Aankomst in de minahassa, vestiging te tondano.
» Dat is dan het land, waar ik, zoo God het wil, leven sleten zal! Hier wil ik tot Zgne eernbsp;Arbeiden en al mijne krachten aan Hem w^den, ennbsp;bier wil ik als het zoo zjjn moet, voor zgn heiligennbsp;Qaam lijden! Dat waren de gedachten, die Riedelsnbsp;ziel vervulden, toen hij van het schip zjjn blik lietnbsp;Saan over de groene bergtoppen, en over het voornbsp;hem liggende Menado. Met een dankbaar hart dachtnbsp;by aan de hulp onder zooveel gevaren ondervonden,nbsp;verblijdde hij zich in goede gezondheid, na eennbsp;laar in het Indisch klimaat te hebben doorgebracht,nbsp;*aodat hij dan nu ook met frissche kracht zpn arbeidnbsp;beginnen kon. «Trouwe Heiland, was van het beginnbsp;innig gebed: «geef mij kracht, om als getrouwenbsp;getuige, het woord van uw kruis tusschen deze bergennbsp;^e verkondigen, en laat de Heidenen, die gjj met uwnbsp;bloed gekocht hebt, bekend worden met uwe zalig-*®akende barmhartigheid.
Terwpl hp zoo in gedachten verzonken stond, was een sloep aangekomen, waaruit een jongen heelnbsp;aan boord kwam, en overluid vroeg; »of er zichnbsp;®i6t twee panditas (zendelingen) onder de passagiers
1
bevonden? Schwarz, die het terstond hoorde, antwoordde: »Ja! zeg uwequot; meester, dat aangekomen z^n. Zoo vlug als hij gekomen was, verdween denbsp;jongen achter de verschansing, en snelde naar het strandnbsp;terug. Het duurde- niet lang, of er kwam eene grooterenbsp;sloep, waaruit broeder Hellendoorn zelf aan boordnbsp;kwam. Met tranen in de oogen, omarmde hij denbsp;aangekomenen, en heette hen in den naam des Heerennbsp;hartelijk welkom. Maar hoe verwonderd was hij, toennbsp;Riedel zijne jonge vrouw bp de hand vatte, en zeide :nbsp;»ik breng eene helpster mede. »Des te beter wasnbsp;het antwoord; »wp hebben ook de vrouwen noodig:nbsp;om voor het Godsrijk te arbeiden.
Aan gene zpde van de benedenstad met hare naauwe vuile straten, was de breede weg, die naar het fortnbsp;leidde, waaraan het huis van den predikant lag, omgeven door eene nette heg met hare blaauwe klokjesnbsp;en andere bloemen, die zeer aan het vaderland dedennbsp;denken. Hier wachtte Mevrouw Hellendoorn reeds denbsp;vreemdelingen op, en werd aangenaam verrast, doornbsp;het meêkomen der zuster, te meer daar zij eene land-genoote in haar erkende, want zp was ook vannbsp;Amboina. Beide vrouwen door dezelfde belangen bezield , sloten spoedig eene vriendschap, die levenslangnbsp;stand hield. In dien tijd waren er te Menado geennbsp;woningen voor vreemden te huur, dus ruimden denbsp;gastvrjje vrienden eene kamer voor de echtgenooten,nbsp;en eene voor Br. Schwarz in, die zich daar gezamenlijk, zeer gelukkig gevoelden.
Den volgenden dag maakten de broeders hunne opwachting bij den Resident, den heer Pietbemaat, een welwillend
öan, die hen vriendeljjk ontving, en alle noodige hulp en ondersteuning voor hun werk beloofde. Vervolgensnbsp;niaakten zp zich behoorlijk bekend met de gesteldheid van de Minahassa. Zooveel mogelijk werden denbsp;plannen voor het werk gemaakt, en Hellendoornnbsp;deelde zijne ervaring en de noodige wenken mede.nbsp;Veel belang boezemden hun de christelpke scholen in,nbsp;die Hellendoorn reeds begonnen was te stichten, voornbsp;quot;Welke hg met veel ijver jongelingen tot meestersnbsp;opleidde. Deze leerlingen had hij bij zich aan huis,nbsp;de christelpke opvoeding droeg goede vruchten,nbsp;^ok zijne vrouw had eenige meisjes bp zich genomen.nbsp;Op welke het leven in een christelijk huishouden eenenbsp;goede uitwerking had.
De goede vrouw zorgde als eene eigene moeder voor haar. Ook hare jonge vriendin , die reeds bjj den zendeling Kam in huis geleerd had met inlandsche meisjesnbsp;Om te gaan, begon een levendig belang te stellen innbsp;dit soort van werk.
Nadat zjj tien dagen in Menado geweest waren, S'ngen de beide jonge zendelingen, onder geleide vannbsp;Öei.lendooen, eene bezoekreis doen, om een plaats tenbsp;binden, waar zij zich konden vestigen. De reis werdnbsp;'Meermalen door hevige stortregens bemoeijeljjkt, waardoornbsp;d® steile wegen gevaarlgk werden, zoodat men steedsnbsp;boezen moest met de paarden te vallen. De reizigersnbsp;'^3'ren ook dikwijls doornat. Zeer bezorgd waren denbsp;broeders voor hun geleider, wiens gezondheid buiten-dien reeds geschokt was. Onder de bescherming desnbsp;^deeren bleven zjj voor alle ongevallen bewaard.
