ocr page 1

DE

CHRISTELIJKE ZENDELINGEN

in Groenland.

VOORAFGEGAAN DOOR EENIGE BERIGTEN OMTRENT DIT LAND EN DES2ELFS BEWONERS.

Aan den Noordoostelijken uithoek van Amerika ligt Groenland, gewoonlijk in Oost- en West-Groenland onderscheiden. De oostelijkenbsp;kust is ongenaakbaar, maar de westelijke is bijnbsp;de Europeanen sints meer dan twee honderd ja-ren bekend; in het midden der vorige eeuwnbsp;werd aldaar door de Deenen eene volkplantingnbsp;gevestigd, vooral om de walvischvangst te begunstigen.

Wiet meer dan 7000 menschen bewonen deze kust, omgeven door hooge en steile rotsen, wiernbsp;spitsen altijd met sneeuw en ijs bedekt zijn.nbsp;Overal zijn kleine inhammen of baaijen, en eenenbsp;ontelbare menigte van grootere en kleine eilanden.

ocr page 2

De inboorlingen zijn klein van gestalte, en bruinachtig van kleur. Zij dragen in alle jaargetijden kleederen van rendieren- en zeekalverennbsp;vellen, door de vrouwen met veel netheid za-mengevoegd. Hunne woningen zijn tweederlei ;nbsp;des zomers tenten insgelijks met huiden bedekt;nbsp;des winters huizen, gebouwd met groote steenen, waardoor de huizen tot drie voet dik zijn,nbsp;en de tusschenruimten met aarde en mos worden toegestopt. Eenige balken en latten, aangevuld met heide, maken het dak uit; bovenop: eene laag aarde en zoden, en eindelijknbsp;wordt alles met oude huiden bedekt. Gewoonlijk zijn deze huizen van binnen 12 voet breed;nbsp;de lengte is tusschen 2-4 en 72 voeten, naarmate het getal bewoners grooter is; zij zijn zoonbsp;laag, dat een man er naauwelijks regtop in staannbsp;kan. Men kruipt er in door eene zeer naauwenbsp;opening; bijna als een trechter ingcrigt, waardoor de koude zoo min mogelijk indringt. Elkenbsp;woning bevat gewoonlijk vier huisgezinnen, somtijds tien; alleen van elkander gescheiden doornbsp;huiden. In elk vertrek brandt nacht en dagnbsp;eene lamp die te gelijk verlicht, verwarmd ennbsp;gebruikt wordt om het eten op te koken. Zindelijkheid moet men in deze woningen niet verwachten; en de reuk van den Europeaan wordtnbsp;op de onaangenaamste wijs op de proef gesteldnbsp;door de sterke damp der walvisch-olie.

ocr page 3

Twee soorten van schuiten zijn hier in gebruik: de vrouwenboot, of groote schuit met léder van zeehonden vellen bekleed, en de kajak.nbsp;Be laatste is 18 voeten lang en eindigt met eennbsp;punt aan beide kanten; in het midden maarnbsp;18 duimen breed en één voet diep. Aan allenbsp;zijden, boven en onder, is deze ook met vellennbsp;bedekt, en alleen in het midden eene opening;nbsp;daar plaatst zich de Groenlander en omsluit zichnbsp;met de vellen die zijne schuit bekleeden, zoonbsp;dat geen droppel water daar doordringt. Hunnenbsp;behendigheid in het besturen van dit vaartuig isnbsp;zoo groot, dat zij menigmaal op het oogenbliknbsp;van stranden, met één slag hunner roeispaannbsp;zich uit het gevaar weten te redden: zij vreezennbsp;geen storm, en doorklieven de baren met ongeloofelijke snelheid, tot twintig mijlen op éénnbsp;dag afleggende. Gezeten in zijn kajak en gewapend met boog en pijlen, met den harpoen ennbsp;andere gereedschappen bij de vangst der zeekalveren noodig, is de Groenlander hoogmoedignbsp;op zijne behendigheid, en veracht de wetenschappen en kunsten, waarop Europa zich beroemt.

De andere schuit is veel grooter; 40 tot 50 voeten lang, en naar die mate breed en diep;nbsp;de vrouwen besturen dezelve. Aan haar zijnnbsp;alle huisselijke bezigheden overgelaten; vroegnbsp;worden de meisjes opgeleid in de kennis en be-

1 *

ocr page 4

— 4 —

zorging van het huishouden. De mannen en jongens brengen het grootste gedeelte van hunnbsp;tijd door in hot besturen van hun kajak, en innbsp;het vangen der zeekalveren, waardoor zij gedurig aan allerlei gevaren zijn blootgesteld.

Bij dit volk is geene geregelde regering, geene vaste wetten; zij erkennen eenig gezag toe aannbsp;sommige overleveringen, en zijn vreedzamer dannbsp;vele andere wilde volkeren. Zij hebben sommigenbsp;algemeene duistere denkbeelden omtrent het bestaan van twee magtige Geesten; waarvan denbsp;een goed en een weldoener der menschen is, denbsp;ander daarentegen boos en een vijand van onsnbsp;geslacht. Zij bekommeren zich verder weinignbsp;omtrent deze Geesten, maar laten.dat over aannbsp;eenige bedriegers, die zij toovenaars noemen, ennbsp;die zich beroemen, door middel van ondergeschikte geesten, omgang met den grooten Geestnbsp;te hebben; en op deze wijs hun voordeel doennbsp;met de onwetendheid en het bijgeloof hunnernbsp;landgenooten.

In 1732, terwijl de Moravische broeders te Sernhut vergaderd waren, ten einde over denbsp;Evangelie verkondiging onder de Heidenen te beraadslagen, boden zich twee jonge lieden aan,nbsp;om in Groenland de blijde boodschap over tenbsp;brengen, dat Jezus Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken. Hunne be-

ocr page 5

kvvaamheden en de redenen die hen lot dit aanbod bewogen, werden rijpelijk onderzoekt, en daarna hetzelve aangenomen.

