüs ftrookt. rriaaf Linn/eus nam in Lapland, daar dit tiet atlergeineenfte Kr^iid is in de fah.digë Bpsfehen, op een zeer hoogen Berg »ene verfcheidenheid hiervan waar, welke regt op en 't'wêë óf driemaal zo hodg groeide als anders, dus.in ge- |
|||||||
|
.:,
|
||||||||||||
|
vos: vre.
|
VRE.
|
|||||||||||
|
3993 ;
|
||||||||||||
|
dende uitwefkzeJen, van. ..eigenliefde als een ftroom weg.
gevoert wierden. __ He,t weinige dat wij van de uitwerk»-" zelen der oorlog gezegt,hebben,. is voldoende om ons. een treffend tafreel te fchilderen van de naare rampen waarteede zij verzelt gaat,- zie OORLOG. Hetis voor t, welzijn., van de menfchelijkheid te betreuren, dat de- onregtvaardigheid yan kwaadwilligen, haar zo dikwils onvermijdelijk maakt. Stervelingen met gevoelens van menfchelijkheid door-
drongen:, die zich.ern.ftig bezig houden met't befragten- van hunne pligten, en wel o.nderweezen zijn in dat geen' waar in eigenriijkJbunne waare en wezentlijke belanden»' beftaan,'zullen, nimmer bun, eigen voordeel ten kosten- van een ander zijn weivaaren zoeken. Zorgvuldig in 't najaagen van,hun eigen geluk, zullen zij het zelve met dat van anderen, en met regtvaardigheid en billijkheid doengepaard gaan. Met zodanigegeneigthedenbezielt, vloeit daar ontegeiizeglijk.uit voort, dat zij de Vrede zul- len aankweeken. Hoe; kunnen zij-zich van die weder- zijdfcbe en geheiligde pligten welke van de natuur worden voorgefchreeven , kwijten, indien zij niet onderling in: -Vrede leeven ? En deeze toeftand word even noodwen- dig vereischt tot betrachting vanjiun geluk', als tot ver-' vulling van bünhe pligten. Dus vérpligt hun allerwegen de natuurwet om de Vrede natejaagen en te onderhouden. Die goddelijke wet heeft geen ander doel als bet geluk- van'tmenfchehjk geflagt;. tot dat einde is het, dat alle deszelfs regels en voonchriften ingerigt zijn : Alle kan men ze van betgrondbeginzel afleiden, dat de Menfchen hun eigen geluk moeten.zbeken ; en de zedekunde be. ftaat in niets anders, dan in de wetenfehap om zich geluk- kig te maaken. ; ' Tôt aandrang van het een en ander, en om te doe»,
zien van hoe veel belang het voor t Menschdom in't al- gemeen, en voor een ieder die zijn tijdelijk en eeuwig welzijn ter harte gaat,, in't bijzonder is, om da Vrede, in de Huisgezinhen.en dagelijkfcbe zamenleevingaante- kweeken, izullen w*ij hier een gedeelte van de uitmun* tende redevoering van.den Engelfchen Heer Willmbi. ENFrELD laàten volgen,: waar in deeze zo dierbaare pligt, op het kragtigftë word voorgedraagen. De aangelegenheid , (zegt dien Heer) van den Huis-
lijken Vrede.zai duidelijk blijken, wanneer wij in aan. merkingeneemen, hoe noodzaaklijk dezelve is tot een geregeld en bereidvaardig waameemen van de weder- keerigepligten. ~-^_-- Geduurige onlusten inde Huis- gezinnen moeten die, goedwillige genegenheden, wel- ke den grondfiag van aile.Za'menleevingsdeugd pitmaa. ken, allengskens verzwakken, zo niet voiftrejst verpie- tigén. Wanneer het vuur der liefde dagelijks verdoofd wordt, door de dampen van kwaadaartigheid en .twist wat kan men dan anders in 't einde verwagten.j dan ee- ne volflaagene uitblusfing,?.--- Of, bij aldien bet nog ontitooken bliive, met welk vermaak of genoegen kunnen de vriendiijke pligten des Huisliiken leevens volbragt worden, te midden van dagelijkfcbe oneenig- heden en onöphoudelijken twist? Hoe kunnen de zc- danigen, die fteeds tegen elkander opftaan, van, har- ten, en met goedenjernst, zich vereenigen tot het be- vorderen van hunne gemeene belangen, en elk het zijn© toebrengen, tot onderlingen welftand enrgeluk? Welk vermaak., welk voordeed kunnen zij haaien uit hunne Godsdienstoefeningen? Hoe ongevoeglijk is het dat zij die den gantfehen dag hebben doorgebragt in gekijf in morieiidewederfpraak, en tergende bedrijnen,'saronds zkïs
|
||||||||||||
|
ftaltëzeerverfehiHende, dogzijndenietteniin, zegtzijn
gel. volftrekt de zelfde zoort, wejkegemefinlijkmaareen fpan hoog .groeit. : -. i ■'"..■ De Bladen gelijken naar die van Palm, dog zijn wat.
grooter; het heeft, aan 't end van de Takjes,' witte of klbedroddë'Bloempjes/'Van .klokswrjze gedaante,-/aan knikkende Trosjes vergaard, en daar. op volgen Befiën , die als een gekroond Naveltje van boven hebben,, rijp zijnde rood van koleur. De fmaak derzelve word van. zbmniigèn. gepreefen, van anderen gelaakt. . Zij zullen ook op de eene plaats mooglijk beter dan op d'and.ere vallen, naar den grond en fonnefchijn, die zij hebben. Zij zijri.ziuir, verkoelende en zamentrekkende, worden-, de de Geleij, daar van met fuikergemaakt, tot verfris- fching ih.Iièëte ziektens aangepfeezën. : De Laplande.rs. eeten ze zegt LjjvnjEus, en mengenze ook dikwils on- der hunne Kaas-Beulingen- Die van Westerbotbniqge- kuikëhze niet alleen' iri de keuken, maar zenden ook jaarlijks., een groote menigte van deeze Bellen naas Stokholm, alwaar, men te als Kappers of Agurkjes in- legt;' om bij gëbfaaden 'vleesch of visch te eetën. Vai} de Bladen word hét aftrekzel als thee, dat bitter.is, in de Opper-Paltz veel tegen zinkingen gebruikt.. Sommigen, prijzen 't gebruik der Befiën aan' tegens Scheurbuik, s'Winters kàn men ze in de Noordelijke Landen met loof en al'óndêr de fn'eeuw vinden; want het gewas,blijft aU tijd groen, en dus ftrekt het zelve tot voorraad ten dien-, lie van de Bosch, en Veldhoenderen en ander Wild in't koude faifoen. ' ' ■ ' ij VOSSE-JAGT, zieJÄGTps^. 1252.,,
VOSSE-STAART, zie GRAS ». 23. pag..$$2. <_ ,
VPS-VISCH, zie SNOEK n. lïl.pag. 3423.
VREDE. Door Vrede verftaat men die wenfchelijke
toeftand, waar in een ieder de voordeelen aan zijne be- zittingen en regten verknpgt, in rustgeniet,' zonder daar ingelïoort te worden, of wel detwisten diedaar^over ontdaan pp een vriendelijke én met de reden en billijk- heid overeenkomende wijze,* met zijnen tegenftrèever vereffent. *-u-*~ Hobbes heeft durven zeggen ; 1 dat oarlog denatuurlijke'fiantvan den 'Mensch is. Dan indien men,, zo als het de reden gebied, door natuurlijke Staat van de Mensch, die toeftand beoogt, waar toe hij voor- befebikt is en door zijn natuur toe word geroepen, moet men 'eerder zeggen dat 'Vrede zijn natuurlijken ftaat zij ; want het bëtaaind een* redelijk wezen', zijne verfchillen oet anderen, bij wege van verdrag uit detvweg te rui- men; het is eene eigenfebap der woeste Dieren, om zulks door geweldige'middelen te beflisfën: Nam cum fint duo genet a decertandi, unum per diJceptationént,al- "««m 'per vim, atmque illud proprium fit hominis, hoc bel- warum, confugiendum efi ad pofierins , fi uti non'licet !}'Wore._ Cicero de Offic. lil.'I. cap. 2. 'DeMensch ln eenzaamheid, van alle hulp en zorg'ver'leeken en Pptbloot, zoude 'een allerongelukkigst'wezen zijn; zal hij pmk genieten, een aangenaam leven leiden, zijnebe^ ^JBbjsden te werk ftellen, in een woord op eene wij- zsdiVmèt zijne natuur overeenkomftig is, leeven, zo ehoeft hij volftrekt de omgang en onderftand zijner Me-
senterien.-zie QENOODSCHAP. Datalles;vind men frhSl'*S dan in dé Vrede; het is onder de bekoorlijke waduw.e der Vrede, dat de Menfchen zich wederzijds niiiig en eerbied toerlraagen, dat zij zich onderling
^P toereiken, malkanderen liefhebben. - Nim- frj z°uden zij uit dïe gelukkige toeftand géraaken, in- n z'j niet, door driften gedingen, en door de verblin-
|
||||||||||||
|
3994 - VRE.
|
||||||||
|
VRE.
|
||||||||
|
zich nederbuigen voor dat Wezen, den Vaderdes Vre-
des, die de Eendragt lief heeft, en bidden dat/.ij ver- clerd mogen worden met dien zagtmoedigen en genis- ten Geest, Gode zo aangenaam? Kan men zich verwonderen dat de zodanigen,-die ongelukkig in gefta- dige onmin leeven, -bij trappen,, minder belang ftellen in het weiweezen hunner Gezinnen, agtloos en werk- loos worden, of zich overgeeven tot het najaagen van ongeoorloofde vermaaken, en dien Vrede, dat vergenoe- gen , 't geen zij t'huis niet kunnen genieten, buiten 't zelve zoeken. Wanneer een Man, daar hij hoopt de duidlijkfte blijken van hoogagting en liefde te vinden, wanagting, kwaadheid en boosaardigheid aantreft, moet hij of geheel gevoelloos wezen, of de onverge- lijklijkfte grootheid van Ziel bezitten, wanneer hij on. der dien last niet bezwijkt, of dien afwerpt. In tegendeel doet de Huislijke Frede de-onderlinge
genegenheid der Leden,van een Gezin fterker worden en toeneemen, en maakt alle, de wederzijdfcbe pligtea des levens gemakiijk en aangenaam. Onder den invloed van dit heillzaam beginzei zal elk zich, in zijn eigen kring,,.naarftig kwijten, ten voordeele van de kleine Maatfchappij, tot welke hij behoort, waar in hij wee- zenlijk genoegen en vbldoening vindt. Hij zal, metal- len -v-lift, de bezigheden aan zijnen ftaat verbonden, vol- brengen, bezield met het vooruitzjgt, om de zodanigen,die hij dehartlijkfte genegenheid toedraagt, inde vnigten van zijnen arbeid te doen deelen. De hoop van geagt, goedgekeurd en gepreezen te worden van zijne teder- beminde Bloedverwanten en Vrienden, is een fteeds prikkelende fpoor ter Deugdsbetrachtinge. Hij zal ge- reed zijn om de zwaarfte en arbeidzaamfte taak, ten hunnen diénfte, ter hand te flaan, onderfteund door een opregt en hartlijk deelneemen in hun weivaaren , en verzekerd dat hij hunne dankbaarheid en liefde, het . eenig loon dat hij verwagt.zal ontvangen. Wat zal een braaf Man niet doen ten voordeele van hun, met wel- ken hij langen tijd in vrede en ftille'fust verkeerd, en eene menigte van de ftreelendfte geneugten, die het menschlijk leeven ten verschaffen, gefmaakt heeft? Het onderhouden van den Huisligken Vrede is, daar-
enboven, van hetgrootfte belang voor de jongere Le- den van het Huisgezin. Wanneer de Ouders in geduu- rigen twist hunne dagen doorbrengen, zijn ze weinig gefchikt om behoorlijk agt te flaan op de opvoeding hun- ner Kinderen. Hunne aandagt wordt van dit allerge- wigtigst werk afgetrokken, door de fteeds opborrelende oneenigbeden, en beueelachtige gefchillen^ hunne zie- len zijn al te zeer ontrust en verwilderd, om't zelve met eenig genoegen of eenen gelukkigen uitflag te vol- voeren. ----- Of, indien zij zich der Opvoedinge van hun Kroost aantrekken, is het zeer waarfchijnlijk, dat
zij een geest van tegenfpraak, of eehe onverzettelijke verkleeftheid van elk aan zijne bijzondere gevoelens ," hun -zal aanzetten,-om verfchillende, ja zelf recht tegen elkander overgeftelde wijzen van Opvoeding te volgen. De beginzels en grondregels, welke de een uit al zijn magt infeherpt., zal de ander met niet min ijvers zoeken «it te roeijen. Misflagen, die de een wil verfchoonen en over 't hoofd zien, oordeelt de ander dat noodwen- dig geftraft moeten worden. Dus ftaat gezag tegen ge. zag, en invloed tegen invloed gekant. Het natuurlijk gevolg hier van is, dat de Kinders allen ontzag en eer- bied, de grondflag van kinderlijke gehoorzaamheid, verliezen. Of ten minften zullen de Kinders daar door |
||||||||
|
geleid worden, om den een hunner Ouderen asn te
merken, als een' die met wijsheid en liefde hun be- ftuutt, en den ander als iemand, die hun met onrede- lijke ftrengheid behandelt als hun Vriend, den ander als bun Vijand.
al ware dit het geval niet, fchoon wij eer ftellen, dat
zij overeenftemmen, in het onderwijs en de tugt hun- ner Kinderen , wat kunnen de geboden baaten, daar hun voorbeeld fteeds dezelve tegenfpreekt? Hoe kun- nen zij verwagten, dat hunne Kinderen elkander zullen beminnen» elkander genegenheid en Uefde betoonen, daar zij zich bij aanhoudenheid, aan de daar tegenover. geftelde driften overgeeven, en den eenen dag voor den ander naa flijten, in twist en tweedragt, in haat en vijandfchap ? Zodanige voorbeelden moeten den aart der Kinderen verbitteren, hun .goeden fmaak vet- valfchen, en hunne zeden bederven. Doch wanneer zij, die de Hoofden eens Huisgezins
uitmaaken, door tedere toegenegenheid vereenigd zijn, en in ongeftoorde eendragt hunne dagen flijten, hebben hunne Kinders geduurig een beminnelijk voorbeeld »oor. oogen, 't welk niet kan misfen hunne agting en liefde op te wekken, en hun zal aanzetten, om daar aan ge- lijkvormig te worden. En in het huis, waar deezo eenigheid der harten heerscht tusfehen de Ouders, zal deeze de genegenheid tot de Kinderen verfterken, en een kràgtige drijfveer wezen, om hunne poogingen tot het welzijn van hun geflacht te gader in te fpannen. Zij ftellen hun vereenigde kunde en. invloed ,te werke, ter volvoeringe van de gewigtigfte taak* de Opvoe- ding ; en, in gevolge hier van, wordt hun oordeel met allen eerbied bejegend, hun raad met ontzag ge* hoórd, zij zien hun gezag verdubbeld, en doen hun- ne Kinderen gemaklijk wandelen, op den- weg dien zij gaan moeten. De Huislijke Vrede h, desgelijks, een voorwerp
-onzeernftigfte aandagt en betragting waardig, vermids dezelve zeer veel toebrengt tot onze vordering in deugd, en ons bereidt om op de openlijker toneelen deezesle* vens te verfchijnen. Elk bijzonder Huisgezin is een» fchool van Deugd of Ondeugd. Onze geaartbeden en ebaracters .worden niet in't openbaar, maar binnenshuis, gevormd. [ Gewennen wij ons daar bot te vieren aan een grijnigen en ligtgeraakten aart, wij zullen eene heb; helijkheid van toom en grimmigheid krijgen, die wij mede brengen in onzen openbaaren wandek In tegen- deel , wanneer wij verdraagzaamheid, goedertierenheid en zagtmoedigheid oefenen in onzen dagelijkfchen om- megang, met onze Bloedvrienden en Huisgenooten, zullen wij de beminnelijkfte hoedanigheden ïnonzehaf* ten aankweeken; leeren het geheel» Menschdom, a>! onze 'Broeders aan te zien , en opregt, eerlijk, goeder- tieren en edelmoedig weezen, in alle onze handelin- gen. - Ter bevestiginge hier van mogen wij aanroer* ken, dat de voorbeelden der zodanigen, die zich vrien- delijk en toegeneegen gedraagen omtrent hunne HuisgCj nooten, en tevens onbillijk, ongetrouw en verdrukkend 4zifn in hun gedrag jegens anderen, zeer zeldzaam voor» komen ; terwijl het geenzins ongewoon en vreemd is> dat Menfchen,die4n'topenbaar den fchijn van beleero- heiden minzaamheid aanneemen, in hunne eigene Hui' gezinnen, lastig en knorrig zijn. Hierom is,net> . wij eenen Man ziende, die zich in't huislijk lee« wel gedraagt, terftond genegenheid te hemwaards op vatten, en gereed zijn om hem. in onzen dienst -neemc*
|
||||||||
|
v&ë;
|
|||||||||||||||||||
|
vue.
|
|||||||||||||||||||
|
ms
|
|||||||||||||||||||
|
eeujeh, of vriendfchap met hem te houden; ten m'é*
fte beeft hij verre de voorkeuze boven iemand, van wièn bet tegenovergeftelde bekend is. Tot nadere ophelderinge van ons tegenwoordig onder»
werp, mogen wij aanmerken, dat de Huisfelijke Vrede van het grootfte aanbelang is, om pnsvande verinaaken des Huislijken leevens te verzekeren. Wilt gij desten vollen overtuigd worden, bezoekt de verblijfplaats van tweedragten onmin, ilaat het oog op de gedelte« nis, en het gedrag haarerBewoonderen. Hoedrektelk voorval om hunne gemoederen te ontrusten, en hunne weesenstrekken te vervullen, met deleelijke en afzig- tige blijken van woedende geraaktbeid en wraakzugt! Hoe ftelt de beuzelagtigdeomftandigheid hun geheel bui- ten ftaat, voor de aangenaame genietingen deezes lee- vens! Te vergeefsch zijn hunne tafels met de lekkerfte fpijzen rijklijk voorzien, te vergeefs hunne Karqers op het prachtigst, en in den grootden fmaak vercierd, té vergeesch drangen zij de kostelijkde gewaaden. Hunne kwaadaartige driften misvormen in hun oog alle voorwer- pen. Zij vinden zich, even als een, die geen honger beeft, buiten ftaat om de lekkerbeid der fpijzen te fmaaken ; enzomindebeerlijkfte toneelen iemand, wiens verbeel- ding door eeneheetekoorts verwilderd is, kunnen vol- doen, zo min genoegen fcheppen zij uit al den toedel, welke hun omringt. Gegrond is daarom de fpreuk van den wijsten der Koningen : beter is een geregt moes- kruiden, waar liefde is, dan een gemeste Os, en twist daarbij. ' Wat is de rede, waarom wij zo dikmaals zien, dat
zij, die, tenuiterlijkenoogfchijné,inhunneeigeneHui- zen alles nebben, 't welk genoegen en voldoening kan fchenken, fteeds buiten zwerven om geluk te zoeken,- van het eene toneel- des vermaaks tot bet ander gaan, en nooit meer te onvrede en rustloos zijn, dan wanneer zij een eenzaam uur aan .hunne eigene Huizen moeten door- brengen? Het is, om dat hunne eigene onbeduurde drif- ten en dwaaze grilligheden, of die der zodanigen, aan welke zij zich verbonden vinden,_ bun niet toelaaten de bedaarde en hardreelende vermaaken des Huislijken lee- vens te genieten. Want voor een Man, die tederheid en gevoeligheid van hart heeft, die gelukkig genoeg is van aangenaame verbintenisfen in dit leeven aangegaan te hebben, zal zijn eigen Huis altoos de vermaakiijkfte ver- blijfplaats weezen, en hij zal het zuiversten duurzaamst genoegen in de verkeering met zijne Huisgenooten fmaa- ten.
tnPrede verblijf houden, en ziet hoe zoet enlieflijkhetis
m Broeders in vrede zamen.woonen, __ geeft agt op de
^gemaakte vriendelijkheid,welke in hun wezen fpeelt, «
°oort met boe onopgefmukt eene taal zij de vergenoeging M vreugde hunnerberten te kennen'geeven, neemt in janmerkinge, met welk eene bereidvaardige göedwillig- Jieidzij elkanderduizend dienden en waarebeleefdheden bewijzen, ,met welk een genoegen zij nederzitfen, aan een eenvoudigen, dog voor de gezondheid heilzaamen, Maaltijd,, met welk eene opregte dankbaarheid en vreug- |
|||||||||||||||||||
|
oatdekt in esne beftcndige opeenvolging van de verplig-
tendfte dienden, daar, in de daad, heeft het Vergenoe- gen en 't Geluk den zetel gevestigd, daar zal men die we- zenlijke voldoening vinden, welke men vrugtloos zoekt in de woelige en drukke toneelen van bezigheid en ver- maak. De Man, die de onvervalscbte en dille geneug- ten van het Huislijk leeven kan genieten, mag gerust aan de Kinderen der eerzugt en ijdelheid, aandeflaaven van onmaatigheid en verkwisting, en hun, die defpeel- ballen zijn eener twijfelende Mode.hunne ingebeelde plai« fleren overlaaten, en, meteene volkomene gerustheid dès herten, zeggen : ik heb genoeg. Dog hoe fchoon dit toneel ook moge weezen, wij moe-
ten ons niet verbeelden, dat het geheel van onvolmaakt» heden bevrijd, en van ramp ontheven is. Welk eene maate van vergenoegen, en geluk wij ook in onze eigene Zielen, en in de zamenleeving met onze Huisgenooten mogen genieten, wij kunnen niet verwagten, fchootvrij te zullen weezen voor van buiten aankomende onheilen. De Mensch is tot moeite gebooren, gelijk de vuurJpr anken, die om hoog vliegen. En wij hebben geen grond altoos, om ons te vleien met de gedagten, dat wij ontheven zullen weezen van 't algemeene lot der menschlijkheid. Onze tegenwoordige rust en gemak zal waarfchijnlijk wor- den afgebrooken, door ziekten en lighaams ongemakken, door verliezen en te leurdellingen in onzen handel, of andere onaangenaame ontmoetingen. En het fterfuur wagt een ieder; fchoon wij een onaigebrookengenot van Huislijken-Vrede, tot het einde onzer dagen, gefmaakt hebben, het fmertlijk oogénblik van fcheidenkomt, wan- neer wij ten grave zullen daalen, en het oog, dat ons aan- fchouwde, ons niet meer zal zien. Oordeelt nu of onder den drukkende last van de tegen-
beden deezes leevens, en in het vooruitzigt des op ban« den zijnden doods, waar genoegen en troost zal gevon- den worden in die Huisgezinnen, in welke Vrede en Lief* de vreemdelingen waren ; of in die, in welke zij deeds hun verbüjfhïelden ? «- Zij, die in een daat vanonmin en vijand fchap leefden, hebben geene inwendige bewustheid van overeendemmende en welgeregelde genegenheden, geene aangenaame herdenking van eene vreedzaame en gelukkige zamenwooning, geene blijken van de agting en liefde hunner Vrienden in hun op te beuren en te vertroosten in hunne jongde oogenblikken.
zij, in tegendeel, die hunne dagen doorbragten in eênege-
dadige beoefening van goedgundigheden, en bet volbren- gen van alle wederkeerige liefdepligten, kunnen op dat tijddip", eene onuitfpreekelijke voldoening raapen uit de herdenking des verloopen leevens; zij mogen met be- daardheid en gerustlijk elkander beveelen aan dat Wezen, dat de Leidsman hunner jeugd en deun huns ouderdom« geweest is; en zich dreelen met de opbeurende hoope: van elkander in gelukkiger daat tezullen ontmoeten, en voor eeuwig te leeven in de gewesten vaö nimmer eindi- gende vrede en vreugde. .'■- * Dit zijn de drangredenen die 'óns den Huislijken-Vrede
aanprijzen. Deeze is noodig tot het geregeld volbrengen ; onzer onderlinge pligten,.-■■ deezeisvanhetallergroot- ■fte belang omtrent de opvoeding onzer Kinderen, deeze brengt zeer veel toe tot onze vordering in Deugd, en ftelt onsinftaattot het behoorlijk volvoeren van deplig» ten des opehbaaren leevens, deeze eindelijk, gaat ver- gezeld van het hoogst genoegen, het zuiverst en beften* digst vermaak, 't welk op de wereld kan genoten wor- den* Welk eene raadgeeving kan, over zulks, deern. G g ft ig* |
|||||||||||||||||||
|
v. , - -«^dankzeggingen
vaaer des Menschdom |
|||||||||||||||||||
|
opzenden tot den aleemeenen
|
|||||||||||||||||||
|
,
|
|||||||||||||||||||
|
.»vu^uu«,,», hoe hartelijk zij elk zich zel-
en, en de een den ander, aan 's Hemels hoede aanbe- en ]' ~~ onthoud u eenigen tijd in dit gezegend Gezin, " ,eett_daar de onfchatbaare waarde en voortreflijkheid tel-j^jte'1 Frede en Liefde. -Waar harten dus ver- deH- Z''n ' *>or ^e fier^e en za8(fte banden van on- Jr?eioeSenegenheid, en waar die toegenegenheid, zich 'LI Deel, |
|||||||||||||||||||
|
VRE,
|
|||||||||||||||||
|
VRE.
|
|||||||||||||||||
|
$996
|
|||||||||||||||||
|
ftigfte opmerking van allen die zich fn Huïslijke verbin-
tenisfen gefteld vinden, waardiger weezen, dandievan Joseph : verfioort u niet op den weg? Wilt gij dan deezen raad volgen en alle de voordeden en
vermaaken van den Huisltjken Vrede genieten. Draagt zorge dat geene drift van toorn in u gaande worde over nietige en beuzelagtige voorvallen. Het gebeurt dik- wijls, dat de geringfte omftandigheden verdeeldheden in de Huisgezinnen veroorzaaken, en van denallerjam- merlijkften nafleep zijn. Bewaart, om dit voor te koo. "men, altoos een verheven denkbeeld van het aanbelang des Huislijken Vredes; houd dien voor een allerkostbaarst Juweel, in vergelijking met welke meest alle andere din- gen loutere beuzelingen zijn. Gewent u, om u te on- derwerpen aan en te fchikken naar de begrippen van an- deren, in (lukken van eenen onverfchilligen aart of wei- nig aanbelang, zelf dan wanneer zij tegen uwe eigene genegenheid of begrip ftrijden. Eene Heilige, onverzet- telijke en balftarrigegeaartbeid, ontftaat uit hoogmoed, onkunde en boosheid, en is oorzaak van ontelbaareon- vriendelijkheden en vijandfehappen. Volgt, om u daar voor te wagten, het gedrag van Abraham, die, wanneer er twist rees tusfehen zijne knegten en dé knegten van Loth , deeze vreedebe vorderende taaie voerde, Laat er dog geene twistinge zijn tusfehen mij en u , tusfehen uwe Herders en mijne Herders : want wij zijn Mannen Broe- ders. Is niet het ganfche Land voor uw aangezigte ? Scheid u dog van mij, zo gij de flinkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan, en zo gij de rechterhand kiest, zal ik ter flinkerhand gaan. Ten befluite; kweek onderlinge Hoogagtinge en Lfefde aan, door dagelijks elkander de verpügtendfte dienden te bewijzen. Dit isdegewigtig- fte en meestbevattendfte regel tot het onderhouden van Huislijken Vrede ; want indien gij elkander hoogagt en bemint, zult gij allerminst tot het ongeluk vervallen, om tlkander op den weg te verßooren, De aanmerking vanden Apostel PAUtus, omtrent de liefde in 't algemeen, mag met het grootfte regt toegepast worden, op diegenegen- heid welke behoort plaats te hebben tusfehen de leden van het zelfde Huisgezin. De Liefde is de vervulling der Wet, ziet dan toe dat gij elkandei* hartlijk bemint met ee- ae vuurige Liefde. VREDELIEVEND, zie VREEDZAAM.
VREEDE, zie VREDE. VREEDZAAM, Vredelievend ; beide deeze woorden
betekenen het zelfde, namelijk de Vrede te beminnen, en die zo veel doenlijk is najaagen. -
dat was een Vreedzaam Vorst. Onzen dierbaaren Hei-
land , noemtde Vreedzaamen zalig, want (zegt hij) zij zullen Gods Kinderen genaamt worden.
Vreedzaame regeering is een zodanige, die door geen op.
roeren nog oorlogen is ontru=t geworden, enz. VREEMD, zie EXOTICUS. VREEMDE LIMONIUM, zie LIMONIUM, n. 5. pag 1842. VREEMDE LUPJJNE, zie LUPffNE «. 5 en 6.
pag 1876 VREEMDE MEEKRAP, zie MEEKRAP, ». 3.
pag. 2005. 't VREEMDE MELISSE , zie MELISSE (TÜRK-
SCHE-i pv 2025. ■
VREEMDE RAKETTE, zie RESEDA, pag. 3025.
VREEMDE SMIJRNIUM, zie SMIJRNIÜM, n.
3 en 3 pag 3410.
VREESLIJK. Dus noemt men alles, hetgeen iozij-
. ne
|
|||||||||||||||||
|
«e natuur Of door toevallige omftandigheden, eefchftn.
|
|||||||||||||||||
|
om iemand vreeze aantejaagen; en het is d
|
|||||||||||||||||
|
us in zo verre
|
|||||||||||||||||
|
een woord van eene betreklijke betekenis. Het geen Kin.
deren Vreeslijk voorkomt, is een fpel voor Mannen' en onder deeze zelfs zullen fommige bedaard en welée' moed blijven, bij. hetgeen anderen de grootfte vreeïe veroorzaakt. Men verhaalt ten dien opzichte een merk. waardiggeval van Lodewi je den xr i , Koning van Frank- rijk, dat hij in het heetfte van een gevecht vermaand zijn- de, om zich voor de Kogels te wachten, ten antwooi* de gaf: hebt gij ooit gehoord, dat 'er een Koning van Frank» rijk door een Kogel gejiórven is; en er bij voegde : die bang is, kan achter mij gaan flaan, en mij voor zijn f chili ge- bruiken. Welke woorden ook aan Keizer Karel dm Vijfoen, misfehien noch wel aan meer anderen (gelijk dit wel meer gebeurt) worden toegefchreeven. Dee2e Vorsten handelden uit een geheel ander grondbeginzel, dan het geen Seneca aanraadt, om temaäken, datmen onbevreesdis. Deeze zegt: {Libr. VI, Nat.qiaefl.cop, 2. infl.) fi vultis nihil timers, cogitate, »mma effe timtn> da, dat is, indien gij niets wilt vreezen, denkt, datai. Ie dingen te vreezen zijn. Hij wil zeggen, dat degering. fte oorzaakengenoegzijn, om ons het grootfte waar vom wij duchten, den dood, te wege te brengen, en dus, dat men geene rede heeft, om voor deeze of geene zaak in het bijzonder zoo buiten gemeen beducht te zijn.,, Daar is geen grooter troost tegen den dood, zegt hij, dan ,, de fterflijkheid zelve. Niets tegen alles, wat onsvan buiten verfchrikt, dan dat wij ontelbaare gevaaren, in onzen eigen boezem hebben. Want watjs'erdwaa- zer, dan, wanneer het dondert, ter aarde te vallen, of uit vreeze voor den blixem op den grond te krui ,, pen? Wat is 'er dwaazer dan voor het fchudden der bergen of het eensklaps inftorten van dezelve, wat dwaazer dan voor het geweld der golven, die buiten ,, haaren oever rijzen, te vreezen,* daar de dood overal i, gereed is, en ons overal voorkomt; en daar'er niets zoo gering is, het geen niet tot den ondergang van het Menschlijk geflacht zoude kunnen dienen. VREEZE, in 't lat. Timor, Metus. Deze hartstocht be-
ftaat in eene onaangenaame gewaarwording van, ofdroefhtii over eentoékomflig kwaad; het zij ons het zelve waarlijk bo- ven het hoofd hange, het zij wij ons alleenlijk verbeel- den het zelve te duchten te hebben: Ongelooflijk zijn de uitwerkfelen dewelke deeze hartstocht in het Mensch- lijk lichaam veroorzaakt. Zij doet het aangezicht ver« bleeken, handen en knien beeven, de haijren te berge rijzen, het zweet uitbarften ; de omloop des bloeds wow 'er door vertraagd , hetzelve zomtijds ten eenenmaale geftold; het ontbreekt niet aan voorbeelden van Me"' fchen, die daar door van eene ziekte geneezen zijn; en het is bekend, dat er gevangenen geweest zijn, welken de vreeze voor hun doodvonnis derwijze hadt ingenomen, dat zij in eëne nacht geheel grijs geworden waren ; waa van men bij Scaliger, Thuanus en anderen, «* fcheidene voorbeelden vinden kan. , j . Over het algemeen is de verwachting van eenig_W
zekerlijk de rede, waarom wij vreezen; maar oneer fchen deeze aanmerking is niet zonder uitzondering ^ ^ Men vreest niet alleen voor verfcheurende Dieren o nijnig Ongedierte, maar men heeft 'er zelfs,,die op/ gezicht of den reuk vaneene tammeHuiskat, waar » zij weeten, dat de kleinfte Wnderen zonder het m gevaar fpeelen, in zwijm vallen , of welken het Kia zweet uitbreekt; fchoon die zelfde Menfcbenjnoeo^ V , :
|
|||||||||||||||||
|
^mr~
|
|||||||||||||||||
|
'VRE.
|
||||||||||||||||||
|
VRE.
|
||||||||||||||||||
|
■39*7
|
||||||||||||||||||
|
zijn, dan met op te rekenen, hoe menigmaal een iede*
der genodigden te drinken eischt. Het zijn ookzoo- danige, welkers aandeel van Eerftelipgen der aardvrug» ten en vleesch, die men op het Autaar van Diana brengt, altoos het kleinfte is. Zij fchatten alle zaa- ken beneden de waarde, en op wat voor een goede ,, koop het zijn mag, dat een ander, die hem daar reke- ,, ning van doet, zich wil verhovaardigen, zullen zij ,, ftaande houden,, dat het te duur is. Onverbiddelijk ten opzigte van een Knegt, die een aarde pot laa» vallen, of bij ongeluk een konftig drinkvat heeft ge» broken, en zij bezuinigen die fchade, door het verminde» ,, ren vân zijne nooddruft: en zo hunne Vrouwen maar eenen penning hebben verlooren, moet het geheele huis doorzocht, de bedden verfchikt, de koffers ver- draagen, en in de verborgenfte hoeken doorzien wor- den. Als zij iets verhandelen, poogen zij het alles zo duur aan te fmeeren, dat 'er niets dan verlies op zij voor den kooper. Het is aan geen Mensch geoorlooft een Vijg in hunnen tuin te plukken, dwars overhun- nen akker te gaan en de kleine takjes palm, ofeenigi Vijgen, die van den boom zijn gevallen, op te raapen. Zij gaan alle dagen op hunne landerijen wandelen , en befchouwen de fcheipaalen naukeurig, om te zien, of men niet iets heeft verandert. Zij trekken intrest ,, van den intrest, en het is op deeze voorwaarde, dat ze hunne fchuldenaars uitftel verleenen. Als zij eëni* ge van hunne Vrinden, die maar van gemeene afkomst zijn, hebben te gast genoodigt, maaken zeden minften fchijn niet, om hun iets telaaten voordienen; .enmen heeft hen, om die maaltijden te bezorgen, meer dan ééns zelve na de markt zien gaan ; daar alles te duur vinden, en te rug keeren zonder iets te koopen. In ,, één woord, die Gierigaarts hebben pakken met goe« deren, verroeste fleutels die zij niet gebruiken, geld» kisten daar hun fchat in opgeflooten is, die nooit worden geopent, en befchrmmelen in een hoek van een ,, geheim vertrek, enz. VREUGDE, in het latijn Gaudium, Ltitia ; is iets,
dat nauwlijks behoeft befchreeven te worden, om dat 'er niemand is, die niet bij bevinding weet, wat dit woord te zeggen zij. Men verftaat 'er eenen hoogen trap van genoegen door, het geen wij ergens over gewaar wor- den; en het verfchilt in zoo verre van blijdfehap of vro- lijkheid, dat men door het laatfte, wanneer men nauw,» keurig fpreekt, zekere voorbijgaande, door Vreugde , -------,,«.,,,.;.,.,................ -......,....,, daarentegen eene meer beftendige aandoening van genoe-
dat gij nu aanlijnen knecht geenen drinkpenning behoeft gen verftaat; fchoon ikbelijde, dat deeze woorden dik»
|
||||||||||||||||||
|
g
|
||||||||||||||||||
|
wils als woorden van eene zelfde betekenisfe, gebruike
worden. Indien men zorge draagt, dat dezelve niet biri- tenfpoorig, nog uit verkeerde aandoeningen gebooren worde, is zij een bewaarmiddel der gezondheid, van eenen gewenschten invloed in de waarneeming van onze verrichtingen, en, wat ook zommige zwartgallige dwee- pers mogen gedroomd hebben, met de plichten van de heiligfte zedenleere niet onbeftaanbaar. Indien deeze aandoening plotsling bij iemand ontftaat,
en zeer hevig is, kan zij nadeelige uitwerkzelen voor het lichaam hebben. Zij drijft in dit geval de warmte met zulk een geweld van het hart, na de uitwendige le- den, dat een Mensch flauw wordt, of op het zelfde oo» genblik den geest geeft. Dit blijkt uit het geval van Sophocje.es en Fhilippidbs, beide toneeldichters, van dewelke wij leezen, dat zij van Vreugde, over het win- nen va« den frijs, geftorvert zijn. Om van eene menig- Cg » te |
||||||||||||||||||
|
te geeven, en daar voor de eene of andere kleinigheid
voor zich zelven bedingen. En wat zijne onrechtvaer- Ngbeid betreft, deeze ziet men in de veelvuldige knevelaà- "Jen, die aan lieden van die ongelukkige gemoedsgefteld- rieid eigen zijn. Alles zoeken zij te beknibbelen, op. «Hes iets uittewinnen. Met ëen woord verkrijgen is hun grootfte doelwit, behouden hunne grootfte zorge. Dit £ zoortvan gierigheid, zegt Theofhrastes volgens de T«taaÜDg van G. Westerwijk , is in de Menfchen » eene ongeregelde drift, om tot de geringfte dingen te " ?1"en bezuinigen, zonder eenig eerlijk oogmerk. Door » dien geest zijn ze bezield, diemaandelijksdehuurvan » winne huizen invorderende, en zelfs eerzeverfchee- " o k's' niet verzuimen een oortje, dat aan het geld "~zn, * inperfoonte komen haaien. En zulke, die », , geweld aandoende, van eenige Menfchen te ont- * aleo > geduurende de maaltijd nergens »ede bezig |
||||||||||||||||||
|
v..
|
||||||||||||||||||
|
399» VRE. VRI. . ,.VM.
|
|||||
|
te andere voorbeelden van dien zelfden aart te zwijgen,
die wij bij de geloofwaarüigile Schrijveren vinden opge- tekent. De Vreugde is zoo eigen aan het Menschl'ijk hart, dat
ieder een zo veel mooglijk trachte daaraan deel te heb- ben. Veelen ondertusfchen flaan daar toe eenen geheel verkeerden iveg in: men zoekt dezelve dikwiis in luid- ruchtige vennaaken, of in het onmaatig gebruik van fter- ke dranken; met geen ander geyolg, dan dat, zoo ras de geest weder tot zich zelven keert, al het genoegen, het welk men zich daarvan beloofde, indegrootftekwel. lingen hetonlijdelijkst verdriet verandert wordt. Het bes- te middel om waare Vreugde te hebben is, zo veelmoog- ]ijk wei te doen ; dewijl 'er geen grooter genoegen is dan een goed geweeten; en de bewustheid van zijnen plicht gedaan te hebben, den vrolijkften invloed verfpreid over ons ganfche leeven. VRIEND in 'tlatijn Amicus, word ieder perfoon ge-
noemt, met wien men eene eerlijke, nuttige en aangenaa- me verkeering onderhoud. Vrienden zijn die geene, welke ten aanzien van hunne
temperamenten, geneigtheden, hartstochten, beroepen, jaaren, denkwijzen enz. met ma-lkanderenovereenkoo- men, en derzelver verbintenis ftaat onaffcbeidelijk in evenredigheid mee die overeenkomften. De Mensch is altoos de grootfte Vriend van hem zelven ; om hem in dier» opzichte nabij te koomen, en om zo te fpreeken zijn 's gelijken in de plaats te (tellen, moet deeze laatfte hem in alles gelijk zijn ; en het is dan maar alleen dat hij kan zeggen een waar Vriend, een ander zichzelven, ge- vonden te hebben. Daar is niets dat meer tot genoegen en aangenaamheid
van het leven toebrengt, als een waar Vriend; ook is er niets dat er de rust meerder van ftoort als een Vriend, indien wij geen genoegzaatne doorzigt hebben om hem wel uittekiefen. Naast de moedigheid, is er niets noodzaakelijker, om
die gantfche fchakel van ongelukken die de verfehlen- de tijdperken van ons leven aan malkanderen kluisteren te drangen, dan een opregt Vriend. Mij zijn geen Men» fchen bekend, aan wien het leven wezentlijk tot een last verftrekt, als die,,welke geen Vrienden hebben. Men moet niet zien op bet goed dat ons van een Vriend
koomt, maar alleen op de geneigthéid die hij heeft om ons wel te doen. En al feboon wij onze Vrienden niet moeten beminnen om de weldaadendiezij ons bewijzen, is het echtereen teken dat hunne Vriendfchap geen diepe wortelen heeft gefchooten, indien zij ons geen goed doen als zij er toe in ftaat zijn. Het verftrekt tot een blijk van weinig Vriendfchap, wan.
neer wij de verkoeling welke eraan de kant van onze Vrienden plaats heeft, niet vermerken. Wij kunnen niets beminnen dan om ons zelfs wille; en wij volgen alleen on- aen fmaak en vermaak op, wanneer wij aan onze Vrienden de voorkeur boven ons zelfs geeven , het is nogthans door die voorkeur alleen, dat de Vriendfchap van twee Vrienden opregt en volmaakt kan zijn. Indien men zijnen Vriend om zijn zelfs wille beminde, zouden wij njet anders dan zijn wel weezen in't oog houden; men zoude bem niet verwijten dat hij nalaatigis om ons te bezoeken ofte fchrijven; waarfcbijnlijk, zouden wij zeggen, dat hij zich op een voor hem aangenaamer wijze verledigt; en wij zouden ons overzijn geluk verbeugen. __ Wij
betreuren niet altoos het verliesvan onze Vrienden uit
aanmerking van derzelver verdienften, maar door die |
|||||
|
van onzen nooddruften en van het goede gevoelen dat zij
van ons hadden. ' is het om zo te fpreken wel te leven, van zijn hart niet
in de boefem van een Vriend te kunnen uitftorten "? wel. kegeneugtekan vergeieeken worden, bij die, van met een Vriend van alles en even vrij als met zich zelf te kunnen fpreeken ! Zoude voorfpoed en gelukkige.omftandighe- den, ons wei even treffende aandoen, indien er niemand wierd gevonden die er even gevoelig over was dan wijf en bij wien in 't een of ander zielgrievend ongeval troost te vinden, indien het niet bij een Vriend is., wien onze ongevallen nog fterker treffen dan zij ons zelve doen? Hier uit kan men de gantfche uitgeftrektheid desgeluks van eenen Man afleiden, wiens Huisvrouw zijn wezentüj. ke Vriendinne kan genoemd worden. Scipio was zeer geraakt over de fpreuk : dat men zoit.
nig moet liefhebben, als of men eens koste haaten. Niets, zeide hij, is ftrijdiger met de Vriendfchap, en hij kos- te niet gelooven dat die fpreuk van den wijzen Bus voortkwam, maar dagt dat die aan de een of d'ander be- dorvene ziel, die alles aan de belangens van eerzucht opoffert, moest toegefchreeven worden. Kan men ook inderdaad wel jemand lief hebben, waar van.men denkt dat men die in 't toekoomendezal haaten? In plaats van die fpreuk, zo ftrijdig met de waare Vriendfchap, had men ons veel liever moeten aanprijfen om oplettendete zijn in het doen van eene goedekeufe, op datdie nietop een zodaanige perfoon mogte vallen welke bekwaam was om in 't vervolg onzen baat te verdienen.' Al hadden wij zelfs het ongeluk gehad om ons ten aanzien van deeze keuze te bedriegen, is het nog beter zulks geduldig te draagen, zegt Scipio , dan zich een bedekte haat voor hes toekoomende voor oogen te (lellen. - Zie bier het geen 't Regt der Natuur ons ten aanzien van onze Vrienden voorfchrijft. Tusfchen waare Vrien- den moet geen geheim zijn, en zij moeten eikanderen wederzijds alle hunne gedagten, inzigten en voornee- mens mededeelen. Men is verpügt zijne Vrienden bo ven die geene met welke wij geen andere verbintenisfe dan de Menschlieventheid hebben, te hulpe te koomen. Op zekeren dag aan Solon gevraagt zijnde,, welkeStad hem't gelukikigfte toefcheen, antwoorden hij, ,, datbet die was waarvan de Burgers zodanig door vriendfenaps- banden aan malkander waaren verbonden, datdiegee- ne welke niet beledigt waaien geworden, dehponge- voelden hunne Medeburgers aangedaan, enzulksmet alzoo veel drift zogten te wreeken als de beledigden zei' ve." Plutakch. Eene belediging door een Vriend aangedaan is veel ge;
voeliger, als wanneer die van een Vreemde komt. £«> igmtos leedit, latro appellatur; qui amicos, paulo minus quam parricida. Onbekenden te beledigen , is een Rover te zijn; zulks zijn Vriend te doen, is bijna als een Va- dermoord te pleegen. Pstronius cap. 107. zie ooi VRIENDSCHAP. VRIENDELIJKHEID, Minzaamheid. De Vriendf
lijkheid is eene hoedanigheid, waar van het uitwerkzej. is," dat een Mensch hier mede begaaft, een ieder die niet hem te doen heeft op eene minzaame dat is verplichtende wijze ontvangt en gehoor verleent. De Vriendelijkheid fpruit voort uit Menfchenliefdei
zugt om te behaag en, en oin de achting van een ieder na»
zich tg trekken. .:.-<, ««
. Een Vriendelijk Man , neemt iemand op de eer 1»
ontmoeting in; hij weet door zijne minzaamheid oe ver-
|
|||||
|
VE.I.
|
VRI.
|
||||||||||
|
SSW»
|
|||||||||||
|
îeeenheid of vre.es der.geenen die.bem-aanfpreeken, uit
den "weg te'ruimen of te verminder e pi Hij is geduldig . ^et aanhooren, en zijn antwoorden gaan altoos met ioe-hartjgbeid verzeil. Is hij zQinwjjlen genoodzaakt deeze of geene zijne redenen te weerftreeven, zo doet. bij bet met zagtheid en ingetogenheid.;, weigert bij ee- ne gunst die van betn vvo'rdi verzogt, gefcbie.dzulks op eéné wijze, 'dat men klaurlijk op zijngezigt befpeurt 'dat hem zulks leed is, en bij verminden daar door groote. lijks bet ofiâangenaame 't welkenen altoos gevoelt, wan- neer ons een verzoek word afgeflàge.n. ., VRIENDSCHAP, in'tlatijn Amicitia. DoorVriend-
fchp verftàat.men het vermaak door de gelijkheid, vóórt- iebragt, die een Mensch tusfehenhem en andere Men- fcheri ontwaar wórd. " .'/ ' '.'.,'.," ' Een voor werp te beminnen, is vreugde te gevoelen qf
vermaak te' ondervinden wanneer men bet ziet, er aan denkt, of weihet zelve geniet. , DeMenïch wil noodzaaklijken altoos gëjiikkigzij'n j wanneer zijne eerfteof oorfpröngelijke.beböeftens ver- yultzijn, werkt als dan nog de liefde van 't geluk; het is dus eene. nooddruft voor hem om te beminnen, en hij bemint natuurlijk zodaanige voorwerpen, die op hém aangenaanie indrukzelen verwekken. ' ' Door de vorming- zijner werk-of fintuigenzelve, word.
hjj vermaak ontwaar een ander Mensch ziende, diensvol- gens bemind hij hem van natuuren. .Deeze genegen.tbe.id van de. Mensch voor zijn's gelij- ken, is wezentlijk.onderfcbeiden van de goedwilligheid, de liefde en aarikleeving welke door de nooddruft word voortgebragt, dewijl zij haar oorfprong in 't vermaak heeft welk 't gezigt van zijn 's gelijken op: de Mensch te wege brengt. Deeze genegentheid word Vriendschap gz- rioemd; het is op dat uitwerkzej van de,overeenkomst, dat de zo beken de ftèlregel is gegrond, een ieder bemind zijn 's gelijken, .of ingevolge de latijnfche uitdrukking, een ieder verheugt zich op 't gezigt van zijn 's gelijken : ßmüe fimili gaudtt. -,-.,.',.[ .- , De Ouden befthouwden de VHendfchap als eene der
voomaamfte beweegraderen van de ftaatkünde ; zij was volgens hun, de bewaarder der Steden, en de bron waar uit het algemeené geluk voortvloeide. Alwaar de Bur- gers Vrienden zijn, ontbreekt nimmer gerechtigheid; dog waar degerechtigheid heers'cht, is teffens àe'Vriendfchap nodig, Arist. Moral. Hb, VIII. cap. i. Socrates bad de gewoonte van te zeggen, 'eris geen Voortreffelijker bezitting, dan een oprecht Vriend; ook kan men uit geen ding op aarde meer vrtigt, nog wellust «apen, danuit de Vriendfchap; daarom achtte Hij hun 'sage en kruipende Zielen, die het verlies hunner rijkdommen bezwaarlijker verdragen konden, dan het verliesvan Vrienden, Laê'rtius ide Boek.' Schoone, beminnelijke, aanvallige Vrieniïfchap, die
Je grootfte,luister van het Menschdom, bet fchoonfte Jjeraati der redelijke Wezens zijt; een Bron van het ftree- Jpndfte genoegen, een Bron van alle aardfebe gelukza- «gbeit; gij zijteen fchat van oneindige, van onwaardeer- baare waarde, welks genieting de ziel der ftervelingen de» hoogften trap van genoegen doet bereiken. Uwe voor- trefFelïjkheit is alleszins blijkbaar! dewijl gijalledehan- «kingen der geenen, dieu hoog waarderen, bedierf, Volgens het rigtfnoer van billijkheit, rechtvaardigheid , *° liefdadigheir. Dog hier in blinkt voornamelijk uwe oeminnelijkbeit uit, dat gij zijt eene medogende, eene sandoenelijke » eene gevoelige, en teerhartige Onder- |
deunfter der ongelukkigen, der verdrukten, en door de
wispelturige fortuin verlaten ftervelingen! Gij;beweegt de gevoelige harten tot medelijden en ontferming, gij doet eenen aandoenelijken boezem gioeijen. ; en ontfteekt in de ziel het vuur van waaré edelmoedigheit. Het lustme thans, ô hemelfcbe volmaaktheid! eenige uwer bekoor- lijke fchoonheden in eepe.fJaywe.fchets voor.het oog'det wëereld bloot te leggen. Het lust mij uwe vriendelijk e, uwe inneemendegedaante in een beknopt tafereel te bren- gen , en. uwe bereid vaardigheid,5 om den elendigen te onderfteunen, met eenige trekken, ware het mooglijk,. naar het leven af te fchilderen. . Uw naam alleen, uw zagte naam, ó feboone Vriend-
fchapï brengt iets bevalligs mede'; alle de denkbeelden, welke door denzelven in mijne ziel verwekt worden, zijn bekoorlijk , ende gedagten.aan u zijn mij wonder zoet. Ik verbeeld mij in ude gedaanteeenerbevallige, eene zeer aantrekkelijke Maagd, eener Maagd die niet fteets fcb'oon en bekoorlijk is; maar wier wezenstrekken alle evenredig vriendelijk zijn, waarin nogteekens vaa agterboüdentheid, nog van eenige fnoode geveinstheid, ontdekt worden, maar alleen de zulke, die eene gulle openhartigheid te kennen geeven. Uwe oogen zijn liefe- lijk, minnelijk, bevallig en inneemend, bezittende een aanlokkend vermogen, eene zoeteaantrekkingskragt! De_ bévalligbeid van alle uwe leden geeft eenen volmaakten zwier aan uwe verbazende feboonheden, daar ze op 't hoogde volmaakt zijn, ten aanzien van haare gedaante: dan, dit is 't niet alleen; elk deel, daar en boven, dat ik mij van u vertegenwoordig, bezit eene juiste eenpaa- righeid, eene fchilderagti'ge aanvalligheid, die alle be- fchrijving oneindig overtreft. Geen wonder, dat zulk eene alles o verklimmende Schoonheid, van zulk eene uit- muntendeaantrekkelijkheid, in welke zich alle de bekoor- lijkheden vereenigen, welke in eene rijke verbeelding kunnen opkomen, en die onder duizend Maagden ver« deeld, aan elk eene fchier volmaakte, eene bijna engel- agtige fchoonheit zoude mededeelen; geen wonder, dat zulk eene fchoonheit gevoelige zielen treffen moet, en in een wel gefield hart een gloed van zuivere liefde tot haar doet ontvlammen.- Ongetwijfeld is uwe afkomst Hemelsch, 6 beminnelijke
Vriendfchapl ongetwijfeld zijt gij van eenen Godlijken oorfprong! de volmaaktheid moet uwe Formeester, en de gelukzaligheid uwegetrouwe, en zorgvuldige Voed- fter geweest zijn; overmits de gaven dezer twee hemel- fche Zoogvrouwen in u volmaakt zijn overgëdrukt, én zich zamen vereenigen in een onderwerp. De oprecht- heid, de zuiverheid, de gediendigheid, en de bereid- willigheit zijn uwe Staatjufferen, deze verzeilen uwe lieffelijke voetftappen allerwege waargij gaat; terwijl de vaardigheid, op uwe bevelenagtgevende, u voortreed; altoos en in alle gevallen gereed zijnde, om op uwe be. velen elk ten dienfte te (laan, en als eene Bodinne van blijde boodfehap uwe aangenaame komfte alomme bekend te maaken. Hemelfche Maagd ! onafbeeldelijke Schoonheit ! wel-
gelukzaligis hij, die u bezit, gelukkiger dan iemand kan zijn met de bezitting van de grootfte fchatten der weereld zonder u! Schoon gij, van eenen Godliiken oorfprong zijnde, voor de. volmaaktheid alleen gefebikt fchijnt.be- haagt u echter da verkeeririg van onvolmaakte Sterve- lingen ; gij woont onder dezelven; gij zijt uit de hoogte op de laage aarde nedergekomen, en dit verblijf behaagt u nog, fchoon uwe afkomst uit den Hemel zij 1 Gij - G.g 3 fchljnt |
||||||||||
|
#009 WW.
fçhijnt waarlijk alleen gefchikt te zijn voor Wezens van
edeler natuur, van meerder volmaaktheden dan wij ; nog- tans verkeert gij onder ons ; onder ons, dieaan geftadi- ge wisfelvallighedeh onderworpen zijn ; onder ons, waar van zommigen ti verachten, verfmaaden, en uwe gaven, die gij onder de Stervelingen uitdeelt, fchandelijk mis- bruiken? Dus fchikt gij u zei ven ook naar het tijdelijke, fchoon gij inderdaad tot de eeuwigheid behoort ! Maar, zonder u verkeerde ook alles in eenen Bajert. Zonder ü verwilderden de Menfchen in de wreedfte-Tijgers, in de listigfte Wolven, en in de verfcheurendfte Beeren. Zonder u verloor het menichëlijk Gedagt al zijne rede- lijkheid, en 't zou ras, met het redëlooze Vee, in ee- nen gelijken rang ftaan. 'Zonder uwierd de aarde eene woestenij, de gantfche weereld eene akelige wildernis. Zonder u zijn de Stervelingen waarlijk arm en berooid. Zonder u bezitten de Rijken geene wezentlijke fchatten. Zonder u is er geen geluk, geen waar genoegen.. Maar aiet u bezit tnen alle de fchatten der weereld. Zal het goud de ziel verkwikken , of zal het zilver de wijde fchatkamers onzer begeertens vervullen ? Kunnen alle de fchatten zamengenomen, dié het Oosten en Westen uit hunne ingewanden ftorten, den Menfchen een waar genoegen, een zuiver geluk aanbrengen? Het genoegen heeft te vaak eenen afkeer van het goud, en ziet met ver- agting te dikwils op hetzilver, als op de dingen die waar- lijk geen wezen bezitten; het kent ze niet, en om zich te voldoen, begeert het geheel iets anders. Dog gij, Ô hemelfcbe Vfiendfchapl Gij alleen zijt het, die onze Zielen met die volmaakte wellust voor een groot gedeel- te vervullen kunt. Gij haat de geveinsdheid, en de ge. yeinsdheidfchrikt op 't hooren van uwenaam. Debleeke Nijd heeft van u eenen doodlijkënafkeer, en gij verbant ze verre van u. Beide deeze verderfelijke ondeugden olieden uit uwe tegenswoordigheid. Die Verdervers van het menfchelijk Gedagt; die gevloekte Haters van vre- de, liefde en vergenoegen, laat gij de Zielen dergee- nen niet vergiftigen, waar van gij alleen de bezitfter zijt. Dus zijn ze gelukkig, die u beminnen; bij u vinden ze een waar genoegen , eenen wezentlijken wellust; gij opent hun de bron van aardfcheZaligheid, waaruit de zuiverfte vermaaken geftadig voortvloeijen. Dbg mogen zwakke Stervelingen zich op dat voorregt
beroemen,. dat gij onder hen woont, datgij uwe hemel- fche gaven nog met eene vriendelijke en milde hand on? der hen uitdeeld; gij fchijnt ecnter voor Hoffelijke we- zens in veele opzigten al te volmaakt; ten minften we- ten'sweereldswisfelvallighedenzich nu en dan tegens u op te werpen.. Duizend middelen vind de Onbeftendig- heid, en van duizend middelen bedient ze zich, om die bron van dat hemelsch geluk, van dien zaligen wellust, welken uwe bezitting ons fchenkt, enigermate te floppen! Zo groot, Ô Stervelingen! is de onvolmaaktheid van on- zen ftaat in deeze weereld, die we al te vaak in veele gevallen op de'gevoeligfte wijze ontdekken ; voor al, wanneer wij van de tegenswoordigheid onzer beste Vrien- den berooft worden, en hier door ook den verkwikkelij. ien invloed der Iiefdaadige Vriendfchap misfenï Wanneer we ons van dat zoete, dat bekoorlijke, dat verrukkende, het geen eene regtfchapen Ziel in de tegenswoordigheid van waare Vrienden vindt; wanneer we ons van dat gul- hartige, datoprechte, datïnnemendvriendelijke, 'tgeen het leven van ons leven genaamd mag worden, en dat oien zonder oprechte Vrienden nergens vinden kan ; wan- neer we ons van dien fchat, de tegcoswoordigbéid onzer |
||||
|
Vrienden, beroofd zien , dan word de Ziel onrustig, daar'
ze anders eene ftille kalmte gevoelt; dan word ze onrus.' tig, door een rusteloos verlangen. Ach wat is het ver. langen pijnlijk, wanneer men reikhalzend'uttzietnaarde tegenswoordigheid van hun, die men hoog fchat! Maar ach ! wat is de fmart groot, wanneer men helaas! eenen waren Boezemvriend verliest! wanneer de wreede dood ons berooft.....! ■■>■*>
Dan, ik befchouw u, onverkwikkelijke Friendfchapi
liever van eenen voordeeliger, van eenen gunftiger kant; in dat gelukkig gezigt, zo als gij mijne Ziele van den eer- ften dageraad mijner tederfte jeugd onder uwé liefelijk« heerfchappij gebragt hebt, en mij zulke oprechte Vrien. den heb doen aantreffen, met welke ik duizend onfchuli dige vermaken geniet, en genoten heb. Nu eens op het' eenvoudig Land, alwaar de koele fchaduwen ons ver- kwikten in heete fomerdagen, en een zuizend windje, door het teder kruid en jeugdig loof fpeelende, ons als in eèn zagten fiaap in eene zoete verrukking wiegde; door zijn ftreelend geblaas ons verkwikte , terwijl da Bloempjes ons op de liefelijkfte geuren onthaalden, ea een fchoon, een heerlijk gezicht ónze finnen ftreelden. Dan weer, wanneer de winter ons in de warme vertrek- ken opfloot, daar we onze harten aan den ronden haait vrolijk maakten, met zulke Vrienden, wier gulhartige ommegang mij zo vermaaklijk, wier trouhartige verma- ning mij zo nuttig, wier getrouwe raadgeeving mij zo heilzaam was, dat er het gebouw van mijn geluk altoos veilig op heeft mogen rusten. Of wanneer wij den tijd befteedden in ernftige gefprekken, die ons eigen nat, en de zuivere deugd ten onderwerpe hadden; terwijlin alle onze zàmenkomften een glans van liefelijk genoegen uit onze blijde gezigten ftraalde. ô Ziel verkwikkende aandoeningen, welke niemand kent, dan die u, ô fchoo- ne Vriendfchap, kent. Maar ik heb uwe uitmuntende Schoonheden tot nog toe
flegtsvan eenen kant befchouwd, met flauwe trekken ge- tekend ; en uwe grootfte voortreffelijkheden, uwe uit- muntendfte hoedanigheden nog niet in haar voordeeligfte ligt geplaatst. Alle vermaken, alle ogenblikken vange- noegen ftel ik alleen op rekening der gulle Priendfckp, naardien men bezwaarlijk zich alleen vermaken kan; of met zulken die ons onbekend zijn; want welk genoegen word niet geheel fmakeloos, wanneer wij 't met geens opregte Vrienden deelen. . , . Maar wat zijt gij, ô ongeveinsde Vriendfchap\ nie*.
een heilzaame Balfem in tijden van tegenfpoed, in dagen van verdrukking, in dagen van rouwe en treurigheid! Drukkende ongelukken , jammerlijke tegenfpoeden, fmartlijke rampen waren zonder u onverdraaglijk; in dis zieltreffende ofriftandigbeden reikt gij ons uwen bijftand toe. Gij zijt de Verzagtfter van ons leed, ónderfteunen- de de zwakke menschelijkheid in den overlast der allerdruk* kendfte rampen ! Hoe vaardig zijtgij om u te fpoeden ter hulpevan hun, die onder eenen drukkenden last van we* derwaardighieden zugten ; bij u vinden Ongelukkige ds beste en heüzaamfte vertroosting. De weldadigheid en goedheid, die twee uitfcbitteres-
de deugden onder redelijke Wezens, maaken alle bedrij- ven , die uitwerkzels zijn van waars Vriendfchap, z0PnJS' waardig, dat ze in ieders oogen beminnelijk zijn. ue^ fchoone deugden, welke zich nimmer van de ^'en fchap affcheiden, deze deugden zijn het, die een iede» hart gevoelig maaken voor dezagten der Elendigen, voor deklaagendefteme der beroerde Nooddruftigheid; n'j |
||||
|
-Vfil. VBO.
|
||||||||
|
"f^K
|
||||||||
|
beelden hebt gi'jhier van niet opgeleverd, met Welke le-
vendige verwen zou ik deze fcbilderij bevallig en aandoe nelijk kunnen affchilderen; dog het bedek én de grond; dezer tekeninge lijden niet, dat ik verfcbeiden, en on« derfcheiden perfonen in-dezelve vertoone, dewijThie* door het werk verward zou worden. Mijn bellek laat nog maar een enkelen tfek toe; éö
daarom eindelijk, welke heifzaame raadgeevingen ver- fchaft gij niet, ô openhartige Friendjchapl in dolingen» hoe ongeveinsd zijn uwe vermaningen, wanneer men van het regte fpoor afdwaalt, en eischt het gewigt der zakezulks, zo fpaart gij zelfs geene harde beftralfïngen'! Gij wijst ons den weg aan tot het waare geluk, onge- veinsd leert gij ons onze gebreken kennen,- enprijstons, boven alles , het betragten der deugd aan. Met zagt- heid ligt gij gemeenlijk het bedrjegeiijk dekzel der ver- leidinge af; maar is het noodzakelijk, dan rukt gij het zei» ve af met geweld ; zo veel belang doet gij den eenen Vriend in des anderéns welzijn dellen. ô Bron van genoegen! ô gezellige Vriendfdapl u
merk ik aan als het zout des levens; als bet beste fie» raad en de luister van het Menschdom, ja' a)s de zuivc« re fontein onzer aardfcbe zaligheiti VRlESCHE-PAARDEN, zie PAARDEN ».2507.
" VRIESEN, zie VORST. VROEDKONST of Ferlcskonst. Bij uitneemenbeid
word'deeze konst zoo genoemd, welke de Baarende Vrou- wen hufpe met de handen bied : Zij is zekerlijk een deer, én zelfs een zeer gering deel der wijduitgeflrekte Heelkönst; voor al wanneer men de uitgeieidekennisfe, ende fubtiele handgreepen befchouwt, die opandere deelen des Menfchelijken lighaams te pasfe komen ; met dat alles is zij een zeer zaakelijk deel, als men let op het leven van twee, dik wils meer Menfcben, die tegelijk on- der de baaring van de goede of kwaade behandeÜBg des Vroedmeesters of Vroedvrouwe, afhangt. ; Deeze konst fçhijnt in de aloude tijden meest door Vrou- wen geoeffend geweest te zijn bij de Oosterfche volke- ren , gelijk dezelve nog hedendaags, zelfs over den ge- heelen Aardbodem geoeffend word door Vrouwen, eii met zeer veel rede; zelve hebben zij ondervinding, zij hebben geduld, om de werking der Natuuraftewagten; en de kuischheid word niet gefchonden, door het bijwee? zen van eene Vroedvrouw. * Wij vinden nogthans door Hijginus , uit het leven
van Herofhilus aangehaald, dat te Athenen, geene Vrouwen eenig deel der Geneeskunst vermogende te oëffenen, de jonge dogter Agnosie evenwel in mans. klederen bij Hekophii-us de kunst om Vrouwen te ver- iosfen leerde, en dus vermomd de fatfoenelijke Vrouwen indekraambijdond, tot dat zij eindelijk verdagtvan een fchandelijk levensgedrag, voor den Areopagus haare Sexe te kennen geevende, op het aanftaan der meeste Vrouwen van rang/zo voor haar als andere vrijgeborene Vrouwen, verlof verwierf, om die konstte mogen oëffenen. Het is nogthans zonderling, dat de Grieken offchoon
zij zóo langen tijd voor Ag^odie die konst oeflènden, geene meerdere vorderingen gemaakt hebben; zij hebben immers niets geweeten van het keeren van Kinderen bij de voeten , veel minder van geklemde hoofden te red« den,: hetzij door den drik, dentang, of hefboom 5 wel- ke nogthans de Arabieren, lang gekend hebben, althans - voor Paulus Aegineta, ende Jaarere Grieken. 'Dit is - te meer te verwonderen, om dat veel wijverije onderde Arabieren plaats hebbende, de toegSBg tot allerlei Vjsou« , ":ß - , "wen
|
||||||||
|
Aridende dat de noodlijdenden lange vrtigteloos om hulp
fineeken, eene bereidwillige dienstvaardigheid is vlijtig ter hunner reddinge, enter m hunne nooden nog regt aeklaagd hebben, zijn ze reeds geholpen. Rampen en Kgenfpofc-den weet gij, Ô goede Vriendschap ! niet flegts te verzagten; maar zelfs gelukkig af te weeren; zoniet geheel, ten miniten indièrvoege dat de helft van bet ge- wigte niet nederftorte, op die hoofden, óver welke het sedreigd wierd. De weerlooze kindsheid vleit zich in awën fchoot en armen. Ik zie u de tederfte Wigtjes koes- teren, die, ouderloos, enverlaaten, voorwerpen van een bartlijk medelijden zijn. Jkzie uin alle gevallen,' in aile omftandigheden, bereidvaardig toefchieten ; en- al wat ongelukkig genaamd kan worden, vind zijne eenige hulp en Vertroostinge bij u. Bedrukte Weduwen, ver- laten Weezen, anders van alles beroofd,"neemt gij on- der uwe zagte befcherming. Dus breid gij, met eene verwonderlijke gedienftigheid, uwe armen uit om den hulpeloozen te helpen- ô Bron van liefdadigheid ! ô gij veilige toevlugt, bij welke men in alle gelegenheden, in eenen toedand zelfs van vertwijfeling, redding vinden kan. Door u geniet men den boogden graad vanzuive- »fiblijdfchap, van zuiver genoegen, van waar geluk. Gij bewerkt de weldadigheid, en niets kan eene gevoelige Ziel kragtïger aandoen, nog meer vermaak fchenken, d,an ongelukkige flervelingen in den uiterftén nood te on- deriteunen! Welk eene aandoening verwekt zulk eenë edelmoedige daad bij iemand, d/e zich van alle*zijden geprangd voelt door zijne opgevallen,' en op het onver» wagtfteuit zjjne grievende omdäntüghedeh gered word. Maar welk een genoegen, welk een onuitfprekelijken wellust verwekt het niet in dé harten der geenen, die zulke ongelukkige flagtoffers der wreede fortuin redden mogen! hunne Zielen worden op dat ogenblik geheel van vreugde overftort, en fmaken eeneblijdfcbap, die men te vergeefs.elders in de wereld zoeken zou. Dus merkiku, â Vriendffhap\ aan, als de veiligfte toevlugt in gevaare'n, çn oogfcnijnelijk ongeval; vvant ik zie ugeftadigmeteen onverb'eeldelijk genoegen alles aanbieden, wateenëfmar- telijke behoeftigheid nodig heeft. Ik.ziéude naakte armoede met kleederen dekken ; den'mageren honger zie ik umet fpijze verdrijven"; druk, rouwe en leed zie ik door u verwisfeld in eene aangename vrolijkheit. Zo Çrnarmt.de nooddruftigheid uwe voeten met tranen van genoegen op de wangen. en al wie mét wederwaardighe- den te w^rftelen heeft, vind bij u heul ën vertroosting; Daardien gij mildlijk en blijmoedig «we vertroostende §aven met een hart vol medelijden toereikt. Gij hangt Voor mijn gezigt de aandoenelijkfte fcbjlderij, op wel- ker befchouwing mijn boezem ieder ogenblik bewoogen Word! - Hoe onbefchrijfelijk zijn de aandoeningen , welke gij
verwekt in de harten van hun die u hoog waardeeren ; en fejk eene zoete en gevoelige overeenftemmingoritftaat £f in de zielen van oprechte Vrienden! Gij binddehar- 'fiivder zulken door eenen zagten band tezamen, en ver- ?e»igt dus alle hunne neigingen. Wederzijds mogen zij PPrechteïïik voor eikanderen bunne harten uitftorten ; §'l waakt hunne belangens dezelfde, op welke van weers. «anten, even oplettend zijn. Men fchiet, door u bezield 2]jnde, niet flegts jn eenen dringenden nood eikanderen mi maar men is voor al zorgvuldig om beider rampen ft« eenen gelijken moed afte keéren, en eikanderen |rPothartig bij te ftaan J ieder is even vlijtig om zijnen vriend gelukkiger temaken. Hoeveele doorlugtige vóor- |
||||||||
|
"""'
|
||||||
|
/oft.. ' VRO. '-''■
wen offchoon irinood, zelfs voor de Genees-en Heel-
meesters geflooten was. Dit is nogtbans in het algemeen zeker, dat de Mannen van der jeugd aan tot het beoef- fenen van wetenfchappen opgeleid wordende, meerer ge- legenheid hebben dan de Vrouwen, om zich in het redden der moejelijke omftandigheden te volmaaken, en total, lerleij'e handgreepen bekwâfm te maaken. De groote vraage is : sijn de Vrouwen in dit Jiuk te fiel-
Un boven de Mannen, en waarom ? Deeze vraag1 laat zich niet ligt oplosfen. Wanneer de
baaringen ligt zijn, wanneer zij over het algemeen ge- makkelijk zijn, is er nog Vrouw nog Man bij noodig, en de wijze Schepper heeft alles zoo gefchikt, dat het Kind zelf, alleen door de poogingen van het werktuige- lijk geftel der Moeder, en doorzijn eige kragt, ter we- reld komt. De ftreng alleen moet los gemaakt worden, 't gene door fchéuren in het midden allèrveiïigst kan ge- fchieden. De Nageboorte'koomt van zelve, en behoort zo te komen, zonder er geweld aan te doen, zonder trekken, veel min door =de hand des Vroedmeesters hoe kundig ook, 'ei- bij te brengen. Befchouwt men in onze leeftijd het getal van Vrouwen
welke ongelukkig of tegennatuurlijk baart, zo behoeft men flegts te letten op de zeer gegronde, en wel geftaaf- waarneemingen onlangs door den Hoog geleerden Heer Camper in het V. deel des Memoires dl l'Acad. R. de Chirurgie de Paris p. 730". medegedeeld. Dat te Am- fterdam het getal der moejelijke verlosfingèn tot de na- tuurlijke of gemakkelijke ftaat als 1 tot 175. om dat van 7000 Kinderen te Amft. jaarlijks gebooren 1 tot flegts 40." de konst, en derhalven hulpe van Vroedmeesters noodig hebben. Waar uit men ziet, dat een Vröedmeester genoeg zoude zijn voor die volkrijke ftad, wanneer men de konst alleen te raade ging. Evenwel, ziet men beden dat zeer veelede kost, zelfs rijkelijk winnen door dien zij niet alleen in de vereischtè nood, maar zelfs in de allerna- tuurlijkfte gevallen de Vrouwen bedienen als in dedaàd Vroedevrouwenv eene mode thans zo algemeen in zwang bij de rijke Vrouwen, en bij Vrouwen van rang, dat men 'er over verwonderd moet zijn, als men begrijpt, dat de Mans alleen die kunst oeffenende met de tijd zo wel onder hun, als onder de Vrouwen, zeer veele on- bekwaarne, zullen gevonden worden. Men werpt ten anderen tegen, dat het tegensdezedig»
heid ftrijd, Mannen in de kraamkamer tot hulpe te roepen, 't gene ontegenzeggelijk waar is,- niet zo zeer in het kraa« men zelve, als wel in honderd andere gevallen voordien tijd. Eene Vrouw beginnende te twijffelen over haare zwangernis, moet door een Man onderflaagen worden; zij moet bij een gevreesde Miskraam de hand van een vreemd Man aan haare fchaamdeelen toelaaten; zij moet tegens.de verlosfing het zelfde doen, enz. het is in die omftandigheden, in welke het de weldenkende met re- de toefchijnt dat het onzedig is, wil men dat dit eene öijfheid is, en flegts eene verbeelding, wil men het zelfs eene loutere viezigheid noemen, het is wel; dbg inetdat alles zal de ingetogenheid, zedigheid, enfchaam- te altoos het fieraad blijven der Vrouwen, en het zou- de geene algemeene toeftemming hebben op de wijze der Otahitianen te leeven; die volgens Banks en Solan« der; zelfs in het verzaamelen in bet openbaar, als eene natuurlijke zaake niets fchandelijks vinden. .f Over de Vroedvrouwen.
Zo dra men groote Stedèa begon té bewoönen,$vierd
|
||||||
|
VRO.
bet rioodzaakelijk, dat de Wöthoiiderfchap agtgafop di
Vroedvrouwen, als van welke het leven, èhweleijn de Burgerije voor een groot gedeelte afhing, en haar aai zekere wetten verbond ; als voor eerst, van zekerejaarei te moeten hebben, van zelve Kinderen te hebben geteeld en dus getrouwd, of weduwen te zijn, te moeten kon nen Ieezen, onderweezen zijn, daar van getuigenis-fi draagen, enz. * Alle Welke voorzorgen'bij anderen onnut gehoudei
worden, het fchrijven uitgezonderd: wij hebben ha voorbeeld van Agkooie aangetoond, die eene jon geDogterwas; Louise Bourgeois, of BouçciERzegi dat haare Dogter eer zij 15 jàaren bereikt hadde reeds meer dan 50 Vrouwen verlost hadde. Obferv.p. 75. £,/ vre II ed. Paris an. 1617. In Frankrijk moetende Vroed vrouwen alleen eeïl getuigfchrift van haar goed gedru en bekwaamheid, opleveren. Zij moogèn evenwei vooi de 20. jaàrén niet toegelaateri worden, ook moeten zij drie jaaren van eene Vroedvrouw onderweezen, en drie maanden in het Hitel Dieu geoeffend zijn. Zie Sage. femme; Encycloped. ■ Het is zekerlijk onnut dat zij moeten gebaard hebben,
want dat.zelvebaaren leert haar niets, al zo geene Vrou- we in zich zelve iets duidelijks gevoelt onder die werk- king der natuur; alles, gefchied in eene algemeene ont- roering van het gantfche ligbaam, geheel anders is hst als de Vroedvrouwen 'Bakers zijn moeten,-gelijk in zom« mige landen, dan heeft zij door' het behandelen van haa- re eigene. Kinderen de handigheid verkreègen, die tot onderwijs en bijftand van eene eerst kraamende jongs Vrouwe vereischt worden*. In de meeste Landen, en wel bijzonder inde voor-
naamfte en meeste Steden van Holland, worden de Vmà> vrouwen door de wet gelast, na de verlosfing van bet Kind, de Nageboorte aan de bij zijnde Vrouwen te ver- toonen, dat is eer dezelve, gelijk lands gebruik is, word verbrand, het welke in zich fluit, dat zij na de gekort! van hei Kind, de,Nageboorte zo fpoedigals mogelijk wtt haaien, en vertoonen. Wij hebben te voren zie NAGEBOORTE, getoorit,
dat zij inblijvende geen nadeel deed p. 2242. dog thans vereisfchéfj, de meeste kundige Geneesheeren, voor al in A111*161"^^? en elders op hun voorbeeld, datmende Nageboorte niet moet verhaasten, er niet aantrekken, Veel min die dopr afpelling, of andere handgreepen, afnaaien. , : ' De vraage is wât moet hu de Maglftraafge!ooven?dss
eenen tijd willen' de Medici, of Colleg.'Medicum zij za' aanftonds vertoond worden, den anderen zij zal vanzelvs wegvallen , i'al volgt zij niet kort op de verlosfing vat het Kind, desânderen daags, zelfs 4, 5, 6 ja meetda- gen daar na zal zij zonder eenig gevaar van zelve te voor- fchijn koomen. Indien het geoorloofd is onze 'denkbeelden bier over
medetedeelen is hei lest dezelve nooit door konstuitte hei' len, in weerwil van het geene de Baron van Swietï* 'er over zegt, prijzende het gedrag van Denijs, dog j^ kan niet tegenfpreeken, zodikwils ik Vrouwen vérlosfe dit onmiddelijk te doen, zelfs eer de naVelftrenggebon* den of afgefneeden is, omdat de lijfmoeders mond, als dan, ruim, en open zijnde, de hand ligt toelaat, enop dat men mij, indien de Vrouw om eene andereoorzaa- ke kwaade toevallen krijgt, niet van verzuim befchuw' ge', of dje toevallen aan de te ruggebleeveneNaagebooor- te toefchrijve. ft,.
|
||||||
|
VRO,
|
|||||||||
|
VRO, 400$
|
|||||||||
|
Ik volge het voorbeeld vap Extos, bij den Baron van
S wieten aapgehaàld, tb. in§, 1321. Boërh. en w*el te jneer, omdat ik 'er onmiddelijk geene kwaade gevolgen van gezien hebbe; wel groote bloeding, die ik indedaad geloove, dat men zoude voorkeomen, als men de Nageboorte nooit af haalde ; zelfs geloove ik, dat ds Moedtrs meerder zog, en fpoediger zouden hebben. De Oude Geneesheeren waren nogthans niet in dat
begrip; want waartoe zouden zij anders zo veele nies.mid- delen aan de handgegeevenhebben,gelijkHippocrates die Cap. 9. ed. Chart, torn. 8- p. 861. teffens raadt, dat men de Naageboorte zal aftrekken door het Kind er aan te iaaten bangen; welk middel door MoscnroNi nogthans afgekeurt word, Spachii Gijntsc. p. 13.14.. Zommige zegt hij hebben geweldige niesmiddelen aangepreefen , en hebben de Vrouwen aan ladders opgehangen; anderen' hebben dranken om de Naageboorte uit te drijven ingegee- ven; zelfs hebben eenige een gewigt gehangen aan de zelve, quaomnia nosreprobamus, ib. Hippocrates wilde dat men 'er een gewigt aan zoude hangen, als de ftreng gebrooken was.. --- Het is de beroemde, en waarlijk in zeer veele cfeelen
de lofwaardige Ruisch, die zegt, in vijftig jaaren geen nadeel gezien te hebben van het inblijven derNaageboor« te, al was zij zelfs geheel bedorven, en al bleef zij da- gen, weeken, ja maanden in. Maar wel dat zeer veele Vrouwen, fchoon anders wel verlost, fterven, door de al te geweldige afhaaling. Het was dan noodig, dat men in de Reglementen en
Keuren op de Vroedvrouwen, deeze wet veranderde, ende Vrouwen gebood, dat zij, als de Naageboorte niet van zelve los wïerd, en fchielijk na de geboortevan het Kind uitzakte, de Vrouw zouden te bed brengen, en de Naageboorte aan de Natuur overiaaten. De Vrouwen in ons land meest op (loeien kraamende,
zijn afgemat eer het aan de Naageboorte toekomt, en de Vroedvrouwen haasten zich, om de Kraam vrouwe rust te können geeven tot het afpellen der Moederkoek, 't gee- ne door deeze verandering in de Wetten konde voorge- kootnen worden. De Vroedvrouwen, zie de Cedex Batavus va« Zurr: 4^0,
1757- P- 1176. moeten bij de Magiftraaten beëdigdwor» den, van binnen vierentwintig uuren na de geboorte eer Biger bastaart Kinderen, die aan te brengen, met den "aamen wooning der Moeders, op dat Officieren daar na procederen. Echtregl. Stat. Gen. 18. Maart. 1656". art. 88. Jn Zeeland flaat op bet verzuim daar van êene boete van honderd gulden, en dat zij het Kind zelve moeten houden ; en niemand als beëdigde mogen zich als Vroedvrouwen uitgee- vfii 'b. Deze wetten fchjjnen gedeeltelijk op de zeden te. £le",gedeeltelijk op de last die men in de Diaconiien heb- ten zoude van die onechte Kinderen. Op andere Plaatzen gelijk te utrecht, zie v. d. Water Groot Placcaatb. Tom. 3. ?,S4o. zijn zij bij eedengehouden de Vaders van onechte ■Kinderen aan te geeven. Te Amfterdam belooven zij "ft aan den Prfes Collegii Medici als zit aangenoomen "in.tot Vroedvrouwen. In alle plaatzen is hier omtrent Verfchil ; <jarj dit is zeker, dat het zeer nadeelig is op deeze J^zedeBaarendente handelen, en dar men dikwerfdaar ooor gelegenheid geeft tot Kindermoord, gelijk de Heer ■j1"0/. Campe.r 2eer overtuigend heeft aangeweezen , in e inleiding van ziine verhand. over de tekenen van leven ndooä in eerstgeborene Kinderen. h 6 Vroedvrouwen zijn vervolgens ook aan andere werten
jebonten als om geene Inflrumenten of Werktuigen te v*l Deel.
|
|||||||||
|
mogen gebruiken, geene geneesmiddelen te mogen ingee«
ven, enz. Omtrent het eerfte oordeele ik dat men in het algemeen
gelijk hebbe, evenwel zie ik geene rede, waarom men eene Vroedvrouwe die verftand had, het gebruik van den Hefboom van Roonhuijsen niet zoude können leeren, of van den Tang van Smellie , Levi er , Johnstojx &c. ? Het is waar de Lettor artis Obfléïr. te Amfterdam , »V ge» houden in zijne Les/en aan de Vroedvrouwen, het gebruik der Inflrumenten nietaan te wijzen. Maar van waar komt dat? RuijscH was de eerfte Lector voor die Vrouwen, hij was zelf een Roonhuifiaan, en had hier belang in. Men nam den Prof. Camper kwalijk, dat hij de Vroed- vrouwen het gebruik van den Cathéter om water af te tappen, en het keeren van Kinderen bij de voeten leer- de, om dat de Stads Vroedmeesters, bij die lesfen opzijn eigen verzoek tegenswoordig, vreesden daar door in hunne pracTijk en neering fchade te zullen lijden. Dat zelfde eigenbelang is oorzaak geweest, dat men hem be- letten wilde die konst niet openlijk aan zijne Leerlingen te leeren; en met rede, want de Roonhuiziaanen leer- den niet allen de bandgree'pen voor veel geld aan ande- ren, maar verbonden daar en boven nog de Leerlingen om de §« f. °f \. van bet voordeel van iedere verlosfing te zullen moeten uitkeeren aan hunne Weduwen. Het was derhalven het onmiddelijk belang dier Lieden, dit alles te beletten. De Vroedvrouwen zijn thans gehouden te moeten kön-
nen fchrijven, en zij moeten de lesfen bijwoonen bij de Leclores, Profefïbres of Pbijfici, daar toe bij de Regee- rïnge aangefteld, het geene van de allergrootfte nuttig- heid is. Vroedmee sterfchap.
. Wij hebben reets gezegd, dat de f'VoeÄofwflegtseen gering gedeelte was vandeHeelkonst; allede Oude Ge« neesheeren, die niet flegts alle inwendige, maar ook alle uitwendige kwaaien met de hand genazen, oeffenden deeze kenst} gelijk uit Hippocrates en Celsüs, en alle Ouden, zo Grieken als Arabieren blijkt. In gantsch Europa word de Vroedkonst gehouden voor
een deel der Heelkonst, en èen Heelmeester volgens de Wetten geexamineert en toegelaaten, oefFent vrij over- al deze konst, zonder eenig ander verlof, of admisfie noodig te hebben. Het is Amflerdam aileen welke in dit ftuk eene andere Wet gemaakt heeft, naamelijk op een Request van den Hoog Gel. Heer RoëL Prof.ana- torn. en Prafes Collegii Medici, wierd den 19 januari/ 1746. aan het Colleg. Chir. geinfinueerd, dat voortaan de Chirurgijns van den Gilde, en andere gepromoveerde niet zouden mogen de baarende Vrouwen bijftaan, dan na een voorafgegaan examen in dat deel der Heelkonst» gelijk als blijkt uit de langwijlige en niet min fcherpede- duélien hier over, door A. Titsing in zijne Diana an. 175°. P- 77- & fiï- uitgegeeven. Volgens deeze nieuwe Keure, zijn zo wel gepromoveerde MedicinaeDoftores, als gepromoveerde Chirurgijns gehouden, zich alvorens deeze konst Hit te oeffenen, te laten examineren door een bijzonder gequalifïceerd Collegie, beftaande uit den Profesfor Anat. & Chir., twee Leden uit het Colleg. Medicum, en twee uit het Colleg Chirurg'cam, in de Gildekamer van het Colleg, Chirurgicum; wanneer zij daar dan bekwaam geoordeeld worden , moeten zii bij request aan ßurgemeesreren verzoeken een Admisfle~brief, die. als dan niet word geweigert. Burgemeesteren van Amft. H h ho«. |
|||||||||
|
4004 VRÖ*
|
||||||||
|
VRO.
|
||||||||
|
houden zich zo flipt aan die wet, dat zij den Hoog Ge-
leerd. Heer P. Camper als Profejjor Anat. & Chir. be- roepenen aangefleld hebbende, aan zijn Höoggel. uit eige- ne beweeging zulk een Admisfle-brief ter hand (lelden, om fchoon zij hem beroepen hadden om die Konst te onderwijzen, echter- geen inbreuk te maaken op dee- ze wet. VeeleMédidnaeDoclores en Chirurgijns, klaagen nog
over die Wet, dog onzes oordeels' te onregt. Zij is ge- maakt tot welzijn der Inwooners van die Stad, en daar om moet 'eraan gehoorzaamd worden. En, is herwaar dat men devereischte bekwaamheid daartoe heeft, waar- om zal men dan zwaarigheid maaken om zich daar ift te laatenexamineeren?al wat men zeggen kan, is j dat door- gaans de Examinatores zelven geene ondervinding heb- bende, zulk een examen niet wel afneemen können. Dog even die tegenwerping bewijst, dat BuFgemeesteren van Amflerdam wel gedaan hebben, omdat die influit dat iemand fchoon Heelmeester niet noodzaakelijk deeze konst veïftaat. *■' Behalven dat, is die wet opgekoomen door de onkun-
dige, afgn'isfelijke, en onvergeeflijke: behandeling van den"Beroemden Roonbuijziaanfchen Vroedmeester J. de Bruin, die koit te vooren aan den Wel Geb. Juffrouwe ïeHaeh, de geheele Baarmoeder, die omgekeerd uk- gezakt was, om de woorden van Titsing, Diana *&. p. 119, te bezigen, doodelijk had geextirpeert. De In- fpeftores Coli. Med. beweerden met regt, dat hij dit uit onkunde gedaan badde. enz. ib. Die Vrouwe ftierf kort daar op, gelijk ligt af te meeten is. De vraage verandert nu derhalven, en word deeze,
is de Wethouder langer verpligt eene privilegie gehecht aan zekerBeroeptoetellaan, wanneer de Oeffenaars van dat beroep toonen met de daad, dezelve met langer te verdienen? niemand die onzijdig oordeelt zal dit toe- ftemmen, maareen ieder zal de Burgemeees teren en Re- geerders van Amflerdam prijfen, hier in'zulk een lof- felijk voorbeeld gegeeven te hebben. En wel te meer, daar trefzeker is, dat van de Heel-
meesters zeer weinige die konst verflaan, en dat onder de Medicinae Doftores althans toen die Wet gemaakt is ook niemand die konst leerde ; want op de Acade- öiie van Leiden, Utrecht, Harderwijk, Franeker en Groningen is geen der Pröfesforen geweest die de Vroed- konst Jeeraarde dan na het jaar 1748; wat rede was erdan voorom de Medicinae Doftores vandeeze Wet uittezon- deren ? Wij moeten deeze ftoffe verlaaten om dat zij ei- gentlijk behoort tot de Medicina Forenfis oîLegalh^ en willen 'er alleenlijk dit bijvoegen, dat deeze konst het gij door Mannen, het zij door Vrouwen gèoeffend, thans 20 uitgeflrekt is, en om baar wel te verflaan zo veele kennis vereischt, dat merrniet te vöorsigtig zijn kan in het geeven van verlof om deeze konst te oefFenen. Wij beveelen den Leezer daar over na te zien behalven Za- CHIas Qiitßipnes medico legales, den beroemden Albejr- ti -, zijne Junsprud Medica, en Hebenstreit AhthropO' logia forenfis , en Ludwig over deeze konst, of fchoon flegts , een uittrekzel uit het fraaije werkje van Heben- STBEIT.
VROEDMEESTER, zie VROEDKONST.
VROEDVROUW, zie VROEDKONST. ' .'
VROEDVROUWEN KONST, zieKRAAMKUN-
BE. -: ' ' ' ' VROEGBLOEIJENDE WATERMUNT, zie SI-
SïJMBRlÜM n. 2. pag. 3372. |
||||||||
|
VROEGE DRUIFJES-HIJACINTH'; zie Hl JA.
CINTH (DRUIFJES-) ». 4. pag, 1175. VROEGE KROPSALAAD, zie LATUWE». 1.5,
Pag- 1771. VROEGE OKERNOOT , zie OKERNOOTE-
BOOM, ». 2. pag. 2329/ VROEGE RAAPEN, zie RAAPEN ». 2. p. 289?.
VROLIJKHEID, Hilarïtas; is debénaaming van es.
ne'gemoedsgefteidheid, die zeer veel toebrengen kan tot een lang en gelukkig leeven. Indien men zorge draagt, dat zij niet buiten hec fpoor flaat, of tot dartelheid ont. aart, is zij een uitmuntend gefchenk van den Allerhoog. Men, eené aangenaame Gezellinne in de eenzaamheid, en eene getrouwe hulpe in allerleie verrichtingen. Zijis natuurlijk eigen aan lieden van eenebloedrijkegetempert- heid, en zelfs bij fommigeninzulk eene maate, dat zij gevaar loopen van buitenfpoorig te worden in hunne Fr«. lijkheid. en daarom eene zelfde zorgvuldigheid beboe. ven, om van dienkantophunne'hoedetezijn, als Droef- géestigen moeten aanwenden, om door hunne gefteltheid niet tot wanhoop vervoerd te worden. Betaamlijke Vn> Hjkkeid is het zout der famenleevinge, en zet leeven bij aan de Vriéndfchap. Wel dien, die in zijne tegenfpoe. den eenen Vriend heeft, dewelke hem door de Vrolijkhii van zijnen geest kan opbeuren, en hem ten mi.nflen voor eenigen tijd doen vergeeten, dat hij ongelukkig is ! Mm nog gelukkiger hij, die, fcbóon niet vrolijk van aartof getempertbeid , echter door oefening en overdenking Vrolijkheid van hart verkreegen heeft.' Waar, zult gij misfehien vraagen, waar is dan dit geluk tevinden?Ner- gens dan op den weg van Deugd, nergens dan in de bezittinge van een zuiver Geweeten? VROLIJKMAAKENDE DINGEN, zie tJETIFI-
CANTIA. ; VROOMHEID, Pietas. Men vêrflaat hier door eene
nauwgezette betrachting van alle zijne pligten, voort- komende uit gehoorzaamheid jegens God. Van ouds hechtte men aan het woord pietas dikwils eene bepaalde betekenis, en verflond 'er, de liefde, gehoorzaamheid en eerbied door, die Kinderen aan hunne Ouderen fetal- digzijn. In dien, zin leest men bij Vikotlius zoo dikwils van zijnen piusMwas, dien hij overal, als een Voorbeeld van kinderlijke liefde en eerbied, gefchetst heeft. Dan in onze taaie heeft dit woord eene ruimere betekenis» geevende eene zuivere Godsvrucht en Naastenliefde te kennen,'zonder eenige huichelarije ofgeveinstheid. De Vroomheidbeftaat dan niet in een uitwendig gelaat, df gedaante df verwe van een kleed, nauwgezetheid op ui' terlijke plichten of wat van dien aart meer zijn mooge; veel minder nog in zich van zijne Medemenfchen aftezon- deren, hunne'foutengreetigop tezoeken,met blijdfcïsp tb verfpreiden, ten breedflen uit te meeten, en zijnen Broeder te Veroordeelen , gewoone eigenfehappen van dieMenfcherj,. die zich zelve Vroom noemen, en behal- ven andere (lukken, ook daar in met de oude Pnarifeeaj wen gelijk ftaan, dat hun de Vroomheid van hart geheel ontbreekt, die zij geduurig in den mond hebben. Men vindt Menfchen, die zulk eenen" fchijn van Vroemheii^' neernen , om dat 'er zekerlijk geen gefchikter (maar 00K geen verfoèijenswaardiger) middel is, om iemand te mis^ leiden, en zijne fehelmerijen te bedekken, daneenege* daante van Vroomheid tevertoonen; gelijk aan niemand f die debevinding raadpleegt, onbekendzijnkan. Dan ne i'sgemaklijk, zulke gewaande Vroomen te lëëjren kennen, ea zieh tegen hunne ftrikkeii te beveiligen. .Zij. ve"^ |
||||||||
|
VR0.
den zieh meestal doorhunneliercleloosheid en hoogmoed,
en «ij doen niets liever, dan, het zij',met woorden of ge- baarden, God met een ksvaadaartig genoegen te danken, dat zij niet. gijn, gelijk andere Menfchen, die,zij tot het maaken van zulk eene ftreelende yergelijkinguitkippen,' en die dikwils op eenen dag meer blijken van waarè Vroomheid geeven, dan zij geduurende hun ganfche lee- ven. .
VROUW, in 't latijn Uxor, is het Wijf van de Man,
gijnde aan hem door ,de banden des huwelijks verbon- den. -.'■.; " ' ' ' '-. .-! -. :'-'; -. . ii Het Heilig Opperwezen niet goedgeoordeelt hebben-
de dat de Man alleen zoude zijn, heeft hem de begeerte jngefchaapen, om zich zeer naauw met eene Gezellinne te verbinden, en deeze verbintenis word door de vrij« willige goedkeuring van wederzijdfche belanghebbenden gevormt. , Dewijl nu deeze zamenleeving.de voorttee- ling en het behoud der Kinderen die gebooren ftaaij te worden, tot een voornaam doelheeft, zo veretscbt zulks, dat Vader en Moeder beide alle hunne zorgen te werk (lellen, om die panden hunner liefde te voeden en: be- hoorlijk op te kweeken, tot er tijd toe dat zij in ftaat zijn, zich zei ven onderhoud te verfchaffen en te be- ftieren* ■-.■-.. .;■ ; - ' , - VROUWELIJLECORNOELJE, zie CORNOEL-
JE BOOM. (BASTERT-) - VROUWELIJKE PLANTEN", zie PLANT, VI. «.
i.pag.4727. -, ..-..<. is VROUWEN-DISTEL, zje DISTEL«.4 pag,493.
.VROUWEN-GLAS, zie MARIEN-GLAS, VROUWENHAAIR, Venushaair,- Steenruit; is een
Kruidgewas, 't welk in't latijn word genoemt* AdianJ tm; Capillus veneris; in 't grieksch, '«?/<>«'; in !t mos», kovisch,' Nagowlafie ; in't bobeemsch, Waszenskij', in 'thungpars, Arva leanij haij; in-'t arabisch, 'Batrahen' Urn, Eerfuafan ; in 't fransch Adiante Capillaire;, in 't.en- gelsch Maidenhaire; en in 't fpaansch, Cularitrilho de: pM- : * >. :'i '; ' ,. ■ : 'i ■■.-, .-. Kenmerken. Dit Kruidgewas brengt een menigte -Stee-i
len voort, van een halve tot een beele voet hoogte, die- dtih;en zwartagcig van koleurzijn, en zich in Takjes ver- deelen, waar aan, veele kleine Bladerties zitffen, die= het; Coriander-Kruid niet ongelijk zijn; zijnde bijna driehoe- kig van gedaante en uitgefneeden, week, teerienzagtin het aanraaken, hebbende een flerke reuk en JiefFelijke taaak, en blijvende degebeele, winter door groen.. Djt gfiwas draagt geen Bloemen,, maar de Vrugt groeit na de, ' gesagten van TouaNEFORTOp.de vouwen aan de rand der. Bladeren,: welke eerst langer worden en zich. daarna: omdaan, en een menigte kleine, kogelronde zaadbuis-; , jes bedekken, welke aan de voorgemelde v.ouwenals aangelijmt zijn, en zonder een vergrootglas niet wel bunnen gezien worden; de Wortel is vezelig en haai- r'g; ■...-..
Zoorten. Daar zijn veelerleij zoorten van dit Gewas,
<j°g de twee volgenden die tot.gebruik in de medicijnen dienen, zijn de voornaamften. . ; ■■■ ,^". * Gemeen zwart Vrouwenhaair ; Adiantum. Dobon'. ,
daiantum foliis soriandri. C. Bau». Pinr^sC).; Adian- «m.five capillus veneris verus. Lobel. , Adiantum ramis P'ntiatis, foliis circuliJeBo'em referentibus. Sauv. Monjp. H5m (Adiantum frondibus ■ decompoßtis , foliis' allernis, wnis cuneiformibus lobatis pedicellatis. Link. Sp'ec. *t Fransch Vnumeritaairi Onopteris nigra. DoDösfi-j ;
|
|||||||||
|
VRO. -VAU.
|
|||||||||
|
4P©S
|
|||||||||
|
Adiantum nigtum Plinii. .Lobez,. , Adiantum foliis Ion*
gioribus pulverulentis, pediculo nigrt. C. Bauh. Pin* 355-i (Acroßicum bipinmtutn, pinmlis indivifis. Link. Spec. Plant.)^ .-',«-.<■ Plaats. Beide de zoorten groeijen natuurlijk in de
zuidelijke deelen van Vrankrijk als mede in Italien, op rotzen en onder puinhoopen; ook treft men de tweede zoortwel in Boog-Duitscblandaan, inzonderheid op de Haarts in 't Hanoverfche. Kweeking. Dit Kruidgewas word door febeuring ver-
menigvuldigt, 't welk 't best gefchied in maart of april ; het zelve tiert ongemeen wel in een goede, losfe, fand» agtige vogtige grond, en liefst op een fchaduwagtige of donkere plaats; behoeft weinig oppasfen, dan 't zelve van onkruid fchoon te houden, en bij aanhoudende droog- te te be vogtigen. Gebruik en Kragt. Van het Kruid dat een van de V*
zogenaamde Haair-Kruiden is, word volgens de konsÈ die.fijroqp vervaardigt, zo algemeen bekend onder de franfche benaaming v?n Sijrop Capillaire; Ook worden de verfche of gedroogde Bladen, wel als thee getrokken en gedronken. Het een en ander is maatig verwarmend, verdunnend;, openend en afvagend, pis en zweetdrij« vend, zeer bloedzuiverend en verfterkend; werdende inzonderheid aangepreefen voor verftopte ingewanden , engborftigheid , verkouwdheid , zwaare hoest, ca- tharren, hijpochondrije, maakt goed zuiver bloed, enz. .VROUWEN KAM, zie NAALDEKERVEL. |. VROUWEN-MELK, zie MELK. . VROUWEN MUNTE, zie MUNTE. (ROOM-
SGHE-) -,; !;■ < . VROUWEN-ROOSJE.zieLIJCHNIS m h pag. 1S8S. ; VROUWENSPIEGEL, zie KLOKJES-BLOEM,.
». 14. & 15 pag. 1528. r-VROUWEN.yS,zie MARIEN-GLAS. . VROUWEN-ZETPIL, zie MÖEDERPIL. VRUGT, Ä FOETUS,
VRUGT, 'm 't teiijn Fruttus, is bet geen van een Boom
of Plant .tot voortzetting of veimenigvuldiging van zijn zoort word.voortgebragt; en het is in deezen zin dat Vrugt alle zoorten van zaad met deszelfstoebebooren-i», zjeh befluit.._-- De Kruidkenners gebruiken dit woord, om. bijzonderlijk dat gedeelte van een Plant te betekc nen r-waar in bet zaad beflooten is, het welk de Grieken Kaçtreç noemen. ; De Vrugt vanzommige Planten komt enkeldvoort, ge-
lijk haare Bloemen, en zomtijds in Trosfen, gelijk in de meeste Vrugtboomen, die ook vleefchig zijn, dan in v-eele^ Planten zijn ze droog. , : Ook word het woord Vrugt gebruikt, om de verzaa-
meling van .zaad in een Plant te betekenen, gelijk in Erwten, Boonen, Ranunkels; en in eenalgemeene bete- kenis'voor alle zoorten van Graanen, 't zij naakt, of in een dekzel, zsadhuisje of peul beflooten; 't zij ftee- 11 tg, vleefchig, huidig, vliefig of dergelijke. Vrugt ishet voortbrengzel van de Bloem, ofdatgeene,
tot welkers voortbrenging, voeding enz. de Bloem ge- fchikcis.. - Het maakzel en de deelen van verfchillende Vrug-
ten■-, «verfchillen in zommige opzigten ; maar in alle de zoorten vertoonen zich de wezenlijke deelen van de Vrugt alleen; als .verlangingen of uitbreidingen van die,' welke in andere deelen van den Boom gezien wor- den* -VRKGTBEGiNZEL, in 't latijn EmMJoi isrfe~tedere H h 3 Vrugc |
|||||||||
|
400« VRU.
|
|||||||
|
VRU,
|
|||||||
|
Vrugt van een Plant, welker gedeeltens nog niet ontwon- drukt : Quis enim pojfetin tanta Malarumvarietate notnù
den zijn. numque procujuslibet Regionis £f Rutlhi piactto, diver- VRUGTKUNDE , in 't latii'h FruBologia.- Door fiïate , rj? cum qùotidieuovo infitionis ingénia, velut nova
Vrugtkunde verftaat men die Wetenfcbap, welke aan- prodeant,'fine errore eet, recenjerel dat is : Wie kan zo Wijst, om de verfchillende zoorten en veranderingen der menigvuldige veranderingen der Appelen, en derzelver éetbaare of Ooft vrugten, welke bij ons in de Hoven gecut - verfchillige benaamingen, naar willekeur van ieder tiveert worden, wel te kennen, van malkanderen wee- ,, Landfchap ofBoer, en daar geduurig door nieuwe uit- ten te onderfcheiden, en te regte te noemen. vindingen van enting gelijk als nieuwe zoorten voort« Niemand die eenige liefhebberij voor deeze voor het koomen , dezelve zonder dwaaling optellen"? H,t
Menschdom zo aangenaame gefchenken der Natüure beste middel om deoze verwarring voor te köomen, zoude heeft, zal onkennen, dat deeze Wetenfcbap nietteffens" zijn, om.de. verfchillende zoonen van Vrugten naauw. nuttig en vermaaklijk zij. :| \l. keurig te onderzoeken, de verfcheidene zoorten daar van Want i. kan men hierdoor weeteny welke Vrugten te befchrijven en door goede afbeeldingen aan het oog
ónder verfchillende benaamingen, een en dezelfdezoor- van de Liefhebbers te vertoonen.-------- Van veelerlei
ten zijn. uïtlandfche Fragten, met naanïen Limoenen, Citroenen,
^2. Leert men hier uit, om door een vreemde benaa- en Oranjen, zijn wij rijkelijk van zodanige werken voor-
■ming niet misleid te worden, en een zoon vaaFrugt ie zien, de Hesperidss van Fêrrarius, CoMMELijNen bekoomen of te begeeren, die ons onder een andere he- Volkhamer, ftrekken hiervan ten getuigen ; dan naaming veeltijds bekend is en zOmtijds al in zijn tuin het mangelt ons aan voldoenendebefchrijvingenenafbeel. heeft; of die veeltijds ook maar ïn een geméene flegle dingen van onze eigen inlandfche Vrugten ; van de zoda- zoon béftaat. ' ■>■■ ■■' - nigen,dïeonderonze luchtftreek natuurlijk kunnen groei- 3. Kan men _ hier door een zöorfjvan Friigt, die jen: als bijvoorbeeld;; Jlpp'elen, Peeren;Kersjen, Prui-
ons onbekend is, leeren kennen, die van andere zoor»' jnen en meer anderen.'Het is «raar, dat "zommige hier van ten of veranderingen weëten te onderfcheiden, eri bij door de lieer Quintinie nauwkeurig onderzogt en be- derzelver regte oorfprongelijke naam te noemen. fehreeven zijn, dog dewijl dit maar tén aanzien van ee- 4. Word men hier uit ontwaar, dat er op verre na nige weinige zoorten door dien'Hêërf'sg'èfcKieCl', en er*
zo veel verfchillige zoonen van Vrugten niet gevon- ook geerie afbeeldingen zijn bijgevoegt, kàn dit geen- den worden,-als men verfchillende benaamingen-hooft, zintsals volledig worden aangemerkt. ----'Over de of in zommige Autheuren of Lijsten te boek^geiïéld Appelen en Peereé echter, heeft ons zëdek"eenige jaa. Tind. - ......''■'■'■ ■.:.".:- 0 -r ren de buitengemeen kundige Kruidmihnaar Joh. Hkrm. 5. Geeft ons deeze Wetenfchap aan de hand.;'wëK Kftoop Veel dienst gedaan, door hét uitgeeven van zijn
ke beste, middelmaatige ofgeringde zoonen van'Frug- Werk, getijtelt, Pomologia of befchrijving, van Appels ten zijn , en wat zoorten dus meer of min verdienen aan- en Peeren enz. 't welk behalven dat een zeer nauivkeuri» gekweekt te worden. - . ' ,<\ ge befchrijving van ieder zoort behelst met .bijvoeging 6. Behalven nog veel andere kundigheden hier tóe van derzelververfchillende_/ynoB!HJa'x, daar te boven met
betrekkelijk, kan men hier door weeten, welke zoor- accuraate afbeeldingen van de meeste zoorten der Ap- ten in deeze of geene luchtftreek of ftandplaats't best tie- pelen en Peeren is verrijkt. ren en goede Fragten voortbrengen. Om de Planten te leeren kennen, en derzelver Gedag-
Hoe groot het nut en vermaak ook is, dat deeze kun- ten nauwkeurig en zonder veel moeite van malkander te
digheid aan de TuinoefFening bijzet, zo is die echter tot onderfcheiden, hebben de Kruidkundigen (Botanici), ver- , hiertoe zeer on volkoomen, duisteren verward geblee- fcheide leerwijzen (fijflemata) uitgevonden en.voorgeftelt- ven; en zulks is waarlijk niet te bewonderen, dewijl ieder derzelver geregeld volgens zijn bijzondere grondre- zich eene reeks als van onoverkoomelijke zwarigheden gels, en waar van men de optelling en befchrijving vind op doen , om die in een goede orde te brengen, en daar om-l in het werk van de Heer C. Lmjkjeus getijtelt, Claffes, trent iets met zekerheid te bepaalen; ontftaande zulks feu Sijfiemat» Plantarum', na de uitgaave echter van dit niet alleen uit de menigerlei zoonen van Frugien, zowel werk, hebben er nog eenige anderen bet licht gezien, waar gemeene als beste die men in de vier waereldsdeelen onrw' van inzonderheid verdient aangepreefen te. worden, dat moet, gevoegt bij de naauwe overeenkomst die veele van de kundige Heer van Rooijen Hoogleeraar in de zooi ten ten aanzien van de uitwendige gedaante en ko- Kruidkunde te Leiden, geplaatst in deszelfs Prodromus leur met eikanderen gemeen hebben ; maar ook en wel Flor. Leiden/. voornamelijk, teroorzaake van de groote verwarring die Dan vermits genoegzaam alle deeze Leerwijzen, inzon*
door de veelvuldige verfchillende benaamingen vaneen derheid meerer ingericht zijn, om de Geflagten en zoor- en dezelfde zoort van Frugt ontflaat , dewijl bijna in ten van Planten te leeren kennen, als. wel de verande- ieder landfchap, provintieof ftad, de Vrugten verfchei- ringen en het weinige verfchil dat men in de Vrugten dentlijk genoemt worden, ja dikwils den Eigenaar van ontwaar word te doen zien, daar her hiernogthans in« deeze of geene zoort, daar van de oorfproogelijke of zonderheid op aan koomt, zo is geene derzelven volle- gebruikelijke naam niet -weelende; die na zijn eigen dig, om ten aanzien van de Frugtkunde tot een rigtfnoer goeddunken doopt en flegts den eerden naam geeft die I te verflrekken. r~ Dus is bet rioodig andere rnidde- hem te binnen valt; hier door is het inzonderheid, dat Jen ter hand te neemen, omdit 'oogmerk te bereiken; er veel verwarring in de Frugtkunde ontftaat. Hier over ten dien einde dienen er zoveel doenlijk is, kentekenen klaagden ook in voorige tijden veele voornaame Kruid- : in de Frugten zelve gezogt te worden, die in 'ftoat zijn kenners, en om er fl-gts eene van aantehaalen, zo laa de-eene zoort duidelijk van de andere te.onderfcheiden. ten wij hier de woorden van den Grooten Casp. BAUHt- - Dewijl echter, zommige zoorten zeer bezwaarlijk in Kus volgen, te vinden in zijn fcboone werk, getijteld haare Frugten zijn te onderfcheiden, wegens derzelver Pindx Thentr. Bvtan, alwaar hij zïcap&g, 433, dus üijt« groote overeenkomst in de uitwendige/gedaante, .*>&: |
|||||||
|
J
|
|||||||
|
VRÜ». . - VRÜ. . 4ddr
|
|||||||||||||||||||||||||
|
tig zulks inzonderheid ten aanzien van de Perßkken plaats
vind, zo dient men tot andere kenmerken, behalvendie welke de Vrugt kan geeven, zijne toevlugc te neemen , op dat men daar door in ftaat gefteid worde, om met grondjover de zoort.'der Vrugt te kunnen oordeelen. , Het is dan allezints dienltig, de Kenmerken , waar door men tot de kennisfe en onderfcbeiding der zoorten van Ooftvrugten t best zal kunnen geraaken, na re fpoo- ren en op te zoeken; en dit kan mijn bedunkens niet be ter gefchieden dan door middel van de volgende tafel met de daar bijgevoegde ophelderingen, die wij hier'Jaa. ten rolgen. |
|||||||||||||||||||||||||
|
Van de Kenmerken die aan eniti de Vmgt
zelfs gevonden worden. De Kenmerken die baar aan en in de Vrugt zelfs kun-
nen opdoen, om ze van andere zoorten te onderfchei- den, zijn; I. de Gedaantk. 11. de Grootheid. 111.' 't Oog- of de Krui ar. IV. de Steel. V. de Schil. VI. 't Vleesch. VII. 't Zaad en 't Zaadhuis. VIII. de Samekhooping. IX. de Tito van rijpwording der Vrugten. - I. De Gedaante der Vrugten, is naar't onderfcheid
der Geflagten en zoorten, veelvuldig; dogbeftaatmeest in de volgende. I. Rond, Rondagtig, of Rondvallig, noemt men zo-
daanige Vrugten, welke naar een bolronde gedaante hellen, of genoegzaam bolrond zijn ; ik zeg genoegzaam, oin dat er weinige Vrugten gevonden worden die volko* men bolrond zijn, dewijl de meesten doorgaans bij de Steel of Kruin, of wel aan beiden eenigzints platagtig ofingeduwt zijn, fchoon anderzints zeer nabij het bol- ronde koomende, gelijk men zulks in zommige Perfi- ken, Pruimen, Appelen, Peeren, enz ontwaar word. 2. Langwerpig-rond, zijn zodanige Vrugten wiensge-
daante nabij" die van een langwerpige bol koomt. Voegt hier, en in de volgende rondvallige Vrugten bij, 'tgeen hier boven in 1. ten aanzien van 't rond gezegt is. 3. Eij-rond, zijn die , welke nagenoeg de uiteriijkege-
daante van een Eij hebben, dat is, die langwerpig rond zijnL, dog aan het eene einde, het zij bij de Steel, of tegen over dezelve, eenigzints dunner zijn; in het eer- fte geval noemt men zulks, omgekeerd eijrond. 4. Platrond, zijn de zodanige welke nagenoeg dege-
daante van een plat-ronde bol hebben, of op de wijze als een kaas geformeert zijn. 5. Platte, noemt men die geene, welke zeerplat-rond
zün; zo als bij voorbeeld onderde Appelen, dezoge^ noemde Kantjes of Keesjes-Appelen. 6. Langwerpige, noemt men diegeenen, welke hm-
ger als dik zijn. 7. Vierkante, en
8. Langwerpig-vierkante, is de benaaming van de zo-
danigen, welke niet kwalijk naareen Cijlinder gelijken, dat is, die onder bij de Steel en aan deszelfs tegenover- ftaande zijde, genoegzaam even dik, en zowel onder als boven eenigzints platagtig vallen; deeze gedaante is eigen aan zommige zoorten van Appelen, Pruimen, enz. p. Buikig of Gebuikt, noemt men.zodaanige Vrugten
die omtrent deszelfs midden vrij dik vallen, en na een der beide einden fcbielijk verdunnen; 2ulks is eigenaar- tig aan veele zoorten van Peeren. ' 10. Puntig na 't Oog en Puntig na de Steel, noemt
men de zodanigen die naar 't Oog of naar de Steel toe dunner worden, en min of meer puntig of fcherp toe- loopen ; gelijk zulks ten aanzien van een groot getal Peeren , en aan eenige weinige zoorten van Appelen plaats vind. II. Pijramidaals, of rond Naaldsformig, noemt men
die Vrugten, die van het eene einde, of van het mid- den af na de Steel toe, min of meer puntig toeloo- pen, zonder gebuikt te wezen, gelijk veele zoorten vàn Peeren. . * . 12- Kantig, of hoekig, worden die geene genoemt,
welfcè in.de langte of hcogteder Vrugt, eenof meèruit- fteekendé boeken of kanten hebben, gelijk veele Appe- len en zommige Peeren. \ . v j.3. Rtbhig of Geribd, zün de zodanige, die in de lang.' Hh 3 re |
|||||||||||||||||||||||||
|
I.
Door de
Kenmetken aan en in de Vrugt zelfs. _ Deze kunnen zijn |
|||||||||||||||||||||||||
|
Cl. De Gedaante
V 2. De Grootheid 13. 't Oog of de Kruin,
4. De Steel. , 5. De Schil. 6. 't Fleesch.
7. ~"t 'Zaad en 't Zaadhtiis,
8. De Samznhooping, en
9. De tijd van rijpwording
der Fragten Cl. De Dikte, of
1. De dunte van 't jonge
Hout. 3. Dat 't regt opwaarts .
groeit, of 4. Dat 't min of meer zijd-
waarts, offchuins groeit. 5. Dat 't waterpas^, of ne-
derwaarts hangende , of flenterig door malkander groeit. 6. Dat 't doomig of niet
. \ 1 doomig is. L 7. De koleur van het Hout.
'1. Grooter of kleiner.
2. Rond, langwerpig rond,
eijrond, enz. 3. afin of meer puntig, hoe-
kig, enz. 4. Glad, Hinkend, ruuw,
J ruig, doomig ^ 5. Effen, of' gekronkeld. 6. Niet, weinig, of veel ge-
kaïteld, of gezaagt. 7. Min of meer géfnippclt,'
of gefcheurt. 8. Fan deeze of geene groe-
ne koleur. |
|||||||||||||||||||||||||
|
II.
Door Ken- merken in het Hout. Deze kunnen zijn. |
|||||||||||||||||||||||||
|
III.
Door Ken-
merken in de Bladen; welke kun. nen beftaan hierin, dat ze zijn. |
|||||||||||||||||||||||||
|
. De groot- of kleinheid de r
■geheels Bloem. '
. De groot- of kleinheid der Bloem-bladen, beneffens
■J r. derzelver gedaante. 1 i. De verfchillige koleur der Bloem. .
. De verfchillige gedaante, koleur, en hoeveelheid der
llelmfiijltjeieit Stampers.
|
|||||||||||||||||||||||||
|
IV.
Dooi Ken-
merken in de Bloem, welke kun- nen zJjn. |
|||||||||||||||||||||||||
|
v.
Door goe-
de Befchrij* vingen. |
|||||||||||||||||||||||||
|
'Die volgens de voorgaande
Aanmerkingen,!' II. IIJ. IV. naamvkeurig opge- maakt zijn. |
|||||||||||||||||||||||||
|
f Na 't Ie'm en de vaare
> Gedaeite der zoort ■. 'naeuvr keurig. ..afgebeeld \ji zijnde.. |
|||||||||||||||||||||||||
|
VI.
Door Af- -f b?eldingen. |
|||||||||||||||||||||||||
|
VRlî,
|
|||||||||
|
+003, _, VRU.
|
|||||||||
|
te of hoogte der Vrugt, verfeheidene veruitfleekende kan«
ten als ribben, en tusfchen beiden diepe groeven hebben ; gelijk zommige zoorten van Appelen. , , 14.. Scheef, of mismaakt, worden die Vrugten ge- noemd, welke nog rond nog vierkant zijn, maar waar aan hier of daar hoeken of kanten uitfteeken ; of met een woord alle zodanige Vrugten, welkeeen irreguliere of mismaakte gedaante hebben; gelijk men dusdanige zo wel onder de Veeren als Appelen vind. IS- Oneffen, bultig of hobbelig, zijn die, welke hier
of daar min of meer bulten of hobbels , en daar tusfchen beiden min ofmeerdiepegroeven hebben ; 'twelk meest ondsr zommige zoorten van Peeren befpeurt word. Wat nu deeze Gedaante betreft, opzigtelijk om daar
door de zoorten der Vrugten te leeren kennen en onder- fcheiden ; zo dient men aantemerken, dat een zelfde zoort van Vrugt in haare gantfche familie, hoedanigen hoe dikwiis die ook verent of verplant word, offchoon ze grooter of kleiner groeit, nogthans altoos haare na- tüurlijkeingeboorene Gedaante behoud; echter gebeurt 't nogthans wel, dat er aan een en dezelfde Boom, Vrugten van eepigzints verfchillendè gedaante groeijen, dog deezen moeten niet anders dan voor misgewasfen , of onvolkomene worden gehouden, -r-----. Derhalven
moet men ook, om van een Vrugt, doormiddel van
derzelver Gedaante met zekerheid te kunnen oordeelen , een Vrugt uit zodanige hebben of verkiezen, die 't naast met eikanderen in de Gedaante overeenkomen, dewijl me" anderzints ten aanzien van de bepaaüng der*zoort, ligtelijk kan misleid worden. II. De Grootheid der Vrugten. Deeze is in 't al-
gemeen zeer verfchillendè, groeijende die van 't eene Geflagt natuurlijk veel grooter als van 'tandere. Dijs zijn bij voorbeeld, de meeste Appelen doorgaans grooter als de Peeren; deezen door de bank grooter a\s de Abri- cofen, Pruimen, Nooten, enz.; deezen wederom groo- ter als de Kers/en enz. -----» Ook groeit de eene zoort ■van 't eene of 't andere Geflagt, natuurlijkgrooter of klei»
ner als 't andere. Men kan derhalven de grootheid der Vrugten in ieder Geflagt, en van ieder zoort in 't bijzondere, niet wel aan vaste regelen of maatenbepaa- len, maar men moet door de oeffeningen ondervinding onderweezen worden, welke Geflagten, en wat zoor- ten in ieder Geflagt, men groot of klein moet noemen. __ Het gevoeglijkfte is, om de grootheid der Vrugten van een zelfde Geflagt in drieën te verdeelen ; namelijk, in grootte, kleine en middelmaatige; welke laatfte de zodanigen zijn, die tusfchen de kleine en grootte het midden houden. Verders dient ten aanzien van de Grootheid der Vrug-
ten noodwendig aangemerkt te worden, dat Vrugten van een en dezelfde zoort,'ook dikwiis veel in grootte kun- nen verfchillen; wordende die op de eene Boom, of in de eene ftandplaats, dikwiis veel grooter dan in de ande. re ; ook zijn doorgaans de Vrugten op een en dezelfde Boom, zeer onderfcheiden in grootte- Insgelijks vallen die 't eene jaar niet zeldzaam grooter of kleiner als in het andere,1 hangende zulks in 't algemeen af, vaneene goede of flegte gefteltheid des gronds ; van het Plantfoen waar op de zoort geënt is; van de min of meerdere aan- doening der Son ; van een goed of flegt jaar-faifoen ; van 't klimaat ; van de hoeveelheid der Vrugten die de Boom of Tak te voeden heeft, en van meer andere oor- eaaken. H>.er uit ziet aten» dat het ten aanzien van het onder- |
zoek der Vrugten, niet altijd sseker gaat, om derzelver
grootte tot een vast kenmerk te neemen, maar dat het doorgaans nodig is, teffens daarbij andere Kenteekeos tot hulp te neemen, en als dan die met de Grootheiitç vergelijken. III. 't Oog, ook de Kruin genoemt, zijnde niet an.
ders dan een overblijfzel van de Bloefam welke inde Vrugt is begroeit, en dat nlleen maar aan zommige Ge- flagten eigen is; zo als bij voorbeeld, aan de Appelen Peeren, Kween, Mispels, enz. kan zomwijien ook wan- neer andere kenmerken ontbreeken ofniet ter onderfchei« dinge toereikende zijn, eenig licht ter bekooming van kun. digheid in de zoorten aan de hand geeven, dewi'1 men in eenige zoorten hieromtrent een-merkelijk onderfcheid ontwaar word, beftaande dieboofdzaakelijkhierin.dat 't Oog is; 1. groot, of 2. klein; 3. niet, 4. wéinig,of 4. veel gezonken, dat is na binnenwaarts in de Vrugt Maan- de, en uitgeholt. Dan de evenredigheid van deeze groot- of kleinheid, enz.; moet door dé de ondervinding gekent worden. IV. De Steel kan zomtijds ook eeriig licht in de zoort-
onderscheiding der Vrugten aan de hand gèeven; en dit vind inzonderheid plaats ten aanzien van Peeren, Prui- men en Kers/en. . De Kenteekens aan de Steel eigen, zijn, dat die is; i.kort', 2. lang; 3. dik; 4 dun; 5. regt ; 6. krom; 7. niet,-, 8 weinig, 9. veel gezonhn. ,. Dan men kan de .evenredigheid van alle deeze ken- merken aan geene vaste nóg zekere maatebepaalen, maar die moeten insgelijks door oeffeningen ondervindingge« leeraart worden. Evenwel kan men in 't algemeen aan« merken, dat ten aanzien van de langte des. Steels, men die wat de Peeren betreft lang noemt, : wanneer ze de langte der Peer evenaart, of wel langer is; en kort, wanneer die eenvingerbreed, iets min ofmeer lang is. De Appelen vallen doorgaans kortfteelig; en men noemt daar van de Steel lang, wanneer die een kleine duimbreed beflaat, of wel langer is. -----■ Ten aan- zien van de Kers/en welke doorgaans van lange Steelen zijn voorzien, noemt men de Steel lang, wanneer die de maat van anderhalf duim te boven gaat;;enkoi;t, wan- neer die drie vierde duim of minder lang is. Aan de Pruimen word de Steel langgenoemt, wanneer die de langte van. de vrugt evenaart. - Abricoofen, geene uitgezondert, zijn alle kortfteelig. Nog dient men ten aanzien van de lang of kortheid der
Steel te letten, dat dezelve van veele Appelen en Peint ,aan dat einde, waar mede ze aan den Boom vastzitten, doorgaans een weinig min ofmeer, gekromt zijn; dan dit koomt zelden in aanmerking ten aanzien van de zoort- onderscheiding, om jeden dat zulks genoegzaam in alle zoorten van deeze Vrugten plaats vind. V. De Schil levert drieërlei Kentekenen op, als; A.
door derzelver buitenge hoedaanigheid ; B. door haar J»' leur; én C. door derzelver 'dikte of dunte. A. De buitenße hoedaanigheid der Schil beftaat in de
volgende hoedaanigheden. 1. In Glad te zijn, wordende de Schil zodanig Se"
noemd, wanneer die overal effen en zonder de minfte roiuvigbeid is. , 2. Blinkende,; wanneer dezelve glanzig is, zoo dat
men zich daar in, inzonderheid wanneer die met een droo« ge doek wei is afgewreeven, genoegzaam kan fpiege' 3. Rouwe Schil, zijnde deeze met een zoort van rou-
wigheid of ruigte overdekt,- zo,als bij voorbeeld onfl |
||||||||
|
VRU.
|
|||||||||
|
VAU. 4ooà
|
|||||||||
|
volkoomen of zuiver blaawv, maar doorgaande lefmulu
blaauw of donker-blaauw, violet, purper, paarsch, zo. als ten aanzien van veelerJei zoorten van Pruimen en Druiven. Ook zijn de meesten deezer Vrugten met een waas of zogenoemde daauw, min of meer bedekt, dat v ook zomtijds tot de zoort-onderjcheiding dienen kan. 14. Zwart, is geen Vrugt volkoomen, maar men
noemt dik wils de zodaanigen zwart, die geheel donker- blaauw^ donker-rood , of wel donker-bruin zijn, en ér dus genoegzaam op bet oog zwart uitzien; dit vind inzonderheid plaats ten aanzien van de Kers/en. 15. Geflipt, zodaänig zijn veele zoorten van Vrugten,
inzonderheid onder de Appelen, Peeren en Pruimen; dog de eene zoort meer ofmin. en fijnder of grover als d'andere; deeze flippen kunnen uit alle de te vodren op- genoemde koleuren beftaan, dog meest ontmoet men dis bruin, rood of Zwart. 16. Gevlakt, zijrKOok zommige zoorten van Appelen,
Peeren, Pruimen, Abricoojen, enz. welke vlakken ook uit alle de voorgemelde koleuren kunnen beftaan ; dog meest ziet men ze uit den bruinen, graauwen, reoden, yiolettm en paarfchen; ook vallen ze aan de eene zoort grooter of kleiner en in meerder getal als aan de an- dere 17. Geflreept, zodaanig zijn'veele zoorten van Appe-
len en Peeren; de eene zoort meer of minder, ook fijn- der of grover als, de andere. De Streepen kunnen uit 'alle voorgemelde zoorten van koleuren beftaan, dog zijn doorgaans meest rood, van verfchillenden aart. Nog dient men wat de koleur der Schil betreft, in agt
te neemen; dat die zomtijds in een en dezelfde zoort zeer veel kan verfchiilen, zoowel ten aanzien van Vrug- ten aan een en dezelfde Boom groeijende, als die^aan verfchiUende Boomen voortkoomen, als mede in ver- fchillige jaaren; hangende zulks van veelerleij oorzaa- ken af, als, van't Plantfoen waar op de Vrugt geënt is; van de hoedaanigheid der grond; van de expofitie; van een meer of min fonnerijk jaar-faifoen, en naar dat de Vrugten min of meer voor deSon bloothangen; gelijk men altoos bevind dat zodaanige Vrugten die niet ÓF' weinig door takken of bladen overfchaduwt zijn, en de verquikkende aandoening der Son volkoomen genieten, doorgaans levendiger van koleur en aanzienlijker op 't oog worden; ten aanzien van welke verandering, men derhalven in de zoort-onderfcheiding noodwendig moet letten, om in geene dwaaling te vervallen. C. Ook kan zomtijds de dikte of dunte der Schil eenï--"
ge opheldering,geeven om twee verfchiUende"zoorten van Vrugten, welke anderzints in alle deelen gelijk vor. mig zijn, te onderfcheiden, inzonderheid ten aanzien van de Peeren; want bij voorbeeld, daar zijn twee zoor' ten van Peeren die malkander wat de uiterlijke gedaante, koleur, enz. betreft, zodaanig gelijk zijn, datmenniet in (laat is dezelve re onderfcheiden; dog diewanneer men', ze doorfnijd, bevonden worden , de eene een merke»' lijke dikker of dunner Schil te hebben als de andere, waar uit dan (betalven andere Kenteekens die erzieh dan doorgaans, in bet Vleesch opdoen) beflooten kan wor- den, dat 't twee onderfcheidene zoorten zijn; dewijl de ondervinding leert, dat de Schil ineen zelfde zoort, op wat plaats die ook gegroeit is, genoegzaam altoos dezelfde eigenaartige dikte behoud. VI. De Kenmerken die haar in bet Vlsesch opdoen
zijn drieledig, als a. in de zelfflandigheid van het1 Vleesch, b.'in ideszelfs Meur, en c, in deszelfs finaak; 3. Wat
|
|||||||||
|
de Appelen, de meeste Reinetten, enz.; en onderde Pee-
ren, de Beurré gris, Rietpeer, enz. , ». Ruig oïhaairig, is min of meer de Schil vanzoin-
migè Vrugten, zo als boofdzaakelijk ten aanzien van de Bieeste zoorten van Perfikken plaats vind. ß. De koleur der Schil kan veelerlei zijn, als i. Groen, en zodaanig is de Schil van de meeste Vrug ten gefielt, alvoorens die rijp zijn,- doorgaans met't rijp worden een andere,koleur, ingevolge den aart van't Ge- sagt en zoort, hekoomende. ------; Dan daar zijn even- wel zommige Vrugten, die hunne groenigheid zelfs na derzelver rijpwording behouden ; zo als bij voorbeeld, de groene Pruimen, zommige Appelen, Peeren, Perfikken, Druiven, enz. Anderen daarentegen zijn groen wan. neer rijp geplukt worden, dog veranderen doorgaans in het leggen van koleur, wordende na verloop van tijd wit of geel; van deeeen aart vind men veelen onder de Jppelèn en Peeren. Dan'deeze groenigheid kan ver- fchillendezijn, als ligt-groen, bleek-groen, donker-groen ; geelagtig-groen, enz. 2. Wit; weinige Vrugten vind men die volkomen wit
van Schil zijn; maar doorgaans hellen de meesten naar 1 de groene ofgeele kant, of wel zifn morzig wit.
3. Groenagtig-wit, en geelagtig-wit, noemt men wan.
I neer't wit naar den groenen of geelen helt. Witagüg X groenen witagtig-geel, beteekend genoegzaam het Zelf- I de, enkel met het onderfcbeid, dat*daar bij 't groen i of geel meer de overhand heeft als 't wit. 4. Geel, kan veelerlei zijn, als citroen-geel, oranje-
I %tü, enz. 5. Kaneel-yerwig, dusdaanig worddiebruinagtigeko-
I leur genoemt, die na de verf van 't Kaneel zweemt, f gelijk er onder de Peeren en Appelen zommige zoor- I ten gevonden worden, die zodaanige koleur hebben. 6. Bruin, is van verfcheidene zoorten, als ligt-en min
I of meer donker-rruin. 7. Bruinagtig, zegt men wanneer de bruine koleur
I twijffelagtig of bleek is , of t meest naar 't bruine [ zweemt. - ' . * 8. Graauw, noemt men die koleur welke naar de verf
van asch zweemt., 9. Graauwagtig, als de graauwe koleur bleek of twijf-
fclagtig is. ! 10. Rood, word in veele zoorten verdeeld, als in
ttofe-rood. vermiliiten-rood, Moed-rood, bruin-rood, don- ht- of zwart-raod, bleek-rood, geelagtig-rood, enz.; alle "elke zoorten van rood, men door de oeffenïng moet «eren kennen en onderfcheiden. ' 11. Rood'bloofend, zegt men van eene Vrugt, win'' "eer die aan de eene zijde min of meer rood is, en dat 1 rood in de andere koleur der Vrugt allengskens ver- fijnt; even eens als 't rood op de wangen van fleurige Jonge Meisjes. ■
°°fe donker zijn, en uit alle voorgemelde zoorten van
'ood beftaan, word insgelijks met dezelfde benaamingen, !* ze te onderfcheiden, genoemt, als carmofljnrood- wtfend, rooferood-bloofend, enz. !2. Ros. noemt men de koleur a!s dezelve naar den
'"oden helt, ofwel brtiinagtig rood is. , '3-. Blaauw, h ook van veelerlei zoorten; als licht- tt»ü-w , hemelsch-bltauw , donker- of zwartrblaauw , l'Pw-blaauw, paarsch, violet, enz. 't Onderfcheidder forten Van blaauw moet ook door de ondervinding ge- "*■} worden, dewijl dezelve niet volledig door eene ^fcbrijving is te bepaalen. Dog weinige Vrugten zijn |
|||||||||
|
V
|
|||||||||
|
VRU.
|
|||||||||
|
4.010 VRÜ.
|
|||||||||
|
dere geel is, zo moet men daar uit befluiten, dat het
twee onderfcheidene zoorten zijn, dewijl de koleur van 't Vleesch van eenen dezelfde zoort, genoegzaam nooit of ten minden zeer weinig verandert. c. Wat de fmaak der Vrugten betreft, die word hoofd,
zaakelijk in de volgende onderfcheiden ; ais 1. Geurig, 'm't fransch Fruit favoureux , noemt men
doorgaans alle zodaanige Vrugten , in welkers fmaak een zekere aangenaamheid doorftraalt en geproeft word. 2. Verheven, in 't fransch Fruit relevé, zegt men van
een Vrugt wanneer deszelfs fmaak op de tong buitenge- meen ftreelende is, en er eene meer als gemeene geurigheid in geproefd word. 3 Fijn, in 't fransch Fruit fin, noemt men zodaanige
Vrugt, die teder van Vleesch, geurig, en verheven van fmaak is. 4. Zoet, in 't fransch Fruit doux, is aan veele zoor.
ten van Vrugten eigen, dog de eene min de andere meer. 5. Suikeragtig , in 't fransch Fruit fucri, noemt men
die welke buitengemeen zoet van fmaak zijn , even- gelijk als of ze met fuiker vermengt en geconfijt waa- ren. 6. Kruidagtig, aromatijk , offpecerijagtig, in 't fransch
Fruit aromatique, word een Vrugt genoemt wanneer die min of meer na de een ofd'andere fpecerij fmaakt. 7. Muskeerend of geparfumeerd , in 't franscri Fmit
musqué euparfumè, noemt men alle zodanige Vrugten, wiens Vleesch eenigzints na Muskus, Amber , enz. fmaakt; zoo als zulks ten aanzien van zommige Peeren, Druiven, Pruimen, enz. plaats vind. 8. Laf, plat, houtig, in 'tfranschFruitfiupideoufans
faveur, zegt men van een Vrugt, wanneer die geen of weinig fmaak heeft. 9. Waterig, in 't fransch Fruit aqueux, noemt men
een Vrugt wanneer die vol water is, en genoegzaam ook geen andere fmaak heeft. 10. Zuur, in't fransch Fruit aigre, word een Vrugt
genoemt, wanneer die een fcherpe zuure fmaak, even als azijn, heeft. 11. Amper ofrijnsch, in 't fransch Fruit aigret, zegt
men van een Vrugt, als derzelver fmaak eenigzints na het zuure trekt, dog niet onaangenaam valt, gelijfe bij voorbeeld de fmaakrvan goede rijnfche wijn. 12. Wrang, trekkend, in 't fransch Fruit revéche, noemt
men een Vrugt die niet alleen zuur is, maar daar te bo- ven de mond in het doorbijten zamentrekt. 13. Bitter i in 't fransch Fruit amer, deeze fmaak is aan
eenige Vrugten eigen, en koomt in zornmigen met Alsfeoi of Aloë overeen. Zodaanig zijn de voornaamfte hoedaanigheden wathet
Vleesch en de onderfcheidene fmaaken der Vrugten be- treft; dan het een en ander kan daar in in een min of meer« der graad plaats vinden, waarvan de onderfcheiding «* leen door de oeffening en ondervinding kan geleert worden. Nog dient men hier omtrent aantemerken, dat Vrug-
ten van een en dezelfde zoorc, op verfchillende Boo* men, ftandplaatzen en expofitien gegroeid, zo we!'eB aanzien van de zelfßandigheid als fmaak merkelijk kun- nen verfchillen, ja zelfs zodanig, dat men ze veeltijds tei naauwer nood voor een en dezelfde zoort zoude hoinien> indien andere Kenmerken zulks niet duidelijk aantoo den ; vindende zulks inzonderheid plaats, ten aanzien va Appelen, Peeren, Perfikken en Pruimen*. ,< |
|||||||||
|
a. Wat de zelfflandigheid van het Fleisch betreft, 't
zelve kan zijn als volgt. 1. Hard of vast, in 't fransch Chair dure oïferme ; dus
daan ig word het Vleesch van zodaanige Vrugcen genoemt-, die hard en moeijelijk door te bijten zijn 2. Sagt, in 't fransch Chair tendre., wanneer het Vleesch
ligt voor de tanden wijkt. 3. Bros, in 't fransch Chair caffante, noemt men 't
Vleesch wanneer't zelve tusfchen hard en zagt in is, en in 't doorbijten knapt. 4. Taai , in 't fransch Chair coriaffe , is zodaanig
Vleesch van Vrugten, 't welk in 't doorbijten taai als leder is, en doorgaans weinig fmaak heeft. 5. Sappig , in 't fransch Chair pleine d'eau, noemt
men 't Vleesch wanneer 't zelve veel vogt bevat. 6. Droog, in 't fransch Chair feiche, wanneer 't Vleesch
geen merkelijk vogt bij zich heeft. 7. Smeltend of boteragtig, in 't fransch Chair fondante
oubeuré, wanneer het in de mond gemaklijk en als bo- ter fmelt. 8. Korlig, in 't fransch Chair graveleufe, wanneer't
Vleesch even als met kleine korrels doorzait is , die men in 't eeten min of meer ontwaar word, zodaa. nig zulks in veele zoorten vanPeeren word gevonden. 9. Steenig , in 't fransch Chair pierreufe, noemt men
*t Vleesch, wanneer daar in harde koris, gelijk als kleine fteentjes in gevonden worden , zodaanig ookaanzommi- ge Peeren eigenaartig is, en welke fteenendoorgaans al- leen in 't midden van de Vrugt omtrent de zaadhuifen ge- plaatst ziin. 10. Meelig, in 't fransch Chair farineufeK is zodaanig
Vleesch dat pappig is, eveneens als of het uit meel met water gemengt beftaat, en veeltijds weiniggeuroffmaak heeft ; zo als ten aanzien van zommige Somer peeren plaats vind, wanneer die overrijp zijn. 11 Beurzig of Buikziek, in 't fransch Chair molle ou
demie pourrie, noemt men een Vrugt wanneer deszelfs Vleesch eene weekheid ondergaat die met het beginvan verrotting overeenkomt; hier aan zijn inzonderheid de vroege Somer-peeren onderhevig. 12. Ysagtig, in 't fransch Chairglacieufe, noemt men
't Vleesch der Vrugten, wanneer het zelve hier of daar doorfchijnende vlakken heeft, die er uitzien als of be- vrooren waaren ; deeze eigenfchap word men in zommige zoorten van Appelen ontwaar. 13 Fijn, in 'tfransch Chair fine, noemt men 't Vleesch
wanneer't zelve zagt, teder en fijn is. 14. Grof, in 't fransch Chair größere, als 't Vleesch
hard en grof, met een woord onvplkoomen en van wei« nig waarde is. b. Wat de Koleur van 't Vleesch der Vrugten aangaat,
het zelve is verfcheiden volgens 't Geflagt en de Zoort. ,__ Zommige hebben witagtig Vleesch, zo als de meeste
Appelen, Peeren, Perfikken enz. ; anderengeelagtig, ge-
lijk de Abricoofen en de meeste Pruimen; zommigen rood gelijk in de Kersfen. Vleesch der Vrugten, veeltijds in de verfcheidenezoorten eenigzints verfchillende is; zo kan de koleur, zomwij- len ook dienen tot de zoort-onderfcheiding. Bij voor- beeld , men heeft twee Aonelen of Peeren die malkande- ren wat de uiterlijke gedaante betreft, zeer nauwkeurig gelijken, zo dat men in twijffel ftaat of die niet tot een en dezelfde zoort'behooren ; dan dezelve doorfnijdende, bevind men dat de koleur van het Vleesch merkelijk van ©alkandere« yerfchilt, dat het in de-eene wit in d&an; |
|||||||||
|
YftU.
|
|||||||||||||||
|
m$
|
|||||||||||||||
|
mv.
|
|||||||||||||||
|
ten op 't ocf^o', na gelijkvormig zijn, 'dat men in twijf-
fel ftaat of ze van een zelfde zoort zijn, dan in het vervolg word men gewaar dat >ze> in zeer verfchillige tiiden rijp worden ,* waar door men dan moet befluiten, dat bet twee onderfcheidene zoorten zijn; wanneer men dan in de lijs- ten en befcbrijvingen der Vrugten, de Tijd vanrijpwording en gedaante dier Vrugten naziet, zo zal men dikwiis in ftaat geftelt worden, om te ontdekken, wat voor zoorten het eigentüjk zijn. : : Dan men moet aanmerken, dat de Tijd van rijpwori
ding der Vrugten in het eene oft andere jaar, ook in de eene ftandplaats. of d'andere, zomtijds merklijk kan verfchillen; 't welk inzonderheid afhangt,^ van goede offlegte, min of meer fonnerijke jaars-faifoenen, vroe. ge voordeelige lente, aart des grbnds, expofitie of ftand- plaats, climaat, enz. . Voorts dient nog ten aanzien van de Tijd vanrijpwor-
ding der Vrugten te worden aangemerkt, dat men de meeste Vrugten om voorgemelde reden, in vroege enlaa- te, onderfcheid; dog geenezoorten vàn Vrugten verfchil- len meer, als de Appelen en Peeren; weshalven men deeze ook gewoonlijk in drie rangen onderfcheid, als in fomef, herfst-, en winier-Frugten. Door de Tijd van de rijpheid der Vrugten, verftaatmen
gemeenlijk die, wanneer dezelve bekwaam zijn om ge- geeten te worden, 't zij kort na dat die van den Boom ge- plukt zijn, of wel naa dat ze eenigen tijd geleëgen heb- ben, zo als ten aanzien van veele Appelen en Peeren plaats vind. Dewijl ook zommige Vrugten, na dat die rijp en be-
kwaam om te eeten zijn, nog eenigen tijd tot 't gebruik kunnen duuren en goed blijven; ook de fomer-Vrugten in 't eene jaar vroeger of laater aankoomen als in het an- dere, bepaalt men de rijpheid derzelven doorgaans, in twee op malkander volgende maanden. Bij voorbeeld eene Vrugt begint in het laatst va'nde maand rijp te wor- den , en blijft den volgenden maand tot 't gebruik goed, zo ftelt men die beide maanden als de tijd van derzelver -rijpheid; te meer, om dat de Vrugten (zo als reeds is aangemerkt) niet alle jaarenen op alleplaatzen op een en dezelfde tijd, rijp worden. Fan de Kenmerken aan het Hout.
. Het Houtgewas kan ook zomwijlen dienen tot de on- derfcheiding der zoorten van Vrugten , om dat. aan deeze en geene zoorten een merkelijk kenteekelijk onderfcheid word waargenoomen, en zulks inzonderheid aan het jonge Hout of de Telgen. DeKenmerken aan het Hout kunnen zijn» 1. De dikte, of
2. De dunte van 't jonge Hout.
3. Dat het regt opwaarts groeit.
4. Dat't min of meer zijdwaarts offchuins groeit.
. 5. Dat 't waterpas, of nederwaarts hangende, oî fiente*
rig en verward door malkanderen groeit, ~ 6. Dat 't doornig of nia doornig is.
7. De koleur van het Hout.
Deeze Kenmerken zijn uit de bewoordingen klaar, bei
halven 'teerfte, tweede en laatfte, naamelijk de ver- fchillige dikte oï dunte, en de verfchillige koleur van de Takken en jonge Telgen, welke men in de onderfcheidene poorten van Vrugten, dikwiis verfchillende vind ; dan welk verfchil niet wel door woorden kan ivorden bepaalt, maar door oeffening en ondervinding moet onderweezen wor- den.-' , ■ .<■■', . II Fm
|
|||||||||||||||
|
VII. Het Zaad. &
|
üè. 'Wanneer der Wer boven*
|
||||||||||||||
|
gemelde Kenmerken niet toereikende zijn, omde zoor»
ten der Vrugten naauwkeurig van malkanderen te onder- fcheiden, 20 kan het Zaad daar van zomtijds eeriiglicht tijzetten', dewijl nïéri aan het zelve in zommige zoorten, een merkelijk onderfcheid ontwaar,word, 't geen voor- ïjaamelijk ten aanzien van de Steenetrin de Steen-Frug- jen plaats vind. De Kenmerken die het onderfcheid det Steenen in de
Steen-Vrugten uitleveren, zijn de volgenden. ..... 1, De gedaante der Sternen ; welke kan zijn, rond, rond-
àgtig, plat-rond, plat, langwerpjg-rond, min of meer pun- tig, enz. 2, Dat de Steenen, of los oî vast in het vleesch zit-
ten, zo als veeltijds ten aanzien van de Perfikken en Pruu wen plaats vind. 3, De koleur der Steenen of van het Fleeseh rondsom
dezelve j zijnde zulks in verfchillende zoorten dikwiis ver- fcheiden, het welk 't meest onder de Perfikken plaats vind. Ook geeft het Zaadhuis anders ook Klokhuis genoemd,
jnde Pit- of KorUFrugten, als Appelen en Peeren, veel- tijds kenmerken aan de hand .waardoor men de eene zoort van de andere kan onderfcheiden ; dewijl het in zommi- gen merkelijk grooter of kleiner als wel in anderen is ; ook bevat de een wel meerder of minder zaadkorrels dan de andere; welk verfcKil ten aanzien van de Steenen en Zßadhuifen, door de ondervinding moet geleert worden. VIII. De 't Samemhoofing der Frugten, namelijk
wanneer de Vrugten merklijk digter bij of verder van malkander groeijen. onderfcheid ook zomtijds de eene zoort van d'andere, dewijl uien daar omtrent in deeze of geene zoorten een merklijk onderfcheid ontwaar word ; en welinzonderheid vind dit plaats ten aanzien van zo- daanige Vrugten die in Trosfen bij een groeijen, zoals onder anderen de Druiven, waar van ieder Befie voor een bijzondere Vrugt kan worden aangemerkt, dieopeen plaats of op een hoofddeel bij malkander groeijen; zo temen ditkénteeken in de zoort-onderfcheiding tot be- hulp neemt, wanneer andere ontbreeken , of wel niet toereikende zijn. v IX. Wat de Tijd van Rijpwording der Frugten be-
treft, weet men dat die in verfchillende jaars-faifoenen, enop verfchillige wijze hunne rijpheid bekoomen, ieder Geflagt volgens de orde die door de Natuur daar in is bepaalt. Zommige kootnen derbalven vroeg met het Degïn van den fomer tot haare rijpheid,. als de Kers/en , ■dt'dbelïè'n, enz. ; anderen in de na-fomer of herfst, gelijk wPerßkken, "Ahricoofen, Pruimen, Appelen, en welde jnepste Geflagten van Vrugten. ■■ . zijgen hunne rijpheid aan ^en Boom, en worden kort na p van de Boomen geplukt zijn, gegeeten, gelijk Kers- fa, Ahricoofen-, Perfikken, Pruimen, enz.;andere daar- tegen moeten eerst, naar datze van de Boomen geplukt z'ln. wat leggen, gelijk de meeste Winter-Vrugten van spelen, Peeren, enz. ' ,£n behalven deeze orde en't onderfcheid van rijpwor»
*H der Vrugien in de verfchillige Geflagten, bevind fvM.?0^» ^at er onderfcheid is in de rijpwording der ver- billige zoorten van Vrugten van een zelfde Geflagt, na- °Je|i]k dat de eene zoort merkelijk vroeger of Jaater rijp °fd dan de andere ; derhalve kan de tijd van de rijp-
Jr?inS ookdikwils, wanneer andere voldoenenderken» ekens ontbreeken, dienen, om de eene zoort van de
■odere te onderfcheiden, en te bepaàlen. Bijvoorbeeld, £rvee£ twez^Pplen oï Peeren, die elkander van bui-
' II Deei. |
|||||||||||||||
|
: '0$
*i a. De grotte- of kleinheid der Blo-émbladeh, Itnefte«,
4erzelver gedaante. 1■ ", ■■ ' ' M 3. De verfchillige koleur der Bloem.
4.'De verfckilligheid der Hehnfiijltjes, in gedaanti
koleur, en hoeveelheid, enz: ' .-Bij voorbeeld; men heeft aantweeBoomen Perfikken
die malkander in alles zo gelijk zijn, dat ze een en de! zelfde zoort fchijnen uittemaaken; dan in de volgende bloeitijd" wórd men gewaar, dàt die beide Boomen ten eenemaalen verfchillende bloeizels voortbrengen. Bij- voorbeeld, deeehegrooteeri deandere kleine, of wél dat de bloembladen aan de eene grooter of kleiner, of van een verfchillende koleur als die aan de andere Boom zijn, enz. zo ftrekt zulks ten teeken , 'dat 't onbetwistbaar mee verfchillende zoorten zijn ; waar van het niet moei- jelijkzàl vallen, door verderenafpooringedenaamenm ieder te ontdekken. ■ Ook is het hier. onwaarfchijnlijk, dat er in de Bhé
■van demeèsten, zo niet van alle zoorten van Ooftvrug- ten, een 'wezenlijk en lijzonder caraUer of kenmerk der zoort opgeflooten legt ; dan 't zoude veel arbeids, tijd, rflet lust en gelegenheid gepaard, vereisfehen, om die te ontdekken en te bepaalen; en fielt eens dat indien men hier in tot zo verre al was gevorderc, om die al- le natefpooren ; zo zoude het echter ten aanzien vande meesten zo niét alle aan :bekwaame woorden mangelen, om die naar vereisen kennelijk uittedrukken eo te be- paalen. Vande Befchrijvingen dèr Ooftvrugten,
Door dé Befchrijving der Vrugten, verftaat men de zodaanigen, waar uit men de bijziendere zoorten moet léeren kennen en van malkanderen onderfcheiden; des- zen behooren derhalven opgemaakt te zijn uit alle de bier Vooren befchreèvene Kenmerken, en wel in 't bij- zonder uit de kennelijkftè, dat is uit die, welkedeeene zoort't duidelijkfie van de anderen onderfcheiden. Het kennelijkfie onderfcheid is wel hoofdzaakelijk äexgeda» te, dan dewijldie zeer bezwaarlijk door vast te bepaalene duidelijke bewoordingen kan uitgedrukt worden, valt hetderhalven ook bezwaarlijk, om eeneVrugc door mid- del van 'befchrijving zodaanig naauwkeurig te fchetzen, dat die daar door in haare zoort gemakiijk te kennen zij, uit- genöomen eènige weinige, die doorderzelverbijzonde- re of vreemde gedaante merkelijke en duidelijkekentee- kens eigen zijn, welke aan d'andere niet gevonden wor- den. » van Vrugt, leen wezentlijk en bijzonder zoortelijk karétersj
kenteekenïe ontdekken, 't zij ten aanzien vande Fn$ zelfs, ofwel in deszelfs Bloem, Hout, enz., als*" zoude men zeer verre in de Vrugtkunde gevordert zijn ; e» of fchoon dit in zommige zoorten doenlijk is, febijntbet mij nogthans toe, dat zulks in 't algemeen in alle zoop ten niet te vinden, of ten minften zeer duister en be- zwaarlijk te zoeken, en aantetoonen is. Wij zijn derhal ven genoodzaakt, ons tot zo lange ntf[
de fchriftelijke affchetzingen, of befchrijving derFrup ten, welke uit de voorgemelde deelen, zonadoenlip opgemaakt zijn. te behelpen, tot dat er zich een keurig en kundig Liefhebber opdoe, die ons door weigetroffen Afbeeldingen'de zoorten van ieder Geflagt voor het oog Vertoone ; door welk middel wij als dan veel beter zoorten zullen leeren kennen en onderfcheiden, en w» van wij in de volgende Afdeëling iets naders zullen.0^ brengen; dan alvoorens dient nog aangemerkt, oat |
|||||||
|
4oiâ . VRIT.
Pan de Kermerken aan de Bladen.
Niettegenftaande de1 Bladen der meeste zoorten van
Vrugtboomen in ieder Geflagt, op 't uiterlijke aanzien zeer gelijkvormig fchijnen, zo befpeurd men nogthaus aan de Bladen van de ver'fcbillige zoortender Geflagten, wanneer die met opmerkzaamheid befchouwt worden, veeltijds eenig merkelijk verfchil in deeze of geene zoor« ten; 't welk derhalven ook dikwils kan dienen, om.de zoorten te leeren kennen, en vanmalkandcren te onder- Tcheiden. ' ' - ■ ' ; ■ ' ' '''■ De verandering ten aanzien van de Bladen, kan voor-
naamelijk daarin beftaan, dat ze zijn. i. Grooter Of Kleiner.
3. Rond, langwerpig-rond, -eijrond, enz«
' 3. Min of meer puntig, hoekig, «Hz.' " 4. Glad, blinkend, of rouw. ' ,
5. Effen, of gekronkeld. '-'■''..
6. Niet, weinig, öf veel gekarteld, of gezaagd.
" 7. Min of meer gefnippèlt, of gefiheurt. ' 8. Fan Koleur donkergroen , ligUgr'oen, witagüg»
groen, geelagtig-groen, witagtig, mslkagtig ; zeldzaam van andere koleuren. of bont. -■ Dan met de meesten van deeze Kenmerken is het gei
ïeegeneven als mét die, welke het Hout opgeeft; ik wil hier mede zeggen, dat het onderfcheid 't welk zich in de Bladen opdoet, om door dat middel de zoort van Vrugt te onderkennen, niet volköomefi duidelijk met woorden uitgedrukt, en dus niet wel anders kan geleert worden, dan door middel van oeffening met ondervin- ding gepaart.' ' ' Men vind Menfchen welke zich neroemen, alle de
zoorten van Ooftvrugten aan het Hout öf aan de Bla* ien te kennen, en te kunnen noemen; dan dit is mijn's dtinkens volftrekt onmooglijk , ook leert de ervaaring het tegendeel ; hoewél men echter moet toeftaan, dat deeze en geene zoorten, door middel van een goede oeffening en ondervinding, met behulp van gemelde Ken- merken kunnen gekent en onderfcheiden worden ; dan dit zijn alleen die zoorten, welke met klaarblijkelijke ken- merken aan Bladen o? Hout zijn voorzien. « zal een Liefhebber de Vrugten in zijn eigen Hof, Tuin of Enterij gekweekt, beter kennen, dan die welke in die van een ander zijn voortgebragt, en hier van is't niet nodig de rede te melden, dewijl die een ieder ligte- Jijk zal bevatten.. Wat meer is, zommigen van de opge- noemde Kenmerken, kunnen ook misleiden; bij voor- beeld, wat de dikte en koleur van 't Hout, de grootheid ten koleur der Bladen, enz. betreft; .doordien ze aan ver- andering onderworpen zijn, en veeltijds van een goe- de of flegte gefteltheid' des gronds of der Boomen zel- ve afhangen, ook van de ftandplaats, 'enz. Van de Kenmerken aan de Bloem, of Bloei/els. :
Zommige goorten van Vrugten zijn malkanderen zo- dàanig gelijk, wat de Vrugt zelfs betreft, als ook ten aanzien van het Hout, Bladen, enz. der Boomen, dat men ze daar door op geener-ieij wijze met zekerheid kan onderfcheiden ; dit vind inzonderheid plaats, ten aanzien van de Perfikken en Pruimen. vallen , word men zomtijds genoodzaakt, zijn toevlugt tot de Bloem te neemen, dewijl zich daarin veeltijds Ken- merken opdoen, waardoor men de zoort van Vrugt kan leeren kennen en van anderen onderfcheiden., Dëe- ate Kenmerken kunnen zijn. i. De groot- of kleinheid der Bloem, in't geheet. |
|||||||
|
VRÜ. VR7J.
vefchryyinge.n dis .wij.tot hier,tpe van de zoorten ^r,
Vruaten bezitten, gantsch on volkoomen zijn, doordien die of al te kort zijn ; of wél degedaante en 't wezen; der'Vrugt niet duidelijk genoeg uitdrukken;' dat wij daarbij ook nog maar van deweinigfte, en alleen van zprn« rniee buitenlapdfche, inzonderheid zoörten van Ooftvrug- tin die aan Frankrijk eigenaartigzijn, bef ehrt)Wingenheb- ben, die de Heer Quintinie met veel ijver, dog al te kort'en waar aan de,vereischte duidelijkheid mangelt,, opgemaakt en nagelaaten heeft. ~ Ook vind menbét, is waar, in deeze en geene Franfche.Hopg-, en Neder-; duitfche Schrijvers wel eengroote meenigte àllerleij naa- nien van Ooftvrugten opgetelt; dan in plaats dat die bonaamingen nuttig voor ons zouden zijn, brengen die! veel eer verwarring als verbetering in de Vrugtkunde te wege, doordien een en dezelfde zoort dikwils, twee, drie, vier, vijf en meermaalen in de lijsten als verfçhil- lende zoorten, sgeftejt zijn. Het zoude dus voor dee- ze wetenfehap ten hoogften te wenfehen wezen» dat ons eene nauwkeuriger Befchrijving der Ooftvrugten wierde' njedegedeelt. ... '.* .] Van de Kennisfe der Vrugten door afbeeldingen.
Dewijl bet inde Kruidkunde bezwaarlijk, ja genoeg-
zaam ondoenlijk is, om de gedaante der Planten door middel van befebrijvingen zodanig naauwkeurig afte- fchetzen, dat ze daar door volkoomen duidelijk in haar zoortzouden kunnen gekent worden, zo hebben ingevol- ge daar van de Kruidkenners reeds zedert vroege tijden herwaarts ondernoomen, en veel arbeids befteed, om, een groot aantal Planten in baare natuurlijke gedaante -aftebeelden, en door figuuren even als in een fpiegel »oor het oog te vertoonen, wordende hier mede ook nog van tijd tot tijd aangehouden, door welk middel ook de kennis, der P/anten en Kruiden niet weinig bevordert word. -r- En ten aanzien van de appels en Peeienf kunnen onze Landgenooten zich beroemen een werk te' bezitten, dat bun tot een veilige Gid? in bet leeren ken« nen der yerfcheidene zoorten van deeze Vrugten kan ver- ßrekken; ik bedoele hier de arbeid van den kundigen Joh.' Hmm, Knoop, getijteld Pomologia., dat is Befchrijvin- S«i. en Jfbeeldingenyan de beste, zoorten van App$en en:, Peeren, &c. naar het leven getekend, en met de natuurlijke hleuren afgezet. Leeuw, 1758. 'in folio. VRUGTMAAKING, zieFRUCTIFICATIO.".
VRUGTSTEENEN ;_ CARPOLITHI. Dusdanig
worden zekere Steenen genoemd, die de gelijkenis van öseenof d'andere Vrugt, als van een Amandel, Kastanie enz. vertoonen, Dan dit zijn geen wezentlijke uit- of sfdrukzels van derzelver oorfpronglijke beelden, maar uegts toevallige gedaaniens van druipend en (leenwordend Water. '■ VRUGTVREETENDE-KRAAIJ, zie RAVE n. III.'
H- 2913. VRljGEEST, of VRIJDENKER; is een Mensch,
|
|||||||||||||||||||||
|
VRIJ,
|
|||||||||||||||||||||
|
W3
|
|||||||||||||||||||||
|
ljjlten wel gegrpH.d * -da-t men he,m, die, sieh aan dien
zaçhten'band-niet 'wïl.Jàaten Iejden, piet vrij in redelijke denkbeelden noemen kan." Dààr is een fcnakelva'n gej yoignekkingen, die onstot de Jiennisfe van Godt, en zijne Eigenfçhappeà, Van órizè äfharigljjkheid van dit eenige ongefchaape Weezen, van onze zielen, en bet toe- komftig leeven opleiden; gevolgtrekkingen aan welken noch vooroordeel, noch opvoeding, noch bedrog, noch vieeze, het mirifte deel heeft; en,die'zulk eene groote klaarheid hebben', dat iemand voor het helderst licht zij- ne Oögen 'fluiten moet, om bij dezelve nóch over duis- ternis te.kunnen klaagen. Er is du'sniets dwaazer pf on- redelijker dan'zulk éène Vrijdenkerij, van dewelke wij thans fpreèken,. niets dat grootere gehechtheid aan zij- ne vboroordeeten of* driften verraadt, niets dat meer; ftrékt tot verwoesting der goede zeden, dewelke zoo wel als.de bloeij der famenleevinge die daar aan gehecht is, door niets dan Godtsdieniligheid kunnen bevordert wor- den. Welk een làpdzoude het zijn, het welk door niets dan zulke gewaande groote Geesten bewoond werdtl Men zoude daar van geene verplichtingen tot rechtvaer- digheid, billijkheid .goede trouw, barmhartigheid, rhiU daadigheid of medelijden wéeten, zoo ras eigen belang, de groote drijfveer van Menfchen die aan zich zelve» overgelaaten zijn, daar mede niét overeenkwam. Maa- tjgheid, kuisheid, lijdzaamheid en befebeidenheid, zouden bjj niemand gevonden wórden. Wat zoude 'er uit volgen ? Zij zouden alle door eene zelfde wet, bevorder uwe eige- ne belangen*, 'gedreeven worden; hunne belangenszou- den alle öogenbÜKken ïlrijden, en wanneer men geweldf gebruikte, om zijn récht te verkrijgen, zoudehet altoos met geweld beantwoord worden. De grootfte onrecht- , vaerdigbeden, de fchreeuwendfte geweldnaarijeh, zouden dagelïjkfcne bedrijveri zijn. Burgeren zouden de ftraa- ten van het bloed hunner Medeburgeren doen ftroomen, de ééne Broeder voor den anderen niet,veilig zijn ; een Vader zelf zoude voor zijnen Zoon moeten vreezen, zoo ras deezefterk genoeg was om den dolk te voeren. Vriend» febap en liefde zouden geene plaatze kunnen vinden, daar niets danäe onredelijkfte driften huisvestten; en éëne beleèdiging zoude genpeg zijn, om geheele Geflachten in de waP,enen te brengen, en overal verwoesting en elende te verfpreiden. En wat dunkt u ? zoude de fa- menleeving bij zulke omftandigheden kunnen beftaan? zouden haare gemeenichaplijke behoefteos kunnen ver- vult worden,? Zoudtgij uwe eer, uwè bezittingen, uw, léeven veiligachtén in zulk een gezelfchap van booswich- ten? Of;zoudt gij het een wenschlijk geluk voor het Menschdom achten, wanneer, het in het algemeen tot die hoogte van toomlooshetd geklommen was? zo neen,, dan moet gij toeiftemmen, dat. een Vrij geest een zeer ge- vaarlijk Mensch is voor de farhenleevinge. Hij legt het "er op toe, om baare fterkfte banden te verbreeken, u. van alle aanfpooring tot uwen plicht, .van allen troost in. droefenisfen, van alle hoopop een tQekpinftiggeluk, zoo ' wel als van alle vreeze voor toekomftige ftraffen te be« ropven. Hij zelf gaat .14 voor op den weg der ondeugd, die hij u zoekt diets te maaken, dat alléén bekoorlijk , ïs; bij verftikt van tijd tot tijd alle aandoeningen vanzijn geweeten, en wapent zich met zijne fpotternijen tegen de kracht van gezonde rede, tot dat een ftorm, een dpn- derflag, ofzwaare ziekte zijne begoocheling begint te verdrijven, en hij of in vertwijffeïing fterft, of zijne toevlucht neemt tot die middelen, die hij zoo dikwerf be-, fppt heeft",« en 'zich, gelijk Gellert zich uitdrukt, lia door |
|||||||||||||||||||||
|
0
|
den
|
ich niet wil laaten binden door de voorschriften van,
|
|||||||||||||||||||
|
geopenbaarden Godtsdienst,.■■ dien hij voor bijgeloo-
|
|||||||||||||||||||||
|
^iheid uitkrijt. Geene benaaming Jsan,ongepaster zijn
dT ..eez.e> otr' die foort van lieden te kennen tegeeven, in H ' Zij' ' bij a' ^et voorgeeven van butine vrijheid «enken, de grootfte flaaven zijn van hunne vooroor-
ma 1"' en aan nunne ongeregelde lusten.meer dan ie- se» jders gekluistert. Waarlijk, wat ook fommigè swaande Wijzen denken,-de Godsdienst, in des: Is 00ripronglijke zuiverheid befchouwt, iszoorede-
|
|||||||||||||||||||||
|
, VRIJ.
|
VRIJ.'
|
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
4014
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
door zijne Dienstmaagd, die hij dikwiis voir een christ* ken','.en geenè nieuwe belastingen öpïeggeri, dan over-
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
lijk Dier gefiJiolden heeft, laat wederleggen en bekee
ren. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
éénkómftig met het oogmerk van bet lichaam, het welk
zij verbeelden, en 'niet dan tot betere bevordering vàn
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
. VRIJHEID, Liberias y is eenwoord van eene'zeer à&zém gemeenfchaplijke belangens, bevïndien zij 2ich
Uitgebreide betekenisfe, waar van men niet weleeriéal- in hét genot van eene waare burgerlijke Vrijheid ; die gemeene bepaalingg^eeven kan, om dat dezelve verfcbilt, volgens deeze befchrijving zoo wel in eene éénhoofdige |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Regeering, als in een Gemeehebest kan gevonden wor-
den; gelijk de ervaârriis leert, dat 'erKoningrijken ge- Wieden worden, in welke de pnderdaanen volmaakt vrij zijri, en Gemeenébesten welks Burgeren nietr anders dan àîs flaavén van de beerschzucht hunner Groot'en kunnen aangenjerkt wórden. Zulk eene burgerlijke Vrijheid |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
naar maate van hét onderwerp waar van gelprÖkén wórdt,
Iets anders naamlijk is de natuurlijke Vrijheid, iets an- ders de zedelijke y devoortreffelijkfté Eigenfcbap van een redelijk weezen ', en het tegenó'vergeftelde van dwang of noodzaaklijkheid. . Mij lüst.Dfétvari 'deeze twee foörten van Vrijheid hier te fpreeken, zij pafsfemiiet voor een |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
werk van deeze natuüre,, en 'erts vanouds niet alleen te als wij tot dus verre befchrèèvlen hebben,'is met recht
veel over getwist, maar de gevoelens dèr'hèdendaagiche' het doel der hobgachtinge van alle rechtgeaarte patriot. Geleerden over dezelve Ioopen óók te verre uit èlkande»; ten, van alle edele zielen, die niet clan niet ongeduld ren, dandat men 'erin een kort beiïek'iets zaaklijks1 van' het juk der 'flaayërije tórsfen kunnen; zij waaken tegen |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
20u.de kunnenzeggenjbebalven noch dat de ftoffeaj te wijs?
gierig is', dan dat zij het gros van mijne leezercn'zoüde
Üunnen behaagen. Béter 2^al het met den aart van dit Boek ftröoken, .iets wtei'nigs ;të zeggen aangaande de burgerlijke Vrijheid eri'godtsdixiflige; Vrijheid , dé ' tiyee- gróot'é fteunzels van dé welvaart1 'deezèr landen, zekere, bron- nen van geluk voor de fam'efjleevïhge. De eefjte', dé" burgerlijke Vrijheid, moet niet verwisfeld worden met
ongebondenheid of teugelioosheid.: Dergeliike denkbeel- den vormt zich het gemeen doorgaans van Vrijheid, in-; zonderbeid''in Engeland; daar deeze"begrippen zóo'gëf;
inéén zijn, dat een kroeg^rédenaar niets meeer dan"dit'
woord behoeft, om bet jafi ria'gef gaande te maàken, en
het'zelve.zich'tegen de hejlzaamfte'maafregtilen der Re-'
geeringe té''doen' v,erzeïtën. Maar waarHjK zulk eé'n'e
Vrijheid zoude de groqtfte flaaverij zijn vöót Mehfchen,
die als goede burgers poogden te leeven,'en zich vaq
hunne plichten als zodaanigete kwijten j voor zoo ver-
re zij dan aanalle de buitenfpoorigheden van eene toom» Jppze hoop zouden bloot ftaan, zoo dikwiis het die maar;
behaagde hen te beleedigen. En 'ik behoef niet te zeg-
gen', dat zulk egne ftraffeloosheid, die mé.n fomtijds
dwaaslijk met den edelen naam Vrijheid, bëftempelt,
voor ëene.burgerliike Maatfchappije,'in'ftede van ge-
luk, het grootftè ongeluk zijn zoude. Neen de waare Vrijheid, van dewelke wij thans fpreeken, beftaatinde
rechten van een Volk, om naar zijne eigene Wetten ge-'
|
alles, waar door zij dezelve zouden kunnen verliezen,
én hun leeven is hun niet dierbaaarer; dan déeze Vrij- held,, die zij als de Ziel der Maatfchappije-aanmerken. Zij boezemen hunne Kinderen die zelfde edele;gevoelens in, en gewennen hen om met verachting neder te zienj op die laage zielen, die, laffe vleijersvan bunnen Vorst, hem niét; durven tegen fpreeken , als hij 'gereed ftaat, om de Vrijheid \'an het Volk te verkrachten, en hunne We. deburgeren verraadën, om voor dien fchandelijken prijs voor zteh of de hunnen eerampten en andere voordee- leii tekoopën. ; <>■ - ' ' Watde Gödtsdienflige-Vrijheid 'betreft, deeze is de
zuster der. voorgaande, en wannéér zij daar mede gepaart gaat, een zéker middel om een Volk bldeïjendtemaaken. Zij is het tegehóv.efgéilelde van geweetensdwang, en beftaat in dé Vrijheid, om naar zijne begrippen Godtte dienen, zonder in zijne eer, bezittingen of leeven ge- krenkt te worden. Zo 'er eenige foort van Vrijheid nood. zaâklïjk is, het is zekerlijk deeze, dewelke met de na- tuur van den.Godtsdienst zoo overeenkomt, dat 'er geene grootere dwaasheid kan bedacht worden, dan de Men- tenen daar in te willen dwingen; hét'geen niets dan Hui- chelaaren kan voortbrengen, het Charaiïer van een ge« heel Volk bederven; en hen tot een én-hoop van volfla-' gene Guiten doen ontaarten. En zo men de zaak alleen vaneene ftaatkundige jzijde befchouwen wil, men zal' moéten bekennen, dat Vrijheid in Goàtsdienst ten hoog< flen noodzaaklijk is. Ik behoef hier niet lang over te |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
regeert, en bij zijne voorrechten geHandhaaft te wói-
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
deri. Mén kati een Volk aanmerken als'een1 gezelfcbap- redeneeren, voorbeelden bewijzen het. Wat heeft Frank-
vanMenfehen, het welk zich veréënigt, tot bevordering rijk meer van zijnen Ouden luister berooft,- dandehert van hunne gemeenfchaplijke belangens'. '.Niets is daar" roeping van, het Édiïï' van Nantes1* Wat heeft Saltzburg toe.noódzaaklijker, dan goede orde. Alles watdeézebé-1 meer ontvolkt, dan' bet vervolgen der Protestanten? Wat vordert, is burgerlijke deugd; alles wat dié wegneemt, heeft den bloeij van ons Nederland zoo fpoedig bevor- burgerlijke ondeugd. ''Het eerfte móet gezocht, het derd, enzoo lange bewaart, dan Gödtsdienflige Vrijheüi Jäatfte zoo vèelmooglijk geweert worden. Van daar de- door onze Vaderlijke Regenten-«-- ondanks de herhaalde Wetten, dia zij elkahderen.opteggen, van daardeftraf- poogingen van fommigeheethoofdige ijveraaren, geduu« fen, die ieder lid van dit gezelfchap verklaart te willen rig gehandhaafd? Wat heeft eindelijk de Fabrieken, K°D' |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ften, en Handwerken meer in verfcheidenelahden bevor-
derd, dâri hètguhftig'ontfahgen van ontelbaarè Hugenot« ten, die, om^den-Gödtsdient verdreeven, niets dan hunne bekwaamheden met zich voerden, en die landen, dewelke hun éënè fchuilplaatze gaven, tot vergelding van dié liefde, door deeze bekwaamheden alleen,/W gémadkt hebben? Met één woord ? men kan de gefehiede- |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
draagen,' ingevalle hij'door het overtreedën vàn deeze wet-
ten,' iets tot nadeel van'de goede orde, ' eri bijgevolg van het gemeenfchaplijk geluk, doenmóeh't.'Zij ffeileri eenigen'uk hun midden, om toe te zien, dat hunne.wet- ten gehandhaafd, én de gemeenfchaplijke" welvaart be- vorderd worde; zié daar hunne Overheden. Wanneer deeze hunnen last te buiten gaan;1'wannéér zij willekeu- |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
rig van de Wetten hunner Zenderen afwijken, wanneer nisfcn niet lëèzen, zonder overtuigt te worden, dat ge'
2tj dezelve door grootere belastingen drukken ,l dab tot wéetehsdwàng, in den Godtsdienst, onkunde en huiche^ welvaart'vafn het geheele lichaam vereischt worden jleé-- la'aïij, in deri'Burgerftaat, domheid, traagheid, we* ven zij in flaaverij: maar zoo deeze volgens'de vóo'rge-: loosheid, en 'arrrfoéde baart; endat.hetzekerfte midde . fehreeve Wetten handelen, geene nieuwe Wetterj àà-' om ikèrînîs en deugd te. doénbloeijen, konfteri en ve |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
1 ■""
|
|||||||
|
VRIJ;
tenfcbappen aantekweeken, den koopfiandel te bevorde-
ren, en een land in allerleie opzichten gelukkig te maa- ken ', Godtsdienflige Vrijheid is. , \ VRIJMOEDIGHEID, Confidenties-; is eene begaaft-
heid-, die den middenweg houdt tusfchen Vreezachtig- ]ieid, en onhefchaamde fioutlnid. Zij beftaat in een ge- regeld vertrouwen of op onze bekwaamheden, of op de Î gUnst van anderen, om onze gebreken^ten besten te dui- I den. Zij is noodzaaklijk voor ieder'éénen, die in de waereld iets te doen heeft ; maar inzonderheid voor de geenen, die in het openbaar fpreekenof zich vertoonen < rnoeten. Zonder behoorlijke Vrijmoedigheid maakt iemand ] zich lastig in den omgang, befpotlijk in gezelfchappen, onbekwaam om zijne zaaken te verrichten. Zonder Vrij- moedigheid verliezen de beste voorftellingen van eenen Redenaar haare kracht; en bewijzen,. die, met een vrij- moedig gelaat, en den nadruk dien deeze begaaftbeid geevenkan, voorgedraagen, tot in dé Ziele zouden door- ; gedrongen hebben, blijven in de ooren hangen, of doen eenen toehoorer flaapen, wanneer zij zonder Vrijmoedig' heid worden uitgefproken. In het eerfle geval befluit men'eruit, dat de fpreeker zelf van de waarheid van zijn gezegde overtuigd is ; in het tweede, dat hij twijfelt: en dit kan niet anders, dan een ongunftig vooroordeel teg«n zijne bewijzen ten gevolge hebben. De Vrijmoedigheid kan ligtlijk tot onbefchaainde vrijpostigheid overflaan, en daarom behooren zij, welken de Vrijmoedigheid van na- tuure eigen is, zorg tedraagen, om geene te hoogege- voelens te vormen van hunne bekwaamheden, en zich dikwils door het denkbeeld van hunne onvolmaaktheden te vernederen : gelijk zij, die vreesachtig van aart zijn, zich behooren te gewennen, om niet te laag van zich zel- ve te denken, noch de bekwaamheden, die zij bezitten, al te partijdig, over het hoofd zien, VRIJSTER, Dit woord word in verfcheidene bete-
kem'sfen gebruik? als i. om een aankoomend Meisje me-, deaanteduiden; en het is in deezen fin dat men gewoon is té zeggen, zij word al een groote Vrijster, enz. 2. Noemt men Vrijster, een Vrouwsperfoon dat ongehuwd is, evenveel of zij jong dan oud zij; hier van de zegs-, wijzen, een oude Vrijster, zij is nog Vrijster, enz. 3. Word het wo.or.d, Vrijster vqor,Minnares genoqmen; hij is met, Zijn Vrijster gaan wandelen , enz. , VRIJSTER-SLOT , zie CLAUSTRUM VIRGI-
NALE VRITSTER-ZIEKTE, zie MAAGDÉ-ZIEKTE. '
VRIJWILLIG. De meeste Wiisgeeren bezigen het
woord Vrijwillig in .dezelfde fin als dat van ongedwon- gens en zij pasfen het toe op 't; geen, uit: een innerliik beginzel voortvloeit, 'twelk verzelt gaat met eene vol- komene kundigheid van 't geen men zal verrichten; zo ïls bij voorbeeld , wanneer een: Hond na zijn eeten l°°pt, zeggen zij, dac zulks eene .vrijwillige bewee-. gingjs. .,..-. , -,, Akistotsles en zijneaanhangers, bepaalen.'d.e uitdruk-
king; van vrijwillig,, tot zodaanfge daaden,, welke door een innerlijk grondbeginzel worden voortgebragt, die de noedaanigheid. heeft om er alle de omftandigheden van te kennen. Ingevolge hier van, eisfchen zij twee voor-, Waardens om eene daad Vrijwillig te noemen-j de eerde ls> dat die uit een innerlijk beginze! voortkoomcwzoals, wanneer men gaat wandelen om zich te vermaken, dan joggen zij dat zulks een vrijwillige daad is, om .reden «at het egn uitwerkzel der wille is welke gebied, en der eeweegende hoedaanigbeid welke gehoorzaamt, zijnde |
|||||||
|
VRIJ. VUI.1.yt 401S
de een 20 wei als d'andere innerlijke begifizels. Integen-
deel, is de beweeging van iemand die men na betgevan- genhuis fleept, eene daad die geenzints vrijwillig is, om dat dezelve nog van zi/n wille nog van zijn beweegende hoedaanigheid word voortgebragt. De tweede voorwaarde is, dat die geene welke de daad
verrigt, er het einde en de omftandigheden van moet ken- nen; en in die fin, zijn de daaden of handelingen der re- deloofe Dieren, Kinderen, en van de flaapenden, ei- gentlijkgenoomen, geen vrijwillige daaden. In de dierlijke Huishouding, noemt men ajle zpdaa-
nige beweegingen, vrijwillig, welke van de wil afhan- gen. . . ■ . De vrijwillige beweegingen wordendoor middel van
de dierlijke geesten uitgevoerd; de ziel is niet anders dan eene bepaa lende oorzaak van die beweegingen. De rede» lijkeziel bepaalt dour haare beflisfeode.wil, de vrijwillige en ongedwongene beweegingen derMenfchen, De vrij» willige beweegingen , hangen van de beflisfende hoedaa- nigheid af welke de ziel op het lighaam oeffent. Slaap doet de vrijwillige beweègingen fiaaken. De vrijwillige beweegingen kunnen voor een gedeelte ophouden , zonder dat daarom het gevoelend vermogen uitgebluscht zij. VRIJWILLIG REGT der VOLKEREN, zie REGT
der VOLKEREN. VUIL. Dit woord heeft- inzonderheid twee beteke»
nisfen; als 1. word hef gebezigt voor onzuiver, morfig, en het is in deezen zin dat men zegt, vuile handen, vuil water, vuile doek, enz.; ook hier opdoelende, vuileol, morsfigepraat, enz. ; mede hier van, bet fpreekwoord viel water vuil maaken, om daar mede het doen van iemand te betekenen, die een hoopen gerugts maakt over iets dat weinig om 't lijf heeft. ~ 2, Word het woord Vuil, in de betekenis van kwaadaartig genoomen, en dus zegt men, een Vuil, een kwaadaartig Mensch- VUILBEK , Hom» impudens, abfcmnus, fceleßus ; is,
de benaaming van eenen Mensch, diegewoonisfcbaam- telops deviiilfte taal te voeren, en zonder de minfte ach-, terhouding van dingen fpreekt, die de eerbaarheid ge-J biedt, met ftilzwijgen te bedekken. Het oogmerk van, zulke Vuilikken is doorgaans eerbaare Vrouwen en Doch- ters het bloed in het aangezicht tejaagen; enzij verdien- den voor die pooging,; zoniet als pesten der famenlee- vinge gegeesfeld en ten landen uitgejaagd, t'en, min ft en uit alle fatfoenlijke gezelfchappen gebannen te worden. Zij doen oabefchrijflijk veel kwaads aan degoedezeden. Indien zij het maar eerst zoo verre gebracht hebben, dat men hunne vuile taal zonder nadrukkliike beftraiHng aanhoort, hebben zij zich den weg gebaand om verder te gaan. Eene jonge Dochter wordt op die wijze,van langzaamerband gemeenzaamer met de ondeugd, die zij noch maar bij naame kent, zijhoudrop, zichopdegedagte daar van te fchaamen, en.zijisdanreeds^énvandefterk- fte wapenen kwijt, om zich tegen de Jaagen van eenen guit te beveiligen, die het 'er op toelegt, om baar zdo, ondeugend te maaken, als hij zelf is. Dit gaat zoo ze-, ker door, dat ik altoos kwaade gedachten heb van de eer» baarheid eener Juffer, die, zonder fchaarorood te'wor» den, de vuiligheden van zulk eenen Mensch aanhoort, én 'er niets tegen doet, dan hem met een tikje van haa- ren waaijer te »raffen: zo zij niet reeds eerloos is, loopt zij ten minften groot gevaar van bet te worden. Het was daarom te wenfchen, dat, zoo j-as zich zulk een Vullik in een gezelfchap begon te openbaaren, ieder een opftorjdt ii 3 «B |
|||||||
|
4016 VUL VUL. VÜU.
|
||||||||||
|
VÜTJ.
|
||||||||||
|
en heiü alleen liet, of, dat de Huisbeer hem door zij-
ne Knechtsbefchaafdheid deedt leeren: en, opdat bij evenwel niet van alle gelegenheid om gezelfchappen bij te woonen, berooft ware, zoude ik wel willen verlof geeven, om hem in alle huizen te ontfângen, daar de Man een Hoorendraager is, of de Dochters Hoeren zijn; mits dat men zich plechtig verhoudt, om'er nooit eenig fatfoenlijk Man, of eerlijke Dochter bij tenoodigen. , Anderen van" deeze foorte gewennen zich aan deeze vui- ligheid van taaie, uit een valsch begrip van waare gees- tigheid. Zij waanen daar door uittemunten, en de ge- zelfcbappen te vervrolijken. Van daar die fchandelijke dubbelzinnigheden, die altoos noch wel den eenen of anderen Gek aan het lachen helpen; van daar het verhaal van nooit gepleegde ondeugden, waar door iemand (zoo bedorven zijn de zeden) den naam van een galant man goekt te verkrijgen. Indien Menfchen van die foorte voor redelijke overtuiging vatbaar waren, zoude men hen kun- nen toonen, dat geen Man van verftand, dat geene Juf- fer die een braaf hart bezit, in zulke laffe aartigheden fmaak vindt. Dat niemand hunner dezelve als geestig aan- merkt. Dat men hem, die met zoo veel genoegen van de ondeugden fpreekt, als of hij ze waarlijk be- dreeven hadt, op zijn woord gelooft, en hem daar- om niet alleen als eenen guit verfoeijt, die tot dee- ze laagte van godtloosheid gezonken is, maar ook als eenen Gek, die geen verftands genoeg beeft, om zijn eigen kwaad te zwijgen, en alle fchaamte zoo verre ver« bannen heeft, dat bij zich zelven bij fatfoenlijke lieden, als eenen deugniet brandmerkt. ■ Men vindt onder deeze Vuilikken, Vaders, die zich
niet ontzien zich op deeze wijze voor hunne Kinderen ten toone te ftellen, en dus met eigene handen het zaad der ondeugd in harten te ftrooijen , die zij tot deugd had- den behóoren te vormen. Bij dezoodanigen is deeze bedorvenheid van hart het allerge\fàarlijkst, en zij ver- dienden, mijns bedunkens, met geen minder recht, van al hun vaderlijk gezag, en de zorg voor de opvoeding hunner kinderen berooft te worden , dan waar mede men eenen Verkwister van zijne goederen buiten de mooglijkheid fielt, om zich en de zijnen arm te maa- ken. VUILBOOM, ziePIJLHOUT. .
VUILE ZAADLOOP, zie GONORRHOEA VIRU-
LENTE. VULNERA ORIS, zie MOND WONDEN.
VULNERARIA, zie ANTHIJLLIS.
VULTUR, zie GIER.
VULTUR A UREA , zie MENSCHEN-EETER.
VULTUR ELEGANS, zie KONING der WOU.
WOUWEN. : VULVARIA, zie MELDE n. 4. pag. 2022.
VULZEL, zie FARCEE.
VUUR, in 't latijn Ignis. In 'tbefchrijven van deeze
Boofdftoffe kunnen wij geen beter Gids kiezen, dan de kundige Abt Nollet. Zie hier het voornaamfte, ran't geen dien Heer over den aart, voortgang en wer- king van het Vuur in zijne Natuurkundige Les/en heeft te boek gefielt. Over de Natuur van 't Vuur.
Het Vuur, 'm zijn beginzel en oorfprongelijk beftaan aangemerkt, moet ongetwijffeld iets anders zijn, dan de inwendige beweeging en àlgemeene fchudding der ver- warmde deelen ; of de ontbinding en fcbij'nbaare vernie- |
||||||||||
|
tiging van de brandende ligbaamen : want indegantfche
Natuur zien wij j dat alle beweeging, eens aan een ftof. fe' meegedeeld, Baar maate dat Zij zich over nog meer andere ftoffen en, een grooter getal van Lighaatnen ver- deelt en verfpreidt, allenskens zwakker wordt, ver. traagt, en eindelijk zoo gering wordt, dat ze naauwelijks meer te merken is, of geheel ophoudt. Het Vuur, in tegendeel, verfpreidt en deelt zich aan andere Ligbaa- men mede met aanwas, en neemt, naar maate dat het aan meer ftoffevan zijnheweeging bijzet, in kragten toe. Dagelijks zien wij, uiteen enkelen vonk, eengeheelen brand onftaan. Wanneer ik 's avonds narekene, hoe veel beweeging er, wel noodig is geweest, om al het hout, 't welk dien dag op mijn haardftee verbrand is, te ontbinden, en deszelfs deelen onder gedaante van vlam, van'rook, van ascb, van elkander af te zonderen en gints en herwaarts te verfpreiden ; kome ik oneindig ver te kort,-indien ik die ganfche kragt en veelheid van beweeging zoeken wil in den flag van een ftuk ftaals te- gen een vuurfteen; het middel, daar men's morgens het Vuur door heeft aangeftoken. Daar moet dqrhalven, onbetwistbaar, een eigene en bijzondere oorzaak/bij plaats hebben, van geheel andere aart en werking, dan de brand. baare deelen zelve, dienietalleendeeerftein-brandfk . kihg voedt, maar ook den voortgang van den brand be- vordert en fterkt, en allengskens vrijer en kragtiger in haar werking wordt, naar maate dat zij grooter voortgang! 1 maakt, en meer werk afdoet. ' Deeze oorzaak moet zekerlijk lighaamelijk, en de ee-
ne of de andere zoart van ftoffe zijn. Kan men zich wel verbeelden-, dat ze iets anders sijn zou, zonder van de algemeen aangenomen en van ijdër erkende denkbeelden ■ af Eenwijken, zonder zich met ijdele gisfingen en de ver- m fierzeis van een vindingrijk brein te paaijen, die tegen :| een verftandig onderzoek en gefchikte redeneering be« I ^waarlijk proef zouden kunnen houden, of zonder de I Almagt des Scheppers mede in 't fpel te brengen, daar men zich, zeker, nooit dan met eerbied en betaamelijke befcheidenheid op beroepen mag, uit vrees dat wij de I Opperde Wijsheid onze harsfenfcbimmeir zouden toe- I fchrijven? Men zal zien, dat het Vuur op allerhande f zoorten van Lighaamen onmiddelijk, en op de plaats zek I ve, daar het is, werkt',1 dat het zich onder die Ligbaa- men verdeelt, en verfpreidt, dat het zich binnen paaien I befluiten laat, dat het iti beweeging gebragt word, en I zijn beweeging aan andere ftoffen mededeelt.. Zijn alle I deeze en dergelijke eigenfcbappen geen duidelijke ken- I merken van iets ftoffelijks, .iets lighaamelijks ? Mag I men het wezen, dat daarmeede bekleed is, niet, zon- der eenige de minfte zwaarigheid, in den rang plaatzen der fijne Vloeiftoffen, even als de Lucht, den Mther, en dergelijke; welker beftaan, en onderfcbeid van aart en zoort, genoegzaam niet betwist word. De Heer Bo£rhaave, die met zeer veel oordeel en
kundigheid, en opeen volltomener wijze dan eenig an- der Schrijver, dien ik ken, over het Vuurgefchree«n heeft, zich over de verbaazende fijnheid van deeze Hoofd- ftof verwonderende, merkt aan, dat zommigeNatuurkun' digen, door dat zelfde wonder getroffen, hetzelve'veel' eer voor iets geestelijks, dan voor een lighaam, voor iets ftoffelijks, hebben aangezien. Ut ab aliis pro Sp'-' ritu verius quam pro Corpore fit agnitus. Element. Chemt(t> Tom. I. p. 126. Maar men zou dien fchranderen en er- vaaren Natuurkenner ongelijk doen, indien men geloof/ I de, dat hij zelf ook naar dat gevoelen geheld nadoe; ae» |
||||||||||
|
*à
|
||||||||||
|
. vüü.
wijlbij in't vervolg van zijn werk in tegendeel, wel uit-
drukkelijk , op goede bewijsgronden en door ondervin- ding en proefneemingen ftaaft, (Ibidem, p. 386.) dat net Vuuf, in zijn oorfprong en beginzel zelf aangemerkt, (Imis Elementali;) bet hvofdfloffelijk Vuur, waarlijk .ee- ne doffe op zich zelve is, wel van alle andere onderfchei- den en verfchillende," maar die echter, zowel als de andere, onder de zelfftandigheden, die enkel (loffelijk en Ijghaamelijkzijn, geteld moet worden. Die doorzigtige en kundige Natuurkenner, van jongs
af aan over de Natuur der zelfftandigheden gewoon te oordeelen uit de kennis van derzelver Eigenfchappen en Werkingen, die hij zoo wel wist te ontdekken ; heeft over die van het Vuur niet -getwijffeld , fchoon hij met ver-, fcheiden andere Geleerden van gedagten was, die ftof 'niet, gelijk alle andere ondermaanfcheLigbaamen, die zekere vaste en bepaalde neiging van boven naar bene- den bad, welke wij zwaarte noemen. Een gevoelen, dat met de kragtigfte bewijsredenen kan bsftreeden wor- den, maar dat echter zommige Verftanden van een bo- vennatuurkundigen fmaak dermaate heeft ingenomen, dat het hun tergunfte van het Vuur een zoort van midden- rang tusfchen Geest en Lighaam, een halve ftoffelijkheid heeft doen uitvinden. Want, zeggen ze, dewijl de zwaarte eene eigenfchap is van de ftoffe, kan het Vuur, zo "het geen zwaarte heeft, geen enkele zuivere ftoffe zijn. Het is,waar, dat wij geen Ligbaamen, die tot den
Aardbodem behooren, kennen, waar 'm men die nei- ging naar deszelfs middelpunt niet gewaar worde: maar daarom kan men echter met 'regt niet zeggen, dat de zwaarte een wezendlijke en noodzaakelijkeeigenfchapis derftoffe; dat eene zelfftandigheidonmopglijk ftoffelijk zijn kan, zonder ook zwaar te zijn. Het Vuurzoa im- mers misfchien wel eene vloeiftof zijn kunnen, zo alge- meen door de ganfche Natuur en overal verfpreid, dat zij niet meer tot de eene Dwaalfter behoorde, dan tot de andere: dat zij in 't geheel geene bijzondere en be- paalde neiging bezat naar eenig punt; en dat zij alleen zich naar alle zijden heen eenpaarig en in gelijke maate tragtte te verfpreiden, en overal evenwigt met zich zel- ve te maaken uit kragt van eene eigenfchap, die van een geheel anderen aart zou zijn, dan- die der zwaarte, daar wij hier van fpreeken. Dit alles zou ongetwiffeld plaats kunnen hebben, zonder dat nogtbans daar door weggeno- men werd, dat die Vloeiftof lighaamelijk, en een waare en eigentlijk genoemde ftoffe was. Maar eer ik van deeze redeneering gebruik zou willen
maaken, zou ik eerst beter overtuigd moeten zijn, dat net eene zekere "en uitgemaakte zaak. was, dat het Vuur geene zwaarte heeft. Men kan zich in tegendeel zelfs °P vérfcheiden proefneemingen, door kundige en mees- terlijke Handen gedaan en meermaalen herhaald, be- nepen, waar uit wel duidelijk fcheen te blijken, dat zotnmige ftoffen, bet Vuur in zich ontvangende , ook meerder gewigt en zwaarte kreegen , even als of die noofdftof,, door zich in de Lighaamen te dringen, en 'n derzelver openingen en tusfchenruimten haar ver- wijf te neemen, ook waarlijk derzelver inhoud ver- groot had. Boyle heeft een ganfche Verhandeling gefcbreeven,
°m te bewijzen, dat de Vlam zwaarte heeft en gewoogen kan worden. De Hißorie van de Akademie derJVeetenfcbap- W», door den Heer du Hamel , maakt van vérfcheiden ■Mtneraafen gewag, die tot kalk gebrand, wel^, en |
||||||||||
|
VVV*
|
||||||||||
|
401»
|
||||||||||
|
zomtijds zelf£_, "onder de bewerking zwaarder van; ge-
wigt geworden waren : en 't is een zaak bij de Handwerks» lieden, die gebakken aarden werk en porfelein maaken, genoegzaam bekend, dat het tin, tot kalk geftookt, om die zoort van wit verglaasd, dat men op de vaten legt, na dat men ze uit aarde gemaakt en gevormd heeft, te bereiden,doorgaans£j of daar omtrent, zwaarder uit den oven komt, dan het er in gebragt Was. Ik zal echter niet ontveinzen, dat deezeproefneemingen
juist zoo befiisfendeniet zijn, als zij in den eériten op- flag moogl/jk wel fchijneh:. 't zij om dat men'altijd ver. moeden kan. dat deeze "vermeerdering,van gewigt niet zo zeer door het J*uur verooraaakt.worde, dan wel door eenige andere ftoffe, d/e zich met hét lighaam, dat men verkalkt, vereenigt, en die of uit de lucht komen kan, welke het aanraakt, of uit de vaten, daar het iri is, of uit de werktuigen, daar men 'tonder de bewerkingmeé roert, of zelfs ook wel uit de kolen , daar men 't Vuur mede ftookt : 't zij om dat men bet tot nog toe over die proefneemingen en derzelver uitflag niet volkomen eens is, en men eenen Boerhaave zijn ondervindingen ziet ftellen tegen die van eenen Lemerv en eenen Homberg : dat is ; het voor en tegen be weeren hoort van de grootfte Meefters in de Konft. Maar fchoon 't al eens waar was, dat Ondervinding
en Proefneemtng nooit op een zekere en overtuigende wijze hebben aangetoond , dat het Vuur zwaarte heeft; men kan egter ook niet zeggen , dat zij het tegendeel hebben doen zien. Indien de Schaal, toen men er beet op woog, 't geen men er te vooren koud op gewoogen had, haar evenwigt niet verloor; is't veel natuurlijker te denken, dat de vermeerdering van gewigt, in het nu heetgemaakte lighaam, niet groot en aanmerkelijk ge- noeg geweest is, om de fchaal te doen overïlaan , dan Xe zeggen, dat het lighaam door 't Vuur in 't geheel gee- ne vermeerdering van gewigt gekreegen heeft: want de- wijl alle ftoffen en lighaamen, die wij kennen, zonder eenige uitzondering, zwaarte hebben, 'kan men billij- ker wijze niet onderftellen, dat de ftoffe des. Vuürs .on- der die algemeene wet niet begreepen zij, zonder er eerst wel goede en overtuigende blijken en bewijzen van gezien te hebben. Maar daarenboven ook, ais men een ftuk gloeijehd ijzer
weegt, gelijk de Heer Boerhaave gedaan heeft, is't welzeker, en moet men't onwrikbaar, als een zaak daar geen twijffel meer op valt, gelooven, dat hét Vuur., zo het zwaarte heeft, in dergelijk geval zijn zwaarte moet voegen bij die van 't ijzer, dat hetgloeijend maakt, en deszelfs gewigt zigtbaar doen toeneemen ? Volgens hst gevoelen van dien fchranderen Natuur-
kenner zelf, een gevoelen, dat mij zeer waarfchijnlijk voorkomt, en daar ik ftraks nader de reden van zeggen zal, is het Vuur overal, in alleplaatzen, tegenwoordig, buiten de Ligbaamen zo wel als binnen in dezel ven. Ter- wijl het ijzer gloeijend is, verfchilt bet binnenvuur, dat binnen in het ftuk j>, van het buitenvuur; dat er rondom is, niet, dan alleen in veelheid, of in groorer leevendigheid en werkingskragt. Maar, dewijl d/t buiten en binnenvuur nu te vrijer gemeenfchap met maJkande- ren kan hebben, om dat alle openingen van hetgloeijend metaal door die hitte geweldig uitgezet en wijder ge- worden zijn, zou men, dunkt mij, zeer wel mogen zeggen, dat dit Vuur met zijn gew/gt niet drukt op de fchaal, maar dat het zich zelven in evenwigt brengt met het buiten-vuur, dater rondom is; even gelijk hèt wa- ter: |
||||||||||
|
VUU,
reeds gemelde , waarfchijnlijke redeneering , dat het
Fuur Hoffelijk zij, en dat alles, wat (loffelijk is, aller- hande zoort van ftoffen ten minften, die wij kennen, zon. der onderfcheid, zwaarte heeft! of men zou ook, ten anderen, kunnen ftellen, dac er zommige lighaamen zijn, waar in, na dat zij tot kalk gebrand zijn, het Fuur zich als in een gemeen middelpunt vereenigt en beflooten houd, in plaats van uit te waasfemefT, gelijk het anders door- gaans doet; en dat de verkoeling van dergelijke iighaa- men niets anders is, dan een enkele verflaauwing in de werking van dat Fuur: eene verflaauwing, die zeer wel zou kunnen plaats grijpen en zamengaan .met een meer dan gewoonlijke veelheid van die vloeiltof, tot rustge- bragt, en als log en vast gemaakt door een nieuwe ftandsgefteltenis en fchikking der deelen, die hetopflui- ten en binnen houden, ze dat het er nergens uit kan. Weet men niet, dat een groot getal van ftoffen, of door ver- kalking, of door een enkele dr oogbranding, bekwaam ge. maakt worden, om licht van zich te geeven, omtegis- ten, om in vlam-te vliegen, om te blikfemen Self ? Alle deeze voorbeelden, begunftigen deeze mijne laatfte on- derftelling grootelijks. Uit het geen ik tot hier toe gezegd heb, maak ik der-
halven dit befluitop: dat het Fuur, in zijn oorfprorg en beginzel aangemerkt, üghaamelijk, en een waareen eigentlijk genoemde ftoffe is; vooreerst, om dat hel de allerweezendlijkfte en noodzaakelijkfte -eigenfchap- pen der ftoffe, uitgeftrektheid en vastheid, bezit: ten tweeden, om dat het ook voorzien is van de andere min- dere eigenfehappen, die men't meesten gewoonlijkst overal in de ftofontmoet; gelijk beweegbaarheid, daar geen twijffel over valt, en naar aHe waarfchijnlijkheid ook zwaarte. Deeze ftoffe, daar 't Fuur uit beftaat, is een wezen
of ftoffe op zich zelve, van een bijzonderen en eigen aart, wier Natuur altijd beftendig de zelfde is en onver- anderlijk. Ik kan mij niet wel verbeelden, dathetr««r> gelijk eenige Schrijvers gedagt hebben, een gemengd lig- haam zou zijn, zamengeftelduit eenebijeenvergadering van zekere jnet elkander vereenigde en verbonden zelf' ftandigheden, en door eene beweeging, als die van gis- ting, verlevendigd en aan 't werken gebragt. 'Want al- toos, hoe men 't ook ftellen wil, zal men tot deoplos- fing en een nader verklaaring moeten komen van die zoort van beweegiog, welke mën onderftelt, en die daar in van alle anderen verfchilt, dat zij, in plaats van gelijk alie andere beweegingen allenskens flaauwer en traager te worden, of, ten tiqogften genomen, zonder verlies eenpaarig en zich zelve geljjk te blijven, zich in tegen- deel altijd veelgrooter en kragtiger opdoet', dan defchijn* baare oorzaak, die haar deed geboren worden. Als men mij zegt, dat zouten, zwavel, lucht, en meer andere dergelijke ftoffen, in een zekere veelheid meteikande- ren vermengd, door haar vereeniging en zamenfteüing Fuur maaken, om dat die ftoffen ondereen aan 'tgis'en raaken; word ik daar door niets wijzer, zo men mij tet' fens niet zegt, waar die beweeging van gisting uit voort- fpruit, eene beweeging, die de eigenfchap heeft^ van als uit zich zelve en door haar eigen kragt aan tegroeijen» zonder dat er een nieuwe oorzaak, die haar ner"e,.' onderfteunt of aanzet, bijkome. In al die ftoffen. dl men mij als de oorfpronkelijke ftukken en beginzels van het Fuur voor oogen legt, Zie ik niets, dan bet geen -in alle andere lighaamen zie ; kleine ftofklompjes en ae tjes, die wel gefchikt zijn, om een zekere kragt en ve ^ |
||||||||||
|
VÜÜ.
|
||||||||||
|
4oi*
|
||||||||||
|
ter, daar een fpons, of ander zeer fponsagtïg lighaam
mee doortrokken en vervuld is, dat Lighaam, wanneer het in water van den zelfden aart en zoort gedompeld word, niet zwaarder zal maaken, maar't zelve zijn ge- wigt zal laaten blijven weegen, en niet meer. Of ftel« len wij liever eens, (om een gelijkenis te gebruiken, die op het ftuk, daar wij van fpreeken ruim zo toepasfelijk is;) dat ik in de vrije lucht een Blaas, of hollen lederen Bol weege, vol met lucht van den zelfden aart, als de buitenlucht is, die haar omringt, en met welke zij ge« meenfchap heeft. Volgens de Wetten der Waterweeg- kunde, met proeven geftaafd, draagt in zulken geval de arm van defchaal niets meer dan aljeen het gewigt van de eigen ftoffe vandsn Bol, daar men dan nogteffens het gewigt moet aftrekken, 't welk dat gedeelfe luchts, wel- ker plaats de eigen ftoffe van den Bol beflaat, weegen zou. . En fchoon men in dit geval al eens fteüen wilde, dat
die binnenlucht vanden bol op de eene of deandere wij- ze in beweeging en aan't werken was, behoudens echter dat die beweeging en werking geen de minfte verande- ring toebragt, nog aan den inhoud van die binnenlucht zelve, nog aan derzelver vrije gemeenfchap met de bui- tenlucht: zou alles echter in .den zelfden ftaat blijven, en de bol daarom niet zwaarder nog ligter weegen. Men zal mij mooglijk tegenwerpen, dat deeze gelijke-
nis niet doorgaat, en daar in gebrekkelijk is, dat het Fuur in hetgloeijend ijzer niet alleen in beweeging en werking zij, maar dat het er zich ook in een merkelijk groo. ter veelheid in bevinde, dan wanneer het ijzer koud is. Ik ftem bet gereedlijk toe ; maar laat ons dan, om
de gelijkenis volkomener en juist eenpaarig te maaken, eens wat meer lucht in den Bol brengen, dan er in is : dog dan verzoek ik, dat trien mij teffensook toeftemme, dat de Bol; gelijk noodwendig gefchieden moet, ookgroo- ter word, naar maate dat er meer lucht in komt: want dus zal men in 't vervolg zien, dat een ftuk Metaal, 't welk men heet en gloeijend maakt, ook, naar evenre- digheid , in grootte van omtrek toeneemt Dog, als men dit fielt, dan zie ik niet, waarom het evenwigt niet als voorheen zou kunnen blijven ftand houden; inzon* derheid zo het, gelijk hier, op een evenwigt aankomt, dat om deeze en geene onvolmaaktheden , in de Werk- tuigen, daar men zich in dergelijk geval van bedienen moet, onrrioogiijk te vermijden, niet verbroken en op een zigtbaare wijze veranderd kan worden , ■ dan door een ongeloofiijkheid van gewigt, die al taamelijk groot en van belang is. Maar indien, om deeze redenen, het Fuur en 't gloei-
jend ijzer van den Heer Boerhaave geen bijzondere tekenen van zwaarte toonde nog kon toonen; waarom nam dan het tot kalk verbrande Spiesglas en i.ood van den Heer Homberg zo aanmerkelijk in zwaarte toef En waarom vermeerderen alle lighaamen en ftoffen, die tot een zelfde graad van hitte gebragt worden, hun gewigt niet even eens, en in eene zelfde maate? Deezezwaa- righedenzouik, dunkt mij, dus gevoeglijk kunnen beant- woorden. Of, de vermeerdering van Gewigt in die twee ftraksge.
»oemde Mijnftoffen ontftaat niet uit bet Fuur; en dan is men genoodzaakt te erkennen, dat tog nog toe door gee- ne proefneemingen heeft kunnen beweezen worden , dat de zwaarte eene eigenfchap is van die hoofdftof, en zal »en zich derhalven in zulken geval moeten vergenoegen , alleen met de waarfchijnlijkheid, en déeze, voorheen |
||||||||||
|
VÜTJ.
|
|||||||||
|
4019
|
|||||||||
|
heid wil beweeging, hun dooreen anderen ftofklomp of
liebaam ingedrukt, te ontvangen, en onder zich te ver- deelen, -maar te eenemaal onmagtig, om eruit zich zei- ven iets bij te voegen. Het voorbeeld van een weinig zuurdeegs, dat met er tijd we! inJlaat raakt om een tame- lijk groote menigte van ftof te roeren, opteligten, te doen,zwellen, is flegts eene gelijkenis, en een voor- beeld van eene werking van dergelijken of den zelfden aart; dog dat, wat de zaak zelve en oorfprong der wer- king betreft, geen de minfte opheldering aan't fiuk toe- irengt, en zelf wel hoognoodig beeft, dat men er een nadere verklaaring van geeve. Daarenboven, waar word ik dergelijke oorfpronkelij-
Jse (lukken en beginzels van 't Vuur, als de ftraksgemel- de, gewaar in her brandpunt van een hollen Spiegel, of in dat van een bolrond Brandglas^, waar in defteenen tot kalk verbranden, de metaalen*fme!ten en tot glas worden. Zal men zeggen, dat die bij een verzamelde Straalen geen waar en eigemlijk genoemd Vuur z\\n? Of zalmen (lellen, dat er twee verfchillende zoorten van Vuur zijn in de Natuur? Het eerfte, zal ieder toe- ftaan, is te eenemaal ongerijmd; en het tweede zou een (telling zijn, die geen den minflen grond nog re- den bad. Het hoofdftoffelijk Vuur moet men aanmerken als ee-
ne vloeiftof; maar een vloeiftof, die altijd beftendig en onveranderlijk een vloeiftof blijft, en haare vloeibaar- heid nooit verliest. Haar deeltjes, wanneer ze zich met die van andere ligbaamen mengen, kunnen zich wel mee dezelven vereenigen, zich met dezelven als vast en log maaken en er zich mee in verband laaten brengen ;,evèn eens omtrent gelijk de lucht doet, wier deeltjes men door alle aardfche lighaamen heen verfpreid vind: maaronder- lingtusfchen malkanderen maaken de Vuurdeeltjes nooit eendergelijkenaauwevereenigingen vast verband. Nooit ziet men de eigen ftoffe van het Vuur, hoe zeer ook ver- dikt en op eengepakt, een vasten en in malkander ge- peilten klomp vormen. Diebrandende Lichtkegel, wiens toppunt het brandpunt uitmaakt van den allergrootften hollen Brandfpiegel, is en blijft altijd nog verdeelbaarder, nog vliet- en vloeibaarder dan de Lucht zelve, die hem omringt: en zo dra men de terugkaatzende oppervlakte, daar hij van afkomftig is, met een kleed of iets derge- lijks bedekt, verdwijnt bij ineen oogenblik , zonder °P de plaats, die hij zo aanftonds nog befioeg, ee- lig net minfte merk of fpoor van hem agter te laaten. Niet alleen is bet Vuur uit zich zelven, en uit kragt
'an zijn eigen aart, beftendig en onveranderlijk altijd vloeibaar; maar 't is ook zeer waarfchijnlijk, dat hetzei- 's deyoornaamfte oorzaak is van alle vloeibaarheid. Door tusfehenkomst en hulp van deeze hoofdftofis 't, dat de deeltjes der lighaamen zich opligten, ' zwellen en uitzet- ten : dat ze zich van malkanderen ontwikkelen, los maa- ken ep elk afzonderlijk vrij op zich zelven word; en dat z'i die onderlinge beweegbaarheid over en langs malv kander verkrijgen en behouden, die het echte kenmerJi « van een vloeibaar lighaam, en 't zelve onderfcheid 'an 't geen wij^ewoQn zijn een vast lighaam te noemen. ^°or het afweezen of de verflaauwing en logheid van pne zelfde hoofdftofis 't, dat de deeltjes, die onder- lmg beweegbaar waren onder een, die los en vrij over ^anderen rolden, op den minflen indruk, 't zij van hun eigen zwaarte, 't zij van eenige andere kragt, nudig, er bij elkander komen , zich meer en nader raaken, £fai-an~een v°egea en vast hechten, en een min of
|
|||||||||
|
meer hard verband en aaneen kleevende'zamenbang be-
ginnen uit te maaken, . Dit denkbeeld van de vloeibaarheid en derzelver oor-
zaak, dat daarenboven ook vrij algemeen voor waar er- kend en aangenomen 'is, word nogjaagtig daar doorbe- gunftigd of geftaafd, dat alle lighaamen, als ze fmelten door het Vuur, grooter van omtrek worden; en dat de zul ken in tegendeel, die weder Jkoud en hard begin- nen te worden, in grootte van omtrek afneemen. ' Iets dergelijks moet er noodwendig gebeuren, indien die twee verfchillende ftaaten of gefteltenisfen des Jigbaams, de vloeibaarheid, naametijk en.de vastheid, veroorzaakt worden, gelijk wij zeiden-, door tusfehenkomst van een vreemde vloeiftof; die men in een andere ftoffe van ze- keren bepaalden omtrek doet indringen, of er weer dwingt uit te gaan: want het is natuurlijk, dat die twee doffen, de vuurftoffe en de andere, nu onder eikanderen ge- mengd en vereenigd, met haar beiden meer plaats be- flaan,.-. dan elk voorheen afzonderlijk voor zich zelve noodig had. Men zou mij hier kunnen tegenwerpen, dat men zeer
dikwils de lighaamen door werking van het Vuurziet in- krimpen en in grootte van omtrek afneemen. Deftraalen der Son, als zij het flik, dat op ftraaten en wegen legt, droog maaken, doen hetzelve bijna verdwijnen en tot nie« worden. Bij zeer zwaare fomerbitte en droogte, ziet men de aarde van alle kanten open Tplijten en overal fcheürenen kiooven maaken; 't welk ongetwijffelddaar uit onftaat, dat derzelver oppervlakte door de hitte in- krimpt, zich in een trekt, en kleiner van uitgeftrektheid word. Zout, Suiker, en andere dergelijke ftofren nee- men ook, indeStooven, in grootte af, en worden klei- ner van omtrek. In alle deeze voorbeelden, en ontelbaareandere, die
men er nog zou kunnen bijvoegen, doet het Vuur twee- derlei uitwerking. De eerfte, en die wel de aanmerke« lijkfte is, en kenbaarfte, is dat 't het water, daar al die ftraksgemelde en dergelijke ftoffen mee doortrokken en vervuld zijn, er uittrekt en door uitdamping vervliegen doet; en deeze vermindering van inhoud, die zulk een lighaam daardoor lijd, en daar men zich door middel van de fchaal, en 't zien hoe veel 't daar door in gewigt afge- nomen is, ligtelijk van overtuigen kan, is meestal groot genoeg om ook een vermindering van omtrek te veroor- zaaken. De tweede uitwerking van't vuur, in dergelij- ke gevallen, beftaat daar in, dat het de eigene ftoffe van de lighaamen, welkerr bet warm maake, en onder't warm maaken droogt { ijler doet worden; en door dat ijler worden zet zich het lighaam uit, en neemt met er daad in grootte van omtrek toe. Een zelfde lighaam word derhalven op een zelfden tijd in zekere opzigtenkleiner en grooter: kleiner word het, dan het geweestzouzijn, indien het de vogtigheid , die 't ^«ar'tzeive heeft doen verliezen, had mogen behouden : grooter, dan het zou. zijn geworden, zo de opdrooging, de uitdamping yan het water, door een gemaatigderen langzaamerwerken- de warmte gefchied ware. Het Vuur verrigt derbalven ook in deeze gevallen, zo wel als in alle andere, zijn gewoon'werk: door zich in dé Lighaamen in en door te dringen vergroot het met er daad derzelver omtrek ; maar deeze vergrooting word dikwils meer dan ten vollen weet geboet door de vermindering, die er uit het verlies van een aanzienlijk gedeelte van den inhoud, door 't Vuur er uitgetrokken, in den omtrek ontftaan moet: een ver- mindering die veelal de vergrooting zo merkelijk over- ig k tteft, |
|||||||||
|
J
|
|||||||
|
vvb.
Indien het Puur op ftoffen werkt, die enkelder zijn
en uit geen vermenging van verfcheiden zoorten van kol fe zamengefteld, zouden de deeltjes, die het van een fcheid en verdeelt, huneerften vorm wel kunnen weder, krijgen, als men ze weer bij malkanderen voegde en ver« eenigen deed: maar het zal die fcheiding en verdeeling tot even een veel hooger itrap brengen, dan men zich ooit zou hebben durven of kunnen verbeelden, indien de blijkbaar. fte en overtuigendfte proeven onze verbeelding niet wa- ren te hulp gekomen. Wij hebben voorheen een zeer kleinen druppel water zo fterk verdeeld en uitgezet ge- zien, dat hij een hollen glazen bol, die omtrent tweedui. men middellijns had, vervulde. Maar om lighaamtjes van die ongerneene kleinheid te kunnen vatten, bewer- ken, en tot zo verbaazend een-fijnheid en getal van klei. nerftukjes te verdeelen; welk'eene hardheid, welkeene fijnheid word daartoe'niet vereischtjn de oorzaak, die het onderneemt, en met er daad uitvoert! Het geen het Vuur aan de andere lighaamen doet,
doet geen lighaam aan het Vuur. Is er op den ganfehen aardbodem wel een ftof bekend, die op die van 't Vuur vat heeft? Behalven dat de ondervinding ons totnogtoe niets heeft doen zien, waar uit wij -zulks meteenigen den minften grond zouden mogen denken, geeft ons de redeneering aanleiding om tegelooven, dat zulks teeene- maal onmooglijk zij. Want dewijl wij deeze.hoofdftof allerhande zelfïtandigbeden, allerhande ftoffen, die bin- nen 't bereikonzer zinnen vallen,'~tot derzelverkleinde deeltjes toe, febeiden en verdeelen zien ; begrijpt men niet, hoe die deeltjes, die noodwendig groocer engrover moeten zijn dan het werktuig, dat hen verdeelt en fcheid, op hetzelve vat- zouden kunnen krijgen, en 't bewerken. De ongerneene hardheid der Vuurdeeltjes ontftaatuit
hun verbaazende kleinheid en fijnheid. Want alle lig- haamen zijn te harder en minder zamenpersbaar, naar maate dat ze minder openingen en ledige tusfebenruim- ten hebben, en bijgevolg ook, naar maate dat ze door het kleiner getal van deeltjes, daar ze uit beftaan, aan de eerftè en oorfpronkelijke eenvoudigheid nader koe* men. Men begrijpt ligtelijk, dat een (loffelijke zelfftan- digheid, die maar een en volmaakt enkel was, die niet uit meer en met elkaar vereenigde deeltjes, met bun al« len een geheel uitmaakende, was zamengefteld; menbe- grijpt iigtefijk, zeg ik, dat een lighaamtje van dien aart een waar en eigentlijk genoemd Ondeel zou zijn ; dat bet nooit van eenige andere ftofgevat of gekrenkt zou kun- : nen worden, dat het te eenemaalonveranderlijk en, op zo te fpreeken, onkwetsbaar zijn zou. Dewijl nu ds deeltjes van het hoofdßoffelijk Vuur 'm ftaat zijn omalies te verdeelen, en dat er niets,op den ganfehen aardbo- dem is, of wij ten minften er niets op kennen, daar zij niet in kunnen doordringen en op werken, moet er ze- kerlijk op den ganfehen aardbodem ook niets zijn, dat hun inkleinheid, in fijnheid, en bijgevolg in hardheid en in vastheid, evenaare. Het allerwonderbaarfte, en ik zou we! mogen zeggen
het allerverfehrik'kefijkfte, indien wij van jongs af alp dingen niet in den zelfden algemeenenftandenordena * den zien blijven , waar in wij ze gewoon waren te zien - of zo wij onkundig konden zijn, dat alle kragten en we- kingen der Natuur-beftierd en in tugt gehouden w°r<!e door eene-wijsheid, die oneindig boven onze?wakke " erippen verheven is:, het wonderbaarfte, zeg ik, 'S>_ dfe hoofdflof, die alle* entbinden< alles verbreeJ^ |
|||||||
|
402» Vüü.
treft, dat zij ons alleen doorgaans maar in 't-oog
loopt. ' , Eene zwaarigbeid, die vrij wat meer fcbijns heeft, en
zich op verre na zo gemakkelijk niet oplosfen laat, als die welke ik zo aanftonds beantwoordde, doet zich op, in 't bevriezen van 't water, in gefmolten ijzer, en in eenige andere ftoffen, die als ze haar vloeibaarheid ver- liezen, en-de gefteltems van een hard en vast lighaam aanneemen, dat is, a\$, hst Vuur, daar ze mee doortrok- ken waren, er uittrekt en haar verlaat, in plaats van kleiner, inderdaad grooter, worden van omtrek. Van alle vloeiftoffen, die wij door't behulp onzer ui-
terlijke finnen kennen, isergeen, wierdeeltjes in klein- heid en fijnheid die van het eigentlijk genoemde Vuur evenaaren. Een zeer eenvoudige en dagelijks voorko- mende aanmerking is genoeg om ons daar van te overtui- gen. Het water, de oliën, de geestrijkfte en en aller- vlugtigfte vogten, de allerdooordringendfte reuken ; de lucht zelve, die ten minften welke wij ademen, en die ons best bekend is ; laaten zich in flesfen van metaal, Van glas, en dergelijke ftoffen,' befluiteb, en blijven er, als de flesfen maar digt genoeg geflopt zijn, in opgeflc» ten, zonder eruit te kunnen; even gelijk men ze er ook kan buiten fluiten, en zorg draagen, dat ze er buiten blij- vent maar geen middel is er dog op de waereld bekend, om te beletten, dat het Vuur niet van deeene plaats doorga tot de andere, of zich van plaats tot plaats uitbreide en al verder uitftrekke; geen -middel om hetzelve, als het in zijn werking is, te doen ftiiflaan, en het log en vast te maaken. Men kan zijn beweegingen, 't is waar, wel maatigen, zijn voortgang en loop, door er andere ftof- fe in zijn weg te zetten, voor een poos wel fluiten of vertraagen,- maar die zelfde hinderpaal, van welken aart en ftoffe zij ook zijn mag, laat het eindelijk door, of word er zelve van aangerand en overmeesterd. Het al- lergroojfte en groffle gevaarte, het digst inleen gedron- gen lighaam, het allerbardfte, of dat ons op 't gevoel het koudst voorkomt, laat zich, fchoon het Vuur het flegts van de eene zijde aantaste, in zijn ganfcheuitge- ftrektheid en dikte, door en door, van binnen zo wel als van buiten, warm maaken. De Visch, die zich op den bodem der zee onthoud, geniet na tijdsverloop al- lenskens de zagte gemaatigdheid, die er heerscht inde lucht; en die middelmaaüge en aangenaame warmte, die men op de oppervlakte van den aardbodem gevoelt, ont- moet men ook, eindelijk, in de allerdiepfte kelders en onderaardfche holen. Welk eene hardheid, welk eene vastheid moeten de
vuurdeeltjes niet bezitten? Niets weerftaat hun ;; zij kunnen alles weerftaan. Een diamant, die men 'm't Vuur laat vallen, word er van zijn fijn gefleepen gladheid be- roofd, zijn hoeken en kanten worden ftomp,- hij verliest er al zijn doorfchijnendheid, helderheid en luister. Alle gemengde lighaamen worden er dermaate in ontbonden en vaneengefcheiden, en losgemaakt, dat bun oqrfpron. kelijkedeelen en beginzels, met hoe groot eenzorgodk en omzigtigtigheid opgezogt en weer bij malkander ge- voegd y nooit dien zelfden vorm weder zullen aanneemen, dien ze te vooren hadden, eer ze in 't Vuur kwamen. Die beginzels zelfs ook en oorfpronkelijke deelen, aan een fterker Vuur blootgefteld, zullen zich nog eens op nieuw ontbinden en tot nog fijner ftofklompjes verdeelen laaten: zo dat men dèeze hoofdAof met reden voor een algemeeneoatbindfi-of, die alles los maakten fcheid, hou-- amag» |
|||||||
|
vu o.
|
|||||||||
|
VUII. 40ÎT
|
|||||||||
|
alles1 vernielen kan, zich overal bevind. "Zij onthoud
zich in de lucht, die wij ademen, en waar in wij lee. veri, en van het oogenblik onzer geboorte af aan ge- leefd hebben.. Zij heeft haar verblijf in de aarde, die wij- betreeden. Zij is in alle lighaamen, in alle, ftofFen , in alle voorwerpen, die wij aanraaken : in alle fpijs en drank, die wij nuttigen, en komt teffens met het voedzel in ons ligbaam. Zij is binnen in ons, en door alle onze leden verfpreid: geen grein gewigts van vleesch of van gebeen- te is er aan ons gansch geftei, dater niet fierker me door. trokken en vervuld zij, dan een fpons, diemen in 'twa- ter gedompeld heeft, gevuld en doortrokken is met wa- ter. Zij is altijd overal bij de hand, zonder onderfcheid van tijd,1 en naar welk een gewest der werefdmen ook heenen reize, in welk een hoek en plaats op of onder de aarde men zich1>evinde; op welk een uur van dag en nagti of van 't jaar, men de proef neeme, altoos kan men, indien men er de vereischte middelen toe gebruikt, Vuur vinden, en 't zelve zich doen ontdekken en ten voorfchijn komen. : De Thermometer, weet men, is een Werktuig, dat de
graaden van warmte en van koude aanwijst, of om naar dekonst en als een Natuurkundige te fpreeken, de ver- minderingen en vermeerderingen, bet af en toeneemen der warmte. Want hetgeen men doorgaans den naam geeft van Koude, is eigentlijk niets anders dan een min- dere warmte; gelijk wij in 't vervolg nader bewijzen zul- len. Indien nu de warmte een uitwerkzel is van 't Vuur, gelijk van ieder erkend word, zal men ligtelijk geloo- ven willen, dat die hoofdftof, op alle plaatzen, opalle tijden bij de hand, en overal te vindenis, indien men agt wil geeven op de volgende aanmerkingen. Dewijl ëen Thermometer op welk een tijd van 't Jaar,
in welk eene plaats of gewest der wereld het ook zij, »an de vrije lucht blootgefteld, merkelijke, enzeerzicht- bàare veranderingen ondergaat; dewijl men bet vogt in de buis meerder of minder ziet rijzen en daalen; ftrekt zulks tot een onbetwistbaar blijk, dat dit'werktuig al- toos en overal zich van alle kanten omringd bevind van eene. ftofFe, die het nu eens voller van, vogt doet fchij- nen, dan weder minder vol. Die ftof nu kan de lucht »iet zijn, daar 't Werktuig in hangt; want die dringt, ge- lijk men weet, door bet glas niet heen, enkan derhal- ven ook op het vogt niet Werken, Het moet derhalven een andere vloeiftof zijn, die veel fijner is,. en die, door de openingen van 't glas heenen dringende, het vogt rij. zen en daalen doet. Deeze vloeiftof weder is handtas- lelijk de zelfde", als die, daar de warmte uit ontftaat; dewijl men .nooit ziet, dat de Thermemeter volier van J°gt fchijrst te worden, of de warmte neemt op dien zelf- den tijd oök toe. De lucht vail onzen dampkring moet fohaleen altijd een goed deel van die ftofin zich bevat- ten, welke wij hoofdftofFelijk Vuur noemen. Wanneer men den Thermometer tegen -een ig ander lig-
naatri houd, van. welken aart, geftalte en efgenfchap,: net ook wezen mag, 't zij een vloeibaar ligbaam, en op kelken tijd-feet ook zij; zal het vogt, dat inde buis van, 'werktuig is, Öf daalen of rijzen. Indien bet rijst,- is 'ks een ontwijfelbaar teken, dat de ftof, die den tnetmotneter raakt, een zekeren graad van warmte heeft, «n zekere veelheid van Vuur, dat leevendig en in be- rging is, in zich bevat. Zo het daalt, is 't een zigt-> taar kenmerk, dat dieftof een mindere graad van-warm-, J neef t, en Vuur in zich bevat, dat minder leevendig en «erkzaam is, dan dat van de middelftof, daar 't Werktuig |
|||||||||
|
uitkomt. Maar laat die minder warme ftof zijn, wat
2e wil, laat ze zelfs Ijs zijn, nooit echter, zeg ik, zat ze van alle Vuur te eenemaal beroofd zijn. Want het is beweezen, dat men het ijs, door er zout onder te men- gen , merkelijk kouder kan inaaken, dan het voorheen was : zo dat de Thermometer , indien hij eerst eenigen tijd in dat door konst kouder gemaakt ijs gedompeld geweest was, en daar op in ander gemeen en ongemengd ijs ge« zet werd, ongetwijfFeld warmte zou gewaarworden, en zijn vogt in, de buis rijzen. Het "geen ik hier van het ongemengd en gemeen ijs,
en deszelfs uitwerkzel op den TJiermometer zeg, zou men ook in dat ijs, 't welk door menging met zout kouder ge- maakt is, zien gebeuren, indien de Thermometer uit een ftof kwam, die nog kouder was. En wie weet welke de laatfte mooglijke merkmaat zij, daar men de koude toe zou mogen brengen,' of om mij wat klaarder en naauw;- keuriger uit te drukken, hoe ver, en tot welk eenen trap van volkomenheid, een plaats of een ftof, een lig. haam van Vuur of van warmte beroofd en ontbloot zou kunnen worden? Deeze proefneemingun hebben den zelfden uitflagoofc
in 't ijdel ; de Thermometer is er aan zeer zigtbaare ver- anderingen onderworpen ; én men mag derhalven, op goe- den en vasten grond, dit befluit gerust op maaken, "dat de ftofFe van 't Vuur overal is ; dewijl er geen plaats, geen ruimte, of uitgeftrektbeid, zo veel wij weeten of berei- ken kunnen, 't zij ledig en ijdel, 't zij,vol vanzelfftan- digheden en ftofFen, die wij kennen, te vinden is, daar haar werking zich niet gewaar doet worden, . . Ivlaar indien men al eens dit rijzen en daalen van den
Thermometer, en de daadelijke, min of meer voelbaare warmte zelf, voor geen genoegzaam zeker bewijs van de tegenwoordigheid en werking van 't Vuur erkennen wil- de, zal men zich ten minften echter moeten laaten over- tuigen, als men het zigtbaar voor zijn oogen ziet, 'tzij dat het in 't een of 't ander brand verwekke, 't zij dat het ligt en ligtende vonken of ftraalen. van zich geeve. Wie weet niec, dat »>en bij nagt zo weîals bij dag, en overal op welke plaatsenen zich bevinde, twee zoge- naamde Vuurfleenen, of twee gemeene^eijen, die men tegen malkander Haat, vonken kan doen uitgeevenfDaè het hoefijzer van een Paard, of de ijzeren band, die om het rad van een Koets of ander Rijtuig legt, dat over de ftraatfteenen fnort, er dikwils een gantfche ftraal Vuurs zich op vertopnen doet? Dat de asfen.der wielen door de wrijving kunnen in brand raaken; en dat de vijl van een Smit een ftuk metaal zo heet kan maaken, dat het hout aanfteekt? . Maar nergens blijkt die algemeene verfpreiding der
Vuurflof over den gantfeben aarbodem, enderzelver te- genwoordigheid op alle piaätzen, zigtbaarderenhandtas- telijker door, danuitdeverwonderenswaardigeverfchijn- zels'j die ons de Elektrifiteit vertoont. Zonder zich aan eigenzinnigheid fchuldtg te maaken, kan men er niet wel langer aan blijven twijffelen, of de ftofFe, daar de Na- tuur zich tot het doen dierWonderen van bedient, is, ten minften zo veel het wezendlijke én't oorfprongelijk beginzel aangaat, de zelfde als het hoofdflefelijk Vuur, Deeze ftofFe, nu, bevind zich overal, dewijl zich alles Elektrize'eren laat; en zij bevind er zich altijd, dewijl men altijd Elektrizeeren kan. Wanneer men door eigen ondervinding en 't zien der
proeven zelf eens volkomen overtuigd is, dat de Élek-
trieke ftof en die van't Vuur wezendlijk eene zelfde zij,
Kk i aal
|
|||||||||
|
402î vutf. r vuü;
|
|||||||
|
deeltjes zich bevond, die alle te gelijk aan 't werkea
waren? - Ik beken dat deeze zwaarigheid van vrij groot gewigt
is ; maar men ontmoet er ook, die van geen minder ge. wigt zijn, in 't gevoelen van den Heer Boerhaave. Want als men met hem vooronderftelt * dat dé brandbaar» heid der lighaamen alleen daar in beftaat, dat devzelver deeltjes, of meer ofmin naar den aart der lighaamen ge- fchikt zijn" om in beweeging en werking te geraaken, wan.' neer het Fuur, dat zij in zich bevatten, hen daartoe aanzet, zal men nog altijd verleegen zijn om te weeten, waarom die inwendige kragt, dat innerlijk nog werkend Fuur, 't welk, naar den Thermometer.te oordeelen, in alle lighaamen , die op een zelfde plaats zich bevinden, even groot fchijnt te zijn , geen kragtiger en geen fchielij« ker uitwerkzels te wege brengt op zulken van die lighaa- men, wier deeltjes men gelooft dat aan die kragt van 't innerlijk Fuur minder weerftand gewoon zijn te bieden. Indiende wijngeest, bijvoorbeeld, brandbaarder is dan het water, om reden dat dezelve uit oorfprongelijke deel» tjes beftaat, die beter gefchikt zijn om de poogingen en werking van het .Vuur, dat hij in zich bevat, te beant- woorden en te volgen ; waarom hebben dan die poogin- gen en werking, welke in dien geest, gelijk men voor» onderftelt, net even fterk zijn als in't water, geen groo- ter en kragtdaadiger invloed op deszelfs deelen, en bren- gen er meerder werkzaamheid en, warmte in voort, dan in die van 't water? Welke; zijde men derhalven ook in dit gefehil kieze,
altoos heeft men te wagten, datmen.zich door deezeof geene zwaarigheden, daar men zich niet uit redden kan, gefluit zal vinden. De inbeelding, 't is waar, zonons mooglijk wel het een of 't ander middel aan de hand gee- ven, om er een antwoord op te zoeken ; maar van haar alleen Verkiezen wij liefst geen oplosfing van gefchillen te ontvangen, ; . . . ;-, Over den voortgang en werking van 't Fuur.
De werking van 't Fuur, wanneer ze zo ver voortge- zet word, dat ze brand verwekt, gelijk ik'reeds voor- heen heb opgemerkt, is een verfcbijnzel, 't welk men nooit zàl kunnen begrijpen, hóe het uit de enkele bot« zing of wrijving, uit de enkele meedeeling van een ze* kere bepaalde hoeveelheid van beweeging ontftaankan, indien men den fchijnbaaren beweeger en beweegende oorzaak alleen in aanmerking neeme, en in zijne rede- neering over dit ftuk de algemeene en bekende wetten, welke de Natuur in de botzing der lighaamen gewoonfs tevolgen, in 't oog.houde. Wanneer deeeneofde andere ftof door eene beweegtng, die haar van buiten word meegedeeld, in brand raakt, kan 't niet anders zjjn, of die botzing en die wrijving, de eerfte oorzaak van haar ontfleeking, moet kragtdaadig onderfleund en geholpen worden door een vermogen,. dat reeds te voo- ren in die (lof huisvestte,! en alleen maar naar de gele- genheid wag't te om zich te openbaaren: een vermogen, dat als in evenwigt ftaat met de fterkte van den zanien- hang, waar mee de eigen deelen van 't brandbaar hg" haam aan elkander verknogt zijn , maar dat aanflond« over- winnaar word, zo dra een vreemde magt, die van bj"' ten komt, de banden, daar 't mee in toom gehoudf: wierd,! fchudden en verfiappen doet , en teffens n vermogen zelf ook een nieuwen graad van leevenen wer* zaamheid bijzet. Zo er iets dergelijks bij «en voortga'ig van 't Fuur, tot brand-verwekkens toe, -niet plàatsfiftwj |
|||||||
|
zal men niet wel meer van zichverkrijgen kunnen, dat
men geloove, dat de warmte en het branden van een lighaam aan de beweeging enkel en alleen van de eigen. deeltjes van het lighaam, dat warm wordt of brand, moet toegefchreeven worden. Want die vloeiftof, welke men iiit eene ijzeren ftaaf of uit den vinger van iemand, die geëlektrizeerd word, ziet voortfchieten, is gewisfelijk geen metaal nog vleesch : zij is zelfs van een aart, die te eenemaal verfchilt van den aart eneigenfcbap van die zouten, van diè'oliën, van die lucht,- in wier mengzel en gisting men de eigentlijke natuur van 't Fuur wil doen béftaan. Door dergelijke uitvloeijingen en aftrekzeis uit een lighaam te voorfchijn te doen komen* zou dat lig- haam een deel van zijn eigen zelfstandigheid, daar het uit beftond, verliezen moeten: het-zo*zich eindelijk geheel uitputten ': daar nu integendeel die brandende Fuurflof, die uit het geëlektrizeerd lighaam uitfchiet, en debrandbaarevogtenontfteekt, bijna in 't geheel niets gemeens fchijnt te hebben met de eigen deelen van het lighaam, daar ze uitvloeit, nog dezelve in eenige opzig- te krenkt of. vermindert. "Men is vrij algemeen vat) denkbeeld, dat zommige dof-
fen meer Fuur in zich bevatten dan anderen; dat, er bij voorbeeld, meer Fuur is in zwavel, in olie, in wijn- geest , In'buskruid , in phofphorus, die van pis gemaakt worde, en dergelijke ftoffen meer; dan er is in zeer veele andere lighaamen, fchoon ze zelfs.in digtheidvan ftof en ijlheden met die ftoffen volkomen mogten over- èehftemmeri. Dit denkbeeld is gantsch niet onwaarschijn- lijk. Het heeft ten minften zijn gemak, en is zeer ge- voeglijk gefchikt om reden te geeven van die aanmerke- lijke ontfteekbaarheid, dat Schielijk in brand vliegen, 't welk zommige ligha'amen zozeer boven anderen eigen is'. Ook zou men, dunkt mij, zo men dit denbeèld niet toeftaat, vrij wat moeite hebben om een voldoende ver- klaaring te geeven, waarom de tótkalkgebrandemijnftof- fen, daar wij te vooren van fpraken, toeneemen in ge- wigt en zwaarder worden: indien anders dat zwaar- der ,worden inderdaad zo waar is, als het wei- fchijnt. ; De Heer Boerhaave nogthans, wiens gezag hiervan
zeer groot gewigt is, is niet van dit gevoelen. Hij meent dat de ftoffe des Vuurs op eeneenpaarige en gelijkvormi- ge wijze overal verfpreid zij, in vaste lighaamen even eens als in vloeiftoffen, en in meerder of minder veelheid naar maate Van de ruimten, die het te vullen heeft. Zo dat, volgens zijn gedagten , een brandbaar lighaam niet daarom verfchilt van een ander, omdat het een grooter menigte van Fuur in zich bevat, maaralleen omdatdes- zelfs eigen deeltjes van zulk een aart zijn, dat ze zich ligter naar de werking van het Fuur, als hetzelve tot leeyen en beweeging gebragt word, voegen en fchikken kunnen. Dereden, die hij er van geeft, en die zeer aanne^meliik voorkomt, is deeze: dat allerhande lighaa« men, a's zij een geruimen en genoegzaamen tijd opeen 2elfdë plaats bij een geweest zijn, allen den zelfden trap Van warmte verkrijgen. Een Thermometer , eerst in water, en vervolgens in wijngeest, of in de eene óf de andere olie, van welke zoort die ook zij, gedompeld', tekent altijd den zelfden.graad van warmte. Ondertus- fchen is het echter zeker, dat nog in 't een nog in 't an- der vogt de werking vàn het Fuur te eenemaal verdoofd en vernietigd zij. Hoe zal men dan begrijpen, dat die werking niet grooter en kragtdaadiger zou moeten zijn in den wijngeest, dan in 't water, indien er in dat eerstgenoemde vogteeti veel grooter getal van Fuur- |
|||||||
|
VUIL/ "
doet mij alles, wat ik gebeuren zie, nadat ik den (cher-
pen kant van een keifteentje tegen een gehard ftuk daal, seOagen heb; >het vonkje, dat in "mijn oogen flikkert, het Vuur dat in 't zwam of tonder .Vat, het .aanfteeken van een zwavelftok, van een takkebos, van een gan- fcben hoop bouts: die alles, zeg ik, doét mij uitwerk- zeis zien, die hun oorzaak oneindig verin kragt te bo- ven gaan.,; en, zo,er. niets meer onder werkt, dan .die oorzaak alleen, en die alleen dat alles uitvoert, is.al- les, wat ik gezien heb, een waar en eigent lijk wonder- werk: want het is.een,grondwet in.de Natuurkunde, een vaste zetregel, die van.degantfche wereld erkend word, dac het uitwerkzel niet grooter kan zijn dan zijn. oorzaak,;,';.-,. ;;{. ; (i- .,<:. . . ;:.-■ ..--:, .;, Deeze bedenking is'waarfchijnlij'k ook de reden ge-,
weest, die de Koninklijke Akademie der Weetenfebap- pen hetbeiluit deed neemen, om ten.onder.werp voor den prijs van 't jaar 1738, het onderzoek van, de vraag ,-fiver de.Natuur in den voortgang van 't Vuur, voor te dellen : een vraag, die zij. ongetwii_ffeld voor gewigtig,. en vóór zeer-meeijelijk aanzag; dewijl zij, in 't opftel.van haar bçkendnraaking zich tot alle- Geleerden van -alle .Landen- en Rijken bijzonderlijk rigtte en dezelven verzogt er de - oplosiing van te geevçn; ...-,= ... Van alle de (lukken, die er tot beantwoording inkwa-
men, en om dien prijs dreeden, zijn erdriedoprde Akademie, gekroond ,: en twee anderen waardig geoor- deeld-,, prh door druk in't ligt te komen. Deeze twee;, laatften zoud.en mooglijk zelfs ;m.et-die",drie,eerfte den prijs, gedeeld hebben, indien derzelver Schrijvers zich,, in navolging van den Heer.BoERHAAVJä-, niet merkelijk, meerhadden beziggehouden met zaaken,. waar over men de ondervinding en proef kan raadpleegen, dan wel met de voorgeftelde Vraag, die echter de hoofdzaak-was, daar men in dit geval ter oplosfing van.'tgefchil, inzonder- heid.vereischte dat op gedoeld werde. -. De-drie eerfte ftukken bevatten zeer fchrander uitge- dagte vindingen en denbeeld.en.over den. voortgang:van 'tFifitr. Men begrijpt ligtelijk, dat alles, wat men over dergelijk een vraag zeggen kon, onvermijdelijk min.of meer op de eene of de andere onderftelling:rusten moest. Maar onder anderen vind ik er eene., dje mij altijdzo na- tuurlijk is voorgekomen, en die met alles, wat onze uiterlijke finnen onsr van het Vuur, en deszelfs verfcliei- den voortgangen leeren, zo wel.gepast en juist fchijnt over een te (temmen, dat ik nooitheb,getwijfeld, om haar boven anderen, den voorrang, te geeven. ; Deeze 011- derftelling is van den beroemden Heer Euler , toen Hoog-, leeraar der Wiskunde.te Petersburg-^en Lid vari.de Ko-. ninklijke Akademie der Wetenfcha'ppén van Berlijn, daar hij zich thans bevind. Door de denkbeelden, in- zonderheid, van dien fchrandereu Wiskonftenaarte vol- gen, zal ik, met weinig woorden, den Leezér, zo veel mooglijk is, een begrip fragten te geeven,. hoe het Vuur., dat zich binnen in een brandbaar lighaam ont- houd,, de. kragt bekomt, dat het in (laat zij om een uit- werkzel, te.doen geboren worden, 't welk naar den uiter- lükenfchijn het vermogen, daar men zich van bedient om er eerst leeven. en.werkzaamheid aan te geeven, zeer Ter te boven gaat. .Op tweeërlei verfcheiden wijzen breid zich de wer-
king van het Vuur door de lighaarrjen uit. .Zomtijds. ver- yekt, het er alleen maar,die inwendige beweeging der. oeeltjes in, .welke wij" door 't gevoel,gewaar geworden; m mrmt&noenm ; en die, zonder merkelijkeverfpiUing |
|||||||||
|
vyv.f
|
|||||||||
|
4023
|
|||||||||
|
en vervlieging der deeltjes, in't .lighaam plaats kan heb-,
ben, In dien (laat bevind zich een (luk (leen of metaal V dat men eenigen tijd'in een ketel, bijvoorbeeld, met heet water heeft laten'leggen, en dus warm worden. Maar bij andere gelegenheden beweegt en fchud het Vuur derrnaatede eigen (lof van het lighaam, daar bet, zijn werkzaamheid in oeftenf, dat zij deszelfs kleint Stofdeeltjes van eikanderen fcheid en losbreekt, de- zei.ven wegrukt en vervliegen doet; gelijk men aan. een (lukhoutsgebeuren ziet, dat men op'gioeijendekoo- "len legt., - . Zo lang er niets anders plaats heeft, dan een enkele
overzetting en. meedeeling van warmte, gefchiéd alles, riaar bet althans uiterlijk fchijnt, volgens den regel der bekende en gewoone. natuurwetten. Het lighaam, dat eenander warm maakt; geeft hetzelve nooit meer, en zelfs nooit zo veel, als het zelf ontvangen had. Het. lighaam, dat.warm gemaakt word,, verkrijgt zijn warmte altijd ten kosten van dat lighaam, 't welk men er zijn.' warmte aan Iaat meedeelen; even eens gelijk een lig- haam, dat in rust, is, geen beweeging ontvangt, dan ten kosten van een ander lighaam dater tegen aanbotst, eri door deszelfs beweegkragt onderling met hun beiden te' deelen. Op deeze wijze gaat het doorgaans en in "t al- gemeen met de warmte toe. Indien er eeriige uitzonde- ringen op dien algemeenen regel vallen, indien men er zomtijds eenige, bijzonderheden in opmerkt,, kan men. die gevoeglijk en roet reden aan deeze of geene toevallige oorzaaken toefehrijven ; van welke het hier de plaats niet is te fpreeken. .''. ,, ?" - .Het.is.dan.in zulke gevallen, inzonderheid', waar,ih>
branden vervlieging of merkelijke verfpilling van deeltjes- plaats heeft, dat wij aan de doffe des Vuurs een zoort van beweeging of neiging moeten toefehrijven, die haar in, (laat (lelt,. om, als uit zich zelve en door haar eigen, kragten,, die merkwaardige voortgangen temaaken, wel» ke er op den eerden indruk of botzing volgen, waardoor men haar leeven en werkzaamheid begon te geeven. Laag- ten we.ons dan'verbeelden, of liever, 't geen anderen zich verbeeld hebben, voordellen, en de mooglijkheid van 't geen wij tot dus ver gezegd hebben, ophelderen en daaven door voorbeelden, die zulks verftaanbaardèr en waarfchijnlij'k zullen maaken. Het is mooglijk, en dit denkbeeld heeft reeds zedert
langen tijd de ervaaiendfte en beroemdfte Natuurkundi- gen tot.begunftigers gehad, dat de dófFe-desFatOT, uit haar eigen aart, een uitzettende kragt heeft; zie Male- branche Memoires de l'dcad. des Scienc. i66Ç- p. 83.- Lemerv ibid. IJ09. p. 400. BoERHAAVE.EIfiK. Chemi.- p. 359. ik wil zeggen, dat men'ieder van derzelver (lof- deeltjes zou mogen aanmerken als een klein balletje,,dit, zamengedrukt, zich weer poogt te herftellen en naar al- le zijden heen uitte zetten;, of ook wel, als een verza- meling van kleine deeltjes, die onophoudelijke poogin- gen doen, om zich van malkander te verwijderen, en zich overal heen in't ronde uit-te breiden .ommeer ruim- te te hebben en grooter veld te beflaan; eveneens om- trentgelijk men deallerkleindeJuGhtbelletjes zich uitzet- ten ziet, en in grootte toeneeinerr, als men er bun gele» genheid en reden toegeeft. Laat ons dit eerde denkbeeld nu eens overbrengen tot
lighaamen van een handelbaare grootte, en onderftel- len, dat men, bijvoorbeeld, eens in eenen teenen korf- je een honderd kleine glazen bolletjes gedaari;heeft, van- pinnen, hol', met een taamelijk derk zamengegerfl'e. keht Kfc 4 ge* |
|||||||||
|
Vüü.'
|
|||||||||
|
VITO.'
|
|||||||||
|
402*
|
|||||||||
|
gevuld, en digt toëgedopt, en zb dun van glas, dat zij Méri moet zich hier te binnen brengen;, 't geen ws
de kragt der vloeiftof, die ze inzich;bevatfcen, ternaau- voorheen gezegd hebben ; dat alle ïigbaamen, hoe klein wer nood ^eerftaan kunnen. Indien hu door 't 'een 'oft en fijn «zij ook wezen mogen, de hoofdftoffelijke deeU ander geringde toeval een van die bolletjes, diezobros tjes" alleen uitgezonderd, hunne openingen en ledige tus- ' zijn en ijder oogenblik als op 't breeken (taan, geftoo» fchenruimten hebben : dat, wanneer verfchêiden deeltjes ten word, begrijpt men ligtelijk, dat'zulk- een (lootje, van ftoffe zich bij een vereenigen om mét malkander een hoewel maar zeer klein, door dewederwerking der veer- ftof klompje, een lighaamtje, uit te maaken, die bijeen- kragtige vloeiftof, die 't bevat,' geholpen, de deeltjes voeging en vereeniging nooit zo juist, zo net en voiko- van het glas dermaate fchudden zal, dat ze erdoor ver- men gefchied, of daar blijven altijd nog in dat klompje brijzeld zullen worden: deeze ftukjes weder, door de kleine openingen en ledige holletjes, die niet gevuld lucht, die zich met kragt uitzet,, met geweld voortge- zijn , hier en daar over. Dus moeten wij derhalven ook dreeven, en tegen de naaste bolletjes aanvliegende, zul- als we ons een klein deeltje Vuurftof, met een dun vel' lertdezelven ook verbrijzelen; die wederom op hun beurt Iétje van dat> mehgzel ■■, waar uit het Buskruid beftaat, om de zelfde reden de volgende eveneens zullen handelen, omkleed, verbeelden, ook denken, dat dit omkleedzel' en de fchade, algemeen maàken. . . - '. , , ' dat' velletje, niét net en naauwkeürig overal/ maar op : Zien wij niet iets van den zelfden aart, dat tameljjk' ee'h "min df méér gebrëkkélijke wijze aan een gevoegd is, wel met dit onderfteld uitwerkzel overeenkomt, en tot en dat betTuur, 't welk er van binnen in zit, en zich de zaa'fc, daar wij hier van fpreeken, meer'betrekking daa'rjn gevangen laat houden, zo langdes'zelfs uitzettings- heeft, gebeuren in de fchielijké ontvlamming van een kragthög niet fterk genoeg is, om door dienaatiwe ope- làading Buskruid, doorhet aanfteeken alleen vanèënige ningen en doorgangen heen te dringen, nietnalaatenzal wéinige korrels'veroorzaakt? Yder van die korrels kan dezèlveh té overweldigen en zich een ruime baan te tnaa- iheh aanmerken,als een klein bolletje', dat om de kragt ken ,: zo dra hét niéer kragten krijgt en Wërkzaamer der Vuurdeeltjes, die het in zich bevat,'të weerftaafr, word. . -'■■' '. . . ...-■■■:; ongemeen bros is. Want waarin beftaat de brosheid ei- En indien deeze vermeerderde werkzaamheid het
gentlijk van eenlighaam?Ongetwijffeld daarin, dat des« Vüür ih'ftàat'k'an'ft'éllenV ötn-met zijn déëfcjes van bin. zelfs deeltjes zeer gemakkelijk van een wijken, en zich nen door te dringen naar buiten, kan dezelve ook die metde geringde moeite van malkander fcheiden laaien: ■ deeltjes op de'zelfde wijze kragt geeven, om van buiten maar nu weet men, dathetfalpetèr, de zwavel, de houts. door een dergelijk omkleedzel zich'een weg te baanen kool, welke teffens met de lucht, die'niet nalaat zich er naar binnen, endus "de naaste hoopjes Vuur, die ook in onder te mengen, het Buskruid uitmaâken, altemaal dof- dergelijke velletjes beflóoten leggen, na door die vellet. fen zijn, die door het Vuur zeer gemakkelijk vaneen te jes heen gedrongen te zijn, aan te (lobten; en hun de fcheiden en te ontbinden zijn, en deszelfs werking niet zelfde werkzaamheid bij te zetten. , - dan zeer weinig weerdandbieden kunnen. Op deeze wijze allenskens, een voor een, en van Ik da toe, dat er in mijne gelijkenis van de buskruid- ftuk tot ft uk voortgaande, zullen eindelijk alle hoopjes korrels met de glazen bolletjes, die met zamengeperfte Vuur werkzaam worden, hun omkleedzel breeken, ver- lucht gevuld door een ftoot, eèn kragt, die van buiten brijzelen, derzelver ftukken <doen vervliegen, en zich in komt, verbrijzeld worden, een merkelijke ongelijkheid vrijheid ftellen : uit al die bijzondere uitzettingen en ont- plaatsheeft: want de vonk, die een kiuidkörrel aan« fteekingen zal een algemeene uitfpatting en brand ont- fteekt, dóet zulks zeer waarfchijnlijk op geen andere Wij^ ftààn, die min of meer fchielijk zijn zal, naar maate van ze, dan door het Vuur, 't welk die korrel van binnen in eenigeverïchillende ómftandighéden, daar ik nu van zal sich bevat, onmiddelijk en door aanraaking leevendig en fpr'ëekèri. Maar eer ik verder ga; zal 'c gevoeglijk zijn, werkzaam te maaken. Dog men moet onderftellen, dat dat ik eenezwaarigheid, die zich hier zeer natuurlijk op< het eerfte glazen bolletje, 't welk ik door een (lootje, doet, voorkoomè. 1 dat er van buiten tegen gefchiedde, heb doen verbrijze- Waarom, zal men zeggen, verbreekt en verbrijzelt
Ien; ook eveneens verbrijzeld zou zijn geworden,'in. dat kleine hoopje Vuurs, in zijn omkleedzel, gelijk ik
dien de uitzettingskragt van de lucht, die hetin zich be- vooronderfteldbeb, beflóoten, zijn gevangenis, en doet
fluit, door de eene of andere oorzaak, welke men wil, bet de ftukken van't zelve overal heen fpringen en ver«
flegts een enkelen graad vergroot ware geworden : en dat vliegen; indien het doorgangen open vind, waar door't
de naaste bolletjes vervolgens ook aan ftukken'zoüdén ontfnappën Ican , en dijs vrijheid heeft om er uit te
fpringen, zo dat eerfte vakje luchts, uit zijn gevangenis raaken? \\ , " ' ■-'
ontkomen, op hun het zelfde uitwerkzel deed, 't welk Het breeken en verbrijzelen van het omkleedzel komt
de eerfte oorzaak op dat vakje luchts gedaan had. Laaten daar van daan, dat de werkzaamheid, die het bezit,
wij dan eens bij dat eerfte'denkbeeld blijven, dat uit merkelijk groóter is, dan de vrijheid diehetheeft om
onze gelijkenis voortvloeit; naamelijk, dat een brandbaar door die al te naâuwe doorgangen te ontfnappën. De
iigbaam, a's een korrel buskruid bij voorbeeld, eenë uitfpatting is er wel ongètwijffeld een weinig minder,
verzameling is van kleine hoopjes;van Vuurdeeltjis, van ftërk door, en zou zekerlijk geweldiger zijn, indienhet
welke'ieder bewonden js en omkleed met een andere omkleedzel volmaakt digt was ën't Vuur van alle kanten
ftoffe, die wel de eigenfchap niet heeft, datzezich uit vast en' haauw beflóoten: maar de uitfpatting zal et ,
kan zetten, maar aandonds gereed is om zich van een té niet te eenemaàî door weggenomen en vernietigd wor-
fcheiden en in ftukken te breeken, zodradeuitzettings- den. Een Bom, die hier en daar fcheuren heeft, zal,
kragt van de vloeiftof, die ze in zichbeflujt, haar daar beken ik, wél met minder kragt flàân, dan ze doen zou,
toe zal hoodzaaken : laaten wij, zeg ik, bij diteerfte indien zegeheel en volkomen digt was; maar zij zal
denkbeeld blijven, en nu eens zien, op welke een vonk echter flaan, gelijk men ligtelijk zal willen geloo ven, en,
VUurs, van buiten daar tegen aankomende, dat uitwerkzel in ftukken van een fpringen.
aal kunnen veroorzaaken, en brand doen ontdaan.' Hoe grbotef het getal is van die kleine deeltjes Vtiun
'. ' " '" * ; »et
|
|||||||||
|
/
|
|||||||||
|
VXJU. ■
|
|||||||||||
|
vvu.
|
|||||||||||
|
402S
|
|||||||||||
|
hang die eerfte poogingen weerftaan, ofijlervan ftof
mooglijk en met meer openingen voorzien, het Vuur ■ dat hen uitzet en fpant, doortogten geeven, waar door tiet met een fchielijkheid, die het vermogen van ziin uitzet- tingsKragt bijna evenaart, naar buiten ontfnappen kan. In onze gelijkenis van de holle glazen Bolletjes vooronder- stelden wij, dat ze alle even bros waren ; maarzo er ver- lcüeiden van dezelve, bijvoorbeeld, vijf of zesmaal dik- «er, van glas waren , zouden die niet alleen geheel blij-' * - WA ma,ar men beërf]Pt 00k -igtelljk, dat zij, door hun'
tusicnenkomst en afftuiting, de verbrijzeling van de an- dere zouden kunnen beletten; of ten minften oorzaak 2'jn, dat er zo veel niet aan (lukken raakten. Maar deeze deeltjes van de ftoffe, die doorgaans de'
eerfte poogingen en werking van 't Vuur weerftaan, fcbei- aen zich van een en vervliegen, of ontbinden zich ein- delijk even gelijk de andere deeltjes, als die werking van 't Vuur een langer tijd duurt, of als dezelve fterker aangezet,, en kragtdaadiger gemaakt word. Duszietmen de.allervastfte deeltjes dergemengde lighaamen eindelijk; losgemaakt worden; het zout, bijvoorbeeld, verandert in vogt, de aarde word of glasagtig, of tot een fijn on«J, tastbaar ftof; en deeze en dergelijke uitwerkzels geeven ons altijd de duidelijkfte blijken, dat de deeltjes onge- meen fterk verdeeld zijn geworden. 't Zal naauwlijks noodig zijn te melden, dat men de-
ze kleine met Vuur gevulde Bolletjes, gelijk wij ze tot nog toe vooronderfteld hebben, om eenig begrip te krij- gen van 't ontfteeken en in brand vliegen van gemengde lighaamen; niet moet aanmerken ais iets, dat voel of zigtbaaris; die kleine zoorten van wezens, indien zej er inderdaad zijn, en van dien aart en vorm, alè de in. beélding ons daar de fchets van maakt, moeten zo ver- baazend fijn zijn, dat het allerkleinfte ligbaamtje, dat men met het beste vergrootglas zien kan, nog een groot ge» tal van dezelve in zich bevatte. De onbegrijpljjk verre- gaande deelbaarheid der ftof, en de ongemeene fijnheid ' van het Vuur, dat overal in doordringt, alles deelt en van een fcheid, geeven ons regt om dergeiiik een onder, ftelling te maaken. Het allerdunfte vezeltje, zo van dierlijke lighaamen als van gewasfen, het allerkleinfte korreltje metaal, datmenmethetoogonderfcheidenkahy is dan, moet men denken, inderderdaad niet anders dan eene, Tchoon voor onze finnen niet merkbaare, verza- meling van al dergelijke kleine zoorten van wezens, van al zulke ftof klompjes of lighaamtjes, die zelve ook uit verfebeiden ftukken zamengezet zijn ; die daar in allen malkanderen gelijk zijn, dat zij, elk in zijn middelpunt, een klein brokje Vuurs bevatten, dog daar in weder van elkander verfchillen, dat zij allen niet even fterk en vast van zamenhang nog even bekwaam zijn, omallegraaden van u^zettingskragt,'welke deeze inwendige vloeiftof ; op bun zou kunnen oeffenen, te weerftaan, en zonder breeken uit te houden Wij mogen hier nog wel bijvoegen, dat dewijl het Fuur
zich overal bevind, hetzelve niet alleen in't binnenst van die ftofklompjes of bolletjes, daar't in beflooten is, zijn verblijf heeft, maar dat het zich ook onthoudt in de- kleine ledige mimten en tusfehenwijdten, welkediebol- letjes tusfchen zich open laaten, zo dat al die gangen en doortogten, met Vuur vervuld ; en onderling met rnal» üeren gemeenfchap hebbende tot aan de oppervlakte toe, altijd bekwaame gelegenheid hebben, om de werking van het brandbaar lighaam, dat men er van buiten tegen aanhoud, naar binnen évej- te brengen, en aan de aller- |
|||||||||||
|
net die brosfe en ijle velletjes omkleed, gelijk ikzezo
aanftonds befchreeven heb; dat.zich in een zelfde lig- haamtje bij een bevind, hoe ze meer gemeenfchap met malkander zullen hebben, en hoe dat ganfche lighaam- tje daarom te brandbaarder zal zijn,en ligter Vuur vat-, ten: de minfte vonk zal het eensklaps^aan allekaiiten in brand doen vliegen , en naauwelijks zal er van't gantfche, lighaamtjeeenige blijk en voetftap overblijven. Dus ziet men, dat zommige ftofFen ongemeen fchielijk vlam vatr ten, en binnen zeer Korten tijd te eenemaal verbranden en vervliegen. Maar indien die ornkleèdzels van de vuurdeeltjes vas-
ter verband en zamenhang hebben; indien derzelyerope» iiingen en doortogten ofte naauw zijn of te wijd; in- dien de onderlinge gemeenfchap der Vuurdeeltjes door tusfchen leggen de brokjes ftof van een anderen aart afge-i brqken en belet word; zal de voortgang van de aanftee- king en brand traager zijn. De werkzaam gemaakte Vuurdeeltjes zullen meer tijd noodig hebben, om de na- buurige deeltjes dezelfde werkzaamheid bij te zetten : en, na dat die deelen van het gemengd ligbaam, die het meest gefchikt waren om voor die werking van het Vuur te wijken, door den brand ontbonden en vervloogen zullen zijn, zullen er andere deelen van dat lighaam over- blijven, die alleen maar warm zijn geworden, en in hun geheel gebleeven zijn. Als men brandewijn aanfteekt, zal het geestrijk gedeelte van het vogt branden en ver- .vliegen ; maar het water. ofhetgeen men Phlegma noemt, zalöp den bodem blijven leggen , en men zal bevinden, dat hetflegts min of meer warmte heeft aangenoomen. Even eens gaat het ook omtrent met een ftuk brandhout, dat inènaan 't Vuur legt: die deelen van 't zelve , welke voor de werking van 't Vuur, aan wiens geweld men't blootftelt, wijken kunnen, worden er door verteerden vervliegen, maar in de asch vind men de aarde en het vastzout agtergebleeven, daar die zelfde graad van hitte geen vat op heeft kunnen krijgen; Een ftof derhalven is min of meer brandbaar van aart,
naarmaate, dat het Vnur, 't welk zij in zich bevat, omkleed is met deeltjes, die min of meer, gefchikt en gereed zijn om voor deszelfs werking te wijken, en, naarmaate, dat die kleine omkleedende VuurhoÙetjesdoot ftofdeeltjes van een verfchillenden aart min of meer van elkandéren af gefchèiden, en daar door in hun onderlin- ge gemeenfchap belet'worden. ■ Maar indien het Vuur, gehjk wij vooronderftellen,
overal is, en alom verfprêid door alle lighaamen, moet er zich ook Vuur onthouden in die ftofdeeltjes, die de ontfteeking van de andere vertraagen. Deeze klompjes JDoet men dan ook aanmerken als bolletjes, die binnen in zich Vuur bevatten, en dewijl alles zijn openingen J-o ijlhpden heeft, moet hetzelve daar in ook een open doorgangen vrije gemeenfchap naar buiten, en van buiten naar binnen vinden : maar waarom fpringen ze dan^ook n'£ti even gelijk de eerfte, aan ftukken? Waarom blij- ven ze geheel, en; met een woord, word de brand en vervlieging 'der deeltjes niet algemeen,1 en ftrekt zich over 't ganfche lighaäm en alle deszelfs deelen uit? Het geen;we zo aanftonds te voóren gezegd hebben, geeft ons het antwoord op deeze zwaarigheid aan de hand. In ^ngetnengd .lighaam, naamelijk, zijn alle de deelen, die Vuur in zich bevatten,' niet even gefchikt om voorden |elfden graad van 'werkzaamheid van die boofdftofte wij- *en : zoniiftigen fpringen aanftonds in Hukken enontbin aen zich fehidijk, terwijl anderen of vaster van zarcen- |
|||||||||||
|
462« WÖY
inwendiglte' deeltjes zelfs mede te deeleni eveneensóm-
trent gelijk-een loop Buskruid, dien men aan't een eind aäniteekt, den brand tot aan de Mijn brengt, dievat verder af in den grond verborgen is. Uit alles derhalven, wat ik tot nog toe gezegd heb,
ziet men duidelijk, dat het ontfteeken en in brand vlie> gen der lighaamen; uitwerkzel, dat genoegzaam altijd merkelijk grooter is dan de zigtbaare oorzaak, die het voorbrengt, wederom onderde verfchijnzels,.daar men zich een begrip en denkbeeld van maaken kan, getekend mag worden; indien men die wijze van werking, die ik vooronderftelde dat er plaats bij zou kunnen hebben, toeftaat ; indien men zich ieder brokje Fuurs, in een deeltje ftofs, van welken aart het zij» als een omkleed- zei befloöten, verbeeld als een veer,," die reeds voorheen gefpànnen, telken oogenbiik gereed ftaat, om de ban- den, die haar weerhouden, te verbreeken ; zo dra maar de eene of de andere uitwendige pooging van bui« ten haar te hulp komt, en baar kragt en werkzaamheid vermeerdert. Maar hoe is die veer eerst gefpànnen , en wie
heeft dat befloöten brokje Fuurs die veerkragt bijge-r zet?- ' ■' ; " ' ■ '■-'■:.",
Dit is een geheim van de "natuur, 't welk ons tot nog
toe niet klaar genoeg geopenbaard is. Dog, al ontdek- ten wij dat geheim nimmermeer; indien de zaak zelve, het verfchijnzel, maar zekerenomwijffelbaaris; indien het Vuur zich altoos niet die uitzettingskragt aan ons laat Zien ; indien wij genoegzaame én voldoende redenen heb- ben om te geloooven, dat dit zelfde Vuur, met diezelf- de kragt en eigenfcbap begaafd, zich overal onthoud, en tot zelfs binnen in de kleinfte deeltjes doffe zijn ver- blijfheeft: dan weeten wij genoeg , om van het verfchijn- zel van de ontbranding der lighaamen, en derzelvervoort- gangen verklaaring en oplosfing te kunnen geeven. In- dien ik, bij voorbeeld, een lighaam had zamengefteld uit korrels Buskruid, in een genoegzaame veelheid on» der een gemengd , en aan malkander verbonden door middel van een daarbijgevoegde ftof -, dog die minder brandbaar van aart was, en ik daarop eenige van die bus. kruid-korrels aanftak, zou de brand wel haast algemeen worden, en dat ganfche lighaam geheel vervliegen en onzigtbaar worden : maar was het juist wel noodig, zo ik mij een begrip van dat verfchijnzel maaken wilde, en waar dat uitwerkzel uit ontftond, dat ik wist, hoe het Buskruid aan die kragt van uitzetting, aan die veerkragt kwam? Zou het integendeel niet genoeg zijn, zo ik maar wist, dat dit de aart was van het Buskruid, dat bet- zelve meteen uitfpatting in brand vliegt, en dat de eene korrel, als bij aangeftooken is, alle deanderen aanfteekt? En fchoon ik er nooit iets meer van wist en ontdekte, zou ik daarom echter niet mogen zeggen,. dat de geheè- ie en fchielijke vernieling van dat ganfche zamengeftel- de lighaam, daar het Buskruideen gedeelte van uitmaak- te, veroorzaakt is geworden door de eigenfchap, die het heeft, van met uitfpatting in brand te vliegen? Indien het echter in gevallen, daar 't aan goede en
fchijnbaare redenen ontbreekt, vrij ftaat gisfingen te maa- ken, verbeeld ik mij die zamentrekkende kragt als van verre te zien, die, om zoo te fpreeken, de veeren van het hoofdftoffelijk Vuur in 't binnenst van de lighaamen fpant. Men kan nietontkennen, dat het allerkleinfte ftof- klompje uit een verzameling beftaat van verfcheiden deel- tjes, dig zich met malkanderen vereenigen en verband maaken, niet alleen door zich naast en tegen elkander |
|||||||
|
WÊt
aan te voegen;, maar ook door medewerking van een.
zekere daar bij komende en daadeiij.keJsragt,diehunver. band en vereeniging zo veel te vaster maakt, nsarmaa. te dat zij malkander nader, aan meer plaatzen, met meer oppervlakte raaken. Of deeze kragt in de ftoffe zelve gehuisvest is, zo ais de meeste der bedendaagfche Ns», toniaanen beweeren, dan of ze de ftofdeeltjes van bui- ten, door een werking, die ze er uitwendig op oeffent tegen eikanderen aandrukt, gelijk ik getragt heb te doen begrijpen, wanneer ik voorheen van de hardheid en zagt, heid der lighaamen fprak,; is een zaak, daar 't hier niet Op aankomt. Alle natuurkundigen, fchoon ze in hun ge- dagten over den aart van die kragt verfchillen, (temmen echter daar in overeen , dat er zulk een kragt is; en die algemeene overeenftetnming zal de giondilag zijn, daar ik mijn bewijzen of redeneeringen op bouwen zal. Als de deeltjes der ftoffe tot elkander, naderen, en we-
derzijds bij een getrokken of gedrukt worden, om een klein ftofklompje uit te maaken, befluiteri ze tusfchen zich een gedeelte Fuurs, dat hoe langs :hoe meer inkrimpten zich in hoe langer hoe naauwer plaatsje beklemmen laat, naar maate dat de deeltjes, die-hettusfcben zich beflui. ten, nader aan elkander tomen, ij ■ _. ,, Zo lang die ftofdeelties nog niet naauwer dan tot zeke-
re maate toe met malkander vereenigd zijn, maakt een gedeelte van dit Fuur, 't welk zich binnen al te enge paaien voelt beperkt geworden , zich een opening, en ontfnapt door de voegen, die nog te wijd zijn om het in zijn vlugt te ftuitens naar buiten. Tot nog toe derhal- ven is dat ingefloten Fuur niet meer zamengeperst,,niet fterker gefpànnen, nog digter naar het middelpunt Op een gedreeven, dan het Fuur, dat er zich rondom en in vrijheid bevind. Maar de kragt, die de lighaamen-, door derzelver deel«
tjes j die deeltjes daar wij hier van fpreeken , hoe langs hoe nader aan elkander te brengen, en aan een te ver- binden, hard maakt; gaat ondertusfcben vast in haar werking voort, en doet er twee uitwerkzels teffensdoor ontdaan. Zij brengt, naamelijk, de voegen nader tot elkander, enmaaktdaar door, gelijk er noodzaakelijk uit volgen moet, de plaats, tusfchen die wederzijds tot een naderende deeltjes begreepen, kleiner van omtrek. Dit is oorzaak, i. dat hetFuur zich daar in naauwer beklemd bevind, dantevooren, en dat het, door die zamenper- fing gefpànnen, met zijn veerkragt tegen de wanden van zijn gevangenis wederwerkt: en, 2. dat die wederwer« king zo langduurenmoet en ftandhouden, als ze te zwak blijft, om de kragt, aie het Fuur zou moeten doen om door die nu al (ç naauw geworden voegen te ontfnappen , in vermogen op te weegen en te over« treffen. . -. ■ Ineen lighaam derhalven, dat niet brand, ftaat het
Vuur; dat tog altijd aan't beweegen en werkzaam is« (want nimmer is deeze hoofdftof in een volkomen rust) in evênwigt; of met zich zei ven, zo ver naamelijk de deeltjes aangaat, die vrij en onbeklemd inde ledige ope- ningen en ruimten zich bevinden; of met de beletzels, die het, wanneer 't zamengeperst is, opgeflooten hou« den, en beletten, dat het zich niet uitzetten en ontfpan« nen kan. _ , Door een dergelijk zoort van werking is het misfchien.
dat de lucht, hoe groot haar uitzettingskragt ook zijI. zich binnen in alle lighaamen dermaate laat op een pa^ ken, dat wij haar, als ze zich uit haar gevangenis on - |
|||||||
|
w
|
|||||||
|
V"UÜ,
|
|||||||||||
|
Vüü.
|
|||||||||||
|
4027
|
|||||||||||
|
wikkelt, ruimten zien befiaan, die ongemeen veel wij*
'der van omtrek zijn, dan die, waar inze alleen door de werking der natuur opgeflooten geweest was. Het is ontwijfrelbaar, dat het Vuur onophoudelijk in
beweeg ing en altoos werkzaam zij; niet alleen in de brandende lighaainen, die door de ontbinding en verfprei- ding hunner deeltjes verteerd worden en vervliegen; niet alleen in ftoffen die warm en heet zijn op't gevoel; maar zelfs ook in alle andere zonder onderfcheid, en die niet meer dan fl.egts dien flaauwen trap van warmte be- zitten , welke wij koude noemen. Maar waar in beftaat die beweeging, en op welk eene wijzegefchieddie wer- king van 't Vuur?^ of is 't maar een enkel wiggelenda beweeging? dan wïj zullen in geen dieper onderzoek over dit ftuk treden, dewijl men niets 't welk tot ophel- dering van vraagen van dien aart zou mogen dienen, van ondervinding en proeF te wagten heeft. VUURBAAK, zie BAAK.
VUURBAL, is een fterkbrandende Luchtverhevellng,
uit een groote brandendende kloot beftaande, welks meest zeer fnel door den dampkring voortloopt, en ge- meenlijk als een ftaart naar zich fleept. ... . ke Vuurballen hebben dikwils een ongemeene grootte. KiRCHius heeft er in 't jaar 1680". eenen te Leipfiggezien, wiens middellijn bijna even groot als de halve middellijn derMaane was, bij verlichte des nagts 't aardrijk zo hel- der, dat men zonder kaars zou hebben kunnen leezen, en verdween van latägzaamerhand; dezelve Vuurbal is ook gezien in de Stad Schlaitz, omtrent elf duitfcbemij- len van Leipfig gelegen; waar uit men kan befluiten, dat die 'Vuurbal ten minften zes hollandfcbe mijlen lood- regt boven de aarde geweest ïs. Veel grooter is geweest die Vuurbal, welke Balbus (Commentar. Bonoh, p. 285.) in het jaar 1719. te Bologne gezien heeft; wiens middel- lijn even groot als die van de volle Maan fcheen, zijne koleur. was als van brandende kampher; en hij gaf zo fterk licht, als de Son bijna opgekomen, zo dat. men de klêinfte dingen,, hier en daar op den grond leggende klaar en duidelijk konde zien; menzagin deezen Kloot vier hollen, welke rook uitbraakten, dog van buiten zaten er een meenigte vlammetjes op; welke naar buiten toe brandden; hij had eenen Staart die zevenmaal grooter dan zijnen middellijn was. Wanneer menagt flaat op zijne hoogte, met welke hij op verfcheide pïaatzen gezien is, zal hij niet minder dan r6000, pasfen, en niét meer dan 20000. boog boven de aarde geweest zijn, en bijgevolg «ne middellijn van 3S-6. roeden gehad hebben ^ hij ver* jpreidde den ftank van brandende zwavel over alle piaat- zen, waar over hij geloopen is, en fprong ten laatften met groot gedruis. ■. Het gebeurt ook wel, wanneer zodàanige Vuurballen
verdwijnen, dat zij een Wolkje van een aschyerwige ko- leur in de lucht overlaaten, gelijk die geen is geweest, welke de Heer Whiston (Whistonof' afuprizing Me- teor. Ao 1719.) in het jaar 1715 den 19 maart gezien heeft, wiens middellijn zo groot fcheen, alsdievande S°n, die het omleggende land* verlichte even als devûl- leMaan, veranderende van een ronde in een ovaale fi- guur, inj duurde niet langer dan vier fecunden, en liet een gloei jen de wolk naar zich, maar van een aschverWige koleur; onderwijlen liep zijn vuur voort in een finalie lijn, gelijk de ylam in een loopje buskruid ; hij fcheen wel als ee- ne vuurpijl fa de.lucht opgaande, wiens vuurigen weg men naderhand ziet; op zommfge piaatzen werd eengeruisch §er?r^' als vaiveele te gelijk opfnorrende vuurpijlen. vil. Deel,
|
|||||||||||
|
IierHgeF««rJ«//tfBloopen fnel voort, anderenfchijnen
ettelijken,tijd'op de.zelve plaats in de lucht als ftil te ftaan,gelijk diegeene waaren welken KiBCHEKUs(£pAem. German. Cur. 4o. 1668) en Wolfius (A3a Lipftens. Ao. 1708.) hebben befchrceven, maaralle hebben zij iterker geglinfterd dan het Maanligc. , Men heeft er meer ande- re befcbrijvingen van , bij den Heer Hooke (Posthwnous Works, p. 199.) de là Rive (Journal litteraire Ao, 1729) Halleij (Plnlofoph. Transaêt. na. 341-) en Feuillós (Joufnal des objervat. Phijßq.p. 116V Dewijl deeze Vuurballen eene reuk als brandende zwa-
vel van zich geeven, over welke piaatzen zij geloopen hebben; twijfFel ik niet, of het moet als een geheele wolk geweest zijn, welke wel meest uit zwavel, maar ook uit andere brandftofFen was zamengefteld; want in dien deeze Bal uit enkele zwavel beftond, zou hij eene vlam van een'blaauwe, en niet van een witte kampheragtige koleur gehad hebben, zo dater zekerlijk meer anderedeelenbij zullen geweest zijn. In deeze bijeen vergaderde hoop zul- len er zijn geweest, welke met andere lucbtdeelen,;pf wel onder een, hebben beginnen optebruizen, en in brand te raaken; de brandende vloeiftof door de vlam tot eenioopende, en vooral in de vloeibaare lucht heeft de gedaante van eenen Bal gek reegen ; gelijk alle tot- eenloopende vloeiftoffen doen , welke in een andere vloeiftof zwemmen. Zommige Vuurballen fcheenen, ftfl te ftaan op eene
plaats, wanneer aldaar alle brandftof verteerd wierd, nog eenige andere nabijliggende was, welke vlam kon. vatten, ook wanneer wegen den weerftand der lucht, alle beweeging, waar mede zij eerst voortliepen, ver- looren was. Andere wederom liepen voort, met eene zeer fnelle beweeginge, het geen om deeze twee oorzaa- ken kan gefchied zijn x. om dat de brandftof in die ge- heele ftreek van de lucht gehangen heeft, waar in'de Vuurbal geloopen heeft; deftofis maar vervolgens van het eene eind tot het ander aan brand geftooken, dus heeft de vlam geloopen, gelijk a/s in een loopje bus- kruid. 2. Of om dat de zwavelagtige wolk in brand ge- raakt zijnde, voorfgeftooten is door dèn tegenftand van de; andere uitwaasfemingen in de lucht, waar mede zij opbruizende, vlam heeftgevat. De eerfte oorzaak fchijnt mij al zo waarfchijnlijk om dat de Vuurballen over ver- fcheide landen geloopen hebben, en niet fchijnen zulk een verren weg af te kunnen loopen. Een ijzeren ka- nonkogel zal geen drie mijlen vergefchooten kunnen wor« "den, hoe zou dan eene ijler ftof, gelijk die, waar uil deeze Vuurbal beftond, alleen door weerftand van de lucht aan eenen kant zo veele mijlen kunnen voortge- fchooteri worden? Dit is onbegrijpljjk ; dog bet kan ge- maklijli zijn, gelijk wij het hier boven hebben aange- toond, dat ergantfche groote lucbtftreeken weteen en dezelfde ftof opgevuld zijn, en dat er de vlam van het eene eind naar het ander in loopt.. De helderheid van dit licht geeft <^ok te kennen, dat
,de ftof bijeenloopende vrij vast werd, en veel vuur kon vatten, anders zouzijalles zo zeer niet hebben Irunnen verlichten, fchoon de grootheid van de Vuurballen hier veel toe heeft kunnen doen; zij moeten derhalve ttijc gantfche .wolken beftaan hebben. Het is waarfchijnlijk, dat het groote licht, het welk
Montanabius in 't jaar 1676". beeft waargenoomen, een dergelijke Vuurbal geweest is. Want dit licht fcheen aan deeze Wiskonftenaar te Bologne woonende, over de Adriatifche Zee te koomen als van Dalmatfe, het liep Li over |
|||||||||||
|
vuu.
|
||||||||||
|
4p28
|
||||||||||
|
over geheel Italië; waar h et regt boven was, daar werd
een kraakend gedruisch gehoord ; te Lrvorno hoorde men als verfcheidekanonfchooten, en wanneer het er over- heen gegaan was naar de Korfifche Zee, volgde er een gedruis, als van. veele wagens over een ftraatwëgrijden- de; het liep zeer fiel voort, en Wel 160 italiaanfche taijlen in eêne minuit. VÜüREN.HOUTj zie HOUT.
VÜUR-BAARD, zie FOCUS. ;
VÜURIGE SCHURFT, zie SCHURFT.
V UURIGE St. JANS VLIEG, zie St. JANS VLIE-
GDEN n. IV. pag. 1262. VÜUR-KRUID, Lijnen, Klim, Groot* Maagdenpahri;
in't latijn, Clematis, Clematitis; in Tgrieksch Ktoftm!- Tisvan k/!>*, eeri Teentje oï Klavtiertjt, om dat dee- ze Plant met Klawiertjes tegeris de Boomen opklimt. .< Om deeze reden word hetzelve ook genoemd, Virgulium duüile, Rahuhctilus obfequiofus, Jntrogenome- ne, en Flammula, als of ze een pestbuil veroorzaakte; dewijl deszëlfs Bladen gekneust en op de huid gelegt Zijnde, daareven als pestbuilen op branden ; en Fiant- muta, pin dat indien een Blad op een hëetë fomerfche dag geplukt en gekneust, én dan onder den neiis wordende gehouden, eene reuk en pijn veroorzaakt^ met die van éten vlammende kool overëenkoomende. Kenmerken. De Wortel van deeze Plant is haairjg en
overblijvende. u Dèszelfs Bladen groeijen aan de Sten- gen tegen eikanderen over. _ DjèBloemen, die meestal Uit vier bladen beftaan, ftaan in de gedaante van een kruis, en zijn naakt, hebbende geenen Kelk; in hetmid- dénpunt der Bloem zijn Veele haairige Helmftijiïjes, die het Stijltje omringen; vervolgens word het Stijltje een Vrugt, waar in het zaad, gelijk in een klein K&p- je, verzamelt word , in een zoort van Pluim eindi- gende. ;' .'■ 'ï Zoorten. Daar zijn veelerlei zoorten van dit Kruid-
gewas , waar van wij hier de voornaamften , laaien volgen. I. Regt opgroeijend blaauw-Fuurkruid; Clematitis ctl*
rulea eretta. C. Bauh. Pin. 300.; Clemàtiscrulea panno- nica. Clus. Hiß. I. p.123.; (Clematis f oins fimplhibus evato lanceilatis. Linn. Spec, Plant.) , a. Gemeen kruipend'Fuurkruid, of enkelde Maagden-
palm; Clematitis carulea vel purpurcarepens. C. Bauh. Fin. 300».; Clematis altera. Clus. Hiß. ï. p. 122. (Clema- tis f oliis compoßtis decompoßtisquc; foliolis ovatis integer- rimis. Linn. Spec. Plant.) 3. Regt, opgroeijend lyit Vuurkruid; Flammula reUa.
Bauh. Pin., 300. (Clematis foliis pinr.atis, foliolis ovato- lanceolatis integerrimis, caulecrefto. Litm.Spes. Plant.) 4. Rood kruipend Vuurkruid ; Flammula. Dodon. Pempt.
404',-; Clematitis feil. Flammula repens. C. Bauh. Pi«. 300. Raj. Hiß. 621.; (Clematis foliis inferioribus pinnatis la- siniatis, fummisfimplicibus integerrimis lanceolatis. LïNN. Spec. Plant.) 5. Purper kruipend Vuurkruid met ftijve Bloembladen;
Clematitis jpurpurea repens, petalis florum coriaceis. Raj. Hiß. iÇtl. ; Flammula fcandens , flore vioiaceo claufo. DlXL. Elth. 144.; fcandens, caroliniana planta, viorna folio. Petiv. Sicc. 27.;. (Clematis f oliis ompofltis, de- eompoßpisque, foliolis oitibusdam trifidis. Linn. Spec. Planta) 6,. Oostersch Vuurkruid'met Piet erfelit-Had, en een om-
gekromde: geelagtig-groene Bloem; Clematis orientalis, apiifolk, fiereevirw-flavefcente pofierius réflexe. ToüR« |
||||||||||
|
Sef. Corolh ia.; Flammula fcandens, apiifolfo gkues'
Dill. Elth. 144.5 (Clematis foliis compoßtis, foliûù incifis angulatk lobatiscuneiformibus. Linn , Spec. Plant ) ■ Plaats. De eerße zoort groeit natuurlijk in Hungâ!
rijen, Boheemen, Tartarijeh , enz. '■ De tweed'e zoort in Italie, Spanjen, Zuid-Frankrijk, enz. in de Wijngaarden. - ti. De derde en vierde zoorten'm Oos- tenrijk, Tartarijen enz, en is ook door de Heer Sauva« ce in den omtrek van Montpellier in Frankrijk waarge- noomen. ----^ De vijfde zoort in Carolina, Virginien
en andere plaatzen van Amerika. -' De zesde soort
eindelijk, inde Levant, omftreeks Smirna, enz. Kweeking. Men vermenigvuldigt deeze Planten door
" deszëlfs tedere of dunne takken in het voorjaar in te leg. gèn, zodanig men gewoon is ten aanzien van den Wijn- ftok te doen; gemeenlijk vatten ,zij binnen de tijd van een jaar wortel, en als dan können ze naar zodaanige plaatzen verzet worden alwaar men voorneemens is om ze te laaten blijven, moetende zulks in het voorjaar ge- fehieden, daar bij in agt neemende om een weinig rot. tig ftroo' rondsomme de wortels te leggen, en haar in droog weer te bevogtigen. dëèze verplanting zuilen ze zeer iterkefcheutenmaaken, die men aan ftaakenmoet leiden en opbinden, omtebe- letten dat zé niet over den grond kruipen, 't welk ver- zuimende, niet alleen haare Bloemen zoude bederven, maar ook de daar bij groeijehdeGewasfen hinderlijk zijn; Na deezen tijd hebben zij weinig oppasfens meer nodig, dan om het andere jaar de verdorde Ranken uittefnijden, en ieder voorjaar zodaanige Ranken intekorten,, die te lang en te wild gegroeit zijn. - Ook kan men deeze Planten uit het zaad voojtkweeken,
't welk zo ras als het rijp is geworden, of ten minden zeer vroeg in het voorjaar, op een bed van verfche lig- te aarde, of wel in potten of bakken met diergelijke aar- de gevuld, moet gezaait worden; dit zaad blijft door- gaans een gantsch jaar in de grond eer het te voorfebijn koomt, inzonderheid indien het niet in de herfst voort na deszëlfs rijpwording gezaait is. De Planten opge- koomen zijnde, moet men die zorgvuldig van onkruid zuiveren, en in droog weer dikwilsbevogtigen, dan de- zelve in het volgende voorjaar op de ■ kweekbedden ver- planten , alwaar ze nog gevoeglijk' twee jaaren kun» nen blijven ftaan , en voorts op zodaanige plaatzen verzetten daar men goedvind om ze té laaten blijven. Gebruik. De meeste deezer Planten zijn hard van aart, en kunnen jDnze winterkoude wanneer die niet bui- tengemeen ftreng is, in dé'open lucht doörftaan en verdtaa- gen. ■
voor groote tuinen, 't zij om op breede rabatten geplant
te worden, of wel in parken 'van bloeijende'Heesters tusfehen andere harde BloemWortels te ftaan, alwaar ze in't wilde in kleine open plaatzen gezetzijnde, de.Ieege vakken vervullen en geen onaangenaam gezigt geeven. - In het begin, van junij. brengen ze haar eerfteBloß; men voort, en blijven dikwils tot in pétober toe bloei- jende, 't welk haar zeer waardig maakt, inzonderheid om dar. zé in haare kweeking weinig werks en oppasfens vereifchen, dewijl men haare Wortels jaaren aan een on' geroerd kan laaten blijven. VUUR-LELIE, zie'LELIE (VUUR-) » ï'6'
'pag. 1604. VUUR-PAD, zie KIKVORSSCHEN». III.P-15°3-
VUURPIJL, zie PIJL \
VUUR-SLANG, zie SERPENTEN ii. II. P^fffó.
|
||||||||||
|
-*m
|
||||||||||
|
VVV.
|
|||||||||||||||
|
4029
|
|||||||||||||||
|
VÜUESTEEjN of Marcasfiet; in '(latijn, Marcas-
'ftta ; Crijllalli pijritacei; Druj'a pijritacea ; Sulpkur ferro fplerumquirtnineralifatüm forma crijfiallifata. <------- De
Marcasfieten zijn hoekige fteenen, uitwendig van een
onbepaalde figuur, en onderverfcbill.endegedaantejis ge- crijftallifeerd. Zij bevatten ijzer, koper, zwavel, af- fenicura in zeer verfchillende hoeveelheid. Dekoleuris doorgaans geel en fchitterende. Met ftaal geflagen zijn- de geeft bet vuuryonken. Zij geeven in 't vuur gewor- pen rook van zich, en worden er bruin of rood in. In- dien zij veel metaal in zich bevatten behooren zij tot de Mijnftoffen ; indien de zwavel er de overhand in heeft, fchikt men ze in de Clasfe van de zwavelige Delfftoffen. Men kan de Vuurfleenen of Marcasfiten door de
gedaante der Crijstallen, eof wel der hóeken önderfcheL den. Zie hier de optelling der voornaamils verfchei- denhéden. " '.. ' i. Vierkantige Marcasfiten; in 'c latijn, Marcasfit te*
itadice. 2. Zeskantige Marc'asficen hebbende de gedaante van
.ioblelfleenen; in 't latijn, Marcasfit hexaëdrictesfulares. $. Zeskantige langwerpige Marcasfiten ; in 't latijn,
Marcasfit hexaè'dric prismatic. 4. Zeskantige Marcasfiten hebbende de gedaante vaneen
langwerpig ruit; in 't latijn, Marcasfit hexaè'drica rhom- Mdales. 5. Uitgeholde zeskantige Marcasfiten; in't latijn, Mar-
casfit hexaëdric cellulares, . 6, -dgtkantige Marcasfiten; in 't latijn, Marcasfit
piïaèdric. 7. Tienkantige Marcasfiten; fti 't latijn, Marcasfit
itcaêdric. . .8. Twaalfkantige Marcasfiten ; in 't latijn, Marcasfit
ioiecdrica. fjj). V eertienkantige Marcasfiten; in 't latijn, Marcasfi-
.tctdecatesfaraè'drica. 10, Ongelijkkantige Marcasfiten; in't latijn, Marias-
fitx irreguläres. i : 11. Chrijstalagtige Marcasfiten als aan trosfen bij 'mal-
lander gefchikt; in 't latijn, Marcasfit incongeriecrys- tallina. 12. Blad'erige offchilf'erende Marcasfiten; in't latijn,
Marcasfit bra&eat, ^Pïjpagtige Marcasfiten; in 't latijn, Marcasfit
fiitjtlof. - ' ".-,. Ik zal nog aanmerken, dat men de naam van Mar'
■easfiten aan verfcheidene zeer van malkander verfchil- lende .zaaien geeft ; en dat hier uit veel verwarring omftaat. i. De Mijnwerkers geeven alleen de naam van Mar-
tasfiten aan crijstalvormige, of puntige, zwavel.agtige en metalifche Pijritenj en hier moest dat woord ook enkel toe.gehouden worden. 2. Geeven de Drogisten dje naam aan de Bismuth wel-
|
|||||||||||||||
|
'4. Paracblsus geeft altoos, de naam van Marcasfiet,
aan '1 geen dé' Mijnwerkers Pijriten noemen. Wij den- ken dat er de benaarning van Marcasfiet maar alleen voegt om er zodaanige Pijriten mede te betekenen, die 'hoekig, gecrijstalleerd en van een Onbepaalde gedaante zijn; zie Hekckel Pijritologia, enElemensd'Orijttoh- 'gie. SICH V. _ Zommige Marcasfieten kan men flijpen en polijsten;
zij v/orden als dan blinkende, en men maakt er allerlei] zoort van fnuisterijen van; inzonderheid tot braceletten en colliers voor de Dames enz. en dit is 't geen menge- zond heid-Steen noemt; dewijl men veronderftek dat zij al. haar luister verliezen, zo dra die geenen welké.ze draagt ziek word. Hill, Hifior. of Foßl. T. I. p. 60%, folio., zegt, dat
de Marcar/ietêfiwezentlijkzamengefteldedeivftofFen zijn, die zich niet in het water Jaaten oplosfen, daar bij ont* brandbaar, metalisch, en natuurlijk laagen vormen, in plaats dat de Pijriten volgens hem in losfe klompen worden gevonden, zonder eenige bepaalde figuur te hebben. VUUR VATTEND POEDER, zie PIJROPHÖ-
RUS. - * VIJANDSCHAP ; Inimicitia. Dus noemt men de ge-
fteltheid des harten van twee of meer perfoonen, de- welke meteenen geduurigen haat tegen eikanderen zijn ingenomen. Zij ontftaat dus uit misnoegen, over een weezenlijk of ingebeeld kwaad, het welk wij meenen, dat anderen ons veroorzaakt hebben ; en fluit eenen fter- ken afkeer in tegen hen, die de voorwerpen van deezen onzen haat zijn. Verfchriklijk zijn de gevolgen der Vijßnd- fchap, wanneer men haar den teugel viert. Geduurig is zij 'erop uit, om hem, tegen wien dezelve gevoed wordt, kwaad toetevoegen; en elke mislukte pooging tot dat einde doet haare hevigheid toeneemen. Vindtzij plaat- ze tusfehenlieden, dieelkanderen liefdeofachtingfcbul- ,dig waren, tusfehen Man en Vrouw, bij voorbeeld, Ouders en Kinderen, Broeders en Zusters; dan zijn haa- re gevolgen noch doodlijker; geen uiterfte is dan zoo groot, waar voor zij ftaan blijft, en zij-houdt.zeidenop, voor dat zij met den ondergang van eenen van beiden ein- digt. Ik behoef niet breedvoeriger over dit ftuk uitte- . weiden ; het geen er verder van zoude behooren gezegt te worden, kan men op het Artikel HAAT vinden. VIJFBLADIGE BLOEM, zie PENTAPETALUS
FLOS. VIJFDEELEN, ziePENTAFIDUS.
VIJFHOEK-BOOM; Jverrhoa CarßmMd; Tamara
Tongaftve Carambolas. Buem. Fior. Zeijl. 14.8.; MalA Goënfia, fruBu oüangulari ptmi vulgarismagnitudine C. Bauh. Pin. 433 ; {Averrhoa axillis foliolerumfruüican- tibus, pomis oblongis acuiangulis. hitstN.Spec. Plant.) Dit is de gewoone Blimbing, op Malabar Tamara Ton- ga oÇ Carambolas genoemd, waar van Rumphiüs-de VrugtPrunumfiellatum,~àat is gefierde,. Pruim noemt, om dat dezelve zich op de doorfnijding als gefternt vet- toont. Bauhinus dezelve voorftellende onderden naam van Goaafche Appelen met een agthoekige Vrugt, heeft daarin misgetast, zoCommelijn in zijne aantekeningen op den Malabaarfchen Kruidhof aanmerkt, dogLiKscuo- ten had zulks verhaalt. Acosta meld, dat de Vruge welke de Malabaaren en Portugeezen Carambolas, de Maleijers en andere Indiaanen Bolimba noemen, door jfleuven als in vieren verdeeld is, 't welk reeds een aan- merklijk verfchil maakt met Rumphius , die deeas LI 2 SM" |
|||||||||||||||
|
Jte
|
|||||||||||||||
|
zij verkoop«n.
|
|||||||||||||||
|
3. De Alchijmisten noemen met die naam zodaanige
nietaalen die zij veronderstellen niet tot derzelver rijp- «eidte zijn gekomen. Volgens hun isde geele Pijrites, w die van een groenagtige.koleur na het geele trekkende, de Marcasftet van het koper. 'Zinc is.de Marcasfiet vanhet goud, om dat het de hoedanigheid bezit't koper See! te verwen. Bismuth is der.Marcasfiet vân 't; zilver, °m dat het 't geele koper wit maakt, en het tin eene groooter luister en beter, klank bijzet, . |
|||||||||||||||
|
4030 VIJF, WIJT. Vlïft-
|
|||||||
|
Blimbing, welke men op Malabar Vijf hoek noemt, al-
dus befchrijft. Het is een Boom, die den Stam ongevaar eens mans
langte hoog heeft, met eene fierlijke Kroon, als een fonnefcherin uitgefpreid, geevendedus een liefFelijkefcha- duw. De Bladfteelen hebben vier of vijf paaren van Blaf den, die eenigzints naar Pruimbooms Bladen gelijken, dog veel kteiner zijn, wordende naar't end allengs groo ter, en het uiterfte allergrootst. Vanboven zijn ze blij. groen, dog van onderen wat graauwagtig ; fluitende zich bij nagt nederwaarts. De Bloefem komt trosagtig zo wel uit de Takken als uit het bovenfte van den Stam voort. De Bloemen, die röodagtig zijn, köomen uit een klokswijze Kelk, en beftaan uit vijf Blaadjes. De Vrugten grooter dan de grootftezoorc van Pruimen, zijn "wel doorgaans in vijf, dog zomtijds ook in vier, zes of meer Ribben verdeeld, 't welk al nabij aan deagt Rib- ben koomt. Haare koleur is, rijp zijnde, geelagtig, en dan bevatten zij eén fappig Vleesch, zijnde van een rin- fen fmaak. Men vind er zoeten en zuuren van, de eer- ften worden raauw gegeeteB, en zijn dus zeer gezond, voornaamlijk in heete tijden, en zelfs in koortfen;maar de zuuren gebruikt men niet dan bij defpijzen gekookt of ingelegd en gekonfijt. VIJFHOEKIG, 'zie PENTAGONUS.
VIJFKAPZELIG, zie QUINQUE-CAPSULARIS.
VlfFRORLIG, zie PENTACOCCUS,
VIJFLOBBIG, zieQUINQUELQBUS. VIJFSCHILLÎG, zie QUIN0UEVALVIS.
VIJFSTIJLIGE BLOEM, zie PENTASTIJCHUS.
VIJFVINGER-KRUID, Smal Mezerem, is een hees.
terachtig Kruidgewas, 't welk men in 't latijn noemt '_ Cliamaelea, Thijmaelea; in; 't fijrisch , Apüinum; in't grieksch,S-«f.ixa(a, ^«jïsAa'i«, x,naf@»\ in'tengefsch, Spürge olieve ; in 'tpoolsch, Wilczij piprzinnieijszij; in *t hoogduitsch, Kellerhalt, Seidelbast. Kenmerken. De Bloem van dit gewas beftaat uit eert
'Blad, is meest trechtersgewijze, en in vier verdeelin- gen gefneeden, uit welker Kelk het Stijltje tevoorfchijn koomt, 't welk vervolgens een eijrondeVrugt word, die in zommige vol fap is, dan in anderen droog, in ieder ' yan de Vrugten is een langwerpig Zaadje beflooten. Z.oorten. Veelvuldig zijn de zoorten welke men on-
der dit Geflagt heeft geplaatst. De Heer Miller telt er veertig van op in zijn Kruidkundig Woordenboek, ende Heer Tournefort vijfendertig; wij zullen ons hier ver- genoegen , met enkel die twee zoorten bijtébrengen, welke de voomaamften kunnen genoemt worden; de- wijl ook de overigen, door de Heer Linnäus onder andere gantsch verfchillende Geflagten zijn geplaatst. i., Vijfvïnger-kruid met [malle Glasbladen; Thijmaelea
foliis Uni. C. Bauh. Pin. 463. ; Thijmaelia. Clüs; Hifi. 1. p. 87.; Daphne floribus racemofts, foliis lineari-lmceo- tatis acuminatii integris. Cus.TT.Stamp..2.p. 427. , Daph- ne foliis lanceolatis haft ongufiioribus, racemo nudo ter- tninali*. Sauv. Monfp, ,50*,; (Daphne panictUa terminait, foliis lineari-lanceolatit acuminatis. Link. Spec. Plant.') 2. Vijfvingerkr11Mmeteijron.de, grijze, zagte Bladen, ook TartonRdire genoemt; Tarton-Raire gallo.provinciai Motifpelienfum. Lobel ; Thijmaelea foliis caudhantihus £? tèr.ici-inflar mollibus. C.Ba'uh. Pin. 463.; (Daphne flo- tibiis, fesßlibur aggregatis axillaribus, foliis ovatis utrin- %ue- pubefcentibus nervofis^LiNS. Spec* Plant,) Plaats,. Beide de zoorten van dit Heester-Gewas, groei-
Jejtt natuurlijk in Spanjen, Italie, Zuidvrankrijk enz. |
Kweiïng, enz. Belde de zoorterfwordeh verrnenfg:
vuldigt door fçheuring der wortelfpruiten, inlegging der Takken of fteeking, in de maand van april, in een goe, de,! losfe, -liefst zandagtige grond , en opene warme plaats; s'winters moet men dezelve in het oranjehuis bewaaren. Zij hebben geen ander gebruik dan om des fomers met de Geraniums , Alaternoidesfen en andere Planten vandien aart, in potten , om de'verfcheidenheid van Gewasfen in den Bloemtuin geplaatst te worden VIJFVINGER-VISCH, zie ORANJE-VISSCHEN
n. III. pag. 2459- VIJFVOUDIG, ziePENTAFORüS.
VIJGBOONEN, zieLUPlJNE.
VIJGEBOOM, is een Vrugtboom, diein 'tgrieksch
Sî/ïj)" word genoemd; in 't hebreeuwsch,. Theenah; in 't latijn Ficus; in 't fpaansch, Higuert; in 't franset1, Fi- guier; in 't engelsch, Figgetree; in't boheemsch, Finck- Jiepi; en in't hoogduitsch, Feigenbaum. . Kenmerken, De Vijgeboom is een zoort van Plant, in
welker holle Vrugtde Bloemen groeijen, namelijk dun. ne vezels, uit eene inwikkel ing voortkoomende, welke meerendeels een rondagtig zaad in zichbefluiten, dog de Vrugt zelf is.meest van onderen fpits, van boven breed of rond, zomwijlen, ovaal, ifigeboogen, vleeschig en week. De Wortels deezer Boom zijn lang vast en met veele vezelen bezet. regtopgroeiiende; de Bast daar van.week, glad, eenig-
zints ruig, van koleur asebgraauw, en geeft wanneerge. kwetst word, eeamelkagtigfap uit.. HetHoutis wit, fpongieus, bros, zwak, en tot geenerleij gebruik be- kwaam. -t De Bladeren zijn breed, groot, dik, vïjfhoekig , diep ingekurven , hebbende ten aanzien van de'gedaante veel overeenkomst met de Wijngaard- bladeren, dan zijn grootér, harder, ruwer en zwart- agtiger, hangende aan fteelen/welke,afgebrookenwor- dende, een melkagtig fap laaten uitvloeijen. De Vrugten zijn doorgaans van gedaante als een Peer, uit- wendig niet alle van eenerleij koleur, inwendig roodag' tig, vleeschig," week , fappig, flijmig, en veel rondag- tige korrels bevattende; zij is lieffelijk en zoet van fmaak. I'. De Kenmerken diéj de Heer LrNN^us van deeze Boom
opgeeft, zijneen tolronde," vleefchige, zamenluikende Vrugt, die als een gemeene Ontvanger (Receptaculum) de Bloemen, 't zij op den zelfden Stam of op bijzonde- re, iniluit en verbergt. Het zijn Mannetjes-Bloemen met den Kelk in drieën of Wijfjes-B Ioemeri met den Kelk in vijven gedeeld , beide zonder Bloemkrans ; hebben- de de eerfte drie Meèldraadjes, de laatften eenen Stam- per en een enkel Zaad., Zoorten. Veelerleij zijn de zoorten of veranderin-
gen.van de Vrugten, waar van wij hier alleen dezo- daanigen laaten volgen, die het meestgeagt zijn I. Lange violette Vijg. Deeze is vrij groot, van gS'
daanté langwerpig,- en na evenredigheid niet zeerdfk; haar koleur is rijp zijnde, blaauw purper of violetagtig. met groen gemengt van buiten , en rood van binnen; haar fchi! is dun, en fplijt of barsü veeltijds.---------Dfe_'
ze zoort is de gemeenfte en meest bekende hier telande;
haar fmaak is in goede jaaren, en in een goede, droog« grond, heel geurig en aangenaam; dog in een vogt'g* grond word ze zo goed niet , maar blijft laf en on- fmaakeüjk; ze koomt vroeg aan en is reeds in augus- tns rijp. 2, Lange pwptrihauws Vijg. Deeze gdifiïv&iw |
||||||
|
VIJÖ.
Se voorgaande» dan is in alles zo lang niet en meerder
|
|||||||||||||||
|
VIJG.
|
|||||||||||||||
|
*03«
|
|||||||||||||||
|
baar waaren.- Jbrem. xxiv. vs. 12. en derzelver voor»
naamfte hoedanigheid in de uitwendige Geneeskunde, is, in het geval van Koning Hiskia opgemerkt, II, Kon. xx. ys. 7, De Vijgeboom heeft, op zijn natuurlijke groeijplaat-
zen, eene taamelijke grootte, dog geenen regten Stam, en dezelve is ook altoos van binnen gevuld met eene weekezelfftandigbeid, geheel fpongieus, .als die van den Vlierboom, 't welk ook in de Takken en Looten blijkt. De Schors van deeze Iaatftenis bruinagtig groen, die der Takkenen Stammen van jonge Boomen "aschgraauw of witagtig en glad; dog in oude Boomen word de Schors taamelijk ruw. Dat deeze Boomen niet zeer groot worden, zou aan de.yitloopers welke zij in menigte voortbrengen , toetefçhrijven zijn; De Wortelen fprei- den zich wijd en'zijd uit, met veele geele vezelen. Zij, zijn door vier diepe in fnijdingen in vijf groote kwabben verdeelt, en daarom eenigzints vingeragtig, donkergroen, ruUw en dik, vol van een melkagiig fap, gelijk derzel- ver Steelen, Takken ende geheele Boom. Dit Sap heeft een bijzondere, en van de Vijgen zeer
verfehillende boedaanigbeid. Het is bitteren feherp, van reuk naar Wijnruit trekkende, lijmerig en van ee- nen walgelijken fmaak. Inwendig in eene veelheid ge« bruikt", werkt het zeer fterk naar boven of beneden; ja als de Runderen-melk maar met een Tak van een Vijgt ■ boom omgeroerd werd, zou die een purgeerende eigen, fchap hebben, volgens Camerarius; dan volgens an- deren ftremtde melk door het indoen van dit fap. Het dient tot geneezing van kwetzuuren door venijnige of ver- dagte Beesten , gelijk Scorpioenen , Spinnekoppen, Hommels en Wespen, wanneer men een weinig daar van op de gekwetffie plaats ftrijkt; als ook tot wegneeming van puistjes, zweertjes en andere huidkwaaien. De Let« ters daar mede op wit papier gefchreeven, droogenonzïgt- baar op, dog worden, als men 't papier tegen 't yuur houd, zwart en leesbaar. De Ouden zijn in verbeelding geweest, dat de Vijge*
boom de eenigfte onder het Geboomte was, die geen Bloemen had ; ondèrtusfehen was van betbloeijen deff Vijgebooms in het Oude Testament gefprooken. Haeak. III. vs. 17. Coedüs die in het begin der zestiende eeuw ter weereld kwam, en in 1544. te Rome ftierf, was de eerfte, door wien men eenige opheldering kreeg, en daarbij bleef bet wél anderhalve eeuw; want de beroemr de Toubnefort ftelde, in 't laatst der zeventiende eeu- we, op het gezag van Coedüs de Bloemen voor , die binnen in deFï/gbegréepenwaaren. Dog beha! ven dee- ze Bloempjes, welke men enkei als Flores pistillati, en dus niet anders dan Vrouwelijk kon aanmerken, nam de jonge tA Hire, weinige jaaren daar na, in de Vijgen,. bovendien, ook Mannelijke Bloempjes waar, welke bo» ven bij het Oog zaten, en de Vrouwelijke in 't midden van de Vijg. Men vindze beiden zeer duidelijk befebree* ven en afgebeeld, in de Memoires de l'Acad: Roij. des Sciences, de l'ann. 1712. De Heer Magnol had derge- lijke Mannetjes Bloemen in-de Vijgen; reeds eenige jaa» ^ren vroeger waargenoomen, zie Hiß. de lafocieté Roij-. deMontpel!..Lijon.Ji66.p:i66. ------i» Dan alle moei- te, welke de beroemde Keizer!. Eijf-Artz en Hofraad Teew, mètde twee grootfte Microscopisten van onzen leeftijd, Ledebmuller en den Heer Baron van Glei- chest, beide door hunne Werken bekend, aanwenden kon, om gedagte Mannelijke Bloempjes in/groene F?/£c» te vinden, was vrügteloos. Inmiddels had de Italiaan- &1& ich© |
|||||||||||||||
|
haar' koleur is van buiten ook blaauwer, en
|
|||||||||||||||
|
gebuikt;
|
|||||||||||||||
|
van binnen niet zoo rood; haar (maak word nog geurt-
eer geagt als die van de -voorgaande, als ze op een goede warme plaats wei rijp geworden is. . 3. Grotte ronde'witte Vijg, Is taameh'jk groot, zijn-
de kort en rondagtig; van koleur gëelagtig wit van bui- ten, en iets bleek- of rozerood van binnen; ze word niet'-goede jaaren vroegrijp, draagt of rijpt doorgaans tweemaal in 't jaar, koomende het tweede voortbreng. zel van Vrugtcn laat in de herfst tot rijpheid. Dee- ze zoort word voor de fmaakelijkile van alle Vijgen gehouden, -, wel te weeten wanneer ze door en door en tot ritnpelens toe rijp is, want anderzints heeft ze een laffe geur. 4. Kleine ronde witte Vijg. Dit zoort valt kleiner als
devoorige, is ook van vooren wat plataguger, en van binnen roofe-rood ; derzelver fmaak is zoo geurig niet als van de bovenftaande, en koomt ook laater aan. 5. Lmge witte Vijg. Deeze is wat grooter als de
gwte ronde witte, langwerpig van gedaante, en groen- agtig wit van koleur; haar finaak koomt ook genoeg- zaam met die van de gemelde witte overeen, dog is in allen zoo zoet en geurig niet, ê"n word ook laater lijp.
6. Groene kngfieelige Vijg. Deeze is tamelijk groot,
van gedaante iets langwerpig, van koleur groenagtig; de Steel is veel langer als die van andere Vijgen, en het Vleesch rooferood ; de fmaak is zoetagtig en vrij aange- naam; dan ze draagt zeer traag. 7. Groots geele Vijg. Is een vrij groote Vijg, van
gedaante langwerpig rond; van koleur gëelagtig, enzom- tijds een weinig bleekbruinagtig naar vooren," haar vleesch is vleeschvenvig, dog geheel niet fmaakelijk; tweemaal in 't jaar word deeze zoort rijp, naamelijk in de fomer en in de herfst, dan in de herfst brengt zij de tneeste Vrugcen voort. 8. Grijze Vijg. Is taamelijk groot; van gedaante lang»
werpigrond, van voren plat-, en eenigzints kantig of ge- ribd, de'koleur is bleekgroen en grijs- ofrosagtig; de fchil zeer dik; het vleesch hoog rooferood; zewordook tweemaal in 't jaar rijp; dan is niet zeer geurig van . fmaak.
9. Zwarte Vijg. Is redelijk groot, en heel lang ;
haar koleur is heel donkerrood, bijna zwart; en haar Vleesch is purper roodagtig , van een-goede zoete, aangenaame fmaak; ze word 't vroeglle van allen rijp. Plaats; Befchrijving; enz. A Ile de opgenoemde zoor-
ten van Vijgen groeijen natuurlijk in de zuidelijke dee- len van Europa, op de Eilanden van Griekenland, en verder oostwaards. Het is een Geboomte dat wel de koude der gematigde deelen van Europa, dog geen al te ftrengen vorst verdraagt, en in de noordelijke deelen »'Winters in huis moet Maan. . . Van geen geboomte vind men, misfebien zoo veel ge-
wag gemaakt in de H. Schrift, en in dat opzigt is het een van de alleroudften. Wij leezën dat onze eerfte Ouders, onmiddelijk na den val, zich voorfchooten maak- ten van de Bladen des Vijgebooms, tot dekking vanhun- I>e fehamelheid, Gen. 3, vs. 7. Vervolgens koomt deeze Boom onder de uitrieemendften voor, ten aanzien van zijne Vrugten, die met het Koorn, de Olijven, Drui- 'en en Gianaatappelen, den rijkdom uitmaakten van 't beloofde land. -~- Daar word onderfcheid gemaakt »«stehen, goede Vijgen en kwaade Fij'gen-dis. niet eet- |
|||||||||||||||
|
VIJG.
beeft enbefchreeven, Pfenes in 'tgriekscb genoemd &
dus door de Heef Lihn^usIn zijn zameuftel gebrast doen buiten twijffel tot de aanrijping en volkomenheid' der Vijgen, veel j dog Ponteder a verbeeld zich dat deeze Wespen, uit de bloeijende Wilde-Vijgen^overvlie- gende,, zekerlijk haare Wieken met het ftuifmeel, daar van, meer ofmin belaaden hebben, en datzijdus, doot het Oog der tamme Vijgen, die nog groen zijn, i'nboo- rende, en de holligheid van die Vrugt doorwandelende de Wijfjes Bloemen met dat ftuifmeel bevfugten. Dit is niet onwaarfchijniijk, wanneer men de noodzaaklijk. heid in agt neemt, welke de Grieken dwingt om zorgvttl- dig op te pasfen, dat zij Takken van den wildenWm. boom, eer nog de Vijgen open zijn, op de Tammen over. brengen; want anders konden zij dit werk wel aan de Natuur overlaaten,- en Plinius meld, dat zij die Tak- ken of Boomen zodaanig plaatzen, dat de wind de Vlie- gen op de Vijgen drijft {hinc■ Ficevis Caprificus permittitur adratienem venti, ut flatus evoltmtes Culices in Ficus erat,) Zommigenbe weeren echter, dat deeze manier van bevrug-
ting geen plaats kan hebben, om dat de Vliegjes, eer zij in de tamme-Vijgen booren , haare Wieken zuiveren zou. den van het ftuifmeel. Zie uitgezogte Verhand. Vl.iitl, bladz. 200, 2pi. ' Wat de Vijgen betreft, die zonder caprificätie rijp«
worden, gelijk die wij uit Provence en uit Spanje be- koomen, "moet men aanmerken, dat het lighaamvande Vijg eigentlijk geen Zaadhuisje (Pericarpium), maat een gemeene vergaarplaats (Receptaculum commune) is van de deelen der vrugtmaaking, of van Bloemen en Vrugt- beginzelsj zo dat het zelve kan aangroeijen zonder be- vrugting, of misfchien door zich zelve bevrugt ward; mids het Oog zich alleenlijk opene of door het Meeken van een ftrooitje geopend worde. En, waarom zoude het met deeze Vrugten niet kunnen zijn gelijk met de Da- dels , welke groeijen en aanrijpen, al zijnze niet bevrugt? 't Is waar, dat hét aldus niet dan flegte Dadels zijn, maar die hebben bok allede deelender Vrugtmaaking niet in zich beflooten. De Levantfchi-Vijgen, die decaprific» tie ondergaan, in de oven moetende gedroogd worden om de gedagte Infekten of derzelver Eijeren en Wormp- jes te doen ftervenL worden hier door minder fmaaklijkge- maakt dan die van Provence. Deeze, ondertusfchen, leeve- ren weinig vrugtbaar zaad uit, zo min als de geenen, welke men in Vrankrijk, Duitschland, Engeland of de Nederlanden, teelt; maar in die van Griekenland of IlJ- lie, daar men den wilden Vijgeboom heeft, is een meenig' te van vrugtbaare Zaadkorrels. Meest echter worden zij. in onze landen, van Uitloopers door aflegging vermenig- vuldigd, dewijl het zaaijen veele 'verwilderde zooiten voortbrengt. Kweeking. De Vijgeboem bemind van natuur een goe-
de, vette, wel gemeste, en liever drooge, warme, als vogtige, koude grond, in deeze laatftezal bij ook wel tierig groeijen, dan de Vrugten worden daar in zo fmaak' lijk niet. Ook begeert hij, om goede Vrugten voortte« brengen, een goede, warme, fonnige plaats, en een vrije, opene lucht; derhalven plant men die doorgaf tegèns Muureri of Staketten, die wel geëxponeertzijn( waar aan de Takken vast gehegt worden, dog niet, ge' lijk als andere Espalier-boomen, alle Takken teffens' ® digtaan de Muur; men breid alleen de grootfte TakW ordentelijk uit, en maakt die aan dwarslatten, tfe'K, aan ftokken of ftaakën , tot dien einde op eenige?' ftand ran de Muur, op order in de grond gezet zu |
||||||||||
|
VIJG.
|
||||||||||
|
4032
|
||||||||||
|
fche Kruidkenner, Pontebera, in dé hoIHgbèid der
Vrugten van den Caprificus, Mannelijke-Bloemen ont- dekt, en derhalve heeft de Hr. Li kneus denzelven zedert voor het Mannetje van den Europifchen-Vijgeboom gehou- den; behalven welken er ook zouden kunnen zijn, die in *t voorjaar Vrugten met Mannelijke Bloemen, onrijp af- vallende, en in 't najaar Vrugten met Vrouwelijke Bloe- men , die In de volgende voortijd eerst rijp wierden ; voortbragten, van dien Italiaan Erinojijcce genaamd; als wanneer deeze Vijgeboem weezentlijk driehuizig waare. Ten aanzien van dit alles kan men een zeer uitvoe- rig berigt vinden in debefchrijving der Planten van de X. Decades Plant. fel. Trewii, delin.per Ehret ad Tab. 73« Ö* 74- van welk werk wij ook eene nederduitfche vertaaling bezitten. Het is hier in dat men alle de dee- len van den Vijgeboom, waar van hier gefprooken is, ten duidelijkfte en uitvoerigfte vind afgebeeld. Die.waarneeming heeft aangaande de bevrugting der
Vijgeboomen een denkbeeld ter baan gebragt, het welke met het ftelzêl van de Heer Link^us ftrookt. Men weet, dat tot de rijpwording dett Vijgen inde Levant zekere werking, de Caprificätie genoemd, vereischtword. Uit verfcheide befchrijvingeh, zelfs in onze vaderland, fche taal, is 't wereldkundig, hoe dezelve gefcbiede. Zie het vertoog over de rijpmaaking der Vijgen ir. de Le- vant, door G. de Ri ville. Uitgez. Verhand. VI. Deel. M. 277. enz. als ook de Reize vaii Toiirnefort naarde Le- vant. I. deel. bl. 134. In 't algemeen zal ik maar zeg. .gen, dat aan den wilden Vijgeboom die de naam van Ca- prificus draagt, een zoort van Vijgen groeijen,die nooit Ti jp worden, maar dienen om de Vrugten der tamme Vij- gen , in de Levant, rijp te màaken. Van de ma- nier hoe zulks gefchied, geeft J. Bauhinus,'in Hifi.. Plant, tom.i.p. 135., het denkbeeild der Ouden dienaan- gaande voorftellende, deeze beknopte befchrijving. '" Muggen of Vliegen, ïn de rottende Vrugten van
den wilden Vijgeboom gebooren, vliegen daar uit op de Vrugten van denTammen, en dezelve dooi haaren beet geopent hebbende, neemen zij daar van de over. tolüge vogtigheid naar zich, laatende tevens de Son. ,, neftraalen in, waar door zij die niet alleen beletten af te v'alleD , maar ook derzelver rijpwotdingbévorde- ,, ren en verhaasten". De Heer Tournefort, die de ,zaak op de plaats zelve onderzogt heeft, was ook van dit denkbeeld, en brengt tot bevestiging van dat gevoe- len, als of er door 't fteeken van die Vliegen, zijnde een zoort van Wespen, in de groene Vijgen een gisting te weeg gebragt werde, die de rijpwording bevorderde, het voorbeeld bij van de Peeren en Pruimen, die door Infekten geftooken eer rijp worden dari anders; als ook dat in Provence, en zelfs te Parijs-; de Vijgen fpoediger aanrijpen, wanneer men in 't Oog van deeze Vrugten een ftrooitje fteekt. Dit is, wanneer men uit de overeenkomst redeneert,
bijna ontwijffelbaar; maar als men, aan den anderen kant, 'de wegen der Natuur ia de huishouding der Plantgewas» fen gadeflaat., dan fchijnt in deezen iets anders te moe- ten en te kunnen gebéuren. Dat het overbrengen der Takken van den wilden Vijgeboom, op de Tammen, door de-Boeren in de Levant, niet zonder reden gefchied, heeft TouRNEFORT reeds beweezen; doordien een Vij- geboom aldaar meer,dan tienmaal zo veel Vrugten voort- brengt als in Provence, alwaar de caprificätie nooit werk- . ■ ftelüg gemaakt word. Die Steek-Wespjes, welken Has. *£LQuist zelfs bij Smirna in de Botten det Vijgen gezien |
||||||||||
|
VIJÖ.
de vast gehecht zijn, met bindteenen vast, Faaten-
dede overige kleinder Takken, in volle vrijheid groei- jen.
Ook teelt men ze wel op Stammen, die op een goede,
warme, voor winden gedekte', plaat», geplant worden, en waar van men de Vrugten fmaakelijker agt, als die aan Muuren of Staketten gegroeid zijn; de reden hier van is, om dat de Vijgen wel veel maar liefst een gefta. dige en getemperde, en geen al te ßerke, brandende warmte, begeeren, gelijk zij bij fterke fonnefchijn aan de, Muuren ontvangen, inzonderheid wanneer ze er te digt aangeplant ftaan, 2e worden ook wel in groote Potten of houten Vaten
gezet, en s'winters in het Oranje-Huis of op een ande- re luchtige plaats daar de vorst niet kan indringen, voor bevriezen bewaard, dewijl ze die niet kunnen uitftaàn. Men zet ze niet eer in huis, voor dat het begint te vrie- zen , dat doorgaans in november voorvalt, en men brengt ze in april weder buiten; moetende uien in die tusfchen- tijd niet verzuimen, om door openzetting der glazen, wanneer het niet vriest, dezelve veelvuldig te luch- ten, .-. - , .... ...-,- Die welke in de grond geplant ftaan, moeten s'winters
gedekt worden, 't welk met ftroo of lange ftrooagtige paarde-inest, of ook met Run, Boekweite-doppen enz. gefchied, dog Stroo of Mest is 't beste dekzel; worden- detot dien einde de Takken los gemaakt, nederwaarts naar de grond,geboogen, en met 't eene of andere aldus vastgemaakt, en vervolgens met het Stroo of Mest bekwaam dik overdekt. Anderen binden de Takken -bij bosfchen te zamen en omwinden die dus van onderen tot boven met ftroo, en bedekken de grond rondsom met Stroo of lange Mest, 't welk ook goed is. Dit laatfte vind 't meest plaats ten aanzien van Stamboomen, de- wijl men derzelver Takken niet gevoeglijk kan nederbui- gcnj dan men moet in alle gevallen zorg draagen, van ze niet;te dik te bedekken, dewijl zulks haar even zo mdeelig. en doodelijk is als de vorst, om- reden dat bier door haare uitwaasfeming verhindert, en ze bij ge- brek hier van verdikken en rotten. De dekking ge- ichied,. wanneer het zich na fterk vriezen begint te zetten, en wanneer in het voorjaar de winter-vorst ten eenëmaalen over is, ftelt men ze weder volkoomen *an de lucht bloot. Men vind Liefhebbers die in de herfst de Vijgeboomen .
uit de grond neemen, en die met een goede klomp aarde *r aan in Potten of Vaten planten, om ze duss'winters in unis te bewaaren, dezelve in het voorjaar weer in de grond zettende, gelijk men doorgaande met deRoosma- "jn bandelt. De Boomen op deeze wijze behandelt, zijn ^ugtbaarder als die altoos in Potten of Bakken zijn be- spoten, en eisfchen in de fomer ook zo veel oppasfen n'et met begieten ; dan dit verplanten heeft ook veel moeite en omflag. De gemakkelijkfte wijze is om ze in p open lucht in de grond te laaten ftaan , en zes'win« er| te dskken, zoo als hier vooren isgezegt, Äpdaanige Vijgeboomen die s'winters in de vrije grond a«n blijven en gedekt werden, zijn als dan zeer-onder- ^v'g om door de vernielende tanden der Muifen gefchon- «ente worden, die dikwils de fchors van deTakken af- in 1°' Waar door dezelve ten eenëmaalen bederven; wz?daanig geval moet men in het voorjaar de geheel gj'cöaafgde Takken, affnijden, of, indien de Takken tel » bed°t^en mogten zijn, dezelve tot aan de wor. ■ e weS"ioeijen, als wanneer weer nieuwe Takken
|
|||||||||
|
VIJG.
|
|||||||||
|
4033
|
|||||||||
|
zullen uitfpruiten, dièhet tweedejaar daar na overvloe-
dig Vrugten zullen voortbrengen. Op dezelfde wijze moet men ook met zodaanige Tak-
ken handelen, die bij ongeval door de vorst zijn geftor- ven, want de Wortel bevriest niet ligt, en deezé geeft altoos weer nieuwe fcheuten uit; dan men moet niet te fchielijk met deeze affnijding te werk gaan, dewijl dik« wils zommige Takken, die doodfchijnen, evenwel nog beginnen te fpruiten, en in het zelfde jaar goede rijpe Vrugten voortbrengen. De Vijgeloom, draagt aan de jonge jaarige Loten, ge-
lijk de Druiveboom en andere, zijnde de dikke welge- voedde Loten doorgaans: de vrugtbaarfte, engeevenook de grootfte Vrugten. Doorgaans brengt de Vijgeboom in de na-fomer, voor de tweedemaal Vrugten" voort, dan die worden zeerzelJenrijp, en vallen meestijds van de Boomen die in de grond ftaan blijven, in bet voorjaar af, dog van de Boomen die in de potten of tobben geplant ftaan, of die in bet najaar in dezelve geplant en s'win- ters in huis bewaart worden, blijven ze veeltijds be- houden , en worden derhalven de volgende fomer vroe- ger en zekerder rijp. Om regt geurige en teffens vroege Vijgen bij ons te tes-
ten , moet men dezelve in potten of houten vaten ftaan- de, in het voorjaar in een Trekkas zetten , als waar in ze veel volkomener en fmaaklijker worden, kunnende hier van de reden gemäküjk worden begreepen.; en hier toe is de groote witte Vijg, als de geurigfte zoort, het beste; dan hierJaij dient men in agt te neemen, om de- zelve bij bekwaame gelegenheden veelvuldig te luchten, en met't nodige vogt te voorzien. Wil men geen kosten fpaaren, zo kan men ook voor
de aan de Muuren of Staketten geplant ftaande Vijgen, glazen zetten, zodanig men wei-ten aanzien van de kers- ten handelt, waar door de Vrugten veel vroeger rijp en geuriger worden. > De voortteeling der Vijgeboomen kan op drieërleij wij-
ze gefchïeden, als 1. door Scheuring der uit de Wortels- uitgelopene jonge Spruiten; 2. door In legging; 3. door fteeking van jonge Takken ; dog 't gefchied meest door de eerfte manier, om dat ze doorgaans overvloedig jon- ge Spruiten maaken, die men in 't voorjaar bij de Wor- tel affteekt en op haar zelfs plant, daar men begeert. Van bet Inleggen en Steeken bedient men zich hoofdzaak- lijk, als er geen uitloopers zijn, zoo als dikwils aan ou- de Stamboomen gebeurt. Wat het 'Snóeijen deezer Boomen betreft, valt zulks
zeer gemakl ijk, dewijl er weinig aan te fnoeijen valt; alleen neemt men de overvloedige en al te lange, ins- gelijks dorre, en andere ondeugende Takken in het voor- jaar weg, om ze in een goed fatzoen te houden; ook fnoeit men de Uitloopers weg, indien men dezelve niet tot voortzetting noodig is. Ook moet men in de fomer de langde Loten, die in het voorjaar gefprooten zijn r wat inkorten. Gebruik ; Hoedaanigheid, enz. De onrijpe groene
Vijgen worden Grosfi, en die'Welke gedroogt zijn Cari- eee genoetnt. Deeeistgemelden, met het fcberpe melk- agtige fap des Booms nog bezwangerd, zijn, even al* de onrijpe Appelen en Peeren; en in veel hooger trap,, oneetbaar wrang, ongezond', ja bijna vergiftig; de rijpee Vijgen, integendeel, hebben, naarde zoort, een zeer aangenaamen, dog wat al te laf zoeten of mierfchen fmaak, ook worden zij voor gezond geagt en zijn buitengemeen voedzaam, EosANUs Bossus zegt er van |
|||||||||
|
VIJG.
wendig oplegt, doen zij de Gezwellen rijpen, eh bevor,
deren de opening en ontlasting der Etterbuilen. Men moet ze derhalven niet in de Roos, en andere dergelij. ke-Gezwellen gebruiken, welke niet tot rijpte of ver. etteringgebtagt, maar verdeeld moeten worden. De ge. rooste of gebraadene Vijgen doen ook de zweeringen van het Tandvleesch fpoedig rijpen, en zijn in de fmarte der Aambeijen van eenfpoedige uitwerking ter verlag. tinge derzelven. . ~. .- Het Hout van de Vijgeboom is voos dog taai, echter
van weinig of geen nut, nog tot werk-, nog tot brand- hout; het dient nogthans door zijne voosheid, tot po. lijsting, dewijl het zelve de Amaril ffcerk opneemt. .....Befchrijving van de Gewas/en die onder het
Geßagt der Vijgeboomen behooren.
Nu gaan wij over om de andere Gewasfen, door de
Heer LiNKÄUS onder het Geflagt der Vijgeboomen ge- plaatst, te befchrij ven, en hier omtrent zullen wij gebruik maaken, van't geen de kundige Heer M. Houttuyn in het II, Deel %e Stuk van zijn overheerlijke Natuur- lijke Hiftorie heeft aangetekend. i. Egijptijche Vijgeboom; Ficus fijcomorus ;. Sijcomo-
rus; Ficus Pharaonis. Cam. Math. 103.; Ficusfolhmc- ri, fruUuin in cauAictftrens. C. Bauh Pin, 459.; (Fi. eus foliis cordßtis fübrotundis integenimis. Link. Spie. Plant.') -Het is bekend, dat onze gewöone Vijgeboom, eerst
uit zaad opfehietende, de Bladen rondagtig of ovaal, niet ingefneeedèn Tieeft. Dus blijven de Bladen van den Egijptijchen Vijgeboom , Sijcomor'us , die deezen naam voert, om dat het een Vijgeboom is, als met Moerbe- fien bladen. Zij worden oo'a Vijgen van Pharao en Adms' Vijgen , in 't fpaansch Higuera de Adam getijteld. De égijptifche naam is Giumez volgens Alpinus, de ara. bifche'Mumeiz, Jumeiz, enz. volgens Matthiolus; . dé hebreeuwfche, in't meervoudige, Schikmim, waar mede gemeenlijk de; Boomen, en eens ook de Vrugten beteekend worden in de Heilige Bladeren. Degriekfche O verzetters hebben hier van gemaakt Sijcamina, enin't nederduitfche is het:wilde-Vij ge boomen vertaald. Deeze moeten ongemeen qvervloedig in de Valeijen van Pales- tina gegroeid hebben ; want men vindzeviermaalen tot voorbeelden geileld van menigvuldigheid. Koning Sa» lomo maakte de Cederen te zijn als de mlde-Vijg^»"' men, die in de laagte waaren, in menigte; zie 1 Koir. x.vs. 27. I.Chron.xxvn. vr. 28. II. Chron. i. vs. i5' ix. vs. 27. De verwoesting deezer Beomen werd der- halven ook als een ftraf des Hemels en een landplaag aangemerkt,- Psalm Lxxyir. vs. 47. Jes. ix. vs.p. MM vindze tegenswoordigop den Berg Libanon, in Sijrie, op de Eilanden in de Middelandfche Zee en in Barbarie. Hasselquist vondze op de Velden der laage dre- ien van Egijpte zeer menigvuldig. Zie hier hoe dis Autheur den Sijcomoms in die landftreek waarnam. " Degemeene Kelk (zegt hij verftaande daar door«
Vrugt) is klootrondagtig, aan het Oog zeer plat, aan het Steekje een weinig uitgerekt, groot, vleeschigi bleek-rood, van binnen hol, aan het Ooggefloo.e» met veele Schubbetjes, waar van de buitenften op« . ne rij korter, de binnenften tweemaal langer zijn, sj len half lancetvormïg, met omgeboogen punten,a den rand dunner, ongekarteld. In de holiigbeid v ■ ,, deéze Kelk zijn .Mannetjes- en Wijfjes-Bloemen v ,, yat, gelijk in de gewoone Vijgen. De eerften, " . »1 .
|
||||||||||
|
VIJG.
|
||||||||||
|
4034
|
||||||||||
|
: Ergototinteropesregnantisfru&ibusanni ■
Prima lacum mérita' Ficus & Uva tenent, Vtraqus nam jïiccis implet melioribiis , et ml *,.. i Qua noceant vitii damna ferentis habent, In Provence en Italie, verftrekken de gedroogde Wij-
gen, met brood en een weinigje zout, tot een zeer ge- meen ontbijtten in Griekenland maaken dezelve met Gerflenbrood ingevolge het getuignis van Tournefort het voornaamfte voedzel van de Boeren en Monnikken uit. Van ouds waaren zij er zodaanïg geagt, dat men Menfchen van vermogen, en die een zagtvoerig leven leidden, Vijgen-eeten noemde. De Vijgen van Athene waaren zo lekker, dat de uitvoer derzelven door een openbaare wet verboden werd, en daar werden in die Stad.pppasfers aangefteld, om zulks te beletten, waar aan men den naam van Sijçophantce gaf. Xeexes, de Koning der Perfen, werd door de aangenaamheid van deeze Vijgen, onder anderen verlokt, om zijn Krijgs- heir overtevoeren in Griekenland. Het noodlot der verwoesting van Karthago was zijnen oorfprong fchuldig aan de uitneemendheid der Afrikaanfche.Fyg'«». De Vijgen, die wij hier gedroogd bekoomen, zijn in
grootte en aangenaamheid, gelijk wij weeten zeer yer- fcbillende. Tot verfnapering kunnen zij dienen,,jhids. men er niet te veel van gebruike, want zij geeven een zeer flijmerig voedzel, en veroorzaaken dus niet min- der ongemakken in het Lighaam, dan de overmaat van andere zoetigheden. Hier door kunhen zij ook ligt tot Wormen gelegenheid geeven. lus ^Loineta, Oribasius, en veelelaaterengelooven, dat het menigvuldig gebruik van drooge Vijgen Luifeii voorbrengt, dog een ieder begrijpt ligtelijk dat dit voor een fabel moet worden gehouden; ten deezen opzigte heeft Athenbüs reeds aangemerkt, dat de Wijsgeeren en Redenaars, Anchimolusen Moschus, welkeinElis woonden, met deeze ziekte geenzints behebt geweest zijn, offchoon zij hun gantfcbe léven door water ge. dronken, en niets dan Vijgen gegeten hadden^ hij voegt er echter bij, dat -bun zweet zo kwalijk hadgerooken, -dat in de Baden elk van hen afliep , om die reuk te ont- gaan ; hierom raad Simon Pauli de zulkén, welker zweet of uitwaasfemingen kwaalijk rieken, zich geheel van Vijgen te onthouden. Ook verzekert men, dat een kwaade adem , fchurft en dergelijk uit (lag, uithetveel gebruiken van Vijgen zeer wel kan onftaan. Men heeft echter verfcheide voorbeelden, dat Menfchen'en Dieren tlaar door vet geworden zijn. Ook houd men de Vijgen goed voor de Longe en Nieren; zij zuiveren en voeren het graveelgruis af, maar zij maaken geen goed bloed, en als men ze al te veelvuldig gebruikt veroorxaaken zij Tvinden. Men ag't dat zij voor de Lever fchaadelijk zijn, en zij maaken een flap, voosenfponsagtigvleescb. Men» ich en , welker ingewanden verftopt en die loslijvigzijn, moeten deeze Vrugten vermijden.x Als men Vijgen ge- :,geeten heeft, zo moet men ras en rijkelijk daar op drin- %en, op dat zij zich niet in de wegen der fpijsvertee- ring vast zetten , want zij gaan ligt tot bederving over, als zij zich al te lang daar in ophouden, en ver- oorzaaken rotkoortzen. In de Geneeskunde flrekt het afkookzel tot een zeer
verzp.gtend middel, in ongemakken van de Borst en ■waterwegen; als ook in hetKolijk, men maakt er Gor- geldranken van, in Keelontfteekingen, als men de ge- droogde Vijgen braad. ofin melk kookt, en dezelveuit- |
||||||||||
|
VIJGf' ^
|
|||||||
|
- aan den rand; zijn van gefteltheid a!s in dezeiven;
" de anderen bekleedeh de geheele.nolten'. De.BIoem- " kelk is,ook gelijk in de gewoone Vijgen; hqt Vrugt. " beginzo ovaal, zamengedru'kt, zeer klein, ongedeeld, " zo wel als dê Mannetjes-Bloemen ; niet gefteeld, " gelijk in dezeiven, de Stijl even als in die ; de " Stempel,geknodst, platagtig, verhard, het een,met " 't ander zeer nauw verbonden; het zaad zeer klein, " ovaal'en uitgedroogt. , ■" Tegen den tijd dér rijp wording, worden deeze Vijgen
, gëftöoken van een dergelijk Infekt, als het geene de " gewooneFzy^ewfteekt, dog veeUileiner-enmisfchien '"" inzport daar van verfchillende. Daarkoomt aan het " Oog een opening, 't zij, wanneer de Schubbetjes, die. daar zijn, yerflenfen,, en inwaarts omgebopgen worden./ gelijk in'de gewoone Pijgen plaats heeft,, (l dog dit' ziet men in deeze'weinig; de andere .manier -, is veel geineener en verwonderlijk... Een weinig benee- den de Schubbetjes, naameüjk, aan de zijde dernog onrijpe.Vrugt, komt een viakje, als een z.pprtvan yérffër.ving," dat zich in een taamelijk groot kringetje, dor en zwart, van breedte als de pink uitfpreid, wor- dendehet vleesch aldaar in 't midden, tqr grootte van ,,'een'pennefchaft, doorgeknaagt; zo,dat de Mannetjes- Bloempjes zich bloot vertoonen, die. digst aan den rand,zijn, en er dus een open weg is voor het Djer- "tj.è, 't welk zich hier eri daar, langs den geheelen wand van binnen, verfcheide loppgraaven baant, laa- lende de,Stempels;altoos vrij, maarde Vrugtbëginzels dikwils uitknaagende. In 't begin is île gekwetfte plaats nog door Bloempjes geilooten, maar vervolgens word het een openen taamelijk wijd gat, waar van de ran- dden altoos verftorven, zwart, hard, en omgekruld zijn, Djt zelfde'bederf der' randen word men aan het Oog gewaar, wanneer het Diertje aldaar "is in- gedrongen. ( . ' De Vrugten koomen, in deeze Vijgeboom, uit den
Stam èh dikke Twijgen, niet aan de dunne of bpvenfte Takken .voort., gelijk DioscoRiDES'te regt heeft opge- merkt. In 't eind van maart geeft de Boom zijne Knop- pen uit, en: draagt in V.begin vanjum'j rijpe Vrugten, op zijne natuurlijke groeijplaats. Hier te lande kan men hem in winterhuizen overhouden, maar bij draagt hier nimmer Vrugt.' De Vijgen wel rijp geworden, zijn., volgens het.beiigt, van Hasselquist, zoet, een weinig Jfaterig, met eenö kruiderigheid, en zo aangenaam van «naak, dat-hij zich in 't e.eten derzelven naauwlijks kon ■Matigen. Bovendien geeft deeze Boom, door zijne uit- gebreidheid en.breede Bladeren, terwijl hij dikwils op <tewoeste Heijen voorkomt, in de oosterfchë landen,, voor de reizende Luiden een zeer verk.wikkelijke.fcha« dUwv Zijn Hout is bijna ohverganglijk, en heeft daar- 0ni» van over-oiide rijden her, geftrekt tot Lük-Kisten om de gebalzemde Ligbaamen te bergen. Hij Jhad in nS'Jpte Murjiiëri in zödaanjge Kisten, van een uitgehold uk deezes.Booms ven/aaï,digt, beiden onbedorven", t» S .GrafftNen zJen haaien, welken men vastilelde «eeduiz'end jaaren daar' in begraaven té zijn geweest. 2- Plompenbladïgé Vijgih'oom; Ficus nijmpheifolia; Fi- "S%dica Tilte /"Ho fubtüs albo '£? villofo ,\plijrM- ïi/'j ■ 0Knet' 'Phijt. 'i^'"'ÇBwuf. foliis corddtis Jiibro- .. « mucronatis integerrimis, -elabris fultiis glaucis. Ze e ^eer ^in»jeos verzekert, dat de Bladen varidee- '
Vl°J0tni,kS naar,die o!er ge'elbloemige Plompen ge- * |
|||||||
|
S« ' tt^Pumïnde met een Pmt *' eenigérmaate ge.'
go fd, als fchrldvormig hangende, glad en van onderen ,. 3- Agads.Boom\ Ficus religiofa; Arbor zeijldnica re.
ItgiDfa Bvrm. Zeijl. 29.; Arealu. Rheed. Mal. 1. ft. 47-5 meus malabarienfis folio cufpidato , fru&u rotundo Parvogemtno. Plcjknet. Alm. 144.;: ^Ficus foliis corda* Usoblongis integerrimis acuminatis. LiNN. Spec. Plant.) Deeze word m de Tuinen van Europa, doorgaans de Duivelsboomgetijteld; dan de naam van Afgods.Bomis aan dezelve eigener, dewijl door de Indiaanen daar on- der geofferd word aan hunne Afgoden, waar op ook de Jatijnfche bijnaam flaat, Het is de Malaladrfèhe Vitee- Éoaromet puntige Bladen en kleine ronde, dubbelde Vrugten, van Fxukenetius; dien de Malabaaren Are- ^/ttheeten. Hij is aan hunnen Afgod Vistnu geheiligd, en doorgaans met een muurombeind. Volgens den Heer Burmannus hoort hier ook fhuis de Ceilonfche Boom.- Boghasof Budughaha genoemd, wiensBIaden ingedüu- nge beweeging zijn. De Ceijloneezen een Propheet ge- had hebbende, Büddu genoemd, die onder de fchaduw yan zulk een Boom hun onderwees, word dezelve van hunvoor heilig gehouden en met Offerhanden vereerd. De Vrugten zijn van grootte als Erwten, en koomen in de oxels der,Bladen, ongefteeld, twee bij elkander, voort,, heobende van onderen een drièbladiee Kelk. zegt LiNNffius. 4. Banjaanen-Boom; Ficus Benjamins; Arbor concilia,
rum. RüWH.Amb. UI. p.i^.; Ficus arbor denfioribui f olm parvis mtegris. Pluk.. Phijt. 243.; (Ficus foliis ^f^^ssiransverjeflriatis, margine lavi. Link.
ötjjt. Mat. XII.) Tot deeze zoort behoort de Pitsjaar.Boom van Rum-
PHius, dus in Indie genoemd wordende, om dat de In- diaanen daar onder hunne zamenrottingen maaken, eens- deels, ^dewijl zij er dikwils hunne Pagoden of Afgods- Tempeltjes en Beelden onder hebben; andersdeels, om dat die Boom door zijne digte Takken en fctiaduwc hun daar toe uitlokt en een bekwaame fchuilplaats geefr. ,D.e.Boom is kort dog dik van Stam, en breid zich langs den grond uu met een menigte,van Takken, die op een wonderlijke manier door malkander gegroeid zijn , met puntig hartvormige Bladen, en ronde Vrugten van groot- te als piftool-kogels, rijp zijnde zwart, zoeè van (maak- en eetbaar; dog men vindze weinig aan de-Boomen, omdat her Gevogelte en.alierleij Gedierte dezeiven zó bemint De Bladen, die zeer mals zijn, ftrekken tot voedzel vandeMenfcheDenalIerleijVee. ■ t 5. Bengaalfche.Vijgeboom. ; " Ficus benghalenfis ; ,■ FU
cusbe^ialenßs,fohofubrotundo,frutJ.uorbicukto.CouM. Hort.Amß. Lp. iip.; Ficus americana latine folio ve- nofo, Pluicn, Phijt. 178,; (Ficusfoliis ovatis integerri- mtsobtußs caulsinferna raiicato. Lriw. Spec. Plant.) :: Deeze die,de naam van Bengaalfih-Vijgebbom draagt,
om dat hij veelvuldig in Bengaale groeit, heeft met de folgende die bijzpndere eigenfchap, van Wortels uitte- .icnieten, die aan den grond koomende daarin vatten, en .zelf nieuwe Stammen worden ; .zodat een enkele Boom, door den tijd, een geheel Bosch uitleevert. Om die re- den worden zij, van de Nederlanders, Wortel-Vijgen getijteld. De Malabaarfcbe naam van deezen, die hier bedoelt word, sjs Per,Alu± dog alzo die Boom, volgens de,aanteekening van.Sjjw een dubbelde Vrugt-,'welke hoog/oodis,, heeft; engroote dikke Bladen , zo fchiint |
|||||||
|
cUe betrekking wat .duister.; LiKMiEus.zelfAeeft; er aan
Mm ge. |
|||||||
|
4055 VIJG.
|
VIJG;
|
||||||||
|
die daar vanden verwonderlijken rfmerikaànfthen.'P'ljgi;
boom önderfcheid, welke door de franfche Schrijvers Roe. hefobt en do Tertre, is voorgeftcld, en waar vaj gezegd word, dat dezelve de Wortels, die in den grond vatten, van'Takken of Twijgen, wel veertig of vijftig voeten hoog, nederlaat; maakende dus dat de Boom zich als een groote houtftapel, gelijk PuRCHAszegtver. toonen. Deeze heeft een zwartagtige Schors, volgens Sloan« , en Vrugten als de Cüprificusofwitde'Vijgehom, voorgemeld; groeijende op woeste, fteenagtige, dorre Velden, van *de Karibifche Eilanden, Overal. Van het onderiie van den Stam geeft bijnaar allekan.
ten wortels uit, die verfcheide elleïangs den grond voort- loopen, zich hier en daar tegen de Rotfen ombuigende en verwarrende met anderen, hebbende een bleekgri'jze Schors. De Stam word, in dikte en hoogte, van wel. nige Boomen. overtroffen , hebbende de Schors bijnt glad en donkerer grijs, het Hout week. Boven verdeelt hij zich in verfcheidene Twijgen, naar alle kanten uit- gebreid, wier Takken hier en daar met Bladen bezet zijn, van vijf duimen lang en half zo breed, glad, don. ker-groen, met een middelrib en dwars-ribben, op Steel- tjes van een duim lang zittende. Uitdeoxels der Bla- den komt een Vrugt voort, in 't eerst als een Erwt, vervolgens de grootte krijgende van de vilde Vijgn, dan volkoomen klootrond, van buiten groen, van bin» nen met veele roode korrreltjes gevuld, naar die der Europijche-Vijgengelijkende, maar fmaakeloos. De Boon geeft overal een melkagtig fap, ofweij, uit; waar men hem ook kwetze. Dikwils ziet men deeze Boomen den een of anderen otiden Boom omvatten, dien zij vervol- gens verdikken, laaiende uit hunne Twijgen lange Ve- zelen neder, tot aan de aarde toe, die zich onder elkan- der en met andere deelsn van den Boom vereenigen. waar door de Stam hol word, en dikwils afbreeketide de wegen verfperd, als wanneer hij omtuimelende wed« Wortelen fehlet, wordende dus de top des'Booms in den Wortel veranderd. :_ ; Van dergelijke verwarring der Stammen, Takkenen
Wortelen, die de Bosfchen in de beide Indien bijpaon- doördringelijk maakt, kan men een nader denkbeeld be- koomen uit deomftandtgebefchrijving, welke RpMrHlUS geeft van de breèdbladige Varinga oïlVdringe Boottffli die men van Java oostwaarts aan, overBalij en CelebeSi tot in alle Molukfche Eilanden vind. Het zijn groote uitgebreide Bödmen, die ieder op zich zélve een geiße- le wildernis maakëh, verfpreidende zich van den W°" fel aanftonds in verfcheide Twijgen, als waare het e« Kruid- of Plantgewas; en ieder Twijg is zo wonderlijk vol reeten, holen en kuilen, datefmillioenenvanSlaB« gen en ander ongediert in zo ééne Boom kunnen neste- len. De Twijgen groeijen bovendien dikwils aan nw kander, en geeven,Wortels uit naar den grond, die nie"' we Boomftammen 'maaken, even als meermaalenis g' zegd; zo dat men dikwils te vergeefs zou zoeken n3 den Hoofd- of Möederftam. Dan het gaat daar med«, even als bij ons met de Hazelnooten, Vlieren ande fterk uitloopende Boomen, die op zich zelf in rtWl fl groeijende geheele Wildernisfen worden, daar wen^ door bet havenen, tot fraaïje Boomen maakt.■ ,"'''Let Huizen en Negerijen krijgt de Hearing e Boom,, "00J,jer. af haaien en befnoëijen der verwilderde. Takken en n ten, eene, vrij regelmaatigegedaante:. De Blade° ^ langwerpig rond:; de Vrugten als Olijven,-worde -via het Gevogelte en ander Gedierte buitengemeen. |
|||||||||
|
getnrijffeltvolgefiS'TiEW, die de afbeelding van een Tak-
je geeft. De Stam en Takken zijn bleek gràauw geko- leurd, rriaar aan dé einden,''daar de jonge Bladen Uit« Cchieten , rood getopt, pe Blsderr zijnëijvórmig, fterk geaderd, fchoon groejrvah koleür. De Vrugten zijn kb» gélrond, naar öogenichijh ongedeeld, én groei jen trops- gewijze aan de Takken bij elkander. Eerst fchijnen zij bleek groenagtig, dan geel te zijn , wordende in de rijpheid hoogrood, en dan van binnen het zaad be- vattende, 6. Wortel~Vijgeboom\ Ficus indicâ ; Ficus indien, /o-
liis malt cotoneaeßmilibus, fruüu ficubus ßmilibus. C. Bauh. Pin. 457. ; Ficus indieà Theophrasti. Tabern. Hiß. J370.,' Ficus inditamaxima, 'alto oblongo 'unk Ulis e J'um- mis r ami s difftisfis radiées agentibus Je prepagans, 'ruäu minwijphaerkofanguineoi H. Sloan. Jam. 189. Hiß. 2. p. Ho. ; (Ficus foliis lanceolatis petiolatis, pedunculis Hggregdtis, ramis rqdictntibus. Ltnn. Spec. Plant.) Voor eerst komt hier in aanmerking de van öuds ver-
inaarde Indijche-Vijgeboom van TheophkAstüs, waar van CLtfsiüsen andéren de afbeeldinggegeeven hebben. Bij den eerstgemelden, die ten tijde van Alexahder den Grooten, wiens togt naar Indie wereldkundig is, geleefd heeft, vind men van eenen Indijchen Vijgeboom gemeld, die uit zijne Takken Wortelen nederwaarts (choot, welke in den grond gevestigd, als een Heining maakten om den Boom, en een uitgebreid Prieel, waar in veel Menfchen hun verblijf konden houden ; zodaa- nig zelfs dat die Forst, met zijn geheele Krijgsmagt, daarondergeleegert wasgeweest. De dikte van den Stam vvas meer dan zestig, dog veeltijds veertig voeten; Bla- den had hij niet kleiner dan een Schild, dog ongemeen kleine Vrugten, bijna als Erwten, naar Vijgen gelijken- kende. Wel twee Stadiën gronds werd door deze Boom, die een ontzaglijke hoogte had, befchaduwt. Linschoo- tek die eeni'gén . tijd te Goa is geweest, geeft de afbeel- ding van een Boom aldaar groeijende, en van de Por- tugeézen IVortelbaom genoemd, dog de bosjes van wor- telen, die dezelve tot zijne Takken uitgaf, doen hem meer naar don Koromandelfcben, hier vooren befchree« ven* gelijken. De vermaarde Hermannüs had een dergelijken Boom
gezien, die zo groot was, dat verfcheide duizenden vari Menfehen onder deszelfs fchaduw konden rusten. Zijn Stam was echter zo overmaatig dik niet, maar uit 4P Twijgen liet hij andere Takken nederzakken, die in de grond Wortels fchooten. Hij had voos Hout, vol Melk, met eene groene Schors en Bladen, dik en glad, van bo- ven groen , van onderen wollig, zijnde zagt op 't aan- mken. De Vrugten, die even als degewoone Vijgen onmiddelijk Uit de Takken voortkwaamen, waarenrqnd «n rood, van grootte als groote Kersfen, vanboven met «en Kroontje, bevattende van binnen een fijn zaad. Hij noemt denzelven, de Malabaarjehe-Vijgehom met een ionde roode Vrugt. - Als-eeoe verfebeidenheid word hier toe betrokken de
Westindijche met lancetvormige Bladen, door Sloane genoemd zeer groots Indijche Vijgeboom, mei eeri lang- werpig Blad , diezichuitbreid door wortelfehietende Tou- wen,, uit dehoogfte Takken nedergèlaaten, hebbende . een kleine kogelronde bloedroode Vrugt. Deëze had die Autbeur op Jamaika gevonden, èn vraagt, of het ook de TJjela vanMalabaar zij ..welken ons Volk den Ftedermuifen Boom tijtelt, volgen» Commelijn. Het souda aliesBJijk de grootte van de Vragt »peten zijn, |
|||||||||
|
VIJS.
Biind, dog van de Menfchen zeldzaani gegeeten, als
zijnde hard en droog, zonder merkelijken ftnaak. Zij" koomen, zegtRuMPHius aan alte vruxingen zonder bloei- ui voort, geüjk de Vijgen. De Heer Limsmvs zegt, dat de Bloemen rood zijn, of dat deezezoort roode Bloe> men heeft (Flores rubri); hier door zal men die roode Zaadkorreltjes in de Vijgen, waar van Sloahe fpreekt, naar alle gedagten, verftaan moeten, en dus fchijnt de Vrugtmaaking pok veel overeenkomst te hebben ffiet die van onze Europifche-Vijgeboomen. 7, Tros-Vijgeboom; Ficus racemoja ;Altij»Alu.Rmzî>.
jfd. 1. h 43-> Gfosjulartadomeßica.RvufH.Amb. -lit. 4,136,; (Ficus foliisevatis. acutis integerrimis, cause arborée, fruttu. racemofo. Liss. Spec. Plant.) Aan deeze zoort, die den Stam allerminst boomagtig
heeft; van aj <iit flag van Vijgeboomen', geeft de Heer Ljnnjeus > door een zonderlinge kieschheid, een boom- agtigen Stam, waar van hij in de anderen geen gewag aakt. Men behoeft alleen het oog te flaan op de af- beelding van Rumphius, waar in die allermismaakfte Stam van deezen Boom vertoond word. 't Is wel waar,, dat dezelve in 't eerst meteen enkelen Stam opfchiet, dog die Stam geeft aanftonds aan de zijden WorteJve- zels uit, die in de grond vatten, en den Stam niet al- ken als 't waare honderdmaal verdubbelen, maar ook niasken dat dezelve zich als een fchraag of ftel van ver- fcheide krukken, die de Kroon ónderfchraagen, vertoont, zijnde uit veele armen zamengeftetd, die groote ka- mertjes of cellen vormen, waar in men zich kan ver* bergen. .,-■.' , , Een enkelde Tak van deezen Boom is zeerregelmaa-
tig bezet met Bladen van ruim een half voet lang en twee duimen breed dus zeer langwerpig zijnde. Rum- phius noemt hem den tammen Befiënboom, omdat alle de Takken zeer vol van kleine Vijgjes als Erwten, zit- ten, dog niet aan trosfen, en daarom is de bijnaam van Racmofa of Tros-Vijgeboom ook niet eigen. -Deeze Be- fiel) worden van 'c Gevogelte veel gegeeten, waar in het Volk dezelven met rust laat, vergenoegende zich. oet de Bladen, welke van de Menfchen zeer bemind worden, zo omraauw te eeten, als bij defaüfen van Visen eu Vieesch te kooken;, ten welken einde men deeze Bladen bij bosjes op de markten van Amboina en ssdere Molukkifcbe Eilanden te koop vind. Hier word t'buis gebragt de Attij-Alu van Malabar,
Velke een der vier zoorten van Alu of Alou, aldaar val- lende, is; een hooge Boom, met een digte Kroon, tiit <äen Stam wortelfchietende, en uit afgefneden Takken een waterig, niet een melkagtig fap gelijk de Befi.ëboom, zoeven gemeld, uitgeevendej en de Vrugten ook niet 'Is Befiën, maar als de Europifche onrijpe Vijgen, heb- bende; wanneer zij rijp worden rood en eetbaaar. Dèe- *e groeijen eenigermaate aan Trosfen, zo da: men dee- zen de Tros-Vijgeboom zou kunnen noemen. Het zijn de eenigfte Vrugten van ' dit flag van Vijgeboomen, -welke «elndiaanen aldaar voor fpijs gebruiken. Die van de yleja< torde voorgaande zoort betrokken, zijn inder- aals Aalbefiën, van figuur en grootte. Onder andere zoorten komt op Malabär ook voor' de
^J-Meer-Alou, welke wederom een bijzondere manier ^angroeijingheeft, wordende daarWortelvijggenoemd. *W het door de Vogelen verfpreidde zaad komt bet Ge- ,as> hier of daar, uit de Stammen van Boomen, m't sev-l*1 Van Steénrptzen of fpleeten van oude Muureh, »e'iJk als klimop of als winde voort, geevende dan dun* |
|||||||||
|
VIJG.
|
|||||||||
|
4037
|
|||||||||
|
na drgade« uit, dis in de grond wortelende, ea wede«
opfabiétende, den grootften Boom, diep men in de In- dien heeft, uitleveren. Deeze Jaat ge%?ë wolteldraa. den uit de Takken of Twijgen neder, maar fchiet dezel- ven uit den Stam .zijdewaarts,, ,en zou derhalve' beter voegen bij de vierde zoort clan de Per-Alu, die Wortel« uit de Takken nederlaat, evena!i de Ittij-Alu, welke kleiner is, dog niettemin een hooge Boom. De Ittij» Are-Aigu fchiet dezelve ook uit de hoogfle Takken ne* derwaarts, wanneer hij den ouderdom van veertig of vijftig jaaren bereikt, maakende dus een zeer digte Bpsfchagte. Nog vind men op Malabar eenen Vijgeboom, Tere*
gam genoemd, van dertig voeten boog, met Bladen als van den Citroenboom, welke zo ruuwzijn, datmenze tot het fenuuren en polijsten van houten of tinnen Vaat« werkt of Meubilen gebruikt. Deswegen noemt men heni den Rijf boom, en eene andere zoort, die grooter is^ perin Teregam genoemd, den grooten-Rijf boom. Deeze febijnen eenigszins overeen te koomen met het Polijst? Blad van Rumphius, in 't javaansch Ampelaas ge- noemd, waar van de Heer N. L. Burmannus, onder den naam van Ficus ampelos, een nieuwe zoort gemaakt heeft. .. , ,'. Op Malabar is ook een Vijgeboom, Alou»Handir ge-
noemd, en van de Nederlanders Kraaij-Vijg. Hij be- hoort tot de Wottel-Vijgen, dog geeft de Wortels niet tot de Takken, maar.tot den Stam uit, dien hij daar toe uitermaate dik heeft. Gedagte Hoogleeraar betrekt daar toe den fchadelijken-Vijgeboom Yan Rumphius, dus ter oorzaake van zijne bijtende melkgenoemd, dieech. ternuttig geroemd word tot geneezing van zommige Huid- kwaaien., p - Voorts vind men door zijn Ed. gewag gemaakt van dè
Tjakela van Malabar, dien de onzen Heupboom noemen j van wiens Base men peefen tot fchietboogen draait, en daar een toleur uit trekt, dienende tot bet rood verwen van Stoffen of kleedjes. De Bladen daar van geleeken naar Moerbefiën-Bladen. Van den Suratfchen, die Vrugten als Aalbefiën, wel-
ke geel van koleur en vergiftig zijn, of van twee Japan« fchen, de een inet Peerebooms-Bladen, zullen wij hier geehé bijzondere melding maaken ; maar alleen aanmer- ken, dat de Heer Ltwwzeus thans ook eenî fiùntpbladige- Vijgeboom als eene zoort heeft voorgeftelt, die de Take kèn hoekig heeft, en de Vrugten ongefteeld. Hier komt bij, de vergif'tigemVijgeboom, onderdes
naam van Ficus-Toxicaria, welke iu bet Dorp Padan op. Sumatra gevonden ware, en deswegen bij den Heer Bgrmannus den bijnaam van Padana voert. Hij heeft Bladen die hartvormig ovaal zijn, bijna een voet groot, eenigermaate getand en van onderen wollig, draagende ronde zeer ruige Vrugten. 8. Gevlakte-Vijgenboom; Ficus maculata;Ficuscafianett
folio, fruftu gtoiofo maculât o. Plum. Sp. ai.; (Ficus f o« liis oblengis ocuminatis ferratis. Linn. Sijß. Not.) Deeze voert den bijnaam van gevlakte, om dat de
Vrugten volgens Plumier, kogelrond en gevlakt zijn. Eigentlijk ziinze geftippeld ofeenigermaaten wrattig. De- zsAmerikadnfche VijgenhoomheetiKarftengenbooms»Bla- den. Men vindze bij Tous nefort, die ook eenen Tij- f'enboom met Laurier» en drie met CitroehboomsiBladen^ oor dieri 'zelfden 'Autheur in'Amerika waargenpomen en afgebeeld, heeft opgetekend. \^. , <9.: Lsag-e-Vijgehboom ;' Ficus pumila; FarMga repenf.
Mm a Rumph. |
|||||||||
|
VIJG.
ronde, gedoomde kèdjes; CdUus monitifirniis'ï MeIoctti$Ul
■ ex plurimis globulis 'opuntia modo nafcentibUs, fpinofßmtls
'PlüM. Spec. 20.; (Caäusarticülato-prolifer; articulis pil tbofisfpinoßs glomeratis. Linn, Spec. Plant.) ■■;,.:' Van deeze zeldzaame'.zoor-t'van Fijgplanten vind men
-de eenigfte afbeeldingbijPi/UMiER, die dezelve in ZuiJ. Amerika had waargenoomen. ■■,.'■ .- : - z.'Gewoone Fijgplant ; Opuntia; Opuntia vulgo heet.
riorum. J. Bauh. Hifi. r.p. p. 154.; Ficus indica,. to fpinofo, fruBu majore. G; ümn. 'Fin\>458.; Caüus'ctm- presjus articulatus : ramofijfimus, articulis ovatis, Jpin\s
fetaceis, Gronov.' Firg. 54. Roij. Lugdb.- 2go; (CaSut articitlato-prolifer,' articulis ovatis, fpinis fetaceis. Likh, Spec. Plaiit.) \\. .■ ■... ' .'. ■'::;.. .,, . ;;,.'
Deeze zoort maakt dat Gewas uit, 't welk men ge-
meenlijk Opuntia-of Indiaanfche-Fijg'noemt, zijnde -reeds van overlang : bekend bij de Kruidkundigen, Hel
, Gewas heeft zijnen naam van een Stad Opuns in Grieken. -land, bij welke, zo P-LiRiusfchreef, een Kruid groei- ;dey' 't welk Wortels fchoot. uit'zijne Bladen, en dus
.voortkwam, zijnde vbor de Menfchen aangenaam van .fmaak. De eigehfehap van wortelfchieting en groeijinj ■ heeft plaats in dit-Gewasien alle.deszelfs mede-zoorten.
-Het word anders ook Indiaanfche'Fijggehëeten; wam, hoewel het thans in de zuidelijke deelen van Europage- . meen is, word het nogthans uit de Nieuwe Wereld zijn
afkomst gerekend te hebben. -Dan het verfchilt onge- meen van de Indiaanfche-Fijg,- waar vm Thegphras. -tus fpreekt, zijnde, een Boom,,door,zijnewortelfchi«-
ting uit de Takken vermaard, en waar van men de befchrij« ving kan nazien hier voor, onder het Artijkel'VIJGEN- BOOM. ;■:!.':«'.'■ - Het Gewas beftaat uit-op elkander gegroeideftukken,
die men nauwlijks Bladen noemen kan, hoewel zij dog het naaste daar aan koomen, en heeft anders geen Stam of Takken, niertegenfteande het een Boomagtigegeftal- te aanneemt. Men wil ook» dat hét uit-Zaad geteeld, ■ zomtijds-een wezentlijkeStam bekoöme. GedagteStuk'
ken of, Bladen zijn dikwiis, een handpalm groot, ovaal en meer,dan een vinger haaiende in dikte, -gemeenlijk bezet met ftekeltjes. Uit. deeze Bladen koomt nu en dan een Bloem van aanzienlijke grootte, voort, die zich -roQsagtig uitbreid, i en waar van het onderfte gedeelte
een Vrugt word; \naar een Fijg gelijkende en niet veel --.kleiner. . Deeze Vrugten zijn van buiten groen,'bevat- tende een Vleesehdat zeer aangenaam-van fmaak'is, iMa' jfaçt .w.ater :van de grenen,,die dezelven eeten, bloetrood koleur.t, ja ook. dö.Handen befmet, .even als de Moer* befiën. In Virginie komt deeze voor, met eene par- ;perko,leurige Vrugt, die men er Priçklij-Pear noemt. Jn Spanje, en op zommige Eilanden in de Middelana- .fche Zee, gelijk op Minorkain 't bijzonder, word .het Gewas tot Hagen gebruikt,- om de Akkers ofHo- .ven aftefchutten- -, : g..Langwerpige Fijgplant, of Fijgplant die de Z-'«-
jes langwerpig ovaal heefl, met borflelige Doornen; iflfljf indica;- CaBus compreffiis articulatus ramofus, artieul» ovato oblongis, fpinis fetaceis. Roij. Lugdb. 280.; Ca8f artieulato-prolifer, : articulis ovato oblongis, fpinisfetacetf- Linn,. Spec. Plant. ■ . '4.. Scherpe Fijgplant■ , of Fijgplant die de Lep)*
langwerpig ovaal heeft,' met elsvormige Doornen; F'c^ Tuna ; Tuna major, fpinis validisflavhantibus, flore gw' lo. DiïX.'Elth. 396.; Opuntia major, folio oblonge roWW< fpinis longis & validißmis,, flore lutso. H-Sx.oäjsbJ» |
|||||||||
|
VIJG.
|
|||||||||
|
*°38
|
|||||||||
|
RuMPB. \ä&. III. p. 134. ; Ficus ßjlvefiris procumbens,
folio fimplici. Kaemph Âmoen. 803. ;: (Ficüs foliis ovatis acutis imegertimisj csaie répente'. Linn. §|wi Plant:.) ■ '■-. Deeze zoort, boewei niet" vblftrëkt tot- de Boomen behoorende; kan echter nier gevoeglijk van* dit Geflagt worden afgezonden. Het.geene bij Rumphïus van dien aart vaorkoomt, beeft den naam v an khdpende-lVaringa, een Itankgewas 't welk" op Amboina zeer gemeen is, klauterende veelal langs de Böomen op en Vrugten draa- gen.de,:die wel eetbaar zijn, dog meest dienen tot'aas voorde Vledermuizen. Kaempheu voiid-in Japan eeri dergelijk Gewas, dat hij hurkende>wilde-Fijg noemt j een eoort van Sijcomorus met een laffe Vrugt. - Hetzelve befcbrijft hij als eene warrig takkigemelkgeevende Hees- ter, die bij. muuren en rot-zén opklimt, vezelige wör- tels hebbende. De Takken ziin kort en kroni, metge- ftipte ringen, en eene rosfe.ofuit dengroenen bruinroo- de Schors ; het Hout vaste, met eene houtagtige Pit. De Bladen zijn. dik hard- etï ftijf, .ovaalagtig met een punt, doorgaans drie'duimen lang, :groen: en.■fterk'gea- derd, metJange Steelen, uiterm'aate fraaij.Geen Bloe- men vertoonenzich, maar,Vrugten van grootteen figuur 3ls. een Ockernoot in de.Bolder, op korte dikke Steel. tjes zittende, van buiten vol kuiltjes en pukkeltjes,.zom- tijds paarschagtig , zomtijds groen met witte flippen, van binnen een voos, melkagtig wit, vleeschhebbende, waar in veele Zaaden zitten, grooter dan Papaver Zaad, met Steekjes, die hij' naauwkeurig befchouwende be- vond een vierbladig Bloempje of Kelkje te;hebbenv be- ftaande uit fmalle witte tedere Blaadjes, door welken het Zaad digt omvat word. De Vrugtmaakingfebijnt derhalven met die der gewoo-
ns Fijgenboomen eenigermaate overeenkomftig te zijn. LiNNffius geeft er weleen driebladigen Kelk aan< dog bij Rumphjü* word van geen Kelk eenig gewag gemaakt, en in zijne Afbeelding is ook niets dat naar een Kelkge^ lijkt. Hetzijn, zegt hij, Vrugten, diemet haar tweeën g< of .drieën bij elkander aan de Takjes hangen , de eer-, fte knoppen van Vijgen gelijk, dog voor wat plat en mee een kuiltje, in 't eerst geel, daarna hoogrood, en bijkans bruin zonder puntjes. Als zij geheel rijp jt zijn, hangenze meest enkeld, en zijn wat week in't aantasten, van binnen vol kleine greintjes, en bijna fi. zonder holligheid. De fmaak is laf zoet] dog komt nabij die der Vijgen, met eenige rinsheid. De Men? fchen maaken er luttel gebruik van, om dat zij de" ,, moeite van het afplukken nauwlijks,waardig zijn. De Takjes of Looten, daar de Bladen en Vrugten aan voorr- j, koomen, loopen in zekere, Hoorntjes uit ;; en deeze ,, Höö'rntjes zijn eigenlijk het 'begjnzel van ,ee£> jaieuw Blad; of beftaan uit nog zamengerolde jonge Bladen. ,, Dit zo wel als 'tuitgeeven van Melk, uit degekwet- j, fte Takken en Bladen i is een algemeen kenmerk van }j. de Waringen of'IFortel-Fijgenbaomen., .-.>,. VIJGEN.EETERy zie KWIKSTAARTEN,».. XI.
p. r704- ..,';.■.... ,, tj... . , .
VIJG-PLANTEN, in 't.latijn ;0^wj(ï>, zijn Ameri-
fcaan.fcbe Heesteragtige Gewasfen, waarvan de Kenmerk ken zijn^ een-yeelbladige Bloem, een Kelk ,die eenbla« dig is,.engefchubd;- boven het Vruglbegirjzei, dat. eene Befte of weeke Vrugt word, met eene holligheid.-en veere- Zaaden. , - . ■ ■.- ..,■■■ , j. -.-... De Zßortetk die ons h'm mvoorkoomep, zijn de vol-
gende. , x. JCraa&gpige- Fijgplant y ot'Fijgplant met kogflagpig |
|||||||||
|
" 'r~~~, ;
|
|||||||
|
VIJG.
ïovHifl' 2» P' I49-! CaBus comprejfus articulatus ra-
tnoïus , articulis- ovato-oblongis , Jpinis fubulatis. Roij. ■Luedb. 280.; (CaBus articulato prolifet,- articulis ovdto- dUongis^,'Jpinis fubulatis. Lina. Spec. Plant:) " > <■ Deeze beide verfchillen van degewóone Opuntia door
'delabgwerpïgbeid der Bladen , en van elkander door de eeftéldheid der Doornen, weiken in deeze laatfte zeer lang, fcherp en fterk zijn. Zoda'anig eene heeft Sloa- he afgebeeld, ook Dillenius die dezelve noemt gróo- te Tuna metfierke geelagtige Doornen, Men maakt er op 't Eiland Sf.Euftatius gebruik van, tot befcbutting der verfchanfingen. Tuna.is de Westindifche of Amerikaan, fche naam van deeze Gewasfen, ~' ■■''- 5. Cochenille draagende Vijgplant, of Vijgplant, die
'de Leedjes langwerpig ovaal en bijna ongedoornd heeft; CaBus :cochinilifer; Tuna mitior, flore fauguineo, cochi- 'nillifera, Dill. Elth. 399.; Ficus indien major lavis jpinoja vermiculos proferens. Pluket. Alm:- 146.; Opun- tia maxima, folis obiongo rotundo majore Jpinuli s nonnul- iis'& innocentibus pbfito. H. Sloan. Jam. 194. Hifi. 2. ï. 152.; (CaBus articulato-prolifer, articulis ovato-oblon- gis Jubinermibus. LiSif. Spec. Plant.) Dus word die zoort onderfcheiden," welke de zo bekende Cocbenilj'e uitlevert. DiLLENiusnoemt dezelve zagtere Tuna met eene bloedkoleurige Bloem , en Sloane allergrootfie Opuntia, hebbende een groot er langwerpig rond Blad, dat inet eènige k'wetzende doorhen bezet is, de Bloemen rood geftreept hebbende. Oorfprongelijk groeit deeze in'Nieuw-Spanje, alwaar zij de Voedfter van de Infekten is," die de thans zo bekende en gebruiklijke Verfftof, wel- le men Cöhcbenilje noemt, uitleveren; "zijnde vandaar_ op Jamaika en ook in Europa overgebragt. Het is vol-" geiisHERMANDEZ, in Indie een Ge was,-Nopal genoemd, van ohgevaar drie ellen hoog. Zie wegens de in- zaameling en behandeling vän deèze kostbaare Verw- flof het Artijkel SCHILDLUlSENn.XVIl.pag.328i, en vervolgens. ■ ■ i 6. Kurasfaufche Vijgplant, óf-Vijgplant die de Leeden
rolrondqgtig plat heeft; Caflus curajfavicus ; Ficus indi- ia f. Opuntia cuvaffavica minima. Coinii Hort. Lp. 107.,' Ficus indien. J. Opuntia minor caulejcens arbwm- *' in modum ; ramis cineritiis fpinofisfima. Plukn'. Alm. J4?.i CaBustereti'comprèsjus articulants ramoJus.: Roij. Lugdb. 280.; (CaBus- articulato-prolifer, articulis cijlin- iricoyentricoßs cómpresfis. Lïs'n. Spec. Piant.) Deeze, een van de kleinften onderde Ûpuntïaàs, noemt men naar fezelfs groeiplaats, de Kurasfauwfehe. Zij groeit hees- 'Magtiger dan de andere zoorten, voorgemeld; metasch- graàùwe'fterk gedoomde Takken, en word hier te lan- de bij de Liefhebbers van uitheemfche Gewasfen in de ■Trekkasten gevonden. ? Langbladige Vijgplant, of Vijgplant die hét Loof 'de»
genvormig-plat en zaagswijze uitgegulpt heeft ; CaBus pMj-l- initus; Phijllanthosarnica, ßnuoßs foliislongis. Plukn. ■alm. 250. ; Cereus Jcolopendri folio brachiato, DiLh. j' k 73..; CaBus foliis enfiformibus obtujejerratis.lkoi]. Lugdbat. 281.; (CaBus prolifer enfiformi-comprejfus fer- wo-repandus. Ljnn. Spe c, Plaut.) Dit is een zoort van Vpuntfa die geheel ongedoornd is, brengende Bloemen *oort uit de tandswijze inkervingen derzogenoemdeBla- jfcn, voorts heeft dit gewas een ronde buigzaame Steng, «et valt in Brafil, Suriname en verder in Zuid-Amen. "t zode Hr.* Lrkkjeus aanmerkt. " -■ . »<■ Rondbladige Vijgplant, of Vijgplant met een rooiïe'
tomagtige.Steng, dubbelde lamme- Doornen., en lancets- |
|||||||
|
vijG. vijl; vijt. 4P3ï.
wijs' ovacile Bladen■; CaBus Pereskïa; PeresMaaculeata^
flore albo, fruBu flavefcente.P-LUM. -Gen.'37. Dill. Élth. 305. ; Malus americana Jpinoja ; poriul'acè folio, fruBu foliofo, Jemine renifornii fplindente. CöMivf. Hort. ï.p. 13 5. ; Portulaca americana latifolia adfoliorum ortwm lanu* 'gine ohiuBa, lon'gioribusaculeisAoma'o. Plüknet. Alm. Ï3.5- J GraJJulariafruBu majoreafiorfpinoja. Sloan. Jam. 165.:Hifi. 2. p. 16. (CaBus caule tereti arborea Jpinöfo, foliis lancèolato-ovatis. Linn. 'Spec. Plant.) Volgens Browne koomtdit Gewas voor op Jamaika met Ranken, die gebladerd zijn , hebbende dubbelde kromme Dóór- nen.e.n zagte eijvormige Bladen. De groeijplaats is' in Amerika', op Jamaika en St. Margriet, zegt de Heer LlNNÄUS. ' .
9. St'ompbladige Vijgplant , of Vijgplant met een roh»
de boomagtige Stam en «ti'igvormige flompe Bladen; CaBus portulaci-folius;- Opuntia 'arbor fpinofisfima, foliis portie- laca cordatis.'PhUM. Spec. 6. ; Caßus'cßule tereti arborea Jpinojo, foliis cuneiformibus retujis, Uit dè afbeelding die Plumier van deeze zoort geeft, blijkt, dd|tde Vrug* ten hier met geen Bladen bezet zijn, gelijk in 'de voor- gaande zoort, die alom bekend is in de openbaare'Kruid- hoven. ' ■-;':.>- VIJGWARTTEN, in 't latifn Condyloma , is éen
hard of knobbelagtig gezwel, welk gemeenlijk aan'den aars gevonden, en Condyloma Ani genoemt word. Om dit gezwel te verdrijven k'an nien verfcheidene ftobvin- gen maaken nitflor. chamomil., verbase. ,fol. linar.met de- zelve tekooken. Ook kan men ungüentagebruiken;als ung. dialt'h., de linar.,tutt. &c. VIJLING, zieLIMATlO.
