-y'
'-t
Te Rotterdam, eij
Bnikkars Tan liet ^e(JcrlandscIl Zendcling-GenoolscIiBp.
Geen land buiten Europa kan meer aantrekkelijks hebben voor het HollanJsch gevoel dan Afrikasnbsp;Zuidspits, het Kaapland. Door Hollanders is de -woestenbsp;grond ontgonnen en bebouwd. Hollanders hebbennbsp;den stempel hunner nationale spraak en /.eden daarnbsp;dieper ingedrukt dan ergens elders ter wereld, zoodatnbsp;nog, schoon het land reeds sedert het begin dezernbsp;eeuw onder Engelsche heerschappij staat, de Hollander zich daar als te huis gevoelt. Ja, vele honderdenbsp;uren ver buiten de eigenlijke kolonie kan zich denbsp;reiziger met de Hollandsche taal het best door denbsp;wilde en half wilde inboorlingen doen verstaan.
Van eene andere zijde heeft dit land verder voor ons veel aantrekkelijks; het is van natuur een merkwaardig, ten deele een zeer schoon en gezegend land. Daar,nbsp;waar geen gebrek is aan water, is het ten hoogstenbsp;rijk en vruchtbaar; rijk aan koren, rijk aan weidejinbsp;voor het vee, rijk aan schoongekleurde bloemen, rijknbsp;aan allerlei geurig en smakelijk ooft; ja van eenigenbsp;gedeelten kan men met volle regt, even als van hetnbsp;oude Heilige Land zeggen, dat het van melk en honig vloeit. Inderdaad, weinige gewesten van onzennbsp;aardbol hebben in de meeste opzigten zulk eene tref-
fond» ovcrccnkomsl met het Kanaan der Heilige Schrift. Het Kaapland ligt op gelijken afstand yan de eyen-nachtslijn in het zuidelijk halfrond, als het oude Ka-naiin in het noordelijk; dus yt'ordt het door de zonnbsp;op gelijke wijze beschenen en gekoesterd, en heeftnbsp;door deze en andere zamentrefFende oorzaken een nietnbsp;minder aangenaam en yoor den mensch gezegendnbsp;luchtgestel; het landschap heeft yoorts een gelijk karakter, dezelfde afwisseling yan berg cn dal, yannbsp;woud cn ylakte; het levert dezelfde yoortbrengselcnnbsp;in de rijkste yerscheidenheid op, ligt op gelijken afstand yan de zee, heeft gelijke behoefte aan water,nbsp;daar vele beekjes en stroomen slechts op zekere tijdennbsp;des jaars vlieten; eindelijk gelijke zandige woestijnennbsp;in de nabijheid, als het Heilige Land, dat de Heernbsp;onze God aan Abrahams nageslacht tot eene erfelijkenbsp;bezitting beloofde cn eeuwen lang verleende, en naarnbsp;Zijn onfeilbaar Woord nog eens weder verleenen zal.nbsp;Slechts in e'e'n punt zetten de Hollaiidsche volkplanters met groot en schreeuwend onregt de gelijkheid voort. Zij beschouwden, even als het oude Israël,nbsp;dit goede land als hun wettig eigendom, en behandelden de inboorlingen, even als gene de-Kanaanietennbsp;en Gibeonieten, door of hen te verdringen en uit tenbsp;roeijen uit hun land, of hen dienstbaar te makennbsp;als hunne knechten. Toch hadden zij geene schaduwnbsp;van gelijk regt en aanspraak daarop ontvangen vannbsp;den Heer des hemels en der aarde. Integendeel
lukkle diens gebod, om alle menscheu, ook deze arme inbooiliugca lief te hebben en wel te doen. Armnbsp;toch waren de oorspronkelijke bewoners, in den vol-sten zin des woords, te midden van hun rijk gezegend land. Arm aan alles, wat den mensch totnbsp;mensch maakt, zonder eenig licht, geheel verduisterd,nbsp;vervreemd van het leven Gods, zonder eenige maatschappelijke beschaving, in dierlijke stompheid ennbsp;onwetendheid weggezonken, inderdaad weinig meernbsp;van de dieren te onderscheiden. Zij werden dan ooknbsp;door de kolonisten niet veel beter dan dieren beschouwd en behandeld, gelijk uit het opschrift voornbsp;eenige hunner bedehuizen blijkt: » Honden en Hotten-totten (zoo noemden zij hen) mogen hier niet toegelaten worden! Lang, zeer lang helaas! duurde het,nbsp;eer het iemand der