ÏE BOTTERDAM, BIJ
M. WIJT amp; ZONEN,
Dnikkera van het Nederlandsche Zendelinggenootschap.
1863.
©
Dat wij onze harten geen rust Inten, zon onze wandel niet
is als in de hemelen.
VOORBERIGÏ.
Gecommitteerden van het Nederlandsche Zen-
'^'l^nggenootschap lot het opstellen, verzamelen
uitgeven van kleine Stukjes ter bevordering
Evangelische kennis en godzaligheid, ooh
mingeoef enden; namelijk— h. e. vinke,
Dr. en Hoogleeraar, n. beets, Th. Dr.
Predikant te Utrecht, j. moll, Jacobz.,
^edikant fe 's Gravenhage, j. p. blaauw,
ledikant te Amsterdam, r. adriani, j. j.
oosterzee, Th. Dr. en c. w. van der
Predikanten Eotterdam , overeenkomstig
VOOEBEUIGT.
IV
e
hun ambt en hunne bediening, dat oogmerk
gaarne willende hmmrderen, en in uilzigt op
des Heeren medewerkenden zegen, bieden het
nevensgaande Stukje hunnen landgenooten aan;
erkennende intussehen geene uitgave voor echt,
dan welke door een hunner of door de drukkers
dezes onderteekend is.
Indien het waar is, dat de menschen door
alle tijden heen, wat hunne innerlijke gesteld-
heid en het wezen van hun bestaan betreft,
dezelfde zijn en blijven, onwijzen, dwalenden,
aardschgezinden, aan menigerlei begeerlijkheid
overgegeven, van God venvijderde zondaren;
indien het tevens waar is, dat de weg tot
zaligheid, ons in het Evangelie geopenbaard,
Voor alle tijden en geslachten onveranderlijk
dezelfde is en blijft; — dan moet ook het
'onthaal, hetwelk het Evangelie in de wereld
Vindt en de wijze, waarop de woorden des
eeuwigen levens ontvangen en gehoord worden
door alle eeuwen, in de hoofdzaak een en
ezelfde zijn, hoezeer in rigting, trap en mate
onderscheiden gewijzigd naar de verschillende
gesteldheid en omstandigheden. Zoo is er dau
ten dezen aanzien ook niets nieuws onder de
zon: want hetgeen er nu is, is aireede ge-
weest, en zal er na dezen altoos blijven. Het-
zelfde Evangelie voor den eenen een reuk des
levens teu leven, voor den anderen een reuk
des doods ten doode. Chuistus voor den eenen
dierbaar door het geloof, voor den anderen
door ongeloof een steen des aanstoots en rots
der ergernis. Is dit in waarheid zoo , dan is
ook tevens de geschiedenis van het geloovig
aannemen en het ongeloovig verwerpen van het
getuigenis, dat God ons van zijnen Zoon ge-
tuigd heeft als het licht en het leven der
wereld, uit en naar den Bijbel, ten hoogsten
leerzaam, gewigtig en belangrijk voor alle
tijden. Dau staan de geloovigen en de onge-
loovigen der eerste eeuw tot opwekking en
navolging zoowel als tot waarschuwing en af-
schrik van die der negentiende eeuw. Daarom
kon een wolk van getuigen, voor eeuwen reeds
ontslapen, maar die door het geloof kloeke
daden verrigt en veel verduurd en gedragen
hebben, aan de geloovigen uit de Hebreë»
Hl eeiie lange en breede lijst voorgehouden
Worden, ten voorbeeld en ter aanmoediging om
iiiet lijdzaamheid te loopen de loopbaan hun
Voorgesteld. Daarom kon een paulüs aan de
Korintheren schrijvende, het treurig voorbeeld
van Israël in de woestijn bezigen ter waar-
schuwing om CHKISÏUS niet te verzoeken en
in een gelijksoortig ongeloof te vervallen, hun
daarbij toeroepende: „ die meent te staan,
zie toe dat hij niet valle.quot; Daarom kou
hij uit het ongeloof der Joden, ten behoeve van
de Christenen te Rome, voor welke de Apostel
Grod dankte, dat hun geloof de geheele we-
reld door verkondigd werd, de vermaning ont-
leenen; #Zijt niet hooggevoelig, maar
vreest,quot; en, /inziet toe, dat God mogelijk
eok u niet spare,quot;
Ik maakte daar gewag van het ongeloof der
Joden in de dagen van Christus en de Apos-
telen, als een spiegel ter waarschuwing voor-
gehouden aan de Christenen van alle tijden,
en dus ook van deze dagen. Van ongeloof
gewagende, wordt niet bedoeld die openlijke
Verwerping en miskenning van den Heer jezus
als den Messias vaii ouds beloofd, als den
eigen en eeniggeboren Zoon van God en den
éénigen naam onder den hemel gegeven tot
zaligheid van verlorene zondaren. Neen, wie
dit weerspreekt, en loochent dat jezus, die ons
verlost van den toekomenden toorn en door
God is opgewekt uit de dooden, de Messias
en de éénige Zaligmaker is, zou hij den naam
van Christen wel meer kunnen dragen? Doch
er is een heimelijk ongeloof des harten, dat
bij eenen Ghristelijken naam en belijdenis kan
plaats hebben en helaas! al te dikwerf wordt
aangetroffen. Het bestaat daarin, dat men
den Heer jezus niet in zijne onmisbaarheid ,
heerlijkheid en dierbaarheid voor zichzelven
kent en erkent. Hem niet aanneemt als Hei-
land en Heer, en hoewel men Hem met den
mond roemt, echter zich niet aan Hem 'on-
derwerpt met het geheele hart, noch in geloof,
liefde en gehoorzaamheid zich aan Hem ver-
bindt. Men verwerpt dus inderdaad den raad
van Gods eeuwige liefde ter behoudenis, en
verklaart het getuigenis van God aangaande
zijnen Zoon voor leugen. Ziet, dat is het
ongeloof, waaraan wij ons bij de sclioonste en
regtziunigste belijdenis van het Evangelie kun-
nen schuldig maken. Dat is eene miskenning
en verwerping van christüs, waaraan menige
Evangeliehoorders te midden van het licht der
kennis dat hen bestraalt, en met den Bijbel
in huis en hand, zich schuldig maken, en
Waarom zij, zoo ze niet in opregtheid weder-
keeren, zullen gevonnisd en door den hoogen
God veroordeeld worden. De zoodanigen hooren
Wel het woord des koningrijks, maar het zaad
Valt bij den weg, het beweegt en treft hen
niet, het doet geen nut, omdat het niet met
geloof vermengd is. Of zoo het hen al voor
een oogenblik aandoet, de doornen en distelen
Verstikken het weldra, het vindt geen diepte