VIJL-VISCH, zie HAAIJEN ».IV. ?. 99t.
V1JLZEL, zie LIMA TURA. Vijl". De Vijt is eigentlijk eene verzweefing van de
Vinger, en door de Grieken wel inzonderheidbéfchree. ven onder den naam van ït7i?«V;«»gelijk men bij Celsus: Lib.6. Cap. 19. p. 403. voornaamelijk zienkan; zijy'e*- ftonden er door, het gene wij Dwang-nagel, of Mjna* gel, noemen, en in Friesland Honnenmees, zie NAGEL. Hoewel het fchijnt dat dé Latijnen,althans Plinius,- zulk eene ligtevérz weering even onder de opperHuid van den rand der Nagels, Reduria genoemd beeft >' eene ziekte van zo weinig belang, dat de- Latijnen door ridu* riam curare of dwang-nagels te geneezeif, bij wijze van fpreekwoord verdaan, dingen' van weinig belang doen". - ■ Celsus befehrijft de tweedé.zoort zeer nadrukkelijkr die naameiijk ,waar in-eene pijnelijkeverzweérrrigoridér den: Nagel plaats heeft, welke doOrgebrooken zijnde het vleesciï zeer weelderig, en verre doet uitwasfen. Iniis- dem recedere caruncula ab unguibus cum magno dolore con* ftie"vit'.:ib- Het'gevolg'daar van is,' dar'eindelijk de-ge- heele Nagel er afvalt, of weleen gedeelte los en ver» niéuwüvvbrd. ' Indien men den gebéelen- Nagel fchièlijtó kónde wegneemen, was zeer waarfchijnelijk de ziektév die 2Ä)o-onbedenkelijk pijnlijk is-, gaauwstgeneezen, dog dit valt niet ligt te doen. Celsus wil dat men, om-fraai» je Nagels te hebben, den Nagel rondom zallbsmffakén,. en ér opleggen, fandarach, zwavel, van ièdèr tweedee* len, '■' riithm dat is potasch-, duripigment-j 'van ieder vier deeleff , en teer agi deeiért. Deeze zalve: zoude naait drie dagenden Nagel dóen- '■ Vallen, en gelegenheid* gee» - ven dat er een nieuwe, én-fraaijer Nagel voor ïfiplaats. kwami Indieftmen dit toepaste óp dën Dwangnagelw^ men misfthien fpoedigst geneezen; Be pijnlijkheid va« dit! ongemak is zo groot*,, dkf.ziji
lm 3i ds- |
|||||||
|
vijT.,yrjv. w.
|
||||||||||||||
|
yijT,
|
||||||||||||||
|
4°40
|
||||||||||||||
|
heeft, verdedigt dog onzes eeragtens te onregt, de Ou;
den. Hij is echter uitneemend klaar en breedvoerig over de Paronijchia; en wil met rede, dat men, zo het abces zich nog verder.verfpreid heeft, zelfs de hand Van binnen zal openen enz. Wanneer men niet tijdig den Vinger en Kokers cïet
dwarsfe banden, opent, verrot de trekker, de Vinger wotd derhalven ftijf; dikwils word het middel kootje door beeneeter aangedaan, en valt er geheel uk, ^ dat, wanneer men alles den Natuur overlaat,, liet laatfta of nagellid, zich hecht op het eerfte Md^en de Lijde* nog een igen fchijn vaneen volkoomen Vinger behoud- anderen gaan over tot de afzetting der Vingers. De Vingers worden best afgezet met eene fcherpe bei-
tel, en door het liaan van een houten hamer ;; de Vinger moet met den rug gelegd worden op een blokje zagt hout, eri wel zo dat de draad dusdanig loopt, dat er de beitel langs-in koomt, op dat de fnedeeffener zoude zijn, Moet men den geheelen Vinger afzetten, diep in de hand, fnijd men eerst zijdelings mat- een fcherp mes het vel, en de dwarfte banden die de Knokkels van binnen hech- ten , door, en men gebruikt een holle beitel, ofgw.diea Gaiekvs Cijcliciuy noemt, deeze moet naardedikteen breedtedér Vingers gefchiet zijn. Het is bekend, dat Pau. lus ägineta. Lib. 6. Cap, 43.P. 568. Med. Art. princif, ook de zaag voorgefteld heeft, welke wijze van doen le Dran mede in zijne Opérât, de Chir. aanprijst. Dog hoe groote Geneesheeren en Heelmeesters, die Mannen ook mogen geweest zijn, blijkt hieruit, datzij de we* tuigkunde nooit hadden geoeffent ; niets immers is moe- jelijker dan daar eene zaage te gebruiken , niets gevaar. lijker, als die'uitfehiet, om de veelvuldige zenuwen en bloedvaten die inden omtrek gelegen zijn, en welke in de reets aangepreezenedemonftratien van de Heer Cam- per , allernaukeurigst afgebeeld en befchreeven zijn. Wij prijzen dan den beitel aan, voorts alle zodaanige
zwagtels als door de meesten zeer nauwkeurig befcbreei yen zijn, die men bij Heister en de Bas, overvloedig kan vinden. De bloeding fluit ras van zelve, maar de pijn is M
de afneeming, die met den beitel allergezwindst ge* fchiedt, altoos zeer hevig, en duurt lang, om die rede is een Opiaat nodig, ten einde de Lijders door rust ver- kwikt worden. ,, \TIJVER; in 't Iatijn Fivarium, Pifcina &c, is eea
groote Waterkom van ftilftaand of ook wel loopend wa- ter, waar van de Boorden doorgaans met metzelweri zijn opgezet, en waar in men Visch bewaart. ViJVER-MQSSËL, zie MOSSEL «. lil. j>. 218*
|
||||||||||||||
|
de koortze geeft, en de zwelling van den aangedaanen
Vinger, véreischt pappen, ftoovingen, en al wat verwarmt, en vermurwt. Niets kan het wilde vleesch wegneemen yoojr dat de verzweering geheel uitgebulderd beeft, en dikwerf loopen er verfcneidene weeken ja maanden heen èer alles bedaard, en geneezen is. Zo dra de verzwee- ringgedaan, dat is uitgewoed heeft, kan men het wilde vjeesch-met verfterkende, en zaämentrekkende middelen bedwingen : maar dit te doen eer de verzweering be- daard is, geeft flegts heviger eil ondraagelijker pijn. Dee- ze ziekte, deeze verzweering is de eigentlijke Paronij» chia, of Pterijgium der Ouden. Dog de Fijt, is eigentlijk eene Phlegmone ofheete
óntfteeking in het papagtige der Vingers, welke fchielijk zwelt, en'zo pijnelijk is, dat er niet alleen eenehevige koortze uit ontftaàt, maar flauwte, ftuipen.de dood zelve.» gelijk Barbette. />. 242. Cap. XV. Chirurg. aanmerkt. Deeze Óntfteeking is zo hevig, en de ftoffe en de
bloedvaten verftopt zijnde, word zo fchielijk fcherp, en bedorven.dat zij de vaten doorknaagt, het beenvlies, zelfs het been, zo dat het geheele lid verloren word, door bederf, en wegvalling, wanneer zulk een Vinger, niet ten fpoedigften wordopengefneëden. Dit te laat ge- daan zijnde, heb ik' meer aan eens vooralaan den Duim eerie verzweering zien volgen,, die maanden, zelfs in een oud Heer meer dan 4 jaaren duurde; deeze vertraa- ging hangt af van eene langzaam voortgaande Caries, of beenfchilfering van het Nagelkootje. Zolangdieduurt, isde Vinger bovenmaatendik, zeerfungeus, en bloed op het minfte aanraaken, 't gene altoos met hevige pijn verzeld gaat. Hier koomen van gelijken verzagtende., en vermurwende pappen, en zalven tepasfe; deaffchil- vering ophoudende, is alles fpoedig geneezen. Zomwijien gebeurd het dat die óntfteeking niet flegts in
het papagtige van den Vinger, maar zelfs binnen de ko- kers valt van de trekkers die de Vingers fluiten, in dat geval is de pijn allerhevigst, en'meri moet niet alleen- lijk den vetrok doorfnijden tot op den dwarsfen band die de trekkers tegens de vingers aanhoudt, die de Prof.CAM« per in het 1. Boek van zijne Dem. anat. path. Tab. 1. fig. e. x. en y. zofraaijen duidelijk afgebeeld heeft; maar men moet ook deezen band geheel doorfnijden, flegtshet mes in het midden van de Vingers laatendedoorloopen. Want het is onmooglijk op die wijze de zenuwen, en zijdelingfcbe bloedvaten te kwetzen, gelijk men teffens in die plaaten zien kan, waar in de loop dier zenuwen allerduidelijkst is afgebeeld, voor al in den ring-vinger, zie mede Tab. II. fig. III. b, fig. eifi, m. n. als mede deeze Dwarsbandén. x. y, z. De Heer Camper heeft de Fijt in goedaartige enkwaai'
êartige verdeelt, volgende daar in den Grooren' Heel* meester^WisEMAN; de leezerkan zich daarover verder- onderrëgten bij den Gemelden, I,ib. I. Cap. I. $. 19. oïf bij Wisemas Eight. Chirurg. Jrcalife. Land. Tom. I. f.,90. Het Beenvlies 't welke in de Vingeren het been; ia
de boite der vinger-kootjes onder de trekkers bedekt, is zo dunt dat het niet mogelijk is voor een ige etter om Zich daar te vergaderen ; eërzoudif Vliesje doorbreken, zodat DioMs de oper. de Chir. p.718...zeer«wel gezégd he.eft,<dat dit zöortvan J^'t door,zommige oude Heel- tijeesters bijgebràgt., alleen in inbeelding teftaat. De Beroemde Lafaoe , die zeer uitmuntende aanmerkingen, byzonder öc dit ftujt,, bij Diosis Heelkonst gevoegd |
||||||||||||||
|
w.
|
||||||||||||||
|
W. Is een letter die niet .tot het latijnfche A!phabe*
behoort, maar alleenlijk van de Duitfcbers word g bjtuikt, als mede van de geenen, die met hunne taa^.. |
||||||||||||||
|
WAA.
Bitfpraak eenige gemeenfcbap hebben, als bij voorbeeld
de Nederlanders enEngelfchen, wier taaie voor een groot 'gedeelte Saxisch is. W~AAFÉ^EN,zie GEBAK, pag. 8ox. -,
WAAGEN, in 't fransch Risquer, betekend het een
of asder te doen daar gevaar mede vermengt is. Dus zegt men »zijne Goederen, zijne Koopmanfcbappen, enz. jjfaagen , zonder vreze van hetzelve te verliezen , en zulks in hoope van een groot gewin te doen. Het is zeer onvoorzigtigte/iPâag«», wanneer het gevaar klaarblijke- lijk is. . ..- : ' . VVAÄKEN , bier door verftaat men in de Dierlijke
Huishouding, die weiland van het Menfchelijk Lig- haam, waar in de werkingen van de uit en inwendige Sinnen, als mede der Spieren, gemaklijk kunnen gefcbie- den, zonder de minfte tegenftand te ontmoeten. Ik ben verzekert dat ik v/aak'., wanneer ik met openeOogen de ligbaamerj vermerke die rondspmme mij zijn; want Biijne Oogen zien verwardelijk wanneer mij' de flaaplust bevangt, en ik zie in 't geheel.niet wanneer ik flaape. Ik makt indien ik de geluiden ontwaar worde die on- der het bereik van mijn gehoor zijn,* ik flaape indien ik die niet hoore. Ik waake wanneer ik na eigen goedkeu- ring gaan offpreeke; ik waake wanneer mijne hersfe- nen in zodaanigegefteltheid zijn, dat de uitwendige in- drukzelen tot mijne Sintuigen overgebragt, zekere ge- sagten inboezemen. Eindelijke waake ik, wanneer de beweeg-oorzaak der Spieren, bij de minfte verandering van bet denkend grondbeginzel, gereed is om na die Spie- ren toe bepaalt te worden. Een Mensch bewaaken, word m twee zeer verfcbillen-
de finnen gezegt. Het betekend de nagt bijeen zieke door- brengen, om die pptepasfen en van de voorgefchreeve- ne geneesmiddelen enz. op zijn tijd te voorzien. Ook betekend het een Mensch befpieden, die van nabij of om zo te fpreeken op de hielen volgen, hem zo nauwkeu- rig bewaaken, dat bij pnmooglijk kan ontfnappen. , Het gedrag ofdaaden van iemand bewaaken, word in
een goede en ook in een kwaade fin genoomec. Voor- beelden: hi)be-waakt of lefpied alle dedaaden van zijnen Vijand; een goed Huisvader bewaakt zorgvuldig het ge- drag van zijne Kinderen. WAAKZAAM , betekend éene bijzondere aandagt
vestigen op eenige gebeurtenis of onderwerp. Eigen be- lang boezemt waakzaamheid in. Waakzaamheid is een "ezentlijk vçreischte vooreen Generaal. Zonder waak- toamhtld zal een Wijsgeer zomtijds ftruikelen ; een Christen geen ftap doen, zonder te vallen. ^ . .WAALWORTEL ; Walwortel ; Confolida major ;
Sijmphititm; welke laatftebenoeming door zommtgeo afge- leid word van «■»'», met, en tfû*, groeijen, om dat dee- 2 Plant de wonden heelt, en van veelvuldig gebruik is, orobetvleesch weerzamen tedoengroeijen. Anderen lei- sen het af van vo/tt<pvti>, aaneen lijmen, om dat indien des* *?'« Bladen of Wortels met vleesch gekookt worden, «etzelve zich tot eene klomp zet. Kenmerhn. De Bloem beftaat uit een Blad, van een
V^gterswijze gedaante, hebbende een langwerpige Buis,
J*nvan,boven van figuur gelijk een toorts. Uit den
.'°eml5elk, die diep gefneden is in vijf lange ftnallerar-
25, ''"gen, komt bet Stijltje verzeld van vièrvrugtbegin-
s, die naderhand evenveel zaadjes worden., eenig-
ns van gedaante geüjk een Slangenhoofd, en die inden
*°emkelk rijp worden. *wten. Daar 2ijn veelvuldige Zoorten of veranderin.
|
|||||||||
|
WAA.
|
|||||||||
|
4041
|
|||||||||
|
gen van dit Kruidgewas, dan de meesten van weinig be-
lang zijnde , en zeldzaam bij ons gekweekt wordende', zullen wij ons alleen tot de drie volgenden bepaalen. i. Groote Waalwortel, met witte of bleekgeele, sok wel
purpere Bloemen; Sijmphitum confolida major. C. Bauh. Pin.; Sijmphijtum magnum. DoDON. ; Sijmphijtum olum £? alus. Lobku.; (Sijmphijtum foliis oyatthlanceolatis de- currentibus. Lusw. Spec. Plant.) 2. Groote Waalwortel met een tuberoofen Wortel ; Sïjm*
phijtummajus, tuberofaradice. C. Bauh. Pin. 250 ; Sijm- phijtum radiée tuberofa. Cam. Epit.701.; (Sijmphijtum foliisfwnmis oppofitis. Link. Spea Plant.) 3. Oosterfche Waalwortel mît ruige rondagtigt Bladen
en blaauwe Bloemen; Sijmphijtum orientale, folio fabro- tundo afpero, flore caruleo. Tourne f. Cor. 7.; Sijmphij' tum conflantinopolitanum, boraginis folio 0 facie, flore albo, Büxb. Cent. 5. p. 36. ; (Sijmphijtumf'olUsovatisfab- petiolatis. Linn. Spec. Plant.) Plaats. De eerfle zoort groeit in 't wild op vogtige
grazige plaatzen, naast de waters en elders in Neder-en Hoog-Duitscbland, Vrankrijk, Engeland, enz. De tweede zoort vind men in Italien, Zuid-Vrankrijk enz. "De derde zoort in de Levant. Kweeking. De beide eerfle zoorten vermenigvuldigt
men, of door derzelver zaad in het voorjaar te zaaijen, of door haare Wortels te fcheuren. De laatfte manier de gemakkelijkftezijnde, word inzonderheid te werkgefïeld, daar ze tot jgebruik geplant worden. ^ ©e beste tijd om de Wortels te fcheuren is in het najaar, "wanneer bijna elke ftuk der Wortel zal groeijen. Ze moeten van 16 tot 18 duim van malkander geplant worden, op dat ze plaats hebben, om zich te verfpreiden, en hebben geen meer oppasfens noodig, dan ze van onkruid fchoon te houden; want ze zijn buitengemeen hard en groeijen bijna in alle gronden en ftandplaatzen. De derde zoort kweekt men, door haar zaad in het voorjaar te zaaijen opeen bed met verfche on bemeste aarde, en wanneer de Planten zijn opgekoomen, moetenze zorgvuldig varf onkruid worden fchoon gehouden, en daar ze te digt ftaan gedund worden, zo dat men ze 4 of 5 duim van malkander laat, en den volgenden St. Michiel, können ze verplant worden, daar men ze denkt te laàten ftaan, 't welk zijn moet in verfche onbemeste aarde, omtrent twee voe: van malkander, alwaar ze können blijven ftaan, om teWoeijen, en zaad tegeeven. Kragt en Gebruik. Dit Kruid is maatig verwarmend,
opdroogend, zamentrekkend, infnijdend, verdikkend,- de fcherpheden temperende en zeer wondbeelënd; zeer dienftig voor buik-en roode-Ioop, bloedfpuwing, bloed- wateren, longzugt, breuken én inwendige wotiden, in decoct-ie, of weihet conferv, fijroop of esfentz uit de* Wortel. Uitwendig is dë wortel ook zeer dienftig: om 't bloed teftempen, en om Breuken en Wonden te* geneezen. WAANGELOOF, zie BIJGELOQF.
, WAANWIJSHEID, in 't fransch Préfomption. Der verregaande drift welke ons bezielt om ons van onze Wedemenfcben te doen agten, brengt te wege dat wij: met een zoort van vervoering wenfcben zodaanigeboeda.- Digheden te bezitten, welke agting inboezemt; en in> tegendeel op het fterkfte vreezen,gebreken,te hebbeny, die een nadeelig denkbeeld van ons Kunnen geeyen; En dewijl men- zeer ligtgeloovJg is ten aanzien van zodaa- nige dingen waar na men al te fterk verlangt, gebeurd- liet,, dar. wij of een al tevetbeeven denknésldtvan ons- aetr
|
|||||||||
|
WÂÀ';
|
|||||||||
|
4o*.a : WAS.
|
|||||||||
|
zelven vormen, óf wel dat wij in een al te Verregaand
wantrouwen ten aanzien van- ons zelven.vervallen. De eerde deezer beide gebreken word Ferwaantheid.de tweede Béfchróomtheid genoemd. Beide,'deeze gebreken welke te. gens malkarideren fchijnen teffiïjden, vloeijen echter uit eene zelfde bron voort, of zijn veel eer niét dan een en het delfde gebrek onder twee verfçhillende gedaantens. Verwaantlieid'is eene vertrouwende hoogmoed , en Be- fchroomtheid, eene hoogmoed welke vreestzich zelven te zullen veraaden. " Zeer fraaij is het Vertoog 't welk wij over dit zo al»
gemeen lieerfchendgebrek in het Ve deel lefluk van de Vaderlaiidfche Lettëroeffeningen geboekt vinden/ en 't welk de Waanwijsheid, ten opzigte van den Godsdienst, jn haaren aart, en uitwerkzel.en befchouwd, zo zaake. lijk ontvouwd en te keer gaat, dat wij hetóverwaardig*. agten, om ter overweeginge van zodaanige onzer Lezeren dietia dit gebrek mogtên overhellen, ter waarfchouwinge medetedeelen. - Het is (zegt dien onbekenden dog verftandigen Schriji
ver) eene zo beklaaglijke als zekere, en door de/onfaal- baare ervaarenisfe, bekragtigde waarheid, dat de Jvlen- fchen van het eene doorgaans in het andere uiterfle loo.- pen, en den veiligen middenweg niet dan. zeer hoode betreeden; het dagelijks gedrag der weinig beraadene Stervelingen, ontheft ons van de moeite óni veele voor. beelden op te haaien, zij fchieten een ieder op de min- de overdenking, te binnen. Een echter zullen wij aan- roeren, 't welk ons als met de. hand leid tot bet (luk waar over wij"voor hébben zommige bedenkingen mede tedee- len, die, zo wij hoopen, den Beminnaaren der Waar- heid in 't algemeen , dog wel bijzonder den Liefhebbe- ren van Godsdientlige Waarheid, zullen gevallen. Men vind, naamlijk, den handel der Ménfchen be«
fchouwende, er zömmigen, die in alles, wat kundig- heden, en wel inzonderheid Godsdienftige kundigheden, betreft, zich volkomen door anderen laaten beftuuren, die nimmer uit hunne eigene oogen zjen, maar altoos uit die hunner Medemenfchen, en, wat hun word voor- gefield,'goed of kwaad keuren, prijzen oflaaken, naar dat diegeenen, welke zij tot Keurmeesters van waar en valsch gekoozen hébben , hun raaden of voorgaan. ;Laa- ge zielen in de daad, die de Waarheid nimmer omhel- zen door overtuiging, (leunende op een aandagtigen onpartijdig onderzoek; maar enkel op het blind erkende gezag van anderen, en dus bloot daan om zo wel tot het.belijden der groffle en tastbaarfté ongerijmdheden ge- bragt, als tot het erkennen van, de gewigtigfte en aangè- legenflé waarheden, aangezette worden. Voorwaar zij zijn den Kinderen gelijk, wier denkbeelden ;zich fchik^ ken naar alles wat hun word voorgehouden; ten allen oogenblikken veranderen zij," hebben ze wufte én onbe- ftendige Menfcben tot voorgangers gekoozen, niets is oneenpaariger, niets onderling ftrijdiger dan hun begrip van zaaketj, zo zij gezegd mogen worden eenig begrip te hebben-: of zijn hunne Lèidslieden van dien aart, dat zij bet eens omhelsde onaffcheidelijk âankleeven, men ontdekt in die. laffe naavölgers de ftijfz'innigfte en onbuigzaamfte onverzettelijkheid. , Het kiaarfle be- toog, kan niets uitwerken op hunne door gezag Vermees. terde gemoederen.. Dog is dit flaaffche gedrag, dit uiteifte'van anderen
geheeï én al bundeling re volgen, 'zónder te weeten óf men den weg der waarheid dan dien der dwaaling bewan- delt, zeef te verwerpen en af te keuren; fchrifctelkbe- |
dagfzaame van dien foekloozen handel; niet min laat
baar is het gedrag van zömmigen, die in een anderuiter" de loopen, en alles wat van anderen word voorgelleld verfmaaden, die wijs zijn bij zich zelven, en zich fchul. dig maaken aan de Waanwijsheid; dat zielsgebrek, 'tgeen wij in zijnen aart zullen ontvouwen, in zijne gepolgen ten toöne Heilen, en waar tegen wij de beste behoed- middels aan de hand zullen geeven. De Waanwijsheid is-een gedeelte van den. Hoogmoed'
en hier in gelegen, dat iemand, door eene ijée'le verieeldiné opgeblaazen, eene grootere maate van kund_e of wijsheid waant te bezitten dan zijne Medemeffchen, en-ziek daar op verheft. Zij is, zeg ik, een gedeelte van den Hoog. moed, ja een zeer aanmerkelijk deel van die voor den Mensch zelf lastige, en voor zijnen Naasten bijkanson. draaglijke zielsgefleltenisfe; die, zich op het verfland verheffende, te regr de hoogmoed der Wijsheid mag ge. naarnd wórden, de erglle en kwaadaartigfte zdort van hoogmoed uitmaakt, welke men kan aantreffen onder de Sonne : men"vind, ter ftaavinge van dit gezegde, hoogmöedigen 'in andere opzigten, die tot daan ge. bragt■', onderwéezen en van dwaaling overtuigd kun' nen worden; maar de hoogmoed'der geenen die wijs zijn in hun eigen oogen,; is meestentijds ontembaar en volftrekt ongeneeslijk. ' Een Rijkaart, bij voorbeeld, die zich zelven op boe-
gen prijs (lelt, w'egens de fehatten en uitgeflrekte bezitJ tingen hem ten deele gevallen, verfmaad doorgaans dé , onderregtingen der geenen, die verre beneden hem ge- ' (leid is in wereldsch vermogen, en de raad des Armen is* om geene andere rede, bij hem verwerplijk, dan omdat die uit zijnen mond komt: hij verfmaad, door deeze verkeerde bevatting, mogelijk zeer goede en beilzaame raadgeevingen ; maar'Menfchen van middelen hebben echter invloed op zijn geest, en de ommegang metzijns gelijken in (laat, dog die in verftahd verre boven hem uitmunten, kan hem verbeteren, van dwaasheden rug' waards houden, en tôt een omzigtig gedrag beweegen. Ëen Trotsaart opgezwollen door degrootfche gedagten van de aanzienlijke ampten die hij bekleed, vanden hqogdaatlijken, rang tot welken hij verwaardigd is, mö- ge uit de hoogte zijner verwaandheid, met verfmaadin- ge neerwaards zien op de gevoelens van 't gemeen, die op zulk een afftand hem beuzélagtig en onaannicrkens- waardig toefchijnen ; de voordellen nogthans der zoda- nïgen, die hem|n aanzien gelijk, oftóthoogereertrap« pen opgeklommen zijn, komen hem niet zelden groot en gewigtig voor, en kunnen hem beweegen om anders te handelen dan 'hij eerst had voorgenomen. Dan de Waanwijze', die zich op zijn verfland verheft, is haas« tig, onbedagt en (lellig in alle. zijne kundigheden, e" dooiende, gelijk hij zeer ligt daar toe vervalt, niet we. der te regt te brengen. EenMensch van deeze ongelukk" ge gedeltbeid, verbeeld zich gereedelijk dat alle zijne denkbeelden klaar, onderfcheiden en volkomen zijn; de enkele gedagten van gebrek aan bekwaamheid en doorzigt van zaakeri of wantrouwen van rm'sgetast te hebben, o' het te zullen doen, komt nimmer in hem op, en, zicti wijzer dan andere waanende, leent hij nooit het °or*|E de onderrigting zijner Medemenfchen. Dit zijn de hoofd' trekken van het afbeeldzel eens Waanwijzen ; dog laaie wij die wat bijzonderder en onderfcheidener vertoonen. en hem dus;beter doen. kennen. et Een Waanwijze voelt, indeeerde plaatze, eeneze
flerke neiging om zich van andéren te onderfcheiden, |
||||||||
|
WAA.
|
||||||||||
|
WAA7
|
||||||||||
|
4043
|
||||||||||
|
Wrzond'ër te weezen : door den algémeenen weg te be's
aandelen zou hij geen vertoon maaken dat de aandagt onwektev uitlokte, en trok, maar ongemerkt in den y'ermengden grooten hoop doorgaan; iets vreemds; iets' nieuws, iets ongehoords, moet er gevolglijk, om dit oogwit te treffen, uitgedagtenvoorgefteldworden. En, #at wonder! dat deeze vlammende begeerte na lof hem vervoert tot zo verkeerde als nieuw opgeworpe ftellin. gen.' in de daad niets is er dat paaien kan zetten aan de ^Walingen, welke natuurlijk.hier uit gebooren worden. Een duidelijk en tastbaar blijk van dit gezegde ontdekt men, wanneer men de verfchijlende en vreemde ftelzels deriOude Philofophen nagaat,, die, veel al gedreeven dooreen zugt, om zich van anderen,te onderfcheiden, daardooreenehgrooten naam te.maaken ,, eneenen roem- lugtigen aanhang te verwerven, tot de belaglijkfteon- gerijmdheden en onredelijkfte begrippen vervielen. De PrRHONisTEN, die van de Akademisten gevolgd wer- den, hielden ftaande, dat er niets zekers ware, en twijfr felden aan alles. De Navolgers van Epicurus fteldenmet> woorden de Goden, dog namen ze met de daad weg, de: wording der Wereld aan eent'zamenloopvanondeelbaa. re deeltjes toefchrijvende; terwijl ze de Voorzienigheid loochenden, en den fpot dreeven met de beloon ingen en> (haffen eens toekomenden leevens. De Pertpatheti- sche Wijzen, en de aanhangers van Plato hadden ie? der hunne bijzondere en onderling ftrijdige Leerftellin- gen. Ende Stoïcijnen, die alle andere aanhangen oyertroffen in regtmaatigheid van bevattingen wegens., God, Godsdienst en zedenleere, hadden, gelijk de ove.: rige; (tellingen, die, ; wel ingezien, de heerlijkfte be- ginzels die zij zelve beleden, tegenfpraaken ; wat is be- kenderdanbun bijster begrip over de hsrtstochtenen aan- doeningen der Menfchen? met een woord, niets kon er sodwaas verzonnen worden, gelijk de zo geleerde als welfprëekende Cicero aanteekent, of liet was van eenen:-, in.Philofophen beweerd enfiaande.gehouden. Cicero, de.. Diyinat. Lib. 2. Treffen Menfchen van deeze geftel- tenis de waarheid, 't is enkel bij toeval, baar te ontdek» ken is bun, oogmerk niet; en , brengt, de waarheid hun op den ajgemeen betreeden weg, met dien te bewandelen zou hun nâamder vergetejnisfe niet ontr.uktvnogvande tonge der laate haakomelingfchap vermeld woTden;.een ongebaand bijpad, van den engen en een igen weg der Waarheid aßoopende, verkiezen zij derhalven, om daar °p den zo zeer beminden en gezogten lof, waar't moge- lijk, te behaalen. Is de toejuiching niet algemeen, watnood?de Waanwijze vleit zich mét het denkbeeld van de diepe onkunde, in welke bet gros des Mensch- doms gedompeld ligt, en ziet hét kleinegetal zijner Na- vigeren en Loftuiteren voor keurlingen der wijsheid »an,' en is des getroost, de Bijzonderheid zal zijnen naam vereeuwigen. . . Ten anderen verbeeld zich de Waanwijze dat hij in ftaat
is om alles,te bevatten, dat er niets in 't wijd uitgebrei- oe Heel-al gevonden word, 't geen zijne kennis te boven «reeft; een onloochenbaar bewijs , in de daad, dat hij n°g zich zelve kent, nog eentg begrip heeft van de on- è\ TuS zaaken' die nein omringen: en dit verwaande «enkbeeld doet hem noodwendig in een zee van dwaalin- 8en> de een fpoorloozer dan de ander, heromzwerven; "M nimmer kan op een beginzel. zo volftrekt valsch een «ar flelzel gebouwd worden, nimmer de onkunde tot n gfondflag der waarheid dienen., Door ijdelen AiI°ifebIaazen neemC hi' zijne eïSene kundigheden, |
||||||||||
|
20'ndefdie van anderen zich ten'nütte te maaken, en
zijn vöördeel-te. doen met hunne nafpeuringenen ontdek? kingen, 'voor de regelmaat naar welke bij alles afmeet, en één béflisfend óórdeel velt. Hoe bepaald, hoe eng _ moet de kring zijner kennisfe weezen, die hij waant dat zich tot alles uitftrekt ! hoe vrugtbaar zal de eene dwaa- ling de andere voortbrengen. , Dit echter is het eenige kwaad niet dat uit deezen oorfprong opwelt, hij zal daar benevens zich aankanten tegen alles wat bij niet kan be? vatten, of in de daad niet bevat, door geen genoegzaam onderzoek in't werk gefteld te hebben, en het als valsch verwerpen. Door den invloed van welke misleiding hij' zeer groot gevaar loopt om de allergewigtigfte.beginzels der rede en de allerbeiligfte voorfcbriften van den Gods- dienst te verfmaaden. Om dat hij, bij voorbeeld, niet kan begrijpen hoe eene denkende zelfftandigheid t'za^ mengevoegd könne worden met eene ftoflijke, zal hij ge* reed weezen om het bijzondere beftaan en deonfterflijk« heid der Ziele te lochenen; en nietmagtig om, met zijn beperkt vernuft, te ontdekken hoe het oneindige ver- ftand, en de ondoorgrondlijke wijsheid des Allerhoog- ften, dit Heel-al met alles wat daar in is onderhoud, be- zorgt en befluurt, zich bevoegd agten om deGodlijke Voorzienigheid te ontkennen; en, om nog maar een voor- beeld bij te brengen, geen klaareonderfcheidenë en vol- komene denkbeelden kunnende vormen van oneindigheid en eeuwigduurzaamheid, mogelijk vervallen tot het al- lerijslijkfte uiterfte, om het beftaan van een Opperwee» zen in twijffel te trekken. ■ Men ontdekt wijders, met de ervaarenisferaadJeeven-
de, dat Waanwijzen over't algemeen eenegroote en driftige geneigdheid hebben, om over alles te twistre- denen, -fcboon zij zo min tegenfpraak kunnen dulden als zij gaarn anderen tegenfpreeken; zij bezwalken ten dien einde niet zelden de klaarfte waarheden meteen dikke wolk van bovennatuurkundige duisternisfen, door welk middel de ftukkén, welke zij ten oogmerk hebben te be- fchouwen, voor hun zelven gehee) onzigtbaar, en voor anderen, die'ongelukkig of dwaas genoeg zijn om aan hunne wartaal gehoor te geeven, allengskens duisterder worden. ■<■' Valschlijk oordeelen zij dat het hun voor ongemeene fchranderheid en doorzigt van zaaken zal wer« den toegerekend, wanneer zij aan de algemeen aange? noomene beginzels van Waarheid en Godsdienst twijfe- len, of, een roekloozen ftap verder gaande, belächger* en door fpotternijen: onteeren. De Waanwijsheid mei deeze verbeelding gepaard, moet zeker onder de oor- fprongen van de vrijgeesten'j der zogenaamde fierke-gees- ten geteld worden. Ziet daar Leezers, in eenige voornaaaie bijzonderhe-
den aangetoond, welke de boofdhoedanigheden eens Waanwijzen zijn; hoe hij gereed, ja bijkans onvermi> delijk in veele en zeer groove dwaalingen vervalt. Het zal ons niet moeilijk vallen om te doen zien hoe dat zelf- de beginzel van hoogmoed des geestes, -'t geen hem de dwaaltag, in veele gevallen, boven de waarheid doet omhelzen en beminnen, hem tevens vervoert om de ver- keerde begrippen, eens aangenomen, hardnekkig ftaan- de te houden. Zal iemandvan den weg der Waarheid afgedwaald we»
der te regt komen, het is voor alle dingen noodig, dat hij zijne dooling bemerke, endeezekan bij niet ontwaar worden, of hij moet zelve de zaaken nauwkeuriger On- derzoeken, of gehqor leenen aan dezodanigen, die zulks gedaan hebbén, Het eerfte deezer Hulpmiddelen, om Nn het |
||||||||||
|
WEIß
|
|||||||||||||||||||||||||
|
WÄA,
|
|||||||||||||||||||||||||
|
404*
|
|||||||||||||||||||||||||
|
liet verloorene pad der waarheid weder te vinden; re- fpreeken,zou fnuiken. Deeze valfchefchaamtebeweert
kent te Waanwijze onnoodig, het tweede verfmaad en hem om zicbzelven diets temaaken, dat hij niet gedwaaM
veragt hij. , heeft;, en hij zoekt, door alle bedenklijke uitvJueten
Wie zich roet eene oppervlakkige befehôuwing verge- het eens gefielde te beweeren; iets 't geen onmogelijk
aoegt s en meent in .een opflag een geheeje, zaak door en jrefchieden kan zonder dwaalingen op dwaalingen te flaai
door te zien,, rekent het nader overweegen, het ander« pelen, en de eene, dwaasheid te begaan- om de ande*
werf befcbouwen der dingen voor den flaaffchen arbeid re te dekken. Wie , wie ziet het einde aan de bui.
Van laage, vadzige en kruipende Verftanden; door dit tenfpoörige fteilingen, welke hier uit zullen gebooren
te doen zou bij zich derhalven daar mede gelijk Hellen: worden?
welk een hoon voor zijne vlugge: fchranderheidl welk Uit deezeaanmerkingen blijkt, onzesagtens, fonne.
eenfrnaad voor»zijn oplettend en juist oordeel !. Eenmaal jt[aar de juistheid der Spreuke van Israels wijstenKw
beeft hij zich verledigd orodatftukteoverdenken, «bet ning, hebtgij eenen Man gezien die wijs is in<zijne eigt.
toen bevonden, gelijk hij nu voorgeeft dat het beftaat; neioogen~, van eenen- Zot, of eenen onkundigen, kween
|
|||||||||||||||||||||||||
|
der verwagting.dan van hem. Spr^ XXVI; 12.
De; Waanwijsheid dus met gepaste koIeuren:afgefchil- |
|||||||||||||||||||||||||
|
ten tweedemaalen dit werk te verrichten rekent bij loute-
te dwaasheid, het zou, volgens zijne gedagte, dog op
|
|||||||||||||||||||||||||
|
een uitkomen.. Deeze waan van alles net te weeten fluit derd-en dé mismaaktheid haarer gedaante getoond hebben-
den weg tot; vordering niet alleen , maar belet hem fâj gaart wij voort, om eenige middels voor! te fchrij.
©ra begaane misflagen; te. ontdekken: errgevolgl.ijk te VÊBn welke-: kunnen dienen om-onsvoor dat zielsgebrek
verbeteren. : - _. te hoeden-jtehoederr, zeg ik, dewijl de Waanwijzen,
En zo. min: àe,Waanwijze âas. zich zelvenuitde dwaa- volgens hee aangetoonde, voor bijkans, zo niet volftrekt,
Kngkan of zal redden, zo min zal hij, door anderen daar onverbeterlijk : moetende gehouden worden, wij ons niet
Uit geholpen worden ; want, om eenig voordeel van- de durven, belooven,t om zodanigen onzer-Leezeren, die-
©ndeuigtingen onzer MederaenCcben te trekken, word aan di-teuvel maak gaan; te: verbeteren en de oogen te
boveaal vereischt, dat wij eenige achting voor hun heb- openen. Hebb'enzij echter, dft»iluk}e niet uit dehand
|
|||||||||||||||||||||||||
|
ben ; zijn ze de voorwerpen onzer fmaad, hunne beste en
klemmendfte bewijzen, wel verre van bij ons, volgens rrangewigt aangenomen en ontvangen te worden,,reke- nen wij onzer aandagt, onwaardig-; half gehoord en ten: deele verftaan, worden zij reedsi als niets behelzende* |
geworpen v ophetzien hunner eigenebeeldtenis, zo wan.
febaapen-in dedaad, durven zij voort leezen, zij kunnen de behoedmiddels-,, welke wij zullen voordraagen, met' weinig verandering, zich tot hulpmiddels maaken, ont? uit de;ftrikken dier verderflijke hoogmoed verlost en ge- red te worden.. , I Van veelvrugts. zal het weezen, omnons tegen de
Waanwijsheid te hoeden, dat wij de flinkfche hoedanig- heden haarigen; en de heillooze gevolgen aan dezel- |
||||||||||||||||||||||||
|
De zodanigennü die wijs zijn in hun-
|
|||||||||||||||||||||||||
|
verworpen.,
|
|||||||||||||||||||||||||
|
B© eigene oogen ; zien alle-hunne Medemenfchen>-.- wat
bet verffcand betreft, met .veragtïng aan f, de inbeelding maakt hun doof voor de ftemmè der ieering;,, dçjger. |
|||||||||||||||||||||||||
|
. Voelens van anderen zijn doorgaans algemeen, enwor- ve verbonden -;~oi»." menigmaa-len-te"binnën brengen,
, den voor bet gros des Mensehdoms erkent, zij Maan Memoverweege dan:boe de zugtom bijzonder te wee.
,,, dezelveof uit diepe onkunde * flaaffche navolging;, of zsn ons dikwerf van het effen fpoor- der waarheid doet
& doo.« eigen belang gedreeven, voor^jdit is de taai afdwaalen ; hoe de zotte verbeelding van alles te kun»
der- opgeblaazene Waanwijsheid, in deezer?voege zend Ben of te moeten bevatten, ons tot onkunde en mis ver»
zijshet onderwijs te rug..|g En wie zal zich inlaa- ftand vervoert; boe twistengefehilzuchcd'eklaaritewaar»
len om met dien hoog gevoelenden te fpreeken of ver- heden dikwijl verduisteren.Men gaa na, hoe zij,
der te handelen, zo dra hij bemerkt datdefmaadlijke ver. die door Waanwijsheid dwaal en, alle hulpmiddels, o»
aehting, meteen fchamperen grimlach, pp zijn weezen uit dedooling gered te worden, in den wind flaan, een
dporftraalt, dat hij alles verwerpt of niet hoorens waar- nader en nauwkeuriger onderzoek verfmaaden, ende
digrekent. Waarlijk leder verftandig Mensch zal dien onderrigtingen van anderen niet hoeren, of verwerpen,
wanWaanwijsheid dronkenen zijns onderhouds .Onwaar-: hoe zij zich zelven in de doolingen verharden, daarzij.
dig keuren, en agten dat hij, met leeringen aan. hem, om; hunne hooghartigheid niette ergeren, nietwillenbe'
vooïi te: (lellen,, paarlèn voorde Zwijnen ftroijtz I.ndee- kennen gedwaald te hebben. Het bedenkendeezerflini>
■am voege, i's: de Waanwijze ontblootvan de gefchikfte fche. hoedanigheden, en 't bezeffen deezer beillooze ge«
hulpmiddelen, om van den dwaalweg op.hetpad des ver- volgen moet ons zö zeer van de Waanwijsheid affchrik-
jfends-, tekomen; een nauwkeuriger herhaald onderzoek ken, als wij ons métliefdetot de beminnelijke Waarheid
»aamlijk, en hetonderwlis van anderen: duwasthijrond^ bezield vinden. --i-i- Endit niet alleen; maar wanneer
ihïde-dikfredujsterm'sfén , terwijl hem , van allezijde», wij der Deugd,; dieonaffcheidbaaregezellinnedér Waar-
döiheldeitle lichten omringen; dog die hem niette ftade heid, eene opregte genegenheid toedraagen, moeten wij
tornen, vetmids,zijne cogeudoor de dwaaze inbeeldihg met eenen dubbelen afkeer van dâtzielsgebrek vervuld
geblinddoekt zijn.» ' worden». Wat anders-immers kan eruit de Waanwijsheid
Gebeurd het echter; fchoon het niet gereediijk ziafge* voortkomen, dande yerwerping van goede beginzelen-
beuren,.gelijk uit het voorbeweezeneten klaarden blijkt,, en wat anders dan ondeugd en godloosheid-zal hetg<^
dtediefcwüs is; inzijn,eigene oogen, dnon het eene of het1 volg -weezen van die.omverftooting der grondvesten eens^
andere- toeval, (een toeval noemen wij 't .naardien. hif; heiligenv wandels?' Laat hier de^ ondervinding den mond
er,- zichiniet op toelegt, en't, ;om.zote#reeken;, zijhs- openen en« voor ons fpreeken.. Wie warende grootte1
ondanks, gefchiedt,)! eenigen misffog., dien hij begaan, en onbefchaamdde veragters van Christus Jesus en zij-
ïïeeft-, ontdekt; hii fehaamt zich dezelve te bekennen ; ne leere, toenhij gezegenddezelveverkondigde, en dte
als; behelzende die bekentenis een openlijk bewijs van klaare lesfen en igebodên van waare heiligheid'dés lé*»
dfe reu baarheid zijns verftands,, welke, eens beleden.zijn- vens-', met de klemmendite drangreden gellâafd'i vóor-
4te* derthpogmoed om;ovex ailles ftout e» belïïsièadetff flsldë?W/e andeis daiïdewaànwijzeiSchrift- erjWe'g^
:!'«! --..'. ■' ..■ .... . KW
|
|||||||||||||||||||||||||
|
' WM' '"
leerden, Pharjfeeuwen en Saddufeeuwefljto/tiem^,
L aaarom hunne taal vol waanwijsbeids, hèeftïetnandMÏp Je Overßen of uit de Pharifeeuwen in hem geloofd? maar defehaare die, dè wet niet weet'isvervloekt Joh. VIL 48. -J _ - Wie waren 't voornaamlijk onder de Heide- nien,-die, wanneer de Leer van Gédzaligmakende Gem. de hun verkondigd werd, dezelve verwierpen ? de Wij- zen deezer eeuwe. Uit welken hoofde Apostel Paulus , jn zijnen 1 Brieve aan deKorintben vraagt, wâaris de fpijze? waar is de Schriftgeleerde? waar is de Onderzoe- ier deezer eeuwe? én heeft God de wijsheid deezer eeuwe niet dwaas gemaakt? 1 Kok. I, 20. en wederom, gij ziet me roeping, Broeders dat gij.niet veele. Wijzen zij t naar den vleefche, maar het dwaaze deezer wereld heeft God uitverhpozen, op dat hij de Wijze befchadmenzoulï Kor. I. 2^27. ■ En wie, eindelijk, zijn nog rieden ten dage, te midden der Christenheid, de verfrnaaders van dien allerheiligiten Godsdienst ? Zijn het niet Veelal Menfchen, door Waanwijsheid opgeblâazen ? Een tast- baar blijk tog bier van befpeürt men, zo dra zij fprée- ken; in plaatze van reden voor hun zaak bij te brengen, tr'agten'zij alles in een veragtlijk licht te (tellen, en eenen befpotlijken draai te geeven; hunne opgeblâazenheid keurt dit ftuk geen ernst waardig,'",..' geeneanderen, dân ^ een vermengde hoop van ligtgéloóvige en vreesagtigé Menfchen, of geveinsden en die er hun belang bij vin- uden, erkent, (gelijk zij uit de hoogte fpreekenj de Waarheid en Godlijkheiddier Leere". En flaan wij verder 't oog op het gedrag der 'geenen,
die, door eigen wijsheid, afwijken van dé vóorfchrif- ten der Redeen der Openbaaringe, wij zien dat onder hun de ongebondenfte driften den mèesterfpeelen/rfatzi/, om de woorden van den H. Paulus te gebruiken, ver- ijield in hunne overleggingen, en in.het onyerßandighar- te, verduisterd, zich uitgeevende voor Wijzen, dwaas wor- den, en vervallentot de uitgieting van alle godtoosheïd. Rófcr. !. 21. 2a. Men moge zeggen wat men wil van den handel des Menschdoms , te wéeteh dat zij niet gevolg- lijk handelen, of, om het klaarder ùît te drukken, dat zij niet altoos te werke gaan, volgens de bëginzels'rwel- ke zij belijden; dat de Christenen, dièdenauwfte voor- fthiifteh van deugd erkennep te moeten volgen, als hun door eenen Godlijken Meester.voorgefcbreeven , niet zoozeer in deugden boven anderen'uitmunten, het is en blijft echter onbetwistbaar zeker, dat, fcbodh menmoet toeftaan, dat de Menfchen over 't algemeen niet gevolg- 'jik handelen, en dat de Christenen op verre ha zo bei. lig van wandel niet gevonden worden, als hunne ver- heevene roeping vordert, het is, zeg ik, en blijft ech- ter onbetwistbaar zeker, dat geene beginzels hö geheel, °fzeer flegte te hebben, niet anders dan ten hoogden nadeeligvoor de Deugd kan weezen; en tot een van die heide zeer gevaarlijke uiterftehs, word men dpóf de Waanwijsheid vervoerd. Hoe zeer behoort dusdanig ee« Be overweeging ieder Waarheid en Deugdminnend Mçnsch aftefchrikken van dit zorglijk zielsgebrek ! Behalven dit algemeene behoedmiddel tegen de Waan-
yysheid is het zeer dienftig om zich daartegen te bewaa-
en, dat wij menigmaalen in ons zelven treeden, en'tla-t
Saap hoe dikwerf wij gefeild en gemist hebben, hoe me«'
"'êvu'dige reizen wij, bij nader onderzoek? dé zaakeh
T^ers bevonden dan wij, in den eerften opflag, meen-
r.en "met veel drifts beweerden. Elk onzer, dientet
jJ' is in zijn eigen oogen ,.zal op de minfte herinnering
ins.gedrags, daar van voorbeelden ©ntwaar worden, 'm.
|
|||||||||
|
WA-A.
|
|||||||||
|
4°45
|
|||||||||
|
ons gezegde «ïoejen toeftemmen. Is het ons.dan - voor-
taaals gebeurd datwij feilden, de voorzigtigebedagtzaam- heid behoort ons te léeren, dat wij weder kunnen mis- tasten, en dat wij' gevolgljjkpiet flerk op onze begrip» péri moeten flaan. «r Niet dat wij altoos moeten twijfelen, en tusfchen beide hangen. Verre van daar ! wij moeten, gelijk het redelijke Scbepzelen past, onze toeßemming geeven aan volftrëktzekere en zedelijk blijk- « baaré waarheden, en, in allé andere gevallen, haarden trap van waarfchij'nlijkheid, tot welken dé zaak opklimt, te werJse gaan; dogin ftukfcën van eenen twijffelagtigen aàrt, die van wederzijde béfchouwd en tweezins opgeno- men kunnen worden, behooren wij voorzjgtig te wee- zen, óni niet te ftelligdat geen door te drijven én ftaan« de te houden, 't geen ons het aannéemlijkfte voorkomt. Denken wij, dat anderen daar omtrent dwaalen> laatën wij tevens bedenken dat wij Schepzels van gelijke, bewee« ging met hun zijn, en zo welals ojtize Medemenfchéa kunnen m is tas ten. Hoe meer wij ons zelven leéren kennen, hoe meer Hof-
fe van nederigheid wij voor ons verftand zullen vinden, én ontdekken dat de hoogmoed des verftands, ons niet voegt; wij zullen bemerken hoe groot, hoe ontelbaar eene menigte van zaaken ons omringen^ van welke wij alleen de buitenfte fehorfe kennen, wier inwendige na- tuur voor ons yerhooleri is,; en mogelijk altoos verbor- gen zal blijven; wij zullen zien dat het kleine ftukskedejr zaake, 't geen wij weeten , niet in vergelijkinge kome bij dé groofe menigte van dingen, welke ons geheel on» bekend, óf maar voor een gering gedeelte openbaar zijn. - Zien wij eens té ruggéop de dagen onzer Kindsheid, herroepen wij in onze gedagten hoe verkeerd, hoe on- gepast, wij toen menigmaalen over veele voorwerpen oordeelden, wij ontdekken tevens hóe de eene dag den ander geleerd heeft, en wat beiluit ftaat ons daar uit af te leiden? Welk een ander, dan.dat wij nog dage- lijks mistellingen te verbeteren hebben ? Een heilzaam Beiluit, in de daad, oni ons van Waanwijsheid rugwaar4s te' bbiiden. 't Is wijders een algemeen zwak van ons Menfchen,
en tevens een der rijkfte oorfprongen van vérderflijkë hoogmoed, dat wij ons zelven doorgaans, wat het ver- ftand betreft, vergelijken mét dé zodanigen, die minder zijn dan wij, die van èehige natuurlijke voordeden, of van zó gunftige gelegenheden en bekwaame hulpmidde- len, ais wij bezitten, beroofd zijn. - Laaten wij dan, ómdaartoe niet te vervallen, ons in vergelijkinge (lel- len met Menfchen, die ons verre te boven gaan in ken» riisfé, ëri oordeel, dit zal ons naderigheid leéren, dit ons de geringheid onzer vorderingen klaar ónder 't oogé brengen. Om met het booze vergif der Waanwijsheid niet|befmet
te worden, zalhet verder zeer dienftig weezen", 'h'ejt ge- zelfchap der Waanwijzen të vlieden, wie pek aanroert, zegt de wijze "Zoon van Sijeach , word daar mede bi- fmet, en die met den hovaardigen gemeenfchap heeft wóri hem 'gelijk. De gemeenzaame ommegang met Waanwij- ie Menfchen kan niet wel anders dan zeer fchade/ijke gevolgen na zich fleepéh; zeer gereed (mmers flaan wij, door de volgzugt, onzer natuure zó diep ingeworteld, dèri weg in, welken onze metgezellen bëtreeden. Is nu de dwaaling en bet volharden in dezelve dèn Waanmj* zen zo eigen, gelijk wij reeds rhiddagklaar getoond heb- ben, wij zullen, hunne voetitappen na wandelende, njede tot dezelvevervallen, en daar in verblijven. Hun- ' N'a a ■. ne |
|||||||||
|
4©4ff %ÀA.
|
||||||||
|
WAA.
|
||||||||
|
iie gefprekken, vol verachting van bijkans al Ie MenTchen,
leeren ons den Naasten met een-vërfmaadend ooge aan- zien. De beflisfende toon, welke de Waanwijsheid'al. toos aanneemt, boezemt den onbedagtzaamen ëenë eer- bied vóór haar in, zodat hij allés wat uit haairen mond komt, voorwelgeftaafde waarheden aanneemt. -Ihzoh- derheid is der Waanwijzen ommegang zeer te dugterj Voor de jeugd, welker oordeel tot geene genoegzaaniö rijpheid gekomen, en welker verftand, door de langzaam onderwijzende ervarenisfe nog niet verlicht is, zij be^ fchouwt de meeste dingen met verwondering, het vreemd- fte het ongehoordfte doet haar het fterkfte aan, en dé grijsheid, haars bedunkens,'te zien dwaalën, kitteit 'niet weinig haaren zo ligt ontvönkbäaren hoogmoed. '- j'én iegelijk vermijde deswegen; zo veel in hém is:, de verkeering met Waanwijze Menfchen; en de Ouders of wien de opvoeding van Kinderen is aanbevolen, hebben zorgete draagen, dat hunne dierbaare panden niet ver- vallen in de handen van die Leermeesteren der onwee- tenheid, dwaaling en godloosheid. " - Vind: men verder iets 't géén de Waanwijsheid voort,
brengt, en een kragtig voedzel verfchaft, 't is, buiten tegenfpraake', onze gereedheid om het oor teleenehàan de zodati igen, die ons geduurig prijzen, en alles wat van ónze lippen vloeit ten hoogften toppunt verheffen. Schoon een verftandig Mensch den lof van lofwaarde ÏWenfchen geenszins nebbe te verfmaaden, maar veel eer zijne poogingen aan te Wenden om dehzelven te verdie- hen en te ontvangen,- moet niemand, die zuiver wenscht te blijven van Waanwijsheid, hóe gaarrï Wij veelal.'defi tof ons toegezwaaid rieken, alle loftuitingen aanneemen, en zich ten vollen toe eigenen; itiaai altoos bedenken, dat de onkundigften er'doorgaans 't mildffie mede zijn. En wat, bid ik u, betekent het van de zodàn igen gëpree- zen te worden? Zij zullen morgen mogelijk eenen, die ïegt het tegenovergestelde beweert, met hunne loffpraa« ken vereeren. Daarenboven hoe veel deels een laffe, Tleijerij, waar aan de Vriend zich fchnldig maakt ait'toe« geevenheid, de Afhangeling door belang, en de Gevëins-: dé om zijne fnoode oogmerken te bereiken, hoe veel deels, zeg ik, 'de laffe vteïjerij over 't algemeen beeft in de verhevénfte löfredehen, weet een ieder, die geen volflaage vreemdeling is in de wereld! Men zij des' voorzichtig, als men gepreezen word over verftand, ken. nis en oordeel. Verre het kleihfte gedeelte dergeenen die ons prijzen, zijn bevoegde dordeelaafs entqewijzers Van regtfchaapen lof. Neemt bij.dit alles nog in övérwee£inge, hoe haatlijk
die Zielsgefteltenisfe is in de oôgeri des Allëfhoogften, iie den Hovaardige^ ivederßaät: 'Inde rolle derProphé- tea word het wte over de Waanwijzen' uitgefproöken, W«ê den geerien/ die in hun eigen oogea wijs en bij zich Sehen 'verjiandig zijn, die zeggen, wij zullen naar snzt gedagten wandelen, en doen een iegelijk naar het goeddun- ken zijns harten ; Jes. V. 21, Jekem. XVIII. 12. en Ko» Bing Salomo getuigt, al die koog is van harte is den Hee- Te em gröäwel, hândaan hand zal hij'niet oùfchiildig zijn. Spr. XVI. 5. De voorzigtigeraad van dien fchranderen Vorst eiscbrderhalve met regt onze oplettendheid: ver- trouwt op den Héere metuw ganfcheMrte, érifieuhtopkiw verfiand niet. Kent hem in alle üwi wegen, en hij zaï siwe paden regt maaken, zijtniet wijs in uwe eigen oogèn, vreest den Heere , ends wijkt van het kwaaie. Sr*. 1H. 5, 6, ?. WAARDE. De deugd of de vërdienfté die de 2aa-
|
||||||||
|
ken in zich zei ven bevatten, maakt 'er de waarde van
uit, en de waarde regelt 'er den prijs van. ' "''* ' De waarde is dé regel van den prijs, dog eengantfcb onzèkeréri regel, én welke men niet altoos kan volaen WAARDEEREN, zie AESÎIMEEREN. -i WAARHEID , in het latijn Veritas. De Natuur der Waarheid beftaat', in de overeenkorrift van onze uit. drukkingen, ofmet de Natuur der dingen, of met onze kennis en bevattingen van dezelve. ------ Ónze uitdruk-
kingen kunnen fomtijds met ons begrip, dat wij van
de dingen hebben, overeenkomen ,,maar niet met der* zelver natuur; In welk geval wijde valfchheid eenen' misflag öf dwaaling, gewoon zijn te noemen. Dan fchóon dit ëene zagtë uitdrukking'zij5; en flegts weinig fchuids in zich bevatte, echter is dit zelfs ftrafbaar in ons gedrag tegens God en onze Medemehfchen, zo wij naamlijk de middelen tot kennis verkreegen heb. ben; want dezelfde wet, die van ons eiscbt dat wij on- ze pttgt betrachten', vordert insgelijks, dat wij toezien om ons van' denzelvfin wel te onderrichten, indien wij, naamlijk, de noödige middelen om dien wel te kennen fnagtig geworden; zijn. - Maar eigenlijk Liegen beftaat daar in,' wanneer' onze uitdrukkingen niet met onze bèyattingen overeenkomen ; zelfs dan, wanneerde uitdrukkingen, bij geval, met de natuur der zaakeover- éenkoomen, want hier was een oogmerk om dezelve verkeerd voor te fleUfin. Dewijl nu onze woorden ver' ftaan worden onze eigen bevattingen regtftreeks uitte* drukken, is hier indedaad eene voorbedagte valfche yertoöning; en hoe men de zaak neeme.wij beoogen, dat een ander gelooven zal, dat wij de zaak zodanig be« grijpen, als wij ons wezenlijk verbeelden dat ze niet beftaat; behalvèridan, wanneer wij een leugen vooreen historie vertellen, en denzelven dus niet onze eigen maaken. En hier moet ik aanmerken, dat wij zoo wel een 'leugen kunpen doen als fpreeken; want, de woor- den zijn maar de wijze van' onze bevattingen uittedruk; ken, 't welk evenfterk doordaaden gefchiedenkan. Bij voorbeeld, iemand die leeft als of hij middelen'had, wel- ke h|j weet dat hij niet bezit; ofals ofhijwas, hetgee- ne hij waarlijk weet, dat hij niet is; in beide gevallen liegt hij al zo/wel, als of bij dit geftadig met woorden uitdrukte; indien dit, naamlijk, gefchied met oogmerk om anderen te bënadeekn en te misleiden. Zodatmen gemaklijk begrijpt, dat alle misftagen, twijffelagtige uit- drukkingen , gelijk ent sjen, verdigtzels, en bet vertellend letigenen, zó wij die niet tot onze eigen maaken, jüisï alle geene leugens zijn ; maareen leugen beftaat in eene vrijwillige vèrvalfching van de waarheid, en gaat gemeen- lijk met een oogntérk om te misleiden gepaart. " Nademaal Ieder een begeert dat men opregt meteen handele, én afkeer heeft van door valsehheid mistó'' of bedrogen te worden, zo word hij, door de rdtu van de bètaamlijkheid en verplichting.om anderen opw- zelfde wijze te behandelen, overtuigd; wantmetwatge* laat können wij vorderen dat alle Menfchen naarde re- gelen van opregtheid en waarheid tegens ons zullen hande- len, terwijl wij valsehheid ën bedrog tot het model v?n o'ris gedrag tegens hen ftellen ? Is bewaarheid van ande- reren Omtrent u waard ig 'gekooren te worden, waarom heeft zulks nleteveneen's plaats van u omtrent anderen^ 't is openbaar dat allebiirgeriijkeMaatfchappijen zonde haar moeten vervallen,* dat valsehheid de banden ve* breekt, en het vertrouwen wegneemt, welke beide daa^t noodwendig vereischt worden; want hoe konden de^j3ea |
||||||||
|
r
|
||||||||||
|
wMm
fcben fliet eikanderen verkeerën of handelen, indien zij
niet kunnen geloofd worden ? en hoe kunnen zij verwsg. ten dat men hen zalgelooven, ten zij, zij beflendiglijk de waarheid fpreeken ? Hij-die op den eenen tijd ergens om liegen zal, kàn redelijker wijze önderftelt worden, be- kwaam te weezen, om zulks op eenen anderen tijd ook te doen,4 of wel in alle gevallen; en dan hebben waarheid en regtvaatdigheid zulk eenenaauwe betrekking met el- feanderen , dat nij niet regtvaardig in zijn handel kan we- zen , welke valsch is in zijne woorden. Waarlijk, een iegelijk behoorde met verontwaardiging aangedaan te worden, over eene ondeugd, die hetalgemeene weizijn des Menschdoms dus verwoest. dat de fpraak onsgegeeven is, om onzegedagtenaanel-
feander'te kennen te geeven, of uittedrukken ; maar leugen en valschheid fpreeken dit oogmerk regtftreeks tegen, zodat een fiom Mensch beter is dan eenen Leu- genaar. Qok legt ons de Godsdienst zonder tegenfpraak ónder
de kragtigfte verplichtingen tot waarheid en opregtheid. Wij eeren en dienen den God der waarheid. De Openbaa- ring waar in wij gelooVen, is het Euangejie der waar- heid. De geboden van den Godsdienst dringen de lief- de én oeffening der waarheid allerwegen aan. En de toelaa. ting van valschheid en bedrog is zo ftrijdig met den aart van onze heiligen Godsdienst, dat hij de werkers van dezel- ve volftrektelijk uitfluit van eenig deel in de zegeningen des Euangeliums, of in de hope der zaligheid. ' Ja daar is zulk een klaarblijke tegenftrijdigheid cusfchen een <m- epregt Mensch en een wâaren Christen, dat het onbegrij- pelijk is, boe iemand eenigen eisch kan maaken op dit laatfte cbaracrer, die zich door zijn gedrag aan het eer- de heeft fchuldig gemaakt. ' Het is niet alleen door de reden en Godsdienst dat
de Menfchen zichbehooren verplicht te rekenen om ee- ne naauwkeurige waarheid en opregtheid ir) agt te nee- men, de eer en belang moeten hen hier ook toe aanfpoo- reji. Daar is eene wezenüijke edelheid van Geest, en regte Bloed in het fpreeken der waarheid gelegen. Hoekragtig word een waarheidlievehd Mensch dó.oKzijn Geweeten on- detfteunt, zodat hem geenftrafgelantontzetten kan? De Leugenaar, daarentegen, is een fchandvjek voor het Menschdom, en een Man van eer toont zich ten utter- «en gevoelig over degeringfte befchuldiging, die hem Van zulk een fchandelijk karacter word aangewreeven. Hij. die zich zelvenfchuldig kent, gevoelt een prikkel in zijn geweeten, zelfs wanneer er niemand anders is., «ie hem befchuldigt,* en word hij ontdekt, dan kopmen oe teekens van fchaamte en verbijstering op zijn wezen te voorrchijn. De Tong kan ;door niets anders dan door zondige hoope of laffe vreeze belet worden de waare ■» olk des Harten te zijn. Kerc zijn, dat bet befang, zo wel als de eer van alle Menfchen medebrengen, dat zij hun woord geftand doen, ais het kragtdaadigst middel zijnde om hun crediet.te pewaaren en te handbaaven. Zulk een Mensch zal 'n twijffelagtige zaaken geloofd worden ..terwijl een P'egtige eed niet volftaan kan om crediet voor hem _!*'nnen» die zich in liegen en bedriegen te buiten MWAARHEIDLIEVENDEN verftaatmen zodaanrge
alle "<loor' die met a He opregtheid, de waarheid in 6 opzigten zoeken te ontdekken en natejaagen.
!e~.e betrachtinghi^r van kan zeker niet andersuitwrog- naati onvonsgeiu^kigte maaken, en du« Mer ten krag-
|
||||||||||
|
WAA.
|
||||||||||
|
404?
|
||||||||||
|
tigften op aan tedringen, is tot heil en nut van
het Menscbdom toetebrengen ; dit in aanmerking ge- nopmen, beweegt ons, hier eenige Befpiegelingen over de gelukzaligheid der Waarheidiievenden te plaatzen, die uit, de Oeffenfchool der Konfien tn. Wetenjchappen zijn overgenopmen. - ,- .,.; * Onbetwistbaar is het geluk, waarop deVroomen en
Opregten, na dit leven, mogen hoopen, een Maat van de allervoltnaakfte zaligheid. Wanneer wij onze gedag- ten gaan iaaten over het oneindig vergenoegen 't geen de oefening van ieder deugd, op deeze waereld, ons daar verfchaffen zal, ontmoeten wij een veld zo uitge- ftrekt, dat wij naauwlijk weeten waar wij onzeageest het eerfte zullen vestigen. Ik zal voor het tegenwoordi» ge mijn befpiegelingen bepaalen aan dat geluk, hetgeen de zalige zielen uit het kennen der waarheid te wagtën ftaat. Men oordeelt in 't algemeen, dat een Mensch, wel-
ke zich bevlijtigt in het oeffenen van veelerleije deugden » en voornaamelijk van werken der liefde, de grootfte be- looningen van den genaderijken God erlangen zal. Dit gevoelen is in alle opzigten billijk. Maarik wenschtë dat men ook, in 't algemeen, zodanige gedagten voedde van Menfchen, die de waarheid zo ernftiglijk beminnen, dat zij dezelve met eene onvermoeide zorgen arbeid» ondanks alle mooglijke hinderpaalen, nafpooren en ont- dekken. Met hoe veel lof hebben, zo wel oude als nieu- we Wijsgeeren, niet van de vroomheid, van de maa- tigheid, van de edelmoedigheid, van de Menfchenliefde gefprpoken. Hoe bekoorlijk maalden zij ons de wezen- lijke fchoonheid deezer deugden ? Hoe duidelijk toonden 'zijde gewigtige. voordçelen van ieder derzetvën? Hoe verzekerden zij ons van de rijkftebelponingen, die uit het oeffenen derzelven voortvlpeijen. Maar hóe ! Is het dan minder roemwaardig, wanneer men zijn ver- ftand bevrijd van den nevel der dwaalingen, welke den glans onzer Ziel bedekt? fterre, welke God ons in de reden gefcbonken, beeft r
getrouwlijk gade flaat? onder beftraal ing van haar ficntj de gantfche.Natuur doorreist ? hetzigtbaareen onzigtbaa» renafpport? zich nu eens in de diepte waagen"durft., dan weder zich in de -hoogte verheft, ja ,»11 e poogingen aan» wend om zelfe door de heilige .duisternis .heen té drin- gen, welke het. aanbiddelijke Opperwezen omringt?1 Is datgeen deugd, wanneermen, niet uit bioote nieuws;- gierigheid, maar uit een voortrefiïjke begeerte om zijne Medemenfchen wijzer, deugdzaamer en gelukkiger te maaken, zichzelven rust, gemak, ja geoorloofde ver- rnaaken weigert, om, ten hunnen voordeeïe, waarheden te-ontdekken, die hen zo noodzaaklijk als nuttigzijn ? -- peet dat. niet zichzelven,edelmoedigh'jk, ten.beste van anderen, opte offeren, wanneer de werkzaameGeleer- de geheele nagten waakt; zijn kragten, voor den tijdr veripilt; zijn gezondheid verzwakt; zijn vermogen aan kostbaare boeken befleed, om uit. de verfcheidehe fij- nen der Natuur, uit de verfcbeidene oorden der oude en nieuwe Waereld. fit alle ontdekkingen welken inimerge- maakt werden, de gewigtigfte waarheden te kiezen, te tpetzeh,'endë manier en wijze hoe dezefve'teii meeste nutte,te,bezigen, aan .den dag te leggen? ■ Er* indien de liefderijke, de weldaadigeMensebeen afbeeloV »el is. der ppdlnkegoedertierenheid ; is dat niét de Wiïze, welke kundig is van duizend nuttige en voortreflijke dingen , aan anderen gehee! onbekend, is niet zijn ^er- fland , hoe gebrekiijk Pok, een zigtbaare fcfaeta" der Nn 3 üoèr |
||||||||||
|
^ '- ■ WAA.
had in mijne denkbeelden .wanneer ik mij de volmaakt,
heden van het Opperweezen, of de hoedanigheden mii ner plichten voorftelde? . Kan dan wel een eenige dier gedagten, op dezelfde wijze vernield worden, als mijn verftorven leden, en echter waren deeze voordel, lingen van mijnen Geest werkelijk voorhanden, enbrag." ten in mijne Ziel zekere werkingen voort, en wel ze« gevoelbaare, zeer kragtige werkingen. Het is waar, de meeste voorftellingen mijner Ziel werden uitdegewaaw wordingen mijner finnen geboren. Maar is het daarora onmooglijk, dat zij, op eenïge andere wijze, den indruk van dingen buiten haar zou können verkrijgen ? Immers heeft zij de begrippen, welken zij zich van God, van ee- nen Geest, en van alle bovennatuurkundigewaarheden vormde, nimmer door"de opgen, het gevoel, of eenige uiterlijke finnen bekomen. En kan zijniet,door haare inbeeldingskragt, zich afweezige dingen, op het leven. digfte met geflootene oogen , en in droomen , voor- ftellen? . ' De Ziel blijft dan, fcfjoon van het Lighaam afgefchei.
den, voortdenken. Zij herinnert zich alle die begrip, pen, welken zij, in deeze beneden waereld, dpor die fin. nen en het overpeinzen, verkreeg, ô Gelukkige Wijzen, die u eenen fchat van wijsheid, zedert uwe vroegfle jeugd, vergaarden, en denzelven alle dagen, door uweq onvermoeiden ijver, deed aangroeijen ! Gijhebtniets, niets daarvan verlooren. Gij bezit dien nog, onver: minderd, in u zelven. Alie-jwaarheden wegens God, alle kundigheden wegens deeze Waereld, zo wel van de, Ligbaamen in dezelve en de verfcheidene veranderingen der Natuur, als van de verfcheidene daaden en bedrij. ven der Menfchen, alle weetenfehappen bragt gij met a in de verblijfplaatzen der zalige Zielen. Een Newton, een_BoïLE, een Wolf, weet daar, het geen hij hier geweeten heeft. Nu kan het verftand, met minder be- lemmering, overdenken; begrippen uitbegrippen vor? men; denkbeelden aan eikanderen hechten; en, uitee- nige bekende waarheden, een gantfche menigte van on- bekende opmaaken. Nu kan het geheugen deszelfs on« telbaare fchatten,in eene juiste orde piaatzen. Nu kan het vernuft, zonder eenige verhindering, alle deszelfs vermogens te wérk ftelïen. Nu word de Ziel doorniett geftoord, door, n'ièts verzwakt, dewijl zij van het Lighaam is afgezonderd. Wanneer de Wijze eenige ingewikkelde of verborgen waarheid ernftig wil overpeinzen, ho? zoekt hij dan niet naarde fchaduwen der eenzaamheid! hoe zondert hij zich niet af van zijne, gelieffte Vrien« den? Lighaam als, ontfiaan? 'Maar waartoe .al dié voorberei? dingen? i----- Hierom^ dat zijn ZielIgeeneaandoe- ningen van buitenlpjOpr de finnen wil ontfangen; datzij alle baar vermogens in zicbzelve wil verzamelen, en ver- hoeden dat dezelven zich niet verdeelén of verftrooijen, Eenig geraas, een ftem, de geringde aandoening is jn ftaat den Wiskundigen in zijnen arbeid te ftooren, zii11 uitrekeningen te verwarren, de aanëênfcbakeling züner gedagten àftebreeken. Een geringe tandpijn verhindert onzen geest om afgetrokken te denken, en hetgezigt van eenig onaangenaam voorwerp berooft ons van het licht der duidelijkfte begrippen, en laat ons niet.dan verwarveen duistere,overblijven. Maar.een Ziel, van haar Lighaam ontflaagen, is bevrijd van .alle deeze toe» vallen. Zij ondervind, zij gevoelt niets meer. Hong» nog dorst, nog finnelïjke aandoeningen , nog &19rt^"' nog bezigheden, nog eenigezoort van kwellende zorg^ |
||||||||||
|
40+.8
|
WÄA.
|
|||||||||
|
<3odIijke wijdheid? ,
beloont, waarlijk, de liefde tot waarheid mag\lchuvan dit voordeel inzonderheid beroemen. De vlijt des Koopmans vermeerdert zijne bezittingen. DeKonftenaar, de Ambagtsman ziet zijn' arbeid betaalt. Alleen de deugden en moeijelijke onderzoekingen der Wijzen, worden niet altijd beloond. Dog zij belóonen zich zel- ven; ten deele.door het onuitfprêekelijkgenoegen uit de ontdekte waarheden gebooren ;^en dèele door die vreugde, welken de WaarheidUevcndtji in den toekomen- den ftaat van volmaaktheid genieten zullen. De Ziel van Aletophilüs verlaat nu het logge Lig-
haam, 't geen haar zo veele jaaren agtereen in deeze beneden waereld herbergde. Zij triomfeert, gelijk een, overwinnaar, over het graf en de verrotting. Nu, van haar lastig pak ontflagen, -gevoelt zij eerst regt haare ei- gen kragten. Zij gevoelt, met blijdfchap, hoe ligt het Jiaar valt zich van de eene.plaats naar de andere te bé. weegen, 't Is waar, zij ziet op aarde nogxtezelfdezaa. ken, dog reeds klaarder, duidelijker, en meerder op eenmaal dan te vooren. Haaroogenftrekten, voorheen, alleenlijk om de uiterlijke gedaante, het oppervlakkige, het ruuwfte gedeelte der voorwerpen te befchouwen. Maar nu ontdekt zij in ieder Plant, in ieder.Diertje, hoe ge- ring ook, ja, in de Steenen zelfs, iets nieuws. Dog thans tragt zij naar het booge, naar het verhevene. Daar ftijgt zij in haar vlugt. "Die beweeging kost haar niets dan eene enkele pooging. Zijftreefd, gelijk een Arend, door de lucht. Nu bevind zij zich, onverwagt, in,het gezelfchap der zalige^Geesten. Laaten .eenjgen haar »erblijf bepaalen in fiet ruim tusfchén de;Sterren, of gelooven dat de Zielen, van het lighaamafgefchejden, in.de verfcheidene Planeeten huisvesten, en wel zoda. nig,.aat diender wijsten en deugdzaamften zich bok in de volmaakfte en fchoonfte Sterren ophouden. Wij gaan alle deeze omftandigbeden voorbij, en fpoeden ons lie» ver, om, dat genoegen te leeren kennen, hetgeen een ontflaakte Ziel gewaar word, in den fchielijfeen aanwas en uitbreiding haarer kundigheden. Echter dienen wij hieromtrent twee zaaken vast te
ftellen. Eerffielijkdatde Ziel, na haare affebeiding van het lighaam, het vermogen van denken blijft behouden , en-ten tweeden, dat de Ziel, buiten het Lighaam', veel ligter, plugger en duidelijker denken kan. Het is vo'itrek- telijk ftrijdlg met de regtvaardigheid, goedheid en wijs- heid van den gropten God, dat hij ooit eene menfehe- lijke Ziel weder zou vernietigen; en dewijl de Ziel en- kelvoudig is, en niet uit deeleh, gelijk een Lighaam, zamengefteld, is het.ook onmooglijk dat zij van zelve vergaan kan. Zij blijft dan, buiten het Lighaam, het geen zij te vooren was. Maar van hoe veel werkzaam- heid, van welke daadelijke vermogens overtuigt zij ons niet ieder oogenblik? Js wel een ftip des tijds, neem die zo kort gij wilt, zonder eenïge gedagten? ------ Zij
valt van het eene voorwerp op het ander. Zii hecht
begrippen aan, of fcbeid'die van eikanderen. Zij ont- wikkelt haare bijzondere denkbeelden. Zelfs in den flaap, fielt zij zich eene ontelbaare menigte van zaaken voor. Èn zou zij, wanneer het gebouw des Lighsams jn- flprt, die werkzaamheidténeenemaal verliezen-? Ze- kerlijk even zo min, als eenMensch aan zijn Lighaam. verliest, wanneer hij zijn bouwvallig huis laat afbree» .ien. Laat mijn Moed dan vloeijen of ftilftaan, ik beh nimmer door mijn bloed gedagt. Wat deel heeft mijn Lighaam, wat deel hebben mi/n Herefenen toçbooitge- |
||||||||||
|
WAÄ. '
van wât natuur ook, kunnen haare gedagten ftooren.
Die worden door flaap nogvermöeijing, in hunnen loop gehinderd. Zij maakt gebruik van alle die waarheden, welken zij immer leerde kennen; en dewijl zij onafge- broken voortdenkt, ontwikkelt zij thans , in den tijj vaneenen dag, meer waarheden uit de reeds bekenden, dan haar, eertijds., dobr de menigvuldige hinderpaalen, jn een geheel jaar gebeuren mögt. Met welk een on- uitfpreeklijk genoegen moet zij deeze denkbeelden van de verbevenfte dingen, die, onophoudelijk in haar zel- ve geboren worden, niet bverweegen?------ Laaten wij ons hier die gelukkige oogenblikken te binnen bren-
gen, wanneer onze geest vlug en opgeruimd plag te den- ken; wanneer hij, met eene verbaazende vaardigheid, dé eene gédagte na de aridere in ons voortbrägt, wanneer hij ons de Godheid, hét fchoone der Natuur; gèfchied- kündige, zedelijke en andere waarheden, op hetduide- lijkfte voorflelde: naauwlijks kon onze reden de'vlug- beid onzer gedagten volgen, en echter konden deezen ons zo zeer gevallen, fcheenen zij ons zo duidelijk, dat wij ongaarne eeheenkele daarvan wilden vérliezen. Ver- mits nu de Zielen, .van hetLighaam afgefeheiden, zon- der ophouden, het eene denkbeeld door het andere op- heideren en' ontwarren, en de eene volmaaktheid na de ahderè leeren kennen; vermits zij God, zijn verbaazen- de werken, en alles wat zich ,zo wel in de ftoffeiijke als geestelijke Wàereld opdoet, ïn zeker verbanden zamen- hang voorfteilén, kan het niet'anders zijn, of dit moet haar met hetedelfte genoegen vervullen. Het ontbreekt OBS niet aan verfcheidene na'figxen van ftervende Mên- fthen, welken hun leven vóorn'aamelijk aan het nafpöo- ren der waarheid en het oeffenen der deugd hebbende toe- gewijd,, kort voor hun einde, dé ze!dzaa,mfteblijken van . »lugbeiden eenen bevatbaaren geest opleverden. Wat- anders was hiervan de oorzaak, dan de voorftelfingen eener opgeklaarde Zie!, die zich met verheven voorwer- pen bezig houd ? van eene Ziel, welke geen gewaarwor- dingen, meer ontfangt. van een Lighaam, 'r geen bijna' verltorvenis, en van zenuwen, gevoel of fihtuigen geen gebruik meer heeft ? . '. Wanneer de Dichter vuurig en verheven denken wil,
aal hij liefst een eehzaame plaats verkiezen. Een beval- lig landfchap;, een betommerde dreef, een ruifchehde ^fatetvaj, zijn de regte voorwerpen welken hem opwak- ke'en', en dé aangenaamftévoqràellingen en aandoenin- gen in zijnen geest "verwekken. De befchouwing van eenen helderen Hemel, verfpre jd zekere bedaardheid , ^ekere kalmte in zijn gemoed. Hef bekoorlijkgeia^tder Matuur verrukt hem als buiten ziehzelveh. Herftijgend gezang der Leeuwrik, .zelfs het krasfënd en eentoonig ||ed van Raaven en Tortels, onder het koormuzijk der *°udzangeren gemengd, wekken zijn flaapende vermo- gens. Word zi in Geest vermoeid, hij Jegt papier en pen fp zijde , en flaat zijne oogën op het omgeleegen veld<> toneel. Straks-worden alle zijn fluimerendë aandoenin- gen en gedagten weder, vlug en. levendig. Waar men nu ook het verblijf der afgefcbeidene Zielen bepaalen j'°ge, zeker is het dat het hun nimmer aan duizenden' >P^°°fwerpen zal ontbreeken, om gediiiirig nieuwe pnkbeelden in haar vodrttebrengen. Plaatzen 'eenigën "aar verblijf nog op deze Waereld? Hier kenden zij ywuwÜ-iis oppervlakkig het land' waarin zij woonden, J Verkregen van deszelfs wezenlijke hoedanigheden maa> ^^"ekkige narigten. Welke- nieuwe ontdekkingen "Me drie verfcheidene Rijken der Natuur!: welk-een |
|||||||||
|
WAÄ.
|
|||||||||
|
«o*9
|
|||||||||
|
aanwas van kenhfeV omtrent Planten, Dieren en Steei
nen! w^lk een verbazende ondervinding inde huishou- ding der Menfchen en ia het beftier der Godheid.' De- wijl eeu Geest, van het Lighaam ontflagén, in weinig oogenblikken verfcheide mijlen kan afleggen, en door de naauwfle openingen been dringen, is het ligtelijk te be» vatten, welk een menigte nieuwe begrippen, zo wel van zigtbaare als onzigtbaare dingen, hij in eene vieren- twintig uuren kan aanwinnen. Sçherpzigtige Der-ham! welk een vreugde moet het u- baaren, wanneer gij uwe ondekkingen van dé volmaaktheden der zigtbaare wae- reld en dér onzigtbaare Godheid, alle oogenblikken, met duizende nieuwe bewijzen kunt vermeerderend, tri hét midden van a! uw genoegen kunt gij u over niets be- klaagen dan dat u eene ftem ontbreekt, om, als'een af* gezant des Almagtigen, zijne onbekende wonderen déni Menfchen te kunnen verkondigen; Plaatzen wijhet vér«- blijf der Zielen in de hoogere gewesten , in het ohmeet*- baar ruim, waarin zich zo veele duizende Waerelden, zo verbäazend in fnelheid afs in juiste order, bewee- gen : dit moet hen, een niet minder, uitgeftrekt veld vat* geheel nieuwe en onbekende voorwerpen ope'nftellen. Men overweegë, alleenlijk, welk eene onbéfehrijflijker menigte van voorwerpen op onzen kleinen Aardbol ge- vonden wordi en, tevens, hoe alle de werken van oh» zen grooten Schepper eikanderen, trapswijze, in volÎ maaktheid overtreffen. Wij laaten anderen de gisfingetf eéhiger Natuur- en Sterrekundfgen, wegens dé gefield« beid der overige Flaneeten en bunneBewóonersy onder- zoeken. Men verbeelde zich maar een' GASsrivr, Kef« EER.-TijcHO Brahe en Bernouxli in bet midden van; deze toneelen der Godiijke wijsheid en almagt, waar sçii, ópeenmaal, met een opflag van het Oog;, allesont- dekkén waartoe zij, eertijds, gebeele nagterr, te ver«- gèefsch, onder den blooten hemel bleeven waâkën.-Ik dettk niet dat iemand deeze befpiegeling vooreen louter vërdigtzel zal aanzien. Of bereifet God wel in die lig* baamen, zo verre van ons afgelegen, en met wélken geen' Sterveling, dan de Sterrekundfge zich' bemoeit, het oogs- merk waartoe hij dezelvén gefchäpen heeft ?; Kun- nen wij denken dat hij die Waerelden, welke de on ze, in grootheid', eeriige duizende maaien overtreffen, daarom 'met zo veeliuiier verfïerde, dat zij z-omtijds haa» re fchittering aan onze Aarde zouden verfOonen. Is-bet niet veelaanrreemelijker; dat wij die als zö veele fchbb- len der eeuwigheid aanmerken, om welker wonderenen {chatten van wijsheid te onderzoeken, milüoènen van jaaren niet kunnen toereiken. Indien onze Gees« het bnfterfelijk'leven nimmer zonmoede worden, moest* het hem ook nimmer aan voorwerpen ontbréekén , on* zijn wii'sbegeerte, onafgebroken, bezig te houden. En met welkegroore, nieuwe en verhevene denkbeelden word de befehouwende Ziel op iederoogenBlik vervuld ? Hoe verdwijnen alle nevelen en diïistèrheden^Hoe'vlied;! de waan, de onkunde en de dwaalingy vobrde'ftraalen van datGodljk licht, hér geen op alle haarepadénfcKijnt ?' welk een helderheid, we/k- een duidelijk bezef'moet? nïétin'de Zielen der Zaligen plaats hebben, in welken» niets dan ffiil genoegen1 heèrschcVondêr een onophöu». aëlijk töeneemen van waarheid, licht en kennis ?' zal mijnuniet ophouden met het wederleggen-van tegen- werpingen'■', welken alleen uit dé al te Iàage en 'oekrotn" pen denkbeelden van her wezen der Ziel geboren wol» dëm Wie* durft eraan twtjffélén, dat de- Ziel ook zoni dèf. oögen kan -zien?''Wie' zaf-gelooven' dat Geesteni- dóof
|
|||||||||
|
4-oSö WAÂ.
|
WAA*
|
||||||||
|
door een' liefderijken God gefchapen, zich omtrent de
rneesterftukken des Scheppers, in dezelfde omftandig- heid als de Lighaamlijke blinden omtrent deeze waereld, goudengeplaatstzien ? Qfzou deZiel vaneen' Lf.ibnitz, yan «en' Cêarke, van een' Addisson, zo lang zij in eenen duisteren ^kerker opgeflpten was, geleerder den- ken dan wanneer zij van arten band en boei ontflagen was? Waarmede zien wij thans? met onze Oogen of met onze Ziel? toós onder de Lighaamen wil doen verblijven. Zij be- vind zichjn het midden van eenë ontelbaar? menigte za- lige Geesten. Hoe veele onbekende, gewigtige en aan- genaame dingen ontdekt en leert zij.niet, ieder oogen- blik, in deeze fchpol der voortreflijkûeMeesters, waar- van de éen den anderen, in kundigheid en doorzigt van het gehee'e verband der Waereld en. der Weetenfchap- pen, te'boven gaat! Geen bezigheden, geen zorgen, geen verdrietige toevallen, veel minder nijd, ijverzugt' of ftrijdigheden verftooren de zalige zamenkomften dier volmaakte Wijzen. Hunne vriendelijke gefprekken wpr-, den door geen ijdele twistredenen of haatelijke kijvagiën âfgebrooken. Zij verrijken eikanderen met die kundig- heden, welken ieder van hen, het zij in deezen bene* v denwaereld, of in den ftaat van volmaakte vrijheid en, genoegen, heeft aangewonnen. Om zich van deeze waar-
dige vergaderingen ee'nig denkbeeldte vormen, behoefte rnen zich alleenlijk voor te ftellen datde Wijzen, van.' aile eeuwen, van den beginne der Waereld af, aldaar 'e zamen vloeijen, weiken in hun verkregen kennis ëlï' wijsheid merkelijk minder vermaak genieten zouden,* indien zij dezelven niet aan opregte en vertrouwde Vrien- den kondenmededeelen. Welke aangenaame harichten uit de gefcbiedenisfen van alletijden., Vorften en Volkeren! Welke verbaazende, welke verrukkende'bewijzen vari liet. wonderbaar albefiier de Godheid« Welke getrouwe çn yroome verhaal-en van baare oneindige liefde en wel- dàaden! Welke zonderlinge voorbeelden van haare onbe- grijpelijke wegen met de Kinderen -der Menfcheh, en vooral met de Vrobmenl Hoe word mijn Ziel hier niet reeds verkwikt door de redenen van fchrandere Geleer. den; door de fttcbtelijke gefprekken vandcugdzaameMen- fchen! Ik vang, tot in den middemagt, den honing die van hunne lippen vloeit, geen flaap kan mij bekrui- pen; mijne ooren können zich vermoeijen nog verza- digen. , Maar, zal de eenvoudige bier vraagen, kan men
zonder tong wel fpreeken? en hebben de Geesten ook j, hunne taal?" ja, zekerlijk: zij zouden an- ders, in het midden hunner zaligheid, beroofd zijn van een genoegen het geen bekwaam isom alle debitterheden van dit fterfelijke leven te verzoeten. Laaten wij bet grootfte geluk deelagdg worden; laaten wijhelet wor- . den hetzelve aan onze geliefde vrienden te ontdekken: cBTBetzal voor ons ophouden een geluk te weezen. De zalige Geesten moeten dan, op de eene of aridere wij- ze, eikanderen hunnegedagtenkunnenmededeelen, de: wijl wij ons een gezelfcbap van eenige duizende flèra- inen, uiet anders dan een groote;verzameling van orige-' jukkigen können voorftellen. Welk een zaligheid, wan- neer een Abraham, met eeneGodlijke welfpreekend' fceid , voor een menigte jeugdige Zielen de geheime wegen der Voorzienigheid, die hier zelfs den vröomften deeden wankelen, openlegt, verklaart en in een helder daglicht ilelt! Paulus lost hein af^ Jen beXchrijft het lij- |
|||||||||
|
den der eerfte Christenen en hunne onverzettelijkeftand.
vastigheid. De Jongeling ftaat verftomt, enhoorthun. rie Goddelijke redenen met het zelfde genoegen, waar. mede een Petrus,,op den berg, den gloririjken Mes. fias, met twee verheerlijkte Profeeten, vanhetgehemi zijner opoffering hoorde fpreeken. En deeze gezelfchappen der Zaligen zijn het, waar-
in zulke Zielen worden töegelaaten, welken de waarheid van der jeugd af opregt beminden , maar door een vroegtijdigen dopd, of door uiterlijke omftandigheden,' verhinderd wierden tot haare heiligdommen in te tree- den. ,..-." ."' Hier moest ik van het aanfchouwen der Godheid fpVee-'
ken. Hier kon ik aanvoeren hoe de nafpoorende Wijze' in dit licht alleen het licht ziet, en boe'hem de Bron en. Oorfprong aller waarheden, de eene waarheid na de an- dere, welke hem geen Erçgeldàidelijk en naar waarde kan voordellen, ontdekt en openbaart. Dog laaten wij dee- ze Son alleenlijk vàn verre befchouwen, en haar zwij-, gende aanbidden.. ■. ,'■. ' Gelukkig, driewerf gelukkig , is hij, die van zijn'
vroegften jeugd, de waarheid niet; 'eenen onvermoei- den ijver zoekt, vind en omhelst:'die elke ontdek- king; elke kunde der waarheid, getro'uWlijk aanwend. tot het volbrengen zijner pligten , en hét bewaaren eener onbevlekte en geheiligde Ziel: zulk een is waar. dig eene eeuwige zaligheid in haar Godlijk licht te genieten, eeuwig" van haar geleerd en verkwikt te worden. - WAARNEEMING, zie OBSERVATIE.
'WAARSCHOUWER, zie HAAGDISSEN, n. \V
pag. 966- '., *, WAARZEGGER; in het Iatijn, Âugur, Harhlus,
Hârufpex. Is de benaaming van eenen Bedrieger, de«, welke valfchlijk.voorgeeft,kennis te hebben van iemands toekomftig lot, en de gelukkige en ongelukkige omltan' digheden te kunne« voorfpellen, dewelke iemand zullen overkomen. = . Eer het Christendom zijn zalig licht over den aard«;
bodem verfpireid hadt, was dö dwaasheid, van aan deeze foort van Bedriegeren geloof te ilaan, algemeen; en het nadeel onbefchriiflijk.het welk daar uit voortvloeidde. De Jooden zeivei hadden de ftrengfte wetten noodig, om door dien ftrpom des vooroordeels en bifgeioofs. niet voortgefleept te worden. En men heeft de Reizt. van Chardijn naPerfien maar te leezen, om een denk» beeld te bekomen van het nadeel dat de Waarzeggen» noch heden ten dage aan een Land toebrengen, het geen aan hunne bedriegerijen geloof flaat. De Heer Michaelis geeft in zijn Mofaisch Recht eene fchetze van dit kwaad, dewelke genoeg is, pm iedereenen daar van te overtuigen; naa dat hij eerst van het waarzegge geiproken hadt, het welk onder het opzicht van den. ftaat gefchiedt, en getoond, dat dit een middel,is, offl bet Volk van die vrijheid en voorrechten, diè het noch beeft, ten ëënenmaale te beroovenj befchouwt hi) CD. v. 5. 253. bl, 195. enz. in de Hollandfchevertaa- lïng) dit bijgeloovig bedrog van eenen anderen kant! voor zoo verre het naamlijk niet door wijze ftaatkunds beftiert wordt, maar de zoogenaamde Godtfpraakeader i^dflKseggereB-deftaat'kunde beftieren j en zij hun bedrog of oiider bet Gemeen, of ook wel in het Kabinet van eenen Dwingland, die 'er geloof aan flaat, oefenen. Het gevaar, hetwelk in dit geval van eenen TPaarzegg" te duchten ftaat, gaat alles te boven: de beste w |
|||||||||
|
WAA. WAÄ, 4051,,
|
|||||||
|
kunde* is Vïuchtloos, wanneer een Bedrieger ïn flaat
is om de verftandigfte maatregulen te dwarsboomen: se'ene ;dapperheid kan. baaten, daar een Waarzegger invloeds genoeg op bet leger beeft, om het zelve, door het yooifpellen van ongelukken, die hij «voorgeeft dat hun boven het hoofd hangen , moedloos te maa- ken; en geen Koning is veilig, wanneer het voorzeggen van zijnen dood, den dolk zijner geheime Vijanden wapent, om deeze waarzegging waar -te maaken. Doch men hoore den Heer Michaelis zelven. " Om eerft van den flaat in het algemeen te fpreeken, zegt hij,
" in welk ongeluk kan deeze daar doorgeftort worden? " wij hebben 'er federt onlangs noch eeu zeer versch " voorbeeld van gezien irr het Turkfche Rijk, het 'I welk, tegen alle regelen van Staatkunde .eenen Oor- "> log tegen Rusland begon, die noch veel fiimmer hadt ' kunnen'afloopen, en dit in vertrouwen op voorzeg- " gingen en fterrenwichelarij, (.Afirohgie) waar aan ', de voorige geleerde Sultan zeer was overgegeeven. Juist terwijl ik bezig ben om dit te fchrijven (1774) eindigt het dien oorlog door eenen nadeeligen vrede; en dit is noch een geluk voor de Turken, want hun- ,', ne zaaken ftonden zoo gevaarlijk, dat waarlijk de (I voorzegging van eenige apocalijptifche tégen-prophee- ,, ten,die aan het Turkfche Rijk den ondergang dreigden, fcheen te zullen vervult worden ; het welk eersteen i, Predikant in Mekkelenburg voorfpelde, in het Jaar ,, 1773- te zullen gefchieden ; vervolgens door andere tegen 1774' bepaalt is, en eindelijk wederom door eenen anderen foortgelijken Dweeper tot 1775. verT fçhooven. Hier ziet men, wel is waar, een aartig toneel uit het Dolhuis, door Turkfche en Christen Propheeten uit verfcheidene Cellen vertoont; met dat onderfcheid evenwel, dat zij bij ons geen kwaad doen, dewijl wij*er alleenlijk om lachen, terwijTzij het Turkfche Rijk op het punt van zijnen ondergang gebracht hebben. Het kan zijn, dat de Bedrieger, die op deeze wijze den ftaat in ongeluk brengt, zelf j, bedroogen is, en aan de voorzeggende Sterrenkunde (Àjlrologie) geloof flaat: dan voor den Staat zelven is.net nadeel daarom even groot. Geoïsus en Pyrrhus hadden de zwakheid, van bij
,, vreemde Godfpraaken raad te zoeken, welken niets 11 aan het welzijn van hnn land, maar alleen aan hunne 11 gefchenken geleegen lag ; en die 'er belang bij hadden » om, door een dubbelzinnig antwoord, hunne eere te » beveiligen; zoo evenwel, dat zij gaarne iets aange^ » naams vpoHpelden. Én wat was het gevolg van dee- h ze hunne dwaasheidf zij werden beide in eenen on-. » gelukkigen oorlog rngewikkelt. ,1 Hoe menig Veldflag kan'er, door' toedoen van
» Waarzeggeren, verlooren worden, wanneer zij of h moed geeven om op eene onbezonne wijze flag te » leeveren, ook wel eenen bepaalden dag als gelukkig » aanwijzen, waar op de omftandigheden nocbtanshiet » voordeeüg eijn,-én dus den aanval verhaasten; of » Wanneer zij op het beflisfend oogenblik, waarop men » den veldflag niet ontgaan kan, der Manfchappe den. >i noodigen moed beneemen. . Misfchien had Ario- » VïSTtis den flag tegen Cäsar niet verlooren,, indien » «e Duitfchen tóen geerie Wichelaars geweest wa- i> ren, ■ . . « l'en der grootfte voorbeelden van het nadeel, dat
» zulke, meer dan alleenlijk ijdele konften te wege h brengen^ levert Romen op, omtrent van den tijd PU Bed, - |
|||||||
|
i, van CfflSARS dood af. Dei zoogenaamde ChaldeèuA,
wen en Wiskonftenaars, of welke naamen dat Volk* al meer had , begonnen in het ongodsdienftig, maar teffens bijgeloovig Italien geloof ie vinden, en wel van het gemeende Volk af, tot den troon toe.. -Zij voorfpelden een onheil, maar even daar door be- werkten zij, dat het gefchiedde. Men verwondert zich, dat een Wichelaar Cäsar op den zelfden dag, waar op hij vermoord is, heeft kunnen waarfchuwen, ,, en.dat zulk eene bedrieglijke konst met de uitkomst zoo nauwkeurig overeenkwam. Maar konde deeze waarfchuwirig zelve het ongeluk niet waar maaken? Hoe veele dolken van misnoegden waren 'er niet ,, tegen Cäsar gewet? zekerlijk die niet alleen, die hem op dien noodlottigen dag getroffen hebben! Het konde zijn, dat 'er alleen moed ontbrak om den ft'oot te doen, en deezen gaf de Waarzegger, die Cäsar ,, dien dag als gevaarlijk voorftelde. Cäsar zelf dreef den fpot met de dwaasheden der Waarzeggerijë, maar het was mooglijk dat de Vloekverwanten daar aan ge- ,t loof floegen :, iemand , dien dit laatfte onmooglijk; ,, fchijnt.leezeflechts de gefchiednis van de betoovering (niet het vergiftigen, want'er word van geen vergif ge'proken, maar alleen van beelden en cedeltjes in den muur) van Germanicus, zoo als Tacitus zelf » de verftandigfte van alle Romeinfche Schrijveren van dien tijd,, dezelve verhaalt, zoo zal hijniet meer den» ,, ken, da&RUTUs en zijn Eedgefpan te verftandig voor zulk eene dwaasheid geweest zijn. En waren zij dit ,, niet, dan moet de Wichelaar, die Cäsar waarfcbuwT de, ik wil juist niet zeggen voor de opzetlijke.maar evenwel voor zijn toevallige Moordenaar gehouden ,, worden. Men plaatze zich zelven eens in dit ga» val: indien eene ontelbaare menigte ons na het lee? ven ftond, die alleenlijk door vreeze wer dt afgehouden, om den flag te waagen ; en het, al ware hetook maar, door het eikanderen in het oor te luisteren, bekend Wierdt, dat er op deezen of geenen bepaalden dag geen gevaar te dugten was, maar dat wij op denzelven zer ,, kerlijk ons leeven zouden verliezen; wat dunkt u,? zouden dan niet alle .degens getrokken worden, en ten minften één van dezelve ons treffen? Bij zulke omftandigheden kan alleen het leeven van hem veilig ., geoordeelt worden, aandien zoo veel niet gelegen ligt,, dat zijne Vijanden juist het gelukkig oogenblik willen waarneeemen, waar op zij hem zeker dooden kun« :,, nen. . . . ! ', ..(''. -. in * ,,; ■ ï ,, Men ftaat verftert, ars men gewaar word, dat Ro,*
, men in twee eeiiwen zoo veelé volflagene Dwinglanden. heeft opgelevert, als men anders naaüwlijks in de ge- ,i febiednisfe der geheele Waereld hoort noemen. Het ,, kan zijn, dat de Romeinfche Gefcbiedfcbrijverén pat- tijdig gefchreeven , en dezaak vergroothebben, (hoe- ,, wel men Tacitus daar van niet kan befchuldigen} maar zooveel waarheid blijft er evenwel over, dat twee eeuwen ongemeen vrugtbaar geweest zijn in Kei- ,, zeren, die bij de Nakomelingfchap als Dwinglanden getekent zijn." Te verwonderen is het niet, dat dee- ze tijd zoo veele Dwinglanden en Vijanden van Romen, of van de geheele Waereld, waar op zij van nabjj eenige.n invloed badden,, heeft voorrgebragt; en bet zoude niet te verwonderen zijn, al wsrp derzelveTge- Viotal nog gröoter. Romen, dat ongodsdienftig Romen, tja floeg.gejoof aan de grollen Van Chaideeuwen'eh W,is- n konftenaarea, tjie gaarne geld wilden verdienen ; vei- O o fêbel. |
|||||||
|
#ost ; wkk, s ; / \ - waa.
|
|||||||
|
van zich te yerdeedigen? Of zonden wij, aaa gej
j^uurige vreeze gewent, en altoos het flimst vermoe. dende, wanneer iemand maar in zijnen zak taite M misfchien alleen om zijnen neusdoek te zoeken, op eene wijze, die aan het oog van den vreesacbtigen verdacht fcheen, hem niet liever voorkomen. dan van hem voorgekomen worden , en hem voor het hoofd fchieten, Indien wij op deeze wijze handelden, zoude men niet zeggen, dat wij Tijiannen, maar dat wij dol waren: maar zoo dol kan iemand, door het leezen van zijne geboorteftond, door hand waarzeg- gerije, (Chiromantie) en alle foortgelijke dwaazekon» ften gemaakt worden. In die omftandigheden.be. vonden zich in der daad verfcheidene RoomfcbeKei- zers, die wij Tijrannen noemen, fchoon wij, ondanks ,, onze goede harten, in dezelfde omftandigheden mis» fchien even kwaad zouden geweesc zijn: niets daij eene zeer groote dapperheid en veracbffng van hef gevaar, het zijnetzelveweezenlijk, of alleen maar in ds verbeelding beftond, konde hen bewaaren.oni geene Tijrannen te worden ; en dit hadt in der daad pjaatze bij Tra ja an. Indien wij door een bosch ^rijden, naast ons een kaerel gaat, op wien wij geen ,, goed oog hebhen, wij een gelaade geweer in de hand draagen, en hij eenen verdachten greep doet, dan hebben wij waarlijk zeer veele dapperheid noodig, om niet op hem los te branden, inzonderheid wanneer ons kort te vooren iemand met dezelfde weezenstrek» ken als een Struikroover befcbreeven was. Wel is waar, de Wiskonftenaars werden dikwils uit Italien gejaagt, {gelijk men zegt, dat de tegenwoordige Sul. tan de Sterrenkijkers van zijn Hof bandt) maar nieuwsgierigheid en een algemeen beerfcbend zwak, van in de verborgenheden der toekomfte te willen indringen, lieten hen altoos wederom door ecneach- terdeure binnen fluipen. Het verdrijven van dit Volk doet evenwel zien, hoe zeer men het nadeel bemerk' t, te, het welk zij te weege brachten, _. Ditzelfde gevolg van waarzeggerijen vertoont zien
ook in het gemeen leeven, en in bijzondere huisge- zinnen. Het gaat in eenen eigenlijken zin, zoo als Ovidius zegt; ~' - ! ! ,.
Filius ante diem patrios inquirtt in annc-t.
Dikwils brengen zij ook hier het kwaad weezenlp
te wege, het geen zij voorfpellen. Iemand wordt bij voorbeeld, voorzegt, dat hij binnen het een of an- der jaar fterven zal; dan kan vreeze alleen hem een« ,, ziekte op den hals haaien, of dezelve doodlifk ma« ken; waar van Wèdel een zonderling geval ontmoet- te, die eene ziekte genas, door de nietigheid van zu* eene voorzegging aan te toonen. Menfchen, dieel' kanderen geen het minst kwaad hart toedroegen, w°r' den vijanden, dewijl de Waarzegger den eenen voor zijn geld diets maakte, dat hij van deezen of geene« iets kwaads te wagten had, en deopgegeevenekennie' ,, ken bij ongeluk op zijnen Vriend pastten. Huwliji« worden gefchonden , dewijl een Waarzegger n>o gaf, om eenen kans te waagenj of door ontijci'S argwaan ongelukkig gemaakt, en verfcheidene an« alleenlijk door zulk eenen averechtfen Waar?5fLeg die er niets-van weet, en bijvoorbeeld in >\ wild n zegt, zij , aan welke gij m denkt, bemint « « > door iets foöxtgelijks, .tegen gehouden. $nfloç& |
|||||||
|
fcheidenebijzonderbeden, die deeze* of geene huisge-
i, zinnen betroffen, navorschten, en op alle konstftree- ken volkomen afgericht waren. Den eenen zeiden zij, ,, om geld van hem re,trekken, dat hij eene Keizerlijke geboorte-uur (nativiteit) had , (even zoo , als in. on« ,, ze dagenden fanlikker iemand zegt, dat hij een God- lijk veriland heeft, of dat de gedichten, door hem over liefde pn wijn gemaakt, veel verrukJijker zijn dan wijn zelyen) en deeze waagde dan al eenen ftap: aan anderen, dat deeze of geene dag voor den Keizer of zijn*jn Günstling gevaarlijk was; en ook dit bleef niet zonder uitwerkinge. Door zulke Waarzeggerijen, die j, men eikanderen onder de grootfte geheimhouding in het oor luisterde, werden ontelbaare laagen voor het leeven derJieizer'en gelegt, tvaar van fommigen be« ,, kend werden, en gelegenheid gayen, ommeerande- re te gtsfen: washet nu weite verwonderen, dateen ,, Keizer ieder eenen wantrouwde? maar dit is ook te ,, zeggen, dathijeen Vijand van iedereenen werdt? Dit was nog maar de ééne helft van dit'droevig toneel, en het werdt niet ten.vollen vertoont, zoo lang de Kei- zer zelf met deeze bijgeloovigheid den fpot dreef; maar bij ongeluk deelde hij, dewijl veele dingen, volgens die voorzeggingen, gebeurden, met zijne Ónderdaa- nen en Vijanden in die zwakheid, .die wij nu eene zwakheid van oude Wijven zouden noemen, en vroeg op zijne beurte ook Bedriegers, om te weeten, van welken ïkant hem .èe.nig-gevaar mogte gedreigt wor- den. Iets moesten:zij zeggen, dewijl zijanders geen geld verdienen kon.dens: zij voorfpelden hem.derhaïven gevaaren,, enbefchreeveno°kdePerfoonen, vanwek keihet te duchten ware: -maar met eene konftige duis» ,, terjiisfe en dubbelzinnigheid. Zij waren veilig, en hadden geld .ontfangen ; maar de_vreesagtige Keizer pastte nu hunne befchrijvingen toe, op Perfoonen, die zij gemeent, of niet gemeent hadden; en men kan gemaklijk begrijpen, dat hij,, volgens de groote Regel van zelfsbebouiinisfe, liever deeze Lieden heeft wil. len van kant maaken, dan dat bij het door hen gedaan wierdt. Opdeezewijze pleegde hij de eene wreedheid en rjnregtvaardigheid naa de andere, maar alleen om zich zelven tebeveiligen; en hij werdt eindelijk, al- leen doorgeduurigen argwaan, die al verder en verder voortging, een Vijand van het menschlijk geflagt, eenTijran, zoo als wij hem nu niet meer zouden wee- y, ten te maaken. ■ ■-.. ,, Men verbeelde zich het geval maar eens, dat men
.dagelijks in een gezelfchap moest zijn, waar van
men dacht, dat veelen ons na het leeven fionden, en
géduurig met dolk of pistool gewapent waren ; een
zwartgallig Menfcb, die met deeze verbeelding ;ver-
vult wa.s, zoude zekerlijk met een ontftelt gelaat ie-
der eenen aanzien, en op iedere beweeging van zijne
handen pasfen; het fpreekt van zelf, dat dit gezel-
fchap'hem onaangenaam, en hij een Vijand van het
zelve zoude worden. Noch veel flimmer zoude 'het
zijn, indien 'er eens met de daad een paar.fchooten
op hem gedaan wierden, zonder hem evenwel te
,, treffen.; want ditzoude alle zijne overige verdenkin-
gen wettigen en grooter maaken; en nochtans konde
hij het gevaarlijk^gezélfcbap iniet mijden, van het
welk misfchien niemand anders iets kwaads tegenhem
in zijne gedachten hadï Menplaatze zich zelveneens
in die omftandigheden: zoude men geenen* degen en
piftoolen voor zich nedex «leggen, om in ftaat te zija
|
|||||||
|
WAA. WAC. WAF. WAG. WAL,
|
|||||||||||||||
|
WAL.
|
|||||||||||||||
|
40S3
|
|||||||||||||||
|
<■ 6 öietdebeleediging, wanneer een Waarzegger, bij
"zekere gepleegde misdaad, diefftal bij voorbeeld, zon« " £]ür iets het geringfte van de zaak te weeten,en alleen " om gold te verdienen, onfchuldigen in verdenkinge * brengt 'i en wel in eene verdenkinge, tegen welke zij " zich niet kunnen verantwoorden, en die hun onder- " tusfcben nadeelig is ? In zulk een geval zoude het ze- ' kerlijk niet onredelijk zijn, indien de Waarzegger zei f 1 deftraffe van die misdaad moest draagen, met welke ' hij ïn het geheim eenen onfchuldige beklad had ; het zij ditgefchied was door iemand uitdruklijk te noemen, ; of ook door hem zoote befchrijven, dat de opgegee- ), vene kenmerken deezen ofgeenen in het bijzonder na- tuurlijker wijze verdagt maaken. De Christlijke Godtsdienst, dewelke, overal daar
,. dezelve zuiver geleert wordt, aile deeze dwaasheden verwerpt ■, heeft onze tijden verftandiger gemaakt;
en eene betere beoefening der Wijsbegeerte enNatuur- ji kunde heeft het haare insgelijks daar toe bijgebragt: heden ten dage vinden wij de voorbeelden van hetna- deel, het welk eene dwaaze begeerte, om het geen toekomftig is, te weeten , veroorzaakt, niet meer in zulken overvloed. Het groot toneel daar van blijft de gefchiednis van Romen onder de eerfte Keize- ren- - .....
Ten tijde van Mofes was het Bijgeloof om zoo te
fpreeken de gezonde rede (Senfus communis) van het geheele Menschdom; alle Nabuurige Volken floegen geloof aan waarzeggingerr: nu zal menbetfbemniet'eu- vel duiden, dat hij op dergelijk een bedrog harde ftraf- féo ftelt, die wij niet noodig hebben j daarbij onson- derwijs, veragring van het ktnderagtig Bijgeloof, en befpotting het meest in dit geval uitvoeren. WAARZEGGING door MIDDEL va» WIJN,
zie ÖINOMANCIA. waarzegging Doos slangen, zie ophio.
MANTIA. -■■:' ''' ......
WAAÉZEGGING uit de HAND, zie CHEIRO-
MANTIA. WAASSEM, zie DAMP. : t -■
WÂAITER. zie FLABELLUM.
WAAIJER-VISCH, dusdanig word van Valentijn,
Wn Visch genoemd .waarvan wij de befchrijving hebben «egeleven op pag 1132. HOORN-V1SSCHEN «. II. WACHOLDER.BOOM, zie JENEVER-BOOM.
WACHTEL, zie KWARTEL.
WACHTEL-BEEN, zie LÓKPIJP.
. WaCHTEL-KOENING , zie KWARTEL-KO- NJNG. WAFELEN, zie GEBAK pag. 208.
WAGT-HONDEN, zie HONDENpag. 10S6
.WALDMEESTER; Sterre Leverkruid; Aperinala- v's; jfperula odorata; Uepatica Stellata; Jfperula feu Rubeola montana odorata. C. Bauh. Pin. 334. Jpafine wifolia humüior montana. Tourüef;; Jfperula »dora- ''flore albo. Dodon. Boerhàav. ; Maififijlva, ivil jiepatica Stellata. Officinar ; (Jfperula f'oliis oBorïis toceolatis, florum fafciculispsdunculatis. Linn. Spec. Plaats. Dit Gewas groeit op berg- en lommeragtige
Platzen van Nederi. en Hoog-Duitschland, Vrankrijk, ^geland, enz. kweking. De Kweeking gefchied door fcbeuring
|
pïantéade dezelve op een voet aflland van malkandö.
ren, en dezelve inzonderheid in den beginne van on- kruid fchoonhoudende. Kragt en Gebruik. Dit Kruid is maatig verwarmend,
opdroogend, openend, pisdrijvend en bloed fui verend';, dienftig voor verftopte Lever en Milt, Hijpochondrie enz. de infufie daarvan in wijn of ook in goed dun bier; geevende dit Kruid aan de wijn of't bier een heel a^ngenaame fmaak, en wordt veel in Maij-dranken ge; daan tot zuivering van 't bloed. WALD-STROO; Megerkruid; Lieve Vrouwen Bei-
flroo; Gallium luteum. C Bauh. Pin. 335. (Gallium f oliis oüonis linearibus fulcatis, ramis floriferis brevibus. Li NN. Spec. Plant.) Kenmerken. Het Waldllrooh eene Plant van deftar*
wijze zoort. De Bladen, die nog ruig, nog bultig zijn, kopmen vijf of zes in getal voort bij 5e'geledingen der Steelen, in eene ftraalswi-ze gedaante. De Bloem be- ftaat uit een Blad, aan den bovenkahc wijd, en in ver- fcheiden verdeelingen onderfcheide,n. Elk van deeze Bloemen word gevolgt van twee naakte Zaadjes. Plaats. Dit Gewas groeit op dorre fandige plaatfen
naast de wegen en elders, in Neder- 'en Hoog-Duitscb- land, Vrankrijk, Engeland enz. Kweeking. Men vermenigvuldigt dezelve door haare Wortels in het voor- of na-jaar te fcheüren , welke -zich verfpreiden en zeer fchielijk Vermenigvuldigen, en groeijen tierig in bijna alle gronden en ftandplaatfen. Kragt en Gebruik. Het Waldtbroo is maatig verwar-
mend, opdroogend, zaamentrekkend en heelend; wor- dende inzonderheid gepreezen voor de Vallende ziekte, in decoctie óf't poeijer van't gedroogde Kruid tot een drachma gebruikt. Dan het word meest uitwendig ge- bezigt voor allerlei; zoorten van fchurft, welke men ten dien einde met de deco&ie dikwils wascht. WALGING in het latijn Naufaa. In gezonde Meo«
fchen heeft men eengeduurigewormswijze beweeging in de Maag, tot bereidingen voortftuwinge van de gebruik te fpijze, beginnende van de Slokdarm en voortgaande na de poortier van de Maag, alwaar het begin der Darmen is j*'van deeze beweegiiïg worden wij niets gewaar, wij kunnen die ook niet verhaasten of vertragen. Dan was* neer deeze beweeging een verkeerde koers maakt van beneden na boven, dan gevoelen wij in ons een onaan- genaame aandoening, welke wij Walging noemen. Ais óns daar door alle lust tot eeten benomen word, daa noemt men bet Faßidium, met of zonder begeerte, om het geen in de Maag is door braaking uitte wei- pen. ; , ' . s Deeze verkeerde beweeging in de Maag word door veel oorzaaken voortgebragt, welke als zij inwendig zijn, bezwaarlijk kunnen worden ontdekt; en even wei moet men volgens deeze de geneezing rigten, wil men zeker gaan. Hierom worden zoo menigmaalen vrugteloos middelen aangewend; en het middel dat zekerlijk genas ,ih den eenen, word van geen vrugt in den anderen; daarom is hét onmOoglijk eene algemeene geneezing of middelen voortefchrijven. Ik zal eenige van de voor- naamite oorzaaken aanbaalen, op dat de geneezing daar uit geleert mag worden, en maaken een begin met de meest bekende. In het gemeen zal al het doorgezwolgen, waar.van ons
Jighaam nadeel te wagten heeft, of dat meerder is dan |
||||||||||||||
|
« wortelfpruiien, in Maart én" April, in eeri goede
SIegroad, en opene, of ook wat lommerige plaats; |
|||||||||||||||
|
wij kunnen verdraagen, Walging, veroorzaaken. Hier
zien wij'aanfiondsdevaorzigtigheidder natuure, welke Oo 2 ik |
|||||||||||||||
|
- -- WAL; ./
maaien werk« genoeg, om te .onderzoeken of het deez»
. of een andere oorzaak is, welke de Walging voortbrengt Bij aldien deeze Walging verligt is geworden door het braaken van flijin, gal of andere ftof, en dan weder op nieuw komt met een verlooren eetlust, benaauwtheiden opzetting omtrent de Maag, en oprisping van veel win. den, of een bittere bedurven fmaak in de mond, danbe. fluit men : dat deeze voorkomt door bedurven ftof inde Maag. Hier orn is het zeer goed. ten eerften deeze ftof te loofen door de naaste weg met een der voorfchreeven Braakmiddelen. Voorts is bet goed Maag-middelen te gebruiken, als bij voorbeeld , aloë een^ half drachma mijrrhe een drachma, zedoar-wortelXwee drachma, km{. jemunt-olie drie druppen, ahjem-zout een fcrupel > hi« van io poeijertjes gemaakt, en daardriemaalendaagsch een van ingenoomen ; en als de afgang niet volgt, moet :men hier zo weinig purgeermiddelen bij mengen,-dat matig open lijf gehouden worde. Als men uit de, bij. komende brandigheid, benauwtheid en koorts gewaar word,dat het een fcherpe gal is, welke dé Walging ver. oorzaakt, als dan moet men voo.raL zorg dragen, dat deeze Gal geloost worde; want blijvende, en doord? Darmen nederwaarts gaande, veroorzaakt ze wel eeji .Buikloop met pijn," of, onder bet.bloed gemengt^eèn heete koorts; welke ziekten dan zo gemaklijk.n,ie.tte geneezen zijn. Ook gebeurt het menigmaalen, dat dé -Koorts-ftof zich na de Maag begeeft, en zich daarzoekt jte ontlasten; bet welke men gewaar word; wanneerrîà de Walging, braak ing volgt van eenflijmigeof galagtf. -tige ftof, Deeze braaking moet men als dan bevotde- .ren,, door het drinken van eenig zagt vogt, op dat de ■ Maag ontlast worde. Maar wanneer na de loozing dé Walging ,&and houd, of dat deeze Walging maar allée« àoot ontroering van de Koorts ontftaat, dan is het best deeze onordentelijke beroeging door den volgende drank 4e!ftillen.: : gepelde garst,, en zuprling-wortel van.elks een once, roode roof e bladen een halve handvol,; gffltßV water vijfentwintig oneen; -laat dit zagtjes kpoken ineen beflooten vat, tot dat de garst week en gaar is, laat het dan door een zuivere doek of teems loopen, en te dan bij de doorgegooten vogt, citroen-fap,< enfij'rup,p- pav.alb. van elks een once, rijnfche wijn twee oneen; .laat de .Lijder hier van veëlmaalen, maar weinig te ge« lijk gebfujkeni;------ Dan bijaldien het flijm geweest
is., die. vooraf, geloost wierdj en imeer eene zwakheid
dan koorts befpeurd word,, is dit volgendemidde! beter; citroen-fap een once, wijnfleen-zout: een drachma, rneng dit onder malkander, en het opbruisfehen gedaan zijnd' zo voegt daar bij zes oneen kruifemunt-water; biervat) moet de Lijder dikwilseen iepel vol.gebruiken, A!sii>en geen kruifemunt-water heeft, kan.men in deszelfs pW* gerflen-water neemen, met een drup of drie kruifemun'" olie, eerst met wat poeijer-zuiker vermengt.. : Zo noodzaakelijk het is door braakmiddelen de Maag te ontlasten van bet geen daar in de Walging veroorzaak- "te-, zo döodlijk is| het, .-wanneer door een OntfteekiflS (inflar,matxo)oi Roos (erijfipplas) in de Maag of omleg" gende deelen .eene Walging word voortgebragt;. w?"j deeze deelen dooreen braakmiddel gaande gemaakt, zu.' ■len eene poogiog van braaken te wege brengen zonde iets te loofen, en zulks zal duuren, tot den dooq-ip Wees daarom niet al te ohvoorzigtig in het 6e?ven,v/3nt Braakmiddejen',in:de Walging met -koorts verzelt. VW" als de Walging, aankomt métgroote benauwtheid, m» ' pijn,; klogping'. omtient de Maag, jCT;als iets-, .dar tto_ |
|||||||||
|
WAL,
|
|||||||||
|
4©S4
|
|||||||||
|
ik uit een dood werktuig, volgens de wetten van bewée-
-ging, niet kan afleiden; maar in ons levendig lignaam al redelijk beftendig is. Hier van daan is het dat alle ver- «giften, braakmiddelen, teveel purgeerende middelen ■ingenoomen, Walging verwekken. Deeze oorzaaken, om dat zij vanbuiten aankomen, laaten zich gemaklijk kennen, en vereisfchen eeneuitwerping door braaking, »indien die vaii zelf niet .verwekt'word. Als teveel ge- nomen is, zd! het: genoeg zijn door kitteling in de keel het braaken te bevorderen, hoe wel het beter was dee- ze m isflag niet te begaan; maar als het van vergift of bedorven- doorgezwolgen ftof voortkomt, én men door het ïnzwelgen van zagte en vetagtige vogt niet genoeg- zaam kan braaken, om dit verdorveneen fchadelijkeuit fewefpen j dan inoet men het volgende Braadmiddelge* «bruiken, en er.veel op drinken, om het zo.veel tege- maklijker kwijt te raaken. Neemtbraakwijnflem {tart. -emetic.) drie grein , tamarinde een half once, hülfe- munt'olie (ol. menth) een drop, maakt hier een brok of bolus van , en neemt het in eens in. Ofwel, ipecacuan- ha een fcrupel, witte wijn een once, en kruifemunt-olie een drop, dit wel ondereengeroert zijnde op eens inge- noomen. . ■■ l ' . .,,,... Het is zeldzaam, wanneer iemand niet gewoon.is ter
zee-te vaaren, dat als hij voor de eerftëmaal, (ja zom- tijds altoos) van'de baren wordgeflingert, hij niet alleen 'San 't Walgen maar zelfs dikwilsaan 't braaken raakt. Ins- gelijks wanneer het lighaam maar veëlmaalen word in ;t ronde gedraaitVofgefcbommelt; veelekünnen zelfs het '3'gterwaarts rijden op'eefï wagen niet -verdragen.' Uit welk alles blijkt dat de beweeginge van de Màag zeer .medelijdende' is', en dat hét genoeg kan zijn op een on- gewoone wijs beweegingen te. maaken', om daar door walging voorttebfengem. -In dit geval :is er geen ftöf om geloost te worden, enkelis het nodig om de oorzaak te vermijden. Evenwel gebéurt hét, dat als.de béwëeging ■van: de Maag zo gaande gemaakt geworden is,r dat of fchoon de oorzaak is weggenoomera, dezelve aanftonds niet bedaart. In dit geval is het goed wnt.rijnfche-wijn met water verlengt,' en daar-.bij wst citroen-fap hjjge. idaan; en eenige druppen laudanumiiquid. ,-,ofwatfijHtpus pâpàveris albi te gebruiken, weinig teffens, op dat de »Maag door de veelheid niet gaande gemaakt worde. ■ Niet alleen word de beweeging van de Maag beroerit ■door ongewoon© lighaams-beweeging, maar zelfs door 't 2fen van iets dat in 't ronde draait,'of door fpijs of drank waar vanrrien een afkeer heeft, of waar van men te voo- rén gebraakt heeft, waar uit men leert dat de bewèeging van de Maag door zeer kleine oorzaaken kan ontrust wor- den. Zelden,Worden tegen deeze Walging middelen ge. br-uikt ; als nitïn die echter begeerde , zoude men de opgenoemde van rijnfcbe-wijn, enz. kunnen te werk fteilën. ' 6elijkerwii3 bedorven ftof doorgezwolgen, Walging
«verwekt, gebeurt dit ook als voor ons ^irizigtbaare be- dorven: ftof, nade Maag van eldersanders gevoerd word,, of daar huisvestende bederf ondergaat. -Dusdanig is het Maag-Sap (fuccus ventricUlï), Al-vieesch-fap (juicu'span- creaticus ,) en de Gal,-' als ook wanneer door de Zenu- wen , ' Slagaderen of-Poortadersn (venw pmtarum) eenige bedurven ftof in de Maag word uitgeftoxt; of als deeze (tuffen',- goed zijnde, daar ftilftàande bederven, en al- . zo in deMaag een ongewoöne beweegingverwekkendie wij Walging noemen. Allé deeze oorzaaken zijn aan het gemeen onbekend., engeeven aan de Heelmeesters veel* |
|||||||||
|
mm
|
|||||||
|
/WAL.
gezwolgen word, een groote'pijn veroorzaakt,' even ais
of het In de iMaag.brand verdekte, met-een geduurigë koorts; dan is het duidelijk dat deeze Walging uk Roos of Onbïeekin'g in of omtrent de Maag ontftaat.. Hier moet men vooral tràgten de Walging door- middel van de voorfchreeven drank te doen bedaarèn, en voorts een papje uit f oefen- en Vlier-bloemen met azijn gemengt, vervaardigt, op de Maag leggen. . WALLOB, zie SNEPPEN ». V. pag. 3414. :, .' WALNOTEBOOM., zie OKERNÖTEBOOM.
. WALRUS, zie ROBBEN ». III pag, 3061. ■ WALSCHOT, zie S PERM A-CETL" ; .
.■WALSTEEN, zie OSTEOCÜLLAi« ; WALTHERIA, is de naar» vap een Planten-Geflagt
t welk naar den Leipfiger Hoogleeraar Waltherus is getijteld. ... .'" ; .1 ..,-, .. . ... ; ... Kenmerken; Het heeft een enkelen Stijl, de Vrugt
is een,.tweekleppig Zaadhuisje met eene holligbeid.eii daarin een-enkel Zaad;* i ' "■ ;': -> ?' ;' . Zoenen; Twee.'Zoorten bevat dit geflagt', ais volgt, , 1, Westindifche.Waltheria; of,' Waltheria mit ov■aak, geplooide, Zaagswijs getande Bladen, 'de i'Hoffdfes gé- ßeeld; Waltheria americana;'■'■ Alf ka a americana pumila, flm luteo fpicato. Breitn. Cent.; Betonica arborefcens, fcliis amplieribus. Plvknbt. Alm 6j. AUh. fimilis ame- ricana, flore lutea. Boer h.; Monofp.; Althéa arborefcens villofa, folio majore. Îsna'rd. AU. 1721;p. 362. Walthé- tia foliit êvalibus, plicatis ferrato-dentatis±< tàmènto/is-, (Qpuulis peduncidasis.i Linn; Sijft; Nat; XII.'; (Walthe- rit f.eliis planis fertato-dentatis. Linn. Spec. Plant.) - s i 23 Oèstinâifche Waltheria ; ' of, Waltheria 'met ovaale zaogswijs getande,- geplooide Bladen eiiàngefteelde Hoofd- jes; Waltheria indic'a;■ -Malvinda ulmîfelîa,~>$os<eulis.pu- ßllis. Burm. Zeijl. 14p.; Betonica arborefcens maderas pitema 'villèfa, foliis profunde venofis. PtüK&ET. Alm. 67.; (Waltheria foliis ovàtis ferratis icndtifatis;' Linn. Sipec. Plant.) -:. ,-■"..: . .' .': .:;:: Si aj '>.-.. ; " ,.1 toi - î Van : dé eerfle zoóri; dat op de?'Babanïa-Ëifanden,' t8 Suriname; en ia de Berbiesjes ,< natuurlijk groeit,; heeft (kHeer'DANTJj H'4sNAte> eenejäfbeelding en uitvoert* ge Befebrijving aan^t licht gegöeven-yondër dennâarn ran Monojpehn-Aitkéa - of eenzàadig'e Heiimtwertel,' om dat het eenigzinrs nàar'de Althéa gelijkt; vóïfctiillende meest (laar vah door het hebben van een enkel zaad. Hetzelve ^aarheemënde in -de Orangerie 'van den Koninglijken Tuin te tParijs; bevond hij bètieen^prëramidaalb figuur te.ïijn,: 't'welk op rfen ouderdomvatawefi jaarén bijna* ^ieryoet hoog van Stam was, met veele Takken, hebben; jte hartvormige Bladen,''aan ; de' kanten getand en op lahge.raige:Sceeïenoverhoeks geplaatst', zijnde'wollig j^gt in 't aantasten, donker groen van koleur j; de groot* »?n ^r'f duimen lang, 'uit de oxels derBiatien gaf het «loemftëelen uitÇ.inefdigretrosjes Van Bloempjes, door Watjes van elkander gefebeiden*,' -geelagtig-van koleur, 'J'-veel -.baat "die: .van. de Althéa'gelijkende-, dog-zeer *fei)i.-, ßg vijf-MeeJdraa'djës waaren tot :een cijlindrisch P'ipje zamengevpëgd, 't w.eik den "Stijl omringde; Het 'rugtbeginzel'wierd'éeri klein rond zaadbuisjb;' dat in 'weeën open--ging,"bev'atténde;een rond Zaadje- -". DeHeeFIsNARDtwijfeldec of het wel die.Plant waa.
^.-welke de wijdbefoemdeBoERHAAVÈ heeft voo'rge» e! l-v nder den Daara ^an Atnerikaanfche, naar. de Althéa ïe»ijkendë meteen geële Bloem;' "eninderdaad,- -wanneer ?.en orrtftandige ttefchrijving rdóor dien;Hoogreeraar aar:Van;gegee.veii,.:met:deeze'vergeJijkti> dan zal mea.
|
|||||||
|
4»ft
ièi eenïaanmerkêli/fc:iverichil in vinden. Het zaad was
langwerpig, fpits getopt; de Meelknopjes waajfCin rood- ögtig en het Vfugtbeginzel glad. Dié van de laage Atne- rikaanfche bij BitKiNius, hier aangehaald, is ook zeer EwijfFelagtig daar toe betrokken; Dezelve komt over- vloedig voort op fteenagtige plaatzen van 't-Eiland iKurasfau. . -, . - . - ~... -' ■ De tweede zoon is volgens de HëerLrwNiEus, dege-
-dagte^Sefsw's.van Plükeketius, die-de Bladen ruigen diep geaderd, met bolagtige topjes Bloemen in de öxe» len-heeft."'- Het fchijnt die te zijn, waarvan door den Hoogleeraar Buemannus, onder de Ceijlonfche Planten de afbeelding met den. naam van olmbladige Malvinda is gegeeven ; zijnde Ceijlonfche Alcéa met Bladen van Haag. beuken, de Bloempjes tropwijze zamengehoopt, door Hermannus getijteld. . ... . .- .. WALTMEESTER, zie WALDMEESTER.
WALVISSGHEN. - Zie hier het hoofdzaaklijktf,
vanhetgeen de kundige Heer M. Hoüttütjn, in zijn uitmuntend Natuurlijke Hiftorie, ons van dit door deszelfs grootte zoo verbaazend VisfcheH-Geflagt, me- dedeelt.. '-"'- -'-..' : - > ù . , "' DëHeer Brisson, (zegt hij, ) die, zo welalsEiH-
Nffilis , vier Geflagtcn van Visfchen heeft, in zijn Klasfe van Cetacea of Walvisch-aartige-Dieren » geeft aan bet Geflagt der eigentlijke Walvisfchen, onderden naam van Balance, de eerfte plaats. De Kenmerken ' zijn bij hun beiden, ait deeze* Visch geen Tanden heeft, en, in plaats van dien;, in de Bovenkaak voor* zien is, met hoornigë Plaaten of "bladwijze ftrooken, düe <men Baarden noemt., Linn^us voegt er bij, dat dit Geflagt twee Buizen heeft of Spuitgaten boven op des Kop, en dè Eenhoornvifch maar één. * Zoorten van Walvisfchen worden er zeven opgeteld -door den Heer Brisson, onderden naam van gewoo- ne Groenlatidfthe,: \Yslan$fchei, : Nieuw Engelandfche', de 'Zesbultige,ï de Gibbar of Firivisch,, àë Rondfnoetige ■en Scherpfmetige, : De HeerLiNK/Eüs heeft maar vier Zoortenv'waar onà,ët 'àegewoone-Walvisch en de Fin- yisch de; eerden -zijn,' : ; n: .-';'.' a'3 ..;:..;'.; ' luis 'Gfoènlnndfohe IValvisch ; i I Mijflicetus; Balaria f pits--
bergenßs. Mart. Spitsb. 98.; Baliéna vulgo,fivè Musculus. Ronde'i,." Bifc, 475,; 'Bdlëna.. Wulughb. Tcht. 55.1 Balèna vulgo, ßve, Mijfiicetus Ariflotelij. Gesn. Pisa 114. ;! Malaria ,vulgaris-edentula , ■ dórfo non pinnato% Rajv. P'isC: 6.; (Balèna naribws flexutfis in medio- ?à- pite ,- dorja :impenrii.-LxNN. Sijft. Nat.). 'De Neder». duiifche naam wordt niet van- Wal , ais 'de< Kust van 'd Land, ,madr vm-Wel, dat een Springbron be*- tékentien van: welleni-afkomftig is, afgeleid^ wegens %\ fpuiten van- water, dat deeze Vifch door de Gaten; dië'in zijn>:Kop zijn, zo geweldig doer, dat er een zwaare fonteirifprbhg naauwlijks bij te vergelijken is». Den Latijnfchsn^of liever Griekfchen Naam Batana, fielt mehjafkomftig-tevzijn van 't woord-iallem, ■ dat werpenlbetekeridr w.égénsrde uitvvërpin'g rvan^hët wa- ter. De Itaiiaanfche," Spàanfche en.iFranfche Na'amert zijrr, metseen kleine verandering, dezelfden^ Dë Eïr»; ■gelfchen.' khijnen,-'met Mn..Whale; het Hoog of Né- derduitfeh' te; volgen. ' Inf't Nbordën; noernfmeb bëm ■Huaifisk of Çhtal, gemeenlijk Siithakker, wegensdë- vlakheid ivan.'zijhe Rug; .de Yffanders Slettbdfk'.dä Groenlanden. Arbach;- Het jong worde in 't fransch Baleinon- 4 ëh het Mannelijk, lid, of de Eraan, ■ Baiénas genoemd*. Den naajn.;vàn''Getut of. Cetey 's.iweJK'ln ''t Oft* aJ-^ |
|||||||
|
4056 - WAL.
|
|||||||||
|
WAL.
|
|||||||||
|
algefneen een groötén Vifch'betekent, voert zomtijds
de Walviitb bij uitmuntendheid. - . Zommigen hebbsn aangemerkt» dat deze zoort van ffiethisfelten nooit om de Zuid komt, efl zigakijdmaar in het Noorder deel .van den Atlantifchen Oceaan ^onthoudt, doch ais men agt geelt op de berichtender Ouden, die fchrijven dat er zulke Zee-Monfters, van ongelooflijke grootte, in de Indifche Waters gevonden werden, en op die der Hedendaagfchen; ao is dit «rif waarfchijnlijk. Immers, men vindt niet alleenf voN gens den Reistógt van Ansoh, in de gröote Zuidzee veele IValvisfcheH, maar de Heer Adanson fchrijft, dat hij, op zijn terugtocht van de Gambia naar Goree, twee Walvitfchen zag, welker langte .hij op ongevaar ,vijf-èn«vijftig of zestig voeten fchatte, hebbende dat gedeelte van hunne Rug, 't welk altijd buiten 't wa? ter kwam, wel twaalf voeten langte^ met vier; of vijf voeten breedte, zonderden Kop te rekenen,.dien zij zomtijds ophieven, om adem te haaien ,. zónder eenig ander geraas te maakèn; dan gelijk een Paarde wanneer het onder 't drinken (huift. " Zij' Wierpen " geen water, zegt hij, door de Neusgaten , *t Welk " alle Blaazers doen',. dié ook zeer gemeen zijn i« de **■ Zee-en tusfchen de Keerkringen. Om kort te gaan, " ik heb geen blijk van eenige Vin op hunne Rug '' befpeurd. foyage au Senegal, dans l'Êifi, Natur, de " Senegal {kq6. , DeWalvisfchen zijn, waarfchijnlijk, degrootften van
alle Zee.-Schepzelen. 'In ,dö Middelaridfche Zee is er, Omtrent den jaare 1624, eeu op 't Itaîiaànfche Strand geworpen, die 91 Roomfche palmen, dat omtrent 70 Amiterdamfche voeten bedraagt» lang Was en wel $<s ëalmen, dat is omtrent 40 voeten, inde rondte, dik.
en andere Visch, die in 't jaar i6io bij Corfika ge- vonden werdt, was, 100 voeten lang. Ook wordt ver- haald, dat in den jàare 153a, bij Tinmouth aan de kust van Engeland,.een Walvisck geltrahdizij, die de lang- te hadt van 90 voeten. Dit is niet ongeloof baar, de- wijl men zeker Wéét, dat er weleer, in Groenland, plagten gevangen te worden van 100 voeten langte; Joch thahs zijn de grootften zelden langer dan 60;of 70 voeten. De regte Spitslêrg'er ofGróenlandfihe-lPalviscJi heeft
den Kop overdwars een weinig plat, de Onderkaak veel groot er dan de Bovenkaak, zo dat dezelver zijden de Bovenkaak, die -final, en langwerpig is, grootelijks be- dekken; de Tong zeer groot 5 geen Tanden in de Bek, rn.aar, in plaats vart'dien» hoörnagtige Strooken aan het Gehemelte vast: geene Vin Op de Rug.» twee Borst« vinnen aan de zijden 'en agterlijk, niet veronder de Oogen, maar klein naar evenredigheid van de grootte des Lighaams; de O Ogen ten dien opzigte insgelijks zeer klein,"en tamelijk ver van elkander, als aan de zijden van de Kop en bijna op de hoeken van den Bek ftaahde. Deezö Visch is met twee Blaasgatefi voorzien, in 't midden van 't bovenfte des Hopfds, tusfchen den Bek en de Oógen, d igt aart elkander. De Wijfjes hebben iedçr tweeüiiers, niet aan de Borst maar onder aan den Buik, boven de Teeldee« len, waar onder het Aarsgat is. Dé Staart, die wa- terpas legt, wanneer de Visch zwemt, is eenigermaatè gevorkt en breed, bijna gelijk in de Makreel. De Rug loopt ,een weinig fcherp, tot aan de Staart toe, doch voor 't overige is 't Lijf rondagtig. Deeze korte .befehrijvirjg der lighaainjgeftalte is opgemaakt uit de |
waarneeming van den Heer Artebt; die in de maan*
November des Jaars 1734 zulk eenWahisch te Londen fchijnt,gezienJ:e hebben. ''.'■. ■ Voornaäme Dierbefchrijvers;, gelijk WiLUHiGHBr
en RaV; is dit geluk nimmer te beurt gevallet;. AK, PERSON mag onder de geenen, die van de eigenfchap. ,pen van.dtt Zeemonfter fpreeken, wel een V/bornaanio plaats bèkleeden. De bijftere grootte van deezen Visch zegt hij, wiens Kop een derde deel uitmaakt van W geheele Lijf, houdth hem gemeenlijk in. diep water. Hij verfchijnt zelden aan de kusten, en de oiitoegang! lijke afgronden aan den Noordpool, fchijnen hem tot eene wijkpiaats: te verftrekken. De Huid is glad en zwart, op zommige plaatzen met wit en geel gemar- meld, inzonderheid aan de Vinnen en Staart, doch' geheel wit aan den Buik. De Vinnen zijn van vijf tot agt voeten lang; dé Staart, die Waterpas légt, maar : aan de enden een weinig opwaards is gekromd,, maa« kende bijna de figuur van twee hâlvemaanen, heeft de breedte van twee of drie vademen,. en haare flagen zijn verfchrikkelijk, wanneer de Visch op zijde legt. Men. befpeürt duidelijk, dat de Staart Jiet werktuig isj ; 't Welk dit Monfter gebruikt om tè zwemmen, alzo dezelve tot een wrikriem dient. Het ïs verbaazende te zien, roet welk" een fnelheid dit..logge Schepzei de golven klooft. De Wahisch bedient zich van du Vinnen .niet, dan om in 't water zig om te wenden) maar het Wijfje maakt er ook gebruik van, wanneerzij I vlugt, om haare Jongen met zig te neemen; diezijj als't waàre, met deeze Vinnen omarmt. . '1 j De Natuur heeft; deeze Scbepzelen niet onbedeeld
gélaaten van vernuft, om voor hunne veiligheid tezor« gen, en dit.is, zo men wil, de reden, dat zij zich veelal onder 't ijs onthouden; maar die zelfde Moe. der heeft hun geleerd, agt te geeven op het behoud .van. hun leven,. Immers, het is hun noodig van tijd | tot tijd adem te fcbepperi buiten 't water, en om dié reden zoeken zij, zo 't, fcbijnt, Onder de ijs velden plaat- zenop, daar't ijs dun genoeg is, om van hun metden ; Kop te worden, doorgeftooten. Anders zouden zij, ; om adem te fcheppen.., geduurig onder 't ijs van daan moeten komen, en zich bloot (lellen aan de vervolging. Dat het eerde waar is, getuigt Zorgdrager gezien te iiebben ; en dat deeze Visfchen door.'t vervolgen fchuuff geworden zijn î meent :bij pet reden daar uit te kun- nen befluiten, dat dezeI ven zig thans niet meer aan den zoom van 't ijs onthoiiden, maar in het zelve zijn ge; weeken. , ; <; : ;. j : Een voornaame .reden, ;egter, die de Walvisjck»
van plaats veränderen doet, is^ zomen zich verbeeld het opzoeken van hun voedzel, dat meest op zandban- | ken en ondiepten, inzonderheid omtrent de Eilanden en in de Baai/en,,gevonden wordt. Het eelve is geens- zins met de verbaazende ligbaamsgrootte van deeze Die' ren overeenkömftig; én ftrooktniet met bet algemeene fpreekwöord, dat de groote Visfchen tlelkleine eeten. Immers hef Walvisch-aàs beftaat,. volgens den genre'' den Schrijver, in zeer kleine Infekten, waarvanzom- roigen langwerpig zijn,; metskleine pootjes, en vânkm leur eenigermaatè gelijken naar gekookte Gärnaalep, doch zonder fchubben of fchaal; anderen rondagtig» tér gróótte van één erwt, bruin van koleur, roetee» zoort van vleugels, van wonderbaar maakzei, die 2» fijn en teder zijn, dat men deze!ven niet kan aal?vaP ten» Beide deeze Infekten fmeiten^als tnen ze ^ ^ |
||||||||
|
. WAL.
hand knijpt of rusfchen dp vingers wrijft, tot een zooft
van olij,: die de reuk van thraan heeft. De bewee- ging is traag, zegt hij, en ongeregeld geüjk die der Kwallen, r ;..: ; Dit Aas fehijnt meest geteeld te worden aan en om-
trent Planten, die onder water groeijen, en met haare bladeren in de zee zwemmen ; hoedanig grondgewas menigvuldig is' op dg banken en ondiepten in de Baaijen, in welken zich Rivieren ontlasten, waar van de vettigheid of. flibber misfcbien het zelve voedt. Op zulke plaatzen , die tevens in 't fomer-faizoen yan de Son befcheenen worden, ' ziet men dikwils de £ee krielen yan deeze Infekten, die in diep water web n|g voorkoomen. Ook onthoudt zig de Walvisch voor- namelijk in en PWtrent zodanige Baaijen. Wat zijn Âàs in de Winter zij, en of hij ook Haringen verflin- de, gelijk de kleine zoorten van dit Peflagt, is nog een raadzel. De naauwheid van zijn Keel, die door de Baarden bijna geheel is geflooten, ftelt hem buiten ftaat, om Visfchen van eenige grootte in te (lokken. De Walvisch is met een beenige Kraan voorzien,
van bijstere dikte en langte. Zomtijds heeft men zé gevonden zes voeten uitgeftrekt, aan 't Lijf omtrent jgt duimen dik, aan 't end uitïoopende in een ftompe punt, van één duim. De Visch draagt die doorgaans titanen't Lijf, alwaar dit Lid als in een zoort van Scheede is verborgen, welker uitwendige opening ge- flooten is door Spieren, die een zoort van Sluitfpier maaken, waar door de Schaft voor uitwendige toeval- len befchut word. Het Schaamdeel van 't Wijfje is ils ia de viervoetige Dieren * zijnde gemeenlijk ook ge» iloo.ten. De paaring gefchied, volgens het eenflemmig berigt der Groenlandsvaarderen, op zulk een wijze, dat de beide Visfchen overend gaan ftaan in't water, op ie Staarten, en elkander, als:'t .waare, met de Vinnen vasthouden en omhelzen. Anderen , egter, zeggen, dat bet Wijfje agtero.vergaat leggen, en, haa- te Staart wegbüigende, van het Mannetje gedekt word. De'Paaring zou, volgens hun, flegts om de twee jaa, ren eens gefchiede.n, en de.Dragt van negen of tien maanden zijn, Transaktion; Philsfoph. n. 387. Het is moejelijk te -begrijpen., hoe dit beeft, kunnen waargé. ionen worden, en nog minder, boe men aangaande Jen oBdérdam van deeze Dieren eenig befluit kan op- waken, gelijk Leeuwenhoek doet, die zich verbeeld- «, dat de grqotften-wel duizend 'en meer jaaren oud wogten zijn geweest. . ' : Het volgende-heeft meer fchijn van zekerheid. De
"fugtxoldragen zijnde, word gezegd zwart en omtrent lien voeten lang te zijn ; doch een Schepzeltje van ze- ventien duimen, hoewel reeds van völkomene figuur, J* geheel wit. : Zelden brengt de Walvisch meer dan Wa Jong voort. Zij beeft voor 't zelve een groote zorgvuldigheid, «n .men merkt aan, dat een Wijfje, Swchooten zijnde terwijl zij haar Jong aan de TJijers tusfchen de ViDnen beeft, wel duikt, doch fchielij- f.? wetier boven ;komt, om het Jong adem: te laaten j?ePPen, Een jaar lang zoogt zij het zelve, en baare *8lk is weinig van Koeije-melk verfcbillende. Ge- jZjnJjf dien tijd zijn de Jongen uiter.maate vet, ^J^àe Kortkoppen genoemd , wegens de dikte van ziitfrt ' t'ocn ^e Moer is mager. Twee jaaren oud Wegeeven zij mâariialfzo veel Spek, men nöejmt
1**1 wegens hunne domheid; verder kent men "Ouderdom niet, dan .aan de langte der, Baarden,.
|
|||||||||
|
.'WAL.
|
|||||||||
|
4057
|
|||||||||
|
;Zie Hier j: wat 'de Heer Anderson ons van de Lig.
haainsdeelen meldt. De Opperhuid, die niet dikker is dan zwaar papier of parkement, weggenomeD zijnde,, openbaart zig de waare Hujd van den Visch, die dès dikte heeft van een vinger, en onmiddelijk het Spek bedekt, dat agt of tien duimen dik legt en geelagtig is van koleur, zijnde het Vleescb, daar onder, zeer rood. De Oogen zijn niet veel grooter dan die. van een Os of Bul, en het krijftallijn derzelven , gedroogd zijnde, gaat een groote erwt in grootte niet te boven. Zij zija agter aan den Kop en zodanig geplaatst, dat de Visch, zonder, zijn hoofd om te draaijen, zowel agter- als voorwaards kan zien. Men vind ze, in tegenftelling van alle andere Visfchen, voorzien met Oogleden en Wenkbraauwen , gelijk in de Landdieren. De Heer Ruisen egter, die verfcheide Waivisch-oogen heeft ontleed, vergelijkt de grootte van den. Oogbol bij die van een middelmaatigen Oranje-Appel. Hij vond er dien rok, door hem ontdekf, welken hij het Ruifchen- vlies noemt, en zo dik is als papier. Het harde Vlies was nabij bij de Gezigtzenuw uitermaate dik, verdun- nende allengs naar den Oog-appel toe. Leeuwen- hoek bevond den langften as van een Walvisch.oog twee duim en zeven tienden duims, den kortften twee tienden minder, en het Krijftallijn een half duim dik,: zijnde het Kasje, daar het zelve in opgeflooten lag, bijna twee duimen over't kruis. De Walvisch heek een zeer fcherp gehoor, en be»
fpeurt van verre het gevaar dat hem dreigt., Men kan er, wel is waar, uitwendig geen blijk aan vinden van Ooren, die hem ook in 't zwemmen zeer belemmerd zouden hebben, doch, zo dra de opperhuid van den Kop is weggenomen , komt agter 't Oor, en een wei- nig laager, een zwarte vlak te voorfchijn, en op die plaats vind men zekere Buis, door welke de klank, buiten twijfel, tot aan den Trommel zal doordringen. De Zeelieden fteeken biinne baaken in deéze Buis, ter diepte van omtrent vier voeten, alwaar zij de Schulp vinden, dat het Gehoorbeen fchjjnt te zijn, van hun genaamd het Walvisch-oor. Dit Been, zegt men, dat in de Apotheeken, zomtijds, voor Lapis Tiburonis of Manati, verkogt en gebruikt worde, hoewel 't erin 't allerminfte niet naar gelijkt. Een weinig voórlijker dan de Oogen heeft de Wal'
visch wederzijds een Vin, welke niet, gelijk de Vin- nen der Visfchen in 't algemeen, beftaatuit lange Been- tjes, die met een dun Vlies aan elkander zijn gehegt. De Schepper, voorziende dat zodanige Vinnen veel 'te zwak zouden zijn tot den dinft, welken zij in 't om« draaijen, tegenhouden, als anders, aan zulk een ge- vaarte moeden toebrengen, heeft er een andere fa- menftelling in gebruikt. De Wahisfchen hebben, in ftede van zulke Vinnen, gewrichte Beenderen, van fi. guur als de hand en vingeren van een Menfch, .be- kleed . met fpieren en veel peesagtig vleescb, en ein- delijk overdekt met eene dikke huid,, gelijk aan die, waarmede bun ganfche Lighaam is overtoogen. Ge- meenlijk' geeft men-aan; bet geraamte van die Vinnen, in de Kabinetten der- Liefhebberen, den naam van Han« den van Meermannen of Meerminnen. De Tong van dit Monfter is een groot ftuk Spek,
'waar mede men verfcheide Vaten vullen kan, en zo week dat men die, wanneer zij in een doode Visch uit den Bek hangt, daar niet weder in kan krijgen. Om dit Lichaamsdeel alleen is het, zegt men,, dat de Zwaard-
|
|||||||||
|
^
|
|||||||
|
4058 . -WAL.
ZWaardvisfchenden Walvisch aanranden; zo dat tóen
erzbmtijds drijven vind, die dood zijn, zonder Tong. In .plaats van Tanden, welken dit Dier in 't geheel
niet heeft, is het aan deBóvenkaak voorzien niet Baar- den, die fchtiiris in de Onderkaak als in een Scheede fluiten, en de Tong* om zo te zeggen, wederzijds om- vangen, De gedaante deezer Baarden, als ook de feo- leur, en "derzelver hoomagtige zëlfftandigheid , is ie- dereen bekend. Men weet dat zij naar een zeisfen volmaakt gelijken. -De kleinften zitten voor aan den Muil en agter in-de Keel; de grootflen (laan op zij« dé. Men telt er in een gemeene Visch, -van sokWar- teelen Spek, gemeenlijk soOj die de langte van zes voeten hebben'en daar boven, behalve nóg 300 die kleiner zijn, welken men ondetmaatSvBaarden noemt. De groötiien zijn zomtijds wel tien of twaslf voeten lang. Haare plaatzing moet derhalve digt aan elkander zijn, met dé breede; zijde buitenwaards op eene rij, in de omtrek van den Bek , met het platte naar el- kander toe, en met defchérpekant.die met ruig haait begroeid is', om de fluiting nog voikomener te maaken, binnenwaards. Het breeoe^end van deeze Baarden is, door middel van kraakbeen, vast aan de Bovenkaak of aan het "Neusbeen ; hetfcherpe end hangt, nevens-de anderen, los in de Bek.;- 't Schijnt dat de Visch. van deeze Baarden gebruik maakt, als van een teems,, om het water, dat hij met zijn Aas -ingezoogen heeft, door de Sprfitgaten uit te blaazen, zonder dat. h ij zijn voedzel verlieze., :, *■ Zorgdragen béfch. der Groenland/cite Visfchérifi 'sHa ■
ge 1727. W. 117. meldt, dat hij veel moeiteaangewend heeft, om de Ingewanden der Walvisfchen, en in 't bij- zonder derzelver Maag, op te fpooren, doch zonder vrugt; het Gedarmte, zo dik als een mans arm, was hem te zeer in de weg. De Heer Anderson verhaalt,, dat de Groenlandfche Visfchers van zijne natie waar« genomen hebhen, thoe de Walvisch een zeergrooten dikken Darm heeft, 'die zij- den Hoofd-darm noemen,. en welke ,*>volgens hun bericht, van de opening der Keel ver binnen 't Lighaam fchiet, doch van waar zij noch de langte, noch :de regte legging bepaalen konden. Deeze Darm heeft zeer dikke wanden en is zo wijd, dat een Man er zonder moeite door zou kunnen krui« pen; Eén' ftufc daar van uit den Visch gehaald hebben- de , vond mener geen voedzel in, noch vuiligheid, gelijk in de Darmen der andere Dieren; niets-was er in, dan een weinig (lijm, gelijk in de Maag gewoonlijk is. 'Niet lang na dat -de Visch is geftor.ven, rijst bij zeerïiH 't water, en. dan heeft -men de gewoonte, ten einde hem zo veel te doen zakken als tot het flenfen noodig is, een Lens aan de zijde van de Vin in 't Kreng te fteeken, waar door het flenkt en veel lucht loost. Hij verbeeld zig, dat dan deeze Darm doorgeftookenr worde, die éen bewaarplaats zou zijn voor de lucht in dejWalvïsch, om hem in't water te doon rijzen óf daalen* gelijk de luchtblaasjes in de Karper, Baars en- andereVisfchen. Hij was in dit denkbeeld beveiligd, door dien hij in een zoorf van bruine; of gevlakte Ka,« beljaauwydie men in 't Hoogduitsch Dorsh noemt, dergelijk,een lucht-darm gevonden hadt, aan de Rug gehegt én doorgaande van het diepfte der Keel tot den Aars, die buiten twijfel tot het zelfde gebruik zalftrek- ken. ■:■ ^ h -, ■ ; ■ ; In den iaare id"s8 zag jnen te Parijs het Bekkeneel,
van een Walvisck^ waar uit men de lighaamsgtootte |
|||||||
|
WAL.
deezer Dieren kan opmaaken. Het was zestien 'oF zei
ventien voeten breed , en woog vier duizend zes hon- derd ponden. De Kaaken waren tien voeten wijd ea veertien voeten lang, ieder elf honderd ponden zwaan De Vinnen, van figuur als handen, hadden de langte van twaalf voeten. De Ribben, twaalf en een half Voet lang, brajgten ieder tagtig pond op de fcbaal. Van de Wervelen der Ruggegraat, die vijf-en veertig voe» ten lang was, woogen de voorden vijftig pond, doch zij verminderden, naar de Staart toe, allengs in groot- te. '-■- .' '...-. ■ "■ . ; ■ De hardheid van de Huid der Walvisfchen belet niet,
dat deeze Dieren geplaagd worden door zeker Infekt, genaamd de Walvischluis, waar van eenige "Schrijvers gefproken hebben. De Heer Boccone , Natuunkundigt ■Nafpooringen en Aanmerkingen, Plaat 10. heeft-er de afbeelding van gegeven. 'Hij zegt, dat dezelve degroot< te en'gedaante bijna van een Spinrok heeft, zijnde van onderen, daar zij aan den Visch kleeft, uitgehold; van boven verhevenrond, en gewapend met een zespuntise Schulp,door welkermiddéneen rondgatloopt. 'tSchijnt- dat ditlnfekt zijne werking meest door zuiging enknij- ping verrigt, en, dewijl het gewoonlijk onder de Vin- nen en bij het Teelljd huisvest, zo moet het den WA' visch veel jeukt veroorzaaken.' Men had aan eenkleinen Walvisch, die op de Sehotfebe Kust was geworpen, behalve dit, nog zestien anderen op de laatstgemeldê plaatsgevonden. De Heer Sibbald heeft waargenomen, dat het niet zeer week was in't aanraken/en, wanneer men hét (lijf met- de vingeren drukte, een zwartagtig vogt uitgaf, 't welk waarfchijnlijk den Walvisch b» deelt. De langte was zeven duimen of daar omtrent, maar het vertoont, zich veel grooter, als het zijne Ar- men buiten de-SchuIp (leekt, hebbende, in die (laat, den zwier volmaakt van een Polijpus. De Kop komt nooit te voorfchtjn, zijnde altijd verborgen onder de fteenige! korst, welke het omkleed. De vuiligheid óf (Iront, die de Walvisch uitwerpt, is, zo men ver; haalt, niet onaangenaam van reuk, en verft het Lin- nen, dat er mede beflreeken ^wordt, hoogrood, met eene'tamelijk vaste koleur. II. Finvisc\h; Phijfalus; Phijfeter. Willughb./A
41. Rondel.'Pi/c. 485-; PMjftlisbelkta, five Phijft ter. Gesn. Pi/c. 723.; Balena*dsntulacorporefirittiii<< dor/opinnato. Raj. Piß. o.; (Balna mrïbusin médian' pite, dorfa extremo pinnaadipofa.LiSiXiSijfl. Nat.) Dee* ze zoon fchijnt het geweest te zijn, waar aan de Gn'e' ken dén taam! gaven van Phalaina of Balaina, w welke van dé Franfchen hedendaags Gibbar geheten word; doch dejEngelfcheh geeven er den naam aan van Finfisck of Finback Whale, om dat hij een Vin agter op de Rug'heeft; gelijk ook de Nederlanders hem^'"' visch noemen, en zommigen zijn van verbeelding, <"■ het geen andere Walvisfchen zijn-, die er in de Atla"' tifcbe Oceaan, tusfchen de Keerkringen, in degto^ Zuidzee, en elders zwemmen. Hij komt in de Indi en bij de nieuwe Waereïd menigvuldig voor, zegt". Heer Buisson. Linnäus fchrijft er, in't algemeen den Europifchen Oceaan tot eene woonplaats aan toft , ; Deeze Walvisch j's, vah niet rnißder langte dan deii landfche,-Spitsberger of Groerilandfche Baaij tfalv"c^ doch,heeft het Lijf veel,dunner. Hij verfchilt ero^ . wel inzonderheid van -, door dien hij op de RpS' \ de:Staart toe, eené regtopftaande fcberpe Vin ^ ' van. drie of vier^ voeten lang; 4aarzij'ne Vinnen. y |
|||||||
|
WAT»-
.zijde-, van: zes of zeven voeten zijn. Zijne Biarden
âijn korter en blaauw van koleur;de Huid is glad, bruins op de Rug en aan deii Btiik wit;; de Staart veel grooter tlan in de gewoone Walrisch, In zijne bult of verhe- venheid op den.Kop, die egter laager en zo groot niet ' is, heeft hij ook een dubbeld Kanaal of twee Blaasgaten om het water uit te werpen, dat hij met veel meer ge- weld en geraas doet dan de anderen, v Hoewel deeze Visch zig mede inhët ijs bij Spitsber- gen en in Groenland onthoudt, word hij doch zelden .gevangen;, aan den eenen kant, dewijl het veel gevaar- lijker is hem aan te doen, alzo hij fchrikkelijk met da Staart: en Vinnen flaat, en moeijelijker hem meefter te .worden, om dat hij ongelijk vlugger .is dan de Wal- msjchen; aan den anderen kant, uit hoofde van zijn ^pek, 't welk, vast en fchraal zijnde, weinig Thraan -uitlevert; Wanneer zich veelen van deeze Visfchen ver- doemen , worden er geene. IValvisfchen, meer gezien. Hij nuttigt ook ander zoort van fpijze ; want zijn Aas .zijn Haringen, Makreelenen andere zoorten van Visch. In 't najaar 1682, vond een Vinvisch zig bezet op jde .Zeeuwfche ftroomen» - Den 5 OcTober, van,dat jaar, werd hij eerst gezien voor 't Goesfche Diep, !sanderendaags voor Kooltjes-Plaat, en den 7"was hij, zo,'t fchijnt, tusfehen het Eiland van ter Tholen en Duiveland, door het water, dat men de Keeten noemt, ■heen, tot in het Mastgat naar de Zijp e gekomen. Ze- iker Schipper met.zijn Jagt, waar mede hij eenige tarw van Vosfemeer naar de Oude Tong gebragt had, door de Zijpe ledig terug komende, lag met laag tij bij de ^Schorre aan, en Hapte er uit om Mosfelen'te raapen : middelerwijl zag zijn zoon den Visch, die nu eens bo- ven kwam-, dan weder onder water dook, en telkens, bij het boven komen., een dikken ftraal uitblies. Eeni- ge anderen, die ook Mosfelen raapten op deeze plaat, vervoegden zich met den Schipper naar den Visch, en ftaken hem, terwijl hij aan een fteilen kant lag, met haaken in 't Lijf. De Visch fçhoot aanftonds naarde diepte, en al het .andere volk ging weg; dog de vader en zoon zeilden hem agter na in de Mosfelkreek, bezui- den den Polder van St. Philips Land ; alwaar liij fnel voortzwöm, hebbende doorgaans wel vier vademen wa. ter, Eindelijk hem ingehaald hebbende, kwamen zij hem met het jagt zo nabij, dat de oude Man er een gat in fneed, daar hij aanftonds zijne kleine dreg in zette, ^1, dezelve aan ftukken gerukt zijnde door den Viscfr, «ijnegroote dreg, waar aan het Dier bun fnel voortfieep- te. dog na verloop van eenigen tijd ftil.hield, doende Biets dan water blaazen en met de Staart flaan. Midde- .lerwijl dreeven zij met den vloed verder landswaardsin, po de Schipper (lak den Visch;op nieuws met een mes in 't lijf, verwijdende het gat naar den Buik toe. Een Schipper van Bergen op Zoom kwam hun bij,, hopende deel te krijgen aan den buit, dog ziende dat de Visch van zulk een wonde niet ftierf, verliet hij hun. Niet «ag daar na keerde zich de Visch met den Buik: om ^°Si die wit was en vol diepe vooren in de langte. -Men kwam hemmet het jagt op zijde, en de Vader fneed -hem een gat in den Buik, waar op de Visch, door zijn geweldig flaan met de Staart, hun in geen kleine verlegen- oetd 5ragt> er) nog meer^00f j)gtroer afteftootenmetzijn «eus,.Tegen den avondraakte-hijeindelijkdoód.en rol-
mop deplaat tusfehen deoude Ziipe en Philipsland, daar jsi] hem, die het dreggetouw verfcheide flagen om het Lijf a^V?eide dreS verctiiden«ngerustelijkfflngenilaapcn.
*4.l Deel, x |
|||||||||
|
WAL,
|
|||||||||
|
■4Q5©
|
|||||||||
|
" ,'s Anderendaags kwam veel volks van St. Anne-Land,
daartegenover, alsook van de andere Eilanden, omdee- E-e -wonderbaaren'vangst te zien ; dog men liet den Schip- per 'niet zijn Zoon, zijn,Broeder met deszelfs Knegt én nog een Neef, die er met -een Schip bij gekomen wa- ren , met den Visch begaan... Deeze vijf Man fneeden er zoveel fpek af.als doenlijk was, en kreegen dien dag, ■naar gisfing, omtrent vijfduizend ponden .'t fchepe. De Staart werd er toen ook afgehakt, die 10 voeten breed was, zijnde de langte van den geheelen Visch geweest 50 voeten, en de dikte als een trekfehuit. Op de Rug was hij zwart, in 't midden wat bleeker, bla.auwagtigals Jeij, naar den Buik toe witter, en onder a^n den Buik a's een Kabeljaauw, zonder fchubben. In 't midden pp de Rug had hij een Vin, hoog tweeden breed vier voe- ten; aan beide zijden een Vin, van mans langte, drie voeten breed, en zo zwaar als een man kon draagen. Zijn Smoel was taamelijk groot, dog het Keelgat zo naauw, dat er niet meer dan de armdoorkon. De Tong was kort en dik, even als een kusfen, zagt in 'taanraa- ken, van koleur eens menfehen tong gelijkende, dog ter wederzijde bezet met bet ruige haair der Baarden, die van de bijkomende uit nieuwsgierigheid meest ukgefnee* den of gefcheurd , en tot een gedagtenis mede genomen werden. Men had echter een bos van gó"Baaidsn, be« nevens de Staart en een Kaakebeen, ook in 't; fchip ge- bragt. Het binnenfte van den -Bek-,-daar.de Tong op ruste, geleek een zagt bedde, blaauw van koleur, zon- der eenigeonzuiverheid. Het Kaakebeen werd tien voe- ten lang en 14S ponden zwaar bevonden. De Visch, X geen aanmerkelijk is, reeds dertig uuren dood geweest zijnde, was nog niet koud. Men had geen gereedfchâp om hem te.kenteren, zodat de onderfte helft verlooren ging,* dog uit het Lijf werden nóg wel 500 ponden reu* zei gehaald , en mede in het jagt gebragt. Het Spek was, op de meeste plaatzen^ drie duim dik bevonden. Men bragt hetzelve, verkogt zijnde, naarSardam, en ,>midde!erwij.! werd de Staart, het Kaakebeen en de Baar» den, te Delft, s' Haage en Haarlem, aan veeie nieuws- gierigen vertoond, Deeze zelfde Vinvisch is het waarfchijnlijk, welken
de Groenlandsvaarders Ju$it:r noemen;, want, -aan den eenen kant, word die naam gevoeglijk van het biskaifçhe -woord Gibbar-, dat men bij verbastering Guburtasen^fu* , èarîw-ruitfpreekt, afgeleid; aan den anderen kant.zijn ,de meeste eigenfehappen van den Vinvisch, zijn gewel- dig blaazen,. flaan en flingeren, opideezen tijtel toepas- selijk; gelijk ook, dat hij, als of hij de Koning der Vis- fchen ware, dezelven bang maakt en verjaagt. De naam van. Gibbar was, buiten twijfel , van'de Bul-t op de Rug, die de gemelde, Vin maakt, afkomitig. De Heer Anderson, die den Jupiter vooiftelt alszij'.
■ ne vierde zoort-van Wahisfcken, geeft zich veel moeite
;öm te ontdekken, of dezelve ook van den Vinvisch ver.
fchillen moge. Ten dien einde ftrekt de volgende be«
fchrij ving, doorhem ontleend van een Kommandeur, die
erin den jaare 1723 een gevangen had, en door andere
. Visfchers bevestigd. Deeze Visch heeft den Kop zo
.groot niet als de gewoone Walvisch, maar veel langer:
en fpitfer; de Bek is ook puntiger, het Lijf dunner en
van agteren fcherper. Hij heeft twee gaten, door wel*
ken hij water blaast, en waar mede hij de lucht uitlaat
-met zulk een geluid, als het fluiten,van een Mensch met
.den mond , maar ongelijk zwaarder en-fterker, dat de
gewoone IValywh niet doet. ; De;langte gaat'zomtiids
"«' Pp die
|
|||||||||
|
AoSo WAL.
|
|||||||||
|
WAL.
|
|||||||||
|
die van denzelven te boven, maar deeze, welken de ge»
melde Kommandeur ving, was flegts van zestig voeten óp 't hoogfte. De Huid zit ruim om den Viscb, enmet kreukels, even of zij er nietaan gehecht ware, zijnde van koleur zwartagtig blaauw. ; -, Deeze Visen, die in 't jaar 172 3 gevangen werd, had,
behalve de Vin op de Rug, en onder dezelve, een lang- werpige buk. Gekwetst zijnde gierde hij ijzelijk, aïs een Varken dat gekeeld word, en de Visch, die bij hem was, wilde hem niet verlaaten, ja ftrekre zich, toen bij reeds dood was , over hem heen, roaakende een fchrik- kelijk getier. Men befloot er uit, dat het een Manne- tje en Wijfje geweest zal zijn. De Visch was zo dol, toen men hem aanrandde, dat hij, in plaats vari te vlug- ten, gelijk de Walvisfchen anders doen, regtopdeSloep 'aanzwom, en mét een flag van zijn Staart drie Man zo- danig trof, dat zij er uit ftooven en, half verpletterd zijnde, verdronken. Hij had, gelijk de Walvisfchen, geen Tanden, en de Baarden waren buitengemeen kort, ten hoogfte maar twee voeten lang, zeer breed van on- deren en bijgevolg omtrent driehoekig. Hij gaf maar 'veertien'vaten fpek, dat doorfchijnend wasen waterig, 'geevende, wanneer het op't vuur gebragt werd, veel waasfem en weinig Thraan. De Heer Anderson merkt daarenboven aan, dat de
Nek, Rug en zelfs de Vin van deezen Jupiter-Fisch, 'beladen waren met een verbaazende menigte van Zee- 'Eickels of Gallen, die ver inde huid ja zelfs in het vet 'geworteld zaten, en bewoond werden door een zoort 3van Wormen, zijndevan boven met een klein geelagtig :velletjegéQooten. Deeze Infekten, gelijk ookSchuJpen, !Zeeruij, Wier en andere Waterplanten, worden, vol- gens het getuignis der Groenlandsvaarderen, zelden ge- vonden dan aan oude en hooit aan de eigentlijke Wal- visfchen;. waar uit het zeer blijkbaar is, dat de Vinvisch ■een andere manier van aazen heeft, zoekende waarfchijn- I-ijk zijn voedzel op den bodem der zee. * Inde Verhandelingen der Koninglijke Sociëteit van Londen', vind men insgelijks gewag gemaakt van zekere Cubs of ïonge Walvisfchen, gevangen zijnde bij de J?er- mai/«-Eilanden, welker Rug fcherp toeliep, gelijk bet :dak van een huis, "en die den Kop zeer dik hadden , we- derzijds geheel Omringd met zeer hooge Bulten; de Rug zwart en den Buik wit. Men fpreekt daar veel van der- zelver vlugheid en verbaazende kragten , en van het af- grijzelijk getier dat zij maaken, na dat zij gekwetst zijn, voegende er bij, dat men er een ving, van meer dan honderd voeten langte, die veel geleek naarde zoort, welke yubartqs genoemd Word ; die geen Tanden had ■en. langer was: dan de Gro'enlandfche "Walvisch, dog niet zo dik; die weinig Spek had en 't zelve nog van fiegte hoedanigheid, gelijkende naar lil. III. Osfeh Oog ; Bo-pps; Baltena tripinnit , nat ét ha-
ltent cum roßro aculo £f plicis in ventte. Raj. Pi/c. ï6.; Balxna, fistuln duplki in roßro, dorfo eictremo protube- rantia corhea. Art. Gen. j-j. Een Visch van deeze 'zoort, die van den Heer Ra jus genoemd word. Wal- 'visch mei■ \drie Vinnen, Neusgaten hebbende met eenfeher- 'pen Snoet' eii kreukelt aan den Buik; werd, zo hij fchrijft, den 17 november róoo, jn zekere Inham, bëwesten de haven van JBruniisland, een Vlek aan de Noordzijde van den Golf van Ëdenburgj dé Forth genaamd, in Schot- land, asn Strand geworpen, Dèlangue van dit Zeemon» 'irter was, van 't end van den Bek tot aan de Staart, zes- enveertig voeten ; het had op Rug,'naar de Staart toe., |
|||||||||
|
celle uitpuiling als een hoorn, welke de Visfchers een
graat noemden. De Neusgaten waren in de Bovenkaak in het bovenfte gedeelte vanden Bek geplaatst, enilon! den van 't end der Bovenkaak zes voeten agt: duimen 'af- zijnde agt of negen duimen lang en door een middelfchot van een gefeheiJen., De Oogen fcheenen uitwendig, mat de Oogleden tezamen, omtrent de grootte te hebben van Osfen-Oogen. Men .begrijpt hier uit, wat de reden zij, dat de Heer
Linnjeus aan -deeze zoort van Walvisfchen den naara geeft van Osfen-Oog. Arted i zegt, dat de Snoet tcherp is.of fpits naar de anderen te rekenen, en daarom zou ik denken of degene, die inden jaarei7So, op Eskevigen bij Fredrikshall, door. het voljt van den overflen Heute. nantKoRBiORKSEN gevangen werd, ook tot deeze zoort behoóre. De Heer Pontoppidans heeft haar, wegens de fcherpte van haar Snoet, Balcena rofirataofSchnabel- fisch, dat is Snebvisch genoemd. Zij had de langte van zesentwintig voeten en men vond een Jong van zes voe- ten lang; in haar Lighaam. Ook had zij, gelijk "de af- beelding'aanwijst, drie Vinnen, en het Oog fchijntveel naar een Osfen-Oog te zweemen ; zie de Naturl. Hifi. vm Norwegen.ll Th. p. 233. ,. , . IV; Breedfmoel; Balnatripiwiis, maxiflam inferiorem
rotundam &'fuperiorèmulto latiorem habent. Rij. Pisc.ij,', Balana fiflula duplki in fronte, mdxilla inferiore multt latiore. Arted. Gen. 78.- Hiertoe betrekt de Heer Linn^üs dengeenen, die van Rjsjüs genoemd word; Walvisch met drie Finnen, welke dé Onderkaak rond m veelireeder heeft dand'e Bovenkaak; hoewel.hij twijfelt,of dezelve van den Groenlandfchen Walvisch genoegzaam onderfcheiden zij. Zie hier wat erRAjos van zegt. In de maand feptember des ja'ars 1692 werd deze aan
den zuidelijken oever van den Golf van Edenburg, ne- vens het oude Kafteel van Abercern, op ftrand gefmee- ten. De langte was 78 voeten, de dikte evenredig Het Monfter bad de Onderkaak vee! breeder en wijder dan de Bovenkaak, en half cirkelrond van figuur. Men vond in hetzelve geen Buis , maar, naar't Voorhoofd toe, vertoonden^zich twee groote Gaten, in gedaante nabijkomende aarj de pieramidaale: deeze waren breedst naar 't Voorhoofd en liepen naauwer toe naar 't engte gedeelte van dertBek: zij werden door een middelfchot van een gefcheiden. De Smoel, getuigt Sibbaldus. was zó groot, dat er veertien Mannen te gelp *r' konden ftaan. De Heer Brisson maakt, hehalvendegemelden, nog
van drie zoorten fvan Walvisfchen gewag, waar onder eene, die de vijfde'is van Anderson, en as Nieuw E* [ gelandfche van hem genoemd word, in 't hoogduitsen ; Ff lockfisch, dat is Pemisch heet, in 't engelsen Bvnijt of Humpback-Whalt', wegens een zoort van Bult, d'e dezelve in plaats van een Vin op de Rug.heeft. Deez» uitpuiling gelijkt eenigermaate naar een paaltje, hangen- de agterover, een voet lang én van dikte als eens Men- fchen-hoofd. De Zwernvinnen op ziidezijnagttien voe- ten lang, zeer wit en zitten bijna aan't midden van Lijf. Het Spek gelijkt veel naar dat van den Vin« visch, en de Baarden zijn ook niet veel ge.igt, yos' welbeter. Hij onthoud zich aan de kusten van Nie"* Engeland. .^ . h Een andere , die aldaar ook huisvest en in 't engeip
Strag-Whale, in 't höogduitsch Knoten..ofKnobbelvtscn genoemd word, maakt de zesde zoort van den HeerAKj | DSBSO« uit. Deeze Schrijver meld, dat dezelve, zo^ | |
|||||||||
|
W&lß
♦eelheid van-ÇpeJc,,aIs in geftalte« het allernaaste aan
den Groerilandfchen Walvisch komt.' Hij heeft op de Rug, niét ver van de Staart, ter plaatze daar de Vin- visfchen hun derde Vin hebben, een half xjozijn Knob- bels, en oni die reden noemt hem Bm'ssoh'. de Zesbülti- ge. 'üe Baarden echter zijn wit, én moeijelijk te fplijten. , Behalve de Walvisfchen en Vinvisfchea, onthoud zich
in de Noorder Oceaan nog een -zoort van Visch, die tot dit zelfde Geflagt behoort; hoewei ik er, bij den Heer LiNNÄUS , in 't bijzonder geen gewag van gemaakt vind: te weeten de Noordkaaper. Deeze. heeft van de Nederlandfche en Hamburgfche Visfchers dien naam ge- lircegen, dewijl hij zich in groote menigte omtrent de Noordkaap, zijnde de noordelijkfte uithoek van Euro- pa, onthoud, hoewei hij ook veel omtrent Ysland, aan de kust van Noorwegen, bij de Eilanden Faro en Hit. land, gevonden word. Zelfs fchijnt hij veel zuidelijker ie.komen ; want ik vind aangetekend, dat er op de kust van Guinée wel verfchijnen, die aan het verjaagen der Visfcben kenbaar zijn. De Noordkaaper, die van Buisson de Tslandfche,en
van Klein de fs-Walvisch geheeten word, gelijkt in ge- daante volkomen naar den Groenlandichen, dog hij heeft den Kop kleiner en het Lijf dunner, de Baarden korter. Hij is in alleopzi'gten kleiner, maar bok vlugger dan de groote; zijn Vel is niet zo zwart, ja zelfs wit of blaauw- agtig. Voorts verfchilt hij van denzelven door zijn aas, 't welk niet gelijk dat der Walvisfchen in Infek- ten, maar in Haringen, en anderen Zee-Visch beftaat» gelijk dat der Vinvisfchen. De noorder-Oceaani krielt in de fomer, aan de kusten, hier en daar van jonge Kabeljaauwen, Schel visfchen en Haringen, die van dee- ze Visfchen gretig worden opgeflokt., Dus zal hetwaar- fchijnlijk een Noordkaaper of .Vinvisch geweest zijn, waar van Horrebow in zijne berichten van Yslandt meldt, dat die met de ebbe op ftrand vast raakte en van de Boeren dood geffagen werdt, 'in wiens Buik me« zes honderd levendige Dörfchen vpndt. . Aan de west-kust van Noorwegen ziet men, jaarlijks, in januari] een zoort van Walvisfchen verfchijnen, die aldaar Vischjaager of Haring-Walvisch geheeten wordt, en men merkt ze niet als vijanden maar als vrienden aan; dewijl zij, door een bijzondere voorzienigheid van den Schepper, ontelbaare fcbaaren Zeevisch, tiis- fchen de banken niet alleen en agter de klippen, maar zelfs diep in de inhammen en tot in de rivieren drijven; 't welk ten -voedzel en onderhoud van duizenden Men- ßhen ftrekt, en tot verbetering zelfs van 't land. Zeer vrolijk zijn derhalve de noordfche Boeren, wanneer zij deeze Visfchen op een groóten afftand reeds gewaar borden aan de waterfiraalen, waar mede zij de lucbt 3an de kimmen zien grimmelen, dat zich niet anders vWoont, dan of er in de zee een groote Stad lage, Melker fchoorfteenen fterk rookten ; want het getal dee« wtVisfchen beloopt, eenige duizenden, en hunne fchaar "fektzich, gemeenlijk, van Stavanger of Karmfimd tot n{iiCkrifliaanJund in 't Sticht Drontheim, tegen de 2«tig noordfche mijlen uit. ^ Walviseh-Fängst, «nar. ' - ' '
JJe IValvisch-vangst werdt in het begin der voorgaan-
e eeilw'. zo 't fchijnt, aangevangen door de BrskaijV
Van' |e.t!33md Basques, en wel inzonderheid door 4ie^
38 »aijoBne in 't zuidelijke van Vrankrijk, aan de
|
||||||||||
|
WA E.
|
||||||||||
|
t4Q&r
|
||||||||||
|
grenzen van Spanje. Dit Volk dergelijk zoort van Vis-
fchen misfehien .omtrent de kusten van Vrankrijk en Spanje gevangen hebbende ,, en bevindende dat daar g»edé winst van kwam, vervolgdde ze langs hoe verder in zee en om de noord, en wierd van tijd tot tijd iri deeze Visfcherii ervarener. Zij plagten, in de voor- gaande eeuw, wel eens dertig Schepen op dien vangst uit té zenden, elk van twee honderd vijftig ton, be- mand met vijftig 'Man, bevaren volk, en eenige jon- gens of nieuwelingen. In ieder vaartuig werd leeftögt gedaan voor zes maanden, en zij gingen dus naar ee.- nige Eilanden of Kusten van den noorder Oceaan,' al- waar zij hunne tbraankookerij opregten , brengende geen Spek, maar Thraan, met zich 't huis. Ook werdt de Thraan, zomtijds, van hun wel fn de febepen gekookt. Diestijds werden omtrent Ysland en de noor- fche Kusten, doch inzonderheid bij diè van oud-Groen- land, zeer veel Visfchen gevangen. Vervolgens week de Visch allengs noordelijker, tot bij Spitsbergen, en dit maakte den vangst moeijelijker en onveiliger voor ligt« fchepen , zo dat zij, bewesten oud-Groenland om, de Straat-Davis inzeilden. De vrugtelooze üitflag van hunne poogingen egter, iri verfebeide jaaren, bet ledig 't huis komen hunner febepen, en inzonderheid de oorlog van't jaar 1744, heeft de Franfchén meefien? deels,van deeze visfeherij ontzet. De Engelfchen en andere noordfche Volkeren bao%
den al vroeg, nu en dan, profijt genooten, van derge- Jijke Visfchen, Walrusfen en Robben , aan hunne ftran- den; gelijk de Nederlanders hij gelegenheid van hunne tochten, om een doorgang, benoorden 't vaste land om, naar China en de Oostindiën te zoeken, ('t welk in 't jaar 1597 voor de derdemaal ondernomen werd,) zich meester maakten van de Walrusfen en Robben, om derzelver Tanden, Huid en Spek;/maar het vangen of dooden van die groote Zeemonfters, de Walvisfchen, in open zee of in 'c ijs, werd te gevaarlijk aangemerkt; ook hadden zij er geen bekwaamheid noch gereed- fchap toe. Derhalvén huurden zij eerlang Basques of biskaifche Harpoeniers tot deeze Visfeherij, welke hun bet geringe voordeel van rje Walrusfen en Robben- flagerij wel dra deedt vergeeten. In 't jaar ifjiiwerd zelfs door eenige Burgers van Hoorn, Amfterdam en andere plaatzen, een Noordfche of Groenlandfche Kom- pagnie opgeregt, en, drie jaaren naar na, door het oktrooij der Staaten bevoorregt; om te handelen en te visfchen, op de Kusten en Landen van Nova' Zembla af tot aan Straat Davis toe, daar onder begree»: pen alle landen, die binnen de voprfchreeven limie- ten gevonden zouden worden. Men zette toen met al- len ernst de Visfeherij door, omtrent Spitsbergen, een groot Eiland, dat nabij de 80 graaden breedte legt en welks Baaijen zeer yischrijk waaren. Aldaar werden dan, door de Engelfchen, Nederlanders, en andere. Natiën,een meenigte Thraankoqkerijenopgeregt,waar van de overblijfselen, aan de vervallen muuragien en. Walvischbeerideren, in.'t voorde deezer eeuw nog ken- baar zijn geweest. Zekere vlakte, genaamd Smeeren- burg, aan de Hpllandfcfae-Baaij, was de voornaamfte, plaats, en als de (tape 1 van de Thraan. In 'tjaarióT?, kreeg deeze Kompagnie verlanging van haar oktrooij" voor vier eri in 't iaar 1622 wederom voor twaalf; jaaren, wordende Jan Maijen-Eiland, daar men ook, een Thraankookerij «pregte, toen insgelijks in het ok-- trooij begreepen, en deiZe.eu.wen kreegen ermede deel. Pp 2 in, |
||||||||||
|
■■ t
|
||||||||||
|
" f . -'■'■ I " . - -
&$** WAA.;
in, gelijk dë Vriezen ibsgelijks, bij de vernieuwing
vàn het oktrooij, in den jaare 1633, voor den tijd van agt jäaren, een portie van drie in de zevën-en- twintig gegëeven werd. 'De Visfcherij hadt, 'diestijds, een geheel andere ge-
daante dan tegenwoordig- De Nederlanders zeilden, rnet elkander,.' naar de Bollandfcbe-Baaij op Spitsber- gen, alwaar de helft van 't volk ,zich aan land begaf om 't Spek te fnijden en Thfaari daar van te' koo'ken. Terwijl de Schepen daar als- in. een veilige haven la- gen, met touwen aan- de wal' verluid, zonden zij hun- ne floepen op den vangst af, die' met weinig moeite en gevaar'verrigt werdt. Het 'fchijnt dat de' Walvis- Jxhen,. daar komende om te aâzeh-, -door bun betrapt werden, en in zeer groote overvloed gevangen; want Bien vergrootte va-n 'jaar tot jaar het getal der 'fhraan- Rookerijen en Pakhuizen aan de kusten van die Baaijv ën de veelheid van Thraan^ welke daar gekoóktwerdt, was zo 'groot, dat men jaarlijks- eenige Nöordsvaders, ©f groote fchëpen. afhuurë.n moest, om het overfchöt in te, 1'aaden en 't huis te brengen. Om kortte gaan, .'Sheereniurg geleek naar een. dorp of vlek, daar her, fiï 't- faizoen" der Visfcherij zeer'levendig wâs envoi vin. drukte. De fehepen zeilden , tegen dat het ij's ©pen ging, derwaards, en vertrokken vroeg genoeg om Hier, bezet te raaken , -lastende, hunne ketels en gereed- fiihappen (taan, 'De voördeeligheid', ondfertusfchen,, van deeze Vis-
fcherij-, bragt haar'een'zwaare wonde toe, en deed zé kwijnen.. Alle-Provinciën en Steden bijna van de-Ne- dërl'anden,. begeerden deel te hebben in de' winden, die- zij zagen dat er hunne landsgenooten van trokken, en derhalven werdt door de Staaten Generaal bet ,ok- trooij niet verlangd, zo dat dé Visfcherij, tnét'den jàa- £ë 1641. voor een ieder open itond. Inmiddels waren de' Eràlvisfèhen.i die men- EUandfcke-Fisfcfien noemt, door-de fterke voortzetting; van 'den vangst grootëlijks in getal afgenomen en -de overigen fchuuw geworden; so'dat:dé Kompagnie; door dien- de vangst' allengs ■verminderde, er zeer (legte rekening bij maakte. De liTàMsfchen-, waar van weleer de baaijen van Spits» bergen krielden, weeken om de oost of onder 't ijs, en moesten derwaards met de fehepen worden nage- geijd. Dit hielp degeheeleThraankookerij op de gemel- de' Eilanden in duigen en bragt het flenfen der Walvis- Jchen:, om het Spek, in vaten gepakt, naar 't Vaderland tè- voeren,, in trein, gelijk zulks tot beden de manier gebleeven is..' * JEïet duurde een igen tijd', eer men het waagen durfi
de-, om dé-Visfchen in 't ijs op te zoeken; doch men vorrdt zich eerlang daar toe genoodzaakt, alzo buiten 'h 'iis geen Visfcb van belang te-vinden- was. In 't eerst nam men daartoe oude koopvaardii-fchepen , maar, dewijl dëeze-niet foeftahd waren- tegen het ftooten enaandrin- gen der Ichotfén, zo. werden er nieuwe- zwaare fehepen ïfoe gebou-w.d1, gelijk nog heden gefchiedt, en niettemin verongelukken er,* jaarlijks, eenigen in 't ijs. Want lii'ét aHeen drijven aldaar geheele- ijsbergen, ea het ijs ifeHft' 't algemeen bijster dik, maar de ijsvelden, daar d> fehepen aàn leggen om te visfchen, zijn ook van 30 veel aitgeftrektbeid, dat men ze uit de marfen niét tean"overzien.- Zelfs het losfe ijs,' dat men flarden ïïoemt, door een ftórmwind in beweeging zijnde ge- raakt, verbrijzelt njenig fchip; 't welk niemand vreemd jzçlïdoen, die bewust is óf overweegt ^ aan hoe veel geVaar |
||||||
|
WML
de fehepen en dijken, 'hier op, de zuiderzeej; wart>s
neer ijs van een voet dik'in beweëging'raakt', ilii' bloot gefield'. ? Ik vind het denkbeeld van Zorgdrager niet onwaar-
fchijnlijk, dat de WàMsfchen 'm de winter, wanneer alles misfebiep rondom de Pool', tot aan de zeventig graaden breedte en verder, digt bevroozen legt, ge. -noodzaakt zijn naar dein zoom van 't ijs te komen, om lucht te fcheppen. Het ijs , nu', ontdooit vroeger midi den in zee,' daar diep water is, dan aan de kusten en dit maakt, dat er na harde winters, in de voor- ibmer, aan de kust van Lapland en Jvjoskovie, tot\Ns- va-Zembla toe, nog' een groot veld van ijs gevonden wordt, terwijl dezee bij Spitsbergen reeds open is. Dit ijs, dat'eijgentlijk om de OàJflegt, plagt Zuid-ijs ge.- noemd"'te worden , dewijlhët zuidwaards lag van Spits-- bergen. Aan den zoom van dit ijs is, voor de Groen- landfebe Kompagnie,, dikwils met groot voordeel ge» vfscht, toen dë. Visch 'uit de Baaijen van Spilbergen' begon te verloopen; doch men heeft naderhand bevon- den , dat er in zommige jaaren niets was op te doen,' 't welk daar uitfehiint veroorzaakt te worden, datdee- ze Dieren , door Waigats heen, een vrijen doortogt' hebben om de Oost, en zich zo ver te waagen, om de- zéivën bij Nova-Zembli op te zoeken-, is zeer gevaarlijk,, gelijk in''t jaar 1684 bleek, wanneer vijf-en« twintig Neder- landfche Schepen ohi deÖostverongeluktzijn. In'tvoI-; gendëjaar viel dit aan 'drie-ën-twintig Schepen te beurt. Dit heeft dan de Wat-ijs visfcherij in trein gehragr,'
dië nog heden geoe'ffend wordi , Door het ontlaator' van het weer, naainelijk, komt in de zee, die toege-; vroozen was geweest, aan de westzijde van Spitsbergen een opening, en daar formeert zich, aan de kusten van Groenland, een zoomj van ijsvelden en fchotfèn, waar in de Visch zo 't fchijnt zich veilig agt, ten mindern'' taamelijke veelheid zich onthoudt. Derhalve is dit ijï' de plaats der bedendaagfchV Groenlandfche Visfcherij,' beftaande de geheele uifgeïlretbeid der kust, van de: hoogte van Jan Maijen-Eiland tot'aan die van Spits- bergen ; dat is ongevaar van de 70 tot 80 graaden Hoor- der breedte. Men tragt gemeenlijk op booge graadeir in 't ijs te loopen, dewijl de ondervinding heeft ge- leefd, dat zich aldaar 'de meeste Visch onthoudt; doch?' 't gebeurt ook wél, dat dezelve'zich door het ijs ver<' fpreid, of meerder op andere plaatzen verzamelt, en dus opgezogt moet worden; 't welk dan dikwils op die; hoogte, een- fchraalen vangst veroorzaakt. Dat ér, door den tijd, eenige verandering in de loop1
of verzamelplaatfen déezer Dieren moét komen, Is niet te verwonderen. Want, boe groot van üitgeftrektheid de wateren ook zijn/ daar zij zich in onthouden, het getal van deeze Zée-monftefs, welken men reeds ver' niëld,heeft, is zo groot, dat er al een ohverbeeMelijke' mertigte van zou moeten zijn in' dé noorder Oceaan.. orn niet kennelijk té verminderen. 'In zommige jaaren,. zegt ZoHDRAAGER , werden, op dé gemelde plaats, wel' agttien of negentien hónderd Visfchen gevangen, waar bij men hog' tellen moét de'zbdanigen , dié gedood zijnde weg.zinken, of met de harpoen in-'f> lijf onaci' 't ijs glippen en aldaar derven. Uit de lijst, die ,n zijn werk daar van opgegeven word", blijkt dat, van den jaare 1660 tot aan ' 17^25 » door de Nederlanders ge- vangenen 't buis gebragt zijn,' meer dan'vijf-en-derttg' duizend Walvisfchen. Indien nu , geduurende deezen tijd, door andére;Natien nog vijfdaizènd';zi|ngevanjgen5 |
||||||
|
WAL.
|
|||||||||
|
4<5«3
|
|||||||||
|
*) rnaakt' dît veertigduizend, en, dewijl-de vangst'in
't voorfte dér voorgaande eeuw zo■ voordeelig was,dat raen Noordvaders moest afb.uuren om de Tb'raan te laa- den, die twee toc'lt*n deeden op een jaar naar S'ineeren- burg', zo is 't niet te denken dat de vangst, een vijftig of zestig jaaren voorfijker, minder zal uitgeleverd heb-! ben, dat is over 't geheel tagtigduizend, en hier nog bij doende twintig-duizend voor 't getal der Visfchen, die na het jaar 1725, lot beden, gevangen zijn door de I^ederlandfche en andere Schepen, zo zou het getal dee- zer Zee-moniters, die men in de tijd van anderhalve eeuw vernield heeft, honderdduizend ftuks bedraagen*. Verfebeide andere Natiën hadden, in 't eerst, ook
baare Thraankoökerijen op Spitsbergen, elk aan een bij- zondere Baaij, die daar van nog den naam voeren van Engelfike, Deenfchè en Hamburger-Baaï}en, als ook van Biskaijer-Hoek. ■'. Deèze vier.Natiën zijn de eenig-' ften bijn3, die zich, behalve de Nederlanders, met den vangst der Engelfcbe of Baaij-Walvisfchen bemoeid hebben, en deeze alle werden, door 't verloopen van den Visch, in, gelijke ongelegenheid gebragt als de on- zen. De Engelfcben hebben nu en dan deeze Visfche- rij, op gelijke manier als de Nederlanders, getragt door te zetten, doch, 't zij dobr onbekwaamheid van hunne Harpoeniers of anders, zij zijn er telkens zeer kort af- geraakt. De zuidzee-Kompagnie ondernam het in 't jaar 1724, met zo goeden uitflag, dat er eerlang vijfen- tmutig Schepen werden uitgerust* maar binnen agt'jaa- ren was die drift weder uitgedoofd, en, inderdaad, Dien rekende, dat zij een groote fomme daar mede ver- iooren had. In 't jaar 17-50 begonnen de Engelfcheh weder met grooten ernst, huurende Kommandeurs en Volk, met hoog handgejd, te Hamburg; zo dat in 't jaar 1753"wel vijftig Schepen, uit geheet'groot Brit» tannie ; ïiaar Groeniend voeren j, en in 'c jaar 1760 was het getal der Engflfche en Schotfche Schepen, die op den Walvisch-vangst uitzeüden, met elkander, negenender- tig; 't welk egter niet beantwoordde aan hét voorgeef ven van tagtig Schepen derwaards te zullen uitrusten; gelijk men in 'c jaar 1-7:54 fprak, Het zou onbegrij- pelijk zijn dat, (taande den toemaaligen oorlog ;met Vrankrijk, die Visfcherij' dermaate door hun voortge- zet werde; indien het niet bekend was , dat dezelve, zedert het jaar 1751, door den onderftand van 't Par- lement, zijnde een premie van veertig fcbéllingen per Kin,,.voor ieder Schip-, dat mert derwaards afvaardigt, en tevens door een premie-voor den Kommandeur en't Scheépvolk:van dat gene, -.'t.welk de meefte Visfchen gevangen heeft, aangemoedigd werde. 't Schijnt dat de Deenen zich, zedert bet verloopen aer Visfchen van Spitsbergen, niet veel met den Wal. visch-vangst'bemoeijen. D'ô Hamburgers, egter, hetï£' ^entot nog toe daarmede, gelijk ook met'de Robben- «agerij, aangehouden, en, hoewel het getal van Sche- in,, dat zij jaarlijks uitzenden, met dat der Nederland- se Schepen ingeenvergelijking koint, is het egter nog tamelijk groot. Zij zijn er, geduurënde: negentig jaa* ren; vrij<geßadigmede voortgegaan en hebben, i'n zom- pige jaaren wel over de vijftig Schepen uitgerust. In _t jaar-1.733; werden, door die van Hamburg en ^\ltona, wmtig Robben (lagers en een en»veertig Schepen naar «loenland■ en~ Straat-Davis afgevaardigd. Hunne Vis- ,epj volgt bijna-den trein der Néderlandfche, 'f geerç
binder te verwonderen' is, dewijl de?elve bijna metéèn soort van Schepen<ervScheepsvolk gefcbiedt. De Stad |
|||||||||
|
Bremen voegt er, doorgaans, nog een of twee Schepen
bij. Het is hun nieer dan eens gelukt, met ruim vijftig; Schepen over de vijf honderd Visfchen te vangen in, een- jaar; dat is, ongevaar tien Visfchen en meeï dan drie-' honderd Kwarteelen ieder Schip,, door malkander gere« kend; 't welk dan eèn zeer breede Visfcherij maakte; doch'c is hun ook meermaalen zo tegen geloopen, dat: hunne Schepen, grootendeeis ledig'thuis kwamen, en"; dat zij,- dOor malkander gerekend, maar twintig of der- tig Kwarteelen hadden, 't. Getal der Visfchen, door- hun van den jaare 1670 tot 1725 gevangen, beliepover; de tienduizend, dat is twee zevende v'arJ dèn. van'gst der' Nederlanderen in die 5-6 jaaren; daar hét getal der Sche»- pen ,.door hun uitgerust, zes-en-twintighonderd en twee,- of nagenoeg «h derde, en dat der geblèevene of veron«- gelukte Schepen 93 was geweest. De Nederlanders hebben'wel eens, op één jaar, gevan»-
gen en 't huis gebragt over de nvt e duizend Walvisfchen;. gelijk in 't jaar 1701 gebeurde, toen ieder Schip, door één. gerekend, over de tien Visfchen en veel meer dan drie- honderd vaten Spek hadt; doch gemeenlijk bepaalt die vangst zieh tot veel minder dan duizenden bedraagt dik-' wils geen vijfhonderd Visfchen. 't Schijnt dat het voordeel: van deeze Visfcherij zedert een reeks van jaaren groote«; lijks vermindert. In twaalf jaaren t-ijds, van 1679 tor 169,0, die beiden ingeflooten, vind ik, dat 2209 Schepen- voor rekening van de Nederlanders, uitgevaren zijn, die- niet elkander gevangen hebben 11136! Visfchen', waat:- van gekomen zijn 442193 vaten of kwarteelen Spek;dat!
is jeder jaar, door malkander gerekend, 184 Schepen,, 928, Visfchen en 37849 kwarteelen, en dus ieder Schip- omtrent 206 kwarteelen. In vijfentwintig jaaren, van- 1701 tot 1727, zijn uit de Nederlanden gezeild,3771 Sche=>\ pen , dit 'thuis kwamen met 13284 Visfchen, bedraagen-- de 51,3066 vaten Spek; en dus 151 Schepen, 531 Visfchen,, 20522! kwarteelen's jaars; dat is ieder Schip omtrent-'
136 vateb of kwarteelen. Onderlusfchen zie ik niet dat' de grootte der Visfchen, zedert een eeuw, veel vèr-< minderdzij.; Zij leverden, in'de -gemelde twaalf jàa* ren, door malkander, het ftuk omtrent 41, en, in di? gemelde vijfentwintig jaaren, het (luk ruim 38 kwartee» len uit. En fchoon;de meefte Visfchen thans klein zijn, van twintig of dewig kwarteelen , zo word er egter, nog. nu en dan, een enkele Walviscli gevangen van over de" vijf-tlg, zestig of zeventig vaten Spek. Bij -voorbeeld^ in 't jaar I759bragten twee Kommandeurs, voor Am- fterdammer rekening, ieder een Visch't huis, de een van 74,.de ander van 72 vaten. ; Deeze vermindering, van den vangst in Groenland,,
inzonderheid plaa«ts hebbende in bet voorfte,-deezer eeuw,'deedt onze Nederlanders,denk en'om het voor- beeld' der Bifkaijeren , die het, bewesten^ Groenland5 om, naar de Straat Z)<jv£.r gewend-hadden, naar te voL- geni' Na 't jaar T720 is zulk eerst, met'ern'st doorge>" zet, en in 't jaar 1730, zag men bijna even veel Neder- lahifcbeSchëpen derwaards zeilen als- naar Groenland, terwijl.de Engdfchen-twintig-Schepen naar'dé Straatr Davis zonden, idtó egter maar^p,Visfchen 't:bufs brzg; ten. In'tegendeel hadden 82'Nederlandfebe Scbepen iri; de Straat Davis., geduurënde:dat faizoen, 2-ll|-Vîs'ch,. en 87 Groeolancfsvaardérs mriar 37Visfchen gevangen;., zo dat de Straat Davis Visrcfierij wel vijfmaal zo veel Spek uitleverde. Dit moedigde "óns volk zodanig aan ,, dat ia 'tvóJgettde jaar.95 Schepen naar de^Straat Davis- Pp 3, es-ï
|
|||||||||
|
WAL.
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
4pfji
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
zaam digt bij gekomen is, een harpoen of meer daar in,
geworpen, waaraan, ten einde van den voorganger een lijn vast is, welke men met andere lijnen langet, maakt, naar vereisch. JDus word één of meer Sloepen van den Visch, die zich getroffen en gekwetst voelt, zomtijds met zo veel geweld voortgefleept, dat het .Schip, met volle zeilen, haar nauwlijks bij kan houden. Men word den Visch niet altijd even gemakkelijk mees« ter; zomtijds loopt hij zich zei ven dood, zomtijds moet hij met lenfen dood geftooken worden; zomtijds'ver- liest men hem onder 't ijs; zomtijds fterft hij aldaar, nog aan de lijn vast zijnde, en dan is het zeer moeije'. lijk hem er van te krijgen. Ook zinkt een Visch wel eens zodanig weg, dat men hem niet meer te zien komt, en. dan is hij geheel verlooren. Wanneer het gelukkig uitvalt, ontdekt men zijn fteïven aan het kenteren, met derç Buik om hoog ; dan word hij, met bet ftaartend voor, naar 't Schip gefleept, en, op zijde van 't zel- ve vast gemaakt, leggende in 't eerst, door dien hij met den gaapende Bek zo veel waters ingenomen heeft, van boven bijna gelijk roet de oppervlakteder zee; maar den volgenden dag is hij reeds zes of ze- ven voeten gereezen ; en den derden, dikwils zodanig, dat men zich genoodzaakt vindt, om er, onderde Vin, een gat in te fteeken, of een fneede te geeven in den Buik; waardoor dan, nietzwaaren ftank,veel wind geloosd word, en dus flenkt het Kreng genoeg- zaam om het te kunnen fnijden. , Dewijl er onvermijdelijk vereischt wordt den WiU visch met de Harpoen te raaken, wil men denzelven magtigworden, en zommigeHaipoeniers; doorfcbrooui of onbekwaamheid, dezelve niet in den Visch weeten te werpen, voor dat zij digt bij, en, om zo te fpree- ken, op den Visch zijn met de Sloep; zo heeft zeker Engelfchman, genaamd J. Bond, Med. Doktor, mi tien jaaren geleeden, aan de Koninglijke Sociëteit van Londen een Werktuig voorgedragen, waar mede hij meent, dat men: den Visch veel zekerder, en verder af, zou kunnen fchieten. De Nederlanders ondertus- fchen, die Harpoeniers hebben, welke den Visch wel op dertig en veertig voeten afftands kunnen treffen, hebben dit werjktuig niet van nooden, en ik kan niet zien dat de Engelfcben, zedert dien tijd, 't zij dat zulk een Werktuig door hun gebruikt of niet gebruikt zij, gelukkiger in de Visfcherij dan te vooren zijn geweest. Door 66 Engelfche Schepen werden, in 't jaar 1757» maar 91 Visfchen 't huis gebragt. Het zou van meet uitzigt. zijn, indien dit werktuig ftrekken kon om den Visch eensklaps kik dooden, gelijk den tijtel van zijn Vertoog fchijnt aan te kondigen; a Machine for killiog ef Whales noemt bij het zelve, Phü. Trans, for. T751.: p. 429.; doch ik zie uit de befchrijving niet, dat hij zulks daar mede op 't oog heeft; Dit laatfte, ondertusfchen, is iets, 't geen men*
mijns bedenkens, wel in overweeging mögt neemefl' Want, indien de IValvisfcbenop een bekwaamen afftand, ftel eens van 100 voeten, konden dood gefchooten wor- den , zo zouden er zo veelen niet ontglippen ; nien hadt minder moeite en itelde het Volk zo veel niet to gevaar. Door middel van Buskruid, beken ik, kan dit niet wel gefcbieden; maar, men moest daar toe een zoort van Stukken uitvinden, die zonder flag. vlam° rook te maaken, gelijk een Windroer, een genoegzaam zWaar, fpits Werktuig, of een Kogel, fchieten konden. dan: werden erde Visfchen niet door vervaardgemaaK |
||||||||||||||||||||||||||||
|
en maar 68 naar Groenland werdfin uitgerust, waar
van de eerften 250, de laatften maar 51 Visfchen had- den, en inde vaten Spek was het verfchil noggrooter. Derhalve werden, in't jaar 1732, tot.137 Schepen uit de Nederlanden derwaards afgezonden. De Straat Da- vis-Visfcherij bleef niet lang zo voordeelig. In vijf jaa- ren, van 1732 tot 1,736, is het getal der Nederland- fche Schepen, die derwaards zeilden, 't eene jaar door 't andere geweest 107, dat der gevangen Visfchen. 216 in 't jaar, en der vaten Spek 11585!; zo dat ieder
Schip, door malkander, ruim 2 Visfchen, dat is ro8 kwarteelen, medebragt, en ieder Visch, door malkan- der, 53 kwarteelen uitleverde. Zommige jaaren ook, wanneerde Visfcherij in Groenland beter flaagde, ge- paard met de vroegtijdiger en zwaarderuitrusting, heb- ben de vaart naar de Straat Davis allengs wederom doen verminderen, en die naar Groenland vermeerderen; zo dat in 't jaar 1740 maar 20 uit de Nederlanden naar de Straat Davis voeren, en zedert is 't getal nog al klein- der geworden. In't laatst der voorgaande eeuw was deeze Visfcherij,
in 'c atgemeen, taamelijk voordeelig; dewijl van 't jaar 1669 tot 1700, dat is, om dat de vaart drie jaaren ge- ftremd was of verbooden , in 28 jaaren tijds, door 4158 Schepen gevangen en 't huis gebragt waren 21974 Vis. fçhen; dat is, 't eene jaar door 't andere van 148Î
Schepen 785 Visfchen, en dus hadt ieder Schip over dés Visfchen'; zo dat er, wanneer men 2 of 3 Visfchen re- kent roor de onkosten, over 't geheel nog vrij veel op gewonnen werdt; niettegenftaande er, geduurehde dien tijd, 222 Schepen in 't ijs gebleeven en verongelukt waren, dat is 8 in 't jaar. In 't voorfte deezer eeuw, van 1701 tot 1725, is't voordeel veel minder geweest, gelijk ik reeds heb:aangemerkt, doch heeft over 't ge- heel nog rijkelijk de onkosten kunnen goed maaken, niettegenftaande er, in die vijfentwintig jaaren, 95 Sche- pen , dat is jaarlijks omtrent 4, gebleeven zijn. In de Jaatfte jaaren is deeze Visfcherij door ons met verlies gedreeven en fcbijnt hand over hand te verminderen ; want de vangst was |
||||||||||||||||||||||||||||
|
In 8 jaaren, 1732 tot 1739,
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
X jaavliiks J ruim ai 7 . r , fruim ''t 7
> ieiier < omtr. 2 V Visfchen« omtr. 98 \ Vaten i Schip tomtr. 2IJ en (.omtr.iiój Spek. |
||||||||||||||||||||||||||||
|
Groenl.
Str.Dav Door een
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
In 6 jaaren, van 1755 tot 1760.
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
f ruim 92Visfchen < ruim 104en (.geen '04
|
'1
l W Vatt
1J Spe
|
|||||||||||||||||||||||||||
|
Groen),
Str. Dav Door een |
} jaVj' S
|
|||||||||||||||||||||||||||
|
n
k. |
||||||||||||||||||||||||||||
|
In de gemelde agt jaaren was het getat der Schepen,
naar Groenland en de Straat Davis, 't eene jaar door 't andere gerekend , bijna even groot; doch\in de laatfte zes jaaren zijn er, door malkander, maar twintig 's jaars jjaar de Straat-Davis geweest. .■'.,■'. De manier van Visfchen beeft, eigentlijk gefproken,
weinig bijzonders in zich, en beftaat meer in mqedig- Hejd, ijver en bekwaamheid, dan in konst. Men moet ëe WalvisfcHen rnet.de Schepen gaan opzoeken tusfchen de fchotfen of aan den zoom der ijsvelden, of in baai- jeri, daar zij zich onthouden. - Wanneer men er van verre ziet, of aan bun fnuiyenen blaazen ontdekt, wor- de» zij'met Sloepen nagez et,, én, als-êie« er genoeg-: |
||||||||||||||||||||||||||||
|
wal/
|
||||||||||||||||||||||
|
"WÄL.
|
||||||||||||||||||||||
|
40(5'5
|
||||||||||||||||||||||
|
'Zelden worden deeze Visfcben aan de kust Vai Noowegen gevangen, doch 't gebeurt een enkele reize deen groote Walvisch zich verloopt, en op een ondiete hangen blijft, zo dat zij zich niét redden kan efterft, drijvende vervolgens dood aan ftrand. Niet vevan Bergen , en op andere plaafzen, worden in 't voojaar ook zoinwijlen eenige kleine Walvisfchen, van agtien tôt twintig ellen lang, dood geflagen, wanneer zjl te digt aan den, oever komen en de viscbnetten bederven. Als dan werpt men ze met Harpoenen of Lenfenwelker fpitzen de Smeden zodanig weeten te vergiftigendat op de plaats, daar de Visch er.van getroffen wordtin de huid, in 't fpek en vleesch, een groote vlak, vaomtrek als een fchotel of fafelbord , ontftaat, daar allewit en.week word, even of.het gebraaden waare, hoewel anders het vleesch donkerrood, en in 't aanzien vas[s als osfenv'eesch. Het vleesch deezer Visfchen wordvan het Landvolk, aldaar met fmaak gegeeten; NatHifi,, von Norwegen. IL T. p. 225.
Op de kust van Ysland maakt clé Noördfcaaper 00k
dikwils jagt op Haring en anderen Visch, dien hij in de baaijen.drijft, en daar door de Visfcherij zeer bevoor- deelt. De Yslanders, niettemin, maaken er zich dikwils, zo men verhaalt, door een bijzondere listigheid meester van. Zo dra zij er een gewaar worden, ftee» Êeh zij van land in hunne Schuitjes , gewapend met harpoenen., lenfen , mesfen en ander tuig , vervol« gende den Visch, en zoekende hem tusfcben hun en de wal té krijgen; waar na zij eenig bloed, van *t welke zij altijd een groote veelheid bij zich in 't Vaartuig heb- ben, in zee'plengen, ende Visch, bier door verfchrikt, zegt men, wijkt naar den oever. Dit doen zij als de wind'uit zee komt,doch met een af-landigen wind trag- »jen zij den Visch van agteren te bezetten , en , zo door
'twerpen van fteenen, als door een jjzelijkgefchreeuw, veryaard te maaken, tot dat Bij op de banken of tus- Fchen.de rotten vast raakt. De eerlïe manier fchijnt Wemden belarhlijk, 'maar. behalve het getuigenis der Ouden, die reed.» aangemerkt-hebben, dat de Visfchen zeer fchuuw zijn voö'r't bloed van Visfchen, vind men 'an den Heer Andersok aangetekend, dat de Ingeze- tenen der jRjfo-Eüanden zich ook van de beide gemel- de manieren bedienen, tot den vangst deezer Walvis* Dé manier, öndertusfehen , op welke men fchrijft
E deeze Visfchen bij de wester Eilanden van Schot- land gevangen worden, fchijnt dit vobrgeeven geheel overhoop te werpen. Men verhaalt, haanaetijk , dat ,"* Visfchers, wanneer een troep derzelven verfchijnt, ^r een met hunne Schuiten omcfngelen, en dien doo- fleuik kwetzen, en, wanneer hij van benaauwdheid op" 1 »rand loopt, volgen de anderen de ftreek van zijn i P'°6û,* waar door er, veelerj worden gedood. Een ge-
: ^'»aardig Schrijver meldt , dat op die wijze eens ! »'Jfiig IValvisJchm,te gelijk werden.gevangen, en bij : oegt er bij > ^ een fr0ep van hohderdze'stig zulke ; -'wepzelen op één. Eilandje asn ftrand^Jiep. De mee- .'gte en de naam van Sea-Pork of Zee-varkens, dien .'1 zegt dat er de Inwooners aan gaven, doet mij |
haald, daf zij het Spek mét asch van wier of zee-rujj
zouten, en in de rook of in de lucht dfoogen , gelijk het Vleesck bun ook, verscb of gezouten zijnde, tot fpijze ftrekt. / . Aan de kusten van Schotland is het op ftrand fpoelen
van deeze of diergelijke Visfchen niet ongewoon. In December varf 't jaar 1740 raakte er één, in de golf van Edenburg, op 't drooge, die tusfçhen de vijftig óf zestig voeten lang Was en zestien voeten dik. Zij komen ook, nu en dan, wel op de Theems, alwaar, in jaar 1746, één van 28 voeten gevangen werd, en, in 't jaar 1756, werd een Visch van 36" voeten lang en 7 voeten dik, op 't Eiland Sbepeij aande wal ge- fmeeten. De geenen, die op onze kusten , in de iaat fte twee honderd jaaren, geftrand zijn, waaren meest Kazilotten of Potvisfchen, gelijk onder anderen de vier, die Walvisfchen genoemd worden, in't jaar 1617, van een groote troep, ten minfte uit dertien of veertien ftuks béftaande, die voor Scheveningen zich vertoon* âen, en die, welke in 't jaar 1603 op de Schelde tot digt aan Antwerpen voortgedreeven werdt. Het eenig- fte voorbeeld, van een Visch van 't eigehtlijke Wal- visfchengeflsgt, die aan of in ons land gekomen :is, dat ik tot nog toe met zekerheid heb kunnen vinden, là het geene in 't jaar i<582 op de Zeeuwfche ftroomert gebeurde, waar van hier voor. , Aan de zuidelijke kusten van Europa is de verfchij-
hing van Walvisfchen niet minder zeldzaam. Ik zal hier, om de aardigheid, melden, wat in de maand No» vember des jaars 1739, op die van Biskaije, bij bet dooden van een Walvisch voorviel. Na dat zich daar zodanig een Zeemonfter, met een zuigend Jong, ver- toond had, voeren verfcheide Ingezetenen met Barken uit, om die te vangen ; zij wierpen eerst het Jong een harpoen in 't lijf, en lieten het dus in 't water worde- len, om de Moer tot zich te lokken, die, met drie har- poenen teffens gekwetst zijnde, fcbrikkelijk begon te woelen, ilaande met haar Staart een van de Barken, daar twaalf Man in waren, aan fplinters. Het jong was middelerwijl dood geraakt, en het getier, 't welk de Oude maakte, deedt de kust daveren, terwijl de zee, meer dan een vierde van een mijl in 't ronde, met Bloed geverwd werd. Na dat de Visch, eindelijk,met een menigte van lenfen , omtrent twee mijlen van dè haven was gedood, hadden 130 Man, in twaalf Bar- ben , werks genoeg om hem op 't ftrand te brengen. Men bevond zijne langte 21 Spaanfcbe varra's, dat 26 Amfteidamfche ellen, of ongevaar 62 voeten bedraagt ; de dikte was omtrent 20 voeten, en de breedte vandë Staart, aan 't uiterfte der Vinnen, 26 voeten. De Tong woog 4728 ponden; men kreeg er uit 8i-0 pon- den Baarden, en 't Spek gaf 26100 ponden Thraan. Het Jong, dat men een maand fchatte ' dud tezijrr, was 18000 pond zwaar, 't Vleeçch, dat de koleur van rund vleesch hadt, werd door 'tgemèene volk In 't zout gelegd, Zie Ettrop. Men. 1740 I D. bl. 142. Uit de menigte van Walvischbaarden, die nu en dan
met de Retoervloqt van-Brafil te Lisfabon worden aan- |
|||||||||||||||||||||
|
fch ' °^ zij'niet Veeleer een zoort van Bruinvis-
to,etï' Springers, of Witvisfehen, zullen zijn: hoe- |
||||||||||||||||||||||
|
gebragt, kan men niet twijfelen, of aan dié kust moe-
ten ook taamelljk groote Walvisfchen zijn. De meeffeh egter zijn van kleener zoort, genaamd Baleas, ook voor- komende aan de kust van Guinée, en tegen den rij- tijd, zo 't fchijnt, hij de Kaap Verdi (che Eilanden zich' verzamelende. Een Ehgelsch Reiziger, Robert ge- naamd , verhaalt, dat hij j in- de Bàaij " van Ferm een- Manne?
|
||||||||||||||||||||||
|
Hen niet,onwaarrcïl'JnliJk is, dat°P flit!^ Schotfche Eilanden, a
|
ook wel Walvis-
de Orkades of |
|||||||||||||||||||||
|
lieten 1 worcie" gevangen en van de Inwoonersge
^ immers van die der FarcEilan'den word ver |
||||||||||||||||||||||
|
WAL.'
|
||||||||
|
4o6ô" :WAL.
|
||||||||
|
Noordkaaper te zijn. Wanneer men acht geeft op,g8
berichten der Chineezen, zo is het. te denken, dat de groote Groenlandfche Walvis/c h zich benoorden ïar^ tarie om, onder't ijs, ook in de Zuidzee uitbreidt, en misfehien zo wel aldaar, als bij Groenland en Spitsber- gen , v.oortteelt. Immers men heeft daar Visfchen ge; zien. van over de tweehonderd voeten lang, en zeker Schrijver verhaalt, dat er aan de kust van Chili zijn die zich van verre als Eilandjes, vertoonen. " * *' De gewoone" manier, om deeze Wdlvisfihen omtrent
de Eilanden van Japan te vangsn, is,zo Kêmpher ver- haart, met Pijlen of Harpoenen, gelijk in Groenland; maar, omtrent den jaara 1680, vond een rijke Visfcher daar toe een nieuw middel Uit, 't welk om zijne zeld- zaamheid hier nog verdient gemeld te worden. Hij deedt een Net maaken, van fterke touwen*, omtrent twee duimen dik, dat men den Walvisch over den kop wist te krijgen, en, zo dra dit Monster zich daar in verward bevondt, was het gemakkelijker te vangen en te dooden.. Men hadt egter deeze, nieuwe manier niet in 't algemeen gebruik zien komen , om dat dezelve grooter kosten vereisebte , dan de gemeene Visfch'ets daar aan befteeden konden. Deeze Schrijver oordeelt, dat de Japànfche Schuitjes bekwaamer zijntot den Wal- vischvangst dan onze Sloepen. De toeftel, op de ge- woone manier, beloopt zelden meer dan 20 Kistjis zilver. ' ' . ';, Niets, zegt hij, word van deeze Visfchen als nutte-
loos weg geworpen, behalve de groote'Schouderbee- nen. De huid, die in de meeste zöorten zwart is; het vieesch, dat rood is en naar rundvleesch gelijkt; de darmen, die wegens de uitfteekende langte genoemd worden Fiakfiro, dat is honderd vademen; ja alle de ingewanden, worden versch gegeeten of in 't zout ge- legd, gekookt, gebraâden en gefruit. Van het vet be- reidt men Olie of Thraan, ende Vinken 2elfs, die ten tweeden maale afgekookt zijn, worden opgegeeten. De Kraakbeenderen gebruikt men ook'tot fpijze, en van de zenuw- öfpeesagtige deelen worden touwen of koarden van gemaakt, zo wél ten dienfte van de Katoen- fabrieken als tot fnaaren op de Speeltuigen. Van ds Kaaken, Vinnen en het ander gebeente, dat zeer vast is van zelfftandighéid, vervaardigen de Japoneezen veel- erleij kleinigheden, en in ^t bijzonder hunne fchaal- .tjes tot het weegen van goud en zilver, die daar van den naam ontleend hebben; , Van het Spek der Walvisjchen word, gelijk bekend
is, na dat het -zelve tot Vinken is gefneeden of klein gekapt, een zoort van Olie gekookt, die men ThnM noemt; welk woord, zo de Heer Anderson aanrnerjst, Dorfprongelijk is. fan de noorder Moskovieten, die ai- lereerst de Olie der Visfchen*, om in de lampen te bran- den , zouden gebruikt hebben. Anderen verbeelden zien, dat deeze Olie dien naam voert, om dat zij traanswjz uit het Spek druipt.. Die Thraan, welke van 't verfen» Spek gemaakt plagt te worden, door 't zelve of °a^r lande, gelijk op Spitsbergen en Jan Maijen.Eiland doo de Nederlanders gefchiedde, of op de Schepen, IT lijk de Biskaijers zomtijds deeden , te kooken; jj op ver naa zulk een onaangenaame reuk niet, als? ' welke gekookt word van'het in vaten gepakte enn waards gevoerde Spek. De Frahfcben maakten dern ,ve van hunne Thraan veel gebruik, om in de lamp ( te branden, als ook tot het rafineeren van deiZ.w 'en bereiden van eenige zoorten van Leder, daar ^ |
||||||||
|
Mannetje en Wijfje , drie dagen- lang, zag fpeelen.
Zij gingen, zegt hij, 's avonds in zee, en's morgens -;të agt of negen uuren kwamen zij in de Baaij te rug, alwaar zij zomtijds twee uuren agtereen, zo onbeweeg- lijk, tegen elkander aan, te fïaapen lagen, dat men ze, ,in dit poftuur, zeer gemakkelijk zou hebben kunnen ■meefter worden. Het Mannetije was niet half zo dik als het Wijfje. '. De Ame'rikaanen weeten zich, zo men verhaalt, op
eene grappige, doch ftoutmoedige wijze, meefter te maaken van deeze Visfchen. Als zij er een op de kust zien verfchijnen, begeeven zij zich te water met twee proppen van hout, en, het Dier op de nek (bringen- de, flaan zij, zo dra het gefpooten of geblaazen heeft, ■met eene knods één der proppen in zijn ééne blaasgat. De Visch begeeft zich aanftonds naar de diepte, en, neemt den Wilden met zich, die hem (lijf vast houdt, .en, zo dra hij weder boven komt om lucht te fchep- pen, dat hij in dit geval fcbielijkèrmoet doen, hetan- dere gat ook fluit met zijne tweede prop. Zulks doet:, 2egt men, den Visch aanftonds verdikken, en danflee» pen hem de Wilden met hunne booten naar land. 't Is £gter in de Westindiën niet ongewoon , de Walvis- feiten, gelijk in Groenland, met Harpoenen te van. gen. ', .Aan de Kaap de Goede Hoope komen ook zomwij-
len Zee-fchepzels van dit Geflagt, wélken de Hollan- ders Noordkagpers noemen ,anderen Grampus. Men zag er, zegt Kolbe, in 't voorde deezer eeuw, inde jaaren 1707 en 1700 naamelijk, twee aan 't ftrand ge- fpoeld, waar van de een vijftig, de ander vijf en-veer- tig voeten lang was. Men vondt den eerstgemelden in de ïafelbaaij, den anderen in Baaij-Fals. Zij waren beiden donker bruin van koleur, ^hebbende Kaakebee- pen van-agttjen voeten lang.en omtrent dertien voeten treed, doch zonder Tanden; waar uit blijkt, dat het geene Kazilotten zijn geweest. Hunne Kaakebeenen, met een zeer taaije huid bekleed, waren ijzerhard. De Oogen vertoonden zich niet grooter dan die van een Paard, maar, toen zij uit den Kop gehaald werden ,be- vondt men ze als een Menfchen-hoofd. Boven ieder jooghol hadden zij een wijd gat, waar door het Water-.' van deeze Visfchen, met groot geweld werd uitgefpöo« ien. De Tong van ieder woog omtrent zeshonderd ponden, doch het keelgat was zo eng, dat er de hand naauwlijks in kon. Zij hadden twee Vinnen beneden den Kop, en de Staart, die zeer breed was, liep halfmaanswijze uit.... De Hottentotten aten hetVleescb, en "zelfs de ingewanden , zeer.greetig ; maar van het .Spek werd Thraan gemaakt, die men in bet Pakhuis van de Kompagnie tragt. K^MPHER noemt, in zijne befchrijving van Japan,
zes zoorten van .Walvisjchen op, waar van de Japonee-
jzen het yleescb ter markt brengen, met dat van ande- jen Visch. Men verhaalt,; dat ér onder dezelven zij'n, 'die Oogen hebben van drie ellen lang en anderhalf yoet breed; den Bek meer dan vijf vademen wijd, de ^Tong agttien voeten lang. Hoe 't zij, volgens zijne befchrijving fchijnt de grootfte zoort al vrij groot te
moeten zijn ; dewijl hij van eene middelzoort gewag maakt, die doorgaans van twintig tot dertig Vademen,
dat is ,ten .minfte honderd of honderdvijftig voeten.,
langte heeft, en een ander zoort, dien hij klein noemt,
.omtrent tien vademen. Hij meldt ook van eenen, de .Sardijmm-Eeler genaamd, die hij zich verbeeldt de
|
||||||||
|
' -""-''-T '
|
||||||||||
|
WÀfcr
Mê noodwendig toe hebben moet. In de Nederlanden
word de beste Thraan meestal tot het maaken van groe- ne Zeep gebezigd, en van de dikke Prut en Lil uit de Bakken, daar de eerstgekooktc nog heet zijnde Thraan in te verkoelen geftaan beeft, ftooken dePrutkookers bruine Thraan, die voor de Leertouwers en Scheepstim- . merluiden dient. De Vinken, daar de eerile Thraan van
js gekookt, wolden bewaard totHonden-kost, enzorn- tijds maakt men er ook wel in de Lijnkookerijën ge- "bruik van. : ■ ■
Een ander voornaam produkt van deeze Zeemonfters
zijn de Baarden, die men in Groenland flegts aan.Bos- fchen laat, dog bij de Thraankookerijën fchoon maakt en van elkander klooft, en verder befnoeit of zuivert van bet haair, dat aan de dunne zijde,zit. Ongemeen groot is de veelheid, die van dezelven, wanneer zij aan riemen gefneeden zijn , onder den naam van Bahinen, (welk woord van den franfcben naam der Walvisfchen af komftig is,) zo in de Rijglijven of Keurfen en Kourfet- ten, als in de Hoepelrokken der Vrouwsperfoonen ; en ook fn ander, gewaad, gebezigd word. De hooge prijs deezer Baarden heeft de Visfcherij, in deeze eeuw, nog merkelijk onderfteund. Voor 't overige word, van de Europeaanen, naauw-
liiks eenig gebruik gemaakt van andere Ligbaamsdeelen der Walvisfchen. Alleenlijk brengen zij de Kaakebee» nen zomtijds met zich, die men dan wel tot Paaien be- zigt. De Kraan, of het Been uit het Teellid der Man- netjes, word ook wel medegebragt, dog meer tot zeld» zaatnbeid, dan tot gebruik; hoewel men zich plagt wijs temaaken, dat er een bijzondere kragt in Rak, tegen de witte-vloed en de roode-loop. De Knok-OIie, uit de Walviichbeenderen, fchijnt zeer oplosfende en verwar- mende te zijn. Van- het Vleesch maaken ook verfcheide Natiën, en inzonderheid de Groénlanders, zo zij het magtig kunnen worden, hunne fpijze, Zommigen ver- haaien, dat de Tong zeer lekker is van fin aak. WALVISCH-DOODER , dusdaanig word wel een
zóort van Doiphijn of Zalelviscli genoemd, doorgaans van 20 tot 30 voeten lang, om rede, dat zij hun werk maa- ken van het ombrengen der Walvisfchen. Zij randen die even als de Honden een Stier aan; zommigen hou. den hem bij de Staart vast, terwijl de anderen hem bij de Kop met flaan en bijten fragten te overmeesteren. Van eenen jongen Walvisch zullen zij niet affcheiden, or dat zij deszelfs Tong hebben opgevreeten, en als hij dood is, blijven zij er zo lang bij, tot dat het Kreng begint te flinken. Men meent reden te hebben om 'e gejooven ; dat zij zomtijds wel de oorzaak zijn , °at een Walvisch , die van de Sloepen word voort- gefleept, te gronde zinkt en dus verloorên gaat. Men vangt er zomtijds die zeer vet zijn , en goede 'h'aan uitleveren. . . ■ . WALVJSCH-HAARING, zie HAARINGEN s. I.
hm.:.
WALvTSCH.LUIS, zieKREEFTSPINNEN«.XI.
WALVISCHAART.'GE.VISSCHEN, zie ICH
TIJOLOGIA: WALVISCH-ZAAD, zie SPERMA-CE*»..i.
WALWQRTEL. zie WAALWORVEL,
WANDELEND^BLAD, zie KKEKELEN », III.
>*£ H?38.> - - ÏMïJ?Lü-ISEN« zh WANTSEN ». I.»«-. 406p.
^JNPWfîSP,.^WESPEN n.X. ' ■ |
||||||||||
|
WAN.
|
||||||||||
|
405?
|
||||||||||
|
WANGUNST; in het latijn , Livor, Mnlevolentia,
Invidia.'. Schoon 'er tusfcben Wangunst un Nijd, eenig verfchil zij, gelijk ik' ftraks zaldoen zien, komen deéze twee Ondeugden nochtans zoo wel overeen, of liever, grenzen zoo na aan eikanderen, dat, het geen men van de fchandelijkheid, laagheid, en ftrafwaard:gheid van de eene kan zeggen, ook van de andere kunne gezegd wor- den. Het is hierom, dat Afgunst, Wangunst en Nijd, in den gemeenen wandel, as woorden van de/.elide be- tekenisfe, worden aangemerkt: en het is om dezelfde rede, dat ik deeze Ondeugden in bet algemeen bedoe- lè, in het geen ik over dit Artikel voorneemens ben te zeggen. li ■ Öndertusfchen, ik heb beloofd, het onderfcheid tus-
fchen deeze twee Ondeugden te zullen toonen: het geen tefFens zal kunnen dienen , om mijnen Leezerén een nauwkeurig denkbeeld te geeven van die laage misdaad, van dewelke ik bedoel te fpreeken. Om dan te beginnen' met Nijd, of Nijdigheid; ie-
mand wordt gezegd," zich aan deeze Ondeugd ïchuldig t» maaken, jwanneer Kif misnoegd is, over de bezittingen of voorrechten van eenen anderen , om rede, dewijl hij die zelf niet bezit. Dit is buiten allen twijffe! eene zeer haat-lijke eigenfehap van een laag gemoed ; maar nochtans dit laage en haathjke fteekt nog fterker uit, in het geen men Wangunst of Afgunst, in eenen bepaalden zin,' noemt; Men verftaat 'er de ondeugendegefteldheid van eenen Mensch door, dewelke over de voordeden of be- zittingen van zijnen naasten misnoegd is, niettegenftaan- de diezelfde voorrechten bij hem gevonden worden. Dee« ze ondeugende gefleldheid gaat bij zommigen zoo verre, dat zij, niet alleen misnoegd zijn over de voordeêlen, die eenen anderen te beurte vallen, maar zich zelfs ver- heugen, over de ongelukken die hunnen naasten over- komen. Menfchen van zulk eenen aart, zijn nauwlijks den naam van Menfchen waardig, zij zijn ziebtbaare afbeeldzels van den Duivel, den'oorfpronglijkén Vijand der Menfchen; onze taaie heefr geen woord, om hun- ne ondeugd mede te beftempelen, die de Hoogduit- febers @c|aSenftcu6cn noemen. Dezelve is bij ons be« kend, onder deeze befchn'jving ; een kwaadaartig genoe- gen over de onheilen van zijne naasten. < Wil men de bronnen van deeze Ondeugden Zeeren ken-
nen, dezelve zijn, bij fommigen een zeer befpotlijke hoogmoed, dewelke eenen Mensch doet denken, dat hij alleen waare verdienden bezit, en hem misnoegd maakt, indien hij ziet, dat bij anderen , die hij waant lange zoo veel goeds niet te verdienen, meer geluk of minder ongeluk, dan bij hem, gevonden wordt. Bij anderen ontftaat dezelve uit een ontevreeden hart, het welk mis- trouwen ftek op de Godiijke Voorzienigheid;, en het welk, door oefening, fchrander geworden is, om over- al ftoffe tot kwelling voor zich zelf op te zoeken. En men heeft niets meer noodig dan dit, om te begrijpen hoe laag en ftrafwaardig hetzij, aan deezeondeugd zich fchuldig te maaken. Waarlijk het kan niet anders dan ten uiterften kwaad zijn, hetgeen uit zulke vuile bron- nen voortvloeit, en men zegt niet te veel, zo men be- weert, dat een Wangunflig Mensch zijne Naasten niet alleenlijk , maar Godt zelven beleedigt, en zich zij« ner gunftèn en zegeningen geheel onwaardig maakt. Om zich tegen alle aandoeningen van Wangunst te wapenen, is 'er geen beter middel,- «dah dat men zich gewenne om nederig over zich zelven te denken, enzich oefene in de deugd van vergenoegzaamheid. .Door het Qq eer« |
||||||||||
|
«off; , WAN? ■* .'.":.-' -^^
|
|||||||
|
drag uw voorgaande ten minften eenigszins te vergo«
den, en het kwaad te herftellen; het welk gij uw zei' ven, uw huisgezin, en uwen fcbuldeifcheren hebt aan" gedaan? En is het niet de uiterfte dwaasheid, dat gii zelf dien tijd verhaast, en u zelf van de gelegenheid berooft, om noch ééns gelukkig te worden, die Godtu noch fchenken,wilde? Op. dezelfde wijze moet men oordeelen over het ge-
drag van die Menfchen, dewelke geweldige handen aan zich zelv'en (laan, om dat zij wanhoopen aan de Godt« lijke Genade. Zij vreezen voor de Verdoemnis, en om dat zij er voor vreezen, fnellen zij dezelve te ge! moet, en màaken het gevreesde kwaad onvermijdelijk. Zij denken.dat zij geene verdere Genade van Godt kun- nen hoopen, en daarom willen zij zelfs van die Genade geen gebruik maaken, die hun, door een langer leeven wordt aangeboden. Om zich tegen de uitwerkfelen van deeze buiteufpoo»
righeid te beveiligenr behoort men , zoras men eenige merkelijke droefnis over eenig gevreesd kwaad in zich voelt opkomen, de natuur van dit kwaad, en de rede- nen van zijne vreeze, naauwkeurig te onderzoeken: hierdoor zal men dikwils ontdekken, dat betkwaadzelf lange zoo verfcbriklijk en onherftelbaar niet is, alsmeu gedacht hadt; en dat er in veele gevallen ruim zooveele ftoffe om te hoopen, als om te vreezen, overblijft. Maar voornaamlijk wachte men zich altoos, om nooit in zaa- ken van gewicht, op eene los fe hoop te bouwen; het geen men hoopt* moet men altoos in het oog houden, dat onzeker is; wordt men dan al in, zijn hoop te leur gefteld, mèn zaldaar door in geen gevaar komen, vante wanhoopen. . WANTROUWEN ; in het latijn Bißdemia, is hef
tegenovergeftelde. van vertrouwen- Men wantrouwt iemand, wanneer men bij hem geene goede oog> merken vooronderftélt, en men wordt gezegd wantrou- wen te hebben op Godt, wanneer men geene vafte over- tuiging heeft van zijne Goddelijke Voorzienigheid, en zîch dus van hem geene hulpe, befcherming/of zege- ningen denkt te kunnen belooven. Ik zal over de dwaas- heid en nadelige gevolgen van deeze ondeugd thans nietuitweidenj;, men leeze, het geen ik op hetartijkel, VERGENOEGZAAMHEID gezegd heb; en wil men weeten, tot welke uiterftens bet zelvekunneoverflaan, men kan het zelve op hetartijkel WANHOOP, vinden. WANTZEN. Dusdaanig word een uitgebreid Geflagt
van Infekten genoemd, wien de latijnfchenaain Cimex,. hoewel eertijds maar ten opzigt van degewoane Weigiw} gebruikt zijnde, toebehoort. De Grieken noemden dit Infekt Koris, waar van de Heer Geofbroij zijn Ato«* ris gemaakt beeft, daar hij een zwemmende Weegluis me- de beftémpelt. Onder de Israëliten of Hebreen fchijnen deeze Infekten, oudtijds niet bekend te zijn geweest! dog-onder de Arabieren' zo veel te meer, bij welkers zü wel vijftienderleij naamen hadden, volgens getuigenis fait Ar;DHO\?AUDüs. Ook waren zij:, iri Italie * ZO gemeen, dat men Cimex voor een bedftede of ledikant gebruikt vind: Füri, cui'neque fervus eß:, ne que Area-,.
Mëc Cii)KX,ne%. Amneus, neq. Ignif-.- CAtull.
Den Hbogduitfchen naam heb ik (zegr-dê Heer$■
HbOTT-jijis in zijneiVàf. Htjl. 1. dlioefl.yhiâr^ «><£ den Geflagtnaaui.gerioom^n,, oms dat, dézelven eiffîal |
|||||||
|
eerfte zal men leeren begrijpen, dat men niets van Godt
«erdiend hadt , en dat dus hetminfte , dat wij heb- ben , meer is, dan wij, hadden kunnen verwachten ; en door riet tweede zal men te vreden en dankbaar worden, inet en over die omftandigheden, waar in Godt ons ge- field heeft; en er is in een hart, het welk met deese aandoeningen vervuld; is, geene plaats voor Wcmgunst ©f Nijd over. WANSCHEPZEL, zie MONSTER.
WANHOOP; in het latijn despemio, is de hoog-
fie graad van wantrouwen, en bellaat daar in , dat men zich van hem , ten opzichte van wien deeze wanhoop plaats vindt, niets goeds, hoegenaamd, meer belooft, maar enkel kwaad te gemoet ziet. Zoo geraakt een Mensch in wanhoop, die of door eene flechte huishou- ding, of door ongelukken in armoede gedompeld, gee» ne hoop meer overig heeft , om zijne zaaken eens we- derom te zullen kunnen herftellen, en de genoegens van het leeven, , gelijk te voeren genieten. Zoo zegt men-, dat een Zondaar wmhmpt aan de Goddelijke Genade, wanneer zijn ontwaakt geweeten, hem den lijst van zijne teedr-eevene gruweldaaden voorftelt, bij zich herinnert,, hoe weinig hij zich der Goddelijke ontferminga waardig gemaakt hebbe, en daar uit befluit, dat hij opgeene Ge« ßade verder t«; hoopen heeft. Hoe, natuurlijk een ui t- werkfel dit laatfte oek zij va« eenen Ongodtsdienftigen wandel, is. het nochtans; zoo wel als het eerfte- eene dwaasheid , vroor dewelke men zich te meer behoorde W: wachten , naar maate de gevolgen, die daar uit voort- ^oeijert', verfchriklijker zijn, en, bet kwaad onherftel- baare* maaken. Gij hebt bij voorbeeld, eenige jaaren läng zeer ruim geleefr,, en meer verteert, dan uwe te- genwoordige bezittingen toelieten; maar gij hadt ee* nen Oom;, een man van ennoemlijken rijkdom;, wiens erfgenaam gij ftondtte worden,, indien hij zonder uiter- fife wil g'eftoreea was. Mie uwe hoop was dus op zij- nen dood gevesrigd», die gij- redenen hadt, om binnen Bort' te verwachten ,. dewijl hij door ouderdom en ziekte waftafgemarteld. Maar wat gebeurt? Uw Oom fterft; ssrauwlijks kunt gij de blijdfchap verbergen, die deeze tijding u veroorzaakt. Thans meent gij alle uwe fchul- den te kunnen betaalen, en de begönne levenswijze on- bekrompen voort te zetten. Gij kleedt u enuw huis- gezin in eene prachtige rouw; gij wacht met ongeduld derzesweekenaf, naa verloop van welke hét Teftament geopent, en gij in het bezit van die gevulde kisten ge- raaken zult.. Delanggewenschte dag komt eindelijk, men opent, en leest, ----- d«t gij; onterft zijt. Weg
ife-alle, uwe hoop. Dit was het eenige vooruitzicht, waar
Jne.de gij uwe Scluildeifcberen zoo lang gepaaijd hadt , dit houdt:nu*op!: zij eiféhen betaaling; gij kunt hun dezelve niet geevem Men tast uwe goederen aan; praGhtig huisraad', kleederen; alles wordt verkocht; en gij op dien-zelfden dag, waai'op-gij dacht uw geluk recht te Zül'enveftigen', in de uiterfteaoBfeedegedompeld'. Een gjfevend'ongeluk voonsefeerf maar kun«, gij. het verzach- ten-j. door u- aan de uitwerk-felen- van wanhoop over te gecwen■? Worden uweSehuldeifcheren becer betaald, als- g|j geweldige handen aan uw zelvenflaat? Maakt dit uwe kinderen gelukkig? Of hebt giji zelf dan niets- re' duchten ?- Hoe!' denkt gij niets te; duchten te hebben- in;' liefttoekoaifli'g: leeven, wanneer gij van het tegenwoor- dige-zulk een einde maakt? Behoorde gij niet liever den iijdJ, om voor uwen Rechter te-verfchijn en» zoolang Sls^maoglijk., taveifchuiven;, orji:door< m volgend-ge- |
|||||||
|
WAN".
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
wan;
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
PSS9
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(fchi/nt te zîjn Voor deeze, Infekten, in 't algemeen, nP rir«.»r.. ^ -^ *'<'
dan de Nederduitfehe , die masr op eene zoort. toe- a-h*;^!,--' w?r■ * door onzen Autbeur, -onder* «asfelijkis. J°lde" m artikelen, Die .an heteerlte zij OngeytttL De aJgemeéne Kenmerken der Want/en, die dezelven He k-m m !? cl f?!voone w«egluis. Die van het twee- zeer kenbaar maaken, beftaan ten deele in de platheid ;e zei *Mdraagers noemen , om dat hun Schild- insgelijks, ten deele daar in, dat de Wieken, als zij derde artfTi!5'^20 Iang als'£ Agterlijf- Die van ne* zamengevouwen zijn, kruislings op het Lijf leggen, ge- ._ ^i^Jr u6 ,"e Dekfcnilden bijna geheel leder- lijk ditplaacs heeft in de Water-Want/en en Water Scor- I"f ?"?? rlC,hlJ"ende; die va» hei vierde, in tegen. piMBS», welke iaatften van zommigen ookWantfin ge- n|,f Zn ,. te Wieken Wfetfg-, en zimzeeï noemd worden. Voorts zijn de bovenfte Wieken of tiulmZZ a j/: d,e vaD het v'Jfde. hebben het 5om- Dekfcbilden, in de voorde helft, of naar den Kop toe. 'of.,rli!r-8-mi- Men vind «* die e'jröndagtig |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
Jederagtig, endePooten niet tot fpringen, maar tot loo-
|
..j, nnii r/ci icsuc aitiKd uitmaaken.
Die van het zevende, noemt hij Beiße Ihoomigé, die vaH het agtfte langwerpige. Die van hei negende artikel .heb- ben de Sprieten borflelagtig, zo lang als 't Lijf ; die van het tiende, de Dtjè'n gedoomd; die van het elfde, ;het Lijffmal en nagenoeg overal even breed, waaronder eenigen in 't water leeven. Deeze Iaatften worden Liniaale genoemd, om dat zij van figuur als een li- niaal zijn. De Heer Geoffroy fielt het Kenmerk van deeze lm
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
pen gefchikt. De platheid van Het Lijf, alleen, maakt
de zogenaamde Weegluizen genoegzaam kenbaar. Bo- vendien is het Sorstftuk gezoomd in de Want/en, wel- ke aazen op andere Infekten, die zij met hun omgeboo. gen Snuitje.uitzuigen. Ook flinken de meesten. Ten opzigt van de Wantjen, in 't algemeen, kan men
aanmerken, dat derzelver Maskers niet van het volmaak- te Infekt verfchilien, dan alleen doordien zij ongevleü- |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
geld zijn. Men ziet dikwils de Plantgewasfen bedekt fe
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
met zulke'kleine Wantsjes, die daar op zonder Wieken tT 'Ju°T *°"Ei ln htt &etal der Leedjes ^>an de Voe*
loopen, waar van zij de Stompjes krijgen, als zij tot ' , Z'J e.r dr,e hebben, gelijk de Cicaden of Ci* den ftaat van Pop overgaan; vetfchillende, in levens- mk! ;fffI pn.eten''j deazeka"erenzormijdsnaauw.
manier, voor 't overige niet van de volkomen Wantjen. à1 f'g h «f' Z"" '" >. WmtIen danger-dan het Borst-
De laatfte verandering doet deeze Infekten, gelijkerwijs rjfï» jaD' zegt hij, zomtijds uit vier, zomtijds deSpringhaanen en anderen, met Vleugels te voorfchijn in , 3.'w 'f- D,tdoethem dezelven onderfcheiden
komen en dan zijn zij eerst tot de Voortteeling bekwaam, ^m-ll f!"!' ,?d' waar van de eerfte zestig, de twee*
In de Paaring beklimt het Mannetje zomtijds het Wijfje, «-£«-$?"!'*"■zoorte'1 bevat Linnäus heeft in die
dat dan daar van gedekt word, gelijk in veele Viervoe- ^SIi!f! gtlg-l°oree,n ' *aar Gnder vif-en twintig,
tige Dieren: zomtiirfs n^r^r, ,ü mof âa «-.» i aaar omtrent, uitheemfche en Indiaanfche zifn Ia
sZ il ïL er 'thans zes'en zestig 'SVOnden- **m
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
k
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
tegen Gat, gelijk men van de Kerneis verhaalt. De
wijfjes, dus bevrugt geworden, leggen een groote veel. neid van Eitjes, welkemen zomtijds op de Planten en öoomen nevens elkander geplaatst vind, en waar van « meeste, meteen vergrootglas befebouwd zünde. |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
Eerste A rtikeï«
Wantfen die geheel 'óngevleugeld zijn,
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
ZvnderiingeVeVfcheTd'énhè'tfen vmTguur uîl"eU»eren?zoSi. me^i^M^L^i'* i?ex UBula» ! »«« *H
migen zijn van boven met kleine Haairtjes als gekroond , ZfT,± RAt hf'-, 2^0ifST- **£< ^- Aldp.ov. |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
-w »,v«u, ijcuucij ecu zoort van mutsje ot kaïot,
Wlcede jonge Wants daar af doet fpringen om uit het *»%|0n5n' Het 1S een Z00* van dekzeltje, dat
fflaw fchtjnt gelijmd te zijn aan het overige van het Eii |
tó^34' J' ■/> 7' {-a,nex 'aPtes.- Likn. Faum
h^Penge^!n? ^sMs of ei§entliJk VMdlüis, heeft
5K?ÄaÄ£'^ daarVan' da^ zij zich vee! |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
Naauwhjks zijn de jonge Wantsjes J wereld geko- ^ Shotten l f fT' enook welin dehou.
wc' ?lZij ^fpreiden zich altemaal over het Boomge- worden dol alle m Ic^ /.^fa ¥"&<"■ genoemd m of Kruid , waar Van zij haar voedzel moeten treV ^n daar véd Lernt S^ r" bed^e" öf ledikanten, if. en zuigen er het fep uit, doormiddel van het fcher- Crh. .IZL^?}1 C'*« ^"Mus, De frân* |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
£h:rTeti'geni"derdaadbr°edd^ cxicSfenwfrr^^^
»«"voeden met bloed en fappen van andere Gedierten DeTn^lf-h^ " fgele,d Word>' aftomftlgzij'n.
2? Zij' dus om 'E ■ le*en brengen. Het bijten va" dé £ 7»SïAf "^ de,D "aam Van '*e W&i&i
ST^"" is wereldkundig. Veele fti* ^emenl^^ ^iVaaÄÄ.aan ' en de Dukfch^
fekten^r^ ,ZU!'Sen de RuPfen » Vliegenen andere In- Sit ïnfeK £ din ?! d L' *, ,
er !!ffUlt' weIke zij dys ter dood brenlen. Men heeft reld er? h« Ln !" te Zeer bekend ■ aan a1 de we^
ëte- die de fchulpagtige Deffchilden van ee Sder luiheid en ZinSuT^^ ^°rden a,s eea
ëe fch.ldvleugeligen doorboord hadden; dat zo zeer LeD aa/d in voîrL» a ^ Jkhe'd' Men is ermeesc van
At lrnderen *ï' wanneermenagtg'eeftopdefijn SWheïS^ffi'flS!^ ee" hfeetk,imaat' ?'*
dp t- n'cherpte van de punt van hun Snuitie waaraan i,:J.u-- c,e"te van den 'omer. Het is, van ouds,: J Liefhebbers, die niet voorzig^ « iet.^zo"de"aaneeinerkteeweest, dat dé Karthuiz« 5ïraDgenvand-i^SS.ÇcSSJeAeîS SÏ,l<ïgr,B,r,ïhebbe^,; 'cr,k
^vmg ta,01s4, ^idén^: v-^de x?*'5Sa»^
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
WAN."
|
|||||||||
|
4®?o WAN.
|
|||||||||
|
uit heeter Gèwesten/chijnt overgebragt te zijn ; alzo
. men het voor den jaare 1670, volgens Southall, in Engeland naauwlijks heeft gezien. Het was in Italie van ouds reeds zeer bekend. Martialis, fpreekende Van Nestor, die zich arm veinsde te zijn, zegt: Nee, toga, nee focus efi , nee tritus Cimice leäus. Plautus noemde het een zoort van Leeuwen en Aristophanes Korintifcue Slangen of Serpenten, wegens hun fteéken of bijten. In de nieuwe Wereld, is het ook gantschniet ongewoon.; Te Lima in Peru worden de Weegluizen, oenevens de Vlooijen en Muggen, aangemerkt eengroo-, te plaag te zijn. - -De Weegluizen vlieden het licht, en houden zich ovef
dag verhqlen, kruipende bij nagt uit haare fchuilhoeken,' om in de flaap den Mensch aan te tasten., en doende hem dikwils daar door ontwaaken. Zij befchadigen die, ltghaatnsdeelen, welke blopt leggers, gelijk het Aange« xjgt en de Handen, allermeest; dogzijmaaken, evenals de Muggen en Vlo.oijen, veel onderfebeid, wie zij aan- landen ;.laaiendezommigeMenfchen, ik weet.nietwaar- om,, ongemoeid. Zommigen hebben de reden daar van gezogt Jn de hardheid van de Huid, en bet. is zeker,, dat zodanige Menfchen minder aandoening hebben van hun bijten. Anders is het reizen in deheete Landen,bij fo- mer, wegens het flaapen in de herbergen, niet minder lastig, dan wegens de Muggen; want"beiderleij Infek- ten zijn ten uiterfte bloeddorftig, en de Weegluizen ver« oorzaaken groote puisten die bovendien het aangezigt zeer ontfieren, voor al wanneer men, wegens de jeukt, zich kraauwt op de gebeten plaats. Dus vind men er, v»,or wLen een enkelen Weegluiseen plaag is -r] terwijl anderen gerustetijk de nagt doorbrengen, jn't midden van een legioen , om zo He fpreeken, van deeze In- fekten,, zonderl.hlnder,te. hebben van derzelver beet of ßank.. . Het is voor't Menscbdom een geluk, dat iîeeze vtii-
le-Sehepzels ongevleugeld .zijn. Zommigen, echter, wil- len,, dat zij Wieken krijgen; dog dit ftuk zou nader be- wijs .vereifchen» Doctor SçopoLi zegtonbefchroomd, dat de Weegluizen, in Karniólie, ook gevleugeld voor- kötaén ."vliegende bij nagt 'de huizen in. In Camitlia mlatilh etiam occurrit, naüu domibus imolans. Dit zijn zijne woorden, Entomol. Camiol. p, 121. Man kan niet Zeggen, dat het iets tegenftrijdigs influit; dog het is te verwonderen., dat wij de zulken, hier te land, dan ook. niet eens ontmoeten. Haare geftalte is rond en plat; de koleur donker of bruinrood; dezelfftandigbeid zeer week, zo dat inenze gemakkelijk kan verpletteren. Mi naauwkeurige befchouwing vind men haar Kop, op zijde, voorzienmet twee bruine oogjes, van vooren met .twee hoorntjes.of iprieten, ieder uit drie leedjes be- utende; van onderen met eene Snuit, die indeftaatvan suste.,, of als zijnietwerkt. omgeboogen is, onder de Borst, tusfeben de twee Voorpooten. Het Borstftuk. îseftaat alleenlijk uit een taamelijk.breedenring, diemet een: Halsje.aan' den Kop^gehecht. is, en het-Agtetlijfy. dat allengs; verbreed, is zamengefteld uit negen ringen.. Tan de Pooien is-.'t. e.erfte paar aan .Borstftuk. de twee andere zijn aan« 't Agterlijf ingeplant: zij hebben aan't end een Klaauwtje, dat naar. een vischhoek zweemt.. Hetgeheele Lijf iskaalenglad, uitgenomen eenige klei- de HaairtjeSi die men met bet mikroskpop rondom het Fon- dament., en aan de kanten der Igatfte. ringen; ontdekt» Tol. Bioed, zijnde, heeft dit Diertje de Rug een weinig önwaards uitgezet pïrond verhevenh maar deBuikbliift Stltfios r/at,, |
Als tneh een mikroskoop gebruikt, openbaart zieh in
-'tmidden de groote Slagader, die voor hart verftrekt met luchtpijpen ter regter en flinker hand »dienende tot de ademhaaling. De Keel, Maag en Darmen, gaan van- den Bek regt door tot aan het Fondament. Nazs lang honger te hebben laaten lijden, vind men er, in plaats van bloed en roodagtige exkrementen, een flijtrsig vogt in, hetwelk naar eijwit gelijkt. Het Wijfje heeft een Ëijerftok, vol van Neeten of kleine Eitjes,"dietros- wijze te zamen gevoegd,. langwerpig , bijna"rolrond, wit. agtig en doorfchijnende zijn. De Paaring gefchied. ia deeze zoort agterwaards. Het Wijfje legt de bevrugte Eijtjes op een plaats, die bekwaam is om dezelven te doen uitkomen, en dus brengen dezelven kleine Weeg- luisjes voort, welke, fchoon naauwlijks zigtbaar, zeet fnèl loopen. Het Infekt, tot zijn vollen wasdom ge« komen zijnde, is wat grooter dan een Luis, en om- trent, van grootte en figuur, als zaad van Linzen. De meefte Weegluizen fterven't winters in de koude
klimaaten; maar de Wijfjes hebben de bezorgdheid van op de warmde plaatzen veel Neetcn te leggen, die er bewaard zijn voor de koude, en waar uit, tegen 't be- gin vanden fomer, een meen igte jongen voortkomen; want deeze haatelijke Infekten' vermenigvuldigen opeen verbaazende manier, en. fchijnen zelfs dopr den wai- fem van allerlei Dieren of rottende zaaken gevoed te .worden. Dus vindt men dezelven meest in oude hui. zen, in vertrekken die nabij aan hoender-ofduivêhok- ken, aan vogelkouwen of aan ovens zijn; in bedfteeden en ledikanten, welker, ïiiatrasfen men niet genoeg ver- nieuwt, reinigt of uitklopt, en zo wel in de reetenvan muuren die met kalk beftreeken zijn, als in houten be« febotten, en boekekasfen of mandewerk. , Men zieret een grooter veelheid op bovenkamers, dan in kelders; inzonderheid, wanheer dezelven tegen't zuiden.leggen,, en de huizen van veele verdiepingen zijn, gelijk in de groote en volkrijke Steden. Men weet, dat niet alleen het eene Infekt van bet
andere verflonden of uitgezoogen en dus tot voedzelge- bruikt wordt; gelijk die van dit Geflagt zulks in 't alge- meen doen; maar-bovendien vernielen zij. ook elkan- der, zelfs die jzan eene zelfde zöort zij»; ja de Wijf- jes vreeten zomwijlen de Mannetjes op, gelijk deKre« kels. In het Geflagt der Spinnëkoppen is die verwoed- beid zeer blijkbaar. Men vindt, egter, dat zulks o:k plaats heeft in zodanige Infekten, die veel zagtzinnig« fchijnen te zijn> en gewoonlijk van een geheel andei voedzel leeveh; gelijk in de Rupfen, die elkander op- eeten, wanneer zij geen ander voedzelhebben, lasten- de alleenlijk de huid, kop en pooten over. Op derge- lijke wijs vernielen de Weegluizen elkander, doorboo- rende, naamelijk,. haare Makkers met haar fn.uitje en de- zelven dus uitzuigende; zo dat er niets dan het geraam- te of velletje, gelijk aan 'c geene. zij. jaarlijks afleggen,. van overblijft. ■ ru Demoeijelijkheid, welke dit ongediert den Menlcn
veroorzaakt, heeft yeele" middelen doen uitdenken, om het zelve., te vernielen.. Dewijl de Olie de Infekten in 't algemeen om 't leven brengt, wanneer zij daar «e" ; beftreeken worden beefr. men geoordeeld, dat zijaoo vettigheid weg te krijgen waren; maar dan zou.men a\- Ie de naaden, fcheuren én gaatjes, van de muuren befchotten, daar mede moeten opvullen; 't welKIj;i)t. alleen moeijelijk te doen., maar ook zeer onzinden) en niet duurzaam zou. zijn.. "tfeeleh. hebbemdaar toe^ |
||||||||
|
WAN.
Iookingen willen in 't werk ftellen, die zomtrjds bijna
20 lastig als de Weegluizen zelf, ja ook nadeelig voor de gezondheid waren; gelijk met koeijen-mest of men- fcben-drek te branden, of van aangeftoken zwav'el en beet gemaakte kwikzilver, 't Is zeker dat de reuk van jucbtleder denzelven verdrijft, wanneer die genoeg- zaam fterk is. Ook kan men ze dooden met osfen gal, een middel het welk door de Ouden reeds was aan- aepreezen. Wat behoeft men dan tpevlugt te neemen tot een mengzel -van kalkwater met- zwavel en rot- tekruid, of dergelijke onveilige middelen ; terwijl er anderen zijn , van niet'minder kragt, om ze te ver- drijven of te dooden ; waar onder de terpentijn-olie en het aftrekzel of zelfs de rook van tabak , niet van de minften zijn. Waarfchijnlijk zou de kamfer hier jnet een bijzondere vrugt kunnen gebruikt worden ; de- wijl deeze drogerije van zo veel kragt bevonden is, tot het dooden van Infekten. Zie de proefneemingen van den Heer Vincentio Menchiki, met de Kamfer op veelerleij Dieren in't werk gefield; uit de A&a Bono- weiïfia. Uitgezogte Verhandelingen, $ße deel, aan 't be- gin. Ik zekere Hospitaalen en Gasthuizen heeft men zich
gemeend voor dit ongediert te kunnen bewaaren,, door ijzer in plaats van hout te neemen tot de ledikanten of krebben; maar dit verhindert niet, dat.de Weegluizen op andere plaatzen nestelen. Niet zonder vrugt heb- ben de" reizende Luiden wel gebruik gemaakt van ruuwe en ftekelige bladeren, gelijk die van Buglosfe,Berna- giej, en inzonderheid die van de groote Smeerwortel, om het hoofd kusfen ofpeuluw te leggen ; dat deeze Infekten beletten kan aan 'taangezigt te-komen , diemen ïs morgens in de gemelde ruigte verward en als vast ge- pend vindt. äldrovandus geeft nog een gemakkelij. kermanier aan de hand, om ze te vangen, daar men, in zijn* tijd," tè Bononie gebruik van maakte. Men plaätfte matten aan 't boöfden-end, boe ouder hoe bei ter, en deed die, zo wel 's morgens als 's avonds, uitkloppen, om dus dit ongediert te-vernielen. De Spinnekoppen zifn naar deeze Infekten, zo wel ais naar de Muggen, zeer greetig, en. verfijnden ze, wanneer zij die betrappe.n -kunnen. L'innmus èaHt een zonder* ling denkbeeld om ons van die plaag te verlosfen. Men moest, zeid ■hij-, onderzoeken, of .er :ge'en zoorten wa. ren van dit Geflagt, "die, in huis gebragt zijnde, dienen konden om de Weegluizen uit te roeijen; even als men .ondervonden heeft,-dat de Huis.krekels verjaagd wor- den door'de Veld-krekels doch het zoute bezien ftaân; *f die andere Wantfen, zijnde van dergelijken aart, ons ■niet immer zoveel plaagden pen hóe zou mèn 't voed- sel vóór dezelve bekomen. Anderszins is het.zeker £n gewis, dachet Masker van die zoort van Wants, welke van Fiuscfi- de langwerpige groote Stront-Wants genoemd word, de: Weegluizen vernielt. ; Oudtijds zijn deeze' affchtiwlijke Infekten tot eenge- n_eeskundig oogmerk'- in gebruik geweest. Men p'agt ZlCr) daar van te bedienen tegen:de opftopping van 'twa- ^'«D.DfoscoEiDEs raadt aan, die te droogen, en dan net poeijer in den watergang te brengen; maar het is wans, zegt men, de gewoonte -.- om d-eezo Infekten gevende daar in te fleeken, ten einde zij , door de Ätieuweling, denvuiffoap-bevorderen mogtën. Scho.' jberus verzekert, dat hij er, met gewenfcbt gevolg-, wie heeft ingegeeven, die gedampt wären,' tot- bevor- ttenrig. van de,veriósfinge.. Zommigen hebben er zeven' |
|||||||||
|
WAN.
|
|||||||||
|
407»
|
|||||||||
|
of agt doen inneemen, tegen 't aankomen der afkopen-
de Koortfen,- doch deeze middelen mag men wel. onder de ongerijmde tellen. Tweede Artitkei,.
Wantfen die het Schildje zo. lang heiben
als" het Agterlijf. II. Bengaal}che Wants; Wants, met eengroot Schild'
je, die het Lijf groen heeft, met zwarte vlakken; Stoc kents ; Stockerus benghalenfis viridis nigromaculatus. Pet. Gas. 34. {Cimex fcutello abdomen operiente, corpore vi- ridi maculis nigris Linn. Sijfl. Nat. X.) Doktor Sco- pol! verdeelt de Want/en van zijn land, waar van hij, vijf-en veertig zooi ten -heeft, in ovaale, langwerpige, en liniaale. De eerfte worden van hem, wederom, ge- fsnaldeeld in zodanigen die hijScbilddraagers noemt en gekapte, van welke laatfle de gewoone Weegluis een is. Door de eerften begrijpt hij die van dit Artikel, aan- welke Linn-eus ook den tijtel geeft van Schilddraagers, om dat zij het fchildje zo groot en blijkbaar hebben , dat het haar gcheele Rug bedekt. Deeze, uit Afie afkom- ftig, die men vondt in het Kabinet van dë Koningirj- van Sweeden, kwam overeen met die, welke van Pe- tiver genoemd wordt Stockerus van Bengale, groen- zijnde en met zwart gevlakt. Hij hadt deeze Wants,, die maar een half duim lang was, naar Stocker, zijnen- vrind, aldus genoemd. III. Toragtige Wants; Wants met een groot Schildje,,
het Lijf zwart; Cimex Scarabeoides; (Cimex fcutello ab- domen operiente, corporeatro. Linn. Sijfl. Nat. X.) Men* Hindt deeze in Sweden, doch zeer zeldzaam ,. op de' plant genaamt Hanevoet, volgens den Heer Hartman. Het Lijf is wel zwart, maar van boven- koperkoi.eurig of' gebronst; de grootte als die van. een g,ewoone.Weegluis,< met witte Wieken en gecloörnde P'ootén. ■ IV. MoorfcheWants; Wants mei een groot Schildje',: die het Lijf uit den gr aanwen heeft; Cimex maurus; (£?*■ mex fcutello longitudine abdominis, corpore grifeo. Linn;: Sijft. Nat.X.y Deeze Zoort,. gevonden in'Barb'arie, onthoudt zich ook in Sweeden, zegt LUsnäus, doch* is aldaar wat kleiner, evenwel grooter dan? de Bed- Wantfen , en geheel graauw. «V. Gefireepte Wants; Wants dié zwart is,' met op hef
Borstßuk vijf op het Schildje drie geele ftreepen, en hef Agterlijf geel met 'zwarte flippen; Cimex Unéatus;' (Ci- mex niger, thorace lineis quinque, fcutello tribus luteis, dbdemine flava punÏÏis nigris. Linn. Sijfl. Nat. X.)' Deeze, door den Heer Brander in Barbarie gevonden; is van boven zwart, en heeft op den Kop ook driegee- Ie ftreepen ; de Wieken zijn van onderen geel,. aan de- tippen bruin. ' Deeze en de voorgaande tekent Doktor Scopotiaan,
als Infekten; van Karniolie. Hij voegt er een derde bij, die, wegens de menigte van witte, flippen,, door- hem de Pokkige :geheetèn rwórdt.i Cimèx. exmtUemaXkus. Entpm. Camiol. p. i2i. VI. Jrabifche Wants-; Wants ■meteen* groot-Schildje',
die het Bontfluk gedoomd heeft, hei Lijf ovaal en bleek*- bruin ,,den Aars tweetandig.; 'Cimex atabs-, Cimez fyt~- vaticüs foetens, viridis triangiûans.W. Sloan. Jäm. ILr Icimex fcutello longitudine abdominis, timace\ fpinofo , corpore ovato livido , ano bidentato. Linn. ,Sijß. Nat:. X.) .Deeze is van Sloane, zo het fchijnt ; onder den naam pn Hinkende, groene driehoekige Boschwantr* 0:43, af*
|
|||||||||
|
WAN. v
|
|||||||||
|
407» - WAN.
|
|||||||||
|
afgebeeld. Het voorwerp, dat zich bevondt in de ver-
zameling van haare Koninglijk Sweedfche Majefteit, was uit Arabie afkomllig : VII. Getande Wants; Wants met een groot Schildje,
die het Borstfluk gedoomd, het Lijf bleekhmin heeft en de kanten van 't. Agterlijf getand; Cimex ferratus j (Cimex fcutello longitudine abdominis, thorace fpinofo, corpore li- vida, abdominis marginibusferratis. Li n s■ .Sijßi; Nat. X.) VIII. Zotte Wants; Wants met een groot Schildje , die
het Borstfluk hoekig heeft, het Lijf van boven groen, van onderen geel, den Aars tweetandig; Cimex flolidus; (Ci- mex fcutello longitudine abdominis, thorace fubangulato, corpore fupra vïridi, fiibtus flavo, anobidentato. Linn. Sijfl-Nat. X. : * IX. Bonte Wants; Wants met een groot Schildje ; die
het Borstfluk ruuw , platagtig , graauw en bleek bont heeft; Cimex hiflrio; (Cimexfcutello longitudine abdomi- nis, thoracefcabrodepresfo, grij'eopallidoque vario.LiNN. Sijfl. Nat. X.) Deeze drie, alleu uit de Indien over- gebragt, waaren ook in het Kabinet van gemelde Vor. sftin. Zie op Plaat R.fig. 3. de Afbeelding van een Indifche
Wants uit de verzamëïing van den Heer W. vak der Meülen, zijnde (zegt de Heer M. Houttuijn) de fraaifte en grootfte die ik ooit gezien heb : alzo dezel- ve, in eenige opzigten, met de laatstgemelde zoorten overeenkomftig is. Het Agterlijf, dat géenzins bedekt word door het Schildje, maar aan de kanten uitpuilt, e» aldaar zelfs ftekelig getand is, doet haar gelijken naar de,.zevendezoort; de hoekigheid van hetBorstftuk naar cteagtfte, en de aartige tekening, met geelagtige Streep- jes en Vlakken op den donkeren grond, naar de negen- de zoort. Ondertusfchen ontbreekt., beken ik, de grootte van het Schildje, waar door het Agterlijf, op ■vernaa, niet bedekt word; gelijk in veels van dit Arti- kel. 0ekoleur van't. zelve, gelijkóokdievan'tfagrijn- agtige B.orstftuk en van de Dekfchilden, is kaftanje-bruin en glanzig; welke koleur ook plaats heeft op-de Vleu- gelen. Onde* aan het Lijfis deeze Wantsgewapend met jeen dikke punt, gelijk-in de Water-Torren, dog voor- ■waards uitfteekende: haar Lijfis, in 't midden, om- trent een vierde duims dik, en derhalve behoort ze niet onder de geenen die platagtig zijn van Lijf; offchoon het- zelve met een dunnen rand is gezoomd. DeAgteipoo- «ten zijn, in 't geheel, zeer lang, dik-en grof, maar .ge- lijk de overigen, glanzig zwart van koleur. Dit Infekt Aeeft ongevaar de langte van'anderhalf en debreedte van drie kwartier duims. D E R D E A R T I K E 1..
Wantfen die de Dekfchilden bijna geheel
lederagiig hebben, X. Oever-Wants; Wants met de Dekfchilden Ut Ag-
terlijf verbergende, vuil wit gefiippeld, de Wieken kor- :ter, het Lighaam zwart; Cimex littoralis; Cimexelijtris
abdomen occultantibus fordidis,. albo punüatis, abbreviatis, itrpore tïigro. Livin.^Sijfl. Nat. X.) Deeze onthoud Sich", in Europa, aan de kanten van het water. Dok- tor Scopoli heeft er eene, die hij de Kust-Wants noemt , voorkomende aan de Adriatifche Zee of Golf van Ve- netië. XI. Rimpelige Wants; Wants met de Dekfchilden hei
Agterlijf verbergende en bleek, langwerpig van géfialtez 'ßtmextugofus; {Cimex elijtns abdomen oecttltahPibus_pal- |
lidis, corpore oblongo. Link. Sijfl. Nat. X.) Buiten
twijffel behoort deeze onder de langwerpige Wantfen van Doktor Scopon, en wel onder de genen die het laatfte Leedje van de Sprieten dikker hebben dan de an- deren ; alzo hij dezelven daar toe betrekt. XII. Geknodfte Wants; Wants met de Dekfchilden hit
Agterlijf verbergende, en netswijze gefiippeld , de Sprie* ten knodsaglig; Cimex clavicomis; (Cimex elijtris abdo> men occuitibusrettculato-puniiatis, antennis clavatis, Linn, Faun. Suec.) Men vindt deeze, die maar de grootte van een Vloo heeft," in verfcheide deelen van Sweeden» Geoffroij betrekt daar toe een Wants, welke hij ds Getijgerde noemt, en wier masker huisvest in de bloe- men van het Gamanderlijn.die, voordat zij opengaan, zich daar door, zegt hij, dikker dan gewoonlijk vertoo- nen, Reaumur wijst ons de uitwerking daar van aan, én geeft de afbeelding van dit Infekt, zo natuurlijk als vergoot. Mem. des Inf. Tom. III. p. WS, 106. Tak XXXIV. Fig. !_6. Na dat de Heer B. be Jussieu gemeiden Heer daar
van verwittigd hadt, vondt deeze altoos zodanige Want* fen, 't zij volkomen of onvolkomen, in de gedagte bloe- men, of ten minfte een bekleedzel van de Pop, wan- neer het Infekt reeds daar uit'was, Het is, zegt hij, van de geboorte afin de bloem, nog jong zijnde, ge. huisvest, en zuigt dezelve uit met het fnuitje, daar het "mede gewapendis. Degezoogen bloem heeft meervoe« dend fap dan de anderen, en groeit des te meer, doch zodanig, dat zij niet als gewoonlijk kan open gaan. De Lip, die van de andereljloemblaadjes als omvat wordt, is te groot geworden,"om zich daar van te kunnen om« wikkelen, en dus heeft de kleine Pop altoos een gefloo« ten woonplaats. De Wants, in welke zij verandert, is zeer fraaij van koleur, uit wit en helder bruin ge- mengeld. De Heer Geoffroij, die aan,deeze Wantsde langte
geeft van een negende duims, laat dezelve voorgaan van een andere, welke hij deXarthuizer tiftelt; la Punaijs Chartreufe, Tome I, p. 460. zijnde zwartagtig van on- deren; doch'van >boven fijn en onregelmaatiggeftippeld. melkwit van koluur, uitgenomen de Kop, die zwart is. Zij hadt de langte van een zesde duims. Vierde Artijkel.
Wantfen die vließg en zeer plat zijn,
j als een Blaadje. XIII. Wants dèr boomfchors ; Wants die het Agterlijf
vliezig en plat, aan den rand geutswijze ingefmeden, hit Lijf zwartagtig heeft ; Cimex corticalis; {Cimex abdt- mine membranaceo depresfo, margine imbricatim fe8o> corpore negricante-. Linn. Faun. 'Suec. 646.) Deeze» die men in de verdroogde boomen van groote bosfcben, in Sweeden, vindt, is een weinig grooter dan de Btti Wantfen, zegt Linnäus. Hij is geheel plat, droog, van onderen zwart, van boven morfig gekoleurd. H# Agterlijf heeft, wederzijds, zes ilompe hakkels, ?aa koleur .als fchildpad. De Dekfchilden en Wieken zij» aschgraauw, veel fmaller dan het Agterlijf en diepe* ingedrukt. De Kor* is driepuntig en de Sprieten beftaan uit drie leedjes. * - ... XIV. Wantsvan de Berken; Wants die het àgttW
vliezig plat heeft, het Borstfluk getand ,den Kop metfi''[ fen, de Dekfchilden voorwaards verbreedende ; Cimex of tul es ; ( Cimex abdomine membranaceo depreßt, thorace atv |
||||||||
|
)
|
|||||||||||
|
wan;
|
|||||||||||
|
WAN>
|
|||||||||||
|
4ö?S
|
|||||||||||
|
ficttMo > CâP*ie muricato', elijtris tmtice dilataiis. LrWNSiifi- Nat. X.) Deeze zoort onthoudt zich in de BeiïcebootneiJ. .
XV-' Jfgeknobhelde Wants; Wants die het Agterlijf
vliezig plat en geel heeft ; met een zwarten band ; het Borst(luk rimpelig , de voorfie fchenkelen dikker; Cimex erofus(Citnex abdomine membranaceo depresfi flavo, fascia ni' Bf a, thorace rugofo, tibiis arlticis incrasJatis.LiKN. SijflMat. X.) De HeerRoLANDER vonè deeze In de Westindien. De Sprieten zijn knodsagtig, hef BoVstftuk is zwart, van vooren geelagtig, rimpelig, aan den ram! ovaal als afgeknabbeld ; het Agterlijf mits wijze, vlie- zig, breeder dan de Wieken , geel met een zwarten band; de Wieken graauw; de Schenkels- der Voorpoo- tén kort, maar zeer dik, gelijkerwijs in de "Spookjes oft wandelende Blanden. Wegens de zonderlinge figuur zal ik thans fpreeken
van de uitheemfche Wants, welker Afbeelding op Plaat R. fig. 4. gevonden wordt, overgenoomen, uit de ver-zaameling van den Heer Kramer. De knodsagtigheid der Sprieten, die het uiterfïe leedje, op één na, geheel rond nebben, zou haar alleenlijk tot deeze zoort betrek- ken, want in andere opzigten yerfchiltzij vee! daar van. Het voorwerp, nog ongevletigéld, is- uit de Indien af* komltig, zwart en geel van koleur. XVI. Wants van. het Varen; Wants die liet Agterlijf
vliezig plat, de toppen der Dekfchildsn, Kop en Pooten, Heek bruin, het Lijf zwart heeft.; Cimex filicis ; (Cimex édmiine membranaceo depresfo, elijtrorum apicibus, capita pedibusque lividis, corpore nigro, Lias.Sijfi, Nat'. X.) Deeze onthoud zich in hét loof van het Kruid, dat/uien Mannetjes.Varen noemt. Hét Lijf is ovaal plat, en naauwiijks grooter dan dat van een Vloo, XVII. Wants der Distelen; Wants die het Agterlijf
vliezig plat, het Schildje met drie verheeven flreepen ,Jde Spriecen met zwarte tippenheeft; Cimex cardui; (Cimex àdomine membranaceo depresfo , ßutello lineis tribus elevatis, anténnis apice nigris. Linn. Faun. Suec^Dse- ze zoort, die ook klern. is en platagfig, langwerpig "aal, vind men op de knoppen der Disteien ofDocr- aen. |
koomt op de Plant, welke de zogenaamde Blaauwbès-
fen draagt, is een der grootften vah de Sweedfche Wantfen. Doktor S c o p ö l i hadt 'er het Mannetje eri W.jfje van gepaard gezien op de Water-Kruifemunt, De Heer-G EOFFR oy betrekt daar toe een Wants omftreeks Parijs gevonden , welke, om dat de gemelde ftompe Doornen zich als ftompjes van Wieken verr.00- nen, door hem genoemd wordt la Punaife a ailerons. Hij bevondt derzelver langte een half,duim, en de koleur was overal, dof roodagtig bruin, met het uiter. Ile Leedje der Sprieten dikker dan de anderen. Hifi des Inf.evv. Paris Tom. 1, pag. 440". ; XXI. Tweepukkelige Wants; Wants die eenigermaaté
langwerpig is en zwart, met het Borstfiuk gedoomd, en. op den Kop twee hoogroodeflippen; Cimex bipustulatus: (Cmexoblongtusculusniger, thorace fpinofo, pun&iïW* tias duobus coccineis. Ltnn. Sijfl, Nat. X.) Deeze die zeer aanmerkelijk is/wegens de twee roode öV' purpere Pukkeltjes tusfehen de Oogen, is geheel- zwart , behalve het Agterlijf, dat róód is en' de Wieken bleekbruin. De Heer Rol an de x 'heefe dezelve, zo wel als de naaftvolgende, inde Weftin- diën waargenomen. i XXII. De griekfche Y; Wants die ovaal is én bleek*
bruin met het Borstfiuk gedoomd, en een geele Top hef Schildje; Cimex Tpfilon ; (Cimex ovatus livïdus, thorace Jpinofi; fiutello Tpfilo flavo inferipto, Link. Svjh Mat X > De Sprieten van deeze Weftindifihe Wants zya zwart met twee witte ringetjes; op ieder Dekfchild is eefc' witte fttp, het Lijf van onderen geelagtig.. Men Whd een Griekfche Y op het Schildje getekend. XXIII- Geflippelde Wants ; Wants die ovaal is enbruiw
gefiippeld, met het Borstfiuk eenigermaati gedoomd, té Schenkels wit geringd; Cimexpunüatus-, (Cimex ovatus, fusco punctatus, thorace fubfpinofo; tibiis annulo alba Li.NV;Syfi.]\rat. X.)Men vind aangemerkt, dat deeze die zich in de boflehen onthoud, naagenoeg de grootti heeft van de Wants der jfeneverboomen. XXIV. Roodgatje; Wants die langwerpig ovaal is em ■
graauw, met het Borstfiuk fcherp gedoomd, de SprieteH» zwart ; Cimex hämorrhoidalis; (Cimex ovato-oblongusgri- fiits, thorace acute fpinofo, anténnis nigris. Lins. Syfi' Nat. X.) Deeze is een der grootfte Wantfen die im Sweeden worden gevonden. Dat het Agterlijf van bo* ven rood is, geeft er den bynaam aan. XXV. Krompootige Wants ; Wants die langwerpig. ïseti>
zwart, hebbende het Borstfiuk gedoemd, met-de■ Dffen-dè*- Jgterpooten krom, en derzelverSchénkelen éêntandig; Ci-> mexvalgus; (Cimex oblongis niger, thorace fpinofo' fé- moribus posticis incurvis, tibiisque posticis unideniatis- Linn. Syfi.. Nat. X.) Deeze Oostindffche zicë bévin^ dende in het K-a b ra et van haare Majesteit de Koningin van Sweeden, bad drie uiifteekzels van onderen aan Hef Agterlijf. XXVI.'Gedoomde Wants; Wants die langwerpig iseh' '
rood, met het Borstfiuk vierftekilig ; Cimex quadrifpinofus-i (Ctmex oblongus ruber thorace quadrifpinofo.Lism Sijfl:. Nat. X.) De Heer R o l a n d e r nam deeze waar in- de Weftindiën. Zij heeft het Lijf langwerpig, gelijk-- dat der Wâtermuggen; de Sprieten zeer lang en haair- agtig, het Bórstfhik met vier ronde doornen, waarvan* êené wederzijds en twee op de Rug geplaatft; de "vVie«' ken rood; de POpten lang en'zwart. -'-: XXVII. Stekelige' Wants; Wants die langwerpig is--
hebbende hit.Borstfiuk-gedoomd,, tn het■-■Agterlijf'rnètfllt kiltjes-f
|
||||||||||
|
Vip? DE AltTIj:KEL.
Want/en die het Borstfiuk wederzijds met
een Doorn gewapend hebben. :
XVIÏL Tweetândige Wants.; Wants die ovaal is en
&' mt.het Borstfiuk fcherp gedoomd, de Sprieten
Ai»"f** uideifs ; (Cimex ovatus grifius , thorace acute
Cri°' mtmnis rußs- Lïum.Faun.Suec.) Deeze zoort
ora, volgens den Heer Grokovi'us, in ons land ge.
«neten, op de Plantgewasfen. Au. Helv. vol. v. pag.
Bff;1«' Roodpootige-Wants; Wants die ovaal is en graauw ,
lufZ Br°°nk ft°mP gedoomd, de Póotén rood ; Cimex* Ui»»,} Kmex 'Wote'rgrifetu, thmfe obtiife fpinofo, ml"/' LlNN- «"»«* «SO Deeze is zo alsUlS, ^?orëaande'' onlftreeks Fablun in Sweeden, rôntZ %* in Finland en elders dog'zeldzaam ge- Tr'n er de Afbeelding van op Pla-nt R. Fig. 15
m ■ GeZùm*fe TWdnts ; Wants die langwerpig-ovaal is %ninfW'.J]let helßorstfiu\Jîovtp gedoomd, de Spriet toattts %f°0et'' ^^'^^^'^^"{^mex-oblongo, iris t^"-leus ' tbowce obtufe fpinofo, anténnis medio rif- i.i«N. Syfi; mi. Xe) Deeze, die- dikwils voor^
|
|||||||||||
|
WAN.
|
WAN.
|
||||||||||
|
4074-
|
|||||||||||
|
heitjes als ooghairtjes bezet ; Cimex acantharis ; (Cimex
oblongus, thma.ce fpinofo , abdomine fpinis çiliato. Linn. Syft Nat. X.) Deeze Wants, die van Brow k 'e zeer dtkwils op Jamaika ontmoet was, wordt van hem ge* noemd de bruine Jcatitharis, zijnde, zoo veel hij wift, van geen ander befchréeven. Het Lijf is langwerpig ovaal en ftekelig gehaaird , met de Sprieten van lang- te als,de-Po,oten. Men neemt waar, zegt hij, dat'dit Infekt, op zekere tijden van het jaar,'zijne Vleugelen verliefl. Zesde Artikel.
Wtntfen die rondagtig »f ovaal van Lijf zijn,
met hei Borstßuk ongedoorrid. XXVIII. Groenagiige Wants; Wants dit rondagtigis. van boven geel, mei groene flippen, van .onderengroen ; Cimex viridulus; {Cimex ' rotundatus fupra flavus, punc- tis jviridibus, fubtusviridis. Linn. Sijfl. Nat. X.) ■ XXIX. Reifende Wants; Wants die Plotrondagtig is, uit den graauwen bleek bont, met het Borstßuk ruuw; Cimex perègiinator ; (Cimex fuborbiculatus , depreffus, grifeo pallidoque varius , thorace fcabro. Linn. Sijfl. Nat.X.) XXX. Tweeflippelige Wants; Wants die ovaal is en
bleekgraauw, met een witte flip , wederzijds, voor aan het Schildje; Cimex bipunüatu; ; (Cimex ovatuspallido gri. feus punüo alb« utrinque ad bqfin fcutelli. Lisn. Sijfl.
Nat.X.) XXXI. Zesftippelige Wants; Wants die rondagtig is,
geel en zwart bont, mét het Borstfluk geel en daar op zes zwarte flippen ; Cimex fexpunäatus ; (Cimex rotundatus luteo nigroque varius, thorace luteo, '.punSis f ex nigris. Linn. Sijfl. Nat. X,f \ "' Deeze vierderleij Wantfen , allen uit de Indien af-
komftig , bevonden zich in 't Kabinet van haare Kan. Sweedfchê Majefteit. XXXII. Graauwe Wants ; Wants dieovaal isen graauw,
met de zijden van het Agterljjf'wit en zwart bont, de Wieken gewolkt; Cimex grif eus; (Cimex ovatus grif eus; Abdominis lateribus albo nigroque variis , alis nebulofls. Linn. Faun- Suec. 657.) Deeze zoort, diemiddelmaa- tig is vah.grootte, word vrij menigvuldig in Sweeden gevonden. XXXIII. Gemengelde Wants; Wants die ovaal is en
graauw, met, de zijden van het Agterlijf rood en Zwart hont, de Wieken wit van koleur ; Cimex interßinBus ; (CU mex ovatus grifeus ; Abdominis Jateribusrubre nigroque va' riis, alis albis. Linn. Faun. Suec.) Men had er bijge- voegt, dat deeze het Agterlijf van vooren gedoomd heeft. Zij koomt zeldéaamer in Sweeden voor, en is van groot, te en geftalte bijna als de naastvoorgaande. XXXIV. Wants der befîê'n; Wants diè ovaal is en graauw,
«iet den rand van 't Agterlijf zwart-vlakkig ; Cimex bacea* rum ; (Cimex fijlveflris, 'corpore breviori fubfuscus, fcapu- lis magis exfiantibus. Raj; Inf. 54. «; 2. Jonst. Infi.;- Cimex ex luteo virescenti infuscatus, ad alvi margmes «»> gris maculis. List. Loqu. 396. ; (Cimex ovatus grifeus, Ab» dominis margine nigro maculato. Linn. Faun. Suec. 650.) In Sweeden is. dit Infekt bekend onder den 'naam van Baer- -fis, om dathét de Beficn, in de Herfft, met een leelijke reuk bevlekt of doet flinken. Men vindt dit haatelijke Diertje ook in Karniolié , hebbende het Borstfluk flomp ge- doomd. De Heer Geoffroy befchrijft het onder dm «aam van de bruine Wants of Weegluis, dis de Sprie- |
|||||||||||
|
ten en randen lept heeft; la Punaifè-brune; a Antennes.
& bordspamiachés, Inf env. Paris. Tom. I. p, 400.) ze»., gende dat-de koleur grootendeels bruin is, doch aan de Sprieten, als ook aan de randen van het Agterlijf, die voorbij de Dekfchilden uitfteeken, zwart en geelagtig beurt.om beurt. Ook is het Borstfluk, dat op zijde* ftompe punten heeft, een weinig gebronft. , Men vindt deeze Wants, voegt hy 'er bij, die zeer ftinkt, dikwils op de Aalbesfeboomeh. Zij eet andere Infekten, zelfs Torretjes , die zij uitzuigt, daar met haar Snuitje in boorende. De Pooten zijn bruin én op den Kop heeft zij twee gladde Oogjes. l XXXV. Wants der Braamen; Wants dier$ndagtig is
en graauw, met den rand overal bloedkoleurig; Cimex dumófus; (Cimex fubrotundus grifeus, margine undique fangxaneó, Linn. Sijfl. Nat. X.) Men vind deeze, die vau
geftalte en grootte als de volgende is, alom in de Sweed- fchê Bosfchen. Zij heeft den rand van 't Borstfluk,het Agterlijf en de Dekfchilden, alsook de zijden van het Schildje, rood, en daar loopt een roode ftreep, raid. den over hetzelve, van den Kop agterWaards. Het Lijf is zwart en alle de Schenkelen zijn rood geringd. XXXVI. Pokkige Wants; Wants die ovaal en geel is,
he!benUe het Borstßuk eenigermaategedoomd, en met bruint flippen,'die uitgehotd zijn, alsmetptkputtengetekend, het Schildje vooraangebochgeld ; Cimex variohfus; (Cimexova- tus flavus, thoracefupfpinofopunüisfustisexcavatis variole-. fe, fcutello bafi gtbbo. Lik». Sijfl. Nat. X.) Deeze Wefiindifche Wants door den Heer Rolanderwaar-
genomen, is taamelijk groot, en heeft den rand van't Agterlijf zaagswijze gekarteld. Het Borstfluk is aan da hoeken naauwlijks gedoomd, geel; digt befprengd met uitgeholde graauwagtige Stippen. De Dekfchilden zij» geel. XXXVII. Wants der Jeneverhomen ; Wants die toni-
agtig is en groen, overal met geele randen; Cimex junipe- rinus ; (Cimex fubratundatus viridis , margine undiqus flavo. Linn. Faun. Suec. 648.) Zoodaanig een als als deeze, die in Sweeden op de Jene verboomen zeer gemeen is, vondt« Doktor Scopoli in Karniolié op verfcheidene Planfgewasfen; doch Geoffroï heeft dezelve, omftreekjs Parijs, zo wel in de Tuinen als op 't Land, en veel <^p de Besfebooiren, gevonden. Hij noemt dezelve de Groene Wants, en geeft 'er de langte van omtrent een half duim aan. Wij hebben, hier te lande , ook zodanigen, die zeer flinken. XXXVIII. Blaauwe Wants ; Wants die ovaal is en
blaauw, ongevlakt; Cimex cceruleus; (Cimex ovatus ccendius imniaculatus. LiKKïSijfi. Nat. X.) Behalve de voorgaande vind men ernog in Sweeden een, die een weinig grooter is, geheel grasgroen. Voorts is'er een die zwart is, met de Voeten rood ofros, door den Heer Solander in Schönen ontdekt. Deeze blaauwe, daar aan volgende in de lp der Sweedfchê Dieren, is geheel ongevlakt. Men heeft omftreeks Parijs, ook dergelijk een Wants gevonden,, die de Groen blaauwagtige genoemd wordt, zijnde maar half zo lang als de Groene. XXXIX. Streepige Wants; Wants die ovaal is w»
het- Borstfluk effen, zijnde van vooren zwart, van «£' teren bleekbmin, met uitgeholde flippen; Cimex linew; (Cimex ovatus, thorace l«vi antice atro, poflice l'^' do , diflinSto puntlis excavatis. Linn. Sijfl. Nat. *■) De Heer Rolander vondt in de Weftindiën deeze
Wants , die dé groote bijna van een Brems °fpaar^!: Vlieg heeft, Derzelver Kop ea BoKt zijn zWinL^. |
|||||||||||
|
WAN.
Borstftnk befprengd met uitgeholde Stippen,van vöQ'
ren zwart, van agteren witagtig; welke Kleuren onder-s fcheiden worden door een dwarfe Streep van uitgeholde Stippen. Het Agterlijf is ovaal, driekantig, geel, ge- vJakt op zijde. De Dekfchilden zijn bleek rood. XL. Wants der Moes/truiden; Wants die ovaal is, ko-
fiiigblaauw; het Borstfluk geftreept ,de tip van't Schild- \ecnde Dekfchilden met eenwitte of roode flip; Cimex oie- raceus; (Cimex ovatus caerulea «neus, thorace lineola , rcutslli apice elyftrisquepwiiïo albo rubroye. Linn. Faun- Suic Ö54-). pit Infekt heeft zijn bijnaam daar van, dat het zich in
de Moeskruiden of die, waar van de Vrugt en Worte- len tot keukengebruik gebezigd worden, gelijk in de Kooien Raapen, onthoud, waar van het grootfte deel in Sweeden , in 't jaar 175», door't zelve vernield werd. Door de paaring heeft men ontdekt, dat het jannetje de gemelde ftippen of vlakken zomtijds wit, het Wijfje dezelven rood heeft: dog de Heer Geoffroy merkt aan, dat zulks geen onderfcheid van Sexe zij; dewijl hij ook van deeze Infekten gepaard gezien heeft, met flippen van eene zelfde koleur. De langte was een vierde duims. Behalve de blaauwagtige Want/en van Ray , word
tot deeze zoort ook een kleine blaauwe Wants, uit het Werk van Sloane betrokken, die met witte Streepjes bont is getekend, en de geftalte heeft van een Schild- pad. ... XLI. .Tweepukkelige Wants; Wants die ovaal is en
zntt, overal wit gerand, en met een witte flip op de Dtifchilden ; Cimex biguttatus ; (Çimex ovatus niger, margine undique albo, elytris puniïo albo. Linn. Sijfl- Ntt.X.) Deeze komt op veelerieij plaatzen voor, en heeft de geftalte van de voorgaande, dog. is kleiner, ge- heel zwart, met een zeer klein wit ftipje op ieder Dek« fchild, en den rand, zo wel van 't Borstfluk als van de Dekfchilden, wit. XLtl, Tweekoleürige Wants; Wants die ovaal is en
ïmrt, met de Dekfchilden wit en zwart bont, de Wieken »&} Cimex bicolor; Cimex niger albo maculatus. Pet. Osz.; Cimex niger maculis candidis. List. loqu. 306. Ci- Kx fijlvestris parvus, corpore rotundiore. IiAJ. Inf. 54. »5m (Cimex ovatus niger elytris nigro albo que variis, tin albis. Linn. Faun. Suec. 655.) t Deeze, zo wel als die der Moeskruiden , tekent de Heer Gronovius aan onder de Iufekten van ons Land. Dolitos Scopoli heeft de tweeftippige en tweekoleurjge Wantfen, beiden, inKarniolie waargenomen. Ömftreeks "rijs vond men ook deeze laatfte, die van Geoffroy ptijteld word, de zwarte Wants met vier witte Vlakken, "e grootte is nagenoeg als der voorgaande twee, naa- ^lijkongevaareen vierde duims, gelijk ik ook demijnen, jj°or afmeeting, van die langte bevind te zijn. Raj» tadtze de kleine, met het Lighaam rondagtiger, getij- 'e'd. ^ aLiiL Sierlijke Wants; Wants die rondagtig ovaal is,
**«i* en rood bont, met den Kop en de Wieken zwart; wntex ornatus; (Cimex rotundato-ovatus, nigro rubroque n'ius, capite alisque nigris. Linn. Faun. fuec. 66u) Deeze, die men voornaanielijk in de zuidelijke deelen
'jJD. Sweeden vindt, wordt van Liknmvs geteld onder breedfte en grootfte Wantfen. Zij heeft den Kop, ' Borstfluk van agteren , rood, met twee -vórkswij- ?e gakken, die aan den Kop gebecht zijn. Het Schild. 1 's.f"t, met een langwerpige vlak, gaapende 'naar VH Deel, .
|
||||||||
|
WAN"*
|
||||||||
|
4Ö75
|
||||||||
|
het Borstftuk toe, van agteren geknopt. De Delfchil-
d»n zijn rood met twee zwarte flippen, waar van de eene geplaatft i» binnen de punt, dé andere midden in de buitenrand .^terwijl,een zwarte vlak, die langwer«. pig is, zich nevens den binnenrand uitbreidt, tuflbhen de twee gemelde ftippen. De Wieken en Pooten zijn zwart, en de rand van het Agterlijf, aan 't end, isrood en zwart bont. , Geoffroy noemt deeze de roode Wants van de Kool,
geevende 'er de langte aan van ruim een derde, en de breedte van-een vierde duims. Men vindtze, zegt hij, zeer gemeen op de Kool, en dergelijke Planten met kruijswijze Bloemen, ömftreeks Parijs. Zij legt haare Eitjes, in groote veelheid, op de Bladen van dee- ze Kruiden ; die 'er bij ryën op gefchikt zijn ', zeer digt aan elkander, en, bij nauwkeurige befchouwing , zich zeer fiaaij vertoonen. In figuur zweemen zij naar een '■ tonnetje, dat boven en onder met bruine hoepels ge- kuipt waare, terwijl het midden van het Eitje grijs is of grauw, met bruine ftippen die zeer rond zijn. De onderfte vlakte of bodem van het Eitje, is op het Blad gelijmd, en de bovenfte vlakte is bruin, met een fmal grijs Bandje , in welks middenpunt zich een grijze ftip vertoont. Dit bovenfte gedeelte wordt, als de jonge Wants uit zal komen, gelijk een dekzeltjeopgeligt. Hiß. des Inf env. Paris. torn. I. p. 469. Doktor Scopotr hadt, op zijne reis naar Trieste, in den jaare 1761, een dergelijke Wants gevangen. Entomol. Carniol. p. 123. XLIV. Roode Wants; Wants die rood is met bruine. Wie-
ken; Cimex ruber; (Cimex ruber alis fuscis. Linn. Faun. Suec. 653.) Deeze die de grootte van een gemeene Weegluis heeft, onthoud zich in Sweeden op de Brand- netelen en andere Plantgewasfen. XLV. Gefpitße Wants; Wants die ovaal is, vanvoeï
ren fmaller, en witagtig afchgraauw, met de Sprieten vleefchkoleurig ; Cimex acuminatus ; Muf ca cimiciformis. Raj. Inf. 56. n. 6. (Cimex ovalis antice antenuatus, ei. nereo exalbidus, antennis imarnatis. Linn. Faun. Suec.. 656.) Raij heeft van dit Infekt melding gemaakt onder den naam van Wantsagtige Vlieg, die bij. Listee afge- beeld is, loopende van voorenfpits, waar van zij den bijnaam heeft. Geoffroij betrekt dezelve tot zijne laatfte zoort van Wants, die den Kop fmal heeft,, (la, Punaife a tete oblongue, Hiftor. des Inf. env. Paris. torn. . pag.473.) zijnde in 't geheel ruim een vierde duims lang. .-.."* XL VI. Witkoppige Wants ; Wàntsdie ovaal is en zwart,
met den Kop en Pooten geel; Cimex leuco-cephalus; (Ci* mex ovatus niger, Capite pedibusque flavis. Linn. Sijfl. Nat. X.) XLVII. Kleine Wants ; Wants die ovaal is, en de Dek-
fchilden bleek bruin heeft, met de tippen bruin; Cimex mi- nutus; (Cimex ovatus, elijtris Hvidis, apice fuscis. Linn. Faun. Suec. 659.) De naastvoorgaande zoort is klein , dog deeze heeft
maar de grootte van een Vloo. Beide zijn zij in Swee- den gevonden. Zevende Artikel.
Wantfen die de Sprieten, -aan de tippen
borfltlagtig hebben.
XLVIil, Vlieg-Wants ; Wants die de Snuit krom, cLt
Sprieten haairagtig aan de tippen, het Lijf langwerpig,
eenieermaate heairig, en bruin heeft; Cimix petfonatus;
Rr * - Ci-
|
||||||||
|
WAN.
|
|||||||||
|
407«
|
|||||||||
|
firaaij dopr de mengeling van rood en zwart ophet a»>
terlijf, ende roode ringen om het bovenfte deel der Foi ten. . ■ . Zekere Wants, welke Doktor Scopoli de toomin
tijtelt, wordt van hem met de Geringde van Linkes vergeleeken ; dog. dezelve verfchiide daar van in eenige opïigten,' cmder anderen van het Agterlijfniet gebat), deerd maar met roode vlakken aan den rand getekend te hebben, enz. Voorts tekent hij een Tweeflagtige Wants (Cimex Hjbridus. Ibid. p, i8ï.)aan, die hij, dat zo'nl derling is , oordeelde uit de paaring van een VUeg-Wants met de gene, die-bij de Pandoer (Cimex Pandurus. p, I3d~) noemt, gefprooten te zijn. Deeze, waarin ooi rood en zwart plaats had, Was op de heuvels van Kar« niolie gevangen. -, : L.Zwarte Wants■; Wants met de Sprieten aan 't eni
haairagtig, het Lijf langwerpig, zwart; Cimex atir; (Cimex antennis apice capillaribus, corpore oblongo nim. Link. Faun. Suec.) Zodanig eene , van een vijfde duims lang, vond men omftreeks Parijs, die van Geot. froij genoemd word, Wants met dikke Sprieten, aan 't end draadswijeuitloópende. ■ De twee eerfte Leedjes, naamelijk, zijn zeer dik, ende twee laatften dunnerdan hoofdhaaïr, geelagtigivan koleur, gelijkerwijs de Poo. ten; terwijl het Infekt, voor 't'overige, geheel zwart is, hebbende daar van zijnen bijnaam; LL Gottifche Wants; Wants die de Sprieten aan 't eni
haairagtig, het Lijf langwerpig, zwart heeft, en de tip, pen; zo van het Schildje, als van de Dekfchilden, hog rood; Cimex gothicus; (Cimexantennisapicecapillaribus; corpore oblongo nigro, fcutello elijtrorumque apicibus coc- tineis. LiNN-. Sijfi. Nat. X.) Dergelijke Wantfen meent de Heer Geoffroij omftreeks Parijs,en Doktor Scopoli in Karniolie, waargenomen te hebben; dog al» Ie deeze, zullen mooglijk flegts verfcheidenhedenvan de Vlieg'Wants zijn. ÄGTSTE ARTIKEL.
Wantfen , die langwerpig zijn van Lijf.
LIL Iiidiaanfcfte Wants; Wants die langwerpig is, wil
het Lijf tweetandig rood , de Dekfchilden bruin, en blesi gefireept; Cimexïndus; (Cimex oblongus, abdomine ruin bidentato, elijtrisfuscispallidofiriatis. Likfn. Sijfl. Nit-) Deeze indiaanfche was in het Kabinet van de Koningin van Sweedem LUL Wants van't bilzemkruid ; Wants die langwerpig
is, rood en zwart bont, met de Wieken ongevlakt bruin; Cimex hijoscijami;1 Cimex fijlvefiris minor, corpore oblong angufio. Raj. Inf. 55.; Cimex miniatus, nigris macuiis\ hijoscijami. List. 'Loqu. 397.; Cimex hijoscijmoiies ru- ber■', macuiis nigris. Pet. Gaz.; (Cimex oblongus ruk» nigroque varias, alisfuscis immaculatis. Likn. Faun. Sut*- 664, 66$.) Deeze, welke op 't bilzemkruid, inSwee- den, aangemerkt word meest voor te komen, is ook daar óp,, omftreeks Parijs, gevonden. Riijhad er den naam aan gegeeven van kleiner Bosch-Wmts, met het ï^ijf lang- werpig fmaï, van boven rood, dog getekend zii'nde rn« zwarte vlakken. Oök word zij genoemd de Menieroode. In den eerften opflag fchijnt zij weinig van deOngevle"' gelde te verfchillem - , LÎV. Ridderlijke Wants; Wants die langwerpig is, '»
en zwart bont, met de Wieken bruin, en.wit gevlakt ; *' mex equeftris; (Cimex oblongus, rubro nigroque vor'V, slis fuscus alba macuktis. Linw. Faun. Suec- MM |
|||||||||
|
Cimx fiere waf las major oblongus. Frisch. Inf, K.',MV'
fia eimicifarmls. ß a . Inf. 56. »» 3.Î (Cimeaç rofiro af' cuate, araennis npice capillaceis, Corpore oblonge-fmiU h)fofusco*LiN8fFaun.Siiec. 647.) Dit Infekt waar van men deAf beelding op Plaat K.
fig. 6. kan zien, wordt van Frisch de langwerpige groo- te StrontfWants getijtejd, om dat zij op drek haar voed- zei zoekt, enRArjhadzegenoemd, de derdeWantsagti* ge Vtieg, zeer Hinkende. Zij behoort onder de groot. fte zoon van Wantfen,. volgens den ©erstgemelden, die waargenomen heeft, dat de Sprieten in deeze ; zowel als in de anderen van dit Geflagt, bijna op de helft een Gewrichc hebben, om regts en links daar mede te kun- nen voelen; dog zij beftaan, volgens Geoffroy, niet uit drie, gelijk hij wil, maar. uit vier Leedjes.' Agter de Oogen vind men , op den Kop, twee halfronde Knopjes, die, wanneer het licht regt daarop valt, als ge- fleepen granaatfteenen glinfteren, en fchijnen te dienen, om den Kop van dit Infekt, voor wrijven en ftooten ; in. enge plaatzeo, te bei"cbutten,: Voorts blijkt de Ge- ftalte uit onze afbeelding, en inzonderheid de grootte der Vleugelen,,die de geheele Rug "bedekken, en niet- temin kruislings over elkander leggen, gelijk: in de aa? acte Wantfen, zijnde van koleur zwartagdg. Dit Infekt, dat in..'t geheel glanzigzwart is, heeft ag-
ter aan den Hals, of aan bet Borstftuk, een rand of lijstje, waar ;mede niet alleen bet Mannetje, maar ook het Wijfje een doordringendgeluid kan maaken, wanneer het den Kop fnel beweegt en daar tegen aan wrijft. Frisch ontdekte zulks, toen bij er een gevangen had, en met een fpeld ojïgezet; want dat het een Wijfje ware bleek uit de Eitjes, dia van hetzelve, aan de fpeld zittende, gelegd werden, en niettemin maakte het, dus.eenfterk geluid. Hij heeft ook het Masker waargenomen, dat van hem de Vezel.Wants, genoemd werdt, om dat allerlei] kleine deeltjes van wol, baair, bout, of ftof van kalk en fteen , zich aan u'eszelfs Ligbaam hechten, en het Biertje dus zeer affchuwlijk maaken ; dog, indien men zulk een Wants in een doosje befluit, raakt zij, door de wrijving, bet meeste van die ruigte, zegt hij, wel dra kwijt. : Te Stokbolm, heeft de Heer Clerk, in zeker huis,
deeze VezeUWants, die wat naar'een>Spinnekop gelijkt, gevangen, en men vindze ook in deeze Stad. Zij heeft zesPooten, gelijk gewoonlijk, dog altemaal aan 't end dik, en de agterften zeer lang, knodsagtig; ook is de gang van dit Infekt waggelende, en ongeregeld, dewijl het, dan deeze, dan die Footen gebruikt. Het aast op Vliegen, Spinnekoppen, en, ook. op Weeg luizen; des de vermenigvuldiging van deeze,zoort mooglijk nuttig sou kunnen zijn. Dé volmaakte Wants vliegt zeer wel en fteekt vinnig, hebbende over zich een aanmer- kelijke fêank. ..... XLlX, Geringde Wants; Wants die de Snuit krom;
ie Sprieten haairagtig aan de tipp-en ; het Lijf langwerpig en ■van onderen bloedkolewiggevlakt heeft; Cimex annu» htus; (Cimex rofiro arcuato, antennes apiee capillaribus, corpore oblonge, fubtusfanguineo macukto. Link. Sijfi. JVafcX.) : ■ ■ v ■ i: > De Heer, Geoïtroij noemt deeze de.Flieg-Wantsmet
feode Poolen, en zegt dat dezelve van de voorgaande al- leenlijk verfcbilt door de koleur en door de Sprieten, welker uiterfte Leedjes, in deeze zoort, zo dun en fijn niet zijn. Ook merkt hij aan, dat zij de Snuit nog wat langer en. fterker heefe, zijnde tevens zeldzaamer, en |
|||||||||
|
r"
|
|||||||
|
Gzottiovi- die 3e: voorgaande génösB)d"ija(!t*!dë rede
Wants, met een. Ridder-Kruis, geeft aan deëze den naam
van de zwart gebandeerde rood met witte Vlakken. Dé
langte verfchilde weinig, als zijnde de voorgaande vier
; en deeze vijf liniën lang, ook zegt LfsisjEvs dat deeze
eens zo groot is, 't welk nagenoeg daar op uitkomt,
\ Deeze Ridderlijke komt, volgens onzen Ridder,, veel
voor op de Kerkhoven in Sweeden, hetwelk zijneopmer-
; iing verdient.
LV. Ongevleugelde Wants; Wants dis langwerpig is,
fwi en zwart bont, hebbende de Dekfchilden rood met twee zwarte flippen; Cimex apterus; (Cimex oblóngus rubr» ni- gnqut varias, elijtris punüis duobus nigris. Lïnk. Sijft. tfet.X-) _ Van deeze ongevleugelde Wants, die in Duitsch« \ land op de wilde Kaasjes-bladen waargenomen is door l den Heer Fokskaol, merkt Limmmvs-aan, dat dezel- ve zeer naar die van 't Bilzemkruid gelijkt, hebbende l het Lijf zwart, maar het Borstftuk t'eeneniaal rood ge- ; rand; en de Borst, zo wel als 't end van 't Agterlijf, rood gebandeerd ; de Dekfcbiiden zijn bloedrood, aan de tippen zwartagtig, hebbende ieder op het midden een groote zwarte Stip, en een zeer kleine bij de aanhech- ting van het Dek fchild. Doktor Scopoli heeft zulke ongevleugelde Wantsjes
ook in Karniolie.waargenomen, alwaar zijniet zeldzaam
zijn, en hij merkt aan, dat de béfchrijving van orçzen
î Äutheur zeer goed is. Geoffrotj, die deeze-zoort de
mie Wants der Tuinen noemt, zegt, dat men dezelven,
omltreeks Parijs, aldaar, in menigte, en bij hoopjes
i vindt aan den voet der Boomen. Hoewel de meèsten
i ongevledgeld waren, heeft hij er dog onder gevonden
| die Wieken hadden, en dit doet mij denken, of het niet
' eenverfcheidenbeid-zij van die van't Bilzemkruid, waar
mede zij in grootte en geftalte, als ook in de kolqur,
zo veel overeenkomst beefh - '
Deeze zoort onthoudt zich, in de maand junij.^veel
in't gras van ons Nederland, volgens den HeerGsojso- vius. AB. Helvetica!. Vol. v. p. 133. Ik twijfel niet of zijn Ed. heeft daar mede die kleine node Wantsfes óp ! 'toog> welke aan't Duin voortkobmeri, en die in alle ópzigten de Kenmerken hebben -, welke van Linksus opgegeven zijn. \ l■-' ■■■''' IMI. Egijptifche Wants; Wants die langwerpig'is,
heien zwart bont, hebbende de Dekfchilden rood, met in Zwarte flip; Cimex gijpîiiis; {Cimex oblóngus rubre pgtoque variu! , elijtris rubris pun&o nigro. Likn, «ijft- Nat.) Deeze is in Egijpte waargenootrieh. L.VII, Gekruiste Wants; Wants die langwerpig is en
wtdkoleurïg, hebbende de Sprieten, Schenkels, Snuit en Wieken t. zwart; Cimex andre; Cimexfijlveftris oblóngus t cinerea £ nigro variegatus, fupina enne St. Andréa status'. H. Sloak. Jam. IL; (Cimex oblóngus fangui- y'w , - antennis ,' tibiis , roflro alisque nigris. Link. mi:Nat.X.) ':■ -Bij Sloane is deeze WestindifcheJ^antr afgebeeld en
Mfchreeven, onder den naam van Bosch Wants, lang. « werpig zijnde,' asebgraauw enzwart bont, op deRug » met een Sint Andries-Kruis getekend"; Zie daardan ! je reden, 'zo welvan den latijnfchen, als van den ne. Wuit.fchen, bijnaam. LVI1I, Kalmjche Wants; Wants die langwerpig -is en
Wtii, met een geele hartvormige vlak op het Schildje, en
^Zwarte vlakken; op de de Dekfchilden; Cimex kalmii;
. I «lex oblóngus viridis, fcutello macula cordata flava,
.'Jms mamlis duabus nigris.- Li SN.Faun,'Snee. C$3-)
|
|||||||
|
Van dé 'Heer Kajlm, die deëze" Wants 'mZde. bes.
fchen van Sweedea gevonden hoeft, erlangde zij dien bijnaam: ! LIX. Wants der Weiden; Wants die langwerpig en
graauw is, met een hartvormige geele vlak op het Schildje, en -de Dekfchilden-aan de tippen met een bruine flip ; Ci- mexpratenfls;: (Cimex obl&ngus grifeus, fcutello macula cordata flava, elijtris apice punclo fusco. Limn. Faun. Suec. 66-j.y LX, Wants der Velden; Wants die langwerpig is en
groen, met een hartvormige groene vlak.op het Schildje, en een roestkoleurige op.de Dekfchilden; Cimex cqmpeflris; (Cimex oblóngus viridis, fcutello macula cordata viridi, elijtris macula ferruginea. Likn. Faun. Suec 66J.J , ' 'Weinig fchijnen deeze twee in koleur of woonplaats
te verfchillen, dog de laatfte viel;* in Sweeden, een -Weinig kleiner. Geoffröij heeftze beiden, ook, orii- ftreeks Parijs waargenomen, zijnde de laatfte maar half zo lang als de eerftè, dat is een agtfte duims. Deeerfte word van hem de grijs-vaale , de andere de groene Hartdraager, van wegen de gemelde vlak, getijteld, LXl. Gefchaduwde Wants; Wants die langwerpig is
en zwart, hebbende de Dekfchildsn wü gevlakt; Cime» umbratilis ; (Cimex oblongs niger, -elijtris albo mactilattls LiNKi Faun;-Suec.' 673.) Een menigte van'grooter en kleiner (lipjes, op de Dekfchilden van deeze Wants, die bruin zijn, verfpre'd, geeft er den bijnaam aan. LXII. Dikhoorr.ige Wants; Wants die langwerpig is en
graauwagtig, met roede {lippen, hebbende de Sprieten ge- knodst; Cimex etafficornis; (Cimex oblóngus fubgrif eus, rubre punEtatus, antennis clavatis. Linw. %ijfl. Nat. Xv) Boven en behalve de roode flippen, die zeer fijn zijn, heeft deeze, aan de geele randen van dën Rug, wederzijds omtrent tien zwarte flippen. , : LXIII. Springende Wants ; Wants die langwerpig is en
zwart, met de Dekfchilden geflreept, en de Wieken van agieren geel gevlakt; Cimex faltatorius; Cimex brevis& f ere rotundatus, nigricans. Raj. Inf. 57. «. 2.; (Cimes oblóngus niger, elijtris flriatis, alis pofliceflavo macula- 'tis. Link. Faun. Suec. 6yS. Aan de Oevers van de Zee, van Meiren en Rivieren in Sweeden, word dee- ze Wants gevonden, die daar in van de meeste overi- gen verfchilt, dat zij gelijk een Cicade, hoewel niet zo boog, fpringt. De Sprieten zijn draadvormig. LX1V. §ani Wants; Wants die langwerpigis enzwart,
hebbende de Dekfchilden aschgraauw, van voeren zwart, de Wieken van agtere'n wit; Cimex arenarius'; (CimejÉ oblóngus niger, elijtris cinereis antice nigris, alispoftiie albis. Likn. Faun. Suec. 678.) In 't zand komt dee- ze voor , die ook zeer fijn getekend is met «warte ftipjes. ■': '< ■" " LXV. Wants der Pijnboomen ; Wants die langwerpig is
enzwart, hebbende de Dekfchilden bruin, met eene ruits- wijzè Zwarte vlak getekend ; Cimex pini; (Cimex oblón- gus ater, elijtris f'uscii'macula rhombea nigra* LijNn. Faun. Suec. 674.) LXVI. Rolanders-Wants ; Wants die langwerpig is en
zwart, hebbende de Dekfchilden vliezig met een geele vlak; Cimex rolandri ; (Cimex oblóngus ater, elijtris membrana- ceismacula.fiava, Linn. Sijft. Nat. X.)" Bijüpfal vond de Heer Rglander deeze, dié van middelmaatfge groot- te was; zijnde dus dezelve, en de agt voorgaande, alte- rnas! in Sweeden waargenomen. LXVli. Zwaripeoüge Wants; Wants die'langwerpig
is, hebbende- de Dekfchilden aanH&éghij benevensée Spfit-
Rr 2 . . ten
|
|||||||
|
4078 WAN«
|
|||||||||
|
WAN.
|
|||||||||
|
Doktor; Scopoli heeft, in Karniolie, een Wants ge-
vangen, die hij deVaalpoat noemt, en welke hij oor- deelde nabij tekomen aan deeze Boschwants van onzen Autheur. Daarvan heeft hij het Masker waargenomen zeer vlug langs de takjes der boomen loopende en zwart van koleur, altoos ongevleugeld, met halve Dekfchil. den ; hebbende insgelijks de Pooten vaal. LXXVL Tweevlakkige Want:-; Wants die langwerpig
is en 'zwa't, met eene bruinroode Vlak op de bovenfie Wie- kenen de Sprieten btrflelagtig ; Cimex bimaculatus ; rCi- mex obiongus niger, alis fuperiofibus macula teflacea, an. tennis fetaceis. Lins. Sijfl.: Nat. X.) LXX VII. Veranderlijke Wants; Wants die langwerpig
is en zwart, met de onderße Wieken blaauw, de Sprieten en Pooten geel; Cimex mutabilis; (Cimex oblongiusculus niger, alis inferioribus coeruteis, antennis pedibusquefia. vis. Li NN. Sijfl. Nat. X ) Deeze vond men te Upfal in Sweeden, van grootte
ais een gewoone Weegluis. Doktor Scopoli beeft ia Karniolie een dergelijke, die hij de Geelpoot noemt, gevonden t hebbende de Dekfchilden kaftanjebruip. Tiende Artikel..'
Wantfen die Stekeltjes hebben aan
het bovenfie der Pooten. ■ LXXVIII. Gefpoorde Muants; Wants die langwerpigis :
en zwart, met de agterfte Dijen van onderen getand; Ci- 1 mex calcaratus; (Cimex obhngus niger, femoribuspojlicit fubtus dentatis. Linn. Sijfl,, Nat. X.) Deeze, die in : Sweeden voorkomt, heeft de Sprieten een weinig kor- L ter dan bet Lijf, 't welk van boven bloedrood is, aan I; de enden, gelijkerwij* van onderen, zwart. De Dijëa i zijn met vier of vijf Stekeltjes als gehaaird. LXXIX. Wants der Dennebémen; Wants die langwitp-
agtig en vaal gevlakt is, met de Pooten ros, ds voorfie Dijen dikker en getand; Cimex obietis; (Cimex oblongius- culus maculato-fulvus, pedibus rufis, femoribus anticti craffloribus dentatis. Linn. Faun. Suee. 6-71.) De Woon- plaats geeft den, bijnaam aan deeze Wants, die in de Verhandelingen der.Akademie van Upfal, gezegd word de Wieken geel en vaal bont te hebben. LXXX. Kamcfljne-Wants ; Wants die langwerpig is
en ros, met een witagtig zwart ge/lippeld bandeend, & agterfte Dijen Bezet met veelt ftekeltjes; Cimex carmoft- nus;. Bruchus cannofmus. Brown. Jam. 435.; (CitnM obiongus rufus, fascia albida nigro punBata, femitrihs peflicis multidtntatfs. Linn. Sijfl. Nat. X.) Door Browne jis deeze Weflindifche. Wants, in o*
NatuurlijkeHiftorievan Jamaika, befchreeven. î>eiw- ve is van grootte als een dergrootße Europifche Warf*- fen- Zij heeft het Lijf droevig, rood, de Sprietep bruin» Een witte ftreep loopt, aan de punt van 't Schildje* over de Dekfchilden, die van vooren ieder met vier, va* agteren met drie zwarte Stippen getekend zijn. Elfde Artijkel.. , |
Wantfen dte het Lijf liniaal, of'lang
en f mal hebben. LXXXI. Water-Mug ; Wants- die het Lijf läng "f
fmalheeft, van boven zwart enplat, de voorpotenzeerktrt; . Cimixlacuftris ; Cimex aquaticusfigurte hrigioris. Rij- lni' 57. n.x. Infettum Tipula diUum. Bauh. Ballon. 213- Lisjv Mut.i Bmadx, Natur.,\ (Cimex linearis fupra n'SlfJlSf |
|||||||||
|
tenen Pooten, f»td; de voorfie Schenkels zwart en zeer
ruig; Cimex nigripes;. (Cimex obhngus elijtrorum bafi antennis pedibusque rubris, tibiis anticis nigris hirfutisfl* mis. Luuk. Sijfl. Nat. X.) Die zelfde Heer nam deeze waar in de Westindiën. Zij heeft het Lijf groot en zwart, het Agterlijf rood, de Sprieten aan 't begin zwart, de voorfte Schenkels' langer en dikker dan de andéren. N E G E S D E Â R11 K E L.
Wantfen die de Sprieten lorftelagtig, en
'- , zo tang als't Lijf-hebben. LXVIII. Gladde Wants; Wants.die langwerpig is en
Heek van koleur, aan de zijden wit ; Cimex lvigatus; (Cimex obhngus exaibidus, lateribus albis. Linn, Faun. Suec. 67e.) Deeze word in de Weiden van Sweeden gevonden. LXIX. Gefchaofde Wants; Wants die langwerpig is
:en bleekbruin, met de Sprinten zwatt, 'en een een witte ßreep op het Borstßuk overlangs; Cimex dohbratus; (Ci- tnex obhngus pallido fuscus, antennis nigris v linea thora.' tts longitudinali alba. Linn. Faun. Suec. 681»} LXX. Geflreepte Wants; Wants die langwerpig is en
zwart, met de Dekfchilden, die geel met bruine lireepen zijn, aan de tippen, en de Pwten, reed; Cimexßriatus; (Cimex obhngus niger, elijtris iuteis fusco flriatis, api- se pedibusque rubris. LmN. Faun. Suec. 680.) - LXXI. Dooiende Wants; Wants die langwerpig is en zwartagtig, met de Dekfchilden wit, de Sprieten bleek' bruin en het onderfle Leedje zwart; Cimex erraticus; (Ci- mex obiongus nigricans, elijtris albis, antennis lividis infimo articula nigro. Li bh. Faun. Suec. 682.) LXXII. Wilde Wants; Wants die langwerpig is en on-
gevlakt gramw, met de Sprieten borflelagtig; Cimex fo- nts } (Cimex obiongus grifeus immaculatus, antennis /e» taceis. Linn. Faun. Suec. 668.) * Deeze vier zoorten onthouden zich alle in Swee- den.. ,- LXXIII. Wants der Popelieren; Wants die langwerpig
«j> wit en bruin gewolkt, met de Sprieten borflelagtig; Cimex populi; (Cimex obhngus albo fuscoqiie nebuhfus, «nltnnis fetaceis. Linn. Faun. Suec. 669.) Deeze ont» Boudtzich in de Bosfchen, voornaamelijk aan de Stam» men< van, die Popelieren, welke men de Ratelaar noemt. Ziji is langer en fmaJIer dan de vourigeD, LXXIV. Wants der Olmen; Wants die langwerpig is
ei van beven, roestkoleurig-, met bloedrwde Jireepen op de JJekfchilden, en de Wieken van agteren wit en bruin bont ; Cimex ulmi; (Cimex obhngus fupra mbiginofus, elijtris ßriis fanguineis, alis poftice albo fuscoque variis. Linn, Faun. Suec. 670.), ,1 in de wilde Olmeboomen, dié op 't Land groefjèn,
word deeze zoott,. zo wel als de geflreepte Wants, in Sweeden gevonden. De Iaatsgemelde was door Doktor ScoEOtr, in Karniolie, ook op het Paapenbout gevan» gern Geoffroy (Hiß. des Inf. env. Paris. Tom.. L p. M4'-)i vonc' er eene, die geel en zwart geftreept was, ©mftreeks Parijs, zijnde een vierde duims lang, en een twaalfde duims breed. - . LXX.V.. Bosch*Wants; Wants die langwerpig is'en
ZMwrfc, Hebbende de Wieken en Dekfchilden wit en bruin *»«£,. dei Pooten ros ; Cimex fijlveflris ; (Cimex obhngus %igw,. alis; elijurisque albo fuscéque variis, $ßdi\us rufis. ILms, Faun. Suec. fijj,). |
|||||||||
|
WAÏfc
msftiSy ptdibsis antieis brevijfmis. Ltkn. Faun Sutc.)
Dit Infekt word oneigen Water Vloo geheeten; de-
wijl hetj zo min als de Rugzwemmers of Water-Want. [en, in grootte of geftalte eenige overeenkomst meteen Vloo beeft, en wij andere Water-Vlooijen hebben, die al- overiang dus genoemd zijn.' Het Jpringt ook geenszins gelijk een Vloo, en loopt alleenlijk op't water in de ge- daante van een fpinnekopj weshalve het,, al van ouds, j^aterSpin is genoemd geweest, Aldrovandus, im- mers, getuigt zulks van de Tipula, welke naam, aan de Langpooten of Glazemaakers eigen, van veëlen gegee. ven word aan dit Infekt. Dus zegt SwammërdAm , dat bij drie zoorten van Water-Spinnen bewaarde, draagen- de, gelijk de Weegluizen, den Angelinedeinde Mond. ßoor dit laatfte zal hij zeggen willen, dat zij, in p'aats van Bek.» een dergelijk Snuitje hebben als de Infekten van dit Geflagt. Volgens Charleton noemt men de Tipulce in 't neerduitsch Water/pinnen, en in 't engelscb, Water Spinners. Ik begrijp dan niet, waarom men de naam van dit Infekt, in 't werk van Beadlet , ver- taald Jreeft Kramp-Spin. Het word, bij die van Sma. land in S weeden, genoemd .3rax«»-.Mygg, zegt Linn^us. Wij noemen haar dan ook de Water-Mug, om dat zij ieer veel naar een Mug gelijkt. Aanmerkelijk is de fnelbeid, waar mede dit Infekt
over 't water loopt, en die den Ouden reeds tot een aar- tige aanmerking gelegenheid fchijnt gegèeven te hebben. Voorts is het zonderling, dat men de Jongen óf Nimfen van hetzelve , die nog geen Wieken hebben, zomwijlen gepaard vindt, volgens de waarneeming van onzen Au- theur. Men ztetze niet dan op de oppervlakte vanftille wateren, in vijvers en flooten. . " De geftalte der Water-Muggen is, gelijk men daar
van de Afbeelding kan zien op Plaat R. fig. 7, lang en final, met het Lijf nagenoeg van gelijke breedte, en met vier taamelijk lange Pooten; terwijl dé twee voor- den, indien men die Pooten mag noemen, zeer kort zijn, en meer naar N-ijpers gelijken. Zij hebben de Sprieten zwart, en bijna half zo lang ah 't Lijf;,de Oo- gengfoot, en uitpuilende, bet Borstftuk lang en fmal, dof zwart van koleur, gelijk ook de Dekfchilden^ Met iet vergrootglas vertoont zich, daarop, eenig geel ftof en van onderen fchijnt het Infekt, van vooren gezien zijnde, en op zekere wijze tegen 't licht'gehouden, wit, anderszins zwart. De langte is meer-dan een half duim. LXXX1I. Kleine Water-Mug ; Wants die het-Lijflang
'8 fmal heeft, zwartagtig, op zijde plat, de Voorpooten zeer hrt; Cimex Jiagmrum; (Tipula Iondinenfis angufliffema. fe. Gaz.) - . - Volgens LiNNiEus zou deeze-van de voorgaande in-
zonderheid fchijnen te verfchillen door baare kleinte, oaar. anderen er nagenoeg de zelfde of zelfs meer langte aan geeven;. Allen komen zij overeen, dat deeze onge- il1'fmaller en dunner is; weshalve Geof.froij haar- de Naald Wants noemt. Petiver hadze, onder den naam van bij uitfiek dunne Londenfche. Wants , afgebeeld, en Doktor ScopoLt merkt aan, dat^zij naauwlijks een hal- slijn breedte heeft. Zij is, bovendien, op het Borst- *wk met twee rondagtige Knopjes of Knobbeltjes gete- kend. : ivjen vind.dit Infekt,- dat ook op 't waterdogzo !»el niet loopt ,. zeldzaamer dan de andere -Water- Mug, * ' LXXXflI. Zwerver;* Wants die het lijf lang-en fmal
*#*» hont.van.kaUut,., niet■ de.~voQfpootenJ.on.»» dik ge- |
|||||||||
|
WAN.
|
|||||||||
|
4*7»
|
|||||||||
|
ioogen ; Cimex vagahiindus; Cime« arhorum »lltngus ala*
rum fignatura alba. Frisch. Inf. XII, 6, i..; (Cimex li- nearis, variegalus, pedibus anticisbreviffimis, craffts, in-. flexis. LiNN. Sijfi. Nat. Xi) '" V. Onderde Boom-Wantfen komen er ook voor, die tot
dit Artikel,beboóren, gelijk deeze zport, welke veel naarde Water.Muggen gelijkt, Men geeft er de langte' van twee lijnen, dat is eenzesde duims, de breedte van twee derden van een lijn, aan. Vàn vooren loopt dit Infekt zeer fmal, en heeft op de Dekfchilden een aartige' tekening van witte vlakken op een bruinen grond. DeBete beftaat in een omgeboogen Snuitje, en de Sprieten zijn "als 't ware geknakt, gelijkerwijs in de Wantfen in't al- gemeen. Dewijl het alleen op de vier Pooten.loopt,- zo is de gang waggelende en oneenparig-, het welk meß ook aan de dunte van deeze Pooten-, die bovendien zeer. lang zijn,, als gemeld is,-kprt en dik, en worden ai# toos, zo het fchijnt, geboogen gehouden. Moogüjki zullen, die flegts tot Niiper$,dienen, om de prooij te be- magtigen. Frisch heeft waargenomen, dat de Jongen* van dit Infekt wit en ongevleugeld zijn, en dat de Voort- teeling van hetzelve, dus, overeenflemt met die der anderen. '.-... LXXXIV. Mug-Wants; Wants die het Lijf tang-em
fmal heeft, witagtig zijnde van koleur, met alle de Po»' ten zeer lang, de Dijen knodsagtig; Cimex tipularius,; Cimex arboreus culieiformibus. Frisch. Inf. vir. p. jg.. Cimex linearis exalbidus, pedibus omnibus longisfimis ^ femotibus clavatts. Linn. Faun. Suec. 6$6<) Deeze mag, inderdaad, beter den naam van de Mug*
vormige Boom-Wants of van Mf(j>JFaHJx voeren, dan de- voorgaande,-welkedeHeer.GEOETROiT dus getijteld heeft:- Fr-hck geeft er de af beelding van, volgens welke dit* Infekt vrij grooter zou zijn dan het andere- Deeze Mug- Wants, zegt hij, ftinkt, en de voorgaande niet; Hij* heeft waargenomen, dat zij viermaal van Huid verwis* feien, en na de laatftemaai eerilde Vleugelen krijgen,' die in boven- en onder-Wieken beftaan,,gelijk plaats:» heeft in alle die tot dit Geflagt behooren. ■ Mooglijk, zou men tot deeze zoort,. die.Wants betrek-
ken kunnen, welke van Doktor Scopol i de Biesagtigm1 gebijnaamd wordt, zijnde niet dikker ban een lijn, en« meer dameen.half duim. lang.. Dezelve hadt. Sprieten- van vijf Lijnen en een Snuitje-van twee lijnen lang, ait> drie Leedjes beftaande. Het Lijf was zwart, de Oogen? bleeker; het Borstftuk bruin-rosenglimmende, DeDek»- fchilden waren in bet iederagtige gedeelte geel en mets fijne Haairtjes als befprengd; in het vliezige met veels*-- Adertjes doorreden , die evenwijdig liepen; zodatmen»- .ze getralied noemen kon. De-agterfté Dijen waren van? onderen getand. Op de Wilgeboomen vondt hij» bo* vendien, nog twee dergelijke lange en ûrtaUeWantsjesy.. wîrar- van het' eene geheel, en, al haairig-, bet. andera- bruin of tegelrood was» . LXXXV. Hazel- Wants; Wants die, langwerpig-is em
zwart, met de Pooten en Sprieten borftelagtig.\ geel; Ci-- mex Coryli-, (Cimex- abhngus niger,,pgdikts antennisquet fetaceis. Liwn, Faun. Suec. 75\h la de Hazelnooten-Boomen, .vanS'weeden,- onthoudt*
zig deeze Wants-, gelijk Doktor Scoeoli zijne Vaalpootï hier voor gemeld, pp dezelven- in Karntojiegevonden> hadt-. Zij loopt langs.de Bladen. Het geheefé Lijf-en î altes is ongevlakt-zwart, maar- in zommige blinken-d?? Vleugeltjes een weinig blaauw- door, .çnde-JBuitenledeaï zijn geel, als gemeld is,. ■ |
|||||||||
|
WAS«
cooj» op Rofemarijn bladen , zegt gezien te hebben.
Voorts zijn er andere Celletjes met zuiveren Honing ver! vult, en deeze zijn zorgvuldig met dekzeltjes van Wafch geflooten. Zie ook HONINGB1JEN. ,r " In de WafcbrFabrijkennoemtmett»-aw-^«/cß,hetg«.
le-Wafch zodanighst van de Rijen word bewerkt, zijn- de uit wMVafeh, benevens eenegecoleurdezelfftandie- heid zamengefteld,dewelke aan hstWafch meerer fmeudig.' heid bijzettende, van de Natuurkundigen alseenevette olie word aangemerkt, in zommige opzichten minder, lijvigheid hebbende dan het Wafch. Het is dat zelfde Wafch't welk men dik Wils maagdeWafch noemt. Onder zodanige Raaten die kort geleeden door de Bijen gemaakt zijn, vind men 'er die zeer wit zijn, en anderen helder geel, en zulks in een en dezelfde korf en in't zelfde faifoen. Alle worden met 'er tijd geel; en die in 'tbo- venfte van de korfgeplaatft zijn, worden zwartagtigbruin. Dan al dit Wafch van verfehillende koteuren kunnen in 't algemeen gelijke wit worden, onder zekere voorbehoed. zelen aan de lucht blootgefteld zijnde. De tijd derinzaa. meling van de Honing gekoome» zijnde, kneed men ze alle onder malkanderen. Daar is nogthans zeker zoort van Wasch, dat nimmer
volkomen wit woçd, 't geen men denkt aan dehoedaanig. heid van het ftof der bloemen, dat de Bijen bewerktheb- ben, te Kunnen toefchrijven. Van dien aart is inzonder- heid het Wasch 't welk op de Voor-Eilanden van rimeri. ka door kleine wilde Bijen , in holle boomen enfplee. ten van rotzen, word verzamelt ; dit Wasch is week en zo- daaw'g zwart, dat men tot nog toe geen middel heeft uitgevonden om bet zelve blank te krijgen , zie Rochï- fort Hiß. Nat. £? mor. des lies antilles de ïdmeript Roß. 1681. pag. 161. Ook zegt men dat dit plaató heeft ten aanzien van Wasch, 't welk in gewesten word verzamelt daar, veel Wijnftokken zijn. ' In 't algemeen is zodaanig Wasch in achting, 't welk
in landftreeken word gegaart, daar boekweit groeit, ook daas veele beid-landen zijn enz. Het Wasch wordt aan warmte blootgefteld zijnde, week,
en gaat zelfs op een geringe trap van hitte, totfmelten over; en in tegendeel word het in de koude harden ge- noegzaam broos.; Brandende geeft het een heldere vlam, bijnazonder rook* en geen de minfte kwaade geur. Op zommige plaatzen noemt men hef of droesfemvs»
Bijen, 't geen er in de zakken overblijft, na dat het Wasch er is uitgeperst. De Heelmeesters maaken er gebruik van in de zenuw-ziektens. Ook gebruiken het de Smids voor de Paarden. Zuivering van hei Wasch. 1. Ontboningt men 't zelve,
niet het deeg dacvan de Honing niet völkoomen door de uitpers'fing is' gezufyert, geduurende eenige dagen lang in zuiver water te\doen iveeken, ofwel het zelve i"1 kleine ftukjes te breeken en het opkleeden digt bijie Bijekorven üittefpreiden, als dan zullen de Bijen ^ alle de nog in zittende Honing uitzuigen, en het JvaUr even als tot kaf brengen. 2. Zuivert men het zelve doo- ïiiiddel van kookend water. Zuiver wasch tot brooden gemaakt, moet een n°'
tiingagtige reuk hebben die niet onaangenaam z'J' fmeudig weezen, zonder vettig nog glinfterende 1 zijn ; en deszelfs koleur is min of meer geel, na° aart der Planten daar de Bijen die op verzamelt tie ' ^en" -i bet
De Schrijnwerkers en Kisteiiiaakers gebruiken > _
.gstle WwH om glans aan hunne werken te S^^
|
||||||||||
|
WAR. WAS.
|
||||||||||
|
4°.8°
|
||||||||||
|
, WARL WIND, zie WINDEN.
WARME-BREMS, zïe PAARDE VLIEGEN ». II.
fug. 2548. WAKMMAAKING, zie CALEFACTIO.
WARMOES , zie MOES. .
WARMOESKRUIDEN, zijn zodaanige Kruiden,
die in de Keuken gereed gemaakt, en tot fpijfe gebruikt worden. -..'.''■■ WARMOESLAND, dusdaanig word een fluit landge-
noemt, daar men allerleij Peulvrugten, Kool, en Aard« vrugtçn teelt, welke tot keukengebruik verftrekken. WARMOESSENIERS.in Friesland Gardeniers;noemt
men zodaanige Tuiniers, welke rondsom Steden en gros- te Dorpen woonende, op hunne landen, allerleijMoes- kruiden , als Kool, Erwten, Boonen, Knollen, Wortelen, Aardappelen, enz. planten, om die dagelijks ter markt, of langs de deuren tot gerijf der Burgers en Inwooners, te feoop te veilen. WARSTRUiK; Quisqualis; is denaam van een Planten«
Geflagt, waar van de Kenmerken zijn, een vijfdeelige draadagtige Kelk;vijfBIoembladjes;een vijfhoekigeVrugt. De Geflagtnaam door RuMfmus verzonnen, om de
wonderlijke veranderlijkheid van dit Gewas uit te druk- ken, is door dé Heer Lxnnjeus behouden en met den . bijnaam Indien, toegepast op eenezoort, tot welke zijn Ed. zo wel de ruige of wollige als de gladde Quisqualis, die beiden door den Heer N. L. Burmännus in afbeel- ding gebragt zijn, betrekt. Van deeze waaren zij door de plaatzing der Bloemfteeltjes, of tegenover malkan- der, onderfcheiden. Die van Rümphxus is een gewas, dat eerst als een klein Boompje uit den grond fchiet, dog vervolgens fungerende of liever kruipende Ranken voort- brengt, gelijk de Boscbtouwen ; aan welken de Bladen geplaatst zijn, aan de gezegde boomagtige Scheuten. Zij hebben eene oyaalagtigegefpitfte figuur en zijn effen- fandig. Aan't end der Rankenkoomen Bloemfteeltjes voort, die uit een trop Schubbetjes of blikjes Bloemen uitgeeven, naar die der Thijmehea gelijkende, met ee- nen draadagt igen van buiten ruigen Kelk. 'tGewasgroeit op verfcheidene der Eilanden van Oostindie, wordende te Batavia, in'tportugeesch Catappa de Maïogeheeten. De Vrugten, die vangrootte als Eickels zijn, in bosjes bijeen hangende, vallen rijpzijnde van zelf af, en be. vatten als dan een Pit, zo zoet als een Hazelnoot; maar, onrijp zijnde, fmaaken zij wat radijsagtig, en zijn dan voor een goed middel bekend, om den Kinderen in te geeven tegen de Wormen; de rijpe hebben, in grooter veelheid, -dezelfde, en in zommige Menfcben zeer bij- zondere uitwerkingen, ' . WASCH in 't latiju Cera, is eene olieagtige zelf-
standigheid, tamelijk vaft, üneltbaar, veel ligter dan water en welke uit het ftuifmeel der bloemen voortkoomt, naar dat het zelve in de maag derHoningbijen is bereid. Die Diertjes gebruiken het Wafch tot zamenftelling van kleine zeskantige hokjes, waar van dè wanden buiten- gemeen dun zijn, die naast malkanderen zijn geplaatst, en door hunne veresniglng dat geene uitmaaken, 't welk men Raaten of honing-raaten noemt. Een gedeelte deezer hok- jes of celletjes verftrekken tot bewaarplaatfen voor de Eijerfjesgefchikt; anderen zijn vervult met het geen wij ruw Wafch of ruwen Honing noemen, zijnde het mengzel van eene boningagtige zelfftandigheid üit'het ftof der bloemen gegaard, mnakende dit het bijzon dereen vaste voedzel der Bijen uit, en misfehien dat Wafch'twelk 4e« Hoogleeraar Boeähavü; met behulp van een Mfcros- |
||||||||||
|
(VAS. WAT.
wfc worden er lange Toortzen of Kaarsen van vervaar-
digt die in ^e roomfche kerken bij zomin ige plegtighe- den worden aa^geftoken. Ook word dit Wasch nog ge- bruikt om te zegelen; insgelijks tot balzems, zal ven enz. WASCH-KAARSEN, zie KAARSEN.
WASCH KRUID, zie OERINTHE.
WASCH-PLEISTER, zie CERATÜM.
WASCH-STOKKEN, zie KAARSEN.
WATER, in het Jatijn Aqua. Üfhet/Fcfórons van
minder nut zij, dan de Lucht, en wij het zelve beter zouden ontbeeren kunnen, zou bezwaarlijk te beflisfen vallen. Want, fchoon wij wel onophoudelijk de Lucht là- en uit-ademen, en 't behoud van ons leven van de gezonde gefteltenis dier hoofdftof afhangt, mag men ech- ter billijk denken, dat wij, zo ze flegts uit baar eigen deelen alleen beftond, en van een zekere vogtigheid , die haar al|toos verzeit, ontbloot ware, niet weinig on- gemakï'. en' nadeeis van die droogheid zouden te dugten hebben; Lucht zonder Water zou moogli/k even weinig gefchikt zijn voor onze ademhaaling, als Waarzonder Lucht is voor die der Visfchen. Het WaUr is een alge- meen werluniddel, daarde Natuur, inalles wat zij voort- brengt, zich van bedient, en 't welk zo dikwils, en op 20 veelerhande wijzen tot de behoeften en denoodwen- digbe'den des menfchelijken leevens vereischt word, dat iemand het Water te ontzeggen een ftraf was bij de Romei- nen, daar men de kwaadeBurge'rs toe veroordeelde. Het is de natuurlijke drank van alie Dieren. In alle ande. re zoorten van Dranken, die wij door konst bereiden , maakt hetzelve of het voornaamfte gedeelte uit, of word erin vereischt, om ze te mengen en te verzagten; en hoewel-men, wanneer men geestrijke en gegiste vogten maatig gebruikt, zeer lang en gezond leeven kan, leert ons echter de ondervinding, dat de Waterdrinkers in't algemeen een beftendiger en eenpaariger gezondheid ge- nieten; en dat zij niet minder frischen fterk, ten min- den, zijp, dan andere Menfchen. ik zal mij niet ophouden met hier alle de voordeden,
die het Water ons verfchaft, omftandig, ftuk voorftuk, aan te toonen, nog te fpreeken van de oogmerken , wel- ken de Goddelijke Wijsheid in "ticheppen-van die hoofd- Hof bedoeld kan hebben. Zulks is uitvoerig verrigt door andere* Schrijvers , (zie onder veelen jnip.uwentyd 'faireldbefchouwing XX. befch. 'Fabiucius Theologie de >£âs. Traité des vertus médicinales de Vau commune par Mr. Smith, en meer andere) .vier Werken met roem be- tend zijn, en die een ijder zich ligtelijk bezorgen kan. Mijn voorneemen is alleen, om, enkel als Natuurkundige, de voornaamfte eigenfchappen en kenmerken van het *w*y de bronnen en oorfprongen waar uit hetzelve '«tons komt, de verfcbillendegeltalten en ftaaten, die Jet aan kàn neemen, en de algemeenfte uitwerkzels die net te weeg brengt, te onderzoeken, Mekkan het Water onder drie verfchillende geftaken
«chouwen ; en hetzelve aanmerken, i. ais een Vogt, s' als Damp en 3, als Ts. Dit zijn drie verfcheiden ftaa- enof gefteldheden, waar in het Water zich bevinden a|), zonder dat het echter daar door eenigzins van aart n eigen wezen .verandere, en gem^water meerzij; maar sar door 't alleen tot het voortbrengen van verfchillen-
- Uitwerkzels word bekwaam gemaakt; ûî3''?a(er-.in zijn natuurlijken ftaat, dat is dien Maat, fiofH L/" z'jn zou' zoer n'ets vreem(*s onffer deszelfs l , .e'ties gemengd ware, zou eigentlijk, als men naauw- utlË fpreeken wilde, een vast Lighaam zijn ; gelijk de |
|||||||||
|
WAT.
|
|||||||||
|
408I
|
|||||||||
|
Heeren Mariotte, »e Mahjan en Bokbhaavï zee*
wel hebben aangemerkt. Ja, zeg ik> het Water zou even als het vet, het wasch, en alle andere ftoffen, die men niet fmelten ziet en vloeibaar worden, dan na dat menze tot een zekeren trap heeft warm gemaakt, altijd ijs zijn en blijven, indien de vuurftoffe, die er met ge- noegzaame hoeveelheid doorgaans, in gematigde Jucht- ftreeken, in doordringt, de onderlinge beweegbaarheid van deszelfs deeltjes niet in ftaod hield, endaar door vloeijen deed; en in die Landen, daar het beftendig koud genoeg is, om deszelfs bevriezing te doen duuren, moet men de konst te hulp neemen om het vloeibaar te maaken ; even gelijk wij ons hier van dit middel bedie- nen, om loot, zwavel, harst, en dergelijke zoorten van Hoffen, te doen fmelten. Maar, fchoon weldeftaat van een vast Lighaam aan het waterde natuurlijkftefchijnt te zijn, bevind het zich echter, ten minften in de mees» te bewoonde Landftreeken, doorgaans in die geffeltenis niet; en dit is ook de reden, waarom ik hetzelve als een vogten vlietftofaanmerk, eer ik de eigenfchappen befchrijve, die het heeft,1 als het een vast lighaam, of» gelijk wij 't noemen, ijs is. Het Water, wanneer 't niet bevroozen is, is een fmaa-
keloos, doorschijnend vogt, zonder koleur, zonder reuk, dat zich ligtelijk aan de oppervlakte hecht van zommige Lighamen, in zeer veelen derzel ven doordringt, ende aan brand zijnde ftoffen uitbluscht. Indien hetzomtijds ondoorfchijnend is, koleur of reuk heeft, en men er den eenen of den anderen fmaak aan proeven kan, is zulks een teken, dat er eenige vreemde doffe onder ge- mengd is, die hetzelve een hoedanigheid bijzet, welke het uit zijn eigen aart niet heefc. De vloeibaarheid van 't Water, gelijk die van alle an-
dere vogten, word veroorzaakt door de ftoffe des Vuurs, die in het zelve doordringt, en deszelfs Deeltjes in ftaat fielt om vrij en ligtelijk over eikanderen te rollen, en aan de neiging van hun eigen zwaarte, of aan eenigeii" anderen indruk en beweegkragttegehoorzaamen. Maar, behalven deeze algemeene oorzaak van vloeibaarheid, kan men zeggen, dat het Water daarom vloeibaarder is, dan zo veel andere vogten, om dat deszelfs ftofdeeltjes ongemeen klein zijn, en waarfchijnüjk van eenegedaan- te, die dezelven zeer bekwaam maakt tot beweeging. Of het kleine dunne reepje^ zijn, of kleine rolletjes, of ronde bolletjes, zal ik niet bepaalen , dewijl ik geer* eene enkele waarneeming nog proefondervinding kenne, waarmede men dergelijk eene bepaaling zou mogen ftaa- ven en goedmaaken ; maar een vrij algemeene en een», paarige evenredigheid doet mij gelooven, dat bun gedaan- te, van welk eene vorm zij ook wezen mogen, veel tot hun- ne beweegbaarheid teebrengt. Een maat van kleine graan- korrels, of van doordroog zand, die men door een treg« ter loopen laat, kanmen, in zeker opzigt, als een vloei* baar Lighaam aanmerken. Tarw zal in zulken gevaï beter doorfchieten dan haver, om dat derzelvergedaan- te beter gefchikt is ter beweeging. Fijn zand heeft nog meer vlietbaarheid dan tarwe," dewijl deszelfs deeltjes, als kleiner, ook beweegbaarer zijn. DeHeerBoEHHAAVEjEVrasntoCAem. Part. IL p. 20,5k
Ed. Leid. Tom. Lp. 554. beweert, dat de vloeibaarheid)* van 't Water geen trappen heeft van meer ofmin, maay altijd de zelfde blijft, dat het even vlietbaar is op het oogenblik, wanneer het ophoud ijs te zijn, als wanneer 't begint te koofcen; en hij vestigt zijn gevoelen op ee- ne proefneeming van den Heer Nswtow , Traité d' Op~ |
|||||||||
|
408t WAT.
|
WAT.
|
||||||||
|
% quefl. 28. die berondt, dat een Slinger zich met dei
zelfde vrijheid bewoog in het alierkoudfte water, als hij gedaan had in het allerheetfte. Maar, indien ik het zeggen mag, zonder den eerbied, aan "die groote Man. nen-verfcbuldigt, té krenken; ikweetniet, ofdieproef. neeming niet een weinig nader onderzoek vereisfchen zou. Het lighaam, dat de flingeringen deed, uit welk eene ftoffe het ook beftaan mag hebben, heeft zich on- vermijdelijk moeten uitzetten en grooter van omtrek worden in heet water, dan in het koude. Hoe grooter nu een lighaam van omtrek is, hoe het meer weerftand ineen middelftof ontmoet. Het heete water derhalven, nu waarlijk vloeibaarder geworden, dan toen het koud was, zoude beweeging wel vrijer hebben moeten maa- ken; maar het fungerend lighaam, door die warmte uit- gezet, had ook een grooter vak van de middelftof, die weerftand bood, uit den weg te ftooten. Dit laatfte beeft mogelijk het eerfte kunnen opweegen, en beletten, dat sien geen grooter vloeibaarheid in heet water gewaar wierd, fchoon het inderdaad vloeibaarder geworden ware. _ 't Is waar, de Heer Boerhaave voegt erbij, dat hij
alleen maar fpreekt van een vloeibaarheid, die op de proef, en, zoo veel wij er van gewaar kunnen wor. den, eenpaarig en beftendig is; en dat er wel een meer ©f min plaats zou kunnen hebben, zonder dat wij 't kon- den merken. Maar dat meer ofmin, 't welk hij in zo ver- re toeftaat, fchrijft hij geheel toe aan een verwijdering en afzondering der ßofdeeltjes van elkander, doormiddel van de vuurftof, die er tusfchen indringt en ze van een fcheid; niet aan een verdeeling, welke de Deeltjes zel- ve van die kleine ftofklompjes ondergaan ; want die ftof- deeltjes merkt hij aan als eerfte beginzelen en oorfpron- gelijke deeltjes, die wel van eikanderen verwijderd en afgezonderd, maar niet ontbonden en gebroken kunnen ivorden. Nogthans is het onloochenbaar, datalleandere Hoffen, die wij uit den eenen ftaat tot den anderen zien overgaan, en ons den tijd laaten om haar veranderingen waar te neemen, niet dan allengskens en van trap tot trap weeker worden, fmelten, en verfcheiden graaden van vloeibaarheid, den eenen na den anderen, onder- gaan ; de ftofdeeltjes verdeelen zich , en die deeltjes verdeelen zich weder in fijner deeltjes, naar maate dat het vuur fterker doordringt, en de vlietbaarheid neemt hoe langs hoe meer toe, tot dat eindelijk die deeltjes, ongemeen klein en fijn geworden, zich verfpreiden door uitdamping en wegvliegen. Ik wi! juist niet zeggen, dat bet Water, geen uitzondering zou kunnen zijn op dien algemeenen regel; maar ik wenschte die uitzondering wei met daadelijke bewijsftukken geftaafd te zien, en door goede proefneemingen bevestigd. . .Niets ontmoet ik in de ganfche Natuur 't welk dit denkbeeld begunftigt. Ik vind in tegendeel bekende en gemeenzaame verfchijnzelen, en wel in groot getal, die het fcbijaen om ver te ftooten. Waarom, bij voorbeeld, dringt koud wMer zoo gemakkelijk in de Lighaamen niet door, .als heet? Waarom neemt dit fchieliiker en beter van deizelver oppervlakte de vreemdeftoffen weg, die er aan kleefden"? Waarom fmelten de zouten in grooter overvloed en volkomener in 't water, naar maate dat het heeter is? Waarom, eindelijk, kookt men Vrugten en Vleescbgaar in heet en kookend watar, en niet in koud? Men zal er mogelijk op antwoorden, dat al die ftoffen en Lighaamen, door'de warmte van't water uitgezet, daarom .gemakkelijker te doordringen zijn,.enmet minder |
moeite vaneen te fcheid'en, te ontbinden, te verbree-
ken ; en dat het Water zelf, door de vuurdeeltjes be- zield en leevendig gemaakt, kragtiger en vlugger is in zijn werking, Ik fta dit alles tóe; maar is hettefFens ook niet waarfchijnlijk, dat dat zelfde vuur deftofdeel- tjes van 't water deele en verdeele, dczelven kleiner en fijner, en daar door bekwaamer maake, om in die ftoffe en lighaainea door te dringen. Het Water heeft zijn oorfprong en komt tot ons, of
uit den dampkring door regen, fneeuw, en andere wa. teragtige Vernevelingen; of uit den boezem der aarde, door Wellen en Bronnen," of, eindelijk,-uit Stroomen laagten en algemeene*Vergaderplaatzen op de opper. vlakte van onzen Aardbodem, gelijk Rivieren, Mei. ren, Zeeën. »* , Elders hebben wij gezien , hoe het Water in dampen
opklimt, en in de Lucht boven onze hoofden bijeen- trekt, om vervolgens onder verfoheidegedaanten weer neer te vallen. Moses verhaalt ons in zijne befchrij- ving van de Schepping, hoe de groote Formeerder van dit ongemeen Heelal, in 't begin, debewoonbaareAar- de van die wijduitgeftrekte plas Water, welken wijZ« noemen , affcheidde , en dezelve haare paaien ftelde, Wij zien de Rivieren en Stroomen hun oorfprong neemen uit eene, en meestal uit verfcheiden Bronnen en Beeken, die hunne wateren vereenigen, en langs het zelfde bed. de naar Zee te vloeijen. Maar waar uit ontdaan dog dit onuitputbaare Wellen en Bronnen , die de ftroomende wateren vormen, en onophoudelijk nieuwen voorraad verfchaffen, en die wij bijna overal ontmoeten, als uien maar in de aarde graaft ? Welke verborgen oorzaak doet hen geboren worden , en houdtze in ftand ? Dit is een vraagftuk, waar over de Natuurkundigen het met el' kanderen nog niet eens zijn, en dat al zedert Jan* gen tijd het onderwerp geweest is van hunne navor- fchingen, De eerfte aanmerking, die ijder aanftonds invalt, zo
dra hij aan den oorfprong der Bronnen denkt, is dat al het Water van deze!ven afloopt naar de Zee, en zich daar in, als indeafgemeene verzaamelplaats, ontlast; maar, dewijl dit nti reeds zo veel eeuwen agtereen onophou- delijk geduurd heeft, zouden de Oceaan, en alle ande- re Zeen buiten twijffel al lang van alle kanten hebben moeten overloopen, en de ganfche Aarde overftroorneii indien de Rivieren, die erzieh in ontlasten, vreemd»«■ ter in dezelven bragten, waardoor die onmeetbaarewa- terplas zonder ophouden zou moeten toeneemen en hoe langer hoe grooter worden ; het moet derhalven de Z« zel'/e zijn, die aan de Wellen en Bronnen dien overvW van water, weljké baar telkens weder word toegevoerdi verfchaft, en 't moet door een zeker zoort van geregel- den omloop gefchieden, dat die Bronnen, Beeken en*1, vieren onophoudelijk t'zeewaards kunnen blijven vloeien» en zich in dezelveontlasten, zonder die wijd uitgeftrek18 Kom, die al haar water ontfangt, te vullen en te io® overloopen. , Deeze aanmerkingen , en ditbefluit, daar men noo'
wendig, zoo't fchijnt, toe komen moet, zoo dra o over dit ftuk begint te redeseeren, is alshetgewe middelpunt, waarin alle gevoelens zamenloopen, en zaak eens zijn ; maar op welke wijze, langs welken ff jy komt het water uit de Zee in die Wellen en Bronnen Hier over zijn dè gevoelens verdeeld. je Op welk een wijze het zeewater ookkome sw ^
Bron, waar uit wij 't zien opwellen, het moét zie |
||||||||
|
't welk reeds doqr zijn al te weinige eenvoudigheid,
verdagt voorkwam,' nog met nie« we onderftellingen over» laadt. ■Een ander Gevoelen, dat mij niet aanneemelijker dan
dit voorkomt ; en echterzijn verdedigers gevonden heeft, is, dat het zeewater zich langs een oneindige menigte- van onderaardfche buizen overal verfpreide door alle gedeelten en hoeken van den aardbodem; even omtrent gelijk het bloed, dat uit het hart komt, door de aderen loopten 2ich uitfpreid door 't ganterie lighaarn tot aaa de uiterfte deelen toe; dat het Water, terwijl 't door 't fand en de aardgronden loopt, daar zijn zout, (lijm, enz. zitten laate; en, pp die wijs zoet geworden,'■ door dé openingen, die men graaft, of die door de Natuur toe deszelfs uitloop gefebikt waren, voor den dag korne. Maar,_ door welk eene kragt klimmen die Water-ade-
ren op in de hoogte ver boven bet waterpas der zee, dat ze in ftaatzouden zijn, om door hun eigen zwaarte weer nederwaarts te vloeijen, en naar de zee te rug te keeren? Waarom ziet men ze nooit uit de aarde te voor- fchijn komen voor dat ze nog volkomen zoet gewordeé zijn, indien ze die zoetheid niet krijgen, dan na een lan- gen weg afgelegen en door veel fands of aarde heen ge- loopen te hebben? Hoe komt bet, daar dit doorzijpelen nu reeds zesduizend jaaren agtereen zonder ophouden geduurd heeft, dat de zee nog ten meerendeelen haar zout niét heeft, verlooren, en dat dit zout al die onder- aardfche buizen en waterleidingen nog nietgeftopt heeft ? De waare reden van dit alles is, dat die gewaande door- zijpeling maar een enkele harsfenfebim zij. De ondervin- ding heeft ons doen zien, dat men het zee-water, met hetzelve door fand of door aards, van welke zoort hét ook zijn mag, te doen doorzijpelen, niet ten vollen van zijn zout berooven kan. Ook hebben naauwkeurige en kundige Waarneemers opgemerkt, dat de onderaardfche Wateren, overal daar men ze ontmoet, altijd beftendig hun loop hebben naar de zee,* waar uit oogenfcbijnlijlc blijkt, dat zij er niet langs dergelijke wegen en regt* ftreeks van daan komen. Te vergeefs zou men zich hier op voorbeelden beroepen willen van Putten met zoet Water, die men zomtijds op kleine Eilanden of niet ver van Strand vindt; die Putten worden droog en verliezen hun Water bij tijden van een langduurige droogte; en,'t moet derhalven het regenwater zijn, niet het zeewater, dat hen met zoet water vult. Regen, Sneeuw, Mist, en meteen woord alle Dampen,
die zoo uit de Zee, als van bet vaste Land en van deËi< landen worden opgetrokken, zijn, naar alle waar(chijn< lijkhëid, de voornaamfte oorzaaken, die de Wellen, Bronnen, Putten, Beeken, Rivieren, en in't algemeen alle Ioopende Wateren, en die onophoudelijk nieuwen voorraad van Water.uitleveren, doengebooren worden,, en dezelven in,ftand houden. Wanneer men dit gevoé« len, 't welk wel het meest gevolgd word, omhefst, behoeft men er zicb niet meer o ver te bekommeren, hoe het Water, dat uit den boezem der aarde ontfpringc of opwelt uit den grond, zoet geworden zij, daar.het por- fpronkelijk, ten minften voor ver het grootfte gedeelte, zeewater was. Men weet, naamelijk, dopr ondervin- ding, dat het Water, als het optrekt indampen, gelijk die zijn, welke de Wolken vormen, zich ontdoet van 'zijn zouten, daar het mee belaaden was, en van alle an- dere zwaareftoffen, die niet,op dezelfde wijs, alshet Water, verdund en vlugtig gemaakt kunnen worden. Men begrijpt dan ook Jigteiijk, waarom de ^Vellen, die |
|||||
|
inanszékerïi/fc, 't zij bij zijn vertrek aft zee, 't zij on«
«1er weg, hebban kunnen ontlasten van die zoutbeid, van die bitterheid, en van die ïlijmagtigheid, welke men weet dat hetzelve natuurlijk eigen zijn. Want bet We!« en Bron-Water is zoet, of, zo hetzomtijds roet eenige vreemde Stoffen beteaden fchijnt, zijn het doorgaans ftofFen van een geheel anderen aart, dan die men ia zee- water ontmoet. Het is derbalven, ter beflisiïng van dit (luk, niet genoeg, dat men een ftelzel van gevoelens aitvinde, waar door men doe zien, hoe het Water van àen Oceaan volgens de wetten der Waterweegkunde zeer ver in 't vaste Land op heeft kunnen gebragt worden, om daar eénBron te maakén, maar dat zelfde ftelzel moet ook reden kunnen geeven, hoe dat Wattrzijn zout, zijri bitter en zijn (lijm, is kwijt geraakt. Volgens het gevoelen van Descartks begeeft zich het
zeewater door onderaardfche buizen, die ten dien einde behoorlijk fchuins leggen, onder de Gebergten, in zeer groote en ruime holen, die daar door de Natuur gemaakt zijn. Het word daar door een zekeren graad van hit- te, die bij veronderftelt dat, noglanger, onder diegroo- te ketels heerst, warm gemaakt, en klimt in dampen op, in't Lighaarn zelf van het Gebergte, evenals in den helm van een ftookketel; van waar het vervolgens, als het weer koud begint te worden en tot water verdikt, door zijn eigen zwaarte nedervallende, door de Aarde heen zijpelt, tot dat het hier of daar een uitgang vinde. Indien alles op die wijs toeging, zou hexwatèr, móet
ik toeftemmen, zeer gevoeglijk uit de Zee tot in 't mid- den van 't vaste Land kunnen loopen, en daar als zoet Bronwater weer voorden dag komen," maar, om de oor- zaak deezer tweeuitwerkzels op te losfen, wat ai onder- ftellingen zonder eenige proefbewijzen ! Ik zie zeer gaarne, dat de konst de Natuur nabootze; maar ik heb taamelijk (legte gedagten van een gevoelen, waar in de Natuur al haar weetenfehap en werking van de konstont- leent; en, om de waarheid te zeggen, dit gevoelen ge- lijkt'er niet kwalijk na, als of het zijn geboorte en eer- fte uitvinding verfchuldigd ware aan een ftookriuis, daar men fijne wateren overhaalt. Schoon men zelfs al eens die ongemeen groote ftookketels, die men op zijn eigen handen zonder kosten onder de gebergten plaatst, toe- flond; waar zal men heen met het zout, en met de an- dere ftoften, die het zeewater, als het uitdampt, agter laat? Daar dat orerhaalen reeds zo langen tijd agtereen onophoudelijk geduurd,heeft, moesten die groote ftook- fcetels niet al vol daar van geraakt zijn ? Het was waarfchijnlijk met oogmerk om deeze zwaa-
rigbeid weg te neemen, dat een hedendaagsch Schrijver (Kuhn. Médit, fur l'Origin. des Font. pag. 239. uitvond, flat het zoute water, na eenigen tijd onder de Gebergten uitgedampt te hebben, nu met meer zout, dan te voe- ren, belaaden, en daar door zwaarder geworden, door zijngewichtte rug vloeit naar de zee, om voor minder 2out water plaats te maaken; en dat het, zich zèlven dus telkens vernieuwende, geen ftofFen op den bodem van die _ ketels agterlast. Maar, hoewel die vinding geestig is uitgedagt, en de inflorpenie en weder uitwer- pende kolken, die men op zommige plaatzen van de Zee ontmoet, dezelve een zoort van waarfchijnlijkheid bij- zettenj moet men echter zéggen, dat ze niet dan zeer bezwaarlijk in behoorlijke naauwkeurighéid over een zou te brengen zijn met de wetten der waterweegkunde, belemmerd en gefchorst ïn dit geval door wrijvingen en iïïï ÎLeIetzelS{ en dat zij het Cartefiaansch gevoelen,
fil DeeK
|
|||||
|
WA1?.