volkplanters inviel, dat dezenbsp;menschen met hen van e'e'n bloed waren, dat bovenalnbsp;jegens hen, wier land en bezitting zij hadden inge-nomen, het dure gebod des Heeren behoorde opgc-volgd te worden: Predikt het Evangelie allen Creaturen,! Wat zeg ik? toen in 1737 de Broedergemeentenbsp;zulks het eerst en wel met gelukkigen uitslag beproefde, was hun dit zoo ergerlijk en aanstootelijk,nbsp;dat zij een edict bij de regering wisten te bewerken,nbsp;waarbij het verboden werd, om Hottentotten doornbsp;den Heiligen Doop in de Christelijke gemeente in tenbsp;lijven. Eerst vijftig jaren later mogten de Hernhutters het gestaakte werk weder opvatten j en hoezeer
ï!e lieer hunnen moeijelijken arbeid met Zijnen zegen bekroond heeft; daarvan strekken hunne zendingpos-ten, bijzonder die, welke Genadedal heet, tot eennbsp;verrassend, de wereld verstommend bewijs. Hiernbsp;heeft namelijk het Evangelie, en dit alleen, uit denbsp;woestijn een paradijs geschapen, uit deze blinde,nbsp;naakte, verdierlijkte Heidenen, menschen, vlijtige, beschaafde menschen, geheiligde kinderen Gods gevormd,nbsp;die, met ons oog en hart ten hemel heffende, metnbsp;gelijk regt en gelijk gevoel als wij, in den naam vannbsp;Jezus bidden : » Onze Vader, die in de hemelen zijt!
Sedert zijn in 1795 de Engelsche Christenen en twee j.iren later de Hollandsche begonnen het duidelijk gebod onzes Heeren: » Gaat henen, onderwijstnbsp;alle volkeren, dezelve doopende in den naam des Va-ilers, en des Zoons en des Heiligen Geestes, lee-rende hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb,nbsp;beter ter harte te nemen en te beoefenen. Bij toeneming zien van dien tijd af alle waarlijk Evangeliesch-gezinden in alle landen het in, dat de beoefening vannbsp;het gebod des Heeren zoo onafscheidelijk is van hetnbsp;leven in Hem, als de omloop des bloeds van hetnbsp;leven des ligchaams. Zoo, terwijl zij den geestelijkennbsp;nood hunner eigene landgenooten minder dan iemandnbsp;voorbijzagen, zonden zij ook boden des Evangelies totnbsp;de ongelukkige Hottentotten, welke, even als denbsp;Hernhutters, met gezegend gevolg onder hen begonnen te arbeiden. Het arbeidsveld nu was groot en
lag nog bijna geheel braak, was ook meerendeels onbekend j daarom besloot het Londensche Zendeling-Genootschap eenen wakkeren man, vol des Heiligennbsp;Geestes en der wijsheid, uit hun midden af te vaardigen , om het Kaapland te onderzoeken, en gadenbsp;te slaan, waar en hoe het geschiktst ter uitbreidingnbsp;van het Godsrijk onder de Heidenen aldaar zou kunnen gewerkt worden. Deze afgevaardigde, de predikant Dr. Campbell werd op zijne reize in 1813,nbsp;toen hij zich in de nieuwe stad George,. 100 urennbsp;oostwaarts van de Kaapstad, bevond, bezocht doornbsp;den Hoofdman eener horde van vrije Hottentotten,nbsp;met name Dikkop. Deze verhaalde hem, dat hijnbsp;met zijnen stam woonde in Hoogekraal, een uurnbsp;van daar, en dat hij met de zijnen groot verlangennbsp;had naar eenen leeraar uit de blanken. Campbellnbsp;ging met hem naar zijn armzalig dorp of kraal. Denbsp;dringende begeerte, de kinderlijke smeekingen vannbsp;deze Hottentotten, om eenen onderwijzer te mogennbsp;hebben, hunne deerniswaardige in- en uitwendigenbsp;ellende roerden hem, en hij beloofde tot hunne onuitsprekelijke en luidruchtige blijdschap, dat hij hunnbsp;een uitmuntende leeraar zenden zou. De Hoofdmannbsp;bood zich aan, zelf den gewenschten man, die veertien dagreizen van daar zich ophield, met zijn gespannbsp;af te halen. Campbell nam dit aanbod aan en gafnbsp;hem eenen verzegelden brief, bevattende de noodigenbsp;aanwijzing en wettige beroeping, aan Pacalt mede.
