BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHTnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;1929
Verzameling: tooneel-stukken uit de nalatenschap vannbsp;Prof. Dr. J. te WINKELnbsp;No.5Bfl_
-ocr page 2-' ' f' nbsp;nbsp;nbsp;■ ■
■gt;--
., ■• 5; ■. nbsp;nbsp;nbsp;■;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;:
gt;-5'
■V-.
1^quot; ‘
■■v
»lt;•
• Jk ..
'v'-
!amp;■
^3- nbsp;nbsp;nbsp;-»
mmsgf
'Ii-: '; ■'
* ' -. 'i -
-•
-. ■ J -■' f't; tfr-i’ö; ■ ’..
■ •■. '-Tt'
i.
...■A
'W
Hi- ■
Eerjle Khrijien Bloedgetuyge»
Door
bibliotheek DEE rijksuniversiteit
tA MSTERDAM,
Gedrtikt voorde Erven¦, van den Auteur.
n 7.yn te bekoomen by Jacobus Verheyden, op de hoek van de Molfleeg en Agterburgwal, 1719.
-ocr page 6- -ocr page 7-AAN DEN
Dézes Boeks.
blaadrcii :
Befchouvv mijn Ste'fanus, met dc ogen uws verftands ,
In een uj^theenifch gewaad,naa t oud gebruyfc des Landts
Van 't Paleftijns geweft, de woonplaats zyner vaadren.
Nogtans in zedigheyd , tgeen deftigheyd Yejbccldi'. L'iet nadc Fianfchezwier der ongeftadigheden ,
Die als de windveer draay:; in z.edeii,en in kléden :
Daar onzen landaartnu, zyn rolteveel mcê fpetJr. Verwag: geen vreemde ftyl, uyt Plautus , of Rapine,nbsp;Ofuyt Kornelje , die onfterflijk word gcmaalt.
Deez ftoffe is uyr de bron der heyligheyd gehaalt j Dp dat den Le'zer van die waarheyd zig bediene :
Derhalven , laat hem dan op t innerlyjt Toneel Van uwe aandagtigheyd , zyn bloedrol openbaren,nbsp;liet ze'dig wezen zal zyn kuyfcheyd wel bewaren ;
Op dat hy niet en worde het fchouwtoonecl ten deel. kHcb mijn verkiezing,dus gebruykt,indic mijn fchryvennbsp;En Lukas heylge pen wat verder uytgebrcyd.
Een vryhcyd, die men noyt dc Digtren heeft ontzeyd, Wanneer hun rymgecft by de waarheyd o wam tc blyven ,nbsp;Men doe hier onderzoek. Elk ftaat zyn oordeel vry.nbsp;En is er iets gemift , 'k zal my gelukkig agien ,
Mag ik Je aanvvyziug, met befcheydenhcyd verwagten. Dogh , muggezifting , fchuyfikzagjcs aan cenzy.
* IN-
-ocr page 8-\Tefams , beneffetis nog zes andre ISi^-iGodt-vrugtige Mannen , wier dennbsp;korts na de dood » opfianding , ennbsp;hemelvaart gt; van onzen Heyland,nbsp;en Zaligmaker Jezus Khrijtüs (^om daternbsp;onlufl in de Gemeente te Jerufalem ont-flont, door het verziiym in t bedienen dernbsp;Griekfche Khrifteljke weduwen) verkorennbsp;tot Armenbezorgeren der zelve Gemeentenbsp;Stéfanus vol kragt , ende des Hejligennbsp;Geejlsy dede tekenen) ende wonderen) doornbsp;de kragtige hand Gods; zo dat er véle, janbsp;zelfs uyt de Priejkren, eengroote feharctnbsp;Khriftgelovig wierden^ Hy) gedreven zijnde door eenGo'ldelijken yver) geraakt metnbsp;de Lybertinen) Cyrenéers Alexandrinentnbsp;Celiyiancri) en andre Aziaanfche Schoolgeleerden) in woordenfryd : dewelke zynnbsp;Geeji der wysheyd niet konden wéderjlaan ¦,nbsp;waar door zy de Ouderlingen, en de Schriftgeleerden ) bene ff. ns het volk , beroerdennbsp;en gaande maakten. JJie , dus opgehitjt,nbsp;hem verwoedelijk aangrepen ? en voor dennbsp;Groten Raad trokken, Stéfanus daar on-
dervraagt zynde , dede een kragtige verantwoording 3 tot overtuyging van hen allen; zo dat zy van fpyt, en ongeduld, met tandgeknars , hunne oren (topten» en hem verbittert ^ enverbolgeui buy ten wierpen. Ennbsp;voorts wierd hy ter Jiads poorte uyt ge-fcheurt, en gejleurt: daar hem de razendenbsp;menigte i op tlyfvielj en wre'delyk ternbsp;dood Jténigden^ Hy} aangedaan zynde metnbsp;den geeji der zagtmoedigheyd, en een vtr-geeffelyken aart, heeft in zulk een woede,nbsp;voor zyne vyanden^ tot Godt gebéden , ennbsp;aldus zyn ziele in de handen van zynen Ge-zégendeUi en verheerlijkten Zaligmaker inbsp;opgeoffert.
Het Tooneel vertoontzigbinnen Jerufalem.
Het Treurfpel begint in den morgenftond, en
eindigt met denavondfchémering.
TREUR-
-ocr page 10-^TEF ANUS,
ÏILIPPUS.
PROCHORUS.
N IK ANORES.
TIMONE S.
PAR MEN AS,
NIKOLAUS.
R E Y van K H R IS T EN E N.
ANNAS, Hogen-Prieftcr.
KAJAFAS S choonzoon , en Stc'dehouder des Hogenprieftcrs.
JOANNES.
ALEXANDER.
^ Armen bezorgeren.
! Leden Sin den
ren.
Grote
Raad
ÓAMALIEL. FarizeefcheWetgeleerde.
REY van JODINNEN.
TIM E U S, Ouderling des Joodfchen Volks, N A H A S S O N. Schriftgeleerde.
^EVA^NUS. nbsp;nbsp;nbsp;J^Valfche getuygen,
MALCHüS. nbsp;nbsp;nbsp;l f
MAM2ËX. nbsp;nbsp;nbsp;^Hofwagten.
REY van HOFWAGTEN.
REY van ENGELEN.
Pag.t
Eer fie Khrifien Bloedgetuyge*
S T e' F A N U S. i Erufalem ! ó pronk der Paleftynfchenbsp;i fleden!
[jMet welk een zégenftroom der over
vloedighcden,
Heeft u de Almagtigc, milddadig cvcr-ftort.
Gy xyt vol pragt,en eer, en heerlykheyd, in t kort, Gy waart van ouds, de plaats, daar Godtzyn naam,nbsp;volluyder,
Geveftigt heeft. Maar agh! hoe legtge nu in t duyfter Ver7.onken,in een puel,door uwe ondankbren aart.nbsp;O!t is rampzalig, alsGodts zegen zonde baart.nbsp;Want tegeiis pligc, om Hem,en zyne magt te erkennen ,
beflaat gy tomelos j uytfporig woeft te rennen,
En regt, enreedlijkheyd, heeft by u (land nog plaats. Maar, gyzyt, vol geweld, eengrouwelnelt desnbsp;qwaadts.
Gy legt in bitterheyd,en boosheyd,gantfch bedolven. Zelfs uwe vadren zyn fcheurzieke en wrede wolvennbsp;Dewy]zcdor(lig7.yn,Baat vroom,rcgtvaardig bloed.nbsp;GeenhongrigTygerdicr, wasoyt zodolverwoed,nbsp;Dan gy , fchooii met een glimp van Godtsdienll-fchynbewogen.
,W3t zogt Godt menigmaal dc vliezen uwer ogen, Anbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Van
-ocr page 12-i nbsp;nbsp;nbsp;STEFANUS.
Van uw verblind ge^igt, uafteligten, door
Zyn hevige boden, maar uwe eeltig herte, en oor,
Bleet hard, verftokt, verfteent, in ongevoeligheden.
Dogh. waarmenis ontaart,daar helpt geen kragtvaii reden.
Wat waantge? meent gy Godc, en xijnc hand te ontgaan ?
ö Neen! zyn heylge wraak zal u ten gronde liaan,
En morzelen tot gruys, om uwe ontaarte gangen.
Ik zie het wreekzwaard Godts, uover t hoofd vaft hangen,
Welk u uyfroeyen zal, met wortel, ftam, en tak.
Gy Abrams baftaartzaad, o ! dat ge u hoogmoed brak,
Eeruzyn torenvunr, regtvaardig quamverllinden.
Maar neen! geen ligt verligt het oog der helfche blinden;
Dewyl deduyftcrnis hun fnoden grond bedekt.
Ftlip^us uit.
FILIPPUS. STE'FANUS.
FIl: Gewenfchte man, watheeftu dus vroeg opgewekt ,
TW7I t gloeyent morgenrood koomt zweven langs de kimmen}
Grootmagtig Schepper. O! hoe heerlijk ziet men glimmen,
Het fchitterglanzig goud, en purper door elkaêr.
O! dit ontvonkt de ziel.S t E'F:Filippus,dat is waar. E)ogh,groter hcerlykheyd heeft my den llaap verdreven.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(t eeuwig leeven,
Fii.: Nog groter? watisdit? Ste'fiEch zugt tot En liefde tot mijn Heer, die ik met ziele, enzin.nbsp;En uytgeltrekten geelt, ett leveuskragteu min.
ElJt;
-ocr page 13-Fif-Watkancr groter %yn,om opt gemoed te werken,
Eens Goddelijke!) ziels ? dit kaïit gelove ftcrkcn ,
In kruys en tcgcnfpoed, in nood, en doodsgevaar.
Wie Godc erndhaftig lieft, geen lalt valt hem te zwaar.
Maar agh! hoe word myn ziel in kommer voortgc-dreven,
Om de uy tverkoorneGodts die daaglyks zig begeven,
In Jezus nienwverbond, met een gelovig hert.
Wier kragten zyntezwak, omzulk eennood, en Imert
Der hitte des vervolgs, ftandvaftelijk te lyden ;
Ten waar den hemel zelf heur dezen ftryd hielp llrijden.
Agh! welk een wreedheyd word niet dagelyks gc-pleegt,
AantKhriitgelovig volk! ja waarlijk, t overweegt
Dc wrede tyranny, der langvoorlédenc eeuwen;
Want waar me een Khriften ziet, tis, werp hem voor de leeuwen.
Ofnaay zijn lighaam in een wilde bccftevel.
Doem hem ten worftelperk.Geen dood is hem te fél;
Eenzagter halstege, waar dien fchuymhoop tc genadig.
Dus bitter zynze, en wreed,moedwillig, en baldadig,
Zodat hun dolledrift,houd peyl.nog regelmaat.
S T ef; Na zulke dreygingen volgt ligtelijk dedaadt.
EI L: Dit s nog genadelijk,ten aanzien,wreder pijnen,
Zt'lfsin de hc] gefmeed, int booz gerigt verfchijnen;
Wanneermen k weer loos volk,in fcheinp,en fmaad, en hoon,
Door t pynigen vermoeyt, doet fterven duyzend doón;
Zo dat me er menigmaal, door t fcherp gt; en pynlyk prangen,
Der folterzélen, laat in hitteen wanhoop hangen.
4 nbsp;nbsp;nbsp;S T E F A N U S;
En word zulk een, zomtijds, zijnzvvakheyd over heerc,
Dan heeft men,zo men meent) een ziel tot Godt bekeert.
5 nbsp;nbsp;nbsp;T e' F; Godtvrugtige yvraêr, laat die wrede zwynen
wroeten.
Wy volgen Jezus les. tiskenlijk, dat we moeten Door kruys, en lijden, gaan ter eeuwger heerlijk-heyd.
Zijn woord, is wis, en waar; dewijl hy heeft gezeyd Alsfchapenzendeik u, ten roofderwréde wolven.nbsp;Men hou zigdan gefterkt, in t woéndcr zwaregol-ven ?
Want lijden was hier t lot,dat Khriftus zelf ontfing. Is niet de meefter, meer dan zijneléreling ?
Fi L;Oja! die zaak ftaatvaft,cn lydgeen tegenfpreken:
S T e' F:Zo is het lijden dan eensKhrillens merriktéken.
FiL:Ditis voortjodendom,opt hoogft,onaangenaam
Stee: Geen wonder iset, want, het dient niet iner kraam;
DewijlzcerkoningkrijkjVolhecrlijkheydverwag-ten,
In uyterlijkbeflag der werreldlijke magten:
Maardogh,heelairders moet eens Khritlens doelwit zyn;
Want al t verganklijk, draagt geen wezen, maar een fchyn.
FiE:óStéfanuï! dekragtvanuwgegrondereden,
Staat onbeweeglijk vaft. Maardéze tédre leden, Nog nieuwelijks gevel!, in Jefus heylverbond,nbsp;Staan, al te jammerlijk, in zielgevaar. Den grondnbsp;Van hun geloofsgebouW) isnauwlijkseens beftur-ven.
Wiezalzigonbefchroomt, in zee begeven durven. Alwaar een nieuweling het roer is toebetrouwt?
t Is al tehaghlijk opeen zwakkengtond gebouwt.
Ste'p:
-ocr page 15-treurspel: nbsp;nbsp;nbsp;gt;s
Ste'f: Wie tregtvan herten meent, hemzalgeen hulp ontbreken,
Godt laatden zijnen noytintwerk ten halven ftéken:
Doghjwannecr zulks,door zijn gehengenis, gebeurt.
Dan werd zulk ftukwerk , hier by Hem, voor goed ge keurt.
Men houw geduriglijk het lijden dan voor ogen:
Dogh hoe,en op wat wijz,dat (laat in Godts vermo-gen.
Denpligt eens Khriftens, is uytwilliglijk te liaan.
En al wat Godt ons doet, is altijd wel gedaan.
Dit proefvuurheeft getreft den yvrigen Elias,
Enandre mannen Godts, als David, Jeremias,
Dien groten Treurgezant, gantfeh pverftroomt in druk.
Men zie op Daniël, en Amos, Habakuk,
Alheylgen zwaar vervolgt, gehaat, gefinaad, ten kerker
Ellendig llreng gedoemt, dogh , s hemels magt is fterker
Dan t Goddeloze rot,bloedgierig fel, en wreed;
Want hy zend troo ft, enkragt, intmidden van het leed.
t Is vrugtloos dan getragt Godts kinderen te bezwa-ren.
Hy zal zyn lieve kerk befchermen, en bewaren.
EIL: Dat gunne, en géve Godt,die alles magtig is.
Want, zyn vermogenc hand, fcheptligtuyt duyllcr-nis.
'Beyde na binnen.
Pro-
-ocr page 16-Prochorus. Nikanorus. Timones. Farme'NAS. Nikokaus.
Proch: /^Ecn zaken van gewigt, ofeyflchenftcr-Vjquot; kekragtcn.
Die in het vvorftelperk wil treden , moet zig wagten Van alle hindring, die belemmert, en belet.nbsp;Zocyfcht Godtsdienllig werk, ecnreyn , en onbc-fmet,
Enonbelaftcn geeft, der wcereldlijke zaken. GewcnfchteBroedcrenlvvast oyt een tyd van wakennbsp;Zoisetnii; dewijl een zwaredondcrlagt,
Is hangende over t hoofd der Khriftcncn. Ik dngt Dat deez vcrvolgingftorm, veel verfch ontlokennbsp;fpruyten,
Zal flingren uythun (land,of ligt te rug doen ftuyten: Waar door in de akkergrond, het nieuw gezaaydenbsp;zaad,
Ontydig flikken zal tot, lafter, hoon enfmaad, lt; DerKhriftelijke leer.Dog,laat ons met vertrouw'en.nbsp;Aan Godts belofte woord, de ziel geankerc hoowen.nbsp;En de aangevangen dienft gt; die ons is opgelegt,nbsp;Dytvoerenridderlijk. Nika;Prochorus,gy fpreektnbsp;regti
Want de opgehangen pry s, word billijk,aan het énde Des loopbaans opgeregt; des, hoe men t kcere, ofnbsp;wende,
De handmoctaan dc ploeg; want God word niet gedient,
Met inondgcloovealleen, o neen! men word een vriendt,
En waarden lieveling van Hem, en onzen Heyland; Wanneer men vrugten teelt,in tgeeftelijkc wyland.nbsp;Daar Jezus, onze ziel, in volle welluft drenkt.
gunft gedenkt.
Tim o; Hoe hcughlijk ist, wanneer meaan Godes
Farm.
-ocr page 17-Met zulk een tédre zugt, laat op den zijne dalen.
^ikol: Een deugdelijke ziel word dit te regtgewaar.
Proch. Was tv\ onder dan, wanneer als Ifrels Harpe-naêr ,
Godtsgoedheydoverdagt, zyn ftem, dus kwam bewegen :
Wat is den armen nienfch, dat gy hem met üw zegen»
Dus gunftrijk overftroomt! o Godtvan Ifraël!
HoeisUwliefdzogroot,totzulk een krank geftél?
N 1K AN. t Belieft de zVlmagtige, zyn grootheyd to verhogen,
In zulke fchepfeltjes,diekleyn zyn van vermogen :
Dat dit de waarheyd is,is blyk, te dezer Uur,
Aan onzen Stéfanus. Een man, vol geetlj en vuur,
Jal godlijk aangedaan, met wonderlyke krachten.