Van aarde iu den steenachtigen grond des ge-
Uioeds om wortelen te kunnen schieten en op
te Wassen. Zij geven geen acht op de groote
taligheid, die hun verkondigd wordt. Zij
ontvangen de genade te vergeefs. De zon
eschijut hen wel, maar hare stralen kuimen
'Uet doordringen. En waarom niet? Er ligt
®ven als bij de ongeloovige Joden een deksel
op het hart, waardoor het ongeloof gevoed en
versterkt wordt. Onkunde, vooroordeelen, ge-
brekkig en verkeerd onderwijs kunnen ja in
de erkentenis der waarheid grootelijks belem-
meren; maar bij de verblinding des verstands,
het deksel der oogen, is het juist de verkeerde
stemming en rigting des harten die hieraan
kracht en invloed geeft. Ddar is de voorname
zetel van het ongeloof. De discipelen des
Heeren deelden wel in de vooroordeelen en
misvattingen van hunne tijdgenooten. Er was
ook bij hen onder het lezen van het Oude Tes-
tament een deksel op vele gedeelten van de
schriften der Profeten, die van den christüs
getuigden. Doch er was geen deksel op hun
hart. Zij gevoelden een hoogeren Geest van
noode te hebben, en verlangden geheel rein en
zalig te worden. Zij verwachtten niet alleen
met anderen den Messias als den koning Is-
raëls, maar ook als den Vertrooster van hun
volk, die hen tot God zou brengen. Zulk
een verlangen kenden de anderen niet. Even
daardoor vonden de jongeren in de woorden
en daden des Heeren eene heerlijkheid, als va»
den eeiiiggeboreue des Vaders. De schriftge-
leerden beroemden zich in de wet bedreven en
Uitleggers der wét te zijn. Zij wisten ook
Veel meer van mozes en de Profeten, dan de
eenvoudige discipelen van jezus. En toch
Waren de dingen van Gods koningrijk voor
die wijzen en verstandigen verborgen, terwijl
de kinderen in het verstand ze kenden. Van
Waai- dit, vraagt gij? Van waar, dat zij dit
«iet inzagen noch bemerkten? Het was, om-
dat een deksel op hun hart lag.
Een deksel op het hart. Misschien heeft
deze zonderlinge titel van dit boekje u eenig-
zins aangetrokken, maar toch ook bevreemd,
ïlet is geen naam van eigene vinding, maar
lilt de heilige schrift ontleend en door een
Apostel des Heeren, die de belangstelling der
Christenheid van alle eeuwen verdient, door
den éénigen grooten paulus ons aangegeven.
Wij vinden die merkwaardige woorden in den
tweeden brief aan die van Korinthe, hoofdstuk
Hl, vs. 15 en 16. „Maar tot den Imidige^i
toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt
deksel op hun hart. Doch wanneer het tot
den Heere zal heheerd zijn, zoo wordt het deksel
weggenomenquot; De Apostel handelt hier over cle
voortreffelijkheid der bedeeling van het Nieuwe
Verbond, boven die van het Oude. Het laatst-
genoemde was een bediening des doods en der ver-
doemenis, het andere eene bediening des Geestes
en der regtvaardigheid. Beiden waren van God
afkomstig en hadden in de eigenaardige be-
wijzen van heerlijkheid, waarmede zij bekrach-
tigd waren, de kenmerken van haren verheven
oorsprong. De heerlijkheid, waardoor de Mo-
zaïsche bedeeling werd gekenmerkt, was uit-
wendig, voorbijgaande; die des Evangeliums
was eene inwendige, geestelijke heerlijkheid,
die niet verdwijnt, maar blijft, zelfs toeneemt
en klimt. Hier zweefde den Apostel voor den
geest, wat omtrent mozes in het 34quot; hoofd-
stuk van Exodus verhaald wordt. Toen deze
Godsman voor de tweede maal van den berg
met de nieuwe steenen tafelen terugkwam, en
alle geboden, die hij van God ontvangen en
gehoord had, aan het volk mededeelde, was
er, zonder dat mozes het wist, een schitterende
glans op zijn aangezigt, als terugkaatsing van
de heerlijkheid des Heeren, die hij op Sinai
aanschouwd had, overgebleven. De Israëlieten
zagen dit met verbazing en waren huiverig
om MOZES te naderen, zoodat hij zijn aangezigt
ttet een sluijer moest bedekken. Die sluijer,
dat bedeksel leidde hij af, wanneer hij den
oerg weder opklom, om Jehova te naderen.
Hij zag dan met een ongedekt aangezigt de
heerlijkheid des Heeren en de glansrijke wolk,
die als een zinnelijk teeken van Gods tegen-
woordigheid zich op den berg vertoonde, en
in welke mozes inging, om de stem des Heeren
te hooren. Tot het volk wedergekeerd, bedekte
hij op nieuw zijn aangezigt, zoodat de mede-
gedeelde heerlijkheid voor hunne oogen ver-
horgen, onzigtbaar was, wijl zij die glinstering
Van zijn gelaat niet konden, noch durfden
aanstaren. Van dit zoo geheel éénig voorval,
maakt PAULUS als beeldspraak een vernuftig
gebruik, om daardoor als schilderij, drie din-
gen op te helderen.
Het eerste is de mindere heerlijkheid der
aloude bedeeling. Zij was slechts uitwendig,
Alleen aan mozes gegeven; zij was voorbij-
gaande, slechts voor een tijd. Zij zou ver-
dwijnen en werd te niete gedaan. De heer-
lijkheid der nieuwe bedeeling was inwendig,
geestelijk en deelde zich aan allen mede, die
met het ongedekte aangezigt des geloofs in
cheistus het beeld Gods aanschouwen. Zij
was blijkbaar al meer en meer van heerlijkheid
tot heerlijkheid voortgaande.
Eene tweede bijzonderheid, die paulus hier-
bij bedoelt, is deze. Hij deed niet zoo als
mozes, en gelijk sommigen te Korinthe hem
rieden, om minder aanstoot te geven met de
prediking van Christus den gekruisigde, daar-
van iets te bedekken en dit niet altijd op den
voorgrond te plaatsen, of ook om te gereeder
de ongeloovige Joden en Heidenen te winnen,
zich van de bloemen en sieraden der grieksche
welsprekendheid te bedienen. Neen, het Evan-
gelie door hem verkondigd mögt niet bedekt
worden. Christus in al zijne volheid en heer-
lijkheid moest hij rond en duidelijk prediken.