8
Beio Pacalt was een Bohemer, in 1772 te Kd-nigingratz geboren, door vader JamcKE, een eenvoudig, maar inderdaad Christelijk Apostolisch man, hei'der en leeraar der Boheemsche gemeente te Berlijn, tot zendeling opgeleid. In 1805 was hij ternbsp;nadere voorbereiding naar Engeland gegaan, van daarnbsp;'naar Zuid-Afrika, waar hij eenigen tijd in gemeenschap met onzen merkwaardigen landgenoot Dr. vahnbsp;DEE Kemp, onder de Heidenen arbeidde, In het jaarnbsp;1811 meende hij met dezen naar het groote eilandnbsp;Madagascar over te steken, om daar den fakkel desnbsp;Evangelies te laten lichten, toen van der Kemp dooiden Heer werd opgeroepen. Sedert was Pacaet alsnbsp;roiidreizcnd onderwijzer bij de welwillende Kolonisten werkzaam. Hij was een man Gods van zeldzamenbsp;gaven, die steeds voor het aangezigt des Heerennbsp;schijnt te hebben getvandeld; naar alle omstandigheden wist hij zich gemakkelijk te schikken en denbsp;voorzigtigheid der slangen bij de opregtheid der duiven te paren, terwijl hij door zijne veelzijdige kennis, zijn innemend voorkomen, bovenal door zijnnbsp;geloof en zijne liefde, waar hij kwam, eenen eigen-aardigen invloed oefende op de harten der menschen,nbsp;zoodat het den hoevenaars vaak toescheen, wanneernbsp;zij Pacalt eenige weken onder hun dak haddennbsp;mogen huisvesten, dat zij een engel hadtien geherbergd.
Hij hield zich in diervoege op in het district Zwel-
imdam, toen de Heidcnsclie Hooldman hem deu blief van Dr. Campbell overbragt. Pacalt herkendenbsp;het wettige der roeping, zag het voor eene goddelijkenbsp;roeping aan, en was terstond gewillig, om dezelvenbsp;op te volgen. Zoo begaf hij zich dan met den Ilot-tentotschen aanvoerder op reis. Toen zij in de nabijheid van Hoogekraal kwamen en zijn leidsmannbsp;hem het dorp, waar hij gewacht werd, aanwees,nbsp;kon hij nog niets ontdekken, dat naar eene mensche-lijke woning geleek. Eindelijk werd hij tusschennbsp;hoornen en struiken eene menigte voorwerpen, gelijknbsp;aan groote bijenkorven, gewaar. Dit waren de hutten der hem toevertrouwde schapen. Zij bestondennbsp;eenvoudig uit kromgebogen takken, aan beide eindennbsp;in den grond bevestigd en met bladeren overdekt.nbsp;Ter naauwernood kon een mensch van gewonenbsp;lengte daarin overeind staan. Met groot vreugdebetoon werd Pacalt door de Hottentotten ingehaaldnbsp;en verwelkomd; doch weldra begreep hij, dat hijnbsp;met wezens te doen had, die deels gelijk aan wilden,nbsp;deels gelijk aan jonge kinderen waren. De Heernbsp;had hun echter nu den regten man gezonden, omnbsp;het treurige dekkleed des doods, waaronder zij begraven lagen, op te heffen, en bloei en leven in denbsp;plaats te wekken. Als een liefderijk vader gingnbsp;Pacalt met de hem aanbevolen kudde om. Zondernbsp;cenige eigenbaat, vriéndelijk, altoos werkzaam, zochtnbsp;hij hun heil, cn terwijl hem eensdeels zijne groote
10