Wat ftaat ons nog ( wil Godt) een rijken oogft t6 wagten,
Door zynen arrebeyd. Ik zie God ts akkerbouw,
Aangroeyen,talleloos j indien men zo getrouw,
Int werk des Héren zig, manhaftig koomt te quy-ten.
Li MO. Dus moet men t hclfche ryk aan duyzend Hukken ryten.
P ARM. Dus word het rijke Gods geveftigt hier beneên.
Nikon. Dus kan me op adderen, en helfche flaiigen trcén.
Indien men op Godts woord,met Khriftelijk betrouwen,
(Wanneer tdenood verëyfcht) flegs voetbyftuk durf houwen.
êgt; Zalig! die dit werk, zyn fchoudren niet onttrekt ¦
Kik AN. Datftéfanus ons dan een levend voorbeeld Hrek.
S STEFANUS.
Wie iou zy n wakkrcn emit, en yver kunnen doven ? Wat voert hy in Godts fchuur,al nutte,en vollefcho-ven!
Wat vloeyt hem niet al toe,in Khriftlyk zegennet! Schoont Farizeefche rot, zyn Duyvels Ichrobnctnbsp;zet,
En zee, cn land doorreyft, op datzeerftandver-grooten.
Dus maaktinen dwazelijk verblinde Joodgenoten, En als ze zulHks zyn, dan is er booz gemoed ,
Wel tweemaal erger, dan het helfche,en fnood gebroed.
P R o c H. Hoe kan dat minder zyn ? t zyn valfche woordverbreyders,
Des Voigt dien blinden hoop, hun blinde ziel ver-leyders -
Derhalven vallen zy te zamen, in een gragt,
Van t eeuwige verderf, daar ziel, en lyfverlhiagt. Heel anders is den eruit, cn uytflag van de lére,
Van onzen y veraêr: die niet zyne eygen ére,
Maar de aan was van het rijk zyns Héren, heeft op toog.
Geen koltelyk kleynood waardeerde hy oyt zo hoog, Dan de ére van zyn Godt, en zynen Zaligmaker.nbsp;Hier leeft, cn zweeft hy in, dien trouwen zielbewa-ker.
Derhalven, heeft hem Godt, met kragten overftort: Zodat, doorhem, Gods Kerk, valt op getimmertnbsp;wordt.
En daaglijks voortgebouwt, met levendige ftenen, FJytt Joode en Heydendom. Wat zyner reedsnbsp;verfchenen
Een groote menigte, die injerufalem, Totjezuslammrekooy getrokkenzyn (doorhem,nbsp;En andre Heyligen) die Khriltus noyt erkenden!
Ja zelfs een grote fchaar der Priefterlyke benden.
Laat
-ocr page 19-treurspel. 9
Laat ons dan zyn getrooft.met een ftantvaftig hert:
t Is zeker dat Godtt ryk, nu nieuw herboren wert.
Gezameutlijk binnen.
Ste'fanus. Filippus.
S T e'f. T'\It zal gewis, een nijd, en bittre fpijt ver-^ wekken,
Int Joodfche Priellerdom; nut heylzaam kragtig trekken,
Der Khriftelijke leer, heure agtbaarheyd verzwakt. Hunne eer,en aanzien,word te fchendiglijk geknakt,nbsp;Doort wiflellot, van hun dienliplegtigc amptgeno-ten;
Diejezus naam,en rijk, in luyftcr doen vergroten. Ten fpijt der Farizeên. Met welk een donderflag,nbsp;ZaltPrifterlijk bedrog, nu breken aan den dag?nbsp;Wie zaler nu voortaan.met zulk ontzag ontmoeten?
ie zal, eerbiedelij k, hen op de markten groeten ? Wie ofer plaatfen zal, tendifch aan t hoger cndt?nbsp;Niet een,dan flegs alleen, die hun bedrog nietkent.nbsp;Ik ken dat fnood gedrog, dat ftaag in de oclFen'nbsp;fcholen,
Godtsdicnftigzigvertoont,'tnaarin het hert, verholen,
Zit Haat, Geweld, Bedrog, en gierige Eygenbaar. ó ! Wat verbergt zig niet in t Priefterlijk gewaadt.nbsp;Heur boezem is eenneft van allcgrouwlykheden;nbsp;Derhalven, die zig dan vergaapt aan hunne zeden,nbsp;Zal wis bedrogen zynj dewijl de uytwendighcydt.nbsp;Heel anders zig vertoont, dant inhunbinnenlHeyt.nbsp;W ant wie eens ernltig treed,op deez gewijde fligpen,nbsp;Zal indereeuwigheyd, de wraakzugt niet ontglip-pen.
En Zo ge een kley ne feyI,door zwakheyd hebt gedaan, Het zalonëudelijk, in hun gcheugnis Haan,
A y nbsp;nbsp;nbsp;Zo
-ocr page 20-Zo wie hen tegenftreeft,in een der minfte dingen,
Men t hem, jaren iang, doen voor de fcheuen . Iprtngen:
Al ftrekten t,door gevolg, tot ziel-en lyfs bederf;
DcsiserGodtsdianllfchijn,llcgienkel waterverf.
FIL. Zal dit geen oorzaak zyn, wauneerze er magt zien fp itien,
Omdoorhunnijdigheyd, den Landvoogd op tchit-fen;
Dewijl onst Hcydendom, verblind in duyflernis.
En Jakobs baüaartzaad, ja ! alles tegen is ?
S T e' F. Men moet t aanftaande quaad, niet al te wig-tig wegen.
FIL. Men mag t aanftaande quaad, wel rijplyk, en ter degen
Bezeflen in den grond; op dat men in dien dag
Gewapent toegeruft, dan ftaande blijven mag.
S T e' F. Wy hebben Jezus leer, en lijden aangenomen :
Men houw zig dan gefterkt, nutop de proefwil komen.
Fii. tlsregt, maar dogh wat raad, zo de uytflagan' ders viel ?
Ste'f. Neen! dcingelyfdc zijn een hert, en éne ziel.
¦£ I L. Agh ! dat heur teér geloof, llegs wortel haa ge-fchotea.
Ste'f.Godts toezigt,is pn,blyft, by zijne gunftgenoten.
FIL. Zo lang het fchcpfd zigbuygt onder zijne magt.
Ste'f. Godt proeft zynekindercnnoyt boven hunne kragt.
Ook kan deDuyvelzelf, hier geen meer quaad bewerken,
Dan Godt gehengen wil, Derhalven, moet men merken,
Dat zijne boozheyd hier beperkt is, en bepaalt.
(F IE* Cats waar. Dogh, wie zag oyt, naat leven afgemaalt,
Ecu
-ocr page 21-Eenbitfe Pricfl:errong,in aart,cneygenfcnappen ?, Wanneer zulk een durft trcên, ter V orlteiijketrap-pen.
En blazen de Overheyd, vergiftig in het oor,
Hun lilf.en logentaai, vol lalfering: waar door Zy t vroom gemoed , dan zwart, en heel aflchuW'nbsp;lijk maken,
Zo dat de onnozelen in s Vorften afgunfl raken: Waarop de Bloedraad, hun vervblligichriiten zend.nbsp;Door fteên.en dorpen ; dat den jammer, enellendnbsp;Der wérelozen, koomt tot aan de lugt te rijzen.nbsp;Wiens herte, en ziele zou voor zulk een tong nietnbsp;yzen}
Als die preekyvrig,koomt ten altaar, met gebeên,
En hitft de herte op; zo datze, in t algemeen,
Verandren in gemoed, en worden tygerdieren ,
En wolven,leeuwen,en verwoede Bazans dieren, En vallen, als een zwerm, deonfehuidigcop het lyf.nbsp;En fcheuren hen van een. ó fchandclijk bedryf!nbsp;Den hemel hoede ons, voor een hollende gemeente,nbsp;Diet bloed dervroomen plengt, en morzelt het gebeente ,
En hunne ledcn,voert ten toon.doort gantfcheland. Zo veel vermag cen tong,byt reediooze onverfland.nbsp;¦Een enklcn aanklagthragt, w el eer, in voorge tydeu.nbsp;Het gantfche Jodendom, in diepen agil.en lijden,
Ja zelf, ten ondergang ; indien het vroom gemo'ed. Van Mordechay den Jood,dien flag niet had verhoed.nbsp;Dus wreed was Hamans hert, doorbittre nijdont-fleken.
Wanneer de helfchcnijd, koomt woedendeuyt te breken,
Dan bruyfcht een holle zee langs velde, en akkren heen;
Zo dat.en menfeh, en vee, cn bomen, groot, en kleen.
Weg-
-ocr page 22-^2 stefanus.
Wegfpoelcn ten verderf. Wie kan de nijd verdra-
W^en?
at heeftmen onlangs zelf gezien, in onze dagen , Watdatdenijd vermag; wantt reyn, onfchuldignbsp;Lam,
Wierd nijdig, bits vervolgt, ennogtans, waarHy qwam,
Liet Hy een voetfpoorna.vanzijn weldadigheden. Dits klaar; men vraag het vry, rondom in Ifrcls lieden ,
s Lands tydgenoten, die door Hem genezen zijn, En openbaar gered, van hunne ziekte, en pijn,
En kranktc, enkrcupelheyd, en duyzende andre qwalen.
Wie kan zijn wonderen der goedheyd, al verhalen ? Wijl Hy verllorvne, jagelégenein het graf,nbsp;Heelbuyteiifchijn van hoop, het leven weder gaf.nbsp;Ste'f. Zijn wonderwerken zijn genoegzaam hunnbsp;gebleken.
Dogh, t is vergeefs gepreekt, voor die in blindheyd Heken.
Fi L. Ennogtans legt diezaak,voor elk,intopenbaar. Wie kan dit looghenenPdes blijkt dan naakt,en klaar,nbsp;Dat hunne nydzugt, uyt zijn weldoen is gefproten.
S T e' F. Dit is der vromen loon, van c wcrrelds gunlt-genoten.
Fil. Wiefchrikt, engrouwelt dan niet voor de on-dankbreNiid.
St e'f. Wie in heur klauwen raakt, moet fneuvlen in denllrijd.
FiL.Ditwifl;Pilatus,toen hy zo veel middlcn wendden. Om dien regtvaardigen, terukken uyt de ellenden;nbsp;Maar neen! twas vrugtloos; want het nijdig boosnbsp;geflagt
Des Priefterdoms, had dogh zulk een vermogen kragt
Op
-ocr page 23-treurspel: nbsp;nbsp;nbsp;13
Op s volks gemoederen, dat zy een goddelozen,
VervloektcH moordenaêr, voor een weldoener kozen ,
En toen wast vergenoeg; wantde algeméne haat,
Doorblindheydvoorgeteelt, volgtreên, nogregel-maat.
Des, moed Hy t doelwit zijn, der fnoode,en uytge-laten,
Enbittre moedwil, der baldadige foldaten:
Die als de Duyvel zijn, ofllimmer. Ja! in t kort,
Die zo veel quaads doen, als hen tocgelatcn wordt.
Men kanhethertecens leeuws, door weldaad, nog doen buygen.
Maar s menfehen nijdig hert, geenszins. Dit kan ge-tuygen,
De kruysdood van het Lam, dat hier onfchuldig leed.
o Jezus! zijt Gy dus moorddadig, fel, en wreed,
Mishandelt, en gedood, in hoon, enfmaad, en fchanden 1
Hoe wilU w torenvlam,dan als een fmeltvuur branden,
Omt Goddeloze rot te flralFen, met een gloed,
Die onuytblufchlijk is, voor tonbekeert gemoed.
DoghBeer,verzagt de proef, van Uw geliefdekin-dren.
Maar zo het wezen moet, ay! wilt in hen vermin-ren,
Devreeze, enfchrik des doods. Zijt gyheur vatten fteen.
't Is beter zonder fchuld, dan fchuldiglijk geleên.
Beyde mhimen.
Ret
-ocr page 24-i4
-ITAt waart een aangename rcys,
Indien de ziel, bcneffcnst vleys EensKhtillens, hierin vrcden,
Het heylpadtmogt betreden.
Indien zijns herten overleg,
Zijn durenfcherpe hcmehveg,
Of mogt, ofkon bedifflen,
Hoe zond hy die verwifllen,
Hoe zou men zien zy n wandelpadt, Verrykt, metrooze, enlélybiadt.
En andre bloemegeurcn, Volduyzenderley kleuren.
Agh! die nog zo gelukkig waar, AlstGodlijk proelïtuktcerllc paar.
Dat door zijn gunit belommert.
Hem diendden onbekommert,
Terwijl deMocrbecz, eiiMorel,
En perzik 5 Pruym, en Muskadel, Ge^iert, met blos, en blaaden,
Hun mond, en oog v erzaadden.
Men hoorde een lieflijk zagt gefuys,
Doortboornloof, nefFeiist zoetgeruys, Der kriftalyne ftromen,
Langs groen fluwéle zomen.
Men denk , hoe t hert bewogen wierdt, TotGodeslot, door [ pluymgediert,
Entziel beroerlijkqwelen,
Van menfehe-en Engle kelen.
OghS dat de ziel int geurig kruyd,
Dus onder t nagtegaalgeluyd,
quot;Zig heften mogt na boven,
Maar
^aarnecn! Godt kent oni broffchen aart, Lewijl zijn hand ons heeft gebaart.
Hy ken t zelr ons gedagten,
En geelt, en zwakke kragten.
Want, gafons, onzen Heylaiid, voor Zijnkriiysweg, zulk een rozefpoor;
Wy zouden ons vergapen,
Of zorgloos, theylverllapen.
Zo is 't dan beter hier beneên ,
In haat, en fmaad, vervolggeleên ?
Dan zulk een ruft te kiezen,
Diet eeuwig doet verliezen.
Invryheyd (dits een zéker merk )
Is de ingang veyligfttotGodts kerk.
Maar in t vervolgt gewétte,
Verkrijgt men veerde bétte.
ANN.kS. Kajafas. Joannes.
N N. pErwaardezonenhoor.Koom treed eenwey-nig nader,
En overweeg, met erntt, de woorden van uw vader. Ons luyfter isangt eraan. Wy zijn ter érentrap,
Wn Mozes Rigterftoel, eiiArons Pritterlchap,
Zo hoog gettégen, dat de inwoonderen ons éren, Eynaaaabiddéiijk. Wie zou iets meer begeren;nbsp;Indien t vergiftig zaad van t Galilecfcii gebroedt,nbsp;Alom door t land verfpreyd,aan ons,in onzen voet,nbsp;Niet zulk eén dorentteek, bederflijk wierd bevon*!nbsp;den}
J? ¦ dugedrogtisonsten landplaag,toegezonden; Dewijl gt;£ gedurig!Ijk, s lands ruft, en vréde ftoort,nbsp;EutPriettexlijk gezag,bedekt«aat herteboort.
-ocr page 26-Ik tie onze ondergang te jammerlyk gefchapeli,
Indien men zulks niet Ituyts want laf, en zorglos llapen ,
(Wanneer t verderf ons drcygt) loopt al te groot gevaar.
K A J. Neen Vader, neen ! men neem in tijds zyn wel-lland waar.
Ann. Zo moeftmen dan dien boom zijn fteeklighout belhoeyen.
Kaj. Men moert hem, uyt den grond, metftam,en wortel roeyen.
Joan. Zo is t, dat waar het beft,en vcyligft voor den ftaat
Van t Hoge Priefterfchap, als ook den Groten Raadt;
Opd:it,datqwaad nietkoome, ondemplijk , voort tefpruyten.
Kaj. Men moet dat fmetlijk zeer in zijnen voortgang rtuyten:
Want als me een zwavelgrond, verborgen, wcynig . ïigt,.
Ligtkrijgt een fmeukndvuur , allenkzken zulk een kragt,_
Hat endlijk ftad , en volk, koomt plotzlijk in te ftor-ten,
Ann. Men moet die vooglen dan,in tyds,heur wieken korten,
En fmoren in deryl, hun jongen in den dop.
Maardoghjtisalteverre. Üfchande! ófpyt! hoe krop.
Ik hunnclaftering ,diezeonsintaanzigt fpuwen?
Welk eendoorlugtig hert, kan zulk een hoon verduwen?
Wenneermeonsuytmaakt, voorfchijnheylig, vol bediog,
En dubble veytizery, vol flange- en adderfpog»
Tanbuyten lammcriagt, inwendig wreed als woL
.laals een ^ierlijk graf, daarbinnen in bedolven,
Veel ongcdierteii ïiin, en llinkent doodsgebeente
Loor zulk ecir fmaadheyd, word de onnozele ge-meent,
Gedurig opgeiiitft. Dus ziet mecrdaaglijks fchet« zen,
Om onze aanzienlijkheyd , en agtbaarhey d te qwet' zen.
Dus krijgt het algemeen geheel, een andren Hand,
Waar door t niet ligtlijk, zig laat leyden aan den band.
KaJ. Men moet het volk , door dwang, aan Mozes wetten binden,
Enaandervaadrcnzeên. J o AN. Maar déze nieuw-gezinden,
Beroeren itaag het volk; dewijl zy hunneleer
Verfpreyden, wijd,enzyd; waar door zy meer, en meer
Vermeerdren in getal, iiyt allerhande (laten.