Mattheus Stack en zijn neef Christoffel Stack, vertrokken naar Koppenkagen in het voorjaarnbsp;van 1733, om het voornemen te volbrengen hunnbsp;door geloof en liefde ingeboezemd. Eenige men-schen ontvingen hen op eene liefderijke, aanmoedigende wijze; maar anderen , in grooter getal,nbsp;trachtten hen af te brengen van eene onderneming w'ier uitslag zoo onzeker seheen, en dienbsp;althans geheel ontijdig werd geacht. Eene zending uit Denemarken had zóó vele tegenhedennbsp;ontmoet, dat de Regering het plan had opgegeven en de Colonisten terug geroepen. Aan denbsp;Broeders werd toegestaan zich naar Groenlandnbsp;te begeven, op hetzelfde schip dat de Deenschenbsp;zendelingen terugvoeren zou. Op deze ongastvrije en barre kusten, aan zichzelven overgelaten, zonder hoop op ondersteuning of onderhoudnbsp;door Europesche schepen, blootgesteld aan denbsp;wreedheid der inboorlingen, was het gevaar boven beschrijving groot.

Dit droevig vooruitzigt ontmoedigde de zendelingen niet. Zij gaven hunne zaak over aan Hem die alle dingen bestuurt naar Zijn raadfnbsp;tolkomen overtuigd dat indien hunne onderne-•^tig Hem welbehagelijk niogt wezen, Hij zelfnbsp;hen dan ook zou geleiden, betvaren, verdedigen.

ocr page 6

overal en altijd zijn hun rots, hun heil, hunne sterkte, de God van hun vertrouwen. Zij werden niet beschaamd. De zaak nam eene anderenbsp;rigting; de koning liet nog een tweede schipnbsp;uitrusten naar de Deensche Colonie, waar denbsp;zendeling Johs. Egedé zich bevond.

Den 10 April werd te Koppenhagen het anker geligt, en den 20 Mei kwamen de zendelingennbsp;ter plaatse hunnei^bestemming, na eene spoedigenbsp;en gelukkige overtogt. Door den eerwaardigennbsp;Egédé werden zij terstond met liefde ontvangen;nbsp;hij beloofde hun in alles zijnen bijstand, en verblijdde zich zeer over hunne onderneming.

Langs de kust zochten zij eene plaats voor hunne woning, en bepaalden hunne keus nabijnbsp;Ball’s rivier; deze plaats werd genoemd Memonbsp;fferrnhut; en geknield baden zij om Gods zegennbsp;over hunne personen en werkzaamheden. Vooreerst werd eene kleine hut gebouwd om allenbsp;medegebragte goederen te bergen, en zelve beschut te zijn. Benige dagen later werden denbsp;grondslagen gelegd van een woonhuis, waarvoornbsp;zij uit Koppenhagen bet hout hadden medege-bragt. Het saisoen was zeer gunstig, het ijs ennbsp;de sneeuw waren dit jaar eene maand vroegernbsp;gesmolten dan gewoonlijk. Bij hunne woningnbsp;werd later eene andere gebouwd, geheel inge-rigt op de wijze der Greenlanders, om allen opnbsp;te nemen, die geregeld onderrigt mogten verlangen.

ocr page 7

Toen deze eerste moeijelijke werkzaamheden ten einde waren gebragt, deden zich nieuwenbsp;zwarigheden op. De zendelingen moesten voornbsp;hun onderhoud zorgen; geene ligte zaak in zoodanig land, onder een volk wiens taal hun onbekend was, wiens levenswijs hen ten hoogstenbsp;moest tegenstaan. Zij verloren den moed niet,nbsp;en kochten van den scheepskapitein, die hennbsp;had overgebragt, eene oude sloep; maar toen zijnbsp;daarvan voor de eerste keer gebruik maakten omnbsp;tusschen de eilanden drijvend hout te gaan zoeken, werden zij door storm overvallen; metnbsp;groote moeite bereikten zij het strand; maar innbsp;den nacht werd sloep en bijeenverzameld houtnbsp;door de golven weggerukt. De schuit werd nanbsp;eenige dagen door Groenlanders op den wal terug gebragt, maar zeer beschadigd. Jagt ennbsp;visscherij leverden hun weinig op, ongewoonnbsp;aan deze oefeningen en vooral onbedreven in hetnbsp;regeren van den kajak.

Tot hiertoe deden zich geene gelegenheden op om zich met het groote doel hunner reis bezignbsp;te houden; ook scheen het voorzigtiger met hetnbsp;behandelen van godsdienstige onderwerpen tenbsp;wachten, tot dat zij, bekend met de taal, zichnbsp;niet meer zouden blootstellen aan verkeerde uitdrukkingen, die welligt tot verkeerde denkbeelden aan hunne toehoorders aanleiding zoudennbsp;kunnen geven. De Groenlanders schenen daar-

ocr page 8

enboven weinig genegen zich met de vreemden in te laten; bijna 2000 die omstreeks de Ball’snbsp;rivier woonden, bragten nagenoeg den geheelennbsp;zomer door op de eilanden, of op de bergen omnbsp;zeekalveren en rendieren te vangen; gedurendenbsp;den winter bezochten zij gewoonlijk hunne vrienden op 60, ja, tot op 200 mijlen afstand. Zeernbsp;weinigen begaven zich naar de broeders, en dannbsp;nog voornamelijk om hun huis te zien, om hunnbsp;spijkers, vischhaken, messen en andere dingennbsp;te vragen, of somtijds te ontnemen. Wanneernbsp;de zendelingen hen bezochten, zoo gebeurde hetnbsp;zelden dat men hun te eten, of eene slaapplaatsnbsp;aanbood, zelfs wanneer zij daarvoor wilden betalen ; en de Greenlanders wisten hun bijna nietsnbsp;te vragen dan of zij binnen kort niet wéér wilden vertrekken.