Hij en zijne medearbeiders moesten dat hoo-
gere, dat volle licht der heerlijkheid in het
aangezigt van Christus, zonder eenige bedek-
king laten afstralen. De ongeloovige en slaaf-
sche geest der Israeliten liad weleer mozes
genoodzaakt eeu bedeksel op zijn aangezigt te
leggen. Hij kon dat doen, omdat het eene
heerlijkheid was die spoedig zou eindigen, en
zich aan anderen niet kon mededeelen. Maar
een gezant van jezus Christus mogt zijn Evan-
gelie niet bedekken, omdat het eene heerlijk-
heid openbaarde, die nimmer zou eindigen,
en, door het geloof aanschouwd, van gedaante
deed veranderen. Zoo de ongeloovigen zich
hieraan ergerden, zoo zij die heerlijkheid niet
wilden erkennen, dit was niet aan hem te
Wijten, noch een gevolg van het onbeduidende
zijner Evangelieprediking, Neen het vloeide
Voort uit de verharding hunner harten, en -
ziet daar het derde gebruik dat paulus van
deze geschiedenis maakt, - er lag een deksel
op hunne zinnen, op hun gemoed, op hun
hart, waardoor zij belemmerd en door eigen
schuld verhinderd werden om die heerlijkheid
te aanschouwen, de lichtstraal te ontvangen of
op te nemen in het binnenste. Dit was de
oorzaak van hunne verblinding en verharding.
Daardoor waren zij ongevoelig en onvatbaar
voor de lieerlijkheid vaii het Evangelie. Ja,
daardoor lag, zinnebeeldig gesproken, een sluijer
of bedeksel voor of over hun hart bij het
lezen en onderzoeken van mozes en de Profe-
ten. Zij konden tot den geest en het doel
van de oude bedeeling niet doordringen; want
dan zouden zij tot chkistüs, als het einde der
wet en het getuigenis der Profeten, opgeleid
worden. Voor hen bleef het gelaat van mozes
nog steeds gesluijerd. Door dat deksel waren
zij blind voor het Oude Verbond en voor het
vervulde Evangelie. Tot op heden toe bleef
dat deksel niet alleen op hun verstand, maar
ook op hun hart. Zij konden niet zien, en
wilden niet zien. Mozes ging bij hen boven
christus. De wet was hun geene voorberei-
ding tot hoogere dingen, maar het volmaakte,
dat zou blijven, en niet kon of mogt veran-
derd worden of als eene schaduw voor het
ligchaam wijken. Van daar dan ook, als zij
in de Synagoge de wet en de Profeten hoorden
lezen, dat ze aan de letter bleven hangen en
den geest niet verstonden. Hierdoor bleef de
heerlijkheid Gods, die ook in deze Schriften
geopenbaard was, en de heerlijkheid van
christus, die uit deze kon gekend worden,
voor hen verborgen, omdat op beiden, huii
verstand en hun hart, en op het laatste wel
inzonderheid, een bedeksel lag. Men kon dus
van hen zeggen, dat zij ziende niet zagen,
en hoorende niet hoorden, noch verstonden.
Doch - dit voegt PAULUS er bij, wanneer
liet tot den Heere bekeerd zal zijn, zoo
wordt het deksel weggenomen. Wanneer
het hart tot den Heer, dat is hier Chris-
tus, zal bekeerd zijn of bekeerd wordt,
dan valt het bedeksel der verblinding weg.
Er is hier geene sprake van de joodsche natL
in het algemeen, maar van iederen ongeloovi-
gen Israeliet, van de ongeloovige Joden, zoo
als zij toen waren en bestonden. Wanneer het
hart zich tot den Heer Christus waarlijk in
opregtheid bekeert, dan zal het met hen zijn
gelijk met mozes, als hij zich op den berg tot
God keerde en het deksel afleide. Zoo wordt
ook dat deksel bij ieder die gelooft weggedaan.
De hinderpaal houdt op, al wat belemmerde
valt weg. Zij zijn vrij en ontheven van het
bedeksel der verblinding, en zullen even gelijk
2
-ocr page 18-wij allen met een ongedekt aangezigt de heer-
lijkheid van christus aanschouwen en van ge-
daante veranderen, van heerlijkheid tot heer-
lijkheid, als van des Heeren Geest!
Uit het medegedeelde blijkt duidelijk, dat
er ook in den tegenwoordigen tijd onder de
belijders van jezus naam kunnen gevonden
worden, wien een deksel op het hart ligt.
Belangrijk is daarom het antwoord op de vra-
gen: Wat is het deksel op het hart?
Waardoor wordt dat deksel weggenomen?
Wat is het deksel op het hart? Hoe
en waardoor ontstaat dit? Naar de gesteldheid
des gemoeds, de opleiding die wij ontvingen
en de omstandigheden, waarin wij ons bevin-
den, kan dit verschillen. Doch er zijn alge-
meene bronnen of oorzaken, die min of meer
gewijzigd, onder ons heerschen. Het zijn geen
anderen, dan die ook onder de ongeloovigen
in de dagen van den Heer jezus en zijne
Apostelen werden aangetroffen. Wij vinden bij
hen drie voorname beletselen, die als een dek-
sel voor verstand en hart hen ^yeerhielden,
om den Zoon te aanschouwen en in Hem te
gelooven. Nog zijn dat de groote hinderpalen
om CHRISTUS geloovig aan te nemen en zich
opregt en onverdeeld aan Hem te verbinden.
Hoogmoed, aardschgezindheid en ge-
hechtheid aan de zonde. Ziet daar wat
ons ongezind, ongeschikt en onvatbaar maakt
voor de erkentenis der waarheid.
De ongeloovigc en van het Evangelie af-
keerige Israëlieten waren regtvaardig in hunne
eigene oogen. Zij kenden zichzelven niet als
onrein, schuldig en strafwaardig voor God.
Zij gevoelden weinig behoefte aan vergeving,
der zonde, want zij meenden weinig kwaads
en veel goeds gedaan te hebben. Daar zij
slechts op de letter der wet acht gaven, hier-
aan zichzelven toetsten, aan geen afgoderij of
andere grove ongeregtigheden zich schuldig
maakten, en stipt getrouw waren in het ver-
vullen van de uiterlijke godsdienstpligten
waanden zij veel beter te zijn dan anderen.
2*
-ocr page 20-Van daar, dat zij de regtvaardigheid van de
wet zochten, en zich verbeeldden, eenmaal ge-
wisselijk loon naar werk te zullen bekomen.
