' nbsp;nbsp;nbsp;Sti
T I E R A N N Y
In het Eiland van
' De Derde Druk, naauwkeuiig naagezicn.
OKril.-T'OilÉ^TIlBUS AHDiniM-'
_T H AMSTERDAM.
Gedrukt voor het KUNSTGENOOTSCHAP, cii te bekomen by de Erven van J. L e s c a*i n, e , énz.nbsp;Mei Privilegie. iVOf.nbsp;BIBLIOTHEEK'der
RIJKSUNIVERSITEIT
kEwyle de Wed', én Erven van Albert Magnus, énz. zich niet ontzien alle denbsp;Wérken van het Kunjigemotfchap Nil,nbsp;Volentibus Arduum , én onder anderennbsp;dit Z1N N E s p E L , op dés overlédencn naam, buiten kennis., ja tégens wil, én het vcrkrcegene, énnbsp;vernieuwde Voorrécht, (OSiroi) zeer flordig énnbsp;gebrekkelyk naa te drukken, én aan dc onkundigennbsp;voor ons wérk te verkoopen, zy den Liefhebberennbsp;bekénd, dat dit Kunflgeneotfehap van voorrieemennbsp;blyft, gelyk reeds voor een gedeelte gedaan is, allenbsp;de Stukken door het zélve, in het gemeen, óf doornbsp;byzondereLéden telaamengeftéld, naauwkeurigernbsp;overgezien, veranderd, verbéterd, vermeerderd, énnbsp;met kunftige Titelprénten, énz. verfierd, vervólgensnbsp;terdrukperflè te bréngen gt; én opdat men die by éénnbsp;verzaameld, gevoegelyk in drie, vier, óf meerdernbsp;Deeltjens zou konnen binden, zullenze alle een-paarig, op fyn Franfch papier, ^emeene grootte,nbsp;in 8®. aangelégd, eenige weinige op groot fynnbsp;fchryfpapier gedrukt, én voor ieder Stukje ooknbsp;een nét algemeen Titelplaatje gevoegd worden.
-ocr page 9-De Stiten van Holland ende Weftvriefland. Dim te aeeun. Allo ons vertoont is by eenige Liefhebbers van de Nederduytfche Taalnbsp;en Poëzy, dat zy Supplianten naar t voorbeeld van de Italiaanfche ennbsp;Franfche Academiën, tot Amfterdam , voor eenige jaaren met veelenbsp;moeiten en kollen hadden opgerecht een Konjigenootfchaf onder denbsp;Prent, en Zinnefpteuk van NIL VOLENTIBUS ARDUUM,nbsp;dat wy in conllderatie van dien , en van haeren dagelyklchen arbeid,nbsp;en yver tot voottzettinge van de Duytfche Taal en de Dichtkonll, dennbsp;Supplianten vom den tyd van Vyftien Jaaren met het Odroy ms geexbibeert,nbsp;hadden begunfligl gehad, T geene in het korte flondt te expireerert, Ende allbonbsp;fy Supplianten gaerne in den voorfchreeven haaren yver ende arbeidnbsp;zouden continiieeren, ende beducht waaren , dat eenige baatfoekendenbsp;menfchen haar Supplianten daar inne zouden 'zoeken te onderktuypcnnbsp;ende benadeelen, met haare Wetkjens naar te drukken of vetkoopen;nbsp;¦Waaren zy Supplianten haar onderdaaniglyk keerende tot Ops, in allenbsp;onderdaanigheid verzoekende dat IVy bet voorfchreeve OHroy voor gelyk^nbsp;Vyftien Jaaren , geliefden te Cominueeren , ende zulks de Supplianten tenbsp;Öaroyeeren , omme onder de voorfchreeve Titul van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, alleenlyk^, met uytflaytinge van allen anderen , uit te mogen geeven, doen drukken en verkoopen alle de Werk-jens die zy Supplianten onder den voorfchreeven Titul , teets haddennbsp;gemaakt , en geduurende den voorfchreeve tyd noch zouden komennbsp;te maaken, ende ten dien eynde aan de Supplianten te verleenen ,A£ltnbsp;in debiia forma. SO O IS T, dat