Dit ziet men dagelijks, wanneerze op markte, en ftraten,
Jain ccn Fempel zelf, Iloutmoedig, onbefchroomt.
Hun leer verkondigen. Wiehadetoytgedroomt,
Dat dien Gekruylten, ons nog zo veel quaads zou brouwen.
D A J. Die hoop moet uytgeroeyt, indien men wil behouwen,
Des volks behoudenis. Dits wis. k verzekertu.
N N. 2o fpraakt gy eertyds ook , maar dogh, t ont~ fchiet u nu.
RaJ. Wel aan, verkeken kans, diemag men wel hervatten.
KaJ.
-ocr page 28-i8 nbsp;nbsp;nbsp;S T E F A N' U S.
K A j. Op welk een wijz ftaat dan de zaak beft aan te doen?
ANN.Tefchenden henopt lijf, krijgsknegten, ftout, en koen.
K Aj. Waarzagmeoyteen foldaat, dieregt, een ziel bekeerden ?
Ann. Men ftél zijn degen, tot een fteun der Schriftgeleerden.
K A J. Dus word (legs fchijngeloof, door parfling, af-gehaalr.
Ann.Dc fchijnis ons genoeg,wanneer me zégenpraalt.
K A J. Zy zullen door de vlugt, uw hand j en land ontfpappen.
Ann. Men zal hem die zulks tragt, aan duyzend ftukken kappen,
Of zenden, tot een ftraf, in eeuwge ftaverny.'
KaJ. Zulk een regtspléging ftaat den Groten Raad niet vry.
A N N. Men zal den Landvoogd ligt, op onze zyde rukken,
En hem in boezemen,derKhriftnen fchellemftukken,
Dan word, door zijne magt, ons oogmerk uytge-werkt.
Zo word het geeftlijk zwaard, door t werreldlyk gefterkt.
GezamentUjk na binnen-, Timones. Farm e'nas.
Ti M o. T) Arménas, t doet me wel, aant herte,en in Jl »t gebeente,
Den bloey der Khriftenen, en de aanwas der gemeente.
t Beftuur der zelve, ftaat nu op een beetren voet. Farm. Dat s regti derhalleyen, is t zeker, dat mennbsp;moet
Het
-ocr page 29-Het ergerlijk verval, in?,ijnbeginfel ftuyten;
Uf anders baant me een weg, tot opfpraak, voor die buyten
De Khriftehjke leer, en oiis vergaadring7.yn.
Tim o. Datswaar. Men moet het qwaad, beneffens alle fchyn
Des2elfs,Godtvrugtelijk manhaftig tégenllreven.
PARM.Zoist. Een Khriften moet geen ergernilfen geven»
In zaken van belang, daar qwaad gevolg uyt groeyt.
TiM o. Midts dat men wel bemerk, uyt welk een grond zulks vloeyt.
Want ergerniflen zijn tweezinnig in er wezen.
Tenecrften, diernengeeft- Ten tweeden, die gerezen
Zijn, door een misverftand, waar uytze een ander neemt.
P ARM. Timones, déze fpreuk, die fchijnt me niet heel vreemdt
Teklinkeninhet oor,dogh,wiltze cciis net ontvou-wen.
Tl Mo. Gegeven ergernis, ftaat tweederley te aan-fchouwen,
Ofovertuygt gepleegt (t welk Godtopt hoogde haat)
Of door onagtzaamheyd ; hoe ^el een minder qwaadt,
Dogh,onbetamelijk, voor een welménend Xhriften.
Genomen ergernis, daar meed dekerriktwiften
Dytfpruyten,wordgevormt,door blinden yverdrifr,
Ofteêrheyd des gemoeds, waar door meonwnjllijk Ichift,
Tnfcheyd, enfehaart, enfeheurt, bet Khridüjk merriktéken j
s liefde, en énigheyd, dogh,k09ait men ze aan tefpri^ken,
Ba nbsp;nbsp;nbsp;En
-ocr page 30-io ^tÉfanus.
Entoouthen, dat voortmeer, het minder wyken moet,
2o krijgt men t antwoordt; vriend,dat keur ik geen-ïiiisgoedt;
De wij 1 mijn teer gemoed, en nauwgezet ge wifle. Zulks dulden kan,nogmag. In zulk een duyfternillenbsp;V ervalt het onverltand, door eygenzinnigheydt;
Zo dat men fcheurt» en ryt,daar t vroom gemoed om Ichreyt,
En ziju bedroefde ziel, voor Godt komt uyt te gieten: Zou zulk een ergernis den hemel niet verdrieten?nbsp;Zou zulk een oiikruyd, uyt des Héren akkerwerk,nbsp;Niet tydig zyn geweert, ten dienll van zyne kerk ?nbsp;üija! dogh Godt zydank, die zulke uytfporighe-den,
Genadig heeft gewend, van zyn geliefde léden;
Wan t zo dien voortgang,had behouden zijnen vaart, De Godtsdienft had wel haaft geweeli, gelijk eennbsp;paardt.
Dat breydellos,en vry,cnvrank, en onbedwongen, In t woe[le,cn wilde, doetzyneonbefuyzde^ron-gen.
Daar nu, in tegendeel,het weduwlijk geflagt,
Dat uyt de Grieken is, zo waardig word ge'agt,
Als die uyt tJodendom, totKhrillen zyn geworden.
Farm. Zo gaan de zaken beft, wanneerze in goeden orden
Gefchikt zijn,en gevoegt; want alsmen t éne licit, Eenzydig boven t aêr bemint, dat s t regte witnbsp;Geenszins getroffen, in de Khriftelijke lére.
Dogh waargelijkheydis,daarwordGodts lof,enére Bewerkt, ent word, by Hem, opt aangenaamftnbsp;gefchat.
Tim o. Gy hebt de zaak (o vriend!) regt ia den grond gevat.
Want hoekan t mooglijk zyn, het éne lidt te heffen, Ten trap der e'rentrooii,en t andere, te treffennbsp;Met fmaadheyd, door verfuym ? wijl k lighaamnbsp;dogh beftaat,
Niet ineenlidt, maar veel. t Voegt dan geen léde maat,
Door waan van voorregt,zig eergieriglijk tekanten; Dewijlze een lighaam zijn* Want Hy, die t orenbsp;plantten,
En t oge veftigden, heeft tonge, en hand, en voet, Gefchikt, datelk voortlyfzynnutte werking doet.nbsp;Jazelfs, deleên, diewyzomtyds,deonwaardigflcnbsp;agten.
Zijn nodigft ten gebruyk, en waardigft door hun kragten.
Ook die ons los begrip , de on9ieilijkfte waardeert, Die worden, door ons,meelt gcviert)gedient,geëert.nbsp;Zo moeteen Khriftenlidt, zynmédelidtsgebréken,nbsp;(Scho(5nze onaanzienlyk zyn^ verbergen, en ver-Itéken.
Want, waar een énig lidt in ongenoegen leeft,
t Is wis, dat k héle lijf daar van gevoelen heeft,
P arm. Zou dit geen brantmerkzyn, indeez vervol-ligtyên.
Wanneer me inKhtifl:uskerk,met zulke kuyperyen, Zig zelfs behielp ? om zo door een bedekten lift*nbsp;Ofgeeftelijk bedrog(daarmin(l op word gegift)
En onder fijnheydfchyn,zyn boezemgunlleiingen,
In weérwil, van Godts wil, in k kerkbewind tc dringen ?
want hoe kan dit beftaan ? wanneer me in Jezus naam,
Godtsdienftig is vergaêrt, waar cp k gebed tezaam, Eendragtig word gellort,op dat Godt wakkre lieden,nbsp;Uytlloote in zynen oogft, doghjcer zulks koomt geschieden,
Zo heeft me een aêr voorheen gt; de voet al dwars gC'
%ti l
Men denk hoe zulk eenhertgefteltis intgebedt.
1' IM o. Dit mag in t werrelds, by de eerzugtige gebeU'
ren.
P AR M. Wie zou deKhriften kerk hiervry van kunnen keuren ?
Tim o. Men heeft dien Bazelifch in zynen dop ge-fmoort.
Parm. GafGodt, dat dit gedrogt, ons noyt weer q w'aame aan boordt,
Dat waar wel wenfchlijk. Dogh, daar moeten cr-gernilTcn,
Zomtijds, zijn in Godts Kerk; op dat men door zulk (pilden,
Het goede uyt t qwade keiine, en t koren fchey van t kaf.
Aangaande de armendien ft, wat dunkt daar Timon ai
Isdéze zaak, dus lang,bedient,regt nabehoren ?
T iM o.t Verlland belchouwt een zaak,zo helder niet van voreft,
Danwelvanagteren. Want, doortoevalligheyd,
W ord menig fchutter van zyn oogmerk afgeleyd.
P A R M. Noghtans moeft de een zo goed, als de ander zyn gcrdkent.
Tim o. Wanneer de deugd in elk, ftont évengroot gc-tékcnt.
Farm. Dat s regt. Zulke armen zync,die Jezus,hier beneên.
Ons nagelaten heeft; opdat men aan zyn leên,
(Als zelf aan Hem gedaan, hun noden zou vervullen.
'l iMo.Jadogh,maarnietd^zy tverwarelozenzullen.
Par M.Een biyden armengifr,die doolt dogli nimmermeer. nbsp;nbsp;nbsp;(eer.
Ti M o. Verkeerden arntengifc,verwagf,nog loon,nog
Farm.
-ocr page 33-TREURSPEL. i?
P ar M. Ik houw me op thoogft verpligtaau Khriftus médeléden.
TIM o. Uw pligt is wijlPelyk, uw gaven te bededen.
Parm. Wat raad dan datmen tmaak, voorGodtgt; enmenfch ten dank?
TIM o. De zaak gaat (ik beken t) aan wederzyds vry ma tik j
Wanneer mende armen, diedogh eerlijk zynvan herten,
Zo fchaamteloos bedient, waar door dc diepfte fmerten,
Hun zielen treffen: als zy gantfche uuren lang,
Staan honkren om wat broods; zo dat hunne eerbre wang 5
Nu bleek, dan fchaamrood word; zo lang, tot dat ze in t ende,
Zyninde wolgeverft. Dus qweekt meccntroggcl-bende,
Die fchroom, en fchaamte, en eer, heel hebben uyt gedaani
Zo dat zy, op tgegeef, dan luy en ledig gaan,
En zuygen t zweet, en bloed, der andere Ié dematen.
Wat Khriilen zou zulk een wanfchiklykhcyd niet haten,
Gefproten uyt een drift, der onvoorzigtigheyde ?
Parm.Weel dieinJezuskerk,zulkeenqwaêgrond-lligleyt.
Ja! zulk een misbruyk dient in génendcel geleden,
Ofanders, erftmen ligt,dcrFarizecfche zeden ;
Die wel Godtsdienftig zyn, in uyterlyk gebaar,
Maar huneerzugtig herteis wijd, en ver, van daar.
Die nauw een penninxken, aan de armen, over langen,
Die
Of wenfclien, datde klank mogt aan de klokreep hangen.
-ocr page 34-24 STEFANUS.
Die met trompetgeluyd, barmhertig xyninfchyn.
TiMO.Wie t quaad, in andre laakt, moet zelf daar vry vanzyn.
Beydenabimen.
Alexande?.. Gamaliel.
Alex. \^At vind een Raadsheer niet al doornen in » ' zyn wegen.
Watfchiinen deampten zoet, en nogtans daar , en tegen,
Volgt hen de kommernis, gelykdefchaduwt lyf.
Want fchynt het flaat bewind , een aangenaam bedryf
Te wezen, in het oog,der onërvaarne menfehen.
Hoe kantdoghmoüglykzyn, dat duyzenden nog wenfehen,
Na zulk een lallig pak, dat inzyn eygen aart,
Den drager inzyn hert, geduurige onruft baart}
Doghdeeer,ende agtbaarheyd, tontzag, tneér-flagtig groeten,
ZynLaulïen, dieal t leed der bitterheyd , verzoeten.
Maar zonder dat! men denk, dattknlTsn van den Haat,
Zozagtnietis als tfchynt, wanneer men vroeg, en laat.
Voor t algeménebéft, op t yvrigftzit te blokken ,
Terwyl het domme graauw, bedektlyk koomt te wrokken,
Bedektlyk niet alleen! maar zelfs int openbaar;
Wanneer me ons uytkryt, voor een fchelm, een landverraêr.
Die zig te trouwlos heeft met s vyands magt verbonden ,
De middelen des lands, uyt t vaderland gezonden,
En die de Landvoogdy durft déken na de kroon.
Wüt dunkt Gamaliel ? kan groter fmaad, en hoon,
TREURSPEL. zy En lafter zijn gepleegt, aan énige der leden,
Ues Groten Raads, wanneer ze onfchuldig zijn? Gam. De reden
Grijpt by deonknndige, heelz-waarlyk plaats, en ft and :
In zonderheyd, Wanneer hun lieve Vaderland, Schijnt in gevaar te ftaan, gelyk men t nu ziet fmo-ken,
Door déze nieuwe leer, nu onlangs uytgebroken, Door cncnGalileêr, diezig, uyt Nazarethnbsp;Qwam op te doen. Een Man wiens geeft ftonton-verzet,
Enonbeweegt, int geen Plem tegen woerd gedré-ven.
Hy wift, gedurig, ons de handen vol te geven.
t Zy dat Hy kragtig vandeweêrgeboortefprak,
O r', tegen onze zeen, den ruftdag Ilukkenbrak,
Of als Hem wierd gevraagt: om t heylpadt te be-wandlen,
Of als Hy met ons qwam vant handen waffehen handlen,
Of van den fcheydbrieffprak, ofs Keyzcrs fchat-tinggeld,
Ofvan barphertigheyd, ofuyterlijk geweld,
Of met deSaddu^een ,fcherpzinnig rédeneerden, Ofdeoverfpeelgevrouw, voortfténigen verweerden.
Ja duyzend zaken meer.Dogb,deallermeefteklem, Daar tvolk door wierd bewecgt,was,dat Hy doornbsp;zijn ftem,
De doven horende,en dcblinden ziendenmaakten, De lamme, en kreupele herftelden. Den geraakten,nbsp;En jigtigen,heeft Hy flegsmet een énig woordt.nbsp;Genezen. Wie heeft oyt van zulk een werk gehoort ?nbsp;Wat my belangt, my dunkct zyn ongehoordekrag-ten,
Be nbsp;nbsp;nbsp;AlEX-
-ocr page 36-S T E F A N U S.
A L E X. Men moeft nauwkeurig, op t bedrijf der iul-keragten.
Wat wondren zijner niet, die metbehendigheên, Gefchieden door dekunft ? Gam. Neen Alexander! NeenJ
Hy heeft de Duyvelen uyt bezetene gedreven.
A L E X. IsHem niet opentlijk in t aangezigt gewreven. Dat hydeDuyvlen, door Belzebub, verdreef,nbsp;Dewijl men die van ouds , een hoger magt toenbsp;f:hreef?
Gam. Hy heeft zijn zaak beweert, met dubble kragt v.in reden,
A L E X. Nog kragtiger dan wel de toveraêren deedden, Voor MernfisNylvorll? Gam. Ja, Hy toonden,nbsp;dat een rijk
Nietftaandeblijven kan, indien ttweefpaltelijk Moet w.rden aan gemerkt, zofprak Hy , twijlzijnnbsp;woorden -
Met een doordringentheyd, de omftanderén bc-bekoordden.
En alsrnentwelbefchouwt, legt dit niet klaar, en naakt
A L E X. Wel 1 waarom is Hy dan dus fnood van kant geraakt.^
Gam. Om dat Zijn glans der leer, teveel ftak in onze ogen.
A L E X. Men moet geen tweede zon aan t hemelrond gedogen.
Hy noemde Zig Godts zoon, met Godtgelyke kragt, De Koning Ifraëls, die dogh in hoger pragt,nbsp;Aanzienlijkheid, en eer, te voorlchyn ftaat te komen ,
Hy is vall aan een kant deKhriftenen mogen dromen ,
Van een toekoment rijk, dat geeftelykbeftaat.
Wy volgent letterlijk, daar dogh den zin op Haat.
Gam.
-ocr page 37-TREURSPÈL. i7 . Gam. Gy zegt Hy is gedempt, men hoeic Hem niet tenbsp;''rezen.
Nogtans, zy ftelleii t vaft, dat Hy nog it in v/ezen. En dat, Hy Goddelijk, in t hoogfl; der heemkn leeft,nbsp;W aar uyt Hy, Zijne kragt, heur toegczotiden heeft:nbsp;Die doeter dus 'Zijn Naam, ftandvaltelykbdyden.nbsp;En zo dit vvaarheyd waar,zo zou men God beftrijden.nbsp;A L E X. Hoe! zijt ge door hun leer, dan mcede al omgezet?
G A M.O neen! ik houw me /£ip,aa[iMozes leer,en xvct, Dogh ik ben overtuygt van hunbcfcheydenheden.
A L E X. t Bedrog word beft bewerkt, door nederige Zeden.
Gam. Hun lydeiis proefvuur, toont de waarheyd van de zaak.
Al EX. t Hardnekkig hertelijd, zülk Iydengt; met vermaak.
Gam. Ja! alsmeerwinfr,gemak, of eer, door kan verwerven.