Te Lotta werden zij door de hoofden, den Hoekoem
1*
besar aan het hoofd, onder feestelyke aanspraken begroet. Zpn ambtgenoot te Tomohon, nam hen dennbsp;eersten nacht vriendelpk in zijn huis op. Als zij nanbsp;de vermoeijenissen der reis met hun gastheer aan dennbsp;disch zaten, vroeg deze naar het doel van de reis,nbsp;en verzocht dringend, nadat dit hem bekend gemaaktnbsp;was, dat een der broeders in zijne negerg zoublpven;nbsp;zjjn volk verlangde zeer naar onderrigt; hjj zounbsp;dadelpk een woonhuis en eene kerk laten bouwen.nbsp;*Wp hebben reeds eene school ingerigt, voegde hjjnbsp;er met vergenoegdheid bp: »als wij nu maar eennbsp;goeden meester hadden. Daar de regen onder dennbsp;maaltgd opgehouden had, en de avondzon de bergtoppen verlichtte, besloot men de school te gaan bezoeken. Nadat de schoolmeester geroepen was, gingnbsp;de Majoor (zoo werd hij om zijne verdiensten in dennbsp;javaschen oorlog betiteld), zijne gasten deftig voor,nbsp;en geleidde hen, gevolgd door een aantal nieuwsgierigen,nbsp;naar het wachthuis, waar een sterk gebouwd man,nbsp;met verschillende likteekens in t gezigt, in eene versleten uniform stond, met zoo wat een dozijn kinderennbsp;in een halven cirkel om zich heen geschaard. De kinderennbsp;waren blijkbaar voor die gelegenheid, maar zeer gebrekkignbsp;in kleederen gestoken. Het was een vreemdsoortig schoolmeester: gedurende den oorlog op Java had hp watnbsp;lezen en schrjjven geleerd, die kennis deelde hjj zijnennbsp;leerlingen mede; de schoolboeken had hp zelf gemaakt,nbsp;alle stukjes papier, die hp maar krijgen kon, had hijnbsp;zorgvuldig verzameld, en enkele letters of woordennbsp;daarop geschreven. De uitslag van het onderzoek konnbsp;niet bijzonder zpn; maar men zag in ieder geval den
goeden wil. Den volgenden dag ging de reis verder, luen hield maar kort rust. Van het reeds gedooptenbsp;Hoofd waren allerlei kwade geruchten in omloop: hgnbsp;zou voor / 600 zgn nieuw geloof verloochend en denbsp;Oude gewoonten van het heidendom weer aangenomennbsp;hebben. Een veel beteren indruk maakte de Hoekoemnbsp;toewah te Kawangkoan, die door den vro^g gestorvennbsp;broeder Muller gedoopt was. Bp hem waren sporennbsp;Tan opregte bekeering. Daar deze negerij zoo slechtnbsp;en onregelmatig gebouwd was, had de Resident lastnbsp;gegeven, dezelve op eene betere plaats, naar een beternbsp;plan nieuw op te bouwen. Nu wilde het Hoofd innbsp;eens eene kerk en een huis voor een meester bouwen;nbsp;hjj drong er zeer op aan, dat men hem een zenden zou.
Ook te Tompasso had men gaarne een van de beide zendelingen gehouden. Nog dringender was de bedenbsp;ie Langowan. In deze pas nieuw gebouwde negerjjnbsp;¦wilde de Majoor met vele van zijne onderdanen zichnbsp;gaarne laten doopen. Van alle plaatsen, die zjj totnbsp;hiertoe bezocht hadden, scheen deze de geschikstenbsp;Voor eene zending; zoo besloot Schwarz zich hier tenbsp;Testigen, waarover vele menschen zich verheugden.
Van Kakas, waar de reis toen heen leidde , wachtte Wen niet veel goeds. Hier was in den laatsten tjjdnbsp;een offerfeest gevierd, waarbij men ruwe en onzedelijkenbsp;gebruiken heeft. De Majoor wilde de schande vannbsp;^Pn volk goed maken, en zeide; »Wij Alifoeren zjjnnbsp;allen blind , en weten niet waar wjj heen zullen gaan.nbsp;He christenen hebben het licht, want alles wat wpnbsp;geleerd hebben, hebben wij van de christenen; wjjnbsp;^ïn dom en onnoozel; maar de christenen hebben het
boek dat hun alles zegt. Toen ik op Java onder andere heeren kwam, schaamde ik mij over mjjnenbsp;onwetendheid. Nadat ik teriiggekotnen ben, heb iknbsp;de heidensche gebruiken verlaten. Nu wilden wij gaarnenbsp;een meester hebben , die ons onderwees en den warennbsp;6od leerde kennen. Geheel uit begeerte naar hoogernbsp;heil kwamen deze woorden wel niet voort. Ook hiernbsp;werd op de aanstelling van een onderwijzer uitzigtnbsp;gegeven. Intusscheu was er eene praauw (inlaudschenbsp;boot) klaar gemaakt, die door krachtige roeijers innbsp;beweging werd gebracht, om de zendelingen over denbsp;blaauwe vlakte van het meer van Tondano heen tenbsp;brengen. Vervolgens legde men te Bemboken aan;nbsp;ook hier vertoonde men verlangen naar een leeraar;nbsp;vóór het vertrek kwamen al de Hoofden bij dennbsp;Majoor, en een, die wat Maleisch verstond, hield eenenbsp;aanspraak, waarin hjj dit verlangen uitsprak. Denbsp;anderen beloofden een huis te bouwen, en hunne kinderen naar school te zenden. ¦
Van daar ging het verder over het meer. De heer-Ijjke natuur en de tot nu toe aangename ervaringen stemden de harten tot lof en dank, zoodat de mondnbsp;er ook van overvloeide: plegtig rolden de klankennbsp;van het koraal over den stillen waterspiegel. De roeijersnbsp;luisterden naar die ongewone toonen, en roeiden opnbsp;de maat. Al nader kwam men aan den noordelijkennbsp;oever, tot dat de huizen van Tondano duidelijk tenbsp;voorschijn traden. Riedel wist het reeds, dat waarschijnlijk zijn arbeidsveld hier zou aangewezen worden.nbsp;De Resident had het hem nadrukkelijk aanbevolen,nbsp;zich hier te vestigen. Hoe klopte hem het hart, toen
de praauw de rivier binnengeloopen was! Aan de Ankerhand stond reeds een houten kerkje, niet vernbsp;^au daar was eene houten hrug over het water; digtnbsp;daarhjj legde het vaartuig aan, omringd door vele innbsp;het water plassende kinderen; ook aan den oever verzamelden zich spoedig vele menschen.
In het gouvernementshuis vonden de zendelingen een goed onderkomen. Om het terrein te onderzoeken,nbsp;bleven zp hier een heelen dag.