Geen wonder dus, dat de groote voorganger
van den Christus, de ernstige Johannes met
zijne prediking van boete en bekeering hun in
't geheel niet beviel. En evenmin Hij, die
na hem kwam, toen Hij armen van geest,
treurenden en dorstenden naar geregtigheid
zalig noemde en zeide : dat men meerdere ge-
regtigheid moest hebben dan die der Earizeën,
om in het koningrijk der hemelen in te gaan.
Het ergerde hen te hooren, dat zij geen leven
hadden in zichzelven, dat tollenaren en zon-
daren hun zouden voorgaan in den hemel, en
dat zij tot Hem, den Zoon van God, moesten
komen om het eeuwige leven te hebben. Toen
later de Apostelen optraden, om in zijnen
naam en in zijn bloed vergeving en bekeering
van zonden aan te kondigen, wekte dit tegen-
spraak en vijandschap op. Zulk eene vernede-
ring konden zij niet dulden. Wie kon het
verdragen te hooren: gij zijt gewogen en te
ligt bevonden ? Op één lijn geplaatst te wor-
den met de verachte scliare, die de wet niet
kende, ja beneden de tollenaars, ach! dat kon
geen ingang vinden, dat moest terug stuiten
op het deksel van hoogmoed en eigenliefde,
waarmede hun hart omgeven was, Is het niet
nog zoo, Lezers en Lezeressen ? Is het niet
de goede dunk, dien men van zichzelven heeft,
de weinige bekendheid met de ware gesteldheid
van zijn eigen hart en van den verfoeijelijken,
schandelijken en Godonteerenden aard der zonde,
waaruit ingenomenheid met zichzelven en de
gerustheid voor zichzelven geboren worden,
die een bedeksel zijn op het hart, waardoor
geen straal der verlichting kan doordringen.
De geneesmeester wordt niet gezocht, waar men
zich gezond waant, of slechts eene geringe
ongesteldheid, die hoegenaamd niet behoeft on-
gerust te maken, ontdekt. Vergeving is geene
behoefte voor het hart, waar men slechts
zwakheid en onvolkomenheid erkent. Het Evan-
gelie kan geen blijde boodschap zijn, waar men
geen reden tot droefheid meent te hebben,
noch balsem der vertroosting, waar geene won-
den geslagen zijn. Men waant rijk en verrijkt
te zijn en geens clings gebrek te hebben,
inbsp;zonder te weten of te gevoelen, dat men arm,
tnbsp;blind en naakt is. Dit was het deksel, waarop
^nbsp;de prediking van johannes, van Christus en
;nbsp;de Apostelen afstuitte bij den trotschen Jood.
Inbsp;Dit is nog een magtig beletsel bij een tal
inbsp;van Evangeliehoorders. Men kent zichzelven
inbsp;niet, men is met zichzelven ingenomen en
tevreden; hierom doet de prediking geen nut.
Men is te wijs in eigene oogen, om als kin-
deren het woord des koningrijks te ontvangen,
te braaf, te welgezind en te rijk, om als
arme en verlorene zondaren zich voor God te
vernederen, te verzadigd van zichzelven om
honger en dorst te hebben naar een betere en
meerdere geregtigheid.
'nbsp;Een tweede beletsel, dat de Joden weerhield
Inbsp;om acht te geven op het getuigenis van mozes
:nbsp;en de Profeten en de prediking van den Heer
ïnbsp;en zijne Apostelen aan te nemen, was aardsch-
gezindheid. Dit legde een bedek.sel op hun
hart. Wij vinden die verkeerdheid afgeteekend
Inbsp;in de gelijkenis van de genoodigden ter maaltijd,
waar men zich om akker, om koophandel en
aardsche betrekkingen verontschuldigt om te
komen. Het zijn de doornen en distelen, die
het goede zaad verstikken. Het is de grootsch-
heid der wereld, de verleidingen des rijkdoms,
zoowel als de zorgvuldigheden des levens.
Men nam eere van elkander en zocht de eere
niet die uit God is. Hierom konde men niet
gelooven. Een Messias, die hen van de Eo-
meinen verlossen, veel en ruim van de aarde
zou doen genieten, wiens rijk was van en voor
deze wereld, zulk een' verwachtten en begeer-
den zij. Grof ziimelijk vatteden zij de heer-
lijke teekeningen van het Messiasrijk in de
aloude Godspraken op. Hierdoor waren zij stomp
en onvatbaar voor de geestelijke en hemelsche
zegeningen, die aan zijne komst verbonden
waren. Het deksel van aardschgezindheid lag
op hun hart, als zij mozes en de Profeten
lazen. Daarom konden geen koningrijk der
hemelen, geen' onzienlijke schatten, geen gees-
telijk genot, geen leven in gemeenschap met
God hen aantrekken of bekoren. Het ver-
loochenen van zichzelven, het kruis op te
nemen, het verzaken van eenig tijdelijk voor-
deel, het boven alles liefhebben van chkistus
en God, was voor hen eene te zware taak.
Aan zulke eischen was het onmogelijk te vol-
doen. Men werd geërgerd, als er verdrukking
om het Woord kwam. Is die zinnelijke ge-
hechtheid aan de aarde en tijdelijk genot, die
gezetheid op uitwendige en voorbijgaande din-
gen ook nog niet bij honderden en duizenden
een magtig beletsel, dat de oogen verblindt
en de harten ongevoelig maakt voor het woord
der prediking? Als er zes dagen in de week
van den morgen tot den avond niets anders
gedacht, gesproken en gedaan wordt, dan van
den arbeid om de spijze die vergaat; als het
oog niet verzadigd wordt van zien, het oor
niet vermoeid wordt van het hooren, en het
hart niet ophoudt van te begeeren, te zoe-
ken, te woelen en zich te verslaven aan de
dingen, die men ziet; als de geheele ziel
vervuld en bedwelmd is door de dingen dezer
wereld, hoe zullen dan op een' rustdag de
woorden : zoekt het koningrijk Gods en zijne
geregtigheid; bedenkt de dingen, die boven
zijn, waar chuistus uw schat is; hebt uw
wandel in den hemel; hoe zullen die heilige
woorden ingang vinden in het hart? Zulke
in het slijk der aarde als 't ware geheel be-
dolvene menschen zijn doof voor die taal.
Zij verstaan niet de dingen, die des Geestes
Gods zijn, zij kunnen die niet onderscheiden.