Dampkring. De Regen derhalven, die ook,- zekermt
zo wel op Zee valt als op't Land, de Rivieren, en dé onderaardfche Waterleidingen, brengen, op een weinig ha, in die groote Waterkom alles weer te rug, wat er uitgetrokken is; én, 't geen er niét weer in komt, ver. vult waarfchij.nlijk de plaats van dat Water, 't welk on. ophoiidelijk uit rie aardeen uit de-ftilitaande/Fatwes uitdampt; want de dampen, die in de lucht worden op. geheven, en aldaar de Wolken vormen, komen niet uit de Zee alleen voort, maar ook uit hét vaste Land en uit de Eilanden. ' ' - Maar op welk.eene wijs, eri langs welken weg het
&^sertöton,skome, nooitis het volkomen zuiver; zon- der van de lucht ën Van bet vuur te fpreeken, daarhet altijd in .een merkelijke hoeveelheid'mee vervuld is, (de. Wijl 't niet dan door tusfebenkomfte vaneengenoegzaame 'rfienigté van deeze laatfte hoofdftof'zijne' vloeibaarheid Verkrijgt, en zich' Van'de eerde op eeri zigxbaaje wijsin grooten overvloed ' ontlast, als men 't in 't luchtledige brengt ;) zonder,: zég' ik, ' van'dië twee froftén, die tóen overal ontmoet,.té fpreeken; zelden of nooit virid men ■Water, dat inët geen vreemde ftoffen beladen is-, die zich onder deszeïfs eigen deeltjes mengen, en 't zei»e dikwils hoedanigheden bijzetten, welke aan haar uitwerk. zeis kenbaar zijn. ' Yder kan ligtelijlr zien, dat bet Wt- 'ter niet zuiver is,- wanneer het zijn natuurlijke' helder. heid niet meer heeft-,* of wanneer men er een reukofeen -fmaak aan proeven kan; maar het kan'qok zijn, (en dit gebeurt vrij dikwils) dat dé vreemdéftoffen, welken het bevat, geen de minite verandering, die men gewaar kan 'worden, indeszeifsgewoonenaart en hoedanigheden te weeg brengen; ik wil zeggen, dat het ons niet minder helder, nog minder fmaakeloos eriz. dan naar gewoonte voorkomt; en in zulken geval moet men de konst te hulp roepen, om te zien of het wel zo zuiver zij, als bet zich vertoont.. Van alle zoorten van Water is het Regenwater het zni-
Verfte. Het word door de Natuur zelve overgehaald, en kan niet wel eenige vreemde ftoffen in zich bevatten, dan die hét krijgt, terwijl het uit den Dampkring nèder- valt. Maar waarfchij'nlijk is dit ook genoeg, om het 'zijn volkomen zuiverheid te beneemen, en tot een ge- mengd vogt te rrkaken. Want, laat men 't vrij verga' 'deren in vaten, die volmaakt feboon en rein zijn , e» 'zonder dat bet aan daken of geuten raakt, .nooit echter is 't in ftaat om het tegen alle proef uit te houden, in- zonderheid zo het na een langduurige droogteen bijeen onweder valt; hetdraagt dan de merktekenen van de over- groote menigte van uitwaasfemingen, die er op zulken ■tijd overal in deJucbt zweeyen, en die het in't vallen medeneemt. Maar dewijl de vreemde ftoffen, die met hetzelve uit de iucrit komen, voor het grootfte gedeelte vfugtig van aart zijn,; ontbloot bet er zich , (zo tiet niet 'te.digt beflooten-, en van alle gemeen fchap met de bui- tenlucht beroofd zij,) in korten tijd van; en men kan met regt zeggen, dat de Regenbakken, daar men 'tjn' vergadert en goed houd ; van een zeer nuttig gebruik zijn. ... De fiaande-Wateren, die geen groo.te üitgeffrektneia
bebben, zijn doorgaans vervuld met onzuiverbeden, c|e men op den fmaak, en zomtijds zelfs op dere.uk ge«ar. Word. Zij ftaan dikwils op een bodem van zwavel-0 ■ijzeragtige én flijken'ge aarde; de kruipende Dieren efl 'Infekten, die ex in zaad febieten en fterven; de Plan' tea die op derzelver- boorden groeijen en « in VI^ |
||||||||||
|
WAT,
|
||||||||||
|
4084
|
||||||||||
|
tóen dîgt bij het Strand ontmoet, niet minder aoetfcijn,
dan die, weite verder Van zèé zijn* afgelegen; allen, naamelijk, de een zo wel als het ander, zijnzehaaroor- iprorig verfchuldigdaarihet^aïer, dat uit den Dampkring nèdervalt, engesirWvter trekt daarin op, dat niéteerst Vàft zijn zout ontbloot zij. Eindelijk kan men dan ook gemakkelijk Voldoende reden geeven, waarom mert die Wellen en Bronnen doorgaans meeraan den voet van Gebergten viiï'de-, daö éldéfs; want die onbehouwen klom- pen van aarde, tôt een merkelijke hoogte'in den' DampJ Kring opftijgefide.' ftditendè Wolkenen pakken zé op één ï rriaäken een brèetier oppervlakte om er den Regen In heervaHend'en Mißt Op te ontvangen y'en warden veel« tijds overdekt met Sneeuw, die allengskens imélt, en Onophoudelijk Water uitlevert; Waar van het grootfte gedeelte, naar behédeh zifjkehdê, zich tusfehen de Rot- sen, öf onder deâardè Verbergt,; en niet dan op de'kagfte biaatzen, of ver daar van daanün de Vlakte, te vborfebijn somt.. ' * ' ' ' ■'* ; ' '''.'.. i Het voomaamfté en in deh eerften ûpfis>gaanneemejijkj-
fte, dat men tegen dit gevoelen inbrengt, is,dater wer- nig waarfcfiijnlijkheid zij, zo men zegt, dat,die: einde- lóözè- menigte van Wuter, die wij de Stroomen en Ri- vieren , onophoudelijk, dagelijks naar Zee zien afvoeren, «n met-ónuitputbaaren voorraad zoo fnel op eikanderen blijft volgen, veroorzaakt zou kunnen worden dooreen " èjunnèn dainp, die men naauwelijks zien kan, en:die niét taan bij tusfchenpoözen in Regen, in Sneeuw of in ande- re gedaanten , nèdervalt. Maar fchrandere Natuurkun- digen hebben deeze zwaarigheidvt>Ikömen Weggenomen, door de hoeveelheid, van regenwater, dieergeduurénde een gansch jaar,, ('t een door't andere genomen) te Parijs en daarofnftreeks valt, te vergelijken met de boeveelheid Vaaffiater, die er in den zelfden tijd , in de Seine, on- déf'de Pvrit-Rfijal doorloopt. «Uit1 bunne proefneemin- %en*en berekeningen, die ik hier breedvoerig van ftuk tot {tak zal ophaalen, dewijl ze zeer wel voorgefteld en/ verklaard zijn in een onlangs uitgekomen Werk, dat in ieders banden is , ziet men duidelijk,, dater in eiken jaar. merkelijk 'meer Watet.valt :, dan er noodig is, om de Ri- vieren te doen vloeijen, en de Meiren en Watergraften Vol- re houden; zo dat die kundige Waai neemers, tér- Vijl zij de eene zwaarigheid beantwoorden , eene an. 'àeré hebben doen ontdaan. Want, indiende Rivieren al her Water, dat op de aarde valt, niet weer naar Zee voeren, vraagt rrïenmet regt, waar dan het overig gedeel- te blijve; eri waarom de Zee door langbeid van tijd niet eindelijk droog worde? Ter beantwoording van deeze nieuwe tegenwerping
kan men zeggen, dat een gedeelte vsn'tWattr,'t welk op de Aard« valt, en niet in 't bedde der Rivieren komt om weer naar Zee te; loopen, in den grond trekt door fpl.eeten ehfcheüren, die/ér inkomen dooT de droogte, en door''orre-fritiige andere kleine gaatjes en-openingen, tlie de Infekten-en verdere Diertjes erin booten, en dat 'ftet daar 'die Aderen en W^-ftroömenvanonderaardfche Wateren maakt, -die men op zeer veele plaatzen ontmoet, »en die langzaam naar Zee afioopen ; dat een ander deel Üet Gedierte tpt drank verftrekt, en ten voedzel van de ÏMantgewasfen en ;Boomen, die .er met hun Takken en Uladen een vrij aan merkel ijken 'voorraad-van influrpèn, gelijk men uit de proeFneemmgén Van den Heef de l% "Hi're , en uit dievan den Heer Hales zien fcan;«n dat éïncrelijk èen gedeelte van AaxWater-vrket tot Damp ver- «iußd wQidi «n op nieuws sa«-on hoog. trekt in ien |
||||||||||
|
. ;' WATV ■
|
||||||||||
|
wat:
|
||||||||||
|
4&Ss
|
||||||||||
|
ten moeten ze; noodwendig met âÛeihande vette deèties'en vjug'ige zouten,; daar al die Ligbaamen overyloejig vân voorzien zijn, vervullen; én al die óorzaakenm mälkanderen genomen", maaken zulk zoor't van Wamen .onaangenaam niet alléén, maar zoriitijds zelfs oo!fchacfslijfe. j Het is derhalven een wijze voorzorg, die
ie Landlieden 'niet kwaalijk zouden doen van in agt té sieemen, dat men, inzonderheid bij tijden van langduufigé droogte, als het Water zeer laag is, de Slootenen Drinkpoelen van 't Vee zuiveren fchoon höud.geener- ha.nde Groente en Planten,aan derzelvet kantengroeïjèn jaat, uit vrees dat er eenige kwaadaartige'cn vergiftige Kruiden onder zijn mogten; en vooral toezie, dat men er geen Hennip of Vlas in te rotte legge; want riet Vee kan zich door 't gebruik van bedorven Water Vefgifd* gen, of er ziekten en kwaaien van krijgen, die kwaade gevolgen na zich. fleepen. . : Het Rivierwater zou, om dezelfde redenen, niet ziu-
verer nog gezonder zijn, dan dat yan een Poel of ftil- öaande Sloot ; indien de beweeging, die het onophou- delijk klutst en breekt, deszelfs bederf niet voorkwam1, en dégeftadige ververfching, die hét krijgt door bijko- men van nieuw Water, de vreemde ftoffen, die er on- der gemengd zijn, niet verdeelde, en» met dezelv.en door een grooter ruimte te verfpreiden, die als verdunde enijler maakte, Dit laatfte is ook ongetwijffeld de oor« »il, dat, het Water van kleine Vlieten en'Riviertjes doorgaans zoo goed niet om te drinken is, als dat van froote Stroomen, en dat dit laatfie zelfs ook, bjj een lange en geweldige droogte, als het Water een geruimen tijd zeer laag blijft, in dougd afneemt. Met welk een voorraad van Verfchillende zoprten van
foffen, de Bron- en Putwateren veeltijds beladen zijn, is genoegzaam bekend. Zommigen hebben ijzer,, koper- rood , én andere dergelijke metaal of zoutdeeltjes in ' zich j gelijk,, bij -voorbeeld,, .de franfcbe- mïheraale Wateren van Pasfif, Fçfgfs, Vichvj,, Bpurbon, St. Jlmand, Plmbieres, en dergelijken m.eer. '-Anderen bevatten ; vette of zwavelagtige ftoffen in zoogropt een overvloed, f &t ze .zelfs in brand raaken. Van dien aart zijn de Wa- E Uren yan Sibini in Duitscbland , en d,i.e, welke men in Dauphiné niet ver van Grenoble ontmoet. Men ziet er anderen^ die de Lighaamenin fteen veranderen, of de« : zelven met een fteenagtige fcard.e korst beletten ; pm dat 25 naamelijk een fteenagtig fap met .zich.voeren,'daar [ 2|j de kleine hoUigheien en openingen der ftoffen, die «en er. in dompelt, mede-vullen, of die ?e op derzelver oppervlakte, als een zet fel, laaten vallen en neerleggen, I -Eindelijk vind mener, die met zo groot een voorraad v3n zout, aan dat der zee gelijk, beladen zijn, dat men ergenoeg uittrekt, om er ganfcbé Provintien, zo veel *e tot bun gebruik noodig hebben, mede te voorzien., ^ulkezoutbrqnnen ziet men te Salin.s,, te Salies, en op jnaere plaatzen, zo in Frankrijk als in andere Landen. wWateren, die .deeze én dergelijke eigenfchappen.be- Wen, ontjeenen dezelven van de Mijnen, door welken J! "een geloopen zijn, eer ze uit de aardefevoorfcbijn «amen, De Natuur bedient zich vanille d.eezé,' als wten bun ftreek verjpppene en gints en.herwaarts prn- jj ,ervende Wateren, om de.beginzelen der gemengde mel"tmen-' enV'an alle zaïnengroeijingen, die zich hei-. rnen e" allens'iens in den boezem yan 't aardrijk, vor«, en an j0lgeçs haar bijzondere oogmerken teyervoeren..,' SobP-j behoorlijke plaats bij eèh te vergaderfin; maar «tjjds gebeurt het, dat die Wateren zich een op'ening |
maa!t.ea:, of dit men hun een doortocht naar batten
geeft, eer zij nog dé ftoffen , daar ze mede belaadeij waren, hebben laateii vallen, en op haar plaats neer gelegd. " ' fiét onzuiverfte van aj-le zoorten van gemeen Water
is het zeê-Water. Doordeziltjgheid, de bitterheid, en dé fiijmagtigheid, die .aan"'t zelve eigen is, is het te eenemaal onbekwaam, onf tot drank, of tot het berei- den en kboken van fpijzen gebruikt te worden. Op ver» re zeetochten is men genoodzaakt een merkelijk voortjaag van zoetwater met zich in't Schip te neemen, 't welk; ettelijke maaien na elkander bederft, en niet dan bij tus- fchènpoozén goed is om te drinken.' Deeze voorraad be- flaat vrij' wat plaats in een Schip, daar nooit ruimte te veel is; en wanneer men er, door 'teen of't andertoe- va'1, gebrek aan begint te krijgen, is men dikwils gedwon? gen van ftréék te veranderen en Land aan te doen om verscb Waterte zoeken; of het Scheepsvolk zietzichaaii 't gevaar biöotgefteld om te verfmachten van dorst, die véél zwaarder te Jijden valt, dan honger. Welk eenge» mak en voordeel zou het jiiet voor de Zeevaart zijn," indien men mét weinig kosten en zonder te veel omflagç het eee-waterdïinkbazï.witt ie maaken! Men is er ook al zedert langen tijd op bedagt geweest, en, ftrikt ge- fproken, kan men zeggen, dat bet geheim gevonden is; maar de toebereidzels, en zekere omzigtigheden, die men in de bewerking heeft in agt te neemen en boven alles nog misfchien de moeijelijkheid, die men ..door- gaans ontmoet, omeene nieuwigheid, hoe voordeelig dezelve ook fchijnen mag, in te. yoeren; zijn tot nog toe oorzaak geweest^ dat die ontdekking niet in algemeen* gebruik geraakt zij. Men kan in een werk, in Engeland uitgegeeven, en voor eenige jaaren in de franfcbe tagl, gedrukt (Exp. Phijfiq.fur la maniere de rendre l'eau de là Mer potable Mç. par. M. Hales- Zie ook de Uitgezog* te Verhandelingen., I. Deel. bladz. 220. en IV. DeéL biadz. 033-)zien> wat er ten dien opzigte door vçrfchei- de Mannen gedaan is, inzonderheid in Frankrijk doot den Heer Gautier, Geneefheer te Nantes, en in En- geland door den Heer Hales, Lid der Koninklijke Soi cieteit, die over verfcbeiden ftukken der Natuurkunde met veel lof gefchrgeven heeft. Van allen, die ziçh op deeze gewigtige ontdekking bevlijtigd hebben, heeft er- niemand, kan men zeggen, gelukkiger in geflaagd, dan; deeze twee; de laatfte inzonderheid heeft zijn p.çgmerk^eri' wijder uitgebreid en verder voortgezet,1 dan dé eerftej en geeft ons.door zeer een voudige'handelwijzen, wier goede uitflaggeftaafd word dopr'de ondervinding, niefr alléén 'het 'middel aan. de hand 'om rhet! zee-Water tej zuiveren , maar ook, om het 'zoet Water, dat.méist 't Scbepe heemt, voor bederf te bewaaren en goed te houden., ..,,,..', i"j Van de verfcheiden, tot'nog toe algemeen bekende»;
middelen, daar men zich van bedienen kan pm hét /Wa- ter,, in't algemeen, te zuiveren, isergeeti, 'dat meer (n. gebruik is, dan het doorzingen ; gelijk er; geen is, 'twelk" kragtiger wérkt, da,n het overhaalën. A.'8111.!2? hetalipen maar zuiveren wil van eenigegrpvé yuilïghédfri,: die het troebel maaken, word er, ,qm het helder te maaken, niets anders toe vereischt, dan dat men 'tüegts iaat dópr** zijpelen dooreen zéker zoort(van ijle fleenen, onder deri naam van' zfpelfteenen heliénd, pfdopr^rai, ;èeri; grof,keiagtig fand,, 't welk.jn^eh z.onitijds,, als 't noodig isj'weer'a.fwasVhten y|,rnièùwt. .jMen yojàt .in die be»< handeiiiïg de werking van de natuur'in'dé' zoogenaamde" S'S 2 Dru£*_ |
|||||||||
|
4085
|
||||||||||||
|
WA-r,
|
||||||||||||
|
WAT.
|
||||||||||||
|
Dtupkelàers, een zoort van ohderaardfcbe holen, inde
ßeengroeven geformeerd, waar in men het regen-Water, druppelswijs, door de beddingen van fteen, die het ge» welf van 't hol uitmaaken, ziet doordringenen afdrui- pen, Het Water word daardoor zo helder, dat er het gemeene fpreekwoord uit ontftaan is, zo klaar.als het Water uiteen. Steenrots. Men moet echter niet denken, dat deeze klaarheiden heiderheid altijd een gewis teken fc, van een volkomen zuiverheid, In tegendeel blijkt het, dat daar weinig (Vaat op te maaken zij; want dat zelfde Water, 't welk zo langzaam door de rotzen en fteenen doorzijpelt, voert dikwils een fleenagtig fap met zich,, dat zich met er tijd bij een vergaart, en binnen in de ho- len en aan de gewelven een groote menigte van hangen- de kristallen van verfchillende gedaanten, vormt; ge- lijk.men ziet 'm de Kelders van 't Koninklijk Obfervato- ïifi. te Parijs,. en elders in vrij grooter getal, gelijk in, de Grotten van Arcij, in Champagne, en andere onder- aardfcbe Holen.. Het Water ontlast zich derhalven, in 't doorzijgen, alleen maar van zulke ftofdeeltjes, dié grover zijn dan zijn eigen deeltjes, en voor welken de. openingen van de ijle Daorzijpelflof te klein zijn om ze door te laafen ; maar alles, wat fijn genoeg is, om er tegelijk met het Water door tedringen, blijft er beften- djg, mede vereenigd ; of laat er zich teaminften niet van affcheiden ,, dan na een dikwils herhaalde en zeer lang- duurige Öoorzijpibg, Het overbaalen is vee! kragtiger van uitwerking om
hst Water te zuiveren. Maar echter kan men nog niet zeggen, dat het een veilig en gewis middel zij, om het Water zonder eenig het minfte mengzel van vreemde, ftoffen en volftrekt zuiver te krijgen. Want indien de vreemde ftoffen, die het bevat, van dien aart zijn, dat Zij, zoo welals het Water, in dampen verdund en op- geheven kunnen worden, zullen zij, even eens als het- zelve, naar. den helm van den ftookketel klimmen;, en- het Water zal", fchooh bet overgehaald is, daarom niet zuiverder zijn , dan het te vooren was. Deeze handel-, wijs kan dérhal'ven van geen ander nut zijn, dan alleea. voor. zulk zoort van Water,. dat met eenigerleij vaste, ftofdeeltjes belaadén is ; en dan heeft men nog daar bij. wel zorgvuldig acht te geeven, dat men het vuur opzijn pas. ftooke, en hetzelve geen meerder graad van hitte geeve,, dan er vereischt word om het Water in dampen tedoen opklimmen.. Hét allerfterkst gezuiverd Water, dat men overhaalt
tot. droogwordens toe,, dat is, tot dat er geen de minfte v.ogtigheid; meer van overblijve, laat altijd een weinig, aardagtige ftbffe op den bodem van de kolf leggen ;, en,, fcïioori men bei daar na nog verfcheidén reizen agtereen. ev.erbaale,, en de. Werktuigen., dié men gebruikt,, zo- rein en zuiver zijn als mooglijk is, altijd wordt men nog een kleine overfchot, dat overblijft, gewaar.. Dit ver- fehijnzel dooriBorjLE, döórHooK en eenige andere Nar tuurkundige opgemerkt, heeft hen doen denken,, dat het." Water, niet te eenemaal onveranderlijk van natuur ware ;. efl:dé Heer Newton,. diégedagten goedkeurende, zegt lOndUit, da>hét Water,"door herhaalde overhaalingen,. ihi eén va.'te. aarde verandert. De Heer Boerhaave nogthans, die de zaak met de grootfté naauwkeurigheid ae'gt; onderzogt en nagegaan te hebben,, is niet van'dat gevoelen; hij gelooft, in tegendeel, dat de Waterdéel«- ^ës-begjnzels zijn-van. dien aart,, dat zij geen dé minfte. verandêriögi onderworpen zijn, en dat de werking: van; betaliergeweldigst en hevigst vuur ei geen vat op heeft,. |
en dezelven bijgevolg niet van vorn en gefteltenfs £«■
doen veranderen. Wat bet verfchijnzel aangaat, waar op de-Heer Newton, en de anderen, die met hem in dit ftuk eens van gedagten zijn, zich beroepen; hij oor- deelt, dat die aardagtige floffe, die men na elke over. haaling op den bodem van de kolfvindt, haaren oorfprone verfchuldigt is aan de veelheid Luchts, die beflootenis in den ftookketel, en door welke de dampen van 't Water opwaarts klimmen ; of wel aan de eene of de andere agteloosheid en gebrek in de handelwijze zelve. Men kan niet ohtkennen-, dat de Lucht, in de werfe
tuigen en glazen van een ftookhuis, daar altijd min of meer asch en ftof vliegt, beflooten, vervuld zij met on« zuiverheden,. die zich onder 't Water mengen kunnen, terwijl men 't overhaalt, 't Is waar, men zal bezwaar, lijk gelooven, dat die onzuiverbeden een merkelijks hoeveelheid van aardagtige ftoffen zullen kunnen, uitleve- ren; maar, 't geen er van dien aart overblijft, is ook inderdaad ongemeen weinig; en ik zou, na 't naauwken» rig onderzoek , dat de HeerBoERRAAVE daar op gedaan heeft, eerder genegen zijn om te denken, dat het de ee- ne of de. andere vreemde ftof zij, die zich onder 't Ws- ter gemengd heeft, dan dat ik op zulk een losfe en twijf- felagtige proef zou befluiten ,, dat hei Water in aards kan veranderd worden. Dewijl de vreemde ftofdeeltjes, daar.'t Water meiebt-
laden, is, doorgaans zwaarder zijn dan Hetzelve, is 't niet zonder reden ,. dat men het lïgifte Water voor het beste keurt. Het zou echter nog wel kunnen gebeuren, dat het niet een mindere zwaarte de eene of de andere kwaade hoedanigheid bezat; dog in de meeste gevallen heeft zulks geen plaats, en, als dit gebeurt, zijn de vreemde deeltjes, daar het mede befmet is, of vlugtig of geeftrijk van. aart, en men kan het op de reuk gemat' worden. De betrekkelijke zwaartt van 1 Water is niet dan ten
naasten bij te bepaalen, dewijl bet min of meer weegt naar maate van zijn meerder ófminderzuiverbeid. Beijr le beweert, dat allerhande zoorten van zoet Water', in welke làndftreeken het ook zij, overal, bijna een zelfde zwaarte hebben, en dat men er, wanneer men ze volgens de wetijën der waterweegkunde op de proef brengt, naauwlijks, een du.izendft'e verfchil tusfchen vn> den zal. Maar hij is genoegzaam de eenigfie, dièvai j dat gevoelen is, en ik weet, zo uit mijn eigen proefnee« mingen,, als uit die van verfcheiden zeer opmerkzaams en naauwkeurige Natuurkundigen, dat men, binnen den omtrek van een zelfçie lândfchap, en zomtijds zelfs digf bij malkander op de zelfde plaats, Wateten vind van> welke het een merkelijk zwaarder weegt, dan het ander, i BprjLE zelfs maakt gewag van zekere Rivier, wier Wa- ter een vierde deel'minder zwaar weegt dan het gemeen. Water'm Engeland; een zaak, die mij, moet (k beken* nén, vrij ongelooffèlijk voorkomt; De Volkeren,.die. dèrzël'ver Oevers bewoonen , moesten zeer lang lee* ven* indien het waar is, gelijk Herodotus zegt, dac de Éthiöpieë'fs meestal 120 jaaren, en nogmeer, oua. worden,, om dat het Water, dat ze drinken, ongemeen ligt is ; maar. Heeodotüs, die zekerlijk in de-Hiftp"_ van 't Menschdom beter bedreeven was dän irr die.de j Natuur, zöü 't mij, hope ik,, niet kwalijk neer/re», i£' dien ik geloofde, dat men, en aan dezaakdie.mr vf J" haait,' en aan de reden,, die hij, er van geeft;,, wijeiu* mögt twijffelejB. m |
|||||||||||
|
Jt^^»-L*"ifn
|
||||||||||||
|
WAT.
|
|||||||||||
|
WAT.
|
|||||||||||
|
408 f
|
|||||||||||
|
. Be Betrekkelijke «Waartè vari 't Water, dat minst met
weemde ftofdeeltjes belaaden is, gelijk die van 't regen- Water doorgaans, of van gtjmolten Sneeuw, ftaat tot die van't Goud omtrent als itot io|;totdie van'tKwik- 2ilver als 1 tot 14; entotdie van de Lucht, als 1000
tot if
gen van de voornaamfte eigenfchappen van- 't Water,
«n daar men demenigvuldigfte uitwerkzels van ziet, is, dat het in bijna alle lighaamen indringt, en een zeer groo. te menigte van dezefven ontbind en fmelten doet. De vette ftoffen, de harften, en eenige zeer harde zaraen- »roeizels of zamengeftelde Lighaamen, als kristal, glas en dergelijke uitgezonderd ; dringt het in alle andere zonder onderfcfieiddoor; het verfehil beftaat alleen aiaar jn wat meer of wat min. Een breedvoerige lijst van al die Lighaamen, en met welk een kragt bet JVater in ijderIndringt 0f er op werke, hier op te tellen, zou te reel plaats beflaan, en behoort ook eigentlijk meer tot deScheii'konst, dan tot de Natuurkunde. Ik zal mij der- fialven. bier flegts tot eenige weinige voorbeelden bepaa- jen, die mij boven anderen merkwaardig hebben toege- ftheenen , of die, om, 't gebruik , dat men er van maaien kan , de meeste betrekking hebben tot ons belang. De Zouten, en inzonderheid die;, welke men Alka»
lijcht noemt', zfjnde ftofFen, die boven alle anderen, of ingröóter hoeveelheid teffens', of betallerfchielijkst in het Water fmelten, en wier fraelting de merkwaardig: ft'e verïehijnzels uitlevert. Wanneer men Water heeft, dat warmer f? dan dé
Lucht, die het omringt, neemt het vuur, dat er uit waasfemt/, de deeltjes van de oppervlakte, die voor des- zelfc.botzing.'t meest blootgefteld zijn, met zichin zijn vftigt mede. Deeze kleine waterklömpjes r op die wijs losgemaakt, rijzen naar om hoog, of verfpreiden zich,. zo door de- kragt; van den fcbok, dien ze ontvangen heb- ben, als door dë opzuiging van.de Lucht,, die in datge- valeveneens werkt als een (pons ;eii maaien diezoortvan look uit, dien wij Damp noemen ,'en die zo veel te dilt- tó fs, naar maate. dat dë Lucht, die. hem ontvangt, teder zij, en-daar door té beter in 'ffaat, om hem min- der ijl en digter te doen worden. Dus ziet* men bij den Winter het Water, versch uiteen diepen Put gefchept, rooken ; dog in den Sömer word men_ dergelijk uitwerk. zei niet gewaar. Op dien tijd naameüjk is de. warmte, die er in den Dampkring heérscht, grpoter dan die, wel- he er m'de Put plaats heeft, en trekt daarom dàn het vuur, wel ver van uit het Water uit'tewaasfèmen, er in tegendeel in ; en,., zo er nog al eenige damp uit kon voortkomen, zou de warmte van de Lucht dien aanftonds n°g fijner maaken, en voor 'toog onzigtbaar doen. wor- den. ■ : ' - ' ; Dat het uitvloeijen en wegvliegen van dèn Damp, door
«en icriok van het vuur, 't welk uit waasfemt, veroor- zaakt worde, blijkt duidelijk daar uit,.dat bij,, als hij vanzijn-LigHaam of W3ter-Klomp word afgefcheidèn, «en zelfden weg volgt en heen vliegt,, djèn het vuur ge- woon is teneemen. Een heetligh'aam» dat in dë Lucht, te koelen ftaat, verfpreid, gelijk men weet', zijn warm- te rondsom naar alle kanten heen ; en zo men dat Lig- «aam met nat linnen, bij voorbeeld,, behangt, zollen oedampen, die het er doet uittrekken, er vän aliezij- oen uitvliegen,. en zich" langs allerhande zow-ten vanb'e- weegftreeten rondom, verfpreiden*. |
|||||||||||
|
De Damp van het Wat» is geen Vogf, het is eea
Vloeißof, die eenige bijzondere, en zeer merkwaardige eigenfchappen heeft. Hij is, vrij door de Lucht van den Dampkring heen vliegende, niet merkelijk heéter. dan het Water, daarbij uit voortkomt; maar wanneer hij in een Werktuig, van alle kanten digt toegeftopt, beflooten is, neemt bij, gelijk het Water, zulk een ge- weldigen trap van hitte aan, dat men totnogtoe niet heeft durven onderneemen, om derzelver uiterßen graad^i daar ze toe zou te brengen zijn, te bezoeken, uit vree* ze voor 't gevaar, waar aan men zieh bij dergelijkeproef- neemingen zou moeten blootftellen. Merr weet echtere reeds, dat het Water ©f desjjelfs Damp, in het- Werktuig: van Papin op de vuurproef gebragt, heet genoeg word- om tin en lood të doen fmelten -T het welk ervaren na* tuurkundigen heeft doen zeggen, dat het Water. moog*. lijk tot dien trap van hitte zou kunnen gebragt worden,, dat het zo heet en gloeijend ware als gefmolten koper of gefmolten ijzer. Maar 't geene' daar men in den Damp van het Water
zich het meest over verwondert, is deszelfs verbaazende; uitzettingskragt, welke die van de Lucht en van het Wit- ter ongemeen ver te boven gaat- . ; Eene van de voornaamfte Deugden en Eigenfchappea;
van 't Water, gelijk ijder weet, is dathetde magtheeft: om het vuur uit te blusfcbenj; behoudens echter dat hefc niet fchielijk in damp veranderd worde door de al te groo- ts hitte;., want de Damp met de Lucht gemengd is eem veerkragtige middelftof, waar in de brandende Lighaa« men kunnen blijven branden ; ten zij mogelijk,, die mid- delftof van alle zijden weerßand vindende en beflooten,, haar veerkragt een al te Herken graad, van fpanningaan- neeme. De onloochenbaare blijken van deeze laatfte uit- zondering ziet men aan den brand, die in de kelders-,. ef andere, dergelijke beflooten plaatzen ontftaat, daar de- rook en in 't algemeen de Dampen der brandende Lighaa* men geen vrijen uittocht hebben; bet vuur vgelijk-bekends is, gaat er van zelven in- uit, of maakt niet dan.een zeen langzaamen voortgang. Maar als het Water, datmenojp het vuur werpt, in genoegzaamen overvloed Is-; als^het niét fGhielijk en. in de;eerfte oogenblikkeh vervliegt1 in» Dampen ; en, met een woord, als het langer een, vogt? blijft, dan de brand zich kan blijven hechten en houden; aan de oppervlakten',; daar? het Water aan raakt; mist het; zelden onze verwagting te-voldoen, en hetvuurteblus- fchen. Want in zulken gevalmoetmen hef biandendi Lighaam en het Water, daar men 't zei vemede befprengti> aanmerken, als of ze met hun beiden maareen Lighaam- uitmaakten. Dog nu is-dat vogt,- in de vrije en opens Lucht, niet dan vooreen graad van hitte vatbaar,, die merkelijk laager is, dan die-, welke ervereiscbt< word; om de andere Lighaamen te doen branden;, geen Lighaam derhalven met Water befproeid'en als-omtoogen,. kan blijven branden-, dewijl het Water, waarmede het-.ais nu- een Lighaam met betzelveuitmaakende,. te zamen enin- gemeenfcbap-branden moest, geen brandbaare fröf'is'j- nog heet genoeg: worden kan om vlam te vatten« Maar~ geheelanders is 'tgelegen met olieagtigeen vettesftof&n* die, -eer ze toe dampen vervliegen, zoo hoeg- een- trap'j vanhftrekunnen'aanneemen;.dat zij 't Hout-doen brand- den, Tin fmelten, en meer dingen van .dien aart .uit* werken.. ... . ; In het- jaar-1721 verfpreiddè zich1 een gerügt-, dàrer
iri Duitschiand eenige Lieden waren, die alle branden wisten te blusfchen door roiddél-van een zeker poeders Sis 33 varr. |
|||||||||||
|
WAT.
was; kan mén er zich échter in verfcbeidéngevalfèn met
een zeer gelukkig gevolg van bedienen. Men moet daar. enboven ook erkennen, dat dezelve ongemeen fchrandér uitgedagtis, dewijlzeallede.totnogtoe bekende midde- delen om vuur uit te blusfchen in2i.cn bevatenyereenigt: een geweldige beweegingen uitfpatting, die de vlam ver- fpreid, en dezelve van haar voedzelafrukt; eenverdun. ningen ijlmaaking der Lucht, die alleen genoeg zou zijn om denbran.d te blusfchen, indien ze langgenoeg dimr-: de; en eene zeer. wel geregelde verdeel ing en.verfprei- ding van 't Water, dat opeen zelfden. ti}deen.zeer groote menigte van oppervlakten. teiFens bedekt, even omtrent gelijk een gieter doet, daarmen een Tuinmedeb.èfpröeïr.: Wanneer het /Fawrgeengenoegzaame hoeveelheid in
zich bevat van die (loffe, welke wij 'Vuur nöémeh, en die, gelijk wij voorheen m.eermaalengezegd hebben, de algetneene oorzaak is van ds vloeibaarheid. derLighaa. men, beginnen' deszelfs'Deeltjes elkanderen van tè.nàby té 'faak'én', ',verliezen' daar. door hun onderlinge beweeg. baaibéid langs en over malkander', kleeven én zetten gich. het een aan,'t ander.vast,, én vormen.dus eindelijk 'een vast, doörfchijnend Lighaam, dat men den haam van ts geeft; gelijk men, dien overgang uit den eenen (laat tot den anderen, uit dien van' vloeibaarheid tot dien van vastheid, Bevriezing noemt. -Het Ys is derbalven kou- der dan het Water, en deszelfs koude neemt allengskens meer,en meer'Cöe',: naar maate dat het meer en .meer -blijfb verliezen en .ontbloot raakt van die ftpf, dieer reeds te wéinig en zeldzaam in js, of er te flaauw een werkzaamheid ip.bezit, om het, vloeibaar lemaa- ken. ' : .'' WATERAGTIG-VOGT., zie PHLEGMA.
WATER.ALOë, zie AlZOÖN.
WATER-APPEL; of, Annpnametlangwerpige,flomp-
agtige, gladde BUden en geperkte Vrtigtenj Annohaptt' luflris; Anon.a americanajuxta fluviorum ripas £j>c. Plpks. Alm. 32.,; Annonaaquatica, foliis taurinis atyo*virentibus, fruiïu minore çonoide lutea £pc. H. Sloan. Jam. 205. Hifi. II. p. i<5p ; Annona uliginofa, foliis nitidis £ff. BrowS. Jam. 255. ; (Annona f.êliis oblongis obtufiuscu- lis glabris; fruSlibus äreolatis./Liws.Sijß. Nat. XII.) Hoe gering het vejrfchil in de kenmerken van deeze
Boom ook met de Vlàade-AppeUBoom is, word hij echter door de Engelfchen er van onderfcheiden, en, omdat hij aan de Rivieren gloeit,\ Water-Appel getijteld. Ds (lompheid der Bladen, die volgens Browne eijvormig zijn.fchijnt het yoorhaamfle vérfchil uittemaaken. Sj-oake geeft er zwàrtagtig groene Laurierbladen aan, en een kleinere, kegeiagtige,: geele vrügt. Het is, volgens hem , een Boom van 3b of 40 voeten hoog, draagends Vrugten van grootte als een vuist, uitwendig eerstgroen, daarna geel, van binnen zaaden hebbende als Boeren- Boonetij dié in oranjekoleurig vleesch zitten, dat niet zeer aangenaam, echter eetbaar is, en van de Inwoo*. ners op Jamaika wel gegeetén.word. " ' . 'WATER-BEESTJE, dusdaanig word een Torretje-
genoemd onder het Geflagt der Doodgraavers belioo- rende, in '%]zt\\nSilphaaquatica; (Silphacinerea,elijtnf fubßtiatis, thorgce ematgimto longitudinaliter fugofo V mçente. Li.n.n. 'Sijfi. Nat. X.) ; Pft beestje, dat naar een Amt- Tor gelijkt maar kle>a is, heeft de Heer Gboffboij ook in de wateren omftreeKs Parijs, iri de .flap , geyonden. Hij betrekt hetzelve tW de bermefiès; en noemt het Ie Dermefie Ironfi of net gebronfie Tmetje, oaj dat 'dé feoleur bruin is m^ ee^ |
||||||||||
|
WAT.
|
||||||||||
|
408»
|
||||||||||
|
van'fwelk zij flëgts een pakje in devlamwterpen. Hoe
hoog was niet een geheim'van dat belang te (chatten., en welk eene opmerking verdiende bet niet met regt bij ij - der! pakjes Fan dat poeder zouden dingen zijn van dien aart., (moest men ■natuurlijker wijze denken,) dat men ze overal in voorraad hebben kon, bewaaren , en met zich neehien, ea die men met vrij wat minder moeite, dan het Water\ tbo-veirop de boogfte gebouwen enfleil- fie daken zou kunnen brengen. Maarwelk een mistrou- wen moest meBsOok aan den anderen kant niethebben op een wonder,,. zó zeldzaam en- zonderling, en dat' uit zo. vereen hoek kwam en naverteld-wierd! Men oordeelde en iprak 'dan ook van dat nieuws op zeer verfchülende wijze.,:. Zommigen, die «van de. uitwerkzels en voort- brengzeis i van de Natuur en van de Konst niet anders' wisten, dân'dat men maar al te dikwi Is gewoon is, «rar de ontdekkingen, die het MenCchèlijk vernuftun het on- derzoeken ryan de eene en faetbeoeffenen van de andere zomtijds gelukt te doen, met grootfche en pragtige.be-;: lofte'n* vedbte hoog tuft te yenten., wilden er-geen een wöard-van gelèsven; endenen, .die/er genoeg vaa «tttós den., am te durven twijiffelen, fcbortten bun oordeel op , en maakten er zelfs wenk wan, om, ware 't moog. lijk, het geheim te raaden. Dusftondtbet metdezaak, in 't jaar 1728, toen er twee .Duicfchers in Frankrijk kwa- rten , om er .proefneeniingen te -doen, waar uit de waar-1 beidj, van 't geen over-dat ftuk in de openbaarenieüws- papieren hekend gemaakt was, een ijder blijken zou. Menikan >uit -een breedvoerig en zeer oroftandig ver/kg, 'twejk de Heer R-eaumur daar vanaandeAkademiedeed, zien , .óp Welk eene wijze, en in wier bijzijn die proeven gedaan wierden -, en hoe ver dezelve gelukten. Ik zal hier alleen zeggen, dat het geheim daar in beftönd, dat men in 't midden van denibrand, op de gevóeglijkfte en beste wljz-e., j een vat «ol Water moest' tragten te bren- gen , in wiensimiddelparjt een Wikken bos was, daaree-: nige ponden grof huskiuiid in-waren. Dat buskruid raak- te in brand door middel vaneen 'lont en vaneen pijp,' die door een van de bodems van het vat (lak,en aan het ander end gémeenfchap had met de blikken bos. Het- fpringen van 't buskruid floeg alles in (lukken, wierp het Water overal rondsom heen op de brandende (lonen, en fmoordede vlam. - : "Men merkt reeds ligtelijk uif dit korte bericht, idat er
vrij wat oe befnoeijen valt aan dat grootsoh en al te gun- llig denbeeld, 't welk bét gemeen gerucht van die uitvin, dn^zou hebben kunnen doen opvatten. Het was nu geen pakje met poeder meer, 't welk iemand overal waar de braad was met de hand kon werpen, zo als'bij maar wilde; maar het was een vol-vat, dat men dikwils zeer bezwaarlijk, of bijna niet, bovsn op een boog ge- bouw zou hebben kunnen brengen. Volgens de erken- tenis van hun; zelve ; wier belang het was dit gèbeim- begrijpend vat,i(want men heeft het moeten raaden,) aanrte prijzen en;ts:doen gelden, was dit middel van bràndblusching niet ten vollen van de beloofde uitwerking dan in beflooten plaatzen, en die weinig uitgeftrektheid yan ruimte hadden ; en de^ndervinding heeft alle'Aan- fchouwers van een igen doorzichtenkennis doen zien, dat het eenigst voordeel, ^t welk men er van te wagten had, daar inbe&ond, dat het de vlammen deed ophouden'; en den brand genaakbaar maakte ; een voordeel, onder- tusfchen.dat zekertijk ook van geen klein belanglis. Schoon data dieiuitvlnding wel van zo nuttigen algemeen een ge- ihmik -niet zij, ais men -verwagtte, ofjnOp'glijkibeloofd |
||||||||||
|
WAT.
rjatis van brons. In grootte verfchik het zeer, zegt
hij; als zijnde van.een'agrfte, tot meer dan een vieide dui'tns, lang gevonden. Op ieder Dekfchild zijn tien overlaijg-fe ftreepen , door rijen van flippen gemaakt. Het heeft de Sprieten knodsagtig, aan 't end overdwars gebladerd. WATER-BITTER, zie AIZOON. .. ,
WATER-BLAD, zieHJjDROPHIJLLUM.'
WATER-BOKJE ; Leptura aquatica ; Cantharis antit-
Unes frequentans. Rar. Inf: ioo ; .(Leptura deaurata, mtènnis ni'gr'is, femoribus poflicisdentatis.') '-.. .Dit Infektis wanneer men het van nabij befcbóuwr, een der fchoonfteh van ons waerülsddeei. Óver deszeifs geheele Lijf van boven , zijn een menigte putjes of uitgeholde flippen verfpreid, die op de Dekfchilden tien evenwijdi- ge rijen maaken. De Oogen zijn zwart, de Sprieten bruin. De Dekfchilden, versch, zijn rood kpp.erig,van boven, aan dè zijden groen koperig-, en bét Lijf van qnderen, nâàr agterengezien zijnde, vertoont zich wit verzilverd, naar vöorengezienzwart. Detwee Agter« pootenzijn eens zo'langals de Voorpooten.: Het ver- fchik in grootte zeer; men vind er die een vijfde, een vierde én een derde duims lang zijn. & De Heer Geoffrotj betrekt dit Bokje tot het Geflagt van
de Steiiocorus, dat zijnen naam ook heeft van de verfmal- liDgderDekfchiidennaar'tendtoe, en noemt het Ie Sten- ton doré, dat is de vergulde. Hem zijn er, naamelijk, wel van verfcheiderieij köïeur , rood, groen , geel, paar'chs, violet en zwart voorgekomen; dog altoos met een glans van brons of koperige weerfcbijn. Een doorn of fcberpe tand, aan de bionenkant van de Dijen der Agterpooten, maakt het bijzonder kenmerk uit van dee- zezoort. Pater Poda heeft,- in Griekenland, deeze Bok- jesvan zeer verfchillende köleuren gepaard gevonden ; naamelijk blaauwagtig; goudgroen, rood, rosi bruin en violet. ■: ' :,.:.■- WATER-BONGE, zie B'EËKBOÖM.
WATER-BOOM; Nijjfa\ Nijjfa peduncuUsmultifloris.
Gson, Virg. 12j.. ; jirbor in aqua nafcens, foliislatis acu- ninatis&c.Chx e?b. Car. I. p. 411 Cijnoxtjlan americanum, fslk crasfiuseulo molli & tenaci. Piukn. Alm. 127. ; (Nijs- fropitica. LiKN, Spec. Plant.) ,Dit Geflagt van Boomen beeft geen Bloemkrans of .
Bloemblaadjes, maar een 'Kelkin vijven gedeeld, en de Mannetjes Bloemen hebben tien* de Tweeflagtige vijf «léeldraadjes, beaevens een Stamper. Het vrugtbegin* ze'in dezelven "word een Pruimvrugt. De Heer Linnäus heeft van dit Geflagt maar éene
zoorf opgetekend; dan aangezien door den Heer Miller Wn anderen met geheel effenrandige Bladen, terwijl «ie van Link.jeus getande Bladen heeft, is voorgeftéid , zo vraagt deezen Heer, of die ook in zoortverfchillen? '"derëaad, wanneer men de beide afbeeldingen die Ca- ïïsster van. heeft gegeeven, befcbouwt, dan fcBijnen net wel bijzondere Boomente zijn. Die Autheur roefntze beiden Tupelo, waarfçhijnlijk
°lgens den Amerikaanfchen naam, ie« zegt, dat het
£°oge Boomen worden, gröeijende op moerasllge plaat-
r.en'°Pondiepten in de Rivieren, en zelfs in 't water.
,e Bladen van den eenen gelijken zeer naar Laurier-Bia-
deh ' die van **e anc*eren ziJn » breed en rondagtig als Lin-
®b00!ns.Bladen ; maar aan de kanten met groote hoeken
nregelmaatig uitgéfneden. In deeze gelijken de Vrug^
Hl,_ in grootte, gedaante en koleur, zeer naar een klei-
'Faiifche Olijf;, in de. andere, zijn hef eijvjormige
|
|||||||||
|
WAT-
|
|||||||||
|
tet*-
|
|||||||||
|
zwarte Bellen, die aan lange Steile« hangen fcHerp eji
bitter van fmaak, dog tot aas dienende voor. Gevogelte en.wilde Dieren. Deeze bevatten 20 wel 'een gelireep.' ten fteen als die anderen.- Het Hout van den laurierbladi. gen is taaij en hard, tot ,vee!erleij vrerkhout dienffig; dat van den anderen is wit, week en fpongieus, worden* de van dat der Wortelen als.Kurk gebruik gemaakt. De eerfte van Catfsbij, met Laurierbladen, is in
dé Virginifche Flora van den ouden Heer GKONOvjusge. noetnd Nijjfa, met veèlbloemige; de andere, Nijjfa mei eenbloemige Steeltjes. Deeze laatfte word voor het Wijf- je gehouden; en dezelve zou het Amerikaanfche Hout zijn, 't welk deEngelfchen Blach Dogvooi, dat is sv>ärl. Honden heut heeten. volgens Plukgjhetius; danhoekan< zulks overeengebragt .worden met hetzeggen van Ga» TESBi j, welke verzekert, dat het Hout van deezen Water* Tipulo, wit.is? WATER-BREMS, is een zoort van Vlieg dusdanig,;
ofwel Wasfer-Brsme door de Heer Fisch genoemd',: koomende veel in de Meiren« Vijvers en Stooten, ~vo~Wr loopende dikwiis langs de. oppervlakte van het watery '' volgens Linn^üs. Zij is, zégt hij, grooter dan een, Huisvliegi- zij heeft het Borstftuk bruin asebgraauwy haairigruig, met een geele ;ïp; de Oogen bruin met een donkere dwarsftreep; de Wieken als getaand;.het Ag- terlijf ovaal, zwartagtig, met ieder Ring wederzijds, aan de tippen, nietJn 't midden, geel ; uigenojnen da vierde, die door een geei driehoekje is bepaald ; de Sprie; ten geknodst met fpitfe punten; de onrusten wit, de Dijen der Pooteff'zwart, de Schenkels geel. Reaumur merkt aan, dat deeze Vlieg drie zeer dnK
delijke "Kenmerken beeft; de Sprieten, naamelijk, die lang en drie.kantig zijn; de twee fpitze puntjes aan het Borstftuk, Wélka dikwiis tot over den eerften "Ring van 't Agterlijf zich uitftrekken, en dan verder, dat zij de Wieken'kruislings: over .eikanderen legt. Hij had "er driederleij .gevonden'; zommigen langer dog févens plat» teryan Lijfdan de Honingbijën ,■ zomm/gen zeerk/ern:,\ert; anderen van middelbaare grootte, j ' In de koléiir was ook eénig verfehil. Eerst uitgekomen\ hadden zij het Lijp bleek groen, welke, in zommigen, van onderen ftand hield, dbg in de meesten feuiljemort wierd. Van bove» was, in eenigen, het Lijf geheel zwartbruin, metban» den van den /aatstgemelden koleur aandezamenvoeging; der ringen op de; rug-zeer final, dog niettemin zamenloo- pende. In anderen Jfep .een breede zwaribruine band over de Rug,: en de zijden van het Lijfwaren feuil/emort Het Borstftuk of de Halskraag wa« bruin, met deStekels- geel, dog aan de punten bijna,zwart; ..- . i-6 WATER-BPvEUK, in 't latijn Hijdricele, h een zoort
van Hernia of Gezwel van 't.Scrotum, wanneer in zijn» rok de vaginalis genoemd, een groote ja dikwiis zeer groote menigte weij tegennatuurlijk vergaderd word. Hier van daan zwelt hetj'crotum, dan eens een weinig,. dog bij anderen in een groote dikte niet alleen met moeij»- lijkheid en tot ongemak van de Lijders, maar ook met belediging van verfebeide jwerkingen; Het woord Hijdrocele neemt zijn oorfprong van het
griekfche'vSiuf, aqua, water, en xiM, hernia,'flinter,. of gezwel, en hierom word het bij de latijnen ook wet hernia aquofa geheeteh. De oorzaaken van dit ongemak, zijn zomtijds wrijvin-
gen en kneuzingen van het Scrotum of'de Teßiculi, fia* gen, vallen, altefterk paardrijden, pfanderenvanbui* tea; aankoomenda oorzaaken, waar door de.tedere vafé |
|||||||||
|
*°9* WAT. , WAT.
|
|||||||
|
lijmp'mtitk, het «ij het flagadertijke of aderlijke zijn, bele-
digten dus verzwakt kunnen worden, dat zij hun ferum hier uitftorfen, of gelijk Boerhaave in Aphorismispraüicis 1227. zegt, zo bet afgefcheiden vogt door zijne vaten niet opgeflorpt word, maar hier ftil (laat en vermeer- dert. De Walsrbreuk word gemeenlijk gekend uit het rond
gezwel in 't Scrotum langzamerhand voortgekoomen, waar voor geen gezwel van hetgedarmte uit den onder- buik voortkootnende in de lies, of geen Bubonocele voor afgegaan is;, diealtoosvan 'e begin af in 't Scrotum heeft gehuisvest, en. nooit van zelf in den Buik, inzonderheid ak de Lijder té bed legt, gekomen is, nog ook ooit door de drukking van het Scrotum m den <Bmb te rug beeft ge- dreevenTkunnen worden, en bij het aanraaken een wei- nig zagtër is, bijna evenals eene Blaas met eenig vogt opgevuld, en zo hard niet, als knoest-gezwellen (fih' rhi) gewoon zijn, en dat men geen gedruis in 't Scro- tum'hooit, ©linden buik kolijkpijnen gewaar word, die met dit gezwel van 'tfcrotum geméenfchap hebben ; waar bij dit nog koomt, dat wanneer men des avonds agterdit gezwel een kaars houd, het zelve meestentijds zichee» uigzins doorfchijnend vertoond. ',''"■ Deeze.; kwaal veroorzaakt »iot ligt den dood. hoewel
zij echter niet gemakiijk voorde allerkragtigftehulpmid- delen wijkt, inzonderheid in Volwasfenen, vooral wan- Eeer zij reeds verouderd is; ffliettegenftaande,diï» word Sfj mi en. dan in Kinderen genéezen. I WATER-BRIEF, zie BIJLBRIEF. WATER-CANTHARIDES, zie MEIJ.TORREN n.
III. pag. 2104.:. li i-s WATER-EST, zie HAAGDISSEN «. VIII. ,paS.
$66. WATER<GAMANDER, zie SCORDHJM.
WATER GOUDBL0EM, zie DOTTER.BLOEM. WATER-GUICHELHEIL, zie BEEKBOOM. ■ WATERHAAGDISJ zie HAAGDISSEN, ». XXVL f.969. WATERHOENTJES , is de naam vaneen Vogelen-
-Geflagt, dat de Heer Linjsmvis met den naam vanFuli- 'cte of Kosten doopt. In de zamenftelling van dit Ge- sagt, is zo zeer niet gelet op de Pooten ais op den Bek, en dit maakt, dat er behalve de Koeten, die de Br. Bris- son tot de Zwemvogelen betrekt, ook zodanigen, wel- ker Pooten onbekwaam tot zwemmen zijn, en die hij jfa« cana noemt, in zijn begrepen. De Kenmerken der Waterhoentjes, beftaan, volgens
LtNNiÉüs, in een Bek die verhevenrond is ; hebbende de bovenkaak met een rand over de onderkaakgewelfd, de ondçrkaâk agter de punt bultig; den Kop van vooren ■Xaal; de Pooten mét vier Vingeten, die min of meer ge- lobd zijn; dat is, in sommigen met ingefneden vliezen aan de kanten bezet. Ltnwäus heeft vier zoqrten in dit Geflagt, waar-van
de eene door Brisson onder zijne Waterhoentjes, de an- dere onder de Koeten gebragtis ; aan de derde geeft hij, on- der den naam van Porphijrio, een bijzonder Geflagt ; de vierde is onderde Jacana's geplaatst. I. Koet; FulicaatraiFulicafrontecalveaquàli.'LxsN.
..Faun. Suec. (Fulica fronte calva, corpore nigra, digitk ■Jobatis. Linkt. Siffi. Nat ) Dit is onze gemeeneüTo«, die van de Schrijvers, in 't algemeen, Fùlïca geheten word, wegens zijne roetàgtige koleur, of men geeft er den griekfchen naam Phalariszan; maardehedendaag. ■&he G-.riek.en .noemen hem Loupha, de Italianen Felega, |
|||||||
|
dë Zwitzer* Belchinen olBelch, de Daitfchers Water.
of Riethoentje, en zommigen Fiom, Pfaffe, Zapp 0f Blesfing ; de Sweeden BJ,aos-Klacka -, de Deenen Blesaand. In 't engelsen noemt men hem Ceoi, in't f ransch Foulque' Morelle of Judelle. .. , . ' De Koeten zijn in de Noordelijke deelén van Europa
zeldzaam, dog gemeener in Vrankrijk, alwaar zij over- winteren. Zij onthouden zich op Rivieren, Meiren en Slooten, eetendezaad en kruiden, en zwemmende bij. na altoos of loöpendelangs het water. Men vindze bij. na nooit op't land, en hun nest zelfs, dat uit de bladen van gras of riet is zamengeftelt, heeft geen andere vas- tigheid^dan het riet, waar in het gemaakt word, om niet met den ftroom weg te drijven. ■- De grootte van den Koet is ongevaar als. een middel-
maatig Hoen, waar van de geftalte ook niet veel ver- fchilt. Rajj ichrijft hem de zwaarte van vier en-twintig oneen toe, Dekoleur, zegt hij, is overal zwart, dog aan de Borsten Buik bleeker en loodkoleurig. Brissoh zegt, dat hij van bolven donkerer, van onderen bleeker aschgraauw is, de Kop en Hals zwartagtig, :de randen der Wieken wit. Boven de Bek, die anderhalf duim lang en witagtig blaauw is, verbefWich een vjeezige, zagte., gladde bult, die men hunnen Kaalkop noemt. De Pooten zijn bruinagtig, en hebben , aas ieder Lid der Vingéren., een zoort van rond Vlies, aan beide zijden^ Een grooter zoort van Keet,.die door LiNNJEuste
vooren onder den naam van allerzwartßt was te boek gefield, word van de Franfchen Macroule, en door die van 'Parijs Diable de Mer géheeten. De Engelfchen noemen hem eenvoudiggrooteKoet olBald-Coot, wegens zijne ftoutheid. Ditfchijntdegeentezijn, dien Feu il- le'e aan Rio de la Plata vond, en waar van hij een om- Handige befcbrijving geeft, zeggende, dat dezelve zeld- zaam is in dat Land, en zeer gelijkt naar de Europifche, uitgenomen den Kop, wtens kaalheid wit is. Men vind echter zodanigen ook, in Europa. RaX'J maakt gewag van een Mexikaanfchen Koet, dies
Brisson voorftelt als eene derde zoort. De Mexikaanen j noemen denzelven Tohoakoachillin. Hij komt in alles overeen met den vodrgaanden, behalven de koleur, die | van onderen, als ook aan den Kop en Hals, paarsch is> van boven bleekgroen , met hemelschblaauw en vaal gemengeld; de Bek fneeuw-wit, dog aan 't end geel. IL -Waterhoentje; Chloropus; (Fulica frontecalva,cif'
pere nigro, digitisfimplicibus. Linn. Sijft: Nat.) Het is deeze waar van de Heer Brisson sijn Geflagt van Waterhoentjes maakt J gelijk de Schrijvers hem ook ge' noemd hadden Gallinula Chloropus', dat is Groenpoot. De Duitfchers noemen hem Rohrblafchen; de Poolen Kèm- f ka; de Engelfchen gemeene Water-, Meir~, of Uni- rasHen, Zie de afbeelding van deezen Vogel op PW S.fe-4- ' . Deeze Vogels zoeken, gelijk de Koeten, hun voed-
zei in het kroos en kruid, dat in de Rivieren en Meiren van Europa groeit. Zij maaken hunne Nesten in geboom- te of ruigte aan de kant van 't water. Hunae Eijeiea zijn aan 't eene end fcherp, groenagtig wit, met roods vlakken getekend. Zij roesten op detakken van geboom- te of op dikke rietftaven; zij vliegen met hangende ro- ten ; onder 't zwemmen Jigten zij de Staart op, zo * derzelver witheid zich vertoont. Zij worden zeer v en zijn een fmaakelijke Spijze, niet minder geagc dan " Winter-Talingen. Ds |
|||||||
|
WAT.
|
|||||||||
|
WAT. 400X
|
|||||||||
|
0e Waterhoentjes zijn veel kleiner dan de Koeten
Raij gee^ vijftien oneen gewigts aan 't Mannetje en twaalf aan 't Wijfje. De koleur. van 't eerstgemelde, hier voor afgebeeld, is van boven bruinagtig, van onde» ren donker asebgraauw, met witte Streepjes gegolfd ; de Kop, Hals en Borst, zwartagtig, de randen der Wieken wit; een rood vüesje boven op den Kop; de S taartpen. nen donker bruin ; de Bek rood, aan't endgeelagtigjjde pooten groen, met een rooden band boven de Knie. Het Wijfje verfchilt alleen, doordien het deKeel wit en de golfswijze .ftreepjes van onderen zigtbaarer heeft, hoe» wel zij ook, over 't geheel, bleeker is. Nog twee andere Waterhoentjes heeft Brisson, waar
van "de eene kleiner, de andere grooter is dan deeze. De kleine word in Vrankrijk, de grootebij Bononie, in Italie, gevonden; alwaar de Ingezetenen erden naam van Porzana aan geeven. Ik geloof dat men ze, op't hoogst, als verfcheidenheden kan aanmerken van dee- ze zoort. UI. Poule Sultane; Porphijrio; Fuik a majer, pulla
fronte cerâ coccineâoblongC'quadrata.BROWS.Jam. 479. > {Fulica fronte calvâ, corpore violacée, digitis fimplicibus. Linw. Sijfi. Nat. zie POULE SULTANE, pag. 2841- IV. Scherpwiek ; Fulica fpinofa ; Gallinula ails cornu-
iusdonatis. Edw. 48.; {Fulicafronte camnculata, corpo- re variegato, humerisfpinofis, digitisfimplicibus, uugue pßico longisfimo, Linn. Sijfl.Nat.) Deeze Amerikaan- fche Vogel, die van Edwards , onder den naam van Waterhoentje metgefpoorde Wieken, afgebeeld word, is van den Heer Brisson gebragt in een Geflagt, waaraan hij den Brafiliaanfchen naam van ffacana geeft, en waar van de onderfcheidende Kenmerken in zijn zeventiende rang zijn, een regte Bek, die naar de punt toe dik uit- loopt, en zeer lange Nagelen. Dezodanigen, van dit Geflagt, welker Wieken met Spooren zijn gewapend,noemt hij Chirurgijns, en dus heet deeze, die zijn vijfde zoort if, de bonte Chirurgijn. In grootte en geftalte komt hij omtrent met den Mor-
nel overeen. De koleur is van boven bruin-paarsch, van onderen wit; het Voorhoofd met een drievoudig oranje- rood Vlies bekleed; _een witte Streep boven de Oogen; een zwarte Band door de Oogen en langs den Hals uit- geftrekt; de Slagpennengroen, aan de tippen zwart ge- rand; de Staartpennenbnjin.paarsch; de Bek oranje-geel, de Pooten blaatiwagtig, Zie op Plaat S. fig. 5. de afbeelding van een Vogel
«it hét Geflagt der jscana's, die de bruine Chirurgijn geheeten wordt, zijnde van 't Eiland St. Domingo afkom- ftig, hoewel hij zich ook in Mexiko en Brafil onthoud. &AJJ had er reeds, onder den. naam van Tohualcuachili oïCaput Chili noBurnum, uit Hernandez melding van gemaakt, en Charleton noemt hem Gans van Chili of Nagt-Kop; een Vogel, zegt hij, van een verwonderlijk maakzel. Aan het grondftuk of den wortel des Beks, » naamelijk, heeft dezelve zekere Krans of Kraag ; die » in drie punten is verdeeld, maatig dik in het boven» » fle gedeelte en roodagtig geel van koleur. Uit den » voorkant der Wieken fpruiten twee gedraaide Stekels, « waar mede deeze Vogel zich tegen anderen, diegroo- » teren fterker zijn, kan verdedigen. De onzen noe- » men hem, de gefpoorwiekte Gans van Amerika. Zulk > een leeft er tegenwoordig in St. James Park, die zeer » tamisengemeenzaammet deMenfchen." Deeze is, echter, zo groot niet als de Mornel, naar Brissoh ge- tui8t; en hij heeft flegts de grootte van een Spreeuw, ,, vil Deel, " " . |
|||||||||
|
volgens Rav, dfe zegt, dat zijne woonplaats is in de
zoute Meiren van Amerika. . Roe men de Waterhoentjes met Steekgaren vangt.
Landen of Velden die aan de Oevers van Rivieren of
Meiren leggen, zijn doorgaans aan de kanten met riet, biefen, enz. bezet, waar in de Waterhoentjes en Duiker- tjes zich verfchuilen en de kost zoeken; hetvaltgemak»? lijk die op*zodanige plaatzen door middel van Steekgaa. rens : te vgngen op de wijze als op Plaat LXX VI de btv. af deeling word aangetoond. Ondeiftel, dat de gepunte linie, getekend met de Iet«
ters B, D, E, G, K, L, N, de kant van 't water zij, en dat de fpatie tusfchen deze linien ende andere, met de letters A, C, F, H, I, M, O, daar tegen, over zij afgete- kent. Steekt dan een van uw Steekgarens aan den kant Q, bij 't water, en gaat door't onkruid dwars heen, toe op de kant I. Zet nog een Net omtrent twintig fchreden verder, fteekt het met het een eind aan den kant van 'e water, op de plaats doorD. getekend, en't ander dwars door 't onkruid tot aan C. Gaat daar na ver van de ee- ne na den anderen kant door 't gras heen; bijvoorbeeld, begint a'an letter P. en gaat gelijk de linie toont na O, van daar na de letter N, van N. na de letter M, daarna na L, en als gij aan 't eerfte Steeknetkomt, neemtmen daar uit die daar zijn in gevangen, en gaat dan op de zelfde wijs voort na het ander Net; daarna om na Y, en gaat door de waternjigt heen, gelijk gij aan den ande- ren kant gedaan hebt. Zo er een Vogel in 't riet is, zal hij er niet uit gaan, en niet doen dan voor u uit loo- pen, zodat al wat in 't gras is, al vlugtende voor u uit in 't Steekgaran zal loopen. Deeze Jagt is zeer vermaak- lijk zo er Duikers, of Waterhoenen zijn gelijk ook Kwak- kelkoningen, die zich in dat zoort van gras in de maan. den Mei, Junij, Julij, ophouden; en als zij daar hurï» ne jongen krijgen, hoort men ze dag en nagt flaan. WATERHOND zie^JAGTHONDEN n. VII. pag.
1254. WATERHOOFD, in 't latijn Hijdrocephalus, is ee-
ne tegennatuurlijke zwelling des Hoofds, uit eene op- hooping van fchadelijke, en wel inzonderheid waterach- tige vogten ontflaande. Dit ongemak 't welk eene fcheu- ring der Watervaten tot oorzaak heeft, is eigenaartiger aan Kinderen, dan aan bejaarde Menfchen. WATERHOOS, in 't fransch Trombe de Mer. ^_,
Onder de verfcheide Verhevelingen welke ons,zogroote, zo fchitfrerende, en dikwils zulke verbaazende en fchrik- kelijke verfchijnzelen doen zien, is de Waterhoos een van de bijzoriderften. Deeze Verheveling, op het land zeldzaamer dan op zee, is eene verzameling van dampen; naar een groote en dikke wolk gelijkende,,in de ge- daante van eenen rolronden pilaar, of omgekeerdenke- gel , welke een geraas doet hooren als van eene ontftel- de zee. De Wdterhoos werpt dikwils rondom zich veel regen of hagel, en inde verwoestingen, welken zij zom- tijds veroorzaakt, doet zij fchepen te gronde gaan, rukt boomen uit den grond, keert huizen, en alles wat aan haaren fchok blootgefteld is, 't onderstboven. Veele Natuurkundigen, hebben naar de oorzaak van
dit vreeslijk verfehijnzei gezogt; maar behalve dat zij niet eenftemmig zijn geweest inhunnegisiingen.isgee- ne van hunne verklaaringen voldoende, om even goede reden te geeven van de WaterJwos, weiken zicb van de oppervlakte der aarde verheft naar de wolken, en die uit de wolken naar de aarde toomt. Qndertusfcben is het Tt meest |
|||||||||
|
WAT;
WATER-KRAAKBESIEN, zie KRAAKBESIEÇT,
ft. A.fag. 1Ó13. WATERLEIDERS, zie NIJMPHEN.
WATER-LELIE, zie PLOMPEN.
W ATER.LEGUAAN, zie HA AÖDISSEN », XXIX.
J.970. WATERLEIJKONST, zie HIJDRAULICA.
WATER LINSEN, .-Rende-Kroost , Eende-Linfm ,
Endgroen, Meer-Linfen;in 't latijn, Lenticula paluflris, Lenthularia, Lenticula aqu, Lens aquatica, Lemna Linneei, Muscus paluflris. Lens viperalis, Lentigo; in 't griekscb, (p**©- 0' eV) to» ■nXparui; in 't italiaansch, Lente de glipaludi; in 't fpaansch, Lenteijas della goa; cn in 't franscb, Lentille de mer, Lentille de marais. Kenmerken. Dit Gewas word door Ra jus gebragt tot
de onvolkoomene Planten, diegeene Bloemen hebben; en met-bloote ronde Bladeren, linfenvormig Van gedaan- ie , bij meenigte op het water drijven. De Bladeren han- gen aan Steekjes of liever aan Vezelen, die zo dun als haair en van koleur wit zijn, weetende bier door hun voedzel uit de modder te trekken. De twistvraagen ten aanzien van het groeijen der Water-Linfen, zijn zeer zeld- zaam. Het fchijnt, oppervlakkig befchouvvt zijnde, dat dezelven tot zodaanige Planten behooren, welke, vol- gens de bepaaling vanTheotorastus, nog Wortel, nog Steng, nog Vrugten voortbrengen. Vergelijk G. a Tür- ke Hb. I. Cap. VI. p. 24. Dan eenigen fchrijven er kleine Woftelfpruitjes aan toe. De Heer Boerhaavis zegt uitdruklijk, dat "er dunne, haairige en doorzigtige Worteltjes aan gevonden worden; dan anderen bewee^ ren dat ze 'er die niet aan kunnen vinden, maar we! wil- len toegeeven dat hetkleine Adertjes zijn___Het gevoe- len van zommige, komt niet onwaarfchijnlijk voor,dat naamlijk, alle Planten welke op het water drijven, bun- nen oorfprong uit de aarde hebben, even als andere Aard- gewasfen » en dat die rijp geworden zijnde, boven ko- men drijven, en dat zo we! de Water-Linfen als andeie Gewasfen van dien aart, Planten van hun eigen Geflagt zijn, die jaarlijks tot voedzel der Visfcben, Eenden en andere Water.Vogels groeijen, dog tot zo lang op de grond van 't water blijven, ter tijd toe dat ze rijp gewor- den zijn , en als dan: boven op het water koomen drij- ven. Zulks gebeurt in de maanden junij en julij, waar van daan het fpreekwöord oorfpronglijk zoude zijn, dat het -mater bloeije, het welk ook door de ondervinding fchijnt bevestigd te worden, dewijl de Bleekers alsdan het Linnen vlakkig vinden, ende Papiermaakers in dee- ze maanden, zeldzaam goed papier kunnen vervaardi- gen. ■ '\ \ Zoarten. Daar zijn inzonderheid drie zoorten van dit
Gefragt, zo als volgt. r. Water-Linfe met drie punten; Lenticula aquatica
trifulca. G. Bauh. Pin. 362.; Uederulaaquatica,tLostu Ie.2. p, 36*. ; Lenthularia ramofa monorrhiza, foliis oblm- gir pediculis hngioribus donatis. Michel. Gen. ie". ; Lern'- na foliis tanceolatis, extremis decuffatis. Sauv. Monf. pi-! {Lemna foliis petiolatis lanceolatis. Linn. Spec. Plant.) 2. Groote Water-Linfe; Lenticula paluflris major-R*]'
^ngl. $■ P' ï29- »■ Lenticularia major polijrrhiza inferne atropurpurea ; Michel. Gen. 16*. ; (Lemna foliis feßlibM radicibusconfirtis.LJXN. Spec. Plant. _ 3-. Gemeene Water-Linfe; Lens■ palußris; Cam.EP'*-
852. Lenticula major monorrhiza .foliisfiibrotundts utrinqui viridibus. Mich. Gen. 16. ; Lemna foliis fesßlibus utrinqut planiusculis, radhibus ßlitariiSrLim. Spe. fwjrfß |
||||||||||
|
WAT.
|
||||||||||
|
ton
|
||||||||||
|
meest overeenkomftig met de rede en de eenvoudigheid
van de wetten der Nàtuure, niet dan eene en dezelfde oor- zaak, van de eene en de andere te ftellen; en deeze ee- Bige oorzaak, vind de Heer Brisson, in de uitwerkingen van de Elektriciteit. Het gebeurt dikmaals dat de Waterheos weerlicht uit-
ffchiet, en het geluid van donder doet hooren, welken tegenwoordig gehouden worden voor uitwerkingen van de Eleétrïciteit; waar na de Waterhoos gemeenlijk ver- dwijnt. Wanneer zich dan een fterk ge-eleftrizeerde wolk Vertoont op een bekwaamen afftand van de aarde, meent de Heer Brisson, dat zich aanftonds tusfehen de niet ge-eleftrizeerde ligbaamen , weiken op haare oppervlak- te zijn, en de gceleétrizeerde wolk, de twee ftroomen ftellen der ftofFe, welke de Heer Abt Nollet genoemd heeft gelijktijdige uitvloeijingen en «anvloeijingen. De wolk'fchiet yan alle kanten, en fterker dan anders, de ftraalen van de uitvloeijènde ftofFe naar de ligbaamen der aarde; en ten zelfden tijd geeven de aardfche lighaa- Hien baar een dergelijke (toffe weder, en verfchafFen haar de aanvloeijende ftofFe. « Als de ftroom van de uitvloeijènde ftofFe de ftçfkfte is,
Worden de deeltjes eer dampen welken de wolk maaken, door deeze uitvloeijènde ftofFe medegefleept, en maaken den rolronden of kegelvormigen pilaar, waar uitde Wa- terhoos voortkoomt, welke de Heer Bhïsson de neder- daalende noemt, om dat dezelve in de daad uit de wol- ken naar de aarde fchijnt neer te daalen. Wanneer; in tegendeel, de ftroom van de aanvloeijende ftofFe meer ktagts heeft, en zich de eleftrizeerde wolk boven eenig Water bevind, fleept dèezeaanvloeijende ftoffeeeneme- »igte water-deelen met zich , genoeg om den pHaar. te; maaken, welken men naar de Wolk ziet fchieten^ en. welken meri een opklimmende Waterhoos kan noemen. De ondervinding ftemt hier volmaaktelijk met de reden-
kaveling overeen. De Heer Brisson heeft eenklein vat van metaal met water gevuld, en op eenige duimen af- ftand boven het zélve gehouden een' buis welke versch gewreeven was. Terftond vei hief zich het waceralseen klein bergje, blij vende zo, ftaan totdat er een vonk was uitgegaan ; waar na het wederom neerviel, gelijk men de Waterhoos ziet verdwijnen na dat zij haar eleflriek vuur heeft uftgefchootén. Terwijl hetwateropgeb.ee- ven was, ho'orde men een zagt gedruisch, en de zijde van die buis welke naar het vat gekeerd was vond men ge- heel bedekt van kleine waterdeeltjes. Deeze proef is bekend, de Heer Brisson merkt ech-
ter aan dat het weer gunftig en de elektriciteit wat fterk moet zijn, om dezelve wel te doen flaagen. Zij heeft hem in 't klein een beeldtenis verfchafc van een opklim- mende Waterboos; en hij twijfelt niet, alshetge-eleftri- zeetde lighaam welk bij boven het vat water gehouden had-V zamengefteld ware geweest uit deeltjes welken on- der malkander beweeglijk waren, ofhij zou ook een beeld gehad, hebben van een nederdaalende Waterhoos. Alle omftandigheden welken deeze ondervindingverzellen met ajandagr bedenkende, heeft de Heer Brisson dezelven volmaaktelijk overeenkomftig bevonden, met die, welken gemeenlijk met eene Waterhoos gepaard gaan. WATER KALFSVOET, zie CALLA LINNJEL"
WATER-KERSE ', zie SISITMBRIÜM.
' WATER-KLEEFKRUID , zie KLEEFKRUID «. *M-1519.. WATERKOE, zie RIVIERPAARD». 1.^,3057.
WAT.E&KQM, zie KOM.pm TUINEN* |
||||||||||
|
WAfc; ' ■
|
|||||||||||
|
■WAT.
|
|||||||||||
|
■40P3
|
|||||||||||
|
Plasis. AHe ie zooreen van die Gewas, groeijèatuurHjk iß de ftiiftaande.wateren van Neder-en HooDuitshland, Vrankrijk, Engeland, enz.
Kragt en Gebruik. De Water-Lin/en of Eendekraost bvat veel flijm, weinig olie, en nog veel minder wezenlijk zout. Hetzelve is koud en vogtig in den tweedegraad, bet bevogtigt en verfrischt of verkoelt, en mezegt dat het deswegen« dienftig is tegens ontfteekingenPodagra en zogenoemde Roode-hond; dan dewijl medienfliger middelen tegens deeze ongemakken" heeftword het nimmer gebruikt. Deszelfs gebruik in de huishouding gaat zekerer, namelijk dat de Ganfen en Eenden het ongemeen graag, nuttigen; en men verzekerdat het ook goed Hoender-eetenis, wanneer met zemelen
vermengd word. WATËR-LISCH, zie LISCH (WATER-) WATERLOOD, zie POTLOOD. WATERLOOTEN. Dusdaanig noemt men die onautte Takken der Boomen, welke geen Vrugt voortbrengen , maar integendeel het voedzel aan de goede Takken onttrekken. WATER-LUTSEN, zie WATER-VLOOJJEN. WATER-M ALROUW; Water-Andoom;, in 't latijn Lijcopus; XvKcjrui, van ai/x©^, een Wolf, en a-«?, een vort, als zeide men Wolfsvoet, om dat de Ouden fiel- den, dat de Bladen van deeze Plant naar een Wolfsvoet geleeken ; Marrubium paluftre glabrum. C. Bauh. Pin130.; Lijcopus foiiis indivifis. Dalis. Paris, g.; (Lijco- pus f'oliis finuato ferratis. Linn. Spec. Plant) Deeze Plant groeft in groote meenigte in vogtige gron-
den aan de kanten van flooten, in Neder- en Hoog- Buitschland, Vrankrijk, Engeland, enz. Dan dewijl bet nimmer in de tuinen word gekweekt, en ook mijn's weeten van geen het minfte gebruik in de huishouding nog medecijnen is, zoude het onnoodig zijn om er hier meer van te zeggen. WATER-MARMELDIER, zie MUSKUS-ROT. WATER-MELOEN, zie CITRULLE. WATER MOLEN, is een Werktuig, dienende even als een Windmolen tot veelerleij Fabrieken, dog welke in plaats van door de wind door het water word gedree- ven. Daar zijn er van veelerleije zoort, ingevolge de fanden alwaar die zijn geplaatst, en den min of meerde- ren overvloed van water om die te doen beweegen, insgelijks de min of meerdere fnelvliçtenheid van dat zelfde water. Zie pp Plaat T. de afbeelding van een zodaanigeMoo-
'en, dienende om Roorn te maaien, welke afbeelding be- ■ter dan eene omfebrijving in ftaat zal'zijn om aan ie- mand die maar eenige kundigheid aan dit zoort van, werktuigen heeft, een vojitomen denkbeeld daar van te geeven. WATER-MUNTE, zie MUNTE«. 6, pag. 2213. WATER-NAGELWdRTEL, zie NAGELWOR. *EL}> n. 3. pag. 2248. WATER.NAVELERÜID, zie HIDROCOTIJLE WATER NOOT, Minkijzer; in't latijn Triiulus
opticus; in't grieksch, reißen ë»?ç««,"in 't fpaansch, ■fbrolhos; in't fransch, Mades, Châtaignes d'eau, Ma. vf'Saligot, Cornuelle , Carniole ; in 't boogduitscb, ^chel-Nusz, Wasfer-Nusx, Zee-Nusz; Tribulus aqua- Uu' B*UH. tin. 194.; Trapa petiolisfoliorum naton- ">a ventricofis. DaLib. Paris. 52.; Panover Tfierana. ^|Çg. Mal. IL p,«5.; (Tmpa Lms. Spit. Phnt.) |
Dit gewas; 'f welk ©p zpmmige plaatzen van Europa
nabij Rivieren en andere wateren groeit, word door de
Heer Joh. Bauhinus op de volgende wijze befchreeven.
Uit een Hoofdje't wefk vierkantig fchijnt te, weezen,
fprùiten veele Bladeren uit, die anderhalve duim lang
of breed zijn, zijnde ten deéle ingekurven en ten dee-
leglad, wordende boven glad, onderwaarts rimpelig,
en eenigzintsnaar Populier Bladeren 'gelijkende; der-
zelver Steelen zijn een hand breed en daar&rj lang,
fponsachtig, en beneden waarts bij haare aangroeijing
knobbelig. De Bloemen zijn kleinen wit, ftaande
op een ronden, digten, groenen, kleine Steel, en
zijn met korte haairen bedekt. Hier op volgen Vrug-
ten, die niet kwaalijk naar kleine Kaftanjen gelijken,
dan die elk vier dikke fpitfen of harde Steekefs hebben
en zwartagtig van koleur zijn. Het Pit of Kern daar
,, in beflooten, koomt ten naasten bij meteen Kaftanj©
overeen, is wit van koleur, eetbaar en heeft geen on-
aangenaaamen fmaak".------ Dodonäos zegt dat mem
die versch kan eeten', alsook, wanneer zij gedroogd!
zijn, maaien, en onder het Bropd kneeden. De Wortelen van dit Gewas zijn zeer lang, en maaken vee« lehaaijrige vezelen, die ten deele in 't flijk of modder, en ten deele in 't water zijn. Gebruik en Hoedanigheden. Schoon men eertijds ds
Water-Nootén tol het medicinaale gebruik in de Apothee- ken bewaarde,' is dat middel ten huidigen dage buiteji praktijk geraakt, en ivorder geheel niet meer in gevon- den. 2e zijn zo wel ten aanzien van haar meelagtigwe» zen, als ook van Jïrileur en fmaak niet ongelijk aan de Kaftanjen; moetende om eetbaar te Worden, alvorens ia water gekookt zijn. Men roemt dezelve als verkoe- lende, verdeelende, en een zamentrekkende hoedaant'g- heid bezittende, worden de dierhal ve in buikloop, bloed- wateren, en graveel als zeer dienftig aangepreezen. De Ouden gebruikten ze tot pap?omflagen en gorgeldranken. Men vind Schrijvers die dezelve dienftig houden, wanneer in wijn gekookt zijn en genuttigt, voor de beet van Slan- gen. De verfche Bladeren op de gezwellen gelegt, zui- len volgens hetzeggen van zommigen, derzelver verdee». lingenrijpmaaking te wege brengen. WATER OS, zieRIVIËR-PAARD, ». 1.^3057. WATERPAD, zieKIKVORSSCHEN,«. l.pag. 1501. WATERPAS is een Gereedfchap, om te onderzoe- ken, of de eene plaats bopger dan de andere, tenaanziea -ven't middenpunt der aarde is gelegen. __ Daar zijn Wa-
terpasfen van veelerleij zoort.
Metzelaars gebruiken een gereedfchap 't welk zij Wei'
terpas noemen, en hun dient, om de fteenen horifontaal te leggen, ofwel om eene lijn horifontaal op een muut te trekken. Landmeters maaken gebruik van dit Werktuig, om groo-
te tusfehenwijdtens waterpas te maaken. Ingenieurs zijn insgelijks dit Inftrument nodig. Wij laaten bier de be» fchrijving van een Waterpas volgen, dat zeer gemak- lijk is. Dit Waterpas is een pijp van blik, 'die met regte hóeê
ken aan de twee einden A. B. PJaa.t,LXXVI de mid,ifig\ opilaat, en in 't midden door ijzere banden C. C, on- derfteund is; en die vast zijn aaneen koker, daar ajeii een ftok in; kan fteken, als men ze gebruiken wil. Deze pijp moet wezen een duim, dik, en vier voete.n lang. Op 't midden foldeert men een. pijp O. diegemeenfehap heeft met de twee anderen A.. ß. çn die buiten de, Üjn zijnde, omtreat twee linien, tot een pen dient;''om beter de Tt e ge. |
||||||||||
|
I
|
|||||||||||
|
- "mm. ;,"
WATER-RUITERSKRUID, zie AIZOON.
WATERS-AFSCHEIDING, zie DEFLEGMA
TIO. WATER-SALAMANDER, zie HAAGDISSEN«
VIII. pag. 966. WATER SANDLOOPERS, zie SANDLOOPERS
n. VII. pag. 3208. WATER.-SCHEERLING, zie SCHEERLING,
S-pag. 32SI. WATER SCHILPAD, zie SCHILPADDEN, »
III. pag. 3289. WATER-SCORPIOENEN. Deeze naam word we-
gens de Geftalte, aan zekere Infektengegeeven, die, ten opzigt van de levensmanier, veel overeenkomst hebben , met de Water Wantfen, wat lager befchree- ven; inzonderheid verfchillen zij van deezen, door de twee Nijpers voor aan den Kop, welke zeer veel naar die der Scorpioenen gelijken. Het woord Nepa is van ouds, en zelfs door Cicero zo Aldrovandus aanmerkt, voor een Scorpioen gebruikt geweest; zo dat ik niet be. grijp, om wat reden de Heer Geoffroy hetzelve ver, anderd heeft in Hepa ; een woord, 't welk mij niet bekend is; misfehien zal het een drukfeil zijn. Ten opzigt van de Snuit en Wieken, komen de Watet.
.Scorpioenmoveteen met de Water-Wantfen. Hunvuor- naamfte verfchil daar van beftaat in de Vöorpooten, die de gedaante van Nijpers hebben, of lieverdaar in, dat zij maar vier Pooten hebben, en aan den Kop twee Sprie- ten , als Nijpers óf Kreeft-Schaaren gefatfoeneerd ; want de onregelmatigheid is in 't eeriïe geval grooter, dewijl die zogenaamde Vöorpooten niet van 't Borstftuk, maar van den Kop afkomen; gelijk gemelde Franschman te regt.heeft opgemerkt. Evenwel moet hij, bekennen, dat zij de eenigften zijn onder de Infekten van dee- zen Rang, die maar met vier eigentlijke Pooten zija voorzien. Het getal der zoorten is bij Linhjeüs- zeven, c?e>
wijl, behalve driederleij Europifche, nog vierderleij vreemde daar in vervat zijn. I» Grof te Water-Scorpioen; InfeUum magnitudine Iru-
fcL Marcgr. Braf. 258. Mehian. Sutin.; (Nepa tefia- cea, fcutello Icevi, alis atbis, maculis venisqjtefiavis. Link. Sijfl. Nat.) De eerffé afbeelding van dit Infekt is door Juffer Merian gegeeven, welke zegt, dat zij in het water te Suriname, Diertjes waargenoomenfhad, die van de Inwooners Water'Scorpioenen genoemd wierden. Den 10 uieij had zij eenigen ,daar van verzameld, waar uit vervolgens den 12 een gevleugeld Dier te voorfchijnge- komen was, dat van haar vliegende boven een Water.' plant vertoond werd. II. Roode Water Scorpioen, of Water Scorpioen die bruin
is, met het Schildje rimpelig, de Wiekenfneeuwwit i Ne' pa rubra 1 (Nepa fusea, abdomine fuprar alammque nef vis y rubns. Linn. Sijfl. Nat.} III. Bruine Water-Scorpioen, methet Schildjerimpthg;,
de Wieken Jneeuwwit;. Nepafusca; (Nepafusca, fc«tel' ïo riigofo alis niveis. LiNitf. Sijfi. Nat.) _ Deeze beiden, uit de warme gewesten afkoniftigAe'
vonden zich in 't Kabinet van haare Z.weedfche M2< jefteit. ffLi IV. Wdter-S'corpioen die zwart fs., met het Borsiß"
oneffen, het Lijf. langwerpig; Nepa atm; (Nepa «"«» thorace inquali ; corpore oblongo. Likn. %/. i; Deeze is door de Heer Brakmr. in Afrika, waargc namen.. v Gm» |
|||||||||
|
WAT.
|
|||||||||
|
403+
|
|||||||||
|
gezigtftraal te richten. In die drie pijpen A.G.B.fteekt
men glaze buizen, die drie a vier duimen boven de blik- ken uitfteken, en die men er met mastik, of zagt wasch in vastzet. Die pijpen zijn aan tweeeinden open, en Dien draagt zorg, dat men papier op't boveeind fteekt, om te beletten, datde lucht of wind.geene beweging in 't water make, dat men er in doet. , Dit gereedfchap met een geverwd vogt op eenigedui. men na gevuld, welke men daar indoet, zaleen lijn van waterpas gceven, door middel van de twee glazen bui- zen , en zo men ze zo doet drajen, dat de langte A- B. »a 't voorwerp E. gedraaid worde; waarvan mendehoog- te weten wil, zal de gezichtftraal door de oppervlakte van het vogt tusfehen de pijpen A. B. en die van demid- delfte G gaan ; dan is men verzekerd, dat het punt E. met iet midden der twee pijpen Waterpas is.. jtndere gedaante van een Waterpas.
Ik voeg hier een Waterpas bij, die met weinig kosten
te maken is, 't is een kaart, waar op men heeft een ftreep in de winkelhaak gemaakt met een lood A. B, van de be- ned. fig. van Plaat LXXVI. 't welk dient, om de linie D. C. waterpas te zetten. Men hangt dit aan een ftok, en uien gaat na D. toe. Men kijkt langs de Unie D. C. E. na 't punt E. dat ivaterpas is met de linie D.C.'t punt E. noemt men 't voorwerp van 't gezigt. , In den Tuinbouw gebruikt men het gemeene Waterpas. Dit is het Waterpas van de Metzelaars. Het beftaat uit twee regels, van omtrent drie voeten lang, ir^een,reg- te hoek aan een gevoegd, en vastgehouden door een an- dere regel, die overdwars legt. Deze derde regel moet een keep hebben, om de koorde, van't lood in te hou- den, dat boven vast is aan 't vierkant. De twee ande- »e einden moeten zo. gefneden zijn, dat hunne oppervlak- te in de zelfde vlakte even ver van boven is. Als 't lood door de keep gaat, is de oppervlakte» waarop, de twee einden ftaan, Waterpas. .. ■ Men zegt, dat een Plaats, of Dreef in 't Waterpms
xst als zij op de eene plaats niet hooger dan op deande- ,re zijn. Men zegt ook, dat men een Dreef moet ma- ken, naar 't Waterpas, of't fchot van water, als men t zo maakt, dat het afloopen in de gantfche langte gelijk 'is, zo dat ze gelijk is van't een tot het ander eind,-fchoon 't niet in 't lood is. WATER-PATICH, zie BRITANNICA.
.WATER-PEPER, zie PERSIKKRUID',. n. 1. tag. 2662. i. . WATERPIMPINEL , zie SAMÖLUS.
WATER-PISSEBEDDEN, zie,PISSEBEDDEN».
XX.. pag. 2713, , iiwVj WATERPUISTEN ; HlijBcence ; Tgnis fijlveflris;
zijn. kleine blaaren die jeukte veroQrzaaken, én zich op de huid en tusfehen de Vingeren zetten, en eene witte ,ea etteragiige ftof in zich hebben; zjjkoomen fchielijk, cni verdwijnen ook haastig.. WATERPUT, zie PUT.
WATER-RAAF, zie KROP GÄNSEN n< III. pag.
Ï647/. ;' '....-. WATËR.RADIJS, zie S1SIJMBRIUM, n.3. &?4-
,^W'ATER.RAKETTE, zie SISIJMBRIUM ». 5 &.&>'
m- 3.372. ". ■. ■ .
- WATER-RALL, zie RALLEN, re. IL/>asv28pi.
WATER-RÖOSEM, zie PLOMPEN.
. WATER-ROT, zieMÜISEN, ». XI. £., 2204.,, |
|||||||||
|
WAT.
V." Grusuwe af gewinne WaterScorpioen, met het Borst'
iuk oneffen en hét Lijf ovaal; Nepa cinerea ; Araneus aquatkus. Bauh. Ballon. 212.; (Nepa cinerea , thorace ingquali, corpore ovato; Linn. Sijfl. Nat.) Zomrnige Autbeuren noemen dit Europifche Infekt
fPater-Scorpioen , anderen Water Spinnekop, of, met Ro£SEL, Water-Wants. Het is door zijne Nijpers van je Wantfen verfchillende, gelijk wij, ten opzigt der genmerfeen van dit Geflagt, in 't algemeen hebben op- gemerkt. Doctor Scopoli , die deeze zoon in de Gräf- ten om Triefte, met'de figmiren van Roesel volmaakt overeenkoinftig, vondt, merkt aan, dat bet Lighaam niet eijrond genoemd kan worden, en het is, inderdaad, daar te plat toe, hoewel Geoifroij die uitdrukking ook gebruikt; noemende bet in't franscb, niettemin, de Wa- KpScorpioen met het Lijf ovaal. Het Infekt heeft, volgens hem, de langte van agt of
negen liniën, dat is drie vierden duims, en de breedte van drieliniën. Van koleur is bet bruin, zwart-en zomtijds een weinig, geelagtig. Het beeft den Kop klein, en als tusfehen de Schouderen ingedrukt, geplaatst zijnde in een halfmaanswijze uitfnijding van hetBorstftuk, dat breed, en bijna vierkant is, dog naar vooren een wei. rjjgfmaller loopt. Aan dit voorfte gedeelte zijn als twee dikke ftompjes, die voorbij den Kop, uitfteeken, en breede, platte Sprieten onderfebraagen, met een krom haakje, gelijk dePooten der Krabben hebben, aan'tend. Het Schildje is groot en bruin. De Dekfchilden, die breed zijn, leggen kruislings over elkander, en bedek- ken bijna het geheele Agterlijf, dàt, in de Wijfjes, met wee Stekeltjes aan bet end gewapend is, zolang als diie vierden van het Lijf. ' De Heer Geoffroy maakt, iii deeze befchrijvingj
geen gewag van de hoogroode koleur van 't Agterlijf,' aan de bovenkant, door welke deeze Diertjes, als de Vleu- gelen m'tgefpreid zijn, dermaate uitmunten. Mooglijk zal hijze. op deeze manier opgezet, niet gezien-hebben. Doktor Scopoh, immers, maakt daar wel degelijk-ge« wg van,. en meent, bovendien, 'nog met bet'rnrkfös. koop kieine Haairtjes, .op,een Knobbeltje bij de Óö» gen, te hebben ontdekt"r daar s bij : den 1 naam- aan geeft van Sprieten, Dan was de reden opgeruimd, órn welke Geoffroij meent, dat de Voorpooten, die zich *js Nijpers vercoonen, vbor geen Poóten te houden 2ijn; zeggende; " Waar zouden dan de Sprieten zijn » van dit Infekt? Zou- de Water-Scorpioen de eenigfte «zijn, waar aan dit zo wezentlijke llghâamsdeel van 1. alle Infekten ontbrake? .'.' ..'.' I " De Heer Swammerdam ook , door wien deeze Wa- 'erdiertjes- zeer nauwkeurig waargenomen zijn, getuigt °at het bovenfte van het Agterlijf van een hoogroode Meur als inenteis, en met veele haairtjes bezet, het »elk een fraaije venooning maakt; Voorts is hetLijf, "i zijn geheel, bij uitftek plat, gelijk wij dit in de on- ^n ook bevinden. Zijn Ed. vondt zeer opmerkelijk, w de Water S cor pioenen. zomtijds bezet zijn met me- nigvuldige Neeten van allerlei grootte, in'welken bij een rond Diertje vondt, roodagrig van koleur, fchij- jende een zoort van Luisjes te zijn. Vervolgens wer- fekD> door ontleeding, ook de Eijeren van-deeze In» haM t*°W '3em 0Dtdekt ' die van boven zekere puntjes Djo?,"' welke hun naar 't zaad van den Gezegenden > :.deeden;geliiken. Zeer aartig waren die vervatin J .kn'erbuizen van bet Wijfie, welke, zo wel-' als de fjyfen der Mannetjes, door, hem- zeer. konftigzïjn Meeden, in. Elaae gebragr,. . |
|||||||||
|
WAT.
|
|||||||||
|
4ojry
|
|||||||||
|
Déezé Autheur zegt, dat alle de vier Pooten* aan
de tippen, met twee;Nageltjes gewapend zijn; Gro«- Novius noemt ze, rond* lang, tot zwemmen gefchikt en weerloos. Ik weet niet, waar in die gefchiktheid tot zwemmen beftaan zou, en de Klaauwtjes vertoonen zich duidelijk. Zijn Ed. fpreekt ook van de roode ko- leur van 't Agterlijf niet, en maakt gewag van de bors- tels wijze Staartjes, als plaats hebbende in de beide Sexen. Dat de gemelde Staartjes, die men ergerrtlijker Ste* .
kels kan noemen, in de beide Sexen plaats hebben ,, is blijkbaar ; doch het gebruik van die lighaamsdeeleri: fchijnt niet zo zeker te zijn. Roesel wiJj dat gedag- te Stekels, met elkander en tégen elkander aangevoegd; een luchtbuisje zouden uitmaaken, en bij tragt zijn ge- voelen te bevestigen door de waarneéming van Frisch; die het zelfde beweert, zéggende, dat zij deeze pijp dik wils in de hoogte, boven de oppervlakte van het water, als om lucht te fcheppen, uitfteeken. Zulks bevondthij, duidelijk, wanneer hij bet water metolie begooten óf wat meel daar op geftrooid hadt, zodat er? als een dun vliesje over getrokken ware. Men ziet daar, vervolgt hij, ook dikwiis luchtbelletjes uit voort- komen. Geen van beiden, evenwel, heb ik in Ieeven- de Water-Scorpioenen, die ik onlangs had, befpeurd", en ik meen gezien te hebben, dat die Stekels doorgaans van elkander afgefcheiden waren. Wat de levensmanier betreft, merkt Swartmerdam
aan, dat deeze Diertjes zieh, tegen den avond, uitde wateren, waar in zij zich bevinden, dikwiis vliegende begeeven naar andere wateren; waarfchijnlijk om hun aas te zoeken, of ook om dat de flöoten, waar in zij waren, uitdroogen. Dit is de reden, zegt hij, das men , in kleine plasjes of vergaderingen van water, zomtijds Infekten vindt, die men dan weleer zich ver- beeldde, aldaar door verrotting voortgeteelt te zijffi Het ongevleugeld Popje, onderrusfehen, moet zich> tot den tijd zijner verandering toe, in 't water onthou. den. : -' VI. Wantsagtige' of Water-Scorpioen die den rand van*
't"Agterlijf zaagswijze getand heeft; Cimex aquaticut latior. (Frisch Inf. 6. p. 31.; (Nepa abdominis margini, ferrato. Link. Faun. Suec. 692.) - De Heer Frisch noemt deezen een treedere Water*:
Wants, en onderfcheidt hem dus van de Rugzwem» niers, daar hij ook weinig naar gelijkt, hebbende, zo- min als die, van agteren een Stekel, doch Nijpertjes ■van vooren, gelijk de Infekten van dit geflagt. In uitwendige "gedaante koomt hij zeer overeen mee dé Wantfen, en dit geeft er den bijnaam , van Wantsagtige- Water-Scorpioen, aan; Van Roesel wordt bij, een» voudiglijk, de Water Wants getijteld. * De Beer Geoffroij maakt een bijzonder Geflagt van dit Infekt, het welk van de Water-Scorpioenen, en Water-Wantfen, zo hij aanmerkt,' verfebilt, doordien hét twee leedjes in de voeten heeft, gelijk de Rugzwem' mers, daar het in de meefte opzigten mede overeen» k^mt, verfchillende alleen door de gemelde Nijpers-als kreeftfehaaren, het welk de Voorpooten, zo bij in deé> zetoeftaat, zijn. Het Schildje, dat de geftreepte Wa» ter-Wants niet heeft, doet hem ook daar van verfchil»- lën. Zijn Ed. geeft den: naam van■ Naucrw aan dit: Geflagt, en befchrift het Infekt aldus. De langte is vier of vijf, de breedte vier^linien,-de-
geftalte ovaal, rood van Rug; de koleut is groen,, met: *' ïfc 3', brui© |
|||||||||
|
WAT. f
komende van 't Borstftuk af,en hebben ieder aalend
twee kleine Klaauwtjes, terwijl de Voet maar uit ee« Lid beftaat, gelijk in de gewoone WatetScarpioenen. De Heer Geoffrqtj merkt ten opzigt van deeze twee
doch inzonderheid, zo 't fchijnt, ten opzigt van de lang! beenige of fmalle aan, dat derzelver Eitjes, die Jane, werpig zijn, en aan 't end twee of meer lange draadjes of haairtjes hebben, opeen zonderlinge manier van dit Infekt geplaatst worden in de fteelen of bladen var, Biezen of andere Waterplanten; zo dat de haairtjes daar buiten uitfteeken, waar aan deeze Eijtjesgemakke« lijk te vinden zijn. Zodanige fteeltjes kan men in v{. ter. bewaaren, en dus de Water-Scorpmntjes, of ten minfte derzelver Maskertjes, fn glazen doen uitkomen, om derzelver levensmanier en verandering waar te nee. men. Hun voedzel beftaat in andere Waterdiertjes, welke zij doorbooren en uitzuigen of verfcheuren met hunne fcherpe Snuit, terwijl zij dezelven vasthouden met de Nijpers, die er den naam aan geeveo. WATERSLANG, zie SERPENTEN, n. VIIJ,
pag. 3353. 1 WATER.SLANGENKRUID, zie CALLA UN.
UMI, n. I. pag. 328.- WATERSNEP, zie SNEPPEN, n.Xl. pag.ui6.
WATERSNIJDER, zie VERKEERD-SNAVfi.
LEN, n, II. pag. 3819. WATERSPEELKUNDE, zie HIJDRAULICA.
! WATERSPIN, in 't iatijn Aranea aquatica; Jitek> bus arachnoïdes ; (Aranea litida, abdomine ovato, linn transversa punttisque duobus exavatis. Linn. Faun.Suec) Onder alle. de Spimiekoppen is deeze een van de laattai ontdekt, die wel dezonderlingfte mag geheeten worden, dewijl zij, tegen dé natuur van alle anderen, in en onder water leeft en huishoudt, even ais een Duikelaar; overwinterende in holle hoprntjes welken zij meteen konftig geweêven net gaat toefluiten. Het is, onder de Europifchen, eene van de grootften, en hebbende ook de allergróotfte klaauwen aan den bek,onder dezeken, met welken zij zeer gereed is te bijten ; waar uit, » wel als uit; de koleur en andere omftandigheden, Lin< NaEus befluit, dat deeze;, zo er eene venijnig is, het zekerlijk moet zijn,! hebbende het Lijf geheel blaauw- agtig of bleekbruin; de Pooten zeer lang en ruig. Over deeze Spinnekoppen is , onlangs , een geheel
vertoog in Vrankrijk uitgegeven, {Memoires pour et» meneer l'Hifioire des Araignées aquatiques, par un Pffc tre de l'Oratoire,) dat veele aanmerkelijke bijzonderlie< den, dezelven betreffende, vervat. Ik zal het voor- naamfte d,aaruit medèdeelen. De geftalte verfcbilt niet veel van die der gewoone veld- of zwervende-Spiw nen, en de koleur is, als men ze uit het water gehaald heeft, graauwagtig, maar in het water vertconen z'l zich blaauwagtig, met het Borstftuk bruin of ros. M«B vindt ze er of omwonden met een luchtbelletje, of»;* met een zoort van vernis bedekt, gelijkende naar o'6 foelie, waar mede men defpiegels van agteren bekleedt' of in 't geheel bloot en met het Jighaam als doorfcbil« nende. Gemeenlijk zijn zij zeer vlug, en niet dan nw behendigheid te vangen, doch zomtijds als dood or ra een diepe flaap, waar uit men ze naauwlijks kan op- wekken." Gedagte Waarneemer heeft er, behaIven1 o groote, ook zeer kleine gevonden, die naauwlijks oa door haar luchtbelletje zigtbàar waren, en welken ni niet voor jongen, maar voor een bijzondere zoort tn& ' ds te moeten houden. .,. |
||||||
|
4095 WAT.
ibruin. gewolkt. Het. heeft den Kop groot en plat, met
"een zoort van puntigen Bek, die nederwaarts omge- boogen is. Bezijden den Bek, nabij de. Oogeny zijn twee kleine Sprietjes. Het Borstftuk is breed, groen* agtig van koleiir, met vier of vijf ftreepjes oyerlangs. Het Schildje is taamelijk groot; de Dekfchilden zijn breed, buigzaam, en leggen kruislings over elkander. Het Agterlijf is rond en platagtig, gelijk in de voor- gaande zoort, maar ichijnc zaagswijze getand te zijn, om dat deringen bij elkanderuitfteeken. Het leeft in 't water en.fleekt met zijne Snuit, zeer vinnig , gelijk de Rugzwemmers of fmalle W.ater-Wantfen. Deeze breederefchijnen, zo wel'als die, de eigerj-
fchap te hebben vàrtTuchtbelletjes aan haare haairtjes te hechten, wanneer zij onder water gaan. 'fegenden herfst-, zegt Fruch, gaan zij uit het water, en dan heb ik ze dikwiis op 't drooge gevangen, en wederom in het water op een drijvend hqutbastje gedaan, waarme- de zij daB boven, dan onder water bleeven, en daar ijlt komende zuiverden zij de haairtjes aan het Agterlijf met de Agterpooten, dat men het krasfen derzelven duid elijk "kon, hooren. Voor de laatfte vervelling heb- ben zij de Wieken reeds taamelijk lang. Haa^e levens- manier verfcbilt weinig van die der anderen. Het plannetje kan met de nek een geluid maaken, gelijk vee- Ie Boktorren en anderen doen. Bij het onderzoeken van haaren aait, moest hij hun dagelijks viermaal, en xueer, versch rivierwater geeven. De grootften wier- den tot drievierdendiuuis lapg. Zij bleeven den win- ter over in de aarde, nabij het water, en hij hadt dee- ze Infekten's voorjaars,bij het omfpitten van een tuin* bed, datdigtbij een water was, eenige maaien .gevon- den. VII. Smalle, oï Water-Scorpioen, die lang en jmal is
v$n Lijf, met een zijdelingfe doom, als een duim aan de Wootposten ; Mepa linearis ; (Nepa linearis, manibusfpi- <nn laterali pollicatis, L.ikn. Sijfl. Nat. Met reden kan men deeze de Smalle noemen, hoe-
wel anderen er, niet onaartig, wegens de geftalte.den »aam aan geeven van ^ater-Grf#os»;wantdeVoorppo- ten gelijkeneenigzinsnaardiederGrijpvogelen. VanGe- Oïfroi j wordt dezelve, met de gewoone Water-Scorpioen, in éénGeflagt betrokken,enSwAMMERDAMOnderfcheidt hem daar van alleenlijk door de grootte, hoewel dege- ftalte zeer verfcbilt. Niettemin zou Frisch,, indien Rhebi geen Eijereix in de langbeenige Water-Scorpioen gevonden bad, dezelve, dat vreemd fchijnt, voor het Mannetje van de gewoone of aschgraauwe, die hij-- de fereede noemt, hebben aangezien. De langte, van dit Infekt, is gewoonlijk meer dan
een duim, ende breedte maar ééne linie; zo dat het zeer lang en-imal is van Lijf, vertoonende zich nog lan- ger wegens de twee bijhangzels, agter aan, die om- trent drie vierden duims haaien ; des de gehçele langte ongevaar twee duimen is. Dfi Kop, die zeer klein is, beftaat gr-oolendeels uit twee zeer uitpuilende Oogen, benevens eenfpits, zeer ièherp Snuitje, dat van het Infekt, zeer dikwiis, nédewaards geboogen wordt. De twee Voorpooten; komende van de vereeniging des Borstftuks met den Kop, beftaan uk-drie ftukken, waar van het uiterfte, haakswijze, zich ombuigt als de Kreeftfchaaren. De Dekfchilden, die de Wieken bedek* ken , leggen kruislings over 't Agterlijf, dat van boven Tood is. De vier andere PoOten, welke, gelijk die der JLangp&Qtea öï: Glazemaake«, 2eer lang ea im. zijn. |
||||||
|
^
|
||||||||||
|
WAT.
Aan fcetagteriend hebben deeaeWmtjpinnen, zo wel
als de anderen, Tepéltjes, tropswijze geplaatst ; die zij omtijds--uitrekken-, en dan vertoont het. zich, als of lii aan dat end een groote opening hadden, met ftijve Lairtjes omboord. Deeze 'lepeltjes dienen haar toe vet fpinnen van draaden, welken zij, verwardelijk, in V,et water maaken; of ook om de lucht rn te haaien en uit te lâaten; waar toe zij met haar agterfte aan de op- pervlakte gaan hangen, gelijk fommige andere Water- Jnfekten. Van die draaden zijn fomniigen dik, en an- deren fijn. Behalve de ftoffe, daar toe dienftig, gee- ven deze Spinnekoppen nog een andere uit, dieglasagtig fchijnt te 2jjn, en waar van zij een zoon van Water- duikers-Klok formeeren, die alleen van de gevyoonen verfchilt, dat zij van onderen niet open is. Het is een luchtbel, die zomtijds wel de grootte van een Ocker-, noot heeft, omwonden met die glasagtige ftoffe, welke zij zeer kondig over de luchtbel uitfpreiden, bewee- vénde dezelve van binnen met fpinzel, die zich als borduurwerk vertoont. Gedagte Autheur zegt, dat hij van deeze klokken gezien heeft, die de gedaante van een Bier hadden of van een mismaakt hart, zijnde veel breeder dan hoog en dik. Zij waren aan de wanden van het glas, waar in hij die Spinnekoppen hieldt, on- derwater, met draaden vastgemaakt, en , toen hij de- zelven daar afgedaan hadt, maakte het Infekt weder nieuwen, die met een fterken band gefchoord waren. hi deeze luchtbellen onthoudt de Spinnekop zich,
doch komt er zomtijds uit, om haar aas te vangen, dat waarfchijnlijk beftaat in Water-Infekten van veeier- leijzoort, wordende zelf ook van Water- Torren, Wa- ler-Scorpioenen en van de Beesten, daar de Juffers uit komen, opgevreten. In 't ftuk van wreedaardigheid wijken zij voer de Land/pinnen niet, älzo zij elkander insgelijks-vernielen. Zij hebben dit bijzonders, 't welk men ook in de WatersWantzen* waarneemt, dat zij op derug zwemmen, en, even als die, een luchtbelle-' ijs van de oppervlakte met zich neemen, om zich te: oniierfteunen, waar mede zij dan de klok voorzien. Zomtijds komen zij oók pp't drboge; doch Vliegen of dergelijke Infekten fchïjnen niet van haar foiäak te zijn; wanneer men die in 't water wierp, - na.dat zij een maand, 'oogfchijnelijk. zonder eeten waren geweest, ftheenen zij er doch niet aan te willen, en Heten de- zelven verrotten. Haar huishouding en de manier, op felke zij de gedagte ■ wooning maaken , is ongemeen Jj'rmaakelijk te befchouwen. In ftaande wateren wor- den/ij gemakkelijkst in de meij-maand gevonden. , Gedagte franfebe Pater vermoedt, dat deeze Infekten Wijkstwee Dragten hebben, de eenein 't voorjaar, "e andere in de herfst. Als dan ziet men haar twee ç drie bokjes hebben, die in elkander uitkomen. Hij pftdeeze Waterfpimen die kamertjes niet zien maa- *n.» dan in 't voorjaar, en hij meent» dat het Man« Ifjeeen ander lögiment formeert, bij dat van 't Wijf- I'jT0?!1 ^aar van afgezonderd. Dit lögiment vervaar- ^pijnde, gaat het Mannetje van onderen op zijde ,1 ', «eepende agter zieh een gedeelte der ftoffe van tot ' Wa3r roe<^e» 2')n "'-" t'éenemaal bedekt is, j3 aan bet Borstfhik; dat is te zeggen, hij maakt een »an .?Daa'> gemeenfehap hebbende met het binnenfte. Wo z}m wooning. Hij doorboord den waiid van de, ^01»ngjan 't vyijfje-, aan de zijde van den bodem,, w ? z'Jn b'ghaam inbrengende,. voegt zich het ka-. ' "^geraeeniehagä && de- randen; van de gemaaktei
|
||||||||||
|
WAT.
|
||||||||||
|
«Ô9T
|
||||||||||
|
opening zamen, en fluit er zo gezwind aan-, ais twee
waterdruppelen zich vereenigen. ;;-,-,; ': ■ , Een, geheelen dag heeft die Autheur het Wijfje op;
de rug leggende in haar^buisje, met de pooten uit- geftreKt gezien, als dood. Een andere zag hij, agter. fte voor, daar in komen, en zijn lijf fchuiven langs den buik van 't Wijfje, 't welk na verloop van een oo. genblik, als uit den flaap fcheen opgewekt te worden,, en, toen op debeenen komende, het Mannetje naliep, . dat met verhaasting viugtte. 't Was niet, dan na vier ■. of vijfmaal dit fpel aanfehouwd, en zich van bet onder' fcheidend kenmerk der Sexen in de Land/pinnen verze- kerd te hebben, dat die Autheur zulks vastelijk voor de paaring hieldt. De Heer Clerck, die maar één Mannetje, tegÉn
tien Wijfjes, kreeg, en dezelven bij elkander in eèrr glas met water deedt, hoopte vrugteloos iets van de) paaririg waar te neemen. Zij leefden agt dagen zonder eenig voecjzel, zo veel hij wist, te gebruiken; zeer: vreedzaam; maar hij hadt op het water kroos gedaan, om dat zij de fchaduw beminnen; zo kunnen zij, der» halve, van het zelve, van de Slijm of Diertjes, aai»; de wortelen van dat kroos zittende, iets genuttigd heb- ben. Den negenden dag begonnen de Wijfjes eenige- draaden te fcheeren, die van het kroos liepen naar den wand van 't glas, en maakten daar van, na dat het Man- netje er vanafgefcheiden was, eindelijk dergelijke woort- huisjes of hokjes, als gemeld is; waar in, binnen kort,, zwavelkoleurige klompjes Eijeren gezien werden,, die ongevaar bet vierde deel opvulden van het hokje. Ver- volgens gingen de Wijfjes zelden van het nest af; men, zag ze dikwils met het agterlijf in de luchtbel en het voorde in 't water hangen, dat om de vier dagen de helft ververschtwerdt. Den 7 julij zwommen eenige Jon- gen uit één der blaasjes, en, dè anderen openende, vondt men daar in een menigte van kleine ronde Eijertjes< Deeze Auhteur heeft, dat zonderling is, geen teke«-:
nen van wreedaartigheid waargenomen in de Water* fpinnen, : niettegenftaande hij dezelven, om zulks te-: onderzoeken , tusfehen 't midden van meij en julij,. dat i&bijna twee maanden, zonder voedzel gelaaten hadt;. doch aan den eenen kant kunnen zij, als gezegd is,.; van bet kroos iets gebruikt hebben of van zeer kleiner Waterdiertjes ; aan den anderen kant kunnen er om-i Handigheden zijn, ons onbekend, die maaken dat zij,, volgens gedagten franfehen Pater, op andere tijden nier minder wreedaartig zijn en verflindende, dan de gewoo«- nè Tuin-, Huis' en Veldfpinnen. , WATER-SPITSMüISszte SPITSMÜISEN,«,HL
p. 34-8I- WATER-SPREEUW, zie SPREEUWEN, B,m
P- 3489- WATERSPRONG, zie FONTEIN-.
WATER STERREKRUID, zie GALLITRICHE LINNjEL- WATER-STRUIK"; Aqui\kia\ is de naam van eeö>
Planten-Geflagt.'t welk tot Kenmerken heeft, denKelfc in vijven gedeeld, en vijf Bloemblaadjes. Het Ho- ningbakje is befeeragtig, uit vijftien Schubben beftaan* de; deFrugt een Belle,met vijf hoiligheden, die ea>; kele Zaaden bevatten, Z'oorten'i Daar is maar eene zoort van , die de naatn.'
draagt van vtieragtïgeW'ater-Strttik ; j&juilicia fambUtë-- na ; StapBijlea' indica folii's bipimiatif, §f c. B'OMk Fh. &<£ ïjti Z5>; {dqpilutek Lxs». Sijß. Mqt. XU,} . - - ' Floate;.
|
||||||||||
|
4058
|
|||||||||||||||||
|
WAT.
|
|||||||||||||||||
|
1VAT/
Parijs, bijna anderhalf duim lang yondt, en drie vier«
de duims breed. Van de zelfde langte zijn de groot' ften in Switzerland, volgens den Heer Sulzer. vvj] hebben ze, in ons land , nog grooter en bij d'e twee duimen lang. Doktor Scopoli bepaalt, in Karniolie de langte der Dekfchilden op een duim. Zijn Ed. merkt aan, datdegroote zwarte Water-Tor, dien ERiscube. fchrijft en afbeeit, ten opzigt van de elswijze punt van 't Borst (luk, die agterwàards langs den Buik legt, hier * tóë betrokken zou kunnen worden. ,' In geftalte zweemt dit Infekt meer naar de Lieven-
heers- of Göudhaandjes, dan naar de meefte Torren- want het Lijf, met het Borstftuk en den Kop, maakt een langwerpig ovaal uit, zonder die ongelijkheden welke er gemeenlijk in het voorfle gedeelte plaats heb' ben, die 't zwemmen hinderlijk zouden zijn geweest zowel als lange Sprieten. De Sprieten zijn, hier, zelfs korter dsn deProevertjes voor aan den Kop, die uit drie Ieedjes beftaan en zeer kleine nevens zich hebhen. De Pooten, inzonderheid de agterfte,. veel grooter dan de voorfte én middelde, zijn breed en plat, aan de Sehen- kelen met lange ftekels voorzien, ende Voeten op zijde gebaaird, met kleine Klaauwtjes aan't end. Doormid- del van deeze loopt het Infekt op den grond, zo ondet als buiten 't water, doch zijn gang is ongeregeld ; eens. deels, dewijl de Voorpooten zo kort zijn! anderdeels om dat de Ieedjes niet met knietjes of knopjes in el- kander fchieten, het welk in de andere groote Tm reri zo blijkbaar is; maaralleen fcharnierswijve zijn za- mengevoegd. ; De voornaamfte bijzonderheid van deeze Infekten is
het zwemmen , dat zij te vlugger kunnen doen, omdat zekere vettigheid hun Lijf voor de aankleeving van 't water befchut. Zij hadden, egter, hier toe een middel noodig, om zich op te beuren en te iaaten zakken, ge- lijkefwijs de Visfchen; waar toe zij, even als die, da lucht gebruiken, welke zij onder de Dekfchilden fchij« nën te bergen , aan wier agterend een zoort van blaas- je waargenomen «vordt, 't welk, als zij de oppervlakte naderen, allengs verkleint. Op den grond, onder wa- ter, willende rusten, hechten zij zich met de gemelde punt van 't Borstftuk aan hout, aarde of iets anders; zo dat zij als voor 't anker leggen. De haairtjes aan het Lijf zijn ook bekwaam om eenige Iuchtbelletjes vast té houden, en door het een of anderezijn deezegroo- te, zo welals de kleine Water-Torren ,- bekwaam om in 't water te drijven of langs de oppervlakte te zweeven; het welk zij zomtijds zo vlug doen, dat men ernaaw- lijks 't oog op kan houden. Te lang buiten 't watergc- weest zijnde, kunnen zij niet meer onderduiken. Ifl glazen, met water gevuld, kan men ze lang, ja, a's men er zomtijds wat meel in werpt, wel den winter over in't leven houden. Op de Rug leggende, buiten't wa; ter, draaijen zij rond, als een tol. Deeze Infekten vindt men meest in heldere ftaande
wateren, flooten en vijvers, alwaar zij nieralleen van Infekten'bf kroos leeven, maar ook de jonge Visch ver- nielen, fteekende die dood met den angel, welke zU |
|||||||||||||||||
|
Plaats, en Befihrijving. Dit Gewas höott in de In-
dien te huis, en is van daar aan den Heer N. L. Bur« itfANNUS overgebragt, onder den naam van Malabaar- fehe Waterflruik, die Befiën draagt, met Kroontjes van vijfbladige Bloemen, en eene zwartagtfgé veelzaadige Vrugt, in *t Javaanscb Gigirang geheeten. De Heer LiNN/Eus-zegt dat bet Gewas de gedaante van Vlier heeft, de Bladen overhoeks, gedeeld, gevind ; dè onderfte Vinnen dikwils driebladig; deVinblaad- -jes langwerpig ovaal, gefpitst, met tandjes ; zijnde de Bloemfteelties tegen de Bladen, over geplaatst en door- gaans in drieën gedeeld. Het Gewas, zegt zijn Ed. heeft met den Wijfjes.Waler-Struik van Rumphius, voor welken het gezonden was, de minde gelijkheid nïet WATER-TIPÜLAÄS, zie SCHOENLAPPERS. ■ WATER TORREN, is de naam eener Geflagt van fchildvleugelig« Infekten, die door zich in 't water te onthouden, gemakkelijk van alle andere Torren oiider- fcheiden worden. Hierom noemde men denzelvén, oud. tijds, ook Hijdro-Cdhtari; 't welk vee! gepaster benaa- ming was, dan die van Dijtiscüs, welke, indien men erde S in 't midden uitlaat, een Duikelaar zou kun- nen betekenen. Bij Aristoteles waren Aj/tW ZS* Zodanige Dieren, die veel'houden van zich te dompe- len in het water, gelijk de Eendvogelen, enz. Geof- *röi'j' onderfcheidt ze, naarde figuur der Sprieten , in Hijdrophili of Waterminnaars, in Dijlici of Dompe laars, en in Gijrini of Draaijers, in *t fransch Tourni- quets, Het dompelen of duikelen is zekerlijk op déeze' katften , die zich fteeds aan de oppervlakte van 't wa- ter onthouden, niet zeer toepasfelijk. ..-.;.' ■.' : De algemeene kenmerken der Water-Torren beftaàn in de vezelagtige haairtjes aan de zijden der Agterpoo- ten, die dezelven tot zwemmen bekwaam maaken. Daar zijn evenwel Water-Torretjes, die zodanige Poo- ten niet hebben, en wegens hunne levensmanier bier t'-huis konden gebragt zijn geweest. - De vijftien zoorten', welke Likhjeus in dit Geflagt beeft, zijn door hem in drie Artikelenonderfcheiden ; naamelijk in de geenen die de Sprieten overdwars ge- bladerd of doorbladerig; die dezelven borflelagtjg, of aan 't end geknodst hebben. Deeze verfchillen bren- gen de drie gemelde Geflagten voort, van den fran- fchen Autheur. Eerste Arti kei.
Die de Sprieten doorbladerig hebben. , I. GrootezwarteWater-Tor; Dijtijcuspiceus ', Dijtifcus mtennis perfoliatis fuscis. Li jonnet.; (Dijtiscüs anten- nis perfoliatis, corpore leevipiceo acuminato. Lihm. Süß. Nat.) " , Deeze zoon mag te regt de Groete zwarte Water-
Tor genoemd worden, alzo het de gfootfte is, die wij kennen, en de koleur der Dekfchilden geheel zwart is oF.pekzwart, gelijk onze Autheur het zelve uitdrukt' Hij Is gummend zwart en vertoont zich, zelfs door het vergrootglas befchouwd zijnde, egaal glad, bijna zonder eenige pukkeltjes of ftreepen, gelijk de nevens« gaande afbeelding aantoont, die als de anderah naar 't leven is gemaakt. Drie rijen, evenwei,'van zeer kleine putjes, heeft bij op de Dekfchilden overlangs, maar zo flaàuwen oppervlakkig, dat lik het oneigen vindt, hem deswegen gegroefd ■ te noemen ; gelijk de Heer Geoffroij doet, die deez-en Water-Tor, omftreeks |
|||||||||||||||||
|
aan den Buik hebben. In het vangen van deeze Torren, M
|
ZiJ
|
||||||||||||||||
|
men zich, daar aan, ook zeer gevoelig kwetzen.
|
|||||||||||||||||
|
vliegen zomtijds uit de eene floot naar de andere; t«J
omvoedzel, 't zij om elkander op te zoeken. De pa ring gefchiedt meest aan de oppervlakte van het wate- Het Mannetje heeft daar toe, aan de Voorpooten, * kere blaadjes^ die het zelve kenbaar maaken. ËfJ[ls |
|||||||||||||||||
|
ïmffî.
jäeelte van den :V.oet is'van'gedaanteralreen'Balve
kegel, van boven gewelfd,,r.van- onderen hol, en beeft daar binnen verfeheide grpqter en kleiner wratten..- Dit drukken zij,bet Wijfje vast.op.de Dekfcbt'lden,, en ,de- wiji de rand, met-dunne haairtjes bezet zijnde, hetwa- ierde-n indrang belet, terwijl het. midden opgeligtword^ ontftaat daar uit een luchtledige ruimte; zo dat bet Man- netje, niettegenftnande de gliBberigheid der Dekfchil- den, haar vast kan houden, zo lang de;paaring duurt, die in deeze Water-Torren vrij langzaam toegaat. ,: De verandering gefchiedt bijna op de zelfde manier,
als in de andere fchildvleugelige Infekten. De Tor niaakt een nes,t, dat met een boog uitfteekende punt op't wa- ter drijft. UitdeEijeren, daar in vervat, koomen Wor- ten voort, die, «o Frisch aanmerkt, de zonderlinge 1 eigenfcbap hebben van hunne zes.Pootenop de Rug te draagen; doch daar in is,hij bedroogen geweest,'door J iet vreemd ppftuur dat zij doorgaans.maaken. Zij hebr ben Pootes van onderen als de anderen. Hun Lijf ■, | zvvartagtig bruin , beftaat uit meer dan twaalf ringen, en | is in 't midden dik en rond, aan, 't Staartend dun, met : een-platten. Kop, die nijpers heeft, tot het vangen van andere water-Infekten.' Deeze Maskers zijn week en I flijmerig,, zelfs weeker dan de, K wat wonnen- Eenige ! ademhaaling of ververiching van lucht hebben zij noo- I dig, begeevende zich, tot dien einde, naar de opper- vlakte van het water. Ook kunnen zij daar buiten, lee- ; ven; want tot hunne volle grootte, .dat is:, tot twee I en een half duim langte gekomen zijnde, kruipen zij op het drópge en verbergen zich inde aarde jzomtijds, zo zij daar gelegenheid toe: hebben, .ondereene plag van |
||||||||||||
|
WAT.
|
||||||||||||
|
4099
|
||||||||||||
|
YCïfpreid;-bezet zijn. s,Dit is. naàuwlijks mêthefblooîe
:o,ogUe:zien'. Ook beeft deöze, zegt bij, geen zolange punt. aan liet Bprstftuk", en. de, Sprieten ; zó wel als de -Proevertjes', die in degroote JVatèr-Tor bruin waren, zijn in deeze zwart. . . " . r : . r ". Wij hebben, in ons land, ook dèeze zoort vanWa-
ter.rwffi, die tot zwemmen niet zo bekwaam, endaar in.ook zo vlug niet zijn als de groote; doch het Mas- ker, waar zij uit voortkomen, heeft, in tegendeel, daar toe, veel grooter gefcblktbeid, dan het Masker van de. zelven; ais zijnde op ieder zijde, bijna aan alle ringen van het Lijf î voorzien met vederagtige Vinnen, die vrij veel uitfteeken.; In't eerst is deeze Worm donkerbruin doch wordt op 't laatst zeer bleek van koleur, met den Kop geel. Zijne langte is niet veel meer dan één duim De verandering verfchilt weinig van die van den eerst- gemeldçn. , , III. Bruinpootige Water-Tor; Dijtiscus fufcipes; (Dij.
tissus antennis perfoiiatis, elijtris ßriatismargine lividisi pedibusfuscis.LïNN.Faun.Sueci) s;; - Deeze zoort, die Wein is, heeft de Heer de Geer
■in Sweeden waargenomen. Omftreeks Parijs vondtmen behalven een digt geflippeid zwart Water-Torretje, van maar een zesde duims, en een vaal, van die zelfde lang- te, een geftreept zwart, het welk de Heer Geofïhoij tot deeze zoort betrekt, zijnde omtrent een derde duim lang.. Wij hebben hier ook verfcheiderleij kleine Wa- ter-Torretjes. Tweede Artikel. .
|
||||||||||||
|
; koemest of andere drek, en maaken daar een bolletje,
tot de verandering. Het is, .naamelijk, ligt te begrh> | pen, dat er'een aanmerkelijke tijd verloopen moet eer zulk eene weeke zelfftandigbeid overgaa, tot de fch.ulp- agtige hardheid der Torre«, en dat daar toe;eene op- dropging vereiscnt worde, welke onder water geen plaats 20u kunnen hebben. In die holletjes leeven zijeenigen tijd, in 't midden van den fomer,. en-verweeren zich met de Staart, wanneer men ze ontrust, of beuren het Lijf om hoog , even als of zij vergramd waren. Ook - geeven zij, nog meer geplaagd wordende, tot het end van de Staart een ftinkend zwart vogt uit;.'t welkmoog- lijk dient, om andere Infekten af te weeren. De Worm wordt langs hoe korter en dikker, tot, dat eindelijk het v_el open barst, en. de Pop uit het' zelve voortkomt, die in, 't eerst, blank is, en reeds de meefte ledemaa- ten,, Sprieten,-Pooten, Vleugelen van de Tor ver- loont. -, il. Kleine zwarte Water Tor; Dijtiscus caraloides ; Dij-
tiscus antennis perfeliati:r, nigris, elijtris lavibus. Roes. ■*jP"S {Dijtiscus antennis perfoiiatis, corpore glabro ßriis tiwottecurvis Link, Sijfl. Nat.)' '. ' De Kleine zwarte noemt men deezen, in tegenftelling
vsn den voorgaanden. Hij is nog niet half zo lang, en We'nig langer dan een half duim. Zijn geftalte zweemt veel meer naar die der Torren ; weshalve LinnjEus er den bijnaam van Caraboi'des , dat is , Aard-Toragtig, aangeeft; want hij is van agteren zo fpits niet en loopt naar de rug toe ronder. Dit deedtRoESEL hembefcbrij- 'e" onder den naam van de zwarte Water-Tor, van mid- welbaare grootte, met eene rond verhevene oppervlak- e- Geoffroij onderfcheidt hem van, den,voorgaanden, «°-°r dien de Dekfchilden niet gegroefd, maar met ftip- %?? njën gepJaatst, en aan den rand onregelmaatig
ril Deel. |
Die borfielagtige Sprieten hebben, ■.
IV. Zeer breede Water-Tor ; Dijtiscus latisßmus ; (Dij- tiscus niger, eljjtrorum marginibus dilatatis linea flava. Li NN. Faun. Snee. : Deeze, die men in Sweeden gevonden-heeft, is noch
in Denemarken, noch in Vrankrijk, omftreeks Parijs^ noch inKaïmiolie, waargenomen. Wij hebben hem* ;in de Nederlanden , ook niet gevonden. Hij wordt in de jVerhandelingnn der Sociëteit van Upfal genoemd; Zeer groote Water- Tor, met uitfteekende randen aan de Dekfchilden. Ook merkt Linmus aan, dat het de grootile zij van de Water-Torren 'm zijn land. De af- beelding van Fkïsch ,. die er in Duitschland heeft gevon- den , geeft aan deeze zoort nagenoeg.de zelfde langte en veel meer breedte dan aan den grooten zwarten; Zie hier, wat hij omtrent deeze Torren waargenomen heefr. ,1 In geftalte; zijn dezslven van de anderen meer-, ver- fchillende dan in,grootte. Want, hoewel de eerstge« melden ook cenigermaate gerand zijn, hebben deeze een gansch breeden-zoom aan de Dekfchilden, langs welken heen ,aan de binnenzijde, een geele ftreep loopt. Voorts is het Borstftuk en de Kop ook, omtrent als inde volgende, geel gerand. Het geele, tegen 't licht ge>- houden, is doorfchijnende; het zwarte .niét; De fpits, aap 't Borstftuk, is vorkswijzetweepuntig, en vertoont een dergelijk verfchil, als men in't dolkswijs kraak- been j onder aan het borstbeen der Menfchen, zomtijds waarneemt. De Sprieten verfchillen zeer, enzijnbor- ftelagtig.met tienleedjes, naar die der Bok Torren zwee- mende. De Blaadjes of Sponsjes , dienende om .zich vast te .houden , zitten, in de Mannetjes vandeeze zoort, niet, gelijk in degroote zwarte, bij de.Klaau- wen, maar hooger en aan het gewricht vanden Schenkel met den Voet,: ,>■,■■-. ' Vv- De
|
|||||||||||
|
WAT;
|
|||||||||||
|
WAT.
|
|||||||||||
|
4100
|
|||||||||||
|
verfchillen van de bruine of zwartagtige meest, door.
dien het Lijf van voören en van agteren wat fpitzer e» van onderen geelagtig, niet gemarmerd is met zwarte ftreepjes. Het Reest, daar zij van komen, heeft aan de Staart ook geen'dubbelde maar een enkele punt, en is langer, zijnde van koleur bruinagtig geel over 't ge, heele Lijf, met een breede geelè ftreep langs de Ru?, Ook heeft deeze zoort de Zwempooten veel breederge! haaird, en fchijnt dus meer tot zwemmen gefchikt te zijn. De kusfentjes aan de Vóorpooten hebben in de Mannetjes eveneens als in de voorige plaats, en zijn rriet twee fcherpe fpitfen, in't buigen of lid, voorzien; doch, het Wijfje is niet gerand, gelijk in de andere geel I gerande. VI. Geflreepte Water-Tor; Dijtiscusflnatus; (Dijfy.
tus fuscus, elijtris transverfefubtilisflme flriatis. Lis«. Sijfl. Nat.) Deeze die van een middelbaare grootte is.komtmenigvüldiginSweden voor. Men kan de ftreep. jes die het op de Dekfchilden heeft, naauwlijks met het bloote oog zien. VII. Bruine Water Tor ; Dijtiscus fuscus; Dijtiscut
elijtris transverfe Jubflriatis. Linn. Sijfl. Nat. Deeze fchijnt naauwlijks van den voorgaanden te verfchillen, VIII. Graauwagtige Water-Tor; Dijtiscus cinemir,
Dijtiscus cinereus, elijtrorum margine thoracisque médita- teflavis. Linn. Faun. Suec. Deeze is naauwlijks half zo groot als de bruine ofgro»-
ne met geele randen, reeds befchreeven. Het Masker of Beest, waar deeze Water-Tor uit voort»
komt, verfcbilt ook van die der voorgaande niet alleen 'ingrootte en koleur, maar inzonderheid in degellalte, Het heeft, naamelijk, een zeer langen 'Hals,- de Kopif niet rond, maar eenigermaate hartvormig,- en het Lijf zweemt meer naar dàt van 't Masker der groóte zwarte Water-Torren, zijnde egter maar een duim lang,en van. koleur eenigermaate ascbgraauw, doch bruiner buiten dan in het water, met een donkere ftreep op 't midden van de Rug en aan de zijden. De verandering fchijnt veel met die der voorgaanden overeen te komen. Men vindt deeze Water-Torren ruim zo veel in de Vijvers en Rivieren als de anderen, en zij zijn ook hier te lande zeldzaam. IX. Half geflreepte Water-Tor i Dijtiscus femiflrktis;
Hijdrocantharûs elijtris flriatis f. canaliculatis. Raj. H< 94, Bi.'; (Dijtiscusfuscus, elijtris faminte julcis diiniiw tis decemvillofls. Linn. Sijfl. Nat.) De Heer Linnäus maakt, dat zonderling is, /»IS
eèn bijzondere zoort van het Wijfje van den bruinen geel geranden, alzo hij.'tzelve uit Roesel aanhaalt; doen die groef jes, waar van hij fpreekt, zijn in de figuur vrij veel langer dan halve. Ik beken, dat men ze in de af- beelding van Fbisch zodanig vindt, die ook meldt,« deeze lorren van onderen zwart zijn. Hij noemt 2e een kleiner zoort, ten opzigt vah de allergrootften; en de Heer GioFFKorj heeft,omftreeks Parijs, zodanigen gevonden, daar de groefjes of ribben ook niet aan ac- teren toe liepen ; zijnde de Tor meer dan een dm® hng. ' - ■ X. Geribde Water-Tor; Dijtiscusfulcatus; H¥rBf',
tharus minor, corpore rotundato plano. Raj. ty- ^ j' (Dijtiscus elijtris fulcis decem longitudinalihus. LJ« Faun. Suec.) Veel kleiner, merkt de HeerLiK»^* aan, is deeze dan de voorgaande zoort, en niette was de afbeelding van Roesel , die ze even groot ne« » door hem. aangehaalt, zorwel als die Water-Tor, |
|||||||||||
|
Dé Natuur heeft alle Schepzeleri ; *o veel ons be*
kend is; voorzien met Werktuigen; welke hun in ftaat ftellen tot de oogmerken, waar toe zij van den Schep- per zijn gefchikt. Deeze Water-Torren , die in 't -bij* zonder tot-verfh'nding dienen moeften, hadden eenfter« ker vasthouding nöodig, dan anderen. Gemelde Au- theur nam waar, dat zulk een Tor, zich met de Voor- pooten loodregt aan den. wand van 't glas vastzettende, in dat pofluur ftierf en er dood aan bleef zitten. De zuiging wordt door hem .vergeleeken bij die van een leer- tje, waar mede de jongens fteçnen uit den grond ligten. Zekerlijk zujlen die Werktuigen den Tor in de paaring . ook behulpzaam zijn ; doch weike gebruikt dan, zou men vraagen. mogen ,, het Wijfje tot het vatten van baa- se prooij. Ongemeen roofzugtig en verlTindende van aart is deeze
70ort van Water-Torren. Hij vrat niet alleen de inge- wanden uit den buik van dën grooten zwarten, die in 't zelfde glas was, maar verfcheurde' ook zijn eigen Wijf. Aan Krengen van haafrige Dieren, die op't wa. ter drijven, hecht hij zich, als die door 't afgaan van feaair glad geworden zijn, en vreet daar van. Verfchei* de zodanige Torren wisten op. de reuk het Kreng Ce vin- den van een Hond, die in een water, eenige honderd fchreeden van hun, lag. In 't vliegen zijn zij zeer vlug, en maaken weinig of geen geluid , doch geeven, wan> neer men ze buiten 't water in de hand houdt, een droppeltje witagtig vogc uit» dat veel meer ftinkt, dan het bruine van de anderen. V. Water-Tarmet gsele-randen; Dijtiscus matginatts;
^Dijtiscus- niger, tharace elijtrorumque margine flavfc. J^IKN. Faun. Suec. Dèeze zoort is vrij algemeen bekend' én wordt door
RoESKiy, in't bijzonder, zeer omftandig befcbrèeven éri niet minder, fraaij afgebeeld, die ook uitdrukkelijk eene omft'aiidigheid aangeweezen heeft, waar van Linnéeus geen gewag maakt,-, te weetert, dat de Dekfchilden van het Wijfje taamelijk diep in de langte gevoerd of geribd zijm, Be Heer Gronövius, die maar den grooten zwarten en déezen fchijnt gekend te hebben, verwart déezen menden voorgaanden, - Wij kunnen hier opmerken, dat deeze Infekten, zo
wel als her Haft, eenigermaate in drie elementen lee'ven. Het Wijfje legt de Eijeren in 't water, die op den grond zinken , en waar uit gemelde Beesten voortkomen, die im 't water, leeven, zwemmen en hun aas zoeken ; dan kruipen zij op 't land, en worden in de aarde een Pop, die een; Tor uitlevert, welke in de lucht kan vliegen. Deeze Torren, honger hebbende, vreeten elkander op; weshalve men ze in bijzondere glazen moet houden. Dit doen de zwarte, die ongerand en een weiniggrooter zijni als gemeld is, insgelijks. De Wormen van de ee- ne zo wel als van de andere zoort, ja de Torren zelf, worden veel van de viscb verflojjden. Zij komen meest 'in Rivieren, Vijvers of andere heldere wateren, vooj. 't Schijnt dat in de Water- Torren, gelijk ik reeds aan.
gemerkt beb-, meer verfchil zij in bijzondere deelen van Europa, dan in de Land-Infekten. OmftreekS Parijs, ofelders fchijnt deeze niet gevonden te zijn, welke wij in ons land menigvuldig hebben; immers niet volkomen eveneens. Ook vind ik nergens, zelfs niet bij Lrwiweus, gewag gemaakt, van dien groenen of groenagtigen .wel- ken Robsel op Tab. II. afbeeldt, zijnde aan den rand ook eenigermaate geel geftreept, en nagenoeg even groot als, déesse. Die groene hebben wij ook in ons land. Zij |
|||||||||||
|
r~~~"
|
|||||||||||||||
|
WAT,
|
|||||||||||||||
|
4T0t
|
|||||||||||||||
|
n »«g ocder de zeldzaamften van ons land geteld wor.
den. Het is glad en glimmend zwart als een git, met Î, de Pooten alleenlijk geel. De Dekfchilden hebben fijne ftreepen, die uit kleine ftippeltjesbeftaan, welke niet dan door het vergrootglas zigtbaar zijn. De eer- ,, fte bijzonderheid van dit Infekt is, dat het vier Oo- ,. gen heeft, twee boven , op degewoone plaats; twee laager en een weinig meer naar agtéren toe; altemaai ,, groot en zeer blijkbaar. De andere bijzonderheid is, ii darmen, op het agterfte gedeelte der Dekfchilden, kleine uitpuilingen ziet, op fteeltjes ftaande, die er ,, ligtelijk afgaan, als het Diertje dood is ; men moet ze daar op zoeken als het leeft. De derde beftaat ia de gedaante der Pooten, der agterfte inzonderheid; « die kort en zwaar zijn, platen breed; touweramen ?, zeer bekwaam. Het heeft de Sprieten vrij dik,kort, ftijf, digt en geringd, zo lang niet als den Kop, en met een bijhangzel aan den wortel, op zijde ". XV. Toragtige Water-Tor i Dijtiscus fcarabsaides j
(Dijtiscus ovalis cowéxus aier Icevijjimus, antennis fi- Hformibus triattkulatis. Roes. Inj. II.) Daar zoude dus Water-Torren in ons waereldsdeel zijn, die met de tweede zoort, in geftalte, grootte en koleur, overeen- kwamen, en alleenlijk door de knodsagtigheid der Sprie- ten verfchillen; aangezien de zelfde riguuren van Roe- "sel, door LiNJxmvs, worden aangehaald. Van deeze, ondertusfchen, maakt bij geen gewag in de befchrijving derSweedfcbe Dieren. WATER-UILTJES. Den raaam van Water-Uiltjes,
(zegt de Heer M. Houttuin) geef ik aan de Infekten van dit Geflagt, om dat zij uit het Water geboren wor- den en de gedaante van Uiltjes, ofwel allermeest die van Met-Viltjes hebben; weshalve zommigen haar Schie- ters noemen. De HeerREAUMUR' hadtzeMouches-Papi* lionacées of Kapel-agtige-Vliegen gedjteld. Linnäus geeft er den Geflagtnaam aan van Phrijganea; welke thans, in 't fransen, met la Frigane word nagevolgd. Het Pftrij- ganeum van Bellonlus, in 't fransen la Charréegenaamd, was een Wormpje, naar een Rups gelijkende, zittende in een kokertje van'brokjes ftroo of hout zamengefteld, en met draaden aan malkander gehecht, .door middel van welken het in't water dreef, wordende gretig van de Fo- rellen verflphden, en van de'Hengelaars ook tot Aas ge- bruikt. Dit komt, vrij wel, met de eigenfehappen van onze Water-Uiltjes overeen. In 't hoogduitscb noemt menze zomtijds ook wel Frühling;-, dat is Voorjaars- Vliegen.' ■ ' De Maskers van deeze Infekten gelijken eenigermaai
të naar die der Libellen. Zij zijn, naamelijk, lang van. Lijf, en beftaan uit verfebeide Ringen of Leden, met een boornagtige Kop, digt agter welken zij, aan het Borst» ftuk, zes Pooten hebben. De Kop is gewapend met twee fterke Nijpers, die breed zijn aan hetend, daar zij el- kander raaken, en tot fnijden zeer bekwaam. De Bek is geplaatst in de holligheid van een zoort van hoornagti. gen^Helm, wiens bovenfte gedeelte de Bovenlip for- meert, terwijl het ondèrfte gedeelte uit drie deelen za. mengefteld is, die de figuur hebben van omgekeerde ke- geltjes, bijna gelijkerwijs dit in de Rups plaats heeft. Ook is dit Infekt met een SpiBgaatje of Spintufg voorzien, daar het gebruik van maaktom de draaden te fpinnen, met Welken het zijn kokertje zamenhecht en van binnen bekleed. Agter.den Kop telt men twaajf ringen of leden, waar-
van de drie eefjten het Borstftuk uitmaajien. Van ds? |
|||||||||||||||
|
ItenRiiJ noemt de kleine, met het Lijf rondagtig en
|
|||||||||||||||
|
De voorgemelde heeft het Lijf ook platagtig en
|
|||||||||||||||
|
plat.
|
|||||||||||||||
|
eenigermaate geel gezoomd
Doktor Scopoli vondt, in Karniolie, Water-Torren
van middelbaare grootte, die van de agtfte zoort ver- fchilden» door dien zij de Dekfchilden bruinrood, met »warte flippen hadden ; weshalve hij die zoort de Ge- hippelde tijtelt. In dezelve wàs het Wijfje ook geribd, hebbende vier verheven ftreepen op de Dekfchilden, en ie ruimten t daar tüsfchen baairig. Zij zijn inde Poe« jen of Meiren, aldaar, niet ongemeen. XI. Roodkoppige Water-Tor; Dijtiscus érijtrocephalus;
[Dijtiscusovato-ob'longus niger, capite pedibusqne rufis. ii'jöf. Faun. Suec.) , Dit Torretje, dat: zeer vlug is, onthoudt zich inde ftaande wateren. Het heeft maar de grootte van een rijstzaadje. Daar zijn, in Sweeden, nog twee Water-Torretjes
ontdekt, beiden zwart en glad, en kleiner dan deeze zoort. Het eene heeft twee witagtigé ftreepjes op zifde yan de Dekfchilden. Het andere, dat naauwlijks groo- ter is dan een Weegluis, heeft de Sprieten, Pooten, en den buitenrand der Dekfchilden , roestkoleurig. XII. Gevlakte Water-Tor ; Dijtiscus maculatus, (Dij-
tiscus ovatus niger, thorace nigro fafcia pallida, elijtris tlio'maculatis. Uddm. DiJJ. 43. Het Lijf van dit Water-. Totretji heeft de grootte van een' Konkommèr-zaadje. Hij is, onder de kleinen alleen, door den Heer Grono- vius, als in onze Graften of Slooten en Rivieren voor- komende, aangetekend. ' XIII. Klein Water-Torretje; Dijtiscus minutus; (Dij-
tiscus elijtrisfuscis baß lateribusque pallidis, thoraceflavo hmaculato. Linn. Sijfl. Nat,) Dit Torretje behoor- de naauwlijks dien bijnaam te voeren ; dewijl het grooter Is dan de elfde zoort. Het.heeft de Dekfchiid«] met naauwlijks zigtbaare flippen befprengd. Doktor Scopoli vondt een WaieuTorrstjt, dat hij,
net reden, zeer klein noemt, in de Poelen van Kar- niolie overvloedig. Het geleek veel naar een Goud. haantje, zijnde naauwlijks een linie laijg en zwart van koleur. _i. -' Derde Artikel.
Die de Sprieten knodsagtig hebben.
XIV. Draaijér; Dijtiscus natator; Scarabieusaquaticüs
JulntUndus, e carulea viridi fpleniente undique tinQus. ft*J' 87. n. g.;'(Dijtiscus ovatus glaber, antennis capite irevitrUus ebtußs. Linn. Faun. Suec. Gevoeglijker Jan men dit Draaijér noemen, dan Zwemmer,, dewijl «et deeze eigenfchap mét de anderen gemeen, en die bijzonder heeft, van op het water aartige cirkels' te be- jchrijven, terwijl het langs de oppervlakte, zeer vlug, ">°pt; zodanig dat men veel moeite heeft om het te van- gen; want het duikt fchielijk weg. De Heer Geof. *koij brengt dit, als de eenigfte zoort, te voorfchijn in een Geflagt, waai- aan hij den naam van Cijrinus, in 't «ansch Tourniquet, geeft. Zommigen hebben bet de iVatervloo genoemd, en de Smallanders heeten het Wat- «n-Bagg-e. Roesel heeft het ook befchreeven, ende »eer Kalm vondt dit Infekt in Amerika. In Karniolie is net koperig bruin, en niet zwart, gelijk men bet in tweeden, bij ons, en omftreeks Parijs, vindt. Zie ««de befchrijving, welke gemelde Franschman daar »an geeft. »■ Dit klein Diertje, omtrent een vijfde duims lang,
|
|||||||||||||||
|
WAT.
|
||||||||||
|
WAT.
twee kleine Hoorntjes * welkebaar,. roisfebien, even als
luchtftippen dienen, om de lucht in te laaten", en van . vooreri twee kleine Haakjes.? Deeze laatften aiaaken et een.zport van Bek. aan , het welk den Kop.van de Pop eenigermaate doet gelijken na'ar eenVogels-Kop. Deeze Haakjes zijn aan de Pop dienftig, om zich een weg te baanen door de. diaaden heen, die de opening van de Scheede fluiten, en, na verloop van eenige dagen, of wecken, het Infekt te dqeo verfchijnenin zijn volmaak- te -ftaat, ..;.-. ', ; , De Kenmerkender Water Uiltjes beftaan voornaame.
lijk in ds figuur en plaatzing der Wieken, die niet bo- rifontaal leggen of op ftaàn .".gelijk in 'deJuffers en het Haft, wanneer zij ftii zitten ; maar, langs de zijden van het Lighaam agterwaards geftrekt en van boven daksvvij. ze zainengevoegd, aan 't agter-end verhevener, bijna de geSalteformeeren^van de'Mot-Uiltjes en eenige an. àeie-Nagtkapelkn. , De randen der b-ovenfte Wieken zijn omgeboogen, en maaken,. met het overige vande Wiek, een regten hoek,, boven op het Lijf. Deeze Wieken zijn doorfchijnende,- en met eenigerleij koleurengete- kend. De-onderfte zijn gemeenlijk doorfchijnende, en .leggen, als het Uiltje zit, onder de bovenften tezamen geplooid. . De Bek heeft geen Nijpers, maar een klein Snuitje, of Zuiger, van-vier Baardjes.omringd; de twee bovenften langer, de.twee onderften korter. Bijna alis dé zoor ten hebben de Sprieten lang, ja zommigen. lan- ger dan het Lighaam ; zij beftaan veeltijds uit Ringetjes, die bsurtlings wit en'bruin zijri., In bijna alle deezeln- fekten zijn de koleuren donker en niet.zeer fraaij, dog ine.enigen niet onaartig.gemengeld of ooit met vlakjes ge- tekend. .,-'■ , Zeventien zoorten geeft LraN^us op van dit Geflagt,
dieaitemaalin Europa waargenomen zijn, en waarbij zijn Éd., in de befebrijving der Sweedfche Dieren, nog.ee- nige,nieuwen gevoegd beeft; zo dat hét getal der zoor- ten, in' Swèeden waargenomen, thans drie-en-twintigis, G.EOFFRoy beeft er, Omftreeks Parijs, twaalf gevonden, 't welk met de Wa'tervliegen , door hem,, om dat zij twee Borfteltjés of Draadjes aan de Staart hebben, daarvan afgezonderd, zestien zoorten uitmaakt. Zeventien zoor- ten van dit Geflagt heeft. Doktor Scofoli in Karniolie ontdekt. ' De Heer Grokoviüs tekent maar drie zoorten van Water-Uiltjes aan, onder die van ons Land. Ziehier deeerstgemeldenagtereen. . : , v !.. Kapelagtig Water-Uiltje; Ptirijgaweaphalènmin\
Phrijganea nigra,, alis albo-.palHdis , maculis plurhnis. ni- gris., Uddm Diff. 53. ; (Phrijganea nigra , : alis albi'dih maçulis nigrisftqrfis. Link. Sifjl,. Nat.) _ Dsezezoort de grootfte en aanzienlijkfte va"h de geeneii, die raen m Europa vindt, is door Hddwann, bij Abo en elders, in Finland, waargenomen. Zij heeft de Sprieten halt zo lang als het Lijf, dat-zwart is, endebovenftè Wiek£fl> als gemeld is, dog de onderften wit, van agteren zwart gebandeerd.. . ..: H. Geflreept Water-Uiltje ; Phnjgaiiea.ftriata\(Pl>rt>'
gansa nigra, alis teßaeeis nerve/o jlriatis. Lin.n- P^J1"' Suec, 'fr- De Heer Reaumujj geeft een zeer oinitan- dige.befçhrijving en uitvoerige 'afbeeldingen van '^..^.^ ter-Motten, uit welken deezezoorx van uiltjes of icni * ters voortkomt; als de gemeenden van allen m }.ran,e' rijk-, of - daar hii zich-bevondt, zijnde., Men vin,' Maskers, zegt hij, in Beeken,.daar de loop van tw tér tiet (Bei is; in Meiren of Poelen; om &ort,tefJ1.tea. wateren,- daar. Planten in.het. midden of amdê K'-h[ |
||||||||||
|
4ïOï
|
||||||||||
|
Pooten zijnde twee .voorften, aan den eefften-Ring,
de kleinften, en de twéeagterften, aan den derden Ring, de groöiften of langden. De twee voorsfte Ringen zijn hoorn agtig van zelûlandigbeid, dog de derde nien. .Deç- - ze is geelagtig en mee bruine vlakjes geftippeld.. De vol- gende is,: bovendien, aanmerkelijk door drie Knobbel tjes of Tepeitjes, welke men eraan waarneemt, en wier gebruik moeijelijk is te bepaa'eq. De volgende Ringen verfchillen, in : gedaante, weinig. :■' Zij hebben ieder, pp zijde, een bosje van wit haairy; hetfWelk fjerlijke Ai- gretten maakf, die eenigzints>geiijken-!haa.r de Kieuwen der Visfchen. Buiten «nbehaisre deeze draadén,, beeft het Infekt eenige haairen-i' inzonderheid* aap den Kop en Staart. De iaatfte Ring, .ofhet laatfté.Lid.., is opmer- kelijk wegens twee hoornagtige , zeer fterke Haakjes, welken hét Jnfekt' dienen om zich vast te haaken en te hechten.aan zijne, Scheede. - : ; na -.-^ Reaumur; betrekt deeze:UiItj.es tot-de Water-Motten,
gelijk hij de Maskers ttoemt, :; en,* inderdaad, deeze, ge. lijkenis is niet ver gezógt. Zij ;wooj]en, naarnelijk , .in een Koker of Scheede, gelijkerwijs de'Motten , en dee- ze Scheede,. van fpinzel of zijde, : die het;Masker ge- fponnen beeft., ge.tna.akt, is rondom met .brokjes jhqut, riet, gras, ja ook met- fandkorrels en fchulpjesrof flak- hoorntjes bekleed. Deeze ftoffen, waarvan de meesten ligter dan het water zijn i tnaaken dat het Be.est de Schee. ,devjn;hèt.water, overal kan voeren. , Het loopt met.zij- ne zes Pooten ; waar van de agteiften:, dielangerdande anderen- zijn, zich^fa.uitêndén Koker ye/tponen en wer- ken kunnen,. rJiettege.pft'aaride de.tweeyoorfte Ringen, alleen, maar daarbuiten uitfteeken.: Niets is grappiger, dan. her Jnfekt dus- in. 't water ;te zien Joppen met zijn huisje, het welk zomwijlen zich als een festonnetje ver- toont van kruid en boomtjes,* in eenigen. van welken jsog iee.vende Diertjes zijn.. . ., ; . Deeze V/atn-Motten boaden: zich,. alleenlijk , rneç
de-fcwee gedagte- Haakjes aan baare Scbeedeh,- dog. zo vast, dat men ze moeijelijk daar uit kan krijgen ..zonder ze te kwetzen; Jndienmen, nogthans, daartoe komt, enden ledigen Koker daar nevens legt;», kruipt het Mas- ker door het open end in, metdenKop vooruit, en, zich vervolgens omgedraaid bebbendein.deSche.ede, doet het, wederom, den Kop aan't voorend uitkomen." Maar, in- dien het dé Scheede, na daar uit gehaald te zijn, niet Wederv.indt, maakten fpint heC.een niéuwe, in.-welker zamenftelling :Op nieuws dergelijk e ftoffen komen.. De Scheede, naamelijk, heeft bet noodig, tot befchenning van' zijn Lighaam, bet welk teder, enrweék ;is, voor den aanval van.: andere Water-InCekt-en.. Zelf febijnt het voornaamélijk te aazen op Water-Planten. Tot de verandering gereed zijnde, maakt dit Masker
zijne'Scheede, eerst, niet eenige draaden vast aan een ig lighaam ;. dan. fluit bet.de. opening met dikke, draaden, die^watuvan elkander; af zijn,, hetwelk een zoort van jooster maaktv dóor.-welken het. vyater, vrijelijkkan.pas- feeren,! dog.die den.toegangt.belet aaade, meeste andere In/ekt-èn.- Hier verander: de Water-Mat, door-afleggin- get van baare Huid, ineen Pop,; die groot en, langwer- pig- is,, van-koletir een weinig-.uitden citroengeel.an wit- jagtig- Men kan, in daeze Pop, zçer duidelijk alle dé Jighaamsdeelen onderfcheiden ,. welken het volmaakte Jnfekt., dat) ej uit. vQO.rt;zal 'komen, hebben moet. Zij is,, bovendien, even als het;Masker, met haairkwasV tjes- op; den' Buik- verflerd:,; Maarts buiten enbehalven deeze; deejen,: beeft.de Pop,, van.aderen aanden Kog, |
||||||||||
|
_ _,---------
|
||||||||
|
-,- WAT.
groeijen; want zij hebben «dezel véri noodtgiom te leeven
en: te groeijen; dewijl zij 'de Bladen daar van. eeten. Men heeftze, in'tlatijn, Ligniperd, ,in 't griekscn gijtoplttharoi genoemd, als of zij het bout vergruisden; dog zij gebruiken er alleenlijk brokjes van,. tot het beklee- den van hunne Scheede. ' Veeltijds nèemen zij, daar toe, ook Blaadjes, Schulpjes en andere ftofFen , gelijk wij op. gemerkt hebben, en dit laatfte is toepasfelijk op de zoor- ten; van diröeflagt, in 't algemeen. :i,issNMüs zegt, dat deeze zich in flijkerige wegen onthoudt, en de. gedaante van een groote Nagtkapel heeft. pe Sprieten zijn voorwaards geftrekt en zo lang als 't Lijf; de Wieken groot, breed,, hruinagtig tegelrood, met aderen, die een weinig takkigzijn, geftreept; heb- bende de boven Wiek, naar agtèren toe, een witte Stip. Het, Lijf is bruin.- Geoffroij geeft er de langte van elf lijnen, dat bijna een duim is, aan ; Doktor Scopoli de langte van zeven lijnen, dat is ruim een half duim.- .Men ontmoet ze, zegt deeze, bij de waterleidingen." Een nieuwe zoort, van middelbaare grootte, in Swe-
den ontdekt, heeft de bovenfte Wieken, eenigermaate roestkoleurig, met zwarte aderen, overdwars, netswij- ze doorwerkt, en aan den A ars hoek een zwarte vlak; de onderften van dergelijken grondkoleur, meteen band; aan den agterrand zwartagtig door fpitfe zamenvloeijen- de vlakken. .- ■■. :-ll\, Graaitw flater-Uiltje', Phrijganea grifea; (Pkrij*
gmea grifea, alis.fupèrioribus nebulofis_,maculamarginali nigra,. Link. Faun. Suec). .-------Van deeze zoort heeft
de Heer Houttuijn eens verfcheidene tusfchen Muiden
en Muiderberg, aan' een fchuur zittende, gevonden. Zij zijn van middelmaatige grootte; en de witte tekening in het graauw der Wieken, benevens een zwarte vlak die aan ieder rand van dezelve zit, geeft er geen onaar« iigevertooning aan. -.> ,r..-. - ,< ■ ■ ,■ IV, Groot Water-Uiltje; Phrijganea grandis; (Pltrij-
Ittitaalis cinerea teflaceis, lineolis duabus longitudina- litus nigtis puntto aibo. Linn. Faun. Suec.) ------
Deeze zoort is in onze Provinciën gemeener datr de
voorgaande., 't welk niet te verwonderen.zal zijn, wan- neer men aanmerkt, dat het Masker van. dezelve, ge- lijk Roesel aantekent, méerin-ftilftaande dan in fnel »toornende wateren gevonden 'worde. Hij noemt .het eene Water-Rups, zo. wegens.de grootte,~als wegens de gélialte. REAUMUBjdie dit-vooreen der grootfte. Wa- M-Motten hieldt',,-■ vondt b.et in'een'Poel of Moeras van 't Bois de Bologne, nabij Parijs. De Moeras was Met eicken-Boomen omringd, en deswegen waren ook. Waden daarvan in 't water gevallen ; tegen één van welken die Water-R ups zich haar h'uisie hadtgemaakt, dat ten deeleuit brokjes'Van bladeren , kruiswijze omgewon- °en, ten deele uit kleine vezeltjes van kruiden, was ^mengefteld, Zonimigen hadden welde langte van twee of derdehalf duim. Volgens Roesel. maakenzij haare huisjes, of kokertjes.' meest-vaDfc'eine fpaandenjts van hout.-. . . ." ...De Heer van Dieden heeft mij eenige bijzondere
waarneemingen, omtrent deeze groote zoort van'lVater* whjes/, medegedeelc. " Het Masker, zegt zijn Ed., dat n meest in ftilftaande, vooral in zoete wateren, gevon- M*den word:, heeft de langte, doorgaans van een duim n of- meer-, en de dikte van een i.abaksp:;pjfteel. Het n is fraaij.groen van koleur, en- met. zes Pootte voor. (. zien; weÏKer voorden-zeer kou. doch de' twee an- .uere. paaren veelgrooter zijn; . inzonderheid .bet.äerde. |
||||||||
|
" of agterfte het labgfte. Da Kop is' eenigzins hoorn.«
agtig, en heeft twee fcberpfnijdende Nijpers, waar " jjiede het, even als de Rupfen, de fleelen en bladen " der Planten, zeer vaardig, weet af te knaagen. Van " 4e negen ringen of leden,' waar uit het Lijf, agter " het Borstftuk, beftaat, is de- voorfte bezet met drie " tepelagdge uitfteekzeltjes, en aan de zijden der agt " overigen zijn kwastjes van wit haair. " Eenigen van deeze WatefRupfen, voorzigtig, en
" zonder ze te kwetzen, uit haare kokertjes gehaald " hebbende, deed ik die, bij elkander, in eeri glas met " water, waar in fleelen van Planten, ftukjes hout en " kleine fteeltjes lagen. Wel haast zag-ik, dat deeze " nu naakte Wormen weder andere wooningen voor zich " gingen fabriceeren. Zij begonnen met fteeltjes en " ftukjes hout af te knabbelen, en een bodempje, van " grootte als een erwt, toe te fteilen. Op dit fonda» " ment bouwden z*j voort, allengs in de rondte opgaan- " de en de bouwftoffen op elkander ftapelende, tot dat " het huisje zijne grootte hadt, blijvende van binnen " hol en open. Vervolgens werdt, door hun, de bui? " tenkant onderzogt, en' hier en daar een ftu-kje, met 't eenig fpinzel, daar aan vastgemaakt. Dit gedaan zijn- " de, -kroop het Masker in het kokertje, om de wanden "te bekleeden meteen zijdagtig glinfterend geweefzel. " Vervolgens zag ik, dat het Beest, zich omgekeerd " hebbende, het huisje mét zich voerde. Zommigenbe- " fteedden, aan deezen arbeid, flegts drie of vier da* "gen. ' / : ' - v : -■"''.'."■ " Om de verandering van deeze Infekten nategaanj
" deedt ik., in maart, mij 'eenige kokertjes brengen. -Ik " plaatste die in glazen vol gtaftwater, met eenige wa> " terplanten en kroos. Zij maakten dezelven , allengs; '* vast aan de fteelen der waterplanten-, en flooten de " openingen met een ijl fpinzel. Het Popje, dat ik; " vervolgens, daar in vond, was wat minder dan een "■ duim lang, lichtbruin van koleur, en vertoonde da ''uitwendige lighaamsdeelen van het Uiltje overduide« "lijk. Die ik niet geopend had, leverden,na verloop *' van ruim.drie weeken ,- het vliegend Infekt. Het 'JiU *> 't je klimt, op de manier der Jufferen, traaglijk uit'zijn " huisje, tot boven de oppervlakte van 't water,-alwaar " het gaat zitten rusten, om zijne Wiekjes te iaaten droo- - " gen; ftrijkende, middelerwijl, de Sprieten met de " Voorpooten uit ; als of het zich optooijen wilde. Van Î' de Maskers, dié ik in maart gekreegen had, maakten " v.eele zich den 10 April, en vervolgens, tot dsvef- " andering gereed , en, voor het-midden van meij;wa« " ren zij,allemaal uitgekomen. < " Wat nu de geftalte aangaat,, van deeze zoort;. de^
" koleur van 't Lijf, Pooten en Sprieten , is bruin ,- doch " het bovenfte van't Borstftuk iets lichter; de bovenfte ?' Wieken zijn aschgraauw, bruin gewolkt, m'et een* " zwarte- ftreep,. en eenige onregelmaatige vu.il.Vitfe " vlakjesj.de onderfte Wieken zijn bleek bruin. Het "Wijfje afmeetende,, bevond ik de langte drie v.ierdçrj- " duims; de. Sprieten iets langer; de uitbreiding,de; " Wieken twee duim en daar over. Het Mannetje" i$> " merkelijk kleiner dan het Wijfje, en heeft aan hèt^ " Staart end twee haakswijze.uitfteekzelties, die er ze. " kerlijk aan zullen dienen, om het.WijFJe, in de.paa»- " ring, vastte houden.. Ik was van deeze Sex» verzé. " kerd, door-dien-ik deeze-twee, in 't begin-van-juiiifj. w gepaard gevangen bad. - Zij paaren agterwaapds gel ijle - >s -de meeste üapellen ,,ea zitten dus eenige uuren,..on^ V»v 3> ' b^i-
|
||||||||
|
^
|
||||||||
|
WAT.
|
|||||||||
|
4104 ' WAT.
|
|||||||||
|
kers heb ik, ongefchonden, gehaald uit de maag van
zekeren Reiger. Veranderen willende verlaaten zij de wateren, 'in de maanden april en meij; zij kruipen in de wilgen of in de haagen der nabuqrige Tuinen ,, waar uit dan gebooren worde . Een Vlieg, reusagtig groot, met twee bruine Staar«
tjes van langte als de Sprieten, die een half duim of daar. over, lang zijn, en, zo wel als de Oogen,' en het Borstftuk, zwart, dat gerand is, en als met lidtekens, op zijde, gemerkt. De Kop is hooggeel, van vooren geknot, met vijf knobbeltjes; het Lijf) van onderen eenigermaate roestkoleurig. De Wieken zijn glinfterend wit, met takkige aderen, die, zo wel als de Pooten, bruin zijn. De Staartborftels beftaan ,, uit meer dan veertig Ieedjes. Op deeze zoort aazen dikwils de Haagdisfen. " Hij noemt ze 't allergroot- fte Water-Uiltje; doch het fchijnt dac deeze tweeflaar- tige Vliegen van zeer verfchillende grootte voorkomen, in het bijzonder als men de aangehaalde van Reaumub, uit een zogenaamde Water-Mot afkomftig, die.van Gïoï» froij de bruine, met geele Pooten genoemd wordt, daar toe betrekt. Dezelve hadt deeze de bruine, met geelt fireepen, getijteld; ais hebbende een geelen band, ovet het midden van den Kop en het Borstftuk heen. IX. Zwart Water-Uiltje ; Phrijganea nigra; (Phrij-
ganea alis cteruleo atris, antennis corpere duplo lmgioti< bus. Linn. Faun.Suec.) ■ van een kleine Vlieg met vier Wieken, die de Sprieten, naar de grootte van het Lijf te rekenen , langer hadt, dan eenige andere, hem bekend. Hij heeft dezelveon; der de Vliegen t'huis gebragt. InSweeden onthoudtbij zich aan de wateren, tusfchen 't riet of biezen ; maa- kende, tegen den avond, wolkagtige zwermen, met een brommend geluid, gelijkerwijs de .Muggen. ' Daar is, in Sweeden, een kleinere zoort waargeno-
men, die de Wieken zwart, maar van a^tereri violet of met een paarsagtig hemelschblaauwen glans heeft; vies» halve die den nevensgaanden bijnaam draagt. X. Langhoornig Water-Uiltje; Phrijganealongicornit',
(Phrijganea alisfuperioribus nehulofis, antennis corporftri- plo longioribus. Linn. Faun. Suec. ■ Uiltje, word met reden langhoornig gebijnaamt. Men heeft het te Dagaroe, in S weden, aan den oever det zee gevonden. De grootte is als die van een groote Vlieg. XL Draadagtig Water-Uiltje; Phrijganea filofi!
(Phrijganea alis fuperioribus nehulofis, antennis corput triplo longioribus. Linn. Sijfi.Nat.) Deeze die geel- agtig van koleur is, heeft de Wieken als om 't lijfg* rold , en de Sprieten driemaal zoo lang als 't Ligbaam- XII. Aschgraawv Water-Uiltje ; Phrijganea cinirey,
(Phrijganea cinerea, alis pofiicispallidioribus, margu* inferiore, pilo/o, albiclo. Linn. It.Wefigoth. 44-) """ Dit Water-Uiltje, welke nog eens zo groot was als een Mug, vloog den £2 junij 1745, bij millioenen als een Bijënzwerm, langs het ftrand van de Waener-zee, M| Lidkóping. Haare Sprieten waaren anderbalfmaalzo lang als de Wieken en wit met graauwe ringen. XIII. Witkoppig.Water.Üiltje ; Phrijganea ^b>fr0Fj's
(Phrijganea nigra , alis exterióribüs maculis ^neaflr>,. quatuor trattsverfis albis. Linn. Sijft. Nat.)------"
zwart gekoleurde Water-Uiltje had de grootte van ""
Mug, met den Kop, van vooren Wit, en de Spriet middelmaatig. 'r , u, XIV. TweeflretpigWater.Uiltje; Phrijganea Bihne^
|
|||||||||
|
" bewoogen, aan elkander vast; als wanneer zij nog
" niet, dan met moeite, los te maakeh zijn. Hoe veel " Eijertjes zij vervolgens leggen, en wanneer die uit- " komen, is mij tot nog toe niet gebleeken.'" . V. Ruitvlakkig Water-Uiltje ; Phrijganea rhombica ;
(Phrijganea alisflavescentibus deflexo, compresfis; macu- la rhombea laterali alba. Linn. Faun. Suec.) In de wateragtige plaatzen onthoudt zich het Masker van deeze zoort, binnen sen huisje dat uit brokjes gras, die overdwars geplaatst zijn, is zamengefteld. De Wieken van het Uiltje zijn groot en doorschijnende, in 't po« ftuur van zommige Nagtkapellen om het Lijf geplooid, dat, zo wel als de Sprieten en Pooten, tegeirood is. Het behoort onder de grootften van dit Geflagt. VI. Tweevlakkig Water-Uiltje; Phrijganea biinacula-
ta; (Phrijganea alis fuscis, macula laterali duplici flava. L i NN. Faun. Suec.). Dit is kleiner, nogthans geen van de allerkleinften deezer zoort van Infekten. Deszelfs Wieken zijn bruin, in 't midden met een haifsmaanswijze geele vlak, de eene agter de andere. Het Lijf loopt naar vooren fmaller. VII. Geelzijdig Water-Uiltje ; Phrijganea fiavilatera;
(Phrijganea alis reticulatis, caudainermi, thoracis lateri- bus f lavis. Linn. Faun. Suec.) S weden waargenomen, houd, ftilziftende, de Wieken bijna als die Nagtkapel, welke het verdorde Eickenblad genoemd word. De Sprieten zijn half zo lang als 't Lijf. VIII. Tweefiaartig Water-Uiltje; Phrijganeabicauda-
ta: (Phrijganea, alis veno/ó reticulatis, cauda bifeta. Linn. Faun. Suec.) >-------- Hier van heeft de Heer
Geoffroij een bijzonder Geflagt gemaakt onder den
naam van Perla, die weleer aan de Juffertjes gegeeven was- Hij onderfcheidt het zelve vatfde Phrijganea, zo door de gedagte Staartborfteltjes, als door de houding der Wieken, die niet dakswijze zamenlopen, maar over elkander leggen en om 't Lijf toegeflagen zijn ; gelijk in zommige Kapellen. Voor het overige erkent hij, dat de geftalte van het Masker, .deszelfs levensmanier, voortteeling en verandering, met die der Water-Uiltjes veel overeenkomst hebben. Men vindt deeze Tweefiaartige zoort, die in de be-
fchrijving der Natuurlijke Hiftorie van Switzerland, door Wagnerus, de groote Water Zomer-Vlieg genoemd wordt, door geheel Europa, op wateragtige plaatzen of daar Beeken en Rivieren zijn. In een gedeelte van Lapland is zij, niet minder dan in Vrankrijk; gemeen, en wordt in onze Provinciën ook, doch zeldzaam, ge- vonden. Doktor Scopol i , Entomol. Carniol. p. 269, 270. nam ze waar in de zuidelijke deelen van Euro- pa, en geeft er de volgende, omftandige, befchrijving van. ,, Uit een klein zwart Eijtje, waar van het Wijfje
veelen, tot een bolletje zamengevoegd , onder aan ,, den Buik omdraagt, gelijk de Spir.nekop haaren zak, komt het jonge Maskertje voort. Volwasfen zijnde, is bet zelve tegeirood, met een zwarte letter op het Agterhoofd getekend, op de Rug met een zwarte ftreep, die overal onderden rand loopt, en een an« .,, dere, overlangs, in het midden,; benevens een zwar- te ftip, wederzijds, tusfchen de middelftreep en den rand. Het Borstftuk beeft, van agteren, drie ftip- pen, wier middelde vierhoekig is; het Agtexlijf, de Ringen zwart gerand. De Pooten zijn ongevlakt;'maar ,, de Schenkels aan dea buitenkant baairig; .Zulke Mas« |
|||||||||
|
WAT.
|
|||||||||
|
WAT. ' -4115
|
|||||||||
|
Phrijgsnia nigricans, alis fuperioribus utroque marg'me
Uneolis duabui transverfls albidis. ■. Deeze die zwartagtig is. heeft ieder rand der twee bovenfte Wie- ken met twee diverfe wi tag tige ftreepjes getekend. XV.. Gewolkt Water-Uiltje ; Phrijganea nebulofa ;
(PJtrijganeoi nigra , alis incumbentibus fubcinere o-nebulo fis caud fatis truncatis. LiffN. Fann. Suec.). Dit Infekt is langwerpig, final en rolrondagtig, op
de wijze van zommige Motten, waar van veelen deezer kleine Water-Uiltjes naauwiijks, dan ,doOr de vier baard- jes aan den Bek ende haairige Wieken, te onderfcbei- den zijn. In 't vroege voorjaar is het zelve, in S wee. den, overal gemeen. Het heeft de Sprieten zo lang als 't Lijf, en twee korte, ftorope draadjes aan de , Staart. XVI. Bruin Water-Uiltje; Phrijganea fusca;,(Phrij
gmeafusca, immaculata. Linn. Faun. Suec.) D'itkjein langwerpig, cijlindrisch, bruine Beestje, onthoud zich bij Fahl un. XVII. Geel WateuUiltje; Phrijganea flava; (Phrij'
ptiea, alis fiavoreticulatis, antennis longitudine abdo- mis. Li NN. Sijß. Nat.) zich aan de Moerasfen in Sweeden. Geoffroij maakt gewag van een Beestje, dat hij la Perle jaune noemt, hebbende het Lijf geel, de Wieken wit of gekoleurd, ds Oogen en het end der Sprieten, die ook nagenoeg van langte als het Lijf zijn, zwart. Men vindt deeze kleine zoort, als maar een zesde duims lang zijnde, om« ftreeks Parijs of in die Stad, geduurende de fomer.zegt bij, overal. Zij komt dikwils, tegen den avond,in de huizen. Haar Maskertje, dat in 't water leeft, gelijk die der anderen, maakt zijn huisje van kroosblaadjes, die het egter niet gebruikt, zo als zij zijn, maar in kleine vierkante flukjes fnijdt. Deeze ftukjes fchikt het Wormpje end aan end, kruiswijze; zodanig dat het ge- lijkt naar een groen lintje, hetwelk men om den vinger heeft gewonden. Ongemeen fraaij bewerkt vertoont zich dit kokertje,' dat men naauwiijks voor het huisje of wöningje van een Infekt zou aanzien. Een zeer klein fpringend Beestje, kleiner dan een
Mug, heeft men op de Hofftede Fu//i?ro«n, in Sweeden, waargenomen ;.dat, wegens de Baardjes aan den Bek hier t'jiuis behoort. Het zou, anders, meer overeenkomen met die Bladzuigertjes (fihermcs), wegens de figuur der Wie- ken, die langer dan het Lijf zijn, waterig van koleur, Biet een groen en witte vlak. WATERVAL, zie CASCADE.
WATER-VAREN, zie OSMÜNDA ». i.pag. 248S.
WATER-VERHEVELINGEN. Men onderfcheid
«oorgaans al de ftoffen, die uit de oppervlakte van '1 Aar- drijk opgerezen, zich inden Dampkring onthouden1, in twee bijzondere zoorten. De eerfte zoort begrijpt onder «w naam van Dampen, alles wat wateragtig is, eneen>- ?ermaare den aart en eigenfchap heeft-varj't water; dee- ?en nu noemt men WatenVerhevelihgen, en bier onder be- flooren, Mjst, Regen, Wolken. Hagel, Sneeuw, Ä'!p en dergelijke: zie op alte die Artijkels. WATER-VLIER; Gelderfihe Rbos; Swelkenhout; in
p,atijn Opulus; i's een Planten.Geflagt, waarvan de J^*» zijn, dat deszeifs Bladen naar die van het groo- .,B "ooghout gelijken; 'de Bloemen beftaan uit een Blad, welk zich in een ronde roosagtige gedaante uitbreid,
ing Van. hoven in vijf deelen verdeelt is; deeze ftaan
^ estin <|e gedaante van .een-Eroontie-, van welken de
tfte 3*n den buitenkant groeijen. en naakt zijn,.
|
|||||||||
|
maar de middeifte zijn vrugtbaar, brengende roode Be-
ißen voort, in elk van welke een plat haitgewijs zaadje is befloten. 'Zoarten. Daar zijn hoofdzaakelijk twee zoorten van
deeze kleinen Boom, waar van oofcHüg eene verandering met bonte Bladen. 1. Gemeene Water-Vlier met platte Bloemtroffen; Sant-
bucïis palufiris. Dod. Pempt. 840". ; Sambucus aquatica, flore fimplici. C. Baüh. Pin. 456.; Opulus Ruellii.;
(Piburnumfoliis lobatis, petiolis glandulofis. Linn. Spec. Plant.) 2. Water-Vlier met bol-ronde Bloemtrosfen, doorgaans
Gelderfche-Roos of Sneeuwbal genoemt; Opulus flore glo- bofo. Tovrn. Infi. R. Herb.; Sambucus aquatica, 'flore- globofo pleno. CBAVH.Pm.456. Van deeze zoort is nog eene verandering roet bonte Bladen, welke door Miller word genoemt, Opulus globofo, flore variegato. Plaats. Beide de zoortm met derzelver verandering
groeijen in de Heggen en Bosfchen van Nederland, Hoogduitschland, Frankrijk, Engeland, enz. Kweeking, enz.. Zelden worden deeze Heesters of
kleine Boomèn in de tuinen geplant, wil men zulks ech- ter doen, zo gefchied het door Uitloopers, die men in maart of april, in een goede losfe, vogtige grond, en liefst fcbaduwagtige plaats, op agt a twaalf voeten af»- ftand plant, als wanneer ze geen onaangenaam gezigt geeven, zo wel in hun bloeitijd, als inzonderheid ook" in het najaar, wanneer de Vrugt riip is, die doorgaans in groote trosfen groeit, en fcboon rood van koleur is ; zo dat wanneer men een Wiidbosch of andere Plantagie van bloeijende Boomen aanlegt, en de grond vogtigjs, deeze Heesters zeer bekwaam zijn om er in geplant te worden. WA TER-VLOOIJEN is de naam die de Heer M:
HouTTUijw aan dat Infekten-Geflagt geeft, 't welk van de Heer LinnjEus Monoculus word genoemd. De Kenmerken van dit Geflagt beftaan, dat de Pooten
van deeze Infekten tot zwemmen en niet tot loopenge- fcbikt zijn ; dat zij het Lijf gedekt hebben met een korst- agtig Schild, en dat haare oogen niet ver van elkander, en niet op Steeltjes ftaan , gelijk in de Krabben en Kreeften, maar als ingedooken zijn in het Schild. Tot dit Geflagt zijn negen zoorten t'hüis gebragt,.
\vaar van de eerfte alle den anderen ver in grootte over*- als volgt. I. Molukfe-Kràb ; Xiphofura.GnoNZooph.Q53.; (Me.
tioculus teflà plana convexa futura hm at a , poflice den- tata; cauda fubulata longisfima. Likn. Sijft. Nat.) De overeenkomst tusfchen deeze zoort en dat Dier-
tje, 't welk Fbisch en anderen Apusgenoemd hadden,, door Scheiter zo bmftandig aangetoond, gaf zekerlijk; veel reden, om aan de Molukfe-Krab den voorrang te1 geeven in dit Geflagt. Men weet dat degrootte, waarin; die dezelve Infekten zozeer te boven gaat, niet meeris- dan iets betrekkelijks, en dat men door het Sonne-mi- kroskoop, een Luis zo groot kan vertoonenalseen Olij- phant. De Hollanders, nu, noemen', zo Rumphiüs- getuigt, deeze Scbepzels Zee-Luizm, dewijl zij eeni- germaatenaar Weegluizen gelijken. De maleitfchenaam is Balanças, de javaanfcbe Mime of Mimi; doch menr noemt'Ze in't latijn Cancer^-Moluccanus, om dat zij aan de Molukkifche Eilanden voorkomen, of ook Cancer perverfus; om dat bet ronde deel, 't welk in dé andere Krabben gemeenlijk het agrerfte is, hiervoor uitgaaf,, en het fpitfe 4e Staart,uitmaakt* ■ |
|||||||||
|
WAT,
|
||||||||||||||||
|
4ic6
|
||||||||||||||||
|
WAT.
|
||||||||||||||||
|
duim langte. Ook komen de aangehaalde afbeeldin-
gen, van dezelven , zeer wel met elkander overeen. Zij waren aan Frisch, door den Sekretaris Klein, van' Dantzig toegezonden , die er de naam aan geeft van vin- pootige Zee-lVorm net het Schild, hoewel de naam van Jpus of Apous, dat is , zonder. Pooten , hem beter voorkwam Schjeffer heeft haar, onder d'en naam van Krebsartiger Kiefenfusz of krabagtige Kieuwenpiot, zeer omftandig befchreeven, en de afbeeldingen, die hijer, zo in 't geheel als in de.bijzondere deelen, van geeft, zullen ook niet ligt verbeterd worden. Hij meent er, zeer duidelijk, een Hart in waargenomen te hebben. Zie hier wat de levensmanier betreft. ■ Het water, waar in deeze Diertjes zich onthouden,
is dat van plasfen en poelen, vtiil en (linkende, dik wils geheel troebel door modder of drek. Hoe langzaamer of.fcbielijker zodanige plasfen uitdroogen, hoe grooter of kleiner zij daar ingevonden worden. '- Men kan ze ligtelijk daar in ontdekken, bij ftil en warm-weer, als wanneer zij tfoepswijzeaan.de kanten fchoolen, endoor haar : wemelen zich verraaden ; doch als 't koel en win- derig is gaan zij naar den grond en mqeten dan met een netje gevischt worden. In de fomer vindt men ze, zodra maar eenigen tijd water is blijven ftaan, op plaat- zen daar zij 'te vooren waren geweest, altoos overvloe- dig, 't. zij jong of,oud. Het fchijnt dat er altoos een genoegzaame veelheid Eijtjes. van dezelven in de mod- der of flik, ja in: dé drooge aarde, op zulke plaatzen overblijft, die zelfs eenige jaaren kunnen duuren, en niet worden uitgebroed, dan wannéér zich aldaar wa- ter vergaard heeft. In 't voorjaar moet het eenigen tijd warm wéér zijn geweest, door 't welke de kleine Wa- ter-Diertjes, die haar tot voedgel ftrekken , uitgebroed zijn, eer deeze Kieuwenpooten verfchijnen. Zij zwemmen zo wel met den Buik als met de Rug bo-
ven." In 't eerfte gevaLzijn de Vinnetjes, die zij aan den Buik hebben, in een fnelle beweeging/ 't zij tot het bekoomen van aas of om lucht tefcheppen; terwijl ook de Staatr haar, gelijk aan de Visfchen, dient, om zich voort te wrikken of in 't zwemmen tebeftuuren. Als zij met de Rug boven zwemmen, zijn die Vinnetjes in een zo fterke beweeging niet, en het fchijnt zomtijds als of zij op dezelven langs de modder liepen, waarin zij, dikwils zich geheel bégraaven, dat meest gebeurt, |
||||||||||||||||
|
" Het vöorfte Schild is van haifmaänswijze figuur,
ftomp en gerand, verheVenrond, op de Rug gewa- " pend met zeven doornen; waar van drie in de langte " en twee op ieder zijde ftaan.' Oogen heeft het weder- " zijds een , aan êen grondfteun van de voorfte zijde- " iingze doorn, Het agterfte Schild is fmaller, weder- " zijds met zes zaagswijze infnijdingen, van agtéren " fcherp gevorkt, en gewapend- met zeven doornen , waar " van drie in de langte op 't midden ftaân ; twee in de " voorfte groote infnijding, twee in de Tanden deruit- " randing voortkomen. Beweeglijke elsvormige ftekels " vindt'men in ieder zijdelingze infnijding één. De " Staart is als een Snuit; beweeglijk, ftijf, driekantig, " ruuw van boven en zo lang als het geheele Schild. " Pooten heeft bet zes paaren, waarvan de »vijf .voor- " ften dubbelde fchaartjes, en het agterfte aan de tip "vier lancetswijze Vingeren heeft, met een längeren " Duim, die borftelagtigtw.ee vingerig is ; buiten en be- " halve een lancetyormige Kwab aan den grondfteun. " Het agterfte wordt gedekt door zes.geutswijze blaad- "" jes. . -,■/.,.-''. < Liknmvs, diedegeftalte aldus befchrijft, merkt aan,
dat zij verre de grootften worden van alle Infekten. Men ziet er waarlijk , we-lke zeer groot zijn, doch die ,groote Kreeften, waarvan ik bevorens fprak, fchijnen de grootften, weiken ik van deeze zoort gezien heb, zo niet in grootte, ten iiiinfte in zwaarte, te overtreffen. Gronovius, die.er onder den naam van Xiphttfura.een bijzonder Geflagt van maakt,, zegt dat in de ouden de koleur kaflanje-bruin, in de jongere tegelrood is. Ik heb een kleine, die van boven, olijfko+eurig groen is en van onderen kaftanie bruin. Van dergelijke koleur'heb ik ze altoos gezien en Bontius meldt niet alleen dat het Schild lichtgroen is, maar Rumphius zegt van qlijfver- wig. Men vindt ze, zegt hij, op moerasfige en vlakke ftranden, altoos.twee bij elkander, naamelijk Mannetje en Wijfje, waar van het eerfte, dat ver de kleinfte is, jdoor het andere gedragen wordt. Zijfteeken de Staart opwaards, om zich te verweeren, en kunnen er een , Mensch gevaarlijk mede kwetzen. De Pooten kunnen zij buiten de fchaal uitfteeken en dezelven fchijnen meer tot loopen dan tot zwemmen gefchikt te zijn. Agterde Pooten is een zakje met eenig eetbaarvleesch, zijnde, jhet overige van 't Agterlijf gevuld met eene modd& |
||||||||||||||||
|
rige ftoffe, welke zij door de Staart Ioozen ; doch van wanneer de plasfen fterk.uitdroogen. De getakte Wi-
binnen is de groote Schaal met een ftijf vlies bekleed,. ter-Flooijen, de Water-Luizen of Zakdiertjes en anderen, waar agtér de Eijeren in de Wijfjes verborgen zitten, zijn haar voornaamfte aas. |
||||||||||||||||
|
daar men een fmaakelijke Bacasfan van toebereid.
,11. Fisch-Luis; Monoculuspiscinus; (Monoculus tefla cordata plana; Linn. Sijfi. Nat.) ■■' heeft de Heer Baster voornaamelijk op de Kabbeljaau- -wen gevonden, Zij hebben lange fchaarswijze Pooten , waar mede zij zich'aan de Visfçhen vast houden. Het Ruggefchild heeft een bijzonder aai tige: .tekeningen verdeeling, welke deeze Diertjes, hoe wei- jnig-aanmerkenswaardig wegens hun fletfe graauwe ko- leur, tot een fraaij voorweip,van befchouwingmaakt. l\) zijn van-onderen met zes paaren van zwempoot- jés voorzien , gelijkende naar die der Kreeften. III. Stompneus; Monoculus apus; {Monoculusteßafub-
,comprej[pt, ântice retufa, potlice- truncata, cauda bifeta. -Link- Faun. Suec.) . Terwijl de gezegde Visclïluizen natuurlijk zeer klein
,en naâuwlijk. een vierde of in 't geheel een half duim Jang zijn, hebben'die, .van deeze zoo« wel anderhalf |
||||||||||||||||
|
Die zich een denkbeeld maaken wil van dit alles, moet
flegts één.van deeze.Kieuwenpooten befchouwen, wan- neer dezelve op de Rug in 't water legt en zich beweegt. Dan zal hij duidelijk zien.^hoe alle onzuiverheid, die zich in 't water bevindt, tusfehen de kieuwswijzePoo- ten of Vinnetjes gebragt wordt, en allengs in de geut, tot aan den Bek- toe, voortgaat. De ontallijke haair- buisjes en baairtjes, waar mede alle de Vinnetjes voor- zien.zijn, laaten, als zij zich .omflaan, het water weder dóór, en febeiden, gelijkerwijs een kam ,.de Diertjes en Lighaamen , die zich in 't water bevinden, daarvan af, welken zij terug houden. Terwijl, nu, dezelven, door den eenen Poot den anderen toe, en wegens ce aanhoudende vlugge golfw.ijze beweeging fteeds verde voortgedreeven worden, zo ftijgen zij, in de 8eda? geut, langs hoe meer opwaards en naar vooren, zona dat iets daar van kan ontgaan. - ,m .' DaC'-deeze;DJertjes, gelijkerwijs. andere Schepze-w^
|
||||||||||||||||
|
' WAT.
haare vijanden hebben, die'er jagt op maàken, j'a waàt>*
fchijnlijk op aazen, kan men in geenen deele twijfelen.' Zulks is ook, redelijker wijze, te vermoeden, 3lzozif niet alleen de agterfte uitfnijding van het Schild, maar liet geheele Lijf en de Staart, daar zij niet met de Schaal en Kieuwen gedekt zijn. met doornagtige punten gewa- pend hebben. Het is geloof baar, dat zij daar mede haare vijanden van het Lijf houden, doch welke Dieren dit zijn, kunnen wij niet beps.alen; want de Kikvorfchen en Zwijnen, die deeze Infekten greetig verflinden en vernielen, worden er niet door afgefchrikt. Misfchien is het een zoort van Luifen, gelijk die men aan de Kieuwen der Visfchen, en inzonderheid aan die dèr Kreeften, waarneemt. Dit is zeker, dat men zelden een van deeze Kieuwenpooten geheel onbefchadigd vindt. Van de Vinnetjes of Staartvezelen is doorgaans de een of andere afgebroken. ■ Hoe lang of hoe kort haar leeven zij, kan men met
zekerheid niet bepaalen. In de plasfen of poelen , daar Schhffer dezelven vondt, heeft hij nooit doode aan- getroffen, dan wegens gebrek van water door uitdroo- ging, of wegens de koude van 't faizoen. Alle proe- ven, om zich aangaande den bepaalden trap van aan- groeijing deezër Infekten te verzekeren, zijn hem mis- lukt; dewijl hij de grooten nooit langer dan agt dagen in 't leeven kon houden, wanneer hij ze in huis hadt. De allergrootften, evenwel, die hij ooit kreeg, kon hij nog een huid aftrekken; waar uit hij befloot, dat zij nog een verhuiding zouden hebben móeten ondergaan, en derhalve nog grooter geworden zijn. De Huid, die zij afleggen, 'gelijkt zo volkomen naar het Diertje zelf, dat men diê heel ligt zou aanzien voor een geftorven Diertje; te meer, dewijl dezelve aan de oppervlakte drijft, en door de wemeling der anderen, dikwils, in beweeging gebragt wordt. Hier in hebben zij zeer veel overeenkomst met de Kreeften en Garnaalen. Doch haare verhuiding fchijnt dikwijliger en gezwinder te ge» fchieden, dan die van andere Infekten. Wanneer ik, (zegt hij,) uit de Eijereio Jongen
»kreeg, poogde ik, zo dra zij uitgekroopen waaren, »eenigen met een fijn penfeel van de anderen af te » zonderen, en bragt ieder alleen in een bijzonder glaas- » je. Den volgenden dag vond ik reeds de eerfte fijne » Huid op het water zwemmen. Ik nam dezelve wegen » 's anderen daags vond ik het tweede afgelegde Huidje. i Dit vervolgde voorts, om de twee dagen, zogere- » teld, dat ik, in de eerfte week, van ieder vier Huid. » jes had. in de volgende week gefchiedde het om de » drie dagen ; de derde week om de vier, en naderhand h kreeg ik 'er maar één om de zes of agt dagen. Het » zou mij zekerlijk niet verdrooten hebben,hier verder » agt op te geeven, indien mijne Infekten-maar langer » hadden geleefd. Ik heb de jdeirifte zelfs niet langer » dan een maand fn 't leven kunhen houden. In alle « volwasfenen heb ik Waargenomen, dat om de agt dagen « doorgaans eene verhuiding plaats heeft; Térwijlik', » nu, in de eerste vier weeken reeds tien Huidjes ge- »> kreegen had, zo kan men daar uit ligtelijk opmaaken, « hoe ongemeen dikwils deeze Diertjes verhuiden moe- »i ten, wanneer zij niet belet worden een geheelcn fo- » mer in vrijheid voort te leeven. " Veelen der Ouden zullen, indien zij dergelijke Schep-
seltjes waargenoomen hebben, zekerlijk hebben gedagt, dat die uit drek en vuiligheid oorfpronglijk .waren. On. gemeen grooVeh zigtbaar, ondertusfchen, is de menïgre ril DeeL
|
|||||||
|
'WAT. |*st$
van Eijeren, iheizij-, ten deele in, ten deele buiten het
Lijf, aan de Vinnetjes draagen, gelijkerwijs de Kreeften* Deeze zijn groot genoeg, om met het bloote oog onder, fcheiden te worden, en hunne roodagtige koleur doet ze, bijna, naar de korreltjes van een Granaatappel ge. lijken. De menigte is niet alleen groot, maar zij fchijr nen.als *t ware,onophoudelijk gelegd te worden van ,, deeze Diertjes^ Ten minfte wanneer men een Kieu- wenpoot, voo'ral een groote, in bronwater werpt, zo vallen, terwijl zij zwemt, geduurig Eijtjes van de Vinnetjes op den grond, waar tegen weder anderen ,, uit bet Lijf komen, en zich aan de blaadjes zetten. De roeijende beweeging, Welke zij met de gezegde Vinnetjes maaken, geeft daar zekerlijk aanleiding ,, toe. Men kan derhalve zeggen, datdit Diertje fteeds» en meer dan eenig ander Schepzel, met Eijtjes be* zwangerd zij, en die van zich werpe. " De Heer Schäffer, verder.de bijzondere manieren
van voortteeling, die thans bekend zijn, overweegende, befluit; dewijl men onder deeze Infekten geenen zonder Eijeren vindt, dat het Hermaphodrijten zijn, doch difl zich zelf bevrugten; want hij hadt niet alleen nouitiets dat naar paaring geleek in dezelven kunnen waarneemen; maar het was hem ook eenmaal gelukt, uit Jongen, die hij uit Eijtjes gekreegen, en ieder afzonderlijk geplaatst hadt, weder Eijeren te bekomen, daar Jongen uit voort- kwamen. Dit merkt hij, met reden, als een genoegzaam hewijs aan, dat deeze 'kieiiwenpooten , ook zonder beyrugtihg, vrugtbaare Eijeren moeten in zich gehad ea uitgegeëven hebben. De geftalte van deeze Infekten, die ik, om dat zij
zo (lomp van vooren zijn, den naam van Stompneus geef, heeft iets affchuwlijks, het welk men beter uit befchouwing der fraaije afbeeldingen van dien Pastoor en anderen kan opmaaken, dan met woorden befchrij« ven. Behalve degewoone, die op 't grootfte het Lijf omtrent twee duim lang heeft, vondt hij eene kleinere, van ongevaar een duim, meest door zeker Staartklepje verfchillende. ,, Zij komen in Vijvers of Graften, ia 't vroege voorjaar, dikwils voor (zegt Linküus,) ,, hebbende bet Lijf groenagtig, van grootte als een Eic- kei; twee Oogen digt bij elkander op den top van 't hoofd ; veel takkige Pooten ; de Staart uit tweebors« ,, tels die fterk zijn, met een plaatje daar tusfehepj za- ,, mengefteld. " Dit fchijnt dan de laatstgemelde van Schffer naast te gelijken ; want ook die groote meer roodagtig vuil geel was, dan groen. De uitdrukking van veele takkige Pooten, maakt de benaaming van Jpm ongerijmd. En, dat men ze, in Sweeden, reeds in't vroege voorjaar vindt, fchijnt met den aart van deeze Infekten, bij Regensburg, gantsch ftrijdig. Omftreeks Parijs komt dit Xnfekt, zegt Gf.offroij,
die het de Twee-Oog met een draadige Staart noemt, en daar een fraaije afbeelding van geeft; in't water, doch zelden voor. Het is zeer groot; anderhalf duim lang zijnde* en nagenoeg een duim breed; met het end daar de Kop is, breedst, en dat, daar de Staart is, finalst. De Kop heeft een klein puntje van vooren, en, nabij dit puntje, van boven, twee Oogen, digt bij elkander. Het Lijf is gedekt met twee Schulpen, die naar het end van één wijken en zich afzonderen, raaàkende een fcheç- pen hoek naar de uitwendige randen, en laatende tus- fchen elkander de Staart bloot. De onderile rand,daar deeze Schulpen van elkander afwijken, is een weinig gerand. De Staart is fchubagtig, en loopt in twee zeajr .' Xx lange |
|||||||
|
k
|
|||||||
|
4io8 \VAT.
|
|||||||||
|
WAT.
|
|||||||||
|
naarden ppenftaande Bek van een Karper gelijkende
zo Schiffer aanmerkt, 'welke dikwils groen voorko'. men, en daarom onderfcheidt hij deeze getakte Wateri Vhoijen in Vogel- en Vischkoppige. De eerstgemelden hebben Swammerdam., Baker en Trembleij, gezien en afgebeeld. ..',..,-' De" Staart, die mede onder de Kenmerken is aange.
tekend, wordt gezegd geboogen te zijn; het welk ik echter in de afbeeldingen niet waarneem, of defcheeve ftand zou daar mede bedoeld moeten worden. Het is een uitloop van het dopje, en derhalve even dezelfde febubagtige zelfftandigheid. Aan de zijden fchijnt zij rondagtig, dpch van boven en van onderen fcherptezijn, gelijk de kling van een degen,, zegt Schiffer, die zé met dergelijke tandagtige borsteltjès/, als de gebeele fchaaf van het Diertje, bezet gevonden, doch de zes rijen van. korte fterke doornen, waar van de Heer Baker fpreekt, daar aan niet waargenomen heeft. Hij merkt op, dat de: Water-Vlooijeti dikwils een end daar van kwijt raa. ken, hoewel men uit het overblijvende ftompjegenoeg- zaam zien kan, dat zij een Staart gehad hebben; zodat zij altoos onderfcheiden blijven van een ander zoort. zonder Staart, door hem ontdekt.. Aan den Kop vertoont zich, zeer blijkbaar, een
zwarte ftip, die de eerste aanleiding gegeeven heeft
tot den naam van Een-Oogen. Door fterke vergroo.
ting wordt men.gewaar, dat deeze ftip-beftaat uiteen
menigte van kleine rpndagtige^ Oogjes, waar van de
binnenfte altoos zwart zijn en doorfchijnende, de bui-
tenfte, aan den omtrek, wit, helderenzo doorfebij-
nende als waterdruppeltjes. Ieder Oogje heeft zijn
. bijzondere gezigtzenuw., die in.een algemeenen treg-
teragtigen bondel zamenloopen en zich van onderen in
,, een punt vereenigen. Langs deezen bondel legt, tet
regter en tér flinker zijde, een zeer zigtbaar Spiertje,
door middel van het welke het Infekt zijn Oog, nu
naar de regter dan naar de flinker zijde, fterk neder.
waards trekken, en bijna geheel omkeeren kan. Zo
is dat Oog dan ook in geduurige beweeging,- 't. welk
mijns bedunkens, zegt de Paftoor, onder anderen ook
van het onophoudelijk',op-en nederflaan der armen
.voortkomt, als onderfwelker begin en inwriebting
de algemeene bondef van gezigtzenuwen verdwijnt.
Ik weet wel, dat Swammerdam,.Bajcer, en an-
deren met hun, m'et willen gelooven, dat dit.z'*
mengeftelde Oog enkel zij, houdende voor, zeker.
dat het Diertje twee bijzonderegroote Oogenheeft,
die zo digt aan elkander> zijn-gekleefd, dat zij zich
als een, enkeld Oog vertabnen.; Doch ik ben door te
veele waarheemirigen van! hét tegendeel overtuigd.
,,'en men kan zich ook daar van verzekeren, wanneer
. men agt wil geeven op zodanige die eerst uit het Eij
gekomen zijn. Aan deezen is't baarblijkelijk, dat
zij maar een enkeld te zamengefteld Oog hebben, en,
, dat zij derhalve van den Heer. Linnäus te regt Een-
,, Oógen worden genoemd."-i ,
1 Onder dit zamengeftelde Oog, vertoont zich altoos.
in de Water-Vlaoij.en, een klein zwart vlakje, dat in
,, eenigen rondagtig, in anderen hoekig is, en in zom'
m igen als uit drie ftippeh fchijnt te. heftaan. Zouden
deeze, die zo wel aap de eene zijde van den Kopals
aan de ander« gezien worden, ook overeenkomstig
zijn met de kleine gladde Oogjes van eenige Land-
Infekten?' *t Is. zeker dat men.in derKieuwenpot
ten, dergejijken. waarneemt. Ik. heb .nog niet kum
|
|||||||||
|
lange harde draaden uit. Van onderen beeft het Dier
zes korstagtige Pooten. De Sprieten zijn. enkeld of een- voudig. -....".,. IV. Getakte Water-VIoo; Monoculus pulex; (Mmo- culus antennis dichotomis , cauda inflexa. LIhn. Faun. Suee.) Deeze voert eigentlijk den naam van Watet' Vloo, zo orii dat zij in grootte en geftalte wel naar een Vioo gelijke, als wegens haare huppelende en oogfehijn- lijk fpringende béweeging in het water. Swammerdam noemt haar de Boomagtige'óf' Boomagtig getakte, wegens de gedaante van haare Sprieten; elders wordt zij, we- gens de figuur van den Kop en de geheele geftalte, de Water-Parkietgetijteld. Zij is, onder den eerstgemel- den naam, omftandig door den Heer Baker befchreeven, doch op ver naa zo uitvoerig en naauwkeurig niet, als door den Heer Schjeffer, die verfcheide bijzonderhe- den, de geftalte en levensmanier betreffende, groote- lijks heeft opgehelderd. Daar de meeste Waterdiertjes eén bijzonder zoort van
water verkiezen, merkt hij aan, worden deeze bij fo- mer , zo wel in Rivieren als Slooten, in yuil en helder; ■bok, mag ik zeggen, zo wel in brak als in zoet,water gevonden. Zelfs komen zij in dat van potten en bakken, 't welk in Tuinen of elders eenigen tijd aande lucht is -bloot gefield geweest, dikwils overvloedig voor. Zij hebben behalve de huppelende of fpringende, waarvan 'de-naam ontleend is, ook eene zwemmende en draaijen- vde, en zelfs »og andere beweegingen, die zij .meest 'Biet de takkige Armen maaken. 't Schijnt dat zij-, even als Tkembleij dit in de Polijpen ontdekte, het licht beminnen. , Dit' kan de reden zijn,. dat zij zich bijna altoos, over dag, en inzonderheid bij warm weeren 'fonnefchijn, digt aan de oppervlakte van 't water ont- houden} het welkzomwijlen aanleiding gegeeven heeft, "om- zich te verbeelden, dat het zelve in bloed veran- derd ware, want zomtijds zijn deeze Diertjes geheel rood van koïeur. De Heer Schifferhoudt deeze Water~Vlooijen, niet
zonder reden , zo wel ais de befchreeven Kieuwenpoo- ten-, voor Hermaphrodieten of Diercjes van beiderlei Sexe. Dat het altemaal Wijfjes zijn, befluit hij daar uit, dat men in allen,op zekere tijden,Eijertiesen Jon- gen aantreft, en dat het Mannetjes tevens zijn, uitde paaring, welke hij waargenomen heeft. De Eijertjes Icomen zo wel in kleinen voor, als jn volwasfenen ; doch in getal zeer- ongelijk, hebbende hij er in zommigen jnaar tw'ee,; drie, zes of tien», in anderen meer dan ■veertig aangetroffen. Zij zijn groen" en in 't eerst vol- komen kogelrond, doch worden naderhand ovaal oi* eijrond en krijgen een zwarten ftip, die het groote Oog is, veranderende dus aliengs en zigtbaarlijk, binnen de Baarmoeder, in leevende Jongen; fl De getakte Water-Vlotijen zijn beflooten in een wk- ■agtig doorfchijnend dopje, als paarlemoer glinsterende, 't welk de 'koleur der ingewanden zich onbelemmerd laat veitóonen. Deeze dopjes fehijnen in zommigen als uit Maazen, in anderen uit Schubben, o,f ook uit.Rui- ten zamengefteld te zijn, van verfchillende figuur. Het dopje is platagtig ovaal )en aan de een e zijde open, «m de Vinnetjes, die tot zwempooten dienen, telaa- ten "fpeelen. Van boven heeft het twee hoorntjes op den Kop, met gepluimde-takken. De Bek, of dat ge- deelte van den gekapten Kop, 't welk men dus noemt, is in zommigen fpits,gelijk een vogelsneb, hoedanigen gemeenlijk rood zijn; doch in andere breed, en meer |
|||||||||
|
WAT.
|
|||||||||
|
Aim
|
|||||||||
|
brakke water hier om Amfterdam, met verwondering,
waargenomen, en twee of drie va:i dezelven, in een bierglas, nederzettende in mijn Tuinhuis, ftond ik's an- derendaags verbaasd, dat ik er geen meer in vond ; waar uit ikbefloot.dat zjj er moesten uitgekroopen zijn. Een ander Schulpdiertje zal het zijn geweest, waar van Ba- ker /preekt; doch dat van Ledermuller , hebbende eene niergelijkende figuur, fchijnt'meer tot deeze zoort te behooren, dan tot die der getakte Water-Vlooi}'en. -, De liefhebbers van waarneemingen met het mikros- koop , wordt door-Linn/eus thans aanbevolen, een Dier- tje naar deeze Schulp.Vlooijen gelijkende, maar kleiner, te onderzoeken, dat zich eenzaam onthoudt binnen de doorfchijnende blaadjes van het Water-Duizenblad met geele bloemen, (bijna in alle) met eene van buiten zigtbaare beweeging; zijnde den 12 junij 1766 door zijn Ed. Zoon den Heer LiNisé, Hoogleeraar in de Kruid- kunde te Upfal,-waargenomen. ' ;■;. VIII. Neetagtige Water-Vlóo; Monoc-ulus lenticularis;
(Momculus tefia compreffa, lentiformi* Linn. Faun. Suec") In Finland is deeze aanmerkelijk groote zoort van Water-Vlooijen door den Heer Uddman ontdekt ; wier Schaal de grootte van een Boon of de breedte van het uiterfte vingerlid beeft, zijnde zeer zamengedruktj met een fcherpen rand en doorfnijdende. IX. Water-Vloo, met eene klootge lij kende Schaal, die
van agteren drietandig is en van vooren een kromme Lip heeft; (Monoculus teflafubglobofa, pofiice tridentata, an- tice labiofimo. L1 nn. Sijfl. Nat. ) . de Heer Brander deeze zoort gevonden, waar van do Heer Linnübus de Schulp alleen gezien hadt, hebbend? de figuur van Cicers. Deeze Schaal was bijna kogel- rond, doorfchijnende en van agteren drietandig, met den middelden tand fcherpst; zijnde de enderfte Schaal minder bultig. Van vooren was dezelve, horizontaal, tot over 't midden gefpleeten. Het onderfte deel, voor: waards langer , liep in een omgekrotnde ftompe lip uit; het bovenfte, zonder lip^was van vooren buftigen over- dwars geftreept. Linn/eus ftelt nog cwijfelagtig, of dezelve tot dit Gefiagt behoore. WATER-VOGELEN, zijn de zodaanigen, welket
eigenfehap het is in 't water te zwemmen, en welke daar- om ook roet regt ZwemVogelen kunnen genoemd worden. Hunne Pooten zijn daar toe op een bijzondere wijze ge- fchikt, de Schenkels platagtig en kort; de Vingeren of Toonen meteen Viies te zamen gevoegd en daarom ,,van. zommigen, gewebd geheten of gepalmd-, welk làatfte overeenkomt met het Jatijnseh woord palmati, en de ge>" iijkheid derzelven met de palm van eens Menfcben Hand uitdrukt. Hierom heeft Klein ze door den naam van Palmipèdes onderfcheiden, waar van hij-drie Familien of Gezinnen heeft. Moshring begrijpt hun onder den algemeenen naam van Hijdrophile, dat is, Waterminnaarsj dog men vind er onder, gelijk de Ganfen en Meeuwen, die zich ongelijk meer in de lucht ophouden dan in 't water, en't is bekend dat anderen, die geen zwempoo- ten hebben-, niet minder Liefhebbers zijn van zich ï'n 't water te wasfehen en te dompelen^ gelijk men dit in.de Druiven dagelijks waarneemt. - De bekwaamheid om te zwemmen onderfcheid dan <3e
Vogelen vandeezen Rang. Hoewel men er onder vind, gelijk de Meeuwen, die dit niet doen, zijn :er wederor« anderen, die zelfs ónder water duiken, met hun gebeele Lijf, en deswegens Duikers genoemd worden. Zij;mun« ten, in 't algenjeen, door deeze eigenfehap boven de an- . Ixi 'der© |
|||||||||
|
* nen onderfcheiden, of deeze vïakjes dubbeld dan en«
V keldzijn." ' ' ' .. ! Van den Darm, die door hét Infekt heen loopt, als
eck van het Hart, welks klopping men zeer duidelijk door het mikroskoop kan waarneemen , is bij Baker en anderen genoeg gezegd.' V. Gefiaarte Water-Vloo', (Monoculus antennis dicho-
UmU; caudareflexa. Linn. Faun. Suec.X Deeze faeeft de Sprieten als in tweö'n verdeeld, eneenterug- gebogen Staart. VI. Water-Luis; Monoculus quadricornis ; (Monoculus
wtennis quatèmis cauda teïïa bifida. Linn. Faun. Suec.j lis»- Deeze Diertjes kunnen met meer reden, en wegens de gedaante en wegens de Jangzaameregelmaatige téweeging,Water Luifen genoemd worden, dan de Water- flooijen, voorgemeld, welke Goebaart dus getijteld hadt. Men geeft er ook, gemeenlijk, den naam van WaHr-Luisjes aan. Het zijn deeze, die zo dikwils voor- komen in het water van onze Regenbakken, en daarom zeer gereede voorwerpen, ten diende van het mikros- koop uitleveren. Leeuwenhoek beeft ze Zakdiertjes genoemd, wegens de twee zakswijs aanhangende Eijer- trosjes, die veelen bij de Staart hebben. Anderen gee- ven er, om die zelfde reden, den naam van Druiven- drager aan. Die de fterk vergroote afbeeldingen befchouwt,
welken Roesel , om reden der Polijpen , die aan de- zelven zomtijds zitten, aan 't licht gegeeven heeft ; moet overtuigd zijn,.dat de laatstgemelde naam nog wel de eigentfte is. De Heer de Geer hadt dergelijke Tros« foiijpen ook aan deeze Waterdiertjes waargenomen. De Eijerzakjes aan de Staart, bovendien, hebben een zeer druiftrosagtige yertooning. Veelen van deeze kleine Infekten in eerf glas met helder water hebbende, ziet men ze die Eijçrtrosfen bij wiilen afwerpen, Zij fcbij- n en met evenzo veel regt Eeii'Oogen genoemd te ma- gen worden als de Water-Vlooijeny hoewel hun Oog uit twee kegelagtige deelen is zamengefteld. Bij Baker 'vindt-men ook deeze Diertjes somftandig befchreeven. VII. Schulp-Vloo ; Monoculus conchaceur ; (Monoculus
mtennis capillaribus multiplie ibus, te fia bivalvi. Link, Faun. Suec.} Omftandig wordt dit Diertje, dat in de Vijvers en Moerasfen van Sweeden zich onthoudt, ■door Linn/eus befchreeven. Deszelfs Schulp, zegt i, hij, grooter dan een koolzaadje, is eijrond en eeni- » germaate langwerpig, wederzijds gelijk, van vooren ,> bultig en weinig ftomp; zo dat het een volmaakt Dou> » bletje is; maar in de Doubletten heeft de opening » plaats aan de dunnere en het fcharnier aan debultigfte h of dikfte zijde, waar van men hét tegendeel in deeze ->» waarneemt, die, uit het water gehaald zijnde, zich ■>i volkomen fluit. Dus zou men ze buiten 't water voor >i het zaadje van een Plant, en in het water, terwijl zij » gaapt, ;Voor :een Coubletje aanzien. De Schaai is » asebgraauw en vuil; de i>eweeging vlug gelijk die der ,i overige Water Vlooijen. De Schaal doende gaapen, ii fteekt zij veele haairtjes van gelijke langte, diewitag- « tig zijn, tot het eene end van gaaping Uit,welker be- « weeging haar vlug door 't water voert en.zij rustniet, » voor dat zij een 'flakhoorn of iets aardagtigs gevonden » heeft, waarop zij, met haare makkers, gaarn zitten » gaat, loopende met de Pootjes op dat lighaam en zich > daar aan hegtende. Als zij rust is haat geheele Lijf » in de Schaal verborgen. " : =, Zodanige Diertjes heb üs, voor eenigen tijd, in het
|
|||||||||
|
WAT.
|
||||||||
|
41» WAT.
|
||||||||
|
te zijn, die Strand-Vogelen genoemd worden, beftaanda
meest in wilde Ganfen en Eenden, Lommen, Raadshee- ren, Pappegaaij-Duikers en Meeuwen, of andere Swenï- Vogelen; hoedanigen er op Ysland, aan Groenland, "jij de Straat Davids» de Hudfons.Baaij en andere Noorde- lijke ftreeken, ook menigvuldig gevonden worden; die hunne Nesten maaken op ontoeganglijke plaatzen, in <je kloven van 't gebergte of op klippen, om die voor't wild. gedierte te beveiligen, zo 't fchijnt. Iets derge- lijks heeft ook in de andere Wereldsdeelenplaats: want bij voorbeeld, word aan de Kust van Afrika, niet ver van Goeree, een Rots gevonden, welke men, wegens dekoleur door de menigte vanyogellliont, heibefcheettn Eiland noemt. WATERVfi.EES"in 't latijn HiidrophoMa, dusdaarjig
noemt men een wonderlijk zoort van Razernij ; dewijl de daar door aangetaste Menfchen 't water zeer febuwen, ja zelfs zodaanig, dat zij, als de ziekte op 't hevigfteis, vreezen om de handen te wasfehen, of om water te drin- ken , en om deeze reden is het, dat deeze ziekte Wat»» vrees word genoemd. » Dit wonderbaare en teffiens allerakelijkst ongemak, heeft tot oorzaak de beet van een dollen Hond, Kat ofeenig ander Dier; waarbij op te mer- ken (laat, dat het niet alleen is de beet maar ook het fpeekzei dat in de wonden gebragt en van daar in het bloed gevoerd word, welke deeze uitwerking, te wege brengt; want het is bekend, dat er in 't fpeekzei veel geeftrijke deelen zijn, dewelke aldus befmet zijnde, haar woedend vergif, door. de met de tanden gemaakte wonden aan de geesten mededeelen, en dus diergelijke verwoedbeid, vreeze des waters, en de overige eigenfehappen van de Hondsdolheid veroorzaaken.
zer ziekte word nog wel genezen, maar als dezelve in'
geworteld is, zeer zeldzaam. ■ ■■ - Zie verders over dit allervreesfelijkst ongemak t het Artijkel DUL- LE HONDS-ZIEKTE...-'..- WATER-WANTSEN. Zekere Water-Infekten koe-
men in dit Geflagt voor, onder dengriekfehen naam No- toneBa, welkeeigentlijk Rugzwemmers betekent, ener aan gegeeven is, om dat eenige derzelven de zonderlin- ge eigenfehap hebben, van ruggelings te zwemmen. Frisch geeft er den hoogduitfehennaam, Wasfer-Wantze, aan, en oordeelt zulks gevoeglijk , wegens de overeen- komst van deeze Infekten, inlgeftalte enïevensmanier, met de Weegluizen; des ik ook alhier den naam van Water-Wants gebruik. Het is mij niet bekend, dat men dezelve Water-Vloo noemt, gelijk de Heer Gsonovrus zegt, en de grootte niet alleen, maar ook de geftalte,. fchijnt dien naam veeleer aan andere Infekten, gelijk Swammerdam doet, toe tepasfen. ..De Kenmerken zijn ten deele met die der Cicade overeenkomilig. Zij hebben een orogeboogen Snuit, de Sprieten korter dan het Borstftuk; dog de Wieken zijn kruislings zamengevouwen, van vooren lederagtig; & Agterpobten haairig, tot zwemmen gefehikt. Dit laatile fluit niet uit, dat de anderen ook daar toe bekwaam zijn > gelijk in de eerde zoorf. Onzen Autheur heeft drie zoorten van Water-WtnW
voorgefteld, als volgt. I. Glinßerende Water Wants; NotoneM glauca; (.Mr
tone&a grifia, elijtris grifeis margine fusco ftutSatts. Linn. Faun. Suee.) Dit Infekt heeft de Agteipoote» wel tweemaal zo. lang als de anderePooten, om VW\ te kunnen zwemmen; die na de laatfte .ver-veiling e er s te deeg.met laqge Baairtjes bezet zijn. Met deeze «g |
||||||||
|
dere Vogelen uit, en in 't Vliegen fchieten demeesteri
niet bij te hun kort. Veelen wel is waar, gelijk de Eenden, zijn zwaar van vlugt, dog anderen, gelijk de Fregatvó- gel, tarten de ailervlugften. De Natuur, willende zich Alles ten nutte maaken en tevens alle Dieren voorzien met denoodige Werktuigen tot hun beftaah, heeft de gee« nen, die, volgens de wijze fchikking van den Schepper, de kost moesten zoeken in het water, niet alleen daar toe bekwaam gemaakt, maar zelfs met wapenen voor- ïien om zich te redden ; daar de andere Vogelen hun graf vinden in dat Element. Tot loopen ondertusfchen op het Land, daar zij geen verre tochten te doen hadden, zijn veelen niet zeer bekwaam. De meeste Water Vogelen onthouden zich, 'zo 't fchijnt,
in de gemaatigde Luchtftreek en zelfs noordelijker; hoe- wel er, misfebien, naar den Zuidpool toe niet minder zijn. In de moerasfige deelen van ons Nederlanden van Engeland, zijn-er een groote menigte. Tot dezelve be- hooren ook de StrandVogelen, waar van voorheen ge- " fproken is* en die bet voornaamfte onderwerp uitmaa- ken van dien gevaarlijken Vogel vangst in Noorwegen. Op eenige Eilanden van Schotland onthoud zich daar van een verbaazende menigte, zo dat de Inwooners bij- na daar van alleen beftaan kunnen. Harvejus fpreekt van zeker klein Eilandie, genaamd Bas/e of Ba/s, inde Forth of Golf van Edenburg in Schotland; dâteigentlijk eenhooge Rots is, van ongevaar duizend fchreeden oro- trcks, 't welk hü bezogt had. De oppervlakte vanhet- ^, zelve, (zegt hij) is, inde maanden meij en junii, met Nesten, Eijeren en Jongen , bijna geheel bedekt, zo j, dat men naauwlijks een voet verzetten kan, zonder er op te trappen, en de Vogels zweeven er, in zulk ÏV' een menigte, omheen, dat zij, gelijk een wolk, de ,, tucht, zelfs met heldere zonnefchijn, verduisteren; maakende middelerwijl zulk een gefchreeuw, datmen de nabij ftaande naauwlijks kan hooren fpréeken. In- dien gij de onderleggende Zee van deeze Rots, als >, van een hoogen tooren of Heilen muur, befchouwt, V» zie; gij dezelve aan alle kanten bedekt-met duizenden van zwemmende en hun aas zoekende Vogelen, van veelerleij zoort, en wederom, het Eiland rond vaa- V rende, vertoont hetzelve zich, door de veelheid van >i Vogelen die in de kloven e» gaten nestelen, (zijnde n niet minder, dan de Sterren in eene helderenagt, on- teibaar,) even als een groote Bijenkorf, -'t Is onge- J'ooflijk, welkeen voordeel uit het verkoopen der Ve- ,, derenen Eijeren, ja ook van de overblijfzelsder Nes- ten, welke tot brandftofdienen, door den Eigenaar jaarlijks getrokken worde van dié barre Rots. HetEi« land vertoont zich febemerwit, daar het nogthans be- j, Haat uit een bruinen ja zwarten (leen, welke meteen ,» witte korst, als van krijt, is overtoogen ; gelijk blijkt &. aan den voet, alwaar het va.ndebaarengefpoeld word, $ en daar de (leen zijn natuurlijke bruine koleiir heeft. v Die korst is ongetwijffeldafKomftig van deweekevui- $ Hjgheid der Vogelen, die zij loozen. én ffaekt" daar j»r ria-, wederom, als eene krijtagtige ftoffe, tot vorming kV Van den dop van 't eij. Geene dier Vogelen 'zijn' Ei? rt. booilingen van deeze plaats; zij komen er~alleen om 4 te broeden , en vertoeven er, als in een herberg, zo ri, lang tot dat de Jongen in (laat zijn om methun wegte ,», vliegen " ?.;aazende middelerwijl » waarfchijniijk op Sprot en jonge Haring. ' Mtsfcftien komen deeze Vogelen van denoordfehekust,
afwaai er,, gelijk wij gezien hebben ^W-zulk een menig- |
||||||||
|
.".WAT. jftfc
onder aan den Kopj nevens het fpitfe Snuitje, .dat ag-
terwaards is geboogen. ; Het,Borstftuk, van vooren geel ; van agteren zwart, is vrij kort en glad; het'Schildje groot, dof zwart en als gefkweeld.. De Dekfchilden, taamelijk groot en gekruist, zijn bruin en geel gemen» geld van koleur, naar ijzerroest gelijkende, hetgeen de- zelven wolkig maakt. Het onderde van het Lijf is. bruin en aan 't Agterüjf ziet men. eenige Haairtjes. Wij zien derhalve, dat. de koleur der Water-Wantfeit
of RugZwemmers naauwljjks' te befebrijven is.. Ook heeft Doktor ScoroLi, in Karniolie, daar in eenige verfcbei~~ denheden ontdekt: waar onder eene die de Dekfchilden kaftanjebruin heeft, van onderen met twee brutnroode Vlakken, aan den buitenrand niet geftippeld; het Schild- je zwart hebbende, en bet Agterlijf roestkoleurig of uit den rosfen. Hier te Lande hebben wjj ook verfchei- denerleij Rugzwemmers, ten opzigt van de koleuri Het is de grootfte ongerijmdheid, hun Boótvliegen tc- noemen, om dat zij kwanswijs naar een roeifchuitje ge* lijken zoude. - . IL Geflreepte, Water-Wants; NotmeEtafiriata; (Noto-
ns fta eiijtris paüidis, Hneolis transverfisündulatisfiriatis* LiNW. Faun. Suec.~) De Heer Geoffroy maakt onder den naam van Corixa, in 't fransch Corife, ee* bijzonder geflagt van Water-Wantjen, 't welk hoofdzaa- kelijk van dat der Notone&a verfchilt, doordien in de Voeten of het onderfte deel der Pooten, dat in dietwee* ledig is, maar een enkelLeedje word gevonden. Ook heeft deeze in 't geheel geen Schildje agter 't Borstftuk> en de twee voorfte Pooten hebben de gedaante van Nij? pers. Zijn Ed. betrekt hier toe de Geftreepte Water- Wants van onzen Autheur, welke echter, indien zij zo- veel kleiner is, de zelfde niet fchijnt te kunnen zijn, hoe- wel zij ook ftihkt. ;.. De Corixa dan, welk woord bij de hedendaagfche Grie-
ken , in plaats van Korts, dat oudtijds een Weegluis be- tekende, gebruikt wordt, is volgens dien .iranschmar* vijf en een halve linie,en dus ook ongevaar eenhalf duim* lang, platter van gedaante dan de voorgaande. Zij heeft insgelijks den Kop breed en kort en geel van koleur, uitgenomen de Oogen, die hier ook groot en bruin, doch» niet zo uitpuilende zijn. Het Borstftuk" is zwart englan- zig, met veele bleek geele dwarsftreépjes. De Dek- fchilden zijn buigzaam, glad , en, wanneer men zevan nabij befchouwt, ziet men daar op. een fijn werk van beurtlingfe geelagtige en zwarte ftreepjes, meeftendeelSf dwars loopende en gegolfd. De Pooten zijn geel en het Agterlijf is, van onderen, geelagtig bruin. De Pooten verdienen, in dit Infekt, eene bijzondere
opmerking. De voorften zijn zeer kort, en beftaan uit driedeelen; één dat plat is, voor Dije verftrekkendef één dik en lang deel, dat den Schenkel uitmaakt, en een- derde kort en knobbelagtig, 't welk wij den Voet noe- men. Aan dit laatfte zijn twee lange nageltjes, 't een op- t ander geplaatst, aan de zijde naar elkandertoegetand,. en aan 't end puntig, gelijk de nijpers der Krabben» Het middelfte paar Pöotën heeft niets bijzondeis, dan dat derzelver nageltjes dun, lang en evenwijdig zijn;: maar de laatfte Pooten zijn breeder en langer dan de- anderen. ' Deeze hebben den voet, en 't nageltje zelfs,: aan beide zijden gebaard, vertoonende zich als Zwem« vinen, waar mede dit Infékt ook zeer vlug zwemt,doch' dikwiis op den Buik, niet altoos op de Rugy getijlê de voorgaande. Men vindt liet in de Beekenen Mot? jasfen ; het heeft een Ieeiijkereuk en fteekt vinnig; : . lïS III. Zee** |
||||||
|
{gmooten kan het zijn geheel Bovenlijf ^afveegen, wan-
neer daar eenig vuil aan blijft hangen. Ook kamt het daar mede deHaairtjes, die aan het Lijf van onderen zijn, en digt tegen eikanderen fluiten als de Veertjes aan de Schaften der Vogelvederen, ja moogiijknog digter; alzo die aan de Vogelen flegts het water beletten tot aan het Lijf door te dringen, en deeze de lucht met zicb onder, water kunnen neemen.- De Wahtï, naamelijk, boven, komende, hecht zich aan deeze Haairtjes een Lucbt- hlaasje, en gaat mede onder water; bet welke dan het Infekt, terwijl het voortzwemt, doet glinfteren. : ■ ; Dit Luchtbelletje, zegt -Frisch,,, dient inzonderheid daar toe, dat zij zo veel fneller in de hoogte kunnen itf j-i gen; dewijl hun voedzel beftaatin Vliegen, die op het water zwemmen of daarin vallen, . Het Infekt vangt de- zel ven zeer gezwind, en, wanneer het dezelve overmees- teren kan, neemt hetzemetzich onderwater,enzuigt- 2e uit met het Snuitje, dat het voor aan den Kop heeft, beftaande uit een fpits werktuig, dat in een Scheede fteekt, en, zofterkis, dat het door de Huid der Ban den; dringt ; zo dat iemand, dieze vangt, zich daaraan zeer gevoelig kan kwetzen. Van boven heeft deeze fte« kei, die tusfchen de Pooten agterwaardsgeboogenlegt, een driehoekig Vliesje, en onder hetzelve een Gewrigt. Dewijl zij, wegens de opheffing door het Luchtbelle- tje, veel werks moeten doen om zich neder te houden, zoroeijen zij fterk met deAgterpooten, en dit doet bun, als menze in een glas heeft, dikwiis met geweld daar tegen aan ftooten, zo dat het glas geluid geeft. Met hetagterfte van hun Lijf haaien zij Adem, zohetfchijrtt, en houden daarom de opening, aldaar, zeer fchoon. 0ok hebben zij, in 't water, een zeer fcherp gezigt, op alles, dat tot hun aas kan dienen. ■Geduurende de drie vervellingen van dit Infekt, is dé groenagtige koleur van hun Lighaam in eenigen met bruin, in anderen met wat rood gemengd. Nadelaatfte hebben zij Dekfchilden en Wieken,gelijk de afbeeldin- gen hun vertoonen. De Dekfchilden of bovenfte Vleu- gels zijn grootendeels ondaorfchijnende, ten deele roodagtig , ten deele zwartagtig bruin, dog het end is, zo wel als de Ondervleugelen , geheel doorfchij- nende en blaauwagtig in de fonnefcbijn. De Oogen »ijn glanzig zwart; het Voorhoofd en Ruggefchild bleek bruin. . Als deeze laatfte vervelling is gefchied, begeeft zich
het Infekt gaarn uü het water, en bet drooge bereiken- de, vliegt het daar af. Derhalve vliegen zij, in 't voor- jaar, uit de groote ftaande wateren, daar zij paaren, en leggen hnare Eijeren in plasfen op het Land, alwaar het water wanner is en meer bezet met Vliegen. Eer deeze door 'de-hitte uitdroogen, zijn de Jongen bekwaam om van daar te vliegen naar de ffooten en moerasfen. Word een Water Wants, na de laatfte vervetling, gedwongen in !jt water te blijven, zo eet zij niet alleen geen Vliegen meer, maar biijft ook wel dra als dood leggen ; dog, als fflenze fchielijk op het drooge brengt, bekomt zij en vliegt eindelijk weg. Indien menze weder in water doet, dan leeft zii daar in nog eenigen tijd, zoekende echter geduu- *ig te ontkomen. f De Heer Geoffroy noemt dit Infèkt de groote Weeg*
tuis met Riemen; en geeft er de langte van een half duim aan; Het heeft den Kop, zegt hij, taamelijk rond en geel, de Oogen, die er het grootfte deel van fchijnen Uitte maaken, bruin.' De Sprieten, die.zeer klein en geeiagtigajn,, flegts uit tweeLeedjes beftaande,. zitten |
||||||
|
wat:
|
|||||||||||
|
WAT.
|
|||||||||||
|
4«2
|
|||||||||||
|
deezer kwaal. Hierom word dezelve onderde Ziektens
der zittende lieden gerekend. Ook word déezé kwaal veroorzaakt,; door orimaatige ontladingen -, gelijk door veelvuldige en zwaare aderlaatingèn of andere bloed, ontlastingen, door fterke en dikwils herhaalde buikzui. veringen , menigvuldige kwijlingen, enz. Het 'fchielijk ' opftoppen van gewoonlijke en noodwendige zuiveringen, gelijk der (tonden, der Woedende ambeijen.,, buikloo. pen, enz. is mede dikwils oorzaak der Waterzugt. .....js Niét zelden hebbe ik Waterzugt zien-; ontftaaii,: door
het drinken van groote -hoeveelheden , ' koude;, flappe wateragtige dranken,, wanneer het lighaanï door fterke beweeging zéér1 verhit was. Ook is deeze kwaal zeef gemeen, -in Iaage,rvogtige, móerasfige en Veenlanden, Ze werd mede veroorzaakt, door het langduuriggebruik van fchraale wateragtige fpijzen, of van flijmagtig en zwaar te ; verteeren voedzel. Veeltijds is dezelve ook een gevolg van andere zieluensj gelijk degeelzugt; van; krioestgèzwellen in de iever; " van hevigeien langduu- rige-koortfen; der buik en roode-loop; van vérzwee; ring of teering der long; in eën woord, al wat den om- k>op des bloeds, of deszelfs behoorlijke bereiding hin-: derd, kan oorzaak der Waterzugt zijn. : :' :').■ Toevallen..
met het zwellen der voeten en enkels, inzonderheid des avonds, welke zwelling, io den beginne der ziekte, .gemeenlijk des morgens weder verdweenen is. Wanneer. men 's avonds de gezwoliene deelçn met den: vinger drukt, blijven er op de gedrukte" plaats putten naa. Deezë zwelling klimt trapswijze opwaards naar den buik, welke eindelijk zeer dik wordt. Met de hand over de- zelve ftrijkende, voelt, ja hoort men zomtijds zelfs een golving. Vervolgens wordt de ademhaalingbenauwd,. . de pisloozing weinig, en dorst zeer groot; de afgang be- zwaarlijk en de uitwaasfeming bijna geheel geftremd. Hier opvolgt verftij ving, matheid, eene langzaame uit- teerende koorts en een zeer laftigen hoest. Deeze laat- fte is doorgaans een doodlijk teken, wijl daar uit blijkt, dat de long aangeftoken is. y* Wanneer deeze ziekte fchielijk komt, de Lijder jong
is en fterk, heeft men grond' om op berfteliing te hoo- pen; 'inzonderheid zo er in tijds middelen gebruikt wor- den. Dan wanneer de Lijder bejaard is en een ongere« gelde of zittende levenswijze gehouden heeft, of wan« neer er rede }s te vermoeden dat de lever, de long of eenig ander deel der ingewanden aangeftoken zijn, is de vrees voor doodelijke gevolgen gegrond. Leefregel. De Lijder moet zich zo veel moge«
lijk is onthouden van drinken, inzonderheid van flappe en wateragtige dranken, en zijn dorst verdaan metmos« taart-wei of met zuüren , gelijk met citroen of orange« fap, afkookzel van zuuring of diergelijke. Zijn fpijze behoort droog, verwarmenden pisdrijvend te zijn, ge' lijk geroost brood, gebraaden vleesch van vogelen of ander wild, prikkelende en fpecerijagtige moeskruiden, als knoflook, mostaard, uijen, tuin-kers, mieriks-.wor» tel.,, chalotten of rocambol, enz. Ook mag hij, bf? fchm't in wijn of.brandewijn gedoopt, eeten. Dit is niet alleen voedzaam maar ook dorstlesfend. Zommige» zijn in der daad van de Waterzugt geneezen, alleen door zich geheel en al van vogten te onthouden, en geene andere dan de hier bovengemelde fpijzen te gebruiken. Wanneer de Lijder drinken moet, zijn het fpawater, of rijnfche wijn, op .welke pisdrijvende middelen getrok- ksn zijn-, het beste. , T ;,_, |
|||||||||||
|
■lil. Zeer kkine Water-Wants; jfftttnèBa mimai sßma;
(NotorïeUaelijtris cinereis ', inaculisfüscis longitudinnlibus. Liisst. Sijfti Mat.) -Eén *eer klein Beeftje, fliet grooter dan een zandkorreltje, eri: dus naauwlijks met het bloote oogzigtbaar, maakt de derde-zoort van Water Want/en uit. Het heeft de Agteipooten langst, gelijk de andere zoorten, naar wélken het in geftalte veel gelijkt. Linnäus zegt, dat de Wieken en Dek- fchilden aschgraàuw zijn ; doch Geoffroij,die het óök omftreeks Parijs gevonden hoeft, merkt aan, dat men het altoos vindt zonder Wieken of Dekfchilden ; het welk derhalve nader onderzoek verdient. Ik twijfel niet, óf het zal ook wel in onze wateren voorkomen, en de liefhebbers kunnen zich in deszelfs befchouwing met het Mikroskoop verlustigen. WATERWEEGKüNDE noemt men die Wéten-
fchap, weifee de zwaarte en't evenwigt der>Vogten ten voorwerp heeft. ÙL. Schoon wel de" zwaarte-kragt in deeze Lighaamen van den zelfden- aart zjj,- als die'van alle anderen, en aan dezelfde wetten geboörzaamen, de ftaat nogthans van vlietidarheid geèü tot verfchèidene verfchijnzels aanleiding. Onder de Oude Wijsgeeren fchijnrhet Archimedes
geweest te zijn,die denmeesteri voortgang in deeze we- tenfchap gemaakt beeft. Mên gewaagt nóg heden ten dage met lof van de fchrandere wijze, waar door hij ont- dekte, dat een gouden Kroon de keur, daar ze naar ge- maakt moest zijn, niet hield, door dezelve in't water; te weegen. Onderde Hedendaagfchen, hebben Galt»' X.7E0S, Torricelli, Descartes, Paschal, en in dee- ze laatfte tijden" deHeerenMAHioTTEen GuiLLBLMrrcr, zeer veel fraaije ontdekkingen en kundigheden gevoegd bij 't geen men 'er reeds van wist; entahneproefneemin- gen, zoo overtuigend als merkwaardig, hebben ons in ftaat gefield, om te weéteh, wat wij van de kragten van 't Water, door zijn ge wigt'op dé Lighaamen werkende, te hoopen of te vreezen hebben; zo om ons van het zel- ve ten onzen nutte te bedienen, als om er gebruik van te maaken door middel van waterloopkonflige Werktui- g WATERZAKJE , zie RECEPTACÜLÜM LIM-
vnm.
WATERZOOT, zie BAARS.
WATERZUGT, in'tlatijn Hijdrops; tseeneonmaa- tige zwelling des geheelen Lighaams of van eenig deel deszelven, veroorzaakt door eene vergadering van wa- teragtige vogten. Alhoewel mën zomtijds bevind, datde vogten in de holligbeid der Borst, Buik, enz; vergaderd geenzins de koleur van water hebben," maar bruin, groen ©f bloedagtig uitzien en geheel ondoorfchijnendezijn , is zulks echter niet anders dan eene Waterzugt. Zomtijds ziet er het vogt melkagdguit. Bassii ObferV. Med. 7. Hiß. de l'Jcad. des Sciences 1709 Ê? 1719. ;. Dit ongemak word naar het deel dat er door aangetast
word, met verfchillende benaamingen onderfchéiden; dus heeft men de Amfarcaoi Waterzugt in den Buik ; de Hijdrops PeBoris o{ het Water in de Borst; de Hij- irocepfialus of Waterzugt der Hars/enen, ofdes Hoof ds, enz. - O&rzaaken. _ Eene overgeërfde gefteldheid, is; veel-
tijds oorzaak van Waterzugt. Ook ontftaat dezelve uit een onmaatig gebruik van verhittende en fterke dranken. Het gemeen fpreekwoord, dat flèrke Drinkers dan de Waterzugt fierven is niet zelden waar. Gebrek van bé- AoQrJijke lighaams-beweeging is mede : dikwils ooizaak |
|||||||||||
|
WAT.. 4113
|
|||||||
|
wat;
|
|||||||
|
î,igbaamsbewèegibg is in de Waterzugt ttn hoogflen brandewijn , gelijk virginiaanfcke flangwtrtel »- witte
-Qodzaakelijk. Zoo de Lijder in ftaat is te wandelen, kaneel, oranje]chilien, enz. zijn'medezeergoed. Voort*
te dansfen of te loopen, mo,et hij zich daar mede, zo moet de Lijder zich voor alle fterke ontladingen hoe-
lange hij eenigzins kan-; bezighouden. Zoo hij niet den, en zo hij kan, eene drooge en warme woonplaats
in ftaat is om te wandelen , moet hij te paard of in verkiezen.
een rijtuig rijden, en hoe fterker de beweeging is , tnits Door deeze bovenftaande middelen, zal doorgaans
'zede Lijder verdraagen kan, hoe beter. Hij moet op eene toevallige Waterzugt, wanneer des Lijders geftcl een hard bed, of op matrasfen flaapen, en zijn kamer buiten dat goed en gezond is, geneezen worden. Dan dient warm te zijn en droog. Zo hij in eene vogtige wanneer deeze kwaal uit eene kwaade Lighaams gefield- landftreék woont, moet hij zich naar een- drooger en heid, of uit een ongezonden ftaat der ingewanden voort- zo het moogelijk is warmer gewest begeeven ; ineen komt, zijn fterke buikzuiveringen en braakmiddelen geen- woord, men moet alles aanwenden om.de uitwaasfeming zins raadzaam., In dit geval is het veel veiliger de toe« te bevorderen en de vaste deelen te verfterken. Ten vallente verzagten, door het gebruik dier gerièesmid? deezen einde zal het van veel nut zijn, des Lijders lig- Helen., welke de affcheidingen bevorderen,', endes ï'ij- baaaitwee of driemaal des daags,-met. een drooge grove ders kragten,. door het geeven van verwarmende en doek of met een vleesch-borftel te .wrijven, ook dient voedzaame hardfterkingen te onderfteunen. hij altoos flanellen onderhemden te draagem . f De.affcbeiding der pis, wordt zeer door gebruik der ■ v Geneesmiddelen. Zó de. Lijder jong,. vaneen; Jalpeter bevorderd: Zeker Geneesheer zegt; dat hij een goede lighaamsgefteldheid en delwaal fchielijk ontftaaii jong Vrouwsperfoon, van eene voor ongeneeslijk gehou« is,,.wordtdezelve gemeenlijk door. fterke braakmiddelen, dene Waterzugt, heeft zien geneezen, dpör alleenlijk buikzuiveringen, en door al zulke geneesmiddelen wel- alle morgens een dr-achma Jalpeter in een glas. bier ge. ke de uitwaasfemingjen pisloozirig bevorden, geneezen. mengd,te gebruiken. Het poeder van zee-uijpn is mede Vooreen volwasfenen is een half drachma Hijpoçacmn- ten deezen einde zeer dierfftig. Men, neerjie van het Aa in een oncefijnop van zee-uijeneen gefchikt braak- zelve tweemaal des daags, zes of agt greinen/ met een middel. Dit middel mag men wanneer het noodig is, faunel Jalpeter, te zamen in een glas fterk aftrekzel 'van een en ander ja zelfs ten vierdenmaale herbaaien, mits kaneel gemengd. Een ander Geneesheer zegt, een met tusfchenpoozingen van drie of vier dagen. Op, dit hardnekkige Waterzugt, naar het vergeefsch aanwenden», braakmiddel, moet de Lijder zo weinig mogelijk is drin? der kragtigftè middelen, te hebbén zien geneezen, door ken,wijlanderzintsdeszelfsuitwerking vernietigd wordt, alle morden en avond een goede lepeteol ongebrooken Een paar koppen aftrekzel van Camille is genoeg tot mostaard-zaad te gebruiken, en telkens op het zelve'een dborfpoeling. : ; v half pint afkookzel van groene heiteppen te drinken. Op eene der tusfchenpoozende.i dagen ,,tusfcben het . ik hebbe in deèze kwaaluitfteokende goede uitwerk« gebruik'Van dit-braakmiddel, neemede Lijder de, vol- zelen gezien van de cremor tattari. Dezelve bevor« gende, buikzuivering,.als,poeder,van jalappt.een_half dert de ftoelgang zo wel als- de pisloozing, en zal ge- draehma, met twee drachma! crélnor-'tartari en zes grei« noegzaam aanhoudend gebruikt wordende, veeltijds ge- nen kalmus; dit maakt men met fijrmp vqn:rsozen tpt neezing te wege brengen. De Lijder kan beginnen, een cortferf en neemeïhet.des, morgens vroeg. Hoe mirï- met iederen twee-of derden dag een onze derzelve te derde Lijder daafcopdrlnke,: hoe bete.r hel; is; I)an gebruiken, en vervolgens die hoeveelheid trapswijze iohet middel te:fterke fnijdmgen veroorzaakt »neeme vermeerderen, tot twee ja tot drie oneen toe, mits dé hij nu dan een kop hoendernat. ' Btlïoii '"', rnaa'g dezelve verdraagen wil. Deeze hoeveelheid egter . Insgelijks neeme -de Lijder aüe, avonden-,, eer hij, te moet niet op eenmaal ingerioomen , maar in drie'of vier 'bedde gaat, de: volgende flikbrok,; als, vier of ..vijf grei- giften .verdeeld worden. Mn, campJier.mçt opium-gemeng&i en te zanden met Jij- , Om de uitwaasfeming te bevorderen,, gebruike dé
.rpop van oranjejchitlen tot een, cpnferf gemaakt., Di't Lijder het afkookzel vanjlahgen-wortel, in dier voege als
middel zal gemeenlijk-een^zagt. zweet doen ontftaan , hier-boven opgegèeven is; of hij neeme drie of vier«
het geen. men moet; doen aanhouden , door-nuen dan maal dés .daags, een paar lepels vol geest van Mindè*-
eeo.kop,;wi/»-ivsj',i iwaar jn ee,n theelepeltje, vol geest rerus in een,kop wijn-wét. Het pisdrijvend aftrekzel^
tm'.haftshoorn gemengd is,!,,te drinken., Voorts neeme 't welk nien inde iöndonfcbe Hospitaalen gebruikt ,'h-
de Lijder overdag, om de vier of vijf uuren , eenthee,« mede een zeer goed geneesmiddel in deeze kwaal, eh
komvol van het volgend pisdrijvend aftrekzel ; neemt word op de volgende wijze bereid; Men neemt, zé«
jtnévetbsfi'èn ;, mo'sterzaad. en .mierikswortel van ieder 'doar-wortel 2. drachmen, zout van als fem anderhalf drach-
e«B lood, en .een.half ,pon.d asfthe van hei,,, dit laat ma; m.en trekke dit zaamen op anderhalf 'pint oude rliijn-
■nen.zamen op éen mengelen rijnfihe wijn-ol,fierk. bier, Jche wijn, en. zijge het zelve wanneer men het gebruiken
geduurende eenige dagen trekken, en zijge vervolgens .wil, door, hier-van neeme men drie of viermaal des
Aet-rvpgtdoor. ; ße geenen die ditaftreKzel niat ge- daags een wijnroomer vol.
bruiken kunnen, megejn in deszelfs plaats het afkookzel Wanneer eindelijk alle., middelen niet baten, moét-
en jfon£e».WOr^ gebruiken , h-et geen pis-en zweet- men tot aftapping of opïnfchrabbing _ (fcharifiiatitr) ■otijvend tefFen's is, ■'' den toevlugt neemen; deeze geeven veeltijds verfich"- "" Wij! deeze kwaal zeer geneigd is weder te komen, finge, doch brengen zelden eene grondige geneezing "toetde Lijder-naa dat het water afgédreeven is, om te wege. het weder vergaderen van.het zelve te verhinderen, WATP:RZÜGTIGE, zie HIJDROPICUS. /
.^oortgaan beweeging te neemen, drooge fpijzen én-, zó. WATER-ZWIJN, zie RIEVIERPAARD, n.ïl.p,
danige middelen te gebruiken, waar door de vaste dee« 30J9.
«en verfterkt worden,, als wijn ofiJtiialo.fi «'«a getrok- WATTEN iir 't fransch Ouate-óf Houatte, is-een
*8öj verwarmende en fpecerijagtige bitters op. wijn of zoortvanbuitengemeen fijn en. eenigzints gUnftéreödcot-
' tóén;-
|
|||||||
|
WED.
|
|||||||||
|
4«* WAIJ. WED.
|
|||||||||
|
toen. Schoon eenige Schrijvers beweeren.dat de dpreg-
te Ouata of Watten in 't oosten word gevonden, groeijende om een zeker zoon van Vrugt waar van zij het eerfte be- kleedzel uitmaakt; is het echter zeker dat de ^a««voort- gebragt word in de peulen van een Plant die gemeenlijk in Egijpten groeit, en die door een ige Liefhebbers bij ons om de zeldzaamheid wordt gekweekt. Deeze Plam tiert weelig op vogtige moerasfige plaat-
zen; deszelfs Bladen zijn taamelijk breed, en rond; de Bloemen zijn troswijze, en de Watten die op de Vrugt volgen, zijn in peulen beilooten welke van zelfs opengaan wanneer rijp zijn ; het zaad dat er onder vermengt word gevonden is. klein , rond, pjàt, en grijsagtig bruin van koïeur. Deeze waar bekoomt men van aie- xandrieri, en zij word over Marfelje na Vranktijk ge- bragt. . Daar is nog een ander zoort van cottoen 't welk men
ook\ fchoon zeer oneigentlijk, JFatten noemt; dog Zulks ïs niet anders als de eerfte Zijde welke de dop van den Zijdeworm bedekt; men laat dezelve kooken, en na dee- ze eenvoudige bereiding , verkoopt men die voorop^- regte Watten, fchoon zij er op g'eenerleij wijze, nog ten aanzien van de fijnheid, nog wat de fraaiheid betreft, bij is te vergelijken. Men gebruikt àe Watten, tot tusfchenvoeringe, voor
Vrouwen-Mantels , Geftikte-Rókken enz. zijnde zeer verwarmende, zonder eenige aanmerkelijke,zwaarte te vëjóorzaaken. " WA1JGEHÖE, zie RAVE,.». XI.pag. 2915.
" WEDERDOOD; Adianthum aureum; Muscüs capil- laris. DoDON. Pempt.p. 472.; Poiijtrichium aureum, tha- jus. C. Bauh. Piß. 356. ; Poiijtrichium apulei majusqui» busdam. ].■ Bauh. Hifi. torn. 3. p. 760. Adianthum au. reum. Tabern. ; Poiijtrichium noHlé.~-Ts.AG.; Muscusca- pillaceus major, pediculo £? capitula crajfioribus nudis. Toürnef. Infi. R. Herb. Befchrijving, enz. Dit Gewas behoort öndèr zodaa-
pige Planten, welke men zegt zonder Bloem of Vrugt te zijn. Het heeft dunne en kleine Worteltjes, de Steekjes omtrent een handbreed lang, hebben veele lang- agtige Blaadjes, en worden vervolgens kaal, groeijende op derzelver top een Iangagtig nederhangend Knopje. Het is een klein Kruidgewas bijna als Mos, omtrent een vinger lang, heeft veele Blaadjes, diefpits, geel, en fchïer zo dun als een haair zijn ; deSreelen zijn klein, glad, ropdagtig of bleekgeel,, en hebben boven op de top- pen langagtige knopjes. Dit Kruidje groeit in de Bos- *fchen, en tusfchen de Mos aan oude Boomen op veele plaatzen van Europa. Kragt, en Gebruik. Niettègénftaanje dit Gewas ,
veel vlug zout in zich bevat, word bet nogthans zeld« zaam in demedecijnen gebruikt. __, De Heer Tourne-
»ort verhaalt, dat een zeker Geneesheerin Noorwegen
verbaazende uitwerkingen van deszelfs afkookzel in het Pleuris heeft waargenomen. Hij liet een mengelen heet- wp&erap een handvol van dit Kruid gieten, daarna door een doek loopen, en den Lijder een glas op eene reis daar van drinken; zie ook over de kragt van dit Kruidt, IÜemf.rij DiUionaire de's Drogues, p. IO. WEDEROMSTUITEND VUUR, zielGNIS RE-
VERBERIUS. WEDERIJK ; Vederik ; Joodenhuid ; Lijfimachia.
Dit Kruidgewas zegt men dat naar Lijsimachus , zoon yan çen Koning van. Sicilien-gçhoem.d is, die verze- .iê'rt word het'zelve't eerst gevon'dente hebben.' |
Kenmerken. De Bladen, die geheel en ' langwerpig
zijn, koomen zomtijds bij paaren voort, of ook wel bü drie of vier aan elke geleding van de Steng;,de Bloem, beftaat uit een Blad, 't welk zich in een kring uitbreid, en van boven in verfcheide verdeeiingen gefneeden is ; de Vrugt is kloot-rondagtig en van boven open, veele zaad. jes in zich befluitende, die aan de Moederkoek vastzit- ten. Zoorten. Daar zijn verfcheidene zoorten van dit Ge.
was, waar van de Lezer hier ter plaatze de voornaamltea zal aangetekend vinden. ;; i. Gemeene geele Wederik; Lijfimachia lutea major. C,
Bauh. Pin. 245.; Lijfimachia foliisIqnceolatis, racemo compofito terminali. Rqij. Lugdbat. 416. ; (Lijfimachin paniculata, racemis tèrminalibus. Linn. Spec. Plant.) Van deeze zoort is eene.verandering, met vier Bladen aan elke geleeding. ; 2. Wederik met twee Bladen aan elke geleeding., engte-
Ie Bloemen, die ronde-Knopjes maaken; Lijfimachia lûtes. Clus. Hifi. 2. p. 53.; Lijfiimchia-Mfolia, flore gkbofi lutea.'C Bauh. Pin. 242.'; .Lijfimachia racemisfimplici- bus lateralibus. Röij. Lugdb. 416.; (Lijfimachiarac'mit latsralibus pedunculatis. Link. Spec* Plant.) 1 i , 3. Smalbïadige Oosterfihe Wederik met een purpert
Bloem; Lijfimachia orientalis anguftifolia flore purpurn. Tours. CoroL; Lijfimachia orientalis augujlifolia. Gomm. Rar. 93.; Lijfimachia f'oliis lanceolqto linearibut, fpicii tèrminalibus.: Ro 1 j. Lugdb. 415.; QLijfimachia.fpicis ter- minalibus patulis lanceolatis, fiaminibus corolla longiori- \ k«. Linn; S/w. Plant.) Plaats. De eerste zoort benevens derzelver veranit>
ring; als mede de tweede, zijn vrij gemeen aan de kan- ten van SlóQten in Neder-en Hoog-Dùitschland, Vrank- rijk, Engeland, ,enz. De derde zoort hoort.in deoos- : terfche landen te huis*; doch is een harde tweejaarige \ Plant, die bij ons zeer wel wil tieren. Kweéking. Men kweekt de beide eerste zoorten, zei«
"den bij -óns in de tuinen-, fchoon de eerste geheel en al geen verachtelijke Plant is", want ze brengt in julij gropte trosfen van fraaije geele Bloemen voort, om welke reden zij in een koud nat gedeelte van den tuin kan plaats hebben, daar weinig anders tieren wil, waar door men een ftuk grorids aarjgenaam kan maaken, 't welk veeltijds weinig anders, dari flegt onkruid voortbrengt. .■ zen, daar \ ze natuurlijk groeit, opgenomen, en ver- plant worden, daarmen ze wil laatengroeijen, enze vermenigvuldigt zeer fpoedig, door middel van haare kruipende wortels. De derde zoort, 't welk een tweejaarige Plant i».
brengt in junij fraaije trosfen van kleine purpere Bloe- men voort, en deszelfs Zaad word in augustus rijp- Schoon in de Oosterfche landen 't huishoorende, i« het echter een harde Plant die bjj ons zeer wel wil tie- ren. Men vermenigvuldigt dezelve door het zaad, t welk men kort na dat het ts rijp geworden, op een warm Rabat in een ligte grond zaait, en wanneer de Planten zijn opgekoomen, moeten die op eene plaats gezet wor; den daar zë dé morgen'fon kunnen 'genieten, en daar zi) : moeten blijven liaan om te bloeijen, dewijl het een Ge* was is, dat niet dikwils wil verzet worden. ; Gebruik. Schoon bij ons in het huishoudelijke '"
geen gebruik, word omtrent Regensburg de Wortel van de eerfte zoort, in den herfst en winteruitgegraaven, gekookt en in fchijven, ais falade, onder den naarn*1 |
||||||||
|
Wed,
|
||||||||||||||||
|
WED.
|
||||||||||||||||
|
4"5
|
||||||||||||||||
|
verfche wonden, floppen blöedloop, en geneezën rot-
tige wonden. Men zaait ze jaarlijks in 't begin van maart, om.
met haare droogerijen den Verweren tot biaauwen te dienen. Men oogst de Bladen deezer Plant '5 jaarlijks door-
gaans viermaal; maär dikmaal vijf en zesmaal; men agt niets, dan de vier eerfte oogden; de eerfte is de beite, en zo vervolgens. De Weede die de vijfde reis komt, is flap, en de zesde fiechf; men noemt die Marouchin. Als het Blad van de Weede rijp is, en men 't heeft
afgeplukt, laat men het eenigen tijd verwelken, eer mea 't onder 't rad brengt, om't teftampen, en dat met oogmerk om 't.nog rijper te doen worden, en het een '■deepvan deszelfs olieachtig fap te ontneemen, dat de Weede zoude kunnen bederven. Na dat deeze Bladen zijn gedampt, of gemaalen,
laat men ze een dag âgt, of tien opeen hoop leggen, en daar na maakt men ze aaneen zoort van bollen, of kleine brooden, die men Cois, of Cocaigne noemt, en die men in de fchaduwe op horden Jaat droogen, tot dat men ze fijn wil maaien. De Weede met houten dampers gebroken zijnde, _Iaat
men te met ftilftaand water bevogtigen; en, nadatmen 't wel ger-oert en gemengd heeft, gaat men voort met mengen vier uuren lang, omtrent veertig maaien, daar na is zij in ftaat, om te worden ingepakt, en tot Verwen gebruikt. De oudfte Weede is de beste, men kan ze tien jaaren
lang bewaaren. Een fterke koleur van Weede, is een donker blaauwe koleur, die de grond van zo veele ko- leuren is, welke de Verwers tot ftaalen dienen, om verfcheiden zoorten van koleuren van Weede te geeven -, van de ügtdenaftotde donkerden toe. WEDER. Dit woord betekent degeffieldbeid van de
lucht; men zegt dus goed, fiecht, donker, enz. Weder-, Wij zullen een ige voortekenen van toekomend goed, of kwaad Weder opgeven. Voortekenen van goed Weder, uit de Son
afgenomen. ' Als men ziet ," -dat de Son in 't opgaan belder is, niet grooter dan gemeenlijk, geene gebroken draaien heeft, kan men hoopen, dat het dien gantfchen dag goed Weder zal zijn. Zomtijds ziet men , als de Son op- gaat, een kleine mist, waar van men niet anders kan verwagten , dan dat het fraai WHer zal zijn; e-o de Son ondergaande helder is, en men rondsom kleine roode wolken ziet, die de eene van de anderen zijngefcbei« den, is 't een teken van fraai Weder. ~ Fóartekenen van de Maan ontleend.
De Maan, die rood fchijnt, als zij opgaat, voorzegt
in de fomer groote hitte. Als zij opgaande, z/chhei- der vertoont, heeft men niet dan -goed Weder te ver- wachten. Op den tijd, als men de lucht aan alle kanten zuiver
, ziet, als de Maan nieuw is, is 't een voorteken van
goed Weder. Zo drie dagen voor. of na nieuwe Maan,
in zijn kwartier, de Maan een klein licht heeft, misf
het fraai Weder nooit te komen.
Men ziet gemeenlijk, dat, zo de Maan vier dagen,
na dat ze nieuw is geweest, zich zonder vlek vertoont, het een teken is, dat men dit gantfche maand goed We- der zal hebben. Als ze maar klaar is, geduurendehaa. :¥y m |
||||||||||||||||
|
gf$inM-&âUt, wijl er de gefneden ftükken e^enz» uit-
zien , met boom-olij en azijn toebereid, gegeete», ea voor'een goede gezonde fpijze gehouden. - WËDÉRIJK (BASTERD) , zie EERENPRIJS
/BASTERDO n. i. p. 506. x WEDERIJK (GEHOORNDE-), m 'tlatijn Onagra;
is de naam van een Kruidgewas.dat tot Kenmerken heeft, «en roosagtigë Bloera, doorgaans uit vier Bladen be- (taande,die in de rondte daan, en op den Koker rusten, uitwelks bovenftegedeelte dat pijpagtig is, het Sdjltje voortkomt,wiens onderde gedeelte,eenrölronde Vrugt word, welke zich in vier deelen opent, en in vier cel- letjes word verdeeld, die met hoekige zaadjes zijn ver- vuld, welke aan de Moederkoek vast zitten. Zierten. Veelvuldig zijn de Zoorten van dit uitlandsch
pianten-Geflagt; wij noemen hier alleen die beide zoor- ten op, welke in de tuinen van zommige Liefhebbers hier te lande om de verandering der Gewasfen, worden gekweekt. -, 1. Smalbladige gehoornde Wederijk met node Stengen
ia geele Bloemen ; Onagra angufiifolia, caule rubro, pre minore. Töurnef. hifi., R. Herb: 302.; Oenothera prum calijce' monophijllo, hinc tantum aperto. Gronov. firg. 4.2.; (Oenothera foliis lanceolatis, capfulis acutan- plis. Link. Spec. Plant:.) 2. Jmerikaanjçhe gehoornde Wederijk met Betonie-Blad,
m ßekelige Vrugten ; Onagra ameriâana, folio betoni- cte,.fmBu hispido. Tournef. Infi. R. Herb. 302;; Mintzelia. foliis £f fruäibus-afperis. Plum, Gen. 41 ; (Mmtzelia; Linn. Spec. Plant.) Plaats. Beide de zoorten hooren in de Amerikaanfcbe
Gewesten tehuis. - Kweging. De eerfte zoort is een harde Plant, die ge«
noegzaam in alle gronden en flandplaatzen wil tieren ;
men zaait het zaad daar van in maart in een openedand-
: piaals, en wanneer de Planten opkoomen, moeten ze
I van onkruid worden fchoon gehouden; men laat dezel-
[ ve ftaan tot dat een handbreed groot-zijn geworden,
j als wanneer men ze verplant omte laaten ftaan daar ze
[ zullen blqeijen; zij brengen veel zaad voort, 't 'welk
J indien men't laat ftrooijen, den tuin genoeg met Plan«
ten voorziet; maar de oude Planten blijven zeldzaam
over, na dat ze Zaad hebben gegeeven.
De tweede zoort is veel tederder, en moetin een Broei-
02k gekweekt worden, alwaar op de zelfde wijze moet worden behandelt, ais ten aanzien van de Balfamineen dnxiranthus is gezegt. WEEDASCH is een zoort van ascb, welke bij Blee.
iers, Verwers, Zeepzieders in gebruik is. Men haalt 2e uit Polen, Dantzig, enz. Ziet>ok POTASCH. WEEDE, of PASTEL, in *t Iatijn IJatis, of Gla- ■Befchrijvmg. De Weede is een Plant, die bladen
«|s de Weegbree heeft, fchoon ze zwarter en vetter
j!Jn- De Stengel is hoger dan twee voet. De Bloemen,
ie op 't end van de Stengels voortkomen zijn kleinder,
|
||||||||||||||||
|
tas
|
'aatj, Deeze Plant groeit in Italie en Languedok,
|
|||||||||||||||
|
>[Bijzonder nabij Touloufe, Sint Papoul,Mirepoix,
avant en Albaij, en andere heete landen; zij bloeit ln meij en junij. tend nfcha!)Pen' Pe Weede k opdroogend zonder hij-
d t te wezen ; haar afziedzel, in wijn gemengd en ge- te £►"' gelleest de hardigheden van de Milt; deBla- Pll 5?8fegd ' ^binden de verzweeringen, fluiten |
||||||||||||||||
|
..WEE.
|
|||||||||
|
4116 - WEE.
|
|||||||||
|
Te vroeg afgeplukt, voegt hij erbij, of door *t legçeà
óp een doffe plaats, worden ze geheel zwart. Zie da afbeelding van deeze Boontjes, zo wel als die der Plant. waar aan dezelve groeijen, op Plaat R. figt 13, i4 en I5-' WEEGBREE, Weghbree, Hondsribbe, Indiaanfchi
Muifeßaart, Leeuwenvoet; in 't arabisch, Ajal, Afi\\ Alcliana; in't egijpcisçh, AJ'chat, Afout h ; in 't pheeni. eisen, Aturcon; in 't grieksch , «sçioyA»«-«-«»; in 't latijn, Plantago; in 't italiaansch, Piantagine; in 't fpaansch, Jjanten, Tamehagen, Thefdrico; in't fransen, Plan. tain; in't boheemsch, Sitrozell; in 't boheemscb, Bah' xâ; in 't deensch , Beijbred, Faarentunge; in 't bra. bantsch, Wegheblat, en in't boogduitsch , Weegerich. Kenmerken, enz. De Wortel van de Weegbree isdun,
dog vefelagtig,, brengende langwerpige Bladeren voort, die wel aan kleine fteelen zijn aangegroeit, dog gemeen- lijk op den grond neergeilagen leggen, van'getal meerder of minder naa de gedaante van een Star verdeelt. Uit het midden der Bladeren komt een Steng voort, zeer hard in 't breeken, zomwijlen hoekig, roodagtig, glad of wollig, aan welker bovenfte .deel een Bloemkelk is, 't welk uit een eenig viervoudig gedeeld Bladje beftaat, daar bij pijpagtig en zeer.teder is, brengende een een> b-ladige Bloem voort in de gedaante van een onderkelk; zijnde meestendeels viervoudig gedeelt, of ftarsgewijze uitgebreid. Uit de bodem van deezen Bloem groeit een ftempel, die met vier lange vefelèn is bezet, welke ver» volgens eene Vrugt wórd, : van eene bijkans eijronde of kegelvormige gedaante, en die lijp zijnde overdwars in twee deelen van malkanderen gaapt, leggende de een op de andere door een middenfehot even als in twee vakken verdeelt r en met langwerpige Zaad-korrels vervuld zijnde , welke aan de Bloemkelk «vastzit- ten. « het Zaad niet naakt, maar met een.tweevoudig gedeelt
jZaadhuisîe gedekt, daar bij. met een dekzel ovei(lelpt; zo dat de geheele Plant tegens het gevoelen van de Heet TouRNiFORT, onder zodanige Kruiden moet gerekent worden ,, die eene geregelde en vierbladige Bloem heb- ben, 'vermits de Vrugt grooöer wordende en opzwellen- de dei Bloemvljesjes affche^irt, waar mede Ra jus ten naasten bij overeenkomt. De Heer VotcoMEit geeft zijne toeftemmingaan-alle deeze opgegeevënealgemeene Kenmerken van de Weegbree i en zegt verders, dat de vezelagtige Bloemen airswijze zijn t'zamengedrongen, en de Pijpen der Bloemen in eijronde Zaadhuisjes op- zwellen , welke tot volkoomens rijpheid gekoomen zijn" de, door een horizontaale fneéta 't midden van malkan- der gaapen; van binnen zitten twee aan twee Zaadkor- rels van gedaante als Vlooijen. Van deeze zoort vind men zommigen met naakte Steelen of met zeer breede Bladeren of met aderen bewerkt, maar éeftvouwigweg Weegbree genoemt, ofwel met fmalle Bladeren en M eenige zoorten getand of ingefneeden, en onderde naa- men van Haanenvoet (Coronopum) en Slangendwangi"°' Hojtenum) bekend; anderen wederom, hebben bladernl» Steelen, met fmalle Bladeren twee en twee tegens niai- kanderen overgeftelt, daarbij Bloem-aairen, die uit vleugels der Bladeren voortkoomen ; de Zaadkorrels m van zijn langwerpig, aan de eene zijde min of meer u gehold; de Bloemen zijn onvolkoomen, vol van v zeis, viervoudig gedeelt, in een zeer dik en Vm * toeloopende koornaair, meeftendeels zamengedronge . de op.de grond leggende Bladeren zijn zorutijds wej . |
|||||||||
|
ie volheid, of daf «ij in haar wasfen, zich zonder ee-
nige vlekken vertoont, en dat het deel des Hemels, 't geen men de weg van St. Jacob noemt, klaar en belder fchijnt, is 'teen; voorteken van goed Weder. Men heeft een zekere kring rondsom de Maan, als zij is opgegaan, welke men Halo noemt, en zo dra men ziet, dat die verdwijnt, is het zeggen, dat we zullen 'goei Weder kebben, I '■- Voortekenen uit het Geflarnte genomen.
. Als we zien, dat de Starren glinfleren in de lueht, en men ze zonder vlekken ziet, kan men niet anders voorzeggen dan goed Weden. Voortekenen uit de-lucht gemmen.
's Avonds rood, 's morgens vit, is de rets van een Ëelgrim, is een fpreuk, die niet onwaarachtig is ; want zo menigmaal, als de wolken 's avonds rood zijn, is 't een teken van fraai Weder. Alsmen ziet, dat de He- Hiel zich in 't gedeelte, dat tegen de wind overftaat, ontdekt; en des avonds zonder eenige donder, of wol- ken, de Dauw in groote menigte nederdaalt, kan men »iet, dan goed Wider voorzeggen. Men zietzomwij» len de wolken, als vederen of palmtakken, die als een feoed zijn, daar ze de Bergen mede dekken ; zo.de Wolken vallen, is er niet dan fraai Weder te wachten.; Zo de .Regenboog voor den dag komt, en men ze aan den kant van't oosten ziet, is 't een teken, dat men fraai Weder 2al hebben.. Zo de Hemel in 't krieken van den dag^, ïondso'm een witte ring heeft, of die verguld is, aan % uiterfte van den gezichteinder, en men de fraaije ftreek der lucht met <lauw ziet, die men vindt aan de yenfterglazen, is 't een onfeilbaar teken van fraai We- der-. Als de Son fchoon is, en men 's morgens veel daauw heeft, kan men (laat maaken, dathet den gant- fchen dag gosd Weder zal zijn. Men heeft geen Son- eclips,, die ons geen f mai Weder- aanbrengt. Voortekenen van de Dieren genomem
Zo de Nacht-Uil de Son ziende ondergaan, zich, zonder gefcbieeuw, in zijn hol houdt, of zo na 't on- dergaan der Sonne, zij bij een komen, en fpeelen, is 't een teken van fraai Weder. Zo de Havens bij hoo- pen Bij een komen, en met luider ilemme roepen; zo de Kraai 's morgens roept; zo de Vledermuis met het ondergaan der Sonne zijn hol verlaat, en vliegt overal heen,, is 't fraai Weder. Zo de Kraanvogels hoog vlie» gen, en ze fchielijk niet weder daalen; zo deRiviervo- gels zich van den waterkant af begeeven, weet men, dat het nog. fraai Weder zal blijven; ook: als men de Sperwer ziet, zich in de lucht verheffen,, en zich op de JLeeuwerk ftorten, die hij wegneemt. WEEGBOONTJES, zijn Indiaanfche Boontjes, dus
genoemd', om dat van dezelven bij zommigen , in plaats van gewigt gebruik gemaakt wordt; doch bij ons voeren> zij- dikwils den naam van Weesboo?itjes, wegens de hoog- roode koleur' met een zwarte vlak aan 't endy even als men! fómtijds- de Weeskinderen uirgedoscht ziet.. In ©östihdie noemt men ze Zaga, welk woord van arabi- . Bifche afkomst is en-op-het gebruik derzeiven, in het foldeeren der metaalen zoude zien-. Een-en-twintig van déeze korrels, zoo zij groot zijn, maaken een maas, zegt RuMPHius,, 't welk zoo veel is als een drachtna "ofTvierde loot's-; vaa de kleine vier-en-twintig, én men sieefc zft daar toe egaal uitzoelen en firiech neemen. |
|||||||||
|
W'EÈ. 41^
|
|||||||||
|
^WE2.
|
|||||||||
|
somtijds final, en veeltijds- diep ingefneèden. In julïj
brengt dit gewas Bloemen voort, en in augustus word deszelfs Zaad rijp, 't welk een ongemeene nuttigheid heeft.
Zoórten. Veelvuldig "zijn "de goorten waar in de Kruid-
kenners de Weegbree hebben verdeelt, Aemilius Ma- cer zegt dien aangaande. Jlerbâm, ait: qua nofira lingua Plantago vocatur
Agniné arhoglosfon gttscus vocat: e ft quia lingua. Agninaj fimilis foliis, Plantaginis hujus Sunt gemince facies; £p major prima vocatur, Altera vero minor, quam vulgo lanceolatam Dkunt, ,quod foliis ut lancea fur gatacutis. Dat is, Aemil. Macer zegt, dat bet Kruid, 't
;, welk in 't latijn den naam voert van Plantago, van de Grieken «{»óyAi«-«» genoemt worde, om reden, ,-n dat de Bladeren aan eene Scbaapstöhg gelijken. Daar zijn rweederleije zoorten van deeze Weegbree; en men noemt de eene de groots, dog de andere de kleine zoêrt, die gemeenlijk de naam van puntige draagt, dewijl het zelve met puntige Bladeren, in de gedaante van een Piek opfchiet. Dàarzijn zommigeBotanici, welke dit Kruidgewas naar
■llèj; getal van deszelfs aderen, in zoorten onderfchei- den; zó als onder anderen C. Bauhikus in Prodrom. I.e. en in Pin. I. c. verdeelt hij het zelve in breed- Ikdig, fmaJbladig en wateragtig. Haller on- derfcheid het te regte, in telgagtig'e, takkige en Made-
Uofe niet takkige. ----- Wij bepaalen ons tot de voir
gende zoörten.
1. Groot breedbladig Weegbree met bogten; Plantago
htifolia finuata. Ç. Bauh. Pin. 1S9. ; Plantago major DodoN.,- Plantago latifolifl leevis. Lobel. ; (Plantago foliis ovatis-glibris, nudo fcapo tereti, f pica flosculis im' bricatis. Linn. Spec. Plant.) 2. Kleine Weegbree; Plantago minor. Dod. Pempt.
102.; Plantago angußifolia major. C. Bauh. Pin. 189, ; (Plantago foliis lanceolatis, fpica fubovata nuda fcapo an- gulalo. Linn. Spec. Plant.) 3. Rcos-Weegbree »weS geblade puntige Aaiten; Plan-
tago latifolia rofea, fpica multiplici fparfa. C. Bauh. Pin. Ï89.» (Plantago latifolia rofea, floribus quaft in fpica dispojitis. Linn. Hort. Upf. 29.) Behalven deeze drie, zijn er nog eenêmeenigte andere
zoorten, waarvan fommigen in Amerika, andereninde Indien te huis hooren.dan dewijl die zeldzaam als nooit door de Liefhebbers van vreemde Gewasfen bij ons wor- den gecultiveert, zo agten wij het nosdeloos die op te tellen en te befchrijven. Plaats, Alle de opgenoemde zoorten, groeijen van
zelfs in Hoog- en Neder-Duitschland, Vrankrijk, En- geland, en meer andere plaatzen van Europa aan de gemeene wegen, enz. Kweeking. Dewijl men genoegzaam nooit deeze Plan-
ten in de Hoven cultiveert, alzo men die tot "t ge- orulk ten overvloede in 't wild vind, zullen wij wei- jnf van derzelver Jiweekwijze aantekenen ■, en maaral- leen zeggen, dat zulks 't gevoeglijkfte door fcheuring der wortelfpruiten kan gefchieden in april of maart, tierende 't best in een goede losfe, liefst fandagtige grond, en opene ftandplaats. _ Kragt en Gebruik. De Weegbree h verkoelend, op.
wöogead, 't zamentrekkend, verdikkend,'iloedzuive- |
|||||||||
|
tend en bovenal wondheelend, zeer dienstig voor buik«
en ïoode-Ioop, overvloedige ftonden, faadloop, bloecf« fpuwing, bloedpisfing, inwendige wonden en gezw.ee- ren, enz. 't gedistilleerde water of eene decöctie daar van gebruikt. Uitwendig om allerleij verfch'e en oude vuile wonden en zweeren te zuiveren en te geneezén, waar toe het fap uit de bladeren geperst, word gè- , bruiktj dat zelfde water, is dienstig voor- vuil tand» vleesch, puisten in de mond, en ontfteekene keel, de mond daar mede gefpoeld of gegorgelt; dat water met roofewater gemengd, voor geinflamtneerde oogen." * WEEGBREE (WATER.), is een zoort van Water-
Plant, die overendftaande Stengels van een a twee voe« ten hoogte voortbrengt, zijnde deeze Stengels rond. van binnen hol, met een korte en niet dik (taande wol bezet; de Bladeren die aanftonds bij de wortel ontdaan, zitten aan zeer lange fteelen. De Stengels verdeelen zich in veele takken, die op hunne toppen geele B'oe« men voortbrengen die vijfbladig zijn; het Zaad is talrijk: en t'zamengedrukt* Zomwijlen hebben de Bladeren purperroode vlakken, en zijn met een geheel korte wolle bezet. Zoorten. De voornaamfle zoort van deeze Plant word
door de Kruidkundigen genoemt, Damafoniüm ftellatum', Plantago aquatica. Dodon. ëP'Lobel. ; Ranünculus pa» luftris plantaginis folio. Tournef. Infi. R. Herb.; Plah- tago aquatica latifolia. C. Bauh. Pin. 190.; "(Alisma foliis ovatis acutis,-fructibus obtufi trigonis, Linn. Spjec. Plant.) _ ; Eene tweede zoort welke in Jamaika, de Barbados en verfcheidene andere plaatzen in de wàrtrie gewesten van Amerika groeit, noemt de Heer Plumier*, Damafoniüm americanum maximum, plantaginis folio, flore flavescente, fruüu globofi. Plaats. ; De eerstgenoemde zoort groeit ih Neder1 en
Hoog-Duitschland, Frankrijk, Engelandt, enz. aan de oevers der gragten, vaarten en rivieren. ■■
tweede zoort op de genoemde plaatzen.in Amerika, in
ftilrtaande wateren en andere moerasfige plaatzen; zo dat het bezwaarlijk is deeze Plant bij ons te bewaären, want ze wil niet in de open lucht leeven, en heefteen moeras noodig om haar te doen tieran; dan dewijl het eene Plant is van Weinig fchoonheid en geen gebruik, /is het der moeite niet waarde om haar in dit land te kwee- ken. Kweeking. Dewijl dit Gewas overvloedig in 't wil-
de word gevonden, kweekt men het nimmer in de Tui» nen. Kragt en Gebruik. De Water-Weegbree heeft eene
verkoelende, opdroogende, openende, en bloedzüive« rende hoedaanigheid, wordende zeer gepreezen als een der beste middelen voor heete fchorbut, insgelijks voor geel- en waterzugt, de bladen in decöctie, of wel 't fab daar uit geperst. WEEGDOORN, zie WEGEDOORN.
WEEGLUIS, zie WANTZEN.
WEEGLUIS-SPINNETJE, zië KREEFTSP1N-
NEN, n. V. pag. 1637- WEEGSCHAAL of Balans, word genoemd een zo-
danig werktuig, waar door men de zwaarte van een Lig- chaam onderzoekt en vind. Dezelve is tweeërlei/', als r» de gemeene, Weegfchaal Of Balans; en 2. de Romeinfche Weegfchaal,gewoonlijk Snel-waag of Unfiergenoemt. De gemeene Weegfchaal befraatuit een Balk of Evenaar
A B, zie fig-%ï- PiaatB; n. 2. van twee even lange eil
even zwaarê armen A O en B O. vaneen Tong of Naaide
Yy 2 , ; E&
|
|||||||||
|
■tii*. :-■*';'. wee.
|
|||||||||
|
WEB.
|
|||||||||
|
E in haar huisje van en de Schaalen D en G, waarin de ftof.
fe en bet tegenwigt gelegt worden; welke Schalen met haare touwen of kettingen beide even zwaar moeten zijn. Deeze Wejgfcliaakn zijn van verfcheideg'ooue, naarde grootte der waaren die men.te wegen brengt. . Dewijl de Weegjchaal een Werktuig is, van een nuttig, en veelvuldig gebruik, zo zal men ons wel. willen vergun- nen-, datawij haare eigenfchappen en gebruik enz. tot nut- tigheid, wat nader gaan befchouwen, en in de volgende, grond- en voorftellingea aanwijzen. r. Gronflelltng:
Wanneet! in ie beide Schaalen D en. G zie fig. 31. van
Plaat B,n. 2. der Weegjchaalvmtweeevenlangeen zwaa- re arme , evenzwaare Lighamen gelegt worden, zo houden ze malkander in evenwigt, en de Balk A B hangt water' pas». Maar als de Balk uit de waterpasje fland bewoogen is, zo gaat die na eenige op' en neder beweegingen weer tot de waterpasje fland over, en hangt op 't laatst JUL. Dit is gegrondvest op de eigenfchappen van de Druk-.,
HeveJ (zie HEVEL), Want dewijl de Armen even lang en even zwaar zijn, gelijk ook de Schaalen ende daarin ge- legde Gewigten, volgens de onderftelling,. zo drukt dus de eene zwaarte des arms A C, met de fchaal Dy en het daarin gelegde gewigt, zo fterk nederwaarts-als die des anderen arms B C met zijn fchaal G, en het daarin gelegd gewigt; of, dat 't zelfde is, zij zijn tegen malkander evenw.igtig.;, weshalve dan ook. de Balk. AB. waterpas han- gemtnoet!.. Maar als de- Balk uit zijn waterpasfe fland bewogen
word;, zo zijn de fnelbeden of weegen Aa enBb, en dus dej dnikkingen, en tegendrukkingen, gelijk; weshalven de. Balk na verfcbeiden op« en neder bewegingen zich weer; in een horifontaale of waterpasfe fland begeeft. Hieruit volgt, dat wanneer de beide Armen der Weeg-
Jjßaal. ongel ijk lang zijn, fchoon de BalkmetdeScbaaie irii een wa'terpas/e fland blijft, dat dan de Weegjchaal VAlsch is; want dan zijn de Schaalen ongelijk van zwaarte, namelijk de zwaarder, hangt aan de korter, en deligter aan deJanger Arm». Si Grondßclling.
Wanneer-'t beweegings-punt C(fig-, 32.) boven de reg-.
tt. linie. des.Balks A Bis, en aan de beide enden der gelijke eni even zwaare Armen AC en BC even zwaare gewigten gehangen zijn, zo hangt de Weegjchaal fl.il m waterpas im A B';~en als dezelve uit de waterpasje fland'gebragt is, Ziogaati die na. eenige op»-en n&derrkeweginge weer tot de wprige-waterpasje fland over. Dit. is-zeer klaar;; want dewijldé kragt der zwaarte m
A\ ia-gelijk, die in B, volgens de onderftelling en voorige- grondftelling;; zo kunneu ze niet anders als- malkander avenwegen;, en bijgevolg hangt de Balk A C B met zijn athda-waterpas,, naar de.ftreek of linie A B. A'Js nu;de Weegjchaal uit die-wateipasfefland;gebragt
is«,, bij i voorbeeld, in a enbi dan blijkt uit de vorige voor- Itellen-,. dat de kragt in a grotoen's als in b; want a C is dim grooier- als&'F; weshalven het opgehevene gewigt in usdamwefij-" nederdaalen enzich na eenige op« en neer-- 'iïingen'nge-,, roet;'t gelijke gewigt G-aanB.geappliceert-, inieen evenwigtige fland begeeven zal. Hieruit! volgt; 'dat hoehooger.het bewegings-punt-G.'
Bovem da linie A- Bi verheven is, hoe minder-de arm B; C'.döor het-overwerkende gewigt G, nedergedrukx word ; : mshalven hefchesïus, dat*'.he.weegfrjgs.purit.Cder Weeg- |
|||||||||
|
jchaal niet 'of maar zeer weinig boven dè. Balk óf üniv
AB verheven zij, om des te ligter een uitflag te geeven Men moet aanmerken, dat men hier en in't vervolg vooronderftelt, dat de Gewigten in A en B vast, los en beweeglijk hangen,; want anders zoude 'er een °root verfchil ontdaan, indien dezelve onbeweeglijk vastlvaa.. ren. - 3. Grondflelling. _. , "
Wanneer het Beweegings-punt Cbeneden de'Balk ofrep-;
te linie A B is, (zie fig, 33.) én aan de beide einden der gelijke en even zwaare Armen1 A C en B Cgelijke.Gewigten D en G gehangen zijn, zo blijft de Weegjchaal, water- ' pas gehangen zijnde, in die fland: Maar,, zo dra dezel- ve uit die fland gebragt word, zo daalt 't Gewigt aan de laag fie- kant, niet alleen nederwaarts, inaar de geheels Arm AB~keert zich 't onderstboven, tot dathetbewegmgsi punt C, boven de Balk of linie A B, koomt. Want dewijl de kragt der zwaarte in A is gelijk fa
B, zo zal de Weegjchaal, 'm A en- B waterpas zijnde, in die fland blijven. Maar, zo draa de Weegjchaal \xlt die fland bewoogen
word, zo- verkrijgt 't nederdalende gewigt D, geduurig meerder kragt, als het opklimmende gewigt G, tot dat A gekomen is in H, en B in 1; van daar neemt 't gewigt Q roe, boven 't gewigt D; waaruit klaar volgt, dat de. ge- heele Weegjchaal omrollen moet, zo ver tot dat het be- weegings punt C boven de Weegjchaal,: en dus A in B en B in A koomt. Hieruitvöjgt, dat een zodàanigeWeegfchaal van geen
nut in de menfchelijke doeninge is; en men moet der- halven bij't maaken van Weegjchalen, zorg draagen.dat het beweegings-punt niet beneden de linie des Balkszij. Om de Wrijving der asfe in C, daar de Balk omdraait,
re verminderen, word de Asie aan de bovenkant dikwüs fcherp rond gemaakt, maar dit helpt weinig, daarenboven. raakt zodanige Asfèbij 't weegen van zware lasten dik- wils wat ter zijden van het waare beweegings-punt G, en maakt dus de eene arm iets langer den de ap de re .waar- door de Weegjchaal valseh word, en niet 't waare ge- wigt aantekenen kan, fçhoon ze vjior 't overige wel toege- fielt is. Weshalve het beter* is-, /dat men de Asfe rol rond en niet al te dik maake; Dewijl echter een ronde Asfe ,J wanneerde Weegjchaal
zeer bezwaart word", een groote-wrijving heeft, inzon- derheid een grote Weegjchaal, 't welks de beweeging en deuitflàg verhindert, zo is het beter dat men eenzwaar gewigt niet te gelijk,, maar bij.deelen.weegt,, daar het gefchieden kan- ! r. VoORSTEEï
©m een Weegjchaal te-onderzoeken,-»;/&-
opregt dan valseh is,~ Om zulks, te doen en te weeten-, is ligt; verwfa*
feit ten dien einde maar-de beide Schalen, met de waar" én bet tegenwigty oflegt dezelve verwisfelt uk de eene' in dë andere Scbaa-I, als dan het e^enwjgt der-Schaal bli:ft. dat is, dater geen uitflag der T-ongJïoÖHits danisdeSchaal opregt. Dit is openbaaruirdè voorgaande eerftegrottdftelling;
want als de Weegjchaal valseh is,-30 heeft zij twee ongelijk lange armen-, en om de Schaal 2 dan-in even wigt te hou- den j zo moet de Schaal met de touwen err kettingen aan tokortearm zwaarder weezen alsrdie-aan4e4angearm; |
|||||||||
|
WEE. " 411^
datyèezemanièrrvaniconftructie der Unfler hier ook bi/>
gevoegt worde. . : : toi Kaakt het toeftelder Unjter, namelijk Tonge, en
Schaal enz. gereed en, in malkander vast en beweeglijk' gelijk boven gezegt is ; dog.dekorte arm AC (zes Fig. 34.) mag met de fchaal D , als'er een Schaal gebruikt word, wel-ligter of zwaarder weezen als- de lange Arm B C- 2. De Unfler dus zo ver geheel toegeftelt en gereed-
zijnde, zó legt in defchaal D, r. pond gewigt, of meer;, ofzo men geen Schaal gebruikt", hangt dan een pond aah> de haak in.A tot dat dit gewigt den langen arm opligtefj. kan. ... ..... 3< yervolgens hangt aan de BalkB C een tegenwigt
G, door middelvan een fcherpen haak, daar aan vast zijnde, van 2, 3, of meer ponden zwaarte, en fchuifthet aan de Arm been en weer, tot dat de Balk of Evenaar" in evenwigt kome; vijlt dan bierter- plaatfe, daar de* fcherpe haak op de Balk hangt, een Ketfje; dat in de Figuur, in. 1 koomt; 't welke dan de plaats opde Balk ofr Evenaar:is,, daar het tegenwigt 1. pond of weegt. 4, .Legt. daar na nog. een pond in de Schaal, en fchuift-
het tegenwigt verder op; de Balk voort, tot dat dezelve weer in evenwigt komt, en vijlt daar ook een. kerf in, koomt in 2,, en zulks is depiaats daarnet tegengewigt. 2;. ponden afweegt. 5. Op deze wjize. vaart men voort", van pond tot
pond, telkens een pond meer in de Schaal leggende of' aan de Haak hangende, tot aan 't einde van de Balk toe,ea > dan is de. Unfler- in ponden verdeelt.en.tot't gebruik ge»» reed... " Men moet ; aanmerken , dat hoe zwaarder- het tegeir-
gewigt is, hoe meerder gewigt of zwaarte men daar door? met de Unfler afweegen kan ; want dan komen dé te» kens of kerven Jigterb'j malkander,, en bij gevolg meer- teken s van ponden-opden Arm BC. Dit zelfde gefchied ook, als men dé kleinenArra AG*
korter maakt, weshalveninen de Unfters oqkdikwilsmet: twee Tongen tegen malkander over, tóeftelt, zie Eig 35». Plaat. B n. 2. om'dus met dezelfde Unfler en tegengewigt' zo veel te meer verfchillende zwaartens te-kunnen aft- weegen. Dewijl tnennu door de Unfler mereenen het zelfde te*-
gengewigtveel verfchillende zwaartens afweegen kan', zo» is die zeer dienstig en gemakkelijk in het gebruik ■,. in» zonderbéid om grootte ofzwaare lasten af te weegen, ;~ én dewijl de Balk AB nietmeerte draagen heeft als-de Last in D,.en het tegengewigt G in allerlei/ lasten , zo» js. de wrijving zo groot niet in de Unfler, endusbeweegr lijker als degemeene; Weegfchaal, die met een gelijk tegengewigt moet bezwaart worden. Dan tot-weegihgvan* heel kleine zwaartens, moet men= een kleine;gejneene." Weeg fchaal of Balans:, gebruijken. De Unfters kunnen in het-groot zodanig toegeitérf*
worden,, dat men zeer zwaare Lasten, als bij voorbeeld* Wagensmet hooi, graanen-; Kanonnen enz. daarmede geè- makkeUjk weegen kan; gèlijk-mendiergelijkeirj degroote Koopfleeden en elders yind.~ WEEK, W&i*:e, in 't" latijn-Mèbdomadd, overeenko-
mende met het griékfche woord »..'iÊS.'««« ,,is een tijd*- beftèk'van zeven dagen, welke ieder jaar»5.2 maaien ap=> nieuw aanvang neemt en weder verloojjt, en waar van de^ zeven dagen de naam, der-ze ven Planeeten draagen,, Hét: gebrmk om-iêdêr dag der Wéek'e naar een-Planeet te noe- men, is zeer oud;. HER©noTus en veele-Schrijvers.; met-hem-,,leiden derzelver oorfprong van de Egijpt&=- Yiy~2e naarena |
|||||
|
WEE.
ajs men derhalsen :de Schaalen yerwisfèrt:,'] zo kan de
Jffeegfihaal -niet in: eveiyvigt -blijven;, gelijk, dus'ook niet, als mende waar en het tegengewigt, die in de Schaale .gelegt zijn,, en dezelve in e ven wigt houden, uit de eene Schaal in de anderen verwisfelt. Daar kunnen op verfcbeiderhande wijze valfche Weeg-
(chdttlen gemaakt worden, 't zij-uit- onkunde van het regte toefte!, of ook met voordagï ; die begeerig is, de bc- driegerijen te weeten welke met dit werktuig kunnen ge- fchieden, kan de Natuurkunde van Des.agui.iers nazien , het I deel< 105 en very. en hetwastewenfchen, dat er zo veele bedriegerijen met Weegjchaalen in veelerleij jjoopwinkels, dog. inzonderheid in de kleine,, niet 8?* fcbiedden, als wel plaats vind, . ,!. Van de Snelvaag of XTnßer.; - . . ■ ■
De Unfler is een Werk- of Weeg-tuig, waardoor men
met maar een tegengewigt, aan een haak, dat men kan
verfchuiven, Lighaamen van zeer verfchillige zwaarte
weegen kan; zie fig. 34 Plaat B. n. 2.
Dedeelenvande Unfler zijn, een Balk of Evenaar van
koper,ijzer, ofbout, waarop verdeelingengetekent zijn , om de verfchillige zwaartens der. waare te weegen ; aan het einde des Balks op delinker kant, is een beweeglij- ken baak daar de waar o£een Weegschaal aan gehangen word. Niet ver van dit einde is aan de bovenkantten loot-regt op ftaande Naaide of Tongetjeineen huisje,, om het evenwigt aan te toonen,.aan welk buisje boven een ring of haak is, om de Unfler daarbij op te hangen ; voorts een tegengewigt, loot of ijzer met een haak, om 't zelve langs de Balk heen en weer te kunnen, fchuiven ennet.evenge\vigt te.vinden.,, V, V O O K 'S T E t»
Om een Unfier toetejtellen.-
Deelt de Balk A B in verfcbeide gelijke déelen (zie
fy. 34.) maakt op 't einde in G, regt op de Balß een ; Tongetje loptregt: in een. huisje, daar de Balk indraait, gelijk-in degemeene Weegjchaah Maakt den korden arm A Ç met de fchaal en touwenD zozwaar dat hij met de lange arm G B in even wigt is. Als, men dan in het ftip r. een gewigt G hangt, ik (lel van een pond zwaar, zo zal het met een gelijke, die in de fchaal D gelegt is, den Balk ofEvenaar AB in evenwigt doen zijn, en dus een pond afweegen..- Als men nu't.zelfdegewigt G verder hangt, in dé flippen 2, 3, 4, 5, enzi zo zal zulks op de voorige wijze t,wee, drie, vier,, vijf enz, ponden., afwegen , en dus. is de Unfter,: gereed tot-'t gebruik. Dit is openbaar uit de eigenfchappen dès Drukhevels
(«ieHEVELS)., en daar uit niet bezwaarlijk optemaa- fai;. want naar maate dat bet tegenwigt G verder in het aeweegens-punt Hes Balks C afgeschoven is,, zal het ook oet een zwaarder Gëw-igt evenweegen. . Dog féb'oon de aangeweeezne"manier, om en Unfler-
temaaken, geheel wiskonftig is, zo is-het nogtans, we" gens.de: ongelijkheid dérftofre, waarvan äs Unfler g«*- niaakt word, en om'meer andere redenen, beter, dat fflen de. punten 1; 2. 3, enz.van dè fange arm. C B,, dàar «et tegenwigt in gehangen word, door dé mechanica of ondervindiiige zoekt; zijnde hét als dan- oeki)iet nodig,, dat men-den kbrtftèn arm AC'met den langen B G'è'ven- *'Stig maake ,. nog ook dat dé lange arm overal'naar; wide. einder*", even dik'., zij,-. Niet onnut.kan- het -zijö,* |
|||||
|
WEE,
|
|||||||||
|
+iao WEE.
|
|||||||||
|
naaren af. Er zijn er nogthans die zulftsaan de'Kal-
deërSjaan ZöROASTERén aan Hijstaspes toefchrijven. Men weet dat de Oosterfche Volkeren van ouds her in hunne tiidverdeeling van zeven dagige-Weeken gebruik gemaakt hebben. Ongetwijfelt dat elke dag der Weeke zodaanigen naam der Planeet bad ontvangen, onder welks beftiering de Ouden waanden dat die behoorde. Zie Goguet de l'origine des Loix, T. i. pag. 437. in 4to. , Het gebruik om den tijd in Weeken van zeven dagen
te verdeelen, is zeer oud? het fchijnt dat de oudfte Oosterfche Volkeren zulks reeds gedaan hebben ; men vind bier aangaande , eene Verhandeiihg van de Hr. Sal- uer inde Memoir. de l'Acaddes Infcript. de Paris, Tom. IV. p. 65, Dat gebruik vond zelfs bij de Peruviaanen plaats,zie G. de %i Vega Commentartosréales dé los In cas, Tom. I* lib. 2. e, 23. ZieoökScALiGEa de Emend. Temp. p. o. en Schouwtoneel der Natuur, 4e Deel. De Heer GoouET is van gedagten, dat de Grieken
bijna de eenigfte Volkeren waaren, die zich in den be- ginne van geene Weeken van zeven dagen bedienden , T. 1. p. 17. in 4to. Daar zijn intusfchen Geleerden wel- ke in twijfeljrekken, of deeze wijze Van tijdverdeeling wel bij anderen dan bij de jooden in gebruik is geweest. Zie Costaed the Hiflorij & Aßronomij, p. 15°. Spen- cer de Le gib. Hebrceorumlib.i.c. 4. Wàt hier ook van zij, kan men egtér geenzints ontkennen, dat het getal ze- ven- altoos in bijzondere aanmerking en als eerbiedens» waardig bij de Ouden is aangemerkt. S. Clement. A- lexandr. Stromatum VI. 16". Macrobius, Somn. Scip, I. 6. Sbldekus de Jur. Nat. & Gent. I. III. c. 17. Verfcheide Schrijvers hebben zelfs gedagt, dat het
feest van den zevenden dag, niet alleen aan de Jooden eigen was, maar ook bij de Heidenen plaats vond. De Heer Sallier brengt eene meeriigte van getuigen dien- aangaande bij, Mem. de VAcadl des Infcript. de Paris IV. 50. inzonderheid dèn Jood Philo en Josephus; bet is wel waar, dat hij die wederlegt, en zich voor het tegengeftelde gevoelen verklaart, ibid. p. 64., dan dit belet niet om te gelooven, of het gebruik der Weekeh van zeven dagen 1 heeft bjj verfcheidene Volkeren der Oudheid plaats gevonden; DeHeerGoouET denkt, dat men onnuttiglijk verfchei-
de gisfingen heeft willen voordellen, over de beweeg- redenen die de verfcbillende Volkeren hebben kunnen bepaalen om gezaamentliik overeenteftemmen, over die eerde manier om den tijd te verdeelen, en dat zulks aan eene algemeene möndelijke overleevering der zeven dagen die dé Schepping der Waereld heeft geduurt, moet toegefchreeven worden. Het is iets zonderlings, dat die Schrijver niet gemerk't beeft, dat dit gebruik onbetwistbaar zijnen oorfprong aan de fchijnfelsfj>Ä<z/w) van de Maan was verfchuldigt, die zich maar geduuren- de vier Weeken oi 28 dagen aan een laat zien, 't welk aan alle Volkeren tot een richtfnoer beeft verftrekt om den tijd te regelen; deeze phafes of fchijnzeis vëran- deren genoegzaam aüe zeven dagen, en indien men Wee- ken van agt dagen had willen maakeh, zoude men op 'tlaatsider maand eenen overfchot van drie dagen ge- ' vonden hebben. ! Behalve dat, zo worden de Sonnejaaren van-355 da« gen op eenen dag na, in Weeken*van zeven dagen verr deèld, in plaats dat er vijf dagen over zouden zijn ge- bleeven. indien men de Weeken van agt dagen had ge - maakt, Dus heeft het gebruik van Maanden en Jaaren, |
|||||||||
|
noodwendig dat van Weeken uït zeven dagen zamenge.
fteld, na zich moeten trekken. Sondags bij 'topgaandet Sonne, was bet eerfte uur aan de Son gewijd, vervol. gens kwaamen Venus, Mercurius ende Maan, welken alle beneden hém gefteld wierden, verders Saturnus Jupiter en Mars die in rang boven hem (tonden ; hieï door gebeurde het dat den volgenden dag met de Maan begon -, en daarom volgde de dag der Maane, dat is den Maandag, op de dag die aan de Son was gewijd, Claricjsw Sphra,p.45.; den AbtRpussiER beweert' in een geleerde Verhandeling, welke ten tijtel voert Memoire fur la Mufique des Anciens^' dat deeze fchik- kingeaan de tusfchenpöofingen der Mufijk moet worden toegefchreeven, zo aïs Xiphilinus in navolging van Dio Cassius lib. 36. in PompeiOj zulks aanduid, ende Heer RoussieR heeft er in de Memoires de Tremux-^m Journal des beaux Arts Ê? des Sciences Nov. £p Dec. 1770 & Août 1771. bewijzen voor te berde gebragt die treffende zijn, ook is hij overtuigd dat de verdee- Iingderdagin 24 uuren; aan den zelfden oorfprong moet worden toegefchreeven. -WEËKE-DISTEL, zie CIRSIUM.
WEEKING, Maceratio, is in de Chijm ie een kunst-
woord, dat wel eensmet trekken en opgieten, of«. fufio en digeflio verward word; maar eigentlijk is het eene;Opgieting met weinig vocht, en om meerder kracht aan een natuürliik geneesmiddel bij te 2etten, dan ze beeft; zo dat, als men maar eeniglijk van opgie- ten fpreekt, men maar 't gemeen Opgieten verftaat, waar'ira het vocht demeenigte van bet middel veel te bo- ven gaat, en veel eer gebruikt word, om er de kracht uit te haaien, dan daar een ige hoedanigheid aan tegee« ven. Bij voorbeeld als mende Scammonie in eenigvocht doet, om er de kracht uit te haaien , doet men ermeer vocht op, dan men doet, als men ze glibberig maakt; als men ze op dé openende wortels gebruikt, om de kracht te vermeerderen , en er azijn op is 't geen men weeken noemt. Maar zo men er de kracht uit baaien wil, giet men er een bekwaame meenigle Van vocht op; dit noemt men opgieten, trekken; en 't gantfche on» derfcheid, dat er volgens de\ C/iimißen, tusfc'nenwee« ken en opgieten beftaat, is, dafc men ze maakt met warm« te, en deeze, met koude. WEELDE, in het latijn ^ Luxus , is het gebruik'É
welk men van de rijkdommen en het vernuft maakt,om zich eene aangenaame beftaanbaarheid te bezorgen. De Weelde is van ouds her reeds door de ftrenge l&
dekundigen gegispt en veroordeelt, ook dikwils met meerder bitterheid dan oordeel gehekelt. Het is der moeite waard dat wij onbevooroordeelt onderzoeken, welke nadeelig'e uitwerkzelen de Weelde voor het ge' meen te weege brengt, te meer daar die van zemnif gen voor den bron van nijverheid, rijkdom en welvaart word aangezien, daar die door anderen voor een "er grootfte onheilen en geesfels der Maatfchappij w°r(1 gehouden. , ■ Men heeft duizendmaalen aangemerkt, en ik rnoetn«
des niettëgenftaande egter nog herhaalen, dat mendij wils twist, om dat men eikanderen niet verftaat, om dat elk een bijzonderen zin hegt aan de woorden da men zigover en weder van bedient, en welke men Y°° ' af naauwke'urighad behooren te bepaalen. Maar 'ch0, dit menig werven, in voornaametwistredenen,p!aatsD^ ' ben moge, zo is dit egter niet altoos het geval, 1?t>°.' iet hét, dat 'er'gefchillen zijn, daar elk der Partij |
|||||||||
|
WEE, 4m
|
|||||||||
|
WEB.
|
|||||||||
|
goorden in denzelfden zin gebruikende,, de zaakeneg*
tér van zo verfchillende kanten, befçhpuwt, en 'ér zo verfchillend over redekavelt,, dat de een ganscb flrijdi- ge gevolgen met die des anderen trekt,, of dezelve ren nsinsten in een' gapsch ftrijdig licht koomt te plaatzen. Het blijft ondertusfchen altoos nuttig,; dat men een aan- vang maake met de woorden,daar het gefehlt over valt, jaauwkeurig te bepaalen, ei} vast te fteilen., in wat zin jjjen dezelve bezigt, inzonderheid wanneerzij eenezaam- geftelde betekenis hebben. ..Zodanig is nu het woord ft'EELDE.'t welk een.algemeen en onbepaald denkbeeld; uitdrukt. ; 't geen tot het verfchil dier ftrijdige.gevpe-> ]ens, die ineh hieromtrent koestert en verdedigt, buiten tivijffèl aanleiding zal gegeeven hebben; terwijl deeene het voordeel, dat de Weelde in een Staat te weeg brengt, hoog verheffen, en andere dezelve als verderflijk voor dierj Staat yeroqr-deelen en verbannen. Dit laatst gevoelen egter wasvan alle oude tijden her
liet aangenome begrip van alle Wijsgeeren en Staatkun- digen. Altoosbeffchouwde men de Weelde als de por^ zaak van het bederf der Zeden, en den ondergang der Volkeren; ja dit ging, om zo te fpreeken* voor een on' twijfelbaare ilelregel, zonder tegenfpraak, bij allen door, tot dat in deeze laatste Eeuw eenige fchrandere Gees- ten de verdeediging ast Weelde, als om ftrijd, op zich genoomen, en beweerd bebbben,,,, dat dezelve noo- ,,'dig ware, om groote Koningrijken te doen bloeijen, den Koophandel te begunfiigen, den omloop van 't geld voort te zetten, de, Nijverheid op te wakkeren, de Manufa&uuren te bevoordeelen, enz, en dat de groote ongelijkheid, die 'er tusfehen de verfchillende ftaaten der Ingezetenen is, door de Weelde alleen 'if vergoed kon worden, door het overtollige, dat de « eene heeft, ter vervullinge van de behoeftens der an- !, der.e te doen overgaan, "t. Is de Weelde, zegt men, welke ons een fijner fmaak in alle werken van konst en vernuft doet bekopmen, dje de bekwaamheden van Konstenaarenontzwagtelt, welk buiten haar fteeds on- j, bekend gebleven zouden zijn, en thans door de mild- » daadigheid, of zo gij wilt, :de, verkwisting der Rijken !, worden opgewakkerd." Ziedaar defraaije^ijde der me- daille. Maar gelijk dikwils, het geen: men van een.voor- werp ziet, nietalles is, wat men 'er van behoort te zien, en dat een waarheid, met pns het gezigt van andere waar- heden te onderfcheppeji, onsligtelijkterdwaaljngleiden tan, zp is het zeer möpglijk , dat,fchoon bijna alles, Wat men, ten voordeele der Weelde, koomt aan te haa- ien, tot een zeker punt,- waaragtig weezen moge, de na-1 deelen egter, welke eene overroaatige Weelde van een an- dren kant veroorzaakt, oneindig gevaarlijker en verderf- 'ijker zijn, en dat gevolgelijk ,d,e befchouwing.blijft overeénftemmen met hetgeen de ondervinding van zo vee- je eeuwen duidelijk beweezen heeft, 't Is namelijk eene tondvastige waarheid, .Welke uit alle. gefchie.denisfefi t?Hjkt, dateene al te groote Weelde altoos de yporlp- » per ware van denondergang van eenen Staat; iaat ons « meer zeggen ,, dat dezelve dien ondergang meest altoos >> berokkend hebbe. " Naarstigheid en zuinigheid , zijn te eigenlijke bronnen , waar uit de waare welvaart van een Volk moet vportvloeijen , en deiuister van.de pracht en E^0,sheid zijn, buiten dit, niet dan een valfeben glans, die de oogen verblindt, en de wezenlijke elenden ver- ast. ... Maar hier js hef, dat wij ons, eer wij verdergaan,.
eeû weinig ophouden moeten om een naauwkeurigdenk»' |
|||||||||
|
beeld; te geeven van bet geen men door Weelde verftaaf.
Ais men hier onder alles zou betrekken, wat_boven de voi- flrekte behoeftens der Natuur is, alles Wat wij in den ftrengften zin ontbeeren kunnen, zozpude ik eene lof- fpraak der Wilden fchijnén temaaken, of de wetten van LijcuBous in te willen..voeren,, hetgeen ikegterbetuige geenzins mijn oogmerk te zijn. Ik neem het woord in eene ruimer betekenisfe, en erken zelfs, dat het geen Weelde is op den eenen tijd, zodanig het zij op een anderen; maar 't is in deze op- of afklimming, waar van de;Ver- fchillende trappen tot in het oneindige loopen, dat men , met zeer veel oordeel en fchranderheid, dien juisten trap moet weeten te bepaalen, waar.op de weelde op- houdende - voordeelig te zijn, op bet zelfde oogenblik begint verderfeljik te worden voor den Staat. Nog lia, ik toe, dat dit verfchil omtrent de Weelde van den tijd alleen niet afhangt, maar ook tot verfchillende plaat- fen , Landen, Perfoonen, en omftandigheeden moet worden uitgeftrekt, en dat het geen een verderfelijke Weelde is voor het eene Land, misfebien nuttig, of ten minden onverJcbüUg kan wezen voor een ander. Eene Weelde, welke zekeren Raag van Menfchen in een Staat eerlang in den grond helpen zoude, kan eerlijken geoorlofd, kan zelfs nuttig en onvermijdelijk weezen- voor een anderen Rang; en in het zelfde Land einde- lijk kunnen de omftandigheden, met betrekking totom. leggende Volkeren, derwijze veranderen, dat een Weel- de, welke thans geoorloofd en zelfs noodig is, eerlang door ftrikte wetten, tegen de verteering der Ingezete- nen » geweerd, en die fchadeüjke uitgaayen afgefneedea moéten worden. Zo men de moeite wil neemeh van mij in de ontlee-
ding dier beginzelen te volgen, zo zal men zien, , dat, , fchoon de Weelde in 't afgetrokkene, en zonder op- , zigt op alle die verfchillende omftandigheden be* , febouwd, yoordeelig fchijne te weezen, derzelver, , misbruik egter de alieruiterfte wanorders in een Staat , veroorzaakt.' Als de Weelde der bijzondere Leden; altoos de Thermometer ware van hun fortuin, en daü hunne verteeringen fteeds de yereischte evenredigheid met hunne inkpmften hielden, zo zoude een groote. Weelde als een zeker kenmerk en duidelijk bewijs van het vermeerderd vermogen, de aangroeijende fchatten , de opgewakkerde nijverheid, en der welvaart van een Volk in 't algemeen befchouwd kunnen worden, fchoon die Weelde', zelfs in dit geval, wel verre van deoorzaafc dier welvaart te zijn, derzelver voortgang daarentegen noodwendig (hemmen zoude; maar hoe moet inzon- derheid dat gevolg bier uit niet voortvloeijen, terwijl dé hoogmoed en verwaandheid, door vooroordeelen, gewoonte,en dikwils door noodzaakelijkheid zelfs, aan« gezet, te wege brengt, dat men wil fchijnén wel gefteld: te zijn, om in een goeden ftaat te koomen; rijkdommen te vertoonen, Om dezelve te verkrijgen, en zich boven zijn rang te verheffen, om hier door allengskens een hoogeren rang te beklimmen! Dit oogmerk geluktzom, tijds, dog mislukt oneindig meer, en mislukkende heeft men zijn huis afgebroken, en de fondamenten beginnen5 te leggen van een Pajeis, dat men onvermogend is op te trekken ; de Staat verliest dus het huis, en krijgt er het Paleis niet voor in plaats, In een Land daar de' Weelde neersebt, wordt dit voorbeeld onder alle zoor- ten van Menfchen duizend en duizendmaalen nagevolgd*, en moet dezelve gevolglijk van nadeclige uitwerkzelen- ziinjBoorliet-Gemeeni. . :■,■ p ; .. . Dit-
|
|||||||||
|
'4122 WEE.
|
|||||||||
|
WEE.
|
|||||||||
|
, Dit nu 'is"àe'Wielde, die ik bijzónderlijk bedóele,
, waar door de meeste Ingezetenen tot grootere vertee- ringen worden aangezet, dan zij in ftaat zijn goed te . ., maaken, en door het aanzien, 't welk deRijkdomrhen , geeven, door de verachting, welke eene voorzigtige -.zuinigheid allerwegen ontmoet, door waan en voor- , oordeelen, door gemak en dartelheid, door gewoonte , en duizend andere oorzaaken genoopt, tot geldver- , kwistingen vervallen, die zijveelâl niet kunnen üit- ,'houden, zonder zich zelveri te'bederven, en den Staat , gevolgeüjk te verarmen; beuzelingen , ovërtölligheden' , -worden als dan hoodzäakelijk, en de zotfte büiten- i fpoorigheden als kenmerken van 't fatfoen, of beboef- , tens der Natuur befchouwd; en het is ten deezenop- , zigt, dat men met rede zeggen kan, dat het geluk en het fchijnbaar vermogen , *t welk de Weelde voor eenige oogenblikten aan eene Natie geeft, gelijk is, aan die geweldige koortfen, die den zieken, vooreen .korten tijd, een onnatuurlijke fterkte bijzetten, ter- ,, wijl zij zijne levensgeesten verteérén, en zijne krag- ten niet fchijnen te vermeerderen, dan om hem van die kragtén zelve, ja van 't leeven te berooven. " Het zijn van die gulzige takken, die deftam verdroo. gen, en de wortels uitputten, en die een bekwaam Tuinman altoos affnijt. Men kan er mooglijk door kragt van mesten broei eene vroege en fraaije vrugt van /krijgen, maar- de ooorh zal'die gedwonge vrugt-, daär we ons zo dwaaslijk aan vergaapen, met een ontijdigen dood en eeuwige dorheid moeten boeten.-1 ■ Het is ook natuurkundig zeker en waàragtig, *dat eene onmaatigé Weelde het lighaam verzwakt, en-den moed vermindert; de'vérWijftheid ontzenuwt bet eer- fte ,en de menigvuldige nooddcuftigheden, die men zich maakt, verilappen den'anderen. Men gewent zich aan de menigvuldige b'ehpefteris ; men krijgt eene heblijkheid om dezelve te moeten voldoen, en die gewoonte, ter- wijl zij ons allengs ongevoelig maakt voor de gewaande zoetigheden van 't genot, kan de frnart en wanhoop van ze te moeten derven, ;nieteven eens verzagten. Het is niet dan al te waaragtig,',,dat men dikwils ongeluk- kig wordt door het verlies van dingen ; wier bezitting ,, ons niet gelukkiger maakte." Dat men niet zegge, dat dit een onheil is, waar door de bijzondere Leden-van- een Staat lijden , maar 'i welk den Staat zelven, nietbe« treft; want als veele bijzondere Leden ongelukkig zijn, zo lijdt hier het Gemeen altoos van zelve door; en zó Bet waar was, dat de voordeden en bezittingen, die Zommigen door hunne dwaasheid verliezen, door het Gemeen onverminderd weergevonden wierden , zo zou- de nog het bederf dier ongel ukkigen, voor het geheele Volk niet anders dan nadeelig zijn, om dat het de me il igt è der gelukkige Ingefetenen alleen is, die een Staat wëivaarende kan in aak en; maar het is ten eenemaalen onwaaragtig , dat het Gemeen die goederen onvermin- derd wederkrijge, die de Bijzonderen verliezen; ais alle de'bezittingen van elk Borger, die zich zelven in den grond helpt, in geld alleen beftonden, dan zoude men san deeze onderftelling nog eenigen fchijn van waarheid kunnen geeveo ; maar de meeste bezittingen verkrijgen haare waarde door eenzóort van overeenkomst tusfchen de verfcheidene Leden van den Staat; het zijn voort« brengzeis van de konst, dfe waardig zijn het geen men ze waardig fchat," en die door het gemeen Crediet,.de nij- verheid van 't Volk, waan, en welvaart in achting moe-; tterrblijven,; maar dit-alles vervalt, zo dra-dé-.eenebe |
|||||||||
|
zifter vóór, en 'de andere na in armoede Talie, dan vak
met hun vermogen, de grond zelve, daar het op geves' tigd was, dan verminderen alle die vercierfelen allengs in waarde, men 'begint ze te agten voor het geen zij zijn, -en dé Staat wordt gévolgelijk evenredig armer met het bederf der vermogendfte Ingezetenen. Die vas> te goederen zelfs, die de wezenlijkfte waarde hebben wier voordeden van geen waan of gewóontens afhan- gen1, -Landerijen bij voorbeeld, waaromtrent het ten ee- nerriaal önverfcbülig fchijnt voor het Gemeen, door wien dezelve bezeten; worden, verliezen, met dit be- derf der'Ingezetenen ,: een groot gedeelte haarer waar- de, en het zelfde Land wórdt in zijn eigen aart minder, öm dat het, door'het geduurig verval van de gegoedfte Ingezetenen, meer verwaarloost wordt, en dus minder kan opbrengen. Daarenboven wordende gronden nooit beter beteeld, dan als dezelve in verfcheide handen zijn verdeeld; dog naar maate er meer Weelde heerscht in een' Land, zo: is bet verfehle m hét vermogen der Inge- zetenen grooter, -en fiokken de Rijkften,"alles meerder in. Maar nu het is ongetwijfeld-zeker, dat honderd Welgeftelde Burgers, oneindig nuttiger zijn voor een Staat, dan honderd Armen', of tien fchatrijkeMenfcheiv Die -verzekering is inderdaad~zo duidelijk en blijkbaar, dat het niet rioodig zal weezen, om dezelve te bewij- zen." Het is, zeg-ik-nogmaals, de menigtevan fatfoen- lijke en welgeftelde Huisgezinnen, het is de duurzaame én geregelde verteering, die dezelve maaken, waardoor het geld : moét circMeeren , en dé nijverheid, de ver- teeringen," de koophandel, de manufactuuren, én alle konsten, die het 'regt'van eerstgeboorte boven ieann- genaame hebbçn , bevorderd worden. Maar wanneer eene buitenfpoorige Weelde te wege brengt , dat de konften ,, en handwerken voor hen, die er zich mede genee- ren , voordeeliger zijn in eene omgekeerde rede van derze! ver »nuttigheid, zo wórden de rioodzaakelijkire wel haast het meest -veragt," en het Land ontvolkt door de vèrmeerderinge van zodanige Ingezetenen* diehet zelve inderdaad tot last verftrekken en verar- men." 't Is dan, dat men-juist vervalie in het ongemak van de Wilden van Kanada, >,, die den boom bij den ftam afflaan, om erde vrugten van te plukken. Het geen ieder Lid van het lighaam verzwakt, moet ook het geheele lighaam noodwendig zwakker maaken, maarnu, de buitenfpoorige'JFeêfó« verzwakt, buiten tegenfpraak, bijkans alle de orders en rangen in het lighaam van den Staat, verzwakt dezelve, wat meer is, in een natuur- kundigen tevens en zedelijken zin, en bijgevolg moet dezelve de gezondheid van dat 'lighaam zelve ondermij* nen, en-het eindelijk doen fterven. Een ander ongemak, 't welk uit Weelde ontftaat, fs>
dat volgens de natuurlijke order, de voortplanting van het geflagt moet vermeerderen in een Land, bijaldien dezelve, door bet een of ander natuurlijk of zedelijk gebrek, in deszelfs Conflitutie. niet verhinderd wordt. Men heeft in tijden , toen de Weelde zich tot de Groo' ten alleen bepaalde, zwermen van Menfchen hunne geboortelanden zien verlaaten, om zich in andere lan- den neer te flaan, zonder dater de eérfteeeriigzints door ontvolkt wierden; maar de Weelde der Ouderen, wiet fchadeiijke voorbeelden dikwils de geheele erffenis de* Kinderen uitmaaken, dwingt dezelven menigwerven on- gehuwd te blijven, om de kosten eener pragtige buis« lïouding te ontgaan, en verftopt dus de bronnen, waar ttit eene welgeregelde Maatfchappij haar voedzel baa1^ |
|||||||||
|
wam
moet.' Het wijstzich zeiven1 aan > 'dat dé bëzihîhëèfn
der Ouderen" onder hunne Kindéren igefmaldeeldj deé*' zen niet toèlaaten, om dezelfde kostbaare levenswijzer als bij hunne Ouderen, te'a'gt er volgen, dan doormiddel .eener nijvere zuinigheid en naarftig'OVertóg. Onze voor- uitziende Ouders befpaarden voorheen, ondereen voor- deeligen handel, het geen nodig was, 'om hunne Kinde- ren op den eigen voet te doen beftaan, en lieten, bij hun overlijden, hun capitâal aan dezelve'.verdubbeld,; ja zómtijds drie of viermaal vermeerderd, ha; zij ver- lieten het: toneel deezer wereld niet, zondereene of ujeer andere fpeelers van gelijke of grootere'vermogens in hunne plaats gefteld te hébben. De fpaarzaamheid* ge overwinften, ja^ ik durf het zeggen, de gierigheid zelfs van iemand, die fchatten oplegt', is nooit verlöo, ren voor den Staat, wiens beftaän niet in het afgetrok* kene vóór het tegenwoordig tijdftip alleen befchouwd nióet worden, maar waar van de nakomelingfchap een deel uitmaakt. De Opleggers en Gierigaaits ftapelen hunne fchatten niet in hunne koffers wég, -om ze rente- loos te laten leggen, rn'aar zij laatenze eirculeeren ten profijte -van hen-zelve,; ten voordeele hunner Tijdge- sooten, en ten nutte zelfs der Nafcoomelingfcbap. Hier koomt bij, dat zuinige lieden ,' zonder andere
Weelde', 'dan die van een redelijk'gemak, en burgerlijk genot, van een eerlijken handel, of eene goede en ge- maklijke fabriek ordentelijk kunnen leevën, daar in te- gendeel door dé vervaarlijke nafleep, die eenégroote Weelde met zich voert, de minfte tegenfpoeden,; het geringst verlies, het fortuin van een eerlijkMan ën'nut- ligBorger niet zelden t'onderst boven werpen, én zulk seil Mensch, dewijl de gewpone middelen van beftàâh »iet toereiken om zijne verteeringen goed'te maaken, dwingen , om tot buitengewoone middelen toevlugt té Jieemen. Mèn vangt dan een waagharidel aan, 'eneene geregelde koopmanfchap gaat tot een Hazard-Spel over. Het hulpmiddel is nog erger dan.het kwaad zëlvé," en ùen fnijdt alle zijne verwagtingen eensklaps af, omdat men dezelve te fchielijk poogde te Voldoen. [ - '■-; '■■ 1 Ik ga thans ftilzwijgenjle.voorbij, hoe zeer die harde nóodzaakelijkheid van zich tevertoonen, éri dikwils neer te fchijnen dan men is, de zeden vari een Volk be. derft, door alle;andere aandoeningen "voor de gpuddorst alleen te doen. wijken, en met deze drift het harte ,ge- heellijk te vervullen, door namelijk de rijkdömttieh' bo- ven alles inkeer en.agting te houden. De uitwerking keert zich tegen dè oorzaak ; en eveneens,' als die onge- lukkige flagtoffërs der liefde, uit een beginze! van eer, devrugten haarer vfettéloozedriftendooden, en defterri* nie der Natuur vérdooven, zo werpt men zich ook, uit eene gewaande eerzugt, in een wezenlijke fchande, en naakt men zich arm, om zich, rijk te vertoonen. Alles loopt in de Weelde zamen, om de zeden te bederven ; zij vernietigt, zij verdooft de deugt, of liever,'zij be- derft en verbastert dezelve. Men kent geene vermaàkéri, dan die even bedriegelijk zijn, als de eer, dié men door zijne Weelde zoekt ; de Geest word dóór het Hart mis- leid , men wil volftrekt in aanzien leeven; mën wil het tegenwoordige genieten ,'meri zoekt verachting té vermij- den. Alle andere bedenkingen verdwijnen ; men verwij- dert de gevolgen in zijne gedagten, mén verdooft zich, fflen fluit zijne oogen om niet te zien, gelijk die Vogels, die door de Jagers vervolgd, hun hoofd 'agter een boom "eeken, en waanen nu in veiligheid te wèzeh, om dat *'j hunnen Vervolger niet meer yerneeiheri. ■■■ -; Vil Deel. |
||||||
|
Om de nadeeleny -welke de Weelde aan.dén koophan-
del toebrengt,, uit voorbeelden en gevallen op te maa- - ken, 'jbehöeft/men de oogen flegts te vestigen op den ftaat van handel van-zekere Haven in, de Middelandfche Zee, waarralles zaaiiien loopt,:;<Jii denzelven voordeelig te: maaken voor hen-, die erzichftnède bemoeijen. Dat men, dit hebbende opgenoomen , verder de lijsten eens.nazie van hen , die er zich bedorven hebben, en ik tart een ij- der , om mij hier eenige andere oorzaak* dan de uitfpoo- rige Weelde, die er beerscht aan te wijzen1. : Zo men in deze Zee-Plaats den handel had gedreven met den geest van handel ,> zo zoü-die Haven .een kweek plaats van Gapüalisten zijn geworden, daar de Hoofdftad Recrutai uit zou hébben kunnen haalén.'in de plaatsman hen, die zich aan het Hof bederven moéten ; en de Stam zou; dus altoos in wezen hebben kunnen blijven, fchoon er eenige takken ftorven. Maar daar zijn wel andere wor« tels, welke dé Weelde verdroogt, en belet takken uit te fchieten; ; . ■-. , ■:...<-■ :~- -■ :, Het is pas zeventig jaar geleeden, dat de groot ft e Ne-
gbtianten :van eene derhandeldrljvenfte Steden van ge- heel Europa, ik meen Amfterdam, I nog Tuinen, nog Lust-plaatzen hadden, die in vergelijking konden koo- men met die, welke hunne Boekhouders thans bezitten.! Het aanleggen en onderhouden dier kostbaare Tover-Pa. leizen, of liever dier kolken, daar alles in verzinkt, is nog het grootfte nadeel niet, dat er uit voortkoomt, mair'de aftrekkingen vèrwaarloozing, welkedeezeWeel- de onvermijdelijk met'Zïch fleept, veroorzaaken niet, Zelden eene groote wanorder in de zaaken en in den handel. Eèrstgaat mehdaarinietheen, als op Son- en Feestdagen'; vervolgens,' door het zorgeloos vermaak; 'dat men er vind,: bekoord, maakt men er zijn verblijf wat langer; men gewerit bier aan:, en men verlaat zich wegens :zijne ,zaaken langs hoe meer pp de Comptoirbe- dienden; men raakt dus het beloop der dingen kwijt, men kanalen'draad, niet altoos''nagaan, inen ziet niet meer 'uit zijne eigen oogen ji en van dat tijdftip af, is men reeds halfbedorven. Dé Commifen volgen 't voor- beeld van ,hunnen Patroon, de wanorder wint veld, en word zelfs'te:grooter door de poogingéh , die men na- derhand aanwend, óm ze te verbeteren. Voeg hier bij, dat-boe meer tijd men befteed., om geld te winnen, hoe minder'men beezigt.om 't zelve te verteeren. Men legt dus de overgewonne fommen op nieuws in zijnen handel aan,s en -dezelve ."eirculeeren niet minder ten voordeele van den'Staat, dan of menze op eene kwistige wijze had doorgebragt.'" Twintig Boekhouders of Clerken op eeri groot Comptoir doen ^onvergelijkelijk meer voordeel aan dé Maatfchâpîi, dan twintig Lakeijen ; en een groot Né- gociant bezorgt,; door het beloop van zijn handel zelve, aan veel meer Menfchen brood, dan een groot Heer. door al zijn pragt en geldverspillingen. ; De Hommels be- hooren gewisfelijk Uit den voorraad der naarftige Bijen niet gevoed te worden. Het is door handel en zuinig- heid, dat het fortuin van den Negotiant aangroeit, zon» der dater eenig Mensch door benadeeldword; hij wint, zonder dat iemand door zijne winst verliest; maar buiten den handel weet men niet dan al te wel, dat die fchielij* ke vorderingen, welke zommigen maaken, niets minder dan voordeelig voor bet gemeen zijn; en men kan het fchitterend vermogen der zodanigen , ten opzigt der Maatfchappij, vergelijken bij eene waterzugt, die wel opgeblaa'zenheiden gevuldellighaamen maakt,: maar gee- ne gezondheid geeft. Geesten van den,eeiften rang |
||||||
|
4IS4 .- ■ . 'WEE.
|
|||||||||||||
|
WEE/
|
|||||||||||||
|
befchouwen dieverbijsteréndisgröothejdehfflntzacrjgeiii-
ke vermogens van Menfcben,.>dieza eensklaps, men; weet naauwelijks door wat middelen,! tot fortuin geraa. ken, ' als het voermiddel, of; zo' gij liever wilt', als de aanftookérs der- Weelde. Het,zijn äe'Modellen, waar van de Copijen voor een tijd vermenigvuldigen, om na. derhand voor altoos, te .verdwijnen. Elk wil ze navol- gen, en elk bederft erzieh mede. Men kan de Weelde der Grooten, die ons in geboorten rang overtreffen, zeer wel infehikken ; maar. men kan zulk een aanftöote- lijk verfcb.il tusfehen zijn's gelijken niet verdraagen, en sien wil niet onderdoen voor Mènfchen, die men niet beteragt, dan zich zelven. > Men= blaast zich derhalven met de Kikvorsch, in de fabel- op tegen de Koe ; maar gelijk er veel meer Kikvorfchen dan Koeijen zijn, zo is ook het getal dergeenen, die ziehte barften^blaazen,. onvergelijkelijk grooter. Maar laaten wij van die korte uitweiding aftrappen,
en ons een oogenblik bepaalen, om te doen zien, daè gebrek van zuinigheid en overleg, pïliever het misbruik van de Weelde eene natuurlijke oorzaak is, dat veele Menfcben het ;Iand verlaaten, en dat dezelve dus de ver- meerdering van het Volk op alle wijzen benadeelt. Een Vader, die drie of vier Kinderen heeft, en alle zijne in» komften verteert; die zijne Kinderen in dien trein van leeven opgevoed en aan dezelfde Weelde met hem^ewend heeft, maakt ze ongelukkig.' Men wil op dezelfde wij» ze blijven leeven,,zonder dezélfdeimiddelen daar toe te hebben'; en zie daar den oorfprong van duizend ongere- geldheden. Men verlaat dan zijn Vaderland, om elders zijn fortuin te zoeken:, ofimen.blijfc tenrminften onge- buWd; men vervalt tot armoede, vermeerdert het gefa] der Doodeeters, of begeeft zich in den Krijgsdienst; dit is misfehien het eenige,goed, dat hier.uit voortkoomt, fchoon de dienst altoos een lighaamis, dat zijn eige ,,leden opvreet". ; . .; ,.-■;, . :. ■., ■■_ Zo er te Liions, bijvoorbeeld, minder Weelde, en
meer welgeftelde Burgers waren, zoumen er een derde meer gemeene ftoffenverkoopenjmen zou er meerMen« fchen aan 't werk kunnen helpen, én meer geld winnen ©p de effe Moffen -, dan mi men dezeive van goudenzil- ver doet fchitteren. Het is met andere takken van den Handel eveneens gelegen. Het arbeidsloon, dat beter koop zoude wezen, zo de Weelde den prijs der nood« Wendigheden niet had verhoogt, zou een.gunftigenin- i vloed op alle Manufaftuuren en Fabrieken Hebben, en "den büitenlandfchen Handel merkelijk vermeerderen, terwijl er de Landbouw zelve een heugelijk/gevoel van hebben zoude. Het beteelen.deri Landerijen word onder een arbeidzaam, zober, maatig en zuinig Volk nooit.ver- waarloost; een goed gebruik van den grond i$ een uit- werkzel van de Volkrijkheid des Land, die het op zijne beurt vermeerdert; 't is de Weelde alleen, die dit groot en gewjgtig voorwerp uit het oog doet verliezen. Men kan nooit te fterk dringen, op deze allergéwigtigfte te- vens en zekerde waarheid, dat eene welgeoefende Land* feouw en eene groote menigte welgeftelde Ingezetenen:» de groote voorwerpen zijn, welke eene verftandlge Poli- tie fteeds hoven alles3 moet bedoelen, en de zuilen, ©m zote fpfeeken, daar alle grootheid,en welvaart ee« toiglijk op kan en moet gevestigd worden. Schoon dee-- 2e waarheid, door ze dikwilsteberhaalen, verveelend worden mögt, dit echter zou niet beletten, dat zij van het grootst gêwigt en aanbelang1 zou blijven; zij zou die smeeHng flegts met zeer veele andere waarheden ge- |
meen hebben, welke daarom niet winder «oodig zite,
, voorgedragen te worden, om dat men ze ongaarne hoo^ ! ren wil. -r- Veroudert de waarheid? of word zij onedel, om dat men 2e ijder een doet kennen ? verliest een fpreekwóord van zijne waarde, omdathetgemeenhet zelve geduurig in den mond heeft? Het mag dan aange- naam of verveelend zijn, bet zal eeuwig en onveran- derlijk waaragtig blijven, dat eene onmaadge Weelde den ondergang van een Staat; of Volk onfeilbaar niet ,j : zich fleept. Zij verbant den Patriottifcben geest verbant.de Deugd, vernietigt de liefde des Vader' Iands, en ftelt er een vaifchen roemen waan voor in de plaats. Zij; onttrekt ons de Burgers en Ingezete« nen, en Iaat ons.flegts Inwoonders over; Elk met zijne eige behoeftens, die de waan en gewoonte io ti het oneindige vermeerderd hebben, overlaaden, be- ,r kommert zich niet wegens de behoeftens van het Ge« ,, meen. Alle zijne aandagt en poogingen worden ver- ,, zwolgen door zo veel fomflags in zijne Huishouding als de Weelde; daar heeft ingevoerd. De middelen, daar men ten nutte van het Land gebruik van zoude kunnen maaken, zijn tot.bijzondere rjooddruftighe- den alle reeds verbezigt, en het Gemeen vind onver« mogen, daar het hulp veiwagten moest. Hier van de ontzachgelijke Leéningen, die de'Staaf verpügt is te doen, en daar eene Nabuurige Natie misbruik van ,, fçhijnt te maaken." Leeningen, aan onze Vooroude» ren onbekend, en die onze wezenlijke zwakheid, door eene fchijnbaare kragt bemantelen, die het kwaad ver- wijderen, die bet voor een tijd verzagten, maar het niet geneezen. Die manier van geld op teneemen, zou groote voprdeelen kunnen hebben, zo men er geen mis» bruik van maakte, maar de.Weelde vernietigt de midde- len, die het heilzaam zouden kunnen maaken. Het op- regten vanpuMijke Fond/en, als het op zijn tijd gefenied, en de magt van den Staat niet te bovengaat, is eene wezenlijke Jlchijmie, daar zij zelve, die er in werken, dtkwils het geheim niet van begrijpen; maar het vuur al te fterk aangezet, kan het goud, dat in de fmelt« kroes is;, welhaast in rook en damp na boven jaagen. ; De ontzwagteljng van alle deze beginzeJs, of liever van aile deze waarheden, met aanhaalingen uit Hoba- Tins, Persios, Salustxus, Grc^Roenz uitgebreide« vercierd, uit de gefchiedenisfen opgehelderd en aange- drongen, en dit alles eindelijk met gewoone uitweidin- gen verrijkt , zou genoegzaame ftof tot een goed boekdeel verfchaffen kunnen, maar ik za! mij met dèeze fchets te vrede houden, en verder alIeenlijk eenigemiddelen, oai de Weelde te befnoeijen, aanwijzen. ? Wetten tegen de al te groote verteeringen der bijzon- dere Leden van de Maatfchappij zouden dit einde niet genoegzaam te wegé brengen. Zij moeten dikwils aar* een zeker tijdsgewrigt bepaald worden, gelijk de Ro- meinen in den tweeden Punifchen oorlog dergelijke Wetten, uit aanmerking dier bijzondere tijdsomftandig* heden, maakten. Met dit alles, zo beantwoorden zij menigrnaalen niet aan 't oogmerk, 't welk men zich daar mede voorftelt; men ftelt ze ligtelijk te loor, dooreene zedige Weelde, die niet min kostbaar ts, dan de vorige pragt; en 't is dit misbruik eigenlijk, het geen de wet* geevende Magt behoort voor te koomen; waartoe net veiligfte middel zoude wezen, dat men, door wijze in- ftellingen,' die zotte agting, welke men voor een fcnic- uiterliike vertooning heeft, daar |
||||||||||||
|
van wist af te «ekken, en in derzelver plaats een waa
|
|||||||||||||
|
reo
|
|||||||||||||
|
.
|
|||||||||||||
|
WEE. 410
, fçhouwd te wordenden het aanzien,te inisfen,'daar men
,boven alles op -gefield is. Dit zijn debeweegoorzaaktn, waar door zich zo, veele Menfchen in.gevaarlijke onJcr- neemingen wikkelen,; even.gelijk die zwakkelijke Men- fehen, ,die om eene fterkte te verkrijgen, welke hunne Jighaams-gefteldbeid niet toelaat, zich aan Kw-akzalvers ©vergée ven, welke het overige hunner kragten, inkor- ten tijd, vernietigen, en hem bet leeven zelve doen verliezen, daar een goede leefregel hen in tegendeel het einde hunner.iloopbaane zonder ongemak,- en zelfs met vermaak, zou,,hebben,doen bereiken. . Dit is het groot geheim van het .verval zo veeier Edele, Burgerlijke, HaDdeldrijven.de, en:Neringdoende Families; diteindeJ lijk is de oorzaak welke de elende zo digtbij den pveri vloed en ruimte weet te plaatzen. Nog eens ; Gewoon- te en Waan zijn het, waar na wij alle ónze daaden re- gelen; elk poogt boven zijn ftaattefchitteren, ommeer aanzien te krijgen, dan zijnftaat fchijntmedete brengen- De voorzigtigen zijn die geenen, vvelke als Armenlee- ven, om voor Rijken gehouden fe.worden; zo waarag» tig is bet, dat.men dikwils meer voor de verbeelding, dan voor zijne Sintuigen over beeft. En 't is derhalven hier, dat men de verbetering moet beginnen. Als de Rangen minder onder elkander verward wierden, zo zoude de Weelde geregelder werken, en de goede fmaak zou zuiverder worden , naar mate zij minder gemeen was.. Geen tak van de Nijverheid zou verdrukt wor- den K. maar de bloemen gouden de plaats der vrugtenniet inneemen. ,De verbeterde Weelde zou zelfs in oorlogs- tijden, naar vereisch van omftandigheden, bepaald kun- nen worden,, met het bijzonder belang voor het gemeen welzijn te doen wijken, en zich kleine ongemakken te getroosten, om groote te vermijden. ., Men hpude wel in gedagten, dat ikheb toegeftaan, dat het, geen eene,onmaztige Weelde is op den eene tijd, en. voor eera.zport van Lieden,; het niet zij op andere tijden, en voor andere Menfchen...' Men moet de Weel- de niet verwarren met de .verteering ; de Weelde, die een klein Gemeenebest.ten val brengt, zou bet mis- fchien eèn gropt, Koningrijk niet doen; maar daar is een trap van Weelde:, welke voor deallerwelvaarendfteMo- mrcliij; nadeelig.is; , Het algemeen gebruik van wijn is eene verderfelijke Weelde voor Engeland, geenzinrs voor Vrankrijk. Daar zijn meer onderfebeidingen van deezen aart. Het verflag en de ontleedingen dier onderfchej. dingen is misfehien; het gefwigtigst onderwerp voor 't Menscbdom. Ik ben verzekert, dat het gemeene wel- zijn, en de rust der Huisgezinnen, zo wel als de roem der, Souverainen, het geluk onzer Eeuw, en. de wel- vaart zelfs der Nakoomelingfchap hier volftrektelijk van af hangen » Pinto. : WEELDRIGE BLOEM,zie LÜXÜRFANS FLOS» WEELDRIG-VLEESCH , Hijperfarcoßs ; dusdaa-
nig.word het Wild-Vleesch genoemd dat zomtijds in de wonden-groeit; en veroorzaakt word, wanneer de tubuli v:an eene al te groote menigte weij uitgerekt worden.. .- ' ■ 'WEER, zie HAMEL.
WEER, zie WEDER.
WEERGLAS, of BAROMETER , is een Werk.
tuig, gefchikt om de zwaarte van den Dampkring op een« gegeeve plaats te onderzoeken ; waarom het woord Ba-' rpmeter betekend ziïaartew/eg£+i en, dewijl men alfa' zwaarte kan wegen, en die tuig de Dampkring Weegt, betekent het een Dampkring-weger,, Dit Werktuig word ZZ 2 Op
|
||||||
|
»en eerbied voor weztolijke verdienften in der Menfchen
gemoederen aan te kweeken; dat men, dien pnbillijken |fkeer, die men voor eene eenvoudige zedigheid heeft, vernietigde, en der Menfchen fmaak en oordeel in dit ftuk zag te verbeteren» Hij gewisfelijkv die dit begogq» lend vooroordeel door eenige wetten wist uit te rooijen » en er eene gezonde rëdeneering voor in plaats t-e brengen-, zou hier mede een grooten dienst aan 't Menschdom doen; de Deugd en eene loffelijke Naarij.ver zpuden dan welhaast wederom te voorfchrjn koomen:, endeion- deugd en dwaasheid zich uit ichaamte:verbergen.' ; Nadat men de verteeringen, naar de verfcbeidene rangen dei; Menfchen geregelt had, zo zoude trien nog kunnen tragr ten, om de Deugd en verdienften, door het een of an- der kenmerk, in de plaats van dien uiterlijkenglans, dien uien vernietigde, te onderfcheiden, om ten minften te kunnen ftaan naar 't geen men zo zeer tragt te verdienen» Bijvoorbeeld, ijderNegotiant, ijder Koopman of Win- kelier, ijder Konftenaar of Handwerksman, ijder Arbei- der eindelijk of Landman, welke aan de Regeering kon- de toonen, dat hij zijne bezittingen door eerlijke mid- delen , de helft of een vierde vermeerderd had s kon d°or bet een of ander uitwendig teken van eer onderfcheiden worden. Dus zou er een order van verdienften kunnen- worden opgeregt, waardoor de Souverain hem een bij- zonder blijk van hoogagting konde toonen, en waar door gevolgelijk zijne Tijdgenooten en Bekenden hem welhaast met andere oogen befcbouwen zouden» ,Elk » die, bij zijn overlijden, aan zijne Kinderen of Erfge- laamen, de goederen, die hij van zijn vaderlijk erf- deel bekoomen had, niet ten minften overminderd na- liet, zou zijn titel en rang verliezen, en eene ligte fchand- vlek deswegen ontvangen kunnen, ten zij men toonen konde, dat dit door onvermijdelijke toevallen veroor- zaakt ware. i Dus zou niemand bijna zich. meer-bederven ; dog,
zodanige wetten zouden naar dwinglandij gelijken, e» niet zonder veele bepaalingea gemaakt kunnen worden. Maar daar zouden misfcbren- andere wetten temaaken zijn, om de dwaaze verkwistingen:tç (tuiten van hen,. dièzichin de grond helpen,, anvanderen te o verreeden,, dat hun vermoogen aangroeit. Ook zoude men wezen- lijke hulpmiddelen met Ranken van. Lèeninge kunnen invoeren, om de zulken intijds te helpen, die beginnen te vervallen,, en om ze voor Woekeraars of andere ge- weldige middelen, die hen verder overftelpen, te be- veiligen. Hun Crediet dus gevestigd zijnde, zou-hun fortuinivan zelve dikwils wederkeeren ;; maar dan behoor- de men ter zelfder tijd1 eerlijke onderfoheidiingen te maa- ken voor hen, welke zich in* tijds van de voorgeftelde middelen bedienden, en te gelijk alle onnoodige uitga- ven befnoeiden. Door deze voorzorgen zou gewislijk aieenig Huisgezin behouden worden, 't welk thans te gronde gaat, en dezelve zouden misfehien ligtér 'm, praktijk-te brengen zijn, dan men denkt, en zeker.-; Mjk van eene zeer groote nuttigheid worden»; Dog dit zoude eene afzonderlijke Verhandeling vereisfehen. Ik heb getoond, dat men allerwegen Martelaars van
opgevatten waan en vooroordeel vind, en datnfen, met de ingebeelde eer te driftig na te loopen, de wezenlijke Verliest, 't Is een afgod, dien men wierookt met ge- baar van er het flagtoffer van te worden; men neemt de fthaduw voor het lighaam. Daar in ir zo veel wonders *Jet. als men denkt, en men bederft zich gemeenlijk ®et anders, dan door de vrees* van- als bedorven be;, |
||||||
|
»WjEE;
|
||||||||||||||||
|
WEE.
|
||||||||||||||||
|
4126
|
||||||||||||||||
|
opdeeze manier gemaakt. Men neemt-feên glazen pijp, gers van À rï'stoteles jün dien tijd hevig ontkend, 20dat
©mtrenj 36 duimen lang, aàn het eene eind toegeblaàén, .door dit Werktuig datäoortvan Wijsbegeerte ee'pn kis- |
||||||||||||||||
|
aan het ander eind open5, ■' welke met kwikzil-ver moét
gevuld worden. : Hier toe kookt men in een aarden pot op vuur het kwikzileer, tot dat het van alle zijne lucht en vogt gezuiverd is, dan giet men het in de glazen pijp, tot dat die bijna vol is, en men keert de.pijp langzaam om, op dat de lucht* welke op verfcheide plaatzenon- der de gedaante vari-bèlletjes aan.de Pijp hangen, door de groote: Luchtbel in de Pijp overgelaten',- 'megevoerd -worde, en dus de Pijp gahtsch van luchtgèzuiverd rake, daar na giet men hét nog ledig gebleven 'eind der Pijp gantsch vol met kwikzilver,-en men zet dé Pijp omge- keerd regt overeind, -in een open bakje met éenig ander kwikzilver; dan loopt eréenig kwikzilver üit de Pijp in hét bakje, blijvende de'Pijp omtrent tér hoogte van 29 "duimen gevuld, waar-door in hetbovehfte gedeelte der Fijp tusfchén de oppervlakte;van!het kwikzilver, en het toegefioten eind* een-plaats zonder lucht, of een ijdel köomt. - Onderwijlen" heeft hef kwikzilver- in de Pijp met die in het bakje'een vrije gemeenfchap, .kunnende tiit de pijp in-het bakje,;' en uit .het bakje in de pi>jp vloejjèn. Dit Werktuig is in Italien- van den fehlenderen Wis-
konftenaar Euasgelistä ToàitlcÊiiLiùs, leerling" van den groöten G-a-lileus-, In het jaar-i643 uitgevonden; waarom het ter loffeljjker gedagtenisfe van dien braven. Min ook 'wel dè Pijp'-, of Kwikpijp -van TOrriceLlius genoemd word. «Bij bevond éérst,'dat hét kw-ikzi'lver In de pijp', ter hoogte van: omtrent ,29- duimen' hängen bleef ; waar uit bij befïoot, dät de zwaarte =yari de lucht dès-Dampkrings aldaar ter praatzé 'even-zwaar,' als-deap duimen kwikzilver door haar'opgehouden,: was. Enigen; tijd Hier na, als inden jare*-ÏÓ45 ofï6%6', bevond hij, dat het kwikzi.lver niet altijd evënboog, maarzomtijds boqger, zomtijds lager >in de pijp ftond; Waar uit men ont- dekte , dat- de^zwaarte-, of-persfîng vàn de Dampkr-iftg op dezelve plaats niét altijd even groot was ; maar dat zij |
ne krak kreeg. Het zeggen, dat de Lucht zwaar was "
vàn den grooten Gali leus ,, tegen wien de verwoede vet* volgingen, der Arifiotelifchen nóg te-vers in het geheugen waren , werd nu voor het oog bevestigd, en ontegenzeg-. gelijk bewezen.'1 De-wonderlijke verfchijnzels ontrent de veranderingen in de hoogte van de Kwik in de pijp on verfcheide tijden ; en de vaste gevolgen en befluiten, dat in het holle deel der pijp boven het Kwikzilver geen lucht- kon zijn,- maar dat daar noodzakelijk een Ydei moest wezen, hetwelk ook van Aristoteles ontkend ■ waâ, zetcede de Geleerden aan, om nieuwe ontdekkin. gentedoen, om het flaaffebejukvan te moeten blijven bij hetgeen Aristoteles, ofzijne aanhangers flegts gezegd hadden', af te fchndden-, en om de Natuur en haare wer. kingen zelf nategaän; waar door het Weerglas een voor- naame oorzaak van de verbeteringen en voortzettingen niet alleen der Natuurkunde -, maar van de gantfche Wijs- begeerte geworden" is, welke nu do.orde treffelijke New- ton en Locke tot een boogen trap geklommen, en, op vaste gronden gebragt is. ... , :; 1 Aden begon in Italienen Vrankr.ijk verfcheide zoorteii van lighamèn in het bovehfte van de Kwikpijp.te Hin- ten, om de veranderingen te_ onderzoeken.,, welke de- zelve, in.het Ydel komende, ondergaan zouden, of vrat voor verfchijnfels -er dan- mogten voorkomen ; de.groote moeiten-, welke men dm dit te doen, ontmoette, heeft de. eerfte g'e-legehtheid'tot-het uitdenken en maken van Ducbtpórnpen gegeeven.; I -.. . . , -;Hét Kwikzilver klimt: in: het Weerglas op verfebeids
tijden tot verfcheide hoogten. Alhier in Nederland heeft' men de grootfte laagtebefpeuttop27eneen zesde rbyn« landfche duimen ; zo dat de gantfche verandering van het Kwikzilver in een gemeen Weerglas, tot nog toe, bin» rieride palen'vah 3 duimen gebleven is.: Dodizodanige verandering is-over den geheelen Aardbodem niet even-s eens, want in de landen tuffchen de twee'Keerkringen |
|||||||||||||||
|
minder moest zijn, wanneer hét kwikzilver lâger; en
dat zij meerder moest zijn, wanneer het kwikzilver inde pijp hooger ftond. Deezegrobté uirvindihgmaakte Tör- Ricellius aanftondsaan den geleerdenMercennusbe- kend, welke, een groote briéfwisfeling met veels Ge- leerden in andere landen houdende, maakte, dat'deeze uitvinding door geheel Europa , bekend en verfpretd Wierd; Dit Weerglas toonde zeerklaaraan, dat de lucht zwaarj en in evenwigt mét het kwikzilver-Was', want anderzinsmoèstal-de Kwiküit deregtopftaande inde open pijp uitvIoeijen;maar de lucht op de Kwitein het bakje druk- kende, perst de Kwik hier uit in de pijp -, totdat de zwaar- te van de Kwik met de pers/Ing der lucht in evenwigt zij; Dat dit befluit waar was, betoogde men aa'n'ft'onds, metdit/Fêfr^/ajineenandergîâs te fluiten; waar uit-men ïücht weerde, of wel naderhand üitpompte-;ten eerftéri'1 lag men dat dan al.de Kwik uitde pijp liep;' en zo ras de; Juchf-wederom op de Kwik-in het-bakje persfen en7 werken mögt, rees de Kwik in de pijp tot de voorige hoogte. Sommige Wijsgeereii in Vrankriffc, en naderhand in an. dere landen, klommen met dit Wèerglas op hooge bergen, waar door'èr'mindèr lucht opde Kwik in het bakje ftbnd te persfen ; zij bevonden ook darde Kwik indepffpaleöós Jàgër ftond;' boe zij hooger op de bergen klömmen ; zodat uitidit alles fönneklaar bleek, dat de^luebtzwaar- was-, an weinet boe zwaar zij was; : Sezwa2rterdsr.lHchtwierdt.varfide Wijsgeeren i âaiihan^ |
ingèlegen, is zij veel kleiner, ja minder dan eenduiisj
en in de landen buiten.de Keerkringen wordt zij grooter;. maar, of men haar nog grooterdahibij: ons ia veele Noor. delijker landen vinden zal, moét men door den volgenden- tijden door waarnemingen ontdekken en leeren.. Na dat men de verfcheide hoogte van de Kwikop verfcheide tij» den had bevonden, heeft men gaan gelo.oven,,; datdever»; ahdering der zwaarte in de lucht:, welke deeze verfcheider hoogte van het Kwik veroorzaakt, ook de oorzaak van verandering in het weer, zo iamooijalsflegt, in win- dig en flil, in droog en nat,; maakte',. Gm dat nu de verfcheide hoogte van de Kwik, de verfcheide zwaarte der Lucht te kennen geeft, meende men dat het Kwik' in het Weerglas, ook de verfcheide ftaten van het weder, en niet alleen van het tegenwoordige, iniaarookhetaan- ftaande, moest te ;kennen;geveh,- omiwelke reden de« ze Werktuigen den naam van Weerghzengekregen heb- ben.' Het is zeer: waarfchijnelijk, dat de;verandering' van -de zwaarte desDampkringsdikwils, fchoonniet al« tfjd; de oorzaak van verandering in-het weer is. Ds ondervinding heeft hier ontrent iets geleerd, waar .op» men benige Regels gebouwd heeft, welke rrien meenig»- nralen metden ftaat van het tegenwoordige,- of aanftàan- de weer zal1 zien overeeekomen. Niet-te minmoet men? deeze niet voor onfeilbaar houden, om dat men ook wel; andere uitkomftemvan het; weer zal zien , welke doon veele.: te. faamenloopende-ooxzaakendD-ons Dampgew^«: ■ vex*- |
|||||||||||||||
|
WE£. 4r27
Men zal des Somers bij heel heet en broeijend weetv '
en wanneer de Kwik hoog ftaat, bevinden, dat het fchie« ■ lijk begint te zakken; gemeenlijk is'er dan een donderbui op handen, waar van men eerder door het Weerglas, dan- door het groeijen van bruine Wolken verwittigd wordt; want de Wolken, komen niet dan eenige weinige uuren, voorden Donder te voorfchijn. Wanneer in den Winter de Kwik begint te rijzen, en<
gekomen is boven 28 en een half duimen en de wind Oos- telijk begint te waaijen, is 'er Vorst voorhanden, De- Vorst blijft volharden, wanneer de Kwik op dezelve hoog-«- te, waar mede de Vorst begon, blijfcftaan, ofwel, in- dien de Kwik blijft rijzen; maar de feite van de Vorst groeit niet aan, fchoon de Kwik veel hooger klimt, zom dat het, op het allerhoogfte (taande, het piet allerfelst; vriest/ Het Js onbekend en onzeker, op welke hoogte de- Kwik moet ftaan, wanneerde Vorst het ftrengfte is, om- dat de Vorst, van andere te zamenloopendeoorzaaken af.- hangt. Maar wanneef de Kwik, terwijl het vriest, be- ■ gint te zakken, vermindertde ftrengheid van de vorst,.> en wanneer de zakking van de Kwik van 3, of 4. h> nien geworden is, ontlaat het weer altijd; en her- begint, of te fneeuwen, hagelen, ofwaaijen; indiende- Rwik verder blijft zakken, zoo gaat de dooi voort; maar* indien de Kwik na eene zakking van 3, of 4. linien weder- om begint te rijzen, hervat de Vorst ook wederom. Dee»*- ze waarnemingen zijn wel de zekerfte en beste, tot nog.-, toe in Nederland bekend. De Wijsgeeren hebben op, verfeheide gronden gerede«--
neerd, om deeze aangehaalde, verfcbijnzels uitte ieg»~ gen. Sommige meenen, dat de Veerkracht van dejuchr/, em
niet derzel ver zwaarte, alleen de oorzaak van het bren- gen der Kwik in de pijp is ; dog deze fchijnen niet wel ge-- let te hebben, dat de Veerkragtder lucht niet persfen kan,, indien zij van boven den Dampkring geen- tegenftandJ heeft; daar'ernu boven den Dampkringt nietdanijdele- ruimte, en- dus geen tegenftand is,, zoe-is dit gevoelen? aanftonds vervallen, endezwaartederlucht, door vee- lerlei proeven bewezen, is bsvonden de eenige oorzaak;- van het opgehouden Kwik in de pijp te zijn. De Winden zijn de grootfte oorzaak van de verande-■
ring der hoogten van de Kwik in depijp {.hierom is'er tus-- fen de twee keerkringen zoo kleine verandering in 't Weer- glas te zien, om dat over deze Landftreek een geduurige; Oostelijke-pasfaat-wind; altoos-bijna evenfterk waait/, zonder dat 'er; andere vrije winden bijkoomen, zodat ds= Dampkring aldaar bijna altijd eveneens-gefield is-; maar.» buiten de twee Keerkringen, en eenige Graaden'er van- zoo naarhet Noorden als naar bet Zuiden, waaijen vrije: winden met allerlei kragten en ftreeken, welke in jden- Dampkring een groot-e. veranderig brengen. Zij neemen> hier en daar groote deelen van den Dampkring met zich^ mede, zoo dat de lucht op deeze plaatzë-dus-verminserd i zijnde, ligter wordt, en de Kwik minder kan drukkenj- op andere piaatzen voeren deeze winden-deezèuitgerukte^ lucht met zich, en ftapelen die lucht opeen, zo dat aldaar«, dat.gedeelte van den Dampkring dan zwaarder wordt, en» de Kwik in de.pijp onder'deeze lucht ftaanderijzen. De» Winden uit koude ftreeken komende, : doen dedu.cbtj.. daar zij bijkomen, dikker worden en daafen, waardoor» deeze meer zwaarte kriigt, en de K-wik fterker drukte Hierom doen de Noordelijke winden-de Kwik in't Weer-' glas rijzen-; daarin tegende! de winden uit warmegewes- ten, koomende,. deJucbt verwarmen, doen uitzetten^. |
||||||
|
verwekt worden», waarvan-de meeste tot nog toe aan ons
onbekend zijn, en die, ómdatze voorhetoog meestendeels pnzig<baarzijn,noodzakelijk onbekend zuilen blijven. Men begrijpe bet Kwikzilver in de pijp op-zijne middel-
de hoogte, dat is op 28 en een halve duimen te (laan ; en dat het begint te rijzen, dan zal het beter weer gorden, als men te vooren bad. indien het te vooren re- gende, zal het in 't kort droog weer worden, indien het fneeuwde , of hagelde, zal het fneeuwen verminderen, of ophouden; ja in den Winter zal het weer zich tot vriezen beginnen te fcbikken. Indien het fterk woei, zo zal de wind füllen ; indien de lucht donkeren betrok- ken was, zal de lucht ophelderen, en de Son doorbree- Ken. Dit zal langzaam aankomen, indien de Kwik lang- zaam rijst; maar de veranderingen in het weer zijn kort aanftaande, indien de Kwik fchieiijk rijst * eneenigen tijd aan een blijft rijzen. In het algemeen kan men Hellen, dat het rijzen van de kwik in de pijp, verbetering van het weer in 't vervolg te kennen geeft. /Edoch, indien de Kwik beneden de genoemde hoogte van 28 era een halve duimen komt te zakken; za! het weer betrokken raaken, of het zal gaan regenen, of daar zal meer wind opkomen; en dit zal Zo veel tefchielijker ge- fchieden, als de Kwik fchielijker en meer zakt. Indien de Kwik zeer laag, dat is, öp:27 en een halve
duimen, of meer zakt, krijgt men meeftal Stormbuien, weike fomtijds minder over ons hoofd hangen, als zij wel in nabuurige gewesten gevoeld worden. Hoe de Kwik laager ftaat,, hoe de Storm zwaarder is; indien de Kwik zeer fchielijk zakt, zo is de Storm in't kort voor handen; maar zaktze langzaam, zo komt de Storm langzaam,- of zij drijft nog wel over. Wanneer het Stormt en de Kwik laagftaat, maar begint
te rijzen, vermindertde Storm, en indien de Kwik fchie« lijk begint te rijzen, zo zal de Storm ook kort hier na op- houden., en het weer veel beter worden,- zo dat men menigwerf in 't kort fchoon weer krijgt , fchoon de Kwik dan nog tot geen merkelijke hoogte mögt gefteegen zijn. Indien het tegenwoordige weer goed, en de lucht vrij Helder is, en het Kwikzilver tot zekere hoogte gedegen is, zal. het weer nog helderer, noch beter-worden, fchoon de Kwik bleef; rijzen; zoo dat bet weer niet het- allervohnaast fchoon is noch wordt, .wanneer de Kwik het allerhoogfte ftaat; maar men zal dikwilsdan de lucht met Wolken digt betrokken zien, dog het.weer zal al- tijd met ftilte verzeid-zijn;; hierom, wanneer bet eeni- ge, dagen agter een, bet zij bij .den Somer-, of den. Winter, (til wéeris,.k!imt de Kwik tot degrootfte hoogte. Het- Weerglas wordt meest door de windengeregeerd, want zo ras- de Wind naar het Noorden draaid, het zij die Noord-oost, Noord, of Noord-west wordt,, lijst de Kwik aanftonds en merkelijk, fchoon het weer op dien tijd juist daarom niet verandert; want regende, het voorheen, het blijft wel regenen, of fneeuwen en hagelen, ofwaaijen; daar anderzins-bij andere winden, 20 ras- de Kwik evenwel mogte gerezen zijn, het weer ïanflonds veel beter, drooger, of ftiller zou geworden zijn. De Kwik zakt gemeenlijk met-Zuidelijkewinden, en zij ftaat laager met deeze,, dan metandere winden, waar.- om het dikwijls gebeurt, dat het weer yrij goed, de lucht helder en ftil blijft, fehoon de Kwik ai vrij laag mögt zak- ten. Zo dat men hier uit klaar ziet, dat men alleen °p dehoogte der Kwik lettende,, niet kan voorzien den* aanftaanden, oftegenwoordigen (laat van het weer, om dat dit zo veel vande winden-afhangt.,.. welke'er by.mge^ |
||||||
|
tep-aangemerkt wórden-.
|
||||||
|
WEE.
|
||||||||
|
4.IZ8 WEE.
|
||||||||
|
meest met betrokken lucht ; fchoon het noghtans ook wel
bij fchoon en helder weder Weejlicht. Doorgaans ver« toond zich ook dit luchtverfchijnzel wanneer het donderd fchoon het zelve ook wel gebeurd zonder dat het van don. der verzeld gaat; egter merkt de Heer Musschenbroek in zijne Beginzelen der Natuurkunde pag. 852; g. 170a. aan , dat zulks zelden driemaal in een jaar wordwaarge^ noomen. Weinig hoort men dat het Weerlicht eenige febaade
veroorzaakt, zo min aan Gebouwen als Menfchen of eenige andere zaakèn op de aarde, de wijt het flegts eene vlam is, die zich in-de lucht als een fterk brandend vuur vertoond, fchoon dezelve maar eenige ogenblikken duurt en zijn vermogen om te befchadigen ras verliest. Hier- om zegt Seneka l. Jti. n. qu. c. 12. Fulguratio bflendit ignem, Fulminatio emittit. 't Weerlicht vertoont zich vuurig, de Blixem treft. Het gebeurt nogthanswel, wanneer de ftoffe zeer laag, of in't oprijzen is, dat zij eenige fchaade aan verheveneplaatzen of licht ontvlam« mende ftoffen , die door haar in brand geftooken wor. den, toebrengt. , , ' WEEROVERHAALING, zie RECTIFICATIE;
-WEEüWKROPPEN, zie LATUWE. WEEÜWTJE, zieGEELGORSEN ». XH. pag, 801T. WEEVER, zie TOR-BOKKEN». XXVlL.pag, 3666. WEEVERSPOELEN, zie G&&AK pag.801; WEEZEN; Aangezigt, is het voorste uitwendig ge- deelte van het hoofd, de Wijsgeer zoude zeggen het is de fpiegel van de ziel; dan wij befchouwen het thans van eenen anderen kant, en wel voornamelijk als Ont- leedkundigen. , ' . - Het Weezen of Aangezigt bevat al dat geene, 't welk
in de gantfche oppervlakkige uitgeftrektheid van het i Hoofd tusfehen het-baairig gedeelte en den Hals in ge- } plaatst is ; te- weeten het Voorhoofd, de Wenkbraauwen, de Oogleden,de Qogen.de Neus, de Lippen, de Mond, de Wangen en de Ooren, - CicEao De Legib. I. 1. c, 9. merkt aan, dat men in
geen een Dier een Weezen vind, 't welk aan dat van de Menfch gelijk is; daar is 'er geen een op wiens Wa- zen men zoo veele tekenen van gedagten en inwendige hartstochten kan waarneemen. Wij begrijpen alle waar in die tekenen beftaan, fchoon wij niet in ftaat zijn om die in het uitgebreidste tefchetzenj danom'erevenwel iets in 't algemeen van te zeggen, wij weeten dat iemand befchaamd wordende de roode koleur als~dan in zijn gezigt opftijgt.en.dat men fchrikkende bleek word; deeze twee verfebijnfelen welke van de ftructiiur en doorfchijnend- heid van het netagtig weefzel afhangen, worden in geen ander Dier gevonden, en brengen in den Menfch een bij- zondere fchoonheid te wege. Insgelijks is het op 't Weezen of aangezigt dat het Fach*
gen en fchreijen zich vertoonen, twee andere verfchijn- zeis van de Menfchelijke hartstochten, waar van de eene dient om de zoetfgbeden van/de zamenleving aanvallig-i heid bijtezetten, en d'andere om het medelijden zelfs van anderzints onbeweegbaare imborsten gaande temaaken. Hoe veele verfchillende beweegingen der Spieren welke haar bij de Oogen en aan 't overige van 't Weezenbepz*' len, welke fpieren werkzaam worden gemaakt door de Zenuwen van hetvijfde of zesde paar, en die gevolglilk eenenaauwe verbindtenis met het weefzel fj>/«:*w;)-aande Menfch in't bijzonereigen, hebben? Die verregaande verfcheidenheid van trekken in net
Weezen, welke veroorzaakt, dat men onder zoo veeie |
||||||||
|
oprijzen, en das ligter worden, zoo dat de Kwik inde
pijp moet daalen.gelijk deZuide-winden gemeenlijk doen. De dampen uit alle Zeen, Meeren, Rivieren en ande- re Wateren; de uitwäasfemingen uit de Aarde, en alle Planten en Dieren, in de lucht opftijgende, verzwaaren ook dat gewigt van den gantfchen Dampkring, en zijn dus door haare zwaarte een oorzaak, waardoor de Kwik in de pijp hooger geperst worde en opklimt, als anders ge- fehiedenzou. Ook wordt de Dampkring ligter, wanneer die van deeze dampen en uitwäasfemingen gezuiverd wordt. Hierom wanneer het veel regent, vallen dedain- penuitde lucht, en de Kwik door minder zwaarte opge- perst dan voorheen, daalt in de pijp, tot dat ze wederom in evenwigt met de zwaarte der lucht is. Wij hebben te vooren aangetekend, dat de veranderin-
gen der hoogte van de kwik binnen de paaien van 3 Rijn- landfche duimen waren, welkepalenzeerengzijn, waar- om de Wijsgeeren dit werktuig veel beweeglijker getragt hebben te maaken, en dus de paaien van beweeging uit te zetten; hier toe heeft de Ridder Morl and zijne febuijns« leggende pijp bedagt; de fchrandere Hoqke maakte een Weerglas met een rad;welkenaderhand door de groote Hui* gens en La hIEE nog verbeterd en beweeglijker gemaakt isjdeHeer Amantons maakte een Barometer uit eenke- gelwijze Pijp, welke ruim dertig-jaaren na de uitvinding door eenige onwetendeen waanwijze Menfchen, voor iets nieuws uitgekreetenenbefcbiee ven is ; de treffelijke Wis- konftenaar Joh. Beknouilli maakte 'er een meteenBori- fontaaleengepijp, onder aan een wijde reg-t opftaande vaft- geiegt; anderen hebben nog veffebeide andere uitvindin- gen in het licht gebragt, waar van wij hiergeengewag zullen maaken7, noch ook een wijdloopiger befebrijving van alle de hier voorgemelde geeven ; om dat wij weeten, dat deondervinding-geieerdheeft, dat het gemeene Weer- glas, uit een enkele regtopftaande pijp gemaakt, het al- lérbeste is; en dat alle de andere uitvindingen wel haa- ren lof verdienen, maar fchran derer zijn uitgedagt, als zij wel in der daad aan het oogmerk, wegens noodzaake» lijke'er aanverknogtegebreken, voldoen; gelijk men in de beginzels der Natuurkunde van den Heef Musschen-. brofk kan aangetekend vinden. Zie ook THERMO- METER. WEERLICHT in Iatijn .JWgar, word genoemd eene
groote en heldere vlam, uiteene Verzameling van bran- dende Hoffe veroorzaakt, beftaande uit alle Oliën van Planten, welke doorde kragt der Son zijn vlugtig=gemaakt en in de lucht opgereezen, benevens alles wat olie- eh zwar velagtig is, 't welk ook uit bét Aardrijk naar boven ftijgt, en bij menigte van kleine deelen over al wijd enzijd ver« fpreid^vord, welke bij veel of weinig teffens:-op onder« fcheidene tijden worden ontdoken, en naar maate van de hoeveelheid der Stoffen eene groote of kleine Vlam te weege brengt. Deeze ftof word in brand geflooken door eene opbruis-
fching, welke in haar door vermenging, 't zij van Dampen ©fandere uitwaaszemingen, veroorzaakt word, en wan- neer dezelve opftuift, dan is 't als of zij in eene groote me- nigte van vloeibaare ftoffen zwemmen , en alsdanneemen deeze kleine deelen een groote en vlugge vrijheid en kön- nen met alle de vereifchte beweegingen een fterk brandend en fchitterend Vuur teweegbrengen, 't welk flangwijze in de Wolken loopt. en dus verdeeltzich het Weerlicht in verfcheidene takken. ■ Meestentijds wordhet Weerlicht gezien, wanneer een
©fiffleer war«e dagen zijn voorafgegaan, en zulks wel 't? |
||||||||
|
WEG.
|
|||||||||
|
WEG, 412^
|
|||||||||
|
pluizenden van Menfchen, naauwJijks («ree vind welke
malkandcren gelijk zijn, is zeer aanmerkelijk op zich zel- venbefchouwt, en ter zelver tijd van bet grootfte nut tot onderhouding der ïnaatfcbappijen of zaamenleevin- een' dewijl daar door alle de Menfchen gemakkelijk op hunne enkele Weezens-trekken kunnende onderschei- den worden, een ieder zonder misvatting die geene her- kent met wien hij iets te doen heeft; hier door is het, dat men, een gegrond getuigenis kan geeven van 't geen iemand gezegt, gedaan of ondernomen.heeft; alle zaa- ien waar van hij niet overtuigd zoude kunnen zijn, in- dien hij niet op't Weezen van ieder Menfch de een ofan- dere bijzondere trek vind,, welke verhoede dat hij hem met eenig ander perzoon verward. Wat zullen wij van Trebellius Calca denken, zegt
den RomeinfchenGefchichtfcbrijverVÀL. Maximus,?. 15,? met welk een ftaalen tronie.hield hij nietftaande dat hij Ci.odius was? Doen hij in 't bezit der goederen van deezen wilde treeden, bepleitte hij zijn zaak met zoo veel beleid voor de Honderdmannen (Centumviri) dat het toejuichend gemor onder 't Volk genoegzaam geen hoop overliet om een billijk vonnis te verwagten, dan de Vroomheid en Godvrugt der Regters zegepraalde echter over het bedrog van den Eifcher, en over't geweld van het Volk dat hem onderfleunde. DeKinderpokjesis van alle de Ziektens die, welke het
Weezen'i meest befchadigt ; maar men koomt dit meeren- deels door de Inenting voor, welke de fchoonsteen nut- tigde ontdekking van de gantfche,Geneeskunde is. Men leest in de Memoires de l. Atad. des fciences dé
Paris, dat het beste middel om het vel van 't Weezen fris te houden, is, het zelve door middel van beftrijkin> gen waar van olie het voornaamste ingrediënt uitmaakt, te beletten om uittewaasfemen; maardeezenraadoptevol. gen zoude gevaarlijk zijn, wel verre van nuttig te wezen. Een fcherpe lucht, fterke wind, en aanhoudend en
dikwerf zweeten , bederft het vel van 't Weezen en maakt het zelve ruw. Er zijn Vrouwen welke haar IVtezen.mti 'brokken glas fchraapen om het vel fijrider te maaken, maar zij brengen hier door het tegenover« ftelde te wege, en het word daar door hoornagtig. Men moet nimmer het Weezen met ietsftrijken dat
wreed is; niets is beter om een zagt vel tebewaaren, dan hetzelve met Uauwfemel-water, of verfchgemolken Ezel- linnen-melk te wasfehen. Watderimpelsvanhet/Fêeae» betreffen die uit Ouderdom haaren oorfprong hebben, Wist HoRATiüs, wat men daar o ver moet denken, doen &j aan Posthumus fchreef. Labuntur anni ; nee pietas moram
Rugis adfert, indomitßquefeneßa. WEG, in het latijn Fia, betekend eêne pasfage of
doMogt ingevolge het Romeinfche Regt. Het regt van Weg, Via, is verfcbillende van het regt van perfoneele doortogt of overgang Iter, genoemd; insgelijks van het 'egt van overtogt voor Beesten en Rijtuigen, 't welk de *>aam van AQus draagt. _Beßooten weg noemt men een zodaanige overgang die
wet voor het algemeen beftemd is, maar enkel tot ge» bruik van iemand in 't bijzonder is bepaald; integendeel gemtene of püblicque Weg, alle zodaanige Wegen of Pa- den, daar een ieder toe geregtigt is, gebruik van te »aaken. Zie Inßit. I. II. Tit.de Servitut. . , WEGEDOORN ook enkel Wegdisftel gmoemt i Car-
««af/aöfex, Qenopvd'tm, Rhamnus, |
|||||||||
|
Kenmerken. De Kenmerken Van dit uitgebreide-
Geflagt, buiten de algeraeene van deezen Rang, zijn zeer twijfefagtig. Eerst had Linnjeus gezegd , dat het geen Kelk heeft ; ten ware men voor den Kelk wilde neemen de Bloem, die beftondt uit een ondoorboord Blaadje (Petalum) , van buiten ruuw, van binnen gekleurd en trechtervormig. Gen. Plant. ed. V. Stokh. j754, p. 80. Thans zegt zijn Ed., dat het geen Bloemblad (Conlia) heeft, maar een pijpachtigenKelk, die den Bloemkrans draagt, Calyx tubulofus corollifer, Sijst. Nat. XII. Stokh. 1767. & Feg. XIII.Gott. 1774.' p. 148. Corolla nulla. Ibid. p. 194., met Schubben welke de Meeldraadjes befchutten, of vijf Schubben van den mond dié famenloopen. Squamce Oris quinque convergen- tes. Ibid. Ibid. Zijn Ed. telt het onder de Planten met vijfbladige Bloemen, die het Vrugtbeginzel bevatten. ToüKNEFORT, ondertusfchen, zegt, dat het een één« bladige , trechterachtige Bloem heeft, ïh vieren ge- deeld, en Boebhave een éénbladige, -trechtervormige Bloem, die vierblader-of vijfbladerachtig is. FlosmeM- petalus, infundibuliformis, tetrapetaloides vel pentapela* loide-s. Lugdbat. IL.p. 212. Onze Ridder zal bet ze- kerlijk nader onderzogt hebben, doch dan behoorde hij" overeenkomftig te zijn met zich zei ven, enniet, inéén en 't zelfde Werk, aan dit Gewas een Kelk die den Bloemkrans (Corolla) draagt', en geen Bloemkrans if Bloemblaadjes, te hebben toegefchreeven. DoktorScô- poLLi houdt de Schubben van onzen Ridder voor Bloem- blaadjes. De Heer Hallèr, die zekerlijk niet de min- fte is onder de hedendaagfche Kruidkundigen, fpreekt 'er dus van. In de Rhamnus van Tournefort en eenige zoor«
ten ean dat Geflagt bij Linnjeus, hebben zommige Planten tweeflagtige, anderen enkeleMannetjes-Bloe- men. De laatfte komen bij den oorfprong der Bla- den, uit de Takken, op enkele langwerpige Voetjes voort. Het is een klokvormige in vieren gedeelde Kelk, uit wier verdeelingen driehoekige langagüge Stukjes, die naar Bloemblaadjes gelijken, bij de Meel» draadjes zitten, welke, vieringetal, uit het Pijpje van de Bloem regt-op ftijgen. De tweeflagtige Bloem ,, heeft een dergelijken, dog kleineren Kelk, enBIqem- blaadjes en Meeldraadjes ; het Pijpje is diep in vierert gefneeden; de Befie vier-zaadig. De Bloemblaadjes neeft Rajus , de Sexe Dillenius ontdekt ; zie Haï.« LER Helv. p. 163. Zoorten. De zo orte» van dit Geflagt, die veelvuldig;
zijn , heeft de Heer Linn^us in drie afdeelingen, vafi Gedoomde, Öngedoornde en Stekelige onderfcheidem _. Men vind er verfeheidene Plantgewasfen onder, die al- toos bij andere naamen bekend geweest zijn, gelijk wij* zien zullen. -- Ik ftel ze (zegt de kundige Heer HouTTUijN in zijn doorwrogte Nat.-Hifl. ie deel, 4e fiuk. die wij als geen beter Gids kunnendeaantreffëö, in de befchrijving van dit PlantenGeflagt volgen) nä de laatfte uitgaave van het Zâmenftel der Planten, degom ver- warring te vermijden, met agtereenvolgende getallen voor. I. Purgeerende Wegedoorn ; Rhamnus catkartieïts. C-
Baüh, Pm. 478 ; Cervifpina. Cord. Hiß. f75.; (Rham- nus fpinis tèrminalibus, floribus quadrifidïs dioicts, folïis: ovatts, eaule ereSto; Linw. Sijfi.Nat. Xll. Gen. 264. p. 178.) ------ Deezezoort is algemeen bekend onder den- naam van Rhamnus, en in 't bijzonder onder dieh vate Catharthw of Purgeerende, wegens die eigenichap dëir Befiën welke* daajoja in de Geneeskunde befaamd ziïn- Met
|
|||||||||
|
WEG.
onderen ruig en een bekeragtigen tandeloozen Kelk te
hebben, van de andere verfchille, hebbende de Befiën dikwils de eene holligheid ledig.. Ann, Hifi. II. p, 44, Ik bevind dat zommigen twee, zommigen drie', bruin- roode Zaaden onder een geele Schil bevatten, en eenir gen geheel ledig zijn. Zijn Ed. onderfcheid denzelven van de voorgaande zoort, doordien de flippen van de Bloemkrans (Corolla) hier niet langer dan het Pijpje zijn. Deeze zoort groeit in Spanje, Italie en Vrankrijk,worden- de deswegen van Bauhinus Lijcium-galliçwn genoemd. Clusius fchijnt dezelve ook in Duitschland te hebben waargenomen, en GESNERUsin Switzerland, zo de Heer Haller aantekent ,* dog of zij allen de zelfde,PJant be- doelen, en of het deeze zij, daar het vermaarde Ge» nees- of Heelmiddel, genaamd Lijcium, oudtijds van gemaakt werd, is duister; zie Dalechamp, Hifi. des Plantes.. Lijon, 1715. Tom. I. Livr. II. Cap. 13.p. 123. du Lijcion; die daar van uitvoerig fpreekt. 3. Smalbladige Wegedoorn ; Rhamnus lijeioides; Rkatni
nus tertius, flore herbaceo, baccis nigris. C. Bauh. Pin, 4.77,; Rhamnus tertius f orte niger. Clus, Hifi, I. pag< 110,; (Rhamnus fpinis terminalibus , foliis linearihus, LrNN. Mant.) Hier wordt de derde Rhamnus van Cu.'. sius bedoeld, welke groenagtige Bloemen heeft en zwar- te Befiën, door dien Autheur op ongebouwde.plaatzea in Spanje waargenomen; Het was een cakkigeHeester, met lange Doorneif gewapend, gelijk hij denzelven aii> beeld, hebbende eene zwarte" Schors. De Bladen, die bij malkander uit zekere knobbeltjes voortkomen, zijn, zegt hij, final en lang, vleezig, groen van koleur, van een zamentrekkende fm'aak naardien vanrhabarberzwee- mende. Het Loof was altijd groen ; in 't voorjaar bragt hij veele groenagtige Bloemen voort, en in de fomer droeg hij Vrugten als de Slee-Pruimen, rond , zwarten wrang. Het afkookzel van dezelven word, door de In- gezetenen, als een heilzaame ftooving voor' verflaptege- wrigten , en tegen de pijnen van het voeteuvel, ge- bruikt. 4. QHjfbladige Wegedoorri; Rhamnus oleoides; Rham-
nus Mspanicus óléce folio. Tourner. Infi. R. Herb. 539.; (Rhamnus fpinis terminalibus, foliis] ohlongis 'integerrimis. Lis«. Mant.) deeze, welke ook in Spanje door cl^n Heer Alstromer waargenomen is, zijnde de eerfte zoort gel ijk, maar klei- ner, met twee of drie Bladen uit ieder Knop, als Olijf- booms-Bladen, dog kleiner, glad , als met aderen ge- rand, korter gedeeld, ftompagtig, en netswijs geaderd. De Vrugten komen erikeld voort en gelijken naar de Rhijnbefiên, dat is, naar die der eèrfte zoort. 5. Rotfige-Wegedoorn ; 'Rhamnus faxapilis; Spina in-
feUoria pumila fecunda. Clus, Hiß. I, p. III.; Lijcium facie pruni fijïveftris f. Italicum. C. Bauh. Pin. 478. » Rhamnus fpinis terminalibus, floribus quadrifidis herma-
phroditis, Jacq. Find. 212. cium, dat de gedaante van de wilde-Pruimboomen heeft, van Bauhinus, zou deeze uitmaaken, tot welke de tweede laage Verwdoorn van Clusius , doordien Autbeur in 't hooge Gebergte van Baden, op zeer fteenagtige plaatzen, en als tusic*hen de Rotzen overvloedig groe> jende, waargenomen, word t'huis gebragt. Zominigea evenwel betrekken die tot onze derde zoort. ~ 6* Theeboomagtige Wegedoorn; Rhamnus thsezans i Rhamnus thea. Ou. Itin. 232. 161.; (Rhamnus fpinis terminalibus,, foliis ovatis ferrulatis. LlNN. Mant.) _ De Heer Osbuck bevond, dat het arme volk in China |
||||||||
|
4*30. :,. WEG.
Het Gewas, dat in de meeste.deelen van Europa groeit,
noemt men in 't fransch Nerprun of Bourg-Epine, in.'t engelsen Chrifts-Thorn, in't boogduitsch Stechdorn of Wegen-Dorn, enz. Wij geeven er den naam aan van Rhijnbefiên of Duinbefiën, om dat bij ons meest, hoe» wel zeldzaam, aan den Duinkant voortkomt. Boerhaa-. ve tekent bet niet als een iniandsch Gewas; Commelijn maakt er, in zijne optelling der Planten van Holland, geen melding van, en de Hoogleeraar de Gorter had bet alleen aan den weg van 's Gravenbage naarScbeveningen, en daar omtrent, inde Duinen waargenomen; zie Flora Bel- gien. Uhr. 1717. p. 62. Het Gewas is gemeenlijk een Heefter, dog word in
zomtnige Landen een Boom, krijgende zomtijds een Stam zo dik als een Mans Been, de Schors bruinagtig en glad hebbende als die van den Kersfeboom, van binnen groen en naderhand geel. Zijn Hout is van buiten wit, maar nabij het Hart rood. De Takken zijn met fterke feberpe Doornen aan 't end gewapend; de Bladen taamelijk groot, naar die der Pruim- of KorBoelje-boomengelijkende ; de Bloemen groenagtig wit; de Vrugten ronde Befiën,: ais die der Geneverbaoraen, Van de Takken worden, om- ftreeks Lijons, fterke boogen gemaakt. Men agte het Hout, in Vrankrijk, het beste om kolen te branden, tot buskruid, noemende het Bois de Bourdaine. Wegens de Bladen en- geftalte, die het Gewas bijna voor een wiU den Pruimbootn doen aanzien, en de zwartheid tevens, noemt men het aldaar Nerprun of Noirprun, dat is zwar- te Pruim. Spina'Cervina of Herts-Doorn is degewoone naam in de Geneeskunde, wanneer men de Befiën ge- bruikt, die bitter en fcherp zijn, in de'mond en keel; ofderzelver fijroop, welke op veele plaatzen tot een huis-purgeermiddel .voor hfit landvolk ftrekt. 't Is he- kend, dat er zomtijds de Waterzugt door genezen zij. Rijp zijnde., .hebben dezelven van buiten eene zwarte, van binnen eene groene koleur, en leveren een groen Sap uit, daar men het bekende Saßg-wn.van maakt; dog on- rijp ingezameld worden bet de zogenaamde geeleBefifn, Wier afkookzel men tot veelerléij koleuringen kan veran- deren. Hierom heeft men dit Gewas ook Spina-infeBo- ria geheten. Den Bast gebrujkt men inSweden niet al- leen om geel, maar in Gothland, in 't bijzonder, om donker bruin te verwen. Dezelve wordt, in de fonne- fchijn gedroogd zijnde, in water gekookt, en hét af- Jkopkzel op de grove ftoffen, welk« de Boeren draagen, geftreeken, het welk dezelven koleurt. 2. Verwende Wegedoorn; Rhamnus infeBorius; Rham-
■nus cafharticus minor. C. Bauh. Pin. 478. ; Lijciitmgal- licum; J. Bauh. Hiß. 1. pag. 58.; Spina infe&oria pu- jm.Ua altera. Clus. Hifi. 1. pag. 111. Hall. Helv. 164. ; ^Rhamnus fpinis terminalibus. floribus quadrifidis diocis, caule procumbentibus. h 1 Un. Mant.) Dus word door on» zen Ridder, tbans, de kleine Rhamnus'catharticus om- fchreeven, welken den Heer Ge-rard, in zijne befchrij- ,ving der Planten van Provence, voorftelt als een Hees- ter met houtige leggende Takken, met ovaale, geader- de, wederaijds gladde Bladen, de Bloemen inde Man» rietjes klok vorm ig, met vier meeldraadjes; in de Wijfjes een dikagtig Pijpje hebbende met een zeer korten Stijl,-, ,en twee omgeboogen Stempels; de Vrugt een kleineBe- fie, welke met een geele koleur verwt. Zou het dan ,ook deeze zijn, waar van de gezegde geele Befiën ko- ,men ? Tournefort noemtze Graine d''Avignon, Doktor jScopoLi. merkt aan, dat deeze zoort nietalleen door de geftalte en groeiplaats,-, maar ook door ,deJ31a.dea van |
||||||||
|
WEG*. !
deèladcB van een Heester tot Theégebruikte,: welke.de
regte Theeboom geenszins was i.groeijende.dit Gewas een vadem hoog. -DeTakken waren?ook aan de. enden gefaornài de;Bladen ftompagtjg ovaal.gekeeld, glad ; het droeg Äairen van digt bij elkander gevoegde, onge- geelde Bloempjes, in vijven gedeeld, met vijfMeeldraad- jes, een korten Stijl en drjevoudigen Stempel. 7. Siciliaanfche Wegedoorn ;[Rhamnus pentaphijllus ;
ghamntis ficulus pentaphijUos. Bpcc. -.Sic. 43. B.AJ. Hiß,. i6i6.i Rhamnus fpinis lateralibus,: foliis ßlituriis quina,» tique- Jacq. Obf., II. p. 1.7. --r-~ Hier/word een Gewas bedoeld, dat pp Sicilië groeit, volgens? Boçço- HE) daar de Boeren hetzelve-Zaccatz' heeten, zijnde dik-- wils meer dan eens mans langte hoog, zeer takkig: en naar den Slee-Pruim gelijkende, , met dikke kerke Doornen. De Bladen, als die-van Palm, blijgroen, kwamen vijf op een Steekje voort; de Bloemen waren wit en hingen aan Trosjes, waar op ^rügten volgden alsdeBlaubefien, doggrppter en rood, met een;enke!d Steentje; " : ■ ■ De Heer jAcQuiNeen Takje met Vrugten, doorBoc-
cone zelfs ingezameld, van deezen Heester bezittende, heeft bevonden.dat het Gewas endelingfcheDoornen had, gelijk de voorgaande zoorten, geevende uit zekere Knob- beltjes; twee, ; drie of vier .Steekjes, ieder;m.et,drie of vijf wigvormige Blaadjes, en deBefiën, van grootte als erwten,' bevatten ieder een groot Steentjemet eene hoi- ligheid. De Bloemen had hij niet gezien, dog volgens onzen Ridder waren dezelven in vijven .gedeeld > met een enkelden langen Stijl, komende ongekeeld\uit de Oxels der Bladen voort. ; -, -; . :; In verfcheide opzigten verfchik dit van de befchrijving
van BoccoNE, en daar is zekerlijk reden om te «twijfe- len, of het Gewas wel tot dit Geflagt behoore. Met meer reden'kan het ook den bijnaam van Siciliaanfche. voeren , dan van Vijfbladige Wegedoorn. ' . v >." - 8. Vleeschnavelige .Wegedoorn; Rhamnusfarcoinphalus;
Satcomphalus foliis avatis yglairis alternis,, ejV.TJrown. Jam. 179 ; (Rhamnus inermis, foliisovalibus, ceriaceis, istegerrimisemarginatis. Linkt, Amn. Açad.i V. p. 3950 Hier volgen nu eenigeIndifche zoorten, die onge- doornd zijn, waar onder deeze den bijnaam van Sarcom- }halus, dat is Vleescbnavel, bij Browne voert, die aanmerkt dat de Bladen ovaal, aan de;Punt een weinig uitgegulpt, glad en overbóeks geplaatst.zijn , hebben- de het Gewas den binnen ft en Bast roestkoleurig. Korte, fiijve, Bloemtuikjes komen uit de Oxelen voort. ><; 9. Kleinbloemige Wegedoorn ; Rhamnus miçranthus ;
Muntingia folio coriih, fruUu.minore. Plum. Gen. 4r. ; Rhamnus an Zizijphus arborescens, éfc. Brown. Jamale. ^Ti.; Rhamnus inermis foliis, ovato-lanceolatis obliquis, ftbescentibus, flip. acuminatis üeciduis. Link. Amen. AcaA, V, p. 396) - Men vind deeze boomagagcige Wegedoorn of J'obenboom genoemd van Browne, die faar, zö wel als de voorgaande, pp Jamaikainde West- indiën waarnam. De Muntingia van Plumier, met kornoelje-B laden en eene kleinere Vrugt, is hier t'huis gebragt. Het blijkt klaar,' dat dezelve de-Bladen lancet- vormig ovaal en zeer fijn gekarteld heeft. De Hooglee- Iaar ] Burmannus had deeze reeds tot de Rhamni be- rokken. Mellerus maakt dezelve tot een zoon van degezegde Muntingia. ,-.. J0_. Kubafche Wegedoorn i Rhamnus cubenfis ; (Rham-
"w inermis floribus hemtapkroditis, capfulis triloculari- r*s, foliis rugofis jntegerrimis tomentoju. Lisn. Sijfl. ril Beel,
|
|||||||
|
WEG.' 4-Î3Ï
Nat.Xlh) ■■
-hem in het.KreupeibosA, aan den zeekant van 't eiland vKui?a.',. waargenomen, befchrij vende, zegt, dat het een regtkamrnig en takkig Boompje is , van zeven voeten hoog, in gedaante naast komende aan de Viorne. De Bladen zijn -ovaal.»: aan beide enden zeer komp, weder- zijds" wollig, gekeeld, vier duimen lang; de Bloemen en Vrugten even als in de volgende zoort. -.; 11. ;§langeubooin; Rhamnus'colubrinus ; Arbor baceifem indita-, &c. Commel. Hort. Amß. I■ p. 175. ; Rhamnus arboreus^ .foliis oboyatis,. yenafis. Brown, yam. 172.; ( Rhamnus, inermis, floribus monog. herinaphroditis, capfu- ,lis triçoccis, petiolis ferrugineo-tomentoßs. Linn. Sijfl, Nat. XU.) '------j Daar de Takken, Bladen en Bloe«
men, van den voorgaanden zich naar alle Oorden iiit-
krekten , waren de eerstgemelden in deeze waterpas gekiekt, en de Bioemen akemaal opwaards gekeerd j.de jonge Looten, de Bloem-en Blad-keeltjes en de Kelk:k ■bekleed met eene ijlewolligheid. De Bladen waren hier langwerpig ovaal en fpitsj van boven gläd."Uit de Oxels kwamen Tuiltjes van ongevaar zeven Bloempjes, zonder reuk. Een vijfdeelige KelkbevattegroeneSchubbetjes, waarbuiten de Meelknopjes, en waar binnen eenenke« Ie Stijl, met een vierdeeligen Stempel. De Vrugtwaseen driehokkig, driekleppig, Huisje, met enkelde, ronde:, platagtige, uitgegulpte, zwarte zeer gladde Zaaden. In hooge Berg-Bosfcben groeide dit Gewas tot twintig voe- ten, maar in: ?t .Kreupelboscb, aan Zee, zelden zeven voeten hoog,; hebbende, Bladen van vier of zes duimen lang. De Heer JUcquin heeft het dus op verfcheide der ;Westindifche Eilanden gevonden, en de wolligheid op .Kuba zilveragtig , anders overal roestkoleurig waarge- nomen. Het< werd van de Franfchen op Martenique, mooglijk deswegen , Rois Couleuvre, dat is, Slangen» 'Boom, geheten. : , ■ < , .'■.'. ,;- 12.. Alpifihe Wegedoßrn; Rhamnus alpinus; Alnusnt-
gra polijcarpos.C. Bauh. Prodr. röo.;' Alnus nigra baC' icifera rugoßofe.folio. f. major. J. BAUff. Hiß. I. p. 562.; Frangulayugofiore 0 ampliore folio. Tournef,. Infi. R. Herb, 612. ; Frangulà orâ foliißrratd,"'BALt. Helv. 164« J {Rhamr.tts inermis, floribus diocis, foliisduplicato- ■crenatis. Linn. Sijfl, Nat. XII.) ■------: De gekartel- de Bladen onderfcbeiden deeze van den Vuilboom, an- ders Sporckenhout genaamd, op het eerftcaanzien,hoe- wel het Gewas zeer gelijkt naar dat der Duinbefiën of .Purgeeiende JVeg_ed.oorn. Men vind het bij zommigen .Beßendraagende zwarte Els, met rimpelige Bladen, ge- tijteld. De Bladen zijn ook grooter dan in deFuiiboom zo Touric£fort aantekent. De Heer Haller vondt dit Gewas in 't Gebergte Jura van Switzerland , en .elders. Het groeit ook, volgens anderen, in Bour« gpnje. -.13. Kruipende JVegedoom; Rhamnus pumitus ; Fran-
gula minima rupeflris, Pruno fijlveflri affinis américains ■ foliis. Raj. Dendr, 65.; Frangula mentanapumilafaxa' Ulis, folio fubrolundo. Tournef. Infl, R. Herb. 612.; Rhamnus inermis repens, floribus hermaphroditis, foliis ferratis. Turr. Diar. Ital. 120, __ Deeze zoort, die
van Tournefort de kleine Berg'RotS'Vuilboom,met road»
.agtigeBladen, genoemd word; gelijkt naar den Wilden of Slee'Pruim, volgens Bav, en komt voor op den top van hpoge Bergen in het Thüringer Woud. Het is niettemin een Heester, verfchiHende van de volgende zoort, doordien de Takken langs derotfen kruipen en de Bladen getand zijn; van de voorgaande door de tweeflagtigbeid zijner Blo emen. Aaa 14. Mil' |
|||||||
|
^mm
|
|||||||
|
WEG«
|
|||||
|
#»3* WEG.
|
|||||
|
14. Fuilboóm', Rhamnus frangula ;-FmngulaiVosOK. de Jöfiêa verwCtaen in'Sleeden bét garen fróén, êveh
Pempt. 784* Hall. Helv> 164. ôcc; mnus■ nigra bäccU als met-die-van de eerfte zoort,^en de Bast dient mede
fera, C. Baüh. Pin: 42g.; {Rhamnus inermis\ f-lwibus om de wollenïftoffen geel of bruinte koleUren.! -'"-'.
manogijniskermßphroäijtu.foiiisinfegerrimis. LiNN.Hurt. 15. StreepMadige IVegedoom;Rhamnuslineatus; Ain. Clif. 73.)------» Deeze zoort die niet alleen in de cia forte"cognatus-t' maderefpatnam &c, Pluknet. Phijt,
bescbagtige vogtige Landftreekemder noordelijke dee- 122.; Rltamnuslineata. ■OsB.ltin: 219.;, Rhamnus ziij.
