Wilt gij even met mij gaan? - dan treden wi] ®6n ziekenkamer binnen. - » Dat is niet zeernbsp;Opwekkend - zegt gij. t Kan er naar wezen.nbsp;Vrolijk is het zeker niet, en grappig ooknbsp;oiet; - doch dat behoeft ook niet altijd. Maarnbsp;Opwekkend? - daar kan ook in den ernst vannbsp;f leven wel iets liggen, dat goede gedachten,nbsp;Aandoeningen, voornemens, bij ons wakker maakt.nbsp;En als het dan het reine en edele, dat in hetnbsp;*oensohenhart sluimert, opwekt, - wel, dan isnbsp;'^et waarlijk opwekkend, zelfs in den nitnemend-^ten zin van het woord. Nu, ga dan maarnbsp;SSrust meê. En zijt gij misschien bang voornbsp;Schokkende tooneelen of akelige verhalen van pijnnbsp;smart ? - ik sta er u borg voor, dat dienbsp;'^rees ongegrond is, want er zal niets van diennbsp;Aard plaats hebben. - Hier! als t u blieft; dezennbsp;^rap op! en nu deze deur in! ik zal de vrijheid
r
-ocr page 2-nemen u te introduceeren. Neen, gij behoeft niet zoo heel zachtjes te loopen, t is hier welnbsp;een ziekenkamer, maar niet zulk eene, waar ooknbsp;het ligtste geridsel moet worden vermeden en hetnbsp;minste zonnestraaltje moet worden buitengesloten,nbsp;omdat het den kranke hindert en vermoeit. Integendeel , het bezoek van enkele vrienden is ernbsp;aangenaam, en t lieve zonnetje is er welkom,nbsp;als het door de vensteren kijkt.
Daar lag zij op hare legersteê, de dertigjarige Elize. Gisteren had zij daar óók gelegen, ennbsp;eergisteren óók; ja, zij wist haast zelve niet meernbsp;hoe lang al, want het had reeds verscheidenenbsp;jaren geduurd. Gij zoudt het haar niet hebbennbsp;aangezegd, zoo betrekkelijk goed zag zij er uit.nbsp;t Was dan ook eigenlijk niet zoo zeer een ziekte,nbsp;die met ruwe hand de levenskracht haastelijknbsp;sloopt, als wel een onmerkbaar voortkruipendenbsp;krankheid, die heel langzaam, maar heel zeker,nbsp;voortwoekerde, en waarvan de geneesheer, opnbsp;het aandringen der huisgenooten om de waarheidnbsp;te weten, had moeten verklaren, dat er weinignbsp;aan te doen was; misschien wat tot verligtingnbsp;nu en dan, maar tot genezing toch niet. t Wasnbsp;een lang, lang lijden, en, of men het ook aanvankelijk voor haar had willen verbergen, zij wistnbsp;heel goed wat er ten laatste het eind van wordennbsp;zou. Maar, - inderdaad, bij iedere beproeving
-ocr page 3-3
Gods vaderlijke ontferming toch altijd nog en »niaar, als wij er slechts een oog voornbsp;hebben om te vinden waar het staat, - dit wasnbsp;gelukkig, dat die krankheid noch haar hoofd,nbsp;*ioch haar hart had aangetast, want dat hoofdnbsp;¦Was nog zóó helder, en dat hart was nog zóónbsp;warm! Men kon het zien aan den blik diernbsp;¦vriendelyke oogen; men kon het hooren aannbsp;leder woord dat zij sprak, t Zou niet vreemdnbsp;2ijn geweest, zoo de tijd haar ontzettend langnbsp;Tvas gevallen. Een dag op het ziekbed schijntnbsp;geen eind te zullen hebben; - en dan jarennbsp;Achtereen! .. . . hoe is t mogelijk om ze door tenbsp;komen ? En toch was dit het geval niet. Nooitnbsp;klaagde zij over het langzaam voortgaan van dennbsp;%, en verveling was een kwaal, die zij nietnbsp;®oheen te kennen. Zij had eene houding wetennbsp;te vinden, waarin zij, zonder al te groote moeite,nbsp;^ezen kon, en dit deed zij dan ook gaarne.nbsp;Tegen den muur, bij haar ledikant, juist binnennbsp;haar bereik, was een klein boekenrekje vastgemaakt , en daar stonden eenige uitgezóchtenbsp;hoeken in, netjes ingebonden, en daaronder ooknbsp;Sen Bijbeltje met psalmen en gezangen; maar datnbsp;^O'g er niet meer zoo nieuw en welbewaard uitnbsp;de anderen, want het verguldsel was al vannbsp;bladen af, en daar lagen heel wat vouwtjes in.nbsp;®ii als zij niet las, - dit kon zij toch ook niet