Ja, als hij de aarde bij den dood moet ver-
laten, dan den hemel als een toevoegsel tc
ontvangen en eene betere wereld te beërven
dat begeert en hoopt ook de meest aardsch-
gezinde mensch. Doch er zich voor te berei-
den , het nieuw en hemelsch leven te begiimen,
daarvoor heeft hij in gezonde en vrolijke da-
gen tijd noch lust. Op jezus christüs, als
die hem in den hemel moet brengen, hoopt
hij; maar zijn beeld gelijkvormig te worden,
niet uit de wereld te zijn, een geestelijk
mensch te worden, een beter en blijvend goed
in den hemel, in zich zeiven te hebben,
daartoe gevoelt hij niet den minsten aandrang,
zoo lang hij nog genot kan hebben van de
aardsche 'dingen. Verzaking, opoffering, ver-
loochening van dc eer, het goed en het vermaak
der wereld, om des Heeren wil, in gehoor-
zaamheid aan Hem, neen, dat kan hij niet.
Hij verontschuldigt zich. Hij weigert. Moet
er tusschen God en den Mammon gekozen
worden, dan mag hij aarzelen en weifelen,
de schaal slaat over, en het laatste heeft voor
hem het meeste gewigt.
Er is nog een derde oorzaak van der Joden
ongeloof, en zij is nog een beletsel voor het
geloof des harten in jeztjs cheistus, het is de
gehechtheid aan de zonde. De Heiland zelf
wees daarop, toen Hij sprak: //het licht is
in de wereld gekomen, maar de men-
schen hebben de duisternis liever gehad
dan het licht, omdat hunne werken
boos waren.quot; (1) De Pharizeën en Sadduceën
konden wel tot johannes in de woestijn ko-
men, maar hunne zonden belijden en verza-
ken, en werken doen der bekeering waardig,
dat wilden zij niet, omdat zij de ongeregtig-
heid liefhadden. Uitwendig wasschen van drink-
vaten, bekers en schotels, het aangezigt te
(1) Joh. III: 19.
misvormen bij hun vasten, in de huizen der
weduwen en op de hoeken der straten te
bidden, waar het door mensehen gezien
werd, aalmoezen uit te reiken, dat konden
en deden zij. Maar rein van hart te
worden, in het verborgene voor God het
goede te verrigten, het zwaarste der wet
te doen, neen, dat was te veel gevergd.
Heeodes kon Johannes met genoegen hoo-
ren en vele dingen doen, maar zijn zondig
leven vaarwel zeggen, den band, waarmede
de overspelige vorst aan heeodias gekluis-
terd was, verbreken, dat deed, dat wilde hij
niet. Toen patjuis bij pelix sprak over
het geloof in christds, over regtvaardigheid
en matigheid, en dit aandrong door het toe-
komend oordeel, werd het geweten van deu
landvoogd ontrust en beangst, en zond hij den
ernstigen prediker weg. Doch zou de gelegene
tijd om te hooren wel ooit voor hem zijn
teruggekeerd? De zin van cheistus en de
zin der wereld, geest en vleesch, geregtigheid
en ongeregtigheid staan zoo lijnregt tegen
elkander over, dat die een vriend van de
i
eene is, een vijand van de andere zijn moet.
Christus als onze heiligmaking wordt het
minst gezocht, waar de zonde heerscht in het
gemoed, al is het ook maar ééne hoofdzonde.
Waar men nog gewillig onder den scepter
van de ondeugd zich buigt, daar mag men
christus tot een dienaar der zonde willen
maken, en Hem aldus verlagen en misbruiken,
als vernieuwer van hart en zin en leven zal
men Hem van zich stooten, omdat de poort
te eng en de weg te smal is, waarop Hij ons
ten leven roept. Zijn bloed tot verzoening der
zonde mag men tot een pijnstillend middel
voor het geweten gebruiken, zijn Geest en
kracht tot reiniging van de besmetting des
vleesches en des geestes acht men onbegeerlijk.
Het is de geschiedenis van de eerste en
van de tegenwoordige eeuw, het deksel des
ongeloofs door alle tijden heen. De oorzaken
zijn dezelfde, toen en nu: maar ook de schuld
en de gevolgen van het Joodsche ongeloof en
der Christenen ongeloof zijn eenerlei. Waren
het alleen dwalingen van het verstand, voor-
oordeelen uit opvoeding en onderwijs geboren;
was het uit gebrek aan de gelegenheid om
de heerlijkheid Gods in christus te kunnen
leeren kennen, den weg ter redding te kun-
nen weten, al ware het ook niet geheel te
verschoonen, het zou toch eene mindere schuld
zijn, dan waar het uit de onreinheid van het
hart voortvloeit. De Jood had mozes en de
Profeten bij zich; hij las en hoorde gedurig
hunne taal, die van Christus getuigde als het
heil der wereld en den verlosser van het
verderf. Zij waren aanschouwers van de tee-
kenen en wonderen en menigerlei bedeelingen
des Heiligen Geestes, waardoor Zijne woorden
en die zijner gezanten openlijk en onweder-
sprekelijk bevestigd werden, en toch wilden
zij niet, dat Hij Koning over hen was, wei-
gerden zij tot Hem te komen om het leven
te ontvangen. Daarom bleef er geen slagt-
offer, geen voorwendsel meer voor hunne
zonden overig. Zoo is het ook nog. Onge-
loof onder het heerlijk licht van het dierbaar
Evangelie is niet een gebrek en gemis van
de overreding des verstands, maar eene afkee-
righeid en tegenstand van het gemoed. Daar-
door worden even als bij de Joden de zinnen
verblind, de geest verstompt, en het hart, van
tijd tot tijd ongevoeliger geworden, is ten
laatste hard als een steen, waarop alles af-
stuit, en zelfs het teederste woord van ernst
en liefde geen ingang meer vindt, Hoe aan-
doenlijk is menigmaal de trouwste zielezorg
en arbeid bij kranken en stervenden, bij ouden
en verslaafden aan de zonde en de wereldsche
genietingen. Men vindt er, die zelfs voor
de poorte des doods genaderd, zonder eenig
berouw of schaamte over hunne zonden, zon-
der gevoel van behoefte aan chkistüs, als den
eenigen grond hunner hoop op de zaligheid,
nederliggen, stomp en onvatbaar voor de
geestelijke dingen, gebonden aan de wereld,
die zij weldra zullen verlaten. Zoo gaan zij
heen, en met het deksel der verblinding op
oog en hart, dat aan deze zijde des grafs
niet werd weggenomen, treden zij de ontzag-
gelijke eeuwigheid in. Wie ijst en siddert
niet voor zulk een lot! Die bedachtzaam is,
neme het ter harte en late zich waarschuwen,
om niet in hetzelfde exempel der ongeloovig-
heid te vervallen.