Wy de zaake en t verzoek voorfchreeve overgemerkt hebbende , ende geneegen weezende tet beedenbsp;van de Supplianten, uit Onze rechte weetenlchap , fouveraine maght,nbsp;ende authotiteyt, defelve Supplianten geconfenteert, geaccordeert endenbsp;geoftroyeert hebben , conlenteeren , aocordeeren , ende oftroyeerennbsp;mits deezen, datzy, by Continuatie, geduurende dert tyd van Vyftien eerji.nbsp;komende Jaaren, de Werken by het vootnoemde K^nftgenootfehap, ondernbsp;den Titul van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, gemaakt zynde,nbsp;ende als noch gemaakt «erdende , binnen den voorfchreeven Onzen Lande alleen zullen mogen drukken, uitgeeven ende verkoopen. Verbiedende daarom allen ende eenen iegelyken, defelve Werken naar te druk-ken, ofte elders naar gedrukt, binnen Onzen Lande te brengen, uit tenbsp;geeven, ofte te verkoopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte,nbsp;ingébrachte ofte verkochte Exemplaaren , ende een boete van Drienbsp;Honden Guldens daar en boven te verbeuren, te appliceeten een derdepart voor den Officier die de calange doen zal. een derdepart voornbsp;den Armen der plaarle daar het cafus voorvallen zal, ende het reftee-rende derdepart voor de Supplianten. Alles in dien verftande, datWynbsp;de Supplianten met deefen Onzen Ofttoye alleen willende gratificeereiinbsp;tot vethoedinge van haare Ichaade door het naardtukken van de ypot-fchteeve Werken, daar door in geenigen deele verftaan, den inhondeiinbsp;van dien te authorifeeren ofte te advoueeren , ende veel min dezelvenbsp;onder onze ptotextie ende belchetminge, eenig meerder eredit, aan-A 3nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;fien,
-ocr page 10-Cen, ofte teputttle te geeven i nemaar de Supplianten in cas daar in iets onbehooilyks zoude mogen influeeren, alle het zelve tot haatennbsp;lafte iullen gehouden weelen , te verantwoorden ; tot dien eynde welnbsp;txpteffelyk begeetende dat by aldien zy dcezen Onzen Ofttoye voornbsp;defelve Werken zullen willen ftellen , daar van geene geabrcvieerdenbsp;ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken , nemaar gehoudennbsp;zullen weezen het zelve Oamp;ioy in t geheel, en zonder eenige omiffienbsp;daar voor te drukken , ende dat zy gehouden zullen zyn een Exemplaar van de voorfchteeve Werken gebonden , en wel geconditioncertnbsp;te brengen in de Bibliotheeq van onze Uuiverfiteyt tot Leyden , endenbsp;daar af beh otlyk te doen blyken. Alles op poene van het Effefl: vannbsp;deczen te verliefen. Ende ten eynde de Supplianten deezen Onzennbsp;Confente ende Oftroye mogen genieten als naar behooren; Lallen wynbsp;allen, ende eenen iegelyken dat zy de Suppdanten van den inhoudennbsp;van deezen, doen, laaten, ende gedogen, tuftelyk, vredelyk endenbsp;volkomentlyk genieten ende gebruikencefleerende alle belet en wederleggen ter contrarie. Gedaan in den Hage onder Onzen grootennbsp;Zegele, hier aan doen hangen, den XlVe. Maart, ini Jaar ons Hee-ren ende Zaligmaakers Duyfent, fes hondert, twee en tnegentig.
/l- Hein si us.
Ier Ordonnantie Dan de Staten
WAARSCHOUWING.