Hellendoobn was hier al meermalen geweest, en broeder Muleee had reeds de beide opperhoofden metnbsp;bunne vrouwen en eenige inwoners gedoopt» Dé bezoeken van de predikanten waren hier te zeldzaam omnbsp;bet regte leven in deze kleine gemeente op te wékken.nbsp;De menschen waren nog zeer onwetend, maar toondennbsp;grooten lust om iets te leeren Ook de heidenennbsp;^erlangden er naar. Bene school was hier door denbsp;Regering gesticht, een meester uit Amboina stond érnbsp;aan t hoofd. Het onderzoek gaf eene treurige uitkomst,nbsp;De kinderen konden maar wat lezen, schrpven énnbsp;zingen; rekenen kon de meester zelf niet; van andernbsp;anderrigt was geen sprake.
Den nbsp;nbsp;nbsp;Junij was de bezoekreis geëindigd. Be-
bouden keerden de broeders naar Menado terug. Tondano was niettegenstaande verschillende moepelijk-beden, als een gunstig, maar niet gemakkelijk arbeidsveldnbsp;^oor iliBDEi bestemd. Het vertrek daarheen werdnbsp;door verschillende oorzaken eenige maanden vertraagd.nbsp;Det was voor den jongen zendeling van veel belang,nbsp;dat hp nog langer bij HELLENnoofiN bleef, omdatnbsp;Rizuel de alifoersche taal leerde. Hij was misschien,
behalve Mullek en Lammees de eerste, die zich met deze vau alle andere ver afwijkende talen bezig hield.nbsp;Hg had een woordenboek van over de -duizend woordennbsp;gemaakt, en was met het vertalen van een schoolboeknbsp;in deze taal bezig; door den dagelijkschen omgangnbsp;met zjjne moerids had hij eene goede oefening in hetnbsp;spreken. Zoo hadden Riedel en Schwaez in Hellbndooknsnbsp;huis de beste gelegenheid om de gewigtige voorbereidingnbsp;voor hun werk te ontvangen. Ook was er veel voornbsp;de inrigting van het nieuwe huishouden te doen,nbsp;waarin de jonge vrouw trouw door hare vriendin geholpen werd. Eindelgk kwam de dag van vertrek; hetnbsp;was de 13*® October; Riedel ging alleen s morgens opnbsp;weg, daar er geen dragers voor zjjne vrouw te krggennbsp;waren. Gesterkt door een hartelijk gebed in den vriendenkring, reed hy bljjmoedig door de frissohe morgenluchtnbsp;de blaauwe bergen te gemoet; een van zgne moerids,nbsp;Amos genaamd, volgde hem met een' gehuurden bediende.nbsp;De laatste was met veel moeite gekregen. In dien tijdnbsp;had men ouder de Alifoeren geen bruikbare dienstboden;nbsp;dikwjjls moesten de Buropeërs in Menado blijde zjjn,nbsp;als zjj een jongeling in hun dienst konden krijgen, dienbsp;van een ander eiland, voor zijne straf daar heen gebrachtnbsp;was. Zoo had Riedel door de welwillendheid van dennbsp;Resident zpn bediende van Sangi gekregen (de Sangi-eilanden liggen ten noorden van Celebes). Een paar dragersnbsp;zouden spoedig met het goed nakomen; Riedel dachtnbsp;vóór den avond te Tondano te zijn. Daar echter denbsp;dragers, ten gevolge van de gewone traagheid, hem nanbsp;lang wachten te Toinohon nog niet bereikt hadden,nbsp;besloot hjj tot vreugde van den Majoor daar te over-
nachten. Toen h^ s avonds met z^n gastheer onder de verlichte veranda zat, verzamelde zich onder aaiinbsp;den trap, eene schaar van nieuwsgierigen rond Amos,nbsp;dien zij met alle mogel^ke vragen bestormden. Een hadnbsp;de vrijmoedigheid vooruit te treden, en begeerde dennbsp;pandita zelven te spreken, waartoe hij wegens zijnenbsp;ofschoon onbeduidende vaardigheid in het Maleisch,nbsp;boven de anderen gewettigd scheen te zijn. Het wasnbsp;de oude soldaat met het gezigt vol likteekens, diennbsp;wij reeds als schoolmeester leerden kennen. »Mjjnheer,nbsp;zoo begon hij, »ik weet heel goed, dat gij blankennbsp;een boek hebt, waaruit gij al uwe wetenschap put; ofnbsp;eigenlijk zijn het twee boeken; het Nieuwe testamentnbsp;heb ik zelf gezien en er in gelezen ; maat het Oudenbsp;testament moet nog veel merkwaardiger zijn , want iknbsp;heb gehoord, dat daarin beschreven staat de scheppingnbsp;der wereld. Sedert ik op Java geweest ben, geloof iknbsp;niet meer aan de geschiedenis van Loemimoeoet. (1)nbsp;Maar nu wilde ik gaarne weten, hoe de aarde en denbsp;menschen geschapen zijn. Riedel, verheugd over denbsp;goede gelegenheid om christeljjke kennis te verbreiden,nbsp;ging in huis eii nam uit zpne kist een maleischennbsp;Eijbel, waarschgnlijk had hij van de Vereeniging tenbsp;Batavia een aantal van die bijbels gekregen. Nu lasnbsp;hij de scheppingsgeschiedenis verkort voor, en herhaaldenbsp;het zoo goed mogelijk in het Alifoersch , voegde hiernbsp;en daar eenige opmerkingen bij over den levenden
(1) Zie het kleine stukje door Bestuurders van het Neder-Bndsche Zendelinggenootschap uitgegeven, getiteld ; Nederiandsch Host-Indië en het Nederlandsche Zendelinggenootschap, Tweedenbsp;xtiikje, Eerste gedeelte, blz. 10.
10
God en zjjne volkomen openbaring in Jezus Cheistüs. Niet alleen de oude soldaat, maar de geheele schaarnbsp;onder aan de veranda luisterde met ingehouden adem.nbsp;De eerste was zeer verheugd, toen hp ten slotte dennbsp;bijbel tot geschenk kreeg. De anderen zeiden metnbsp;een uitroep van verbazing; »Zoo iets hebben wij nognbsp;nooit gehoord!