-ocr page 4-altgd doen, - dan hield zg zich nog al veel met eenig vrouwelijk handwerk bezig; naaijen,nbsp;breijen, en zoo meer. - »Niet te lang achtereen! - had de dokter aanbevolen. Dat deed zijnbsp;dan ook doorgaans niet; maar zoo de dokter bynbsp;haar had gestaan, zou hij toch wel noodig hebbennbsp;gehad, haar nu en dan te vermanen, om het watnbsp;meer op haar gemak op te nemen. »Een mensebnbsp;kan toch niet lui en ledig wezen, - meende zi]-Dan maakte zij kleine rokjes en kousjes en jurkjes,nbsp;en dergelijke zaken meer. Toch had zy geennbsp;kleine broertjes of zusjes; haar éénige zuster wasnbsp;gehuwd, en haar éénige broeder, reeds een opgeschoten jongeling, was nog met haar in hetnbsp;ouderlijke huis. Voor wie zy dan die dingennbsp;maakte ? - daar sprak zij zoo niet over ; maar dienbsp;ongelukkige weduwe, twee huizen verder, dienbsp;bij den dood van haar man met zeven kleinenbsp;kinderen was blijven zitten, die zou er misschiennbsp;meer van kunnen vertellen. En verder ontvingnbsp;zij nog al dikwijls bezoek; niet gaarne velen tenbsp;gelijk, maar zoo enkelen; allerliefst haar tweenbsp;beste vriendinnen, en die dan nog bij voorkeurnbsp;ieder afzonderlijk. Dan kon zij onder vier oogennbsp;zoo eens regt vertrouwelijk praten, en dan kwamnbsp;er nog al eens het een en ander voor den dag!nbsp;wat anders, bij de bezoeken van alledaagscbenbsp;bekenden, doorgaans in de schatkamer van haar
-ocr page 5-hart verborgen bleef. Want zy hield volstrekt niet van vertooning te maken; - uithangbordennbsp;¦ran vroomheid, daar had altyd een afkeernbsp;van. Dat nam niet weg, dat het van zelf openbaar werd, wat geest haar bezielde. Want walnbsp;er van geloof en liefde is in het menschelijk hart,nbsp;dat dringt onwillekeurig door al de porieën vannbsp;zijn bestaan naar buiten. Trouwens, zij herinnerdenbsp;zich dan ook het woord van den Heer, dat mennbsp;de kaars niet onder de korenmaat moet zetten,nbsp;en daarom deed zij ook geen moeite om het lichtnbsp;te verbergen, dat Hij in hare ziel ontstoken had.
Als er nu iemand bij haar kwam en vroeg: »wel Elize, hoe gaat het u? - dan was meestalnbsp;haar antwoord: »0! t gaat nog al goed; -ook als de dokter vond dat het juist niet zoonbsp;goed ging; en hare huisgenooten getuigden, datnbsp;zij maar uiterst zelden, en in de laatste tijdennbsp;in t geheel niet meer, iets wat naar een klagtnbsp;zweemde, van hare lippen hadden gehoord. Ennbsp;dan sprak ze over alles en over allen, met eennbsp;belangstelling, waaraan men kon zien dat zij zichnbsp;niet uitsluitend bezig hield met haar eigen leed;nbsp;dat zij nog een gedachte en nog een hart voornbsp;anderen had; een gedachte vol deelneming en eennbsp;hart vol liefde, en dan was t waarlpk, of zijnbsp;zichzelve geheel had vergeten. Haar nu moestnbsp;nien haar dan ook niet te zeer beklagen. Dat
-ocr page 6-hoorde zij niet gaarne; misschien wel omdat zjj, fijngevoelig als zij was, heimelijk vreesde, datnbsp;zulk beklag er haar toe zou brengen om zelvenbsp;haar leed al te zwaar te tillen, en zekere ontevredenheid hij haar opwekken zon. Daar warennbsp;er soms wel, die zoo deden; - want van de dagennbsp;van Job af, zijn er veel onhandige troostersnbsp;van allerlei soort geweest, - maar dan bleefnbsp;haar afwijzend antwoord niet achter.