Alex. Een ingebeeldeneer,doet iemand willig fterven. Ditbleek aen Heroftraat, die c kofteüjk gebouw ,
Te Efézen, tragte in brand te fteken, want hy wou Gewillig fneuvleii.als den nazaat flegts rnogr zeggennbsp;Dathy Dianaas kerk, in kolen had doen leggen:
En deez beöging, is hem na zij n dood gelukt.
Gam. Noyt wierd lofwaardig eer, door qwaaddocn , Uytgedrukt.
Zulk fchijngoud, zal noyt ftand,ten proeffteen kunnen houwen.
Deel anders kan men de aart der Khrifteaen bc-fchouwen,
Want weldoen, is et doel, van hun opregt gemoed. Noyt dédenze iemaud leed, of Ichadc, aan goed, ofnbsp;^ bloed.
t Zijn wapenlofle, die veel liever willen lijden.
Al wat te lijden rtaatj dan met de waapnen ftrijden.
Alex.
-ocr page 38-zS S T E F A N U S:
Alex.Zo lang, als hoger magt,heur onmagt overheert.
Gam. ó Neen! wie dus beftaat.word van er afgeweert.
Zy willen niemand voor hun méde león érkenuen,
Dandiezig wérelos, terlijdzaamheyd gewennen.
Een zaak, die ligtelijk, kan worden ingefchikt ,
Want, als men dit met ernft, eens overweegt, en wikt,
Zulk een zal nimmermeer, onfchuldig bloed vergieten.
Ale x.Wanneer zyt fwaard gebruyk,uytGodsdienil, ganfch verftieten,
Zo waar t nog iet,maar neen! men mijd denorelog,
Daarfpietfe, en zwaard, en fchild, gebruykt word,
' maar bedrog
Word merkelijk gemerkt;wanneerze in twiftetyen,
Met hunnebitzetong, elkanderenbeltrijêii.
Noytbliez hetHeydendom , vervreemd van Godes Wet,
In de openbaren ftrijd, bloedgierger krijgstrompet,
Dan déze menfchen doen. G a m. Dit zijn verichil-lentheden,
Die in t ver Hand beftaan, maar geenszins in de Zeden.
Alex,Indien heur mondgeloof,lag in er hert gegrond:
Waartmouglykjdac men dan nogzoveel Khridnen vond,
Die zig,te fchaamtelos,met deOvrigheyd bemoeyen,
En in het ftaatbewind, (laag met hun tongen roeyen?
Nu moert int oorlogsveld meer krijgsvolk op de been.
En dan, vol moed op zee, met meerder magt gc-rtreén.
Wat dunkt u, voegt die taal wel voor een weerlos Khriften ?
Gam. óNeen! ingéneadeel. Indien oyt menfchen mirten,
TREURSPEL. 19 Zo mirt zulk een ; wijl hy zig zelven tegen Ipreekt.nbsp;A L e X: Dat s regt. daar neffens, let hoe t aan de daadnbsp;ontbreekt.
Waar oyt des vyands magt ziginllagördenftclden, En zo gevolg]yk,meê hun geldkift q wam te gelden,nbsp;Daar was t, gemeenlyk, met de wcerloshcyd gedaan.
Des zier men dan hoe losdatzeinerfchoenen (laan. G AM: Dit kan den goeden, in hun goeden naam nietnbsp;krenken.
Men toon befcheydenheyd. Want dit Haat wis te denken;
Geen goud is vry vanfehuym Geen koren zonder kaf.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(gaf,
Dogh, wijl hun vreemde leer, my noyt vernoegen Zo doet n\y dit,hcur zaak, (laag ernllig overwegen;nbsp;Want ditsmy in de weeg, eutftnjdme grootlijksnbsp;tegen,
Dat zyderVaadren zeên, afwyzenvander hand. En tegen ons gezag, dus heftig zijn gekant.nbsp;Alex: Schriftkundigeyveraêr , en agtbrewetgeleerden ,
Indien zy t wetboek,en het Priefterampt nog eerden; Zo dat men Mozes lioel, en Arons Priellcrftaf,nbsp;Door déie nieuwe leer,' geen ergerniffe gaf,
E-n dat men Jakobs zaad dus niet qwaame af te trekken ,
Men zou hun driften nog, oogluykende bedekken. Maar nu is t nodig , dat men eens hun (loutheydnbsp;dwingt.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;^
Eerwaarden meefler, wijl de tijd my roept, cn
Weer ten brandaltaar te treên; op dat mijn béde, ^P*^l'z,Vül wierook geur; ïo wenfen ik u den vréde
Akxafidev binnen-
STEFANUS.
GAMALIEL.
Oe drukt dit Raadsheeranipt mijn zieL dienauw gciet,
Zig ftreng verpligtvind, aan de vaderlijke wet. Hoe word mijn oordeel vaftgeflingert, heene, ennbsp;weder.
Ik drijf, als in een zee, en dobber, op, en neder,
In kommer, onbewuft, waar dat ik Itrandenzal. Ik word door vreeze,enangft, gekaatft gelijk een bal.nbsp;Wat raad, dalmijn gemoed, hierin, blijf vry vannbsp;zonden ?
Endatmijne;agtbaarheyd, raag blyven ongefchon-den?
Welaan! opdat menteene, ent ander niet verliez; Ist prijslijk, dat men van twee qwaên, hetminftcnbsp;kiez.
ZANG.
O ! hoe beklaaglijk is t,
DaardeEendragt word gefpHft,
Door ftrijdige verltanden. ó! dat de geeftlijkheid,
Zig zei ven vond bereyd :
Omheylig, herte, enhandenj Te heöen tot den Heer.
En dat ze alleen, Godts eer,
In t binnenfte betragten:
Wat llont, voor ider Ham,
(Het zaad van AbrahamJ
O! die dienlaalgendag, Nawenfch, eens weder zag,nbsp;T er duyftere kimme uyt breken,nbsp;ó! dat die zon verreez;nbsp;Datifrel, zonder vreez,
Het hooft weer op mogt fteken; Hoe zou den groten Godt,nbsp;Het koningklijkeSlot
Zo lang twiftgierigheyd,
En t reedlooze onbefcheyd,
Den meefter koomt te fpélen;
Zo lang zal Ifrels vree,
Noyt houden vaflc fteê,
Nog vrugten mededelen, ó Godt I Gy die zulks toontgt;
En by den vrede woont.
En twift niet kunt gedogen , (Wijl ze U op t hoogft verveelt)nbsp;Zo toon aan wien het fcheelt.
En open, Heer! hunne ogen.
DER'
/
STEFANUS.
TIMEUS. NAHASSON.
Time'. TNdicn men dit verderf, intijds, niet wil be-X fiioeycn,
Zo Itaat dat onkruyd, haaft, ons over t hoofd te groeyen;
Derhalvcn, moet men dan deeze opgeworpen leer,
Op t allcrkragtigfte, met fclheyd , gaan te keer.
Men moet (indien men dogh, hun moedwil, wil beletten )
Op zulk een tajen quwalf, een harden beytel zetten;
Of anders krijgt het qwaad,ailengsken,de overhand.
N A h: Ik beu, indézezaak, heel anders van verftaiid.
Wantt is wel eer gebeurt, dat by vermaarde mannen ,
Den booge aan (tukken brak, door t al te hevig fpan-nen,
De lift is zomtijds, veel doordringender, in magt,
Dan ftcrkheyd, en ge weid, met blinde dommekragt.
Dit bleek aan Polidoor , Likurgus, enLyzander,
Filipvan Macedoon,den groten Alexander;
quot;Wiens krijgsbeogingen , hem zelden zijn gemift;
Want waar zij u kragt voor (lont daar drong hy door, door lilt.
Ligt, had nooyt Antigoon Korinthen in gekregen ,
I'idienhy niet zijn lilt, gemengt had met den degen.
Zo dat de feilen drift, oyt vrugteloos verdween.
Daartegen , dringt de lift, door yzre deuren heen.
Ti.me: t Is waar,men kan zomtyds, door lift, ten oogmerk raken,
(Mst luk den lozen dient) dogh, niet in alle zaken ;
Want
-ocr page 43-Want irtigheyd, verëyfcht, of veel, ofweynigtijdt.
Ell Waar men tijd verliezt,daar raakt men t voordeel qwijt.
IVlen moet dien boxen boom, tot aan den wortel knotten.
^ A H : Men moetxig , doorxijn drift, niet tonen dat de zotten,
Die zonder overlég, of énig raadsbefluyt,
Iets ondernémen, daar hun fchaade, en fchande, uyifpruyt.
Men moet zijn zaken, dan bedekt, door lift, be-ftéken.
Time'; Zag niet Achitofel, zijn lift aan ftukken breken.
En als een rook ofdamp verdwynenin delugt?
EiAH.-Ikben, voor zulk een rampt, intminile niet bedugt.
¦i ime'; Door welk een middel dan, zoud gy hun
.. moedwil buygen ?
AH:Door onvertuygingen,van oor-en ooggetuygen.
H ; O ja c zal in den mond, van twee, of drie
ime'; Merkt ge onweêripreeklijk dan zulk een ge-tuygnisaan?
-p beftaan.
J M e' : Zy deên noyt fchellemftuk, in werkelijke da-
H: Maar wel in woorden, om onze agtbaarheyd fefchaden.
Ja ! t heylig Bédehuys, Godts heylnaam toegevzijd, voor de laftcrtong.huiis Meefters, niet bevrijd.nbsp;Wilt ((jjrak Hy j ditgebouw, vry tot den grond toenbsp;flegten,
T nbsp;nbsp;nbsp;dagen tijds, het weder op doen regten*
^ditnietlafterlijk.jaltegen regt, enreên,
heylig, Heyligdom, getergc, en trots be-
C nbsp;nbsp;nbsp;Time ;
-ocr page 44-Time'. Wel! zij t ge onkundig, dat Zijn volktweet , uyt te leggen,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;'
Dat Hyt, zinfpélende, op Zijn Jighaam qwam te zeggen ?
En dan is c webbe ontknoopt. N A h: Dat agt ik niet met al.
Time'. Nu, fchoon gy agten t niet, waar of me er vinden zal.
Die zulk een duy Uren zaak, met hooggeftaafden éde. Bezweren zullen i en of iemand zulks al déde.
En vond zig ond er wij 1,vo 1 kommer,overtuygt ?
N A H1 Dat lijd geen zwarigheyd; wanneer men de éden, buygt;
En wringt.en rekt, enftrekt, de aanklager ten believe.
Men fluy t t gewilTe; op dat geen éden t zelve grieve,
In zdnderheyd, wanneert ons winft, en voordeel baart.
De menfchen, int gemeen, zijn hedendaags ge'aartj Dat,alsterbeurz betreft, dan zijn zet regt ont-wallên i
(2ootfchijnt)zodatzeop woord, nog eer, nog éden paflen.
Ja! de éden agt men nu voorwaar, alskinderfpel. Want als t den menfch niet ziet,dan keurt men t alles wel.
Timéus, k zal dit,doGr mijn lift, zo wel befchikken, Dat zy onmogelyk, ontworrtlen mijne ftrikken.
T IM e'; Ik ken uw lozen aart,die in uw boezem fteekt-
Nah: Wat heb ik menigmaal, dat volk, in t oor gepreekt,
En hunne dwalingen, baarblijkiijk aangewézen: Dogh, al les vrugtelos,nu zal ik hen doen vrezen,nbsp;Door een bedekten weg: want zulk een lift, wordnbsp;dogh,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;
By ons geoordeelt, voor een geeftlijk nut nbsp;nbsp;nbsp;^
-ocr page 45-f ,
Mea moet de geeftlijklicyd, wat meerder ruymte geven,
Dan t algeméne volk,dat flegs koomt heen te leven,
Naa t letteriijke woord, van Mozes ftreng verbond:
Dat hem vertoont word, door der Schriftgeleerden mond.
De onkundige zien flegs, de fchors des wets van buyten,
Daar wy het grondgeheym, voor yder moeten uyt-ten.
Ist wonder, dat ons dit, tot meerder ruymte port?
T1 me': o neen! alst flegs voorde eer des wets, be-vordeert wordt;
Derhalven, moeftmendan, intwerk, niet lang vertoeven.
Nah: Ik zal hun mijne lift, gevoelig, haaft doen proeven
En leren, wat het zy, dieMozes ftoel verfmaadt.
Geen fcherper wreekzwaard, dan der Schriftgeleerden haat.
Beyde na binnen.
T e'f. TlUle voorneemt, om een burgt, of toren op »te bouwen,
Moet by zig zelfs,mét ernft,een wijzen raadflag houwen ,
Of zijn vermogen zulks, ten éndeuytvoerenkan. Die ook flag leevren wil, met tienmaal duyzcnd man.
Moet zig,eerft welberaên, en wijfelijk bezinnen, Ofhy, met zulk een magt,is magtig te overwinnen,nbsp;Den twintig duyzendtal, eerhemzijn heyl ontga.nbsp;Want dwazen aan vang, baart gemeenlijk, fchemp,nbsp;cafchaé,
36 S T E F A N U S.
Zo fprak denHeyland, die wel eer, den zijnen leerden.
Gewenfchten broeder! denk: hoede Almagtube-k eerden,
Eerftuythet l]eydendoin,tot Ifrels zegen wet,
Die doorverval destijds, bezoetelt, enbefmet.
En gantfcli verduyftcrt is, door menichelijke vonden;
Waar door men Godts geboon, te fchendig heeft gefchonden.
Dit heeft n Jezus leer,hecl naakt, en klaar doen zien.
En u bewogen,om die duyftcrnis te ontvliên.
Wat (laat u,lieve man, nu anders in verwagting,
Dan kiuys, en tégenfpoet, vervolging,en veragting,
Derhalverghouw u dan, fiandvaüig, als een rots:
K verzeker ude hulp , en trouwe byftand Godts,
Dogh, onze waapnen zijn verdraagzaamheyd, en lyden.
N iK o: Hoe! mag men voor zijn regt, dan met geen waapnen ftrijden?
S T e' F; ó Neen! dit heeft de wet van Jezus,ll:reng ver-boón.
NIK o. Wel! zalk me onfchuldig, van een booz wigt laten do6n,
Daar myt natuur regt leer, mijn lijfsverwéring kiezen?
S T e' F : Wie dus het leven tragt te houden, zal t verliezen.
N IK o tjadoor verzaking Godts. Ste'f tneen, zulke niet alleen!
Maar zelfs, die overtuygt, de wet zijns Zoons ver-treên.
NI Ko: DesHeylandswet, zogtnoyt, zijns Vaders wet te ontbinden!
Ste'f: Dats waar. maar om door Hem, en zijnes woordsgeziöden
-ocr page 47-Tetonen, datHy door dekragt der liefdenband,
Dc Wet zij ns Vaders, weêr bragt in beur vollen ftandj
Daar Jakobs zaad, weleer, doortiirijden wierd beveyligt,
Word nu het Khriftendom j door lijdensvuur ge-heyligt
Ik weet wel, dat zulk leedj het vleys niet vergenoegt.
\V at raad? dew ijl we niet tot weerftand zij n bevoegt, NIK o : Zal dan een Khriften, t qwaad, met uytge-laten dromen,
In koelen moede, zien de onfchuldige overkomen;
Wijl Godt, doormiddlen werkt ?zal Hy, van onze hand.
Nieteyirchen,snaaftensbloed, zowy geenweder-ftaud
Betonen,om zijn lijf, cn leven te behoeden ?
S T e' F: ludien oytkrijgsgeweer, de omioozlen qwam ten goeden,
Zo was het Petrus zwaard, in t hof Gethfe'mané.
Maar neen ! het was laat af. fteek tlemmer inde fchcé.
W; e met den zwaarde flaat, zal door het zwaard ver-. derven,
IK o. Dats wie een mandag doet,zal zulk een dood Weer derven.
En zulk een halsregt, eyfcht een hand,die de Opper-magt.
Heeft toegefchikt; op dat de uytvoering werd vol-bragt,
Hoe kan een rijk bedaan. hoe zou men knnnen leven
nadien hier de Overheyd, het zwaard niet was ge- ^éven.
F. Vooreerd, legt déze les, voor ons, int alge-ineen.
En wijlde aant Khridlyk hoofd, zijn wéreloze leen;
C 5 nbsp;nbsp;nbsp;Zo
-ocr page 48-StÉfaNUS.
Zo moet men zigzowelvoorteenc, alst ander wagten.
Tentweeden,ialhetGodt, volwijsheyd, fterkin kragtengt;
Hier noyt ontbréken, aanüaatxugtigeyveraêrs:
Want zo men andrevitid, men vindze wonder fchaars.
Hy zaljzo lang het qwaad,op aarden koomt te duren,
t Beloop des werrelds, door de werreld wel beiiU' . ren.
NIK o: Kan t dan geen Khriftenzijn, die zulk een ampt bekleedt ?
S T e' F ; ó jaa t. maar dogh, hoe groot, weet Godt, die alles weet.
Dewerreldlijkemagt, dielaatikHnnbevolen.
Wie heur geuoorzaam eert,die zal niet 1 igtlijk dolen,
Wanneer hcur wetten, Godt, enc Goddelijk ge» moedt,
Niet tegenftrijdigzijn, ja warelijk , dit doet
Een Khriften ,om dat Godt, en Khrillus zulks gebieden.