Den volgenden morgen kreeg Kibdbl door zjjn pver z^ne lieden vroeg op weg. In de koele morgenluchtnbsp;ging de reis rustig voort. Aan den linkerkant verhiefnbsp;zich de groote berg Masarang en aan den regter denbsp;trotsche Tampoesoe. Vóór dat de hitte des daags drukkend werd, was de pas tusschen de beide bergen bereikt,nbsp;en meer en meer opende zich het uitzigt over hetnbsp;heerlyke meer, omgeven door de groene velden ennbsp;boschrflke bergruggen. Om 10 uur kwam men tenbsp;Tondano aan, de Kesident had voorloopig het gouvernementshuis ter beschikking van den zendeling gesteld.nbsp;Daar rigtte zich Eiedel zoo goed hp kon in, met behulpnbsp;van Amos en zijn sangischen bediende.
Het was een stille intogt zonder veel opzien geweest; toch verbreidde zich spoedig het gerucht in de negerg,nbsp;dat de pandita aangekomen was. Het duurde nietnbsp;lang, of de beide Majoors verschenen met de anderenbsp;opperhoofden en het gemeentebestuur, om hem tenbsp;begroeten. Zij spraken in deftige redenen hunne geluk-wenschen uit. Zoodra zjj zich verwijderd hadden, gingnbsp;Kiedei, naar beneden in de keuken, waar zjjne beidenbsp;jongens te vergeefs hun best deden om een eenvoudigennbsp;maaltjjd te bereiden. Om verschillende redenen, misschien wel voornamelijk wegens de onzindelijkheid,
was het voor een Europeër eene onmogelijkheid hannen kost te eten; dus moest Riedel zelf voor kok spelen,nbsp;waarbp hg zich met de gedachte troostte, dat zgnenbsp;vrouw spoedig dezen arbeid van hem zou overnemen.nbsp;Zjj kwam dan ook 5 dagen later in een draagstoelnbsp;tot groote vreugde van haren echtgenoot, wien datnbsp;alleen zijn en dat koken niets bevielen. Broeder Hellen-doobn begeleidde haar. Behalve degenen, die hetnbsp;huisraad droegen, waren er ook eenige moerids mede-gekomen, die in Kakas aan den anderen kant vannbsp;het meer, als schoolmeesters aangesteld zouden worden.nbsp;Hellendooen en Riedel brachten hen in eene praauw daarheen. In het niet ver verwijderde Langowan was ernbsp;8 dagen vroeger ook een aangesteld. Schwarz had ernbsp;zich nog niet gevestigd. Nadat hij met zijne ambtgenootennbsp;beraadslaagd had, was hij nog eenmaal naar Batavianbsp;gegaan, om het zendelinggenootschap aldaar te verzoeken,nbsp;de zending in de Minahassa te ondersteunen, en voor-namelgk plannen te maken om scholen op te rigten.nbsp;Eerst in 1832 keerde hij terug, en moest voorloopignbsp;zjjn intrek te Kakas nemen, tot dat zgn huis tenbsp;Langowan gereed zou zgn. Hellendoorn kwam omnbsp;hem plegtig te bevestigen. Maar hoe verbaasd warennbsp;hij en zijne geleiders, toen hij reeds 50 kinderen, dienbsp;kort te voren zooals alle Alifoersche kinderen naaktnbsp;rondliepen, nu goed en netjes gekleed in het nieuwenbsp;schoolgebouw bgeen zag. Het weinige onderrigt vannbsp;®ene week had reeds zooveel vrucht gedragen, datnbsp;alle kinderen de letters kenden. Nadat de inwijdingsredenbsp;geëindigd was, keerde men over het meer naarnbsp;Tondano terug.
Deu volgenden dag werden de opperhoofden tc zanien geroepen, en Hellendookn droeg de zorg voor de kleinenbsp;gemeente aan broeder Riedel op, nadat hij de volgendenbsp;vragen tot de gemeente gerigt had :
1. nbsp;nbsp;nbsp;Of zij zich met hunne vrouwen en kinderen innbsp;de christelijke godsdienst wilden laten onderwijzen ?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Of zij zich verbinden wilden, dat de gedooptennbsp;des Zondags de kerk zouden bezoeken?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Of zy de kinderen en ook die der heidenennbsp;naar de school wilden zenden ?
Zij antwoordden allen bevestigend, beloofden hunne belofte na te komen, en bedankten Riedel met een,nbsp;dat hp gekomen was, om met hen te wonen en hennbsp;te onderwijzen. Dadelijk daarop keerde Hellendooennbsp;naar Menado terug.
De Zondag naderde, waarop Riedel zijne openlijke werkzaamheid beginnen zou. . Hp had daartoe eenenbsp;eenvoudige preek in t Maleisch, opgesteld over hetnbsp;onderwerp : » Jezus is gekomen om zondaren zalig tenbsp;maken. Met een innig gebed voor het heil der zielen,nbsp;waaronder hij nu zpn arbeid begon, begroette hijnbsp;den dag des Heeren. Maar de negerij zag er nietnbsp;zondags uit: in den vroegen morgenstond hoorde men,nbsp;onder ieder huis, het stampen van de rjjst, zooalsnbsp;iederen anderen dag, en de lieden gingen met hunnenbsp;manden en gereedschappen uit, naar het veld, zooalsnbsp;gewoonlijk. Dat trof den zendeling; hij had diep medeleden met deze arme onwetende heidenen , toen hijnbsp;uit zpne veranda dit bedrpf aanzag.