Hoe belangrijk en gewigtig wordt dus de
vraag: wat kan dat deksel verbreken ? wat, het
doen wegvallen? Hoe en waardoor wordt
dit weggenomen?
Er is maar één genees- en behoudmiddel,
dat PAULUS voor de ongeloovige Joden van zijn
tijd berekend en toereikend keurde. Het is
ook het éénige, maar tevens onfeilbare middel
om dat deksel bij ons weg te nemen; dit is,
wanneer het hart zich tot den Heere Christus
bekeert. Onder den ouden dag was bekeering
voor den Israëliet, die zijnen God verlaten had,
het wederkeeren van de afgoden tot den leven-
den God. Voor den ongeloovigen Jood, nadat
jezus zich voor hun oog en oor geopenbaard
had als den Christus, den Zoon en het beeld
des Vaders vol van genade en waarheid, was
het iets anders. Zij behoefden zich van geene
afgoden te bekeeren, want zij dienden ze niet.
De bekeering tot mozes' wet was niet meer
noodig, want zij waardeerden die hoog en
hielden haar in waarde, ja waren ijverig voor
hare eer tot in overtollige kleinigheden, in-
zonderheid ten aanzien van het uitwendige.
Er Avaren ook onder hen niet weinigen, die
even als paulus, naar de regtvaardigheid, die
uit de wet is, onberispelijk waren. Zij moesteu
zich bekeeren van hun ongeloof omtrent jezus
christus, die van God gezonden, maar door
hen verworpen en versmaad was. Hem moes-
ten zij erkennen als den grooten Verlosser, door
mozes, david en jesaia aangekondigd en be-
loofd, op Wien het gansche Oude Verbond
heenwijst als de wijsheid Gods en de kracht
Gods; Hem aanschouwen en erkennen als het
licht en het leven der wereld, als van God
den menschen geworden tot wijsheid, regtvaar-
digmaking, heiligmaking en verlossing, In
korte woorden: zij moesten Hem als hun
Zaligmaker, Middelaar en Voorspraak bij God,
als hun Heer en Koning eerbiedigen. Zoo
zou de geheele inrigting van God in de be-
deeling der wet en de bediening der genade
en des Geestes in haar aard, inhoud en strek-
king duidelijk worden. Het deksel, dat nu
bij de lezing des Ouden Verbunds op hen lag,
zou wegvallen. Zij zouden eene diepte van
wijsheid vinden in al die altaargeheimen, offer-
anden en voorbereidende inrigtingen. Aller-
wege zouden zij Christus vinden als het
middenpunt, waarop alle vroegere gebeurte-
nissen doelden en in Wien de profetie hare
vervulling erlangde. Door de sleutelen der
kennis tot ontsluiting van de woorden en be-
loften Gods aan de vaderen, die zij verloren
hadden, op nieuws weder ter hunne beschik-
king gesteld, zouden nu de wegen en leidingen
Gods met hunne vaderen gehouden, in een te
voren ongekend heerlijk licht geplaatst worden.
Bekeerden zij zich tot Christus, zoo zoude
ook het deksel, dat nog op hunne aangezigten
lag, wegvallen. De hoogmoed, de zelfver-
beelding, de werkheiligheid zouden verbroken
worden, alles door de overtuiging van die ée'ne
zonde, wij hebben den Christus Gods verwor-
pen. Al hunne geregtigheid uit de wet
zou als kaf verdwijnen, alle verhefBng boven
anderen geheel wijken en aan de regtvaardig-
heid Gods, die daar is in Christus jezus,
en door bet geloof in Hem onderworpen
worden. Zijn kruis zou hen niet meer ergeren,
maar hun toevlugt en steun wezen en hun
■3
-ocr page 34-roem worden. Beschaamd en verblijd, vernederd
en weer opgerigt, zouden zij met den Ziener des
Ouden Verbonds zeggen; »de Heere heeft
onze ongeregtigheden op Hem doen
aanloopen, de straf die ons den vrede
aanbrengt was op Hem, en door zijne
striemen is ons genezing geworden.quot; (1)
Geen akker noch koopmanschap zou hen meer
terughouden; alle dingen, die zij vroeger hun
gewin gerekend hadden, zouden zij nu als schade
achten om chkistüs te gewinnen. De banden met
de wereld en zonde zouden verbroken worden,
want hoe zouden zij in de zonde kunnen
leven, die Christus gedragen had in zijn lig-
chaam op het hout? Zij zouden niet meer
staan onder den tuchtmeester mozes, maar
leven onder de genade van chkistüs. Zijne
liefde zou hen dringen, om voor Hem te leven.
Het moest dan ook in waarheid eene be-
keering zijn van het hart, niet maar in naam
en door den doop. Het moest eene omzetting
des gemoeds wezen, waarbij de vijandschap
verbroken en eene toegekeerdheid tot Christus
(1) Jesaia LUI: 6», Si).
-ocr page 35-als Heiland en Heer gewekt wordt, met vol-
komene overgave en onverdeelde toewijding des
levens, in onderwerping en gehoorzaamheid
des geloofs. Dit was het e'e'nige geneesmiddel
tegen de kwaal, waaraan zij leden. Geen paulus,
hoe welbespraakt ook en met wat vurige zucht
bezield voor hunne bekeering, kon dat deksel
wegnemen en de verlichting des Evangeliums
en van de heerlijkheid van cheistus doen
doordringen in het binnenste van hun gemoed.
Hij kon die afkeerige harten niet omkeeren,
maar God, die in den morgenstond der wereld
gezegd had, dat het licht uit de duisternis
zou schijnen, kon ook in de stugge harten
schijnen, die openen voor het woord, en den
wasdom geven aan het zaad, dat door den
Apostel en zijne medearbeiders werd uitgestrooid
op den akker der wereld. Hij deed dat ook
ni die drie duizend, die op den Pinksterdag
verslagen werden in hun hart, en vroegen:
wat zullen wij doen, mannen broeders? Dat
was reeds een begin van bekeering tot chris-
tus, niet aan de leeraars der wet, maar raad
en leiding te vragen aan de verachte Galileërs,
die getuigden, dat de gekruisigde Nazarener
was opgewekt uit de dooden en verlioogd in
heerlijkheid om naar de belofte der Profeten
den Geest uit te storten, zoo als zij zagen
en hoorden. Dat deed God aan allen, die
dagelijks tot de gemeente dergenen die zalig
worden, werden toegevoegd. Dat deed Hij
ook aan de groote schare van priesters, die
den geloove gehoorzaam werden.