Jen van Europa, welken onze Ridder daar- aan tot eene lanicus, fol. jubrotundo glabro, caulibus hirfuiis, fpi,,is woonplaats toefchrijft ,1 maar ook in ;de middelde en leXigÜ/s. Bvbm. Zeijl. 187.'} (RUamnns inermis, flotihis .zelfs in de zuidelijke deelen, jatfoor gebeel Europa, âchnaphroditis-, faliis ' ovàtis lineitis répandis, fubtusn- .huisvest, vond Gouan bij. menigte gröejjen in-een Bosch 4iculatis.LiNït.-Sijfl. Nat. XII.) - 'Dit Gewas-, ^waar bij Montpellier; Scopoli zegt,dat bijindeHaagenen aan toe de Ceijlonjche Wegedoom, met rondagtige Bladen, de Heuvels van Karniolie woont^ Haluer, dat bij zelfs -ruige1 Takken en kleine Doorntjes ïndeOxëten, van al te gemeen is opde moerasfige piaatzen in Switzerland* den .Hoogleeraar J. Burmannus zeerfraaij inafbeelding Van Duttschland en Engeland behoefikniet tefpreeken. gebragt, betrokken word, maakt in China, volgens Os- Men vind dit Gewas in de meeste Provirtciën van onze beck-, een Heefter uit,- mee ronde iets wollige Takken, Nederlanden. In 't fransch geeft mener', veelal y den mans langte boog , die aanmerkelijk fs wegens zijne Jatijnfchen naam Frangula aan, «f noemt hetzelve Julne feboone Bladen, wèlke geeiâgtig groeft zijn, metroode ,noir, dat is Zwarte-Eis; gelijk de Engelfehen bet ook Aderen. Hij fcbrijft er geheei effenrandige Bladen aan Mack-Jlder al Elder-Tree'h&eton, :de Sweeden Brack. -toe, 'dog in zijne afbeeidingvertoorienzij;2ieh'Uitgegulpt, ■ wed, de Duitfcbers Faulbaum; waar vanons Vuilboonïóï hetwelk geen plaats beeft in die van den Heer Buhmun- , Stinkboom ontleend is ; dog anders noemen wij dit Gewas kus. De evenredigheid der grootte van de Bloemen tot j ßporcken-of Pijlhout. : : . . - de Bladen is/oök ongemeen ver'fehiilehde. Hetfs een Gewas, dat met veifcheide'Stengen, van 16. Aiuternus; Rhamnusalaternus; Alaternus primus
een duim of daar boven dik, ter hoogte van tien of &,fecundus.CtVs.Htfp:s7."êcè.TouR^RV. Ihß.R.Herh.
twintig voeten opfchiet, hebbende een bruine Sebors Boerh. LugdbatL 210/; Phijlicaelatior. C. Bauh. Pin.
,Diet groehagtige vlakken,, waaronder zich een Bast ver-' 477.; (Rhamnus inémis, floribùs-diùceir, flignute-tri.
toont, die fafFrâan koleur verwt. Het Blad word door pltci, foliis jerratis: LrWS. Hort. Clijfij ^-. Van dit
zommigen bij dat der Elzen,'door anderen bij datder Kor- Gewas wor-d y zo wel als vari dén Ftiilboom, door Tour.
rioelje-Boomen vergeheeken. De Heer Haller zegt er nefort en anderen een bijzónder Geflagt gemaakt, 't
van, de Bladen zijn eer der Beuken dan der Elzen-, 'welk-eênige verfcheidenheden bevat* De Groeiplaats is
zomtijds uit den ronden gefpitst; zomtijds ronder. De in de zuidelijke deelen van Europa. Men. boud het,
Bloemen hebben een,tregtervormige Kelk, waar m der- Wegens de fraaiheid van zijn altijd groenende Loof, ook
gelijke Schübbetjes, als in deaoderèzoorten vandit Ge- -voor pleizier in de Boven van Duitséhland en de Neder.
.flagc,. welken anderen Bloemblaadjes noemen, als voor- landen, daar het alieen bij den latijnfchen naam, in 't
fteen gemeld is. Boerhaave zegt, dat de Bloem vijf- -fransch Alattrne-, bekend is. Men heeft het er, niet
bladig is-,: komende uit den binnenrand van den Kelk vijf- langwerpige- of rondagtige, mefziiveragtig gezoomde,'
entwtntig ineeldraadjes.voorudogdeHeerHALLER, en leh met zieriijkewit gemarmerde Bladen. '
;anderen, geeven er maar vijf aanv Hoe't zij, de Kelk ■ Dö vermaarde Clüsïus vond twee zqorten van Ali-
Js zekerlijk in vijven gedeeld, en bevat bet Vrugtbegin- ternw. De eèrie, die de-Bladen langwerpig-heeft, zegt
.zei,, dat een enkelen Stijl heeft', met den Stempel, als hij, word zomtijds boomagtig, met lange niet zeer dik-
't ware, in tweeën gedeeld, volgens Doktor Scopoli. ke Takken, of liever buigzàanie rijzen, welke een groen?
De Vrugt is een Befie,. twee Steentjes of'Zaadkorrels- agtig witte Schors hebben, en daar. onder eengeeivlieJ-
bevattende, als Linfen, dog eigentlijk driehoekig, zo je, dat bet hout bedekt. De Bladen, als tusfchen die der
de laatstgemelde aanmerkt. Deeztf Befiën zijn eerst Olijven en groen-Eickeir in, zijn taamelijkdik en zwart-
tood., maar rijp wordende zwart van koleur, met een agtig groen. Bij zommigen der Grieken word het des-
blaauwfapi Men noemtze in Groninger-Land pÉttf- .wegen Elprinon genoemd, zegt Pt in i üs. De andere
jes,,zo de Höogieeraar-DEGorter aantekent; waarfchijn- zoort blijft laager en heeft de BilaçJen ronder, eok bief
lijk-om dat zij naar de Jbben.Befiërj gelijken. * -ker groen. In béiden komen'de Bloempjes, trosagtig
TouRN-EEORT zegt, döc deeze Befiën zoetagtig van uit de oxels der Bladen voort, en aan den Iaatften l»d
fma.ak zijn, en mooglijk worden zij dan ook we? gegee- 'hij Vuigten, als die van den JMaftikboom, waargeno- ten; dog bet voornaamfte gebruik, datmern'nde Ge- «men. De eerfte kwam deezen Kruidkenner in Porlli' neeskunde van deezen Boom beeft, beftaat in de binnen- gal, de andere, zo aldaar ais in Spanje, natuurlijk gro«- Bast. welke een- ftcrkpurgeermiddel, dikwils met braa- jende, voor. De Vrugt is* een ronde Befie, doorgas« ken en afgang te gelijk werkende, uitlevert, zijndezeer met drie Zaadkorrels bezwangerd, zegt Tournei^t.' fcherp-van Cnaak. Een vierde loots in poeijer, of een die dezelve, Benevens de Bloem , zeer duidelijk 3'' balfioot in afkookzel-, is gerjpegzaam tot een fterke buik- beeld. Glüsios vertoont hef Gewas der beide zoorten- guivering, en door dezelve voor Waterzugtigen, Geel- Omftreeks Montpellier, daar bet aan den zeekant en* zugtigen, of die aan eene- verftöpping der Ingewan- ders voorkomt, neemt bet iandvólk het zelve Jloä^> den kwijnen, van dienst bevonden. Echter veroor.- zo de Heer Gguan meld-, als- Ook Bourgefpine; want ne zaakt dit- middel dikwils-zwaare krimpingen, pijnen en heeft twee kleine zwarte Doorntjes-,- die in dé herfst at-- fterken buikloop,, indien er niet bet noodige tot verbe- vallen, nevens het Bladfteeltje wederzijds.. Zömmig« tering word bijgevoegd* De kolen van het houtzijntot Stammen hebben enkel Mannetjes, anderen tweettsgw het maaken; van buskruid zeer geagh Anderen prijzen Wijfjes-Bloemen en drie Stempels-, zo de HeerMöRBAr daar toe die van den Berg-Vuilboom, met gekartelde Bla- aanteekent. -..rh. dejjy biejfvoof befcJhrefiven, in^'t bijzonder: aan. Met 17. Falfürus;. Rhamnus■: paliururi Mamnusfölü JUJ^ |
|||||
|
, . -W'Ëöv , * inga
Amer. W. tfifl:p.f4.Ç "ï'Dé HeSr Jac'qùîn vöni
deeze zoort; welke hij aahmerkceen onaaiizïenlijk Boomp- je-t/e ■£ijn, *op de mèësten der Karibifche-Eilanden en de nabuurige vaste Kust van Zuid-Ameiika. Die van Kü- rasfaLi,,'zégt -zijn Ed., noemen,het wilde Kc-rsfeboom of Leguaan-Befiëboom, om dat het op plaatzengroeit, daat zich de Leguàanen veel onthouden. Het bemint, naame« lijt, fteenagtigègronden, open Boschjes, muuren,haai gen, enz. De Takken zijn lange, taatje, nederleggen- de rijzen, bezet met ftekels en lancetswijze gekartelde Bladen, doorgaans drie of vier* zelden agt duimen lang. Dé Bloempjes-zijn klein en geel, komende bij Trosjes voort j zo wel Mannetjes als Wijfjes, xvaar van de eer- ften een Keikin vijven gedeeld hebben, bijna zondel" ftijl, met vijf Méeldraadjes, dog geene Schubbetjes of Bloemblaadjes, zomin alsin.de Wijfjes Bloemen, die twee ftijien hebben met gefpleèten Stempels. *DeVrugt is een langronde Befie, tweemaal zo groot als een erwt, niet eén zoet vleescb , naar 't welke de Kinderen en Wilden gretig zijn,een Steentje met eeneholligheidbe- vattende. 20. Strand J'obenboom; Rhamnus napeca; Rhamnus na-
pcea. Bürm. Fi. Ind. p. 60. ; Vidara littorea. Rumph, II» p. 119.; Jujuba indica fpinofa &c. Plüktn,. Alm. 199.; Rhamnus acuieis fubgeminatis recurvis, pedunculis corijm- bofis, floribusfemidigijnis, folüs ferratis utrinqûe lvibufi Burm, Flor. Zeijl. 87. Tot deeze zoort behoort dè Strand-Jobenboom van 'Rumphius, een heesterâgtig Gé* was, dat men op de Stranden vanveelén der Molükfe Eilanden vind, met gladde Bladen en Vrugten als Olij- ven, aan Trosjes, door de rijpheid hooggeel wordende, dog niettemin zuur blijvende.- Behalve deMdlan*Tod* dali van Malabar, die men Nanen-Fluimen noemt, word hier toe betrokken de Ceilonfchegedoomde Boom van Cëij- lón, met drieribbige Bladen , van Hermanmos ; dog bet fchijnt mij töè dat deeze en dé twee volgende zoorten f watde aahbaalingen betreft, niet zeer duidelijk ondeï« -fcheiden zijn; 21.' Dooriikerfen $ Rhamnus jujuba ; Perim-Toddalti
Burm. Flor. Jnd. p. 60. ; Malus indha.R.VMFH. Amb. /. p. 117. ;: Jujuba indicd fpinofa * folüs & fruBu rotündo, " I'i.ukn. Alm. i$o, Raj. Dendr.4.4.; Rhamnus acuieis falit. recurvis, pedunculis aggregatis, floribus femidigijnis, folüsreiufisfitbtus tomentofis. "Bürm Fl. Zeijl. 29.__Tot
' àeeze zoort word betrokken dé Perim-Toddali vanMaftf»
bar, aldaar in 't nederduitsch Doornkerfen genaamd, nieütegénitaande RüMPHi-üé van zijtie Malus Indien fchrijft, dat dezelve op zonimigen der Wester Eilanderi vanlndie Vrugten als Lemisjes of Pruimen draagt, die aldaar' Appeltjes genoemd worden. Op Atribon was höf een Boompje, met'Bladen als vanAppelboomen, Vrug* ten draagënde die wat vvrang waren, dog van delndiaa« nen gretig gegeeten werden. De Ceijlonfche gedoomde Pruimboom, met ronde Vrugten vanHERMANNUs, word hier ook't'huis gebragt; Mandais de céijJonfcheenfäfc darb de maleitfche näam. 22. Nanetf Pluimen ; Rhamnus oenoplia; Jujupâ a-ctp-
katea, nervoßs foliis infra ferkeis flavis. Burm. Jßof, Ind.p. 60.; Rhamnus acuieis falit, recurvis, pedunculis aggregatis fubfefßlibus, foliis femicvrdatisfub'tus tementtli fis, BvRM. Flor. Zeijl. 88; Van deeze zoort, op Ceijlont vallende, heeft de Hoogleeraar J. Bürmannus eenzeéï fraaije afbeelding aan 'tltchtgebragt, zeggendedat hec één Heester is, met eenen ronden , regtopftaanden, ruigen, gedObrndén Stëhg, welke övëfriGtefes ©vasl ge- |
||||||
|
...... .- ."-'#EÖ«-"*
ietùnd',- frûiïù tompr^ofö; Baum, FW. 477. ; (Rhàmi
, us■■gculeisgêminàtts, inferiore reflex'offloribustrigijnis, IjitiNJBort.dig. 96.) üiL'Iri de-zuidelijke ideèlënvàn Europa, ià Griekenland en elders, komt ook deezô- voor, die mede een bijzonder Geflagt heeft-uitgemaakt onderden naam van Paliurus.: De Vriigt, die de ge- daante-vaneen breede,.plat te, Knop of Schildje heeft, £n dus het allerminfte niet naar een B.efiè gelijkt, zou deeze Zoort het allerbeste van de anderen onderfcheiden. Dezelve is Wegedoom met rondagtige Eladén'en eene ïamengedrükteVrugt, van BâvMnvs getijteld geweest, t Ge*as is heesterâgtig, dog word zomtijds een Boom, mst gedöorndè Takken en kleine rondagtîge Bladen, die uitden donker groenen roodàgtig zijn. Dé Bloempjes, aan de top-enden der Takken Zamengehoopt, zijn geel;, ende Vrugten, diementeTMontpellierCAape/efrnoèintj bevatten twee of drie olieagtige Zaadkorrels, in de drie holligheden van het Steentje.- . Het afkookzel der Vrugten van dit Boompje is, indien
men het een. genoegzaamen tijd lang gebruikt,' een zeer dtenftig middel om het graveelzand uit de Nieren en de Blaas te drijven, zo dé vermaarde Gakidel verzekert, die ér biivoegt, dat het echter geëne fteenbreèkende kragt heeft, welke zommige Autheurën daar aan toefchrijven : ja daar is (zegt hij,) tot haden nog geen middel be« Rend, 't welk, inwendig gebruikt, den'.'-Steen deir Nieren of der Blaas zou kunnen ontbinden of doen ftnelten. Dit heeft mij de beroemde 'Tournetórt verzekerd, naontelbaareproefneemingen, weikenhij daar omtrent, op order van het Minifterie , in de Hospitaalen te Parijs had werkïtëJiig gemaakt". 48. Latus; Rhamnus lotus ; Zizijkusjijlvefiris- TöUR-
gn. Infi. R. Herb. 627. Shaw Afr, 631.;< (Rhamnus Mulsis gemiriatis altera recurvo, .foliis ovato-oblongîs. Link. Sijfi.Nat. XII.) ------- Deeze, in 'tRijk van Tu- nis groeijende, krijgt den bijnaam van" Lotus; die de ei- gennaam is vah een geheel ander Peulgewa's. Toorne- fort noemt ze Wilde^Jobenbobm. Het is een Heefter met ronde Takken,..die twee Stekels aan den oorfprong der Bladen,; den eenen waterpas, den anderen krom heeft, gelijk-de Paliurus; dog de Bladen zijn, in fi- guur, aderen, gladheid, en grootte., volmaakt als'die der Jobenboomen, behoudens dat zij den rand flaauw en ijl gekarteld hebben. De Lotus-Boom der Ouden , waar van deeze zoort
Waarfchiinlijk den bijnaam heeft, is,-volgens de bsfcbrij- ving van Athenjéus , «er met de Jobenboomen over- eehkomftig. Hij was klein van Gewas ;rtiuw en gedoomd -, wet kleine groene Blaadjes als van den Wegedeom, en droeg roodagtige Vrugtén, van grootte als ronde olij- ven', bevattende een kleinen Steen. Deeze Vrugten werden tot een koek geftampt voor de Slaaven, dog vrije Lieden kreegen zé niet op tafel, dan na dater de Steen was uitgehaald., De fmaak was als die der Vijgen enDa- dclen, maar de reuk beter, Van deeze Vrugten, in Water gëwreeven, werd een zóort van wijn, of bok a?Un, gemaakt. Wegens het eeten deezer Vrugten had- den de ingezetenen van zekere landftreek, in Afrika,, den .naam van Lotaphagi bekomen, Geheele krijgs- heiren zouden daar door gefpijzigd zijn, zoPlikius herhaalt. ,:, . .... :. .15. Leguaan-Boom; Rhamnusiguaneus; Jfugubtame-
thana fpinofa, loti arboris folio tjf facie, &o Comüel. "ort, 1, p.' 141.J Rhamnus acuieis geminatis altero'par *«ate, racemis axillaribus monoids, folüs nudis-, J"aoc£; |
||||||
|
WEG.; WEL
|
||||||||||
|
WEG.
|
||||||||||
|
4134
|
||||||||||
|
fnitffie Bladen uit|eeft, die van boven giad, van onde«
ren bezet zijn met eenegeele, zagte wolligheid,, àls.van .zijde, waar door echter de.Ribben zich vertponen. On- der ieder Blad komt een korte, kromme;,.';zeer fcherpe iStekel voort, en Trosjes van zeer kleineBloempjes'iHt de Oxeis der Bladen. . ■ -, v ' . 23. Jobenboom; Rhamnus zizijphus; Zizijphus ruti-
las. Clus. Hiß. SQ.; Jujub jnajore r oblong. C. Bauh. Pin. 44(5. j [Rhamnus aculeis geminatis, altera recuryo, floribus aigijnis, foliis ovato-oblongis. Li NN. Hort, Cliff. §6.)--------rr? De gewoone J'obenboom word bier be- doeld, welken de Franfchen^a/'ai^f heeten, Uit Sijrie isdeeze, ten.tijdevan Keizer Augustus, -in Italie pver- gebragt. Thans groeit bij in de zuidelijke deelen van Europa , zijnde bij Montpellier zo op de velden ais in de hoven gemeen, zegt Gouan. Men noemt hem al- daarGuindoulier in de landtaal. Clusïus, evenwei, Jiad. hem nooit van zelf groeijende gevonden, nog in JLanguedok, nog in. Spanje, alwaar hij in de meeste tui- nen aangekweekt word, en zomtijds de grootte van een Pruim-of Peereboom bereikt, maar doorgaans heester- agtig- is, met eenen krommen Stam, geevendebruinroo- de gedoomde Takken uit, die kleine Zijtakjes nebben> waar aan overboeks Bladen ftaan met drie Ribben, aan den rand gekarteld, bieeker en grooter dan die van den gewoonen Wegedoorn. De Bloempjes zijn klein, vijf- feladig en geel; de Vrugten van grootte als een Olijf, eerst groen, dan rqod en zoet van fmaak. ,-; Deeze Vrugten , die de Spaanfchen Azofeifas, Aq Franfchen Jujubes noemen ,zijn àejujubce der Apo- theeken, als een bijzonder borstmiddel vermaard. Zij worden ons, gedroogd, uit Spanje en Italie toegebragt, alwaar het een gewoone verfnapering is, gelijk hier de Pruimen. Men-agtze bekwaam om den hoest, die uit «en prikkeling van fcherpe vogten in de longen öntftaat, te doen bedaaren, en zij worden daarom zomtijds, mee Dadels, Rozijnen en andere dingen, in borstdranken ge kookt,- ook komen zij inverfcheidewinkelmiddelenvan dien.' aart,, en- daar is een iijroop,: welke van de Jujuben den naam draagt, wereldkundig. - 24. Christus-Doorn; Rhamnus fpina Chrifii ; Jujube
. Tdzijphus af ricana , mucronatis foliis, J'pind gemelli'. Pluk. Alm. rooi; Nabea- Paliurus atheni crédita. Alp-. Mgiipt- 16.; Oenopliafpïnofa. C. Bauh. Pin. 477. Clus. Miß-. II. p. 313. j. (Rhamnus aculeisgeminatis reüis,f'o liis ovatis. Linn. Hort. Cliff. 63,): *. Dit is eenBuomp- je in, Sweeden, uit de Zaaden, welken,, de beroemde HâssblQukt van Jeruzalem, derwaarts gezonden, had-, Opgekomen.. De Nabea van Alpikus-, welke trien voor den Paliurus van. Athen^us gehouden heeft, fchijnt hiertoe-te behooren. ï$.. Rondbladige Wegedoorn ;. Rhamnus nummularia;
Rhamnus acukis folitarius geminisque recurvis, peduncu. tis- corij.mbofis, foliis ovatis integerrimis. Burm. Flor. Ind. p. 6n.. ,~ Deeze is,een gedoomde Jobenboom, met kleine geribde »wollige Bladen , en zeer kleine geële Bloempjes, tot ; bijster kleine bondeltjes vergaard, wor- dende, van dé Javaanen .DoeranèG.er.etnn geheten.. Hij voert ook den naam, van Ceijlonfche Pruimboom-,, als ins- gelijks-voorkoornende op Ceii Ion, 26, Blaauw-besfige Wegedoorn; Rhamnus viiis idâ-,
Rhamnus- fpinulis- Jimplicibus, pedunculis- folitariis uni- fions-,, foliis ovatis acuminatis integerrimis. Burm. Fior. tnd'. p. ffi. ; keurig.og.de Blauwhefiën,,,. dat zij;daar van den bijnaam |
.yoert. De, Jayaanep geever^erden^naamvan.Baan.Jlfaj;
fi aan. Zij groeit op dezelfde plaatzen, en zou door den Hoógieeraar. J Burmannus afgebeeld zijn, onder dea ,naam yan Ceijlonfche Rhamnus, met rondagtige gladde Bladen en,ruige Steel en met kleine Doorntjes, de Bloem, .pjes bruinrood,- de, Beilën zwart hebbende. 27. Perfifche Jobenboom ; Rhamnus heterogenem■'
Rhamnus aculeis gèminis, fimplici £f recurvo,-pedunculis folitariis ußifloris foliis ovatis, ferrulatis, trinerviis lu. cidis.BüRM. Flor. Jnd. p. 61. ■ In Oostindie, alsook inPerfie, komt deeze voor, die den naam van ZW. fc~he, Jobenboom in 't Kruidbpek.van Gabcin voert. Z\\ fchijnt volgens de befchrijving, overeen te koomen mét deüRhamnus Lotus,, zegt de Heer N.L^BuRMANNus.dig aanmerkt, dat er uit Oostindie nog verfcheiderleij zoor. ten van dit Geflagt o vergebragt worden, welke in Blader- loof grootelijks verfchillen, dog wegens de onbekend" beid der Vrugten niet naauwkeurig, bepaald kunnen wor- den. : . - . . WEGEN-, ;zie EERSTE WEGEN. . ,:., WEIDE of Weiland. Door Weide verflaat menzo« daanig Land, daar Koeijen, Schaapen enPaarden gaan "graafenien zich beboorlijk met het daarop groeijend Gras en verdere Kruiden kunnen voeden, ja zelfs de zodaa- nigen die tot Siagtbeesten voorbefchikt zijn, vet kunnen gemaakt worden. Zie ook op LAND.. , WEIDE BLOEM, zie DOTTER-BLOEM. WEIDE-GRAS, zie RAIJ-GRAS. WEIDE-KLAVER, zie KLAVER,. ». 1. p. 151Î. WEIDE.ELOKJËSBLOÈM , : zïe;' KLOKJES- BLOEM,,«. 10.. pag. 152:7. , WEIDE LAND, zie ; WEIDE, ' WEIT ; Tarwe. Dit Graangewas 't welk een der
heèrlijkfte gefchenken van Godt is,' word in 't,arabisch' Hantha, Henta- en Heucha genoemt; in 't hebreeuwsch, Chktach, Chintuch; in'tgrieksch,-n»/>»ç,in'tchineesch, Ta'tno, Ki-ume;- in 'tfranscji, Friment; in 't deeiisch,. Hunde; in't hongaarsch, JS«»«; in't boheemschjiy;« nice ; en in 't brabandsch, Jerwa. ', Kenmerken. De Weit.heeü een Bloemzorjderljloenv
bladen, die in Aairen ftaan ;)selke enkele Bloembeftaat uit veeleHelmitijltjes,dewetóéin een fchubagtigeBloem- kelk die Baarden heeft,, zijnbefloten ; hetStijltjekoomt ook op in 't middelpunt, 't'welk naderhand een lang- werpig Zaadje word, dat aan de eene zijde bultig is. dog aan d'asdere een fl'euf heeft.. Het is meelagtig en ki een Rok beftooten,, welke te vporen'dè Bloemkelk was. Deeze koomen enkeld voort, en worden in een digteAair verzamelt,, die.-aan èengetanden.A'S-vastzit. Zoorten. ' De Heer P.. Miller telt dertien zoortin of veranderingen van dit Graangewas op,, waar van wij hier de voomaamften laaten volgen. 1- Witte of' roode Weit zonder Raarden;, Triticnm hij'
berium, arifiis carens. C. Baubv Pi»- ;2i.j- Triticu» radice annua, fpica mutica. R;aij. Lugdb. 1.70.; (Triïj' cum glumis veniricofis lavibus... inbricûtis,. fnbmuticü- Linn. Spec. Plant;)' 2-. Somer Weit ; Triticum. flivWm. Ç. Bauh. P/«. 21.;
Triticum radiée annua , .fpica-glabra arifl'ata. RaiJ? Lugdb. 170. (.Triticum glumis ventricofis glabris imlw catis "ariftatis. Linn: Spec Plant.) , 3. Roode-Weit; Triticum. fpica Éf granis. mbmtiW--
Raij. Sijn.' '4. WitUfWeit'-i 7?riticumjfica< et granis albis. B.AIJ-
Sïjn,. '.-,.,,,, . * ,- ;..,-
■ s s. Mit*
|
|||||||||
|
*m
|
|||||||
|
SÄ'
, 5. Nadktt'Weit', Triticum /pica hordsi. R-atj. Sijn.;
fyeadicoccos vel Spelta major. C. Baùh. 32. Hordeum flosculh lateralibus■ musculis mttticis involucro deflitutis, SiW' Monf. 39. '(Triticum calijcibus truncatis quadri* tioris., fioicuiis arifiatis hermapkroditis, intermedia neu- tjo. Link. Spec, Plant.) . 6. Poqlfche Weit, of Weit met langachtige Graanen;
friticum maju's longiore grano, glumis foliaceis inclufa, (tu Triticum PoloniadiEtum. Hifi. Os. 7. Weit met roode fairen en Baarden; Triticumari-
ßis circumvallatum, grmis & jpica rubentibus, glumis (gribus et fplendentib.us. Raij. Sijn. Plaats. De Weit groeit nergens,.mijns wetens van
gelfs in 't wild, maar word in allede Gewesten van Europa, Afia, Afrika en in zommigeftreeken van Amerika in de Velden zorgvuldig, tot 't nodige onderhoud van Menfcnen gecultiveert; edog de bijzondere zoorten wor- den doorgaans in verfcbillige landen, volgens den aart van ieders climaat of grond gebouwt. Dezwaarfte en beste Weit groeit in de Provintie van Zeeland, en in de Eilanden van deMiddelandfche Zee, Sardinien, Cor« fica, Sicilien, enz.; daar aan volgt de Poolfche, Pruis- fifche en Pommerfcbe Weit; vervolgens, deFriefcbe, Brabandfcbe, enz. ' ■ Kweeking. Men kweekt de Weit zo als alle de ove-
rige Graangewasfen door 't Zaad-voort, bet welk in den herfst in, feptember en october, als mede in het voor jaar in maart of 't begin van april, hoe vroeger boe be« t«r, op wel bepioegde en gemeste landen gezaaitword. Het zelve begeert een goede, lijvige , vette of wei- gemeste y ter degen bearbeidde, niet al te natte nog te drooge grond, en een opene fonnige plaats; moet op~ behoorlijke dikte gezaait worden,, niet al te dik nog ooit te'.dun. ,,-........ .-.....■ ^ ...-.-. Huishoudelijk Gebruik. Schoon het een algemeen be-
kende zaak is,« tot welk een nuttig gebruik de Weit in de huishouding, verftrekt, moeten wij echter- volgens de door ons gekoozen orde, de vpornaamften daar van aan. onze Lezers medededen. :-----~; De Wek tot Meel
getnaalen zijnde, bakt ïriervdaar van allerlei] grof en fijn
Brood, naar maate dat het Meel fijner of-grover, dat lïmeer.of min van bet grpvp, of van.de. zemels gezift is; Welk Brood inzonderheid van bet fijnfte meel, voor hetgezondfte en voedzaamfte van.allen word gehouden; ook bakt men er Bifcuit of Tweebakken van. tt-Toorts verftrekt het ^eiteBTM«/. van-veel gebruik in de keuken,, tot allerleij gebak,'Koeken, Taarten, Pasteijen, enz. weeking, Stijfzel of Ameldonh, dat tot veelerleijgebrui- ken dient. Zie AMELDONK, Dat bet Weiten meel reeds zedert lang van een zeer
Buttig gebruik is geweest, blijkt uit het geen Mart.ialis M, 13. Epigr. 1,0, er. van zegt, laaiende er zich. aldus, overhooren. Nec'dctes, poteris fimjle mmerarewecjijus».
Pifiori toties cum fit £? apta csquo, | Voorts word uit de Weit tot Mout bereid'zijndè,- liet
beste Bier gebrouwen. Ook distilleert men daar- van Koorn-brandewijn , die doorgaans < J-enever, word ge» jtoemt,. ter oorzaake dat er Jenever-befiën-mede overge- aaalt worden. Behalven de opgenoemde gebruiken-, dient de Weit
e<* tot. voeden voor- Duiven,: Hoenders,. Kapoenen |
|||||||
|
WEL WEL. 4135
Ganfen, enz, inzonderheid om dezelve vet te maaken
wordende de Weit.t&n dien einde voor de Hoenders,. Kapoenen, enz..in melk, en voor de jonge Ganfen tri. water geweekt; moetende de eerften op een donkere plaats, en de laatften in 'een klein hok naauw opgefloten worden, waardoor ze fpoedig vet worden, eri een lek-! ker wit vleesçb bekpomen. De weiten-Jemelen met ger-, flen-meel gemengt, en met warm water aangeroert, zijn hier toe ook zeer dienstig. Voorts zijn de femelen van Weit, zo wel als, die van J'pelt en garst een goed' voeder om Varkens te mesten, mits daar wat grof boo* nen- of gerflen-meel onder vermengt worde. WELDAADIGHEID, ook Lief'daaiigheid genoemd,,
is die beminnelijke deugd welke ons ten prikkel verftrekt om onze Medemenfcben in al het geen waar in zij onze> hulp en diende behoeven, gereedelijk bijtefpringen, en" met alle onze vermogens dat goede te bewijzen, 't welk' wij zelve zouden verlangen dat ons beweezen wier-d,, indien wij in de een of de andere omftandigheid gefteld' ^vaaren die zulks eischte,, Schoon bet waar zij. dat de Deugd, in 't afgetrokke-
nebefchouwd, voor welgefteldeZielen, ietsfchoons én beminnelijks. in zich hebbe; en, uit dien hoofde, hunne achting en behartiging overwaardigzij, zo heeft zij ech« ter geene mindere bekoorlijkheden, en prijst zich tér be- tragtiginge niet minder aan, wanneer, man haar be- fchouwd, als bet gezegend middel, om'geluk en genoe- gen te verfpreiden, waar haare, altaaren rooken; dit wekt de dofheid, de onverfchilligheid. en gevoelooshéid als uit den flaap, bezield den Mensch,, met werkzaam? held, en. doet hem, door de bejaaging 'van 't nutte* fmaak verkrijgen in 't fchpone en welvoeglijke; dit in- zonderheid maakt haar zégepraalende, wanneer tijdelij* ke belangen en zedelijke plichten eikanderen beft'rijden.. En gelijk het dus met de Deugd in 't algemeen gelee? gen is,, zo is het ook ten aanzien, van derzelver bijzon* dere deelen. Want fchoon elke plicht der zeden welvoeglijk enbeta--
meiijk in zich zelve zij, zo hebben evenwel zommjge van de zelve, met betrekking tot hun invloed op het! heil der Menfchen, eene-meerdere waardeen hoogere voorrang, en wórden ter beoeffening zo veel te meerder, aangepreezen , ajs de beweegredenen daar toe menigvul- diger engewigtrger zijn. Volgens deezen regel, mag: 'derhalven billijk den prijs worden toegekend, aan die göedwillige Lief'daadigheid, .welke uit regte en waar- dige beginzeJen, het geluk der Medemenfchen ten doel- wit- heeft. En men zoude uit dien hoofde met reden mO« gen yerwagten, dat deeze- Deugd de overhand "zoude* hebben in de waereld.: En in der daad ,. men moer tot eer van her tegenwoor- *-
dige geflacht erkennen, dat er een groot aantal" Men«- ichen gevonden, worden, die zo liefderijk van Hart-,. en> zo geneigd en bereidwillig zijn pm een goed" gebruik" tè-- maaken van den overvloed, waar. mede de Goddelijke- Voorzienigheid hun heeft" gezegend, dar, ware het mo- geiii'K dat zij volkomen konden verzekerd'zijn , dât hun?- ne.daaden van Liefde tot.zodanige,eri.tot zodànigeeini dlns alleen,. gebezigd "zouden worden,. tot welke zii ge1 fchikt waren , men niet kan twijfelen, of'dè ondèr'ffandj' zoude veelmaals meer ziin dan vereisc-ht wiërd,, indien* het Cgeliik.'ik zegge) moogeliik ware dat zij volkomeiiï konden verzekerd zijn,, dat. Hunne Giften volgens Hum inzigt wierden aadgelegd ;. dog.het zal', ifi eeneBedörve- ne waereJd,v altopseene moeijelijke taak zjjn &w bli]> Äaa-3; ';-*' ven-D» |
|||||||
|
wel;
|
|||||||||
|
4I3Ö 'WEL.
|
|||||||||
|
verderfs, en, zo 't moogelijk zij, te ffellen op de wei
gen des heils. En deeze pïigt is verbindende, niet alleen ten opzigte van hun- welke eene onmiddelijke bettek. king tot ons hebben, maar ook ten opzichte van zo veel anderen, als ons moogelijk zij, 't zij in perzoon of door aanftellinge van iemand in onzen naam; hier toe zijn de Godsdienstige gefprekken in den gewoonen ommegang de kragtdaadigfte en gemakkelijkfte wijze, als die op bijzondere gevallen kunnen worden toegepast, en gefchikt naar bijzondere omftandigheden. Niet dat" ik begeere dat men ten allen tijde Predike; dat men tij.' dig en ontijdig Zedelesfen prevele. Neeni ik wil wel degelijk de tijden en de gelegenheden hebben in agtge- noomen, op dat de beste vrugten mogen worden voort* gebragt. Ik wil dat men zijne medemenfchen en onder« hoorigen (welke ik thans voornaamentIijkbedoele)gele- genheid geeve, om het ieezen te leeren, of tot volko« menheid te brengen; dat men hun daartoe aanmoedige; door hun de voordeelen daar van'duidelijk te doe« begrijpen; hun daar na (gelijk eèn mijner beste Vrien- den gewoon is te doen,) toeganggeevende tot onze Boe- ken; hun de zodaanigen aanprijzende, van welken zij dé grootfte nuttigheden trekken kunnen; hun nimmer aanzettende om Schriften over ftukken van gefchil tè Ieezen, maar altoos over zaaken van betragtinge; hun nooit te doen (lil ftaan, of hun tevermoeijen, met hun letterlijke verklaaringeii Over de plaatzen der H. Schrift te doen Ieezen, (deeze moeten zij maar af te veel in hunne Kerken hoorën, en worden daar door-altoos ver- ward en verbhfterd). Ja hun geen meer theorie van Godsdienst aanprijzende, dan noodig is om de praétijk te volmaken j hun gemeenzaam tragtende te doen wor- den , met de gewijde verhaalen der Euangeliften, en hun fmaak doende krijgen-in derzelvér Zedelesfen; hun tot meerder verftand daar van, eene algemeene uitbreiding over de Boeken des Nieuwen Teftaments in handen Hellende; wijders wilde ik dat men bun, op demoo' gelijk klaarfte 'en eenvoudigfte wijze, tragtede te over- tuigen , van Gods beftaan, Eigenfchappen en Voorzie« nigheid, van de noodzaakelijkheid en het oneindig aan- belang van den Godsdienst, jen van de redelijkheid, voortreffelijheid en genoegzaame blijkbaarheid der God- delijke openbaaring. \! En dewijl het zeker is dat wij niet alleen Menfchen
zullen aantreffen ontbloot van kundigheden, maar ook Menfchen, die'vaffcbe begrippen, dwaaze vobroordee* len en ongerijmde denkbeelden óver zaaken van den Godsdienst zullen koesteren , zqword het onzen pligt, hun, welke in eenige verdervelijke dooling zijn inge- wikkeld, door alle de wegen van Zagtmoedigheid en Liefde, ie brengen tot de erkentenis der waarheid. Verdervelijke dooling zeg ik! dewijl het alsdan/wan- neer wij reden hebben om te vreezen, dat dezelve van een nadeeligen invloed op hunne Zeden zoude kun-- nen zijn, yolftrekt noodzaaklijk wordt, die dwaaling huns verftands'te verbeteren. Want hetgeen betoog is voor het lighaam, dat zelve îs ook, naar evenrer digheid, het zedelijk oordeel en verftand, het bedje' rend beginzel voor 's Menfcben Ziele; indien het zelve onpartijdig en onverbasterd zij, zal bet de Me"' fchen in de paden van Waarheid en Regt leiden, of te rug brengen; maar indien het zelve door onrede- lijke vporoordeelen verkeerd, of bedorven zij, doof valfche en^nwaardige begrippen, moeten de zodaanf ,gen noodwendig, in allerleije doolingen voortgaan, #» |
|||||||||
|
ven, om onze daaden van Liefde zodaanig werkftelligté
maaken, dat het nat en voordeel van de grootfte Uitge- strektheid zij, en het minde onderhevig om kwalijk aan- gelegd of misbruikt te worden. En het moet uit dien hoofde, ten grooten deele, aan ieders voorzigtigheid worden overgelaaten, op welken tijd, in welke plaats en maate, hij zijne'Liefdegaaven wilbefteeden , eneven zo, moet de wijze en de voorwerpen van dezelve voor ieder door zich zelven bepaald worden. - Of fchoon het-nu volkomen waar zij, dat, welken
weg of middelen men in de beoeffening van den pligt der Weldaadigheid ook verkieze, het altoos moögelifk zij, dat de bedoelde eindens niet bereikt worden, en er langs geen weg; welken ook,eene volftrekte zeker- heid om weite kunnen flaagen, kan gevonden worden? of fchoon dit alies waar zij, zegge ik, en er om deeze redenen, geene zekere en bepaalde regelen'zijn voor te Hellen, die. van eene algemeene toepasfing zijn , zo is er "echter een algemeene regel, die hier onveranderlijk moet gelden,, dat men naamëlijk, in deeze onzekerhe" den, het zekerfte kiefe. En zoude men niet denken, dat deeze regel beftendigwierd opgevolgd? Zoude men niet denken, dat, dat geen, 'twelk over't geheel voor- deel heeft, in alle opzigten, als het uitgeflrektst van invloed zijnde, duurzaamst in zijne uitwerkzelen, en onderworpen aan de rninite tegenvallen, zoude vorkoo- zen worden ? En evenwel is de verkeerd en achteloos- heid der Menfcben zodaanig, dat zij dit beste, dit ver- kieslijke voorbij zien, en andere wijzen en middelen volgen en bezigen, ter bereiking van min gewigtigeein- dens ; alle zoort van Weldaadigheid moet meerder of minder geacht worden, naar maate zij nader komt aan de barmhartigheid omtrent der Menfchen Zielen , werk- zaam om verftandén te verlichten en Zielen te bekeeren; dit, rangs den regten weg aangelegd, en op eene ge- paste wijze gefchikt, is, in der daad, de hoofdfom van alle andere zoorten van Weldaadigheid, en op dezelve is de betuiging van den wijzen Zoon van Sirach vol- komen toepasfelijk. " Weldaadigheid is gelijk een Lust- hof blijft in Eeuwigheid. ', En waarlijk, indien, er eenige pligt is, welke, door
klaare en onloochenbaare bewijzen, kan getoond wor- den verbindende te zijn, en gefterkt en aangedrongen kan worden, door beweegredenen van allerlei zoort, iet is de Weldaadigheid omtrent der Menfchen Zielen, tot welke ik de Leezers van deeze Verhandeling met al- len,ernst zal fragten aan tëfpóoren. . Blindheid en onweetenheid, in zaaken van het hoogst
belang, den Godsdienst naamenlijk, en hardnekkige boosheid van den Wil, ter volharding in de zonde, zijn de grootfte elenden, waar aan een Mensch in dit le- ven kan onderworpen worden. Want daar hij eene Ziele heeft, gefchikt tot eene eeuwige beftaanlijkheid, tot die van geluk of van elende, en dit verfchil af- hangelijk is, van dé bétragting van zijnen pligt, endee. ze bétragting uit derzelvér kennis moet ontlpruiten, zo verdient zulk een ftaat van onkunde ons inwendigst me- delijden, en Wat kan ons daar beneven, beklaagelijker voorkomen, dan eene Ziel te zien, die dwaaslijk tragt na haar verderf, in weerwil van de afraadingen van Codsdienst en Geweeten? . *. .c Ónze pligt omtrent de zodanigen beftaat, in hun te
pnderrigten wegens, en aan te- moedigen op den weg ^welken zij te verkiezen hebben, en, dievan denzelven zijn sfgewjseken, te rügtcbreqgen van de paden 4s$ |
|||||||||
|
-WEL.
' ^u bedorvenheid van Zeden tóenëemen. Het -is daarom
de pi ig' en ^et be'anS van ieder Men fch, zovoorzicb zelven, als voor anderen zorge te draagen, dat dit Ze- delijk oordeel van 's Menfchen Ziele en verftand, niet bedorven zij, want in zulken gevalle word bun Leids- man hun Verleider. Wijders wilde ik dat men, met eenezorgvuldige op-
letténheid, het gedrag zijner Medemenfchen befchouw- de tot de fpringveeren hunner werkzaamheid doordrin- gende, om alzo zich kundig te maaken van hunne be- ginzelen, en zich in ftaat te Hellen, om hun op goede gronden over hunne bedrijven te onderhouden , aan onze onderhoorigen inzonderheid dikwerf inboezemende, dat ieder bijzonder deel van hunnen pligt, hoe gering dat ban ook toefchijne, van dezelfde verbintenis is, als alle de overige, dat er verpiigtingen zijn, aan bunnen ftaat en omftandigheden bijzonder eigen; verpiigtingen, wei- Se niet de Menfchen, (gelijk zij zich dikwerf dwaaslijk fchijnen te verbeelden) maar het Opperde Weezen ïelve, door de fcbikkïngen van den ftaat der dingen in deeze waereld , heeft daar gefteld; dat hunne omftan- digheden naar de waereld , als minder vermogend of dienstbaarheid» hunne pligten geenzints zwaarder maa- lien dan die van anderen; want dat, aan hunne meerde- ren wederom pligten zijn voorgefchreeven, die van hun niet gevorderd worden ; met een woord, dat de betrag- ting der'pligten van een ieder word afgevorderd , naar evenredigheid van dien toeftand, en van die omftandig- heden, waar in zich eik voor zich zelve bevind geplaatst te zijn. Én gelijk wij na deeze oplettende befchouwing van
het gedrag onzer Medemenfchen, altoos het gebrekkige daarin zullen zien heerfcben , zo word het onze ph'gt, hun die gebreeken, hoe gering ook, onder 't oog te breiïgen; hun'dè beginzelen van dezelve aan te wijzen, , dezelve met een woord van regtmaatige beftraffibge te gispen, hun nadrukkelijk te-waarfchouwen tegen hetge- vaar Van kwaads hebfijkheden te verkrijgen, ,en hun onderfcheidenlijk voor.den Geest te brengen,'de ver- fchillehde en zékere gevolgen van eerie goede of kwaade levens wrjze. ;' ■ -, Den zodaanigen-; die in eenigeondeugd hebbelijk zijn
ingewikkeld, de noodzaaklijkheid van hunne fpoedige en volkoomene hervorming' voor te ftellen ;- hun de ge- Wegnjkfte wijze en' gepaste' middelen daar toe aan de 'hand geevendé ; bun aanmoedigende door het vöoruit- sigt op de- zegeningen,- door de bedeeling- der Genade geopenbaard, of hun dringende door den fchrik des Heeren ; om hun alzo , dbor alle de wegen van be- feheidenheid en de middelen van onderwijsden van be- ftraffinge, te brengen tot bekeering. En daar het, om wel te flaagen, voornaamenlijk op aan zalkoqmen, zo moeten'wij Hun, door ons voorbeeld ën door den iri- vloed' der waarheid op; ons eigen lèeven, toonen, dat Onze oogmerken-zuiver zijn, en wij in allés geenean- dere bedoeling hebben, dan hunne behoudenis1. Denkt' niet- Leezers , dat 'ik door dit alles iemand
20ud.e willen verpligten' om zich geduurig- bezig te uden, met daaden* die regtftreeks van eene Gods- dienftjge natuiire zijn. Neen zeker!' dit' is, om al»- '« indeezen dooreen voorbeeld tebekragtigen, geen- l'nts noodzaaklijk.- Het leven van ieder Men fch toch behoort'te zijn ingerigt', ter bevordering-van Gods eer,. tet aanmoediging van deugd,, en ter afbreuk van allé. soort van ondeugd,-maartdeeze eindèns kunnen bereikt' |
|||||||||
|
WEL.
|
|||||||||
|
4137
worden, al fchoon .elke bijzondere daad nietopzettelijk
daar toe zij ingerigt; indien maar het voornaamedoel- wit , het algenieene oogmerk, de bevestigde gefteldhefd des gemoeds, en het einde waar toe onzedaaden door hebbelijkheid gerigt zijn, dit oogmerk bevorderen, zo zal deeze Liefde tot het goede, natuurlijk als allean- dere hebbelijkheden , op de gemeenfte daaden onzes levens invloed hebben; zelf wanneer zij daar aan niet gedenken", zal egter ieder daad, door hebbelijkheid1, iets in zich hebben, 't welk ter bevordering van ee- ne algemeene bezeffinge van Waarheid en deugd is inge- rigt, en welke de bijzondere ftaat, betrekking of om- Handigheid des levens zijn mag van zulk een Mensch,. hij zal de gevoeglijke voordeden en gelegenheden van zijnen toeftand bijzonder aanwenden, om die zelfde eîri- dens van kennis en deugd te bevorderen. Op gelijke wijze kunnen wij, in de hoedanigheden van Vaders of- Meesters des huisgezins gefteld zijnde, zonder eikebij- zondere daad opzettelijk daar toe in te rigten, alle bë- kwaame gelegenheden waarneemen, om den geenen.bp welkende omftandigheden van onzen ftaat en onze be- trekkingen tot bun ons natuurlijk een igen invloed gee- ven, de regte kundigheden van waarheid en deugd in te- boezemen, en hun door alle de beweegredenen Van aan- moediging tot het goede fragten te leiden; of door her vertoog van de geduchte gevolgen der zonde, poogen te rug te houden, van het bedrijf van dezelve, en door- ons bijzonder voorbeeld in onzen allervrijften en afge- zonderften omgang töonende, dat onze Zielen geduurig zijn aangedaan met eenen wezenlijken eerbied voorGod« én de Deugd, zullen wij de belangens van dezelve waar* lijk bevorderen, en bevorderen op de beste wijze. Want plegtige vermaaningen aangaande-zaaken van Godsdienst .kunnen van geen kragt zijn, om regte beginzelen der Ziele in te prenten, of om de Zeden ter betragtinge te vormen, indien dezelve in de Huisgezinnen door daag- den worden wederfprooken, en de pligten in de dage« lijkfcbe verkeering niet worden toegepast,: óp-de bij- zondere gevallen en omftandigheden. Maar wanneer th tegendeel ons goed voorbeeld, zijnen invioed'aan alle- kanten verfpreid, onderwijs, kennis en aanmoediging; ter Deugd, en beweegredenen ter hervorming van Ze- den uitleverende, in 't midden van een öngëbondene' en bedorvene Waereld; dan kan, door hét verfpreï- dén onzer kundigheden en door -den invloed van ons'- voorbeeld .dekennis enbetragting van den waaren Gods- dienst toeneemen in de Waereld, derwijze, dât de- Menfchen de. voortreffelijkheid" der Deugd bemerkend- en 't oneindig-voordeel, dat deszelfs algemeene betrag« ting zoude aanbrengen, dat zij overtuigd worden,, vafï" de noodzaakelijkbeid om hunne Zeden te hervormen, en? te lëeven onder eene geftàdige bezeffinge van Godin* hunne gemoederen, in verwagting. van een regtvaardig' toekomend oordeel. Ik weet dat veele Leezers zullen- Qordèelen dât er*
verféheidène aanmerkingen te maaken zijn op-het dus- verre gezegde ; laat' ons- dezelve daarom - korteli jk= na« gaan. Men zal 'moegelijk zeggen, znlk een handelwijze karr-
in geene Huishoudingen, zo als de tegenwoordige zija> ingerigt', plaatze hebben.' Mäarik vraage?'Indien hét" eenmaal blijken kan deeze verpligting-te zijn, dus off zodaanig te handelen ,' of'dan immer de ongëlègenbëv den die deeze betragting'veroorzaaken, ons vari dever*- pjigting kunnen ontilaan?:*Z'o ja; dahis-degeheeléWêt* - der;'
|
|||||||||
|
WEt;
|
|||||||||||
|
4138 WEL.
|
|||||||||||
|
omtrent der Men fchen Zielen kan beweezen worden vep
bindende te zijn, en hoedanig de beweegredenen. Let- ten wij met aandacht op de oorfprongelijke gefteldheid onzer Natuur, dan vinden wij in dezelve een eerfts grondflag van verpligtjng. De aanbiddelijke Oorzaak en Maaker van ons Weezen, voorzag ons, ter bevordering van ons welftand der Saamenleeving in 't algemeen, en van elk Mensch in het bijzonder, met aandoeningen, driften en gemoedsbeweegingen. om in die; gelegenhe- den, waar de uitfpraakender Reden te laat aaiikoomen, of niet fterk genoeg konden werken, ons aan te zet. ten, en ten fpoor en prikkel te verftrekken. Zo wier- den den Men fchen de aandoeningen van hoop en. vree- ze, fchaamte en toorne ingeplant, tot hunne veiligheid en behoudenis; en niet alleen ten opzichte vah bunzel- ven, maar in onbedorvene geitellen, worden dergelijke- ingefchapeneaandoeniBgen en gemqedsbeweegingendaad. lijk aanweezig bevonden, ten aanzien bupraer Mede« menfchen. ■ .;. _. ; ■■ ai -: ;, ; Dus worden onze Zielen njet alleen op het.gçzîgtvan
Elendigen door medelijden aangedaan,,maar wij bevin-
den nog daar en boven, dat de gefteldheid onzes lig- baams zelve zodaanig is toebereid, dat de gebeele Mensch tot daaden van Barmhartigheid neige. Daar deeze ge- fteldheid nu ons natuurlijk is, zoo is het edel en pligt-
maatig in ons:.,.. dezelve'-.àan. te kweeken, en.zo veel mopge!ijk: teder en fterk te. maaken ;. dewijl deeze drift niet,,gelijk anderen, in zich zelven onverfchillig is, en aan misbruikonderhevig zij, maar flegts ,uit;oefEenip5 vereischt, om eene verhevene deugd te worden. Wan- neer wij nu onkunde en ondeugd in onze Medemenfchen befchouwen, en wij; gevoel hebben van 't gewigt deezei elenden, word ons medelijden opgewekt voor dezodaa- nigen, en die aandoening, oorfprongelijk onze geitellen ingedrukt, word een grondflag tot verpügting van Barm- hartigheid omtrentder Menfchen Zielen, als gefchikte voorwerpen van werkzaamheid voor dezelve. Wijders, neemen wij in ;overweeging de betrekking in
welke wij tot elkander geplaatst zijn, dan vinden wij een tweeden grondflag van verpligting;te weeten, onze onderlinge gelijkheid, ten aanzien van zo veele voor- deden , welke wij gemeenfchappelijk bezitten, (als eene verftandige Natuur deelagtig; Aanbidders van éen Op- perst Weezen; gefchikt tot dezelve eindoogmerken van geluk) moet ons airede aan een hechten, met de on- verbreekelijkfte banden; dog de bijzondere betrekkingen moeten deeze banden nog vaster knoopen, wanneerwij elkander befchouwen als Leden van een en dezelve bur- | gerlijke Maatfehappij; van ééne en dezelve Godsdien* ftige gemeenfehap; Leden van een tijdelijk huisgezin; in veelen opzigten aan eikanderen verbonden, door de belangen des tegenwoordigen leevens. Uit dit oogpunt befchouwd , bevinden wij ieder
Mensch, door de Wet zijner' Natuur, en door de gP meene men fcheiijkheid verbonden, zich zelven als een deel aan te zien, van die gemeenfehap; als een Lid van dat lighaam, welke het Menschdom uitmaakt; en hij moet zich zelven ten vollen verpligt agten, om het ge' meene goed en welzijn dier Medemenfchen, zoo veel moogel-ijk, te bevorderen; goeddoende aan veelen, ^ zijne liefde en goedwilligheid uitbreidende over allen! en alzo verbindjiem deeze betrekking en de daar uitvloei* jende gevolgen, ten aanzien van hun , welke onkundig zijn in zaaken van Godsdienst,of yerflaafd aan zonden« tot onderwijs en tot beftraffihge. .. - ^ |
|||||||||||
|
der Zeden zeer Ügt te ontbinden, en hoe veroorzaakt
het ongelegenheden? Immers alleen maar,, door het ge- brekkige in onze eigene fcblkkingen ; en hoe gemaklijk kunnen deeze ongelegenheden door gewoonte verhol- pen, en nog grootere ongelegenheden , dan deeze door dit middel zelve voorkoomen worden? Wijders zoude men kunnen voorwenden J dat deeze handelwijze te groot eene gemeenzaamheid *zoude maaken, dog ik kan- geenzints zien, dat eene leerzaameen nutte verkeering ons noodzaakelijk daar in moet doen vallen, meer dan de zamenfpreekingen over huislijke zaaken en bezighe- den ; ten minften de ftoffe zoude dit geenzints te wege brengen. Ik betuig te gelooven dat deeze voorwending meer uit hovaardije dan omzigtigheid gebooren word, door welke men geneigd, is om zijne Huisgenooten en Onderhoorjgen, op eenen verren afftand van zich te hou* den, en door welke men zich, boven zijne minderen, dwaaslijk verheft op geboorte, aanzien en middelen, als--of deeze alleen bevoegdheid gaven, tot de kennis van Godsdienftige waarheden; niet eenmaal gedenken« de dat in den beginne, het onedele, onwijze en zwak- ke der Waereld, de eenigè gefchikte voorwerpen bevon« den wierden , ter aanneeming en omhelzing van den wäaren Godsdienst. 1-■"■. De onbekwaamheid van veelen welke men tegenwerpt,
is ook zo groot niet als men voorgeeft, zogrootniet, of ze is door een gefchikt onderwijs in veelen -nog,-wel te boven te koomen , in zo verre, dat er door hun eéne genoegzaame vatbaarheid kan verkreegen worden, voor de eerfte beginzelen en noodzaakelijke waarheden ; waar mede ook de zodanigen yolftaan kunnen, en wij ■ons vernoegen moeten, ons volgens de les van Sirachs wijzen Zoon, "niet fchaamende eenen onverftandigën en dwaazen te onderwijzen. " Wijders wat aanbelangt de aankleeving aan zekere
vastgeftelde gevoelens, die der oeffenende Deugd in den weg zijn, laat ook dit ons geenzints den moed benee- menj want het is volftrekt waaragtig, dat de belan« gens van Godsdienst en Deugd, van deeze gevoelens op verre na zo veel niet lijden, als men natuurlijker wij." ze zoude moeten verwagten. Die leerftukken, welke der Deugd bet meeste afbreuk zouden doen, hoe Merk en hevig dezelve ook mogen geleeraard en verdedigd worden, bevind men in daad en waarheid echter het minst geloofd te zijn ; als hebbende derzelver theorie geen invloed van eenig belang -op de praétijk der Men- fchen, tot groet geluk der zamenleeving in 't algemeen, en van elk Mensch in het bijzopder ; daar en boven is het ook zekert dat een gefchikt onderwijs, die wange- yoelens zal voorkoomen of verbeteren. Eindelijk, het voorgeeven dat de ondervinding ons
zeer ras zoude leeren, dat het alles moeite te vergeefs ware aangewend, is onvoldoende. Zo het een pligt is die-verbind, dan blijft zij altoos zodaanig, al fchbon ,wij nimmer vrflgt van onzen arbeid zagen, daar dezel- ve evenwel, fchpon fpade, koomen kan; als wanneer de behoudenis van eene Ziel, door de verlichting van haar verfiand en de heiliging van deszelfs Wil te weeg gebragt, al de moeite oneindig zoude vergoeden kunnen welke wij geduurende ons gebeele leven aan debetrag- ting van deezen redelijken pligt hadden te kostgelegd. De pligt die ons tot Weldaadigheid noopt, op zich
zelven befchouwd, én eenige tegenbedenkingen , daar omtrent nagegaan hebbende, zo ftaat ons nu te onder ,2e.el;en," uit welke gronden de pligt van Weldaadigheid |
|||||||||||
|
- WEE;
Ktni gêîïjk"onze'tiatourlijlié g^ïijkheïd'in gèinèènfçh'ap«;
peljjke voordeelen,, 4en de daar u it ontfprüiteride betrek-' feïTigën, tot" eikanderen natuurlijk'gefchikt zijn, om de tederfte^beweegingen ;yan toegenegenheid, in ons op té; wekken^ en deezen pligt' voor ons verbindend maak'en, zo maakt de toevallige ongelijkheid,. die er' tusfchen ons en onze Medemenfch'en plaats hééft, in' 't .geheel hier omtrent geen uitzondering. Want de pligt,dèr Nedrig- beid éischt van ons, dat wij'ons,,ten ópzigte van'on- ze minderen, niet meer aanmaatigen, dab het onder« fcheid der menfchelijke omftandigheden, en het volbren- gen onzei: onderlinge pligten , ter behoudenis van de welgefchiktheid en goede orde in dé Waereld, nood- zaakelijk vordert; 'en 't blijft dérbalven ten hoogden ptigtmaatig den geenen; welken ten aanzien \*an de vor- deringen in den Godsdienst beneden ons'zijn, ;te'vergun- nen gebruik te maaken, van de voordeelen , welke wij genieten; bpregt bezorgd te zijn voor hunnen welftand én behoudenis, en onvermoeide poogingen aan te wen- den, om hun door den invloed: van zägtrhoedig onder- wijs te brengen, tot de kennis en bétragting van den waaren Godsdienst, ' -, '. Maar verder de Maatfchappij kan deezen Jpligt van
onseisfchen, niet alleen uit hoofde der goedwilligheid, welke wij der geheele Maatfchappij in haare bijzondere Leden zijn verfchuldigd; niet alleen uit hoofde van we- dervergelding; voor 't geen wij van dezelve genieten; maar zij kan deezen pligt van ons eisfchen, uit hoofde van.Regtvaardïgheid; welker eisch,;'t geen gij wilt, dat U een ander doe, doet gij hun ook alzo, in dee- zen volkomenlijk kan gelden. Want deeze regel [ wel- ke in de daaden van Regtvaardighéid bëpaalingën moet lijdenden nog meer in de bedrijven der Goedwilligheid en Liefde, (om de verwarringen in dë zamenleeving te voorkoomen, en de, orde y gefchiktbeid enonderfcbei-' dene rangen in de Waereldte bewaaren, ) kan in dëezë bijzonderheid even Wel-, van volle kragt eh waarde blij- ven, voor zo verre de oeffening deezerzoort vmLief- Handigheid, ' wel de groötfte gelijkheid, '-maar tevens netgrootfte geluk kan worden te weeg gebragt, en wij veilig met dengroóteri Leidsman van het Oude Israël mogen uitboezemen, ach! dat al het Volk Profeeten ware...... " ■' Sil '
Deeze pligt is ook ingeflooteri in dien, welke wij
Gode fchuidig zijn : de dankbaarheid voor-ohtfangen wei- daadenis een pligt, billijk en betamelijk in de natuur der zaaken zelve, en die dankbaarheid word op de bes- te wijze verrigt, wanneer de weldaàdën volgens hun- ne oorfprongelijke bedoeling worden gebezigd, ten meéstén nutte van ons zelven én anderen ; dat door de bétragting van den pligt, welks verbintenis ik nu be-. wijze, op de volkomenfte wijze gefchieden kan". Immers het waare einde en oogmerk der Goddelijke
Openbaaringe is, de Menfchen wijzer en beter te maa- ien; hunne Natuuren te verheffen en te volmaaken-.hun te leeren Gode te gëhoorzaamen, Hefte hebben en na te volgen, hunne liefde en goedwilligheid uit te ftrek- ken, tot alle hunne Mëdefchepzelen, elk in hunne on- öerfcheiden ftanden, en vblgensde maate hunner be- kwaamheden, en de hartstogten hunner Ziele met beza- digdheid, en de begeertens van hun lighaatn met maa- tigheid teregeeren; alles ten einde zij dit tegenwoor- digleeven.in Gods gunfte mogten doorbrengen, en zich. waardig doen verklaaren , voor de gelukzaligheid der toekomende Eeuwe. 1 VU Deel. |
||||||
|
WEt. 413»,
^îMet de öpeflbaafing van deezë gewigtige;ert:dierbaa*.
ré Waarheden , en van de beweegreden ter betragtiging der ■ vöörfchreevene pligten, zijn wij vereerd geworden, eri wij hebben dezelve nieuflegts ontvangen als eene gifte,, van de goedheid onzes aigemeenen Vaders, maar wij hebben dezelve ontvangen als verbeurde zegenin- gen, van zijne oneindige Barmhartigheid; en daar het zodanig met de zaak is gelegen-, boe kan de pligt van dankbaarheid beter betoond worden, dan door het bes- te gebruik van die verlichtingen en aanmoedigingen te mààken, eejst voor ons zelven, en daar na voor ons duur verbondene Medemenfcben, doende alzo weder- vergelding, door onze Broederen bij te ftaan in hun- ne gewigtigfte behoeftens, terwijl wijde oogmerken der. Goddelijke Voorzienigheid i zoo veel moogelijk, trag« ten te beantwoorden. Want daar deszelfs Aanbiddelij- ke Wijsheid de ongelijke verdeeling van de zegeningen^ des leevens, met dat oogmerk fchijntgemaakt te hebben, op dat des eenen overvloed.het gebrek des anderen zoude vervullen; (en alzo aan den eenen kant, de goe«. de orde en het verband der dingen in de Waereld zoude behouden worden, en aan de andere zijde aan deeze meerder en mindere gezegende, gelegenheid kon gegee- ven Worden, tot verfcheidenepligtsbetragtingen en aan- leidingen ter deugd;) zo heeft bij ook ons, dietenaan- zien van den Godsdienst eenige vorderingen, boven on- ze: Medemenfchen, in kennis en bétragting gemaakt heb- ben, aangefteld, alsjtentmeesters van deeze aanbetrouw- de talenten; en het is dus, wel duidelijk onzen pligt ge- worden, dezelve op winst aan te leggen, ten nutte on- zer;Medemenfchen; op dat ook in deezen gel ijkheid ftand grijpe, en alzo bij de uitkomst zoude mogen bevonden worden, dat die veel verzamelde niet overhad, en'die weinig verzameld had niet te weinig had, gelijk de Apos« tel Paulus in een ander geval fpreekt. Dewijl er benevens dit alles meer dan eene beweegre,
den legt opgeflooten in het voorbeeld van bet opperst eri volmaaktfte Wezen, zo kan het zelve als een andere grond van verpligting worden aangezien. Immers zijn deszelfs goedertierenheden over alle zijne werken, en. hij heeft zijnen redelijken Schepzelen allerleiezoorten" van JVeldaadigheid vrijwillig en onverdiend gefchonken. «si- Het beftaan van deeze Schepzelen was zijne gifte, hun gelukkig beftaan zijne gave, en alle de mogelijke trappen van gelukzaligheid, waar voor deeze Schepzelen vatbaargemaaktwierden, zijnegoedgunftigebefcbikkin- gen. Om: tot die zegenrijke eindens mede te werken, maakte hij hun vatbaar voor Jen Godsdienst; gaf hun van tijd tot tijd, naar maate hunner vat.baarbeden en behoeftens, klaarder en duidelijker openbaaringen van zijnen wille, en beweegredenen tot derzel ver bétragting;. en voltooide dit zoort van gunstbewijzen, in zijne laatfte bedeeling op de uitmuntendfte en luisterrijkfte wijze, door de tusfchenkomst van geen minderen perfoon, dan zijnen hoogwaarden Zoon zelven. En deeze perfonaad- je is niet minder een verpligtend voorbeeld voor ons, dan zijn Vader. Hij, die zijne gelukkige eeuwen kon- de hebben doorgebragt in de zuiverfte en verbevenfte gelukzaligheid, bewilligde echter gaarne, om in betont-, werp, het groot en verbaazend ontwerp van zijnen He-. mei fchen Vader, te. treeden, en de verlichting en her- vorming des Menschdoms, als een laatst en uiterst.emde * van het zelve grootmoedig bij der hand te neemen. Hij verliet dan de gewesten van licht en heil, kwamonder onze nietige Stervelingen wponen,, wierd ons in alles Bbb ge, |
||||||
|
WEL.
niet tninder in getal en kragtig zijn, dan de gronden van
verpligting zelve. Immers, daar is in de Natuur niets beminnelijker dan
de hoedanigheid van een waarlijk goed Mensch; een Mensch , wiens vermaakelijke bezigheid het is, alle Menfchen, tot welken hij eenige betrekking heeft, in het tegenwoordige Ie.even genoegen te doen hebben, en zo veel in hem is, ook hun geluk in het toekoomendé te bevorderen , andere hoedanigheden hebben hunne waarde, en verdienen, naar gelang van hunne meer of mindere nutheid , een behoorlijke maat van achting. dig onze achting opwekken; groote daaden vervullende Menfchen met verwondering, en doen iemand de alge. meene toejuiching' verwerven ; maar van alle hoedanig, heden is die der Goedwilligheid en Liefde de bemi.nne. lijkfte in zich zelven; verfchaffende allerlei wenfcbelijke voordeelen, de wederkeerige liefde en gunst der Men« fchen; en, zo van eenige zoort, het kan van deeze bij. zondere zoort van liefde verzekerd worden, dat dezelve eene menigte van zonden zal bedekken, door onze Me- demecfchen af te trekken van de paden des verderfs, en hun, zo wel als ons zelven, meer en meer ter deugd te neigen, en ons op de beste wijze te verzekeren van de Goddelijke gunst in tijd en eeuwigheid. Ja, in den gewoonen loop der dingen zoude de be-
tragting van deezen pligt haare eigene belooning met zich brengen, door den wederkeerigen invloed, diedg« zelve ten voordeele der Maatfchappife in 't algemeen, en van ons, onze Huisgezinnen en Kinderen in't bijzon- der, hebben zoude. Wij zouden tog van hun, welben wij, dooreene weldaad van datgewigt, aan ons verpügt hadden , op goeden grond, eene meer ongeveinsde, har- telijke dienstvaardigheid en goedwillendheid mogen ver. wagten,- en in deezen zin met den Apostel mogen vraa- gen: ,, Indien wij bun het geestelijke gezaaid hebben, zal het eene groote zaake zijn, zo wij het hunne, dat lighaamlijk is, maaijen? " Nietalleen dit, maar bui- ten en behalven dit tegenwoordig, dit wezenlijk voor- deel , zouden wij ook, nog billijk mogen verwagten , dat zij, welke onze Leerlingen eertijdswaren, hetGeflagt, dat na ons zoude opflaan, op hunne beurt, in de be- ginzelen van Waarheid en Deugd zouden onderwij- zen en aanmoedigen; en dan, dan zoude nog een- maal de aarde kunnen vol worden van de kennisfe des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee be- dekken. Eindelijk, laaten wij ons door de betragting van on-
zen pligt in dezen, die ftreelende zelf- en ziels.voldoe- ning fragten te verkrijgen, welke ons ten allen tijde,en vooral ten geenen dage, zo zeer zal te (lade komen; wanneer wij, in de afgezonderde ftonden van ons leef' tijd, ons zullen kunnen verheugen om het goede, voor de Maatfchappije hier beneden, door ons teweeg ge- bragt, met onze naauw verbondene Medemeiifchen, door de verlichting hunner verftanden, en de hervorming bun- net' zeden, den weg te hebben aangeweezen, tot een genoeglijk verblijf in deeze en tot een vrolijke verwag- ting ter aanneeming in de gezegende Maatfchappij der gezaligden,-wanneer wij de woorden, die mijn geliefde'1 en meermaals genoemden Schrijver de Wijsheid in den mond legt, de onze kunnen maaken, Ik deed de on- derwijzingen lichten als de dageraad, en deed dezelve fchijnen tot in verre landen, want ik goot ieeringen ,,, uit gelijk, een prophétie, en liet dezelve na tot eeu»> |
||||||
|
4140 WEL.
gelijk , uitgenoomen de zonde; leide een arm, veragen verfcbûven leeven, verlichte der Menfchen verftan-
den door de prediking van den waaren Godsdienst, zet« te hun aan tot de betragting van deszelfs voorfehriften,door zijn aanminnig voorbeeld, en de voorftelling der heerlijkfle beweegredenen, en.volbragt deeze luisterrijke bediening meteen beerlijk einde, door eenen fmar- telijken en geweldigen dood te ondergaan, ter bevesti- ging van de waarheid zijns verkondigden Godsdienst, en ter voltooijing van het geheele bewerp der verlosflngdes Menschdoms , zich alzo bewonende te zijn den liefhebber van der'Menfchen Zielen. Zouden wij, na deeze befchouwingen, nog eenig«zins kunnen twijfelen ofdeezeheerlijke voorbeelden van
eene verbindende verpligting voor ons zijn? Neen, dee- ze vraag is te ongerijmd. Laat ons liever vraagen, of er na deeze befchouwingen geen ijver in oiiS;Ontbrand, om te trachten naar degelijkheid deezerGoddelijks vol- maaktheid? eener volmaaktheid, die de beminnelijkfte is in 't hoogde Wezen , tot welks navolging wij zo me- nigwerven geroepen worden, en waar m onze hoogde eere is gelegen , en om eenigermaate te zweemen naar onzen beminneiijken Meester, wiens IVeldaadigheid en liefde tot de Menfchen fterker was dan de dood; diedee« zen pligt tot een' hoofdpligt van zijnen Godsdienst heeft gemaakt, en deszelfs betragting tot een kenmerk gefield, van het onderfcheidend character zijner, waaragtige Dis- cipelen. Maar verder. Indien er eenige waare ijver in onze.
Zielen huisvest voor de Eer van God, en de belangen van den waaren Godsdienst; indien wij eenige achting hebben voor de perfoonen, en onze goedkeuring gee- ven moeten aan de verrigtingen van hun, die de eerfte Verkondigers van den waaren, en aan hun, die nader- band de Harvormers van den verbasterden Godsdienst waren, van hun, die alles ondergingen, om de Men- fchen te brengen tot erkentenis der Waarheid, en ter betragtinge van deszelfs Voorfcbriften ; indien wij eeni- ge klaare en ondeifcheidene bezeffinge hebben van de grootte en gewigtige zaaken, die ten eenigen tijde voor ons gebeurd zijn ; hoe zoude het dan mogelijk zijn dat het ons onverfchillig ware, of het zedelijk Koningrijk van God, dat eeuwig Koningrijk van Waarheiden Geregtig- heid wierd uitgebreid, voortgeplant of bevestigd, of de oogmerken van God, in zijne zedelijke regeering over de Waereld, door de Kinderen der Menfchen behoorlijk be- antwoord wierden; of die moeijelijke en zwaare arbeid van de vermaarde Getuigen der Waarheid eenigzins ver- golden wierd, of er zaad van wierd gezien, en of de waare kennis van God en zijnen dienst bloeije en toenee- me over de geheele aarde, en de betragting van al wat Deugd genaamd kan worden , algemeen zij. Neen] wij zouden hieromtrent niet onverfchillig kunnen weezen, en ingevolge hier van niet laauw genoeg om eenige wei. nige moeite te ontzien, om die gezegende voordeelen van Kennis en Deugd, zo veel mogelijk, beftendig en algemeen te maaken; maar veeleer op het fterksr, daar toe gedrongen worden, door de bedenking, boedevol- brenging van onzen pligt in deezen , ons doet beantwoor- den aan die bijzondere verpligtingen, welke op ons leg- gen, die hier boven zijn opgeteld, als ijver voor God en Godsdienst, «chting voor de waate Dienaaren en Verkondigers van denzelven, en wat dies meer zij. Dog ik zie dat ik reeds ongevoelig ben voortgeleid,
»si mijne Leezers te doen zien, dat de beweegredenen |
||||||
|
r-' ".""
|
|||||||
|
vfffî.
'■"■ gè geflsgten; zo dat een ieder heeft gezien, dat ik
" niet voor mij alleen heb gearbeid, maar voor allé de " geenen, die dezelve zoeken." " Laat ons_ nu daarentegen gemoedelijk overweegen, hoe hard het ons zoude vallen, wanneer wij, ten eenigen tijde bij ons zei ven neergezeten, zoude moeten den- ken, hoe veele zijn er, die ik kenne, welke door hunne onkunde en redenloosheid zullen verlooren gaan, die ik door de tusfcbenkomst van mijne onderwijzingen en ver- maaningen had kunnen behouden; verlooren; en dat onherilelbaar, voor eeuwig verlooren; verlooren ten aanzien der tweede waereld, en derzelver zalighe- den ! Zulk een denkbeeld zoude waarlijk ondraaglijk zijn. ''" '
Nog eens, welke kennis, bewustheid of aandoenin-
gen, wij in die tweede waereld hebben zullen , is ons nog niet mooglijk tebepaalen; maar die bewustheid, welke wij nu hebben, daar gefield zijnde, hoe hartgrie. vend zoude het dan voor ons niet weezen, die Mede- fchepzelen in datgedugteonheildaadlijk tebefchouwen? en welk een groote vermindering onzer eigene gelukza- ligheid zoude dit gezigt te wege brengen, indien het verzuimen en nalaatig zijn van onzen pligt in dezen niet maar onze eigene veroordeeling te wege bragt, en ons in die plaatzeder pijniging ftelde, alwaar wij, niet flegts doorbefchouwiog, maar door daadlijk gevoel, dezelve rampzaligheid ondergingen! Laat ons derhalven dit groot, dit wezenlijk gevaar
zorgvuldig mijden, en ons in tegendeel van onzen pligt in dezen getrouwelijk kwijten; dan zullen wij onze ei- gene natuure meer en meer verheffen en voltooijen; die edele ingefchaapen neiging tot IVeldaadigheid, door oef- feningen, leevend en kragtig maaken , en alzo het innig en natuurlijk grondbeginzel van Gelukzaligheid aankwee- ken; 't geene eene onbezefbaareblijdfchap zal uitftorten in de weldaadige Ziele, en ons zal voorbereiden tot dien bevestigden ftaat van Gelukzaligheid , waar in de volkomene Liefde des Wosgevallen's voor altoos zal beer- ffchen; en wij ons met hun, die door onze tusfchenkomst op de wegen der Waarheiden Deugd zijn geleid, of te rug gebragt, zullen verblijden en verheugen, geduuren- de eene eindelooze eeuwigheid. De zielroerende betuigingen , deswegens door de
Schriften van den grooten Apostel der Heidenen ver- fpreid, zullen deeze Verhandeling gevoeglijk befluiten kunnen. j, Indien 'er dan eenige vertroostingeis in Christus,
i, indien 'er eenige troost is der liefde; indien 'er eeni. ge gemeenfchap is des geestes; indien 'er eenige in- ,, nerlijke beweegingen en ontfermingen zijn; zoneemt agt op eikanderen, tot opfcherpinge van liefde en van »goede werken, niet vertraagende, om naar de Wel* » daadightid, die ons gefchied is door de openbaaringe der Waarheid, ons zelven aangenaam te maaken bij .., alleconfcientien derMenfchen, in de tegenwoordig- ., heid van God, die het geflagtderMenfchen uiceenen u bloede heeft gemaakt, om op den aardbodem te woo- »> nen, en hen allen geroepen heeft tot eene boopehun- », ner beroepinge; zijnde alle door eenen Geest tot één Ligbaam gedoopt, en tot eenen Geest gedrenkt ; heb. » bende maar één Gejoof, één Doop, één Heer, één » God en Vader van allen, die daar is boven allen , en » door en in ons allen. Want Hij, die gezegd heeft, »> dat het licht uit de duisternis zoude fcbijnen, is de »»geene die in onze harten gefcheenen heeft, om te gee- |
|||||||
|
WEL, 4I4j
ï, ven verlichtihge der kennisfe der heerlijkheid Gods,
in-het aangezigt van Jesus Christus, van welken wij Dienaars geworden zijn, om elkander te leeren en te ,, vermaanen alle dagen , zo lang het heden genaamd word, op dat niet in iemand kome een ongeloovig harte, om af te v/ijken van den leevendigen God; en den geenen, welke door eenige misdaadcn overval- len zijn geworden, te regt te brengen met den geest ,, der zagtmoedigheid, op dat niet iemand onzer ver- ,, hard worde door de verleidinge der zonde; op ons ,, zelven ziende, op dat ook wij niet verzogt worden, ',, Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, ,, dwaalende, menigerleije begeerlijkheden en wellusten ;, dienende. Dat dan een iegelijk van ons zijnen naas- ,, ten behaage ten goede, tot ftigtinge, niets doende door ,, twistinge of ijdele eere; maar dat gevoelen in ons zijn- ,, de,'tgeen ook injE,susCHRjsTUs was, die zich zelven heeft vernederd, en den Menfchen is gelijk gewor- den ; geen Broeder veragtende , voor wien Jesus Christus is geftorven; gedagtig, dac in den beginne het zwakke., het dwaaze en onedele der waereld, door ,, God wierd uitverkoren, om het magtige, wijze en ,, edele te befchaamen. ,, Laat ons God bidden , dat het Woord des Heeren
,, zijnen loop hebbe, en alomme, gelijk bij ons, ver- ,, heerlijke worde ; dat de God onzes Heeren Jesus Chris- ,, tus, de Vader der heerlijkheid, aan allen geeve den ,, Geest der wijsheid en der openbaaringe in zijne ken- ,, nisfe; namentlijk, verlichte ocgen des verftands, op dat zij rnoogen weeten welke de hoope zij van zijne ,, roepinge, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van zijne erfenisfe in de Heiligen, en welke de uitnee. ,, mende grootte zijner kragt zijaan hun, diegelooven, naar de werkinge der fterkte zijner magt; ten zelven ,, tijde dankzeggende voorveelen, over hunne gemeen- ,, fchap aan het Euangelidm; en vertrouwende dat Hij, ,, die in hun een goed werk begonnen heeft, dat voleindt» ,, gen zal tot op den dag van Jesus Chbistus ; opdat wij in alles rijk mogen worden tot alle goeddaadigheid, welke door ons werken zal dankzegginge tot God. ,, Want de bediening van deezen dienst zal niet alleen ,, vervullen het gebrek der Heiligen, maar zal ook over- vloedig zijn door veele dankzeggingen tot God , de- wijl zij door de beproevinge deezer bedieninge, God ,, verheerlijken zullen over de onderwerping der belij- ,, denisfe onder het Euangelium van Christus, en over de goeddaadigheid der mededeelinge aan hun , en aan allen". WELLEEVENHEID. Waare Welleevenheid en Be-
fchaafdheid mag die wijsheid heeten, welke den Menfchen leert, gerust en wel te vrede met zichzelven te Ieeven, en nog door woorden, nog door daaden, de rust en het genoegen van anderen te flooren. Goedaartigheid heeft hier een groot deel in, aange»
merkt 'er niets beminnelijker is indemenschlijkenatuur, dan te denken, te fpreeken ente doen, op zodanig ee- ne wijze als ten algemeenften nutte kan ftrekken. Een ieder, die de Son aanfehouwt , en overweegt welke zegeningen dat licht op aarde verfpreid, zal veel liever wenfehen naar dat heilzaam Hemellicht te zweemen , dan te gelijken naar een' Tijger, hoe fchriklijk ook we- gens zijne wreetheid, of naar een Slang gehaat en ge- vreesd om 't venijn haarer tanden. Goedaartigheid, in de daad, kan zo werkzaam wezen in het fchenken van genoegen, als de Son in het verlichten en verwarmen van Bbh 2 den |
|||||||
|
4H» WEL.
den Aardkloot; maar kort is de woede van eenen Tijger,
onfcbaadelijk de beet van eene Slang, in vergelijking van het leed 't geen een boos hart te wege brengt, en de kwaad- aartigheid van eene tong met laster en kwaadfpreekenheid befmet. Goedaartigheid moet betcieraad weezen van alle deugden ineen Man, en tot een dekmantel dienen, die alle vlekken, welke zich anderzins zouden vertoonen, verbergt. Met één woord, deeze gefteltenis van ziel plaatst, gelijk een bekwaam Schilder, de deugden in het helderst licht, en alle de gebreken in de fchaduw. Met Goedaartigheid moeten Verftand, Gemaatigheid
en Vriendlijkheid als weezenlijkedeelender waare Wei- leevenheid gepaard gaan. De Natuur heeft de cerfte hoe. danigheid aan weinigen geweigerd; de tweede is inelks magt, en niemand die iets Helt in de algemeene agting of blaam, zal zich de derde laaten ontbreeken; wantom de waarheid te zeggen, alles wat er vereischt word om een eerlijk Man te weezen, in den eigenften zin dier benaarning, zal ook iemand een befchaafd Man maaken. ,En dewijl bijkans ieder zich zou beledigd agten, indien men hem den naam van een eerlijk Man weigerde, zo blijkt van zelve, hoe weinigen er zijn, die den naam van een befchaafd Man misfen, dan alleen door hun ei- gengedrag, 't Is gebrek aan opmerking, geen gebrek aan bekwaamheid, waar door het bijkomt dat er zo veel on- welleevcnden gevonden worden. Veelen zijn misfehien gewoon de Wdleevenheid meer
aan te zien als eene hoedanigheid, die eer enkel tot cie- raad dient, dan als iets 't welk ons noodig is om met ge- noegen onze dagen te flijten, en (laan er dus weinig agt op. Maar zij vatten de zaak geheel aan een verkeerd einde, 't Geluk en genoegen deezes leevens hangt zo wel van kleine dingen af als vangroote; hoe veele on- heilen ontdaan er niet uit dagelijks voorkomende zaa- ken, die kleinigheden geagt worden? en is onrust, waar uit ze ook'gebooren worde, van alle ongemakken niet het ergße, het fteedsmeestkwellende. 't Gebeurt meer- maaien dat de Menfchen in hunne tijdlijke omftandighe- den ten agieren geraaken,. door'tverwaarloozen van klei- nigheden , dan door groote tegenfpoeden in bunnen han- del. De Menfchen achten een fchelling, een penning ge. ïing, niet denkende datderzelver menigte tot ponden optelt, en dit doen ze zolang, tot dat de ondervinding hun de oogen opent; terwijl één oogenblikaandagts hun sou getoond hebben, dat veele kleintjes één groot maa- ken. Volkomen hier aan gelijk is het verkeerde en al- gemeen heerfchende denkbeeld, dat zij aan hunne Me- demenfehen niers meer fchuldi'g zijn, dan 't geen ftrikte eerlijkheid vordert ; ftrikteeerlijkheid, beftaande in on. ze fchulden te betaalen, en eenander geen ongelijk ot fchaade aan te doen. Ondertusfchen zijn er duizend be. Jeefdheden, believingen, om een ander plaider te gee. ven, die van ons gevorderd worden, zullen wij vermaak, lijk beven, die achting en liefde verwerven, waar op elk verftandig Man gefield behoort te weezen. In het wel te pasfe brengen , en oplettend waarneemen van deeze kleinigheden, beftaat de Ziel der waare Welles- eenheid. Al het bovengezegde zal nog duidelijker in 'toog lbo.
pen , als wij de Characters van Honorius en Leander befchouwen. Honorius munt even zeer uit door den rang zijner geboorte als door den grooten rijkdom, welken hij bezit. Hü heeft een goed natuurlijk verftand, opgeleid en geregeld door eene geregelde opvoeding. Hijisgees- tig, en niemand weet iets pp zijne zeden t& zeggen- Is. |
||||||
|
WEL.
dit geen beminnelijk charafter,? -*« Nogtbans word
Ho.Np5ius,niét4)emind. Hij heeft, bij deeze of geene gelegenheid, het in 't hoofd gekreegen, dat het beneden een Man..-van-eer is, iets van de waarheid af te daan in welke omttandigbeden hij zich ook mag bevinden; ja' dat hij, het koste wat het koste, die altoos ten fterkfte moet fpreeken en ftaande houden.. . Volgens dit begiuzel laat hij alles, wat hem inden zin komt, en hij voorwaar, heid houd, eruit rollen, zondereenigermaateagtteflaan op het gezelfchap, waarin hij zich bevind. Eenigewee. ken geleeden las hij "een ftukje over de.geveinsdheid der Vrouwen bij een getrouwd paar, en de'Juftrouw was ten dien opzigte zeer in verdenking. Twee uuren daar na'voer hij heevig uit tegen Simónij 'en Priesterlijke kunftenarijen, in de tegenwoordigheid van twee Ker- keiijken. En op deezen voet is zijn geheel gedrag ingerïgt, 't welk te wege brengt, dat bij meer gevreesd wordt als een ftreng Zedenmeester, dan geacht als een Vriend. Leander , in tegendeel, kwam in zeer ongunftigeom-
Handigheden ter waereld. Laag van geboorte, en met geene noemenswaardige middelen gezegend; egter heeft hij, nog nauwlijks veertig jaaren oud zijnde, een feboon Landhuis in eigendom, waar hij met meerder achting leeft dan de meesten zijner nabuuren. Op de booge- fchool, als een arm Student leevende, wist hij door zijn geduurig oppasfen, zich aangenaam te maaken bij een aanzienlijk Lord; deeze bezorgde hem eene bedie- ning, welke hem vijftig ponden in 't jaar opbragt. Zijn gedrag veroorzaakte dat hij zo veel vrienden hadtals er Menfchen waren met wien hij moest omgaan. Zij- ne gereedheid om dienst te doen, verbondt de harten zijner.minderen, terwijl zijne infchiklijkheid jegens zijns gelijken en die boven hem in rang verheven waren, allen ten zijnen voordeele innam. Door deeze handel- wijze klom hij., in den tijd van tien jaaren, tot eene bediening, die hem eene jaarwedde van duizend pon- den f en nog tweemaal zo veel aan. bijkomende buiten- kansjes, opbrengt. Dezelfde gereedheid en believend- heid blijft hem bij in deeze zo veel verheevener (laat, en hij is, tot deezen dag, toe, de wellust en het vermaalt van allen die hem kennen ; door. dien ze denken, dat hij hun voordeel en gemak zo zeer bezorgt als zijn eigen. Wie, zo het te zijner keuze ftondt, zou'tgeea Honori vs bezit niet verfmaaden ? En wie. zou.niet wen- fchen, zijne bezittingen te hebben met de ihneemends gefteltenis van Leandeb.. Laaten wij nu de IVelkevenlieid befchouwen in eenigö
voornaame opzigten. Hoe gedraagt zich. een welleevend Man omtrent den Godsdienst? Den Godsdienst, ftrik* gefprooken-, is die hulde welke de Menfchen uit over tuiging en pligt toebrengen aan dat Weezen,. aan 't welk zij hunnen oorfprong.verfchuldigd zijn, en van 't welk zij alle zegeningen ontvangen hebben. ------ Wanneer
iemand flechts. bedenkt' wat dit in hebbe,. zal hij tér-
Hond begrijpen dat den Godsdienst op eene fpotagtigs wijze te behandelen, niet alleen onbefthaafd-, maar ten uiterften aanftootelijk is. Wie eenige achting voor ie- mand'beeft, zal niet fchrikken op de enkele gedagten van hem iets ont«erends van zijnen Vader in zijn aan- gezigt te zeggen ?" En welk een onverbeeldlijk groot onderfcheid is er niet, tusfehen het denkbeeidvan Vader en Schepper? Het (preekt dus van zelve, dat er eene onbeftaanbaarheid is tusfehen Spotternijen Godsdienst, en. elk Wsllmeni Mensch, begrijpt,., dat. alle fpjotagtige ge*
|
||||||
|
f ......
|
|||||||
|
WEL.
»eforekken, over een zo ernftig onderwerp, zeer on-
welvoeglijk zijn. ■-------\ Vreemd waarlijk, dat deeze
onbefchaafdheid, dermaate algemeen is in de befcbaaf-
de eeuw welke wij beleeven. ' Wat onderfcbeidene Godsdiensten of liever bijzondere I aanhangen in denzelfden Godsdienst,betreft ; de Menfchen
zijn doorgaans daar omtrent zeer ijverig, t zij zulks voort- kome uit naauwgezetbeid van geweeten, 't zij uit bet hoo- ge denkbeeld 't geen ze zich van hun eigen oordeel vormen. Qpregte en eerlijke Menfchen zien de eeuwige behoudenis hunner onfterflijke zielen voor een te ernftig engewigtig ftukaan, dandatze, metgeduld, daar mede kunnen hoo» ren boerten. Een befcbaafd Menfch zal overzulksver- mijden iemand, indatgeval, tebeledigen, enbemeeoe zo gevoelige fmerte toe te brengen; dit te doen is recht- draads ftrijdigmethetcharacter vaneen welleevend Philo- fooph. De tweede aangeweezene oorzaak van der jlenfchen ijver in (lukken van den Godsdienst, moge van minder aanbelang fcbijnen dan de eerstgemelde, doch wie 'er een aandagtigoogop vestigt, zal wel haast van andere î gedagten worden. Menfchen, die zeer voorbefpiegelin-
genin den Godsdienst zijn, welke bij hun meer in't hoofd dan in 't hart huisvest, bevindt men dat niet min ijve- ren dan weezenlijk Godsdienftigen. Hij die iets boer» tens of fcherps zegt ten aanziene van hunne begrippen, fchijnt dat doende hun verftand te beledigen, en zal ge- volglijk hunnen haat opwekken'; dit nu zal niemand vaneenigoordeel willen doen, enkel om het vermaakte hebben van een geestigen flag voor den dag te brengen , veel min zal zulks vallen in een welleevend Man, die er op gefield is, om een ieder te verpligten. i Gelijk dus de Wellesvenheid tepasfe komt, ten opzig-
te van den Godsdienst, zo ivordt zij ook vereischtom- trent het Burgerlijke. De liefde tot het Vaderland is eene dier Deugden, welke ieder Ingezeeien meent dat hemtoekome, en den weg, over't algemeen, ingeflaa- gen om dat te toonen , befiaat in zich voor deeze of gee- tie partij te verklaaren. Dit is oorzaak dat iemand, in. dien geene groote maate van bedaard verftand dat vuur faaatige, tot alle hevigheden van partijfcnap vervalt, en elk, die, wegens Staatszaaken , niet op dezelfde wij- ze, fpreekt ais hij,, vooreen vijand aanziet. Men zeg- ge geenzins dit is te fierk afgefchilderd, maar't is het juifte afbeeldzel van verre de meeste ijveraars in Staat- kundige gefchilien*. Een welleevend Man zal overzulks, zo zelden als hem mooglijk is , op deeze "onderwer- pen-komen, want, in een vermengd gezelfchap, is het bijkans ondoenlijk daar over naar 't genoegen van allen te fpreeken, ! Om de waarheid te zeggen , is de liefde tot bet Va-
derland , in deeze eeuw', mooglijk zo fchaars te vinden als in eenige der voorgaande, 't Is blijkbaar dat de Menfchen zich zelven zo we! beminnen, dat bet niet zeer te denken is, dat zij in alle opzigten, 't belang van 't Vaderland boven hun eigen fiellen. Dit te doen dunkt elk braaf en edelmoedig , en daarom wil ieder een zich zulks toeeigenen. Maar dit is een geveinsd voorwenden, zult gij zeggen, en moet derhalven ont- dekt worden. Dan juist vindt de welleevende Philo- foopfi hier eene nieuwe beweegreden tot omzig'.igheid. Zeere pl'aatzen zijn altoos teergevoelig.; en lieden die °P een gemaskerd bal ziin, willen niet dat men hun aangezigt ontdekke. Wij moeten ons niet bevlijtigen 0tfi anderer misflagen aan te wijzen , maar om hun hun- ne deugden te doen bemerken, en dus alles doen om |
WEL. 4143.
de vriendfcbap aas te kweeken en 't onderling genoegeir
te bevorderen. Pomponjus Âtticus, wiens character, zo beminnelijk voorkomt uit het zamenftemmend getuig- nis aller Schrijveren , die van hem gewaagen , was. bet grootfte gedeelte van de achting in welke hij leefde,, en waar in zijne gedagtenis nog overblijft, verfcbul- digd aan zodaanig eene handelwijze. Zijne goedwillig- heid verwierf hem de Liefde van het Menschdom in 't algemeen,-en door zijn verltandig beleid,-hieldt hij z'ch buiten de partijfchappen welke onder zijne vrienden ree- zen. Hij vatte de wapens niet op voor Caesar, ook irok hij niet uit Italie, wanneer Pompejus met zijne krijgsmagt uittoog. Hij ontdekte al te duidelijk de eer- zugt van beiden; en bebieldt de toegenegenheid tot zij- ne vrienden van beide de partijen, zonder met iemand aan te fpannen. De voorfpoed maakte hun nooit aan- genaameraan Pomponius, en de tegenfpoed deedt hun hunne agting niet verliezen. De overwinnende partij bezogt hij zonder in de vermeerdering van hun magt te deelen, de overwonnene ontving bij zonder iets anders, dan hun onheil in aanmerking te neemen. In 't kort, hij liet zich niet vervoeren door ftreelende hoope we- gens 't geluk zijner vrienden , en geen vrees over hun ongeluk kwelde zijn boezem. Zijne gelijkmoedigheid hadt de gewenschte uitwerking, en bij was door zijne- algemeene vriendelijkheid, van allen bemind. Een welleevend gedrag mag derhalven bij de Bouw-
kunde vergeïeeken worden; de overeenftemming van 't geheel behaagt ons 30 zeer, dat we de bijzondere deelen niet naauw onderzoeken. Behalven de twee gemelde bijzonderheden, is er eet?'
ftuk in de hedendaagfche verkeering, 't welk zeer ftrijdt met de waare Welketenheid. Het beftaat in het aan- merking maaken op iemands zinnelijkheid, beroep, en wijze van leeven , men heeft fchimpfcheuten om die ten toon te- fiellen,. welke als erfllijk overgaan. Ie- mand heeft zich, uit verkiezing, op deezen of geenen tak der wetenfchappen toegelegd, hij verfmaàd alle de andere, en fpreekt er van op eene hoonende wijze, hij wordt onverduldig als hij zijne geliefkoosde ftudié in 't minst beledigdagt. Welk eene onwelleevenheid is het,, en hoe algemeen nogthans heeft het plaats, dat men in. de tegenwoordigheid van Kerkelijken de Geefllijkbeid ten toone fielt, dat men zich niet ontziet in 't bijwee-- zen van Regtsgeleerden veragtlijk van de Wetten te fpreeken : Elk ziet, met den eerden opflag van-betoog., de onwelvoeglijkheid, en egter weet een ieder die geen vreemdeling is in. de verkeering met de waereld, dat deeze misflag dagelijks begaan word.. De grootfte ge- meenzaambeid kan nimmer vrijheden van deezen aart. veroorlooven ; wie ze op die rekening wil fiellen , han- delt zeer verkeerd; of hij moest dwaas genoeg weezen; om te denken, dat ongelijken, ons door vrienden aan- gedaan, minder kwaad zijn, dan die ons van vijanden, bejegenen. De waereld is een groot fcbool waar in de Menfchen.
eerst moeten leeren, en dan doen. Wanneer wij wee- ten waar in de weezenlijke Welleevenheid gelegen is,, zullen v/ij ondervinden , dat de beste wijze om ze aan ter kweeken, beftaat in ze te oefenen. Bovenal moeten' wij ten; dien einde ftijfzinnigheid en gemaaktheid ver- mijden, en omtrent allen met welken wij verkeereneen' verpligtend gedrag aanneemen, en langs deezen weg; zullen wij ras komen waar wij wenfchen ; de Welke» venheid- zal ongevoelig, en bij trappen zich tot onze. Bbb 3 g«, |
||||||
|
WEL.
ke wij behoeven of wiens dienst wij nodig zijn. De
natuurlijke begeerte om zijn Regters , zijn Meesters voorinteneemen, den diepen aandagt van eene fterk ge- troffene Ziel, welke zich bereid om de gevoelens waar mede zij doordrongen is, uit te Horten, zijn de eerfte mee- fters der konst. Het is deeze zelfde natuur, welke zomtijds eene Ie.
vendige en vuurige Welfpreekenheid voortbrengt; een geweldigen hartstocht, een dringend gevaar, wekken in een ogenblik de verbeeldingskragt op; dus rjep een Hoofdman van de eerfte Kalifen, de Turken ziende vlugten ; waar loopt gij heen? het is daar niet dat de y%\, anden zijn. Men heeft ulieden gezegt dat den Kalif ge. gefneuvelt is ! eij wat legt 'er uw aan gelegen of hij leven- dig dan dood zij? God leeft en ziet u, voort na den vijand. De Natuur maakt dan de Welfpreekenheid; en indien men gezegt heeft dat de Dichters geboorenworden, en de Redenaars door oeffening zich vormen, heeft men alleen zodanige Welfpreekenheid in 't oog gehad, die ge- noodzaakt is de wetten te beftudeeren, de bekwaam- heid der Regters in aanmerking teneemen, benevens het gebruik der fpreekmanieren van het tijdbeftek waar in die word geoeffent. De voorfchriften zijn altoos na de uitvinding van eene
wetenfchap te voorfchijn gekoomen. Tisias was de eerfte die de wetten der Welfpreekenheid, waar van ds Natuur de eerfte regels voorfchrijft.bij een verzamelde, Plato zegt vervolgens in zijnen Georgias, dat een Re. denaar de vlugheid der Dialectici, de kundigheid der Wijs- geeren, genoegzaam den uitfpraak der Dichters, de ftem benevens de gebaarden der Toneelfpeelers, moet bezitten. ■ Aristoteles deed vervolgens zien,dat de waare Wijs-
geerte den geheimen leidsman der Geest in alle die We- tenfchappen is. Hij puttede de bronnen der Welfpreken- heid in zijn boek de Rhetorica; hij toonde aan dat de Dialectica de grond der wetenfchap is om te overtuigen, en dat Welfpreekende te zijn, is weeten te bewijzen. Hij verdeelde ze in drie Geflagten, het Overweegends,
het Betoogende en het Oordeelkundige. Het overwet- gonde behelst, om die geene welke tot de raadpleegingen zijn voorbefchikt, te vermaanen, om partij tekiezenten aanzien van oorlog of vrede, de algemeene beftiering, enz. ; in het letoogende, om te doen zien wat prijzens of lakenswaardig is ; in het oordeelkundige, om te oVertui- gen, vrij te fpreeken of te veroordeelen, enz. Men vermerkt ligtelijk, dat deeze drie geflagten dikwilsd'ee- ne onder d' andere vermengt worden. Vervolgens handelt hij van de hartstochten en zeden,
die een Redenaar moet kennen. Hij onderzoekt, welke bewijzen men in die drie ge-
flagten van Welfpreekenheid moet gebruiken. Eindelijk geeft hij een zeer grondige verhandeling, over de uit- fpraak, zonder welke alles kwijnt; hij prijst de léen- fpreuken aan, mits die te regte of wel en op zijn pas gebruikt worden , inzonderheid eifcht hij dat de wel- voeglijkheid en betaamlijkheid in agt genoomen worde. Alle deeze voorfchriften ademende verlichte naauwkeu- righeid van eenen Wijsgeer en debefchaaftheid van eenen Athenienfer; en met regels om Welfpreekend te zijn voor te fchrijven, is hij izelve Welfpreekende met een- voudigheid. Men dient aantemerken, dat Griekenland als doen het
eenigfte landfchap van den Aardbodem was, alwaar de wetten der IVelfpreefanlieid bekend waaren, om dat het ook
|
||||||
|
414* WEL.
geringfte daaden uitftrekken, en eene zagtheid over al
ons doen verfpreiden. Boven al moogen wij de ver- keering met de fchoone Sexe aanprijzen; aan deeze zijn wij de beminnelijkfte trekken, die wij ons eigen kunnen maaken, verfchuldigd ; de Ouden hebben dit aangeduid door de Deugden en Bevalligheden in vrouw- lijke gedaanten af te maaien. Mannen van fmaak , gevoeleneene natuurlijke neiging
om aan de Vrouwen te behaagen met wellten zij ver. keeren, en koomen dus eer zij 't weeten tot de kunst Om het waarlijk te doen ; en gelijk eene hebbelijke gefteldheid hier van anderen 't meest voldoet, zo zal deeze ook aan ons zelven het hoogfte genoegen fchen- ken. WELRUIKEND. Dusdaanignoemt menai dat geene
't welk een aangenaame geur van zich geeft, zoo als bij Voorbeeld onder de Bloemen, de Roofen, Violieren, An- jelieren, enz. Ook verdienen veelerleij Specerijen dee- zen naam; dan Muscus en meer andere fterkruikende din- gen van dienaart, kunnen met geen regt weiruikende gs- noemd worden, dewijl die aan veeleMenfchen in plaats van eene aangenaame gewaarwording, walging en dui- zeling veroorzaaken. WELRU1KENDE-WATERBIESEN, zieOENAN-
THE. WELRUIKEND GENEESMIDDEL, zie ODON.
TOPHYCA. WELRUIKEND-LISCH, zie CALMUS. WELRUIKEND-MOLIJ, zie MOLIJ ». ó". p. 2173. WELRUIKEND OJEVAARS-BEK , zie OJE- VAARS-BEK ». 3. pag. 2326. WELRUIKEND.OROBANCHE , zie OROBAN-
CHE ». il pag. 248r. WELRUIKEND.STROOIPOEDER, zie DIAS-
PASMA. WELSPREEKENHEID, in bet latijn Eloquentia, is
de konst om aandoening te verwekken en te overtuigen. Daarom beltaat dezelve in niet anders dan in fterke en na- tuurlijke afbeeldingen, aandoenlijke gevoelens, treffen- de redeneeringen, leevendige uitdrukkingen, en vuuri- ge trekken ; die zij om zoo te fpreekenaan de Zielen van haare Toehoorders mededeelt. De Welfpreekenheid was'er, voor dat de regels der Ar-
terie« gebooren waaren , eveneens als de fpraakengevormt geweest zijn, voor dat men van Grammatica wist. De Natuur maakt de Menfchen in zaaken waarin zij veel be- lang hebben, als mede in hevige hartstochten, Welfpreekend. Een ieder die fterk aangedaan is, befchouwt de dingen in een verfchillend oogpunt met andere menfchen. Alles is ten aanzien van hem een voorwerp van fnelle vergelijking en overdragt ; zonder dat hij zulks ontwaar word , bezielt hij alles, en doeteengedeelte vanzijn vervaertheid, tot zijn hoorders overgaan. Een verftandig Wijsgeer heeft opgemerkt, dat het gemeene Volk zelven, zich door ver» bloemde fpreekwijzen uitdrukt; dat niets gemeener, nog- natuurlijker is, dan 't geen men léenfpreuken (tropes) noemt. Diensvolgens zullen in allerlei) fpraaken het hart branden, de dapperheid ontdoken worden , de oogen flon- keren, den geest neerflagtig worden enden moed laaten zinken ; hij verdeelt zich, hij put zich uit, het bloed ftolt in xijne aderen; men is opgeblazen van hoogmoed, dronken van -wraakzugt. De Natuur fchildert zich over al in die fterke afbeeldingen, welke gemeen zijn geworden. Zij is het waar van het inftinct. leeraart om een zedig
weezen en zagten toon te gebruiken, bij die geene wel« *»S .il !'i ■ 'i
|
||||||
|
WEL. WEN. WER,
|
|||||||
|
mige gelegenheden zo derk, dat dezelve op de veree-
nigde Goddelijke en menfcbelijke wetten de overhand krijgt, als bij voorbeeld, in tweegevegten, enz. Hoe ongelukkig moet het Menfchdom niet blijven,
zo lang als gewoonte de natuur der zaakenzodaaniglian veranderen, dat een man als befpottelijk word, om dat hij niet doen wil 't geen in zich zelfs laag en oneer- lijk is. Dus werd de geen die eene geleegentbeid ver» waarloost om de Vrouw of Sustervan zijnen Vriend te onteeren , voor een lompen Knevel, een Man die niet ga- lant is, gehouden. Dus word een Man die het gebod van den Heiland opvolgende, eene ontvangene beledi- ging zonder wraakoeffening vergeeft, voor een blood- aard geicbolden, aan wien het aan moed mangelt om zijn eveninenfch den hals te breeken. Konde die Welvoeglijkheid welke Tullius onafschei-
delijk verknogt, aan het geene hij eerlijk (honestum} noemt, eens als de toetdeen worden bepaald om de waare roem te beproeven , zoo zouden wij geen Vlei jers , een Man van middelen, langer over zijne fne- dige wijze van bedriegen , hooren prijzen. Listige loopjes en verkeerde gebruiken der Regtsge«
leerden, zouden niet meer voor vernuftige en fraaije vindingen gehouden worden. De Christelijke Geeste- lijkheid zoude geen anderen eerbied begeeren, dan diç zij door het beoeffenen van een Godzaligen wandel met billijkheid zouden eisfehen. In een woord, een deugd- zaam Man al was hij arm, zoude geagt worden, en ia tegendeel zoude een Rijkaart dien het aan deugd man- gelde, al was hij van de hoogde geboorte, veragt worden. Geen Jongeling zoude zich langer door zijne brood»
dronkenheid laaten bedieren, nog zijn tijd en gezond« heid aan ontucht en andere ongebondenheden verfpil- len, indien door vastgedelde wetten een zoodaanigea voor eerloos wierde gehouden. Als men maar zoo verre kan koomen, om onpartij-
dig , zijn eigen daaden en handelingen te beoordeelen , zal men vrij verdraagzaam en medegaande ten aanzien van, zijn Evenmenfch worden, ook door een aaneengefcha- kelde reeks van goede dienden aan de betrekking be- antwoorden, die den een op den anderen heeft. Indien de rijkde en verdandigde Menfchen hunne
eigen verdiensten aandagtig wilden gadeflaan , zouden' zij fchielijk gewaar worden , dat hun pracht niet anders- is dan ijdelheid, en hun wijsheid weinig meer als dwaas- heid is, ja zij zouden geen grond meer vinden, voor hunne ongefchikthet'd en duursheid. Alle de wijsheid' van een man hangt alleen af van de onkunde van zijn-: Naasten, want in vergelijkidg van de oneindige Wijs- heid , is het niet meer als een droppel water tegen de grondelooze Oceaan. WENDELTRÄP, zie COCHLEA.
WENKBRAAUWEN in 't latijnSupereilim,zijn ge-
plaatst aan 't einde der daar boven de Oogen, op beide zijden; deeze verbeelden wegens derzelvèr harde huid twee opgeworpe en als van nedergedrukte haairen ruw gemaakte boogen, zijnde daar toe diendig, datzij niet alleen her aangezigt verderen, maar ook om het van 't hoofd en de dar afvloeijende zweet op te vangen op; dat het zich niet in de oogen zette en a'an dezelve las- tig zij. Dezelve zijn ook van een bijzonderen Spier voor- zien die denaam van Wenkbraauw-fronfelaar (fuperclio* rum corrugator) draagt, en een gedeelte van de Vooï-- hoofds-Spter uitmaakt. WER.EGILD, Wergilda?andei$Wergeldum, WergeM-
Deeze
|
|||||||
|
ook 'teenigfte was, alwaar de waare Welfp reekenheid wierd
gevonden. " WELVOEGLIJKHEID is volgens Tullius , eene ze-
Jcere bevalligheid , waar mede wij onze woordenen daa- den ter regter tijd weeten te bellieren, en bevat in zich eene groote maate van de volkomenheid der reden en heusheid. Salomo zegt: alles heeft eenen beflemdentijd; jn welke woorden hij eene volkomene befchrijving van deezen pligt fchijnt gegeeven te hebben. Men heeft reeds zsdert verfcheidene eeuwen opge«
merkt, dat de mee fie Menfchen eerlijk zijn in haaren jeugd; orçze aanwasfende kennis der wereld , leert ons vein- zen en listig zijn. Hier van daan vreeze ik, dat 'ermaar weinige voorbeelden gevonden worden, van dandvas- tige eerlijkheid in een oud iVan, . Deezeopmerking fchijnt even billijk te zijn,dat namelijk
het zedig gedeelte van het Menfchdom, voornamelijk be- ftaat in zulke die tot een mfddelbaaren ouderdom gevor- dert zijn. Van den tijd dat wij onze kindsheid afgelegt hebben, beginnen wij onze eigene zwakheid en onvol- maaktheid te zien, en daar door krijgen wij zulk een mistrouwen van ons zelfs, als nodig is, om ons voor het verwijt van trotsheid en zelfsbedrog te bevrijden; dog als wij ouder worden, verbeelden wij ons dat het menfchdom den ouderdom ondervindelijk wijs fchat, en dit denkbeeld maakt ons dikwilshardnekkigen waanwijs. , Indien Vrouwen, en Kinderen haliierrig zijn, zoo zijn zij zulk meestentijds uit onweetenheid; dan oude Mannen hoofdzaaklijk uit hoogmoed. Het is van we- gens de verborgene eerbied, daar de oude Mannen toe geregtigd meenen te zijn , dat zij zich verbeelden vrij- heid te hebben, om de fpoorelooste wanvoeglijkheden te bedrijven, en het geen hun nog al onverdraaglijker maakt, is, dat zij nimmer eenige infchikkelijkheid oef- fenen voor de buitenfpoorigheden der jonkheid en vro- lijkheid der jeugd. Een oude Knaap , verbeeld zich dat zijn jaaren aan
al het geen hij zegt en doet, kragt en waardigheid bij- i zet.. Hij zit in zijn armftoel met een kloekzinnige pijp in de mond, op de defn'gfte wijze navraag doen. de, omtrent een andermans zaaken, geeft zijn toeftem- ming met ftatigheid, of werpt u overhoop met een maar als men een bewijsrede verwagt. Indien de menfch al- tijd goed en deugdzaam was, hoe heerlijk zoude de verfchijning der grijze haairen zijn. Het was onmogelijk van de achting en eerbied die
men aan den ouderdom vevfchuldigd is af te wijken, indien dezelve met een goedaartige engenegenegefteld- heid verzelt ging. Ik wenfchte wel dat de jonge Man- nen dit voorbeeld der Egijptenaaren en Lacedemoniers navolgden, die op de aannadering van een oud Man, eerbiedigheidshalven van hunne zitplaatzen opreezen; Waar dat in tegendeel ook de Ouden hunne Jongeren , met minzaamheid en zagtmoedigheid behandelden. Hun- ne onderrechtingen, behoorden altoos met redenen be- kleed te zijn, en hunne geboden met liefde gepaart te gaan. Indien vrede of gehoorzaamheid bet gelijkvor- m'g gevolg was, van een zagtmbedige of drenge Re- geering, zoude het eerde de voorkeur hebben, om dat uaar door het zelfde einde met minder ongemak bereikt Wordt, en diensvolgens meer overeenkomftig is met de *eden. ,In Perzoonen van aanzien ïs na de Godsdiend, (ten
fünften deczs diende vooraftegaau), de eer, het kragtig- tt* beginzel hunner daaden. Ja deïoemzugt,, is in zom> |
|||||||
|
%H6 WER.
Deeze woorden betekenden de boete, welke men ten
tijde van Alfried bij de singel-Saxen vooreen Manflag die zonder opzet ofbij toeval was gepleegt.geeven moest. Den Koning had 'er de derde part van, 't welk men/m/;- hete noemde, om hem voor de gepleegde disorder en het verlies van een Onderdaan fchadeloos teftellen. De Heer had om dezelfde reden ook een derde, en die por- tie droeg den naam van man-hott; het geflagt van de ge» fneuvelde kreeg de laatste derde portie, die men mag» ■hot e of cengild noemde. Indien den daaderhier niet aan voldeed, was zijn leeven in handen van denaastbeftaan- de der gefneuveïde, die ingevolge de wet van Moses den Bloedwreeker was. Maar gelijkervrïjs de naastbeflaan- den in een diergelijk geval voor hun verlies wierden fcha- deloos gefield, waaren zij ook verpligt, voor die geenen te betaalen die hun in het bloed beftonden. Wanneer iemand-een doodflag begaan hebbende, niet in (laat was het Weregild te betaalen, en, zich door de vingt zoek maakte, waaren zijne Naastbeflaanden, en in zommige gevallen zijne Buuren zelfs, verpligt, om aan zijn gezin of aan de Naastbeflaanden vanden Overledenen, dan eens een derde, ook wel de helft van (jetWeregild te betaa- len. Zie hier het voornaamflevan 't geen den geleerden H. Spelman in zijn Glosfarium Archaiologicum. Land. 1687, f°l- ten aanzien van het woord TVeregild heeft aangetekend. Dicitur etiam Wergildus vin compenfatio , ejus qui interfeüus efl; nam pene etiam vil fignifical, ut in eo verbo liqueat & reBe igitur in Concil. Cabilon. 2. tCop. 24. homicidii precium appellatur in Conc. Tribur. Cap. 5. Burcka. lib. 6. cap. 21. interfe&i compofitio. Germani veteres & aquilonares gentes, qui jugum pa-
fiter £ leges omni Europa impofuere, gravisfima delitla ipfaque homicidia pecuniis commutabant; id Tacitus re- fert de Germanis, quod dicluri ftatim ftimus, & hoc idem vigorem obtinuisfe apui Cijmbros £f Danos usque ad -CfiRisTrANUM teitium, hoc efl annum circiter Dornt' ni......Grantzius mihi Author efllib.pri. (/«bello
Ditbmarf. pag. 132. Uno enim infxlici ca/u duos de me-
dio tolli non ferebant. Sed publicis itaqne calculis emnes hominum dasjes flimat funt, a Rege {ut in Wera ai- Ximus) , ad vernum inclufivé ; peremptique pretium toti ejus families, ab interfeüore reddebatur, vel hislicuit in pu- llicam vindiBam asfurgere, capitalesque inimicitias ; quod faidam vocant, in reum profiteri. Hinc in legg. Edwar- di Confesforis. Cap. 12. Parentibus occifi fiat emenda- tie; vel guerra eorum portetur. Vnde anglice prover. bium habetur Bifge rpene oppige, oppen ba3ne7; id efl, Enie lanceam a latere aut fer. .....
Wergildi inßüutio ex lege Mofaicâ videtur fumpfisfe
triginem. Exod. 21. 29. £f 30, ubi £Pcompofitionispretium a confanguineis imponendum efl. V. Not. Genenf. £? Huo. Card. WERE-LADA. Dit woord betekende bij de Angel.
Saxen den eed, waar door iemand zich van eenebefchul- diging van doodflag zuiverde, om daar door bevrijd te zijn van de opgelegde geldboete, als eene draf voor de gepleegde misdaad, en welke boete men We re noemde. Wanneer iemand een ander gedood had, was hij verpligt aan den Koning en Naastbeflaanden van den omgebrag- ten, de fomtebetaalen waaropdegefneuveldewierdtge- fchat, en die min of meerder was na maate van de eer en aanzien daar de Overledene in had gefhan. Want in den tijd dat de Saxers het bewind in handen hadden , wierd den Manflag niet met den dood geflraft, maar enkel met ;eenegeldboete. De Saxers hadden dit gebruik, vm |
||||||
|
WER,
de oude Germaanen en Franken overgenomen, bij wie»
men 14 ponden voor eenen doodflag betaalde ; te weeten 3 ponden voorhetregt van den Koning, bannumdominieunt of f reduin genoemd, van hetDuitfche/rfrf, 't welk brood of verfoening betekend, en 11 ponden voor vergoeding van de doodflag. Deeze laatfle Som welke aan de naa- fle Bloedvriend wierd betaald, droeg de naam van Wer. gelta,, zamengeflelt uit twee duitfche woorden, geit, ett weren, zich verdedigen. é Maar ingeval de zaak twijffèlagtig was, en dat debe-
fchuldigde het ontkende, ftond hij onder verplichting om zich door den eed van verfcheiden perzonen, het getal na maate van de eer en aanzien der Overledene geregelt, daar van te zuiveren. Indien de boete op enkel vier ponden bepaalt was, was hij verpligt om agttienperzoo- nen aan de kant van zijn Vader, en vier van de kant zijner Moeder te hebben om met hem te z weeren, en men noem- de deezeperzoonen, jfuratores ofConjuratores. Maarin- dien de boete tot 14 ponden beliep, als dan moestmen zestig getuigen of Zweerders hebben, en dat was't geen men noemde, Werelada homicidium : Veraßlvatur aut IVa- relada negetur. Were-Lada ; Purgatio- Wera;, hoc efl, (zegt .de Heer H.
Spelmak Glojjar.p. 570). Qui débita fe juris f'onna pur- gaveritd (forisfaBione quam vocant id efl) mulcia were fmi. Legg. Hen. 1. cap. 13. Qui ei confentiet inaliquo homici- dio Wetafolvaturvel Wetm-laàanegetur. Hoc alias 30 Con- juraloribusfactum efi: ÉfLl. H. i.cap. 29. Bello. Viit purgandi modum ib. 75. II. Can. MS. cap. 36.
quis ministrum altaris occidat, utlaga fi erga Deiim £
Homines &c. Et erga Parentes ejus emendot, vel Wc- relada fe adlegiet Éfc. WERELD, in het latijn Mundus. Het woord Wereld
wordt in verfcheidene betekenisfen gebruikt. Somtijds verflaat men 'er de algemeenheid der wezens door, waar uit het gefchaapene Heel»al is zamengefteld, en waar van de flaat en overeenkomflen het onderwerp der Cef- mographie uitmaaken. Somtijds betekend het, maar een- voudig den Aardkloot die wij bewoonen, en waar van het onderwerp tot de Geographie en Historikunde be- behoort; het is in deezen zin dat men zegt, rond/om ds Wereld te reizen. Ook word dit woord gebruikt, om en- kel de Menfchen bewooners van onzen geheelen Aard- kloot mede te betekenen; hierop doelende, zegt men, de geheele Wereld denkt op dezelfde wijze; de gantfihe Wereld 'kent hem, enz. Deeze uitdrukking in de laatfle zin genoo- men , ont vangt nog verfcheidene betekenisfen, gefchoeit naar de wijze dat men dezelve gebruikt, of wel naarde woorden welke men er bijvoegt. In de wereld treeden, betekend in groote gezelfchappen te verfchijnen, zich in 't openbaar te vertoonen. De wereld vlieden, is af« gezondert te leeven. De groote wereld, betekend Men- fchen van een verheven rang en aanzien. Ook word dit woord zomtijds bij verkorting gebruikt, om de _be* fchaafdheid te betekenen ten aanzien van de levenswijze in degroote wereld. Menzegt, een Man van de Wereld, een Menfch die zijn Wereld wel verflaat, enz. De Wereld voor het gefchapene Heel-al genoomeii,
'heeft van oudsher tot een voorwerp der onderzoekingen van de Wijsgeeren verflrekt; zij hebben deszelfs oor« fprong, uitgeflrektheid, gedaante en duurzaamheid v/il- len navorfchen. Alle zodaanige Volkeren daar de we- tenfehappen hebben gebloeit, zijn eenpaarigvangevoe- len geweest.dat het Heel-al als het voortbrengzel van een Almagtig Wezen moest worden befchouwd, die het zelve |
||||||
|
WER.
heeft doen beftaan zodaanig het is, en het ook onderhoudt.
Genoegzaam alle de Wijsgeeren hebben daar omtrent het zelfdegedagc, met dat onderfcbeidegter, datzommi- gen àaneènewezentlijkefehepping gelooft hebben; ter. wijl anderen, de ftoffe als eeuwig befchouwende, gedagt hebben.dat het werk van de eerde oorzaak enkel be- ftaan heeft, in defchikking of in ordebrenging van die ftoffe, welke te vooren niet anders dan een verwarde klomp uitmaakte, onder de naam van Chaos bekend. Zonder dat de Chaldêers iets bevestigd hebben over den oorfprong van de Wereld,bebbenzij echter gedagt dateene Godheid het HeeLal in die orde gefchikt had , waar in het zich thans bevind en onderhouden word. De Perfia- nen befchouwden de Wereld ook als een voortbrengzel van hunnen God Mithras, die naar alle waaifchijn- lijkheid, dezelfde is als het Vuur, welke zij als den oorfprong van alle werking en alle voortbrenging, aan- baden; twee zaak en waaren het onderwerp van zijne werking, het verftand en de ftoffe. Den eerften de bron van alles goeds, en geene die van allekwaad; enwaarfchij- selijk was hunnen God Oromazes, die bet goede be- ginzelis, en Arj menés die voor het-kwaad beginzel wierd gehouden, in den beginne niets anders dan, eene ver. bloeming, om de tegenfteldheid aan teduiden, welke de Stoïcijnen beweerd hebben zonderafbeeldzel (/jg-ura) tusfehen het Verftand en de Stoffe plaats te vinden ; ten zy men door Oromazes, het licht of de kennisfe der waar. beidwil verftaan , zonder dewelke niets goed is; endoor Ahimanes, de duisternisfen, de on weetenheid of dwaa- ling , zijnde de bronnen van alle wanorder. De Indiaancn zi;n ook van gevoelen geweest, dat de
Wereld haare beftaanbaarheid aan eenen God was ver- fchuldigt, die alles gefchaapen ende gemaakt heeft, en alle zijne werken onderhoud. De Arabieren voeddeden dezelfde denkbeelden; maar de zodaanigen onder hun, welke men Sabeörs noemde, fchijnen gelooft te heb- ben, dat de Starren, Goden waaren; een ieder derzel- ven had het zijne tot de voortbrenging der Wereld toego» bragt, en droeg (leeds nog zorg voor derzelver benoude« {Dis en verandering van ftaat.
De Pheniciers geloofden ook, dat de Wereld, ten minden wat derzelver tegenswoordige gedaante be- tteft, een begin heeft genoomen;maar het fchijnt dat zij die formeering aan betgevaltoefchrijven, eveneens om. trent als het vuur uit zékere vermengingen van verfchil. lende ftoffen, die zich eenmaalen op eene bepaalde wijze yereenigt hebbende, inbrand vliegen; op dezelfde wijze is volgens hun, de Geest het voortbrengzel van de ver- lenging en gesting der verwarde ftoffen weikeden Chaos uitmaakten. 'Het zoude nogthans kunnen zijn, dat men nun denkbeeld niet wél heeft begreepen, en dat hun ge- voelen is geweest, als dat een verflandigen Goo de be. Weeging aan den Chaos of verwarden 'klomp heeft gegee- ven, en er de gesting of fermentât ie, van heeft te we- ?e gebragten beftierd; zie Grotius, welke eenenaau- *ïe overeenkomst tusfehen het gevoelen der Pheniciers °ver de Wereld wording, en't geen Moses 'er inCeneßs van verhaalt, denkt te vinden; raadpleegt insgelijks den Geleerden Cudworth, Sijfl.intelleïï. Cap. r.f. 22- Men heeft veelvuldige redenen om te denken, dat de
°ude Egijptenaaren aan eenen opperden Godheid als den porfprong van al net gefchaapene gelooft hebben ; maar ln t vervolg wierd dit denkbeeld by hun uitgewifcht, zij Waaren wel van gedagten dat 'er eenOpperfteGodwas, maardattfie enkel uit eenen Geest beftondin het Heel-al VII Deel, |
|||||||||
|
WEK..
|
|||||||||
|
4147
|
|||||||||
|
verfpreid, welke er alle de deelen van bezielde, die er niet
van konde afgefcheiden worden, en die gevolgelijk ge* lijk-eeuwig met de ftoffe der Wereld, dat zijn lighaam uit- maakte, beftond. Het is eene zeer bezwaarlijke onder- neeming , om te midden der duisterheden en leenfpreuken waar mede de Egijptifche Priesters hun fijstema heb- ben bewimpelt, eenig ftellig leerftuk dat voldoenende is mede te deeJen ; nogthans koomt alles daar op uit, om ons te doen denken, dat de Egijptenaaren gelooft hebben , als dat deeze tegenwoordige Wereld eenen Oorfprong had, ten minsten wat derzelver gedaante betreft, dewijl zij oorfprongelijk voortkwam uit de vereeniging van Osiris met Is is ; eene vereeniging weike afgebeeld word als in den tijd zijnde gebeurt, na dat'er reeds tevooren-an- dere tijden verloopen waaren. De Westerfche Volkeren fchijnen alle zonder uitzon-
dering , van gedagten te zijn geweest, dat de Wereld haare vorming aan eenen uitwendigen oorfprong was verfchul- digt, en dat eene opperde Wijsheid, die eerderbeftaan had dan al het geene dat aan ons bekendis, de Wereld zoodaanig heeft bepaalt, om te zijn het geene zij is. De oude Etrufci, insgelijks de Latijnen, befchouwden het Heel-al, als het voortbrengzel vaneenen Goddelijkenen eeuwigen Almagt. Suidas van den Toskaners fpree- kende, zegt, dat die Volkeren geloofden, als dat een ver» ftandig Schepper alles gemaakt had, en twaalf-duizend jaaren bezig was geweest, om de Wereld voort te brengen. De alleroudfte Griekfche Wijsgeeren zijn het in datftuk met de Volkeren waar van wij gefprooken hebben, volko- men eens; zij hebben gelooft en ook onderweezen , dat de Wereld eenen oorfprong had, en dat eenen God , Schepper van alle dingen , van wien alles af hangt die heeft gevormt en in ordre gefchikt, ook alles zodanig onderhoud en beftierd, als wij zien dat gefchied. Zoda- nig is deleerftellingvan Orpheus, Museus, Eumolpus, Thamijris., Amphion, en meer oude Wijsgeeren e» Dichters. Hoedaanige duisterheden 'er in 't vervolg door de toeneeroende -fmaak voor de dichtkundigeallegorien of leenfpreuken, over degefchiedenis der Werelds-oorfprong ook mogen verfpreid zijn , word men 'er nogthans altoos het grondftellig leerftuk in ontwaar: het geen onderwijst; dat eenen God de Schepper der Wereld is, dat die God op eene verwarde ftoffe, opeenCÄaoj-, door zijn zelvea tot alles onbekwaam, werkende, deeze Wereld een voort« brengzel van zijne Wijsheid, heeft doen voortkoomen. De Griekfche Wijsgeeren, welke op die Dichters volg- den , verklaarden op eene duidelijker wijze die leenfpreu- ken; en ïhales onderwees zelfs met de onbewimpelde klaarheid, het leerftuk van den oorfprong der Wereld als door een volmaakt en Almagtig wezen voortgebragt, die op eene eerde Stoffe werkende, diebijdagthetwa. ter te zijn, er de Wereld uit voortbragt, welke het fchoonfte aller voortbrengzels is, als zijnde door God zelven gewrogt. Tot dus verre waaren de Wijsgeeren als ook de God.
geleerden gevorden; dan vervolgens fchijnt het, dat zij de vooroordeelen van het volk die geenzints met hunne Wijsgeerteftrookte, eerbied toedraagende, of vree- zende debijgeloovigheid te beledigen welke van de Pries» ters ten fterksten wierde gehandhaaft en befchermt, zoo vermijddeden de meeste Wijsgeeren om in andere uitdruk- kingen als het Volk gewoon was, van God te fpreek-en , en over den oorfprong van de Wereld in geen an-der oogpunt als dat van Natuurkundigen te handelen; hier van koomthet, dat zommigen dier lieden vandeoerfprong-der Ccc «dia- |
|||||||||
|
WER.
hebben gedagt, dat het gantfche Heel-al geen begin
van beftaanbaarheid heeft gehad, voor den tijd derScben. pinge waar van Moses fpreekt. De befiisfing van dit gefchilis van verbaast weinig belang; het kan waar zijn dat Moses van niets anders dan van den Aardkloot fpreekt die wij bewoonen, en van het Menfchelijke geflaet waar toe wij behooren , ook blijkt het niet onduis. ter, dat hij ons in zijn verhaal van de Scheppinge, ge.' noegzaam niets anders heeft willen mededeelen,'dat- wel voornamentlijk, datgeene, het welk de natuurlijke gefchiedenis van het Menfcbdom betreft. Wat de Stoffe aangaat, waar uit het Heel-al beftaat
zoo kondigt de openbaaring derzelver eerde oorfprong' nog haare eeuwige beftaanbaarheid niet duidelijk aan, en' Iaat dus aan de Wijsgeerte de zorge van het onderzoek bevooien, of die Stoffe van eeuwigheid is geweest,dan wel of die uit niets is gefchaapen.en in der tijd voort« gebragc. Veelvuldige redenen zijn er, welke bij malkanderen
gevoegt, een klaarblijkelijk bewijs uitleveren, tegensta gevoelen, van de noodzaakelijke beftaanbaarheid der Stoffe-ja zodanig^dat men handtastelijk de onwaarheid van die veronderstelling kan gevoelen.' Zij fleept ge. volgen naar zich , die eene wezendlijke ongerijmtheidbe- helzen ; van dien aart is de volftrekte onafhankelijkheid en onveranderlijkheid der doffe; in plaats dat mende fchepping of voortbrenging uit niets ftellende, geen andere zwarigheid ontmoet, als die enkel aandeonmogelijkheijd moet worden toegefchreeven daar wij ons in bevinden, om 'er het waarom zulks gefchied zij, van te kunnen ver- ldaaren. Dat de Schepping of voortbrenging uit niets, voorons
beperkt verdand zich als eene werking opdoet, daar zij zich geen denkbeeld van kan vormen, dem ik gereedelijk toe; maar het gaat teffens zeker, dat niemand inftaans om de onmooglijkheid daar van, met gezonde reden , tebe* toogen. Want indien de ftoffe door haar zelven eeu- wig , en gevolglijk niet door de werking van een uitwen- dige oorzaak buiten haar, beftaat, zoo beftaat zij door haar zelfs, en hangt dus van geen Wezen hoe ook genaamt af; geene oorzaak kan als dan haare eigenfehappen verande- ren, nog haar aan derzelver werking onderwerpen; haar niet doen beweegen indien zij in rust is, of haar tot rust brengen, indien zij zich beweegt; want indien zij in rust of in beweeging is, op eene onafhanklijke wijze van de wer. king van eenig uitwendig Wezen, zo is zij noodwendig zodaanig, inde eenöfd'anderevandietoeftanden, en zulte is het noodwendige gevolg van haare noodzaaklijke we- zendheid,-ook is geen Wezen als dan in ftaat, om dis wezendheid in een Wezen dat onafhanglijk en noodzaa* keiijk is, te veranderen ,- maar nog de beweeging, nog de rust, zijn geen weze.itlijke vereifebtens aan die ftoffs eigenaartig, zij gaat van de eene tot de andere over, zij is onverfchillig zo wel ten aanzien van de een als van d'ander ; zij gaat van de eene tot de andere niet over, als door middel der werking van een Wezen dat bui- ten haar is, waar aan zij gedrongen is toe te geven; en dit verftrekt tot een volledig bewijs , dat zij afbanglijk is. zondereigenaartige werkzaamheid voorzien, en volRteM lijdelijk. Misfcbien zullen deeze overweegingen niet voldoende fchijnen, om te bewijzen dat de ftoffe niet van eeuwigheid beftaat, maar in der tijd gefebaapen is; egtj* is dit even wel zeker, dat zij volkoomen de af hanglfjkbeia, en onwerkzaamheid der ftoffe , benevens derzelver eigen* fchap om valftrekt lijdelijk te zijn, bewijst, hetgeen ob- |
||||||
|
41*8 WER.
dingen fpreekende, geen gewag van eenen God als Schep;
per aller dingen gemaakt hebben, en om die reden ook zeer gulhartig, van veelen, voor Atheisten of Godlocbe- naars zijngefcholden. SocRATEsdiedeMenfchliev-enbeidmeerder betrachtte-
de, dan eene uiterlijke praal van wetenfchap tevertoonen, en zich minder ophield met de natuur te verklaaren,a!s wel de Menfchen dat geene te onderwijzen, 'tgeen zij tot hun geluk en welzijn nodig waaren teweeten; verzamelde alle de denkbeelden welke de oude Wijsgeerenover de God- heid gevoed haddden; hijfprak van dien God als van den Schepper aller dingen, en van de geheele Wereld als van het voortbrengzel zijner almagt. Plato die een leerling vanSocRATES was, prentte in deezen opzichte de voet- flappen van zijnen Meester. Ook Aristoteles leeraar- de , dat de Wereld aan God haaren oorfprong was verfchul- digt, doch teffens niet kunnende bevatten datdê Godheid immer werkzaam waregeweest, onderwees hij, dat de We- reld van eeuwigheid het werk van God was, eveneens als de ftraalen der Sonnedoor dat Hemel-licbt van 't ogenblik af dat het beftaat, zijn voortgebragt; of wel als de prent van een voet op het fand eeuwiglijk doordie voet zal voortge- gebragt zijn, indien die voet van eeuwigheid op het fand heeft blijven drukken De Stoïcijnen leeraarden ook, dat God deeze We~
reld heeft voortgebragt, mee de ftoffezoo volmaaktelijk bij een te voegen , als zij er toe in ftaat was. De EprcuRisTEN hebben aan de Oorfprong van de
Wereld geloof geflagen, maar zij fchrijven deezen oor- fprong enkel aan 't geval toe , en aan de toevallige zaa- menvloeijing der Stofdeeltjes (Jtomi). De beroemd- ftehedendaagfche Wijsgeeren.zijn het volkomen met de doorlucbtigfte Wijzen van de Oudheid eens, van over- tuigt te zijn, dat de Wereld gefchaapen is,* dan de He- dendaagfehen door het licht der Openbaaring beftierd,heb- ben op eene ftel liger wijze de Schepping der Wereld in den tijd, kunnen leeraaren. Zij ftemmen alle hier in een- paarig overeen, dat de Wereld ëen toevallig wezen is, waar van geene der gedeeltens in haar zelven de reden van haare beftaanbaarheid kan bevatten , dus geene der- zelven in bet afgetrokken noodzaaklijk wezende, zoo zijn zij zulks zamengenomen zijnde ook niet. Hetgantfehege- fchapene, de geheele Wereld, het Heel-al, formeerenof maaken een toevallig wezen uit, wiens oorfprong nood- wendig aan eene uitwendige oorzaak dat van het Heel- al onderfcheiden ife, moet toegefchreeveh worden ; in een woord, aan een wijs en almagtig Opperwezen, welk de oorfprong is van alle de beftaanbaare volmaakt- heden inde Wereld. De meesten zijn het nogthans niet eens, ten aanzien van den cijd dat de Wereld zoude ge- fchapen zijn. Eenigen, diezich niet kunnen verbeelden dat God die een werkend Wezen is, eenegantfeheeeuwig- heid ziaude doorgebragt hebben, zonder zijne volmaakt- lieden op eenige Wezens buiten hem tewerk te dellen ,* zijn van gedagten,dat Godvan eeuwigheid af Wezens heeft gefchapen, die tot voorwerpen der oeffeningen zijner vol- maaktheden hebben verftrekt. Zij befebouwen degefchie» denis der Schepping zodaanig Moses die verhaalt, als enkel de gefchiedenis der oorfprong van deezen Aard- bol, benevens die der Menfchen welke dezelvebewoo» uen, en denken, dat God naar maate hij zulks goedvond» verfèbeidene Wezens in zoorten en hoedanigheid ver- fchillende, de een na den ander tot beftaanbaarheid heeft gebragt, en zulks ingevolge de algemeene orde der din- gen, waar vas hij den eoxljprong is. araderen hebben |
||||||
|
WER.
|
|||||||||||
|
WER. WES.
|
|||||||||||
|
4*49
|
|||||||||||
|
wederfpreekelijk voldoenendeis, om devolftrekterjood«
zaaklijkheid te betoogen , van een eerften met oordeel en verftand begaafden Beweeger, welke de ftofFe waar uit deeze Wereld bèftaat, zodaanig heeft gevormd dat zij in ftaat was, om de fchikking waar in haare deelen zijn, te ontvangen en te bewaaren,- en welke fchikking die door haarzelven toevallig en niet noodzaaklijk is, haar rede moet hebben in een verftandig Wezen, van de ftoffe on- ierfcheiden ; fchikking die derhalve eenen oorfprong heeft gehad. WERELD-WIJSHEID, zie PHILOSOPHIE.
WERK-BIJEN, zie HONING-BIJEN.
WERKELOOSHEID, zie LEDIGHEID-
WERKHUIS, zie OFFICINA.
WERKING, zie OPERATIC _
WERK-MIEREN, zie MIEREN.
WERKPLAATS, zie LABORATORIUM en OF-
FICINA. WERKTUIG, zieORGANUN.
V/ERKTUIGKUNDE, zie MATHESIS.
WERPNET, dus word een zoort van Net genoemd,
dat men gebruikt om mede te Visfchen, en'twelkopde volgende wijze word vervaardigt. Men zet dit Net op mettwaaifmaazen , elke maas van
twee duimen lang. Dit Net word in 't ronde gebreiden ; men moet tien rijen Maazen op het zelfde houtje maa« ken, waar mede men opzet , daar naa een houtje neemen dat een agtfte duim dunderis, en breid hier ook tien rijen op, neemt dan wederom een ander houtje dat kleinder is, en vaart hier zo lange mede voort op ieder houtje tien rijen breidende, dat op 't laatft de raaafen niet wijder zijn dan om 'erde pink te kunnen doorfteeken. Dit Net breidende, oet men om de zes maazen meerderen , om de andere rij; breid dus voort om de andere regel meerderende, totdat het Net negen voeten lang is. Het Net moet van goed driedraads garen gebreid wor-
den ; en wanneer 't gereed is, moet het zelve getaant wor- den, en voorts met touwen loot worden toegetuigt, zo- daanig op Plaat LXX VII de bovenfts figuur, word aange- wezen. Het ander zoort van IVerpnet, 't welk mede op de ge.
noemde Plaat in de benedenftefig, word afgebeeld, maakt men genoegzaam op dezelfde wijze als het andere. WERST ook Wurst genoemd, is de naam die men in
Rusland bezigt, om de distantie van de eene plaats met de andere te betekenen.------Een Werstkoomigenoegzaam,
met een kwartiersüurgaans van onze berekening overeen.
WERVELBEENDEREN, inhet latijn Vertèbre; zijn
zoodaanige Beenderen, die de een in d'ander fluiten, en als ingelijfd zijn. In het menfeheiijk lighaam telt men men vier en-twintig van deeze Beenderen, diemet het heiligbeen en heup beentezaamdenRuggegraad uitmaa- ten. Elk Wervelbeen beftaat uit zeven uitfteekzels, waar van het eene puntig, twee dwars, en vier fchuins ge- plaatst zijn; dan dit vind niet ten aanzien van allen plaats, want de Wervels van den hals hebben geen puntig uttfteekzel (procesfus fpinofus'). De bovenfte of eerfte Wervel van den hals, draagt de naam van Atlas, en neemt «e beide uitfteekzels van het Agterhoofd, in een dubbelde vlakke geledepan op. De andere noemt men epistrar meus oïdraaihals, waar van het tandswijs (odontoides) uit. «eekzel, door den atlas gaat, met een fchuinzen band zich «aar in vast hegt, en het zelve even als een rad in een half. ïond doet draaijen. De overige Zij de-viev velen van den a«, hebben doorboorde en dwarsloopende uitfteekzels, |
|||||||||||
|
waardoor de wervel vaten gaan, zoo als de Wervel-ader en
Wervel-flagader; zie Waltheb, de 'vafis vertebralibus. Ook is het puntig uitfteekzel van deezen.in t ween gedeeld. Voorts hebben de Wervelen van den hals doomige ofpunti- ge uitfteekzels, benevens kleine lighaamen die in de rijen grooter worden. De lenden-Wervelen zijn boven alle de andere Wervelen van degrootfte lighaamen en puntige uit- fteekzels voorzien; ook is deonderfte lenden-Wervel wet het heiligbeen (os facrum) vereenigd. Alle de Wervel zijn van een gat voorzien, waar in merg zit, en uit de vereeniging van die allen, word de buis ofpijpgevormt, waar in het rugge-merg (medullafpinofis) beflooten is. Alle de Wervelbeenderenzi'jndoor zamenwrichiingen (ging- lymij, en voor zoo veel dervelver lighaam betreft door kraakbeenige banden onderling vereenigd, en elke daar van is in de eerfte kindfehejaaren in drie deelen gefebei» den , welke deelen met den aangroeij zich te zaamen ver« een igen. ^ WERVELBEENS-ADER ook wel Nek Ader ge-
noemd, in het latijn Vena cervicalis \ is een Ader, die van de fleutelbeens-ader voortkomt, na de wervelbeenderen van den hals, en voorts tot het rugge-merg en de nabij ge» legen fpieren loopt. WESENTLIJKE OLIE, zie OLEUM ESSEN-
TIALE. WESPEN, noemt men een gevleugeld Infekten«Ge-
flagt, wiens nederduitfeheu naam overeenkomftigis met den hoogduitfehen, die wel zou fchijnen af komftig te zïjra van den latijnfchen naam Fe/pa, welke zommfge van ge- dagten zijn, niet zo zeer daar van, dat zij bij avond Vlie« gen vangen, of met geweld aanvallen, als van de dunte haarer Pooten afleidelijk te zijn; zieCHARLET. Onomas« tic. p. 87- Dan ik houd het liever met de geenen (zegt met regt, de groote Natuuronderzoeker M. Houttuiiw in zijne doorwrochte Natuurlijke-Historie), diegemel- dennaam van Vefpera afleiden; temeer, omdatdeDood- graavers Vejpülones, ook Vefpa, genoemd worden. In ditgeval zoude egter, dienaam veeltoepasfelijkerzijnop de Rupsdooders en Bastaard-Wefpen. De geflagtnaam deezer laatften is Sphex, het welk insgelijks de griekfche naam der Wespen is, en dus heeft Aristoph anes een Blij. fpel aan 't licht gegeeven, onderden tijtel Spheces of de Wespen, om dat de perzoonen, daar in voorkomende, den fiekeligen aart hadden van dit Infekt, 't Hebreeuwfcli woord Tzirgnah, dat men gemeenlijk voor Horfels neemt, fchijnt deWeipen in 't algemeen te betekenen, "die tot ver- fçhrikkinge der vijanden van Israël, door God den Heer, voor het Leger uitgezonden werden,'zie Exod. XXIII, vs. 28- & «. XXIV. vs. 1%. alwaat Jehova zegt. Ende ik zondt Horfelen voor u heenen, die drevenze weck van ulieder aangezichte, de beide Koningen der Amori' ten, niet door u zweerd, noch door uwen boogt. Ditge» fchiedde, zo Rabbi David aanmerkt, door dezelvea in 't gezigt te vliegen, en dus de oogen zodaanig te ver- blinden, dat zij onbekwaam waren om te vegten. De Italianen en Spanjaarden noemen dit Infekt ook Vejpa, de Franfchen Guépe, de Engelfchen Wasp. Defteek, naamelijk, der Wespen, werdt vanouds zo
gevaarlijk en venijnig aangemerkt te zijn, dat men zich ten hoogfte wagten moest van dezelven te verbittejen. Met zegt dat het opfehrift van het graf van Hip?ocrates op deezen zin uitliep : maakt eenflapende Wesp niet wakker. 't Zij nu hier onder iets zinnebeeldigs verborgen mag ge- weest zijn, of niet; dit is zeker, dat het griekfche fpreekwoord , ten Wesp te tergen; een algemeene bete» Ccc % ke. |
|||||||||||
|
WES.
|
|||||||||||||
|
WES.
|
|||||||||||||
|
4IS0
|
|||||||||||||
|
kenis had. Waarfcbijrilijk zal, in deheetereIuchtftree« ils de Koek of het geheele Nest. In dit geflooten hokje
|
|||||||||||||
|
ken, de fteek der Wespen gevaarlijker zijn geweest,
dan ;n ons klimaat; dewijl dezelve, op zeker Eiland aan de Middelandfche Zee doodelijk bevonden werdt. ? De eigentlijke Wespen verfchillen van de Basterd- Wespen, voornamelijk, daar in, dat zij zekere famen« Ieeving formeeren, wat haare Nesten aanbelangt, die, in 't uiterlijk aanzien, veel naar Honingraaten gelijken. Het zijn, naamelijk, een zoort van koeken of brooden, niet van Wafcb gemaakt, gelijk die der Bijen, maar ge- lijkende naar graauw of vloeipapier. De Wesp maakt dezelven van fijne vezeltjes verrot hout of bladeren, -welken zij met een gomagtig vogt, uit haaren Bek, te zamen lijmt of papt, en dan met haare Nijpers en Poo- len tot de vereischte dunte uitftrijkt, om 'er de wanden der celletjes van te formeeren. Men ziet dikwils de Wespen langs oude vensters en ander rottig hout der gebouwen loopen , waar zij kleine deeltjes afneernen tot hun werk. Deeze Koeken zijn grooter of klei- ner naar de verfchillendheid der zoorten van dit Ge- flàgt. De grootfie of Hor/el- Wespen maaken 'er die zeer groot zijn in de flammen van oude holle bobmen , aan derzelver wortelen, als ook in ledig ftaande hui- zen, in fchuuren, op folders en andere plaatzen der landwooningen, alwaar zij" een vrijen toegang hebben. Deeze koeken beftaan zelden uit meer dan twintig hok. jes, doch die, wegens de groote deezer Infekten, zeer wijd en ruim zijn. Andere kleinere zoorten maa- ken koeken, die uit een ongelijk grooter getalvan hokjes zijn zamengefteld. Men 'vindt ook zomtijds in de wildernisfen , dergelijke Koeken of Nesten, die 'kleiner zijn, als met een fteeltje gehecht zijnde aan eenig boomgewas, en flegts beftaande uit een dozijn van celletjes. Dit zijn Nesten van degemeeneWespen. De manier, op welke de Wespen deeze Nesten fa- briceeren, is als volgt. Eerst leggen zij een zoort ran fondament, waar op zij de middelfte celletjes op- regten, daar zij allengs nieuwen, in den omtrek, bij- voegen ; waar door de uitgeftrektheid van den koek vergroot wordt en uitgebreid. Zomwijlen vindt men de koeken in die gefteldheid. De middelde celletjes zijn voltooid, en dikwils reeds ingenomen van een Wormp- je of Pop der Wesp; terwijl de buitenften ledig en maar ten halve opgemaakt gevonden worden. Wanneer de celletjes, of eenigen derzelven, tot vol-
tooijing zijn gebragt, leggen deeze Infekten haare Ei« jeren daar in ; dat is te zeggen, in ieder hokje één. Zij zijn langwerpig en met het ééne end gehecht aan ééne der wanden van het celletje. Eesrge dagen, na dat het Eijtje gelegd is, komt 'er bet Masker uit voort, gelijkende naar een Wor-mpje, dat witagtig is, zonder Pooten, met een Lfjf van twaalf ringen, als gewoonlijk. De Wesp voedt deeze Wormpjes, het zij met Muggetjes of zelfs met Bijen en Wespen, die zij voor haar vangt; het zij met honing, w^lke zij de Bi- jen ontfleelt, of die zij zelf vergadert, en deeze is wel zoet, doch bruin en minder aangenaam dan de gewoo- Jie honing-. Het Masker, nu-, der Wespen, aangroei jende > ver-
wisfelt meermalen van huid, en, tot zijn volkomene grootte gekomen zijnde, verandert bet in een Popje. Voor deeze laatfte verandering blijft het eenigen tijd zonder voedzef te gebruiken, en als dan floppen de Moer. Wespen het celletje daar her Masker in is, met ce© zoott Van kalotje', dat uit dergelijke iloffagje beftaat |
is het, dat de verandering in een Pop gefcbiedt. Der.
halve, wanneer men een Wespen-Neß vindt, met ver.
fcheide celletjes geflooten; kan men verzekerd zijn, je, zei ven openende, daar in Poppen van Wespen' of Wormpjes, tot de verandering gereed, te zulien'aan- treffen. De Poppen der Wespen vertoonen volmaakte- lijk alle de ligbaamsdeelen van het volmaakte Infekt dat 'er uit voort moet komen. De Sprieten, Pooten' Stompjes der Wieken; alles inéén woord, onderfcheidt zich 'er aan, en men kan, met de punt van een fpeld alle deeze deelen aan 't gezigt bloot (lellen. Dezel'. ven zijn in 't eerst week en flap, doch worden langs boe vaster en fteviger, tot eindelijk de Pop, haar te dere vliesje doorbreekende, in een Wesp verandert, welke, gelijkerwijs de Juffers en Kapellen, nadathaar Wieken opgedroogd zijn , de vrije lucht tot haar verblijf neemt, en wel haast, met de Ouden, aan 't maakea gaat van nieuwe celletjes, of nieuwe Nesten fabriceert, I Doktor Swammkrdam merkt-aàn, dat de Horjeken
Wespen daar in van de Bijen verfchillen, dat zij niet één maar verfcheide Wijfjes hebben in een wooning, I welke Wijfjes dus ook zo veel Eijeren niet behoeven | te leggen { nietegenftaande hij een Nest hadt van Hor- naat s of Wespen, met meer dan vijftien honderd cellet- jes of hokjes. Uit dit groot getal van Jongen, die zij te voeden hebben, meende hij te kunnen befiuiten.dat de Mannetjes van deeze Infekten, ze wel als de Wijf- jes , uitgaan tot het vangen baarer prooij, om de Jon- gen van aas te voorzien. Hij verzekert, bovendien, dat 'er in ééne wooning niet meer dan tweederleij zoort van Wespen, naamelijk Mannetjes en Wijfjes, zich bevinden. Biblia Natura of Bijbel der Natuur, bladz. 439- De Heer Reaumue , in tegendeel, heeft waargena-
■men , dat 'er zo wel Werk.Wespen , als Werkbijen
zijn. Het Wespen-Nest wordt (zegt hij,:,) evenals
- een Bijen- Korf, bewoond door drie Poorten van
,, Wespen; op zekere tijden is 'er maar één Wijfje
in, benevens Wespen zonder Kunne, die wij M*
Iets genoemd hebben* In een meer gevorderd fai-
foen , vindt men- daar in honderden van Wijfjes,
en een nog. grooter getal Mannetjes. De Wijfjes
overtreffen de Werk-Wespen aanmerkelijk in groot-
o te; dewijl ééne derzelven zo veel weegt als zes van
n deeze. De Mannetjes zijn wel zo lang, maarzo
dik niet als de Wijfjes, en één Mannetje komt na-
genoeg met vier Werk.Wespen in zwaarte overeen-
;, De ftaat van eene Moer-Wesp is zeer van die van
,, eene Moer-2?f/'£ verfchillende. Deeze is een wee-
zentlijke Koningin, wordende als op haar oogwenk
gediend door duizenden van Onderdaanen, zo am*
bagtsvolk als konstenaars, die met de grootfte naar-
ftigheid den bouw waarneemen van het paleis, waar
in deeze Vorstin wordt aangebeeden. De Moer-
Wesp is een Heldin, die met beleid en onverfebrok-
ken moed de grootfte moeijèlijkheden doorftreefe
Alleen, en zonder eenige hulp, legt zij, in ''
voorjaar, den grondflag van dat Nest, bet welks
in de herfst zo aanzienlijk moet worden, en à«'-
verder zal worden opgemaakt en tot voltooijinK'
f, gebragt, door de Jongen, -welke uit de Eijtjes, à'iï
,-, zij in de eerfte celleties legt, ftaan voort te k*
men,- het welk de Werk-Wespen zijn. De. Man'
$ neties nesmen- wel, verfcheiderleij zorgen, van *
|
||||||||||||
|
^
|
|||||||||||||
|
■^*irr~1*ir"
|
|||||||||||||
|
_-.--- -,,-- - -----
|
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
^1T
|
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
WES.
huishouding, zo binnen als buitenhuis waar, doch de
" bouwkonst, fcbijnt het is haar onbekend." " , Zeer pleizierig is het, de Werk-Wespen bezig te 'gten aan deezen arbeid, waar toe men, zonder ge- " vaar, gelegenheid heeft, wanneer menze in derge- " lijke glafen-korven plaatst, als de Biiën. Op het " fchoonste van den dag zal men, alle oogenbjikken, " van de gemelde Wespen zien aankomen, die tusfchen " haare kaaken een klein balletje draagen, van weeke " (toffe, gelijk de pap, waar van het papier gefabri- ceerd wordt.' Geene Wesp verzuimt net zijne te be- " zigen, het zij om de wanden vaneen celletje te verlan- " gen, of om den grondflag van een nieuw te leggen, " of het bekleedzel uit te breiden van de geheele woo- " ning. De Wesp hecht 'er het Balletje aan; en fpreidt " hetzelve door drukking uit. Indien het plaatje, dat " zij maaken moet, wat lang is, gaat zij agterwaarts, " en, het voorde gedeelte nog niet dun genoeg zijlKte, '(; bervat zij haaren arbeid, daar hetzelve is aangehecht. |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
WES,
|
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
+rSi
|
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
den tak van een boom, haar Nest, 't welk een zoort
van papieren doos is, van twaalf of vijftien duimen ;, lang en zomtijds langer, hebbende de gedaante van een klok welke van onderen geflooten ware, of van een peer. Geen menfch, die deeze doos zag, zon- der iets van de zaak te weeten, zou niet denken, of. dezelve was van bordpapier, en door een zeer kon. ,, ftige hand, gefrabriceerd. Van binnen is deeze doos ,, ten deele gevuld met koeken van dergelijke doffe, ,, die horizontaal en laagswijze of bij verdiepingen, bo- ,, ven elkander, geplaatst zijn, en geen celletjes dan ,, van onderen hebben. De omtrek der Koeken is met de doos vereenigt', en ieder heeft een gat-in 't mid- ,, den, het weilt een kanaal maakt, dat uitloopt in dea bodejn van de doos, alwaar de opening of poort is, ,, ara* in en uit te komen. Reaum. Mem. fur. les Inf. Tom. VI. Part. I. Pref. p. XXXIV. 6? Mem. 7. PU ,. 20, ai, 22. |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
De afbeeldingen van deeze Wespen-Nesten, door ge«
|
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
De vlug- en vaardigheid, waar mede dit werk ge- melden Heer, toont ons duidelijk, dat hij hier het oog
fchtedt, is verbaazende. De balletjes beftaan uit heeft op de geenen, welken ons van Suriname worden vezeltjes van hout, die taarnelijk dun en uitermaate toegebragt onder den naam vanMarijbonze Bijën-Ntsten; » kort zijn. Ons papier wordt van linnen, en bijge. De uitwendige gedalte dei Wespenis, tusfchen die der ■;, volg van vezeltjes vm Planten gemaakt. De Hennip Basterd Wespen en Bijen, als middelflagtig. Zij hebben, aan |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
en 't vlafeh, weet men, moeten te broeijen leggen,
in water.» om daar toe bekwaam te zijn. De Wes- 'Y pen fchijnen bewust te zijn, dat zij geene genoeg- zaam fijne vezeltjes kunnen krijgen, dan van hout, het welke, om zo te fpreeken , gebroeid is; gelijk de oppervlakte van dat geene, 't welk, verfcheide j, jaaren, aan regen en fonnefchijn is blootgedeld ge- weeft. Dus kiezen zij het hout uit van fcbuttingen, latwerk, venders en deurkozijnen, of ook van deu- ren en hekken, die niet gefchilderd zijn, om haare bouwftoffen te verzamelen. De grootfte Wespen, Horzels genaamd, die het flegtste papier maaken, als niet beftaande dan uit gruis van vermolmd of rottig |
den eenen kant, een zoort van Draadje of Buisje, min of
meer zigtbaar, daar het Lijf medegehecht wordt aan het Borstftuk, het welk doorgaans niet zigtbaar is in de Bijen. Haar Agterlijf is, in 't algemeen, ook dikker dan dat der Basterd Wespen. Bovendien hebben de Bijen meer of min haairigheid of ruigte, welke aan de Wespen ontbreekt. Dat de agterste Wieken korter en kleinder dan de voorste of bovenste zijn, en de drie kleine gladde Oogjes aan den Kop, is haar met beiden gemeen. Eenige kleine verfchillendheden heeft de HeerSw.w
merdam, dooreen naauwkeurige ontleeding, tusfchen die van dit en van 't Geflagtder Bijen, waargenomen, Daaronder is, dat hetRuggemerg, in de Wespen zo vrd |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
hout, hebben de zorgvuldigheid van haare Nesten als in de Hommels, door de Eijerleidingen loopt, wel-
in de aarde te verbergen; terwijl anderen, van klei- ken hij 'er zeven vondt aan denEijerftok vaneen Wesp, lier zoort, wier Nesten niet grooter dan een oranje- terwijl die in de Bijen ontelbaar ziin. Dus heeft de of finaas-Appel zijn, dezelven ophangen aan een tak Natuur voor de vrugtbaarheid der laafden, in tegenftel- » van een boom of heester; maar haare Koeken zijn ling van de eerden, zorg gedragen. In de Wesp loopt ,, eenigermaate voor de lucht befchermd door een om- de Eijerftok zeer lang uit; zijnde dit end met luchtpijp- jes zodanig doorweeven, dat het zich als een net van zil-
verdraad vertoont. De Wespen hebben het Lijmbeurs. |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
,
|
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
s> zijn, rood waren, zou men het omwindzel neemen je dat tot aanhechting der Eijeren dient, peerswijze,
il voor een opengaande of ontluikende roos, van meer niet klootrond, gelijk hetzelve is in de Hornaars en Bi* » dan gewoone grootte. Na dat wij een deezer Nesten jën. De Hornaars en Wespen kleeven haare Eijeren zo » hadden doen in plaat brengen, zijn ons anderen voor- vast, dat zij niet zonder kwetzen kunnen afgenomen »gekomen, kleinder dan een klein Hoender- Eij, doch worden. Omtrent de Maag, Darmen en andere Lig»- |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
haamsdeelen, werdt door hem geen verfchil befpeurd.
Swammerdam Bijbel der Natuur blad. 475. Htt sigentlijke kenmerk, waar door de Wespen van-
de Basterd.Wespen en van de Bijen verfchillen, is, datr zij, dil zittende of loopende, de bovenste Wieken ge» |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
» op dezelfde- manier gemaakt door een andere zoort
», van Wespen. i, Roe vernuftig ons ook de Wespen van ons wereld-
» deel-, in het maaken van haare Nesten, mogen voor« »Komen; baar werk kan, op verre na, in volmaakt |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
» niet ophaalen,. d3t der Wespen omftreeks Caijenne. plooid hebben, die zij ontplooijen, wanneer zij vlie»
» Wij moeten wel verdeld daan, wanneer wij werk. gen willen. Dit kenmerk is meer blijkbaar, dan de
i> ftukken van deeze Wespen zien , gemaakt van manier op welke zulks- gefchiedt, die de Heer Reaim
»«ene doffe, welke de kon&t, niet veel eeuwen ge- mur erkent, niette hebben kunnen uitvorfchen* Men
» leeden, de Menfchen eerft heeft leeren maaken. Ik vindt ondertusfchen de Wieken zodanig gevouwen,niet
* fpreek van bordpapier, dat zekerlijk niet eer dan het alleen in de doode, maar ook in de leevende Wespen,.
>i papier bekend geweest is, of. in gebruik gebragt; wanneer men haar die van 't lijf rukt; hetwelk doet
t, terwijl deeze Wespen, van alle tijden her, bordpa- denken, dat het de natuurlijke daat van haare Wieken
» pier gemaakt hebben ,- dat het witde , fijnste en bes- is, dus geplooid te zijn. In de opgezette engedroogde
», te van onze fabrieken- trotzmc Zij hechten, aan Infekten van dit Ge.flagt, welken men., dikwils door-
Ccc 3 kon«.*
|
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
WES.
|
||||||||||
|
WES.
|
||||||||||
|
+15»
|
||||||||||
|
hulpen, overtreft; hebben zij als een Schaar of Nijp.
tang voor aan den Kop. Twee Tanden naamelijk ,, die zeer fterk zijn, en in elkander fluiten, ftaan elk aan een zijde. Hetend, waarmede deeze elkander ,, ontmoeten, is fcbuins ten opzigt van de langte en breeder dan het geene tot een fpil dient voor hunne beweeging. Aan dit end zijn zaagswijze tandjes, van verfchillende figuur, getal en piaatzing, in verfchei. ,, de zoorten van Wespen, doch altoos zeer fciierp en oogfcbijnlijk tot het gedagte doelwit bekwaam. Uit dit alles mogen wij befiuiten, dat de Heer Lik.
Nfflus genoegzaame reden had, om tot een kenmerk der Wespen, in onderfcheiding van de Bijen, te Hellen, dat zij geen Tromp of Snuit hebben. Ik ontken wel niet, dat de Wespen ook met een werktuig tot inzuigen van vogten ,fap of honing, voorzien zijn; maar dit werk» tuig heeft in haar de gedaante niet van een Tromp of Snuit, welke zo kennelijk is in de Bijen; weshalve de Heer Geoffroy misgetast heeft, wanneer hij deeze In. fekten, ten dien opzigte, gelijk (lelt. Hii noemt het jn beiden: une Trompe membraneufe, couchée dejjous la Bouche; dat is, een vliezige Snuit, leggende of ge- plaatst onder den Bek. De Afbeeldingen, immers van Swammerdam, Biblia Nat. of Bijbel der Natuur. Tob. XVII. f. 5, 6, 7. en het gezag van Reaumur, hadden zijn Ed. van het groote verfchil, dat in de uitwendige deelen van den Bek der Bijen en Wespen plaatsheeft, moeten overtuigen. De weezentlijke verfchillendheden der Wespen van de
de Bijen dus aangetoond hebbende, zal ik de liefheb- bers, meen ik, geen ondienst doen, met niet ter plaat- ze daar ik van de Wespen handel, een korte fchets ie geeven van de blijkbaare kenmerken, dienstig om de eigentlijke Wespen van alle anderen , en die wederom van elkander te onderfcheiden. Men moet alleen op- merken , dat'er geen regel zonder uitzondering is, en dat ik flegts in 't algemeen fpreek, zonder vast te Hel- len , ja zelfs toeftaande, dat 'er eenige weinige zoorten zijn, in ieder Geflagt bijna, tot welken die kenmer- ken niet bebooren, en die men overzulks, wegens de gelijkheid van geftalte of anderzints, daar flegts toebs< trokken heeft. Vespa. Wespen.
Zij hebben de Sprieten als geknakt; deWieket1 ie"
plooid of gekreukt , den Angel, daar zij vinnig mede fó' ken kunnen, verborgen ; zijn doorgaans geel geringd O' gevlakt, en van middelmaatige grootte. Spheces. Basterd-Wespen.
Deeze hebben de Sprieten, veelal, draadagttg of af*
Hndrisch en meest omgekruld; haar Wieken; gelijk all.« de anderen, niet geplooid; den Angel ook verborgen; men vindt er die ontzaglijk grootzijn. Ichneumone*. Sluipwespen.
De Angel is, in de Wijfjes, met een dubbelde Schtv
dé, die haar drie-ftaartig maakt, uitfteekende; het Ag« terlijf gemeenlijk als met een draadje aan 't Borst« gehecht. Men vind er onder, die vèrbaazend en bijn pnzigtbaar klein zijn. Binnen net Lighaam van RuP' .. <of andere Infekten worden zij uitgebroeid, waar m » |
||||||||||
|
konst, naar zijri believen, gantfch onnatuurlijk fatioe-
neert, is dit kenmerk zomtijds verdweenen. ; De Sprieten, die in de eigenlijke Wespen niet draad-
agtig regt of krom , maar als geknakt of met een kniertje geboogen zijn, doen dezelven, bovendien , verfchillen van de Rupsdooders of Sluip- en Basterd-Wespen. Zij hebben, naamelijk, het eerde lid of kasje van de Spriet, vrij lang, en het overige, dat daar ingekast is, beftaat Uit verlcheide korte ringetjes , doorgaans ten getale van tien, die deeigentlijke Spriet famenftellen, weike, bij haare inplanting, met een hoek is omgeboogen. Ditzelfde, evenwel, heeft ook in de Bijen plaats; des men andere kenmerken moest opzoeken, om de Wespen daar van te onderfcheiden. Alle, die ik tot dus verre befchreeven heb, zo de
Gall- als Blad en Hout , ja ook de Rupsdooders en Bas terd- Wespen, hebben een Bek met kaaken of Nijpers, zonder tromp of fnuitje. De Heer Reaumur had eerst in twijfel gelaaten, of men aan een zeker deel, het welk den Bek in de Wespen uitmaakt, ook den naam mögt gee- ven van Tromp of Snuit; doch hetzelve naderhand naauwkeurig onderzogt hebbende, verzekert hij, dat die naam 'er niet aan toebehoort : j'ai pourtant laijjè (zegt dien Heer) la liberté , de donner le nom de Trompe a cette partie, a laquelle j'affirme aujourd'hui, qu'il ne convient pas. Ment. Tom. VI. Part. I.p. jgj. o&avo. Dit Deel gelijkt, inderdaad, naar een zoort van kort Snuitje, zegthij, en Swammerdam heeft het daarvoor gehouden, niettegenftaande de fterk vergroote Afbeel- ding, welke hij daar van geeft, hem hadt moeten doen begrijpen, dat het een weezentlijke Bek is, met dien van veele andere Infekten overeenkomftig, en geheel verfchillende van die Snuit, met Tanden vergezeld, welke de Bijen hebben. Hij vergelijkt dit deel bij die tregterswijze bloemen, wier boven lip zeer groot en uit- gefneeden is en de onder-lip uitermaate kort; ja zo kort, dat men dezelve niet in 't gezigt kan krijgen, dan met behulp van een vergrootglas. , Deeze boven-lip, zegt Reaumur, heb ik vooreen Tong gehouden, wanneer ik de Wespen, voor de eerilemaal, zich daar van bedienen zag om de vrugten te likken, en vogten, die de dikte hebben van fij- roop. Zij werkt ook, even als een Tong, die bui- ten den Mond ware, om het voedzel daar in tebren- gen. Zomtijds breidt zij zich, tot platwordens toe, uit; op andere tijden kromt zij zich op bonderdleij manieren, en is zeer dikwils överlangs in tweën ge- .,, plooid; zo dat de eene helft van haare binnenfteop. pervlakfetegen de andere aangevoegd zij. Zij neemt ^, den post waarvan een hand, om harde deeltjes, die .,, bekwaam tot inzwelgen zijn, van de lighaamen afte fchëiden. Het fchijnt, zelfs, dat zij gefchikt zij om .,, Licbaamen, te vermaalen, aan welken dit gefcbie- s, den kan zonder 't behulp der Tanden. In het een J, en andere kan zij geholpen worden door een zoort van Vingeren, die'haar vergezellen ; waar van twee
. plat en zàgt, twee hóornagtig zijn , allen geplaatst .,, aan den ingang van den Bek, welke nogtweeTonge- ,~tjes, als binnen in de Keel , heeft, en voor klepies -;, fchijnen te dienen ; want zij verdeelen bet kanaal in ■4, twee hollighedeh, ieder in langte omtrent gelijk aan tg de helft of twee derden der wijdte van den Mond". Dewijl deeze Infekten dikwils genoodzaakt moes- ^, ten zijn, om dingen aan ftukken te breeken, welker
, tardfceid de kragt van haar Lip, en derzelver b«.
|
||||||||||
|
WJSS'.
even en veranderen, en zijn, deswegen, Rupsdoo-
ders getijteld. Sirices. Hout-Wespen.
Haar Agterlijf is rolrondagtig, en, zonder deeltje,
digt tegen het Borstftiik aangevoegd. Zij hebben aan 't Agterlijf een puntje, en het Wijfje is met een Angel, van onderen, voorzien. Deeze maaken haar Nesten, veelal, in oud, rottig hout. De grootte is middelmaa- tig. * ' \'\<'. ' :
i'enthredines. Blad-Wespen.
Het Masker, daar deeze uit voortkomen, is een Bas-
terd-Rups, met twintig of tweeen-twintig Pooten, die van de Bladen der Boomen leeft, en in den grond kruipt om te veranderen. Zij zijn doorgaans wat kleiner im Wespen , en hebben het Lijf zonder Steekje > overal bijna even breed. Zij fteeken niet, maar kunnen vin- nig bijten Cijniphes. Gall-Wespen.
Haar Eij'tjes worden uitgebroed in zekere uitwasjes,
Van verfchetderleij gedaante, die uit de fteelen of bla- den en knoppen der Boomen of Plantgewasfen, door het fteeken van deeze Wêspjes, voortkomen. In dezel- ven ondergaan zij alle verandering en komen er niet uit dan tot vliegen en tot de voortteeling bekwaam zijnde. Haare kleinte overtreft, in de meesten, bijna de ver- beelding. De meeste der eigentlijke Wespen, die men in Euro-
pa vind, zijn bovendien aan de koleur kenbaar. Zij zijn doorgaans geel en zwart geitreept, gevlakt of geban- deerd... Men vind echter ook een zoort van Bijen, die het livreij' draagt der Wespen, en daar zijn Wespen t'ee» cemaal bruin of kaneelkoleurig. Den HeerllEAUMuR waren er uit de Westïndiën toegezonden, van eene bleek geele koleur, met koffijbruin gewolkt, en anderen olijf- koleur, met eenzwart randje aan den agtérkant van ie- der Ring, Zommigen hadden die koleur aan 't Borstftuk M den Kop. Men vind er ook, die geheel zwart zijn. in de eerfte opfiag vertoonen zij zich kaal of haairloos, jj°g, met het vergrootglas word men gewaar, dat baar duid, op ver na, niet glad is, maar inde meesten bezet jnetzeer korte haairtjes; hoewel veel verfchillende van t ruige dons der Bijen, inzonderheid van dat der Hom- pelen, 't Getal' der zoorten van dit Geffsgt is niet zeer groot.
iJNKffius beeft er zeventien aangetekend, waaronder y,jf uitheem.fche. Veertien zijn er thans in Sweeden ontdekt, Agtüen zoorten vond Geoffroij omftreeks "arijs; dog Doktor Scopói.r tekent er flegcs agt aan-, °tdercie Infekten van Karniolie. * Hornaar, of Wesp die het Borstßuk zwart, vanvoo-
Hn ro{enongevlakt heeft, de ringen van liet agterlijf, ieder *w twee- aan elkander gevoegde flippen, Crabro; (Vespa- '«»race nigro, üntice ruf o immaeulato, ahdoiiinis ihcifu* v.'punpo nigra, duplicicontinuo. Link Faun. fuec). ïn Ie Bijbel der Natuur van SwammeiidaM! , vindmen |M naam van Hoorntorens, daar iemand, zeer ligte- *JJ»» Hoorntorren door verdaan zou , aan de Hommels'öf .'6Çwilde Bijen gegeevenj terwijl; men de Wespenvm |
||||||
|
WÉS. 4IS3
deeze groote zoort, aldaar, Horzels gètijtelt heeft.
Het fchijnt dat, met dit woord, in de Heilige Schrift, flegts een gevaarlijk flag van Wespen, betekend wórden. Men noemt die van deze zoort, hier te lande, Hor- naars; welk woord, waarfchijnlijk , zijne afleiding zo wel van de Hoorens of Sprieten heeft, die zij draa- gen, als de latijnfche naam Crabro, welke'er algemeen- lijk aan gegeeven wordt, en de Engelfche naam Hornet. In 't Franfch noemt menze Frelon, en dit woord wordt, verkeerdelijk, Hommelbije vertaald, inzommige woor» denboeken. Het latijnfche fpreekwoord dat Plàutus gebruikt,
van de Hornaars te tergen , (irritare Crabrones) , zou, volgens het denkbeeld van Charleton, toepasfelijk zijn op den aart der Vrouwen, die door tergen dikwils woedende gemaakt worden; maar anderen willen, dat het zie op de Menfchen en Dieren in 't algemeen, en zo veel betekene als het nederduitfche fpreekwoord-, van iïwaade Honden wakker te maaken. Hoe 't zij meh- kan verzekeren, dat onder het Infekten-Geflagtnaaiiw> lijks kwaadaartiger gevonden worden; die als bij toeval getergd, of zonder oorzaake zelfs, zo vinnig op Men- fchen en Beesten aanvallen, dat er zeven, naar meii fchrijfr, een Paard om 't leven kunnen brengen. Moog- lijk zijn de voorvallen van Paarden door Bijen gedood , daar men zomtijds van gemeld vind, dus aan Wespenr en wel aan die van deeze groote zoort, toe te fchrijven,. Het is dan geioofbaar, dat zij' groote Vliegen en Spid. nekoppen durven aanranden, ja zelfs de Bijen niet ver- fchoonen, om die, zo wel als vleesch van Gedierte,, dat haar voorkomt, tot fpijze te gebruiken, voor zicfc en voor haar Kroost. De Hormars, die in Duitschland Homten, Ham/en-
of Hornisfen, en in Sweeden Bolgetting genoemd wor- den, wegens de dikte vanhaar Lijf; onthouden zich,, als gezegd is, in bolle boomen, onder derzelver wor- tels, of in ledigftaande fchuuren, enz. De Europijche Hornaar, in 't fransch de H&rfel-Wesp-
(Guêpe Frelon) genaamd , heeft, volgens Geoffroy,, de Sprieten en den Kop vaal en een weinig bruin van- koleur, debovenfte Lip geel en de Oögen zwartagtig". Het Borstftuk, in 't midden zwart, is van vooren.varr agteren en op de zijden, bruin. De Pooten zijn naar kastanje-bruin trekkende. Van het Agterlijf is devoor- fte Ring zwart met bruin gemengd en gezoomd meteen weinigje citroengeel; de anderen zijn zwart aan her voorfte gedeelte, het welke onder den voorgaandeit Ring fchiet, en verder geel'. Aan ieder end van het zWarte ftreepje is een zwart viakje offtip; waar door dezelven aanelkandergevoegd zijn, als Li<nN/Eüs meldt. Doluor SeopoLr merkt aan, da* deeze groote Wesp-,. daar hij ook maar de langte des Lijfs van een duimaarr geeft, de gewoonte heeft , zo wel als de gouden-Tor» ren, van langs de (lammen der eickenboomen hetuito- zweeténd vogt te likken.. De rijpe boomvriigten wor- den, zegt hij, door dezelve zeer benadeeld. Het is-te' verwonderen, dat de Heer Gronovius, i.n zijne optel- ling der Infekten van ons land , van deeze en zommls- ge andere Wespen, noch ook van eenige Basteni Wes- pen,, geen gewag maakt; zodat die door zijn Ed. niet moe*» .^ ten waargenomen ziin geweest. II. GemeeneWesp; of, Wesp, die-op het Borstßuk drie?
bijzondere paaren Heeft van geelagtige flreepjes,. enanndk- verdeeliiigen van liet agterlijf afgezonderde zwarte ßippen i Fespa vulgßris-, (Fespatlkratt üm9tistrmmpanv,mdAffè- |
||||||
|
WES.
|
|||||||||
|
415* WES.
|
|||||||||
|
rentiumflavtscentium, abdominis incifurit punüis nigris
dißinäis. Limi. Faun. Suec.) __ Hier mede wordt de
gemeens Wesp betekend, die in 't latijn. van ouds,
den naam van Vespa, in 't franfch dien van Guépe, en in andere taaien de voorgemelde naamen voert. Zij heeft egter, akoos, de gedagte kenmerken niet; want in de de Mannetjes ontbreeken die zwarte flippen, volgens de waarneeming van Geoffroy, of liever, zij hebben deze!ven zeer klein , en ter wederzijde van een zwart driehoekje, dat;in 't midden is van ieder Ring, ge- plaatst, volgens de Afbeeldingen van Reaumur; maar in de Werk-Wespen fchijnen die flippen te ontbreeken; zo dat die Franfchman, met de aangehaalde Figuuren van Reaumur, ten minste, zekerlijk mis heeft. Van de eigenfehappen deezer Infekten heb ik, uit
Reaumur, reeds omftandig gefproken. De Nesten zijn door hem, zo in-als uitwendig, zeer fraaij afgebeeld. Zijn Ed. toont aan, dat de Mannetjes, zo min als de Mannetjes of Dek-bijën, een Angel hebben ; maar in plaats van dien een werktuig, dat naar een lepeltje met çen fteel gelijkt, komende door drukking uit. Oe Wijf- jes zijn, zo wel a!s de Werk-Wespen, zegt hij, met een Angel voorzien. De Ouden hebben gefchreeven dat die ontbrak aan de MoerWespen, welken zij opgaven als grooter dan de anderen zijnde. Nu heeft zekerlijk, het tegendeel, in die beide opzigten plaats; want de Man- netjes, die geen Angel hebben, zijn kleiner dan de Wijfjes. iMoüFFETUs, wederom, is in een ander uit- ierfte vervallen, wanneer hij beweert, dat alle Wespen een Angel hebben. Hij brengt wel ten bewijze bij, dat hij, alle de Wespen van een Nest, door kookend wa- ter om't leven gebragt hebbende, geen ééne zonder An- gel vond; doch waarschijnlijk heeft hij zulks gedaan, voor dat de Wormen, daar de Mannetjes uit voortko. men, de verandering hadden ondergaan. Gemelde Heer, die dus fpreekt, Mem. fur. les. Inf.
Tom. VI. i. Part. p. 246. oUavo. heeft waargenomen, dat .de Werk-Wespen- vinniger dan de Bijën fteeken. Deeze, lioewel kleiner, jaagen zomtijds de Mannetjes op de vlugt, ja brengen '*sr ook wel eens een om den hals. ,Het gaat, naamelijk, in.de zamenleeving dei Wes- pen, niet. altoos vreedzaam toe ; doeh.zij zijnzomoord- daadig niet als de Bijën. Dikwils ontftaan 'er tweege- vegten, in welken één van de partijen fneuvelt. Tegen 't begin van october openbaart .zich, in ieder Nest, «en zonderling.«n gruwelijk fchouwfpel. De Wespen denken dan niet langer om de opvoeding van haare Jongen; zij worden, zelfs, van tedere Min- nen, onbarmhartige Teeven. Alle natuurlijke lief- t, de aan een zijde zettende, gaan de Mannetjes en Werk-Wespen, met geweid, aan het wegdraagen van ,, de Wormen, die in de hokjes zitten, welke nog niet 4, geflooten zijn, en dus wordJiet een algemeene Kin- idermoord. Zullen wij de reden tragten te gisfenvan .,, deeze oogfcbijnüjke barbaarfchheid ? Js het, omdat t) zijzich van de Jongen ontflaan willen, die zij niet .j, meenen te kunnen opvoeden , of die zij oordee- len niet te regt te zuilen komen, wegens de aanna» .,, derende koude van !t faizoen; daar de fterkste.-0ro<- t, -pen naauwlijks beftand tegen zijn? De koude, immers heeft op deeze Infekten .veel
, aandoening! Zo dra het., des nagts, een weinig be- . gint te rijpen , komen zij niet te voorfchijn, dan .,., wanneerde lucht een weinig verwarmd is doordefon. ,w j&is de warmte.van den dag zich doet gevoelen, v.er. |
|||||||||
|
,, Iaaten de Moer Wespen het binnenfte van het Nest,
en vergaderen zich, troepswijze, op 't omkleedzel ,, van hetzelve of digt daar nevens; zij ftapelen zich op elkander en houden zich gerust en ftil. Wanneer de koude grooter wordt, hebben zij zeifs de kragt niet om ter jagt te gaan op degemeene Vliegen, die tn het Nest komen: de koude doet haar eindelijk fier- ,, ven. Daar zijn maar weinigeMoerrWespendieoveiblii- ven, en deeze brengen den gantfehen winter zonder eeten door: want zij verzamelen geen voorraad ge« lijk de Bijën, en, al deeden zij dit, zij zouden'er geen genot van hebben. Ik heb dikwils in een Wes- pen-Nest suiker, honing en andere dingen, welken zij in de fomer opzoeken, gedaan; doch's winters raak- ten zij die niet aan. Ook gaan'zij, zelfs in het fo. merzaizoen, nooit dan bij mooij weer uit; bijgevolg moet 'er als 't flegt weer is, een algemeene vasten zijn in de zamenleeving. In regenagtig weer zijn z\\ ook zo vlug niet, en, î'rça eenige dagen regen, it haar afgang dun als water. Het fchijnt dat zij, iii de maand october, zelfs te zwak zijn, om de Vue- gen aan te tasten, die anders haar gewoone aas uit. maaken. Alle die ik , in dat faifoen, van het land terug zag komen, hadden'aan haar Bek een druppel vogt, in plaats van vaster fpijze. . De ruimte," onder den grond, die door de Wespn
bewoond wordt^ bewijst, dat zij, van natuure,groo' ,te mijnwerkers zijn, en veele bekwaamheid hebben om in de aarde te booren en die uit te graaven. Mis- fchien doen zij ook haar, voordeel met de holen of reeten, door de Molk11 gemaakt ; maar zij moeten zekerlijk, buitendien; nog veel arbeids aanwenden, ,, om deeze holen de wijdte te geeven van meer dan een voet in middellijn, gelijk dit de grootte van dee- ze Nesten dikwils vereischt. Als men de opening , met aarde flopt, die zelfs daar boven ophoopende; _ weeten <zij in 't kort zich weder lucht te verfchaffen, en draagen op een verwonderlijk behendige wijzedie aard& weg met haare "Nijpers of Tanden " Aristoteles en Puinius beweeren, dat, wan-
,, neer de Wespen haar Opperhoofd verlooren hebben, ,, zij zich in hooge plaatzen ter woon begeeven; dat menze als dan haar Nesten op boomen of op de koofli* zolders ziet bouwen. Moet dit ftuk, egter niet g£* voegd worden bij bet getal dergeenen, welkende I Ouden ons overgebriefd hebben, zonder dat zij zei' I , daar van genoegzaam-Verzekerd waren? Ikweetnieti 1 ,, of zij door de Opperhoofden der Wespen de Manne- tjes verftonden of de Wijfjes ; maar dit weetik, dat, .,, in weik een wanorde men ook een Wespen-Nest ge* bragt hebbe, zij hetzelve nooit verlaaten, en, daar j ,, is geendeminfte waarschijnlijkheid, dat zij, om baar ,, Opperhoofden, haar eerfte woon ing verlaaten zouden, om een andere tegaan opflaan in een ftandplaats, z° wijd verfchillende van die, welke natuurlijk doof ,, haar verkooren word". 't Is bekend, .dat de rijpe en beste vrugten, van ai-
Ierleij zoort, 'in 't heetfte van den fomer, doordek' pen zeer veel befchadigd worden. Zij ontfteelen ook de Bijën dikwils haaren honing, en voeren deswegen den naam van Dieven ofHoningdieven. Haar eigen Nej* ten ftrekken dikwils de Muizen of Rotten", ja ook fl« ; Vosfen tot fpijze, die zich vergasten op de Wormeni uit welken de Wespen, op defgeljke manier als deBiJ£n' voortkomen, ..,* |
|||||||||
|
WES.
|
|||||||||
|
WES. 4155
|
|||||||||
|
LrsrN. Sijfi. Nat.]- Deezemaakt. volgens bericht van'
de Hr. Rolander, haar Nest aan de zuidkant der ftee» nen, uit zamengehoopte pijpjes. IX. Smallijvige-Wespr of Wesp, die het eerße lid des
Agterlijf s tregteragtig, het tweede als een klok en zeer groot heeft; Vespa coariïata; (Vespa abdominispnmo arti- culo infundibuliformi, fecundocampinulatomaxima. Linn. Faun. Suec.) ■ ■■------- De Heer Geoffkoi j geeft de af.
beelding van dit Wespjs in 't groot, onder den naam van
Wesp , met den voorßen Ring des Agierlijfs als een Peer, den tweeden klokswijze. De langte, zegt hij, is vijf lij. nen, dat is omtrent een half duim. DocTror Scupoli heeft haar ook in Karniolie gevonden. De koleur is zwart, met eenig zwavelgeel, bij flippen en vlakken, waaron. der een ringetje om het Agterlijf, tusfchen den eerden en tweeden Ring, een Streepje op zijde, en de ringe« tjes aan het agterend, uitmunten. Frisch geeft er den naam van Pillen-Weip aan , we-
gens de gedaante van haar Nest, het welk zij maakt aan de fteelen der planten, inzonderheid aan die der heide. Het is verwonderlijk, zegt hij, hoe zij dit Nest zo vast en digt, van kleij of aarde, in de openlucht, aan dorre takjes weet te maaken, dat het beftand zij tegen regen en fneeuw, en in ftaat om de tedere Jongen te befchut. ten voorde winter-koude; dog zulksza! aan hetgeweef« zei, daar zij het van binnen mede bekleed, toetefchrij- ven zijn. Zij bouwt bet Nest van kleij, brengt er een Spin of Rups in, legt daar een Eij op en ftopt dan de opening met kleij toe. De Made is door hem ook afgebeeld. Men vind er maar eene in ieder Nest. X. Akker-Wesp; oïWesp, die het Agterlijf met vier
geele handen heeft, waar van de derde afgebroken is j Vespa arvenfis; (Vespa abdominis f asciis quatuor f lavis, tertia interrupta. Linn. Faun. Suec.) ■■■ Behalven deeze, die4n de akkers huishoudt, in Sweeden, vind ik thans nog een Veld Wesp, aldaar waargenomen, en eene die de Wand-Wesp genoemd word, van de vierde en vijfde zoort verfchilïende. De eerfte heeft vier gee- le Banden om het Agterlijf, maar de voorite afgebroken; de andere vijf, en den voorften Band verder van de ag- terften af. XI. Tweefchubb'ge-Wesp; of Wesp , die het Schildje
van het Borrtfluk met twee punten, de ringen van het Agter- lijf wit gerand, den tweeden met twee witte ßtppen heeft; Vespa biglumis; (Vespa thoracis fcutello bifpinofa , abdo- minis feg'mehtis'margine albis, fecundo punèis duobus al- bis. Linn. Faun. Suec.) Deeze maakt insgelijks als de agtile zoort haar Nest aan de zuidkant der fteenen. XII. Eenfchubbige-Wesp ; of Wesp, die het Schildje
van het Borstfluk met eene punt heeft, drie ringen vanhet Agterlijf, op zijde, met twee witte flippen getekend ; Ves- pa uniglumis; (Vespa thoracis fcûtello mucronato, abdo- minis f e gmentis punUis duobus albis fublateralibus. Linn.. Sijß. Nat.) Deeze onthoudt zich veel in de Tuinen, en, hoewel zeer klsin zijnde, weet zij dog een gewoo. neHuisvlieg, dikwils drie-of viermaal grooter, na de- zelve gedood te hebben, even als de Basterd.Wespen, in haar Nest te flecpen. XIII. Gehoornde-Wesp ; of Wesp, die een elswijzent
hoirnagiigen Bek beeft, het Agterlijf zwart, met den twee- den ri'fg grooter; Vespa cornuta; (Vespa rofiro corne o fu- hulato abdomine a'ro , fegmento fecundo majore. Linn. Sijfl. Nat)--------Deeze Wesp, uit de Indien afkom-
ftig, eo, gelijk de volgende zich bevindende in het Ka-
Ddd bi-
|
|||||||||
|
ÏÜ. Rosfe-Wesp; of Wesp, die het Borstfluk met twee
geele Streepjes of Stippen getekend heeft, het Agterlijf geel en van vooren roestkoleurig; Vespa rufa; (Vespa tho- race lineolis pun&isque duobus f'lav.is, abdomine flavo an- tice ferrugineo. Linn. Faun. Suec.) -~~ Deeze, welke zeldzaamer voorkomtin de tuinen van Sweeden, verfchilt van de gewoone Wespen alleenlijk in dekoleur. Doktor Scopoli had, inKarnioIie, eene Wesp gevon- den, welke hij de Bosch-Wesp noemt,, insgelijks in koleurvan de gewoone verfchilïende. Omftreeks Parijs zijn ook veele verfcbeidenheden van Wefpen, wat de kolettr belangt, waargenomen. " 1 IV. Wesp der houten wanden; of Wesp, die zwart 'is,
jtibbende het agterlijf met tijf geele banden, den voorßen itt af van de anderen ; Vespa parietum ; (Vespa nigra, ab- domine fasciis quinque f lavis, prima remotijfima. Linn. Faun, Suec.) ■ Deeze, die haar Nesten in ga- ten van houten wanden of agter de befchotteri en aan de daken der huizen fabriceert, is niet onge- mxn. . V. Wesp der muuren ; of Wesp , die zwart is en het
Borstfluk van agteren geelagtig, het Agterlijf met vier viele banden heeft, den voorßen ver van de anderen af; Vespa muraria ; ■ {Vespa nigra , thorace baß flavesçente, abdomine f asciis quatuor f lavis, prima remotijfima. Linn. Faun: Suec.) '_ Deeze zich op 't land onthoudende, voert haaren bijnaam, dat zonderling is, van de muu- ren , waar in zij haare Nesten maakt. VI. Zeefpoot; of Wesp, die zwart is, hebbende hei
Agterlijf met zes geele banden , de drie middelften afgebro- ken, en de voorfle Schenkels met zeef agtige Schildert ; Ves- pa cribraria ; Vespa Ichneumon, pedibus anterioribus velut clijpeatis. Rjsj. Inf 255.; Apis tibiis anticis lamella cri- briformi. Udmm. £>iff. 94.; (Vespa nigra, abdominefas- dis fexflavis, intermediis tribus interrüptis, tibiis an- ticis clijpeis cribriformibus. Linn. Sijß. Nat.) ' Het zeéfagtige Schild, dat deeze Wespen aan de Schenkels der Voorpooten hebben, is eene zeer aanmerkelijke bij- zonderheid. Men vind dit Infekt vrij gemeen op de vel- den in een gedeelte van Sweeden. De HeerSoLANDsu heeft opgemerkt, dat deeze Schildjes, welke inderdaad met veele gaatjes doorboord zijn , aan hetzelve dienen, om het ftuifo/eel der bloemen door te ziften; misfchieh op dat hetzelve-daar van het fijnfte zou nuttigen. Hij had er', deswegen, den naam aan gegeeven van Siebbie- se, dat is Zeef-Bij. Behalven deeze is een dergelijke waargenomen, die
vier geele Banden heeft aan het Agterlijf, de drie voor- ften afgebroken. Het Lijf is, verder, zwart, en de grootte minder dan van een Honigbij. Zij onthoud zich doorgaans op de bloemen , in fchijn als of het ftuif- meel van haar werd doorgezift, dog de Schildjes der Voorpooten zijn, zoveel men zien kan, niet met open gaatjes. VII. Doompoot; of Wesp, die zwart is, met de Schen-
kels en naaden van het Agterlijf geel, de Dijen der mid- delpooten doornagtig getand; Vespa fpinipes; (Vespa ni gra, tibiis incifurisque abdominis f lavis, femoribusinter- mediis denticulatis, Linn. Sijß. Nat.) Deeze zoort is door den Heer Bergman in Sweden gevonden. VIII. Steen-Wesp; of Wesp, die den tweeden ring van
het Agterlijf grooter, en met twee ovaale witagtige vlak- ken heeft, de Vooten en Sprieten roestkoleurig ; Vespa ru- Pfjlris; (Vespa abdominis fegmento fecundo majore, macu- üs äuabus ovaXis albidis, pedibus antennisque ferrugineis. vil Biel.
|
|||||||||
|
WES. WET.
|
|||||||
|
ft»': Wë£.
|
|||||||
|
binet van de Koningin van Sweeden, heeft, het Borstffiuk WESTINDISCHE-SÇHORPIOENEN.zieSCHOR,
op zijde getand, de Wieken zwart en het-Mannetje is PIOENEN ». iV-pag. 3312, '
met twee Hoornen voorzien, die tweemaal zo lang zijn WESTlNDÏSHE-SMARAGDEN, zie SMARÂG.
a's de Kop. ' '. 3 v '. ■, DEN p. 3406. , '......
XIV. Getekende, Kaapfihe-Wesp; o( Wesp , die het WESTlNDlS.HE-ÏHEE , zie SAMOLOIDES ,
Berstfiuk van boven zwart te/f; met vier geele flreepjes pag. 3204-.;,... > ; 8 , ..; , m twee geele bandjes vtrcierd; Vespafignata; Vespa thora- WET, in het latijn Lex; verftaat men eene door
eefupmnigro, ünsis. quatuor fasciolisque duobus flavis, den Souverain yan een Genoodfchap voorgefchreevene Lïïük; Sijji. Nat.) .------- Deeze was uit de Westin. regel of richtfnoer door, welke aan deszelfs Onder.
dien afkomftig,, '<en tant zeer.wel met een fraai Wespje daanen de verplichting oplegt, om zekere daaden te doen
>pan de Kaap de Goede Hope overeen , zijnde grooten- of niet te doen, en zulks onder bedreiging van eem'ge deels ros f met geele ftreepjes , hebbende alleenlijk het boete of ftraf.-------- Dus h Wet de rigtfnoer en regel,
agterfte gedeelte van het Agteriijf zwartagtig. waar na wij onze daaden gehouden zijn te bepaalen.
XV. Wesp van Kanada; oîWesp, die het Borstfluk Wet wordt ook zoratijds voor: «g* genoomen, omdat
mt twee Schubben heeft,, en den eerflen ring van het Ag- zij het règt voorfchrijft, en beftaat in een werk des re- terlijf, dat roestkokurig is, kegelvormig ; Vespa canaden- dens, iets dat eerlijk is, ftrekkende ten gemeenen nut. fis; (Fes. a thoracefqnamis duabm, ■abdominis fetruginei te* ingeftelt en gekondigt (want anders verbind de Wtt figmento 'primo obcotïico. Likn. Sijfl. Nat.) _ jDeeze niet) door iemant die het gezag over een Genoodfchap Wesp is door de Heer Kalm ih Noord-Amerika'waar- toekomt, zegt de Hr. H. de Geoot in zijn inleiding tot
genomen. . sis: _ de Hol. Regtsgel. L B. a Deel, en waar van de wezen- XVi. Uitgerande-Wesp ; of Wesp, met het Schildje tiijke kragt beftaat in't gebieden, toelaaten, verbieden,
uitgerand, en het Steekje vim het zwarte Agteriijf, dat enftraffen, waar aan denRegterftiptelijk verbondenis, krom is, wederzijds eentandig ; Vespa emarginata; {Ves^ en aan dewelke daar geen oordeel over toekomt, L.ult. pafmelh emarginaio, abdominis nigri petiolo incurvo, Cod. de Leg. en zich ,daar maar in gedragen moet, als Utrinque unideniato. Linn. Sijfl. Nat.) uitvoerder en dienaar. XVII. Wesp van de heete landen; ai Wesp, die zwart De Wetten zijn of van buiten ingevoert, of bij die
is, met de tip van 't Agteriijf en de Sprieten oranjekoleu- geene die de Souverainiteit in een Landfehap hekleeden, tig; Vespacalida; (Vespa nigra, abdominis :dpice anten- zelf gemaakt; deezen zijn gefchreeven of ongefchreeven. nisque fulvis. Link; Sijfl. Nat.)' Deeze, zo wel als De gefchreeven zijn wederom algemeen, of bijzonier ; de de voorgaande in het Kabinet van de Koningin van nlgemeene zijn, die door den Souverain gemaakt zijn, of Sweden zich bevindende, was uit de Indien afkomftig, door anderen, aan wie die magt wettig is opgedrasgen; en die uit Amerika. ■'■ * .'."'" de bijzondere zijn, die niet alleen bij de' Staaten of Over. In de Phiißfop. Tranfaiï. vol. LIV. p. J3- vind men de heden, maar bij diegeenen, die volkoome magt ver-
befchrijving van een zonderlinge ianghaairige of Borfiel- kregen hebben om Keuren of Ordonnantien te maaken, Wesp, 'voor weinige jaaren op Jamaika waargenoomen. gemaakt zijn, tot particulier nut van haar Stadof Land. Dezelve was over 't gebeele Lijf in 't ronde , bezet met Het genoomen Befluit van die geene welke de wetgee- borftel-haairen, en geleek in geftalte veel naar de Bas- vende magt in handen heeft, kan geen Wet genoemd terd.Wespen, volgens de afbeelding, die men daar van worden, alvoorens die op eene behoorlijke wijze, aan de in gemelde we*k vindt. Ingezetenen of Onderdaàden is medegedeelt en afgekon- WESPEN-NESTEN, zie GEBAK, pag. 802. digr.
WESTINDISCHEBOSCHSPIN, zie SPINNE- En vermits in de vereenigde Nederlanden, en wel bij-
KOPPEN/i. XXXI. p4g. 3477. « zonder in Holland, de Landswetten, Handvesten en WESTIND1SCHE-BREMS , zie PAARDEVLIE- Privilegien bij de Staaten, jaa Bij den Graaven zelfsbe-
GEN ». VIII pag. 2548. zwboren zijn, kunnen dezelve niet gemaklijk worden WESTINDISCHE-DUIF , zie DUIVEN ». VIL verandert, en is vervolgens een iegelijk wie bij ook mag
pag. 552. zijn, gehouden , zich daaraan te onderwerpen en naar WESTINDISCHE-FAISANT , zie FAISANTEN tegedraagen (H. Grotius dt.Jur. Belli ac Pacis Lu
h. III pag. 715. ' e. 4. ». 8. ö5 de Antiq. Reip. Batav. cap. V.) zoras de- WESTINDISCHGOUDHAANTJE, zie GOUD- zelve zijn afgekondigt, welke afkondiging niet voldoen-
HAÄNTJES ». IX. pag. 915. de is, indien op last van de Staaten, enkel door het Hof WESTINDISCHE-KARPER, zie KARPERS ». van Justitie gefchied, heen maar zulks moet ook in de
IV. pag. 144S. Steden en ten platten Lande, alomme daar men ge* WESTINDISCHE KNORHAAN,zie KNORHAA- woon is publicatie te doen,. gefchieden.
NEN «. III. pag 1535. WESTINDJSCHE-KREEFT, zie KREEFTEN ». Doeleindens enz. der Wetten,
IÏI. pag. 1632. , ' Dewijl ieder Genoodfchap of Gemeenfchappije; uit
WESTIMDISCHE-MAKREEL, zieMAKREELEN haar eigen aart eischt, dat men voor 't welzijn vanille
%. IX. pag. Î045. haare leden zorge, zo is het ingevolge dat grondbegin- WESTINDISCHE ONGEVLEUGELDE BIJE, zie zei, dat men over de doeleindens der Wetten moet oor-
ONGEVLEUGELDE BIJEN, n. I. p. ï.380. deelen ; en dat doeleinde ten opzichte van den Souverain WESTIN DISCHE-POMPELMOES, zie ORANJE, befchouwt,, moet niets ftrijdigs bevatten met herdoe!«
BOOM n. 43. pag. 2450. einde van die zelfde Wetten, tsn aanzien van de Onder« WESTINDISCHE.RAAF, zie PAPPEGAAIJEN daanen befchouwt.
n.l pag. 2591. ' Het doelwit eener Wet ten aanzien van de Ondewaa- WESTINDISHE-RATELSLANG, zie RATEL. Jien, beftaat, dat die er hunne daaden mede zulken ever-
SLANGEN ». III. pag. 2911. -. : ^D' |
|||||||
|
wïiff
|
|||||||
|
J
|
|||||||
|
W&fl
eenkengenY en zfcbf door dat middel gelukkig maaken.
Wat den Souverain betreft, het doelwit dat bij z-ieh zel- ven "voorftelt, met Wetten aan zijne Onderdaarien te geeven, bëftaat in de roem en bet genoegen, van- de wijze inzichten die hij'zich voorftelt, tot behoud en ge- luk van zijne Onderdaanen , vervult te zien. Dus moe- ten die twee eindens van Ce Wet niet van een gefchei- den worden. De eene is natuurlijk aan d'andere ver- bonden ; niets dan het geluk der Onderdaanen , wel- }te het genoegen en roem der Souverain uitmaakt. Dat men zich dus wel wagte om te denken, dat de
Wetten eigen'tlijk gemaakt zijn, om de Menfchen een flaafsch juk opteleggen. Een dusdaanig onredelijk doel- einde, zoude onwaardig voor een Souverain zijn, die zijn aart aangemerkt, niet min goed dan wijs en magtig moet zijn, en die altoos ingevolge zijne volmaaktheden handelt. Laat ons eerder zeggen , dat de Wetten ge- maakt zijn, om de Onderdaanen te verplichten, van in ge- volge btinne wezentlijke belangens te handelen , en de veiligfte en beste weg inteflaan om de plaats van hunne voorbefchikking, naamelijk hun welzijn en geluk te bevor- deren. Het is met dat inzicht dat den Souverain hen beter wil beftieren, als zij het zelve zouden kunnen doen, en dat hij hunne vrijheid beteugelt, .uit vreeze datzijdietegens Hun eigen en het algemeene welzijn aan, misbruiken zou- den. Ineen woord, de Souverain gebied aan redelijke we- zens,- het is op die voet dat hij met hun handelt; 'alle zïjne beveelen zijn met het zegel der- reden beftem« pel't; hij wil over de harten regeeren; en indien hij zom- tijds geweld gebruikt, is het om de zodaanigen, die te- g'ens hun eigen weiweezen en dat van de zamenleeving aan, verdwaalen, weder te regt te helpen. WETENSCHAP, in het latijn Scientia, betekend de
duidelijke en volkomehe kennis van iets ; gegrond op door zich zelven klaarblijkelijke beginzeis, ofwel op be« toogingen. Wetenjchap betekend ook Geleertheid , kundigheid
van zaaken door middel van leezen of iludeeren , ver- kregen. Het is het woord Wetenjchap in'deeze laatfte" betekenis genoomen, dat wij onze leezers een vertoog over de opkomst en voortgang der Konften en Weten- (chappen van den Heer Baron de Bielfeld overgeno- men, mededeelen. ' De Gefchiedenis der letteren leert ons den oorfprong,
den voortgang, het verval, en de weder opkomst van alle Kunden en Wetenfchappen , zintsden aanvang der wereld tot op onze dagen, kennen. Zij is óf algemeen, *n befchouwt als daa de Geleertheid in haar geheele uitgeftrektheid; of bijzonder, wanneer zij elke kunst en ieder Wetenjchap , hoofd voor hoofd , behandelt; van de eerfte zullen wij hier alleen gewaagen. V,;_ .Wie van Menfchen fpreekt, fpreekt van weezens be-
deeld met een redelijk vermogen; waar Menfchen zijn is deeze natuurlijke bekwaamheid. Dit heeft plaats ge- bad van het begin der eeuwen , dit zal volduuren tot de voleindiging der wereld. De eerfte werkingen van smenfchen geest betreffen zodanige voorwerpen , als tot zijne eigene behoudenis behooren, en de tweede zo- danige, die zijne behoeftehs können vervullen. Deeze twee voldaan zijnde , begint 'smenfchen geest te rede- kavelen, hij word, zonder het te weeten , zonder het te beoogen , een Phïlofoopb, 'on ongevoelig doet de re- dekaveling en ervarenis hem in wijsheid toeneemen. De eerfle Menfchen hielden zich natuurlijk bezig, om z'ch te befchermen tegen de hoofdftoffen, de wilde Die- |
|||||||
|
WET. #T57
ten, étt andere Menfchen, bijkans even woest als de
Beesten des velds, en om hunne natuurlijkebehoeftens te voldoen. Ziet hier tevens de rede waarom barbaar- fche en onbefchaafde Volken, waarom Volken, die in geduurige oorlogen leevén, of door armoede de nood« zaaklijkfte leevensbehoeftens, fchaars kunnen bekomen, altoos dom en zonder Kunften en Wetenfchappen ge- weest zijn, en altoos zullen zijn. De eerfle Menfchen, van welken wij kennisgekree-
gen hebben, onthielden zich in Afie , 't geen wij hei! Oosten noemen, wegens de plaatslijkegelegenheid van dit Werelddeel, ten onzen aanziéne. Zij kwamen on- ge t wij ffe ld met dezelfde bekwaamheden van geest, als hunne Nakomelingen, ter wereld. Zo ras zij voor hun» ne veiligheid, en leevens onderhoud gezorgd hadden , begonden zij natuurlijk te denken en op te merken. De; noodzaaklijkheid zelve maakte hun ijverig en arbeid- zaam. Wij moeten gevolglijkden eerften oorfprong der Kunften en Wetenfchappen, in het Oosten zoeken, waar* de eerfte Menfchen woonden. De Gefchiedkunde ftaaft, het geen de rede regtmatig in dit ftuk verwagt. Zij toont hoedanig de ftaat der letteren was, in't oud Arabie, ni Egijpte , in Sijrie, te Babijionie, in Perfie, bij de Pheniciers, (een Volk waaraan wij deSchrijf-kunstver- fchuldigd zijn, en in wier land de Kunften en Weten- fchappen haare wiege fchijnen gehad te hebben.) Zij vermeld ohs hoe ver het menschlijk verftand, in die eer« fte eeuwen, het gebragt hebbe, in andere deelen der bekende Wereld. De gedenktekens welke overgeblee- ven zijn, van die langvoorleedene tijden, als, bij voor- beeld, de beroemde Ruïnen van Palmijra, eene Stadt in Sijrie nabij woest Arabie, ftrekken tot genoegzaame Bewijzen, dat die eerfte eeuw der Kunften en Weten* fchappen, nog vergeeten, nog veragt moet worden; dat de heerlijkfte uitvindingen den Grieken niet toebehoo- feii, naardemaal de oude Volken uitgemunt hebben in Kunften, die de Grieken nauwlijks tot volmaaktheid bragten, en nimmer, aan hunne werkftukken, dat lee- ven, die grootsheid gaven, zo duidelijk in de Kunst« (rukken hunner voorgangeren te ontdekken; en men mag met rede veronderftellen, dat Volken, in de Bouwkunst uitmuntende, niet geheel onbedreeven geweest zijn irr andere Kunften en Wetenfchappen, van welke, dooi? het lang verloop des tijds, geene overblijfzels tot ons ge- komen zijn. Laat ons hier eene gewigtige aanmerking voordraa-
gen. Men blijft in degewoone verwarring, wanneet men ziet, dat heden ten dage groote vernuften, en geesten;, anderzins van geene Wijsgeerte ontbloot, zich ovérgeeven aan dedroomerijen van aan deluchtsge«. fteldheden, en aan zekere gewesten, met uitfluiting van andere, die meer of min gemaatigd of heet zijn, de uit- vinding en het volmaaken van de heerlijke Kunften en Wetenfchappen, toe te fchrijven. Men is er zeer op gefield om aaneen verborgene invloed, eene overeen- komst, en duizend,andere harfenfchimmen, waarvoor men geene rede weet te geeven, geloof te flaan. Maat hij, die de moeite wil doen,. om 't gezegde in den aan- vang te overweegen, zal buiten twijfel uit dergelijk eene dooling gered worden, 't Is het algemeene zeggen, dat de Dichtftukken en andere Schriften der Oosterlin- gen, een zeker leeven, éen zeker vuur, eene zekere verrukking in zich hebben, volkomen onnavolglijkvooc hun die dé koudere . Westerfche Landen bewoonen. Maar ftëekt er in dat verrukkelijke zo gröót eene ver". Ddd a dien- |
|||||||
|
\
|
||||||||
|
WET.
de middel-eeuw van het Griek febe en Oosterfche Kei.
zprrijk, tponen dit ten overvloede. . ~~~~ Ais een vierde porzaak heeft men aan te merken, de óngelukki. ge en aanhoudende, opvolging van onkunde , dwaaze Vorsten, die tevens heersçhzugtig, en geene begunfti. gers van den Letterarbeid zijn. De redenen hier van zijn ligt te bevalen, en de voorbeelden al te haatlijk om op te haaien. ; Verbeeld u, integendeel, een land, onder welk eene
lucbtftieek het u behaage, laat daar de vrede plaats heb- ben, laat de rijkdom en overvloed in 't zelve woonen; laat de magt der Kerkelijken binnen behoorlijke paaien omfchreeven zijn, laaten, verlichte Vorften den throon bekleeden, omringd van bekwaame Staatsdienaaren en onderfteund door wijze Overheden, gij zult zien dat er groote Vernuften , Meesters in allerlei Kunften, en Leeraars in alle zoorten van Wetenfchappen opftaan. Dit zijn de natuurlijke oorzaaken van den voortgang of het I verval der letteren ; 't gezond verftand vindt'ze, zon- der moeite, zonder veronderftellingen, en bedrieglijke redenkavelingen.te maaken , zonder de toevlugt te nee. men.tot verborgene oorzaaken, of den verfchilleiiden aart der Iucbtftreeke. Dan laaten wij. tot de groote I hoofdzaak wederkeeren. - ; . De tweede eeuw, of het gelukkige tijdperk voor de
Kunften en Wetenfchappen, is de tijd die de regeering van Phi lippus voorging; doch die, geduurende zijne regeering, en de- eerde jaaren van Alexanders heer- fchappij, ten einde liep. In dien tijd zag Griekenland, boven alle andere landen der waereld, Plato's, Abi- S.TOTELESSEN, DeMOSTHENESSEN , PeRICLESSEM , A- |
pellessen , Phidiassen en Praxitelessen bloei«
jen. ,-Ds derde eeuw i's die van GassAR en Augustus, der
onfterflykheidgewijd door Lucretius, Horatius, Vir» oilius," OviDius, Cicero, Titus Livius, Caesar, Varro, Vitruvius, enz. .De vierde eeuw begint met Karel den Grooten»
een Monarch, die, door het .Westersch Keizerrijk te herftellèn', ook tevens de herfteller en een Vader der letteren, en zelve zo geleerd is als men toen, de tijden I In aanmerkinge genomen zijnde,weezen kon;bijfchreef boeken, en onder anderen eene Spraakkunst zijner Moe' I dertaale; hij zogt niet alleen zijne natuurlijke onder- daanen te verlichten, maar ook* de overwonnen Vojken; bij deed ftarrekundige waarneemingen; hij richtte Schoo- ien op in alle zijne Staaten; hij trok de Geleerden in Frankrijk, en deedt den beroemden Alcuinus uit Enge- land koomen; hij liet de wetten en gebruiken van de linden, aan zijne hëerfchappije onderworpen , in ge- fchrift ftellen, en, in de uuren zijner uitfpanninge, de gefchiedenisfen van de Koningen 'zijne Voorzaaten , of eenig werk van den H. Augustinus leezen; bij teken- de zelve onderwerpen en bedekken; hij verzamelde alle de oude verfen, die de treffelijke daaden der Duitfchers en Franfchen vermelden , om hem tot eene handleiding te.dienen in het opirellen hunner Gefchiedenisfen, die j bij voor hadt te fchrijven; hij liet de H. Schrift in de. Duitfche fpraake overzetten, enz. 't Is waar, deeze was.ongelukkig genoeg, om te deelen in de overblijf- zelen der woeste "önwetënbeid van de onmiddèlijk voor- gaande tijden, en hadt geene geringe ftoorenisfén door de oorlogen, die geduurende de regeering van Karbi- den Grooten gevoerd wierden;, maar zonder, deezen hraaven: Vorst, was het gedaan geweest met de letteren;. |
||||||||
|
4158 WET.
dienfte? zetten die Hebreeuwfche en Oosterfche wij-,
zen van fpreeken, die vergetrokkenegrootfpraaken,die gedronge gelijkenisfen , die reusagtige verbeeldingen, die onophoudelijke vercieringen; zo veel fchoonheids bij ? Is die zwellende friji zo voortreffelijk? 't Schijnt in tegendeel dat de Menfchen, naar maàte zij wijzer ge- worden zijn, ook afgezien hebben van dat valsch fçhit- terende, dat zij meer en meer het geduurig höogvliegen wel hebben willen verwisfelen, voor zich bij de aarde te houden, en de natuur natuurlijk naa te volgen. , Ten anderen waren de oude Oosterfche Volken, en
de Egijpten'aars gewoon zich beeldfpraakig, en doot al- lerlei flag van figuuren uit te drukken. Dit was de fmaak der Natie, hier yan geeft hun ftijl in dicht en on- dicht overvloedige bewijzen. De Pfalmen van David, en de Schriften der Fropheeten , zijn vol van deeze beeldfpraakige manier. Het zou misfchiengevaarlijk en te gelijk niet zeer oordeelkundig zijn hun te volgen. Dog indien het fchrijven met-zulk een vuur, met zulk een aandrift, het uitwerkzel was van de luchtsgefteldbeid, moest men die ook befpeuren in de tegenwoordige be-^ woonders dier zelfde landftreeken. Dog de ondervin- ding' bewijst het tegendeel. De. hedendaagfcbe Ooster-* lingen zijn koel, vadzig, en hebben niets van de vuu- rigbeid hunner Voorvaderen overgehouden, dan alleen, in de grootfche tijtels .die zij hunnen Vorften geeven. De' oude Grieken waren, fnapagtig; de tegenwoordige zijn flilzwijgend van! aart. Ce oude Romeinen waren çinstbaftig, deftig, bekwaam in den oorlog en ffaatzaak en," gefchj'kt 'tot de Wijsgeerte ; de Inwóon'ders van, hethe-. dendaagfche Rome en Italie, zijn leevendig, vlug, groot en fchöonfpr'eekend, geen oorlogslieden, listig, door« trapt en arbeidzaam. Gansch tegen o'vergefteldé karak- ters. . Zijn dan de lucbtftreeken veranderd?. .' . De noodlottige tijdsgewrichten voor fünften en We-
tenßhappen ontdaan uit vier voornaame oorzaaken. De, eerileis.de Oorlog. Volken, die, zonder ophouden, In de wapenen geduurig bezig zijri'met veldflagëh eri be- legeringen, hebben geen lust of tijd, om zich op dé; Letteroefeningenen Kunften toe te leggen. Zo dra als Afie altoos in de wapenen was, na dat Phi lippus, Alexander en hunne opvolgers het in 't hoofd gekrëe- gen hadden, om overwinnaars te worden; wanneerwoe- fte en oorlogstugtfge Volken in Europa doordrongen, en zich daar nederzetten, vielen de Zanggodinnen, ver- doofd door het geluid der wapenen » in eene flaapziekté. T■-' De tweede oorzaak is de Armoede; een arm Volk heeft te veel te doen , met de onvermijdelijke leevens noodzaaklijkheden te verkrijgen, om "zich over te geeven aan, de beoefening der Wetenßhapperi; ende iiitfteekendfte vernuften', die er zeer gelukkig in zouden flaagen, vinden in hun Vaderland, geen opwekking, geen aanmoediging, geen bélooning. In Engeland en Rolland daar en tegen ziet men de Kunften en Welen» jchappen bloeijen,onder debefcherming des overvioeds, te. midden van" eenen noesteir Koophandel. «--Als çenen derden oorzaak mag men Hellen, een kwalijk be- greepene Godsdienst^ die ift bijgeloof, geestdrijverijen dwinglandij ontaart is. ' Niets .ftaa't de vorderingen van 's Menfeben geest meer in den weg. De belemmerin- gen, die de Kerkdijken den Wijsgeeren veroorzaaiien.,' ßuiiten alles. De gefchiedenis van alle eeuwen., en van alle Volken, levert van dit ftuk de bekiaaglijkfte voor- beelden op. A Hes is yerloorén, wanneer de Geestlijk- fieM biet; de overhand, heeft.. Dè Gedenkschriften van. |
||||||||
|
.
|
||||||||
|
WET.
|
|||||||||||
|
WET.
|
|||||||||||
|
4»59
|
|||||||||||
|
hij behieldt ze, hij liet de overblijfzels opzamelen, en
deedt alles wat hij in dien tijd doen kon , en 't geen moegelijk niemand anders, dan hij, zou kunnen gedaan hebben. ' - ... De vijfde eeuvj is die, w«lke den naam van Paus Leo
Jen Xden op 't voorhoofd voert ; een tijd waar in een burgerlijk Geflagt, naamlijk dat der Medicis, verwon- derens waardige poogingen deedt tot het herfteiI der Kun- den en Wetenjchappen, die ook ter belooninge dit Huis tot grootheid en roem opvoerden. "£0 veele bekwaanie Schrijvers, zo veele groote Mannen, hebben gezegd en gefchreeven, dat de Kunden en Wetenjchappen uit het Oosten, Griekenland en Kooftantinopolen, gekoo- men zijn, om eene fchuilplaats in 't Westen te zoeken, na het inneemen dier Stad door de Turken, dat men niet dan beevende deeze kwaal kan te keer gaan, en beftrij- den. Ondertusfchen heeft men nooit bij eenig volü, de geestdrijverij, het bijgeloof, de onkunde en onbe- fchaafdheid, meer zien heerfcben dan in het Oosiersch Rijk, ten tijde van het inneemen der Stad Konitantino- polen. De Heer de Montesquieu'zegt er van " eene verregaande bijgeloovigheid, die 's Menfchen geest zozeer vernedert,als den Godsdienstdenzelven ver- heft, (lelde alle deugd en vertrouwen der Menfchen, in eene domme gezetheid op de Beelden, men zag Veldheeren een flag leveren, en een Stad verliezen, om eenig Heilig overblijfzel te bekoomen" -------~
Wanneer ik, " vaart hij voort, " denk om de diepe
onkunde waar in de Griekfche Geestlijkheid de Jeeken dompelde, kan ik mij niet onthouden van ze te ver. gelijken met de Schijten , die , naar 't verhaal van Herodotus, hunner Siaaven de oogen uitboorden, op dat geene voorwerpen hun zouden aftrekken, als zij boter karnden " nevens, " de drift der gefchiilen werd den Grieken zo eigen , dat Contacuzene , wanneer hij Kondantinopo- len bemagtigde, den Keizer Jan, en de Keizerinne Anna, bezig vondt in eene Kerkvergadering tegen ,', eenige vijanden der Monniken,1 en wanneer Maho- ,', met de Ilde, die Stad belegerde, kon zulks deGod- geleerde gefchiilen niet doen ophouden ; men dagt meer om de Kerkvergadering te Florence, dan om de krijgsjmagt der Turken. Laat iemand nu, ter goeder trouwe, mij zeggen welk
een onderftand voor Kunden en Wetenjchappen, men van zodaanige elendige Heden kan verwagten? Weik draaglijk boek, dat een verflandig Man kan leezen, is er overgebleeven van het-geheele laage Rijk? Welk gedenkteken van de fraaije Kunden is er voor handen? of welke voetftappen vindt men daar van beden ten da- ge te Konftantinopolen of in het Oosten ? -De groote Tempel van St. Sophia, de Hoofdkerk van 't Griekfche Rijk, is een elendig'gebouw, zonder fmaak, zonder bouworde, een fchandvlek der Kunst? Geen dandbeeld, geen laagverheeven beeldwerk, geen fcbilderduk, geen vers, geen ondicht, niets, meteen woord, is uit het laage Rijk tot ons gekoomen, of het bewijst het, verval ff. den ondergang der Kunden en Wetenjchappen-, in die Woeste en bijgeloovige tijden. Hoe zouden ze dan, me? moogeüjkheid , van daar in Europa overgebragt wee- zen? Ik ben niet onkundig dat, omtrent dien tijd, ee» Oige ArabifcheDweepers in Italie kwamen, en zich voor --eeraars uitgaven , maar hunne Redenvoeringen en Schriften drekken ten bewiize van hunne armhartigheid.. t Waren dergelijk flag van lieden niçc,, die.de. Kunftejx |
|||||||||||
|
en Wetenjchappen uit Aße in Europa bragteri; maar 't
waaren Leo de Xde , Karel de Vde, François de Ie,- Henrik de Vlllfte, en andere groote gelijktijdige Vor- den , die dezelve aanmoedigden, befcnermden, en het genoegen hadden om bekwaanie Geleerden, van allerlei flag, te zien opftaan,- toen verfeheenen de Kundenaars- Michael Angelo, Raphaël, Tptiaan, Tassso,. Ariotto, enz. Dat, in ouden tijde, de Kunden uit Griekenland in Rome gekoomen zijn , wil ik zeer gaar- ne geiooven; naardemaal ze toen met meer geluks tri' Griekenland beoefend wierden, dog 't is onmoogelijte van eene plaats, waar niets is, iets te baaien. Men is,, derhalven, de herftelling der letteren te eenemaal aan- 't Westen verfchuldigd. De zesde eeuw eindelijk is die, welke de Heer .de Vol-
taire , de eeuw van Louis den XlVden noemt. Zij' neemt een aanvang omtrent den jaare 1650, en volduurc tot onzen tijd. Zij is verrijkt met de ontdekkingen van- alle voorgaande eeuwen, en heeft meer gedaan dan de- vijf andeie tijdperken tezaamengenoomen. De Mensch» lijke rede volmaakt zich door geheel Europa, en elk befchaafd volk doet de grootfte en gelukkigfte poogin*- gen, om de algemeene Geleertbeid ten hoogden top- punte van volmaaktheid op te voeren, 't Is de Alge- meene Gefcbiedenis der Wetenjthappen, die ons in 't bijzondere en in 't breede leert, wat er.geduurende die: zes eeuwen , uitgevonden , ontdekt en tot volkoometi- heid gebragt is. Onafhangiijk van deeze algemeene tijd- perken, leert de gefchiedenis der letteren , de verfchil- lende lotgevallen, welke de Kunden en Wetenjchappen, in elk Land bij ieder Volk, ondergaan hebben. Zij doec ons den oorfprong', den voortgang en tegenwoordigeti» daat der letteren zien in Duitschland, Frankrijk, Italie, Engeland, Holland, Spanje en elk befchaafd Land van Europa, ja ftrekt zich uit tot andere Werelddeelen- 1 Over den invloed der fraaije Wetenjchappen op
het Gemoed en de Zeden, van den Heer C. F. Gellert overgenoomen. Niemant ontkent of zal ooit ontkennen, dat de fraaiV je Wetenjchappen het verdand fcherpen, de inbeelding- kracht befchaaven, en het geheugen met eene meenig- te van kundigheden verrijken, zonder welke men zich nooit nog in de Goddelijke, nog in de Menfche- lijke Wetenjchappen, nog in de openbaare, nog in de: htiiflijke bezigheden, boven het middelmaatige kan Ver- heffen. Ik zoude onze eeuw onteeren indien ik zulks- wijdloopig wilde bewijzen. Men flaa bet oog op den, ecrwaardieen rei van Kenners en Leeraars in alle foor-: ten van Wetenjchappen, wier voorbeeld tot derker be- wijs dan alle betoogingen eens Redenaars zal drekken;; Door welke middelen zijn zij tot die hoogte gedegen?' Waardoor verwierven zij alle de-verdienden en verhe- ven kennis, die wij in heneeren? Waardoor plaatden zij zich in den ftand om anderen zo veel licht, gron- dige kunde en vermaak te geeven ? Daar door , dat zij de naauwe grenzen van vaste regelen en ftelzels be- iehroomd doorliepen; dat zij hun geheugen met eene- meenigte lee>lige en drooge zetregels bezwaarden ? Of-I daar door, dat zij zich eene naauwkeurige kennis der- taaien , der oudhei-J en der zeden aller tijden eigen/, maakten, dat zij de Heilige en Wereldlijke gefchiede-- nimfen zorgvu'dig leerden verdaan;: ciat- zij zich met de- meefterdiikken, zo, wel der Dichtkunde1 als Wel;(pree- kendheid,, bekend maakten, en den geest en de fehoon- D d d 3: heidi |
|||||||||||
|
WET.
fchriften > maar 'ook in onze gefprekken eiï hàndelin
gen volgen. Haar invloed itrekt zich niet alléén o» onze manier van denken, maar ook op ons gantsch karakter uit. Zij waakt, gelijk een trouwe opzicht fter, over alle plichten onzes leevehs, en leert ons ongevoelig de goede wijze, van die te verrichten. Zij maakt ons niet deugdzaam, maar zij "geeft ©nze deug. den eene waarde en bevalligheid, die zij zonder haar niet hebben zouden. Waar door zal ik dit bewijzen? |
||||||||||||||||||
|
WET.
|
||||||||||||||||||
|
4i6o
|
||||||||||||||||||
|
heid der oude en hedendaagfche Schrijvers, door leezen,
'overdenken, en navolgen , eigen maakten ? Het is waar, de naam van een groot Geleerden word niet door ftu. deeren, niet door regelen, niet door kunst en nacht- waaken alleen verkreegen; daar wojrd geest, daar word eene zekere natuurlijke grootheid en levendigheid der Ziele gevorderd, welke den Mensch tot alle groote on- derneemingen moet opleiden. Wat vermag egter het beste vernuft zonder onderwijs, zonder kunst, zonder |
||||||||||||||||||
|
oeffening ? Wat zal de grootfte geest voortreffelijks Door grondregels, die uit de eigenfchap der Zielzen
voortbrengen, wanneer hij nog niet door Wetenfchappen der fraaije Wetenfchappen getrokken zijn; ofwel door befchaafd,. nog niet meteenen voorraad van fchoone getuigenisfen en voorbeelden? en nutte gedagten uitgerust, met eene meenigte van Men ftelle zich eenen Beminnaar der fraaije Weten leevendige denkbeelden verfierd, nog niet met defchat- fikappen voor ; een man, die de meefterttukken der O " ten der .taaien en. der uitdrukkingen verrijkt is ? Zou den en Hedendaagfchen leest, en met aandoenina leesr' |
||||||||||||||||||
|
die 't geen daar in fchoon, edel en -verheven is niet
alleen terftond ontdekt, maar dat fchoone, dat edele, dat verhevene zelfs gevoelt, en des te fterker gevoelt hoe meer hem de aandoenende toon en de leevendige af beeldzelen, in welken hij die uitgedrukt ziet, ver- rukken; die de groote voorbeelden van menscblieven- heid, van tederheid, van vriendfchap, van dankbaar- heid, van liefde tot het vaderland, van heldenmoed, van waare eerzucht, die hij overal in de werken van' geest ontdekt, niet alleen bemarkt,- maar diep, en des te dieper in zijn hart prent, om dat zij hem in haar beminnenswaardigfte geftalte, in haar fchoonfte licht vertoond worden ; men ftelle zich een Man voor, die de fraaije Wetenfchappen zodaanig doorgrond , de volgeeftige werken der Ouden en laatere Schrijvers zodaanig leest, en over dezelven fpreekt, en men oor- deels of het nut zijner ftudie alleen in zijn verftaad wat regt, wat deugdzaam is, maar niet met neiging blijven, dan of het niet mede in zijn gemoed, in zijn en ijver voor de deugd en rechtmaatigheid, voor het zeden, in zijn ieevenswjjze zal overgaan ? Zou iemand, edele en verhee.vene vervullen? Indien de nuttigheid die de waarde der vriendfchap, de heiligheid des ge- der fraaije Wetenfchappen alleen aan betftudeervertrek geeven woords, het vernoegen van eene edelmoedige, |
||||||||||||||||||
|
of met dankbaarheid aangénoomene weldaad zo dik-
wils ondervorjd; die zo dik wils op het leezen van eene treffende blijk van tederheid en mededoogen, zich voel- de aangedaan; zo dikwils door een verheven voorbeeld tot groote befluiten wierd aangefpoord; zöir die in de faamenleeving zo ligt een ondankbaare Burger, eenftren- ge Huisvader, een moeijelijke Echtgenoot, een trouw- loóze Vriend, een onaangenaam Medemensen, een koelzinnige en onwerkzaame aanfehouwer van een an- ders ongeluk, kunnen weezen? Zou zijn hart, door de fraaije Wetenfchappen gewoon van 't fchoone en 'tgoe- de aangedaan te worden, hem in zijne handelingen, in zijne redenen; met een woord, in alle verrichtingen zijn leevens, niet even zo wel als in 't leezen of fchrij- ven door eene geheime ftemme leeren wat bij ieder voorval, op ieder-plaats, in iederverbindtenis fchoon, goed en welvoeglijk; wat te veel of wat te weinig zij? Ik beweer hier doorniet, dat de oefening der fraaije'
kunsten ons deugdzaam maakt; maar alleen dat zij de deugden, welke wij aan de natuur of liever aan den Godsdienst te danken hebben, aangenaamer en gebruik* baarder maakt. Wat voordeel voor het leeven ! Oiü dit'duidelijker te befchouwen, zo ftelle men'zich den Beminnaar der fraaije Wetenfchappen-, den Man nog een- maal voor, dievdoor het leezen. der Schrijvers weet hoe veel een zaak wint door'de wijze op welke zij voor gedraagen word, hoe men die ten voordeele kan doen keeren, en aan anderen ook 't geen zij ongaarne hoo- ren
|
||||||||||||||||||
|
en den Schrijver is bepaald; indien ze ons niet in de
wereld, in de zaamenleeving, in de bezigheden des leevens en in onze wooningen volgen, indien ze on- zen' geest flegts verlichten zonder hem met goede en edele aandoeningen te verlieren; indien zij ons bijeen uitgebreid verftand, een ruw en onbefchaafd hart ha- ten ; zoo luidere men niet naar mijne vermaaning om de Wetenfchappen te leeren kennen! men icbrijve die toe aan partij fchap ! men merke die aan als een ver- dagte ftemme eens Leeraars, die alleen aanprijst dat geene, waar mede bij zich bezig houd, en om die re- den aanprijst dat hij er zich mede bezig houd, niets an- ders prijzende dan 't geen zijn hoogmoed ftreelt! Maar indien ik bewijze: dat eene grondige kennis der fraaije Wetenfchappen eenen grooten invloed heeft op ons gemoed en op de zetten'in ome zamenleeving; zo weigere men zijn liefde en vlijt aan deeze kunden niet ! Wanneer men de fraaije Wetenfchappen wel en vlij-
tig' beoefent, verkrijgt men een zekeren goeden finaak, d&t is een fijne, vaardige en wezentlijke aandoening van. alles, wat in de werken van geest, zo wel in enkele gedagtenen uitdrukkingen , als overal in 'tgan.sch ifghaam-des werks, juist, fchoon, edel, welluidend; e» daarentegen" van alles, wat gebrekkelijk, wat dof, vfttt laag," wat ongegrond en wanftallig is. Deeze fij- ne aandoening,, die aan de eene zijde van een geheim vergenoegen,'en aan de andere van; een heimlijk mis- noegeti verzeld gaat; deeze goede fmaak word-ons door dc-oefening z& eigen, dat wij die'friet alleen in onze |
||||||||||||||||||
|
VfET.
ttfi van eene bevalh'ge zijde kan vertoonen. Een Man,
die uit den geduurigen omgang met goede fchriften de kunst geleerd heeft , om alles-wat in de gedagten of uitdrukkingen laag, laftig, harden onaangenaam is te vermijden ofte verbergen, en overal de gevoeglijkheid jn acht te neemen; zou zulk een Man, wanneer hij met Bloedverwanten, met zijne Wederhelft, met zijn jfjnderen, met Begunftigers , met Raadpleegers , met Vrienden frJreekt en handelt, die aandoening van ge- voeglijkheid, die hem altoos als eene waakz.aame vrien- din verzelt, niet ongemerkt gehoor verleenen ? En zou de kundigheid met welke hij de plichten der deugd en wellevenheid verrigt, niet zelf die plichten eene nieu- -re waarde fch.enken ? Zou hij beledigend zijn wan- neer hij fçbertst, ftuursch wanneer hij berispt, mees- terachtig wanneer hij gebied, roemzugtig wanneer hij weldaaden uitdeelt ? Zou hij boersch en laag zijn in zijne redeneeringen , en zou zijn omgang lastig en verveelende zijn? hij, die door de fterkfteaandoenin- gen onderweezen, zo wel weet wat in de voortbreog- aelen van 't verftand edel, grootsch, natuurlijk, vrij, fthoon of niet fcboofi zij ? Men denke echter niet dat het oefenen der fraai je We-
tenfchappen alleen in zo verre goed zij als men een Schrij- ver, of een leeraar in dezelven worden wil , als men zelf een Redenaar, een Dichter, een Hiftorifchrijver zijn wil. Neen, haar geest zal ons als een trouwe tnedgezel in de huislijke bezigheden , in de ftaatsbe- langen, in de krijgsonderneemingen volgen. Hij zal den Cicero bezielen, wanneer hij in Rome verdedigt of aanklaagt ; hij zal hem ook bezielen wanneer hij re- geert, wanneer hij het vuur der zaamenzweering dempt, Rome aan zijnen ondergang ontrukt, wanneer hij het iot van enkele perfoonen en geheele landen uitwijst. Dezelfde goede fmaak, die in zijne fchriften heerscht, zal hem ook bijblijven wanneer hij met zijn vrienden van huislijke zaaken fpreekt, wanneer hij brieven fchrijfc. Dezelfde geest van welgefcbiktheid, van ver- ftand, van overeenkomst, die Paulus Emilius een Leger voordeelig leert in flagorde ftellen, zal hem ook een algemeene feestvieringe voor gantsch Griekenland met bekoorlijke prägt leeren beftieren. Dezelfde ede- le aandoening, diePLiNiüs doet blijken, wanneerhij Jen lofredenaar is van Trojakus , zal hij ook doen Wijken, wanneer hij den roem zijner gemalinne uit- fpreekt , wanneer hij over zijne liefde fchrijft. De- zelfde geest van Menschlievenheid, die hem beweegt, wanneer hij bij een Trojaan fmeekt voor zijne vrien- den, zal ook zijn pen beftieren wanneer hij de zaak der Chriftenen verhaalt. Dezelfde goede fmaak, waar me- de een Koopman de werken van vernuft doorleest, zal hem ook in de bezigheden van zijn handel aangenaam -"il welbefpraakt , en in zijne uitvindingen nieuw en zinrijk maaken. Maar, dunkt mii zommigen te hooren zeggen, indien
«e kennis der fraaije fFetenfchappfn invloed heeft op "et hart, op de »zeden en handelingen der Menfchen , waar van komt dan dat zich onder de zulken die hun pntfcbe leeven die kunsten hebben toegewijd, zo vee- 'e zedenloozen, lastigen van ommegang, twistzugti- Sen, hoogmoedigen, wellustigen en pedanten bevin- den? Hoe veele, wien men de verdiensten van geleerd- £e>d niet kan weigeren, hebben door deergerlijkfte wer- ^n. die .zij gefchreeven hebben, door de fchandelijk- «B Wisten, de goede zeden niet onteerd? Moet men |
|||||
|
WET, 4ir7ï
uit hunne fchriften hun inborst niet opmaaken? 'e Is
waar, deeze tegenwerping befchaamt den liefhebber der fraaije IVetenfchappen, maar doet geen nadeel aan mijne zaak. Jk heb de fchoone kunden geen tooverkragt toe- gefchieeven, die haare beoefenaars in weerwil van hun zelven tot betragters van goede zeden maakt, en alle onedele harten in edelen verandert. Het is ook niet moeijelijk de oorzaaken te ontdekken, waaromveelen van hen, die zich aan deeze kunften hebben overge- geeven, dikwils van een gefchikten omgang, en dat geene, 't welk men wellevenheid noemt, zo ontbloot zijn. Greetig naar hunne wetenfchappen , verflijten zij' zich op'hunne Studeerkamers, en ontvliedende verkee- ring, waarin zij hunne kennis leeren zouden -wel te ge- bruiken. Zij blijven vreemdelingen op het fchouwto-, neel der wereld ; is het te verwonderen dat zij hun- rol zo fchuuw en angftig fpeelen , daar zij bet zelve zo weinig betreeden ? Is het te verwonderen dat zij bij den fmaak, dien zij bezitten, en in gezelfchappen nooit gevonden hebben , Menfchen fchijnen te weezen zonder fmaak, en, uit vrees van pedanten te gelilken, dikwils pedanten worden? Zo gewis als het is dat deom- megang alleen, zonder inzigt, zonder fmaak, onsniets anders dan de manier der wellevenheid leert, enfchit« terende pronkers of hoflijke gekken voortbrengt; zo ge- wis is het ook, dat de fmaak inde fchoone kunsten, wanneer die niet naar de faamenleeving en naar de wet- ten der welievenheid door den ommegang wordt ge- fchikt, geen Man van goede leevenswijze vormt. Even zo ligt is het de oorzaak te vinden, waarom die geenen , welke zich aan deeze kunften toewijden , bij een verbe- terd verftand zomtijds nog een onverbeterd hart behou- den, en zo ligt hoogmoedig en verwaand worden. Zij fludeeren om veel teweeten, om te kunnen berispen, om anderen te overtreffen; en zij beloonen zich voor hunne vlijt door hoogmoed en 't verachten van anderen. Zij denken niet aan 't geen zij bedrijven, maaralleen altoos aan zich zelven. Zij ftudeeren niet meer om de fcrjoonheden der Schrij-
vers te ontdekken en te gevoelen, maaralleen om hun- ne geleertheid te doen blijken. Derhalven zijn bet de IVetenfchappen niet,maar hun fiecbtgebruik die dekwaa- de zeden van veele geleerden voortbrengt. Zien wij zelfs niet veelen de leer van den Godsdienst, die hun verftand volkoomen bevat , door een onheilig ieeven on teeren? Zouden wij zulks als gebreken aan den Gods- dienst toefchrijven, aan den Heiligen Godsdienst, die eindeloos meer dan eene menfchelijke wijsheid de kragt heeft om de harten te verbeteren? Hoe onontbeerlijk is het licht onzer oogen, en hoe zeker is het echter dat te veel licht verblind! Zou de wijn, omdat hij het ver- mogen heeft het verftand te verdooven, en omdat vee- len dien flegts ter verdooving misbruiken, zou die om deze reden ophouden een kragtige artzenij, een koste- lijk gefchenk der natuure te zijn? Wanneer ik derhal. ven beweer, dat de fraaije Wetenfchappen invloed op ons hart en op onze zeden hebben, zo beweer ik zulks alleen van haar regtinatig gebruik. Ik fchrijf haar het vermo. gen niet roe, van een diep ingewortelde neiging uit te roei- jen , en een verdorven hart in een deugtzaamhart te her. vormen; maar alleen de kragt van een hart tot goede en edele aandoeningen opte leiden, en onze deugdenfèboo- ner te ma-ken , dewijl zij onze inzichten verbeteren. Men werpe mii den gierigen Seneca tegen, die zo voor- treffelijk gefchreeven heeft over de verachting'der rijk- dom» |
|||||
|
4162 WET.
dommen; ik: wil gelooven, dat hij gierig zij geweest;
ik beweer egter tevens dat hij zonder y/eienfchap nog gieriger, of op eene laager wijze gieriggeweest zou zijn. Maar Cicero, die groote kenner en bevorderaar der fraaije Wetenfchappen; hij, wiens geest grooter was dan Romens heerfchappij, was hij niet even zo hoogmoe- dig als geleerd? Heeft hij in zijne brieven aan Lucrus niet een eeuwig1 gedenkteken van zijne verwaandheid nagelaaten? Ja, ifciftemme het toe; maar men zij zo verbeeven als Cicero; men hebbe zo veel roemrugtigs verricht, zo veel voortreflijksgefchreeven, zo vee! voor zijn vaderland gedaan; men hebbe Rome, men hebbe de wereld geregeerd; en dan, dan zal deeze zugt naar roem, ten minde een zeer verfchoonbaar gebrek zijn. Men zal mij misfchien vraagen of er niet veele zijn, die, zonder zich in de fraaije Wetenfchappen geoefend -te hebben, van zeer goede zeden, en dikwils van be* ter zeden zijn dan anderen, die hunnen gantfchen leef- tijd daaraan opofFeren, Ik beken het, daar zijn er vee« len ; maar men vraage tevens deeze Menfchen van goe« de zeden naar de verkeering, naar de opvoeding, die zij gehad, naar de boeken, die zij geleezen hebben; en men zal bevinden dat hunne Ouders, hunne Onder- wijzers, hunne Vrienden, enzommige goede boeken bij hen de plaats.der fraaije Wetenfchappen bekleed heb- ben. Hij, die alles greetig geleezen, die fcbatten der wijsheid trotsch in zich heeft opgehoopt, alles wat hem met het voorkomen van geleertheid vleit met moeite onderzogt, duizend ingewikkelde vraagen opgelost, duizend filofoofifcbe fpitsvindigheden nagevorschtheeft; de zulke is het alleen niet, die met regt zich kan be- roemen de fraaije Wetenfchappen bedudeerd, voor zijn gemoed bedudeerd té hebben. Eenander, die alleen ibmmige, alleen de beste boeken vlijtig, met opmerk- zaamheid, met aandoening geleezen, en zo geleezen heeft, dat hij zich dikwils tot zulk fchrijven voelde aan- gefpoord; of die uit de verkéering met geleerde vrienden, het nut van 't leezen zelfs getrokken heeft; zulk een heeft zich ook door de fraaije Wetenfchappen gevormd, zulteen heeft ook uit dezelyen zijn hart en zijn zeden verbeterd. Ja, het zou mij niet verwonderen, dat een enkel goed boek, dat een Grandïson, bij voorbeeld, den opmerkzaamen Leezer meer goede en edele gevoe- lens zou inboezemen, dan een gantfche boekerij van zedekundige werken den geleerden inboezemt, die de- zelven alleen leest om ze geleezen te hebben , om daar over te fpreeken, om met zijne beleezenhèid te kunnen pronken. Dus blijft het zeker dat zelfs hij hem, die Zich niet geheel aan de Wetenfchappen heeft toegewijd, ■ eene vlijtige kennis met de werken van Welfpreeken-
heideri Dichtkunde, inzonderheid zulke, die voor 't gs> moed gefchreeven zijn ; met de werken, die ons ofrJe deugd in haare beminnenswaardigfte geftalte, of de on- ■deugd van haare affchuuweliikfte of verachtelijke zijde
^vertoonen, ook bij hém zal zulk eene kennis niet alleen 'het hart aandoenlijk, maar zelfä hem op zich zelven en zijne eigen gebreken oplettend maaken. En op die wij- ze kunnen de goede en kwaade karakters in de Helden- dichten , in de Treur- en Blijfpelen, in de Romans;, zo -kan een fabel, een verdichtzél, beter dan Cratippus «n jCrantor onderwijzen, naar maate zij 't gelaat des Leeraieesters minder ontdekken; en een dieper enduuri .zaamer. indruk nalaaten* tioe meer zij den Leezer hou- ■den opgetoogen. - ■ »Saat in uwe. gedagten de tijden der aloudheïd na;
|
||||||
|
.' wét: i ;
overal zult gij de fchoöne kunden van eene édelë lee.
venswijze en van gezelfchappelijke deugden verzela aantreffen. Onder haare fchreeden fpruiten, gelijk de roozen onder de voeten der bevalligheden, de aange- naame en beminnenswaardige zeden van Athene uit den grond. Met de fraaije Wetenfchappen kwam de hoflijk- held en de beleefdheid naar Rome, en nooit verfchee- nen zij een volk , waar zij niet van de verftandigen ge. liefkoost, en meer en meer van de meenigte aangenoo. men, haare aangenaamheden de zaamenleeving mede- deelden, en naar maate dat zij de inzichten des volks ver. beterden , ook hunne neigingen en aandoeningen edeler en verheevener maakten. En zou dit anders kunnen weezen? Het is eene algemeene wet,~een eeuwig en onveranderlijk richtfnoer voor onzen geast, alles wat hem onaangenaam en bezwaarlijk is van zich te verwij. deren, en dat geene te zoeken wat hem aangenaam en fchóon voorkoomt. Die zelfde aandoening van orde, van bevalligheid, van overeenflemming, welke wij in de kunstwerken,in régelmaatige enpragtige Gebouwen, in't befchouwen van voortreffelijke Schilderijen, in het leezen van geestrijke Schriften altoos gevoelen; diezelf- de aandoening, die zich ongemerkt in onze Ziel drukt, en zich daar in vest, volgt ons in de gezelfchappelijke en huisfelijke belangen, en leert ons ook daar, zonder dat wij er aan donken, de regelen der wellevenheid, der orde, der natuur te befragten, het ruuwe en ge- dwongene uit onze zeden zo wel als uit onze manier van denken te verbannen, en ten minden den uiter- lijken fchijn der bevalligen, der beleefden, der gefchik- ten aan te neemen, en de goedkeuring van anderen te verkrijgen. Maar wat bewijze ik? Zou ik misfchien de zekerheid
der zaake door mijne bewijzen verzwakt hebben? Is het de eerftemaal dat men eene waarheid benadeeld heeft, door dezelve te duidelijk te willen maaken, daar zij zich beter doet gevoelen dan laat bewijzen? Het ze- kerde middel om mijne Leezers, om de jeugd van de waarheid mijner zaak te overtuigen is, dat zij voornee- men én met allen ijver voortvaaren, zich aan de fraaije Wetenfchappen toe te wijden. Ja, leergierige jeugd!be- min haar , eer haar, geef u geheel aan haar over; zo zult gij niet alleen geleerde en beroemde Mannen wor- den, maar, gelijk gij welgeaarte en beminnelijke Jonge- lingen zijt, zult gij ook,geduurende uw geheel leeven, rëgtfchapene en tedere Vrienden, goede en liefderijke Echtgenooten, dienstvaardige en grootmoedige Begun- ftigers, aangenaame en bevallige Medegezellen, beleef- de en vriendelijke Huisvaders weezen, en de goede finaak in ieder leevensperk, in elke omdandigheid : in ieder gezelfchap, bij ieder voorval eer aandoen. Jaagt dan de fraaije Wetenfchappen ijverig na, en gij zult de waarheid ondervinden van 't geen Cicero zegt tot haa- ren lof: ,, zij voeden de jeugd en vergenoegen den ou- derdom; zij vermeerderen het geluk en verminderen ,, het ongeluk; zij dreklsen tot een aangenaam tijdver» ,, drijf op onze kamer, zonder tot eenige hindernis in onze bezigheden te zijn ; zij overnagren met ons, reizen met ons, vlugten met ons van 't gedruis der Stad naar de ftilte des landsleevens ". Jaagt hen na, en gij zelf'zult het voortreffelijk bewijs zijn van de waarheid der gedagten van den Dichter OviDIUS. ''-■■
Der Kunflcn oefning met beleid,
Maait onze zeden isagti leert ons menschliennh»»- |
||||||
|
:'"*'.' WEIJ. WEZ.
|
|||||||||
|
WEZ. im
|
|||||||||
|
WElJof J7w#, in het îatijn Serum; dus noemt men
[iet wateragtige gedeelte van de melk, afgefcheiden van bet boteragtige en kaasagtige.
ding gefchied gemaklijk door middel van eenig zuur
ftremfel. ■ ■ melk met water oplosfen, en er met limoen-Jap, een wij van maaken, die openend en goed voor de borst is. Open lijf mankende Weij.
Neemt verfche damast-roofen knoppen (papaveris horten-
fis capita), een once; laat dit een nagt in twee pinten verscb gemaakte weij weeken, en klenst de weij dan tot gfibruik af. Deeze weij werkt zeer zagt door den (toelgang, en
word, tot dit oogmerk, bij zommigen in groote ach- ting gehouden. Derzelver werking kan verlevendigt en de fmaak aangenaamer gemaakt worden, door heit bijvoegen van een gepast gedeelte krijfiallen van wijn- fleen. Aluin-Weij.
Neem een pint koeijemelk, en twee dracbma's aluin in
poeder; kook het te zamen tot dat de melkgeftremdis, en fcheid er als dan de weij zorgvuldig af. Deeze weij is een fterk, hoewel niet aangenaam,
zaamentrekkend middel. Het word in vloeden van de Baarmoeder, en zomtijds in depis-vloed gebruikt, wor- dende van Dr. Mead in dit laatfte ongemak als zeer (iienftig aangepreezen. De gifte is een vierde van een pint drie of viermaal daags. WEIJ-CHAMPIGNONS , zie KAMPERNOEL-
IE. WEIJ-DOORN, zie RHIJN-BESIEN.
WEIJ-GRAS, zie GRAS, n. 25. pag. 032.
WEIJOOGENTROOST, zie OOGENTROOST
Si ;",'. p. 2405. ' - WEIJ.RANUNKEL, zie RANUNKEL, n. 13. f.
2893. WEZELEN is de naam van een viervoetig Dieren»
Geflagt, waar onder de Hedendaagfche Schrijvers ver- scheidene gebragt hebben, die gemeenlijk andere naa- nien voeren. De Heer Klein telt twaalf zoorten van Wezelen, de gemeene namelijk, de witte of Hermelijn, de Fret, Europifche. en Amerika anjche Bo?afem, Marter, Sabeldier, Rot van Pharao, JavaanJ'che- en Ceilonfohe* Wezel of Kwasje, benevens eene zonder Staart, en ee- ne die gantsch zwart is, hebbende een witte Staart, uit de Oosterfcbe landen. De Heer Brisson befchrijft dertien zoorten van Wezelen, brengende de GeneuKat ook tot dit Gedagt. De Heer LiNN^usheeft erookde Otters en Veelvraat toe betrokken. De'Kenmerken zijn, zes Voortanden te hebben in ie-
ter Kaak, dog waar van die in de Bovenkaak fcherper en afgefcheiden van de Hoektanden, die in de Onder- kaak (lomperen digtaangevoegd zijn, met tweeinwaard- Z6; de Tong is glad. De Hr Brisson voegt er bij, dat deeze Dieren aan ieder Poot vijf genagelde Vingers hebben, allen van eikanderen afgefcheiden, den Duim y?n de andere Vingers afftaande en hooger gewricht, «et Lijf, zegt hij, is in allen dun en de Pooten kort; waar bij Linn^iüs doet, dat zij loopen met een ge- kromde Ruggegraat, op de Boomeu klimmen en uit dfn een in den anderen fpringen , dog welk laatfte echter geen betrekking op den Otter kan hebben. "■'-' VII Deel. 6 *
|
|||||||||
|
De 'zoorten van Wezelen beftaan volgens dcezen Hetr
in de volgenden, als: de Otter, Veelvraat, Matter, Bontfem, Fret, Sabeldier, Hermelijn, Wezel ei z ï. Brafiliaanjche Otter; Lutra marina. AÜ. Petropol,
1746. p. 2Ó7,; Lutra braßlienßs. Raj. Qjtadr. p. 187. zie OTTER (BRASILISCHE-) pag. 2495. II. Otter; Lutra. Bell. Aauat 31. Gesn. Aquat. 515.
Aldrov. Quadr. 264. Dodart. AS. 147. Raj Qjtadr. 187.; (Lutra digitis aquulibus. Lias.Faun.Suec.) Zie OTTER pag. 2492. III. Veelvraat; Gulo. Ol. Magn. Scheff. Lapp.229-
Raoz. Polon. 339.; (Mustela planus fißs,_ corpore rufe- fusco.Lititf.Faun Suec.) Zie VEELVRAAT pag. 3792. IV. Zwarte Wezel, onder aan den hals met een witte
drielobbige vlak; Mustela barbara. Dit Dierheettde geftalte en grootte van den Marter; dan de koleur is zwart, en het haair ftijver; de Oorlapies zijn rond en ruig; voor de Oogen heeft het een ascbkoleurige plek; vlakken midden onder den Hals, dog niet aan de Keel; vierPrammen agter de Navel. Deszeifs woonplaats zegt de Heer Linnjeus is in Brafil. V. Marter; Martes. Gesn. Quadr. 151. Jonst. Qjtadr.
Raj. Quadr. 200. ; (Mustela fuivo-nigricans, gulapallida. Link. Faun. Suec.) Zie MARTER pag. 1973. VI Fret ; Furo; Mustela ßjlveßris , viverra diStt.
Raj. Qjtadr. 199. Zie FRET pag. 766. VII. Sabeldier ; Zibellim ; Mustela fibellinà. Raj.
Quadr. 2or. Zie SABELDIER pag. 3175. VUL Hermijn-Wezel; Mustela erminea; MustelavuU
garis. Gesn. Quadr. ; Mustela candida five Ermineum. Rnj.Qjiadr. 198.; (Mustela alpina candida. Vagn.äW- vet. 180.) De Heer Brisson onderfcheid-de Hermelijn of Hermijn
van het gemeene Wezehje; dog hij (temt toe, dat dezel- ve er, in gedaante, veel naar gelijkt, en 't is moete- lijk te onderfcheiden, of het bijzondere zoorten zijn, dan enkel verfcheidenheden van eene zelfde zoorr. Ook heeft men, al van ouds, de Hermelijn aangemerkt als een wit Wezehje ; op welken voet ik dezelve al- hier, volgens het voetfpoor van Linn^us, befchrij- ven zal. De Wezel word in 't hebreeuwscb ChoUd of Cholda ge-
noemd, 't welk tijd betekent; niet om dat hij lang leeft, gelijk Oleaster zich verbeeld heeft, maar om dat hij fchielijk oud word. De griekfche naam, Gale, word van de melkagtige witheid, die de gemeene Wezel zelfs aan zijnen Buik heeft, afgeleid. De la<ijnfche naam Mus- tela fchijnt afkomftig te zijn van het vangen der Muizen. De Spanjaarden noemen hem Comadreia; de Italiaanen Donnola of Ballottula; deFransfchen Belette; de Duit» fchers Wie/el, de Engelfchên Weafel of Wee/el. De Wezeltjes onthouden zich in gaten van het aard-
rijk, in fpleeten van muuren, koornzoldeis en beesten- ftallen. Zij leeven van Rotten, Muizen, Mollen en Vledermuizen; zij gaan de hokken beroo''en, zuigen de Eijeren der Duiven uit, als ook het bloed der Hoen- deren en ander tam Gevogelte, na dat zij dezelven om 't leven hebben gebragt. Indien men de Ouden geiooven mag, durven Zij zelfs Haazen aantasten, en booren tot in de begraafplaatzen om de Oogen der Lijken uit te vree- ten. Ook durft het Wezeltje met een Kat vegfen, en zijn beet, zegt men, brengt het vuur in de Ui'ers der Koebeesten. Als de Hennen deszeifs geluid hooren , worden zij van fchrik bevangen. : De langte deslighaams van den Wezel is, volgens Bris.
.'. JE e e son |
|||||||||
|
WEZ. WHA. WHI. WIE.
Dit Dier muist, zo fterk als een Kat, en het heeft de
gëwponte, van 't gene, dat het vind, weg te fleepen inzonderheid Eijeren, die deszelfs grootfte lekkernij zijn' Öm die reden gaat het zelfs, aan den oever der zee, bij ftii weer, naar de Eilandjes zwemmen, alwaar een'me- nigte Eijeren van Watervogelen te vinden zijn. Hoe klein ook zijnde, fchroomt het niet, de grootfte Die. ren aan te tasten, inzonderheid den Elant en den Beer die het op de volgende wijze zomtijds om 't leven brengt.' Terwijl deeze Dieren flaapen ; fpringt de Hermelijn hun in 't Oor, en bijt zich daarin,, met zijne feberpe Tand- jes, zo vast, dat het er niet afvalt nog, afgefchud kan worden, fchoon het gioote Dier npg.zo vinnig aan 't loopen'en tieren gaat; zo dat bet eindelijk , geheel af. gemat, van eene rots te pletteren ftorr of op eenige an- dere wijze fneuvelt. Even zo gaat ook de Hermelijn zomtijds op een flaapende Arend of anderen Vogel zit- ten, die met denzeivenopvliegtenzo langgebeten word, tot dat hij eindelijk, dpor;veriies van kragten en bloed, ter aarde valt. De Ouden hebben de zindelijkheid van het Hermelijn»
tje zeer geroemd, willende, dat het eer door vuur zou gaan dan door drek of andere vuiligheid, omzijn fchoo. ne Vagt niet te bezoedelen. -Schielijk verfchrikkende door een fterk gefenreeuw of zwaar geluid, blijft het Uil ftaan en word door trekkingen of ftuipen bevangen, zo dat het'den Jaager niet ontkomen kan. Anderszins word hetmetplatte pijlen gefchooten, of in vallen gevangen, of ooktusfehen tweefteenen, waar van men den eenen met een klein houtje zo opzet, dat hij onmiddelijk ne- dervalt, wanneer het aan een touwtje gebonden lokaas aangeroerd word, en dus moet de Hermelijn door de zwaare drukking fterven. Het ftinkt niet minder dan de Marter, voornaamelijk is den fpeeltijd of als het ritzig is, 't welk dikwils gebeurt,' want het zijn zeer geile Dieren. , . C De Hermelijn word wegens de uitmuntende fijnheid en
zuivere witheid van zijn bont, dàttot praalgewaad van Keizers en andere Vorften ftrekt, de Konings-Wezel ge- noemd. Wonder fraaij fteeken de zwarte tippen der Staarten en Vlakken aan den Hals, bij 't zelve af. Het word zelfs tegenwoordig, gelijk bekend is, overal van de Vrouwsperfoónen, aan Moffen en Manteltjes gedra- gen. In fijnheid van Haair overtreft het dat van den ge- meenen Wezel grootelijks. Het NoordjcheHermelijnbe- houdt best zijn koleur, en word niet zo ligt geelagtig als het Moskovifche, weshalve men het ook, te Peters- burg zelfs, rijkelijk betaalt.', :: WÉZENTLIJK-VÜUR , zie IGNIS ACTUALïS-
WEZENTLIJK-ZOUT, in het latijn fal etfentialr,
noemt men zodaanig zout, 't welk uit de fappen ?an Planten, door chrijftaiJifatie wordt vervaardigt. Dan men dient aantemerken, dat diergelijk zout, nies uit ailerleij zoort van Vegetalilia kan vervaardigt wor- den ; maar alleen uit de zodaanige welke geurig zijn; zoo als onder anderen, uit de Fumàrià, het Scotdium, Alsfem, enz.; bovenal fchijnen de Kamille Bloemen tot deeze bereiding het bekwaamfte te zijn, dewijl ze drie, of viermaalen met wijn gekookt zijnde, bet mtnftruwn zeer veel zout bijzetten. De uitdamping gefchied ineen gebrooken kolf, ofwel in een ander evaporeer-vat. ■ vWHAME, zie HORSSELEN", pag. fifA. WHITING POUT, zie'KABELJAAÜWEtf,»."-
pag. 1389. - - -, WIEDEN is een kunstwoord van den Tum- en aK'
1 ker-
|
||||||
|
4154 WEZ.
son , van het end van den Bek tot aan 't begin van de
Staart, zeven duimen, die van de Staart twee duimen. Hij beeft kleine zwarte Oogen; de Óoren kort, maar breed en rondagtig; de Pooten zijn,niet veel langer dan een duim. Over 't gehteie Lijf is hij met kort Haair bedekt, dat roodagtig vaal is op het bovenfte gedeelte van het Lighaam, wit onder aan den Buik. - - ■ In de Verhandelingen van de Duitfcbe Natuur-Onder-
zoekers (Ephem. Natur. Curiofor. Dec. 2. Ann. l; Ob' Jerv. XLJXO vind men de ont.'èedkundige befchrijving van een (Vijfjes Wezel, \ door den Heer J. de Mural- to. ,, De Kop, zegt bij, loopt .(cherpuit als die van de Spitsmuis j de Snoet is metBorfïels voorzien gelijk ook de plaats der Wenkbraauwen; de Tanden zijn als diè ,,.derKatten; de Ooren rondagtig en in twee randen ver- deeld. Het Lijf is langwerpig; de Staart aan't end zwart. De Voorpopten hebben vjjf Vingeren, gelijk ,,, de Agterpooten; de Oogen zijn bruin, s Het Lighaam, '1 geopend zijnde, gaf een Ieelijkeftinken.dereuk uit; zo dat de, bijitaanders daar door bijnaân flaauwte vie- len. De Borst was lang, de:Lever.bad zeveirLob- ben, was bleek van koleur en meteen klein Galblaas- je voorzien; de Lijfmoeder als van een Kat; Men vond, in't uiterfte van deszelfs Hpofnen., tw.ee klier- ,, agtige Ballen, waarin Eijertjes zigtbaar waren. De langte der Darmen was anderhalf elle. Het Diertje had geen Karteldarm. Wederzijds telde men veertien Ribben; tien aan bet Borstbeen gehecht, vierdiekor- ' ter waren. De Ruggegraatbeftandtuitzes-en}twintig Wervelen, van't Hoofd tot aan den. Aars. De Ge. zigtzenuwen liepen van elkander afgefcheiden voort, tot aan het midden van het Brein. De Agter-Herfenen waren zeer groot. De Mannetjes (zegt hij) hebben A, een beenige-Schaft. De Mexikaanen eeten de Wezeltjes. Galenus zegt,
dat, wanneer zij gezouten en gedroogd zijn, hun vleesch zo goed is als dat v3n Haazen. Jn de Geneeskunde zijn 'er oudtijds veele eigenfchappen aan toegefcbreeven ge« .weeft. Het Brein, bij voorbeeld, gedroogd zijnde en tot poeijer gemaakt, zou goed zijn tegen de vallende-ziek- te; de Long tegen borstkwaaien; de Lever om de duize- lingte geneezen en de Gal om te gebruiken als een te- gengift van venijnen. De W'ezeltjes houden do,or geheel Europa inde wei-
den en bosfcijagiën, huis. Men vind ze ook in de noor- delijke deelen van Afie en 's winters worden zij.fneeuw- .wit.in de hooge gebergten ontmoet. Misfchien behoort het JavaanJcheWezeüje van Seba, dat, kleiner is dan de onzen, op den Kop donkerbruin, op de Rug rood en onder aan den Buik geel; tot deeze zelfde zoort, dewijl de Staart ook in een zwarte punt uitloopt. De Hermelijn of Hermijn-Wezel is wat grooter dan
het gemeene Wezeltje, en verfcbilt van 't zelve inzonder- heid door de koleur van-zijneiVagt, die echter niet vol- komen wit is, maar meer of min geelagtig op zommige plaatzen- In de fomerzelfs is hij op de Rug'ros of roodagtig Zommigen willen, dat hij dien naam heeft, om dat er in Armenië veel van zouden zijn. 't Is ze- ker, dat men ze in Vrankrjjk, Hollanden Duitschland, zelden vind, dog in de Noordelijke Landen , inzonder. heid in Lapland en in Siberië, zijn zij menigvuldig. Olaus Magnus fchrijft, dat het woud Lanzerueca,àe langte hebbende van tagtig mijlen, vol is van zulke wit- te Diertjes; In Noorwegen word de Hermelijn, Lekat of ook Rotskat genoemd, om dat hij zijne vethlijfnlarts gaarne neemt in fteenagtige holen. |
||||||
|
=Wj£.^«< 410-5
353.; (Fucus fronde dichotoma intégra, caule medium f o-
Mum transcnrrente , veficulis verrucofis terminalsbus. LiNNÎ Spec. Plant.) Men vindt deeze in de Atlantifche Zee. 3. Grooxe Zee-Wier; Fucus fpiralis maritimus major;
Raj. Angl. 3. p. 41.; (Fucus fronde dichotoma intégra, caule folium percurrente; inferne nudo, veficulis verrucofis terminalibus. Linn. Spec. Plant,). Deeze word onder anderen bij meenigten in den grooten Oceaan gevon; den. 4. Knoopagtige Zee-Wier; Fucus maritimus nodofus.
Don. Pempt. j8z. Fucus caule tereti compresfo dickoto- mo,foliis oppofitis minimis, veficula in medio finguli ra- mi. Guett. Stamp. 2. p. 401. Fucus maritimus vefi- culis majoribus fingularibus per intervalla dispofitis. Mo- Eis. Hiß. 3, p. 647-; (Fucus caule compresjo dkhotomo medio ramorum in veficulaiu dilatato. Ljkn. Spec. Plant.) Deeze zoort word in veele , dan wel inzonderheid in de Atlantifche Zee gevonden. 5. Zwemmende Wier; Fucus natans ; Fucus fargaro.
Püs. Btaf.2. p. 266 ; Lenticula marina, ferratis foliis. Dalech. Hiß. 1397. Fucus folliculaceus. ferrato folie. C. Bauh. Pin. 365. ; (Fucus caule tereti ramofo , foliis linsaribus integerrimis , fruBificationibus glebofis pedun- culatis. Linn. Spec. Plant.) Deeze zoort vind men ia de meefte flilflaande wateren van Europa niet alleen, maar ook in verfcheidene gewesten van de overige we» reldeelen. 6. Zeë-Linfe; Fucus acinarius ; Lenticula marina fera'
pionij Lobel. ; Acinaria imperat. Don at. Marin. 35, Fucus folliculaceus, linaria folio. C. Bauh. Pin. 3Ö5. ; (Fucus caule tereti ramofo, foliis linearibus integerrimis, frutJificationibus globofispedunculatis. Linn, Spec. Plant.) Deeze zoort word behalven op_ veele andere plaatzen, rondsom Italie en inde ZuiderÖceaan gevonden. 7. Wier met FenkeUBladen; Fucus foenïculaceus; Fu-
cus folliculaceus, f oeniculi folio. C. Bauh. Pin. 305.; (Fucus veficulis ovatis pedunculatis, foliis multitudis lu nearibus. Linn. Spec. Plant.) Deeze ontmoet men in, den gantfchen Oceaan en meer andere Zeen. 8. Gebaarde Zee-Wier ; Fucus barbatus; Quercus ma-
ritima barbota. Bauh. Prodr. 154, Fucus maritimus, foliis tumidis barbatis. C. Bauh. Pin. 365.; (Fucus ve.
ßculis oblongis pedunculatis, terminatis foliolis linearibus. Linn. Spec. Plant.) Deeze zoort word in de Oceaais gevonden. 9. Zee-Vlas ; Linum marinum Bart. AB. i6jx. p.
118.i Filum maritimum germanicum. Bauh. Prodr. 155. Alga nigro capillaceo folio. C. Bauh. Pin. 364.; Fucux fihformis' /implex. Guett, Stamp. 2. p. 395.) ; (Fucus filiformis fimpltx , fubfragilis opacus. LwN.Spec. Plant.) Deeze zoort word veelvuldig in de Atlantifche en meer andere Zeen gevonden. WIEROOK ; Thus, five 'Olibanum. C.Bauh. Pin.___;
Deeze Boom welke in Arabien, Afrika, enz. groeit,
is in Europa onbekend, en men weet tot nog toe nieï onder wat Geflagt dezelve behoort. Gebruik. Het Hars 't well? uit den Boom vloeit en
eigenlijk de naam van wierook draagt, is matig verwar- mend, opdroogend, iets zamentrekkend en wondhee- lend; wordende inzonderheid-zeer gepreezen voor Ça» tharren, verkoudheid, hoese, enz. eenige ftukjes daar yan nedergeflikt, tot een half drachma, en van buiten er mede berookt, als mede voor pleuris en buikloop't poeder tot een drachma.met eenig.bekwaam fïjroopver« mengd. ■-'Uitwendig om 't bloeden te (lillen, won» Eee 2 'den |
||||||
|
jtérbeuws betekenende het kwaade kruid of onkruid,
't geen 't goede verdrukt, uitte plukken. WIEDE MAAND, zie SOMER-MAAND. WIEL-BLOEM, zie HAAGBOEKE.
WIEL-BOOM, zie CORNOELJE BOOM (BAS-
TERT-). 'W1ELEWAAL, zie SCHARLAAREN, n. III. p. 3U8. . -
WIER,is een Waterplant, welke in 't latijn AlgSt en
ooi. Fucus, en Moscus marinus word genoerot; in 't grieksch, t« *o'^®-, in 't italiaansch, Aliga, Fuco; in 't fpaansch, las ovas de Mar; in 't fransch, Feuillet de Mer, ook Praij en Frac; in 't engelscb, Seaws'rk; in 't poolscb , Poroszmor-fkijwtorij ; in 't bobeemsch, Lekneij ; en in't hoagdaitscb, Mecr-Graz, Meer-Fa- im, Meer-Lattich. Kenmerken, enz. Het 'Wier word onder zodaanige
Kruiden gerekent, welke in de Zeè'n en Rivieren groei, jen,.en waar van de Bloemen en Vrugten tot nog toe onbekend zijn. ------- Tournee. 'Inß. R. Herb., zegt;
dat het Wier- een zoort van Plant is welke in 't water
groeit, en deeze voornaame Kruidkundige heeft er drie zoorten van afgebeeld. Boerhaave /.o. rekent die tot de Waterplanten, of die in 't water op andere Iig- haamen groeijen, en welker wezen wel zonderling in elkandef'gevjogten, teder, wateraantrekkend, en wee- ker is dan de Waterplant, die hij KeratopMjtum noemt. Van de Wier voegt hij er nog. in 't bijzonder bij, dat het een taaije , van genieene kruidkoleur, en lederag- tige ftóffe zij. __ De gantfche gèft'alte deezer Plant
fchijnt Uit Bladeren te beftaan, en de Zaadkorrels wor-
den dikwils in de kleine aangegroeide Peukjes of Blaas- jes gevonden. __ Alle zoorten van Wier groeijen op jlen grond, van 't water, het zij in Zeè'n, of Rivieren of
Méiren. Uit de wortels koomen eerst veele kleine, platte en fmalle fteeltjes .voort, die ouder wordende 'zich wijder uitbreiden, en in veele Takjes verdeelt wor- den, waar aan br.eede, langwerpige, en bijkans van ge« daante als Eickenloof, dog wat fmaller Bladeren, niet alleen vast zitten, maar ook wegens derzelver lijmig- heid en flijmerigheid veeltijds daar aan vastkleeven. Zomwijlen zijn deeze Bladeren glad, zomwijlen ruw, ofwel met tedere, lange en moschagtige haairen,.nu aan de eene, dan,aan de andere,, en dikwils aan beide zijden bezet. Op die zelfde plaats koomen ook kleine en ledige Bolletjes te voorfcbijn, welke zomwijlen rond, of langwerpig, grooter of kleiner zijn. Deeze Planten blijven veeltijds heel laag, worden ook wel eens an- derhalf voet hoog, en zijn van een leelijke groen geele koleur, dog volgens de Heer Lemehij gedroogd zijn- de, zwart, m - . Poorten ,; enz. Veelvuldig zijn de zoorten van dit
Watergewas; wij zullen ons vergenoegen met er de voornaamften van óptegeeven, met bijvoeging waarde- zelve worden gevonden. 1. Wier met breede getande Bladen; Fucus, s. Alga
'üifolia major dentata. MoKis. Hiß. 3. p. 648. Fucus folia dicholome plano ferrato laciniaio. Guett. Stamp. 2. h 402. (Fucus fronde plana dichotoma [errata ad apices tuberculata, Linn. Spec. Plant.) Deeze zoort word yeelvuldig.nfet alleen in den grooten Oceaan, maar ook m veele andere én zelfs in onze binnenlandfche Zuider- se gevonden. 2. Zee-Eicke ; Ouercus marina.. Lob ; Fucus marinus
{ Quercus maritima veficuhs Habens, G. Bauh.'Pin- |
||||||
|
WIK.
|
|||||||||||
|
WIG. WIK.
|
|||||||||||
|
4i<55
|
|||||||||||
|
3. Overblijvende Wikken ; Vicia maxima dumetorum.
C. Bauh. Pin. 385.; Viciafijlvatica. Riv. Tetr. 50.; Vi, cia fijlvatica maxima pifo fimilis. J. Bauh. Hifi. 2. », 315.; Vicia peduncuUs multij'loris, petiolis. pófijptiillus' cirrhofis, foliolis alternis ovatis , ftipulis dentatis. Da' LISb. Paris. 219 Sauv. Monfp. 234. ; Vicia peduncuUs multifloris, foliolis reflexisovatis mucromtis, fiipulisfub. dentatis. Link. Spec. Plant) ^.^Kreupelbosch Wikken met ronde fcherppuntige Bladen
én zwart Zaad; Viciafepium. Riv.Tetr. 56.; Viciafe. piwn, folio fottindiore acuto. C. Bauh. Pin. 345. ; Vicia leguminibus adfeendentibus , petiolis pólijphijllis, foliolis ovatis acutis integetrimis. Roij. Lugd. 365. Dalisb. Paris. 219. Sauv. Monsp. 234.; (Vicia leguminibus pi- dicellatisfubquaternis ereBis, foliolis ovatis integerrimis exterioribus decrescentibus. Link. Spec Plant.) , 5. Wilde geele Wikken met haairige Peulen i Vicia
fijlvefiris lutea, filiqua hhfuta. C. Bauh. Pin, 34.5,; Vicia flore luteo pallido, ftliquis hirfütis craffis brevibus propendentibus. Móris. Hiß. 2. p. 62.; Vicia legumU nibus folitariis deorfum flexis Inrfutis. Sauv. MimJ'p. 235.; Vicia fohis fubfesfilibu: obverfe ovatis apice emar- ginatis, kguminibns folitaüis villofis. DALiSB,.PaW2ij,; (Vicia leguminibus fesfdibus reflexis pilofis folitariis piw taspermis, carollie vexillis glabris. Linw. Spec. Plant.) . Plaats en Kwecking.- , De eetfie zoort met derzeiver j
verandering, groeit in Neder- en Hoog-Duitschland, Vrankrijk, Engeland, Braband, enz. op veel plaaczen in fandige of veen ige, vogtige Akkers tusfehen de Graa« neh, en is aan dezelve veeltijds zeer hinderlijk; dog word in zömmige Gewesten, als in Braband, Vlaande- ren , Vrankrijk en elders, daar 't Hooij fchaars is, ook wel gezaait tot voeder van Paarden. Het is een een- jaarig gewas, 't welk men genoegzaam op dezelfde wij- ze kweekt als de Erwten , alwaarom wij er hier ter plaat; niet meer van zullen zeggen. De tweede zoort, groeit in 't wild in veele gewesten
van Europa onder Heggen, en aan de kanten van Bos- fchen, alwaar ze klimt over alle Struëllen die er om- trent ftaan,en geeft terwijl ze bloeit, 't welk doorgaans in junij en julij is, een aangenaam gezigt. Deeze Plant kan gekweekt worden aan de kanten van Wild-Bosfchen, alwaar men ze kan laaten klimmen over een ige laage Struëllen , zonder welke onderfteuning ze zeldzaam weelig tiert, en in zodanige befchaduwde ftandplaatzen groeit ze zeer wel, en duurt verfcheiden jaaren. De I beste wijze om ze te vermenigvuldigen is het Zaad in het voor- of najaar in de pïaatzen te zaaifen, daar ze moeten blijven (laan,- want deeze Planten fchieten door- gaans haare wortels regt in de grond, zo dat ze zelden wel tieren, indien ze verplant worden. De derde zoort groeit in 't wild in Engeland, Vrank-
rijk, Neder- en Hoog-Duitschland, enz. in befchadtiw de Bosfchen,en aan de kanten van Dijken onder deBoo- meiT. De vierde zoort groeit insgelijk in de zelfde Geweste"
in 't wild, zijnde een overblijvende Plant, welker wor- tels verfcheidene jaaren duuren ; dan haare fcheuten fier- ven in de herfst, én in. hét volgende, voorjaar koomen er weder nieuwe te voor.fchijn ; waar van zommige tot de hoogte van vijf of zes voeten groeijen, en over Struëllen en andere. Planten, kruipen die er omtrent groeijen. '-:'.''' De vijfde zoort groeit mede in de voornoemde G*'
we«en in 't wild, in befchaduwde Beffchen, enz. . - - : BUIS'
|
|||||||||||
|
den en gezweeren te zuiveren en te heeleö, wordende
tot dien einde in veele Pleifters en Salven gemengd, als mede voor roode en loopende oogen, WIGGE, in't latijn Cuneus, word genoemt een be-
kent werktuig bij de Ambagtslieden , dat naar boven breed en benedenwaans toegefcberpt is ; vertoonende de twee zijden een gelikbeenigen driehoek ; zie Figuur 3,9. Tab. B. n 2. dienende om daar mede deeze of geene ïighaamen , a!s hout en fteenen, enz. dog inzonderheid grof hout teklooven of van malkander te fcheiden. Om de kragt van de Wigge na te gaan en te weeten,
is de volgende grondftelling toe dienftig. - < ; Grondßelling.
De kragt C, die de Wigge voortdrijft, flaat in reden
tot de tegenfiand, in E, E, gelijk de halve dikte der Wigge AC of BC tot de fchuinze zijde A D of B D. zie Tab. B. ». 2. Fig. 39- Want mei* kande Wigge aanmerken als twee zamen«
gevoegde hellende vlaktens A D C en B D C; vermits het nu evenveel is, of de last op zodanige heilende vlak- te bewoogen word, dan of dezelve door de kragt daar onder vocrtgedreeven word, derhaben is, volgens de Eigenfchappen der Mhnde Vlakte, (zie ardaar) de kragt in reden tot de last of tegenfiand, gelijk de halve dik- te der Wigge- A C, tot de fchuinze zijde AD. Hïër uit volgt, dat hoe dunner en fcherpèr een Wig'
g«is, met hoe meerder.kragt dezelve werkt, waiït dan h-eeft À C tot A D een kleiner reden. . Aanmerking. ', Wanneer de lighaamen niet natuurlijk
fplijten gelijk 't hout, dan fchijnt het, dat de reden der kragt tot de tegen,rtand iets anders is, naamelijk gelijk de halve dikte der Wigge A C, tot'Mar langte CD. " WIGGE-BEEN, zie AZIJGES. WIKKEN; Vitfen; is denaam vaneen Planten-Ge-
flagt, 't welk In 't latijn Vicia word. genoemt, van yincïre, binden, om dat zichdit Kruidgewas aan alle Sta- ken of Steunzels hecht; in 't grieksch, ùtpâKv, fiÏKiot; in 't italiaanfch, Veccia;, in 't fpaànsch,, Algarrova; in 't fransch, Vesce, Vesfe ; in 't boheemsch, Wijkow ; in 't hongaarsch . Wargwtofo; en in't hoogduitsch, /Fïcï««, Zahme Wieken, Fehl-rofz,, Grosfe-Wieken, Kenmerken. Dit PlantenGeflagt heeft een Vlinter-
bloem, uit welker Koker het Stijitje voorkomt, 't welk naderhand een Peul word, vol' rondägtige of hoekige zaadies, waarbij men kan voegen, dat de Bladen als bij paaren aan een middeirib groeijen, en in een Klàwier. tje eindigen. Zoorten. Veelvuldig zijn de zoor.ten van dit Gewas,
tvaar van wij bier de optelling der voornaamtte, laateri volgen., , _.'. E Gemeene lVikken; Vicia fätiva vulgaris, femme ni-
gro..C. Bauh. Pin 344.; Vic{a leguminibm< ere&is, pe- iioli's polijphitlis ;. foliolis acumine emarginatis , ßipulis denti.ulaiis. Roij Lngdb, 365. Dajusb, Paris. 318.; (Vicia leguminibus fejfiiiVm-fubbinatis ereiïis,. foliïs retu- fis, ßipulis. natatis.LijiN.Spec.) ----- Van deeze zoort
is nog eene verfcheidenheid, die in plaats van zwart,
wit zaad voortbrengt. a. Wikken met veele Bloemen ; Vicia mulHflpra. C.
Bauh, Pin. 341.; Cracca. Riv. Tetr. ,49. ,. Vicia pedun- eulis mullifloris, ßipulis utrinque acutis mtegris. Roij. Èugdb.. 364. Dalisb. Paris. 220. Sauv. Monf. 234.; (ViciapeduncuUs multifl'oris, floribus umbricatis, foliolis lanceolatis pubeumtibus, ßipulis integris, Linn. Spec. |
|||||||||||
|
yviL.
Huishoudelijk gebruik. Het Winken-Stroo word ge-
bruikt tot voeder van de Paarden , inzonderheid des winters. Het Zaad verftrekt tot een goed voedzel voor Duiven, Hoenders en ander Gevogeite. WILD, zie FERINUS en FERUS.
WILDBAAN, zie DIERGAARDE,
WILD BURGQNDISCHHOOIJ, zie MEDICA
B 6. pag- 2002. WILDE ALPISCHEHAAN, zie OUWERHAAN
UI'. 2498- ' "
'ViLDE ANGELIJKE, zieANGELIJKE (KLEI-
NE WILDE-)- WILDE APPELBOOM, zie APPELBOOM. WILDE BASILICUM, zie CLINOPODIUM. WILDE BERGPJJNBOOM, zie PIJNBOOM, », 2 en 3- Pag-3S75- WILDE BRIJONJE, zie BRIJONIE (ZWARTE-). WILDE BUFFEL . zie BONASUS. WILDE-BIJEN. Behalve de tamme Honing.Bijen die men in de korven houd, ziin er, gelijk bekend is, verfcheide zoorten van Wilde-Bijen. Onder deeze zijn zommigen aanmerkelijk wegens haare geftalte ; gelijk die, welke Sprieten heeft zo lang als 't Lijf, uit aar- tige ringetjes beftaan de, en die welke.verfcheide baa- kige puntjes aan het Agterlijf heeft. Eenige zoorten hebben eene vergulde of bronsagtige koleur, 't zij over 'tgeheele Lighaam of aan het Agterlijf alleen. Men vind er ook, die de Wieken zwartagtig en als gewolkt hebben, terwijl die, ïn de meeste anderen, belderen doorfchijnende zijn. Maar wel de grootfte bijzonder- heid beftaat in de plaats, waar in zij haare Nesten maa- ien , in de doffen waar uit dezelve beftaan, en in de manier van bouwing of zamenftelhng deezer Nesten. Sommigen naamelijk, maaken haare wooningen onder den grond, in het aardrijk; anderen in fteenboopen, in holle boomen, of in uitgedroogde ligbaamen van Die- ren; .eenigen maaken dezelve van kleij, anderen van hout of boombladen, of van mos en andere ftoffen. Om kortte gaan, daar is, ten dien einde geen minder ver« fchil tusfcben de Büen dan tusfchen de Wespen. Zie ook HONING B1JKN. WILDE CAPPF.RBOOM, zie CAPPERBOOM
(PEUL of BASTERD-). ' WILDE CARLINE, zie EVERWORTEL (WIL-
DE-). WILDE C1CER, zie ASTRAGALUS. WILDE-CORNOELJEBOOM , zie CORNOEL- JEBOOM (WILDE). WILDE DISTEL, zie DISTEL (KRUIS-). WILDE DOORNIGE ARTISCHOK, zie ARTI- SCHÖK. WILDE DOSTEN, zie CLINOPODIUM.
. WILDE DRAGON, zie RF.INVAAR (WITTE.) WILDE EEND, zie EENDEN.
: WILDE END1VIE, zie LACTUCA AGRESTIS, ?*£■ 1717- ' WILDE EZEL, zie ONAGER. WILDE GALANGA-WORTEL, zie AARDé AMANDi'LFN. WILDE GEELE LEUCOJE, zieLEUCOJE(GEE-
LE.) ». 4. p. 1816. WILDE GERUWE, zie FILIPENDULA. WILDE GEWASSEN,, zie PLANT IV. n. a. tag. VIJLDE HAVER, zie AEGIJLOES.
|
|||||||||
|
WIL.
|
|||||||||
|
4107
|
|||||||||
|
WILDE HAZELNOOT, zie HAZELAAR, «. I.
WILDE HONDEN, zie HONDEN, pag. 1090. WILDE JASMIJN, zie HON1NG-BLOEM. WILDE KALKOEN, zie KALKOEN, p. r4II WILDE KASTANJEBOOM, zie KASTANIE- BOOM, n. IL paß,. 1450. WILDE KATTEN, zi& KATTEN, ». I. pag,
1456.
WILDE KERSE, zie PEPERKRUID.
WILDE KERVEL, zie KERVEL, ». a.pag. 1404, WILDE KROON-LIJCHNIS, zie LIJCHNIS pag. 188.7". WILDE LANTAARN, zie DWAALLICHT
WILDE LATHIJRUS, zie LATHIJRUS, ». 7 en 11 pag. 1769,. WILDE LATUWE, zfe LATUWE (WILDE-1 WILDE-LELIE, zie LELIE (KRUL.) WILDE LUPIJNE, zie LUPIJNE. WILDE LIJCHNIS, zie LIJCHNIS. WILDE MAANKOP, zie MAANKOFPEN, n. 2. pag. 1916. WILDE MALVE, zie ALCEA.
WILDE MANNA-GRAS, zie MANNA-GRAS WILDE MARTER, zie MARTER. " ~' WILDE MEDICA, zie MEDICA, ». 6.Pas- 2602
WILDE MEEKRAP, zie MEEKRAP * WILDE MENSCH, zie SATER.
WILDE MOSTERT, zie MOSTERT KRUID ». 3. pag. 2187. WILDE MUNTE, zie MUNTE, ». 5 pae 22I, WILDE NARDE, zie NARDUS RUSTICA WILDE OLIJFBOOM, zie OLEASTER en OLIJF- BOOM , n. 2. pag. 2343. WILDE OREGO. zie OREGO, ». r. tag. Tirtt
WILDE OSSENTONG, zie OSSENTONG, ».4. pag. 2489- WILDE PAARDEN, zie PAARDEN, Afdeelinit
XIV. pag. 2544. * WILDE PEEN, zie PEEN, ». r. tag. atW
WILDE PEERBOOM, zie PEERBOOM WILDE PIMPERNOOT, zie PISTACIEBOOM (WILDE-) WILDE PORCELEIN, zie PORCELEIN, «. J
pag. 2$yi. WILDE PRUIMBOOM, zie SLEEDOORN*
WILDE RAKETTE, zie RAKETTE, ». 2 ' Pan- 2890. - **' ' WILDE ROOS, zie ROOSEBOOM, ». r, 2 4
5 en 6. pag. 3105. ' ' ' " WILDE ROSEMARIJN, zie ROSEMARITN
(WILDE-). J WILDE SAFFRAAN, zie SAFFRAAN (BAS-
TER D-). v WILDE SCORZONERE, zie BOKSBAARD. WILDE SELDERIE, zie SELDERIE, ». x, pttg, 3347- WILDE SORBENBOOM, zie SORBENBOOM,
». I en 4 pag. 3450. WILDE SPINAGIE, zie GOEDE HENDRIK. WILDE STIER, zie BONASUS. WILDE TARWE , zie. KOEKEWEITE. WILDE THIJM, zie KWENDEL. WILDE TRIQUEMÄDAM, zie HÜISLOOK, n, 9 pag. nöf. WILDE. VENKEL, zie PAARDE-VENKEL. E.ee 3.. WIL.
|
|||||||||
|
------.........____i_
|
|||||||||
|
WIL.
|
|||||||||||
|
WIL.
|
|||||||||||
|
4168
|
|||||||||||
|
WILDE WITTE NIESWORTEL, zie HELLE-
BOR1NE. : WILD MANNA GRAS, zie GRAS, ». y.pag. 922.
WlLDRUIT,- in 't la dj h 'Peganum.' Dil Heester-
Geflagt heeft tot Kenmerken een vijfbladige Bloem, met een vijfbladige of in 'e geheel geen Kelk ; een driehol- Üg, drieklcppig Zaadhuisje, 't welk veele zaaden be- vat. . " ..... ..... Zoorten. Dit Geflagt bevat twee zoorten, waar van
wij hier de befchrijving.laaten volgen. 1. Harmei, of JVildruit met fijn verdeelde Bladen ;
Harmala. Dod. Pempt. 121. To.urnef... Infi. R. Herb. 257.; Rutà fijlveftris flore magno alba. C. Bàuh. Pin.; (Peganum foliis multifidis.LiNN.Spec.Plant) Bij den griekfchen naam Harmala is een gewas bekend, dat door veélen voor een zoort van wilde-Wijnruit is gehouden, en om deeze reden gebruikt de Heer Lihnjeüs ook den eigennaam der Wijrirüite, Peganon, tot'een Geflagt- naam. Bauhinus noemt het Gewas wilde-Ruit met een groote witte Bloem.' Hetzelve groeit in de zuidelijke dee. Ten van Europa, dog niet overal. Clusiüs, die het in Spanje, omilreeks Madrid en elders, op de Heuvelen vond, zegt dat het een heesteragtig Kruid is, veele Stengen uit de Wortel voortbrengende, die zwartagtig- groen zijn., met Bladen breederdan die van Venkel, en ten naasten bij als die van de fmalbladige Napellus of het Monnikskappen-Kruid, taaij en gommig,; bitter .en eenigzints bijtende van fmaak, hebbende, aafi de toppen der Stengen en Takken, witteBloemeh.van vijf Blaad- jes , en veele geele draadjes in derzelver midden ; waar op Zaadhuisjes volgden, grooter en zagter dän die van de Wijnruit, driekantig, gevuld met zwartagtigeroode, hoekige, oneffene Zaaden. < De reuk van dit geheele Gewas, zegt hij, was zwaar
«n om die reden zeer onaangenaam. In ons Nederland gezaait, bloeit het zelden en is zeer Vatbaar voor de kou- de. Die van Kastilïe noemden de Zaadhuisjes, daarvan, kleine bitteçe Augurkjes. Bellonius verhaalt, dat het op fandige plaatzën bij Alexandrie in Egijpte groeit, en in verfcheiderleij gebruik is bij de Arabieren en Turken, -dog inzonderheid uit hoofde van een beftendige gewoon- te onder hun, om s'morgens zich alle dagen daar mede ie berooken, waanende dus voor alle listen en laagen van den Duivel beveiligd tezijn, weshalven men aldaar ook, in alle winkels van Kruiden en Drogen'jën!deeze Plant of derzelver Zaad te koop vond. Dat Zaad werd met Honing, W'fn. Saffraan, fap van Venkel en Hoende- j-en-Gal, gewreeven'tot opheldering van't Gezigt, zo DioscORiDES verhaalt. 2. Siberifche JVildruit, of Wildruit met onverdeelde
Bladen; Peganum daurjcum; Ruta folüsfimphcibus ah ternis. Gum.. Siber. IV. p. 176.," Hermala montana daa- rica peremiis multicaulis, polijgala folio, flore albo. Am- *iak. Ruth. N. 91, p2. ;. ( Peganum f'oliis indivifis Ljnw. Spec. Plant;) - Deeze word Wijnruit met enkele .everkoekfchd .Bladen van Gmelin. gebeeten Zij was van Messkrschmii) D'aurifche Berg Harmala, die over- blijft en veelfteelig is, met B'aden van Polijgala en wie- te Bloemen , genoemd. Dezelve had een fiaauwe reuk en eenen grasagtigen fmaak. Hier word bijgevbegt de Berg-Harmàla-,. met Bladen van Polijgala-en geele Bloemen, welke. Gmelxn, in't gebegrteaan den mond Van de Rivier j3orfa, in 't Voorfte ran augustus verza -meld, onder den, tijtel van Scorodoprafiunimet vlaschhla~ den, dus befch'rijft. |
|||||||||||
|
;VirUit eenen Wortel koomen' veele dunne Steekjes
voort',, twee handbreedten hoog,: groen," rond, met talrijke Blaadjes öngefebikt bezet, en van boven in eenige korte Takjes uitloopende, waar van ieder een ,, geele Bloem draagt, die vanbuiten groenagtigis, uit ,, zes Blaadjes beftaande, welke aan't eind ftomp zijn ,, 'en waar óp" driehoekige Zaadhuisjes volgen, in drie holligheden verdeel»!." WILD-SCHIETEN, zie JAGT pag. 1232.
WILD-VLEES CH. in het latijn Sarcofis ;, dusdaanig
noemt men een vleeschig uitwas, het welk. in de won- den of verz weeringen groeit. Dit,gebeurt, wanneer de geneezen bloedvaten zich weder vereenigen, enden omloop des bloeds op nieuw berfteld word, welkdoor de verectering.gefchied die een natuurlijke lijmigheid, uit de verbeterde lijmpka van het bloed te wege brengt WILD-ZOETH.OUT, zie ASTRAGALUS.
WILD^ZWIJN, zie VARKEN.
WILD ZWIJNENJAGT, zie JAGT»
WlLGEN-BOOM, ook Bjrtdhoüt-BOom , en Wmi<
hout-Boomgendèmt; iri 't lâtijn Salix, van'faltre, Jprin» ge»~of dan/en,'■ om aeszeïfs fchielijke groeijing; in't griekscb,'**; in't arabisch, Bulef; in'thebreeuwsch, "Mik; in't indiaansch, Bhullus, Sahihaf ,Chalif ,Cht. letSafas; in 't fpaanscb, Salqueiro, .Saure; in't franse'p, S aulx, Saule, Saulgè; in' 'i. engeisçh', ' Willow, SnU loer; in 't fchotsch, Sanghe; in, 't deensch, Pui; in't boheemsch, Wrbd; 'm 't poolsch, Rot'ziH'ai in 't lit- thauwsch, 'Kartaij; eti in 't hoogdüitsch, Weiden-Fel' "ber-Baum. Kenmerken. T)e Mannetjes zo wei als de Wijfjes-Bloe.
men zijn Katten," die uit Schubben beftaan , zonder Bloemkrans of Bloemblaadjes. De Mannetjes hebben doorgaans *drie Meeldraadjes, en van onderen een Ho- hingkliertje. De Wijfjes-Bloemen hebben een Stijl, die' in tweeën gedeeld is, en de Vrugt word een eenbbk» kig tweekleppig Zaadhuisje, met gevlokte Zaaden. In zommigen heeft ook een aanmerkelijke vlokkigbeid, tusfehen 'de Meeldraadjes in de mannelijke Bloerakat- ten plaats. - ' Zoorten. Menigvuldig js het getal der Zoorten in dit
Geflagt, waar onder voórkoomen die hooge Boomen worden; dog de meesten. blijven laag. De Heer Lin« kjeus onderfcheidze in vier Rangen, naar dat de Bla- den getand of ;ongetand , en glad of ruig zijn. Wij zullen hier alleen melding maaken van zodaanige zoor- ten, welke tot nut èn gebruik in de Velden en Tui- nen worden gekweekt, en deezen zijn als volgt. 1 Groote witte Wilgen-Boom; Salix. Dodon. ; Salix
Diosciridis. Lob. ; Salix vulgaris alba arborescens. C. Bauh. Pin. 473. Tournee. Infi. R. Herb. 590. Boerhav. Ind-. alt. 2. 210.," Salix maxima fragilis, alba,. hirfuts. J. Bauh. i. 212'; Salix folüs elliptico»lanceolatis jlrratis Jubtus fericeis, vimirie fragili. Hall. Helv. 152. n. 6', (Salix folüs lineari Imceolatis acuminatis ferratis, 'utrin- que pubescenltbus, ferraturis fnfimis glandulofis. LiNtf- Spec. Plant.) " ■ 2. Geele Wilgen-Boom; Salix vitellina: Salixfativo
lutea, folio crenäto. C. Bauh. Pin. 473.; Salix lutea,te- nuior, fativa, vimenea. J. Bauh. Hifi^I.214..; Saht foliis lineari lanceolatis acuminatis. Guet. Stamp. I- f; ■206. ; .Salix.lauto yimine & fquamé florali flavis.,folM elliptico-lanceoldtis , fubtus fericeis. Hall. Helv._ I52'.' (S'ilix foliis ferratis ovatis acutis glabris, ferraturis cartt' lagineis, peihk's calkfis punBetis. Ljkis.' Spec. Plant) |
|||||||||||
|
WIL.
|
|||||||||||
|
WIL.
|
|||||||||||
|
41 6*9
|
|||||||||||
|
. 3. Roode Wtlgen-Bomi Salix vulgaris nbens. C. Bauh.
Pin. 473- ; Salix minor, vimimtlis (j1 gallica. Dodox* ; ■Salix foliis firmis vix jerratis, longe ellipticis, Jubtusjub. birfutis & canej'centibus. H.AI.L. Helv. 153. ... 4. Bruine of zwatte Wilgen-Boom; Salix minor..Do-
pON.; Salix rubra minime ftagilis, folio longo angusto. J. BÄ'JH. Hifi. 1. 215. ; Safe vulgaris nigricans, folio Honferrato. C. Bauh.. Pin. 473. Tournef. Infi. R. Herb. p90. ßOERH. Ind. ait. 2. 210. si 5. Korf Wilgen-Boom ; Salix fijlvefiris latifol. Tabern.;
Salix folio aurjculalo J'plenciente flexilis. Ra]., fijn. 448. Salix folio amijgdalino utrinque virente aurito. C. Bauh. PJn. 43. ÏOURKEF. Infl.R. Herb. 591. Boerh. Indrßlt. 2,201.'; Salix fpoiitanea fragilis, amijgdalino folio , a«- ikulata. J. Bauh. */?. 1. 215.; Salix foliis ghbris acw léferratis laneeolatis petiolatis, flipulis trapezi formibus. Roij. Prorfr. 83.; Salix perficce folio àuriculato. Hall. Helv. 151. n.%.; {Salixamijgdalina.LiNS.Spec, Plant.) 6; Water Wilgen-Boom; Salix aquatica. Lobkl.; Sa-
lix caprea latifolia. Tabebn.; Salix caprea, acuta Ion- pané folio. Rat. Sijn. 450.; Salixf'oliis ovato laneeolatis, marghiejepandis, fubtus tomentofis; Jupernépubescentibus Roij. Prodr. 83. ; Salix foliis integris utrinque hirfutis kmeolatis. Hall. Helv. 155 ; Salix folio ex rotunditate uuminato. C. Bauh. Pi». 474. ïourkef. Infi. R. Herb. Hi.Boerh. Ind. alt. 2. 211,; (Salix foliis integris eva- tij acutis fupra; fubvillofis fubtus tomentofis. Link. Spec. PtaU ■ ■■ -, I ,; q. Water Wilgen-Boom met bonte Bladen; Salix folio
tx rotunditate acuminato, variegato. ■ ■f. Wilgen-Boom met.breede we/ruikende Laurier-Bla- den, van zommigen Amerikaan/die Wilgen-Boomgenoemi; Salix folio laureo, . latoglabre edorato. Raj. Hifi. 14.10. ; Salix fpontanea, folio amijgdalino , fragilis non auricu- tea.,J.:BA(JH. Hifi. 1. p.. 214.; Salix f oliis Jerratis glet- iris, fiosculis pentandris. Gmel. Sib. i.p. 153 ; (Salix pmtandra. Linn. Spec. P/stó.) ' ■ .Plaats. De eerfie en vijfde zoorten zijn hier te lande zo wel als in Hoogduitschland, Frankrijk, Engeland enz.,; overvloedig bekend, groeijende veelvuldig in het wild van zelf, naast flooten , gragten, rivieren en an- dere wateren, en kunnen wanneer men ze niet befnoeit, vrij groote Boomen worden , inzonderheid de eerfie soort. :-.'-' De tweede, derde, en vierde zoorten, groeijen hier
ie lande nergens van zelf, dan worden door de cultuur voortgezet, en groeijen niet zo hoog als de voorige zaorten. -------~ De Teenen dat is de jonge Loo- ien, van de tweede zoon, zijni geel of geelagtig , die van de derde fraaij rood of wel oranje-koleurig ; de vier- i' purperagtig groen, of ook wel donkergroen; zijnde alle zeer taaij en buigzaam, inzonderheid de derde en vierde zoort. . ' : ; ! . . De zesdezoort groeit bij ons en elders veel inhetwild,
Baast de Slooten en andere wateren,.ze wast heester- 'g'ig en doorgaans maar een a twee mans lengte hoog, ten waare in een heel goede grond, waar in ze watboo êer kan worden. De kanten van hnare Bladen zijn door- gaans wat irregulier, dat is, in en uitgeboogen. De zevende zoon is een verandering van de voorgaan-
fei en verfchilt daar van nergens in, als dat ze fraai "fu-borite BJaden heeft; wordende om dierede van de «e'hebbers van bontbladige Gewasfen gecultiveerd; Dé agtfle zoort groeit hier en daar in Hoog-Duitsch-
and-, en in de Noordfche Landen op boschagtige vog- |
|||||||||||
|
Kweeking, enz. De Wilgen-Boomen begeeren, gelijk
ook uit hunne groeiplaatzen blijkt, van natuur een vog- tige grond, weshalven die 't best tieren in laage wate- rige plaatzen ; en om die rede,bij ons doorgaande naast de floten, gragten, vaarten, enz. geplant worden, al koomen haare wortels 't water te raaken, ze beder- ven daar door geenzints, maar groeijen des te beier. In drooge gronden kwijnen ze en maaken geen of weinig voortgang. Derzelver voortkweeking gefchied gemaklijTt door mid«
del van Takken van 1 a 2 duimen dikte, die op 2, 3 a 4 voeten langte gekort, en beneden wat gefcherpt zijn- de, een voet of meer diep in de grond geftooken of ge- Hagen worden. Daar is geen Boomgewas wiens Tak- ken gewilliger wortels fpruiten als dit, om welke rede het ook fchijnt, dat deeze Boom de naam van Willige .verkreegen heeft. Gebruik in de Tuinen, enz. Wat het gebruik der
Wilge-boomen in de Tuinen betreft, dezelve worden veel geplant,: te weeten de eerfie en vijfde zoort, dog de eer» fie wel 't meest, tot bemanteling rondsom Hoven, Hom- legers, Boerepiaatzen, enz. als waartoe ze boven an- dere Gewasfen verre te verkiezen zijn, dewijl ze fpoe- dig aangroeijen, vrij groot worden, en wel tegen de winden, zonder te breeken, opgroeijen kunnen, en ook niet, dewijl ze iierk bewortelen, door de wind uit de grond gerukt worden. Men kan ze dus met veel voor- deel bij den aanleg van nieuwe Piantagien aanftonds rondsom dezelve pooten, om het ander Gewas meter haast tot eene manteling te verftrekken, en dus voor- fpoediger te dóen groeijen. Tot dien einde worden ze ook wel in groote nieuwe Piantagien, hier of daar dwars door dezelve heen, in tusfehen verdeelingen, gepoot, om dus-meerder'oefchutting voorde winden te wege te brengen, dan tefFens met dat inzigt, om dezelve na ver- loop van eenige jaaren , als 't Plantagie-Gewas wel aan de groei is, weg te doen. Bij ons worden de Wilgen ook veelvuldig van de War-
moesfeniers rondsom en tusfehen hunne Moeslanden aan de flootskanten , gepoot, niet alleen om de zoo even- gemelde rede, maar ook om het nodige Erwte en Boo- nen-Rijs daar van te kunnen bekoemen, wordende tot dien einde alle drie of vier jaaren gekapt. De tweede, derde en vierde zoort zijn van een zeer groot
gebruik, en noodzaakelijk in de Tuinen, inzonderheid op welgeftelde Buitenplaatzen, om daar van de Teenen tot aanbinding van Espalier-Boomen en andere dingen,, bij der hand te hebben , en dus niet genoodzaakt tezijn, dezelve van elders met moeite en kosten te haaien,- wor- dende tot dien einde hier of daar op gevoeglijke plaat- zen gepoot. ■........-' kwaamst tot de binding der Boomen, inzonderheid tot
kleine Takken, dewijl van dezelve zeer fijne kleine Tee- nen of Riifen 'voortfpruiten. ----------- De zwarte zoort maakt doorgaande dikker en langer Teenen , weshalven
die tot binding van dikke Takken, Takkebosfchen en ander grof werk dienftiger zijn , waar toe ook dient de vijfde zoort, die heel lange Looten fchiet. De eerfie zoon is tot binding onbekwaam, om dat derzelver Teenen zeer bros en breekbaar zijn, ten waare die ee- nigen tijd in de Son jzelegen hebben ,en wilk geworden zijn. waar door ze wat taaijer worden, en desnoods bij gebrek van anderen tot binding gebruikt kunnen wor- den. De zesde zoort is van weinig gebruik in de Tuinen
wer
|
|||||||||||
|
WIL.
|
|||||||||
|
4170 WIL.
|
|||||||||
|
derkoek vastzitten; 'en meesttijds opgewonden zijn in
de Bloemkelk. ' ;' Zoorten. Zie hier eene optelling der voornaamfte
zoorten van dit Kruidgewas. "> 1. Purper Wilgen-Kruid met langwerpige Bladen; Sa.
licaria vulgaris purpured, foiiis oblongis. Tournef. Infi. R. Herb. ; Lijfimachia purpurea communis major. Clus. Hifi. 2. p, 5-1. Lijfimachia fpicata purpurea. C. Bauh. 'Pin. 246., Lijthrum foiiis oppofitis. Roij. Lugdb. 458,
Guett. Stamp. 2. p. 122.; (Lijthrum foiiis-oppofitis cor- datolanceolatis, floribus fpicatis dodetandris.Linn. Sptc, Plant.) 2. Purper WilgethKruid met rendagtige Bladen ; Sali*
caria purpurea foiiis fubrotundis. Tournef. Infi. R, Herb. 3. Wilgen-Kruid met breed« Hiffoop-Bladen; Salicarit
hijsfopi folio latiore. Tournef. Infi. R. Herb. Hall. Jen. 147.; Lijfimachia hijsfopifolia C. Bauh. Pin. 218. Lijthrum foiiis alternis. Roij. Lugdb. 458- Sauv. Monfp. 53. Gobt. Gelr.vf 1.; (Lijthrumfoliisalternis linearibus, floribus hexandris. Linn. Spec. Plant.)
'4; Wilgen-Kruid met f malle Hijfoop Bladen; Salicarit hijsfopi folio angustiore. Tourn. Infi. R. Herb ; Hijsjopi- folia minor ,. Thijmifolia maritima J. Bauiun. Hiji. %.p. 792. Lijthrum foiiis linearibus. Sauv. Monfp, 49. (Lij- thrum foiiis alternis linearibus, floribus tetrapetilis. LiHM. Spec. Plant.) . ' - 5. Portugaalsch Wilgen-Kruid met een fmai Blad; Si-
licaria lufittnica angufiiore folio. Tourn. Infi. R.Herb.; Portulaca anguflifolia fijlvefiris, C. Ba oh. Pin. 288.; (Portulaca foiiis cuneifomibus, floribus fesfilibus. Limn. Spec. Plant.) 6. Wilgen-Kruid met Hijfoop-Bladen en langwetpigt
hoogblaauwe Bloemen ; Salicaria hispanica, hijsfopi folio, floribus oblongis, faturate coeruleis. Tournef. Infi. R. Herb. " I 7. Kleinst Portugaalsch Wilgen Kruid met Pennings- j
kruid-Blad; Salicaria minima lufitanica , numularite ? lio. Tournef. Infi. R. Herb. 8. Oosterch Wilgen-Kruid, met een fcherppuntig gld
Wilgenblad; Salicaria orientalis, falicis folio acutisfim £ glabro. Tournef. Corol. 18. Salicaria glabra ramo- fisfima, longisfimis £5* anguflisfimis foiiis. Amm. Ruth.
89- (Lijthrum foiiis alternis lanceotatis, panicula virgä' ta, floribus dodecandris. Linn Spec. Plant. 9. Wilgen Kruid van Kandia met Granaatappsl-Bki.
Salicaria cretica punicce folio. Tournef. Cor. Plaats; Befchrijving, enz. De twee eerfie zoorten
zijn zeer gemeen aan de kanten van flooten, en andere vogtige plaatzen in verfcheidene Gewesten van Neder« en Hoog-Duitschland,. Vrankrijk, Engeland, enz. e" worden zelden in de tuinen gekweekt, fchoon zij echter in groote Hoven, om de fchoonheid van haare lange aairen van purpere Bloemen, en om haare langduurig- heid in 't bioeijen, wel een plaats verdienen. lx vermenigvuldigen zich zelve zeer fchielijk door haare kruipende Wortels-, zo dat ze een goeden grond krij- gende , in korten tijd veelvuldige Planten voortbren- gen- ' j.
De derde en vierde zoorten, worden in de opgenoemd
Gewesten op zodaanige plaatzen in 't wild gevonden, die vogtig zijn en s'winters onderlöopen,- zelden a» nooit kweekt men die in de tuinen. De vijfde zoort die natuurlijk in Portugal en meer an-
dere warme Gewesten te huis hoort, is een taaoeWR |
|||||||||
|
worden enke! gepoot tot lâage Scheerhèggen, cp-vögti-
ge plaatzen , dan deeze Heggen zijn doorgaans niet aan. zienlijk, om rede dat ze niet digt genoeg in een willen groeijen. 3 De zevende of bonte zoort, word enkel uit liefbebberij
en om de verandering van Gewasfen geplant} de Lief- hebbers pooten er om die rede Scheerhèggen van, die vijf en zes voeten hoog kunnen worden, en niet onbe- vallig door haar bonte koleur (laan. De agtfie zoort word enkel om de verandering van
Gewasfen hier of daar in de Tuinen, in de Bosquets en elders, geplant. Huishoudelijk gebruik. Gelijk ten overvloede is be-
leend, worden de Wilgen-Teetien veelvuldig gebruikt, tot 't maaken van allerleij groote en kleine Korven of Manden, en ander gevlogten werk, waar toe de eerfie en vijfde zoorten het dienftigstzijn.omdat ze mooij lan» ge en taaije Teenen voortbrengen ; ook worden totdien einde op zommige piaatzen geheele kieine Plantagien aangelegt, om de Teenen daar van jaarlijks aan deKorf- makers te verkoopen ; waar toe derhalven zodaanige gronden of plaatzen van een terrein, die vogtig zijn, en daar genoegzaam niet anders groeijen wil, met voor- deel gebruikt worden. ------ De grove Takken van dee- ze en andere zoorten worden ook veel gebezigc tot Hoe. pen om Vaartwerken, dog dezelve zijn zogoed en lang- duurig niet als de Berken-Hoepen. Het Hout van de Wilgen Boomen is buitengemeen
week, voos, en ras vergankiijk, derhalven van geen waarde, nog tot timmer-nog tot brand-hout, het geeft -zeer weinig vlam en hitte. Dog de Wagenmaakers, Schrijnwerkers en inzonderheid de Beeldhouwers en Draaijers, gebruiken het nog enkel wel tot deeze en gee- ïie werken, dewijl het zelve gemaklijk valt te bearbei- den , en 'niet door de Son barst. Ook worden de Koo- ien inzonderheid van de zesde zoort, zeer dienstig geagt tot 't maaken van Buskruid; insgelijks agten de Schil- ders en Tekenaars deeze zoort zeer goed tot branding -van kooien om mede te tekenen. ■Geneeskundig gebruik. Een afkookzel van de Bladen
of jonge Takken van de Wilgen-Boom, word van zom- migen-zeer dienftig gehouden, voor de buikloop en bloed- fpuwing, als mede voor verhit en geftremd bloed. Een 'Voetbad van de Bladen gemaakt, is zeer nuttig voor Menfchen die vermoeid zijn of anders niet flaapen kun- den , want het zelve verwekt flaap en een aangenaa- me rust. * Het 'extrait uit de Bast van Wilgen'Boomen ver-
vaardigt , zoude volgens hedendaagfebe waarneemingen, een dienftig middel zijn om de Koorts te ftuiten. Groote blaadrijke Takken van Wilgen-Botmen in de
Jieete fomerdagen in de woon-vertrekken gezet, bren- gen koelte te wege, en maaken de hitte verdraaglij- WILGEN-KRUID,- heeft haaren latijnfchen naam
Salicaria van Salix, Wilgen-Boom, om dat ze aan de ganten van -Sloot en onder de Wilg-en groeit. ; Kenmerken. De Bloem beftaat uit verfcheidene Bla-
den., welke in de rondte ftaan, en die tich in de ge- -daante-van een Roos in de breedte uitbreiden. Deeze Bladen koomen uit de mfnijdingen van den Bloemkelk voort. Uit het midden van deezen Bloemkelk groeit -het Stijltje, 'twe+k naderhand een Vrugt ofovaale Dop word, uit twee Celletjes beftaande , die doorgaande max kleine Zaadjes zijn vervuld, welke aan de Moe- |
|||||||||
|
WIL* WIM. WIN.
|
|||||||||
|
WIN.
|
|||||||||
|
.4171
|
|||||||||
|
harde ïWnt5<è%ïk'an delioùde' van ónze gewóone' win« is -, * dat om de rohgaat ,■ opteligten; gelijk uit de 36 en
;ters in -de open lucht wel doorftaan, dan in een zeer 37&c figuuren van Plaat B. n. 2 klaar te zien is ; dan ftrènge vorst gaan die gemeenlijk verlooren ; zoo dat men gebruikt ook leggende Wind-Asfen, die met een men deeze zoort willende bewaaren, eenige Planten van draaij-arm op 't eene eind,omgediaait wurden, dezelve in potten moet zetten, en die s'winters in een Ook word dit werktuig wel toegefteld met een rad in koude bak plaatzen, alwaar ze in zagt weer zo veel welks omtrek rondsom fpaaken vast gemaakt zijn [z\cfig. vrije lucht moeten hebben als doenlijk is', dewijl ze al- 38-) daar de kragt tot omdraaijing aangevoegt word. leen maar nodig hebben voor de felle vorst befchermd Nog word dit rad wel van binnen hol en zujanig in 't té worden. In den fornèr kan men ze met andere bloei- groot toegeftelt, dat het door treden van Menfchenof jende Planten buiten s', huis zetten, dan moeten in droog Beesten kan bewoogen worden, het zij yan binnen bij weer behoorlijk nat gemaakt'worden, 'dewijl ze anders wijze van opklimming, gelijk meest gefchied, of van 'weinig Bloemen voortbrengen, en.ook maar kort in bloei buiten, omtrent de bovenkant des rads; moeten.ie het ftaâji.'jDe Bloemen koomen uit de Vleugels der Bladen rad ten dien einde bekwaam breed en met kleine trede voort, beginnende onderaan de Stengen nabij den Wor- voorzien zijn; welk rad men een opwind*rad noemt, telen gaan zo voort tot bovenaan de Stengen toe, die omtrent twee voet langzijn. De Bloemen zijn vrij groot Grondflelling.
en helder purper van koleur. Deeze Plant begint te De doode Kragt der Wind, As, die aan 't eene eind der
bloeijen in junij, en brengt geduurig nieuwe Bloemen Draai-fpaak of aan't einde van de ßraal des Rads in G, tot in augustus voort. , . > regthoekig geappliceert word, fiaat in rede tot de Last Dewijl deeze zoort bij ons zeldzaam rijp word, moet D, gelijkde halve diameter der rol of as des Rads c d, tot
die vermenigvuldigt worden door de Wortels te fcheu- de lengte der Drqaij-fpaak uit 't midden der Rolgereekent, rens of de takken in te leggen, welke in weinige maan- of halve Diameter des Rads C G. den wortel vatten, mits'dat ze in droog weer geduurig Want men kan deze werktuigen aanmerken als een nat gemaakt worden, en dan können ze van de oude Druk hevel, wiens rustpunt 't middelpunt der Rol, of Planten genoomen, en in potten gezet worden, om ze der Asfe des Rads C is ; de korte arm is de halve dia- in den winter te dekken, en in het volgende voorjaar meter der Rol of Asfe C d, en de lange arm de in gefto» können 'er eenige uit de:potten genoomen, en op een kene Draai.fpaak of halve diameter des Rads C G, waar rabat geplant wórden, alwaar ze de morgen-fon hebben, uit men klaar ziet, dat de kragt hier werkt als in de Druk- als dan zullen ze bij droog weer wel bevogtigd worden- hevel, (zie HEVEL) en derhalven de doode-kragt tot de, zeer wei bloeijen en een fraaije vertooning maa- de Last in de gemelde reden ftaat. Als dus de kragt maar ken. - ' ' < een weinig vermeerdert word, zo kan ze het Werktuig in De zesde zoort is ook een fchoone Plant, en verdient beweeging brengen,
in alle uitgeftrekte tuinen gekweekt te worden. Deeze Dewijl de omtrekken der Cirkels tot elkander in re- word omtrent even hoog, als de voorgaande jen kan daar- den zijn gelijk haare ftraalen, zo fiaat de doode kragt ook om metdezelve gezet worden op de rabatten van den tot.delast in reden,gelijk de omtrek van de Rol of As des Bloemtuin, gelijk ook de zpvende en negende >zoort en om Rads, tot de. omtrek van de Cirkel die de fpaak in't omdraa- de vérfcheidenheid, fchoon ze op verre na zo fraai niet .jenmaakt; of de-omtrek des Rads, zijn,- als eene der voorgaande zoorten. -------- Deeze Hieruit, volgt, dat hoe langer de Draai-fpaak of de hal-
man men op dezelfde wijs behandelen, als .van de ;ve, diameter des Rads CG is, naar evenredigheid van vijfde zoort gezegt is, als wanneer ze wel zullen tie- de,halve diameter der Rol of As C d, hoe de kragt gro- ten. ;'. ,. ■.■,.;:.>■ ter is; weshalve de Rol of As niet te dik behoort te De agtfle zoort groeit veel hooger, dan" «ene der an- "weezen; dog waarbij de nodige fterkte dient in agt
flere zoorten, en moet daarom bij grooter Planten ge« genoomen. zet worden. Deeze is zeer hard van aart, en kan of Als derhalven aan de beide enden van een door de
door het Zaad, of de Wortels te fcheuren yermenigvul« Rol geftooken Spaak metgelijke armen C G en C F, (zie digd worden,' welk laatfté middel 't .beste is, dewijl het fig. 36.) gelijke kragten geappliceerd worden , zo word Zaad bij onsielden rijp wordt. De beste tijd om de de kragt verdubbeld. Dus word de kragt ook vermeer» Wortels te fcheuren is in bet najaar, om dat die.; wel- dert als men meer als een Draaifpaak te gelijk gebruikt, kein het voorjaar gefcheurt worden, zelden na behoo- en zulks naar 't getal en de lengte der fpaaken. ïén bloeijen, inzonderheid indien het aanhoudend droog Wanneer de.ftreek-Iinie aan de door middel van een weer is. ',' ' Vtouw geappliceerdé kragt G K met de ftraal of halve WILGEN-MIJT, zie MIJTEN».XXXIV. £.'2240. Diameter,des rads G C.een fcheevenhoek CGKmaakr,
: WILGEN^NAGTEGAAL.zieKWHiSrAARTEN zo is de,kragt,;(volgens'deEigenTchappen des Hevels,) luVVA.pag. 1704..; - . ■' in ,. h - :; ;'.', .piet grooter, dan wanneer ze't regthoekig aan de ftraal WIMBA.vzie KARPERS f». XXIV. pa£. 1448. en .des rads, G C gevoegtwas; weshalven ze alsdan in reden
SALMEN ». XVIU. pflg. 3197., ; ! , - 1' »o ...h .ftaat tptdeLast, niet als Cd tot CG, maaralsCd tot CL WIND,; zie WINDEN. .~,,\ .< ",- I , Als derhalven een Opwind-rad van binnen in H door
WIND-AS, is de naam van een mechanisch Werk- 'treding van Menfçhen of Last-Dieren bewogen word,
tuig dat tot opwinding van lasten dient^ beftaande uit (dewijl dezelve niet hoger kunnen opklimmen,)zo heeft een ronde regtopftaande of leggende roi, AU, fig. 37. de kragffót ae LYst de laastgeineïderede; gelijk ook als Van Plaat B. n, 2. die de As genoemd word, en aan bei- 't Rad van buiten in F getreeden word. de;enden op flutten om haar middelpunt beweegljj.^ is; . . .Dewijl de kragt der Windas met die des Druk-heveïs ^■ordende, door de rol eenofmeer fpaaken geftookjen, ^ overeenkomt, zo kunnen alle de voorftellen, die wegens '-daar de kragt aan geappliceert w°f4» om de rol op},*,te ,<J.e Djuikheveltóepasfelijk zijn, ook hier in deze werk. draaijetj en: dus de last die aan een touw vast gemaakt stuteen, toegepast worden. " ."'.;. VU Deel, WirçMHWSfWfS] --> - Pff--- Men
|
|||||||||
|
,,WIN.
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
WIN.
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
4Ï7*
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
Men maakt aan het eene eind van een leggende Winâ- WIND-BüS of Wind-Roer, is eene ,-Bus -of Snaphaan
os dikwils een Keer-rad van ijzer aan de Rolvast (zie fig. luitwelkemen door buip van zamengeperltè lucht,. in de '37.) om daar door het te rug loopen;der Last te »keeren, ïplaats van-buskruid kan fchieten , en het.voorgeflx-ldedoel als de Draai-fpaak. los gélaaten ; oftotomdraaijingiuit 'C treffen. Daar zijn veelerlejje zoorten van Wind Busfen eene gat genoomen -en in 't andere geftooken >word. dbgeene bijzondere zoort van dit werktuig is door den «Dewijl de weg die de Last volbrengt, gelijk is aan de vermaarden «Otto Guericke Burgemeester te Maagde.
ïangte van hetTouw dat er öm de Bol gedraait word, zo burg, een "door geoeffent Wiskonßenaar uitgevonden *vdlgt : *rttfe ruimve vffnelheid der'Kragt tot-dievan de Aandeloap van dit zoort., uit welke al deilucbt is ge! k.astinmäeßraüt,-gtHfkdipraalv(m:de-Rulof^sdesrads, pompt, wordden kegel gefchroeft, daar als dan de lucht* stw de langte des :Draaijpadks óf'firatil'des >Rhds. " ' » .weliieinet geweld door den loôp daar in dringt de ko. 'De beide eerfte zooiten van Wmamjefi. zijn van zeer ;gel uitïloot; Zie de befchrijving van deeze uitvinding
Teel gebruik, vermits de ftreek-'Hnie aer kragt'bp verfchei» ün O.. Güekicke 'Experiment, nav. iMugdebuzgici. Cap, ^erhande wijze kon genomen werden.'. -Deftatfnde Windas XÏX>. p. 11 a.! :fea. ooklbjj G. Watmmutt. tPr/nsven, -,p, i die bok Ä'ßp^tfrmgenoentt word ('fig. 3*5-l|. aient véél Op de f. 120. ■: -f, Scheepmaakerijeu, en ook om zwaare ftukken hout of WINDEN ; Wind. De Windas .niet anders dan eea
fteen. door behulp vanfcitrdllen, naar de bovenltedeelen ftewoogen en voortgedreeven lucht ; «en :deel 'vanden Iran eengebouwte-rfijzen;derleggënaeTMïirfoï/ènworden Dampkring, dat zich, even als een loqpende ftroom., -onder anderen opde-Scheperi veel gebruikt, 'tot ophijzing met een zekeren trap van fnelbeiden volgens een zake- van deankers-en zeilen, enz. " . ! ' . " re ftreeklijn, beweegt en voortvloeit.. i Het holle opwind rad, dientonder aderen aan-grote Volgens het getuigenis van fchrandete Natuirronder.
fraanen en andere werktuigen'Om er swaare 'lasfensine- zoekers, ;heeft tot nog toe niemand grondiger en vol- de op te hizen; en word oök'dikwils'gëbttïikt, «om eï lediger over de Winden gefchreeven dan de Heer P. water uit diepe bronnen of putten, en ertzen uit Metaal. Musschenbeoek ,in zijn werk getijteld, Beginselen dn groeven mede op te winden, ten welken einde twee Natuurkunde! wijbunnen dus niet, beter doen, dan het gToote -emmers of tonnen met touwen aan de Asfe ge- voornaamfte daar van., aan onze Lezers mede te dee- "voegt zijn, waarvan de eene nederdaalt terwijl de an. Jen. ! . ,; 1'. ; ere opgetrtjsf word; 'gefdiiedende de treding en be- Men zegt dat de -wind waait, wanneer er een ftreek
"Weeging des Tads gewoonlijk dooreen paar Ezels, die -van de lucht in onzeh dampkring uit de eene plaats in in het'rad nevens malkander gaan. :M«nlgébr.uiktdier-~ de-ändere bewoogen wordt, zo dat men haare bewee. 'gelijke raden ook wel in 'tkleinin grooteKedkens, daar -ging voelen «f gewaar worden: kan. De Ouden hebben men een Hond in laat lopen, tot omdraaijingvaneenöf niet kwaalijk gezegd, dat de windeen lucht-rivier, een |
||||||||||||||||||||||||||||
|
voórtvloeijing der lucht, of voortvloeijiende Juchtgol-
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
meer [pitten.
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
Ons beftek'Iaat niet toe onrhïer wijdlboptfgèr over te ven was. Derhalven beftaat de wind niet uit enkele
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
dampen en uitwaasfemhgen; of uit eenebijzondene zelf-
Handigheid van de lucht verfchillende, maar het is eea gedeelte van den: dampkring met-al het geene er in is, |
||||||||||||||||||||||||||||
|
"handelen; die er meet van wil weeten, raadpleege de
IVerken van de Wiskundigen , en wél inzonderheid Cu'AWrm Lexicon Phihjopmcum. Stevini ópem matke- |
||||||||||||||||||||||||||||
|
mat. Slatices Hb. lil. prop. xo. Leopold inTheütroMa* bewoogen van de eene plaats naar de andere. Al het
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
geen de lucht kan voortftooten, >kan ook wind maaken;
dewijl nu de lucht, een zeerligtbèweegbaare vloeiftof 'Is, kan zij van dampen en uitwaasfemingen, en van alle |
||||||||||||||||||||||||||||
|
chinarin, p. 135. f 252. »' '. ' ' '
WIND-BAL, dusdaanig word een hollen metaalen
"Bal genoemd, hebbende omtrent de gedaante van een |
||||||||||||||||||||||||||||
|
peer, wiens'Staart of Steel uit een zeer enge holle Pijp oorzaaken, welke beweeging voortbrengen , voortge«
"beftaat. Door denzelven warm te maaken, doet men (Tobten worden ; en "Wannéer'deeze bewoogen worden,
er op de bekende wijze water of eenig ander vogt in- moet noodzaakel ijk de lucht, welke zij ontmoeten, me'e-
loopen , zo dat de Bal tot o£ de 'helft, bf, op zijn gaan: de wind verfchilt dan niet anders van de lucht,
Ihoogst, tot twee derden toe vóï is ; vervolgens zet men dan een loöpende r-ivier van een meir.: ;
'Hem even ars een koffij-kan regt loverendop^gioeijende De Ticbting waarin de wind loopt, noemt men een "kooien, en 'ftoökt het vuur 'fterk aan tot dat hij, door wmdfirèek; Öm een regt befef*Van de^reefeen.der wm*
'het naau we pijpje van zijn rleei, geweläjg begint te hlaa- dèn tèmaaken, moet men zich verbeelden op een vlak
zen. Als dan 4teert men tem %ijf!a"'t ondeïfte boven, veld', en op het middelpunt van den gezigteindér te
en gaat voort mettiem op'tlkönfoor,, dat men een weinig ftaan ; dari kan ten onzen opzigte de lucht vlak naar bo-
'fcliuins houd, heet tèmaaken; 'Äräks vliegt 'het vogt als ven,naar beneden, ook in alle fcbuinfche leidingen naar
«en fontein of water Tp rang eruit, en vpringt'zomtijds "bdven en beneden, maar daarenboven obk waterpaszig
wel tot de hoogte van 2:5 voeren, indien dat;vogt bran- 'met ^alle bedenkelijke leidingen -bewbogen worden; zo
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
dat wij ftaan alsin het middelpunt v.in eenen kloot, waar
sHit de -ftraaleri haat alle'zijden kunnen getrokken wor- den op het oppervlak,'.iö Welke aille de winden kunnen loopen. Laat ons flegts een's-zién, 'hoe men de water- paszigè leidingen bègrif{»én W08t, I welke in eenen cir- kel geféhieden, In wiens middelpunt men ftaat, en wiens omtrek de uiterire randèh 'van den 'Horizont zijn ®e Wisküriftenäans hebbén den -cirkel verdeeld ''n 3Ö0 'dee- len 'of; graaden:, dus zou.'men ook sGohvindenihebbGn kühnen'"-Ifcüe'n; welke Van iëdergtfaad uit'den buitenfran VarfB^vkfl' abnïBoriiîb'nrnàar oiis-taewoeijeij;' dög deeae ' vëraèilièg;'is teliff^-ért'donder tiütvmt het Mensç"- |
||||||||||||||||||||||||||||
|
dewijn is, 'kan mendevertocmhignog'aahirrerjcefij* fraai
]er maaken, wanneermenwenige■duimen'bcifendèopè. Tiing van depitp, daardefcmfeinuitrprmgt.,eenibrandën. de kaars of fakkel in dé irraai 'houÜ; .-yvànt-hier. door ■vliegt het vogt in brand, ßri maalt*een viiur^î'rbhg.' WINDBREEKENDE ES-ffENT^S, zé ESSENTS
fag 682. , ' WINDBREÜK, in hetTatijn;PH^afftóïo«te; is eéh 01U
gemak uit een gezwe) heftaande,. dat in de holte 'van den Onderbuik, in den Schoot, ûfàah'den'Navelybórt- koómt , en zeldzaam alleen ,. maar'meesttijds als' een gevolg of toeval vaa de Windziicïlt (tfymcëiitgtyütli' ffiaat». ": * .. |
||||||||||||||||||||||||||||
|
wm, mm
|
||||||||
|
Ito'ktgebrdkc;: ook ,otn dat de, w"»a gedutirtg irr [eidtogc!
verfchilt,. gelijk, mem uit.de' geftadi'ge, beweegingss der haanen op; coorens kan.afineeten, was, het önmoogelijkt ooiï.net tezeggen, in; welke ftreek de windwroei. Hier- om:,, heeft men de winden eerst verdeeld in vier hoofd, winden, welke zijn noord.,: eost, zuid, west; deeze koo- menals van de vier zijden onzer Aarde, of Hemel. Uien heeft de plaatzen, waar van deeze vier winden kwamen, midden doorgedeeld, waar door er vier an- deren bijgekoomen zijn; de piaatzen waar van deeze igt winden kwamen,zijn wederom midden doorgedeeld, waar door er 16 winden of windflreeken gemaakt zijn; dog ten gebruike der fcheepvaart heeft men deeze ió" f/inden nog eens midden doorgedeeld, en dus gemaakt ^windflreeken, welke verdeeling fijn genpeg is;, zij worden dus genoemd, noord, noordten-oosten, noord- noordoost, noordoost'ten-noorden , noordoost, noordoost* Unkosten, oost noordoost", aosUten-noorden ; oost, oost-tem zuiden , oost-zuidoost, zuidoost ten-oosten,, zuidoost, zuid- oiist-tenzuiden , ■ zuid-zuidoost, zuid-ten oosten ; zuid, luid-ten-we sten , zuid-zuidwest, zuidwest-ten-zuiden, zuidwest, zuidwest-ten-westen, west-zuidwest, west ten- zuiden} west, west ten noorden f west noordwest, noord- west-ten-westen, noordwest, noordwest-ten noorden , noord, noordwest, noord-ten-westen. De Ouden deelden de Wid/lreeken in vier, agt, twaalf, vierentwiniig deelen, en gaven; de winden naamen van de voornaamfte piaat- zen, van waar zij ten hunnen opzigte woeijen;,. het welk een groote wanorde in de griekfche en latijnfc'ie' naamen veroorzaakt heeft, welke in onze nieuwe be- naaminge gantsch weggenoomen is; Wanneer men met orde van de winden wil handelen',
aoet men ze verdeelen. -. <<> I. In den algemeenen en beftendigen wind.
-4. -In winden, welke op zekere tijden waaijen', en jwlijkfche winden genaamd; wordénr '' '!'-ji 'In zee en landwindem. - ■■
i'4'.i In vrije winden,, welke over eene Iandftreoktnasr
ailéikanten toewaaijen, zonder eenige tijden »aar te- neemen. Wij-zullen van deeze vierderlei wfratfen afzon- derlijk handelen, en hunne oorzaaken, zo veel als-moo; gelijk is, in het licht zoeken te (tellen; ' De algemeene of pasfaad-wind waait tusfchen de twee
Keerkringen in, of maar weinig er buiten; men neemt diè:meest waarop de Atlantifche, Ätbiophifche, Bra- filiàanfche-zeën j ook op de groote Zuidzee, en opeen gedeelte van de Indifche-zee. In de andere gewesten Waaijen of dejasrfche, of dé vrije winden ; zommige jaaflijkfche regeeren in de Indifche zee, en in Grieken- land; maar de vrije winden regeeren buiten de Keerkrin- gen. Niemant heeft beter over den algemeenen-wind gefchreeven dan de Heeren Halleij en Dampier , welke op hunne zeetogten hem naauwkeurig hebben waargenoomèn en aangetekend; waarom wij hen zullen en moeten navolgen. In de Atlantifche en OEthijopifche-zee tusfchen beide
de Keerkringen in, waait bet geheelé jaar door de oos- ten-wind; dog zo, dat hij ten deele in de Atlantifche- zee uit het noordoosten, ten deele in de ^Ethijopifche- zéeuit het zuidoosten fchijnt te koomen. I. Want zo ras men voorbij de Canarifche Eilanden'
gevaaren is, ten naastenbij op de hoogte van'28 graaden* Mörder breedte; waait er een noordoostenwind, welke' zelden veel nader aan het noortien koomt,maar opzonw ®'ge tijden koomt hij nader aan den wstsnwind ; zorn- |
||||||||
|
Wfds) önteidereüc de Schippers doezen wind' al op. een
noordeirbreedte van 33 graaden. Wanneer deeze wind oostnoordoost is, en de Son
in'de: zuiderhemelstekenen, dan is in het noorderdeel der. aarde van 28 graaden breedte af tot den evenaar toe, heldere lucht en fcboon weer; maar wanneerde Son in de noorderhemelstekenen is, is de lucht aldaar betrokken, en onderheevig bij den evenaar aan fchielijt ke ftoimbuijen; en dan is het fcboon weer in het^ui- derdeel der aarde , bijna van den evenaar af tot den Keerkring toe. Deeze winden, hetzij zij noordoost of zuidoost zijn, waaijen van hunne eerfte grenzen, wel» ke op 30 graaden breedte zijn , tot op 23 graaden breedte, met eene maatige kragt; dog van den 23ften graad tot op 14 of 12 graaden breedte , waaijen zij veel fierker, en op deeze Itrceken zijn zij bijna beftendig oost-noordoost, en oost, maar van deeze breedte af tot op den evenaar toe zijn zij flapper, en min beftendig.in richtinge. 21. Die naar de Caribifche Eilanden vaaren, onder»
vinden, dat deeze noordoostenwind zo veel vlakker oost wordt, hoe zij digter bij de kuften van Amerika koo* men; zo dat hier niet alleen een oostenwind, maar zelfs wel een zuidoostenwind waait; dog meestendeel is de wind noordoostelijk; deeze wordt hoe langer hoe zag» ter, hoe men nader bij Amerika koomt. 3. De grenzen van deezen wind ftrekken zich verder-
uit tegens de kuften van Amerika, dan zij bij Afrika begin- nen'; want deeze wind wordt op de kuften van Amerika tot op 30 en 32 graaden noorderbreedte bevonden; dit zelve bevindt men op de zuidkuften van Amerika ook', alwaar de algemeens wind verder naar het zuiden uit- loopt, dan op de kuften van Afrika, a's die van Mo- nomotapa, aan wiens eind de Kaap de Goede Hoop is. 4. Vamvier graaden noorderbreedte tot op 28 graaden
zuiderbreedte, waait er altijd een zuidoostenwind, welka zomtijds>vlak<ow£ wordt; dog digt bij Afrika waait dee» ze wind: aitijd zuidelijker, dan bij de kuften van Bra* fiel", want-hoe men hier nader bijkoomt, hoe de zuid' oostenwind' meer naar het waare oosten helt. 5. Deeze winden zijn eenige veranderingen onderworp
pen naar het jaarfaizoen verfchilt, want zij volgen de' Son ; wanneer de Son tusfchen den evenaar en den' keerkring'des Kreefts is, wordt de noordoostenwind'». welke over het noordelijke deel des aardrijks waait, vlakker oostelijk; en de zuidoostenwind, waaijendeover dé iEthijopifcbe-zee, wordt dan zuidelijker; in tegen- deel: wanneer de Son boven het zuidelijke gedeelte» des aardbodems fchijnt, worden de noordoosten winden van de Atlantifche zee noordelijker, en de zuidooster winden' van de iEthijopifche zee worden vlakker oost. 6. Men moet hier aantekenen, dat op de kuften vart
Afrika, naamelijk de Kafferskust, Angola, Kongo en". Benin, een zuidenwind waait; maar om dat het bij An- gola'dikwils ftormt, wordt de zuidewind ook in zijnen? loop geftoord; na de ftormen koomen er ft il ten, en hier na begint de zuidewint wederom zijne voorige krag* ten en ftreeken te houden. De winden welke langs de kuften van het zuïJeiüjks
deel van Afrika waaijen, loopen niet evenwijdig langs de kuften heen, maar fchuins, zo dat zij met het land" omtrent een hoek van ï2* graadên'maakeni de winim volgen ook de ftrekkingën 'vas'het land bij uitftèeken efï inhammen ; dit zelfde bevindt' men ook in de winden t welke langs'de kuften vsnCWh' enPérti-opde^Zuidzeô Fff 2 waai- |
||||||||
|
ï
|
||||||||
|
WUT.
|
|||||||||||
|
WIN.
|
|||||||||||
|
4174
|
|||||||||||
|
waaijen. Deeze winden blaazen met een ftijve koelte
het gantfcbe Jaar door, en dat op den afftand van om- t ent dertig kleine mijlen van de kuiten van Guiné zee- waards in; de zuidoostenwind wordt gantsch zuid, en digt b'i de kuiten van Guinè in eenen zuidwestenwind ver- andert;'gelijk ook bij de zwarte kuft, als Senega en M ndinga, de noordoostenwind in eenen noordwesten ver- anderd. - 7. Aan de noordzijde van den evenaar, tusfchen de
breedte van vier en tien graaden, en, tusfchen de mid- daglijnen, over de Vlaamfcbe Eilanden Loopeinde, is er een ftreek in zee, waar in tusfchen april en feptember altoos donder, blixem, ftormbuijen, ftortregens, en ftiltens heerfchen, alle welke verfcbijnzelszeer fchies lijk op malkanderen in eenen dag volgen ; terwijl de win- den als naar alle zijden te gelijk waaijen ; maar als de Son digt bij den keerkring van den Steenbok is; is het weer hier zo kwaad niet. ....:; ■ 8. In het algemeen tekent men aan,dat deoostenwind
ch'g'ter bij de Afrikaanfche kuiten begint, alsshij wel bij de Atnerikaanfcbe ophoudt; want men bevind hem.al.öp een kleiner afftand dan van 30: mijlen van »Afrika af;, daar hij bijna 100 mijlen van de Amerikaanfehe.kufteo afbliijft, vooral van het noorderdeel van Amerika, wan£ hij nadert digter bij het zuiderlijk Amerika; niettemin bij Kaap la Vela koomt hij tot op 8; mijlen nabij land, fch'oon Kier digt bij dan een westenwind waait. :,U s Jn.de Baaij van Mexico, enlvooral.bij Kampecbe en
de Antillifche Eilanden waaijen àikwik weste winden-,. maar zij zijn van korten duur, en hebben ook,hunnen vaßen tijd niet. m I - ■ - ,-,-,' ? Dit is de hiftori van denal'gemeenen wind, welke wij
nu moeten tragten uitteleggen , en zijne oorzaak op- fleuren* ;;'--. . ' , ,.. ;-, - Deeze is naar onze meening de Son; wier werking
men klaar zal verftaan, indien wij eerst begrijpen t .dat zij regt boven den evenaar ftaat* en. om de aarde loopt» Wanneer de Son regt boven eenige plaats in den eve-, »aar fcbijnt, zal zij aldaar de lucht zeer heet maaken,, haar uitzetten, en meer kragten bijbrengen;.deeze ver- warmde lucht fpant zieh nu uit naar alle kanten, en der- halve ook naar boven oprijzende, ftéekt zij boven het overige van den min heeten dampkring uit, waarom zij zijdwaards en naar alle kanten beenvloeit, volgens de wet der zwaarte in de vloeiftoffen, gelijk het opbor- lend water uit een bron naar zijden vloeit; hier door wordt geduurig de verwarmende luchtpijlaar. korter,, en ligter, waaróm zij niet aan,de drukking der zijpijlaa« »en, welke: naar de middélfte verwarmde zullen toe- vloeiien, wederftaan kan, dewijl die uit dikkeren zwaar- der lucht beftaan, en daarenboven door de lucht, wel. is van den anderen kant boven op baar gekoomen,is, zwaarder geworden zjjn. Wij hebben voorheen ook'ge« zegd, dat de dampkring-, wegensîdé middelpuntvlisden- de kragten, eivormig was, het hoogst boven den eve« »aar, en van daar naar de polen weerzijds toe laager, zodat in den dampkring de bovenfte lucht vlakboven den; evenaar altoos zijdwaards naar de polen toe.moest eveivloeijen,' zo dat er om deeze reden , en. om de werking der Sonne, deeze overvloeijing van lucht noodt zaakelijk gefchieden zal.. Ondertusfchen loopt de Soa voort van het. oosten haar het westen ;;of de aarde draait om. van bet westen naar het oosten;, het welk in dit ge- val; hetzelfde is«, omi dat wij hier-alleen op de lucht-Iet« ten-j welke vervolgens warm: wordt. Door den fchie- |
lijken loop der warmmaakende Son zal er dan aanftonds
een ftreek van eenige langte in de lucht zijn, van het oosten naar het westen liggende, waarin de lucht min- der kragten-van weerftand heeft, dan welke van weer. zijden, noord en zuiden tegens haar aandrukt ; en om dat de Son niet het meefte dat deel verwarmt, waar zij loodregt boven ftaat, maar waar over zij al wat heen geloopen is!, zal.de luchtpijlaar, wat oostelijker, dan die vlak onder de Son is, het hoogst opgereezen, en meest verdund zijn, en daarom alhier fterkst neervloeijen, vooral naar 'het oosten, en wel meer hier naartoe,' dan naar het westen, om dat de westelijker pijlaaren, welke verwarmd worden , in bun oprijzen zijn, daar de oostelijker pijlaaren kouder wordende, in het neder- daalenzijn ; hierom zullen de oostelijker pijlaaren, door dit overloopen der bovenfte lucht, westelijk persfen.en derhalven eenen oostelij ken-wind veroorzaaken ; maar nu koomt de JzijdwaardsfEaande lucht, zo ten noorden als ten zindennen perst naar de meestverdünde lucht ook toé; »betfloordelijfce deel zal bijgevolge naar bet zuiden persfen.ien de lucht ontmoeten, welke, van het oosten naar het westen loopt; door deeze twee leidingen te gelijk moetde lucht eep: zaamgeftelde beweeging krij. gén,,vin,een.e,leidinge van,het noordoosten koomende», waarom alhier een noordoostenwind waaijen moet. Masr boven het zuidergedeelte der aarde moet de lucht wel van het oosten naar het westen hewoogen worden, dog ook te gelijk van bet zuiden naar den evenaar toe, zo dat alhier ook een zaamgeûelde beweeging gebooren wordt, koomende als; van het zuidoosten ; hierom re- geert alhier een zuidoosten-wind. Wij, zien dat deeze twee winden, welke waarlijk waargenoomen worden, uit de eivormige figuure van den dampkring, en uit de werkinge der Son op de lucht, in dezelve warm te maa» ken, klaar vioeijen ; laat ons dan zien of de andere waar« neemingen even klaar van dezelve oorzaak kunnen afge- leid worden. Om dat de Son de: lucht van bet oosten naar het westen gelijkvormig warm maakt, en dat nog fchielijk, nog onregelmaatig doet, moet de oostelijke- wind, door haar voortgebragt, gelijkvormig zijn, en als met eene en dezelve kragt, dog zagtjes, waaijen, zo dat er de Windmoolens genoeg door kunnen om« gaan; hij begint ook volgens de aantekeningen van den Heer Excher op het eilend Cajenne gedaan, des mor. gens tusfchen & en p uuren, en vermindert met het on- dergaan der Son, zijnde dit-beftendig tusfchen de maan- den Julius en december, het welk du& moest zijn ; want daar is tijd van nooden, eer dat de lucht van de plaat- zen vlak onder de Son kon oprijzen, boven over de an- dere lucht beenloopen.ende andere van vooren of west- waarde liggende , in beweeging brengen, waarom er niet eer- dan 's morgens tusfchen 8 en 9 uuren deeze wind kon zijn; en om dat de'wind ook de Son volgt, is het nog te verwonderen, dat zij dit in 6 of 7 uuren doen kan, zijnde dit den tijd van den middag tot den avond toe, waar na hij allengs verminderende des nagts over, vrij flap blijft. Om- dat de noordoosten-wind naar den evenaar- toeloa-
pende,, tegens den zuidoosten-wind, welke van het zui- den naar den evenaar ook toeloopt, aanftuit, moeten deeze winden onder den evenaar, en weerzijds eenige graaden er van af, malkanders beweeging verminderen, en maaken, dat hier de oostelijke winden flapper zün' dan op de breedte weerzijds van 12 of 14 graaden. Om. dat de. beweeging dooi de overvloeijinge der bovenfte |
||||||||||
|
WIN.
jucht V.etoorzsakt' allerfferkst is tusfchen de 12 en 23
graaden breedte, is de vind alhier flerkst ; daar na de beweeging der overvloeijiende hiebt boe langer hoe meer vertraagd moet worden door de wrijvinge der dee- )en op. een , moet ook de wind op grooter breedten dan van ,23. graaden hóe langer hoe flapper worden. Hij zal beginnen, alwaar hij nog door bosfcben, nog door heuvels of bergen , belet wordt, en derhaive boven de open zee, eenigzins van de kullen af, welke door haare ongelijke ligginge, en verhevenheden boven den grond, den gelijkmaatigen toevloed der zijd waardsftaan- de lucht beletten. De oostelijke wind zal dan eerst op eenen, afftand van 30 mijlen van de Afrikaanfche kus- ten afin de open zee regt .te.voorfchijn koomen. Wan- neer deeze wind nu aan de kusten van Amerika na- dert, welke uit hoog land en bergen beftaan, waait hij hier tegen aan, en om dat hij er tegenfluitende in zij- nen voortgang belet worde, moet hij zagter worden, en tot de kusten niet zelfs eens kunnen koomen, maar vrij verre er van af reeds in zijnen loop gefluit zijn ; waarom de Schippers naderende de kusten van Amerika Hechts eene zagte oostelijkekoeltegewaar worden; door deezen tegenftand der kusten, en deszelfs bergen moet de oostelijke wind verder uitloopen tot op grooter breed- te* dan hij bij Afrika begonnen was, vooral daar door het verwarmen der Amerikaanfche ooscelijke kusten zelf, ea.de lucht boven dezelve, natuurlijk een oostenwind moest waaijen; <■'.-■> :<-:r» ';.■■■■ r ■ Nu hebben wij alleen gezien, wat de Son met eenen
omloop boven den.evenaar moet uitwerken, maar laat ons verder de Son volgen. Terwijl zij het noordelijke gedeelte der aarde verwarmen zal,: en, van den evenaar naar den keerkring des Kreefts loopen ; dan zou de damp- kring, welke boven de Atlantifcbe Zee ftaat, -enlood» regt van de fonneftraalen verwarmt wordt, vlak ooste« lijk. yoortgeftooten moeten zijn, gelijk wij voorheen de lucht onder den evenaar begreepen hebben; daar er voorheen bier een noordoostenwind Woei, moet er nu een, nader aan den waarenoosten koomende, waaijen; dochrde lucht boven deiEtbijopifcheZee is nu koelder dan voorheen, toen de Son boven den evenaar ftond, waarom zij ook dikker is, en een grooter maat van de oravloeijende en verwarmde lucbtpijlaar, regt onderde Son zijnde, boven op zich ontfangt, door deeze boven' opgevloeide lucht krijgt de dampkring alhier meer kragt, waarom zij naar de verhitte plaats zich uitzet, en van den,zuiden fchijnt te koomen:, dus wordt-de zuidoos- tenwind j welke bier voorheen woei-, bijna in een zui- denwind veranderd. Nadat de Son tot de keerkring des Kreeftsgekoomen
is, keert zij wederom naar den evenaar, waar door dan ter tijd de vostelijke-wind, welke op de AtlantifcheZee woei, langzaamerhand veranderen moet in eenen nsord- oosten, dewijl de lucht van het noorden naar die lucht toegedreeven wordt, waar boven de Soa loodregt fchijnt ïie zuidenwind te vooren op de iEtbijopifcbe zee waai- jende, wordt ook van langzaamerhand omgedraaid in eenen zuidoosten; tot dat de Son, loopende om betzui- d.erdeei der aarde, maakt, dat deeze nog oostelijker Wordt; maar dan verandert de noordoostenwind van de Atlantifcne zee in eenen anderen, welke meer naar 't noorden ftrekr. Ik heb gezegd, dat de noordoostenwind bij de Caribifche eilanden vlakker oost wordt, hetwelk dus moet gefchieden, om dat de algemeene wind tusfchen <k eilanden,, welke, voor de golf van Mexico liggen ,-.,. |
|||||||||
|
v/m.
|
|||||||||
|
417$
|
|||||||||
|
doórwaait.en tJoor de Amerikaanfche kusten van nieuw
Andalufie, waar tegens hij aanwaait, oostelijker geleid ' wordt, zo dat de wind volgens de ftrekking der landen bier loopende, zelfs zuidoostelijk moet worden : Alle deeze gevolgen, koomen zeer riet met de waarneemihgen overeen, Deeze algemeene oostenwind blijft tusfchen de keer»
kringen, of loopt er maar eenige weinige graaden bui-- ten, naamelijk tot 28 of 30 graaden weerzijds van den- evenaar; om dat de Son haare draaien alleen loodregt op de aarde fchiet, en op de lucht tusfchen de keerkrin- gen in, en er een weinig buiten; want als de Son in den keerkring is, verwarmt zij bijna evenveel de landen weerzijds ervan afleggende op 3 of4. graaden, als diöv- welke onder den keerkring zelfs zijn; zó dat de lucht, op eenen affland van 5 of 6 graaden van den keerkring,: genoodzaakt is zijdwaards te vloeijen naar deeze ver« " warmde lucht toe, om dezelve reden van de boven-; overvloeijende lucht, ais ik te vooren op de andere- plaatzen heb aangehaald; Vrij moeijelijker koomt men agter den waaren oor«
zaak der zuiden winden, welke langs de Kafferskust, Angola, Kongo, en Benin waaijen; ook waarom niet verre van Guinè de winden westelijk worden -, ja- zelfs zuidwest; gelijk zij op de kusten van Senega, énMan- dinga in noordwesten winden veranderen; zou dit niet koomen, om dat de grond vân Guinè, Benin en Biafara heel zandagtig is, volgens de aantekeningen der Reizi- gers? deeze grond door de Son zeer heet wordende, maakt ook, dat er de bovenftaande lucht zeer beet en uitgezet wordt, waar door zij naar boven rijst, en zijd«- waards boven op het oppervlak des dampskrings been« vloeit; hierom moet de lucht, welke zijdlingseraanligt, enuit zwaarder-pijlaaren beftaande, er vrij naar toe kan koomen, naar haar toevloeijen ; dog dit is de lucht boven de -äkhijopifche zee bangende, langs de kuilen- van Angola, Kongo en Benin, waarom deeze lucht van haare oostelijke ftreek afgeleid, en gedrongen word van. het zuiden naar het noorden te loopen; maar de lucht boven Angola en Kongo wordt ook verwarmd, rijst op,, en begint uit ligter pijlaaren te bellaan, waarom de lucht boven de zee zijnde, naar de kust toegedreeven; wordt, zo dat er een zoort van zuidwestelijken wini- gebooren wordt, welke met eenen hoek van 22 graaden naar het land toewaait ; dewijl de oorzaak het flerkfte werkt digtst bij de kust van Benin en Guinè, moet dee- > ze zuiden-wind aldaar nog fterker landswaarts beenge--, dreeven worden, en dus in eenen zuidwestenwind ver-; anderen; welke in de gantfehe bogt van Guinè moe.--- waargenoömen worden, deeze zelf zal in bet noord&ff lijkfte dee! van Guinè vlak west worden, en dus regt tegentlrijdig tegens. den algemeenen oosten wind aan«- waaijen; :. Dezwartkust van Senega en Mandinga heeft ook eeaen
diergelijken fandigen grond , welke van de Son zeer- heet wordt, en daarom ook de lucht er boven flaande zeer verhit, waarom hier naar toe de noordoostenwind ook waaijen moet, dog eerst in eenen noordwesten veran« ", derd, welke van het eiland Palma af begint, en tot Guinè toe op deeze gantfehe zwarr-e kust heen zich uitftrekt. De Heer Clare jn ziin boek over de Beweeginge defr Vloeifloffien'heeft om dtt te bewijzen, een aardig expe- riment aan de hand gegeeven ; neemt,, zegt-hrj; een.- groote. fchotel met koud water, zee hier midden-ineen' waterbord met warm water gevuld;.zo zal de fcbotel:. Fff 3 met |
|||||||||
|
wim:
|
||||||||
|
met ko,udtwafcar den Oceaan verbeelden, en het water»
bordimet warm water.een eiland, wiens grond verwarmd is,, en de lucht; bpven zich; verwarmende doet uitzet- ten,' Neem, een brandende kaars, blaas dien uit, op dat zij tooke, indien,dan de plaats ftil zij, houdt ds roo- kende kaars bieren daar boven het waterbord, dog aan dp-zijden,, en de rook.zal gedreeven worden naar het midden toe, gplijk de lucht uit zee naar land gedree- verj: worde Daarna moet men de fchotel vollen met Waym water, en het waterbord met koud, en het we- derom midden inzetten ; wanneer men dan de rookende kaars over het bord, houd, zal de rook van het bord af over het warme water van de fchotel heen gejaagd wprdent ; 'Ijs. heb ook gezegd, dater in de Atantifche zee, op de
ijporder breedte, van, 4,eniograaden, eene plaats was, waar in geduurig ftormen en kalmten waren ; deeze plaats, fchijnt ajdaar te.liggen, waar ertusfeben den al- gemeenen posten., en. den. zuidwestenwind, naarGuinè- waaijende,evenwigt is,en,derhalve ftïlftand in de lucht; maar om dat hier-ook zeer veel blixeiri en donder is, mp.et de bodem den zee alhier veelzwavelen hliXera" ftpf; uitwerpen,, welke-door het water naar boven drin- gende,, et? in de lucht.vliegende,geduurig aartgeftooken wordtt, ten zij, de: wolken haaf meevoeren, waardoor et winden gebooren worden-, nu- naar deeze,, dan naar eene*andere ftresk heenwaaijende, gelijk, er altoos zo. daanige verandering, der^winde»:-op-alle plaatzën, daar heti dondert,, waargenoomen wordt;; deeze:onbeftendJg- heid des; wWf zalhierduuren, totdat, allé blixemftof verbrand isi,t ent de. lucht wederom tot ftilte kaomti s Qndertusfcherrworden doorden algemeenenzuidoosten-
wjurf.vanhet^uiderrdeel.der aardenen doórden noordoos- tenwind van het noordferdeel. deraardey naartleeze plaats dftwoiken toegevoerd ;.endewijl zij zofterk westeiijknaar Ctuinèi aJss oostlijkl naar Amerika; gedreeveri. worden, blijvemzjj alhier hangen;, ,dog zij worden door de eerfte wänden zaamgedru&t, vooral i indien er blixem bijkoomt, waar doon zij in de; gedaante vao zwaare ftortregen neervallen, welkes alhier buitengemeen is. Op da-kusten vanBrafiel-vindtmen nog andere win-
dm; want; ia de maandenn april, maij, junij, julij, augustus; waait; er een zuidwestenwind, en vän de maand feptember, afttot april itoe, waait er een mtrdoostenwindi Deeze winden zijn-' oabteftendigeri en- onregelmaatiger dan.de;Mousfons. op.de; indjfcbe.zee; zij warden.ook geftoorddo.or: dejftoratbuijên; welke dikwils. heerfchen-; ïnrde'maandenrrtaiji jtmij, jiilijen augustus; tusfeben; octofeerr'en maart waaijen.hies;;ook wel westewinden, maar, die zijn .zag«; en ;van, korten .duur, zeiden van 8 dagen, dit.geheitrt'meest in december en januarij; dog nadeihandiheeft roeBi wederomden noordoostenwind, uit- gezondert bij volle of nieuwe Maan, wanneer de wind. cote wel; eejidag^ «f twee verandert,of ophoudt. Wân- neef?rast* op de. kusten » van I Amerika let;,, welke. nog zuidelijker leggen dan Brafiel, ziet men, dat zij veel naarrhee ■ westen ; Ioopen » ; hierom moet« men ■ de zuidoost tenmindt ,.'m de-» rnaatwiï april op-de iErbijopifcbe zee wàaijecde»,» en, fluitende tegens-de-hooge kust van Bra» fleil.naar, Het »naaard en gedwongen worden , en dus een ZHidwesteçwndiîmakem Dewijl de Son in de maand feptember. loodregt.apBraiïel fchijnt, en hier dus den -grond en- de± lucht heet maakt, moet de lucht van het «kouder naarden, en over de Zee sekoonien, naar land $&&: waaijen,,.en eenneordocistenmnd inaakea, ; ; |
Dit is. wel. het-voMrraamfe» betogende? den^m«!.
nen wind vandeezezee. '' \ Wij meenen, dat het klaar volgt, uit hét geen» wfj,
hier boven gezegt hebben, dat de algeheene oostenwirii niet voortgebragt wordt door. de beweeging der aarde rondsom haaren as,en dat zij hierom.haaren dampkring verdatende, in het omdraaijen van het westen naarhec oosten, daar tegens zou aanloopen, en dus eenen wind van het oosten naar het westen ondervinden, gelijk zom- mige Wijsgeeren geloofd;hebben , want in dit gevoelen zijn de volgende zwaarigheden. i. De aigemeene wind, is geen waare oostenwind,
maar noordoost en zuidoost, en zijne leidingen veran- deren, maar dat de Son in de Ecliptica op eene ver- fcheide plaats gekoomen is; dog als de wind door de omtuimeling der aarde om haaren as gebooren wierdt, moest hij vlak oost, en altijd dezelfde, dog op vaste tijden aan verandering onderworpen zijn, om dat de draaijing der aarde om haaren as, altoos eveneens is. a. De fnelheidi van deezen algemeenen wind is veel
minder, dan de fnelheid der aarde om haaren as bewoo- gen; want deeze wind is niet fneiler, dan dat hij binnen een fecunde 8 of io voeten kan yoortloopen, daar de eve- naar in dien tijd 1243 voeten afloopt. 3'.< Waarom zal men (lellen, dàt de dampkring onze
aarde verlaat, en inde dagelijkfche beweeginge niet te gelijk met haar omtuimelt, daar de dampkring de aarde niet verlaat in den jaarlijkfchen omloop om de Son? en als hij in het begin niet even ras met de aarde omge- Ioopen was, zou hij door langheid van tijd, door ge- duurig te fluiten tegens de bergen en bosfehen, tot de- zelve rasheid verfoeid zijn geworden, waar mede de aarde omtuimelt; zoo dat voor hondert jaaren de aige- meene wtnd veel harder dan tegenwoordig moest gewaaid hebben,-'t welk onwaar is. 4. Ook zou erop alle toppen van bergen over de gant-
fche aarde een oostenwind moeten zijn; want die zou tegens den Dampkring overal aanftuiten, dog dit wordt niet waargenoomen; 5. Maar dit gevoelen valt gantsch omver door de
verfcheide winden, welke in de Indifche zee waaijen, en waar van ik ftraks handelen zal. Andere Wijsgeeren hebben hunne toevlugttot de Maan
genoomen, meenende dat die door haare drukking de lucht zou voortftooten , en dus den algemeenen wind moeten maaken ; het zou op het zelve uitkoomen, of men zeide, dat de Maan door haare zwaarte de iaebt deedt beweegen, waar zij boven ftondt, of dezelve voortdrukte; dewijl de Maan de oorzaak van den vtind zou zijn: Dit gevoelen heeft zijne-waarfchijnelijkhe- den, en is niet los uitgedagt, maar daar-leggen deeze zwarigheden in, dat dan de aigemeene winden den loop der Maane, en niet dien der Zon moesten volgen, en derhalve zouden zij zeer veele veranderingen jaarlijks ondergaan moeten, welke niet waargenoomen worden. Ook zouden zij fterker moeten waaijen, wanneer de Maan vlak boven de plaats ftondt , of een weinig er overheen gegaan was, waarom er alle dag een groot verfchil in de kragt van deezen wind moest zijn, ja; wel tweemaal-dès daags, gelijk in de ebbe en vloed1 is, 't geen niét gefchiedf. Wfjzullen hieronder zien, at- de Maan waarlijk wind moet maaken , dog juist' eezen algemeenen niet. In de groote Zuidzee waait dezelve aigemeene wind,
elke wij befchreeven en gezegd hebben dat op de |
|||||||
|
Allan*
|
||||||||
|
WIN.
|
|||||||||||||
|
WIN.
|
|||||||||||||
|
417?
|
|||||||||||||
|
¥
|
|||||||||||||
|
3. Tusfchen de Afrikaanfche kusten van Ajana, als
ook tusfchen de kusten van Arabie, Malabar, en inde golf van Bengalen, tot aan den evenaar toe, waait vati april af tot oetuber toe een zuidwestenwind, vrijfterk, verzeld met donkere wolken, ftormen, en veel regen; van october af tot april toe, heerscht alhier een noordoos- tenwind., met feboon weer, en met minder drift;deeze beide winden, noordoost-en zuidwest, waajen veehzag- ter in de .golf van Bengale dan op de vrije Indifche zee. Niettemin waaijen -de winden op de gemelde plaSföen niet volgens eene Äreek, maar fchuins naar het beloop der kusten, <en wel volgens twee of-ürie vericbeide ftreeken van -het kompas ; en In de-diepe baaijen, slsiTi die van Bengalen, beeft men andere witrden aan deiksti- tten dan middenin. 4. Tusfchen de Afrikaanfche kust van Zangitebar «n
het eiland Madagascar, van october af «ot maij toe waaic er sen zuidoostenwind;; in de volgende zes maan- den van maijaf tot october waait er een westen-, :<kwel een noordwestenwind,, wdk-e zo Tas hij voerbij;het eilattd Madagascar in volle zee naar den evenaar rtoegekoomen- is, in eenen zuidwestenwind,weinig äfzijnde wantenen zuidenwind verandert. Wanneer deeze wind begint 'te veranderen, wordt het koud, het -regent en tftormt, maar de oostewinden zijn altijd lieflijker. 5. Langs de ikusten van Zanguebar en Ajana tot de
roode Zee toe., zijn de winden veranderlijk van crctöber tot half januarij toe; meest regeeren hier Herke en nor- mende noordewinden met regen verzeld:; van ijamiarij tot maij zijn de winden noordoost, en noord-noordoost fnret helder weer, van maij tot october toe waaijen-dezuids- winden; in julij, augustus en'feptember zijn'er.groote- ftilten in de baaijen Pate en Melinde, welke wel zes- weeken lang duuren. 6. Bij den mondvan de iioode Zee bij de Kaap GuarJ
dafui, waaijen fterkewinden, ja op den zelfden tijd ais er ftilten zijn in de haaij Melinde; -het is daar helder weer, maar op een afftand van ro of ra mijlen vandee- ze'Kaap zeewaards, waaitde wind ftegts maatig. 7. In de roode Zee tusfchen maij en october waaijen-
zuidewinden, in de maanden van feptember en october draait de wind naar bet noorden, welke eindelijk wordt NO. met belder weer; deeze duurt tot april en maij; toe, dan wordt hij noord, daarna oost,, en eindelijk zuid, welke beftendig blijft» 2. Tusfchen de Chineefche kusten, als öök tusfchen'
Malacca, Sumatra, Bornéo, en de Fhilippijnfe'eilan-. den, van april af'tot october toe waait een, zuiden 'en' zuidwestenwind, en van october tot april toe een noord' oostenwind, weinig van eenwonfcMw'nrfverfcbillende ji deeze wind wordt noord, jà zelfs noordwest tusfchen de eilanden Java, Timor, nieuw Holland, en nieuw Guitè, gelijk in plaats van eenen zuidwestenwind alhier een zuidoosten waait, welke wegens inhammen'en de bogtige ligging van Timor, Java, Sumatra, en Malac- ca in eenen noordwestenwind verandert 5 tusfchen-deeae twee getijden zün twee maanden-, gedüurende welke de wind altijd veranderlijk is,, van de een of ander affchei- cdende, tot dat ;bü zich in den tegengeftelden wind ge- 'fteld heeft. Maar dit is bijna gemeen aan alle Mous°- Jons, want eer Sïj dmdraaiien , ftaan zij op zommige- plaatzen ftil, als of de ducht niet wist, werwaards zf j -zich keeren moest, maar bp andere plaatzen fchetden$& winden af met een groot geweld, en keeren aanftonds oman hunne tegengeft'eldë. Het gebeurt ook in zom- mige.- |
|||||||||||||
|
ßtlantifche en JSthijopifche zee wa-'it; want boven het
goorder gedeelte'der sZuidzee is er een geduurige noord- eisten, en bouen bet zuider gedeelte , waait er een ■gödutirige zuidoostenwind; beide deeze winden ftrekken ■zich «w-eer-zij ds «an den evenaar uit ter breedte van tfB en 3© graaden. Deeze waai jen met de kragt en -beltendighet'd , dat de Schepen deeze groote zee van Amerika af, toe de Pnilippijnfche eilanden toe, in den tijd van omtrent 10 weeken overvaaren; want zij waaijen met grooter koelte, .dan op de Atlant-ifche en itndifóhe Zeen. Dewijl zij hier altijd even befbendig gijn, en bijna nooit in dei maand januarij ftormen, iceenen zommige Schippers-, dat men door de Straat van 'Ma'gellanes heen over de Zuidzee waaiende, Tas- ter in Japan en China zou.kilnnanikaomen., da« om de (Kaap de Goede Hoop heen naar Java., en 3.0 wijder ■voort; -niettemin blaazen ze veel '2-agcer ;digt bij den ! evenaar» Maar "bij de westkusten van Amerika zijn «r 'onregelmaatigheden , "dewijl aldaar wettewinden waai- jen, welke van de warmte des aardrtjks, en der lucht daar boven, afhangen, eveneens als de wesiewindenop de kusten wan Senega, Mandinga, öuinè en Benin waaijen. Want op de kusten van Chili en Peru is ■de wind voor een gedeelte zuid, voor een gedeelte zuidwest, en zuid-zuidwest, met deeze winden koomen de Schepen in weinige dagen van Lima tot Panama met al hun goud en zi'ver, om dat ^zij met een ftiive feoélte doorwaaijen , vooral op de kusten van Peru., waar voor zij een groote breedte beflaan, want men moet wel 140 mijlen van deeze kusten af zijn, voor 'dàt -men denmlgmiemmi ao'itenwind krijgt. 'Voor Peru heeft men géene ftormen, ïffiaaï wel ftilten van twee en drie'dagen lang, vooral bij de bogt van Afrika, tusfchen )6 en 23 graaden breedte; op ïo graaden zuiderbreed- te heeft men ftilten, wïfte'êiah Wel 30 en 40 mijlen 'in zee üitftrekken. Jn de "bogt »an'Panama heeft men VanTeptember tot maart toèmsiemnden, maar van maart tot'feptembertoe, heeft men zuidè'en 'zuidweste'winden. Op de Më-xikaanfche kusten -van ï'o tot 20 graaden noorderbreedte zijn er beftendig westewinden, ten zij '2ij door ftormen veranderd worden, welke gemeenlijk "eine andere ftreek houden. Op de kusten van 't land van Magellanes waaijen altijd westewinden , waarom alle de boomen fchuins naar het oosten toe opgroei- 'jeti. iflqUj ;'■:-:::.. fitvi :ijts Nu gaan,wij over tot de winden van de Indiaanfcbe
zèé, 'waar in vrij meer veranderingen^zijn. In de Indi- 'fche'zee waait vde algémeene 'oostêiiwind ook, maar op andere plaatzen zijn jaarlijkfche winden , welke den 'tijd van zes maanden naar de eene zijde waaijen, en de volgende zes maanden 'als weeromkeeren naar de ■plaats, -waar van de voorige afkwamen; deeze winden 'worden Mousfóns oÇMonfiens genoemd. :' -t.: Op de zutdér-breedte 'tusfchen 10 en gograaden in, en bok tusfchen het eiland Madagascar en Nieuw ödlland; waait het g'antfche jaar door een zuidoosten- wind, maar welke op zommige tijden van 't jaar vlak- ker oost wordt. ' '■ '■ a. Tusfchen den tweeden en tienden graad zuider.
breedte,' en tusfchen de eilanden Java, Sumatra, en Mâdagasca*, in de maanden maij, junij, julij, augus- tus, feptember en octöber, waait een zuidoostenwind; 'öhdertiisfeten zijn op de ^ree Ue van 2 of 3: graaden ^eèrzijds'Van den evenaar irieenigvuldige ftilten, ftorm- oiiijen, 'en'önbeftendi"ge''wïtóB/L. - -< '<>' |
|||||||||||||
|
'
|
||||||
|
WIM.
meende, dat hij tot de helft van; den fomer duurde, en
zomtijds onderwijlen ophieldt, en dan wederom kwam; deeze wind is onbellendig, flap, en weinig ttormende. Men beeft-ook zee- en landwinden, welke al vrij re-
gelmaatig waaijen, dog zo, dat de zeewinden op zom.« mige kusten bij dag uit zee naar het land toewaaijen, bij nagt ophouden, daar de landwinden bij dag ophou- den, en des nagts van het land af zeewaards inwaai- jen, dit duurt het geheele jaar door. De zee-winden beginnen des morgens omtrent ten 9
uuren, zomtijds warvroeger, ook wel wat laater, zij waaijeri/zagtjes naar het land toe, even of zij vreesden er over te koomen, waar door zij een efte zee, of met kleine kabbelingen maaken; na dat zij omtrent een half uur tot aan 't land gekoomen zijn, fteeken zij langzaamerhand op, tot 12 uuren toe, wanneer zij op hun fterkstzijn, dus blijven.zij duuren tot 3 uuren na. middag, waar na zij allengskens flapper worden tot vijf uuren toe, of een. weinig laater,, na dat het weer is, dan houden zij öp, en koomen des anderen daags mor- gens wederom. ,. . Eerst koomen zij fchuins naar het land toe, maar
daar na vlak er op, vooral indien het helder .weer is, I dan zijn ook deeze-winden regelmaatigst ; wanneer het natte faijzoen; heerseht, .blijven zij wel eens eenen dag agter. ; - :),■ i; Men neemt hen we! meest waar op uitfteekende Kaa-
pen , wancin baaijen zijn zij flapper. Zij beerfchen rondom eilanden, en op kusten van andere landen, tus- fçhen de twee keerkringen inleggende. * De land-winden vervangen de zee-winden, 'gemeenlijk beginnen zij, des avonds ten öuuren , en duuren denge- heelen nagt door tot 's morgens ten 6, 8 of tien uu- ren toe; zij zijn van langer of korter duur, naar dat het faizoenis; of de kusten verfchillen; zij waaijen uit het land, en indien diteen eiland is, waaijen zij er midden uit naar alle kanten naar zee toe, dog wel fterkst bijde rivieren, welke zich in zee ontlasten. Zijftrekkenzich in zee uit op verfcheide afftanden, naar dat de zeewin- den -ook verder van land afsbegonnen zijn, zpminigen loopen wel 3 of 4. mijlen ver in zee, anderen blijven veel digter bij land; die welke verst loopen, zijnonfae- ftendiger en van korter duur> , . . ,iDe landen i.iwelke wel:-meest aan den 'algemeenm wind bloot zijn gefield , .hebben de flapfte zee- en land' Winden. î . "' nfa s '.,, aîi te» 1 ,- te,'.; ■;', Van'ide-: uitfteekende Kaapen koomen ook de minlïe land-winden, maar; In de golven en groote baaijen wel dé meefte en fterkfte. .* ■; .,, DeJand*win£,en zijn kouder dan de zeewinden, fchoon
zij flapper dan de zee-winden waaijen. » -,Uit het göen wij van de oorzaaken der winden, langs Angoja, Kongo, ;en.'Guinè waaijende gezegd hebben, zal men mi gemakkelijk de zee- en land-winden kunnen afleiden, , . :u / tcmlh ■ ■■ -' Men begrijpe maar eerst, dat deeze winden- waaijen
op plaatzqn tusfçhen: de keerkringen in, dat is, welke bij dag door de loodregte ftraalen der Sonne fterk ver- hit, maar bij nagt, door de Iangduurigbeid der nsgten fterk verkoeld worden, welke groote verwisfeüngen van hitte en, koude op eenen dag en ;nagt op geene plaaizen verr« buiten de keerkringen gefcbieden., Wanneer dan de Son des morgens,ten 6 .uuren op-
gaande,, de lucht boven heiland hangende .binnen twee öf drie uuren fterker yerhit beeft» darr die boyçn zee hangt»
|
||||||
|
1417» WW.