Plotseling pit hij de trappen af; hp bemerkte een man, dien hp reeds als christen had leeren kennen ,
13
en die nu als de heidenen naar zijn werk ging. »Hoe ÏOEMEWA! roept de zendeling, en deze keert zichnbsp;om, »moogt g^ van daag naar uw werk gaan ? »Ja welnbsp;Mijnheer, antwoordde hij bedremmeld, »als ik geennbsp;slecht voorteeken ontmoet! »Hoe, gjj wilt een christennbsp;zijn, en zflt nog zoo bijgeloovig, dat gfl voor eenenbsp;muis of schreeuwenden vogel bang zijt. Maar weet ggnbsp;dan niet wat voor dag het heden is ? »Ik geloofnbsp;zeker, dat het geen booze dag is, antwoorddenbsp;de man nog altijd aan zijn b^geloof vasthoudende.nbsp;»Neen! het is een zeer goede dag, Toemewa, de dagnbsp;onzes Heeren Jezus Christus , die u van alle kwaadnbsp;redt, en u zalig wil maken; weet gij dan niet datnbsp;het heden Zondag is? »0 zoo! zeide hij langzaam,nbsp;»ik dacht dat het gisteren Zondag was. »Neen,nbsp;heden is het Zondag en keer nu om, en ga naarnbsp;de kerk. »Maar mijnheer ik moet op het veldnbsp;werken, de lieden van mijne mapaloes z^n er reedsnbsp;allen heen. (1)nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;»Toemewa, gy wilt een christen zgn
en op Zondag werken, dat gaat niet! Dus keer om, en kom spoedig in de kerk. Dit werd zoo bepaaldnbsp;gezegd, dat de Alifoer niet durfde tegenspreken.nbsp;»De pandita is een streng heer, zeide hij, toen hijnbsp;op zijn terugweg het aan eenige mensohen vertelde.
Het bepaalde uur van de godsdienstoefening kwam, het teeken voor de b^eenkomst werd gegeven met denbsp;tifa, dat is een kleine trommel. Maar hoe verbaasdnbsp;was Riedel, toen hij in het houten kerkje behalve de
(1) Zie over dit mapaloes, het gezamenlijk werken op den ®kker, het boven aangehaalde «Kleine stukje, blz. 26.
hoofden en hunne vrouwen, slechts een handvol menschen zag; het was slechts een tiende deel der gedoopten.nbsp;Het gezang, waarbij de schoolmeester voorging, klonknbsp;zeer zacht en onzeker. Er werden eenige maleischenbsp;verzen gezongen. De preek werd wel is waar metnbsp;opmerkzaamheid aangehoord, maar meer uit nieuwsgiC'nbsp;righeid dan uit begeerte, zooals men dit niet onduidel^knbsp;öp de gezigten zien kon. Het was een moeijelpknbsp;begin; zooveel te vuriger bad Riedel aan het eind vannbsp;de godsdienstoefening, dat het den Heer behagen mogtnbsp;over de doode en' trage harten zijn heiligen Geestnbsp;uit te storten en het ware leven in hen op te wekken,nbsp;zpn rpk aan deze plaats te planten en uit te breiden.
Toen hij later vroeg, waarom er zoo weinig christenen in de kerk geweest waren , kreeg hij ten antwoord,nbsp;dat de meesten niet wisten of het Zondag of eennbsp;andere dag was. Velen woonden nog op de akkers,nbsp;waar de rpstoogst nog niet gereed was. De preek,nbsp;meepde men, zou wel door een ieder verstaan zijn,nbsp;maar of de zin er van werkelpk begrepen was, bleefnbsp;zeer twijfelachtig. Nog zwaarder, dan de ervaring vannbsp;dien zondag, moest Riedel veel wat hg dageljjksnbsp;hoorde en zag drukken. De Tondaners waren bekendnbsp;door hun stelen en hun onmatig sagoweer-drinken.nbsp;Ten aanzien van schandelijke onzedelijkheid stondennbsp;zij bp de andere Alifoeren niet achter. De ervaringnbsp;leverde voortdurend het bewjjs, dat dit gerucht slechtsnbsp;al te gegrond was. Zooals het leven van het rijststampen lederen morgen, zoo hoorde men iederennbsp;avond de woeste kreeten van dronken menschen, dienbsp;de avond-godsdienstoefening van Riedels kleinen huise-
15
lijken kring stoorden. Wat kon men ook anders dan ruwheid verwachten by de onzindelijkheid en onordelyk-heid, die overal in de negery zigtbaar waren. Twistennbsp;was aan de orde van den dag, waar verscheidene gezinnennbsp;in één huis woonden. Echtscheidingen waren nietsnbsp;byzonders. Daarby bevonden zich onder de Alifoerennbsp;eenige vreemden, die niet bevbrderlyk waren aan denbsp;zedelijkheid: eenige Chinezen, sluwe handelaars, dienbsp;invloed hadden, mohammedanen, die de dochters vannbsp;gedoopte ouders voor eenige stukken weefsel kochten,nbsp;en een paar kleurlingen met Europeesch bloed, een vannbsp;welke, een 60jarige, zich eene vrouw van 15 jaar voornbsp;een oud geweer en tien kruiken arak kocht. Daarbynbsp;heerschte overal het vreeselykste bygeloof, zoowel bij denbsp;christenen als by de heidenen. De laatsten waren overnbsp;het geheel niet tegen den verkondiger der nieuwe leer,nbsp;behalve de priesters, want hun invloed was aanzienlyknbsp;verminderd. Voor het oog was men vriendelyk jegensnbsp;den zendeling. Velen geloofden, als zy van hem leerden,nbsp;dat zy gelyk aan Hollanders zouden worden. Bij hennbsp;gold meer de hoogere trap van beschaving, daar zynbsp;Van de ware godsdienst weinig begrip hadden. Hetnbsp;Wt zich denken, dat deze verhouding voor het zending-Vferk veel grooter zwarigheden opleverde, dan dat mennbsp;'a openlijke vyandschap voor het rijk Gods had moetennbsp;strijden. Alle begin is moeyelyk, dacht Riedëï., en lietnbsp;*ich niet ontmoedigen; hy had de magt der goddelykenbsp;Senade te zigtbaar ondervonden , om de bekeering vannbsp;'tit volk niet van God te verwachten.
DE EERSTE VRUCHTEN.