N I Ko. Mag zonder zonde dan, het vlugten niet ge-fchieden ?
S T e' F. Dat Haat een Khriften vry, nogtans met onder-fcheydt.
Men letteoftvlugten,totGodts eere,ofoneerleyd. Want, zou een herder voor de wolven mogennbsp;vlugten,
En zijne lammeren gantfch weerloos laten zugten ,
In doodsbenauwtheyd ? t waar een onbehoorlijk ding.
En de ongetrouwen aart, van enen hureling,
Baarblykeli jk getoont.N IK o. is niet Gods woord-verkonder
Uria,wcggevlugt, voor Jojakiin? Ste'f. wast wonder:
Wijls konings haat, op hem byzonder, was gekant;
En na zijn leven drong? watleeracr, of gezant.
Zou nut doen, aan Godts volk, door zulkontydig derven ?
Maar hangt aan zijne vlugt, gevolglijk , het verderven
Der Khriftelijkefchaar, die hem wierd toe betrouwt,'
Uanis hy ankervaft;wijl elk t ooge op hem houwdt:
In zonderheyd, wanneer hem C geeftlyk roer in handen ,
Bevolen is,om t fchip te hoen,voor klip,en ftranden.
E)ogh, geld et hem alleen, hy wijk vryjvoorzulk woén 5
Om in Godts akkerwerk nog meerder dienftte doen.
Ni Ko. Heeft Jezus Khriftus niet, by wylen, zelf ge-vloden,
Voor zijn vcrvolgeren, wanneerze Hem wilden doden ?
e'f. Gewifllijkja.maar, toen zijn bitter lijdensuur,
Vervult was, ftont Hy pal, gelyk een dalen muur.
Nik o. Datelk, in Jezus naam, zijn bloed dan koom te dor ten.
Ste'f. Men moet, door onverftand, het leven niet verkorten-
Alsikoomt, ist tijd genoeg, men houw zig mannelijk,
Wanneer Godts wil, zulks eyfcht; op dat men niet bezwijkt,
MetCefas,die zig zelf, qwam in dit vuur te werpen ,
Door zijn voorbarigheyd. dat ik tu in kon fcherpen,
(Mijnmedebroeder, en mijnwaardtn amptgenoot,)
Wy daan op Jezus wagt. ontzie, nog nood, nog doodt.
Gy Weet,en kent uw pligt. Beveel Hem al uw zaken.
Niko. Ik ben den drijd getrood. myn Godt!
40 S T E F A N U S:
Dat eeuwig uwe kragt, mijn iwakkeiiel vertél.
Ste'f, Ja! als c de ziel welgaat, dan gaat et alles wel.
Beyde na binnen.
K 0 S B I O. J E V A N U S.
KosB.TjOeongeftadigis ditwifTelvallig leven.
Nu word des mcnfchen drift, tot liefdezucht gedreven,
En dan tot bittren haat. de wifpclturigheyd ,
Schijnt meeder van den mcnfch ; dewijlze hem duurt, enleyd,
Gelijk een reedloos dier, dat door de leyzeelban-den,
Zijns meeders wil volgt, nat bewegen zijner handen.
Watwierd hetKhriftenvolkbemint, wanneer hun kragt,
Veel zieke , en kranken, weêr tot hun gezondheyd bragt,
Maar nu zy met heiir tong, de zondige gebréken,
Der Ouderlingen, en de Schriftgeleerden deken,
Nu treft et aan de ziel, der geellelijkefchaar,
tWelk niette dulden daat. Jev. Kosbio, dat is waar.
Dat volk waant, dat ze tot bedrafFen zijn geboren.
Dogh, als meer weer bedrad, dat kunnen ze niet horen,
Of wreken tmet hun draf, derkerkelykeban.
Kosb. Zo legt de zaak- maar dogh , wat dunkt Jeva-nusvan
Timéus blindheyd, en Nahaffons lidig fpreken ?
Jev. Zy zien hunne agtbaarheyd, met ernd, na de eerkroon deken.
En dit verwekt in heur, zulk een doldriftigheydt.
Om déze menfchen door getuygenis te bezwaren ?
Je V. 6 Ja ! wy zullen tfl:uk,door lift,behendig klaren.
Ik hebbe in t zelfde, al vry een helder doorgezigt.
Kosb. U w reukloos oordeel, ftelt een zware zaak te ligt.
jEv.Geen zwarigheyd. Gy zijt begaaft met geeftig Hege.
R os B. Ja! had ik llegts degaaf, van uw bedekt bedriegen.
JeV. Houd u flegs wel gemoed,zo loop de zaak wel af.
Rosb.k Ontzie geen leugenen, 'inaarwd der leugnen ftraf.
J E V. Een ftout, en moedig hert,zal voor geen kleyntje buigen.
Kosb. Agtgyteen kleyne ftraf, dc ftraf der valfch getuygen
Jev. Zegt niet het Khriftendom, dat Jezus, déze ftadt,
Geheel vernielen zal, en totdeii grond toe plat,
Vermorzelen tot puyn, en wet, en zeên verbréken
Kosb. Hebt gy heur, zulk een taal, wel zelver horen Ipreken ?
Jev. 6 i\een Idocht is bekent, by yder in t gemeen.
Ent word ontwyftelbaar gelooft, by groote, en kleen:
Ja, hen int openbaar, ten lafter aangewreven
Kosb. Wel zal meoptlosgezeg, zoligtgctuygenis geven ?nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. , j
W at raad, zoo me ondertaft, en fcherp wierd ondervraagt ,
Van hem, die s Keyzers zwaard, tot ftraf der bozen draagt ?
jEV.Wieis erdiehunzaak.zo ernfiig aan zou trekken ?
Kosb. Kan Godt, zelf in t gerigt, gen Daniël verwekken ?
Jev. Gy bloden das; Gy vreezt een ongeboren qwaad.
Kosb. Dus vreezt men wijftelijk; den flag van fchatide, en fmaad.
Wie fchouwt geen gloeyent ftaal, om zig niet ligt te branden ?
Wie ziet aan lager wal, eens anders vaartuyg ftran-den,
En wend et niet van ly ? wielieft zijn eygen wee !
Want zulk een fchip op t drooge, is wis een baak in zee.
Men leere aan de uytflag van de onkuyflche, en oude boeven ,
Hoetqwaadzijnmeefterloont, en al te fpaêdoet proeven,
Pien bittren nafmaak , die een beul is intgemoedr.
En pijnigt het gewis. Wat was het liegen zoet,
Indien tnoytwierd ontdekt! tis waarkérkénne, en oordeel,
Pat uyt dien logen,ons voor al geen kleyne voordeel.
Te wagten ftaat: maar dogh, indien men weygrig is.
Ons dreygt een blixemftraal, tot ons verderffenis.
J E V. Men kiez dan of men deel, naa t lot nu ftaat ge-fchapen.
Kosb. Geen beter middelen, danteer(te,ent reed-fte wapen:
Pat s logen en bedrog;want t moet er nu mee deur.
Jev. Welaan! dan zijn wcet eens. ik houw meaan deze keur.
'Beyde na binnen.
PROCHORUS.
S T e' p, TJOe dringt my de éreGodts, om voor Zij ti JL X naam teftrijden!
Ik wil, en moet,en zal, in t openbaar,belyden,
Mijn Heyland, en Zijn leer, t geen alles overtreft ¦,
Schoontbitze Jodendom,hier tegen blaft en keft,
T R E U R S P E E. 45
En fchuyinbekt, tiert, earaazt, als dol verwoede houden.
Getrouwe vrienden Godts,my is ter hand gezonden, Een bittren lafterbrief, van t blinde Joods geüagt.nbsp;(Vcrftokt,enhardverfteent) t geen dooi Pompéus
Wel eerin flaverny , naRomen wierd gedreven, Wiens nagellagt, daar na, weer vryheyd is gegeven ;nbsp;Wanneer Tibérius, het dierbaar llaaffchejok,
Door Godts befturing, van hun dienllbre halzen trok
Die, voor een groot gedeelt, Jeruuflem weer bewo -ncn,
En lig aanzienlijk in hunne oeiFenfchooI vertonen,! Zo dat hun trotfe waan, leeft buy ten alle vreez.
Dogh, dat men de inhoud van hun lafterfchrift eens leez.
Ste'fanus, trekt den brief uyt zijne boezem gt; en keft den zelveu.
Stefaniis, die in verhïmdhejdhgtgezonken, Godtgeeveuheyl^ en eeares^tziende zielgezigt.nbsp;ó Blindenyveraér! hoe lang zu)tge uwe xionken,
Van uw verderflijk vuur, dai 'Jacobs zaad onfligt, k'erfpreyden in het rond, langs dalems firaten hénen ?
Bn Werpen de oude z.eên^ veragt^ van boven ne ér ? Hoe lang zultgy Godts lVet,eii ïylozes dm ver kienen ?
En voegen tn hunplaats, uw nieuw gevonden leer ? Of zoektge Uw naamfner door, onflcrjfAjk te maken,nbsp;Gelijk uw Meefter ? die ten uyterfl heeftgetragt,
Na zulk een lofMaaryoeft aan't leven qwam te rakeny U'^as Hygantfch magtclos, ontbloot van hulp^ en kragt,nbsp;Ekie andren eertijds hielp^ kon nu zig Zelj's niet helpen-En nogtansgueflge uw hoop,op een ver/larven menfeh.nbsp;/?)keer dogh, eer u kaamt de -wanhoop overjielpen.
44 S T E F A N U S.
Of treed eens m geffrek. Dit s ons 'verz.oek en vsenfch. Dus vjordgy uytgedaagt ,van onze Scboalgeleerden,
Der vrygernaakte John. Al zijtge in woordenfef En fcherp, zo weet noghtans : Dat me ons nuyt meer vereerden ,
Dan zulk een woordenfirijd, in 't openbaar. Vaar wel.
FiL. üLafterlijkeiibrief! met drakengif gefchreven. Kantmooglijkzijn,mijnGodc, datgy, zidk een,nbsp;nog c leven,
Een ogenblik vergunt? Proch. ó Vader ! zulk een hoon,
Staat niet te dulden, aan uw wel geliefden Zoon.
S T e' F. Wat dunkt u broederen, Itaat zulk een fmaad te dragen,
Voor een Khriftlievent hert, dat zijne Ievensdageugt; Opöfterttot Godts eerc, en Zijns gezalfden Zoon ?nbsp;Indien mentdaarby liet, wel! waartniet vrywatnbsp;fchoons,
Den naam te voeren van een Kh'rillenwoordbelij-der,
En onderwijl te zijn een levenlozen ftrij der,
Die zonder qwci:zing,zou aanhoren, hoede tong, Eenslafteraêrsgt;na Godts, en Jezus ére dong?
Voor my,datlijd ik niet. k Ontzie,nog Libertynen, Nog ook Cyrcneêrs. nog Aleiianderijnen,
Nog dwaalverftanden, van t Cilifiaanfeh geweftj En andre, welker leer is flimmer dan de peft.
Wier fel befmetlijk vuur, kan lande, en lleén ontfté-ken.
Wel hoe! zou Stéfanus, nu fchromen om te fpréken? En zwijgen gantfchliik Uil, gelijk een ftommennbsp;hond ?
Dat lijd Godts éreniet. ó neen! zo lang mijn mond, Zal wezen rijk vervult, met Goddelijke fpreuken ,nbsp;Zal uw en knegt ó Heer in zy nen pligt noy t kreuken:
^aar ftaag ftandvaltig flaan, als een vroom kampioen.
i-- Draag u vooriigtig, want,t is om uw bloed te doen.
Zo lokt eens krijgsmans lill, den vyanduyt iijn wallen,
Om met beqwamer kans, hem op het lijf te vallen, per Schriftgeleerden haat, en de Ouderlingen lift,nbsp;Zijn iiTimer u bekent. P r o c H. Ik zorg, dat dezennbsp;tw'ift
Der Schoolgeleerden, u tot ftrikken. en tot netten gt; V erftrekken zullen, om uw ziele vaft te zetten,nbsp;Enteoverrompkn; want hunboosheydistegroot.nbsp;En veler honden magt, is wis der hazen doodt.
gt; T e' F. Wat Khriften kan zijn Heer dus zien in t aan-zigt fpuwen ?
Mij n zieIe,mag,nog kan, dien lafter niet verduwen. Hoe lang, mijn Heer! mijn Godt 1 zal uw verkorennbsp;ftadt.
Door déze havikk en, dus worden afgemat ?
Wat ziet me een endloostal, vandeezgrijpvooglen zwieren,
Verfcheyden ingewaad,in zéden,en manieren. Eefc'aouw de Far!zeên,deEffeên,en Sadu^een,
De Schriftgeleerden, en doortrapte Nazareên De Dompelingen, en de fnoode Herodianen:
Wier hatelijkcij aart, dckeevren, enfprinkhanen, Onëndlyk overtreft, dcrhalvcndan,ay 1 letnbsp;Eeiis opervaften,enhun opgefmukt gebedt,
En handenwafTching, en hun bréde franj ezomen;
Zo dat ze als édelen des lands, te voorfchiju komen. Hun hooge,en diepehoên,bedekkentaangezigt.nbsp;Jaandre.houdenzelf, intgaan, hunne ogendigt;nbsp;Waar door ze menigmaal, heur lignaamsledennbsp;ftoten,
S T E F A N U S.
Metfcherpe prikkelen,iii hunne kleedrcn gaan,
Die ftadigjin hun vleefch, bebloede wonden flaan.
Nog zijn er zulke, die hun légerltéden maken.
Op fmalle planken, om niet ligt in 0 aap te raken.
Ja! leggen doornen,en keylleentjes ondertlyf-
Fil. ó Blinde Godtsdienft! welk een kinderlyk bedryf,
Word niet gepleegt, by hen, dieandremoellsn léren.
S T e' F. Filippus dat ge uw oog,met aandagt, qwaamt te kéren
Tot al hunne apery, gyzaagtuzelven blindt.
P R O c H. Wyl gy beur dwaazheyd kent,hoe zij t gy nog gezint,
Uw hemelfchatteiijja I uw paarlen,en robynen,
Te werpen in den drek, voor honden, en voor zwijnen ?
Zie toe, eer dat zeet woord des Héren, niet ver-treén,
En fcheurenuhet lyf, van lid, tot lid, vaneen.
Ste'f. Datga,zootGodt gehenge, ikmoetmyzel-venuyten.
En hen (zoot mooglijk waar) in hunne dwaazheyd (luyten.
Dogh,zoo ze ontaart zijn,en vcrbaflert in t gemoed;
Ik blijfonfchuldig,vaii hun onrcgtvaardig bloed.
GezamentUjk binnen,
REY van K KRISTENEN en J O D I N N E N.
R.v.K-
Wan^'
OOelang zal Salem jthêyllIgtmilTen? Eu t volk, in dikke duyfternillen ,nbsp;Dus zielblindzijn en s Héren geeftnbsp;Derwaarheyd, in huu binueiift derven
-ocr page 57-47
TREURSPEL. Wanneer zal Jacobthcyl verwerven,nbsp;t Geen eertijds by hem is geweeft ?
J- Zo lang, zal Ifrel jinzijn treden,
Noyt vaft zijn; als de nieuwigheden ,
DerVaadrenzeen, enMozeswet, B?déktelijk naa therte boren.
Zo lang men, door zulk ruftverftoren, Het oud} door nieuwe leer befmet.
R-v.K.ó ! Dat dit volk zig liet bewegen. Noyt ftreed dit nieuw , het oude tegen.
Noyt heeft den Heyland zulks getragt.' Doghwel, dat door Zijn leer, en leven,nbsp;God tsvolk, ter deugd zou zijn gedreven.nbsp;Maar neen I zy hebben Hem veragt.
R.v.J. Wat was,en is, de grond der reden, Dat Hy, engy,denonbeüiéden,
Zo waardig keurt als de Ifrelijt ? Waarom de Godtgeliefdefcharen,nbsp;EnHeydenen, en Tollenaêren,
In éne ftand, Godt toegewijdt ?
R.v.K. Om dat het Goddelyk vermogen, Alleen, met zijn doorftralendeogen,
Op t rey n befnéden herte ziet.
Daar Abrams kindren zijn befnéden,
Aan dejuyterlijke voorhuydsléden, Maaregter, aan het herte niet.
R-v.J.Zy paffen, nog op wierookbranden, Nog Tempelpligt, nog offerhandennbsp;Nog t geen dat Mozes heeft geboön.nbsp;Zy vieren reeft, nog nieuwe manendnbsp;Om zo een weg, en fpoor te banen,nbsp;DeGodtsdienft, toteenfmaad, en hoon.'
-ocr page 58-4? STEFANUS.
R.v.K. óNeen !derKbrillenen betragting,
Heeft noyt gedoelmikt, tot veragting,
VaiiCiodt, of van Godcsdienitigheyd.
Maar Ifrcl ( wie ftaac niet verwondert ?)
Is (laag , met t hert, verre afgczondert,
Wanneer t tcnGodtsdiealt zig bereyd.
R.vJ. Wy kennen zulke laflertongcn,
Die c Jodendom, dus lang bclprongen,
tGeen Ifrelsrull, en vrédefchendt.
Wy zijn dügh kindren Godts verkoren.
En tzaad, van Abraham geboren. Wyzijnhetvolk) by Hem erkent.