God keurde goed hun geloof op nog sterker proef te stellen. Weinige maanden na hunnenbsp;aankomst brak de kinderziekte uit. Onder denbsp;inboorlingen was deze ziekte ongewoon; zij kenden haren aard niet, en waren evenmin te bewegen tot het gebruik maken van geneesmiddelen,nbsp;als tot het nemen van behoedmiddelen tegen dennbsp;voortgang der besmetting. Met verschrikkelijkenbsp;snelheid vorderde de ziekte, en rukte zoo velenbsp;slagtoffers weg dat men voor eene geheele ontvolking vreesde.

Het lijden van de arme Greenlanders, gedu-

ocr page 9

— 9 —

rende dezen tijd, laat zich moeijelijk beschrijven. Ten prooi aan felle smarten, sterke koortsen ennbsp;onleschbare dorst, verloren zij het geduld, ennbsp;wilden noch voorzorg, noch geneesmiddel. Denbsp;meesten stierven binnen de drie dagen. Zoolangnbsp;deze bezoeking duurde, ondersteunden dezendelingen hunnen broeder Egedé zoowel in zijnenbsp;zorgen, als in zijne bezoeken bij de kranken.nbsp;Zij ontvingen in hunne woning allen die daarnbsp;wenschten opgenomen te worden; bij de zendelingen waren zoo veel kranken als maar kordennbsp;worden geborgen. Met diepe droefheid zagennbsp;zij hoe weinig indruk deze vreesselijke plaagnbsp;op deze arme menschen seheen te maken, zijnbsp;waren geheel onbezorgd over den toestand en hetnbsp;eeuwige lot hunner zielen. Enkelen schenen getroffen over de goedheid en liefde der zendelingen,nbsp;zoo verschillende van hetgeen zij gewoon warennbsp;van hunne landgenooten te ondervinden. Eennbsp;hunner die vroeger de broeders , menigmaal bespotte, sprak stervende tot Egedé; » Gij hebtnbsp;meer voor ons gedaan dan onze landslieden; gijnbsp;hebt ons gevoedt als wij niets hadden om te eten,nbsp;gij hebt onze dooden begraven, die, zonder uwenbsp;zorg tot aas van honden, vossen en raven haddennbsp;moeten worden, gij hebt ons in de kennis vannbsp;God onderwezen en met een beter leven bekendnbsp;gemaakt.”

De zendelingen hadden niet zoodra hunne be-

ocr page 10

- 10 -

diening van vertroosting en liefde bij de armen, zieken en stervenden geëindigd, toen zij opnbsp;hunne beurt door eene vreesselijke ziekte aangetast werden, die in den winter zoozeer toenam , dat zij ten eenen male het gebruik hunnernbsp;ledematen verloren; gelukkig wilde God nietnbsp;dat zij allen te gelijk ziek waren.

Zoo ging het eerste jaar van hun verblijf in deze noordelijke gewesten voorbij ; gedurende denbsp;vijf volgende jaren was er geene merkbare verbetering in hunnen toestand, voor zooverre denbsp;uiterlijke dingen betrof; noeh ook met betrekking tot het hoofddoel hunner reis. Het was dusnbsp;niet vreemd dat zij somtijds moedeloos werden,nbsp;en over terugkeer naar Europa dachten. Maarnbsp;toen, in 1734, Frederik Bochnisch en Johannbsp;Beck de tijding bragten dat de broeders te Herrn-hut hen met alle middelen wilden ondersteunen,nbsp;werd hun geloof versterkt; en hun hart vervuldnbsp;met vernieuwden ijver voor hunne moeitevollenbsp;onderneming.

Met te meer inspanning legden zij zich toe op het aanleeren der taal; en kwamen daarin ooknbsp;zoo ver dat zij over dingen van het gewone levennbsp;met gemakkelijkheid konden spreken ; over godsdienstige onderwerpen was en bleef het hun nognbsp;onmogelijk. Somtijds scheen het dat alleen denbsp;geschiedenissen uit den Bijbel zouden kunnennbsp;worden vertaald; wijl bij de Groenlandcrs geene

ocr page 11

11

woorden bekend waren om geestelijke dingen uit te drukken, en dat hun deze denkbeelden geheelnbsp;vreemd waren. Door Gods hulp en gedurigennbsp;omgang met de inboorlingen, kwamen zij eindelijk deze laatste doch grootste moeijelijkheid tenbsp;boven.

Mattheus Stack bragt eene geheele maand met eenige Groenlanders door. In de eerste dagennbsp;hoorden zij hun nu en dan eenige gedeelten vannbsp;het Nieuwe Testament lezen, maar spoedig verveelde dit hen. Als het hard regende, wildennbsp;zij dat men tot den Heere Jezus, die hun als eennbsp;Almagtig God was voorgesteld, zoude bidden, opdat Hij het weêr mogt veranderen en den regennbsp;beletten in hunne woningen door te dringen. Denbsp;Zendeling antwoordde dat hier het gebed onnoodignbsp;was, dat zij de huiden maar over de daken moesten uitspreiden; en liever den Heer om reddingnbsp;aanroepen voor hunne arme verloorene zielen.nbsp;Maar dan hoorden zij niet en waren somtijdsnbsp;moeijelijk te verdragen.