«Ige jaaren, dat deeze pasföatmnden zich èenige vfed
ken vroeger of laater zetten dan naàr gewoonte. Zo ;ras deeze wind oost wordt, beeft men goed weer, maar de westelijke winden brengen (legt weer en ftormen me- de. De algemeene oostenwind deezer Indifchezee is de-
zelfde, als welke wij verhandeld hebben, waarom wij geene nieuwe uitlegging daar van geevenzullen. Maar nu zal men wagten, dat ik de oorzaak van alle die won- derlijke Mousfons ontwinde, waar van ik zo even ge- 'Wag maakte. Ik beken er tot nog toe niet door te kun- nen zien; al het geen er de Wijsgeeren over gezegd hebben, is niet minder dan voldoende,- veele gistingen bier over opgegeeven zijn ongegrond, en zommige te- genftrijdig tegens de natuurwetten. Het fchijnt wel dat deeze winden van veele oorzaakeri te gelijk afhangen, ;als van de Bergen en hunne uitwaasfemingen, welke op gezette tijden daar uit vloeijen, en dan de luchtvolgens eenige bepaalde leidingen voortftooten, ook fchijnenzij laf te hangen van het fmelten der fneeuw, waarbij mo- egelijk nog veele andere oorzaaken koomen. Dewijl men ook geen nette befchrijving heeft van de kusten, het leggen der bergen, het vlakke land daar agter, derzel- Ter fandagtigheid, hitte.door de Son'gemaakt, loop van rivieren en meer andere omftandigheden, »moeten wij er hier vân affcheiden, én deeze I ftof onafgedaan aan laater en wijzer tijden overläaten, ;want aan iosle gis- fingen kan, nog wil ik mij niet overgeeven. Onderwij- -:len kan men zich vergenoegen met het geen de fchran- dere Wijsgeer Edm. Halleij er over gedagt en ge- fchreeven heeft, als tot nog toe het beste zijnde. :., WLen vindt-ook bij de oude »Grieken gewag gemaakt van andere pasfaatwinden, welke zij 'Eteßce noemden, waar van er zommige in de hondsdagen, andere in den -winter .kwaaien. Die, in den fomer kwamen, woeijen noord en noordoost; de. Schrijvers hebben den rietten tijd van hunne* aankomst niet aangetekend-, zommige zeiden, dat hunne voorloopers op den 6, andere op den 16 van julij begonnen, en dat zij dan nog 40 dagen lang duurden, eindigende met hét ;einde van de maand augus- tus; anderen hielden fl.aandé,.dat zij wel tot halffep- lember toe bleeven, Deeze waaijen alleen des daags, 's nagts houden zij op, en beginnen, des morgens: wat na .ibnnenopgang, omtrent ten q uuren;,- waarom de Schip- pers hen luiaards en flaapers;rioem'en,' Deeze wind re- geerde-in-Griekenland, iTh'räcie, .Macedonië, en inde JEgëifcbe zee,' welke landen tusfçhen de zwarte zeé, ■en de golf van Venetië, eri de Middélandfcbe zee in leg- gen. Maar in de golf van Narbonne waait dan de zuide , en zilidodstewihd', welken men» aldaar Etefi noemde.» nu oertijd Garbin, ; In Spanje zijn zij oostelijk, in Bontus -.noordelijk, op andere plàatzen zuidelijk*] Men kan van deeze .pasfaatwinden geen, waare-:bewijzen geeven, ten .zij tmen -eerst deeze landen, hunne bergen., bosfcben, en zeekusten naauwkeurig» ging bezien;, ookiwat er op de betgen ten dien. tijde gebeurt. De fcbrandere Vare- 3fi;us giste,: dat deeze winden van de fneeuw voortkwa- men, welke öp de toppen der bergen van de gemelde landen leggende, door de groote-hittë der hondsdageB ,ImP\t, en dus deezen wind veroorzaakte, vooral om dat de fmelting des daags gefchiede, en niet des nagts, waar- smtjte wind :OQkMydag en niet bij nagt moest geboo- aren worden,, het weik al peel fchijn.van waarheid heeft. Men vindt niet: riet aangeteekend, wcnneer de winter-
$»sßatw'mA begint -o£- eindigt, als, dat AMSïio.rjïi.fiâ |
||||||
|
WIN, M 79
|
|||||||||
|
WIN.
|
|||||||||
|
weinig duinen. De gantfche Provincie van Holland is r
laag,- vlak land. Het Sticht van Utrecht is wat hooger! land, dog vlak, uitgezonden tusfehen Utrecht,Rhenen en Amersfoort, alwaar eenige heuvels, dog van weinig hoogte zijn. Eengroot deel van Gelderland is vlak, dog op de Veluw ieggen zommige heuvelen. Overiisfel is mede vlak land, uitgenoomen eenige heuvels in Twent, Vriesland en Groningen met de Ommelanden zijn vlak land. Derhalve zijn er in deeze landen geene oorzaa- ken , welke de winden fluiten kunnen, maar zij kunnen vrij koomen en heengaan. Men kan anderzints de gefteltheid deezer landen, en
hoedanig zij Ieggen, naflaan in onze gemecne landkaar- ten ; men moet er, om het geen ik alhier verder zeggen zal, eerst zich een voor oogen leggen, om te beter alles te kunnen verdaan; dit zal ik vooronderftellen. Ik heb in Utrecht eenige jaaren agtereen se winden
waargenoomen, en aangeteekend, naderhand veelejaa- ren met een vergelijkende bevond ik , dat het getal van winden, welke jaarlijks eene fîreek woeijen, bijna bepaald was, zo dat er alle jaaren bijkans evenveel westen, oosten, en andere winden woeijen; hierom heb ik dezelfde winden van veele jaaren bijeengevoegd, en hun getal door het getal der jaaren gedeeld, waar door ik het getal van een middeljaar gekreegen heb, het welk vrij net bevat, hoe veel dagen in een jaar elke wind waait; men zal bevinden, dat deeze getal- len zeer weinig van de waarheid zullen afwijken, in> dien men naauwkeurig aantekent, welke winden dage- lijks een gantsch jaar door gewaaid hebben. Deeze lijst is dan voor Utrecht, moogelijk wel voor de zeven Provinciën, het geen ik evenwel niet voor onfeilbaar hier te berde breng, om dat ik tot nog toe te weinig waar- neemingen, overal door ons gantfche land gedaan , bezit. De noordenwind waait 42 dagen in 't jaar, de noord-
westenwind 33 dagen, de westenwind 77, de zuidwes- tenwind 78, de zuidenwind 33 , de zuidoostenwind 26, de oostenwind 53 , de noordoostenwind 43 dagen. Vergelijkende de waarneemingen van de Heeren L.
Stocke, gedaan te middelburg, Steenbergen te Dord- recht, de Gorter te Harderwijk, van Zwieten te Leiden, en van de Heeren van het loffelijkegezelfchgp te Haarlem, met de mijne in Utrecht, bevinde ik wei- nig ondericheid, en bijna altijd dezelfde winden in alle deezé plaatzen te waajen, met deeze uitzonderinge nog- thans, dat wanneerde wind zuidwest waait, men hem dikwils wel een halven dag eerder te Middelburg dan te Utrecht heeft; integendeel heeft men den noorden en noord' westenwind eerder te Harderwijk en Utrecht dan te Mid- delburg; de westeen oostelijke winden hebben wij bijna te gelijk ; het gebeurtwel.dat een zagte zuidwestenwind in Zeeland befpeurd wordt, welke niet tot Utrecht toe door- dringt, gelijk ook onze noorden , noordoostelijke en andere winden niet altijd tot Zeeland toe doordringen , maar alle winden van den tweeden, derden, en vierden trap' van kragt en fnelbeid, zijn aan de Provinciën van Holland, Zeelanden Utrecht gemeen. De Heer Cru- quius te Sparendam, heeft ook met uitneemende vlijt de winden aldaar waargenoomen, en'in eene aardige Ta. fel befchreeven, welke wel waardig is, dat men ze hier invoege ; hij heeft ook de quantiteit wind, die er jaarlijks waait, gezogt door uitreekening ; dit is nog wel zo net niet als men vereifchen zou kunnen, maar het beste, het welke men tot nog toe heeft; ik heb hier toe voor eenige jaaren zekere Moolen doen maa- 1' r' : Ggg 'ken |
|||||||||
|
hangt, en de verhitte lucht naar boven gereezen en aan
het. overloopen is over de oppervlakte van den damp- Kring, moeten de zwaarder hichtpijlaaren boven de zee ftaande naar land toe geperst worden, waar door de zee- wind gebooren wordt, deeze moet duuren zo lang de lucht boven het land (taande warmer dan die boven de zee wordt, het welk tot bij fonnen-ondergang toe ge- fchiedt,dat is, tot vijf of zes uuren namiddag. Omdat de Son de grootlle hitte aan het land mededeelt van 12 tot 3 uuren namiddag, moet op deezen tijd ook de zee- wind bet Merkst waaijen; maar hier na verwarmt de Son het aardrijk hoe langer hoe minder, zo dat hier door ook de zeewind allengskens moet flapper worden ..totdat hij eindelijk bij fonnen-ondergang ophöude; dan blijft de lucht eenigen tijd zo boven de zee a!s boven het land in evenwigt in itilte. Het water wordt eer koud dan het land , waar door de lucht boven de zee ook kouder wordt dan die boven het land is; de lucht boven het land zet zich dan zeewaards uit, en maakt een landwind, welke vroeger of laater begint, naar dat de aart van grond verfchilt, welke meer ofmin hitte langen tijd be- houden kan, waarom zommige landwmden alleen bijmid- dernagt beginnen; deeze beftaan nu uit een nagtlucht, welke eenige uuren herwaards van geen Son befcheenen is, waarom zij kouder zijn, dan de lucht bij dag ge- weest is, en dus de lighaamen in die heete landilreekcn zeer verfrisfchen. Op de andere deelen onzes aardrijks waaijen de vrije
mnden , welke nog aan tijd, ftreek, nog kragt gebon- den zijn , maar vrij naar alle kanten heen waaijen. Dee- isßinden hebben tot hun oorzaak, al het geen een ge« deelte van den dampkring van de eene plaatze naar de andere kan beweegen en voortduuwen; je richting der lucht hangt hier veel af, hoe de bergen, bosfchen, en andere verhevene plaatzen leggen, welke de tot haar vloeijende lucht zodaanig leiden, dat zij wel meestnaar zommige (Ireeken heenloopt. Hierom zijn de winden als eigen aan hunne landftreek, de Ouden hebben eenig gewag gemaakt, van de fchaadelijke winden, zij noem- den Atabidus dien wind , welke in Apulie alles ver- fchroeide. Jopijx eene zoort van westewind , beftookte Kalabrie ; Schiron de Atheners ; Catcegis Pamphijlie; Qircius of wèst-jioordwest befchaadigde Vrankrijk en wel meest Narbonne, Senec. Qua ft. Nat. L. 5. Cap. 17. Plinius H. Nat. L. 2. C. 22. Men kan hen en hunne oorzaaken niet ter deeg kennen , ten zij men eerst het land met de omliggende wel befchouwt, en alle bergen, heuvels, en bosfchen, als ook zeen, meeren en rivie- ren naauwkeurig bezichtigd en opgemerkt heeft. Het Ware wenfchelijk, dat ieder Wijsgeer in zijn eigenland waarneemingen omtrent de winden maakte, en met een op dit alles agt floeg, want het is onmoogelijk voor een ander geleerden waare uitleggingen der winden te gee- ven, welke in een, aan hem onbekend, land waaijen. Als dit gefchiede ,zoude men in het kort een goede hiftorie der winden bijeen verzamelen , en alles uitleggen kunnen. Dit ziet men fraai waargenoomen van den Geleerden , welke ons de Natuurlijke Hiftorie van Languedok heeft Çagelaaten, Memoires pourl'Hißoire de Languedoc. Part. 2 chap. g. Ik zal op diergelijken voet ook voortgaan. De grond der zeven Vereenigde Neder'landfche Pro-
vinciën is in het algemeen vrij vlak en met weinig ber- gen; de zeekusten ten westen, leggende aan de noord- zee, heben eenige fandduinen, dog niet hoog verhee- ven. Zeeland beftaat meest uit vlakke eilanden rrret NII Desl. |
|||||||||
|
WIN.
înhoud der twaalf volgende, en die ze jaarlijks waai.'
jen, volgens de naast leste kolom. Als mede, ten opzigte van dequantiteit, zijnde
het vermeenigvuldigde van de laatsgenoemde dagen met de fnelheid, als in de agterfte kolom. Waar uit gevonden zijn, de maandelijkfche en jaarlijk-
Jche heerschende winden, die onderaan gezien worden Dienende om te weeten wat geweld, eenige Kaden
en Dijken, van zommige winden moeten lijden, enz. Op ordre van de Wel. Ed. Heeren, mijne Heeren
Dijkgraaf en Hooge Heemraaden van Rhijnland, ge. trokken uit de waarneemingen van de jaaren 1733,' 3Y 5 en 36. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
WIN.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4FSo
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ken, welke op den Utrechtfchen tooren ftaat, maar
bezit nog geen waarneemingen genoeg, om net te bepaa- len of alle jaaren evenveel, en hoe veel wind, over Utrecht heen waait. Onderwijlen ziet men hier de Tafel der winden van den Heer Cruqjjius. De Winden in Holland daaglijks waaijende,
gemiddeld.
Zo ten opzigte van de directie, Koers of Kom-
pasftreek van waar ze koomen. Volgens de tweede kolom.
Van de kracht of Snelheid, met welke ze voortgaan,
naar reden, dat die in ftorm is 16, naar de eerfte kolom.
Van den Tijd of dagen, die z-e maandelijks, naar
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
VERDEE-
■oa LINGEN.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
gi,'ça % w Dag Quant.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
c J-> ca K ca
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
P
3 |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
1 w'0_g_Q
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bd WINDEN.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vit
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
...
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
WIN.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
WW.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4»8ï
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Uit het voorige wordt insgelijks gezien, op welke Maanden, de 16 voornaame (Vinden, het meefle
en het minjh waaijen, volgens het getal der Dagen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
't Meefte.
|
Winden.
ZOID.
Z. Z. W.
Z. W. w. z. w.
West.
W. N. W.
N. W.
N. N. W.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Winden.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
May
Juny.
April.
April.
Oftober.
Oclober.
January.
Maart.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Noord
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
O.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
N. N.
N. O.
O. N. O.
Oost.
O. Z. O.
Z. O.
Z.ZO.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zij ook helder weer aan, maar in den fomer zijn zij
met regen verzeld, ten zij ze dan ook vorst bragten, gelijk wel gebeurt; de noordoostenwinden doen zich altoos wegens hunne koude aan ons voelen, en zijn gewisfe boden van den vorst; maar deeze twee winden koomen tot ons uit Poolen, Pruisfen, de Oostzee, de Mark* Brandenburg, Hanover, en Westphalen; deeze landen worden kouder dan de onze bevonden , het vriest er langer, en veel flerker dan in Nederland, waarom de winden hiervan geene warmte, maar koude moeten mede- voeren , en dewijl zij overdrooge landen waaijen .kun- nen zij niet dan drooge en heldere lucht veroorzaaken, gelijk in den wintertijd. Niettemin , wanneer de wes- tewinden veel wolken, uit zee gebooren, met zich naar deeze ianden toegevoerd hebben, brengen de oostende» zelve wel wederom te rug, en om dat zij daar dan te- gens de andere wolken, alhier ons boven 't hoofd han. gende, aattpersfen , doen zij die in tegen verwisfelen. Ons land is warmer, dan waar over deeze oostenwin-
den tot ons koomen, waarom onze lucht dunner, fijner, en van minder wederftand is, zo dat de kouder lucht naar de onze toe zeer dikwils moet geperst worden, dog meer des winters dan des fomers, want daar is grooter onderfcheid tusfehen de warmte van onze lucht, en die der gemelde landen, in den winter dan in den fomer, wegens de kortheid der dagen. Of zou men hier ook wel mogen Hellen, dat de oostenwind een aU gemeene-wind over de gantfche aardbodem moet zijn; en dat daarom, dewijl hij alhier daar van een gedeelte is, zo dikwils waait, en het meermaalen doen zou, indien hij door andere oorzaaken niet belet wierdt? Wat hebben wij hier te lande weinig naordwesten*
winden? waarlijk tot groote vreugd, dewijl het ander, zints onze zeedijken, en al wat de noordzee fluiten moet, niet zouden kunnen houden , want deeze winden brengen het water dernoordzee er vlak tegen aan. Zou- de dit niet koomen. om dat wij veele oostenwindenheb. ben, welke deeze noordwestenwinden ophouden ; maar vooral, om dat Schotland, vol hooge bergen,de noord- westenwinden fluit, zo dat er maar weinige, over het gebergte been gewaaid ,' tot ons kunnen koomen; ja rnoogelijk die er nog koomen,'zijn meerendeels noord- oostenwinden , welke over de noordzee hebbende ge- waait, tegens de bergen van Schotland (luiten, en van daar, over dezelve zee, naar onze landen toe wederom- keeren. Zuidenwinden zijn zeldzaam, dewijl zij van heeter
landen naar kouder gaan, gemeenlijk zijn zij zagt, al-, tijd met warmte verzeld , zii koomen tot ons over Vrank- fijk, Lusenburg en Namen, alle vrij bergagtige lan- G g g 2 den ,
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Men ziet derhalve uit onze ivaarneemiogen, dat de
meefte winden hier te lande west en zuidwest zijn ; zou dit niet koomen, om dat de noordzee in opzigt van dee- ze landen, ten westen legt; dewijl dan de Son ons aard- rijk meer dan de zee verwarmt, en dus de lucht boven onze aarde meer verhit, en doet uitzetten, waar door zij naar boven rijzende, en overvloeijende over de an- dere, maakt, dat de lucht boven zee kouder, dikker, en zwaarder door overvloeijing geworden zijnde, zich fiaar de verdunde en min tegenflaande lucht, en bij- gevolge naar het land toe begeeft, en dus met eene westelijke en zuidwestelijke flreek loopt; dit moet wel meest des fomers plaats hebben , om dat de verwar- ming dan voornanmelijk gefchiedt ; dit bevind ik waar te zijn , dewijl de meeste westenwinden des fomers waaijen. Men zou ook vermoeden kunnen, of deeze westenwind niet een gedeelte van den algemeenen noord- oostenwind zou zijn , welke, na dat hij over den Atlanti- ichen Oceaan heen gewaait is, tegens het hooge land van Amerika fluit, en dus- naar het noordelijke en wes- telijke deel der aarde als weeromgeperst wordt, waai' jende door het Kanaal, en over Engeland naar Neder- land toe; dit heeft ook fchijn van waarheid; waarom men rnoogelijk deeze twee oorzaaken voor waare mag aanneemen; fchoon de laatfte oorzaak verder mögt ge-- zogt fchijnen, wegens de verre aflegging van Ameri- ka en haare kusten, als ook de groote zee, over welke deeze wind zou moeten weerom koomen. Men ziet uit onze lijst van de winden, dat de zuid-
oostenwinden allerminst waaijen ; zou dit niet koomen , om dat zuidoostelijk van ons Kleefland aflegt, waarin vrij hooge bergen zijn, als ook Bergsland, Trier, en Luxemburg. Ook wordt ons land vol water, meeren en rivieren , min heet, dan de gemelde landen van Duitschland, gelijk blijkt uit de druiven en vrugtenhier minder dan daar te lande, rijp wordende; onze lucht is derhalven kouder dan die der andere landen, waar- om onze lucht laager oprijst, dan die, welke boven de gemelde landen hangt, en daarom eer daar naar- '■toevloeit, dan dat zij van daar tot ons zou koomen. Om dezelve reden moeten er meer noordenwinden van
het koude noorden naar ons land toewaaijen, welke vrij over de Zuiderzee heen tot ons koomen, gelijk °ok gebeurt ; zijnde er bijna eens zo veel noorden dan »oordoostenwinden. Men ziet ook, dat er veele oosten- winden waaijen, want zij maaken bijna * gedeelte van allede winden mt ; z\) zijn altijd koud, zelfs midden in den fomer, maar in den winter brengen zij de vorst jnede, want zelden vriest het, ten minden begint het "ijna nooit te vriezen zonder oostenwind, dan brengen |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
WIN.
|
|||||||||
|
4182 WIN.
|
|||||||||
|
geteekend. Daar koomt ook wind uit een hol der ber>
gen in Cbiavenne, waar van de inwooners hun gebrtiii maaken met de kelders te verkoelen. Aan den voet van den berg Blattisberg bij de Stad Wefen, is. ook een wind- hol, ScHEucHZ. Itiner. Alpin. 2. Tom.i.p. 78. £f 102. KiacHERus zegt, dat digt bij Terni een koude wïnda'à eenige fcheuren van een berg koomt, dat hij voornaame- lijk des fomers waait; de inwooners van Cefi leiden dien wind in hunne kelders en. huizen, om ze te ver. frisfchen. Misson Voijage d'Italie, T. 3. p. 350. teekent aan, dat aan de eene zijde van den berg Vefuvius ee- nige openingen zijn, waaruit zulk. een kouden wind waait, dat men er de hand niet in kon houden. Ook is er een windberg in het Graaffchap van Burgundien. In Italien vijf mijlen van Vicenfa is er eén dorp Culto- dia, alwaar een diepe fpelonk is, wel 7000 pasfen lang, hier bij is een hol Cubola genaamd, waar uit een koude wind_waaid, welke van een Burger van Vicenfa door buizen in zijne Hofftede geleid wordt. Marca zegt, dat in Catalonie in het ampt Campredon bij het fteedje Oioteen holle berg is, uit wiens fpleeten altoos win- den waaijen, welke de Inwooners los Boliffadours noe« men, en die zij in hunne huizen leiden om de warmte te verdrijven, Marco, HispaniçaLib. 2. cap. 21. Con- nor fchrijft het zelfde van de fpelonk vandeSibijl'eCu- mana in het Koningrijk van Napels, als ook van andce holen bij Baje, van zommige Mijnen in Duitschland, en^van, Poolfcbe Zoutmijnen bij Kracouw, alwaar de Delvers hem verzekerd hebben, dat er zomtijds zulke felle fiormwinden uit deeze Mijnen voortkwamen, dat zij er door "tegens den grond gefmeeten wierden, en dat de deuren en hutjes, welke zij in de Mijnen zelf maaken, tneenigmaal ter neder ploften. De berg Coi- jer.en Maliguon in Provence, hebben ook een hol, waar uit wind koomt; gelijk ook in het Dauphiné bij Nilfon« ce; maar deeze winden zijn niet fte.-k en ftrekken zich niet wijd uit. In het Bisdom Mirepoix aan den voet van het Pijreneïfche gebergte is een berg Pui du TUI genaamd, welke in eene uitgestrektheid van omtrent 200 pasfen in de langte, en 150 in de breedte, ver fcheide windgaten heeft ; uit het grootfte koomt een wind Vent du pas geheeten , welke wel 500 of 600 pasfen ver- re waaid, en zomtijds met een groot geweld, waardoor hij de boomen uit de grond rukt, vooral wanneer het fchoon en^warm weer is,- dit gefchied bij nagt, nooit bij dag. Daar koomen ook winden op onder van den bodem der zee en van andere irieirenj men fchrijft van het Wetterlac in Zweden, dat het water itil zijnde, en de lucht zonder wind, dikwil's zeer fchielijk in dit meir zeer hooge golven gemaakt worden, waar op eenfloim- wind volgt, dat er geheele wolken als in een oogenbiik uit opgeïigt worden, dóór de onderaardfche winden, welke door het water heendringen. De Chineefcheof Jfapanfche zee wordt van onze Schippers de Doodelpe zee genaamd, wegens de menigvuldige ftormen uit het water fchielijk uithardende, en alles ^doende vergaan, waarom men geleerd heeft te moeten vaaren langs de kusten van China, en niet midden in zee, gelijk op andere plaatzen, want de zee begint door de opborre- lende winden te kooken,uitgeevende eene meen igte zwa- velastige dampen, welke de lucht als meteene kopeei korst bedekken, en. beletten, dat er de jichtftraalen van Son, Mannen Sterren kunnen doorbreeken. fchooi er anders geene wolken in de lucht zijn.- Moogeiik koomen de vreesfeiijke orkaanen, welke de Karibifcne |
|||||||||
|
den, welke derhalve hunne vrije overkomst naar ons
toe beletten. x* Men heeft onder ons hier te lande een oude overlee-
vering, dat wanneer het dag-en nacht-evening in delen. te is, nog 14 dagen agtereen die zelfde wind zal blij- ven waaijen, welke dan waaid, vooral indien het een noorden of li'oordwestenwind is; ten zij in oude tijden de winden hier te lande anders gewaaid hebben, dan zij nu doen, kan ik .verzekeren, dat zolang ik nette aan- teekeningen van weer en wind gedaan heb, het onwaar is, mooglijk is de overleevering uit een ander land tot ons overgekoomen, waar in het waar is Ik heb hier nu wel een weinig over onze Nederland-
fche winden gehandeld, maar deeze (trekken zich niet verre uit, hoe verre is onzeker,^ dewijl dit veel afhangt van hunne verfcheide fnelheid, waar mede zij voort- ioopen, als ook van de grootheid der oorzaak, welke den wind maakt; wanneer ik de weertafel inzie van den Beer Garcin, opgemaakt te Neufchatel, en befchree. ven ü de Mercure Suis/e , en die vergelijk met de weertafels van den Heer Doppelmajer te Nürnberg, en met onze Nederlandfche, bevinde ik dat er gantsch an- dere winden over deeze drie landftreeken beenwaaijen, en dat zij bijna nooit dezelve zijn, ten zii ze metgroot geweld bliezen , want dan kan eene wind fchier over ge- heel Europa gevoerd v/ordën. De oorzaaken der vrije winden zijn of in de ingewan-
den onzer aarde, of op haar oppervlak, of midden in den dampkring, of er boven. Laat ons kortelijk de oor- zaaken eens nagaan, en beginnen van die geene, welke binnen in onze aarde zijn. Veele waarneemingen be- vestigen, dat uit fominige fpelonken, en onderaardfche holen vrij felle winden koomen, naar boven toe waai- jende. Oudtijds was in den berg Parnasfus een hol, het geen in-den Tempel te Delphos kwam, waar boven men Apollo op zijnen drievoet geplaatst had, men ge- loofde , dat de wind'm hier uit waaijende, maakten dat hier Orakels gege.eyen wierden, zie DiodorusSiculus, Lib. 16. cap. 16. Git.BERTUS zégt, dat in Engeland in het Graaffchap Denbigh, 't welk vol bergen en fteen- klippen is, fpelonken zijn, waar uit de wind met zo veel geweld koomt, dat hij iaakens en kleederen, daar in geworpen, wederom er uitwaait. Verulamius zegt, dat er in Aberbanij, in 't Prinsdom van Wallis, een fteenklip met gaten is, waar op men luifterende, verfcheide geluiden van winden klaar hooren kan. Pli- N.rus Lib..?. H. N. C. 45. teekentaan, dat er eenige putten in Dalmatie en Cijrenezijn, waarin, na dat men eenen fteen geworpen heeft, zo koomen er weinig tijds daar na ftormen te voorfchijn, niet anders dan of men met den fteen de deur der winden open geworpen had- de. Maar dé Heer Scheuchzer heeft veele diergelijke fpelonken in Zwitzerland gevonden en befcbreeven, in zijne Stoicheiogrophie van Switferland; als in het Lucer- ner gebied bij de IV Waldfledenzee; bij de Krug, en op de Pilatusberg niet wijd. van Drachenmàt; als oók op de Urneralpen, NMerbauen .Emmetei;; in Sitlhal bij de Zwitzers. in het Canton Underwaidcn op den Bec. kenriederen alp Trabern; in het Canton Giarus op Len» gelen, Neuhuten; in Schwendi op Nafeis; in hetCan. ton Appendzel op Gammor, zijn twee diergelijke windga- ten, het eene, midden in den berg, hééft eene onmeef- baare diepte; bij Claven in Pundten zijn de beroemfte tvindfpelmken , als ook op den berg Radaatz , en op vee. Ie andere plaatzen van deezen braaven Schrijver aan- |
|||||||||
|
WIN.
|
|||||||||||
|
WJN.
|
|||||||||||
|
4183
|
|||||||||||
|
eilanden zo fchn'klijk teifteren, alleen door de opbor- opftijgende, onder de gedaante van wind, met geweld
reiende winden van den grond, dewijl deeze orkaanen uit het enge bovenfte gat uitvliegt, gelijk het doei uit |
|||||||||||
|
zeer piaatzelijk zijn, en zich niet verre verfpreiden,
nog van langen duur zrin. Dus meldt ook G assen- dus, dater uit het meir Legni zwaare dampen opftijgen, t.velke tot wolken worden, die aanftonds in felle flonn- y/inden veranderen. Wanneer de lucht helderen ftil is, 21'et men in het Lac van Genève , ook in de rivier Garonne bij Bordeaux, zomtijds eenige plaatzen, daar het water begint te borlen entekooken, waar uit dam- pen voortkoomen, welke felle orkaanen maâken. De oorzaaken.van dee,ze onderaardfehë winden kun- nen meeriigerlei zijn ^ laat ons eens begrijpen, dat een diergelijk windhol als een groot.e kruik is, hebbende» een wijden buik en een naauwen hals , de hals ver- beelde de hovende opening van het hol; laat dan dit hol eerst met eene koude, dikke winterlucht vervuld zijn; zo ras on^e dampkring boven de aarde en ook bo« ven dit hol ligter wordt, zal de lucht in het hol, min. der dan voorheen geperst', zich door haare_veerkragt naar boven toe uitzetten , en als door den engen hals der flesfe loopende, eenen wind naar boven waaijen- de veroorzaaken ; deeze kan vrij lang -duuren , wanneer het hol een grooten buik heeft. Maar de wind zal me- de ^op,de volgende manier kunnen gebooren worden," als er water, gelijk een klein beekje, door dereeten iler aarde in dit hol vloeit, zal dit veel lucht met zich naar binnen medevoeren, welke wederom uit de hei- ligheid uit moet , om dat zij in eene meenigte niet kan vergadert worden, wegens den tegenfland van haa- re veerkragt , waarom zij naar den bovenften mond vloeit; en er uitloopt, maakende eenen wind , even fterk als men met groote blaasbalgen maakt. ' De Mijngraavers hebben waargenoomen , wanneer zij met graaven op plaatzen koomen, alwaar zij water vinden, dat zij er dan ook a'ltijd wind bij krijgen ; want Hero de AUxandvipier heeft al getoond in zijnen tijd, dat indien men uit een riviertje of wàterbak, het wa- ter door een opene goot loodregt naar beneden laat loo- pen, alwaar het vrij kan wegloopen,en zo men midden in de goot zijdwaards pijpen naar buiten iaat uitfteeken, dat daar door een geweldige wind in de zijpijpen koomt, voortgebracht van de lucht met het water medegefieepr, waar mede men de kooien op een Smids kan doen aan« blaazen , even goed als met een grooten blaasbalg. Ie- der een heeft kunnen zien, dat bet vallend water door de lucht veel lucht met zich medefleept; want laat het eens in een meir, of graft vol water, fterk regenen, men zal zien i dat er op dit water groote bellen of blaazen op die plaatzen koomen , waar de regendruppen ge- vallen zijn,- deeze bellen zijn vol lucht, welke niet is alleen die geen, welke tusfehen dé waterdeelen in- gekroopen is, maar welke met de regendruppen in het water neer.koomt, en van de drup afgefcheiden worden- de, naar boven zich uitzet, en eenige waterdeelen in de gedaante van eenen halven kloot oplegt; alwieee- nigzins bedekt in een laag fchuitje op het water is, wan- neer het resem , zal de koude der opftijgende lucht aanftonds gewaar worden. ~: Maar laat hét water in het hol of fpelonk flegts
druppende vallen, indien de aarde van het hol zwa- velagtig, iizeragtig , of met vitriool mineraal is, zal door de vérmengFng van het water mét deeze aarde, aanftonds vuur vergadert worden, eralies zal warm en heet wor- den, waarom het water in eenen damp veranderd, en |
een JEoolsbal op het vuur gelegd. Alhet onderaardsch
vuur , door wat oorzaak het ook mögt voortgebragt zijn, zal op het water in deeze fpelonk eveneens wer- ken , waar door men wederom een geduurigen wind zal krijgen, Indien er eenige onderaardfehë holen met malkande»
ren gëmeenfehap hebben, en ieder van hun zijnen mond heeft, dan zal of de een of de ander mond op den wind leggen, welke alhier intrekkende, uit de andere monden zal uitwaaijen. Ik twijfel niet of daar zullen nog wel meer andere oorzaaken van de winden uit deeze windba- len zijn, welke de nakoomelingfchap door opmerkin- gen ontdekken zal. De winden, welke uit den bodem der zee voortkoo-
men , neemtn hunnen oorfprong van aardbeevingen on- der het water, en worden aldaar ter plaatze gebooren. Deeze winden koomen voort uit onderaardfehë vuuren, of opbruizingen van vogten met onderaardfehë ft o fie n, waar door een veerende vloeiftof gemaakt wordt, wel- ke met groot geweld naar boven vliegt, en uit de op- pervlakte des waters uitberftende, zich met fterke kragt naar alle kanten in de lucht uitzet, haar beweegt en voortftoot. Het is bekend, dat het eiland Japan zeer aan aardbeevingen onderheevig is, zodat de grondronds- om van eenen diergelijken aart zal zijn , waarom men wel ftellen mag, dat de hevige orkaanen, welke in de Ja- pan fche zee zo fchriklijk woeden, hier door gebooren worden. Het zelfde heeft bij de Karibifche eilanden ook plaats, alwaar door de aardbeevingen zomtijds nieu- we eilanden midden in de zee gebooren worden, door hetopligten van groote aardfche korften door deeze on- deraardfehë vuuren, en,door de zich uitzettende vee- rende ftoffe, welke de klompen aarde, waar tusfehen zii inlag, van- den anderen fcheidt; maar diergelijke ei- landen zijn het inzinken en vergaan ligtelijk onderwor- pen. Wanneer men derhalve eens begrijpt,dat die mee- nigte veerende (toffe, op eens tegelijk, uit de zeeuit- berst, welke in ftaat was om een geheel eiland op te ligren, en te maaken; zal men haast begrijpen, wat voor een orkaan aldaar ter plaatze, en er digt bij moet ver- oorzaakt worden. Maat wat de oorzaaken. van deeze opborrelende winden belangt, ben ik verzekerd, dater nog verborgen zullen zijn, welke de tijd zal ontdekken. Het is zeker, als er een klomp aarde in eene inwendi- ge holligbeid met lucht zal invallen, dat de lucht er uit moet naar boven, welke door de zee ge'oopen zijnde, en zich uitzettende in den dampkring, mede een orkaan verwekken moet. Deeze orkaanen koomen dan niet op vastgeftelde tilden, maar zij zijn gantsch onzeker; de HeerlsAACus Vossius meende,dat zij hunne vastetfj'den hadden, en koomen moesten, wanneer de Son van de keerkringen naar den evenaar weeikeerde, waarom zij in onze noordelijke halve gedeelte der aarde, op het fcheiden van den fomer; en in het zuidelijke halve ge- deelte der aarde, op het fcheiden van den winter zouden koomen; maar de ondervinding (lernt met deeze gedag- te niet overeen; hebben wij in Nederland niet den he- vigften orkaan ftehad op den g van December des jaars 1703, en op den ro van Jmuarij van het jaar 1735. De zwaare noordelijke ftórmen , welke in de golf van Mrxico reueeren, koomen in de maanden december en ianunrii; zij koomen uit een zwarte wolk tien oftwaalf graaden boven den Horizon' ftil leggende, zo lang de Ggg 3 ftor-
|
||||||||||
|
4184
|
|||||||||||||||||
|
WIN".
|
|||||||||||||||||
|
WIN.
|
|||||||||||||||||
|
ftormen duuren.. Maar in de maanden j'unij en julij de rukken waaijen, nu e^ns ophouden, nu wederom
|
|||||||||||||||||
|
fterker voortloopen. Wiè ondervindt niet, dat het met
alle vrije winden dus geteegen is, welke den tijd van 20 minuuten nooit even kragtig doorwaaijen, maar ge. duurig vol veranderingen, nu flapper, nu fterker zijn; dit heeft vooral plaats, wanneer het ftormt, want heeft men eens een fterke bui, die is van korten dum, zij waait in eenige fecunden over, en aanilonds houdt zij op, waarom wij deeze winden, wegens hunne onbeften. digheid , Stormiuijen noemen. Indien er weinig uit- waasfemingen inde lucht zijn, welke haar niet eens don. ker maaken, maar helderen klaar zonder wolken laaten, zal men gemeenlijk flappe winden hebben, maar indien zij zo dik en veel zijn, dat zij dikke wolken maaken, zal men veel feller winden hebben; waarom het altijd meer waait, als er wolken in de lucht zijn, dan wanneer het gantsch helder weer is. Daar zijn wolken, uitzo- daanige uitwaasfemingen beftaande.dat zij met alle vog. tige dampen opbruizen, deeze brengen wind voort, en als met zich mede, over watplaaatzen zij ook mogten heeradrijven," men vindt diergelijke wolken dikwils des fomers, fchoon het zelfs andersziHts vrij heldet weer is, en de Schippers kennen ze van verre, in ftilte es; op wagtehde, in winderig weer hunne zeilen er voor bezorgende. Veruxamius zegt, dat men in Engeland eene overlevering heeft, dat wanneerde EngelfcheGas- conje bezaten, delnwoonders van Bordeaux en van het omleggende land een Verzoekfchrift aan den Koning overleverden, waar in verzogt wierdt, dat belet mögt worden van de Hei in de Graaffchappen van Susfex en Hampton in brand te fteeken, om dat hier door winden gebooren wierden, welke op het laatst van april aan hunne'wijngaarden fchadelijk waren; dit moest zekerlijk koomen dóór zodaanige wolken, uit rook beftaande, wel- ke uit Engeland overdrijvende naar Vrankrijk , wind maakten. Onder de oorzaaken van wind zal men ook regen, hagel,' het neerzakken van wolken,het fcnielijk zwaarder of ligter worden der lucht in eenig deel van het dampgewest, ja al wat maar eenige beweeging in de lucht verwekken, of het evenwigt op eenige plaats weg- neemen kan, moeten tellen; dit alles op te haaien is onmogelijk, ook zijn er veele oorzaaken tot nog toeon- bekend, en fchoon men zomin ige door naarftigheid zal ontdekken , zullçn er -evenwel altijd veele onbekend blijven. Ik heb reeds dikwils. en op veele plaatzen, van
opbruizingen gewag gemaakt, welke in de lucht ge- fchiëden ; op' dat men niet twijfelen-.zoude aan de waarheid, nog meenen, dat ik iets los ter neergefteld hebbe, 't geen in der daad niet gefchiedt/ wil ik zora- niige overtuigende proeven bijbrengen. Indien men ee- ne ope fles neemt, waar in geest van Ammö.m'akzout is,, zal de geest door zijne vlugheid in de lucht vliegen, gelijk men uit den reuk zal befpeuren, fchoon de deelen voor het oog onzigtbaar zijn. Men (lelie eene andere fles vorvlugtigen geest van Salpeter, of van eenigen anderen zuuren geest, en geopend, nevens de voor- gaande, aanftonds zullen de uitwaasfemingen uit deeze beide flesfen uitvliegende, eikanderen ontmoeten, en in de lucht eene'zigtbaare opbruizing verwekken, met eene zigtbaare wolk te maaken, waarin de zouten met malkanderen vereenigen, de deelen dikker worden, in een waar Ammoniakzout veranderen, en de roo.ledam- |
|||||||||||||||||
|
heeft men in Europa bijna nooit ftorm
Tot de oorzaaken van winden .welker op het op-
pervlak onzer aarde zijn , moeten wij alle die geen,e brengen, welke de lucht beweegen kunnen ; gelijk-zijn de zeegolven naar een plaats toegedreeven, welke ze- kerlijk de lucht met zich mede moeten neemen, hierom zal men op ftrand nooit zonder wind zich bevinden, wanneer de zee met merkelijke golven bewoogen wordt. Watervallen van-hooge bergen nederwaards Hortende, brengen de naastaanleggende lucht in beweeging, en maaken daar ter plaatze altijd wind, volgens de aan- teekeningen van alle Reizigers. Sterkloopénde rivieren hebben altijd op haare oevers een koelen wind, door de meegefleepte lucht. Maar alle opgaande dampen en uitwaasfemingen uit de aarde en zee , alle vuuren , fmel- ting van ijs en fneeuw door de Son, moeten de lucht beweegen, en wind maaken. Dit heeft de Heer Ve- Xülamius beweezen; hij deedt de venfters vaneenen __ ronden toren rondsom open, en hing boven aan de zol- der eenige vedertjes aan dunne beweeglijke draaden; wanneer het zeer fiil weer was , zette hij een ketel niet beet water in het midden van den toren, en zag toen , dat door den opgaanden damp alle vedertjes naar buiten toe bewoogen wierden; wanneer hij op de- zelve plaats vuur, dog zonder rook, aanmaakte, wer- den de vederen fterker bewoogen; de voorgaande ketel met water op het vuur gezet, en dus meer water in damp oprijzende, was er meer beweeging der vederen. Eveneens zal de oprijzende damp uit zee en meiren de lucht beweegen, haar van zichWegftooten, en wind maaken,-waar door het zelden op zee volmaakt, im- mers niet lang ftil is. Aristoteles en Cartesius, hebben met meer andere Geleerden gemeend, dat meest alle winden door de oprijzende dampen voortgebragt wierden; de Heer Mariotte heeft dit gevoelen we- derlegd; niettemin kan men niet ontkennen, dat de dam- pen geene ooorzaak van de winden door hunne opftijging zijn zouden, fchoon zijzelf langzaam opreezen. Dar de ftneltende fneeuw, wind voortbrengt, hebben de Ou- den reeds waargenoomen, gelijk blijkt bij Hippocba- tes; naderhand hebben dit Vsrulamius, Varenius, Mariotte, Hofman bevestigd," deeze laaffte teekent aan, dat door het fmelten der fneeuw in april en meij, pp de hooge bergen van Moravie, Boheme., en Mis- nie in Duitschland , koude oostenwinden gemaakt wor- den , welke niet weinig fchade aan de tuinen en lan- derijen toebrengen. Veele winden worden van oorzaaken, in den damp-
kring zelf, voortgebragt , en. welke met meer. óf min kragt , en op verfcheide wijzen werken. De voor- naamfte oorzaak fchijnt ons te zijn de opbruizing van verfcheide zoorten van uitwaasfemingen, of uitwaas- femingen en'dampen, welke malkanderen ontmoeten en vermengd worden ; deeze zetten zicb, terwijl zij op- bruisen, uit, zij maaken een. nieuwe veerende vloei- ftof. zij jaagen de lucht voort, met min ofmeerfnel- heid, naar de verfcheide kragt van werkinge op mal- kanderen, en naar de meenigte-van voortgebragte vee» rende vloeiftofFe; hierom waait het altijd, ofdaarkoo« men winden op, wanneer het dondert enblixemt; de- wijl in de lucht nu minder of meerder uitwaasfemïn- gen met een vermengd worden, en na de eene vermen- |
|||||||||||||||||
|
ging eenige tijd verloopt, voor dat er. wederom eene an- , .
de« vermenging gefchiedt, zal dl wind met rafchei- wa&rneemingen van
|
n Salpeter wit worden, volgens de
den Heer Geoffroij-, l'Hifi- « |
||||||||||||||||
|
1'AcM-
|
|||||||||||||||||
|
r -
WIN.
pjcad. Roi],. An. 1713. De naarftige Wijsgeer Hales
goot in eene fles, bij het vitrioolmineraal van Walton den geest vanfalpeter, waar door er een opbruizing kwam; wanneer deeze geftilt en de lucht helder was, opende hij de fles, liet er eene nieuwe lucht bijkoomen, aan- ftonds ontftond er wederom eene opbruizing, de lucht inde fles werdt dik en rood; het welk hij dikwils mee denzelfden uitflag herhaalen kon. Het zelve gebeurde jn eene fles, waarin op ijzervijzel de geest vanfalpeter gegooten was geweest, en na dat men zeven dagen ge- wagt had; ook in een ontfanger, waar in de damp van flerkwater overgebleeven was, het welk op het vitriool- mineraal gegooteirwas geweest. De oorzaaken van wind boven onzen dampkring, zijn
Son en Maan ; welke beide met haare zwaarte in de Î' lucht eene beweeging moeten maaken, gelijk zij in de zee met eb en vloed doen,* deeze beweeging zal om de dunheid der lucht veel minder weezen dan in het wa- ter, want om dat de dunheid der lucht, als men eene middel dunheid in het midden van den dampkringneemt, wel ioooomaal meer dan die Van water is, zou de be- weeging in deeze lucht ook zo veel minder moeten zijn ;
dog om dat de dampkring digter bij de Maan, dan bij de zee is, moet er de werking der Maan wederom wat grooter op zijn, derhalve moet er eene beweeging in den dampkring koomen in die plaatzen, waar boven de Maan Joodregt ftaat, of koomt, dewijl erde lucht door haare zwaarte ook eenigzints naar toe moet vallen, en dus ook iets van haare zwaarte naar de aarde verliezen, waarom zij minder gedrukt wordende, door haare veer- kragt zich uitzet van de aarde af. Wanneer de Son en
Maan met de aarde omtrent in eene lijn ftaan, gelijk ten tijde van de nieuwe Maan gefchiedt, zo moet de lucht door haare zwaarte zo wel naar de Son, als naar de Maan oprijzen, gelijk de zee op zulke tijden doet, maakende eenen fpringvloed. Schoon degantfehè wer- king der Sonne en Maane op den dampkring weinig is , door de geringe zwaarte van de lucht, is er evenwel eenige, waar door er noodzaakelijk eene geduurige be- weeging, of kleine wind in de lucht moet zijn. Maar daarenboven werkt de Son met haare viuirftraalen op de lucht, zij maakt haar warm, en is dus oorzaak , dat de lucht zich uitzet, en wel zoveel tefterker, hoe er de, fonneftraalen meer loodregt op vallen; waarom « natuurlijk overal, waar de Son op- en ondergaat, eene zoort.van oostenwind zijn moest. Wij zullen met een eens inzien, hoede Son en wolken
tegelijk de oorzaak van wind zijn moeten ; laat er dan inde lucht ergens een grootedikke wolk hangen, waar door de Son niet heen fchijn(;zo zal zij de lucht onder deeze wolk nog kunnen verwarmen,nog uitzetten ,maar ■onderwijlen befchijnt zij de lucht rondsom deeze wolk, die verwarmende.en maakende dat zij zich uitzet, waar- om deeze lucht onder die der wolk zal moeten gaan , tot dat er evenwigt tusfehen de kragten der verwarmde, en die der. koude, maar dikker lucht ónder de wolk zij, hierom moet er zekerlijk een wind koomen van de,bui- tenfte zijden der wölke naar binnen toe , waar door de tocht alhier verdikt xvordt ; dog zo ras gaat de Son niet °»der de kimmen, of de lucht wordt door haar niet ver- warmd, waarom zij kouder wordende haare kragten ver« 'lest en ineenkrimpt, derhalve moet aanllonds de ver- dikte lucht onder de wolk, nu meer kragten hebbende «an die rondsom haar is, van onder de wolk heenvloei- j£o, de verdunde lucht opvullen, ea dus eenen ande- |
||||||
|
WIN. 4x85
ren wind maaken; en fchoon deeze winden zagt zullen
zijn, moet men hen evenwel onder de winden , dat is, voortvloeijingen der lucht van de eene plaats naar de andere, tellen. Een zachte wind loopt zelden heet ver voort, ten zij
bij lang aanwaaije, maar men beeft waargenoomen, dat een felle en duurzaame wind geloopen heelt over En- geland, gantsch Duitschland, Zwitzerland, en mooge- lijk nog wel verder, gelijk men magbefluiten uit de aanteekeningen der Heeren Scheucher en Derham; maar de winden in Engeland en Zwitzerland waren meest dezelve , wanneer het noordelijke en oostenwinden waren, het welk in andere winden minder plaats heeft ; niette» min als de wind op eene plaatze fel woedt, is hij meest zagt op eene andere, waar toe hij maar even koomt, want hij moet felst zijn, waar hij gejjooren wordt, en door den tegenftand der andere lucht, v/aar hij door- boort, geduurig van zijne kragt en fnelheid iets verliezen. Het is door Maraldi te Parijs, en door Derham te
Upminfier waargenoomen, dat er veele dagen op ver- fcheide tijden van het jaar zijn, waar in de winden op bei- de deeze plaatzen dezelve zijn, maar dan waren zij vrij fterk en lang van duur;zij veranderen ook wel tegelijk op beide de plaatzen. Ook heeft de Heer Townej.ei te Towneleij, en Derham te TJpmiiafter aangeteekend, dat meest altijd dezelfde wind op beide deeze plaatzen woei, en als er al eenig verfchil was, iW dan niette» min de wolken eveneens waren gedreeveri. De fnelheid der. winden is zeer verfcheiden ; volgens
den Heer Mariotte, zouden diegeene, welke door hunne kragten de boomen uit den grond rukken, 3a voe- ten in den tijd ééner fecunde voortloopen; maar de Heer Derham heeft naauwkeurige waarneemingen met ligte vederen, en zaad van paardebloemen gedaan, we'- ke in de lucht zwemmende, dezelve fnelheid met haar door den wind krijgen. In het jaar 1705 den 11 van augustus woei er een vreesfelijke iïorm, waar door een gantfche Windmoolen bijna om ver raakte, in deezen liep de wind 66 engeifche voeten in den tijd van eene fecunde voort, en bijgevolge 45 engeifche mijlen ineen uur; dog die ongemeene ftorm van het jaar 1703 was fterker, waar in de wind wel 50 of 60mijlen in een uur voonliep; de fneiie winden hebben zodaanigekragt.dat zij als gantfche bosfehen om ver waaijen, en boomen van honderd en tweehonderd jaaren , hoe dik zij ook zijn moogen , uit den grond om ver rukken; de gemelde vind heeft een fteenen beeld, 12 voeten hoog, vjjf voeten breed, en twee dik , ter neer gefmeeten en ge- brooken. Dit zijn wei de allerfelfte winden; daarente- gen loopen andere zo langzaam, dat zij eenen Ruiter te paard rijdende niet voorbij ftreeven ; andere middel- maatig fnel, loopen alleen eenen weg van 10 engeifche mijlen af in een uur ; de winden op zee loopen veel ras- fer dan te land, ook waait het veel fterker op zee dan te land; hetwelk koomt, omdat de lucht over de vlak» ke oppervlakte'der zee zonder eenige verhindering kan voortdrijven, daar zij op het land door heuvels, ber- gen, hulzen, bosfehen en andere uitfteekzels geduurig ftuit en verhinderd word; hierom liggende Schepen in de havens en op de reede veilig tegens defiormwinden; de Steden agter bergen, worden door dezelve befchut voor dewinden, welke agter tegens de bergen aanftuiten, en dus naar boven geleid worden. Isaakus Vossius was van een ander gevoelen; en meende dat de windend\gt bij het land fterker woeijen, dan midden op zee; omdat de
|
||||||
|
WIN.
|
|||||||||
|
4186 WIN.
|
|||||||||
|
Inwoonders móeten zo lang hij waait, zich in huis hou.
den, en deezén wind er buiten fluiten, of zij zijn in kor- ten tijd dood, wordende door de benaauwdheid inde ademhaalinge als verftikt .dewijl de lucht als zuur fchijnt te zijn; hij dood ook in weinig uuren al het Vee, ten Zij menhet op (lal brenge; ondertusfehen is de iucbt donker, maar zonder regen, blixem of donder. Dee- ze wind fchijnt verzeld te zijn met zuure Uitwaasfemin- gen,, welke zeer koudmaakend van aart moeten zijn. In de golf van Perfie waait in de maanden juni/, julij
en augustus, ten tijde van de Werter-Mon/oun een ichiik' lijk heete wind, waarvoor de inwooners langs de zee. kusten, en op het.eiland Ormus zich in onderaardfebe holen verbergen moeten; het Scheepsvolk is genood- zaakt zich in kuipen vol water te verkoelen j niettemin koomen er veelen om hals. ■-, Wanneer de noordewind des winters over de nóordfche
ijszee heènwaait op Nova Sembla, en de nóordfche kusten van Rusland, brengt hij zodaanige koude mede, dat de Menfchen daar omftreeks aanftonds dood vrie- zen, waarom zij genoodzaakt worden diepe holen inde aarde te graavén, en zich daar in te verbergen, tot dat deeze wind over is. Nieniant heeft ooit volmaakter voorbeeld en regels
gegeeven, hoe men de winden moet waarneemen , om ze ter deeg te leeren kennen, dan de groote Verula- miuSj wien men hier over moet naleezen, dewijl men in zijne Hiflorie van de Winden een fchat van wijsheid zalzien, en met een leeren, hoedaanig men in de Na- tuurkunde redeneeren moet, om alles op eene vasten voet te fchoeijen, en zich te wagten van onderftellin- geh, welke altijd maar eene hersfenfehimmige weten- fchäp voortbrengen, ten uiterften fcbadelijk aan dewaa, re wijsheid , en het menschlijk geflagt. Dog Iaat ons kortélijk eens zien het nut, 't welk de
winden aanbrengen, en 't geen waarlijk meenigvuldig en groot is. Het zelve beginnen wij nu eerst te lee- ren , maar het is ookjan de.Ouden gebleken, waar- om, volgens het getuigenis van Herodotus en Strabo, de Perfiaanen offerhanden aan de winden gedaan heb- ben; de Phïeniciërs deedèn het zelfde, zo dat onder hen zekere Uson eenen Tempel j ter eeren van de win- den geftigt heeft, volgens Eüsebius; want de Phami- ciërs, grooten zeehandel drijvende, en aan de Midde- landfche zee leggende, bevonden wat voordeel zij van de winden kreegen. Sommige Grieken bouwden haar ook Altaaren; de Atheners hadden er een gewijd aan den Noordenwind, volgens Plato; de Keizer'Augustus in Vrankrijk zijnde , heeft ook eenen Tempel gebouwd ter eere van den West-noordwestenwind, Cercius voor- heen, en nu nog Cers genoemd, welke ongezond in Vrankrijk is, en veel fchade door (lormen aan dat land toebrengt, want hij blaast met zulk een geweldige kragt, dat hij een gewaapenden Sbldaatr« ja een geiaaden wa- gen om fm ij t, en de daaken der huizen inwaait; om dat hij de hitte lucht der tempert, meenden zommigen dat hij gezond was. i; Maar laat orts het nut der winden zelf eens inzien.
Door de winden wordt de lucht gezuiverd , waarin wij leeven; die door onze eige uitwaasfemingen befniet, is onbekwaam voor ons leeven en gezondheid ; de wind drijft alle de uitwaasfemingen weg, hij brengt eene an- dere zuivere lucht aan. in de plaats, en verkwikt on?; hierom ziet-nnen , na dat het lang (til'weer is geweest, vooral in den -fomer, dater aan'fteekende en kwaadaar- dige |
|||||||||
|
de winden digt bij het land door heuvels "en hoogten
weeromftieten ; maar hoe kan hier door feller wind ge- booren worden? dit is onbegrijplijk, om dat de wind maar met dezelve kragt kan weeromfliiiten, waar nre- de hij tegens de heuvels aanliep," daarenboven (luit hij tegen s den aanloopenden wind wederom, wiens bewee-* ging hier door moet vertraagd worden. Men ziet zelden, dat de winden groore fteenen kun-
nen wegwaaijen, dat zij er niettemin kleine (tukjes ligt Van voortftooten, en met zich mede neemen; men on» derzoekt de reden hier van niet, om dal het verfchijn- zel zo gemeen is; dog hét verdient nog wel eens on- derzogt te worden; wanneer men neemt een taarlingvoet marmer, bevind men het te weegen 188 ponden en 12 oneen, Iaat dit tot poeijer gedampt worden, zo dat ie- der deeltjen hebbe eene middellijn van _i duim , of als een grooten fandkorl, dan zal iedere zijlijn van dit deel-
tje 1152 maal in de zijlijn van den taarling gaan, waar om de oppervlakte van dit deeltje tot zijne ligbaame- lijkheid 1152 maal grooter is, dan de oppervlakte des taarlings tot zijne ligbaamelijkheid; hier door is dit poei- jer in eenen (laat gebragt, als of de taarlingvoet van 188 ponden en 12 oneen voor iedere zijde eene opper- vlakte van 1152 vierkante voeten hadt; indien men al het gewigt gelijklijk verdeelt door deeze voeten, zal men bevinden voor ieder vierkanten voet te koomen 2 oneen en 5 drachmen; wanneer de wind blaast tegens de oppervlakte van eenen voet, e,n eene kragt van peis- finge oeffenen zal gelijk aan 2 oneen en 5 drachmen, zo moet hij voortloopen met eene fnelheid van o voeten in den tijd van eene fecunde , en met grooter fnelheid voortloopende, zal hij den gemelden voej-fteen voortftoo- ten; maar deeze fnelheid des winds is gering, waarom hij ook ligt het ileene (lof zal kunnen doen verfluiven , fchoon hij den geheelen klomp niét beweegen kan , de- wijl hij hier toe 1152 maal meer fnelheid moest hebben ; hoe dan het ftof fijner is, hoe het van flapperwmd zal kunnen weggewaaid worden. Het gebeurt niet zelden, dat er twee of meer winden
te gelijk boven eikanderen heen met verfebeide ftree- ken waaijen; met ziet hen uit het drijven van wolken, op eene verfcheïde hoogte in de lucht geheeven; moo- gelijk loopen er dus meer winden over malkanderen heen, maar welke wij zelden zien, ten zij hunne oor- izaaken dikke wolken zijn, want die tot verfchiilende hoogten oprijzen, kunnen op wat voor plaatzen zij zijn mogten, winden voortbrengen. Over de winden viel veel meer te zeggen, dan ik hier gedaan heb ; vooral voegde het, dat men iets van dg bijzondere eigenfehap. pen van fornmige winden handelde, om dat zij veeltijds met eenige zeldzaamheden verzeld gaan , welke wel ïiiet van de beweeginge der lucht, maar van de bijzon- ■dere uitwaasfemingen der gronden ', van waar zij koo- men, of waar over zij waaijen, óf van eenige andere gefteldheden der landeu afhangen ; maar dus zou men de winden van bijna alle landen des geheelen aardbodems moeten nagaan, litt welk in dit werk;'waar in ik ge- tragt heb kort te zijn, niet gefebieden kan; niettemin zal ik eenige weinige voorbeelden aanhaalén. Op de kust van Guinee waait er op het laatst van de-
cember en in het begin van februarij een wind, Har- vmtans genaamd ; dèeze duurt flegts twee of drie dagen, hfj is'zo koud en fnijdende, dat hij alles doet in een krimpen, ta dat de naaden van planke befchotten der .kamers jn de huizen-of van de fohepea opengaanj.de |
|||||||||
|
WIN.
|
|||||||||||
|
WIN.
|
|||||||||||
|
4TB7
|
|||||||||||
|
dige ziekten te voorfchijn koomen, ook wel pest, ge-
lijk na Hippocrates van veele andere Geneesheeren is aangeteekend. : . > ; 2, De.winden verfrisfchen en maatigen deheetelucht;
hier door worden veele landen bewoonbaar, welkedoor ie Son dagelijks als verbrand worden, en dus woest en onbevolkt zouden leggen; want in Oost- en West- Indie zijn veele plaatzen, welke bij dag door de hitte der Son als gezengd worden, maar des avonds begint 'er een koele zagte wind uit het land te waaijen, welke jklenfcben, Vee, en alle aardgewasfën verkwikt, de aarde en rivieren verkoelt. In den fomer, wanneer het Itil en heet weer is /zouden alle Maaijers op het veld fmel- tenenfterven,- gelijk dikwils gebeurd is, tenzij de wind de lucht, en deeze de verhitte Arbeiders verkoelde, mtt hunnen heeten dampkring, waar in zij midden in zijn, vw?, te i'aagen. 3, De winden brengen de hitte en koude van het eene
land in het andere, waar door men in deeze landen, als er een zuidenwind waait, warmte krijgt, maar met eenen noordenwind, koude. ï. De drooge winden doen al wat nat is opdroogen,
waar door de natte wegen bruikbaaar worden , en al het geen wij nat gemaakt hebben van klederen tot ons ge- bruik, droog krijgen, 't geen anders niet dan met veel moeiten, door vuur te maaken, te doen was; hoefcbie- lijk droogt een laken op den raam gefpannen ? Andere ■vinden in tegendeel zijn vogtig, maar die hebben ook tanin, dewijl hun vogt overal, in alle planten en andere lighaamen, indringt. en dezelve voedt; andere har. deenbaftigezaaken daarentegen week en buigzaam maakt. 5. De winden voeren de wolken, meest op zee ge«
booren, van daar over alle landen des aardsfijks heen, op dat ze in regen zouden kunnen neervallen, en dus de aarde met alle haare kruiden bevogtigen; tot hunne gioeijing worden ook andere uitwaasfemingen vereischt, welkevan heteene land naar het ander nu door de win. kn vervoerd en overal verfpreid raaken. 6. Wat zou een Mensch onweetend en onbedreeven
gebleeven zijn, wanneer hij zich altijd maar in zijn ei- gen Vaderland onthouden hadt, en niet wist, nog zag, wat er op het overige deel der aarde groeide of gefchied- de. Onze wijze Schepper heeft ons willen te hulp koo- men, en winden gefchonken , op-dat wij er door in Schepen naar verre afgelege landen ons zouden laaten voortdrijven , en dus kunnen krijgen en zien , aj wat er PP den geheelen aardbodem groeit, gemaakt, öfgedaan "prdt; hier door wordt de menschelijke maatfchappij onderhouden, alles wordt aan ieder gemeen , men leert de wijsheid van den Almachtigen kennen uit de verfchei- denheid van de veelderhande zoorten van Schepzelen; *n men ziet, hoe mild Hij voor 't menfchelijk geflagt, in die te fcheppen geweest, en hoe wijs op de aarde alles van hem gefcbiedt is. Het meeste hier van zou* °en wij zonder behulp der Scheepvaart niet weeien ; waarom men ook de domheid en onwetenheid van an- dere Volkeren, wegens het leggen hunner landen, bui- ten de Scheepvaart zijnde , aanftonds befpeurt. 7. Dè winden beweegen de wateren der zeen, van
jjeiren .poelen , en rivieren, op dat zij niet door het «ilftaarj aan het rotten zouden raaken, en dus de lucht "efmetten; dit alles wordt door de beweeging van het *ater voorgekoomen. ,8. Maar wat doen. wij hier te lande niet al door de
*'fldl hoe veel arbeid van Men fc h en of Paarden ipaa- Vll Deel, r |
|||||||||||
|
ren wij door hem; doet hij niet ten platten lande Wind-
molens omgaan, waar mede het water uit de polders gefchept wordt, welke anders wegensderzelver laagte, en den jaarlijks vallenden regen verdrinken zouden; met andere Windmolens maalt men koorn, men zaagt hout, men breekt verwftoffen, men maakt linnen tot papier, men maalt lood tot verglaazing van aarde pot- ten, ftijffel voor lijnwaaden, men flaat olie uit zaad , men vult lakens met andere, ja men voert met den wind oneindig meer andere dingen voor ons gebruik uit, wel- ke, te lang zijn om alhier opgeteld te worden, dewijl wij flegts de eerfte gronden tot de Natuurkunde te verhandelen, en niets wijdloopig uittevoeren, voorgenoo» men hebben gehadt. WINDEN, zijn dampen welke uit de MaagopftuV
gen, en met geraas inde mond koomen, of wel naar onderen eenen uitweg zoekende , door den aars-darm heen, wegvliegen. De Winden fpruiten voort uit eeneveerkragtigeftoffe,
welkedoor de warmte, opbruisfching, of gesting word uitgezet, die het eene ogenblik word te rug gehouden, en die op het volgende ogenblik wanneer de hinderpaalen die haar uitgang beletteden weggenoomen zijn, met ge- raas uit het lighaam gaan. De lucht, zouten van verfchillenden aart, vrug-
ten , gemaklijk rottende vogten , gistende groentens, deeze allen verfchaffen ftoffen aan de Winden, waar van de flank en heftigheid verfcheiden is, naar maate van der- zelver hoedaanigheid. Intusfchen gaan al die ft-offen zonder eenig geweld te
maaken naar buiten, wanneer zij de wegen vrij en on- belemmert vinden; dus is het de flokdarm en de openin- gen of monden van de Maag, welke door haar beurte- lingfe krampagtige zamentrekking en uitzetting, de oor- zaaken van die fijmptoma'soï verfchijnfelen zijn. Het is deeze uitgedreevene ftof, welke denoorfprong
is van het wind loozen van onderen en boven, alsmede van de borrelingen in de darmen. Indien deeze twee oorzaaken, te weeten de voort-
brenging der Winden en derzelver benaauwing door de kramp te wegegebragt,zamenloopen, metgeweld wer- ken, en lang aanhouden; alsdan zal de veerkragtige fioffe, die zich door de warmte en de beweeging uit- zet, in eene holligheidbeflooten zijnde, welke door de krimping van derzelver fpieren vernauwt word , met groote pijn de vliezen die haar belemmeren, doen uitzet- ten, en de nahegelegene plaatzen drukken, waar uit be. naauwtheden en ondraaglijke pijnen voorfpruiten, die aanftonds verdwijnen, zo ras de Winden er uit zijn ; in- dien de koorts zich bij deeze kwaaie voegt, veroorzaakt zij onliidefijke fmerten. De behandeling beftaat, 1. om de ftoffèdoor weeken-
de middelen te verdrijven, zoals door waterige, war- me en min of meer geurige dranken; door geneesmidde- len , die de verrotting te keer gaan en de gisting doen op. houden. 2. Om de al te onftuimige loop der geesten te doen bedaaren, en de ftuiptrekkinge doorbekwaame middelen te doen ophouden, zodanig is het opium en de middelen tegens de opftijging. 3. Gebruik te maaken van ftoovingen , als ook warme, weekmaakende en windbreekende omflagen (epithema's) , weekmaakende klijsteeren, zagtprikkelende pwgatien, enz. Om deeze ongemakken voor te koomen, moet men
zich wagten voor winderig voedze! , zoo als raauwe
vrugten ; zommige groentens, als erwten, fnijhoo-
Hhh nen,
|
|||||||||||
|
vu wm.
|
|||||||||
|
wim
|
|||||||||
|
nen, ^Ilerleij- zoorten van kool, eii meer andere fpïj«
gen, die eene groote hoeveelheid luchts bevatten. WINDEN,, zie JAGT-HONDEN.
WINU GEZWEL, Blaas-Gezwel, in het latijn Ta-
mor flutiotentvs, zodaanignoemt men een Gezwel, waar Ül zich in plaats van, vogtigheden, als bloed, etter enz. finden «n blazingen vertoonen. WINDHUNDEN, zie JAGT-HONDEN. >
WINDHOÜT BOOM , zie WILGEN-BOOM.
WIND-KACHGELS, zie KACHGELS.
WIND-KOGEL., zie AEOLQP1LA.
WIND-OVEN, in het latijn Furnus anemius; noemt
men een zodaanigen Oven, die in de openlucht ftaat, waar in de Kalk gebrand word. - Ook verftaat men door Furnus anemius, een WindmOventje, 'twelk tot de fcbeijkunde dient, ftaand'e op een drievoçt, en waar in men met open vuur ftookt. " WIND-POKJES, zie POKKEN pag. 2785. ' WIND SPEELiNG , Lucht-fpeeling , Speelruimte;
dusdaanig word het verfchil tusfchen den Mond'van een Kanon en den grootften cirkel van een Kogel die uit de- zelve gefchooten word, genóemt. Hoedanig deeze kan gevonden worden, kan men de Artillerij konst beoeffe- nende, gemaklijk leeren. Zie onder andere Schrijvers Pijrandeb Artellerij-konst,■ cap. 3. Memeit-esfut-t''Artil- lerie par Mr. de St. Remi , enz. » WIND-VAAN', Winti-wijzer, in het latijn: Anemo-,,
fcopium; is een Werktuig,'t welk de ftreek die de wind*; waait, aanwijst. Namelijk de Wind drijft eenen wijzer rondsomme op eene fchijf, waar op deftreeken van de Wind naauwkeurig getekend ftaan, en zulks door middel van een beweegbaaren as, welke tot een fpil voor de Weer-, haan dient. Den Jefuit CASATUsbefchrifft diezeer duide lijk in zijn werk getijteld Mechanicor, lib. V. cap. o, prop. I. pag. 588 tftnA op de volgende wijze. Ditlnftrument, zegt bij, bellaat uit een langeijzeren roede, die boven op een vendei heeft, eveneens als een Weerhaanen diebui- ten het dak uitfteektj. beneden in een der vertrekken heeft dezelve een klein wiel óf rad van ijzer, welk in een grooter rad ingrijpt, en welk laatfte aan zijnen as, eenen Wijzer op eene aan de wand hangende fchijf rondsom beweegt, waarop de winden getekend ftaan. Zie ook Jac Leupold Tkeatro Statico P. III. cap. 9. WINTER, in 't latijn Hijems; dusdaanig word het
jaargetijde genoemd, 't welk isijn begin neemt, wanneer de Son in den middag't verfte van bet kruin-punt afgaat. .__ Op wat tijd den Winter in ieder waereld-gedeelte zijn begint neemt, kan men bij Varenjusjh Geogr. gê- ner. Seil FI. cap. 26, part 1. aangetettend vinden. ___ Hier te lande neemt de Winter zijn begin ; wanneer de
Son in den Steenbok treed, zijnde omtrent den 21 De- cember; en dezelve eindigt, wanneer zij in het begin van den Ram koomt, naamelijk omtrentden 21 maart. .WINTER-BEWAARPLAATS, zie HIJBERNA-
CULUM. WINTER EEND, zie EENDEN «1 III. pag. 586,
WINTER-ENDIVIE, zie ENDIVTE.
WINTER-HANDEN, zie KAKHIELEN.
.WINTER-HIELEN, zie KAK HIELEN. WINTERIANA, zie CANEEL-BOOM. (WITTE-).
-WINTER KERSSE, Steen-Kersfe, Barbama, Na- ßurtium hijemale, &c. dusdaanig word van zommige Kruid^efchrijvers , de Water-Mmte of Sißjmbrum ge- noemt, zie aldaar, . . "" ■.:.'" WINTER-KEULE, zie KEULE n. 2.pag. 1490.
|
|||||||||
|
WNTER-KONJNGJE, zie KWtBSTAARTEN »
XXIX. pag. 1705- ■ ■■■■"'■ ■■'.--
WINTER-KRAAIJ, zieBONTE-KRAAIJ.
WINTER:LEEÜR1K, zie LEEUR1KKEN ».VIII.
pag 1795. WINTERLING, zie SCHEERLING.
: WINTER-MAAND , in 't latijn December; js j2 twaalfde of laatfte maand van het jaar. Deeze maand heeft 31 dagen, en maakt het einde van den Herfst en het beginvan den Winter of laatfte- deel van het jaar; wan. neer omtrent den 21 of 22 de Sofj in bet teken van ^o of den Steenbok (Capticomius) treedt. Het is op deeze tijd, dat de Winterfche Sonneftand (Solßitium brumak) in- valt, als wanneer de Son ophoud naar het zuiden afte- daalen, en allengskens wederom naar het noorden klimt,' waar door de dagen op nieuw toe, en de nagten af. neemen. .-.--. Deeze maand word bij de Latijnen Decembergenoemd,
om dat die oudtijds de tiende, of laatfte maand van het jaat was, doen de Romeinen gewoon waaien het jaar roet Maart te beginnen, ■-■ De oude Duitfehen heb- ben die ingevolge de ordonnantie van Keizer Kakelden Grooten , HiliciMaanddat is Heilige Maand', genoemd, ter gedagtenisfe der geboorte van.onzen gezegenden Hei- land. 'Ten huidigen dage noemt men die in Duitsch- land nog. Christ-Maand , wegens het Kersfeest, dat den 25 en 26 daar in plechtig gevierd word; Wat werk in deeze Maand in de Moestuin
te doen valt. H , Deeze Maand, waar in de dagen op haar korst zijn,
is de duisterfte van het geheele jaar, en aan verfcheidene veranderingen van weer onderworpen. Zomwijlen is de grond bevrozen, zo dat men weinig in den tuin kan uit- rechten, op andere dagen vallen er zwaare regens-, die door dikke ftinkende Misten vèrwisfelt worden, en het zeer verdrietig en ongezond maaken om buiten deur te koomen, daarbij ook zeer nadeelig voor de tedere Plan- ten zijn. Is het zagt weer, zo kan men de Artisjokken aanboo.
gen, welke in de voorgaande maand zijn overgeflagen; om dit wel te verrichten , moetimen vmoude ««finden grond graaven, het welk de groeijing der Artisjokken in het volgende voorjaar buitengemeen zal bevorde- ren. Brengt mest op de vierkanten van den Moestuin,
fpreid die *over den grond heen, en maakt voorea in de vierkanten, leggende de aarde aan reepen, ten einde die door de vorst mag vermurfd, en tot het gebruik bekwaam worden, wanneer het faifoen om dezelve te bezaaijen aankomt. In deeze maand moet men de Slakken opzoeken en ver«
nielen, die zich geduurende den winter inde oudermin- ren, of onder de heinigen, heggen, gebroken potten, of anderen puin verbergen, en zulks kan op deezentijd gemaklijk gefebieden. Zaait omtrent het midden van deeze maand, kersje <
mosterd-, raap-, radijs-, knol zaad, en andereSaladi'
kruiden, in een maatig warmen Broeibak , welke of rnet
raatnen moet bedekt, of met hoepels overwulfd, en met
matten bedekt worden; want in dit faifoen komt ?,een
zaad ter waereld op, 't welk aan de open lucht is bloot»
gefteld.
. De dagen van deeze maand waar in het weer zagt is,
moet men de HoemkooUplanten ontdekken en vrije l«cht
ceej
|
|||||||||
|
*win.
|
|||||||||||
|
WIN.
|
|||||||||||
|
*m
|
|||||||||||
|
»eeven, 'dewijl die anderzints fpillig opgroeijen, eii wei*
jig zullen deugen. Ook moet men er geftadig de ver- dorde bladen afplukken, dewijl men er die aan Iaatende, 2ulks veel nadeel aan dé Planten toebrengt, inzonder« beid wanneer het guure weer niet toelaat, dat de Bak- ken in twee of drie dagen agtereen kunnen geopend wor. den, en dus de planten verfche lucht genieten; want deeze verdorde bladen als dan in de Bakken verrotten- de, waasfemen een garftigen damp uit, welke zich met de beflooten lucht der Bakken vermengende, de Plan- ten buitengemeen fchaadelijk zijn en doen rotten. 'Neemt een droogen dag en zagt weer in deezen maand
paar, om de Endivie uit de grond te neemen, hangt die dan buiten de vorst twee of drie dagen op, dat devogtig- heidvan tusfchen de bladen er uitzakke; legt dezelve dan op rijen in een hooge en drooge grond om geel te gorden, in agt neemende de bladen digt te fluiten, ert zoo diep te begraaven, dat de toppen derzelve maar even boven den grond koomen. Ook kan men nu Broeibakken voor Afpergies aanleg-
gen, om de tafel tegens het laatst van januarij daar me- de te voorzien; want in dit faifoen zullen er bijna zes weekeii verloopen van den tijd afgerekend, dat men de Bakken aanlegt j eer de Afpergies in flaat zijn om gefne- äen te kunnen worden. Hoe men deeze Broeijbedden zal vervaardigen en aanleggen, zie op het Artijkel A- SPERGIES. Omtrent bet midden van deeze maand, moet men, in»
dien het zagt weer is, eenige vroege Erwten leggen op warme rabatten, om op die geenen te volgen, welke in de voorgaande maanden gelegd zijn; haalt ook wat aarde rondsom de ftengen van die erwten en Béotien, Welke reeds opgekoomen zijn, om ze door dat middel Voor de vorst te befchermen. Doet de fluit- en favoij'Koolen, die beftemd zijn om
zaad vàn te winnen, uit, en hangt ze tien a twaalf dagen op een drooge plaats aan haare fteelen, om hier door het overtollige vogt te doen uitzakken; plant die vervol- gens op een warm Rabat heuvelswijze, zo diep, dat maar even haar bOvenfte bloot is ; door dit heuvels- wijze planten, loopt het water des te. beter af, welks al te grooten overvloed haar anderzints doet rotten. Ten aanzien van deeze Planten, dient inzonderheid zorg ge- draagente worden, om elke zoort alleen en ver vaneen te planten, want ftaan die te digt bijeen, zo vermengt zich het ftuifmeel van derzelver Bloemen door malkan- der,»waar door het zaad teneenemaalen verbasterd word. Wanneer het na de planting van deeze kool fterk begint te vriezen, moet men die met tarw- of erwten-ftroo be- dekken, want dit verzuimende, zullen zij de harde vorst iiléc' kunnen doorftaan , maar derven. - De grond zodanig hard bevrooren zijnde, dat men niet
tan fpitten, moet-men de fchuttingen en espaliers ver- ftellen , óok mest op de vierkanten brengen, op dat die in gereedheid moogen zijn, wanneer de zaaijtijd aankobmt ; voorts al het gereedfchap klaar maaken., op dat er geen beletzel zij, wanneer het faifoen gun- % is ' om den grond te bebouwen. Keuken-gewasfen van deeze Maand.
Kool, favoij-kool, roode-kool , boerenkool, zommige
broccoli, peen, pinkßemakel, knollen, aardappelen, zuiker Wortels, fcorfoneeren, falfefij, bieten, rammeHasfen, pie- terfelie-wortels, en peper wortel. Voorts, uijen, look, knoflook, ferpent-hok, chaktten,
|
|||||||||||
|
thijm, winter keule, hij f op, falie, rofèmarijn, fwitferfche-
biet, cardons, felderij, endivie, knol-kool, pieterjelie, kervel, en meer andere kruiden voor foupen. Nog, kersfe, mosterd-, raap-, radijs en knol-zaad,
benevens anâers falade-kruiden in den Broeibak -.felderie, endivie, en zommige bruine kroppen onder glazen in zagt v/eer, met kruis-en-munt in Broeibakken, in het begin der voorige maand vervaardigt ; ook afpergies in Broei- bakken, in oftober aangelegd. Bezigheden in de Frugttuin, Boomgaard,
en Enterij. Indien het zagt weer is, kan men de grond omfpit-
ten, om in februarij Vrugt Boomen te planten; ook de Rabatten van den Vrugt.tuin verbeteren met er war. verfche aarde en vergaane mist onder te mengen , dit zal de Boomen zeer veel goed doen, en de grootte en deugd der vrugten vermeerderen. In dit faifoen is het niet goed eenige der Vrugt-Boo«
men, het zij tegens muuren of espaliers te befnoeijen, om reden dat de vorst, die kort daar na kan volgen, de gewonde takken als dan benadeelt, 't welk inzonderheid ten aanzien van Perfikken, Abrikofen en andere tedere Vrugtboomen plaats vind. Beziet de Boomgaarden en fnijd alle doode takken uit
de Boomen, insgelijks die kruisfelings over malkanderen loopen; in het welk te doen men in agt moet neemen de wondefchuinste maaken, enzogladals mooglijk is, op dat er de nattigheid des te gemaklijker kan afloöpen , zonder in den Boom te koomen. Gok moeten deeze tak« ken zo digt aan de Stam als mooglijk is, afgefneden wor- den , zonder daar fpooren aan te laaten , zo als wel bij zommige onagtzaame Menfchen gefchied. Nu is het ook de tijd indien niet vriest, om den grond
der Boomgaarden tusfchen de Boomen omtefpitten en te mesten, dit zal van veel dienst voor de Vrugt-boomen zijn, en veroorzaaken, dat men en fchoonder en beter freakende Vrugten verkrijgt. Daar men eenige jonge Boomgaarden in het aanftaande voorjaar denkt aanteleg» gen en te planten, is het nu de tijd om de grond daat toe te bereiden. Ook moeten de Wijnftokken nu gefnoeit worden,
indien zulks rede niet in den voorigen maand is gefchied. Als er veel Wijnftokken te fnoeijen vallen, moet men er mede beginnen, zo dra de bladen afvallen; ander» zints zoude een gedeelte tot in het voorjaar ongedaan moeten blijven, en het als dan doende, bloeden de won- den , en de Planten verzwakken. In vriezend weer moet men zorg dragen, dat men dö
grond rondsom de nieuw-geplante Boomen met flroo be» dekt, om te beletten, dat de vorst niet inden grond tot de wortels doordringe , dewijl zulks de jonge haair-wortels zeer zoude benadeelen. Ook moet men zorgvuldig oppasfen, om den vorst uit
het vertrek te houden , daar men zijn beste Winter- Vrugten bewaart ; want deeze Vrugten bevriezende, bederven ze onwederfpfeeklijk korten tijd daar na. Zodaanige Boomgaarden of Enterijen die met groene
heggen zijn omtogen, moeten nu opgehaald worden , en daar zij eenigzin'ts dun groeijen zodanig geleid worden, dat zij van onderen digt zijn. In deeze en de volgende maand is het zeer hacbgelijk
om Boomen te verplanten, om die rede kan er weinig
in de Enterij gedaan worden, behalve mest te brengen
daar die ontbreekt^ eri in za^t weer de grond-te berei.
Hhh-a den,
|
|||||||||||
|
415* WIN.
|
/WIN.
|
||||||||
|
den, daar men in het voorjaar Boomen denkt teplan-
tem ,
Neem nu ook in agt om Aroo te leggen rondsom de Stam-
men der nieuw geplante Boomen, daar het in de voor- gaande maanden is overgeilagen; anderzints zal de vorst in den grond dringen, en alle de nieuwe haair-wortels verderven, waar door de Boomen buitengemeen ver- zwakken zullen. ■ Onderzoekt in vriezend weer naauwkeurig zulke En-
terijen, die voor Haazen, Konijnen, enz.zijn blootge- fteld; want in dit faifoen zullen deeze Dieren ligte- Jij'k den bast van de Boomen afnaaien, en dezelve be- derven. . ■ " ' : Zagt weer zijnde, kan men voortgaan met in de
Enterij tusfcben de rijen der Boomen tg (pitten, zulks nog niet gefchied zijnde; _dog neemt zorgvuldig in agt, om met de fpads de wortels der Boomen niet te benadeelen. .Draag ook zorgy om zodaanige jonge buitenlandfche
Boomen, die niet hard genoeg zijn om de koude van ons klimaat te verduuren, voor den vorst te beveiligen , door ftroo rondsom haare flammen te. leggen;, en haare kroonen in ftrengen vorst met peulenruigte te bedekken ; dog zo dra de vorst over is, moet deeze ruigte er wor- den afgenoomen, dewijl anderzints de tedere deelen der Planten, bij gebrek van vrije lucht fchimmelen. Past op het dekken der Bedden met zaad en akers,
die in oftober gezaaid zijn , om er het ongedierte afte- weerën, en de vorst buiten den grond te houden, die de zulke welke beginnenuittefpruitea.grootelijk zouden benadeelen. , ■ ! ' Ook moet men nu de Heggen rondsom de Enterijen
en Boomgaard nazienen leiden, en de andere fchuttin- gen berftellen en verbeteren , want in deezën tijd is er 't minfte van 't geheele jaar in de Enterijen te doen. . pjvi Ooftvrugten van deeze Maand.
Appelen: Nonpareille, Goud«pepping, Pigeons, ffel-
lefleur, Pepin-d'or, Franfche-Pepping-, Holland/ehe of Wijker'Pepping, KentJ'che.Pepping , Rousfet van Pile, Winter-Parmain, Haute-bonne, graauwe-Renet, Anjelier- Appel, Aagten, Pepping van zorgvliet, Vlaamsch-zoet, Kroppe Kruin en eenige anderen. Peeren: Chasferie, Colmar, St. Germain, St. André,
Virgouleufe , AmberuPeer, l'Schaffe rie, Epine d'hijve/, JVinter-Beuré, Louife-bonne , Amadote, Spaanfche-Bon* chrétien , Poire de livre, Ronville -, Citron \ d'hijver , WintermRousfelet, Martin■ Sec , Bezij de Chaumontel, Foppen-Peer, Louwtjes- Peer , Camperfeen, Groote-Mo- gol, zoete braad- Peer, Tsbont, enz. ,,.,;,. Ook Mispelen , QuetJ'en, Amandelen, Kastanjen en
Druiven, als zij wel bewaard zijn; als mede Okkernoten m Hazelnoten. , -* '■ Werk in den Bloem, en Plaifier-Tuin.
De bedden met de beste Ranunkels, Anemonen en
Hijacinten moeten in nat of vriezend weer, 't welk beide voor haar even fcbaadelijk is, zorgvuldig gedekt worden. - : * ...... - \s - De potten of bakken met zaai-Bloemen, moeten in
ftérke regens of harde vorst insgelijks gedekt worden, dewijl ze anderzints gevaar loopen om vernield te wor- den. .,',' - Dekt de beste Anjelieren en Auiiculu's, om haar voor |
|||||||||
|
zwaare regens en fneeuw, die zeer fcbaadelijk: voor haar
zijn, ,te befchermen ; maar in zagt weer moeten ze zo Veel vrije lucht hebben, als mooglijk is, anders zullen ze fpillig opfchieten, en geen andere dan flegte Bloemen voortbrengen. Keert de verfcheiden hoopen aarde , die voor den
Bloemtuin bereid zijn, het onderst boven, op dat de vorst dezelve murw maake, en mengt eenige nieuwe hoopen; opdat er altijd eenigen, ten minftenngcoftien maanden, eer men ze gebruikt, mogen gereed zijn. In z.agt weer moet men de bedden en rabatten omfpit.
ten en bereiden, opdat ze gereed zijn om er de bloem- Planten in bet voorjaar optezetfen in 't welk te doen het diènftig is, de aarde aan reepen te leggen, op dat er de zwaare regens mogen afioopen. Vaar voort met den grond in de Wild-Bosfcben om-
tefpitten, op dat alles tegens het volgende voorjaar fchoon mag gemaakt zijn, wanneer de Boomen beginnen te knoppen, en de Bloemen te bloeijen, 't welk een ieder tot wandelen uitlokt,- dan dit doende, moet men zorg draagen, geene der Planten, die tusïehen de Boo- men groeijen, te befchaadigen. , - Bereid zulke plaatzen van den Tuin, daar men voor., neemens is bioeijende Heesters of tedere Boomen in he; voorjaar te planten; en deeze grond moet insgelijks aan reepen gelegt worden, tot dat de tijd om te planten gekoomen is, op dat dezelve mul en groeizaam mo- ge zijn.'-. i Invriezend weer, wanneer er weinig werk in de tuin
te doen valt, moet men nommerh'outjes gereed maaken, om bij de Bloemen en Zaaden te fteeken, wanneer die geplant en gezaait worden ; ook al het gereedfehap te- gens dat het voorjaar aankomt tot gebruik gereed maa- ken, dewijl men in die tijd, bezigheid genoeg buitens buis zal hebben: Planten die in deeze Maand in de open lucht bloei-
.-, .-' .. jen , indien het zagt weer. is. Eenige enkelde Anémones, Polianthus, Primula-veris,
Violetten , .Polianthus-Narcüfus , Beerenklauw, kleine Veld'Thlaspi, roode Lente-Cij dame n, Algierfche Duive- kervel , fmalbladige Guldenroede; zommige winter Wolfs» Wartel, enNarcisfo Leucojums, in't laast van de maand, mits het weer zeer zagt zij. . Harde Boomen en Heesters in bloeij.
Laurustinus, Arbutus oïAirdbefië Boom, Thijmteka, tweemaal bioeijende Engelfche-Doorn, regte-Kamperfoe- lie met blaauwe Beiïën, Genista-fpinofa , Spaansch- Wurmkruid , Cijtifus, Maranta; en in buitengemeen zagt weer, de Berg-Peper of'Mezereum, en de Pijracantht in vrugt. Medicinaale Planten , die mi vergaderd
i moeten worden. . Biet-Wortel (Radices.Bet), Alants-Wortel (Radien Helenii of Enulce campants), Venkel-Wortel (Radices Foëniculi),Watte\ van Bilzemkruid(ÄaiuM Hijoscija- mi), Nies Wortel (Radices Hellebor f), Lavas-Wortel (R"' dices Levifiici), Beer-Wortel (Radices .. Mei) , Pest« Wortel (Radices Pttafitidis) . Wortel van Varkens« Venkel (Radiées Peufedani) , Wortel van Eicken-Vareo (Radices Polipodii), Wortel van Saloiiions-Zegel (&* dicesfigillis Salomonis), Wortel van Zeep-kruid fÄ<J* dicesfaponari), ochorzbneeren»Wortel (Radices fcork- " \ nerts), |
|||||||||
|
WIN. WIR. WIS.
|
|||||||||
|
WIN.
»iris), Suiker.Wortel (Radkes-Sifari), Hertstong (Lin-
gua- Cervina), Seven-Boom (Sabina). Alle deeze Wortels mogen nu, als de vorst zulks niet
belet, opgenomen worden; want dewijl alle deeze op- genoemde Planten in dit faifoen buiten aenigen groei of werkzaamheid zijn , zijn zij in haare grootfte vol naaktheid, zoo wel voor de geneeskunde als voor de tafel. Werk in het Oranjehuis en de Stookkasfen.
Indien het zeer koud weer is, moet men de vensters
en deuren van het Oranje-Huis digt geflooten houden, maar in zagt weer moet men eenige derzelven openen, om verfche lucht in huis te laaten koomen ; anders zal . 'er een dampige vogtige lucht zijn, die de tedere fcheu- ten xier Planten zal doen fchimmelen en verdorren. Hierom moet men , wanneer men eenig fchimmel op de Planten ontwaar wordt, die daar terftond vanzuiveren, voor dat die zich verder verfpreid, en de nabuurige Planten mede aantast. Ook moet men er alle de ver- dorde bladen zorgvuldig afhaalen, en dezelve niet op de vloer.laaten leggen, maar die zorgvuldigopzaamelen en buiten- het Oranje-huis brengen, om dat ze in huis blij- vende, verrotten en de lucht befmetten, tot groot na- deel van de Planten. 'In deezen tijd moet men de Planten ook zeer fpaar-
zaam bevochtigen, inzonderheid de zulken, die van een fapagtigen aart zijn , gelijk de Aloè's, Ccreusjen, Ficoï- ks, Huislook, Cotijledons, enz,; maar de Mijrte-Boo- men , Amomum-Plinii, Leonurusfen, Oleanders, Laune- WB, en andere houtige Planten,, moeten dikwerf nat ge- maakt worden,1 dog men moet baar in koud weer niet te veel water gelijk geeven , maar liever dikwils en wei- nig teffens, zijnde zo veel, dat het omkrullen of ver- rimpelen van haare bladen belet word, voldoende. Het vuur in de Stookkasfen moet nu zorgvuldig on-
thouden worden, zoo wel in duister mistig weer, als n ftrenge vorst; want indien de lucht dampig is, is e vopr de Planten even fchadelijk, als een fcherpe Licht, zo dat men zich van de trap der hitte, die de i'lanfen nodig hebben , moet onderrichten door een thermometer , die- een goede fcbaal heeft, waar op die trap van warmte-aangetekend ftaat, die de Plant Dood ig is. ... - De Ananasfen of Pijn-Appels moeten veel warmte
hebben, anderzints zullen ze den volgenden fomer geen vrugten voortbrengen. Ook moet men zorgediaagen, de- zelve dikwils met water te ververfchen, 't.welk ten min- ften twaaf of veertien uuren, eer het gebruikt word, inde ft'ookkas te warmen moet ftaan. Daar dit verzuimt wordt, krijgende Ananas* Planten veeltijds 'zulk eenen krak, dat ze eenige maanden nodig hebben om weder bij te haaien. De tedere buitenlandfche Planten , die in den Run-
Bak gezet zijn, moeten nu zorgvuldig opgepast wor- den, om haar nat te maaken ; naar dat zij het nodig heb- ben, en 'er alle de verdorde bladen af te haaien, en haare jammen en Bladen te zuiveren van Ongedierte en vui- ligheid , welke zij zeer ligt aan zich krijgen , inzonder- heid de Koffiboomen, die dikwils moeten gewasfen wer- den, dewijl anderzints haare Bladen verdorren. Het is' nu ook de tijd om de verfcheiden mengzels
Tan aarde, te mengen voor de buitenlandfche Planten, op dat' haare' verfcheidsn deelen des te beter met mal- ender ïnogen vereenigd- worden.. |
|||||||||
|
4-191
|
|||||||||
|
Planten welke in deeze Maand in het Oran- : a
jehuis en in de Stookkns bloeijtn. Leonurusfen , Thlafpi creticum, geele indiaanfche Jas- mijn, turkjche Cijclamens, Hartshooi van Majorka , Gera« niutns, Jpaanfche Jarmyw, arabifche Jasmijn, Jasmijn carmofijn-b&ûmblad , bou.magtige Polijgala, indiaanj'cke Kers met dubbelde Bloemen , Affodil met Uijen-blad, verfcheiden zoorten van Aloë's, Anemonofpernos, Leu* canthemum met Pijrethrums finaak , carolinifche laage Sonnebloem, canarifche Klokjes, boomagtige Althéa, Vir- ginifche groots blaauwe Aster, Guldenroede, Senecio met omgekruld blad , Alaternoïdes met hei-blad , eenige zoorten van Ficoïdes, gevoelige Planten, Pierceain bloem en vrugt, Diosma, Phijlica, Malpighia met Blad van Granaat-Boom, Elichrijfums, Tencrium boè'ticum, He- liotropium met blad van Schordonia, Clufia , Plumbago vanCeilon, Orientaalfche Pcarmica, Afrikaanfche Oxijs met groote purpere en geele Bloemen , mexikaanfche Scarleij, Heliotr opium van Peru, boomagtig Sedum, Zij- gophijllum, afrikaanfche Goudsbloem met gras-blad , Apo- cijnum en eenige anderen; en in vrugt, Lijcimn met blad van Pijracantha, verfcheiden Solanums, Aikekengi, en het Amomum-Plinii. Huismans-werk en deszelfs voordeelen,
in deeze Maand. Den Landman heeft nu weinig buiten in de Velden te
doen, dan binnens huis heeft hij 't drok, met't dorsfchen van aüerleij Veld vrugten of Graanen, en" tneerftig voe- deren en oppasfen van zijn Vee tot zijn voordeel. Voorts neemt den Huisman datzelfde waar, 't geen wij op LOUW-MAAND hebben aangeweezen; zie aldaar. WINTER-MARJOLEI.NE, zie MARJOLEINE n.
2. pag. 2064. WINTER-MEEUWTJE, zie MEEUWEN n.l.
pag. 2014. WINTER-MOSCH, zie VINKEN«. XXX p. 3871.
W1NTERPLAATS der GEWASSEN, zie ORAN-
TEHUIS. 'WINTER-PLANTEN , zie HIJEMAL1S-PLAN-
TM. WINTER-RAKETTE, zie SISIJMBRIUM n. 9.
Pag 3372-
WINTER-ROGGE, zie ROGGE n. I. pag. 3088.
WINTER.TAL1NG, zie EENDEN.
WINTER VOETEN, zie KAKHIELEN.
WINTER-WATERMUNT , zie SISIJMBRIUM ,
». 7, S, 9 & 10. pag. 3372. WIRSING, zie KOOL, n. 9. pag. 1572.
WISENT, zie BISON.
W1SKONST, zie GEOMETRIE en MATHESIS.
WISMUTH, zie BISMUTH.
WISSEL, Wisfelbrief. Dus noemt men een zoort
van bevel, dat door een Bankier, Koopman of Hande- laar aan iemand anders word gegeeven, om in een andè. re Stad aan zodaanig eenen -, die houdervandit bevel is, de fomma of inhoud te doen betaalen, die er in uitge. drukt ftaat. Het contract 't welk door die brieven tusfehen de
verfchiüende perjbonen die er deel aan hebben, word gefiooten, is niet bij de ouden bekend geweest : want het geen in de DroesTEN de eo quod certo locodariopor- tet, en in verfcheidene andere .Wetten ter gelegenheid van de zodaanigen, die men Nwr.ularii, Argentarh en Tmpeßts noemde, gezeRt word; heeft geene betrek. H h h 3; krng, |
|||||||||
|
w« wis.
|
|||||||||
|
WIS.
|
|||||||||
|
king met het wisfelen door middel van brieven, van de
eene plaats op d andere, zo als hedendaagsch in gebruik is. Bij de Ouden was geene andere wisfeling bekend,
dan die van de eene munt of zoort van geld tegens eene andere gefchiedde ; zij ontbeerden de kundigheid van het geld tegens brieven te verruilen. Men is ten eenemaalen in het onzekere, over den tijd
waar in deeze manier van handelen haaren aanvang heeft genoomen ; met geen meerder zekerheid kan men be- paalen, wie er de Uitvinders van zijn geweest. ' Eenige Schrijvers, onder anderen Giovanus, alsme-
de Villani in deszelfs algemeene Gefchiedenis, en Sa- varij in zijn volmaakten .Koopman ; fchrijven de uitvin- ding der Wisselbrieven, aan de JooJen in Vrankrijk toe. Zij zijn van gedagten , dat onder de regeering
van Dagobert in 't jaar 640, onder Philips Au- gustus, in 1181, en onder Philips de lange gebij- naamt in 13:6, deeze Jooden dm de vervolging te ont- wijken naar Lombardijen gevlugt zijnde, en aldaar ee- ne veilige fchuilplaats gevonden hebbende, zich van de Reizigers en vreemde Kooplieden welke naar Vrankrijk reisden, bedienden, om het geld te bekoomen dat zij in handen van hunne vrienden ter bewaaring hadden gegeo ven , en zulks door middel van brieven die zij deeze Kooplieden mede gaven, en welke brieven-het bevel inhield, om die penningen aan deezen te tellen. Dit gevoelen word door la Serra wederlegt, zo
wel, om dat het de onzekerheid niet oplost, of het ge« bruik der Wisfelbrieven reeds in het jaar 640 is uitge- vonden, ofwel dat zulks tot 1316 moet worden ver- fchooven, dat een ondèrfcheid van meer als 600 jaaren maakt,- ook om dat de verbanning der Jooden tot een ftraf van hunnen ongeoorloofden handel' en verregaande fchraperijen verftrekkende, zij daar door den algemeenen haat op zich hadden gelaaden, en het niet denkelijk was, dat iemand, van hun eenig geld of goederen in bewaa- ring zoude hebben willen neemen, of hun bijftand bie- den en briefwisfeling met hun houden, omdatzulks~niet kost gefchieden dan met de bevelen te overtreden, die ten hunnen nadeele, door de Regeéring genoomen waa- ren. Niettegenstaande dit alles, kan men echter bezwaarlijk
tot de gedagten koomen, dat de Jooden alles hebben laaten vaaren , en geene maatregelen gebruikt om in Lom- bardijen, de waarde van hunne goederen in Vrankrijk agtergelaaten, wederom meester te worden ; en dit koste nietgefcbieden, dan door middel van Wisfelbrieven; en dus ftelt men met veel waarfchijnlijkbeid, dat zij de eerfte Uitvinders van de Wisfelbrieven geweest zijri, De Italiaanfcbe Lombarden welke in Vrankrijk han-
delden, deeze uitvinding zeer gunftig oordeelende, om 1 tot een bekwaame dekmantel voor hun woekeren te ver ftrekken, voerden mede het gebruik der Wisfelbrieven in Vrankrijk in. , - Hoedaariigen geboorte de Wisfelbrieven in ons Gemee-
nebest gehad hebben, als mede al hetaanmerkenswaar- digevan deszelfs uitgebreiden handel, vinden wij zaak- Jijk verbaalt in de Befchrijving van Amfterdam, door den kundigen Hiftoriefcbrijver J. Wagekaab aan zijne Land- gënooten gefchonken, zie Stuk II. pag. 53s. van de druk in folio. Wij laaten hier het vonrnaamfte van 't geen daar over die ftoffe verhandelt is, volgen. De buitenlandfche koophandel werdt van ouds, in Ne«
4erland, en te Amfterdam in 't bijzonder, op eenen
/jgantsch anderen vost gedreeven, dan in Jaateren tijd.
|
|||||||||
|
en tegenwoordig. De Koopluideh reisden in perfoon
buiten lands, of kwamen van buiten lands te'Amfter' dam , om hunne waaren te verkoopen; of om inkoopen te doen van de waaren, die hier of elders te vinden waa« ren. Hier uit ontftond al vroeg, de noodzaaklijkheid, om in de Kooplieden van Holland, vreemde munt voor itfiandfche,ofinlandsche voor vreemde, te verwisfelen. En gelijk het regt der Munte hier te lande, alseenHee* ren-regt werd aangemerkt ; zo hadden ook deLandshee- ren het op'regteri van Wisfels of Wisfelhuizen, en het aanftellen van Wisfelaars aan zich alleen behouden. JMen befpeurt dit onder an'deren, in de uitfpraak over een ge. fchil tusfchen den Bisfchop van Utrecht en de Stad Amersfoort, welke in't jaar 1304, door WiLLEMHer- tog van Gulik en Gelder werd bijgelegt, en waarin dee. ze woorden geleezen worden : Item op dat punte dat zij die Wisfel verhueren binnen hoere Stat, die mijns Heren is, daer op die Raet vorfz. antwoord, dat die Stad van Amersfoort verhuert heeft horen Burgeren zijn huus, dst zijn Wisfelhuus heet, dat 'onzer marct wel gelegen is, dat onze Raijt meijnt, dat fi mit befcheide doen mogen, zeggen wij, dat die Stat van Amersfoort zich der Wisfel aldair niet onderwijnden en zal, ende zal den Bisfcop van Utrecht der Wisfel aidait laten gebruken, zonder hinder van hoer. Vide A. MatthjEI Not. ad Rerum Amorf art. Script, p. 225. De Graaven van Hol land hadden ook zul- ke Wisfels of Wisfelhuizen in de Hollandfche Kooplieden. Te Dordrecht was er-reeds een , in 't jaar 1322, die toen voor een honderd en zestig guldens 's jaars van wege den Graave, verpagt werd. Mieris Charterb. II. deel, hl. 290. Naderhand kwam er nog een bij. Zij werden in 't begin der volgende eeuwe, beide insgelijks verpagt, Ib. IV. d. il- 154. 231- Te Leiden en te Schiedam, werden de Wisfels in 't jaari35i aan de Steden gefchon« ken. Ib. II. d. il. 806. Hertog Aelbrech't van Beije» ren , in 't jaar 1388, beflooten hebbende, eenen nieu- wen gouden penning genaamd Dordrechtfche Schild, en eene zilvere Hollandfche Groot met derzelver gedeelten te doen flaan, verbood ten zelfden tijde alle vreemde munt, uitgenomen zekere keizerlijke, franfche, engel« fche, brabantfche en vlaamfchepenningen, enrijnfche, dordrechtfche, gelderfche, ooifebe,luikfcheenutrecht- fche Guldens. Ook verklaarde hij toen, te Dordrecht twee, 'en in elke andere Stad van Holland eenen Wisfilaarte zullen aanftellen, die haar Wisfel wel verborgenzouden, en de genoemde munten gehengen of gang doen hebben, zonder voor hunne moeite voor 't wisfelen, meer te mo< ge genieten, dan twee penningen hollandsch van ieder Schild. Ib. III. d. hl. 504. In 't jaar 1353 kwam hier in eenige verandering, en werd toen uitdruklijk vastgß' Meld, dat niemant hier te lande Wisfel houden zou, van 's Graaven wege , M en zou eerst verbonden wezen aan 's Graaven hant, tot zijnen wille, Ib. bl. 593. Het aan» (lellen der Wisfelaaren gefchiedde, gelijk de Ordonnan» tien fpreeken, om ghemeen nutfchip der Coéplude. Dog van't voordeel welk deGraaffchap van den Wisfel trok» werden de Ingezetenen vän zommigeplaatzen, even als van de graaflijkheids tol nii en dan vrij verklaard. De Wisfelaars zijn ongetwijfeld, Voor 't einde der veertien- de eeuwe of eerder, ook reeds in Amfterdam geweest; fchoon ("zegt de Heer Wagena ar) ik er geene melding van vinde voor 't jaar 1417. ; wanneer Vrouwe Jacoba haaren Wisfel binnen der Stede van Amfterdam ßuree" meester Y&brant Heynen die dit ampt reeds bij't lee- ven van haaien vader Willem den -VI. bekleed bad, op
|
|||||||||
|
WIS.
opniêuws aanbeval. Ib. IV. d. bl. 420. Hij word in de
Kjsten der Regeeringe, op het gemelde jaar, Ysbrant Heyn Meinektz. IVisfelaar genoemd. En buiten hem mögt niemand bier ter Steden, 't zij heimelijk of' in 't openbaar-, eenig geld verwisfelen. Ib. IV. d. bh 154- Het ampt van IVisfelaar bleef in wezen-, en was zelfs
jn aanzien, tot dat de Italiaanen in de vijftiendeen zes. tiende eeuwen, het gebruik der Wisfelbrieven uitvonden, of op nieuws invoerden. Zommigen meenen naamlijk, dat de aangebelde JVisfelaars zelven, als men 't begeer- de, ook briefjes in de plaats van geld in betaaling plag- ten te géeven , op welken men elders de waarde ontvan- gen kon; en dat zij dus reeds eene zoort van Wisfelbrie- ten hadden ingevoerd, eer de Italiaanen dezelve verder in gebruik bragtenj zieVELLTj & Villaret Hifi. ie Franr ceTom. XIV. p. 212. Dog wat hier van zij, 'deWisfelr JttVwnmaakten het wisfelen van geid voor geld, om het ingewisfelde, of terplaatze daar de inwisfeiinggefchied- de, of elders te gebruiken , in veele gevallen nodeloos pfondienftig. Men betaalde of ontving geld, en nam of gaf daar voor een Wisfelbrief, op welken de waarde, in eenen andereplaats wederom ontvangen en betaald werd : 't welk zo groot een ftemak in den Koophandel gaf, dat hetgebruik der Wisfelbrieven door den tijd in de voornaam- fte Koopfleden van Europa werd ingevoert. Holland en bijzonderlijk te Amfterdam, werd eindelijk fe-Wisfelhandel van bijnagantschEuropageregeid: door- dien er genoegzaam geene, of moogelijk geene Koopfle- den in Europa zijn, waar de bezittingen en bet geloof of'credit der Koopluiden, zo vroeg uitfteekend groot zijngeweest, dan Amfterdam. Montesquieu Efpritdes Loix, livr. XII. ch. 10. Ondertusfchen verliepen er in 't eerst veele jaaren,
zonder dat te Amfterdam eenige Keuren of Ordonnan. tien op den handel in Wisfelbrieven of Wisfelhandel ge- maakt werden. Men hield zich doorgaans aan de Cou- fiumen of gewoonten der Stad Antwerpen. Volgens Beeze couftnmen mögt men geenen Wisfelbrief voor den vervaltijd voldoen, dan op zijn eigen gevaar. Ook was de Houder van' eenen Wisfelbrief verpligt," denzelven binnen den derden dag na de vertooning te doen pro- tsßeeren, in geval de betrokkene weigerde de zelven te accepteeren, dat is, de-voldoening daar van ten verval- dage aan te neemen. 'Het wisfelen van geld voor geld bleef echter in Hol-
land in gebruik, dog "mögt niet gefchieden, dan door beëedigde Wisfelaars, fchoon erzieh ook anderen mede geneerden. Groot-Plakaatb. I deel, kol. 2710, 3038, 3240., In't jaar 1590 had men te Amfterdam zwaarigbeid ge- maakt, om dit wisfelen te gedoogen voor dat er nader orde op de Munte gefield ware , 't welk niet voor 't jaar 1596 gefchiedde. Ib. kol. 2740. Men had midde- lerwijl gearbeid aan eene nieuwe Inftruclie voor de ge- zworen Wisfelaars waar van eerlang in den Haage een ontwerp gemaakt was, welk te Amfterdam goedgekeurd werd. Ook werden in 't jaar 1603 enzedert, bij s'Lands Staaten verfcheiden Ordonnantien gemaakt op't ftuk der Munte, waarbij de prijs der vriigefteide en gedoogde Geldfpecien, bepaalt werd. Doch men bevond eerlang "iet naame te Amfterdam, dat verfcheidenperfoonen en «e Kasfiers inzonderheid, hun werk maakten, om de zwaare penningen uit de ligten te fchieten ; de eerden 'teen s'Lands Plakaa'ten aan ten Lande uittezehden om «Wr mede hun voordeel te doen, en de laatften der Ge- beente tot den-gewoonen prijs op te dringen. Hier te |
||||||||||
|
WIS.
|
||||||||||
|
4*93
|
||||||||||
|
gen werd wel bij eene ordonnantie des jaars 1604 voor-
zien: Dog't kwaad hield ftand, onaangezien de Keuren, tot zo verre dat het geld in den tijd van vier jaaren, tot negen ten honderd boven de waarde die bij s' Lands Plakaaten bepaald was fteigerde, en uitgegeeven werd. Men was dan genoodzaakt bij eenen Keuren van den 12 junij des jaars 1608, te beveelen: dat men geene Wisfel- brieven, Adfignatien of Obligaties in betaaling geeven of ontvangen zou moogen; dat niemant voor eenige Koop- luiden Cajfe zou moogen houden, of penningen voor and;- .ren op Adfignatien, Wisfelbrieven, Overwijzingen bij monde, of anderzintz ontfangen of betaalen; dat niemant eenige penningen zou hooger mogen ontvangen of 'uit'geeven, dan bij 's Lands Plakkaaten was vastgefleld ; en vooral ook de zwaarfien niet uit de ligtflen weegen, om daar mede voordeel te doen. Dog 't leed naauwl'ijks veertien dagen, of men moest deeze Keur eenigzins verzagten. __ Ds
Koopluiden vonden zo veel gemaks bij 't gebruiken van
Kasfiers, dat men raadzaam oordeelde toe te ftaan dat er Kasfiers buitens huis waren, midselk hunner maar ee- nen Koopman bediende, en zij zich verbonden om 't geld niet hooger uit te geeven dan volgens de Plakaaten ; en niet op vreemde Munten tehandelen, nog penningen te biqueteeren of de zwaarften uit de ligften te weegen. Ook werd veroorlofd dat een Schuldenaar eene enkele reis met zijnen Schuldeisfcher gaan mögt om zijn geld te ontvangen daar het zelve gereed was, en dat men ingeval van ongerustheid voor zijne betaaling, wel een Wisfel- brief'of Adfignatie in betaaling zou mogen ontvangen; mids men voortaan alleen zage op hem ten wiens laste die Wisfelbrief of Adfignatie hield. ■-------- Dog de toe«
geevendheid der Wetbduderfcbap die zij echter na ver-
loop van eenigen tijd wederom eenigzins bepaalen moest, werd misbruikt. De verwarring en fteigering in 't.ftuk van Munte ble?f duuren. Men moest dan op andere middelen bedagt zijn, om dezelven te voorkomen___Te
Venetië, te Seville en in andere Kooplieden van Europa
waren Wisfelbanken opgeregt, in welken men gemunt of ongemunt goud en zilver ontving en vevwisfelde of be- leende. Zulk eenen Wisfelbank befloot men ook te Am- fterdam op te regten, na dat men daar toe van 's Lands hooge Overheid verlof zou bekomen hebben. ïn de Vroedfchap van genoemde Stad, was reeds in't jaar 1606 geraadpleegt op dit gewigtig onderwerp; dog 't liep aan totin julij des jaars 1608, juist den tijd van 't verzag- ten der Keure van den twaalfden der gemelde maand, eer er toe beflooten werd. Men verwierf er volmagt toe van 's Lands Staaten, en de daadeiijke opregting ge- fchiedde in januari) des volgenden jaars; zie BANK, op welk Artiikel een omftandige befcbrijving;van de oprich- ting en. het beftuur van deezealom vermaarde Wisfelbank word gegeeven. Wil hebben reeds aangemerkt, dat de handel in Wis-
brieven te Amfterdam, al eenige jaaren fterk in zwang badt gegaan, eer er eenige Keuren op dien handel gemaakt werden. Men hield zich aan de Gewoonten en Ordon- nantien van andere Kooplieden , naar welken ook te Amfterdam regt gedaan werd. Van zulke Gewoonten deed men den Regrer blijken bij eene verklaaring van de voornaàmlle Koopluiden, vart-welker verklaaringen verfcheide voorbeelden in de gedrukte Handvesten te vinden zijn. Het oudfte is van den jaare rooi, waar in alleenlijk verklaard word gebruiklijk te zijn: datniemant voor eens anders rekening trekt zondir uitdruklijken last daar toe te hebben , en zonder hem van w-ien hij last heeft, daar
|
||||||||||
|
/
|
||||||||||
|
4r?4 WIS.
|
WIS.
|
||||||||
|
daar van zonder uitfiel kennis te geeven. Dat ook iemant
die aangeboden heeft eenigen Wisfelbrief voor eens anders rekening op hem getrokken te zullen accepteeren, daar toe -, niet gehouden is, zo hij midlerwijl reden gekreegen heeft om vangedagten te veranderen, moetende zijne aanbieding alleenlijk begreepen worden , gefchied te zijn op de onder- flelling, dat de zaaken blijven zouden indenßaat waar .in zij waaren, toen hij de aanbieding deed. Op den eigenlijken Wisfelhandel is geene ouder Keure voor- handen dan van den jaare 1651. ■ 't Getal der Keuren op deezen Handel, is in 't geheel niet groot; waarom wij er hier bekwaamiijk den korten inhoud van können mededeelen. Wanneer de waarde van eene Wisfelpartij op de Am-
fterdamfcbe Beurs geflooten, en waar van de brieven overgeleverd of afgezonden zijn, niet terftond voldaan word, mag de voldoening bij gijzelinge worden gevor- derd, mids men daartoe vooraf verlof van Schout of Schepenen hebbe. -
dam geflooten, moeten zo zij niet betaald worden, wor-
den geprotesteerd, naar de gewoonten der plaatzen op welken dezelve getrokken zijn. -------- De Accepta-
tien van Wisfelbrieven moeten in genoemde Stad gefchie-
den met ondertekening van Jen naam des Acceptants, en bijvoeging van de tijd der acceptatie : welk laatftenog- thans niet in gebruik is, dan wanneerde Wisfelbrieven op eenigen tijd na zigt getrokken zijn. ■■ jaar 1662 hebben eenige Koopluiden verklaard, te Am fterdam gebruikelijk te zijn: dat de Acceptant tot be- taalinge verbondenis, al werd de Trekker fchoen onvermoo- gende, zonder dat hij zijn verhaal bij. de Endosfanten zoe- ken kan ; en dat dit zelfde ook plaats heeft omtrent hem die ,een Wisfelbrief .onder protest ter eere vanden Trekker geac- cepteerd heeft. gefteld, dat geaccepteerde Wisfelbrieven op verbodémde goederen, voor Bodemerijbrieven betaald moeten worden: ook dat iemand elders woonagtig, eenen Wisfelbrief aie te Amfterdam betaald moet worden, accepteerende, bij zijneacceptatie aanwijzing moet doen, waar de houder de betaaling ter dier Stede zal können bekoomen. En wanneer zulke Wisfelbrieven of eenige andere partijen voor iemant anders in de Bank worden aigefchreeven, moet opdeAdfignatie duidelijk gemeld zijn, voor wien de affchrijving gefchied. -. ■■ De tijd op welken -een Wisfelbrief vervallen zou , begint te loopen van "'s daags na den dag der trekkinge of acceptatie; zo dat. een Wisfelbrief houdende op drie dagen na dato of zigt vanden eerden Maij, den vierden Maij vervalt, en bij mangel van betaalinge, binnen zes ;dagen daarna gepro- testeerd moet worden, zo men zijn regt op den Trekker .en op de Endoffanten niet wil verliezen; welke zes da. gen in het gemelde geval, beginnen te loopen met den vijfden en eindigen met den tienden Maij. Dog wan- neer deeze zes dagen vervallen, "terwijl de Bank gefloo- ten is, kan men na 't opengaan van de JBank, zonder zijn regt te verliezen, nug drie open Bankdagen wagten voor dat men behoeft te protesteeren. r?----- In 't jaar
1Ö63 verklaarden eenige Koopluiden dat een houder op,
of uiterlijk tenderden dage na den vervaldag, moestdoen protesteeren, zo de Acceptant berugt was van infolventie: >en in 't jaari7i6, hebbeneenigeRegtsgeleerdenen.Koop- -iutden verklaart, te Amfterdam gebruikelijk te zijn ; dat men zelfs voor den vervaldag, vannonbetaalingmögt laa- iten protesteeren, zo de Acceptant zich van^de Beurs hield #ö openlijk voor onvermogend berugt was. Schoon |
|||||||||
|
men gewoonlijk b!i 't vorderen van betaalingen, den Wis*
■felbrief'aaa den Acceptant in handen fiele, is men daar toe volgens de Keuren niet gehouden: Men kan hem fn de Bank brengen , daar hij door de Boekhouders be- waard en eerst na de voldoening aan den Acceptant uit. geleverd word. . De Acceptant nog iemand an- ders , mag eenig Protest of geprotesteerden Wisfelbrief onder eenen Notaris arresteeren, zijnde alzulke Arres- ten indien zegefebiedenmogten, vangeener waarde ver- klaard, ten ware men toonen kon dat de geprotesteerde Wisfelbrief doonden Acceptant betaald ware. Bij eene Keure van den tweeden december des jaars 16(54 is vastgefteld, dat de Wisfelbrieven van non betaalinge geprotesteerd, met de Protesten naar de Trekkers te tug gezonden zullen worden, en dat zodeezen dezelven onbetaald laaten keeren, de Houders tegensde Accep- tanten zodanig regt zullen hebben, als tegen de Trekkers; naamlijk van gijzeling op derzelverperfoon, en arrest op derzelver goederen. Dog in't jaar 1679 is verklaard, dat het te mgzendenvangeprotesteerdeWisfelbrievennietbe- hoeft te gefchieden, zode Trekkers blijkbaar gefailleerd zijn. Ondertusfchen is nu en dan bij eenigen getwijffeld, of men tegen een' Endosfant die de waarde van een Wisjel- brief genooten heeft, wel hetzelfde regt van gijzelinge en arrest zou hebben als tegen eenen Trekker, eer nog de Wisfelbrief met het protest aan den Trekker te rug gezonden ware; zommigen hebben geoordeeld van neen, om dat de Keur geene Endosfanten noemt, en om dat de Endosfanten niet fterker dan de Acceptanten fchijnen te kennen verbonden zijn : dog de meesten hebben ver- -ftaan, dat zulke Endosfanten die de waaide der Wisfel- brieven genooten hebben, met de Trekkers gelijk Maan, in derzelver plaats koomen, en in de Keuren onder het woord Trekkers begreepen zijn. Ook worden Trekkers en Endosfanten in eene merkwaardige Keure van den tweeden december des jaars 1644 aangemerkt, als onder eeneen dezelfde verbindtenis leggende; en zulks is ook uitdrukkelijk in eene Keure van den 28fte januarij des jaars 1764, waarbij aan den Houder het zelfde regt te- gen den Endosfant gegeeven word als hij heeft tegen den Trekkerf zonder dat hij eerst tegen den Trekker behoeft te doen protestieren: welke verklaaring, einde- lijk, alletwijffelingomtrent ditftuk weggenoomen heeft. Dog Wisfelbrieven binnen de Provincie van Holland e« Wéstfriesland gemaakt, geeven ;in geen geval regt van gijzeling en arrest, en worden niet hoogerdan als bloo- te Adfignatien aangemerkt. Gefchillen over zaaken van Wisfel, dienen ter Vierfchaarebij Apostille of inklara- minge op de geprivilegeerde Rolle, Wij agten het nodig om hier nu nog de volgende bij-
zonderheden bijtevoegEn, als: I. Hoedaanig doorgaans een Wisfelbrief word gefteld. 2. Over 't aanneemen der Wisfelbrieven. 3. Van de tijd der betaal ing of vervaltijd der "Wisfelbrieven. 4. Van debetaalinge der Wisfelbrieven zo in bank- als courant-geld; en eindelijk, 5. Over zo- daanige Wisfelbrieven die in commisfie of voor vreemde rekening getrokken of geremitteerd worçjen. I. Foorbeeld van een Wisfelbrief.
Leeuwaarden den 10 Febrij. 1777.
Twee Maa-nden na dato, gelieve UED. deese mijne eer'
fle Wisfelbrief te betaalen aan d'ordre van de Heer JA" CO BUS HOFHOUT, defomma van zeshonderi gul-
|
|||||||||
|
#IS. WIS,
|
||||||
|
Indien een Wisfelbrief op zo veel dagen, weeken of
maanden zigt. getrokken is, moet dezelve zo veel dagen, weeken of maanden na de aanneeraing betaald wor- den. Een Wisfelbrief, waar in den.bepaalden vervaldag
vermeld flaat, moet dien zelfden dag betaald wor» den. Alle Wisfelbrieven die uit Vrankrijk , Engeland,
Vlaanderen, een der zeven Provintien, Brabant of Ge- nève, enz. op een, twee, drie of metr Uzo getrokken zijn, moeten een, twee, of drie maanden, na de trek- dag betaald worden, alzo in de opgenoemde plaatzen door ieder Uzo een maand verdaan word. Maar in gantsch Italien, Spanjen en Portugal, verfiaat
men door ieder Uzo den tijd van twee maanden, zo dat indien een Wisfelbrief getrokken is op een, twee, of drie Uzo, dezelve 2, 4. of 6 maanden naderhand moet betaald worden. Zie UZO. Daar zijn plaatzen in de Oostzee, Duitscbland, ook
te Keulen enz. daar de Uzo van een maand en ook van veertien dagen zigt is, dog uit die plaatzen worden zel- den à Uzo getrokken. Te Dantzig, Koningsbergen, of Riga op Holland,
is -de Uzo van een maand zigt: dan zo als ik reeds aan- gemerkt hebbe, trekt men gemeenlijk op tijd; als uit Dantzig op4.0 dagen na dato, en van Koningsbergen en Riga op ïi dagen, zomtijds op een of twee maanden, maar 't meest op 10 of 1 1 dagen. Ieder Uzo, van Weenen, Augsburg, Vrankrijk, Nen«
remberg, Keulen, Leipzig, en meest alle andere Duit« fche Steden op Holland, word gerekend voor 14 da» gen na zigt. 4. Van de Betaàling der Wisfelbrieven enz.
Alle Wisfelbrieven moeten ftiptelijk betaald worden,
volgens derzelver inhoud, -zo ten opzichte der fömms enfpecien, als ten aanzien van den vervaltijd. Zo dra een Wisfelbrief vervallen is, word die aan den
Acceptant gezonden, om per Banco afgefchreeven ta worden, zo de Wisfelbrief in bank»geld is, na dat'men alvoorens op den rug derzelven gefchreevenheeft; ge- lieft in Banco te betaalen of af te fchrijven aan N. N., 't welk ondertekend moet worden. --------- Een Wisfel- brief behoort op den vervaldag betaald te worden; dan daar zijn echter zes refpijt dagen, waar van er vier ver- gund worden, en indien den Aanneemer den Vierden of ten laatflen den vijfden of zesden dag, 't beloop der Wis- felbrief niet heeft afgefchreeven, moet den Eigenaar den. zei ven laaten protesteeren. Indien een Wisfelbrief getrokken is, Om direct aan A
betaald te worden, dan kan ^dezelveaan niemantover- draagen of endosfeeren, maar is verpligt om tot den ver- valtijd te wagten, voor dat hij 't beloop kanöntvangen. __ Het gebeurt nogthans wel, dat dusdaanige Wisfel- brieven, gedisconteerd worden, in welk gevalt, agter op de Wisfelbrief zijn naam in blanco tekend , en aan den Disconteu* derzelven, een handfehrift geeft, om, in- gevalle die Wisfelbrief niet betaald mögt worden, hij zich verbind 't beloop derzelven te voldoen. Een Wisfelbrief direct, per Banco getrokken zijnde
om aan A. betaald te worden, dan is A niet verpligt er agter op teendosfeeren : gelieft in Banco aftefchrijven enz , om dat de order der Trekker is, direct aan A te betaa- len; zo dat den Acceptant aart den inhoud der Wis- feltyrisj voldoet, denzelven aaû A betaalende. in £<«
|
||||||
|
guldens den waarde van dezelve , en fiel het als per ad'
vijs van , TJED. BW. Dienaar Mijnen Heere HENDRIK JAKOBS.
dtnHwe J.BIJL
te Amflerdam.
Het is bijna niet nodig dat wij aanmerken, dat 't geen
hier met Capitaaltjes gefielt is, naar tijds omffiandigheid verandert ; ook dat, wanneer men 't beloop van den Wis- filbrief niet ontvangt, daar in gefield word, de waarde inrekening; en ten laatften, dat nimmerde Com van het montant, meteijffers, maar altoos met volle letterwoor- moet uitgedrukt worden. 2. Vanhet aanneemen der Wisselbrieven.
Een Wisselbrief aanneemen af accepteeren, is zich verbin-
den en verpligten, den inhoud daar wan te betaalen , zonder dat eenig voorwendzel hoe ook genaamd in (laat is, de betaaling daar van te doen ontgaan. Indien iemant een Wisjelhrief aanneemt te betaalen,
en dat de Trekker derzelven komt te failleeren, is hij dog verpligt dezelve te tfdldoen, en kan niets het ge- ringde van de Endos fanten deswegehs eisfchen , alzo de Trekker den fchuldenaar is, endeEndosfanten geene betrekking op den aanneemer hebben. Ingevalte iemant beloofde een Wisfelbrief te zullen
bïtaalen en echter weigerde die te ondertekenen, werd zulks aangemerkt als ' eene weigering van aanneeming ; in welk geval, den Wisfelbrief moet geprotesteerd wor- den. " : '' " "''■! Onder protest een Wisfelbrief accepteeren, is zich ver-
Binden denzelven te betaalen, onder zekere voorwaar- den, die, als dan door een Notaris opgefielt, en door den aanneemer getekend worden. Ik fleite bij voor- beeld, dat A een Wisfelbrief op B trekt,, dat deeze , dezelve niet wil betaalen, en dat C een Correspondent van A zijnde, deezen Wisfelbrief wil aanneemen, zo (laat hem zulks vrij: als dan laat den houder der Wisfel- Irief het protest opmaaken, en C verklaart naderhand denzelven te zullen betaalen , het geen hij door onder tèekening bekragtigd, en de Wisfelbrief aceepteerende, ildus aanneemt, aangenoomen O. P. of onder protest, vooreere en rekening der Trekker, ofzomtijds wel voor eire en rekening van N. N, Endosfant, waar na hij het zelve ondertekend. 'Als men een Wisfelbrief aanneemt, die op zo veel
slagen, weeken of maanden zigt getrokken is, moet men de dagtekening op den Wisfelbrief vermelden, wanneer men dezelve aanneemt, het welke niet nodig is, wanneer een Wisfelbrief'op een, twee, drie of meer maanden tijd is getrokken. ,<■ 3. Van de vervaltijd der Wisfelbrieven.
Alle Wisfelbrieven worden gemeenlijk getrokken op een
der volgende tijden. Op Zigt.
Op een, twee, drie of vier Vzo.
I Alle Wisfelbrieven, waar in geen tijd vermeld flaat, moeten op zigt; dat is, bij vertooning, betaald wor- den, zo dat van 't ogenblik af dat men dezelve aanbied, de tijd der betaaling verfcheenen is. Alle Wisfelbrieven die op zigt getrokken zijn, moe'
ten bij dg vertooning betaald worden, bij gebreke dies, kan men dezelve terftond laaten protesteeren. 'f/f Deel. |
||||||
|
T^~
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
WIS.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4IP<Î
|
WIS.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Een Ww/eJJne/getrokken zijnde, om te betaalen aan A ,,Uit het verhandelde, zal elk aandagtig Leezer on?p
of ordre, dan kan .^denzelven endosfeeren aan 3, of aan bedunkens een volkoomen begrip kunnen vormen van h l
Wien hem goeddunkt, en den Aanneemer of Acceptant voornaamfte wat den Wisfelhandel in ons Geineenebe?t
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
is als dan verpligt, die Wisjelbrief té betaalen aan die betreft; die er meer van begeert te weéten vj\\?en
|
Wij
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
geenè aan wien dezelve 't laatfte geendosfeert is, dog nahet werk van J. Phoonsek, getijteld: Amfierdamhhl
mnfif namtflrPiinV iu>r jrecven.dat alle.deendos tementen Wisfelflijl, enz. meermaalen gedrukt. Die van véele |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
wetenswaardige zaakende Duitfche Wisjelhandel betref.
fende wil onderregt zijn, raadpleege: Frank/orte* Wisi feUrefponfa of Gewijsden! dewelke door de hoogioffelijke Juristen Faculteit, van tijd tot tijd op verzoek zijn opge- field en verleent geworden, thans uit derzelver Protocollen bij een vergadert enz. door Joh. Lop. Um., uitliet hoogd. vertaalt door Is. le hom g ,. in het jaar 1750, in 2 dee- len in 8vo., alsmede het uitmuntende Werk van de Heer J. G. Heineccius oorfpronglijk in't latijn gefchreeven, na de zevende: uitgaaf vertaald, en met de nodige aan- merkingen verrijkt en opgêheldert, door Mr. Kabel Koenraad Reitz , onder den tijtel van : Grondbeginztm len van het Wisfelregt, waar agier nog verfcheidene ver- handelingen, enz. ; tweede geheel vernieuwde en meer dan de helft vermeerderde druk. Midaelb. 1774. in gr. 80. WlSSEL-BRIEF, zie WISSEL. WISSEL-HANDEL, zie WISSEL., WISSELVALLIGHEID , Verwisfeling, Beurtwisfi- ling; in het latijn, Vicisßtudo. Hetis niet mooglijk het woord Wisfelvalligheid te befchrijyen, zonder er de uit- muntende overdenkingen van den Kanfelier Baco over de hemelfchefin ondermaantche Wisfelvalligheden, bijte- voegen. :: Deftoffé, zegt deezen grooten Man, is in een geduu-
rige beweeging en ftaat nimmer ftil. Zij brengt de Wis- |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
in ordre zijn.
Schoon een fVisfelbrief per Banco moet betaald wor-
den, zo kan zulks nogthans indien den Eigenaar en Ac- ceptant de voorwaarden eens zijn , metC« ge/^gtfchie» den, mits de Agio daar bijvoegende. Zie AGIO. Alle Wisfelbrieven die uit Engeland, Spanjen, Por-
tugal, Italien of Vrankrijk getrokken zijn, en waarin niet vermeld ftaat of het per Banco of Casfa moet be- taald worden, moet men aanmerken als Wisfelbrieven per Banko, dewijl uit voornoemde landen, altoos in Bank' geld getrokken word. Ik hebbe reeds gezegt, dat men na den vervaltijd der
Wisjelbrieven, eenige refpijt-dagen vergunt. Zo dat ten laatfteh den zesden refpijt-dag een Wisfelbrief moet be»1 taa'.d worden; dog den Acceptant in gebreke blijvende, moet den Eigenaar denzelven laaten protesteeren, óf ver- liest ingevolge de wetten, zijn Wisfelregt zodanig, dat indien den Aanneemer uiterlijk op den zesden dagnietbe '■ taald, en dat de houder der Wisfelbrief denzelven niet laat protesteeren, hij geen regt heeft, de wederbetaaling te eisfchen, nog van een der Endosfanten, *hogvanden Trekker. Door gantsch Holland vergunt men 6" fefpijt dagen;
insgelijks te Breslauw , Neuremberg en Venetien. Te Frankfort aan de Main, 4, uitgenomen op de Markten |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
oïMisfen-----TeNapels, 8. In Vrankrijk, 10. _^Te felvaUigheden of'veranderingen in de hernelfche glóbé'n
Hamburg," 12. Te Stokholm, 12. En in Spanjen, of lighaamen te wege; dan onze zwakke oogen zijnniet
H refpijt-dagen. --------- In eenige plaatzen van italien gefchikt, om dat verhevene doortedringen. Indien de |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
waereld niet van eeuwigheid was voorbefchikt om een
einde te neemen, zoude misfchien het groote jaar van Plato eenfg üitwerkzel voortgebragt hebben, niet met de lighaamen op haar zei ven te vernieuwen, want hetis eene dwaasheid en zelfs ijdelheid voor de zodaanigen, welke van gedagten zijn, dat de beinelfcbe lighaamen op ieder van ons in 't bijzonder invloed zouden hebben, maar wel met het geheel en den gantfchen klomp der zaaken te vernieuwen. Misfchien dat de Komeeten, min of meer invloed op diegantfche masfa of klomp heb» ken; dan die verfchijnen zo zeldzaam, en wij zijn er te verre van afgelegen, om ten aanzien van derzelver uit« |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zijn geen vaste refpijt-dagen gefteld ; dan het ftaat aan
den eigenaar van een Wisfelbrtef aldaar vrij, eenigen tijd uitftel te geeven, fchoon hij teffens ook het regt hebbe, om terftond na den vervaldag te doen protes- teeren. , 5. Over de Wisfelbrieven die in Commisfie
getrokken worden enz Alle zodaanige Wisfelbrieven die in CommUlïe getrok- ken worden, zijn , of voor rekening van die geene op wien ze getrokken zijn, ofwel voor rekening van eenderde perfoon. Indien ze voor rekening van die geene is, |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
op wien dezelve getrokken zijn, dan moet daar van ook werkzelen, eenige voldoenende waarneemingen te kun«
aan hem edvijs of kennis gegeeven worden. Dogiszulks nen maakeh. Laat ons van de wisfelvalligheden dieden voor rekening van een derde perfoon, als dan moet het Hemelkring met derzelver lighaamen ondereaan. afftap |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
in de Wisfelbrief vermeid ftaan, en men moet teffens
«dvïjs daar van geeven, aan alzulken op wien de Wis- felbrief getrokken is. Hier boven heb ik gezegt, dat men alle zodaanige
Wisfelbrieven die niet.geaccepteerd of betaald worden, frotesteeren moet. Hier voeg ik er tot meerdere ver-* ßaanbaarheid bij, dat'ër twee zoorten van Protesten ziin; naamelijk, die van non acceptatie, in gevalle de- zelve niet aangenoomen word; en yihnonbetaaiing, in- dien die aangenoomen en vervallen zijnde,: niet betaald word. Het protest van non acceptatie, gefchied altoos voor een
Notaris en twee Getuigen, en zulks zo dra de aannee- ming geweigert is.------ Die van 'non betaaling. zel- den voor, den vierden dag na den vervaltijd, ja het |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
pen, en de zodaanigen tot een onderwerp van onze be-
fpiegelingen neemen, welke de menfchelijke natuur be- treffen. De grootfte wisfelvalligheid of verwisfeling die bij ons
voornaamelijk in aanmerking koomt, is dieder Godsdien- ften enReIigie-feéten;want dat zoort van verfchiinzelen heerscht wel inzonderheid op degeestenderMenfchen, en men ziet die altoos aan de vlottende golven van den tijd blooigefteld. , De veranderingen die er ten aanzien van den Oorlog
ftand grijpen, gaan inzonderheid over drie onderwer- pen; 'naamelijk over de plaats welke tot een toneel van den oorlog verftrekt, over de kn'igs-toerustingen en wa- iscipline of tucht. Oudtijds
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
p
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
icbeenen de Oorlogen inzonderheid uit het Oosten voort
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ftaat zelfs aan den houder van de Wisfel vrij, om tot te koomen eiiDa het Westen ovenegaan. DePerfiaanen
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
eenzesden dag te wagten.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
As»
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
WIS. WIT.
|
Wit. 4iS7
|
||||||||
|
Asfijriers, Arabieren, Schijten enz. alle welke Volke-
ren andere landen overvielen, waaren Oosterlingen. De sefcbiedenis levert zelzaamer voorbeelden op, dat Vol- keren die ver opwaarts zuidelijk woonen in landen wel. ke noordwaarts leggen, overwinningen hebben tragten te doen. Eene zaak merkt men aan, hier inbeftaande, dat wanneer er weinig woeste Volkeren in de waereld eevonden worden, en in tegendeel veele die genoegzaam zijn befchaaftn de Mènfchen als dan na geene Kinderen tragten, tenzij een vooruitzigt hebben, dat zij aan hun Kroost een behoorlijk onderhoud en bedaan zul- len kunnen verfchaffen. Ten huidigen dage zien ge. poegzaam alle Volkeren daar na, alleen de Tartaaren uitgezondert ; en in dit geval heeft men geen overftroo- mingen \an Volkeren uit nabuurige of verder afgelegene ianden te vreezen. Maar wanneer een Volk zeer talrijk is enfterk vermenigvuldigt, zonder ten aanzien van het onderhoud van deszelfs Nakoomelingen bezorgt te zijn ; is het voldrektnoodzaakelijk, dat zij zich na verloop van een of twee eeuwen van een gedeelte haarer inwooners oniaste, nieuwe Woonplaatzen zoeke, en andere Vol«, ken uitroei je. Dit is het geen de oude Inwooners van het Noorden gewoon waaren te doen, zij wierpen het lot onder hun, het welke tot fcheidsman verdrekte wie [ dat blijven konde, en wie elders zijn fortuin moeste gaan
zoeken. Wanneer een oorlogsgezinde Natie, de zucht tot het ! doen van overwinningen verzaakende, zich aan weelde
i en pragt overgeeft, kan die genoegzaam verzekert zijn
[ van te zullen worden overvallen, want zodanige Staaten
worden doorgaande rijk, ter zelver tijd dat zij van haare ; oude dapperheid ontaarden; en de zugt tot winst, ge-
voegt bij de verachting die men ten aanzien van haare magt heeft, nodigt andere. Volkeren uit, om hen te i 'overrompelen.
De Wapenen bloeijen in de opkomst van eenen Staat;
de Wetenfchappen wanneer die tot dand is bevestigd, en eenigen tijd daarna, beide teffens; de Wapenen en Wetenfchappen, de Koophandel en Handwerken, in * derzelver daalenden trap. De Wetenfchappen hebben
haare kindfche jaaren , deeze maakt plaats voor derzelver jongelingfchap, hier op volgt haaren mannelijken ouder- dom, daar alles op vaster gronden bouwt en nauwkeuri- riger is; eindelijk geraaken zij tot ouderdom; zij ver- liezen haare kragt en bloeij, en houden niets over dan gefnap. ''-■-'.' ' Hier uit ziet men ten duidelijkflcn, dat alles een be-
gin heeft, aangroeit, verandert en vernietigt word, en tot wat einde? niet anders als om op nieuw weder te beginnen en te eindigen, zich onophoudelijk vernieu- wende en verlooren gaande, in de wijduitgedrekte ruim- tens van de eindelooze eeuwigheid. Dan wij moeten niet dieper dringen in de wisfelvalligheden der onder- maanfche zaaken, uit vreeze van ons in een doolhof te begeeven, daar wij niet dan met moeite zouden uitraa- ken ; het voldoet zich te herinneren, dat den tijd, gepaart bij de overflroomende watervloeden en aardbeevingen, de voornaamfte werktuigen zijn, waarvan deDood ge- bruik maakt om alles in de vergetelheid te dompelen. WIT, dusdaanig word eene der koleüren van de na-
tuurlijke Lighaamen genoemd. De Heer Newton heeft tragten tebewijzeh, dat het
Wit geen hoofd-koleur is, maar uit alle andere koleüren is zamengefteld, en dat de lighaamen niet wit fchijnen, als naar maate die de draaien van alle de overige lighaamen |
|||||||||
|
te Wgkäatzen. Tot hoe verre dit bertgt van de Meer
Newton met voldoenende bewijzen geftaafd is, zullen wij ftraks gelegenheid hebben om nader te onderzoe- ken. _ Zwarte lighaamen worden eerder warm dan witte, om
reden dat zij de draaien van alle koleüren opvangt (aô- forbuit); daarin tegendeel, de witten, die alle zonder on« derfcheid te rugkaatzen. Dit is de rede, dat een zwart papier voor de Brand»
piegel gehouden, veelrasfer in brand vliegt dan een wffpa- pier, en dat de zwarte doffen die door de laken verwers in de Son gehangen worden, veel eerder droogen dan de witte. Het wit kaatst Iichtdraalen te rug, en wel in groots
meni'gte, geen Mensch twijfelt eraan, en men onder- vind dikwils, dat dit zo verre gaat, dat het onze oogen niet können verdraagen. Volgens de delling van New- ton kaatst het meer weerom dan eenig ander lighaam; nademaal het te gelijk alle zoorten van iichtdraalen, doet te rug duiten, daar andere lighaamen maar eene zoort weeromkaatzen. Kan er zulk een groote weeromduiting van licht zijn, zonder een waare eigenlijk gezegde ko« leur. Menkanze, derhalve, het Wit niet ontzeggen, ten zij men wilde voorgeeven, dat ze geene heeft, om datze een ai teleovendige, al te kragtige, en overvloedi- ge in weeromgekaatst licht heeft. Zo zou men ook kön- nen zeggen, datiemant niet waarlijk of wezenlijk rijk zij', om dat hij al te veel fchatten heeft. Welke redenen können dan Newton en zi'j'ne Navol-
gers hebben, om zulke klaare zaaken tegen te fpreeken? Zij hebben niet dan eene, en deeze is zwak, en zeel zwak, zo wel als de meesten, waar mede zij hunne ge- voelens of verbeeldingen, zogoed als zij kunnen, trag-; ten te onderdeunen. Zie hier deeze rede. Het is, zeg- gen zij, om dat het Wit eene mengeling is van ongelijk- zoortige Iichtdraalen,- en dat het alle zoorten van draa- len, zender onderfcheiddoet weeromduiten. Het Wit is geene mengeling van zulk eene zamenpaaring, en daar vinden wel degelijk draalen van verfchillende zoorten in plaats. Hier door vervalt ten eenemaal de reden, wel» ke men hier inbrengt, en het Wit blijft in bezitting van zijne regten. Schoon ik zou können rekenen voldaan te hebben met dit algemeen antwoord, 't welk deNewto* tiiaanfche leere geheel doet vervallen, zal ik er nog een ander bijvoegen, aangaande het bijzonder duk, nu on- der handen hebbende, Ik zal voor eenige oogenblikken toedaan, dat er on-
gelijkzoortige iichtdraalen zijn, en dat het Witdszelven te rug doote, gelijk men zegt: is dit een goede reden om het zelve den naam en eigenfehap van een waare en eigenlijk gezegde koleur te weigeren? Geenzins; wanc het eigenlijk denkbeeld van zodaanig eene koleur moet niet genomen worden van iets toevallig-s, als is de veel- heid of hoedanigheid der Iichtdraalen ; maar van iet we- zenlijks, hoedanig is de weeromkaatfing van deze draa- len. Zo Iaat het zwart, feboon het volgens de on- derdelling van Newton, weinig te rug kaatst, niet na, een waare koleur te zijn; en het Wit, fchoon bet ongelijkzoortige draalen terugkaatde , volgens de del- ling van denzelfden Auteur, zou echter een waare ko- leur zijn; om dat het een zo wel als bet ander heeft 't geen wezenlijk en eigenlijk eene koleur maakt, naam- lijk , de weeromkaatzing van Iichtdraalen. Hoedanig de Iichtdraalen dan mogen zijn , ten op?igte
van derzelver getal en verfcheiden zoorten, wanneerze
lii 2 weet-
|
|||||||||
|
vrWiT;-**
Het is niet vreemd, dat Newton het Wit de hoed»;
nigheid van een hoofdkoleur weigert te geeven, na dat hij erde hoedanigheid van een waare koleur niet van wil erkennen; dog men zal zich verwonderen, dat ik het Wit deeze eere alleen toe-eigene, met uitfluiting van de zeven hoofdkoleuren, welken een onnoemlijk getal van .Menfchen , zedert langen tijd , gewoon waren , aan te merken als de eenige hoofdkoleuren. Ik zegge dat- ik hier eene nieuwigheid OpgéfSe, en-eene gedagtè voorftelie, niet alleen ftrijdig met de leere van. New. ton, maar ook gekant tegen betgrootfte deel van, ja misfchien, tegen alle andere Philofophen. r Ik waagehes echter, met de onderwerping welke men aan de verlieh- tingen der Geleerden verfchuldigd is ; en verklaare zo dezelve niet gegrond is, gereed te zijn haar te la- ten varen, en^geneigd een betere te omhelzen, wanneer ze gevonden word. , j ,: :.Men. verftaat dooreene hoofdkoleur, eene enkelvoudi-
ge koleur, welke niet afhangt van eenige andere, en uit welke de andere koleureii voortkomen. Door eene en. kele hoofdkoleur mopt men, derhalve, verftaan een en- kelvoudige koleur, welke niet oorfpronglijfc is van een andere, en waar uit alle andere koleuren geboren wor. den. Zodanig is het Wit; hier uit komen voorten wor- den alle andere koleuren , zonder eenigeuitzonderinge. Dit is de benige grond, en de eenige oorfprong. Alle koleuren, van -Wit onderfcheiden, komen, gelijk het Wit zelf., van een weeromgekaaatst licht, en'zijn zei. I ven niets anders dan een weeromgekaatst licht; dit kan men niet in twijfel trekken. Het licht is uit zijn eige na. tuur Wit; men moet dit erkennen, of zijne oogen we» derfpreekeii. Van het Wit, en van het Wit alleen komen derhalven af alle koleuren, en worden ervan gemaakt, Maar hoe gefchied dit? Zie hier hoe; Wanneer het
licht geheel zuiver, en met alzijnekragfren tot ons koomt; tenminfte, zo.het koomt zonder, eenige verandering, zonder eenige merklijke verzwakking, zonder eenige ongeregeldheid, zonder eenige gewaarwordlijke wanor« Ij de in de lighaamtjes, uit welken zijne lijnen beftaan, is het geene zich aan onze oogen vertoont Wit, en een Wit min of meer leevendïg, naar maate deszelfs zuiverheid en kragt meer of min in' hun geheel beftaan. Zo het tot ons koomt merklijk veranderd en verzwakt zijnde, door de verbreekingen en weeromkaatzingen, door verfcheide graaden van invallinge of fchuinte in deszelfs ftraalen, door eenige beweegingen van omdraaijing, fchudding, i of iets anders in deszelfs deeltjes, zien wij. rood, geel of groen, of eenige andere jnin levendige koleur, naar de verfchillende dikten van de ftraalbrçekendelighaar men ,of de verfchillende hoedanigheden der weeromkaat- j zende lighaamen, Zo worden ook gemaakt/alle de ko- leuren , zo wel die welken Newton hoofdkoleuren noemt, \ als de ondergefchikten en middenzoorten, met alle der- zelver mengelingen, tot in bet oneindige verfebiilende ; en men ziet hier uit, dat alle de koleuren., van hei Wit onderfcheiden, van deze voornaame en grond-koleur voortkomen; zodat men kan zeggen, dat ze alle. niets anders zijn dan een Wit op verfcheidenerleie wijze ver- anderd en verzwakt; een Wil opveifcheidënerleie wij- ze veranderd en gewijzigd door de oorzaaken welken ik aanwijze. Zo mijn gevoelen, aangaande het Wit, nog. niét ge-
noeg bevestigd'mögt fchijnen, ik kan het onderfteunen door Ondervinding. Een lamp met zuivere olie voor- zien, geeft een zeer wit lieht.. Men menge bij deze olie één
|
||||||
|
4198 WIT.
weeromgekaatst worden op zodanig eeiie wijze, datze
indruk op onze oogen, en een voorwerp zigtbaar ma- ken, veroorzaakenze in ons eene gewaarwording van een eigenlijke en wezenlijke koleur. Andere beginzels te willen ftellen, is alles 't onderst boven keeren. Een jood, geel of groen lighaam, is, volgens Newton, waar- lijk gekoleurd, om dat het eene zoort van ftraalen terug- kaalst, waarom zou het Wit zo niet zijn, daar het alle zoorten van ftraalen terugfloot? Waarom zou dit■■met zeven koleurende oorzaakeh zonder koleur zijn, terwijl andere lighaamen niet meer dan eene hebben ? Hebben 20 veele oorzaaken zamen vereenigd, minder vermogen daneene, afzonderlijk genomen? Men zegt hier op, dat de mengeling van zeven zoorten van ftraalen het Wit maake, een verwarde, onbepaalde en algemeene koleur, niet een nette, onderfcheide en bijzondere ko- leur 4 en het Wit hierom niet verdiene een eigenlijke.ko- leur genoemd te worden. ■ Men zegt het, 't is waar; maar wijl men het zegt zon.
der eenigen grond, tegen de algemeen aangenomen be- grippen, en tegen het getuigenis van onze finnen, moet men het dan zo maar blindelings aanneemen ? Mij aangaan- de , wat er ook zij van de onderftellingen van Newton, dat het Wit ontfta van de ongelijkzoortige of nietonge- lijkzoortige lichtftraalen; Iaat hetzamengefteld zijn, waar uit men wil, ik houde mij aan het'geene ik duidelijk zie. Het Wit welk mijne oogen van allezijden aandoet, met zulk eene kragt en helderheid, vertoont mij een zeer duidlijke koleur, ia de duidiijkfte van allen, een' zeer onderfcheide en bijzondere koleur, eene koleur ver- fchillende van alle anderen, en de allermoeilijkfteom met anderen te verwerren. Weg dan met alle onderftellingen ever de natuur van het licht, en de hoedanigheden der lichtftraalen; ik befluite., zonder vreeze van mij te be- driegen, dat het Wit een waare en eigenlijke koleur zij. Ik kan zelfs befluiten, dat het de fcnoonfte, d'eblïn-
kendfte, de zuiverde, de volmaakfte en de voornaamfte is van alle anderen. En dit is nog niet genoeg ter eere van het Wit, en om het ongelijk te vergoeden, welk de Newtoniaanen het zelve hebben aangedaan; men moet er bijvoegen, dat het daarenboven een hoofdkoieurzij, en zelfs de eenige hoofdkoleur. Dit laatfte zal fchijnen moeilijk beweezen te können worden , ik zal het echter onderneemen. Maar voor af meeneJk eene aanmerking te moeten mededeelen, wejke zich .hier voordoet, en mij niet vag mijn onderwerp, verwijdert. Newton houd ftaande, dat de mengeling van de ze-
ven zoorten van lichtftraalen,. welke hij ftelt, belet dat het Witeen waare koleur zij. Deze mengeling, indien- ze wezenlijk ware., zou een geheel andere uitwerking hebben,. waar op men, zonder twijfel, geen agt gefla- gen Beeft. Zij zou het Wit bederven engebeelenalver- nietïgen- Hij, zegt, in zijne Optica, dat een lighaam. 't welk twee zoorten van ftraalen' terugkaatst in gelijke aiaate, eene koleur aanneemt, welke een middenzoort is tusfchen de.twee koleuren van die ftraalen, en van de eene zo veel heeft als van de andere. Dit zo zijnde,, zal een lighaam, 't welk lichtftraalen van alle de zoorten terugzend, een middenzoort van koleur moeten hebben tusfchen alle die ftraalen', eene koleur welke,iet heeft van alle de kojeuren van die ftraalen , en gevolglijk niet Wit zijn. Men> zal' dan geen Wit in de Natuur hebben; Zie daar waar d&eze hedendaagfche llelzels é>p uitloopen* |
||||||
|
WIT.
|
|||||||||||
|
WIT.
|
|||||||||||
|
4T9$
|
|||||||||||
|
een aftrekzel van eenige kruiden, men. zal een licht heb;
ben van een roode, geele, groene of eenige andere ko- leur, naar het verichil der drogerijen waar van men ge- bruik heeft gemaakt; en dit licht zal meer ofmin rood, geel, groen, enz. zijn, naarde maate van de verfcheide drogerijen. Van waar koomen deeze verfcheiden koleu- ren , en deeze verfcheiden mengelingen van koleuren ? Zij koomen van een licht, 't welk uit zich zelve zuiver en Wit is.; maar waar van de zuiverheid op verfcheiden wijzen is verdoofd, de inwendige beweeging vertraagden ge- ftoord is, door de deeltjes der vermengeling, welken in 'het lemmet zijn ingedrongen. Zo is het ook met het licht der Sonne. Altijd in zich zelve bet zelfde, en uit eigen aart volmaakt Wit, neemt het verfchi'.lende ge« daanten aan, en vertoont zich onder verfcheiden ko- leuren , verfcheiden mengelingen van koleuren 5 naar :de verscheidenheid der midden-Moffen welken het door- gaat, of der oppervlakten welken hetzelve te rug kaat- zen; want hier ondergaat het verfcheiden veranderingen, welken oorzaak zijn dat het verfchillende indrukzels maakt op het werktuig van ons gezicht. . t , Hier* doet zich eene zwaarigheid op tegen mijn ge-
voelen. Ik hou ftaandedat hec licht in zich zelve geko- leurd en Wit zij, 't welk valsch is. Het licht heeft geene koleur; en hierom is het onzichtbaar, terwijl het alles zigtbaar maakt. Ik antwoorde, dat het licht te gelijk onzichtbaar en zicht-
baar is, zonder tegenftrijdigheid. Het is onzichtbaar ten opzichte, van deszelfs zeer dunne lijnen, waar door het zich verfpreid en gemeen maakt; alsook, fen opzichte Van de kleine, en als oneindig kleine lichaampjes, waar uit deze lijnen zamengefteld worden; dit alles is te fijn om bevat te worden. Maar het is zichtbaar en zeer zicht- baar, en zichtbaarder zelfs dan eenig ander voorwerp, wanneer het in een genoegzaame maate bijeen verzameld is.- Zo is het in de ligbaamen der Sterren, waar zijn grootfte invloed is; zo is hetin het brandpunt van brand- fpiegels, waar in een genoegzaam getal ftraalen veree- nigd zijn"; zo is het in de vlam van een helder vuur, van onze lampen en fakkels, waar in het zich in overvloed bevind; en op alle deze verfchillende plaatzen vertoont het zich altijd-Wit, en van eene verblindende witheid. Hgt is derhalve, uit eige aart gekoleurd en Wit ; dat is, philozofifcber wijze gefprooken, het is uit zich zelve be- kwaam, en zonder behulp van eenig ander werker, in ons eene gewaarwording van witheid voorttebrengen. Zo het, van boven eenige lighaamen te rug gekaatst, deeze aandoening in ons yerwekke, en maake dat wijde- zelven wit noemen ; waarom, terwijl het uit zich' zelve deze gewaarwording in ons verwekt, en onzeoogenon- midlijk aandoet, zal men dan niet zeggen, dat bet in- derdaad Wit zij ? Andere zwarigheid. De Schilders en "Ververs erken-
nen driehoofdkoieuren, het rood, hetgeelenhetblaauw; en geen e anderen dan deeze drie, om datzede eenigen zijn, waar van zij zich kunnen bedienen, om andere ko- leuren te maaken. En waar aan kan men zich best ge. draagen dan aan Menfchen die in dit ftufc zo bedreven zijn, en welken men als bevoegde Regters over de ko. leuren moet aanmerken ?' ■ Ik merke voor eerst aan, dat deeze zwarigheid meer
is tegen Newton, die zeven hoofdkoieuren ftelt, dan tegen mij, die er maareene (telle. Ik zeg wijders, dat riet de Schilders en Ververs wel'vrij fiaa, driehpofdko- leuren te rekenen,, of er minder of meer te (teilen,; met |
|||||||||||
|
opzicht op hunne gemaakte koleuren, het onderwerp der
Natuurkunde, is er niet meer dan eene hoofdkoleur, welke het Wit is. Ik voege er .bij, dat de zaak wel be- grepen wordende, de koleuren zelfs van deze konfte- naars, verre van dit gevoelen tegen te fpreeken, veel eer dienen om het te bevestigen, want hunne koleuren , of liever hunne verfftoffen, en de verfcheiden vermen- gingen van dezelven, zijn niets anders dan middelen weken zij gebruiken, om bet licht» uit zich zelve Wit, op verfcheiden wijzen te doen weeromftuiten , en het zodanig eene fchikking te geeven, dat het verfcheiden ko- leuren vertoone, meteen grooteverfcheidenhéid van men- geling. De gemaakte koleuren kunnen derhalve gebragt worden tot de natuurlijke, en deezen zo wel als geenen zijn niets anders dan een Wit, trapswijze verminderd, dan een Wit op verfcheidenerleie wijze veranderd, en hier door bekwaam gemaakt , om andere gewaarwor- dingen in ons te verwekken dan die van Witheid. Ik verwagt wel, dat elk een mijn gevoelen aangaande
dit laatfte niet zal toeftemmen, ja dat er zullen zijn, die het met verontwaardiging, als van alle reden ontbloot, zullen verwerpen. Hoehetzij, dit zal geenen invloed hebben op mijn andere gedagten tegen het overige van het ftelzel van Newton, ook niet op nsijn andere denk- beelden aangaande de vorming der koleuren, zelfs met een gelijkflagtige ftoffe. Dezelven zijn kiaar en natuur- lijk, zo datze niet met grond kunnen tegengefproken worden. Zij verfebaffen middelen , zo gemaklijk als natuurlijk, om alledeverfchfjnzelen der koleuren te ver- klaaren, zelfs de allermoeihjkften; gelijk die van de Prit' ma, den Regenboog, bet Yslands Ciïjstal, Regen drup« pen of den Dauw op de Planten, en degekoleurde Rin- gen , waar omtrent Newton zo veele ondervindingen, waarnemingen en oprekeningen heeft gemaakt.. Men beeft flegts de bsginzelen, welken ik gefield hebbe, erop toe te pasfen, en men zal zich gemaklijk redden uit alles wat deze verfchijnzelen , zelfs het allerbezwaarlijkfie vertoonen, zonder dat men hierom toevlugt zal behoe- ven te neemen tot de uitwerr^ingen van ongelijkfiagtige ftraalen, tot eenig verfchil van verbreekbaarheid of-weer» omkaatsbaarbeid van een gedeelte derzelven, of andere dergelijke onderftellingen ; welken een iegelijk , die fmaak beeft in goede Natuurkunde, moet laten vaaren, om een ftelfel aan te; neemen, 't welk er regelregt tegen aangekant is. Memoires de Trévoux, Avril. 1762. pag: 403., ê? de la même année , Maij pag. 183. WITAGTIGE-SPINNEROP , zie SP1NNEKOP-
PEN, n. XIV. pag. 347«;. WITAGTIG-OLIJPHANTJE , zie OLIJPHAN«
TJES, n.LXVI.pag. 2 3ör. WITBONTE.CROGÜS, zie SAFFRAAN, «.. ro,
pag. 3I7Ö. WITGEVEERDE-CROeuS,- zie-SAFFRAAN, r*
12. pag. 3176. WTTHOUT-BOOM. Is de naam van een uitheem«"-
fehen Boom, onder bet Geflagt der Bignonid's geplaatst'; Bignonia Leucoxiflon; Leucoxijkn arborßliquofa, quinis- foiiis, floribui nerii, alatofemine. Pluknet; Alm. 215.;. (Bignonia foliis digitatis, foliolis integerrimis ovotis acu* minatis. Linn. Sijß. Nat.Xlï.) Dit is een zeer groote Boom, groeijende op vogtige plaatzen en aan de kanten der Rivieren, op Jamaika'en andere Amerika an fcrie- Ei*' landen.- Dezelve heeft de Schors, zowel alshetHout',. -dat zeer hard is, wit;-dé Bladen die effenrandigen ge-- 'fpitst eivormig, zijn vallen jaarlijks-af, en dan blijft de' tii 3 Soomt |
|||||||||||
|
-WIT.
Steekjes zijn zij opeene ongefegelde wijze aan dé Tak»
ken gehucht, die aan 't end kleine houtagtige Steekjes uitgeeven, welke met veele groene Knopjes bezet zijn die tot kleine witte Bloempjes ontluiken uit vijf Bladen beftaande, en gevuld met veele witte kleine Draadjes die witte knopjes hebben , en daar tusfchen, in 't mid« den, een groen Hoorntje, 't welk, na 't afvallen van 't bloeue!, in een hol Bekertje blijft ftaan. DezeBloern- tjes vertoonen zich dus, als een witte Aair, en geeven een fterken reuk, die eenigzints zuiragtig en niet zeer lieflijk is. De Knopjes blijven aan het Steekje, twee of drie bij malkander, zitten, en behouden nog in zich dat groene Hoorntje, 't welk er eindelijk ook uitvalt, en als dan gelijken zij naar de holle wratten, die er aan de baarden der Zeekatten zijn, wordende zwartagtig bruin van koleur, en bevattende als dan een fijn Zaad, als kaf, dat er eindelijk ook uitvalt, wanneer niet dan de ledige Napies aan het Steekje-overblijven. Op de Molukkifcbe Eilanden waaren deeze Kajupoetiei
Boomen, inzonderheid op drooge fteenagtïge gronden, niet digt aan Zee en ook niet op hooge Gebergten, ge« meen. Men noemtze er Brandboomen, omdatzijaltoos eenige tekenen, als van gebrandheid aan den Stam heb- ben. Van bet Hout der omgevallene, dat men veelvul- dig vond, werd geen gebruik gemaakt, om dat het zo ligt vermolmde en vermolzemde; dog van verschgekap« te Boomen is het menigvuldig tot planken gezaagd en tot knies én ribben aan de Schepen verwerkt. De Schors was wegens haare voosheid, in algemeen gebruik tot het braauwen of breeuwen der Vaartuigen ; want die zwelt in 't water en dient dus de Indiaanen voorwerk of gepluisd Touw, of in plaats van Mos. 2. Op de westerfche Eilanden, gelijk Java, Bornéo
en Ceram, valt een Boom, Caju^Kehn genoemd, die veel overeenkomst met den grooten Kajupoetie of"Witten- Boom heeft, dog veel dunner is van Stam, en maar vijf of zes vademen hoog word. Van deszelfs Schors maakt men het zelfde gebruik, en zij verfchilt weinig van de kleine Kajupoetie, op' de Ambonfche Eilanden "groeijen» de. daar ik thans van zal fpreeken. > maleitsch Ddnn-Kitsjil of het kleine-Blad genoemd, of Daun-Poeti Kitsjil, dat is het 'kleine Witte-Blad, fchiet doorgaans met yerfcheide Stammen als heesteragtig op, welke Stammen ieder omtrent de dikte hebben van eens menfchen'been ofdije. De Schors gelijkt veel naar die van den grooten, dog is, door haare brooschheid, tot breeuwen niet dienftig. De Bladen zijn veel kleiner, flegts drie of vier duimen lang, maar van dezelfde figuur, drie Ribben overlangs hebbende en van een zeer feberpe fpecerijagtige reuk en fmaak. In deeze koomen zij, zegt Rümphius, zo nabij aan de Kardamom, dat zommige onkundigen dezelven wel voor Kardamom.Bladen heb- ben aangezien. De Vrugten of Béfiën zijn ook fpece- rijagtiger en heeter van fmaak dan die van den grooten Witten-Boom. Zij werden te Batavia in de medicinaale Kruiddoozen, op de Schepen, medegegeeven; hoewel die op Java vielen zo kruiderigin lang niet waaren, ais, de Ambonfche. Van dezelven, zo wel als van de kafr agtige Zaaden en van de Bladeren van deeze kleine Ka- jupoetie, bij de Inlanders aldaarook Kaju-Kelan genoemd wordende, maakten de Amboineefen, zo tot geneesmid- delen in aftrekzel. als tot reukwerk in olie gemengd, en tot vervrisfchinge van de lucht in de vertrekken of bes- fteden, gebruik. * 'Voorts verhaalt Rümphius, hoe van deeze Bladen een
fijne
|
||||||
|
#*«> WIT.
geduurende eenige weeken kaal, middelerwijl begint hij
te bloeijen, krijgende Bloemen, welke wit zijn en wan- ftaltig, naar die van deri Doorn-Appel gelijkende, waar op vierkante Haauwen volgen, als van de Oleander met veele zaaden bevrugt, zijnde vijf a zes duimen lang. Men wil, dat dezelve het witte Brafilie-Hout zoude uitleve- ren. Mooglijk zal deeze-de naar den Oleander gelijken- de Boom zijn van voorige Autheuren, die Trosfen van Zaadpeulen heeft, een voet lang, welke door de fchub- bigheid der Zaaden in de eerde opflag voor Adders wer« den aangezien. WITKOP, zie DUIVEN. n.XlU.pag: 552.
WITKOP, zie KLIPVISSCHEN.n.XIV.p^. 1524..
WITKOPPIGE PAPPEGAAIJ , zie PAPPEGAAI.
JEN, ». XXVI. pag. 2593. 1;.. WIT-KRIJT, zie CRAAIJON.
WIT-LAKWERK, zie LAKKEEREN,
WIT-LANDJUFFERTJE , zie L ANDJUFFER.
TJES, f». XIII. pag-. 1761. WITMAAKING, zie ALBIFICATIO.
WIT-OOG, zieROOF-TORREN,«. III.pag. 3096
WIT-POOT, zie HAFTEN, ». IV.pag.967.
WIT-SCHURFT, zie ALPHUS.
WIT.STAART, zie KWIKSTAARTEN, n.XVII,
pag. 1704- <w WITTE.ALLEE, zie LAAN.-
WITTE.AMBER, zie AMBER. WITTE-AMELIA-PRUIM, zie PRUIMBOOM.
WITTE-AREND, zie KWIKZILVER.
WITTE-BAARDNOOT, zie HAZELAAR, ». 4.
pag. 1009. WITTE-BALSEM, zie OPOBALSAMUM.
WITTE-BOOM; Kajupoetie; Malaceuca; Mahceuca
leucodendra ; Arlior alba cajupoetie. Rumph. Amh. II. p. 72.; AUa minor & foliis trinervis. Burm. Flor. Ind. 116.; (Malaceuca. Linn. Sijfl. Nat. XII.) Kenmerken. Een Kelk in vijven verdeeld, boven het
Vrugtbeginzel ; een vijfbladige Bloem ; veel Meeldraar!« jes die tot vijf lighaatnen zaamengegroeid zijd, een ei> kele Stijl, het Zaadhuisje half bekleed met een befieagti- ge Kelk, driekleppig met drie holligheden, maaken de. Kenmerken van dit Geflagt uit. Zoorten, Befchrijving, enz. De Heer Rümphius telt
drie zoorten van Kajupoetit.Boomen op , waar van wij hier de befchrijving laaten volgen. 1. De eetfle zoon oïgrooté Kajupoetie is, een volflagen
Boom, den Stam welenkelddogbogtighebbende, zom- tijds een voet, zomtijds twee voeten dik. Dezelve heeft een vaale of bruinagtige Schors die uit veele op «Ikander leggende Schilfers zamengefteld is, en het on- derde ziet altoos bijna zwart, als of het verbrand wa- re, wordende naar boven toe de Schors allengs bleeker of a'schgraauw en aan de Takken wit. Deeze Boömen zijn derhalve door hunne witheid van boven, zo wel-als door hunne zwartheid van onderen , aanmerklijk en kenbaar, en voeren dus te regt den haam van MalaceiA ca. Hunne Bladen zijn final, aan 't begin als een zikkel ■orogekromt, zes, zeven, agt duimen of wat meet lang, en maar een duim breed; ftijf, glad. dof groen, in't wrijven brijzelig, van éen fterken reuk, die wat fpece- rijagtig is, dog tevens naar 't zuure trekkende. Zij zijn aan beide enden bijna'even fpits, en in de langte door. tegen met vier of vijf dikke aderen of ribben, tusfchen ieder van welken zij nog een dunnere hebben". Dë fmaak Ss iets harsagtig met eealgezamentrekking. Metfêteine |
||||||
|
WIT.
|
|||||||||
|
WIT.
jjjneOliegedistilleert Ttan worden, welke, zedert den
tijd, wanneer hij dat fchreef, onder den naam van Oleum Cajupoeti, een groot gerügt gemaakt beeftindebinnentte Seelen van Europa. Wat de eigïnfchappen deezer Oiie betreft, en hoe dezelve te AmfterdaOi, uit Bladen van den Kajaputie-Boom, die door den Heer Richter over- gebragt waren , geftookt is, vind rnen een omftandlgbe- richt door den kundigen Heer M. Houttuitn, medege- deeltinde Nieuwe Vaderl.Letteroeffeningen, 3«deel; ze ßuk, pag. 104. enz. daar wij onze Leezers naar coe wijzen. 3. Wat de derde■ zaort van Kijapoetie-Boom betreft,
deeze is onder den naam van Mijrto leucodendron, met fpits lancetswijze Bladen, de Bloemen Vrugtengeaaird, door den Hoogleeraar J. Buhmahnus voorgefteld, en door den Wel Ed. Heer N. L Burmannus genoemd Wilgbladige Mijrtus, met Aairenaan deenden der Tak- ken, ongedeelde napswijze Befiën , de Bladen liensaal- lancetvormig en geheel effenrandig ; (Mijrtus faligna, fpicis terminalibus, baccisfesfilibas weolatis, foliis linea- tUanceolatis integerrimis. Büsm. Flor. Ind.p. 116. > (Arm for alba minor, Daun-Poetie-Kitsjil. Rumph. Amb. II. p. 7$.) Dit laatfte heeft in allede zoorten van Kajupoetie plaats, zo wel als de napswijze figuur der Vrugten , en die van den groeten tVitten-Boom maaken ook Aairen aan de enden der Takken, maar in de kleine zitten deBefiën dikwils laager dan deRladen. Behalve deeze fmalbladige, is door Rumphius onder
den naam van AmbonJchen'Mijrteboom , in de landtaal Hurong genoemd , nog een Gewas befchreeven , 't welk die Authéur als de kleinfte flag van Kajupoetieaanmerkt, gordende in 't maleitsch ook wel dus, of Camelan-Daun- Kitsjil geheten. Deeze blijft mede klefn, dog groeit boomachtiger, hebbende den Stam meestal van dikte als eens menfchen-been, zelden als de dije, met overend- ftaande Takken, die in dunne rijsjes verdeeld zijn, en eén-fierlijken kroon maaken, zo dat het van verre naar een grooten Rosmarijn-Boom gelijkt. De Bladen die onregelmaatig aan de Rijsjesftaan, en dezelven bijna geheel bedekkenVzijn weinig grootér dan Rosmarijn-Bla- den, een grootëvingerbreed lang en een ftroohahn breed, blijgroen en fpecerijagtig, dog zo fcherp niet als die van den kleinen Witten Boom. De Bloemen zijn mede klein en vijfbladig, dog koomen enkeld hier en daar, voort, bevattende twintig of vijfentwintig Meeldraadjeseneen groenen Stamper. De Vrugten zijn Befiën als die der Mijrteboomen, dog (laan in een klein Napje of Dopje ; van buiten zijn dezelve in vijf Ribbeties verdeeld,1 de koleur is zwaï tagtig of donker bruin, de fmaak fpece- rïjagtig, dog niet fcherp. Deeze Befiën zijn droog en taamelijk bard, van binnen in vijf celletjes verdeeld, en bevatten veele kafagtige Zaadjes, als pluis, even gelijk 4e napvormige Vrugtjes van de befchreevene Kajnputie- Boomen. Dit Gewas is door den gemelden Hoogleeraar N. L. Burmanmus tot de gemeene Mijrteboomen t'huis gebragt. 'WITTE-BORSTKOEKJES, zie KOEKJES (ZUL
EER.) ' WITTEBUISKOOL, zie KOOL. - Witte ckrisktte, üePRUiMBOOM.
witte dag-uil zie uilen, «.viii.p^.3744. WlfTE.DOORN. 'ie HAAGDOORN.
WITTE DRlF.l!LADIGEJASMJJN,zieJASMIJN,
" 6 pag. 1204. *
WlTTr-EIJERPRUIM. zie PRUÏMROOM,
Wl.TTE.FA'lSANT , zie FA1SANTEN , - n. -V.- |
|||||||||
|
4201
|
|||||||||
|
WITTE-GEELGORS, zie GERSTVOGEL.
WITTE-GEELZUGT, zie MAAGDEN-ZIEKTE.
WITTE.HAAS, zieHAASEN.
W1TTE-HERTSW0RTEL, zie GENTIAANE
(WITTE-) WITTE IBIS, zie REIGERS, n. XIX. pag. 2064.
WITTE-KIKVORSCH, zie KIKVORSSCHEN.
WITTE KLEiMEIJ, zie ALBUM GRjECUM.
WITTE-KOEKJES van RHAZES, zie KOEKJES.
(ZUIKER-) WITTE-KOOL, zie KOOL.
W1TTE-KRUISBESIEN, zie KRUISBESIEN.
j WITTEKWIKSTAART, zie KWIKSTAARTEN,
Bi XII, pag. 1704. WITTE.LAMPERTSCHE.NOOT , zie HAZE-
LAAR , ». 4. pag. 1009. WITTE-LELIE, zie LELIËN (WITTE-).
WITTE-MALROUW , zie MALROUW , n. *.
pag. 1947. WITTE-MALUWE, zie HEEMST.
WITTE-MASTIK, zieMASTIK.
WITTE MIRABELLE, zie PRÜIMBOOM.
WITTE-MOL, zie MOLLEN.
WITTE-NARCISSE.zie NARCISSEN,«. 5. P.22SS.
WITTE NIESWORTEL, zie NIESWORTEL.
(WITTE-) WITTE-POPULIER, zie POPULIER-BOOM.
WITTE-PR^E Cl PITA AT, zie KWIKZILVER.,
WITTE-PIJRITEN, zie PIJRITEN.
WITTE-RAAPEN, zieRAAPEN.
WITTE-RADIJS, zie RADIJS. ,
WITTE-R EIGER, zie REIGERS n. XVII. Pag. 2064.
WITTE-RESEDE, zie RESEDA.
W1TTERTJE, zie EENDEN, n.ïX.pag 587.
WITTERTJE, zie KARPERS, n. XII. pag. 1447,
WITTE.SESELI, zie LASERPITIUM.
WITTE-SNEP, zie SNEPPEN, ». II. tag. 3413.
WITTE STIJFZEL, zie AMELDONK.
WITTE SIJRINGE , zie HONINGBLOEM.
WITTE VLOED; in het latijn, Fluor albus, FluoP
muliebris,. Fluor uterinus, Leucorrhoea; doorgaans het PVüte-goed, bij de Vrouwen genoemd; beftaat in eene geftadige tegennatuurlijke ontlasting van een wateragti- ge. (linkende, fcherpe, geele en leelijk geverwde vogtig« beid, uit de fchainelheid der Vrouwen vloeijende; fprui- tende deeze bedorvene vogtigbeid voort, van eene te groote zwakheid en flapheid in de vaten der Lijfmoe- der. Een zeer nauwkeurige befchrijving van dit zoo lastige ongemak, derzelver oorzaaken en genee- zing, vindt men wijdtloopig befchreeven. in een latijn- fche verhandeling van de Heer Med, Dr. Rindert Re- neman te Leeuwarden, tot tijtel voerende: Dijjfertatio de Leucorrhoea, welke om deszelfs groote nut ook in het nederduitfch is vertaald; hebbende dien Heer door het doen drukken van deeze verhandeling , een blijk gegeeven , met. hoe grooten ijver zich reeds in de dagen zijner iongelingfchap op de kennisfe der geheimfte ge- breken van de Vrouwen heeft toegelegt. Die van onze leezers welke een nauwkeurige kundfehap van dit onge- mak, enz. verlangen, kunne» niet beter doen dan dee- ze verhandeling te raaJpleegen. , WiTTE-WORT'LEN. zie PASTINAKE en PEEN.
W1T-VISCH, zie KAZILOTTEN «. 1 pag. 1465. en SAl.MEN n. XV. pag 3196. WIT-VLERK , zie DUIVEN, ». XIV. pag. 552. ,
WOE;
|
|||||||||
|
WOL'.
en monftreus kurkagtig waargenoomen. De Bladen waa-
ren gevingerd,- ten minden zeven op een fteel, en ge. heel ongekarteld; de Bloemen bad zijn Ed. (legtsdroog gezien, dezelven Tiadden omtrent vierhonderd Meel- draadjes; de Vrugten waaren groot, glad, bruin kom- kommeragtig. Hij werd van de Spaanfcbenook Ceiba gebeeten, WOLF. Dit Dier door de meeste Natuurbefchrijvers
onder het geflagt der Honden geplaatst, heeft zijnen la- tijnfehen naam Lw/wmisfchien vandengriekfcheriLfefc« ontleend. De franfehenaam Loup, deitaliaanfcheLapj en de fpaanfche Lobo, zijn van het latijn afkoinftig. De hebreeuwfche naam hZeeb, de arabifche Dib, en die van de Wolvin, welke in 't latijn Lupa, in 't fransch Louve heet, Zeehab. In 't engelsch, hoog- en neder- duitsch, heeft hij den zelfden naam, die met den pool- fchen Wilk, en zweedfehen Ulf, veel overeenkomst beeft. .- , De Heer de Bufpon » die alle moeite vrugteloos had
aangswend, om een Wolvin'te doen dekken van een Reu, en -die, insgelijks, in het laaten paaren vaneen Tpf met een Votmet geflaagd had, befluit daar uit, dat de gee- nen, Aie deeze Dieren (legts als wilde Honden aanmerken, of-aan hun allen den gemeenen naam van Hond geeven, zich bedriegen, doordien zij de natuur niet geraadpleegd hebben. De Heer Daubënton , niettemin, erkent, : dat de Wolfen Vos een weezentlijke betrekking of over. '! eenkomst hebben -met den Hond. Gok brengt de Heer Brisson de-Wolvenen Fosfen onder het Geflagt der Hon- l den; waaruit men ziet, dat defranfche Dierbefchrijvers in dit opzigt njet-minder van elkander verfchillen, dan de Heer de Büffoïj , met zijne zonderlinge denkheel- I den, vandenHeerLiNNBüs. Ook merkt de Heer Klein aan, dat een Wolf, indien hij een tamme Teef, die loops is, magtig kan worden, zeer gaarne met dezelve I paart; waar door de ftelling van den Heer de Buffojj geheel fchijntte vervallen. Dit Dier gelijkt veel naar de zogenaamde Welfshon-
den, maar in grootte komt het nader aan den Wagthond, waar van bet meest door zijne (lijf opflaande Haairen om den Hals, zijn fcheel gezigt, en dikke ruige Staart, te onderfcheiden-is. De langte izijns Lighaams, van 't feo- j ventte van den Kop tot aan 't begin van den Staart, is, volgens den Heer Brisson, omtrent twee voeten agt | duimen, dat ongevaar drie amflerdamfche voeten be- draagt; de hoogte van 't hovende van de Rug tot aan den grond, als hij overend (laat, twintig duimen. De Snoet is lang dog (lomp, de Ooren zijn opftaande en kort; zijn Oogenglinlleren in de duisternis. De koleur van't Haair is in jonge Wolven rosagtig, in oude Wolven geelagtig grjis, zomtijds met zwart op de Rug gemengeld. In de noordelijke landen van europa, vind men er die geheel wit zijn, en aan de grenzen, van Poolen en FruisfeH zouden, zo zommigen berigten, ook geheei zwart zijn gevonden. I De bosfeben en wïlderasfen, van ons geheele We-
reldsdeel, zijn van dit'verfeheurende Gedierte niet ont- bloot. Men heeft er echter in -Zwitserland en Italie weinigen, en 't fchijnt dat zij meest huisvesten in minst bewoondelandftreeken. Menkan zeookuitroeifen; want in 't Eiland van Groot Brittannie is,nu agthonderd jaa- rengeleeden, geen Wolf gezien; uithoofde dafzekerKo« ning de fchatting, zijne Onderdaanen o.pge'egd, met Wolfshuiden betzalen liet. In Vrankrijk word door de Intendanten;-der Provinciën wel een pistool tot beloo» |
||||||
|
4*ö2 WOE. WOL.,
WOEDENDE, zie MANIA.
WOEKER, in het latijn Ufura; dusdaanig noemt
men in onze dageneen onbehoorlijk gewin, dat iemand van het geld dat hij op interesfe uitzet, neemt; of wel van eenige handeling trekt. Woeker heeft zijn oorfprong aan de eene zijde, in de begeerlijkheid of fchraapzuchc van den Gcldleener; en aan de andere zijde, in de ver- legentheid van die geene, die het opneemt. Woekeren ftrijdt met het Goddelijke, Natuurlijke en Burgerlijke liegt, _Dog het woord Ujura betekende eigentlijk bij de Ia-
tijnen, het gebruik of de genieting van eenig goed van wel- ken aart dat ook mogte zijn. Natura, zegt Cicero, dedi$ ufuram vîtes tanquampecwii. Tusc. /ib. 1. n. 39. Ujura be- tekende ook nog, het loon, de door de wet vastgeftelde prijt, voor bet gebruik eener geleende geldzofnme; en zulk een loon hadt niets haatelijks in zich, zoodaanigheteen ailerfchra-nderst Regtsgeleerde aanmerkt, niets fchande- lijks vond er plaats in dan alleen de overmaat en het mis- bruik; eene onderfcheiding, die de Wet verklaarders (Commentatores) niet opgemerkt hebben, of zeer ontijdig ontveinzen. Certé verbum Ufura non efï J-oidum, fid non habere Ufura; modum &honestam rationemeflturpisßmum; quoi Commentatores non intelligunt, aiit calumniefér disfi- mutant. Oldendorp, L'.xic. Juridic. Calvini., verba Ufuram, p. 601. col. 1. in fol. Genev. 1651. WOEKERAAR in het latijn Ufurarius; is dié geene
werke Geld op woeker leent,- dat wil zeggen , zijn geld op eene onbehoorlijke intrest uitzet; het zij zulks in eenig geval gefchiedde waar in het niet geoorlooft is de itttrgsfen te bepaalen, of het zij dat de intresfende bepaa- Ürigdöör de wet gefield, te boven gaat. De uitdrukking van Woekeraar word nimmer anders
dan in -een kwaaden zm gebeezigt. 'WOL. Dus noemt men 't haair van de Schaapen,
dat eens in 't jaar van de leevenden gefchooren word; en wonder veel naar den aart der Schaapen, den grond die ze beweiden, de kost weite ze eeten, en de gezond- èeii die ze genieten , verfchilt. Zie SCHAAPEN. * WOLDOORN is een zoort van Katoenboom, die van de Heer Linn^us word genoemt, Bombax hepta- ■phijllum; Gosßjpium five Xilon arbor orientale', digitatis foliis Itevibus, &c. Eluknet. Alm. 172. ; Bombax floribus polijandris, foliis feptenatis. Jacq. Amer. i6- Hiß. 193. Deeze Katoenboom welke in Oostindien groeit, heeft
dikwils een Stam van vijftig voeten hoog, eer hij eenige "Takken uitgeeft, en dezelven zijn metzofeberpeDoor- nen bezet, dat hij nimmer van de Aapen beklommen word. De Bloemen zijn zoetruikende, van grootte als ês handpalm; de Vrugten zijn langwerpig ovaal en rond, dog (lomp, bevattende een wolligheid als zijde, welke ■door den minilen wind, in de lucht gevoerd wordende, ligt in de mond en neusgaten, van dengeenen, die ze "behandelt, vliegt; wordende gebruikt in Oostindie, tot het vallen van kusfens, bu-Itzakken, er. bedden ; als zijn- de dezelve te kort om gefponnen te worden gelijfc katoen. Zij is bijzonder luchtig en veerkragtig, zo dat men dee- ze kusfens , zakken öf bedden, maar een weinig behoeft te Jaaten uitkloppen, om het katoen, nedergedrukt zijn- de , weder te doen oprijzen tot haar voorige luchtigheid. De.Zaaden, los daar in verfpreid, moeten er zorgvuldig uitgedaan worden, en deeze worden van de Inlanders met fmaak gegeetèn. De Heer Jacooi n beeft aan deeze Boom, « de Westindiën, en wel bij Karthagena, voor« feoiteende/noôit doornen, maar altoos de Schors mismaakt |
||||||
|
WOL. 4203
te durven verroeren, tot dat hei dag wierd; wanneer men
eerst deeze Dieren doodde en toen de Vrouw, die half dood was van fchrik, daar uit hielp. Hij zal zeldzaam een Dier aantasten, dat aan een paal of boom is vastge- bonden, uit vreeze , zo't fchijnt, dat er eenig Mensch omtrent zij. Indien een kudde Rendieren, Koeijen of Bokken, zich bij elkander houd, en hem de Hoornen bied, zo dat hij geen derzelven van agteren kan aantas- ten, gelijk zijn gewoonte is, zijn zij buiten gevaar. Ook heeft men gezien dat een Koe, ja zelfs.een Bok, hem op die wijze afwees, Dit Dier ondertusfchen, hoe wreedaartig ook, is in
zijne jongheid niet ontembaar.- Men heeft gezien dat een jonge Wolf vreedzaam met de Huishonden omging , met dezelven fpeelde, de wagt hielden aan zijn's Mees- ters zijde te flaapen lag. Dog in dit geval is groote voorzigtigheid noodig; want de Wolf verandert wel, ge. lijk het fpreekwootd metreden zegt, van haair maar niet van hoedanigheid. Doktor Gahrlieb , LidvandeKei» zerlijke Akademie der Natuur.onderzoekeren, verhaalt ons, dat een Goudfmit van Dantzig, Jokan Pohlman genaamd, een jong Wolf je had opgevoed, houdende het langer dan een jaar gekluisterd in zijnen tuin, dien hij in de voorftad had. Dit Dier, grooterwordende, hield zich niet meer te vrede met de portie, welke hem dage» lijks, naar gewoonte, wierd uitgedeeld ; nogtbansdeed hij de Ganzen, Endvogels, Paauwen , Hoenderen en 't ander Gedierte van zijn Meester, geen kwaad ter wereld j maar hij verzorgde zich ten kosten van de Nabuuren. Over dag bleef hij in het hok ftil leggen ; 's nagts had hij de behendigheid van zijn halsband af te doen, om op den roof te kunnen uitgaan ; waar na hij terug kwam en deed zich den halsband weder aan. De Buuren wierden de da- gelijkfche vermindering van hun Pluimgediert gewaar, zonder om deezen Dief te denken ; tot dat zij hem ein- delijk, bij nagt waakende, op de daad betrapten. Men klaagde er over aan den Heer, die het geleeden nadeel betaalde, en den Roover veroordeelde om ontleed te wor- den ; 't geen weezentlijk is gefchied. In de andere Wereldsdeelen zijn ook deezeof derge-
lijke Dieren. In Afrika vind men er, die den Kop ea Hals zeer groot hebben, dog voor 't overige naar de Wol- ven van Europa gelijken. De Wolf van Amerika, zegt Cateseij, is van koleur en geftalte als de Europifche, dog wat kleiner. Anderen verbaalen, dat bet in Loüi» fiana krielt van Wolven , die niet meer hoogte hebben dan vijftien duimen, en veel minder gevaarlijk zijn; mis- fchien, om dat het hun minder aan voedzel mangelt. Wanneer men ze aan den oever van een Rivier bemerkt, daar de Reizigers tegen den avond hunne Hutten opflaan, is het een teken, dat de wilde Osfen zich niet ver van- daar onthouden. De Indiaanen gebruikten ze als Hon« den, voor dat men hun die uit Europa bragt, en zij ge- lijken inderdaad zeer naar Honden. Mr. la Paoe ver- haalt , dat hij in dat Land een grooten zwarten Wolfen Wolvin gezien had, die beiden gefchooten werden; dog deeze waren er, volgens 't berigt der Inboorlingen , zeer zeldzaam. De Wolven zijn, gelijk de Honden, zomtijds de dol-
heid onderhevig, dog met dit verfchil, dat zij niettemin eeten en geen fchrik hebben voor het water. Het venijn van hunne beet is niettemin werkzaamer en fcherper, in- dien men zulks afleiden mag van de zwaarheid der toeval- len , daar door veroorzaakt. De beet veroorzaakt, zo wel als die van een dollen Hond, eene watervrees, die K k k <JoO' |
|||||||
|
nîng gegeeven, voor ieder Wolfskop, die hfln opgebragt
word. Tegen't end van den fweedfchen Oorlog onder
Karel den XII., nu ruim vijftig jaar geleeden, is dit
; Pier eerst gemeen geworden in Sweeden, daar het te
I vooren zeldzaam was. Ook is het, omtrent dien tijd,
t en waarfchijnlijk door 't overtrekken van het Krijgsvolk,
over 't gebergte heen in Noorwegen gekomen, daar men
I te vooren nooit een Wolf gezien had, en heden is men
er nergens voor beveiligd, dan op de eilanden, dewijl
I het aan die Kust bijna nooit zo fterk vriest, dat zij over
1 't ijs daar komen kunnen. Er. Pomtoppidans, Nat. Hifi.
E ypn Norwegen. II. Th. pag. 35.
, J)e bloote naam van Wolf jaagt den Mensch een fchrik
! aan, hoewel hij inderdaad zo veel niette vreezen is als ■ een Beer, Leeuw of Tijger. Hij is bijna onverzaade- \ lijk gulzig, Hokkende, zonder kaauwen, vleesch, huid I enhaair, beenderen en andere harde ftoffen in, die hij f zomtijds onverteerd weder kwijt raakt. Hij gaat bij nagt I op den roof uit, en om die reden werdende Wolven van : de Grieken Nagthonden geheeten- Het is hem met de \ andere Roofdieren gemeen, lang honger te kunnen ver- l draagen, dog uitgehongerd zijnde, kan men zich geen ver- I woeder Dier verbeelden. Hij kan niet alleen eenonge- I looflijke veelheid van fpijzeinflokken, maar hij vermoord [ ongelijk meer, en laat daar van het grootüe deel, als I totvoorraad, leggen. In zijne woede verfchoont hij zelfs I de Menfchen en vooral de jonge Kinderen niet, indien I hij dezelven betrappen kan ; weshalve de Laplanders f zorgvuldig zijn, om hunne Vrouwen die hoogzwanger I zijn, en welken dit Dier op de reuk fchijnt te kennen , I daar voor te bewaaren. 't Gebeurt dikwils, dat een f Wolf, uit gebrek van fpijze, zelfs Honden aantast en E die van de ketting fcheurt, of Paarden van voor't rij- [ tuig wegrukt. Zijn gewoone fpijze zijn Mollen, Rotten, Haazen,
I Konijnen, Varkens, Schaapenen ander Vee, dog hij I bemint inzonderheid de Bokjes, Lammeren, Kalven en E jonge Herten of Rendieren. Hij gebruikt niet alleen ge- weid maar list tot het bekomen van zijne prooij, en in een. ftal geraakt zijnde onder't Wolvee, is de vernieling, welke hij daar aanregt, bijster groot. Ook kan men niets, daar hij mede wegloopt, uit zijne Klaauwen red- den, zo fterk is hij in 't gebit en zo ilijfvan Nek, fmij- tende qen levendig Lam op zijne Rug, en vliedende daar mede heen. Wanneer de honger hem al te zeer plaagt, zo eet hij
ook leem, indien hij die kan vinden ; dog dezelve, on- verteerbaar zijnde, blijft in de Darmen fteeken, tot dat de Wolf weder vleesch en bloed van leevende Menfchen of Beesten magtig word. Want in dit geval ontziet hij niets, en in het doorreizen der wildernisfen vanzommi- ge landen heeft men bijzonder noodig des nagts goede wagt te houden, om niet door een troepraazende Wolven overvallen te worden. In Noorwegen gaat het Volk , om die rede, des winters zelden zonder fchietgeweer te ïerk. Onder dit alles echter is de Wolf bijster vreesagtig,
*n men mag haast zeggen, dat geen Beest, 't welk voor hem ftaan durft, iets te dugten heeft. IndeBosfchentrilt nij van angst en fchrik voor allerleij zoort van geluid , inzonderheid voor dat van klokken, trompetten, walt- noorens, zelfs voor het rinkelen van een bos fleutels. Men verhaalt, het gebeurd te zijn, dat een Vrouwsper- soon met een Wolfen Vos, bij nagt, in eenen zelfden tuil gevallen ware, waar in .zij allen bleeven, zonder zich Vil Deel. |
|||||||
|
/
|
|||||||
|
WÖtó'
fflet korte, bijna regte, flompe Nagelen gewapend, wel.
ken dit Dier zo min intrekt, als de Hond. Men heeft zich ingebeeld, dat zijn Hals uit een Been beftond, de. wijl hij' in 't omkijken zijn geheele Lighaam omwend; dog dit onftaat daar uit, dat de dwarze uitftekken der Rugge- en Lenden-Wervelen door een volkomen fchar- nier te zamen zijn gewricht. In de ontleeding van een Wolf, vond men de Borst
zeer ruim, met twaalf Ribben wederzijds, en het dolks- wijs Kraakbeen als een fpatel van gedaante. De Luchtpijp was zeer wijd aan haar begin ; de Long verdeeld in twee groote lobben, die weder, ter regter zijde in vier, ter flinker zijde in drie kleine lobbetjes gefuialdeeld waren; het Hart bijna geheel rond; het Middelrift hard en dik; de Maag aan den bodem breed, in't midden naauw, heb. bende baar binnenfte Vlies geplooid en als zamengefteld uit verfcheide koorden. Van boven bevatte dit Inge- wand een geel vogt, 't welk naar gal geleek ; op den bo. dem als geklopte eijerdoiren. De Nugteren en Krinkel- darm waren zeer rood; de Karteldarm fterk uitgezet; de Blinde kort en wijd; de Endeldarm zeer dik. In het Daimfcheil vertoonden zich een menigte takmaakingen zo fijn als de fijnst gewerkte kant, doormengd met har- de zwartagtige Kliertjes. De Lever, aan den randalsin riemen gefneeden, had eene geelagtig roodekoleur, en was in twee groote lobben verdeeld, die te zamen ne- gen kleine lobbetjes maakten. De Jaagers geeven voor, dat de ouderdom van de Wolven en Vosfen aan het getal dier verdeelingen van de Lever te kennen zij. De Milt was dun, zeerlang, plat en van eene loodkolëur. Inde regter Nier werden twee dikke hoogroode Wormen ge- vonden, die dezelve bijna geheel hadden uirgeknaagd, dog dé flinker was volkomen gezond, rood vanzelfftan« digheid. De Schaft van dit Dier geleek volkomen naar die van den Hond; zijnde mét een been voorzien, en aan den wortel kraakbeenig. De Snoeten der Zaadvaten waren dik en met een doorfcbijnend Vlies bekleed; de Pisblaas taamelijk groot; de Ballen als een kleins óckernoot. De Wolfis bijna geheel nuttig na zijn dood, en men
zou mogen zeggen , dat daar door het kwaad, 't welk dit Dier geduurende zijn Ieevienjieeftaangeregt, groote« lijks vergoed word. Het Vleesch;, Hart en de Lever van den Wolf, bij een of elk in 't bijzonder gekookt en met boter toegemaakt op de wijze van een Ragout, is dien- (lig, zo men wil, tegen de vallende ziekte, waterzugti moeiel ijke baaring en de teering. Zommigen geeven het, gedroogd en tot poeijer gemaakt, geduurende eeni« gen tijd in, ter gifte van een fcrupel tot een drachme. In de verzameling van deDuitfche Natuur-onderzoekers vind men een waarneem ing van Doctor Gottlieb Reus- nerus, die verhaalt, dat hij een Dame van groote kwa- liteit gekend had, welke tegen de miskraarnen, die haar verfcheide 'maaien overgekomen waren, te raad gegee* ven werd, op't end haarer zwangerheid Wolfsvleesch, verfcheidelijk toegemaakt, te gebruiken,'t geene zij met een goeden uitflag in't werk ftelde, en dus niet alleen behoorlijk in de kraam kwam, maar ook van de opfti)' ging, aan welke zij te vooren dikwils, metzwaare- ftuip' trekkingen, onderhevig was, verlost werd. Ephemev.d. 'Natura Curiofotum.. Tom. I. Ann, ïjzj.pag. of. Zijn Darmen, gedroogd en tot poeijer gemaakt, worden te- gen het winderig en graveeUkoIijk aangepreezen. Zijn Vet óf Smeer is zeer verwarmende, ontbindende en den zenuwen dienftigi Van het Eoeijer der Beender"J |
||||||
|
420* WOL;
doodelijk is, indien men niet in tijds bekwaarne middelen
daar tegen gebruikt. Een Wolf, in dien toefïand. uit de bosfchen komende, zwerft in de velden om, en bijt al- les wat leven heeft, dat hij ontmoet» Niets wederftaat bem, en hij zwemt zelfs breede Rivieren over. Men zag van zijne verwoedheid onlangs een voorbeeld in het aantasten vaneen Officier in Vrankrijk, die na het ver* fcheuren van zijn Paard op een deerlijke wijze vanden dollen Wolf gebeeten werd, zo dat. hij er het ieeven nàauwlijks afbragt. Zie den Nederl. Posttijder , Aug. 1760. bladz. 207. De Autheuren vernaaien ons, dat de Wolven, hoe
euder zij worden, hoe gevaarlijker zijn, alzo zij, dan geen Beesten meer betrappen kunnende, den Mensch zoeken te verrasfen. In alle landen van Europa, die taamelijk digt bewoond zijn, en inzonderheid daar de Vorften of Grootea zich met de Jagt vermaaken, word '' zo veel zorg tot uitroeïjinge van deeze Dieren aangewend, dat men er zelden een oude zal ontmoeten. Dog'deFran- fche Jaagers merken aan-, dat de Wolven Trekbeesten Zijn, diezomtijds van verre komen, als men hetminfte zulks vermoeden zou ; gelijk uit het Bosch van Ardennes, het zwarte Wald, en andere groote wildernisfen» Zij houden zelfs voor zeker, dat er een jaar is van Herten, v een van wilde Zwijnen en een ander van Wolven. Maar, 't geen de meeste veelheid van Wolven in een land brengt, zijn de oorlogen; dewijl zij de legers volgen uit hoofde van het aas, dat zij aan doode Menfchen en Beesten vin. den, op plaatzen daar dezelven geftaan of elkander flag geleverd hebben. Men beweert ook, dat dit Dier in Januari) en Fe.
bruarij het verwoedde zij, dewijl alsdan de Wolvin, ge- duurende tien of twaalf dagen, loops is. Indien er ver- fcheide Wolven 'm de zelfde landftreek zijn, loopen zij als dan de Wolvin, even als de Reuen een ritzige Teef, agter na. Men heeft er tot twaalf toe geteld, in eene troep, die onder wegs zodanig met elkander hadden ge- vogten, dat eenigen gantsch bebloed waren, en de ge. kwetften wentelden zich in ilijkerige poelen, die dus bloedig werden gemaakt. Eene Wolvin houd de Wol- Ven, die haar volgen, verfcheide dagen aan de loop, zonder dat zij eeten, drinken of flaapen; dermaaté zijn zij door geilheid vervoerd. De Wolvin gaat negen wee- ken zwaar ; zelden duurt het langer, en zij brengt zes of , ieven Jongen ter wereld, nu meer dan min. De Jaagers merken aan , dat het getal doorgaans oneven is, hoewel Bien ook nesten met agt Jongen gevonden heeft. Om de- zelven te fpjfzigen, vreet zij haaren buik vol,enfpuuwt het dan in of bij het nest weder uit. Men kan haar niet meer verbitteren, dan door de Jongen weg te rooven; echter worden die dikwils van andere Wolven opgevree- ten;, zelfs al-zijnze reeds wat opgefchooten; dog dit is geen wonder, want de Wolven vallen zelfs op elkan- der aan«. Zij builen wel zomtijds ijzelijk, dog blaffen niet,, en als menze flaat, met een kogel treft of ver- moord,, maakenze geen-geluid.." Hunne- leeftijd is niec langer, dan die van den Bond, en bereikt, zomen wjl* zelden meer dan dertien of vertien jaaren. Om het fpoor van een Wolf te vinden moet men agt
geeven op de voetftappen,. welken hij in 't land, ïosfe aarde of natte kleij maakt, en die merkelijk vandevoet- ffappen van een Hond vêrfehillem Want de twee mid. 'delfre Vingers der Voorpooten zijn digt tegen elkander aan gevoegd, en de twee buitenften wijken er van af tiie die Vingeren zijn., even ais de. Honden-Pöoten ,' |
||||||
|
wol;
word tegen de inwendige kweczuuren of kneuzingen,
in de wonddranken en dergelijke middelen , gebruik gemaakt. De Tanden der Wolven, in zilver gezet,; gebruikt men
zomtijds om de eerde Tandjes der jonge Kinderen te doen uitkomen, met bun daar op te laaten bijten. Van de Huid van dit Dier maakte oudtijds bet noordscb Krijgs- volk zijne wapenrokken , verbeeldende zich dus voor een houw beveiligd te zijn. Tegenwoordig maakt men er moffen, wanten en kamizoolen van, die zeer warm zijn. Ook worden er de fchoenen of muilen der Poda. greuzen, endergeenendiekoud van voeten zijn, dikwils mede gevoerd ; ja men verzekert dat deVlooijendereuk daar van niet verdraagen kunnen ; 't welk deeze Huid nog van meer waarde maaken zou. Middelen om de Wolven te vangen
en uitteroeijen. Tot uitroeijing of vernieling van dit fchaadelijk Ge- dierte, worden allerwegen verfcheide middelen in't werk gefield. Men rigt Honden af op de Wolven-j agt ; men zet Angels en Valftrikken; men ftelt een gelaaden fnap« haan bij het lok-aas, maakende hetzelve met een touwtje aan den haan vast; zo dat de Wolf, dat wegrukkende, den haan overhaalt en dus zich zelf doodfchiet. 't Ge- beurt ook wel, dat men, indien men weet dat een Wolf zich in een bosch bevind, hetzelve met netten omringt, en dan een kring van gewapende Boeren daar om'heen flaat, die den Wolf, wanneer hij, door geraas van jagf- hoorens en Honden daar uit gejaagd zijnde, in't net loopt, aanftonds afmaaken. Zomtijds worden Wolfskuilen ge- dolven, die men van boven met allerlei groentebedekt; dog dan is men genoodzaakt zulks in de nabuurfchap be- kend te maaken, en niettemin is 't wel gebeurd, dat een Mensch bij den Wolf daar in viel. Ook word een geelagtige zwam die aan de Pijnboomen groeit, of iets anders , onder 't aas gemengd , waar mede men dit Dier tragt te vergiftigen , of men brengt het, door middel van zeker toebereid aas, in bedwelmheid, dat »en het in den flaap kan overvallen en afmaaken. Hoedaanig een Kuil of Put word toegefleld, om Wolven
en andere verbindende Dieren te vangen. In zodaanige landen die boschrijk zijn, en al waar zich
Yeele Wolven onthouden, kan men om die te vangen een zoon van put of kuil graaven, welke met een valdeur is voorzien, die aan de eene kant een weinig zwaarder is-dan aan de andere , en dus het Dier dat daar op- treed, doet vallen en in den kuil werpt. Dan dit moet men om ongelukken met Menfchen voor-
tekoomen, niet dan in afgelegen wegen daar de Wolven gemeenlijk gaan, te werk (lellen. Eer dat men op een zodaanige plaats eenen kuil graaft, moet men s'morgens wanneer het des nagts geregent heeft, of dat de grond atiderzints week is aldaar gaan onderzoeken, of er geen Wolven-jpoor of prent word gevonden , dat men gemakke- lijk van dat der Honden kan onderfcheiden. Zie Plaat Xlll. in het 2e deel. ,. Een zödaanig Wolven-fpoor als op de genoemde plaat
word afgebeeld, aangetroffen hebbende, kan men mee hoop van een goeden uitflagwerkftelligmaaken, hetgeen op Piaat LXXVIII in de bovenße afdeeling word afge- beeld, en 't welk wij hier nader befchrijven. . 'Stelt dat de beide met Hippels aangeweezene linien Ä. B. de beide zij'den van den weg zijn, in welkers mid- |
|||||||||
|
WOL.
|
|||||||||
|
^eb-
|
|||||||||
|
den men het Wolven-prent ontdekt heeft, zo graaft daar
een kuil of put van twaalf voeten langte van E tot G, wordende deszeifs wijdte bepaalt door E totF, zijnde van zeven tot agt voeten, en dezelve moet negen vraten diep zijn ; en zodaanig gegraaven, dat zij allengskecs naar onderen toe wijder word, om hfer door te beletten dat de daar ingeftorte Dieren er niet bij op kunnen klau- teren. Laat voorts een houten raam maaken E F, G H. waar van de ooren boven den kuil heen leggen; hieraan moeten twee keepen aan de kant G H gemaakt worden, op de plaats door de letter Q R aangeweezen. Ook zal men in 't midden van elk zijftuk E G F H, eene keep aan de kant I K maaken om er de fpilien van de valdeur in te-doen draaijen-, welke even als een deur van hout gemaakt en met klampen in 't midden en aan de einden moet voorzien zijn. Maakt aan het midden derzelven de twee fpilien I K, vast, en laat aan 't eind der valdeur twee (lukken N O uitfteeken, van dezelfde plank, en die genoegzaame grootte hebben om de beide keepen Q R te vullen die in 't raam zijn, en welke te wege brengen, dat de valdeur aan den eenen kant niet na om- laag valt. Voorts maakt men een touw dat zes voeten lang is
aan de eene kant van 't raam HG vast, en met het ander re aan den Kant M van de valdeur, op dat de last die overhaalt aan de kant van L zijnde, de valdeur niet ten eenemaaien doe omkeeren. De kant M moeteen weinig zwaarder zijn als de kant L, evenwel zo zwaar niet, of een Vos moet die kunnen doen overwippen. Op de val- deur moet men eenige kleine groene boomtakken vast fpijkeren, insgelijk rondsomme de kuil eene roedein 't vierkant, op dat de Dieren die er over willen loopen niet verfebrikt worden, alleen maar op de valdeur bladen ziende leggen. s'Morgens bij tijds moet men met een ijzeren vork of
eenig ander weerbaar gereedfehap gewapend na de kuil gaan, om het wild gedierte te dooden dat er ingevallen is. Ook dient men voor alles zorge te draagen, om de buurten die nabij een zodanige plaats geleegen zijn te waarfchouwen, op dat er geen ongelukken uit voort' koomen. Tot lokaas word een Schaap of Gans gebruikt. Dit
zijn de gefchikfte Dieren daar toe ; dewijl et n Schaap al- leen zijnde niet doet als blateren, en een Gans nagt en dag omgezelfchap roept; zo dat zo wei d'eene als d'an- dere van Wolven en Vosfen worden gehoort, welke er op toe fchieten om er hunnen prooij van te maaken, dog op 't eind van de valdeur treedende , keert die ter- ftond om, en doet het Roofdier in den kuil vallen. Om een Gans behoorlijk op een zodaanigeplaats vast
te maaken; zo ftelt dat het midden tusfehen de beide li- nien E G, F H. met bladen bedekt zijn, en dat detwee plaatzen door L M aangeweezen de twee einden van de val zijn, I K 't midden, en L 't eind dat om laag moet gaan. Kiest dan een boom uit die nabij moet ftaan, of wel een kreupeiftruik die ter degen fterk is, zoo als Tis getekend; maakt dat er een tak S zij, die ter hoogte van zes voeten overhangt; zet de Gans op die tak, na den kant van 't midden L aan de eene zijde van de valdeur j en bind die roet beide de poöten daaraan vast, zo dat ze zich niet kan los worfteleh' of er afvallen. Wil men een Schaap gebruiken , zal men dat met
zijne vier voeten omtrent 'r midden van de valdeur
vastmaaken , en 't ander end naar gelang wat zwaar-
der doen zijn , op dat als de Wolf daar op wil aan-
Kkk 2 va!-
|
|||||||||
|
wol;
Fol.Bat.; Tithijmàluscharàcias, folioferrato, C. Bauh
Pin. 290. ; Tithijmàlus mijrtites valentinus. Clus. Hiß'. 2. p. 189 ; Euphorbia inermis, foliis dentkulatis, cauli'. nis lanceolatis, umbellarum cordatis. iioij. Lugdb. 197.- (Euphorbia umbella quinquefida, trifida, dichotoma, in', volucellis diphijllis reniformibus, foliis amplexicaulibus cordatisferratis. Linn. Spec. Plant.) 3.- Zee Wolf smelk; Tijthijmatus maritimus. C. Bauh.
Pin. 291. j Tithifmalus paralios. Cam. Epit. 962.,- Eu- phorbia inermis, foiiisfetacei-linearibus confertis, umbella univerfalimultifida, partialibus ramofe bifidis. Roij. Lugdb. 193.; (Euphorbia umbella Jubquinquefida, bifida, involu. cellis cordato reniformibus-, foliisJurJumimbricatis.-LisN. Spec. Plant.) 4. Wolf smelk met breeds Mijrtusbladen ; - Tithijmàlus
mijrfinitislatifolius. C. Bauh. Pin. 291. ; Tithijmàlus foliis Jubhirfutis adcaulem ellipticis, fubfloiibus binis fubrotuu' dis. Hall. Helv. 191.; (Euphorbia umbella quinquefida, trifida, dichotoma, involucellis diphijllis reniformibus, foliis amplexicaulibus cordatis ferratis, Linn. Spec. Plant')
5. Heesteragtige Water-Wolf smelk, of groote EJula dit \
winkels; Tithijmàlus palustris f'ruticofus. C. Bauh. Pin. 1 292.; Efula major. Dalech. Hifi. 1653.; Euphorbia f), j Hts lanceolatis, umbella univerfali multifida polijphijlla, ! partialibus trifidis triphijliis , propriis dichoiomis. Roij. I Lugd. 198.; (Euphorbia umbella multifida, fubtrifida, bifida, involucellis ovatis, foliis lanceolatis, ramisflerili- f bus. Linn. Spec. Plant.) . 6. Wolf smelk met Pijnboomsbladen, o? kleine Efula dtr I
winkels; Titliijmalus foliis pini. C. Bauh. Pin. 191,; \ Tithijmàlus charàcias. Glus. Hifi. 2. p. 188.; Euphorbia 1 inermis, foliis lanceolatis, umbella univerfali multifida, I partialibus dichotomis , irtvolucris Jemibifidis petfolialis, § Roy. Lugdb. 197. ; (Euphorbiaumbellamultifida, bifida, J involucellis perfoliatis emarginatis, foliis integerrimis, 1 eaule frutescente. Linn. Spec. Plant.) 7. Indiannfche heesteragtige Wolf smelk; Tithijmàlus I
indiens frutescéns. Comm. Sort. 1. p. 27.;. Tithijmàlus f arhorescens, caule aphijllo. Pluknet. Phijt. 319. ; (Eu- f phorbia inermis fubnuda fruticofa filiformis ereäa , ra- I mis patulis deteiminate confertis. Linn. Spec Plant). 8. Son.Wolfs'melk of Wrattenkruid; Tithijmàlus heiks-
copius; Euphorbia foliis crenatis, umbella univerfali quin* I quefida pentaphijlla, partialibus trifidis, propriis triphijl- iis. Roij. Lugdb. 197. ; (Euphorbia umbella quinquefida, trifida, dichotoma , involucellis obovatis, foliis cuneifor' mi bus ferratis. Linn. Spec. Plant.) 9. Kleine lange eenjaarige Wolsmelk; Tithijmàlus ,five
Efula exigua. C. Bauh. Pin. 291.; Efula-minima tragi, Dalech. Hifi. i<55i.; Euphorbia inermis, foliis alternis Mnearibus acutis-, umbella univerfali. trifida, partialibus dichotomis diphijllis. Roij. Lugdb. 197.; (Eplmbia urn» bella trifida,- dichotoma, involucellis lanceolatis-, foliisli- nearibus. Linn. Spec. Plant.) 10. Kleine Zee-Wolfsmelk; Tithijmàlus maritimus mi-
nor. Rai]. 3. p. 313. ; (Euphorbia umbella quinquefida, bifida involucris cordato-reniformibus-, foiiisfurfum imbrica- tis. Linn. Spec. Plant.) 11. Breedbladige Wolf smelk; Tithijmalus-platijphijllos.
Fuchs. Hifi. 813.; Tithijmàlus arvenfis latifolmsgermani- eus. C. Bauh. .Pin. 29t.; Euphorbia inermis-, foliis I lanceolatis, umbella univerfali. partialumque prima quin* I quefidis, fecunda trifida, Kliquis bifidis. Roij. Lugdb. I 1-98. ; (Euphorbia inermis , foliis alternis lanceolatis I amplexicaulibus fubferratis,. umbella- univerfali ?"»'»' ! |
||||||
|
42°<5 WOL.'
vallen, de valdeur ten eenemaalen omgekeert, en hij
in de kuil valt. i Dan tot lokaas is nog veel beter, een dood kreng.met
een touw aan de Staart van een Paard vastgebonden, en «iié langs de wegen laaten fleepen die uit konst na de . kuil gemaakt zijn ofernatoeleiden, ookgeduurigoverde s valdeur heen; voorts het kreng aan een boom gehangen die digt bij de valdeur ftaat, zodaanig echter dat er geen Dier bij kan koomen of hij moet over de valdeur heen. Een zodanig kreng kan verfcheidene dagen agter een tot gebruik verftrekken. Alle Roofbeesten, zo wel Wolven als Vosfen die onder weg de grond van dat vleeschbe« fmet ruiken, volgen die weg met den neus omlaag', tot dat ze in de kuil vallen, of het aas vinden dat ze zoeken. ' ■ n .■. . Hoedaanig men een Angel toeflelt om Wolven
mede te vangen. Deezeh Angel die van taaij ijzer word gemaakt, be.
fiaat uit verfcheidene (lukken, welke alle op Plaat LXXVIII bened. af deeling, zo duidelijk en nauwkeurig afgebeeld zijn, dat iemand die eenigzints ervaaren is in 'tmaaken vanzoortgelijke Werktuigen, beter denkbeeld Uit die afbeelding zal kunnen vormen, dan wij in ftaaf zijn om hem dooreene wijdloopige b'efchrijving daar van ' te geeven. Hoedaanig men een Wolf kan dooden , door middel van
een fnaphaan die van zelfs wanneer het Dier op een knip trapt, losbrand; hebben wij reeds wijdloopig op het Ar- tijkei VOS befchreeven j zie aldaar, en de afbeelding hoe- daanig die toeftel gefchied, op plaat LXXV middel fie af- deel. die men met vrugt kan vergelijken met plaat LXXIX fovenfie af deeling, alwaar de toeftel eenigzints anders word afgebeeld. WOLFS-BES1E, zie PARIS KRUID.
WOLFS BOONEN, zie LUPIJNE.
WOLFS-FEEST, zie BOVIST.
WÖLFS-HONDEN, zie HONDEN.
'j'WOLFS.KLAAUW, zie AARDMOSCH. WOLFS.MELK, Duive l smelk, groote Spurgie; in- 't
grieksch genoemd TiöJ^»a©-, van Ti^ pap, en ^«a««©- zagt, als zeide men zagte pap, omdat deeze Plant melk van zich geeft. Kenmerken-. De Bloem beftaat uit een Blad, 't welk
een bolrondagtig klokje maakt, in verfcheidene maans- gewijze verdeelingen gefneden, en van twee kleine Bla- den omringt,, die het werk van esn Bloemkelk fchijnen te verrichten. Het Stijltje dat meest driehoekig is-, komt uit den grond van.de Bloem, en word naderhand een Vrugt van dezelfde gedaante, in df ie Zaadhuisjes ver- deelt, in elk van welke een langwerpig Zaadje befloten is; hier bij kan men nog voegen , dat alle de gedeeld terts-van de: Plant, een feberp- melkagtig fap bevat. 3 7soorten> Veelvuldig zijn de zoorten-van dit Kruid, gewas; de Heer Miller telt er in zijn'Woorden- boek een en 't zeventig zoorten van op-, waar van- de meesten uitheemfche Planten zijn , wij zullen ons, vergenoegen, hier eenige der voornaamilen-te laaten volgen; - : i. Bosch Wolf'smelk met Amandelbladen; Tithijmàlus
tJiaracias amijgdaloides, G. Bauh. Pin. 290..; (Euphor- bia umbella multifida, dichotoma, . involucellis perfoliatis »biciilatis-, foliisobtußh Linn,Spec. Plant.) 'j.. Bosch Wolf smelk met fchoone-bonte Bladen; Tithij-
lUsxvratias amijgdahiivs .foliis eleganter, variegatis, Herm. |
||||||
|
_J3£H---»r^B-
|
|||||||
|
WOL.
luefida pentaphijlla, partialibus bifidis, Linn. Spie.
plant.) 12. Knobbelwortelige Wolfsmelk of Mackenboij van de
Ieren.; Tithijmalushibernicus. Mebr. Pin. igt.; Tithij. malus hibernicus, vasculis muricatis ereäis. Dill. Elth. ,87,; Tithijmalus latifolius hispaniciis. C. Bauh. Pin. igïii (Euphorbia umbellafexfida. duhotoma, ir.voliwellis ivalibus, foliis integerrimis, ramis nullis, capfulis verru- cofis. Linn. Spec. Plant:.') 13. Wolfsmelk met Bloemen van gedaante als een was-
(iride maan; Tithijmalus lunatoflore. Col. Ecphr. 2. p. j'y.; Tithijmalus fljlvaticus, lunato flore. C.Bach. .PîVj. 290.; (Euphorbia umbellamultifida, dichotoma, tnvolucel- lis perfoliatis fubcordatis, foliis lanceolatis integerrimis. Link'. Spec. Plant.) 14. Wolfswortel met een Tuberoofenwortel, van gedaan-
te als een Peer ; Tithijmalus tuberofa pijriformi radiée. C. Bauh. Pi/i. 292.; Tithijmalus tuberofa radice. Clus. Hifi. 2. p. 190,; (Euphorbia umbella quinquefida, bifi- da, invohcellis obcordatis. Linn. Sijfi. Plant.) * 15. Wolfswortel met Wilgenbladen, purpere Stengenen
groote Bloemen; Tithijmalus otientalis, falicisfolio, eau- lepurpureo, flore magno. Tournef. Corol.2.; Euphorbia inermis, foliis lanceolatis, involucro univerfali quinquefi- do lanceolato, partiali tetraphijllo fubrotundo , propriis di- fhijllis. Roij. Lugdb. 198. ; (Euphorbiajnnbella quinque- fida, qmdrifida, dichotoma, involucellis fubrotundis acti- tis, foliis lanceoUtis. Linn. Spec. Plant.) 16. Kuraifauwfche Wolfsmelk met gladde Wilgen- of
Melde-bladen, zommige met roodagtige , zommige met groenagtige Stengen ; Tithijmalus curasfavicus, falicis { atriplicis foliis hirfutis, caulibus fubrubentibus. Mo. Sis. Hifi. 3- p. 336. ; Tithijmalus curasfavicus falicis £? atriplicis foliis variis, caulibus viridantibus. ; (Euphorbia kermis, foliis ferratis pstiolatis difformibus ovatis lanceo- ktis panduriformibus. Linn. Spec. Plant.) 17. Regtopgrceijende Wolfsmelk met gladde Glaskruids
Maden en Bloemen; Tithijmalus ereBus acris, parietariie foliis glabris, floribus ad caulum nodos conglomeratis. H. SiOAN. Jam. 82. hifi. 1 p. 197. ; Tithijmalus ereBus fioribus rarióribus, foliis oblongis glabris integris. Burm. leijl. 224, j Euphorbia inermis, foliis o valibus oppofitis hinc ferratis uniformibus, ramis alternis. caule ereüius- cuh. Roij. Lugdb. 196,; (Euphorbia dichotoma , foliis fsrratis ovali-oblongis glabris, corijmbis terminalibus, ra- nis divaricatis. Linn. Spec. Plant.) Plaats; Kweeking; enz. De eerflezoort, word in 't
wild gevonden , in Bosfchen en andere befebaduwde Plaatzen van Neder- en Hoog-Duitscbland, Frankrijk, Engeland, enz. en is eene plaats waardig in kleine Wild- bosfchen, of andere befebaduwde Plantafien , alwaar ze zser wel wil tieren,. en in hei voorjaar groote trosfen Bloemen voortbrengt, welke, feboon niet zeer fraai,; "ogshans eene zonderlinge gedaante en koleur hebben, De Kweéking vereischt geen de minfle moeite, dewijl & zich van zelfs veelvuldig genoeg zaai jen. De tweede zoort, is eene verandering van de eerfte;
dp Bladen hier van zijn fraai bont, en ze vertoonen zich als drie koleuren hebbende. Men vermenigvul- digt deezezoort door Stekken, welke in potten , met %e fandige aarde gevuld, moeten geftooken worden,- 'o in de fchaduwe geplaatst, tot dat ze wortel gevat' Rebben, waarna men ze onder andere fraaije Plakten *an plaatzen, alwaar ze fomers voor de brandende hitte; **n de fon dienen befchernid te-worden, en in de-win- |
|||||||
|
WOL. 4207
'ter moet men re voor harde vorst onder een raam be-
waaren, dan niet ßerk vriefende moet ze zo veel doen^ lijk frisfche lucht genieten, 'en vooral niet te vogtigge- houden worden. De derde zoort, word in 't wild gevonden aan verfchei-
dene Zeekusten van Europa, en is van daar bij zommi- ge Liefhebbers in de tuinen overgebragt. Deeze kan men vermenigvuldigen door het Zaad, als mede door. Stekken, die in het voorjaar in een fchraale keifelgtui- zigen grond, moeten geftooken worden. De vierde zoort, kan op dezelf.de wijze als de voor-
gaande, door het Zaad te zaaijen, of Stekken te ftee- ken, vermenigvuldigt worden; dan ze moet een drooge grond en warme ftandplaats hebben , anderzints gaat ze 's winters door de vorst uit. Deeze Plant kruipt langs den grond, en moet ver van andere Planten ge- plaatst worden , om dat indien dezelve er over hangen, ze niet wel tiert. ■ De vijfde zoort, groeit in 't wild in moerasfige plaat«
zen van Vrankrijk, Spanjen, Italien, enz. ze word bij ons in zommige Kruidtuinen bewaard, dewijl'het een medicinaale Plant is.----------- Men vermenigvuldigt
dezelve door de Wortels te fcheuren, en Stekken in
het voorjaar te fteeken, 't welk men moet doen in een ligte grond en eene opene ftandplaats, groeijende hees- teragtig en vier of vijf voet hoog, zoo dat men ze ter» minften drie voet van malkander moet zetten. - ■ -■ Deezezoort heeft luttel fchoonheid, en word enkeleen plaats in den Kruidtuin gegund, om cbjt het een medici- naale Plant is. De zesde zoort, is eene zeer harde Plant, en verme-
nigvuldigt zich door haare kruipende Wortels ,| zo dat, indien ze niet in potten bepaald word , ze zich wijd ea zijd over den grond verfpreid, ----- Deeze insge- lijks een medicinaale Plant zijnde, dient enkel om die rede eene plaats in de Kruidtuinen te hebben, dewijl ze weinig feboons heeft. De zevende zoort, is een tedere Plant, welke, inde
warme gewesten van Oost en Westindien te huis hoort- Wil men dezelve bij ons kweeken , moet die met groote zorgvuldigheid in de Stookkas bewaard worden , en verdient daar ook wel eene plaats onder andere fappige Planten. --------- Men vermenigvuldigt die door Stek--
ken, welke van de oude Planten bij eene geleeding:
moeten gefneeden en geduiirende veertien dagen in éen droog gedeelte van de Stookkas gelegd worden; na dien tijd moet men ze in kleine potten , met ligte fandige aarde en kalkpuin onder een gemengt planten, en ineen1 Broeibak met run zetten, alwaar ze moeten blijven,, tot dat ze wortel hebben gevat, na welken tijd men haar allengskens aan de.open lucht moet gewennen, en daar na in de ftookkas brengen, alwaar ze geduurigmoeten; gehouden worden, dewij! het een buitengemeen tedere Plant is; alsdanzullen ze zeer wel tieren en groot wor» den , dog wat zorge men er ook voor draagt ,. bren- gen ze bij ons zeiden Bloemen voort.. De agtflc en drie volgende zoorten . zijn eenjaarige Plan'«
ten die in Neder, en Hoog Duitschland , zommige Pro- vintien van Vrankrijk, Engeland, enz. van zelven als on- kruid op de meeste Bouwlanden' voorkoomen. Dee- ze Planten zijn met een melkagtigfap vervuld, 't geen zommigen verzekeren heilzaam te zijn om Wratten te verdrijven , dit ùp er overgefireeken wordende; dan zulks moet met on)zip,tighcid gtfchïeden, dewijl ditvogt'. buitengemeen, cauflijk of brandende is. -
E<kk 3; de«i.'
|
|||||||
|
WOL.
Kenmerken. De Bloem beftaat uit èén Blad, en |8
eenigzi'.ts van gedaante geliik een muil, wdker Stijl, tje naderhand een Vrugt word met drie Zaadhuisjes, ge, lijk die van de Wolfsmelk. Zoorten. Twee zoorten zijn er van dit Kruidgewas
die wij hier laaten volgen. 1, Amerikaanjch heesteragtig Bastertl-Wolfsmelk mtt
Mijrthe-Bkdem Tithijmaloides frutescens, folio Mij ni amplisfimo. Tournef. Infi. R. Herb. ; Tithijmaloides lau. rocerafl folio non ferrato. DiLL, Elth. 383. j Tithijm-Jus curdsfavicus mijrtifolius, flore papilionaceo coccineo pur. vo. Comm. Hort. I. p. 31.; TithijmaluscurasJ'avicusmijr. tifalius, flore coccineo mellifluo. Herm. Par. 234.; (Eu, phorbia intrmis fruticofa, foliis diftiche alternis ovatis, Li NN. Spec. Plant.") 2. Heesteragtig Basterd-Wolfsmelk met Oleander-Blad;
Tithijmaloides frutescens foliis Nerii. Plum. Amer. Plaats; Kweeking, enz. Deeze Planten zijn zeer ge.
meen in de warme Gewesten van Amerika, alwaar de eerfle bekend is met den naam van Poifon Weed, vergift. Kruid. Deeze zoort is nu vrij gemeen in de tuinen van hun, die liefhebberij vinden om tedere buitenlandfclie Gewasfen tebewaaren, maar de tweede zoort is in de Eu- ropifche tuinen nog zeer zeldzaam. Beide de zoorten worden vermenigvuldigt door (lekken,
die van de Planten kunnen genoomen worden geduurende een deribmerwnaanden; en na dat ze veertien dag«n of drie weeken in een drooge plaats gelegen hebben, tot dat hel gewonde deel geheeld is, moeten ze geftooken worde« in kleine potten , met ligte fandige aarde waar ondel kalkpuin gemengd, vervuld, en dan in een Broei bak roei run gezet worden, in agtneemende, om ze nu en daa zàgtelijk met water te vervrisfehen ; dan ze moeten nooit te veel nat hebben, dewijl zulks haar doet rot- |
|||||||||||||||||
|
WOL.
|
|||||||||||||||||
|
4208
|
|||||||||||||||||
|
deeze zoorten koômen op uit zaad, wanneer het maar
geftrooid word, 20 dat diegenegen is om ze te bewaa ren, haar maar een plaats, even veel welke, in detuin behoeft te geeven, want ze hebben geen de minfte op- pasfens tot haare vermeenigvulding nog voortkweeking nodig. De twaalfde zoort, groeit in verfchefdene noordelijke
gewesten van Europa, en inzonderheid in Ierland van zelven in 't wild, in welk laatstgemelde Gewest, ze Voorheen veel in gebruik was onder de Inboorlingen, en het voortfaamfte Geneesmiddel dat ze te werk Melden voor allerlei ziektens, dan ten huidigen dage heeft ze ten eenemaalen haar crediet inde geneeskunde verioo- ren. .. Het is een overblijvende Plant, welke dik- ke knobbelige wortels voortbrengt, die om het andere
jaar kunnen gefcbeurd worden. Ze is zeer hard, en tiert bijna in alle gronden, dervende in den herfst tot aan de wortel toe, dog kootnt in het volgende voorjaar van zelve wederom te voorfchijn. Men kan ze in Wildbosfchen kweeken, alwaar ze zeer wel onder den drop van grooteBoomen tiert, enzodaanigeplaatzenkan vervullen, daar w»inig andere Planten groeijen wil» len. De dertiende , veertiende en vijftiende zoorten, zijn door
de Hr. Tournefort in de Levant ontdekt, van waar hij het Zaad zond naar den Konioglijken tuin te Parijs, alwaar er veele gekweekt, en zedert aan verfcheiden Liefhebbers door geheel Europa zijn medegedeeld. Allé drie zijn het zeer h.arde Planten,- .en.bekwaam om in de Wildbosfchen gezet te worden, alwaar ze, indien een bekwaame drooge grond hebben j zeer wel zullen tieren, en eene aangenaame vertoorring maaken. De eenige kweeking die ze nodig hebben, is zorg tedraa- gen, dat ze door, geen hoog groeijend onkruid verdrukt worden. . , De zestiende zoort, is in groote meenigfe door Dr. Hous-
ton te Kampecbe gevonden, die het zaad daar van naar Engeland heeft gezonden, van waar het aan verfcheidene Liefhebbers der Kruidkunde in andere Gewesten van Eu- ropa is medegedeelt. derfte Bladen final en geheel, en die, welke bij het bo-
venfte gedeelte van de Scheuten voortkoomen, zijn breed eningetand, eenigziras gelijk die van deHofmelde; de ÏJloemen koomen aan hetend der Takken voort, zijnde groenagtig wit, en hebben weinig fraaij's, ook vallen ze fchielijk af, zodat de Planten zelden bijons goed zaad geeven, -
't zaad, 't welk vroegtijdig in het voorjaar in een Broei-
bak moet gezaaid worden, en wanneer de Planten op- koomen, moet men die elk in een bijzondere pot met verfche ligte aarde gevuld verplanten, en dan wederom in den Broeibak zetten, alwaar ze moeten befchaduwd worden,: tot dat ze op nieuw wortel hebben gevat, na welken tijd ze eveneens moeten behandelt worden, als de voorgaande tedere zoorten. De zeventiende of laatfte zoort, is een eeniaarige
'Plant uit warme gewesten oorfpronglijk, en moet bij »ons vroeg in het voorjaar in een maatig warme Broeibak gezaaid worden, en wanneer de Planten zijn opgekoo men, moeten die in potten geplant en wederom in de Broeibak geplaatst worden, want zij zijn te teder om bij ■ons in de open lucht te tieren. ■.'■ WOLESMELK;(BASTERD.) in'rlafijn Tithijmaloi.
■des, van 't griekseb t^o>.«;,©-, Wolfsmelk, en 'iu3-&', .gedaante. |
|||||||||||||||||
|
ten- * .
Na dat ze Wortel hebben gevat, mogen ze meer lucht
hebben, door de glazen open te zetten, maar ze moeien nooit aan de open lucht blootgefteld worden. In deeze Bak kunnen ze blijven tot het begin van ofbober, wan- neer ze in de Stookkas moeten gebragt, en met de Me- |
|||||||||||||||||
|
loen-en Toorts-Distel in eene warme drooge ftandplaats
gezet worden , en ze moeten geduurende den winter zeer weinig water hebben. In 't voorjaar moeten deeze Planten wederom in de Runbak gezet worden, 't welk haare groeijing zeer veel bevordert, en ze Bloemen doet voortbrengen; 't welk ze zelden doen, wanneer ze .op planken in de Stookkas gehouden worden, en ze maaken in zulk eene ftandplaats geen merkelijken voortgang. . Deeze Planten worden om haare, zonderlinge ge«
daante bewaard onder andere fappige Planten, zijnde haare Bladen zeer groot, dik, en vol van een melkag« tig fcherp fap. , ., . . WOLFSVEEST, zie BOVIST. ■
WÖLFSVLIEGEN:, zie ROOFVLIEGEN.
WOLFS WORTEL; in 't latijn, Aconitum; in't
grieksch, 'Axóurt», 't welk zommigen afleiden, van à%si% een wetfleen of rots, om dat dit Kruidgewas groeit op onvrugtbaare rotzige of fteenige plaatzen; anderen van « en xo'uj, flof, omdat ze groeit zonder aarde; anderen van ay.ät, àxn, een pijl, om dat ze van de Wilden ge' bruikt word, om er hunne pijlen mede te beftrijkenj anderen van ùnaûÇafixi, verhaasten, om dat ze den dood verbaast. ; Kenmerken. De zoorten van dit Kruidgewas hebben
om.
|
|||||||||||||||||
|
I
|
|||||||||||||||||
|
wol;
|
|||||||||||
|
wol.
|
|||||||||||
|
43<?s
|
|||||||||||
|
enifchreevene foödagtige verdeelde Bladen; de Bloemen
beftann üit vier Bladen, welke de gedaante hebben van een Monnikskap. Elk van deeze Bloemen word gevoigt yan drie of meer Peulen, welke verfcbeiden ruige Zaaden bevatten. De meeste zoorten van deeze Planten , zijn doodelijke venijnen. Zoorten. Men heeft verfcheidene zoorten van dit Kruid-
»ewas» waar van de vijf volgende, de voornaamften zijn. 1. Gemeene Wolfswortel, doorgaans Monnikskap ge-
noemt, met blaaüWe, ook met roödagtige, witte, en blaauWbonte Bloemen ; Napellus verus. Lobel. Hifi. 037.; Aconitum coeruleum five Napelias 1. C. Bauh. Pin. J83'j (Aconitum foliorum laciniis linearibus fupenie latio- ribus linea exaratis. Linn. Spec. Plant.) '■'■ 2. Kleine Wolfswortel, of Monnikskap met blaauwe,
purperagtige, of wit en blaauwbonté Bloemen; Aconi- tum coeruleum parvum. Dodon. Pempt. 441. Dai.echamp. Hiß. 1743'! Aconitum coeruleum minus, five-Napellus minor. G. Bauh. Pin. 183. ; (Aconitum foliis multifidis, i&tinihfemipartitis, fuperne latis. LiNN.Spec. Plant.) 3. Geele Wolfswortel groote en kleine zöört; Aconi-
tum IL Cam. Epit. 827.; Aconitum lijcoUonum luteum. C. Bauh. Pin. 183. ;' Aconitum Hjco&ónum'i flore lutea. Besl. Eijfi. ceß.2'5.'; Aconitum foliis peltatis multifidis, petaio fupremo cijlindraceó. Roij.'"'Lugdb. 482. Hall. Helv. 312.; (Aconitum feliis palmatis multifidis viliofis. tiKN. Spec. Plant.) 4. Pijreneefihegtele Wolfswortel, de fnippelsderBla-
den óver malkander leggend; Aconitum pijrenaicum lu- teum, foliorum fegmentis fibiinyicemincuinbentibus.'RAj. Eurcp. 367. ; (Aconitumfoliisinultipartitis, laciniis linea- ribus incumbentibus fquarrofis. Lins. Spec, Plant.) 5. Heilzaame geele Wolfswortel; Anthora five Antitho-
ra. CAm. Epit. 837.'; Aconitum'faltitiferum five Anthora. C. BXuti. Pin.'184. ; Aconitum foliorum laciniis lineari- husdijfïfi&isilbioueejusdèm latidudiriis. Hall. Helv. 313. ïloj. Lügdb. 483; ; ' (Aconitum floribus pentagijnis. hiisïs. Spec. Plant.) -!' " " [Plaats. 'De drie eerfle. zoorten groeijen indeGeberg-
lens van SaVoijen, Böbeemen, Oostenrijk, Switzer- land, Italie, enz. ------ De vierde zoort in de Pijre-
neefche Gebertens, Tartarrjen, Sibérien, enz. __ De
lijfde zoort in de Gebergtens van Savoijen, Switferland,
Italien, enz. 'Kweeking, enz. De vier éérfte zoorten zijn zeer ver-
giftige Planten, en behoorden derbalven niet onverfchiliig in de tuinen geplant te worden; meer als een voorbeeld is er voor handen , dat Menfchen geftorven zijn -, die bij vergisfing de Wortels voor Selderie neemende, die onder Salade hadden genuttigt. Wil men ze echter om deszelfs fcboone Bloemen kweeken, zo gefchied zulks door.de Wortel te fcheuren, in maart of april, in Eän goede losfe grond en opene ftandplaats, willende bij ä_ns zeer wel tieren en Bloemen voortbrengen, zonder dat iij eenige oppasfïng noodig hebben. De vijfde zeort, welke men zegt, dat tot een tegengift
:egens het vergift der Wolfswortel verftrekt, word op iezelfde wiizegekweekt. WOLFSWORTEL,-(WINTER-) ook wel winter, of
ikine Nieswortel genoemd , Aconitum hijemale. Lobel.; dconl.um unifolium buibofum. C Bauh. Pin: Helleborus 'munculoides prtecox tuberofus, flore lutea. Moris. Hiß. Lp. 459.; Hel'leborhs flore folio influente. Róij, Lugdb. M- ; (Helleborus B ijemalis. LiKN. Spec. Plant:)- ■■ ■' Kenmerken. De.Bladen van.di'c Gewas gelijken na;dië
|
|||||||||||
|
der Wolfswortel; de Bloemen xveïftc wit het midden der
Bladen voortkoornen, hebben veel overeenkomst met die der Ranunkel, met vee.Ie Helmitijltjes in het midden- punt, en koomen in alle andere opzigten met het Nies- kruid overeen; onder welke kiasfe de Heer Boerhaave deeze Plant ook gebragt heeft. Plaats. De natuurlijke groeiplaats van dit Kruidge»
was, is de Savoifche en Italiaanfche Gebergtens. Kweeking , enz. De Winter Wolfswortel is een gewas
dat 't vroegfte in 't voorjaar bloeit en dikwiis in 't mid- den van januarij Bloemen voortbrengt, om welkareden het in alle fraaije tuinen eene plaats verdient. Mm kweekt het zefve gemaküjk aan , door de Bolwortels ia maij of junij te fcheuren, wanneer de groene Bladen ver» dorren, eer ze nog geheel afgevallen zijn , dewijlhetna- derhand zeer moeijelijk is de wortels te vinden; men plant ais dan deeze Wortels, in een goede, liefst fandagtige grond , en op een plaats die open dog teffens lommerig is, als dan zullen dezelve weeldrig en tierig groeijen. WOLLE, zie WOL. WOL-GRAS, zie KATOEN-GRAS. WOLKRUID; Fakkelkruid -, Keerfenkmid; Koningt- keerfe ; in't latijn, Verbascum; zo genoemd, als wareheC Berbascim, om dat de Bladen van deezePlant, gebaard, ruig en haairig zijn ; het word ook genoemd Caudela-re- gia en Lijchnitis, om datdeszelfs Bladen gebruikt wor- den in plaats van katoen in lampen ; ook noemen hetzom- migen Phlomos van (pxiyu'), branden, om dat het als in vlam fchifhc te flaan. Kenmerken. De Bloem beftaat uit een "blad, 't welk
zich in een ronde gedaante uitbreid, en in verfcheide- ne verdeelingen gefneden is. Uit het middenpunt komt bet Stijltje, 't welk naderhand een ovaalepuntige Vr'ugt word , in twee celletjes door een middelfchot ver- deeld, welke met kleine hoekige zaadjes vervuld zijn. Zoorten. Daar zijn veelvuldige zoorten van dit Kruide- gewas die tot eenentwintig in getal bij de Heer Mil- ler in zijn Kruidkundig Woordenboek worden opgeteld* Dan dewijl er weinig fraais aan is, zullen wij alleen die zoort melden, welke in de geneeskunde word ge- bruikt. Groot wit Wolkruid; Verbascum latius. Dod. PempK
143.; Verbascum mas latifolium luteum. G. Bauh. Pin, 239- ; ( Verbascum foliis decurrentibus utrinque tomentofis*- LïNN. Spec. Plant.) Plaats. Op fandige plaatzen in Neder- en Hoog-Duitschf
land, enz. en iseenjaarig. Kweeking. Wil men deeze Plant in den tuin kwee«
ken, zo gefchied zulks door in augustus het. zaad op een bed met Ijgte aarde te zaaijen in een opene ftandplaats,, alwaar de Planten in de volgende maand zullen opkoomen,. en de winterkoude zeer wel verdraagen , mits dat ze een drooge grond hebben. In de maand junij van het vol« genrie jaar geraaken zij in bloeij , en haar zaad word- in iulij rijp. Kragt. Het Wolkruid is matig verwarmend, opdroo--
gend, venveekënd en pijnfh'llend", wordende gepreezen voor bloedfpitwing en hoest, ten dien einde de Bloemen als Toegetrokken engedronken.- Dog dit kruid ver« ftrekt meest tot uitwendig gebruik inpijnftillendeomfla-- gen voorambeijen, sanwasfenderKinders, jiciftenz. wor- dende ten dien einde de Bloemen of Bladen in verfche- boter of olie gekookt j en als een omflag gebruikt.. WOLLÎGÏÏ-nUiF-, zie.DUIVEN. WOIJJGE-HOENDEREN, .zie HOENDEREN., WOL."-
|
|||||||||||
|
WON.
zagte deelen te fielten, om dezelvetriet deBeenbreuken
niet te vér warren. Daarenboven zijn de Beenderen zonï. tijds gebrooken door een oorzaak Van buiten, of door eenig geweld, zonder dat er"een Wonde is. Dus kan men deezen naam niet geeven aan een Beenbreuk, alwaarde bekleedzelen, nog bet vleesch, de minfte van éênfchei- ding gehad hebben. ...... /-:... Eindelijk moet deeze van éênfcheiding, aisdeWor.de
uitmaakt, verricht zijn dooreene oorzaak van buiten, om een onderfcheid te maaken roet de van éénfeheidingen, die zomtiids in het lighaam veroorzaakt worden door in- nerlijke oorzaaken, gelijk de abfeesfen, verzweeringen, putsten, enz. Men zou tegen kunnen werpen, dat in eenige Beenbreuken,; de ftukken been of bun fchilfers, vrij dikwijls Wonden maaken, die de buiten zijnde oor- zaak van de Breuk niet. gemaakt ■ heeft.,, In dusdaanige gevallen moet men de gebroken Beenderen aanmerken ais vreemde iigbaamen, die op de zagte deelen niet ge- weldig werken als door de kragt van een buiten zijnde oprzaak, 'en die dus in de .plaats van een onmiddelijke, oorzaak zijn. . De meeste Schrijvers fluiten uit het getal der Wondm
de brandingen ük, die met een van éênfcheiding ver. zeld gaan. Zij (lellen die onder de verzweeringen, om de invreeting die het brandende werktuig veel eerder door zijn hette, dan door zijn masfa doet; maar om dat deeze brandingen verfche van éénfeheidingen zijn, fchie- lijk in vaste deelen gefchied,, door het gewéld van een buiten zijnde oorzaak, kan men niet anders als dezelve mede onder de Wonden neemen. . Gui j de Chauliac Tr. des Plaies Ck. 1. en met hemde Ouden, en bijna alle de Hedendaagfchen , voegen er bij, dat de van éênfcheiding, die de Wende uitmaakt, bloedig en zonder verotting moet zijn, dat is, zonder etterwording, om haar dus van de verzweering te,onder' fcheiden. De volgende redenen brengen dit gevoelen te onder. Vooreerst, zoalle Wonden bloedig moesten zijn, zou men uit haar getal moeten wegneemen, : alle die door fchietgeweer veroorzaakt zijn, pf door brandende werk- tuigen; deeze ftorten geen bloed; de korst, die zij op ftaande voet mäaken, belet de uitftorting, ten minden zo er niet eenig groot bloedvat geopend is. Vervolgens zijn het niet als de verfche Wonden , die bloed uitftor- ten ; na dat het eerfte verband gelegt is, komt er gemeenlijk geen bloed-meer uit. Ten tweeden, indien de IVoni van naam veranderde, zo dra ais er een etterwording volgde, zou zij die niet langer behouden als tot den vijf- den dag, ja zomtijds maar tot aan den tweeden of den derden ; om dat na dien tijd in zommige Wonden de et- ter reeds begint te zetten. Ondertusfchen, zo de Wondt kwalijk behandelt is, of zo. in dezelve gevonden word een voedzaam fap vaneen kwaade hoedanigheid, of een fcherpe etter, die een wegvreeting van de zelfltandig« beid veroorzaakt, en dat dezelve op den behoorlijken' tijd, die haar natuur begeert, geen vleesch word or zich tot een lidteken zet, en in tegendeel baarlippen bard en kaikagrig worden, verandert zij in een verzwee- ring. met dit onderfcheid; dat nooit een Zweer een Wjondt worden kan. Van de Oorzaaken der Wonden.
: Uit de bepaaling, die wij van de Wonden gegeeven
hebben, volgt, dat alle baare oorzaaken buiten het lig' haam zijn. Zij gebeuren door fnijdén, fteeken, kneu- fen, fcheuren, of bijten. De werktuigen van de eer-
|
||||||
|
421© WOL. WON.
i WÖLLIGË-KRAB , zie KRABBEN, U XXIX.
pag. 162.2.' WOLLIGE MALROTJW , zie MAROUW, «.'4.
pag. 194 7- WOLLIGE-MED1CA , zie MED1CA , n. 3. pag.
2002. 'WOLVE-JAGT, "zie JAGT, pag. 1252. WOL-Z WEELENDE-WORM. Dusdaanigen naam
geeft de Heer Linnäus aan sta'Worm , of betergezegt Rupsje, waar uit een Torretje tevoorfchijn koomt, on- derhet geflagt der Doodgraavers behoorende, dat in Zijn Sijfl, lüfat, Word genoemd : Silplia ohlonga nigra, elijtris punSis duobus ferrugineis. De Heer Frisch be- fchrijft hetzelve onder den naam van geel gevlakt Tor- retje uit den wol zweetende-Worm, op de volgende wijze. Een Worm als een Pisfebed, ongevaar drie liniën of
een vierde duims lang en twee Iiniën breed, onthoud zich op allerlei Boomen en dikwils op de Linden. De- zelve is van den aart der Wol.zweetende ; dat is, uit wel- ker Lijf, door alle zweetgaatjes vandeRug, lange wol- lige Haairtjes uitgedreeven worden, waarin zij zich, ten tijde haarer geftaltewisfeling , verbergen. Deeze Wormpjes hebben wel reeds langagtige Haairtjesop de tien Ringen van haar wit Lijf; dog als zij" willen veran- deren, dat in junij gefchied, kruipen zij in een hoek; alwaar zij naauwlijks begonnen hebben ftil te zitten, of dit wollige hafair groeit tot de Rug zo lang en dik uit, dat men niets meer van de Worm kan zien. AI worden zij geftoord, dan kruipen zij weder uit de Wol, en, zich op een andere plaats begeeven hebbende, zweeten zij op nieuw andere Haairtjes uit.' In deeze Wolligheid Veranderen zij in een Torretje, dat van dezelfde grootte is, en in julijreeds te voorfchijnkomt, zijnde dofzwart- bruin, en hebbende, op ieder Vleugel, twee houtgee- le Vlakken , die agter elkander en wederzijds evenwijdig ftaan. Het heeft groote glinfterend zwarte Oogen en korte Pooten , gelijk de ronde, kleine Boomtor- retjes. WONDE, Wonden; in 't latijn Vulnus, in 't fransch Plaie,
word in 't algemeen genoomen vooralle van éénfchei- ding van het geen tevooren vereenigd was. Zie Celsus, j;$T. c. w6. Dog men verftaat inzonderheid door Wonde, een nog versch zijnde van éênfcheiding van het geen te vooren vereenigd was, zijnde fchielijk in de zagte deelen van ons lighaain veroorzaakt, door het geweld ran eenige buiten zijnde oorzaak. Men begrijpt onderden naam van zagte deelen alle de vaste deelen, uitgezonderd de Been» <leren en Kraakbeeuen. De Solutio continui f het zij geoorloofd deeze latijnfche
Uitdrukking om haar kortheid te gebruiken) is een ge- weldige verdeeling der vaste deelen van het lighaam, die Natuurlijk vereenigd en aan één vervolgd'zijn, of behoo- ten te weezen.' * Schoon de Wonde een -ontbinding van aan'éénvolging
gij, is echter al diergelijke ontbinding geen Wonde. Ab- 'ße sfen, Ulcera's, Caries en Beenbreuken, zijn dusdaanige ontbindingen , zonder dat bet' Wonden zijn. Vooreerst moet dan de van éênfcheiding versch zijn,
■om dat zij oud wordende, en in den behoorlijken tijd "zich tot geen lidteken zettende , in een verzweering »vergaat. w '-2'. Dezelve moet fchielijk gefchieden, om dat de wer«
%ïng der oorzaaken , die dezelve voorbrengt, vaardig is, '% welk in de verzweeringen niet gebeurt. 3, Het is Eoodzaakelijk de .plaats der -Wonden in de
|
||||||
|
.
|
||||||
|
WON. "
ffe oorzaak, worden fnijdende genaamd. Van dit zoórr.
2i]'ii alle de harde en vaste lighaamen, inzonderheid die van'ftàal gemaakt zijn, en die een of meer zijden dun , breed en fcherp gefleepen hebben, gefchikt zijnde om de deelen te verdeeien en in tweën te fcheiden. Dusdani- ge zijn mesfen, fcheermesfen, zabels, degens, bijlen, zelsfens, enz. De oorzaaken, die fteeken en doorbooren, worden fieekende werktuigen gebeeten. Het zijn harde, lange, dunne en gepunte lighaamen, bekwaam om zon- der fnijden door te dringen. Deeze klasfe bevat de doorns, angels, en de fijne tanden van zekere Infekten, de fpel- den; naalden, elften, priemen, enz. Onder deze werk- tuigen heeft men er die fieekende en fnijdende te gelijk * zijn , gelijk de ponjaarden, bajönnetten, fmalle degens, gepunte mesfen, peqnemesfen, enz. Men betekent door den naam van kneuzende werktuigen, de oorzaaken die de deelen verpletteren ; zodanigenzijn (tokken, knodzen, hamers, fteenen, raderen van wagens, en alle zwaare, harde en botte lighaamen; in het getal van deezen moet rnenookplaatzen, kanon-kogels, fnaphaan-kogeIs,loot,de fchcrven van bomben en granaaten, enz. waarvan de fnelheid de kragt veel vermeerdert. Onder de oor. zaaken, die fcheurende werken, telt men de zaagen, raspen, haaken.de tanden der Dieren, en andere har- de en oneffene lighaamen. Bij deezeoorzaakenkanmen voegen alle zwaare lasten, groote geweiden, verhaaste loopen, fprongen , vallen , fcheuren , en al het geen in ftaat is om detleelen naarverfcheiden zijden te fun- geren. Men heeft in zulke gelegenheden bloedvaten , zenuwen, fpieren en peezen, gebrooken en verfcheurd ge- zien. Eindelijk kookend water en olie, loot en alle ge- fmolte metaalen, het vuur, de blikzem van de lucht, een brandend vuur ; roofmaakende middelen, als de lapis infernalis, butijrum antimonii, olie van vitriool, fterk water, geest van falpeter , en diergelijke andere vuurmiddelen.zijn altemaal daadelijke of vermogende brand' middelen, die Wonden maaken door hetvleeschzomtijds tot de beenderen af te knaagen, weg te vreeten en te ver- minderen. Zo er eenige andere zoorten van Wonden zijn* moeten zij alle tot de vijf zoorten gebragt worden, daar wij melding van gemaakt hebben. ' Van het onderfcheid der Wonden.
-Zeven zaaken kunnen het onderfcheid der Wonden
bepaalen. i. Haare oorzaaken , 2. haare plaats; 3. haare gedaante, grootte, diepte en leiding ; 4. de gekwetfte deelen; 5. haar wezen ; 6. haar tijd; 7. haar uitkomst. Met betrekking tot haare oorzaaken, verfchülen zij ;
of dat zij gebeuren door fnijdende werktuigen, enfneeden genaamd worden;of met verpletterende werktuigen,en den naam van kneuzingen draagen. De anderen zijn het uit', wérkzel vanfteekende, of van tegelijk fteekende en fnij- dende werktuigen. Daar zijn er die tot oorzaaken, de beeten van Dieren erkennen ; deezen kunnen gebragt wor- den , of tot fteekingen, of tot gekneus'de Wonden, na dat de tanden der Dieren meer of min fcherp zijn. Men onderfcheid ook die, welke door fchietgeweer gefchie- den , als kanon, fnaphaan, pistool, fchoon zij onder het getal der gekneusden behooren. Men let ook nog op die, welke door fcheurende werktuigen gemaakt kunnen wor« den, of door eenig geweld, gelijk wij in het voorgaande artikel gezegd hebben. Eindelijk de brandende werktui- gen, en die men Cauteria noemt, welke zeer van de an- deren verfchülen, en onderden naam van brandingen be» kend zijn. VII Deel.
|
|||||||
|
WON.* 4211
Wat aangaat de plaatzing der Wonden; eenïgen zijn aan
'thoofd, anderen aan de borst, aan den onderbuik, aan, de uiteindens, aan de gewrichten, enz. De gedaante, grootte, diepte en leiding der Wonden
maaken ook eengroot verfchil onder dezelve. Men heeft er langagtige, fchuinfche, dwarfche,ronde, langwerpige, vierkante, driehoekige, kruisfneeden, met flarden, of van een andere onreguliere figuur. Men ziet groote , ; middelmaatige en kleine. Zommigen zijn oppervlakkig, anderen diep; eenigen zijn doordringende of niet door- dringende, met of zonder verlies van de zelfstandigheid. Haare leiding is regt of fchuins; haaren loop gaat zomtijds ter zijde vaneen flagader, grootén ader, zenuw,pees, vlies of ingewand. Men onderfcheid dezelven nog, in groote, die ons dus toefihijnen, en in kleine, die gevolg hebben, en in kleine, die ons dus toefchijnen, en ingroo* te, die gevolg hebben. De eeriten fchijnen aanmerkelijk van buiten,- dan vermits zij geen edel gedeelte trefFen, of dat noodzaakelijk tot werking van hetleeven dient, geneezen zij gemakkelijk zonder toeval. Dusdanig is een groote fneede, gegeeven aan een Spier, volgens den regten loop van haare vezelen, en waarin geen ze- nuw, pees, of groot bloedvat beledigd is. Detweede, uiterlijk klein zijnde, als de fteek van een eist of priem, fchijnen niets gevaarlijks mede te brengen. Dikwijls zelfs fluiten zij zich vrij fchielijk , en maaken een lidte- ken ; ondertusfchen kan in haaren bodem eene verzameling gefchieden, en des te Iigter, om dat de uitgeftorte ftof geen doorgang vind. Het werktuig kan in zijn doortocht eenig deel beledigd hebben , waarvan de kwetzing in ftaat is eenige moeijelijke toevallen na zich te fleepen. Wat de gekwetfte deelen aangaat, men heeft Wonden,
die geen deelen beledigen, als die door de Ouden een* daantige genoemd zijn, gelijk het Ve!, het Vet, de Spie- ren , enz. Andere kwetzen oneendaantige of organique, deelen, gelijk het Oog, Oor, de Tong, deLucht-ader, Slokdarm, Long, Hart, Middenrifc, Lever, Maag, Gedarmte, Baarmoeder, Pisblaas, enz. Met betrekking op derzel ver weezen , eenigen zijn en-
kele), anderen zamengefteld. Menbefcbouwtzealserc/W- de die niets als de bekleedzelen of het vel doorbooren, zon« der andere deelen te raaken; of .die door geen gevaarlijk toeval vsrzeld of gevolgd zijnde, niets vereifchen dan een geneezend inzicht, 't welk de vereeniging is. Za- mengeftelde Wonden zijn , daar verfcheide deelen op denzelventijd, dooreenen zelve kwetzing beledigd zijn; of daar verfcheide tegennatuurlijke uitwerkzelen, zamen vereenigd gevonden worden; het zij ziektenszelve, als ontwrichting , beenbreuk , fcorbut -, pokjes , klierge- zwellen; of oorzaaken van ziektens, als Plethora, caî cochijmia, vergift, het tegen woordig zijn van eenig vreemd lighaam, of van eenig werktuig, dat in het deel is blij- ven hangen," of het zij ook een toeval, als bloedftor- tïng binnen of buiten het lijf, ontfteeking, koorts, ijl- hoofdigheid, ftuiptrekking, hartvang, zucht, opblaazing, heetvuur, koudvuur; het zij eindelijk andere onpasfeüjk» heden, die onderfcheidentlijk bijzondereindicatienom te geneezen vereifchen,eer men de vereeniging van de Wonde onderneemt. De tijd maakt ook nog een verfchil tusfeben geheel
vzitchQ Wonden, en die reets verouderd zijn. De manier om'die te behandelen, de langheid van de geneezing, en het regt, dat men aan den gekwetften verfcriuldigd is, verdienen deeze onderfcheiding. Eindelijk verplicht .ons de uitkomst, de Wonden te
Lil ver. |
|||||||
|
»,
|
|||||||
|
iffei» " WÖBT.' ^
verdeelen ingeneeslijke, ongeneeslijke, in dqndelijke,
en in die, welke den Lijder van een wezendlijke wer- king een zijner deelen beraoven. Alle deeze kundigheden zijn nodig voor een Heelmees.
ter \ om een regte voorzegging op te maaken , met sçekerbeid zijn indicatie van geneezing te neemen, en een nauwkeurig en getrouw verhaal op te (tellen, die den Regier onderiigten kan van het gevolg der kwetzing. Fan de Toevallen der Wonden.
De Toevallen, die de Wonden verzeilen of volgen kun- nen, zijn bloedftorting, pijn, hartvang, zwelling der lippen van de Wond of van de nahegelegene deelen, ont- fteeking , rootheid , roos , koorts , flaapeloosheid , ijlboofdigheid , fttuiptrekkingen, verlamming, zucht, opblaazing , heetvuur, koudvuur, dikwijls etterwor- ding, zomtijds huivering, .beeving , en vervolgens net- te van koorts, een flijmerigen buikloop, een uitfpu- wing van etter, etteragtige pis, ontfteeking en abfees in de lever , long , en verfcheide andere Ingewanden, Zie hier de voornaamfte toevallen, die ter gelegenheid van Wonden gebeuren kunnen. Men heeft nog eenige zonderlinge andere, waarvan wijbij ieder Won«?opzijn beurt fpreeken zullen. I. Bloedflorting ; is de uitwerping van bloed door
ds opening van eenig bloedvat. Deeze ftorting is eigen a.an alle Wonden, die door fnijdende, fteekende of kneu- zende werktuigen gemaakt zijn. De zagte deelen van ons üghaam kunnen geene aanraaking van doezen aart on. dergaan, of de vaten, die dezelve befproeijen, ftqrten ket bloed uit dat zij bevatten. Zo zij klein zijn, is de bloedftortingmiddelmaatig,- zo zij groot zijn, isdezelve overvloediger, inzonderheid zo zij uit de Slagaderen voort- fpruit. Naar maate van hun zamentrekkende beweeging, verfcbaffen zij in weinig tijds, veel meer bloeds dan de Aderen. De Bloedftorting van gepletterde Wonden, is zo aanmerkelijk niet, als die van de Wonden, welke door fnijdende werktuigen veroorzaakt zijn. In deeerftegee- ven degebrooken, ingezakte, en op de plaats van hun verdeeling zaamengetrokken vaten, aan het bloed geen zodaanige vrije uitgang, dan wanneer de diameter net zonf der kneuzing doorgefneeden is. Dit vogt loopt ook niet meer zo gemakkelijk uit Wonden, waar van de opening klein en nauw is. Geen Bloedftorting komt er blfWon- den, welke door fchietgeweer gemaakt zijn. De korst, die hier altijd gemaakt word, fluit de vaten, en belet het bloed weg te vloeijen, ten minften zo er geen groot Vat beledigt is, alwaar het bloed door zijn aandrijven den korst overweldigt; of dat haar mond zich op nieuw ©pentomtrent den zevenden ofagtfteri dag na de wonding, wanneer deeze kont los begint te worden. Alle Bloed- ftorting gefchied van buiten of van binnen, na dat de beledigde partijen zijn of continentes, of cont entm, of dat de geopende vaten binnen of buiten leggen, en dat de Wotïde, meer of min groot, de uitgang van het bloed toe- laat, of belet. II. Pijn.: De Pijn is- een onaangenaamen indruk van
de ziel, ing-evolg van eene geweldige uitrekking of za. mentrekking der zenuwagtige vezelen, welke zich tot aan het Brein mededeelt. Deeze vezelen zijn de werktui- gen van alle gewaarwordingen. Zo men bij voorbeeld, in een Hond de zenuwen van de Deij bind of affnijd, verliest- het been ten eenenmaalen zijn gevoel. Men kan daac vrij in fnijden zonder pijn te verwekken. Het zelf- de gebeurt, wanneer de zenuwen zodanig verfiopt en |
||||||
|
zaïnengedrukt zijn, dat de loop van het zenuw-fap ten.
eenenmàale opgehouden word, en dat het gedeelte, 't welk beneden de verftopping of zamendrukking is, zich niet langer kan zamentrekken. De Beroerdheid en Verlamming geeven er een voorbeeld van. . Om, dat de zenuwen de werktuigen der gewaarwordin-
gen zijn, zo kunnendezeniiwagtige vezelen, waardoor de zagte deelen van ons lighäa.m zamengeweeven zijn, de geweldige uitrekking of zamentrekking in een natuur, lijken ftaat'niet verdraagen, of er komt terftond pijn bij. Zij zijn inderdaad altoos jgefpannen, om dat zij natuur- Viikeétie veerkragt hebben, .en dus een vermogen omver- kort te worden.en weder uit te rekken. Daar van daan komt het, dat de lippen van eene Wond zich verwijden, dat de twee eindens van een pees, van een zenuw, die ge- heel doorgefneeden is, zich te rug trekken. Maar wan- neer deeze veerkragt-, deeze natuurlijke fpanning, ver- meerdert, en .verfterkt word tot op een zekeren trap, dan openbaart depijnzich. Dezelve is meer of min groot, volgens de maat van uitrekking. De hoogde ,trap hier- in is, als er een van éénfeheuring, of een gantfebe door- fnijdingdei'zenuwagtige vezelen plaats vind. Als dezelve geheel en al doorgefneeden of gebroken zijn, houd de pijn op. Dit is het geen men ondervind, wanneer men de zenu- wen en peezen , die niet dan voor; een gedeelte ge- fcheurd en van malkandergefcheidenzijn, verder door., fnijdt. . ;, De pijn, die de Wond veroorzaakt, dpet zich gemeen-
lijk opdenzelven tijd gevoelen, waarop de kwetzing gebeurt, of na dat dezelve gefçhied is. Het is gemakke- lijk te begrijpen, dat,als men een Wonde krijgt, dieeene. van éenfcheiding maakt van 't geen te vooren vereenigd was,,dezenuwagtige vezelen,een.e uitrekking, fchokking, en geweld, in den hoogden graad ondergaan. Men moet dan niet verwonderd zijn, dat depijn zoleevendig is geduurende de werking van het werktuig, dat de kwet- zing doet. Men heeft ondertusfehen zekere gevallen, zekere omftandigheeden, alwaar inenjn't geheel niets ge- waai' word,* namelijk, wanneer men zodaanig ontroerd, be- wogen,- of in gramfchap pntftooken is, en dat de floot zo fchieüjk volbragt word, dat men van de kwetzing geene gewaarwording verneemt Weinig tijd daarna mist het nooit, of het deel begint
zeer pijnlijk te worden. Verfcheidene oorzaaken , zamen vereenigd, brengen deeze uitwerking voort, welkealtoos toete fehrijven is, aan de geweldige uitfpanning en zamen. trekking der zenuwagtige vezelen. Vooreerst hebben die, welke in haar geheel blijven, en met de andere ver- eenigd waren om tot een en der zei ve werking zamen te loo- pen, dog nugenoodzaakt zijn om alleen het zelfde gewerd uitteftaan, dat zij met andere verdeelden, een veel grooter kragt te boven te koomen, en zijn bijgevolg meer gefpannen. De pvergroote pijn, welke er veroorzaakt word, als er eene zenuw of pees vooreen gedeelte door- gefneeden is, maaken deeze waarheid kennelijk genoeg. Ten tweeden, trekken zich deuiteindens van de verdeel- de vezelen in, en verbergen zich onder het vleesch. Zij kunnen niet verkort worden, zonder meerder dikte te ver- krijgen , grooter van omtrek te worden, en zonder de nabijgelegen.kleine vaatjes, tusfehen welken zij heen loopen, te drukken. De loop der vloeiftoffen word hier dan belemmerd, vertraagd, of geheel weggenomen , dee- ze vaten zijn vol en opgeblaazen. Daaruit volgt nood. zaakelijk , eene uitrekking, die buiten de wanden en het geheeleweefzel van het deel getrokken is; eene uitrek. * . king» |
||||||
|
WON. %ti3
bij deeze deelen uit oorzaak van hun ne gevoeligheid en ■ na>
tuurlijke fpanning komt, deelt zich aan alle derzelverve. zelen mede, wanneereenigen van dien beledigd zijn. Dee^ ze vezelen moeten dan in alle hun uitgebreidheid, de vaten die zij omringen, toefliiiten, en zich tegen de wederkeering der vogten kanten, die naar het hart vioeijen. Hier uit volgt noodzaakelijk , eene vergaadering van vogten, en eenealgemeene zwelling in het geheele lid, V. Ontßeeking en Roodheid. Het bloed, dat door
het Hart en Slagaderen geduurig naar de lippen van de Wonde gedresven word, kan hier niet verblijven, zonde* dat het dehaairvaatjes opvult en zwellen doet. De wan- den van deeze vaatjes meerals gewoonlijk uitgezet, wer« ken op die vloeiftof door hunne veerkragt, in evenredig- heid van het geweld, dat zij uitftaan moeten, en doem hun uiterftebest, om de vloeiftof altoos naar vooren té drijven. De vloeiftof van haar kant vervolgens dife wordende door het verliesvan haar voortgaande bewee-> ging , geeft meerder tegenftand aan de kloppingen dec Slagaderen. Deezen zijn belemmerd om haare polsfls« gen-te verleevendigen; het is waar, dat zij naJeiband eene uitzetting in het bloed veroorzaaken. Met dubbele flagen fijn wrijvende, drukken zij de luchtdeeltjes, die zich hier beflooten vinden. Deeze zamengedrukte bol- letjes tragten, even als zoveel kleinedraaikringen, zich uit te zetten en meerder plaats te verkrijgen; op dit ge- weld, volgt eene innerlijke beweeging, die de confißentis van de vloeiftof vernietigt ; dog door deeze uitzetting, is de zwelling nog aanmerkelijker, de fpanning van alle de vezelen word vermeerderd, haare flingeringen worden fterker. Het zijn die beurtswijze beweegingen , deeze verwisfelende werking der vaste deelen op de vloeiftof- fén, van de vloeiftoffen op de vaste lighaamen, van dee- ze innerlijke en oproerigeftrijd, van deeze verhaaste«." mentrekking der vezelen, dat de hette en ontfteeking in de Wonden veroorzaakt worden. Hét is aan niemand onbekend, dat door het bloed deroo»
de koièur aan de deelen gegeeven word. Wij hebben ge- zien, dat het zelve zich in een veel grooter menigte ia de hàaîrvaatjesopftapelt; dat bijgevolg het weefzel van den huid opgezwollen is, en zich meerder ontdekt. De diameter van deeze kleine buizen kan zich niet verwij- den , of de monden van de water.ßagaderen zetten zich ook uit, en gee ven aan de roode bolletjes eene doortocht, om in dezelve te dringen. Deeze Slagaderen, volgenshunnen aart doorfchijnend zijnde, ontleenen daar van hunne koleur; uit deeze volheid en opzwelling volgt dan, dat de roodheid, altoos de ontfteeking der Wonden verzei- len moet. Verfcheide zaaken kunnen medewerken tot deeze
ontfteeking, als voorafgaande oorzaaken. (i) De op' houding Van eenige natuurlijke ontlasting. (2) De. Ple- thora. (3) Kwaade gefieltheid. Alle de vogten in dee* ze tegennatuurlijke aandoeningen opgehouden zijnde, laaten niet na om te veroorzaaken of te vermeerderen ds verftopping der vaten en de toevallen, die daarvan af» hangen. (4) De drukking van de lucht, waaraan men de Wonden bloot fielt, droogt derzelver lippen op, doet de uiteindens der vaatjes rimpelen en omkrullen, en houd hier al de vloeiftoffen op. Zo de lucht al te koud is, verdikt zij dezelve en ftremt ze zamen. Indien zij be« fmet of overlaaden is met kwaade uitdampingen , doet zij even als een vergiftigd venijn alle de vogten, die de kwetzuur befproeijen, verderven , zij maaktdie fcherp, bijtende, en bijgevolg bekwaam om gevoelige prikkelin- L11 2 ' gen |
||||||
|
kîilgï die\v£rmeeYd$rt en verdubbeld word op ieder klop-
%ing vaneèneii Slagader, of op ieder Polsflag. Het zelf- 3e geben« aan de. gekneusde Wonden, door de moeilijk- heid 'die dé vogten -daar ontmoeten, om rond te loopen; ook in die, daar eenig vreemde lighaam'en in zijn, en ont- wrichte of gebroken beenderen, en die uit hun plaats ge- fchooven waren, van uitgeftort en geftold of geklonterd bloed, alte harde wieken, op malkanderengeftapelde ka- pittelßekken, enz. Eindelijk moet men dezelve toevallen wagten, van een verband datai te naauwis. In alle deeze gevallen, ontmoet de voortgaande beweeging der vogten, eene hinderpaal, die zij niet kan te boven komen, en alle de vezelen worden meerder gefpannen en pijnlijker. Ten derden, word de zamentrekking dier vezelen geweld aan- gedaan, wanneer zij geprikkeld worden door vreemde lighaamen, waarvan de oppervlakte oneffen en ruig met punten is, door fchilfers van gebroken beenderen, haai- ren, of diergelijke lighaamen , die in de wonden ge- raakt zijn, doorfcberpe en bijtende plaatsmiddelen, door dé bedorven etter, die in 't vervolg van natuur veran- dert,, door de drukking van de lucht, waarvan wij het uitwerkzel bijbrengen zullen, als wij van de inflammatie handelen. Men moet nog aanmerken, dat het uitwerkzel der oor-
zaaken, daar wij van gefprooken hebben , veel gevoeü- ger is als zij op deelen werkt, die natuurlijk meerder uitrek. king en veerkragt hebben ; van zodanigen aart zijn het vel, de vliezen, de aponeuro/es, de zenuwen, depeezen, de banden, het been vlies, het pericranium, enz. III. Zwijmeling. Indien een gekwetfte zeer verfchrikt
is, of dat de pijn, die door de Wonden veroorzaakt word, zeer hevig en leevendig is, komt het gantfche zenuw- geftel in zamentrekking, de vaten zijn verworgd, de loop der vogten is onregelmatig, het bloed loopt de Longen niet dan met moeite door, deademhaalingis moeilijk en afgebroken. Vervolgens trekt het Hart zich zo fterk te zamen , dat zijne holtens zich niet kunnen verwijden om het bloed te ontfangen, dat zij door alle.de deelen ver- fpreiden moesten; dë Aorta en alle de andere Slagaderen bijna niets ontfangende , vallen allengskens zamen , den omloop is belemmert.of merkelijk verminderd, de af- fcheiding der geesten ofvan het zenuwfapisopgefchort.de werktuigen houden op van bezield te zijn, en er komt een "hartvang of bezwijming voort. IV. Zwelling. Om dat de doorgefneeden, vanéén
gefcheurde of verbroken vezelen , door hun veerkragtzich omkrullen, zich binnen het vleesch terugtrekken, en de nabiigelegene vaten drukken, gelijk wij gezegd heb. ben, fpreekende van de pijn, en dat de diameter van de gekneusde buis zamengedrukt of vernietigd is, zo loopen de vogten hier niet meer als naar gewoonte rond. Het bloed in zijn vrijen weg niet kunnende voortgaan, is ge- noodzaakt ftilteftaan, daar het den hinderpaal ontmoet; het verzamelt zich in de lippen van de Wonde, en blaast dezelve op. Na dat het de varen opgevuld heeft, loopt het in de zijtakken, en de zwelling gaat ongevoelig tot de naast bijgelegen deelen over. Deeze zwelling in de le- den , vertoont zich veel eerder onder dan boven de Wonde. De moeilijkheid, die de vogten ontmoeten om weder te keeren door de Aderen, die boven zijn, brengt dit uit- werkzel voort.' Zij blijven ledig, om dus te fpreeken» Seduurende dat die van beneden geflopt zijn ; dog zo eenig zenuwagtig, vliezig,, of aponeurotiek deelop den- zelvën tijd beledigd is, (trekt de zwelling zich overal .'uit. Zie hier de reden: de Erethismus, die zeer ligt |
||||||
|
WOtf,
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
:4«4
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
,WON;
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
gen temaakenop de 2enuwagtige Vezelen * die nu bloot .rmmfte kenmerk der koortfen uitmaakf. TentweerW
Jeggen, 't welk buiten twijfel die toevallen naar zich deelt zich de ontfteeking langzaamerhand aan de san fV ileept, daar bier van gehandeld word, ("5) Alsmengeen «aj/a van-het bloed mede. Zij vermeerdert da Jlis |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
goede handelwijze waarneemt om een Wonde te verbin- der vaten, en maakt de polsilagen van *t Hart en der Sla*
den. dat men het verband alte naauw toetrekt, dat arWpn fnpilpi- t ^or.ton una m*j..__ , 'S' |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
den, dat men het verband alte naauw toetrekt, dat
men dezelve toefluit met harde (teekwieken of kapittel, (lokken, die op nieuw het vleesch drukken of vermorsfe- len; dat men gebruik maakt, van prikkelende, wegvreetende hulpmiddelen, of die in itaatzijn de monden der verdeel- de of van één gefcheurde buizen te verftoppen, of vuil linnen en dat etteragtige doffen in zich heeft; eindelijk, als bier eenig vreemd of vergiftigend lighaam ingebiee- |
aderen (heller. Tenderden, hoe meerder tegenkantine
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
het bloed in zijnen omloop aantreft, hoe meer het zich
ook wend naar dezijvaten, die vrij zijn. Het moet dezelve .dan doen zwellen, derzel ver zanien trekkende kragt aanzet. ten, de.beweeging van voortdrijving vèrlee'vendigen en het Hart noodzaaken., om zich fch'ielijker toe te trekken Zo eeuig ingewand tot de kwetfing betrekking heeft" en het 'bloed niet door zijn parenchijma of zelfïtan- |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
ven is; zo begrijpt men ligt, dat de pijn, nette enontftee- digheid kan doorloope'n, dan worden er dezelfde toevallen
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
king geweldiger zullen zijn.
r VI. Roos. De oorzaak van dit toeval is, of van buiten of van binnen, (i) Zo hét bloed van den gekwetften galag- tig is, behoud het inderdaad veel gemakkelijker zijne vloeibaarheid en voortgaande beweeging; de bloedvaten zijn als dan zodaanigniecverftoptmet vuiligheeden, het deel is zo niet opgezwollen; dogdepijnenhette zijn niet |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
voortgebragt ; dus door minder vaten circuleerends,
en door korter wegen, verkrijgt het meerder vtlumm en
fnelheid. VIII. Slaapeloosheid. in alle hevige pijnen worden de
zenuwen meerder gerekt en zijn gevoeliger dan 'in een'na- tuurlijken ftaat; de geesten geraaken nrvlugger beweeging, |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
en de werktuigen der finnen worden vatbaarder voor de
minder feevendig en fmcrtelijk. Dit vogt, belaadeo met de indrukzeien der buiten zijnde, voorwerpen. De flaape- zoutagtige en bittere deeltjes van degal, en voomament- loosheid, die nergens anders in beftaat als in de oefening lijk opgehouden in de haair-flagaderties en watervaatjes der gewaarwordingen en der innerlijke verrichtingen, meet :vandehuid,uit eene?f'röw/voortfpruitende,prikkeltdeze- diensvolgens noodwendig zeer pijnlijke #W«j verzeilen, nuwagtige vezelen van dit bekleedzel, en verwekt daar in uitgezonderd die der hersfenen, omdat het begin der eene brandende knaaging. De lijmpha , die, hier geftort zenuwen indçezen zamengedrukt is. " " ' "' IX.- Ylhoofdigheid. Ho« heviger depijh der Wonden is, hoe geweldiger ook de Erethismus der zenuwen en de ont-
roering der geesten befpeiird word. Als dan zijn al de af- fcheidingen afgebroken , in de vogten kernt eene verilrooi- jing, de werkingen geraaken in wanorde, de verbeelding en het oordeel verwarren. Het is dus niet tè verwonderen, dat bij de Wonden der zenuwen, bij die der peezen, vliezen, banden, van het beenvlks, van't Pericranium, en van alle de werktuigen, die zeer gevoelig, zijn, de ijlhoof* digheid zomtijds plaats vind. X. Stuiptrekking. Het gebeurt zeer dik wijls, dat terge-
legenheid vanzodaanige Wonden, waar wij van gefprooken hebben, het zenuwgefiel in zulke geweldige zamentrekkin- gen geraakt.dat alle de Spieren in beweeging raaken, en wel met zulk ëen geweld , en dat zonder orde of deel van de wil, eene ftuip veroorzaakt, indien die zamentrek« king lange duurt; of wel ftuipagtige beweegingen veroor- zaakt.zo zij onregelmatig is. Men moet ondertusfehen aan- merken, dat de ftüiptrekkingin/fim&j diedooreen fnij« dend werktuig zijn gemaakt, nog op eeneandere wijze kan gebeuren , bij voorbeeld, wanneer het werktuig, dat de Wonde veroorzaakt, een of meer Spieren doörfnijd, als dan trekken hunne tegenwerkers bet-deel naar zich, en houden het in eeneftuiptrekkende fpanning. XI. Verlamming. Wanneer eene zenuw ten eenenmaa<
lenin'een Wonde is doorgefneeden, ofwel zodanig door een vreemd lighaam is gedrukt, dat het zenu wfap hier door niet meer vloeijen kan, isbetonmooglijkvoor betgedeel- te,-dat aan deezen kant van de fneede of zainendrtikking is, zich zamen te trekken, de Spieren, 'waar naar toe het zich verfpfeid, blijven zonder werking, en het lid geraakt |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
(,'sdkdVde
da.pbdmfd
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
die zeer pijnlijk, ziin, het gantfche zenuwgeftel, zet- noodwendig verlamd, ten minden zo ernieteenigezij-taft
ten alle de v.eeragtige deelen van het lighaam.aan om Is die het gebrek vergoed; en gelijk als dezenuwagtige vezelen, die In het vjeesch of in het weefze] van 't vel
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
z
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
De Slagaderen kloppen met harder geweld; zij drijven
het bloed met meerder fnelheid in de Aderen. Dit vogt keert veel vaardiger naar het Hart, en,noodzaakt het £e!ve zich fchielijker zamen te trekken. Van daaront- flast de menigvuldigheid van polsflagen, die het vóqr- |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
verd wijnen , verflapt zijn, of die fpanning biet meer
hebben, die hun in ftaat dellen om de indrukzeien der puiten zijnde voorwerpen te ontfangen, verzelt hét verlies van gevoel in dit geval de verlamming. Xll. Zucht.. Indien het bloçd van een'gekwctfte alte ■ . ( >■-'■ ;- ; - ■ '- ■ ~ iWa-
- --, ' - \
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
WON.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
WON.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
W5
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
waterig zijnde, feen gewoon gebrek in de Cacheiïki en den, zo laaten ziï ever.wrin.vi- *. ■* . L <■
fWgmaUci) in zijn loop uic hoofde van de JTÄ ver. en hun voor G^ÏÏ?«v,f f ^,te berPraeÜer;, traasd word, verdikt, hetzelve, zijn vezelen komen nader zii is niet v/n ï^tfïïA^^««» J.«««« |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
b
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
/esre« niet vrij, maar vertoeven hier; zij wórden zelfs
uitgedort, wanneer de vaten gebroken zijn, gelijk als in |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bijgelegen bekleedzelen, brengt daar eenezugt voort, en
miolrtflaf Hp lïnnpn wan ^o W/. Jn LIi_________. _.. .__ t
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vaaktdat de lippen yan de Wonde bleek«, 7a| e -, m nde de TekneusdTS^ 7*° êebro\en zijn ' 8e«* als in
flooken en min pijnlijker ziin. ë oSdtewfS X ^ gebe"uCl/en het deel *#«■■*«»
, XIII. Qpbkazing. Men word gemeenlijk eeneopblaa- fteekfng n et'ontbondfn «Sn ^^"i (ï' V° Z° de on6*
zing in de bonden gewaar, die in het hol van de Borst, JS" De teeZÎZL ' r°,gt »nIiik de>p.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
't Strottenhoofd, en van den Lucht-ader doordringen. Wanneer het begin van deeze ^n^n niet overeenkomt
niet haaren doortocht, en dat dezel ven onregelmatig en in |
Äei!nld,f\de S?Veidige b^egingen~der%erb7ij"
zchng van den kant der nabijgelegen Slagaderen, van |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
getrokken zijn, ver fpreid zich de lucht der°ademhaalin'g",
.die zich hier binnen begeeft, vindende zijn doortocht niet |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
flmgermg van den kant der vezelen, van veerkwt aan
den kant der draaijfng van de lucht, die hun omSJ?D«. Ändf beweeSinS «n werking en tegwwï- |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
vrij, van het eene celletje in het andere van den vetrok "ne fchÏÏen deV-?,^g ï We-VD8 en ^nwer-
,en blaast hetzelve op. Deeze opblaa.ing drektzicb zom! XSSen&ZXÏÏÏ "" éé ■'d°en derzeIver
tijds zeer vet uit. Wij hebben lieden gezien, die het renWodÄ
hoofd, den hals, de borst en den arm feheel ópgeblaa- bdizelen breeken Äri?,? door*W»>°Uetfe,tev«.
zen hadden, als een gevolg van eene Wond, die in het beIIe.'in eene etlf TP vezelen' ^veranderen
=ehhoofd doordrong, en daar men eene hechting,, Äi Sn SenT § ^
XIV..** en «v«,, Men weet, dat de deelen u S KoStf 'SÄ^XSS
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
-- ,b.......'.«vuuc, uic men zomtiids
gevoelt op het oogenblik, of weinig tijds na dat men een
kwetfuurontfangen heeft, word veroorzaakt of door de vrees en benaauwtheid van den gekwetden, die bet hart en tgantfche zenuwgedel toefluiten, en den omloop van _t bloed veitraagen, ofdoor een aanmerkelijke bloei ßorttng, die de kragten uitput en een zamenvalling van allede vaten msgt. Dog de koude die bij de etter wor. dingontdaat,en verzeld is van huivering, beeven en Ge- volgd van hette, is zijn oorzaak verfchuldigd aan een eueragtige doffe, die zich aan het bloed door de Aderen mededeelt. Zij begeeft zich door middel van den omloop ook naar de Maag; zij verdoort daar de kooking van het voedzel, en maakt den Chijl, zout, grof, inééngedron. gen, ongekookt en bekwaam om de vogten te verdikken. Met alle de vloeiftoffen vermengt en daarmede omloo- pende, verleent zijn hun veel meerconfifientie, hun voort- gaande beweeging word veel traager, de natuurlijke hit- te van t geheele lighaam vermindert. Bij de koude |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
middel van de omloop van 't bloed en van het zenuwfap.
Zo het dan gebeurt, dat deeze^vaten welke die twee vloeidoffen naar een gekwetst deel leiden, geheel afee- fneeden, verfcheurd, vermorsfeld, gedrukt, gebonden M verdopt zijn, houd de omloop van den een en den ander hier op, het vleesch word op nieuw niet meer verwarmd, nog bezield door de tegenwoordigheid en de mfpreiding van hetzenuw-vogt, de natuurlijke hette gaat allengskens verlooren, het gevoel verdwijnt, de yogten itaan ftil en bederven,- eindelijk het deel derft, en naar maate van die derving is het onderworpen aan ■Gangrena of aan Sphacelus; toevallen, die menigvuldi- ge: bij gekneusde Wonden komen, waarin alle de zenuw- agtige vezelen en vaten verbrijzeld en gebroken zijn. ■öok kunnen de zenuwen en bloedvaten afgefneeden zün doorfnijdeh.de werktuigen, verfcheurd door beeten varï Dieren, verpletterd door kneuzende werktuigen, za- |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
imenged rukt door een al te naauw"verband door ecX r T % , \ ^^ vdert- Bij de koude,
■Weemd lighaam, door beende«? inontwrich ing en en « Ä^?" ?'Ch ",* h?,verÎD8 en 'c bcel beenbreuken uit hunne plaats gebragt. Zijlunnènlebon. LrllLt °°r het vehmilum * de lijmpha :denzijn, wanneermenverpligtiseïnband\Z?SnÄ t]ZMfd al £ Ä- ëevoerd^inde, op den- ader te doen, verftopt als het deel ontdoken is da fl ltZtlw Jl J ^nnwaguge en fpieragttge vezelen de vaste dee.'en opgezwollen Vn de vloeSen'in u BP 'zam ntrekÏZerftZIT ^SfT fl^f^^' loop tegengehouden zijn. Hun verftopping kan ook af- 5lS£ÄTe S iSSt\fn'b ïen |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ide, die de vezelen toefluiten
|
derzej ver gewoonlijke fpanning gebragt zijnde. in evenre-
digheid vanden tegendand van't vocht, dat zij beiluiten komen bij hetzelve, en drukken , beweegen en verbrijze- len her. Van deeze verwisfelende beweeging, van dee- ze beurtswijze werking, ontdaat de hette van de koorts en alle de toe valletf die daarvan afhangen. Deeze koorts heeft vervolgens de gewoonte om langzaam te worden De reden is, dat de geduurige flagen van het Hart en der Slagaderen, die op het bloed werken, enopdefcher- pe etter, die zich hierin voegt, langzamerhand zijn ««- ßflentie en zamenhang ie niet doen, zijn grondbeginse- len vanéénrcheiden, en aan het zelve een zoort van'fmel- ting veroorzaaken , die zijn uitzetting en innerlijke be- weeging matigt, Dog hoe vloeibaarder en ontbondener het bloed is, hoe minder het aan de zamentrekken- |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
de vogten verdikt, of van een al te groote hitte, die de
ontfteeking vermeerdert. Men moet dan alle deeze toe- vallen aanmerken, als zo veele voorafgaande oorzaaken .Van Gangrna en Sphacelus. Het onderfcheid, dat er tusfcb'en deeze twee ziektens plaatsheeft, is dat in de Gangrena nog eenige vaten vrij en in hun geheel blij- .ven, waardoor de omloop, hoewel met moeite, gefchied. In de Sphacelus zijn minder vaten geheel en vrij, minder omloop van bloed en begin van leeven , en minder ge- .meenthap met bet overige van 't lighaam; het deel,, dat door een Sphacelus aangetast word, is volkomen dood. . XV. Etterwording. Bii aldi'en de bloedvaten en deze.
Huwen van de lippen van eene Wonde, nog eenige ge meen- |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
;
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
a'. Lil 3 merat-
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
wm>
bijten toegekomen is, wanneer zij gefcheurdzijn, dat
men hier de kenmerken der tanden ziet, of dat zij naar fteekingen gelijken, vooronderftelt zijnde, dat zij voort. gekomen zijn_ van dunne en gepunte tanden; eindelijJc dat zij door fchietgeweer veroorzaakt zijn , wanneer zij er zwart en als gebrand op den omtrek uitzien. Wij onder- fcheiden äoorhetgezicht.of deWonden iangagtig.fcbuinfch dwarfch, rond, vierkant, driehoekig, ofmet flarden enz! zijn; of zij groot of klein, diep of oppervlakkig, met of zon! der verlies van zelfftandigheid zijn. Door dit fintuig ontdekken wij dikwijls, of zij enkel of zamengefteld zijn ofeenig gedeelte, nodig tot de verrichtingen van 't lee- ven, gekwetst is. Bij voorbeeld, indien ereenige Slag. der geopend is, zien wij er het vermiljoen-roodebloed uitkomen, en met ftraalen enftooten uitfpringen, om de beweeging van de Diastole en Sijstele, die de vaten heb- ben. Zo het eene Ader is, is het bloed van eene don. kere roode koleur ; het loopt gelijk en zonder tusfehenpoo- zingen. Wanneer er Beenderen bloot leggen, zo kunnen wij zien, of zij ook gekwetst of befchaadigd zijn. Het gezicht ontdekt ons ook eenige toevallen van de Wonden, zodanige zijn ontfteeking, koudvuur, ftuiptrekkende beweegingen, enz. Eindelijk het is aan onze oogen, dat' zich de buitenfte deelen vertoonen, die gekwetst zijn. - Het gevoel is niet minder nuttig dan het gezicht, om de
Wonden te onderfcheiden. Het zelve gefchied op twee- derleij wijze, met de band of met werktuigen. Deeer- fte is altoos te verkiezen, wanneer zij plaats kan heb- ben. Zo de Wonden groot en niet diep zijn, kunnende vingers volftaan om dezelve te onderzoeken, en haaren loop te ontdekken, de gekwetfte deelen , de na bij ge- legenheid van eenige grooter Slagader, die zich door zijne kloppingen ontdekt , de vreemde lighaamen, die hier kunnen ingefchooten zijn. Men kan de Beenderen voelen, indien de Wonden zo diep doorgaan, bemerken of zij ook gebroken zijn, en van welke natuur deBreuk is. Wij kennen ook door het gevoel, de Oedema en Em> phijfema, die zommige Wonden vergezellen: Wanneer de bodem van eene Wonde niet met de vingers kan gena- derd worden, of dat haare opening te naauw is, word men verpligt om zich van werktuigen te bedienen, om er het onderzoek mede te doen. De Sondes en Stiletten zijn die geene.welke men gemeenlijk in dit geval gebruikt. Met deeze werktuigen is het gemakkelijk de diepte en loop der ^Fimafenteontdekken. Men ontdekt, dat zij tot het Been doorloopt, door den tegenftand, die dit deel tegen bet einde van de Sonde maakt ; dat zij doorgaat in eeni« ge wijdte , wanneer het'werktuig hier in loopt zon- der eenigen hinder te ontmoeten , en zich hier in verliest. Men kan ook door dit middel de vreenv de lighaamen ontdekken, die in het vleesch gedron« gen zijn. Het gehoor verfchaft ons ook eenige kentekenen ten
opzichte der Wonden, die tot aan het Been doordringen, welke van een Beenbreuk verzeld gaan, of in de Borst of Luchtader doordringen; want men hoort het geluid, 't welk het einde van de Sonde op 't been maakt, 't welk het aanraakt. Men word ook hèt geluid ontwaar, 't welk gebroken Beenderen maaken, wanneer men zekere be- weegingen aan het gekwetfte deel laat doen; men hoort ook dat geluid, 't welk door den wind veroorzaakt word, uit de borst gaande of uit de Luchtader door de opening van eenige Wonde, in haare holligheid loopende. Eindelijk de reuk doet' ons zomtijds oordeelen van |
||||||
|
.pitf WOW
mentlijk toe te fchrijven, aan de prikkeling der rokken
van de vaten. XVII. Etteragtige Buikloop. Men kan niet ontken-
nen, dat de Aderen, zo wel die bloed als die lifmpha voe- ren, in Wonden doorgefneeden en vermorsfeld, of door «tterwording weggeknaagd, eene ingang aan de etteragti- ge ilof verleenen. Het is dan gemakkelijk te bevatten, dat, wanneer deeze materie, door welke oorzaak het ook zij, geen vrije toegang vind, weder in de masfa van *t bloed kan vloeijen, zich naar de klieren van 't Gedarm- .te begeeven, hier doorlekken , en een etteragtige ftoel- gang verwekken. XVIII. Uitfpuuwing van Blotd en Etter. Het ge-
beurt ook dikmaalen, dat deeze etteragtige ftof met het bloed omloopende, zich in de Long ophoud; inzonder- heid als de gekwetfte een koude lucht inademt, die be- kwaam is om hetbloed te verdikken en te doen klonte- ten. In dit ingewand vertoevende, prikkelc het de ircnchia, verwekt eenen hardnekkigen hoest, knaagt de kleine vaatjes van de long af, veroorzaakt dan eene fpuuwing van Bloed, en vervolgens eene van etter. XIX. Etteragtige Pis. Om dat de etter in de »xu/s van
't bloed dringen kan en daar mede omloopen, kan hij ook door de Nieren doorgaan, met de pis doorlekken en die etteragtig maaken. XX. Ontfleeking van de. Lever en meer andere Ingewan.
den. Stqfis in verfchillende deelen. Het is niet buitenge- woon , dat deeze etteragtige ftoffe zich van gelijken ook in de Lever kan ophouden ; en zulks zo veel te gemaklijker, om dat het volumenvan dit ingewand, zeer aanmerkelijk is , en dat de vloeiftoffen hier langzaam omloopen, vermits het grootfte gedeelte van zijne Bloedvaten takken van àe-vena portee zijn', die dezelve kragt als de Slagaderen niet hebben om de voortgaande beweeging der vogten te verhaasten. De etter dan in het Parenchijma van de Lever verblijvende, kan hier verßoppingen veroor« zaaken, den loop van't Bloed beletten , en eene ontflee- king, gevolgd van een abfees, doen voortkomen. De Milt, het Darmfeheil, de Pancreas, de Herfenen zijn ook niet beveiligd voor Metastafes, die hier kunnen voor- vallen door de te rug vloeijing van deeze ftoffe. Zom- wijlen circuleert ze hier, en loopt zonder zich op f e houden daar door,- zij lekt zelfs door, en ontlast zich door verfcheidene zeeven van 't lighaam ; dog op andera tijden begeeft zij zich naar de mosachtige Klieren, waar naar toe de Lijmphà haar brengt, en oorzaak geeft van Sta- fes en Abfcesfen. - Van de Kentekenen der Wonden.
De Kentekenen der Wonden zijn die -, welke haare oor- zaakenen verfchillendheeden aanduiden ;'haare oor» zaaken, dacïs, de werktuigen, die dezelve gemaakt heb- ben; haare verfchillendheeden, dat is haare gedaante, ■grootte, diepte, natuur, toevallen, diehaarverzellen, 1 de deelen die zij beledigen, enz. Deeze tekenen ontdekken zich door de fintui'gen en door de reden. De finnen , die ons dezelve doen ontdekken, zijn het gezicht, 't ge- voel , 't gehoor en de reuk. Wij oordeelen op het gezicht-, dat de Wonden dpor
een fnijdend werktuiggemaaktzijn, wanneer het vleesch doorgefneeden is, even als of men eenige incifie gedaan hadde; dat het is gefchied door een fteekend werktuig, wanneer haar begin klein ofnaauwis; dat het door een verpletterend werktuig is, als de deelen bont enblaauw geßaagen, gekneusd en vermorzeld zijn; dat het door |
||||||
|
WON.
|
WON.
|
||||||||||
|
421?
|
|||||||||||
|
Ten vijfden, zo in gevolg van eene Wonde, de ruggen-
graat, of de onderfie ledemaaten lam worden, dat de lij- der tegen wil en dank zijn water afflaat en zijnen ftoel« gang verricht, zo bewijst de belediging van deeze werkin* gen, dat het Ruggemerggeknéusdof beledigd is, invoegen- dat de'Zenuwen, die er uit voortkoomen, en zich Ver» fpreiden door de deelen, die onder de kwetzing gele- gen zijn, geen zenuw-fap meer ontfangen, en aan de? Spieragtige vezelen die fpanning niet meer kunnen ver* fchaffen, die zij nodig hebben om beweegingen gevoeï te veroorzaaken. Ten zesden, wanneer iemant eene fteek van een degen
krijgt op het voorfte zijdelingfche middengedeelte van ds Borst, de arm uitgefli ek t zijnde.en zulk een Wonde gezwol- len is, en gevolgd word van het kwijt worden van bloedige fluimen ; dan kan men niet twijfelen, of zij loopt door en heeft de Long geraakt, fchoon men niet altoos dedoor- tocht ontdekt met het Sondeer-ijzer, om dat zo dra de Lij- der van geftaife verandert, de vezelen van de Borst-fpiet ook van legging verandereren, enden doortocht van het werktuig bedekken. Zo men de Heek ontfangen heeft aan het eerfte wervelbeen der Lendenen, of aan het laat» fle van de Rug, digtbijde Ruggeftreng, zo dat bij in heê hol van den buik is doorgegaan, en dat er een groote menigte witagtig en chijleus water uitloopt; is dit een bewijs, dat de Verzamelplaats van Pecquec of de Borst- buis doorboord is; en zulks is een doodelijke Wonde, wel- ke wij waargenomen hebben in een Man, die door het verlies van zijn vogten ftierf, en wiens Iighaam geo- pend wierd in 'tHotel-Dieu, door de Geneesmeesters en Heelkunftenaars van het Chatelet, in tegenwoordigheid van den Heer Boudou, Chirurgijn-Major van dit Hos' pital. Wij zullen ons niet verder uitlaaten over deken tekens der Wonden, maar tot het verhandelen van da vöorzegtekens derzelven, overgaan. Fan de Vöorzegtekens der Wonden.
Men noemt Vöorzegtekens der Wonden die geene,
welke ons haare goede of kwaade uitkomst doen voor- zien , en de toevallen, die zij in 't vervolg kunnen veroorzaaken. Het is niet genoeg de Winden en haare verfcheiden-
heeden te kennen, haaren ftaat en Batuur te onderfchei- den , en ze vervolgens naar eene goede leerwijze te be» handelen; men moet ook over de gevolgen kunnen oor* deelen, die zij kunnen hebben, en over de toevallenj daar de gekwetften mede gedreigdzijn, om dezelve voor te komen; of om geene zekere geneezing te belooven, wanneer het onmoogïijk is om die te bezorgen; vooral moet men ook het gevaar niet verzwaaren, uit vree- ze van den Zieken te ontroeren , en oorzaak te geeven aan toevallen, die misfehien anders niet gebeurd zouden zijn. Hetgeen de noodzaakelijkheid om een goede voorzeg-
ging van de Wonden te doen, nog minder te verzuimen maakt, is, dat de Geneesheeren en Heelmeesters me- nigmaalen van deRegters of de belanghebbende Partiiën gevraagd worden om den Gekwetften te onderzoeken, en hun een verhaal van den ftaat der kwetzuuren te geeven. Daarom is het iets weezentlijks, dat zij wee« ten te onderfcheiden, welke Wonden eenvoudig en zonder gevaar zijn, die gemakkelijk en in korte tijd met weinig kosten geneezen kunnen worden, en geheel geen onge- mak nalaaten ; van die geene, welke zamengefteld, ge- vaarlijk , niet te herftellen, doodelijk, lang en moeilijk om te
|
|||||||||||
|
$egefteldbeid der Wonden. Bij voorbeeld, zo wit. eene
flfonde, die tot in het hol van den onderbuik doorgeloo- penis, eenige drekagtige Hoffen komen, oordeelen wij uit de reuk, dat het Gedarmte gekwetst epopen is. In- dien de Wonden eene zeer Hinkende en naar een" dood lijk ruikende lucht van zich geeven, zo hebben wij regt te gelooven, dat hier al koudvuur bijgekomen is. De fintuigeu zijn, altoos niet voldoende om ons te onderrichten van alle de verfchillendheeden, die zich in de kwetzingen opdoen. Men vooronderftelleeens, dat een. Wonde vergezeldis met buitengewoone toevallen, - ^at zij naauw en diep zij, dat het Sondeer-ijzerof Stilet haaren loop niet kan ontdekken , of dat zij in eenige ruimte doorgaat, dan valt het moeijeiijk om door de ßnnen haar natuur, voortgang, endedeelen, die er be- lang bij kunnen hebben te onderfcheiden. Men is dan ge- dwongen om toevlugt totde reden teneemen, ten einde gezond te oordeelen over het geen niet onder de finnen valt. De reden ontleent in dit geval haare kentekens van zeszaaken. i) Van het verhaal van den lijder, of der geenen, die bij hem geweest zijn. 2) Van de Toevallen, die er bijkomen. 3) Van de plaatzing der Wonden. 4) Van haaren loop. 5) Van de beledigde verrichtingen. 6) Van de uitwerpfels. Dan om hier juiste gevolgen uitte trekken, moet men eene naauwkeurige kennis van ie Anatomie en Phijfiolagie hebben. Door dit behulp en door eenige der bovengenoemde omftandigheeden, kan men tot eene vrij zekere kennis komen. Voor eerst, zode lijder, of die bij hem geweest zijn,
verzekeren, dat de Wonde, waarovermen dan handelt, door dea beet van een Adder gefchied zij, of van een raazend dier, dan moet men oordeelen , dat dezelve vergiftigd is. Men zal er te meer van overtuigd wor- den, wanneer er opblaazing bijkomt, iswaalijkheid van 't hart, bezwijming, huivering, koud zweeten, eene bleeke , geele , doodagtige koleur, eene verduiste- ring van 't gezigt, en andere aanmerkelijke toevallen, die eene enkele Wonde niet in (laat is om te veroor- zaaken. Ten tweeden, zo men ontdekt, dat bij gelegenheid
vaneene Wonde aan't hoofd, de lijder gevoelloos is neder gevallen, dat hij gebraakt heeft, dat hij bloed is kwijt geworden door den mond, neus of ooren ; wanneer men op den'zelven tijd eene fctierpe koorts, eene flui- mering, ijlboofdightid ," ftuiptrekkende beweegingen, en andere zwaare toevallen vermerkt, zo wel eigen-lifdi- $t als mede-lijdige, dan mag men oordeelen, dat de Wonde verzeld gaat met" eene Beenbreuk van AeHerfenpan, of met eene fterke beweeging in het brein, meteene bar- fting der Bloedvaten, of met eene uitftorting van bloed onder het bekkeneel. Ten derden, zo een Wonde aan de regter zijde van
den Onderbuik horizontaal doorloopt in 't hol varf het Abdomen, dat de lijder den buikgefpannen heeft, en daar felle pijn heeft, dat hij door eene fcherpe koorts aange- tastis, met eene galachtige braaking, met eenen bloedi- gen buikloop; dan kan men ftaat maaken, dat de lever, Welke op deeze plaats legt, gekwetst is. Ten vierden, indien ieinant eenen (leek van een de-
gen gekreegen heeft aan het zijdelijke gedeelte van den hals, dat de voortgang vanden fteek fchuins van boven laar beneden loopt, en van binnen naar buiten, onder bet ileutelbeen, en dat den gekwetften bloedige fluimen op- geeft, dan kan men verzekerd zün door den loop van de Wonde, dat de Luchtader, àeBronchia, of de Longen beledigd zijn. |
|||||||||||
|
WON,
die in kankeragtige zweeren veranderd zijn, of vergezeld
gaan met aanmerkelijke beenbreuken, met vermorzeling der Spieren en van allede vaten, met gangmna enj'phace. lus,, welke het noodzaakelijk maaken om eenig lid af te zetten, of een gedeelte uit te'fnijden, om den Gekwet. ften in't leeven te bewaaren. ' Men houd zodaanige Wanden voor geneeslijk, die door
het goed gebruik en door bekwaame hulpmiddelen in't werk te ftel len, geneezen moeten, wanneer de kwaade ge. fteldheid van het bloeden der andere vogten, zich 'er niet tegenftellen. Zo het zomtijds gebeuren mögt, dat zij doodelijk wierden, dan is bet minder door haare na. tuur en kenmerk, als door bet misbruik of de-tegenover* gefielde dispofitie der niet natuurlijke zaaken, door het ongeregeld gedrag vanden Lijder, deonweetenheidder geen en die hem verbinden, of door de zamenloop van eenige andere ziekte; dog men moet dezelve niet bren- gen onder de klasfe der Wonden, die eenvoudig doode- lijk zijn, dewijl men ze, dezelve naar de konst verbin. dende, tot een'e volmaakte geneezing kan brengen. Dus. daanig zijnde eenvoudige Wonden, die niet dan door de Bekleedzeien en Spieren loopen, of die geen gedeelte van aangelegenheid, nog^eenige verrichting, tot het leeven nodig, aanraaken. De Wonden worden vöör gevaarlijk gehouden , wan-
neer zij zo aanmerkelijk door haar zelfs, door de toeval- len die zij veroorzaaken, of door de aangelegenheid der gekwetfte deelen zijn, dat men over haaren uitkomst of geneezing geen beflisfend oordeel vellen kan, en dat er zo veel te vreezen als te hoopen is. Men kan dan den uitkomstdeezer Wonden voorzien,
als men agt geeft op de omftandigheden, die wij bijge- bragt hebben. 1.) Met betrekking op de natuur der gekwetfte dee-
len , of het de Hersfens zijn, het Hart, de Longen , de Maag, de Milt, de Lever, het Gedarmte, de groote Vaten, het Ruggemerg, de Zenuwen, de Peezen , de Vliezen, de Aponeurofes, of andere dergelijke, welker kwetzing bet gantfche dierlijk geftel in wanorder brengt; alle deeze Wonden zullen of doodelijk.of ongeneeslijk zijn, of zeer gevaarlijk. Integendeel, zo het niet dan de Be- kleedzeien zijn, of met hen alleen hetvleescb, zijn zij gemeenlijk nooit met eenig moeilijk toeval verzelt. Zij moeten wijken voorde"kragt van bekwaame hulpmidde- len, en voor de goede geneeswijze, waarmede men hun behandelt. 2.) De Wonden', welke vergiftigd of met venijn be«
fmet zijn , zijn zeer gevaarlijk. De verfchrikkelij- ke toevallen , die er zomtijds bij gebeuren , wijzen het genoeg'aan. De gepletterde of gefcbooten Wonden zijn veel moeilijker om te geneezen en van een langer duur dan die, welke door een fnijdend werktuig te wege ge- bragt zijn; de eerden gaan, tot geen lidteken over, dan na eene lange Juppuratle ; de laatfte zijn gewoon bijna zonder etterworciing .zamen te groeijen , wan- Deer men haare lippen maar wel ter deeg tot malkan« deren brengt. 3 ) Wat de gedaante, loop, grootte en diepte der
Wonden belangt, die Welke rond en breed zijn, of die de Spieren dwars doorfnijden , groeijen traagerzamen, en komen langzaamer tot een lidteken, als delangagti- ge, die den loop der vezelen volgen. De boorden van deezen naderen , enraaken malkanderen veel ligter aan. în de andere blijven zij meerder verwijderd. De Won- den, welker doortocht naar eenig ingewand loopt, of naar
|
||||||
|
421t, WON.
tç geneezen zijn, die groote opercttien en veelkosten
vereisfchen, of die noodwendig gevolgdworden van ver- minking van eenig ledemaat, van het ver lies van een werk- tuig, van de belediging van eenige aangelçgene verrich- ting. Indien men nu de Heelkunde niet wel magtig is of niet grondig verftaat, zo loppen de Regters door een kwaad rapport misleid , gevaar, om eenen on- fchuldigen te verwijzen, of eenen fchuldigen vrij te fpreeken, om dat het op de waarheid en getrouwheid hunner berigten is, dat de Regters in zulke gevallen de billijkheid van hunne vonnisfen vestigen. Zes voornaame zaaken leveren ons de Voorzeetekens
der Wanden op; i.) De Natuur van het gekwetfte deel. 2.) De Hoedanigheid van de Wonde. 3.) Haare gedaan- te, leiding, grootte en diepte. -4) De toevallen, die dezelve verzeilen , en de wanorde der verrichtingen. 5.) Het temperament, den ouderdom, de kunne, en den tegenwoordigen toeftand van den Zieken. 6 ) Het goe- de of kwaade gebruik van dezes niet natuurlijke zaaken. Alle deeze omftandigheeden maaken de Wonden meer of min gevaarlijk, doodelijk, of ongeneesbaar. . Men moet aanmerken, dat men doordoodelijké Won- den diegeene verftaat, welke in weerwil der goede ge- zondheid van den gekwetften.en van de vóordeelige fchik- king van alles, dat tot de geneezing noodzaakelijk is, in ftaat zijn om door haar zelf den dood te veroorzaaken. Men onderfcheid ze in twee zoorten; in die, welke door een onvermijdelijken dood gevolgt worden, het zij fchielijk, het zij in weinige uuren of dagen, en in die, welke uit haare natuur gewoon zijn-denzel ven te veroor- zaaken, invoegen dat het zeer zeldzaam is, als men er van opkomt, zijnde de dood van den Zieken veel waarfchijnlij- ker dan zijne geneezing. Bij voorbeeld de Wonden vati 'de bafis der hersfenen, van het bovenfte gedeelte van 't Ruggemerg, welke de affcheiding van het zenuwfap be- let, of zijne verftrooijing naar de werktuigen ; de Won- den van 't Hart, die tot in zijne hollighedendoorloopen; die, welke de groote vaten der Longen docrbooren, of de Aorta, Vena cava, Arteri axillares, lliac, Crura- les, de Poort-ader enz., die bijgevolg eenen vrijen door- togt aan 't bloed geeven; alle deeze Wonden, zeg ik, zijn volftrekt doodelijk; nooit komt men er van op; de dood is onvermijdelijk, en gebeurt fchielijk. Dévaste, deelen niet meer bezield door de tegenwoordigheid der Geesten, de vaten zich ontledigende doöT de bloedftor- fing, vallenalle de deelen te zamen , den omloop houd pp, en het leeven eindigt. ; Dog de Wonden der fchors- agtige zelfftandigheid van de hersfenen, die der Lon- gen', welke geene betrekking op voornaame vaten heb- ben, die van het holle gedeelte van de Lever, van de Maag, Alvleesch-klier,.van de Blaas, van het grove Gedarmte enz., deeze zijn enkel maar waarfchijnlijk doo- delijke Wonden. Hoewel het waar is, datzij gemeen- lijk den dood veroorzaaken, heeft men er nogtbans ge- kwetfte Perfoonen van zien opkomen. Ongeneeslijke Wonden zijn die geene, die zich niet
laaten geneezen, fchoon zij naar de konsten behoorlijk behandeld worden. Zij zijn noodwendig doodelijk, of ontaarden in fistels of zweeren , die niets naar de kragt van de allerheilzaamfte en gevoegIiji;fte hulpmiddelen . luisteren. Dusdanig zijn eenige Wonden van de Borst, die fistuleus geworden zijnde , men geen radicaa- /«geneezing kan onderneemen, zonder den Lijder bloot fe ftellen om zijn leeven te verliezen'door de doodelijk- fie Metastafcs. Van het zei ve zoort zijn ook de Wonden, |
||||||
|
WON. 4275
de andere voorzegtekens opnoemen, diebij ieder Wande'
in 't bijzonder aan te merken zijn. Van de geneezing der Wonden in 't algemeen.
Het voornaamfte inzigt, dat men in de geneezing der Wonden hebben moet, is haare vereeniging. Dit is bet wit, dat men zich voorftelt. Alle poogingen wend men aan om dit oogmerk te bereiken. Dan er doen zich dikwij Is hin- derpaalen op, die zich hier tegen kanten, en die men te bo- ven moet Komen, eer men de geneezing met vrugt onder- neemt. Onder deeze hinderpaalen heeft men er, die de Wonden voorafgaan , anderen , die er van afhangen en -haar verzeilen. Die er vooraf gaan, zijn het tempers*, ment van den gekwetften , en de ziektens, daar hij onder- hevig aan kan zijn. Gelijk de vereeniging der van één gefcbeiden deelen, het welk eene werking der natuur is, niet gefchied als doormiddel van een voedzaam vogt, van eene goede gefleldheid; indien de lijder dan van een galagtig temperament is, zo hij een Plethoricus of Cacochij- micus is, met eenig aanmerklijk ongemak bezogt, mes venus-ziekte befmet, fchorbutiek of-fcfophuli hebbende, is het zeker, dat het voedend fap van deezen aart deel-, agtig, geenszins dienftig zal zijn tot de zamengroef- jing der Wonden, maar die veel eerder zal verhinderen of venraagen.- De hinderpaalen, die van de Wonden zelve afhangen,
en zich tegen haare vereeniging kanten, zijn de verwij- dering van haare lippen en haare beweeglijkheid, haar kneuzing, het verlies van zelfstandigheid, vreemde lig- haamen, die in dat deel gedrongen zijn, de aanraaking van de lucht, de bloedftorting en allede toevallen, die dezelve verzeilen. Voor dat men alle deeze hinderpaal len van te vooren niet weg genomen heeft, kan men van de geneezing niets hopen. Om de hinderpaalen die de Wonden vooraf gegaan zijn,
te boven te komen, moet men zo degekwetfte van een gal- agtig temperament is, het welk een verhit en verdund bloed, eene fcherpe en al te vloeibaare lijmpha te kennen geeft, hem verkoelen, vogtig maaken , zijn humeuren verzagten, en aan dezelve meerder confiflentie zoeken tegeevefli Men zal hierin flaagen door meermaalen herhaalde aderlaatin- gen , door verzagtende lavementen , door verfrisfchen« de , verzagtende en verdikken de gerflendranhen, pap van gerst, rijst, meel, en andere dergelijke hulpmiddelen. Indien degewonde een Plethoricus is, en dat zijne Wonden met eenegroote inflammatiegedreigt worden, zal men hem menigvuldiger en overvloediger aderlaaten, ten minfte zo hij niet veel bloed verlooren heeft; en men zal hem eene naauwkeurige leevenswijze voorfchrijven, de wijn en alle vaste fpijzen verbiedende ; gelijk de Plethora, niets anders is, dan eene alte grooten overvloed van vog- ten, en dat de inflammatie gebeurt, om dat het bloed ftil ftaat, verzamelt en verhit word in de lippen der Wonden, zo kan men de menigte der vogten niet ver- minderen, nog den loop van 't bloed afwenden, dat zich naar het gekwetfte deel begeeft, nog baar vaten ontledigcn, als door aderlaating en eene ftrenge leevens- wijze. Zo de gekwetfte Cacochijmisch is, zal men de kwaade fappen verbeteren, door zagte purgeer middelen. Indien hij met eenige ziekte gekweld, ofbefmet is met venus-kwaal, fcorbut, of klier-gezwellen, zal men de algemeene of bijzondere middelen gebruiken, die eene zoortgelijke kragt omtrentdeezeziektens hebben. Door "dit middel zal men het voedzaame fap zagt, balfamicq, olieagtig, en van eene behoorlijke confiflentie maaken, M m ra heb- |
||||||
|
WON.
naar eenig gedeelte van aanbelang, het welk zij kwetzen
Kunnen,zijn gevaarlijk. Die,welke groot en met verlies der zelfstandigheid gepaard gaan, vereifchen meerder tijd tot haare geneezing, en zijn niet zonder vrees voor de ge- volgen. De diepe, de innerlijke, of die in eenig hol doordringen, zijn des te gevaarlijker, hoede toevallen zwaarder zijn. Die, welke diejp en naauw ter zelver tijd zijn, veroorzaaken dikwijls vergaderingen van (lof en alfcisfen, wsfe»*- 4.) De belediging der fimElien ah een gevalgder Won-
fcn, en de toevallen, die zich hier bijvoegen, dienen 0ok tot grond van de voorzegging, dien men doen moer. gij voorbeeld, de Wonden, die de flokking beletten , gelijk die van de Oefophagus, of de ademhaaling, gelijk die van de Lucht*ader; die de kooking der Spijzen ver- hinderen, gelijk die van de Maagj of die, welke ftuip- trekking, verlamming, ijlhoofdigheid, en andere aan- merkelijke toevallen veroorzaaken, gelijk die van de Ze- nuwen en Peezen, die half doorgefneeden, en van meer andere gevoelige deelen; inéén woord, zodaatfige Won- im die zamengefteid zijn , doen ons met reden voor een groot gevaar dugten. . $.} Heitemperament, deoirderdom, kunne, en de tegen-
woordigetoeftand van den Gekwetften, maaken den uit- komst der Wonden meer of min twijfebgtig. Indien de gewonde kwaadfappig, zeer jong of heel oud is, bijge- volgminder in ftaat om het geweld der toevallen, door teftaan die er kunnen voorvallen, of de operatien, die men genoodzaakt zou zijn om te doen ; indien het eene zwangere Vrouw is, ofwel eene Dogter, die op dat pas de maandelijkfche verandering heeft; zo zijn zijn zij in dit ge- val blootgefteld aan een revolutie en fuppresße der humeu- ren. Indien het onderwerp onderhevig is aan fcorlut, of de kinderpokken, kliergezwellen, ofmeteenigeandereziek- tebezogt is, dan zijn voorzeker de Wonden veel gevaar- lijker, dan in gezonde, jonge en fterke lieden, 6.) Het goed of kwaad gebruik van de zes niet natuur-
lijke dingen, en haare min of meer voordeeüge gefteld- heid, zijn van een grooten invloed ten aanzien van Wonden, Indien de lucht al te heet of te koud is, of door eenige kwaadeuitwaasfemingbefmet, heeft men reden om voor inflammatie te vreezen, of voor koorts, gangrcena, en alle zodaanige toevallen, die er van afhangen. Indien de ge- kwetfte teveel eet, ofzichmet zuure en fcherpefpijzen voed, zo hij wijn en geestrijke vogten drinkt, zobijzwaa- ren arbeid doet; zullen deprikkeling der vaste deelen, de overvloed, de fcherpheid en beweeglijkheid der vogten buiten twijfel die toevallen vermeerderen , waar van wijgefproken hebben. De flaapeloosbeid, zo wel als de buitengewoone ontlastingen, zullen hem verzwakken en uitteeren. In tegendeel, zo de ftofFen, die uitmoeten geworpen worden , niet ontlast kunnen worden, zal de verilopping , zwelling en ontfteeking der Wonde van meerder aangelegenheid worden. Eindelijk kunnen ook de buitengemeene fterke hartstogten van de Ziel, het zij door hetbloed en degeestenaan tehitzen, en meer- der fpanning aan de vezelen te geeven, gelijk degram- fchap, woede, al te groote vreugde; hetzij door de vezelen te ontfpannen , de vogten tegen te houden, hunne beweeging te vertraagen, belemmerende de koo- kingen en affcheidingen , gelijk de fchielijke fchrik , y*ees , hartzeer , droefheid, zwaarmoedigheid enz. ; deeze (zeg ik) kunnen de Wonden veel gevaarlijker maaken en doodelijke toevallen te wege brengen. Om alle herhaalingen'te vermijden, zullen wij in'tvervplg yII Deel.
|
||||||
|
#22« WON.
|
WON.
|
||||||||
|
gen,- het welk dan îioodzàakelijk tot verrotting komen
moet. De zamengroeijing kan niet gefchieden dan rus. fchen leevendig vleesch,; dat is, vleesch, waarvan de doorgefneeden vaten aan weerskanten van de verdeeling in hun geheel blijven, invoegen, dat de omloop en ver. ftrsoijing der vogten tot aan hun uiteinde toe gefchied, een vordeel, het welk de Wonden, die door mijdende werktuigen gefchied zijn, hebben. Het gebeurt even- wel niet altoos, dat de lippen van deeze laatfte Wonden geheel en al zonder kneuzing zijn; het fnijdend gedeel- te van die werktuigen is niet altoos dun genoeg om de deelen door te fnijden en naauwkenrig te verdeelen, zonder dezelve te kneuzen en te verbrijzelen, gelijk een grove" Zaag doen zoude. De aderlaating door een ver- roest of kwalijk aangezet lancet gedaan, geeft ons hier eefi voorbeeld van; er.komt een klein geinflammeerd ge. zwel, en de opening wil tot geen lidteken komen dan na eene zagte fuppuratie. Een Huk glas, ijs, aardewerk, porcelein, zo gebroken als gefieepen, darmen gelooven zoude, dat het fnijden kon, en in ftaat was om de dee- len van één te febeiden zonder ze te vermorfelen , laat nooit na de lippen der Wonden, die er mede gemaakt zijn te kneuzen. Zomen daarenboven, om haare veree- niging te bevorderen, adftringeerendc, opdroogendeof Cpiihueeleplaatsmiddeleti gebruikt, oniftaatbiereene aan- merkelijke inflammatie, . zorritijds van z.ulke doodelijke toevallen gevolgd, dat het Gemeen zich inbeeld, dat dit zoort van fnijdende werktuigen iets vergifdgs in zich heeft. Men zou dan zeer kwaalijk doen, om dit zoort van Wonden te willen geneezen,even als de andere die geknenst zijn, door haare vereeniging aan te vangen, en haartot een lidteken te brengen, zonder haar van te vooren eens zagte fuppuratie verfchaft te hebben, die in ftaat is om haare geftorvene' oppervlakte te ontbinden, en geheel los te maaken. Men moet deeze oppervlakte aanmer- ken als eeo vreemd lighaam , het welk de onmiddeüjke aanraaking der leevendige lippen van de Wond beletten zou. Men moet ondertusfehen in agt neemen, dat ze- kere Wonden met flarden, door kneuzende werktuigen gemaakt, gelijk die van het hoofd, bij welke de Mm- culi frontales en occipitales voor een gedeelte los geraakt zijn, en die van de kin of Musculusquadratus, dikwijls weder vereenigd worden door middel van een « tuur of bet vereenigend verband, zonder verpligt te zijn om de ftukken af te fnijden^ nog om hen te doen fuppureeren, mits dat deeze flarden niet vermorsfeld zijn. en.de lucht geen tijd gehad heeft, om eenigen indruK op hen te maaken. 3.) Het verlies van zelfftandigheid, kant zich ook te-
gen de onmiddelijke vereeniging der lippen van eene Wonde. De moeite, dfe men heeft om dezelve tegen ei- kanderen te brengen, belet daarenboven om aan de eer- Re indicatie te voldoen, die geen plaats kan hebben als na de wederaangroeijing van nieuw vleesch, omderuirn- te, die-er gemaakt is, op te vullen ; men moet dan vleeschmaakende middelen te werk ftellen, eer men on- derneemt de Wonden weder zamen te doen groeijen en tot een lidteken" te brengen. Men heeft ondertusfehen zekere deelen natuurlijk zagten flap, gelijk de lippeR' wangen, oogleden, de borften, de balzak , die, in weerwil van bet verlies van zelfftandïgheid, dat hier ge* beuren kan, zich genoeg laaten rekken om de lippen van haare Wonden tot malkander té brengen, en haare ver- eeniging te onderneemen. 40 De vreemde lighaamen zijn geen van de mintte
|
|||||||||
|
hebbende eene hoedanigheid, gefchikt om het vleesch
ende vereeniging der van één gefcheiden deelen, weder te doen aangroeijen. De hinderpaalen, die van de Wonden zelve afhangen,
en haar verzeilen, vereifchen geen minder aandagt dan de voorgaande, vermits het moeilijk en zomtijdsonmoog- lijk is de van ééngefcheiden deelen te vereenigen, zo men geen middel vind om alle deeze toevallen uit den weg te ruimen. ii. i.) De deelen, die door een fnijdend of kneuzend werktuig van één gefcheiden zijn, kunnen niet weder vereenigen en zich in haaren natuurlijken ftaatherftellen, als door eene onmiddelijkeen geduurige aanraaking, die gelegenheid aan het voedzaame fap verfchaft om hun zamen te doen kleeven , en er dus weder een geheel en vereenigd lighaamvan te maaken; indien de lippen van eene Wond dan van malkander verwijderd blijven, kun- nen zij zich nooit weder zamenvoegen en van zelf ver- eenigen ; moetende hier dan eene aanmerkelijke aangroei- jing van vleesch gebeuren om de ruimte en tusfcbenwijd- te, die zij overlaaten, optevullen, het welk de genee zing zeer veel vertraagcn, en het deel dikwijls eene af- fchuuwelijke gedaantegeeven zoude. Ook ziet men, dat de Wonden, welke de Spieren dwars doorfnijden, en waarvan de lippen bijgevolg zeer verwijderd zijn (om dat de doorgefneeden vezelen altijd genegen zijn om zich naar hunne vasthechtingen, of vaste punten in te trek-" ken) lang en moeilijk om te geneezen zijn; ook laaten zij' naa haare geneezing een ieelijk lidteken over. Men moet dan een middel vinden om de lippen van eene Wonde, zoveelmooglijk is tegen majkander te brengen, op dat zij ter deeg zouden kunnen vereenigen. Aden kan hierin flaagen door behulp van een behoorlijk verband, of van eene naad, of van de gelegenheid van het deel zel- ye, gelijk wij in 't vervolg zeggen zullen. Van gelijken / zo de lippen van eene Wondezabeweeglijk zijn, datzij niet zamen vereenigd kunnen blijven, kan er geene za- mengroeijing gebeuren. "Bij voorb.de Wonden van het gedarmte, hoe weinig lengte zij Ook hebben, groeijen nooit te zamen, zo men ze door geene futur a hecht, of zo zij zich niet hechten, aan, en vereenigen met een »abij gelegen deel. Dit zijn waggelende en zeer dunne partijen, die uit gebrek van onderfteuning, niet toelaa- ten, dat men haar te zamen brengt, invoegen, datbet voedend fap, het welk uit de lippen van de Wonde komt, in het hol van den onderbuik uitgeftort word,"< of in het Jcanaal van het gedarmte, zonder eene vereeniging te kunnen veroorzaaken. Men kan het zelve oordeel vel- len over de Wonden van de long, waarvan de geduurige beweeging gemeenlijk belet, dat haare tegennatuurlijke van één gefcheidene deelen tegen malkander kunnen aan- kleeven. 2.) De kneuzing is ook nog een beletzel aan de ver-
eeniging der Wonden. Wanneer men zelfs haare lippen :tegen malkander aanbragt, zouden zij niet zamen kunnen kleeven of vereenigen , alle haare vaten zijn zodanig verbrijzeld en aan (lukken, dat het zenuw.fap hier niet, meer naar toe gevoerd word, dat dé omloop der vogten hier ftil ftaat,' en-dat eindelijk haare lippen a!s dood zijn, geene gemeen fcbap meer hebbende met het alge* meene leeven van het geheele ligbaam. Bijgevolg zijn zij niet meer in ftaat om voedzaam fap te verzorgen, het -welk alleen in ftaat is om haare vereeniging te bevorderen} of het geen er al -uit kwam, zou van geen'goeden aart, ©fin ftaat zijn om het leevenloeze vleesch te vereeni« |
|||||||||
|
WON
|
|||||||||||
|
WON,
|
|||||||||||
|
422?
|
|||||||||||
|
jandéfpaalen tegen dezamengroeijing der Wonden. Men
noemtin de Heelkunde, vreemde lighaamen, al dévaste of vloeibaare lighaamen, welke tegennatuurlijk in eenig gedeelte van 's menfchen lighaam zijn ingedrongen, het zij zulksvan buiten kome, gelijk kogels of hagel, eenftuk hout, glas, een naald, een punt van een mes, een ftuk van een degen, een baair, fand, aarde, en oneindig andere tneer ; het zij zulks van binnen kome, gelijk als geftold bloed , dood bedurven losgeraakt vleesch , fchilfers van beenderen, etter, enz.; ja zelfs deelen, die in eene holligheid begreepen zijnde, uit haare plaats gefchooven , en zich tusfchen de lippen van eene Wond invoegen; bijvoorbeeld, het Epiploon, de Darmen, de Blaas, of eenig ander ingewand, met betrekking op de Wonden van den onderbuik. Men begrijpt zeer ligt, dat alle dee- ze vrèemdeiighaamen, de lippen der Wonde van mal- kander moeten houden, derzelverontniddelijke aanraaking beletten,- en bijgevolg haare vereeniging verhinderen. Het is dan ten uiterften noodzaakelijk, dat men dezelve wegnéeme, en zulks bij he,t eerde vêrbandzohetmogelijk is; zonder deeze voorzorg, maaken de zwelling en onftee- king, die bij de Wonden gebeuren, haare opening zo naauw, dat men veel moeite zou hebben om in 't ver- volg deeze op eratie te doen, en genoodzaakt weezen, de openingdooreeneineï/ïsgrooter te maaken, ofdefuppU' mtie af te wagten,zo er vaste lighaamen moesten uitgehaald worden. Dog eer dat men die uit de Wonde tragt te baa- ien, moet men in aanmerking neemen, of den gekwetften zulks uitgehaalt zijnde kan leeven, uit vreeze dat men zijnen dood niet aan den Heelmeester toefchrijve. Wan- neer men het nodig oordeelt, om die uitte haaien, doet men zulks 't best met de vingers, of wel met be- kwaame werktuigen, als daar zijn Curetten, Tangen, de Kraanvogelsbek, de Eendvogelsbek, de Kogeltrek- ker, en andere dergelijke. Zo de opening van de Wonde niet groot genoeg is , moet men eene incifie doen , wel zorg draagende om de groote vaten, de zenuwen en depeezenniet te kwetzen. Men zal het werktuig niet in de Wonde brengen, voor dat men door de yjngers, door het fondeer.ijzer, of door het ftilet, van de legging van het vreemde lighaam onderricht is. Indien het zeer diep ingedrongen , en nader bij aan de tegenovergeftelde zij- de is, dat het door de plaats, waar door het ingekomen is, niet zondereenegrootefcheuringuitkangehaaltwor- den, moet'men het er uithaalen door eene opening aan de tegenovergeftelde zijde. Indien het vreemde lighaam een looden kogel of hagel korrel is,het welk men niet vinden of zonder groot geweld er uit haaien kan, moet men het er in laaten zonder zich hier over te bekommeren ; dewijl het er uit komen zal in de tijd van Ae'fuppuratie, of er in blijvende met nieuw vleesch begroeijen, zonder dat het de vereeniging van de Wonde belet. Men heeft men- fchen gezien, die dergelijke lighaamen hun geheele leeven lang, zonder ongemak bij zich gehouden hebben. Het is een vast glad lighaam, 't welk niet bederft, en't geen niet de minde prikkeling aan het deel veroorzaakt. Dusdaanig is het niet gelegen met andere vaste lighaamen, die ee- ne ongelijke en ruuwe oppervlakte hebben. Als men deezener niet uit kan haaien, is het zeker, dat zij veel Pijn en eene inflammatie verwekken zullen ; men moet dus tragten om er die uit te krijgen. Zijn het on. dertiisfchen ftukken van beenderen, die niet geheel en al los gegaan zijn, moet men ze er in laaten, evenwel met dievoorzorg,dat"ze weder in hunne natuurlijke legging gè- kragt worden, om hier door voor te komen, dat het vleesch |
|||||||||||
|
niet befchsdigd worde. Het geronnen bloed zal men meê
zijn vingers, of met de punt van een fteekwiek , of door drukking, of door zuiging of affpoeling, wegneemen. Dog indien er eenig klonter bloed was, 't welk de ope- ning van eenen Slag-aderof grooteAder toefloot, zouhefc niet raadzaam zijn dezelve weg te neemen, uit vreeze van de bloedftorting te vernieuwen. Indien er in de Wonde. haair , dof, fand, aarde, of eenig dergelijk lighaam ge. komen is, zal men het afwasfchen, en met laauwe wijn of eenig ander bekwaam vogt, zuiveren. Als eena Wonde van den onderbuik, het Épiphön, het Gedarmte qf eenig ander ingewand uit laat fchieten, moet men niet nalaaten het zelve ten eerden door de taxis in te brengen, zo het mogelijk is, of door de verwijding van de Wonde. Wanneer het gekwetftedeel met haair is begroeit, zal men het terdond af fcheeren , zorg draagende om een lin« nen doek op de Wonde te leggen, om te beletten dat er geen haair in valle. Indien het vreemde lighaam, dat in de Wonde zich ophoud , een doorn, fplinter, eeneklei« ne fchilfer van een been, of eenig ander dergelijk ding is, het welk niet veel volumen heeft, en er niet uitge« trokken kan worden met de vingers of met werktuigen ; hebben zich zommigen verbeeld, dat men heter door eenige plaatsmïddelen konde uit krijgen, gelijk de Gal* banum, de Sagapenum, de Emplaflrum divinum) AeEm* plalîrum opodekoch en andere plaatsmïddelen, aan welke zij eene zoortelijke kragt toefchrijven , om dit uitwerkzel voort te brengen ; dog dee2e kragt beftaat maar in ver- beelding ; al het geen dat zij in daat zijn te doen, be- ftaat nergens anders in dan in eene fchielijke fuppuratie te bezorgen, die het vleesch der lippen van de Wonds verteerende, de vreemde lighaamen veel meer vrijheid geeft, en bijgevolg beter gelegenheid verfchaft, omhea uit te haaien, of er van zelf uit te vallen. 5.) De aandoening van de lucht, is ook nog zeer fchaa.
delijk aan de vereeniging der Wonden. Zij doet haare lippen opdroogen, haare vezelen en de uiteindens van haare vaten fronzelen, verdrijvende de wateragtige en vlugge deeltjes van het voedende fap , dat haar be- fpröeit. Zij verdikt de vogten en doet ze zamenftrem- men, en fluit de vaten toe, die hen bevatten; het is door haare droogheid en koude hoedanigheid, dat zij deeze uitwerkzels voortbrengt. Hoe heet zij ook zijn mag, ze is altoos koud met betrekking tot het gekwetfte deel ; haare hitte, zelfs in het allerfterkfte van de fo- mer, is nimmer gelijk aan die der vogten , welke in het lighaam beflooten zijn. Het voedzaame fap de lippen van de Wonde niet bevochtigende , kan derhalven haar niet doen zamengroeijen ; in tegendeel 'verpligt zijnde hier met het bloed ftil te daan, vergaaderen zich hier dee- ze twee vogten, worden dunner, verhit, en veroor- zaaken eene ontfteeking, die daarenboven de vereeni- ging der van één gefcheidene deelen nog belet. Het geen de aanraaking van de lucht zeer nadeelig voor d3 Wonden maakt, en in ftaat ftelt om de vogten, die de« zelve befproeijen, te bederven, is, wanneer zij zich belaaden vind met kwaade uitdampingen, gelijk gemeen- lijk in zodaanige Hospuaalen dievol Zieken zijn, gebeurt. Daar ziet men , van wat gevolg het zij om Wondenbloot~ gefteld aan de lucht te laaten leggen. Men zal ze daa zo vaardig als mogelijk is verbinden; ook het oude ver« band niet afneemen, voor dater een ander eerst gereed zij om op nieuw gelegd te worden; en zo het eene Wonde van aangelegenheid is, zal men den Lijder, zo de omftandigheeden zulks gemakkelijk toelaates, in zijn Mmm a bed |
|||||||||||
|
WON/
|
||||||||||
|
$0N, %
Schoon de pijrr altoos de, Wonden-verzelt, is zij echi
ter dik wils zeer draaglijk;dog haar geweld gaat ook menig. maal zo ver, dat zij eene geduurige flaapeloosheid, e|" ne aanmerkelijke verfpilling van kragten , eene Jtafis der vogten op het deel , eene groote inflammatie koorts, ftuiptrekking, ijlhoofdigheid, engfp,gangrena veroorzaakt; het geen voornamentlijk gebeurt in de Wm, den der zenuwen, der peezen, en vàn andere zeer ge. voeligé deelen. Terwijl deeze toevallen tegenwoordig zijn , kan de Wonde niet heelen. Gelijk de pijn nu verfcheidene oorzaaken heeft, moet men wel opletten om die van malkander te onderfcheiden. Zo zij verwekt word door al te fcherpe en heete geneesmiddelen, zal men in derzelver plaats, verzagtende en verfrisfchende leggen; zo zij veroorzaakt is door vreemde lighaamen, door al te lange en dikke fteekwieken, of door ftukken van beenderen, die de nabij gelegene deelen fteeken, moet men zorg draagen dezelve ten eerften weg te nee. _men; zo zij ontftaat door eenige futuur, zal men die losmaaken, of de fteeken doorfnijden; zo het dooreen overvloed van etter is, die in het gedeelte word opge- houden , zal men haar een vrije döortogt geeven; zode- zelve van een zenuw komt, of van een pees, die half door- gefneeden is, zal men dezelve verder doorfnijden; en ge» lijk de inflammatie gemeenlijk de pijn verzelt, of er de oorzaak van is, zal men om dezelve te doen overgaan, den lijder menigvuldig doen aderiaaten, men zal hem een vogt verwekkende en verfrisfchende dieet doen onderhou- den , en op het gekwetfte deel, verzagtende cataplasme leggen, het zij uit melk, kruim van brood, dooijervan een eij en populeum; het zij uit verzagtende kruiden en bloemen, ah, malya,althaa, viola, florescamomill«, m- liloti, verbasci, en grana Uni. De jeuking is ook nog een zeer moeilijk toeva! bij de
Wonden. Zij ontrust de flaap; zij zet ons aan tot krab- ben, bet zij waakende of indeflaap ; de gekwetfte haalt zich het vel open;'de vogten worden door dit toeval in grooter menigte naar de Wonde gevoerd, het welk eene veer grooter ontfteeking met haare gevolgen veroorzaakt. In dit geval moet men dikwijls het deel met laauw wa- ter betten , of met een decoUum emolliens , of wel wrijven met ceratum Gakni camphoratum, of unguentwn nutrhum. ' . Veconvuifie iseen vandie toevallen, welke de zamen-
groeijing der Wonden het meest belet. Indien dezelve veroorzaakt word, door eene fteeking, of eene dilaccratit van een zenuw of pees, zal men zulks verhelpen opde wijze, gelijk wij hebben van de Wonden deezer dee- len fpreekende , gezegt. Zo zij veroorzaakt word door eenig fcherp vogt, het welk het Zenuw-ge« ftel prikkelt, za! men het verzagten door verfrisfchende ptifance, door emulfien, door cataplasmata anodina. Men zal bij de inwendige hulpmiddelen narcocila voegen, en den zieken doen aderiaaten ; niets verflapt de geprik- kelde vezelen beter. De al te overvloedige fuppuratie, al het voedend fap
wegftootende en met zich fleepende, Iaat niet toe om het te verdikken, en de Wonden te doen vereenigen. Men moet dan middel zoeken om dezelve te verminde- ren. Men zal hierin flaagen, door de vogten, die de- zelve verfcbaffen,door den ftoelgang en het wateren, kwijt te maaken; een uitwerkzel, het welk wij door herhaalde purgantia 6? diuretica bekomen zullen. Ter zelver tijd zal de zieke eene nauwkeurige leevenswiize hoadei); en uitwendig gebruikt men, unguentwn a>Jtc" |
||||||||||
|
4225
|
||||||||||
|
bed verbinden met toegeflootene gordijnen; en 2org
draagen, dat geduurende het verband de lucht verwarmt Worde, dooreen test met geglomme vuur, dog niet van doove kooien, uit vreeze dat de damp den gekwet- ften fchaaden zou. Ten laatften zal men trachten, om hem eene zuivere en gezonde lucht te doen inade* men. 6.) De Bioedftorting belet niet minder de heeling der
Wonden. Zij verhindert, dat haare lippen malkander kunnen naderen en onmiddelijk aanraaken; zij fleeptmet zich weg het voedend fap, dat hier verblijven en dik worden moest, om haar zarnen te doen kleeven. Het is dan nodig, deezeuitftorting van bloed tegen te houden, eer men degeneezing onderneeme. Ingeval er groote vaten open of doorgefneeden zijn, en dat de Bioedftor- ting zo groot is, dat de gekwetfte wel dra bedreigd word in onmagt te vallen, of in een al te gevaarlijk verlies van kragten , moet men ten eerften dit toeval zien weg te neemen , als van te vee! gevolg zijnde, zelfs eer men denkt om de vreemde lighaamen af te haaien, ten min- ften zo men het niet zeer fchielijk kan doen. Men fielt verfcheidene hulpmiddelen in 't werk,om de Bioedftor- ting te fluiten; hier van word gefprooken in de verhan- deling van de Wonden der Slag.aderen en Aderen. Zom- tijds kan een bekwaam verband volftaan, of men drukt zo het mogelijk is, de vaten met de vingers, tot dat het bloed begint te ftremmen en de opening verftopt; of men vuld de Wonde op met plukzel, waarin men ad- flringeerende poeijers ftrooit, of men fteekt in de ope« ning van 't vat een ftukje vitriool. Eindelijk, zo alle deeze middelen onnut bevonden worden, bind men het vat toe. ' 7.) De andere toevallen, die de zamengroeijing der
Wonden beletten, zijn de inflammatie en .zwelling van het gekwetfte deel ; de pijn, jeukte, ftuiptrekking, al te groote fuppuratie, het uitwasfen van fungeus en over» vioedig vleescb. - Wij hebben van de oorzaaken der inflammatie en
2wellirîg, hier voor gefprooken. Gelijk deeze toe- vallen nergens anders van komen, als van de ver- flopping der vaten, van de verdiïbbelde polsflagen der Slagaderen , van het verblijf van 't bloed en de andere vogten, en dat de verftopte en uitgezet- te vaten, de monden van de doorgefneedene buizen drukken, hen zelfs omkrullen en binnenwaarts doen trekken , zo moeten bijgevolg de lippen der Wonden droog Zijn. Zij gecen geen voedend fap uit, om de zamengroei- jing te bevorderen. Het is dus nodig, dat men deeze toevallen voörkome; om hierin wel te flaagen, moet men, go dra een gekwetfte bij ons komt, zo_de bioedftorting gematigd is, de Wondemaat matiglijk doen uitbloeden, wanneer er minder bloed omtrent dat deel verzamelen Kal; dog zo er weinig uitgeftort is, en dat de ontftee- king^l begint, of reets aanweezend is, zalmenzijntoe- vhigt moeten neemen tot menigvuldige en herhaalde ader- latingen, als tot hetallervaardig'st en kragtdaadigst hulp- middel. Menzalzoveelbioed aftappen, als de kragten .van den Lijder het toelaaten, en op het deel ook verzagten- de CaUplasmata leggen. Indien de ontfteeking veroor» zaakt is door a! te te harde fteekwieken of kapittelftok« ken, waarmede men de Wonde opgevuld heeft, zal men diewegneemen en dezelve zagtelijk verbinden. Zozijont- ftaanis doordefteeken van de fatum, zal men die losfer maaken, of zelfs geheel doorfnijden, ingeval dat het tofr val ntet opbood. - |
||||||||||
|
WON,
|
|||||||||||
|
WON.
|
|||||||||||
|
4223
|
|||||||||||
|
chanismus van het m.enfchelijk lighaam fteunende; dat is
te zeggen op het maakzel, de werking, de legging en bijzondere organifatie van zijne deelen, die het aan zekere wetten van beweeging onderwerpen; wetten betrekking hebbende tot de vaste deelen en vloeifloiFen, die beur- telingsde een op de ander werken, waaruit ontftaat, de omloop van 't bloed en andere vogten, hunne affchei» dingen en verdere verrigtingen, onder welker getal men de voeding ftelt, welke de uitwerkende oorzaak is der vereeniging, en vleeschwording der Wonden, en dat zij een lidteken krijgen. De Natuur nu, gelijk wij dezelve verklaard hebben , gebruikt, om dit uitte werken, een voedend fap, het welk niets anders is, dan het allerzag- fte, zalvagtigfte, en bij uititek balfamique gedeelte van de lijmpha, en aan hec welk de Ouden naar hun goed- vinden verfcheidene naamen gegeeven hebben, volgens derzelver verfchillenden graad van kooking en rijpwor- ding. Zij noemden dat geene, bet welk nog met de masfa van het bloed en de lijmpha omloopt, humor innominatus , (vogt zonder naam); om dat het met de andere vogteu vermengd, en zonder onderfcheid naar allerhande zoor* ten van deelen verfpreid zijnde, geenen naam hebben kon, nog kooking genoeg om zijn uitwerkzel voort te brengen. Zij hebben den naam van ros (of dauw) ge- geeven aan dat geene, het welk van 't overige van de lijmpha door zijnaffchei-vaten afgefcheiden zijnde, zich bij wijze van eenen dauw in alle de deelen ukltort, die daardoor gevoed moeten worden. Zij hebben den naam van gluten (of lijm) gegeeven, aan dat zelve zoort van voedend lijmpha, om dat het verkreegen hebbende meer- der kooking en conRflentie door middel van de natuurlij» kehitte, die het waterige heeft doen wegdampen , veel balfamieker en flijmiger geworden is. Tenlaatften heb- ben zij onder den naam van cambiwn datgeene willen te kennen geeven, het welk op de deelen uitvloeit en in haare selfftandigbeid veranderd word. Alle die verfchillende trappen van bereiding, door
welke het voedend fap gaat, doen ons kennen , dat zijn eerfte bron-ader, gelijk die van allede andere vogten , de Masfa jan het bloed is ; dat het met het zelve om- loopende, klein gewreeven, verdeeld en verdund word door het herhaalde fijstole der flag-aderen , en door de innerlijke beweeging van dit vogt; dat het vervolgens zich door de arteries lijmphatica affcheid, die niet dan de zijdelijke vervolgen der bloed-flag-aderen zijn,, ter» wijl het overige van het bloed, dat hier niet door gaan kan, in de worteltjes der aderen geftortword, dat daar na aan de uiteindens der arteries lijmphatiae affchei- vaatjes zijn, die het voedend fap ontfangen, en naar al. Ie de deelen verfpreiden, terwijl hec overige van de lijm* pha haaren weg door de vena iijmphaticai vervolgt. Hier uit vo;gt, dat niet in de groote vaten, dat is, niet in de bloed vaten of die der lijmphce, de voedinggefchied , maar in de allerkleinfle kanaalen , of eerder in de ve- zelagtige buisjes, die de rokken der andere vaten zamen- ftellen; dat eindelijk bet voedend fap bij uitftek klein moet gemaakt worden om tot die haair-vaatjes te komen, waar van de diameter van eene ongelooflijke kleinheid is. Dit fap dan in de Wonden gekomen zijnde tot de uit- eindens der doorgefneedene of verbrijzelde vaten, zweet bij kleine druppels door , na dat de groote vaten, die zij zamenftellen, zich ontlast heblien , dat zij niet meer gedrukt worden , en dat haare verbrijzelde vezelen zich niet los gemaakt hebben door de fuppuratie, vooronder- field zijnde, dat dezelve hier gebeurde. Dedrupjpel van Mmm 3 bet |
|||||||||||
|
ßlivtim rubrum-, de pompholijx, de tutia in poeiferj /f-
t},argijrium,cerusfa, plumbum ußum, en andere derge- lijke hulpmiddelen, in ftaat om de lippen van de Wande te droogen, en het fcherpe zout van de etter te ab- . Het uitwasfen van fungeus en overtollig vleesch, het
well; zomtijds aan de Wonden gebeurt, belet dat het lid. teken niet voort kan komen, of maakt het zeer onoog- zienlijk- Men moet dan al het geen overtollig is, uegneemen en doen verteeren, door topicadeficcativa £? ieterfiva, ja zelfs door brandmiddelen. Om aan deeze indicatie te voldoen, moet men op het fungeufe vleesch leggen,inV//or«n»'«agepulverifeert.gecalcineerdealuin , een poeijer van gelijke deelen ochrum en fabina, Mercu- rins prcecipitatus ruber, of het geen het vaardigst en ge- makkelijkst is, men doef er zagtjes de lapis inf'emails overgaan; en om de reve af te doen vallen en de Wonde te"zuiv.eren, zal men hier het unguentum Jpoflolorum gebruiken. Wanneer men het geluk gehad heeft,om alle de hin-
derpaalen, die wij opgenoemd hebben, te boveifte ko- eien en te onder te brengen, is er niets meer overig als àe Wonde naax de konstte verbinden , om de natuur niet te verftooren in haaf e werking, die zij doet om dezelve zo dra mogelijk te doen heelen, en tot vleesch en een lidteken te brengen. Men zal dan in agt neemen, dat men dezelvezagtelijk verbinde, en er, met geen geweld , narde en lange fteekwieken ofkapittelftokken inbrenge, die nergens toe dienen als om de uiteindens der vaten, door welke het voedzaame vogt doorzweet, te (toppen, de pijn en inflammatie te vermeerderen , de lippen der Wonden van malkander te doen gaan, en hard en eeltag- tig te doen worden. Hetiswaar, dat men zomtijds niet buiten de fteekwieken kan, gelijk inde operatie van de lubon'ocele, van de gaflographia, en in zekere fistuls, alwaar men met het opvullen andere indicatien heeft, eer dat men zich op de zamengroeijing toelegt; dog hoe minder men er hier oplegt,, hoe eerder de Wonden genee- zen zullen zijn. Men zal de Wondenzo min mogelijk is jondeeren, zo me.n de vleeschagtige tepeltjes niet wil verbrijzelen , die nog zeer zagt en teer zijn, endoor het Voedzaam fap nu beginnen geformeerd te worden. Om hen tijd te geeven, zal men het verband uitftellen, ten minfte wanneer de fuppuratie niet al te overvloedig is. In dit geval zou men er twee's daags moeten doen om het bederf te mijden, vooral in den fomer, en geen be- .derflijke, vette, olieagtige unguentagebruiken, ja zelfs geen pleisters zonder noodzaakelijkbeid, bijzonder wan- neer de Wonden verzeld gaan met inflammatie en erijfi- pshs, uit vreeze, dat men de pooren fluiten zal en de doorwaasfeming beletten. Indien de fuppuratie van een goeden aart, en gematigd is, zal men de Wonde zagtjes afwisfehen om haare lippen niet te prikkelen, nog al het voed/.aam vogt weg te neemen, het welk haare zagt- heid bewaart, en het welk befteed moet worden tot haa- re vleeschwordiBg en vereeniging, ja zelfs moet men geene fphituede. geneesmiddelen aanwenden, dewijl zij nooit zullen nalaaten om de vezelen en uiteindens der vaten hard te doen worden, en de etteragtigeftoffenaar binnen te doen vloeijen. Zo men alle deeze lesfen nauwkeurig volgt, zal de na-
tuur geene moeite hebhen, om in w'einig tijd de Wonden toteene volkomene geneezing te brengen. Wij verdaan in dit geval door het woord Natuur, de
dierlijke huishouding, op het werktuigelijke of de Me- |
|||||||||||
|
WON.
|
|||||||||
|
iflU WON.
|
|||||||||
|
zö onverduldig niet was, en dat men haare lidt-ekens niet
al te zeer verhaaste door geneesmiddelen, die hard maa- ken en de uiteindens van die vaatjes doen opdroogen, dat men in tegendeel hunne zagtheiden buigzaamheid be' waarde, zou er.een zagt, effen en ongevoelig lidteken gemaakt*wórden, tennaatften bij aan het eerfte vel ge- lijk. De vloeiftof, die deeze buisjes bevatten , zoude zo groot eenen tegenftand niet ontmoeten, zij zoude ze tot het einde toe doorioopen, en de gevoelige en onge- voelige uitwaasfeming zou hier als gewoonlijk gefcnje. den; maar Wonden zouden veel langer werk hebben om te geneezen. Het lidteken begint, gemeenlijk aan de randen van de Wonde, om dat de vaten van deeze plaats veel eerder tot hunne lengte en hardheid gekomen zijn. Om dezelve reden-is het* dat wanneer-het vel niet over- al geheel weg gegaan is, gelijk als wanneer men zich gebrand heeft, het lidteken'op verfcheidene plaatzenbe. gint. ■' .'-- > a ,..--. WONDERBOOM; Helfihe Vijg ; Mollen-kruid;
Kruis-loom ; Cataputia major ; Faba purgatrix ; Ficus in- fernales. *-r(* Ook draagt dit Gewas de. naam van Ri. cinus, om reden zegt men, dat het zaad daar van naar een Diertje, zijnde een zoort van Vee-Luisje, gelijkt, Nog word het met den naam van Palma Chrifli betekend, om dat haare Bladen gezegt worden, naar de palm van een hand tegelijken. . .- :.:: . , Kenmerken. De Bloemen hebben"geene Bloembladen,
en beftaan uit veele Helmftijltjes, dieinhetmiddenpunt van de Bloemkelk opkoomen; deeze zijn on vrugtbaar, de- wijl de vrugtbeginzels verre van daar aan dezelfde Plant voortkoomen, wordende deezen naderhand driehoekige Vrugten, welke drie Celletjes hebben in elk van welks een langwerpig zaadje is befloten, dat van een harden fchel is voorzien. Zoorten. Daar zijn veelvuldige zoorten van dit uit»
landsch gewas ; de Heer Miller befchrift er elf van in zijn Kruidkundig Woordenboek'; wij bepaalen ons en> kei tot de drie volgenden, dewijl de anderen zelden in ons land gekweekt worden. i, Gemeene Wonderboom ; Ricinus communis; Ricinus
vulgaris. G. Büüh. Pin. 4.30. ; Ricinus gallispalma chris- ti.LoBKL.Hifl. 392.; (Ricinusf'oliispeltatisferratis,pi' tiolis glandularis. Linn. Spec. Plant.) 2, Kleine Wonderboom ; Ricinus vulgaris minor, cauli
virescente, C. Bauh. Pin. 3. Groote africaanfche Wonderboom ; Ricinus africi-
nus maximus, caule geniculato rutilante. Tournet. hfl, R. H. 543. Plaats, enz. Alle de drie zoorten zijn zeer gemeen is
verfcheiden Gewesten van Afrika en Amerika, en wor- den ook in onze landftreeken van Europa gevonden ; bij ons ontmoetmen die, in zommige tuinen van liefheb- bers. De eerfle zoort h lang bij ons bekendgeweest, dan werd
voorheen als een eenjaarfge Plant behandeld, terwijl die in een goed Oranjehuis bewaard -wordende , wel twee a drie jaaren kan overblijven, en een groote Plant word. De tweede zoort, groeit zonder onderfcheid doorge-
heel Amerika, alwaar haar zaad word ingezamelt, om er olie uit te haaien, tot gebruik der lampen. De derde zoort, fchoon aangekondigt als natuurlijk tot
Afrika behoorende, is nogthans ook zeer gemeen in ver- fcheiden gewesten van Amerika. Deeze brengt zeer groote Bladen en Zaad voort, en word ook zeer groot, |
|||||||||
|
bet voedend fap, die aan het einde ende opening van
het vat gekomen is, voortgedreeven door die hem volgt, is verpligt om digter aan te naderen; naar maate dat zijn vogtigheid uitdampt, word hij taaijer en dikker, dog al dik wordende, plaatst hij zich op den rand van het vezel, agtig kanaal om plaats te maaken voor die 'hem volgt, die insgelijks verdikt wordende, zich op dezelfde wijze op den anderen ftapelt, en dus volgen andere weder mal- kander op. Gelijk het zelve ook gebeurt ten opzigte van andere kleine vaatjes, die hier gemeenfchap mede hebben--, vereenigen de druppels van het voedend fap, die zich op de randen opftapelen , al dik wordende met malkander, en maaken vleescbagtige.zenuwige, peezi- ge, kraakbeenagtige ofbeenige tepehjes, volgensdena- tuur der vezelen , daar dit vogt zich ingedrongen vind. Dog dit voedend fap, dat van zelf die tepeltjes voort- brengt, met geweld voortgedreeven, door de kragt der voortgaande beweeging van de vlóeiftoffen, behoud al- tijd een weg open dwars door zijne zelfftandigheid; een. weg, die het met des te minder moeite bekomt, omdat het binnenfte der tepeltjes, het welk zo fchielijk niet als ds buitenfle oppervlakte dik word, daar minder te- genftand aan bied. Door dit middel zijn deeze tepeltjes doorboord volgens den loop van de vloeiftof, die door hen heen gaat, en hunne vereenigende deeltjes fchikken zich aan de eene en andere kant in dezelve legging, als die der vezelen , waar zij zich opftapelen, om dat het vogt, dat haar befproeit, en de fijne ftoffe, -diedoor haar heen loopt, onderworpen aan de wetten vanbeweeging-, die zij ontfangen hebben, hier nieuwe pooren maaken, en dat des te gemakkelijker, om datdeeze nieuwe ftoffe, bij na nog vloeibaar zijnde, haar zonder moeite gehoor- zaamt. Op deeze wijze verlengen zich alle de kleine vaatjes, en de Wonde wosd langzamerhant met vleesch gevuld, waar van de vaten zich zijdelings met malkanderen vereenigen. Deeze gemeenfchap gefchied omtrent op de- zelve wijze als in de geënte boomen. Het voedend fap van den Stam dringt ongevoelig in de buisjes van het in» geëntte, en loopt door zijne pooren heen. Dus ook.de vaat- jes van het nieuwe vleesch, andere ontmoetende, die de- zelve leiding hebben, voegen hunne eindens in mal. kanderen, om maar één kanaal uit te maaken , in het welk het' vogt omloopt. Op deeze wijze veree- nigt dikwijls het vleesch zon derfuppur at ie in eenvoudige Wonden. Indien er geen verliesvan zelfsftandigbeidis, en dat de-lippen van de Wonde niet van malkander ver- wijderd zijn, ontmoeten deeze vaten wel haast malkan. der, maaken eeneinmonding, en vereenigen zeer vaar- dig; in plaats, dat het zeer langzaam toegaat, wanneer er veel ruimte is, om dat de buisjes dan gedwongen zijn meerder uit te rekkem Gelijk zii door de verlenging veel enger en naauwer worden, bet zij uit hunne na- tuurlijke gefteldheid, die zij hebben om in te krimpen,' het zij als een gevolg van de zaniendrukking, die zij tê lijden hebben door de nabiigelegene vaten, door het ver. band, door de zwaarte van de' lucht-, of door hunne verharding, en dat hoe enger zij worden, hoe hunne wérking vermeerdert op de vloeiftof, die zij bevatten, zo word de voortgaande beweeging van dat vogt ten Iaat- ft'eri zo zwak, dat het niet tot het einde van die vaten komen kan, invoegen dat hun uiteinde veel harder en vaster word, en biereen lidteken» komt, dat is te zeggen een riieiiw vel, veel harder, blanker, min gevoelig, . ïnin pooreus, bijgevolg minder gefchikt tot de gevoelige éitwaàsfetning. Indien men in de genezing der Wonden |
|||||||||
|
WON.
|
|||||||||||
|
WOR.
|
|||||||||||
|
4225.
|
|||||||||||
|
indien zé in een vetten grondgeplant word. Ik heb een
van de Bladen deeze Plant gemeeten (zegt de Hr. M i LL eu ) gegroeide omtrent Chelfea, welke over de twee voet over 't kruis was, en de Steel zo groot als een middeibaa- je befemftok, fchoon het maar eenen fomer gegroeid had. ■ Kweeking, enz. DeezePlanten können vermenigvul-
digt worden, door haar zaad in een Broeibak te zaaijen, en wanneer ze zijn opgekomen , moeten ze elk in een' bijzondere pot, met ligte ,-verfche aarde gevuld in een nieuwen Broeibak gezet worden, in agt neemende om ze te bevogtigen en te befchaduwen, tot dat ze wortel gevat hebben, na welken tijd ze veel vrije lucht moeten genieten, wanneer het zagt weer is; anderzintsfchieten ze fpillig op , en zijn zeer zwak. Dewijl deeze Plan- ten zeer fchielijk aangroeijen, vullen haare wortels in korten tijd de potten; daarom moeten ze in grooter pot- ten verzet worden, met evengelijke aarde gevuld, en te- gen het laatst van maij wanneer het weer warm is, moe. ten ze gehard worden , ten einde de open lucht allengs- kens te verdraagen. Dan worden ze, indien ze op een zeer vet rabat verplant, en in droog weer behoorlijk nat gemaakt worden, zeer groot, inzonderheid de eerfte zoort, die enkel wel de hoogte van tien voeten bereikt. Deeze Planten brengen dus gekweekt zeer veele Bloemen en zaad voort. Dan indien men beoogt om ze den winter door te houden, moeten ze nimmer buiten in ,den vol- len grond gezet worden, omdatze, naardathaareWor- tels wijd zijn uitgeftrekt, geenzints veilig kunnen ver- plantJworden ; daarom is het best haar van tijd tot tijd in grooter potten te verzetten, naar dat haare Wortels het nodig hebben, zettende haar geduurende den fomer- tijd in de open lucht , in een warme ftandplaats, aî- ■Waw ze tot oftober kunnen blijven , a!s wanneer ze in het oranjehuis moeten gebragt worden met andere butten- landsche Planten, in agt neemende, om ze in den winter behoorlijk vogtigte houden, en in zagt weer vrije lucht te verfchaffen; want ze zijn alleen benodigt om voor Vorst en koude winden befchermt te worden, zo dat ze den winter in een gemeen Oranje-huis kunnen doorbren- gen, zonder dat hun eenige door konst gemaakte bette behoeft. De twee eerfle zoorten maaken haar zaad den eerften fo-
mer in dit klimaat rijp, mits dat ze vroeg in het voorjaar gezaait worden ; maar de derde zoort geeft zelden zaad voor het tweede jaar, zo dat het nodig is, om deeze den Winter door te bewaaren; anderzints kan ze bij ons »iet in't leeven gehouden worden. ' Deeze Planten verdienen een plaats in alle fraaije tui- nen om de zonderlinge fchoonheid van haare Bladen, niettegenftaande de Bloemen niet veel fraiis aan is. WONDERDOENDE BALSEM, zie BALSEM.
" WONDER-STEEN, 'zie LAPIS MIRABILIS. WONDER WATER, zie AQUA DIVINA.
WOND-KOORTS, zie FEBRIS VULNERARIA.
WOND-KRUID, zie SMEERWORTEL-
. WONDPLEISTER, zie PLEISTER. ' WONDTEKEN, zie LIDTEKEN. . WOND-WATER, zie DESTILLATIE p. 509. WOND.tJZER, zie PROEFIJZER.
WONDZU1 VERENDE MIDDELEN, zie MUN-
DlFlCANTfA. WOORDELIJKE INJURIEN, zie INJURIE.
WORG-GEZWEL, zieKEEL«ZEER;
WORMEN, Onder den algemeener« naam van Wer-
|
|||||||||||
|
»««».begrijpt deHeer Linn<eus, alle die Dieren, welke
geen Kop of Pooten hebben , hoewel zij dog aanmerke- lijk ingeftalte en woonplaats verfcbillen. Want behal- ven de eigentüjke Wormen, die in 't gemeen bij deeze naam bekend zijn, en een week Lighaam, zonder eenig beenig of beengelijkend bekleedzel, hebben; hooren hier ook de Slakken, (zegtdeHr. M.Houttuijn in zijn uitmuntende NatuuHijke Hiflorie Iedeeli$efluk)en vee- lerleij wonderlijk gefchapen Schepzelen.alsüCwu//«», Zee- Starren, Zee-Egeis, t'huis, niet alleen; maar bovendien dat geheele heir van Dieren, het welkdezo menigerleij Hoorens en Schulpen, die het fisraad van zo veel kabinet- ten uitmaaken, bewoont. Voorts zijn hier ook die Dier- tjes toe betrekkelijk , welke indeholligheden van eenige ßeenige Zeegewasfen huisvesten. Die, eindelijk, wel- ke op de manier der Planten groeijen of de geftalte heb- ben van Plantgewasfen, en in welke niettemin een dier- lijk leeven blijkbaar is, gelijk de Koraalen en Koraalge- waf Jen, Sponfen, Polijpen, Zee-Pennen en dergeiijken. Dewijl wij van de meeste deezer Infekten ieder op zijn
naam eene befchn'jving hebben gegeeven, zullen wij hier thans maar agt geeven op de eigentüjke Wormen, die van ouds bekend, dog nimmer in groote achtingezijn ge- weest. Ik. ben een Worm en geen Man , zegt de Pro- pheet David, volgens de zinnebeeldige fpreekmanier der Oosterlingen, Psalm XXII. vs. 7. Ook word vaa eene bedekking door Wormen, als een zaak van de groot« fte verachting gefprooken. Jes. XIV. vr. 11. 't Blijkt ech- ter niet, of men toen reeds die Wormen, welke in be- dorven eetwaaren koomen, en die veelal in vliegende In- fekten veranderen, waar van Exod. XVI. vs, 20. ge- fprooken word, van de aardwormen en dergeiijken on« derfcheiden hebbe. Dus is dan ook bet eigentüjke he- breeuwfche woord, 't welk deeze laatften aanduiden zou, onzeker. In 't grieksch betekent Sk«'aij| in '1: algemeen datgeene, 't welk delatijnen met het woord Vennis uit- drukken, zegt Aldrovakdus. Deeze Iatijnfche naam heeft zijne afkomst, zo Isidorus \vil, van de zamen- trekking van het Lijf, waar door zij als zich omdraaijen- de voortkruipen. Anderen willen ook, dat zulks op de verfchijning van deeze Dieren in 't voorjaar toepas- felijk zoude zijn ; maar dan was de benaaming zekerlijk veel te algemeen. De Italiaanen noemenze Ferme, de Franfchen Fer, In 't hoogduitsch word de naam van Wurm, in 't engelsch die vanWorme, alleen in uitfpraak van den onzen verfchillende, gebruikt. Onder den naam van Wormen, nu, heeft men, van
ouds tot heden, zeer verfchillendeDieren verdaan. Zom- migen hebben allerlei; knaagend Ongedierte, gelijk de Motten en Torretjes, met dien naam beilempeld; alzo zij, door geftaltewisfeling, uit zekere Diertjes voortko- men , die alleen door Pooten te hebben van de Wormen verfchillen, en wier Pooten, door de kleinte of kortheid, dikwils naauwlijks zigtbaar zijn. Dit. zal de reden zijn, dat die vermenging van Ongedierte, welke tot een plaag der Egi'ptenaaren ftrekte, in een ouds overzetting ge- noemd word, fchadelijke , booze Wormen. De Maskers der Torren worden tfcsns nog in't algemeen Wormen, en wel, wegens de gedaante, Kwatwormen genoemd. Die der Wespen, Bijen en andere" Fiervleugeiige Infekten, voeren gewoonlijk dennaam van Warmpjes, en met meer regt, dewijl zij geen Porten hebben , dog een duidelij- ken Kop. Even 't zelfde,heeft plaats in de Maskers der Vliegen, die men gemeenlijk Maden noemt : terwijl die der Muggen, ook Warmpjes genaamd , van de geftalte |
|||||||||||
|
4«5 WORi WOK.
|
|||||||
|
der Wormen en van derzèlver eigenfchappen bijna zo
weinig hebben, als de Oorwormen en dergelijken. De eigentlijke Wormen hebben, in 't algemeen, een
cijlindrisch of rolrondagtig Lighaam, dat zeer lang is en naarde langte dun, zondereenige uitwendige ledemaa- ten of verdeeiingen.. Dit onderfcbeidze van de gedagte Maskers der gevleugelde Infekten,, waar van het Lijf ge- woonlijk , even als dat der Rupfen, in twaalf ringen of leden is verdeeld. Door geen Kop te hebben kan men de Wormen van de Slangen en Adders fchiften ; hoewel onder de Lampreijen ook een zoort voortkomt, aan wel- ke men den naam van Kieuw Worm geeft. Evenwel ont- breekt hun geen Bek , en zommigen zijn zelfs met een blijkbaar Snuitje of Zuiger voorzien. Een bijzondere manier van voortgang, den Wormen
eigen, is zo zeer in 't oog geloopen , dat men die bewee- ging, welke de Darmen der Menfchen en viervoetige Dieren maaken, om de fpijs en drank, of het mengzel van het ingenomen voedzel met de dierlijke vogten, en de overblijfselen daarvan, voort teftuuwen , eene Worms- wijze-beweeging der Darmen genoemd heeft (MotusPeri- flalticus efi Fermicularis Inteflïnorum motus------contra- hens Inteflina perpétua' qwfi repentes Vermes effent. Blanc, hexic. Med.) Hier door verftaat men eigenttijk geen in 't ronde kruipende of flangswijze beweeging langs de wanden van den Darm, maar eene beurtelingfe za. mentrekking in langte en in wijdte, evenals wij zien dat de Wormen en dergelijke kruipende Dieren , haar Lijf beurtelings inkorten en verdikken, beurtelings uitrekken en verdunnen. Dus heeft die beweeging dan ook zo wel inde dikke als in de dunne Darmen plaats, en, even gelijk de Wormen, met hun voor-end zich vastzettende, voorwaards kruipen, zogefchied-ook de voortgang der vuiligheden, natuurlijk, naar het vasterpunt van aan- hechting, aan't Fondement. Deeze voortgaande beweeging is, inde aardwormen,
naauwkeurig waargenomen door den Heer Weiss ; die er aldus (in de AS'. Helvet. Phijf. Math. Med. Vol. III. P- 375) &c0 van fpreekt. Het uitwendig bekleedzel van den Worm, ófdeszelfs Huid, is van het eene tot het andere end zamengefteld uit ringen of krings wijze Spie- ,., ren, welke het Dier óp zodanige wijze weet teveran« deren, dat het dezelven nu eens grooter dan kleiner van middellijn maake, door de beurtelingfe zamentrek- ,, king en uitbreiding van de fpieragtige Vezelen. Geduu- rende het kruipen van een Worm, ziet men, dat hij fleeds eenige deelen van zijn Lighaam uitgebreid, an- ,, deren zamengetrokken heeft, bij ,geduurige verwisfe- ,, lingen. In de uitgebreide deelen , is het Lighaam ver« langd en verdund ; dewijl de Ringen breeder dog te. ,, vens naauwer zijn,' in dezamengetrokkehedeelen, in tegendeel, is het Lighaam ingekort en dikker, met de Ringen digter tegen elkander aangevoegd en in mid- l,' dellijn vergroot. De uitgebreide deelen, nu, zijn, ,, geduurende den voortgang van den Worm, altoos in ,, beweegingen werken bijgevolg op den grond; terwijl de geenen, die zamengetrokken zijn, zich in ruste hou, den, tot fteunzel en tot weerftand voor de anderen. ,, Deeze weerftand word zelfs vermeerderd door een zoort van Tepeltjes, welken de Worm naar believen weet te doen uitkomen en weder ingaan, en die Jiem ver- ftrekken voor Pooten. Laat ons nu agt geeven op de order, die van hem, in zijn voortgaande beweeging, waargenomen word. De Worm kan, volgens de plaatzing, in welke hij' |
|||||||
|
zich in ruste bevind, op twee tegen eikanderovér-
ftaande plaatzen beginnen. Is hij uitgebreid of ver- ,, langd, mét het Lijf geheel uitgerekt zijnde, danishec ,, klaar, dat de eerfte beweeging, die hij maaken moet, ,, beftaat in zich in te korten. Het voorfte deel, nu; niet inkorten kunnende zender terug te gaan, zal hij met hét agterfte beginnen, en, wanneerhij, in tegen. deel, zich zamengetrokken bevind, moet, omgelijke - reden, zijn eerfte beweeging ftrekken tot verlanging van het voorfte end. Dit laatfte het geval zijnde, dan zal hij zich voorwaards beginnen te verlangen, 'door allengs de middellijn té verkleinen van ieder Ring, en zulks van het voorfte end af tot ongevaar de helft ,, der langte, iets meer of minder, naar de moeielikhe. ,, den, welken hij in zijn voortgang ontmoet. Opeen-' maal kan hij dit niet veel verder doen, dan tot de helft ,, van zijn Lighaam , dewijl hij anders gevaar zou loopen ,, van terug te gaan,- alzo het agterfte zamengetrokkene gedeelte te kort zou worden, om weerftand te bieden aan het voorfte, dat zijnen weg vervordert. Hij word dan gewaar, dat het tijd is om op nieuws zijB voorend vast te zetten, met een agtervolgeHjke samentrekking ,, der Ringen. Terwijl nu, de Ringen van het voor- end des Worms zich in middellijn uitbreiden, en dus ,, dat end dikker maaken, verkleinen zich die van 't ,, midden naar 't agter-end, allengs, en dus krimpt de geheele Worm naar 't voorend zamen, 'twelk vastge« zet is; zodat deeze beweeging ééne ftap of fchreede uitmaakt. ,, Men moet aanmerken dat de Worm, tot zijne eerfte
fchreede , tweemaal het voor-end doet voorgaan, ,, voordat het van het agter-end gevolgd worde. Dere- ,, den hiervan is, dat, geduurende den voortgang, hij altoos bijna de helft zijner Ringen ingetrokken en de andere helft verbreed heeft, ten einde de eene tot weerftand dienen mogen voor de anderen, welke et ook de fchikking vanzij; maar, zich geheel zamenge«' trokken bevindende geduurende zijne ruste, moethij de eerfte beweeging maaken door het vooruitbrengen ,, van den Kop om in die houding te komen, welke ver- eischt word tot zijnen voortgang". Zie daar de krui- pende beweeging, die men de Wormswij'ze noemt. De Wormen, weleer Darmen des Aardrijks genaamd
geweest, wegens de groote eenvoudigheid vanhaar Lig» haam, zegt Linnjeus, doorbooren alles; gelijk de Draad- worm de kleij, op dat er't water doorloope; de A%ri> wo«» den grond, op dat die door fchimmel niet bederve; de Ruigbek de Krengen, om die te doen verfmelten; de Paalworm het hout, op dat het vernield worde; gelijker- wijs men ook ziet dat er Schulpvisfchen en Mosfeitjes zijn, die de fteenen doorbooren, tot derzèlver vergrui- zing dienende. Onder de veertien zoorten evenwel van Wormen, in
vijfGeflagten, dat der Bloedzuigeren uitgezonderd, door zijn Ed. opgeteldy komen maar vier voor, aan welken men dergelijke doorbooring eigentlijk kan toefchrijven het welk de drie eerfte zooïten zijn van bet Geflagt der Draadwormen, benevens den gewonen Aardworm. Drie fchijnen zich geheel in 't water te onthouden, het wel- ke ook aan de Bloedzuigers eigen is, en dus zijn wel twaalf zoorten , van deezen Rang der Wormen , een zoort vaii zwemmende of Water-Schepzelen. Agt zoor- ten vind ik onder de vierentwintig opgetekend, die in 't Menfchelijk Lighaam of'dat van Viervoetige Dieren en Visfchen huisvesten. . " , C I tl
|
|||||||
|
wor;
|
|||||||||||
|
WOR.
|
|||||||||||
|
4"7
|
|||||||||||
|
; lo.de Dierlijke Lighaamen is degemeendewoonplâats
der Wormen in het üedarnite, alwaar trien, van ouds af, driederleij Wormen geteld heeft; de Ronde, naame- ■lijk, gewoonlijk Kinderen- Wormen genoemd ; de Platte of Lintwormen , en de kleine dunne Aarsmaden. Hedendaags . heeft men waargenomen, dat er van de eerstgemelden verlcheiden zoorten, en mooglijk zullen er van de laat- ften niet minder zijn. Gelijk, nu, veelenderzelvenmet het ingenomen voedzel in de eerde wegen komen, zo kunnen zij ook daar uit, door de Galbuizen, in de Le- ver, en dus zelfs tot in de Poort-Aderen andere Bloed- vaten voortkruipen ; gelijk Ruisradus, in de gioote Slagader van een Paard, onder't Hart, een bondel van langwerpige Wormen, die iri elkander verward waren, gevonden heeft. Üf de geenen, die in de zelfstandigheid der Nieren, van Honden, Wolven en van Menfchen Waargenomen zijn, op die wijze derwaardsgebragt, dan door de piswegen ingekroopen waren , zal meer twijfe- ling onderhevig zijn, dan de oorfprong der Wormen in beenderen en in uitwendige gezwellen, welke daar, zo men thans met zekerheid meent te weeten, van buiten -inkomen. Dat er in de holligheid des Buiks van vier- voetige Dieren en Menfchen, zomtijds gevonden zijn , is onbetwistelijk.- Behalve de voorbeelden, dat zij tot de Navel, uitgekroopen zijn, het welk men onderdel. Jen moest niet te kunnen gefchieden, zonder doorboo. ring van de Maag of het Gedarmte, vind ik dit laatfte bevestigd door eenduidelijke waarneemihg van den Heer van Doeveren, thans Hoogleeraar-te Leiden, die in zijne Inwijdings Redevoering, toen zijn Ed. in den jaa- ie 1753, te Leiden, Doftor in de Geneeskunde wierd, dienaangaande aldus fpreekt. Op gezegden dag, (zijnde de 24 van meij van 't voor-
gaande jaar,) werd het Lijk gebragt van een Kind van omtrent twee jaaren, 't welk gebruikt zou worden om de Vaten met eene wascbagtige doffe op te vullen. Aanftonds liep de ongewoone dikte van den Buik in ,, 't oog, die ons noopte omdenzelven te openen; waar op zich in de holligheid een ongewoone veelheid van vogt openbaarde, dat met een bruine drekagtigeilof ,, fe, als van hilf verteerde fpijs, vermengd was, en tot eenige oneen aldaar uitgeftort. Dit gaf reeds iets ,, tegennatuurliiks te kennen. Daar op vertoonde zich, boven het Schaambeen, een bondel roivde Wormen, hangende uit den doorboorden Krinkel-Darm. Bij na- der onderzoek , bevond men dat het twee Wormen wa- ren, in elkander gedraaid en geftrengeld zijnde, waar Van de één, geheel in de holligheid des Buiks hangen. de, dun was en omtrent vijf duimen lang; de ander, van dikte als een tabakspijp, agt duimen lang, zat nog met een derde deel van ziine langte in de holte van den Darm, waar in et n gat was, zo groot, dat men"erde pinkgemakkelijk kon inffeeken Vervolgens vond men, omtrent twee voeten laager in die zelfde ;, Darm, een gat van dergeli kegrootte, waar door een andere dergelijke Worm, ongevaar ter langte van drie ,, duimen, uitkwam, en een weinig daarvan afwas ' een derde gat, waar door deeze Worm, met zijn an- » dere end, vrij in de Buik uithing. Aan't end van ,, den nugteren Darm kwam een vierde gat voor, van -;, bijna gelijke grootte, dat ook een vierden Wo'tn be- i, vatte, die caamelijk groot was, en wonderlijk in el- ,, kander gedraaid ; zo dat hij volkomen een drop maak- 4V te. Buitendien was boven in de Nugteren Darm een waare Kink, van aanzienlijke grootte, doordien een Vil Deel.
|
|||||||||||
|
gedeelte van den Darm.nederwaards h de holte gefchoo«
,, ten was, en tevens geinflammeerd. De Maag was ook, in het onderde aan de (linkerzijde, vanhetmid- den des bodems tot aan haar Mond, zeer ontdoken, en dergelijke piaatzen meer, kwamen er in de Dar- ,, men voor. Hier uit blijkt dan, in de eerde plaats, dat het door.
booren zo wel de eigenfebap is van de Menfchen Wor- men als van de Aardwormen; ten anderen, hoe zij, dus vrij fchielijk, door eene onvermijdelijke verrotting der, Ingewanden, de dood kunnen veroorzaaken'. Voorts geeft dit niet weinig opheldering aan 't geval van Herodes Agrippa ; die van de Wormen gegeeten wier d'en d'en Geest' gaf: zonder dat men een tegennatuurlijke verklaaring daar van behoeve. Ka) yaiiy.zic<, ^xu^xoa^^i s| \j/!/|sii Hand, XII v. -3 Et arrofus a Vermibus animan, exha* lavit. Aldrov. Ouod Theuphrastüs de Arbore duit. fyitïTKi 0-r.uÄvK.nßi-uTot Plinius vertil: Vermiculis in/es* tatur, idest: Fermmoja fit, perforatur, txeditur o Ferm mibus. Van deezen aart, nu, fchijnt de Lintworm zo zeer
niet te zijn, en de Aarsmaden doen het meeste kwaad door jeukten priKkeÜng Men vind, echier, wederom an- deren, die niet minder fchroomelijke toevallen veroor- zaaken, gelijk die draadagtig dunne Worm welke ge- zegd word in zommige dcelen van Sweeden uitde lucht te valien op de Lighaamen van Menfchen of Dieren, de- zelven in een oogenbük doorboorende en met de ijzelijk- de pijnen, binnen een kwartier uurs, doende derven.. Hier toe is ook de Guinee/ehe Draadworm betrekkelijk, die in de Indien aan de Menfchen veel ongemakken ver- oorzaakt, en ver inbooren moet tusfehen velen vleesch, wegens zijne ongemeene langte. Hoe de Leverwormen het Wol vee doen uitteeren en derven, hebben wij te voo- ren befchreeven. Dat de Wormen, daar wij hier van fpreeken, niet op
de wijze der Infekten eene Geftaite-wisfeling ondergaan , is zekerer dan de manier van Voortteeling. De Ouden hebben vrij algemeen geloofd, dat de verrotting War~ men voortbragt, dog dit zouden dan meest Maden en dergelijke Maskers van Torren of Fliegen zijn, die oog. fchijnlijk, uit zodanige Diertjes of derzelver Eueren, gebooren worden. Hoe onwaarfchijnelijk dat gevoelen zij, vind men dog onder de Hedendaagfchen, die het zelve wederom begundigen. De Heer de Buffon im- mers fchrijft uitdrukkelijk, dat dergelijke zoort van Die- ren , als de Lintwormen en Aarsmaden, hun bedaan niet verfchuldigd zijn aan andere Dieren van de zelfde zoort, en derzelver Voortteeling zou, volgens hem, niet ge- fchieden gelijk diederandere Dieren, maartoetefchrij- ven zijn aan de uitdortmg van de werktuiglijke doffe des voedzels buiten haare vaten. Elders delt hii, dat dege« woone Kinder-Wormen uit de melk voortkoomen, wan» neer de werktuiglijke en voortbrengende doffe, daar in vervat, niet verteerd wordende door de Maag van het Kind. andere Gedalten aanneemt, bezielde Wezens, dat Wormenziln, voortbrengende. Deregenftriidigheid van zijne fte'jingen, is door den Heer Bonnet genoeg- zaam aangetoond. Zie het Vertoog, genaamd Wederleg^ ging der Stellingen van den Heer de Buffon , enz. Uit- gezogte Verhindelingen. IX. Deel. bladz. 27. Hoe .onbef-hroomd, nu, wij, met de fchranderfte
Wijsgeeren onzer eeuw, mogen vastdellen , dat de Wor- men in 't algemeen, zo wel als de Infekten, van haars gelijke worden voortgebragt. is dog omtrent de manier Nnn van |
|||||||||||
|
WOB.7
tfèrbeelden, dat men, door deszelfs bijten," de Vijtin
de Vingers krijgt, noemende dat Ongemak met denzelf. den naam. Zij geneezen hetzelve, bijgeloovig, door da infnijding te doen met een mesje, daar men eerst zulk een Worm mede fijn gekorven beeft. Hij onthoud zich in 't water, voornaamelijk in de kleij, welke hij doorboort, en dus veele Bronwellen veroorzaakt, zegt LlNNffiUS. - ;;
Inde befchrijving van zijnen reistocht door Gothland,
fpreekt onze Ridder dus. De Draadworm (Gordius a- quaticus) gelijkt in grootte en geftalte naar een paar. den-haair, zijnde witagtig met een zwarten Kop en ,, Staart. Wanneer men deeze Worm in zeer veele ftufc- ,, ken fnijd, zo beweegen die zich allemaal. Een S ma- ,, landfche floer berichtte ons, dat, indien deeze ftukken in 't water gefmeeten worden, uit ieder wederom een ,, volkomen Dier ontftaat ; het welk ongelooflijk zou voorkomen, als men niet wist, dat de ftukken van een Lintworm weder aangroeijen tot volkomen Die- ,, ren, of fchoon er veele ellen van afgefcheurd zijn. ,, Niettegenftaande zulks heeft de Draadworm, gelijker- wijs alle andere Dieren, zijne Eijeren, welke in 't Menfchelijk Lighaam uitgebroed kunnen worden , even als de overige Wormen, die enkel uit Eijeren ontftaan, welke met het water in 't Lijf koomen; want geene Vlieg, die haare Eijeren in melk of fpijze ,, legt, veroorzaakt Wormen in de Maag, en allerminst een Huis. of Kamer-Vlieg. Wanneer nu de Eijeren des Draadworms met het water in de Maag komen, en al. daar uitgebroed worden, zo kan de Worm ligt door al- Ie Ingewanden heen booren, en veelerleij onbekende ,, en zeldzaame toevallen veroorzaaken, even als de Vena Medinenfls of Draakworm der'Perfen. Dit be- ,, hoort billijk eenige bedenk!ijkheid te maaken bij de ,, Waterdrinkers, inzonderheid die van deeze plaats, alwaar het water kalkagtig en deeze Worm zo o vervloe- dig is. Zouden niet wel de Maagkwaaien in Gothland ,, daaruit ontftaan? En, kan ook niet dsCardialgia fpu> ,, tatoria der Laplanderen, welke hun overkomt, als zij lang agtereen koud bronwater drinken, van dit Dier ,, afgeleid worden?" Dat hetzelve ook in andere deelen van Europa voor-
kome, blijkt uit de befchrijving, welke Aldrovandis van de Seta öf Vitulus aquaticus geeft. De Duitfchers, zegt hij, noemen het, ik weet niet om welke reden, een Wasferkalb, dat is Wnterkalf; misfehien om dat het van de Kalveren, doorjongheidonvoorzigtig, zomtijds met water ingeflurpt word, tot groot gevaar van haar le- ven. Den Ouden fchijnt dit Dier onbekend te zijn ge- weest; voorgaande Atitheuren hebben het Seta genoemd, omdat het naar een Paardehaair gelijkt, zijnde zeer dun en bijna een elle lang, witenftijf, aan beide enden even- eens ; dus zonder Kop, en ook zo wel agter als voorwaards kruipende. Het is zo hard, dat men het met de voeten naauwlijks aan ftukken kan wrijven, en komt voor in ftaan- de wateren, die niet funkend of bedorven zijn. Op ee- nige plaatzen van zijn Lijf krinkelt het dikwils in mal- kander als een Gordiaanfche Knoop. Zommigen hebben gemeld, dat wel Menfchen geftorven zijn, door der- gelijke Wormen,onverhoeds, in te zwelgen. Betru* crus, die er de langte van twee ellen aangeeft, ver; gelijkt bet nadeel, dat zulk een Dier veroorzaakt, bij de fchadeüjkheid der Padden, en zegt dat het dikwils in elkander gekrinkeld voorkomt, als een balletje van paarde-haair. J- - II. Sltij-
|
||||||
|
van Voortteeling, in doezen, weinig zekerheid. De
Ouden ontkenden voiftrekt, dat zij door paaring voort- kwamen, dog men heeft die, in de Aardwormen, te duidelijk gezien, om daaraan te kunnen twijfelen. Vee» len houdenze thans nog voor Dieien van beiderleij Sexe, riettegenftaande de Heer Tyson , die zich zeer veel moei- te gegeeven heeft, in hec onderzoek der ronde Menfchen- Wormen, uitdrukkelijk verzekert, dat er van dezelven ïilannetjes en Wijfjes zijn. Het zelfde is door Doktor §wammerdam in de Pieren of Aardwormen waargeno- men, en Redi had zelfs de Eitjes daar van geteld, wel. ken ik ook, bij het openen van een Menjchen-Worm, daar in meen gezien te hebhen. zie Uitgezogte Verband. V.' deel Plaat XXXV. fig.3. r. Anderen, evenwel, liebbeo de Wormen geteld onder de Jongwerpende, en iriooglijk worden die Eijtjes zomtijds in derzelver Lig- haam uitgebroed; waardoor zij danzo wel Jöngwerpen. de als Eüerleggende zo'uden kunnen 'zijn, gelijk eenige andere- Dieren.' Het iaatfte is in de Aarsmaden thans dui delijk waargenomen; naamelijk door den Heer Meese te Franeker ; zie het IX. deel der zelfde Verhandelingen, tl. 339. Plaat LX. Omtrent de eigentlijke manier van Voortteeling der Lintwormen is nog een groote duister- heid. Hier van zal ik, zo wel als van dieder andere Men' Jchen Wormen, in 't vervolg nader fpreeken. De Kenmerken der eigentlijke Wormen beftaan dan ,
daarin, dat hun Lighaam week is en ongedekt, in de langte uitgeftrekt, en om voort te gaan zich uitrekkende eh inkrimpende, als gezegd is ; het welk hun de plaats férvuld van den voortgang door beweeging der Pooten, die er, zo wel als een van het Lighaam onderfcheiden Xïop, aan ontbreeken. Uitwendige fintuigen van ge- hoor, reuk en ge£igt, fchijnen zij ook niet te hebben. Men kanze, om dat hun Dierlijk vogt niet rood r.ogwarm is, zq wel als de Infekten, onder de Bloedelooze Die. ren tellen. Eerste Afdeeling.