sWel arme meid! wat zijt gij toch diep ongelukkig! - zei er een. - »Ik heb waarljjk zielsmedelijden met u, en ieder moet n wel beklagen, die van uw droevigen toestand hoort. - Maarnbsp;terstond hernam zij: kocIi zeg dat toch niet!nbsp;t Is immers zoo: De beker van mijn lijdennbsp;komt van een Vaderhand! - En zie eens: ik hebnbsp;doorgaans weinig pijn; ik kan alles krijgen watnbsp;ik behoef; ik heb een oppassing boven duizenden;nbsp;al mijne huisgenooten zijn even voorkomend ennbsp;haitelpk; tal van vrienden bewijzen mij de grootstenbsp;deelneming, en den allerbesten Vriend hebnbsp;ik immers hij mij. Kijk dan eens, wat al vriendelijke sterretjes de goede God voor mij aan dennbsp;hemel gezet heeft. Zou ik dan niet ondankbaarnbsp;zjjn, als ik ging klagen; en, om het voorregtnbsp;dat mij ontbreekt, den zegen voorbijzag, dien iknbsp;geniet? - En de ander zeide: »Elizl! ik herroepnbsp;mijn woord. Neen, gij zijt niet diep ongelukkig!
-ocr page 7-Eens maar gebeurde het, dat men haar' na het vertrek van eene bekende, in tranen vond-Bat was iets zeer ongewoons, want meestal deednbsp;een bezoek haar genoegen. En toen men denbsp;leden vroeg, was haar antwoord; »Zij sprak metnbsp;Zulk een minachting, haast had ik gezegd metnbsp;zulk een bitterheid, van het Evangelie, en gafnbsp;*iiet onduidelijk te kennen , dat mijn vasthoudennbsp;S'an Gods eeuwige vaderliefde, in Cheistus geopenbaard , niet anders dan dweeperij en dwaasheidnbsp;¦Was. En ik moest mij maar goed houden, -zeide zij; - en mijn steun in mijzelve zoeken,nbsp;en zóó meer. Geschokt heeft het mij wel niet,nbsp;naar t heeft mij pijn gedaan; pijn in mijnnbsp;hart! O als mijn Zaligmaker mjj ontnomennbsp;kon worden , die ook voor m ij de éénige weg totnbsp;den Vader is, - ja, dan zou ik onuitsprekelijknbsp;Ongelukkig zijn; dan gevoel ik dat alle krachtnbsp;Baij zou ontzinken, en t zou mij onmogelijk zgnnbsp;de beproeving goed te dragen. Och! zij heeftnbsp;zeker nooit zware lasten getorscht; zij heeft zekernbsp;Dooit groote droefheid gehad; anders zou zij welnbsp;¦Weten, waaraan het hart behoefte heeft in dontere dagen, t Is wreed, zeer wreed den lijdernbsp;zijn éénigen steun te willen rooveu! - Maar t isnbsp;Dl voorbij - vervolgde zij na een oogenblik, ennbsp;Wischte hare tranen af, en glimlachte weder; -»t is al voorbij! ik wil er niet meer aan denken.
-ocr page 8-Ik laat mij toch mijn beste goed niet ontrukken! '¦
Maar zulke oogenblikkeii waren dan ook werke* lijk uitzonderingen. Doorgaans was zij zoo welgemoed en opgeruimd, dat eene van hare bestenbsp;vriendinnen, die haar zeer dikwijls bezocht, opnbsp;zekeren morgen niet kon nalaten te zeggen:nbsp;»maar Buze I t is toch sterk! gij ligt hier nu alnbsp;jaren lang, en toch zijt gij altijd even blijmoedig ennbsp;tevreden; nog nooit heb ik u anders gevonden! -iAltijd even blijmoedig - hernam zij,nbsp;»neen, dat toch niet. - Kom een beetje digter bijnbsp;mij zitten en schuif dat gordpn een weinigje weginbsp;dan kan ik u beter zien. - Zie zoo! nu kunnennbsp;wij eens gezellig praten.