Alleen de kinderen bewezen den Zendeling groote hartelijkheid; en volgden hem overal. Hijnbsp;sprak veel met hun, en zocht zooveel mogelijknbsp;hunne gedachten te bepalen, hetgeen nu ennbsp;dan met groot geduld mogt gelukken; zij vergaten evenwel spoedig hetgeen zij leerden.

In de eerste maanden van 1738 werd hun door Gods genade eene wezenlijke bemoediging en ver-

ocr page 12

12

sterking toegezonden. Tijdens een groot gebrek aan levensmiddelen, hadden de Zendelingen velenbsp;gasten, en daaronder een jong mensch. Mangek,nbsp;die aanbood hun alles te geven wat hij op denbsp;jagt of bij de Visschorij zou vangen, indien zijnbsp;hem wilden opnemen. Overtuigd dat deze belofte, na den hongersnood, spoedig zou wordennbsp;vergeten, namen nogtans de Zendelingen dennbsp;jongeling in hunne woning; God, meenden zij,nbsp;zou hem welligt tot middel gebruiken om hunnbsp;nog meer in de landtaal te doen vorderen. Eikennbsp;dag beproefden zij op nieuw hem eenig onderwijsnbsp;te geven, en bovenal hem opmerkzaam te makennbsp;op den toestand zijner ziel. Eerst scheen hunnenbsp;moeite vruchteloos, maar langzamerhand verminderde zijne ongevoeligheid; overtuiging van zondenbsp;en berouw vermurwden het hart dat zoo verstoktnbsp;scheen, en zij zagen zijne oogen vol tranen onder hunne gebeden. Zijne landgenooten bespeurden de verandering die in hem plaats greep, ennbsp;trachtten hem van de zendelingen te verwijderen,nbsp;en weer aan hunne heidensche gebruiken deel tenbsp;doen nemen; doch te vergeefs. Zij beproefdennbsp;toen Mangek door de Broeders te doen wegzenden, en beschuldigden hem van diefstal. Hij verliet werkelijk eenigen tijd later de Zendelingen,nbsp;die, aangemoedigd door hetgeen zij in dezen jongeling hadden bespeurd, overal het goede zaadnbsp;uitstrooiden, den wasdom met onderwerping ennbsp;vertrouwen aan God overlatende.

ocr page 13

10

Yijf jaren waren verloopen sedert hunne aankomst in Groenland, en den eenigen indruk die zij van hunne Evangelieverkondiging tot hiertoenbsp;hadden bespeurd was bij Mangek, en bij hemnbsp;scheen het nog gelijk te zijn aan eene morgenwolk die voorbijgaat. De harten hunner toehoorders waren schraal, en dor, en koud, als denbsp;kusten die zij bewoonden, Menigmaal hadden zijnbsp;met tranen gezaaid. Eindelijk was het oogenbliknbsp;daar waarop de Heer hunne gebeden wilde verhoeren , en hun toonen dat hun recht was bijnbsp;den Heere, en hun werkloon bij hunnen Godnbsp;Jes. 49: 4, Mijn woord dat wit mijnen mondnbsp;witgaat, zal niet ledig tot mij ivederkeerennbsp;Jes. 55: 11.

« Den 2 Junij, schreven dezendelingen, kwamen verscheiden Groenlanders uit de zuidelijke streken tot ons. Broeder Beek schreef de vertaling der Evangeliën over. Zij toonden begeertenbsp;daarvan te hooren: B. las een gedeelte, spraknbsp;daarover, en vroeg hun toen of zij geloofden datnbsp;hunne ziel onsterfelijk was, en waar zij meendennbsp;dat hunne ziel blijven zoude bij den dood ? Sommigen antwoordden: » daarboven.” Anderen:nbsp;gt; in den afgrond.” B. beproefde verder hunnbsp;juiste denkbeelden te geven, en vroeg: . Wienbsp;den hemel, de aarde, den mensch en alle dingennbsp;heeft geschapen?” Zij antwoorden zulks niet tenbsp;'^clen; zij hadden het nooit gehoord; maar ze-

ocr page 14

i4

kerlijk moeten zij het werk zijn van een groot almagtig Wezen. B. verkondigde hun, volgensnbsp;Gods Openbaring, de schepping der wereld, denbsp;val van den mensch, en den eenigen weg vannbsp;redding en zaligheid door den Heer Jezus Christus.nbsp;De Heilige Geest bestuurde hem in het spreken,nbsp;en gaf eene buitengewone kracht aan hetgeen hijnbsp;zeide over de verlossing, de diepe vernedering,nbsp;het lijden en sterven van Gods Zoon voor armenbsp;zondaren. Met den sterksten drang der christelijke liefde vermaande hij zijne toehoorders achtnbsp;te geven op den duren losprijs, door Christus betaald voor onze zielen; en toch niet langer denbsp;onuitsprekelijke genade van God te verwerpen,nbsp;die allen in het Evangelie wordt aangeboden.nbsp;Hij las daarop de geschiedenis van het zielehjdennbsp;onzes Heilands in den hof van Gethsemané, Hetnbsp;hart van Kayarnack, een der toehoorders, werdnbsp;door God geopend dat hij acht gaf op hetgeennbsp;gesproken werd, hij riep uit: » Lees nog eensnbsp;hetgeen ik daar hoorde, ik wensch behouden tenbsp;worden.” Nog nooit waren zulke woorden doornbsp;een Groenlander gesproken; Beek was er diepnbsp;door getroffen, en herhaalde hun nog eens denbsp;geheele geschiedenis van het leven en sterven desnbsp;Heeren, en van de zaligheid die ons in zijn naamnbsp;wordt verkondigd.”