Het was het éénige middel toen, en het is
het ook nog voor ons, om van ongeloof ge-
nezen en bekeerd te worden. Doch het is ook
een onfeilbaar middel ter wegneming van het
ileksel der verblinding, bekeering tot christüs
den Heer, met geheel het hart. Alle genade
en kracht, alle zegen en leven daalt van God
den Vader der lichten tot ons af door christüs.
TJit en door en in Hem komt de regtvaardig-
heid Gods tot ons door zijn kruis en zijne
heerlijkheid. Zonder christüs komt niemand tot
den Vader. Door Hem heeft Hij ons eene eeuwige
verlossing beschikt. Hem heeft Hij ons ten
Leidsman en Voorganger ter zaligheid geschon-
keu. Zijn Geest reinigt en heiligt het zonde-
lieveride hart. Al deze dingen zijn uit God
door christus. Maar nu ook moeten wij van
onze zijde door Christus tot God wederkeeren.
Menigeen wil zich bekeeren buiten Christus,
en zonder Christus, Het mislukt. Men ar-
beidt in den wind, en op zijn hoogst geno-
men wordt de ligtzinnige iets ernstiger, de
ongodsdienstige meer uiterlijk godsdienstig, dc
dienaar der wereld meer zedig en ingetogen.
Dat is geene bekeering tot God als ons hoogste
goed, wiens gunst, gemeenschap en gelijkvor-
migheid wij boven alles behoeven. En hoe
kunnen wij dat, zoo lang als wij buiten ver-
eeniging met christus blijven, die alleen
geest en leven in ons kan verwekken! Hoe
zouden wij tot God, den heiligen en alweten-
den, durven gaan, indien wij niet aan de hand
van den Middelaar tot Hem de toevlugt nemen!
Hoe zouden wij dit durven doen, als wij geen
kracht ontleenen uit het geloof in Hem, zon-
der wien wij niets vermogen! Maar dan
moeten wij ons ook met geheel ons hart tot
christus bekeeren. Het moet eene rigting der
geheele ziel lot Hem wezen, waardoor we niet
voor een oogenblik, niet nu en dan, maar
bestendig Hem zoeken, .Hem begeeren. Hem
erkennen, tot Hem opzien en ons met geheel
het hart aan Hem verbinden, toewijden en
overgeven, om door Hem geleid, bestuurd,
gereinigd en geheiligd te worden, zoodat wij
de zijnen worden en blijven. Dat is het
e'énige middel om de heerlijkheid Gods in
CHRISTUS te kennen en naar zijn beeld van
dag tot dag in den inwendigen mensch ver-
nieuwd te worden. Dan zullen alle beletselen
en hinderpalen, die ons nu nog belemmeren,
langzamerhand wegvallen. Wij wordeii dan
licht in den Heere. Er komt dan eene an-
dere wet, die des Geestes en des levens in
ons, die ons vrijmaakt van de wet des doods.
Wij hebben dan vrede met God door het
geloof in Christus, die voor ons gestorven en
oi^wekt en verheerlijkt is. Nu is alle be-
letsel weggenomen, om de volle heerlijkheid
des Heeren met vrijmoedigheid te aanschouwen.
Wij gevoelen nu, wat genade is, wij waar-
deren haar hoog, en vinden alle roem en
hoop in christus, die ons kracht geeft. Men
is dan gerust en krachtig iu de sterkte zijner
magt. Hij is alles voor ons en alles in ons.
Met dat doel wordt chmstus, de hope der
heerlijkheid, ons onbedekt verkondigd, om
aller menschen volmaking in chkistus jezus
te bevorderen.
Wij hebben gezien, welke groote hinderpa-
len en beletselen ook nu nog de menschen
weerhouden, om de heerlijkheid Gods in het
aangezigt van christüs te aanschouwen, en in
Hem met het hart te gelooven. Het is hier
de hoogmoed, ginds de aardschgezindheid en
elders weder de zondelust. Waar, lezers en
lezeressen! is onze plaats? Wat is het deksel
van mijn hart? dat vrage en onderzoeke een
iegelijk bij zich zelven. Wordt het deksel op
ons hart niet weggenomen, dan blijven we
buiten betrekking en gemeenschap met Chris-
tus, dan behooren wij onder degenen, die het
Evangelie ongehoorzaam zijn; en wat zal het
zijn, als wij staan zullen voor de vierschaar
van den eeuwigen Kegter? Hoe treurig, hoe
onversclioonlijk, lioe ontzettend en jammerlijk
zal liet zijn, wanneer Hij naar dit Evangelie
allen zal oordeelen. Kunt gij liet deksel der
verblinding niet wegnemen ? God wil het
doen, en Hij de Algenoegzame en Volzalige,
die alleen ons heil bedoelt, arbeidt dquot;aartoe
gedurig, ook door de aanbieding van dit
kleine geschrift. Hij noodigt en lokt ons om
tot Hem te komen; Hij, die alles voor ons
heeft, en alles aan ons doen wil, wat tot
onze wederaanneming en zaligheid noodig is.
Laat het van nu af de keus onzer harten
worden en steeds blijven om tot God te gaan,
die alles in zijne hand heeft en aan zich kan
onderwerpen, en ook aan ieder, die tot Hem
komt, op het gebed de gaven des Geestes
wil schenken. Terwijl wij de krachtige wer-
king van den Heiligen Geest ter bekeering
verbeiden, zij ons oog geopend voor de Schrif-
ten der goddelijke openbaring, die ons wijs
kunnen maken tot zaligheid. Die heilige
Schriften moeten het rigtsnoer zijn van ons
doen en laten, onze vaste leidslieden op den
weg door dit wisselvallig leven en ook op den
weg naar de eeuwigheid. Daarbij worde het
woord der prediking, dat in ons geplant wordt,
steeds met zachtmoedigheid ontvangen als het
woord van den levenden God tot bekeering
en heiligmaking en hope des eeuwigen levens.
Is ons hart aanvankelijk tot Christus ge-
keerd, dat wij dan Hem gedurig aanschouwen
met het ongedekt aangezigt van het ootmoedig
geloof, zoo als Hij daar voor ons in den
spiegel van het Evangelie in zijne heerlijkheid
staat afgebeeld. Hij staat daar voor ons als
de Zoon des levenden Gods, als de verzoener
onzer zonden, als de wegwijzer en leidsman
ten hemel; maar ook als het beeld des on-
zienlijken Gods, waarnaar wij van gedaante
moeten veranderd worden. Dat wij op Hem
staren, zoo als Hij ons is voorgegaan en heeft
voorgedaan op deze aarde, in vreugde en
smart, onder vrienden en vijanden, in gehoor-
zaamheid, in liefde en lijdzame onderwerping.