De arbeid der eerste jaren was een zaaien in hoop, zooals Riedel dikwijls in zijne brieven uit dien tijdnbsp;schreef. Het meest wendde hy zich tot het jongenbsp;geslacht. De school was in treurigen toestand; denbsp;door de Regering aangostelde schoolmeester was nietnbsp;voor zijn betrekking berekend; te minder, daar hij hetnbsp;Alifoersch, de taal van t volk, niet geleerd had. De kinderen kenden geen Maleisch. Riedel nam de taak vannbsp;onderwazen op zich, en leerde den meester, hoe mennbsp;onderrigten moet. Hij liet zich zeer veel gelegennbsp;liggen aan het leeren der volkstaal; maar begreep,nbsp;dat de maleische de taal voor kerk en school moestnbsp;zjjn. Het Alifoersch heeft vele tongvallen; op denbsp;eene plaats verstaat men den anderen niet. Hoelangnbsp;zou het duren, eer men den bijbel in al die talen hadnbsp;overgezet? Bijbel, gezangen en schoolboeken warennbsp;in t Maleisch gereed om te gebruiken ; ook werd denbsp;europeesche beschaving door deze taal voor t voU^nbsp;open gesteld. Door haar bleef de zending in verbandnbsp;met het zendingwerk in den Indischen Archipel. Datnbsp;waren alle gewigtige gronden. En toch kan mennbsp;de gedachte niet weerhouden: had het God behaagdnbsp;een man als Luthbk naar de Minahassa te zenden,nbsp;die den bijbel in t Alifoersch had laten spreken, eunbsp;zoo eene schrijftaal voor t volk geschapen had, efnbsp;dan het Evangelie geen diepere wortels zou g®'nbsp;schoten hebben? Maar wp willen geen oordeel nit-spreken; Riedel maakte veel gebruik van de landtaal,nbsp;en ondervond veel zegen. Zijne beinoeijingen in d®
school droegen goede vruchten. De kinderen leerden de ééne bijbelsohe geschiedenis voor, de andere na,nbsp;on begrepen ze gedurig beter, waarbjj dan het vragennbsp;in t Alifoersch hielp; zy leerden psalmverzen van buitennbsp;en zongen die. Zoo werden de harten der kinderennbsp;gewonnen, en spoedig kwam het zoo ver, dat denbsp;bedeesde en verlegen kinderen vertrouwelgk naar hemnbsp;toe kwamen, en hem de hand gaven, zoodra zg hemnbsp;zagen. Verder de bemoeiingen van den zendeling omnbsp;het vrouweli'k geslacht te verheffen en te beschaven.nbsp;De vrouwen moesten gewonnen worden, om orde ennbsp;zindeljkheid in hare huizen te bevorderen. De voor-treffelpke vrouw van Riedel was de krachtige hulpnbsp;ran haren echtgenoot in het zendingwerk. Zï maaktenbsp;in de negerg bekend, dat zy Zondags namiddags denbsp;Vrouwen bï zich verzocht om haar te onderrigteu. Denbsp;eerste maal had zp eene talrpke vergadering. De leerlingen, sommigen zelfs van hoogen leeftïd, maakten goedenbsp;Vorderingen in t aanleeren der letters en bybelschenbsp;geschiedenis, die de nieuwe vriendin haar vertelde.nbsp;Slechts eeuige Zondagen ging het goed.
De priesters, die veel hadden tegen deze nieuwe gewoonte, zoo geheel verschillend van de voorvaderlïke,nbsp;¦brachten er veel tegen in; degenen die de vergaderingnbsp;bezochten werden bespot en gehoond, en de mannennbsp;Werden bang gemaakt, dat de vrouwen weldra de baasnbsp;zouden zjjn. Hierdoor werden vele afgeschrikt en anderenbsp;door hare mannen verhinderd. Het aantal der leerlingen versmolt zóó, dat men de oefeningen moest staken.
Beter ging het met de naaischool, die de goede ¦^rouw tweemaal in de week voor meisjes hield. De
pBrjjs van naalden en garen, die zeer hoog was, werd door haar bestreden. Riedel eh zpne vrouw legden zichnbsp;gaarne ontberingen op, overtuigd van daardoor bij tenbsp;dragen tot de bevordering van het koningrjjk Gods. Ondernbsp;het naaijen werd dé gelegenheid waargenomen, om denbsp;jonge meisjes in de christelijke waarheid te onderwijzen.nbsp;Deze naaischool hield stand. Reeds vroeger waren ernbsp;in de Minahassa scholen geweest van eenige vrouwen,nbsp;die het vlechten van matten, mandjes of andere handwerken aan de meisjes onderwezen. De christel^kenbsp;stempel, die de naaischool droeg, oefende een goedennbsp;invloed uit.
Behalve dat had Mevrouw Riedel veel met haar huishouden té doen, waartoe in Indië veel meer behoort, dan wij ons voorstellen. Veel werk, dat bjj denbsp;Europeërs door bedienden gedaan wordt, bezorgde zijnbsp;zelve. Bp Riedel waren twee jongens; een moest nanbsp;eenigen tpd weggezonden worden, daar hij van geehnbsp;nut was. Amos gedroeg zich goed, en was een hulpnbsp;in t huishouden.