De andere Zendelingen vereenigden zich met hunnen broeder in deze blijmoedige belijdenis:

ocr page 15

— i5 ~

Be saligheid is in geenen anderen naani dan in den eeuwig geprezen Heer en Heiland. Door Hemnbsp;•wordt ons de vergeving der zonden verkondigd.nbsp;Een iegelijk die gelooft zal door Hem geregt-vaardigd worden. Hand. XIII: 38, 39. Be Groen-landers legden lot teeken hunner verwondering,nbsp;de hand op den mond; sommigen gingen dadelijknbsp;heen, anderen vroegen of men hun wilde leerennbsp;bidden, en herhaalden gedurig de woorden dienbsp;zij gehoord hadden, om die vast in het geheugennbsp;te prenten. Zulk een angstig en ernstig vragennbsp;naar de zaligheid hadden de Zendelingen nimmernbsp;gezien; zij beloofden spoedig op nieuw' deze onderwerpen te behandelen, en vermaanden hunnenbsp;toehoorders intusschen tot hunne landgenootennbsp;daarover te spreken.

Hetgeen Kayarnack gevoeld had, bleek geen voorbij gaande indruk te wezen; maar een waarnbsp;gevoel van zonde door den Heiligen Geest in zijnnbsp;hart gewerkt. Hij bezocht menigmaal de Zendelingen, en ging eindelijk hij hen wonen. Dikwijls, zeide hij, was er eene stem in zijnnbsp;hart die hem opwekte tot het gebed; » als wijnbsp;tot hem spreken,” schreven de broeders aannbsp;hunne vrienden,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;» is hij zoo bewogen, dat

tranen langs zijne wangen vloeijen. ” Treffend Was het onderscheid tusschen hem en zijne land-genooten; hunne domheid was over het algemeennbsp;•iiöp bedroevend. Kayarnack daarentegen ver-

ocr page 16

i6

stond en behield in het geheugen, alles wat hem geleerd werd. Hij volgde de Broeders overal,nbsp;en toonde hun zijne liefde in een sterk verlangen naar meer onderrigt.

Hetgeen hij aan zijne betrekkingen mededeelde gaf dezen ook belangstelling; zoodat, vóór hetnbsp;eind der maand, drie talrijke huisgezinnen hunnènbsp;tenten opsloegen in de nabijheid van de Zendelingen, ten einde, zoo als zij zelf zeiden, » denbsp;goede tijding te hooren van de verlossing dernbsp;menschen. ” Velen schenen getroffen, en zelfsnbsp;zij die vroeger weigerden Gods Woord te hooren,nbsp;verklaarden dat zij gelooven wilden en den winter doorbrengen mèt de zendelingen. Evenwelnbsp;vertrokken de meesten hunner spoedig daarna omnbsp;op de rendierenjagt te gaan; maar Kayarnacknbsp;weigerde stellig hen te vergezellen, vreezende,nbsp;zeide hij, de zaligheid zijner ziel in gevaar tenbsp;brengen. Hij Lezat geen tent in eigendom, ennbsp;zijn terugblijven bragt hem daardoor in grootenbsp;verlegenheid; voor de derde keer toch werd hijnbsp;nudoorzijne vrienden verlaten, die tent en schuitnbsp;en alles wat hun gezamenlijk toebehoorde, medenamen. Het Was te vreezen dat hij aan hetnbsp;Wankelen zou worden gebragt, zoo wel door dezenbsp;handelwijs als door de tegenstelling der moeije-lijkheden in zijne levenswijs bij de broeders, ennbsp;der teugelooze vrijheid der heidenen. Kayarnacknbsp;bleef onwankelbaar bij zijn besluit, en wel verre

ocr page 17

— 17 —

Tan door lange redenen zich te verdedigen, beantwoordde hij hunne spotternijen of raadgevingen met de eenvoudige verklaring; » Ja, ik wil blijven bij hen die mij leeren! ik wensch Godsnbsp;Woord te hooren waarvan de klank mij zoonbsp;aangenaam was van het eerste oogenblik, dat iknbsp;die mogt vernemen. ” Als zij wilden luisteren,nbsp;sprak hij gaarne met hen; wanneer zij spotteden,nbsp;zweeg hij, na in weinige ernstige woorden belijdenis der waarheid te hebben afgelegd. Eindelijk lieten zich eenige zijner bloedverwanten doornbsp;hem overhalen, kwamen terug, en zetteden zichnbsp;neder met hunne woningen en huisgezinnen innbsp;de nabijheid der zendelingen.

In October 1738, bij het betrekken hunner huizen, waren een twintigtal Greenlanders nabijnbsp;de Broeders gevestigd Deze vereenigden zichnbsp;des morgens en des avonds in het gebed met denbsp;huisgezinnen van Kayarnack en zijn bloedverwantnbsp;Simek-, des zondags werd openlijk in den Bijbelnbsp;gelezen en uitgelegd. Zes menschen ontvingennbsp;bijzonder onderrigt ter voorbereiding tot dennbsp;Heiligen Doop; eene school werd opgerigt voornbsp;de kinderen; deze taak was uiterst moeijelijk^nbsp;doch bleef niet zonder zegen.