HetKunftgenootfcliap NIL VOLÉNTI-B U S A R D U U M , érként geene Werken voor hunne eigene , dan die met deeze nieuwenbsp;Privilegie zyn gedrukt, én aldus geteekend.
-ocr page 11-Aan den Edelen Grootachtbaaren Hecre den He ERE
REGEEREND BURGERMEESTER én RAAD der Stad
Oen \vy in de voorgaande EeuW de eer hadden Uw Edele Gr. Achtb.nbsp;dit wérk toe te eigenen , luiddenbsp;onze Opdragt aldus:
jlle ^ die het geluk hebben van Uw £d. Gr. Achtb. hoedaanighe'dente kennen^nbsp;zullen, op het eerjle aanblik van Uw Ed. Gr.nbsp;Achtb. naam voor dit Zinnefpél, ligtelyk be~nbsp;Jluiten , dat Wy het zélve aan niemand metnbsp;meerder réden konden opdraagen.
Het Was immers eene noodzaakelykheid voor tins na iemand om te zien, in wiens hart Oprechtheid , én Réchtvaerdigheid, die in ditnbsp;Spél verbannen Worden, Wederom hérbérging ,nbsp;A 4nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;huts~
-ocr page 12-hmsvéjling, én ander goed onthaal ontfangen j
die alhier zo jammerlyk fneuvelen , ivéderom 'verryzen, én hér keven; op fuiens gemoed Eigenbaat, die over alle dés yoaerelds Vryekeucnbsp;byna volkomene dieinglandy oefent , niet hetnbsp;minfie gebied voert : quot;soant voorivaar, zondernbsp;die troojl aller Vroomen^ zoude dit Treurfpélnbsp;cenen al te treurigen^ én betreurens vaardigennbsp;uitjlag hebben.
]a, Ed. Gr. Jchtb. Heer, hetkomtUin voU len eigendom toe. Uive ingeboorene goedheid,nbsp;volfiandige neiging tót iveldoen , onvermoeidenbsp;arbeidzaamheid, onkreukbaare handel, én min-nelyke ommegang, hebben Uli Ed. Gr. Jchtb.nbsp;zulk een ongemeenen lóf, én liefde verTVor»nbsp;ven , zo quot;^él by XJiae Amptgenooten , als bynbsp;het algemeen , dat Gy {quot;Voy durven byna Gynbsp;alleen zeggen^) een TvonderTvérk uitgeivróchtnbsp;hebt, daar nóchte de allerdapperfie Land-, ófnbsp;Water-oorlógs-hélden, nóch de aller^yfie Staats^nbsp;bedienaars zich van hebben kunnen beroemen;nbsp;te ipeeten, dat Gy in zulke netelige, én moeije-lyke amptenals Gy in de allergevaarlykfte ty-den bekleed hebt , U niet éénen vyand, nietnbsp;éénen benyder ^ niet éénen berifper gemaakténnbsp;échterUieen plicht kjfelyk ipaargenomenhebt.
o
i
J
z
t
C
z
{ znbsp;enbsp;¦ e
Hefgeene quot;^vy vm XJT^ Ed. Gr, Achth. zeggen^ ts geen fluimftrykery: 'Vomt jpy die haaten, énnbsp;'verfoeijen; mnar énkele quot;fvaarheid, die iry uitnbsp;den eigen mond van UTi^e Amptgenooten , énnbsp;de toejukhchende Jlém dés algemeenen vólksnbsp;kehben.