Hoewel de naaischool goed ging, moeten wij ons niet te veel van de leerlingen voorstellen. Velenbsp;waren zóo vuil, dat Mevrouw Riedel ze eerst geheelnbsp;moest reinigen waarbij hare zachte, liefderijke maniernbsp;meer goed deed , dan knorren zou gedaan hebben. Zi)nbsp;had nog erger ondervindingen. gt;He! Kaeimenöa, watnbsp;hebt gij onder uwe sarong ?quot; moest zjj aan eene dernbsp;leerlingen vragen, die een gestolen stuk goed ondernbsp;haar bovenkleed had zoeken te verbergen. »Heb ik unbsp;niet pas verteld, waar de dieven eenmaal komen ?nbsp;ging zij kalm voort, nadat zij bet stuk van het meisje
tad aangenomen, die het zonder de minste schaamtè terug gaf. Ook de liefderijke vermaningen, die volgden,nbsp;schenen weinig uit te werken. Dikwijls werd ér nanbsp;schooltjjd iets gemist. Alle zaken moesten nagegaannbsp;Worden, als er een Alifoer in huis was: dikwjjlsnbsp;Werden er kleinigheden meegenomen. Riedel had andersnbsp;gaarne bezoek; hg wekte christenen en heidenen ernbsp;toe op; de meesten lieten zich door eene zekerenbsp;Schuwheid terughouden. Om zich vertrouwelijker tenbsp;maken, ging hij zelf met zijne vrouw bg hen. Ennbsp;Schoon hij met groote vriendelijkheid ontvangen werd,nbsp;Was het heel moegelgk, hun vertrouwen te winnen.nbsp;Er waren onder de gedoopten, die met vrijmoedigheidnbsp;den zendeling naderden, en zich verbeeldden op dê hoogtenbsp;Van hun tgd te zijn, met hun zwarten rok, den wandelstok in de hand, alsof zjj Hollanders waren. Riedelnbsp;had een afkeev van alle pralerg en dwazen opschik.
De nieuwe zeden hadden eenigen invloed op de geheele bevolking van Tondano; maar dat zg nognbsp;niet geheel de overhand hadden, bleek daar men nognbsp;geen afstand van de fossos (offers) kon doen. Zjjnbsp;Werden nog van tgd tot tgd gevierd, en dan warennbsp;3'lle inwoners, zelfs de christenen, in groote opgewon-quot;tenheid. Ook Riedel was er getuige van, en moestnbsp;*net een bedroefd hart toezien. Zoo iets te overwinnennbsp;V'as moegelgker dan voor dweepzieke heidenen vannbsp;®^ljneB Heer en Heiland te spreken. Do godsdienstigenbsp;gebruiken van de Alifoeren schonken zooveel genot! Zgnbsp;stonden daarin gelgk met aardschgezinde kinderen innbsp;ehristelijke landen. De grootste onverschilligheid voornbsp;godsdienst was een karaktertrek in t volk van Ton-
i';
20
dano, die de zendeling bjj elke gelegenheid ondervond.
De kerk bleef Zondags leeg, niettegenstaande de oogst binnen was, alle huisgezinnen uit de veldhutten innbsp;de negerij teruggekeerd waren en het naderen vannbsp;den Zondag door de schoolkinderen bekend werd gemaakt. Er was daardoor geen gelegenheid eenigennbsp;godsdienstigen invloed op de lieden te oefenen.
Te vergeefs deed Riedel wat hjj kon om het te veranderen. De tjjden voor het Kerstfeest naderden,nbsp;maar Tondano scheen nog in een diepen geestelgkennbsp;winterslaap te liggen. Dikwpls zag men den zendelingnbsp;eenzaam wandelen, met bekommerde blikken om zichnbsp;staren, werktuigeljjk zjjne ppp vasthouden en digtenbsp;rookwolken uitblazen. Hoe zal ik het toch aanleggennbsp;om deze meuschen tot mjj te trekken, was aanhoudendnbsp;zpne gedachte, en in stilte bad hjj voor de zielennbsp;dergenen, wier heil hem zoo na aan het harte lag, ennbsp;binnenshuis overlegde hij met zpne vrouw. De liefdenbsp;is vindingrpk: zoo kwam Riedel eens met een vroljjknbsp;gezicht naar huis. Ik heb het gevonden, wp moetennbsp;hen met list vangen. Lieve vrouw, de Kersttijd nadert,nbsp;gij moet daarom vele koeken bakken, echte duitschenbsp;kerstkoeken, zooals in Turingen, die zullen het lokaas zjjn'nbsp;Ofschoon de goede vrouw, die haren man in alles g®'nbsp;hoorzaamde, tot bakken gereed was, naar de gegevennbsp;aanwijzing bleek het spoedig onmogelijk te zijn, daarnbsp;in geheel Tondano geen meel te kragen was. »0, datnbsp;hindert niet, zeide Riedel »wij kunnen even goed rjjs^nbsp;nemen, bak gg maar rgstkoeken, zoo goed als gjj kunt;nbsp;dat beantwoordt ook aan het doel.
De dagen vóór het feest was men in school jjvenS
21
bezig om aan de kinderen de geschiedenis te verhalen, en de beteekenis van het feest duidel^k te maken; ook lietnbsp;hij hen een lied leeren, en de meester gaf zich allenbsp;moeite met zijne fluit om hen goed de wgs te leeren;nbsp;daarbij werd herhaaldelijk in de negerg bekend gemaakt,nbsp;wanneer het groote feest begon. Op den kerstavondnbsp;zou mede voor het gouvernementshuis een feest gegevennbsp;worden; allen konden komen kijken. Des namiddags vannbsp;den eersten feestdag werden de aanzienlijkste familien bijnbsp;Rikdel genoodigd, en wie komen wilde zou welkom zgn.
Den dag te voren stond Mevrouw Riedei, in de keuken ijverig lekkere rpstkoeken te bakken , die bjjnbsp;inboorlingen van de oostersche eilanden als de grootstenbsp;lekkernij beschouwd worden. Vrolpk zag zp de bergennbsp;koeken op hare borden verrjjzen; zou het welligt gelukkennbsp;door dit middel velen tot het Godsrijk te brengen?nbsp;Riedel ging de kamer op en neder, niet alleen zijnenbsp;preek overdenkende, maar dikwijls overleggende, hoenbsp;bij zjjne gasten den volgenden dag het beste zou bezighouden.