Befchrijving van het Geflagt der Draadwormkn.
Onder de Wormen zijn die van het eerfte Geflagt be-
fchreeven met met de latijnfche benaaming van Gordius, welk woord te vooren geen ander gebruik had, dan tot betekening van den Gordiaanfchen Knoop, dien Alexan- Ber de Groote, om de moeite te fpaaren, van denzel« Ten te ontknoopen, met zijnen fabel aan ftukken hieuw. Mooglijk zal het op deeze Wormen toegepast zijn, om dat zij zomtijds zodanig in elkander krinkelen, datmenze veeleer aan ftukken breekt, dan ze te kunnen ontwar- ren. Die toepasfing, inderdaad, is niet onaartig. Ik hebze, wegens de langte en dunte, den naam van Draad- Wormen gegeeven (zegt de Hr. M. Houttuijn), *< De 'Kenmerken zijn, dat zij het Lighaam draadvor- Aii§ ,~zorider oneffenheden en gladvhebben. Van de Èigenfihappen kunnen wij naauwlijks in 't algemeen fpreeken. - " In dit Geflagt zijn vijf zoorten, .waaronder drie op
't land of in de zoete wateren van Europa voortkomen, als volgt: I. Water Draadworm;, of Draadworm die bleek is, aan
de enden zwart; Gordius aquaticus; fetaßve vitulus a- quaticiis. Aldrov. Ivf 720.; (Gordius paliius extremita- tikus nigris. LlNN. Siffl Nat.)- - ! f~ In Smaland, een gedeelte van Sweeden, word deeze Worm Onda Betet genoemd van de Landlieden, die zich |
||||||
|
WORV
ril« Kleij'Draadworm; of, Draaiworm die geelagiig is,
tuet ds enden van dezelfde koleur; Gotdius argillaceus; {Gordius flavescens èxtremitatibus concoloribus. Link. Faun. Suec.} _ . Deeze, grooter dan de voorgaande, anderzins volko-
men eveneens, dog de Staart wat fcherper hebbende, onthoud zich in de klei], daar hij overal door heen boort, Én dus vind nren hem dikwils op plaatzen, daar de floo- ten in de kieij gegraaven worden. Men wil dat deeze ende voorgaande, met hunne doorbooring van den grond, een voornaame oorzaak der Bronnen zijn, (Fontiumprima- pus Author cum priore. Linn.) III. Guineefche- Huidworm, of Draadworm, dief e ene-
mal bleek is; Vena -inedini. U.StOAN.fam. II.p. 190.; Dracunculus perfarum. K^mph. Aman. 524.,* {Gordius lotus pällidus. Linn. Sijft. Nat.) In beide'de Indien komt deeze Worm voor, die ook
eenigermaate een Waterworm fchijnt te zijn, alzo de Slaaven, metbloote Beenen indemorgendaauwloopen- de, meest daar van gekweld worden. Jn Suriname krij- gen de geenen, die tot het najaagen van de Wegioopers door Zwampen en Moerasfen trekken, dit ongemak dik- wils'in de Beenen. Op Kurasfau,- alwaar het gemeen is, zijn de geenen, die met de Beenen in verfch water ftaan of daar in baden, veel behebt met deezen Worm, die ook in de Oosterfche Landen huisvest, en daarom den naam gekreegen heeft van Vena Medinenfisoî Vena, Medini, en Dracunculus Perfarum, of het Perfiaansch- Draakje. Men noemt hem thans gemeenlijk Guineesch- Draakje, en ook wel Huid- of Beenworm van Guinee, om dat hij gemeenlijk in de Beenen komt, hoewel men er ook één, van anderhalf elle lang , onder uit het bal- ', zakje heeft zien winden. In de Spaanfche Westindiën Word hij Colebrilla, dat is het Slangetje, geheten. Aan de Kust van Guinéé zijn de Inboorlingen (zegt
Fredebik Lachmund) een zoort van Worm onderhevig, die zich nu eens aan de Voeten, dan aan de Handen, dan aan het Balzakje vertoont, hebbende totvierof vijf ellen langte. Hij veroorzaakt geen groote pijn, uitge- nomen, wanneer hij door de Huid wil booren, om uit te gaan. Alsdan word het lighaamsdeel, daar de Worm in is, koud en rood, even of erde roos in kwam; daar loopt vervolgens eenig water uit de kleine opening, wel. ke de Worm gemaakt heeft, en vervolgens word men twee Hoorntjes gewaar, zo fiin als hoofdbaairtjes , die een vingerbreed lang zijn. Weldra openbaart zich dan de Kop van den Worm,- die platagtig is, en daar op volgt het Lijf, 't \velk dun is en rond, en Hegts van dikte als de vierde fnaar van een Infiniment, dat Discordant genoemd word. Men begint alsdan den Worm uit te haaien, hem opwindende om een klein flokje, dog niet meer dan een vinger langte tevens, en dit gefchied drie» maaien 's daags, vooral zorg draagende , dat hij door fterk trekken niet afbreeke; want daar zou een fcherp vogt uitvloeijen, maakende een zeer pijnlijke zweer, enmen zoude het overige van den afgebroken Worm door In- wijdingen moeten zien eruit te krijgen, hetwelk een zo groote ontfleeking zou veroorzaaken in de wonde, dat men veel moeite zou hebben om het lighaamsdeel voor verflerving of heet vuur tebefchutten. Men verhaaltdat de Hollandfche Soidaaten, wanneer zij tweeof drie jaa» ïen in bezetting gelegen hebben op die Kust, ereven «o wel van aangetast worden als de Inboorlingen des Lands.- Niet alleen aan de wal, maar ook óp de Schepen, die
|
||||||
|
WOR. !4_S2j
naar Guinéé en de Westindiën vaaren, of daarvandaan
koomen, openbaaren zich dikwils dergelijke Wormen, in de armen of beenen der Matroozen, en een onvoorzig. tige behandeling doet er zomtijds dezelven van flerven. Door het gebruik der gewoone folutie vanfublimaat in moutwijn word de uithaaling, zomen maent ondervonden te hebben, veel bevorderd, zodanig dat men er des Worm in twintig dagen uitgehaald heeft, daar anders zomtijds wel veertig dagen toe vereischt worden. IV. Zee-Draadworm; of Draadworm die plat Jpiraal ge-
wondenis; Gordiusmarinus; Lepra piscium. AU. Stockk* 1760. p. 306.; Gordius plano fpirali convolutus filifomis. Linn. Sïjfl. Nat.} De Visfchen der Zee van Noorwegen, inzonderheid
de Haaiingen, hebben zeer dikwils aan de Ingewanden zekere puistjes , waarin dergelijke Wormen huisvesten. Men noemt het de melaatsheid of fchurft der Visfchen; en Menfchen, die veel zodanige Visfchen eeten, krij- gen een dergelijk uitflag ; weshalve men dit ook we! noemt de melaatscfikeid der Visfcheren Ziehier wat da Heer Martin ons dienaangaande, in de Stokholmfe Verhandelingen, voordraagt. ,, Toen ik in de herfst des jaars 1759 naar Bergen in
Noorwegen reisde, hoorde ik met verwondering, waar ik kwam, dater van puistige Visfchen geCproken werd, die voor den Mensen fchadelijk zouden ziin te eeten. Men voegde daarbij, hoe er geheele Meiren waren* ,, vol van puistige Salmforellen en Roodbuiken, ja, dat ,, de Menfchen, die aan zulke Meiren woonden, puis* tiger waren, dan die van andere plaatzen. De Salm» ,, forel (Salmo Fario) werd puistig genoemd, wanneer hij vlakkiger was dan natuurlijk en tevens knobbels had in de Ingewanden , nu grooter dan kleineren zomtijds! ats erwten. De Neus vertoonde zich dan Homp en als gekneusd; het Bloed taaij, dik en geronnen. In ,, November kreeg ik een puistigen Bergforel (Salm$ Alpinus) te zien, die mij van buiten vrij ongefleld voorkwam. De Kin waskortenftomp; de Keel naauw* en sezamen gekrompen; de Tong kort en ingetrok« ken; het Vleesch fchubbig en bleek; het Bloed zo ,, dik, dat hetnaauwlijks vloeijen wilde. Daarenboven ,, vond ik van binnen ook erwtagtige knobbels aan het Gedarmte, behalve nog twee anderen binnen de uit- ,, wendige Huid op de Borst. Toen ik deeze gezwellen opende, kwamen werkelijk kleine levendige Wormett te voorfebijn, maar 'm de eene Borstknobbel lag een ,, in elkander gerolde Worm, van ongevaar een vinger lang. Aan de regterzijde bevond zich ook zodanig een knobbel, daar een Darm aan gegroeid was, denBlin.« den Darm zeer gelijk, waaruit ik ook een Worm kon haaien van dergelijke langte. Beide deeze Wormen ,, waren dun, plat en zonder leedjes, even als de-farao- lee van den Heer Ridder en Lijf-Arts LiNNiBUS« De Lever, bovendien , was doorgevreeten en fcirr- heus ; de Milt ongemeen groot en insgelijks vol knobbels". V. Meir- Draadworm; of Draadworm, aie plat f pit aal _
gewonden is, aan beide enden verdunnende ; Gordius la- eußris; (Gordius plano fpirali convolutus, utrinque atte» nuatiis. Linn. Sijft. Nat.) In de Lever van de Snoek der zoete wateren ont-
houd zich deeze, zegt Linnjeus. die naar de voorgaande veel gelijkt, dogeenszolang is, en aan de heideenden fpits-uitloopende, gelijkerwijs een Aarsmade, Nnn« TweBj
|
||||||
|
,WOR.
',, Planten (Cotijledones), en komen des nagis uit den
grond, om te paaren. Men kanze verdrijven met roet ,, of wijn. Zij worden uitgegraven van de Coati Mon- de, van de Mollen, Egeltjes, Hoenderen en"Kwane£ koning. De groote B, verfchilt , zo men gelooft, van degewoonen geenszins in zoort, maaralleen door ,, de vetheid van den grond. De derde Ckomt dikwils in de Darmen der Kinderen voor, witvankoleur.en dat deeze in zoort van de Aardwormen niet verfchi'lle' blijktaan het getal der Stekels opdeRingen, Hij word ,,-uitgedreeven door de brazilfche-eppe,, door kalkwa. ter, pek, teer; door zaad van fenegriek, seepkrujd ft. jans-kruid, fpeenkruid, zeverzaad, nigelle, lu'. pinen. ,, Het Lijf is fpilrond, agter den vleezigen Ring al.
lengs platter wordende, en beftaande uit honderd rings. ,, wijze afdeelingen ; waar van zesentwintig tot dertig, zamengroeid zijnde, den vleezigen Ring formeeren! De Worm heeft een fnuitagtigen Bek, beneden dé voorde afdeeling, en wederzijds twee Stekels, dsn eenen boven den anderen, ondei elke afdeeling van het Lijf, uitgenomen den Ring; altemaal naar de Staart ,, ziende. In de Ring zijp, wederzijds, drie opentn- gen, fwee aan de twaalfde en twee aan de vijftiende afdeeling. In de paaring worden de gaatjes van de twaalfde met die van de vijfentwintigfte afdeeling des anderen zamengevoegd. Abrah. Ar. Gillak. » der". ;. Doctor van PHEtsuM (vervolgt de Heer Houttuijn),
aanmerkende dat men gemeenlijk Menfchen-Wormen zon- der geengten vleezigen Ring aantreft, heeft drie zoor. ten gemaakt, die hij dus onderfcheid. ("zonder uitgeholde breede Ring.
Rmule Wormen < met een uirgebolde breede Ring. £ met twee Staarten. ' ' In.zijne eerfle zoort,.de gemeenftezijn.de, waren zijn
Ed., behalve het ontbre.eken van den gedagten vleezi- gen" Ring, ook nooit dieagterwaarts ftaande Doorntjes voorgekomen, welken LinNjEus ftelt tot een algemeen Kenmerk der Aardwormen ; maar veeleer was het een gladde ofeffene Worm, gelijkmen hem, in de vooiïge uitgave van de befchrijving der Sweedfche Dieren, ge* noemd vind. _ - . De tweede zoort was van de andere verfchillende, we-
gens een uitgeholden breeden Ring, in het voorfte ge- deelte op omtrent een derde der langte van Kop of van hei: voor-end af, geplaatst, en deeze zijn. gelijk wij wes- ten , doorgaans dikker dan de anderen, en op 't gevoel zeer ruuw. Een menigte van zodanige Wormen waren door zijn Ed., in het Lijk van een volwasfen Mansperfoon, waargenomen, die in Klompies verward inde Darmen zaten, zündede kleinfte omtrent vijf duimen lang- Gok had ziin Ed.. .met den afgang door een Jongen twee zul- ke' Geringde Wormen geloosd gezien; Hier is dan nog blijkbaarder, dat dergeliik-afs de Aardwormen ook wel in 't Menfcheliike Lighasm voorkomen..- Wat de -derde zoort as.r belandt, dien hij derende Worm
met twee Staarten "noemt, eb van hem maar eenmaal was gezien; verbeeld ik mij, dat het kleine fijne Staar- tje, 't welk uit de buiklijn na den Aars voortkomen- de, en zich eerst eenigztns agterwaards ftrekkende, echter ras voorwaards omgeboogen vertoonde,zijnde witter dan de Worm zelfs en niet dikker dan een ga- rneenelinöeri draad"; iets tegennatuurlijks zal zijn se- " weestj |
||||||||
|
î;e! .'. :.■':■' Tweede Af de ei. in e.
Befchrijving van het Geflagt der Darmwormen tot, mh
kende AarsmaJen «îgwcwîe Menfcherï Ia"» . , en Kinder-Wormen behooren, Onder den naam van Darmwormen begrijp ik" de gee- nen, (zegt de Hr. M. Houttuijn) die van Linnäus den geflagtnaam Ascaris hebben gekregen, welke anders gemeenlijk, alleen aan de eerfte zoort, naamelijk de Aarsmaden gegeeven word, want (vervolgt hij) die be naamingop de gewoone Darmwormen der .Menfchen, wel- ke de tweede zoort uitmaaken, geheel niet toepasfeliik zou zijn. Evenwel moet men bekennen, datdegeflagt- Jiaam van Darmwormen, wederom, te algemeen is, de- wijl er buiten deeze nog meer Wormen in het gedarmte huisvesten. ; : De opgegeeven Kenmerken zijn weinig van die der
voorgaande verfchillende. De Heer Link^us geeft fer een fpilrond, draadagtig lighaam aan, dat de beide enden dunner heeft. Hier kan men bijvoegen, dat zij niet zo lang en dun zijn als de Draadwormen. De befchrijving der zoorten bewaaren wij tot het vol-
gende ArtijkeL I,': is Derde Afdeeling.
Befchrijving van het Geflagt der' Aard wormen, gemeen-
I lijk Pieren genaamd , tot welken door zommigen "■' ... ook eenige Zee-Wormen worden , _i. . , t'huis gebragt. iS'Deilatiinfche naam Lumbricus, dien de Aardwor-
jMENvari ouds voeren, word door zoinmigen vanderze!- jyer glad- of glibberigheid, dpor anderen van derzelver oorfprong uit modder en drek afgeleid. De Grieken hebbenze genoemd y?,i ".vrtpa, dat is Intestina Terra of Darmen des Aardrijks; welken naam zij ook bij de la- tijnfche Schrijvers, inzonderheid die over den landbouw ■handelen, .meest voeren. Anders noemden zij die ook wel yatpxyai, dewijl men onderftelde, dat die Wormen aarde aten. ' . " De Kenmerken zijn; een fpilrond, geringd Lighaam,
dat met een verheven band omgord ,is,, in de langte ruuw en met een gat of opening op ziide voorzien. .* Twee zoorten komen er in dit Geflagt voor, waarvan ;de eerfte zeer gemeen is, de andere, hoewel die aan het flrand der Noorder Oceaan zich onthoud,* zeer weinig bekend aan onze Landsgenooteri. «_!. Pier o? Aardworm die drievoudig agterwaards ge.-
yioornd-is; 'Lumbricus terrefiris- Aldrov. InfeU. 693.; .Lumbricus terrefiris minor ruhicundus H. Sloan Jam. kJJ. p. 189; (Lumbricus trifariam rctrorfum aculeatjus. : Li NN. Sijfl Nat.) ... Dit zijn de gewoone Aardwormen, die van deltaliaa ) -nen Lumbrici, vande Spanjaarden Lombrizes,,. en van de JKranfchen Vers'de .terre ,genoemd, worden,; Men geeft
er in 't Hoogduitsch den naam van Erdworms, in 't en. gels'ch dien van Worms of the E-arth... en in onze. taal dien van Pieren of Aardwormen , ja dikwils maar enkel dien van Wormenam. Wij nnetnerizeook zomtiids wel Regenwormen, om dat in regenagtig weer meest gezien worden; en alsdan uit de aarde kruipen. De kleinere wor- den van de Sweeden Metmatsk, de gfOQtereDaggmatsk, geheetem Zie bier wat er Linn/eus van zegt. Zij woonen ,in de aarde, die zij: voor.hét \gater
doordringbaar maaken ; zij verteeren deKienjpjes der |
||||||||
|
WoR.
tfeest, en moôglijk een gedeelte der Zaadvaien, welken
in deeze MenjchenWorm zeer zichtbaar binnen het Lijf gekronkeld voorkwamen , en in de Aardwormen of Pie- »e« niet zo duidelijk waar teneemen zijn. De vermaarde Willis merkt, in ziine Verhandeling
0ver de Ziel der Beesten, met reden aan, dat de Aard- wormen, hoe gering en veragtelijk zich ook verroonen- de, daarom niet te minder met de noodige werktuigen gijn voorzien. Ifunne Geledingen en Ingewanden, zegt hij, zijn wonder kondig gefabriceerd. Hungebee- J'jjj Lighaam is niet dan een fchakel van ringswijze Spie- ren, wier rondgaande Vezelen door haare zamentrekkin- ge ieder Ring, te vooren wijd zijnde en verbreed , naau- ,wer en langer' maakeo. Hunne beweeging, wanneer zij kruipen, gelijkt naar die vaneen draad, als men denzel- ven uitgeltrekt hebbende, één der enden laat glippen , en dan het losfe end door het andere voortgetrokken word. Eveneens is .het .bijna met de beweeging vanden Worm Hij rekt zich uit en zet zich , door de oneffen- heden van zijn voorfte gedeelte, als met zo veele poot- jes of haakjes vast, en, zijn agterfte gedeelte los gela- ten zijnde, kort de Worm zich in , en doet zijn agterend naderen aan het voorite. Ieder Ring is met kleine haair- rjes, die (lijf en fcherp zijn, gewapend ,- als met een zoort van baard, of (tekeltjes, die hij kan opzetten,'om iets te vatten of te grijpen, of tegen het lighaam aanflui- ten. Bovendien is onder de huid een lijmigvogt, dat de ■Worm bij gelegenheid uitgeeft door zekere openingen of 'gaatjes, die er zijn tusfchen de-Ringen. Dir vogtdient, om hem het Lijf glad en glibberig , en. dus zijnen door- gang, in het booren door den grond, gemakkelijk te maaken. Dit alles (trekt, om hem, metgrootevaardig- heid en op een veilige manier, zich een weg te doen baa- nen , door eene zo veel weerftand biedende (toffe; waar ■toe de Wormen niet zo bekwaam zouden zijn, indien hun- ne Lighaamen met pluimen, haair of fchubben , bekleed waren geweest. : Wat het inwendige betreft; men vind het Darmkanaal
■op verfchillende wijzen gefatzoeneerd. Die Wormen, welke dikker er) logger dan de anderen zijn, Ichijnen, in de eerfte opfhg , drie Maagen te hebben ; dog die ver- .tooning word veroorzaakt door drie Rokken ofuitfprin- gende Banden, welke de Zwelgpiip uitwendig omringen ■en verfterken, en, door peesagtige uitbreidingen rond- ,om aan de Borst en Rug gehecht zijnde, de Zwelgpiip ■ kunnen verwijden en zamendrukken, naar de behoefte en welgevallen van het Dier. In alle andere zoor-en van 'Wormen vertoont zich in de eerfte opflag een lange Zwelg- ;pijp, eindigendein een hol Vlies, het welke de M.iag 'zelve is ineen hartvormige gedaante , maar veel dikker en harder van wanden dan de rokken ziin van de Maag en het Gedarmte. De Darm gaat van de Maag af in een regte lijn voort, aan alle zijden aai gehecht zünde ■door rondgaande Vezelen, welke hem op zulk een wijze toeknijpen, dat hij zich, als gefron&ld en in celletjes verdeelt zijnde, vertoont, tot dat hij aan de fünfte punt van de Staart ten einde loopt. In de ronde Wormen der Dieren, in tegendeel, eindigt doorgaans de Darm en. heeft zijn plaats van uitloozingeen weinig van het Staart- end af. In de Aardwormen is deeze Darm altoos gevuld meteen zeer fiine en al« ontastbaare aarde; het , welk ïommigen heeft doen vasUteüen. dat zij enkel van aarde leefden ; maar , dewijl men weet dat zij ookde Piantge ; wasfen of derzelver Wortelen befchaadigen, zo is het veeleer te denken, dat de gedagte vuiligheden overblijf- |
|||||||||
|
WOR.
|
|||||||||
|
4231
|
|||||||||
|
zeis van het ingenomen voedzel dat Wormen, met aarde
gemengd, zijn. Wanneer de Darm. der Aardworm van het Fondament
tot aan de Maag geopend en wel gezuiverd word van de aarde, waarmede hij opgevuld was , zo openbaart zich in zijne holte een ander taamelijk dik Kanaal, bijna de geheele langte van den Darm doorloopende, tot omtrent vier vingeten breed voor deri Afgangs-opening, alwaar het den Darm doorboort, en dan verder tusfchen denzel- ven en de Rug van 't Dier voortloopt tot aan het Fon- dament. Hei andere end van dit Kanaal, tot aan de Maag gekomen, doorboort derzelver Rok, en, zeer verdund zijnde, gaat het regt voort naar het Kop-end van het Dier. Dog alle Aardwormen hebben den Darm niet even- eens gefatfoeneerd. De Darm van diegeenen, welker Staart breed en plat uitloopt, heeft in zijnegeheele lang- te een bijna gelijke dikte, en fchijnt, van de Maag tor aan het midden, uitwendig zamengefteld te zijn uit gladde wanden , terwijl het overige gevuld is met zeer fiine dwarsflreepen. In de zodanigen , in tegendeel, wier Staart rond is , en die geenen Band op de Rug hebben, is de Darm bij de Maag zeer dik en tot aan 't midden toe geheel overlan^s gegroefd . maar vervolgens ver- mindert de middellijn grootelijks en alle degroefjes ver- dwijnen. De vermaarde Redt, naameliik, heeft waargenomen,
dat er verfcheiden zoorten van Aardwormen zijn. Zom- migen, die den gedagten Band of verbeven Zadel op de Rug, nabij den Kop, hebben, zijn in de geheele langte rond; anderen hebben het Staart-end plat en breed , als een Oliifblad. Deeze zelfde verfcheidenheden neemt men ook waar in de geenen die den gezegden Band niet hebben. De Wormen verfchillen , zegt hij, in koleur, naarden grond waar in zij huisvesten , of naar het voed- zel dat zij nuttigen. Eenigen krijgen wel de langte van een elle en de dikte van een pink bijna. Deeze laatften zijn doorgaans logger dan de anderen , en onder dezelven vpnd hij er geene met een Ring nog met een zodanige platte breede Staart. In de Wonnen, die de kogelronde witagtige lighaamp«
jes hebben, welken Willis omtrent het Hart heeft waargenomen, kan men er veertien tellen , zeven op een rij , in eene regte lijn, langs de Borst, geplaatst, en ge- vuld met een melkagtig vogt ; buiten en behalve nog agt andere Bolletjes of Zakjes, nader aan het Hart, grooter dan wikken-zaad en geheel van eene zeer witte melkagti- ge zelfftandigheid zijnde, in welke men verfcheide klei- ne ronde Eijties waarneemt. Dit heeft echter niet al- toos plaaats,, en zomwijlen zijn de agt Zakjes zo voIEi- jeren, dat men er in ieder bij de twintig, of daarover, tellen kan. Redi verzekert, dat hij er meer dan twee- honderd in de holiigheid des Buiks heeft uiigeftort gezien, en wil dat zij door het Aarsgat zouden uitgeworpen wor- den: maar, zou het nietkunnen zijn , datzij aldaar wer- den uitgebroed? Immers is het met de aanhechting van den Darm aan 't Fondament geheel (trijdig, dat de Eij- ties, daar, op eene natuurlijke wijze, zouden kunnen uiikomen. Bovendien heeft hij de gedagte Eiierzakjes niet dan in de,Wormen met eene platte breede Staart, ao evensemeld. waargenomen. Behalvede Ingewanden der fpiïs-verteering,heeft Wil-
lis nog edeler deelen inde Aardwormen ontdekt^ dan men deeze veragte Schepze'en zou denken te hebben^ De Herfenen vond hit zeer klein en witagtig alseenw-a- terbelktje. Bij de Zwelgpiip zag hij het Hart, klop- Nnn 3 pen- |
|||||||||
|
WOK.
zelven werd in foupen gedaan tegen vérftoppingen en de
geelzugt. Men gaf het ook wel, ter zwaarte van een half vierendeel loots, aan Kinderen tegen de Wormen in ; dog de viesheid van dit middel geeft hedendaags de voorkeur aan anderen, die tevens van meer kragt zijn. Bovendien wil men ontdekt hebben, dat uit het poeijer van Wormen, een igen tijd bewaard zijnde, jonge Wou men voortkomen, endit maakthetinwendiggebruikdaar van geheel niet raadzaam. Veiliger4zal het vlugge zout en de geest, door destillatie uit ^ardwormm verkreegen in te neemen zijn, en mooglijk van niet minder dienst' dan dergelijken, die men uit andere Dieren en derzelver lighaamsdeelen destilleert. . Het beste en mooglijk hetallerkragtigde middel, dat
de Geneeskunde uit deeze Dieren haait, is de olie van Aardwormen. Om dezelve te bereiden, kiest men Wou men uit, welkç zeer dik zijn, en , diegewasfchen heb- bende in water, doet men een pond daar van in een pond olijf-olie, voegende daarbij een glas wittemwijr,. Men Iaat de Wormen, daar ih, een etmaal daan, en ver- volgens op een zagt vuur kooken, tot dat de wijn ver- teerd zij, dan perst men ze uit, en de olie word tot gebruik bewaard. Zij is verwonderlijk om de Zenuwen te verderken, en de verftoppingen der gewrichten, in- zonderheid de jigtige pijnen der ledemaaten, te doen verdaan. Dus is zij in de engelfche ziekte, in lammig. heden en verdooving der deeien door koude, van veel dienst. Men maakt van dezelve, of alleen, of metan- dere dergelijke Balfems, een warme fmeering, op de lijdende deelen. Zommigcn willen deeze olie ook in. wendig, tot twaalf of vijftien druppelen 's daags, in wonddranken gebruikt hebben, tegen inwendige kwet- zuure, breuken of kneuzingen ; dog in dit geval za! de verbeelding, geloof ik, van de meeste kragt zijn. II. Zee-Sandworm, of Aardworm met dubbelde Tepel'
tjes op de Rug, die geborfleld is; Lumbricus mar'mus, Bell., Aquat 44.4. ; (Lumbricus papillis dorfalibus genU natis fetigeris. Lism..Sijft. Nat ) Van deeze Zee.Sandwom fchrijft Bellonius het vol'.
gende. Hij is grooter dan de Aardworm, en nestelt
,, in de oever tusfcben 't fand, voomaamelijk op zulke
,, plaatzen, welke door den vloed bedekt worden met
,, een hooge zee. Den Visfcheren dient hij veel tot aas,
,, die hem aan de vuiligheden, welken hij gelijk de Aard-
wormen op het fand leggen iaat, weeten te vinden;
want, als zij die ergens zien, gaan zij er de Wormen
met een ijzeren fchopje uitgraaven, en bewaaren ze
dan in korfjes tot het gebruik. De Natuur heeft et
,, van vooren een Snuitje aan gegeeven, daarzij iets
fponsagtigs door uitwerpen als of zij braakten. en, dan
in 't fand gekroopen zijnde, zuigen zij dat weder in,
tot dat zij op nieuws geheel'bedekt zijn. Dergelijks
,, heeft in de Aardwormen plaats. Beiden hebben zij «
,, in 't ronde, dwarfe Kieuwen, waar door bet gehee-
Ie Lijf uitrekken en intrekken, zo dat zij van de langte
van een voet zeer kort worden, en bijna klootrond.
,, De Zee-Worm, nu, is fpilrond, een vinger dik en
,, een voetlang,ze,erflijmerig,dortendeeen TafFraanizeel
,, vogt uit, waar door de Schepen befmet worden', en die
koleur houd drie dagen dand. Zij hebben Vezels aan
de Gewrigten in plaats van Vinnen, en voeden zich
,, met fand en flijk". Dat zij, in het dillen van pijn ,
de Aardwormen niets toegeeven , wanneer zij, eerst van
fand gereinigd , in amandel-olie gekookt worden , die
men dan op de lijdende gewrigten drijkt, of laauw laat
drui.
|
|||||
|
483* - "WOR.
pende met beurtelingfe beweegingen van uitzetting en
inkrimping, gelijkerwijs inde volmaakde Dieren. Tus fchen de gedagte witte Bolletjes, liepen aanmerkelijke Bloedvaten heen, en den Darm, die van de Maag haar het Staart-end gaat, openende, vondt hij een Buis- je van geelagtige koleur, dat mooglijk wel den dienst kon waarneemen van Lever or" Galblaas. Dit alles openbaart zich, zo hij aanmerkt, in een Aardworm, die op de Rug leggende van de Baikzijde geopend is , maar, als men hem van de rugzüde befchouwt, word men langs de randen van ieder Ring kleine gaatjes gewaar , bijna van bet Kop-end tot aan de Staart. Daar in blaazende, zo zwellen de deelen, die daaronder zijn, onmiddelijk, en de vuiligheden worden op en nederwaards geperst ; daar op drukkende komt er een wit en liimagtigvogtuit, 't welk fchijnt te dienen, om deeze gaatjes te befchutten en open te doen blijven Hij verbeeld zich . dat het Lucht« gaatjes zijn j dog, dewijl men weet, dat de Wormen zich een langen tijd en doorgaans onder de aarde onthouden, zo is 't waarfchijnlijker, dat zij alleen dienen, om dat lijmig vogt uit te geeven, 't welk hun Lighaam voor de aanhechting der aarde bewaart ; op gelijke manier, bij- na, als de gefchubde Visfchen door hun flijmerig vogt befchut worden voor de aandoening van het water. Dit lijmig vogt is het, 't welk de handen der genen, die Wormen tot hengelen aan den hoek flaan, zo kleverig maakt. Dat gedagte openingen geene luchtgaatjes of luchtdip-
pen tot ademhaalingzijn, gelijk inde Infekten, blijkt uit proefneemingen , die er in 't werk gedeld zijn. De Wor- men,, met olie beftreeken, derven niet fchielijf; 'amen heeft ze in olie zien zwemmen en een gerutmen tijd daar in leeven. In dit geval, niet alleen , zijn zij met de In- fekten ftrijdig, maar ook daar in , dat cene warmte, niet van veel belang, hun aanftonds do2t derven. Zij vlugten, als 't ware , voor de fonnefchijn , welke de meeste In- fekten zo beminnen, ten minde geenszins naaten ; dog hier in komen zij metveele Schaal-en Schulpdieren over een, die beter het gemis van lucht of water verdraagen kunnen, dan de nabijheid van het vuur. Het tchijnt ook niet, dat de zamenhooping van een
menigte Wormen, ineen kleine beflootene plaats, onder dezelven eenigebroeijing, of voor hun nadeeligen damp, veróorzaaken. Evenwel moet de groote koude hun na- deelig zijn, dewijl zij zich des winters fchuil houden. Be- halve de Mollen, die er zeer greetig naar zijn, drekken zij ook voor de Visfchen, Vogelen, Haagdisfen en vee- Ie andere Dieren, tot eene lekkernij. Dat het de vreez' voorde Mollen zij, die maakt, datmenze, door den - grond derk te beweegen, daaruit doet kruipen, is mij niet geloofbaar. De Natuur heeft zekerlijk hun, gelijk alle Dieren, eene voorzïgtigheid jngefchapen, om het gevaar te ontwijken, dat hun dreigt, en dit maakt, dat mennaauwlijks zo zagt op den grond kan gian, of defor- me«, die bij regenagtig weer uitgekroopen zijn, verber- gen zich, in een opflag van het oog, wederom in hun- ne loopgraaven. Gepaard zijnde, integendeel, ontwij- ken zij het gevaar niét, en laaten zich veel eer doad tree- den dan elkander los te laaten. Om ze uit den grond te doen komen, behoeft men flegts dien met het aftrek- zel der bolderen van Walnooten te befproeijen. Door loog en kalk worden zij gebood. Nog niet lang is 't geleeden, dat riien veel op had met
het inwendig gebruik der Aardwormen, als een openend, pis, ea zweetdrijvend geneesmiddel. Het poeijer van de; |
|||||
|
WOR, im
,, Dieren voor, die men tot dit Geflagt moet f hais
brengen". Zijn Ed. fielt, alszodaanigen, tweederlei Spuitwormpjes voor, die onder de bepaalingen van da Lumtrici niet vallen; zo min als dat Schepzel, 't wells hij omilandig befcbriiften afbeeld, onder den naam van Lumbricus Echiurus. Hetzelve, naamelijk, zijnde een ZeeWorm, die zeer menigvuldig aan het HoUandfche Strand voorkomt, behoort niet in die Rang der Dieren van deeze Klasfe, wiens algemeene Kenmerken zijn; een Lighaam te hebben zonder Ledemaaten, alzo deeze Zee-Worm, volgens zijn eigen afbeelding en befchrijving, aan 't voorend een lapje als een Tong en twee haakjes heeft, zijnde ook aan 't agterend voorzien met vrij groote en blijkbaare Stekels, waar van hij den naam zal hebben. Deeze Wormen, die van de Visfchers , (zegt dé
Heer Pallas,) zomwijlen, als hun Sprot ontbreekt, opgezogt worden, om Kabbeljaauw aan den Hoek te vangen, verfchuilen zich in het fand der zee, en wor* den, vcornaameiijk in de winter-maanden, menig- vuldig, van allerlei grootte, door de golven aan 'c ,, Strand gefmeeten. Ik heb er zomtijds ontelbaare ge- ,, vonden, die op den oever, geduursnde den vioed, ,, zich in het fand verborgen hadden. Dan kan men zom. ,, migen met de voorftepunt half begraven vinden, dog de meesten, met het andere end nederwaardsgeftrekt, ,, komen naauwlijks met de punt buiten 't fand; weshal- ,, ve het geloofbaar is, dat zij in bet fand zich omkee- ren. Als het water afloopt beweegen zij zich niet, ,, en bieden, wanneer menze tragt uit het fand te haa* len , dikwils een grooten tegenfland, doordien zij bin» nen de Buis, waar in zij vervat zijn, opzwellen. ,, Ook, naakt en verflapt op den oever leggende, trek- ,, ken zij zich, indien menze behandelt, gewoonlijk za< men en worden, dog langzaamer, hard; dan blijven ,, zij eenigen tijd in die flaat; maar, in zee-water ge» daan zijnde, rekken zij zich aanflonds uit, en kun- ,, ren eenige dagen leevendig bewaard worden , fchoon ,. het water begint te bederven. In zoet water fier ven ,, zii, gelijk alie Zee-Schepzelen, aanftonds, en dood ,, zijnde zwellen zij mismaakt op, barilende van zelf ,, of door een ligte aanraaking met uitftorting der Ihge- wanden en een leelijken flank als van rottend vleesch. ,, In heet water fterven zij fchielijk, dikwils totharftens ,, toe zamengetrokken en met alle de prikkels uitge- (loken. Langzaamer en minder gekrompen , maar met ingetrokken flekels,. fterven zij in een gees- tig vogt"; De meesten , die gewoonlijk op den Oever voorko-
men, voegt hij er bij, ontbeeren het gezegde Tonge» tje . dat zij door de beweeging der golven fchijnen ver. looren te hebben. WORMEN, Buik.Wormen, Menfchen.Wormen,Darm'
Wormen ----- Hier van fielt de Heer Linnäus twee
zoorren te zijn, die wij eerst hei fchoone Huk van de Heer
M- HouTTuijN over dit onderwerp in zijne voortreffe- lijke Natuurlijke Hiftorie der wereld medegedeelt, zul- len befchrijven; voorts van den Lintworm als eene derde zoort gewagep ; en vervolgens over de ongemakken en derzelver toevallen handelen, welke deeze Dieren aan de M; nfchen en wel inzondeiheid aan de Kinderen ver- wekker-; eindelijk dit artiikel befluiten , met dien- flige middelen daar tegen aan de hand te geeven. I 'Aarsmade, of Dannworm, die de langte van een duim
heeft; Ascaris vermku.aris ; {Ascaris polliwis.- Linn, Sitf,
|
||||||
|
WOR;
iraipen in een pijnlijk oor, heeft Rondeletius ge-
fchreeven. Tot fpijze zijn zij geheel niet dienftig. Al- BBOVAKDüs Libr. VII. de Infeäis. Cap. XIII. Voor veertien jaaren (fchrijft Li nnjEüs in't jaar 1746,
opzijn Westgothifcben reistocbt,) heb ik deeze zoon van Wormen op de zeegronden onder't ijs befpeurd. Ter- wijl wij thans hier (bij Marflrand) op den bodem der zee heen en weer liepen, wierden wij overal kleine op- geworpene hoopjes gewaar, die bijkans naar de geenen zweemden, welken de Aard wormen op het land maaken. Wij groeven er naar, en ontdekten eindelijk een Dier, dateene eigene duidelijke befchrijving verdient, en door mij in plaat gebragt is, Deeze Worm, zag er bijna uit als een Regenworm, zijnde sen vierendeel eile lang en zo dik als eene zwaanefchaft. In 't midden had hij een uithangend Ingewand, van het welke tot aan den Kop hij uit dertren of veertien Ringen of afdeelingen beflaat, waarvan ieder uit vijf kleinere, van welken het laatfte meest uitfteekt, zamengefleld is. Ieder van deeze veer- tien of vijftien afdeelingen, had op de Rug een paar ver- hevene Punten of Knoopen, en op elke Knoop een regt opftaand Haairtje. Het agterfte gedeelte des Diers, van hetgedagte Ingewand afgerekend, is glad, heldergraauw, Biet ongelijke Ringen ofVoortjes, welke met kleine Stippen beftrooidzijn, uitgenomen vier Afdeelingen van het uithangende Ingewand naar agteren, die aan de voor- ften gelijk zijn.. Dit Ingewand, 't welk uit het midden des Worms naar beneden uithangt, is langwerpig, rood- agtig van koleur en vol met kleine geele Korreltjes; des het wel fchiinen zou de Eijerftok te zijn, Aan de Stranden van den Noorder Oceaan is deeze
Zee-Worm zeer gemeen, en bij 't afloopen van de Zee gemakkelijk te vinden, (zegt Linn^us,) doordeloop- graaven die hij overal opwerpt. In dit opzigt, derhal- ven, is dit Schepzel grootelijk verfchillende van de Zee- Wormen , van over de honderd voeten of ellen lang, daar de HeerPoNTOpriDANs, in zijne befchrijving van Noor- wegen , van gewaagt, die maar zeldzaam zo ooit ge- zien zijn. Kolbe, in zijne befchriiving van de Kaap der Goede
Hope van de Zee-Wormen fpreekende , telt daar van ver- fcheide zoorten op, onder welken eene hier t'huis be- hoort. Deeze was een elle of anderhalf eile lang en geleek zeer naar de rondeMenfclien-ofKinderen^Wormen. Men vond ze veel op het fand aan den Oever der Zee, gaande, als het ftil weer was, troepswiize naar't wa- ter, om voedzel te zoeken, en daar blijvende tot dat de Zee begon te woelen. Als dan werden zij, doordegol- yen, hoog op't flrand gefmeeten , en gingen zich in het fand verbergen. Van andere Zee-Wormen maakt hij ge- wag, dat de zogenaamde Zee-Rupfen zijn. .Wij moeten hier ook de geenen, die Buisjes van fand
en brok i es van Schulpen maaken, om in te huisvesten, en van Reaumuh onder den naam van Versatuijaux be- Ichreeven worden , zo wel als dergeliiken , weikeu d'Abgenvïlle Vers ou Fermisfeaux de mer noemt, bui- ten fluiten; om .dat zij tot de Wormen, die geen be- kleedzel hebben, niet behooren. Tot deeze twee zoorten , de Aardwormen en den Zee-
Zandworm, naamelijk, had Linnäus zijn Geflagtvan Lumbrici bepaald , dog de Heer Pau.as merkt aan, dat oetzelye vee! uitgebreider zij. ,, Want, behalve dat er « tusfchen de Aardwormen een waar zoorteliik verfcbil » is, zegt hiï het w lke de onfterfelijke Ra'J ! e regt « opgemerkt heeft; komen in de zee veel Wormagtige |
||||||
|
«234 WOR. > .'_-..* wôtf;
|
||||||
|
Sijft. Nat.)
i, fen; inde Wortels van rottende Planten ; in de En- deldarm van Kinderen en van Paarden;' bij avond on. i, rustig, en, uitgehaald zijnde, fpringt hij. Het Lijf t, is T?ijf lijnen lang, fpilrond, met naauwlijks zigtbaare Ringetjes, wederzijds verdunnende; van voorenllotn- per, van agteren geheel fpits. Het heeft agter de ,, -Koorfte tip, en aan derzelver punt, een diepe rings- », wijze rimpel. De Bek ftaat dwars". Uit deeze befchrijving blijkt, dat Lïnnjeus hier .die
Warmpjes op 't oog heeft, welke men thans gemeenlek aarsmaden noemt, hoedanigen de Ouden bedoelden met den naam van ascarides. Galenus zegt, in zijne uit- legging der woorden, van Hippocrates gebruikt, dat dit dunne kleine Warmpjes zijn, die in de Endeldarm voort- komen. Manardes verzekert, dat de ascarides van Avicenna geen andere dan die van Galenus waren. Hij meende dat de naam moest afgeleid worden van 't grieksch woord as-x.su , dat in 't latijn oefenen betekent, of liever van 't woord cl<rxapiÇa, 't geen beweegen te kennen geeft; om dat zij zulk een geweldige jeuking'veroorzaaken op de plaats daar zij zich bevinden, gelijk Paulus en Aë- Tius getuigen, en het Dier door hunne geduurige bewee- ging prikkelende niet in ruste iaaten ; want zij komen, volgens hun, in de Paarden menigvuldiger, dan in de Men- fchen, voor. Onder de drie zoorten van Darmwormen, die men reeds
toen kende, en onderfcheidde bij den naam van Lumbri■ çi Tnix en Ascarides, merkte MEECURiALisde laat- ften als de minst fchadelijke aan. Hij gaf daarvan voor reden, in de eerfte plaats, dat het kleine dunne Diertjes zijn; ten anderen-», dat zij in de dikke Darmen geboren worden , en dus verst af van de edele Lighaamsdeelen ; ten derden , om dat zij zich op die plaatzen bevinden , alwaar de harde vuiligheden pasfeeren, door welken zii dan ook ligtelijk afgefchuurd en mede uitgeworpen wor- den. Dog dat die redenen geenszins voldoende zijn, blijkt, dewijl men zelfs in Paarden bevonden heeft, dat zij zich een weg kunnen baanen door dewandender Dar men, tot in de holligheid van den Buik. Zie het Ver- toog over de Ziekten der Paarden, Uitgtz. Verh. VIII. D. p 198. Niettegenftaande zulks, zijn.in laater tijden, diedee-
len van den eigentlijken Lintworm, welke men Vermes Cucurbitini noemt, omdat zij insgelijks in de vuiligheden voorkomen, hoe verfchillende ook van geftalte,' door CouLETen anderen met de Ascarides verward geworden. Ten minfte hebben zij dezelven ook voor Aarswormen aangezien, en dus zijn daarvan zeer verfchillende af- beeldingen uitgegeeven, onder welken die van Contoli allermeest naar onze Aarsmaden gelijken. ZieJ. Cleri- ci. Hifi. Lator. Lumbr. Gen. 1715. Tab.'III. OfPHEL- suM Verband, over de Wormen. Leeuw. 1763. Plaat 1. . Onderden gemeenen Man, zegt de Heer van Doe- veben , in zijne Inwijdings Redevoering, is een denk- beeld, dat deeze Diertjes voortkomen uit het eeteri van Kaas, dewijl zij zo veerovereenkomst fchijnen te heb- ben met de Kaaswompjes, die de Maskers van de Kaas- vliegén zijn; dog het tegendeel blijkt, alzo deeze Airs- maden geene verandering ondergaan. Van dit laatfte kun- nen wij niet dan verzekerd zijn, nu de Heer Meesb, te Franeker, derzelver Eijerlegging waargenomen", enmeer duidelijk in afbeeldinggebragt heeft ; zie UitgezogteVer- handelingen. IX. deel. PI. LX. waaruit dan tevens het denkbeeld, als of zij de Jongen der groote ronde Dmm» |
||||||
|
wurmen zouden zijn, 't welk zommfgen begunftigen ;
geheel vervalr. Mij zijn, naainelijk, nog geene voor» beelden bekend van Dieren, die, voor een zetseien trap van volwasfenheid, tolde Voorttee.ing komen. JUeriguur der jonge Aardwormpjes, waarbij men die der Darmwor* men mag vergelijken , bovendien, is van dieder Aarsma- den verfchillende. Ook zouden deeze lauften dan niet altoos van gelijke grootte voorkomen, of zich aan de lang. te van ongevaareen half duim bepaalen, in Menfchen, die er jaar en dag inede gekweld zijn. Onder de gee- nen, bovendien , die ronde Darmwonnen hebben, vind men zeer weinigen klaagen over de jeukt van Aanmadin. Dat deeze Diertjes, hoe klein ook, aan den Mensch
niet onfchadelijk zijn, Js blijkbaar r* dewijl.defterkeprik- keling en geduurige jeukt, die zijcp zulk een gevoelige plaats, als het end van den Endeldarm is, veroorzaa. ken, aanleiding kan geeven tot plaatzelijke toevallen van perfing hardlijvjgneid, ongemak in 't waterioozen en dergelijken, of ook hetgeheele zenuwgeftel iii Men» fchen, die zeer aandoenlijk zijn, kan ontrusten; ts meer, dewijl zij zich zomtijds in de nabuurige deeleii, zo in-als uitwendig, verfpieiden. Dat zij een llaapziek- te voortbrengen zouden, gelijk zommigen uit de woor» den van Hippocrates willen opmaaken, is, omdat zij gemeenlijk veeteer den flaap beletten, naauwlijks te be- grijpen Het gaat ook , hier te lande, zo vast niet, dat zij den Lijder s'avonds meest zouden plaagen. Daar is, echter, een natuurlijkereden voor. Avicenna merkt1 aan, dat er fterker middelen tot ver-
drijving der Aarsmaden vereischt worden, dan tot die van andere Darmwormen, en de redenen, die hij daar- van bijbrengt, zijn zeer gegrond. Door den verren af- ftand, naamelijk, van.de Maag, zijn de middelen, die men inneemt, veelal haar kragt kwijt, eer zij in den Endeldarm komen, wiens piooijen bovendien een aan- merkelijke verfchuiling geeven aan dit kleine en haatelij- ke Ongediert. De Wortel van Sefeli, fijngewreeven en vier cagen in water geweekt zijnde, moestde Lijder daar van drie kopjes met honing drinken op een litigiere Maag. Hierdoor worden, volgens Hippocrates, de Aarsmaden vernield. Bittere purgeermiddelen zijn ook niet ondienftig en de infpuiting van olie heeft zommigen verlost; dog de volkomene geneezing, in degeenendie er rnede geplaagd zijn, is niet gemakkelijk. II, Ronde*Worm, of Darmworm die de langte van een
fpan heeft ; Lumbricoides ; (Ascaris fpithamea. LiKtf. Sijfl. Nat.) Hier door verftaat de Heer LiNNiEUsde gemeenfte zoort van Darmwormen die men gewoonlijk Menfchen of Kinderen-Worm noemt, in \t latijn Liim- bricus hwnavus of enkel Lumbricus, hoe^El er een groot veifchil tusfchen denzelven en de Pieren of Aardwormen aangemerkt word te zijn, die echter zomtijds ook inde darmen huisvesten. Deeze Wormen hebben dikwils de langte maar van zes
duimen, en vallen dan binnen de bepaaling van die van een fpan, gelijk Linnäus zegt; dog men heeft er ook ge> zien van een half elle en langer. Men verhaalt, dat er door een Jongen van tien jaaren één, die drie voeten lang was, van agteren uitgeworpen zij; om nu niette fpreeken .van den ronden Worm van dertig voeten lang, tot een bal zamen gekluwend, die-uitgebraakt werd van een Jongen, volgens Bagljvius: want zodanige histo- riën komen eenigzins verdagt voor, en, indien zii al waar zijn, zou men mogen vermoeden, of zulke Wormen- |
||||||
|
WOR.
|
|||||||||||
|
WOR.
|
|||||||||||
|
4235
|
|||||||||||
|
niet veeleer behoorden tot bet Geflagt der Draadwormen
of Bandwormen. Of die eigenfchap, dat de ftukken vaneendoorgefnee-
den ^isrm.niet alleen in Ieeven blijven, maar zelfs we. derom geheele Wormen of volkomen Dieren zouden wor- den , 'gelijk de Polijpen, in de Menfihen-Wormen ook onderzogt zij, kan ik niet verzekeren. Het is niet zeer waarfchijnlijk , doordien dezelven veelal fpoedig van tant gemaakt worden of dood zijn, eer menze uitwerpt, of weldrafterven. Vind menze in een Lijk, dat eenige uureuis doodgeweest, nietaltoosdood? Watinagdaar van de reden zijn? Alle Darmwormen, van Menfchen geloosd, die hijleevendig kon krijgen', in koud water gedaan zijnde, ftierven weldra, zegt vanden Bosch, Hißoria conftitutionis epidemica Verminofce fcpc. p. 26. en dit heb ik ook dikvvils ondervonden. De Franfche HeerÄNDBY, ondertusfchen, maakt gewag van vijfgroo- te uitgeworpen Wormen, die, in water gedaan zijnde , wel een maand daar in badden geleefd, enRsDi verhaalt, datmet olie, theriaak, gemeen water, aloë en andere Apotheekmiddelen , weinig Wormen om den hals geraakt zijn. Een laater Autheur, Bbouzet genaamd, vlugge, dikke Wormen in azijn, wijn, het afkookzel van alst, water en olie doende, bevond, dat zij door de twee laat- ften een weinig verzwakt, maar door de overigen veel vlugger gemaakt werden. In fpeekzel en bloed ftierven zij aanftonds, volgens Bi anchini. Watzalmen uit alle die proeven beduiten? 't Was te wenfchen, dat men eens onderzogt, of zij wel in de aarde konden Ieeven ; als ook, of de ronde Wormen van viervoetige Dieren en Visfchen, van eene zelfde zoort zijn als die der Menfchen, gelijk men verzekerd vind. De menigte van ronde Wormen, die in het Gedarmte
huisvesten, is verfchillende. 't Gebeurt zomtijds, dat de toevallen en ongefteldheden van een Kind bedaaren, nahet uitwerpen van eenen enkelen Worm; dog dikwils zijn er meer. Forestus verbaalt van een Jongen, die wegens vermagering, niet tegenftaande hij tterk at; an- ders gezond voorkomende, in 't vermoeden viel van met Wormen gekweld te zijn, en door het inneemen van zijnen maagdrank, dagelijks drie of vier, en over 't ge. heel ontelbaare Wormen loosde. Vermes infinités dejecit Puer. Libr. XXI. Obferv. 20. De Zoon van zijn Neef, een Brouwer te Alkmaar, ging er meer dan veertig af. Ook fpreekt hij van een Boer te Koedijk, die er oneindi- gen uitwierp. De Rustico quodam, . infinitos Vermes per inferiora dejiciente. Obf. 32. Hij was er, in 't begin reeds zestig kwijt geraakt. In Lijken heeft men tot hon- derd en daar boven gevonden. Mouffetus Theatr. In* feäorum. Lond. 1704. p. 297. gewaagt, op het getuigenis van Gabucinus', van een.Meisje, dat, na het inneemen van een Geneesmiddel tegen de Wormen , er hon- derd-zevenenzeventig loosde, van de gewoone ronde zoort. Men vind, door verfcheide Autheuren, gewag gemaakt
van zekere Volkziekten, die of uit Wormen voortkomen, °finet dezelven gepaard gaan. Zommigen hebben zelfs aangemerkt, dat de Volkziekten doorgaans met uitflag Pf met uitwerping van Darmwormen afloopen. In zeker gedeelte van Vrankrijk heerschte, nu veertig jaar gelee- den, zodanig een kwaal, door welke allerleij flag van Menfchen werden aangedaan, die van boven en onderen een menigte van Wormen uitwierpen, en waarvan vee- »en ftierven. Te Kuilemburghebben, nade overftroo- toigi in't jaar 1741, kc-ortzen geheeràcht, die veelal "II Deel,
|
|||||||||||
|
met Wormen gepaard gingen, zo in volwasfenMenfchen
als in Kinderen, Kloekhof. Opufc. Med. pag. 3. volgens van Doeveren Disfert. p. 27. Thans ziet men een ge- heel werk over de Wormziekten, die, nu omtrent tien Jaaren geleeden, begonnen hebben te regeeren op de Ei- landen van Overflakkee en Goederede, aan de grenzen van Zeeland; hetwelk deezezaak uitvoerig verhandelt. Hiß. Conßit. Eped. Verminof, qua Amis 1760, 17/51, 1762 & 1763. per Inf. &c.grasfatafuit. AulhoreX. J. de Bosch Med. Hag. III, Lintworm, in 't latijn Tnia, is door alle Aiitbeu»
ren bijna onder de Wormen geteld; en in 't bijzonder on- der de Wormen van 't Menfchelijk Lighaam , van de Lint- wormen gehandelt. Men noemtzeook inonderfcheiding van de ronde, breedeoi'platte Wormen, en om dat zommigen zich in brokjes of leedjes, als Kauwoerden Zaad van el- kander fcheiden, Vermes cucurbitini, waarvan de fraa- fche naam, Vers cucurbitins ontleend is. ,, De Lintworm (dus fpreekt LiNKiKus) word aan 't
,, eene end oud, terwijl bij aan het andere oneindig voortgaande voortteelt, gelijk de Gras wortels. De ,, onderfcheiden leedjes beeten bij de Geneeskundigen, ,, Vernies cucurbitini, daar nieuwe leedjes als aan de ,, Moer, zonder bepaaling weder aangroeijen , terwijl ieder leedje zijn eigen Mond, zijn eigen cbijlbeieiden- ,, de Ingewanden heeft. Deeze Dieren zijn eenvoude- ,, lijk aan elkander gefchakeld, en zamengefteld gelijk ,, de Korallijnen , terwijl in ieder leedje het Diertje ,, met zijne vrugtmaaking verholen zit. Hier door word de gemeenzaamheid in 't neerdaalen, en de onaange- ,, naamheid in 't opklimmen, verklaard. Aan 't dikfte end hebben zich'fijsoN, Andrjj, Tülpius, den ,, Kop verbeeld, dog zij bedrogen zich, dewijl ieder ,, leedje zijn eigen Ieeven geniet en geen deezer Wor- me» een Kop heeft; 't welk uit het openen vanHon- ,, den blijkt. De Heer Liknäüs ontkent hier den Kop des Lintworm,
die niettemin van verfcheideneaan 't fmaffte end is waar- genoomen. Malpiühiüs, Andrij, Bonnet, Roe- deber en Rosen, hebben aan dat draadagtig end ten minfte iets gezien dat naar een Kop geleek. Men vindt hem door Bonnet zeer naauwkeurig in plaat gebragc, en dewijl de Lintworm aan 't breedite end geduurig ftukken affcheid, zo is het ten uiterften waarfchijnlijk, dat de Kop, zo hij er een heeft, aan 't fmalfte end moet zijn. Men kan er op't getuigenis van zo veele onderzoekers, niet aan twijffelen, en dan verbeeld ik mij de Lintworm (zegt de Hr. Houttuijn) als eene zamenleeving van Dieren, welke mooglijk door affcheiding der leedjes voortteelt ; koomende dus aan de Zee-Pennen, en andere uit Polijpen zamengefteide Plantdieren, zeer nabij. Behalve het menfcbeHjk lighaam, voor het welkcdit
Schepzel tot een ongetneene plaag (trekt, is het ook in Honden, Katten, en andere viervoetige Dieren, als mede in verfcheide zoorten van Vogelen en Visfchen waar- genomen. Men heeft derhalve zich verbeeld, dat het uit het Lijf des eenen in dat van anderen kan voortge- plant worden; dog de eerfte oorfprong bleef duister, tot dat een zoort van kleine Lintwormen, door den Heer Linnus, in flijkerige Bronnen waargenoomen was, en zedert denkt men, dat zij uit het water kun- nen komen in 't Menfchelijke Lighaara of in dat der Dieren. De langte, ondertusfchen, tot welke dit Schepzel in
't lighaam kan aangroeijen, is verbaazende. De fweed-
Ooo fchs
|
|||||||||||
|
,. won;
flaap, hun neus Is wïtagtig, en de koleur van hun asTige.
zigt verandert zeer dikvyils. Bij zommige lieden, fchijnen de Wormen eene over-
geërfde lighaams-kwaal te zijn, Meermaalen worden bij alle de Kinderen van een huisgezin, het zelve bijzon, der zoort van Wormen gevonden. Ze fchijnen ook van de Minnens overgeërft te worden; wijl niet zelden zom- mige Kinderen , die door eene zelfde Vrouwe gezoogd worden, alle Wormen hebben, daar men bij de overige Kinders , uit dezelfde Ouders gebooren , dog door eene andere Minne gezoogd , er geheel geenen ont> dekt. Kinderen zijn in 't algemeen meer aandeeze kwaal on-
derworpen, dan volwasfenen ; zuigende Kinderen echter, zijn er zelden mede gekweld, hoewel ook hier op uit- zonderingen^zijn. Toevallen.
ziekte, zijn, zomtijds bleekheid, zomtijds Merk bloozen
des aangezïgts, 'jeukte inden neus; dit laatfteechter is twijffelagtig, wijl de Kinderen in alle ziektens aan den neus pluizen; opfpringen en knarstanden in den fiaap, het zwellen der bovenlip; zomtijds weinig eetlust, op andere tijden verflindenden honger; buikloop, welke veroorzaakt word door de beweegingen en prikkelingen die dit Ongedierte te wege brengt; de wormswijze be- weeging der darmen {motus penflalticus) welke anders de opflurping der vloeibaare ftoffen in de darmbuis bevor- derd, word verhindert; daarenboven zijn de flijmagtige ftoffen, der in de ingewanden geftorvene en verrotte /For- men, mede oorzaak van dit ongemak. Sommige Lijders in tegendeel zijn zeer hardlijvig; dit fchijnt in den eer. ften opflag met het voorgaande ftrijdig te zijn ; dan dit gebeurd gemeenlijk eerst, wanneer de kwaal langege- duurd heeft, en de Wormen zeer vermenigvuldigt zijn, al het vloeibaare verteeren, en niet dan eene harde (lof. fe overlaaten, welke wegens de geftremde wormswijze beweeging der Darmen niet naar beneden kan uitgedree- ven worden. De zaamtrekkende kragt der Darmen , word vermindert, wijl dezelve (leeds verwijden uitgezet worden; hier door zwelt de buik meer en meer op. ge- lijk men zulks dagelijks in kinderen befpeurt. Nog behooren tot de toevallen een zuuragtig ftinkendeadem; harden en gezwollen buik; grooten dorst; de pis fchui« mende, zomtijds witagtig van koleur ; fnijdingen of ko- lijk-pijnen; fterk kwijlen, inzonderheid inden flaap; veelvuldige pijn in de zijde van een droogen hoest en onregelmaatige pols, verzeld; hartkloppingen, bezwij« mingen, flaaperigheid; koud zweet; beroerte,- vlaagen van vallende-ziekte, en ontelbaar andere zenuw-kwaaien, welke wel eer aan toverij of den invloed van booze Gees- ten toegefchreeven wierden,- ook mag men met regt, het zeer wijd en ftrak ftaan der Oogappelen onder de kentekenen,der Wormziekte tellen. Kleine lig- haampjes naar meloen- of komkommer-zaaden gelijken« de, in drekftoffen gemengd zijnde, zijn tekenen van den Lintworm. Zie ook LINTWORM. Geneesmiddelen. -~------ Of fchoon er ontalïijke
middelen , tot het dooden en afdrijven der Wormen aan-
gepreezen worden, is er nogthans geene kwaal die zo veelvuldig alle de kundigheid der Geneesheeren te looi ftelt. In het algemeen is er tot derzelver verdrijving geen beter
middel, als fterke buïkzuiveringen; tot verhoeding van derzelver voortteeliag.is niets gefchikter, dan de maag-M' ters en nu en dan een glas goede wijn. |
||||||
|
4l|5 WOR;
fche Geneesheer Rosen verhaalt, dat eene aanzienlijke
Vrouw te Stokholm,.die vijf jaaren lang met opftijgtn- gen zeer was gekwelt geweest, in 't jaar 1730, het wa- ter van zekere geneeskragtige Bron ruim veertig dagen gedronken hebbende, wederom een geweldige vlaag kreeg van opftijgingen , zo dat men aan haar leeven wanhoop- te ; maar na drie dagen verloops, ging zij eenen Lintworm af van tagtig ellen lang. Men kan derhalve niet twijffe- len aan de verhaalen van anderen, gelijk Tulpius ; die ze van twintigen meer ellen gezien hebben, nog die van over de 150 voeten. Tijson gewaagt , dat hij meer dan vijfhonderd leedjes geteld had aan eenen Lintworm van vierentwintig voeten lang. Dit alles gaat het be- rigt van den onfterflijken Boerhaave te boven, door wien een Worm van driehonderd ellen uit een Rus was uitge- dreeven ; zie H aller 1 Prceleü. Academ. Tem. VI. p. 180. De Kenmerken waar mede dit Gefiagt van Plantdieren
door de Heer Linn/eus beftempeld word , zijn; een vrij Lighaam, uit Leedjes beftaande, die een enkelde ketting maanen , hebbende ieder Leedje zijn eigen Mond- je en Ingewanden. De Lintwormen zijn niet alle van eenerleij geftal-
te ; men heeft er met langer en met korter, fmal- ler en breeder Leedjes. Ook verfchillen zij door de plaatzing en het getal der Mondjes, volgens welken zij door Linn&us in vier zoorten onderfcheiden wor« den; als volgt. 1. Eenzaame Lintworm, af Lintworm met enkele Mond-
jes op zijde, in 't fransch Ver Jolitaire; Lumbricuslatus. Heyd. Exp. 47; Tijson Aft. Angl. 1683. Coulet ; Solium Anob. Verm. ; Vermis cucurbitinus. Plater. Prax. 993.; Tcenia cucurbitina. Pall. Zoöph. p. 405. ; {Tnia osculismnrginalibusfolitariis. Linn. Faun. Suec.) 2. Gemeene Lintworm, ofLintwormmei dubbelde Mond-
jes op zijn plat; Tnia vulgaris. Andr. Lumbr. Godd. Satag. 88. ; Lumbricus latus five Tnia inteflinorum. Plater. Prax. 992. ; Tcenia grifea. Pall. Zoöph. p. 408. ; {Tnia osculis lateralibus geminis. Link. Faun. Sues ) 3. Breede Lintworm , of Lintworm met'enkelde Mondjes
op zijn plat; Tcenia prima. Plater. Prax. c. 14 ; T~ nia artirulis brevioribus. Bonnet Memair. Je Math. & F hij f. Tom. I. p. 478. ; Tnia lata. Pall. Zoöph. p. 410. ; Tcenia osculis lateralibus Jolitariis. Linn. Faun. Sutc.) ; 4. Smalle Lintworm, of Lintworm met de Mondjes op
Zijde tegen elkander over, Ook Honden-Worm genoemt ; Tcenia canina. Pall. Zoöph. p. 408. ; {Tcenia osculis tnarginalibus oppofitis, Linn. Faun.Suec. Oorzaaken van Wormen in Menfchen, enz.
Wormen ontftaan uit verfchillende oorzaaken, zelden echter vind men ze als in zwakke en verflapte Maagen, waar eene kwaade fpijsverteering plaatsheeft. Zittende Lieden zijn aan dezelve meer onderworpen, dan Werk- lieden en Arbeiders. De geenen die veel onrijpe vrug« ten eeten , of bij het gebruik van raaiuve kruiden en wor- telen, grotendeels leeven, zijn gemeenlijk met Wormen gekweld. Niet zelden zijn de Wormen een toeval van koortzen en andere zwaare ziekten ; en wanneer dit plaats heeft, béfreurt men gemeenlijk bij den Lijder een zeldzaamen reuk, welke niet wel is te befchrijven, dan echter van iemand die in de praktijk ondervinding heeft, we! ras opgemerkt word. Gemeenlijk zijn in dit geval de Lijders gekveld met den hik, met opfpringen inden |
||||||
|
..HT7 ■.!«>]»..l.*-:;'7
De.beste buikzuivering ten deezen eïndé, is, jalappe
en kalmus. Van de eerfte neeme men 25 of 30 greinen, van de- laatfte 6 of 7 greinen, men menge dezelve in een weinig fijroop, en neeme zulks des morgens vroeg. JHet zal goed zijn dat de lijder zich den geheelen dag binnen s'huis houde, en geene koude dranken drinke. Dit middel kan men een of tweemaal s'weeks herhaalen, geduurende een week of drie. In de tusfchenpoozingen, neeme de Lijder twee of driemaal desdaagscbeendrach- ma poeder van tin in honing, fijroop of theriaak, ge* mengd. De geenen die geen calmus verkiezen te gebruiken,
kunnen bittere buikzuiveringen neemen, van aloë, tinc- tuur vanfenne-bladeren metr&3iar&«r,endiergelijken. Olieagtige geneesmiddelen, zijn zomwijlen van veel
nut, tot verdrijving der Wormen bevonden. Men neeme in een glas rooafenw/;'« een lepel vol boom-olie en zout, men doe zulks drie of viermaalen des daags, zoo het de Maag kan verdraagen. Dan de gemeende manier van indeeze kwaal olie te gebruiken, is door middel vanklijsteeren. Olieagtige klijstseren met zuiker of honing gezoet, zijn vanzeer veel kragt, om zo wel de aarsmaden als de lange Wormen te verdrijven. Alle zodaanige mineraale Wateren die fterk met zwavel-
veldeelen belaaden zijn, worden zeer goed bevonden om de Wormen te dooden en uittedrijven. Veèle Geneeshee- ren geeven in deeze kwaal, ruime giften zwavel met een goeden uitflag; men kan dezelve met honingen theriaak tot een confier/ maaken, en de hoeveelheid daar van zo groot maaken , dat ze tot eene buikzuivering verftrek- ken. Dog de Wormen zullen , fchoon eens verdreeven, wel
ras weder groeijen en voortteelen, zo-de maag zwak blijft en flap. Om dit te verhoeden , raaden wij het ge- bruik der Kina; van dezelve tot poeder gemaakt, nee- me men drie of viermaal des daags een half dragma in een glas roode wijn, naar dat men eerst de hier voor op- gegeevene middelen gebruikt heeft. Kalk-water is me- deeen zeer goed middel in deeze kwaal, als mede het neemen van een lepel volfiaat-wijn, twee of driemaal des daags. Zo ook aftrekzeis van bittere kruiden , ge- lijk van zilver-kruid, van water klaver, kamille-bloemen, ulsfem-knoppen, de kleine centauria, enz. De hier opgegeevene middelen, zijn gefchikt voor
Volwasfenen ; dog voor kinderen moeten de genees- middelen aangenaamer, en de giften kleiner zijn. Aan een kind van vier of vijf jaaren, geeve men des
morgens tien greinen, rhabarber, vijf greinen jalappe, en twee greinen calmus in een lepel vol ßjroop of'honing. Het kind moet den geheelen dag in huis blijven, warm gehouden wo'den, en niets kouds gebruiken, Dit mid- del herhaale men eenweek of vier geduurende, ieder week tweemaal. Op de tusfchenpoozende dagen , laate men het kind een fcrupel tin tot poeder gemaakt en tien greinen cethiops mineralis, tweemaal des daags in een lepel vol theriaak gebruiken. Deeze gift moet overeenkomitig de jaaren des Lijders , vermeerdert of vermindert wor- den. Zeeker Geneesheer geeft het groote bastaard-zwarte
Nieskruid of Beere-klaauw, als een zeer kraetig middel tegen de lange ronde Wormen op. Hii fchrijft het afkook- sel van een drachma van deszelfs groene bloesferri, of van vijftien greinen gedroogde knoppen voor, tot een gifte voor een kind vantusfchen de vieren zeven jaaren °ud, en dit middel moet twee of driemaal herhaald wor- |
||||||
|
WOR. 4237
den. Hij'voegt er bij, geduurende meer dan drie jaa-
ren, bijna geen ander middel voor de ronde Wormen voor. gefchreeven te hebben, dan het Jap van groene knoppen deezes kruids, met broodzuiker tot een fijroop gemaakt; eer hij dit/ap uitperfte, be vogtigde hij de gekneusde knop- pen met azijn, waar door het middel nog verbeterd word ; de gifte is des avonds eer men flapen gaat een theelepel- tje vol, en den volgenden morgen, eens of tweemaal zo veel. De fterke zwelling des buiks, welke men in kinderen
gemeenlijk voor een teken van Wormen houd, hebbe ik meermaalen geheel zien verdwijnen, wanneer men hen witte zeep onder hun pap of gewoon voedzel ingaf, Zil- verkruid, wijnruit, en knoflook, zijn alle goede midde- len tegens de worm ziekte ; ook is het buikzuiverend worm-poeder van Bali, een zeer kragtig middel : Het word bereid uit gelijke hoeveelheid van rhabarber ,fcam- monium en calmus, en tweemaal zoveel ais dit alles te zamen van de zuiverfte brood zuiker; dit moet men ter degen onder een vermengen en tot een fijn poeder maa- ken, de gifte is voor een kind van tien of twintig grei« nen, eens of tweemaal ter week , een voiwasfene neeme er een dragma teffens van. Wij zouden hier nog veele andere Planten en Kruiden kunnen optellen, die zo wel als de voorgenoemde, op verfcheidenerlei wiizen, in zo wel als uitwendig, tegen de Wormen kunnen gebruikt worden; dog wij denken dat op het poeier van Ball* dat van JEthiops mineralis, rhabarber en calmus meer itaat te maaken is. De Kinderen dikwils niet willende inneemen, zo is
men genoodzaakt zich van uitwendige middelen te be- dienen; hier toe kan men van het volgend middel, welks bereiding binnen het bereik van een ieder is, gebruik maaken: Men neeme osfe gal en thraan van elks even- veel, men doe er een weinig tabak bij, en kooke zulks tezamen wel door een, laate het vervolgens door een zeefloopen, en kooken het wederom tot dikte van fij- roop : Hier mede bermeere' men den Buik rondom den Navel, zulks ter deeg in wrijvende. Dit middel is door- gaans van zeer goede uitwerking, doende de Wormen lorfen, en den buik flinken. Dog zo de Kinderen er wat fterk door purgeeren , moet men een dag tusfehen bei- de overflaan ; anderzins is best dit alle morgens en avon« den te doen. Ouders die hunne Kinderen voor Wormen zoeken te
behoeden, dienen dezelve rijkelijk beweeging inde opea lucht te laaten neemen, zorge te draagen, dat zij geen ander dan gezond en fteevig voedzel gebruiken , en hen zo veel moogliik het eeten van raauwe kruiden en wor- tels, of (legte en onrijpe vrugten te beletten. Ook is het niet kwaad een Kind dat met Wormen gekweld is , na den eeten een glas roode wijn te geeven, wijl al 't geen de Maag verfterkt, goed is tot verhoeding zo wel als tot verdrijving van dit ongedierte. Het is hier ook de plaats om een ieder te waarfebou«
wen, van het gevaar dat zij loopen, àoor koekjes, poei ders enz. voor de Wormen, van Kwakzalvers tekoopen, en hunne Kinderen roekelooslijk van dezelve te laaten gebruiken. Het voornaamfte inmengzel van alle deeze middelen is de Kwik. met welke nimmer moet gefpeeld worden. . On'angs (zeg'; zeker Geneesheer) zag ik een treffend voorbeeld van het gevaarliike deezer handelwij- ze. Een Meisje dieeene gifte Worm poeder, het gem vaneenen reizenden Kwakzalver gekogt was, ingenoc» mea had, liep uit, en was misfehien zo onvoorzigtig, O 00 2 van |
||||||
|
WOU. WRA. WXTL;
WOUD-BLOEM, zié ARNICA. ,
WOUD-DISTEL, zie HULST.
WOUD-EZRL, zie EZEL.
WOUD-GRAS, zie GRAS.
WOUD LELIËN, zie LELIËN.
WOUD-RANUNKEL, zie ANEMONE- (BOSCH-}
WOUD.VINK, zieBERG-VINK.
WOUW , zie KÜIKENDIEF.
WRAAK, in het latijn Vindicatio, is eene ftraf die
men zijn vijand doet ondergaan, het zij dat er reden voor is, ofwel uit gevoeligheid over eene belediging die men er van ontvangen heeft. De wraak-oeffening is natuurlijk; het is geoorloft een
wezentlijke hoon te wreeken, zich door dat middel voor befchimpihgen te bevrijden, en de beledigingen tot wel- ker betering de wetten niet hebben gezorgt, te keer te gaan ; dus is de Wraak een zoort van regtsoeffening. Maar ik hoor de ftem der Wijze welke mij toeroept, dat bet edel, dat het verbeven is, ontvangene beledigingen ongewrooken te laaten , dat men toegeeventheid ver. fcbuldigt is voor de zodaanigen, die in alle opzigten niet voldaan hebben, aan 't geen ze ons verfcbuldigtwaaren, en verachting voor die welke ons wezentlijk beledigt hebben.' Een edelmoedig Mensch en bovenal een goed Christen, veroordeelt al'tgeen enkel uit wraak ge fchleè, en de zodaanige welke uit een laage en lafhertige ziel voortfpruit , veraffebuuwt hij, en vergelijkt die bij pij. len welke op eene fchandelijke wijze in den duister ge. worpen worden. WRATTEN, in het latijn Verruca, zijn kleine, haf-
de, hoornagtige Uitwasfen, zettende zich het meest op de handen. Men ziet die van verfcheidene grootte en ge- daante , en zij verkrijgen in gevolge daar van, pok verfchei- dene naamen ; zoromigen zijn geheel vlak en van boven glad.anderen zijn geheel ongelijk en hoek ig, nog anderen zijn zeer gevoelig en bijna als hangende; van welke de eerden Mijrmeci, en delaatften Ancrochordonesgenoemt worden. De oorzaak der 'Wratten is in de eerfte plaats een febeu- ring en in ftukken wrijving der zenuwagtige vezelen der huid, waarop alsdan bet overvloedige voedend fap daar uit dringt, en zulke heuveltjes opwerpt. De aller. ergfte Wratten zijn die geene, welke zich na eene fter« ke oeffening van het venus-fpel, of in de vuile-ziekte, aan de fchaamdeelen of op de tpng zetten» Zij verdwij- nen zomtijds van zelf; en dikwils moeten ze ook door geneesmiddelen weggenoomen worden , en daar toe worden de brandmiddelen (caußica) aangepreefen. WRATTEN-KRUID , zie WOLFSMELK, b. ».
pag.i 4.206- WRATTIGE HOORNVISCH, zie HOORNVlS-
SCHEN,n. IV. pag. 1133. WRATTIGE KREKEL, zieKREKELEN,«.XlV.
pag. 1630. WRIJVING, zie CONFRICATIO.
WULP, zie SNEPPEN.
WULPSCHHEID , in het latijn Voluptas. Ce-
meenlijk verftaat men Üoor Wulpschheid, alle zodaanige vermaaken, welke niet door de reden beftierd worden; en in die fin is alle zoort van Wulpschheid ongeoorloofd; het vermaak kan befchouwt worden ten aanzien van ae Mensch die er het gevoel van ondervind, ten aanzien van de Zaamenleeving, en ten aanzien van God. Indien het ftrijd met 't ivelweezen van den Mensch die dusdaang vermaak ontwaar word, aan die der zamenleeving, _ot wel met de plichten, die wij aan God verfchuldigt zijn, |
||||||
|
4î38 WOR. WOÜ.
van geduurende de werking van het poeder, koud water
te drinken; oogenblikkelijk zwoizij geweldig, en ftorf nog den zelfden dag, met alle tekenen van vergeeven te zijn. WORM HAAGDIS, zie HAAGDISSEN, n.XLIII. WORM-KRUID, zie REIN VAAR p. 196$. -
WORM-MIDDELEN, zie WORMEN.
WORM SLANG, of Slang met 230 Schuhben aan den
Buik, y aan de Staart, in 't geheel 237.; Serpens lumbri- calis; Amphisbana [ubargentea &c. Brown, am. 460. ; Serpens ccilia ex mauritania. Seba Muf. I.p. 137. ; (An- guis lumbricalis Linn. Sijfi.Nat.) De befchrijving van deeze Slang heeft Linn^us over-
genoomen uit Gronovius, die zulk eenen had, van om- trent tien en een half duim lang, zeven liniën dik, en bij den Aars het dikfte. met een gefpleeten Tong. De zilveragtige Biceps van Jamaika, die bij de Staart het dik- fte was, en over 't geheele Lijf met egaale Schubben ge- dekt, word, met reden, hier mede vergeleeken j als ook die Slang uit Moorenland\ daar Seba den naam aan geeft van Btindflang, en die hij oordeelt, dat, van we- gen dekoleur, wel Scincus-Slang genoemd mögt worden. Men ziet er, naamelijk, in 't geheel geen Oogen aan, (zegt hij), en 't Staart einde, dat kort en dik is , kan »aauwlijks van den Kop onderfcbeiden worden. Grono- vius, echter, heefter, op de gewoone plaats, Oogen in gevonden, dog zodanig gedekt met dikke Schubben, dat zij naauwlijks zigtbaar zijn. De koleur is, uit den witten, geelagtig. Deeze Heer merkt thans aan. Zoophijl. Gron. Fase. I. Leid. 1763. p. 18. dat in het Voorwerp, 't welk hij heeft, de Kop veel dikker is, dan die van Browne word vertoond. WORMSWIJZE-BEWEEGING , zie INGE-
WANDS BEWEEGING. WORMSWIJZE BEWEEGING der DARMEN ,
zie MOTUS PER1STALTICUS. WORSTELING, zie AGON.
WORSTEN, zie SLAGTTIJD.
WORTELEN in het latijn Radices, dus worden die
gedeeltens der Kruiden, Planten en Boomen genoemd , welke in de aarde benedenwaarts febieten , daar uit Voedzel trekken, en zulks na bovenen toe aan het gehee- le Gewas mededeelen. De Wortels zuigen de vog- tigheden der aarde, die met lucht vermengd zijn, in;en kunnen als de. Maag en het Hart der Gewasfen aange- merkt worden. Ten aanzien van haare geitellen zijn zij zeer verfebeiden; zommige houtig, andere fappig. bolagtig, vezelig, febubbig, met een vlies omgeeven, enz. ■ Daar zijn Wortelen welke zich op de Schors, fen van andere Boomen zetten, zo als de Mosch en
Cuscuta; ook vind men er die boven op het water drij- ven. Derzetver eigenfehappen , fmaak en wer- king , koomt meestijds met die der Planten waar van zij een gedeelte uitmaaken , overeen. WORTELEN, zie PEEN. ,\ / .
WORTELFORMIG, zie RADICATIO.
WORTEI.MAAKEND, zieRADICANS.
WORTELSPRUIT, zie ASPARAGUS.
WORTELTJE, zieRADICULA.
WOU D, dusdaanig word een groot uirgeftrekt Bosch,
daar de Boomen , Heesters enz. in 'fcwild groeijen, ge- Boemd. WÜUD-AAPJE, zie REIGERS n. XV.pag 2963. WOUD-ÄNEMONE, zie ANEMONE. (BOSCH-).
|
||||||
|
f-"*""
|
|||||||
|
WUR. WIJD. WIJN.
zo is een zodanig vermaak ten uiterften misdaadig. In
de eerfte plaats moet men Hellen , die vergiftigende flftilpschheden, die den Mensch voor het vermaak van eenoogenblik, langduurige fmerten doet koopen. Het zelfde denkbeeld moet men aan zodaanige Wulpschhee- de« hechten, welke op ontrouwheid, en bet fchenden van dierbaare verbintenisfen gevestigt zijn, welke in de zaamenleeving verwarring van kroost en kinderen te we- ge brengen, en door minijver mistrouwen , jazeerdik- v/ils van bloedtoneelen, en het overtreeden van de a-I- lerheiligfte enoverbreeklijkfte wetten der natuur gevolgd vsrorden. Eindelijk moet men als verregaandemisdaadige vermaaken, alle de zodaanigenaanmerken, welke door God zijn verbooden, het zij door de wet der natuure dien hij de Menfchen heeft ingeplant, hetzij door een be- paalde wet; van zodaanigen aart is bet vermaak, 't welk den dienst die wij aan hem verfchuldigtzijn, verzwakt, vertraagt of uitroeit, met ons al te naauw aan de Schepze- len verbinden. WURMEN, zie WORMEN. WURTSING, zie KARPERS«. XVIII.pag. 1447. WIJDBEENIGE TOR , zie TORREN ». XVI. pg. 3675- WIJN, in het iatijn Vitium, is een vogt 't welk men
uit Druiven geperst hebbende, laat gisten om hetzelve tot drinken bekwaam te maaken. Voor dat dit uitgedruk- te fap gegest heeft, is het aangenaam en zoet van fmaak, en word doorgaans Mos genoemd. De Mos veroorzaakt geen dronkenfchap zoo als
de Wijn, in tegendeel verwekt zij zagte ftoelgang. - Het overtnaatig gebruik van de Wijn bluscht allengs- kens de natuurlijke warmte uit, in plaats dat derzel- ver maatig gebruik, ons vrolijk, onderneemend, en fterk maakt. De Wijn zo wel als de meeste andere door konst be»
reide vogten , is heilzaam of fchaadelijkna deomftandig- heden waar in men er gebruik van maakt, en de verfchei- dentheid der temperamenten. Zulks heeft aanleiding tot eenige Wetten gegeeven die er volftrektelijk het gebruik van verbieden; zoals die der Sueven, Seleucus, Ma- homet, enz. De Manichëers noemden den Wijn , des Duivels gal. Egnatius Metellus doodde zijn Vrouw omdat zij er van gedronken had. LrjcuKG-us wilde, dat men alte de Wijnfiokken zoude uitroeijen. Domitianus veibood het aankweeken derzelve, en deed alle die gee nen vernielen, welke zedert zijne komst tot de regeering geplant waaren. AscLEriADES, Galenus en een groot aantal andere
beroemde Geneesheeren, fchreeven den Wijn als heil- zaam in verfcheidene ziektens voor. Het is onbetwistbaar waar, dat de Wijn maatig ge-
bruikt , dikwils zeer fpoedig de kragten herfteld , en dat haare uitwerkzelen, zich door de vrolijkheid die zij in- boezemt, vertoont. Nogth'ans is dit anderzints zo heilzaame vogt zeerna-
deelig, voor galachtige Geftellen; de gal word door des- zelfs gebruik bovenmaaten verhit; daar fpruiten branden- de en meer andere koortzen uit voort; de Lever ont- vangt te grooten aandrang van hitte ; daar gaan te veel dampen nadehersfenen; de fintuigen verliezen van haare leevendigheid, en de reden word minder bekwaam om tot leidsman te verftrekken. Het fchijnt dat de Wijn inzonderheid niet gunftig is
voor Kinderen en Jongelingen. Plato ftond er het ge. bruikniet van toe, als na aguien jaaren bereikt te hebben. |
|||||||
|
WIJN. 4439
Op *t eiland Cos in Grieckenland, mögt men geen Wijn
drinken voor dat men getrouwt was. Aeistophanes
zegt, dat de Wijn de Melk van Venus is. Plato gaf aan een ieder die den ouderdom van veertig jaaren bereikt had, volkomen vrijheid om Wijn te drinken, op dat zegt bij men zich voor de ongemakken der oudheid koste bevrijden. De Oosterfche landen (zegt den Artz in een van zij«
ne geestige Vertoogen) is ongetwijffeld het Vaderland van den Wijn. Griekenland heeft reeds van de oudfte tijden af zijne eigene Wijnen, welke nog heden zeer beroemd zijn, maar-men kan bewijzen, dat de Wijnftok daarvan elders gebragc is, misfchien van de Egijptenaaren. De Grieken dreeven niet alleen fterken handel met dezelven, maar hebben ook verfcbeide konden en weetenfchappen van hen overgenoomen. Wel is waar, dat het vlak Egijp- ten juist geen gunftig land voor den Wijnftok was, maar het geen het zelve ontbrak , konden de nabuurige Afiati- fche Landen vervullen. Het land Kanaan bijzonderlijk lagtusfchen andere wijn-rijke ftreeken van Afië midden in, en w?s zelfs vol wijnbergen. De Asöjrifche Koning Rabsake noemt het (2 Kon. 18. vs. 32.) een land van wijn' gaarden, en van most, een land van olijven, enz.en Re- land erinnert, als eene zaak, die eik bekend is, dat de Wijn van Askalon, en van Gaza en Sarepta., onder de allerverfte volkeren beroemd zij geweest. Onder de ge- fchenken, welke Jacob zijnen zoon Joseph naar Egijp- tenzond, was een zoort van Honing, welk de beroemde Hoogleeraar Michaelis te Göttingen zeer ge/eerdelijk beweezen heeft, dat eigenlijk verdikt Druiven fap, ea Wijn-fijroop, van gelijken aart omtrent, als wij van de Vlierbefiën kooken , geweest is; dewijl er geen reden was, om Honing van Bijen te zenden naar een land, dat daar zelve overvloed van had, maar wel dit zoort van Wijn-ßjroop, welke de Arabieren, wegens haar zoetig- heid, ook Honing noemden. Denkelijk zal het, gelijk ik zeide, een zoort van Druiven fijroop ofgeleij, zo als men't onder ons noemt, geweest zijn, hoedanig.e men ook uit Vijgen plagt te maaken. Hierom word ook, 1. Sam. xxv. 18. en xxx. 12, bij de hoeveelheid van Vij- gen te gelijk die der Rozijnen gefteldj zoveel ftukken Rozijnen, en zo veel klompen Vijgen. De Stad He- bron alleen zond, volgens het getuigenis van den Heer Shaw, alle jaaren driehonderd Kameelen, met deezc druiven-fijroop, naar Egijpten, en hier uit kan men tevens opmaaken , hoe rijk het bloeijend Kanaan in Wijngaarden ware. en boe veel fmaak de Egijptenaaren in dit zoort van Honing gevonden hebben, welk beide de keus van Vader Jacob des re waarfchijnlijker maakt, om dit aan zijn zoon Joseph te zenden. Maar daar zijn nog andere bij zonderheeden , welke het waarfchijnlijk maaken, dat de Wijnflok oorfpronkeüjk in de Oosterfche landen te huis hoort. Elk weet , dat de twee verfpieders een tros Druiven
medebrag'.en, die zij me', bun beiden droegen. Niet, dat ik daaruit wil aandringen, als of die tros te zwaar voor een man zou geweest zijn ; zulk een tros is er moog« lijk nooit ineenig gedeelte van de wereld gegroeid; maar zij hebben dezelve waarfchijnlijk op een ftok gehangen en tusfchenhen beide gedraagen , om het kneuzen voor te koomen; ondertusfchen moet die tros ook 2eer groot geweest zijn, dewijl zij die als een blijk van de ongemee- ne vrugtbaarheid des beloofden land medebragten. Daar zijn Reizigers geweest , welke er druiven-trosfen van tien tot twaalf ponden zwaar gezien hebben. De Drui- O003 v«o |
|||||||
|
WIJN.
gereeder aangenoomen en gevolgd mögt worden, zo wil-
denzij.den Godsdienst daar mede in betrekken, enover- rededen het volk. dat dezelve het bloed van lypHowa» re, en daar aan toegewijd moest worden. Toen befchou. de menden Wijn als een vijand der vreugde zo wel als der wijsheid, toen dorst geen mensch denzelven meet drinken. Maar gelijk de Regenten tevens hadden opge. merkt, dat hun Land een verbaazende overvloed van garst voortbragt, zo vonden zij goed om het gebrek van den Wijn te vervullen, dooreen zoort van bier, of ge. lijk HERODOTUshet noemt, een zoort van Wijn uit garst bereid, iiene wij^e en voortreffelijke flaatkunde inder- daad ! Als de Noordelijke Volkeren van ons Europa, wel- kegeen Wijnteelt hebben, dit heilzaam voorbeeld ge. volgd, en zich enkel van bier bediend hadden, zijzou. den er gewisfelijk niet minder gezond door geweestzijn, niet minder gelukkig om geleefd, en eene on.tzacbgelijke menigte gelds in 't land gehouden hebben. Het is onge- looflijk boe veel fchats Engeland en de Nederlanden aap Wijn verfpillen, en hoe verbaazende voordeden zij aan de Franfchen brengen. Door wetten en ftraffen fchijnthier tegen niets te zijn uit te regten; de Godsdienst moet mede te hulp koomen, en die fchikt er zich bij ons minder naar, dan onderde bijgeloovige Egijptenaa. ren. x , Laaten wij onzen patriottifchen ijver echter maati-
gen, en in geene onbepaalde veroordceling van den Wijn vervallen. Men vind de blijken van dergelijken onbillij. ken haat tegen dit edel gefchenk eener gunftige Voorzie- nigheid, reeds in de Boeken van Moses; een haat, dis enkel op flaatkunde, bedrog, bijgeloof, of huichelarij ge« vestigd was. Zij, die zich tegen den Wijn verklaarden, gebruikten echter het uitgeperfte Druivenfap. Augus- tinus veroordeelde dit reeds in de Manicheërs als eens belagcheliike dwaasheid; en die zelfde bijzonderheid kan ons licht geeven, om eene pasfagie der H. Schriftuur des te beter te verftaan. Pharao mögt geen Wijn drinken, maar hij liet zich de Druiven in zijnen beker uitdrukken, én dronk het fap. De overfle ichenker zich in zijnen droom zijn vorige bezigheid en beroep erinnerende, zegt tot Joseph (Gen. XL. 10, n.) Pharaos beker was in mij- tte hand, en ik nam die druiven, en drukte ze uit in Pha- raos beker, en ik gaf den beker op Pharaos hand. Dus dronk men alleenlijk uitgeperst Druivenfap, terwijl men geen- Wijn mögt drinken. En dit zelfde kan ons ook doen begrijpen, hoe Mahomet den Wijn verbieden, ja voor eene uitvindings des Satans uitkrijten , en echter den Wijnflok voor een gefchenk van Gods goedheid houden konde. Gelijk nu de onthouding des Wijns nuttig was voordo
Egüptenaa{eïh, en de Regenten wijsfelijk handelden niet denzelven ie verbieden , zo handelde de Wetgeeverder Israeliten niet minder wijsfelijk met een vlak tegenftrij' I digen weg in te flaan, en denzelven onder de jooden in gebruik te brengen. Hij wilde denzelven het wederkee- I ren naar Egijpten zo inoeijelijk maaken . als hii konde; j hij moest derhalven alle moogelijke ftrijdigheid rusfchen dezeden en gewoontens der beide volkeren invoeren, en ilond den Wijn niet flegts toe om in het gewönne le- ven te drinken, maar, daar onder de Egijptenaaren, j voorden tijd van Psammeticus, geen Wijn in de Gods- j dienfiige offerhanden gebruikt wierd, beval MosEsook het gebruik des Wijns 'm de fpijs- en brand-offerhanJen, op dat niemand niet alleen denzelven niets voor onretfi j houden, of onder fchijnvan Godsdienfligenafkeericbun- wen |
|
||||||
|
4^4* WIJN.
ven van Damasko, welke gedroogd als Rozijnen tot ons
gebragt worden, bevestigen bet voortreffelijk zoon der IVijnJlokken in die ftreeken, en niemand, die eenige kundigheid van de gefchiedenisfen heeft, zal hier aan twijffelen. Als men nu onderflelt, dat de Wijnflok uit Asfiiriën is
voortgekoomen, zo kan men ligt begrijpen, hoe zich de- zelve naden zondvloed in kiein Afië, en naderband in Griekenland, hebbe voortgeplant. Bochart bewijst, dat Cadmus den Godsdienst van Bacchus naar Grieken- land bragt, en brengt plaatzen uit oude Schrijvers bij, weke zeggen, dat de Tijriërs beweerden den Wijnflok aan de Grieken gegeeven te hebben. Als wij nu met dezen geleerden man, en zo veele anderen , denSATUR- Nus der Ouden voor Noach houden, en met Plutar- chus de uitvinding van den Wijn äan Saturnus toeëi- genen, zo word het verhaal van Moses hierdoor opee- ne aangenaame wijze opgehelderd en bevestigd , en fchij- nen de ongewijde zo wel als gewijde Schrijvers onsdaar toe te leiden, om den oorfprongdes /^//'«j bepaaldelijk in Palestina te zoeken, van waar dezelve naar Grieken- land is overgegaan. In Griekenland vond de Wijnflok een gunftige grond
en lucbtsgefteldheid. De Wijnbergen bij Scutari, van waar, volgens de onderregting van de la Mare, reeds van overlang eene groote menigte Wijns naar Conftanti- nopel wierd gevoerd, kunnen hiervan tenbewiize(trek- ken. Even eens is het met Liidiën, Parnphiliën en vee. Ie andere ftreeken in Afië, De bleekgeelefchooneJFyrc van het eiland Lesbos maakt deszelfs vaderland onder de benaaming van Metelino, nog'beroemd. De eilan- den Chios, Samos, Cos, Rhodus en Cijprus, hebben ook hunne Wijnbergen in denzelfden overvloed en goe- den roem als voorheen, en Rome prees de Griekfchen, en bijzonderlijk de Chiofchen wijn, met dezelfde erken- tenis en vreugd als wij, wanneer her ons, op't einde van de maaltijd, mag gebeuren, daar een glaasje van te proeven. RoLLtszegt, dat diezelfde gewoonte te Ro- men plaats had, en ten tijde van Lucullus nog duur- de. Uit Griekenland kwam de Wijnflok in Italië ; maar eerst
een langen tijd daarna in Vrankrijk. Macrobius bericht, dat de Galliërs zich eerst op het teelen van den Wijnflok -hebben toegelegd, als Rome reeds in zijne volle groot- heid bloeide; volgens andere berichten, moet dit nog laa- ter zün geweest. De Abt de Pluche , de Heer de la Mare , en zelfs
eenige Kerkvaders gelooven, dat de Wijnflok wei'reeds voor den zondvloed bekend geweest zij, maar dat Noach ■na denzelven dien op nieuws geplant, en bet Druiven- fap uitgedrukt heeft. Jablonskï- is van gedaeten, dat de droevige gedagtenis van Noachs dronkenfchap den Egijptenaaren een haar légenden Wijn gegeeven hebbe, maar de Heer Michaelis heeft er eene andere, enze- .....kerlijk waarfchijnlijker oorzaak_van aangetoond, name- lijk de flaatkunde en zuinigheid. Gelijk de Egijptenaars namelijk hun land en volk met groote wiisheid regeerden, en den Godsdienst zo wel als de burgerlijke wetten tqt deszelfs welvaart inricrr eden, zo konden zij niet nalaaten op te merken, dat zij zelve op verre na geen Wijn ge« noeg in hun land hadden, als dezelve in een algemeen - gebruik kwam, en dat zij derhalven verplicht zouden zijn dien van andere volkeren te koopen; om het welk te 'ontgaan, zij dan beflooten den Wijn lievergeheelliik te ■verbieden. Maar opdat dezeftrenge Ordonnantie des ie |
||||||
|
WIJST. WIJN.
|
|||||||
|
uren zoude, maar ook opdat de Godsdienftige gebruiken
jerjooden, ten eenemaal ftrijdig met die der Egijptenaa- ien wezen mogten. Hij fpreekt ook van den Wijn, als een groot voorregtvan het beloofde land, alleszins zeer gunftig. De Wijnflok groeide namelijk, gelijk ik (Iraks heb «angemerkt, in Judea overvloedig, het was een piWttfif des lands, daar elk deel aan konde hebben , en dit was eene andere reden , waarom Moses in dit ftuk geheel verfchillende van de Egijptenaaren hande- le! moest. Te Rome heeft den Wijn ook verfchillende lotgeval-
len gehad. Dan eens verboden , dan weder begunftigd. Keizer Domitianus , vreezende dat de al te groote me- nigte van Wijngaarden den koornbouw benadeelen zou« den, verbood eenige nieuwe in Italië aan telegnen , en gebood zelfs verfcbeide oude in de Frovintiën uitteroei- jen. Hij verzagtte naderhand dit bevel, gelijk Sueto. Kius bericht, en tweehonderd jaaren daarna heeft Probus hetzelve geheellijk opgeheeven. Met het zelfde oog. merk, als Domitianus in Italië, verbood Cauel IX in Vrankrijk nieuwe Wijngaarden am te leggen, en het bevel van den thans regeerenden Koning is zo geftreng , als er ooit te vooren een geweest is. Men ziet uit dit kort verflag, dat de Wijn, in alle
tijden, en bij alle volkeren, als een dierbaar gefchenk des Hemels is befchouwd, en dat de afkeer, die men daar voor toonde, alleen uit huichelarij, bijgeloof, offtaat- kundige inzigten fproot. Mogelijk zullen die geenen onder mijne leezers, die den Wijn beminnen, hier uit gunftiger gevolgen afleiden, dan ik gezind ben hen toe teftaan. Men beeft, ik erken het ten vollen, in het verbieden van den Wijn, nooit op redenen van gezond- heid ■ maar enkel op huishoudelijke aanmerkingen ge- bouwd; niaar men heeft daar kwalijk aan gedaan ; dit had het eerde moeten wezen, dat in aanmerking kwam, maar dit heeft men voor de Geneesheeren van laatere tijden overgelaaten, en 't is mijn zaak derhalven hier van te fpreekea. De Wijn doet gewisfelijk te veel kwaad in de waereld, dan dat wij denzelven niet eens mede onder de cenfuur zouden brengen. De gunßige Natuur verbied den Dieren Wijn.
De Mensch alleen drinkt dien, om niet meer Mensch te zijn. Van Haller.
Dewijl de Wijn een wezentlijke artzenij is, zo kan
het onmaatig gebruik daar van niet anders dan nadelig zijn. Alle .Geneesmiddelen in eene te groote hoeveel, heid , of tenontijde, genoomen, worden vergif * en gee. ne artzenij kan gefchikt zijn tot eene dagelijkfcbe fpijs of drank voor gezonde Menfchen In deze eenvoudige en onwederfpreekelijke itelregel ligt het geheele geheim wegens de nuttigheid of fchadelijkheid vanden Wijnbe- flooten. De Wijn , zeg ik, is een wezenlijke artzenij. Para-
selsus noemde denzelven het bloed der aarde, en het lap van de voornaamfte onder de Planten. Deezen naam verdient hii, dewijl hij de ftof des dierlijken levens, en, om zo te fpreeken, onzerged,<gten, de levensgeesten, In zich bevat, waardoor on?.e geitellen verkwikt, onze vogten verwarmd, onze kragten opgewekt, enonzelig- naam als verjeugdigd worden. De Wijn heeft. en ver- diend in dit opzigt, de lof aller tijden, aller Geneeshee *$i. Paulus prees denzelven reeds Timoth'Us aan; *Mar met die voorzigtigbeid, als het Paulus betaamde; |
|||||||
|
drink niet te veel water, zegt hij, maar gebruik een wei-
nig Wijn, niet, vervult het gebruik van water door Wijn, of, drink daar van zo veel als gij lust, maar, gebruik denzelven als een geneesmiddel voor uwe zwakke maag. Dus getuigt Plinius dat de oude Romeinen hem ook eerst plagten te gebruiken, maar de Geneesheeren gin- gen allengskens verder, de Wijzen volgden, en de Ge- meente tuimelde mede. Avicknna , Dioscouides, Seneca, en onder de laatere, behalven verfcheidenan. deren, FredfiIkHofmann, hielden het zelf»- voor ge- zond nu en dan eens eene veiheuging te drinken , dat is te zeggen, eene heiizaame en kragtige artzenij onmaatig te gebruiken. Ik laat dit echter nog doorfchieten ; de omftandigbeden en gelteilen kunnen zeer bijzonder zijn. Maar niemand keurt ten minden het menigvuldig dage- lijksch gebruik van Wijn voorgoed; en Kruoek oor- deelt zelfs de ftraks gemelde kleine onmaatigheid, nu en dan gepleegd, nog minder fchadelijk, dan den Wijn da- gelijksch te drinken. Men moet denzelven niet als een drank , a!s een gemeenen drank befchouwen of gebruiken. De Wijn heeft geene overeenkomst met onze vogten, en fchikt zich niet naardezelve. Hij veroorzaakt den gee- nen , die daar aan niet gewoon zijn, terftond, en allen zelfs, die, fchoon daar aan gewend, de.nzelven in eene zekere hoeveelheid drinken, eene merkelijke hitte , le- vendige verbeelding, en onnatuurlijke beweegingen. De Geneesheeren prijzen hem den oude lieden ter verwer- king aan , omdat hij de drijfveeren der kragten Merker fpant; en den bedrukten, omdat hij vervrolijkt, gelijk als de Opium en alle verdoovende vergiften. De Dichters roemen hem ais den oorfprong van poëtifche verrukkin- gen. Horatius heeft reeds veel tot zijn lof gefprooken , en veelen, die zich na hem bemoeid hebben om verzen temaaken, zijn hem hierin nagevolgd. Zij moeten ver- rukt zijn, en dit werken zij door den Wijn ah, maar zomraige vergiften doen dit ook. De Daphne-boom der Ouden , welke naar alle waarfchijnlijkheid de heden- daagfche Lauwrier (Laureo Cerafus) was, veroorzaakt zomtijds den dood, maar doorgaans alleen vervoeringen. Deeze Boom was aan Apollo toegewijd, en Pijthia moest daar van eeten, eer zij haare orakels uitfprak. De leevendigheid, de verrukkingen , welke daar op volgden, gaven eene fraaije vertooning aan haare Godsfpraaken, overreeden de toefchouwers , dat zij vanden God zei» ven aangeblaazen ware. Pijthia was waarfchijnlijk van het gevaar van dit vergif onderregt, of misfehien had zij het-reeds ondervonden, dewijl zijganschniet gaarne zag, dat de nieuwsgierigen zich tot het orakel bega- ven, en zich zomtijds verftak , om niet verplicht te zijn haare Godfpraaken tegeeven. Dog laat ons verder hoo- ren, wat tot lof van den Wijn te zeggen is. Hoffmann noemt denzelven een algemeen Genees-
middel. Hij prees hem tegen een zwakke Maag, tegen eene verharde en verflopte Milten Lever, tegen win- den en opfpanningen , tegen opgeftopte bloedvloeijin- gen , tegen graveel enfieen , tegen zinkingen , zwaar- te en mattigheid der ledemaaten, fcorbutike jigt-pijnen , zwakke zinnen en geheugen , onvrugtbaarheid , door- gaande zwakte en verflijming , en tegen alle gebreken des Ouderdoms, Pringlr fchrijft het ten deeleaan het verbod van den Wijn toe, dat de pest, pokjes en heete koortfen jaarlijks zo groote verwoestingen aanrechten , en in GuiENNA wil men opgemerkt hebben, dat zodanige ziel. tens meest in-die ia'aren grasfeeren , welke geene gunftige wijnjaaren zijn. In het Oekonomisch, of Huis- hou-
|
|||||||
|
WIJN.
'Van de voornäamße Franfche-Wijnen , ah mede over
dm aart en eigenfchappen der Rijnfche-, Moe»
zei en andere Duitfche-Wijnen.
Frankrijk heeft een overvloed van Wijnen, en geen
Provintie heeft er gebrek aan. Men fcbatde waarde van dien Wijn, welke jaarlijks uit het land gevoerd word, op vijftien millioenen livres, waar vaneen aanzienlijk gedeelte naar Duitschland en het Noordengezonden word. De gemeene Franjche Wijnen zijn bij ons algemeener, dan de Duitfche, zelfs betwisten de fijne zoorten op de tafels der Grooten den voorrang aan onze oude levens, geesten, die wij van den Rhijn ontvangen. Onder deze fijne zoorten van Franfche-Wijnen, verdienen die, wel- ke wij uit Champagne en Bourgogne krijgen, onze bij. zondere opmerking. De waare Champagne-Wijn groeit in een omtrek van on«
gevaar vijftien franfche mijlen, bijzonderlijk otnRheims én Chaîons aan de Marne. Men houd de Wijnen van Aij en uit het Marquifaat van Siilerij voorde beste, en noemt daarom dikwils den Champagne-Wijn in 't alge- meen Vin d' Ai of Siilerij Wijn. DeezeWijnen zijn alle zéér fubtiel en vlug , en kun-
nen wegens het geweld hunner dampen nietanders, dan in fiesfchen van het allerfterkfte glas, vervoerd worden. Hun fijne Spiritus is met eené merkelijke zuurheid ver. bonden , en hierom kunnen die geenen ze niet goed ver. draagen , welker Maag met zuur vervuld is. Men kan ze na zuure fpijzen niet aanprijzen, wijlze veekijdsde foode veroorzaaken en de maag bederven. Daarente- gen zijn ze een nectar voor de zenuwen, en veroorzaa- ken haar eene leevendigheid. Want men moet hst in- derdaad met die houden, welke den Geest van den Champagne-Wijn voor een zoort van levensgeest hou- den ; en wie weet, of de Champagne druiven niet zelfs denken? Kruger noemde om dies willen den goeden Champagne Wijn het regte voedzel der ziele , waar van het maatige gebruik veroorzaakte, dat zij zich zei ve over- trof , en hield het niet voorongerijmd, tegelooven, dat hij iets in zich bevatte, welk het zenuwfap gelijk was, en het zelve hielp vermeerderen. Hij meende in goeden ernst, dat deeze Wijn ons geestig denken leerde. Doch, hij zeide te gelijk, dat dezelve alleen die Lieden verfta' dig maakte, welke het reeds van te voren waren, endat een Gek , die dezelve drinkt, daar door maar tot een Gek van een hooger zoort bevorderd wierd. Ditisge> wis, dat de fnelle werking op het gemoed en de vlugge vrolijkheid, waarmede hetzelve zich verheft en overal- les heen denkt, zo dra het de kragten van dezen fijnen geest ondervind, aan dezen Wijn meer dan aan alle an« dere verdient bewonderd te worden. Men kan vermoe- den, dat dit aan de doordringende kragt der fijnfte vlug» ge dampen des Champagne Wijns toetefchrijven zij. Doch hoedeezédampen,gedagten, geestigheid, vrolijkheiden ligtzinnigheid maaken kunnen, gaat boven ons begrip- Het beste hier van is, dat wij het niet behoeven te veiftaan, en dat men alleen noodig heefc den Cham- pagne-Wijn te kunnen drinken , om er alles van te hoopen. . De phijficaale werking van dezen Wijn, is duidelijker.
Om dat hij de fijnfte kanaalen onzes lighaams fnél door- dringt, fterkt hij niet alleen, doorzijn vuur de fpieren, maar opent zich den weg ook door alle kanaalen, e]> vliegt in een onzigtbaaren damp weder weg, nadat bij onze kragt met zijn geest verfterkt heeft. Deeze Cne'le uitwaasfeming maakt, dat hij nog eene zo bezwaariijke |
||||||
|
4*42 WIJN.
houdelijk Journal worden de Duitfchers, wegens gebrei
aan Wijn, als zwaarmoedige lieden.afgebeeld , en de Schrijver voegt er bij, dat hij in ééne kleine Stad tot twintig Perfoonen gekend heeft, die zich binnen het ver- loop van een jaar hebben omgebragt, en de oorzaak hier van leid hij af uit die treurigheid en melancholij, welke de Noordfcbe volkeren eigen fchijnt te wezen. Dus is dan de Wijn goed tegen de pest, pokjes , melancho- lij, zelfsmoord , en voor Duitfchers. Van alle die lof. fpraaken zijn de meesten gegrond. De Wijn is eene vraare, edele, en kragtigeartzenij. Maar niemand beeft den lof des Wijns beter uitgedrukt» en deszelfs werking netter aangeweezen, danFernalies. ,, De Wijn, zegt hij, doet in het menfchelijke lighaam even hetzelfde als de mest aan de boomen ; hij drijft de vrugten, maar verzwakt den boom". Een verftandig Tuinman mest rn'et meer, dan naar behoefte der boomen; hij zet de- zelve niet in enkel mest, nog wil( dat zij daar alleen hun voedzel uit haaien , maar bij ferengt er nu en dan wat mest bij, als 't noodig is. Zo is het eveneens met den Wijn gelegen. Die verfterkt, vervrolijkt, verle- vendigt, als wij hem nu en dan op zijn tijd gebruiken, maar die verfterking zélve is gevaarlijk, en word van verzwakking gevolgd, zo het middel te veel ofte dik- wils gebezigd word, en gelijk de boomen door te veel' mesten eerlang fterven, zo word deheilzaamfte artzenij ook hoogst verderfelijk , als men er een geduurigen toe- vlugt toe wil neemen. Daar zijn veelen onder ons, die bijnaar geen anderen
draak, inzonderheid over tafel, drinken, dan Wijn. Dit zijn menfchen, waarvan men zeggen kan, dat zij altoos Biedicineeren , en zich met vergiften voeden willen , want het is altoos een zoort van vergiftiging, van eene flerke artzenij te Ieeven. De Wijn is, uic eigener aart, veel te verfchillend van een gefchikt voedzel, dan dat uien denzelven daar toe gebruiken kan. Hoe fterkereen geneesmiddel is, hoe fchadelijker het voor een gezonden word, en inzonderheid, als men erzwaarerfo/wvan ge- bruikt. Daarom zijn de heetfle Wijnen," fchoon anders volmaakt zuiver.de fchadelijkfte, naardien zij krachtiger werken. Als bedrieglijke Wijnhandelaars de Wijnenvef' valfchèn, zo vermengen zij met derzelvnr natuurlijke nog andere medicinaale kragten, welke daar niet mede over- eenkomen , en dit vermeerdert derzelvergevaar groote- lijks. Ook kan men zeggen , dat zelfs een goede Wijn niet voor ieder dienftig is. Dezelve is natuurlijker wij. ze meer of min verkiezelijk, naar den oord daan hij ge- wasfen is, naar de manier, die men houd in de Wijnßok- ten te kweeken, en den Wijn te behandelen. Maar met dit alles kan een mensch eene zekere lighaamsgefteldheid hebben, welke hem dit of dat foort van Wijn fchoon an- ders alle goede vereischtens hebbende, nadeelig maakt, ïkzalzodaadeüjkdeverfchillende Wijmn,, die in Europa vallen, met opzigt op de verfchillende gefteldheden , eens één voor één onderzoeken. Voor tegenwoordig moet ik mijnen Lezeren aMeenlijk nogmaals erinneren, dat alle Wijn alleenlijk als artzenij gebruikt moet worden. Ten die einde moet elk zich tot zulk een zoort van Wijn be. paaien,welke een kundig Geneesheer hem onderrecht, dat voor zijn bijzonder geftel dienftig is. Hij moet den- zelven niet geduurig, maar enkel op dien tijd en in die hoeveelheid drinken , als noodig ie. Dezel- ve moet best in zijn zoort., zuiver en onvervalscht eijn. |
||||||
|
wijn;
|
|||||||||
|
WIJN. 4243
|
|||||||||
|
<n aanhoudende opwelling des Bloeds, nog een zo fterk
hartkloppen, als andere Wijnen, die men in gelijke even- redigheid gedronken heeft, veroorzaakt. Zijne Herken- de prikkeling, en de fubti'ele elastieke dampen , welke in de Paag daar uit voortkoomen, bevorderen het ppgee ven der winden, en.bevrijdenhet Hart van diebenaîjwdheid, welke de beflooteneopblaazingen veroorzaaken. Dit geeft den Hiipochondristen een bijzonder regt op den Cham- pagne-Wijn, indien hunne Maag het zuur verdraagen kan. Want wat kan hun heilzaamer zijn , dan een drank die hen van de opblaazingen bevrijd, de ongevoelige door- waasfeming bevorderd, en terwijl hij den nevel der treu- righeid verftrooit, hen in zodaanig een toefiand ftelt, dat zich hunne Ziel in naaren vollen glans vertoond. Bij dit alles is de Champagne-Wijn evenwel niet al te
goed over tafel te gebruiken, en nog minder kan men ongeftraft zich daar in te buiten gaan. Hij heeft te fter< kë geneezende kragten om hem tot een dagelijkfchen drank te gebruiken , en hij past bij zeer weinig fpijzen, dewijl hij zo wel na zuure fpijzen en vrugten , als na olieagtige, vette en zwaare fpijzen, door zijn zuur de Maag bederft, en dezelve te weinig verwarmt. Daar- entegen dient hij hun tot een Geneesmiddel. welken, naeene verkouding, of na andere fauten in de levenswijs uiteen belette doorwaasfeming, eene vermoeidheid en zwaarheid in de Leden, en eene traagheid van het Ge- moed gevoelen, welke ongemakken te zaamen genoomen, een kleine onpaslijkheid genaamd worden, In vogtig en koud weer, in 't omgaan met Zieken, zijn een paar gla- zen Champagne-Wijn een waardig prafervatief voor ge- zonde lieden, wiilze even zogoed werken, en even zo veel kosten,, als een dofis van het beste geneesmid. del. Dog wanneer men zich hier mede dikwils te bui- ten gaat, bederft deze Wijn de Maag zo wel, als de al- "ierflegtfte Land-Wijn, en laat de Ziel, welke hij zo zeer opgeklaard had, in een'laauwe aandagt van wal- ging en naberouw, waarbij de Maag met opkoomende zugtjeseen boetgebed fchiint uitteboezemen. Dit laatfte kan men, met even goed regt vanden.B<w-
gogne Wijn zeggen, welke om Beaune het beste wast, en wiens koleur en fmaak van alle kennaaren gepreezen word. -Men word er niet zo fchielijk dronken van, als van den Champagne Wijn, en hij laat zich ook beter met water vermengen , dog bij bezit niettemin een vlug vuur, 't welk uit het misbruik daarvan genoeg blijkt. Hij walgt hun fchielijk, die een ige maaien zijne kragt ondervonden hebben, en in dat geval word zelfs ook zijn reuk onverdraaglijk. Hij bevordert de uitwaasfe- feming niet zo rijkelijk en ongedwongen , als de Cham, pagne Wijn,: en veroorzaakt aanhoudende opvliegendbe- den. Daarentegen bederft hij de Maag niet zo ligt, als de andere, dewijl zijn zuur veel zagter is, fchoorï , men hem zekerlijk te veel eer bewijzen zoude, als men hemeen Maagwijn noemen wilde, als waarin hij ome. genfpreekelijk aan zijn Nabuur, detirovden ziamentrek- kende Bourgogne-Wijn, die bij Auxerrewast, den voor- rang overlaaten moet. Dit en zijne fterkte maaken hem over tafel niet bruikbaar; Dog'tgeen hij de Maag wei- gert , Jbaat hij de ziel, het hart en den fmaak toe. Hij is ongemeen verfterkend, en vervrolijkt de denkbeelden. ( J3ehalven deeze beide zoorten van fijne Wijnen , Ie'. yen Frankrijk ons nog verfcheidene zoortèn uit, zo'wel van witte als roode Wijn, die allen hunne bijzondere Waarde hebben. De witte Wijn, welke om Parijs wast, f1*«;, faamelijk goeden finaak, is niet.zeer fterk, en $ VII Deel. ' |
|||||||||
|
Iaat zich met water vermengen. In Angers en Orleans
heeft men welfmaakende en fterke Wijnen, die de Maag niet bezwaaren, maar dies te ligter in het Hoofd opklim- men. De witte Wijn in Poitou zou naar Rhijnjche Wijn gelijken, als hij maar even fubtiel en ligt ivas. In Lan- guedok , niet wijd van de zee, ligt Frontignan , van waar wij den aangenaamen Frontigmc krijgen, die den fmaak en reuk van muscus heeft. Hij is dezelfde, welken wij onder den naam van Muscat île Lion drinken, dewijl hij in groote meenigte naar Lion vervoerd word. Hij is \ even zo, als de Picardan, naamlijk zoeten fterk, en veroorzaakt een dommen roes, en een verzuunng der Maag, welk het gemeene gebrek der zoete Wijnen is. Men kan hein in de plaats van een liqueur toi fterking en prasfervatie als een geneesmiddel gebruiken ; dog van de tafel moet men hem weglaaten. Hier toe fchiktzich de Vin d'Eremitage veel beter, die
tusfehen Valence en St. Valliere, gelijk ook langs de Rhone wast, en veel achting verdient. Hij is rood en watfeherp, dog echter lieflijk en vuurig. Zijn fmaak na Kraakbefiën, bewijst zijnezamentrekkendekragt, en dus verftrekt hij de Maag niet alleen tot verwarming , maar ook tot fterkinghaarer fpierve^elen Lieden, dia aan fttrke Wijnen gewend zijn , en de zwakkere niet meer verdraagen kunnen, vinden er een goeden Wijnkan om over tafel te gebruiken, die hun niet te fterk, en echter de Maag aanneemelijk is. Hij is edel genoeg om er zich altemets eens aan te buiten te gaan ; en dit is een hoofd- eigenfchap om hem aan tafel te gebruiken. Een flegte onedele Wijn heeft gebreken, die hem reeds fchadelijk maaken, fchoon hij met de grootfte matigheid , gedron« ken word. Daarentegen openbaarfn zich de geringe ge- breken der edeler Wijnen als dan eerst, als men ze in al te groote overmaat gebruikt. Een flegte witte wel ge- zwavelde Franjche Wijn verhit, en een geringe zuurs roode Wijn verderft de Maag reeds bij de eerfte glazen. Van edeler Wijnen kan men eenigemaalen zo veei drin- ken, eer zij dezelfde bezwaarnisfen veroorzaaken. Die de vuurige Wijnen nog niet gewend is, dien zal
de Vin d'Eremitage te fterk zijn, over tafel te gebrui- ken, en op dat ik ook voor dezulken de behoorigezorg draage, zal ik hen naar Guienne voeren, waar zij de keus van veelen hebben. Frede'rik Hoffmann heeft aangemerkt, dat de beste Wijnen onder den 4often en Soften graad van breedte wasfen. -Die verder naar het; noorden toe wasfen, hebben minder geest en kragt; en die naar het zuiden toe gevonden worden, zijn rauw, dikagtig, fterk, en wordeß ligter zuur. De Gujenni- feke Wijnen, welke bijna rusfehen deze parallel linien liggen, houden het midden tusfehen de heete Wijnen uit de warme, en tusfehen de onrijpe Wijnen a\t de koude landen. Men heeft verder waargerioomen, datdieplaat- zen, waar de beste Wijn wast, gelegen zijri aan afhan- gende rotfen, welke zich onder in gelijke vlakten uit- breiden, die door rivieren befproeid worden. Dit is in der daad de laag der meeste Wijnbergen in deze Provins cie, en dus vereenigt zich alles tot den voorrang dezer Wijnen boven alle andere. , Wij krijgen de Gujennifche-Wijnen van Bordeaux, en
ze'fs levert ons deze Plaats dezelve in overvloed uit haa- , re nabuürfchap , en uit-het land Medoc. De beroem- de Pontack is een Gujennifche-Wijn, waar van de En- gelfchen den voorrang reeds voor langen tijd zo wel hebben ingezien, dat zij aan andere Gewesten weinig daarvan overlaaten. Ppp Ik
|
|||||||||
|
4*4+ WIJN.
|
||||||
|
ken,'' en dezelve verandert de (pijsvér'teering in een zoort
van koorts. Hij is een Wijn voor zieken , maar niet voor de tafel. Hij is een geneesmiddel, maar niet een dagelijkfchedrank. Bij de middelzoorten van %iue- Wijn bemerkt men altiid een van deze twee gebreken. Witte- Wijn, die zo oud is geworden, dat hij geen zuur meer bij zich heeft, is altijd zo zwavelig, dat hij opvjjegin- gen veroorzaaken kan. Daarbij vind men meestentijds dat wrange in den witten-Wijn niet, 't geen-den noden- Wijn tot zo een goeden Maagwijn maakt. Dit laatfte is het -, 't geen de liefhebbers âer witte Fran-
fche Wijnen van derófldeaffchrikt'. Die altijd gewend is geweest, aan tafel witte Franfche Wijn te drinken, be- vind, zo dra hij zelfs den zagtften Medoc-Wijn drinkt, dat hij minder, dan gewoonlijk, ontlasting heeft, en zelfs dat hem het lijf wel eenige dagen verftopt blijft. Men leid dit met grond van zijne zaamentrekkende kragt af, welke in die deelen gelegen is, die op de tong den wrangen fmaak veroorzaaken. Dog deze uitwerking zou. de van geen kwaade gevolgen zijn , indien men in den be- ginne maar watgeduldgebruiken.wilde, om den nieuwen drank gewend te worden. Tegen de menigvuldige an- dere voordeden , welke een goed glas roode Gujennifche- Wijn, tot gebruik over tafel, 'niet af te fpreekén zijn, komt deze kleine ongelegenheid, die bebalven.dat maar kortentijd duurt, in 't geheel in geen aanmerking. Zelfs zal men in 't kort ondervinden , dat men bij het gebruik dezes Wij'ns even zo wel ontlasting krijgt, alstevooren. Daarentegen zal men bevrijd zijn van die gebreken der fpijsveiteering , welke bij het over tafel gebruiken van de witte-Franfche-Wijnen onvermijdelijk zijn. Hierom bekomen de roode-Gujennifche Wijnen bij uitftek welden Hijpochondristen , Vappreufen '," Geleerden", "Kooplie« den, Kunftenaaren, en allen den geenen, welker Jee- venswijs niet zo kan worden ingerigt, dat hunne fpijsver- teering goed blijft-. Na deze lofreden öp de Gujennifcheroode Wijneni, die
ik uit overtuiging, onder alle Europifcbe, voor de bes- te Wijnen houde, om over tafel te drinken, kan ik niet nalaaten, nogdeezen wenschbijtevoegen, dat zich onze Wijnkoopers mogten bevlijtigen , om ons de fchoone zooiten, alleen, met haare natuurlijke gaaven verrijkt, in een grooter menigte te verfchaffen, dan men ze tot nog toe vinden kan. Wij verlangen van ben niet, dar. zij ze door hunne
kunftenarijën voor ons verbeteren zullen. Wij zijn met hunne natuurlijke goedheid tevreden. Geen Bran» dewijn hoeft hen vuuriger, en geen Befiën hoeven hen zaamentrekkender te maaken, 'dan zij van natuur zijn. Wij vorderen van een regtfcbapen man geen andere kunst, dan dat hij door vermenging van natuurlijke Wijnen van een zoorteen derden Wijn weet voorttebrengen, welke die eigenfchappen bezit, die men daarvan verlangt. Met deze kunst kan men toekoomen, en daar bij kankooper en verkooper beftaan. Hoe zeer bedroeft het mij, dat alle deze regelen niet meer als vroome wenfchen zijn ! De Rhijn en Moezel- Wijnen mogen zekerlijk onde/
de voórtreffelijkften, inzonderheid van alle duitfchevij' nen, gerekend worden, en men kan eenen liefhebber van het eerfte zoort niets beters'wenfchen , dan Keurvorst van Mentz te zijn, dewijl deze Wijn meerendeels in het gebied van dien Vorst groeit. Digt bij de Main , tegen over Mentz, groeit bij een Dorp, 't welk er den naam aan geeft, de edele Hochheimer-wijn, de voortreffelijk^ |
||||||
|
Ik houd dé Gujennifche-Wijnen daarom voor de beste
om over tafel te gebruiken, dewijl zij nog de groote gebreken , nog de groote deugden van geneesmiddelen hebben , welke voor geen gezond Ligbaam fchikken. Men kan ze in een tamelijke menigte drinken, zonder dat zij een roes en een opzwelling in bet bloedveroor- zaaken. Evenwel zijn ze niet zo zwak, dat zij het Hart Biet zouden kunnen vervrolijken en de Zenuwen ver- fterken. Zij hebben een zagte zaamentrekkende kragt, en geen uitfteekende zuurheid, ten miniten als zij goed toebereid, en wel bewaard zijn. Hier door prikkelen zij de fpiervezelen der Maag tot een zagte zaamentrek- king, welke veel minder is, dan wanneer brandewijn of liqueur dezelve op een fcbadelijke wijze te zaamen trekt, en baar in haare vrije beweeging hindert. Als zo een Wijn geen merkelijke zuurheid heeft, past hij bijna bij alle fpijzen zonder uitzondering. Hij verfterkt en ver- warmt de Maag geduurende de fp ijs verteering zo matig, als een gewoonlijke drank immer doen mag. Hij ver- hindert den voortgang in het gedarmte niet, wijl zijne zamentrekkende kragt even zo zwak, als de zagte wrang- heid van zijn fmaak op de tong is, en dus is hij ook niet in ftaat, het lighaam te verftoppen , fcboon hij deugd genoeg bezit, om een al tezwakkefpijsverteeringenee- ne daaruit voortvloeijendeloslijvigheid te geneezen. Als men zieh aan zo een Wijn te buiten gaat, word'men er ■wel dronken van; dog het blijft meestendeels een taame- lijk menfchelijk roesje, en wat het beste is, men red ten minften zijn Maag daarbij. Ik wil niet zeggen , dat deze Wijn er toe gemaakt is, om er zich aan te buiten te gaan ; want fchoon hij minder fcbadelijk dan anderen is, word hij evenwe! niet gezond. Ondertusfchen kan men er eer een gevaar mede waagen, dan met andere Wijnen; en dit is even dat, wat men van een Wijn over tafel vordert. Dewijl er verfcheidene zoorten van Gujennifche Wij-
nen zijn, zal een ieder daaronder ligt een zóort vinden , welke zeer wel met zijn lighaams gefleldheid overeen» koomt. Van den Pontack af, die een der zwaarfte, wrangfte en geestrijkfte Wijnen is, kan men door alle graa- den tot op den ligtften, lieflijkften, en zagtften Medoc- Wijn nederkliinmen, en men zal dehoofdeigenfchappen der goede Tafelwijnen bij allen, alleen in verfcheidene graaden, aantreffen. Daarom kan men met regt het land- schap Gujenne voor het magazijn der Tafelwijnen van de Európaeé'rs houden ; en eene lange ondervinding heeft mij geleerd, dat de liefhebbers van Wijn over tafel te drinken, na alle andere zoorten vergeefsch onderzogtte hebben, zich bij deezezoort, waarbijzij het laatst biee- Ven, best bevonden. Men zal opgemerkt hebben, dat alles, wat ik totnog
toe van de Gujennifche-Wijnen gezegd heb, eigenlijk al- leen van de roode moet verdaan worden. De witte zijn in Frankrijk zelve wegen het verbod weioig bekend, en ik heb er geen eigene ondervinding van. Hieroverhoeft men zich te minder verlegen te maaken , daar ik geloof, dat men, over het geheel genomen, de witte Franfche Wijnen zonder eenig onderfcheid over tafel zou misfen kunnen. Hier beneden zullen wij deredenen mededee- ien, waarom den witten-Wijn niet kanaangepreefen wor- den, tot een geduurig gebruik over tafel. Aan den jon- gen witten-Wijn word men gemeenlijk een uitfteekende «uur- en rauwheid gewaar, welke de Maag bederft, en Sich bij'weinig fpijzen fchikt. Daarentegen heeft de ou- de witte Wijn te veel vuur om hem over tafel tegebmi- |
||||||
|
WIJN*
ße onder alle de RUjnfche.îVijmn. Daarop volgen de
Rôstheimer en de Rhingauer-wijnen , welke langs den $tfaijn benedenwaards van Mentz tot Bacharach groei- jen. Ik laat alle de overigen hunne verdiende eer, zon- der ze te noemen. Men prijst de Bergffraatfche en Nek- kar-wijnen, in de oorden daar zij vallen, maar ook genoeg- zaam daar alleen, dewijl zij zich niet wijd vervoeren laa- ten; maar wij prijzen de Moezel-wijnen, die ons Dufe- monde , Vela en Zeltingen toezend, dewijl deze bij ons niet zo zeer aan 't heim-wee onderhevig zijn, als die andere. De Fr anken-wijnen gunnen wij, tot den Steetiwijn niet uitgezonderd,, hunne Landslieden, als wij maar de ruimte van Rhijn* en Moezel-Wijn hebben. Daarentegen gunt de Bisfchop van Wurtsberg ons den Wijn van zijnen Schlosbergniet, die rwgden Steetiwijn overtreft, gelijk die geenen verzekeren, welke uit den bisfchoplijken kelder daar mede begenadigd zijn ge- worden. jj Een fchoone Rhijnwijn is vlak het tegenovergedelde
van eene fchoone Maagd ; xvant gelijk de laatfte jong moet zijn om bevallig te wezen, behoort de eerfle oud te worden eer hij fchoon en lekker word. In zijne jeugd is hij. bleek, en nog zo helder, nog zo lieffelijk en zïii- ver, als in zijn ouderdom. De oude is milder. De wer. king maakt zijn zwavel fijnder en breekt denzelven, en fcheid de grove aardagtige deelen van hem af. De oud fte verliest eindelijk alle fpoor van zuurigheid, welke den jongeren deeds aankleeft; maar daarentegen bevat dezelve een vuur, 't welk den kouden Grijsaard eenige uuren lang verwarmt, eh voor dien tijd zijn eerde jeugd bijnaar wedergeeft. De Eigenfchappen van den Rhijnfchen-wijn beweegen
snij otn dien liever Hen lof eener edele Artzenij te gee- ven, dan voor een dagelijksch gebruik te fchikken. De oude Rhijn-wijn zoude voor een gewoonen Tafelwijn te heet, en de nieuwe te wrang zijn. Ik maak mij name- lijk een denkbeeld van een gewoonen Tafelwijn, 't welk de meesten, die wijn drinken, toonen daarvan te heb- ben, teweeten, dat zij er niet alleen bij alle maaltijden hun dorst mede lesfchen, of ten minden hunne fpijzen mede befproeijen, maar dien ook in alle gemeenzaame gezelfchappen gebruiken, alwaar Waard en Gasten al- leenlijk dorst krijgen om zich vrolijk te drinken, en om, als zij vrolijk zijn , te lagchen. Als ik nu billijker wijze mag rekenen, dat men van
zulk een dagelijkfchenwijn, bij ieder maaltijd een paar glazen, en in ijder vriendelijk gezelfchap een halve en zomtijds een geheele bouteille drinkt, zo kan ik daar toe geen wijn aanprijzen, die groote artzenij kragten bezit, en die bezit de Rhijnwijn ongetwijffeld. Zijn zuur ver- meerdert den trek tot eeten, dat is te zeggen, hij fpoort lieden, die gezond zijn, en buiten dat reeds met genoeg- zaame honger eeten, tot overlaading van de Maag aan. Zelfs die geenen, die weinig eetlust hebben, wekken denzelven niet, dan t'hunner fchaade, door zuuren op; want zij deelen daardoor de Maag geene evenredige krag- ten mede, om het meerder voedzel, 't welk de prikke- ling des 'wijns hen doet gebruiken, weite verteeren; waartegen de Boeren dit, door eene goede beweeging voor de maaltijd , doen. Het is waar, dat een zuure drank de vogten voorbe-
derying bewaart, maar juist daarom moet meni een zuur* Bgtigen-wijn niet als een dagelijkfchen drank, maar al- leenlijk jn zodaanige gevallen, daar gevaar van beder- ving voor handen is, als eene artzenij gebruiken. Eea |
||||||
|
wrjN; 4245
dagelijkfchen' drank moet nog de bederving wederftaan,
nog die bevorderen. Dezelve moet de eigenfchappen hebben, die men in eene lofrede op het water bijbren- gen zoude, verder durfik mijne meening niet verklaaren, nog die eigenfchappen van den dagelijkfchen Tafelwijn onderfcheidenliiker voordellen, o;n de Liefhebbers niet aan den hals te krijgen. Het water heeft de minde art» zenij.kragten , maar een drank, die niet voor Menfchen, welke wolkoomen gezond zijn, tot een tafeldrank die- nen zal, kan en moet eenige zodanige eigenfchappen hebben. Ondertusfchen kan het gezonde Vee en de Boer-zich van water bedienen, en de fatzoenlijke Lie- den mogen een drank gebruiken, die een weinig medi- cinaal is, als dat medicinaale maar met hunne gedeld- heid of liever ongedeldheid fchikt. Maar dus is het met den Rhijnfchsn wijn niet gelegen. Die deezen tot een dagelijkfchen drank kan verkiezen, is zelden de Per« foon, wiens eetlust door zuuren behoeft opgewekt te worden, of wien men denzelven, door welke middelen ook, draffeloos kan vermeerderen. En daar onder dit zoort van Lieden zo veele Jigtige en Hijpochondristen zijn, welker vogten zelden tot rotting of bederving overhellen, zo dient deze artzenij hun ook maar weinig in hun bloed. Men laate derhalven den Rhijnfchen-Wijn liever deii
zwakken Lijders in rotkoonfen, en den kouden Grijs- aards over. Men wagte er zich zorgvuldig voor, als men zuur in de Maagbefpeurt, en inzonderheid als men ter zeifdertijd verdopt van lijf is; want hij zal deeze ongemakken zekerlijk vermeerderen. Het verborgen zuur van dezen wijn is zo knaagend, dat dezelve, gelijk de Heer van Swab aangemerkt heeft, hetglas van zommige flegt toebereide boteilles ontbind, en daar van onfchoon word. Als men door oleum tartan per deliquium het zuur van dezen wijn zijnen roof weder ontneemt, en het zelve dwingt die vreemde doffen op den bodem te laa- ten vallen , zo kan men uit die nedergeflaagene doffe we- der gemakiijk bouteille-glas fmelten. Het eigenlijk ge« b'rek in dezen ligt in 't glas. Maar het eigenlijk gebrek, waarom den meesten rijken en ledigen Perfoonen het ge- bruik van den Rhijnfchen-wijn nadeelig is, kan ook we- zenlijk alleen in hunne Maag liggen. Ondertusfchen maa- ken deszelfs eigenfchappen, denzelven bij misbruik, te» hoogden fchadelijk. De Rhijnfch; wijn ligt onder een zwaaj-vermoeden,
dat hij de jigt veroorzaakt. Maar ten troost van alle regtfchaapen Lieden , die gemeenlijk jigt te vreezen heb- ben, moet ik zeggen, dat de gevoelens der Geneeshee« ren hier over verfcbillende zijn. HorMANNgeeft wel in zenuw-ziektens, in fpanningen en pijnen der leden, in podagra en in hijpochondrie den Hongaarfchen-wijn, den voorrang boven den Rhijnfchen-wijn en andere zuure-wij- nen; en echter is hij een Liefhebber van den Rhijnfchen- wijn en deszelfs lofredenaar geweest. De Rhijnfche- ,, wijnen, zegt hij, hebben eene goede hoeveelheid zuur zout bij zich, 't welk niet zeer aardagtig, maar heel fijn is. Dat luchtige en windrige dat daar in is , vertoont zich 'mjonge-wijnen ten duidelijkften ; dewa- terige zelfftandigheid kan men door het overhaalen toonen. In'tkort, men vind alle goede en nuttige eï- genfchappen van wijn hier bij malkander, en wel met deze voorkeur boven andere wijnen, dat er geene grove, fchadelijke en ondiendige deelen mede ver- ,, bonden zijn." Hoekàn nu de ftoffe, die de podagra maakt, in de*
P pp * Rhijn- |
||||||
|
424«? ' . WIJN/
jRhijnfcheri-'wijri2ijn? Als mijne lezers mij g'elooven wif-
Jen , zo zijn het niet de wijnen, die hen jigtig maaken, tnaar Bacchus is het,- het zijn niet de fpijzen, maar de fmul; het is niet de liefde, maar Venus; niet het ver- maak , maar de ongeregeldheeden. Waarom zouden de Menfchen in Champagne en Bourgogne vrij zijn van po- dagra, daar wij, onder het gebruik van hunne dutire wijnen, van die pijnlijke kwaaien zo veel te lijden heb- ben? Waarfcbijnlijk, omdat zij, dezelve dagelijks ge- bruikende , ze matig gebruiken. Waarom is het gemee- në volk in die landen, daar zij de zuure wijnen in plaats van water drinken, niet jigtiger dan het onze? Waarom krijgen onzegrooten en rijke lieden de jigt van heft pe- kelvleesch, daar zich het Gemeen bijna dengeheelen win- ter door mede voed, zonder dat ongemak te ondervin- den. Waarom zijn de getrouwde Mannen, diezich in hunnen ongehuwden ftaat van een verboden wellust ont- houden hebben, en naderhand tothunne echte Vrouwen bepaalen, in hunnen gevorderden leeftijd Merker, dan Ligtmisfenzelfs in hunne vroege jeugd? En als de ver- maaken op zich zelven, als geoorloofde geneugten«, uit eigener aart pijn en fmarten maaken moesten, gelijk eens een zeker Pater aan een voornaam Heer demonflree- ren wilde, g.o had deze gelijk- met dien Geestelijken te antwoorden, dat hij om die reden bang was , dat men in den Hemel ook met de podagra gekweld zou _ wezen. Tot deze afwendinge, waartoetoe mij de Rhijn-wijn
gebragt heeft, had mij ook de Moezel-wijnen misfchien alle de andere kunnen verleiden! De Moezelwijn is niet 20 gants eb van den Rhijn-wijn verfchillende, dat men van beider werkingen zeer verfchillende oordeelen vel- len kan. Als hij' goed is, drijft hij even als de Rhijnl Jche-wijn de urine fcbielijk af, en opent het lighaam, zonder het hoofd te bezwaaren ; maar hij is veel min. dier verhittende, dan de oude Rhijnfche-wijn ; dog hij is ook-zuur gelijk de jonge Wijn ; en groeit in zeer kleine druiven op een leiagtigen grond. Hofmann zegt er ech. ter van, ,, dat zij, diezich voor jigt en podagra bewaa- ren willen, wel doen, met zich aan dezen wijn te houden." Hij konde gezegd hebben, dat zij zich aan water en brood en den ploeg houden moeten, maar hij wist wel, dat men den eerften raad misfchien volgen ; den laatften zekerlijk verwerpen zoude Men houd den Moezelwijn voor verkoelend, en deeze
hoedanigheid kan men denzelven vergelijkender wijze toeftaan, dewijl hij niet zo veele vlugge geestrijke dee- len in zich bevat,- als veele andere wijnen. Maar hieruit volgt niets meer, dan dat men hem: in grootere hoeveel- heid dan andere wijnen kan drinken, eer hij zo veele ver- hitting maakt, als deze, en dat hij daarom in den fomer minder nadeelig zij dan dezelve. Maar dat hij wezenlijk tferr trap der hitte van onze vogten verminderen zoude r of dezelve verkoelen, kan ik mij niet verbeelden, de- wijl hij altoos hitte en drift voortbrengt, als men er veel van néémt, en dit doen geene geneesmiddelen of drän- ier», die ons lighaam verkoelen. O-ndertusfchen leert de natuurkunde, dat dekoude delighaamen zaamentrekt». en dewijl de zuuren onze vogten allezaamentrekken en. verdikken, zo heeft men waarfchijnlijk uit degelijkheid! éet werking tot de overeenftemining der oorzaaken, be» Itooten, era den zuure wijnen eene verkoelende eigen- Séhap toegefehreeve», welke echter, zo zij dezelve uit kragt van het zuur wezenlijk bezaten,, hoewel nog nie» sarjd be weezen heeft, dat de zuuren koude maaken, |
||||||
|
wijn;
door. dé geestrijke àedéW dés', w.ijns geheel vernietigd
móet worden;. , ■ ■."' :: -x ., '.-.:. -- - Inderdaad hebben de liefhebbers van den' wijn zich dit
fchijnbefluit ten nutte gemaakt, om een voorwendzel te hebben, dat zij in den fomer geen Water behoeven te drin- ken , fchoon het zeker is, dat dit befiuit geheel niet volgt. De zuuren trekken de vogten ook we! zaamen, gelijk de' koude, maar daarom maaken zij even weinig koude, als de koude zuur maakt. Desnietteg.enftaande is deze wer- kingder zuuren goed voor een verhit bloed; en daarom bedient men zich vaffde zuure Duitfchetwijnen, en in 't bijzonder van den Moezelwijn , welke tevens weinj* vuur en geen zeer grof zuur heeft, in heet weder, en , in een zwakken toeftand, bij gevaarlijke zie' ken, maatigi en, ,als een geneesmiddel, met goed geVOlg. ■■;;;-,
. Deze zijn de wezenlijke eigenfehappen waardoor, en
de waare gelegenheden waarin z;ch de Rhijn-Moezd- Steen.wijn, en alle edeje Duitfehe-wijnen aanprijzen, en daarom bemin ik ze voor laaföbis, voor verfterking, tot verkwikking, tot vervroiijking des gemoeds, enz. onein- dig, fchoon ik ze den gezonden voor een dagelijkfchen Tafehvijn niet kan aanprijzen." Die hunne bartfterken. de kragt kennen wil, die behoeft ze in een zwakken toe- ftand, in uitputting-.-van, kragten, in vermoeidheid, in mattigheid na de koorts, of na eene flauwte flegts te rieken, zo zal in een oogenblik kragt en leven door al- le ledemaaten, en door het gebruik van eenige weinige druppen nieuwe fterkte tot in het merg en gebeente drin- gen. Hierom zijn,, de edele Duüfche-Wijnen in veele opzigten roemenswaardig boven de meeste andere wij- nen, waarvan zommigen'verkiezelijker zijn voor dage- lijkfche tafeldranken; en om deze reden kan ik het mis- bruik, datmen van den eerften maakt, nog minder dan van de anderen verdraagen. De vervroiijking, welk onze beste icy/je« aan den geest
geeven, is door de Duitfche Dichteren tot verveelens toe gezongen , en veelen derzelver kunnen ze, als. men uit hunne vaarzen zal oordeelen, nooit gedronken hebben. De Geneesheeren prijzen ze tot dit oogmerk bijzonder- lijk den Hiipochondristen en melancholieke Lieden aan , en de goede werking, welke zij bij dezelven heb- ben , is een nieuw bewijs, dat zij voortreffelijke genees- middelen zijn. Dit is alles, wat ik van de Duitfche wijnen \ te zeg-
gen- heb, Derzelver medicinaal gebruik is voortreffelijk r en men kan ze in dat opzigt als een van dé beste ge- fchenken der Natuur befchouwen ; én liet is inderdaad wat meer, dan eene enkele manier van fpreeken, als men zegt, dat zij levensgeesten in zich bevatten. Maar hun diëtisch gebruik moet meer bepaald zijn. Het is verkwisting, dartelheid, overdaad, als een jong gezond Mensch zich van ouden Rhijnfchen wijn als dagelijkfchen drank bedient, en hij zal daardoor zijn bloed in eene fchadelijke verhitting brengen. De jonge.-of verjehe- Rhijn of Moezelwijn dient ondertusfehen even weinig tot dit oogmerk. Een wijn, die zo veel zuur heeft, als; deezen, is bij veele fpijzen onbruikbaar en van nadeelige gevolgen. Hij past nog bij .zuure nog bij vette fpijzen, dewijl hij in beide gevallen zoodeen branding in de Maag veroorzaakt, en de wegen der fpijsverteering mèt eene bijtende feberpté en zuuren overlaad. Maar een gewoo- nè; Tafelwijnjnost zich bij de meeste zoorten van fpijzerr fehikken. De heete fomer is nog de beste jaartijd voor het dictetiscb gebruik van deze wijzen? maar dan moet men
|
||||||
|
■WIJN.
ârenjzé met water vermengen, indien men niet wil, dat
zijde hitte des bloeds vermeerderen of voortbrengen feullen, of men moet ze ten minflen zo fpaarzaam, als 'een'geneesmiddel ,. drinken ,- en die beide voorfchrif- ten zij" voor de liefhebbers' misfchien moeijelijker na fS kóom'en, dan deeze wijnen in 't geheel agterwege te Jaaten. ; Verscheidene fnoode 'Konstgreepen, waar door de
Wijn vervalscht word, enz. i De Wijn is een werk der konst, gelijk als het Bier en het Brood is. De natuur geeft de Druiven, de konst doet al het overige. Maar dan behoorde de konst de na» Toïir niet te bederven, maar dezelve in zommige opzig- ten-te'volmaaken. Wenfchelijk ware het derhalven, dat er geene andere Wijn-behandelaars in de wereld waren , 'dan welke, hiervan overtuigd,zich zonamoogelijkaan de natuur poogden te houden, dan zouden wij eenvoudi- gen en zuiveren, en derhalven goeden Wijn hebben. Men zoude zich dan toeleggen, om de beste Druiven te teelen', en uit te zoeken, en die zo rijp te doen worden , als moogelijk is. Men zoude dezelve zagtelijk persfen, enden bekomenen Wijn of Most in zijn natuurlijken ftaat zoeken tebewaaren, tot het oogmerk, waar toe dezelve verordend is, na'amelijk, om de kragten des levens te verfterken, en den geest te vervrolijken. Maar dit is't met, daar onze meeste WijnJtandelàaren zich op toeleg- gen. Van den grobtften Wijnkonper af tot de zulken, dié onder de fchaduwe van een houten Eacchuseen pin- tje in hun keldertje tappen, is er geen een, die zich toe- legt, om de natuur te volgen en te behouden. Allen tragten zij dezelve te verbeteren, en jaagen haar dus weg. Vervloekteflimmigheid! haatelijkegeldzugt! fnood bedrog. Die het menfchelijk Geflagt zeker en onfeilbaar wil
verdelgen , moet deszelfs verkwikkingen vergiftigen. Want van dien kant heeft men te minder mistrouwen, naar maate onze lusten meer geftreefd worden. Den Wijn te vervalfchen, is het allerfnoodfte tevens en fehade- ltjkst bedrog. Wat kan er baatelïjker bedagt worden, dan een Armen of Zieken, di'e eenige verkwikking in zijn lijden zoekt, en een gedeelte van zijn gering ver- mogen te kost legt, om door een teug goeden Wijn zich zei ven te verfterken, vergifte geeven , enin noggrooter elenden te Horten ? Wat kan er wreeder worden uitge- dagt, dan dien armen man den dood te Jaaten drinken, daar hij 't leven dagt te vinden? Voor een openbaaren Moorder of Bedrieger kan men zich nog wagten ; men kan zijne list door fcbranderheid en overleg, ziin geweld door waakzaamheid verijdelen; enals bij desniettegenftaande ons uitplundert en mishandelt, behoeft men er hem ten minflen niet voor te dinken. Maar die openlijk het ka- rakter van een eerlijk Man vertoont, en het vertrouwen van het gemeen heeft, en daar van misbruik maakt, die is fehuldig aan alle de (haffen, welke de grootftsBooswigt billijk 'ondergaat. De Heer Goyon de la Plomwnte, van de Fran-
fche Wijnhandelaaren fpreekende , drukt zich op deze wij- ze uit: De konst van bedriegen is thans zo gemeen » geworden , dat een Wijnkooper, welke al te veelgewee- » ten in zijn handel, hebben wilde, niet flegts van nee- » ringlooshei'd kwijnen', en van honger■ derven, maar i> ook v»n zijn Medehandelaaren veragtr gehaat en ver- » drukt wordenzotidte'. De Kooplieden, gaat hij voortrr » 6eliöeaï©ïdJ0oze'gefioiiH«ïf om d'en 3%»kragp,, ko> |
||||||
|
WIJN. 4247
,", leur en fmaak te geeven. Dan vermengen 'zijidenzél-
,, ven meteen klein gedeelte duiven-Mest en glit, {lijm thargiiim), om hem aan't werken te krijgen,, en een ,, fterken fmaak. en vuur te doen behouden. Dan moet ,, tiet'zaad van de h'adigoF wilde vlierzijnekoleurveu ,, hoogen , en de honing of defijroop van zniker daar een aangenaamen fmaak aan geeven , als men die anders te wreed of hard vind. Als dit alles nu met malkander ,, in het vat word gedaan, zo vereenigt hetzich in fchijn ,, te zaamen, om. het'oog en den fmaak te voldoen ; maar inderdaad is het een mengzel, dat in ftaat is om de fterkfte ingewanden te verknaagen. Die heillooze konftenarijën echter zijn niet dan al te veel bekend, en worden niet dan al te gemeen in 't werk gefteld; ,, Het geheeie land moet daar van lijden. De Parijfche Wijnkoopers onderregten er hunne Leerlingen in, en deze gaan vervolgens, zich hier en daar nederzetten- de, allerwegen hunne Medeburgeren ombrengen. Zij, die deze geheimen niet weeten, of dezelve niet ge« bruiken willen, hebben Wijn, diegeenandereeigen- -fchar-pen bezit, dan welke de natuur daaraan gegee* ,, ven heeft. Maar zodanige Wijnen zijn in geene ach- ,,'ting, en worden biet getrokken. De Commisfionai. ,, ren, die dezelve opkoopen , vermengen hierom ftraks ., hun vergif daarmede, om die Wijnen, welker achting zij moeken op te houden, niet te doen vervallen. Als de ,, vervalfchingen vroeg gefchieden, terwijl de Wijn nog ,, in het werken is , zijn zij niet zo merkelijk. Het ,, werken verzwakt de hitte en kragt van het Vergif, zo* ,, dat het zelve eerst lang na het gebruik werkt; maar ,, het is daarom niet minder nadeelig, fchoon het zijne ,, kwaadaartigheid langzaamer toont. De Geneesheereu ,, weeten en ondervinden dit genoeg , en de wereldlij. ,, l<e Overheid, ftraft dit bedrog van tijd tot tijd voor« beeldelijk op de onagtzaamen, en die nog niet regt ,, in de geheimen der konst zijn. Men heeft het bedrog ,, in dezen zo verre.voortgezet, dat men zelfs vogten ,, voor Wijn verkoopt, daar niet een enkele Druif in- ,, koomt. Ik zal mij wel wagten van het geheim daar ■ van te openbaaren , en het dus nog meer bekend te maa- ,, ken. Dit ondertusfehen moest ik mijnen landslieden ,, onder het oog brengen ,. omdat zij er belang in hebben, Ik moest hen doen zien, dat het iets zeldzaams zij",. ,, goeden zuiveren Wijn aan te treffen."' Moeten ons niet, als wij dergelijke berichten leezen,
dehairen te bergerijzen, alswij, door Wijnlust gedree- ven, de fles aanvatten, om dien lust te voldoen ? Ik heb hier voor reeds doen zien, hoe gevaarlijk de Wijn uit eigener aast is voor allen die geenen, welke zich niet in tijds de noodige paaien daaromtrent fteNen, en met weinig vergenoegen kunnen, maar wat moethetge- vaar dan wel wezen, als men de fchadeli'jkheid van den Wijn nog door vergif vermeerdert? Is het wel te ver- wonderen, dat de Wijndrinkers gemeenlijk zo deerlij- ke flagtoffers hunner lust zijn? De maatigheid , zij al- len Menfchen in deezen vooral bevoolen! Ja , daar wij' van alle kanten door zo veele gevaaren gedreigd wor. den, zo laat ons altoos een billijk wantrouwen heb» ben, waar door wij op ons zelven agt geeven, en onze- eige begeerte beteugelen, terwijl wij het bedrog der vervalfchers febroomen. Ik denk niet, dat de tromv en eerlijkheid zo geheel
van den aardbodem- verdelgd is, dat er niet nog veele
goede Wijnkoopers gevonden worden, die ons den Wijn
zuiver en orjverval.cbx verkoopen willen» Ondertus*
Fpp 3 feien
|
||||||
|
WIJN.
den,, naar maate men gewend is meer Wijn te drinken.
Hierom vind men weinig Wijndrinkers, welke denwft. ten Wijn voor hun gewoonen taf el-wijn verkiezen. En inderdaad is het ook dié Wijn niet, in welken men de eigenfchappen van een goeden dagelijkfchen drank moet zoeken, gelijkmendit, ujthetgeenik hier voor daarvan gezegt hebbe, ligtelijk zal opmaaken. Om te weeten pï een Wijn fterk gezwaveld is, zo
moet men er eenftuk zilver in leggen, 't welk daarin dan zwart zal worden. Maar buiten dit openbaart zich de oiieagtige vogtigheid des zwavels ook, als men er een weinigjevan op tafel giet, en er met de vlakke hand op flaat; ais wanneer er een witte vlak.zal nablijven. Als men in Vrankrijk den Wijn een aangenaatne ro.
bijnkoleur geeven wilde, plagt men wel wat-ongeleschte Kalk in het vat te werpen. Dit bedrog is voor grooter gehouden, dan het zwavelen, naardien men het zelve bij Plakkaaten verboden heeft, dewijl men meende op. gemerkt te hebben, dat hier fteen en jigt uit voortkwa« men. Ik wil dit Verbod niet geheel op mij neemen te verdedigen; want wat het eerfte betreft, zoishetuitde laatfte proefneemingen in Engeland bekend, dat het wa- ter ,wm ongeleschte Kalk een voortreffelijk middel zij om den fteen in de B.laas en Nieren te verteeren , en te ver. gruisfen. Derhalven kan men, dezen Wijn gedronken hebbende, fteentjes of gruis in zijne Urine hebben ge. vonden, welke, wel verre van door de Kalk voortge- bragt te zijn, daardoor integendeel zijn verbrijzeld en uitgedreeven. En wat het Podagra betreft,. zo kan o«« vervalschte zuure Wijn het zelve insgel ijks zeer wel voort- brengen ; en.het is geenszins een gevolg, dat Kalk in Wijn ontbonden, jigt of podagra maaken zoude, omdat de jigtige ftoffe in de ontaarte knokkelen kalkagtig is. Desniettegenftaande blijft echter het koleuren van den Wijn met Kalk een wezenlijk bedrog; want zolang men den Wijn niet ter geneezing van bijzondere ongemak- ken , maar enkel tot vermaak en vervrolijking drinkt, zo wordt alles fchadelijk, het welk, daarin vermengd zijnde, eenige bijzondere artzenijkragten heeft, en zij, welke zodanig eene werking niet noodighebben, moe- ten daar ongetwijffeld nadeel van lijden. "Op dezelfde wijze, en om gelijke reden, moet men
het als een bedrog aanmerken , wanneer men, doormid« del van zekere Bloemen en Kruiden, eene bijzondere geuren fmaak aan den. Wijn poogt tegeeven , want meest al krijgt dezelve daar van die eigenfchap, dathijzwaare hoofdpijnen maakt. De Kruiderijen zijn hier bij niet te vergeeten; zij geeven den Wijn hoedanigheeden, wel- ke hij niet hebben moet, als hij enkel een drank voor ge- zonden zijn zah Ik zou mijn Kok geenszins bedanken, als hij mij eene fpijze gereed maakte, welke mij deed purgeeren, terwijl ik enkel bedoelde om mijn honger, op eene aangenaame wijs, te ftillen; eneven weinig be- geer ik, dat mijn Wijnkooper mij eene artzenij vervaar- dige, terwijl ik niets,dan een lekkerenen vervrolijken- den drank van hem verlang. De zuure Wijnen weet men door middel van fijroup
en andere fmeerzels lekker en- fmaakelijk te maaken, en men drinkt alsdan, in plaats van Wijn, een flegten drank, welke ten allerminfte zuur, en branding in de maag, en pijn in 't hoofd verwekt.' Defuiker ontdekt zich in der- gelijke Wijnen door zijne kleeverigheid aan lippen en vingers. De flegtfte bruine fuiker word tot deze verval- fching zelfs gebruikt; niet flegts om Franfche Wijnen na te maaken, of de zuure drinkbaar te doen worden, maar |
||||||
|
4-5148 .WIJN.
fchen is het een wezenlijk, en niet zeer gemeen ge-
luk, zodanig een opregt en.eerlijk WijnJtandelaar aan te treffen, op wiens woord men zich verlaaten kan, en die ons nieuwe kragten voor ons ligbaam en vrolijkheid voar onzen geest uit zijn keider levert. Dog behäiven dar, men dit geluk niet altoos aantreft", zo kan ook al de voorzorg van dien eerlijken man vrugtloos zijn , als men den Wijn reeds voor hem vervalscht heeft. Nog gelukkig als die eerfte vervalfching flegts bepaald is ge- worden tot zodanige konftenarijën, die zij niet altoos vermijden kunnen, zonder zich merkelijke fchade te doen. Gelukkig als men ons flegts valfchewWijn en geen vergif verkoopt. Men zal dit beter begrijpen, als ik de voornaamfte konftenarijën, daar zich deWijnhande- laars van bedienen, wat breeder zal hebben voorgefteld; en men zal,daaruit zien, dat zotnmigen onvermijdelijk, en fchoon altoos nadeelig, echter niet zo gevaarlijk zijn, dat men derzelver kwaade gevolgen niet zoude kunnen wederftaan. Maar men zal te gelijk ook andere aantref; fen, welke wezenlijke vergiftigingen zijn-; vervloek- te konften, die tot den afgrond gedoemd moesten wor- den. Men weet, dat de gemeene witte Wijn niet bewaard kan
worden, ten zij men de vaten zwaveit. Zo lang die voorzorg binnen de behoorlijke paaien blijft, moet men dezelve als een onvermijdelijk klein kwaad dulden. Ik heb met groote Wijnkenneren hierover gefprooken, en zij hebben mij verzekerd, dat zij hunne gemeene witte- Wijnen zonder behulp van zwavel onmoogelijk goed kun nen houden. Laat dit dan doorgaan. Ondertusfcben weet men tevens, dat Bedriegers gunnen toevlugt tot zwavel neemen, als zij flauwen mtten-Wijn een hooge koleur en fferker fmaak willen geeven, en dan branden zij eene onmaatige en al te geweldige hoeveelheid van zwavel in de vaten. Men kan ligt begrijpen, hoe ge- reed men zich van dit voorwendzel, dat men de zwavel niet misfen kan, bedient, om een /legten Wijnvnur, koleur, en fmaak bij te zetten. Als een Wijnzwelger zulk een Wijn in zijn,maag giet, word bij ftraksgeftraft. De Tong, welke de aanftookfter deezer wellust was, word droog en heet door 't vlugge vuur, 'twelkomhaa- ient wil door de aderen omloopt, en dat het bloed als eene koortshitte ontfteekt. Op deze drooge hitte volgt doorgaans een fterken uitiiag en puisten in de huid, en nauwelijks heeft men den zwaveligen gloeijenden Wijn eenigemaalen gedronken, of dan beginnen neus en wan. gen malkanderen te trotfeeren. De Wijn, welke anders dis voornaamfte onder de.vervrolijkende dranken genaamd kan worden, verwekt woede en razernij, als hij door de zwavel is aangezet. Hij verwekt woede in plaats van vreugd, hoofdpijn in.plaats van geest, en hartkloppin- gen voor gelach. Schoon nu een niet al te fterk gezwavelde Wijn deze
werkingen flegts in een geringe maat verwekt, zo zijn dezelve echter duidelijk genoeg, en worden het des te' meer, omdat het bij de meesfen een onaffcheidbaar ge» volg van het Wijn drinken fcbijnt te zijrî, dat zij gefta- dig meer begeéren, als zij eenmaal hebben beginnen te drinken, en dus word het nadeel door den overvloed van drank vergroot. In zo verre kan dan Ronsard wel ge- lijk hebben, als hij het verlies van zijn gehoor aan de gezwavelde en vermengde Wz/nmtoefchrijft, welke hij in Duitschiand had moeten drinken, want zijne ongeregel.' de manier van leeven is genoeg bekend. Men moet ze- *crlijk de gezwavelde» Wijnen des te zorgvuldiger vermij- |
||||||
|
WIJN.
|
|||||||||||
|
WIJN.
|
|||||||||||
|
424D
|
|||||||||||
|
te van een fpan diep ledig blijft; dan hangen zij boven
onder het fponning gat een klein plankje, derwijze, dat hetzelve den Wijn maar eventjes raaktof niet raakt , dit aldus befchikt zijnde, neemen zij den allerfterken bran- dewijn, en gieten dien door het fponning gat zo voor« zigtig en zagtjes op dat plankje, dat zich deBrandewijn niet met de Most vermenge, maar daar alleenlijk boven op blijve. Dus werkt de Most onder den Brandewijn, maar behoud zijne zoetigheid veel meer, terwijl hij de kragt des Brandewijns echter ten grooten deele overneemt. , Alle deze konftenarijën zijn bedriegelijk en nadeelig. Het eerfte, omdat men dus den Wijn als edeler en voor- treffelijker in zijn eigen aart verkoopt, terwijl al desielfs gewaande deugd uit den Brandewijn herkomftig is. Het andere, omdat men dus de menfchen, die meenen Wijn te drinken, eene menigte Brandewijn doet inflaan , wanr» door zij hunne gezondheid ongetwijffeld grootelijks be« nadeelen. Voor het overige is het zeer gemaklijk deze vervalfching te ontdekken, als men flegts een weinig van zulken Wijn tusfehen de vlakke handen wrijft, en ruikt; want dan ontdekt zich de Brandewijn wel ras doqr zijnen reuk. De voortreffelijke Champagne-Wijn zelve moet dit
noodlot ondergaan , dat men denzelven namaakt. Men febud witten Franfchen Wijn met Wijnfleenzout, en een weinig zeer fijn gefloote Peper, wel dooreen; zodra dat gefchiedis, ftopten bepikt men de fles, als men ze dan naderhand open maakr, dat er lucht bij koomen kan, of dat men dien Wijn fchenkt, zo begint het zuur van den Wijn met het zout van den wijnfleen te bruisfehen ; 't welk niet gelchieden kan, zo lang de fles geflooten blijft. De peper geeft dezen Wijn een doordringenden reuk en (maak; maar als men dezen valfchen Champagne-Wijn drinkt, zo bemerkt men uit.zijne werking, dat men bedroegen is; want in plaats dat de waare Champagne dat doet, het geen Voltaire daarvan zegt, Du Vin d' Ai la mousfe pétillante
En chatouillant lis fibres du cerveau
T porte un feu , qui s'exhale en bons mots;
zo maakt deze valfche integendeel zijne martelaaren dom
en ziek. Men ziet uit alle deeze befchrijvingen, hoe kwalijk
men er met den Wijn aan is, en dat de zalige Doftor Luther waarlijkgeliik had, als hij in een zijner Liede- ren zingt, dat de heek wereld vol Dieven is. Ondertusfchen moet men ook weeten, dat niet alle
konftenarijën met den Wijn bedrog, en ook niet alle bedriegerijen even nadeelig en ongezond zijn. Als een Wijnhandelaar een fiegten Wijn overfféekt op een Stuk, daar te voren goeden Wijn op gelegen heeft, zo is dit wel een bedrog, indien hij dezen laatften W7«/'» verkoopt voor Wijn van het zelfde zoort als de eerfte was, maar de ßegte. Wijn word door dit bedrog niet fchadelijk ge- maakt; men betaalt denzelven alleenlijk wat te duur. Geen regtfehapen Wijnkooper echter behelpt zich met de- ze bedriegelijke listen. Ondertusfchen ware het te wen- fchen, dat veelen de 1 onst verftonden, om door nutti- ge, althans onfchadelijke middelen hunne Wijnen te ver- beteren; waar van ik nu eenigen bijbrengen zal. Voor eerst behoort hier toe eene oordeelkundige ver-
menging van goede Wijnen met malkander; want gelijk men in den tijd der Vendange, de Druiven fchift, en die zoorten, welke best bij malkander febikken, tezaamen brengt,
|
|||||||||||
|
ook Om van de flégtfte Duitfché land-wjnen , door de-
zeive'fnét dé fuiker te laaten gisten, Rhijnfchsn-Wijn te vervaardigen. ! ■ '* De Rhijnfche- en Moezel-Wijnen, moeteneene zeer
gevaarlijke vervalfching met lood ondergaan, waardoor zij-een 'kwaadaartig vergif worden, 't welk den dood al fleepende medevoert, en onderwijlen de onvoorzigti- ge en ongelukkige Drinkers de allerijsfeliikfte martelin- gen doet lijden. Men tragt namelijk deze Wijnen met loodwit, menie, glit, fuiker van lood, en andere derge- lijke dingen , die van lood bereid worden, zoeter en aan- genaamer te maaken. De verfchrikkelijke gevolgen , wel- ke dit bedrog medefleept, hebben bill ijk te weeg gebragt, dat het zelve op levensftraffe verboden is; waarommen dok nu in verre na zo veele Wijnen, met loodfioffen vervalscht, niet meer aantreft, als voorheen, en als men flu nog gelooft, dat er zijn; gelijk de Heer Gaubiusdit met proeven beweezen heeft. En dewijl men het mid- del , om dit bedrog ontwijfFelbaar te ontdekken, door dien Heer gemeen gemaakt, en in de Verhandelingen der Haar- Imfche Maatfchappij heeft medegedeeld, zal ik hier thans niets meer bijvoegen; alleenlijk in het voorbijgaan, we- gens dit middel aanmerkende, dat Stahl het reeds in Zijne Chijmie befchreeven, en Junker het in de zijne als een onbedriegelijk proefmiddel opgegeeven heeft. De Roode-Wijnen worden insgelijks vervalscht, fchoon
men dit met geen water of zwavel doen kan, gelijk de Witte. In Saxen, daar nauwelijks eenige Wijn valt, kan men zo veel Pontak krijgen, als men begeert-; waar van geen druppel uit Pontak-Druiven geperst is. Men maakt dien 'zogenaamden Pontak-lVijn uit flegte zuure Wijneri, uit Sleedoorn en Kraakbefiên enz. Geendrank ka'n'ér bedagt worden , beter gefchikt Om de maag te bederven, en de harsfens te bedwelmen. Ondertusfchen is het Pontak, en men verkoopt denzelven in groote menigte aan ongelukkige Drinkets. Gelukkig wij, dat wij dit bedrog onder ons niet kennen ; maar noggelukkiger, zo ook de Brandewijn ons geheel onbekend was, welke het algemeene konstmiddei is, waar door onze Roode Wijnen bedorven worden. ' ,; Het is wonderlijk, dat Menfchen, die Wijn diinken ,
met oogmerk om zich dronken te zuipen , niet een fiok goeden brandewijn of jenever neemen, dan zodanige Wijnen in te flaan, welke dit zelfde einde op eene veel gevaarlijker en nadeeliger wijze uitwerken , en die zij echter duur betaalen. ,, Dewijl een Koopman, zeggen " de Wijnkoopers, zich naar den finaak zijner koopers fchikken moet, 'zo zijn wij wel genoodzaakt dit be- j, drpg in 't werk te ftellen , om den liefhebberen Wijn ,,, naar hunne verkiezing te leveren. " Anderen geeven 'voor , dat zij den Roeden-Wijn niet zonder brandewijn goed kunnen houden, zo weinig als den Witten zonder "zwavel. En als de laatften redelijk zijn, en confciëntie hebben, zo houden zij zich te vrede met de vaten eerst met brandewijn om te fpoelen, eer zij er den Wijn op- doen. Anderen, daarentegen , plengen den brandewijn Veel overvloediger. Zij weeken omtrent agt dagen lang galiga (galanga), nagelen, gember, kaneel en kar s f en- pitten in goeden brandewijn, en gieten daarvan, al? zij den Wijn overgeftooken hebben, in ieder vat, zoveel als zij dienftig oordeelen , om den Wijn een fterker fuiaak, en meerder kragt te geeven. Anderen neemen verfchen Most, zo als die van deperskoomt, gieten die in de vaten, om daarin te gisten, dog zo, dat zij dé- »elve niet geheel vullen, maar dater boven een gedeel- |
|||||||||||
|
4*5° WIJN.
|
|||||||||
|
WIJN,
|
|||||||||
|
brengt, zo kan men ook goede Wijnen, door eene ver«
ftandige vermenging met den anderen, zodanige.eigen. fchappen geeven, welke geen derzelver in 't bijzonder had, en men kan dezelve dus aangenaamer en fmaakelij- ker maaken, zonder dat zij op eenigerhande wijze onge- zonder worden. Zodanig eene vermenging van Wijnen nu is geene vervalfching, maar in tegendeel eene goede en nuttige konst, als ze wel behandeld word. Eenieder liefhebber wil Wijn naar zijn fmaak, en dan van deeze; dan van geene geaardheid drinken Zo veele verfehlen- de zoorten en geaardheeden verfebaft ons de natuur niet, ten minften hebben wij dezelve niet allen bij malkander, en de konst kan dit grillig gebrek ten groQten deele zon- der nadeel vervullen. Ondertusfchen ziet men ligtelijk, dat hier toe zo veel kenisis, oordeel, ondervinding en eerlijkheid-vereiicht worden, dat bet, op verrena, ij. ders zaak niet is, om dit werk te doen, In Parijs verdaan de Wijnhandelaars ook dekonst van mengen. Maar hoe? Zij maaken uit flegte en middelmaatige^Wijnen (chaàt\i\k& mengzels , die zij voor lekker uitventen , en die verder- felijk zijn, omdat zij niet bij malkander te pasfe koo- men. Uit eene zekere hoeveelheid Languedokjchen, flegte Champagne, en anderegemêeneJFyraeB van de Ber- gen rondom Parijs, vervaardigen zij een zoort van Bouv genje-Wijn , die zij nog met eenige anderen ingrediënten vermengen, en waardoor zij een drank maaken, die zich zeer aangenaam aan het oog vertoont, en redelijk wel fmaakt; maar als de warmte der Ingewanden alle deze ftrijdige geesten, welke door geene lange gisting inner- lijk vermengd en vereenigd zijn, aan het werken helpt, 20 benevelen zij, door de dampen,, die er, even als uit zekere chijmifche oliën, uit opftijgen, deharsfenen, verwerren de levensgeesten, tasten de zenuwen aan, verftoppen de kleine vaten, en brengen degeheele ma- chine onzes lighaams in ongeregelde beweegingen. Hoe kunnen nu zodanige vermengingen gebillijkt worden? Maar als men een Wijn, die wat fterk zaamentrekkende, en min geestrijk is, met een anderen, die vuuriger is, vermengt; als men een bleekgekoleurden meteen zwaar gedekten vereenigt, enz. zo is deze konst niet alleen onfchuldig, maarzij verfebaft ons zelfs behaagelijker, zo wel als lekkerder Wijnen, zonder onze gezondheid te benadeelen. - ■ - jUiEen' andere goede könst is, dat men de Wijnen door
natuurlijke middelen belet, dat zij niet erger worden. Men kan hier de geheele konst, om den Wijn tebewaar ien, toe betrekken; maar bijzonderlijk behooren hiertoe ■de.ontdekkingen,, welke men gedaan, heeft, om bet ver- vliegen of uitwaasfemen van den Wijn voor te koomen ; bij voorbeeld-, dat men hem op groote vaten van dikke duigen legt. | De Heer Tïoyon de la Plombanie heeft in de Abtdij te Tisfelbrun, in hetLotharingfche, Witte Wijnen van het zelfde gewas, 't welk,zeer ßegte Wijn hasl gegeeven., inden aangenaamften en besten Wijn veranderd gevonden, nadat zij tien of twaalf jaarenop «groote voedervaten, van veertig tot vijftig tpnnen, ge- legen hadden. Deze deugd kunnen zij op.kiein,vaat- werk, en zonder behulp van zwavel, nietkriigen. De dikke duigen van deeze vaten houden de fijne deelen des Wijn s, welke door de poren der kleine vaten door- gaan , volkooaien te.rug. De Wijnwerkt daarin, en zij- ne gisting maakt eene nieuwe vermenging, en een zoort »an verteering, waardoor de fcberpe-en zuure zouten verftompt/en, derwijze verbeterd worden, dat er een ■goede en lehkejeWijn uit koorot. ;'i V <; |
Als mengeene geIegenheidheeftom-den-JiPy"«opgroo«'
te Stukken te leggen, zo kanmeneen middel gebruiken, om de kleinere vaten dezelfde digtheid en Ondoordring. baarheid te geeven, als of zjj even dik van houtwaren, als de groote, wanneer men de poren flegts zodanig toe- ftopt, dat er niets.door kan. De Heer Gqv,o;n.heeft, ten dezen einde, een voorflag gedaan, welke, zo zij uitvoerlijk is, tot de nuttige Wijnjtonflen behoort. Hij geeft den raad, om de kleine tonnen in pek te kooken; wel verftaandeechter, dat zij alleenlijk uitwendig en niet van binnen gepekt moeren zijn. In zulke tonnen kan men vrugten, meel en dergelijkenopland- en zee-reizen langen tijd, zonder bederf, bewaaren, en mogelijk zou het met den Wijn even goed gaan, als men flegts ge- noegzaam verhoeden kan,, dat de Wijn op zulk vaatwerk leggende, geen pek- of teer-fmaak overneemt. Een zeer voortreffelijk, maar tevens kostbaar middel,
om den Wijn te verbeteren, beftaat daar in, dat men den. zei ven, door middel van de vorst, zijne waterigheid beneeme. Ik zal dezekonst, als het anders een konst genaamd kan worden', 't geen de natuur alleen verrigt, met de woorden van den Heer Mairan, een groot Na. tuur-Onderzoeker in onze eeuw, voordellen. Als Wijn" , dus drukt hij zich -deswegen uit,
als Wijn, Brandewijn, of een ig ander geestrijk vogt bevriest, zo gaat dit bevriezen niet allerwegen door, ,, maar men vind altoos in het midden van het vat, of ,,..ijs, het fijnftefreestigfte gedeelte ontdooit of vloeibaar, ,, en men zouj als men flegts een vat vol Wijn aan ee. ne ftçrke vorst bloot ftelde, een zeer goeden Brandt- wijn daarvan krijgen, waarvan dereden ligt te be- ,) gfiJsen 's- Naardien het bevriezen van een vloeibaar lighaam altoos aan het buitenfte gedeelte rondom ,, begint, en het bevriezen of verftijvén van den Wijn ,, bijzonderlijk indeszelfs waterigften en min vlugge dee- len eerst een aanvang neemt, zomoeten, doçrdeze ftremming, die deelen allengskens naar binnen gedree« ,, ven worden, welke hetgeestigfte, fijnfte en vlugftezijn. ,, Deze verzamelen zich derhalven in het midden, en, ,, naar maate de vorst dieper doordringt, worden zii van ,, het weinige water, daar zii altoos nog meer of min ,, mede vermengd ziin , fteeds meer gezuiverd, en zijn dus kragtiger; maar om die zelfde reden behoud men j; ook een kleiner gedeelte vogts. Men kan dêrhalven, ,. op deze.'wijze, den Wijn zo fterk laaten worden, ,- als men zelf begeert, naar maate men een dikker korst ,', rondom het vat laat bevriezen, en het vloeibaarege- ,ï deelte eerder daar van afzondert, en voor verdere be- vriezing bewaart., Het bevroozen vogt, ofijs.'twelk ,, rondom bet vat zit, ,is, ontdooid zijnde, geheel fmaa» keloos, tenblijke, dat het't water alleen is, 't welk ,, op deze 'wijze word afgezonderd, en dat de Wijn in ■ kragt en deugd aanwint, het geen men in de hoev^el- ,, heid verliest. A'shetbevriezen heel fchielijk toegaat, zo is het ijs menigmaal zo voos en los, dat het naar i, half gefmolten fneeuw gelijkt." " De Wijn derhalven, welke te voren'reeds geestrijk
en kragtig was, geeft, door het bevriezen, een zoort van Bi'andewijn , die zo'fterk is, dat mendenzelven niec onvermengd gebruiken kan ; maar flegte Wijnen moeten zo veele trappen van verfterking doorgaan, eer zij goed worden, darmen niet ligt behoeft te vreezen, datzeal te fterk worden zullen; ondertusfchen worden ze op de- ze wijze veel beter, dan te voren. .! De HeerProfesforLuDOLF, teErfurt.heefcdekonst, ÖB»
|
||||||||
|
WIJN.
WÏtnge-WJne* fchielijk, oud, flegts goed, en mid-
jelmaatige tot alleredelfte temaaken, uitvoerig befchree» ven, en ik zal mijnen Lezeren bet genoegen geeven, oui hen daar van iets mede te deelen. Men legge een vat, 't welk met ftevige bodems en
ijzere banden wel verzorgd is, vol Most of Wijn, wel. fce voor de eerfte reize overgeftooken word, bij vriezend weder in de open lucht; men laate de fponning flegts luchtig daarop leggen, en men vuile het vat niet geheel vol, maar zo, dat er nog een quart anker aan ontbreekt. Als bet dus een dag vijf of zes gelegen heeft, zo zet zich daar aan rondsom een korst dik ijs, 't welk het waterig gedeelte van den Wijn is, en in het midden vergadert sich het geestrijkfte, hetedelfte,en beste. Diekorstnu laat men blijven; men opent denzelven alleenlijk van boven, om er het vogt, 't welk nog niet bevrooren is, telaaten uitloopen, en te bewaaren. In Genève, en daar omftreeks, verzekert Hoffmann, dat men. op dee. ze wijs te werk gaat, om regt goede Wijnen te krijgen, welke tevens fterk en gezond zijn, en Franginer ge- naamd worden. Men laat dezelve den geheelen winter inde open lucht leggen, en zij worden er liefelijker, geestrijker, en gezonder van. Men kan op dezelfde wij j ze een fterken WijnmAzijn bekoomen, alleenlijk moet
men zich getroosten een zeer aanmerkelijk gedeelte te verliezen. Als men de Most eens of tweemaal laat bevriezen,
zo krijgt men daardoor een ongemeen zoet en lekker vogt. De beste manier is, om dat zoort van Druiven, welke wat dik van fcbil.zijn, tot den winter te bewaa- ren , dezelve alsdan te kwetzen, uit te persfen, en die Most te Iaaten bevriezen. Wat den Wijn betreft, dezelve moet bevriezen, als
die eens overgeftooken is. Men veriiest, als men dit bevriezen volkomen doorzet, de helft; maar men krijgt ook een Wijn, die, zonder jaaren te hebben, zeer oud en dik is. Ook kan men op deze wijze alle zoorten van Wijnen, zonder eenige fchadelijke konstjes, op het na- tuurlijkst namaaken. De Spaiinfche Wijn beeft veel zwa. ïelagtige deelen, en weinig water-, waardoor de Most ! daarvan niet ter deeg kan doorwerken. Die Wijn is een
Most, die gefmoord en belet is te gisten, fchoon voor het overige van zeer rijpe Druiven. Om derhalven Spaanfchen Wijn natuurlijk na te maaken , zo neeme men goede Druiven, welke ten grooten deele aan de Wijn- gaard, en verder binnen's huis, daar men detrosfen op- hangt, ter deeg rijp zijn geworden, menpersfedieDrui- | ven, na dat ze dus door en door rijp geworden, en in
' een gematigde lucht uitgewaasfemd zijn, tegen den win-
ter uit, en laate het Sap alsdan bevriezen en op het vat klaar worden, dan heeft men een goeden Spaanfchen Wijn, die niet in Spanje gewasfen is. De haliaanfche en Hongaarfche Wijnen zijn ook
2oet; maar wijn-rjker of geestiger, en hebben gevol. gelijk meer gewerkt. Als men derhalven drie deelen fovraoren Most, met één deel bevrooren Wijn vermengt, en op 't vat klaar laat worden; of als men van elk de helft met malkander vermengt, en dit mengzel een of ! twee jaar leggen Iaat, zo zal men in 't eerfte geval een
zoort van Italiaanfchen, en in 't laatfte, een zoort van Hongaarfchen Wijn hebben. : De Champagne Wijn is fterk en vlug; maar hij moet
m het glas bruisfchen, en kan dus geen oude Wijn zijn.
Om nu, op gelijke wijze als te voren, Champagne Wijn
te krijgen, zo vermenge men maar één deel bevroore
ril Deel.
|
WIJN. 4*5*
Most met drie deelen bevrooren Wijn ; men laate dit
vogt op 't vat klaar worden, en men tappe het af op Ker- ke bouteilles. Als men het dan vier maanden bewaard heeft, dan neeme men eens de proef, ofmen op die ma- nier goeden Champagne Wijn gekreegen heeft? DeDuitjche Land-wijnen gelijken naarden Rhijn-wijn,
behalven dat zij te veel water hebben. Als derhalveri de jonge Wijn flegts eens bevrooren, en daar na, zo dra hijklaaris, afgetapt is geworden en drie jaaren gelegen beeft, zo zal hij zeer goeden Rhijn Wijn uitleveren. Een zesde deel bevroore Most , welken men onder
zommige zuure Wijnen mengt, zal het al te felle zuur behoorlijk verzoeten. De Bourgonje Wijn is fterk, niet heel zuur, en rood.
Men vermenge derhalven één deel bevrooren roods Most met drie deelen van zulken bevrooren Wijn, en laate dit mengzel twee jaaren oud worden, dan zal men Bourgon- je-Wijn hebben. De Stein-wijn is vuurig en zoet, maar heeft tevens
een olie-agtigen en bitteren fmaak. Als men nu één deel bevrooren Most met twee deelen van tweemaal bevrooren Wijn vermengt, en dit vogt een jaar op 't vat laat leg- gen , zo krijgt men denzelfden fmaak. Maar gelijk nu de Wijn door het bevriezen zeer fterk
en geestrijk word, zo kan men denzelven wel eens tot vermaak, of Artzenij, maar geenszins als gewoonen Taf el-wijn gebruiken. Een gewoon e Taf el-wijn moet eigenlijk geene bijzondere medicinaale hoedanigheden hebben, even zo min als de gewoone fpijzen, die men dagelijks gebruikt; dit verwagt men er alleenlijk van, dat dezelve de Maag fterkt, en de fpijsverteering bevor- dert. Hier toedienen de roode Wijnen best, als welke een weinig faamentrakken; maar zij moeten niet al te fterk zijn, om geene hitte te veroorzaaken. Ieder fter. ke fpijsverteering is eene kleine Maag-koorts, en ver- wekt eenige hitte in het bloed, die door vlugtigen Wijn fchadelijk vermeerderd word. Hierom zijn witte Wij- nen niet gefebikt voor dagelijkfche Tafel wijnen , en geen kenner verkiest ze daarom. De Medocwijnen fchij- nen daar het best toe te zijn. : zij zijn ongemeen ligt, en verwekken alleenlijk hitte en dronkenfebap, als men ze in grooten overvloed drinkt; voor het overige maaken ze eene aangenaame gewaarwording op de tong, als of men fluweel aanraakt, terwijl deeze* zagte faa men trekking niet in ftaat is het ligbaamte verftoppen. Ondertusfcben zijn er ook foorten genoeg onder, die nog teveel rauw zuur en te weinig geest hebben. Men moet derhalven de beste uitzoeken, gelijk men van allen Wijn doen moet, die men dagelijks gebruikt. Maar de Medok-Wij- non hebben een ander nadeel; zij zijn te flap voor hen, die reeds Helden van Bacchus geworden zijn; en de zulken moeten bun ongelukkig noodlot, 't welk ik bij voorraad reeds betreure, met flerker Wijnen verder vol« tooijen. Hoe men de Wijn, eer men die overfleekt, of in
Bottels doet, fchoon maakt. Neemt zo veel drachmen Vischlijm als men ftukken
Wijn heeft aftebottelen ; laat dezelve in een of twee, pinten van dezelfde zoort van Wijn fmelten, en indien men de fmelting wil verhaasten, moet men er de helft brandewijn bijvoegen; daar zijn die maar flegts de lijm in zuiver water doen weeken. De lijm behoorlijk week geworden zijnde, klutst men die braaf dooreen en roert die onderzo veel pinten Wijn alsmen ftukken heeft fchoon Qqq ta
|
|||||
|
WIJN.
|
|||||||||
|
»4SI wapr
|
|||||||||
|
, /WIJNGAARD,Qru}v4beom,W$nflok;i®*tgrieksdi
4ftirïhie», aftvi*©", ó<vó0«p®«; in 't latijn , Vitis ; in't
fransen , Vigne; en in 't engtlsch, a Vim tree; jn 't
deenscb, Vinranke ; en in 't hoogduitsch ,Wemflok, Weh' reben. Kenmerken. De bijzondere kenmerken van dit Plan»
ten-geflacht, zijn volgens de Heer LirvNiEUS, dat de Bloemblaadjes aan de tippen zamenkleeven, en dus ver. flenfende afvallen ; of door de meeldraadjes weggeftooten worden, zo anderen aanmerken, als ook dat het geea ftijl heeft, maar een vrugtbeginzel binnen de Bloem, het weik eene vijfzaadige Befte wordt. Zoorten. Veelvuldig zijn de zoorten van Druiven.
Wij laaten de befebrijvingder voornaamften hier volgen, 1. Blaauwe Musqué; Vitis acinis minoribus ovatis e«-
ruleis, preecox. Maakt maatig groote trosfen; de Befiën zijn iets langagtig rond, maar niet zeer groot, en van ko- leur, rijp zijnde, befmult blaauw ; haar fmaak is zoet en aangenaam genoeg, een weinig muskeerende ; en dewijl ze vroeg en wel rijp wordt, zijnde een van de eerstrijpende Druiven, ook fterk draagt, zoo is ze waai. dig om geplant te worden. 2. Bonte Diuif; Vitis acinis vnriegatis. Heeft ronde
Befiën van maatige groote, zijnde 'van différente Ito. leuren, in't zelfde bosch, als rood , blaauw , wit, wit- hout, enz., dat haar een bevallig aanzien, geeft, en word vroeg en wel genoeg rijp, maar is voor 'r overige niet veel waard, om dat ze weinig finaak heeft. De Bladen van deeze foort.zijn doorgaans van onderenwat wit of griisagtig. 3. Bourdelais ; Vitis uva perampla, acinis ovatis ; Tous».
Infi maakt groote dikke trosien; de Befiën zijn ook heel groot, iets langwerpig rond van gedaante, en rijp zijnde, groenagtig van koleur, maar ze wordt bij ons nooit, en zelf omtrent Parijs, zelden rijp, derbaiveo niet geraaden is, daar van te planten, ten ware om Veu jus te maaken. 4. Çhasfelas Blanc; Vitis uva perampla , acinis albidis,
dulcibus durioribus. Toübnef. Infi. Maakt groote tros- fen , die doorgaans boven bij de fteel 1 of 2 kleine zijd' trosfen hebben; de Befiën zijn groot, rond , en digtaan 'r bosch; van koleur, rijp zijnde, bleek geelagtig;haar finaak is zeer aangenaam zoet, en knappende in 't ee* ten. Deeze wordt veel gecultiveert omtrent Parijs, wordende bij ons op een bekwaame warme plaats ook volkoomen rijp en fmaakeüjk, inzonderheid in een goed herfst fa ifoen. . 5. Çhasfelas Rouge ; Vitis uva perampla, acinis dulci-
bus rubentibus. Tournkf. Infi. DeBefîën van deezsfoort zijn rond, wat grooter als de voorgaande, en ze groei- jen niet zodigt in 't bosch ; haar koleur is bleekrood, ofals gebakken roode fteen; haar fmaak is , wel rijp zijn* de, zeer zoet', maar wordt laat rijp, en verkrijgt derhal- ven bij .ons bilna nooit haare volkqmene rijpheid , tenzij door konsrmiddelen, naamelijk in ftook en andere kasfen. 6. Çhasfelas noir; Vitis uva perampla-, acinis dulcibus
nigricantibus. Tournef Tnfl, Maakt dikwils noggiootet trosfen als de witte Çhasfelas. De Befiën zijn rond en van groocte als de witte; haar koleur is donker zwart blaauw, zijnde, wel rijp wezende , zeer aangenaam zoet; maar ze rijpt wat laater als de witte, en wordt derhalven bij ons zelden wel riip J ■ . '7. Pamas-Druif ; Vitis Damascena. uva acinis nigft'
mntibus. Deeze gelijkt veel na de roode Rozijn Diuif, diehieragter befchreeven wordt, zo in gedaante, grootte, |
|||||||||
|
temaakenj alsdan word het nog eens ter degen doorge-
klopt, voorts door een fijne teems laaten ipopenen dan eindelijk dooreen fchoone doek gewrongen zijnde^, in de vaten met wijn gegooren, die men voorts doormid- del van het fpongat met een gefpleeten ttuk houts ter degen omroert, zo evenwel nogthans, dat men niet te diep in het vat roere maar er de ftok maar tot op de helft toe infteeke, op dat de Wijn niet met de moer ver- mengt worde, die zomtijds nog op de bodem Jegt. Door dit mengzel van vischlijm, klaart de Wijn ia
min of meerder dagen, en zulks naar maate dat het we- der is, dewijl zulks er veel invloed op heeft. Zodra nu men merkt dat de Wijn geheel fcfooon en klaar is, fteekr men die in een ander vat over, Overfteeken noemt men de Wijnen van 't een in 't an-
der vat overtebrengen, zonder dat de vaten verlegt wor- den of van plaats veranderen. Ten dien einde maakt men gebruik van een lederen buis, die vier a vijf voeten lang en een half voet of daar omtrent wijd is, en aan ieder end van een houten pijp circa een voet lang is voorzien. Het dunne end van elke van die houten pij- pen, fteekt men 't een van in 't vat dat men op wil vul- len, en 't ander in't volle vat dat men ledig wil maaken , en als dan loopt den Wijn van zelf zo lang van heteene vat in 't ander tot dat ze beiden half vol zijn, het overi- ge moet men door middel van een blaasbalg oven doen gaan. De lucht die op een geftaadige wijze door mid- del van den blaasbalg in 't vat word gebl-aazen , drukt eenpaarigen fterk de gantfche oppervlakte van den Wijn zonder die in 't minfte te roeren, en noodzaakt dezelve om de pérsfing der lucht te ontwijken, door de lederen buis naar het ander vat dat men vullen wil, heen te vlieden. Wanneer men hoort dat de Wijn in het ledig gemaakt wordende vat begint tefnorken, moet men ter- ûond met blaazen ophouden, den buis wegneemen, het volgemaakte Wijnvat fluiten, en de weinige Wijn, die nog in het vat gebleeven is, in een bak uitgieten. Hoe dikwiiJer men de Wijn overfteekr, hoe fchoonder
die word; dan men doet zulks'zelden meer als twee of op zijn hoogstdriemaaleb, zomeenigmaal zulksgefchied moet er op nieuw liim in gedaan worden. Men kan de Wijn ook nog op een andere wijze hij
het overfteeken behandelen, en zulks op deeze wijze. Neemt vier of vijf dagen voor 't overfteeken een half pond beste wijnfleen, doet die in een kruik of pot wel- ke ter deegen kan geflooten worden , giet er een pint van den zelfden Wijn op, en zet het dan op een warme plaats vierentwintig uuren lang te trekken, zorgdraagen- cre om het van tijd tot tijd ter deegen om te roeren ; als het ter degen getrokken is, giet men deeze gefmoltene wijnfteen in het vat met Wijn, en fteekt een etmaal of yijf daarna de Wijn over. Hoedaanig men den Wijn zwavelt.
Dit gefchied meest ten aanzien van witte franfche
Wijnen, wanneer men die voor de eerftemaal over- fteekt, neemt men een ftukje lucht zijnde een ftreep grof doek 't welk met zwavel is overtrokken , dit in brand geftooken zijnde, -fteekt men in 't fpongat van 't ledige vat, eer men de wijn overfteekt. De Wijn er als dan inkoomende , haalt dieJucht naar zich , en word er helderder en leevendigtr door, en kan ook beter duuren. WIJN-AZrjN, zie AZIJN en DESTILLATIE.
WIJN-DRUIVEN, zie WIJNGAARD.,
|
|||||||||
|
WÎJN.
|
|||||||||||
|
WIJN.
|
|||||||||||
|
4*?*
|
|||||||||||
|
rteefchiglieM.'engeur, maarzij is donker blasai Van
jtöleur; groeit oök op dezelve plaatzen, als mede in Spanjen, Portugal, en andere warme landen, en hier van kooirierï de blaaüwe lange Rozijnen. Deeze wordt bij oris niet rijp, ten ware door kunstmiddelen. '■'■$. Eiber-Druif ; Vitis jigygartos. Camerajiii. Maakt groote trosfen ; de Befiën zijn rond, taamelijk groot en digt in 't bosch, hebben maar één Zaadkorl, ookzom- tijds geheel geen ; wéshalven deeze foort van fommige ook Druif zender korls genaamt wordt; maar ze wordt bij ons niet wel rijp. 9.'Fr ankendaler; Vitis Germanica, uVa peramplâ, aci-
nisrotundis,majoribus,exrubr9nigrantibus. Deeze brengt Teel grooce trosfen voort ; haar Befiën zijn rond en groot; van koleur, wel rijp zijnde, hoog blaauw, na den rooden hellende; voorts vleefchig, en zeer aange- naam van fmaak als ze rijp is, dat ze egter bij ons zelden Wordt, dan in zeer voordeelige warme fomers. Haare rijpheid wordt veel veragterd, doordien de Befiën zeer digt in een gedrongen zitten , 't welk men te hulp koo- ffien kan door middel van de kleinfte Befiën kort na de zetting met een fcheer uit te knippen. Welke zorgzeer dienftig en noodzaaklijk is , aan allerlei zoorten van Druiven die digt in een gedrongen groeijen , om goede Druiven te hebben; en dat ik hier, wegens de nuttig- beid, nog eens weder herinneren moet. Voorts zo maakt deeze zoorc zwaar, lang, en veel
houtgewas, en is zeer draagbaar. ïb. Kanarie-Druif; Vitis CanaHenfis. Dit is een witte
zoort van Muskaat-Druif, rond van gedaante, taame. lijk groot van tros en Befiën, en, zeer zoet van fmaak ; maar men begrijpt uit de groeiplaats ligtelijk, dat de- zelve bij ons niet kan rijp worden, zonder konftmid- delen, weshalven daar van niets'meer meiden zal, ais alleen dat hier van de zeer geurige witte Wijn, Sec, o( Kanarie-Sec genoemt, in bet eiland Madera; voort- komt, die de verirable Sec is, fchoon in Spanjen ook een heel zoete en kragtige Wijn gemaakt en voor Sec gedebiteert wordt, maar die zo goed of zoet in allen »iet is. il. KanduDruif; Vitis Cretica. Deeze zegt men dat
heel vroeg rijp wordt, dog is mij onder die naam niet bekend; moogUjk is 't de volgende Katalonier-Druif, dewijl de Kandiafche Druiven ook in Spanjen groeijen, en de naamgeevmg der Vrugten zeer verfchilt, het ftaat egter nader te onderzoeken. 12. Katalonier-Druif; Vitis Catahnienfis ptcox, aci-
nis rotundis ex rufonigricantibus. Maakt taamelijk groote tiosfen. De Befiën zijn rond , taamelijk groot, van koleur donker bruinagtig blaauw, van een aangenaame zotte, iets musqueerende fmaak; wordt vioeg rijp, vol« gende voorts op de blaauw e Musqué, en is derhalven Waardig bij ons geplant te worden. 13. Kormte-Druif ; Vitis Cerinthiaca five apijrina. J.
Bauh. Tournef. Infi. ; Uvte pajj minores vel Pajful Corhthiac.C. Bauh. Pin. De Befiën van deeze zoort zijn klein maar zeer zoet van fmaak, en hebben geen of fommige maar een kor!; de bladen zijn rondagtig, dik, van onderen witagtig, en weiniger als andere Wijnbla- den gefnippelt. Daar zijn drie zoorten van deeze Dtüïf, die niet veel verfchülen, als in de koleur; zijnde wit, rood en blaauw; deeze twee laatfte zoorten worden op pet eiiand Morea veel gedroogt en overal verzonden; zijnde bij ons bekend genoeg onder de naam van'M'.ne Rozijnen of Korinthen, welken naam ze voeren.van de |
|||||||||||
|
oude ftkd' ItoriBthus, op het gemelde eiland, waarom-
trent ze veel groeijen. Deeze Druiven komen vroeg aan, en worden bij ons wel rijp, maar omdat ze klein zijn, zo worden ze weinig gecultiveert, en dus weinig bij, ons gevonden. 14. Leipziger (wittej; Vitis germanica pratcox, acinis fub-
longio ,fitbviridibus. Maakt tamelijk groote, langwerpi- ge trosfen; haar Befiën zijn van middelmaatige groote eenigzints langwerpig rond van gedaante, en tamelijk los in boscb; haar koleur is, rijp zijnde, groenagtig wit, zijnde voorts wat vleeschiger als de water-zoeten.,, en haar fap is tamelijk zoet en aangenaam ; ze wordö vroeg rijp, met de Paarl-Druif; is heel draagbaar, en derhalven waardig bij ons geplant te worden. 15. Leipziger (blaauwe) ; Vitis Germanica praecox,
acinis fublongis nigricantibus. Deeze verfchilt weinig van de voorgaande witte, dan alleen in de koleur die hoog blaauw is. 16 Marfemine de Vicenfe. Dit is een zoort van mus«
kaat met donker blaautve Befiën, groeijende veel om« trent Vicenfe en Padua in Italien , en waar van aldaar een heel zoete aangenaame en gezonde donker roode Wijn gemaakt wordt, die zeer vermaard is. Deeze Druif wordt bij ons niet natuurlijk rijp. Ik meene deeze de» zelfde de zijn met de Muscat noir, ziet wat verder. 17. Melier Blanc; Vitis acinis rotundis aibo virefcen«
tibus fubdulcibus. Maakt maatig groote trosfen ; de Be« fiën zijn ook maatig groot, rond, groenagtig wit van koleur en digt in 't bosch , van een tamelijk zoete fmaak, als ze wel rijp is, dat ze egter bij ons niet wel wordt, en derbalven niet waardig is bij ons te planten. 18. Meiier gris, verfchilt nergens in van de voorige,
dan dat de Befiën groener van koleur en eenigzints grijs of rosagtig zijn. Deeze beide zoorten hebben de Bla- ■ den bijna rond, dat is zonder veel hoeken, of weinig
gefnippslt, en draagen fterk. 19. Meiier noir, deeze verfchilt mede weinig van da
voorgaande, dan dat de Befiën donker blaauw zijn. 20. Morillon blanc ; Vitis aurilianenfis vel belnenßs,
acinis albidis. Deeze is groot van tros, haare Befiën zijn middelmaatig groot, eenigzints langwerpig en vrij digt in 't bosch; van koleur, rijp zijnde, befmult witagtig Ba den groenen hellende; haar fap is zeer geurig en verheeven, maar de fchil is wat dik. Deeze wordt veel gecultiveert in de Wijnbergen omtrent Orleans en el- ders in Frankrijk, en daar wordt uitftekende Wijn van gemaakt, Sommige maaken onderfcheid tusfchen deeze Druif
en de witte Auvernat, dog zo als mij van ervarene ken» ners bericht is, en ik zelfs aan uit Frankrijk na Duitsch- land met deeze beide benaamingen gezondene Wijn- gaarden heb können befpetiren, zo is er weinig onder« fcheid tuslchen, beftaande alleen in de geurigheid der Druiven, welk alleen van de grond, ftandplaats en kli- maat van daan komt. Ze wordt bij ons zelden behoor- lijk rijp, ten zij in zeer goede jaaren, of door konft- middelen. 21. Morillon gris ; Vitis aurelianevßs acinis fubrubè-
fcentibus. De Befiën van deeze zoort zijn van grootte en gedaante aJs de voorgaande, maar ze zijn wat losfer in 't bosch, en haar koleur is bleek graauw rosagtig, of vaal, haar fmaak is zeer zoet en aangenaam ; ze komt wat vroeger aan als de voorige , en wordt derhalven bij ons, op een goede plaats (taande, ookriip, doch niet dan in goede jaaren. Deeze is in de Provintien vanOr. Qqq 2 leans
|
|||||||||||
|
WIJN.
|
WIJN.
r, 27. Muscat rouge; Vitis acinis rubris nigricantibus
dulciffimis. Garidel. Deeze is van grootteen gedaante nagenoeg als de voorgaande; de Beften van fommige trosfen zijn digt, en van anderen losfer in 't bosch; haar koleur is donker rood naar den biaauwen hellende, ze zijn ook zeer vleefchig, geurig en fterk musqueerende van fmaak; wordende deeze Druif van veelen nog geu- rigcr en vemevener als de voorgaande geagt, te weeten als ze wel rijp is, dat ze. egter bij ons natuurlijk nog bezwaarlijker wordt ais de voorgaande. 28. Muxat. gru; Vitis acinis fubrubentibus dulcißmit,
Deeze meen ik dezelfde zoort te zijn, als de voorgaan- de, beftaande het onderfcheid alleen in de koleur, de- welke van fommige trosfen rood, van andere grijsagtig rood of vaal, nog van andere bleek groenagtig of be- fmult wit,is ; welk, onderfcheid. tusfchen de voorige zoort, zeer waarfchijnlijk, nergens anders van daan komt, als van ons klimaat, en naar dat de trosfen min of meer op de Son bloot hangen en daar van aangedaan worden. 39. Muscat noir ; Vitis-acinis nigricantibus dulciffimis,
Mill. Hoveniers Woordenboek. De Befiën van deeze, zijn wat kieinder als de voorgaande, donkerblaauw, na den zwarten hellende van koleur; haar fap is zoet, dog niet zo aangenaam en fterk musqueerende als de voor. gaande zoorten ,, maar zij rijpt wat gemaklijker en vroe- ger, dog de Befiën worden bij ons bijna no'oit aan't zelve bosch te ïgelijk en volkoomen rijp, weshalven ondienftig is te cültiveeren, ten waare door konflinid- delen. Deeze Druif word veel gecultiveert omtrent Piacenza
en Padua in Italien, en van daar komt de vermaarde bloed roode Wijn Marzemina de Vincenza genaamt, dog die niet lang over, het jaar kan duuren; het is van deeze Wijné&i het fprèekwoord ontdaan is, eß,eß, iß, propter nimium efl, Dominus meus mortuus efi. , 30 Muscat long ; Vitis uva perambla , acinis oMongis
nigricantibus dulciffimis; maakt dikke en lange trosfen. De Befiën zijn groot, heel langwerpig rond , en don- ker blaauw van koleur, en wat los in 't bosch; zijnde voorts vleefchig en iets knappende ; haar fap is zeer, aangenaam en fterk musqueerende en geparfumeert.inaar wordt bij ons niet rijp, ten zij door konftmiddelen. Daar wordt in Portugal een zeer aangenaame roode Wijn van deeze Druif gemaakt, die niet al te heet is, en de iW«'' femine-wijn van Vincenza in Italien nabij komt. 3t. Muscat d'Alexandrie blanc; Vitis Alexandras*
uva perampla, acinis magnis oblongis, albidis, dulcùfi' mis; maakt groote trosfen, de Befiën zijn ook zeer groot, eijrond van gedaante, en heel los in 't bosch, van ko- leur groenagtig wit; zijnde voorts heel vleefchig, vast, en, wel rijp zijnde, van zeer zoete, aangenaame, wat musqueerende finaal?, maar ze vereischt veel warmte om rijp te worden, weshalven ze in ons klimaat nooit an- ders haare rijpte verkrijgt, als wanneer door konftmid' dels de warmte vermeerdert wordt. 32. Muscat d'Alexandrie rouget Vitis Alexandrice-.
uva perampla , acinis magnis oblo?igis, rubentibus dul' ciffimis; de Befiën van deeze zoort zijn wat kieinder als de voorgaande, anders van dezelfde gedaante, deugd en fmaak, haar koleur is rood, iets na den blaauwen netlende, ze wordt wat gemaklijker rijp als de voor- gaande, dog kan bij ons haare rijpte zonder vermeerder- de warmte niet verkrijgen, ten waare in zeer voordee- lige jaaren. Ik ben er niet ver van af, om te gelooven, dat deeze gemelde zoort dezelfde is met de Rozijn-druif, zie hier na. t 33, *«* |
|||||||||
|
4=54
|
||||||||||
|
leans en Champagne veel geagt, om dat ze een uitfte-
kende Wijn uitlevert. 22 Morillon rouge ; Vitis aurelianenfis , acitiis ru-
Iris. Deeze gelijkt in grootte en gedaante der Bellen na de voorige Morillons, maar de koleur is rood, hel- lende na den bruinen. Deeze Druif is veel geagt in de Provintien Orleans, Bourgogne en meer andere. Zij is de voortbrengfter van de lekkere en gezonde Bourgogne- wijn. ■ 23. Morillon noir; Vitis aurelianenfis, acinis nigri'
cantibus. Maakt tamelijk groote war langwerpige tros- fen; de Beften zijn meest rond en middelmaatig groot ; van Koleur donker blaauw, hellende na den zwarten; haar fap is fchoon rood, en wel rijp zijnde, geurig en aangenaam van fmaak, maar wordt bij ons niet rijp als in zeer voordeelige jaaren of door vermeerderde warm. te; ze maakt dik kortledig hout, en heeft wat ronder Bladen als de voorige Morillons. Deeze Druif geefteen uitfteekende Wijn, weshalven ze in het zuidelijke ge- deelte van Frankrijk voor een van de beste Druiven ge- ëftimeert wordt om roode wijn van te maaken. J.. 24. Morillon taconne ; Vitisfubhirjuta ; J. Bauh. Deeze
brengt korte dikke trosfen voort, de Befiën zijn van grootte als de voorgaande, te weeten middelmaatig, en djgt in 't bosch, en van koleur blaauw., haar fap is vrij zoet en aangenaam , dog de Wijn die daar van komt is op verre na zogoed niet als die van de voorgaande Mo- rillons , maar hij levert meer uit, om dat hij zeer draag- baar is. De Bladen van deeze Druif zijn ruigagtig wit, even als met meel bepoeijert, inzonderheid de jonge, maar van hij de naam van Molenaars-Druif bij fommige vërkreegen heeft. Voorts is deeze hard van natuur, kunnende de voorjaars ongemakken beter verdraagen als andere Druiven, weshalven hij in fommige kouder Wijngewesten van Frankrijk veel gecultiveert wordt, Maar wordt bij ons bezwaarlijk en zeer zelden rijp. ' 25. Morillon hative; Vitis prcox Columell, H. R. Par. Tourjvef. Infi. Maakt maatig groote trosfen, haar Befiën zijn middelmaatig groot, of liever klein,, in ver- gelijking van andere Druiven, en los in 't bosch; van koleur befmult rood na den blaauwen hellende,- haar fmaak is niet zeer verheven, en de fchil dik; zoude der- halven niet waardig zijn daar van te planten , zo het niet ware om haar vroege rijpheid, wordende doorgaans in Frankrijk rijp in julij, maar bij ons in auguftij, en is dus een van de vroegfle druiven. 26. Muscat blanc; Vitis acinis albis dulcisfimis ; Vi-
tis apiana. Garidel. Brengt langwerpige tamelijk groote trosfen voort, die doorgaans twee klejne trosfen aan de zijde naast de fteel hebben. De Befiën zijn ta- melijk groot ,-rond en zeer digt in 't boseh, aangenaam van koleur, geelagtig wit, en veeltijds wat met bruine vlekken gefprenkelt; de fmaak van deeze of diergelijke Miuskaate-Druiven is, als ze wel rijp zijn , zeer zoet en fterk musqueerende, van een zeer aangenaame geur , zo dat ze van veele voor de aangenaamfte van allebrui- ven gehouden wordt; zijnde zeer vleefchig en wathärd of knappende in 't eeten,maar ze wordt zeer bezwaar- lijk en bij ons bijna nooit rijp, ten zij in zeer voordee- lige jaaren, of abor konftmiddelen. Voor 't overige maakt ze zeer fterk houtgewas, en draagt fterk., Van deeze Druif wordt *de berugte en aangenaame
Muskaate-wijn y anders ook Frontignae genaamt, ge- maaktj deezelaatfte naam voert dezelve van de ftad Fron- riçnan in de Provintie-Languedoc, waar omtrent deeze Wijn vee! groeit en vandaan komt. ' |
||||||||||
|
WIJN.
33. PaarJ-Druif (witte ); Vitis prcox acino rotundo
(magno) albido dulci ; Mill. H. Woordenboek. Brengt groote trosfen voort, de Befiën zijn vrij groot en los in 't tjosch, van koleur eenigzints blinkende, als paarlen, waar yan ze de naam voert, baar fap is zoet en zeer aange- naam; ze wordt vroeg riip en is heel draagbaar, maar zeis aeer onderworpen om met wel te bloeijen, dat is, veel kleine onvolmaakte Bellen in 't bosch voortebrengen, welk veroorzaakt wordt door haar tederheid, waardoor 2e de koude in de bloeitijd niet kan tegenftaan, en dus weinig zet, dat haare achting niet weinig vermindert, fchoon ze anders buiten tegenfpraak een van de beste Druiven in ons klimaat is, wegens haare groote. draag- baarheid , gemakkelijke en volkomene rijpwording; dog dit kan te hulp gekoomen worden doormiddel van de- zelve op eene warme, voor koude en winden gedekte plaats te dellen, en vervolgens door uitknipping van de kleine en onvolmaakte Befiën. Ze maakt dikke, korte en kortleedige Looten, zo dat ze weinig of veel minder ruimte beflaat, als andere druiven. Ze is de beste om te vervroegen, om dat ze dan door de vermeerderende warmte uitbloeit, groote trosfen en Befiën geeft, en zeer vroeg aankomt. 34.. Paarl-Druif (blaauwe) ; Vitis prxcox, acinis ro-
tundis, nigricantibus Is vangrootte, gedaante en fmaak, zeer gelijk âan de voorige witte, behalven de koleur, die fchoon hoog blaauw is, ze misbloeit nog meer als de witte, daarenboven worden de Befiën aan 't zelfde bosch bijna nooit te gelijk rijp, weshalven ze in weinig achting is, wordende anders ook vroeg rijp, op een tijd met de witte. 35. Peterzelie-Druif; Vitislaciniatis foliis. Cormit.
Brengt tamelijk groote trosfen voort; de Befiën zijn maa. tig groot, rond, en wat los in 't bosch, groenagtig wit van koleur, en heel zoet en aangenaam, dog niet zeer verheeven van finaak; haar Bladen zijn diep en fijn ingefneeden, op de wijze als Peterfelie, waarvan ze de naam gekreegen heeft. Men zegt dat ze in de Pro- yintie Canada in Westindien in het wild in de Bosfchen groeit, en van daar in deeze Europifche landen over- gebragt is. Ze is heel dienitig om door kunstmiddelen te vervroegen. . 36. Pottebakker (blaauwe) ; Vitis vinifera fruüu cwru-
ho maximo. Comm. C. PI. H. M. confl. Deeze brengt groote trosfen voort, de Befiën zijn ook heeJ groot, en eenigzints langwerpig rond,' van koleur fchoon hoog blaauw, haar fmaak is tamelijk geurig, dog niet zeer verheven, gelijk die der Waterzoeten , egter nog wel waard geplant te worden , te meer om dat ze fterk draagt, en vroeg, tegen 't begin van october riip wordt. 37. Pottebakker (node); maakt groote trosfen , de
Befiën zijn wat grooteralsde voorgaande, rond en van koleur,rood, heilende na den blaauwen,ze is geuriger lis de voorgaande, draagt zeer wel, en wordt bekwaam lijp, kpomende iets laarer als de voorige. 38. Rozijn Druif ; Vitis damascena H. R. Par. Tour-
JJEi?. Intl. An Vitis Pergulana; C. B Pin. 298? Deeze brengt zeer groote trosfen voort, de Befiën zijn zeer groot, heel langwerpig of ovaal rond in 't bosch, haar ko- leur is-rood na den bfaauwen hellende', zijnde voorts- zeer vieefchig, fappig,van eene zeer lieflijke fmaak, dog wordt bii ons nooit riip, ten zij door konstmiddelen. : Deeze Druif g-roeit veel in Morea, Kandia, en an-
dere griekfcbe landen, te Damascus en Sijrien, Span« jen, en in andere zeer wanne landen, alwaar de langß |
||||||
|
WIJN. 425S
roode Rozijnenmt dezelve gedroogt worden. Zie ook
Damas Druif, en Muscaat d'Alexandrie rouge. Daar wordt ook een zeer delicaate Wijn uit deeze Druif
gemaakt, die bekent is onder de naam van Malvafier- wijn, hebbende deeze naam van de ftad Malvafia, an- ders ook Nepoli di Malvafia genaamt, op 't eiland Mo« rea, daar hij voor deezen gemaakt wierde , dog wordt nu ook in Spanien en elders vervaardigt. 39. Rozijn-Druif (witte) , verfchilt nergens in van de
voorige, dan dat de koleur groenagtig wit is. Deeze zal mooglijk dezelfde zijn met de Muscaat d'Alexan- drie blanc, hier vooren befchreeven. 40. Rijnjche Druif ; Vitis rhenenßs, acinis rotundis
fubluteis; brengt tamelijk groote dog kortvallige trosfen voort j de Befiën zijn rond, middelmaatig groot en vrij digt in het bosch, van koleur groenagtig wit, of wat geelagtig, als ze wel rijp is; en van een heel aange. naame geurige, dog doorgaans een weinig rijns of am- peragtige fmaak, inzonderheid als ze niet wel rijp is, dat ze hier te lande niet ligt wordt, ten zij in goede jaaren, draagt anders zeer fterk. Deeze Druif is de voortbrengfter van de vermaarde en gezonde Rhijnfche Wijnen. Van deeze foort is voor ruim 200 jaaren , ten tijde en op order van Keizer Karel den Vden, door een Nederlander, Pieter Simenszgenaamt, in Span- jen gebragt en omtrent de ftad Guadalcufar geplant;. waar van aldaar een heerlijke aangenaame goudgeele Wijn geperst wordt; en onderde naam van Perefinienez- wijn fdat is Pieter S intens wijn) ook bij ons bekent is, dewelke de andere Spaanfche Wijnen overtreft, door- dien hij niet zo vettig, fterk en koppig is, maar de aart van de Rhijnfche Wijn heeft. Hier uit leert men dat niet alleen het klimaat, maar ook de ingebooren aart van. een gewas, veel toebrengt tot deszelfs hoedanigheid, en; minder of meerder deugd en nattigheid. 41. Rhijnfche Druif (roode) ; Vitis rhenenßs, acinis
rotundis mbêjcentibus. Brengt grooter korter trosfen voort, als de voorige ; de Befiën zijn ook inaatig groot, rond, en digt in 't bosch, van koleur bruin roodagtig, als ze wel rijp zijn, en als dan van een geurige, dog wat rhijnsagtige fmaak, maar ze word bij ons zelden, en niet anders dan met warme jaaren volkoomen rijp, blijvende dus meest wat bleekbruin roodagtig en on- fmaakelük of zuur,- draagt anders ook fterk geiijkde' voorgaande. 42. Samoirean. Dit is, zelfs in Frankrijk , een gemee-
ne Druif, zal derhalven hiervan niet meermeiden. 43. Spaanfche witte Druif ; Vitis hispanica, uva
perampla , acinis rotundis ex albidis majoribus. Brengt groote trosfen voort; de Befiën zijn ook groot en rond- agtig, van koleur, wel rijp ziinde, wit of geelagtig zeer zoet van fmaak, en vieefchig, dog wordt bij ons- niet rijp, ten ware als men de warmte vermeerdert door konftmiddelen. 44. Spaanfche Druif (blaauwe); Vitis hispanica uva
perampla , acinis rotundis nigricantibus majoribus. Mill. Brengt zeer groote trosfen voort, die doorgaans twee- kleine zijdtrosfen hebben,-de Befiën ziinook zeer groot, rond, en van koleur hoog blaauw naden zwarten hel- lende, haar fap is zeer zoet, geeftig en verheeven van fmaak, als ze wel rijp zijn, en ze zijn vieefchig. De Bladen van deeze zooVt zijn meer ingefneeden ofgekar- telt als van de meefte andere zoorten van Druiven, dog dezelve wordt bij ons nooit wel rijp, ten zij door konft- middelen- Qqq 3 45- Spaan
|
||||||
|
WIJff.
|
|||||||||
|
4*5*'' WIJN.
|
|||||||||
|
veel waard om geplant te worde», Men moet deeze
zoort niet verwarren met de- PaarUDruif. 50 Water-zoet, met bonte Bladen; Vitis acinis albi.
dis dukibui, aquofis, folüs variegatis; deeze gelijkt ia alle deelen aan de voorgaande, behalven de Bladen, die geel bont zijn, weshalven ze van de Liefhebbers om de verfcheidenheid van Planten, zomwijlen geculti' veerd word. Daar is ook nog een andere bonte fôOrt, welkers
Bladen aan de kanten wit als verzilvert zijn; deeze bei- de foorten van Druiven, zijn iets tederder, Zo wel in 't groeijen als voortkweeken , dan wel andere Druiven. 51. Wilde-Druif; Vitis ßheßris, Labusca. C. B. Pi-
nax. Tournef. Infi. Boerh. J. A. Vitis folüs palmaß. angulatis, Linn. H. Clift. Roij. Prodr. Brengt maatig groote trosfen voort die kort zijn , en dikwils twee kleine zijdtrosfen hebben ; de -Befiën zijn ook maa- tig groot, rond, en donker blaauw van koieur, haar fap is hoogrood, zijnde 'als ze wel rijp is, van een ta- melijk geurige dog eenigzints trekkende fmaak; de Bia« den van deeze Druif zijn wat meer gefneeden als vau de meefte andere zoorten , en worden hoogrood van koieur, voor dat ze in de herfst afvallen , hooger als van de meefte andere blaauwe Druiven, die doorgaans alle, voor't afvallen, min of meer rood worden Deeze foort groeit in het zuidelijke deel van Frank-
rijk, omtrent Montpellier in Languedoc, Provence, als ook in Italien, en elders in het wild in de heggen eu bosfchen, aan de bergen, enz.; ze word in die Ge- westen zomtijds onder andere Druiven bij 't persfen ge- mengt, om de Wijn koleuriger, duurzaamer, en herte- lijker te maaken, voor Menfchen die een hertelijke of iets adftringeerende Wijn beminnen ; welk gebruik men zegt, dat eerst een zeker ehgelsch koopman zoude uitgevonden, en aan de Franfchen gerecommandeert hebben, weshalven deeze Druif nu ook op fommige plaatzen van gemelde gewesten, in de Wijnbergen ge- cultiveert word. Voor eenige jaaren waren deeze ad' ftringeerende roode Wijnen ook in deeze Nederlanden, onder de naam van Pountac, veel in agting, dog worden nu zedert korten tijd minder begeert, en niet zonder goede reden, dewijl ze, behalven de onaangenaamheid van de fmaak, ook ongezonder zijn als de zagte Wijnen. 52. Wilde vifjblaadige Druif uit Virginien, of Canada*
Vitis quinquefelia Canadenfis, fcandans. Tournef. Inß, Boerh J. A. Vitis folens quinatis, foliolis ovatis Jet' ratis. Linn. H Clif. Roij. Prodr. Deeze zoort is uit Virginien of Kanada, daar ze in 't wild groeit, tot ons gebragt, niet om de Vrugten, maar om Priilen, Ber- ceaux, Muuren, enz., met te bekleeden, waar toe ze zeer bekwaam is, om dat ze een mooi Blad maakt, zeer fterk en fchielijk opgroeit, maakende in de lomer veeltijds Looten, van meer als twintig voe'en lang;en daarenboven , om dat ze'zeer hard is, kunnende de fterkfte vorst, winden en andere ongemakken beter te- genftaan, als bijna eenig Europiaansch Gewas. Het verwondert mii zeer, dat dit Gewas in de Ne*
derlanden en Hoog-duitschland zo weinig rot voorge- melde^ dingen gebruikt word, temeer, om dat 't ligt te kweeken is, maakende de ftokken zeer gemaklijk en ras wortels; wat de reden daar van is, weet ik niet, dog zeer waarfchijnlijk is 't die, om dat men 't gemelde ge< bruik niet en weet; hoewel reeds de Schrijvers daar van gefprooken hebben , onder anderen Muntino itJ zijne waart> oefening der Planten, , Hoe-
|
|||||||||
|
45. Spaanfihe Druif (roode) , Vitis hispanica, ttv-
perampla, acinis rotundis rubris majorions; deeze gelijkt van grootte en gedaante na genoeg aan de voorige, be- halvert dat de koieur hoog rood is, met een blaauwag- tige waas, haar fap is zeer zoet en aangenaam, dog wordt bij ons niet anders rijp als door konst, gelijk de voorige. ■ Deaze zoorten groeijen veel in Spanjen, en daar
wordt, van die welke omtrent Alicante in 't Koningrijk Valentia groeijen, de zoete, aangenaame en fterfte AU- eante-wijn van gemaakt, die donker rood, bruin zwart is, te weeten, uit de twee laatstgemelde. De witte zoort brengt ook een vette, fterke witte wijn voort. 46. Traminer'Druif; Vitis acinis rotundis fubrubescen-
tibus. Dit is een duitfche Druif, die in veel Gewesten van Hoogduitfchland, daar Wijn wast, gecultiveert wordt, om dat ze aangenaam zoet is, en wel rijpt ; ze maaltt maatig groote trosfen, en de Befiën zijn rond, bleekrood, op de wijze als gebakken bleekroode fteenen. Ze kan ook bij ons rijp worden, dog is hier te lande wei- nig bekent. 47. Wijn-Tint; Vitis acinisnigricantibus,fucco ruber-
rimo tinüorio. Dit is een zoort van zwarte of donker- bhauvre Morillon of Auvemat, brengt tamelijk groote trosfen voort, de Befiën zijn rond, tamelijk groot, en vast in 't bosch, van koieur heel donker blaauw, bijna zwart, haar fap is heel hoog- ofdonker-rood, en fterk vervende, waar van ze de naam heeft; dé fmaak is ta- melijk zoet, dog eenigzints trekkende, hebbende een aardagtige fubftantie; ze word bij ons bezwaarlijk , endus zeldzaam rijp, Deeze Druif word op veele plaatzen in Vrankrijk in
de Wijnbergen gecultiveerd, niet zo zeer om daar al- leen Wijn van te maaken , maar voornaamentlijk om de Wijn van andere roode Druiven, door vermenging met deeze, bij de pefsfing, een hooger roode koieur, en meer lighaam te geeven, waar door die aanzienlijker word en beter ksfn duuren. 48. Vroege van der [.aan; Vitis prtecox batavica, acinis
fublongis, albidis dulcibus. Brengt tamelijk groote tros- fen voort, de Befiën zijn middelmaatig groot, eenig- zints langwerpig van gedaante, van Koieur witagtig, en blinkende als ze wel rijp is; haar fap is heel zoet en aangenaam, en ze word bij ons vroegen behoorliikrijp. Deeze Druif is door Adriaanvan der Laak, in ziin tijd Rentemeefler van Rhijnland in Holland, uit zaad gewonnen, weshalven ik ze Vitis Batavica in 't latijn, tor onderfcheiding van andere Druiven,genoemt nebbe, ze is zeer bekwaam om te vervroegen. beter als de Paarl- Druif, fchoon ze zo groot van Befiën niet en is, orn dat ze niet ligt misbloeit. Daar word bij fommige van een zo genaamde Dia-
mant Druif gewaagt, maar het is zeker dat die geen an- dere zoort, als een welgewasfene en wel rijpe vroege Va« der Laan is, gelijk ik door eigen ondervinding ge- Waar geworden .ten , aan dewelke de naam van Dia- tyant'Druif gegeeven is, door deeze of geene Liefheb- ber uit eigen fantafie of goeddunken, gelijk als 't meer gebeurt met allerlei Oöft-vrugten. 40. Wattr-zoet; Vitis, acinis albidis, dulcibus aquo-
jßs;Vitis atbv dü'kis, ), Baubin. Brengt tamelijk groo- jg* trosfen voort, de Befiën zijn rond, vrij groot en tos,in't bosch, van koieur, rijp zijnde, witagtig; ze Word vroeg en wel gehoeg rijp, maar ze is waterig, laf,en niet zeer verheevren van fmaak, en derbalven niet |
|||||||||
|
WIJN.
t- ttoedatmig den Wijngaard mort gekweekt worden.
J)e Wijngaard is een gewas dat meerder warmte
eisçht, als ons klimaat doorgaans geeft; weshalven de Druiven bij ons bezwaarlijk en niet anders rijp Worden , als in goede warme jaaren, en zulks nog maar eenige weinige zoorten die vroeg rijpen, moetende daarenbo- ven aan muuren en ftekkagien , die een goede expofnie hebben, geplaatst Haan. Daar te boven, vereischt bij om wel te flaagen, geen
zwaare, ftijve, kleiagtige, nog laage vogtige grond, maar liefst een losfe, hooge, droage, fandagtige aar. de, die vrugtbaar is,-'t zij die van natuuren zo is, of wel door konst zodaanig bereid word. Men moet uit dit gezegde niet befluiten, als dat de IVijngaard in goe- de Weilanden niet groeijen wilde , geenzints, maar hij groeit in zodaanige grond al te weeldrig, waar door hij kleine vrugten voortbrengt, die dan ook nog om dat de fappen of voedzel-deelen meest tot "t hout verfpilt wor- den, als mede uit oorzaake van de koude des gronds, niet of ten minften zeer bezwaarlijk rijp worden. Der- halven moet men , indien men goede en fmaakelijke Drui- ven wi\ hebben, zodaanige gronden die van natuurcniet .bekwaam zijn dezelve voorttebrengen , door konst ver- beteren; het welk de ondervinding geleert heeft, in ons land 't best op de volgende wijze te gefchieden. De grond uit klei of andere zwaare en koude aarde be-
ftaande, zo graaft langs de muur of ftekkagie, daar gij den IVijngaard denkt te planten , een kuil van drie voe- ten, diepte, en zes a agt voeten breedte, brengt, on- der in deeze kuil een laag van omtrent een voet dik, gruis van oude muuren dat met kalk vermengt is, en waar onder men wat aarde mengen moet; vult vervolgens de kuil met het volgende mengzel. ■ Vier parten goede losfe vrugtbaare aarde, een part fand, twee parten vergaane bladaarde of die van oude verrotte ftraatfiijk, en een part vergaane paardemest, plant hier in uwe Wijngaarden , en zij zullen er buitengemeen wel ira tieren en goede vrug- ten voortbrengen. - Wanneer men bij 't graaven der kuil gewaar word,
dat er beneden in meerder diepte eenige taaije of harde ftoffe, als leem, darij of vels zich bevind , zo moet men die vooral roerenen zoveel doenlijk is, wegneemen, en,de ledige plaats met fteengruis waar onder eenige aar- de is vermengt, aanvullen; dewijl die floffe er inblij- vende alle andere aangewende moeite en kosten vrugte- loos zoude maaken , dewijl daar door't water niet na be- neden in de diepte kan wegzakken, en zulks de grond al te vogtig maaken en verkoud. Wat de fand of fandagtige gronden betreft, daar me-
de heeft men zo veel moe>te en omflag doorgaans niet van noden, want als die uit den aart goed en vrugtbaar zijn , £al de fVijnflok daar in zeer wel groeiien; dog beftaat die uit onvruatbaar fand, zo moet men daaronder zodaa- nige floffe vermengen die veel zelfftandigheid en voe- tiende deelen heeft,- zo als oude vergaane koe mist, bagger, ftraat-flijk, enz. ■ Vooral moet men zich wagten om verfche mist, ins-
gelijks run die nog niet geheel vergaan is, onder de aar- de te mengen, dewijl zulks voor de Wijngaarden doo delijk is, inzonderheid voor de jonge hoornen; want de fijne wortels worden door deszelfs fcherpte verbrand ge volgKjk houd degroeijing op, behalven nog ook dat de niest, die niet geheel en al vergaan is, Wormen veroor- zaakt die de Wotels bederven. Derhalven zo moet men bij de IVijnflokktn nimmer van andere mest gebruik |
||||||
|
WIJN. 4257
maaken, als die door ouderdom genoegzaam tot aarde is
geworden, als dan met oordeel gebruikt zal zegeen hin- der maar voordeel toebrengen. Ook zijn alle verrotte vegetabilia en animalia voor de Wijnfiok zeer dienftig, en maaken die vrugtbaar; waar het van daan koomt, dat zommige raaden , dat men deeze of geene doode bees- ten, inzonderheid een Kat bij de onvrugtbaare Wijnßok- ken begraaven moet; en dat de ondervinding gelee« heeft, ook een zeer goede uitwerking te hebben. Wat de manier om de Wijngaard voortteteelen be-
treft, zulks kan op vierderleij wijze gefchieden, als i. door Inlegging' 2. door Steeking; 3. door Uitkopirs en 4. door 't Zaad. 1. Tot Inlegging neemt men jonge, een-a twee-jaa«
rige fleurige Takken ; men kort 't uiterfte einde van 't eenjaarige gewas, zo verre 't dun en onrijp is, war af, men doet een fneede ter plaatze daar een knop of oog is, en legt het zelve vervolgens omtrent anderhalf voet diep boogswijze in de grond, zodaanig dat er maar 1 a 2 00- gen boven uitfteeken. Men moet de Looten niet tedigt tegen de muur of 't ffaker, waar tegens de boomen ge- plant ftaan, inleggen, op dat ze in het vervolg niet door de haar boven hangende takken en bladen des Moe- der booms overdekt en verdrukt worden , dewijl zulks haar zeer veel in de groei zoude verhinderen. Voordeezen was veelvuldig in gebruik, om de Looten
in met aarde gevulde korfjes te leggen, neemende daar toe gemeenlijk pijpe-mandjes; maar dit word nu weinig meer gedaan , dewijl de ondervinding geleert heeft, dat het voordeel 't welk men daar door trachtede te bekoo- men, naamelijk, om de aarde aan de jonge bewortelde looten naderhand bij het verplanten te behouden, en de- zelve daar door beter in het gewas te doen blijven, en voorfpoediger te groeiien , van weinig belang, en niet beter, ja zelfs minder is, als wanneer de Looten in de vrije grond gelegt worden; men bedient zich derkalven nu niet meer van deeze manier, dan wanneer de inleg- ging oy geen andere wijze gevoeglijk kan gefchieden, namelijk, wanneer de Boom beneden bij dengrondgee- ne Looten heeft, zo als het wel aan Wijnjlokken ge- beurt, die men aan hooge muuren of op de daken der huizen op laat loopen; hoe grooter in zulke gevallen de korfjes zijn, hoe beter, en men dient als dan ook wel zorge te draagen , dat de aarde in de korven geduurig bevogtigd worden , inzondeiheid geduurende drooge fomertijden. 2. Tot het Steeken fnijd men van de zwaarite, kort»
ledige, eeniaarige fleurigfte Looten, met 3 a 4 vin. gerbreed tweejaarig hout daar aan, en men kort 't boveneinde af, zoo dat er maar 4, 5 of 6 Looten aan blij- ven. Deeze Looten vervolgens onder opgefpouden of een draai gegeeven hebbende, fteekt men dezelve in een daar toe gemaakte greppel, die met goede, fandige wel bereide aarde is opgevult, op een warme dog voor de frerkfre zon iets befchaduwde ftandplaats -. men moet ze zo diep zetten , dar er maar een a twee botten boven de aarde uitfteeken, en dar het overige van de Loot ee;. nigzints fchuins in de grond koomt; deeze Looten zui- len doorgaans binnen twee iaaren zo veel bewortelen, dat ze kunnen verplant worden daar men begeert. Men fteekt ook we1 Looten aan de muuren en ftekkaad-
fien , om zealdaar zo- derte verplaatzen, te laatendoor. groeiien; het welk ook indien 't gefchieden kan, altijd beter is, als't verplanten, dewiil ze als dan vroeger aan de gang raaken en fleuriger gewas maaken j: maar als dai\
|
||||||
|
WIJN.
ze, als «er teer zijnde , voor de brandende Son in de
heete fomerdagen tebefchermen; vervolgens moeten ze, naar maate dat ze aangjoeijen, aan ftokken gebonden worden , en zo deeze of geene met meer als een fcheut groeijen, moet men de zwakfte wegfnoeijen en maareen behouden, op dat deeze te fterk er kan aanyoeijen, ge. lijk te vooren bij 't fteeken gezegt is. Ook moet men, om dezelfde reden , alle bij-fcheuten, die nevens de bot- ten voortkoomen, zo ras men die maar gewaar1 word, als mede de baarden of draaden, wegneemen. Deeze jonge Scheut word daar na in de volgende herfst, even als de Takken, op 2 â 3 voeten ingekort, en de hier uit voortkomende Scheuten by de volgende fnoeijing weer wat kort gefnoeit, om kragtig houtgewas, en vroe- ger vrugten te verkrygen. Daar na worden ze in de vol: gende jaaren met fnoeijen behandelt, gelijk hier na aan- geweezen zal worden. Deeze uit Zaad voortgeteelde Druiveboomen brengen doorgaans, als ze wel behan. delt zijn, in het 4de of 5de jaar hunne eerfte Vrugten voort. Indien men dan 1, 2, à 3 zoorten verkreegen heeft, die een goede hoedanigheid hebben, indien ze al niet boven andere excelle eren, zal men over de gedaane moeite vergenoegt kunnen zijn. Het is aanmerkelijk, dat't Zaad uit witte Druiven, ookblaauwe, en dat van blaauwe, ook witte Druiven geeft. Aangaande de tijd van het verplanten der jonge Wijn-
flokken , 't zij die uit zaad, fteek, inlegging, of uit- loopers geteelt zijn, zulks kan gefchieden, zo wel in de herfst als in het voorjaar, dog in deeze laatfte tijd, hoe vroeger hoe beter, zo ras maar de winter over en de vorst uit de grond is, door dien anders de bloeding in latere tijd, de groeijing veel verhindert. Dog ds herfst-planting is altijd de beste voor de Wijnflokken. Men moet wijder« tot 't planten nooit anders als jon-
ge, welbewortelde, fleurige Wijnflokken verkiezen, om dat de ondervinding leert, dat oude niet of zeer bezwaar- lijk aan 't groeijen raaken,daarbij moet men zorg draa- gen, zodaanigen te planten, die niet lang uit de grond geweest, en dus de Wortels niet verdroogt zijn, 't welk haar ook in de groei zeer hinderlijk , ja veeltijds dood« lijk is, en om die reden, moet mende Wortels der ion« ge Wijngaarden, als ze na verre afgelegene plaatzen gezonden zullen worden, in langwerpige korfjes met wat aarde'gevuld, of in boom mps, of in ftroo, met moscovifche matten er oin heen, pakken, en dus ver- zenden. Bij het planten kort men de Looten tot op 3, 4, à 5
botten in, en men plant ze in diervoegen in de aarde, dat ze wat fchuins daar in koomen te leggen, en dus er maar t â 2 botten boven de aarde blijven uitfteeken; dit fchuins leggen is van Veel dienst, inzonderheid als de jonge Wijnflok lang is , om dat de Wortels daardoor niet te diep in de aarde komen, en dus de Son dezelve beter kan aandoen, maar men moet teffens zorg draa- gen , om dezelve» nà 't verplanten, in 't eerfte jaar bij droogte, vogtigte houden, en voor fterke Son wat te befchaaduwen, gelijk als te vooren bij 't fteeken ge- zegt is. Ik heb te vooren reeds gemeld, dat de Druiven veel
warmte tot haare rijpwording noodig hebben, en der- halven bij ons niet wel, gelijk in de warme landen, op enkele ftokken haare rijpheid kunnen verkrijgen, maar aan muuren of fchuttingen moeten geplant worden .om- trent welke de warmte door de reflexie der fonneftraa- leti veel vermeerdert word. Inmiddels zomoet men hier bij
|
||||||
|
4258 WIJN.
dan moet men wel zorge draagen, datdegeftookenéLooî
ten, in het het beetfte van de fomer voor de brandende middags-hitte befchaduwd worden, ook de-grond door begieting vogtig te houden, dewijl ze anders op die plaat- Een zeer bezwaarlijk aan de gang raaken, en veeltijds niet voortkoomen; zijnde voor de uitdrooging des gronds zeer dienftig, dat men die met oude run, kroos, of ee- nige andere ruigte overdekke. Wanneer nu deeze geftookene Laoten beginnen te
fpruiten, en met meer als eene fcheut groeijen, zo moet men er enkel maar een dat de fterkfte is daar van behouden, en alle de overigen, na dat ze een paar vingers lang opgefchooten zijn , uitbreeken, op dat de overblij- vende enkelde fcheut meerder voedzel bekoome 'om tie- rig op te groeijen, en welke van tijd tot tijd naar maa- te hij opfchiet moet aangebonden worden. Om dezelfde reden moet men ook niet verzuimen alle zijdtakjes die uit de fcheut voortfpruiten, als mede de krullen, bij tijds weg te fnoeijen; dog men moet die vooral niet inkorten, dewijl daar door minder fterk zouden worden. Bij de volgende winter.fnoeijing word voorts deeze fcheut heel kort of op twee a drie oogen afgefnoeit, om in het daar aan volgende jaar goerie Looten te maaken. En dewijl de geflookene Lootenhet eerfte jaar nog maar enkel tedere Wortels maaken , die een geftienge vorst niet kunnen tegenftaan.zo moet men tegen den winterde aarde boven de Wortels met run of ftrooagtige Mestoverdekken. De beste tijd van fteeking is in het najaar, zo dra de bla- den van de boomen zijn afgevallen ofwel de groei op- houd, ook kan zulks in het voorjaar gefchieden, dog zulks houde ik niet voor zo goed. 3. Van de Voortteeling der Wijngaarden door Uitlao-
pers, valt weinig anders te zeggen, als dat men die met zo veel wortels van de Moeder-boom moet zienaftekrij- gen, als 't doenlijk is; deeze Worrels wat befnoeit, gezuivert, en vervolgens behoorlijk geplant zijnde, moet men ze geduurende het eerfte jaar voor fterke vorst, brandende fon, en droogte zorgvuldig bewaaren. 4. De Voortteeling der Wijngaarden door haar Zaad
gefchied zeer weinig , en niet anders als van groote Liefbebbetss om reden dat 't daar mede langzaam toe- gaat, eer men er Vrugten van krijgt; en daarenboven uit 't Zaad doorgaans, gelijk uit de meeste andere Ooft- vrugten, flegter zoorten voortkoomen, hoewel onder een getal jonge zaailingen, zich bij geval nog wel een ©f eenige goede zoorten opdoen ; gelijk het ook zeker is, dat alle de tegenwoordig bekende verfchillende zoor- ten van Druiven, niet anders als door 't zaad voortge- koomen zijn, en aldus heeft ook die zoort, we\kevroe- ge van der Laan genoemt word, en een van onze beste en fmaaklijkfie zoorten is, haare oorfprong in Holland gekregen. ' Die geene dan, welke lust en gedult genoeg hebben,
om de fVijhflok uit het zaad te kweeken »moeten 't Zaad Of de Korrels neemen uit doorrijpe Druiven, van de beste zoorten, en het zelve voor de winter, in de maand november, zaaijen, op een bedde van goede, losfe, fan dige aarde toebereid, en op een goede, warme, fonni- ge, voorwinden gedekte plaats, tegen of omtrent een muur of ftaket, zorg draagende, dat 't zelve de volgende "winter tot 't voorjaar toe, met wat lange mest,tegen de (vorst, overdekt worde. Wanneer nu 't volgende jaar de jonge Boomen voorden dag gekoomen zijn , moet de igrond tusfehen dezelve zorgvuldig fchoon, en bij droog- te bekwaam vogtïg gehouden worden ; ook dient men |
||||||
|
WIJN.
bij wel aanmerken, dat, fchoon de Druiven veel warm.
te begeeren* dezelve nogtans liefsteen Jangduurige warm- te; willen, hebben, en geen brandende Son kunnen ver- tagen, inzonderheid omtrent den tijd van haare rijp- wording, als waardopr ze taai, en dikhuidig worden ja dikwils geheel verdroogen, en dit wel voornaamlijk de vleefchige Druiven, als de Muscadel, Frontimac, en Frankendaler, enz. Kunnende de waterige, als de iaarl'druif, vroege van der Laan, Leipziger,'enz. be. ter eene derke Son uitdaan. Derhalven, dewijl de Son aan de eene expofitie warmer en meer brandende is, als op de,andere, zo behoorde men de zoorten van Drui. ven niet onverfchillig aan allerlei expofitien te dellen De beste expofitie voor vleefchige Druiven, en vervol- gens voor alle in 't algemeen, is de zuidoosterdand, dewijl die niet al te brandende is, en wegens meer ande- re voordeden. Daar aan volgt de ooster-, en de zuider- ftand, zijnde deeze laatite 't bekwaamde voor de wate- rige Druiven. . Aan de expofitien veel over 't zuiden naar 't westen,
moet men nooit Druiven (lellen, dewijl dezelve bè. halven andere gebreken, geen warmte genoeg geeven, om de Druiven te doen rijp worden, ten waare weinige rroege zoorten, die egter daar niet zeer fmaaklijk worden. Zommige Liefhebbers hebben onderzogt, om de Wijn-
gaarden in ons land aan (tokken te teelen , maar dir. wilde niet gelukken ._ ze groeijen daar aan wel genoec, en -brengen ook vrugten voort, maar die worden niet" rijp, ten ware in een zeer voordeelig jaar. Daar en tegen is die manier goed, om de Druiven op de dakken der ge- bouwen, die niet zeer hoog en op 't zuiden, zuid oos. ten, of oosten geexponeert zijn, te leiden, gelijk bij ons veel gefcbiedc, alwaar men bevind, dat de Druiven zeer goed worden, en zomtijds beter als aan goede muu- ren, waar van de reden is, om dat dé Son daar op zo brandende niet en is, dewijl veele draaien tusfchen de pannen op de zouderinge dringen, 't welk teffens de Druiven zo wel nagts van agteren, als 's daags van voo- r-en verwarmt, en dus rijper doet worden. In navolging van deeze laatstgemelde ondervinding,
zo prafticeeren fommige Liefhebbers latwerken op een warme plaatze van de Tuin, van 7 à 10 voeten hoog die ze van agteren met dakpannen doen digt behangen \ in meeninge van de Druiven daar door zo veel te beter te doen rijp worden, even eens gelijk als op de dakken gefchied. Maar de ondervinding leert, dat ze daardoor weinig voordeel genieten , door dien het een groot on- derfcheid is tusfchen een dak van een Huizinge, en de gemelde latwerken met pannen bekleed; in deze worden de tusfchen de pannen doordringende fonneftraalen , en gevolglijk de warmte, niet bewaart, maar door de lucht en wind verdrooit, die daarentegen op de zouderingen be- houden blijft, en dus aan de Druiven van veel nutkanzijn. : Tot het planten van Druiveboomen, om ze op de daken te leiden, als mede aan hooge muuren, enz moet men zodaanigen verkiezen, die van natuur veel' gewas maaken en hoog groeijen, bij voorb. de vroege vm der Laan, Leipziger, Goed-Edel, Frankendaler enz. en gelijk de meeste vleefchige Druiven doen. In de Gewesten die warmer zijn als het onze, beplant
men de Contie-Espaliers, Prieelen, en £erçeaux met Wijnßokken, die niet alleen cierlijk daan, als ze wel onderhouden worden, maarçok fchoone vrugtengeeven dog dit kan hier te lande ook, om gemelde reden, niet gefchieden, als op een zeer voordeelige plaats. , VII Deel. |
||||||
|
WIJN. 4159
Aangaande de didantie die men de Wijnßokken aan de
muuren en dekkagien geeven moet, hier in moet men zig reguleeren naar den aart der zoon, en na de deugd des gronds; dewijl zig de eenezoort, van natuur, meer uitbreid als de andere, ook dezelve in een derke grond weelderi- ger groeijen als in eengemeenejmaakendein het bijzon- dere in onze kleiagtigegronden, zeer weeldrig houtgewas. Van het fnoeijen, enz. der Wijngaarden.
Daar is geen Bouw of Heester-gewas waar aan het
fnoeijen noodzaakelijker is dan aan de Wijnftok. Indien men daaraan het mes niet bedeedde, zoude men niet anders dan verwilderde (huiken, zonder of met weini- ge en dan nog (legte vrugten hebben. Daar word tweërlei Jnoeijing aan de Wijnflok geoef-
fent, naamelijk ds winter-, endefomerfnoeijihg; zünde delaatde zeer noodig en onvermijdelijk, om de Loten te betemperen, en goed, vrugtbaar hout te verkrijgen, fchoon dezelve bij de meeste Hoveniers verzuimt word. Daarentegen dient de eerde boofdzaakelijk, om den Wijnflok kort, en bij zijn kragt te behouden , en goede derke Looten te doen uitfpruiten, tot voortbrenging van fchoone groote vrugten en trosfen. Aangaande deeze winter-fnoeijing, heeft men hoofd-
zaaklijk te letten op de volgende zaaken. 1. Op de fnoeijwijze.
2. Hoe lang of kort te fnoeijen,
3. De tijd van fnoeijen
Wat de fnoeiwijzebetreft, zo moet men, voor en al-
eer men begint te fnoeijen , de geheele Boom over- zien, en overweegen wat daar aan te doen (laat, wel- ke Looten dienen behouden en lang gefnoeit, en welke weg of geheel kort moeten gefnoeit worden. Het zijn de zwaare, welgevoedde Looten, en inzonderheid die kortledig zijn, en dikke botten hebben, die men tot vrugt-voortbrenging moet bewaaren , en lang fnoeijen, om dat die doorgaans, als de meede kragt hebbende, de grootde en meeste trosfen voortbrengen ; deeze koo- men doorgaans aan de einden der in het voorgaande jaar gefnoeide Looten voort, dog ook wel meer beneden- waarts, invoegen dat het hovende dan de zwakfte is, en in zulken gevalle word het hovende tot aan het la- gere zwaare geheel weg, en dit vervolgens langs gefnoeit. De overige lagere Looten, die gemeenlijk dunner zijn , worden daar na op 2 à 3 botten ingekort, dog de over* vloedige,.en vooral de magerde, geheel weggefnoeit, invoegen dat er niet meer als 2 â 3 dus kort gefnoeide Looten aan den moeder tak blijven. Deeze op zi 3 botten gefnoeide Looten, worden Spo-
ren genoemt, en zodaanige fpoor-fnoeijing is van zeer groot belang aan de Wijnftokken, ja hetvoornaamfte, om dat dezelve daar door bij kragten, en in flaat van. vrugtbaarheid gehouden worden, want terwijl de lang. gefnoeide vrugtbaare Looten hunne kragt befteeden aa» de voeding der vrugten, zo doen de Spooren ondertus- fchen zulks aan de voortbrenging van goede zwaare Loo- ten voor 't volgende jaar; wordende als dan het oude vrugt gedraagen hebbende, doorgaans rot aan deeze nieuweuit het fpoor-hout gegroeide Looten geheel weggefnoeit; ten ware het zelve kragtiger Looten voortgebragt hadde, als het Spoorhout, gelijkzomwijlengevailig gebeurt; in welk geval men dezelve fnoeit, gelijk die uit het Spoor- hout gegroeit zijn. Kortom, men moet altijd, zo als reeds gezegt is, de
zwaarde, kortledigde Looten, waar die ook mogen ge-
Rrr plaatst
|
||||||
|
4**0 WIJN.
plaatst ftaan, tot vrugt-hout lang , en de overige tot
Spooren kort fnoeijen ; mits daar bij acht geevende, dit men, indien de Wijnflok, 't zij uit zijne natuurlij- ke aard, of door'een fterke voedzaame grond, alte veel hout gemaakt hadde , dezelve van een gedeelte van zijn gewas, al ware het zelfs vrugt of goed fpoor-bout, door uitfnoeijing van deeze of geene oude takken', of Looten ontlast. Dunne, magere Looten moeten in het bijzonder altijd weggefnoeit worden, alzo die niet als weer magere Lootjes, en daarna kleine vrugten voort- brengen en den Wijnßok verarmen. De Wijnjlokken brengen ook, gelijk andere Ooftboo-
men, Water-looten voort,, die niet alleen onvrugtbaar zijn, maar ook de geheele ftok kunnen bederven en onvrugt- baar maaken; weshalven men die hoe eer hoe beter moet uitfnoeijen , of korten. Deeze Water-héten of Zuigers, worden gekent daar aan, dat ze veel weeldri» ger en langer als andere Looten, en daar en boven zel- den wel rond, maar doorgaans kantig of plat, en het benedenfte einde dunner als omtrent 't midden of na boven toe, en zeer wijd-bottig, met kleine fcherpe botten, groeijen. Wijders zo dient men bij de Wïnter-fmeijing nog agt
te geeveo, dat men de vtugtbaare Looten altijd bovea een vrugtknop fnoeije , want dezelve zo wel als andere Vrugtboomen, vrugtknoppen hebben, welke wegfliî- jende, zoude men zekerlijk den Boom onvrugtbaar maa- ien. Deeze vrugtknoppen zijn kenbaar daar aan, dat ze dikker en ronder als Blad-knoppen en veeltijds als dub- beid , met twee fiaauwe punten, zijn ; de Biad-knop* pen daar in tegen zijn dunner en puntige». Mèn moet ook voorts zorge draagen, defneedenmet
te ver boven de knoppen of botten te doen, nog ook. al te digt daar bij, 't welk beide zeer nadeelig is. Maar mij dunkt, ik zie fommige verlegen of twijffét-
agtig, hoelang of kort ze de vrugtbaare Looten moeten fnoeijen, dewijl ik daarvan nog niets gemeld heb, en het de Hoveniers en Liefhebbers daar in niet eens mn, willende de eene dat men, om vrugten te krijgen, moet heel lang, en de andere,dat men zal kort fnoeijen; zie hier waarde zaake op rust: Het is zeker, dat den ee- nen Wijnßok fterker groeit, en langer Looten maakt als den anderen, 't zij dat zulks voortkomt uit de natuur des Wijnftoks, of door een fterke vrugtbaare of, min- der vrugtbaare grond. Ook groeijen de Looten aan denzelfden Stok van verfcbillige lengte en zwaarte; dewijl nu de ondervinding leert, dat de weelige Wijnjlokken^ meer vrijheid in haar groei begeeren als andere, diege- tempérder groeijen; zo moet men derhalven de Looten van den eenen Stok, en die van verfchillige groet aan de» zelfde ftok, 6ok langer ofkoiter, dat is,met meerder of minder knoppen, gefnoeit worden, als die van een ander; hier daor komt het dan te gebeuren, dat men de Looten zomtijds met 4, 7 à 10 knoppen ftioeijen moet; leerende de ondervinding, dat de weeldrig groeijende vrugtbaare Looten de vrugtknoppen, waar boven men 2e korten moet .verder van hunne oorfprongafftaan heb- ben , als andere die getemperd groeijen. Dog dewijl, als men genoodzaakt is een weeliggroei-
jende Wijnflok lang te- fnoeijen, door den tijd de Stok te groot word, en dikwils geen ruimte meer aan de muur, enz. heeft, zo brengt zulks veeltijds de Hoveniers in ver- legentheid, niet wetende hoe daar mede te handelen; in zulken gevalle moet men den Stok vernieuwenr welk gefchied op tweederlei wijze, als- |
WIJK.
ï. Door middel van inkorting der Takken, op dat zff
benedenwaards weer nieuwe kragtige Looten uitwerpen; dog deeze korting moet niet anders gefchieden, als tet plaatfe daar jonge Looten uit 't oude hout voortkomen- de zijn, of boven een knobbelagtige verhevendheid heb- ben, dieaantoond, datdeStofc daar fpruiten kan, want anders zoude de Stok gevaar loopen van door de over- vloedige fappen te verdikken, dewijl het oude hout van de Wijnftokkm niet uit de fchors overal, gelijk die van andere Boomen fpruit; moetende men teffens ook de overvloedige (legte oude Takken tot geheel beneden aan de grond wegfnoeijen. Men kan de Wijnfiokken ook tot- geheel bij de grond op gemelde wijze affnoeijen, en dan geheel vernieuwen, gelijk fommige zulks om de io à 12 jaaren waarneemen. 2. Ten tweeden, zo kan de vernieuwing ook gefchie-
den door middel van eenige oude lange Takken aan weer» zijden, boogswijze, in de grond te leggen, op dierge- Jijke wijze als te vooren aangeweezen is, zodanig, dat maar de u'ttterfte jonge Looten boven de grond uitftee- ken, eo in het vervolg aan de muur, enz. weer opwaards geleid worden. Deeze manier is van veel nuttigheid, als maar de ruimte zulks toelaat, want de ondervinding leert, dat zodaanige ingelegde Takken in 't vervolg de fchoonfie en grootfte Druiven voortbrengen, beter als te vooren, of als andere diergelijke oude , oningelegde Takken; waar van de reden is, om dat men deeze inge- legde Takken, met er tijd Wortels gemaakt hebbende, aanmerken kan als jonge Wijnflokken, welke men bevind àïttjdgrooter en fchoonder Druiven tegeevcn, als oude; waar toe ook contribueert, om dat ze meer voedzel ontvangen als andere Takken ; dewijl zo wel door de Wortels van de oude Moeder-ftam, als van haar eigen gevoed worden. Sommige raaden, dat men de weelig groeijende Wijn-
okken , om dat ze bij ons fterker groeijen als in de Wijn- landen, geheel lang moet laaten, en niets, of weinig anders, wegfnoeijen, dan alleen de onrijpe einden der Looten, en de onrijpe, magere, en de overvloedige Ranken, waar door ze meenen dat den Wijnflok betem- perd zoude worden, en meer Druiven voortbrengen; aar wat ontftaat hier uit? kleine Druivetrosfen en een verward Chaos, of wildernisfe vanTakken en Looten n de volgende jaaren, die dan niet anders als confufie ver- orzaaken, zo dat de befte Hovenier naauwlijks in ftaat s om zo een Stok behoorlijk te fnoeijen en weer te reg- e te brengen; zijnde bet zeker, dat als een Wijnflok oor een goede winter- en inzonderheid fomerfnoeijing el behandelt is, dezelve niet nalaateh zal volkomen rugtbaar te zfjn, zonder zo een wildernis van Takken f Looten te gedoogen. Het fnoeijen verrigt zijnde, zomoeten de Takkenen
ooten ordentelijk aangebonden worden, zodaanig, dat e overal egaal wijd van, en niet dwars of confuis over alkander, maar in een netteerder naast elkaar komen e leggen. Wat nu aanbetreft de tijd van de winter-fnocijing,
aar in ziin het deHoveniers en Schrijvers ook niet eens, illende fommige dat zulks in het voorjaar, anderen in et najaar of winter moet gedaan worden; dog het is ze- er , dat de eerftgemelde tijd zo goed niet is als deeze aatfte, inzonderheid als 't fnoeijen niet vroeg of in het oorjaar gefchied, om reden dat de Wijnßok door het loeden of druppen, ook traanen genoemt, dat is, uit« loeijing des faps, dat daar opvolgt, te veel van zijn |
|||||||||
|
, lappen
|
||||||||||
|
WIJN.
|
|||||||||
|
WIJN. 4261
|
|||||||||
|
ftppen verliest, en dus verzwakt word ; daarentegen in
de herfst of winter fnoeijende, zo heeft de fneedetijd om te fluiten, en zal dan in het voorjaar niet bloeden. Pat de fnoeijing in de winter aan de fVijnflokken hin- derlijk zoude zijn, gelijk fommige meenen, hebbe nooit kunnen bevinden, tenware het gefchiedde bij heel fterke vorst, of dat er fchielijk fterke vorst t>p volgde, als wan- neer het eenigzints hinderlijk zoude kunnen zijn. De beste fnoeitijd is dan in het najaar als de Bladen geval- len zijn, of zo ras maar de groei gedaan is, fchoon de ; Bladen niet alle van de Looten af waren, gelijk veeltijds ,Hiet zagte najaaren gebeurt, dat ze tot in de maand no- vember hangen blijven; hebbende de fneede dan tijd om voor den vorst te fluiten, zo dat dezelve daar aan geen binder doen kan. Na gaa ik van de Winter tot de Smerfnocijing over ;
waar bij men boofdzaaklijk agt te geeven beeft, op de in- korting der fterke Looten, en uitbreeking of uitfnoeij- ing der zijdfpruiten, en magere en overvloedige Loo- ten. De tijd wanneer zulks gefchieden moet, is ten deele zo ras de Druiven gebloeit hebben ; welk het ee- ne jaar wel wat vroeger of laater, volgens een meer of min vroeg en gunftigfaifoen, komt te gebeuren; ten deele gefchied zuiks de geheele fomer door, naar maate de Looten fuccesfivelijk voortkomen en aangroeijen. Sommigen willen, dat de fnoeijing vroeger, en 2à3 weeken voor de bloeijing zal gedaan worden ; dog ik kan zulks niet goed keuren, door dien bevonden heb, dat zulke vroege fnoeijing de Druivetrosfen altereert, en in de zetting hinderlijk is, inzonderheid in flegte faifoenen, of dezelve doet doorfcbieten. De eerfte fnoeijing gefchied dan aan devrugtdraagen-
de Looten, nadat de Druivetrosfen afgebloeit hebben, wordende dezelve doorgaans 2 £3 botten boven de hoog fte tros, ingekort ; dog bier omtrent, en in het algemeen met alle Looten diegekort worden, moet men agtflaan Op de kragt van den Wijnflok, en op zijn natuurlijke aart van groeijing, naamelijk, of hij van natuur lang en weeldrig gewas maakt, gelijk doorgaans de vleefchige Druiven doen; dan of hij betemperder groeit, gelijk de waterige; in gevolge van dien, zo moet men de vrugt- draagende, weeldrige Looten der eerftgemelde, 2, 3, i 4 knoppen hooger boven de vrugt fnoeijen : daaren- tegen zwakke Looten wat korter, naamelijk voort bo- ven de tros, of maar 1 knop hoger; ja zelfs, als een zwakke Loot 2 of meer Druivetrosfen voortgebragt heeft, die dan doorgaans klein zijn, en geen voedzel genoeg kunnen ontfangen, zo fnijd men 't bovenfte met't Loot weg, om aan de 1 à 2 overblijvende trosfen meer voed- zei te verfchaffen, en dus volkomenerte doen worden. Wijders zo fnoeit men als dan teffens ook alle andere
langgefchootene Looten ; waar bij men dezelve omstan- digheden in agt neemen moet die zo even gezegt zijn, naamelijk, dat men de weelig groeijende Looten langer, dat is met meer knoppen, moet laaten, als betemperde of zwakke; want a!s men die tekort, op weinig bot- ten wilde fnoeijen, zouden de knoppen in zwakke, on- nutte Looten doorfchieten; om deeze reden moet men ook met die Looten, die men nog niet lang genoeg ge- groeit te zijn oordeelt, met 't fnoeijen wat wagten, en dus deeze korting fuccesfivelijk verrigten , naar maate de Looten vroeger of laater groeijen, gelijk te vooren ge- zegt hebbe. Allé dunne, magere Looten, moeten ten eenemaalen
Bitgefnoeit worden, inzonderheid van zwakke Stokken |
|||||||||
|
Insgelijks moet men de Dieven, zijnde de dunne Lootjes
die aan de zijde nevens de Botten of Oogen voortkomen, zo ras men dezeivegewaar word, wegdoen , 0111 dat zede Looten veel voedzel ontneemen, en daar door dezelve ver- mageren en onvrugtbaar maaken, waar door ze ook de naam van Dieven gekreegen hebben. Om dezelve reden moet men ook a\le krullen en baarden, aie door een al te weeligen groei of door kwaalijk fnoeijen, te weeten, door te vroeg ofte kort fnoeijen ontdaan, bij de ontwaarwor- ding ,wegfnoeijen; alsmede de waterlooten, zo er zodaani- ge zig hier of daar mogten opdoen,welke ligtelijkgekent worden aan de merktekens die te vooren heb opgegeeven; waar bij aangemerkt moet worden, dat men zig niet moet a- bufeeren,om goede, zwaare, lange Looten, voor Water, looten aan te zien;gelijk van onkundigen veeltijds gebeurt, Vorders moet men, indien de IVijnflok weelig groeit
en veel zwaare Looten maakt, dezelve van eenige door uitfnoeijing,naamelijk van dezwakfte,ontheffen, inzon- derheid daar veele digt bij malkander koomen, om alzo de overigen meer kragt bij te zetten, en dus vrugtbaar- der te doen worden, en venvarringe voor te kornet. De gefnoeide Looten moeten wijders ook in de fo-
mer aangebonden worden, niet alleen om de cieraad, maar ook inzonderheid om de Vrugten, of de Druiven meer lucht en Son toe te brengen , en ze daardoor vol- maakter en fmaakeliiker te doen worden ; deeze aanbin- ding word verricht bij of liever voort na de fnoeijing, gefchiedende met moscovifche mat; en om zulks met order te doen, zo moet men. niet van onderen maar van boven beginnen, als waar door inen in ftaat is de Loo- ten beter naast malkanderen in order te fchikken en te plaatzen. Men moet geen meer Bladen affnoeijen, dan door het fnoeijen der Looten wegraaken, gelijk fommi- ge doen, uit die verkeerde meeninge, om daar door de Vrugten meer Son te doen hebben, en dus beter rijp te doen worden; dog deeze affnijding der Bladen kan van nut weezen in het najaar, als de kragt der Son vermindert is. En om de rijpwording te bevorderen, zo moet men ,
wanneer de Boom rijkelijk met Vrugten beladen is, de- zelve van een gedeelte van zijn trosfen ontlasten, en et niet meer aanlaaten als dezelve, naar maate van zijn. kragt, voeden kan. Daarenboven , dewijl de digte Druiven wegens haare
digtheid, in haare rijpwording zeer belemmert worden, door dien de Son dezelve niet genoegzaam kan aandoen, zo is 't ook, om rijpe en fchoone Druiven te hebben, zeer nuttig en noodzaaklijk, dat men de Bellen, door uitknipping met een fcheer, verdunt, 't welk gefchied als de Befiën de grootte van een erwt verkreegen heb- ben; hier door zullen de overige veel grooter en rijper worden; ten minden zo men zulks nietaan alle de trosfen en Boomen doen kan, zo behoort het te gefchieden aan eenige van de waardigfte zoorten, zo veel doenlijk zijn zal. Dit uitknippen is ook noodig aan de trosfen die veel
kleiner onvolmaakte Befiën tusfchen de goede, 't zij door koude en misbloeijing , of uit de natuur, gelijk de Paarl'Druif, veel onderhevig is, voortbrengen, om de trosfen dus oogzienlijker te doen zijn. Ook is het dienftig, als het veel droog weer maakt,
de trosfen altemets in de avond of morgenftonden met fchoon water te befproeijen, die doet ze volmaakter en koleuriger worden. Van het Vervroegen der Druiven.
Het vervroegen der Druiven, gefchiedt, in Broeij-kas- Rrr i fen |
|||||||||
|
WIJN.
en de trosfen aanzienlijker worden , gelijk we reeds
voorheen hier van gemeld hebben. Door deeze midde- len van broeijen, kan men ook allerlei heerlijke zoor". ten van Druiven, die bij ons anders nooit rijp kunnen worden, tot volkomene rijpheid brengen; dienende hier toe best de voOiheen gemelde Stookkas. WIJNGEEST, zie BRANDEWIJN. :> V-.. - .
WIJNGLASEN, zie GLAS. ' ;
WIJN-MAAND ,; in het latijn OUober, datisdeagt-
fte maand van Maart af, ende tiende maand des begin's van het jaar, of van Januari} afgerekend. : De wreede Keizer Dom j Ti aan veranderde denaam van deeze maand en noemde dienaar ds zijne; dan zede« dat hij. het ge! woone lot der tijrannen onderging, namelijk van vermoord te worden, verkreeg deeze maand wederom haare oude naam van OUober; en geen Keifer heeft ha dien tijd gewilt.dat eenige Maand na hem zoude genoemt worden, houdende zulks voor een kwaad vooneeken. Keifer Ka« hel de Groote heeft deeze maand Wijn-Maand ge- noemd , om dat den WijnwOtgst daar in voorvalt. Op den 23 of 24 dag van Wijn-Maand, die 31 dagen heeft, treedt de Son in het teeken van den Scorpioen ("v)- ,' ... Wat werk in deeze Maand in de Moestuin
te doen valt. Bij droog weer moet men in deeze maand,, de Jelderij
en kardons_ aanaarden, om door,dat middel geel te doen worden; insgelijks de endivie die volwasfen is, dewijl de koude in dit faifoen vermeerderende, dezelve zoude benadeclen, indien die boven den grond opgebonden bleef om geel te worden , en wel inzonderheid indien het weer vorftig wierd; dan indien het weer zagt en zonder vorst blijft, kan de endivie die opgebonden is, tot in't laatst van november goed blijven. Zodaanige Ajpergie-bedden welke in de voorgaande
maand niet bereid zijn, moeten nu vooral gezuiverd wor- den, door er de verdorde ruigte aftefnijden, en het on- kruid daar van afin de paden te haaien en het zelve daar in onder té fpitten ; dan indien deeze beddeneene nieuwe bereiding vereisfchen, moet men er oude genoegzaam vergaane koe-mest overftrooijen , > en voorts eenige zui- vere aarde van de paden over heen. Dit gedaan zijnde, kan men in 't midden van elke bed, een regel boere- of fpruit-kool planten, al waar dezelve in harde winters meest- tijds zullen overblijven , daar anderen, die in de opesi grond geplant zijn, veeltijds uitgaan; en dewijl men ge- woon is die kool-planten in maart uittetrekken, voor das de Ajpergie»bedden worden opgemaakt, brengen zij er geen de minfte nadeel toe. Het is nu ook de regte tijd, om de bruine duitfihe,
en gemeene Kropfalade, op warme rabatten te verplanten, om dus den winter ten kunnen overblijven ; insgelijks ee- nige berlijnjche en keizers-kroppen'; fchoon het dienftig is deeze laast genoemde zoorten , op zodaanige bedden te planten, dat die in de winter met raamen of matten kun' nen bedekt worden, dewijl zè aan de open lucht bloot- gefteld blijvende, indien er ftrenge vorst kwam, zoudea vernield wórden. Spinagie, peen, uijen, enz. welke in het laast van ju«
lij of in augustus gezaaid zijn, moeten nu vooral van het onkruid dat daar onder groeit, gezuiverd worden; want,verzuimt men zulks, zo bederft hetzelve deeze keuken-kruiden, en wel inzonderheid de fpinagiedie al- toos aan 't rotten gaat, wanneer er 't onkruid de overhand in heeft. . > |
||||||
|
4252 WIJN.
fcn en Broeij-bakken, op verfcheiderhande wijze, met
of zonder vuurftooking ; dog door de eerfte , naa- meiijk door vuurftooking, verkrijgt men de vrugten vroeger, als waar door men dezelve, zode behandeling wel gefcbiedt, in de maand maij of junius volkomen rijp hebben kan. Men kan de Druiven ook vervoegen, door middel
Tan een of meer ranken, van een buiten een ordina- ' ris Stookkas geplant ftaande Wijnftok binnen in de kas, dooreen glas-ruit te )eggen;.welke rank ende volgende nieuwe Looten, men dan van binnen aan latjes bind, in diervoegen , dat dezelve overal omtrent een hand- breed van de glazen af komen te leggen,- moetende de ruit rondom de rank wel digt gemaakt worden, Dog op deeze manier verkrijgt men de Druiven in alles zo vroeg niet als op de voorige wijze, doordien men de ranken niet zo vroeg, wegens de vorst die in de vroege wintertijd door- gaans voorvalt, en die de rank buiten de Stookkas aan- doet , in leggen kan ; dog men kan dit eenigzints verhel- pen, door de rank bij vorstig weer van buiten met ftroo te omwinden,en den grond boven de wortels met mest te overdekken. De Druiven kunnen ook vervroegt worden doormid-
del van jonge fterke Wijnftokken , die vrugtdraagende zijn, in houten Bakken, of groote lleenen potten te planten, en dezelve, wanneer ze daar ineen jaar ge- ftaan hebben en beworteld zijn, in een fiook- ofvuur- kas te plaatzen, en vervolgens te behandelen gelijk te voo- ren aangemerkt is ; dog hier toe zijn niet allerlei zoor- ten -even dienftig, 't zijn die zoorten, die kort gewar maaken en gewillig vrugten voortbrengen, welke men daar toe verkiezen moet, als bij voorbeeld, de Paarl- druifishier toe zeer bekwaam bevonden,als willendeop deeze wijze 't gemakkelijkst Vrugten geeven. De tijd wanneer men deeze Wijnftokken in de ftookkas zet, is na nieuwjaar. Wat aangaat de vervroeging zonder vuurftooking, die
gefchied door middel van de Sonnebakken, welke men in de voorjaarstijd voor de Wijnflokken zet, en verder be- handelt, zo als reeds aangeweezen is. In het algemeen moet ik nog van het vervroegen der
Druiven , op welke van gemelde manier het ook ge- fchiedde, als een zaak van belang aanmerken , dat men niet verzuimen moet, dezelve altijd meer ofmin lucht, door opftelling der glazen^, te geeven, op wat wijze de. zelve ook gefchied, te weeten bij zagt en helder weer, en zulks inzonderheid tegen,en in de bloeitijd, als me- de tegen s het rijpen der Druiven; want anders zullen in 't eerfte geval de Druivetrosfen ligtelijk misbloeijen, geen of weinig Befiè'n zetten, of ook wel, door al te ilerke warmte, binnen de broeikas, inzonderheid bij fterke fonnefchijn, die de kas confiderabel verwarmt, geheel doorfchieten; daarentegen als de Druiven, (egens . _de rijpwording, geen verfche lucht genoeg verkrijgen, zo worden zij niet alleen dikhuidig en onfmaaklijk, maar ook lijmig en onaanzienlijk, door dien ze niet genoeg- zaam of behoorlijk kunnen uitwaazemen. Het is ook zeer dienftig, dat men de jonge Druivetrosfen na de zetting, wanneerdeBefiëncircaeenkleineerwtgrootge- worden zijn, zuivert, dat is te zeggen, de kleine onvolmaak- te Befiën met een fchaartje uitknipt, ja zelfs ook, alsde trosfen tedigt of tévbl van Befïën zijn, eenige, anderzints- voiwasfene Befiëner uitfnijden, oindusde trosfen losfer en opener, te m.isïen, waar door dezelve niet alleen béter-rijpen., maar ook de Bellen grooter en fraaaklfjker |
||||||
|
WIJN.
|
|||||||||
|
WIJN. 4263
|
|||||||||
|
-«'ligt Boonin en Erwten, dog vooral op warme fland-
plaatzen en in dröoge gronden, en dit kan men tweemaal in deeze maand berbaalen, de eerfte'reis in het begin, 'én^de-laatftemaal op het einde van de maand, en zulks om dat indien de eerfte te voorbaarig In den aangroei ïhogten zijn om den winter te kunnen doorftaan, de an- der iaater gezaaid zijnde, wel flaagen mogen. Omtrent het midden of laatst van deeze maand, moet
men de Bloemkool-Planten verplanten, opdeplaatzen daar ie den winter moeten verduu'ren, waar van zomin ige onder klokken of glafen lesfenaars moeten gezet worden , inagt neemende, om twee Planten onder elke lesfenaar te zetten, om dat, indien er een van mislukt, de ande- re genoeg is; want in het voorjaar, indien ze beide den winter door in 't leeven blijven, moet de eene Plant verzet worden. Deeze Planten die onder glafen gezet zijn, komen vroeger dan die, welke in den winter op de bedden gebleven, en in de lente verplant zijn. «' De Koolplanten, welke in 't begin van augustus ge- zaait zijn, moeten nu voorgoed verplant worden, inzon- derheid die van 't vroege zoort. Dan het zal goed zijn, zommigeop een warme plaats te bewaaren, of die gee- ne welke in d'open grond geplant zijn, door de vorst ver- nielt wierden; of zo éenigen van dezelve in 't zaad fcboo- 'ten, gelijk in zagte jaaren dikwils gebeurt, of als zij wat te vroeg gezaaid zijn, men eenige moge hebben, om deeze haar plaats te vervullen. ■ Het is nu ook de tijd om alle zoorten van Salade-krui- den in maatig warme Broeibakken te zaaijen, 't zij on- der raamen of met hoepels overwelfd, alwaar ze met matten of kleden kunnen bedekt worden, om ze voor de vorst te befchermen; anderzints worden ze daar door vernield , zo ras als ze boven de grond kooinen ; en in- dien men veele klokken of glafe lesfenaars heeft waar onder Bloemkool-planten (laan, kan mener echter dit zaad wel onder zaaijen; want indien het zaad niet tedigt bij de ftruiken der Planten gezaaid word, of men de Sa- lade daar omtrent niet te lang laat flaan, benadeelt ze haar niet. 'Zómmigen der Spruitkooi-planten, welke laat gezaait
zijn, moeten nu verplant worden daar ze om in het voor- jaar te gebruiken, moeten blijven Maan; op dat ze vol- gen mogen op die, welke in de voorgaande maand ver- plant zijn. . ft ' De Bloemkoolen die in m3ij zijn gezaaid, beginnen om* deezen tijd haare koppen te vertoonen, daarom moet men 'ze twee of driemaal in een week zorgvuldig over- zien, om eenige van de binnenfte bladen te knokken, en ze daarmede te dekken, 't welk ze voor de vorsten nattigheid befchermt, welke beide gelijk ook aan de Son blootgefteld te zijn, haare koleur veranderd en ze afzien- lijk doet worden. De Struiken van de Broccoli-Planten moeten nu aan-
geaard worden, om ze voor de vorst te befchermen ; maar men moet zorg draagen, dat men de aarde niet op- haalt in de harten der Planten,"want zulks zoude haar vernielen. : Tegens het laatst van deeze maand moet men de Sten-
gen van de artisjokken tot aan den grond toe affnijden, en den grond tusfchen beiden in vooren, in agt neemen- de een goed reek aarde over elke rij van Planten te leg- gen ,~ om" ze voor de vorst te befchermen ; maar doet er vooral geen verfche mist bij, gelijk van zommigeonkun- digen maar te dikwils word in 't werk geftelt; dit maakt «Ie Planten 'in de lente bard en flokkig, en doet dezelve |
|||||||||
|
kleine en kwalijk gevoedde Artisjokken voortbrengen;
maar wanneer de grond'verbeetering nodig heeft, moet men wat vergaane oude mest tusfchen de rijen onderfpit- ten, in den tijd dat men de grond voort, zulks zal de Planten buitengemeen veel verfterken. Indien het weer zagt, en zich laat aanzien zodaanig te zullen blijven, is het beter dit werk nog een maand uitteftellen. Men kan nu ook wat Radijs zaaijen op warme rabat-
ten , om die vroeg in de lente te hebben, en indien men wat Peen-zaai onder het Radijs-iaad mengt, en de Ra- dijs vernielt word, kan de Peen blijven ftaan, en vroeg in het voorjaar aankoomen. De bedden met Champignons moeten nU zorgvuldig be-
waard worden voor nattigheid en vorst, hetzij met lui- ken , raamen of riete matten , want als de bedden te vog« tig worden , fterven zij ; en als men ze in tegendeel daar voor behoed en verders wel bezorgt, kan men den ge- heelen winter door een bed met champignons hebben. De mest van de Meloen- en Konkommer-Bakken, die int
het voorjaar zijn aangelegd geworden , moeten over de bedden van den moestuin gebragt worden, insgelijks de mest van de Mest ßaalen, op dat de een en ander in ge- reedheid gebragt zij, om over den grond gefpreid te wor« den, en ondergefpit, als de tuira omgegraaven word. Het is nu ook tijd om de verdorde ftengen van Munt,
Dragon, Citrocnkruiden van andere zodaanige vaste Plan- ten , wiens loof jaarlijks verdort, af te fhijden, op dat de bedden fchoon van onkruid mogen worden gehouden , voorts fpreid men er wat vergaane mest o ver, dat veel toe- brengt om haar beter tedoengroeijen.ook is het dienftigom nu de paden tusfchen dezelve omtefpitten, en alles fchoon en net te houden. Daar men bedden met zaaijlingen van Aßergies
heeft , die in het volgende voorjaar moeten verplant worden, moet i-a het laatst van de maand a;s het loof vergaan is , wat vergaane mest over dezelve geftrooit worden, zulks belet de vorst, om bij harde winters de knoppen te befchadigen, en doet daar bij veel goed aan de Planten. De riete Heiningen moeten nu ook nagezien, en met
nieuwe tienen vastgebonden worden, opdat zij doorde winden, die in dit faifoen dikwils fel waaljen, niet zouden om ver geworpen worden, Vrugten van den Moes tuin.
Witte-, Roode-, Savooi- en laate Bloem-kool, Knollen,
Uijen , Look , Rocambole , Chabtten , Pinkflernakel, Peen, Aardappelen, Bieten, Scorfoneeren, Salsifij, Sui- kerwortels. Selderie, Endivie , Katdons, Kervel, Ridijs, Kersje, Lntuwe, en alle zoorten van jonge Salade-Krui- den; en op warme rabatten, eenige Kloppen, Spinagie, Sprmtkool, Boerekool, Fimiochia , Rammenas/en, lange Radijs, Knol-Radijs, Broccoli, Prei;, Marjolein, Thij- miaan, Roojemarijn, Salie, Winterkeule, enz. Werk in den Frugt-tuin.
In het midden of laatst van deeze maand, kan men de Perzik- en Abrikoofen-Boomen, benevens de Wijngaarden fnoeijen, 't welk veel beter is, dan daar mede tot in het voorjaar te wagten, zo nis gemeenlijk gefchied; om re- den, dat indien zulks vroeg in den herfst gefchied, de wonden geneezen zijn, voor dat de felle vorst komt die de fcheuten veeltijds nadeel toebrengt, en zij dus buiten gevaar geraaken van te verdorren; ook worden de overblijvende Takken door het nutteloofe in deezen R" 3 tijd |
|||||||||
|
WIJN.
kool op kan planten die hier tot in het voorjaar zal kun.
nen blijven daan, en veel beter den winter kunnen ver« duuren, dan wanneer ze in opener dandplaatzen don- den. Ook kan men nu de Kruisbefiën fnoeijen, en dea grond tusfchen in omfpitten, en wanneer er plaats is kan men er eenige zodaanige planten tusfchen beiden zetten, die in de lente uit den grond raaken, eerdeBoo- men haare bladen uitfehieten. Bewaart de Steeneh of Kernen van zodaanige vrugten,'
uit welke men Stammen denkt te kweeken in fand, tot den tijd om ze tezaaijen is gekoomen; dan men moet ze vooral op zodaanige plaatzen leggen, daar geen Muifen of Rotten bij kunnen koomen, dewijl die ze zouden vernielen'. In het laatst van deeze Maand moet men alle zoorten
van Winter-Vrugten van de Boom plukken, dog dit moet altoos in droog weer gefchieden, dewijl de Vrugten an. derzints niet kunnen duuren, en fchielijk verrotten. De uitgezogte zoorten van Winter-Peeren moeten op
een drooge plaats op een hoop gelegt worden, geduu. rende omtrent veertien, dagen of drie weeken, om te zweeten, waar na zij fchoon afgeveegt, ieder zoort ia een bijzonder mandje gelegt, en digt bedekt gehouden worden, dat er geen buitenlucht bij kan koomen, als wan- neer zij veel beter kunnen duuren, dan wanneer, dat zij bijzonder van een gelegt, en aan de lucht blootge- deld zijn. En wil men van de beste zoorten, ieder Peer nog bijzonder in een wit papier beroüen, zoo dat den een den ander niet kan aanraaken, zullen ze nog zo veel te beter bewaard blijven. Ooft-Vrugten van deeze Maand.
In deeze maand heeft men verfcheidene goede Vrugtea
zo wel van Appelen als Peeren; als van de Appelen. G ouden- Renet, Herfst* Parmain, roode-Cal-
ville, Goud-Appel, Schager'Maagd, Roomfe-en Zwolfe Griet, geborduurde Appel, en eenige andere mindere zoorten. Peeren. Dojonné, Beurré rouge, Bergamot de Suiffe,
Vert longue, Rousfelet, Herfst Bonchrétien , Bonchri- tien d'Espagne, Lonfac of Dauphine Marquije, Suikereij van Neuf ville, Herfst Suikerpeer, Zwaaneneij, Moulje- bouche d'Automne, Calabas musqué, Herfst-Suikerpeer* gezegende Peer, bonte Vertelongue, dubbelde en enkelis Rietpeer, langfleelige Muscaatpeer, en nog eenigeande« re zoorten van minder waarde. Voorts heeft men nog de Bloed-Perfik, Melikatonen
eenige Cathtrijne Perfikken , Druiven , laate Vijgen, Sorben, zwarteen witte Wilde Pruimen, Okkemostsn, Hazelnooten en Amandelen. Werk in de Enterij te doen.
In het begin van deze maand moet men voortgaan den
grond te vooren, om jonge Stammente verplanten, om erde verfçheide zoorten van Vrugten op te enten en te oculeeren, gelijk ook de bloeijende Heesters te verplan- ten, en andere Wildbosch Boomen. Omtrent het midden van de maand kan men beginnen, om ze in kwartieren te verplanten, zettende haar op rijen, en geevende haar een bekwaamen afftand naar haare verfcheiden zoorten. Deeze maand is de bekwaamde tijd, om alle zoorten
van harde Boomen te verplanten, inzonderheid in droo- ge gronden,- want op deezen tijd fchieten ze fchielijk nieuwe wortels uit, die vast zullen zijn voor de droog- te van den volgenden fomer, waar, door de Boomen in |
||||||
|
426+ ""■■ ,WIJN. -
tijd aftefnijden, des te derker en fleuriger, ende Bloem,
knoppen zijn beter gevoed, want indien de fcheuten tot in het voorjaar in haar volle langte gelaaten worden, zijn doorgaans de Knoppen aan het bovenfte gedeelte der Takken grooter, dan aan het onderde, die men van voorncemens is, om er in het fnoeijen aan te laaten blijven. Daarenboven, door op deeiéh tijd te fnoeijen, word men in ftaat gefielt, om de Rabatten voor den win» ter om te graaven en fchoon te maaken, en dus heefc men minder werk, in het voorjaar te doen, wanneer men buiten dat de handen vol heeft om den grond te beplan- ten en te bezaaijen. Zo dat, hoe vroeger dit werk ge- daan is, na dat de Bladen zijn afgevallen, hoe beter. Insgelijks kan men" op 't laatst van deeze maand Ap-
pelen, Peeren en Pruimen fnoeijen, en hier mede tot in bet midden of laatst van de volgende maand voortgaan, na dat het weer gundig is ; dan men moet dit werk nim- mer in vriezend weer doen, dewijl als dan de fcheuten ligtelijk ter plaatze derven, daar die gefneden zijn. De grond droog zijnde, is het nu ook de beste tijd,
om allerleij zoort van vrugt.Boomen te verplanten ; en wanneer men zich daar van uit de Enterijen voorziet, heeft men doorgaans meerder keur, dan in het voorjaar, dewijl de Enterijen als dan veeltijds van de beste Boo- men ontbloot zijn; dog in het planten moet men zodaa- nige Boomen die voor Espaliers of Muuren gefchikt rijn, voor de lente niet van derzelver kroonen beroo- yen, maar alleen de wortels daar van fnoeijen; en de Boomen geplant zijnde, de takken daarvan, aan den Muur. Espalier, of Heining vast maaken, om tebeler.. ten dat die niet door den wind heen» en weer geflingert worden, ook moet men wat droo op den grond rondsom- me de wortels leggen, om de vorst te beletten van die te benadeelen. Dan men moet dit droo niet aan de Boo- men leggen, voor dat er gevaar is vanderke vorst; want word het te vroeg en te dik gelegd, zobelethetdeherfst- regens in den grond te koomen, en doet meer kwaad dan goed. Plant Kruisbefièn, Aalbefièn, Bramhoofen en Aardbe-
fiin, op dat ze voor den winter mogen wortel vatten ; want die, welke in deezen tijd geplant worden, bren- gen den volgenden fomer vrugten voojt, terwijl die, welke in de lente geplant worden, zelden derk genoeg zijn, om eenige, of ten minden zeer weinige vrugten voorttebrengen voor het tweede jaar. Ook kan men nu de Stammen van alle zoorten van
tfrugtboomen in de Enterij verplanten, om er de beste zoorten van Vrugten op te enten of te oculeeren, in agt neemende om den grond rondsomme de Wortels met droo te bedekken. De bedden met Aardbefiên moeten nu gehavend wor-
den , in het welk te doen men ze moet fchoon maaken van onkruid, en haare ranken affnijden ; fpit voorts de paden die tusfchen beiden leggen, om, en na de aarde fijn gewreeven tehebben, moet men er wat van over de Bedden'ftrooijen, echter zorg draagende om de Planten niet te begraaven; in plaats van deeze aarde is het ook zeer goed, wat vergaane run over de Aardbcfiln te ftrooi. jen. Men moet ook de Bramhoofen van oud hout zuive- ren , en den grond tusfchen de rijen omfpitten, 't welk. de plaats zuiver doet worden, en de Planten zeer veel goed doet. De Aalbeßeri'Boomen kunnen in deeze maarid^ookge-
fnoeit, haare takken met tienen opgebonden, en de grond tusfchen in gefpit worden, alwaar men Spruit' o( Boerc |
||||||
|
WIJN.
|
|||||||||
|
WIJN. 4SÖ5
|
|||||||||
|
veel minder gevaar zijn van te lijden, dan die in de len-
te verplant zijn; maar men moet zorg draagen om ftaaken te petten bij alle Stam-Boomen , en die tegen muuren, fchuttingen , of espaliers geplant zijn, moeten daar aan vastgemaakt worden , anders zal de wind haait op zij doen vallen, en daar door de tedere haair-ivortelsbree- ken tot groot nadeel van de Boomen. Brengt in droog weer mest op zulke plaatzen van de
Êntérij, daar het noodig is, en verfpreid ze over den grond rondom de flammen der jonge Boomen. Dit houd de vorst buiten den grond , en de zouten zullen des winters wel in den grond regenen, en de wortels der Boomen bereiken, en in de lente, wanneer de grond tusfehen de Boomen gefpit word, kan de mest onder ge- fpit worden. Men kan nu op bedden leggen, de Sternen van Spier-
ïruimen voorftammen, in agt neemende, om ze een duim dik te bedekken met 1 igte'aarde, en dan wat ligt ftrop over het bed te leggen, om er de vorst buiten te houden, en de Muizen te beletten om er bij te komen. ; Dit is de bekwaamfte tijd om Akers te zaaijen, die uitfpruiten, indien ze lang buiten dengrond gehouden worden, en daar door bedorven worden. Men kan ook Beuken zaaijen, zo ras als ze rijp zijn, wajnt deeze wil- len niet lang buiten den grond blijven. Haag-doornen van alle zoorten, Taxus-Befiën , en knoppen van Roo- ien moeten nu gezaaid worden, in agt neemende, om de bedden te bedekken, gelijk van de Spier-Pruimen ge. zegd is. Dit zaad, op deezen tijd gezaaid , komt dik- wils in de volgende lente op, terwijl dat, 't welk in de lente gezaaid word, indien het groeit, niet opkoomt voor de volgende Lente. Dit is ook de beste tijd om Booghout of Esdoorn-zaad
te zaaijen; ^vant dat, 't welk tot de lente buiten den grond gehouden word, groeit zelden, of ten minften niet voor een jaar daar naa. Snoeit alle zoorten van wilde Boomen en bloeijende
Heesters; maar met dit te doen, moet men altoos de takken digt aan de flammen affnijden, en niet inkorten, zo als zomtijds gedaan word. Aan jonge opgaande Boo- men moet men altoos eenige fcheuten aan de flammen laaten blijven, om de fappen ter dikwording van den Boom op te houden, anders fchieten zij te dun op om groote kroonen te draagen. Men kan nu inleggers maaken van Olme, Linde, en al-
le andere harde Boomen, die haare bladen laaten val- len, 't welk in deezen tijd gedaan, haar wortel vatting zeer veel bevordert, want de nattigheid in den winter brengt er den grond rondom aan, en maakt ze gereed, om vroeg in de lente wortels uit te fchieten. Neemt de inleggers van Olme, Linde, en andere Wild-
losch Boomen of bloeijende Heesters, die voorleden jaar ingelegd zijn, daar nu af, fnoeit haare wortels, en plant ze op rijen in de Enterij. Ook kan men de uitkopen van mlde jasmijnen, Sijringen, Roozen, en diergelijke bloeijende Boomen , afneemen , (want die worden best op deeze wijze voortgekweekt,) en planten dezelve in de enterij, alwaar ze twee jaaren moeten blijven, om ßerkte te kriigen, eer zij op de plaats, daar zij moeten Rijven, geplant worden. Plant flekken van verlfcheiden zoorten van Kamper-
foelies, Laurieren , poriugaalfche Laurieren, en andere harde Boomen en Heesters; maar plant die in een zwaa« ie leemige grond, alwaar ze beter in zullen tieren, dan in vette, ligte, fandige aarde. |
|||||||||
|
Deeze maand is ook de beste om flekken te planten
van de Platanus, Ptpulier- en Elfe-Boomtn; maar deeze moeten in een vogtige grond geplant worden, en als men deeze flekken klaar maakt, laat men aan ieder ftek een ftukje oud hout van het voorleeden jaar, waar door er weinige zullen mislukken. Men kan nu ook de beste zoorten van Kruisbeßin en
Aalbefiën van ftek voortteelen. Als men de beste flek- ken uitkiest, en dezelve behoorlijk plant, zullen zij in een jaar goede planten maaken. Legt in deeze maand ook de fcheuten in van de LdU'
ruflinus en Phillijrea. De eerftgenoemde zullen in een jaar wortel vatten , maar de tweede moeten twee jaar in den grond blijven, eer zij opgenomen worden. Werk in den Bloem en Plaifier-tuin.
In het midden ot laatst van deeze maand, moet men een einde maaken met planten van alle zoorten van Bloem- bollen, die men voor kersmis denkt in den grond te leg- gen, ah Tulpen, Anémones, Ranunkeh, Crocusfen, Jon- quilles, Hiacinten, en alle zulke, die boven den grond gehouden zijn, zedert dat haare bladen in den lomer verdord zijn ; want indien men eenige Bollen in den grond laat blijven, na dat haare bladen verdord zijn, fchieten ze nieuwe haairwortels uit, wanneer het te laat is om ze op te neemen, of indien ze verzet worden, moeten ze aanftonds weder geplant worden, want indien ze bui« ten den grond gehouden worden, verdorren ze in kor- ten tijd, zo dat het beter is, alle bolwortelige Bloemen, die op haar regte tijd niet opgenomen zijn, nu niet te roeren, want zij fterven daar van, en zo zij al in lee« ven blijven , zullen zij toch de volgende fomer niet bloeijen. Men kan nu verplanten de meeste zoorten van Tu-
beroozsn of haairwortelige planten , gelijk Stokroozen, kantelbergfche Klokjes , franfche Kamperfoeljes , Ake- Itijen, Wolfswortel, Madelieven, Koeoog, Piplianthus, Duizendfchoonen, Geum of Sanikel, Klokjes, Alters, Gulden Roede, Phalangium, Lijchnis coronaria , dubbelde Veld-Lijchnis, Iriasfen met knobbelige wortels, Ja- ceas, dubbelde Kamillen, Doronicum, Cirfiums, CaJJi- do's, Aßragalus, de Papaver-plant, harde Apocijnums, verfcheiden zoorten van Phlox, Rudbeckia's, Geraniums, Ranunculus globoj'us, Monarda's, Ruijsfchiana's, Po* nien, en veele andere zoorten,die geplant kunnen wor den op de rabatten van den Bloem-tuin, in agt neemen- de, om ze zo te fchakeeren , dat er het geheele faifoen eene agtervolging van Bloemen ka.T bewaard worden. Maakt alle de Rabatten van den Bloemtuin fchoon van
onkruid, en indien men in de voorgaande maand nietge- fpit heeft, moet bet nu gedaan worden , in agt neemen- de , om ze met verfche aar Je, of wat zeer oude mest te vernieuwen, op de wijze, als in de voorgaande maand gezegt is. Men kan ook voortgaan Palm-flrooken te planten aan de rabatten, daarjiet noodig is, en herftelt die verdord zijn,dog dit moet zo vroeg gedaan worden, dat zij van de vorst geen hinder kunnen hebben. Die rabatten, die in het begin van feptembergefpit
en beplant waren, moeten nu weder overgebarkt wor- den, 't welk al 't jonge onkruid vernielt, en de rabat» ten den geheelen winter fchoon en rierlijk maakt. Verplant Tris met Catmus->b!ad, Päonie, en zulke G»--
raniums, die dikke knobbelige wortels hebben, welke beter flaagen, als ze op deezen tijd geplant worden, dan. die, welke in de lente worden veraet. B«
|
|||||||||
|
4*6(5 ' WIJN.
- r De bedden met Zaailing-Hjacinten j Tulpen, Kie-
vitsmEijeren, en andere bolwarielige Bloemen, d(e het gë- heele jaar in den grond gebleeven zijn, moeten nu zorg- vuldig fchoon gemaakt worden van onkruid , en wat verfche vette aarde over de bedden gezift worden, om- trent een half duim dik , 't weik de bollen bewaart voor vorst» en ze zeer veel verfterkt. Pe potten en bakken met Zaailing-bloemen moeten nu
gebragt worden uit haare befcbaaduwde ftandplaats, waar in ze geduureride de warmte van den fomer en herfst geftaan hebben, en gezet wprden in een warmer ftand. plaats, alwaar ze zo veel voordeel van de Son kunnen hebben, als mooglijk is, en voor koude winden befchut worden. Ze moeten, ook van onkruid gezuiverd, en er wat verfe aarde over gezift worden ; maar ze moet niet te dik worden gelegt, op dat de Wortels "met te diep ondergegraaven worden, en in den grond rotten, i Brengt de potten met fijne Anjelieren onder 't dak, daar .ze befchermt kunnen worden,voor fterke regens; fneèuw en harde vorst, welke aHewijanden van deeze Bloemen zijn.. Daarom, indien men .ze geplant heeft in kleine halve ftuivers potten, zo als in augustus gezegt is, kunnen ze zeer digt bij malkander gezet worden in een koude bak, of op een bed, dat overwulft is met hoepels, op dat ze in flegt weer met matten mogen be- dekt worden, maar in zagt en droog weer kunnen ze niet te veel lucht hebben. Het is goed deeze potten tot aan haaren rand in de aarde of in vergaane run te zetten, om de Vorst te beletten, dat zij door de poe tot haare tedere wortels niet doordringe, ,.: ..' De verdorde bladen moeten nu van de?fijne Auricw
la's, die in potten ftaan, afgetrokken, en de potten op de ééne zijde gelegt worden, om te beletten, dat ze te veel nattigheid krijgen , 't welk zé ligt zou doen rotten, maar ze verdraagen de koude zeer wel. Men kan nu verzetten de meeste zoorten van bloei-
jende Heesters en Boomen, gelijk Roozen, Kamperfpcljes,, fpaanjche, Brem,Cijtifus, Laburnum, gelderjche Roos, wilde Jasmijn, Sijringen, Senna''s,,-Chmatis, dubbelde Perfik, dubbelde Naantjes-Amandel, dubbelde Kers , turk- f che Kers, Acacia's, Pavia's, Catalpa, Peterboompjes, dubbelde Braam, Cornoeljes, Kers-Pruim, Tamaris eus, heesteragtig Quinquefolium, Ligufirum , jérufalemfe Sa- lie, Arbutus, enz. welke, indien ze in deezen tijd ge- plant-worden , voor den winter wortel vatten, waar door ze in minder gevaar zijn , om in de volgende lente door de droogte te lijden, en veelëdaar van zullen den vol- genden fomer bloeijen, terwijl die, welke inde lente verzet zijn, in droog weer noodig hebben geduurig nat gemaakt te worden , en zelden het zelve jaar bloeijen ; maar bij die Heesters, welke in dezen tijd geplant zijn, moet wat ftroo op den grond gelegt worden rondom haa- re flammen, om de vorst te beletten van in de aarde tot haare wortels door te dringen. Maakt de paden omtrent de Wildbosfchen fchoon van
de bladen, die van de Boomen gevallen zijn; wànt in*. dien men ze op de graspaden laat rotten, word het gras daar door zeer veel benadeeld, en indien ze op keizel- gruis paden blijven rotten , maaken ze de keizeigruis flegt van koleur en afzienlijk. Wanneer men gro/te kei. zélgruis.paden heeft, die in den winter.zelden gebruikt worden, kan men ze nu opbreeken en aan reeken leg- gen, 't welk het onkruid en mos belet, om in detvwin- ter daar cp te<groeijen, *en de keizeigruis zuiver.houdt. Dog dit word. alleen gedaan aan die wandelpaden, die- |
||||||
|
men des winters, niet betreed, of daar geen hulp genoeg
is om ze geduurig^te rollen., :. . .t . " -■" Snoeit alle zoorten,,van bjoeij'eiide Heesters, ah.Roo'l
zen, Kamperfoelies., Spira's,: enz. daar af néetrjëndé alle Uitloopen.die uit haare wortels voortkomen; want als men die daar aan laat blijven,} neeraen zij het voed» zei van de planten weg, én beletten haaf té bloeijen voornaamelijk de Lïlac, dié zo veel opftag uit haare wortels geeft, dat, als, dié jaarlijks "niet weggenomen worden, zij zich verre over deri grond .^eripréiden, ea een kreupelbosch.maaken,~blpêij!éndc de Boomen ook' zo-wel niet, dàn dat-zij énkel. en. fchóön gehouden wor- den.. Wanneer men deeze UiWpopen nopdig heeft, mogen dezelve in de ëntérij geplant worden, alwaar zij in twee of drie jaar fterktë genoeg'zullen krijgen, pm verplant te worden, daar ze moeten,blijven," Wanneer men eenjgégronqVheeft, die^gefebjkt is, oin
tot vermaak beplant te. wórden., 't zij tot een ßjpem-.tum of Wild-bosch, welke' men nigt .ge'reed'kän' krijgen ,pm te.beplanten voor dé lente, mo;ét méiJJnrdit ïajfoèngeêiï tijd verliezen, om dezeïte gereed té'màa.kén',, op dat hij in den winter' aan '.dëj yórs.t' jrriag bïóojgëfleld.zijn, die hem mul maakt. Daarenboven indiende vorst'Iangduurt, belet ze het werk, totdat de tijd orn, te. planten var verloopen is, waar,door. er een geheel jaar verloorea word. w .,. » . ' .,,.■, ... ->, ' _ /-., , . In't begin van dit föifpen. ka,n mense'eh'ige ïtekkeii ftea-
ken van dubbelde Crijjç,hth"èinums, zó'wél geeje als witte, in potten met goede.aardegevult',. ë'n óp een febaaduw- agtige plaats gezet, dezelve,als het 'droog: weer is.dik- wils. begietende. Deeze ftekkeri;krijgen fchielijk wor- tels, en wanneer men dezelve onder een raam zet, op dat zij .voor de vorst in den winter befchut worden, en in zagt weer zo veel vrije lucht, als mooglijk is, heb- ben, dan zullen, de planten in de volgende lente Merk genoeg weszén, 'om op de rabatten geplant te kunnen worden. En op deeze manier zal men zé altijd hebben met dubbelde Bloemen» en pooit geen enkelde. In deeze maand kan men éenige Bollen, als van Hit-
cinthen, Narcis/en, Duc van Tol, Jonquilles, enz, op glazen met water zetten, om inde kamers vroeg in den winter te bloeijen. Dog deeze glazen moeten in zagt weer zo veel Son en vrije lucht hebben, als mooglijk is ; want als zij altoos in beflooten kamers gehouden worden, grbeijeri de, bladen en fteelen zo flenterig op, dat de Bloemftengen zowel niet draagen, als zij anders zouden doen, daarpm diende men ze nooit in de ka- mers te zetten, voor de Bloemen gereed zijn om open te gaan. Dog men moet ze voor vorst en flegt weerbe* waaren, als zij haare bladen beginnen te fchieten. Zij bloeijen doorgaans zeer fraai, als men haar in een Oran- je-huis digt aan de venflers plaatst, want daar hebben zij veel vrije lucht, en zijn bewaard voor de koude. De glazen hier toegebruïkt wordende, zijn tegenwoor- dig overal zo wel bekend, dat het onnodig is dezelve. te befchrijvea '. . . ." Planten nu in bloeïj in den Bloem en
Plaifier-tuin. Verfcheiden zoorten van Afiers, A/rikaanen ,franfchi Gouds-Bloemen, Merveilje van Peru, vier of vijf zoor- ten van Gulden Roede, Herfst-Crocus.geele Herfst-Nar- cis, Varkens-broed, Colchicum, Carijopkijllus chinenfis, turkfehe Koorn-Uoem , Polianthus , Auricuia's , drieko- leurige Viooltjes, eenige enkelde Anémones, Zonnebloe- |
||||||
|
/
|
|||||||||||
|
WÏJtf.
fsiiti, indkansch Schurft-kruid, drie zoorten van Afler
Chinenfis , Perficaria orientais, Chrijfanthemum cret'u cum, Linaria, Phijlieren, PMjfalis,Buphthalmum,Tu- leroofen, Narcis van Guernfeij, Bella Donna-LMj, Rud- ieckia, Heliotropium, oosterfche Osfe-Tong, Apoeijnum, Saffraan-Crocus, Basterd*Saffra<m, verfcheiden zoorten van Comolvulus, Lathijrus, verfcheiden zoorten van Lupinen, Centaurea, enkelde Anémones, een ige zoorten van Dracocephalan, breedbladtge Phlox, Trachelium, Plantera, Alijsfon fruticofum, verfcheiden zoorten van Lijchnis, dubbelde Saponaria, Commelina, Chelone, ee- nige zoorten van Scrophularia, Tabak, Aconijt met groo. te blaauwe Bloemen; en bij zagt weer, Amaranthus Ha- wkam, Gomphrena of Amaranthoïdes, Amaranthus trico» lor, Palma Chrißi, en eenige andere tedere Zaai-Bloe- aten. Harde Boomen en Heesters, nu in bloei.
Arbutus of Aardbeijen-Boom, laate Kamperfoeljes, hee- fttra gtige Althéa , Pasjie»bloem, Cijtifus innatus, ßjrifche Ketmia , Lauruflinus, Maand-Roos, Muscus-Roos, hees- teragtig Vijfvingerkruid, mannelijke Cijflus, Phlomis, Hamamelis, dubbelde Granaat-Boom, Scorpioenagtige Se- nebladen, Kuis-Boom, de Pijracantha en 't Papenmut- fen-hout in vrugt ; verfcheiden zoorten van Sumach, Tam mariscus, oosterfche Sencbladen, Trompet-Bloem, Hij- drangea, Itea, Clethra , fpaanfche Brem, Lukafi Brem, toode Spiraa, witte Amerikaanfche Spiraa, beesteragti- ge Galeopfis, heesteragtig St. Jans-Kruid, en eenige inderen. Medicinaal« Planttn, die nu vergadert moeten
worden, Calmus"\vortel (Cälamus Aromaticus), Krieken van over
Zie (FruBus Alkekengi), hcilzaame Munniks-Kap (Aco- nitum fa lutiferum), Kalfsvoet (Arum), Mans-oor (Afa» tum), Biet-wortel {Beta), Kruis'wortel (Erijngium), wor- tels en zaad van Bilfen Kruid (Hijofcijamus), Berberis- Jen (Berberis), zaad van Esfe-Boomen, (Semen Fraxini), Jenever-Befiën (Bacc Juniperi) , Lavas-Zaad (Semen Leviflici), Valeriana-wortel, Seven-Boom (Sabina), wor- tels van Zeepkruid (Saponaria), wortels van Scorfonere (Scorfonera), bittere Peen (Smirnium). Werk in het Oranjehuis, en de Stookkas te doen,
In het begin van deeze maand, zo zulks in de voorige
niet gedaan is, moet men de Oranje-Boomen in het Oran- je-Huis brengen, in agt nemende, gelijk reeds gezegd is, om dit te doen op een droogeti dag, geiljk ook haa- re kroonen en flammen fchoon te maaken, eer ze in huis gebragt worden, en roer de aarde boven in de tobben, doende daar wat zeer oude koemest bij, 't welk de Boo- tten verfrist, en de mos belet in de tobben of potten te groei jen. Men moet nu ook in de kas brengen, de tedere Gera-
niums, dubbelde indiaanfche Kersfe, fpaanfche Jasmijn, Azorife Jasmijn, geele indiaanfche Jasmijn, Ficoïdes,. Sedum, Cótïjledon, Amberboom^ malabaarfche Nooten, Leonurusfen, Hcmannid's, Diosma, Celaflrus Africa- nus, Phijlica, Lotus van St. Jago,geßreepte en gevlak- te Alois , Kleiniai, ArBotusfen, naraifche Klokjes, Sißjrinchiums, Elichrijfum, Clutia, Arbor molle, CU- tonia, Lijciums, Waijonia, Ixia, Gladiolus Indicus, Lentiscus met roodeBloemen, Solanums, heesteragtige Phijfalis, Cijclanen vcm Aleppo. afrikaanfche Jsphois' VUDttL
|
|||||||||||
|
WIJN.
|
|||||||||||
|
4*67
|
|||||||||||
|
lus, en verfcheiden andere zoorten, die hard genoeg
zijn om buiten 's huis te blijven . tot dat de morgen» vorsten beginnen te komen , wanneer ze onder dak moe- ten gebragt worden; maar ze moeten zo veel vrije lucht hebben, als moogelijk is, als ze in de kas gezet zijn; want indien ze te digt opgefloten worden, verdorren haare bladen, en vallen af. Ze moeten ook dikwils met water verfrist, en de verdorde bladen er geduurig af- getrokken worden. Indien men de Runbakken in de Stookkas niet reeds
vernieuwt heeft, moet het nu niet langer uitgefleldwor. den ; want de koude vermeerderende, is nadeelig san de tedere buitenlandfche Planten, indien ze niet in nieu- we run gezet worden, in welk te doen men zorg moet draagen, om de potten niet in de run te zetten, voor dat ze begint warm te worden. Ze moeten ook niet in de rutygezet worden, als ze te heet is, want indiende wortels der Planten door de hitte verfchroeid worden, haaien ze bet zelden weder op. Men moet ook in acht neemen, om de bladen en (lammen te wasfen van zulke Planten, die eenige vuiligheid aan zich gekreegen heb- ben, of die met ongedierte zijn aangetast, anders ver» fpreid het zich over alle Planten, die er omtrent (laan, en is daar voor zeer nadeelig. Tegen het laatst van de maand moet men de Mijtte-
Boomen, Oleanders, Maflik-boomen, Cijtifusfen, Do» ria's, gomagtige Ciflus, gemeene Aloè's, Ofleospermum, Heliotropiums, Cliffortia, Wachendorfia , Afler frute- fcens, Olijf-Boom, Terragonia's, Thlaspidiums, boom- agtige Alfem, afrikaanschWurmkruid, en andere har- de buitenlandfche Planten , in het Oranje-buis brengen, wanneer men alle de Planten moet zetten in die order, waar in ze geduurende den winter moeten blijven (laan; in agt neemende, indien er plaats is in het Oranje-huis om ze op zulk eene wijze te zetten, dat de takken der Planten niet onder malkander verwarren; maar dat haa» re kroonen enkeld (laan, op dat de luchter vrij mooge tusfchen doorgaan. De Ananasfen of Pijn-appels, die aanilaande jaar zul-
len draagen, moeten nu genomen worden uit de Run- bak, waar in ze den voorgaanden fomer gebleeven zijn, en gezet worden in den Stookkas bij het vuur, op dat zede hitte moogen hebben; maar men moet in acht nee- men, om ze dikwils met water te verfrisfen, 't welk vier-en-twintig uuren in de Stookkas moet gezet wor- den, eer het gebruikt word,op dat het een evenredige warmte verkrijge met de lucht van het Oranje.huis; want indien men de haairwortels der Planten laat droog wor- den, verzwakt het de Plante,n , en doet veele kroonen en afzetzels van het voorgaande jaar Vrugt draagen, welke niet gefchikt waren, om het volgende jaar Vrugt voort te brengen, en bij gevolg is haare Vrugt zeer klein. en van weinig waarde. Dog aan de andere kant moet men haar niette veel of te dikwils water geeven, want dat doet in deeze tijd haare fijne wortels rotten. In 't begin van de maand moet men zulke Planten in
de Stookkas brengen, als midden in de fomer buitenge- bragtzijn, gelijk verfcheiden amerikaanfche Fiburnums, Acacia's, Apocijnums, Koraalboom, Lotus van St. Ja» go, afrikaanfche Alois, Toorts-Distels, Malpighias, Ti- thijmalus, Hamanthus, Philhra van de Kaap, indiaan» fche Vijgen, Volkameria, Protea, Vedelliout, Turnera, verfcheiden zoorten van Solanums, en van Hibiscus, Juflicia, Phijtolacca, Mijrtus ceijlanica , verfcheiden zoortea van Euphorbiums, en meer diergelijke, die men Sss i* |
|||||||||||
|
JM
|
|||||||||||
|
WIJN.
Dog nu zamelt hij voor de vorst de Veldraapen, es
witte en rtode Kool in, als hij zulke gebouwt heeft, om dezelve voor de vorst in huis te bewaaren, waar van hij de kleinfte of flegtfte met voordeel gebruikt totvoe. ding der Runderen, inzonderheid als 't hooij en ander voedzel fchaars is. Men kan nuookoudekoe-ofpaarde-mestopdefebraa-
Ie Weijlanden brengen en daar over ftrooijen, ofmen overftrooit dezelve dunnetjes met oude fchaape-, hoen- der of duive-mest, en te gelijk of alleen met asch, zijnde hout of loog-asch de beste , deeze Hoffen maaken de fchraale weijden zeer kragtig. Men maakt greppels in de al tevogtigeweij-en andere
landen, om 't overvloedige regen en ander water af te ■leiden, dat zeer nadeelig is. Daarentegen tragt men de drooge en dorre landen, alwaar de gelegenheid zulks aan de hand geeft en toelaaten kan, inzonderheid weij- landen, te bevogtigén, door middel van het water daar na'toe en overheen te leiden .zodaanig, dat ze overal bevogtigt worden, 't welk dezelve zeer verbetert er. vrugtbaarder maakt. i- . Ook kan men nu beginnen Boomen en Struiken te kap-
pen tot brandhout-, maar tot timmerhout is 't beter te wagten tot in.de volgende maand of tot in december. De Lantman kan nu ook allerlei Boomen planten, zo
wel in zijn Vrugthof of Boomgaarde, als daar buiten, in de velden en elders, volgens zijn gelegenheid en om- \ flag. Wl ,*s> .;-■"-,. ■ i. , tf WIJN-OOGST, dusdaanig is men-gewoon die tijd
te noemen, v/aar in de Druiven woiden gefneden, ver« zamelt, en tot Wijn geperst. , WIJNROEIJEN, zie ROEIJEN."
W1JN-ROMER, zie ROMER. "
- WIJN-RUIT, Ruit, Hcfruit, word in 't latijn Ru- ta genoemt, van Via, bewaaren, om dat men zegt dat \ ze zeer goed is om de gezondheid te bewaaren. Kenmerken. De Bloem beftaat meest uit vier holle
Bladen, die in de rondte ftaan , en zich in de gedaante van een Roos uitbreiden , uit welker Bloemkelk het Stijltje komt, 't welk naderhand een rondagtige viugt j word, die doorgaans vierhoekig is, en uit vier celletjes beftaat die aan een as vastzitten, en met kleine hoekige zaadjes zijn opgevult. - ....;■. Zoorten. Daar zijnhoofdzaakelijk drie zoorten va« dit
Kruidgewas, waarbij nog eenige veranderingen als met bonte bladen, enz., kunnen gevoegt worden. r. Gemeene breedbladige tuin Wijn-Ruit; Ruta major
hortenfis latifolia. Monis. Hijl.; Ruta graveolens horten' | fis. Dodon. ; Ruta hortenfis latifolia. C. B.auh. Pin. 336-' (Ruta foliis decompofitis. Linn. Spec. Plant.) 2. Smalbladige Wijn-Ruit'; Ruta hortenfis altera, C,
Bauh. Pin. 336.; Ruta tenuifolia. Tabern. ; Pfeudo Ruta patavina trifolia , floribus luteis umbellatis. Micß> Gen. 22. j (Ruta foliis ternatis fesfilibus. Link. Spec. f Plant.) 3. Fijnbladige Wijnruit; Rutafijlvestrisminor. C. Bauh.
Pin. 336. ; Rutafijlvestris minima. Dodon.,- Rutafijl* vestris linifolia hispanica. Bocc. Muf 2. pag. 82.; C-^"fi! foliis fmplicibus indivlfis. Linn. Spec. Plant. Plaats. De Wijn Ruitgïoeh natuurlijk in Languedok,
Provence, Italien, Spanjen, Griekenland en Afrika, op onbebouwde dorre plaatzen; beminnende een gemee- ne, góéde, losfe, ongemeste, liefst fandagtige grond, en een open plaats. Kwetking. De Wijn-Ruit kan zo wel door het zaad
|
|||||
|
42«8 WIJN.
in de fomer in de open lucht brengt ; dog deeze moe-
ten eerst veertien dagen in het Oranje-huis gezet wor- den, daar ze veel vrije lucht hebben, en in 't midden der maand brengt men ze in de Stookkas, om daar ge duurende den winter te blijven. Wanneer men tegen het laatst van de maand bevind,
dat de nagten koud worden, moet men beginnen vuur in de Stookkasfen te maaken; maar dit moet met voor- zigtigheid gedaan worden, want indien men de hitte te groot maakt, doet ze de Planten uitloopen, waardoor ze verzwakt worden, en de tijd te ver verloopen zijn- de, om haare fcheiiten fterk te doen worden, verdor» ren haare bladen dikwils, en vallen af. Ook moet men in acht neemen , om de Planten zeer dikwils met water te verfrisfen ; want wanneer men begint vuur te maa» leen, droogt het de lucht van het Oranje-huis, en doet de Planten vrijer doorwaafemen, dan te yooren, waar door ze meer water noodig hebben; maar men moet ze niet veel te gelijk geeven, maar lieverdikwils, en wei- nig telkens. Wanneer men merkt, dat de bladen van eenige Planten verdorren, moet men ze aftrekken, en de Stookkas geduurig fchoon houden van alle afgevallen bladen, fpinrag, of andere vuiligheid,'t welk het Oran« je-huis niet alleen zindelijk maakt, maar ook zeer noodig ij, om de Planten fris te houden. i ï Planten nu in bloei inliet Oranje-huis, en de , ',
Stookkas. . Geranium met fcJtarlaken Bloemen, Geranium met, Ajs-
rabakka blad, verfcheiden zoorten van Ficoïdes, Cotijle- don, Chrijfanthemim, fpaanjche J asmijn, arabifche jas- mijn , Jasmijn met Iiex-blad , indiaanfche geele Jasmijn, Anemonospermos, perfiaanfeh Varkensbhed, verfcheiden zoorten van Aloë's, canârifche Klokje:r,..Casfia van Ba: hama , Mimoja , Lelie van Guernfeij, Bella Donna Lelie, driebladige Pasfie-Bloem , Alatemoides met Heideblad. Leonurus, Euphorbium met Neriumblad, Alcea met Kruis- btfiënblad, Mijrius met dubbelde Bloemen, indiaanfche jucca, boom>ige Polijgala, Mijrto-Ciftus, Papaija, Ketmia met .Muscus zaad, Senecio met een fiomp blad, Opuntia, Plumieria,. Turnera, Sherardia, Malpighia-, Bafterd'Senebladen, Limoiorum met purper e Bloemen, So- lanums; Coniiza, Martijnia. Clutia, Milleria, Lanta' na, Ranwoifia, Maranta, Gengber, Ceflus, afrikaan- fche Salie, klimmende Arum, Spigelia, Diosma, Po- tianthus, Crinum, Phijtalacca, Piercea, Kleinia, Cros- fula, Phijtiça , .Pancr&tiumf' Bafella, Plumbago,-Zij■ gophijllum, Acacia, Hamantlms, dubbelde Oleander, Lotus van St. Jago, After van de Kaap met blaauwe Bloe- 'tnen, canarifche Lavendel, Gouds-Bloemen van de Kaap, Volkameria, Amarillis met haairige bladen, en eenige an- deren. Huismans-werk en deszelfs voordetien in
deeze maand. De Boter, Kaas en Eijeren die er nog'mogten in voor-
raad zijn,.is nu den bekwaamen tijd om te verkoopen. Ook moet de Huisman zodaanig Vee te markt brengen
en verkoopen, 't geen hij voorne_emens is zich voorden winter van te ontdoen. . De Landpan heeft 't nu nog druk met de akkers te
ploegen en te bereiden, om de wintergraanen verders in den grond te brengen die nog niet gezaaid zijn, als, Rogge, Weit, Gerst, Spelte, enz. dewijl 't in-oogften der Veld-vrugten nu at lang gedaan moet zijn, als't weer gunftig geweest is. ; |
|||||
|
WIJN.
|
|||||||||||
|
WIJN.
|
|||||||||||
|
4.2 ÖP
|
|||||||||||
|
als door fcbeuring en fteeking in de gewoonlijke zaai en
plant-tijd, in bet voorjaar vermeerdert worden. Men plant ze op anderhalf a twee voeten afftand. Van de eerfte oïgroote zoortkm men door opfnoeijing der zijdtak- ken kleine Boompjes trekken. Als men geen zaad van de Ruit wil winnen, moet men de opfchietende Bloei, ftengenaffnijden, want het bloeij'en verzwakt de Plant, en doet dezelve te eerder vergaan, kunnendeanderzints verfcheidene jaaren duuren. De Ruit kan onze winter- koude vrij wel doorftaan, maar dezelve dient op een voor ie fcherpe winden gedekte plaats te ftaan. Het zaad van de -Ruit word ligtelijk gewonnen, en het zelve kan 233 jaaren goed. blijven. ^Gebruik. In de keuken is de Ruit van weinig gebruik,
enkel worden de Bladen van zommigen om derzel ver ge- zondheid, dewijl ze gantsch niet aangenaam van reuk offmaakzijn, alstoekruidbijdefaladegegeeten, of men laat ze Ook wel in wijn trekken. Ook word er Ruit- Edik van gemaakt, door middel van de Bladen op beste Wijn'Azijn in de Son te laaten trekken, welke zeer ge- zond en dienftig is tot de falaad«bereiding en andere fpij- zen; wordende de Ruit als een zeer dienftig middel aan» gepreezen voor een zwakke maag, moederpijn, winden, kolijk, hoofdpijn, ftuipen en wormen der kinders, en vallende ziekte. Van de Bladen maakt men ook een con- ferv door (lamping met zuiker, die in de gemelde gebre- ken kan gebruikt worden. Zommigen hebben haar ook aangepreezen als een bui-
tengemeen dienftig middel, om een zwak gezigt te ver- fterken, waar-omtrent de Salernitaansche School zich aldus laat hooren. . Habilitas Rutse hatc, quoi lumina reddat acuta,
Auxilio Ruta? vir quippe videbis acute : Cruda comesta recens »culot caliginepurgat. Dat is:
Een eedle nuttigheid en deugd der Rmte-Struiken,
Is, dat ze 't zwak gezicht verfierkt ; ' Zij maakt den Mensch fcherpziende, en werkt Eene oogenzuivering, voor die ze versch gebruiken. Van ouds her is de Wijti~Ruit ook zeer gepreezen als
«en tegengift voor vergif, en als een der beste voorbe- hoedmiddelen in pesttijden en bij andere befmettelijke tiektens; tot dien einde eet men des morgens nugteren, 'en drie a vier uuren na het middagmaal, van de Ruite- lladen fijn gefneden zijnde, op een boterham of anders ; of men neemt eenige lepels vol van het/apdeezer bla- den met zo veelwy»; insgelijks is de voorgemelde Ruit- Azijn zeer dienftig, zo nietbeter, een a twee lepels vol daar van op de gezegde tijd genoomen, inzonderheid als men dan wat fcordium, een paar ockernooten, wat jene- ver-beftè'n, en een kleiH weinig campher met de Ruit op de Azijn Iaat trekken. Ter oorzaake van deeze deugd welke aan de Ruit word
toegefchreeven , heeft de Salernitaansche Scbool aangetekend. Salvia cum Euta, faciunt tibi procula tutu.
Dat is:
Voeg bij gezonde Salie Ruit,
En drink uw glaasje veilig uit. |
|||||||||||
|
WIJN-STEEN", in 't fransch Tartre, in de winkels
Tartarus en Tartarum genoemd, is een zoutagtige har- de zelfftandigheid, van een fcherpe en een weinig wran- ge fmaak, welke zich zet aan den bodem en wanden der wijn-vaten, welke men er al fchraapende afkrijgt. Twee zoorten zijn er, het witte en het roode. De witte IVijnfteen krijgt men uit de vaten, waarin
langen tijd witte wijn is bewaard geworden ; men krijgt- ze uit Duitschland; hij is veel zuiverder en bevat min- der aarddeeltjes dan de roode. De roode IVijnfteen komt uit vaten, waarin langen
tijd roode wijn is bewaard geworden; hij is vee! grover dan de witte; men brengt hem uit Provence en Italien. Men kiest voornaamlijk de witte Wijnjleen, die zwaar
en hard is, en aan zijn oppervlakte of zijde, die naarde wijn toegekeerd geweest is, ruig met verfcheide uitftaan- de punten als kristallen is; en die wanneer hij gebroken word, niet poreus gelijk een fpons fchijnt, of als puitn- fteen ,. nog vol aarde, maar die van een geflootene, harde en glinfterende zelfftandigheid is. De Ouden onderfcheiden den IVijnfteen niet van de
IVijnmoer. Inderdaad, hebben zij beide denzeiven oor- fprong, en verfchillen niet veel van elkander, omdat de mos, bewaard in vaten na dat de fermentatis geëindigd is, met er tijd twee zoorten van moeren laat vallen. De eerfte is eene zelfftandigheid, welkezicb op den bodem van't .vat ophoud, vloeibaar, troubel, even als flijk, welke men eigentlijk JVijn-moer noemt. De andere is een harde, dikke zelfftandigheid, welke zich even als een fteenagtige korst aan den bodem en wanden der vaten zet; dit is het geen men Tartarus of JVijri'fteen noemt. De wijn-moer is de IVijnfteen zelfs, of het fai esfentiale vini , 't welk gefubtilifeerd is dooreene aan- houdende fermentatis van dit vogt, en ontbonden ineen geestrijk vogt, invoegen men door destillatie een groo- ter menigte brandewijn uit de Wijn.moer krijgt, dan uit de Wijn zelfs; en dat de Wijn-fteen meer aarde in zich bevat, en minder geestagtige deelen. Men gebruikt zelden den IVijnßeen inwendig, zon-
der dat hij gezuiverd zij. Als hij gezuiverd is, noemt men hem Cremor of Crijstalti Tartari. Men gaf eertijds deezen naam aan verfcheide preparatien j hedendaagsch verwart men ze onder en gebruiktze zonder onderfcheid. Zie hier, hoe men voor deezen die zuivering deed. Men ftampte denruuwen Wijnfteen, grof en waschteze
verfcheide maaien in eenvoudig water; vervolgens deed men diegeduurende een uur kooken in zeer helder wa- ter, zette daarna dit afkookzel op een koele plaats, en nam met een fchuim-fpaan het vliesje weg, 't welk zich boven op het water zette; men deed het uitdroo- gen; het wierd gelijk een poeijer, 't welk men dan Cre~ mor Tartari noemde. Anderen gooten het heete afkook- zel van den IVijnfteen in een zeer zuiver aarde-vat, ia wiens midden kleine ftokjes evenals traliën geplaatst wa- ren. Men zette dit vat op een koele plaats, tot dat de deelen van den Wijnjleen zich aan die ftokjes onder de gedaante van kristallen hechtten, welke men er los van maakte en crijstalfitartari noemde. Tegenswoordig doet men de eerfte preparatie niet meer, men volgt niet dan da tweede,, en het geen men er van krijgt word zonder onderfcheid of Crijstalli of Cremor Tartari genoemd. Daar is nog eene andere manier om den IVijnfteen te
zuiveren, waarvan men zich in Languedoc bedient, bij
Montpellier, en inzonderheid teCalvisfon en te Ariiane.
Men brengt den wijnßeen tot poeijer, doetze kooken,
Sss 2 giet
|
|||||||||||
|
WIJN.
Men mengt den Cremor Tartari zeer wel met Martial
lia, welke zij zeer veel hulp toebrengt om de obftru&ien wegteneemen; het is om die reden , dat men dikwijls deeze twee middelen gebruikt in de Opiata mefemerica eu cachettica. Vf Cremor Tartar. dr. ij. Diagrid. iv. M. F, Pulvis
ptàrgans in morbis cacheüicis, jRo Cristall. Tartar. et Folior. fena ana une. ij. Cinna*
mom. dr. iij. Carijophillor. dr. ü. M. F. Pulvis otn zag.
telijk den buik te ontlasten en deobßruüienwtgie nee«
men. Dedofis is van dr, a tot dr. ij. Ro Ruhegin. Mart. pp. in rore Majali gr. XV. Crem,
Tartar. fcr. j. Cröci gr. iij. Cinnam. fcr. j. M. F. Pul. vis, 't welk men tweemaal daags in zal geeven in cdort pallido en cachexia. Bo Cort. Peruv. unc.j. Cremor. Tartar. une. fi. jak'
pae pulv. dr. J}. Sijrup. Abfmth. q. f. M. F. EleSuariuw,
waarvan de doßs dr. j. of dr. 1 g drie. of viermaal daags,
in febres intermittentes, cache&ici cum oedemate vel leuct.
phhgmatia. Ro Cremor. Tartar. dr. v. Rofar. rübrar. ficcat. pulve>
rif. dr. j. Spirit. Vitriol, guttas aliquot F. Pulvis; waarvan de doßs is dr. ß twee of driemaal daags in febres intermit- tentes, en om te temperen degalagtige humeuren, inde maag geilort,. en die het Ipeekzel befmetten; om te ge. neezen walgingen , tegenzin in 't eeten en bitterheid van den mond, en om de kook ing der fpijz-en op te wekken, Men krijgt verfchillende zelfftandigheeden van den
Wijnfieen, en maakt er verfcheide Geneesmiddelen van. Men krijgt er van een Spiritus en een (linkende olie door middel van de destillatie op de volgende manier. R, Tartari, fijn geftampt, fg iij.
Destilleerze in een aarden kromhals, opeen reverbereer«
vuur, dat bij trappen vermeerderd word, Indenbeginne zal er tot une. v. fmaakloos phlegma voor den dag komen, en dat men moet weg doen, als geheel nutteloos; ver- volgens une. viij. roodagtige Spiritus, onder de ge- daante van nevel; eindelijk une. iij. olie, hetzij fijn of grof, die zeer ftinkt. Op den bodem van den kromhals blijft een zwarte masfa leggen, ter zwaarte van fg ij, welke in een open vuur gecalcineerd,. ontbonden in wa-
.ter, doorgelekt en gedroogd zijnde, geeft une. xij. wit« agtig/o/ alkali fixum. Men fcheid den Spiritus van de olie door middel van papier ; want de geest loopt er door en de olie blijft boven. Men krijgt een Spiritus reBifi* 'catus, gelijk men zegt, of van zijne olie- en rootagtige dee- len gezuiverd, door eene nieuwedestillatie op een fand« vuur; deeze geest geeft tekenen van een'acidum en alkali, omdat hij fermenteert met den Spiritus Salis, en met het Sal Tartari, of hèt Sal volatile urina. Het is niet te verwonde« ren, dat de Salia acida en alkalia vereenigd ziinde, zich bij een houden zonder opfehudding in het zelve vogt; want de Salia alkalina zijn bier omwonden in deolieagtige deelen enontfnappendusde werking en het geweld der Saliaacidaf De Spiritus Tartari is pis- en zweet-drijvend, en de
Scheikunftenaars prijzenze als een Panaceum om'de ob« ftruftien weg te neemen. De dofis is van fcr. j. tot dr. j«. Men maakt met deezen S~pir:tus het eenvoudig mengzel vanPüRACELSUS, of het Diaphoreticum in morbi acuti, 't welk men op deeze wijze "ereed maakt. Ro Spirit, Tartar, reUif. une. vj. Spirit. Vitriol, volat.
une.
|
||||||||||
|
WIJN.
|
||||||||||
|
427a
|
||||||||||
|
giet dit nog heet zijnde decoBum door een hippocrasJ
zak, en vangt het op in een bekwaam vat. Wel draazijn de wanden van dit vat bedekt met Crijstallijartari ; men waschtze af met fchoon water om ze van hunne olieagti- gedeeien te zuiveren; vervolgens bedient men zich van een zekere zeepagtige aaide, welke een weinig naar krijt gelijkt, en digt bij Merviel gevonden word.. Men ontbind een gedeelte in water, waaraan het de koleur van melk geeft, en giet het in een groote kopere ketel vol water. Men legt er vuur onder, en werpt de crijs- talti tartari in dat water, wanneer het kookt, om het te zuiveren van den drek, die er nog in is. Door dit mid- del heeft men een veel zuiverder Cremor tartan. De Wijnfieen bevat zeer veel fal acidum en olie, het
zij fijn of grof; het geeft door distillatie een weinig fal alk ali volatile urinofum, en een vrij groot gedeelte van vast alkali zout, het welk met de aarde gevonden word in het caput mortutm na de distillatie. Dog het alkali- zout , het zij vlug of vast, fchijnteen voortbrengzel van 't vuur te zijn, omdat die zelfftandigheeden zich niet open- baaren in den Tartarus of andere mengzels, dan door middel van 't vuur, het zij door kunst in de Fornuizen der Scheikundigen; het zij natuurlijk in de Fermentatie. Dus is de Wijnfieen een midden zout, of een zout.zout, zamengefteld uit een fal acidum, olie en aarde, welke een al te groote menigte acidum in zich bevat, dan dat die punten kunnen opgeflorpt of omwonden worden met aar» de; om die reden gaat de zuüre fmaak de fcherpe ver te boven. Het ontbind zich zeer moeilijk in water, ten minden zo het niet kookend zij, van wegen de olieag- tigedeelen, die de zout deelen omwinden. Het zij dat dit fal acidum verandert in een alkali, of vlug
of vast zout, door middel van het vuur of fermentatie; van daar komen verfcheide Pracparaaten, om uit te haaien of liever met den Tartarus het vaste of vlugge/a/ alkali te roaaken. De Cremor Tartari heeft minder aarde in zich dan de
Wijnfieen zelfs. De IVijnfleen en Cremor Tartari bedwingen de driftig-
heid en gisting van de Gal; verminderen de dorst in brandende koortzen; herftel 1 en den eetlust ; verdunnen, ontbinden en evacueeren de flijmige en taaije vogren, neemen de obftruftien der ingewanden weg; om die reden ' beveelt men ze aan in de verfto'ppingen van de Lever, van den Milt en van het Mefenterium, en inde morbi ca' chettici en hijpochondriaci. Men vermengt ze met een goeden uitfiag onder de zagte laxantia, om tot een prikkel te dienen. Ange Sala in zijn Tartarologie verhaalt van zichï-e'ven, dat elendig gepijnigd zijnde met kolijk pij- nen , hij na verfcheide andere middelen beproefd te heb- ben , innam dr. vj, Wijnfieen in pöeiier, 't welk hem deed purgeeren en van zjine krimpingen bevrijdde; en dat vervolgens dit middeleenige reizen herhaalende, hij geheel en al geneezen wierd. Men geeft den Cremor Tartari van binnen eerder in
dan de Wijnfieen r.elfs, van dr. ß tot dr. iij, wanneer men alleen voorneemens is te openen of tot prikkel te
dienen met andere purgatien ; maar wil men er door pur- geeren zonder er iets bij te doen, geeft men het in van une. R tot dr. vj. of une. j. Mén moet in agt neemen, dat de Cremor Tartari zich
»iet ontbinden laat in koud maar alleen in warm water, en dat men het dus moet voorfebrijvenin Jeaf/ionxofheete dranken, of in epiata ónder degedaante van btli ofpillen. |
||||||||||
|
WIJN.
|
|||||||||
|
WIJN. 4271
|
|||||||||
|
«neïj.Spirit, Theriac. ctmphor. une. r. Digereertze ineen
asebbad in een glaazefles, geduurende drie wecken. Be- waar het vogt voor het gebruik. De dofis is van dr. <? tot dr. i. ,'■■■ Men maakt de oleum empijreumaticam minder funkend
en zelfs aangenaamer van reuk, door het herhaalen der destillatien met water of levendige kalk. Innerlijk in- genomen, verwekt het zweeten; van buiten opgelegd, ontbind het kragtdaadig de gezwellen; het geneest den thumatismus en paralijfis, en men beveelt het aan inde 2iektens van de huit. Men maakt een vast zout van den Wijnfieen, of met
dezwarte mat/a, die na de destillatie overblijft, weike men op een open vuur calcineert. Men fmelt de gecal- cinèerde Wijnfieen in water, 't welk men vervolgens door een vloeipapier giet, en tot droog wordens toe laat uit- dampen in een zoute witagtige masfa; zo dezelve nog niet zuiver genoeg is, calcineert men het op nieuw op een reverbereer-vuur, ontbind het in water, laat het uitdampen, en eindelijk calcineert men het een weinig in een kroes, tot dat het nabij de blaauweofroodagtige koleur komt; dan fluit men het in een wel toegemaakte vies; want het fmelt ligt door de vogtigheid van de lucht. Men bereidt met dat zout een oleum Tartari per ieliquium, door het bloot te ftellenaan de lucht, alwaar het wel haast tot een vogt fmelt. Het Sal fixum Tartari is een fcherp alkali, en een zeer
geweldig causticum ; daarom geeft men het zelden irr, fchoon eenigen het een pisdrijvende kragt geeven. Het dient tot verfcheide operatien in de Chimie, en inzonder- heitom de tinótüuren van zwavel- en harsagtige mengzels te trekken. Men mengt het zomtijds met purgantia, het zij om er de harsagtige deelen van los te maaken , hetzij om er de werking van te bevorderen, en de flijmige en grove vogten door te verdunnen. Men fchrijft de dofis voor van gr. xij, tot dr. fi. Men moet het in veel water làaten fmelten, uitvreeze dat men door zijn fcherpheid »iet kwetze de vliezen van de keel, OeJ'ophagusen maag. Men maakt een tin&uur van de Wijnfleeu door middel
van den Spiritus vini, welke eenigen zeer aanbeveelen. Men neemt wel gecalcineerde7Fï';'w/?em, zeer heet en bij- na tot fmeltens toe zijnde, en giet er Spiritus vini op, en laatze geduurende eenige dagen zamen digereeren. De Spiritus vini krijgt eene hooge faffraan koleur ; men fcheid hem vervolgens af van het zout dat overblijft, en bewaart hem voor 't gebruik. Men moet in agt nee- men, dat de Spiritus vini geen tincluur trekt, zo het Wijnfieen wit is; dat hij des te hooger van koleur is, zo bet roodagtig en we'nig gezuiverd door affpoeüngis, of zo er in de cakinatie ftof van houtskool of'roet opgevaU len is, of zo de Spiritus vini iets oleum esfentiale in heeft ; gelijk bij voorbeeld oleum lavendulos thijmi, of eenig ander van dergelijken aart. Want deeze tinctuur komt van de olieagtige deelen , welke opgeflooten zijn of in het zout of in den Spiritus vini, Deeze Spiritus of Tinïluur heeft eenige deelen Sal
Aikali in zich ; om die reden is het een/al oleofum, ge- fchikt en bekwaam om flijmige en taaije vogten te inci- peeren, welke zeer vast aan de wanden der maag gehecht aijn, in de nieren en in de glandul mefenterii. Men 'geeft he,t in een bekwaam-vehiculum van gtt. x tot xxx. Daarenboven dient het ook nog om te trekken detinSu- ree fulpkirece £f oleofet der Mineraalen, Plantgewasfen, en Dieren. |
|||||||||
|
De Scheikunftenaars hebben zich veel moeite gegee«
ven, om het vaste Sai Tartari vlug te maaken ; men maakt tweederietje vlug /.out vanden Wijnfieen; eenpis-zout, -tin een zout zout. Het Sai volatile Tartari urinofum word bereid, of door
het doen fermentieren van den Tartarus tot verrotting toe, of door het digereeren van het Sal fixum Tartari met ee^ ni^e olie. Het vlugge pis-Zout van den Wijnfieen door distillatie,
gefchied op de volgende wijze. Men ftamptden Wijn- Jieen, raaaktze nat met water; en zetze in een kelder of koele plaats, tot dat hij een weinig (linkende lucht van zich geeft. Dan ftelt men ze aan de lucht bloot, doet ze wel droogen, distilleertze vervolgens door den kroui- hals, en krijgt een vrij groote menigte fal urinofum. Men krijgt een grooter menigte van dit fal urinofum
uit de wijn-moer, welke niet anders is dan de Wijnfieen, die langen tijd in de wijn gefermenteerd heeft. Men drukt He wijn-moer in een linnen-doek uit, doet ze wel droogen, en distilleertze ten laatften. Zij geeft veel Sal volatile urinofum, welkers deugden niet beneden die der andere Salia volatilia zijn, uit het Dieren.rijk getrokken, fchoon zij er ook niet boven, of haare uitmuntenheid ea kragt %o groot zijn, als de Scheikunftenaars gewoon zij* dezelve uit te venten. Hét Sal fixum Tartari word ook vlug, als men ze di-
gereert met de olie zelfs van den {linkenden Tartarus, of met eenige andere olie. Men neemt één gedeelte oleum ftidum Tartari, en twee gedeeltens Sal fixum Tartari; men mengt het naauwkeurig onder een, en di- gereert het geduurende een maand op een zagte hette va» asch. Vervolgens doet-men er de distillatie van, en uit den kromhals komt vee) fal volatile, gelijk aan het Sal urinofum. Dit tweede zout, het welk ik noem Sal Tar- tari volatile falfum, is minder vlug dan het-voorgaande. De terra foliata Tartati, welk.e men ook noemt Ma-
giiterium fecretum Tartari, word dus gemaakt. Men neemt van het allerzuiverst Sal Tartari, en giet
er op een genoegzaame q.uantiteit gedestilleerde azijn» tot eene volmaakte faturatie toe. Men distilleeit dit mengzel tot droog wordens; er komt van voorteen vogt, dat geen fmaak heeft, en de flegma van de azijn is. Mea giet op nieuw gedistilleerde azijn op dit uitgedroogd zout ; distilleert het nogmaals, en herhaalt die opgie« ting van azijn en die distillatien, tot dat het vogt, 't welk er uit druipt, zuur zij; dat is te zeggen, tot dat de azijn er zodanig van overkomt, als men ze er opge- il'jrt heeft; want dan is het Sal Tartari met eene genoeg» zaame quantiteit zuur van de azijn voorzien. Men ont« bind deeze zouragtige masfa in allerbesten Spiritus"vini} giet deeze folutie door een vloei papier, distilleertze en doetze droogen; men ontbindze voor de tweede-maal in nieuwen Spiritus vini, gietze door en doetze droogen. Eindelijk ontbind men?e voor de derde en laatfte reis ia nieuwe Spiritus vint, en deeze op een z^er zagte hette van asch uitgedampt zijnde, blijft er een fpongieufe en als half vlugge zoutagtige masfa over, een weinig olieagtig, als fneeuw, blinkende , en in blaadjes als de Talk-fteeB; dit is het geen men Terra f diata noemt. Zij trekt op eene verwonderlijke wijze de tincluur der Metaalen, waarin de Chimisten ze fterk aanbeveelen. Wat meet is, men geeft ze op als een uitmuntend middel om de obftruftien der ingewanden te ontbinden , en de verdikte vogten te verdunnen: om die reden fchrijft menze nut- hjk voor in morbi cacheiïici, in paralijfis en hijdrtps. Zij Sss 3 ver; |
|||||||||
|
^WIJT, X.
|
|||||||||||
|
WIJN. WIJS, WIJT.
|
|||||||||||
|
zegd i dat deeze zoort de Molenaar zij, Muf. Ichth.
Leid.ip^..p. 20. AU. Upf. 1742.; dog naderhand ver.' klaart zijn Ed. dit, j inet te zeggen, dat men de jongen Molenaar,, die ouder zijn Wijting noemt, AU. Helv. torn. iv. p. Q.61. ... .. ■■■ . «Deeze Viscri is, aan de kust van Engeland en Noor*
wegen, aan onze ftranden, als ook in de Oostzee vrij gemeen. In Frankrijk getuigt men, dat dezelve hec voornaamfte onderwerp dervisfeherije in zee uitmaakt. In zijne Rob worden Garnaalen, Anchiovis en derge, lijke kleine Vischjès meer, gevonden; die bijna onge. kwetst zijn ; waar uit blijkt, dat zijne Tanden hem niet tot.kaauwen dienen, maar tot het vatten van zijn aas. De Wijting gaat, in langte, zelden een voet veel te
boven, en is, naar degrootte.dunen fcbraal, inzonder- heid naar de Staart toe. Behalve de koieur, die over 't geheel witagtigis,, verfcbilt hij van den Schelvisch,doot dien de Bovenkaak zo veel bij de Onderkaak uitfteekt, dat,, in het fluiten van den Bek, de Tanden daar bui- ten komen.. Eert zwarte ylak heeft hij aan.den wortel van 't vóoifie paar Vinnen, tüsfchen derzelver agterfte ftraalen. ln:getal van Vinnen komt hii met den Kabel- jaauw overeen, ais ook in't getal der Beentjes, uitge- noomen die van de voorfte Aarsyin, waar in de Wijting er ongevaar 30 heeft, gelijk de;Steenbolk. Aan den uit- gang van de Rob is een kraag van bijhangzels, die naar een bosje haair gelijkt..; Het vinden van tweeflagtigeof Hermap hodrieten,, dat is die hom en kuit beide te ge- lijk hebben, is ónder de Wijtingennlet ongewoon. Deeze Visch, die men inde fpmer hier te lande heeft,
word voor den gezondfren vr: alle Zeevisch gehouden. In Engeland word de Wijting, even als Stokvisch, ge> droogd en dan Buckthorn,. dat isBoksdoorn, geheeten; wanneer het een zeer fmaaklijke fpijs is. Sommigen hebben aangemerkt, dat het een zeer bekwaam voedzel zij voor Lqopers en Postbooden ; dewijl er de maag in 't allerminfte niet door bezwaart word. Lemerij geeft breed op van de Beentjes, die men in de Koppen vindt, als niet alleen dien(lig_ tegen 't zuur in de maag, maar ook, en wel inzonderheid, tegen 't graveel. |
|||||||||||
|
verwekt pis, maakt open lighaam, en brengt veel toe
tot de werking der Purgantia. De dofis is van dr. (T. tot dr, ]\ Onderde Geneesmiddelen, die men uit den Wijnfleen bereid, zijn de allergebruiklijkfte de Tartarus folubüis, de Tartarus vitriolatus, de Tartarus emeticUs, de Tarta- rus cha lijbeatus. Van de twee laatfte zullen wij fpreeken, als wij van 't ijzer handelen. De Tartarus folubüis, of 't Sal vegetalüe der winkels,
en de Balfamus Samech Paracelfi, word dus gemaakt. JU. Crijflalli Tartar. une. viii. Sal. Tartar. mc.iv.M.
Superinfundatur Aa ferv. f$ iv. Läatze geduurende een
halfuur kooken; defolutie koud geworden zijnde, word
dooreen Hippocras-zak gegooten, en uitgedampt, tot dat er een velletje opkomt. Zetze vervolgens op een Jcoele plaats, opdat de krijstallen zichformeeren. - Giet er het vogt af, en damp het nog eens uit, totdat er een vliesje opkomt, enlaathetcristallizeeren; het welk men herhaalen zal, tot dat het al te dikke en olieagtig vogt niet meer kristallen fchiet. Men zal omtrent une. xij. hebben, die men zal doen droogen en voor 't gebruik bewaaren, . <Uï)'5ûil<s ■> HÜiisï Dit middel is openend en laxeerend; bet is van zeer
veel nut in morbicacheüici en in obftru&ien der ingewan- den; het vermeerdert de kragt der Purgantia; om die reden mengt men het dikwijls met dezelve in purgatien. De dofis is van fcr. j. tot dr. ij, of zelfs tot dr. vj. en une. j. Men fchrijft het voor in bouillon of in fg ij. Apozema aperiens om te purgieren; want danpurgeert het zagt en zonder ongemak. > " ~ / v De Tartarus Vitrielatus, of 't Magiflcrium Tartari der
winkels, word gemaakt door eenegenoégzaame quanti- teit Spiritus Viirioli te gieten op de Oleum Tartari per deliquium, tot Jaturatie toe.' Men giet vervolgens het vogt door, en evaporeert het tot droog-wordens toe. Men kan ook nog dit zelve zout maaken met Vitriool,
en Sal Tartari, op deeze wijze. Men fmelt Vitriool in een genoegzaame menigte water, en giet op deeze folutie Oleum Tartari per deliquium.. Het vogt word troubel door de precipitatie der metaal deelen; als het vogt niet meer troebel word door het ingieten van de Oleum Tar- tari, giet men het door een graauw papier, en doet het tot een zout droogen, het welk het waare Tartarus vi- triolatus is. Het heeft dezelve kragten als het Sal vege- tabile, en men geeft het in dezelve dofis in. Men gebruikt dikwijls den Tartarus vitriolatus in de
Opinta mefenterica, aperientia, cacheUica, en in apçze- mata, hetzij alterantia of purgantia. WIJNSTOK zie WIJNGAARD.
WIJNVAT, zie CADUS.
WIJSGEER, ziePHILOSOOPH.
WIJSGEERTE, zie PHILOSOPHIE.
WIJTING, is de naam van een Zeeviscb onder het
■geflagt der Kabeljaauwen behoorende, en die in 't la« tijn Merlangus word genoemt. Wijting betekend zo veel als witte Schehisch, daar
eenigen den bijnaam van weeke bijvoegen, wegens de zagtheid door welken hij bij de Schelvisj"chen uitmunt. De Engelfchen noemen hem,om die zelfde reden, Whi- 4ing, de Duitfchers Huitling, dog bij de Franfchen word hij Merlan geheeten. Veelen egter twijfelen of het de '.Merlan van Rondeletius wel zij; alzo die Autheur denzelven maar met ééne Vin agter de navel afbeeldt, «n van den Pesce mollede? Venetiaanéo; dat is vanden Molenaar* ©nderfcheidt. De Heer Guonovius hàdt ge- |
|||||||||||
|
X
|
|||||||||||
|
X, is de twee-en-iwfatigfte letter en zeventiende
confonnant of medeklinker van het nederduitfche Alpha- beth. Wijzijn deeze letter aan de Latijnen verfchiildigt.die
de zelve uit het griekfche Alphabeth hebben overge« Jioomen,' zij bedienden er zich van om de twee harde medeklinkers CS of de twee zagte G2 mede te verbeel* den. Het was dus de verkorting van twee vereenigde of wel een dubbelde medeklinker, X duplicem, loco C et.S, vel G et S, pofiea a grecis inventam, asfump' fimus, zegt Priscianus lib. I. hierom is het ook dat Ouimtiltanüs I. iv. opmerkt, dat raen het zonder x deeze |
|||||||||||
|
XAN. XER.
deeze letter hadt kunnen ftellen ; X litera caren potui-.
mus, fi non quflsfemus; en wij.worden van Victori- nus, Art,gram /.gewaar, dat de oudeLadjnen de beide medeklinkers onder deeze eene letter vereem'gt, afzon- derlijk fçbreeven; latiiii vnces'qum in X litterarum inci- dunt, fi in declinatione eartim apparebat G, ScribebantG et S, ut corij.ugs ,.legs. 'Nigidius in libris fuis X ineranon eß ufus ,'antiquitaïém1'fequens. ', ■Ds Romeinen gebruiken!de X tot een talletter, maa-
fcende de hoeveelheid van Tien, en met éenhorifontail ftreepje erboven x.UQiooo. X deed niet meer als iooo. Jjvoor X trekt er eene eenheid af, en IX _9; in tegen-: deelXI_ii,XII~-i2>XIII_-i3,XIV-i4,XV_.i5,' enz. X voor L of voor C, duid aan dat men 10 van 50 of van 100 moet aftrekken; dus XL40, XC90. In de oude opfehriften is X. ER. Decimae Erogator;
XV. VIR. F AC. Ouindecim Vir Faciundis; XX. Vice-, fimus zijnde een eigen Naam. Op de oude Munten is X insgelijks het zelfde. '■ . " p-.n ^XANTHIUM, zie KLISSENKRUID (KLEIN-)
XÄNTHON is denaam welke door de oude Natuur- kundigen aan een groenagtig geel' marmer is gegeeven; men noemde het zelve ook wef Marmor her-bafum.: . - XANTHUS, dusdaanig hebben zomraigeNatuurkun- digers, een zekere fteen of veel eer een:zoort van ha- matites of ijzer-mineraal vaneen bleekgèele. koleur, ge- noemt. Deszelfs griekfche naam f*»9-«s, kondigt die koleur aan. Het is dezelfde 'zelfftandigheid ; waar aan zommigé Schrijvers de naam van elâtites hebben gegee- ven. ■ V ; 't ■:!' ... ' XANXUS, is een groote Slakke-Schulp, van gedaante
als die , met welke men gewoon is Tritons aftebeelden. De Hollanders laaten die voor hun bij het eiland Ceilon visfchen, of op ds'kust alwaar het koningrijk Travaiior gêleegen'is, en 'die op' deeze kust gevangen worden, hébben haare draaiiingen altemaalvan de rechternaar de linker hand geftrekt; indien er bij geval een gevonden wierd, waarvan de draaijingen van de linker na de reg. ter hand liepen, zouden de Indiaanen zulks voor een groote fchat houden, om dat zij gelooven dat1 het in een Xanxus van die zoort is, dat een van hunne Goden vér« pligt wierd zich te verbergen. ■ De Oöstindifcbe Compagnie der Vereenigde Neder-
landen, laat aan de Indiaanen onder baar gebied behoo- rende, niet toe, om de Xanxus die zij visfchen aan ie- mand anders dan aan haar zelven te verkoopen ; zij koopen ze dus zeer goedkoop in, en verkoopen ze voorduure prijfen in het rijk van Bengalen , alwaar ze doorgefnee- den of gezaagt zijnde,'tot armbanden worden gedragen. XERANTHEMUM eenkruidgewas, dusgenoemt van
|i>(ios, droog, en »»S-«s een Bloem, als zeide men drooge Bloem. Clusius noemt deeze Plant Ptarmica, niet om dat ze niezing zoude verwekken, maar om. dat ze eeni ge gelijkheid heeft met de Ptarmica van Dodoneus, Ze Wordt doorgaans Herba immortalis, in 't fransch enkel Immortelles genoemd , om dat haare Bloem veele. jaaren lang kan duurenen bewaard worden, want zij heeft fte- vige Bloembladen-, die eveneens.kraaken als of he.t.me- taalen plaatjes waaren, om deeze reden wordt het in 't nëderduitsch ook Papierhloem genoemd. Kenmerken. Deeze Plant heeft een fcbubacbcige zilver-
gekoleurde Bloemkelk, de Bloem is droog; de Bloem- fchijf Beftaat uit veele vlakke Bloembladen, hebbende |
|||||||
|
. XER. XIP. XIJL. 4273
geene vrugtbeginzels aan zich vastzitten, die nogthans
beflooten zijn in den zelfden Koker met de halve Pijp- bloemetjes; de vrugtbeginzels worden naderhand Zaad- jes, hebbende elk een bladagtig Knopje. Zoorien, De voornaamfte zoorten beftaan in de vol-
gende. 1. Xeranthcmum met groote enkele purpere Bloemen-;
Xeranthemum flore fimp'.ici purpureo majore. H. L.; X«. ranthemum ole f'Aio, capitulis fimplicibus incanis , non ftens, flore majore violaceo. MoRis, 3. p. 43.; jacea ole folio, capitulis fimplicibus. C, Baüh. Pin. "272.; {Xeranthemum foliis lanceolatis patentibus. Likn. Spec. Plant.) Van deeze zoort is ook eene verandering met dubbelde purpere Bloemen. . 2. Xeranthemum met enkele kleine purpere Bloemen ;
Xeranthemum flore fimplici , purpureo minore. Tourne- 'FORT.
. 3. Xeranthemum met enkele witte Bloemen; Xeranthe-
mum flore fimplici albo. H..S. Hier van is ook eene ver- andering met dubbelde Bloemen. Plaats. Alle deeze opgenoemde zoorten groeijen .na«
tuurlijk in Oostenrijk, Zuid-Frankrijk, Italien,Switzer- land, enz. in dorre weiden en naast de akkers, zijnde eenjaarige gewasfen. Kweeking. Om deeze Planten bij ons te kweeken,
moeten dezelve in augustus op een warm Rabat gezaaid worden, in agt neemende om den grond te bevogtigen en te b.efchaduwen , indien het droog weer is, en zulks tot dat de Planten zijn opgekoomen, na welken tijd ze. van onkruid moeten fchoon gehouden . en in droog weer nu en dan met water verfrist worden. Wanneer de Plan- ten omtrent twee duim hoog zijn, moeten ze op eenan- der Rabat verzet worden, voor een warme muur, hei- ning of hegge, omtrent vier of vijf duim van malkander; hier zullen ze de gewoone winterkoude van ons klimaat zeer wel veraraagen- In junij van het volgende jaar be- ginnen ze doorgaans te bloeijen, en (n het: begin van julij kan men ze affnijden om te droogen.dog men moet eenige van de beste en dubbelde Bloemen van elke zoort laaten ftaan. om zaad te winnen, 't welk in omtrent een mqand rijp zal zijn, en de Planten zullen kort daar na uitgaan , zo dat het zaad jaarlijks moet gezaaid wor- den, orn ze te bewaaren. > ... Gebruik, Deeze Plant heeft geen ander gebruik, dan
deBloemen.fot cieraad binnenshuis in kamers onderden fchoorlteen of elders te plaatzen; want dezelve afge- fneeden zijnde wanneer in volle bloei ftaan, en zorg- vuldig gedroogd zijnde, kunnen verfcheidene maanden fris en fchoon blijven. XEROMIJRON, de Ouden betekenden met deeze
naam eene compoficie uit drooge en totpoeijer gemaak- te weiruikende kruiden zamengeftelt, welke men zeer oneigentlijk vette balfem noemt; want daarwierdt in des- zelfs bereiding niet het minfte gebruikt, dat van dien aart was. -, . , '■ ■ ,■.,■. XIPHINUS, deeze naam wordt van zommige Schrij-
vers aan de Saphierfteen gegeeven. XIPHION, zie LISCH (ENGELSCHE-)
XiJLO ALOE of Aloë-hout, ook Agallochum ge-
noemd, zie ALOE; Hec woord Xijlo-Aloe is zarnen? gefield van f a*»», hout^ en ;van' «>■«, aloë. . 1 -<nji XIJLO- CASSJA, zie CASSIE (HOUT-) .- v -
XIJLON, zie KATOEM-PLANT, : ,..
|
|||||||
|
Y.
|
|||||||
|
♦274 Y. YAC. YDE. YGA. YIJA. YLH.
Y.
|
||||||||
|
..s:;iydh:^
ftofFen. die merkelijk fijner en dunner zijn dan de ande-
ren; Maar. wanneer men fpreekt van de eigen ftof van een lighaam, die ftof, daar het eigentlijk uit beftaat en zamengefteld is, komen alle deeze vreemde deeltjes, die andere wetten volgen, en in deszelfs aandoeningen geeis deel neemen, nooit in eenige aanmerking, en wordea gerekend tot dat.lighaam niet te behooren. Niet zonder grond zou men ondertusfchen ook ftellen moogen, dater behalven deeze eerfte leedige holligheden en ijdele ruim. ten, die-, dewijl ze met een andere ftoffe vervuld zijn, oneigentlijk dus genoemd worden, nog anderen en veel kleindere in de lighaamen te vinden zijn, welke den naata van ledig en ijdel eigentlijk en letterlijk verdienen. De vrijheid, die er tot alle beweegingen noodig is, fchijnt zulks te vereifchen; maar, fchoon ze er al zijn, ze vallen egter niet onder 't bereik van eenige proef- neemingen , waar door wij derzelver beftaan zouden moogen doen blijken. Wij ftellen derhalven, de een- voudige en oorfpronglijke deeltjes der lighaamen alleen uitzonderendei als een algemeene waarheid vast, daç alles, wat uit Hoffelijke deelen zamengefteld is, Î7 is, en zijn opene tusfchenruimten heeft.de harde lighaamea zo wel als de vogten, de bewerktuigde zo wel als alle anderen, en dat al 't onderfcheid, 't welk in dit ftuk tusfchen deeze en geené lighaamen plaats heelt, alleen voortfpruit uit de verfchillende grootte, getal, gedaan- te of fchikking , van die tusfchen wijdten en openingen. YLHOOFDIGHEID, in het latijn Delirium, noemt
men wanneer een Mensch, welke van te vooren zijn verftand wel wist te gebruiken, deeze bekwaamheit verliest, en daarom anders denkt en handelt, als hij, of iemant wel bijzijn verftand-zijnde, gewoon is te den- ken ente handelen.dan zegt men dat zodaanig een Mensch Ylhoofdig is. Als deeze afwijking in het verftand weinig is, en maar in zommige zaaken, dan noemt men het in deeze tijdt Hijpocondet, voornaamentlijk als deeze Th hoofdigheid met droefheid gepaart gaat, kunnende dee- zen veelmaalen in andere zaaken zeer fdherpzinnig oor« deelen.. Want als de Menfchen met een het vermoogen in't verftand verliezen, blijvende zonder koorts, word het gekheit of zotheit genoemd. Is hier bij gepaart te groote gemoeds-beweeging, veelmaalen zeer lang aan» houdende, dan noemt men het dolheit, rafernij, enz. Maâr een ligte uitzinnigheit uit koorts ontftaande of met koorts gepaart, noemt men veeltijds ligtkoofdigheid. Is deeze koorts zeer hevig en de Zieke van al zijn verftand berooft, raazende en tierende, dan mag men het wel uitzinnigheid noemen. - Ik vind bij de Grieken en La- tijnen , en in onze Moedertaal zo veel benaamingen op de Ylhoofdigkeid toepaslijk, en daar in weder zo veel bijzondere betekenisfen, dat men naauwlijks kan zeggen wat woord best de eene of andere zoort van Ylhoofdig: heit betekend, en hoe veel woorden dezelfde zoort be- tekenen. Eene en dezelfde oorzaak brengt ook veelder« lei zoort van Tlhoofdiglieit voort, dat.men genoeg ht* vestigt kan zien in de dronkenfchap. Daarom zal ik 'maar trachten na te gaan eenige zoorten, en haare oor» zaaken te befchrijven,. alfchoon zij in haar uitwendig gelaat zeer fchijnen te verfchillen. Zo lang als de beweeging der hersfenen en de vloed
der gezonde geesten daarop order verricht worden, blijft een Mensch bij zijn verftant; maar als het een of bet an- der van de order wordt afgebragt door een bijeenkomen- de oorzaak, krijgt men ook, na maate deeze verwar- ring »ia of meer, zagt of hevig is, verfcheiden zoor- |
||||||||
|
Y is de drie-en-twintigfte letter van het nedeiduitsch
Alphabeth. Het is eigentlijk zo wel als de voorgaande een griekfche letter, en door andere Volkeren van die taal ontleent. Zij plagt van ouds bij de Grieken ge- bruikt te worden voor een enkele U ; en men bedient zich tegenwoordig van dezelve, in het fchrijven van die woorden welke uit die taaie afkoomen, als dat van Tfoop, enz. en van de oude griekfche naamen,, als Pythagotäi, Phtygie, enz. hoewel eenigen dezelve zeer bezwaar- lijk willen verwerpen, en de I in haare plaats ftellen. Bij de Nederlanders is deeze letter de zesde en laat-
fte klinkletter, alleen lang,wordende als zodaaniguit- gefprooken tusfchen delen Ei, als bij voorbeeld, in de worden, Ydel, Ys, Yver, Yzer, Bly, Vry, Pryzen, Ryden, Burgery, Schildery, Drukkery, enz, zijnde het onderfcheid tusfchen de verfcheiden klanken van I, EI, en Y te hooren in de uitfpraaken van Vil, viel, veü± vyl; Bidt, biedt,beidt, byt; Zit, ziet, zeit, zyt; Lidt, liedt, leidt, iydt, en diergelijke. Baronius leert ons, dat de Y oudtijds in de telling
voor 150 wierde gerekent, en met een horifontaal ftreep- Je er boven, y 150,000. < ■" YACHT , dusdaanig wordt een vaartuig genoemd',
waar in allerlei] gemak wordt gevonden, eri inzonder- heid is gefchikt om voor vermaak mede te zeilen. f YDEL-HA VER, in "t latijn Gramen avenaceum, is een
fcoort van onkruid, dat men veelvuldig in Neder- en Hoog-Duitschland onderde Graanen vind groeijen, als mede aan de kanten van de Akkers, naast de wegen en elders, en is eenjaarig. " « YGA, dusdaanig word inBrafil een Boom genoemd,
van welken de Portugeezen den gantfchen bast affchei- den om er kleine fchuitjes van te maaken, die wel 20 a 30 gewapende Mannen kunnen voeren. De Bast is een duim dik, 35 a 40 voeten lang, en 4 as voeten breed. In de geneeskunde verftrekt zij tot geen gebruik. YIJA, zie OTTER (BRASILISCHE-)
YLHEID. De Ylheid der Lighaamen is niets anders,
dan de ledige ruimte, het ijdel dat tusfchen derzelver vaste ruimte gevonden wordt. Niet dat wij, door dit woord ijdel, plaatzen willen te kennen geeven, die van alle ftöffe ten eenemaalen ontbloot zijn; want het is on« twijffelbaar, dat er in 't grootfte gedeelte van de tusfchen- Wijdten vloeiftoffen huisvesten, die vtn hunne tegen- woordigbeid zigtbaare blijken geeven, in' menigerhande proefneemingen. Wanneer ikeendrooge fpons, of een zagten en voozen fteen, in 't water dompel, zie ik ,naar niaate dat het water er in doordringt, veel luchts naar buiten komen en er uitgedreeven worden; en, als men vogtige lighaamen droogen laat, worden ze ligter, naar maate zij dat geen, 't welk hunne Ylheid ïn hunne hol- lïgheden en tusfchenruimten toegang gegeeven hadt, door de uitdamping verliezen; dog deeze vreemde lig- haampjes, vervullen flegts alleen de grootfte openingen en wsfchenwijdten. De ftoffe des vuurs, eri die van 't licht, welke wij door lighaamen, daar de lucht, het wa- ter, en dergelijken meer, niet kunnen doordringen, heen Zien gaan, laaten ons geen den minften grond over om te twijffelen, dat er ook nog andere buisjes of fedige koken zijn van een minderen rang, vervuld net vloei- |
||||||||
|
YLH.
ten van Tihoofdigheid. Zo dat een en dezelfde oorzaak,
maar wat vergrootende , een ander zoort van "ziekte fchijnt voort te brengen. , Ais iemant, kort na het gebruik van geestige of ge-
giste dranken, Tlhoofdig wordt, zal gemeenlijk deeze dronkeßfchap na de bekomene flaap verdwijnen, om dat de geesten door gisting gemaakt, door de werking van dnze leevensbeweeging können ten onderen gebragt en dan uitgedreeven worden. Dog als deeze wat groot ge- weest heeft, moet ook wat langer tijdt daar toe gebruikt worden. Om deeze te geneezen, wordt zelden iemant geroepen. Maar als iemant lang volhardt in het gebruik van deeze gistige dranken, gebeurt het wel, dat hij lange j'aaren van 't verftant berooft blijft; dat ik meer in Vrouwen dan in Mannen heb bevonden voor te vallen, die zich in de dranken verliepen. Het fchijnt dat door de aanhoudenheit der fterke drank te misbrui- ken, zalk een groote verandering in de doordraaiende geeften van de zenuwen en hersfenen gemaakt is, dat de levensbeweeging die niet weder verbeteren kan ; het geen men ook ziet gebeuren in bet gebruik van de Datura en het Bilsenkruid. Deeze vrijwillige en ftrafbaare ver- ftandeloosheit blijft zomtijdts tot in de dood. De oor- zaaken hier van hoeft men niet na te vorfchen , om dat die van zelfs kenbaar zijn; waarom de geneezing alleen maar te verhandele« ftaat. Hetgereedfte en beste mid- del hier in is, zich te onthouden van alle fterke dranken; als evenwel de verftandeloosheit niet verdwijnt, moet men een ader laaten, voornaamentlijk als er een te groo« ten drift in het lighaam blijft. Vervolgens moet men veelmaalen met een verkoelende purgatie afgang maa- ken , en gebruiken een zachte en verkoelende levenswijs. Deezen moeten zich wel wachten om in het vervolg fterken drank te gebruiken; want als deeze ziekte een- maal is voorgevallen, zal zij zeer ligt wederkeeren, en dan ongeneeslijk worden. Als de Koortsftof meerder is in het een als ander deel
van het lighaam, dan worden in dat deel ook meerder toevallen van de koorts befpeurt, nademaal aldaar de Werking van dat deel beroert wordt. Bij aldien dit voor- Valt in de hersfenen, dan heeft men niet alleen de koorts- tekenen, overvloediger en zwaarder in het hoofd , maar daar door worden ook veelmaalen de hersfenen zo zeer "beroert, dat daar uit een Tihoofdigheid wordt gebooren. Deeze wordt dan minder en meerder met de koorts ver- lieffing. Zij vereischt de gewoonegeneezing van dekoorts, mits dat men te gelijk wat meerder afgang maakt met verkoelende purgatien.om de ftof van het hoofd ie lei- tien na den afgang. Als de Tiing gaat en koomt is zij ■niet gevaarlijk; maar als ze blijft volharden, wanneer men het een Tiende Koorts noemt, dan is er meerder ge. vaar; want als de Tihoofdigheid gefchied, en dat de koorts- ftof, in plaats van zich te loozen, zich in het hoofd ne- der zet, *t geen men oordeelt te gefchieden, bij aldien men een dunne en doorfchijnende pis bekomt in plaats van wit zetzel in dezelve, dan heeft men veel gevaar te wachten, om dat de koortsftof hier niet ontlast kan worden. Het is ook zeer gevaarlijk een Tihoofdigheid te krijgen in de koorts, als de koortsftof tot bederving is overgegaan, want dan heeft het aderlaaten geen plaats, «n zweet-middelen maaken nog grooter Tligheit; het 'beste middel is een azijnige doek om het hoofd te leg- gen, verkoelende en de verrotting tegenftaande middelen '«e gebruiken, en maaken dat den afgang overvloediger is, door middelen in de te groote beweeging van de » >Vll. Deel, |
||||||
|
YMK. YOK, YOL. YPE. YPS. YS. 4275
koorts voorgefchreeven.met bijvoeging van eenige wei«
nige flaapmiddölen. Om dat alle deelen welke een ontfteeking bekomen,
zich zeer fterk beweegen en opzwellen, kan men ook ligtelijk begrijpen, datais deeze ontfteeking in de vlie- zen der hersfenen komt, de ingeflooten hersfenen daar door zeer fterk moeten bewoogen worden, waar door niet een ligte Tihoofdigheid, maar een razernij, welke men dan Razende Koorts noemt, ontftaat, verzelt met een geduurige hevige koorts , groote brand over het gantfche lighaam, klopping der flagaderen in het hoofd, met een onverdraaglijke pijn , waar over de zieken niet kunnen klaagen, om dat zij van hunne finnen berooft zijn. Deeze nevensgaande tekenen wijzen uok aan , dat deeze razernij uit een ontfteeking der hersfen-vliezen voortkomt. Zelden worden deeze Zieken geneezen ; want al gaat deeze ontfteeking in etter over, ftervenzij evenwel; om dat men den etter hier van daan niet kan loozen. Hierom zal men ten eerften aderlaaten, en dat herhaalen zo het niet genoeeg bedaart; men moet pur« geeren met verkoelende middelen; men zal azijnigedoe- ken om het hoofd leggen, de Patient in een luchtige koele, maar geen lichte plaats leggen, en allegeraasaf- weeren. Men moet evenwel niet denken dat alle razer« nij met koorts verzelt, en daarom Phrenitis genaamt, uit een ontfteeking der hersfen-vliezen voortkomt; wantals in de roos, welke wij Erij/ipelas noemen, de koortsftof na het hoofd gedreeven, en in een heete verderving der vochten dezelve na het hoofd gevoert worden, geeven die mede deeze razernij met koorts. Als de zwarte gal bedurven geworden is, en, met
het bloed van de aderen gemengt, vervolgens na de hersfenen gebragt wordt, dan Bekomt men een zoort van Tihoofdigheid, welke men Droefgeefiigheid noemt. Maar wanneer dit vocht gebooren is uit een eigenaartige beder- ving, dan heeft men een gebrek in 't verftand, 't welke meest Hijpochonder genoemt wordt. YMKJE, zieKREKELEN, n. XX. pag. 1640.