Kayarnack op dezen tijd ernstig ziek, verklaarde hij niet wilde noch konde bidden omherstel-maar zich geheel over gaf aan den tvil van God.

ocr page 18

— i8

In 1739 wordt, met dankzegging aan Gods genade, in de geschiedenis dezer zending vermeld, dat de eerste Greenlanders door dennbsp;Doop zijn opgenomen en ingelijfd in de gemeentenbsp;van den Heer Jezus Christus. Op het Paaschfeestnbsp;werden zij met vurige gebeden aan God opgedragen, en met oplegging der handen gedoopt,.nbsp;» in den naam des Vaders, des Zoons en desnbsp;Heiligen Geestes,” drieéénig God, aangebedennbsp;in de gemeente en geprezen in alle eeuwigheid.nbsp;Vooraf hadden de nieuwe leden, in tegenwoordigheid der geheele vergadering, eene uitvoerigenbsp;belijdenis van hun geloof en hoop afgelegd;nbsp;beloovende afstand te doen van alle heidenschenbsp;bijgeloof, bij de broeders te willen blijven volharden, in een leven overeenkomstig het Evangelie. De tegenwoordigheid des Heeren werdnbsp;op eene onmiskenbare wijs gevoeld bij dezenbsp;plegtigheid; tot tranen geroerd, baden allennbsp;dat zij toch ook spoedig tot deze zelfde genadenbsp;mogten worden toegelaten. De eerstelingen vannbsp;dezen woesten grond die openlijk door dennbsp;Doop in de Christelijke kerk opgenoraen werden,nbsp;waren Kayarnack, zijne vrouw, zoon en dochter.

Het jaar 1740 bragt eene groote verandering te weeg in de wijze die de broeders tot dusver innbsp;het leeren der inboorlingen hadden gevolgd. Zijnbsp;had voornamelijk bestaan in het spreken over het

ocr page 19

— 19 —

aanwezen, de eigenschappen, en de volmaakthe' den Gods, in het prediken van gehoorzaamheidnbsp;aan de Goddelijke wetten die de grondslagen zijnnbsp;van hetgeen men gewoon is natuurlijke godsdienstnbsp;te noemen. Zij hoopten aldus trapswijze denbsp;gemoederen voor te bereiden, om de meer verhevene en geheimzinnige waarheden van het Evangelie te ontvangen ; en men moet erkennen datnbsp;deze leerwijs de meest redelijke schijnt; maarnbsp;toen zij die in praktijk wilden brengen, bemerkten zij dat zij krachteloos was. Vijfjaren haddennbsp;de zendelingen overeenkomstig dit stelstel gearbeid, en naauwelijks konden zij verkrijgen datnbsp;men hun met geduld en aandacht hoorde. Zijnbsp;besloten dus de eerste Apostelen na te volgen,nbsp;en, gelijk zij, Christus te prediken en dien gekruist ; zich eeniglijk vasthoudende aan de verklaring van het Evangelie, dat God mensch isnbsp;geworden om zondaren te verlossen en hen los tenbsp;koopen door den prijs van zijn eigen hloed. Zijnbsp;hadden naauwelijks dit woord der verzoeningnbsp;doen klinken in al zijne eenvoudigheid toen zijnbsp;getuigen werden van deszelfs kracht om te bekee-ren en te redden. Het drong door tot in hetnbsp;hart hunner toehoorders, en bragt de verwonderlijkste uitwerkselen te weeg; het baande zichnbsp;een weg tot hun geweten, en verlichtte hun verstand. Hunne stompheid en onverschilligheidnbsp;verdwenen, zij gevoelden zondaars te zijn, zij

2 *

ocr page 20

- nbsp;nbsp;nbsp;520

beefden bij het gezicht van hun gevaar, en namen met blijdschap het aanbod van een Zaligmaker aan. De vaste grondslag eenmaal gelegd zijnde in de kennis aan een’ gekruistenVerlosser,nbsp;erkenden de zendelingen weldra, dat alleen dezenbsp;waarheden aan de bekeerlingen een’ diepen af keernbsp;van de zonde konden inboezemen, eneenelevendige begeerte om. alle pligten jegens God en dennbsp;naasten te vervullen, dat zij alleen hun kondennbsp;leeren hier beneden te leven met matigheid,nbsp;regtvaardigheid en godsvrucht; hen bezielen metnbsp;de heerlijke verwachting van een onsterfelijk leven, en eindelijk hun openbaren de kennis aannbsp;Gods heerlijkheid als Schepper, Onderhouder ennbsp;Regeerder der wereld. De zendelingen zelvenbsp;hadden veel nut van deze nieuwe predikwijze.nbsp;Hunne harten werden zoo verlevendigd en verwarmd door de leer des kruises, dat zij de Heidenen vermaanden met eene gemakkelijkheid ennbsp;een vuur die hun te voren onbekend waren.

In February 17-41 werd Kayarnack door eene longontsteking aangetast die zijn aardsche loopbaan eindigde. De hoop op een eeuwig geluknbsp;deed hem alle smarten met geduld en moed verdragen. Wanneer men tot hem sprak over aangelegenheden dezes levens, dan verzocht hijnbsp;daarmede zijne ziel niet meer bezig te houden;nbsp;want zijne gedachten en zijn verlangen strekken

ocr page 21

- 21 —

lich alleen uit tot den Zaligmaker. Zag hij sommige zijner betrekkingen weenen, dan vertrooste hij hen : » Treur niet over mij, men heeftnbsp;u immers menigmaal gezegd dat wanneer eennbsp;geloovig christen sterft, de ziel door den Heernbsp;wordt opgenomen om bij Hem eene eeuwigenbsp;vreugde te genieten? Gij Aveet dat ik de eerstenbsp;onder dit volk was die Hem mogt leeren kennennbsp;en belijden; nu wil Hij mij ook het eerst oproepen om tot Hem te komen. Zoo gij volhardt totnbsp;aan het einde zal Hij zelf ons vereenigen voornbsp;den troon van God en het Lam; en dan zullennbsp;wij ons onophoudelijk verblijden over de genadenbsp;aan ons, arme zondaren, bewezen. Hij zal voornbsp;u allen zorgen; bovenal beveel ik aan Hem mijnenbsp;vrouw! ”

Tegen de gewoonte der Groenlanders, toonden zijne vrouw en broeder veel onderwerping bijnbsp;zijn dood, en verzochten aan de broeders hemnbsp;zoo te begraven als bij de christenen de gewoontenbsp;is. Nadat men eenige verzen had gezongen,nbsp;werd door een der zendelingen gesproken innbsp;het huis van den overledene; door vier jongenbsp;Groenlanders werd het lijk gedragen, en bij hetnbsp;graf door een Deensche zendeling eene aanspraaknbsp;gedaan en met een gebed de plegtigheid besloten,nbsp;veel indruk op de aamvezenden scheen tenbsp;maken.

dood van Kayarnack was een treffende slag gt;

ocr page 22

- 22 —

de Zendelingen verloren in hem een uitstekend voorbeeld van de krachtige hand eu genade Godsnbsp;in de hekeering en vernieuwing des harten, eennbsp;ijverig en werkzaam belijder van Christus, eennbsp;nuttigen helper in de vertaling van het Nieuwenbsp;Testament.