Tegen den avond verzamelden zich de schoolkinderen; zij stonden in een kring; Riedel in t midden. Eenenbsp;groote schaar nieuwsgierigen was bijeengekomen; hetnbsp;lied werd aangeheven, de feestgeschiedenis in t Maleischnbsp;verteld, en daarop ondervroeg hij de kinderen, die goednbsp;antwoordden. De vaders en moeders waren verwonderdnbsp;Over de geleerdheid hunner kinderen, die zij hiernbsp;boorden. Riedel nam deze gelegenheid waar, om innbsp;eene korte toespraak de geheele vergadering te wgzennbsp;op den Zoon van God, die ook uit liefde tot denbsp;Alifoeren mensch geworden was, en ook hun Heiland
en Verlosser wilde zgn. Hii verzocht hen den volgenden dag in de kerk te komen, waar zij meer kondennbsp;hooren. Werkelijk was de kerk vol, maar de toeloopnbsp;was in den namiddag nog veel grooter. Christenen ennbsp;heidenen waren gekomen, zoodat men de menschennbsp;buiten moest onthalen; van de rijstkoeken bleef nietsnbsp;over, en de koiSjkan was gedurig leeg. Biedei zatnbsp;zeer te vreden in t midden van t gezelschap (natuurlijknbsp;met de pijp in den mond), en vertelde van zjjn vernbsp;afgelegen vaderland. Zijne schilderingen waren zoonbsp;onderhoudend, dat menige gast, met een half geopendennbsp;mond zijn rijstkoek vergat. Hoe de velden in Duitschlandnbsp;nu met sneeuw bedekt waren, hoe de boomen hunnenbsp;bladeren verloren hadden, hoe meeren en rivieren metnbsp;ijs bedekt waren, zoodat men daar op gaan kon; hetnbsp;vlugge schaatsen- en slede-rijden, het vuur in den kagchel,nbsp;in de kamer, de korte winterdagen; dat alles scheennbsp;veel te wonderbaar om het te kunnen gelooven. Eennbsp;der Hoofden bevestigde de waarheid; hij had opnbsp;Java dikwpls met Buropeërs gesproken; die haddennbsp;hem dezelfde dingen verteld; alle blanken stemdennbsp;daarin overeen , zoodat daaraan geen twijfel kon zpn.nbsp;Daardoor werd de spanning der toehoorders nog grooter,nbsp;toen Riedel nog meer vertellen zou. Hij beschreef denbsp;bezaaide velden, die door de vorst verstijfd het voorjaar afwaohten; en wat dan verder met hen gebeurde,nbsp;legde hij hun uit, naar de zeden en gebruiken vannbsp;den alifoerschen akkerbouw, en kwam ten laatste geheelnbsp;ongezocht op het Evangelie, en legde hun de beteekenisnbsp;van het Kerstfeest uit. Hij bediende zich daarbijnbsp;van de alifoersche taal. Werd hjj niet geheel be- -
grepen , zoo hielp het Hoofd hem, en vertaalde zjjn Maleisch. Spoedig viel de duisternis in, en de vergaderden gingen hoogst tevreden uiteen. In geheelnbsp;Tondano wérd over de bijeenkomst bij den zendelingnbsp;met algemeene dankbaarheid gesproken. Riedel ennbsp;zijne vrouw waren met lof en dank vervuld; zp voelden,nbsp;dat het hun gelukt was tot de menschen nader tenbsp;komen.
Op den tweeden Kerstavond werd voor de eerste maal het heilige avondmaal in Tondano gevierd.nbsp;Waarschijnlijk nam behalve Riedel en zijne vrouwnbsp;slechts de familie Constance daaraan deel, daar vannbsp;de christen-inboorlingen nog niemand aangenomen was.nbsp;De tafel was klein, want er zaten maar 7 menschen aan.nbsp;Riedel schreef: »Allen voelden wij echter, dat de Heernbsp;in ons midden was, en ons zegende. Ik had het aannbsp;velen uit de gemeente van te voren bekend gemaakt.nbsp;Vroeger hadden zij er niets van gehoord of gezien.nbsp;Allen betuigden, dat zij iets bpzonders in hun hartnbsp;gevoeld hadden, dat zij niet konden uitspreken.nbsp;Anderen zeiden: het was alsof de Heer Jezus zigtbaarnbsp;in ons midden was. Moge deze plegtigheid ten gevolgenbsp;hebben , dat velen naar verder onderwijs streven , omnbsp;3'ls medeleden opgenomen te kunnen worden.
Op Nieuwjaarsdag was de kerk druk bezocht. ii'iEDKL geloofde eene verbetering in den toestand dernbsp;naamchristenen op te merken. Maar er was iets. datnbsp;hem die schoone verwachting weer benam. De gezamenlijke kerkgangers waren in t wit of roodnbsp;gekleed, wat zeer in t oog viel, daar zp met Kerstmisnbsp;allen in t zwart verschenen. Bij nader onderzoek
bleek, dat men bet er voor hield, dat Chriatus op Kerstmis gestorven en op Nieuwjaarsdag opgestaannbsp;was. Daarop grondde zich hunne gewoonte ook, van dezenbsp;dagen door de kleur der kleeding aan te duiden.nbsp;Bovendien werd hetkerkgaan op deze feesten als een bewpsnbsp;beschouwd van christen te zpn, waaruit zich verklarennbsp;liet, waarom zoo velen in de kerk waren. Daarbpnbsp;kwamen nog een paar andere ervaringen. Met Kerstmisnbsp;werden de graven der christenen gewit, zooals bijnbsp;de Alifoeren bp eene andere gelegenheid geschiedt.nbsp;Men verheelde het niet, dat het gedaan werd, om dennbsp;dood en alle zware ziekten voor het volgende jaar vannbsp;die huisgezinnen af te wenden. Op den eersten Kerstdagnbsp;kwamen, zeide men, de zielen der afgestorvenen uitnbsp;de graven, en als deze niet gewit waren, werden zijnbsp;boos, en maakten de levenden ziek of doodden hen.nbsp;Men schaamde zich dit bpgeloof niet. Met Nieuwjaarsdagnbsp;ging het erg toe. De christenen vierden hem niet veelnbsp;beter dan een heidensch offerfeest; er werd onmatignbsp;gegeten en gedronken; 's avonds mengde zich hetnbsp;woeste leven der dronkaards met het gillen dernbsp;dansenden, en zooals de christenen de feesten dernbsp;heidenen bjjwoondeu, zoo namen ook dezen aan denbsp;christelpke feesten deel.
Alle begin is moepelijk, dacht Buïdel , toen hij den volgenden Zondag uit de kerk terugkwam, dienbsp;zoo leeg was als vroeger.