gave der overreding en zelfTjcheerschiiig, anderdeels zijne ervaring en zeldzame bedrevenheid in de noo-dige kunsten en handgrepen des dagelijkschen levensnbsp;zeer te stade ktvamen, plantte hij eenen nieuwen zinnbsp;in dit volk, en verbeterde tegelijk deszelfs tijdelijkennbsp;staat. Het eerste, wat hij na zijne aankomst ondernam, was het bouwen eener woning tot voor-loopig gebruik voor zich, eenigzins meer geschikt dannbsp;de ellendige hutten der Hottentotten. Hij riep daarbijnbsp;hunne hulp in, verlangde echter geene enkele dienstnbsp;om niet, maar noopte hen nu, en altijd in het vervolg, voor hun werk eenig loon aan te nemen.nbsp;Door deze belangeloosheid won hij al dadelijk hunnenbsp;harten, grondvestte zijn overwigt over hen ennbsp;maakte hij ze bereidwillig om zijne verdere plannennbsp;te helpen uitvoeren. Toen zijne kleine woning gereed was, wekte Pacalt zijne lieden op, om nu ooknbsp;cene soort van kerk en vervolgens betere woningennbsp;voor zich en hun gezin te gaan bouwen, dan zijnbsp;thans bezaten. Hij maakte een bestek van eennbsp;regelmatig dorp, welks huizen in twee evenwijdigenbsp;breede straten zouden liggen, en gaf de plaats op,nbsp;waar ieders huis zou staan, hetwelk van oenennbsp;grooten omtuinden hof en akker zou zijn voorzien,nbsp;bij welker beplanting en bebouwing hij hun de noo-digc aanwijzing en hulp zou verschaffen. Een ennbsp;ander scheen hun een onuitvoerbaar reuzenwerkenbsp;Verregaande traagheid en vodzigheid is namelijk een.
]1
lioofJeigenschap van den Hottentot. Steeds zoekt hij het dringendste werk van den eenen dag tot dennbsp;anderen te verschuiven, terwijl het woord hem gedurig op de lippen zweeft: » o, dat heeft den tijd nog! nbsp;Alleen de prikkel van den honger kan hem voor eenenbsp;korte poos opwekken, om zijne handen te roeren;nbsp;doch zoodra deze bevredigd is, zinkt hij weder innbsp;denzelfden zielloozen staat van doffe lusteloosheid ennbsp;slaperigheid terug. Pacalt had met dezen diep in-gewortelden aard zijns yolks veel te strijden. Dochnbsp;zijn brandende ijver, zijne volhardende vlijt, zijnenbsp;liefderijke vermaningen en bovenal zijn eigen voorbeeld gingen die overbeerschende rigting zoo kraehtignbsp;te keer, dat zijne Hottentotten, naar hun standpuntnbsp;de zaken gemeten, inderdaad wonderen deden. Hijnbsp;ging daarbij op de volgende wijze te werk. Altoosnbsp;arbeidde Pacalt zelf mede, en langzaam trapsgewijsnbsp;opklimmende, verlengde hij het aanvankelijk zeernbsp;kortstondige dagwerk, tot zij, wie een uur daags tenbsp;werken een walg was, eindelijk lustig en opgewektnbsp;zes tot acht uur aan het werk bleven. Zij begonnennbsp;in te zien, dat de vrucht van hunnen arbeid nu hunnbsp;zelven, niet gelijk vroeger den omwonende boerennbsp;toevielj hun hart werd gaandeweg gewilliger; zijnbsp;kregen een welbehagen aan hunnen verbeterdennbsp;toestand, legden allengs den onoogenlijken karos ofnbsp;.schapenvacht, die tot hiertoe hun cenig deksel bijnbsp;dag en bij nacht uitinaaktc, af, en schaften zich op
i2
Pjicalts raad, voor hun verworven geld Europesche kleeding aan.