R.v.K. Godt kent geen volk, voor Abrams zonen. Dan hen , die zulke vrngten tonen,
Die eensgeaart zijn met dien Ham.
Vergeefs is t dézen roem te trekken ;
Wijl Godt, uyt ftenenkan verwekken,
t Geliefde zaad van Abraham.
R.v. J. Dat Juda is geftelt te rigren,
En Levys zaad , tot de ofterpiigten,
Isde Ifreliten kennelijk.
Maar dezen Jezus, wie hem zetten,
Totzulk een hoofd der nieuwe v\ct:en,
Daar heeft men van, nog taal, nog biyk.
R.v.K. Wanneer zal van uw hei te, en ogen,
Het dekkleed worden algetogen ?
Ay ! hoor de Hem van Amrams foon,
O! falig, die dien Vorll erkennen;
Wienskoomft, doorfoveel heylgepennen,
Staat uytgedrukt. Loffy Zijntroon.
Bitinen.
quot;Degordijnen nedergclaten zijnde,word het toOfttsl verandert:
tn vn'ti/ont de rigtzaal des Gr et en Reeds ^
TREURSPEL.
A N K A S. K A J A F A S. J O A N N E S.. Alexander- Gamaliel.nbsp;Malchus. Mam ze r.
^ ^ N. TTNOorlugte héren, en aanxienelijke Raden; ^ Aan wiens hooge agtbaarheyd, enraadsnbsp;befluyt, en daden ,
Dezwaarftevonniflen, zijn wettig toebetroiuvt; Zal noyt dit kankerzeer, t geen reeds dus ver ver-oudt;
En ingewortelt is,u ernftig, t herte treffen ?
Uf moet der Khriffnen leer, zig endlijk, t hoofd verheffen,
Ver boven uw gezag ? en domplen Mozes ftocl, ¦iJoor hunne afgunftigheyd, in ene jammerpoel,
_ Van endelofe Imaad? dat wil den hemel hoeden.
^ A j. (jedugte Vader, laat in u, noyt zulk vermoeden ,
Gehuysveftzyn. Want weet, datdogh den Groten Raadt,
Jayderlid, voorlid, dees leer, opthoogffehaat, Ln diep gevoelig is,van al dat tzamenrotten,nbsp;^crNazaréneiijdie ons hoog gezag befpotten,
'^aar leed men, en van wien, oyt groter hoon, en
¦L'an van bunbitfetong, diealseenadderbijt?
J OAv. Wie zou hun fnood bedrijf, onqwetsbaar door
Zien glippen;
^ ifDs ingezwolgen haat, de Priefterlijke (lippen, Gcduriglyk vervolgt, gelijk een fchadujvbeeidt ?
D nbsp;nbsp;nbsp;Alex
-ocr page 60-0 S T É F A N U S.
A L E X. Men kent dat fnood vergif, ent heeft ons lang verveelt,
Hunne overtrotfen waan ,enonverzetbre ftoutheyd.
Wie zag oyt huns gelijk? ja zelf, de aloude oud-
heyd,
Heeft zulk eenongediert, te voorfchijn noyt ge-bragt.
Des, hingttaan mijne ftem, men zou wel haafthun magt,
Geknakt zien als een riet, of een der waterbiezen.
Want flap zyn intgerigt, doets regters glans verliezen.
A N N. Wat is den raadflag dan, die Alexander uyt ?
Alex. 6 ! Was mijn raadflag dogh, uw aller raadsbe-fluyt.
Wat zou me opt fpoedigft, voort, dooor ons bevél-gefchriften,
Door Ifreis fteden heen, dat kaf, uyt t koren ziften.
En wie hartnekkig bleef ( het zy in welk eenfchyn )
Daar zou het (lénigen, of vuur, of zwaard voor zijn.
Gam. Den Hogen Priefter, en delo(Felijke héren,
Die hier verfchenen zijn, verleene op mijn begéren,
Een regt bezadigt oor, met lij dzaamheyd vervult;
£er zig den Groten Raad , op t allerhoogft ver-fchuldt.
Door onkunde, aan een zaak, die tegen Godt mogt ftrijden.
A KK. Zoudan Gamaliel dien inbreuk willen lyden?
En dulden zulk een hoon, die niet te du Iden (laat ?
Gam. Gy héren, zytbevreeft, voor een toekoment q waadt,
Dat ongeboren is, en ligt noyt op zal dagen.
Laat dan de reen myns monds, uwe oore, en hert behagen.
Lerhalven fpreek ik dan, in dees vergadering
ik onlangs fprak. Gy Ifrels rigtermannen. ö t Is gevarelijk zynkragtenintefpannen,
In iaken, daartvernuft,dooronkund ligt in dwaalt. tGeen eens is wel gezegt, wordnoyt teveel verhaalt.
t Is immer u bekent, hoe in voorleden tijde,
Zig Theudas op wierp, en verworf,aan zijner zijde, Veel wederfpannig volk,omtrent vier honderd fterk,nbsp;Lie alle zijn gedempt:en hun oproerig werk,
Is ganfch,enal verftroyt,en heel tot nietverdwénen, Gelijk een neveldamp. En na hem, isverfcheneu,nbsp;Len Gauloniter, toen Cyrénius uy t kragt
Des Keyzers, t Joodfchevolk,terfchatbefchrijving
bragt.
En op zijn zyde trok. Dogh,endelyk geraakten, Hy,en zyn gantfche rot, verydelt te énemaal.
Lat dant verftanddes Raads,zig wijlTelijk bepaal, Loor wel gegronde reen. Want, zo dees nieuw ge-zinden,
Hun werk uyt menfchen is, t zal van zig zelfs ver» Zwinden,
Gelyk een rookwolk, van het afgeftéken kaf. Loghjzo den hemel zelf, heurdit vermogen gaf:nbsp;Gnmooglijk is voor ons, dien voortgang te beletnbsp;ten.
Gin dan zig zelleven niet tegen Godt te zetten, Ltnodigjdat men in dees zaak, voorzigtig zy.
Xgt;e woedende ménigte koomt met Ste'fanui-voor de deure des Groten R^Ads,
Ann. Wat heftig volkgetier, wat woefte raferny,
L^t lig opt buyteuhof, hier voor de rigtfaal noren ?
«ofwagtcu, ga gefyvihd. belet fuik ruftyerllorcn.
D nbsp;nbsp;nbsp;Malch.
-ocr page 62-stefanus.
MALCH.Wy volgen uw bevél. Ann. Gy héren, dit , gewelde,
Hofwagten htnnen,
Is daaglyks t noodlot,t geenjeruullein dus ontflelt,
En t volk oproerig maakt; dat door zulk fchrikklyk dreygen,
tHuys Jakobs, enzynftand, fchijnt ten verderf te neygen.
K AJ. Zoist. kzie Ifrelsroem vertreden, en veragt.
Agh 1 Waar dees muytery, in heur geboort ver-fmagt;
Zo ftak dien boezemflang, ons niet na herte,en ogen.
Hofvjagtm uyt.
Ann. Flofwagten, dit geweld, (laat langer niet te do-gcn.
Ofisergeenontzag? zo tooneensernftigblyk,
Ma lch. Hooge agtbren Groten Raad, weet, en zy kennelijk,
Dat op de Voorhofplaats, liaan eenge twillelingen,
Verzelt met volk gedrangjonmooglyk om te dwingen;
Wijl een ontelbrefchaar, van allerhande flag,
Zig onder een vermengt, van groot, en kleyn gezag :
Twijl duyzend Hemmen, door elkander yflijk tieren.
Gelyk een kranevlugt, of andre vogeldieren,
Vertrekken op hun tijd, als met een veldgefchrey,
Na een beqwamer lugt, en beter zomerwey ;
Zo vallenfe op hetlyf, een Khriftens leerverbrey-der.
Elk noemt,en doemt hem, voor een fnoode ziel ver-leyder.
Mam 2. Ja héren, dezen man, (al fchijnt hy nog z» fijn)nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;'
Heeft veel befchuldigers, waar by getuygenzyn.
Ann. Men breng dien roervink voor : dien lafterlyken vuygen,
Met zijn betigteren. benefFens hun getuygen.
Malch. U w wil, zai zijn gezwind,op uw gebod, vol-bragt.
Hofwagten hintten.
Ann. Gy édelcndes Raads. Wie had et oy t gedagt,
Dat déze leer ons nog,door oproer,zou doen vrezen.^
Daar koomt dien laftertong. Dog,onverfchrikt van wezen;
Alsofzyn aangezigt, vertoonde een goed geweet.
Gy Ouderling des volks, en Schriftgeleerde, hoe treedt
Gy dus vol yvervuur,voor t heylig groot gerigte ?
Hter komen gezawientlijk iiyt
TI .M e'. nbsp;nbsp;nbsp;Root agtbre, dezen menfeh, vaart voort, in
t aangezigte
Desgantfche Ifraëls, en laftert de oude Zeen,
VanGodts, enMozeswet. N ah. Ja he'ren, dits de reen,
Dat onze fielen,dus in tbinnenft,zijn ontdéken.
^OSB. Wy hébben, dezen man, vol lader, horen fpreken:
Hoe Jezus,de'ze ftadt, en t heylig hédehuy s,
Geheel vernielen zal, en morl'elen tot gruys.
JEva. Wy hebben, menigmaal» hemhoren, hierver-konden:
Zonden,
Verandren zal, tot fmaad van Zijne lieveling.
Ann. Wat zegt gy Stéfanus.op dees,betchuldiging ?
^4 STEFANUS Erkent gy dit gezeg ? hoe klinkt u dit in de oren fnbsp;S T e' F: Gy mannen broederen gt; en vaadren, wilt mynbsp;horen.
De Godt der heerlykheyd, die vader Abraham,
Verlcheen in Syriën, eer hy te Charranqwam,
Sprak dus de Aardsvader aan; wilt uyt uw maag-fchap trekken,
En reys na zulk een land, dat ik u zal ontdekken. Hy,die gehoorzaam was, brak op, met zijn beflag.
En woonde inCharran, totzijns vaders (lerriHag: Van waar hemGodt, daar na, dees landftreck deednbsp;bewonen,
Waar in gy nu,verrijkt, met doghteren,en zonen, Gelyk een vrugtbrenboom, dus ingewortelt Zijtnbsp;Dogh, de Oppermogentheyd, verleende hem in diennbsp;tijdt.
Niet e'nevoetilap lands, nogtans, door zugt gedreven ,
Deed Hy beloftenis, en fprak; Ik zal u geven ,
Dit grooteen vrugtbaar land; opdatuwlighaams-zaad,
(Schoon gy zyt kinderlos) met magt, den grond bellaar.
Ook zal u nageflagt, nog onder vreemde daken,
Ten öuytzijns vyands zijn, die hen zal dieiiftbaar maken.
En (heng mishandelen, vierhondert jarenlang. Dogh, Ik de Almagtige, die alles in bedwangnbsp;Kan houden, zal intende, hunne onder drukker-ftralFen:
Zo zal mynhand aan hem , regtvaardig regt ver-fchaflën.
En uw gezégend zaad, zal My ten diende ftaan.
Dus heeft Godt, Zijn belofte, aan Abraham gedaan, Die llaak gewan- Den welken door, Godts zegen.nbsp;Na Zijn beloftenis, ook Jakob heeft verkregen,
Die
-ocr page 65-treurspel Sf
Dietwalif^onen, heeft in vrugtbaarheydgeteelt j In Welker hert, de nijd, heur hooft rol heeft gcfpeelt;nbsp;Wanneer ze uyt bittren haat, hun broeder, flaafs ver-kogten,
Aan vreemde reysren, dieheminEgiptenbrogten, Daar Godts befcherminghem, zorgvuldig heeh behoed.
Du s heeft Hy hem verloft;, uyt al zijn tegenfpoed. Des wierd hy aangenaam, in de ogen van den Ko-
Te Memfis in het hof. Dees gaf hem, in zijn woning Hetgantfchehuysbewind , en fteldentinzijn hand.nbsp;Nu qwameen hongersnood, door heel Egiptenland-Jazelf, in Kanaan,qwam fchaarsheyd in het koren jnbsp;'Zo dat de A ardsvaderen,geen fpij fe, na horen,nbsp;Genieten konden ,dogh, als jakob wierd gezeyd:nbsp;Dat in Egiptenland ( door s Landvoogds wijs be-leyd)
Veel graan in vootraad was, zond hy zijn zonen henen.
Maar, indetweedereys, wanneer zeer weer ver-fchéneu,
Maakt Jofef, endlyk zig,fynbroederen bekent:
Die hen gefamentlyk, om lijnen vader fèndt:
Den w eiken overq wam .met v yfmaal v ij ft ien zielen. Die in het ende aldaar, door t fterfflot neder vielen.nbsp;Dogh,t dorre, en koud gebeent van jakob. Codesnbsp;knegt,
En zij ner zonen, zijn in xVbrams graf gcicgt,
In Kanaan. Wel eer gekogt van Hemors zonen. Maar, als Godts volk vermeerde, inland, door tnbsp;lang bewonen,
En dat den tyd (die Hy aan Abram had belooft) Genaakten,kreeg me in t land,eenander opperhooft-Een Koning, die den dienft van Jofef, niet erkenden.nbsp;Dees was een roede Godts, in Iftaëls ellenden.
D 4 nbsp;nbsp;nbsp;A\''icn$
-ocr page 66-fö STEFANUS.
Wiens bozedwinglandy, vol wrede lifligheyd,
Godts volk mishandelde, door zwaaren arrebeyd.
BcnefFens een bevél, te wreed voor rygerdieren,
Of ander bofchgedrogt, hoe fcheurziek van manieren,
Dewijl zeer kinderen, hun lieve lighaams vrugt.
Weg werpen moeften, agh Idemoederlykezugt,
Te veel gevergt. Dit was' om Jakobs zaad te fmoren.
In déze onmenfchelyke ecuw, wierd Mozes juy ft geboren.
Deez was uytnémend fchoon, en wierd terfluykgevoed.
Drie maanden lang, inthuyszijns vaders : wiens behoed
Hy endlyk derven mocft. dogh, buyten het vermoeden,
Qwam Paroos dogter, hem, zorgvuldig op te voeden ;
Des wierd hy,wijsgeleerd,inwetcnfchap enkunft.
Na veertien jaren tyds, dreefhem zyn zugt, en gunft.
Totzynebroederen, en ziende een onregtlyden,
Befchermde, en wreekten hem, meternftig tegen-ftrijden;
Zo dat hy met zyn hand, verfloegde Egiptenaêr:
Met oogmerk, dar zijn volk, dit zoude merken : Maar,
Zy hebben t niet befeft,dat Godt hen, door zyn handen,
Verloflen wilde,van hun harde, cn flaaffche banden.
Hy qwam des andren daags, ter plaats, daar twee Hebreen ,
Juyft waren ingevegt, cn heftig handgemeen,
Des fprak hy ze aan, enzey ; laat af van zulke we-gen;
TREURSPEL.
WMr op den énen fprak (vol onregt, en gewelde) ¦ Wie heeft u over ons intrigter amp geltelt?
Of tragt gy my, gelijk de Egiptenaêr, te doden ?
Op zulk een ernllig woord, is Mozes dan gevloden En wiet d een vreemdeling, in t land van Midian jnbsp;Daar hy,by Jethroos kroolt, twee zonen noggewan.nbsp;Dogh,na een gantich verloop,van volle veertig jaren,nbsp;Qwamzig, een Engel Godts ,aan Mozes openbaren,nbsp;'1'e Horeb aan den berg, in éne doornenbos,
Gelijk een vlamme vuurs, Alaak uwe fchoenen los. Riep s Héren donderlfem, jpen Mozes t vuur genaakte,
Ik ben (ïprakGodt) die theyl der Vaadrenoyt bewaakte.
Ja ik ben Abrams Godt, deGodtvanlfaak ,
En Jakob. Des hy beefde,en bleef terug Godt fprak: Ontbind gezwind,en flux, de zolen uwer voet m ,
En wilt me, met ontzag, eerbiedig dus ontmoeten; Want déze grond des lands,is heylig,daar ge op ftaat.nbsp;Ik heb met ernft gezien, het overfchendig qwaadt,nbsp;Dat aan mijn volk gefchied, in t Goddeloze Egip-ten,
Deskoomlk nederwaarf, opdat ik u uytklpten, Toteenverloffer , van dit Abrahams geflagt.
Dien Mozes (eertyds van het Joodfche volk veragt) Heeft Godt)tot opperhoofd , aan Ifraël gezonden jnbsp;2o dat ze door de hand, Zijns Engels, waarlijk vonjnbsp;den,
Een uytkoomft hunner fmert. Hy heeft hen uytgc-leyd,
Door wonderteeknen , inEgiptenland verfpreyd. EnindeSchelfzee.en in t woefteder woeltijnen.nbsp;Dien man, die eertijds fprak; Godt xalu doen ver-fchijnen,
Uyt uwe broederen, een Hey land, my gelijk, Dienzultgy horenj op dat Zijn vermogen blijk..
D 5
-ocr page 68-f3 ' S T E F A N U S.