YOKOLA is de naam van het gewoone voedzel der Inwooners van Kamstfchatka , en der wilde Volkeren, die in het oostelijk gedeelte van Sibérien aan de oevers van den ooster Oceaan woonen. De Tokota wordt met allerlei; zoort van Visch bereid,
en men maakt er gebruik van als bij ons van 't brood. Alle de visch welke die lieden vangen, wordt in drie deelen verdeelt. De zijden en ftaart laaten zij droogen met die in de lucht te hangen; de rug en het dunfte ge« deelte van den buik word gerookt en op het vuur ge- droogt; zij verzamelen de koppen in een bolle ftamvan een boom, alwaar zij aan 't gesten raaken, en die zij dan niettegenftaande derzelver allervreeslijkften ftank opeeten; de middelgraat en de visch die eraan blijft zit- ten worden gedroogt, en vervolgens tot het gebruik ge« pulverifeert, het welk als dan de eigentlijk zo genoem- de Tokola is; de dikfte beenderen ofgraaten worden ook gedroogt, en dienen tot voedzel van de Honden. YOLOXOCHITL, is de naam van een Mexikaan-
fchen Boom, die weiruikende Bloemen draagt, waarin men de gedaante van een hart ziet. Uitwendig zijn dee« ze Bloemen wit, van binnen rood, zeer groot, en in 't aanraaken min of meer flijmerig, Men fchrijft aan de* zelve groote kragten toe, tegensdeopftijgingen. YPENBOOM, zie IPENBOOM. YPSOLOGLOSSI. zie BASIOGLOSSI. YS, in het latijn Glacies, is een hard en veeracbtig Ttt lighaam, |
||||||
|
-'...- YS.
peli na dat het water bevroozen was, werdt de bal veel
grooter en uitgezet bevonden, zo dat hij door den me. taaien hoepel niet als voorheen kon geduuwt worden. Deeze proef was noodzaaklijk, om dat men voorheen geloofd hadt, dat het water, tot Ts veranderende,klei. ner wierdt, de vaten, daar het in was', niet uitzetten- de, maar deedt naar binnen gaan én kleinder worden waar door zij berftten; men is nu door de gemelde proef uit deeze dooliuge gebragt. Het Ts zet zich niet zulk eene geweldige kragt uit
dat het veele aarden, glazen, ileenen, en metaaleiiva- ten breekt, dé boomen, zelf oude (lammen, doet fcheu. ren, de'takken breekt of zo"bros maakt, dat zij door weinig wïnd of zwaarte van opgevallen fneeuw breeken; ja de bevroore aarde ligt hies' te lande des winters de drempels der voordeuren op, en zelfs wel door lang- duurigheid en felheit geheele huizen. De Heer Boïle heeft aangetekend, dat het Ts in eene kopere pijp,drie duimen wijd, 74 ft> °Pgeligt heeft. Maar de Heer.Hui« gens heeft ondervonden ,dat het water in den loop van een musket geflooten, wanneer het bevroos , den loop met groot geweld deedt berften. Dog hoe groot is dit geweld van het Ts ? de Florentijnfche Wijsgeeren heb- ben dit zeer net willen meeten, hier toe namen zij ee- nen zeer dikken koperen bal,, hebbende binnen in eene ronde holligheid van eenen duim, deeze gevuld met water, toegeflooten, en bevroozen zijnde, kon niet door de kr.agt van het Tj- gebiooken worden. Men heeft deezen bal op den draaibank rondom en aan alle zijden even veel doen afdraaijen , en wederom met water ge- vuld laateh bevriezen ; ja men heeft dien zo lang afge- draaid, tot dat het Ts de kragt hadt, van den bal ta doen berden; als men de dikte van -het metaal mat, en geleerd hadt, hoe derk het was in eene gegeeve dikte, heb ik bevonden, dat de kracht van deezen bal, heb- bende ëén duim middellijn , was geweest van 27720 itj. zo dat een klein weinig Ts, een kloot flegts van ee- nen duim uitmaakende , een vreesfelijke kragt gehad heeft, en 2772 ïb zou hebben kunnen opligten. Het is zeer wonderlijk, dat water zeer heet, en zeer koud wordende, die overgroote krachten, om zich uit te zet- zen , krijgt. Het Ts in de ope lucht, wanneer het vriest, waas-
femt geduurig veele deelen uit, en wordt ligter. Een taarling Ts weegende vier oneen, en in de-lucht, 1er- wijl het vroos, opgehangen, werdt in, den tijd.van 24 'uuren, 4 greinen ligter. Een anderduk Ts, agtiendui- men hoog, verloor in vijr' dagen jg deel van een duim. De Heer Perrault heeft ondervonden, dat vier, pond Ts in 18 dagen een geheel pond ligter geworden was. Hier uit leert trien,' waarom de fneeuw van de aarde als verdwijnt, wanneer zij er eehige dagen opgelegen heeft; deeze uitwaasfeming der Ysdeelen gefchiedt, om dat de fonnedraalen geduurig deeltjes los maaken, en in damp doen opdijgen. Wanneer men water van zijne lucht gezuiverd heeft,
en het dus laat daan,in een luchtledige plaats; of het in eene fles toegeflooten zoeder lucht, in de ope lucht zet, zal het eer bevriezen, dan water vol lucht. Dit Ts is zomtiids doorfchijnender dan gemeen Ts, zomtijds min- der; dit is ook ligter dan water, drijft er in, zet zich uit met groote kracht, en het breekt glazen flesfen aan duk'sen, eveneens als gemeen Ts. Jndien .men een glas met water in fneeuw of gefchaafJ
Ts zet, en met de fneeuw eenige zouten mengt, alsz«- |
||||||
|
42 7ö Y S.
lighaam, en word uit het water met verfcheidene ver-
fchijnzelen gebooren, naar dat het langzaamer of fchie- lijker gemaakt word. Indien water langzaam in een glas bevriest, word het tot Ts, eerst rondom van binnen het glas; van daar fchiecen er als fijne draaden naar het midden toe, maakende met de zijden van het glas ver- fcheide hoeken, welke zelden regt zijn., of van öograa- den ; na de eerlte worden er andere gebooren, welke zich onordentlijkuitflrekken,en op allerlei manieren leg- gende, naar beneden loopen, langzaamerhand breed wor- den, zonder bijna nog .eenige dikte te hebben, zodat zij als dunne vliezen zijn, weike op allerlei manieren door het water heenverfpreid worden; ,veele van dee- ze vliezen vëreenigen zich met malkanderen, allerlei. hoeken maakende; andere (lollen als op een; andere maaken als tuinbedden uit, en befluiten dus midden in zich tot nog toe vloeibaar water; het welk ook zamen- ftremmende, met de eerfte vliezen de bovenfte Tskerit maakt welke op het water drijft; de oppervlakte hier yan is ruuw en ongelijk, als die van krijftal, hebbende overal fijne flriemen. ■ Dog indien het zeer koud zijnde, fterk en fchielijk
vriest,, wordt er op^hec oppervlak van het water eerst een dun vlies gebooren, loopende van de kanten van het glas naar bet midden toe, en fchains leggende op de oppervlakte van het waier; aanftonds worden eraan alle de kanten van 't glas diergelijke vliezen gebooren, naar het midden van het water uitfchietende, en welke de gedaante van driehoeken hebben, wier uitfteekendehoe- ken naar het midden toeuitgeftrekt leggen, zij zijn ook ordentlijk gefchikt, en maaken als tuinbedden uit,waar mede zij de korst van het ts maaken ; wanneer mendee- Zß korst , uit het water genomen, van onderen be- fchouwt, gelijkt zij niet kwalijk naar een koepens. Tot nog toe is het befchreeve Ts maar twee of drie
liniën dik, het is doorzichtig, en zich overal gelijk; terwijl in vervolg van tijdt de korst dikker wordt, ko- men ook de lucht erf veefachtige vloeiftoffen uit haare fcbuilhoeken ten voorfebijn; deeze maaken eerst kleine " bolletjes, die van een gefcheiden leggen,en de grootte yan het hoofd eener fpeide hebben ;zomtijds maaken zij »kleine langwerpige buisjes, welke aan-hun een eindron- de belletjes als hoofdjes.hebben ; en of evenwijdig aan- Bialkanderen leggen, of naar een middelde groote bel of bal'uitgeftrëkt zijn, zo dat zij zich als pennen van een rond bolligen Egel 'verloonën. Hier na worden de bel- len grooter, veele loopen in een, zo dat zij zomtijdsjot - bollen aangroeijen , welke eene middellijn van eenen
halven, ja ook wel van eenen geheelen duim hebben , het welk gefchiedt, wanneer de vorst fel en langduurig is ; dan wordt het Ts ondoorzigtig, de bellen febijnen jri.t, en het Ts wordt hoe langer hoe oridoorzigtigér, - hoe er meer en grooter bellen ten voorfchijn koomen.
; Dusdaanig Ts drijft op het water ; indien men het
liaaiiwkeurig weegt, is het ligter dan water; en altoos, hoe bet meer en grooter bellen heeft,hoe het ligter is; gemeenlijk is« de zwaarte van 't Ts tot die van het wa» ter, als 8 tot 9. , Het Ts, uit gemeen water gebooren, heeft dan eerie
grqoter uitgebreidheid gekreegen, gelijk de bijzondere zwaarte aantoont. De.Wijsgeeren der Florentijnfche Academie, hebben dit door meer andere proeven willen bewifzen. Zij namen eenen hollen gouden-bal, na dat zij dien met water gevuld en toegeflooten hadden, ma> tca-ijsij: zijnen grootften cirkel'met eenen metaalen hoe- |
||||||
|
■ s r -
YS.
»tut, bergzout, fonteinzout,.ammoniàkzùut, aluin, ko-
perroot, borax; of eenige vloeiftoffe, als geest van bran- dewijn, geest van zeezout, geest van Jalpeter ,flerkwater, ßheiwater, enz. clan zal, zo ras de fneeuw of het Ts fmelt, het water in bet glas bevriezen. Wanneer men geest van Jalpeter op het Ts giet, en er een kwik tber» mometer inzet, koomt er een heevige-koude, welke men zo fcherp kan maaken, dat de kwik 40 graaden onder o zakt; ik heb bevonden, dat de geest van falpeter met olie van koperroot, volgens het voorfchrift van Geof« froij gemaakt, de allerbekwaamfte tot deeze proef is. Men kan ook Ts maaken met fneeuw-water in een kei«
der bewaard, en van zelf gefmolten; want fchoon dit water de warmte heeft van 50 graaden, wanneer men er ammoniakzout in werpt, wordt het zó koud, dat het aan« ftonds ander water, het geen men in een ander glas mid- den in dit water gezet heeft, zal tot ÎV doen worden. Het is waarfchijnlijk, dat het water tot Ts wordt, niet om dat het ontbloot wordt van vuur, (fchoon het Ts nooit veel vuur in zich heeft,) nog om dat de wa- terdeelen voorheen bewoogen zijnde, zo lang zij vloei- baar waren, nu in ftilftand koomen; maar om dat er uit onzen dampkring eenige fijne lighaamen in het water ge- mengd worden, welke met het zelve als opbruizen, het vuuir wegjaagen, en daarna de waterdeelen aaneenheg- ten; met te dringen in hunne poren, even als men met een fpijker twee ballen tot een lighaam hegt; of ten minfte die lighaamtjes zijn als een lijm tusfehen de wa- terdeeltjes, even als het water een lijm is tusfehen an- dere lighaamen .gelijk het is met zand en kalk tusfehen fteenen. Ik moet dit gevoelen met bewijzen ophelde. ren, en toonen, wat er ons toe gebragt heeft. Eerst zal ik dan bewijzen, dat de deelen van het Ts niet in ftilftand, maar in beweeginge zijn. 1. De luchtbellen in het Ts worden bij het duuren van
den vorst dagelijks grooter , dit kan niet gefchieden, ten zij ze de ijsdeelen van een ftooten, en dus dezelve van hunne plaats beweegen. 2. HetTs bij flerke vorst kraakt geduurig , het gekraak daar van hoort men best in de meiren, en wordt door het-uitzetten der deelen veroorzaakt, welke als zij door de kanten weerhouden worden, zodäanig tegens een opzetten, dat het Ts als naar boven ópgeligt wordt, en van-een fcheurt, met fcheuren zomtijds een half, ja een heel uur lang; in kleine wateren heeft dit geen plaats, dewijl de uitzetting van weinig Ts te klein hier toe is. 3. Wij hebben ge- zegd dat het Ts geduurig uitwaasfemde,en ligterwerdt; dit is onmooglük, ten zij de ijsdeelen in beweeginge zijn, anders kan er nfets uit wegvliegen. 4. Wij heb- ben aangetoond, dat het Ts zich met zodaanige kragt uit- zet, dat metaalen, en fteenen vaten hier doorgebrooken wierden; deeze uitzetting kan niet gefchieden , tenzij de ijsdeelen van een geftooten, dat is, bewoogen, wor- den. Alle deeze beweeging hangt niet af van de lucht- bellen in het -Ts, dewijl water zonder luchtbevroozen zijnde, dezelve uitzetting onderbeevig is. En als zij van de luchtbellen afhing, zo worden niettemin de ijsdee- len bewoogen , dewijl het ijs uitgezet wordt. Men heeft gemeend , dat alle de uitzetting van het Ts van de lucht deezer-luchtbellen afhing; dog a!s de lucht daar in be- flooten deeze kragt hadt, moest men bevinden, dat ze als een ftérke wind wegvloogen, wanneer men met eene naaide het Ts tot op zodaanige bel doorboorde, gelijk fterk geperfte lucht uit een Windroer vliegt; ook zou dé bovènfte korst van het Ts moeten opvliegen en ge- |
|||||
|
brooken worden, door de lucht in deeze bellen befloo-
ten, met geen minder kragt, dan door buspoeder in mij- nen aangeftooken en bovenleggende aarde opgeügt en verbrooken wordt, maar dit gefchiedt niet in het Ts. Ik heb tot nog toe niet kunnen gelooven, dat het Ti
alleen gemaakt wierdt, om dat het vuur uit het water wegvloog, en dat de waterdeeltjes, digter dan voorheen tot malkanderen koomende, begonden aan eentekleeven tot een vast lighaam; want indien dit waar was, dan zou het Ts verdikt en verdigt water zijn, gelijk alle vaste lighaamen door.de koude digter worden; maaralle Ts is ijlder dan water, en hoe de vorst ftrenger enlar.g- duuriger is, hoe het meer zwelt, en uitgezet wordt. Mij fchijnt toe, dat deeze uitzetting in water zonder lucht alleen gefchiedt, om dat zich zekere zoort van lighaam- tjes in het water indringt, welke of door hunne mee« nigte, of liever door hunne beweeging de ijsdeelen van een (lapten, en dus bet Ts doen uitzetten, terwijl zij" evenwel het water doen crijflallifecren, zo dat de wa- terdeelen op de eene plaats van een, en op de andere plaats tot een geftooten worden; dit moet zekerlijk ook gefchieden, wanneer de luchtbellen in gemeen Tjbij het duuren van den vorst dagelijks grooter worden; en het is al vrij onbegrijpelijk , hoe in het harde en reeds lang geformeerde Ts, de deelen van een kunnen geftooten worden, zo dat de plaats voor een kleine luchtbel dage. lijks aangroeit, en 100000 maal grooter wordt, dan zij voorheen was, dit kan zonder het breeken van ijsdee- lon niet gefchieden; de lucht door de koude het meest van alle lighaamen ineenkrimpende, kan zodaanige zwel- len niet maaken, zo dat hier zekerlijk in het Ts eengé- duurige efFervefcentie moet zijn , die de deelen van het zelve van een ftoot, maar enkel waterkan niet effer- vefceeren, hier toe moet er zekerlijk een ander lighaam bijkoomen ; Ik vóorzie-wel, dat dit gevoelen zijne te- genftreevers zal vinden, waarom ik hetmetveele andere en kragtige bewijzen zal moeten aantoonen ; eerst zal ik dan bewijzen, dat de koude alleen geene oorzaak van vorst is. Ik heb dikwils in den winter bevonden, en niet op
één jaar, maar op veele, ja bijna alle jaaren , met een kwik.thermOmeter, welke op 32 graaden ftaat, als het begint te vriezen, dat de vorst volhardde, fchoon de kwik op 36" graaden ftond , ja zelfs hooger en wel tot 41 graaden toe; daar het gemeenlijk dooit, wanneerde kwik op 33 graaden ftaat, en fterk dooit, als zij ge- klommen is tot 36 en 40 graaden. Indien derhalve de vorst alleen afhing van het wegzijn van het vuur, en het vloeijend water van des vuurs tegenwoordigheid, moest men a'toos dooi, en geen vorst hebben, zo ras de kwik van den thermometer boven 32 graaden geree- zen was; dit heb ik waargenoptnen met volmaakte, en gamscb zonder lucht zijnde kwik-thermometers, ook wel in voorige tijden met anderen , gevuld met geesten, fchoon ik deeze laatften minder vertrouwen kan; met thermometers met geesten gevuld hebben het zelveaan- geteekend, andere Geleerden, als de Heer Wolfius in Duitschland, Cijrillus te Napels, welke zegt, de thermometer van Haüksbee toont vorst, wanneer hij op de 65 graaden ftaat, maar ik heb door waarneemingen van veele jaaren bevonden, dat er Ts-was, wanneer hst vogt van'dezelve thermometer flegts tot op den S S den graad gedaald was; zo dat men geenzints ontken« nen kan, dat er een minder graad van koude noodig is, om hier te Napels Ts te maaken, dan er te Londen toe Ttt 2 vereitcht |
|||||
|
Ï4278 YS.
■ vereischt wordt. Men moet wel begrijpen, dat de fchaal
van deezen thermometer anders is dan de onze, en be- gint van het midden der pijp af wederzijds zo naar bo« ven, als naar beneden toe, zo dat deeze thermometer op ss graaden (taande, veel grooter warmte aantoont, dan wanneer hij op 65 graaden gedaald is. Men hoore ook eens dien grooten natuuinavorfcber Reaumur in Vrankrijk; hij zegt wel, en naar waarheid,dat het wa- ter, tot zekeren trap van koudheid gebragt, bevriest; kouder zijnde op eenen anderen tijd bevriest het niet; het dooit als het kouder is, dan toen het vroos. Ik vraag hier, hoe kan dit alles zijn F een zij de vorst iets anders zij, dan alleen de koude; maar hoe natuurlijk en gemaklijk leggen wij dit uit? als er in de lucht veel ijs- maakende deelen zijn, fchoon zij warm is, zal het wa- ter tot Ys worden ; als er in de lucht w«inig ijsmaaken- de deelen zijn, fchoon zij koud is, aal er geen of wei- nig Ys gemaakt worden. Ik heb dikwils in de lente, zo in maart als april, ja
^zelfs in het midden van junius des jaars 1733 waargeno- men, dat op eenen helderen middelmaatig wannen dag, des nagts met eenen oosten en noord-oostenwind, vorst gevolgt is, raakende de aardgewasfen bevroozen, en Ys in deflooten; het is niet te begrijpen, dat deeze win- den de aardgewasfen , door den fonnefchijn des daags
zeer verwarmd, zo fchielijk zouden koud gemaakt heb- ben, dat hunne waterige ukwaasfemingen tot Ts veran- deren zouden; maar het is vrij waarfchijnlijker, dat dee- ze winden op dien tijd zekere zoort van ijsmaakende deeltjes met zich gevoerd hebben , welke in het water vallende, het tot Tx.deeden ftremmen ;dit doen de oos- ten winden niet altiid , maar zomtijds, zij zijn wel ver- zelt van regen in plaats van deeze deeltjes, zo dat zij niet altoos nog oorzaak van koude, nog van vorst zijn, fchoon over dezelve landftreeken hebbende heen gereist. Indien wij ter deeg op de voist letten, zien wij, dat zij in dezelve landftreek zeer verfchilt; want het ge- beurt, dat zij op eene plaats fel woedt, en in eennaast- aanleggende landftreek zacht is; het gebeurt, dat zij in zuiderlijke landen op den zei ven tijd veel fterker is, dan in noordelijke landen; dit kan men niet afleiden vange- .brek van warmte; want het moest natuurlijk volgen, dat hoe een land zuidelijker van ons legt, hoe het war- mer is, hoe meer naar het noorden, hoe kouder; zodat als er vorst in de zuiderlijke landenwas, zij veel feller in de noordfche ftreeken zou moeten zijn; ook moest in een en het zelve landfehap geen onderfcheid tJsfchen den vorst zijn, wanneer alles digt bij een legt, ende vorst uit de koude volgde; maar dit gefchiedt niet; het zal in Kleefsland vriezen, in Gelderland dooijen; in Utrecht vriezen, in Leiden week weer zijn, / In Spanjen op 't jaar 1734 vroos het fterk, toen het
in Nederland, zelf in noorder landen wak weer was; op het jaar 1737 vroos het fterk in Venetien, Italien, en Span jen, daar men toen ter tijd in Holland en op veele plaatzen van Duitschland nog koude, nog vorst in den winter hadt. In het jaar 1738 vrops het in Hol- land in januarius vrij fterk, zo dat mer/ met paard en fleed overat naar toe op Ts reedt, daar men in de Oost- zee, en in het Noorden wak weer en geen T*hadt. Wat moeten wij dan hier uit belluiten? dat vorst en koude twee verfcheide zaaken zijn ; dat de vorst van zommige luchtdeeltjes afhangt, welke door den wind dan hier, dan derwaards gedreeven worden; en die, daar zij koo- men , het water in Ys veranderen ; zo dat als de wind, ge- |
||||||
|
YS.
lijk eene tweefnijdige tong waaijende , deeze deeltje
medevoert, zullen er kunnen twee landftreeken, waar over die wind waait, met vorst aangedaan worden, en eene andere ftreek, tusfehen de twee voorige inleggen« de, waar over die wind niet waait, zal geene vorst heb- ben, het welk met veele waarneemingen overeenftemt. Men kan uit de uitwerkingen ook befluiten, dat er fri
het Ys eenige vreemde deeltjes moeten zijn; want ijs- water deugt niet tot koffi, nog thee; men kan het proe- ven, .wanneer men er thee en koffi mede gedronken heeft, het is raauw, ten zij het lang gekookt worde; ook kunnen er zommige fpijzen niet in gaar gekookt worden als wel ta regenwater; dit is bij al wie in de keuken zich oefenen, bekend. Ik heb water genomen, het welk volgens de .kwik«
thermometer 33 graaden warm was, hier op goot- ik geest vanfalpeter, even koud als bet water, aanftonds-wierdt dit water warmer tot den 4jften graad; op den zelfden tijd nam ik Ts, koud zijnde 32 graaden-, hier op goot ik denzelven geest van falpeter, aanftonds-wierdt de ther- mometer hier in ftaande zo koud , dat de kwik 8 graa- den onder o zakte, dat is, 40 graaden laager, dan zij geweest was ; laat ons dit ter deeg overweegen ; water maar eenen graad warmer dan Ts, wordt 8 graaden war. mer, en het Ts wordt 40 graaden kouder door-denzel- ven bijgegooten geest; moet er dan niet in het Xf iets gevonden worden, het geen in het water niet was, waar door die groot verfchil in de uitwerkinge komt? kan dit alleen van eenen graad minder of meerder-warmte afhan- gen? dit is onmoogliik;. mij köomt deeze proef over- tuigend voor, dat er in het Ts iets anders moet zijn , dan in het water, waar door die vreeslijke koude, na het bijgieten vandeafalpetergeest> veroorzaakt wordt. Indien men zout met fneeuw in een pot mengt, en hier
rn een glas met-water zet, daar na den pot- op het vuur, dan zal, zo ras de fneeuw en het zout beginnen te fm el- ten , het water in het glas aanftondsbevriefen ; hier helpt het vuur de bevriezing., want hoe het de fneeuw eer doet foielten, hee het water eer bevriest; dit moet ze- kerlijk koomen, om dat het vuur zommige deeltjes uit de fneeuw in het water ftoot, welke dit doet-bevriezen; ik beken, het water zou evenwel bevroozen ^zijn ge- weest , al hadt men den pot niet op het vuur gezet; dog het hadt niet zo fchielijk bevroozen geweest;, indien men nu fielt, dat het water bij gebrek van vuur Ys wordt, dan moet hier het vuur onder den pot, gebrek van vuur maaken in het water, zo dat het vuur .gebrek van vuur uit de fneeuw zou moeten ftooten in het water; het welk alles ongerijmd is-, want het gebrek van iets* is niet iets ftelligs. Ik voorzie wel, dat men mij hier- vraagen zal-,indien
het Ys uit water beftaat, waar toe eene andere lighaa- melijke ftoffe koomt, of deeze niet zVaar zij, en of het Ys dan niet meer moet weegen, dan het water? of de ondervinding dit ook beveiligd? ik beken, dat ik in klei- ne flesjes deeze proeven doende, niet heb kunnen vin- den , dat zodaanig flesje zwaarder werdt, na dat het wa- ter in Ys verandert was; maar ik meene, dat alle onze balanfen geen werktuigen zijn, net genoeg om de klei- ne lighaamen te weegen; want hang eens aan de beste en beweegiijkfte fchaal een flesje, waar in eenonsvogt kan gaan, in 't wçlk eenige ftukjes kaas zijn ; breng dit volmaakt in evenwigt, maak , dat er ettelijke mijten digt bij zijn, welke in de fchaal kunnen koomen, ener langs het flesje binnen in loopen, na dat men er 10,12 ia
|
||||||
|
YS.
|
|||||||||
|
YS. 4279
|
|||||||||
|
,ja 20 van deeze beestjes heeft in zien kruipen , zal men
geen.de minfte verandering in de zwaarte van het flesje gewaar worden, het welk evenwel door het gewigt van ieder diertje zwaarder geworden is; zo dat de balanfen al te onvolmaakte werktuigen zijn, om de minde bij- koomst van zwaare lighaamen bij een ander te ontdek- ken. Men kan mij wederom vraagen of zo weinige deel- tjes, als ik hier fiel, dat door de balans niet ontdekt kun- nen worden, ook het vloeibaare water zouden doen flremmen tot zulk een hard lighaam als Ts is? ik zeg ja: Laat ons eens bij deScheikonftenaars gaan, deeze zullen ons leeren, dat de gemeene zwavel uit tweederlei dee- Jen beftaat, waar van het eene in vuur brandt, en het ander een zuur zout is; ditzuure zout is eigentlijk een zoute geest, zo vloeibaar en dun als water; de onder- vinding leert, dat het vuurvattende gedeelte flegts a fte deel is van het zuure geeftige, en dat dit wêlnigje den
zuuren geest kan doen flremmen tot dat vaste lighaam , 't welk wij zwavel noemen ; mooglijk word in andere vloei- ftoffen maar hen te doen ftollen, vereischt , zo dat men ziet, dat de natuur ons voorgaat njet ftremmingen tetoonen, door vermenging van zeer weinig lighaamelijk bijvoegzel bij een groote meenigte van vloeiftoffe. Mij is van een groot en geloofwaardig Chimist verhaald, dat als men bij twee pond olie van vitriool in een fles ééne drup geest rvan zeezout giet, dat er vrij lang eene effervefcentie ge- fchiedt, maar deeze gedaan zijnde, zal in den winter, tijd, als het flegts even begint te vriezen, deeze olie vol Ts worden, niet anders dan of het zeer fel vroos; deeze olie behoudt die eigenfchap twee jaaren, maar niet langer, kunnende na dien tijd door geen vorst, aan ons landeigen, bevrooren raaken; in deeze waarneeminge ziet men, dat ééne drup geest van zeezout, omtrent één grein weegende, en dus maar het 15560de deel van de elie van vitriool, in dezelve die gefteltenis kan verwek- 'ken, dat zij op de minde vorst-tot 2> ftolle. Dat het water door hèt bijdoen van zekere lighaamen
tot Ts dollen, leert ons de Scheikonst, want na dat men met zeezout en olie van koperrood gemaakt heefc den zuu- ren geest van zout, blijft er in bet distelleerglas een /wonderlijk ander zout overig, het welk gefmolten kan worden in water, en tot krijdallen gebragt; deeze tot poeijer geftooten en gemengd met driemaal meer azijn, lier, wijn of water, doet deeze vogten tot Ts ftollen, men kan het Ieezen bij dengrooten Wijsgeer H. Boer- haaven in zijne Scheikonst op den 145 ProceiT. Men kan mij hier vraagen, wat zoort van deelen het
toch zijn, welke in de lucht zijnde, het water doen krijftallifeeren of de vorst maaken ? ik beken ze tot nog toe zo net niet te kennen , dit zal men met den tijd kun- nen ontdekken, als men er maar meer acht op gaat gee« ren , want men heeft in de Natuurkunde tot deezen tijd toe weinig gedaan, en, om dat men de moeite van waar- neemingen en proeven te doen ontzien heeft, is men bijna in geene zaak wat gevorderd, dan in het Licht door dien Heer Newton , in het Vuur door den Heer Boer- haave, en in het Yzer door den Heer Reaumur. Het moeten aardfche deelen zijn, om dat de vorst koomt en duurt met landwinden, maar met geen zeewinden, hierom vriest het niet bij ons met eenige weste winden, zélf bijna met geen noorde, maar met oostlijke , vooral zuidooste winden , of wel met vlak zuide, geliik het in het jaar 1738 met deeze winden fterk vroos; hoe men |
|||||||||
|
van ons land af oostlijker gaat, hoe het fterker aldaar
vriest, hoe men in tegendeel westlijker landen be- fchouwt, hoe het minder vriest; hoe weinig vriest het in Engeland, nog minder in Ierland , zelfs vriest het in Schotland minder dan in Holland, fchoon Schotland veel noordelijker, maarte gelijk ook westelijker legt; maar Brittanje en Ierland zijn Eilanden , rondsom van de zee omringd, zo dat alle winden daar waaijende, zeewin- den zijn. Indien men regt overfteekt naar Amerika, als naar nieuw Frankrijk, nieuw Nederland, Virginia, en Florida, bevindt men aldaar weinig ooste-winden , wel- ke zeewinden zijn , dog zonder vorst, maar met de an- dere landwinden vriest het aldaar zeer fterk; in nieuw Nederland vriest het meenigmaal in eenen nagt een over- gang Ti, zelfs in foopende rivieren. Waarom vriest het in Nederland des winters en niet
des fomers, daar er zekerlijk ook wel ijsmaakende dee- len des fomers in de lucht zullen zijn?des fomersisdoor de hitte der Sonne het water in te fterke beweeginge, dan dat de ijsmaakende luchtdeelen het water tot een genoegzaame ftilte,en tot een vast lighaam kunnen bren- gen ; ook kunnen door de beweeging in het water, de ijsmaakende luchtdeelen zelfs gebrooken worden; maar in den winter is de beweeging in het water veel minder, dan kunnen de ijsmaakende deeltjes de overige bewee- ging, welke in het water is, wegneemen of verminde- ren. Hier uit volgt, dat indien het water des winters fterk genoeg bewoogen werdt, het niet zou bevriezen, ten minfte veel traager dan ftilftaand water. Ik laat de beflisfing aan ieder over, of dit niet waar is? bevriest ftilftaand water niet ongelijk eer, dan wanneer het door eenen feilen wind bewoogen wordt? of als eene fnelloo« pende rivier ? of als een fles met water aan de wieken van eenen molen gehangen, en omgedraaid? Wat vloeiftofFen zijn er wel bekend, welke des win-
ters bevriezen ? al wat wateragtig is, fommige Oliën, als Boomolie, Raapolie, enz. maar veele andere Oliën bevriezen niet, als Lijnolie, en veele overgehaalde.0- liën door de Scheikonst; maar Anijsolie krijftallifeert fchielijk ; ook bevriest Azijn, Geest van Azijn, Bier, zo wel de waterachtige deelen, als de geest; Brande- wijn , Geest van Salpeter in het experiment van Fahren- heit, en Olie van Vitriool, na dat er eene drup Geest van Zeezout bijgedaan is. Hoe diep gaat de vorst wel in de aarde in? dit ver-
fchilt veel naar maate dat de vorst fel is; want in den harden winter des jaars 1709 heeft men bevonden , dat de vorst hier te lande drie, ja vier voeten diep in het aard- rijk ingedrongen was ; in Tartarije dringt zij er wel 6 voe- ten diep in, en mooglijk in andere landen nog veel dieper; Vriest de zee ook toe?dit is van fommige Ouden niet
gelooft, maar nu te klaar bekend om er aan te twijfelen, dewijl meest alle jaaren de Oostzee en Wittezee toevrie- zen; en zekerlijk alle winters de Zeen, welke meernoord- waarts dan wij leggen, alsBaffinsbaaij, de Straats Davis, Hudfonsbaaij en andere ; ja in Hudfonsbaaij zou, volgens de aantekeningen van Münck , het Ts in eenen winter ter dikte van 300 en 360 voeten vriezen, ten minden vriest de zee in Groenland toe, (het welk zuidelijker legt dan de gemelde Baaijen,) ter dikte van 10 voeten ; Zorgdrager, beroemd Commandeur naar Groenland, heeft bevonden, dat de zee van den Noordpool af tot op 25 graaden toe dss winters g:mtsch toevross, zodat Jan.Maajen Eiland, Spitsbergen, het Beeren Eiland, Nova Zembla, door het Ts als een vast aan mafkanderen gehegt-Jand was. Ttt 3 , Vriest
|
|||||||||
|
YS.
|
|||||||||||||
|
YS.
|
|||||||||||||
|
4*8o
|
|||||||||||||
|
Vriest in Holland de Zuiderzee niet dikwils toe? Van
waarkoomen de Ysbergen , welke in de zee bij Groen- land, en in het noorden altijd gevonden worden? Dee- ze zijn eertijds geweest Ysdammen in de groote rivieren van Muscovie, en andere noordfche landen van Ame- rika, of dukken Ts gebooren in noordfche Baaijen en Straaten, waar in de zee tot 300 voeten diep toevriest; welke naderhsndt los geraakt in zee zijn gedreeven, zijnde daarenboven jaarlijks aangegroeid door de opge- valle fneeuw,welke inden fomertijd niet indiemeenig- te, als zij gevallen was, gefmoltenis, waarom er Ys- bergen in zee drijvende zijn moeten , welke alle jaaren blijven aangroeijen : Hier koomt bij, dat hetzeewater door de golven, welke tegensdeeze Ysklqmpen fluiten, en er dus opfpatten, bevriest; waar door er in deeze kou- de Gewesten eene geduurige aangroeijing van Ts is aan dien kant deezer Ysbergen, waar van de wind en de gol- ven koomen ; hierom worden de Ysbergen aan dien kant zwaarder in korten tijd, en kanten om, 't welk de Bak- keljaauwvisfchers en Groenlandsvaarders dikwils zien. Men vindt zodaanige Ysbergen zo hoog als torens boven het water uitfteeken, en onder het water blijven ter diepte van 40 of 45 vademen, 't geen omtrenc 250 voe- ten uitmaakt. De Groenlandsvaders vinden dus in zee geheele Ysvelden, welke eenige mijlen in hunnen om- trek hebben , en in zee als groote Eilanden drijven; Men kan dit zien in Zorgdragers Groenlandfche Vis- fcherije. Zomtijds drijven kleiner febotfen tegens de grooteraan, en worden of op dezelve, of er tegenaan, zo fteik aangekruid, dat zij twee ja driemaal hooger worden, dan voorheen hunne dikte was, waar door er aanftonds Ysbergen in de zeen bij Groenland en Spitsber- gen gemaakt worden. P. v. Musschenbroek. YSER, zie YZER. - YSLANDSCH SUIKERRIET in het latijn Algafac-
charifera Islandka, is een zoort van Suikerriet, 't welk in Ysland groeit, en waar van het fapuitgedampt zijnde en door kooking verdikt, van de inwooners in plaats van fuiker gebruikt word. YSVOGELEN is een Geflagt, aan't welke door den
Heer LiNNiEus, de latijnfche naam Alcedo is toegepast, en van, Brisson die van Ispida, beiden van griekfche afkomst. De Franfcben noemen hem Martin-Pécheur, en de Engelfchen Kings-fisher, de Italiaanen Uccello Pescatore of Pescatore del Re, dat is Konings Visfcher. Hij heet bovendien ookZee-Specht, Zee-Zwaluv/en fVa- % ter-Merel. Alle die naamen, bijna, hebben hunnen oorfprong van de eigenfehappen, aan dëezen Vogel toe- gefchreeven, gelijk wij zien zullen. De Kenmerken van dit Geflagt beftaan, volgens Lin-
Nffius, in het hebben van een driekantigen, dikken, reg. ten, langen Bek; de Tong vleezig, zeer kort, plat en fcherp. Brisson maakt in zijn veertiende Rang, wiens onderfcheiding van de Voeten is genomen, naar de ge- ftalte van den Bek vijf afdeelingen, waar van de derde de zodariigen bevat, die den Bek regt en taamelijk lang hebben, gelijk de Tsvogel en Todier. In de Tsvogel is de Bek, zo hij verder aanmerkt, dik en fcherp ; in de Todier, horizontaal plat en ftomp. 't Getal der zoorten van Tsvogelen is zeven bij Lin-
Nffiüs, waarvan er vijf in de zes en twintig verfebeiden- heden van dit Geflagt, bij Brisson, begreepen zijn. I. Gemeens Tsvogel: Ispida. Raj. Av. 48.: (Alcedo
Irachijura, (upra coeruleafubtus fulva. Link. S ij II Nat.)
De ouden fpreeken van zekeren Vogel, genaamd Hal-
|
cyon, of Alcyon die zeer zeldzaam zich in de Middel-
landfche Zee vertoonde, en zijn nest eenige dagen voor den winter maakte, op of aan de zee, die, geduurende deszelfs broedtijd, vrij was van beweeging, doorftormen en onweersbuijen. Cicero heeft zelfs een gedigt ter eere van deezen Vogel gemaakt, en Ambrosius fpreekt daar van als van een bekende waarheid. Op'toogen- blik, (zegt hij) wanneerde Alcyon haare Eijeren ge- legd heeft op het fand van den oever, in 't midden des winters, word de zee ftil, en deeze ftilte houd veertien dagen aan, waar van de Vogel er zeven tot het uitbroeden zijner Jongen, en zeven om dezelve'a op te voeden noodig heeft. De Schepper heeft den ,, broedtijd deezer Vogelen in het ongeftuimigfte fat, zoen gefchikt, ten diende derzeevaarendén, diedee- ,, ze dagen Alcyonici noemen, en er niet febroomenge- gebruik van temaaken, weetende dat zij, geduuren- de dien tijd, voor geen ftormen te dugten hebben." De befchrijving, welke Pliniüs geeft van den Al- cyon, heeft doen denken, dat het de Tsvogelwaie, dien men derhalve Alcedo noemt. Dezelve, immers, ont- houd zich aan den Oever van ds Zee en. Rivieren in Europa en Afia; dog al het veranderlijke, dat de Ou- den niet alleen, maar de hedendaagfehen zelfs, hebben opgegeeven van het kondig maakzel van deszelfs drijvend nest, komt daar,op uit , dat hetzelve uit ftrootjes of rietjes en vischgraaten zamengedeld zij ; weshalve het, door ouderdom droog geworden, zekerlijk moet drijven op het water. Men vind deeze nesten in gaten aan den Oever, zomtijds vrij diep in de grond. Het Wijfje legt al vroeg haare Eijeren, die zomtijds reeds in 't voorst van april uitkomen ; zie daar hoe haare broedtijd in de winter zij. Zij broed, zegt men, twintig dagen, en ge- duurende dien tijd brengt het Mannetje haar getrouwe- lijk eeten aan, 't welk in Visch bedaat. Deswegens word deeze Vogel, in 't franschenengelsch, Visfcher geheten , of Martinet-Pefcheur, dewijl hij naar een Zwa- luw gelijkt, en misfehien om dat hij zo fraaij is geko- leurd, Konings-Visfcher. Denaam van Tsvogel khi\nt er aan gegeeven te zijn, om dat hij in het midden van den winter, wanneer er ijs legt, meest gezien word, moe- tende dan meer zwerven om de kost te zoeken. Men zegt dat zij zelfs onder fchotzen ijs duiken en aan de an- dere zijde weder uit het water komen. De Europifche Tsvogel heeft ongevaar de grootte van
een Leeuwrik. In fchoonhëid van pluimagieovertreft bij bijna alle andere Vogelen van dit wereldsdeel, daar hij in 't algemeen vrij zeldzaam is, niettegendaande het Wijfje zeven Eijeren in eens uitbroed. In de Noorde- lijkfle deelen, zelfs, (chijnt hij niet gevonden te worden. De Bek is nagenoeg twee duimen lang, daar het Lijfde langte heeft van geen vier duimen. Van boven is deko- leur donker-groen, van onderen ros; op't midden van de Rug en aan de Stuit blaauwagtigzee-groen; de Kop en 't bovende van den Hals zijn met blaauwe Vlakken over- dwars getekend,1 aan den Kop is wederzijds een rosfö Vlak; de bovende Dekvederen der Wieken zijn donker- blaauw, met heklerer blaauw geftippeld; de Staartpen- nen van boven blfauw, van- onderen bruin. De Bek is zwart adog aan de hoeken witagtig en van binnen faf- fraan-pel; de Pobtén zijn rood, de Nagelen zwart. Dus Word ons de Tsvogel, uit het Kabinet van Reau-
MöR, door den Heer Brisson befchreeven. Ray merkt an, dat de Staart maar anderhalf duim langen de Poo- enJ bij uitdek kort zijn. Het maakzel der Voeten, zegt |
||||||||||||
|
bij,
|
|||||||||||||
|
YS.
|
|||||||||
|
YS. 4*81
|
|||||||||
|
hij, is in deeze Vogel zonderling. Van den buitenften
Vinger, naamelijk, zijn drie Leden aan den middelden gehecht, van den binnenften maar één. Deeze is kleinst en de helft korter dan de middelde, aan welken de bui- lende omtrent gelijk is, en de agterfteeen weinig groo- ter dan de binnende. De Maag is groot en wijd, even als in de vleesch-eeten.de Vogelen, vol Vischbeentjesen Schubben, die de Vogel, zo 't fchijnt, op de wijze der Roofvogelen uitwerpt. Hier kan het van daan komen, dat zijn nest ten deelen beflaatuit Vischgraaten. ■ Men geeft voor, dat een Tsvogeltje, aan zijn Bek op- gehangen met een draadje, voor windwijzer of weerhaan Kan dienen; dewijl het den Buik altijd naar den wind keert; dog dit zal ook plaats hebben in andere gedroog- de Vogeltjes, 't Schijnt dat zij, in die Chat, onbe- derflijk zijn; en mooglijk is de taaijheid of droogte van hun Vleesch oorzaak, dat de Landlieden, fchoon zij er een menigte van komen te vangen bij 't ihijden van het riet, er geen gebruik van maaken tot fpijze. Veelal worden zij, wegens de fchoonheid van hunne Vederen, die door de dood niet vermindert, als iets raars bewaard. II. Gekraagde Tsvogel; Erühaca; Alcedo benghalenßs;
(Alcedo brachijura, dor/o caerulea, abdomine luteo, capi- te urqpijgioque purpureo, gula nuchaque albis. LINN. Sijfl. Nat.) De Heer Brisson noemt deezen de Gekraagde Tsvogel van Bengale zijnde dit landfchap zijn woonplaats. In grootte komt hij met den europifchen overeen. Hij heeft op den Kop een geele vlak en om den Hals een witte Kraag. De Slagpennen zijn grijs aschgraauw; dé Staartpennen van boven vuilrood; de Bek en Klaauwen hoogrood. III. Gekuifde Tsvogel ; Alcijon. Catesb. Car. i. p.
69 ; Jaguacßtiguactt. Marcgr. Braf. 194.; Ispida caro- Unienjis. Eow. Av. 115.; (Alcedo brachijuranigra, abdo- mine aibo, peäore femigineo. Linn. Sijfi. Nat.) Dee- ze heeft (volgens LinnjEus,) den Bek langer dan de Kop is, enfterk, of Aakfteragtig; een vlak voor en ag- ter de Oogen; de Tong zeer kort, vleezig, fcberp en plat. Het Lijf is zwart; de Vederen op den Kop zijn langer; de Slagpennen zwart met witte tippen; de bui- tenften kleinst; allen, aan de binnenkant, met wit ge- vlakt. De Staartpennen zijn twaalf in getal, geliik van langte, wederzijds met witte Vlakken getekend. De Keel is wit, gelijk ook de Borsten Buik, maar over de Borst, van vooren, loopt een bruinagtige ftreep. Dit is ook de koleur der Dijen. De Schenkels zijn zeer kort; de buitenfte Vinger is zamergehecht met den middelften. De Karolinifcbe Tsvogel, dien Catesbv onder den
naam van Alcijon befchrijft, word van Brisson de ge- kuifde van Karolina genoemd ; die van Edwards heet bij hem de gekuifde van St. Domingo; en die van Ratj, of de Jaguacati guacu der Brafiliaanen, de gekuifde van Brafil. Deeze drie verfcheidenbeden zouden derhalve in deeze zoort van Li nn^üs begreepen zijn ; dog de ko. leur fchijnt mij merkelijk te verfcbiUen, Immers, de twee eerden zijn blaauwagtig van boven, de derde roest koleurig bruin, zo wel als de Slag- en Staartpennen. De grootte is als een Merel, dog zij hebben een Bek van derdhalf of drie duimen lang. De Karolinifche eet zo wel Haagdisfen als Visch; de Braiïliaanfche, diende Portugeezen Papa piexe noemen, vangt ook Krabben. Die van St. Domingo was in 't Kabinet van Reaumur opgezet. Dezelve onthoud zich ook aan de Efudfons- Baaij, en in andere deelen van.Amerika, weshalve Ed WARDshem, niet ten onregte, den Amerikaanfchsn Ts- vogel ûeefc getijteld, |
|||||||||
|
IV. Roodborfiige Tsvogel; Todus; Todusviridis, peUo-
re rubro, roflro reäo. Brown. Jam. 476.; Rubecala vi- ridis elegantisfima. Edw. Av. 121 ; (Alcedo brachijura vii ridis, gula fanguinea abdomine albo. Linn. Sijfl. Nat.) Deeze word van zorrimigen de groene Mosch , van ande- ren de groene Spreeuw gebeten. Men geeft er ook den naam van allerfierlijkstgroen Roodborstje aan. Brisson, die hem afgebeeld heeft, noemt hem in 't fransch To- dier, naar den naam van Todus, welke er door Brow» ne aan gegeeven was, die zegt, dat de Jamaikaanen hetzelve Tom-tit noemen. Linn^ïus merkt het aan als twijfelagtig, tusfchen den TVroge/enhet Bloemzuigertje. Brisson maakt er een bijzonder GefJagt van, 't welk door een horizontaal platten en ftompen Bek vanden Ts~ vogel verfchilt, gelijk gezegd is. Het is, volgens Raij, een der fchoonfte Vogeltjes
die hij ooit had gezien. Het onthoud zich door geheel Noord-Amerika, zegt Brisson, die er een in't Kabinet van Reaumur had, van grootte als een Winter-Koning- je, zijnde vier duimen lang met Bek en Staart. Hetzel- ve was van boven groen, van onderengeelagtigwit, met roozenkoleur gefchaduwd; aac de Keel rood, de zijden roozenkoleur; de Staart van onderen zwavelgeel, de Staartpennen groen, met aschgraauw van onderen en aan de randen , dog de buitenflen geheel aschgraauw. V. Smijrnfche Tsvogel; Alcedo fmijrnenfis. Alb. Av.
III.; Ispida major africana. Edw. Av. 8.; (Alcedo ma- crourü ferruginea, alis cauda dorfoque viridibus. Linn. Sijfl. Nat.) Deeze, die onderden naam van Smijrnfche Tsvogel door Albin befchreeven word, is van grootte bijna als een Spreeuw, van boven donker-groen van on- deren kastanie-bruin, gelijk ook de Kop en Hals; dog heeft den Keel en een dwars-ftreep op de Borst wit; de Staartpennen zijn van onderen zwart, van boven don- ker-groen. Men- noemt hem dus, om dat hij zich om« trent Smijrna onthoud. De groote Afrikaanfche Tsvogel van Edwards , dien
Brisson de Maclagaskarfche noemt, komt in koleur taa- melijk met deezen overeen; dog op het Lijfis hij blaauw- agtig groen. De groote Bengaalfche Tsvogel van Albin verfchilt ook maar in eenige kleinigheden. De Bek en Pooien zijn in de eerstgernelde rood, dog in deeze laat- den zijn de Pooten oranjekoleur. VI. Bonte Tsvogel; Alcedo rudis. Hasselq. It. 233. j
Ispida ex albo £7 nigra varius -Edw. Av 9.,- (Alcedo macroura fusca albido varia. Linn. Sijfl. Nat.) Brisson noemt deezen de wit en zwarte Tsvogel volgens Ed- wards, en de Engelfchen van Jamaika geeven er den naam van Krabbemwiger aan. Hij is grooter dan een Spreeuw; onthoud zich in Egijpte en heeft een gelijke Staart, met een regten treeden zwarten Band overdwars getekend. VIL. Het "Godinnetje of Tsvogel mes zeer lange Staart-
pennen , het lijf blaauwagtig zwart, de Wieken groenag- tig'; Avis paradiflaca tèrnatana. Seb. Muf. ï.p. 70.; Al- cedo binis phtmis in cauda hngisfimis. Edw. Av. 20.; (Al» cedo rettricibus duabus longisfimis, corpore nigro coerv.les' cente, alis virescentibus Linn. Sijfl. Nat.) Dit is eender Paradijsvogelen van Seba; Brisson geeft er den naam aan van Tsvogel van Ternate, zi'nde die van hem uit het kabinet van den Abt Aubrij, afgebeeld. Die van Ed- wards, welken Linnaïus tot deezen ook betrekt, is van Brisson in een geheel ander Geflagt en zelfs in een andere Rang geplaatst, onder den naam van rfahamarr met een lange Staart* die zicb onthoud ia Suriname en t*
|
|||||||||
|
4282 , YS. YTÄ. YTI Y VA. YVE.
te Caijenne, zijnde van daar in 't Kabinet van Rjeaumur
gezonden. Deeze twee Vogeltjes, het een uit Ada, het andere
uit Amerika, fchijnen elkander te tarten door de fchoon- heid van bunne koleur en geftalte. Zij hebben naauwiijks de grootte van een Spreeuw. Het bruine der Vederen van 't boven-Lijf is met blaauw gerand, bet witte van onderen met roozenkoleur gefchaduwd in het Oostindi- fche, dat de Kop, Hals en Vlerken, bemelschblaauw heeft; de lange Staartpennen aardig met wit, rood en blaauw gefchakeert ; de korte bruin gerand. Het West- indifche is goudgroen met een bruinen Kop, wit van Hals; de Staartpennen donkergroen, van onderen zwart- agtig. De Bek, Pooten en Klaauwen van 't zelve zijn zwart, die van het Temaatfcbe roodagtig en de Bek oranjekoleur.. ' YTAHU, is de indiaanfche naam vaneen Steen die
in Paraguaij word gevonden. Men zegt dar het woord Ttahu, zo veel, als een luidende klok betekend. Dee- ze Steen is hol, heeft den omtrek van een paar vuisten, en geeft een fchel geluid van zich wanneer men er op flaat. Men vind deeze fteen in zommige rivieren van dat land; zij heeft genoegzaam de dikte van een agtfte duims. Inwendig is zij zee-groen van koleur, of dikwils zeer donker en als verbrand. Deeze Steen is buitenge- meen hard, uitwendig geel, en met een zoort van fand dat dezelfde koleur heeft overtrokken. Deeze Steen word gezegt eene fterke zamentrekkende kragt te bezitten. Zie de Lakt, âeLapidtbus £? Gemmis. YTIC, dus worden in de Philippijnfche eilanden een
ïoorr van Eendvogels genoemt die er zeer gemeen zijn, en in dikte genoegzaam met onze gemeene Endvogels overeenkomen. De Chineezen laaten deszeifs Eijeren door middel van konstwarmte uitbroeden, eveneens als men gewoon is in Egijpte met de Hoender.eijeren te handelen, YVANA, zie HAAGDISSEN, n.XKVlI.pag 969.
Y VER dit woord bepaalt zich doorgaans tot den gods-
dienst, en betekend in dat opzigt, eene fterke en over- heerfchende zugt en begeerte, om den vereischten in- vloed van de eenvoudigfte.kragtdaadigfte engewigtigfte gronden van den Godsdienst, zo wel in ons zelven, als in onze Medemenfchen te bevorderen en aantekweeken ; gepaard gaande met eene vriendelijke en opregte geest- gefteldheid, die, .door goedwilligheid gemaatigd, door kennis beflierd, en door zagtmoedigheid geleenigd wor- dende, niet aan eenen bijzonderen aanhanggehegt, maar naauw gezet is in het waarneemen der Christelijke ver- plichtingen, en zich allezins tragt te voegen naar der- zelver ver'eischte gewigt en aangelegenheid. Zodaanig een Yver is in zich zelven goed, voegzaam
en betaameüjk, en verleent zeer aanmerkelijke voordee- len aan de geenen die door denzelven bezield zijn, en gedreeven worden. De waare Godsdienftige Tver is niet anders dan eene
gefteldheid van geest, die ons ten naauwkeurigften agt doet geeven op die zaaken, welken erkend worden van het hoogfte'belang te zijn, en ons tot dezelven gene- gen maakt naar maate van derzelver aangelegenheid : ee- ne gefteldheid, in welke een wijs Man zich altijd zal verlangen te bevinden, «op dat hij zich kan verzekeren van het hoogfte goed, en door geen e verkeerde onder- richtingen of booze gemoedsneigingen veiieid worde, .om in het zelve mis te tasten, of het nimmer deelag- tjgie worden. Zodaanig eea wrftandige en wel beftier- |
|||||||
|
. v YVE.
de Tver, verleent zeer groote voordeden aan allen, die
door denzelven bezield zijn, en aangedreeven worden. Want dezelve zal, 1. In de eerfte plaats, onzen voortgang in waare
Gqdsdienftigheid grootelijks bevorderen. Hij dient voor Roer en Zeil te gelijk;en, terwijl bij
het verftand wel beftiert, verfnelt hij te gelijk deszeifs voortgangen volgens dien regten koers. Meenigenmoei- jelijken pligt maakt hij gemaklijk, en breekt gereedelijk door die toevallige hinderpaalen, welken een Mensch van eene laffe en laauwe geeftgefteldheid zouden af. fchrikken, en te wege brengen, dat hij of ftil hieldt, of agter uitging, öfter zijden afwendde om ze te ver. mijden. Gelijk iemand, die wel-onderleid is, en vast ftaat in het geloove, niet ligt bewoogen zal worden van de hoape des Euangeliums, door de fmaadheden, die bet' zelve door eene godlooze waereld worden aangedaan; zo zal hij ook, hoe ftandvastiger hij is in de praktijk, des te vaster ftaan in de grondwaarheden, van den Gods- dienst. De trapswijze vorderingen, die hij doet in de waare Chriftelijke gemoedsgefteldheid en levenswandel, verwekken in hem eene blijdfchap, die hem aanzet en op- wakkert om nog verder voort te gaan. Ym dus gaat hij (door de Godiijke Genade, welker daadelijke invloed nimmer aan zulke oprekte en goedwillige poogingen van eenen Godvrugtigen Tver ontbreekt) van kragt tot kragt; en ziet den weg van zijnen pligt niet alleen klaar voor hem open leggen, maar gevoelt zich zelven ook ver- fterkt met nieuwe vermoogens om op denzeiven te volharden. Want de vreugde du Heeren is'zijnefierh te. fi De reden dat men dikwerf zo veeie jaaren in deeze
waereld leeft, zonder de geringde vorderingen te doen in de wegen der waare Wijsheit en wezendlijke Godts- vrugt, is deeze, dat men als in een cirkel rond loopt, en bet zelfde duiftere fpoor des leevens al heen en weder bewandelt, zonder te onderzoeken, of het regt of verkeerd zij, of eenige de minfte moeite te doen om uit het zelve, en op een beteren weg te geraaken. Men denkt dat het, ter aanprijzinge van het zelve, ge- noeg is, dat men zo gewend is te doen , en er reeds vee- Ie jaaren gerust in gewandeld heeft,- zonder dat men de waare natuur, of de gewiste gevolgen van zijn ge- drag ernftig in overweeging neemt. At het welke een van de fchadelijkfte gevolgen is van laauwheid in den Godtsdienst. Dog een teder en Ieevendig Cbriften zal zich hier mede
niette vreden houden, dat hij flegts hoopt, dat hij niet erger is, dan hij voor tien of twintig jaaren was,- maar het grieft hem in 't harte, als hij bedenkt, dat zulk een aanmerkelijk gedeelte van zijnen leeftijd reeds afgeloo- pen, en hij egter, wat de groote eindoogmerken des leevens betreft, niet met al beter is, dan hij toen was; en dat, daarenboven, alle zijne kwaade genegenheden zo fterk, zijne deugden zo zwak, en zijne twijfelingen even zo menigvuldig en veel vermoogende zijnde, als te vooren. Dit doet hem bloozen van fchaamte, dit wakkert zijn Tvervuur weder op, en fpoort hem op nieuws aan tot meerder vlijt en waakzaamheid; op dat zijne vorderingen in een waar Godtsdienftig leeven voortaan meerder openbaar worden, zo wel aan hem zelven als aan andere Menfchen. 2. Een verftandige én welbeftierde ïVwin den Godts-
dienst , bevordert en verfnelt onze voortgangen in den- zelven niet alleen, maar maakt ons van veel uitgebrei- der |
|||||||
|
/
|
|||||||
|
iltiiiS___^____SÄ
|
|||||||
|
YVO. YZE. 4283
derhalve hoog tijd voor ons, dat wij alles in *t werk
ftellen, dat maar doenlijk is, om dien geweldigen vloed te fluiten door de kragt van een ftrijdig voorbeeld, door eene getrouwe en ftandvastige betrachting van alle die deugden, welken onzen allerbeiligften Godtsdienst ver- fleren en aanprijzen; en dooreenen verftandigen en wel. gepasten Tver voor die dingen, van welken wij ten vollen overtuigd zijn, dat ons eeuwig- Heil en Zalig« heid afhangt. 4. Eindelijk dient zulk een Tver om de eigentlijke be-
leeving van den Godtsdienstnietalleen veel mindermoei- lijk, maar opk veel aangenaamer en veimaakelijkervoor ons te maaken. Wanneer wij ons hart ergens op gezet hebben , en er . i
uit dien hoofde geheellijk als met de borst op geval"
len zijn, hoe gemaklijk valt ons dan zulk een zaak uit te voerenl wij verlustigen ons zelfs inde zwaarigheden, die haar verzeilen; en naar maate van derzelver groot- beid , is ons vermaak in dezelven te boven te koomen en te overwinnen. Van hoe grooter aangelegenheid eenige zaak in zich zelve is, des te grooter en leven- diger is het vermaak van eene vlijtige beijvering der- zelve. Tot bewijs van de v/aarheid deezer aanmerkinp.e, durf ik mij vrijelijk op de ondervinding van mijne Lte» zeren beroepen. Hebben wij wel ooit grooter genoe< gen gehad in het Gebed, of in de gemeanfehap met Godt, of in eenigerhande Godtsdieiiftige werken of oefenin- gen, dan wanneer onze geest allermeest met dezelve in- genoomen was ; daar is immers geen vermaak in eene dooJfcbe, fJeuragt'ge Godtsdiens-oefening, welke geen | Godtsdienst in 't geheel is. Het vermaak, dat men er
in gevoelt; onftaat uit een ingefpannen en Tvsrige toe. pasfing van het verftand op de gewigtige voorwerpen, die het zelve dan geheel moeten inneemen. Zo dat alie onze Godtsdienst oefeningen, zonder deeze groots beweegsoorzaak van eenen Godtsdieniligen Tver, om dezelve kragt en leven bij te zetten, onze harten tot dezelven teonifteeken.en -er geheel mede in teneemen, wel haast zullen ontaarden,eerst in ileuragtige plegnch- heden, en daar na in huichelarij, , Van zulk een oneindig aanbelang is een verftandige en wel beftierde Tver in zaaken die den Godtsdienst betreffen. YVOOR, in het latijn Ebw, dusdaanïg worden da
twee uitfteekende Tanden van den Olijphmt genoemd, Deeze Tanden zijn heel groot, zoo in langte als dikte, van buiten geel en van binnen wit; derzelver zwaarte is ongelijk, naar de meer of minder grootte van het Dier, - zijnde er zommigen die 50, 60, 100 en meer ponden kunnen haaien. Het Tvoor word gebruikt om allerleije zoort van fnuisterijen van te maaken, als. ballen om op de biljard mede te fpeelen, kookertjes, doofen, enz. laa- tende zich gemakkelijk op de draaijbank bewerken , en Keer glad polijsten. Zie ook OLIJPHANT. YZER, in het latijn .Fem»«. Hergemeene Tzer, xihç'i
bij de Grieken, Mars bij de Scheikunftenaars, is een onedel klinkend metaal, aanmerkenswaardigvan wegen zijne hardheid , witte koieur, die een weinig naar 't paarfche helt, wanneer het gepolijst is; enzwart, waa- neer het ruuw en ongepolijst is. Daar is tweederlije zoort; het gemeeneofdat, 't welk
niet gezuiverd is; en het gezuiverde,'t geen de Grieken
noemen «ó.««.««, de latijneti Acfcs, erj eenigen Chalijbs%
in 't fransch Arier, in't duitsch Staal.
..Gelijk bet Tzer, 't noodzaaklijkfte van alle Metaalea
Vvv is
|
|||||||
|
YVË.
$3ï nuttigheid inde waereld, dan wij'zonder dezelven
gouden können zijn. , Hij bezield hec gemoed met die vuurigheid, onver-
zettelijkheid en kloekmoedigheid, welke noodwendig verèiscbt worden om een moeijelijke en gewigtige zaak ter uitvoer te brengen. Als heilzaame vrugten van ee- nen onverfchrokken en onverwinnelijken Tver in de zaak van waarheid en geregtigheid, genieten wij immers he> tenten dage nog de onfchatbaare zegeningen eenerge- lukkige hervorminge. De Tver van Luther , dien ik in het licht van een Godlijke of bovennatuurlijke aan- drijving befchouwe.ftuite dengeheelen ftroom derroöm« ifche geweldenaarije en bijgeloovigheid, geduurende den tijd van negen-en-twintig agtereenvolgende jaaren, zon« der zich door eenig geweld van dweepzieke woede en barbaarfche wreedheid te laaten affchrikken, of eenig- ïints in deezen zijnen Gödlijken Tver te verflaauwen. ! Maar geen wonder ! Want wat vermag eenig waereldsch geweld en bijgeloof tegen de vereende kragten van waar- heid, redenen fchriftuur? Om deezen zijnen Tver heeft hein de'Godlijke Voorzienigheid ook op eene uitftee- kende wijze geëerd en beloond in dit leven ; want na dat hij zo veele jaaren lang, als door een wonderwerk be« waard is geworden voor al het geweid zijner vervolgers, (ais een werktuig om de hervormde Leere in veele Staa- ten en Vorftendommen van het Keizerrijk voortteplan- ten ente bevesjtigen,) heeft het hem eindelijk nog moo- gen gebeuren, dat hij in vrede op -ziin bed geftorven is. -, 3., Verder dient een weJgeregelde ÎSwvoor degrond« waarheden en pligten van het Chriftendom, die werk- zaam is naar evenredigheid van derzelver bijzonder ge- wigt en aangelegenheid, grootelijks tot verfiering van den Godsdienst, en tot aanprijzing van denzelven aan de hoogachting en verkiezing van andere Menfchen. Een valfche Tver kan den Godtsdienst niet meer in
Itleinagting:brengen,dan een waare Tver denzelven aan- prijst. Want hierdoor bemerken andere Menfchen niet .alleen,dat ons geloove inderdaad ernst is, en dat wij 'vastelijk overtuigd zijn, dat,de dingen, aan welken wij ons zo veel laaten gelegen leggen,zeer gewigtige waar- heden zijn, maar worden er ook wakker door gemaakt, om te bedenken,of deeze dingen voor hun ook niet van ■ *ven groot aanbelang zijn, als voor ons. En bevinden aij na een ernftig overleg, dat de grondltellingen, die wij zo Tverig voörftaan, en naar welken wij gezind zijn ons te gedraagen, klaare, wel beveiligde en eeuwige waarheden zijn;voor iedereen, die eene onfterfliike Ziel ■te behouden hetft. van eene groote aangelegenheid; en dat de veronagtzaaming van dezelve enkel en alleen aan -onqpmerkzaambeid, traagheid, dwaasheid, ende kragt Wan verouderde hebbelijkheden is toe te fchrüven, dan beginnen zij te bedenken, dat er- zekerlijk veel meerge- wigts en weezendlnkbeids in den Godtsdienst geleegen B, dan zij voorheen wel dagten ; en zich veel ernftiger met denzelven te bekommeren, dan zij ooit te vooren gedaan hadden. Dus zullen zii, onzen, eerlijken wan- del en verftandigen Tver ziende, bier uit befluiten dat ,God waarlijk met ons is, en onzen Vader, die in de Hemelen is, verheerlijken. . Welk een groote meenigte van kostelijke en onflcrfiij-
ke Zieden wordt er jiiet wel op de wegen des verderfs om- gevoerd, door de bjoote kragt, van kwaade voorbeelden, en in haare vooroordeelen . tegen het waare praktikaale ^Chriftendom, geftijfd door. het zien van den verftande« «oozen, dollen en bijgeloo?igen Tver van andereu S 'cis VU Deel. |
|||||||
|
428* ;::-YZE.
|
|||||||||
|
'YZE.
|
|||||||||
|
is ten gebruike van den Mensch, is't ook dàtgeene,'t
welk in degrootfte menigte bijna overal gevonden word. Zodat men naauwiijks een land vind, daar men 't niet heeft. Verfcheidene Mijnen zijn er in Frankrijk, fchoon het Tzer en Staal, dat; in.Duitschland gevonden word, veel beter is. \;,i ,:.-.■ : ,.:. .Men haalt bet Tzer uit _de aarde onder allerhande ge-
daantens; dan eens vindt men het zuiver inde Mijnen, of in korls of in masfa; dan eens onder de gedaante van roestige fteenen, die zwaar zijn ,■ van een verfchillende koleur, bruin., geel of rood ; dan eens:onderdegedaan, te van een zeer fijn, zwaarwigtig, geel ofroodzand. Yzeraderen zijn niet gelijker; want men krijgt gemak- lijk het Tzer uit de eene, en met* grooÊe.moeite uit de andere. Eenige aderen tot kleine ftukjes geflagen en ge- mengd.zijnde met houtkool, fmelten in zeer weinige uu- ren, en andere fmelten weer bezwaarlijk; en' het is al- ken door 't bijmengen van levendige kalk, mergel of fteenen, die gemaklijk fmelten, dat men de fmelting van die aderen fcbielijker en gemaklijker maakt.« i 'tts Als dit metaal gefm'oitenjs, giet men het in groote
vormen, alwaar het lange endikkemasfa's maakti in de gewoonte Gueufis genaamd. Men fmelt op nieuw ie- der masfa, en gefmolten zijnde roert men ze fterk en geduurig om naar alle kanten met eene yzere ftaaf, om ze meer handelbaar voorden hamer te maaken. Einde? lijk als het metaal geftöld en nog beetis, zet men het onderden hamer, om eruit te drukkenen met hamer- flagen uit te verdrijven, alle vreemde deeltjes,die ver- brand of glas geworden zijn. , ; b Het Tzer in de fmeederij dus bereid zijnde, doet men
het gloeijend worden op een vuur van kooien en door den wind van blaasbalgen; en als het gloeijend is, rekt men het uit op 't aambeeld met, hamerilaagen, en geeft er de gedaante aan, die men wil. Ondertusfcben is het onderfcheid tusfchen bet eene en
't andere /luk Tzer, zeer groot; want het eeniszamen- hechtende, en dit is. het beste; het andere is ruuw, on- gelijk, breekbaar, en dit is betflegtfte; eenderdehoud den middelmaat tusfchen de twee voorgaande. Dit ge- brek komt niet van den aart en 't kenmerk van 't Tzer. omdat het wezenlijk 't zelfde is in alle aarde; maar dee- ze verfchillendheeden komen vandeaard-, vitrioolagtige en zwavelige deelen, welke hier in meer of minder hoe- veelheid Zijn. . : ]) : . >.:< Men maakt het Staal door 't yzer verfcheidene maaien
te fmelten en van 21'jn flak te zuiveren. Op eenigeplaat- zen verandert de yzer-aar .aanftonds in ftaal, dog op an- dere is deeze verandering veel moeilijker. Daar zijn verlchillen.de wijzen önr't Tzer in ftaal te veranderen. Zo het allerbest Tzer is. fmelt men het in een fornuis, en gefmolten zijnde, doet men ervan tijd tot tijd ineen niengzel van geliike deelen fal tartan, fal alkali, vijl- zel van loot',.affcbraapfel van osfen hoornen, het van tijd tottijd ook omioerende; én ten laatften legt men de masfa op 't aambeeld, en rekt het met hamefflaageri totftaaverr uit.:: : - :: * Dog zo het Tzer geen nieuwe fmelting veelen kan,
«loet men eene andere bewerking. Men neemt ijzere roeden, ter dikte van een-vinger, men plaatst die in een daartoe gejnaakt -aarden vat, beurtelings Jaag op laag, met een mengzel, gemaakt van gelijke deeWroet, houtskool poeijer., fchraapfil van osfenhoorns of kalver-haair. Betrat vol zijnde-,, dekt men het en fineert het digrJ met deeg-to.e, en plaatst het ineen reve'rhereer fornuis. Ket '$l ■ V V * '- .
|
vuur word dan in brand geftooken, en van trap tot trap
vermeerderd, totdat het vat gloeiend is. Zeven of agt uuren daarna', het, vuur van zelfs uitgedoofd zijnde, baalt men de ftaaven Tzer, in ftaal veranderd, er uit; 't geen men te weeten komt door ze in ftukken te bree. ken ; want zo er zich blinkende, zeer kleine en zeer digt geflooten metaal-vlakjes vertoonen , dan is hes goed Staal, dog zo zij weinig geflooten en hier en daar groote pooren hebben, is het minder goed. Zomtijds zijn de vlakjes aan den buitenkant, geflooten, en de bin. nenfte niet; het welkeen teken is, dat het Staal niet volkomen genoeg' gecalcineerd wierd; dan moet men van vooren af; aan beginnen met laàg op laag te leggen, eti op nieuw, te calcineeren, tot dat het Tzer volkomen tot Staal veranderd zij."- Het Tzer is 't hardfte van alle Metaalen , dog het
Stad heeft nog meerder hard. en ftijfheid, zo men het op éën reis in.koud water uitdooft, wanneer het gloei, jend is. De zwaarte van- 't Tzer tot die «an 't goud is ten naasten bij als 3. tot 71 'Hetwater,. daar Tzer in uit. gedoofd ïs, krijgt eenröestagtigefmaak; hetóntb'indhet gemaklijk, en verandert het in roèsc of in een geelë kalk; 't welk in zeer korten tijdgebeurt, zomen 't Tztr bij beurten in 't water nat maakt en vervolgens dróogen laat; want het -Tzer, dat.onder 't water gedompelt blijft leggen, roesl niet dan na zeer veel tijd. Men kan het voor roesten niet bewaaren, dan door het met iets vets te befmeéren. Hetvijlzel van Tzer' op een hoop gelegd en nat gemaakt, word zo warm, dat zo men er zwavel bijbrengt, hetzelve vlam vat, wel te verftaan als er ee- ne groote menigte vijlfel op elkander geftapeld is. Het Tzer, langen tijdgecalcineerdop een reverbereer-vuur, word tot een kalk van een rood-donkere of purpre ko- leur. Wanneer het op een fterk vuur zo heet is; dat bet begint te fmelten, enmenermeteenhameropflaat, fprin- gen er fchubben af, die niets anders zijn dan half-glas ge' worden Tzer. Een gedeelte vàn het Tzer verandert in het fornuis met de asch van houtskoolen of'metde aard- agtige deelen in een fchuirn van glas, dat men de Hak of Scoria van Tzer noemt. Mr Alle acida ontbinden dit metaal» dog defalia alkalintt
werken er niet op. Het vijlfel van Tzer op de vlam geworpen, vat vlam,
en geeft leevende en blinkende vonken. Zo men gelij- ke deelen vijlzel van Tzer en /alpeier in een gloeijende kroes werpt, kooken zij aanftonds en geeven veel Hin- kende rook van zich; eindelijk gebeurt er eenedeflagra- tie met weerlicht. Het vijlfel vanTzér, infpiritusfalü of vitrioli geworpen,- verwekt eene heftigeeffervescentie met zeer veel ten eenemaal zwavelagtige rook'; en zo- men er een brandende kaars bijbrengt, vathetaanftonds met een groot gedruis vlam en breekt de vaten. Als men Tzer legt op een tegel inde fonneftraalen, door een groot brand-g las verzameld, fmelt het aanftonds en geeft veel rook van zich; eindelijk Verandert het in een vrijfbaare ftof, een weinig zwartagtig, die niet rek» baar maar half glas geworden is. ' Dog als' mön het Tzer legt op doove kooien in 't brandpunt van 't ielve'brand- glas, fmelt het, en verandert kort daarna in vonken en verdwijnt. Het -zelfde gebeurt aan 't Tzer, dat op de tegel half in glas veranderd is, wel te verftaan, als men het van de tegel op kooien legt, in" de fonneftraalen; want het herneemt dan zijn oude gedaante van metaal, en krijgt z>jn getuit en rekbaarheid v/eer, en verdwijnt ^Vervolgens- ten eenemaal in: Vonken. ! , __ , |
||||||||
|
yzb.
|
|||||||||
|
YZË. 4î85
|
|||||||||
|
' HieVdooi" ziet men, dat het Tzer eene groote menig-
te bitumineufe zelfftandigheid bevat, die met een vitriool- zout vereenigd zijnde, vastgehouden en omwonden word door eene zo groote quantiteir metaalagtige aarde, dat zij niet dan zeer bezwaarlijk met falpeter knapt en vlam vat. Men begrijpt, dat het eene groote menigte vitriool-zout heeft, omdat het in 't enkele water disfol- veert; en van wegen de fmaak van dit water; en verders, dàt betvijlzel van Teer, nat gemaakt zijnde, warm word, 'it welk niet kan gebeuren dan van de werking der zou. tën op de metaal-aarde. Daar is echter eenig verfchil tusfchen de zwavelagtige
zelfftandigheid van kooien en de zwavel van 't Tzer, om- dat het Tzer, vervuld met de zwavel van kooien, in vonken verdwijnt in 't brandpunt der fc-nneftraalen. Het Tzer is dan zamengefteld uit eene bitumineufe
zelfftandigheid , of een vlam-vatbaar beginzel, en uit vitriool-zout, zamen vereenigd met eene glas wordende aarde, dog die niet innerlijk vastgehecht zijn; en inder- daat, zomenkleij, dateene glaswordende en vitriool aarde, en eene vlam-vatbaare;zelfftandigheid is, zamen vereenigt, maakt-men Tzer; 't geen ook gemeenlijk ge? beurt in de detonatie van eenige vlamvatbaarelighaamen, in welker asch men Tzer ontdekt, door middel van de magneetfteen, fchoon men voor de deflagratie niet het minfte deeltje Tzer ontdekte in die zelfilandigheeden, zelfs niet zeer fijn geftampt zijnde. Het Tzer is een zeer nuttig metaal, en daar men ter
naauwernood inde zaamenleeving buiten kan; wantbe- balven dat het dient tot het vervaardigen van een zeer groot getal werktuigen, verfchaft het ook uitneemende hulpmiddelen tegen eene groote menigte ziektens. De heilzaame kragten van het Tzer, om innerlijk te gebrui- ken, was den ouden Grieken niet onbekend. Diosco- ïiDES fchrijft aan de roest van 't Tzer, eene adftringee- rende kragt toe, en inzonderheid om de bloedftortingen uit de Lijfmoeder te beletten. Hij prijst aan de wijn en 't water, waarin gloeijend Tzer uitgedoofd is, omtege- neezen den fluxus cliacus, de dysfinteriie, de ongemak- ken van de milt, de cholera morbus en verzwakte maagen. ' De'Geneesoefenaaren erkennen twee kragten in htt Tzer, de één openend en de andere adftringeerend; want het geneest de opbouding der maandftonden, de obflru- tien van de milt, lever en andere ingewanden, het (tuit de bloedftortingen , diarrheen , door de verflapte veze- len der ingewanden te verfterken. Men noemt bet ook nog een alexipharmacum van de hijpochondrifche ziekte, en het Panaceum der cachexie. Eehigen fcbrijven aan zommige preparaaten van het Tzer toe eene kragt ape~ tiens, andere 'adflringens; dog alle preparaaten van 't Tzer hébben deeze beide kragten, fchoon eenige kragt- daadiger dan de andere zijn. In 't gebruik der medicijnen is het Tzer veel beter dan
het Staal; en verfcheidene Geneesheeren kiezen het zuivere, zeer fijne, en gealkoholizeerdevijlzel van Tzer boven alle andere preparatien , om de maandftonden te verwekken en obftruftien weg te neemeo. De dofis is van xij gr. tot,sdr. één of tweemaal daags, indegedaan» té van pillep, tabletjes of bolus. YZER-BLOEMEN", zie FLORES MARTIS.
YZER-BOOM, in het latijnSideroxilonis eenGeflagt
van Boomen, wiens hardheit van hout, datais ijzerag- "Hg aangemerkt word, den naam er aan geeft. De Kenmerken zijn, eene in tienen verdeelde Bloem,
Wet de eene Hip, beurtlings omgekromd, de andere rege ; |
|||||||||
|
den Stempel enkeld; de Vrugteene Beile metvijf Zaad-
korrels. Zeven zoorten worden er in dit Geflagt opgegeeven,
als volgt. r. Ongedoornde Tzer-Boom ; Sideroxijlon mite (Sidero-
xijlon inerme, floribus j'esfilibus. Link. Sijfl.Nat.) Hier mede wil de Heer Linn/eus dat men vergelijken zal het Afrikaansch laurierbladig Gewas uitden Amfteidamfcben Kruidtuin van Commelijn; dog zegt hij de Bloemen hebben geen Tandjes tusfchen de Meeldraadjes, vol- gens D. VAN ROOIJEN. Hier bij behoort ook de Tzer-Boom die zijn Ed. thans
noemt, Sideroxijlon inerme foliis perennantibus obovatis, pedunculis teretibus, en 't welk te vooren de eerfte zoort was, bij welke aangehaald word de Tzérhout.boom van DiLLEwrus voorgefield, die uit Holland, onder den naam van Coria, Indorum, in den Eltbamfchen Krukihof wasgekomen. Het Gewas, negen oftienjaaren oud zijn- de, had reeds de hoogte van drie ellen en daar boven, met den Stam een duim dik, regt; de Bladen als Laurier- bladen, maar ftomper, dik en (lijf, van boven glanzig donkergroen, van onderen wat bleeker. Aan de Tak- ken kwamen de Bloemen, in 't jaar 1729, toen bij de eerftemaal aldaar bloeide, uit het Hout of de Schors voort. Zij zaten op kleine Steekjes, en waren eenbladig, Klok« vormig; het volgende jaar overvloedig in de Oxds der Bladen. Het Hout was vast en hard,- de Takken afge- fneeden gaven Melk ; de Bladen wsren wrang en zaï mentrekkende. 2. Stnalbladefige Tzer Bomn ; Sideroxijhn iijcioides;
(Sideroxij hnfpinofum foliis décidais lanceolacis. Lwti.Sijß. JSiat.) Deeze zoort, door nu Hamel in zijn Werk over de Boomen befchreeven, isdoor Boerh.-uvg voor- gefield onder den naam van Bcom , met overhoekfe groenglanzige Wilgeblsderen en lange Doornen aan de Oxels der Bladen. De Groeiplaats is in Kanada. 3. Tienmannige Tzer Boom; Sideroxijlon decandrum',
(Sideroxijlonfpinofumfoliis deeiduis ellipticis Link. Sijß. Nat.) In Noord'Amerika komt deeze voor, die ook een Boom is, met dergelijke Bladen en Doorens als de voor- gaande, en in de Oxels der Bladen veele eenbïoemige Steekjes uitgeeft, welke een Kelk en Bloem voeren, beiden in vijven verdeeld, en een 'vijfbladerig Honing- bakje hebben, zittende aan ieder flip van de Bloem, kwabswijze. De tien Meeldraadjes, die er den bijnaam aan geeven , hebben pijls wijze Helmpjes. Ophetkloot- ronde Vrugtbeginzel ftaat een draadagtigeStijl, meteen zeer klein Stempeltje. Een zwarte ronde Befië, met drie of vijf holiigheeden, die meest misdraagt, maakt de Vrugt uit. Met de voorgaande zoort heeft deeze veel overeenkomst. 4. Zwartbastige Tzer-Boom; Sideroxijlon inelanophleos;
(Sideroxijlon inerme, foliis perennantibus hnceolatis, pe. dunculis angnlatis, LiNN.Sijfl. Nat.) Dit is eenBoom met dikke Takken, aan de Kaap der Goede Hope groei- jende, die naar de eerfte zoort, de Weerlooze bijge- naamd, zeer gelijkt, maar de Takken niet geftreept of met wrattige flippen heeft, en tusfchen de Meeldraadjes ook geene tandjes. De Bladfteeltjes zijn zeer kort en niet rond. Men had dit Gewas van de Kaap gekree- gen, volgens Commelijn, onder den naam van Zwatte- Bast; wegens den zwarten Bast, dien de Stam heeft; zijnde de Bladen als Laurierbladen van figuur, verdroo- gende en zamentrekkende; de Wortel rood. Tot deeze zoort oordeelt Link/eus, thans, nader daa
Vvv 2 tot |
|||||||||
|
4286" yZE; ^
tot de eerde, te behooren, dat Raapfcbe Boomgewas,
van zes voeten hoog, in 't Boek van Witsen Melkgee- vende Boom met groene Bloemen genoemd wordende, het welk aan de Twijgen langwerpige, ongekartelde, dikke, geaderde, groene Bladen heeft, met zeer korte Steeltjes, tusfchen welken veele Bloemfteeltjes voortkoomen, twee of drie uit een zelfde punt , ' ieder met een vijfbladig Bloempje, dat lange Meeldraadjesheeft, en waaropeen ronde Bezie volgt, die rijp zijnde blaauw is, bevatten, de een gefpitften hoekigen Zaadkorrel. 5. Taaife Yzerbcom; Sijderoxijlontenax; (Sideroxijlon
fub inerme, foliis deciduis lanceolatii, fubtus tomentofis, pedunculis filiformibus. Linn. Sijfl. Nat.) In diooge Landitreeken van Karolina komt deeze voor,
volgens D. Garden, zijnde een Boom van twintig voe- ten hoog, met eene witagtige Schors en zeer taaije Tak- ken. De Knoppen, die overhoeks ftaan, geeven ieder verfebeide eenbloemige Steeltjes uit, tusfchen welken langwerpige, ftompagiige, van onderen wollige, Bladen voortkoomen, die een vinger lang en breed zijn. De Bloe-, men zijn klein; de Kelk eijvormig, vijfbladerig hebben- de, en eene Buis van langte als de Kelk, met den zoom in vijven verdeeld, zowel als het Honingbakje, in de Keel van de Bloem. Het Vrugtbeginzel, dat vijfhoekig is, met een enkelen Stijl en Stempel, word een eijron- de Vrugt, met een dergelijken glanzigen Steen, die aan 't breedfte end twee gaten heeft, door een boogwijz' mid- delfcbot van een géfcheiden. Somtijds zijn de Takken hier en daar bezet met korte Doorntjes. 6. Zeer flinkende Yzer Boom ; Sideroxijlon j'oetidisßmwn ;
(Sideroxijlon inerme , foliis jub'Oppofitis, floribuspatentiffl- mis. Ja£Q. Amer. p. 55.) Dit isî volgens den Heer Jacquin, die het in bergachtige bosfchen opSt. Domingo waargenomen heeft, een Boom van twaalf voeten hoog, gieteen regten Stam, niet melkgeevende. De Bladen zijn langwerpig lancetvormig, ftomp, dikwils een wei- nig uitgerend, dog ongekarteld, glanzig, eenigermaate gegolfd, gefteeld, vier duimen lang. DeBloemfteeltjes kortte» dikwils twintig te gelijk in de Oxels der Bladen en aan de Takken voort, draagende ieder ééne Bloem, die wit h en trechteragtig, roet eenen platten rand, om- trent een half duim breed, in vijven verdeeld. DeBloe- men flinken zeer. De Vrugt heeft bijna de grootte van çen Kers, nu ronder, dan langwerpiger. Zij worden in januarij rijp en de Boom bloeit in oktober. Een ander Boomgewas, van twintig voeten hoog,
heeft die Heer op de zelfde plaatzen waargenomen, het welk verfehilt door altijd ftompe platteen inderdaad over- hoekfe Bladen, mer maar drie of vierBIoetnfteeltjes, de Bloemen minder Hinkende. Hij noemt het derhalven Si- deroxijlon pauciflorum, dog twijfelt of het wel een bijzon- dere zoon zij. 7. Gedoomde Yzer Boom; Sideroxijlon fpinofim; (Side*
roxijlon fjJnofim, foliisperennantibiu. Linn. Hott. Cliff.) Aangezien verfcheide andere Zoorten ook gedoomd zijn , zo maakt dit een beuzelagtige onderfcheiding. Li nNjEus betrekt hier toe den Bezië-draagende Indifchen Heester, uit den Malabaarfcberi Kruidhof, met eene ron- de veelkorreiige Vrugt., op Malabar Curo-Moelli ge- naamd, dat een Boompje is van vijf voeten hoog, draa- gende Bloemen met een menigte meeldraadjes, die rond tjitgeïpreid zijn, in 't midden van groenagtige ftinkende Bloempjes., waar op Beffen volgen , eerst groen dan rood en in de rijpheid zwartagtig; op welken de Inlan- ders zeer verlekkerd zijn. Van den Bast^ in, olie ge- |
||||||
|
kookt, maafcen zij een fmeering tegen de jicht. Het af-
kookzel der Bladen zou tegen den beet der Slangen dien- ftig zijn. De, groeiplaats is derhalve in Oostindie; dog de Heer N. L. Buemannus betrekt hier toe den Jsmai. kafchen Ebbenboom van Plukenetius , die ook in andere deelen van de Westindtën en Zuid Amerika voor- komt; en zoude dus het Ebben Hout van deeze zoortaf. komftig zijn. Link/eus heeft den Ebben-Hout-Boom, die weinig van deezen in Gewas en Bladen, fchijnc te verfchillen, om dat de Bloem- en Vrugtmaaking geheel anders is, tot het Geflagt van yispalathus t'huis gebragt. De Heer-J, Burmannus heeft tweederleij Boomen vàn de Kaap, volgens overgezonden tekeningen, afge. beeld en befchreeven. De eene zoon heeft de Bladen langwerpig, effenrandig ; de Vrugt is in zommigen rond, in anderen Iangwetpig, dog in beiden bezië-agtig. De andere zoon heeft de Bladen diep getand, en de Vrugt, zijnde een ronde Befië met eenen Zaadkorrel is geel, in de andere blaauw. Beiden zijn het zwaare Boomen, dieaan de Kaap in de bosfchen groeijen, en een zeer bard hout uitleveren, weshalve menze aldaar Yzerboomen noemt. De Teeldeelen der Bloemen, die vierbladig zijn, niet weetende, kan menze ook metze- kerheid niet tot een zelfde Gefiagt betrekken. YZERGRAAUWE L1PV1SCH , zie LIPVIS-
SCHEN, Ti. XIII. p. 184Ö. yZER-HOUT, in het latijn Lignum ferri; dus wordt
het hout van een Javaanfche Boom die ook veelvuldig in China groeit, om derzejyer hardheid genoemt. De Boom zelve draagt de naairfvan MimufopS'kauU, zijnde de hardheid van deszelfs hout verbaazende. De Chinée- zen noemen het Thi See of Yzerdraad, en Jamtsja of zout Hout, om dat het in 't vuurknapt alszoutj 'twellc het. niet aileen met dat van den Strand-Tanjongboom, maar ook met het Mauritiaanjche Ebbenhout, gemeen beeft. Het valt op de Molukkes best en overvloedig, zijnde in Indie beftendiger tegen weer en wind dan Y- zer, en in 't vuur zelfs bijna pnverganglijk. De Chi« neezen beminnen het deswegen zeer, tot,Roers en An- kers voor hunne Jonken; want men begrijpt ligt, dat het in 't water zinkt, zijnde het roeften nog den Paal" worm niet onderheevig. Zij neemen maar dikke plan- ken, waar zij een gat in 't midden maaken, en dan een ankerftok daar in fteeken; 't welk aanftonds bet fatfoen van een Anker geeft. Een Roer tot een groote Jonk,, van zulk hout, plagt hun wel vier of vijf honderd rijks- daalders te kosten. YZER-KOEKEN.zie GEBAK, pag. 802.
YZER-KRUID, in het latijn Sideriiis, is een hees- teragtig Kruidgewas,- waar van de kenmerken- zijn, dat de Meeldraadjes binnen het Bloempijpje zijn , vervat; het heeft twee Stempels, waar van de kortste den anr deren omwind. ■ Zaortert. De voomaamfte zoorten beftaan in de drie
volgende. 1. Kanarisch Yzer*kruid; Sideriiis canarienfis; (Side'
titis fruticofa villofa , foliis cordato-oblongis petivlatis, fpicis venicillatis ante flotefcentiam nutantibiis-, ramit divaricatis. Linn. Sijfl. Nat.) De bepaaling wijst na- genoeg de geftalte aan van deezen heester, die bij Peu- kenet voorkoomt onder den naam van Stachijs met zeer groote Wollekruids bladen, kleine witte niet gehelmde Bloemen, ende aairen van Betonie-kruid. De Bloemen zijn talrijk, met ruige gefpitfle kelken, Op de Kanari- fche Eilanden is zijne groeiplaats. |
||||||
|
Y2E.
J 2. Kandiasch Yzer-kruid; Sideritis cretica; (Sideritis
fruticeja , tomentofa , f Mis cordato oblongis peüolatis, ra- tnis divan'catis, j'picis veiticillaiis. Linn. Sijfl. Nuß.) Aangezien de breedbladigekandiafche 'Stachijs vanTouR- MEFOKT hier thans ukgeflooten wordt, zo blijft van de aangehaalde alleen de kanarifche heesterachtige Stachijs, Ook met Wollekruids-bladen, van Commklyw , over, die den naam van Kandiajche niet fchijnt te kunnen voe- len. De Ingezetenen der Kanarifche Eilanden geeven er, Volgens dien Hoogleeraar, den naam van Arvida falva aan. In de Amfterdamfche tuin hadt het gewas een Stam van drie voeten hoogte en hooger, verdeelen- de zich in vierkante wollige takken, met lang gedeelde gepaarde, van onderen wollige, breede bladen. Dezel- ven zijn van boven groen , van onderen wit. Uit de oxels der Bladen komen kransjes voort van witte, ge. lipte Bloemen, met ftompe kelken; waar op vier zwar. te Zaadjes volgen. De Bladen, gewreeven wordende, geeven een zwaaren onaangenaamen geur. ; 3. Sijrisch Tzer-kruid ; Sideritis Syriaca; (Sideritis fruticofa tomentofo-lanata, foliis lanceohtis integerrimis, fioribus verticiliatis. Linn. Sijfl. Nat.) Hier is de ka- nadafche zeer wit gewolde Sideritis van Tournffort,' t'hüis gebragt, tot welke als eene verfcheidenheid be- trokken wordt, de grijze fmalbladige Stachijs Lijchnm* des van Barrelieu , met een goudgeele Bloem, alsook de fijfifche Filofella van Baühj kus , naar welke de zoort den bijnaam voert. Het wordt befchreeven als een hee- ftertje, dat de gedaante van Salie hetft, maar langer is, met' dergelijke Bladen, die wollig en wit zijn, de on- derften gedeeld, de bovenften ongefteeld, en geelach- tige witte Bloemen. YZKR.MIDDELEN. De eenige onbetwistbaare
kragt van het Tzer in het nienfchelijk lighaam beftaat daar' in, dat bet zo wel de vaste deelen, als ook het vezelagtige gedeelte der vloeibaare zaamentrekt. Men kan ,dit aan den fmaak van het Tzer-roest in den mond, op het duidelijkst bemerken; en dewijl het de bloeden- de aderen der huid te zaamen trekt, en de bloedvloeiin- gen door uitwendig gebruik ftilt, zo is het zeker, dat het zijne zaamentrekkende kragt niet enkel inden fmaak, maar ook in andere aandoenlijke deelen des lighaams te werke Helt. Dit gaat zo verre, dat men door waarnee- mingen overtuigd is geworden , dat het Tzer zijne zaa- mentr.ekkende kragt door het geheele lighaam onveran- derd benoude, en hier in een geheel bijzonder voorregt boven alle andere vegetabilifche ofgroeibaare zaamen- trekkende middelen bezitte, welker kragt in de wegen der fpijsverteering zodaanig pleegt veranderd te wor- den, dat het bloed en deszelfs vaten, de zenuwen en ■»leesch.vezelen daar maar weinig of niets van genieten. Het Tzer integendeel trekt niet allen de vezelen in de ledemaaten der fpijsverteering zaamen, maar ftrekt dee- ze zijne kragt ook door alle aderen uit, tot in de uiter- fte einden derzelver, welke het verteerde of afgebc/ig« de gedeelte onzer fappen in de gedaante van de fünfte uitwaasfemingen in de lucht opheffen. Hierom bemerkt men gemeenlijk, bij 't gebruik des Tz>rs, niets flegts in de darmen eene aanhoudende kragt van 't zelve, wel- ke het lighaam drooger en geflootener maakt, en de buiks ontlastingen gemeenlijk wat vertraagt. ma3r ook eene.merkelijke vermindering van het overvloedige mat te zweet, 't welk bij eene atgemeene zwakheid der ve« zelen en vaten, door de geringde beweeging wordt yoortgebragt. De zwakke ledemaaten der geenen, wel- |
||||||
|
YZE. 4287
ker vezelen cïoor menigvulJige oorzaaken haare natuur-
lijke vafügheid veiiooren hebben , worden even fpoedig de bindetfde kragt des Tzers gewaar, en hier door doet het Tzerwater die wonderen aan den verlamden, dat deezen hunne krukken als zègetekenen in de Bronbtiizen agter laaten. Men kan meteen weinig opmerking ligt begrijpen, hoe
zomtijds het gebruik des Tzen zekere ontlastingen, die het anders floppen zoude, kan aanzetten en vermeerde- ren? En hoe zommige Geneesheeren daar door tot het denkbeeld hebben kunnen koomen, dat zommige berei- dingen van bet Tzer openden, en andere verflopten. Al» eene ongemeene zwakheid der darmen derzelver bewee- ging hindert, en hier uit een. lijfsverftoptheid ontftaat, zo zal het Tzer, door de flappe vezelen zaam te trek- ken, deeze belet-oorzaak der verftoptheid wegneemen, en, den vereischten trap van beweeging aan de ingewan- den geevende, openende worden door dezelfde werking, waar door het in andere gevallen, en andere Menfchen, bij voorbeeld, welker vezelen der ingewanden reeds ge. noeg gefpannen waren, verftoptheid zal voortbrengen. Zo kan ook het gebrek van genoegzaame zaamentrekken. de kragt in de vaten, bloedvloeiingen en andere natuur, lijke ontlastingen terugge houden, welke door de zaa- mentrekkende kragt des Tzers weder herfteU worden. De wrange gewaarwording, die men van het Tzer 'm den mond heeft, veroorzaakt een toevloed en uitgieting vanfpeekzel in denzelven, óm dat dezaamentrekkingder vezelen zich op de fpeekzelldieren voortplant, welke' het vogt door haare afvoeringwegen in den mond uitffor- ten. Ik wil geene meerdere voorbeelden bijbrengen, dewijl zij den Geneesheeren, die er eigenlijk voordeet uithebben moeten, genoeg bekend zijn. Deezen on-, dertusfeben zien uit dit alles, dat zij met eene goede beöordealingskragf», en genoegzaame kundigheden uit den toeftand eenes Lijders, vooraf moeten kunnen op- maaken , of het gebruik des Tzers denzelven nuttig of fcha- delijk zal weezen. Het diaetetisch gebruik van het Tzer, 't welk alléén
de meesten mijner Lezeren betreft, heeft eigenlijk alleen bij zodaanige Menfchen plaats, welker ziekelijke toe- vallen mes. eene openbaare zwakte der vezelen verbon- den zijn; bij Lieden welker ftegte fpijsverteering door een gebrek van genoegzaame beweeging der darmen, uit verfiapping der vezelen fpruitende, veroorzaakt wordt; bij Lieden, welker gebrek van kragten een ge- volg van deeze gefteldbeïd is, dat de vezelen hunner fpieren en zenuwen niet de behoorlijke vastigheid heb. ben; bij Lieden, welker zweetvaatjes te flap zijn, om bij eenige merkelijke be'.veeging de uitbreeking van een onmaatig zweet te kunnen wederftaan; bij Lieden van eene flappe huid, en wateragtige opzweliing, waar in de vaten te zwak zijn , om het ftaanbliivend water be- hoor!i|k voort te zetten; bij Lieden welkergefchiktbeicJ' tot buikloop uit eene gebrekkige fpijsverteering voort- fpruit, of van flappe darmen ontftaat; bij zwakke Hij» pochondristen, welker flappe, maageen il a af der win- denis; bij wellustigen die omkragt, en, bij gemaklijker Lediggangers, die door de rust ontzenuwd zijn, enz. Lieden van dit zoort zullen door het dlaetetfsch ge- bruik van 't Tzer veel voordeel hebben om hunne krag- ten te fterken, de goede fpijsverteering te herftelfen , hunne leden en gewrichten fterk, en tot den arbeid be» kwaam te maaken, het overmaatig zweeten te vermin- deren , de waterige zwelling en geele koleur te verdrij- Vvv 3 *e&j> |
||||||
|
4288
|
||||||||||||
|
YZE.
|
||||||||||||
|
YZE. YZQ«
deeze fijne deeltjes, daar men het mede bezwangerd
heeft, door de kleinfte buizen en pijpen.des menfebe; lijken lighaajns, enbelet, datzij nie: in de weegen der fpijverteering gioote veranderingen ondergaan, nog zich daar in alleen verliezen , en zon.der in het bloed over te gaan, regelregt weder ten ligbaame worden uitge« voerd. H i ..i.-.' . .' .,Als men het Tzeywater of de Tzer+huij, op die wij-
ze als de Heer Profesfor Vogel het mineraafe! water verordineert te gebruiken, enkel diaetetisch drinkt, dat is,..in plaats van gewoone dranken tegen den dorst, koud opwarm naar,'t valt; zo is daarbij even weinig, bijzondere levensordenihg én bijeenkoomende Artzenij noodig, als dit onder het drinken van bet minaraale wa« ter zelve volgens zijn voordel vereischt wordt. Men heeft daar van geene ziedingen ih 't bloed, geen; zoort van dronkenfehap-, geene prikkeling te vreezen i- wel. ke in de fpiritueufe en zwavelagtige natuurlijke Tzer- wateren voor aandoenlijke perfoonen doorgaans vrij. aan. merkelijk, en meenigmaal zeer bezwaarlijk zijn, - Men vervolgt zo lang met bet gebruik deezer Artzenij, tot dat men ziet, dat het oogmerk, welk daar mede bedoeld wordt,-bereikt zij', .;,.-. ...... ,........
Of fchoon nu zulk eene cure ten allen tijde gebruikt
worden kan, zo houde ik het egter daar voor, dat het best zij., lieden, die zodanige Tzer- of Bronnen-curen noodig nebben, tot het aangenaamfte jaargetijde, de helft des voorjaars te bepaalen, en hun de vermaaken van het landleeven,en de lighaams-beweeging onder bet houden van eene goede dieet tevens aan re prijzen. Wat immers kan ziekelijken en zwakken bij zulk eene cure, beter te ftade koomen, dan een goede dieet, werkzaame uitfpanningen, nalaating hunner gewoone bezigheden, nieuwe aandoeningen,; nieuwe vermaaken, reizen, en vrolijkheid ? Als wij hun de Broncuren zo gemaklijk maaken, dat zij onder dezelve in alle hunne voorige omftandigheden blijven kunnen, vreezeik, dat cle wonderen der euren zeer verminderen zullen, en dat men, gelijk ik al voor lang gedaan heb, vrij algemeen zal beginnen te twijffelen, of het mineraale water, dan of de nieuwe levenswijze, vermaak , zorgeloosheid , be- weeging en dieet, het grootfte aandeel in de geneezinr gen hebben? Artz. -.<- .. > YZER-MINERAAL, zie MINERA MARTIS.j YZER SAFFRAAN, zie FLORES MARTIS. YZER-STEEN, zie MAGNEET-STEEN. YZER-VARKE.N, zie EGEL. , YZQU1ATOLT, is een zoort van medicinaale drank, in de Westindien zeer gemeen, dezelve wordt van klei- ne gekookte Boontjes, benevens een aangenaam ruikend kruid, dat de Inwooners ^/>azo/s noemen, vervaardigt; Deeze drank wordt als een goed middel in de long- ziektens aangepreezen. ■■■.. ■ .';V: . YZQUIEPATL, zieKWASJE.
|
||||||||||||
|
ven, de neiging tot buikloop te bedwingen , de zenu-
wen te verkwikken, het geheele geitel te verlevendi- gen, en zich tot alle verrichtingen bekwaam en ftèrk té maaken. Het eenvoudigst gebruik is totdiaetetifcbe oogmerken
altoos het beste. De zuivere Tzertoest geheel alleen prijst zich beter aan, dan de konftige toebe'eiding van het Tzer met zouten. De natuurlijke Tzer-waters zélv-e heb- ben reeds te veele andere Artzenij-kragten in zich bene- vens het Tzer, welke dèrzelver gebruik van hun, dié du op hun eigen oordeel onderneemen, en door geen kundige en verftändige Geneesheeren geleid worden, bezwaarlijker en onzekerder maaken. Die enkel bedoelt' zijne zwakke vezelen te verfterken, dien is het genoeg, goed en zuiver pompwater , waarin een ftuk gloeijend Tzer geftooken is, en 't welk men,' als men het drinkt, altoos met wat wijn vermengt, tot dagelijkfchen drank1 tegen den dorst te gebruiken. Wil men tevens de ver- ftoptbeid des buiks of de droogte, die men van het T- zer vreest, voorkoomen, en de darmen bij ijdere ver- fterkmg van hun flijm bevrijden, dok den drank wat yoedender maaken, zo bekoele men een gloeijend Tzer in wet] of hutj, en drinke deeze Tzerweij zo warm als zij van het Tzer geworden is, des morgens in plaats van het verflappende theewater. Ik weet voor zwakke, kwa- lijk gevoedde Lieden, voor Hijpochondristen van bei- derleie geflagt, voor windzuchtige,dorre Menfchen van flappe zenuwen, in zo verre het gebrek van de vaftigheid der vezelen hunne kwaal is, geen voortreffelijker Art. zenij, dan dit geringfchijnend middel, *t welk allede deugden dermineraale wateren, die tot de gemelde on- gefteldheden vereischt worden, volkoomen bezit, zon- der eenige van de bijkoomende medicinaale eigenfchap. pen dier wateren, waar door niet zelden zo veele ver- warring wordt voortgebragt, in 't allerminst- te hebben, Deeze medecijn inderdaad verilerkt, zonder te prikke- len.en zondereenige ziedingen in het bloed te veroor- zaaken, en is, terwijl zij de ontlasting bevordert, even- wel voedzaam. Menfchen, die door bloedvloeiingen verzwakt, en door wellusten ontkragt zijn, verkrijgen daar door koleur, vleesch, kragten, en gezondheid we- der, en ik ben zelf met een blijde verwondering de ver- genoegde ooggetuige geweest van de voortreffelijke werkingen, welke dit middel heeft voortgebragt. Het hindert mets, als uitgeteerde zwakke Menfchen deeze Tzer.hwj ; met de helft koeijen of .geitenmelk vermengd, drinken willen, om ze des te voedzaamer te maaken. . Wil men het Tzer de gedaante eener eigenlijke Art-' zenij geeven, z0 is de eenvoudigfte Tzerroest, of het fijnfle vijlzd van flaü tot alle gedaanten van pillen , -poe- ders , obhen, eletluariën, yzerwißien , enz. bekwaamst en nuttigst.'Alleenlijk, moeten de Lijders wel verdagt zijn dat de verordening, en het gereed maaken van zodaan ige middelen geene zaak voor hun is/maar dat zij dit aan denGeneesheeren enKruidmengerenoverlaaten moeten. Het is onder alle diaetetifcbe rzer-r«n>ß,gelijk biide Mron-curen, hoogst nuttig eene maatige ligbaams-oeffe- mng te onderhouden, dewijl daar door de vezelen zelve onmiddelijk riiet weinig verfterkt, beweeglijker ge- maakt, en de omipop der vogten, en de, verdeeling der Artzenij.middelen door het geheele lighaam bevorderd wordt. . ' - De toebereidingen des Tzerx, als men het ineengroo-
temeenige water of weij, verdeelt, zijn penoeezaim in alle opzien beter, dan de andere,. Hu water vout |
||||||||||||
|
Z,,îs de vieren.twintigfte ïetter en agttiende Cmfoni
mnt of medeklinker vaa het nederduitfche Alphabetb. Z is
|
||||||||||||
|
2 A A.
't"ïs mede een griekfche letter1, hebbende in die taal
ele kragt van DS. De Latijnen bedienden zich daar van alleen in die woojden, welke uit de gezegde taaie af- Kömftig waaren. Ook veranderden zij dezelve wel in SSi ais in Patrisfo, Sicüisfo, enz.' wordende dus hard én zagt uitgefprooken, even alsof ze eene dubbelde let- ter ware. Maktianus Capella verhaalt, dat Appius Claudius deeze letter daarom vervloekte', om dat men, dezelve uitfpreekende, zijne tanden laat zien zo als zij zich in de doodshoofden vertoonen. Ausonius merkt âan, datde:Z, op zijde gekeert, een latijnfche N ver- fceeld-. Zie hier zijne woorden. -'' Zeta jacent, flfurgat, erit nota, qucs legiiur N.
De Franfchen fpreekén de Z mede als een dubbelde
SS uit, maar bij de Hoog- en Nederduitfchen, bij de Italiaanen , bij de Grieken en een ige andere Volkeren, tóeft zij dé kracht van TS; de Engelfchen geeven aan dëezen letter den zelven zagten klank als de Nederlan- ders; bij welke laatften dezelve veel zagier is dan de S, fchrijverideMe eerften uitdien hoofde; zeal, zedoarij, gazing", brazier, equaliZe ; in plaats van feal, fedoatij, enz., ende laatften zaad, zaak, zalving, zee, ziel, zoet, zucht, verzamelen, verzorgen ,enz. in plaats van,' faad, faak, enz.; blijkende daarentegen de fcherpe en harde klank van de S in de woorden fabel, fafftaan, feis- feh , fervet, fikkei, fignet, fober, foldaat, fuiker, fuk- kelen, enz. Van de medeklinkeren ontvangt de Z bij de Nederlanders om haar zagt geluid geen andere ag- ter zich dan de W, ajs in de woorden zwaard, bezwee- ren , zwier,: zwoegen, bezwijken, enz. Ook heeft de Z bij deFranfchen het zelve zagte geluid als bij de Ne- derlanders en Engelfcben, als te zien-is in hazard, ze- hteur, zone, onze, douze, treize , enz," Oudtijds'betekende de Z in de telling 2000, en met
een horifontaal ftreepje er boven, z----- io©o X 2000 öf 2OO00ÖO.
ZAAD, in 't Iatijn Semen, verftaat men dat geene
door, waar uit, gelijk uit een leevendig beginzel, een ander dergelijk ligbaam voortgeteeld word. Onder deeze benaaming worden alle Zaaden van Kruiden , Plantenen Aardgewasfen begreepen. De hedendaagfche Kruidkun- digen , houden bet Zaad der Planten voor een zeker ken- teeken van baar afzonderlijk geflagt,1 en onderfcheiden dezelve naar dat ze de Zaaden onderfcheidentliik vinden. ' Ook word onder de benaaming van Zaad, de vogten verdaan,; welke Menfchen en Dieren in de natuurlijke vermenging kwijt raaken, zijnde een dik, wit en klee- verig vogt. Dit vrugtmaakend Vogt wordt in de Zaadballen be-
Teid, vervolgens na de Zaad vaten gevoerr, waar uit het als met geweld gejaagt en gedreeven word in de werk- tuigen van de Vrouw, alwaar de vorming vaneen nieuw Mensch door darzel ver middel gebeurt. ]n andere Dieren zijn de werktuigen verfchillende, dog de verrichting is dezelfde. "ZAADSEENTJES, in 't Iatijn Sefamoidea os/a; dus
toerfit men die kleine Beenties, welke tusfchen de ge- wrichten der Vingeren en Teenen zitten. ZAADKROÖNTJE, zie CORONULA SEMINIS.
^ZAA.DHUISE, zie CONCEPTACULUM. ZAADLÖÖP, zie GONORR HOE A. '
■ 2AApLlJCBNI.^, irï het Iatijn Agroßema Linncei,
i| dat'^zöbrt vari Lijcbnis, 't welk zwart Zaad heeft", |
||||||
|
ZAA. 4289
en tot een fchaadelijk onkruid onder 't kooien ver
ftrekt.
ZAADMELK, zie EMULSIO.
ZAADMERK, zie HILUS.
ZAADPLANTJE, zie EMBRIO.
ZAADSCHIL, zie ARJLLUS.
ZAADSPRUITJE, zie EMBRIO.
ZAADSTEEN, in het Iatijn frumentarius Lapis, is
een Steen vol figuuren die naar kleine zaadies gelfiken. ZAAD vanZELIM, zie ETHIOPISCHE PEPER.
ZAADVLIES, zie PERICARPIUM.
ZAAGBEKKEN, is een Geflagt van Watervogelen,
't welk de HeerLiNNiEus Mergus noemt, en waar aan Brisson den naam van Merganfir , dat is Duiker-Gans, geeft ; Klein geeft er den tijtel van Senator, dat is Zaager, aan. Volgens Linnjeus zijn de Kenmerken, dat hij den
Bek niet met plaatjes maar met eisvormige puntjes ge- tand heeft, en rolrond meteen haakswijze punt. Brts- son merkt aan , dat alle Vogelen van dit gellagt een vliesje hebben , langs de binnenzijde van den inwaard- fchen Vinger, en dat het onderfte duel van hunne Poo- len van vederen is ontbloot. Deeze laatfte Heer heeft agt zoorten of verfeheiden-
heden van dit Geflagt, Linn^eus niet.meer dan vijf, als volgt. J. Gekapte Zaagbek; Mergus cucullatus; Anas tri fla-
tus. Catesb. Car. Lp. 94.. ; (Mergus, crifla globofa utrim- que alba, corpore fupra fusco, fubtns albo. Likn. Sijfl. Nat) Dit is de agtfte of laatfte der Zaagbekken van Bris- son , dien hij noemt Virginifche gekuifde Duiker Gans. Catesb y hadt hem gekuifde Eend geheten, en zommigen noemen hem Wind-Vogel naar den naam van Ecaiototl, dien hij in Mexico voert. Hij is wat kleiner zelfs dan een gewoone Eend; het Mannetje van boven zwartag- tig, van onderen wit, aan 't onderfte van den Buik bruin, met den Kopen Hals zwart, gelijk ook de Kuif, dog deeze wederzijds in 't midden wit; de groote Slag- en Staaripennén bruin, het Wijfje bruin'over't geheele Lijf. De Oogkringen zijn geel,de Bek zwart, dePoo- ten graauwagtig. Men vindt ze in Noord- en Zuid- Amerika op de rivieren en moerasfen. II. Duiker-Gavs; Merganfer; Mergus major peElore
rubro ; Alb. Av. I, p. 83.; (Merguscrifla dependente, ca- pite nigro coerulescente, collari alba. Linn. It. Gothl. 166) Zie DUIKER-GANS, III. Langbekkige Duiker-Gans ; Senator; Mergus
cirrhatus fuscus. Will. Om. 55. , Anas lohgirofira. Gesn. Av. 133.; (Mergus crifla dependente, capite nigro maculis fermgineis. Link. Faun. Suec)Zie DUIKER- GANS. IV. Witte Non; Mergus albeüns ; Mergus major cirr-
hatus. Raj. Av. 135. ; Senator minimus', capite niveo, cervice genisoue nigro, Klein, Av. 140.: Mergus Ti- rais. Hasselq.' Iter. 268. ; (Mergus crifla dependente fubtus nigra, corpore albo, dorfo nigro, alis variegatir. Linn. Sijfl. Nat.') De OuJen hebben deeze genoemd de Rhijn Duiker of de Straatsburgfche en ook het Wit» tertje of de witte Duiker. Hedendaags noemen hem de Engelfchen zomrijds de witte Non of witte Non-Duiker, als ook Smew: de Duitfchers geeven er, boven dien, den na'am van Non-Eend en Ts-Eend, of Nederlandfehe en Rhijn-Eend aan. Hij draagt, omtrent Straatsburg, den tijtel van Merck en graauwe Non. De Italiaanen noemen hem Gargatmj, de Franfchen la Tiefte of petit Marlt
|
||||||
|
ZAA. ZAB.
ik het niet waarfchijnlijk, dat het voedze! van den Zaag-
visch 't eenemaai uit Zeeplanten zou beltaan; dewijl hij van gelijk lighaamsgeftel is als de Haaijen. t Kan niet» temin waar zijn , dat hij de Zeep'anten, in diep water, met zijne zaag affnijd, en boven drijven doet,'t zij door zijn aas daar in te zoeken, of op een andere toevallige manier. Deeze Visch komt, in geftalte, de Haaijen zeer na«
bij; zelfs in de koleur en ruuwheid van de Huid, als pok inde plaatzing der Vinnen, welken hij er op de Rug twee agter elkander, aan de Keel en Buik twee paaren heeft, en de zevende maakt de Staart uit, die boven langer is dan onder, gelijk in de Haaijen. De Bek maakt, onder aan den Kop,een dwarfe fpleet, wederzijds heeft hij vijf kieuwgaten. De Kop is driekantig en plattig, met een plat, breed, beenig uitfteekzel, dat men een platten Hoorn zou mogen noemen, zijnde wederzijds als een zaag getand. I Men zegt, dat er dikwils Zaagvisfchen gevonden wor«
den van vijftien voeten lang, en dik naar evenredigheid; weshalve eenigen hun geteld hebben onder de Walvis. fchen. Ook is dit niet ongeloof baar, als men agt,geefc pp de grootte der zwaarden, die in de kabinetten van Liefhebbers gevonden worden. De Visch, van Marc- Oraaf befchreeven, was negentien duimen lang, en hadt een zaag van negen duimen, en hij maakt gewag van eea zwaard, dat hij hadt, zijnde vijf veeten lang. Men vindt ei tusfehende twintig en dertig Tanden, op ieder zijde, aan. Ik bezit zegt de Hr. Houttuyn, zulk een Zwaard, dat over de drie voeten lang ia, en op ieder. zijde agt-en-twintig tanden heeft. "ZAAMENGESTELD, zie COMPOSITUM. '. ZAAMENGEVOUDEN, zie PLICATUS. ZAAMENHANG, zie CONNEXIO.
ZAAMENLEEV1NG, zie GENOODSCHAP.
ZAAMENLljMING, zie CONGLUTINATIO.
ZAAMENVLOEIJING, zie CONGESTIO.
ZAAMENVLOEIJENDE POKJES, zie POKJES.
ZAAMENVOEGiNG, zie CONNEXIO.
ZAA1JER, zie KWIKSTAARTEN , ». XII. pag,
I7°4- '
ZAA1JING, zie DISSEMINATIO.
ZABEL DIER , zie SABEL DIER.
ZABEL-VISCH, hehoort onder het gedacht der DoU
phijnen,en is doorgaans tien of twaalf voeten lang; hij heeft een gat in de Kop, waar door hij, gelijk de Wal- visfehen, water fpuit. Zijn Kop is, gelijk die van een Botskop, (lomp; dog op de Rug, naar de Staart toe, draagt hij een Vin, van drie of vier voeten lang, ais een kromme zabel, of liever als een fpitze paal, die naar de Staart is omgeboogen met de punt; zijnde bij het Lijf een of anderhalf voet breed. Met deezen Zabel kan hij de Walvisfchen geen nadeel doen, dog niette- min is hij een groot vijand van dezelven. De Zabelvis» fclien, naainelijk, zwemmen doorgaans bij troepen, en tasten den Wtalvisch van alle kanten aan,, bijtende groo- 'te mikken van zijn Lijf, tot dat h'ij, door 't gevegt af- gemat, de-Tong uit den Bek laat hangen", daar zij gree- tig op aanvallen en die ve/flinden, even gelijk men die vàn de Zwam<dvisfchen getuigt vindt. ZoJaanige Zabehisfehen koomen omtrent Spitsbergen
en in de Straat Davis dikwils soor. Men heeft zelfs kleine gezien bij Heiligland aan, den mond der Elve. Zij zijn wonderbaarlijk fnel, zo dat het ondoenlijk is dezel- ven te vangen, ten zij men er een met kogel mögt kun« ' 1 ■-■■<■■ ■■ ' Re» |
||||||
|
4290 . ' ZA A.
.. -v ' ■. :>
Harle hupe, dat is kleine gekuifde Zaagbek of Duiker-
Gans. Deeze is maar weinig grooter dan een Taling, zegt
Brisson; Ray vergelijkt hem bij een Smeint. Het i. Mannetje heeft de bovengemelde koleur, en is door zij
ne Kuif aanzienlijk. Het Wifje verfchilt daar vanzeer veel, zijnde zonder Kuif, ros van Kop en Wangen; wit van Keel, dog voor 't overige Aschgraaüw bruin van boven, en zilver wit van onderen; de Slagpennen #zwartagtig ; de Staart aschgraaüw. Om 't onderde van àen Hals heeft het als een bruinen ring. De Bek en Pooten zijn, in beiden, Iooekpleurig. Zij onthouden zig aan de ftranden, op de rivieren en meiren van Eu ropa, dog niet in de noordelijke deelen, leevendevan Visch en Water Infekten. V. Pijlfla~art; Mergus minutus;(Mergus capite grifeo
leevi. Linn Faun. Suec") De Heer Brisson heeft nog twee Zaagbekken , die op de rivieren en meiren van Duitschland gevonden worden, waar van bij den eenen de zwart en witte, den anderen de zwarte Duiker Gans noemd, hebbende omtrent de grootte van een tamme Eend. Vervolgens komt hij tot deezen, dien hij noemt Ie Harle etoilé, gelijk Klein hem Anas ßellatus, dat is geflernde .£««<, getijteld hadt. Zommige hebben hem Tsduiker geheeten, en wij Hollanders noemen hem Pijl» fiaart. Albin heeft er, onder den naam van Weazel- Coot, dat is Wezel-Keet, of water Kwartel-koning, een afbeelding van gegeeven, die niet behoorlijk geko- -ïeurd is. Deeze Vogel heeft omtrent de grootte van een Ta*
ling, en is de kleinfte der Ziagbekken. Van I-oven is de koleur zwartagtig br«in, van onderen wit; de Kop donkerrood. Een zwarte vlak loopt door de Oogen, waar onder bij een witte gefternde vlak heeft. De ho- vende Dek-vederen der Wieken , zijn wit; de veertien cerfte Slagpennen zwart, de Pooten vuil. Men vindt hem op de rivieren en aan de zeekusten van Europa, zelfs in Sweeden. ■:'.. c. . ZAAGKRÜID, zie SCHAARKRUlD/
ZAAGPEN, zie STRANDLOOPERS, n. X,p. 3559> ZAAGVISCH, of Haai) meteen beenige fnoet, naar een zwaard gelijkende, plat en wederzijds getand ; Priflis five Serra piscis. Ctvs. Ex«t. 136. ; Serra marina. Bkll. fisc. 66 ; Squalus roflro longo cuspiiato, osfeo plano utrhif que dentato. Abt. Gen. 66.', (Squalus roflro enfiformi os- feo plano, utrïmque dsntato. Ltn.w. Sijft. Nat.) Deeze Visch onder het Geflagt dei Haaijen beboo-
rende, plagt gemeenlijk Zwaardvisth genoemd te wor- den, en, hoewel die naam niet oneigen is, gebruiken de liefhebbers thans dien van Zaagvisch, om hem van den eigentlijken Zwaardvisch, die een fnoet als een de- gen heeft, te onderlcheiden. Deeze naam koomt ook '«:., heter met den latijnfchen engriekfchen, Priflis of'Set-ra Piscis, dien Clusios,gebruikt heeft, overeen. De
Engelfchen noemen hem Sawfisb, de Sweeden Saeg-, de Noorweegers Saug-Fisk. . In de zee, die de kusten van Ysland, Spitsbergen en
Groenland befpoelt, fcbijnt de eigentlijke woonplaats te zijn van den Zaagvisch. Evenwel vindt men hem ook aan de kust van Guinée, -alwaar hem de Negers ait een zoon van eerbied niet vangen, en indien hij toevalliger wijze, -hun in dé handen Jkomt, zo houden zij het ' c zwaard voor een heiligdom. De Groenlandfche SchriV vers verzekeren , dat de Walvisch van deezen Visch
jjejaagd, en wel den Built, ongefcheard wordt., Ook agt |
||||||
|
ZAD.
|
||||||||||||
|
ZAÜ.
|
||||||||||||
|
42pl
|
||||||||||||
|
nen treffen. Sommigen verbeeiden zich, dat de gemelde
Vin op de Rug hun dienen zoude, om de fnelheid van hunnen loop te maatigen, of in zommige gevallen dien geheel te fluiten. Aan de kusten van Nieuw Engeland, ontmoet men zom-
tijds zodaanige Visfchen, van twintig tot dertig voeten lang, die men er Killers dat is Doodersnoemt, om dat zij htm welk maaken van het ombrengen der Walvisfchen. Zij randen die even als de Honden een Stier aan,- zom- migen houden hem bij de Staart vast, terwijl de ande- ren hem bij den Kop met flaan en bijten trachten te over- nieefteren. Van eenen jongen IValyisch zullen zij niet affcheiden, voor dat zij deszelfs Tong hebben opgevree- ten, en, als bij dood is, blijven zij er zo lang bij, tot dat het Kreng begint te flinken. Men meent reden te hebben om te gelooven, dat zij zomtijds wel de oor- zaak zijn , dat een Wahisch , die van de floepen wordt voortgefleept, te gronde zinkt en dus verlooren gaat. Men vangt er zomtijds die zeer vet zijn, en goede Thraan uitleveren. ZADELBËEN, in het latijn Ephippium en Sella tur-
tica, is een Been in het menfchelijke ligbaam, 't welk naast het Wiggebeen legt ponder dit Been is een boezem- holte, in welke de Slijm-klier geplaatst is, en voor welke holte het als tot een zadel verftrekt, waar van het ook zijn naam heeft ontleend. ZADELBOOM, fn het htijn Fagara, is een Planten-
Geflagt, waar van de kenmerken zijn, een vierbïadige Bloem in een vierdeelige Kelk, de Meeldraadjes lan- ger dan de Bloembladjes j het Zaadhuisje tweekleppig met een Zaad. Zoorten. Vier zoorten zi'n in dit Geflagt begreepen,
waar van de drie eerden onder de Heesters, en de vierde onder de Boomen behooren; wij laaten er bier de be fchrijving, overgenoomen uit de naauwkeurige Natuur- lijke Iliflorie volgens het zaamenflel van den Heer Lin- Käus, door den on vermoeiden arbeid van den Heer M. Houttuya', aan zijne landgenooten medegedeelt, van volgen. i. Gewiekte Zadelboom, of Zadelboom met uitgegulpte
Vinbladjes; Fagara pterota; Lauro affinis, jasmini dato foliis. H. Sloa'n. Jam. 137. ; {Fagara foliolis emargina- tis.LïNti, 'Sijfi. Nat.) Alle de zoorten van dit Geflagt hebben gevinde Bladen, en deeze heeft dezelven uitge- gulpt, waar door zij van ds anderen verfchilt. De bij- naam is Pterota, bij welken zij was voorgefleld door Browne, die haar op Jamaika vondt, zo wel als Sloa- »e. Deeze merkt aan, dat het gewas naar den Laurier gelijkt, met gewiekte Jasmijn«Bladen, zijnde de mid- delrib wederzijds als met een vlies gevleugeld , en het hout weinig minder hard dan yzer; weshalve men het Tzerhovt noemde. De vrugten zouden , onder den naam van Bacc Fagara , weleer in de Apotheeken bekend geweest zijn, 'als koomende in eenige zaamengeftelde geneesmiddelen der Arabieren. 2. Stinkende Zadelboom, of Zadelboom met de gewrichten
der Finnen van onderen gedoomd : Fagara tragoiies ; Rhoi vbfoniorumßmilis leptophijllos , £fc. Pluk. Alm. 319.; (Fagara articttlis pinnarum fubtus aculfatis. Jacq. Amer. Hiß. p. 21.) De Heer Jacquin geeft een afbeelding van dit zonderling gewas, dat van den bokachtigen flank ïijnen bijnaam fchiinr te hebben, hoewel die thans aan de eerde zoort toegefchreeven wordt. Het was te voo« ren door onzen Ridder, zo wel als de andere, Schinus of Sehinoides genoemd geweest. Plukeketius verge- VII Deel.
|
lijkt het bij de Sumacn. Het is een takkige, bijna regt-
opftaande Heester, van vijf voeten hoog, die dubbelde, fterke, kromme doorens heeft aan de ledcijes en knietjes der takken, en enkelde aan de rug van ieder gewicht, daar de Vinblaadjes uit den gewiekten Stetl fpruiten, zijnde langwerpig, aan 't end rond en Homp, glad en ongekarteld. De Bloemen die klein zijn , koomen bij trosjes uit de oxelen voort. Hij vondt dit gewas op de zandige zee-oevers, bij Post au Prince op St. Do- mingo. 3. Peperachtige Zadelboom, of Zadel boom met gekar-
telde Bladen; Fagara pïperita; Piper japonicum Sio & Samfio di&um. Kmmpf. Amoen. 892., {Fagara foliis ere- natis. Link. Spec. Plant.) Een gedoomd kruiderig Boompje, met Ësfchenbladen, dat men gemeenlijk Ja* panfche Peper noemt, maakt deeze zoort uit. De Stam bereikt, volgens Kämpfer , de hoogte van twee vade- men. Het heeft een vetten bast; hst hout is ligt en zagt, met veel pit van binnen. Uit de oxeis der Biadileelen komen hier en daar ftekels voort. De Bloemen groei- jen troswijze, en beftaan uit zeven ofagt Blaadjes, knops- wijze zaamengevoegd, met even zo veel Meeldraadjes, en een Kelk van dergelijke verdeelingen, dog meest zonder Kelk, 't zij door misgroeijing, zo hij aanmerkt, of door een fpeeling der Natuur, 't Gewas moet dan, wegens de figuur der Befiën, zeer naar die der Fagara van Avicenna gelijkende, hier te huis gebragt zijn; dog deeze hebben, wederom , geenzins den kniiderigen fmaak, om welken gedagte Befiè'n oudtijds beroemd wa- ren. De kruiderigheid van deezen boomaebtigen Hee- fter zit voornaamelijk in de Bladen , den Bast en het vrugtbeginzel, daar men, door geheel Japan, onder den naam van Fadfi Kami, in plaats van Peper of Gember, tot bereiding der fpijzen gebruik van maakt. Van de gekneusde Bladen wordt er ook met meel van rijst een pap van gekookt, die men op de lighaamsdeelen, welke door koude zinkingen pijnlijk geworden zijn , tot genee- zing legt. Het Zaad, dat de grootte van Kardamom heeft, is bijna zonder reuk of fmaak. 4. Wollige Zadelboom; Fagara o&andrs; Elapkrium
tomentojum. Jacq. Amer. 105.; (Fagara foliolis tomento- fis. Link. Sijfi, Nat.) De Heer Linn^us heeft hier dat Plantgewas te huis gebragt, het welk door den Heer Jacquin Elaphrium genoemd is: niettegendaande het zelve agt Meeldraadjes heeft. Het i? een Boom van weinig fraaiheid, niet zelden hooger dan twintig voe- ten , die op fteenaebtige en fandige plaatzen van Kuras- fau groeit, zijnde geheel vol van een welriekend, bal- famiek en lijmerig-fap, dat zeer nabij koomt aan dena- tuur van het fap van den IVestindifchen Gomboom. De Stam levert een witte vooze doffe uit, waar van de Wilden op Bonaijre en Aruba, Zadels maaken, welken zij bloot, enkel met een fchaapen vagt gedekt, tot het te paard rüden gebruiken. De Nederlanders noemen het derhalve Z uielhout. In dikke Takken fpreidt zich deeze Boom uit, heb-
bende gevinde Bladen, aan beide zijden wollig, met eenen gewiekten Bladfteel. jaarlijks afvallende, die uit de enden der Takken met de Bloemen te gelijk, of kort na dezelven, voortkoomen. De Bloemen zijn klein en geel, met witte Kelken en groeijen troswijze. De mee- den hebben een klein vrugtbeginzeltje, met twee dem- pels zonder dijl, en misdraagen. De Vrugten, die de grootte van een Erwt hebben, en groen zijn, laaten, wanneer haare klepjes opgebroken zijn, den Balfemuit- |
|||||||||||
|
\
|
||||||||||||
|
ZAP. ZAR. ZAT. ZAU. ZEB.
de Takken groeijen,. dan iets anders,, zegt hij niet. De
Bladen waren van geur als Oranje.bladen, en zo wel als de Zaadenen Schors, kruiderig, heet en zaamentrek. kende. Het is volgens dien Autheureen Boom, welke zelden
meer dan zestien voeten hoog wordt, den Stam een voet dik hebbende, en op eene zonderlinge wijze be- zet met dikke puntige doornen. De Bladen .anders wel wat naar die der Olmen gelijkende, maar fcheef, ftaan bij paaren aan zekere Steelen, met een oneffen Blad aan 't end. De Bloemen komen troswijze voort, en beftaan uit vijf Blaadjes, hebbende ook vijf Meeldraad« jes met roode knopjes, en op ieder Bloem volgteen rond groen Zaadhuisje met vier glanzige zwarte Zaad', korrels. Dit verfchilt niet minder van de opgegeevenKenmer<
ken, dan de waarneeming van den Heer Clayton, die in deezezoort de Kelk in vijven gedeeld, zeer klein en gekoleurd, vijf ovaale Bloemblaadjes en Meeldraad- jes van de zelfde langte," twee ronde zaamenklee vende vrugtbeginzels, met zeer kleine Stijkjes en fpitze Stem« pels, vondt. Browne, integendeel, heeft er een vijf« tandige Kelk, een Bloemkrans in vijven gedeeld, met fchulpswijze punten; vijf Meeldraadjes, geen Stijlen, vijf Stempels en een Vrugt van vijf Befiën aan waarge« noomen ; zo Linnus meldt: maar zoude dit ook de boomachtige Aralia die van de Engelfchen, zo wel als deeze, ToouAsh-Tree, of Prickleij-Ash, dat is gedoorw de Esfcheboom, genoemd werdt, kunnen zijn. Men geeft aan den tegenwoordigen, die Bladen als vanden } Maftikboom, dog langer, en Zaadhuisjes, als die van J
't Paapen-Mutfen-Hout heeft, volgens Clayton, ook; I
wel den naam van the Pellitorij. I
2. Driebladige Zanthoxylum ; Zanthoxylum trifolié,- j
tuin; (Zanthoxylum foliis termtis. Linn. Sijfl. Nat) Î
Dit gewas is door den Heer Osbeck: in China waarge- J
noomen. Het was een Heester, die onder't grondftuk j
en aan de punt van iederBladfteekje, een krommen doorn | hadt. De Bladen waren enkeld, drievoudig, aan de |
Bloemen drie, uit ftomp ovaale Blaadjes zaamengefteld. 3
De Bloemfteeltjes droegen een enkeld half klootrond |
fonnefchernipje. De Bloemen hadden drie Stijlen of f
Stampers, geen vijf, gelijk tot de Kenmerken behoort, j en van de Tweehuizigheid wordt ook niet gefprookèn. f
ZAP, zie SAP. 1 ZARNEB, zie CALAF. I
ZATURHENDI; zie MARJOLEINE, n. 2. pag. I
1954-
ZAUN-KOENIG , zie KWIKSTAARTEN, n.
XXIX. p. 1705. ZEBRA, is een Dier door de Heer Linnus onder
het G^flagt der Paarden geplaatst; Equus fasciisfuscis verficolor. Linn. Sijfl. Nat. Dit Dier dat doorgaans geflrcepteEzel wordt genoemd,
dewijl fchoon het de Ooren bijna als een Paard heeft, egter de kortheid der Maanen en de Staart, het zelve meer naar de hazije arabifche Ezelen doet gelijken, vind men in Afrika, op de Kaap der Goede Hope, en in 't Riik van Kongo, dog menigvuldigst in zekere Provin» cien van Barbarie. Lopez, die dit getuigenis geeft, j voegt er bij, dat het Je gedaante heeft van een Muil- !
ezel. Zommige Schrijvers hebben het een Paard ge-
noemd , andere tellen het onder de wilde of Woüiezelen. Het teelt, zeggen zij, jaarlijks voort. Allen ftemmen zij overeen, om er een ongemeene fcelhcid in 't loopen aan
|
|||||
|
4*92 ZAD. ZAL. ZAM. ZAN.
druppen. Het zaad in dezelven is vervat in een rood
vleesch. Behalve dit wollige Zadelhout, was ook aan dien Heer
een glad Geboomte voorgekoomen, dat bij Kartbagena, in de Westindiën , in het Kreupelbosch aan ftrand groei- de, hebbende de zelfde Bloem en Vrugt, die in novem- ber rijp wierdt. De Blaadjes waren langwerpiger ovaal en ftonden ijlder aan het Steekje, en hij hadt den Boom wel takkiger, dog niet zo hoog als den voorgaanden, waargenoouien. ZADELVJEG, is denaam van een zeldzaam en fraai
Infekt, welke door den Heer Sch-effer, niet oneigen, onder deezen naam is afgebeeld en befchreeven. Zeeï zeldzaam komt dezelve in Duitfchland voor, en is merk- waardig , niet alleen wegens haar roode Borstftuk of Halskraag, welke zich als een zadel vertoont ; maar ook, dewijl het zelve op zijde hoekig was, aan 't end verheven; hebbende aldaar, als ook in 't midden, vier bijzondere opwaards Maande fpitfen. Twee anderen hadt zij er van agteren, en dus in 't geheel zes puntjes aan, het Borstftuk ; weshalve Geoffroy haar niet in de eer- de, maar in de tweede Familie moest geplaatst hebben van zijne Stratijomijè's of gewapende Fliegen. ZALF, in het latijn Unguentum, is een geneesmiddel,
het welk ten uitwendigen gebruike verftrekt, en dikker is als olie, ook verfchilt die weinig van de Pleisters en Smeeringen dan in dikte. Een Winkelpleister met zo veel olie verdunt, als in ftaat is om dezelve tot de dikte van ftijven honing te brengen, brengt eene Zalf voort ;, en door de olie verder te vermeerderen word het eene Smee- ring. Dewijl wij op het artijkel PLEISTER een aan- tal voorfchriften hebben medegedeelt,hoedaanig deheil- zaamfte Pleisters te bereiden, en gelijk wij gezien heb- ben de Sähe weinig van de Pleisters verfchillen, zo zal bei voldoen onze Leezers daar na toe te wijzen. ZAMBACK, zie JASMIJN (ARABISCHE). ZAND, zie SAND; als mede alle zodaanige artijke- len welke met dit woord beginnen, op S. ZANGER BY UITNEEMENTHEID , zie NAG-
TEGAAL. ZÄNTHOXIJLUM, ook Tandpijn-boom genaamt,
om dat men zegt dat het hout of de doorns welke aan den Boom groeijen, goed tegens dat pijnlijk ongemak zijn, is een Planten-Gefiagt, het welk iot kenmerken heeft, dat het Mannetje geen Bloemkrans heeft, maar zo wel als het Wijfje een Kelk die in vijven is verdeeld, hebbende het laatstgenoemde vijf ftampers in haar Kelk, en de Vrugt beftaat uit vijf eenzaadige huisjes. Zoorten. Daar zijn twee zooiten van dit Gefiagt,
waar van de eerfte boom-, en de andere heesteragtigis. I. Tandpijn-boom met gevinde Bladen, ook Hercules- hoorn genoemd; Zanthoxijlum clava herculis; Fagarafra- xini folio. Duham. Arb. i.p. 229.; Zanthoxijlum fpino- fum lentifci longioribus foliis &c. Catese. Car. 1. ; (Za/z- thoxijlum foliis pinnatis. Linn. Sijfi. Nat.) De Ge- flagtnaam, welke Geelliout beteekent, zal van de ko- leur des houts afkomftig zijn; dewijl hem die van Bar- bados de groote geele Hercules-Boom. noemen, volgens Plukenetius. LiNNffius hadt dat woord te vooren als een bijnaam gebruikt, voor den Stokvischhout-Boom, die dus ook genoemd was. Ik vind echter niets, dat tot verklaaring van het een of andere ftrekt bij Catesby, die zegt, dat men in Westiodiehem den Tand'pijn-Boom tiitelt, om dat de Inwooners er daar tegen gebruik van KiaakeA. Of zij daar toe de Doorns noemen, die. aan |
|||||
|
ZED.
|
|||||||||||||
|
ZEB.
|
|||||||||||||
|
4*93
|
|||||||||||||
|
aan toe te fchrijven, welke die der Paarden overtreft;
des men in Spanje en Portugal het fpreekwoord ge« bruikt : zo vlug als de 'Zebra. Dit Dier, hoe wild ook, kan getemd worden, en dan
is het, zo zommigen aanmerken , in Ethiopie en Abijs- finie zo zeer geagt, dat men het tot een gefchenk fchikt voor uitheemfche Vorsten. Men heeft er in Europa overgebragt, en den Koning van Portugal werden er eens ■vier overgevoerd, die hij tot een gefpan voor zijne Ka- ros gebruikte. De Huid wordt, wegens haare fraaiheid ; ook voor iets raars gehouden. De Heer Edwards geeft ons de afbeelding van een
Mannetje en Wijfje. Die van het Mannetje is gemaakt naar eene opgevulde Huid, welke in 'tkollegie der Ge> neesheeren te Londen bewaard word ; nagezien en verbeterd naar die van een levendig Mannetje, 't welk hij gezien heeft bij 't paleis van den Prins van Wales te Kew. De Kop was gelijk die van een Paard , dog de Öoren waren v/at langer, echter zo lang niet als deOo- ren van een Ezel, naar 't hem toefcheen; de Maànen kort en overendftaande; de Smoel bruin van koleür ; Voor 't overige was de grond van de geheele Huid wit en overal met donker bruine ftreepen gefchakeerd, die echter in figuur èn plaatzing verfchilden. Voor aan den Kop waren zij zeer fmal en fijn, loopende eenigermaa- te op het voorhoofd te zaamen, en bijna zwart, de Hals hadt breede donkerbruine ftreepen, die er in 't ron- de om heen Hepen , zelfs door de Maanen, met fmalle witte ftreepen er tusfchen; het Lijf was, dwars over de Rug, met breede banden, die fcherp uitliepen aan den Buik , welke geheel wit was, uitgenoomen een zwarte getande ftreep, van de Voorpooten , langs het midden, tot twee derden der langte uitgeflrekt. Op het Gat maak- ten de witte ftreepen, tusfchen de donkerbruine, de figuur van een groote vischgraat. De Staart was, ge- lijk die der Ezelen, aan 't end met een donkerbruine kwast. Op de Billen waren de ftreepen allerbreedst en liepen rondagtig naar agteren uit; de Pooten met brui- ne en witte ringen,een weinig boven de Hoeven bruin. De afbeelding van het Wijfje is gemaakt naar eene, die naar Engeland gebragt werdt van de Kaap, meteen Mannetje, dat op de reizeftierf. Het heeft veele jaaren te Kew geleefd.. De geftalte was als die van het Manne- tje, zo even gemeld, dog de koleur over 't Lijf rosagtig geel, aan den Buik en Pooten geheel wit. Het hadt alleenlijk zwarte ftreepen op den Kop, Hals en Rug, en op de Billen eenige zwarte vlakken; voor 't overige geene, dan een dergelijke ftreep langs het midden van den Buik. Op het voorhoofd waren de ftreepen insge- lijks zeer fijn ;op den Hals overdwars en breeder; voorts was het Lijf fierlijk gebandeerd; de Smoel en Neus ge- heel zwart. Het geluid, dat dit Dier maakte, verfchilde veel van
't balken van een Ezel , en geleek meer naar 't blaffen van een groote Bulhond. Het fcheen van een wilde, woefte natuur te zijn ; niemand durfde het naderen, dan een Tuinier, die in 's Prinfen dienst was en 't zelve dagelijks voedzel gaf; deez' was ook de eenigfte daar het zich van liet berijden. Ik zag her (zegt de Heer Edwards) een groot papier vol tabak opeeten, met pa- pier en al, en men verhaalde mij, dat het ook vleesch, ja alles wat men er aan geeven wilde, zou gebruiken. Nooit te vooren, verzekert hij, is het Wijfje afgebeeld of befchreeven geweest, en men heeft er nimmer een Huid van overgebragt gezien. |
Edwards verbeeld zich, dat de Zelrâ in Afrika alleen
gevonden worde, dog, dewijl zommigen verzekeren, dat in Afu gevlakte Muilezels zijn, zo zou men mogen denken, of' dit niet zulke of dergelijke Dieren waren. Immers Linn/eus zegt,,dat zijook in Indiehuishouden, 't Schijnt dat dseze Autheur het al te naauw bepaalt, wanneer hij zegt, dat de koleur der Streepeu zwart en derzuiver breedte drie vingeren is , dwars over 't ge- heele Lijf. ZEDELEER, in bet latijn Ethica, is de wetenfehap
der Zeden; eene wetenfehap welke ons onderwijst otn wel te leeven, of onze vrije daaden zodaanig te bertie- ren, dat die tot ons geluk en volmaaktheid medewer- ken; eene wetenfehap, die de waare beginzelen der plichten openlegt, die er de regelen van voorftelt, de middelen aantoond, om die te vervullen, en die er de beweegredenen toe verfchaft; bcginzel, regelen, midde- len en beweegredenen, moeten dus alle in een volkoo- men fijftema van Zedeleer bevat zijn. Volgens Seneka is de voornaamfle wetenfehap, dia
der Zeden; een Mensch behoort eerst regtvaardig, wijs en deugdzaam te leeren worden, eer hij zich tot zodaa- nige bespiegelingen begeeft, die flegts voor zijnenieuws- gierigheid en weetlust dienen kunnen, Hij leere eerst zijn hart en driften regelen, eer hij zich verwarre in de doolhoven, in de kronkelpadenen ftruwellen der afge- trokke wetenfehappen. Dit was een grondregel der Ou- de Wijsgeeren van Athenen en Rome, in de tijden van eenen Pericles, van eenen Augustus, in die verlichte tijden, toen de lludie der Wijsbegeerte zich voornaame- lijk tot de Zedekunde bepaalde; maar door welken nood« lottigen zwaai dan-, word dit gedeelte der Wetenfehappen in onze dagen zo deerlijk verwaarloost; dit onderzoekt de Heer Paolo Frisi, waar na dien fchranderen Wijsi- geer een kort fijftema van 7.edekundige Wijsbegeerte laat volgen, dat wij niet twijffelen of zal aan de meeste on- zer Leezeren behaagen. Eerste Afdeeling.
Dat geluk of genoegen liet uiteinde van aller
Menfchen daaden zij. Vermaak, genoegen, is eene aandoening die de ziel
liever wenscht te genieten , dan niet te genieten. Ver» riet in tegendeel is eene aandoening, daar de ziel van enscht ontflagen te worden. De oogenblikken van ermaak worden gelukkige oogenblikken, de oogenblikken an verdriet ongelukkige oogenblikken genaamd. De ge- eele fom der gelukkige oogenblikken, heet Genoegen, ie der andere Ongenoegen, en het zuivere overfchot, at er na aftrek, der tegenoverftaande, overblijft, wordt et de benaaming van Geluk of Ongeluk uitgedrukt. lle Wijsgeeren zijn met den Heer Maupertuts eens, m het vermaak, het genoegen, het geluk op d'eeze ijze te bepaalen, waar uit ik befluit, dat gelijk bet ermaak het voorwerp is van onze nafpooringen, het elve ook bet uiteinde onzer daaden zij. Zij, die tegen het vermaak uitvaaren, kunnen niet
ochenen, dat zij het niet, even als andere, bejaagen, elfs terwijl zij er tegen uitvaaren en fchrijven ; zij ver- aaken zich met hunne veroordeelingen; en de Cardi- aal de PoLiGNAC.een even groot Wijsgeer als Dichter, a bijkans een gantsch boek van zijn bekend Dichtftuk efteed te hebben, aan de wederlegging van dit onloo- |
||||||||||||
|
Xxx 2 cbenbaar
|
|||||||||||||
|
4294 ZED. ZED.
|
|||||||
|
befta in het getal en de voortreffelijkheid der eigenfchap-
pen, of in de eenheid, en enkelvoudigheid, gelijk de Heer Gekovese meent, of in de overeenkomst van het weezen met zijne verordening, men zal altoos aan den Heer Wolff vraagen, hoe wij onze verordening, hoe de voortreffelijkheid onzer eigenfchappen, hoe de een- heid en enkelvoudigheid van ons weezen kunnen leeren kennen? Hij zal antwoorden, dat de Mensch indekeu- ze der voorwerpen, welke met zijne Natuur overeen- koomen of ftrijden, geleid en bepaald word, door de begeerte tot, en eene waardeering van bet geluk, het welk langs deezen of geenen weg te bekoomen is,- dat hij zal betrachten wat hem voordeelig, vermijden wat hem fchadelijk is. Dat hij door deeze beginzels in alle zijne daaden wordt bepaalt, dat het vermaak fpruit uit de bewustheid onzer volmaaktheden, het verdriet uit de bewustheid onzer onvolmaaktheden, enz. Veele nutte« looze omwegen om op het zelfde beginzel te koomen, dat wij hebben neergeftejd; veel woorden, om niets meer te zeggen, dan 'c ge'en men met weinige hadt kun. nen uitdrukken! Hoe veele dingen bevorderen inder- daad ons vermaak niet, zonder eenige betrekking tot on« ze volmaaktheid of onvolmaaktheid te hebben , in wat redelijken en verftaanbaaren fin men die uitdrukking dan ook mag gebruiken , Zo Wolff en Koehler de bepaaïing van het vermaak
al te naauw bepaald hebben, Ashlij SijKEsen Wool» laston ftrekken ze niet veel verder uit, wanneer zij be- weeren, dat het vermaak de prikkel is der deugd , of van het onderhouden van de wetten der Natuur. De Mensch, zeggen zij, is vrij; maar gelijk hij dus ge- ,, fchaapen is, op dat hij goed zoude doen , zo moet ,, hij een vaste en onveranderlijke regel voor zijne daa- den hebben; deeze regel van gedrag nu beftaat hief in, dat wij leeven overeenkomstig met de oogmerken ,, der Natuur, of met andere woorden, die verfcheide« ne betrekkingen, welke dedingen tot malkander heb« ben, in acht neemen, betrekkingen, welke de oog« merken der Natuur aanwijzen.,, Men vind daar de uitlegging dier verftandige en diepzinnige gedagten, welke den leezer in het eerfte hoofddeel van de Esprit des Loix ophouden. ,, De Burgerlijke wetten zeggen ,, zjj, zijn niet anders, dan de betrekkingen, waar in de Vorst en Onderdaanen, Burgers en Vreemdelin« gen, Ouders en Kinderen, enz. tot malkander ftaan ; maar hoe weeten wij, dat de burgerlijke wetten, om mij van de uitdrukkingen van Woollaston te bedie« nen, de wezenlijke waarheid der dingen zij'n ? zal men zeggen, dat het vermaak, 't welk wij in het onderhou- den dier wetten hebben, de beweegoorzaak onzer daa- den zij? Ja gewisfelijk! maàr dit vermaak kenden wij niet, voor dat er die wetten waren. Hoe hebben wij dezelve dan voor dit vermaak gevonden? zie hier ons tot mijn beginzel weergekeerd! De zorg voor ons geluk: zelve beeft ze.ons doen zoeken en vinden; zij zijn daar- om heilzaam en verplichtende, om dat ze ons onontbeer- lijk zijn voor onze veiligheid, rust en genoegen. Hier moeten wij nu den Mensch wat dieper befchouwen , en zijne Natuur in aanmerking neemen, om de wetten dèr Natuur te leeren kennen. De Mensch zoekt het vermaak , het genoegen of ge-
luk met een onwederflaanliiken trek , maar gelijk hij denkt, r-edekavek en voorziet, zó kan hij ligt bevroe- den, dat hij niet flegts heden, maar ook morgen, en zijn gebeele leeven lang en a'ltoc-s die zelfde zuat zal hebben,
|
|||||||
|
genbaar beginzel, (temt eindelijk toe; dat men even-
,, wel geen ander oogmerk in zijne bedrijven kan heb- ben, en, dat het genoegen het hoogfte goed is, als men ,, flegts tot den regten oorfpronk opklimt, waaruithet ,, ons toe moet vloeijen. Die zugt tot zelfs behoude* nis, dat verlangen, om die goederen en vermaaken te genieten, welke met onze natuur overeenkoomen, en welke Puffendokf als een uitwerkzel onzer zwakheid aanmerkt, is dat geen natuurlijk gevolg der menfcbelij.ke gefteldheid, en uitwerking dier drift, welke alle .onze begeertens in dat van het vermaak doet te zaamen loo- pen? Die fterke trek, welke wij tot de verkeering met onze medemenfcben hebben, is die niet weder onderge- fchikt aan het genoegen, 't welk wij ons, uit derzel- ver omgang, voordellen? Inderdaad neem dit genoegen, dit zelfsvermaak uit de zaamenleeving, uit de vriend- fchap, uit de weldaadigheid en menfchenliefde, uitalle andere bedrijven en omftandigheden weg , en gij kunt geene moogeüjke fpringveer ontdekken , waarom wij het een eer dan het ander verkiezen of bedoelen zouden. Het bekend beginzel van Hobbes, van naainelijk zich
zelyen te befcbermen, zijn eigen leeven tebewaaren, koomt dit al weder niet op onzen ftelregel uit? waarom verdedigt men zich? waarom verzet men zich tegenalie vijanden en oorzaaken van vernieling , dan uit aanmer- king dat wij dus ons eigen welzijn, ons genoegen be- trachten? Hobbes heeft dit genoegen ondertusfchen te onregt, tot onze eige verdediging en behoudenis alleen bepaald; dewijl diezelfde drift, van wraak, of andere woeste hartstochten vergezeld, ons menigmaal derwijze verblind, dat wij er- ons bederf door berokkenen, onze vernieling door verhaasten. Lucretia, Curtiu?, Ca- to , en zo veeie anderen, waren even als alle andere Menfcben, natuurlijk geneigt tot vermaak zo wel als ter behoudenis huns leevens ; maar een verblinde wraak, een dol genoegen van eenen Belediger om te brengen, na zijn dood op de tong des volks te leeven, of de ge- nade van een zegepra-alenden vijand te ontduiken, deedt hen de handen aan zich zei ven flaan. Wolff en Koehler beweeren , dat gelijk het lighaam
door werktuiglijke wetten in zijne beweegingen gere- geld word, de geest alzo ook door zedelijke wetten ge- leid moet worden. Maar waar zullen wij deeze wet- ten vinden , of hoe zullen wij ze kennen. ,, De eerfte ,, wet, zeggen zij, is, naar uwe natuur te leeven, doet alles, is hun voorfchrift, wat uwen (laat volkome-ner kan maaken, vermijdt alles, wat den zelven kan ver- ,, laagen.,, Dit beginzel, waar in het gemeen zo veel te gemakkelijker berust, als 't het zelve minder begrijpt, kan geen Wijsgeerigen geest voldoen, als waar aan het, met zo veele andere aangenoome ftelregels, onverslaan- baar voorkoomt. Wolf bepaalt de volmaaktheid te ,, zijn eene overeenftemming in de verfcheidenheid, Zijn voorbeelden zijn duidelijker dan zijne bepaaling. Uit zijne vergelijking van een uurwerk, waar van de volmaaktheid beftaat in eene verzaameling van ftukken, die alle te zaamen de eenpaarigheid van deszelfs bewee. gingen uitmaaken , uk die vergelijking zeg ik, kan men duidelijker, dan uit zijne bepaaling zelve zien, dat hij volmaakt noemt alles, 't geen is, zo als het weezen moet. Wat mij betreft, ik noem volmaakt, het geen be-
ftaat, en heet dat weezen volmaakter, hetgeen meer vermoogens of eigenfchappen heeft. Alle de bepaalin- gen koomen hier op uit; maar het zij de volmaaktheid |
|||||||
|
ZEÖ;
|
|||||||||
|
' ;3&ü. 4295
|
|||||||||
|
zij vergeetert fcheefi te hebben. Ik zag, onder de Ro-
meinen , eenen Paulüs /Emu.ius zijn zegepraal van Macédonien, met den dood zijner kinderen betaalen; ik zag in China den Xlden Keizer deo loop eener lange voorfpoed befluiten, met een reeks van tegenfpoeden. In Egijpte de overwinningen van Sesostris afgebroo- ken door den. opftand van zijn Broeder; in onze dagen de veroveringen van Gustavus Vasa door duizend ram- pen gevolgd. Citrus, Alesander, Augustus en de beroemdfie veroveraaren, hebben alle die beurtelingfche verandering van geluk of ongeluk, op de eene of ande- re wijze ondervonden. Die Menfchen, welke door de Godtheid op eene bijzondere wijze begunftigd waren, zijn niet vrij geweest van deeze fchatting der fmarten , wel- ke ijder fterveling aan de natuur, om zo te fpreeken, moet betaalen , en welke een onvermijdelijk gevolg fçhijnt van de onbestendigheid der menfchelijke zaaken. Ziet een Moses, Joseph, David, Salomo en ande- ren, allen hebben zij in dit gemeen lot der in e nfc hel ijk-, heid gedeeld. Maar , op hoedaanig eene wijze zullen wij nu die ge«
neugtens en verdrietelijkheden van dit feeven waardee- ren of weegen ? Het kwaad gaat ht'tgoed te boven. Dit geloove ik met den Heer de Maupertuis, en dit is het: ftuk, 't welk beweezen moet worden, maar gemelde; Schrijver bewijst het op eene wijze , die mij voldoet. Zijne rede, daar hij dit befluit uit trekt, is dat de Men- fchen zo wel in hunne bezigheden ais tijdkortingen, al- leenlijk zoeken zich zelven te vergeeten ? Maai hoe? de uuren, die men op de jagt doorbrengt, die men aan het fpel, aan eene vriendelijke verkeering, aan eene aan- genaame tafel' befteed , zijn dat geene weezeniijke ver- maaken en geneugtens ? Ons Ieeven , voegt er de Heer Maupertuis bij, loopt ten einde met verlangen, en eene geduurige pooging om van ftaat te veranderen. On- ze ftaat moet zekerlijk iets onaangenaams hebben, daar moet het een of ander aan ontbreeken, dewijl men dierj zoekt te veranderen , maar uit dien hoofde het Ieeven te noemen een geduurige wensch,om van aandoeningen of gewaarwording te vtranderen , is te zeggen, dat het lee« yen een ftaat van gefladig-e verdrietelijkheden is, en dit is de zaak verder trekken, dan men zich zelve hadtvoor- gefteld, als willende men alleenlijk betoogen, dater meer kwaad dan goed in dit Ieeven zij. Dit heeft mijne gedagten dan geleid om dit bewijs in
de zaaken zelve te zoeken, en dit heb ik met mij zelven begonnen, een Wijsgeer, die met zich zelven, om zo te fpreeken leeft, en die zijn Ieeven tusfehen zijne ftu» dien en vrienden verdeelt, die dus buiten het bereik van een fchitterend fortuin is, moer gevolgelijk ook voor bijzondere tegenfpoeden beveiligd wezen. Sedert zes-en-twintig jaaren, dat ik in weezen ben , heb ik , na alle mijne aangenaams en onaangenaams oogenblikken mijns leevens, zo veel moogelijk geteld, en alle mijne geneugtens en verdrietelijkheden gewoogen te hebben, bevonden, dat de beurtlingfche opvolging vrij ftandvas« tig, maar het kwaad egter een weinig meer was dan het goed , het is nog niet lang geleeden , dar ik ondervonden hebbe, hoe het den Hemel behaagt, om mijn genoegen fteeds met 't eene of andere ongeneugte te vermengen. Ik had die twee berugie vraagftukken, over den voort- gang der Equinoxen, en het evenwigt van den As der aarde opgelost, en 't was rnij gekikt dezelve met de be- fpïegeling der zwaarte overeen te brengen. Dit was voor mij het allcrwezenliikst vermaak, maar dat wei |
|||||||||
|
hebben, om gelukkig te zijn, en dat hij derhalven het
toekoomende niet geheellijk aan het tegenwoordige moet opofferen. Die bedenking leid hem van zelve, om het één met het ander te vergelijken, en niet een vermaak te bejaagen,, 't geen hem (legts voor eenige oogenblik- ken zou te vrede kunnen (lellen, en misfchien daarna kwelling en verdriet berokkenen, maar zodaanigeene wijze van Ieeven en gedrag aan te vangen, welke hem voor altoos, over het geheel genoomen, het grootfte genoegen, de meeste gelukkige oogenblikken, of het wezentlijkst geluk kan aanbrengen. En ais wij nu, bij bet tegenwoordig genot deezes leevens, het denkbeeld voeden van een toekoomend Ieeven, het welk eeuwig duuren zal, zo zullen uit dien regel, van ons hoogst geluk, van ons meest waaragtig genoegen bevorderen, deeze twee gevolgen voortvloeijen. Voor eerfi, dat wij ons voor eene gelukkige eeuwigheid bekwaam maaken, en de vermaaken des toekoomenden leevens fteeds in aan» merking neemen moeten. Vervolgens, dat wij in dit te- genwoordig Ieeven ons derwijze gedraagen moeten, dat wij, over het geheel genoomen, de meefte gelukkige oogenblikken, het zuiverst vermaak, het weezenlijkst genoegen, de beftendigfte vreugd bekoomen. Wij moe- ten derhalven de tegenwoordige vermaaken fchuuwen, als zij ons van de toekoomende berooven zouden; wij moeten de voorbijgaande geneugten» laaten vaaren , als zij kwellingenen verdrietelijkheden na zich fleepen, en altoos zodaanig handelen , ais ons eene heuglijke erin- nering eene troostrijke nagedagte geeft, en gevolglijk het vermaak van den Geest, boven dat van 't lighaam verkiezen en betrachten. Ditzijn mijne beginzels, welke ik geloove, dat zowel klaar als zeker zijn, hoe won- derlijk en vreemd zij, in den eerden opflag, moogen voorkoomen aan zommigen, welke hunne gedagten met deeze onderwerpen nimmer hebben bezig gehouden. Tweede Aideeling.
De waardeering der voor- en nadeelen des
tegeiiwoordigen leevens. Amasis Koning van Egijpte, den verbaazenden voor-
fpoed hoorende vertellen, met weike Poljjcrates die zich tot Alleen-beerfcher van Samos hadt opgeworpen, zijne zaaken fteeds hadt voortgezet, riep ijlings uit ; het is niet moogelijk, dat dit alles met een gelukkig einde begunftigd worde, de uitkomst zal hem bedrie- gen, daar zijn hem rampen en tegenfpoeden naakende, evenredig met den voorfpoed, dien hij totnogtoe ge- bad heeft, en ik wil geen deelgenoot van zijne onge- lukken zijn ". Hij zondt, ingevolge dier overtuiging, een afgezant naar Samos, om hem het verdrag op te zeg- gen, 't welk hij met hem hadt aangegaan , en de onder- linge verbintenisfen in tijds af te breeken. De uitkomst wettigde de vree? van Amasis, en Polijcrates wïerdt ongelukkig. Als ik dit geval in Herodotus las, begon ik mijne gedagten hier verder op te laaten gaan, en be- vond inderdaad, dat er eengeduarig evenw/gt van goed en kwaad, van voor- en nadeelen , van gelukken en on- gelukken in dit Ieeven plaats hadt,- ik liep, om wegens de waaiheid dier opmerking verder overtuigd te worden , de beroemfte gefchiedenisfen door, en ik .bevond altoos, dat dezelfde Menchen de fchitterendfte guhften en de wrangfte tegenfpoeden van de fortuin genooten hadden, en dat de minst ongelukkiger) de zodaanigen waren, die |
|||||||||
|
2ED.
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
4295 AZED.
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
haast wierdt afgebrooken door het fmarteiïjk verlies, 't gebragt; zijne eige angften en ongerustheden in zijne
welk ik in den dood van den Marquis de Maffei leedt, wijkplaats; de vrees voor de woede van Marcus An. wiens omgang en vriendfchap mij boven alles dierbaar tonius; de moeitens van zijne ftudien zelve, welke, |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
fchoon zij dikwils vermaak geeven , daarom nietnalaaten
moeite en arbeid te zijn; en eindelijk de (merten zijner laatfte ziekte, welke door zijne ftandvastigheid wel ge- lenigd, maar niet weggenoomen wierden; want fchoon hij dit leeven verliet, gelijk men een huis verlaat, zo- mag men evenwel vastftellen, dat zijn dood om geen andere rede zo zagt ware , dan om dat dezelve hem van een nog droeviger, nog onaangenaamer ilaat ver« |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
waaren. Zo dikwils ik het geluk van andere Menfchen
heb getracht te weegen, heb iK diergelijke bitterheden altoos in hun leeven opgemerkt en bevonden, dat zij altoos wat meer kwelling en verdriet, dan vermaak hadden. Laaten wij eens twee treffende voorbeelden der oud-
heid befchouwen. Koning Salomo in de gewijdde, en Pomponius Atticus in de ongewijddeHiftorie, waren |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
misfchien de gelukkigfte Menfchen, die men zich op' loste.
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
aarde verbeelden kan. Maar het fortuin van Salomo, Men kan dan op geen geluk in dit leeven hoopen , ik
zijne rijkdommen, en vrede en beftendigheid van zijn verila door geluk die'aangenaame, die wenfchelijke oo- koningrijk, was dat alles wel zo veel waard voor hem, genblikken, welkeer, na aftrek der onaangenaame.zui- als men het fchat? dat is te zeggen, gaf dit alles hem ver overblijven. Men moet derhalven een toekoomend wel dat genoegen en vermaak, als we ons verbeelden? leeven vast ftellen, waarin het geluk, volgens Cumber- De throon was een allerwenfchelijkst voorwerp, was. land en Einek, zal beftaan in de bevrijding der lig. een bron van geluk voor een Herder gelijk als Davip* haams-fmerten, en de verlosfing der ziels.verdrietelijii. maar dezelve verloor oneindig van zijne waarde voor' heden. Dit is een wettig befluit uit onze voorige aan-- zijn zoon en opvolger, die in 't purper, om zo tefpree- merkingen en ondervinding, als wij in een Godt en Voor- ken, gebooren, en wiens gezigt, van zijn eerfte jeugd zienigbeid gelooven. En wat dit tegenwoordige leeven af aan,, dien glans gewoon, daar voor ongevoelig ge- betreft, men moet de fom der gelukkige oogerblikken worden was. David proefde de zoetigheden van den trachten te vermeerderen, en vooral, die der ongelukkige vrede, om dat hij dien, na langduurige oorlogen, aan zo veel moogelijk poogen te verminderen, men moet zijne onderdaanen bezorgd had ; Salomo hadt er minder zich toeleggen om vermaak te bekoomen, maar nog meer, genot van naar mna'.e hem dezelve minder hadt gekost, om verdriet en kwelling te vermijden, en om het mee Tweeen-vijftig duizend Paarden, zo veele Paauwen nog andere woorden uittedrukken, men moet zich meer |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
bevlijtigen, om minder elendig, dan om regt gelukkig te
worden. D E R D E A F D E E L I N G.
Van de voornaamfte middelen ter verbetering
van onzen flaat, en van de beginzels
en oorfprong der Maatfchappij.
Sterveling befchouwu zelven rondsom met een onpar-
tijdig oog. Bloot gefield voor de ongemakken der lucht, onderworpen aan duizend toevallen; overvaiJen door de ongeftadigheden des weders , dikwils beroofd van noodig beftaan, aan ons zelven overgelsalen , waar is 't heil, waar het geluk, dat we in zulk een eenzaamen en elendigen toeftand zouden kunnen vinden? Wij moe- ten dien gewisfelijk met allen moogelijken fpoed verda- ten; men moet zich onderling verbinden, en vereeni- gen , om malkanderen te helpen, en in eene welgefchikte zaamenleeving de verzagting van ons lijden, en de ver- vulling onzer behoeftens zoeken. Welk een rampzaalig leeven leiden da Wilden, die de oevers van de rivier der Amazonen bewoonen.in hunnemoerasfigebosfehen ! Men kan zonder vernedering, zegt de Heer Condamine in hen niet zien, hoe weinig de Mensch aan zich zelven |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
van Saphir, het Paleis van Jerufalem, zes Honderd Ko
ninginnenen drie honderd Bijwijven; zouden een Vorst van een min verheven geest, waarfchijnlijk meer ge- ftreeld hebben; men moet gtoovenminnelijken wellust beminnen, men moet min gevoelig zijq voor de vermaa- feen van den geest,.dan ik denk, dat Salomo was, om regte fmaak van dit alles te hebben; dog laat" ons eens tbegeeven, dat hij alle die geneugtens regt geproefd, dat hij er al het lekker van genooten, dat hij alle zijne voordeelen gekend en gefmaakt hebbe; maar laaten wö er zijne kwellingen en verdrietelijkheden tegenftellen. De oprtand van Jërobeam, het verwijt van gierigheid en ondankbaarheid, dat hij'van den Koning Tijrus ont- ving , het morren zijner onderzaa-en over zijne veel- wijverij , het veoruitzigt wegens de verdeeling zijner ftaaten, de tegenftribbelingen die hij vond, eer hij den throon beklimmen konde, en de ongeneugtens, die zijne laatfte dagen bitter maakten. Voeg hierbij het ongemak 't welk zo veele Vrouwen , die altoos heersch- zugtig zijn, onvermijdelijk veroorzaaken moesten, en 't welk inderdaad zo veel invloed hadt op zijnen geest, dat hij, om zich van haar lastig aanzoek te ontdaan-, óf om haarte believen, zich voor haar Goden nederboog. Voeg hier zo veele andere huisfelijke verdrietelijkhe- den bij, en erfcen, dat Salomo zijne grootheid en ge> |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
Juk duur genoeg betaalde., en dat hij inderdaad niette overgelaaten, en van de vooroordeelen der opvoeding ver"
vergeefsch klaagt over de ijdelheid , die hij allerwegen flooken, van de beesten verfchille? Wie zal onze welbe- |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
en in alle vermaaken en uitfpanningen vondt.
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
bouwde landen, onze befchaafde fteden, onze gezelli-
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
Laaten wij nu Atticus ook eens befchouwen. Wij ge verkeering niet boven die dorre woestenijen en bar-
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
baarscheid verkiezen?'t is de Maatfchappij gewisfelijk ,.
welke de aarde, het water, de lucht zelve,die wijade« men voor onze behoeftens fchikt, en bekwaam maakt; 't is door haar, dat alle de ontdekkingen, die wij afzon- derlijk doen , ten dienfte van anderen gemeen en vour allen nuttig worden; dat elk van de voortbrengzels, de bekwaamheden, den arbeid van anderen voordeel trek- |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
moeten vooreen verdriet ten zijnen opzigte rekenen,
alles, wat hem buiten zijne gemaatigheid en bedaarde gefteltenis bragt; dit nu moest noodwendig alle oogen- blikken gebeuren in een tijd van verwarring, waar in elk ftrarTe'oos dong naar de opperbeerfchappij ; voor een fmart, wanneer alle zijne vrienden verbannen of voor- vlugtig waaren, hier èn daar omzwervende., door pro |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
firipties verftrooid, of door vervolging op 't uiterfte kei 't is de verkeering en gezelligheid, welke ons in
de
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
2ED. EED.
|
|||||||
|
de ongemakken van dit leeven vertroost,1 die óns' op'<
beurt en ftaande houd, als wij ons zelve ten last zijn geworden. Zodaanig was het denkbeeld, dat zich de eerde Men«
fchen hier van maakten, en ik ben verre af van te den- leen met Hobbes en Spinosa, dat de Natuurftaat der Menfchen een ftaat van vijandfehap en oorlog is. Puf- fendokf merkt te regt aan, dat zij dit gevoelen van de oude Egijptenaaren ontleend hebben, welke beweer- den, dat de aarde eenklaps met Menfchen wierdt bedekt. Maar laaten wij, volgens het berigt, dat er ons het H. Woord van geeft, vastftellen, dat de waereld allengs- fcens bevolkt is, waar zal de oorloog cian eerst begin- nen, of waarom zal ze gevoerd worden? Maar watoor- zaak van krakeel kunnen zij hebben, die niet binnen den zelfden dag wordt afgedaan, door de noodzaakelijkheid, die^ij over en weder van.malkander hebben, door on- derlinge hulp of vermaak ? Of zal het tusfehen hunne Mnderen weezen? Maar het voorbeeld en gezach der ouders zal die verdeeldheden wel haast beflisfen; zal hét dan onder de kindskinderen voorvallen? Maar dan is er reeds eene Maatschappij gemaakt, dan is die ge- waande ftaat der Natuur reeds ten einde. Waar zal dan, vraag ik nogmaals het juiste tijdperk van dien gevrees- den oorlog van allen tegen allen, bepaald worden? Hob- bes en Sfikosa zullen, geloove ik, moeite hebben, om dit naauwkeurig aan te wijzen. Maar laaten wij nu eensmet hen onderffeI!en,datde
■waereld eensklaps bevolkt is geweest; de pas ontlooke rede zal dan zeer gebrekkig zijn geweest. Het denkbeeld van gezach en heerfchaapij is al te zaamengefteld, en ■daar loopen te veel andere denkbeelden in , om zich zo aanftonds aan der Menfchen geest te vertoonen. Maar 't zij der Menfchen eerfte denkbeeld dat hunner fterkta of dat hunner zwakheid zij geweest, zij hebben gewis- ' felijk een begrip van vermaak moeten hebben, en gelijk de ondervinding hen wel haast leerde, dat zij voor ver-- maak vatbaar, ja'daar voor gefchikt waren, zo moest de rede hen tevens doen opmerken, dat zij allen het zelfde regt tot die aangenaame aandoeningen hadden, dat zij er allen even na toe waren. Het onderfcheid, dat tusfehen de Menfchen is, is een uitwerkzel hunner ' opvoeding, verkeering, en verbeeldingskragt. Allede kinderen in alle landen hebben natuurlijker wijze dezelf- de gefchiktheden, en dezelfde neigingen. De invloed, welke de lucht en iandfireek ten deezén opzigte heeft, is zo gering, dat het der moeite niet waardig zij, om met den Heer de Montesquieu, de Menfchen in zoor. ten te onderfebeiden, en, als de Dieren, in verfchi!' . ;ende kiasfen, te verdeelén. Maar, om deeze voordee- len, welke hen allen gemeen zijn, en welke zij dus allen aan eikanderen betwisten konden, met vermaak en rustte genieten, waren zij verplicht, om met eikanderen een onderling verdrag aan te gaan, en zie daar het be- gin eener Maatfchappij. Wat was dan de grondwet van deeze eerfte verbinte-
nis, of van dat eerst verdrag? de gelijkheid en eene evenmaatige verdeeling van alles, 't Was toen , dat het Gemeenebest van Plato werkelijk beftondt. De ver- deeling der gevange Dieren, der Vrugten, enz. ge- fchiêdde in gelijke porties, en men kwam overeen, om . den landarbeid op dezelfde wijze te verdeden. Ditwas die goede eeuw,welke de Dichters, Gefchiedfchrijvers, Wijsgeeren zich allen niet zonder eenigen grond heb« ben verbeeld, want de misdaad en ongereldheid hadt' |
|||||||
|
toen nóg geen tijds genoeg gehad, om zich over het
aardrijk te verfpreiden. De onkunde, zegt Justinus, waar in de Schijten waren ten opzigt der ondeugd, was hen voordeeliger, om wel te leeven, dan de kennis, welke de Grieken hadden van de deugd. Hoe minder- de vermogens der Ziele ontzw3gte!d waren, hoe be« paalder tevens de driften waren, hoe ligter te voldoen, en hoe ligter derhalven de Menfchen zelve te vrede te ftellen, en gelukkig te maaken. Het befchaaven van den geest, bet beoefenen van konfien en wetenfehappen vermeerdert de rusteiooze begeertens met de kundighe- den, gelijk de allegorie van Pandora en Promotheus aanwijst. Maar laaten wij den draad weder opvatten. De eer-
fte ftaat der Menfchen is een ftaat van vrede, gelijk- heid, en Maatfchappij. En zo de Maatfchappij in het vervolg eenige kleine betrekkingen dier gelijkheid ver- minderd heeft, daar blijven egter genoegzaam gewigtige over. De verplichting, die thans op ons legt.omzom- mige Menfchen boven anderen, te eerbieden, belet niet, dat wij ze allen kunnen en moeten beminnen ; de trotsch- heid en verachting, ftrijden gevolgelijk zowel met de wet der Natuur, als de beledigingen en verongelijkingen. En nog zondigt men daarenboven tegen die gelijkheid, met zich een uitfluitend regt boven anderen , aan te maatigen. Dieftelregel derhalven in de Staatkunde der Ouden, welke beweerden, dat de Menfchen fiaaven ge» booren konden worden, was ftrijdig met het natuurlijk regt, en zij, welke Alexander in 't hoofd bragten, om de Grieken als zijne vrienden, en de Barbaaren als zijne vijanden te befchouwen, fpoorden hem aan om de wetten der menfchelijkheid te fchenden. Vierde A f d e e i. i n g .
Het oprechten eener MaatfcMppij'.
De waereld moest, naar maate zij meer bevolkt wierdt,
noodwendig veranderden , de verdecling der landen was een gevolg van de vermeerdering der huisgezinnen. De talrijkheid der Familien bragt de verdeeling der Volk- plantingen, de onderfcheiding der Staaten en Volkeren mede. Gelijk de Menfchen het land onder zich geflaa- gen hadden, zo konden zij zich even eens van de zee bedienen, zo dra zij er bijzondere voordeden uit haa- ien konden; en op dien grondflag merkten zij ook deeze als een bijzonder eigendom aan. De zee was voortaan niet meer een vrije doortocht, die voor alle Volkeren even eens open ftond, maar hing van de bezitting der landen en kusten af, en wierdt aangemerkt als een ei- gendom,'t welk aan dezelve was verknogt. Ieder Volk eigende zich dus zulk een gedeelte toe van dit ontem- baar element, als het zelve in ftaat wasvoor zich te be» waaien en tegen alle andere Volkeren te verdedigen ; en 't is tot deezen oorfprong, dat men moet opklimmen, om dat berugt gefchil, wegens de openeen gefloote zee, te befl is fen, welke de Engel fchen en Nederlanders voor* maals zo verdeelde, en 't welk , terwijl de Wijsgeeren en Rechtsgeleerden der beide Natiën eikanderen met de pen aanvielen en beftreeden, de wederzijdfche Souve- ränen door vuur en vlam poogden te bepaalen. Zolang er nog geene verdeeling is gemaakt, moet een zaak als gemeen worden aangemerkt, maar die verdeelingen een- maal met gemeene toeftemming zijnde vastgefteld, kan of magmendeafgeftaane goederenen vooideelen, fchoon gemeen
|
|||||||
|
zed;
|
ZED.'
|
||||||||||
|
4298
|
|||||||||||
|
gemeen, volgens bet regt der Natuur, niet meer alsaij.
ne eige aanmerken, of tegen den zin der bezitteren ge- bruiken. Het is uit die zelfde wet van verdeeling ook, dat bet
Recht des Oorlogs en des Vredes moet worden afgeleid , 't welk zekerlijk niets anders is, d»n de bepaaling der middelen, om zijne eigendommen te bewaaren, ente verdedigen, of, die verlooren hebbende, weder te be- koamen; zo dra dit woord elk het zijne eens ingevoerd; en verdaan was, hieldt alle gelijkheid op, om dater toen geen andere grond van eigendom , dan die der ver- krijging overbleef. Onrustige Menfchen , diethansgie- rig en hebzugtig waaren geworden door het vermaak van te bezitten, Hoorden de gemeene rust door hunne too- melooze drift, om zich fteeds wijder uit te breiden , en, meer te bekoomen. De Volkeren zelve hunne krachten, beginnendete voelen, waren bedagt, om hunne grens- paalen verder uit te zetten,op dat zij dezelve des te.be-: ter zouden kunnen befchermen; zij verbraaken dan de heilige banden eener algemeene vrede, en ontrustten hunne Nabuuren, om hunne aanvallen voor te koomen; en 't was toen, dat men, om niet flegts geduurige in- wendige tweefpalten voor te koomen, maar zich ook van buiten des te beter te beveiligen,genoodzaakt was, zich van een groot gedeelte zijner vrijheid te berooven, en de zorg, om de gemeene belangens der Maatfcbappij van binnen, door gefchikte wetten te bandhaaven, en, dezelve te gelijk tegen haare uitwendige vijanden te ver- dedigen , aan één of meer perfoonen op te draagen. Dus fmolten verfcheide kleine Naties zaamen , en ver-
eenigden zich tegen de vereende magten van anderen, en die vereeniging van bijzondere kragten, onder een of meer hoofden of Leidslieden, welke Gravina en anderen den Politieken Staat noemen, wierdt thans on- ontbeerlijk; maar gelijk men zich dus onder een hoofd begeeven, of verfcheide Leidslieden en Beftierders kie- zen konde, zo is dit weder de oorTprong van de ver- fcbillende Regeerings-wijzen.die erin de waereldvoor- koomen,en welke dus alle wettig en natuurlijk konden weezen, naar maate zij met den faiaak derverfcheidene Volkeren ftrookten, en hunne inzichten, best fcheenen te bevorderen, de ■willekeurige Alieenheerjching alleen moet hier van egter worden uitgeflooten, als waar van het denkbeeld nooit in de harfens van eenig Volk kon vallen, en dat alleen de vrügt en uitwerking kan zijn van een overheerfchend Dwingeland, van een oproerig Onderdaan, en van bedorve Zeden. Maar om het oogmerk dier fchikkingen te bereiken,
was het volftrekt noodzaakelijk, dat de minderen zich jegens hunne meerderen, tot eenige plichten verbonden, als hunne perfoonen te eeibieden, en te befchermen, hunne beveelen na te koomen, enz. en dat de meerde- ren zich van hunnen kant verplichten , om de minderen wel te doen, voor de gemeene veiligheid te waaken, de wetten te volgen,de voorwaarden hunner aanftelling te voldoen, enz. Dus is er niets ftrijdigers met de re- de, dan de beginzels van Hobbes , Spinosa, en Ma- chiavel, . Zo Machiavel geen ander doelwit hadtge- hadt, dan om de gewoonekonftenarijen der Tijrannen / en de ijsfelijkheden, welke uit hunne regeering zijn te dugten, af te fchilderen.zo hij bijzonderlijk voorhadt,, om zijn Held den Hertog van Valentinois te fcbeçfen,' zo moest hij een gevoelig medelijden toon'en met bet, menfcbeüjkgeflagt, waar onder zomtijds dergelijkemon- fters zijn gebooren. Maar zo bij wezenlijk, voor bad! |
om een Prins te onderrechten en te vormen, zo heeft
hij zich zeer verre van zijn oogmerk verwijderd; want het is zo klaar als het licht, dat zo dra een Vorst de billijkheid en het natuurlijk- regt uit het oog verliest, en alles aan zich zelven en zijne gewaande belangens of driften opoffert, hij en de ftaat beide verlooren zijn. Ziehier dan de bronnen vanhetnatuurlijk regt, en'eene
gegronde Zideleer. Zich van een toekoomendieeven opgotde. gronden en met eene wis/e overtuiging te verzekeren. Het vermaak des tegenwoordigen leevens daar aan te onderwer- pen. Zijne Medemenfchen als zijn's gelijken te beminnen en te achten. Elk. te laaten behouden, wat hem. toebehoort,. De Overheden tegehoorzaamen. Deeze weinige grondre- gels bevatten allede plichten, welke wij Gode, onzen Naasten, en ons^zelven fehuldigzijn; en't koomt er al- leenlijk op aan, dat wij dezelve verder uitbreiden, en in- zonderheid betrachten. ZEDIGHEID, in het latijn Modeßia; verftaat men
door, die bedaartheid van geest, die teffens anderen achting toedraagende, voor zich zelven eerbied beeft; dat wil zeggen; die zich zo min alleen zijnde eenige on- gebondenheid van wat aart die ook mag weezen toelaat, als in 't bijzijn van zodaanige lieden waaraan men inge- toogenheid en eerbied is verfchuldigt. Behalven dat, ben ik nog van gedagten, dat Zedigheid de overdenking van een eerlijk Hart behelst, die zijn eigen te verre gaan- de eerzucht en verdere gebreken, onafhankelijk de beris- ping van anderen, veroordeelt. Uit deeze gefteldens volgt, dat een in der daad zedig. Mensch, het zo wel is wanneer hij zich alleen bevind, dan in gezelfchap van andere Menfchen, en dat bij in zijn binnenkamer tegens deeze deugd zondigende, niet minder bloost dan wan- neer eene menigte Menfchen de oogen op hem gevestigd hebben. Dat fchoone natuurlijke rood, bet welk door geen konst kan worden voortgebragt, is de waare Zedig- heid; het is't beste blanketzel dat in de waereld word gevonden. r De Zedigheid word beleedigt, door het fpooreloos na-
iaagen van eerwaardigbeden en rijkdommen , door het te hoog fchatten van eigen verdienden en bekwaamheden, en in de onbetaamlijkheid van gebaarden en uitdrukkin- gen. Deeze drie gebreken worden niet alle even fterk uitgedrukt door het woord onzedigheid, het welk ei« gentlijk niets meerder, betekend, dan de onbetaamlijk- heid in wezenstrekken, gebaarden, houdingen van lig- haam en klederen. Verwaantheid is de tegenovergeftel- de ondeugd, van dat zoon van Zedigheid, welke het al te groote denkbeeld betreft, 't welk men van zijn eigen bekwaambeden voed. De zodaanigen, welke door de natuur met de dierbare gaven'van verbanden verdere cieraaden des geestes mildelijkzijn befchonken, kunnen met een oog van mededoogen die geenen befchouwen, aan wien die voordeden zijn geweigert,- maar zij moe- ten hunne verheventheid ten deezen opzichte boven an- deren, zonder verwaantheid aanzien. De al te verre gaande eerzucht ftrijd met die tak van 7.edigkeid, die door een zoort van regtvaardigheid ten aanzien van ons zelven in het najaagen van zodaanige waardigheden en eerampten beftaat, die aan'het algemeene wel weezen, onderworpen zijn. <l De Zedigheid is een zoort van vernis welke de aange-
boorenë en.verkregçne kundigheden luister bijzet. Zij is ten aanzien van de deugd, het geen een fluiier voor de fchoonbeid is, of om mij van een andere gelijkenis te bedienen, zij zet »an de verdienden die luister bij, wel- ke |
||||||||||
|
ZEE. 4299
|
|||||||||
|
2ED.."ZEE.
|
|||||||||
|
mcejelijk vallen, om dat de bol van deeze plant door
haare fcherpheid, de deelen prikkeld waar op ze ge- legd word. Kenmerken. De Zee-Ajuin heeft een groote fcheipe
Bolwortel, gelijk een Uije of Ziepe! ; de Bladen zijn bfeedj de Bloemen die in een lange Air. groeijen, en voor de Bladen voor den dag koomen, zijn gelijk die van de Vogelmelk of Starhiacinth. Zdonen. Schoon er eigentlijk maar eene hoofd-zoort
van dit gewas is, zoude men die echter tot twee Kunnen brengen, dan het onderfchiid beftaat maar enkel daar in, dat de eene roode en d'andere witte Wortels heeft. Zee-Ajuin met roode en witte Wortels; Scilla vulgaris
radice rubra vel alba; C. Ba oh. Pin. ; Scilla hispanica. Clus. Hiß. I. p. 171.; Pancratium. Dodon, ; (Scilla ra* dice tunicata. Linn. Spec. Plant.) Plaats. Dezelve groeit in Spanjen, Portugal, Sici-
lien, Sijrien , enz. aan de fandige cn bergagtige zee»oe- vers. Die met witte Bollen , word volgens zeggen van ds Heer Milleb ook in groote menigte aan de zeekust van het land van Kerrij in Ierland gevonden. 'Kweeking. Schoon de Bollen van de Zse Ajuin voor-
naamentlijk bij ons tot gebruik der geneeskunJe overge- bragt worden , zijnze nogthans waardig in alle goede tuinen gekweekt te worden om de fchoonheid van haate Bloemen, die eene zeer fraaije vertooning maaken , wan- neer ze fierke wel gevoedde Bollen hebben. Men kan dit gewas voortkweeken door 't zaad uit de
natuurlijke groeiplaats gebragt; of vrij fpoediger door de Bollen zelve; men moet zs in een goede, losfe fan- dige grond en opene warme ftand plaatzen, ens'winters ter degen voor de vorst dekken. Kragt en Gebruik. De Woitel of Bol na de konst be-
reid zijnde, vermits die raauw-te fcherp is, gefebieden- de deeze bereiding met de Bollen in deeg te dosn en in de oven te bakken, en daarna, daar uitgenoumen zijn- de te droogen, is zeer wafgagtig van fmaak, doordringend bitter, un fcherp, en wel behandelt zijnde, bijt die de huid aan Hukken. Met opzigt tot zijne geneeskragten, prikkelt hij fterk
de vaste deelen , en verdunt de lijmige fappen; bevorde- rende door deeze hoedaanigheden de borstontlasting, de pis, en als de liidjr warm gehouden word, ook het zweet. Als de gifte groot is, verwekt hij braaking en zomtijds buikzuivering Het voornaamfte gebruik van. dit geneesmiddel heeft plaats, wanneer de eerde wegen met flijmige ftoffe vervult en de Longen met taai flijtn bezec zijn. Dr. Wagner in zijne waarneem Ingen om- trent bedlegerige Menfchen , prijst deZee^Ajuin aan met falpeter ingegeeven. in watèrzuchtigs opzwellingen ea in de nierpiifl, en verbia't verfcheidene geneezingen, die hij volbragt heeft, door het ingeeven van vier tot tien greinen van het poeder voor eene gifte, gemengd met eene dubbele hoeveelheid van falpeter ; hij zegt dat het dus bereid bijna altoos als eenpisdrijvend middel werkt, hoewel het zomtijds ook doet braaken of purgeeien. De gemakkelij'klte bereiding om de Zse-Ajuin in te neemen, ten zij dit men het tot een braakmiddel wilde gebruiken, is die van een flikbrok of pil. Deeze Wortel deelt alle zlfneKragten zowel aan wateragtige, als aan geestrijke Scheijvogten mede, gelijk ook aan de zuuren van plantgé- wasfen. Deszelfs winkel.bereidingen zijn, gebakken Zee-Ajuin, en de gebakken Ajuin tot kolkjes gemaakt; gedroogde Zee-Ajuin, een Sijroop, Azijn, Honing-Sij' rtopjt- en Pillen. Yyy ZEE-
|
|||||||||
|
jte de fehaduwen ;aar> de beelden van een fehiWerftuk ver-
leenen; zij doet die beter üitkoomen. Schoon haar voor- deel zich enkel tot hec onderwerp bepaalt, die haar be- zit, met aan derzelver volmaaking mede te werken , zo rrioet men nogthans toeftemmen , dat zij voor anderen een onderwerp is, derzelver goedkeuring en toejuichin- gen overwaardig. Een vrije en ongemaakte Zedigheid, verftrekt niet al-
leen tot een bevallige en uitmuntende deugd in de Vrou- wen, maar mag onder de ftandvastigfte fchoonheden ge- rekend worden ; zij verbeterd den opflag en het gelaat, de geftalte ende beweeging, ftrekr tot vergoeding van de geringe kleeding, en doet de rijkfte met een ver- meerderde luister fcbitteren ; de maat der fchoonheid ver- fchilt naar de onderfcheidene denkbeelden van de Men« fchen in verfcheidene landen, maar Zedigheid is even als licht, overal bet zelfde. Schoonheid is als een Bloem die na eenen korten tijd met luister gepraald te hebben , ras verwelkt, en als dan een zoort van kwaadaartig me- delijden in de meeste Menfchen verwekt ; dan Zedigheid heeft niet alleen in haar beginze! veele bekoorlijkheden, maar wanneer zij daar te boven alle aanvechtingen door- gegaan heeft, trekt zij onvermijdelijk onze verwonde- ring en hoogachting. Schoonheid mag het oog behaagen en onzen iust vergenoegen, maar Zedigheid neemt het hart in. Het is het zuiverfte bewijs van een goed oor- deel, het veiligfte onderpand dat een bevallige Vrouw kan geeven, voor het gelukkig leeven van haaren Echt- genoot. ZEDOAR-WORTELookwelZffrw-JFor^genoemd;
Zedoaria longa & rotunda. Officinar.; Zedoaria ceijia nica camphoram redolens. Hort. (Kampheriafoliis lanceo- laiis petiohtif. Linn. Spec. Plant.) Dit gewas 't welk bij ons onbekend is, hoort in Oosrindien te huis, van waar.de Wortel het zii gedroogd of geconfijt tot gebruik 'word overgebragt." Aan dezelve word een maatig ver- warmend, infnijdend, zweetdrijvend, hart, maag en moe der verfterkende kragt, toegefchreeven; ook als zeer dienftig tegens maag.en buik-pijn, kolijk, walging, op» ftijging der moeder en engborftigheid- ZEE in het latijn Mare, is die verbaazende verzaa-
meliBg van zoute wateren, welke van alle kanten het vaste land omringt, en op verfcheidene plaatzen in het binnen« fie der landfcbappen door engtens indringt, 't geen als dan kleine binnen landfçbe Zeen vormt, waarvan zornmi. gen onmiddelijk deel hebben aan de beweegingen van Eb en Vloed, en de anderen nists met de groote Zee fchij- rien gemeen te hebben , als de heen en wedervloeijing van derzelver onderlinge wateren. Het zee.water is 't overvloedigfte over tien gantfchen aardbodem ver- fpreid. Meesttijds is het weinig doorfchijnende ; in eene verzameling gezien zijnde, lijkend het zelve een Jicht groenagtige blaauwe Koleur te hebben; bet is fcherp, bitter, en zout van fmaak, en heeft een moe- rasfige pikagtige reuk, die zomdjds walging veroorzaakt. Zie WATER. ZEE-AAKSTER, zie SCHOL-AAKSTER.
ZEE A AL deezen naam word wel aan de Konger.Aal
§egeeven , zie op dat. Artiikel. ZEE-AAP. zieZEE-HOND.
ZEE-ADDER, zie NAALD-VISSCHEN, «. V.
pag, *2.45. ZEE-AJUIN, in het latijn Scilla, dus genoemd van
S*é*<(», droog maaken , om dat deeze plant in drooge plaatzen groeit, of gelijk andere willen, van SxwAhk, VII Deel.
|
|||||||||
|
2EE,
Bramede Mer, of Zee-Braafem, zo Rondeletius gei
tuigt. ' ; ,
Zomtijds bereikt deeze Visch de grootte van twee
fpan, zegt Willoughby; dog zeiden , fchoon op't hoogst gegroeit, heeft hij de zwaarte van tien ponden. Die grootte en zwaarte komt mij zeer onevenredig voor. Hij vond er een grpote veelheid van, op- de markten, te Venetië, Genua, Rome, en elders in Italie. Bijons is dezelve zeldzaam. De Heer Grohoviüs befchrijft er één, die te Scheveningen gevangen was, hebbende 12 ftijve en u ïlappe Beentjes in de Rugvin, 16 in de Borst', 6 in de Buikvinnen, 12 in'de Aarsvin, waar van drie ge- doornd en 20 in deStaartvin, Die G oud-Braafem, wel- ken de Heer Hasselquist, in de Haven van Smijrna gevangen zijnde, befchrijft, had nagenoeg het zelfde ge- tal van Vin-Straalen. Deszelfs grootte was vèrfcheider. leij, van een elle en daar boven ; de hedendaagfche Grie- ken noetïiden hem Sippouris. '■ De Koleur van deezen was op den Kop, vanboven,
j, zwartagtig.met een gouden vlak tusfehén deOogen; ,, bet Lijf, boven de zijdftreep, met zes zwartagtigeen even zo veel witagtige Streepjes getekend, waar van ,, de eerstgemelden breedst. Beneden de zijdftreep was de Visch zilverkoleur. De Schubben breed, ,, ovaalagtig, overlangs geftreept, de ftreepen aan de bovenkant van de Schub in 't middelpunt zamen uit. ,, loopènde". Het Vlies, dat de zijden des Buiks van 'binnen bekleedde , vond zijn Ed. zwart ; de Darmen aan een ruim darmfcheil, dat, door groote bloedva' ten zeer-onderfcheidelijkwas, gehecht, en driemaal om« gedraaid. Drie bijhangzels had de uitgang van de Maag, die dik waren; zijnde de Lugtblaas langs de Ruggegraat uitgeftrekt. Deeze Visch is van ouds beroemd, als niet minder on«
der de zee-Visfchen uitmuntende, dandeForellenonder die der rivieren.. Hieronijmds ontleent daar van een fraaije zinfpeeling , in zijn brief van Lucinius. De Zee-Braafems waren; om diereden, aan Venus toege« wijd; dog Marti ALis merkt aan, dat het veel verfchil« de, waar en hoe zij gevoed werden. Die vân Ephefe en Tarente hadden zeer yeelagting , vooral met Schulp- Visfchen gemest zijnde. RoNDELETiuszegt, dat die der . Middellandfche zee beter zijn dan van de Oceaan , en . die niet dan in zee leeven,, uitmuntender dan de genen ] die in meireu komen, fchoon deeze laatften vetter zijn; j want de flijk en modder maaktze'minder aangenaam van fmaak. In Languedok zijn dezelven een gemeen voçdzel, i geduurende de vasten. Kolbe verhaalt, dat er aan de Kaap der Goede Hope
een Goudvisch zij, die zijn naam had gekreegen van een vergulden kring, welken dezelve om het Oog heeft, | en van een zodaanige. Streep , zich uitftrekkende van den Kop tot aan de Staart. Deszelfs gewoone langte, zegt hij', is anderhalf voet, de zwaarte maar een pond; 'de koleur van 't vleesch uit wit en rood gemengeld en de fmaak zeer lekker. Men ziet er deezen Visch nooit dan van rneij tot augustus, wanneer hij zich op de on« diepten of zandbanken verfpieid. II. Geringde Zee'Braafem; Sparus annularvs; Sparus
unicolor flavescens, macula nigraannulari adcaudam. Alt TED. Gen.; 37. Sijn. 57.; {Sparus ocello nigra fubçaudali, corpore flavescente. Linn. Sijft. Nat.) Dit is de Spa- rus der Autheuren, dié nog hedendaags te Venetie^/w» geheten word. Men onderfcheid hem ligtelijk vari den voorgaande, doordien hij dat gouden maantje tusfehen |
|||||||
|
430ô ZEE.
ZEE-AREND, zie ROCHEN, n. VII. pag. 3070.
ZEE-BAARS; Perça marina. Will, p, 327.; Peres
/meû utrinpie feptem tramvërfis nigris duüibus miniaceis cKruhisque in capite & antica'_ ventiis. Arted. Gen. 40. Sijn. 68.: {Percapinnis dörjalibus unitis, radiis quinde- cimjpinofis , quatuordecimmuticis, corpore lituris variega- to. Linn. Sijfi.Nat.) De Ouden hebben deezen Perca geheten, en hij word te Rome nóg Percia genoemd. Bij _ 3e laatere Autheuren is hij bekend onder den naam vari Zee Baars, en ARTEDr wil, dat alle de drje zoorten van Zet-Baarfen, welken Aldrovandus heeft,totdee- ze betrekkelijk zijn ; als verfchillende alleenlijk, van el- kander in de koleur. Men vangtze in de Middelland- fche Zee, als ook aan de Kust van Noorwegen, Deeze Baars munt, in fierlijkheid van koleuren, ver
boven de anderen uit. Behalven de zes of zeven bruine dwars-Streepen , heeft hij den geheelen Kop en 't voor,- fte deel des Buiks, 'met hoogroode en hemelsch-blaauwe ftreepjes fraai] getekend. De Vinnen zijn geel metrood- agtige flippen of lijntjes gefprenkeJd, In de koleuren, echter, maakt de Sexe, ouderdom en woonplaats, een . uitermaate groot verfchil. Het Vleesch is lekker. ZEE-BEER, zie ROBBEN, n. l.pag. 3061.
ZEE-BRAASEMS is een Visfchen-Geflagt, waarvan
de latijnfche naani Sparus afgeleid word , dat deeze Visch, uit het water genomen zijnde, veel beweeging maakt, zoude men met een neerduitfehen uitgang ge- bruiken kunnen ; even als men dus met Kameel, Leeuw, en onder de Visfchen met den Salm gedaan heeft ; dog bet komt mij beter voor, de Visfchen yahdit Geflagt Zee-Braasems te noemen; om dat de, meesten dien naam voeren. De Kenmerken beftaan in fterke Sm'j-of ScheUr-Tan-
den ; Kiezen die ftompagtig zijn en digt ftaan ; het Kieu- wen-Vlies met vijf Straalen, de fîekzels gefchubd; het Lijf zamengedrukt. De Tanden, die als in de Men« fchen en Viervoetige Dieren zijn, worden door de Lip- pen gedekt, zegtÀrtTEDî; men vindze alleenlijk inde Kaaken en Keel. 't Gehemelte en de Tong is glad; de Rugvin enkeid; de Dogen met een ruime Huid gedekt, de Staart doorg.ians gevorkt. De Darmen, voegt hij er .bij, zijn lang, merflingeringen en dikwils aan het Darm- fcbeil vast; de Bijhangzels vanden uitgang der Maag groot en weinig, naamelijkdrie, vier, vijf, zes of zeven. De Heer Gronovius, oordeelende het getal der zoor-
ten te groot volgens het ftelzel van Artedi , heeft' er eenigen gebragt tot de Geflagten van Cijnadus en Cora- >iinus; zo dat hij van dè Spaaren maar twee zoorten be» houd. Linnäus heeft er iwee-erhtwintig, die onder- scheiden worden door de koleur. Agt zijn er met een 'Zwarte Vlak getekend; drie rood, vijf geftreept, ende zes overigen bont. I. Vergulde Zee Braafem; slurata omnium auQorum,
greecis Xç-Jrecpçvf, Raj. Sijn. p. 131.; Sparus dor/o acu- 'tisßmo linea acuta aureainter oculos. Art. Gen. 25. {Spa- tru lunula anrea inter oculos. Linn. Sijft. Nat.) __ Hier mede word de Jurata der Autheuren bedoeld , dien men
Goud Braafem noemt, in 't grieksch Chrijfopkrijs. Ze kere SergiosOrata, die onder de Romeinen vermaard was, als de uitvinder en beminnaarvan lekkere gereg- ten, kreeg daar van den bijnaam, zo zommigerrwillen. Nog hedendaags.noemt men in Italie dezen Visch Orata, bij de Venetiaanen Ora, en bij de Spa an fchen Dorade. De Engelfcbengeevsner, eenvoudig, den naam van Gil- tkead of Ferguld-Kap aan; de Franfchen noemen hem |
|||||||
|
t
|
|||||||
|
t
|
|||||||
|
ZEE,
JeOogen niet beeft, en bleek geelagtig groen is, met
een zeer. zigtbaare rings wijze viak, aan of bij de Staart; en wederom, die zwarte en paarfche vlakken, bij de Kieuwen, ontbeerende; gelijk bij ook zo groot niet word als de Goud-Braafem. De oogkringen zijn zilverkoleur. Men vind hem in de wateren, die de opper- en onder- zee plagten genoemd te worden, ten opzigt van Italie; te weeten in de golf van Venetië en in de Toskaanfcbe zee. Hijkomt, infmaaklijkheid endeugd, rnetde voor- gaande overeen. . III. Sargits of Zee-Braafem met een oogje onder aan de
flaart, het lijf zwart gebandeerd ; Sargus falviani. Will. p. 309 ; Sparus lineis transverfis varins, macula nigra in- figni. ad caudmn. Art. Gen. 37. Sijn. 58.» (Sparus ocello fubcaudali, corpore fasciis nigris. Linn. Siift. Nat.)__De
Italiaanen noemen deezen Sarge, en bij den griekfcben
naam Sargos, dat men in 'tlatijn Sargus uitfpreekt, is hij alom bekend. Klein,-zelfs, befchrijft hem onder dee- zen naam. Van den Heer Gronovius word hij ge- noemd Cijncedus met het lijf ovaal breed, de ftaartge- vorkt, ende tanden egaal, ftomp. De Sargus heeft, volgens Willoughbij-, de Snoet
fpitfer dan de Aurata oï.Sparus, en een weinig opgewipt ; de Voortanden zijn niet fpits, en rond , gelijk in de Coud-Braafem, maar, even als in de Spaar, breed en gelijkende naar menfcben fnijianden. Hij verfcbilt van beiden, doordien er geen korrelagtige knobbeltjes in de Kaaken zijn, en dat het geheele Lijf met bruine flree- pen geringd is. Van den Goud-Braafem verfchilt hij door het gouden maantje niet te hebben, en door de oogs wijze ring bij de Staart, gelijk hij ook korter, bree- der, en aan 't end- ronder is-, naar de grootte. De gee- ne, dien Willoughbij te Genua befchreef, was bij de vijf duimen lang. Men vind hem in de Toskaanfcbe zee , en hij verfchilt in hoedanigheid weinig van de voorgaanden. De Vinftraaien zijn, indeezeen de eerfte foort, zeer
oveteenkomftig, en weinig verfchillende van de telling , welke door den Heer Gronovius in het laatstgemelde voorwerp , van den Heer Vosmaer hem vereerd, en vier duimen lang, is in't werk gefteid. Zijn Ed. vond in de Rugvin 24 Beentjes, waar van elf gedoomd, in de Borstvinnen 16; in de Buikvinnen 6, in de Aarsvinnen 14. en drie gedoomd. Dit komt zo volmaakt overeen : met de telling, welke de Heer Hasselquist opgeeft van den Goud-Braafem, in de haven van Smijrna ge- vangen, dat men zich verwonderen zou moeten , indien niet het gedagte voorwerp ook uit de Middellandfche zee afkomltig ware. De Staart, voegt hij er alleenlijk bij, had 22 Vinftraalen. Dezelven fchijnt onze Lands- genoot niet geteld te hebben. De koleur zegt zijn Ed. is op de Schubben bruin glinfterend zilveragtig, aan de Vinnen wit. IV. Zee-Braofem met een zwart oogje aan de Staart, het
lijf overlangs geftreept; Melanurus. Will. p. 310; Spa-
rus lineis iongitudinalibus varius, macula ucrinque ad eau- ■dam. Art. Gen. 37. Sijn. 58. i Spans ocello w'gro cauda, torpore lineis Iongitudinalibus. LlNN. Sijfl. Nat.) Dee« ze komt bij de Autheuren voor, onder den naam van Melanouns of Zwanftaart, van wegen de zwarte Vlak» ken aan .beide zijden van de Staart. Bij zommigen voert hij dok den naam van Oculata of Ge-oogde» wegens de groote Oogen met Goudgeele Kringen, en daarom noemt men deezen Visen, te Rome, nog heden, Occhiata. In de Toskaanfche zee, omtrent Livorno, Rome en Na- |
|||||||
|
ZEE. -4301
pels, word hij vee!gevangen. In fmaakelijkbeid fchijnt
hij niet veel van de vootgsanden te verfchillen. Hij word ongevaar een half voet lang en een pond
zwaar. Zijn Rug is minder verheven en fcherp dan in de Goud Braaf em , uit den blaauwen zwartagtig.; de zij- den zilverkoleur, met bruine ftreepen, die van den Kop naar de Staart loopen. In ieder Kaak is eene rij tan- den , waar van de voorden breedst, de agterften fcherpst. De Staart is zeer gevorkt, en de zwarte vlak of ring aan dezelve duidelijker dan in de anderen. V. 'Lee-Braafem met een zwart oogje op zijde, ae borst
en Staartvinnenrood; Smaris.Will. p. 319 ; Sparus ma- cula nigra in Utroque latere medio , pinnis pe&oralibus eau- daque rubris. Art. Gen. 36. Sijn. 62.; (Sparus ocello ni- gro laterali, pinnis peÜoralibus caudaqué rubris. Li NN. Sijfl. Nat.) Di: Visclije, dat maar de grootte van een* vinger beeft, volgens Rokdeletius; is zeer ken. baar aan de roodheid zijner Borstvinnen en Staart: waar in het voornaamelijk van de volgende zoon verfchilt. Het word van de Autheuren Smaris of Cerrtis, te Vene- tië Grioii en Gerruli, te Marfeille Gerres geheten. Hier uit blijkt, dat het ook in de Middellanfche zee gevon. den worde. VI. Zee Braafem met een bruin oogje op zijde, het lijf
bont; Mana. Will./). 3I8..; Sparus varias, macula ni- gricante in medio latere, dentibus quatuormajoribus. Art. Gen. 35. Sijn. 61..' (Sparus ocello fusco laterali, corpore variegato. Likn. Sijfl. Nat.) De gn'ekfche naam Ma«!, afkomltig, waarfchijnlijk, van hunne verander- lijkheid van koleur, word inde veneiiaanfcbe naam Me* nek en deromeinfcheMenola, nagevolgd. Te Marfeil« Ie noemt menze Msndole, en te Naibonne Jujde; in Duitschland worden zij Bizling of Meer Scheisfer, ge- heten; in Engeland Cackerell, om dat deeze Visch, ge. geeten zijnde, weeklijvig maakt. Dit is ook de reden, dat men den voorgaanden aldaar noemt, the white Cac- kerell. In Geflalte zweemt deeze Visch naar een Baars, maar
is bieeder en platter, een half voet en zomtijds drie vier- de voets lang, van koleur zee groen of vuil geel, dog met donkerer petken of zoomen overdwars, enblaauwe flreepen overlangs; hebbende, bijna op't midden van de zijden, een groote zwarte vlak, onderde gellippel. de zijdftreep. Eeni^e Autheuren fchrijven dat de M* na's winters wit zij, in 't voorjaar en de fomer bont. Willoughbit merkt aan. dat hij, des winters te Ve« netie zijnde, dezelven witagtig vond, en in de fomer, te Rome en te Napels, met blaauwe flreepenoverlangs zeerfraaij getekend. Dit zelfde wedervoer Rondhle- tius, die, van Rome te Venetië koomende, aldaar dee- ze Visfchen zo verfchillende van koleur vondt, bij de genen die 's winters te Rome verkogt werden, dat de- zelven hem naauwliiks kenbaar waren. In het getal der Beentjes van de Vinnen komt deeze
nagenoeg met den Goud-Braafem overeen; dog, behalve de bruine vlak op zijde - en de koleur van 't geheele Lijf, heeft hij nog een zeer bijzonder kenmerk, dat hem van alle zijne mede-zoorten onderfcheid. Te weeten de Bek, geflooten zijnde, vertoont zich zeer klein, maar open gaande heeft een wijden Smoel. Dit word veroor- zaakt , doordien de Bovenlip zich als een buis in de langte uitftrekt en, met het (luiten vanden Bsk weer in- gehaald wordende, zich verbergt in een groefje van de Bovenkaak. Ook vindmen , in deOnderkaak, viettan- den grooter en langer dan in de overigen. Yyy a Dee-
|
|||||||
|
43°A ZEE.
Deeze en de voorgaande zijn zo gemeene Visfchen in
Italië, dat menze aldaar dikwilsT gelijk hier de Harin- gen, bij de hoop verkoopt, zonder tellen of weegen. Evenwel kan menze gantscb niet onfmaaklijk agten. In de Geneeskunde hebben de Ouden er veel werks van ge- maakt. De klooven van 't fondament! werden'door de asch der koppen, en die der lippen met den pekel van deezen Visen genezen; want het fchijnt dat men bemin» zoute , en daarom, misfehien, heeft Gaza denzelven Ilalec getijteld. Aan de Kust,van de Adriatifche Zee noemt men hem , hedendaags , Sclave. Vil. Steen-Braafem ot Zee-Braafem met een oogjeonder
San de Staart, het lijf wkagtig; Sparus Jaxatilii ; Scarus rufescens, maculis duibus anmtlatis. utrinque adpinnas pe- ctorales & caudam- Gronov. Zooph. V. 2ïo. pag. 67.; (Sparus oceltojubcaudali, corpore caiidicante, Ltnn Sijß. Nat.) In deBcfchrijving van't KoninglijkSweedfcbe Kabinet is deeze voorgefteld onder den Gefiagtnaam van Sciana. De Heer Grokovius maakt thanseen nieuw Ge- flagt, met der, tijtel vanScarusi waar in nog twee anderen door hein gebragt zijn. Hij noemt deezen Scarus, die twee geringde Vlakken, wederzijds, aan de Borstvinnen en Staart heeft; dat is, aan iederéén, gelijk de zeer fraaije afbeelding van zijn Ed. aanwijst. Het Voorwerp was uit Suriname afkomftig, Men vind er meer Been- tjes in de Rugvin en minder in de Aarsvin, dan in de voorgaande zoorten van dit'Geflagt, 't welk uit de tel- lingen van dit en dat van 't Sweedfche Kabinet, diena- genoeg overeenkomen, blijkbaar is. ' VIII. Zee-Braafem met een oogje onder aan de ftaârt, den kop rosagtig, de ft a art onverdeeld; Orpheus veterum £? Bellonii, Wihh.p. 314.,"- Sparus varius macula ntgra ad caudam tn extremo äqualem. Art. Gen. 57. Sijn. 63.; ■(Sparus ocello fubcaudali, capite rufescente, cauda inté- gra. LiKK. Sijß. Nat.) __-. Of de Orpheus der Ouden, en de Orphus der hedendaagfche Grieken dezelfde Visch
aijn, heeft men geen zekerheid. Deeze laatfte, fchrijft BoNDELETiüs , word zomtijds .twintig ponden zwaar, en men houd hem voor een der lekkerfte gerechten. De koleur is op de Rug zwart aan den Buik witagtig of blank; de Kop bijna rood. Hij heeft het Lijf meer plat dan rond, dat is breed en lang, een kleinen Bek, de Schub«' ben ruuw, de Vinnen bont. In de de Rugvin zijn tien frherpe Doornen. Hij eet kruiden of zeewier, gelijk de Spaaren. IX. Zee Braafem met een gevorkte ftaart, het lijf met
dwarfche roode bnndeerfelen, enz ; Hurta; (Sparus cauda bifida, corpore faseiis iransverßsrubris, dentibus laniariis txfertis. Likn. Sijß. Nut.)--------Nu koomen wij
(zegt de Heer M. Houttuijn) tot de zoorten van dit
Gefiagt, die door haare roodheid uitmunten. Deeze twijfelt onze Autheur, of ook de Dentex zij, wegens de Tanden dus genaamd, die van hem onder de bonte Spaaren is gebragt. Het getal der S traalen in de Rugvin Was 23 en elf doornagtige, in de Borstvinnen i<5, in de Buik vinnen 6, in de Aarsvin pen drie gedoomd, 17 in de Staart. Het getal der Vinftraalén komt, derhalve, wederom nagenoeg met dat der voorgaanden, in 't bij- zonder met dat van den Gottd-Braafem, overeen. Men ■Vind hem in de Middellandfche zee. De Heer Grokovius betrekt tot deeze zoon een Kaap.
fchen Visch, dien men Rooman noemt van wegen de ko.-» leur .hoedanig een ik er bij de HeerW. van der Med. 1.EH vind. Het Voorwerp, van hem befchreeven, had de langte van een voet » de Oogen groot j de ünderkaak |
ZEE.
langst; den Kop gefchubdj den Bek gewapend metfter-
ke tanden, waar van de vier voorften, in de beide kaa- ken, kegelvormig uitfteekende en krom ; de Schubben zeer groot en effen', leggende over eikander. In de j Rugvin telt zijn Ed. 22 beentjes, waar van de elf voor- ften doornagtig; inde Borstviiinen 17; in de Buikvinnen 6, in de Aarsvin 11 en 15 in dè Staart; zijnde van, die der Buikvinnen één, van die der Aarsvin drie gedoomd. Alles nagenoeg als de voorgaanden. X. Zee-Braafem met een bijkans onverdeelde Staart, het
lijf rood; EHjthrinus.five Rubellio. Will. p. 311., (Spa. rus cauda fubintegra corpore rubra. Linn. Muf. Ad. Fr.) ■ Deeze word van de Grieken Erijtkiijnos, van de La- tijnen Rubellio geheten , wegens de roodheid'van zijne Huid en Schubben,- weshalve Artedi hem noemt, Spa- rus die geheel rood is, met zilveragtige Oogkringen. De Italiaanen noemen hem, insgelijks, Frangolino of Fragolino, als de koleur hebbende, zo menvvil, van aardbefiën, de Duitfcbers roode Zee-Braafem. Te Venetië word hij Alboro of Arbora getijteld, in Spanje én Vrank- rijk Pagel. Men vind hem zo wel in de Westindien als in de Middellandfche zee. Van den Goud-Braafem, daar bet getal der Vinftraalén
volmaakt mede overeenftemt, word hij gezegd te verfchil. len, doordien hij kleiner is, de Staart minder gevorkt en de Snoet fpitferheeft; alsook, en wel inzonderheid, ■ door de koleur. Onder dé Visfchen , die gebraden worden, zegt Jovius,- is deeze een der uitmuntendften en fmaakelijkften; ook word er de maag nooit door be- zwaard, 's Winters bevond men deeze Visfchen bet lek- kerfte te zijn, DeErijthrinus vanRoKDELETiusworddoordenHeer
Grokovius betrokken tot den Hottentats-Fisch, die aan de Kaap der Goede Hope zeergemeen is. Zijn Ed. geeft er den zoortnaam aan, van Cijncedus met de Staart ge- vorkt; de Tanden egaal en fcherp; den Kopftompagtig; ] de Borstvinnen vrij lang. In getal van Vinftraalén kwam j het voorwerp, door hem geteld, zijnde tusfchen negen j en tien duimen lang. met den Rooman volkomen over- 5 een, uitgenomen de Aarsvin, waar in 14 beentjes en daar van vijf doornagtig waren. De koleur was donke- f rig en bijna zwartagtig; naar den Buik toe naauwlijks verbleekende. XI. Zee-Braafem die roodagtig is, met de huid, aait
den wortel der rug- en aarsvinnen, tot een boezem uitgerekt; Phragrus. Will. p. 312, Raj, p. 131.; (Sparus rubes- ans, cute ad radiée pinnarum dorfi £f ani infinum pro- duiïa. Art. Gen. 36. Sijn. 64.) - Deeze word Pa- grusof Phagrus en van de-Italiaanen Pagro geheten , van de Franfchen Pagre; dé Êngelfchen noemen hem Sea* Bream, dat is, Zee-Braafem; de DuitfcbersrotheMeer* Brasmen, gelijk den voorgaande; waar op men ook de voorgemelde naamen toegepast vind. Degriekfcbenaam zou van de hardheid zijner tanden, of van zijne vraatag« tigheid afkomftig zijn. Men vangt hem ook in de zuide- lijke deelen van Europa. DePagra gelijkt, in koleur en geftalte, zeer naar den
Fragolino, dog men kan er hem ligtelijk van onderfebei» den, zegt Wii.loughbij. Hij is ongelijkgrooter; wij hebben er gezien van tien ponden, daar de ander naauw- lijks zwaarder dan één of anderhalf pond word. Hij is breeder en dikker, hebbende den Kop, tusfchen dé oo- gen platter, en ongefchubd. Aan den wortel der Kieuw- vinnen is een iizergraauwe vlak, die in de. Fragolino niet "gevonden word, eu een andere groote vlak, we» |
|||||
|
, ZEE.
dérzîj'ds, aari 't begin vandegeftippeîdezijdfîreep. Ook
zijn de Kieuwvinnen zo lang niet ats in de voorgaande, die dezelven bij uitftek lang heeft. De Pagro heeft dit bijzonders, dat, aan het uiterfte van de Rug. en Aars- vinnen, de huid voortloopt tot zekeren boezem, de uiter- fte ftraalen van de Vin omwindende en bijna verbergen- de, 't welk in de Fragolino geen plaats heeft. ' De Bek van binnen, de,Tong en Kieuwendekzels zijn, in zom- migen, fierlijk fioög rood ; de Schubben groot, de Staart gevorkt. ■ ' - Te Genua zijnde in 't jaar 1664 (vervolgt die zelfde
Autheur) kogten wij een Pagro, die taameüjk groot was en denzelven ééne nagt in de flaapkamer houdende, om hem 's morgens te openen, gaf de geheele visch, in de duisternis, een fterk ligt, bijna als een koole vuurs of gloeijend ijzer; een zeldzaame vertooning, welke wij te voorennooit gezien hadden. Rokdeletius getuigt, dat de Zee-Braajem niiddelmaatig lekkeren taamelijk droog is van vleesch, en voedzaam. Men vind hem 's win- ters blaauwagtig, daar de Pagel of Fragolino zijne rood- heid nooit verliest. De korrelagtige knobbeltjes in de Bek zijn hun beiden gemeen. '■■■Xll. Zee-Braafem met overlangfe donkere flreepen, ie
vier, onder [ie goud en züverkoleurig ; Boops Rondeleui pri- mus. Will. p. 317.; Spanis lineis utrinque quatuor aureis ac argenteis longitudinalibus pararellii. Art. Gen. 36. Sijn. 61.; (Sparus lineis longitudinalibus obfcuris, infe- iioribus quatuor aureis argenteisque. LrKK. Sijfl. Nat.) i__, De naam van Boops, wegens de grootheid zijner öo-
gen, word gegeeven aan een Visch van de Toskaanfche
zee, die men te Venetië. Rome en Marfeiile, noemt 'B'o'ga, iri'Engeland tJie'Q'xï-ëijed Catkerell. Zomniigen noemen hem ook Box en Bora of Voca; welk laatlte, mooglijk, afkomftig is van het valfchedenkbeeld, dat de eerstgemeldenaam zou afleidelijk zijn van zijn geloeijof brullen als een Stier. .. Veel langer word deeze Visch niet dan een fpan, hoe-
wel Rondeletius Zegt van een voet. De koleur van de Rug is groenagtïg of glinftererid geel, naar de opval, ling van de lichtftraalen; de Buik zilveragtig of wit; de Zijden zijn ieder met vier goud.enzilverftreepjes.beurt- lings, getekend; de Borstvinnen rood. In de Rugvin waren 30 Beentjes geteld, waar van de helft gedoomd; iE de Aarsvin 15. Dit ondeifcheid hem van allede voor« gaande Zee-Braafems. Hij is fmaakelijk en gezond, hoe ook toebereid zijnde. XIII. Zee-Braafem met deflaart ongevlakt. het lijf over-
langs geel geßreept ; Cantlmrus. Will. p. 309,; Sparus lineis utrinque luteis longitudinalibus paralleiis, iride ar- gentea. Akt. Gen. 30". Sijn. 58. ; (Spirus catida immactt- lata, corpore lineis longitudinalibus luteis. Lintn. Sijfl. Nat.) Autheuren; welke naam, dat zonderling is, zijne aflei- ding fchijnt te hebben van de koleur van zekere Torren of Scallebijters, die blaauwagtig glinderen. Canthirüi is de algemeene naam der Torren , die men nog bewaard vind in de bekende Cantharides of Spaanfche Vliegen An- deren , evenwel, agien zijn naam oorfprongliik van her wroeten in de flijk, gelijk deMestkever. Gaza noemt' hem, inderdaad, Scarabasus, dat isTor, Behoudens de achtinge der Ouden, zou de afleiding vaneen Wiinkruik , mijns oordeels, natuurlijker zijn; dewijl de Ge'ftalte, volgens de afbeelding van Johns'tov, die-dopt Ahtkot aangehaald word, taamelijk naarHe^elve zweemt: 't Blijkt dat de Duitfcbers hem noemen bruine Zee Braafem. |
||||||
|
ZEE. 4303
Van de eerrte zoorten van ditGeflagt, onder welken
hij dikwils gevangen word, verfchilt deëzèJVisch in hoe« danigheid zeer weinig. De Geftaite is bijna de zelfde; dog de koleur is zwarter of bruiner; de Schubben zijn veel kleiner en de zwarte ring ontbreekt hem aan de Staart. De Tanden zijn niet breed, maar rond en fcherp; hij heeft geen beenige knobbels aan de Kaaken. Aller, meest, echter, word hij van dezelven door de gedagte geele flreepen onderfcheiden, XIV. Zee-Braafem met de flaart gevorkt, de tweede
Straal der vinnen borfteUgtig; Chromis & demis. Charl. p, 140.; Sparus osficulo fecundo ptnnarum ventraiium in longam fetam qua/i produ&o. Art. Gen. 37. Sijn. 62.; (Sparus cauda bifida, radio ventraiium fecundo fetaceo. Likn. Sijfl, Nat.) ------- Onder den naam van Chromis
komt dit Vischje bij de Autheuren voor. Dus wil men
dat het, van wegen zijn knorren, ais hetgevangen word, genoemd zou zijn; in 't engelsch Grunter. De Siciliaa- nen noemen het Monachelle, die van Toskanen Caftag- tiole. Het is omtrent vier duimen lang, donker ofbruin van koleur, met ligter flreepen. In getal van Vinftraa- len fchijnt het nagenoeg met den Goud-Braafem overeen te komen. XV. Zee-Braafem met de flaart gevorkt, en op de zij-
den, overlangs elf goudgeele flreepen; Salpa. Will. p. 316. Raj. 133.; Sparus lineis utrinque undecim aureit paralleiis longitudinalibus. Art. Gen. 38. Sijn. 60. ; (Spa' rus cauda bifida, lineisfulvis longitudinalibus utrinque un. decim. Linn. Sijfl. Nat.) ren, is geenszins de Stokvisch, gelijk men op Tab. II. van Johkston.N. 10. vind aangetekend; maar een Visch van de Middellandfche zee, die, gelijk deeze Schrijver zeer wel aanmerkt, in 't grieksch te regt Chrijfopleuros geheten mögt worden, van wegen de goudkoleurige ftreepen, welken hij op zijne zijden heeft. De Duitfchers noemen hem, deswegen, Goldftein, de Engelfchen Goldin, en die van Narbonne Virgadelle. De naam van Sarpa, van den eerden afkomftig, is nog te Genua in gebruik, al- waar men hem d.kwils vangt. Deeze is langer en naar degrootte dikker dan de Goud"
Braafem, met de rug minderkrom ; delangte bijkans een voet, de zwaarte origevaar een pond; op de zijden met gouden ftreepen, zeer fierlijk getekend ; hebbendeden Bek zeer naauw, de Oogen middelmaatig van grootte, met goudgeele kringen. In de Bek is, onderen boven, maar ééne rij tanden, die in de Bovenkaak tweepuntig zijn; de Schubben groot ; de Staart gevorkt. In de Hob vond men zee wier, waar uit zommigen willen, dat dee- ze Visch kruiden eet, en daarom zal hij, mooglijk, Bos of Stier genoemd zijn Men houd hem, zo wel als den. voorgaande, voor een geringe fpijze. Dus befchrijft Raij uit Willoughby een Visch der
Middellandfche zee, welken de Heer Gronovius be- trekt tot zijr.en Cijnsdus, die de Staart gevorkt, het Lijf langwerpig en rank , de Bug regt heeft, gelijkende in Ge. ftaltenaàr een Haring. Tot die zelfde zoorr word van zijn Ed. betrokken de Oncntaalfche Zee-Braafem van Hasselqütst, die er echter in getal van vinlhaaien , zeer vin verfchilt. Hij merkt aan, dat men den visch, door Raij befchreeven , geenzins met den Salpa van Rowoeletius verwarren moest; ako diebehooren zoti tot een ander geflagt. De langte van den gemelden Zee-Braafem door Has-
Selquist te Smijrna waargenomen, was een handpalm,
en de grooille breedte een duim. Dit zweemt meer naar
Y7y 3 «te
|
||||||
|
4304 2EE.
|
||||||
|
de geftalte van den Zee Braafem. De koleur bruin bo-
ven de zijdftreep, ende zijden, onder dezelve, met vier bruine ftreepen getekend; de Buik wit met bruine vlak- ken, enz. Hoe zulks overeenftemme met de tien of elf goudkoleurige ftreepen, welken de Salpa op de zijden heeft, is mij duister. XVI. Zee Braafem met de ftaart gevorkt en rood, het
lijf purperagtig met zeven gmidgeele flreepen wederzijds ; Salpa purpurascens vafiegata. Catesb. Carol. II. p. 17.; (Sparus cauda bifida jubra, corpore purpurflscente lineis utrinquefeptein aureis. Linn. Sijfl. Nat.) ---------' D'ee-
ze Amerikaanfche Visch is'in de befchrijving der Dieren
van Karoüna door den Heer Catesbv afgebeeld, onder den naam van Salpa, die purper- of paarscbagtjg bont is. Hij noemt denzeiven, in 't engelsch, the Lane Snapper, De langte is niet meer dan een voet; het Oog groot met een breede roode kring; 't geheele Lijf met paarfché fchubben gedekt, donkerst ..op. de. rug , bleek aan den buik. Het Lijf is met geele flreepen overlangs gete- kend; de Vinnen geel. XVII. Tand Braafem, of Zeé-Braafem met de Staart
gevorkt, het lijf bont, vier grootere ; Dentexfive Sijnodon Aldrovandi. Will. p. 312. Raj. p. 132.; (Spams cauda bifida, corpore variegato, dentibus quatuor majoribus. Linn. Sijfl. Nat.) Zie TAND-BRAASEM. XVIII. Zee-Braafem met de Staart gevorkt, eneen'âg-
teroverleggetide Rugdoorn: Sparus Javanen fis. Osb. Itin. 273. j' (Sparus cauda bifida , fpina dorfali recumlmte. Linn. Sijfl. Nat.) --------- De gemelde Rugdoorn geeft
den bijnaam aan deezen Oostindifchen Zee-Braafem,, die
het Lijf met verfcheiderleij blaauwe vlakken getekend heeft. In twee deezer. Visichen heeft men, in de Aars- vin, 7 gedoomde offtijvegraaten gevonden. Anderszins komt het getal der vinftraalen zeer wel met dat van den Goud-Braafem en anderen van dit geflagt, overeen. XIX. Firginiaanjche Zee-Braafem; Sparus virginicus;
(Sparus cauda bifida, fasciis duabus nigris transverfis, li- neisque coeruleisplurimis. Ltxn.Sijfl. Nat.). --■. Dee- ze Virginiaanfche, in het Kabinet van den Heer dé Geer bevindelijk , heeft de Kieuwendekzels eenigermaate zaagswijze getand; daar loopt eene zwarte band, of breede ftreep, van de Schouders, door de Oogen heen, naar de onderkaak , en een andere van, de Schouders, over de zijden van de Borst, naar de borstvinnen. Over- langs zijn er veele blaauwe evenwijdige lijntjes. De Rug« vin heeft 27 beentjes, waar vanelfgedoornd, de Borst- vinnen hebben er 18, de Buikvinnen 6, en daar van één fcherp; de A a is vin 13 en drie ftijve daar onder; de Staartvin , die ftomp is en twee kwabben heeft, 18. ftraalen: XX. Gemarmerde Z«-Braafem; Sparus mormijrus.'üm-
SELQ. Itin. 335.; Sparus maxilla fiperiore longiore, li- neis utrinque duabus nigris transverfis parallelis. Art. Gen. 37. Sijn. 62. ; (Sparus cauda bifida, fasciis argehteis ni- grisque plurimis. Linn. Sijft.Nat.) --------- De heden-
daagfche naam, Mormillo, die te Rome, en Mormiro,
die te Venetië, als ook Mormo of Morme, die te Mar- feille en Narbonne in gebruik is, heeft veel overeenkomst met Mormijrus, een grfekfche naam van.duisteren oor- fprong. Gemarmerd, zou dezelve bet allernaast en na- tuurlijkfre betekenen; want deze Visch is het inderdaad, Willo'jghbt vond en befchreef er een, te Genua;
die kleiner dan een voet was, hebbende bet Lijf fmal- 1er dan de Goud Braafem, en zeer naar den Tand-Braa- fem gelijkende. Deez'nad, op een groen blaauvvagtigen |
grond, elf of twaalf: breede zwarte ringen om h et. Lijf j
zijnde wit van Buik en bij de Oogen zilverkoleur. De geene, die van den Heer Hasselüuist uit de haven van Stnijrna word befchreeven , had van negen totelf.derge- lijke dwarfe zwarte banden, en da tusfcbenruimte der- zelve'n', gelijk bok de Buik, was zilveragtig. 't Getal der Vinftraalen kwam , wederom, zeer na overeen met dat van den Goud-Braafem ; zo wel als de gedaante van de Oogen, Neus en Tong. De Mormijrus van Ray, dien Artedi tot deeze zoort
betrekt", zijnde van Willoughby ontleend, brengt de Hr. Grokovjus, toteenen Kaapfchen Visch t'huis, dien hij noemt Cijncedus met de Staart gevorkt; de Tanden egaal, de bovenflengejpleeten; den Kop fiompagtig; ie Borstyin- nen kort. De koleur van deezen, zegt hij, is bijna als die der Karperen. Hier op laat zijn Ed. een andere zoort van Cijndus volgen , die aan de Maldivifche Eilanden zich onthoud, wordende van de ingezetenen Ikan Sla- ttaken van,de europeaanen Harder geheten; zijnde van koleur als Je Cijprinus nobüis der Autbeurejn. Deeze heeft de Staart als een wasfende maan; den Kop fcherp- agtig; de Tanden egaal en zeer klein. Behalve deçze was aan zijn Ed. ook, door den Heer
Vosmaer , een Oostinâifche Zee-Braafem vereerd, dien hij noemt Cijnedus, met de Staart gevorkt ; de Tanden egaal en zeer klein ; de onderfte Straalen van de Borstvin* nen elsvormig en langer dan de anderen.. Dit is een ge- droogd voorwerp, waar in men de blijken kan zien van vier breedezwarte dwarsftreepen. - Het heeft in de Rug- vin 41 beentjes, waar van een-en-twintig elsvormig en fcherp, in.de Borstvinnen 13, in die van den Buik 6, in de Aarsvin 13, waar van de twee voorden fterk, doorn- agtig en zeer kort. In de Borstvinnen zijn de onderfte Straalen van de anderen afgefcheiden, elsvormig dog niet fcherp, langer dan de overigen. Dit en de piaat- zïng der Buik vinnen, die zelfs geen doornagtige Straal hebben, doet zijn Ed. oordeelen, dat deeze Visch veel- qer tot een ander en nog niet ingefteld geflagt, behooren zoude; hoewel dezelve, wegens de geftalte, hier toe betrokken word. XXI. Westindifche Zee-Braafem; Sparus capiflratus;
(Sparus.cauda intégra, corporeaibo-reticulato. Linn.Sijfl. Nat.) --------j Deeze Westindijche, uit het kabinet van
den Sweedfchen Heer de Geer, heeft-het Liiflangwer-
pig, van geftaite als een Heilboth, De Schubben heb- ben iedereen witte winkelhaak, 't welk de koleur zich netswij^e doet vertoonen. Twee groote Vojrtanden heeft de Visch boven, vier onder in de Bek. De Rugvin beflaat bijna de langte van degebeeleRug, hebbende 20 Straalen, waar van negen gedoomd zijn; de Borst- vinnen hebben er 12, de Buikvinnen 6, de Aarsvin 16. Van-deeze drie laatffen is, in ieder Vin, één ftijf been- tje. De Staartvin heeft 14 Straalen. XXII, Galileefche Zee- Braafem ; Sparus galilann. HjJS-
sei.Q. Itin. 343 n. 16.; (Sparus cauda intégra , corpore fupra virescenie. fubtus alio. Linn. Sijft.Nat.) De Heer Hasselquist heeft den gemelden bijnaam gegeeven aan een zoort van Zee-Braafem, die hedendaags in het meïr Genezareth, in Galiiasa , gevonden word; des het zeer waarfçhijnlijk is, dat de wonderbaare viscbvangst, waarvan: in het vijfde kapittel van't Evangelium van Lu- kas word gewaagd , uit zodanige Visfchen beftaan hebbe; zo LrNNjEUS aanmerkt. De Galileefche Zee-Braafem is booger dan breed; bij
heeft den Kopzeer fteil afioopende, de Snoet kort, de
" . Bo»
|
|||||
|
ZEE.
Bovenkaak langst ; de gaaping van den Bek klein ; de
Kaaken digt bezet met kleine Tandjes; het Gehemelte en de "Tong glad ; de Oogen groot met geele kringen. De Sehubben zijn breed, effen, en loszittende; de Kieu- wêridekzelen gefcimbd ; in bet Kieuwen vlies vijf draaien. 't Getal der Beentjes van de Rugvin is 31, waar onder ze- ventien gedoomde; in de Borstvinnen vind men er II, in de Buik vinnen 7, in de Aarsvin 15, waar van de drie voorden doornagtig; in de Staartvin 20. De Staart was aan 't end gelijk; de koleur vanden Kop, Rug, en de A'arsvin groen , van de zijden zilveragtig; aan den Buik en de Vinnen nagenoeg wit; de langte eenfpan en twee duimen , de breedte een halve fpan. Gemelde Doktor befchrijft nog een Zee-Braafem, dis
van de Egijptenaars Girelk gehetetfword. M oog'! ijk zal Hét deezen zijn, door welken de overftrooming van de Nijl word aangekondigd; want men vangt hem in die rivier. De geftalte fchijnt weinig van de andere Ze«- Jsràafems te verfchillen, maar in de Vinnen had hij, zo véelikzie, geen gedoomde Straalen. De koleur was, aan den Kop, ten deele zwart-, ten deele geel; op de Rug zwartagtig bruin; op'de Zijden, dan een blaauwe ftreep, dan een geele, en daar onder wederzijds een zwarte vlak. Gemelde blaauwe ftreep, aan de Rug, was in blaauwefpitfen verdeeld, die beurtlings tegenover degenen kwamen, welken men onder de zijaftreep vond. De halve Zijden'en de Buik waren wit; de Staart bruin en geel gemengeld; de Vinnen witagtig, bebalve dat het tweede beentje van de Rugvin een roode tip had. Van de grootte vind ik niets gemeld. ZEE-BREMS, zie PISSEBEDDEN, n.l.pag. 2712.
ZEE) DRAAKEN,noemt de Heer M. Houttuijn in zijn Natuurlijke Hißarie, die inwooners der zee, waar toe LiNNus de geflagtnaam van Chimcera bezigt, wel- ke bij Hesiodus een drievormig Monfter betekend, dat van vooren een Leeuw, van agteren een Draak was, en in't midden een Geit; Daar Virgilius van de CM- inra fpreekt, die met vlammen was gewapend, fchijnt hij een brandende berg van Lijeie te bedoelen, aan wiens voet zich Serpenten of Draaken onthielden. Hiervan is mooglijkdie naam op dergelijke gedrochten toegepast, ge- lijk Ovidius zegt, Chimarifera Lijcia. De Kenmerken, door welken dit Schepzel van de Haai-
jen onderfcheiden word, zijn,- dat het de Luchtgaaten niet aan de zijden van den Hals beeft; dat de Bovenlip in tweeën gedeeld zij, en tweeSnijtanden, van vooren, onder en boven in de Bek. Maar twee zoorten zijn er tot dit Geflagt betrokken,
waar van de eene, met regt, den bijnaam van Gedrechte- , lijke voert. "I. Gedrochtelijke Zee-Dratik; Chimcera monflrofa; Ga- leus acanthias peregrinus Cluf. Will. Icht. 57. Raj. Pifc. 22. ; {Chimcera roflro fétus plias pertußs. Linn. Sijß. Nat ) ■ Willoughby oordeelde, dat deeze Visch 't huis te brengen ware tot de Doornhaaijen, hoe- wel hij erkent, dat dezelve merkelijk daar van verfcbil- le. Deeenigfte, die hem befcbreevenhadt, fchijnt Clu- sius te zijn, wien er een gebragt was, in de Noordzee gevangen door eenHaringvisfcher, van drie voeten lang. Deeze Visch was langwerpig van Lighaam, gelijk de Haaijen, in 't midden een omtrek hebbende van twaalf duimen; bruinagtig aschgraauw van koleur, met eenig wit daar onder gemengd; dog eerst gevangen zijnde was hij zilverkoleur geweest. Hü was kraakbeenig met een gladde Huid » hebbende den Bek breed, en een ftompe |
ZEE. 430-5
fnoef. Op de Rug zat een doorn of ftekel, zes duimen
lang, van binnen hol, aan 't end zeer fpits en fcherp. De Borstvinnen waren veel langer dan in de gewoone Haaijen. De Rugvin was,- onegaal van breedte, uit- geflrekt tot aan dat gedeelte van de Staart, daar de. zelve zeer dun begon te worden, en, ter langte van ze- ven duimen, bijna-naar een ro'.teftaart geleek. Dit iaatfte onderfcheid hem genoegza*m van den glad-
den Haaij, en doet mij vastftelien, dat het de gene zij, welken de Noorwegers Ze« Rot noemen , hoewel die een geelagtige glans heeft en daarom ook Gul-Haae of Geel- haaij , geheten word. Deszelfs Smart is langer dan de gebeeie Visch, en de vier zwemvinner,, aan den Buik, die zeer fterk zijn, kunnen zich als pooten vertoonen'. PoNTorpiDANS Natitrl. Hiß. von Norwegen. II. Th. bl. 216, 217. beeft in deeze een dubbele Schaft, en in het Wijfje twee Lijfmoeders opgemerkt, gelijk wij dit in de Haaijen ook gezien hebben. De Lever, zegt hij, in een glas op een warme plaats gezet, verfmeltvan zélf al- lengs tot een olie of balfem, die zeer voortreffelijk is om wonden te geneezen. II. Haanvisch , of Zee Draak, die defnoet van onde
ren met een omgebogen gladde lip heeft ; Callorijnchus. Gron. Muf 59. n. 130.; (Chijmera , roflro fùbtuslabre inflexo lvi. Linn. Sijß. Nat.) ----- De Heer Lin»
n«us gebruikt den bijnaam van Callorijnchus, die door
Gronovius, als een zoortnaam, aan deezen Visch ge- geeven was, en zo veel betekent als Lei-Snoet; want in 't grieksch is Kallos ook, dog zeer zeldzaam , voor Kal- laion, of de lel der Kalkoenen, gebruikt geweest. Men noemt hem, in 'tfransch, ook Demoifelle of Juffer, een naam die aan verfcheide vischjes word gegeven, welken men Madammetjes heet, van wegen hunne flerlijkheid; dat weinig hier op fchijnt te pasfen. Evenwel vind ik den Westindifchen Balans-Fisc h of Schophaaij, die niet onaartig is, genoemd Demoifelle monßrueufe. Denaam van Eléphant af Olijphant is op de Snoet zeer toepasfe» lijk. De Creolen in Amerika noemen hem Pejegallo, dat is Poiffon Cocq of Haanvisch, zo Fresi er aantekent. Klein heeft hem genoemd Indiaanfche Steur, met een Oiijphants-fnoet Deeze zonderlinge Visch komt aan de kust van Chili,
in Zuid-Amerika, voor, en word van daar, gedroogd zijnde, naar andere plaatfen verzonden. Hij heeftop de Rug een doorn of ftekel, die zo fcherp en fterk is, dat men er gebruik van maaken kan als een els, om hui» den of leder door te fteeken. DeHeer Gronovius , die hem afgebeeld heeft, had het voorwerp, lang omtrent tien duimen, gekogt uit de verzameling vanSüaA, en geeft er de volgende befchrijving van. De Visch behoort onder de Kraakbeenvlerken ; hij is
langwerpig, hooger dan breed, ongefcbubd, glad, zü- verkoleurig; aan de rug en zijden met een weerfcbijrt van goud. De Rug, die fchuins afloopt, is voor enag- ter; de nveede 'Rugvin wederzijds, met een rij van klef* ne flekeltjes gewapend. De eerfte Rugvin, kort agter den Kop, driehoekig, is uit kraakbeenige Beentjes za. mengefteld, behalve het voorfte, dat allergrootst, dik en beenig is, zeer fcherp en (lijf van punt, hebbende aan de agter-zijde twee rijen doorntjes. Voorts heeft deeze Visch de Rugvinnen zeer groot, dog de Buikvin- nen klein, en geen Aarsvin. De Staart, die van onde» ren en van boven gevind is, loopt zeer fcherp uit. Omtrent bet aartige geftel van de Snoet, merktdeeze
Heer aan, dat dezelve, als 't ware, uit twee deeïen be» ftaat,
|
|||||
|
43oô" ZEE.
ftaat. D;_ ylsifciirife huid van den Kop:, :flaartfe!ijk, 'die
als met naaden is geftreept, verfangt zich ruim een half duim, en verbreed allengs, zijnde aan 't end zeer za- mengedrukt, en van onderen met veele tusfch.enhuidfe gaatjes dooi boord. Hier aan hecht zich, overdwars, een ander deel, dat ook vliezig is, van onderenbieeder en uitgegulpt, van boven (maller. DeBek, kortonder de Snoet, heeft vleezige lippen , welker onderfte, die langer en breeder is, als de Visch.den. bek fluit, debo- yenfte bedekt. Hij heeft maar een lucht- of kieuwen- gat, klein van opening, onder aan den Kop, wederzijds, kort-voor de Borstvinnen geplaatst. Tanden, of liever rauwe knobbeltjes, zijn er in de beide Kaaken. De Neusgaten, voor in de Kop, onder de Snoet , zijn breed van openingen de Oogen taamelijk groot, over- langs ovaal. ' ZEE-DRAAKJES is een Visfchen-Geflagt in Oostin-
dien te huis hooiende, 't welk tot kenmerken heeft,aan den Kop een Snoet die terugtiekbaar is, met de Boven» kaak getand, onder een degenvormige, ftreepswijze, wederzijds zaagagtige Bek ; de opening der Kieuwen is voor de Botstvinnen; de Buikvinnen ftaan aan den Buik; het Lijf is, door inkervingen, in geledingen verdeeld en t'eenemaal bekleed met beenige plaaten. Dit laatfie doet er, door Gronovius, thansdennaam
aan geeven van Calaphraäus, dat is t'eenemaal geharnast Vischje. Om die zelfde reden was deeze naam aan den Harnasman, een zoort van Knorhaanen, gegeeven. De vermaarde Hoogleeraar Ruysch had hetzelve genoemd, Ambons, vliegend beenig en bultig Vischken, met een zaagswij! fnuitjen. De geftalte is inderdaad zeer zonderling, geevende
de Borstvinnen, die zeer groot zijn, er een zoort van vlerken aan, volkomen gelijkende naar degenen, die men aan de Draaken gewoon is toe te fchrijven. Zij beftaan, ieder, uit 10 kromme Beentjes, dooreen vlies te zamen gevoegd, en met fcherpe fpitfe punten daar buiten uitfteekende, even als vogel-klaauwen. De Buik vinnen zijn zeer dun en vezelagtig. In deeze vond on- ze landsman maar i beentje, dog in een voorwerp, dat men in Sweeden heeft, zijn er 2 beentjes in geteld, en s in de Rugvin , waar Gronovius flegts 4 in vondt. DeStaartvin, van 7 Straalen, fchijnt door zijn Ed. niet geteld te zijn. ZEE-DRU1F in hetlatijn Uva marina, is een bloede-
loos Zee-diertje, eigenlijk onder het gefragt der Slakken behoorende. Het zelve is langwerpig van gedaante, wanfchaapen, en ten eénemaalen bedekt met roode en blaauwe blaasjes die eenigzins na druiven gelijken. Dit Diertje beweegt zich buitengemeen langzaam ; het heeft even als de Slak twee horentjes op den Kop. en bet word nu en dan eens aan de ftra'nden der zee gevonden. ZEEDUIVELEN, is een geflagt van Zeedieren dht
in 't latijn den naam van Lophius draagt, we!keARTEDi afleid van de vinagtige uitftekken of bijhtangzels. weiken deeze Visch aan alle zijden heeft; want Lophia bete- kent, in 'tgrieksch, kamswijze of borftelige verheven- heden op de nek der Dieren, tot aan de rug toe. De Kenmerken van dit Geflagt zijn, enkele lucht- of
kieuwgaten agter de Armen ; dewijl deeze Visfchen zich als ge-armd verwonen, en de Borstvinnen hebben aan de armen zittende. De Heer Gronovius fteltze, gelijk Arteoi had gedaan, nog in de rang der geenen die hij noemt Branchioflegi. , 't Getal dei zoorcen.van dit Geflagt is, bij den Heer |
|||||
|
ZEE.
'JiiNXMüs i'totdrfegebragt; waar onder eer) eurcpiiche;,' i
en twee der;warmer luchtttreeken:zijn. ' I. Hoofenbek, of Zee-Duivel die platagtig is met een
rondefnoet; Rana piscatrix. Charl. Onom 109. Ülas, Muf. 37.; Lophius ore cirrefo. Art. Gm, 63. Sijn. 87. j {Lophius depresjus, capite rotundato. LittN.Sijß. Nat.) Zie HOOSE-NBEK. ; -- JI. Kikvorsch-Visch, of Zee-Duivel die platagtig is, ,
met een langwerpige Snoet ; ; Rana piscatrix americana. 'Seb. Mpf. L p. 118.," Lophius fronte unicorni. Arted. iSyu.SS.i (Lophius depresfus, capiteroßrato. Lisn. Sijfi. Nat.) -
JVater-Vledermuis mögt heeten, volgens Ray. Seba.
noemt hem Zee-Pad of Zee-Kikvorsch van Kurasfauw. De Brafiliaanfche naam, welken erMARCGRAAFaantoe. fchrijft, is Guacucuja. Kikvorsch-Visch, met den Kop als een ploeg-ijzer gehoornd, had Klein hem getijteld. De Geftalte zweemt zeer naar die van onzen Zee-Dui- vel f, zo de Heer Gkonovi os, die hem op de veiling van Seea's Kabinetten gekogt had, aanmerkt. Hetzelfde blijkt ook uit "dp afbeelding, welke er van in 't werk v,an Sera is te vinden. Bebalven den fcherpen Bek, en den hoorn voor op de Snoet, vindt men er evenwel ook dit verfchil in, dat het Lijf, in deeze, geheel be- zet is met een zoort van puntige doornen. Zij dienen tot geen fpijze, om dat er weinig Visch aan is, zijnde meest een harde beenagtigheid. De koleurisopdeRug geelagtig bruin, aan den Buik hoogrood, op de zijden "zwart geftippeld, volgens Ra ij. DeHeer Lihnäus geeft, in dit Geflagt van Visfchen,
gelijk in alle de volgende, zo veel zijn Hoog Edele er geteld heeft, de getalen op van debeenties, die er in de Vinnen zijn. Onze Europifche Zee-Duivel of H»o- fen-Bek heeft er, zegt hij, in de Rugvin 10, in de Borst- vinnen 24, .in. de Buikvinnen 5 in de Aarsvin o, in de Staartvin 8," de Westindifche Zee-Duivel, heeft in ds Rugvin s, in de Borstvinnen 10, in de Buikvinnen 6, in de -Aarsvin o, in de Staartvin 15 Beentjes. Grono- viys,merkt aan, dat deAarsvin, indeeze, eveneens als in de voorgaande is. ; Thans word een Westindifche Zee- Duivel door hem befchreeven, die van deezen merkelijk verfchile'. "..■.■ 111. Kroosvischje of Zee-Duivel die zamengedrukt is van
lijf; Lophtus tnmidus. Osb. It, 305. j Guaperua. Marc- gr. Braf. 150.; {Lophius compresjus. Link. Sijfi. Nat.) __ Dse/.e, die bij de Schrijvers voorkomt onder den
naam van Balijles, word in Braiil Guaperua geheten en
de Engelfchen noemenze dmerikaanfche Pad-V isch. Klein noemt hem Betrachus of Ktkvorseb meteen Hoorn- tje op 't Voorhoofd, of ook Kikvorsen die week is, van koleurfjerlijk met bruine vlakken gemarmerd op een witten grond, hebbende den Bek klein en oud wijfs-agtig, met gefnaze!deftekelngtij.;eb;jbarjgzels. Gronovius had hem befchreeven onder den naam van Balifles, dieonge- fchubd is, gehaard, veeltandig, met twee ftekels op de Rug; de Buikvinnen van elkander afgezonderd en weer loos^ Valentyn geeft er den naam aan, van Sam* bia'Viich. Drie verfeheidenheden, van dergelijke Vischjes, ge
naamd Visch- Kikvorsch óf Ameiikaanfche Zee-P'ad, zijn bij Seba, onder den voorgaanden, afgebeeld, welken Klein altemaal betrekt tot het gezin van Batrachus. -Men vindze in de Kroos-zee, tusfehen Afrika en Ame- rika, als ook ifi de'lndifche zee; 't welk er ons thons den naam van Kroos-Fisc hies aan doet geeven. Som-
|
|||||
|
ZEE.
; Sommigen hebben op de Rug twee, anderen drie Vin-
nen, wanneer men den Hoorn, die op den Kop is, me- de telt. LïNSJÉvs fchrijft aan deeze i, i, 12, aan de Borstvinnen 10, aan de Buikvinnen 5, aan de Aarsvin 7, aan de Staartvin 10 Beentjes tóe. Deeze Vischjes ziijn niet groot ; men vind er zelden van vier duimen lang. Hunne Borstvinnen zijn eenigermaate ook zo gearmd, als inde Europifche Zee-Duivel, en zij zijn, gelijk de andere kraakbeenige Visfchen, ongeftbtibd, hebbende de Huid boven pp 't Lijf ruuw, aan den Buik zagt. Zij kunnen de Rob fterk uitzetten, en dan zijnze bijna zo rond en dik als de Ophlaazertjes, zo genaamd. Anders- zjns zweemt de ge/lalte, wegens de platheid der Zijden, meer naar die van den Koekkoek-Visch . ZEE-EEND, zie EENDEN. ZEE.EENHOORN, is het zelfde Dier 't welk op
EENHOORN-VISCH is befcbreeven, zie aldaar. ZEE-EGELTJE , zie EGEL-VISSCHEN , n. I. ZEE-ENGEL, zie HAAIJEN, n. IV. pag. 992. ZEEF, zie CRIBRÜM. ZEEF-B1JE, zie WESPEN, n. Vt. pag. 4155. ZEE-FAISANT, zie EENDEN, n. XIX. pag. 588. ZEE-FLESCH, zie STEKELBUIKEN, n.V.p 3538. ZEEF-POOT, zie WESPEN, n. VI.pag, 4155. ZEEFSGEWIJS-BEEN, in het latijn Oscribrofum,
ook Ethnoidesen Osfpongiofum genoemd, is een been van het Bekkeneel, welke deeze naam diaagt, om dat het in '6-' midden met veeie gaten even ais een zeef is doorboort. ZEE-GARNAAL , zie GARNAAT, ZEEGE, zieRHEE. ZEE-GIER, zie FREGAT-VOGEL. ZEE-GRAS, zie GRAS. ZEE-GROEN ook Céladon genoemt, is de naam wel-
ke men aan eene koleiir geeft, die groen is op het wit« te trekkende, ZEE-HAAGDIS, zie SCHINK. ZEE-HAANEN, inhet latijn Trigld, is de naam van het Visfcben-Geflagt , dat men doörgaaans Vliegende Visfchen noemt, en waar van de Kenmerken beftaan in een geharnaste Kop met ruuwe ftreepen; het Kieuwen- vlies met zeven draaien en losfe Vingeren aan de Borst» vinnen. Tusfchen de Borst- en Buikvinnen vondt men wederzijds twee en zomtijds drie enkelde, elsvormige, gewrichte Beentjes , die zich nederwaards ombuigen,- in .zommige zooïtën 'is een waare vin aan de Borst vinnen gehegt, zegt G'sonovids. 't Getal der zoorten, die zijn'Ed. befcbrijft, ismaar
vier, terwijl Likn^us er agt heeft opgetekend. 'I. Geharnaste Zee-Haan; Trigla cataphraQa ; Trigla.
'chris plurimis, corpore otlogono. Abt. Gen. 46. Sijn. 75. (Trigla digitis geminis, roflro fuf'cato l'ongato, corpore 1 Uricata Linn- Sijß. Nat.). Deeze zöort onthoudt zich in de middelandfche zee, dog komt op zommige plaat- zen meer dan elders voor. De'Visch vertoont zich,in de eerfie opflag, agtkantig, dog bij naauwkeurig onder- zoek blijkt, dat de bovenfte en onderfle rij van Door- nen niet dubbeld maar enkeld zijn, en dan is hij flegts zeskantig. Zijn geftalte zweemt veel naar die van een Steur; maar de Kop loopt in twee hoornen uit, en de koleur is bleek rood, hebbende de Oogkringen een goudglans. In de Rugvin van deezen zijn geteld 27, in de Borstvinnen'ïsf, in de Buikvinnen 6", in de Aars- vin 20, in de Staartvin 10, en in het Kieuwenvlies 7, Beenties. De Buikvinnen zijn gehecht aan de Borstvin- VII Deel. |
ZEE. 4307
nen; men vindt veeie baardjes aan de Onderlip; de Bek
is tandeloos. Op den Kop heeft hij veeie ftekels, en aan de Borstvinnen zijn twee gewrichte bijhangzels , 't welk hem genoegzaam onderfcheidt van zijne mede- zoorten. II. Pieper ; Lijra prior. Wtll. p. 282.; Trigla roßrs
longo diacantho, naiibus tubuloßs. Art Gen. 46. Sijn. 74.; {Trigla digitis ternis ,naribus tubulofis. Link. Sijß. Nat.) Deeze is de eerfte zoort van Lijra der Autheu- ren, welke de Genueezen Organie noemen , endeFran- fchen Rouget, zo Artedi getuigt. De Engelfchen van Cornwall geeven erden naam aan van the Piper, dat is de fluitfpeelder of pieper, om dat hij, uit'het water genoomen wordende, ©en piepend geluid maakt, dat onder de Visfchen zeer ongemeen is. Den naam van Lier hebben de Ouden aan deeze Visfchen gegeeven , wegens de vorkagtigheid van de zoort. Zij zijn zeer fmaakelijk tot fpijze en zeer gezond. Zie hier hoe Willoughby deezen Pieper befchrijft.
In een Visch van vijftienen een half duim lang, was de voorde Rugvin, met tien doornen omtuind, van het end der Snoet vijf duimen af; de Kteuw- zo wel als ds Buikvin drie en een vierde, de Aarsvin zeven duimen. In de Rugvin waren 18 buigzaame beenties, in de Buikvinnen 6, waar van het eerst fterk gedoomd; in de Aarsvin ió, waar van insgelijks het eerfie doornag- tig. De beenige plaat, die den Kop van boven bedekt, is aan het Agterboofd tweehoornig ; loopende ieder hoorn in een fcherpe doorn uit. Het kanaal, op de Rug-in- gegroefd , daar de Rugvin uit opgroeit, is wederzijds met een ruuwe ftreep bepaald, beftaande uit 20" door- nen. Aan de Kieuwen heeft hij, wederzijds, drie Baardjes, als vingeren. De Oogen zijn groot en met de gemeene huid overtoogen; de Neusgaten met kleine ronde buisjes uitpuilende, gelijk in de Vogel, die Koe-k- koek genoemd wordt. Ken weinig hooger zijn evenwel ook iwee andere gaten. De Kaaken heeft hij meer ruuw dan getand,en onder zowel als boven in de Bek , twes oneffen knobbeltjes. De zwemblaas is bij uitflekgrooc en niet van één gefcheiden ; de Lever klein. In de Rob werden Krabbetjes gevonden. De langde beentjes der Kieüwvir.nen ftrekten zich vier en een half duim uit ,* op ieder zijde werden geteld 70 rtippen. De Staart van den Visch was rond, gelijk ook het midden van de Rug; de Buik, Buikvinnen en zijden, waaren wit. III. Knorhaan; Gurnardus; Gornatus five Gurnardus
grij'eus. Will. p. 279.; Trigla varia rafiri diacantho, aculeis geminis ad utrumque oculum. Art. Gen. 4.6. Sijn. 4.7.; (Trigla digitis ternis, darf o maculis nigris rubris- que, Ljnn. Sijß.Nat.) Gevlakte, met eentweedoor- nige Snoet, en twee ftekels aan ieder Oog, hadt Ar- tedi deezen getijteld. Het is de Koskkoek-Visch-, ge- naamd graauwe Gurnard der Cornwalleren , anders ook Gournet of Gournard getijteld. De eerftgemelde naam zou van het geluid , dat hij met de netten gevangen wor- dende maakt, afkomftig zijn, en de andere mooglijkvan zijn knorren, weshalven hem de onzen Knorhaan noe« men. Het zoude eigentlijk Korlman moeten zijn , de- wijl het geluid, dat hij geeft, meest overeenkomt met korren , kirren , of met het woord curre-, zo Wijl- i.oughby aanteekent. ,, Men vind deeïe zoort bij geval onder de Knor.
haanen, die men bij duizenden in de fomer vangt en ■ te Leiden ter markt brengt, alwaar zij gegeeten wor- den van de arme Menfchen." Dus worden zij onder- Z z z ïcheide«
|
|||||
|
ZEE.
|
|||||||||
|
43C8 ZEE.
|
|||||||||
|
Nat.) Deeze wordt alleenlijk door de ongedoornd-
heid van de zijdflreep en de breede awartagtige Borst- vinnen., van de voorgaande of liever van dederde zoort ondérfcheiden door den Heer Gronovius, De Ouden noemden hem Milvus of Lucerna; welke eerde naam daar van afkomftig febijnt te zijn, dat zijne Borstvinnen zich gelijk de Vlerken van een Kuikendief of Wouw vertoonen, of dat hij zelfs, uit het water fpringende, daar mede, een end weegs, in de lucht zweeft. Lu- cerna zal hij zekerlijk genoemd zijn, om dat zijn Ge- hemelte en Tong,in roodheid, bijna het fchoonfte ver- miljoen overtreffen, geevende bij nagt een vuuriglicht, als een kaars of fakkel. Men noemt hem te. Napels en op Sicilië Cocco, in Ligurie Organa, te Marfellle Gal* line, VI. Zwaluw-Visch ; Hirunda. Willugb. p. 280.;
Trigla capite aculeato, appendicibus utrinque tribus ad pinnaspe&orales. Art. Gen. 44. Sijn. 73.; (Trigla di' gitis ternis, linea laterali aculeata. Linn. Sijfl. Nat.) ~ De Heer Gronovius oordeelt, dat deeze ook tot de voorgaande zoort te betrekken zij, niettegen- ftaande de gedoorndheid van de zijdflreep. Zommigen hebben deezen Corvus of Raaf, anderen Hirundo of Zwaluw geheeten. De Engelichen, in Cornwall.noe. men hem Tubfish, en die van Rome Capes«, wegens de grootheid van zijn Kop. Klein tijtelthem Corijflion, die dik van Buik is, hebbende den Kop enkeld en ge- tand; behalve de Vlerken twee keelvinnen, met aan- hangsels van drie vingeren; een Buikvin die lang is, ' ■■ ■ en twee Rugvinnen. 't Is een gemeene Visch in de west ér Oceaari, die
van de noordfche volkeren Knorhaan en Knoding, ook zomtijds, naar't fchijnt, wel vliegende ? isch geheeten word. Die zoort zou dat vischje kunnen zijn, waar van men getuigt, dat het, uit het water gehaald worden» de met den hengel, bromt en fnorkt; want de Visch, in Noorwegen Reinald genaamd, doet zulks wel een half uur lang, daar na. Van deezen Knurrhahn was aan den Heer Pontoppidans bericht, dat die een half elle bng zij, met een Kop als een Snoek, hebbende het Lijf rood, meteen fcherpe huid overwogen, zodaanig dat men daar mede metaal en hout kan polijilen, even als met haaijenvel. Het Vischje , genaamd Aaskiar- Niet, op Sundmoer gevangen, was een vierendeel elle lang, en van Icoleur bruin en witagtig. Mooglijk zal dit een andere zoort van Zeehaanen zijn geweess. Linn/eus geeft vanden Sweedfchen Knorhaan dèvo!»
gende befchrijving. Dezelfde heeft, zegt zijn Ed. den Kop vierkant, aschgraauw, met ruuwe (lippen op ver- fchillende wijze geflreept,' de Bovenlip uitgerand, van boven glad, wederzijds met drie doornen gewapend, waar van de voorde langst is ; het Ooghol aan de bo« venkant weg, de Kringen blaauw; drie Baardjes tusfehen de Buik» en Borstvinnen, die geknot, egaal, gewricht, korter dan de onderden zijn, en krom worden als zij van het Lijf afgaan. De Buik is zilverkoleur, de Rug aschgraauw, de Zijden beneden de Zijdflreep met klei- ne wi'agtige en bleekroode vlakjes befprengd, boven die ftreep met groenagtig.witte Stippen., De Zijddreep is ruuw, wegens beenagtige punten die uitfleeken, en wit- agtig. Het Kieuwenvlies beeft zeven draalen. De Zwemblaas heeft van vooren twee kwabben. Gevangen zijnde maakt dit Vischje een gemor in de Buik, en trilt als het derft. Volgens de tellingen in Sweeden hadt deeze ïn de voorde
|
|||||||||
|
fcbeiden van de Knorhaanen, die de voorige, zoort zijn
zouden, van welken elders wederom de Heer Gbono- Vius, onderde Nederlandfche. Visfchen, ■ geen gewag maakt ; noemende deeze derde zoort, in 't bijzonder, Knorhaan. Bij den Heer 3aster heet dezelve F oen. Thans geeft de Heer Gronovius een zoort op van TrU gla, die de Rug aan de Vinnen gekield en ruuw heeft, de zijdftreep oneffen, hopende dubbeld uit in de geknotte Staart, de Borstvinnen witachtig. Tot deeze betrekt zijn Ed. de gemelde van Arte'di , welke de graauwe Gur- nard is der Engelfchen en onze Knorhaan. Deeze komt menigvuldig voor, aan de kusten der zui-
delijke dcelen van GrootBrittannie. Hij heeft, gelijk de meesten van dit Geflagt, den Kop groot, met bee- nige plaaten gedekt, dog niet zo dooraagtig als de an- deren; de Snoet is tweehoornig, de Bek wijd, met kleine tandjes aan de Kaaken,'t Gehemelte en de Tong, bezet ; de Oogen zijn groot met zilverkoleurige krin- gen. "Het Lijf wordt, Van den Kop af,allengs fmaller. De zijdflreep is verhevener en ruuwer dan in de ande- re zoorten. Op de Rug is dekoleur donker groen, met zwarte vlakken zomtijds, met geele of vvitagtige flip- pen altoos gefprenkeid. IV. Koekkock-Visch; Cucuius. Will, p, 28r. , Trigla
tota rubens, roßro pat um hicorni, opercülis :branchiarum flriatis. Art. Gen. 48, Sijn. 741.; (Trigla digitis ter- nis, linea laterali mutica. Link. Sijfl. Nat. ■■ Dit is de Koekkoek der Auiheuren, aldus genaamd, of we- gens de buisagtige Neusgaten, of wegens zijn geluid. Het een en andere heeft hij met de voorgaanden gemeen, en hij wordt ook, om de zelfde reden als zij, Lier ge- heeten. Zelfs merkt de Heer Gronovius hem aan als een verfcbeidenheid van onze Knorhaanen, en betrekt er toe den gefl reep ten Gurnard der Engelfchen, daar Ray de afaeelding van gegeeven heeft. In de tellingen der Vinftraalen, inderdaad, is tusfehen de derde, vierde, vijfde en zesde zoorten van dit Geflagt, zeer weinig verfchil. In ds voorde Rugvin van deaze waren 9, In de agterfte 16 of 17, dn de Borstvinnen 10 of 11, in de Buikvinnen 6, in de Aarsvin is of 16, en in die van de Staart 13 Beentjes. Gronovius heeft er, in onze Knorhaanen geteld, in de Rugvinnen 8, 18, in de Borstvinnen 10, in de Buikvinnen 6, in de Aarsvin 17, én 15 in de Staartvin. Deeze, dien men in Frankrijk Morrude, in Engeland
de roode- Knorhaan of Rotchtt noemt, wordt aldaar, wegens de voorgemelde ei^enfehappen, onder de beste Visfchen voor den tafel gerekend. Men vindt hem niet alleen daar, maar ook in de Middelandfcbe zee en in de Oceaan, volgens Linnjeus. Ik heb, derhalve, uitde meergemelde verzaameling van den Heer Profesfor J. JlunMANNüs, hier de afbeelding ingevoegd van een kaap- fchen Visch, die tot dit Geflagt behoort. Dezelve is, volgens de tekening, geheel rood, behalve aan den Buik, die witagtig is. De Vinnen zijn bleek geel,uit- genoomen de Borstvinncn, welker koleur is groenagtig, aan 't end blaauw, en aan deééne zijde met een zwart- artige vlak, die met witagtige plekjes is gefprenkeid. Wen ziet daar in duidelijk, dat de Snoet een weinig tweehoornig is, en'dat de Kieuwendekzelen geflreept zijn; gelijk Artedi van deeze'zoort getuigt V. Poon; LucerAa Vtnatonim- Will. p. 281.: Trim
pila roßro parum bifida, linea laterali ad caudam bifurca.
Art, Gen. 45.: Sijn. 73.; (Trigla diçiîis t;rnis, roflro
fubbifido, linea laterali ad caudam bifida, hm®. Sijfl.
|
|||||||||
|
ZEE. -4309
|
|||||||||||
|
ZEE.
|
|||||||||||
|
voorde Rugvin7, in de agterde 19, in de Borstvinnen
p, in de Buikvinnen 6, in de Aars vin i8, en in de Staartvin 11 n>aa!en. ^'.VIL Otstindifchi Zee Haan', Trigla afiatica; (Trigla
ügitis quaternis. Lwn. Süß. Ntt.") Deeze zoort van Zeehaan, in de Jndifche zee gevangen, heeft het Lijf effen of ongedoornd, fpilrondagtig en zilverkoleur; de Neus of Snoet uttftekendc en effen , den Bek van bin- nen ruuw, de voorde Dekzelen getand.de Borst vinnen zeisfenvormig. 'In de voorde Rugvin van deeze waren 7 draaien,
van welken één gedoomd, inde ageerde 16, in deBorts- vinnen 18, in de Buikvinnen 6, in de Aars vin 17 en in de Staartvin 18 draalen. VIII. Fliegende Fisch; Piscisvolitans; Milvus. Will.
f. 283.; Trigla capite partim aculeato, pinnula fingulari &i pinnas peüorales. Arted. Gen. 44. Sijn. 73.; (Trigla digitis vicenis palmatis. LiKtr. Sijfl. Nat.) de Autheuren heet deeze Visch Mihus of de Kuiken* êiéf, hoewel zommigen hem ook Zwaluw noemen. Hij heeft, inderdaad, in zijne geftalte, of gelaat en houding iets, 't welk naargedagten Roofvogel zweemt; weshal- ve hem ook die van Maltha en Sicilië Falcone noemen, dfl Spaanfchen ^'olador. Bij de zeevaarenden, in 'c al. gemeen, is hij bekend onder den naam van vliegende Visch, in 't engejschfiijing Fish, in 't fransen, PoiJJon volant. Deeze is, volgens het getuigenis der Schrijveren de
grootfte, en, zo het mij toefchijnt, de gemeende on- derde vliegende Visfchen, die zich niet alleen in de Middelandfche zee,, maar ook in de Oceaan, tusfehent de keerkringen., zo van de Oost- als Westindien, en voornaamelijk omftreeks de Kaap der Goede Hoope ont- houden. Aldaar ziet men ze bij geheele fchoolen, van honderden of, zo zommigen getuigen ,vwel van duizend te gelijk, boven het water zweeven. Dit vliegen, eg- ter, duürtmiet lang, want hunne wieken droog wor- dende, begeeven zij zich weerte water. Zij komen in- zonderheid bij nagt, dik wils op de fchepen neerftrijken en verftrekken dan tot fpijze. Op de gemelde Eilanden, in de Middelandfche zee, vindt men ze zelfs te koop, go-V^iJUböüOBY getuigt. Degeene, dien hij befchrijft, was drie vierden van
een voet lang, en die, welken de Heer Gronovius zo omftandig affchetde, hadt de langte van een voet. Ook getuigt Chaileton, dat zij nooit de grootte van ander half voet te boven gaat. De vliegende Visch, dien ik gedroogd heb, (zegt de Hr. M- Houttuyn in zijne keurlijke A/af. Hifi.), Is Juist anderhalven rijnland- fchen, voet lang, met eene dikte van drie duimen: zijne Borstvinnen of vlerken zijn drie duimen lang en vijf duimen breed. Zijn Kop beeft van agteren vier fterke ftijve fpitze uitftekken, waar van flegts twee in de af- beelding zich vertoonen , dewijl de andere om laag zit- tende, door de Vlerken bedekt worden. De figuur v.an 't Lijf is langwerpig'fpilrond, naar ag-
teren fpits loopende, met den Kop breed, plat en tus« fchen de Oogen hol, zijnde gedekt met een beenige fchulp , van verfcbeiderlei koleuren , geelagtig blaauw en donker paarsch. Het geheele Lijfis, bedekt met har- de, ruuwe Schubben ,waar van ieder in 't midden hoog op loopt, maskerde dus elke rij zo veele evenwijdige flreepen , van den Kop tot aan de Staart (trekkende. De Kieuwendtkzels hebben, geliik de Kop van agteren, ieder «en fterken ftijven doorn. Op de Rug was de |
koleur bruin, aan den Buik zilveragtig. De Vlerken
waren donker olijfkoleur, bieren daar met blaair.vagti- ge ftreepjes en vlakken getekend. Dat de Beentjes der Borstvinnen en der Buikvinnen
niet getakt zijn, onderfcheidc deezen genoegzaam van de Koekkoeken en Zee.zwaluwen , zo Willoughby aanmerkt. Hij vondt in dezelven 27 of 28 beentjes', waar van de vier voorden kort, de vijftien volgende lang, en de overigen weder kort waren, en voor de- zelven ging een vinnetje van 6 draalen. In de Vler- ken van den mijnen tel ik ruim 20 Beentjes; 't welk bijna overeenkomt met de Kenmerken, die onze Autheuï opgeeft. De Heer Gronovius hadt er 19 gevonden in de Wieken van het voorwerp dat hij befchrijft, 't welk in de voorde Rugvin 6, in de agterfte H draalen, inde Buikvinnen 5, in de Aarsvin 6 en 18 Beentjes in de StaJitvin hadt; alles weinig verfchillende met detelling van Willoughby. ZEE-HAAS, zie SNOTTOLFEN, n. r. p. 3434.
ZEE-HOENERBEET, zie HOENERBEET. ZEE-HOND , is de naam van een verflindend Zeedier, onder het geflagt der Haaijen beboorende, die men in 't engelsch Shark ofSea-fhund, in 't fransch Requin, en Ln 't latijn Galeus noemt; CarJs Gallus. Will, lehn, 51.; Squalus galeus, ntribus ori vicinis, fcraminibus a£ oo'jles. Art. Gen. 68- n. 9. De naam van 'Lec-Hond fchijnt aan deeze Dieren ge-
geeven te zijn van wegens de doutbeid , waar mede zij niet alleen andere Visfchen maar zelfs den Mensch aan- doen, bijten en verfeheuren. De verflindendheld is het eigen kenmerk der Haaijen, die de fchepen, door den atlantifeben oceaan, tusfehen Afrika en Amerika, vaa- rende, fteeds navolgen, om te aazen op het geen van vlçesch of visch weggeworpen wordt, en ook, waar» fchijnelijk, zomtijds wel op de lijken. Dat zij men* fchen-vleesch boven al beminnen, wordt in't algemeen bevestigd, en de droevige ervarendheid heeft zommi- gen, die in de zee zwommen, zulks met verlies vaneen arm of been geleerd. Bij Antibes in de Middelandfche zee , wedervoer dit nog een Matroos, toen hij reeds uit het water opgehaald werdt, in don jaare 1744. Zeker Schrijver verhaalt, dat de noorfche Boeren dukken va« Menfchen, welke zij ten dien einde vermoordden plag- ten te gebruiken om deeze Dieren te vangen. Ongelooflijk zou de verfiinding zijn, welke de Haal*
jen in zee aanrechten, indien de wijze Schepper de visfchen niet een middel gegeeven had om deeze Roof« dieren, die zeer fnel kunnen zwemmen, te ontkomen. Hunne Bek, naamelijk, onder aan den kop zijnde, kun- nen zij in iets dat boren hun is niet happen, zonder zich om te wenden. Men merkt ook aan, dat zij dikwils niet zeer gulzig zijn; moogelijk wanneer hun geen aas ontbreekt. Van kleine ronde Vischjes, omtrent zo groot als Sardfjrien, wordt de Haaij vergezeld, die om hem heen zwemmen, en hem de moeite niet waardig zijn om in te flokken- Indien men een duk fpek aan een touw laatnafleepen, zo kan het lang duuren eer de Haaij toebijt; ten zij men hem ophaale. Als dan valt hij er met geweld op aan, flokt het in, en , dus vast zijnde, maakt hij een fchrikkelijk geweld; tot dat men hem, n* eenigen tijd wordelens, aan boord of op 't land toaale. De Negers vangen ze ook we! op een andere manier, door naamelijk, terwijl zii naar hun bijten willen, er nder te duiken , en dan den Buik open te fnijden, zegt Las.tj dog dit fchspzel is zeer rnoejeiijk, te doodenc |
||||||||||
|
Zzz 2 de
|
|||||||||||
|
4319 ZEE,
de brokken beweegen zich nog eenigen tijd, nadat het
aan ftukken gefneeden is. In Noorwegen worden de grootfte zoort van Haaijen ook wei met harpoenen ge- lenst of gefchooten. Somtijds koomen zij onverhoeds in de netten, tot den falmvangst gezet, en gaan er me- de door, zomtijds raaken zij daarin verward,en laaten zich, door ilaan of fteeken, in onmagt brengen. Dan fleep: men ze op 't land, indien men er jets meer van hebben wil dan de lever,- anderzins neemt men die daar uit en laat het kreng in zee. Men merkt aan, dat de noordfche volkeren veel ge-
bruik maaken van de olie , welke door kooking uit de lever gehaald wordt, in plaats van vet of boter, tot hunnen Stok visch. Het vleesch van den Buik, aan ftroo- ken gefneeden en gedroogd, is, op zekere manier be- reid zijnde, ook niet onfmaakelijk; gelijk een Deensch koopman, die't zelve op Ysland gegeeten hadt.aa-i Jen Heer Martens verzekerde. De Noorwegers bakken van de eijeren, die zij in de Haaijen vinden, iekkere pannekoeken, welke zij Haakage noemen. Indien men een Wijfjes-Haai vangt, met jongen in de buik, zullen onze europifche Matroozen ook niet verzuimen, dezel- ven tot een zeegerecht te bereiden. Van het vleesch der ouden maakt men zelden veel werks, om dat het zo hard, 'taai, dor en droog, ja bijna onverteerbaar is.; dogde Negers, die zeer op 't Haaijen-vleesch verlekkerd zijn, weeten daar raad toe , door het tien of twaalf dagen te bewaaren. Om die zelfde reden komt het hun beter te pas, dan andere visch , die fchielijk bederft, en dus,drijft men daar mede, op de geheelekust van Guinée, een grooten handel binnenslands. Het brein of de hersfe« iien, die zeer blank zijn, worden, als men zegedroogd heeft, voor een geneesmiddel tegen de kolijk, het gra- veel, en tot bevordering van de kraam gehouden. Het poeijer der tanden heeft de kracht omtrent van kreefts- pogen of hertshoorn. Van de huid wordt, als gemeld is, op verfcheide manieren gebruik gemaakt. Deeze zoort heeft zomtijds de zwaarte yah honderd
ponden. Het Lijf is langwerpig en rond, gelijk in de Haaijen in 't algemeen. Drie rijen fcherpe tanden zijn er in de Bek. De koleur is op de rug bruin, van on» deren zilveragtig. Willoughbt zag er te Rome op de vischmarkt een te koop, en hem werdt te Penfance, in Cornwall, ook een toegebragt. Voorts wordt een heerlijke ontleedkundige befchrijving van eenen Man- netjes Gakus, die vier voeten lang was, en om 't mid- den des Lighaams eenen omtrek van twee voeten hadt, door Charlbton gegeeven, welke hem van Doktor En« rius was medegedeeld. Het Monfter, dat den o de- cember des jaars 1737, aan de kust van Portugal, ge- vangen werdt ; zie Europ. Mercurius van 1738. I. Deel. lladz. 85., zal mooglijk een zoort van Haaij geweest zijn. De Zee-Vos of Zee-Aap der Autheuren, die van Aa*
TEDi als een bijzonder zoort opgegeeven, en genoemd wordt, Haaij met de Staart langer dan het Lijf, vind ik door Linn-heus niet opgetekend, tiet fchijnt egter een bijzonder zoort de zijn, indien men de hefcbrijvingder Ouden gelooven mag; hoewel hij aan WiLLouoHEYnog in Italie, nog in Engeland voorgekomen is. Want niet alleen is de Kop fpitfer, maar ook het Lijf korter en dikker, dan in gewoone Haaijen, waar van hij inzon- derheid door de Staart verfchilt, welker bovenfte ge- deelte als een feisfen of fikkei is gevormd, en aan 'tend zeer dun uitloopt. Dit Jaatfte fchijnt wel naar dien |
||||||
|
ZEE»
Haaij-Vjsch, Welke men in Noorwegen SirUUaae, dat
is zwarie Haaij, noemt, te doen gelijken,- zijnde git- zwart op de rug, en aan den buik 'blaau\%van koleur. De franfche Akadëmisten hebben zulk een Visch ont-
leed, die agt en een half voet lang was, en aan den Kop twee vlerken hadt van vijftien duimen , zijnde graauwagtig bruin, en blaarjwagcig aan den buik, niet wit, gelijk het Vosje van ó'alvianus. Zij vondendaar in een zonderling maakzel van "t gedarmte. Aan den uit- gang van de maag volgde een zoort van Duodenum, vijf duimen lang, en maar een derde duims wijd; dan werdt het gedarmte verbreed, wijd tot drie duimen middelijn, ter langte van agttien duimen,, en hadt vàn onderen een glad aanbangzel, van zeven duimen, maakende den Reiïum of endeldarm. In bet bovenfte gedeelte vanden gemelden wijden darm, vond men , ter langte van der- tien duimen,,inwendig een roiddelfcbot, dat den darin: doorliep op de wijze van een flangetrek of fpiraal, ja als een wenteltrap maakte, om zo te fpreeken, wiens treeden een half duim van elkander waren, zonder mid- delftuk. Dit maakzel, begrijpt men ligt, moet veel kunnen doen tot ophouding der half verteerdefp-ijzen, in een Dier,'t welk geen ilingeringen der darmen heeft. Dit Vosje was zeer vleefchig, en men vondter, op
veele plaatzen, meer dan een duim dik fpek of vet aan. Ook vindt men bij Athjsneus verzekerd, dat die van Sijracufe den Zee-vosch, Cijna Piona of'vetten Hond, noemden, wegens de overvloed van zijn vet. Ronde« letiüs, die er een verzekert te hebben zien opfhijden, zegt, dac men er jongen in vondt, die de Visfchers meenden door den ouden te zijn verfionden ; dog hij verbeelde zich, dat dezelven er, uitfchrik, in gekroo- pen waren. In 't voortteelen en ter waerefd brengen van dezelven, komt deeze met de andere Haaijen over- een. Hij groeit ook wel bijna tot de zwaarte van hon- derd ponden, zegt Salvianus. ZEE-HORSEL, zie PISSEBEDDEN,n.ïl.p. ijï%.
ZEE-TONKERTJE, zie LIPVISSCHEN, n. XIV.
pag. 1847. ZEE-KAARTEN, in hetlatijn Mappee MjdrograpMJ
cce, zijn zodaanige Kaarten, waarin de banken , droog- ten s, eilanden, enz. der zeen, waarvan zij den fcbets uitmaaken, henevens de kusten die daar aan en nabij gelegen ziin, vertoonen. ZEE-KÀLF, zie ZEEKOE.
ZEE-KATJE, in bet latijn Piscis cornutus; Oßracion
quadrangularis, aculeis duobus in fronte £f totidem ime in ventre. Gbon. Muf. 1. n. 18.; (Oßracion tetragonus. fpinis frontalibiis fubcaudalibusqué biriis. Linn. Sijjt. Nat.) ' *..,.. Deeze zonderlinge Visch, onder hetgeflagt det Been-
visfchen behoorende, welke door zijn Jederagtige huid voor de aanranding van veelen befchut zijn, zullen bui- ten twijfel het een of ander gebruik van hunne groote fcherpe hoornen maaken; dog dat dezelven hun niet on- vermijdelijk noodig zijn; 't zij tot verweering, 't zij tot bet bejaagen van hunne prooij, is blijkbaar uit de zoor- ten van dit geflagt, aan welken die of geheel, of ten deele ontbreeken. De.ftekels of doornen bij de ftaart fchijnen niet wei anders te kunnen dienen, dan om ze in eenige ruigte of zeegewas tegen te houden; dog de ruimte en diepte van het element, waar in de Visfchen leeven , maakt, omtrent dit ftuk, een afgrond van duifterheden, daar men ligtelijk onverhoeds zich in ver» wart, met alles te willen doorgronden. ZEE«
|
||||||
|
ZEE. 2EE. 43 a
|
|||||||
|
ZEE-KERSEBOOM, zie AARDBESIE-BOOM.
ZEE-KIKVORSCH, zie KIK VORSSCHEN, ». VII. pg.1504..
. ZEEKOE, wordt van de Spanjaarden, inwooners van
'Amerika en dó Westindien Manati genoemd , om dat het iets aan 't Irgbaam heeft, dat meer naar handen zweemt dan naar pooten; dé Portugeezen geeven het den naam van Pezze Mouler of Muger, en de Franfchen die van 'Lamantin. De Amboineezen noemen het Dujung olDou jong; de inboorlingen van Guajana in Amerika, Coju- ineró, die aan de rivier der Amazoonen Pegebueij. Im- iners alle deeze naamen betekenen, volgens Aktedi, het Dier, "waar aan hij den naam geeft van Trichechus, als een Visen, die ruighaairig is over 't lijf. Linnjeus geeft het ook deezen geflagtnaam, dog den bijnaam van Manatus;en Brisson befehrijft bet onder dien van Ode' benus, welken LiifN.aéüs, aan den Walrus wegens zijne uitfteekende tanden hadt gegeeven, tot onderfcheiding' vandêJiZee-Hond; daar men egter van ooggetuigen niet gemeld vindt, dat de Mànati of Lamentin zulke uitftee- kende tanden heeft. De geleerde Has^eus is van oor deel,.dat dit de Tachasch van .Moses geweest zij, en dan zoude 'men door Dasfenvellen * Exod. 25. verf. 5. het leder of de huid van zulke Dieren te verdaan heb- ben. De Nederlanders noemen dezelven Zee-Koeijen, in overeenkomst met den naam van Buf marin oï Fa- che marine, die door de Franfchen ook aan dit Dier ge- geeven word, en niet zonder reden, dewijl het een Kop heeft naar dien van een Koe gelijkende en gras eet. 't Is waar, dat n?en dien naam ook aan de Walnisfen geeft, dog. dit gefchied meer wegens de grootte dan wegens de gelijkheid van gedaante; want hunne ronde Kop zweemt weinig naar dien van een Koebeest. De Kenmerken van dit Dier, volgens den Fleer Lin-
Nicos, zijn; dat bet geen Voortanden heeft,- dat de bovenfte hoek- of hondstanden enkeld flaan ; dat het in de onderkaak wederzijds twee Kiezen öf Maaltanden heeft, die uit een rimpelig been fpruiten'. De Lippen zijn dubbeld , en de agterpooten zaamengevoegd tot een Staartvin. De bovenlip, zegt hij, is met ftijve krom- me kneyelborftels gewapend; over 't lighaam heeft het korte haairen, niet digtaan elkander geplaatst; de Voor- pooten zijn kort, als banden, met nagels aan de vinge- ren; het heeft twee Uijers aan de borst. Het eet krui- den , laat zich temmen; heeft vermaak in 't mufiek. Het vleesch is eetbaar. Men vindt dit Dier in de Ameri- kaanfche zee. Artedi , op wiens voorgang Liknjhus de Zee-Koe te
vooren ook onder de Fisfchen, en wel onder die, wel- ker ftaarten plat leggen of horifontaa! zijn, geteld bad; befehrijft dezelve ais volgt. Dit Dier heeft de langte van tien, twaalf, veertien, vijftien voeten of meer; de breedte van zes of zeven voeten; de zwaarte van ze- ventig, tagtig, honderd of twee honderd ponden. De csmtrek van 't lighaam, in 't ronde, is omtrent agt voe- ten. De Kop is langwerpig, en gelijkt meer naar die -van een Varken, dan eenige andere. De Oogen zijn klein en het beeft kleine gaten in den kop, in plaats van ooren, de Lippen zijn groot. Twee uitfteekende Tan- den heeft het aan ieder zijde van den bek, een fpan lang en een duim dik; twee Vinnen aan de borst, zaamen» gefield uit vijf beendertjers als vingeren, die doormid- del van een vlies zaamengevoegd zijn, hebbende ieder -beentje drie geledingen, zonder datnogthans de vin zich kan zaaraentrekken. De Staart legt waterpas ; het heeft |
geen Rugvin. De Wijfjes zijn met twee ronde uijers
voorzien, tusfehen de borstvinnen geplaatst. De Teel- deelen, zo in de Mannetjes als in de Wijfjes, gelijken bijzonder naar die der Mefifchen ; als ook de Navel. De Fluid is dik, hard en bijna ondoordringbaar, dun. netjes bezet met kort bruinagtig aschgraauw haair; vol- gens Clusius met dikke en taamelijk lange haairen. Het vleesch is goed van fmaak en gezond, wit van koleur. Het Iaat zich tam maaken en fchikt zich naar de wil der Menfchen, maakendegeluid met zugteneniteenen. De Krokodil an Haaij zijn zijne vijanden liet houdt zich voorriaafnélijk in de monden der rivieren op, eetende gras en zeewier. Men vindt het op verfchcide plaatzen van Afrika, aan de roode zee, aan 't eiland Madagas- kar; bij Ce'jlon, aan de Molukkifcbe, Philippijnfche en Maldivifcbe Eilanden; als ook in de Westindien, ia de rivier der Amazoonen, in Brafil, Suriname, Peru, enz. Onder de Autheuren, welken Liknäus optelt, die
eene befchrijving en afbeelding, of de befchrijving al- leen , geeven van dit Dier, is ook Clusius , die daar van in 't breede fpreekt. ,, Eenige hollandfcbe zeelieden, (zegt deeze geleerde Naturalist, ) van de reize te rug ,, gekoomen in 't jaar iöoo, hadden uit den wester ,, oceaan met zich gebragt een walvisfehaartigen Visch van het geflagt der Robben, dog ongelijk grooter, ,, dien zij een Zee-Koe noemden, en , dewijl zij zo wel ,, het Mannetje als het Wijfje gedood hadden, had ik hetpleizier van in die jaar te Amfterdam niet alleen de geheele huid te zien van 't Mannetje, met ftroo gevuld, en aan den balk gehangen, op welke rugge door hun het jong gelegd was , dat zij ook hadden ge- vangen en met zich gebragt; maar zelfs zag ik eenige ribben van het Wijfje, met vleesch nog daar aan; want zij hadden 't op de reize gegeeten als osfen- vleesch. Op dat de evenredigheid beter zou kunnen waargenoomen worden, heb ik het jong laaten afte- kenen, naar 't eigen voorwerp, 't welk ik te Am- fterdam gezien hadt, en dat vervolgens in de gaan- derij van den akademie-tuin te Leiden werd opgehan» ,. gen. " Clusius befehrijft vervolgens de geftalte van dit Dier,'
en hij meld uitdrukkelijk, dat hetgeen agterpooten had» om mede te loopen, maar een ftaart, die zeer wanfeha- pen was , hoewel zij iets breeder wiercl aan 't end; daar het Dier , naar men zeide , zeer fne! mede zwem» men kon. De afbeelding van de Zee-Koe.bij Leguat, Voyage p. 36. moet uit de herfenen gefmeed zijn , vol- gens de figuur van 't Rivierpaard van den Nijl ; zijnde de pooten , gelijk die reiziger meldt, uit het bericht der matroozen daar aan gevoegd ; maar die van de Lamentin is beter, pag. 03 Brisson meldt wel duidelijk, dat geen Schrijver gewag maakt van de tanden van dit Dier; waar door hij waarschijnlijk op 't oog heeft die uitftee- kende tanden, waar van Leguat , als ook ARTEi>r fpreekt. De Heer Brisson heeft, zo hij meldt, nooitde Lamentin gezien, en daarom gebruikt hij de voorzig- tigheid, van niet te zeggen, welke Schrijver een goede afbeelding daar van gegeeven heeft. De Heer Klein, die aanmerkt dat Clusius ookdit
Dier nog levendig nog dood, maar alleenlijk de gevulde huid gezien beeft, trekt de befchrijving, welke deeze Natuurkenner daar van heeft gegeeven , in twijfel, ten opzigt van de pooten. Want, zegt hij, zulk een Dier zou op den oever Diet kunnes loopen om gras te eeten, Zzz 3 indiea
|
||||||
|
:43I2 <:ZÈE. :
indien het geene voorpooten had, èn de agterpooteri',
die aan de huid niet gevonden zijn, kunnen ingetrokken zijn geweest, gelijk in andere Dieren van dergelijke zoprt, of gefatfoeneerd als die der Robben, enz. Om kort te gaan, hij verbeeld zich, dat de befcbrijvingen van dit Dier, tot nog toe, zeer gebrekkelijk zijn ge- weest. RAijzegt, fchertzende, dat, zo Diogenes de Lamentin gekend had, hij geen Haan zou hebben be« hoeven de veders af te plukken, om een tweevoetig dier te hebben zonder pluimen ; dewijl dit dier daar van een voorbeeld uitlevert, zo zeldzaam in het rijk der natuure. Die duifterheden zijn, door bet onderzoek der he-
dendaagfche Reizigers, eenigermaate opgehelderd. Pa- ter Lab at verhaalt, in zijne Reizen naar de [Vestindi- fche Eilanden, dat hijgen Wijfjes Lamentin op 't ïlrand zag brengen, welke de Negers geharpoeneerd hadden. Deeze Visch, (zegt hij,) zoekt de plaatzen daar ri« vieren zijn, omdat hij een of tweemaal's daags zoet ,, water komt drinken, na dat hij zeker kruid gegee? ten heeft, 't welk op den bodem van de zee groeit ; maar hij loopt weg, zo dra hij het minftegeraas hoort; ,, want hij is zeer fchuuw, en heeft het gehoor zeer ,, fcherp, dog een flegt gezigt. De Spanjaarden noemen Manatee of Manati, 't geen wij Lamentin noemen, als een Visch die handen.heeft. Men zoude naar mijn oordeel, dit dier gevoeglijk Zee-Koe kunnen heeten; j, want ten opzigt van de keel, de uijers, de manier om jongen te werpen, en die te zoogen, heeft het veel overeenkomst met de Koebeesten. Ik mat deei ze, en bevond ze, van 't end des muils tot aan het be; gin van de ftaart, veertien voeten negen duimen lang; zijnde het lighaam, tot daar aan toe, volmaakt rond van omtrek. De Kop was groot, de Muil wijd met dikke lippen , en eenige lange ruuwe borstel» boven aan; de Oogen waren zeer klein, naar de grootte van den kop, en de Ooren fcheenen niet anders te zijn dan twee kleine gaten; de Hals is zeer dik en kort, ,, en, zonder eene kleine beweeging, die't zelve den j, kop een weinig deedt buigen, zou 't niet mooglijk ,, zijn den kop van 't lijf te onderfebeiden. Ik weet niet, hoe men den naam van voeten of handen heeft ,, kunnen geeven aan twee Vinnen , die zij een weinig beneden den hals heeft,.leggende tegen den buikaan; ,, waar van zommige Schrijvers voorgeeven , dat dit Dier zich bedient am zich langs den grond voort te fleepen. Men moet het zelve,om er dus van te fpree- ,, ken, nooit hebben gezien. Vooreerst; 't is er zeer ver van daan, dat deeze beenen of armen in ftaatzou- ,, den zijn om een zo zwaar lighaam op te houden of 5, langs de aarde te doen beweegen ; ten anderen, heb ben mij een meen igte perfoonen, inzonderheid van onze Vrijbuiters, die dikwils geen ander, beftaanheb» ben , om van te leeven, dan de Lamentin-vangst, eenftemmig verzekerd; dat nog zij,nog de Indiaanen der landengte van Darten, die zonder twijfel de be- kwaamfte visfehers zijn in de waereld, ooit de Ma- nati op 't land gezien hebben. Deeze Zwemvinnen van de Lamentin worden alleenlijk handen genoemd, ,, dewijl zij er zich van bedient om haare jongen te ,, draagen of liever vast te houden, terwijl zij ze de ,, pram geeft. Deeze vinnen zweemen zeer naar depoo» a, ten van een Schilpad; ik ontken niet, dat zii veel dik- , .ker zijn en langer, dog daar was reden toe, want het .Dier is ongelijk grooter. Of men ze poot en of han« |
.ffi
den noemen mögt, laat ik aan 't oordeel mijner lee-
zeren , ik wil 't niemand kwalijk neemen, dat hij mijne denkbeelden niet emhelze. ' De N/ijfjes.Lamentin heeft ttvee ronde uijers of
Borsten; zij waren, in dit onderwerp, zevenduimen breed, en vier duimen of daar omtrent uitpuilende, de tepel was van dikte als de duim, en rijkelijk een duim lang, De omtrek des lighaams van dit Dier was Egt voeten en twee duimen. . De Staart hadt de ge- daante van een groot palet, zijnde van 't begin tot aan het end negentien duimen lang, en omtrent vijf- tien duimen op 't breedfte, aan 't uiterfte endonge- vaar drie duimen dik. Zij geleek bijzonder naar die ijzeren plaaten, waar van men de ploegijzers maakt, wanneer dezelven eerst uit het vuur komen. De Huid is op de rug bijna zo dik als eenosfenhuid, ,, dog veel dunner onder aan den buik; zij is van ko. leur als arduinileen, bruin, grofkorrelig en ruuw, ,, met haairen van dezelfde kblèur, dun flaânde, dilj en taamelijk lang,. Men reekende dat deeze Lamen* tin agtbonderd ponden zwaar was; ik heb ze niét ge« woogen, maar op 't oog, naar ik denk, was 't er niet ver van daan. De visfehers hadden ook haar jong gekreegen , 't welk omtrent drie voeten lang was, en daar wij ons avondmaal mede deèden. Het'ftaart-end ,, had men aan 't fpit gebraaden,de,kop en het overige van het lijf waren óp verfcheiderlei wijzen toegerecht, ,, Een, met melk gemest Kalf, en deeze visch, vet' fchillen niets; 't is bet zelfde vfcesch, ten opzigt van ,, de blankheid, malschbëid en lekkerheid ; de fmaak en geur zijn één, en, indien ik den visch niet gezien had voor dat hij gefneeden en gekookt werdt, zou ik naauwlijks hebben kunnen gelooven, dat het geen vleesch ware. Ik was begeerig te weeten,. hoe men dit dier ge-
vangen mögt hébben." Een der Negers, die ertegen«
,, woordig waren, zeid mij., dat hij 't zelve hebbende
; zien te flaapen leggen aan den mond van de rivier der
Gallioenen, in allen haast zijn harpoen was gaan haa-
len, met zijne koord en lens; dewijl hij niet dan
kleine lijnen bij zich had. Het ijzer des harpoenswas
agt of negen duimen lang,-en hadt, derdehalf duim
van de punt âf, een tong ; aan 't onderfte van den
fteel was een ring, daar 't eene end van den koordof
,, touw, omtrent een vinger dik, was aangeknoopt,
hebbende aan 't ander end eën blok van wit hout,
daar men de koord had opgewonden. Dé Neger,
,, met dit tuig dan wederkoomende, en de Zee-K»e nog
ziende leggen, naderde dezelve zo ftilletjes a!s 't hem
doenlijk was, op dat zij niet wakker worden mogte.
Haar onder zijn bereik ziende, fineef hij erden har-
poen met al zijne krsgti'n, terwijl een ander Neger
,, het touw afwondt, werpende eindelijk het blok in
zee. De Visch nam, zo dra hij zich getroffen voel-
de, de ylugt ; zij volgden hem met hunne kanoo,
zwemmende, uit al hun vermogen, op het blok aan,
dat zij altijd boven watèrkonden zien en hun den weg
,, wees. Na verloop van een groot uur, befpeurden zij,
,, dat het blok niet meer voortging, en, daar uit be»
fluitende, dat het Dier moede- begon te worden en wat
rustte, zwommen zij nog Merker voort, om het blok
,, weer te krijgen, dat zij eindelijk bereikten; maaken»
,, de toen het end van het touw vooraan hun fchuitje
vast. De Harponier hieldt zich voor in 't fchuitje,
, om nog een harpoen te fchieten, indien hij ér gele-
|
||||||
|
genheid
|
|||||||
|
ZEE.
|
ZEE.
|
||||||||||
|
43î3
|
|||||||||||
|
;,';.génheid toe vond, dat zeer dikwils gebeurt ;. wijzen-
demiddelerwijl met het end va» zijne lens of piek aan den geenen , die aan 't roer zat, welken koers de Visch nam, om er regt op aan te ftuuren; want metzwein- men was 't niet meer te doen. De twee andere Ne- ,, gers gingen op den bodem van het fclniitje zitten,om het in evenwigt te houden,en tot ballast te verftrek- ken. Zo dra het Dier beweeging aan het touw voel* de, toog het weder op de vlugt, en fleepte het ka- ,j noo fneller agter zich, dan een karos die van zes paarden, opeen vollen draf, voortgetrokken vverdt. Dit bieldt het Dier nog een uur languit. Eindelijk liep het vast op een ondiepte, daar de Negers het verder met lenfen afmaakten. . Het-jong, dat geduu- rig zijn Moer gevolgd was, bleef bij haar; de Neger fchoot er zijn harpoen in,het werdt aanftonds gevan- gen en indekanoo gedaan; maar, dewijl de Oude te zwaar en groot was, bonden zij er hunne koord, aan 'r end van de ftaart, ftijf om, en maakten ze vast aan 't agterend van de kanoo, brengende betgevangen ,, Dier dus aan land, daar zij het niet zonder hulp van ,, de andere Negers op "t drooge haaien konden. " De Heer de la Condamine fpreekt er, in zijn be-
richt van de rivier der Amazoonen, op de volgende wijze van. " Jk heb te St. Paul d'Omaguaz naar de na- 'tuur afgetekend den grootften der bekende Visfcben ,; van zoet water,, waar aan de Spanjaarden en Portu- ' geezen den naam geeven van 7,ee-Koe of Os-Visch, dien men niet verwarren moet met de Rob of Zee- ,i Kalf der Ouden. Die, daar wij van fpreeken, aast op 't kruid aan de kanten van de rivier, zijn vleesch ,, en vet koomen genoegzaam met die van een Kalf over- ,, een. Het Wijfje heeft uijers daar zij haare jongen mede zoogt. Zommigen hebben de gelijkenis van dit Dier «met den Os nog volkoiriener willen maaken, door aan 't zelve hoornen toe te fchrijven, die er de Natuur niet aan gegeeven heeft. Het is, eigentlijk gefproöken, geen Dier van beiderlei leeven, dewijl het nooit geheel uit het water komt, en er zelfs niet ,, geheel uit kan koomen j hebbende niet dan twee Vin- nen, redelijk.digt bij den kop, in de gedaante van ,, vlerken, zestien duimen lang, die aan 't zelve voor armen en pooten verflrekken. Het doet niet meer, dan zijn kop buiten het water uitfleeken, om het kruid, dat op den oever groeit, te bereiken. Dat ik afte- ,, kende was een Wijfie, lang zeven en een half ko- nings voet, en op 't breedfte twee voeten. Il; heb er, na dien tijd, grootergezien. De Oogen van dit .Dier hebben geen evenredigheid tot de grootte van zijn Iighaam, zij zijn rond en maar een vierde duims ,, wijd,- de opening der ooren is nog kleinder, en ver ,, toont zich als een fpeldegaatje. Zommigen hebben gemeend, dat het aan de rivier der Amazoonen eigen was, dog het is niet minder gemeen in de Oronoque. Men vind het ook, dog zo menigvuldig niet, in de Oijapoc en verfcheide andere rivieren omftreeks ,. Caijenne en de kust van Guajana, en waarfchijnlijk op -meer andere plaatzen Het is het zelfde, dat men Lamentin noemt te. Caijenne en op de franfcbeeilan- den van Amerika,- dog, naar ik geloove, is dezoort ',, een weinig verfchillende. Diep in zee ontmoet men 't niet; het is zelfs zeldzaam aan de monden der ri- vieren, dog men vind het op meer dan duizend mij- leb afftands van de zee, in de meeste groote rivieren, welke uitloopen in die der Amazoonen. " |
|||||||||||
|
De befchrijving van de Zee-Koe, door Pater du Ter-
tre, komt, op weinig na, met die van Pater Labat overeen, in de algemeens Verzameling der Reisbsjchrijm vingen , vind men eene nader opheldering aangaande de Pooten van dit Dier, die niet wezentüjk als men- fchen handen zijn, gelijk men dezelven, uit hoofde der benaaminge van Manati, heeft afgetekend, liet zijn, word daar gezegd, alleenlijk zekere Vinnen, nabij de ooren geplaatst, bij het Iighaam fmaller dan aan 't end, 't welk door drie verdeelingen is gefplist, die vier kleine punten maaken, ieder aan de top mer zekere eeltagtig- heid, als een boorntje, gewapend. Het Wijfje bedient zich van deeze vlerken, om haar jongen vast te houden en aan de borsten, die een weinig hooger ftaan , tebren- gen. Dit is al het gebruik, dat zij er van kan maaken,- want deeze Dieren gaan niet, gelijk het Rivier-Paard van den Niji, langs den oever loopen, en deeze poo- ten zijn veel te klein en zwak om haar Iighaam te on- derfteunen. Daarenboven is dit blijkbaar, dewijl dit Dier, wanneer het door de ebbe op het drooge raakt, zich in 't geheel niet redden kan, maar onmagtig leg- gen blijft. Met reden zal men dan ook de Hiftorie van een Manati, die op 't roepen van Mato uit het meirop den oever en in huis kwam loopen, gelijk zij volkomen fabelagtigfcbijnt, als zodaanig verwerpen mogen. Uit de befchrijvingen van Labat en de la Conda-
mine blijkt, rnijns oordeels, dat zij het zelfde Dier be- doelen, 't welk Clusius befchreeven heeft onder den naam van Zee-Koe. 't Is waar, dat de la Condamine van de ftaart niet fpreekt, maar., dewijl bij het een Visch noemt, zal het waarfchijnlijk iets gehad hebben dat naar een ftaart zweemde, 't welk Clusius met re- den noemen kon, een wanfehapen ftaart. Ook kan dit Dier, zo wel in gedaante als in grootte en hoedanig- heid, op bijzondere plaatzen des aardbodems wel eenig. zins verfchillen. In de Niger-Rivier van Afrika ismen gewoon Lamentins te vinden van zestien tot agttien voe- ten lang, en vier of vijf voeten dik. Ook heeft men bericht gekreegen van 't eiland Tabago.dat aldaar zulke Dieren gevangen worden, van duizend of twaalfhon- derd ponden gewigts, welker huid, bereid zijnde, zeer fterk leder geeft. De Zee'Koe wordt in de rivier Niger belaagd door
de Krokodillen en andere verfebeurende dieren , die haar, zo zij ze magtig kunnen worden, in 't geheel of ten deele verflinden. Aan de kusten, en in den mond der rivieren, zijn de Haaijen haare doodvijanden. Of zij meer dan eens in 't jaar jongen werpt, is niet zeker; dog het fchijnt, dat zij twee te gelijk baart, om dat men dikwils twee jongen vindt bij bet wijfje, die bei- den gelijk van grootte zijn. Het vleesch der Zee-Koeijen maakt een groot deel van
den leeftogt der inwooneren van Guadaloupe, St. Kri- ftofFel, Martinique en de nabiuirige eilanden uit, al« waar bet zelve jaarlijks, bij verfcheidefchepen vol, van 't vaste land van Amerika gehragt wordt, en men ver- koopt het pond voor anderhalf pond tabak. Men ver- zekert, in 't algemeen, dat het, verscb zijnde, als kalfsvleesch fmaakt.en gezouten ongelijk beter dan Tho- nijnen , kunnende ook langer bewaard worden. De lek- kerfte plaatzen zijn, van half wegende ribben tot onder den buik, en de uijers munten in fmaakeliikbeid boven alles uit. Ook vindt men, langs de rug heen, een laag fpek van vier of vijf duimen dik, zo vast en goed als varkens-fpek , ja beter, om dat het niet ligt gerftig wordt»
|
|||||||||||
|
43H ZEE.
word. Van dit fpek en de reufel, die binnen 't l!g-
haam zit, onder een gefmolten , wordt zeer duurzaame Boter gemaakt. Het voornaamfte, 't welk de Zee Koe'vsn ouds be-
roemd gemaakt beeft, is de Steen in derzelver kop, waar aan men den naam van Lapis Manati geeft. Zom- migen zeggen datdeeze Dieren ieder twee,anderen dat zij vier zodaanige Steenen in den kop of in de hersfe- nen hebben, ter grootte van een kaatsbal en zomcijds grooter. Zij zijn niet volkoomen klootrond, maarplat- agtig of ingedrukt, wit of vleeschkoleurig, zeer hard van zelfftandigheid. De Chineezen hebben veel agting voor deeze fteenen, en de Amerikaanen fchrijven een groote kragt aan dezelven toe, wanneer er iets van, tot poeijer gemaakt zijnde, met eenig vogt wordt ingenoo- men. De Ouden hebben ze aangepreezen tegen bet ko- Jijk, en als fteenbreekende middelen, Hoffman geeft den Lapis Manati op, als een middel tegen de vallende ziekte, 't Is zeker, dat zij niet van natuur als Steen , maar als been of hoorn zijn, hebbende iets lijmagtigsmet eenige vlugge deelen vermengd, gelijk-de tanden van 't Rivier-Paard. Men oordeelt ze tegen de koorts dien- ftig, en tot verzagting der pijnen van 't graveel, ter* |ifte van twaalf grein tot een fcrupel. Zommigen egter veroordeelen dit middel, om dat het zomtijds doorbraa- kenen veelal te hevig werkt. ZEE-KOESTEEN, zie ZEE-KOE.
ZEE-KOOL, zie SOLDANELLE.
ZEE-KRAB, zie KRABBEN, n. XXVII. p. 1622.
ZEE-KRABBE, zie KALI.
ZEE-KRAKOLLEN, zie KRAKOLLEN.
ZEE-KRAAIJ. zie BONTE-KRAAIJ.
ZEE-KREEFTEN, zie KREEFTEN, ». I. p. 1632.
ZEE-KRUISD1STEL, zie KRülSDISTEL, n, II.
pag. 1658 , . ' ZEE-LAMPREIJ, zie LAMPREIJEN, n. I. pag.
I73I- ZEE-LEEUW. zie ROBBEN, n. II. pag. 3061.
ZEE-LEEUWRIK, zie GEELGORSEN, n. l.pag.
805.; en SNOTVJSSCHEN, n. l.pag. 3435. ZEE-LEPELBLAD, zie LEPELBLAD,«. II. pag.
1813- ZEELOTüS, zie LOTUS.
ZEELT ook wel Muid-Hond genoemd, is een-zoete«
waters-Visch onder het Geflagt der Karpers behoorende; in het latijn Tinea; Cijprinusmucofus totus nigrescensex- tremitate , caudts quali. Art. Gen. 14. Sijn 4.; (Cijpri- nus pinna arti radiis viginti quinque, caudee intégra, cor- pore muco/u. Li NN. Sijfl. Nat ) Bij alle Autheuren (zegt de Hr. M. Houttuijn in
zijn fraaije Natuurk. Hiß.) is deeze zoort bekend onder den naam van Tinea, daar het Italiaanfche Tenca, het "engelfche" Tench en 't fransch Tanche van afkomftig is. Van de Duitfchers word hij Schleij en Schleijen, van de DeenenSijdere; van de Sweeden, Linnare , Sutare, en Skomdkare, geheten. Dus zou hij ook,'Bij den naam van Schoenmaaker, bekend zijn geweest onder deNederlan. ders, wegens de dikte van zijn Huid. Tegenwoordig noemen wij hem Zeelt. De naam van Meruia -Fiuviati- ' 'Hs, of Rivier-Merel, is er, wegens zijne bruinheid, op toegepast geweest. 't Schijnt dat deeze Visch den Ouden onbekend xvare
'Voor Ausonius; ten minfte heeft men geen zekerhejd , dat er van gesproken-zij onder eengriekfehen naam. Te- ■genwosrdig zijnze bekend genoeg-, en men vangt er dik- |
||||||
|
ZEE.
wils van vijf of zes ponden zwaar, in groote meiren.
Zij beminnen -(taande wateren, die moerasfig zijn, of langzaam vloeijende rivieren. Op vervuilde modderige piaatzen van de vijvers, vind menze meest. Men zegt, dat zij in de voorfomer, als het koorn in bloeij ftaat, voortteelen, en leeven van flijk en vuiligheid. Hier, aan zou men evenwel twijfelen kunnen , indien het waar is, dat zij naar aardwormen zeer gretig zijn; dog zelden rangt menze met den hengel. ■ >i . , De Zeelt onthoud zich altoos op den grond van 't wa-
ter, en hier van komt het, dat men er zo veel niet in een vijver houden kan, als Karpers. Men behoeftzê zel- den daar in te planten, Tot vervoering is deeze Visch zeer bekwaam, als taaij zijnde van leven; gelijk ook Lemerij aanmerkt, dat hij, in ftukken gefneeden zijn« de en half geroosterd, dik wils nog uit de braadpan fpringt. Men wil, dat de Snoek zijne wonden, met zich tegen den' Zeelt te wrijven, door de flijmigheid daar van ge« neest. Hoe 't zij, dit weet men, dat de Zeelt, hoe groot'een vriend ook, om die reden, van den Snoek, door denzelven niet verfchoond, maar gretig opgevree- ten word. t»>ï De Heer Geoffroij, de jonge, had, nü ruim vijftig
jaar geleeden, aan de Koninglijke Akademie der Weeten- febappen van Parijs een Lintworm laaten zien, die uit een gezonde en zeer wel gevoede Zeelt gehaald was. Deeze Lintworm was gelijk aan de geenen , die men in Menfchen vind; uitgenomen dat hij geen ringen over- dwars had,vzijnde alleenlijk met ftreepen overlangs ge- tekend , tusfehen welken een groote plooij liep van dea Kop tot aan de Staart, die den Worm in tweeën deel- de. Hij was g>heel en had de langte van derdbalf voe. ten. Men weet niet, voegt'er de Historie-Schrijver bij, dat er tot nog toe Lintwormen in de Visfchen gevonden zijn. Onlangs heeft men dergelijke in Stekelbaarsjes ge- zien, en 't is bekend, dat de Lintworm vrij gemeen zij in de 'Zeelten. Onder de gebaarde Karpers maakt inderdaad deeze een
droevige figuur, wegens de kleinheid van zijne Knevel« tjes, die in een doode Zeelt naauwlijks zigtbaar zijn. Hij is aan zijne bruine koleur, aan de kleinheid van zijne - Schubbetjes en flijmigheid', zeer kenbaar en grootelijks van dev-oorige zoorten verfchillende. Klein befchrijft hem vrij naauwkeurig, als hij hem noemt Braafem met de vinnen die cirkelrond zijnen de ftaart zwart , het f lijfdikagtig, van koleur uit den zwarten groenagtig geel, j met de zijden van den kop bleek geel ; de fchubben j klein, dun, en taaij aankleevende. De Schubben van j den Molenaar en van de Scharren zijn , volgens Dr. Bas- | ter, evenwelnogkleiner. Hetflijm, datdeezenVisch f omkleed, word .-door hem met azijn te befprengen, ver- I dikt en van 't lijf afgefcheiden. In de Mannetjes zijn | de borstvinnen gekruld, zegt Gronovius. ,, j Deeze Heer heeft in dezelven, zo wel ais in de Aars«
vin,: i-o, in de Buikvinnen der Zeelten 9 Straalen geteld. Artedi "vond in de Aars en Buikvinnen 11, in deBorst- vinneri 17, in de Rugvin 12, en in die van de Staart 19 Beentjes. Volgens de telling van Linn^us zouden er 25 hrde Aarsvin, 24 in de Staartvin, 16 in de Borst- vinnen, 10 in-de Rug- en 9 in de Buikvinnen gevonden zijn. Dit is te zonderlinger, daar de elfftraaligheid van de Aarsvin te vooren, door zijn Ed., als een kenmerk opgegeven was. : DeGeftalte, uitwendig, zegt Artedï , zweemt zeer
naar die der. -Salmforellen, -bij ons Laxöring genaamd. BH
|
||||||
|
ZEE.
|
ZEE.
|
||||||||||
|
W5
|
|||||||||||
|
Hij vond de Ingewanden als volgt; de Lever lang, ne-
vens de Maag en Darmen uitgeflrekt en ineenigeJKwab. ben verdeeld; de Maag dikeu lang, bevattende, zowel als bet Gedarmte, niets dan een lijmagtig fap of chijl; den Darm van 't portier eens naar 't middelrift terug ge- boogen, en vervolgens regtuit loopende naar de Navel; de Milt langwerpig, donker« of zwart-rood, hoekig, ter flinker hand geplaatst; de Lugtblaas groot, in't midden als met een draad toegeftrikt, hebbende een zeer zigt* baare Buis, ingeplant in 't begin van het onderde ge- deelte; het Buikvlies witagtig zilverkoleur. . Ten opzigt van 't gebruik, komt in de eerfte plaats in aanmerking, dat de Zeelt genoemd word de Doktor y an de Visfchen ; 't welk zom irrigen daar van afleiden, dat hij, in een houwer gedaan zijnde, het water troebel maakt. Ontwijfelbaar is het dâar van afkomftig, dat hij de ge- kwetfte visfchen, zo men wil, door zijne ftijmerigheid geneest. Ausonius had hem, troost van 't gemeen (Vul- gifolatia) getijteld; 't welk wegens zijne geringheid toe fpijze, vrij eigen is. In Italie is een fpreekwoord, dat iemand, die Zeelten eet, zekerlijk de koorts krijgt, Aan den anderen kant vind men aangemerkt, dat de aanvoe« ging van levendig doorgefheeden Zeelten, aan 'tgewrigt der hand en aan de voetzooien, tegen hoofdpijn en ijl« hoofdigheid, in heete koortfen, dienflig zij. Ook legt tnenze geheel op de gewrichten inde jicht, ofopdena« vel en boven aan den buik in degeelmcbt, laatende hun daar fterven. In de Kop worden dergelijke Steentjes ge- vonden als in de Karpers, die van't zelfde gebruik zijn. Voor 't overige kan men zeggen, dat deeze Visch, wel toebereid zijnde, niet onfraaakelijk nog,ongezond zij; dog, uit water alleen gegeeten , gijn er weinigen dien hij behaagt. Ook fcheelt het veel,, of bij jong en wel ge- voed, in heldere wateren gevangen, dan oud en uit flijkerige poelen en flooten, of vervuilde vijvers gehaalt zij,1 In 't heetfte van den fojner,; of in.de hondsdagen, zijn ze ongezondst. Zie bier, hoe men ze toebereid wil hebben. Indien
uw Zeelt groot is , zegt Platina, neembaar, en, ze wel fchoon van fèhubben gefchraapt hebbende, zultgij ■ze aan den graat opfnijden , en dan het binnenfte buiten keeren, breekende de ribben en haaiende er het inge- wand uit, dan vuld menze met zes eijeren, wat gekook te pieterfelie, geftampte peper, gekneusde knoflook en een weinig faffraan. Daarzijn er die pruimen , kerfen of rozijnen, met amandelen, die gewreeven zijn, bij de eijeren indoen. Voorts word zij op de rooster gebraden , en, gaar zijnde, met olie en azijn gegeeten. Ook kan men ze met limoenfap ftooven, of in de pan bakkefr; 't eij met boter, of, gelijk het gemeen doet, mee olie. Anderen leggen ze met fpecerijën in, of vullen ze als de Karpers. Ook kan men de Zeelt, aan mooten gefnee- den, zeer bekwaamelijk , met champignons, truffels, ftoelen van artichokken en fpecerijën , in roode wijn ftooven. Het vel van deezen Visch, word van veelc vrouwtjes, voor het fmaakelijkfte gehouden. ZEELTAGTlGELIPVISCH.zieLIPVISSCHEN,
n, XX. peg. 1847- . ZEE-LEUCOJE, zie LEUCOJE (ZEE-) n. i_s
pag. 1S17. ZEE-LIMONIUM, zie LIMONIUM,n. 1.P.1S41,
ZEE-LU1S , zie KREEFTEN, n. X. pag. 1633.
ZEE-MAKREEL, zie MAKREELEN, n. VIII.
$ag. 1,9411. ... ZEE.MEDICA, zieMEDICA, n. 13. fag, .2001.
FII Deel.' '
|
ZEE-MEEUWEN, zie MEEUWEN.
ZEE-MELDE, zie MELDE, n. 5. pag. 2025,.
ZEE-MEREL , zie L1PVISSCHEN , 11. XXXIX.
pag. 1848. ZEE.MOSSEL, zie MOSSEL, n. II. pag. 21S1.
ZEE-NAALDEN, zie NAALDVISSCiiEN.
ZEE-NARCISSE, zie NARCISSE (ZEE«), n. 1
en 2, pag. 2257. ZEE-NE'i'EL, in het laiijn Alga marina ; Algt an-
guflifolia vitriarlorum. C, Bauhin. Pin. 464.; Fruclus f. Alga marina graminea angufiifolia Jeminifera ramofior, Raj. angl. 3. p. 52. ; Ruppia foiiis linearibus obtufn ; (Zojlera, Linn. S pee. Fiant )--------Dit zee-gewas heeft
Bladen van anderhalf voet lang, die glad, effen, zagt,
week , ligt te breeken , en wit of donker groen, de een fmaller dan de andere zijn , in de gedaante van riemen. Het groeit in grooten overvloed aan de ftranden van de middellandfche en andere zeën. De Boeren gebruiken het tot voedzel voor de Runderen, en niaaken er ook goeden mest van. Met Aai« word er ook glas van ge- maakt, dewijl het zeer veel zout bevat. Men fchrijft aan dit kruid eene openende, wondheelende en opdroo- gende kragt toe; ook zoude het goed zijn om Viooijen en Weegluizen , te verdrijven. ZEEP. De Zeep is eene min of meerdere vaste zelf-
ftandigheid, die uit de verdikking van eenig vel of olie, door middel V2n een bijtend alkalisch zout, zijnen oor- fprong heeft. Daar zijn verfcheidene zoorten van zee- pen. Die welke gemeenlijk tot het wasfehen van linnens en in de Volmolens tot reiniging van lakens en andere wolle flofien word gebruikt, is uit oliën, het zij uit het dierlijk of groeijend rijk, ofwel van deeze of geenc vettigheden, vervaardigt; deezen met bijtende alkali- fche zouten doordrongen, brengen een min of meerder vast deeg voort, of wel een tamelijk hard lighaam, 't welk bijzondere eigenfchappen bezit; want de oliën en vetten diejnet water niet zijn te mengen, vereenigen er zich innerlijk mede, zo dra die tot swpzijngebragc, zon- der nogthans daar door de hoedanigheid te verliezen die zij bezaten, om vette zeifitandigheden te kunnen op'osfen ; welke elgenfchappeTJ de Z.eepen buitengemeen dienftig maakt, om aan de wol de vettigheid te beneemen, het linnen zuiver en wit temaaken, en een meenigte van vlakken weg te neemen. Uit eene verhandeling,die deHeerMAcmjaande Aca*
demie der Wetenfchappen te Parijs, in den jaare 1768 over de ónmkjdelijke oorzaak der zeepwording voorlas, blijkt het, dat hij het met allede fcheijkundigen eens is, van te ftellen, dat de wezentlijke Hoffen tot vorming van de Zeepen, in een bijtend alkalisch of'loogagtig zout en eene olieagtige zelffiandighsid, bellaar. Dan hij is verder gegaan, en heeft zich voorgefteld om te onderzoeken ; wel- ke de gezette deelen van deeze zelfftandigheden zijn, die in de zamenftelling van de Zeep het uitwerkzel voortbren- gen, 't welk men er van verwagt; en teffens 't geen in het vaste loogzout, derzelver voornaamfte bijtende of brandbaare hoedanigheid, te wege brengt. Hij begint met't onderzoek van 't bijtende loogzout, en
na verfcheidene proeven te hebben bijgebragt, welke iïaa- ven, dat het vaste loogzout met drooge abforbeerende of metalifche aardens vermengt of vereenigt wordende, nog bijtender word dan het van natuure was, zodanig nog- thans , dat derzelver trap van fcherpbeid verfcheiden is, ingevolge den aart en eigenfehap deezer aardens, en bet geweld vaa 't vum: dac men te werk heeftgeftelt, om ze te Aaaa veï» |
||||||||||
|
%$if ZEE.
|
|||||||||
|
2IÏ1S»
|
|||||||||
|
vereenigen ; de Heer MiCHijmaakt geen de minffézwaa»
figheid, om uit deeze waarneemingen te befluiten, dat de fcherpbeid der vaste loogzouten, ten minfteh voor bet -__grootfte gedeelte, aan de tegenswoordigheid van een over- vloedige aarde moet toegefchreeven worden, waar uit volgt, dat het groote uitwerkzel der fterke Zeepzieders loogen, uit de vermenging van kalk met eer* loegzout voort- fpruitj bij bevestigd deezegedagten, met te doen opmer- ken, dat wanneer men door herhaalde oplosflngen het zo verre brengt, om de loogzouten; te fcbeiden, zij een gedeelte van haare fcherpheid verliezen, naar-maate men haar een gedeelte aarde beneemt die met haar vereenigt ■was; en dit gebeurt klaarblijkelijk, met zodaanige loogen die men lange heeft bewaard, daar zakken als dan eeni- ge aardagtige deeien naden grond, en de loog word flap. per of fiaauwer. Na onderzogt te hebben, hoedanig kalk de fcherpheid
der loogzouten vermeerdert, die men in de Zeepziederijen gebruikt, gaat de Hr. Machij over tot 't geen de olie- agtige zelfftandigheden betreft, welke bet tweede ingre- diënt van de Zeep uitmaakt. Hij kan metzommige Schei- kundigen niet toeftemmen, dat de Zeep haarezamenftel- ling aan de vereeniging van het alkali der Zeepzieders' loog, met het zuur of acidum der oliën, dien zij gebrui* ken, verfchuldigt is ; zulks brengt volgens hun eene zout« agtige faturatie of verzadiging te wege. Hij omhelst dee- ze denkwijze niet, dewijl hij waargenomen heefc, dat naar maate de oliën zuurder zijn, die ook bezwaarlijker worden om tot Zeepte doen verdikken, maar dat men deeze zuu- re oliën bekwaam maakt om tot Zeep te worden , het zij met dezelve door een zagte uitwaasfeming te doert" ver- dikken , bet zij dezelve lijmiger maakende, met er de een ©f d'andere balfem in optelosfen die dezelve verdikt, zó als- bij voorbeeld terpentijn; en deeze vermeerdering van lijmagtigheid ten aanzien van de oliën, kan gefcbieden, of met aan het hogzeut diefijmigezelfftaneigheidmedeie- deeleri, en er maar zeer weinig wïter bij te voegen,'t welk het-zelfde inzigt ten aanzien van alle esfentieele oliën ver» vult, die niet gemakkelijk de,zelfftandigheid van 'Zeep aanneemen , maar die, zo als men het in deSapo tartareus ziet, bijzondere hoedanigheden bezitten, aan de Zeepen 'eigen. . Zich op deeze tbeoretifche kundigheden grondende,
zegt de Hr. Machij, een zeepagtig ligHaam gemaakt te ihebben, met zelfftandigheden die men niet konde ver- - moeden tot die zamenftelling van dienst te kunnen zijn, en in welke geen ontwimpelde olie bekend is; zodanig als het elpenbeen, hertshoorn, gomdraganth, betftof van de bovist of lijcoperdon die, met Zeepzieders loog ge- tritureerd zijnde, vervolgens bet zij in waterof wijngeest gedirigeert, oplosfingen voortbrengen, die volkoomen zeepagtig zijn. t)e Heer Mackij befluit uit deeze proef- en waarnee-
mingen, waar van wij hier maar een flaauwe fchets- gee- veri', i. dat de benoodigde fcherpheid voor de Zeepzie- ders hegen, kalkagtige-aardetoteen onmiddelijkeentast- baare oorzaak heeft; 2; dat de beste olie om Zeep te vervaardigen, die is, welke de meeste Iijmigheid in zich bevat; 3. datmen die Iijmigheid, aarr zodanige oliën die zulks niet eigenaartig hebben, kanmededeelen, met er zelfftandigheden bijtevoegen , die de eigenfchap bezitten 'om zich inolie optelosfen, ofwel, met bij de loogzouten niet meer water te doen, als 't géén volftrekt vereischt word, om er een deegagtig Irghaäm van te formeerèn. Zondet bier- van de zeepagtige zelfflandightden te
|
|||||||||
|
fpreeken, die men uit 'loogzouten en esfentieele oliën kan
vervaardigen, als mede niet meldende van de verdikking der oliën door middel van metalifcke kalken, zijn er vee« 1er]eije zoorten vanZ«p, verfchillende naar maate van de vette en lijmagtige zelfftandigheden die men tot der. zelver zamenftelling heeft gebruikt, en ook volgens de verfchillende hogzouten, die men heeft te werk geftdd, Fan de zelfflandigheden uit welke men Zeep ver-
vaardigt , en inzonderheid van de Oliën. Men kan uit oliën die door uitpersfing, van amande*
Un , nooten, hazelnooten, hennipzaad, lijnzaad, kool- zaad, maankopzaad, enz, word verkreegen, Zeep maa. ken ; insgelijks uit dierlijke zelfftandigheden, zo als fisch-thraan, en vet van dieren.; maar deeze 7*eepen, hebben zeer verfchillende hoedanigheden. Die welke men uit de'oliebevattende zaaden vervaardigt, is taame. lijk goed, wanneer die zaaden wel gefield zijn, en wan- neer men er de olie genoegzaam zonder vuur uittrekt; de meeste deezer Zeepen, zijn vloeibaar of eerder deegagtig. De Zeep die men van vischthraan maakt, is zeer goed
om linnen wit te wasfeben en fchier doek wit te maaken, maar het zelve krijgt er een onaangenaame reuk door, die men wel is waar kan verdrijven, met het eenigedagen te laaten bleeken , zo als men doorgaans ook met het grij- fe doek handelt dat men wit wil hebben ; insgelijks heeft de Zeep een onaangenaame reuk, wanneer die uit visch- thraan met oliën of vetten daar onder vermengt,, ver- vaardigt is. ' - ' . :.: , I De Zeep welke men alleen van vettenmaakt, heeft gei
noegzaain geen kwaade reuk, wanneer die vetten verscb zijn," maar wanneer die oud en een beginzel van bederf hebben aangenoomen,,k<rijgter de Zegeen kwaade reuk van , dien zij ook-aan het linnen dat er mede word gewas» fchen mededeelt, dog welke reuk met het zelve te bleeken ■er afgaat, en welke bleeking ook de witheid daar van vermeerdert. ';'- 'Debeste zogenoemde fpaanfche of harde zeep, word uit
zuivere olijven of boomolie. vervaardigt; daar zijn twee» derlei zoorten van dseze Zeep, naamentüjk witteen ge- murmelde. De witte Zeep is doorgaans weekeralsde gemarmelde%
hij word echter tamelijk hard, wanneer men hem langen tijd op een drooge plaats bewaart; deeze gebruikt men in Vrankrijk,enz. veel, tot't wasfeben van fijne linnens. De gemarmelde Zeep is meestentijds harder en feber-
pev, als de witte; deeze word .insgelijks op zodaanige plaat- zendaar die gemeen is, tot het wasfehen van huishou- dings linnen gebruikr. H Zeer fijne oliën gaan zo gemakkelijk niet tot Zoover,
als die welke dik en vettig zijn. De onaangenaame reuk welke de gemeene oliën doorgaans hebben , doet die geen« zints van de Zeepzieders verwerpen; alleenlijk word er tot 't maaken van harde Zeep vereischt, dat zij helder zijn; ten dien einde word de droesfem in vaten gedaan, en men fchept er het heldere af om tot Zeep te gebrui- ken j deeze droesfem kooken zommige Zeepzieders apart, en maaken er weeke en zeer gemeene Zeep van. De loogzouten die men gebruikt om harde Zeep,* of
Zeep in broeden te maaken, zijn de barille offouda en de levantfche mfchén,waar van mende fcherpbeid doorkalk aanzet en vermeerdert ; wat de weeke of pappige Zeep be- ■treft, zodaanig hierte lande meest word vervaardigt, ge« bruikt men witte en graauwe potasch, als mede een zoort die men weeéüsch. noemt. |
|||||||||
|
ZETt
|
|||||||||||
|
ZEE.
|
|||||||||||
|
43î7
|
|||||||||||
|
"De harille of fonda word uit verfcheMcrmoorten van
de plant getrokken i die men Kali of Krabbenkwaad noemt, zie KALI. Deeze zaait en zamelt men allejaa- 'ien in, even als degraanen; men bewaard zo veel zaad, als men denkt het volgende jaar tot zaaijing noodig te gullen hebben ; voor 't overige fnijd men ze in 't begin van augustus zo na aan de grond af, als doenlijk is; van dit afgefneeden kruid maakt men bundels die men in daartoe gemaakte gaten in den grond, van omtrent vier voeten diepte, opeenftapelt en verbrand; deeze asch gaat tot een zoort van fmelting over, en eenige dagen aan de lucht en fon blootgefteld geweest zijnde, word die zo hard als (leen. Men draagt zorg, voor dat zij ten eene- maalen hard is geworden , om die met een ijzeren fchop «an Hukken te ftooten, om hier door gemakkelijker in khet behandelen te zijn. De levantfche asfehen, worden uit Tripoli, Sijrien ,
St. Jean d'Acre, enz. tot ons overgebragt, zij worden ■uit verfchillende Planten verkreegen , inzonderheid uit eene welke de Arabieren 'Roquette noemen ; zie RO- QUETTE. Deeze Plant word in verfchillende faifoe- nen ingezaamelt, bijna op dezelfde wijze als wij met het Hooij handelen, en als dan even gelijk tot asfche ver- brand , zo als hier boven van de Kali is gezegt. ■ De Pot- cn-Weed-asfehen welke zoutagtige zelfftandig-
heden zijn , worden uit Polen, Duitschland, Moscovien, enz. tot ons overgevoert, en uit veelerlei zoort van bout gebrand; zie POTASCH. Deeze dienen inzonderheid , ■tot het vervaardigen van vloeibaare ot pappige Zeep. Uoedaanig de weeke of zogenoemde Groene-
Zeep, word vervaardigt. De weeke Zeep, is zoals alle de andere zoorten van
Zeepen, een zamenftelzel uit olie met het water ver- mengbaar gemaakt, door middel van een loogzout. Hij verfcbilt van dewitte Zeep, i. door zijnkoleur, diebruin- agtig of donkergroen is, 2. door zijn zelfftandigheid die nimmer vast as, maar in een week vettig deeg beftaat; voor het overige beeft hij de zelfde hoedaanigbeden als -de witte Ztep; zijn uitwerking is zelfs kragtiger, 't welk maakt dat men hem in de laken« en deken-fabrieken de voorkeur geeft, om de wollen te zuiveren. Men vervaardigt veel van dit zoort van Zeep , in Hol-
land, Vriesland en andere Provintien van ons Gemee- nebest, als mede in Flaanderen en Braband. Daar wor- den er van verfchillende hoedanigheden bereid, waar van veelen een zeer onaangenaame reuk hebben, te we» gegebragt, door de zoorten van slie die er toe worden gebruikt. De Oliën waarvan de weeke Zeep word vervaardigt,
verdeelt men in heetten in koude Oliën ; de eerstgenoem- de zijn , die, welke'van hennip en lijnzaad, en de tweede, die van kool- en raapzaad worden geflagen of geperst. ïn 't algemeen zijn de zogenoemde 'heete oliën duurder dan de koude oliën. : Ook kan men gelijk reeds is gezegt, Zeep uit Fisch-
■thraan vervaardigen; maar deszelfs reuk is' ondraaglijk, waarom het ook op veele plaatzen aan de 7.eepzieders verbodenis, daargebruik van te maaken. Ja zelfs moe- ten in Braband die welke als meefter eene Zeepziederij aanvaarden , onder eede belooven, cm er nimmer ge- bruik van te maaken, 't zij in 't geheel of wel ten deeie, dat is die met andere oliën vermengende. De ftoffen waaruit men het alkali trekt, Om er de Ioo'
{jen van te verdaardigen, zijn pot- of weed-anh mçtkalk |
|||||||||||
|
vermengt, op het welke water word gegooten , om er de
zouten van te ontbinden. Men onderfcheid veelerleij zoorten van potasfehen,
die haaren naam ontleenen van de plaats daar zij van daan koomen. Het grootfte gedeelte koomt uit Poo!en over Dantzich. Ook brengt men potasch van Hamburg, die kragtiger is dan de Dantzicber, dog bezwaarlijker in het gebruik. Men trekt er ook een groote menigte van Luik en Luxenburg; deeze is fijn gemaalen, en gemeen- lijk in linnen fakken beflooten. De meest geagtfte is die, welke uit Hongarien koon.t. Alle deezepotasfclien worden bij het honderd pond gewigt ingekogt. In 't algemeen, verfchille'n alle de potasfehen veel, ten
aanzien van derzelver kragt en hoedanigheden , 't welk na mijn gedagten voortfpruit, uit de vereeniging of ver- menging van het loogagtig zout met verfcheide middel' zouten, zo als het zeezout, of vitriblifche zouten, welke door de verfcheidene zoorten van hout worden voortge» bragt, waar van men de Souda vervaardigt, ofwel van de luchtftreeken daar die Boomen zijn gegroeit, naar maate van derzelver ver- of nabijgeienbeia aan zee. Het is deeze verfcheidenheid ten aanzien van de kragt
en hoedanigheden der potasfehen, waar in de voornaam» fie wetenfehap der Zeepzieder legt opgeflooten, dewijl een ieder derzelver, eene verfchillende behandeling vet« eischt, als in de eerfte plaats om er de loogen uittetrek« ken, en vervolgens die loogen na derzelve kragt, wel weeten te werk te fteilen. Tot deeze Zeep word nimmer Souda van Alikantgn,
of levantfche Asch gebruikt, nog minder die welke men in Normandijen met de Varech vervaardigt. De Kalk waar van men hier toe gebruik maakt, is dezelf»
de, welke men tot het bouwen van huifen , enz. bezigt ; dog men moet dezelve levendig hebban, dat wil zeggen, zodaanig die uit den oven komt. De Steenkalk is egter verre te verkiezen , boven de Schulpkalk. Wij hebben gezegt, dat de Zeepzieders kogen uit een
mengzel van patasch en kalk , op 't welk men .water giet, beftonden. Schoon men geen naauwkeurige pro» portien in agt neemt, en dat zelfs dit mengzel ingevol- ge de verfchillende hoedanigheden der beide zelfftan- digheden die men te werk (telt, moet verfcheiden zijn, zo is echter het volgende de evenredigheid die't meeste in gebruik is. Des fomers doet men bij 15S0 ponden potasch, 12 tot 13 honderd ponden kalk, dog 's win- ters een weinig meer. Om dit mengzel na behooren te maaken, verfpreid
men de potasch op de grond uit, en men verbrijzelt die met ftainpers tot dat volkoomen fijn is; ter zijden op een aparte plaats, heeft men een hoop levende oï onge* bluschte kalk, die men blust met er een weinig water op te gieten , waar na men ze omtrent een halfuur laat rus- ten , meer of min, naar maate van de hoedanigheid der kalk ; het is van deeze bereiding der kalk en derzelver hoedanigheid, dat volgens de Zeepzieders, de deugd der hogen ten grooten deele afhangt. De kalk na behoo- ren wel gebluscht zijnde, mengt men die vervolgens zo naauwkeurig doenlijk is, met de potasch; men ftrooit wat ftof van fteenkol op de werktuigen, op dat de kalk er niet aan hegte, en zelfs vermengt men er wel een weinig van onder de materie, op dat die niet te kleve- rig worde , en het water daar docr met meerder ge- mak kan doordringen. Deeze vermenging ter deegen ge-» fchied zijnde, vult men er de Bak n. 5. Plaat V.ßg- 1 en a mede. Aaaa % Deeze
|
|||||||||||
|
2EE.«
heeft die zij,bevatten, wanneer de zuiger is opgelfgc^
door die openingen in de Waterbak loopt, die er onder ftaat. Dit water van de Watenbak n. 4., reeds met zouten
belaaden, voor dat op de nieuwe asfehen op de Bak n. 5 is gegooten, en in de Waterbak die er onder ftaat, is verzamelt, dient alle de noodige kragt te hebben, om Zeep te vervaardigen; is dezeive niet iterk genoeg, moet zulks toegefcbreeven worden, dat de Zeepzieder te veel water,op de Bak heeft gegooten, na evenredig- heid der kragt van zijne asfehen, enz.,- het is Jüj de ondervinding alleen,, die deeze hoeveelheid kan re- gelen. De fterkte der loogen word gekent, met daar van in
een vat te gieten, en er een cij 'm te doen dompelen, wanneer de loogen kragtig genoeg zijn , moet het eij wederom tot de oppervlakte rijzen, en er als hangen blijven; andere maak en gebruik van een Zeepbal.en mea word de fterkte der loogen gewaar, naar maate die min of meer diep zinkt. Men zoude er een Vogtweegertoe kunnen gebruiken, en door dat middel den bekwaameu trap waarneemen,- aangezien dat hoe fterker de loogen zijn, dat wil zeggen, hoe meer die met zouten zijn be° laaden, boe zwaarder die ook zijn; dog het eij oi~ zeep- bal voldoende, behoeft men zijn toevlugt niec tot een middel te neemen, dat kostbaarder is. AJfchoon het water 't welk men in de Bak n. 5. giet,
het grootfte gedeelte der zouten ontbind die de daar in zijnde ftoffe bevat, blijft er echter nog veel van in; om er die uittetrekken, werpt men die atjclun wanneer heï water,in de Waterbak is geloopen, met een febop inde naastftaande Bak ». 4, die men op nieuw met dezelfde hoeveelheid water bevogtigd, als de eerftemaal, dog het welke men pompt uit de Waterbak n. 3. Men hervat dezelfde bewerking, tot dat de aardens
in de Bak ». 1 zijn geraakt, dewijl er als dan geen voor- afgaande Waterbakken meer zijn.bevogtigt men die met gemeen water.. De keufe van dit water, is niet onverfchillig;-die wel-
ke men raauw noemt, of om duidelijker te fpreeken, geen Zeep kunnen oplosfen, deugen niets; het zoetfte water is 't beste, en het regenwater boven alle anderen verkiesbaar. Men heeft het zelve in de figuur veron- derftelt, uit een Pomp voortgebragt te worden, die bui- ten het gebouw is geplaatst. Wanneer het nieuwe water, 't welk men in de Bak
n. 1 beeft gepompt, in de Waterbak van dezelfde nein* mer is geloopen, zo zijn de aardens, dat is de vermeng- de potasch en kalk,op vijf diverfemaaiengewasfehen, zo dat men die aanmerkt als geen zouten meer bevattende, en men werpt die op een hoop, als wanneer die nog met voordeel kunnen gebruikt worden, tot bemesting van koude en fandagtige gronden. i De gang van het water is tegenftrijdig met die der asch, dat wil zeggen, dat de verfebe ascli, enz. altoos in de Bak n. 5 word gedaan, daar in tegendeel het zui- ver water, 't eerst in de Bak n. r. word gepompt. Door deeze behandeling ziet men, dat de aardens waar
onder wij de vermengde asch met kalk verftaan, tot vijf verfebeidene maaien toe, gewasfehen en geroerd worden, voor dat dezelve worden aangemerkt als geene zomen meer bevattende," en dat insgelijks het water voor dat het in de Bak ». 5. koomt, en dus tot eene loog word, die kragtig genoeg is om Zeep te vervaardigen, opvol- gelijk vijfmaalen de zouten van die aardens heeft uitge« zoogen;
|
||||||||||
|
ZEE.
|
||||||||||
|
4318
|
||||||||||
|
Deeze Bakken r, 2, 3, 4, 5, zijn, zo aïs men 2Îet
Plaat V. in de [platte grond $g* 1. en aan de door- îneede fig, s., zoorren van gemetselde Troggen, inwen- dig ten naasten bij een taaiiing of lighaamelijk vierkant van 5 voeten zijden, uitmaakende. Daar zijn er vijf de een naast den anderen op eene rij geplaatsten aan mal- kander vast zittende, onder ieder van welke, een bijzon- dere waterbak d is. Deeze Waterbakken zijn van de- zelfde breedte als de bovenfte Bakken, op dat er na voo- ren toe een luik kan zijn, zo als men hifig. 1 ziet, dat men kan opligten , om er de loog die er in vergadert is, uit te kunnen putten. In het werkhuis waar van men hier den platten grond afbeeld , heeft men twee rijen Bakken veronderftelf, en de Waterbakken beüaan de belfte der breedte van 't gebouw. De diepte van dee- ze Waterbakken is onverfchillig, hoe dieper dieziin, hoe meer loog dezelve kunnen bevatten; maar ten min- ften moeten die zes-zoeten diepte, beneden de bovenfte Bakken hebben, op dat de loog nimmer tot die hoogte klimme. Die van de vijfde. Bak gemerkt d, e, moet veel ruimer zijn dan de anderen; om dat die tot een bewaar« plaats van de ßerke loogen moet verftrekken , als de zo- uaanigen welke tot de Zeep moeten worden gebruikt; hierom is het, dat deeze Waterbak dubbeld is. Tot gemak van de bewerking, moet die digt bij de Stookke- tal geplaatst zijn. De Waterbakken en de bovenfte Bakken, worden door-
gaans van harde tichelfteenen ppgemetzelt, en moeten van binnen, (zommigen doen het ook van buiten ,) met goede cement overtrokken zijn ; en deze overtrekking met cement, moet ten allernaauwkeurigften gefchieden, dewijl de fteen bier of daar maar een weinig bloot zijnde, van de bijtende loogen word doorknaagt, en dus de Bak zeer icbieli.ik lek word. De Bak n. 5. met het bereide mengzel vervuld zijn-
de» zo als wij gezegt hebben, befproeit men het zelve met water, 't welk uit de Waterbak n. 4. word getrok- ken. Tot dien einde maakt.men gebruik van een kleine draagbaare Pomp, die aan een houten balk k, bij de ope- ning van ieder Waterbak ftaande.inde langte word vast- gemaakt ; deeze Pomp, put het water uit de Waterbak ». 4. en door middel van een klein geutje, giet mea het in de Bak n. 5. Men ziet in de figuuren zo wel van den platten grond als doorfneede, den opftel van eenen deezer Pompen , welke veronderftelt word het water uit de Waterbak n. 3. te putten, om het in den Bak n. 4. te gieten. De hoeveelheid van water die men uit de Waterbak-
«. 4 trekt, om in de Bak n 5 te gieten, moet evenree- dig zijn met de grootte der Bakken, en ook met de hoe- veelheid en hoedaanigheid der doffen, die men te werk ftelt, Op 15 a lóoo ponden potasch, kan men 16 a 17 tonnen waters (ieder ton 50 potten bevattende, waarvan ieder 50 ponden weegt) gieten. Dit water moet er niet gelijk opgegooten worden, maar bij verfcheidene her- haalingen , dat is te zeggen, in 24 uuren tijds, telkens drie a vier tonnen. Ieder maal dat men er nieuw water wil bijdoen, ligt men alvoorens de zuiger op, die ne- vens het gat op de grond der Bak zit. Deeze zuiger b, die men in't midden der Bakken 4en 5,fig. i.ziet, beftaat uit een houten pijp van 4 a 5 duimen in 't vierkant, bev*at; aan ieder zijde van deeze pijp en aan het bene- denfte gedeelte, zitten boogswijze uitfnijdingen,zo dat het water, na dat door de asfehen gezijpt of gefiltreert is, en voor hec grootfte gedeelte de zouten ontbonden |
||||||||||
|
ZEE.'
|
|||||||||
|
ZEE. ' 431$
|
|||||||||
|
Zôogen;ZO dat de flerkte dier hogen altoos vermeerdert,
van de Watirbak n. i af, tor 5 toe. Op dat den arbeid geftadig en zonder afbreeking ge-
fchiedde, zo vult men de J3ak n. 5 naar maate dezelve geledigt word, met nieuwe ftoffen , zodanig bereid als wij boven hebben aangeweezen. Dit is de manier hoedanig de loegen worden vervaar-
digt, welke totzamenftelling van de gemeeneZ«/» wor. den te werk gefield. Wat de oliën aangaat, deeze vereifchen geene voor-
afgaande bereiding; men gebruikt die, zodanig gekogt worden of van den Molen koomen. Wij hebben gezegt, dat men tot bet Zeepzieden van
heete en koude oliën gebruik maakt; dat de kouden wam van het meeste gebruik word gemaakt, die van 't kool zaad doorgaans raapolie genoemd, is; dat de heete oliën niet de kouden vermengt zijnde, meerder lijvigheid aan de Zeep bijzet. Dog dewijl de heete oliën kostbaarder zijn dan as kouden, gebruiken de Zeepzieders die zo wei- nig als doenlijk is, Zij zijn egter genoodzaakt om er s'winters gebruik van te maaken, ja zomtijds wel die tot de helft toe met de kouden te vermengen. Des fomers ftooken zij dikwils, met zuivere koolzaad of raapolie. Deeze Zeep word in Ketels gekookt; zijnde degroot-
ften hier toe de besten, en het is altoos voordeelig om groote ftookzels teffens te doen ; maar om een goede proportie te hebben, moet derzelver diameter altoos grooter zijn als de diepte. Dewijl de Zeep, kcokende, Teel opborrelt, moeten alle de ftoffen te zaamen ge* Buoinen, nimmer de Ketel meer dan de helft van der- zelver diepte vullen, op dat er ruimte genoeg tot opbor» reling overblfjve. Een Ketel van 13 voeten diameter, pp 11 voeten diepte, zied van 25 tot 30 tonnen olie, en geeft een weinig meer als die dubbele hoeveelheid Zeep, dat is, van 55 tot 60 Tonnen. DegewooneKe. tels zijn egter kleiner, en zieden niet meer als 15 a 16 Tonnen olie. De Ketels zijn uit geflagen iizeren plaaten vervaar-
digt , aan malkanderen vastgeklonken ; in de grootfte zoort is bet onderfte gedeelte tot twee duimen toe dik, het overige na evenredigheid. Men zie op Plaat V, fig. 1 en 2 , de plattegrond en doorfneede van een Ketel, en de wijze hoedanig die op haar Furnois is geplaatst, 't welk door een in de grond gegraaven gat, word aan- geftookt. Tot gemak van de bewerking, moet derand van de Ketel, maar 2 of 3 voet boven de vloer van bet Werkhuis zijn. Dewijl er veel waasfem of rook op- gaat, zo moet men indien het Werkhuis van boven met planken is bedekt, een opening of zoort van lantaarn Vervaardigen ; dog wanneer dit Werkhuis enkel maar met pannen is belegt, zo vervliegt de waasfem door der. zelver openingen. De Ketel moet zo veel doenlijk is, nabij de Water-
bak n. s geplaatst worden, daar men de fterke loog 'm heeft. De grootheid van het ziedzel, moet dan, gelijk wij
het reeds hebben gezegt, evenredig zijn met de grootte van den Ketel, en die van de Waterbak n. 5. Een ziedzel willende doen .begint men zulks met om-
trent de helft der olie die tot het ziedzel verc'scbt word in de Ketel te gieten, zommigen gieten ze er bijna alle te gelijk in; vervolgens begint men het vuur in 't fur- nuis te ftooken Wanneer de olie begint heet te wor- den, giet men er.twee Tonnen loog in; en zoo draadit eerfte mengzel kookt, giec men er nog twee anderen |
|||||||||
|
bij'; vervolgens wagt men een kwartiersuur, of daar om-
trent, zonder er iets bij te doen, op dat de loog bfgin- ne zich in de olie te dringen, en dit is 't geen zij noe. men de verbinding maaken; naar maate nu de verbinding gefchied, vaart men voort om er loog bij te gieten, en men voegt er als dan ook nog de overige tonnen o'.iebi]. De hoeveelheid van loog in proportie van die dor olie,
is niet volftrektelijk bepaalt; zulks verfchilt naar maate van derzelver kragt, in 't algemeen nogthans kan men die als 4 tot 3 rekenen, dat is te zegaen, dat men bij 30 tonnen olie, 40 tonnen loog voegt; van die 40 ton- nen loog waasfemen er omtrent 5 uit, dewijl men door- gaans uit een ziedzel, een tiende meer Zeep als het dub- beJd getal van olie bedraagt dat er toe gebruikt is, ver- krijgt. Men moet de loog altoos in eene kleine hoeveelheid
teffens ingieten, en vooral dezelve langs de gebeelc oppervlakte van den Ketel verfpreiden; nsar maate dat die beide op zich zelven heldere en vloeibaare vogten, zich vereenigen, verdikken die ; zomtijds kooken ze zeer ftilletjes zonder eenige opzieding; dog het gebeurt ook wel dat zij zich ten eenemaalen tot fchuim verheffen; als dan roert men dezelve om de opborrelingen te doen b'-'daaren, en men giet er zelfs zomtijds eenige emmers v )t loog i).i, ten einde die de doen ophouden, en dus hen ovr,kooken, w.sar door de ftoffe zoude verlooren gaan, vooKekoomen. In een woord , zo lang een ziedzel Zeep op het v'tur is, vordert het zelve geftadig bewerkt, en naauwkeurig bewaakt te worden. De voornaamfte we- tenfchap van een Zéepziederbeftaat, in het zelve wel en na behooren te beftieren; en hoe ervaaren hij ook mag zijn, zuilen er zomtijds toevallen gebeuren, die uit oor- zaaken voortfpruiten, welke hij onmoogelijk heeft kun- nen voorzien. Indien men in den aanvang te veel loog bij de olie
heeft gevoegt, zo gelukt de verbinding niet; is de loog al te fterk, vat dezelve alte fchieüjk de olie, en in plaats van die te verdikken, brengt zij klonters voorr. Dit kan men verhelpen, met er eenige emmers vol flappe loog uit de eerfte Waterbakken bijtegieten; zo integen- deel de loog niet fterk genoeg is, zo beeft de verbinding zeer langen tijd noodig om na behooren te gefchieden, dewijl als dan het overtollige water der loog, moet uit- dampen. De hevigheid der borrels of opzieding, fpruit dikwils
van het al te fterke vuurftooken voort, en ook zomtijds, zo als de Zeepzieders zeggen, van de boedaanigheid der loogen, naar maate van de zouten , die dezelve bevatten. Men kan dus geen zeer «nauwkeurige regels voor-
fchrijven , ten aanzien van de behandeling der Zeepzic ding. De onderlinge verbinding van oliën en loog ge- fchied zijnde, en de fterkfte borrelingen ophoudende, moet als dan de ftoffe klaar worden, dat istezeggen.dat de deelen der olie door de zouten der loog ter deege verdeelt zijnde , er geen klonters moeten overig blij- ven; deeze klaar- of helderwording der Zeep, vermerkt men door middel van met de kleine lepel, die bij zom- migen Proef-lepel word genoemd, iets van de ftoffe te fcheppen , en die tegens het licht aan in een kommetje uittegieten, als dan kan men duidelijk zien, of er klon- ters in zijn dan niet. Deeze klaarwording is volftrekt noodzaakelijk, teneinde de zieding wel te doen geluk- ken. Deeze volkoomen zijnde, valt er niets meer te doen , dan de ftoffe de behoorlijke gaarheid te doen verkrijgen, 't geen ten uiterften noodig is, om de Zeep Aaaa 3 eene |
|||||||||
|
43^° ZEE.
|
|||||||||
|
ZEE.
|
|||||||||
|
eene goede hoedanigheid te doen verkrijgen. De Zeep*
zieders worden de genoegzaame gaarheid van de Zeep gewaar,, met de kookende ftoffe, verkoeld zijnde te be- fchouwen en te onderzoeken; ten dien einde fcheppen zij er van tijd tot tijd met de proef-lepel uit den Ketel,. en laaten die op een verglaasde dekpan, of wei in een wit verglaasd kommetje loopen, dat zij als dan in de lucht zetten om te verkoelen. Jeder maal als zij de proef- lepel in de kookende Zeep dompelen, draagen zij zorg om de oppervlakte te roeren, ten einde het fchuim te verwijderen, dewijl zulks niet gefchiedende, zij zeer ongegrond over de proef zouden kunnen oordeelen. Aan de verdikking, de koleur, den aart van den korl, de tijd die zij nodig is om te (lollen, beoordeeien zij de zieding; ook beproeven zij dezelve, met een weinig van de ver- koelde Zeep tusfcben duim en vinger te neemen, en die vervolgens zagtjes van malkaar te trekken, indien dezel- ve fpint, verftrekt zulks ten teken, dat de Zeep niet-vol- koomen gaar is; maar indien het zich van een fcheid, dat de korl fijn is, en de kolcur bruin, als dan is zij tot haar behoorlijke trap van gaarte, en als dan neemt men het vuur onder de Ketel weg. Om de opborrelingen te doen bedaaren, ende Zeep
in ftaat te doen (lellen, om getond te kunnen,worden, zonder van deszelfs lijvigheid nog vereiscbte gaarheid te verliezen, 't welk onwederfpreekelijk zoude gebeuren, indien men erin 't laatst nog loog bijvoegde, doet men in het ziedzel een vat vol Zeep van een voorig kookzel; deeze Zeep fmeltende, verkoelt die welke in de Ketel is; en zo dra de opborrelingen ten eenemaalen bedaart .zijn , gaat men over om den Ketel te ledigen. Indien de meester Zeepzieder van gedagten. is, dat bet kookzel tot derzelver volmaaktheid is gebragt, laat hij teiftond den Ketel ledigen, en de Zeep in vaten doen. In- dien de Zeepzieder in tegendeel van oordeel is, dateen weinig meerder gaarte voor het kookzel noodzaakelijk zij, laat hij dezelve naar dat het vuur is weggenoomen, nog een zekeren tijd in den JCetel; dit alles moet van de verfchillende omftandigheden afhangen. Maar in 't algemeen, is het beter dat de Zeep een weinig te lang, dan te kort gekookt heeft. Zodaanige Zeep die de vol« boomen trap van gaarte niet heefc, fchift en bederft; die in tegendeel welke.te lang heeft gekookt, vermin- dert enkel 'in hoeveelheid, 't welk het is waargeenzints tot-voordeel van de Fabrikeur verftrekt. Naauwkeuri' ;ge oplettenheid en geduurige ondervinding, zullen hem hier in tot leidsman verftrekken. De .gewoone tijd om een ziedzel tot vólkoomenheid
-te brengen , ie van zes tot zeven uuren; maar zulks ver- schilt naar maate van de kragt der hogen, de getempert- 'heid der lucht, en de verfcbeidene toevallen welke er veeltijds zeer onverhoeds onfftaan. Ten aanzien van de hoedanigheid der Zeep, is het mij
onbekend, om welke rede die, welke 't meest door de Kooplieden word gezogt, van een bruine koleur is naar hetzwart trekkende; die welke men met olie vervaar- digt, die uit koolzaad word getlaagea. is altoos een wei- nig falaauwagtig. Veel Zeepzieders gieten een half uur voor dat het kookzel tot volkomentbeid is-gebragt, er «en zwart verfzel in, om daar door de begeerde koleur aan de'Zeep te geeven, Tot vervaardiging van dit verf- zel,' neemt men een .pond koperro*d, een half'pond gal- mooten, en een "half pond ■rood haut; dit-alles laat men ïn een 'Ketel met hogwater kooken, en daarna het vogt Ücor een teems loopen , w/aar.na Jhet zei re in de Ketel w&VjLtep word gegooten. |
|||||||||
|
Indien de Zeep grootendeels met heïte olie is vervaar»
digt, en dat de Fabrikeurdiegevolgeliik voor beste Zeep wil verkoopen, zo voegt hij er m plaats van de voor- fchreevene zwarte koleur, eene blaauwagtige bij, op dat de Zeep groenagtig worde. Hèt blaauwe verfzel word uit in loog gefmoltene indigo vervaardigt, dat men vervolgens door de teems laat loopen ; het gebruik en de ondervinding regelt hier van de dofis of hoeveelheid; deeze blaauwe koleur met het geel van de Zeep vermengt, brengt de groene koleur voort. Men ledigt de Ketel doormiddel van een koperen em-
mer E. plaat V fig. 2, vastgemaakt aan 't bovenfte van een groote ftaak , doormiddel van een zoort van onrust of uurwerks-flinger , de Werkman put met die em- mer de 'flofie die nog gefmolten is, en giet dezelve in een zoort van trog of bak waar van men de plattegrond ziet op Plaat V fig. I. letter e, en de doorjneede fig. i. letter E, Deeze trog is aan de vier zijden geflooten; omtrent een derde van derzelver langte, word zij in de gantfche breedte afgefcheiden door een koperen plaat a b, die met gaaien is doorboort; zo dat de ftoffe voor in het derde gedeelte te geraaken, verpligt is over dat zoort van zeef te gaan; indien er klonters of vreemde lighaamen in huisvesten, worden die opgehouden en de de Zeep loopt er alleen door. Die plaat is beweegbaar; men ziet dezelve^. 3- <a & van de trog afgefcheiden. Van dat zoort van affchutting of derde gedeelte van de trog, loopt de Zeep door een rond gat, en valt in het vat h dat er onder is. Het vat vol zijnde, ftoptmenhet gat door middel vaneen tap of prop die een hoofd of hand. vatzel/ heeft, en nien legt een ander vat4in deszelfs plaats. Het vat dat men wil vullen, word op een zoort van
houten kroon geplaatst, welke met gaten is doorboort, en waar van de kanten overhellende zijn, hier onderzet men in een kuil, een ander vat i, zo dat indien er een weinig Zeep word geftort, of het geen er afdrupt ter- wijl men bet vat vult, in het benedenfte valt, en erdus niets verlooren raakt. Indien men half-tonnen met Zeep vult, zo worden
deeze om de zwaarte naast malkanderen in het pakhuis gezet, en de Zeep er met kleine vaten ingedraagen. Met deeze bewerking vaart men voort, totdat de gant-
fche ketel ledig is. Hier mede dient men ook fchielijk voort te vaaren, dewijl anderzints deonderfte Zeep te gaar zoude worden, 't* welk tot verlies van de Zeep- zieder verftrekt. Wanneer bet ziedzel na behooren is verrigt, blijft er niets op den bodem van de ketel. Men vult de vaten of tonnen niet door het fpongat,
maar door een der bodems, die men niet weder fluit voor dat de Zeep koud geworden is. Naar maate dat de vaten gevuld zijn, fchikt men die
regt overeind, de eene naast d'andere, om ze te laaten verkoelen; zomtijds is hier vierentwintig uur toe nodig, min of meer naar dat het weer warm of koud is. Wan- neer de Zeep geheel en al is geftremd , weegt men de va« ten; zijn die te vol, fchept men er met een troffel uit, zo niet, voegt men er zo veel bij dat zij hun vereiscbte gewigt hebben; vervolgens legt er de Kuiper den bodem in, Haat er van boven hoepen om, zet er het merk van den Zeepzieder op, en ftapelt dezelve op een in 't pakhuis. Te Rijsfel gebruikt men doorgaans vaten , van een
half, vierde, of agtfte ton, men kan erde afmeetinge van zien op Plaat Vfig.3. M. N. O. De ton weegt 300 pond JRijsfels gewigt, waaraf 40 pond voor het fust, -blijft
|
|||||||||
|
. ZEE. ZEE.
|
|||||||
|
blijft 260 pond ?<eep, of wel 227 pond marks géwigt, de-
wijl het Rijsfels pond niet meer ais 14 oneen bevat, de halfen quart ton na proportie. De 0U3 word direft uit de vaten in de ketel geleegt,
door middel van. een zoort van Spil ofWindaas f, fig. 1. . Plaat V, die boven deKetel geplaatst is, en in 't grootte verbeeld word in H en G, fig. 3. van dezelfde flaut. Na debaaken aan de twee uiterlren van het vat c te hebben g-eflaagen, het touw e aantrekkende, 't welk zich om de trommel d wind, is een enkeld Mensch in ftaat om dat Vat opteligten , of veel eer laat hij hetzelve op twee hel- lende ijzere ftaaven / glijden; wanneer het ter hoogte van de Ketel L is gebragt, duwt hij het met de eene hand na binnen, hij laat als dan het touw los, en het Vat word door twee ijzeren krukken g onderfteunt, wel- ke met een uitfprong binnen de ketel zijn geplaatst;als dan is er niets meer te doen als het Vat zodanig te draai« jen dat het fpongat na onderen koomt, en het vat loopt ledig. In de platte grond, fig. 1. ziet men de plaatzing van
dat Spil of Windaas afgeltipt; en in fig. 3, deszelfs uit- gebreidheid in 't groot, van vooren en in profil gezien; men plaatst het zelve zodanig, dat het van buiten't werk- huis kan beftierd worden. Het Pakhuis dat tot berging van de olie verftrekt, dient er ook zo na als mooglijk bij te zijn, zo als in D, fig. 2. word afgebeeld. Wat de loogen betreft, men trekt dezelve uirde groo-
te Waterbak die onder de Bak n. 5. fig. ï & 2 is ge- plaatst, doormiddel van de draagbaare Pomp waar van wij hebben gefprooken, en meteen geut, geleid men dezelve in het groote houten vat of Tobbe h fig. 1, die men ter zijden van deKetel plaatst; het isuitdeeze tob dat de Werkman de loog fchept om die bij gedeeltens in de ketel te gieten ; ten dien einde gebruikt hij een rond koperen vat K,fig. 3, van elf duim diameter en zes duim diepte, dien zoinmigen fchepper noemen, en waar aan een ijzeren fteel vastzit, daar hij het bij aangrijpt; deeze fchepper is de maat waar van hij zieh bedient; want veer- tien hier van maaken een ton uit; zo dat hij door het getal 't welk hij er van in de Ketel giet, weet hoe veel tonnen loog hij bij zijn ziedzel voegt. Men ziet deeze Schepper K, en de Tobben H, in fig. 3 afgetekend. Wanneer meaéenig water uit de Bakken wil fcheppen,
maakt men van'een groote lepel gebruik, waar aan een lange houten fteel zit, men ziet insgelijks in dezelfde figuur, de afbeelding daar van, in P. De Zeep waar van wij hier de bereiding hebben mede-
gedeelt, blijft altoos week, en kan nimmer hard worden, zo als de witte of zogenoemde Jpaaiifche-ztsp; 't welk vol- gens mijn gedagten voortkomt, van de zoom van olie en het kogzout, die men tot deszelfs vervaardiging gebruikt; deloog welke uit de potasch word getrokken, crijstallifeert waarfchijnelijk zo gemakkelijk niet, als die welke-men uit de Souda verkrijgt. Indien men deeze Zeep langer wil- de kooken , zo zoude dezelve verbranden, en uitdroegen, dog nimmer tot een vaste zelfftandigheid geraaken; dit is ten minfte 't geen mij de Zeepzieders hebben ver- zekert. Deeze Zeep welke nimmer hard genoeg word om tot
brooden gemaakt te worden , en dus in kasfen te worden bewaard, begrijpt men ligtelijk dat in vaten moet wor-* den gedaan, om van de eene plaats Ba de andere.te kun nen vervoerd worden.' ZEE-PAARD, zie RIVIER-PAARD.
ZEE-PAARDJE, zie NÄ&LDVISSCHEN ». VIL
pag.. 2245. |
|||||||
|
ZEEP-AARDE, in het latijra Terra cimolia, is een
vette zeepachtige aarde, die de fmeer- en vuiligheid uit het linnen en wollen goed wegneemt, en van natuu- ren op Cimolia een der Cijcladifche eilanden, gevonden wordt. ZEEP APPEL, zie JEQUITINGUACiJ.
ZEEPAPPEGAAIJ, zie PAPPEGAAIJ-DUIKE-
REN ti. III. pag. 2595. ZEE-PAUW, zie KEMPHAAN.
ZEE--PEN, is de naam van een inwoonder der zee,
onder dat geflagt van Schcpzelen behoorende, welke de Ouden Zsophites hebben genoemd; een naam welke te kennen geeft, dat het de natuur heeft vaneen Gewas en van een Dier; fchoon zomniigen gewild hebben, dat het flegts een Fucus of Zee-plant ware. De Zee-pen is geen Corallin, maar zeer van dezelve
verfchillende.. BetCoral, Corallin, Alciionia, en al dit zoort van Schepzelen, zijn van onderen vast op een zekere zelfftandigheid onder water , maar de Zee-pen zwemt vrijlijk in 't water of drijft boven. Dr. C00TK Molesworth zond onlang*s een van dee«
ze dieren aan den Heer Ellis, autheur van verfcheiden fchriften over de natuur van het Corallin, welke gevan- gen was op 72 vademen water, bij de haven van Best in Vrankrijk. Dezelfde zoort word dikwils gevonden ia den oceaan, van de mist van Noorwegen, tot aan de Middelandfche zee, zomtijds in groote diepte, en zorn- tijds boven op het water drijvende. De befchrijving. door Dr. MoLESwoHTH, aan den HeerELLisgezonden, is als volgt. Zijn gedaante gelijkt zeer naar een gevederde pen,,
uit de vleugel van een Vogel, bijna vier duimen lang,. en van een roodagtige koleur. Langs den rug is een fleuf van den (tam tot het uiteinde -van het gevederde gedeelte, gelijk er is in een pen. Het gevederde gedeel- te beflaat uit Vinnen, van den fteel afkoomende. Dee- ze vinnen doen het dier zich achterwaards en voorwaards beweegen, in het water, en zijn voorzien met zuigers of monden, met eenige draaden gewapend. Geene ope- ning is er onder aan bet Iighaam, en hierom is de Heer Ellis van gevoelen , dat het overfchot van het gedier, te, waar op zij aazen, door dezelfde openingen, waar door het voedzel word ingenomen, ontlast word. En dit is niets bijzonders, om dat men het zelfde in Polij. pen heeft ontdekt. Elk zuiger heeft agt draaden, wel- ke uitgefpreid worden, als de roof gevat word; maar op andere tijden ingetrokken zijn in derzelver kasjes,. welken , aan 't end voorzien zijn met doorntjes, die zich naauw fluiten rondsom den ingang, en dit tedere deel,, voor uitwendige beledigingen befchermen. Dr. Bohadsch van Praag, hadt gelegenheid, een van
deeze dieren, in 't water te befebouwen, en geeft er het volgende bericht van, het geene hij zag. Een ge» deelte van de fteel trok zich te zaamen, enwerdt van een hooge purperkoleur, zo dat her eene vertooning maakte, als van een band rondsomdezelve; deezefchijn« baare band of zoom , bewoog zich opwaards en neder- waards bij beurten, door de gehee'e lengte van den fteel, zo wel het gevederde als her naakte deel. Hij begon van onderen, en zich naar boven tot het ander einde uitftrekkende, verdween hij daar;.en vertoonde zich, ter zelfde tijd, wederom, aan het onderfte, en klom op als vooren; maar als bij door het gevederde deel ging, werdt hij bleeker. Als deeze zoom aieesc zamengetrokken is j. zwelt het
lighaara
|
|||||||
|
43" ZEE.
Hghaam boven dezelve, en verkrijgt de gedaante van een
uije. De zamentrekking van den ftam geeft de koleur aan den ring; want de deelen tusfchen beiden,zijn b!ee. ker, naar gelang de zoom dieper konie. Het end van den naakten fteel, is zomtijds, gekromd
als een haak, en aan het uiteinde is een fleuf of kloove, welke dieper wordt, als de purpere kring opklimt, en ondieper, als hij naar beneden komt. De vinnen heb- ben vierderleie beweegingen , op en neder, achterwaards en voorwaards, van dexegter naar de flinker, en van de flinker naar de regier zijde. " Devleefchige draaden ofklaauwenbeweegen zich naar
elle zijden, en zijn, zomtijds, met het ronde gedeelte, van waar ze voortkoomen, uitgeftrekt buiten de vin- nen , en op een-anderen tijd,'binnen dezelven verhoolen. Bij de ontleeding van dit Dier, zijn de volgende dingen
opgemerkt. Als de ftam naar de lengte werdt geopend, liep er een zout vogt uit, zo taai, dat het aan den vin- ger bleef hangen. De geheele fteel was hol; het bui- tenfte vlies zeer ßerk, en omtrent een tiende van een duim dik. Binnen dît vlies vertoonde zich een ander, 't welk veel dunner was, en tusfchen deeze twee vlie- zen ; in het gevederde deel van den ftam, een groote meenigte geele eijtjes, 'van grootte omtrent, als het zaad van een Slaapbol, in een witagtig vogt drijvende. Om» trent drie deelen van de holte , binnen het binnenfte ■vlies-, waren gevuld met een zoort vangeelagtig gebeen- te. Dit been is bijna twee en een halve duim lang, en een twintigfte van een duim dik; in hét midden vier- .Ran£, maar naar de enden word het rond en zeer dun; zijnde dunst bij het gevederde deel van den ftam. Dit been is, over de geheele lengte , gedekt met een helder geelagtig huidje, 't welk aan beide enden uitlooptin een band; waar van de een ingeplant wordt in den top van den gevederden ftam, en de ander in den top van den naakten ftam. Door middel van den bovènften band, word het end van bet been geboogen tot een kromte, of-regt uitgeftrekt gehouden. De Vinben zijn zaamengefteld uit twee huiden- De
buitenfte is fterk en lederagtig, en bedekt met veel kar- mozijne ftreepen. De binnenfte huid is dun en door- zichtig. De zuigers zijn ook 5p gelijke wijze zamenge- field uit twee huiden; maar de buitenfte is wat zagter. De vinnen en de zuigers zijn hol, zo dat de holte van de zuigers gemeenfchap fchijnt te hebben met de vin- nen, gelijk de holte van de vinnen heeft, met die van den ftam. Dr. Shaw zegt, in zijne Hiflorle van Algiers, dat
deeze Dieren zulk een fchijnzel geeven in het water, dat de Vlsfchers, bij nagt, de visfchen, op een merke» lijke diepte van de zee, können zien zwemmen, door 'het licht, welk zij geeven. Wegens deeze zeer bijzon- dere eigenfchap, heeft Linn/eus deeze zoort van Zeel pen genoemd, Pennatula plmpkorea, en merkt daar bij aan, na dat hij 3e gelijkluidende naamen van andere 'Schrijvers heeft gemeld. Habitat in Qceano fundum il- Huminans; zij woont in den oceaan en verlicht de diep- te. Men vindt deeze zoort van Zee-pen keurltjk afge- beeld , in de Annetat. Academ. van den Hoogleeraar Al- BiNus. Lib. I. tab. VI. Meer andere zöorten ziin ervan Ztt-pennm, dog die
ïiebben niet zulke gelijkheid met een gevederde pen. ZEE-PISSEBED, zie PISSEBEDDEN.
EEE-PLANT. zie MANUS MARINA- EËE-POKKEN, zieMOSbSL (EENDÊ-)
|
ZEE.
ZEE-PUITAAL, zie PUITAAL, nrflvpag; 2863.
ZEE-RAAF, zie RHINOCEROS-VOGELEN.rc.I. pag. 3045-
ZEE-SCHAD» W , zie OMBER-VISSCHEN.
ZEE-SCHILDPAD, zie SCHILPAD, n. Lp. 3286.
ZEE-SCHORPIÜEN , zie KNORHAAN , ». V.
pag- 1535. ZEE-SCHUIM, in 't latiin Alcijonium, en in 't fransch.
Ecume de wer, noemt men zodaanigeZee lighaamen, die eertijds onder het Planten-Gefiagt geteld zijn geworden, dog door de nieuwe waarneemingen, waar toe de ontdek- kingen van de Heer Tremsletj over de Polijpen, en de twijffelingen van de Heer Peyssonel over de Koraal- gewasfen, gelegenheid hebben gegeeven, erkent men thans het Zee-Schuim voor Dieren van den rang der Zoophij- ten. Dit zoort van Zee-voortbrengzelen, is tot nog toe maar op een zeer onvoldoende wijze befchree ven. Touri nefort zegt, het is een Planten-geflagt van een bij. ,, zonder maakzcl, dat men kan leeren kennen aan deaf- beeldzeis, die verfcheidene fchrijvers ervan hebben ,, gegeeven". De Heer Linneus geeft de naam van Alcijonium aan zodaanige Zoophijten, waar van de tronk hol is, en waar van de bastigezelfstandigheidmet Polij- pen is vervult. De Alcijonium vermiculatum en de Alcijonium tctnia-
turn, zijn volgens de Heer Guettard niet anders, als verzaamelingen van eijers van twee zoorten van Zee- Haafen. ZEE-SCHUIM, zie GEBAK, pag. 8os.
ZEE-SERPENT, deeze Visch de tweede zoort on-
der het geflagt der Aaien bij de Heer Linn/eus uitmaa» kende, is door de ouden Ophis geheeten, en door Ar- tedi genoemd, Mur-ana teres, gracüis,' maculofa, eau- da tereti cuspidata , apterijgia. ; (Murna cauda aptera cuspidata, corporé tereti. Linh. Sijfi. Nat.) Onder den naam van gevlakt Zee-Serpsnt, werd dit
Dier van Dr. Lister, naar een gedroogd voorwerp, aldus befchreeven. De langte was drie en een half voet, de dikte van deri Kop vier 'duimen ; het Lijf allengs verfmallende, aan 't end fpits. De Snoet is langwerpig fcherp, meteenwijdegaaping, en heeftfcherpeTanden, die inwaards krom ftaân, boven en onderop dubbele rijen", met nog een rij, daarenboven, aan 't gehemelte. Aaa de Kieuwen ftaan kleine vinnen. DeRugvin begint drie duimen van den Kop, en loopt, tot op twee dui- men naa, de Staart ten einde uit. De Buikvin, bij de navel beginnende, ftrekt tot op vier duimen aan de (pits van de Staart. Dus is dan het uiterfte endje van de Stuart ongevind. Alle Vinnen zijn witagtig en onge- vlakt ; die van den Buik bijna een vinger breed. Aan den Buik is de koleur witagtig; deKopnietzeldenzwart- agtig geftreept. 'Voorts heeft de Visch, op de zijden aan het lijf, als een dubbele rij van groote vaalagtig zwar- te vlakken, ieder bijna een vinger breed; de onderde tegenover de tusfehenruimten van de bovènften ; even als men de boomen van een allée in't verband plaatst. De gemelde ftippeling en de kromheid der tanden,
doet mij naauwlijks twijfelen, of het zal zodanig een Schepzel zijn geweest, dat van Leguat en zijne med- gezellen op een klippigeilandje, bijSt. Mauritius, thans Jsle de France, daar zij in gevangenis gehouden wer- den, gedood zijnde, is afgebeeld. Dit monfter, dat van hun wel zestig ponden zwaar gefchat werd, en overzulks bijster groot geweest moet zijn, hielden zij in 't eerst voor een Lampreij of Zee-Aal; maar het vleesch pi'oe«
|
|||||
|
ZEE.
|
|||||||||
|
ZEE.1 4p.$
|
|||||||||
|
proevende, bevonden zij hetzelve zeer ieelijk van fmaaL
Zij aten er derhalven niet van, en evenwel wierden zij altemaal, zo 't fchijns, door het geproefd te hebben, ziek; weshalve dit Zee-Serpent, van hun, voor vergiftig werd gehouden. ZEE-SLANG. Onder het Geflagt der Aaien, maakt
deeze Visch, bij de Heer Linnäüs de derde zoort uit, wordende van Artedi genoemd, Murna exacle teres, cauda acuta apterijgia.; (Murccna cauda optera acuta, cor- pore tereti. Ljnn. Sijfl. Nat.) Dit Dier 't welk men in de oceaan der zuidelijke deelen van Europa vind-, zou het Zee-Serpent zijn waar ran de ouden gefprooken heb. ben, onder den naam van Serpens maximus; hoedaanig een 'er Willoüghbï te Rome gezien had, zijnde vijf voeten lang. De Heer RAijbefchrijft dezelve op de volgende wijze.
; Het Lijf is fpürond, naar de Staart allengs verdun- nende; de koleur op de Rug vuilgeel, aan den Buik belder blaauwagtig. -Aan de Kieuwen heeft hij maar één paar Vinnen. De'Rugvin, niet ver van de Kieuwvin- nen aanvang neemende, ftrekt zich, tot op een vinger- breed naa, ten einde van de Staart uit. Een dergelijke Buikvin heeft de Visch , die aan de Navel begint. Het end-van de Staart is niet platagtig, gelijk in de Aaien, maar fpilrond en fcherp. Evenwel vond hij te Rome nog een anderen Zee-Slang, wat korter, die de Staart aan 't end platagtig had. De Ingewanden waren bijna als een Moer-Aal, en hij befpeurde in deeze Zee-Slangen, zo wel als daar in, dat deGalblaas nietaan deLever ge- hecht ware, nog er eenigegemeenfchap mede had, han- gende los en vrij aan de Galbuis. Even hetzelfde was door hem in de Adders waargenomen. Deeze Visch fchijnt, om te verkoopen, op de markt
-te Rome gebragt geweest te zijn; want dezelve, zegt Willougbij, had het vleesch zeer fmaakelijk en lek- .■ker, dog met vezelagtige gaatjes doorweven; zo dat men het niet, dan met veel moeite, kaauwen kon. Geheel anders fcheen het te beftaan mét die Westindische Zee. Slangen, daar Pater Labat van fchrijft; wantdezelven waren, doorhem, geheel venijnig aangemerkt. Zoda- nig een werd door het volk, dat bij hem op de vis- fcherij in de kanaalen, tusfehen de Westindifche Eilan. den uitwas, gevangen, die, op delangte van drie voe- ten , de dikte had van een arm, den Kop plat, als van een Slang; op de rug een vin, die-tot aan 't end van de Staart liep, en twee anderen , die bij haar begin drie goede vingeren breed waren.' Het Moniler, echter, dat zij naderhand, op een treknet magtig wierden, was ongelijk verfchriküjker. Die Zee-Slang was ongevaar tien voeten lang, en had
bijna twee voeten omtreks in 't midden. De Huid was blaauwagtig, met zwart en geel günïTerende en als ge- verniste vlakken. DeRugvin, die, op zes duimen naa, zich tot aan 't end van de Staart uitrekte, was bij den Kop zeven duimen breed. In de Bek waren tanden van bijna twee duimen lang. Behalve de Rugvin had dit Schepzel nog drie vinnen aan beflie zijden van het lijf, en eene vin in de uitfnijding van de Staart, die, dat zonderling is, in beide deeze Slangen, als gevorkt Zijnde, hefchreeven word. ZEE-SLIJK, zie MODDER. ZEE-SMÈER WORTEL, zie SMEER WORTEL , B. 4. en 5. pag. 3407. ZEE SNOEK, is een Visch "door de Heer Lxnnbüs
onder het geflagc der Baarfen geplaatst, waar van de VII Deel. |
|||||||||
|
naäm Lupus, die er door de Autheuren aan tocgekent
word, aan zommigen aanleiding heeft gegeeven, om hem met den Zee-Wolf (Anarhichas) te verwarren; an- deren hebben hem ZieBaars genoemd. In navolging van de Heer Baster , geeven wij hem den naam van Zee- Snoek. Te Rome heet hij Spigola, te Venetië B10nclii- ni, in Toskane Araneo. Van de Engelfeben word hij Bosje, van de Spaanfchen Lupo, van de Franfehen Lu- bin getijteld. Deeze Visch, die in Italie oudtijds zeer geacht was.'
als een der lekkerfïe gerechten, wordende best gekeurd wanneer men hem, te Rome, tusfehen de twee Bruggen in de tijber ving; komt in de noordzee ook zomtijds, dog zeer zeldzaam voor. Wijlen deHeer Doktor J.Fr. Gkonovius befchrijfc er, in de Verhandelingen der Ko«f ninglijke Akademie van Upfal, in Swceden , een, die, door de Visfchers te Katwijk gevangen zijnde, in decem- ber des jaars 1750, te Leiden , ter markt gebragt werd. uiB. Upfal. 1744'I750. p. 39- De Geftalte zweemde naar die van een Salm , op de
rug bruin, aan den buik zilverkoluur. Hii had degaa« ping van den Bek zeer wijd, met kleine feberpe tand- jes, van gelijke grootte, gewapend; daar waren er, ter wederzijde aan dekaaken, aan de keel en 't gehemel- te; de Tong was rond, van vooren vrij in de bek fpee- lende, daar hij in 't onderde aangehecht werd gevonden. De Neusgaten ftonden nabij de oogen, die ver van el- kander af vvaren, met blaauwe oogleden ; de oogkrin- gen zilveragtig met een geelen ring. Aan 't begin- der Borstvinnen was een zwarte vlak. 't Getal der Vinnen was agt in 't geheel, van welken men er vond twee op de rug, aan den borst en aan den buik ieder twee, een aan de navel en een aan de itaart; die een weinig ge- vorkt was. De Ingewanden vond men rneesr verrot, dog evenwel werd ontdekt, dat in de rob overblijfzels waren van gekneusde Garnaalen. Hij had de Levei klein en de Galblaas groot, het Hart langwerpig. ZEE-SPECHT, zie YSVOGELEN. ZEE-SPIN, zie KREEFTSPINNEN, «.Lp. 1637. ZEE-SPREEUW, zie LIJSTERS ,n. XI. pag. 1900. ZEE STEKELBAARS , zie STEKELBAARSEN , n. VII. pag. 3537. ZEE-UIL, zie SNOTTOLFEN, n. I. pag. 3434. ZEE.VARKEN, zie HAAIJEN, n. II. pag. 992. ZEE-VENKEL, Zee.Peterfelie, in 't/afijn Crithmum; Fceniculum marium. Dit Gewas 't welk veelvuldig op de rotfen aan de zeekust groeit, heeft tot kenmerken, dat de Bladen dik, fappig, final getakt, en in drieën gefpleeten zijn; de Bloemen groeijen in een kroontje, eik beftaande uit vijf Bladen, die zich indegedaante van een roos uitbreiden; de Kelk der Bloem word een Vrugt, uit twee platte en eventjes gegroefde zaaden, beftaande. Deeze Plant wil in een tuin niet best groeijen, fchoon ze verfcheiden jaaren kan bewaard, en door haare krui- pende wottels in de lente te fcheuren, vermenigvuldigt worden. Zij moet in potten, gevuld metkeiaeigruuzige grove aarde , geplant , en in den fomer overvloedig en dikwils bevogtigd worden. Met deeze behandeling zal ze redelijk wel groeijen, en Bloemen voortbrengen. ZEEVLOO, zie KREEFTEN, n. XX. pag. 1634, ZEE-VOS, zie ZEE-HOND ZEE-WANTS, ziePrSSEBEDDEN, n.III,p.27i3. ZEE-WATER, zie WATER. ZEE-WINDE, zie SOLDANELLE. ZEE-WOLF, is een Dier in de zoute wateren Ieeven-' Bbbb de, |
|||||||||
|
ZEE. Z&G.
zich niet metdijli voed , maar met visch. Evenwel houd
men die in diep water, inzonderheid des winters of in 't voorjaar, gevangen worden, voor de besten. Men eetze, volgens dien autheur, gekookt of opalen roos. ter gebraden , en de lever, met fap van oranje-appelen, is een zeer lekkere verfnaparing. De kuit word ook we! ingez'outen, gelijk de visch., en den kop bemint men meest. ... . ■-..-. ; Men heeft den Zee-Wolf met den Steur en Snoek,, dat
insgelijks'Vraatagtige .en verflindende Visfchen zijn, of met anderen," verward gehad. . Ook fchijnen er te zijn kleine en groote,- gevlakte en ongevlakte, waarvan de laatde Lupus■ lanatus geheten word, wegens de wollig, heid van de huid. Röndeletiüs getuigt, dat, die in de zee zich onthoud, zijnde de regte Zee*Wolf, bleek- blaaiiw gerugd is; die men 'in de monden der rivieren vind bijna geheel wit- Hij meukt aan, dat deeze visch. niet. gevoeliger voor;de koude zij.;dan anderen, gelijk Aristoteles zich verbeeldde, maar datzijn hoog zwem- men aan de oppervlakte van 'twater, hem Jigter doet dood vriezen. Gedagte Philofooph had zulks aan de fteen- tjes, welken de Zee-Wolf in zijn kop heeft, toegefchree» ven. Die aan den uitloop der riviérert zich onthoud , zegt de eerstgemelde fchrijver, brengt tweemaal's jaars jongen voort. ZEE-WOLFSMELK, zie WOLFSMELK, n, 10.
pag. 4206. ' V ZEE-ZANDKREEFT, zie KREEFTEN-, n. XVI»
pag. 1634. ■ ZEE-ZEELT, zie LIPVISSCHEN, »,- XXXIX.
pag. 1848. . r.-;."J ZEE-ZOUT, zie ZOUTEN..