Deze uitwendige gunstige verandering ging innig te zamen met, ja was slechts een afdruksel vannbsp;de inwendige, nog veel schoonere vernieuwing desnbsp;harten van deze diep gezonhene en verwaarloosdenbsp;menschen. Pacalt had steeds bij al wat hij ondernam, de groote hoofdzaak het e'éne noodige, op hetnbsp;oog. Maar het was, gelijk bij den hem geestverwanten Oberlin , zijne zinspreuk, welke eigenlijknbsp;die van lederen Christen behoort te zijn: )gt; Oog ennbsp;hart ten hemel, voet en hand op aarde. Terwijlnbsp;hij des daags in huis- en landbouw met de zijnennbsp;arbeidde, leerde hij hunnen aard, hunne bijzonderenbsp;behoeften, gebreken en zonden best kennen, ennbsp;rigtte daarnaar zoowel zijne vertrouwelijke gesprekken, als zijn bepaald godsdienstig onderwijs desnbsp;avonds en bijzonder des Zondags in. Zijne preek wasnbsp;geheel anders dan wat wij zoo noemen. Gepastnbsp;wist hij tot de kinderlijke vatbaarheid zijner hoordersnbsp;af te dalen, terwijl hij de aandacht ook daardoornbsp;levendig hield, dat hij van tijd tot tijd eenige zijnernbsp;toehoorders bij hunnen naam opriep, om zich doornbsp;vraag en antwoord te verzekeren, of zij hem welnbsp;liadden begrepen. Op zulke wijze verkondigde hijnbsp;hun Jezus Christus en dien gekruist. Vooral gingnbsp;hem de jeugd ter harte. Daar hem echter voor ge-«cgeld schoolonderwijs de tijd ontbrak, koos hij zich
13
een der vatbaarste jonge mannen uit, dien het hem gelukte, dra zoo ver te brengen, dat hij, ondernbsp;zijne leiding, de kinderen in de allereerste beginselennbsp;kon onderwijzen.
Zoo leefde en werkte Pacalt dag aan dag met ge-heele verloochening van zich zelven, met stil geduld en zachtmoedigheid, met onverzettelijken ernst ennbsp;volharding, met brandenden ijver om des Hcerennbsp;wil. Zulk een man, het kon niet anders, moest welnbsp;de achting van iederen welgezinden, schoon die nietnbsp;zoekende, toch onwillekeurig verkrijgen. Inderdaad,nbsp;de omringende hoeren, ambtenaren, predikanten,nbsp;allen vatten innige hoogachting en verecring voornbsp;dezen trouwen dienstknecht des Heeren op, in wiennbsp;Hij, de Meester zelf, zoo zigtbaar een afdrukselnbsp;ontvangen had. Dit openhaarde zich onder anderennbsp;treffend bij Pacalts begrafenis. Na vijf jaren namelijk, den 26 November 1818, riep de Heer dezennbsp;trouwen arbeider tot zijne heerlijkheid op. Behalvenbsp;allen, die tot zijne gemeente behoorden, volgden denbsp;meesten der omwonende boeren en beambten, denbsp;hervormde predikant van George en de Landdrostnbsp;VAN Kervel, het lijk van den dierbaren afgestorvene.nbsp;De predikant zou een toespraak houden bij zijnnbsp;grafj maar buitengewone aandoening overmeesterdenbsp;hem, en de woorden bleven stikken in zijne keel.nbsp;Nu wilde de voortreffelijke Landdrost het beproeven jnbsp;doch ook hem schoot het gemoed vol. » Mijn Vader,
14
mijn Vader! zoo riep hij diep bewogen, en de geheele -vergadering borst in luid geween en snikkennbsp;met hem uit. Eindelijk hieven de Hottentotten eennbsp;Christelijk lied over de hope der opstanding aan,nbsp;dat Pacalt, als in voorgevoel van zijn aanstaandnbsp;verscheiden, hen kort te voren geleerd had; allennbsp;keerden met onuitwischbare indrukken in het hartnbsp;van de grafstede van dezen regtvaardige huiswaarts.