Ja dezen Mozes is t, die onder de Ifrelften,
In t dorre, en woeft gebergt, de Godtfpraak qwam genieten:
Daar de Engel des verbonds, hem gaf op Sinaï,
Het levendige woord, voor onze vaadren j die Hem gantfch verwierpen, en verftieten. en veragten.nbsp;En keerde weder , met hunne herten engedagten,nbsp;Naa tafgodsdienftig land. het land der flaverny.nbsp;Des fprakenze Aron aan; koom, voeg ons godenby.nbsp;Die voor ons héne gaan.Wy zyn door vreez gedrevenbsp;Wat Mo7,es is gefch ied, en waar hy is geblevennbsp;Des, maakten zy een kalf, en eerden t Goddelijk,nbsp;Met vreugde, en met gejuyg. Maar, de Almagt,nbsp;toonde blijk
Van deez gevoeligheyd; Zo dat Hy Zijn genaden, Te rugge trok, en liet ze in Goddeloze daden ,nbsp;Verblind voortwandelen , in veele afgodery.
Zy dienden Zon, en maan; ent nagtgefternt, die zy ¦ Dewijl hunnherte, en ziel zulks meer dan Godtnbsp;begeerden.
Gelijk gefcUreven (laat) verftokt, afgodifch eerden. Hebt Gy me in t woeft geweft, ó Ifraël 1 geheelnbsp;Van herten regtgedient.' óneen! integendeel,nbsp;Droeg gy den Mologhstent, en Remfan, in hetnbsp;midden
Van uw vergadering, en qwaamt hen aan te bidden , Derhalvenzaliku (iprakGodt) aan deandrezy.nbsp;Van Babel voeren, in een wrede flaverny.
De hutte des belcheyds, (ó Ifrelitfche mannen 1) Isindewoeftyny, intopenbaar, gefpannen.nbsp;Voorde Abramiten ,door het Goddelijk bevél,nbsp;AanMozes,Godts gezant,naa tvoorbeeld,engeftél:nbsp;Gelijk hem was getoont: den welken , in die dagen»nbsp;Van onze vaderen, zorgvuldig wierd gedragen,nbsp;Door Jozu3,in t land, der Heydenen bezit;
Die Godt, doorZijnen arm verdreven heeft. En dit inbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Hield
-ocr page 69-T R E U R S P t I/. S9 Hield ftand,tot Davids tyd, wiens hertelijk begeren,nbsp;Was , ora den groten Godt, een woonplaats te ver-éren,
Dogh,Salomon heeft ons, dat wondcrftuk getoont. En Gode toegewijd. Maar,de Allerhoogften v o- ¦nbsp;Kiet onder Tempeldak, gemaakt door menfcht-handen.
Den hemel) s Zijn troon, enalledeaardrijkslanden, Zijn Zijner voeten bank.Nu,welk een woning {zegtnbsp;De Almagtige) zou My hier Avorden opgeregt gt;nbsp;Want ben ik zelver niet,den maker aller dingen ?
O! gy hardnekkig zaad. Gy wederfpannelingen. Gy zijt, en blijft , aan herte, en oren , onbefneén,
'En wederftreeftGodts geefl:;gelyk uw vaadren deên. Wien hebt ge niet vervolgt,van al de Godtsgezanten,nbsp;Die Jezus teylkoomfl, in uw ziele wilden planten ?nbsp;Maar,dien Regtvaardigen(ó! grouwel ongehoort.)nbsp;Die hebt ge uyt haat,en nijd,verraden, en vermoordt.nbsp;Gy die Godts wet, door dienft der Englen, hebt ont-fangen,
Vertreed den zelven, door uw Goddeloze gangen. ^NN. Ditsonverdragelijk, ó! duldeloze fpijt.
Dit is een laftring, die door herte, en nieren fnijdt. Ka.t. Gy boozv.'igt,rnoer uw tong. Joan. Zijngal-drifc is nulopent.
SxE'F.Ik zie de heemlen,enGodts heerlykheyd geöpent, En Jezus, ftaande in glans,aan Zijne regterhandt.
A LEX. Men help,dien laftraêrGodts, (legs drijvende aan een kant.
Weg! met dien fchendtong, weg 1 eer de aard hem inkoomtzwelgen.
Ann. Gy héren,zulk eenhoon, ftaatGodt,enmenfch te belgen.
Ga.M.Grootagtbre vaderen, Godt geeveu heyl, en vree An.s. Hy zeegene uwen weg. Kaj. Dit wenfcht unbsp;Raifas mcênbsp;nbsp;nbsp;nbsp;^He binnen uytgez^ndert
-ocr page 70-ANNAS KAJAFAS.
Ann. XT U loopt de zaak te hoog.Nu is t te ver gc-X\| komen.
ó Ongelukkige eeuw ! dietftoutfte hert doet fchro-men.
Zij n dit de vrugten, van te flap zij n in t gerigt ?
Zo ftaat een huysvoogd, met een doodbleek aan-gezigt,
Wanneer hy eerft,een vonk,of niet.ofweynigagtten;
Waaruyt, een k eyne vlam geboren wierd, wiens kragten,
Allenx,aangroeyden ; zo dat endlijk onder een.
Een dikken rook, cnvlamflaat, doorbet huysdak heen,
Waardoorhyt, tot den grond, onblufchbaar, af ziet branden.
Zoeven, naakt ons nut verderf, volfchaade, en fchanden.
K A j. Indien men mijnen raad, had waardiger gefchat,
(.Toent nog was tijds genoeg) en niet verworpen hadt.
Of agtelcs verzuymt, zo had men déze qwalen,
Nu niet, tot onz verderf, ons op het hoofd zien dalen,
A NN. Wie ist, die in den Raad, uw woord oyt tegen-ftreed ?
K A j. Dat is Gamaliel, gelijk gy zelver weet, fden.
Ann. Hy heeft den Raad flegts tot omzigtigheydgera-
K A j. Zo kan men, door de lift, eens anders raad verfmaden.
Ann. Wel waarom heeft uw raad, zijn raadflag niet belet.?
Kaj. t Is vrugtlos als een [tong den Raad heeft omgezét,
Wat
-ocr page 71-Wat kan een Farizeeu, door lift, niet onderkruypen?
Wanneer zijn gunftbejag,door ftil,bedektlyk kuype,
Weet de andre méderaên, te trekken aan zijn rang;
Waar doorhy met zijn ftem,verkrijgt de bovenzang;
Zodat, wanneerhyfpreekt, elkdeorenopkoomt fteken,
En ftemmcnt toe, als ofze een Godtfpraak hoorden fpreken.
Ann.Indien de tong,van zulk een man,zo veel vermag,
Wat feylt eraan de mond, vant priefterlyk gezag ?
Zoeven, moet meonz ftreng, met hand, en tand be-houwden.
Watiscrdatmennietde geeftlijkheydbetrouwden;
Wanneer men t llegs vernift , met éne Godtsdienft-fchijn.
Want dog, de werreld moet, ja wil, bedrogen zyn.
K A J. Dit zou tGodtvrugtig volk des wets,te rug doen deynfen.
A N N. 6 Neen ! t is Priefterlijk, voor t domme volk teveynfen;
Op dat men ze eerft een priem, door t willige ore boor,
En endelyk, een ring fteek in erneus : waardoor
Zy worden omgeleyd, alsmagtlooze overheerdcn;
Zo dat het kerkgezag,dan krijgt,tgeen zy begeerden.
Want,t is van ouds geweeft, entis ook heden nog:
Geen wiffer breydel, dan geweld, en ftil bedrog.
EenPrieftcr, laafden grond zijns herts, zo ligt niet peylen.
Men moet, op zulk een wijs, dien hoek tc boven zeylcn ,
Ofanders, t legt er toe. en t is met ons gedaan.
A J. Wel aan!gy hebt gelijk, indien men wil beftaan,
Tenvuur, en zwaarde, om hen, uyt Goftesvolk te wéren.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;ffchéren.
gi STEFANUS.
Zo raakt het Joodfche land,gezuyvert,met der tyd En déze Godtilad, van dit fiiood gefpuys bevrijd.
Beydebinne».
AGh! die nu mogt, als ménig held In t zégepralende oorlogsveld,
Den blanken degen voeren.
En zitten op een moedig ros ,
Voorzien, met helm, en vederbos.
En op den vyand loeren,
Gewapent, met den lans, of (pies;
Terwijl me op krijgsbazuynen blies.
En fterke légerbenden,
Zag vallen op den vyand uyt.
En met een rijken zégenbuyt,
Dan juyghende, herWaards wenden,
TEGENZANG.
O Ja! want zulk een krijgstogt waar, Veel veylger , dan in dit gevaar,
t Onenig Hof te hoeden,
Voor plondering, en ovefval,
(Zoo
Wijl t lighaam van den (laat, nu al Gereed, begint te woeden.nbsp;Hettweefpaltvuur, in Hof, en Kerk,nbsp;Onlftéken; zal nog tot het zwerk.
-ocr page 73-(Zoo t eenmaal door koomt breken ) Met vlam, en rook, de gantfche lugt,nbsp;Vervullen. Wie zal, met de vlugt,
Zig ergens dan verftéken.
HEt groot gezag der bréden Raadt,
Die Salems rigtbank, hier beflaat,
Zal dit verderf wel weren.
Hoe gelukkig is een ftadt,
Voorzien, met zulk een waarden fchat,
Der wyze Voedfterhéren.
Jerufalem! 6 swerrelds pronk!
Wiens glans, van ouds, in de ogen blonk j Der vreemde ftédelingen,
^ang leefde wijsheyd, en de trouw,
Des Groten Raads, in dit gebouw )
Noyt ramp moet u befjsringen.
gordijnen nedergehu zijnde, wrd het Ttnsel vertndert *n zijn vorigenftand.
F I L I P P U S.
ZUlt Gy de moetwil Heer ! aan Uw geliefde kin dren,
Onëndig dulden?en noy t door U w magt verhindren ? En t bluetvergieten (c welk van Abels tyden afnbsp;Geduurt heeft nimmermeer beletten, door uw ftraf?nbsp;Moet 2ulk een bloedllroom dan, nog over uwennbsp;akker,
Heen vloeijen ? groten Godt ? en word gy nimmer wakker,
Om tegeniland te doen, als oft U geenszins raakt ? Waar loopt mync yver heen ? wyl Hy, die t al be-vvaakt,
Door nauwe toeverzigt, op aljes koomt te merken. óJa!dienHeyligen,isheyligiii zyn werken ,nbsp;Regtvaardig, W7s,en goed, zorgvuldig, en ge rouw'.nbsp;Diezyne kindren tugt, op dat Hy hen benouw.nbsp;Maar agh ! hoe kriinc my c hert! hoe fchudden alnbsp;myn leden!
Hoeis myn ziddoorfneên,doortvolks uitfpoorig-heden,
Geplcegt aan Stéfanus! ó! welk een bittren haat, Heeft t graauw op ons gelacn, hoe woelden t langsnbsp;deflraatl
Hoe krielden t onder een! hoe heftig, en hoe vinnig, Stoof elk van t Raadhuy s af! hoe razende, en ontzin-
Wierd Stéfanus gefleurt, gelyk een weerlos lam ! Geflingert, en geplukt !hoe fpoogelk vuur, en vlam!nbsp;Hoe wierd dien vroome, als een derfnoodfte lotgenoten,
En
Mishandelt, engefoolt, geflagen, en gefloten
-ocr page 75-T R E 'U R S P E L. 65 En jaminerlykgcfleept'.toyflyk, dat mynhert,nbsp;By na vvierd ov^ rdelpt, door diepgevoelgefmerc.
Jn! dat ik myn gezigt, qwamendelyk te verbergen, Voor deeze oiimeiifchlykheid. Laat Gyudan dus
tergen,
Regtvaardig Godtivan dit ontdart, en wreed gellagt; E^at na der vromen bloedt» bloeddorftig fnakt, ennbsp;tragt ?
Zal zulk een euvelmoed, U endelyk niet verdrieten? Zal uw geheiligt volk, niet eenmaal ruil genieten?nbsp;Wat zeg ik ? ruft ? ó neen ? zo lang dit leven duurt,nbsp;Word hier een Khrillen, niet dan onruft toe geftuurc.nbsp;Zyn droevig levenslot, is leed,enfmerte,enpync.nbsp;Zyn brolTche dagen, zyn een wandling der woe-flvne.
KceftMoze;, Godes knegt, met onze vaadren , niet. Wel veertig aren lang, gezworven in verdriet,
In kommer , angft, ennood, wanneer hemaan qwam randen,
Den ftrijdbren Amelek en andre Godts vyanden ? paar na was t,dat de Heer,om hun gemot,in t rond,nbsp;Een fel verterend vuur, in Ifrels léger zond.
Ook ftraft er Godt, om hun onmagiig qwakkeléten.' Nu floeg Hy zcmetdorfl, en dan door flangebeten.nbsp;Al deeze el lendigheid heeft Mozes ziel door fuecn ,nbsp;zynenwandelweg, vol wederwaardigheên.
Zou dan een Khrillen niet door fcherpe ddrenwe-p.gen.
^¦er wandelen op aarde,eer by hem werd verkregen, ^et hemels Kauaan, wiens (land onèndigis,
ijevryci voor wee,en agh?dogh, welk een duyflernis, N op der Joden ziel, en (lénig hert gezonken!
eertyds,in Godts ooge, als morgen darren blou-y ken,
nu gevallen, als wel eertydsLu9ifer,
Zyn verwaten hoop, teudoempoel. ja'zo ver Lnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;¦ Wvkt
-ocr page 76-66 nbsp;nbsp;nbsp;S T É F A N U S.
Wykt Godt van hen , die Hem, en zynen Zoonbe-Itreden,
En bits vervolgden, in zyn heiige medeleden. ! Wantditiszekerlyk, dat Hem, der vromen bloed,nbsp;Iskoftlyk inZyn oog. Weeldan,die dus verwoed,nbsp;Onmenfchlyk , fel, en wreed, God is kinderen benauwen.
Hy zal heiir endelyk, uit hun vervloekte klauwen V erlolïen, en Zyn boog, met dodely k geweer,
1 oerulten, ten verderf, en fchieten hen ter neer,
Zo dat ze in eeuwigheid, verdelgt zulL n bly ven. Getrouwe Godt lay! wiltt Geloof der Khriftnen ftynbsp;ven j
Dat s vyands magt,noyt heur ftandvaftigheyd door-priem.
Steek Stéfanus een hert dogh onder zynen riem; Opdat hy niet bezwyk , in déze tegenheden.
Wat hebt Gy veelmaal vooruw heyligen geftréden. Dit bleek aan Daniël. Ook heeft uw hand behoed, nbsp;Het drietal Jonglingfchap, in s ovens héten gloed:nbsp;Zuzanua, de eerbre vrouw, volkuysheyd, heeft bevonden ,
Hoe uwe magt,aan heur, verloffing heeft gezonden.
En immer is uw hand,op heden, niet verkort.
Maar agh! mynHcer! myn Godt! hoeofmyn ziel dus wordt
Beroert, en omgevoert,in kommer,anglt,en vrezen!
6 Broeder Stéfanus I hoe mag t dogh met u wezen ? Hoe littert,en hoe beeft, myn teer gevoelig hert ?nbsp;Wantuwefmert(óvriend!j ismy eendubblefmert.,nbsp;Ik vreeslik vrees! wie weet, wat hem is wedervaren»
Onderwijlen komen nf
Pk.0'
-ocr page 77-67
treursp:el
pROCH.'^O toont dantjoodfche volk, tigllimnler ^ dan Barbaren.
N 1 K A. Ja! flimmer; wijl hunne aart, by tygren opgevoed , nbsp;nbsp;nbsp;'
De wreedheyd overtreft) van al het dol verwoed ,
Scheurzieke bofchgediert. Fil. Hoe klopt myn angfiig herte!
T iM o. Getrouwen Stéfanus ! moert gy in zulk een fmerte,
Uw leven endigen ? PARM.óWreedheyd al tegroot!
Fil. Wat zegtgy broederen,is onzen hals vriend doodt?
Pa RM. Indien men het gerugt, dat door de ftad gedreven,
Zig wyd, en zyd verfpreyd, een vaft geloof moet geven.
h 11.. Zo ist met onzen vreede,en ruft geheel gedaan.
WGar hebtgy.cn van wien.dit m jordgerugt verllaan?
P A R M. Twij 1 we op de grote markt, byt Roomfehe regthuys wandlen,
Enmet Elkandcren,vaneenge zakenhandlen,
Roomt van de Breèftraataf, een fchrikkelyk geloop;
Wy V oegen ons, met fchroom, by dien verbaasden hoop ;
Uyt v.'ien wy haart verrtaan, het overbitter lyden,
Fn rterven onzes vriendstwy wyken voors terzyden,
En gaan, op dit gezég, terftond uyt s volks gedrang,
Vol fchrik, en droefheyd ; met een hertelyk verlang:
En hoogbegérig,omuweaangezigt te ontmoeten.
Jt'. Moert gy,*deesrédenltrijd(óyvraêrGodts) dus boeten 1
Wat heb ik u met ernft, dien aanflag afgeraên.
fig S T E F A N U S.
Wat heb ik u gefmeekt,om hun geweld te ontgaan. Maar neen! twas dogh vergeefs, uwcyverwastcnbsp;vurig.
Pr oc H. Filippus.tis aanu,ook kenlyk,hoe gedurig, Ik hem gewaarfchouwt heb, voor hun bedekt ge-weidt.