Christus moet in ons eene gestalte verkrij-
gen, zoodat men aan den discipel eenigzins
zien kan, wie de Heer en Meester is. De
bekeeriiig tot chkistüs en God is geen afge-
daan en volbragt werk, dat wij binnen zekeren
tijd en grenzen zouden kunnen bepalen. Alle
dagen moeten wij ons keeren en bekeeren tot
Hem, want al is het deksel des hoogmoeds,
der aardschgezindheid en der gehechtheid aan
de zonde bij ons aanvankelijk door Gods ge-
nade en de kracht des Heiligen Geestes ver-
broken, er kan toch soms nog iets van over-
gebleven zijn, dat ons hindert in het geloovig
leven voor Hem en met Hem. Alle hoogten
zijn in ons binnenste nog niet geslecht; van
den ouden zuurdeesem der verhefBng, van de
gehechtheid aan het zienlijke, van vroegere
verkeerdheid en zondelust is misschien nog
iets overgebleven. De plage en kwale onzes
gemoeds is niet geheel weggenomen en genezen.
De heerschappij van het kwade moge verbro-
ken zijn, de besmetting is nog niet geweken.
Men houde dus steeds een argwanend oog op
zijn hart. Iedere veronachtzaming, elke weer-
streving van eenigen goeden indruk leidt af van
chkistüs en God. Waken, bidden en strijden,
dit blijven zoolang wij in dit leven zijn, de
lessen van den dag. In vreeze te wandelen
den tijd onzer inwoning, terwijl wij als eenen
Vader aanroepen Dien, die zonder aanneming
des persoons oordeelt naar ieders werk, is een
hoofdvereischte. Het zij onze toeleg, om
christus meer en meer te kennen in de kracht
van zijn lijden en opstanding, en besprengd
met het bloed der verzoening in Hem gevon-
den te worden. Dat dan dagelijks oog en
hart maar gedurig tot Hem gerigt zij. Zoo
zullen wij in zijn licht ons licht, in zijne
kracht onze sterkte, in zijn kruis onze be-
dekking, in zijne gemeenschap onze zaligheid,
in zijne dienst onze eer en vreugde vinden.
Dan, zoo geheiligd in 't gemoed,
Zoo voor den hemel opgevoed.
Dan zien w' ons rijkelijk beschoren
Den ingang in uw eeuwig rijk,
o God! die zoo genadiglijk
Iu Jezus ons hebt uitverkoren:
Hem zij de lof, door al 't geslacht
Hier en daar boven toegebragt!
Bij M. Wijt amp; Zonen, Drukkers van het Nederlandsch
Zemlclinggenootscliap worden ook uitgegeven de
volgende Kleine Stukjes:
Cents.
1.nbsp;Evang. herin, aan kranken 10
2.nbsp;Over het nuttig korkgaan.. 07^
3.nbsp;Over h. doen van belijdenis 07J
■1. Een woord voor menschen,
die niet ter kerk kunn. gaan 07i
5.nbsp;Het Christend. beschaamd
door Heidenen............ 10
6.nbsp;Evangelische herinneringen
aan bedroefden........... 15
7.nbsp;Evangelische herinneringen
aan vaders en moeders..... 15
8.nbsp;Een woord aan vaders en
moeders over den Doop.... 03
9.nbsp;Over het allerbeste Boek.. 07^
10.nbsp;Onderw. over h. Bijbellezen 20
11.nbsp;Het leven V. den Heer Jezus H'l
12.nbsp;Iets over het Avondmaal... 12^
13.nbsp;Opwekk. tot de huisselijke
Godsdienst.............. 12^
14.nbsp;Zamenspr. tuss. drie vrien-
den over de Wedergeboorte 07^
15.nbsp;Het leven v. William Kelly 10
16.nbsp;Drie zamenspr. tusschen
een' Leeraar en een Huism. 10
17.nbsp;Het dorp Eerenhoef....... 20
18.nbsp;Het nadeel van het bij de
straat loopen der kinderen. 12J
19.nbsp;Waarsch. tegen de ontucht —-
20.nbsp;letsv.herstelden u.krankh. 12^
21.nbsp;Iets voor gevangenen.....25
22.nbsp;Geschenk der christ. liefde
voor kinderen.............20
23.nbsp;Geschenk voor lidmaten der
christelijke kerk......... 15
24.nbsp;Heb ik wel genoeg voor de
eeuwigheid ?............. 12j
25.nbsp;Tweede geschenk der chris-
telijke liefde voor kinderen 15
26.nbsp;Voor dienstboden......... 17^
27.nbsp;Over de feesten........... 12^
28.nbsp;Iets voor armen...........07^
Cents.
29.nbsp;Jezus, de geneesmeester
van kranken.............. 10
30.nbsp;Evangelische herinneringen
aan oude lieden........... 15
31 Verz. van leerzame brieven
en opwekkende verhalen.. 12^
32. Opw. tot weltevredenheid. 12^
38.nbsp;Een g. woord aan Christen-
ouders over de opvoeding.. 15
34.nbsp;Franke, de kracht des gel.. 12^
35.nbsp;Schets van het leven van
Afrikaner................. 07^
36.nbsp;Waarschuwing tegen het
kwaadspreken............ 07^
37.nbsp;Iets over de zelfkennis .... 15
Een woord v. onderrigt en
troost in sterfhuizen...... 20
39.nbsp;Men doet niet wat men kan 12^
40.nbsp;Christelijke onderrigt. tot
moed en hope............. 15
41.nbsp;Waarom word ik niet beter? 17^
42.nbsp;Wie zijn hier op aarde de
gelukkigste menschen? ... 15
43.nbsp;Gedenk te sterven......... 15
44.nbsp;Het voorbidd. een pligt der
christelijke liefde......... 124
45.nbsp;Opw. tot getrouwe deelne-
ming in het Maandel. Geb. 17
46.nbsp;Troostw. voor Christenen
in alle wederwaardigheden. 15
47.nbsp;Bijbelsch leesb. V. kranken. 15
48.nbsp;Iets uit het leven van Felix
Neff.Pred. der Waldenzen. 20
49.nbsp;Het geloof in den Heer Je-
zus Christus, naar Joh. VI. 20
50.nbsp;De christelijke oefenschool. 20
51.nbsp;De goede Herder......... 17^
52.nbsp;Bijbelsch onderwijs over
's menschen bekeering .... 17^
53.nbsp;Genade en pligt.........17^
54.nbsp;Gesch. aan allen , die Gods
woord mogen hooren...... 17^