Zes maanden na Pacalts dood, toen de Zendeling Messer , mede uit JamcREs kweekschool, hem wasnbsp;opgevolgd, kwamen Dr. Campbell en Dr. Philipp opnbsp;eene tweede onderzoekiugsreis voor het Londenschnbsp;Genootschap naar Jloogekraal. Den eerstgenoemdennbsp;moest het onderscheid tusschen den voormaligen ennbsp;legenwoordigen toestand der plaats te sterker treffen;nbsp;want hij had dit niet allengs zien ontstaan en hemnbsp;stond alles nog voor den geest, zoo als hij het innbsp;1813 gevonden had. Welk eene verrassing, welkenbsp;aandoening van heilige vreugde en dank! Wel hadden, hoe meer hij de plaats genaderd was, de IIol-landsche boeren hem met ophef gesproken van hetgeen hij in Jloogekraal zou zien, en zoo eenigermatenbsp;hem daarop voorbereid; toch kon hij naauwelijksnbsp;zijne eigene oogen gelooven. Daar zag hij een uitgestrekt, net, geregeld dorp, ieder huisje omringd vannbsp;schoonbloeijende ooftboomen en een welbebouwdennbsp;akker, het geheel door een tamelijk hoogen aardenbsp;Wal en behoorlijke omtuinirg tegen het vee en roof-
gedierte beschut; voorts twee groote gegraven kommen, om het kostbare water gedurende het drooge jaargetij daarin te vergaderen en te bewaren, en nognbsp;zoo veel meer, dat van de noeste vlijt, de orde ennbsp;beschaving der bewoners getuigde. Hier zag hij eennbsp;Hottentot in Europische kleeding, met vergenoegdennbsp;lach hem wijzende op huis en tuin, als op zijnnbsp;eigendom; daar stond de schoolmeester, vroeger eennbsp;volslagen wilde, aan den ingang zijner school, zietnbsp;hij vermaakt de schrijfpen van het meisje, hetwelknbsp;in wachtende houding nevens hem staat. Eldersnbsp;hoort hij een stokouden afgeleefden grijsaard, vroegernbsp;een toonbeeld van menschelijke ellende, die zelfsnbsp;betuigd had van den Heiland niets meer te wetennbsp;dan een stuk vee, nu op de roerendste wijze zijnenbsp;heerlijke hope op Jezus naderende komst betuigen (1). Op den eerst volgenden Zondag ging hij metnbsp;eene schaar welvoegelijk gekleede Hottentotsche mannen en vrouwen in hun bedehuis op. Daar zittennbsp;zij neder, de aandacht op het gelaat. Ieder slaat innbsp;zijnen Bijbel het woord, waarover gepredikt wordt,
(1) Nog iets meer uit CAJirBEit^s berigt is te vinden in het aan-^ prijienswaardig Bookske, onder den titel; Het Evangelie onder denbsp;Heidenen. Ocersigt van de Protestantsche Zendingen^ naar C. Walisasit.nbsp;Amsterdam hij S. J* pRi** »1846, JHt geschrift moge ^ onder des Ucerennbsp;legen , krachtig medewerken , om den digten nevel van onkunde , welkenbsp;«r aangaande deze heerlijke en heilige zaak nog in on» Vaderlandnbsp;beslaat , weg te vagen , opdat haar licht helder schone tot troost ennbsp;opwekking van velen J
10
iia. Zij vereenigen zich ecibieclig in het gemeenschappelijk gebed. Zij hefFen te zamen op melodische wijze een plegtig loflied aan, ter eere van God ennbsp;hunnen Verlosser (1). Eindelijk treden de meestge-vorderden toe: zij scharen zich cendragtig aan de heilige nachtmaalstafcl. Campbell en Philipp, die nunbsp;hunne broeders geworden zijn in den volsten zinnbsp;des woords, zitten met hen aan: ziet, zoo heelt zichnbsp;de Heere lof toebereid uit deze kinderen der woestijn;nbsp;zoo verkondigen deze Zuid-Afrikaansche Wilden roemend en dankend den dood van Hem, den verheerlijkten Middelaar, die ook hen die dood waren, heeftnbsp;levend gemaakt.