»Dat ik niet klaag of mor, maar over t geheel goedsmoeds en onderworpen ben, daar dank iknbsp;God voor; want waarlyk, dat hebben wij tochnbsp;uit ons zelven niet. Weet gij, wat dan ook zulknbsp;een liefderijke beschikking van den Vader in dennbsp;Hemel is? - al is er dan ook nog heel wat meernbsp;en heel wat beters! Dat de schouders zich vannbsp;lieverlede zetten naar eiken last. En als wijnbsp;soms denken: dat zou ik onmogelijk op dennbsp;duur kunnen dragen, dan ondervindt men toch,nbsp;dat men tot op zekere hoogte kan gewennen,nbsp;zelfs aan het leed. Maar toch, altijd evennbsp;blijmoedig, - dat durf ik van mijzelve nietnbsp;zeggen. Het zonnetje daarbinnen schijnt niet altijd
-ocr page 9-even helder. Croddank! het gaat niet voor goed onder, maar toch komen er nu en dan wolkjesnbsp;voor. -
fik heb weleens gehoord, - vervolgde Elize na eenige oogenblikken, - »dat kinderlyke onderwerping, zoo als die door het Evangelie wordtnbsp;aanbevolen en geleerd, volgens sommigen zoo ietsnbsp;geheel passiefs, iets enkel lijdelijks zou wezen,nbsp;dat de geestkracht verlamt. Doch dat is, naarnbsp;t mij voorkomt, geheel onwaar. Ik houd het er voor,nbsp;dat er daarbinnen heel wat gestreden en heel watnbsp;Overwonnen moet worden, en dat er menige weêr-barstige stem met kracht tot zwijgen moet wordennbsp;gebragt, eer men zoover komt, en daarom dunktnbsp;niij onderwerping veelmeer eene zaak, die welnbsp;zeer groote insi)anning vordert. En daar wordnbsp;ik te meer in bevestigd, als ik op het heerlgknbsp;Voorbeeld van den Verlosser zie. Niet waar? -daar was heel wat zelfverloochening voorafgegaan,nbsp;en opoffering van wat den mensch op aarde aangenaam of begeerlijk is, eer Jezus dat wonder-schoone woord sprak: »Niet gelijk ik wil maarnbsp;gelijk Gij wilt; - ¦den drinkbeker diennbsp;nbsp;nbsp;nbsp;de
Vader gegeven heeft, zal ik dien niet drinken? -en die volkomen eenswillendheid met den Vader, die wij aanbiddend in Hem vereeren, zij wasnbsp;inamers eerst door ontzettenden strijd veroverd.nbsp;Maar, - met u mag ik toch nog wel eens van mijne
-ocr page 10-eigene ervaring spreken, - ik gevoel dan ook wek dat die regt kinderlijke onderwerping niet zo®nbsp;maar van zelve gaat. Ik heb nu en dan nognbsp;wel eens zwakke buijen. Als ik zoo allen offl-mij heen frisch en vrij zie werken en genietennbsp;in volle gezondheid; als ik bedenk dat ik nognbsp;niet oud ben; dat het leven nog zooveel schoonsnbsp;en vriéndelijks voor mij zou kunnen hebben; datnbsp;ik nog zooveel zou kunnen doen voor mijzelv®nbsp;en voor anderen, en zoo al meer, - dan gevoelnbsp;ik toch, dat ik nog niet zoo gemeenzaam ben nietnbsp;het denkbeeld van heengaan, en nog niet zoonbsp;los van de aarde, als ik wel gedacht had te zijn-Bn dan gebeurt het wel, dat ik wat mismoedignbsp;word, en niet meer zoo vollen vrede heb metnbsp;Gods beschikking. En dat spijt mij innig. D^nnbsp;zegt men mij wel eens, dat ik mij daarover nietnbsp;te zeer moet bekommeren; dat het niet onnatuurlpknbsp;en ligt verklaarbaar is, een verschijnsel, dat bijnbsp;alle langdurige beproeving waargenomen wordt,nbsp;omdat het raenschelpk gevoel toch altijd tegennbsp;het lijden opkomt, en wat dies meer zij. Datnbsp;wil ik nu alles wel gelooven, maar het bevredigtnbsp;mij toch niet. Opregt gesproken, ik kan nietnbsp;zeggen dat ik er mij eigenlijk ongerust overnbsp;maak. Ik ben niet bang dat de Hemelsche Vadernbsp;zijn hulpbehoevend kind die zwakheid niet zounbsp;willen vergeven. De Heer zei immers ook wel
-ocr page 11-^6gen Petrus: »Kleingeloovige! waarom hebt gij Sfi'vaukeld? - Maar Hij greep hem toch bij denbsp;^3'nd, en was daarna weer goed en vriendelijknbsp;*®gen hem, als te voren. Maar toch bedroeft hetnbsp;'^'li, want het is niet goed; t is niet zoo als hetnbsp;^6zen zou, als er volkomen eenstemmigheid wasnbsp;het kinderhart met het Vaderhart. Weet gijnbsp;ik dan in zulke oogenblikken doe ? Dannbsp;^aast ik mij maar, om mijne huismiddeltjes daar-^®gen te gebruiken, en dan gaan die zwakkenbsp;^mijen gelukkig zoetjes aan weer voorbij. - »Uwnbsp;huismiddeltjes Elize? - vroeg de vriendin, -*Urat meent gij daarmee? »Wel - antwoorddenbsp;en wees op dat bijbeltje zonder verguldsel, -^hit; en dan dat, - en daarbij vouwde zij denbsp;handen en sloeg den blik omhoog; - »meidlief!nbsp;hat doet zoo goed, als het daarbinnen wat sombernbsp;; dan drijven de wolkjes weg en het zonnetjenbsp;hornt weêr voor den dag. -
Qp een anderen tijd maakte zij deze oximerking: * Vroeger, in mijn gezonde dagen, heb ik welnbsp;®6ns mensohen gezien, die door zeer langdurigenbsp;®^iekte beproefd werden, en op wie dat langdurignbsp;^Üden blijkbaar een heiligenden invloed had; juistnbsp;als vader Sluijteu zegt;
Door zijn lengte drukt het kruis.