Jalk heb hem naakt,en klaar,zyn ondergang gcfpelt; Want wyl ik hunne lift, en bitter herte kenden,nbsp;Vóórzag ik dat zyn ftand , rampzalig, dus moeitnbsp;enden.
En evenals ikt werk , hebbe ingezien, zo is Zyn ondergaivg gevolgt, tot onzer droeftcnis.
Fil. Wat was dien guldenmond, aanminnelykint
fpreken.
Ni KA. Wat wilt hy, Godtsgemeent, lieftalig op tc qweken,
Ilivio. Wat was hy trooftrijk, voor een diepbedroefd^ ziel.
Farm. Wat toonde hy trouwe hulp,als énig lid verviel, In armoede,of gebrek,ofziekte, of andrc noden.nbsp;Wat heeft hyménigmaal,zynhulpdienftaangeboden,nbsp;En willig uytgevoert, metkragten, of met geldt,nbsp;Of met vertrooftingen, na dat hy t vond geftelt.
Hy heeft zulk niet ontzien,by dagen, nog by nagten. Waar van de Prifteren,heur zelfs wel zullen wagten;nbsp;Want waar een zieken, laatverzoeken hun gebeên,nbsp;Daar fturen zy wel fijn, heur kranketrooftren heen-Maar, voor den aItaar,om t geméfte vee te Aagten ,nbsp;Daar zyn ze grétig by,met al er gantfche kragten;nbsp;Want als het offerfmeer, is door de vlam verteert,nbsp;Dan blyft het befte deel, aan hunne difch vereert.nbsp;Fii.Parménas,tiseenvolk,die ( zo het fchynt) üegSnbsp;leven,
Om ftaag te hebben, en om nimmermeer te geven. Want,waar een rijken,opzyn zielverfcheydenleyt.nbsp;Flux zynze omtrent zijn bed,met alle vlytighcydt,
treurspel. 69
En lellen hem aan t oor; tot dat zyne erfFenifFen, Hem opgedragen zijn, al zouden t zulke milFeri,nbsp;Die arm, en wettig zyn, en daart wel duyzendmaal,nbsp;Waar beter aan belleed. Pr och. Dit fchreeuwt voornbsp;de opperzaal
Des Alderhoogftens,daarZiincEnglen over zugten.
NiKA.Prochorus, dat is waar. dit zyn de boze vrugten, VantfnodePrillerdom, tgeen Godt, fchijndien-ftig dient:
Waar doort nog ménigmaal, de groote krijgt te vriendt,
Wiens jeukende oren, zy met hunne tongen (Irélen,
Timo. Kan zulk een fchyndeugd dan, de groten niet vervélen ?
Fil.6 Jaltverveelter wel, maar niemand iszokocii, Die hunbedriegery ,hier wederftand durft doen.
Dus leert mcn,wat et zy te veel gezag te géven,
Aan t kerklyk altaarvolk,die nimmer kunnen léven, In ruft,en vreê, ten zy, heur heerszugt word voldaan;nbsp;Al zou het gantfche land, het onderll boven flaan.nbsp;Ueen flimmer landgefchil, dan daar men wil ge-hengen,
«Jat zig de geeftlykheyd , koomt in den Raad te mengen.
t Waar beter,dat dat volk, zig hielt by hunne leeft. En dagtenbyer zelfs :t isdoghvan oudsgeweeft.nbsp;Dat de Almagt de overheyd, hier fteldeals Goón opnbsp;aarde:
Daar wy als Englen zijn,in minder ftand, en waarde. Indien Jerufalem eens regt gezuyvert waar,nbsp;Vandézepeft; zoleedde Khriftelyke fchaar,
Nu dees vervolging niet; want waar zig de Over-heden,
' quot;smoeyen in t gerigt, daar weegt de fchaal na reden, ¦En aüe billijkheyd. daar word het regt verfchaft,nbsp;Aan t Vroom opregt gemoed, en t qwadc fcherpnbsp;gefttaft.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;E 3nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Daar
-ocr page 80-Daar mag des Heren volk,geruft,en vry vernagfen, In digte lommerfchauw,der werreldlyke magten;
Twijl elk zyn wijnftok plant,en mcft zyn vijgeboom. ó Zalig! daar Godts volk, dus leeft bevrijd vannbsp;fchroom.
Dogh, wijl Hem dus belieft. Zijn kindren tcbe-proevcn, J
Zo laat dit,onze ziel, niet mocdelos bedroeven.
Een Khriften neemt voor lief, t bezoeken Zijner hand.
Men wijk, van ftad, totftad, men vlugt, van land, tot land;
Op dat, door dit vervolg, het Khriftenrijk vcrmére. En door het land verfprey , de Büjdeboodfchap lére-Zo word des Heylands naam, bekent,in t algemeen,nbsp;En dringt,door dit gevolg, door alle landen heen.nbsp;Des,wyk ik dan, als een van Jezus woordgczanten.nbsp;Naat groot Samariën, omdaarzijn leer te planten.nbsp;Een ander, neem zijn vlugt, of in het Grieksgeweft,nbsp;Of in PamfiÜën. of Cypren,zoo them beft.
Of nutft,of nodig dunkt; omt woord een weg tc banen.
Men kies Fenidën, of reys nadeltaljanen,
Of andre landen, totaans werrcldsuyterftc endt; Daar t volk in blindheyd leeft, en Khriftus naan^nbsp;niet kent.
Farm. Zout ons daar veylgerzyn, dan hier, byt volk der Joden,
Dat Godes wondren kent. daar t wetboek der ge' boden,
By is beruftende; waar tegens t Heydens rot,
V erduy ftert,geenszins weet, vanGodt,ofZijn geboftt' r IL. Men zou een Heyden, eer ter GodtsdienftdoeOnbsp;gewennen;
Daneeii, die Godt wel kent» maar nimmer wil ét' kennen.
Qc'
-ocr page 81-TREURSPEL. nbsp;nbsp;nbsp;71
Genadig Heer! behoed uw heylig Khriftlijk Zaad, Dat in benauwtheyd zit. Weeft Gy hun toeverlaat.nbsp;Maar agh!mijnStéfanus!hoe fmerten ons uw rampen!nbsp;tZy dat ge zijt ontzielt, of met de dood moet kampen,
Godt voere uw ziel ter ruft,inAbrains vey Ige fchoot. PRocH.Daar koomt,ter regtertyd,oiis medelotgenoot.nbsp;6 Dien getrouwen! die het Heydendom verzaakten,nbsp;EnIfrêlsGodt aan hing, en zotot Khrillusraakten.nbsp;Hoe bleek is zyn gedaante? hoe vol fchijntzyn ge-moedt ?nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(gegroet.
L. Weeft welkom waarden vriend. Zyt hertelijk Onderwijlen koomt met eennbsp;droevig aangezigte uyt
T/ Wenfeh u gezamentlijk , in dees bedroefde dagen,
Den vréde Godts. Maaragh! aghfténen! heiprae klagen,
En wénen,over t leed, aan Stéfanus gefchiedt.
VerVloekte grouweldaad, tot jammer, en verdriet! Der Khriftelijkefchaar-. O ongehoorde wreedheyd ,nbsp;Wiezag oyt in een beeft, zulk een bloedgierge heet-heid ?
EIL. Zo hebt ge al mee gehoort, t geen dus ons ziel benouwt.
NiKo.Jalniet gehoort alleen,maarfelveraangefchouwt ^ IL. Indien gy t magtig zijt, met woorden af te malen;nbsp;Zowiltonszijnedood, vanftuk, totftukverhalen;nbsp;Updat men weet, hoehy zijn loop geëndigt heeft.nbsp;En ofhy manlijk ftierf, gelykhy had geleeft.
IK o. Men zag, in t minfte.geen verbeyftring in zijne
72 S T É F A N U S. ¦
En fcheyden van de zaal, derhooggeagten Raadt 5 ZoWierd hy int gedrang, des woeften graauwsnbsp;langs ftraat,
Mishandelt, en gefchend, gefloten, en geflagen, Gctrokkenby het haar, daartifrels oudflen zagen;nbsp;Die met een bly gelaat,vaft groeyde in zulk verfmaêiinbsp;FI L. Dit heb ik rneé gezien,en ben voorts vreg gegaan;nbsp;Uyt vteez voorlyfsgevaar. Maar dogh, hoe ging httnbsp;verder ?
Nik o, Mijn waarde vrienden. Agh ! t wierd langer
hoe vewerder.
Want waar de reedloozheyd , beheerfcht, t veelhoofdig beefl:
Daar word geen qwaad, hoe groot, voor Godt,nog menfeh gevreeu.
Daar word, door blinde drift,de moedwil langs hoe grover.
Men liep flux van de markt, de Brédeflraat, dwars over,
Tt)t in de Jebusflraat,voor by den Schouwburg heen. Hier qwam een weynig flilte, als hy met deze reen,nbsp;Zijn heylge mond ontiioot, en fprak: gy Ifreliten,nbsp;Krijg eenmaal inkeer, van t onfchuldfg bloed vergieten.
Bemors uw handen, dogh niet langer met het bloed. Der heyligen, gelyk uw vaadren; die verwoed,nbsp;Door blinden yverdrift, heur eygen leed bewerkten ,nbsp;Dogh, eer zy t flotëynd van zijn reden eens bemerkten,
Ontflont een flcmgefchreeuw,gelyk een wapenkreet. Der oorlogsdrommen, die bloedgierig flaangereedt,nbsp;Met uytgetogen zwaarde.elkandre op t lyf te vallen.nbsp;Elk vloekte,en Icholt hem. Doghjden mceflen hoopnbsp;van allen.
Riep: weg met déze pelt. Hy laflert weer de flam Van onze vaderen , het zaad van Abraham.
Daar
-ocr page 83-Daar ging t weer op een woén, met plukken, fcheU' ren, ryten:
T erwij 1 de Schriftgeleerde, op hunne tanden bijten; Waar door t geméne volk, op nieuws, word opge-.nbsp;ruydt.
Dus valt men dan verwoed, ter jebuspoerten uyt j Zo dat dien bittren hoop, der blinde duyfterlingen,nbsp;In onbefuyzden moede, elkanderen verdringen,
Ily na tot zwijmens toe. Is iemand zwak ter been, Die word,in zulk een drang,vertrappelt,en vertreén.nbsp;Dus wierd dan Stéfanus, in t end, ten langen lellen,nbsp;GeOingert en geüeurt,tot buytenSalems vellen,
Int vlakke Lijkdal, aant begin des oofterdeels; Het welk zig uy tftrekt tot den berg des bckkeneels.nbsp;Een boogfeheuts lcngte,vanjeruuflems torenwallen.nbsp;Lag een verbroken muur, door ftormwind omgevallen :
Hier is dien wrédenhoop, eendragtigblijven Haan; Dewijl nu elk,na wenfch,zijn bloeddorll kon verzaén.nbsp;Flux de opperk leedren af. en op het vlak der aarden,nbsp;T er neer geworpe, daar ze een Jongeling bewaarden.nbsp;Een Tarffer-iln verlland, fcherpzinnig, vlug,cn fnel.nbsp;Een ondcrwijzling, van den man Gamaliel,nbsp;DenRaadsheer in denRaad,die een der rigterftoelen,nbsp;Aanzienelijk bekleed. Nu ging het op een woelen;nbsp;Wijl elk ter puynhoop liep,en Hénengreep.Ikfchrik,nbsp;Terwijl ik dit verhaal; hoe in een ogenblik,
Dat wérelolle lam, llont in een ring befloten,
Tan zo veel wolleven, met open muyl, en poten.
En zag de bleke dood, voor ogen, onbevreeft;
Wijl t (lénigen begon. Des riep hy; wilt myn geeft, (Heer Jezus) in uw rijk , genadelyk ontfangen.nbsp;^etvielhy op zijn kniên,metonverbleekte wangen:nbsp;Terwijl een hagelbuy van Hénen, op hem vloog.
Dy (lak zij ne handen op, en hieft gezigt om hoog. En uyt een liefdezugt, heeft hy zijn ftem verheven:
74 S T E F A N U S.
Heer! wilt er dit bedrijf (zoo t wezen kan) vergevet Eizrékenhen niet toe, dit overfchendig qwaad.nbsp;Ontzondig beur van deez vervloekte grouweldaad.nbsp;Pus bad hy j twijl een zwarm vanfténen, doormal-kandren,
Zijn lighaam trof. Men zag zyn wezen heelveran-dren;
Zodat hy bleek befturf, terwijl hemt bloed af liep, Ter wonden uyt; tot dat hy neêrzeeg, en ontfliep,nbsp;Maar elk voer voort j dewyl hun gal niet was te lluy-ten,
Dogh, endlyk zag men dat hy de ogen qwam te fluy-ten.
Toen reez er juyghende, een geluyd, in t algemeen; Zo dat de nare galm, klonk door het Lykdal heen.nbsp;Nu fchoot elk na hem toe, ( wiens ziele zou nietnbsp;gronwen: )
Om dit vermoorde lam,metblydfchap aan te fchou-wen.
Daar lag dien lijder Godts , gewentelt in zyn bloed. Wie fchrikt niet voor des volks, doldriftige euvelmoed ?
De woede razerny, der teelzieke Elefanten,
Is zo gevaarlijk niet, dantreedlooz tegenkanten, Der hollende gemeent:daar nydzugt t hert beweegt'nbsp;Voorts wierd hun wreedheyd, aan t vermoorde lyknbsp;gepleegt.
Men fleepte hem langs den grond, met vloekken.en met tieren.
En riep: dus kan men beft der Kriftnen lykpragtvie^ ren.
en
En
Ja! de ongebonden jeugd, geneygt tot alle qwaad, Befpogen t dodelijk,tot hoon,enfchemp,en imaad;nbsp;Want al waar de ouden zyn, in bloeddorft, onver-zadig ;
Daar q weekt me een boze jeugd, moedwillig baldadig.
-ocr page 85-En Saulus groeyde hier in; dewijl t hem wel geviel.
Zoveel vermag de drift, in een mislydc ziel,
Enandre, in tégendeel, met innig médedogen,
Befchouden tfchouwfpel aan, met tranen in hunne ogen.
Jaxelf, hetHeydendom, datGodt,enGodtsdienft haat,
Zagt aan met deernis,en verfoeyden zulk een daadt.
Deés wreedheyd duurden dan, tot dat;elk dus, in t ende,
( Door t woeden afgemat) zig weêr ter ftadwaarts wende,
Vernoegt,en wel gemoed. Nu had men uyt gewoelt.
En elk had fzo het fcheen j zyn booze lult gekoelt.
Dus was t uyt ënde dan, van zyn rampzalig leven.
Dogh, zalig na de ziel. F i L. Mijn gantlche leden beven,
En fittren vant verhaal. Nik o. Treft dit u dus in oor.
Denk, hoetmydrukten; want tgezigtgaat voor t gehoor.
*'11.. Wat dreef u,dat ge uwzelfe, dus int gevaar . qwaamt Heken ?
1K o. De liefde, en yver werkt, meer dan men uyt p kanfpreken.
*'11-. Mijn trouwen boezem vriend! zijt gy dan dus verreyft ?
Eerwaarde broederen , fchep moed. Detydverëyft
Geen uytftel, om het lijk, ter aarden te beftellen.
ZijnzieliSjdaarnognijd,nogftrijd, hem zullen qwellen.
^ '¦ Zoete, en wifTe ruft, der zulke zaalge doón.
^ie duSjiu Jezus fterft, beërft des levens kroon.
7(r S T E F A N U S.
R E Y van ENGELEN.
WElk een heerlijk lot,
Is dien uytverkoren,
Van den groten Godt,
Na zyn dood befchoren;
Wylzyn levens loop,
Met een ganfch vertrouwen,
Door een vafte hoop,
Op zyn woord dorft bouwen !
O! gewenfchten üaat,
Die t hier al verlaat,
En zyn Heylands hulp alleen,
(t mag ook gaan hoet wil)
Wagt geruft, en ftil:
Spyt de wéderwaardigheên.
Koomgy heyligc tnglen,
Laat ons tzamen ftrenglen,
Dézen Godtsvriend , zulk een kroon, Van geduurgeklaarheyd;
Wan t de proef der waarheyd,
Baart een onvergangkiijk loon-
U Y T.
-ocr page 87- -ocr page 88-igt;\S^
'tt.
: gt; ;'*.
'lt; ¦gt; ^' ,¦*?!;
- ' ¦ ' ^ ^ £f^
%
'1
: f4'
V
A
¦¦sf!
P
V-H.
igt;lt;^.
1r
V.J
S'®
itgt;:
'. ¦iiié'''-'
t'
ïiSv»
ÏJ.'-'.,^
'.xs
-i.'¦ .\ ¦
i.'
-ocr page 89-f ⢠-â¢'
â 'v. ' â¢
4*^4. ' nbsp;nbsp;nbsp;â â â â â . - , ,''â
'*'â nbsp;nbsp;nbsp;,V.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;â quot;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;-â :â â â
4â^^- nbsp;nbsp;nbsp;:â â â â
4
r ' .V .. *. nbsp;nbsp;nbsp;,
J' â
â \'i nbsp;nbsp;nbsp;â 4â
quot;' nbsp;nbsp;nbsp;â nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;lt;.-.4,
ïâ%
; ââ ' ;â 4' gt;:'ÃS ...quot;''nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;' â â¢â , â*â . i .
.-quot;'4quot;