In 1744, bragten eenige bekeerde Greenlanders van hun gewone togt naar de eilanden teruggekeerd, het berigt mede dat vele heidenen hennbsp;met vreugd hoorden spreken over den Zaligmaker ; en verlangden nog meer van Hem te vernemen; wanneer sommige over hunne woordennbsp;spotteden, hadden de verstandigsten hen doennbsp;zwijgen; eens hadden zij vele eilanders bij elkander gezien die met levendige belangstelling spraken over het heil hunner zielen, en hen dringendnbsp;baden deel te nemen aan dit gesprek. Deze opwekking strekte zich veel verder uit dan denbsp;werking der zendelingen reikte; op eene afgelegene noordelijke kust, werd bij velen een sterknbsp;verlangen naar onderwijs gevonden. De Heidenen hadden aldaar een der Christen Greenlandersnbsp;gedurende een geheele nacht bezig gehouden.nbsp;De volgende nacht zocht hij hen te ontkomen omnbsp;te slapen, maar zij volgden hem en hij was ver-pligt op nieuw over hetzelfde onderwerp te beginnen.

ocr page 23

23

Langzamerhand verminderde de algemeene opwekking die zich onder de Heidenen had doen gevoelen, maar de geloovige Groedlanders werden talrijker en maakten vorderifigen in denbsp;genade. Op het eind van 17-48 woonden er nietnbsp;minder dan 230 te Nieuw Eerrnhut,

Bij hunne onvermoeide pogingen om de Heidenen tot kennis van het Evangelie te brengen, hadden de zendelingen verscheidene gelegenheden om deszelfs herscheppenden invloed tenbsp;bemerken. Onder de voorbeelden van dien aardnbsp;bijgehragt door Krans in zijne geschiedenis dernbsp;zending in Groenland, willen wij het volgendenbsp;als een der opmerkelijkste vermelden:

Kainack was sedert 1739 bij de broeders bekend, en scheen somtijds getrofien door hunne gesprekken. Evenwel zocht hij zich aan hunnennbsp;invloed te ontrukken, want van een aanzienlijkenbsp;stam zijnde, werd hij bij zijne landgenootennbsp;als een prins geacht; en hij vreesde iets vannbsp;deze achting te verliezen wanneer hij zich hijnbsp;de bekeerde Greenlanders voegde. Zijn gewetennbsp;was daarbij niet gerust; maar om die onrustnbsp;te verdrijven leidde hij een zwervend leven,,nbsp;en maakte zich aan onderscheidene misdrijvennbsp;schuldig: eens sloeg hij een ander man op zoonbsp;'Wreedaardige wijs dat deze verminkt bleef;,nbsp;op een anderen dag wachtte hij eenige zijnernbsp;landgenooten bij bunnen terugkeer van de zende-

ocr page 24

— 24 —

lingen, en bedreigde deze met het in brand steken van hunne woning, omdat zij eene vrouw beschermden die hij, tegen haren wil, verkoosnbsp;te trouwen. In het vervolg trouwde hij haar,nbsp;en werd zij in de hand van God, het middelnbsp;tot zijne ware bekeering. Zij bragt hem gedurignbsp;op plaatsen waar het Evangelie werd verkondigd, en de eerste indrukken die bij hem zoonbsp;geheel schenen uitgedoofd, kwamen met nieuwnbsp;leven terug. Nadat hij genoegzame bewijzen vannbsp;de opregtheid zijner keus had gegeven, werdnbsp;hij, met zijne vrouw, te Nieuw Herrnhut gedoopt, in 1753. Toen zij hunne winter woningen konden verlaten kwamen zij in de nabijheidnbsp;der broeders, met alle hunne onderhoorigen, tennbsp;getale van meer dan twintig personen, die allen,nbsp;in het vervolg, werden gedoopt. Zijne bekeeringnbsp;maakte veel gerucht bij de inboorlingen, het getal der toehoorders vermeerderde aanmerkelijk,nbsp;en velen wenschten het voorbeeld van Kainacknbsp;te volgen. Dit voorbeeld was inderdaad treffend;nbsp;dezelfde man die vroeger zoo ongeschikt en woestnbsp;was, werd na zijne bekeering, vreedzaam ennbsp;zacht. Hij stierf onverwacht drie jaren later,nbsp;terwijl hij met zijn huisgezin op de eilandennbsp;was. De kerk van Christus verloor in hem eennbsp;yverig lid en een getrouw dienaar zijns Heeren.

In de hoop van meerdere uitbreiding aan hunne

ocr page 25

werkzaamheden te kunnen geven, werd in 1753 een tweede standplaats gekozen, in de nabijheid,nbsp;en met toestemming, der Deensche factorij tenbsp;Tirter's-bay; 35 mijlen van Nieuw Herrnhut;nbsp;deze plaats werd door de broeders Lichtenfehnbsp;genaamd.

In 1744 werd, meer Zuidwaarts, Lichtenau gesticht.