'ZEE-ZWALUW, zieSTERNEN, n. lll.pag. 3545; ZEE-ZWALUW zonder POOTEN, zie ON- WEERS VOGELEN. ZEE-ZWiJN, zie SPIEGEL-VISSCHEN, «.IV.
pag. 3466. ZEGEL-LAK, in het latijn Laeca hispanica, word
zodaanige fpecie genoemd, waar van men gewoonlijk gebruik maakt, om brieven mede te zegelen.. Om het Zegel-lak tv vervaardigen , moet men zich van
een vierkante tafel voorzien, in welks middeneene ope» ning is, waar in men een zeer glad gepolijste koperen of ijzeren-plaat legt,, onder deeze plaat zet men een komfoir met vuur; wanneer de plaat daar door behoor- lijk heet is-geworden,. beftrijkt raen die,met boom-olie, en legt er de ftoffe van het Zegel-lak, die alvoorens be-- reid en vermengd is op, zo dat er niets meer te doen valt, als die tot effene en egaale ftokken of pijpen te brengen, hetzij rond of Wel platagtig; dit kan menuit-- voeien met die dp de warme plaat met de hand tot zo-lan- ge te rollen, tot dat de begeerde dikte hebben verkree« gen; hoe meer men dezelve op de plaat bewerkt en rolt,, hoe ineengedrongener en hoe beter het Zegel-lak tot 't' gebruik word. Om de ftokken glinfterende te raaaken, houd men die boven een komfoir waar in een maatig vuur is gedaan.. Daar zijn Lak-:naakers welke de com- pofftie in daar toe gemaakte vormen doen, waar uit' men dan de (lokken volkomen glad en effen bekoomt;, anderen welke- die pp de-plaat met de hand vervaardi- gen,, beftrijken die door middel van een penneveermet cinnaber die in ge.fmolten hars is ontbonden,, dunnetjes- over.. Wat de bereiding van de ftoffé tot het Zegel-lah betreft, zie. hier hoe die word te. werk gefield;. , MoW zegel-lak, Weerat een loot gpmlaky terpentijn >?.. V ' ea
|
||||||
|
43*1 ZEE.
de, welke in 't fransch Loup marin', in't italiaansch Lu-
pajfo of Louvazzo, en in 't engelsch Wol-fisch of Sea- Wolf word genoemt; Schanfor. Gesn. ; Lupus marinux noflras &f Schoneveldii. Will, p, 130.; {Amrhichas. LiNN..Sî/yî. Afaî.) Met regt word dit Scbepzel Ze*-?Fb//genoemd, we-
gens zijne vinnigheid ; dewijl het op een anker bijten Kan, dat men nietalieên het geluid hoort, maar zelfs daar van de blijken vind, in het ijzer. Het word ge- vangen bij 't eiland Heiligland, voor de Elve, en al- daar, zo 't fchijnt, Klipvisch geheten; hoewel men 'C zelve ook wel met de Leng verwart. Zeer gemeen moet het niet in de noord- of oost-zee zijn, omdat Lin- Kffius er geen gewag van maakt onder de Zweedfche Visfchen. Ook moet de Zee-Wolf aan de kusten van En- geland niet veel voorkoomen; want Willóuhby bê- lent hem nooit gezien te hebben. Listeu had drie ou« den, die bij Scarborough gevangen waren, welker tan- den hij altemaal afgebroken of zodanig vetfleeten vond, dat er geen één van geheel was overgebleeven. In jon- ge Zse-Wohen had hij dezelven,, te vooren,. onbefcha. digd, gelijk en rond,, gezien-' In de befehrijving, welke de Heer Gikwoviü9 geeft
van den Zee-Wolf, zegt zijn Ed. dat dezelve ééne Rug- vin heeft, die zichuitftrekt van de Kop tot aan de Staart, betraande uit 73 beentjes ; de Borstvinnen groot eti londagtfg, met 20 beentjes, die takkigzijn, gedraald ; geene Buikvinnen; de Aarsvin, van de Navel tot aan de Staart uitgeftrekt, met45 enkeleen. weerloozeStraa. len voorzien ; de Staart klein,. egaal, niet 18 takkige Beentjes. De Huid hard', dik, ongefchubd,. bruin, overdwars met zwarte ftreepen getekend; DeKopplat- agtig of breeder dan hoog, naar de Qogen fchuins af- loopende,, die ovaal zijn. en groot; het Lijf langwerpig, fpilrondi Omtrent de Tanden merkt de läatstgemelde aan, dat
dezehen , in de beide Kaaken-, op dubbelde rijen ge- fchikt zijn, waar van. de vier voorften groot, bijna een vierde duirns lang, aan de Hondstanden der viervoetige Dieren gelijk en. wit; de binnenflen kleinder. In de Gnderkaak zegt zijn Ed. is, bovendien; wederzijds,een langwerpig zeer hard Beentje,, van boven met verheven gjadde knobbeltjes ; dergelijke Beentjes vind men in de Bovenkaak, en zodanigen ook aan-de Keel.. De. Lip- jjen-,. die de tanden dekken, zijn. dik.. . Het eerstgemelde voorwerp was z«er klein, als de
langte hebbende van omtrent agt en een half duim; zo dat men daar uit geen befluitkan trekken tegen het vree- aelijk gefiel van Tanden,, dat aan deezen Visch-word toègefchreeven.. In een van agttien duimen, bij Hartle- pol in Engeland gevangen, dien Dr. Johnson befchreef, was de Bek met ten minde veertien groote en fterke tanden, te weeten zeven van boven en zeven onder, behalve die in de kaaken wederzijds, gewapend; Deeze tanden geleeken naar die van een balfjaarigen Hond. Hoe ijzelijk moeten de tanden dan niet zijn in een Visch van over de zeven voeten, hoedanigen er bij Hitland ge- Vangen worden, of van drie ellen, gelijk Rondeletius er had gezien.. Aan onze kust vangt menze, zomtijds-,. van- drie of- vier voeten- lang-.. Dat de zogenaamde pad- denileenen niets anders dan de kiezen vanden Zee-Wolf' Stijn*,, word'door Dr. Mekret verzekerd;, hoewel men» ze, gpmeSoiijk,, voor iets- anders houd; De Zjse- f-ÊT«//word vetter gevonden in. dfe meirerf en;
»iviezen. dar» in zee % zegt Roï{D£I..ëtbus; >; fioeweli bij] |
||||||
|
ZEG. ZEI. ZEN.
*en\colophome, van elks twee greinen; cinnaber en menie
-van elk? een drachma. Laat de gomlak en colophonie in -een ter deegen zuiver vat fmelten, voegt er ais dan de zterp'entijn bij, vervolgens aiiengskens teffens een wei- nig van As cinnaber en colophonie; tritureert het alles na behooren, en maakt het tot (lokken. Of neemt gomlak, zes greinen; terpentijn en colo-
phonie, van elks twéé greinen; cinnaber en menie, van elks een half drachma, en behandelt het op de voor- fchreeven wijae. ' Of neemt, een half once gomlak; colophonie en ve-
neetjche terpentijn, van elks een drachma; benevens een half drachma cinnaber. Ofwel, een vierendeels pond, gomlak; tweeoncen,
jgom-animi; cinnaber, een once; wrijft de twee laatstge- noemde fpecien ter degen fijn, en handelt er verders me- de als vooren. * Of neemt , colophonie, twee oneen; gomlak, vier
oneen; hars anderhalf once; cinnaber, na welgevallen. Of neemt, maflik, een once; gezuiverde zwavel,
terpentijn , en benjoin, van elks twee greinen; cinnaber na welgevallen. Laat de terpentijn fmelten, roert er dan de fijn «gemaakte zwavel onder,- vervolgens bij beet- jes de maflik, benjoin en cinnaber, die alvoorens ter deegen tot een ontastbaar poeder onder malkanderen moe- ten gewreeven en vermengt zijn,- wanneer dan eindelijk alles wel door een gefrnolten is, zo brengt het tot Hok- ken. Of neemt, gomlak, een half once; colophonie, een
drachma ; wrijft deeze twee fpecien ter deegen onder .malkanderen; voegt er alsdan eene behoorlijke hoeveel- heid cinnaber bij; befproeit dit mengze! mee ter deegen gerectificeerde wijngeest; zet het alles opeen gemaacigd vuur, en roert het tot zo lange , de wijngeest ten eene- Hiaalen vervloogen zij; kneed er dan een weinig muscus -ónder, indien gij het lak weiruikende wilt hebben. Groen zegel lak. Neemt gomlak en colophonie , van
elks een half once; terpentijn, een drachma ; ter dee< gen fijn gewreeven Jpaansch groen, drie drachma. Of neemt, geel maagde-wasch, vier deelen; Jandarak
en amber, van elks twee deelen ; rood-krijt, een half deel,- borax, een agtfte van een deel ; Jpaansch-groen, drie deelen. Alle deeze ftoffen moeten ter deegen fijn ge- maakt en onder een gemengt worden. Goudgeel zegel-lak. Neemt witte gezuiverde hars ,
twee o.ncen; maflik enfandarak, van elks een once; amber, een half once; guttegom, twee greinen; en be- ïeid het als vooren. Indien men in de plaats van ma- Sik enfandarak, gomlak neemt, en de gmte-gom er uit laat , bekoomt men zegel-lak van een bruine koleur, waar onder men wat blad-goud kan vermengen. Zwart zegel-lak. Neemt een der voorbefebreevene
compofitien , en voegt er in de plaats van cinnaber of fpaansch-groen, gezuiverde zwartzel bij, zo bekoomt gij het begeerde. Zie verders over de bereiding van het zegeU lak; Art de laVerrerie par Kunckel £? Neri. - ZEIL-STEEN, zie MAGNEET. ZEISSEN-VISCH , zie LIPVISSCHEN , n. X.
tag. 1846. ZELOTIJPJA, zie JALOUSIE.
ZELTEN, zie GEBAK, pag. 802.
ZENUWEN, in het latijn Nervi.---------. Een Ze-
nuw , is een zooit van aaa of toevoerend vat, waar door de levensgeest, na dat die door't beste gedeelte des bloeds in de faersfenen is uitgewerkt, tot de overige dee- |
||||||
|
ZEN. '4355
len "heen geleid word, om ze te verlevendigen, en hun.
de drift tot alïe werkingen in te drukken. Want fehooti alle de deelen, naar derzel ver inrichting, en naar de feniks king hunner gronddeelen, hunne werking volvoeren , zo moet ertog een eerfte Beweeger zijn, dieafbangkiijk van den oneindigen beweeger van alles, het kunstwerk- tuig, welk anders zou ftille flaan, in werking zet; want geene konst-machine, die naar eenige oogmerken zal werken, kan zulk eenen beweger ontbeeren. Deeze; levensgeest word door de hedendaagfche ontleedkundi. gen het zenuw-Jap of vogt, (fluïdum nerveum) ge- noemd, welk op één en 't zelfde uitkomt; want het is niet anders als een dunne,fijne en zeer vlug beweegen- de vogtigheid, die, met eene hevige drift, welke zijin en van zich zelven heeft, door de Zenuwen loopt, en, als vaneen vuurigenaarten eige;-fchap, even als de Pho- Jphorus, alles verwarmt, dooru.ingt, vloeibaarmaakt, beweegt, enzichfehikt naar de'werkingen van alle har- de en vloeijende deelen des levenden lighaams ; gelijk daarom in zulke, die met beroer.3 of lamheid zukkelen, alle gevoel en beweeging benomen is, als dit Zenuwjap zijnen invloed niet oefFenen, of irj de deelen niet door- draaien kan. Deszelfs weg is door de Zenuwen die wel geene holle buizen , gelijk de andere vaten hebben , maar toch uit dunne vezeldraden befïaan,- die in deleng- te gefchikt zijn, en met dezelfde vliezen omgeven, die het cerebrum, cerchellum, 't medulla oblongata en Jpi- nalis omringen. Want dewijl zij allen in de bersfenen te zamen komen, zo hebben ze ook allen eene zelfde eigenfebap en ftoffe in zich. Ook moeten zelfs deeze kleine en fijne draadjes der Zenuwen, hunne holten heb- ben, al kan men die met geene vergrootglazen zien. Want dat het zenuwfap in de Zenuwen heen en weder« loope , is door veele bevindingen duidelijk bewezen , in- zenderheid word het daar door klaar en ontegenzeglijk dat, als een Zenuw gedrukt word, het daar ondei leggen- de deel, verdoofd en gantsch gevoel- en bewegingloos word. Daar moet derhalven iets vloeijen, dewijl dit kan geftremt of belemmerd worden. Daar is wel een fap in de Zenuwen, welk blijkt, als men de heupzenuwen van een groot dier doorfnijd; maar dit iseenealgemee- ne lighaamlijke lïjmpha, want de Zenuwen hebben haare eigene vaten, flag-aderen, en water-vaten. Allen ont- ftaan zij met ongedekte rijen van mergdraaden, of van 't medulla oblongata, of van derzelver voortzetzel, de medulla Jpinalis, en worden daarna met de bersfenvlie- zen overkleed, welken zij aan 't eind der Zenuw-Jpitfeit weder verliezen. Want, als men ziet hoe de Zenuwen zich eindigen , zo bevind men dat eerst breede bekleed- zeis uit dezelve worden ; te weten de vliezen, tunica; nervece, die uit de uitgebreide hersfenvliezen voortko- men. Daarna eindigen andere Zenuwen zich in borden, gelijk in de tunica villoja van de maag, en der darmen; of ook in ronde tepels of fpitfen, pcp'ûl nerve, gelijk aan de tongen 't gantfche werktuig des gevoels,- of ze verbergen zich en maken zaam een weefzel uit, gelijk in de tunica retina of 't netwijze vlies van 't oog, is te zien. Dit alles l'an men klaar zien, als men ze van der- zelver bekleedzelen berooft. Dewijl nu de Zenuwen zich allerwegen in 't lighaam bevinden, zo können zij ook deszelfs gedaante , als in eenen zamenhang voorftellen; en hierom noemt men een Mensch, ten aanzien zijner Beenderen , homo osjeus; ten opzigte zijner Spieren en Vaten, homo carneus , arteriojus , veno fus, lijmphati- eus, en dus ook nervojus. De leer van den oorfprong, Bbbb 2 vsr; |
||||||
|
'45î* - ZEN.
verdeeling en inplanting of uiteinden der Zenuwen, word
Neurologia geheten. De Zenuwen geleiden alomme haa- re bloedvaten ,. en zijn dezelven in naam volgens de ver. deeling grootendeels gelijk. Daar een fiag-ader zich ver. deelt, verdeelt zich ook een Zenuw, endaar de flag-aders eindigen, loopen de Zenuwen ook ten einde , en omrin- gen dikvvils hare nabuurige bloedvaten,- makende een zoort van traliewerk of plexus rondom dezelve. Negen paar ontftaan er uit het. medulla- oblongata in 't bekke- neel , ten ware men den eerden cervicalis er nog bij re- kenen wilde. De overigen, zijn de zeven paar Zenuwen van den hals, twaalf paar van den rug, vijf paar van de- lendenen, en vijf paar van 't heiÜg-been, die allen oor- fprongklijken genoemd worden, ontftaande uit demedul? Ja fpinalis. Daar zijn ook nog bijzondere Zenuwen, die van deeze a f flammen , als de intercofialis, die van 't vijfde en zesde paar der berufenen, de phrenicus, die van 't derde en vierde paar van den rug ontftaat. Men vind om de Zenuwen ook knobbels of knokkels, ganglia geheten, gelijk er twee derzelven in den hals aan den intercoflalis zijn. Zij beftaan uit fpierdraaden, en wor- den voor beweeg raderen gehouden , die, 't zenuwjap aanzetten. . ZENUW-MIDDELEN, zie NERVINA. ZENUW-SAP, zie SAP.
ZENUW-TEERING, zie TEERING.
ZENUW-ZIEKTENS. -------- Van-alle deZiektens
die den Mensch aantasten; zijn die der Zenuwen.; de
zaamengevoegfle en moeijelijkfte om te geneezen. Een geheel boekdeel is niet genoegzaam, omaliedeverfcb.il- iende toevallen deezer kwaal te befchrijven. Zij ver. toonen zich in de gedaante van allerlei ziektens, en zijn zelden in twee verfchillendeperfoonen, ja zelf in een en den zelfden perfoon op verlcbillende tijden, aan eikan- deren gelijk. Zij veranderen onophoudelijk van gedaan- te, en bij elke nieuwen aanval, gevoelt de lijder, het het zij in der daad, hetzij in verbeelding, zodanige toe- vallen, als bij nimmer te vooren ondervonden heeft. -Niet alleen tast deeze het lighaam aan, maar de geest zelve word er veeltijds door gêdruki» en zeer verzwakt, en het géheele gemoedsgeftel, word gemelijk en lastig. De neerflagtigheid, bevreesdheid, droefgeestigheid en wispeltuurigheid , welke meest altoos dit zoort van ziek- te verzeld, heeft, veeien doen gelooven, dat dezelve al- leenlijk en geheel een kwaal des geestes is, edog alle die veranderingen der gemoedsgefteldheid, zijn veel eer de gevolgen dan de oorzaaken der Zenuwkwaaien. Oorzaaken.
te verzwakken en te verflappen, maakt het zelve voor
Zenuw-ziektens vatbaar; van dit zoort zijn de luiheid, ontuchtigheid , het veelvuldig drinken van thee of andere flappe wateragtige dranken; het dikwils herhaald ader- Jaaten, purgeeren, braaken, enz.; al wat de verteering en'behoorlijke affcheidingen der fpijzen verhinderd, is mede oorzaak deezer ziekte,1 gelijk lang vasten, over- daad in eeten of drinken, het gebruik van winderige en ongezonde fpijzen , eene mismaakte gedaante des "lig- haams, enz. Veeltijds ontftaan de Zenuwkwaaien mede uit gemoeds»
aandoeningen, als verdriet, te.leurftellingen, angst, in- gefpannene letteroefeningen, enz. In der daad, weinige geleerde lieden zijn van deeze kwaal geheel vrij. Qokis zulks geenszins te verwonderen , wijl ingefpannen den- ken niet alleen de geesten neerdrukt, maar ook den gee- nen die zich daar mede ophoud, yaohet neemen vange- |
ZEN..;;-;: ,.
noegzaame beweeging afhoud, waardoor de fpijsvertee»
ring benadeeld , de voeding verhinderd, de vaste dee- len vërflapt, en de geheele masfa der vogten en fappen bedorven word. ■ Verdriet en te leurftellingen brengen insgelijks dezelve uitwerkzelen voort. Ik hebbe veele lijders aan Zenuwkwaaien gekend, die den oorfprong deezer ziekte met regt, eer aan het verlies van een ech- genoot, van een geliefd kind, of aan eenig ander ongeiufe huns lsvensloops, dan aan eenige andere oorzaak, verschul- digd waren. In een woord, alles wat het lighaam verzwakt ,of het gemoed, griefr, kan Zemlwz'iektens ten gevolge hebben , gelijk ongezonde j-ucht.,.flaaploosheid, zwaare af- mattingen, bekommeringen, kwellingen enz. .■Toevallen-. «---- Wij zullen hier alleenlijk, zom.mi-
gen der algeméenftè toevallen deezer-ziektens opgee-
ven, wij! het.nutteloos beide en ondoenlijk zijn zoude, ze alle te befchrijven. Gemeenlijk begint, dit zoort va,q kwaaien, met winden, ppgeblaazenheid.en fpanningen der maag en ingewanden. Gemeenlijk is de eetlust ge- ring ,. de fpijsverteering flegt; .dan zornwijlen heeft er een ongewoone trek tot eeten , en eeneTpoedigefpijsver. teering plaats. Veeltijds worden de fpijzen in de maag zuur, en de lijder j's genoodzaakt tebraakenv^en geeft klaar water, dikke entaaijeilijm, of eenzwaitagtig.naar grondfap van koffij gelijkend vogt, over. Men gevoelt in den omtrek der.navel eene-,allerbevigfte pijn, verzeld van een rommelend geluid in de darmen. Somtijds word men eene ligté buikloop gewaar, dog gemeenlijk is de lijder hardlijvig,,waar uit eene opftoppjng van winden die zeer lastig is, ontftaat..... . De pisloozing .is zomtijds gering, op andere tijden we-
der zeer overvloedig en de pisfe geheel helder. De borst.is . zeer benauwd en de ademhaaling bezwaarlijk; de lijder gevoelt van tijd tot tijd hevige-hartkloppingen, zomtijds. eene fchielijke hitte, in-verfcheidene deelen des lighaams , en dan weder eene koude, als of koud water op dezelve gegooten wierd;- vliegende pijnen in de armen en in de beenen ook wel in de rug en buik eene pijn, zeer naar die van het graveel gelijkende. De pols is zeer veranderlijk, zomtijds ongemeen langzaam eii dan weder zeer fnel,, de lijder geeuwt enzugt dikwijls, heeft veeltijds den hik en is zornwijlen tot ftikkens toe benauwd, even als of hij een bal of brok in de keel hadde. Hij heeft beurtelings viaagen van krijten en ftuipagtig lach- een r zijn flapen is onrustig en zelden verfrisfehende, en hij is dikwijls met de nagt-raerrij gekweld. Wanneer de kwaal verder toeneemt, word de lijder
door hoofdpijn, kramptrekkingen en plaats houdendepij- nen in verfcheidene deelen des lighaams, aangetast; het gezigt is beneveld, de oogen veeltijds pijnlijk en droog; de óoren ruifchen en de lijder is zomtijds zeer doofagtig; in 't kort, alle de dierlijke werkingen zijn van haar (tel gebragt. Het gemoed door allerlei grievende aandoenin- gen, ongerustheden, fchrikken en treurjgheden, door toorn en mistrouwen geflingerd. De lijder is voor aller- lerlei dwaaze inbeeldingen en uitfpoorïge denkbeelden vatbaar. Het geheugen word zwak en hetjverftand leu- tert zomtijds. ' "Dan geen zekerder kenteken is er van de Zenuw-ziek»
ten, dan eene geftadige vrees voorde dood. Deeze maakt de ongelukkigen die doordiekwaal aangetast.wor- den, gemelijk," lastig, onverduldig en doet hen geftaa- .dïg van den eenen tot den anderen Geneesheer loopen, dit laatfte is eene der redenen, waarom zij zelden eenig baat bij geneesmiddelen vinden, wijl zijniet befluiten kun»
|
||||||
|
\_
|
|||||||
|
2 EN.
|
|||||||||||
|
ZEN.
|
|||||||||||
|
4327
|
|||||||||||
|
kunnen, met het gebruik T-an eenige dier middelen, zo
lange aan te houden , als noodig is, om erde goede uit- werking van gewaar te worden. ïeffens zijn zij genee- gen zich in te beelden, zodaanige ziektens of kwaaien te hebben, van welke zij geheel vrij zijn, en niets ver» bitterd hen meer, dan dat men hen hier omtrend zoeke te recht te brengen,-of met die belachelijke inbeeldin- gen den fpot drijven. Leefregel, -------- Lieden die aan Zenuw-kwaaien
zukkelen, moeten nimmer lange agter een vasten, en
godanige fpijzen gebruiken die vast en voedzaam, dog iigt te verteeren zijn. Vet vleesch en zwaare fausfen zijn fchaadeiijk, en voor alle ohtnaatfgheid moeten zij zich zorgvuldig wagten. Nimmer moeten zij on eene reize meer eeten, dan zij gemakkelijk verteeren kunnen; dan wanneer zij zich tusfchen tijds flap en flauw bevoe« len, mogen zij een fhik brood in een glas wijn neemen, des avonds moeten zij zich van zwaare fpijzen ontbou. den. Schoon wijn onmaatig gebruikt, het lighaam zo wel als de vermogens van den geest verzwakt, is dezel- ve echter, mits maatig gebruikt wordende, voor de maag zeer verfterkend, en voor de fpijsverteering bevorderlijk. Bij het eeten is wijn en water de beste drank ; dan wan- neer de wijn in de maag zuur word, en de lijder fterk met winden gekweld is, is brandewijn met water ver« mengd beter. Alles wat winderig is of zwaar te ver- teeren , moet men vermijden , alie flippeen wai me dran- ken, ais thee, koffij, punch enz., zijn zeer nadeelig. ' Sommige lieden mogen voorkorten tijd bij derzelver ge-
bruik baat vinden, zij verergeren echter altoos de kwaal, dewijl erde maag door verfiapt, de fpijsverteering door bedorven word. Dog het gebruik van fterke dranken is bovenal te vermijden. Wat onmiddelijke hulp de lijder ook zomtijds bij het gebruik van verhittende dranken vinden mooge, het is echter zeer zeker dat zij de ziekte verzwaaren en ten laacften in een doodlijfc vergift veran- deren. Deeze voorzorgen zijn des te noodzaakelijker, wijl veele lieden die aan deze droevige kwaal onderhevig zijn , inzonderheid fterk op thee en fterke dranken ge- field zijn, en niet zelden het flagtofFer van deeze hunnen lust worden. De beweeging, is in Zenuw-ziektens het beste van alle
geneesmiddelen. Het paard rijden word gemeenlijk het bekwaamst geoordeeld, wijl daar door het geheele lig» haam , zonder vermoeifing te ondergaan, bewoogen word. Dan ik hebbe echter zommige iijders gekend, die zich beter bij het wandelen , en anderen die zich best bij het rijden in een rijtuig bevonden. Dus moet zich een ieder houden bij dat geene, waar bij hij de meeste baat vind. .Langduurige zee-reizen zijn van üftfteekend goede uit-
werking, en wij raaden een ieder die daar toe gelegen- heid en genoegzaamemoed heeft, deeze weg in te liaan. De verandering van woonplaats zelfs, en het zien van nieuwe voorwerpen, waar door de geest verlustigd word, is zeer gefchikt om deeze kwaal te verdrijven. Om deeze rede is bet doen eener reize, of het afleggen van groote ritten veel voordesliger, dan daaglijksdigt bij huis te blijveiuijden. Eene koeleen drooge lucht is mede zeer voordeelig,
wijl dezelve het geheelelighaams-geftel ftevigt en kragt bijzet. Niets daar en tegen is gefchikter om het zelve zwak en kragte'Soos te maaken, dan-hoste lucht, inzon- derheid die. welke door groote vuuren of kachels in kleine befloorene kamers, verhit is. Ménmóef echter; wanneer de maag en de ingewanden verzwakt zijn , het 't"-'
|
|||||||||||
|
lighaam we! voor de koude bewaaren, inzonderheid des
winters; dog £ulks kan bestgefcheiden door het draagen van flanellen onderhemden. Hier door word eene be- ftendïge en evenmaatige uitwaasfeming te wegegebragt, en de fpijswegen teffens voor veelerlei fcbadelijke in- drukzelen beveiligd, voor welke zij anderzints, bij ie- dere fchielijke verandering van koude tot hitte blootge- fteld zijn. Het lighaam meteen vleesch-borftel of een grove linnen doek te wrijven is mede zeer goed; wijl hier door den omloop der vogtén en de uitwaasfeming bevorderd worden. Lieden die van een zwak zenuw-ge- fiel zijn, behooren des morgens opte ftaan en eer zij ontbijten beweeging te neemen, wijl het lang te bedde leggen altoos de vaste deelen verzwakt. Ook moet men hen (leeds tragten gerust en vrolijkte houden, wijl niets het Zenuw-geflel nadeeliger is, en de kragten der fpijs» verteering meer verzwakt, dan zorg, angst en verdriet. Geneesmiddelen. -
zeer zeldzaam in den grond geneezen worden , kunnen; echter derzelver toevallen doorgefchikteg'eneesmiddelea merkelijk verligt, en den lijder het leeven ten miniten draaglijk gemaakt worden. Zo de lijder hardlijvig is, moet bij een weinig rha-
barber of eenige andere zagte buikzuivering neemen, en. men moet (leeds zorge draagen dat hij nimmer te lang befloten lijf boude. Dog nooit moet men zich van eeni- ge fterke buikzuiverende middelen, als van ahè', jalap- pe of diergeiijken bedienen. Meest altoos hebbe ik een aftrekzel van rhabarber en finnebladeren, van veel diensc in deeze kwaal gevonden. Men kan hetzelvezokragtig maken als men goed dunkt en er den lijder zo veel van gebruiken laaten als hij zelve bevind noodig te hebben. Zo de fpijsverteering bedorven en des lijders maag flap is en verzwakt, kan men zich met veel voordcel van het aftrekzel der kina of andere maagbitters bedienen. Men neemt een once kina, gentiaan wortel, orange-
fchellen en coriander zaad van elks een half once, men (loote dezelve te zaafnen in een mortier, en laste zulks vijf of zes dagen op een vies brandewijn trekken; men zijge vervolgens dit aftrekzel door en neeme drie maal des daags, voor het ontbijt; middag-en avondmaal een gewoone lepel vol van het zelve, in een glaasje water. Weinige middelen zijn er, die het Zenuw-geftel meer
verfterken, dan het koude bad. Het aanhoudend ge- bruik van hetzelve, zal veeltijds van uitfteekend goede gevolgen zijn ; dan wanneer er verftoppingen der lever of andere ingewanden, en diergelijke inwendige kwaa- ien plaats hebben, is het koude bad zeer nadeelig. Tot het gebruik van het zelve zijn de fomer en herfst de gefchikfte jaargetijden. Lieden van een zwak t'n fchraal gefiel, behoeven niet meer dan drieof of viermaal 's weeks van het zelve gebruik te maken, en zo de lijder hier door verzwakt, of zich een geriiimen tijd na hij uit het bad komt huiverig en koud bevind, is zulks een teken dat dit middel hem nadeelig zij. Voor windzugtige lijders, hebbe ik altoos opgemerkt
dat de zuure Elixir van Vitriool een zeer goed middel was. Men neeme van dezelve na vereisch der omftan» digheeden, twee of driemaal des daags, vijftien, twin- tig of dertig druppels in een glas water. Door dit middel wordende winden uitgedreeven, de maag verfterkt en de fpijsverteering bevorderd. Men prijst tegen deeze kwaal zeer het gebruik aan.
van rustiniddelen , dan dewijl dezelve flegts voor een
tijd de toevallen verzagten , en gemeenlijk naderhand de
Ëbbb 3 kwaal
|
|||||||||||
|
ZEN.
mengefteld van het grieksch *■/»$(& aandoening, ziehe,
en hèyos, fprank, verhandeling. Ongetwijfeld is het zeer moeijelijk, eeise zodaanige
.kundigheid der ziektens te verkrijgen , dat men ze van el» kanderen weeie te onderfcheiden. Dit nogtlians hangt niet zo zeer van geleerdheid, als wel van ondervinding en oplettende waarneemingen af. Door kranken op te .pasfen, en nauwkeurig op de verfcheidene toevallen der ziektens agt te geeven, kan men een vrij hoogen trap van kundigheid, zo wel in het ondericheiden derzelve, als in het toedienen van gefchikte middelen, verkrijgen. Hier door is't, dat oplettende iieden, gewoon zieken op te pasfen, derzelver kwaaien dir.vverf beter kennen, dan zommige die tot Geneesheeren opgeleid zijn. Hier -door echter willen wij geenzins te verflaan geeven, dat de fludie der geneeskunde onnut zij, integendeel, zij is van het grootfte gewigt, dog niet genoegzaam , zonder ondervindingen waarneemingen. Zommige Ziektens, gelijken inhunnekenteekenenzo«
daanig op malkanderen, dat het zeer bezwaarlijk valt die van malkanderen te onderfcheiden, dit is dus iets waar omtrent een Geneesheer zijnen bijzonderen aandagtrnoet vestigen. Eene behoorlijke oplettenheid op de jaaren, fexe, ge-
moeds- en lighaams-gefteldbeid des lijders, zal altoos van groot behulp zijn, in de uitvorsjching zo Wel .als genee- zing van ziektens. In de kindsheid zijn de vezelen flap en zagt, dezenii>
wen zeer aandoenlijk, de vogten dun; daar in den ou»" derdom, de vezelen hard, de zenuwen bijna ongevoelig worden , en veele der vaten geene vogten meer doorlaa« ten. Deeze en andere bijzonderheeden, doen de ziek- tens in jongen en ouden zeer verfcbillende zijn en onder- febeidene behandeling vereisfehen. Het vrouwelijk geilagt is veele kwaaie onderworpen,
met welke de andere fexe niet gekweld is. Het zenuw* gèftel dèr eeiften, veel aandoenlijker dan dat der mans zijnde, vereischt, de behandeling baarer ziektens met meer voorzigtigheid te paaren. Zelden kunnen zijzwaa- re ontlastingen uitlraan, en al te prikkelende middelen behooren haar zeer fpaarzaam toegediend te worden. Zeekere "bijzondere gefteldheeden , maaken eenige
lieden voor zommige kwaaien inzonderheid, meer dan voor andere vatbaar. Hier word dus, ook eene bijzon- dere behandeling dier ziektens vereischt. Iemand bij voorbeeld van een teder lighaams- en zwak-zenuw-gev ftel, die zich meesten tijd binnen huis houd, moet, ziek zijnde, geheel anders benandeld worden, dan een hard en fterk mensch, die doorgaans gewoon is, zich in de open lucht te onthouden. Op de gemoedsgefteldheid moet mede in de behande-
ling der ziektens , nauwkeurig agt gegeeven worden. Vrees , angst en grarhftoorigheid veroorzaaken ot ver- zwaaren veele kwaaien. Te vergeefs is het, genees- middelen voor bet lighaam aan te wenden, wanneer de kwaal uit den geest ontftaat. Is deeze aangetast, geen beter middel is er, dan de driften neer te zetten , en den lijder zo gerust en blijmoedig als mogelijk is, te houden. De woonplaats des lijders, de lucht welke hij ina.
demt, zijne leevenswijze, beroep enz. dienen mede in aanmerking genomen te worden. De inwoonders van laage moerasfige landftreeken, zijn veele kwaaien onder- worpen, welke den bewoonderen van hooge landen ge- heel onbekend zijn. De geene die de onzuivere ftee« lucht inademen, worden door veele ziektens gekweld, van
|
||||||
|
4328 ZEN.
kwaal verergeren, raden wij eenen iederen aan, zeer
fpaarzaam met derzelver gebruik te zijn, wijl anderzins de gewoonte van die middelen te, gebruiken, eindelijk in eene noodzaakelijkheid veranderd. Het waar zeer gemaklijk eene menigte van genees-
middelen op te noemen, welke men ter geneezing der Zenuwkwalen zeer aanprijst; dog het is eene gefchikte leevenswijze alleen, van welke men eene grondige ge- neezing verwagten kan, dus zullen wij ons niet ophou- den, met het melden dier middelen, maar in tegendeel alleenlijk den lijderen aanbeveelen, zich zelven voeg- zasme Jpijzen, gezonde lucht lighaams beweeging en verlustigingen des gemoeds, te verfchaffen. ZERO, zie NUL.
ZESBLADIG, zie HEXAPHIJLLUS.
ZESBLOEMBLADIG, zieHEXAPETALUS.
ZESHOEK, zieHEXAGONUM.
ZESPOOT, zie KRABBEN, «. II. pag. 1620.
ZEUG dus word het Wijfje van het Zwijn of Varken
■genoemd ; zie VARKEN. ZEUS, zie SPIEGELVISSCHEN. .
ZEVENBOOM, zie SEVENBOOM.
ZEVENDAAGSCHE KOORTS, zie EPHEMERA
PLURIMUM DIERUM. ZIBELL1NA, zie SABELDIER.
ZIBETHA, zie CIVET-KAT.
Z1DDERVISCH, zieBEEF-AAL. '-
ZIEKTE, of Krankheid, in het latijn Morbus, bete,
kend een onnatuurlijke toeitand, die den Mensen over- valt, en waar in hij lusteloos en tot zijn beroep en werk onbekwaam word. lVlen kan de Z/e£Se)M hoofdzaakelijkVerdeelen, in die
welke de ziel, en die welke het lighaam aandoen. Deziektens der ziel, zijn alle zoorten van Deliria. De ziektens des lighaams onderdeelt men."~ I. In Ziektens der levensgeesten (Morbi fpirituum) 1. wanneer dienaameiijkontbreeken, door honger, fterke buikloop, ofzwaare bloedftorting; 2. dat ze al te traag zijn, als in-flaauwtens, beroerten, flaapziekte, zwak geheugen, enz. ; 3. als ze onrustig zijn, gelijk in de Oaapeloosheid, ftuipen, en alle zoorten van pijn; en 4.. als met eene verbeelding bezet zijn, als in de bedorven eetlust (pica), maagde-honger (malacia), enz. ----- II. In Ziektens
der Jappen (Morbi humorum); in deezen word men een.
overvloed of gebrek, wateragtigheid, taaiheid, fcherp- te, of onzuiverheid ontwaar. III. In Ziektens der vaste deelen' (Morbi folidarum partium), ontflaande uit verflopping, hitte; koude, pijn, flapheid, uitrekking, zwelling, hardigheid, breuken enontwrichtiugen.~ El- ke Ziekte hoe kort die ook zij, heeft haare verfcheiden tijden van begin, voortgang, ftilftanden afgaan. He- vige enfeherpe Ziektens (Morbi acuti) bereiken wel haast haaren boogften trap, en duuren om die reden ook niet lang; maar fleepende Ziektens (Morbi chronici) groeijen langzaam aan. ■ Geduurende den aanwas in beiden , vooral in de eerden, zijn er motuscritici, of bijzondere
sn fcheidende beweegingen waar te neemen, waar in de ziekte deeze of geenen loop fchijnt te zullen neemen, waar na een Geneesmeester zijne middelen dient inte- ïichten, op dat hij de afzondering van het kwaade; dies te beter bewerken moge. Dewijl wij ieder bijzondere ziekte, in dit werk door-
gaande: op deszelfs eigen naam hebben befebreeven, zo svi'zen wij onze leezers naar die Artijkels ZIEKTENSKUNDE , in het latijn Pathoiogia, za.
|
||||||
|
ÈïA
Van welke Je gelukkiger landlieden nooit hoorden. Lie-
den die zich aan het onmaatig gebruik van fpijze of van fterke dranken' toegeeven , worden door kranktens aange- tast, welke maatige lieden niet treffen» Bijzondere bezigheden, beroepen en levenswijzen,
fleepen ook bijzondere ongemakken en ziektens naar zieh. Het is- derhalven altoos nodig, onderzoek te doen naar des lijders manier van leeven, bezigheeden, enz. Dit zal niet alleen tot het kennen, maar ookinhetgeneezen der kwaal behulpzaam zijn. Het zondezeer onvoorzig» tig zijn, arbeiders op eene en dezelfde wijze als (inzit- tenden te behandelen, offchoon men ook onderftelde dat hunne ziekten eenerlei waren. Men dient ook te onderzoeken, of de ziekte gewoon-
lijk, uit het geftel voort vloeijende, dan toevallig zij, of dezeive reeds van lange duur of eerst ontdaan zij en of ook uit eene groote en fchielijke verandering indes lij- ders leefwijze, voortgekoomen is, enz.; de gefteldheid des buiks, der andere ontlastingen; degemakkelijkbeid of belemmering der dierlijke-en levens-werkingen, als fpijsverteering , ademhaaling , enz. dienen insgelijks nauwkeurig onderzogt te worden. Eindelijk zal het nuttig zijn te verneemen, voor wel-
ke ziektens de lijder voorheen meest vatbaar geweest is, en welke geneesmiddelen hem de voordeeligfte waren ? ais mede de middelen die hem de aangenaamfte zijn , ook die, waar van hij een volftrekten afkeer heeft. Veele Ziektens kunnen geneezen worden alleen door
het houden van een bekwaarrie leefregel. Deeze is der- halven, het eerfte waar op men agt dient te geeven. Meenig onkundige verbeeld zich, dat al wat de naam van geneesmiddel draagt, eene wonderbaareen geheime kragt bezit, en dat de lijder niets beter kan doen , dan een genoegzaame hoeveelheid derzelve in te zwelgen. Deeze misflag is veel al van kwaade gevolgen. Zij doet den Mensch in het gebruik dier middelen berusten en zijne eigen poogingen verzuimen; daar en boven, be- neemtze de hoop totherfrelling des lijders, wanneer men in plaatzen is, waargeene geneesmiddelen te bekomen zijn. Geneesmiddelen op zijn pas voorgefchreeven en met
omzigtigheid toegediend, zijn zekerlijk nuttig en kunnen veel goed doen ; dog wanneer ze ten onpasfe voorgefchree- ven, of, zo als dikwils gebeurd, roekeloos ingegeeven worden, moeten ze noodzaakeiijk nadeel doen. W ij raa- den derhalven, het gebruik van alle geheime middelen, den Mensch af; en beveelen hem alleen het gebruikaan , van zulke die bekend zijn ; het gefchikt gebruik van deeze zal doorgaans goed, zelden met eem'g gevaar ver- mengd zijn. Aile ziektens verzwakken de verteerings-kragten; dus
behoort in geene derzelve, ander dan ligt en gemakke- lijk te verteeren voedzel gebruikt te worden. In eene koorts, dezelve zoorten hoeveelheid van fpijze, als in gezondheid te eeten, is even voorzigtig, als met een gebroken been te gaan '.vandelen. De onthouding al- leen, zal dikwijls eene koorts geneezen , inzonderheid, als dezelve doocovermaatigheid in fpijze of drank ver- oorzaakt is. In alle koortfen metontffeekirrg verzeld, als pleuris,~
ontfteeking. der long, der borst &c. zijn dunne water- pappen, weij, aftrekzeis uit flijmige planten en wortels in water, enz. nieralleen het gefchikfte voedzel, maar teiFens het beste geneesmiddel;, dac voorgefchreeven Man worden,. |
ZïE, 4320
In uitfeerende, zenuw of rotkoortfen, bij welke zich
geene tekenen van ontileeking vertoonen, en men den lijder door hartfterkende middelen onderfteunen moet, kan zulks beter, door voedzaame dog ligt te verteerene fpijze en goede zwaare wijnen gefchieden, dan door ee- nig ander bekend middel. Van niet minder gewigt is een gefchikte leefregel, in
alle fleepende kwaaien. Droefgeestige lieden, windzuch- tigen, zenuw, en milt-zieken, zullen doorgaans meer nut bij voorgemelde zoort van voedzel en drank vin- den , dan bij alle de hartfterkende en windbreekende middelen , welke men hen doorgaans laat gebruiken. Het fcheurbuik, de hardnekkigfte aller kwaaien, zal
eer door een goeden leefregel en het gebruik van verfche groentens, dan door alle de middelen uit den apotheek, geneezen worden.. In teeringen , wanneer de vogten bedorven, en ds
maag te zeer verzwakt is, om vleesch, ja zelfs groentens, behoorlijk te verteeren , zal hetgebruik van melk en melk* fpijzen, niet alleen den lijder onderfteunen, maar zelfs de kwaal geneezen, niettegenftaande, alle andere mid*- delen te vergeefsch mogen aangewend zijn,- Niet minder dan op de leevens wijze, is er omtrent
eenige andere zaaken oplettenheid noodig. De dwaaze gewoonte welke men langen tijd gevolgd heeft, van den- zieken alle gemeenfchap met de buiten lucht af te fnij- den, heeft zeer veel kwaad te wege gebragt. In koortfen niet alleen maar in veele andere ziektens, zal het voor- zigtig inlaaten van verfche lucht in de kamer der zieken, hem meer voordeel doen, dan alle de geneesmiddelen welke hij gebruikt. De beweeging is in veele gevallen geen minder nuttig
geneesmiddel. Het paardrijden bij voorbeeld , zal tot ge- neezing van teeringagtige kwaaien, kliergezwellen, ver- ftoppingen, enz. meer toebrengen, dan eenig ander mid- del tot nog toe bekend. In ziektens die uit de verflapping der vaste deelen ont-
daan, zal het koude bad en diergelijke middelen, van 't grootfte nut zijn. Weinige dingen, zijn in het geneezen van ziektens ge=-
wigfiger dan de zindelijkheid. Als men een lijder niet behoorlijk verfchoont, worden alle de "uitwaasfemingen zijns lighaams, weder ingefiurpt en in het zelve te rug gevoerd, waar door de ziekte gevoed, het gevaar ver- meerderd word. Sommige kwaaien kunnen door zinde» lijkheid alleen, geneezen, andere door dezelve merke- lijk verzagt worden, en in alle die, is ze ten minften voorden lijder, zowel, als voor de geene die hem op. pasfen ten uiterften aangenaam. Nog veele andere waarneemingen, zoude men, waare
zulks noodig, kunnen bijbrengen, om het gewigt eener welgefcbikte leefwijze, tot geneezing-van ziektens, te bewijzen. Zij zal dikwerf zonder geneesmiddelen, dog; nooit kunnen de geneesmiddelen zonder haar, eenige kwaaien of ongemakken geneezen. Wij geeven om dee- ze reden, in de behandeling der ziektens, fteedsdeeer- fte plaats aan de leefregel. De geenen die voor het ge^ brnik van geneesmiddelen bevreesd zijn, behoeven zicfv alleenlijk daar bij te bepaalen. Voor de geenen die kundiger zijn, hebben wij eenige eenvoudige dog b'e-- proefde en goedgekeurde voorfchriften, bij elke ziekte ie wij verhandelen , cpgtgeeven. Deeze middelen ech»- ter, behooren niet dan door lieden van oordeel, en met e daar bij opgegeevene voorzorgen, toegediend ta orden, |
||||||
|
ZIEK.
|
|||||||
|
433* ZIE.
ZIEKTENS de* BLAAS, zie BLAAS.
ZIEKTENS der OOGEN, zie OPTHALMIA.
ZIEKTE van 't VEE of Vee-pist , die allervreesfe-
lijkfte ziekte onder de Runderen, die veeltijds de vee- rijkfte (lallen in korte dagen ledig maakt en den welge- fteldften landman tot armoede brengt, is eigentlijk ee- ne befmettende rotkoörts, door welke het bloed bedor- ven, de ingewanden van den buik en borst, als mede de keel, tong, neus en oogen, enzomwijlendehersfenen hevig aangeftooken worden ;, evenwel zo, dat verfterf vosrnaamelijk plaats hebbe, in de ingewanden van den buik en borst. Het Menigvold is voornamelijk aange- daan om de zonderlinge werking, en zamenftel van dat deel. De ziekte, hoe veranderlijk ook ten opzigte van zommige uiterlijke tekenen, is dezelfde, en altoos aan 2ich zelve gelijk, maar hij woed op het eene deel meer dan op het andere. Zij is gepaard met zulk eene zwak- heid Van het geheele lighaam, en verlamming van de fpiervezeien der ingewanden in het bijzonder, dat de werking derzelven geheel ophouden ; de fpijs word uit den pens niet opgebragt. om welk agterblijving de her- kaauwing ook ophoud. Het Menigvold wbrd niet ont- last, en daarom pakt, droogt, en verbrand alles wat er in is. De Galblaas fchijnt om geene andere rede zo fterk opgezet, dan om dat zij wegens die zelfde verlamming zich niet kan ontlasten, en de affcheiding onderwijlen haaren gang gaat. De Pisblaas, is in die zelfde omftan- digheid. , , Zie hier de befchri jving deezer vreeslijke ziekte, woor-
delijk genoomen uit de Les/en van den Hoogleeraar P. Campeb , die met mijne waarneemingen volkoomen (Iroo- ken. Gelukkig zoude ik mij rekenenindien ik mijne landgenooten , middelen wist aan de hand tegeeven om dezelve te Jhulp te koomen en te beteren ; 'maar ik ben gedrongen ongeveinsdelijk te betuigen, dat alle de zo- danigen welke d«or de verfcbillige Schrijvers worden op- gegeeven , en waar van ik een menigte hebbe gepro. beerten te werk gefielt, geene mijne verwagting heeft beantwoord. Het beste waar bij ik mij hebbe bevonden, is.de (lal, zoveel mogelijk zindelijk en zuiver te, hou- den , de zieke Beesten zo veel doenlijk is van de gezon- den aftefcheiden, vooral geen fmeer of huiden van de verftorvene Beesten op de (lal te laaten leggen, de doo- de rompen diep te begraaven, en de uitkomst verders niet onderwerping , aan de Voorzienigheid overtelaa- ten. J. W. ZIEL in het latifn Anima. In een wijduitgefirekte
(in, word zomtijds het woord Ziel, voor het beginzel van leeven en werking genoomen, ten aanzien van 'alle de wezens, welke fchijnen te leeven, en hetzij uit of inwendig werkzaam zijn en zich beweegen , in die fin zegt men, datzij leeven, datzij lezielt zijn. Dezulken onder de Wijsgeeren, welke het woord Ziel in die wijd uitgeftrekte fin neemen, en dit beginzel van leeven en werking, als een van de grove doffe afgezondert enon- derfebeiden beginzel hebben aangemerkt, hebben eene Ziel in ieder zoon van leevendige wezens veronderflcld. De gantfche waereld in zijn geheel genoomen, en als een enkeld wezen befchouwt dat echter zamengefteld is uit alle de bijzondere wezens dien zij bevat, heeft zich onder de gedaante van een groot Dier voor hun aange- boden, waar in zij eene Ziel hebben veronderftelt, die zij de Ziel der waereld noemen. In de Planten eenzoort van leeven ontwaar wordendi, febrijyenzij daaraan ee- np Ziel toe, welke zij Ziel der Planten öfgroeijsnie.Ziel |
||||||
|
ZIE.
noemen. De Dieren wiens leeven nog door vee! blijk-'
baarder tekenen word aangekondigt, in wien men wer. king, gevoelen driften ontwaar word .hadden nog meer- der regt tot'de begeerte om met eene Ziel begaafd te worden, en deeze heeft men Ziel der Beesten of gevoelige ziel genoemd. Eindeiijk de Mensch die de voeding en aangroei met Dieren en Planten gemeen heeft, ook de werkingen het,gevoel met de eerstgenoemden deelt-, is daar te boven nog van reden en vedland voorzien,- da Mensch zeg ik , fchijnt met eene Ziel meer als de Plan. ten en Beesten begaaft te zijn geworden. Men fchrijfc hem dus niet alleen eene groeijende en gevoelige, maar daar te hoven nog eene redelijke Ziel toe, bekend onder denaam van Menfchen-Ziele. .In deeze bepaalde fin, waar onder thans het woord Ziele door de Wijsgeeren word gebruikt, verftaat men door Ziel een wezen van hoedanigen aart het ook mag zijn, 't welk in den Mensch denkt, gevoelt, wil, handelt, en daar te boven het ge- ■ weten van zich zelven heeft ; of wel die de begaaftheid heeft van te kunnen denken , gevoelen , willen , hande- len, en daar bij kennen of bewustheid hebben, dat hij een ieder van deeze bewerkingen uitvoert. Het beftaan onzer Ziele is voor ons beweezen , of lie^
ver wij niaaken met dat bewijs een. en dezelve zaak uit. Beftaan en te denken is voor ons bet zelfde. Deeze waarheid is inwendig, en meer dan enkel befchouwlijk, ze is onafhanglijk van onze fintuigen, van onze ver« beelding, van ons geheugen, en aile onzeandere be- treklijke bekwaamheden. . Het beftaan van ons lig- haam en andere voorwerpen, die ons omringen, istwij- felagtig voor hem , die onbevooroordeeld redenkavelt; want die uitgeftrektheid, in langte, breedte en dikte, welke wij ons lighaam heeten, en zo nauw aan ons ver- bonden fchijnt, waar op (leunt het anders dan op 't be- richt van onze fintuigen? En wat zijn de ftoflijke werk- tuigen onzer'finnen anders, dan overeenkomflen met de dingen die dezelve aandoen? Maar heeft onze Ziel, ons inwendig gevoel, iets dergelijks, iets dat gemeenfehap heeft met de natuur van deeze uitwendige werktuigen? Gelijkt het gevoel, in onze Ziel door 't licht of't ge- luid verwekt, naar de fijne ftoffe welke het licht fchijnt te veroorzaaken, of die drillende beweeging, v/elke het geluid in de lucht te wege brengt? 't Zijn onze oogen en ooren, die tot dezelve noodwendige betrekkingen hebben ; nademaal deeze werktuigen in de daad met de ftoffe van dezelfde natuur zijn; maar de gewaarwording, die wij befpeuren, heeft er niets gemeens mede nog ee. nige gelijkenis. Dit alleen zou genoeg weezen'om ons te overtuigen,, dat onze Ziel van eene andere natuur is dan de (lof. Wij mogen derhalven volkomen zeker (lellen, dat de
inwendige aandoening geheel verfchillend is van 't geen dezelve veroorzaakt, en wij zien desgelijks, dat dedin- gen, die buiten ons beftaan, in zich zelven geheel en al verfchillen van 't geen wij oordeelen dat ze zijn; ver. mids de gewaarwording niets gemeens heeft met het geen dezelve veroorzaakt. Zullen wij dan niet befiuiten, dat het geen onze gewaarwordingen te wege brengt, nood- wendig, en van natuure, geheel anders is, dan wij het .gelooven te zijn? Die uitgebreidheid, welke wij* met onze oogen zien, die ondoordringbaarheid waar van het gevoel ons een denkbeeld geeft, alle die hoedanig- heden , welke de (lof uitmaaken, kunnen wel niet be- ftaan,' dewijl ons inwendig gevoel, en't geen ons voor- kom:, door uitgebreid of ondoordringbaarheid, enz., in geen
|
||||||
|
ZIE. 4331
|
|||||||||
|
ZIE.
|
|||||||||
|
het Denken «al zich altoos openbaaren. Neem in te-
gendeel , alle deeze hoedanigheden van de ftof weg; neem weg de koleuren , de uitgebreidheid , de vast« heid, en alle de'andere eigenfchappeni tot onze fin- tuigen betreklijk , en gij zult ze vernietigen. Onze Ziel is derhalven onverganglijk; de ftof kan en moet vergaan. 't Zelfde mag gezegd worden van de andere bekwaam-
heden onzer Ziele met die des Lighaams, en de weezen- lijkfte eigenfchappen van alle ftoffe, vergeleeken. Dé Ziel wil en beveelt, het Lighaam gehoorzaamt zo veel het kan ; de Ziel vereenigt zich onmiddelijk met zotlanige voorwerpen, als haar behaagen,' afftand, gedaante, groot- heid, niets kan deeze vereeniging verhinderen, als dé Ziel wil, 't is gedaan, 'c is in een oogenblik gedaan. Het. Lighaam kan zich rnetgeen ding vereenigen, 't word gefchckt door elk ding 't geen 't zelve te na komt, 't heeft tijd noodig om tot een ander Lighaam te komen, alles wederftaat het, alles ftaat toceenbeletfel, demin- fte tegenftand verhindert of belet de beweeginge. Is de Wil derbalven niets anders dan eene lighaamiijke be- weeging , én befchouwing eene enkele voeling? Hoe kan die voeling te werkgeftefd worden op vçrafgeleegene voorwerpen en afgetrokkene onderwerpen F iioe kan deeze beweeging in een ondeelbaar tijdftip voïbragt wor- den? Begrijpen wij eeni'ge beweeging, zonder ruimte, zonder tijd? De wil derhalven, indien ze eene bewee- ging is, is geene ftofljjke beweeging, en indien de veree- niging van de Ziel met de voorwerpen, eene aanraaking, eene voeling zij, word dan die aanraaking niet op eeni- gen afftand voïbragt? Is die voeling dan geene doordrin- ging? f. Hoedanigheden volftrekt regen die van de ftof- fe ovefgefteld, en diegevolglijk tot geen lloflijk weezen kunnen, behooren, . Waarom wil de godloosheid dan onze Natuur verto-
gen , waarom fpant zij baare poogingen in om .ons diest te maaken, dat wij ons zelven niet hoogerdande Dieren,moeten aanmerken? Terwijl de Mensch, in de daad,, van natuure zo geheel verfchiliend en zo verre verheven is boven de Beesten, dat hij, die ze op eenen rang wil zetten, zelre van zo bekronipe bekwaamheden zijn moet als de Dieren des veids. 't Is waar, de Mensch gelijkt de Dieren wat zijn ftoflijk
deel betreft, en hem piaatzende in de optelling van al- le de weezens der Natuure, zijn wij genoodzaakt hem in de, rij der Dieren te zetten. Dog de Natuur Xent geen Rangen, geen Geflagten ; zij kent alleen op zich zelven ftaande weezens; de Rangen en Geflagten zijn 't werk van's Menfchen vinding, zij zijn niets meer dan denk. beelden van overeenkomst, en wanneer wij den Mensch in een deezer Rangen fchikken, veranderen wij zijn wee- zen niets in 't minfte, of trekken iets af van de edelheid zijner Natutire, wij maaken geene verandering ter we- reld; met één woord, wij neemen. niets weg van de ver- hevenheid, die de menfchslijke natuur heeft, boven die der Beesten ; wij plaatzcn den Mensch,flegts bij de zoda. nigen met welken hij de meeste overeenkomst, de meeste gelijkenis heeft, geevende hem, zelfs wat het ftoflijk gedeelte van zijn weezen betreft, den eerften rang. Den Mensen met de Dieren vergelijkende, zullen wij
in beiden een lighaam, een gewerktuigde ftof, fintui- gen, yleescb, bloed, beweeging, en ontelbaar derge« lijke dingen vinden; maar alle deze gelijkvormigheden zijn uitwendig en niet genoegzaam om ons ce doen vast- Cc cc . ft el- |
|||||||||
|
geen opzfgt. uitgebreid of ondoordringbaar is, of iets ge-
ineens heeft met deeze hoedanigheden. ;;.. Indien wij bedenken, dat onze Ziel, gedtiurende den flaap en bij de afweezigheid van voorwerpen, gewaar- wordingen heeft; dat deeze gewaarwordingen dikwils .zeer yerfcbillende zijn van die, welke zij gevoelde in de tegenwoordigheid van diezelfde voorwerpen, als zij ge- bruik van de finnen maakte, mogen wij dan niet vermoe- den dat deeze tegenwoordigheid van voorwerpen, niet noodig is tot het beftaan dier aandoeningen, en dat ge- volglijk wij en onze Ziel alleen beftaan kunnen, eo.on- .afhanglijk van deeze voorwerpen? Want in den flaap, en na onzen dood, beftaat ons Lighaam, en heeft des- gelijks alles wat tot deszelfs beftaan behoort, 't is het zelfde als voorheen, en nogthans bezeft de Ziel niet lan- ger het beftaan des Lighaams; dit heeft, ten onzen op- zichte , als dan opgehouden. Nu vraag ik, of iets dat zijn kan , en naderhand niet meer zijn ; of iets dat ons op cene geheel andere wijze aandoet, dan het is of geweest is-, iets kan zijn van eenegenoegzaame weezenlijkheid, om - ons-, van s allen twijfel aan deszelfs beftaan, te. ©#£ heffen.:-; ,,;:'- , -,,, - ■ . , , _ ■ ,-; Wij kunnen echter gclooven, dat er iets buiten ons
is; dog wij- zijn des niet verzekerd, terwijl wij verze- kerd zijn van het weezenlijk beftaan, van alles wat in ons is.; Wat onze Ziel betreft is derhalven zeker, en dat ons Lighaam raakt fchijnt twijfelagtig, zo ras wij denken dat döiftof alleen eene wijzing van de Ziel kan zijn, of een van de vvijzen op welke zij befcbouwt.- Onze Ziel ziet heel, anders wanneer wijwaaken, dan. geduurendeden flaap; ze zal op eene geheel andere wijze zien na onzen dood . en 't geen nu baaregewaarwordinge.n veroorzaakt, deftof in 't algemeen, kan als dan voor haar niet meer beftaan, dan ons eigen Lighaam, 't geen op dien tijd niet meer voor ons.is.;. $u£ ;-.-., ; Maar laaten, wij het beftaan der ftoffe toeftaan, en, fchoon het niet-beweezen kan worden, ons fcbikken naar de algemeen aangenoomene denkbeelden, en zeggen dat ze beftaat, en zo beftaat gelijk wij zien; wij zullen dan onze Ziel metditftoflijk"voorwerpvergelijkende, dever- fchillendheden zo groot en detegenoverftellingen zodui delijk uitgemerkt vinden, dat wij geen oogenblik kunnen twijfelen over de waarheid, dat ze geheel daar van ver- fchillend en van eene veel verhevener natuur is. . Onze Ziel is van eenerlei gedaante, zeer enkelvoudig, zeer algemeen, zeer beftendig. .JDeezegedaante is Den. ken , 't -is voor ons onmogelijk onze Ziel ons anders voor te ftellen dan door Denken, deeze, gedaante heeftin zich niets deelbaars, niets, ultgebreids, niets ondoordring- baars,, . niets, ftoflijks. Ons-Lighaam daarentegen , en alle andere lighaamen, hebben onderfçheidenegedaanten , elk van deeze gedaanten is zamerjgeftekl, deelbaar., ver« ander lijk, verwoestbaar, en zijn alle betreklijk tot de verfcbillende fintuigen, wa.tr door wij ze bevatten. Ons Lighaam en alle ftof, heeft over zulks niets beftendigs, niets, wezenlijks, niets algemeens, waar aan' wij ons kun- nen houden, om ons te verzekeren dat wij het kennen. Een blind man heeft geen denkbeeld van het ftoflijk voor- werp, dat ons de beeldtenisfen der lighaamen afbeeld; een irielaatfcbe, wiens huid ongevoelig is, zal geen denk- beeld hebben van 't geen het gevoel in ons verwekt; een dooye kan geen klanken onderkennen; laaten .deeze drie middelen van gewaarwording iemand, daar mede bedeeld, de eene na de andere ontnoomen worden; de Ziel zal niet te min beftaan,. de inwendige werking zal blijven i 'Vil Deel.' |
|||||||||
|
4332 'ZIE.
|
|||||||||
|
,ZIE.
|
|||||||||
|
flellen, dat derNatutir van den Mensch en van deDïereh
dezelfde is. Om over beider-Natuur teoordeelen, zou- den wij de inwendige hoedanigheden der Dieren, zowel moeten kennen als onze eigene; en dewijl het onmogej lijk is, dat wij er ooit agter.zullen komen, wat er in 't binnenfte der Dieren omgaat, of weeten in welk eene betrekking hunne aandoeningen tot da onze ftaan ; kun- nen wij alleen oordeelen uit de uitwerkzelen, en alleen de üitkomften vaii de natuurlijke werkingen, zo van den een als van den ander, vergelijken. Laaten wij, derhalven, het oog derwaards heen wèn-
den, beginnende met het erkennen van alle de bijzonde- re overeenkomften, enalleendealgemeeneverfcheiden- heden onderzoeken. de domfte Mensch bekwaamheids genoeg bezit, om het
fchranderst Dier te bebeerfchen; hij beveelt het en doe: het dienen tot bereiking zijner oogmerken, en dit min- der door geweld en behendigheid, dan door de verheven- heid van Natuur, en om dat zijne ontwerpen op de re* de gegrond zijn, en hij een orde van denkbeelden en daaden volgt, waar door hij het Dier verplicht hem te gebporzanmen ; want wij befpeuren niet, dat de Merker en behendiger Dieren, dé zwakkere en min behendige beve- len of ten hunne dienfte onderwerpen. De fterken ee- ten de zwakken; dog dit bedrijf veronderfteltalleen een behoefte en begeerte, hoedanigheden wijdverfchillende van 'tgeeneen uitwerkzel is, van eene aaneenfchakeling van daaden, ingericht tot een zeker einde. Indiende Dieren met deezebekwaamheid voorzien waren, zouden v/ij dan niet befpeuren, dat zij het bewind over anderen aanvaardden, en hun noodzaakten om voedzél te zoeken, hun opte pasfen, en in gevalle van verwondheid of ziek- te, te helpen. Maar onder de Dieren, welke men ook neeme, is geen kenmerk van zodanig eenè ondergefchikt- heid, geen blijk dat een hunner de voortreflijkheid zij- ner Natuure boven die van een ander kent, gevolglijk moeten wij denken, dat zij allen, in de daad, van de- zelfde Natuure zijn, en tevens befluiten, dat die van den Mensch, niet alleen ver boven die der Dieren verhe. ven, maar ook gansch en al verfchillend is. , De Mensch geeft door een uitwendig teken te kennen, wat er binnen in hem omgaat, hij deelt, doorWoorden, zijne denkbeelden mede, dit teken is gemeen aan't ge- heele menschlijk geflagt; een Wilde fpreekt gelijk een Befchaafde, beiden fpreeken zijnatuurlijk, en fpreeken om verftaan te worden. Geen Dier heeft dit teken van Denken, fchoon dit niet ontftaat, gelijk men doorgaans meent, Uit gebrek aan werktuigen; want de tong van een' Aap is den ontleedkundigen gebleeken zo volkomen te zijn als die van een Mensch ; de Aap zou derhalveh fpreeken, indien hij dagt, en indien de orde zijner denk- beelden iets gemeens had met de onze, zou hij onze taal fpreeken; en veronderftel, dat hij alleen de denkbeelden van een Aap had, zou hij fpreeken tot andere Aapen; maar men heeft nimmer gezien, dat zij elkander ergens over onderhouden of eenigftukbeflisfen; zij hebben der. halven geene regeling van denkbeelden, hun eigen, wel verre dit zij er eene zouden hebben, gelijk aan de onze, niets zamenhangends, niets geregelds gaat er in hun bin- ïienfteom, naardemaal zij niets door welgefchikte teke- nen te kennen geeven, zij Deuken derhal ven niet, zelf niet in de minde maate. 't Is zeker, dat de Dieren dóór 't gemis van daar toe
gefchikte werktuigen, de fpraak niet derven, dat men wee- te hoe verfcbcide D'mcn van yerfchillende goorten ge- |
|||||||||
|
leerd hebben^woordèn te fpreeken, en zelfs lange vot-
zinnen na tepraaten, enmisfchienzoumen, genoegzaa» me moeite willende aanwenden, bet voortbrengen van geregelde klanken aan veele andere kunnen leeren; maar niemand kan ooit in hun het denkbeeld, in die woorden vervat; verwekken; zij fchijnen alleen de klanken te herbaaien gelijk een echo of een kunstwerktuig; hun ontbreekt defhalven geene werktuiglijke vermogens of ftoflijke werktuigen; maar 't is hét Verftand, het Den- ken,'t geene hun mangelt. Schoon men den Dieren iets dergelijks als onze eerfte
aandoeningen, 'en grootfte werktuiglijke gewaarwording gen toefchrijve, het is zeker, -dat zij niet in ftaat zijn om eenige zamenvoeging van denkbeelden, die alleen door opmerken en'toepasten gemaakt word, en waar in het Denken gelegen is, te maaken. Dewijl zij geene denk» beelden kunnen knoopen, zijn ze buiten ftaat om te Den- ken of te fpreeken;. en 't is uitdeezen zelfden hoofde datzij niets uitvinden, niets Volmaaken. Waren zij voor- zien met het vermogen van opmerking, zelf in den min- ften trap, zij zouden er zich op toeleggen; de Bever» in onze dagen zouden kunstrijker en vernuftiger bouwen dan die van vroegere eeuwen,* de Honingbijen zouden meer volmaaktheid aan haare honingraaten geeven. In- dien wij veronderftellen, dat de honingraaten zo vol» maakt zijn als ze kunnen weezen, zullen wij aan dat Infekt eengrooter vernuft, een uitneemender maate van kennis toefchrijven dan wij zelve bezitten, Waar door het in ftaat gefield is, om terftond het höogfte toppunt van volmaaktheid, 't welk zij in hunnen arbeid kunnen be» reiken, met de daad te beklimmen, terwijl wij dat punt nooit duidelijk zien, en veel opmerkens, veel tijds, noodig hebben, om de minstgerekendtle onzerkunften te beoefenen en éenigzins te volmaaken. Van waar komt de eenpaarigheid, welke wij in alle
de werken der Dieren befpeuren? Waarom doet een ie- der, altoos hetzelfde ding op dezelfde wijze? En waar* om doet elk op zlchzelven, het evengoed? Kan er een duidelijker bewijs zijn, voor de werktuiglijkheid en ftof- lijkheid hunner werkingen? Want hadden zij het minfte ftraaltje van het Hebt, dat onze kennis regelt, wij zou- den ten minften verfcheidenheid, indien geene vorderin- gen tot volmaaktheid, in hun werk vinden, en elk bij- zonder Dier van dezelfde zoort, zou iets doen 't welk on- derfcheiden was van't geen een van dezelfde zoort ver- richt; maar de ondervinding leert het tegendeel, zij wer- ben allen volgens een én hetzelfde plan, dé regelmaat der bedrijven is voor eene geheele zoort bepaald; wan- neer wij dan den Diereneen -Ziel zouden toekennen, zou- den wij maar ééne moeten ftellen voor eene geheele zoort, waar van elk op zich zel-ven een gelijk deel heeft. Dee« ze Ziel zou , derhalven, noodwendig deelbaar, en ge- volglijk ftoflijk en zeer verfchillend van de onze wee- zen. Want waarom toonen wij, in tegendeel, zo veel ver.
fcheidenheid en verandering in onze voortbrengzelen en werkingen? Wa"arom kost eene fiaaffche navolging ons veel meer moeite, dan een nieuw en eigen bedagt ont- werp? "-- 't Is om dat onze Ziel tot ons zei ven be. hoort, dat ze niet van eene andere afhangt, en wjj niets gemeens hebben met de andere Schepzelen van onze zoort ^ dan de ftof van ons Lighaam ; en 't is alleen' in 't geringfte onzer vermogens, dat wij naar de.Dieren ge- lijken. Indien de inwendige gevoelens tot de ftof behoorden, |
|||||||||
|
ZIE. ZIL.
'en vin h'chaamlijke werktuigen afhingen, zouden wij dan
'onder de Dieren van dezelfde zoort.niet dezelfdeverfchei- eenheid in hunne werken zien, als onder de Menfchen kinderen ? Zouden dan de best bewerktuigden, hunne nes- ten, celletjes enz. niet vaster, fchooner engemaklijker maaken dan de anderen ? Zou het vernuft van den eenen, niet bij dat des anderen uitmunten ? Maar ditgebeurt niet, en het gebeurde nooit , de meerdere of mindere volmaakt. ;heid der lighaamlijke ilntuigen, heeft derhalven geen in- vloed op de natuur der inwendige aandoeningen. Moe» ten wij hier uit niet beiluiten, dat de Dieren geene aan- doeningen van deeze zoort hebben, dat zij niet tot de (tof- fe kunnen behoorèn, nog in hunne natuur van de lig- haamlijke werktuigen afhangen? Moet er gevolglijk, in ons geene zelfftandigheid weezen, onderfcheiden van de ftof, eene zelfftandigheid, die het onderwerp en de oor- zaak is, welke deeze aandoeningen ontvangten voort- brengt ? Maar deeze bewijzen voor cteonfloflijkheid onzer He-
len , kunnen nog verder worden voortgezat en aangedron- gen. Men zegt dat de Natuur, altoos bij kleine trappen en bijkansonmerkbaarevorderingen, opklimt. Deeze waar- heid, die anderzins geene uitzonderingen lijd, gaat in dit geval niet door. Daar is eene oneindige afftand tus- fchen de bekwaamheden van den Mensch, en die der vol- maaktfte Dieren. Een bandtastlijk bewijs dat de Mensch van eene verfchillende natuureis, dat hij alleen een rang op zich zelven uitmaakt, van welken wij dooreeneon- meetbaare ruimte moeten nederdaalen om tot den rang der Dieren te komen ; want was de Mensch van den rang der Dieren, daar zou in de natuur een zeker getal van weezens zijn, min volmaakt dan de Mensch en volmaak- ter dan de Dieren , waar door men ongemerkt van den Mensch tot den Aap zou afdaalen; maar dit heeft geene plaats. Er is eene fchielijke overgang van het denkend tot het ftoflijk weezen, van 't verftandig vermogen tot het ftoflijk weezen, van 't vérftaridig vermogen tot de werktuiglijke kragt, van orde en oogmerk tot blinde aandrift, van overleg tot enkelen lust. Uit dit alles blijkt overklaar, de voortreflijkheid onzer
natuure,-en de onmeetbaare afftand welken de goeder- tierene Schepper tusfehen de Menfchen en Dieren gefield heeft. De Mensch is een rederaagtig weezen, bet Dier derft derede; en daar is geen midden tusfehen dit fteili- ge en ontkennende, tusfehen het redelijke en redelooze, de Mensch verfchilt geheel en al van het Dier, hij ge. lijkt er alleen rjaar voor 't uiterlijke, en alleen van hem te oordeelen, volgens deeze ftoflijke gelijkvormigheid, is ons zelve door uitwendigen febijn te laaten bedriegen, en onze oogen , willens enweetens, te fluiten tegen het licht, dat ons hetweezenlijk önderfebeid doet opmerken. ZILVERjin het latijn Argentum; bij de Grieken K'fVfi genoemd, eb Luna bij de Scheijkonftenaars; is een e« del of volmaakt metaal, wit, blinkend, klinkend, rek- baar, echter minder volmaakt dan het goud. Natuurlijk Zilver word genaamd, dat men fchoon en
zuiver uit de aarde haalt, en ruuw Zilver, het welk ge- mengd gevonden word met metaalen en mineraalen, en noodig is gezuiverd te worden. Het zuivere word gevonden of in de febeuren der rotzen, of gemengd met fanden aarde. Het heeft verfchillende gedaanteni; dan eens is het in takken, bladen, haairen, korls , dan eens vertoont het bladen van boomen, of meer ofmin dikke draa- den; zomtijds is bet zelfs in groote klompen, gelijk als daar Olads WoBtóius gewag van maakt, die uit de mij« nenvan Noorwegen gehaald is en 130 mark woog. |
||||||
|
Het ruuws Zilver is in zijn ertz bevat, die van ver-
fchillende koleur is; dan eens is hij rood en met ar/e- nkum, befmet; dan eens van een loot-koleur, en heeft gemeenezwaw/in zich; dan weder zwart, van een pur- pre koleur, roodagtig of aschkpleurig, naarde verfchil- lende metaalen, die er in bevat zijn. Het word zeer dikwijls gemengd gevonden met de erts van goud, ko- per, tin en loot, in meer ofmin grooter hoeveelheid. Zilver-mijnen worden er op verfcheidene plaatzen ge-
vonden , in Italien, Duitschland, Hungarijen, Noor- wegen, Engeland, enz. ; dogderijkfte van allen zijn, die van Potofi in Peru, en die van Mexico. In Engeland hebben alle loot-ertzen bijna, een weinig
Zilver; dog men haalt het niet dan uit die van de Pro- vincie Cardigan, die de rijkfte zijn ; omdat duizend pon- den mineraal, tien, vijftien, en zomtijds twintig ponden Zilver opleveren. Men haalt het Zilver gcmaklijk uit het loot. Menfmelt
het in fchotels gemaakt metasch, behoorlijk in de for. nuizen geplaatst; vervolgens ontfteekt men't vuur doof den wind van blaasbalgen , het loot verandert tot glas, en word door den fchotel ingezwolgen, en het Zilver blijft feboon op de oppervlakte leggen. Men haalt veel bezwaarlijker 't Zilver uit de Mijnen
van Peru en Mexico; omdat het nier alleen verborgen is in zeer harde aderen , maar ook nog gemengd met bi- tumineufe, zwavelagtige en corrofive zeifftandigheden, zamengefteld uit vitriool en arfenïcaale ftoffen; zodat deeze zelfftandigheden, eengroot gedeelte Zilver 'm det lucht opvoeren , of het zelve verbranden en tot flak- ken of fcorien veranderen. Dus behandelt men het verfcheidenlijk, naarde ver-
fchillende hoedanigheid vanden ader. Zo de erts zo hard is, dat zij met den hamer niet kan aan ftukkengeflaagen worden, calcineert men ze op een gemaatigd vuur, het zij om ze vrijfbaarder te maaken, het zij om te kennen de vreemde zelfftandigheeden, die met het Zilver gemengd zijn. Men brengt de erts, die vreemde deelen in zich heeft, tot een zeer fijn poeijer, door middel van ftee- nen, tot dit gebruik gefchikt; vervolgens zo zij eenig zwavel of antimonie bevat, doet men er ijzer-roest of hamer-flag bij; en zo er integendeel ijzer bij is, mengt men er zwavel of antimonie in, en calcineert alles za- men. Na de.calcinatie, mengt men er eene genoegzaama menigte mercurius bij; zomtijds is het niet vannooden, en zo men het er bij doet, verandert het in eene duis- tere koleur, en maakt geen kleine bolletjes, maar klei- ne masfa's als wormtjes, die langagtig rond en paan van ko- leur zijn ; het welk tot een bewijs verftrekt dat de erts loot of tin bevat. Men gebruikt eenige compoßtien, om de erts van deeze metaalen te zuiveren; de bafis daarvan is het ge- brande koper; deezen worden Magisteria genaamd. De Zilver-erts dan wel met kwik gemengd en geamal«
gameerd zijnde, gelijk; men zegt, word gewreeven en langen üidgewasfehen in water. Al wat met den kwik niet heeft kunnen vermengd worden, wordgeduurigmet het water weggevoerd, en daar blijft alleen een zuiver en fchoon mengzel over van metaal en kwik. Alsdan perst men het fterk uit in linnen, om er den kwik van af te fcheiden. De klompen Zilver, die na de uitdruk- king overblijven, worden in aarde-vaten op't vuur ge- zet, opdat de overblijvende mercurius uitdampe. Einde- lijk giet men het metaal tot masfa's, en doet er omtrent een vijfde deel koper bij, 't welk alliage, zamenfmel- ting of vennengeling, genaamd word. |
||||||
|
:*&* t ml.
L Indien er een .mein igloper .onder 't Zilver is, doet men
,de zuivering,daar van inde 'kapel van loot, die gemaakt: .word van gebrande en tot wit wordens toe gecalcineerde 'bcéneri', 'of va,n gewasfcheh asch, zodat'zij geen zout meer. in zich.hebben. Men b'eflaat die asfcheniri water, én brengt zetót een ftijf'deeg; inënmaaktèrkleine kuip- j.es of vaatjes van, die men wel droogen laat, en in,een fornuis plaatst onder brandende kooien! Men laat hier vier qf vijf deelen loot in. fme'ueri, en als het ge.fmpltenls, }3o'et-'men er een gedeelte van''t Zilver bil, dat men zui- veren -iyiL -.'.Als dë twee metaalen wel gefiriölt'en 'zijn, verhiéérdërf/ men de kragt van 't vuur, opdat rjet loot in glas verandere, 't welk, in 't glas. worden door den gedumigen'wind .der blaasbalgen naar den kant van.de» kapel gedreéven en in zijn pooren opgenomen, word1, ten minften voor 't grootfte gedeelte ; want er yefvliegt ïn de lucht een aanmerklijk gedeelte van.onder de gedaante van rook; ten laatften blijft het Zilver-blinkend[ fçhoon én zuiver op de oppervlakte van de kapel leggen. , . -Als.'er sóüd;tnét het Zilver vermengd i's, fcheid men zulks opèené andere wijze van elkander,'t welk gemeen- lijk, rfspwf genaamd word. Als er veel goud is ',' moet irien er zilver bijvoegen , zodat er viermaal zó veel ZiU ver als goud zij. Men fmelt hètzamen, vervolgens ont- bind men het in fterk water, dat bet Zilver alleen ontbind, zonderhetgoudaanteraaken, dat onder degedaante van een fipF ofzwartg fiijm overblijft ; 't welk men van de folu« t"ie affcbeid dûorlchuins af te gieten, voorts verfcheidene i-eizen wast en fmelt. Men précipitée« het ontbonden Zilver, gietende in'dë folutie twaalf óf vijfden deelen wacër, en werpende bladen koper in hetvogt; want het Zilver hecht zich aan die bladen onder de gedaante van een grijs ftof, dat irien voorts droo'gt en tot baaren fmelt. Het Zilver is veel harder dan het goud, en minder'rek- baar ; hetj's veel ligter dan het goud en 't loot; want als het gefmolten is, drijft het boven óp die metaalen. Deszefs zwaarte tegen die van 't'goud.is een weinig minder dan ' 5 tqt pV ' ' , " ',"-, ; v; ; j :;; Het Zilver loest niet, maar word zwart door den damp
\in.zwetvel ; het fmelt in fleïhwater en niet in konings- water. Het word niét vernietigd door"'t loot, maar door 't zwavelagtig gedeelte van de antimonie. Het tSfmindert en verteert op een te fterk en te lang aan den gang gehouden vuur. Legt men het in 't brandpunt Van een groot brandglas, 't zij op de fcbarf vaneen pot, of op kooien, het. verdwijnt.geheel. in rook, dogzeer. langzaam; en na verloop van vee) tijd';'het verandert ïiiet in glas, gelijk de.andere.metaalen; omdat het zwa- yelagtig beginzel, waarvan afhangen de rekbaarheid, glans en ondoorfchijriüjkheid der metaalen, ■ irï't Zilver zo naauw met de metaalagtige aarde vereenigd is , dat de deeltjes van dit metaal eerder wegvliegen ,'dah tót hun- ne béginzels wederkeeren... De folutie van Zilver , dat zuiver en zónder bijmenging van eenig ander metaal ïs , i| helder, en derzelve kristallen hebben geen "de minfte Holeur; dog zo er een weinig koperin is, hebben zij een weinig groene of blaauwagtige tinctuur. Pe fmaak der kristalten van Zilver, is zeer bitter. Het Zilver, mei gemeen zout gemengd, op welke wijze het ook weezen mag, fmelt rot een bai.'.doorfcbijnehde masfa en even als hoorn, om diereden genaamd luna cornuta, 't welk z'eer moeij'elijk is om weder tot Zilver te brengen, zijn. 4e »lug; want zo men. bet met een' fterk tfuur éanzëf, vüegt het bijna geheel en al pp in de lucht. ' < " De Arabieren hebben aan 't Zilver toegefcbreeven de* |
||||||
|
2IL. $gfv
kragt om 't hoofd-en de hersfenen te verfterken, en de
"dierlijkegeesten tebe'riteilën; eene kragt, daar de Schei-
kunfienaais veel van. joçmen. Om.die reden wordende follaar'genti yóorgefchréeven, in verfcheidene çompofi- t'i'e.n der arabieren ,:herzij cephalica of corroborantes. Hiervandaan maaken de Scbeïkunftenaars de titiSum 'lunce ,. de .luna. potaliilis,. ,'t diaphoreticum lunare, 't bezoard lunate, en andere van dien, aart. Dog wij zijn niet z.eer overtuigd .van' "die. gróote vis cephalica £f cor? robcr<äns> eri durven,ook.niét .verzekeren j.dat dit kost- pa'ar'mëtaaï, ten eeneniaalën, van alle kragt beroofd zij.. ■' .De fe-lia argenti, worden "gebruikt in dë confeUi hijx- cintlii v,an Charas, in 't vreugdepoeièr van den zelven Autheur, en men, gebruikt'ze. dikwijls om' de bolt en pi- lulçe te omwinden. Hoedaanig mçn zilver, dut tot bladen is>gef!sgenofwe!
gëmaalen, te werk móet fteilen, en het op de metaalen., marmers, fleënen, houtwerken, en verfcheidene andere zellftandigheden.-doen hechten,;, zulks . gpfehied -gé- rióegzaarn^ op .'dezelfde wijze, .als. van 't goud gezegt is; zie aldaar. ''"',■-, ' .' ' ',..'-,. ZJLVER-AA'LEN, zie'PALTNG., ' ' :
" ZTLVERAGTIG-OLïJPHANTJE,zieOLIJPHAN-' TJES, n. Lil. pag. 23Ö1. .". IZILVERBLOEM, zie MAAN-VJOLIER.
ZILVERBOOM,ïs denaam van een heesteragtig Plant-
gewas aan dë Kaap de goede" Hoop te huis hoorende , waar van. door de Heer Linheus , vijfentwintig zoorten wórden opgeteld. , : .. (. ' ": .'. .'. -'■■'". ZILVERDOORN, zie JUPÏTERS-BAÀRD.
ZILVÇRËN KANTEN, zie KANTEN. .. :,:;'
ZILVER-KONING,'zie REGÜLUS. "':.
" ZILVER-KRUID, zie GANSER1K. -
: ZfLVER-VlSCHJE, zie SPIEGELVISSCHEN, ». lÄW' .1 '■■- ' - :- ■'> '■■- 'i--:- ^'T '--ÏïS -
/zinc, zie zink. ,", ,.,.' ' .'.' .:; ' . , y. :
: ZINDELIJKHEID, t-t- De mo.rsfigheid iseeri
misfiag, dié geen verfchooning verdiend. Op> alleplaat- zen'daar water te bejfomeh is, fiaat,het in't'vermogen van een-ieder, Zindelijk sjn rein té zijn. De geduurige uitwaasfeming onzer lighaamen, maakt het dikwijls ver. fcho.onen zeé- nópdzaakelijk , daar door word die zo noodigeontlasting buitengemeen bevorderd. Worden de ftoffen die door de uitwaasfeming ontlast moeten worden, in'h'et lighaamrë rug gehoudéri', of'uit he.t vuil.geworden linnen weder ingeflórpt, veroorzaakt zulks doorgaans ziek- êèps der hui'd, koortze'n,enz. - De fchurft en niefer' anderekwaaien derhuid, ontftaan voornamëntljjlcuit onzindelijkheid. Het is waar , ze kunnen ook uit befhietting, armoede, ongezond flegt vpedzef ,.enz. voortfpruitenj dog zelden zullen zindelij. ke lieden lange daarmedegekweldzijn. Hetongedierte aan Menfchenen huizen,ontftaat mede,gróötendeels.uit morsfighëid, en het' is de Zindelijkheid alleen, die.het verdrijft; overai waar deeze verzuimd word, zal men fteeds dat'lastig gezelfçhap vinden. ' -, De onreinheid is eeneVan de gemeenfte oorzaaken der
rot-enkwaadaartigekoortfen. Deezeneemen doorgaaans htfh oorfprong bij de bewoonders van kleine, beflotehe én mórs'fïge wooningen', die ongezonde lucht inademen, weinig^bëweèging neemen, en onzindelijk op huqrie'klee- dingzijn. Hierishet datdoorgaans, die bëfmetting uitge- breid'wórd,'welke zich vervolgens .verre uitfpreid en veelb Menfchén weg neemr. De Zindelijkheid mag der- Üalveh zeer wel,.als éene zaak die de algemeene oplet- |
||||||
|
i
|
||||||
|
ZIN.
lenheid verdient, aangemerkt worden. Hét. is niet ge.
noeg zelve Zindelijk te zijn, daar de morsfigheid der na- buuren, mijne zowel als haare eigene gezondheid bena- .deelt,- fchoon men deeze pesten van het algemeen , niet ganfchelijk .weeren kan, behoort men zich nogthans zo veel mogelijk voor derzelver befmetting te wagten , en een ieder die zijne gezondheid lief heeft, diende zelfs zich zo verre mogelijk, van haare wooningen te verwijderen. In plaatzen die volkrijk zijn, is de reinheid van het
uiterfte aanbelang. De befmetting der ziektens weet men, dat uit die der lucht voorfpruit. Men behoort zich derhalven zorgvuldig in agt te neemen, tegen alles wat .de befmettelijkbeid der luchten ziektens veroorzaakt, en .verfpreid; en geene vuiligheeden van wat zoort ook, moest men op de ftraaten van groote fteeden zien. De uitwerpzels van zieken, zijn inzonderheid fchadeiijk, en gefchikt, om befmettiugen te verfpreiden. . i De ftraaten veeier groot er Steden, .zijn nauwlijks be- ter, en zindelijk« dan mestboopen; geftadig ziet men ze .bedekt met asfche, drek en vuiligheeden van allerlei .zoort. Des flagters huizen, de vleesch-ballen , enz. vind men te midden der ftad, Het verrotte en gerönne bloed, de drek, enz. der dieren, met welke deeze plaatzen door- gaans vervuld zijn, moeten noodzaakelijk de lucht befmet- ten en bederven. Hoe gemakkelijk konde dit niet voorge- komen worden door de waakzaamheid der regeering, wel- ke het altoos in haare macht heeft, wetten ten deezen opzichte te maaken en te doen nakomen. M Het is ons leed te moeten zeggen, dat het aanbelang
der Zindelijkheid niet genoegzaam bij de regeering veeier (teeden van Engeland begreepen word. Gezond- heid nogthans, zo wel als vermaak en eer, fpannen zaam qm er den aandacht cp te doen vestigen. Niets immers is,nangenaamer voor de uiterlijke finnen, niers ftrekt meer tot eereder inwoonderen, of is derzelver gezondheid voor- deeliger, dan de reinheid en Zindelijkheid der'ftad; niets kan meer dan het tegengeftelde, eenen vreemdeling een verachtelijk denkbeeld van de inwoonderen derzclve, in- boezemen. Hoe zeer ook een volk in geleerdheid, be- fchaafd- en beleefdheidgevorderdziin mag, blijft het dog , zo lange het de rein en zindelijkheid verzuimt, in een zeker zoort van onbefchaaftheid. Veele boeren fchijnen in zekere opzichten de reinheid
té verfniaaden. Zonder de openeen luchtige gelegenheid hunner wooningen, zouden zij we! draa de kwaade uit- Werkzels hiervan gewaar worden. Weinige boeren-hui« .zen ziet men, zonder een mesthoop bij de deur, en de meester woont veel al met z.ijn vee, onder -een zelve dak. Veeltijds zijn ze ook onzindelijk op hunne lijven of huizen. Dit is alleen een gevolg van luiheid en mors- figheid. De gexvoonte kan het draagen van vuile kleede. ren en het inademen van ongezonde lucht,- wel minder onaangenaam., dog nooit heilzaam en gezond maaken. .Hier op behoorde des te meerder acht gegee ven te worden, .win veele der nocdzaakelijkfte levens-middelen, door hen behandeld en bereid worden. In legers, behoorde boven al de Zindelijkheid in acht ge-
nomen te worden. Het verzuim hier van, is dikwüs oorzaak dat een geheel leger aangetast word, door be- fmectelijke ziektens, welke veel grootsr vernielingen dan het zwaard, in het zelve aanrichten. De Jooden ontvingen geduurende hunne legertocbten in de woestij- rie, wel uitdrukkelijk bevel, ten deezen op.zigte; men zie }")eóteronomium XXIII vs. 12 en 13. De aldaar voor- gefchreevehe wetten, behoorden (leeds in alle legers |
||||||
|
ZIN. 4335
naar gekomen te worden. Veele in der daad, der aan
hen voorgefchreevene wetten, (Vrekken klaarblijkelijk tot onderhouding der reinheid'; een iegelijk die de luchts- gefteldheid zijn lands, en de ziektens en kwaaien welke hij onderworpen is, in aanmerking neemt, zal ras de ei- genaartige gepastheid dier wetten befpeuren. Opmerkelijk is het, dat in veele oosterfche landen,
de reinheid een deel van den Godsdienst uitmaakt. De Mahometaanfche zo wel als de Joodfcne wet, gebied veele wasfehingen , baadingen en zuiveringen. Schoon dezelve, inzonderheid die der laatfte wet, ontwijfelbaar op de inwendige reinheid doelden, drek ten ze nogthans teffens tot behoud der gezondheid. Hoe nutteloos' dee- ze wasfehingen veelen mogen voorkomen, weinig din- gen echter zouden meer tot voorkoming van ziektens ftrek- ken, dan dezelve. Indien ieder bij voorbeeld die zieken bezogt, doode lighaamen behandeld had, enz. eer hij in gezelfcbap kwam, of aan het eeten ging, zich waschte, hij zou minder gevaar loope'n van befmetting of aan zich zelve, of aan anderen over te zetten. Dikwüs wasfehen, neemt niet'alleen het vuil en fmeer
dat zich aan het vel hecht, weg", maar bevorderd ook de uitwaasfeming, verfterkt het lighaam en vervrolijkt den geest. Hoe frisch, lieflijk en aangenaam is het niet, als men zich gefchooren, gewasfehen en vérfchoond heeft, inzonderheid als zulks langer dan naar gewoonte, ver- zuimd is geweest ! De oosterfche gewoonten van de voeten te wasfehen,
is niet alleen een aangenaame, maar teffens éenegezon« dereiniging. Hetzweet, ftof en vuiligheid, waarmede deeze deelen veeltijds belaaden zijn, moet noodwendig de uitwaasfeming beletten; deeze reiniging, zoude veel- tijds verkoudheid en koo'rtfèn verhoeden. Menfchen die des avonds hunne voeten en beenen in laauw water ba- den , naar den geheélen dag aan koud en nat weer blooc gefield geweest te zijn, zullen zelden de nadeelige uit< werkzels van het laatfte gewaar worden. Nergens behoort op de Zindelijkheid meer acht gegeeven
te worden, dan aan boord der febcpen. Wanneer al- daar befmettelijke ziektens ontdaan, is niemand veilig. De beste weg om dezelve te*verhoeden, is de kleeding en kooiien ófflaapplaatfen van al het febeeps-volk, zinde- lijk te houden. Dit zelfde middel is bet gefchikfle om den voortgang dier ziektens, wanneer ze reeds begonnen zijn, te fluiten; ook is bet zelvenoodig, om bet weerom komen dier kwaaien , of het overvoeren van de fcefmet- ting naar andere plaatzen, te verhinderen. Ten deezen eindemoetmen dekleederen, bedden, enz. der zieken, zorgvuldig wasfehen en vervolgens zwavelen. De be- fmettelijkheid kan zich langen tijd in vuile kieederen ophouden, en naderhand, zomtijds cpeene verfchrikkellj- ke wijze uitbreeken. Op plaatzen waar zich een groot aantal zieken bevind,
dient deZi/mWï/^m'aliernauwkeurigst in acht genomen te worden. De reuk van zulke plaatfen, }s zelfs door-' gaans genoegzaam om iemand ziekte maaken; wat uit- werking ze dan op de geenen die reeds krank zijn heb- ben moet, is ligt op te maaken. Er is in een gast- of ziekenhuis, in het welk de reinheid verzuimd word, meer- kans voor een gezonden om ziek, dan voor een zieken om gezond te worden. Weinige dingen zijn gemeender, dan het verzuim of
liever de affchrik der reinigheid, welke doorgaans bij die geenen, welke de zieken oppasfen, huisvest. Zij hou- den het voor zeer onvergeeflijk, toe te laaten,dat iets Cc cc 3 't welk |
||||||
|
4335 ZIN.
't welk fchoon is, flegts eenen kranken en koortzigen bij
voorbeeld, genaken zoudejliever zouden zij hem in allerlei vuiligheid laaten wentelen, dan hem fchoon linnen aan- trekken. De Zindelijkheid echter, is den zieken veel no- diger dan den gezonden. Veele ziektens konden door de- zelve alleen, geneezen, andere daar door verzagt wor- den, dog daar mende reinheid geheel verzuimd, veran. deren ligteongemakken, nietzeldeninzeerkwaadaartige ziektens. Dezelve verkeerde zorgvuldigheid, die den zieken de minfte toevoer van frisfche lucht belet, fchijnt insgelijks de gewoonte van hen zo morsfigdoenlijk is te houden , ingevoerd te hebben. Wij hoopen nogthans dat deeze zo fchadelijke vooroordeelen, eerlang geheel uitgeroeid zullen worden. Niet alleen is de Zindelijkheid voordeeVig, maar ook
aangenaam. De geenen zelfs die ze niet betracht, kan dog niet nalaaten om ze in anderen goed te keuren. En ze trekt meer het oog naar zich, dan den opfehik zelve; ze ver- wekt achting; ze is een cieraad voor lieden van hoogen, zo wel als laagen rang. Weinige deugden zijn van meer belangvoorde maatfehappije dan de reinigheid, overal behoorde ze betracht te worden, dog allermeest en boven al in groote Meden, en fchoon wij ze al onderde hoofd- deugden niet plaatzen willen, beveelen wij ze nogthans een ieder aan als noodzaakelijk, voor de eer enwaardig- heid der menfcheliike natuur; als aangenaam en nuttig voor de maatfehappij, en aüergefchikst tot behoeding der gezondheid. ZINGHI, zie ANIJS (STER)
Z1NGIBER,-zie GENGBER.
ZING-LIJSTER, zie LIJSTERS, n. W.pag.1%99.
ZINK, Zinchum in de winkels, ZinethumofMarcas~
ßtapallida van Schröder, is «ene metaalagtige, zwave- ligezelfdandigheid, zwaar weegende, van een loot-ko- leur, fmelt- en een weinig rekbaar, zijnde moeilijk te breeken, vlam-vatbaar en vlug. De Ouden febijnen deeze dof in 't geheel niet gekend te
hebben , derzelver oorfprong en aart, welke van de laste- ren weinig gekend waren, zijn ontdekten uitgelegd in eene Disfertatievan Simhl over de Metallurgie. M en haalt de Zink uit een Lootmijn van Goslar, welke
jzeer moeilijk felt, fchoon zij op 'tge'zichtnogdeenag- Tignog fchraal fchijnt, maar blinkend en glad. Zij ver- toont wel eens de gedaante, van kleine doörgefneeden bladen. Men haalt drie zelfdandigbeden uit deeze mijn ; loot, Zink, en een zoort van cadmiafomacum, welke met koper gefmolten zijnde, latoen maakt. De Oven, waarin men "het Zinfcmmeraal fmelt, is dus
gemaakt. De twee zij-muuren, en de agterde, zijn ge- maakt van gebakken fteen; het voorde gedeelte van den oven, word geflooten met fteene bladen of tafels van ee- ne grijze koleur, ter dikte van eenen vinger, en die het vuur weerftaan kunnen. Door dit middel blijft in den tijd der fmeiting, deeze zijde van den oven, zo dik niet zijnde, altijd iets koud, van wegen de lucht, die er om heen gaat; en zelft verkoelt men ze nog, door er dikwils water op te gieten. Men fmelt het mineraal in't dus toegeftelde fornuis, en
neemt twaalf uuren voor ieder fmeiting. Het Mineraal gefmolten zijnde, door bet blaazender balken, welke het vuur aanflooken, ontbind zich de Zink, die met het loot gefmolten is, in bloemen of dampen, waarvan eenaan- merklijk gedeelte zich hecht aan de twee muuren van het fornuis, ter dikte van een febrijf pen, onder de ge- daante van een zeer fijn en hard flijia , en die eene |
||||||
|
ZIN. .
confidentie heeft, zeergelijkendeaan die, welke eene haï-
ve glaswording te wege brengt. De aanwas, die bij ieder fmeiting gebeurt, en zich op deeerltehecht, zoueinde- lijk de vereischte ruimte van 't fornuis doen verminde- ren, zo men geen zorg droeg, om den oven terbekwaa- mer tijd te openen, en het weg teneemen. . Aan't voorde gedeelte van 't fornuis, gebouwd zijn»
de, gelijk wij zeiden, van fteene plaaten, hecht zich ook, hebalven de reets gemelde ftof, eene andere zelf- ftandigheid, welke even als een metaal of gefmolten loot is, dikwijls gemengd met half gebrande ftukjes, én bijna tot asch gebragt. Op het einde van de bewerking, fchuift men de gloeiende kooien weg, welke om laag van die fteene plaaten zijn, men legt er in de plaats onaangefloo- ken geftampte houtskool, en als dan flaatmen ze af met kleine hamerflagen ; en door dit middel valt de Zink, die zich tot bier toe aan de plaaten gehecht had, van de overige half gebrande zelfftandigheid af, waaraan zij vast was, even als in honing-raaten. Het heeft dan de gedaante van gefmolten tin, echterbrandende en blinken- de, en eene witte en glinfterende vlam van zich geeven» de; en zelfs ontvonkt zij van zelfs in korten tijd, en ver« ändert fpoedig in eene ligte witagtige asch, zo zij niet gevangen en uitgebluscht wierdingevreevenhoutskool; maar zo dra als zij in dit poeijergevallen is, dooft zij uit, en neemt eene metaalagtige gedaante aan. Men neemt ze er alsdan uit,nadatzij koud geworden is, en fcheid ze van de kooien af. Men fmelt ze op nieuw in, een zagt vuur, even als het tin , en maakt er kleine brokken van, ofwel kleine koekjes. Het voortbrengen van deeze ftof, verfchilt veel ; zo dat
men zomtijds in 't geheel niets vind, hetzij omdat het vuur niet fterk gehoeg geweest is, of omdat het al tè fterk was, hetzij omdat de blaasbalgen te kragtïg bliezen. Voor 't overige maakt het gedeelte, 't welk zich aart
de gebakken-fteenen-muur van 't fornuis hecht, en men van tijd tot tijd wegneemt, deCadmi'a; deeze met koper gefmolten zijnde, brengt hetgemeene latoen voort. Dog eer men er zich tot deeze operatie van bedient, ftelt men ze langen tijd aan de lucht bloot met defcorice en vuilig- heden. De lucht dringt er in, en maakt ze een wei- nig ijler, haar confidentie vermindere ; alsdan is zij in ftaat, om degeele koleur aan 'tkopertegeeven. Deezezelfftandigheid word bij Stahl genoemd, Cad-
mia der fotnuizen, en met reden; want fchoon ze in oor- fprong verfchilt van de tutia, welke de Cadmia der for- nuizen van Agricola is, fchijnt zij er echter niet veel van te verfchillen, door haaren aart en uitwerkzels, want beide geeven zij de geele koleur aan 't koper. Men vind het gefmolten loot op den grond van 't for«
nuis. De Werklieden gelooven dat het in "tgebeel niets van deeze ftoffe behouden heeft, zich wijsmaakende.dat al de Zink verbrand en opgeheeven is in de lucht, door't vuur, 't welk nog in 't loot is, dat op den grond van 't fornuis legt. De Zink is eene metaalagtige zelfftandigheid, en zom«
tijds zwavelagtig ; want Hombhrg heeft waargenomen, dat dit lighaam in eene kroei gefmolten zijnde, veel rook van zich geeft, dog als men het met eenen ijzeren daaf roert, ontvonkt, het, en geeft eenen wiiten, blinkenden rook van zich, eveneens als die uit de menging van nitrum en zwa- vel te wege word gebragt ; op 't zelve oogenblik is dege» heele ruimte van de kroes vol van witte, zeer dunne en zeer ligte draaden, gelijkende naar katoen of fpinracb ; .,/ men |
||||||
|
ZIN.
men zamelt deezen bij één, endoor hetherhaajen deezer
beweegingen, en 't ieder reis opzamelen deezer draaden, verandert bijna de geheele zelfdandigbeid van de Zink in dusdaanige draadige bloemen. Uit deeze bloemen, heeft Homberg eene zeer fijne vlamvatbaare olie gehaald. De witte bloemen van de Zink ingenomen, zijn zweet-
drijvend; zij purgeeren zomtijds van onderen en van boven, van i v/tot sij. grein ingenootnen. Dog als men ze uiterlijk gebruikt, verfchillen zij niets van de pompkolijx, of van het nihil album der winkels. Zijdroogen fterkop, heelenen fluiten zonder pijn. P. Barbette geeft ze als een beproefd middel op in de Ophthalmia, welke van eene zouteen fcherpe lijmphakomt; hij ontbind ze inroozen- water. F. Dekker prijst ze in de klooven, die aan de tepels der borden komen. Emmanuel Koking roemt ze in exulceratien, welke den zieken overkomen, die langen tijd bedlegerig geweest zijn. Men poeijert er de wonde mede, en legt er van in een doek, om de natte zwee- ren te droogen. "Men maakt een zeer goed latoen of klatergoud , door
keper en Zink zanien te fmelten. Deeze cornpofitie heeft de koleur van goud, en word Prins Roberts metaal ge- heeten, die men voor den vinder houd. Zie hier, hoe bet gemaakt word. -Neem iij onc, koper; doet het in een kroes fmelten, en a!s het gefmolten is, doe er een half onc. Zink bij; doe het zamenfmelten. Deeze metaalachtige masfa verkoeld zijnde, heeft eene zeer fchoone koleur van goud, en is rekbaar. De Tinnegieters gebruiken het om bun tin blank te maa-
kenen te zuiveren, even als de Goud-fmids zich van loot bedienen om het goud en zilver te zuiveren. Om die reden mengen zij een pond Zink,b\] voorbeeld met zes honderd ponden tin, ais zij het fmelten. ZINKINGEN, ZinkingS'pijnen, inhetlatijn Rhuma-
tismi.--------- Deeze kwaal is zeer na aan de jicht ver.
maagdfehapt. Gemeenlijk tastzij de geledingen aan, ver-
oorzaakt eene zeer fcherpe pijn,en is zomtijds metontdee- ldng en zwelling gepaard. De 7Jnkingen zijn in de voor- lente en in betlaatrte van de herfst, het gemeenst. Men onderfcheid dezelve gemeenlijk in fcherpe en infleepen- de, en op gezette tijden wederkomende; of in Zinkingen met- en zonder koorts. Oorsaaken. «---------- De oorzaaken der Zinkingen
zijn veeltijds dezelfde als die derontfteekendekoortfen ,
naamlijk gedreinde uitwaasfeming, het onmaatig gebruik van derke dranken, en diergelijke. Schielijke veranderin- gen van weder, en het ras overgaan tan hitte tot koude, veroorzaaken zeer dikwijls 7Jnkingen. Het allerzeld- zaamfte geval deezer kwaal, het geen ik ooit zag, en in het welke meest, alle de geledingen des geheele lighaams verdraaid waren, had plaats in een man, die gewoon was een gedeelte van den dag bij het vuur, en het ove- rig gedeelte in het water te werken. Wanneer lieden die zulks ongewoon zijn, een tijd lang natte voeten heb- ben, worden zijniet zelden door hardnekkige Zinkingen aangetast. Dit zelve word ook te weeg.gebragt, door nat- te klederen , vogtige bedden, of door inzonderheid des avonds of nagts/op den blooten grond te leggen. De Zinkingen ontdaan ook door overmaatige of
door het opdóppen van gevvoone ontlastingen. Ook uit fleepende kwaaien die de vogten en fsppen des lighaams bederven; gelijk het febeurbuik, venuskwaaien, hard- nekkige herfst-koortzen, enz. Deeze kwaal regeert 'c meest in, laage voq-ige en moeras-
|
||||||
|
2iN. 433?
fige landftreeken. Ook is zij zeer gemeen onder het ge-
ringsten armst zoon van landlieden, welke dun gekleed zijn, kleine en koude hutten bewoonen, grove en onge- zonde fpijzen, die weinig voordeel geeven en zwaar te verteeren zijn, gebruiken. Toevallen. ■ .
meenlijk, met vermoeidheid, dorst en andere toevallen der koorts. Vervolgens klaagt de lijder over vliegende pijnen, die bij de minde beweeging toeneemen. Dee- ze pijn vestigt zich eindelijk in de geledingen, welke ge- meenlijk zwellen en ontdoken zijn. Wanneer de lijder adergelaaten word, vertoond zich het bloed doorgaans even als in de Fleuris. Men moetin deeze kwaal, den lijder bijna even eens
behandelen, als in een felle of ontdeekende koorts. Zo hij jong is enderk.moet men hem aderlaaten, en zulks naar vereisch van zaaken herhaaïen. Men moet hem doen open lijf houden , door middel van verzagtende klijsteeren, verkoelende openende dranken, als afkook» zeis van tamarinden, wei van cremor tartari, afkook- zeis van fennebladeren en diergelijken. Hij moet geene dan 1 igte fpijzen , en van dezelve weinig teffens gebruiken. Gebraadene appelen , gekooktegort, en flap hoender-nat, zijn het beste voedzel voor hem. De pijn na het afneemen der koorts aanhoudend blijvende, moet zich de lijder te bedde houden, zweet-middelengebruiken, gelijk wijn-wei met geest van mindererus enz. Insgelijks mag de Lijder ee- nige avonden voor hij te bedde gaat, een drachma ers* mor tartari en een half drachma poeder van gom guajn* cum, in een kop wijn-wei gebruiken. Na de noodige ontlastingen, is het warme bad door-
gaans van veel nut. Men kan of de lijder in een warm bad zetten, of in warm water nat gemaakte en uitgewron- gen doeken op de aangetaste deelen leggen. Dog men moet vooral zorg draagen , dat hij nagebaad te hebben , geen koude vatte. De,fleependè Zinkingen zijn zelden van zwaare koorts
verzeld, en bepaalen zich gemeenlijk, tot eenigbijzon- der deel des lighaams, als de fchouders, den rug, of de lendenen. Zeldzaam heeft er in dit geval eenige ont« deeking of zwelling plaats. Lieden in den afgaanden ouderdom , zijn het meest aan deeze kwaal onderworpen, en ze is bij de zodaanigen, dikwijls zeer hardnekkig en langduurig, zomtijds ongeneeslijk. In die zoort van Zinkingen, moet de leefregel bijna
dezelve zijn als in de fcherpe Zinkingen. De beste fpij- zen zijn, de verkoelende en bevochtigende, inzonderheid uit het groeijend rijk, geüjk gedoofde pruimen, gekook- te appelen, aalbefiën, of kruisbefiën in melk gekookt enz. Doctr. Arbuthnoth zegt; zo er eenige fpijze ,, is, die ïot een algemeen middel voor Zinkingen ver- ,, drekt, is het zekerlijk de wei"; en hij voegderbij: een ,, lijder gekend te hebben, die veeltijds aan deeze kwaal ,, onderworpen was, en nimmer door eenig ander mid- ,, deldan door het gebruiken van we» en brood, geneezeu ,, konde worden". Insgelijks zegt hij, ,, dat cremor tartari ,, in broodwater eenige dagen langgebruikt wordende, de ,, zinkings-pijnen zeer veel verligt." Dit laatdehebbe ik zelve meermaalen beproefd, dog hetzelve altoos van veel beter uitwerking bevonden, wanneer er, (zo als reeds hier booven gemeld is,) gom-guajacumbijgevoegd wierd. De ji jder mag in dit geval, de hier voor opgegevene gifte, tweei maal 's daags gebruiken, en insgelijks eer hij te beddegaat, een thee-lepeltje vol van de v\uggetinctnurvangom'guaja~ ciim, ineen kop vol wijn*w ei gebiuiken. Met
|
||||||
|
4338 ZIN.
Met het voorfchreevene, kan men geduürende, een e
Week, of langer, zo de kwaal hardnekkig is, endekrag- ten des lijders het toelaaten,, aanhouden. Vervolgens kan men ereenige dagen mede ophouden, en dan weder van vooren aan beginnen. Ter zelver tijd, kan men bloedzuigers of blaartrekkende pleisters op het aangetas- te deel leggen. Het geen ik gemeenlijk bevonden heb, bet nuttigde in langduurige en plaatzelijke zinkings-pij- ?zê»tezijn, is een verwarmende pleister, welke op vol- gende wijze toebereid word ; men neeme een oncegom- zalve en twee dragmen Maartrekkende zalve ; fraelt de- zelve te zaain over een zagt vuur, hier van fineert men eene gcnoegzaame hoeveelheid op zagt léeder, en legge hetzelve op het aangetaste deel. Deeze pleister veege men pm de drie of, vier daagen. af, dezelve alle daagen vernieuwende. Ik hebbe ook meermaalen in langduuri- ge Zinkingen, zeer goede uitwerking gezien, 'van een pikpleister die men een tijd lang op de de pijnlijke plaats droeg. Een mijner:vrienden, een zeer kundig en er- vaaren Geneesheer, heeft mij gezegd , dat-hij veelmaa- kn hardnekkige Zinkingspijnen geneezen had, door het, aangetaste deel met tin&uur van fpaanfche vliegen te wrijven; wanneer de gemeine tin&uur niet holp, nam hij dezelve-twee of driemaal zo fterk. Hetzytten van koppen op het aangetaste deel, is meede veeltijds zeer goed, en verre boven het zetten.van bloedzuigers te verkiezen, r. >■ Schoon deeze kwaal een geruimen tijd lang, in het
minde naar geene geneesmiddelen fcbijnt-te luisteren, moet men echter niet derzeiver gebruik blijven aanhou- den. Lieden die aan herhaalde aanvallen van Zinkin* gen onderworpen zijn, zullen zich altoos zeer wel be. vinden bij het gebruik van middelen,'zo wel, dan wan- Heer ze door die kwaal aangetast zijn, ais in derzeiver tusfchenpoozingen. De lleepende en opgezette tijden wederkomende Zinkingen, zijn ten deezen opzigtegelijk aan de jicht , om welke te verdrijven er geen gefchikter tijds is tot bet gebruik van middelen, dan wanneer de lijder van dezelve vrij is. . Die geene welke het bekostigen kunnen, raaden wij
he.t,gebruik ,aan der warme, brpnnen. Deeze hebben yeelmaalen zeer hartnekklge en langduurige Zinkings- kwaaien geneezen , en kunnen zo wel in de aanvallen als in de tusfchenpoozingen deezer kwaal, veih'ggebruikt worden. Men moet deeze wateren, zo wel 'mals uit- wendig gebruiken. I Veeleriei kruiden en planten zijn er, die men met
veel, voordeel teegen de Zinkingen gebruiken kan. Eene. der beste is het witte-mostaardzaad, waar van men twee of driemaal des daags.een lepel, vol in een glas water of ligte wijn in neemt. De-waterklaver is hier mede van veel nut, men trekt dezelve op wijn of bier, of drinkt 7,e op dë manier als thee.. Het hondsdraf, de kamille en jverfcheide andere bittere.kruiden, zijn mede zeer goed, en.kimnen op dezelve, wijze gebruikt worden. 'Men kan echte.r van geene deezer eenige goede uitwerking ver-_ wagten,, ten zij men een geruimen tijd met derzeiver gebruik aanhoud«. De tiitfteekendfte geneesmiddelen'., worden-in deze kwaal veeltijds veracht-, wijl. zegeene oogenbljkkelijke hulp toebrengen, daar nogthans niets zekerer dan de gerïeezing zijn zoude, indien .met der- zeiver gebruik geduürende een genpegzamen tijd, vport- gevaaren wierd. Het is bijna-alleen bij gebrek van ' een aanhoudend gebruik der middelen , dat men zo zelden' dit" zóort van Zinkingen, in den grond ziet genee- zen worden. |
||||||
|
ZIN. ZiV. ZIZ. ZOD.
Het koude'bad, voornaamlijk van zout water, is mede
een zeer goed middel tegen de Zinkingen. Zo ook het paard rijden, het draagen van flanelle: onder-hembden; Fontanellen zijn med^s tegen dit zoort van Zinkingen zeer nuttig; men zet dezelve in den arm, zo de pijn zich in de fchouders plaatst;, en in de.dijeofin het been, wanneer de Zinking zich in de lendenen vestigt. Lie- den die veel aan Zinkingen onderw orpen zijn, moeten zich zo veel mogelijk in een droogeen warme lucht onthouden, zich voor nat, natte klederen en vogtige voeten wachten , en zich dikwijls metdevieescbborftel wriiven laaten; . Z1NKINGS-JIGT ..zieJIGT. ■ >'
ZINKINGS-KOORTS, zie FEBRIS GATHAR-RA;-
LIS. ZINNELOOSHEID, zie KRANKZINNIGHEID,
MANIA en RAZERNIJ. L : ,-■ > . ZIVET, zie CIVET. : :,-. :
ZlVETtKAT, zie CIVET-KAT. -; t: ; . -t
ZIZIPHÄ, zie JUJ.UBEN.
ZODE of Zoode; in het iatijn,Sodd feu Ardor ventri-
culi. ^ De ziekte welke wij Zode noemen , beftaat in een lastig gevoel van hitte,en fcherpheid omtrent de kolk der maag, hetgeen zomtijds van benauwdheid, walging en braaken verzeid is. Het zejve ontftaat uit verzwakking der mnag; bedor.
ven fpijsverteering; uit gal, uit overtollig zuur in de maag, enz.; lieden aan dit ongemak onderhevig, behooren zich van;oude ftraffe .wijnen, 'bieren enz. te onthouden , zo wel als van winderige en vette fpijzen, en nimmer moeten zij kort na het doen eener goede maaltijd, fter- ke beweeging neemen. Ik kenne verfcheidene lieden , welke nooit misfen de Zode te krijgen, wanneer zij bier, wijn of andere gegiste dranken over tafel gebruikt heb- ' bende, kort, op den eeten rijden; daar die zelve lieden er nimmer mede gekweld zijn, als zij rum of brandewijn met water zonder fuiker of eenig zuur in de zelve te mengen, gedronken, hebben, 'i Wanneer de Zotó'.uitverzwakkingdermaagofuitkwaa'i
de fpijsverteering ontftaat , moet de lijder eerst een paar giften rhubarber neemen ; vervolgens gebruike hij aftrekzeis van kina of van eenige andere maagbitters, op wijn of brandewijn getrokken. ; Beweeging in de open lucht, is mede zeer, goed, zo wel als alles het geen de fpijsverteering bevordert.- | , .-,,' , Wanneer dit ongemak uit galagtige doffen voortkomt,
zal het gebruik van een lepeltje vol van.de zoete geest van f alpeter in een glaswater of'in een kop thee gemengd, gemeenlijk verb'gting; toebrengen. Zo, de Zode het ge- volg is van het gebruik van vette fpij.zen, neeme men een.flok brandewijn of rum, | - - , .-■ - Zijn het fcherpe en zuure doffen in de maag, die de Zode veroprzaaken, -als dan zijn opflurpende middelen (abforbentia) de beste. Men neeme in dit geval een on- ce krijt tot poeder gemaakt , een half once brood-fuiker en het vierde deel van eènonce at abifche gom, vermen- ge dit alles in een mengelen water, en gebruike er zo dikwils men het noodig oordeelt, een theekop vol van. De geenen die niet verkiezen krijt: te gebruiken, kunnen een theelepeltje .vol van bereide oesteifchulpen ■> of van dat van kreefts.oogen, in een glas kaneel of pepermunt- water gebruiken. Edog bet veiligst en best opflurpend middel is de witte magnifia.' Deeze flurpt niet alleen op, jnaar is teffens buikzuiverende, daar krijt enaodere diergelijke' middelen, zomtijds in de.darmen blijven zit- ten,-en-verfioppingen veröarzaaken. Dit poeder is ge- |
||||||
|
ZOD. ZOE. ZOM. ZON. ZOO.
heel niet onaangenaam van fmaak, en men kan het zel-
ve in een kop thee of aftrekzel van menthe gebruiken. Gemeenlijk neemt men een g'oed theelepeltje vol van de. aelve, voor eene gifte ; echter mag men ze, wanneer het de omftandigheden vereifchen , in grooter hoeveelheid gebruiken. Zo het winden zijn die deZo^veroorzaaken, als dan
gijn dat zoort van middelen, welke men windbreekende (carminutiva') noemt, de beste; als naamlijk anijszaad, genever-befiSn, gengber, kaneel, cardemom-zaad en dier- gelijken. Deeze kan men of kauwen, of op wijn en geest- rijke vogten trekken. Eene der beste en veiligfte midde- len van dit zoort, is het volgende; men laate een once rhabarber, eneen vierde deel once van het kleine carda- mom-zaad, twee of drie dagen lang op een pint brandewijn trekken, men zijge het vervolgens door, en voege er vier oneen witte kandij-Juiker bij, en laate het vervolgens zo lange ftaan^tot de fuiker geheel gefmolten'is. Hier van neenïe men zo dikwijls zulks noodig is, een le- pel vol. Dikwijls hebbe ik, inzonderheid bij zwangere vrou-
wen , de Zode zien geneezen, alleen door het kaau- wen van groene thee. ZODIAK, zie DIEREN-RIEM.
ZOETE ELIXIR, zie ELIXIR.
ZOETE KOEK, zie KOEK.
ZOETE-KWIK, zie KWIKZILVER.
: ZOETEMELKS-KAAS, zie KAAS. ZOET-HOUT, zie SOET-HOUT.
ZOETIGHEID, in het latijn Dulcedo ; dusdaanig noemt
men niet aileen al dat geene, 'c welk aan de tong eenen lieflijken fmaak bijzet; maar daar te boven ook nog, die dingen welke geen fmaak hebben; ingevolge hier van, geeft men de naam van aqu dulces, aan zodaanige wa- teren, die genoegzaam fmaakeloos zijn. ZOMER, zieSOMER.
ZOMER-ENDIVIE.zieLATUVYE.N.ss.pag. 1771.
ZOMER-LEUCOJE, zieLEUCOJE».3.pa^. 1815.
ZOMER-MAAND, zie SOMER.MAAND.
ZOMER-ROGGE, zie ROGGE.
ZOMER-SALA AD, zie LATU WE, n. 44. pae- 177 r.
ZOMER-SPRUITEN, zie SOMER.SPRUITEN.
ZOMER-TAALING , zie EENDEN, n, XXIII.
fàg. SS8. ZOMER-VLEKKEN', zie SOMERSPRUITEN.
ZOMER-WORTEL, zie OROBANCHE.
ZON, zie SON.
ZONDAG, zie SONDAG.
ZONDAGS-LETTER, zie SONDAGS-LETTER.
ZONNE-BLOEM, zie SONNE-BLOÈM.
ZONNE-DAAUW, zie ROSSOLIS.
ZONNE.MICROSCOOP, zie MICROSCOOP.
ZONNE-OOG, zie KATTEN-OOG.
ZONS-WEG, zie ECLIPTICA.
ZOODE, zie ZODE.
ZOOGONIA, dusdaanig is rnen gewoon de voortee-
ling van zodaanige Dieren te noemen, welke leevende jongen ter weereld brengen. ZOOLITES, is de geflagtnaam welke de Natuurkun-
digen aan de zelfftandigheden van het Dierenrijk gee- ven, welke .verfteend zijnde, in de boefem der aarde worden gevonden, of wel'derzelver afdrukzeJs in zoda. riige Steenen hebben agter gelaaten, welke eerst week zijnde, na verloop van tijd zijn hard geworden. ZOOLOGIA, beteekend die wetenfehap. welke van
- VU Duel. |
|||||||||||||||||
|
ZOO. ZOR. ZOU.
|
|||||||||||||||||
|
4339
|
|||||||||||||||||
|
alle de Dieren, geene uitgezonden, van den Mensch af
tot het geringfte Infekt toe, handelt. fchrijftdie, toont derzelver verfcheidenheden en over- eenkomften aan , derzelver uit- en inwendige ftruftuur; bunnezeden, hoedaanigheeden, de wijze hoedaanig zij gevoed worden en zich vermenigvuldigen, waar van zom- migen voor de opvoeding hunner Jongen zorgen en an« deren die als verwaarloozen; derzelver verfchillende be- gaaftheid van vernuft, om zich voedzel te verfchaffen; het vooruitzicht vaneenige anderen voor hettoekoomen- de, de verhuizingen en reizen van verfcheidene Vogelen en zommige zoorten van Visfchen; deoorloogendiezom- mige Dieren zomtijds zelfs van eene zoort, zich onder- ling aandoen, de listen en behendigheden diezijtewerk Hellen om zich regens hunne vijanden tebefchermen , of wel om die te vermeesteren. Eindelijk bevat de Zoologie de'natnurlijke beredeneerende gefchiedenis der Dieren, benevens al hetgeen den Mensch als het volmaakfte der- zelve, daarover heeft waargenomen en ontdekt, en dat die er van kan weeten, ook wat gebruik die er van kan hebben, ook alle derzelver verrichtingen zoekt te leeren kennen, om zijnen God te looven die niet alleen den oorfprong en Schepper van hem, maar ook van al dat geene is, 't welk hij befpiegelten met verwondering be. fchouwt. ZOOMORPHI, dus noemt men zodaanige Steenen,
waar in het een of ander Dier in is afgebeeld. ZOOPHIJTEN of ZoopAi)'«;;, ismen gewoon zodaa-
nige zee-ligbaamen te noemen, wiens aart dierlijk en de gedaante van een Plant heeft; 't welk hun ook Dieren- Planten doet noemen. ZORG-ZAAD, Indiaanfche Geers ; Milicum. Tour-
nef.; (Holcus. Li NN. Spec. Plant.) Het Zorgzaad be- hoort onderde Graangewasfen , en gelijkt niet kwalijk na Geers; het zelve word veel in Italien, Frankrijk, Span. jen,' enz. gebouwt; dog heeft zijn oorfprong uit de Indien. Het word op dezelfde wijze als de Geers toebereid ;
ook bakt men er tot meel gemaalen zijnde , brood en koeken van, dan het verftrekt -alleen gemeeneMenfchea tot fpijze. ZORL, zie HOPPEN, n. IV. pag. 1144.
ZOUT, Zouten, in het latijnSal. --------- De naam
van Zout in deszelfs alleruifgeftrekfte algemeenheid ge-
noomen, betekend hetzelfde als zoutagtige zelfftandig. luid offtoffe, en is onder de algemeene chijrnifebe be. noemingen, die geene welke men op 't grootfle aantal van zaakèn kan toepasfen. Want onbetwiste!ijk is het aan- tal der verfcheidene jjghaamen, welke de hoedaanigheid bezitten, die de Chijmisten het zoutagtig kenteken'moe- men, ofwel de voornaamfte zoutige eigenfehappen heb- ben , zo groot en uitgefirekt, dat zij op verre na nog niet alle bekend zijn. De wezentlijke hoedanigheeden van alle zodaanige
ftoffen, welke men als zoutagtig of zütig moet aanmer- ken, beftaan, van het finrtiig der fmaak aan te doen, dat is geur te hebben, fmeltbaar in water te zijn, en al. Ie de andere voornaamfte hoedaanigheeden te bezitten, zo als bij voorbeeld zwaaite, vastheid, enz. Indien men maar een weinig aandagt vestigt, op de
voornaamfte eigenfehappen van de verfchiUende lighaa. men, die men' als Zouten o? zoutagtig e zelfftandigheden |
|||||||||||||||||
|
aanmerkt, zo zal men met
|
|||||||||||||||||
|
temak
|
|||||||||||||||||
|
ontwaar worden, dat'
|
|||||||||||||||||
|
er vrij veel aan hapert, dat zij alle in dezelfde trap de
weaemhjk zoute eigenfehappen zouden bezitten, vvaar D d d d van |
|||||||||||||||||
|
434» ■ZQi;. . _
v-an wijgefprooken hebben; men zal ontwaar worden,
dat er zodanige van die lighaamen zijn.welke die hoeda- nigheden in. de fterkfte trap bezitten, terwijl in tegen, deel dié zelfde hoedaanigheden zo flauwelijk in een groot, aantal anderen vermerkt worden, dat er veelen zijn waar in men moeite heeft om ze te herkennen en die ver- îîrwakking der zoutagtige eigenfchappen,is zo aanmerkelijk in een groot aantal zamengeftelde lighaamen; dat men onbefchröomt durftbeweeren.dat de limieten welke de zoutagtige zelf handigheden, van de zodaanigen affchei-, d'en, die het njet zijn, onbekend, onbepaald en naar alle waarfchijnlijkheid, onbepaalt zullen blijven. Dewijl de door zich zelven zoutagtige zelfftandighe-
den, en wel inzonderheid de zamengeftelde die de naam van Zouten draagen , in een zeer groot aantal zijn , zul» len wij ons vergenoegen met er enkeleene optelling van te doen, om die onder een en 't zelfde oogpunt te vér- zamelen, en, wat de befchrijving van iederderzelven be-> treft, wijzen wij onze Leezers naar de bijzondere, Arti- kels,* uitgezondert evenwel dat van het keuken-,gegraa- ven, en Steen-Zout waar van wij eenige bijzonderheden- zullen laatenvolgen. Doordat zoon van fchildenj zal men ontwaar worden, dat fchoon er al een goed aantal zoutagtige zamenvoegingen bekend zijn, er nogthans een groot aantal overblijven die onbekend blijven, om ieden, dat zij nog niet zijn vervaardigt, enten aanzien van veelen, is zulks bij gebrek van nodig onderzoek, zeer onvolkoomen gefchied. De zelfftandigheden door haar eigen aart zoutagtig,
zijn het zuur-, (acidum) loog. (alkali) en midden-zout, (Jal neutrumy De minst zamengeftelde en fterkfte zuuf-zouten, die men
ook mineraals zuuren noemt, zijn i. Het vitriolisch zuur, ook algemeen zuur of zoutag-
tig beginzel,.»genoemt. 2. Het f alpeter ig zuur, doorgaans geest van falpeter
en flerk water genoemt. - ,3. Het zee-zuur i dat men ook geeit van zout noemt,
4. Het zuur van gemeen zoiii.
De minder fterke en meer zamengeftelde zuur-zouten,
zijn die, welke in de zamenvoegingen der dier- en plant- deelen worden gevonden , en die met een zekere hoeveel- heid olie zijn verbonden; die zuuren zijn de wezenlij- ke gecrijstaliifeerde zuunzouten; hieronder behoort bet wijnßeen, 't welk men /krijstallen van wijnßeen en ere- mor lartari noemt, wanneer het zelve gezuivert is. Het zuur van azijn, het welk van dezuure fermenta-
tie voortkomt, en zelven niet alleen olieagtigmaar ook geestig is , neemt de naamen aan .van ge distille tr de en van radie aal e azijn, ingevolge de bereidingen die dezel- ve ondergaat. . Beongegestezuur-.zouten der vrugten en wrangekrui-
den ,■ zodanig zijn de fappen zijn van fuurling,, citroenen , salbefiën,, berberisfen, en meer anderen van dien aart; deeze zuuren zijn tot nog toe niet onderzogt geworden. De zmre-zouten of zuure geesten\ve\ke men uit de dis-
tillatie der vegetabiliabekoomt, uitderzelverextracten, wezentlijke zouten, en van hunne oliën, balfems en harsfen; dewijl alle deeze zuuren met empijreumatij'che oliën zijn verecigd, zoude men ze empijreumaiifche zuuren kunnen noemen : deezen zijn ook geheel niet onderzogt geworden. De^zuure-zouten welke van het Dierenrijk voortkoo-
men, zijn. Hetz uur-zout 't welk men door 't distilleeren der mie-
ren , muggen en andere infekten bekoomt, als mede die, |
,óöx . zov> o
welke uit de later en het vet insgelijks door destillatie wor«.
denverkretgen ; deeze zuur-zouten zijn empijreùmatisch of brandende, daar te boven zeer vlug, prikkelende en. doordringende;, deezeo zijn insgelijks nog niet onderzogc geworden. ■ Het photphorifche zuur-zout, waar van den oorfprong
en aart echter tot nog toe niet genoeg bekend zijn , ooi te kunnen tepaalen tot wat rijk 't zelve behoort. De loog-zouten (alkalia) of alkalifchezoutige zelfftan-
digheden ,- zijn, - Het vaste alkali Mm het gemeewzout, dat men ook mingi,
raale alkali, zee alkali, krijstallen en zout van Soudanohmt, en zulks om dat het doorwasfehingen krijstallifatie uit de asch Souda genoemd, word verkregen. Het gemeene vaste alkali of loog-zout, vind men in
de werken der Çhijmisten dikwils loogzout of alkali vaÏL wijnßeen genoemd, om dat het de asch derwijnfteenis, die er 't meeste van verfchaft ; de een en d'andere van deeze vaste loog-zouten worden alcaüa caufiicagenoemd, wanneer zij met aardagtïge of metalifche kalken ver- mengt Zijl!----- ;;,,,[;-'-',-: Flug loog-zout. Men noemt alkali-volatile-fluor, zulk,
loog-zout, dat door fteenagtige of metalifche kalken zodaa- nige veranderingen heeft ondergaan , dat men niet in -ftaat is om het weder tot krijstallen ofvastezelfftandigheidte brengen. ', ..' ;,: Middel-zouten.. Eertijds betekende men onder de naam
van middel-zouten, genoegzaam geen anderen, als die welke uit aclda's en alkali's tot verzaadiging toe vereenigt, waaren zamengefteld, zodat zij geen de minite zuure nog loogagtige eigenfehap moesten bezitten, en vanhier is het, dat zij de naam van middel-zouten hebben bekoo- men; maar he_den ten dage, geeft men taamelijk alge« meen , die naam aan de vermenginge der acida's met alle de zelfftandigheden daar zij zich mede kunnen vereeni- gen, zodanig dat zij door vereeniging ten eenemaalen, of ten minften voor een groot gedeelte, de hoedaanigheden verliezen welke de zuurheid te kennen geeven ; zo als het gebeurt, wanneer zij met aardagtige en metalifche zelf- ftandigheden verbonden worden. ,1 Alle de zuurt, loog» en verfcheidene middel-zouten, kun- nen door vereeniging metolieagtigezelfftandigheden, za. menftellingen voortbrengen, die. men als waare Zouten moet aanmerken, indien men die naam zo als 't behoort, geeft aan 't geen finaak heeft, en in het water word ont» bonden ; maar die zamenftellingen eeniger maate een bijzondere klasfe uitmaakende , ismen overeengekoo- men, om die alle onder de naam van zeep te betekenen. Van het Tafel of Keuken-zout.
Het Zout waar mede men gewoon is de fpijzen te be- eiden, is een Zout, 't welk in krijstallifeering altoos en teerlingfche gedaante», (figura-cubica) aanneemt, elke het zelfs in zijn allerkleiufte deeltjes behoud. Men heeft er tweederleij zoorten van; het eene haalt men uit e mijnen, en noemt men gegraaven zout ; het andere ord gemaakt en is datgeene.'t welk men door uitdamping an 't zee water of van 't zoute fontein- en put-vvater aakt, en men zee- of gemeen-zout noemt. , Vanhet gegraaven en van het Steen-Zout.
Men heeft verfcheidene zoorten van gegraaven Zout faffocfile) , die nergens dan in koleur verfcbülen. Het tieti'ZQUt (fa-l gemma;) isdoorfchijnend, gelijk het krijs- al, wit, grijs, rood of geel van koleur. |
||||||
|
zou.
|
|||||||||||
|
zou.
|
|||||||||||
|
4341
|
|||||||||||
|
'.In het gebruik der geneesmiddelen, geeft men de voor-
keuze aan hetfaigemmte, als het zu iverfte van allen. Het is eene achthoekige cubkque zelfdandighcid, van eenen fcherpèn en zouten fin aak, doorfchijnend gelijk een edel- gefteente, en weikedikwijis krijstàl verbeeld, door zij- ne koleur en glans. Het laat zich gemakkelijk in de ge- daantevan dobbelfteenen klooven; en wanneer het in wa- ter gefmolten en uitgedampt is, zijn zijne krijstallen vol- maakte taerlingen. Men hakt riet het ftaal groote (lukken van dit «/«-
file, even als of het fteenen uit eene rots waren, in het gebergte van Catalogne digte bij de dad Cardone, en in de allerdiepfte mijnen van Polen bij het dorp Vilizca, jzes.duizend pasfen van Cracovie. Het fal gemmce heeft dezelfde eigenfchappen als het
iee-Zout. Men gebruikt bet in dé lavementen of fuppo' ftima, om de ontlasting van verharde Hoffen te ver- wekken. ' ,"' Wij, denken onze Leezers geen; bndienst te doen, hier
nog een berigt bij te voegen, aangaande de mijnen van Steeri'Zoiit, die er bij Krakow in Poolen worden gevon- den. Dit bericht is uit twee vertoogen getrokken, over die ftoffe in 't licht gegeeven, door den Heer Schober in de Journal de Mediane, Chirurgie &c. Aoust 1762 % irjó &c. Aan den voet der Krapach-gebergten, ongevaar twee
mijlen van Krakauw, vind men een klein fteedje Wielick- za genaamd. Dit fteedje is in een vlakte gebouwd, die ten noorden en zuiden bepaald word, door bergen van mid- «lelmaatige hoogte. Omtrent honderdvijftig of tweehon- derd voeten, is de grond deezer vlakte verheven boven 't waterpas van de rivier Weisfel ', die in de nabuurfchap daar voorhij loopt. Op weinig afftands van Wieliczka legt een ander fteedje, genaamd Bochnia, zijnde met heuvelen omringd, en op een nog hooger grond gedicht dan 'het andere. De grond is, in de omtrek van deeze tweededen, zeer kleijig, en men ontmoeter zeer wei- nig fteenen; nogthans worden, bij Bochnia, eenige laa- gen gevonden van een zoort van albast, en deeze fteen word gemeener, naar maate men verder afgaat van dee- ze deden. Bezuiden Wieliczka vind men denzelven zeer overvloedig, maar hij maakt geen onafgebroken bank, en fchijnt eene verplaatzing te hebben ondergaan. Naar het noorden, ontmoet men een groote veelheid van glad- de keifteentjes, die er niet dan van zeer verre gebragt kunnen zijn. Men vind er, bovendien, bikfteen, en dit is de gemeende fteen daaromftreeks, welke vrij dik- wils groote klompen van fteenkolen bevat. Naar het westen, beftaat de grond uit verfcheide laagen. De eerde, die men ontmoet, is fand, van verfchillende diepte; daaronder legt een fteen, zamérigefteld uit oneindig veel kleine keitjes en fchulpen, die met kwarts zijn te zamen- gevoegd, 't welk veel vastheid geeft aan deeze fteenbed- den, die van één tot drie voeten dikte hebben. Zij gorden gevolgd van een nieuwe laag fand, met zee-fchul- pen gemengd, waar van veelen geen de minde verande- ring hebben ondergaan. Verder vind men een laag van blaauwachtigen bergfteen, die ongemeen hard is, bij» Kans een half voet dik; waar op een nieuwe laag fand Volgt, daar men de diepte nog niet van gepeild heeft. Een uur gaans van Wieliczka, word een groote hoeveel-
heid maagde-zwavel gevonden , als ook een bron van heet mineraal water, dat zeer onaangenaam is van reuk. Be'zwavel is bij kleine klompjes, ter grootte van een erwt, verfpreid in eene grâauwe, voozeaarde, gelij- |
|||||||||||
|
kende naar puimfteen. Uit deeze gefteldheid van den
grond, fchijnt te blijken, datdezelvegrooteomwentelin- gen onderg aan moet hebben, 't zij door het zeewater of door onderaardsch vuur. Het eene fchijnt de fchuipen te hebben aangebragt, die hedendaagsch vervat zijn in de agtereenvolgende laagen van fand endecn ; en aan ont- fteeking van brand in het aardrijk, moet men de vorming toefchrijven van de zwavel, die men op dit terrein vind. Onder deeze verfcheiderleij laagen is hec, dat de be-
rugte mijnen van poolsch Zout gevonden worden. Die Van Wieliczka zijn van eene verbaazende uitgeftrektheid. De geheele grond vlakte, daar dit fteedje op ftaat, is ondermijnd dooronderaardiche gaanderijen, die men er van tijd tot tijd gemaakt heeft, zedett verfcheide eeu» wen, om er het Zout uit te haaien. Dagelijks zijn vier- of vijfhonderd arbeiders aan 't bewerken van deeze mij« nen bezig. Derzelver uitgeftrektheid, van het oosten naar het westen, is van omtrent zeshonderd luchters of roeden, 't geen zesduizend voeten langte maakt. Vati 'tnoorden naar't zuiden (trekken zij zich tweehonderd roe- den of tweeduizend voeten uit, en hebben op haare grootde diepte, tachtig roeden, dat is agtbonderd voe- ten perpendiculaire hoogte. Zelfs, wanneer men tot deeze diepte gekomen is, ontmoet men bijster groote beddingen van Zout, welker uitgeftrektheid onbekend is. De verfcheiderleij laagen, die deeze mijnen verge- zellen, zijn: r. de vrugtbaate aarde : 2. een laag kleij: 3. een laag zeer fijn fand, met water beladen, dat men zijc noemt : 4. een zwarte zeer dicht in een gepakte kleij: 5. en eindelijk de laag, die het Zout bevat. Tien putten of openingen ge'even toegang naar den bo.
dem deezer mijnen, waar van zonimigen dienen, omze van water te entledigen, de anderen tot uithaaling van de klompen zouts, die onderin de grond zijn los gemaakt. Deeze putten zijn met hout bekleed, om deafmorteling der aarde te beletten; men gaat in eenen neder meteen ladder van vierhonderd-zeventig trappen, en, als men om laag gekomen is, ontmoet men oneindig veel pa- den, die een doolhof maaken, waar in men gemakkelijk kan verd waaien. Deeze paden zijn door balken gefchoord, en voorts laat men , van afftand tot afftand, (lukken rots blijven, om het aardrijk, daarboven, te onderfchraagen. In eenigen van deeze onderaardfche gangen zijn nisfen , als ook kapellen en beelden uitgehouwen in het Zout zelf. Op deeze plaats gekomen zijnde, is men nog maar op de eerde verdieping van de mijn; men kan laager ko. men door middel van nieuwe putten, een van welken Jaiiina genoemd word, daar men een trap in gemaakt heeft van tien voeten breed; en zo weinig fteil, dat de Paar- den zonder moeite er bij op en af kunnen gaan. In de gaanderijen, die de eerde verdieping der mij-
nen van Wieliczka maaken, Vind men het Stcenzout bij blokken van verbaazende grootte; maar in de tweede verdieping, vind men hetlaagswijzeenineene onuitput- baare veelheid/ Het Zout word afgehakt met fchoppen, beitels en beukhamers; men krijgt er dikwils klompen af van zeven of agt voeten lang en van derdhalf voet dik, welke balkswijze klompen Batwant gebeten worden ; zomwijlen heeft men er los gemaakt van agt^en-veertig voeten. De Werklieden weeten , aan den klank dien deeze ZoutkUmpén geeven, het oogenblik, wanneer de- zelven zullen los gaan , en dan begeeven zij zich in veiligheid. Men brengt ze door middel van houten rol- len tot op de plaats, van waar zij, door werktuigen, die D d d d 2 van. |
|||||||||||
|
431,2 ZOU.
van twaalf paarden worden omgedraaid, naar boven g»-
heesfen wórden. De kleine brokken Zout, doet men ten dien einde, in tonnen. ' Dewijl er, zedert verfcheideeeuwen, onophoudelijk
gewerkt is aan het haaien van Zout uit deeze mijnen, zo word in die onderaardfche plaatzen ruimte genoeg gevonden, daar men kerken zou kunnen bouwen, en verfcheide duizenden Menfchen op rijen ftellen. Dee- ze uithollingen dienen thans tot fcbuüren enftallenvoor de Paarden, waar van men altoos ongevaar tachtig of honderd in deeze mijnen houd. Somwijlen worden, onder 't afhakken van. het Zout, holligheden gevonden, die met een zodaanig zout water gevuld zijn, dat, wanneer hetzelve is uitgeloqpen , de wanden der omringende rotfen als bepleisterd zijn met zeer groote zouUkrijs' tallen ; 't weïk voor 't oog eene zonderling fraaije ver- tooning maakt. De klompen Zouts, die uit deeze mijnen gehakt wor-
den, bevatten zeer dikwils gladde ronde keifteentjes, gelijk aan die, welken er aan 't flrand en de oevers der rivieren voortkoorhen. Men vind er ook fchulpen en ■ andere zeefchepzelen. Dikwils ontmoet men , in 't midden der laagen van Steen-Zout, bijster groote klom- pen van (leenen, die uit verfcheide beddingen of laagen van verfchillende zoort zijn zamengefteld. Dit Zout, gelijk ook de zelfftandigheden , welken het omringen, bevatten zomwijlen takken van boomen en brokken houts, 't welk even zwart is als fteenkool; waarom het Landvolk, dezelven noemen, Wagti-Sblni, dat is te zeggen, ZouuKolen. Zij hebben een onaangenaamen reuk , die voor de werklieden zeer ongemakkelijk i's, vooral wanneer de ververfching van de-lucht niet op een behoorlijke wijze in deeze onderaardfche plaatzen gefchied. Deeze Zoutmijnen zijn zeer gevaarlijke mou/«»« of mi-
»eraale dampen onderhevig, welkera , met geraas en ge- piep, als blaazende voortkoomen door de fpleeten der rotfen, vliegende door de lampen der werklieden in brand, en maakende dan een 'geluid als een donderdag, waar van de uitwerkingen niet minder doodelijk zijn. Deeze dampen worden inzonderheid vergaderd, wanneer men, wegens eenige feestdagen, niet in de mijnen gewerkt heeft; alsdan is het ten uiterften gevaarlijk, met licht in dezelven neer te daalen. Het Steenzout, dat deeze onderaardfche groeven uit-
leveren, is van verfchillende hoedanigheden, en word met bijzondere benaamingen onderfcheiden. 'c Gene men Ziclona, dat is te zeggen groen-Zout, noemt, is niet trieer dan een hoop teerlingfe krijstallen, welker zijden zomtijds van twee of drie duimen zijn, gemengd met aarde of kleij. Het kwintaal van dit Zout verkoopt men tegen drie- en» twee derde poolfcheguldens, die on- vaar 45 fols, fransch geld, maaken. Szijbikowa word zodaanig Zout geheten.dat zuiverer dan
het eerstgemelde is, maar niet in krijstallen. Dit ver- koopt men tegen 4. florijnen het kwintaal. Dat men. Makowka noemt, is ook niet gekrijstallifeerd; het ge. lijkt nàar een klomp bikfteen, zijnde een verzameling van Zoutkorreltje!, welker figuuren men niet kan onder- fcheiden. Dat gene, daar menden naam van Jarka aan geeft, i/5 met de voorgaande zoorten gemengd, en loopt er, aderswijze, doorheen. Het is een verzameling van kleine greintjes wit Zout, die weinig gebonden zijn ;"'t welk Tnaakt.dat de klompen Steen-Zout ligt afbreeken, op de plaatfen', daar zulk zoort van aderen, er door heen loopen. |
||||||
|
ZOU»
De Polakken geeven ook verfcheiderleij naamen aan
de zelfftandigheden, daar het Steenzoutin vervat is. Hal» da is een zwartagtige kluij, met water beladen en door- mengdmet Zoutkorreltjes. Mijdiarka is eenzwarte zeep- agtige kleij', waarin men dikwils onveranderde zee-fchui- pen vind , welker'holte gevuld is met Zout. Zubert noemt men een verwarde mengklomp van fand , aarde en een fteen gelijk albast. Deeze zelfftandigheid bevat hec volmaakfte Zoal; \ welk de Polakken Oczkowata noemen, zijnde in groote witte krijstallen, doorfchij- hende als glas,, en zich altoos verdeelendë in teerlin- gen, Welker zijden met regte hoeken zijn. In dit Zout ontmoet men die gladde ronde keijfteentjes, klompen rots, zamengefteld uit verfcheide beddingen of brokken marmerfteen, en ftukken houts. De Steenzout-Mijnen van Bochnia, zijn op ver naa zo
aanmerkelijk niet, als die van Wieliczka, zo even be- fchreeven. Mep vind'er, doorgaans, niet meer dan tweehonderdvijftig arbeidslieden aan 't werk ; de laa- gen, daar de grond uit beftaat, zijn nagenoeg de zelf- den als die van Wieliczka. Onmiddelijk onder de vrugt- baare aarde ontmoet men kleij ; vervolgens vind men een bed van zeer fijn fand, met water beladen, dat gevolgd word van eene laag zwartagtige vaste kleij, die tot be- dekking van het Stèen-Zout (trekt. Dit Zout word niet bij klompen ge vonden,, maar in laagen van verfcheider- leij dikte. Zodanig zijn de twee beruchte mijnen, van Steenzoutin.
Poolen. Men haalt er, 't eene jaar door 't andere, om- treint zeshonderdduizend kwintaalen zouts uit, en zij bevatten er zulk eén overvloed van, dat geheel Europa er gemakkelijk uit voorzien zou.kunnen worden, zonder gevaar te loopen van uitputting , verfcheide eeuwen lang. Van het gemeen door konstgemaakt Zout, en voor»
. namentlijk van het Zee-Zout. Het gemeen door konst gemaakt Zout word gemaakt van
zee-water, fontein-water en water uit zoute putten, het welk men laat uitdampen door de hecte van de fon of de warmte van 't vuur. In Guijenne graaft men op de kusten van de zee kui-
len, welke men met kleij beftrijkt, de vloed vult dezelve met zee-water, en het water door de hette van de fon uitgedampt zijnde, vind men het Zout in groote menigte op den bodem van diekuilen. In Normandien, maakt men hoopen van ffjn fand op
het zee-ftrand; men befproeit ze dikwijls metzee-waterj de vogtigheid door de ftraalen der-fonne opgedroogd zijn- de , blijft het Zout met het fand vermengd. Als het met, zeer veel Zout belaaden is, laat men het in zoet water kooken; men giet dit water, met Zout belaaden, af, men doet het op een matig vuur kooken, in groote looi de ketels tot eenen zekeren graad van dikte; eindelijk neemt men het vuur weg en laat dit Zout krijstallizee« ren , het welk dan witagtige krijstallen maakt. Het Zout.dat men uit zout fontein- water krijgt, word ook
door uitdamping der vogtigheid gemaakt. Maar als men dit zoute water doet kooken, mengt mener een weinig, osfen- gal of bloed bij , op dat het 'Zout des te gemakkelijker veele grootere greinen zoude maaken. Want de bitu» mineuze en aardagtigedêélen, met het Zout vermengd zijn- de1, waarvan zij de famengroeijing.beletten, zich komende te hechten in degetaktedeeltjesvandegalenhet bloed , veranderen in fchiiim of blijven inhet doorzijg-vat leggen. |
||||||
|
zou.
Het Zout, dat den meesten fmaak heeft is dat geene,
't welk van zee-water gemaakt word door de fonneftraa- Jen in zoute poelen ; dandat, het welk door de hette van 't vuur gemaakt word, is veel bitterder. Maardatmen uit fontein-water ofzoute putten maakt, prikkelt veel fcher. per op de tong, om dat het met een veel grooter menigte Jal alkali minerale vermengd is; dit is ook dereden, dat het veel fchielijker frneit. Men geeft niet alleen in het gebruik van de keuken,
maar zelfs in de geneeskunde, aan dat Zee-Zout de voor- keuze, 't welk door de draaien der fonne gemaakt is. Het is van eenen zouten fmaak, die genoeg bekend is, vaneene grijze koleur, van wegens de aarde, die er mede vermengd is. Zo men het laat fmelten en op een ligt vuur krijstallifeeren, vormt het kleine, witte.cü- iicque greinen. Het Zout, dat men door middel van zee- of zout fon-
tein-water maakt, is wit; maar deszelfskorls hebbengee. ne volmaakte cubicque gedaante, om de verfcheide zouten, die er mede vermengd zijn. Het Zee-Zout, eer't het vuur ondergaan heeft, veran-
dert de koleur niet van deßjrupusviolarum, nog van de tinltura heliotropii ; het verwekt geen effervescence met de oleim tartari, en trouUeert hec kalk-water niet. On- dertusichen geeft het flaauwe tekens vanfcherpheid, zo men het ftrooit op de Jpiritus urinofus falis ammoniaci, want hettro«W«rtzijnedoorfcbijnendbeid. Hetverdon. kert een weinig de infufie van galnooten. Het fchijnt ook van eene alkalifche natuur te zijn, vermits het de folutie van de mercurius beroert, die wit was; en wan« neer het met oleum vitrioli gemengd is, verwekt het eene effervsscentie met warmte. Het grootde gedeelte van het Zee-Zout, in water ont-
bonden, na dat men het tot het vliesje toe heeft doen uitdampen, op eene hisfe koele plaatsgezetzünde, ver- andert in cubicque krijs, tallen ; dog het ander'gedeelte, het welk alkalisch is, kan niet als door een groote hette gedroogd worden; het neemt geen één regelmatige-ge- ■ daante aan, en fmelt ligt in de vogtigheid van de lucht; waaruit^duidelijk op te maaken is, dat het Zee-Zout een 2out Zout is, zamengedeld uit een zonderling zuur en een alkali minerale , waarvan hetzuure gedeelte zodanig omwonden is met het alkali, dat het ter naauwernood zijne uitwerking kan voortbrengen. Wanneer men het Zee-Zout distilleert ineen kromhals
door midde! van vuur, krijgt men er een fpiritus acidus uit, welke een roode koleur geeft aan de tinüura helio- tropii , en eene geweldige opbruisfching maakt met de oleum tartari per deliquium , dog zonder hette , en 't welk ook niet met kalk-water gebeurt. Niets dan de geest van Zout, kan het goud en tin doen
fmelten j het kan geen zilver nog loot ontbinden; het geeft dezelve kragt aan den fpiritus nitri & vitrioli, welke totkonings-vater worden, door er fil commune bij te men- gen. Zo men/ai alkali tartari tot Jaturatit toe, mengt met fpiritus Jalis marini, welke zo fterk de tong fteekt, zal het in een zout Zout veranderen, volmaaktgelijkaan' het Zee-Zout dqor zijnen fmaak en cubicque gedaante. Waar door men klaar ziet, dat het Zee-Zout een zuur Zo« is, zwaar met een f al alkali beiaaden, het welk reeds onbetwistelijk is bewezen, door deawlijfis, die men er van heeft gemaakt. De taarlings krijstallen van het Zee-Zout, knappen
op het vuur, en fpnngen aan alle kanten met geweld op.
Het Zee-Zout belet de al te groote fermentatie en be-
|
||||||
|
derving," om die reden gebruikende Scheikundigen het
in de 'weeking der planten , uit vreeze, dat zij anders zouden bederven. Het brengt dezelve uitwerkzelen in . de maag voort ten opzichtederfpijzen, en belet de Mer- ke kookingder andere vogten. Daarenboven zich gemak- kelijk met defalia volatilia urinoja vcreenigende , en daar door ammotiiakwZout maakende , temperrbet de fcherpbeid der vogten, en drijft ze door de piswegen uit. Voeg hier bij, dat door de vaste deelen met zijn kleine puntjes even te deeken, en hen tot prikkel te dienen, het de flingeringen (oscilhtiones) der vezelen veel levendiger maakt; hier door worden de werkingen van het ligbaam beter verricht. Hier van daan komen ai die goede hoedanigheden , die men aan het gemeene Zout toefchrijft, gelijk als de kragt om te verhitten, op te droogen, te zuiveren, te kooken, te openen, de eet- lust en liefde te verwekken, en het bederf en vergift te weerdaan. Men gebruikt het als een innerlijk geneesmiddel, wan»
neer de kooking der fpijzen moeilijk voortgaat, in de walging, in de verftoppingen van de maag en nieren.' Maar om dat men het meest bij 't voedzel gebruikt, fchrijft men het zelden als een geneesmiddel voor, ja dikwijls verbied men het zelfs aan de lijders. Ondemis» fchen beveelt van Helmokt het gebruik menigvuldig aan, om den (leen in de nieren voonekomen , waar ovec een zeer groote twist is; dewijl de meeste geneeskundi- gen in twijffel daan, of het de groeijing der fteen belet of te wege brengt. Het grootde getal komt overeen, dat het gezoute vleesch van aard- en waterdieren eene dof tot groeijing van de deen verfchaft, en dat die aan dee- ze kwaal onderhevig zijn ,.- zich veel flegter door het gebruik van dit voedzel bevinden. Dog het fchijnt ons toe, dat er een grootonderfcheid is tuskhenhetgemeena Zout en de pekel der zoute toebereidingen bij de fpijzen» Want het gemeene Zout met de vogtigheid van 't vleesch gemengd zijnde , bederft eenigzins- door de langte van den tijd; het verdeelt zich, word verbrijzeld en neemt de natuur van een vlug Zout aan; om die reden brengt het geheele andere uitwerkzels voort, dan het te voren gedaan zou hebben. Vermits nu de fteen der nieren en blaas, zamengedeid fchijnt van een vlug alkalisch Zout, gemengd met zwavel- en aard-deeltjes , gelijk de analij- Jis genoeg doet zien; zo zal al het geen de ontwarring of de voortbrenging van dit vlugge Zout in het bloed kan beletten, ook de groeijing van de fteen verhinderen, en dit is juist dat geen, 't welk het Zee Zout,doen zat. De pekel in tegendeel, den aart van een v\ugalkali Zont nabijkomende, zal niet alleen deeze oorzaak van de deen niet te niet doen, maar haar zelfs langzaamerhand meet en meer vermeerderen. Dus, fchoon de pekel febaade- lijk is aan die met deen gekweld zijn, moet men echter daarom niet befluiten, dat het gemeen Zout hen nadeej lig is. Wat meer is, zomen er een matig gebruik van maakt,
gelooven wij, dat het in daat is de Zouten van het bloed te vereenigen, die al te zeer ontwonden zijn, en ze door de piswegen te doen loozen. Maar maakt men er een onmatig gebruik van, het zal
kwaade uitwerkzels te wege brengen; want, de vliezen van het lighaam prikkelende, zal het in de vezelen fterke trillingen veroorzaaken, hetwelk hitte in't lighaam voort- brengt; of zelfs crispatien, waaruitkwetfingderwerkin- gen volgt. Daarenboven maakt de al te groote menigte Zout, de vogten van het lighaamfcherp; de dof van de Dddd 3 door- |
||||||
|
ZUL -
Dieren, ja den wilden Beesten zo eigen, dat zé tot be-
fchaaming van zulke onbarmhartige Moeders, können ver- ftrekken, die, zog genoeg hebbende, 't zij om haare puntigheid of fchoonheid, zo 't hier, te bewaren, met verwaarloozing van haare gezondheid , haare Kinderen aan onbekende, arme, en zomwijlen zelfs nog ondeugen- de Voedfters toevertrouwen. Als erzulk een Zoogmin- ne, in tijd van nood, vereischt word, moet men naar een gezond, matig, en wel gefchikt vrouwsperfoon uit- zien , die geen onzuiver lighaam heeft en net op haar lijf en gewaad is. De borften zelve moeten niet te groot nog te klein, maar middelmatig zijn; want groots en groove borften, geeven luttel meiks. De melk moet zo dik en lijvig zijn, dat een droppel derzelver op den nagel (laan blijve en niet weg vloeije; en dat er, na wat ftilftaans vet op drijve, als ook, dat ze, met ei« troen fap gemengd zamenftremme, en niet al te waterig zij. Om te weeten of de Zoogftergenoegzaam melk heb. be, moet men letten of het Kind genoeg watere, en rust genoeg geniete. Als de tanden uitbreeken, können de Kinders gemeenlijk nevens de melk, ook andere fpijzea leeren eetenen verteeren. Tot het zuigen zelve, zijn alle gezondere Kinderen van natuure in ftaat. Als hua een haazen-lip of korte tong, of ander ongemak hier In verhindert, moet men hen door een kundige hand daar van laten geneezen, of de noodige voorbehoedzels doen geeven. Tot aanmoediging van hei Zoogen der Kinderea door de Moeders zelven, zeggen wij hier alleen, dat zij, die dit doen, zich in de eerfleplaatsbewaaren voor fterke kraam-zuiveringen, die't lighaam verzwakken, en welke in dd niet zoogende wel 40, maar inde andere pas agt dagen duurcn ; ten anderen , dat ze hunne longen in een gezonden (laat bewaren, en er zelfs door voor eene longezucht beveiligd können worden ; en eindelijk, dat ze daar door zo weinig hunne fchoonheid zullen verliezen, dat er veel meer voorbeelden van verlepte Vrouwen, die niet zoogen, dan van anderen zijn bij te brengen; ter« wijl deeze laatften, al misfen ze Jets. van de voor- gaande jeugdige geftalte des lighaams, daar door nog- thans in hunne gezondheid akijd voordeel doen. ZUIGER, zie MOLA. ZUIGER-VISSCHEN, is een Geflagt van zeedieren,
't welk de Autheuren met den tijtel van EchenéisbsHenX' pelen. Anderen noemen dezelven P.e;noraenNaucrates; welke laatfte naam, inzonderheid betrekking heeft tot de eigenfchap, daar aan toegefchreeven , om fchepen te- gen te houden in hunne vaart. Om die zelfde reden worden zij, van de Fianfchen arréte-Nef of Sucet, van de Engeifchen Sucking-Fisch, van dePortugeezen Piexe pogadtr en Piexo pioltho geheten. De Kenmerken beftaan, in de Kop te hebben vet,'
naakt, breeder dan hoog; van boven plat, gerand eii overdwars met groefjes zaagswijze getand; het Kieu- wen«vlies met tien ftraalen ; het Lijf naakt of onge- fchubd. Twee zoorten daar van worden door LtKNffius aange-
tekend; te weeten. . I. Kleine Zwger-Visch ; Rémora,, Catësb. Car. II.
Raj- p. 71.; Iperuquiba£f Piraquibabraßlienßbus.WiL- LUGHB. p. 119.; Echsnéis cauda hifurca, firiit capitis oBodecim. Linn. Sijft. Nat. ------ Dit is die Visch,
dien Valentjjn Koeto-Laoet of Z.ee-Luis, Schip-Klem-
mer of Klemvisch, en Dampieb Zuigvisch noemt. Di6 alles heeft betrekking tot de gedagte eigenfchap; welke van de Ouden in 't algemeen geloofd werd, dog door zora-
|
||||||
|
UU . ZOU. ZUL
doorwaasfeming al te dik en te fcberp zijnde, blijft op
de bo venhuid hangen en knaagtzeaf; waaruit voortkomt jeukte, fchurft en andere ziek tens van dehuid. Becher fchrijft aan het onmatig gebruik van gezouten vleeschde lazarus-ziekte toe, welke zo gemeen in het Hertogdom Bavière is. Defcorbut, waar mede die geen gekweld zijn, welke al te lang op zee blijven, komt van eenpe kelagtig Zout. Men legt Zout in de mond van Apople&ici, het zij
om de vliezen van de tong, het verhemelte en de keel te prikkelen, en om den lijder teontwaaken, als om te verdunnen en de lijmpha te verdrijven, die al te dik is en zich in de klieren van deeze deelen onthoudt. In de lamheid van de tong maakt men een flijmzuiverend mii- iel uit foliafahie & f al communis. ZOUTGEEST, zie GEESTEN, pag. Sio.
ZOUT-KRUID, zie KALI. ZOUTSCHUIM, zieADARCA. ZOUT van TIN, zie TIN, pag. 3655. ZUID, Zuide.lVind, zie WINDEN. ZUIDELIJKE BREMS, ziePAARDE-VLIEGEN, ». V. pag. 254.8. ' 7' ZUIDER-PENGUIJN, in het latijn Penguïn deiner-
fus ; Penguin. Edw. Av. 49. , ( Phaëthon alis impennibus, roftio mandibulis edentulis, digito pofiico dißin&o^ Lixisr. Sijfl.N/it.) . Deeze Vogel door de Heer LinnjEus onder het geflagt
der Keerkring-P'ogelen- geplaatst, word door Bbisson een bijzonder geflagt van gemankt, onder denwillekeu- rigen naam van Catara&es of Ger/oa."" Met reden kan men er zo als wij doen, den naam van ZuideuP engui]n aan geeven, of ook dat van duikende Keerkring-Vogel. De verblijfplaats is in de zuider-zee- en, omtrent den
keerkring van den Steenbok. Hij heeft, zo'tfchijnt, de eigenfchappen van de Penguijns, en de geflalte is nagenoeg dezelfde; maar hij verfchilt van den noordfchen daarin, dat deeze maar drie vingeren heeft; van den ma- gellanifchen voornaamelijk door den Bek, wiens onder. fte gedeelte niet als geknot of afgebroken maarrondagtig is, dog de Bovenkaak heefteen fcherpe haakswijzepunt. De grootte is als een Gans en derhalve overtreft hij den laatften. Zijn koleuris, vanboven, purperagtigbruin, van onderen wit ; de Kop van vooren en de Kee! bruin, de Staartpennen zwartr de Bek en Pooten rood. De Wieken zijn, in plaats van Vederen, als meteen zoort van Schubben gedekt, bruin van koleur, dog met witte randen. De Staart is ook zeer kort en ftijf. De afbeel- ding is bii Edwards te vinden. ZUIDPOOLSCHE-BREMS, zie PAARDE VLIE-
GEN, n. X.pag. 2548. ZUIGEN, in het latiin LaEtitio, verftaat men hoofd-
zaakelijk het suigen der Kinderen aan deborst door; zijnde zulks een plicht van alle welgeftelde en gezonde Moeders, indien ook haare borften en tepels wel ' gefteld zijn , en de noodige vloeiftoftot voeding der-Kinderen opleve- ren; naardien er tusfchen de Kinderen en de melk der Moeder eene natuurlijke overeehftemming plaats heeft ; zijnde de melk uit het zelfde bloed afkomftig, waar in het Kind voor zijne geboorte, in's Moeders lighaam, geleefd heeft. Als de Moeders doezen plicht wel waarnee- men, können zij veele ziekten voorkomen ; en't. Kind zal in de gelijkvormigheid van dat gewoon en eigen voedzel, meer overeenkomst met zijne werkingen vinden, dan in een nieuw en zeer verfchillend voedzel , welk het niet dan met moeite kan verteeren, ■ Di; is zelfs den |
||||||
|
Zül.
|
|||||||||||
|
ZUL
|
|||||||||||
|
4345
|
|||||||||||
|
Visfchen, even als in de viervoetige Dieren , de kop in
de jongheid grooter is, ten opzigt van het lijf. Ik heb er een van over de drie duimen, wiens plaat één duim lang is. Volgens deeze onevenredigheid, dan, zou de Visch, daar mijn p'aat van Is, vrij veel grooter dan een Schehisch geweest zijn. De Heer W. van der Meülen heeft er een, van twaalf duimen lang, met een plaat van vier duimen op den kop. Ik geef nu ieder een in bedenken , of zodanige Zui-
ger-Visfehen, indien zij zich hechten aan een vaartuig, deszelfs voortgang niet aanmerkelijk vertraagen kunnen; al ware het zelfs een taamelijk groot fchip. Voeg hier bij, dat de fchepen der ouden veel flegter getuigd en minder bezeild, dan de onze waren. Dateij er zich aan hechten , word niet ontkend ; men vindze zelfs zitten aan de lighaamen van groote leevende Haaijen of aan de klippen, en het fchijnt dat dit behulp diene tot hunne manier van aazen. Men fchrijfter aan toe, dat zij lief- hebbers zijn van de kuit en groeij van andere Visfchen te verflinden ; waar toe het leggen met den gaapen- de bek in ftrootnend water, hun goede gelegenheid verfchaft. Zie hier, hoe de Heer Gronovius zijn Zuiger-Visch-
je befchrijft. Het Lijf is bijna rond van omtrek, de Kop van boven plat, meteen Schild gedekt, 't welk over- dwars met zeventien ofachttien verheven ftreepen is voor- zien, die door een verheven linie, overiangs, in twee deelen zijn gefcheiden. In bet gedeelte naar de Staart toe, zijn de Itreepen voorzien met beweeglijke, aan e!» kander raakende, ordentlijk gefchikteftekels; door mid- del van welken zij aan de fchepen en Zee Monfters blij- ven hangen. De Ónderkaak fleekt voorbij de Bovenkaak uit. Veifcheide rijen Tanden zijn er op de Kaaken, Tong en aan 't Gehemelte. De Schubben zijn zo klein , dat men die naauwlijks kan zien. Zeven Vinnen heeft het Vischje aan zijn Lijf; waar van de Rugvin 22, de Borstvinnen ieder 25, de Buikvinnen 6, de Aarsvin 22 en de Staart 17 Beentjes of Straalen heeft. Bijna het zelfde getal vind men in die van 't Sweedfche Kabi- net te Upfal. II. Groote Zuiger-Visch; Echenéisnaucrates.HASSKi.ci.
hin, p 324. n. 68.; (Echenéis cauda intégra, fiiiis ca- pitis viginti quatuor. Link. Sijfl. Nat.) ------ Een bij- zondere zoort heeft men gemeend te moeten maaken van een Zuiger-Tisch, die, zo wel als de voorige, zich in de Indifche Oceaan onthoud, ende Iperuquiba of Pira- quiba zou zijn der Brafiliaanen. Aan deezen word , in 't bijzonder, de bijnaam toegepast van Naucrates ; want bet zou deezen moeten zijn, die inftaat ware tot het te- genhouden van groote fchepen. Immers hij verfchilt van den voorgaanden, door het Lijf grooter, de Staart lan- ger, en de Vinnen fcherper te hebben, zo Likk^eus aanmerkt. De Heer Has?f.i.quist vond te Alexandrie, inEgijp.
te, zulk een Zuiger-Visch, van de Arabieren Charnel of Ferrfiun genaamd, zeer zeldzaam in die wateren. De lang- te van deezen vhch was vier en een haif fpan, of tus- fchen de drie en vier voeten , Wanneer men een fpan re- kent op drievierden voets ; en hij had een febild op den Kop van zeven duimen lang. Zulks bevestigt nietalleen mijn voorig gefielde, maar het geeft ook zekerheid, dat er Zuiger-Visfchen z\]ti, tot welken een Haring minder evenredigheid heeft, dan een fchuit tot een fchip. 't Ge- tal der Beentjes in de rugvin was 30, in de aarsvin 36, in de borst vinnen 19, in de buikvinnen 6, en 16 in de ftaatf
|
|||||||||||
|
zommigen hedendaagsch voor fabefagtig word gehouden.
De waarneemingen van den Heer Chevalier, weleer Koningiijk Geneesheer op 't eiland St. Domingo ge- weest, naderhand ce Parijs Hoogleeraar geworden, zul- len ons een aanmerkelijk licht omtrent dit ftuk verschaf- fen. Veijez fes trois lettres , fur les maladies de St. Dû' minique, les Plantes de lamesme isle, le Rémora & les Al; tijons. a Paris chez Durand, Eerst brengt deeze heer de gevoelens der Ouden bij,
die. zelf meer de werking van deezen Visch, dandeszelfs g«fta!te, fchijnen gekend te hebben. Mutianus zag hem voor een Schulpvisch aan; Aristotei.es meende dat dezelve pooten had» ten minde vinnen, die voor pooten verftrekken konden; Plinius zegt zeer voorzig- tig ; de Rémora is een zeer klein Vischje, 't welk men aan de klippen vind. Wanneer hetzelve zich aan de kiel der vaartuigen hecht, gelooft men, dat zij er lang- , zamer door voortgaan, endaar van is de naam afkom- ' ftig". Naderhand fpreekt hij er echter geheel anders, op een ftellige en vergrootende, ja blijkbaar fabelagtige wijze van; verbaalende dat één zodanig Vischje, gelij- kende naar een grooten Slek, aan het roer zich vast ge- zoogen hebbende, de kragten te leur (lelde van vierhon- derd roeigasten. De Heer Chevalier (lelt met reden vast, dat het
onmooglijk zij, dat één zodanig Vischje de vaart van een fchip tegenboude. H ij gelooft dat er veelen toe ver- eischt worden en meent dat het veeleer Mosfelen of Schulpen, en in 't bijzonder de Ganzen Mosfelen zijn ; waar van, als de fchepen in Westindie eenigen tijd op de reede leggen , een menigte zich onder aan dezelven hecht, die inderdaad de zeilagie vertraagen. Nu komt het mij voor, dat indien de Scliulpvisfchen, die naauw. lijks eenige beweeging hebben, tot die'vertraaging in flaat zijn, gelijk men weet; onze Zuiger-Visfchm het nog veel meer kunnen doen; te meer, dewijl men er dikwils, in de Westindiën, een groote menigte aan de huid der fchepen vind zitten. Men fielt deezen Visch flegts van grootte als een Ha-
ring, en daarom geenzins tot de tegenhouding van een zeilend fchip bekwaam te zijn. Zie Watsons Dierlijke Wereld doorNosEMAN, Amfterd 1761. bladz. 184. 't Is waar; indien de zaak dus befchouwt word , zou hetgantsch onwaarfchijnlijk zijn; dog niet alleen kan de evenredig- heid van deezen Visch tot de grootte der fchepen onein- dig veranderen ; maar hunne menigte kan 'de kleinheid vergoeden. Ik heb er één van zes duimen lang, Gro- Kovitis befchrijft er één van zeven, en WiLLouoHarj fielt de langte op agttien duimen, 't Is als een groote Haring, die veel meer dan de helft van deeze langte heeft. Mooglijk worden er nog wel Auiger-Visfchen gevonden, die merkelijk grooter zijn. Ik heb zegt de IleerM. Houttuijn in zijn overheer-
lijke Natwirk. Hißorie , welke om deszelfs naauwkeu- rige uitvoerigheid;, van een ieder welke grondig de ge- febaapene wezens in derzelver aart en huishouding zoekt te leeren kennen , njoet geleezen worden , de plaat van zulk een Visch, welkeplaat lang is vijf rhijrilandfche duimen en bijna twee duimen breed. In mijn gemelde Vischje, van zes duimen langte met kop en iTaart, is de plaat, op den kop, nog geen twee duimen lang. In- dien nu de plaat of kop in evenredigheid toenam met ôm Visch, zoude langte van den geenen, daar die plaat van is, weliswaar, niet meer dan achttien duimen zijn geweest; dog ik meen ontdekt te hebben-, dat in deeze |
|||||||||||
|
434<s zur. _
Staaitvin; de koleur van de Vinnen en Rug zwart; van
den Buik zee-groen, met een glinfterende ftreep op de 2ijden. De Heer J. Deknatel, vermaard Apötheeker te Am-
fterdam, heeft mij uit zijne verzaameling tot het maaken van onze afbeelding (het is hier de Heer Houttuijn die fpreekt) een ZuigeuVisch medegedeeld, die wee- zentlijk de kenmerken heeft van deezezoort: te weeten, de Staart ongevorkt, en vierentwintig ftreepen in het kopfcbild. De langte van deszen Visch is zeventien dui- men , rbijnlandfche maat ; de breedte van den Kop, bij de Borstvinnen, gelijk ook de langte van het voorfte been. tje derzelven, twee duim. 't Schild heeft de langte van drie duim en negen lijnen; de breedte van één duim en drie lijnen. De Onderkaak fteekt meer dan een vierde duims voorbij de Bovenkaak uit, en is bezet met een me- nigte van zeer kleine tandjes, die dezelve ruuw als een rasp maaken. In de Bovenkaak zijn er ook, dog minder. De ,Tong is zeer zichtbaar en groot; de koleur van den Visch rosagtig, daar de gewoone Zuigervisfchen bruin zijn. Ik heb (vervolgt de Heer HouTTurjN) de Beentjes
van de Vinnen,ten naauwkeurigfte geteld, en in de Rug- vin gevonden 37, in de Borstvinnen 22, in de Aarsvin 38, in de Buik vinnen 5 die getakt zijn, gelijk ook de 16 van de Staartvin. Dit komt nog nader overeen met de telling van Linnäus, dan die van Hasselquist, als verfcbillende maar één Beentje in de Borscvinnenenéén in de Aarsviu; want onze Autbeur heeft 21 in deeerften en 37 in de Inatfte, Bijgevolg twijfel ik geens.zins, of deeze behoort tot den 'Echtheit Neucrates, en zijne groot- te toont aan, dat dergelijke Visfchen , indien zij zich in menigte aan een fchip hechten, deszelfs voortgang in« derdaad belemmeren kunnen; temeer, daar de enkele begroeijbg met vuil, mos , fchulpen of andere zee- fchepzelen , zulks doet. OpriANUs verhaalt, dat de 'Zuigervisch zich in ruime zee onthoud, en de langte heeft van een elle. , Waarfchijrilijk behoort de7.uiger-plaat, waar van ik
gefproken heb, die vijf duimen lang is, totzodanig ee- nen; hoewel ik in dezelve maar 22 plooijen tel; want Basselquist vond er 23 in zijn groote Zuigervisch. Ik noem de ftreepen dus, alzo uit die plaat zeer duidelijk blijkbaar is, dat het eigent lijk plooijen zijn en geen groep- jes, rïbbetjes, ftreepen of naaden. Zij.leggen fchubs- wijze over, dog niet op elkander, maakende zo veele gaapingen agterwaards; het zijn platte dunne bjaadjes, op den rand zeer zichtbaar met kleine Tandjes voorzien als een kam. D3ar is geen ftreep , die deeze blaadjes in tweeën verdeelt; zij zijn alsdoorzekere knobbeltjes, daar zij in t midden op. rusten, aan elkander gehecht, en deeze maaken die fchijnbaaremiddelftréep, ofverdee- line, in het fchild. Aanmerkelijk is het verfebil,. wanneer ik met mijn vin-
ger, over heizelve, van agteren voorwaardsof van voo- ren agterwaards ftrijk; wanfin 't eerfte geval is de plaat aeèr ruuw en houd den vinger veel tegen, in 't andere geval weinig of niet. Zo heeft de Schepper voor deezeo Visch gezorgd,.,dat .hij de fchuuring van 't water, die. onder aan een zeilend fchip, of in fterke ftroomen, zeer groot is, zou kunnen tegenftaan en önverhinderd voor. waards zich los kunnen maaken; terwijl dieruuwe Ste- keltjes of Tandjes dienen, om hem , naar believen, vast te houden. ..ZUIG.PLANTEN, ziePARASJTiCiE .PLANTJE.
|
|||||||
|
ZUI. ZUM. ZUS. ZUU.
ZUIKER, zie SUIKER. ,■ /
ZUIKERBAKKER, zie CONDITOR. ,,
ZUIKER-B1SCUJT, zie GEBAK, pag. 8<M,
. ZUIKER-BROOD, zie GEBAK pag. 802. ZUIKER CONSKRV, zie PANDALEON.
ZUIKER-GEBAK, zie GEBAK, pag.802.
ZUIKER-KEEKS, zie GEBAK, pag. 802.
' ZUIKER-KOEKJES, zie MORSELLEN. ZUIKER-KRAKELINGEN.zie GEBAK,pag. 802;
ZüIKER-RAFINERIJ, zie RAFINEEREN.
ZUIKER-VOGELTJE, zie BOOMKRÜ1PERTJE.
ZUIKERVREETER, zie MIEREN,n.lX.pag.211u
ZUIVERMAAKING, zie MUNDATIO."
ZUIVERING, zie CLARIFICEEREN en PURGAi
TI O. ZUIZELING, zie DUISELING.
ZUMBAGH ARABUM, zie JASMIJN (ARABÏ.
SCHE-) V . ZUSTER, zie GEBAK, pag. 8p2.
ZUSTERKOEK, zie GEBAK, pag. 803.
ZUUR, Zuuren, in het latijn Acida; zijn de minst zi«
mengeftelde onder de zoutige zeifftandigbeden ; en moe- ten dus onder het getal, der te hulpkoomende beginzels aangemerkt worden. Hunne naam is van de fmaak afkom- ftig , die wezentlijk zuur of fcherp is. Alle de mineraale zuuren, met geest van wijn vermengd.
Wordende, doen eene hevige opborreling en hitte ont- ftaan. Als het zuur zeer weinig is, vereenigt het zich zeer naauw, met den geest van wijn, zo dat het met denzelven in 't distilleeren oprijst. De fmaak en allede tekenen van zuurheid worden vernietigd, en het mengzel verkrijgt eenen aangenaamen geur, welken geen van bei» den de inmengzels te vooren bezat. K ZUURBREEKENDE, zie ABSORBENTIA. ZUURBRÛNNEN in het latijn Acidulm ; zijn Ie.
vende, of heldere, en klaare, uit den grond der aard© opwellende mineraale of bronwaters, die van een ver- fcheidenerhanden, doch gemeenlijk zuuren fmaak, en met een fcherp, onderaardsch en mineraal zout; welk zeer gezondheid bevorderende is, voorzien zijn. Dan dus- dïamgeZuurbfonnemijii, wegens de mineraalen, die ze bij zich hebben, zeer verfcheidei), voerende zommigen ijzer en vitriool, anderen falpeter, en weder anderen zwavel; waar van deeerften zeer dienftigzijn, inlangduu- rige ziekten, die openende middelen vereisfehen.; de ' tweeden in graveel, fteen, en nier-pijnen; ende Iaatfte, voor de Borstkwaaien. De beste tijdom deeze wateren te gebruiken, is in de zomermaanden, onder 't houden van een maatigen levensregel, dien men 't best door zijnren Geneesheer zich laat voorfebrijven; en na dat men al- voorens door eenige openende middelen, de ingewanden zo veel doenlijk, gezuiverd hebbe. Dewijl ze meest allen van een kouden aart zijn, ishetdienftigom na, enonder 't gebruik derzelve, de maag door eenigewindbreekende en~verwarmehdezaaden,bas,ten , óffpecerijen te verfter- ken. De gemeenfte, meest bekende, beroemde en gezon» de bronwaters, zijn de Pijrmontfche, Zeltzeren Spa-wa- ters, voor zo verre pnze Gewesten betieft. In Duitsch» land bedient men zich ook met vrugt van Egerfche, Wild- unger, Schwalbachfe en Dunnfteiner wateren; en Van die van Aken en Lauchftäd bij Merfeburg meest om te baden. --. In Frankrijk zijn de waters van Orleans, en Bourbon enz. ; en in Engeland die van Bath , Tunbridge enz vermaard. De Kleeffche Bronwaters beginnen ook eeiijgen naai» te maaken; dog de Bron bij Vianen, hier te
|
|||||||
|
f
|
|||||||
|
/
|
|||||||
|
4
■ ZUïJ. '4-347-
( ' i. Schoon veele, ja wel zeer vermaarde Reizigers en
,, Kruidkundigen* deezen Boom befchreeven, en ver- ,, fcheidene ook door afbeelding opgehelderd hebben, oordeelde ik het nogthans den liefhebberen niet on- ,, aangenaam te zullen zijn, indien ik, een ooggetuige geweest, met de figuur daar van ook een breeder be- fchrijving uitgave. De afbeelding van Merian, naa- ,, meiijk, wel beter dan de anderen, heeft de bloem ,, al te zeer gerimpeld. De tekening van Sloane is de ,, beste niet, om dat de bladen zelden zo klein zijn, en dat in de vrugt, die van dekleinllenis, de netswijze ftreepen ontbreeken. Door Plumier is ook de vrugt niet gelukkig getroffen. ,, Jk heb deeze Anona op de meeste KaribifcheEilan«
den, wel inderdaad wild bij de dorpen, dog nooit midden in de gebergten of woeste plaatzen, gevoi:-. den; weshalve ik vermoede, dat dezelve eertijds van elders in die landen overgebragt zij. De geheele Boom heefteen zwaaren walgelijken reuk, die de rij. pe vrugten alleen minder befmet. Het fchijnt min of meer eene geflagt-reuk te zijn, welke in deeze zoort boven anderen doordraait. Op velden of in luchtige bosfeben vrijgroeijende, krijgc hij ongevaar de groot- ,, te van een peereboom , maar , van de nabijftaande boomen geprangd, blijft.hij een Heester. Dus heb ik er ook heiningen van gemaakt gezien, diebeltand wa- ,, ren tegen 't geweld der .fterkite winden. Het hout is witagtig en niet zee* vast, met eene asebgraauw brui- ne fchors bekleed. De elswijze punten van de takjes of eerftebeginzels der BL-.den, zijn oranjekoleurig ;de ,, Bladen langwerpig ovaal, fpits, sffenrandig, glad en glanzig, plat, lederagtig, van boven donkergroen, van onderen bleeker, overhoeks, kort gefteeld, dris ,, of vier duimen lang. Enkelde Bloemfteeltjes , ieder met één Bloem, dik en eindelijk houtig, komen ver- fpreid, dikwils aan de oudfte takken, en zomtijds ,, ook uit den ftam zelf voort ; want de jonge takjes ,, zouden de vrugt niet drangen kunnen. De bloem , die groot en bieek zwavelkoleuiig is, heeft de volgen- de kenmerken"- Een zeer kleine blijvende kelk, verdeeld in drie hart-
vormige, holle, gefpitfte flippen. De Bloemblaadjes zes in getal, hartvormig, bolrond, lederagtig, zeer dik, zeer groot, wijd uitgeilrekt, ongedeeld; zijndededrie binnenften beurtlings kleiner en flotrp, de bukenften fpits getipt en wijder open. Meeldraadjes zijn er nauw- l.ijks, maar een groote menigte van overendftaande meel- knopjes, waar mede het vrugthuisje digt bezet is. Op hetzelve, dat eene rondagtige figuur heeft, zit een der- gelijk zaadbeginzel , zonder ßijl, geheel bedekt met (lompe fleinpels. Het zaadhuisje is eene eijronde, zeer groote bezie, dikwils krom, bekleed met eene gladde fchors, welke flaauw netswijze verdeeld is en gewapend met niet kwetzende, groeoagtige doorens; waarin vee- le langwerpige gladde zaaden, die in 't ronde geplaatst zijn, huisvesten. De Vrugt is altoos meer of min hartvormig, ver.
,, fchillende in grootte, als van vijf tot negen duimen ,, lang, en overdwars drie of zes duimen dik zijnde. De ,, fchors, van de rijpe vrugt, is uit dengeelen groen- agtig, dik, dogbrooscb, door ftreepen verdeeld in ,, ruiten, wier middelpunt zich tot een zagt doorntjc verheft. Het vleesch is wiwgtig, fappig, welrieken- de, boteragtig, eetbaar, van een bijzonderaangenar- ,, men fmaak, zoet meteen weinig rinsheid. Het fchijnt Eeee za« |
|||||||
|
zuu.
/
te lande, fchijnt niet'zeer te ztflJeh opneemen, Dawijl
?jk elk een niet gebeuren kan, de natuurlijke Zuurbron-
«en te bezoeken, zo heeft men, tot dateincieook, door kunst gemaakte Zuurbronnen, uitgevonden; van welken het ijzer altoos bethoofd-inmengzeiis. Sommigen blus- fchen gloeijcnd ijzer in rhijnfcben wijn' uit , anderen men- gen ftaalvijlze! met azijn, doen er wat köperrood bij, en mengen het dan onder een genoegzaame veelheid van water. Ettmuller houd het voor best, dat men de krijstallen van 't vitriohtm martis in 't eigen pklegma ontbinde, en met wijn verlenge. Allen zijn ze gosd in fleepende krankheden, miltzieken, bleekezucht, enz. ZÜUR-DOOP, zie SAUS, pag. 3222.
ZUURE-APPELEN, zie APPELEN. » ' ,<
ZUURE-MELK, zie OX1JGÄLA.
ZUÜR-KLAVER, zie KLAVER-ZUURING.
ZUUR-KNOOPBOOM; Averrhoa tamis nudisfru&i
fiçatitibus, pomisfubrotundis.BvRM.Flor.Zeijl. 179. Men noemt dit het Cheramela-Boompje, en zegt dat hetzelve een taamelijk dikken ftam had, dog laag bleef op Ambon, alwaar het van Java gebragt was. De Heer J. Busman- mus noemde het, indifcbe. Appelboom, meteenkleine, ronde, zuure, geftreepte vrugt, wordende Nelii of Nel- Uka geheten bij de Ceijloneezen. *Op Malabar noemt men het Neli-pouli, in 't nederduitsch Zuurknoopen, en onderfcheid het in twee zoorten, waar van de eene wei bloeit dog geene vrugten voortbrengt, wordende des- wegen het mannetje , de andere het ' wijfje geheten. Geen van beiden groeit, veel hooger .dan agt of tien voe- ten. ' De Stam is ongevaar een voet in de rondte, heb- bende een dikken bast; de Bladen zijn gevind, als in de andere zoorten; de Bloemen klein, zoet van reuk en zuur van fmaak. De Vrugten, die uit de bloote takken dog niet uit denftam voortkomen, zijn plat rondagtig, van groote.als de groote zwarte kersfen, hebbende zes of agt ribben , glanzig-groen en doorfchijnende, gevuld met een fappig vleesch, van eene aangenaame rinfe fmaak, een fteen bevattende met eene langwerpige pit, die uit zes of agt dunne zaaden , 'welke in eenhuidje. beflooten zijn , beftaat. Men eetze in Indietot verfna- pering, gelijk in Europa dekerfen, zo raauw als inge- Jegd, gekonfijt of gedroogd. ,ZUUR-KOOL, zie KOOL.
ZUURING. zieSUURING..
ZUUR-ZAKBOOM, is de naam van een Boom die
zo wel in de Oost- als Westindien natuurlijk groeiende word gevonden, en door de Heer LuvKasus en veele andere Autheuren onder het geflagt der Annona's is ge- plaatst; in het latijn noemt men hem Annona muricata j; Guanabanus frtiBu molliter aculeato. Plum. ; Annona in- dien laiifolia &c. Plukenet. Alm. 31.; Annona foliis oblongo-ovatis nitidis £fe. Brown. Jam. 254.; Annona maxima foliis. latis Jplendentibus &c. Sloan. f am. 203.; .(Annona foliis lanceolatis ghbris, nitidis, pl'anis, pomis muricatis. Limv. Sijß. Nat.) Volgens deHeerRuMPHius noemt men deezen Boom,
in Oostindie, dikwils Manoa of Menona, op Ambon No- nas, welke naamen veel overeenkomst met Anona heb- ben. Waarfehijnlijk zal die naam, door de Spanjaarden of Portugeezen, eerst in Westindie daar aan gtgeeven, en door dezelven, zo niet het gewasjïelf, in Oostindie' zijn overgebragt. Weleer fchijnt zij onder dtn naam van Guanabanus bekend geweest re zijn, welke er ook door Pater Plumi ër a*n gege-.ven h. Dus fpretlu er de Heer Jacquin van. VII Deel.
|
|||||||
|
434.8 ZUU; ZWA.
|
|||||||||
|
ZWA.
|
|||||||||
|
zamengefteld te zijn, uit een menigte Van pieramiëdjes,
wier toppen in het midden van de vrugt famenloopen, ieder één zaad bevattende. Men pfukt doorgaans de vrugten onnjp, op dat zij' niet van 't fteeltje op den grond zich te barften vallen zouden. Menzetze, na dat zij eenige dagen gelegen hebben en murw gewor- den zijn, op tafel en houdtze taamelijk in waarde. Al- zo zij te week zijn, om met een mésgefchjldtewor- den, breekt men ze met de hand, en fchept er met ,j een lepel de pap., of zuigt met den mond de (hikken ,, uit, werpende den bast weg, die iets onaangenaams en terpentijnagtigs heeft. Tot verfrisfchinge, inhee- te ziekten, prijzen de inlanders dezelven zeer aan; ,, maar een nieuwlings aangekomen Europeaan, vind er geen fmaak in. De rijpen kunnen niet lang bewaard worden. Van de oniijpen maaken zommigen wijn, die wit is, en tegen de kanker in de mond der kinderen, gepreezen word. Anderen kookenze, met water en fuiker, tot eene niet onfmaakelijke fpijze De drie- jaarigeBoom, uit zaad geteelt, geeft, zo men zegt, ,, reeds vrugten. Ik heb twaalf Boompjes daar van, reeds vrugtdraagende, een arm dik, tien voeten lang, met een klomp aarde uitgedolven,' in 't jaar 1756van Martinique naar Weenen overgezonden, die er allen levendig gekomen zijn; de meesten derzeJvengroeijen nog weelig in dé keizerlijke tuinen, maar zij gee ven ,, zelden Bloem en nooit Vrugten. De Engelfchen noe- men dit gewas Sour-Sop-Tree, dat is Zuurfopboom, de Franfchen Corosfolier, naar't eiland Kurasfau, bij hun Corosfol genaamd, van waar men denzel ven eerst o ver- , gebragt acht te zijn; de Hollanders Zuurzak-Room, als die zakken met zuur voortbrengt; maar de Span- ,, jaarden geeven erden indiäanfchen naam, Guanaban, aan. De Tsjaka-Maram van den Malabaarfen Kruid« ,i hof, III. deel pag. 17, T. 26", 27, 28, fchijnteen van deeze verfcbillende, en andere niet wel bekende zoort, ,, van Anona, te zijn." ■:: .; , Dus verre de Heer Jacqutn. 't Schijnt dat deeze Vrug-
ten de puntjes zomtijds ftijverendoornagtig hebben. Im- mers Sloane betrekt ook tot deeze zoort, dien Boom welken de Engelfchen pricklij'Apple, of fiekeligen lép* pel noemen, hebbende een groene, kegelvormige, ais met fchtibben gedoomde Vrugt, en deezen zou, vol- gens Plukenetius, niet alleen de Araticu-Ponhe van Brafil, maar ook de Atamaram van Malabar zijn, welke tot de volgende zoon is i'huisgebragt. Wat den gemelden Tijaka-Maram aangaat, deeze be-
hoort zekerlijk tot de Annona's, van welken in dat-werk gezegd worden wel dertig zoorten op Malabar tezijn, die ten opzigt van de Vrugten verfchillen, dog hoofdzaake- Jiik te betrekken ziin tot twee, naamelijk die het vleesch fmaakelijk en honingzoet, of laf hebben en onfmaakelijk. De Appel is wel een fpan breed en twee fpan lang, dus als de grootfte zoort van meloenen ofpompoenen, wee- gende niet zelden vijfentwintig pond. Dezelve heeft de bast groen, dik, en met dikke fchubben, die gedoomd zijn, als metdiamanten, bobbeligbezet; dezelfftandig- heid van binnen als room, met pitten als karff engen, die ook eetbaar zijn. De Vrugt word Jacqueira van de Por- tugeezen en Soorifaeken van de Holländers gebeten, r ZWAAN, is een Water-Vogel door verfcheideneNa- stuurbefchrijvers onder het Geflagt der Eenden geplaatst, ■éfijnde jn 't algemeen onder den latijnfchen naam Cijgnus bekend, welke van den griekfchen Kuknos afkomftig 'fchijne Ce zijn; dog de lacijnfche Pöecten,gebruiken on- |
|||||||||
|
verfchillig het woord Ohr. Of hij yan de Hebreen bel
doeld zij door het woord Tinfehemet is niet zeker, dog zommige Arabieren noemen hem Baskak en Cinnana of liever Cinnaria, volgens Aldrovandus. Denaamen, die hij in de meeste taaien van Europa heeft, zijn van den latijnfchen afkomftig; dus noemen hem deSpaanfchen Ciske, deltaliaanen Cino of Cigno, de Franfchen Cijg» ne; maar de Engelfchen volgen den hoogduitfchen naam Schwan, noemende, hem Swan, het jong Cijgnet, en den wilden Zwaan, Elk of'Hooper. InSwitferlandword dee- ze vogel Oelb , Qeibs, of Eibs geheten, en in Poolen Labec, in Sweeden Swanl . Deeze vogelen onthouden zich in verfcheide deelen
desaardbodems-,Ten zij. fchijnen Trekvogelen tezijn. Bij de ouden waren twee rivieren van A Cie, vermaard wegens de menigte van Zwaanen, die op dezel ven zwommen. Volgens- Plutaechus fchijnt, in zijn leeftijd, het vleesch derzelyengeeb ongewoone fpijze tezijn geweest. Wan- nöer, voor eenige jaaren , in Oostindie fchepen wer- den uitgezonden, öm hec Zuidland te ontdekken, zo vonden die; aldaar , op zekere rivier een menigte van Zwaanen, waar van zelfs eene levendig te Batavia gebragc -werd; pezelven verfchilden alleenlijk van de Europi- fcben, door hunne graauwe koleur. Op derivieren van Lapland zijn zij in de fomertijd overvloedig, zo Likn^us meld, en men vindze ook in Noord-Amerika. Het plakkaat va^n den Koning yan Spanje, van 't jaar
1559. verbied , uitaanmerking dat de Zwaanenen Duiven niemand fchadelijk'zijn, als ook , op dat de Zwanerijïn en Duivenvluchten zijner vafalien en onderdaanen nietmog- ten vernield of ver dempt worden ; het fchietèn van oude en jonge Zwaanen of Duiven met bosfen of met bogen, als ook dezelven met netten en andere inflrumenten of honden te jagen ofte bijten; en voorts dat men ook getnZwaanen eieren of jongen rooven mögt op de verbeurte, de eerfte reize van xxvcaroü guldens van 20 ft. 't ftuk, en van xxx dito guldens de tweede reize, benevens arbitraire ftraffe.zieGroot PlakkaatboekI.deel.bladz. 1300. Vervol- gens werden zij , in de plakkaaten van Prins Maurits gegeeven , in 't voorfte der zeventiende eeuw, gelijk gefield met de Ganzen, Eenden, Duiven en andere Vo- gelen, welker nesten men niet berooven nog de ouden of jongen vangen of dooden mögt, in de wateringen, vijvers, vogelarijën, driften of duifhuizén, der inge- zetenen van 't Graaffcbap van Holland. In het plakkaat op de houtvester ij en jagt, van 't jaar 1614, worden do wilde Zwaanen geteld onder het vliegend wild of edel gevogelte, dat meii niet-fchietèn , vangen of ftooren mögt, 't zij in de veenen of op andere plaatzen, waar zij zich gewoonlijk onthouden, op de boete van twintig pond, 't eiken reize, en die eenige gemerkte Zwaanen Ïchoot, zou dubbele boete verbeuren zie Gr. Plakkaatb. IV. deel. blad. 351. In 't hernieuwde plakkaat der Staaten deezer Provintie, vanden iaare 1700. word in't bijzonder agt genomen.op het dagelijks komen fchietèn met fchuitjes op de zanden enßijken in Zuidhölland, bij de vogelkooijen, naar de Zwaanen, die zij Deenen noemen; 't zelfde bladzi 541. In voorgaande plakkaaten, omtrent dit zelfde onderwerp, waren deeze Zwaanen, Deen,r ge- noemd geweest. - - In de'Nederlandsn bevind zich een ras van tamme Z,waa>
men, die als eigendommen van fteden en heerlijkheden, of van zodanigen, hét regt aan welken om zwaanedriften te houden behoort,- Worden aangemerkt. In Zeeland mag iedereen Zwaanen houden, die honderd gemeten, dat
|
|||||||||
|
ZWA.
|
|||||||||
|
ZWA. 4349
|
|||||||||
|
dat fs vijftig morgen lands heeft, ih ééne'parochie. In
Holland moet daar toe het verlof der Staaten verzogt wor den. Voorts ftaan er de Zwaanen onder het toezigt van eenen Pluimgraaf, die van het opneemen of opliaalen derzelven de boete trekt, volgens de regten der graafiijk- heid. Geen Zwaanen-eije'ren mogen worden opgenomen, eri-Wiens hond een Zwaan doot beet, die verbeurde tien pond, en moest den hondde voet afgeflaagen worden, op de boete van zes pond ; zie van Zurck , Codex Batavus. p. iioo. De Westfriezen fchijnen zich daar niet aan ge« houden teagten ; zie Bent. Verhand. van 't Jagt-Regt der Westfriezen. Hoorn. fj6i. bladz. 120. Echter mag , volgens de gemelde plakkaaten, niemand', indegeheele provintie, de Zwaanen , zo min als Ganzen, Eenden, Duiven en ander gevogelte, dat aan particulieren toe- behoort, fchieten, dooden of befcbadigen. InGooijland is zulks, zo ten opzigt van oude als jonge, -wilde en tamme Zwaanen, verbooden op de boete van 50 guldens, de verbeurte van het roer en arbitraire korrektie; Groot .Plakkaatb. IV. d. bladz. 540. m'l Stiebt van Utrecht mag niemand eenige Zwaàneri-nesten berooven, met pennen ftèeken, of anderszins,; de Zwaanen en derze'Iver pesten befchadigen, op eene dergelijke boeteen ftraffe, "Volgens de nieuwe ordonnantie zijner Hoogheid, van den jaare 1750.zie iV«/er/. Jaarb.van 1750. bladz. 1412: Tegen de verftooring van de Stads Zwaanedrift zijn bij- zondere plakkaaten. De Zwaanen mogen van niemand, oudof jong, met flaan ofte werpen, toehitfen van honden, of in eenigerleij andere wijze, verftpordi verjaagd of door het berooven der nesten en het brseken der eijeren benadeeld worden, op.IijfftrafFe of anders, naar goeddun- ken van denRegter; zie't Utrechts Plakkaatb. bladz. 1061. Daar.is een opzigter van de ftads Zwaanendrift, diede Zwaanen merkt met het ftads wapen om den hals, de- zei ven bij beflooteffwater ophaalt en verzorgt;. mietende jaarlijks, ter bek waamer. tijd', deZwaawe« plukken en de veeren getrouwelijk bewaaren, als ook van de zodanigen die fterven of verongelukken, brengende de veeren den Burgemeesteren't buis. *. In de Provintiën van Vriesland en Groningen, zijn
ampele reglementen op de Zwaanen-Jagt, welkein de laatstgemelde aan alle de genen, die het regt tot de jagt hebben, vrij (laat, mids zij dezelve op jonge Zwaanen niet oefenen voor den 15 feptember, en in Vriesland niet voor den 1 oktober. Die Zwaanen jaagt oni.de pennen te fchieten, vervalt in boete; zo ook die eens anders Zwaanen benadeelt, midsdezelven gemerkt zijn, of dieZwaanen, te broeden zittende, ftoort, al ware het op zijn eigen land; dog dan komt hem van elk paar Zwaanen een jong toe of een eij , anderszins moet de eigenaar der vogelen, hem daar voor een'gulden betaalen. Geen vogelaar mag oude of jonge Zwaanen dooden, fchieten of vangen, die bolflaart of aan de vleugels ge« merkt zijn, op een boete van drie goud-guldéns in Vriesland , ten profijte van den eigenaar; dog in de provintie Groningen is zulks verbooden <op een boete van vijfentwintig guldens, en zes guldens ten voordeele van den eigenaar , voor ieder Zwaan. Daarenboven mag niemand wilde of onbekende Zwaanen merken , zo hij tot de Zwaanen-Jagt niet i's'geregtigd. Zie deNederl. Jaar-b. van 't jaar 1750, bladz. 475.' en van 1752, blädz. 1347- ," ' ..' . *..", Ditalles wijst devoortreffelijkheid der 'ZM'kanen aan,
dïè 'inderdaad de grootften niet alleen , maar Ook de; föhooriften zijn van onze Zwemvogeleri, en zó fch'ôon ', dat' |
|||||||||
|
de oudheid hun het voorregt heeft vergund, om den wagen
te trekken van de Godin der liefde. Jupiter nam de geftalte van een Zwaan aan, wanneer hij Leda liefkoosde. De koleur van deezen vogel, word aangehaald als een voorbeeld van de volmaakfte blankheid. Ook is de Minnaarij der Zwaanen opmerkelijker wegens haaregroote en fchoonheid; alzo zij, na de paaring, zich dompelen en bij herhaalingen, al fpeelende, elkander vervolgen, gelijk de andere Watervogelen. Men wil, dat de Ouden het maakzei der vaartuigen van den Zwaan ontleend hebben. Wanneer zij in Switferland op eenig meir zich vertoonen, word ditgehouden als een voorteken van ftrenge vorst. In Vrankrijk plagten zij weleer zeer in de mode te zijn; men zag de Seine, zo boven als benederi Parijs, bedekt met Zwaan«», waar van tot onlangs zeker eilandje, daar men hun opvoedde, den naam gevoerd heeft. Tegenwoordig worden er nog veelen gehouden óp 't kanaal van Verfailles, te Riisfel, Amiens en in andere voorhaame lieden, tot pleifier der inwoonereii- De Zwaan is een voorbeeld van defcigheidin't zwem-
men , en van moedigheid in ziehte verdedigen, inzon- derheid als bet op de befcherming der Jongen aankomt, welken de Ouden in den hoogden trap beminnen. Anders zijn zij gemeenzaam, en komen wanneer zij geroepen worden; gelijk zij ook, des winters, uit de hand worden gefpijzigd met roggenbrood en haver,- bij zomerzoeken zij voor 'zich zelf de kost aan kroos en waterplanten of kleine vischjes en infekten, gelijk de Eenden. Zij broeden maar eenmaal 's jaars, in de voortijd, leggende vijf of zes eijeren, waar op zij omtrent twee maanden zitten, eer de Jongen uitkomen. Zij willen zindelijk gehouden, dog niet opgeflooten zijn. Men zegt dat zii, vliegende , 't welk zij altoos bij troepen doen, de koppen leggen op elkanders Staart. Onder de 'eigenfehappen der Zwaanen, is vanouds de
langleevendheid geteid geweest. Willoühbjj fpreekc van een Zwaan, die driehonderd jaren geleefd zou heb- ben; JEli anus mei j van tweehonderd jaaren. Hoewel, hu, het een en andere ongeloofbaar fchijnt, gelijk Al« drovandus zeer wel oordeelt; zo kan men echter niet twijfelen of zij, komen wel eens tot honderd jaaren ouder- dom. Immers, om de bewijzen niet ver te zoeken; ik vind aangetekend, dat er in den jaare 1672 te Alkmaar een Zwaan geftorven zij , van honderd-en«twee.jaaren oud, op zijn halsband ftond het jaargetal 1573. ; zie Kronijk van Mtdenblik, bladz. 88. Deeze Vogel was, wegens het zingen in zijn fteïfuur.'
bij de Ouden aan Apollo toegewijd. Zulks niettemin, hoe algemeen ook geloofd wordende en verbreid onder den naam van 't.Zwaanen-Gezang, word van Scaliger en anderen, als een fpoorloos en ongerijmd gevoelen aan» gemerkt. Sommigen in tegendeel, en wel onder de Schrij- vers van de voorgaande eeuw, gelijk Woemius enBAR- THOLiNus, bevestigen deeze eigenfehap. Zij brengen het wonderbaare geftel van de luchtpijp in deeze voge- len, Omtrent gelijk die der Kraanen of Ganzen, tot een; bewijs bij, en waarom zou een zoort van piependgeluid niet, bij het fterven plaats kunnen hebben in de Zwaanen, daar men de Eenden, zelfs na hunne dood, kan doett kwaakën. De grootte en geftalte van deeze vogelen is te bekend
om éenëbefchrijving te vereifchen. Linnäus fielt, zo 't fchijnt, dater geen weezentlijk verfchil tusfehen de wilde en tamme Zwßanen zij; echter zijn zij duidelijk genoeg van eüandertëonderfchèidon. ' ' Die fnëeuw-witte Eeee z ko« |
|||||||||
|
.4850 ZWA; .ZW A.'
|
|||||||
|
koleur, welke de tammen zo doet uitmunten, is in de
wilden graauwagtig op de rug en aan de vlerken ; ook zijn zij een .weinig kleiner dan de tamme; maar het voor- naame onderfcheid beffaat in deßek. De tamme Zwaa* wen hebben op het grondftuk van den Bek," die geheel rood is, een zwarte vleezige bult, voorwaards geboogen ; die bult ontbreekt in de wilden, welke den Bek aan 'c end zwart, voor 't overige geel hebben , en die geele koleur ftrekt zich uit tot aan de bogen, maakende we. der.zijds eene kaale geele plek. Voor't overigen is deör ze bult in 't wijfje der tammen, zelf kleiner dan in 't mannetje, "t welk pok een weinig grooter is van lijf. De jonge Zwaanen zijn , gelijk iedereen weet, graauw en hebben den bek loodkoleurig blaauw, met de tip zwart en een zwarte flreep aan beide zijden. Deeze laatften leveren een lekkere fpiize uit, dog die
komt zelden, dan op de tafels dergrooren. Hetvieesch der ouden is taai; en naauwlijks verteerbaar. Het Zwaanen* vet word gehouden voor een kragtig middel, inzonder- heid tot vermindering van de aambeijen en totverzagting van de huid; ook om de vlakken van 't aangezigt te ver- drijven. Van de vellen word tegen de kwaaien, die uit koude, zitplaats in't lighaam genomen hebben, met vrugt gebfuik gemaakt. Met de veeren worden er bra- feletten voor de Dames van veivaardigd, die. zeer zagt zijn. De flagpenntn leveren ons hetalgemeene fchrijftuig uit, en het dons dient tot eene zagte legerftee. .. . ZWAANE-JAGT, zie JAGT, pag. 1232.
; ZWAAN-GANS, in het latijn Anjercijgnoides\ An* fer moschoviticus. Alb. Av II. pag. 83. Anjer, rofiró jemicijiindrico atro, baßgi-.bo, minor. LlKN. It. IVgoth. 145 ; Anjer cij'gneusguinéetifis Raj. Av. 138..W1LLUGHB. Orhith. 275 ; (Anas roflro Jemicijiindrico bafi gibbo. LlNN. Faun. Snee.) Deeze Vogel, die wat grooter dan een Gans is, word
van de FJngelfcben Zwaangans geheten, enzomtijdsook Spaanjche of Chineejc\e G tins ; onder welken laatften, rjasm Fa isch er een naaum'keurige afbeelding van gegee- ven heeft. Hij gaat met den hals uitgerekt,op eend'ef» tige wijze, als de Zwaanen. De koleur is van.boven grijs«bruin van onderen wit ; aan den wortel van den Bek heeft bij een vleezige bult, die oranje-geel is, en een bangendekwab aan de keel. Van den kop haar de rug, loopt een bruine band; de keel en borst zijn vaal, (je ftaartptnnen .grijsbruin met wit gerand. T.usfchen de cogen heeft hij een witte ftrèëp. De pootenizijn ropd- agtig en Je bek in zommigen zwart , in andere oranje- koleur. Zulk een Zwaangans heeft de Heer Brisson levendig,
waargenomen in.de koninglijke Diergaarde "te Verfailles. Linn/EUS zegt, dat men hem in Sweeden, als een uit.' heemfchen vogel nahoud, en aldaar noemt Turkjcheribï. Siberifchen Gans. ,Hij merkt als.een verfcheidènheid aan, den Oosterjehen die de Moskqvtjche Gavs is van Albin,, çrj weinig verlcbilt van.den Gutneejchén , dan dat de-; ieive een wdnig grooter is. Men vind denzelven in Moskovie. . . . ' '' " ZWAANTJES-KREEFT, zie KREEFTEN,«, XV.;
p'g. 1633. . ZWAARDGEDAANTIG KRAAKBEEN, zie;
KRAAKBEEN. ; ZWÄARD-KRUID (SPAANSCH»;, zieSISJJRIN-
ÇHUM, ' , . '"v ■" '''ZWAARD-VISCH, zie ZAAG.VJSCH.
ZWAARDVORMIG, zie ENSAïÜS. ; |
|||||||
|
ZWAARLIJVIGHEID, zie CORPüLENTIAi -.
ZWAARMOEDIGHEID, zie HIJPOCHONDRIE enMELANCOUE. . . v, .
ZWAARTE in het. latijn Gravitas, Zwaarte
noemt, men die kragt, welke de Lighaamen, indien er niets is dat hen hunnen val belet, of, indien de belet-, zeis, die er.zijn, , niet fterk genoeg zijn om hen te fluiten,' van boven naar' beneden, uic da hoogte naar om laag doet vallen.,,N ■ :' v fi .;-.;...-.■ - ■ , ; De Pbilofopjien zijn 't over de oorzaak van die kragt,
met ïrialkander.en niet eens. De verfebéide gevoelens, welke dat geïchil heeft doen geboren worden, kan men gevoeglijk, tot tweezoprten brengen. Zommigen merken de Zwaarte aan, als-een algemeen grondbeginzel der Na- tuur, als een ingefchapen en oorfpronkelijke hoedanigheid der lighaamen, diegeen anderepprzaak van haar beftaan, denkt men, heeft, dan enkel de wil en 't vrije welbe- haagen des Scheppers.. Dat is den, knoop in (lukken fnijden, en alle zwaarigheden in eens wegneernen. An- deren beweeren, dat zij 't uitwerkzei is van de eene of d'andere onzigtbaare fijne ftof; maar de bewijzen, en proeven, daar men dezelve opgronden wil, moet men bekennen, dat verfcheiden en.gewigtigetegenwerpingen ontmoet hebben, welke men, febijntbet, nog niet ten vollen beantwoord heeft.- ■ ■ Met Aristoteles en deszeifs navolgers te zeggen,
dat de Lighaamen , zich 'uit- de, hoogt« naar! om laag begeevende,, een: zeker beginzel gehporzaamen L dat hen vallen doet, zegt niets-, daar het verfuiid, tot op. heldering van''t ftuk, eenig merkelijk licht uit zou mogen fcheppe'n. . ' ■ ■■ : - - .....
De Zwaarte der ondermaanfebe Lighaaamen , met
Newton, als.een natuurlijk gevolg aan te zien van een a'gemeene Weeging of Zwaartekragt, welke men.'in dé gantfebe natuur ontdekt, en wier wetten hij zo wel berekend hééft, is de ooriaak opgeeven en aan een zij zetten, omzich enkel aan'bet, uitwerkzei te houden. . ' Met de meestender hedendaagfche Newton1aanen te ■ beweeren, dat de Zwaarte der Lighaamen, die,ons om- ringen , ' flegts als een. bijzonder voorbeeld aangemerkt moet worden vaneen algemeene neiging, eene weder» zijdfche Aantrekkingskragt, waar door. alle ftpfFelijke wezens natuurlijkerwijze onderling wederzijds naar ei- kanderen neigen en getrokken worden,, alleen ..om dat de Schepper 't. zo. gewild heeft; .is een nieuwigheid'in de Natuurkunde invoeren,.welke Newt,on wel, gelijk' ver-fcheide; andere. W.ijsgeeren voer hem, is in de gedag- ten gevallen , ,dog die hij niet wilde,, gelijk, hij zelfs met uitgedrukte woorden betuigt, dat hem toegefebree- ven en geweeten zou worden. Maar ook, als Gassendi, den va] der lighaamen.toe
te fchrijven aan zekere uitvloeizels eerier ftof, die even» eens werken zou als die'van den zeilfteerj; wat is. dat anders, dan een' ó.orzaak aanwijzen,,die,,.vrij d,uister is, die niets bijzonders bepaalt, en wiè'r beftaan op geen. den minften gr^orid van zekerheid rust? De gedagten eindelijk van Descaetes over dit ge-
fçhilftuk, is eerder vernuftig, dan welgegrond. Want indien het waar was, dat de ljghaamen naar de aarde vielen en om iaaggeftooten ivierden.doordemiddelpunt- fchuwende kragt van een vloeibaaren draaikolk; zou der« zelver neiging en loopftreek zich niet altoos richten naar bet middelpunt van: den aardkloot,, gelijk wij, in dé. ge« ^eenfte en'bekeridftö verfchiinzels dex Zwaarte altijd zien, maar wel naar de verfclieide punten van deszeifs as. . |
|||||||
|
ZW A.
|
2 WA. 43 Si
|
||||||||
|
, Bit alles we!; ingezien, fchijnt men te moeten befluiten,
dat ieder, die geene oplosflngen en verklaaringen van de natuurkundige oorzaak der Zwaarte aanneemen en er- kennen wil, dan die tefFens voldoende zijn en verdaan« baar, dezeiven niet zoeken moet ineenig werk, dat tot deezen tijd toe bekend is geweest en in't licht gebragt. Laaten wij ons dan enkel aan de verfcbijnzels houden.
Ontfnapt de oorzaak der Zwaarte onze nieuwsgierigheid, derzelver uitwerkfels zullen ons zulks overvloedig weer vergoeden; zo onbekend en onzeker als de eerde is, zo blijkbaar en welgeftaafd zijn de andere, en 't geen wij uit dezelve leere kunnen, is niet minder nuttig teffens, dan opmerkenswaardig. Voor den tijd van Galilei, dat is voor omtrent een
eeuw, had men nog weinig kennis van de wetten der Zwaarte. Die Italiaanfche Wijsgeer is 't, aanwien wij de fraaifte en merkwaardigfte ontdekkingen, die men in dit ftuk gedaan heeft, verfchuldigdzijn. Zijne beze- gelingen en beginzels, zijn in 't algemeen van alle geleer. , den aangenoomen, en op de gronden, die hij gelegd hadde, hebben zedert de Heeren. Huijgens, Newton en Marotte , met zulk een goed gevolg en zo veel toe. juiching , gearbeid en. voortgewerkt. 'De uitdrukking Zwaarte van het lighaam, moet men
niet verwarren met de uitdrukkinggewjg-f van 't lighaam , wanneer men die woorden in "hun volitrekten en eigent- lijken zin gebVuikt, dat is, als men dat geen, 't welk er door betekend word, van een enkel lighaam alleen verftaat en zegt, zonder eenige vergelijking met andere lighaarnen. Zwaarte betekent eigentlijk die kragt, waar door de lighaarnen neigen om te daalen, en die hen een zekeren weg van boven naar om laag in eengegeeven tijd doet afloopen en vallen.' Door Gewigt verftaat men de fom, het getal, derzwaare deelen, die onder een zelf- den omtrek begreepen zijn. De Zwaaite is een eigenfehap, die aan al de deelen
van een zelfde lighaam, zonder onderfcheid, eenpaarig toekomt, en allen eveneens en op gelijken voet eigen is. 't Zij ze met elkandèren vereenigd of vaneen ge- fcheiden zi]n, die kragt blijft de zelfde, en word er niet grooter door nog minder; maar het gewigt van een lig haam verandert, naar maate van de ftofhoeveeiheid, het getal der deelen, daar het uit beftaat. Indien men op een «elfde oogenblik, twee oneen lood vallen laat, zullen zé met de zelfde fnelheid nederkomen , 't zij ze met elkander vereenigd en verbonden , 't zij ze van een, en in twee (tukken gefcheiden zijn; maar 't gewigt onder- ïùsfcben van eene van haar beiden, zal (legis dé helft haaien van 't geen ze'weegen zouden, indien ze met haar tweeën maar een lighaam uitmaakten. Men mag, derhalven, als men zich,naauwkeurig en
net wil uitdrukken, met regt zeggen, dat een klein lig- haam zo veel zwaarte heeft als een grooter lighaam , hoewel het minder gewigt heeft; om dat ze beiden, 't klein zo wel als 't groot, met de zelfde fnelheid vanbo- ven naar beneden vallen. «. . Maar wanneer men twee verfchillende zoorten van 'floiFen,tenopzigt van haar gewigt met malkanderen ver- gelijkt, en een bepaalden omtrek tot zijn maat of verge- lijkregel .neemt; bij vooibeeld, als men een taarlings -duim water, vergelijktmet een taarlings duim kwikzilver, dan geeft men aan dat vergeleeken gewigt den naam van ZoerteUjke Zwaarte, en bedoelt er de bijzondere hoeveel- heid, het eigen getalmede, der zwaare deeltjes, die aan zulk óf zulk eene ftof, onder een gegeven omtrek , |
bijzonderlijk, en min of meer in tegenfielling van andere,
eigen zijn. Dus zegt men, bijvoorbeeld, dat de Zwaar. te (en men verftaat er dan de zoorteliike Zwaarte door) van het water (laat tot die van het kwikzilver als i tot 14; waar door men eigentlijk niets anders wii te kennen geeven, dan dat het laatfte deezer twee vloeifioiFen, beider omtrek even groot of van beiden even veel geno« men, 14 maal meer gewigt heeft, 14 maal zwaarder weegt, dan het ander. Schoon men wel niet zou kunnen zeggen, dat de Zwaar-
te een onaffcheidelijke en noodzaakelijke eigenfehap is der ftoffe , dewijl men zich dezelve zeer wel verbeeldt n kan als ontbloot van a]\e Zwaarte, en zonder die neiging die ze heeft naar bet middelpunt der aarde; nogtans laat ons een langduurige en onafgebroken ondervinding niet toe, te gelooven, dat er van alle lighaarnen, diebinnen ons bereik zijn, een eenige zij, dat vrij is van deeze aandoening. Indien er wijsgeeren geweest zijn, die dagten, dat er lighaarnen waren, natuurlijkerwijze ligt en zonder eenige Zwaarte ; hun dwaaüng fproot daar uit voort, dat ze zich door den uiterlijken fchijn bedriegen lieten, en onkundig waren van zaaken, die men nader- hand eerst ontdekt heeft. Die lighaarnen, welke ze meenden, dat zich natuurlijker wijze van beneden naar boven bewoogen , gelijk dampen, rook, vlam en derge- lijke, neemen deeze loopftreek, zo ftrijdig met die der Zwaarte, niet aan , dan om dat ze zich in ömftandighe- den bevinden, die er ben toe noodzaaken. Zo dra men maar die oorzaaken wegneemt, ziet men hen aanltonds, even gelijk alle andere lighaarnen, naar beneden vallen, en door hun val oogfchijnlijk aantoonen , dat zij zo wel als alle andere Lighaarnen zwaar zijn, endt'eZwjar- te hen net de zelfde loopftreek doet houden. Nollet. ZWAARTEPUNT. --------- Door middelpunt van
zwaarte of Zwaartepunt van een lighaam, verftaat men
dat punt in een lighaam, rondsom het welke alle dee» len van bet zelve met malkander evenwigt maaken , en waar in men derhalven de gantfche zwaarte van het lig- haam , als begreepen en vereenigd zich verbeelden kan. De neiging van het Zwaartepunt is , gelijk van alle
andere zwaare lighaarnen , volgens de Joodlijn neder- waarts. Het tragt derhalven altijd zo laag te daalen , als het kan; even als andere lighaarnen zo lang daalen en vallen, tot dat zij een weeriland ontmoeten, die ben op- houd. Het volgt dezelfde wetten van beweeging en ftreeklijnen. Als men uit het beweegpunt door het Zwaartepunt een cirkelboogje trekt, ziet men de fijn, die het in 't daalen befchrijven zal , wanneer het lig- haam op een beweegpunt (leunt, hangt, of draait; dat gedeelte, naamelijk, van 't boogje, 't welk, zodra 't het Zwaartepunt gefneeden heeft, begint te daalen. Het Zwaartepunt rijst, uit zich zelven, nooit. Zo lang bet Zwaartepunt derhalven in de loodlijn opJ
gehouden, dat is, belet word te daalen, 't zij men 't ergens aanhange of van onderen onderfteune, kan het lighaam, welks ganfche zwaarte in dat punt werkt, niet vallen. vAlle deelen van het lighaam oeffenen in dat punt hun kragt, om volgens hun neiging zich te bewec- gen ; die kragt word door't ophouden, als door een on- verwindbaare hinderpaal, tegengeftaan en vernietigd; het lighaam blijft derhalven met alle deszelfs deelen , door hun zamer.hang aan één verbonden , in rust. In welken fiand men daarenboven ook'zulk een ligi
haam plaatze, zo lang deszelfs Zwaaitepunt in zijn lood-
lijn onderfteund word, zal het niet alleen niet vallen,
Eeée 3 maar
|
||||||||
|
4352 ZW A. '..., ZW A.
|
|||||||
|
pervlakte, tot dat der hoeklijn op de andere. Een taar.
lings llghaam, een vierkant blok of dobbëlfteen, heeft zijn Zwaartepunt opi't midden van de lijn, die dwars door 't ligbaam van den'eenen hoek naar den anderen loopt. Een rol, dat is een buis, een emmer, onderen boven even wijd, een ftok, eenkantzuil, een balk, eenlang- werpig blok, een ftaaf, en wat meer van dergelijk een regelmaatige gedaante is, heeft zijn Zwaartepunt op 't midden van dé'As, die lijn, die door het middelpunt van al de cirkels, vierkanten of veelhoeken, daar't lig. haam uit beftaat, van boven tot beneden doorgaat. In een puntzuil of kegelvormig lighaam, op een derde van da as boven den voet, zo het bol, op een vierde, zo het geheel van een vaste ftof is ; in een dubbelde kegel, geknot of niet, vol of ledig, als een ton, een' vat, of iets dergelijks , het middelpunt van den gröotften cirkel. Het Zwaartepunt van twee aan een gekoppelde lighaa-
men, een bout of kneppel-kogel, bij voorbeeld, zo ze beide even zwaar zijn, is het juiste midden van den bout, of afftand, die hen yereenigt ; zo 't een grooter en zwaarder is dan 't ander, het punt van beider evenwigt. De afftanden der Lighaamen van dat punt, moeten der- halven, gelijk die van het draagpunt in de hefboomen, zijn in de omgekeerde reden van de zwaartens der lig- haamen. Men kan het Zwaartepunt van een lighaam of meer
zamengevoegde lighaamen, door er iets af te neemenof bij te doen, veranderen en naar welgevallen plaatfen. Een houten kloot, een rol, een ftok of fchijf, ten dee. Ie met lood gevuld of beflaagen, hebben bun Zwaar- tepunt niet meer, als voorheen , in 't middelpunt van hun ligbaam. * In deeze en dergelijke onregelmatige lighaamen, Tiiet
overal eenpaarig van ftof, en zwaarte zijnde, of onge- fcbikt van vorm, vind men het Zwaartepunt door ander« middelen. Men hangt het lighaam, een ongelijke fchijf, bij voorbeeld, een orsgefcbikt ftuk boots enz. aan een vast punt daar 't op draaijen kan, en tekent er de lijn op af, die een pasloot, aan dat zelve punt of nagel hangende, er op befchrijft. Men hangt bet daarna weder in een anderen ftand, en het punt, daar bet pasloot rui de voor* gaande lijn fnijd, is op deezeoppervlakte het uiteind van de Zwaarte-As; wier ander uiteind, en dus de geheele Zwaarte-As, men op dezelfde wijs op de andere opper« vlakte vind. Men legt het ook, een plank, een ftok, een balk, op een fchraagje ', dat een fcherpen kant heeft, in evenwigt, inverfchillendeftanden, langte, breedte, dikte. Het fnijpunt der lijnen, vlak boven den fcherpen kant op 't lighaam in die verfchillendeftanden getrokken, is het Zwaartepunt. Van zulk een plank, reeds tot even- wigt gebragt, bedient men zich,ook om 't Zwaartepunt te vinden van'buigzaame, losfe en anderzins onbandelr baare lighaamen. Men legt ze, naamelijk, op die plank, en brengt ze, in verfcheiden ftanden, op dezelve tot evenwigt. Het punt, vlak boven't bekende punt van zwaarte of evenwigt der plank, is dan hun Zwaartepunt. Dus vind men, onder anderen, gevoeglijk het Zwaar' tepunt van beelden, dieren, menfcben en geraamten. Eindelijk weet men, dat gelijk het Zwaartepunt, veel-
tijds bet middelpunt niet is van de grootte van't lig- haam, zo ook de deelen, die rondsom dat Zwaartepunt tegen elkander over en in evenwigt ftaan, afzonderlijk en op zich zelve genomen, veelal niet even zwaar zijn. JBrengt men bij voorbeeld een gemeene tabakspijp op,den |
|||||||
|
maar zelfs ook niet van ftand veranderem Dat Zwaarte-
punt, is altijd het juiste punt van evenwigt, van 't gant- fche ligbaam; en dewijl dus allegedeeltens van 't zelve rondsom datpnnt, wederzijds tegen elkander over, even zwaar zijn, kan'heteen het ander niet overweegen, doen rijzen of daalen, maar moet, alles in rust, evenwigt, en denzelfdeh ftand blijven. Dus zou een weegfchaal, ' indien ze aan haar Zwaartepunt hing, bij evenwigt, al tijd in den ftand, daarmenhaarinplaatst, regtoffchuins Wijven ftaan; en dus tot weegen niet zeer bekwaam zijn, jnen neemt daarom het beweegpunt een weinig boved het Zwaartepunt. Als het Zwaartepunt van een ligbaam, in beweeging
gebragt word, volgthet, gelijk alle andere zwaare lig- haamen, de ftreeklijn der beweeging, 't zij de deelen rondsom hetzelve in rusr zijn of niet. Een opgeworpen kloot of bal, volgt zijn brandfnedeof kromme lijn, fchoon bij middeierwijl omzijn as draait," een blokje, balkje, plank, vallen loodregt neer, fchoon ze al_ wentelende yallen. Het Zwaartepunt van een lijn, is haar middelftepunt;
van een vierkant, een regt of fchuinshoekig raam, het middelfte punt van een der hoeklijnen (diagonale); van een driehoek , op het derde deel van een lijn, uit het midden van één der zijden tot den tegenoverftaanden boek getrokken ; van een cirkel, een regelmatige veel' hoek, het middelpunt; van een taarling (cubas) het middelfte punt eener dwarsüjn, die van den eenen töt den dwarsoverftaanden hoek loopt; vaneen rol en kant- zuil (cijlindrus, prisma) het middelpunt van derzelver asfen; van een puntzuil en kegel (pijramis, conus) op een derde van hun asfen, van den voet afgerekend , in- dien ze hol zijn; maar op een vierde der as, zo ze uit een vaste ftof beftaan ; van een kloot of bol (globus) deszelfs middelpunt. De berekening van de plaatfender Zwaartepunten in andere regelmaatige figuuren en lighaa- men en onder die van den geknotten kegel, en de daar uit volgende verfchijnzels en gebruik van den ledigen en vollen water-emmer van die vorm, kan de Leezèr bij andere Schrijvers enden Heer Dêsaouliers 1 Deel der Natuurkunde bladz. 50", tinden. Hier uit zal men de plaats van 't Zwaartepunt in regel,
maatige vaste lighaamen, zich zelven overal gelijkvor- mig, en eenpaarig van ftof en inhoud, ligtelijkkunnen afleiden; 't is niets anders, dan het eigentlijke en juiste middelpunt van dergelijk een ligbaam. Als men zich op 't middelpunt van een ronde houten fchijf van 1 of 2 duim dik, bij voorbeeld, een lijn verbeeld, die dwars door de fchijf heen, van de eeneoppervlakte tot aan de andere loopt, die lijn noemt men de As der Zwaarte, of Zwaarte-As, om dat het Zwaartepunt van sde fchijf op die lijn gevonden, word. Het middelfte punt van die Zwaarte-As, (dat ooktefFens het middelfte punt is van het gantfche lighaam)-is bet Zwaartepunt der fchijf ; dus ook, in een rond bord of fchootel, een ronde metaalen plaat, een jronde of langwerpig ronde tafel, en alle re- gelmaatige zes, sgt, en andere veelkantige platte lighaa- men. In een driehoekig ftuk valt deeze Zwaarte'As op een derde van den afftand tusfcben het midden van den voet en den top; en het Zwaartepunt op 't midden dier Ai, of de halve dikte van 't ftuk. In alles wit de ge- daante van een plat vierkant, of van een raam heeft, een plaat, bij voorbeeld, een plank , venfter, deur, en ontelbaare andere, loopt de Zwaarte-As, op wier helft het punt is, van het midden der hoeklijrtop de eene op. |
|||||||
|
ZWA.
|
||||||||||||
|
ZWA.
|
||||||||||||
|
4353
|
||||||||||||
|
vinger tot evenwigt, bet punt vlak boven den vinger,
't welk merkelijk nader aan den kop dan aan 't ander end vallen zal, is bet Zwaartepunt van de geheele pijp. Maar breekt men ze op dat punt door, en weegt men de twee deelen tegen elkander; men zal het deel met den kop merkelijk zwaarder bevinden dan het ander. Het gaat er mede, als met den hefboom, gelijk een kleine beweegkragt of ligt gewigt aan den langen arm eengroot gewigt aan den korten opweegt, zo maakt bier ook een minder hoeveelheid van Hof, aan het langde end even- wigt met een meerder maate van (lof aan betkortde. De vinger, die het Zwaartepunt draagt, draagt echter de ge« heele zwaarte van de pijp , niet meer nog min; even ge- lijk het deunpunt van zulk een hefboom met ongelijke armen de nette fom draagt van beide de gewigten, Met een ftok, een plank, en allerhande ligbaamen van on- gelijke dikte of inhoud, is 't eveneens gelegen, Ik gaa nu over tot zommige uitwerkzels en verfchijnzels, die uit deezealgemeenebeginzels voortvloeijen , en opgehel- derd kunnen worden. Het eene lighaam, fchoon op een vlakken grond, flaat
veel vaster dan het ander. Zommigen zijn'naauwelijks of geheel niet tot flaan te brengen , andere vallen op de minde dreuning, floot of beweeging. Een blok, op een vlakken grond, flaat onbeweeglijk. Het Zwaartepunt, dat hier het juiste middenplint vau't lighaam is, valt, volgens zijn ioodlijn, ver binnen den voet. Het wórd derhalven onderfleund, en kan niet daalen. Indien het blok vallen zou, gelijk wanneerraen 't omwentelt, zou het Zwaartepunt, eer het daalen'kon, eerst rijzen moe. ten, tegen zijn neiging. Als men het blok opligt, tot dat het op zijn kantftaat, rijst ook het middelpunt om hoog, en befchrijft een cirkelboogje, dat opwaarts loopt, tot dat het punt loodregt boven den kant daat; wanneer het, tot zijn grootfte hoogte gekomen, weerzou begin- nen te daalen, en het blok, bijgevolg, zo men 't los Het, vallen. Zulke ligbaamen derhalven ilaan vast , wier Zwaartepunt binnen den voet valt, en daar door, in zijn Ioodlijn volkomen onderfleund, niet laager daa- len kan; en zij (laan zo veel vaster, naar maate dat de Ioodlijn van 't Zwaartepunt meer binnenwaarts valt en 'verder van den omtrek van den voet af; want hoe ver» der J*et van den kant, waarom het, in 't vallen, als om zijn beweegpunt den boog befchrijft, afdaat, hoe hoo. ger het zou moeten rijzen , eer het daalen kon , en daar door 't lighaam doen vallen. Hoe breeder voet derhal. ven in 't algemeen, hoe een lighaam vaster flaat, en met voeten van gelijke breedte, hoe nader het Zwaarte- punt bij den voet, dat is, bij den grond is. Yder weet, dat een blokje van een voet in 't vierkant, vaster ftaat, dan een balk van dezelfde dikte en vier, zes of meer voeten hoog. Beider voetfteün is wel dezelfde, maar in den balk behoeft het Zwaartepunt niet eerst zo hoog te rijzen, eer het daalen en vallen kan. Het verfchil der evenredigheden in üder lighaam, tusfchen de langte van de ioodlijn van 't Zwaartepunt, en van die der halve middellijn van 't boogie, dat het in 't vallen befchrijven zou (dat is, de lijn van 't beweegpunt tot aan het Zwaar, teptmt) maakt in ijder lighaam het verfchil uit van het vaster of los fer (laan. En dewijl er grooter kragt ver- eischtword, om een zwaar lighaam, fchoon even groot, tot een zekere hoogte op te heffen dan een ligt, zal het Zwaartepunt., a's waar in de gantfche zwaarte van het lighaam huisvest, ook in dat lighaam bezwaarlijker rij- zen willen, en 't zelve bijgevolg zo veel te vaster flaan. |
||||||||||||
|
Een marmeren, fteenen of metaalen zuil, voetfteün,
(lander, ftaat vaster dan een houten; een ledig vat of water-emmer word ,'igter omgeftooten dan een vol. Hoe ligter lighaam derhalven hoe't, in vergelijking van an- deren, losferdaat; maar in ligbaamen van dezelfde zoort en ftof, kan men in't algemeen zeggen , dat een lighaam zo veel losfer ftaat, naar maate dat het Zwaartepunt minder behoeft te rijzen, eer het beginnen kan te daa» len; of, gelijk men't doorgaans uitdrukt, naar maate dat het Zwaartepunt ligter buiten den voet valt van 't lighaam. Alle zoorten van werktuigen en huisraad, die op een
zogenoemden voet of pooten (laan , tafels , doelen, banken, guéridons, theekomfooren, en alles wat den naam van knaap, fchraag of voet draagt, .daan deviger naar maate dat de voet, daar ze op rusten, breeder van omtrek is. Zij vallen, zo dra de Ioodlijn van het Zwaar- tepunt buiten dien omtrek valt. Een -ronde kloot, blijft op een vlakke waterpas tafel
dil leggen, zo lang de Ioodlijn uit zijn Zwaartepunt vlak op hun. punt valt , daar hij de tafel raakt; maar de- wijl dat raakpunt zeer weinig breedte heeft, valt ze, op de minde beweeging, er buiten, vind geen deun. zei, daalt derhalven, en doet bijgevolg den kloot voort- rollen. Men weet het fprookje van Columrüs. Een ei op
zijn kant te zetten, en deszelfs Zwaartepunt dus op een enkel dip te doen rusten, is bijna onmogelijk. Door 't kneuzen en platten van de fchaal, maaktmenden voet grooter. v De Jongens ziet men dikwils een pijp, een langen dok
regt om hoog op hun duim, op de toppen van de vin- gers, op neus of voorhoofd draagen. Hun behendigheid bedaat daar in, dat ze den (tok zo loodregt weeren te zetten en te huuden, zodat de Ioodlijn van zijn Zwaar- tepunt binnen den omtrek blijft van dat end, daar hij op daat. Een te ver uitgedoken balk of plank, een boek, een
vies, een theeblaadje niet vergenoeg op tafel gezet, valt neer, om dat het Zwaartepunt overhangt, en buiten den deun of tafel vallende, daalen kan. Met hellende en fchuinsdaande ligbaamen is het even-
eens gelegen. Zij blijven daan zo. lang de Ioodlijn van hun Zwaartepunt binnen den omtrek van den voet valt; maar beginnen te vallen, zo dra ze zo ver overhellen, of zo fchuins gezet worden, dat die Ioodlijn er buiten raakt, en 't Zwaartepunt derhalven, zonder eerst te rij- zen, daalen kan. Dus daat een fchuins duk hout, een vat, een emmer, op zijn kant gezet; maar daat ecbrer minder vast, dan zo het regt fcond. De Ioodlijn van het Zwaartepunt valt in dien dand nader bij den omtrek van den voet, ten zij men door bijvoeging van andereen zwaarder dof het Zwaartepunt verplaatst en zo ver agter- waarts gebragt heeft, dat zijn Ioodlijn in dien dand mid- den op den voet valt. Van dien aart zijn ook de berugte torens van Bononie
en Pifa. De eerfte, 130 voeten boog, helt o voeten over, die van Pifa hangt, bij een hoogte van 138 voe- ten, met zijn top 15 voeten ver buiten den voet over, daar hij op daat. Dus valt een huis niet, fchoon de muuren hellen, zolang alle deelen aan malkaar verbon- den blijven en één lighaam maakten, wiens gemeen Zwaartepunt binnen de grondvesten valt. Als men op een hellend lighaam, datechter vast ftaat,
nog een ander zet, vallen ze veeltijds beide; om dat het |
||||||||||||
|
y
|
||||||||||||
|
4354
|
||||||||||
|
ZWA.
|
||||||||||
|
ZWÄ.
|
||||||||||
|
Zwaittepunt daar door van plaats verandert, en in de
twee vereenigde lighaamen het zelfde niet meer is, als het was in 't eerfte. Indien dit" nieuwe Zwaartepunt - buiten den bodem valt, moeten ze beide deszeifs nei- ging volgen , en, als één l/'gbaam uitmaakende, met het- zelve vallen. In lighaamen op hellende vlakken geplaatst, levert dit
Zwaartepunt ook verfcheiden merkwaardige en gemeen- zaame verfchïjnzeis uit. Een kloot en alles wat rond is rolt, om dat het Zwaartepunt, 't welk volgens de lood- lijn werkt, ver buiten het raakpunt vallende, niet on- derfteund word, bijgevolg daalt, en zo laagdaaltalshet komen kan. Een kantig lighaam , indien delqodlijn van deszeifs Zwaartepunt ook buitenden bodem valt, wen- telt om de zelfde reden; maarzo deloodlijn binnen den voet valt, daar 't mede op 't hellend vlak ligt, fchuift of glijd het naar beneden. Want fchoon het Zwaarte- punt dus wel eenigermaate onderfteund word, het heeft echter geen volkomen fteunzel, dewijl het niet volgens zijn loodlijn, en fiegts door een min of meer fchuins wer- kende kragt, naar boven , volgens eenelijn, die lood« regt op het vlakftaat, word opgehouden. Hoe (leilder vlak, met hoe fchuinzer kragt het Zwaartepunt word op- gehouden en en hoe minder fteunzel het vind. Het volgt det halven een beweegftreek, uit die beide kragtori zamen- gefteld , en daalt, zo als het alleen daalen kan, evenwij- dig met het vlak; met meerder ofminderfnelheid, naar maate van deszeifs (teilte. Alle lighaamen daalenechter niet, maar veele blijven leggen,'inzonderheid op< vlak- ken, die weinig (teilte hebben.. De wrijving houd hen tegen, en belet de werking van hetZwaattipunt, gelijk men weet, dat hoe gladder een lighaam en vlak is, hoe het eerder en ligter afglijd. Een vat op een wagen leggende, die bij een heuvel of
hoogte oprijd, en dus voor 't zelve een hellend vlak maakt, loopt gevaar van af te rollen, of om ver te vallen, zo't regt opftaat. Dus tuimelt ook ligtelijk een pak, een hoogeniand, een mensch, die op zulk een rijtuig op een ftoel zit. ' _ ; ■ * Een hooiwagen op een ongelijken afloopenden weg,
ofdiepfpoor, dat ook eerr hellend vlak maakt, valt dus' niet alleen, gelijk ook alle andere rijtuigen, omver, zo dra het Zwaartepunt buiten de wielen valt, maar loopt ook meer gevaar van vallen, dan een wagen met ijzer, fteen of andere zwaare zoort van vrsgt belaaden. In den eerden is het gemeen Zwaartepunt merkelijk booger boven den grond, dan in den laatiten, en raakt daar door, bij helling, eerder buiten den omtrek der" wielen; even ge- lijk, bij voorbeeld, van een langen (tok, fchuins op een vierkant of langwerpig vlak gehouden, de top meer over- hangt, en eerder buiten den omtrek valt dan het mid- den. Hooge wielen werpen om dezelfde reden opk een rijtuig ligter om dan lange. Rijtuigen, die met wijd fpoor rijden; vallen op ver«
re na zo ligt niet om , als die op naauw fpoor ftaan. Het vlak, daar ze op ftaan, is breeder, en 't Zwaarte- punt kan er derhalven zo ligt niet buiten vallen. Van't verfchijnzèl van den dubbelden kegel, die door
't daalen van zijn Zwaartepunt bij een hellend vlak op- loopt, is voorheen gefproken. De Ieezer kan het izel- ve nevens dat van den houten rol, waar in een andere van lood, buiten de as, is ingevoegd, -breeder zien bij don Heer DesaouLiers. -Wanneer het Zwaartepunt van een lighaam bewoogen
frord, yolgt h et dezelfde wetten, als alle zwaare lig- |
||||||||||
|
haamen, en loopt zijn ftreeklijn-, in welken ftand de dee»
lerj rondsôm he.tzelvezich ook bevinden , en 't zij ze in beweeging zijn of niet. Een gefchooten pijl vliegt regt uit met de punt voorwaarts, om'-dat men aan deszeifs Zwaartepunt een .ftreeklijh gegeeven heeft, die dezelfde is, en cene regte lijn maakt met het beloop van't lig- haam van den pijl. Een (tok vliegt dwars, in allerhan. den ftand , naar dat men hem werpt; of draait zich, on- der 't voortvliegen, met meerder of minder fnelheid, als men deszeifs enden, met den werp, cirkelswijze be- woogen* beeft; maar hij'vliegt echter regt uit regt aan naar het wit, volgens de beweegftreek, diemengafaan zijn Zwaartepunt. Dus loopt een billardbal de regte lijn, volgens welke zijn Zwaartepunt geftooten wierd, terwijl hij al loopende om zijn as draait; dus valt een rond of kantig lighaam in de loodlijn , fchoon het wentelt onder 't vallen , gelijk reeds voorheen is aangemerkt. Het bewoogen Zwaartepunt daalt ook altijd, gelijk al«
Ie zwaare lighaamen, zo laag als het kan, eer het tot rust komt. Even gelijk een ronde fcbijf, plankje, plaat« je of wat lighaam 't zij, wannéér men 't buiten zijn Zwaartepunt en deszeifs loodlijn , dat is, vlak boven of onder 't zelve, losjes tusfchen twee vingeren houd, zo dat het draaijen kan, zo lang tusfchen de vingers om- draait, tot dat het Zwaartepunt zo laag ^edaaldis, als het komen kan. Kinderen fpeelen zomtijds met mannetjes, foldaatjei
en ruitertjes, die op halfrondjes ftaan. Hoe men ze op tafel werpt, zij berftellen zich en komen op bun voeten neer. Een plaatje lood onder in die halfrondjes is het Zwaartepunt, dat niet tot rust komen en ftilltaan kan, eer het zo laag als mogelijk gedaald is, dat is, de tafel raakt. Dus maakt men valfche dobbelfteenen doarzom« rhige van derzelver oogen met lood te vullen. Scheeps-kompasfen blijven in weerwil van de bewee«
gingen en flingeringen van 't fcbip altijd waterpas. Zij hangen in verfcheiden cirkels of beügeis, wier beweeg« punten zo gefcbikt zijn, dat, volgens welke ftreeklijnen het kompas ook bewoogen en gefiingerd worde, "deszeifs Zwaartepunt, de looden bodem, altijd in het laagftepunt blijft, of er aanftonds weder in daalt. De Ieezer kan er eenigermaate een netter denkbeeld van krijgen uit het ftelzel van een rollende lamp , die ook altijd water- pas blijft, en gerold en gefiingerd kan worden zonder olie te ftorten; bij dsn Heer Des&gulikrs inheteerfte deel zijner natuurkunde bladz. 8r. Zamengeftelde werktuigen en groote gevaartens, een
kraan met den zwaaren last, die er aanhangt, de kap van een windmolen, een ganfchen molen zelf, draait men meteen zeer geringe kragt in vergelijking van de zwaarte van 't geheele lighaam, om dat "men deszeifs Zwaartepunt maar een zeer kleine en geringe beweeging doet maaken. Het Zwaartepunt van de kraan, -rondsom 't welke het ganfche lighaam als in evenwigt hangt, rust op Je as van den ftandert , of een weinig meer agrer- waarts, «m dat de kraan door den last, die opgebijst word, een weinig voorwaarts over verzet word; gelijk het ZwaarUpunt van de kap of den ganfchen molen op de as vandefpil rusr, daar ze op draaijen, of wel een weinig voor dezelve,'om dat de kragt van den wind, die op den molen en zeilen drukt, dezelve eenigermaate agterwaarts dringt,.en dus de loodlijn van 't't Zwaarte- punt in dien ftand vlak op de -as der fpil vallen kon. Op" dit Zwaartepunt fteunt het ganfche ligoaam en volgt des- zeifs beweegipg. Door
|
||||||||||
|
ZWA.
|
|||||||||||
|
zwa.
|
|||||||||||
|
4355
|
|||||||||||
|
!'Door bijzondere plaatzing van het Zwaartepunt,, en des-
zelfs onderfteuning op verfchillende wijzen in zamenge- flelde ligbaamen, weet men ook verfcheiden konstjes of handgreepen te verrichten. Een tafelvork op de punt van een naald tot evenwigt te brengen, fchijnt genoegzaam onmogelijk. Maar indien men er aan ijder end een an« dere aanvoegt, zo dat ze een zoort van galgje onder haar drieën maaken, brengt men ze niet alleen ligtelijk tot evenwigt, maar kan ze ook, zomen voor 't affcbam- pen der naald genoegzaame zorg draagt, op verfcheiden wijzen beweegen en flingeren, zonder dat ze vallen. Het Zwaartepunt, dat in de eerfte vork boven bet beweeg- punt, de punt van de naald was , en bezwaarlijk lood- regt boven zo fijn een ftip te brengen en te houden was, word nu beneden hetzelve gebragt, en kan even als een weegfchaal in evenwigt, die ook haar Zwaartepunt bc neden het beweegpunt heeft, flingeren tot dat het weer tot zijn laagften ftand gedaald is; maar nooit vallen, zo lang het onderfteund word, en op een vast punt rust. Een balkje of plankje, zo verover den kant van een
tafel heen gelegd, dat deszelfs Zwaartepunt er buiten komt, en 't zelve bijgevolg vallen zou , blijft leggen als men er, zelfs buiten den rand van de tafel, een els of mes fchuins op (leekt ; of ook wel op de zelfde wijs, een onder en een boven. Het Zwaartepunt van 't balkie, dat buiten de tafel viel, word er zo ver agterwaarts door gebragt, dat het nu binnen den rand van detafel valt, en dus fteunzel heeft. Aan dergelijk een balkje of Hokje, dat uit zich zelf,
als men 't los liet, vallen zou, kan men zelfs een gantfchen emmer met water hangen . zonder dat het balkje of em- mer van de tafel valt. De bekende zoogenoemde zaag- mannetjes hebben ook hun Zwaartepunt beneden 't be- weegpunt, en kunnen daarom draaijen, flingeren, even als de weegfchaal, en herftellen zich en keeren , door hetdaalen van hun Zwaartepunt, dat niet rust eer 't zo Jaag gedaald is als het kan, even als de weegfchaal, tot hun evenwigt weder. De Leezer kan van deeze en der- gelijke werktuigen en handgreepen, eenbreeder verkiaa- ringen af beeldgels vinden bij den Heer Desaguliers, I deel der natuurkunde bladz. 85. en volgende. Het Zwaartepunt in een Mensch, jong of oud, kort
of lang, vet of mager (zeer zwaarlijvigen uitgezonderd) dood of leevend, in geraamten zelfs, is in 't zogenaam. àe Bekken, midden tusfchen de heupen. Daardoor is dat punt op zulk een wijs geplaatst, dat het, in allege- woone lighaamsbeweegingen, de minfte beweeging heeft, dat is, het minst uit zijn plaatst wijkt, minder dan de andere leden-, armen, beenen, hoofd, fchouders, en daar door pok bijgevolg het minst gevaar loopt om met zijn Ioodlijn buiten zijn voetfteun te vallen. In een hol beeld, van menfchelijkegedaante, is het
Zwaartepunt elders; dewijl de bolligheden in een beeld niet eveneens geplaatst nog geaard zijn, alsdiein't lighaam van een Mensch. In een vol of masfief beeld valt het Zwaartepunt hooger dan in een Mensch; dewijl het bo- venlijf van een Mensch met zijn ingewanden van zo vast en zwa*r een ftof niet is, als de inhoud van 't bovenlijf van een vast en vol beeld. In de houding van een ftandbeeld moet derhalven op die verfchillende plaats van 't Zwaar- tepunt gelet worden, op dat deszelfs Ioodlijn binnen den voetfteunblijvevallen; en van den zwakften kant meest verzekerd worde. Als men van den grooten teen van den eenen voet,
een regte lijn trekt naar dien van den anderen, en een y II DetU
|
|||||||||||
|
tweede lijn van hiel tot hiel, zullen die twee lijnen met
de buitenzijden van beide de voeten een zoort van on- gefchikten of onregelmaatigen vierhoek (trapèze) uitmaa- ken. "Deeze vierhoek neemt naar de verfcheiden be- weegingen der voeten, ftaan, gaan, loopen , enz. on- telbaare verfchillende gedaantens, en dikwils zelfs die van een driehoek aan. Zo lang de Ioodlijn van het Zwaartepunt binnen den omtrek van dit vlak valt, ftaat een Mensch ; maar, zo dra zij er buiten valt, valt hij. Als men regt opftaat, valt de Ioodlijn van 't Zwaarte-
punt in 't midden van dat fteunvlak , 't zij vierhoek, 't zij driehoek, naar dat men de voeten zet. A Is men zijn arm, hoofd, bovenlijf, naar ééne zijde beweegt'en buigt, wijkt het Zwaartepunt van 't lighaam ook min of meer naar die zijde, en doet zijn Ioodlijn verder naar dien kant en voet vallen, In 't voor- of agterwaarts over- hellen, helt ook het Zwaartepunt derwaarts over, en valt tusfchen de teenen of hielen. In 't gaan en loopen volgt die Ioodlijn de beweeging der voeten, en loopt ge. lijk men de voeten zet, langs een zeer ('ma! vlak, regts en flinks. Dit blijkt zelfs duidelijk uit de beweeging, die men in 't gaan ongevoelig mei het lighaam maakt. Als men, inzonderheid in 't fterk doorftappen, zijn armen, losjes bij't lijf neerhangende, hun vrijen loop laat, vol. gen zij natuurlijk de beweeging vanden tegenovergeftel. den voet; de flinker arm flingert voorwaarts, als men den regter voet veortzet, en de regter arm bij 't voort- zetten van den flinker voet; de fchouder zelfs en bijge- volg de geheele zijde, draait zich ook min of meer der- waarts, en volgt den arm; men brengt dus, regts en flinks, het Zwaartepunt des ligbaains telkens naar dien voet, daar men op treed. Als deeze regts en flinkfche beweeging van 't Zwaartepunt, door't wijd van één zet» ten der voeten, gelijk, bij voorbeeld, de Endvogels, Ganzen, en veeltijds ook zwaarlijvige Menfchen doen., zigtbaar word, noemt men 't waggelen. '■ Als men op één been ftaat of hinkt, brengt men wel, door het lighaam over dien kant te buigen, heiZwaarte* punt vlak boven den voet, maar ftaat echter los en wan- kelbaar; om dat het fteunvlak dan geen grooter langte en breedte heeft, dan de langte en breedte van den voet, daar men op ftaat. De Ioodlijn van 't Zwaartepunt zou er ligtelijk voor, agter, of ter zijden, buiten vallen, zo men 't niet door beweeging van 't losfe been en ar- men van plaats deed veranderen en boven zijn fteunvlak hield. Mer het zetten der beide voeten vlak voor mal- kanderen, is 't eveneens gelegen; en daarom is bet zo moeijelijk en gevaarlijk, over een fmalle plank, balk, of langs een regte lijn te gaan. Door gewoonte leeren wij van jongs af de Ioodlijn van
't Zwaartepunt, niet alleen binnen den omtrek van zijn fteunvlak te houden, maar ook hetzelve door 't maaken van een zoort van tegenwigt te verplaatzen, naar zijn vlak te rug te brengen, en verfcheiden beweegingen en ftreeklijnen tedoenaanneemen, naarde verfchillende be- weegingen, die wij met het lighaam maaken willen. Die gewoonte fchijnt men , wanneer de hersfens door drank of anderzins beneveld zijn, tevergeeten, en, ook daar door, in dien ftaat te ligter te vallen. Als iemand vreest, dat is, voelt dat hij vallen zal, ftrekt hij aanftonds zijn arm, en zo hij fterk overhelt, ook zijn hoofd, boven- lijf en been, zo veel hij kan, naar de andere zijde. Daar door vetandert het Zwaartepunt van plaats en komt dee- ze zijde nader, waar door deszelfs Ioodlijn dikwils we- Ff ff dei |
|||||||||||
|
435« ZWÂ.
|
|||||||||
|
ZWA:
|
|||||||||
|
der binnen zijn fteunvlakraakt. Hierom, enteffensom
het Zwaartepunt, aisin weerwil der voeten, voorwaarts te brengen, ziet men onervaren fchaatsrijders zo gewei, dig met de armen vegten en fungeren. Dus zwaait men ook in 't fterk gaan met de armen , of fteekt ze in 't loopen voorwaarts uit, om de beweeging van 't Zwaar- tepunt volgens de ftreeklijn, die men er aan geeft, te verhaasten, en de kragt, die men ten dien einde met de voeten doet, te hulp te komen. Maar die beweeging van 't Zwaartepunt word daar door dik wils zo fnel, dat de voeten deszelfs loodiijnniet volgenen tijdig genoeg be- reiken kunnen, zo dat het lighaam voorover tuimelt. Als men zich min of meer diep buigt, of voor over bukt om iets van den grond op te raapen, brengt men 't Zwaar- tepunt agterwaarts; ge 1 ijk ook als men gaat zitten ; in 't opftaan brengt men 't, door 't voor over buigen van 't bovenlijf, eerst voorwaarts. In't knielen, opftaan van den grond, reiken, fchoppen, (laan, werpen, van zich ftooten, en alle andere lighaamsbeweegingen; verplaatst iren door de verfcnHtende ftanden, die men aan 't lig- haam geeft, het Zwaartepunt, voor, agterwaarts, ter zijden uit, min of meer, dat deszelfs loodlijn binnen den omtrek van't fteunvlak blijft vallen; 't welk devoe« ten maaken. Hoe de zogenaamde Samfons of fterke man- nen, en de Koorddedanfers, op zo final een fteunvlak als een koord of ijzerdraad, met hun Zwaartepunt blij- ven, kan de Leezer breeder verklaard vinden, inzon- derheid bij den Heer Desaguliers I deel der natuur- kunde bladz. 83. en 279, en volgende. Dergelijk een behendigheid om de loodlijn van hun Zwaartepuntbintien den omtrek van een zeer klein fteunvlak te houden, blijkt ook, op een verbaazende wijs, in de-zogenaamde Balanceerden , die bij een genoegzaam los, of alleen ftaanden ladder, bij op één geftapeldeftoelen, opklim- men, op den ftoelknop, ofvlakken vannogkleinder uit- geftrektbeid , met het hoofd ftaan, en andere bekende konstjesvan diezoort meer verrichten. Een goed en (ierlijk fchaatsrijder fchijnt, op 't oog,
de loodlijn van zijn Zwaartepunt buiten het ijzer van zijn fcbaats-te werpen; maar door 'tuitftrekken vanzijn ander been doet hij 't zelve van plaats veranderen, en zo ver naar dien kant overwijken, dat het op het fmaile fteunvlak valt, daar hij op voortglijd. , Die een pak opzijn hoofd draagt, gaat met een ftijven en opgeregten'bals enligbaamsgeftalte, opdathet Zwaar- tepunt van zijn last vlak boven dat van zijn lighaam, en te gelijk met hetzelve binnen 't fteunvlak van zijn voe- ten b lijve. , Die eenigenzwaaren last voor zijn lighaam draagt, ge-
lijk ook zeer zwaarlijvige Men fchen, of zwangere Vrou- wen, buigen het hoofd en bovenlijf agterwaarts over, waar door 't gemeen Zwaartepunt van den last en van 't lighaam, valt op de gewoone plaats. Om dezelfde reden bukt iemand, die een pak draagt op zijn mg, met het bovenlijf voorwaarts over. Hi Een Vrouw, die een Kind op den/linker arm draagt,
kromt haar bovenlijf en helt er mede over de regte zij. Het gemeen Zwaartepunt van beiden blijft daar door op zijn gewoone plaats. Die een emmer met water of eeni- gen anderen zwaaren last aan den eenen loodregt neder hangenden arm draagt, fteekt den anderen arm; en door- gaans, gelijk hij dan ook het fterkfte tegenwigt maakt , waterpas uit. Dewijl het fteunvlak in de viervoetige Dieren merke-
lijk grööter is, dan in de Menfchen, begrijpt men lig- |
|||||||||
|
telijk, dat 2e, ook om die reden, vaster ftaan. De lee-
zer kan den voortgang en beweeging van 't Zwaartepunt in een flappend Paard omftandiger nazien bij den Heer BoRELLi, en in 't geen de Heer Desaguueks uit den. zelven aanhaalt, 1 deel der Natuurkunde bladz. 83. Daar uit en uit het geen we te vooren van het Zwaartepunt gezegd hebben, zal men zich gemakkelijk van alle an» dere lighaamsbeweegingen der Paarden en andere vier* voetige Dieren een begrip kunnen-maaken; alsdraaven^ galoppeeren, fteigeren, agter over vallen, met beide pooten agter uit flaan; nederleggen en opftaan. Ik zal er hier tlegts nog een aanmerkelijk verfchijnzel van zorn- mige Dieren bijvoegen. De Katten eneenige weinige andere Dieren, wanneer
ze, op welke wijs 't ook zij, met den kop, ftaart, rug, ofzijdlings uit een hoogte vallen, wentelen zich onder 't vallen om, en komen doorgaans op hun pooien ne» der. Dewijl ze in de lucht geen vast punt ontmoeten, daar ze min of meer op. zouden kunnen (leunen, om ee» nige beweeging te maaken met bun lighaam, kunnen ze zich zelven zekerlijk niet omdfaaijen. De veiplaatzing van 't Zwaartepunt is er de oorzaak van. Als men hen, bij voorbeeld-, met de pooten om hoog vallen laat, doet de vrees, zodra zij zich los voelen, den rug krommen, en kop en pooten naar de plaats, daar ze uit vallen, uit- fteeken, als om er zich weer aan vast te grijpen. Het Zwaartepunt van 't Dier verandert door die geftalte van plaats, en rijst door het om hoog drukken der Ingewan« den, en het opfteeken van kop en pooten, uit het mid- den van 't lighaam merkelijk hooger. Het bevind zich derhalven nu in denzelfden (laat, als een houten kloot, op 't water drijvende, aan wiens bovenftegedeelte men een plaatje lood vast maakt, om het Zwaartepunt boven het middelpunt te brengen. Het gaat er derhaivenook eveneens mede, en in beiden daalt het Zwaartepunt zo laag als het komen kan. De kloot draait'om in 't water, tot dat het lood geheel onder aan raakt; en de kat doet in de lucht een halve keer, terwijl zijn Zwaanepunt zo laag, als mogelijk, daalt. Dus komt hii bijgevolg neder op zijn pooten, en een verwarde en blinde aandoening van fchrik, die hem zo heilzaam een raadin geeft, als de doorfleepenfte beweegkonftenaar immer doen kon, be^ houd hem 't leeven. ZWAKHEID, zie IMBECILLITASi
ZWAKHEID der OOGEN, zie AMBLIJOPIA.
ZWALUWEN is de naam van een Vogelen-geflagt,'
waar van de latijnfche Hirundo, en de griekfche Chelidaôn is ; in 't italiaansch word bij Rondina genoemd, in 't fransch Hirondelle, in 't engelsch Swallow, in 't hoogduitsch Schwalbe. De latijnfche naam is, zo fommigen willen, van hun zitten aande daken der huizen (karendo) afkom- ftig; dog, zo de (telling van Kf.kin genoegzaam bewaar- heid en den Ouden bekend geweest ware, zou men dien naam, veeleer, van hun kleeven aan elkander in het wa- ter tot hunne winterlegering, mogen afleiden. De" Kenmerken der Zwaluwen, volgens LiNNffius,
zijn; een zeer kleine, omgeboogene, elsvormige, aan den wortel neergedrukte Bek ; de gaaping wijder dan de Kop hoog is. De Heer Br issoN voegt er bij; een ge- vorkte Staart. Allen hebbenze, zegt hij, den middel- den der drie voorde Vingeren, van den wortel tot aan het eerftegewricht toe, digt zamengevoegd met den bui- jenften. - Van de Zwaluwen heeft hij agttien , LinïMEUs agt
zoorten, die altemaal daar in vervat zijn. I. Huis»
|
|||||||||
|
ZWA.
;,î. Huis-Zwaluw; Hirundorußica; Hirundo domißica.x
Gesn. Av. 558. Aldrov. Orn. I. 17. c. 6. Jonst. Av tt^lßc; (Hirundore&ricibus, exeptis duabus intermediis macula alba notatis. Linn. Faun. Suec. 244T) : Deeze word in 't fransen en engelsch Schoorßeen-Zwa- luw, in 't hoogduitsch Huis-Zwaluw geheten. Zij is het, ZO men aanmerkt, die in de huizen van Europa binnens* daks nestelt, en, zo wel als de Boeren-Zwaluw, in de herfst zich onder water dompelt, komende er in 't voor- jaar weder uit. Dit denkbeeld, dienende om de verhui- zing der Zwaluwen om verte ftooten, heeft wel degelijk zijne zwaarigheden. Het ftrijd niet alleen tegens de gezon- de reden, maar ook tegens deHeiligeScbriftfJER. VIII. 7.) alwaar de Zwa/znee» onder de Trekvogelen geteld worden. Bij de aangehaalde ondervindingen, ten dien opzigte, kan men die van Frisch voegen, wanneer hij dien aangaande zegt. Ik heb aan de Pooten van eenige levendige Zwalu-
rlt wen, kort voor hun vertrek, 't een of ander gehecht, gelijk een ring, een rooden draad, met waterverw gekoleurd. Nu is het zeker, dat er die koleur afge- gaan zou zijn, indien zij eenigen tijd in 't water geblee- ven waren. Niettemin kwamen die zelfde Zwaluwen in 't voorjaar wederom , en zogten hunne nestplaats ,., op, met den rooden draad aan de pooten. Indien ook deeze Vogelen , geduurende den winter, zo vee- Ie maanden onder 't water bleeven, hoe zouden zij dan kunnen adem haaien; want men weet, dat zij geen Kieuwen hebben, nog dergelijke longen als de Visfchen. Zo men antwoorden mögt, dat zij in 't water leeven gelijk dé Kinderen in 's moeders lig- haam, waar is dan, in hun, 't ovaale gat, daar 't bloed '/an doorgaan, zonderde Iongen te pasfeeren? Deeze Vogelen moeten zelfs van een plaats komen ,, daar zij allerleij leeftoebtgehad en gevlqogenhebben; want hunne vederen zijn netjes gefchikt, als zij weer verfchijnen ; zij zijn dóór hongernietvermagerd; aan- Monds paaren zij, en maakenbun nest.. De HeerREAUMUR was ook zo vreemd van dit denk-
beeld, dat hij het nietgelooven kon. De Groot Mar- fchalk van Poolen, die hem beloofd had, Zwaluwen^ van onder 't ijs gehaald, je zullen bezorgen ; kwam, zq min als anderen, zijne beloften na. En de berichten zelfs, die men van het vinden deezer Zwaluwenen klom. pen, onderwater, heeft; gelijk in Noorwegen zulks een bekende zaak en gantsch niet Ongewoon zou zijn, naar *t gene Pontoppï dans fchrijft; zijn zeer ongerijmd. Aan den eenen kant, naamelijk, is 't onmogelijk, dat, in zulk een geval, niet het grootfte deel der Zwaluwen, in het fchraale faifoen, door Visfchen van allerleij zoorten Waterflangen, zou verflonden worden; aan den anderen kant is bettegenftriidig, dat Je Zwaluwen, uithetwater opgevischt, en in een warm vertrek tot beweeging en tot vliegen gebragt, niet langer dan een uur leeven, en anderszins, zo ze er tot aan het voorjaar in gelaten waren, gezond en frisch zouden te voorfchijn komen. Misfchienzijn , nu of dan eens, eenige Zwaluwen, van den winter overvallen, en zich in't riet verfchoolen heb- bende, bij toeval in der visfeheren netten geraakt, die zich verbeeldden , dat zij uit her water waren opgehaald. De verkleuming van Dieren, doordekoude, is niet zon- der voorbeeld, en het kort leven der Zwaluwen, na de koestering door de warmte van een kachel, ftrekt tot 'een bewijs van haare verzwakking en vandeonbekwaaoi- iieid'vaa zulk een winterwoonfag. |
|||||||||
|
ZWA.
|
|||||||||
|
4357
|
|||||||||
|
De Huis Zwaluw heeft dien naam, om dat zij, gelijk
bekend is, haar nest in de buizen maakt, zomtijds aan een balk of muur, van kleij, raet hooij of ftroo te za» men gehecht, en van binnen met dons of andere zagce ftoffe bekleed. Zij broed tweemaal 'sjaars, leggende de eerftemaal vijf of zes, de tweede maal vier of vijf eijeren. Het aas, daar zij van beftaat, zijn vliegjes en muggen, of ook fpinnekoppen en andere Infekten. Om de muggen magtig te worden, ziet menze rondom de Menfchen en Dieren zweeven. Als zij laag bij den grond of digt langs 't water vliegen, is doorgaans regen ophan- den. In 't algemeen ziet menze niet gaarn benadeelen ofdooden; uit aanmerking, dat het vogeltjes zijn, die ons geen kwaad, maar veeleer nut toebrengen. Inltalie, echter, plagten de jonge Zwaluwen gegeeten te worden, zo Aldrovandus aanmerkt. In Spani'e worden zij, nog heden, op de markt verkogf. In de geneeskunde heeft men van de Zwaluwen gebruik
gemaakt tegen de vallende ziekte, beroerte, lammigheid en opftijging of andere benaauvvdheden. In fommige winkels word nog een zamengefteld water van Zwaluwen gedestilleerd, dat in alle die gevallen aanprijzing heeft. Veelerleij voorfchriften zijn er zelfs van dat water, en, indien er de geest met het vlugge zout, alsook bever- geil en andere middelen , worden bijgedaan , zal het niet te verachten zijn. Meer, echter, gebruikt men heden- daags, hier te lande , de nestjes der Zwaluwen , in pap. pen tegen een zeere keel en ontfteeking der amandelen ; alzo dezelve weekmakende en tevens verdrijvende of oplosfende zijn, van wegen den drek , die onder kleij gemengd en fcherp zoutig is van aart. Verfcheiderleij voorfchriften zijn er van zodanige pappen. In de Maag der jonge Zwaluwen word zomtijds een fteentje gevon- den als een linze, waar aan men, t'onregte, dergelijke kragten toegefchreeven heeft. II. Chineefche Zwaluw; Hirundo chinenfis', Capus ma-
rina; Rumph. Herb. VI. />. 183.; Hirundo nidis eduli- bus. Bont. Jav. 66. Raj. Av, 72.; '(Hirundo rcüricibm omnibus macula alba notatis, Linn. Sijfl. Nat.) Dee» ze, die de Oever-Zwaluw van Cochinchina door den Heer Brisson getijteld word, heet bij anderen de Chineefche met een eetbaar nest. Dit Vogeltje, naamelijk, maakt aan de rotfen en klippen van den zee-oever een nestje uit zekere ftoffe, welke door de zee aanfpoelt en lijm« agtigis, gelijkende naar huifenblas. De Chineefen ee- ten niet alleen deeze nestjes, maar houdenze voor een zeer aangenaame fpijze, fmaakelijker dan oesters of champignons, in het vleeschfop gekookt zijnde of in ra- goûts. Dit Vogeltje is veel kleiner dan onze gewoone Zwalu-
wen; ja zelfs dan het Winter-Koningje. Het heeft de kenmerken die Linnsus opg.eeft, volgens de afbeel- ding van Brisson, welke in China is getekend. Deko- leur is vanboven zwartagtig, van onderen witagtig; de Staartpennen zwart, dog met witte tippen. III. Boeren Zwaluw ; Hirundo urbica; Hirundo agres-
tis. Gesn. Av. 5S4. Aldrov. Om L. 7. ra. 7. Wil- Lt>UGHB. Om. 155. Êfc; (Hirundo reclricibusimmacula- tis, dorjonigrocarulescente.Linn.Faun.Suec.~) __ Dee» ze heet, wilde of Boeren-Zwaluw. Frisch had er den naam van Urbica of Stad-Zwaluw aan gegeeven. Men.' noemtze, in 't fransen, ook Martinet of kleine Marti- net, en Witgatje ; in 't engelsch Martin, of Ruigpootje, om dat zij de Pooten , tot aan de Vingeren toe , ruig of wollig heeft. De Duitfchers geeven er derf Ff f f 2 naam |
|||||||||
|
4353 ZWA.
naam aan, van Huis', Dak , Fenßer-, Kerk-en Muur-
Zwaluw. ' Dit Zwaluwtje is wat kleiner dan de Huls-Zwaluw ,
eerstgemeld, die ook een rosfen weerfchijn en de Pooten , niet ruig heeft. Het maakt zijn nest zeer dikwils ponder de uidleekende rand der rieten daken aan boeren huizen, als ook in de groeven en onder de kanteelingen van de poorten en muuren der fteden. Dit nest is van boven gedekt, en heeft op zijde gemeenlijk een rond gaatje, dat dient tot in en uitgang van den Vogel. De Zwaluwen kondigen ons de wederkomfte van hel;
voorjaar aan : venit venit Hirundo, pulchra tempora addu- eens 5f pulchros annos. Hestch. Zij verfchijnen door- gaans in 't begin van april in Vrankrijk, en vinden dan,' 20 't een voordeelig faifoen is, wel haast de Kost aan, Muggen; dog de koude doet er dikwils veelen fneuve- len. De Heer Reaumur heeft opgemerkt, dat zulks in 't jaar 1740, wanneer de Muggen veel laater, dan an- ders, voor den dag kwamen , aaneen menigte van Zwa- luwen, door geheel Vrankrijk, is te beurt gevallen. De, Heer Bazin fchreef hem van Straatsburg, in de maand rneij, dat zij in de Eifaz, naargewoonte, met het be- gin van april gekomen, dog, aldaar geen Infekten vin- dende, veelal van gebrek geftorven waren; des men er dagelijks op de wegen, velden en in de hoven, dood zag leggen^ Hij ving er zelf, in de tuineq van Charen« ton, veelen met de hand, die geen kragt hadden om weg te vlugten. Otsftreeks Parijs vond men er, dies- tijds, ook veelen dervende of dood. Ondertusfchen is 't opmerkelijk , datde Nagtegaalen, in dat fchraale voor- jaar, niettemin op den gewoonen tijd gekomen waren; den 13 april had Reaumur ér reeds een hooren zingen; dog hij merkt aan, dat deeze niet van Infekten, die in de lugt vliegen, alleen leeven, maar van Wormen en Rupfen of derzelver Poppen, die zü van tusfehen de bast der boomen haaien; waar toe de Zwaluwen, we» gens de korthei i hunnes Beks, niet in ftaat zijn. IV. Strand-Zwaluw ; Hirundo riparia, feil. drepanis.
Gesn. Av. Aldbov. Om. /. 17. e. 8. Willughb. Om, 156, è?c ; {Hirundo cinerea , gula. abdomineque albis. Linn. Faun. Suec.i/tf ) ----- Van de Schrijvers word
deeze genoe.nd de Oever Zwaluw, of Drepanis, wegens
haare zeisfenswiize Staart. De Engelfcben noemenze gemeenlijk Sand-Martin of Banck-Martin , om dat zij haare nesten in de fandbanken aan den oever der zeeof in de duinen maakt. Van de Sweeden word zij Strand- Swala, dat is Strand-Zwaluw geheeten. De Duitfchers geeven er ock den naam aan, van Rijn- en Wasfer-SchwaU be; men zou ze Aard-Zwaluw noemen kunnen. Het is die, waar van de Heer Collinson meld, dat op zijn ■verzoek dezelven 's winters in haare holen gezogt, maar niet gevonden waren; 't welk, ook in dien opzigte, de Hellingen van Klein, die haar een winterverblijf in de aarde toefchrijft, omverftoot. En, inderdaad, het is «Je ongerijmdheid zelve,' dat de Water.Zwaluwen, want dus noemt men ook deeze, zich's winters in de aarde be- graaven , en de Luc ht-Zwaluw en in 't water kruipen zoudenf De Strand- of Sand-Zwaluw, daar wij thans van fpree-
ken, is kleiner zelfs dan dé kleine of Boeren-Zwalww, hier voor befchreeven. De Pooten zijn van agteren, tot aan de Vingeren toe, met wolligheid bezet. V. Gict'Zwaluw, Hirundo Apus.BELL. Av. 100. Gesn,
Av. i(5ö. Ald-rov, Orn. I. ij. c. 110. &c*; (Hirundo nigricans, gitta alba , digüis omnibus quatuor anticis. |
||||||
|
ZWtf.
Lisrw. Sijft. Nat)
Heer M. Houttuijn in zijn uitmuntende Natuurlijks Hiftorie) die, om dat zij nooit op den grond zitten gaat» van de Ouden Hirundo Apus, dat is zonder Pooten ge- heten word-, naar den hoogduitfeben naam Gier-Zwaluw', hogwel zij eigentlijk, wegens haar nestelen in oude ge- bouwen, Steen-Zwaluw moest heeten. De Franfchen noemen baar groote "Martinet of Moutardier, de Engel-; feben Swift of Horfe-Martin, wegens haare grootte. Zij is, naamelijk groojer, zelfs dan de Huis-Zwaluw. Op den grond vallende kan zij niet weder opvliegen , wor- dende van* de Kinderen gevangen met een hoek, waar aan een Krekel is gedaan, zo Bellonius verhaalt. Al- le de voorgemelden, behalven de Chineefche, onthou- den zich in Europa yi.-Kanadaafcke Zwaluw ; Subis; Hirundo coerulea
canadenfis. Edw. Av, 120 ; (Hirundo nigro crulescens, ore fubtusque cinerea ex-albida. Linw. Sij/l. Nat.) -7- Dit is een Kanadafche, die aan de Hudfons.Baij gevonden, en van de Ingezetenen des lands, aldaar, Sashaun-PaS' hu geheten word. De Heer Edwards heeft dezelve naauwkeurig 'afgebeeld. Hij noemt haar de blaauwe of groote Gier-Zwaluw; want zij overtreft, in grootte, nog de voorgaande. VII. Katolinifcke Zwaluw ', Hirundo pélagica; Hirurt'
do cauda aculeata americana. Catesb. Car. III. p. 8. ; (Hirundo reUribus qualibus, apicefululatis nudis. Linn". Sijfl. Nat.)---------De Heer Brisson befchrijft deeze
onderden naam van Karolinifche; Klein hadzegenoemd,
7,waluw, met de Staart wel zesmaal verdeeld; Catesbij geeft er den naam aan van Amerikaanfche met eeh gedoomd de Staart. Het fchijnt wel de purpere Zwaluw te zijn , daar hij van meld, dat zij in Karolina haar nest in deree- ten en gaten der huizen maakt, of in de fchoorfteenen nestelt. De koleur van deeze, immers, is bruin, van boven donkerer, van onderen bleeker, met een witag« tige Keel en de Staartpennen bruin, hebhende ieder een fijne fpitfepunt. Men vind haar, bij fomer, in Karoli- na en Virginie. VIII. Spaanfche Zwaluw ; Hirundo Melba ; Hirundi
riparia maxima. Edw Av. 27. Klein. Av. 3.; (Hi- rundo fusca , gula abdomhieque albis. Linn. Sijfl. Nat.) , Van deeze geeft Edwards de afbeelding, onder den naam van aller gr ootfl e Strand-Zwaluw, en Brisson noemt haar de groote Spaanfche. .Zij verdient inderdaad dien naam, als de Gier»Zwaluw in grootte eenmaal overtref- fende , of eens zo groot zijnde, naar men zegt. Deko* leur is van boven donker-bruin, van onderen witmaan de zijden bruin gevlakt; zii heeft een bruine halskraag, met zwarte vlakken ; de Staartpennen zijn van boven donker-van onderen breekbruin; de Pooten tot de Via- geren toe roet wolligheid bezet; de Staart weinig gevorkt. Men vindze in Spanje, inzonderheid aan de Straat van Gibraltar. ZWALUWEN-KRUID, zie GOUWE.
ZWALUWEN-LUIS, zie VLIEGENDE LUISEN;
n. Ilf. pag. 3909. ZWALUWEN-WORTEL, is de naam van een Plant-
gewas, welke in het grieksch vixutÓ^ixo, word genoemd; fnbetlatijn, Vincetoxicum; in het fransch Dompte ve- nin; in hetengelsfh, Swallawwoert ; en in 'thoogdüitseh, S'ehwalben-Wurtz; (Afclepias foliis ovatïs laß larlatis, eaule ere&o, umbellis proliferis. Linn. Spec. Plant) Kenmerken. De Zwaluwen-Wortel is een zoort var*
PTant» die vau zommigen ook Hirundinaria, als mede Afclt«
|
||||||
|
ZWA.
|
|||||||||||
|
ZWA.
|
|||||||||||
|
4359
|
|||||||||||
|
fAJdepjas word gënoemt. P. Amman« zegt zulks het
Apocijnum te zijn, en dien Heer plaatst dezelve tot de zodaanige Planten, welkeeenvakkige Peulen voortbren- gen, koomende naar elke Bloem een Peuitje, dieboven. waarts van malkanderen gaapt, en in een enkelde goot of holte veele zaadkorrels bevat, die als boven malkan- deren op een zijn geftapeld. ------ Ingevolge de verdee ling van Raij , behoort den Swahtwen-lVortel tot zodaani-
ge Kruiden, wiens Bloemen uit vijf Bladeren beftaande, 'zekere Zaadhuisjes agter zich nalaaten , en met het j4pocijnum vermaagdfcbapt zijn, Hemmende met dit denkbeeld ook volkoomen overeen , Ruppius,ini<7or. j^. nenf. p. 20. Plaats. Deeze Plant word van zelfs groeijende ge-
vonden , in Vrankrijk, Engeland, Neder-en Hoogduitsch- ]and op bergen en in ruime gewesten, als mede bij hei» .Hingen en heggen. Befchrijving. De Stengel van dit Kruid is hard, regt
opwaards ftaande, en heel takkig , behalven bij de wor- tel die eene tamelijke groote heeft. De Bladeren (laan twee aan twee tegens malkanderen over, zijn hard, ei- rondagtig, langwerpig en geheel glad, gaande daarenbo- ven puntig toe. Van de Bloemen ontftaan er meer op een Iteeltje, 't welk uit de vleugels der Bladeren voort- groeit, komende gemeenlijk boven aan den ftam bij mal- iander. De Bloesfem is wit, vleesfchig, iets digt; het Bloemkelkje bijkans als een baair zo fijn , echter vijfbla- dig. De Bloem zelve is uit een korte buis in vijf pun- tige fnijdingen verdeelt, of volgens den Hoogleeraar H. Bokrhave eenbladig gedeeit, gelijk als een ftar uitge- breid, waarin nog een ander klein Bloempje van vijf Bladjes vrij korter enkleinderzit, zijnde met vijfBIoem- vezels voorzien , die vast aan't Zaadbuisje fluiten. Uit de holte der Bloem ontftaan vijf vezelen , met verfcheide draaden, en derzelve 'tzarnenftaandepunten, welkemet het dekzel, waar mede de pijpjes bedekt zijn, 't zamen groeijen. Men vind er twee peukjes met twee vleugels aan, die uit de koekjes enkelde pijpjes voortbrengen. De Zaadkorrels zijn als blaadjes aan te zien, eirondag- tig, dog met vogelbekken, op de eene zijde verheven , op de andere kant hol, en met veel vezels als van zijde bekleed. Kragt en Gebruik. De Wortel van deeze Plant is
zeer vermaard, en word in de Apotbeeken gevonden. Men fchrijft aan dezelve, een opdroogende, verwar- mende, oplosfende, verdeelende, zuiverende, opening verwekkende en vermerkende hoedaanigheid toe; voorts, dat het een goed middel is om bet ''enijn endezweeurit te drijven, insgelijks nuttig tegens. de pest en kwaadaarti- ge koortfen, dat zü de verrotting tegenftaat, en de bee- ten van venijnige Dieren heelt. ZWALUW-SPECHT, zie SPECHTEN «. IV.
» Pag 34'Sö- ,■ ZWALUW-STEEN, in het latijn CJielidonius, is de
naam van een fteen welke men zegt dat in demaagen van de jong uitgebroeide Zwaluwen worden gevonden; en die men voorgeeft, dat bijzondere kragten tegens de val- lende zfekte hebben. ZWANGERHEID, verftaat men dieftaatvan eene
Vrouwe door, waar inzü bevrugt is,en een of meerder kinderen in haaren boefem draagt. De Zwaw?erheid gaat zomtijds met veeïerfefi onge-
makken, verzek, inzonderheid zijn zwangere Vrouwen dik wils. met dë zode gekwelt, waar van men de manier ©nudie te behandelen,, op.het artijkel ZODEkannazien» |
Insgelijks zijn zij in den eerften tijd haarer Zwangerheid
veel aan mislijkheid en braaken onderhevig, vooral des morgens ; bekwaame middelen hier voor zal men op die Artijkels befcbreeven vinden. Ook kan men de hoofd en tandpijn als zeer lastige toevallen der Zwangerheid aanmerken. De eerfte deezer pijnen word gemeenlijk geneezen, met zagteiijk open lijf te houden, door het gebruik van vijgen , gettoofde pruimen, gebraadene ap- pelen en diergeiijken; wanneer de pijn zeer hevig is kan bet aderlaaien van nut zijn. Omtrentde behandeling der tandpijn, wijzen wij den leezernaar dat Artijkel. Ook zouden wij hier nog verfcheidene andere ongemakken der zwangere Vrouwen kunnen bijvoegen , als hoest, moeijelijke ademhaal ing, zomtijds opftopping, zomtijds ontlooping der pis, enz. dan dewijl wij die alle op de artijkels van derzelver eigen naamen hebben befcbree- ven , zoude zulks maar eennuttelooze herhaaling zijn. Een iedere zwangere Vrouw loopt fteeds meer of min
gevaar van een miskraam te krijgen. Hier tegen dienen zij zich met de uiterfte omzigtigheid in agt te neemen, wijl zulks niet alleen haar gefiel verzwakt, maar haar tef- fens voor het zelfde ongeluk in het vervolg blootfteld. Zie MISKRAAM. ZWART is het donkerst van alle de koleuren, en
die welke het meeste met de witte is ftrijdende. Zwarte lighaamen, zijn zigtbaar; zij zijn derhalve ge-
koleurd, nademaal niets zigtbaar is dan door deszelfs koieur. Enzijnzegekoieurd, zijnze zekerlijk in't zwart gekoleurd, om dat men er geen andere koieur aan kan toe- eigenen. Zwarte lighaamen, zeggen fommige Schrijvers, zijn onzigtbaar uit zich zelven, en zijn alleen zigtbaar door de lighaamen , welken hen naast omringen. Dog dit is een klaarbliddijke valschheid. Men legge eens voor zijne oogen eenzwart ligliaam, jaeen van de allerzwaru ften, van zulk eene uitgebreidheid, darmen niets an» ders zie; men zal dit lighaam gewislijk zien, gelijk mij, déze proeve nemende, gebleeken is, en men zal het ze- kerlijk op zich zelve zien ; want het gezicht valt hier op alleenlijk, en reikt niet tof andere lighaamen,. welken tot fcheiding dienen. Zwarte lighaamen doen licht weerom .ff uiten; bijgevolg
zijnze op zich zelven zigtbaar, en hebben een wezen, lijke koieur. Zij doen licht weerornfhiiten, en waar- fchijnlijk zowel als andere zoorten van lighaamen; want het is zeker, dat er licht vallezowelop dezen als op an- deren;, en het is niet min zeeker, dat het genoegzaam niet mooglijk is, dat zij het grootflegedeelte er van ver- zwelgen of verdooven, gelijk ik gemakiijk zou können bewijzen, indien ik hierop wilde flilftaan. Dat de zwax- te lighaamen een donkere koieur vertoonen, en wel de- doffte van allen, is om datzede licbtftraalen met minder kragt weerom kaatfen, dan alle andere lighaamen; en hier uit volgt een naamver indruk op tyat werktuig van onsgezigt, maar niet om datze geheel eïi al niets, te'rug doen ftuiten, of datze maar een gering gedeelte terug» kaatfen. Zij moeten inderdaad veel terugkaatfen, want men ka»
er als door verblind worden ; en zwarte lighaamen, weï gepolijst, worden waare fpiegels , waar in zich de. voor^. werpen vertoonen, zo wel als in andere fpiegals, met dit onderfcheid alleen, datze zieh minder levendig, dbera* zien. Het bewijs hiervan is in alle mans handen-, zon- der dat men er misfchien acht op heeft gegeeven». Eer* zwarte tabaksdoos, wel vernist zijnde (waar door bif wel gepolijster gemaakt, maar niet belet word zwartte E fff S 2ijn> |
||||||||||
|
iWÄ.
|
|||||||||
|
4560 ZWÂ.
|
|||||||||
|
gijn) vertoont de voorwerpen. Men ziet op dezelve
zeer klaar de trekken van zijn wezen, en alles wat men - er voortbrengt. Zo dat men aan dit geringe huisraad niét alleen heeft een doos voor tabak, maar te gelijk een werktuig voor de proefnemende Natuurkunde, en altijd bij de hand om de zulken te doen zwijgen, die ontken- nen dat zwarte lighaamen licht terugkaatfen. Newton is het bijna hier in met mij eens. In het
tweede ftuk van zijn Optica, fpreekt hij van licht door zwarte lighaamen teruggekaatst; en elders, op verfchei- den plaatfen, zegt hij uitdruklijk; dat het Zwart licht doet weeromftuiten. 't Is waar, bij ftelt, dac het wei- nig terugkaatst, ik, integendeel, beweere, dat het veel weerom kaatst, en waarfcm'jnlijR zo veel als andere lig- haamen, hoewel minder fterk, en totmindereafftanden, van wegen de groote zwakheid van de kleine veeren van zijne onzigtbaare deeltjes. Maar dit raakt het gefcbil niet ; het meer of minder weerom gekaatst licht maakt hier geene verandering. Het is mij genoeg, dat deezeFiió. foof erkenne, gelijk hij doet, dat zwarte lighaamen licht terugkaatfen. Dezeerkentenis, zo voordeelig voor mij, is tegen hem, omdathij, hierdoor, in tegenftrijdigheid Vervalt, want, is het geenetegenftrijdigheid, teftellèn dat het Zwart geen waare koleur zij, en te gelijk te er- kennen , dat er licht van zwarte lighaamen teruggekaatst worde? Is dit niet op dezelfde tijd te zeggen, dat het geene, en dat het immers een koleur zij; nademaalmen overal eene koleur en een waare koleur heeft, waareen wezenlijke terugkaatfing van lichtftraalen gefchied , ai is het van weinige, mids genoeg om een lighaam zichtbaar te doen zijn. Sommige navolgers v^nNewton, fchijnen ditgemerkt
te'hebben; en, om deze moeilijkheid te ontgaan, zo ver gekomen te zijn, van alleweeromkaatfing van licht, door zwarte lighaamen , te ontkennen. Gelijk Benj'. Martin, die zich dus uitdrukt: ,, Wat het Zwart aan- gaat, dat is eigenlijk in 't geheel geene koleur. Het behoort alleenlijk tot die lighaamen, welker zelfftan- ,, digheid allede lichiftraalen verzwelgt, die er op vallen; en die derhalve in 't geheel geene koleur können heb- ,,- ben, om dat er geene lichtftraalen van terug gekaatst worden". Eenander, nog jonger Newtoniaan , zegt: Een lighaam is Zwart, omdat het geene lichtftraa! te. ,, rugkaatst". Deeze Schrijvers beveiligen zich inderdaad, hier door, tegen de ongerijmdheid van hunnen Mees- ter, maar vallen in een andere, welke niet geringer is. Want uit deeze ftellingzou volgen, dat wij de zwarte lighaamen zien en niet zien. Wij zienze, gelijk men onderftelt, en alles bewijst; en wij zienze niet, om datze geen licht doen weeromftuiten, en geen ding ge- zien kan worden zonder weeromkaafzing van licht. , Zalmen, om zich bier uitte redden, toevlucht nee- men tot het gene ik reeds wederlegd bebbe, en ons nog zeggen, dat wij de zwarte lighaamen eigenlijk niet zien, zelfs op den helderen middag ? Wat ! is er dan geen o.n- derfcheid tusfchen lighaamen welken in een helder licht gefield zijn, en lighaamen, welken in duisternisfe ge- fmoord liggen: tusfchen lighaamen blootgefteld aan alle de werking van eene ftoffe welke geweldig bewogen word, en lighaamen welken omringd zijn van eene ftoffe in rust, welke geen demïnfte trilling in dezelven ver- oorzaakt? Zekerlijk is er verfchil tusfchen deze rwee zooiten van lighaamen; de eerstgemelden treffen onze oogen door de lichtftraalen, waar door:zijzelven aange- daan zijn geworden ; delaatften maaken geen denmin- |
|||||||||
|
ften indruk op ons, om dat wij er geene altoos ontfan-
gen dan van de verlichte lighaamen. Indeeërften ont- dekken wij niet alleende groote, maarookdealierklein- fte deeltjes, doorze van nabij gade te flaan. In de ande- ren ontdekken wij geene onderfcheiding vandeelen, wij konnenze nietonderfcheiden, hoe groot en nabij ze mo. gen zijn. Wij bemerken in de eerften de verfchillende mengelingen; want men heeft zwarte lighaamen, welke donkerer zijn dan anderen; andere*, welken meer of min hellen naar het violet, het blaauw, ja zelfs het rood. In de anderen bemerken wij geene koleur, geene mengeling of wat' het zij ; men ziet niets, Deeze lighaa- men verfchillen, derhalve, baarblijklijk van malkande« ren. Wil men eindelijk, als een laatfte uitvlugt de proeven
niet de Prisma hier tegen inbrengen-, welken Newton zo veel fraije dingen vertoond hebben; welken hem in 't bijzonder getoond hebben, dat het violet het zwakfte en laatfte is van de koleuren, na welke men gevolglijk geen andere kan hebben ? Het is een groot gebrek in dee- zen Autheur, zich te veel aan de Prisma gedragen te hebben, alles te hebben willen beflisfen door de Prisma, voornaamlijk omtrent het ftuk, waar over wij tegenwoor- dig handelen. Het violet is het zwakfte , 'tiswaar, en hec laatfte van de koleuren met de-Prisma; maar het is niet het zwakfte en laatfte van de koleuren, welken in de Natuur beftaan. Indien dit ware, zou men met een fprong, van deze koleur komen tot een volmaakte don- kerheid en ontbeering van alle licht. Maar zekerlijk, dit gefchied niet; er is een midden tusfchen beiden, en dit midden is het Zwart, het welk het licht nog fteauwe- terugkaatfende dan hef violet, er hier door van ver fchilt ; en het welk, door de terugkaatfing van licht' fchoon met weinig kragt onderfcheiden is van eigenlijke duisternisfe, welke niets terugkaatst. Uit al het gène ik gezegd bebbe, volgt, dat men, om
net te fpreeken, en verwarring te vermijden, twee zoor- ten van Zwart moet ftellen, een gekoleurd Zwart, en een Zwart, 't welk niet gekoleurd is; een zichtbaar en een onzichtbaar Zwart; eenftelligZiearf., 't welk licht» ftraalen doet weerom ftuiten, en een ontkennend Zwart; 't welk niets terugkaatst; een Zwart eigenlijk zo ge» noemd , welk eene koleur voordoet van alle anderen verfchillende, zo wezenlijk als anderen, ook metonder» fcheiding van mengelingen;" en een Zwart oneigenlijk zo genoemd, welke niets vertoont dan een enkele duisrer- nisfe, overal gelijk, en hier door alle koleuren verduis- tert, verzwelgt en onder elkander verwert, en de aller- fchitterendfte met de allerdoffte gelijk maakt. Zonder deze onderfcheiding, verwart men alles en fpreekt zich zelve tegen; en met behulp van deze onderfcheiding laat zich alles verklaaren, en er blijft geen zwaarigheid aan- gaande het leerftuk van het Zwart. ZWARTACHIIGE KL1PVISCH, zie KLIPVIS-
SCHEN , n. IX. pag. 1524. . 7 ZWARTACBTIGE OPAALSTEEN, zie OPAAL.
ZWARTE AGRET-TOR , zie OLIJPHANTJES
(BASTAARD-)« t. pag. 2364. ZWARTE AMBER, zie AMBER.
ZWARTE-BALSEM, zie LADANUM.
ZWARTE BORSTKOEKJES, zieKOEKJES (ZUL
KER-) . ' ZWARTE COR1ÄNDER, zie NIGELLA. '
ZWARTE DREK. zie KlNDERZIEKTENS.
ZWARTE ELSENBOOM, zie PIJLHOUT.
ZWAR»
|
|||||||||
|
ZWA.
|
|||||||||
|
ZWA. 43<îi
|
|||||||||
|
ZWARTE EEND, zie EENDEN, n.XV,pag. 587.
ZWARTE-GALZIEKTE, zie MÉLANCOLIE,
ZWARTE GOUD VINK, zie KERNBlJTERn. XII.
pag. 1480. ZWARTE JACEA , zie JACEA.
ZW ARTE IBIS, zie REIGERS, '«.»XVIII. pag. 2.964.
ZWARTE INKHOORN, zie INKHOORNEN ,
», IL pag. 1319. ZWARTE KALANDER, zie KALANDERS, n.
II. pag 1394- ZWARTE KERNBIJTER, zie KERNBIJTERS,
». XXVlU.pag, 1481. ZWARTEKONST, zie PRENTKOMST.
ZWARTE KRAAKBESIEN.zieKRAAKBESIEN,
B. I. pag. 1613. ., :" r s ZWARTE KÜMMEL, zieNIGELLA.
ZWARTE MALROUW, zie MALROW.
. ZWARTE MARMERSTEEN, zie-MARMER.
■ ZWARTE MIER, zie MIERE-N. ZWARTE NiESWORTEL, zie NIESWÖRTEL
(ZWARTE-) ■' Mj, ZWARTE ONWEERSVOGEL, zie ONWEERS-
VOGELEN, n. Il pag 239.5.. ZWARTE PAAUWIES. zie PAAUWÎESEN.
ZWARTE PÂPPEGAAIJ. zie PAPPEGA1JEN, n.
XVIII. pag 2592. ZWARTE PIS, zie PISKIJKEN.-
ZWARTE POPULIER, zie POPULIERBOOM.
i ZWARTE RADIJS, zie RADIJS. ZWARTE RALL, zie RALLEN,«. II. pag. 2891.
ZWARTE ROOFVLIEG , zie ROOF-VLIEGEN , n. V. pag, 3099
ZWARTE STORK , zie REIGERS , ». VIII.
pag. 2961. ZWARTE VLIEG, zie ONGEDIERTE.
ZWARTE.ZANDLOOPER.zieSANDLOOPERS,
B. IV. pag. 3207 ZWART-HAFT, zie HAFTEN , ». VII pag. 996.
ZWART KAPJE, zie KWIKSTAARTEN,».XIX.
pag. 1705. ZWARTKOP, zieMEESEN, n. V. pag. sou.
ZWART-KRIJT, zie PNIGITIS TERRA.
; ZWARTMOEL, zie KABELJAAUWEN, n. IX. pag, 1390. "ZWART MOSTERDKRUID, zie MOSTERD-
KRUID, n. I. pag 2187. ZWART OLIJPHANTJE, zie OLIJPHANTJES,
n. LXXUI.pse-2362. ! ZWARTZEL, zieRIEMROET. ZWAVEL, in 't franscb Soufre , in 't latiin Sulfur,
en in 't gfiekscb ®shv genoemd, evenals of zij geheilig- de zaak zeiden, omdat zij ze in alle hunne ingewandbe- fchouwingen gebruikten, en die de Arabieren Kabrie of Cbièur, noemen ; is een mineraal, zamengefteld, hard, droog, wrijfbaar fap, dat op 't vuur fmelt, ligt vlam var, als hij even de brandende kooien raakt, enindenbiand zijnde blaauwe vlam geeft, daarbij een fterke, doordrin- gende, zuurereuk heeft, die fchadelijk aan de longen is. Verfchillende zoorten van Zwavel zijn er; wat zijnen
oorfprong belangt, word zij verdeeld in natuurlijk, bij de grieken âirvpei- genaamd, omdat zij niet door het vuur gegaan is,- en in 't door kunst gemaakte , tstïms»- fté'iv, dat door het vuur gezuiverd is. De koleur is bij .'t een citroenagtig, bij 't ander geel, bij 't derde rood , bij eenigen aschgraauw, en bij zommigen witagtig. De |
|||||||||
|
zelfstandigheid is bijden een zuiver, bijden ander on-
zuiver. Het natuurlijk, ook levendig Zwavel in de winkels ge-
naamd, beeft nog twee zoorten, waarvan het een door- fchijnend, het ander ondoorschijnend is. Het doorfckij- nende is als een ede!-gefieente van eene goude cirroen« koleur, of naar het groene trekkende; hst word op ver« fcheide plaatfen gevonden , en vooral in de goud-mijnen van Peru, in de Provincie Quinto, in het eiland Mili, in Zwitferland digte bij Bex, in het Canton Bern. Het ondoorfchijnende vind men in harde en vaste ftukken, van koleur als een citroen of een weinigje groen en blinken- "de; of onder de gedaante van aard-of kleij-klompen van eene aschgraauwe koleur, naar het witte ofgeele trek- kende. Dit zoort word op verfcheidene plaatfen ge- vonden in de omgelegene landen van Pouzzoli, aan den voet van vuurbraakende gebergtens, gelijk de Vefuvius, Etna, Hecia en andere, en zelfs in eenige zwavelagtige aardens of fonteinen van Europa en Amerika. Het door kunst gemaakte Zwavel, of dat het vuur on-
dergaan heeft , word op verfcheidene wijzen bereid. Op eenige plaatfen haalt men het uit zekere waters, die men kooken laat, gelijk digte bij Buda, volgens getui- genis van Agricola. In de warme wateren van Aken, bij den oorfprong van de Baden vanCefar, verheft zich de Zwavel met den damp van 't water, en een weinig harde ftukkken hechten zich onder de gedaante van Zwa- velbloemen, aan de opening van de put en aan het verwulf; men haalt er jaarlijks een groote menigte uit. Zomtijds haalt men het uit eçne leemagtige aarde, die wit of grijs- agtigis, dus inde velden vanR.ome, nabij het kasteel Braccian, is 'een Zwavelmijn, onder de gedaante van een vette, witte, leemagtige aarde, met eenige zwar- te aderen doorweeven. Alsdeeze uitgegraaven is. word ze gedaan in groote aarde vaten, die bekwaam tot de des« tiilatie zijn, en men haaltze met kragt van vuur over. De Zwavel gefmolten zijnde, vloeit door den bek van den kromhals in den ontfanger, en maakt hier binnen kort, groote kluiten ; nadat de destillatie gedaan is, blijft op den bodem van het vat eene zekereroodeaarde, die nergens toe deugt en weggeworpen word. Zeer dikwijls haalt men Zwavel uit zekere Pijrites,
gelijk a's in het land van Luik; alwaar men uit de aarde Pijrites graaft, gelijkende naar loot-ertz, dat in kleine ftukken geflaagen en in kroezen gedaan word, of liever in vrij groote aarde kromhalzen , van eene vierkante gedaante, die eene naauwe opening'hebben. Deeze va« ten worden in fornuizen gezet, een weinig voor over hellende , opdat het vuur aan brand zijnde, het zwa. velagtig gedeelte van de ertz, dat gefmolten is, in het koude water vloeit, 't welk in de ioode ontfangers is, alwaar het. fchieliik hard word. De harde ftof, die in de kromhalzen blijft, nadat de Zwavel afgefcheiden is, heeft zeer veel v/frioui in zich, welke op de gezegde wij. ze, er uitgehaald word. Zo de Zwavel, die uit demijn gehaald word , nog niet wel gezuiverd is, fmelt men ze op nieuw in ijzere vaten en doet er eer. weinig lijn-olie bij ; Vervolgens maakt men er groote klompen Van, we'« ke gemeenlijk Zwavel in masja genaamd worden; of men giet het in ijzere buizen, die met olie befmeerd zijn; dan heeft het de gedaante van ftokken, en word ge- meenlijk Zwavel aan ßokken of Stck-zwavë geheeten. De dus gezuiverde Zwavel, noemt men gemeene Zwavel,
welk nog tweedérlei je is, of geel of een weinig groen. Tot gebruik der Geneeskunde, en vooral tot inneemen zoekt meij
|
|||||||||
|
zwa;
"zeerftïnkend. Giet opnieuw den fpiritus vwiaf.en her«
haalde destillatie, tot dat de fpiritus- geen onaangenaa- me reuk meer heeft ; als dan zal er op den bodem van den kromhals eene bitumineufe zwartagtige ftof overblijven, van geen onaangenaamen reuk, het welk het bitumineufe en vlam-vatbaare gedeelte van de Zwavel is. Men dient in achtte neerhen,dat er maar een gedeelte
van deeze bitumineufe zelfftandigheid in den fpiritus vini ontbonden is, en dat er een gedeelte overblijft, 't geen nog in deezen geest nog in de loog-vogten ontbon- den kan worden,: maar alleen in de olea esfentialia van de planten,kan worden opgelost. Deeze bijna onfmeltbaa« re zelfftandigheid, iseenfterkpurgeer-middel, alsmerizein. geeft van twee tot drie greinen; maar't geen indenjjH'n- tus vini fmeltbaar is, is een uitneemende balfem voor de longen. Door, deeze analijfis, haalt men uit de Zwavel bijna ee-
ne gelijke menigte van drie zelfftandigheeden, ten eene» maaien in hunnen aart verfchillende; deééne is zuur, de andere bitumineus, en de derde aardagtig en vast. Het zuure vogt verfebik niets van den fpiritus vitrioli: en zo men hier Ja/ tartari in mengt tot eene volkomene/atKra« tie toe, krijgt men kristallen, volkomen gelijk aan die van den tartarus vitriolatus ; waaruit men befluiten kan, dat degemeene Zwavel zamengefteldis, uit eene gelijke hoeveelheid vitriool-zout, bitumineufeolieen fijne aarde, 't Geen ook nog beweezen word door de künftige zamen» ftelling van de Zwavel, het zij men het doet door eene nieuwe vereeniging van de zelfftandigheeden, die men uit de Zwavel gehaald heeft, of door famenmenging van die, welke daar volmaakt mede overeenkomen; want zo men het zuure en witagtige vogt, dat men uit de Zwa- v«/getrokken'beeft,ofdeJpi'n'ttn/«/p/mw, ofwel de oleum vitrioli mengt met de bitumineufe zelfftandigheid van de Zwavel, of met eenige bitumen, olie of vet, en men het destilleert door middel van 't f al tartari, zal er op de bodem van den kromhals een zoutagtige masfa over» blijven,gedeeltlijk geel, gedeeltlijk rood, waarvan men de gemeene Zwavel kan affcheiden. Men maakt de door kunst gemaakte Zwavel op een
gemaklijker wijze, door tot eene volmaakte/atwrafz'toe de eene of andere olie, het zij gedestilleerd of geperst uit plantgewasfen». of het vet der dieren, of de bitumen minerale, of zelfs de fpiritus vini, te gieten op vitriool, op vast zout van vitriool, op den tartarus vitriolatus, op 't/a/ mirabilt van Glauber, op aluin of eenig ander yittiool-zout in een kroes gefmolten; want weldra, nadat men deeze vlam-vatbaare vogten geftort heeft, ziet men een blaauwe vlam opgaan, en uit de kroes verfpreid zich eene zwavel-reuk. Zo men dan de masfa zout uit de kroes neemt, en in water fmelt, en op deezefolutie ge- destilleerde azijn giet, word het vogt wit gelijk de lac fulphuris, en langzaamerband zinkt er op den bodem van 't vogr, een grijs of geel poeijer, het welk de waare Zwavel is. De Zwavel, zegt Dioscorides, is goed in de hoest voor Asthmatici en die etter opgeeven , het zij men het in een eij inneemt of door 'umigaiie. Hippocrates ge- bruikte het in morbi hijsterici. Zodra, zegt hij in 't tweede boek der Ziektens, er toeknijping is van de lijf- moeder met hoest, ze meng zamen de zwaarte van eenhalf. fcrupelfandarack en Zwavel, die het vuur niet gepasfeerd heeft, en drie of vier gepelde amandelen, en laat het in een welriekende wijn inneemen; en in het boek de Natura Mulierum laat hijzich dus hooren; geeftin de toetrekking van de lijfmoeder, zwavel in fumigatie. v . |
||||||
|
4ï<52 ZW A.
men die geel, van eene goude koleurisj ligt breekt,
wrijfbaar, en een klein geraas maakt,-als men ze tus« fchen de vingers wrijft; en die eene morsflg-geele koleur heeft, word verworpen ; om de olie of geest van de Zwa- vel te krijgen, verkiest men de groene voor de geele, omdat die eene grootere menigte vitriool-zout in zich bevat. De gemeene Zwavel fmelt op het vuur; zodra men
haar bij de vlam of glimmende kooien houd, is zij aan- ftonds in den brand, en geeft een ligte blaauwe vlam, en een zeer fijne zuure reuk, die de neusgaten prikkelt én hoesten doet; men ontdekt eene ele&ricque kragt in de Zwavel; zij fmelt niet door zuure, maar zeer ligt door falia alkalina en olie. Als men haar in de opene lucht verbrand, vliegt zij geheelen al weg, en er blijft alleen een zeer klein metaalagtig gedeelte over. Als men zorgvuldig den damp bpzamelt, die uit de Zwavel' komt, en die in de opene lugt verbrand, heeft men een zuur vogt, den Spiritus viirioliniet ongelijk, zonder dat er de minde blijk van olie of bitumen overblijft; dog wórd de Zwavel gedestilleerd in een geflooten vat, bij voorbeeld door een heim, zal de damp, die boven in het vat opklimt, zich niet in verfchillendebeginzelskunnen ontbinden , maar de gedaante neemen van roet of wel geel» agtigeftoffe, welke raen bhinyan Zwavel noemt, en de eigene gedaante van dé Zwavel zelve heeft. De Zwa- vel dan in geflootene vaten zich niet tot haare beginzels kunnende ontbinden, was moeilijk om er de analijfis van ■ te maaken , en onvolmaakt, voor dat Homberg ze vol- bragt heeft. Deez kundigen man heeft ze openbaar-ge- maakt inde Memeir. de l'Academie des Sciences, vani7oj, en op de volgende wijze zulks uitgelegd. Neemt Zwavelbloemen4 oneen, en Terpentijn-olie een
pond, laat het zamen in een matras digereerenop een fand-bad geduurende agt dagen, tot dat al de Zwavel ont- bonden zij, en het vogt eene roode donkere koleur neb- be. Zet het dan op eene koele plaats, en als het vat ver- koeld is, zo maaken omtrent drie vierdens van de Zwavel, citroenagtige krijstallen, en de andere vierde blijft in het vogt ontbonden. Scheid voorts de tinftuur van de krijstal- len, waarop gij nog een pond terpentijnolie zult gieten ; doe het digereeren en febeidde tinfluur af, en giet de terpen* tijn'olieover, totdat déflores fulphuris ten eenemaal ont- bonden zijn. Vermeng dan al die tinBuuren famen, en haal ze over in eenen groote glazen fcromhals op een zagt vuur. Het grootlte heldere, gedeelte van de terpentijn- iiik zal over komen met een gedeelte van een witagtig, fcherp zuur vogt. Als in den kromhals idruppels van een rood vogt zich laaten zien, moet de recipiënt veran- derd en het vuurbij graaden vermeerderd worden , tot dat er niets meer uitkomt. Op het einde van de operatie gaat er eene vette, duistere olie over, met een gedeelte witagtig en zuur vogt. Na dat de destillatie gedaan is, blijft op den bodem Van den kromhals over een caput mortuum, of eene zwarte aarde, die weinig geflooten , maar fpongieus,bladerig, blinkend, fmaakloosis, en op het allerfterkfte vuur'onveranderlijk blijft. Doe dan de vette, rosfe en.bitumineufeolie opnieuw in eenen glazen-krom. hals, en haal door eene destillatie opeen zeer zagt vuur het overig gebleeven zijnde gedeelte van de terpentijn' eiie, en het zuure en witagtige vogt af; en als er zich roode druppels beginnen te vertoonen,neem als dan het vuur weg, en giet op de bitumineufe ftof, die in den kromhals over- blijft, fterk overgehaalde/pjn'fwJVïH«, en die gij vervol- gens door eene zagte nette znk overhaalen,zijnde die ftoffe |
||||||
|
ZWAÏ
: De Geneesheeren beveelen tegenswoordig het inner-
lijk gebruik van de Zwavel aan, tegen de ziektens der iongen, waarvan zij de balfem geheeten word; want zij bevordert de expeBoratie, zuivert en verfterkt de Ion. gen ; om die reden is zij van zeer veel nut in de teering, benauwde borst en zinkingen. Ook is zij van alle tijden on. dervonden, een fterk middel in de ziektens van de huid ; want het zij men ze innerlijk of uiterlijk gebruikt, zij ge- neest de haair-en dauw-worm, en een feortvanfehurft; uiterlijk aangelegd ontbind zij harde gezwellen, en doet <de bubones rijp worden; ondertusfehen pasfen de genees- middelen, met Zwavel bereid, geen zwangere vrouwen; dewijl het te vreezen is, dat zij er een miskraam van zouden krijgen. t)e Zwavel, ingenoomenzijnde,verwektftoelgang en
doorwaasfeming, het geen men ligtteweeten komt door de zwavelreuk, welke de lighaamen van hen uitwaas- femen, die ze ingenomen hebben, ook uit de bruineen zwarte koleur, waardoor het zilver en goud befmet is, dat zij draagen. De Zwavel zich dan zeer fchielijk door 't gantfche lighaam verfpreidende, kan door haar balfa- mijke deeien de fcherpe zouten omwinden, diedevog. ten in deeze ziektens bederven, door de fcherpheid te verzagten, en door in de vogten teherftellen, eene prijs lijke, zagte en even als eene olieagtige hoedanigheid, waardoor de kleine zweertjes van de huid en longen ge- neezen worden. Schoon men de zuivere Zwavel, tot fijnepoeijer ge-
wreeven zijnde, kan laaten inneemen, word die echter zeldzaam voorgefchreeven, zonder dat ze geprepareerd is, en de Schrijvers (lellen bier verfcheidene wijzen van voor. Eenige fmelten de Zwavel met wasch, en werpen die in 't water ; het wasch drijft op 't water, en de Zwavel gaat naar den grond ; deeze bewerking word eenige keeren herhaald, en wanneer de Zwavel een roode koleur ge- kreegen heeft, meenen zij, dat ze wel gezuiverd is. Anderen doen de Zwavel eenige uuren in water kooken, welk water zij van tijd tot tijd veranderen; zetten haar ver- volgens in een flaauwe oven, en laaten ze daar twee uuren in, opdat ze eenige dampen verfpreide. De overblij- vende Zwavel is bleekgeel, en zij denken dat die zeer zui- ver is. Anderen maaken/acen magisteria van Zwavel, die zij denken veel beter te zijn dan de Zwavel, zoals zij is ; dog deeze bereidingen vernietigen de natuur en kragt van de Zwavel, of zijn meer of min nut. loos. De beste van alle preparatien van de Zwavel, is haare
Jublimatie of brenging tot bloemen, bij de geheele wae- ield genoegzaam bekend ; want door dit middel fcheid men de Zwavel van alle haare metaal, en aard-deelen , die er met mooglijkheid in kunnen zijn. De Zwavel, een zeer levendig en tegen de borst ftrij-
dig zuur (acidiwi) in zich bevattende, hebben de Schei- kundigen getragt een kragtiger middel voor de longen te bereiden, door dit aai«?« te verzagten of te omwinden en er den balfamus fulphwis uit zamenteftellen, 't welk op devolgendewijie toegaat. Stort Zwavelbloemen op eene groote menigte olie van
welker zoort gij wilt, zo dat die olie drie of vier vingers boven de zwavel ftaat, doehetdigereerenin hetfandbad op eene zagte warmte, tot dat het vogt eene roode of bruine koleur heeft. Laat vervolgens het vogt verkoe- len , fcheid het vuil er af, en bewaar het voor 't ee. bruik. h Op deeze manier kan men verfcheidene balfami ful-
VII Deel. J '
|
|||||||||
|
ZWA.
|
|||||||||
|
4363
|
|||||||||
|
phurts prepareeren, als de ünifatus , faniculatus, ben-
zoinus, juniperinus, fuccinatus, terpeminatus, enz. vol- gens de verfchillende oliën , die men gebruikt ; de dofis is van x tot xxx druppels voor een benauwde borst, onmaatige hoest, zweeren van de longen, voor de zwet' ren van de nieren en blaas. Met deezen balfem worden be- reid, depilier, van RrcHARn Morton, welke men geeft in de langzaame teeringziekte van Scorbuthi en aan de zul- ken, die met fcrofulce gekweld zijn, zijnde een zeer ge- meenzaame kwaal, met een weinig koorts verzelt. Dee- ze pillen bevorderen zigtbaarlijk de geneezing van deeze ziektens, niet alleen wanneer men ze in den beginne neemt dat zich het ongemak geopenbaart heeft, maar zelfs als het kwaad reeds verre is ge vordert. De Scheikundigen baaien uit de Zwavel een zuur zouton-
der degedaantevan een vogt, dat ten eenemaalen ontdaan is van het bitumineufegedeelte ; zij noemen hetzelve/p/n- tus fulphuris. Onder de verfcheidene manieren, die da Hr. Homberg voorgefteld heeft in de Memoires de VJctt' demie Roijale des Sciences van 't jaar 1703, is de volgen- de de beste. Neem Zwavel, die een citroen-koleur heeft, of iets
groenachtig is, x. of xir. pond , Iaat het fmelten in een groote kroes, of in een vrij groote aarde pot, tot dat de Zwavel van zelfs in brand vliegt ; zet vervolgens deeze kroes of pan op eene andere omgekeerde kroes, die ge- plaatst is in een plat aarde-vat, 't welk men een terrine noemt; eindelijk zo hang er een glazen recipiënt of balm aan, daar de hals afgeflagen is, zodat de opening de wijd- te van zes vingeren breed heeft, en dat de kroes vol zwavel er in kan komen. Dezuure uitwaasfeming van de zw«« vel, vermengt zich met de vogtigheid van de lucht, en verzamelt zich bij druppels aan de binnenftc oppervlakte van den recipiënt of balon, en druipt langs de randen il de terrine, die er onder geplaatst is; zijnde dit afdruip- zei, de geest of olie van zwavel. Men moet in acht neemen r.) dat men twee kroezen
bij der hand moet hebben, opdat de zwavel in deeeneuit- gebluscht zijnde , men hier in de plaats kan leggen da- zwavel, die in de andere is, welke fmelten brand; 2.) dat men de korst moet wegneemen, waarmede de gefmolten zwavel overdekt is, Uit vieeze, dat de vlam niette fchielijk uitgedoofd worde; 3,)datmeneengroo» ter menigte geestvan zwavel bekoomt wanneer het weer koud en regenagtig is, dan op eenen anderen tijd; 4.) ein- delijk, dat men door deeze bewerking vee! meerfpiritusfuU pAuriV krijgt en in minder tijd, als door alle andere manier: omdat men dikwijls van één pond zwavel, een of ander; half once geest krijgt. De geest van zwavel is goed, in brandende, kwaadaar tige,
en pestilentiaale koortfen ; verflaat dorst, ftaat de be- derving der vogten tegen, bedaart de opgisting van 't bloed en der gal, en zulksgeenzintsnietdoor degeheelemasfa van 't bloed te doen ftoilen.gelijk de andere zuure mineraal« vogten doen, maaralleen door dezwavelagtige deeltjes te omwinden; want volgens de waarneeming van Borelu , heeft men een of twee grein olie van zwavel in de venu jugularis van een hond gedaan, zonder dat hij er van ftierf ; terwijl dat een anderen hond, in wiens jugularis men fterk- water gefpooten had, dog verzagt en getemperd met wa- ter , dat men er onder vermengd had, verwonderlijke ftuip- trekkingen onderging, en zich zeer geweldig beweegende ftierf, als wanneer men in zijn hart en aderen geronnen bloed zag. Wijders verdunt de fpiritus fulphuris de dik*»' Keen taaije vogten, en verdrijft dikwijls de verdoppln- Gggg gen, |
|||||||||
|
43Ä4 ZVVA. ZWE.
gen ; Om die reden, fchrijft men ze in de benauwde borst
voor. Men is echter van gedagten, dat hij fchaadelijk is voor teeringzuchtigen, omdat hij hoest verwekt, zo als alle: andere zuure vogten. De dofis is eenige druppels, in een bekwaam vogt. Men geneest zeer dikwijls tusfchenpoozendekoortfen
door de volgende drank, welke men bij 't begin van 't acces,' ofzodra als de koude begonnen is doet inneemen. De geest van zwavel, of alleen, of gemengd met ro.o-.
Jen honing, geneest fpoedig deaphthcefimplices, doorzagt en dikwijls er op te leggen een wolletje katoen orplukzel, nat gemaakt in deezen geest, wel te verdaan, dat er geen; de min(ïe Mflammatie zij. ■ \t- Volgens de waarneemingvan Riverius is defpiritus-
fiilphuris een uitfteekend middel in rotkoortfen, en bij erkent er eene groote kragt in om te verfrisfchen, te openen, het bederf tegen teftaan, en hetinflammeeren der vogten te beletten en de dorst te verdaan; .dat hij ondertusfehen veel fchaade doet, en dat men er zich; van onthouden moet1 in pleuris , in de fluxio peüo' vis, in 't opgeeven van bloed , de teering en ande- re ziektens van de long (ten minilenzo deeze ziek- tens niet komen van een dik pituïtum, dat de vaten ver- ftopt) in de inflammatie van de maag,'in de dijsfente- ria, het bloed-wateren, en de zweeren van de nieren en de blaas. ,; De gemeene zwavel word gebruikt in de emplastrum
voor de ganglia, en in het ceratum fulphuris van Cha. kas, in de famenftellling van de lapis magnitis arfenica- lis, in het poeijer aethiopsmineralis, en om het buskruid te, maaken , ook het pulvis fulminant van de Scheikundigen. ZWAVEL-BLOEMEN, zie BLOEMEN van ZWA-
VEL. ZWAVEL-MELR, zie LAC SULPHURIS.
ZWAVEL-ROLLEN, zie MAGDALON.
ZWEEDSCHE KAAS, zie KAAS.
ZWEEDSCHE KARPER, zie KARPERS,». XXII.
$"* T'^7- . . , .'■ . ;
Z WEEP-RIET, is een zoort van Riet dat in Oostin«.
dien groeit, en in 't inaieitsch den naam van Rottang» Utang of wilde-Rotting voert; in't malabaarsch, Pa- mmbikFattt", wordende van Rumphius glad Palmriet getijteldj Lacrijma jobi gramineis foliis. Borm. Flor. Zeijl 138 ; (Flagellaria. Linn. Sijfl. Nat.) . . Dit gewas, zegt deJHeer Rumphius , heeft met de an- dere Rotang! of Palmrieten niets gemeen dan het touw, 't welk echter niet houtig-, maar biesagtig en groen is, en dus tot zweepen dienftiger dan tot rottingen, waar van het ook den naam heeft. Het is een vinger dik of min- der , grofdraadig, zeer taaij, zonder doornen of eigent- lijke leden, en met bladen bezet, die met hunne fteelen het touw omvatten, en dus hetzelve als in leden verdee- len. Deeze bladen zijn lancetvormig., bij den fteel. breedst, en loopen puntiguit, maakende de middel-rib daar aan een klauwier, gelijk in weinige andere planten plaats heeft-, waar mede het zich vasthoud. Het bloeizel komt aan regelmaat ige trosfen voort, ge. lijk in de Liguster, beftaande uit kleine witte bloempjes, waar van eenigen befiën, wat grooterdan peperkorrels, uitleveren, 't Gewas kruipt door de ruigte of klimtbij boomen op, wordende meest aan den zeekant gevonden en ook tot vlegt- of bindwerk gebruikt. ZWEEP.SLANG.isdenaamvaneenSlangzoortdoorde
Heer LtnKvEUs onder de Adders geplaatst, diedusdaanig om derzelver langte en dunte is genoemd.hebbende naauw- |
2WË.
lijks op de langte van'zes voeten, de dikte van een pink
in 't midden Van't lijf. Zij komen zo wel in Oost. als in Westindie voor; dog de oostindifche zijn, gelijk in de.meeste Dieren plaats heelt, het fierlijklte gekoleurd. Die van Ceijlon noemenze Almtulla, en de Indiaanen van Ambon Boiguatrara, 't welk gefchilderd betekent; om-dat zij een zeer fierlijke mengeling hebben van hoog. groen, zeegroenen lazuurblaauw, met eenen glans of weeffchijn van goud, daar door fpeelende. De ceijlon. fche naam betekent, dat zij aan de oogen fchaadelijk zouden zijn, gelijk Raij wil. 1 Zij hebben geen tanden in den. Bek, en moeten derhalve hun voedzel, dat in. Vogeltjes, Muizen or Boschrotten beftaat, enkel inzui. gende verflinden. Men fchrijft er de eigenfchap aan toe, van keurlijk te'kunnen zingen en fluiten , om de Vogeltjes te verlokken; onthoudende zich inbosfehagiën van klein geboomte. Gkonovius betrekt hier toe den Slang, welken
Scheuchser noemt Surinaamfilie Acontia, die lang en zeer dun is, met den Kop van vooren geelagtig fcherp, de Rug blaauw-groen, den Buik witagtig, meteen roode ftreep overlangs getekend. 1 Op Bornéo is deeze zoort van groene Slangen, zo Prtiver aantekent, zeer ge- meen. In het getal der Buikfchilden was onder degeei nen, die zich bevonden in de furinaamfche verzameling' welke door den Heer Grill aan de ak'ademie van Upfal vereerd werd, maar een verfcheidenheid tusfehende 162 en 168. De HeerGRONOvius vond in de zijne , die omtrent vierdhalf voet lang was, en een derde duims dik, 165 Buikfchilden en 152Staartfchubben. Ineene, dien ik heb, (zegt de Hr. M. Houttuin) van vier voeten en één duim, amfterdamfebe maat, lang, vind ik het getal der Buikfchilden 164, dog dat der gepaarde Staartfchubben 173. Deeze heeft zeer duidelijk de zwarte bandjes, ter wederzijde van den Kop,loopende als over de Oogen heen, die het blaauwe dat boven is, van het witte dat onder is, af. fcheiden.. De koleur van 't lijf is glimmend groenagtig hemelschblaauw, met een zilveragtige ftreep langs de Rug. Seba fpreekt, in het I. deel van zijn Kabinet, van
een zeer langen dunnen Slang van Ceijlon, die gemeen- lijk de Rottevanger genoemd word; om dat hij deeze Die- ren zo goed en beter weet te vangen dan de Katten. Uit die zoort van Slangen had hij een Rot , Haagdis en Kikvorsch gehaald. Zij hebben groote Oogen, en zijn niet alleen op den Kop zeer fierlijk getekend, maarlangs het lijf loopen ftreepen als lintjes, van rood, goudgeel en zilverwit, door welk laatfte het groen heen fchijnt. Men vind defgelijken in Westindie, dog minder hoog van koleur, die men deSurinaamfcheSctój'Zangof Pijl- flang noemt. Deeze beiden hebben, in gedaante, veel overeenkomst met de Zweepflangen. ZWEER in hetlatijn Ulcus, rs-.een verlies van de zelf-
ftandige (toffe van de huid en het vet, met toevioeijing van kwaade ftoffen. De Zweer o/f Ulcus is diensvolgens- van de Abfcesfus onderfcheiden ; 1. omdeszeifslangdim- righeid, zijnde een Abfees doorgaans fpoedig geneezen; 2 omdeszelfs invreetende aart, daar't laastgemelde niet grooter word; 3. wegens zijne dunne (linkende etter (ichor), daar een Abfees dikke etter geeft. De Ziw- ren doen zich aan verfcheidene plaatfen voor, waar na dezelve ook bijzondere naamen zijn gegeeven. - , ZWEET , in het latijn Sudor, is een dropsgewijze
uitdamping der wei, welke van 't wateragtige deel des bloed« door de pori der huid heen dringt. De werktui- ü gen
|
||||
|
ZWE.
gen die tiet zelve affcheiden, zijn de gierst-gedaantige
klieren (glandula miliares) weike in menigte tusfchende huid verltrooid zijn, ja zelfs zo-veelvuldig, naar het denkbeeld van PIornius, dat zij geheel en al de binnen- fte zijde der huid uitmaaken. Deeze klieren zijn't aller- eerst waargenomen door Nicolaus Steno en Olaus Borrichi'js; wordende door deeze klieren het zoutagtige 'deel des bloeds als de eigentlijke ftof van het Zweet, af- gefcheiden. Nog dient hier aangemerkt, datvanveelen het Zweet voor iets tegennatuurlijks word gehouderf, dan men heeft den vloek op's Menfchen val gevolgt, in 't zweet uwes aanfckijns zult gij brood e eten. Gen. III. v. 19. flegts te overweegen, om van het tegendeel overtuigt te zijn. Het is eene onbetwistelijke zaak, dat door àeporiën
van de huid, bij gezonde Menlchen, onophoudelijk eene 'fijne vogtigheid uitwaasfemt, welke dehuidleenig en 'fmeudigboud, zonder dezelve merkelijk nat temaaken. Dit kan men waarneemen, wanneer men een koud glas met de volle hand aanraakt, of wel dezelve op een fpie. 'gel, of ituk fchoon gefchuurd koper of ander metaal legt, als wanneer dit aanftonds daar van bewaasfemt word. Deeze onzigtbaare doorwaasfeming, is een zeer nodig ding voor onze gezondheid; als nu dezelve zo fterk word, dat de uitwaasfeming als waterdruppels op de opperhuid faamenloopen, en die bevogtigen, zo word dit Zweet genaamd. In een natuurlijken ftaat, zijn de buizen, welke de'uitwaasfetnende vogten uit het bloed naar de huid voeren, zó nauw, dat zij geene zulke groove waterige en kleevende deelen, als het Zweet, dooiiaatenj maar als het bloed, door eene fterke beweeging aangezet, en iriet geweld in de kleinfte vaatjes gedreven word, zo moe- ten deeze voor die persfing wijken ,~ en dus dringt er een grover vogt in dezelven, welk, doordefterkerebe- 'weeging in het bloed, en den meerderen aandrang op de vaatjes, fteeds voortgefhmwd, zich onder de gedaante van zweet op de opperhuid vertoond. Dit is de reden , dat men van zwaaren arbeid, heete dranken en fterke hartstogten, zweet. Ondertusfchen is dit evenwel niet de eenige oorzaak van het zweetin. Het Zweet koomt ook te voorfchijn, alsdeuitwaasfe«
mende buizen haare zaämentrekkende kragt verldoren heb- ben ( of te veel verzwakt zijn. Hierom Zweeten zwak« ke kranken, als hun einde nadert, en lieden, die in flauwtens liggen, zeerilerk, omdat hunne vaste deelen geheel kragteloos zijn. Zomtijds kan eene al te groote ontbinding en verdunning der vogten het Zweet voortbren- gen, en dikwils koomen eenige van deeze oorzaaken te faamen. Gelijk zij alle ondertusfehen een onnatuurlij« lten toeftand onderftellen, zo mag men veilig zeggen, dat alle Zweet een onnatuurlijke zaak, eene ziekte, en een ftaat is, welke niet tot eene gezette levenswijze be- hoort. Gftsuus Aurelianus bericht, dat Diocles van Ca«
viplus reeds alle Zweet voor eene ziekelijkheid gehouden hebbe; en Hippocrates zelve zege, dat-zulk een deel, 't welk Zweet, ongefteld is. Niemand echter heeft hier over op betere gronden en onderfcbeidenlijkèr gefchree« ven , dan Boerhaave. Bij een gezond Mensch, zegt hij, veroorzaakt het al te heftig zweeten even het zelfde nadeel, als een al te overvloedigepisloozing; het ver- dikt en belemmert den omloop des bloeds, en geeft aan» leiding tot allerleij ziektensuit bederf en met ontfteeking. Elk, die een zwakke borst heeft, zweet veel. De Boe« ren zweeten niet zo fterk onder hun zwaaren arbeid'; zwak. |
||||||
|
ZWE. 436 $
ke Menfçhen, integendeel, zweeten van het minde werk,
en des nagts zelfs door de enkele warmte van het bed. Dit Zweet koomt van een bloed, 't welk zo dun is, dat deszelfs deeltjes niet behoorlijk faamenhangen, en waar van de vloeibaardere zich van zelve van de andere af« fcheiden. Daar is derhalven geene geneezing te hoöpen , dan met het bloed digter en lijviger te maaken.en als ditniec gefchied, zo brengt dit menigvuldig onnatuurlijk zwee- ten , eene bederving der vogten en de teering voort. Een gezond Mensch zweet zelden anders, dan wanneer hij eene overtreeding in zijne levenswijze begaan heeft. De eerde werkingen van het Zweet zijn altoos fchade«
lijk, dog het kan zomtijds bij toeval zijn nut hebben. Als de onzigtbaare doorwaasfeming afgebrooken is geweest, zo toont het, dat de zweetgaten weder open zijn , en om deeze zekerheids wille moet men de dagelijkfche lighaams« beweeging, of na verkouding, het drinken van warme dranken, en het warm toedekken, tothetuitbreeken van een zeer zagt Zweeten voortzetten. Het Zweet kan ook: eene groote menigte fchadelijke vogten tevens mede uit het lighaam voeren, en daarom gebruiken die Menfchen , wier fappen vervuild en bedorven zijn, de Zweet-cure. Verfcheidene aanhoudende koortfen eindigen ook met Zweeten, het welk dikwils de crifts der ziekte is. Het vel blijft zo lang droog, als het bloed tot ontfteeking neigt, en het Zweet kan wegens de verdikking der vog» ten niet doordringen; maarzo dra het zelve eindelijk te voorfchijn koomt, is dit een bewijs, datdefpanningder vaten ophoud, en dat zich de ziekte ftof, met hoop ee- ner fpoedigfte herftelling, begint te loozen. Zulk een Zweet is gemeenlijk zeer (linkende en taai; en Sïden- HiM heeft in kwaadaartige koortfen , en in de pest zei« ve, waargenomen, ,, datde zodanigen herftelden , wel« ,, ke op het einde hunner ziekte vierentwintig uu- ,, ren agter malkander in een beftendig en taai Zweet gelegen hadden. " Tschirnhausen verhaalt, , dat , door een aanhoudend zweeten, eene pestbuil met het , gelukkigst gevolg was opgebrooken ; en Hofman» , heeft van het lang en met groote vermoeidheid ge- , paard zweeten , in purperkoortfen , even dergelijke , goede uitwerkingen gezien.' Hier uit leeren wij, dat het Zweet zomtijds een nuttig
toeval in ziektens weezen kan. Maar het neusbloeden is dit ook, en evenwel zal niemand het voor eene gezond« heidsregel houden, het neusbloeden te bevorderen. Even weinig behoort het zweeten onder de ditetifche rege- len; want gelijk het altoos eene niet natuurlijke gefteld- heid der vogten of vaste deelen bewijst, zo werkt het ook niet op eenige heilzaame wijze, als in zo verre het tegen andere ziektens werkt. Dewijl het dit bij gezonden niet doen kan , zo toont het bij de zulken altoos een gebrek in hunne levens-ordening , als zij zweeten. ZWEETDRIJVENDE ANTIMONIE, zie ANTI«
MON1E. ZWEETDRIJVEND IJZER, zie MARS DIAPHO.'
RETICUS. ZWEETGATEN in het latijn Pori, zijn kleine gaat«
jes in de huid, welke men 't best bij de zodaanigen kar, zien, welke (lerk zweeten; want wanneer het zweet dat de huidbevogtigd, zorgvuldigafgeveegt word, ziet men het zelve wederom als kleine droppeltjesdaarop te voor- fchijn komen, zo veele droppeltjes nu als gezien worden, zo veele zweetgaten of pori zijn er ook. Zommigen zeg. gen, dat dusdaanige zweetgaten door middel van een ver« Gggg 2 groot. |
||||||
|
2IJR
draad, 2ijnde het voortbrengsel vaneen gekorven Dfer?
tje of Infekt Zijdeworm, in het latiin Bombijx genaamt- Zie ZIJDEWORM. ZIJDE-KANTEN, zie KANTEN.
ZlJDE-KATOENBOOM, zie KATOEN.PLANT.
ZlJDE-WEE, zie PLEURIS.
ZIJDE.WORM, oï Nagt-Kapel met gepluimde Sprie-
ten, die geen zuiger heeft, de Wieken agterfie voor en Heek, met drie fiaauwe flreepen; Vermis lanificius; Pha- leenqmori; Bombijx. Author.; (Phalcena Bombijx elin- guis, alis reverfis palliais, firigis tribus obfiletis. Link. Faun. Suec.) Van deeze zo nuttige Worm of Rups die as zijde voort-
brengt, kan men een accuraate afbeelding zien op Plaat LXXX, alwaar de naauwkeurigfte figuuren gefchetst zijn, van alle derzelver verfchillende gedaante wisfelin- ,gen, zo wel van de Eitjes, als van de Wormen die er uit voortkoomen, derzelver voortgroei, hoedaanig de zijde door hen word gefponnen, de overgang in een Nijmphje of Pop, de laatfte verandering zijnde die van een Uiltje, en eindelijk hoedaanig deeze Diertjes voort- teelen en eijsren leggen. --------. Wat derzelver ver- fchillende naamen bij onderfcheidene volkeren betreft., benevens de huishouding deezer Schepzelen , kunnen wij niet beter doen, dan onze Leezeren hier het hoofdzaa- kelijke medetedeelen, van 't geen de ervaareneNatuur- kenner de Heer M. Houttuijn in zijn overheerlijke Natuurlijke Historie volgem het f amenfiel, van den Heer LiNNffius daar over heeft aangetekend, met bijvoeging van merkwaardige bijzonderheden, die in andere Autheu- ren gevonden worden. Dewijl men eertijds en nog beden, (zegt dien Heer)
onder 't Gemeen, weinig naauwkeurigheid gebruikt in de befchouwing en benaamtngder Infekten, zo is het niet vreemd, dat de Rupfen, die de zijde fpinnen , in onze taal den naam voeren van Zij de-Wormen; te minder, de- wijl die in 't fransch ook Fers a Soije, en in't engelsen. Silkworms geheeten worden. Men noemtze, echter, in Languedok Magniaux, in Provence en 't Graaffchap Avignon, Magnans; welke benaaming van't itaUaansch Mignano of Mignatto, dat ook een Zijdeworm betekent, afkomftig kan zijn. Veeleandere naamen zijn, gelijk het doorgaans gaat, in die landen, waar de voornaams teelt der Zijdewormen is, voor dezelven in gebruik. Die van Bononie noemenze Bigatto, of Bigatti daSeta; an- dere Italiaanen, Bruchi, Bargelli, Bombici, Cuculi, welk laatfte woord overeenkomftig fchijnt met Cusfugu- li, dat de naam der Zijdewormen is bij de hedendaagfche Grieken, zegt Aldrovakdus. Hij voegt er bij , dat men die in de Oosterfche Landen Ippeqquti, te Illijrie Gufinnicci, noemde; in Afrika AJmaak$a,ntiy en in Spanje Gufanot di Seda. _ , Wat het Iatijnfebe woord Bombijx aangaat, dat van de
Grieken is ontleend ; hetzelve fchijnt van ouds voor allerlei]* zoort van Katoen of Boomwolle gebruikt, en na- derhand eerst, toen men Zijden kleederen begon te draagen, op den Zijdeworm toegepast te zijn. Immers PtiNius fpreêkt van Gosfijpii aut Xijli Bombijx. Ook hebben de Ouden, onverfchillig, xm Bombijx en Bom* lijlius gebruik gemaakt om de Hommels, of dergelijke brommende Infekten, te betekenen. Het blijkt klaar, dat de gemelde Autheur daar in verward geweest is, de eigentüjke verandering niet kennende van deeze Infek- fekten; hoewel hij dog den Zijdeworm, en de Zijde, die daar vaa k.omc, bedoelt, (Hifi. JNat. Ubr. XI. cap. M,
|
||||||
|
4366 ZWE. ZWI. ZWO. ZWIJ. ZIJD.
grootglas, als op tweederlei j wijze te voorfchijn koomen»
de, zich vertoonen; teweeten, grootere, waar uit bij de meeste haairen groeijen, in 't midden van dezelve blijft eenige ruimtewaar uit het zweet dringt, en op beide zij- den der ruimte ftaan ineen tamelijke regte ordening, dehaairtjes; vervolgens, kleindere, waar van het aantal nog veel grooter is ; deezen doorbooren iedere ruimte dervoorigen, en zijn zo oneindig klein, datLEEUWEur- HOEKop een klein plaatsje van de huid, meer als 125000. daar van geteld heeft. ■ ■ '■ . ZWEETHONDEN, zie JAGTHONDEN.
ZWEET-KOORTS in het iatijn Helodes, betekend eene ziekte, waar in de lijderen fterk zweeten, dog waar in hun dit zo als doorgaande ten aanzien var) andere ziek- tens gebeurt, geen verlichting bijbrengt, maar hen in tegendeel hoe langs hoe meer. afmat en verflapt. ZWEET-MIDDELEN, zie DIAPHORETICA. ZWEMMER, zie VALKEN, n. XX. pag. 3775.
ZWEM-VOGELEN, deeze naam geeft men aan den Vogelen.rang, die de zodanigen bevat, welker eigen, fchap het is in 't water te zwemmen. Hunne pooten zijn daar toe op een bijzondere wijze gefchikt, deSchenkels platagtig en kort; de vingeren of toonen met een vlies te zamen gevoegd en daarom, van fommigen, gewebd geheten of gepalmd, welke laatfte overeenkomt met het latijnsch woord palmati, en de gelijkheid derzelvenmet de palm van eens menfehen hand uitdrukt. Hierom heeft Klein ze door den naam van Pa/mzpeiMonderfcheiden, waar van hij drie familiënofgezinnen heeft. Moehrisg begrijpt hun onder den algemeenen naam van Hijdrophil, dat is, Waterminnaars; dog men vind er onder, gelijk de Ganzen en Meeuwen, die zich ongelijk meer in de lucht ophouden dan in 't water, en 't is bekend dat an- deren, die geen zwempooten hebben, niet minder Lief- hebbers zijn van zich in 't water te wasfchen en te dom« pelen ; gelijk men dit in de Duiven dagelijksch waarneemt. Anders zou men hun , met de Ouden, gevoeglijk kunnen noemen Water-Vogelen; waar onder zij echter deStel- Soopers, met regt, ook begreepen hebben. De bekwaamheid om te zwemmen , onderfcheid dan de
Vogelen van deezen rang. Hoewel men er ondervind, gelijk de Meeuwen, die dit niet doen, zijn er wederom anderen, die zelfs onder water duiken, met hun geheele Lijf, en deswegens Duikers genoemd worden. Zij mun- ten , in 't algemeen, door deeze eigenfehap boven de an- dere Vogelen uit, en in 't vliegen fchieten de meesten niet bij hun te kort. Veelen wel is waar, gelijk de Eenden, zijn zwaar van vlugt, dog anderen, gelijk de Fregatvogel, tarten de allervlugften. De'natuur, wil- lende zich alles ten nutte maaken en tevens alle Dieren voorzien met de noodige werktuigen tot hun beftaan , heeft degeenen, die , volgens-, de wijze fchikking van den Schepper, de kost moesten zoeken in het water, niet alleen daartoe bekwaam gemaakt, maar zelfs met wapenen voorzien om zich te redden; daar de andere Vogelen hun graf vinden in dat element. Tot loopen ondertusfeben op het land, daar zij geen verre tochten te doen hadden, zijn veelen niet zeer bekwaam. ZWER VER, <zieKLIPVISSCHEN,n. XVI. p. 1525.
ZW1TSERSCHE-THEE, zie'KRUID-THEE.
ZWOLSCHEKERS, zie KERSSEBOOM.
ZWIJN, zie VARKEN.
ZWJJNE-DISTEL, zie HAASEN-LATÜWE,
ZIJDAGTIG, zieHOLOSERICUS-
ZIJDE, is de naam van een fijne, zagte, en ligte
|
||||||
|
ZIJD.
aï. Dt Bmnbijcibus &? BomMjlio £p Necijdalo, & quh
primus Bombijcinam Festem inveneris). Deeze laatflen noemde men ook Bombijx, hoewel de naam van Seri- cum, afgeleid van de Seres, een Volk dat oudtijds die landen bewoonde, alwaar thans de Tartaaren, Chinee- zen, Siammers, MogoUers en andere Indiaanen gehuis- vest zijn , in algemeen gebruik gekomen is, om de Zijde te betekenen, en Bombijx voorden Zijdeworm. Lin- xjjeus heeft, met reden, dien naam tot onderfcheiding gebruikt van zodanige Kapellen, wier Rups in't maaken van haar tonnetje of fpinzel eenige overeenkomst met de Zijdtwormen heeft, welke hij met den bijnaam van den Boom, die baar tot voedzelftrekt, nietonaartigbeftem« pelt. Het is zeker, dat, voor twaalf eeuwen, de Inwoo-
ners der zuidelijke deeien van Europa nog zo onkundig waren van de Zijdeteelt, als thans de Laplanders kun- nen zijn. Toen Alexander de Groote het rijk van Perfie veroverd had, kwam de eerfte zijde in Grieken. land, en van daar onder den bloem van het romeinfcbe volk in Italie. Keizer Justinianus , die in't jaar 366 na 's Heilands geboorte geftorven is, wienhet verdroot, dat zijne onderdaanen deeze waar zo duur van de Perfiaa- nen koopen moesten, zond twee geestelijke perfoonen naar Indie, om na te fpooren, hoe de Zijdeteelt aldaar gedreeven werde, en eenige Zijdewormen, om die voort te kweeken, met zich te rug te brengen. Bij hunne we. derkomst, gaven zij den Keizer bericht, dat men de Zijde- wormen een zo verren weg niet voeren kon, maar wel derzelver eijeren. Hier op, ten tweeden maale, der» waarts heen gezonden zijnde, bragten zij een menigte èijertjes met zich naar Konftantinopolen, van waar voorts deeze Infekten door de zuidelijke deeien van Europa der- ïnaate vermenigvuldigd zijn, dat men ze thans overvloe- dig voortkweekt en een aanzienlijke teelt van zijde heeft, zo in Griekenland als in Italie, inzonderheid in Piémont, Provence, Languedok en ander zuidelijke deeien van Vrankrijk, als ook in Spanje en Barbarie; wat zeg ik, ja ,gelfs in Noord-Amerika, ,, Zij weeven webben als der Spinnekoppen, zegtPt.1-
Kius, (dat is gelijk floers, volgens den aantekenaar.) tot kleedingen wellust der vrouwelijke fexe, welke men Bombijcina noemt. De eerfte, die dezelven te ,, ontwarrenen wederom te weeven uitgevonden heeft, was een vrouw, Pamphila genaamd, van hetEiland Cos, (in de Egè'ifche' Zee, daar Hippocrates en Afeli.es ter wereld zijn gebragt.) Men kan de reden ligt vinden, dat dieftoffe aan de vrouwelijke fexe zo aangenaam zij geweest ; naamelijk, om dat zij de fcboon- heid van haar lighaam al bedekkende meer en meer ten ,, toon fielt". Et tenues Coa veste movere Sinus; zegt Propebtius. Dat is : men ziet den Boezem zwoegen onder 't dunne zijde kleed: want deeze noemde men. wegens de plaats der uitvinding, CoaVestis. Hiervan die gewaaden in de beeldhouwkunde, weikedegeftalte der leden bijna in volkomenheid doen doorblinken. Ook werd de Zijde, een geruimen tijd , alleen van 't vrouw- volk gedragen, en Lampadius nam de gelegenheid waar, van Heliogabalus te beftraffen over zijne verwijfdheid en wellust, dar hij Zijdenfloff'en aan zijn Lighaam trok, het welk men oudtijds voor fchandelijk hield, Voeg hier bij, dat da Zijde in 't eerst zo overmaatig duur was ; wordende , toen de Pei fiaanen de fabriek daar van nog alleen in handen hadden , tegen goud opge- woogen. |
||||||
|
ZIJD. 4307
Ook is 't merkwaardig, hoe langzaamen voortgang de
Zijdeteelt in andere deeien van Europa gehad hebbe.
Eenige honderd jaaren verliepen er, eer dezelve uit Konftantinopolen in Griekenland overkwam. Onder de regeering van Roger den IL, die in den jaare 1130 den tijtel aannam van Koning van Sicilië, werd de Zijdeteelt aldaar eerst ingevoerd. Van daar breidde dezelve zich allengs, eerst in't napelfche, en verder door geheel Ita- lie, uit. De franfche Historiefcbrijvers vernaaien, dat Lodewyk de XI. de eerfte is geweest die in Vrankrijk een Zij de-Manufaktuur oprechten deed, in den jaare 1470; waar toe hij werkvolk van Genua, Venetië en Florence, ja zelfs uit Griekenland ontbood, welken hij, in een patent van 1480, met groote voorregten en vrijdommen begimftigde. Het is merkwaardig, dat Henrik de IL, die in 't jaar 1548 tot de kroon kwam, de eerfte was, die op da bruiloft van zijne zuster een paar Zijden Koufen droeg ; waar uit men kan opmaaken, hoe zeldzaam de Zijden Stoffen, diestij ds nog in Europa waren. De groote duurte en kostbaarheid derzelven , deed ook Henrik den IV. befluiten, om de Zijdeteelt door het planten van een menigte witte Moerbezieboomen, inzonderheid in Touraine, als ook in Provence en Languedok, voortte zetten. Dog na zijn dood verviel dit ontwerp, door burgerlijke oorlogen, pest en anderelandplaagen, groo' tendeels. Lodewyk de XIV. heeft deeze manufaktuur eerst regt tot ftand gebragt; zodat, onder zijne regee« ring, in de landfchappen Dauphiné, Languedok en Pro- vence alleen , meer dan agttienhonderd duizend ponden ruuwe Zijde jaarlijks gewonnen zij, endatmen, in de Stad Tours alleen, agthonderd molens aan den gang had, en in de Stad Lijons meer dan agttienhonderd Zijde Fa- brieken waren. Men rekende dat uit Languedok, het eene jaar door 't andere, voor meer dan agt tonnen gouds aan Zijde kwam. Tegenwoordig is de Zijdeteelt in de zuidelijke dee-
ien van Vrankrijk, als ook in verfcheide landfchappen van Italie, nog wel in bloeij, dog te Lijons is de fiapel niet alleen van Zijde uit die deeien van Europa, uit Spanje en Barbarie, maar ook uit de Levant, Turkije, Perfie en andere oosterfche landen," gelijk wij dezelve hier overvloedig, met de fchepen der Oostindifche Kom- pagnie, uit China en Bengale, zobewerktalsruuw.be. komen. In die Landen, naamelijk, word nog heden veel Zijde gewonnen^ en het is niet onwaarfcbijnlijk, dat de Zijdeteelt aldaar haaren oorfprong heeft gehad. De Chineezen fchrijven de ontdekking daar van toe, aan eene Gemaalin van Keizer Hoang-ti-zu. Voordien tijd werd aldaar, tot kleeding, alleen van wol en huiden gebruik gemaakt, dog naderhand is de kweeking der Zijdewormen een voornaame liefhebberij geworden van de hooge ftandsperfoonen in dat rijk , op wier voorbeeld ook anderen daar aan de hand geflaagen hebben ; zo dat de- zelve aldaar niet minder dan de landbouw word behar» tigd en waargenomen, 't Is ongelooflijk, welk een veel- heid van Zijdewormen door geheel. China, en inzonder- heid in de provinciën Nanquin en Chekiam, voortge« teeldword, die men aldaar en door het geheele rijk verwerkt tot fatijnen, damasten, fluweel, goud- en zilver-brokaaden ; wordende de Zijden Stoffen aldaar van iedereen , zelf van het dienstbaar volk , gedraa» gen. In ons gemeensbest zijn zommige Liefhebbers ook al
voor langbedagt geweest, omZ(;V«teteelen, en ten dien
einde Meerbefien-boomen te kweeken, dan tot nog toe
Gggg 3 heïft
|
||||||
|
ZIJD.
|
|||||||||
|
43«8 2IJD.
|
|||||||||
|
ke veelheid van ruuwe Zijde overgezonden naar Enge-
land. Evenwel is uit gebrek van behoorlijke aanmoe- diging, zo 't fchijnt, of'uit andere oorzaaken, en mis", fchien wel ten voornaamfte, om dat er niet genoegzaam, voor't onderhoud der Ingezetenen gezorgd werd.de Zij- deteelt, nog in die Provincie, noginZuid-Karolina, veel' toegenomen. Te Bononie, en daaromftreeks, gebruikt men door-
gaans den witten Moerbefien-boom tot voedzel van de Zijdemrmen, en maakt er van den zwarten geen gebruik dan in de hoogfte nood, wanneer men tot opvoeding- van deeze Rupfen, als zij groot geworden zijn, nietge»' noeg Bladen van den eerstgemelden heeft, dieeen Zijde geeven, welke fijner, fraaijer van koleur en glanziger is. In Sicilië en de bergagtige deelen van Italie, daar men niets dan zwarte Motrbeßßn heeft, "krijgt men een vaster of fterker zijde. Aldrovandus oordeelde den laatften niet alleen daarom beter, maar bovendien, om dat, als de Zijde-Wormen van den zwarten gegeeten heb- ben , en men haar den witten geeft, zij allen zich daar van te barden eeten. Men behoort alleen zich daar voor te wagten, en de fchoonheid is in het uitkiezen va« zijde het voornaamfte; weshalve zekerlijk, tot voedzel, de witte Moerbezie-boom te verkiezen is.. Men plukt daar van de Bladen af, en geeft die den; Zijdemrmen 'm buis, alzo zij zorgvuldig voor nattigheid moeten be» waard worden; ja in Sijrie zelfs gefchied.de behande- ling der Zijdewormen, volgens Hasselquist , op de volgende manier. . . ,, De Eiitjes worden aldaar in een warm vertrek ge«
,, legd. Dikwils draagen de Vrouwluij dezelven in haar Boezem, of leggenze in't bed, alwaar zij uitgebroed ,, worden , en dan geeft men er aanftonds Moerbezie* ,, Bladen aan, op welken zij zich zetten. De Wormen groeijen en eeten veertig dagen lang; geduurende wel- ken tijd zij in een teenen korfje leggen, opftellen van riet, terwijl zij om de vier-en-twintiguuren eensbe- ,, ftrooid worden met Moerbezie-Bladen. AJS z'j deeze Bladen, die haar voedzel zijn , doorgevreten hebben, ,, word een nieuwe laag daar over heen gelegd, en op die wijze gaat men geduurig voort. Wanneer zij be- ,, ginnen van koleur te veranderen, hangt men bosjes takken van allerleij kruiden daar bovenop, waar in ,, "Zij gaan fpinnen. Zo dra zij allen ingefponnen zijn , ,, legt men de geenen, daar men de Zyieafneemen wil, ' en die het grootfte gedeelte uitmaaken, in heet wa- ,, ter, en haspelt de Zijde af ; maar de geenen, die men ,, tot de voortteeling behouden wil, laat men leeven, om in Kapellen te veranderen. Als deeze uitgeko« men zijn, fpreid men een zwart kleed in het vertrek ,, uit, waar op zij eijeren leggen , die men daar af ,, neemt, in een zakje verzamelt, en aan de Zolder op- hangt. Behalve de donder, door welke dikwils dee- ,, ze Wormen gedood worden, hebben zij de Mieren ook tot Vijanden, en deeze zijn oorzaak, datEgijptedee- ,, zen rijkdom ontbeeren moet, het welk aldaar den lande jaarlijks eenjge miliioenen kost. Seijde. ver- ,, fchaft van dertig tot veertig duizend ponden zijde in 't jaar, en Tripoli niet minder. Van de eerstgemelde ,, plaats gaat het meeste naar Damaskus .alwaar die fchoo« ne gewaterde ftofFen, van half zijde halfkatoen, ,, vervaardigd worden, welken men nergens anders zo goed kan maaken. Van Tripoli word de meeste zijde door de Engelfchen en Franfchen weg gehaald, om ,, dezelve in Europa te verarbeiden. Van de Sijrifche |
|||||||||
|
heeft den uitflag geentzints aan den prijswaatdigen ijver
vandeonderneemers zodaanigbejntwoord, dat zij tot het voortzetten daar van aangemoedigt wierden. Thans fchijnt evenwel het tijdftip gebooren, dat zulks beter zal ge- lukken; de veelvuldige en onvermoeide proeven immers, van den Heer en Mr. Wilhelm Hendrik van Has- selt omtrent het planten van Moerbezieboomen, het opvoeden van Zijde-Wormen, en het aanwinnen van zij- de in de provintie van Gelderland genoomen, geeven eene gegronde hoop van daar wel in te zullen flagen ; zie Verband, van de Holland/ehe Mantjchappije der Weten- fchappen te Haarlem, XFII deels ie fluk. Hebbende nu gezien, in welke landen de Zijdewor-
■men, 't zij natuurlijk, 't zij door konst, voortkomen: zo zal ik thans agt geeven , op baar voedzel. Men weet, van ouds, dat de Moerbezie-boomen als tot haar woonplaats fchijnen gefchikt te zijn. Malpighius heeft de proef genomen met laurier-, wijngaard-, olme- en andere Bla- den, dog met geene dérzelven deze Rupfen kunnen op- voeden; zij ftierven alle in weinig dagen. Ook is het haat niet volkomen onverfchillig, welkezoort van Moer- lezie-Bladen men haar geeve. Die van den zwarten zijn harder en vaster van zelfftandigheid dan die van den witten Moérbefiën-Boom, welke daarom, in de Provin- ciën van de zuidelijke deelen van Noord-Amerika, niet minder menigvuldig aangekweekt is, dan in Italie, alwaar hij eertijds vreemd was. Het geluk wil, dat de witte beter tegen de vorst en winter-koude kan, dan de zwar- te; gelijk men dit voor weinige jaaren in Sweeden on- dervonden heeft. Twee Moerbefiên-boomen, die de Heer Triewald aldaar in 't voorjaar 1736 had geplant, fton. den, zonder hinder, vier winters uit; en zestig, die hij het volgende voorjaar in degrondzette, bleeven drie winters over, zonder eenige bedekking. Daar, nu.de harde winter van 't jaar 1740, dit Boomgewas geen fcha- de had gedaan, moest hij dog met leedwezen en verwon- dering zien, dat het fcbraale guure voorjaar van '1741, wanneer de koude , op fommige plaatfen, tot in j un ij in de grond bleef, in (laat ware om die Boomente doen verdorren; zo dat hij er maar één in't leven hield. Na- derhand, echter, bevond hij, dat de wortels onbefeba- digd waren, en bedoot, hier uit, dat hij de boomen, door ze toe te dekken, wel bad kunnen behouden. Zelfs de wortelen, die hij in 't voorjaar 1743 uitgroef, waren frisch, en, verplant zijnde in eene kweekerij, gaven die nieuwe fcheuten uit. Dewijl het in de noordelijke deelen van China, daar evenwel ook Zijde gewonnen word, en zelfs te Peking, drie of vier maanden lang bij. na zo fterk wintert als in Sweeden, verloor hij dog door dit ongeval alle hope niet. Hij dagt, dat men met de Karavaanen, die jaarlijks uit Moskovie naar Chinagaan, wel goed moerbezie-zaad zou kunnen bekomen, om die boomen dus op de zelfde manier te teelen als men te 'Georgië in Noord-Amerika gedaan heeft ; want met zaad, daar hij een pond van uit Marfeillegekreegenhad, was het hem niet gelukt. Dewijl men, naamelijk, in de gemelde Kolonie zag,
dat het met de planting der Moerbezieboomen te lang duurde, zo nam men de proef van dezelven tezaaijen op landen , .die door verbrandinge desonkruids eerst waren gemest. Het volgende jaar waren zij; omtrent ter hoog- te van rogge, opgefchooten, en toen fneed men er zo veel met den fikkei af, als ieder tot opvoeding van zijne Rupfen noodig had. Op deeze manier hebben de Plan- ters , in 't derde jaar na den aanleg, reeds een taamelij- |
|||||||||
|
ZIJD. 4359
|
|||||||||
|
ZIJD.
|
|||||||||
|
een hersfenpan, om de zagte fubrtantie der hersfenen te
beveiligen, die nederdaalt, en zich door kleinewervel- beentjes,"aan alle de deelen deslighaams, van de eene kant tot het andere verfpreid. ------ ]n den bek heb- ben zij twee rijen tanden , die niet van boven naar bene- den werken, gelijk de onze doen, maar van de rechter naar de linker zijde, dev/elken haar dienen om de bla- deren af te bijten en te knagen. Zij bijtenze door die van terzijden te drukken, engeftadignederdaalende, ge» lijk wijdezelven meteen fchaar zouden doen, beginnende van het bovenfte einde van het blad naar beneden toe. De klopping van het hart kan men onderfcheidentlijk in de Zijde*Wormen ontwaar worden, 't welk niet koste ge- fchieden zonder de daar toe vereischt wordende vaten , om de vogten door het gantfche lighaam te doen circu» leeren. Van het Hoofd tot aan het uiteinde van de Staart, loopt er een kleine koord of zenuw, die wijRuggegraad zullen noemen, om dat dezelve, in de knoopen waaruit zij te zamengefteid is, een merg bevat, die veel gelijk- heid heeft met de ftofFe der hersfenen. Deeze Ruggegraat in het midden des lighaams geplaatst, door deszelfsgant- fche langte, houd het harten de longen op. ■ Hart is eigentlijk een buis, dat zich in de langte van de
gantfche Worm uitfpreid, uit verfcheidene kamertjes of holtens zamengefteid, breed in't midden, en naauw ter plaatze al waar zij wederom verdwijnen. Long beftaat uit een dubbelde keten, welke zich aan bei-
de zijden uitftrekt; zij is zaamengefteld uit verfcheidene ringen, welken overeenfiemmen met de gaten, die men. van buiten, langs de zijde van den Worm ziet.. Tus- fehen het Hart en de Long, leggende Maag en Jngewan» den, waar in de verteering der fpijzevolbragt word ,■ dog het geen men als iets zeer zonderlings moet opmerken, beftaat; dat alle deeze vaten, aan alle kanten omringd zijn, door een oneindig getal van kringen, van een klei- ne lange zak, welke een zoort van gom bevat, hebben- de de koleur van een goudsbloem, waar van de Worm haar zijde draad fpint. Voorts is de Zijde-Worm in tegenfielling van genoeg«
zaam alle de andere Rupfen geheel haairloos, kaal en glad; na de vierde vervelling vanmiddelmaatigegrootte, en van koleur uit den geelen witagtig aschgraauw, dog met veeie donkere vlakken gemarmerd. Men weet dat haar lighaam, als de tijd der verandering of van het fpinnen nadert, bijna geheeldoorfchijnende word. Haar Kop is, wanneer zij denzelven uitrekt, fnuitagtig, naar dien van de Wijtigaards-Rups eenigzins gelijkende, en op het agterfte heeft zij een Hoorntje, a Is de Pijlflaarten. Zie hier nog korteliik wat Doktor Scopol:, in't jaar 1760, omtrent de Zijdewormen, door hem in Karniolie opgevoed, heeft gemeld. ,, De Rups, den 10 meij uit het Eijtje voortgeko-
,, men, wierd den 16 julij, dat is in zevenenzestig dà- gen daar na , uit het Popje een Kapel. Zij legt zeven be- ,, kleedzelsaf, het eene van't Eii; vier in de ftaat van Mas- ker; één wanneer zij een Pop word , en bet laatfte ,, bij de verandering tot een Kapel. Pas gebooren zijn. ,, de weegt de Rups, een tiende van een grein; na de ,, eerde vervelling, een vierde deel;na de tweede, drie greinen; na de derde, zes; na de vierde en volwasfen ,, zijnde, agt-en-zestig greinen; dat is ruim een vierde ,, loots. Wanneer zij een tonnetje zal maaken, werpt ,, zij bij de twintig druppelen uit van een dik lijmagttg ,, vogt; beginnende daat na haar werk en het zelve voltrekkende in vier dagen. De Pop met het Tonne- », tje
|
|||||||||
|
»' zijde is de geene, die van Baruth komt, en op den
% Antilibanón bereid word, de kostbaarfte". In de Landfchappen van Vrankrijk, daar men de zij- deteelt het allerfterkfte drijft, te weeten in Avignon, Orange, Languedok en Provence, is men gewoon de Eijtjes der Zijdewonnen om de vier jaarente vernieuwen, laatende die uit Spanje komen; dewijl men van verbeelding is, dat anders het tuk zou verbasteren of flegter worden van hoedanigheid. Mooglijk is't, dat zij, door degroo- ter warmte van 't klimaat, aldaar tot meer volkomenheid worden gebragt. De Eijtjes, ondertusfchen , kunnen de flerkfte winterkoude zonder nadeel uitftaan. De regte tijd, omze met de post van Maliaga, Sicilië, Livorno óf Languedok, te ïaaten komen, is in't midden van den winter. Een of twee oneen Eijtjes worden in fijn post- papier, dat met een weinigjekatoen bekleed is, ingepakt en dus verzonden; zonder dat zij dus eeniggevaar heb« ben van door drukking, of fchudden en ftooten, befcha- digd te worden. Van de opkweeking en verdere behandeling deezer
Rapfen zal ik , (vervolgt de Heer Houttuijn), als aan veelen bekend zijnde, niet verder fpreeken; nog ook omftandig gewag maaken van haare vier vervellingen, welke van fommigen als een foort van flaapziekten aan- gemerkt worden; alzo zij ditgemeen hebben met andere Rupfen-, De eerde vervelling gefchiedde, na verloop van tien*; de tweede na die van elf; de derde na die van negen; de vierde na die van zeven dagen, en dan ver- liepen nog dertien dagen voor het fpinnen ; de aanrij- ping van het Popje binnen het fpinzel gefchiedde in vier, en vervolgens duurde het twintig dagen eer de Kapel uit- kwam. Ditmaakte, van het kippen der Eijtjes af, een getal van vier-en zeventig, en van den tijd, dat de Eij- tjes gelegd waren , tot aan het uitkomen van de Kapel, een getal van driehonderd een-en dertig dagen; volgens de waarneeming van den Heer 1'Admir aal. De manier van fpinnen der Zijdewormen is bekend ge-
noeg aan allen, die ze hebben opgekweekt: maar wei- nigen zullen weeten, dit deeze Rups twee vergaarplaat- fen heeft van de vloeibaare ftoffe, die de zijde moet uitleveren, en daar door twee draaden te gelijk fpint, die altijd tegen eikander aan gelijmd zijn , en dus maa- ien , dat de draad der zijde, zo als die uit dellupsgeko- men is, zich door het mikroskoopaltoosplatagtig, bree der dan dik, en in 't midden als met etn geutje uitge- hold, vertoont. Gelukkig is 'r, dat de draaden, zelf, onder elkander, niet zo vast zijn te famen gehecht, of warm water is in ftaat, omdat liim te ontbinden. Mal- piohius beweert, dat het tonnetje zes laagen zijde heeft. Hij had de nieuwsgierigheid , om de langte van den draad , die er van kwam, te meeten , en bevond dezelve meer dan negenhonderd voeten van Bononie. Hier door is men in ftaat, om eene duisterheid op te helderen, welke gewonden word in't bericht van Boyle , wanneer die van een Dame fpreekt, welke den draad van een zij- deworms Tonnetje, dat zij afgehaspeld had, rekende meer dan driehonderd engelfcbe mijlen lang te zijn. De Heer Lyonnet, immers, die verfebeide maaien zulk een draad afgemeeten beefr-, zo hij verhaalt, bevond de- zelven doorgaans niet langer dan tusfehen de zeven- en negenhonderd voeten. Zo wel als de andere Rupfen, is de Zijde Worm za-
mengefteid uit verfcheiden veeragtige ringen, en is wel voorzien van pootenen haaken, omzichopteboudenter plaatze, daar zij zich gemakjijk tn wel bevind. Zij heeft |
|||||||||
|
ZIJD.
|
ZIJD/ZIJG. ZIJP. mj% ZIJZ.
door witte J'oöten, na de vierde vervelling, en maakt
een fpinzel van even die zelfde koleur. De derde bV^ mint de zwartvlakkige moerbezie-bladen; zij is teerder' en maakt eenroodagtig fpinzel, of ook een wit, dat naar het hemelschblaauwe trekt. De vierde zoort is papegaaij« groen , maakeude een geel en ruig fpinzel. De vijfde is nog niet genoegzaam waargenomen, dog men weet, dac zij een fchoon celadon«groen fpinzel vervaardigt. Met regt merkt die Autheur deeze waarneeming voor iets bijzonders aan, zégt Roesel; want hoe veel ik ouk over de Zijdewormen heb gelezen, kan ik mij dog niet te binnen -brengen, dat ergens van roode of groene zijde word gewag gemaakt". Boven en behalve het menigvuldige gebruik der zijde
tot het weeven van ftoffen, zakdoeken, linten en aller« lefj gewaaden, die of geheel uit zijde beftaan, en des« wegen oudtijds Hokfericea genoemd werden , of met goud en zilver doorweeven worden , of met katoen en wat dies meer is gemengd; heeft as zijde ook in de ge« neeskonst haare nuttigheid gehad. Door destillatie in een retort of kromhals, levert dezelveeenvlugzoutuit, dat men met een weinig lavendel-olie en wijngeest nog- maals overhaalt, en er dus een vogt van krijgt, het wel- ke, toen het een geheim was, een groot gerügt maak- te, onder den naam van engelfche druppelen. Doktor Goddard Tueeg, wegens de uitvinding en ontdekking; van dit middel, een groote beiooning van Koning Kavlel. den IL; dog naderhand is bevonden, dat de geest en het vlugge zout van hertshoorn, met barnfteen of bever» geil gemengd, van immer zo goede uitwerking zijn, en vervolgens heeft men van fpinrag een geneesmiddel ge- maakt van niet minder kragt, onder den naam van drup' pelen van Montpellier (Les Gouttes de Montpellier. Hiß. de l'Acad, des Sciences de Montpellier. Tom.î. Ann. 1766. p. 145.) Ook word de ruuwezijde, karmozijn rood ge« verwd zijnde, als een beproefd middel om de overmaatige vloeijing der ftonden te beteugelen, aangepreefen. Ephem» Natur. Curiofor. Decur. III'. ann. IX. pag. 418. ZiJCffiNA, zie HAAIJEK, «. V. pag. 092.
ZIJGOMATICUM of Zijgoma Os, dus word het
Jokbeen genoemd, zijnde een uitfteekend been van het eerfte paar der onbeweeglijke beenderen van het boven kinnebakken, wiens buitenfte deel. met het binnenfte deel van 't kinnebakken op de helfte vervuld word.. ZIJPGAT, zie FONTANEL.
ZIJPGLAS, «ie KOLF.
ZIJTHÜS, zie BIER.
ZIJZIPHUS ALBADODON-EI, zie OLEASTER..!
|
||||||||||||
|
Wo
|
|||||||||||||
|
tje weegt ongevaar vijftig,, maar op zich zelf alleen,
twee-en veertig greinen. Uit vijfen-vijftig tonnetjes, zijn twaalf Mannetjes voortgekomen; de overigen wa» ren Wijfjes. De Wijfjes Kapel weegt, na het uit- werpen van haare vuiligheid, veertien greinen. Een Wijfje legt 450 eijtjes, die geel zijn, daar na bruin worden; terwijl er nog 210 in haar Lijf fchuilen, als een kettingje aan een dunnen draad gehecht zijnde. De Muizen en tabaksrook, zijn deeze Rupfen fchade- lijk'l- In China vind men een zoort van wilde Zijdewormen,
die grooter zijn, en welken men in de bosfchen leeven laat op een ander zoort van boomen, Tc ht of Te Sang genaamd, hebbenderondagtige Bladen, die in een punt yitloopen, en een Vrugt naar peper gelijkende. Zij groeijen gaarn op heuvels en fteenagtige plaatfen, al- waar zij een zoort van digte bosfchagie maaken. De Zijdewormen, die op deeze boomen aazen, worden eerst in huis uitgebroed, en vervolgens op de boomen gezet. Van haar fpjnzel word zekere ftoffe bereid, genaamd Jtientchou, welke graauw is en een glans beeft, kunnen- de als linnen gewasfchen worden en ongemeen fterk zijnde. Ook neemt zij niet ligt vlakken aan, zelfs niet, befmet wordende door olie. Men maakt van de zijde, welke deeze Wormen fpinnen, fnaaren tot mufiektui« gen, die fterk en belder klinkende zijn. De tamme Zijdewormen kan men in driederleij zoorten
onderfcheiden, naamelijk degemeenen, welke geele zij- de fpinnen; de Spaanfchen, welkegernarmerdzijn, niet bruine en witte vlakken over 't geheele lijf, en zijde Uitleveren van verfcheiderleij koleuren, naamelijk gee- le, oranje, ifabel-en vleeschkoleurige; ookceladonen zwavelgeele. Die zodanige Rupfen hebben, fcheiden de tonnetjes , welke men in 't fransch Cocons noemt, niet van eikanderen, maar haspelen de zijde ondereen, als wanneer zij altemaal uit den geelen zien. Onder deeze laatften vind men er zelfs, die geheel witte zijde fpinnen, en deeze zijn veel blanker, krijgende ook, op het laatst, een zeer heldere, levendige, witte koleur; daar de an- deren, integendeel, geel worden. Het heeft den Schep- per behaagd, deeze Rupfen ook daar in een fchooner aanzien tegeeven, dat haar laatfte ring, digst aan den Kop, zich gelijk een Leeuwenhoofd vertoont. De Heer Sauvages te Montpellier, maakt, in zijn
bericht over de opkweeking der Zijdewormen, gewag van vijfderleij zoorten. De eerde zijn wit; haare pooten worden, na de vierde vervelling, rood, en zij maaken een lood fpinzel. De tweede zoort, onderfcheid ziçh |
|||||||||||||
|
EINDE VAN HET ZEVENDE EN LAATSTE DEEL,
|
|||||||||||||
|
Te L E E ü W ARDEN,
Ter Drukkerije van H. A. de C H A L M O T. 1777. |
|||||||||||||
|
»
|
|||||||||||||
|
"VAITO-EÏT,
|
||||||
|
3?laat- fi.
|
||||||
|
'JCoe men Tapen en knollen hakt-om 't ree te weren. Z^*?^*f
|
||||||
|
■Moe- men- de Vinkehaan, 7rta.aA.tr.
|
||||||||
|
.PLzut- éz..
|
||||||||
|
J^.,& Jto&far-jferty 27f£.
|
||||||||
|
Vissen metr dt- Zeaen-
|
||||||||
|
I'laa-t ó~3.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
rIïa.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
C
**r;':-L Q
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2^-. j.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
I &j
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
*S:: ■ : ,4ÄWtfföÄ
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ff-■"■■ -fr li'^/'-'V'"
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
BI'
- »
M
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
m
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
m
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
E
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
M
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
K
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
-3?. Je JS^Aerjését-.JWZ.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
VIS.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
J^lctafr élf. .
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
E«
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
1%
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
V^
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
x
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
^ft^
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
N
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
iKSM'ni
|
!■-■■!
|
liltnwf'.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Will
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
,m
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Imfmfmëmm-
H 1: /■//,71 Th f ///'/'è//TP^-
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
^■s-
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Al
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
#fc
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ï. <U Xjkkrjür, V^ ■
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
~VTS .
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2^^ 6$.
|
||||||
|
J-' &. JljÀÀtrjcsit. IffZ
|
||||||
|
"VIS.
|
||||||
|
CremÂ/yÂa oyys ?'<m JCarvcr tz, -ytsscTïs . ~pr
|
||||||||||
|
J?(£e men JCzi-pa- met ^Aïavrtséayen wviyt.
|
||||||||||
|
_/.',/. EaAitrßot.rfrZ ■
|
||||||||||
|
't J'usai met de 'daTcèe/. .
|
||||||||||
|
Mèe men i'tst' izan Je Strand .
|
||||||||||
|
I'lauir £7.
|
||||||||
|
<2". de Jl^kker del. et ft'e..
|
||||||||
|
;,$£*
|
||||||||
|
ATLOTJW.
|
||||||||
|
■VLOU-W".
|
||||||||
|
Tlaaf 68.
|
||||||||
|
^HLOXJW.
|
||||||||
|
TOGEL,
|
||||||||
|
3?àutfr ây.
|
||||||
|
3? dt XsAka-jèc. £rex. J742..
|
||||||
|
VOGEL
|
||||||
|
^ùzair yo.
|
||||||
|
Zf: & 2xAÂ&- yîctt J&Sae-
|
||||||
|
VOGEL.
|
||||||
|
2>ltutir yx.
|
||||||
|
J\ .& JL*M.-rt j£.Tt; -zyjZ
|
||||||
|
VO CVK TL .
|
||||||
|
JF^l ~~
|
|||||||
|
^£<2:^ 7^.
|
|||||||
|
~F. de Hakkerj)c. dHrex. J742.
|
|||||||
|
VOCrËt,
|
|||||||
|
VOGEL.
|
||||||
|
ICO Ol.
|
||||||
|
■£"■& 3<UÂet-j(&t-i Stsvj
|
||||||
|
J>&UCtr f4 .
|
||||||
|
1&de IBaAÀerjÇcët &w.
|
||||||
|
VOS,
|
||||||