Maar hot helpt ons ook naar huis.
Dan kwam het mp voor, dat dit voor een goed
-ocr page 12-of
deel hieruit te verklaren was, dat die laders nu zoo afgesloten waren van de wereld; zoo buiten aanraking met de verzoeking, en dat de moegelijkenbsp;strgd van het leven hun voorbijgleed. Daar magnbsp;wel iets van aan zijn, maar geheel waarnbsp;het toch niet. Althans ik weet nu bij ondervinding , dat er ook tusschen de vier murennbsp;van een ziekenkamer een levensstrijd moet wordennbsp;gevoerd, dikwijls moeijelijk genoeg, waaraan mennbsp;zich niet kan onttrekken. Gevaren en verzoekingennbsp;waartegen gewaakt moet worden, zjjn daar ooknbsp;niet vreemd, al zgn ze weêr van anderen aard,nbsp;dan in het woelige en bedrijvige leven. Daarnbsp;bij voorbeeld: ongeduld en moedeloosheid. Daa^nbsp;is: al te sterke gehechtheid aan de aarde, en gt;nbsp;aan den anderen kant, onmatig verlangen omnbsp;ontbonden te worden. Daar is: een gevoel, alsofnbsp;men nu eigenlijk de spil behoorde te zgu, waa*nbsp;alles zich om bewoog; een soort van egoïsm®'nbsp;die aller zorg en deelneming voor zich ^onnbsp;verlangen, en zekere prikkelbaarheid, als mennbsp;te regt of te onregt, meent door anderen minnbsp;meer veronachtzaamd te worden. Daar is: kef
dat
gevaar dat men zichzelf misleiden zal, en
;bt
men de kalmte, die eigenlijk nog maar de vruci
van het gewoon worden aan de beproeving 's, reeds voor de waarachtige kinderlijke onde*nbsp;werping van den christen zal gaan houden.
-ocr page 13-¦ een te veel denken aan ziclizelven en te Geinig denken aan den Heer, om uit Hem krachtnbsp;putten. Daar is: in een verborgen hoekje,nbsp;^®6l achter in de donkerste binnenkamer vannbsp;hart, een klein stemmetje van ijdelheid, datnbsp;duistert; dat een lang lijden, en vooral eennbsp;8®duldig lijden, toch iets interessants, ietsnbsp;belangwekkends heeft, en door velen met eennbsp;Sevoel van deelneming, ja van eerbied, wordtnbsp;beschouwd. Daar is ... . daar is .... ja, daar isnbsp;zooveel meer , nog zoo menige klip, waaropnbsp;in die stille wateren kan stranden. Zou mennbsp;Biet zeggen: waar een mensch op aarde toch nietnbsp;te waken en te strijden heeft! .... tot achternbsp;gordijnen van een ziekbed toe!