Bijna honderd jaren zijn verlopen sedert de aankomst der eerste zendelingen in Groenland,nbsp;en de verandering in den zedelijken toestand aldaar is zeer opmerkelijk. In de omstreken vannbsp;Eerrnhut en Lichtenfeh wordt bijna geen heidennbsp;meer gevonden; de meeste inwoners zijn gedooptnbsp;door de zendelingen uit Denemarken, of door denbsp;Moravische broeders, en kennen de Christelijkenbsp;leer. De kinderen worden daar gedoopt en opgevoed als in de Christen gemeenten. Zeldennbsp;hebben de zendelingen de droefheid dat hunnenbsp;leerlingen de Christelijke gemeente weer verlaten ; sommigen die voor een tijd door onverschilligheid geestelijk dood schenen, zijn daarna weernbsp;opgewekt door den Heiligen Geest; op nieuw bepaald bij hun verloren toestand van natuur,nbsp;hebben zij met meer geloof hun toevlugt genomennbsp;den éénigen Redder onzer zielen. Door zijnenbsp;genade hebben zij geleerd: de godloosheid ennbsp;de wereldsche begeerlijkheden te versaken ; ma-

ocr page 26

— 26 —

regtvaardiglijk en godzaliglijk te leven in deze tegenwoordige toereld: verwachtende denbsp;zalige hope en verschijning der heerlijkheid onzesnbsp;grooien Gods en Zaligmakers Jezus Christus

ïit. ir.

Omstreeks Lichtenau zijn nog vele Heidenen, in wier midden de broeders den onnaspoorlijkennbsp;rijkdom van Gods genade in Christus verkondigen.nbsp;Vele Heidenen bezoeken hun, en hoewel zij doorgaans komen met oogmerk om hunne tijdelijkenbsp;behoeften door hen vervuld te zien, zoo zijn ernbsp;toch voorbeelden dat het zaad des Evangelies, bijnbsp;deze gelegenheden onder hen uitgestrooid, vruchten voorthrengt van droefheid over de zondernbsp;en geloof in den Heer Jezus.

Met lof en dank aan God moet het gezegd worden; op de geheele westelijke kust wordennbsp;tegenwoordig bijna geene gruwelen meer geziennbsp;die onder de Heidenen zoo algemeen zijn, ennbsp;Groenland kan een beschaafd land worden genoemd in vergelijking met den toestand voor 150nbsp;jaren. Door de natuur van het land, en denbsp;groote bezwaren in het levensonderhoud der inwoners, kunnen deze zich nooit bezig houdennbsp;niet wetenschappen en kunsten der Europeanen,nbsp;noch hun leven en kleeding op Europesche wijzenbsp;inrigten; maar het licht van het Evangelie wordtnbsp;in hunnen wandel gezien, hunne tevredenheid te

ocr page 27

— 27 nbsp;nbsp;nbsp;—

midden van allerlei moeijelijkheden en ontberingen, de liefde en mededeelzaamheid der meest gegoede jegens de armen, hunne gezindheden ennbsp;woorden getuigen van hetgeen de Apostel schreef,nbsp;en hetgeen in alle omstandigheden en onder allenbsp;volken steeds is bewezen: de godzaligheid is eennbsp;groot gewin met vergenoegen: de godzaligheid isnbsp;tot alle dingen nut hebbende de beloften des lt;e-genwoordigen en des toekomenden levens.

Mogt het eenvoudig verhaal van Gods werk in Groenland, de gezegende uitwerking der Evan-gelie-prediking onder deze arme en onwetendenbsp;menschen, een ieder ernstig doen onderzoeken,nbsp;welk gebruik hij tot hiertoe van zijne voorregtennbsp;heeft gemaakt ? Heh ik aan den Vader, dennbsp;Zoon en den Heiligen Geest opgedragen; diennbsp;God gezocht met mijne gebeden, gedankt voornbsp;zijne ontferming, door een leven aan Hem toege-wijd ? Hoe menigmaal is het mij verkondigd datnbsp;de zaligheid in geenen anderen is dan in Jezusnbsp;Christus; dat ik, met de geheele wereld verdoemelijk ben voor God, en zijn toorn op mij blijftnbsp;zoo lang ik niet langs dien éénigen weg van hetnbsp;geloof, het waar en levendig geloof in Christus,nbsp;verzoening heb gezocht: heeft deze waarheid ingang in mijn hart gevonden, en die uitwerkingnbsp;gehad dat ik ben opgestaan en tot God gegaannbsp;met de bede; Ik heb gezondigd, en ben niet

ocr page 28

waardig uw kind te zijn; och, Heer! Weet nogtans mij zondaar genadig !

Laat ons op malkanderen achtnemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;nbsp;bedenkende deze verklaring: Gods: dat, zoo wijnbsp;willen zondigen nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben er geen slachtoffer meernbsp;over blijft voor de zonde, maar eene schrikkelijke verwachting des oordeels en hitte desnbsp;vuurs dat de tegenstanders zal verslinden. Alsnbsp;iemand de Wet van Mozes had te niete gedaan,nbsp;stierf hij, zonder barmhartigheid: Hoeveel tenbsp;zwaarder straffe, meent gij, zal hij waardignbsp;geacht worden die den Zone Gods vertredennbsp;heeft, en het bloed des Testaments onrein geacht heeft waardoor hij geheiligd was, en dennbsp;Geest der genade smaadheid heeft aangedaan ?nbsp;Want wij kennen Hem die gezegd heeft. Mijnenbsp;is de toraak, Ik zal het vergelden spreektnbsp;de Heere. En wederom, de Heere zal zijnnbsp;volk oordeelen. Vreesselijk is het te vallen innbsp;de handen der levendigen Gods. Hebr. X.

Te bekomen bij M. WIJT amp; ZOiSEN, a i5 Genls.