Ik moet mij ten einde spoeden. Alleen zij nog medegedeeld, dat onder Messers en, na diens vertrek, onder Andersous trouwe herderzorg, welkenbsp;hunne vrouwen en dochters met hen deelden, dezenbsp;gemeente van inboorlingen in bloei en sterkte langzamerhand is toegenomen. Gij vindt daar eene zondagschool, eene voor vrouwelijke handwerken ennbsp;eene voor kleine kinderen, behalve die voor grootere.nbsp;Voorts bestaat er sinds 1832 een afschafSngs genootschap, gelijk er op vele zendingsposten zijn opgerigt;nbsp;want de meeste wilde en halfwilde menschen vallen innbsp;de strikken der dronkenschap, welke daar-, gelijknbsp;hier en overal, de zielen ongeschikt maakt om het
(1) De HoUentotten liebbcu over het {jcheci veel aanleg voor langen lounkuust.
17
zaad des goddclijken Woords tc onlvangcn, Nog schooner is de afdeeling van het Zendelinggenootschap,nbsp;welke Andekson in 1824 heeft opgerigt, en wier nietnbsp;geringe opbrengst van levendige belangstelling getuigd:nbsp;zoo b. V. in het jaar 1841 niet minder dan 43 pondnbsp;Sterk of circa 51C, en dat ofschoon gebrek aannbsp;regen den voorlaatsteu oogst zeer schraal had doennbsp;uitvallen. In dat zelfde jaar waren er 75 lidmaten,nbsp;meer dan 400 personen stonden bovendien onder herderlijke leiding en opzigt, 235 kinderen bezochten denbsp;scholen. Het weder was vruchtbaar, en alle berig-ten van Iloogekraal luidden gunstig. Doch IIoo-gekraal heet het niet meer. Hier. geldt het tennbsp;volle, gelijk bij iedcren waarlijk wedergeboren Christen. » Ziet, het oude is voorbij gegaan, het is allesnbsp;nieuw geworden. Daarom ontving en ontvangt ooknbsp;iederen Heiden, bij zijne inlijving in des Heerennbsp;gemeente door den heiligen Doop, eenen nieuwennbsp;naam. En de naam die het Christelijk gewordennbsp;Iloogekraal, op voordragt en verzoek van den edelennbsp;Landdrost van Kervel, door de regering ontvangennbsp;heeft, is Pacaltsdorp.
Leve de nagedachtenis van den gezegenden Evangelie dienaar, door wien de Heer zoo luisterrijk getoond heeft, hoe Hij zijne kracht in menschelijke zwakheidnbsp;wil volbrengen; leve Pacalts nagedachtenis, zoonbsp;lang deze wereld staat, in de harten van Zuid-Afrikasnbsp;bewoners j vinde Pacalt er onder ons velen, die,
gelijk hij, hunne zielen overgeven voor den naam des Heeren Jezus, die, met gelijke wijsheid vannbsp;boven, onze diepgezonkene natuiirgenooten, met onsnbsp;afstammelingen van den eersten aardschen Adam ,nbsp;toebrengen tot den tweeden, hemelschen ! Dan zullen eens, o geve dat Zijne genade! vele Pacalts-dorpen prijken onder de woeste negerijen van onzenbsp;Oost-Indische Bezittingen I veler namen zullen dannbsp;ook diep ingegrift worden in de harten der dankbarenbsp;Heidenen, die door hen het licht des levens ontvingen j maar, wat meer zegt dan dit alles, metnbsp;eeuwige letteren zuilen dan die namen staan naastnbsp;die der Apostelen en Evangelisten in het Boek desnbsp;levens van onzen God!
! I