Bij een bezoek, dat hare vriendin haar eenige '^8'gen later bragt, en waarbij het gesprek, nanbsp;fierst over velerlei geloopen te hebben, als vannbsp;zelf weer op het terrein kwam, waarop harenbsp;Bedachten zich natuurlijk veel bewogen, zeide zij:nbsp;*^0 nacht is mij nog al lang gevallen, en moeije-bjk ook, want ik had ditmaal veel pijn. - »Ennbsp;toen hebt gp zeker weer tot uwe huismiddeltjesnbsp;'te toevlugt genomen?quot; - vroeg hare vriendin.-*Niet tot het lezen in mijn bijbeltje, - hernamnbsp;- » daarvoor had ik te weinig licht; maar tot hetnbsp;Bobed, ja zeker, daar is het altpd licht genoegnbsp;''Oor, ook in het donker. Maar ik heb nog een
-ocr page 14-derde huismiddeltje, en dat wil ik u wel zeggen, want waarlijk, daar heb ik mij al dikwijls zoonbsp;goed bij bevonden, dat ik het u gerust kan aan'nbsp;bevelen. Ik heb een vorm gekozen, waarondernbsp;ik mij de beproeving voorstel; een vorm, dienbsp;dan toch ook niet onwaar is, maar die mij denbsp;afgetrokkene waarheid alleen meer aanschouwelijknbsp;maakt, zoodat ik haar beter grijpen en vasthoudennbsp;kan. En ik geloof in de daad, dat men welnbsp;wat voorzigtig mag zijn met het verbrijzelen ennbsp;verwerpen van alle vormen; want zoolang wi)nbsp;zinnelijke mensohen zjjn, - en dat zullen wij hiernbsp;op aarde toch wel blijven, - hebben wij ze dikwerf noodig, als dragers van de hoogere gedachte,nbsp;die ons anders zoo ligt uit de hand glipt. quot;nbsp;»Hoe meent gij dat? - vroeg de andere, - »iknbsp;begrijp u niet regt. - »Wel, sprak zij, - »iknbsp;denk het mij zóó: 't is mij, alsof de Hemelschenbsp;Vader tot mij komt, en daar bij mij staat, ennbsp;mij vriendelijk aanziet, en vraagt: xEuze! hebtnbsp;gij mij lief genoeg om dit voor mij te dragen,nbsp;gewillig, geduldig, zoo lang als Ik het goedvindennbsp;zal? Bn als ik t mij nu zóó voorstel, dannbsp;komt er een stem uit mijn hart , die antwoordt:nbsp;»ja mijn Vader! dit, en alles wat Gij mij nognbsp;verder opleggen wilt. En wordt het mij nnnbsp;soms wat benaauwd, en is t daarbinnen niet zoonbsp;als ik t wel zou wenschen, dan zeg ik bij mij
-ocr page 15-15
^elve die woorden nog maar eens na: »Elize! hebt gij mij lief genoeg? en dan gaat het weer;nbsp;*ian wordt het beter. -
Daags daaraan vond hare vriendin haar zeer opgewekt. Hare oogen schitterden van genoegen.nbsp;*Kijk
eens, Makie! - zoo riep ze, - »vindt gp ^at niet een lieve attentie van Gustaat? Die goedenbsp;broeder! Daar heeft hij gisteren avond een versjenbsp;^oor mij gemaakt. Van morgen vroeg, toen iknbsp;®og sliep, is hp heel stilletjes hier in de kamernbsp;Sekomen, en heeft het naast mijn hoofdkussennbsp;**eêrgelegd, en zoodra ik wakker werd, heb iknbsp;ket gevonden. Kom, laat ik het u eens voor-^®zen. Bovenaan staat Jesaia 40 vs. 29a;
Hij geeft den moede kracht.
En nu las zij met heldere stem;
Gestreden en gebeden,
En 't oog op God gerigt!
t Zij donker hier beneden.
Daarboven is het licht.
Daar blinkt, het rouwfloers brekend.
Dat s hemels boog oraspant,
Die wolk, door God geteekend,
»De wolk met zilvren rand.quot;
De Herder kent zijn schapen!
Wie maar den Heer verwacht Vindt bij den strijd ook t wapen,
En bij het krnis, de kracht.
-ocr page 16-Eisclit 's Vaders welbehagen Veel levensvreugd mij af,
Te veel zal Hij niet vragen, -Hij vraagt slechts wat Hij gaf.
Wat lasten drukken mogen,
Zijn hand houdt d evenaar;
Mijn last heeft H ij gewogen, -En Hij weegt nooit te zwaar.
Meet Hij mijn lijdensnre, l)an vair soms t voortgaan bang, -
Hoe lang mijn kruisweg dure,
Toch zeker niet te lang.
Slechts verder, telkens verder,
Breng mij het lijdcnslot!
Steeds digter bij mijn Herder,
Steeds nader tot mijn God!
k Zie reeds op 't eind der smarte;
Dra volgt de kroon na t kruis;
De rust aan s Vaders harte,
En s Vaders: «welkom thnis! -