Wy offeren Ulv Ed. Gr. Achth. dit quot;berkje dan Jgt;p, tót een klein hlyk van érkèntenis, die be-rtévens alle UTre landslieden , én voornaame-hk U'VoeMedeburgers y ooklvy aan Ed. Gr,nbsp;Achth. fchuldig zyn; én niet, opdat UTtgt; Ed. Gr.nbsp;Achth. het hefchérme tégen de ksvaadfpreekers:nbsp;dat tTvéde ivonder'wèrk zoude het eer/le verrenbsp;overtreffen, én Uw Ed. Gr. Achth. te veel, janbsp;^ets onmooglyks gevergd zyn. Het oogwit dernbsp;fióffe zal het hy allen Waaren deugdelyken ge*nbsp;^oegjaam befchérmen , én de kwaadaardige^nbsp;bullen met al hun vergeefs Wroeten, Woelen,nbsp;Woeden, zich, én hun onverfiand, Jléchtsnbsp;toon Bellen, Het heeft den Heere Fran-Sbarra , uit wien de geheele ft óf gemeen is, gelukt y door dit, én diergelyke wérkennbsp;K'^ant hy hieldt zich nooit, als met leerzaa-^0 , én ^dekundtge ftóffen beezig) in zulknbsp;^^^e aftmng te geraaken, dat hy van Lucea,nbsp;'^^r^epuhlyk in 1 taliën, zyne geboorteplaats ,nbsp;^ Weenen ontbooden, én tót Keizerlyken Eaads*nbsp;A 5nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;heer.
-ocr page 14-fouten , die in eenen naagebootften by-'
heer^ gemukt fffierdt ahfAAr hy naderhand^ op het Keiz,erljk Bruiloftsfeefi ^ die beroemdtnbsp;Opera ^ 11 Porno dOro, Uegejléld heeft ¦, helnbsp;Tvélk ivy in het voorbygaan zeggen , op hoope inbsp;óf het Zinnefpél door den naam van den deugde^nbsp;lyken Schrjver eentgen luifier verkrygenmogt.nbsp;Het zal ons, Ed. Gr. Achtb. Heer, nu we'nbsp;derom tót eenc byzondere eerc, én ongcmce-,jnbsp;ne vergenoeging verftrekken, indien het ü\«[nbsp;Ed. Gr. Achtb. believe de goedheid te heb'-jnbsp;ben, dit werk , naauwkeurig naagezien.jnbsp;én gezuiverd van een onnoemclyk getal druk-^
druk gevonden worden, zo gunftig aan tc nee-men , als voor deezen de Eerfte, én nócbo onlangs de Twéde druk , by Uw Ed. Gr.inbsp;Achtb. ontfangen is, én ons te houden voor o
Verplichte, én ootmoedige Dienaarsii( onder den naara vannbsp;nbsp;nbsp;nbsp;x
NIL VOLENTIBUS ARDUUM,
Aan den
It Zinnefpél mag geen overzetting, veel minder eigene vinding heeten;nbsp;de ftóf is geheel uit het Italiaanfch vannbsp;éénen FranciscoSbarra genomen , gelyk blykt aan den In-houd , uit hem van woord tót woord aldus ver-./aald.
Wil, Koningin van het Eiland Vryekeur, geeft ^ het aanraaden van Deugd , Gemaalin van Ver-Cdtand , aan den z^élven haaren broeder den Ryksflafnbsp;QVer, De Kórfl Eigenbaat , reeds door het germhtnbsp;'Verliefd, niet min op de fchoonheid van Wil, alsnbsp;den rykdom haarer fiaaten, deez,e overdragt vernomen hebbende, neemt voor rjyn uiterfle béfl aan te wen-om de geneegenheid der x.élve te gewinnennbsp;haar trouwende , xAch in haar belang te wikke-, om eifch op het Ryk te maakgn , én het z.élvenbsp;teneemen, eer Verftand z-ich flérker in denKroonnbsp;Y'^éfiige. iVéshalven hy , onbekend, én onder hetnbsp;^^kleed van Rédenvanftaat, (« Staatbelang) metnbsp;^tgliftigheid, eene Toverés , onder den naam vannbsp;^ïaatkunde, zyne gewaande Moeder, met Bedróg,nbsp;lt;¦» Schynheiligheid, zyne makkers ^ met Ondeugd,nbsp;^nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;%ynen
-ocr page 16-KoninUjke Raadsheeren^ ingebragt zynde om gehoor
^^.Jnen flaaf^ ew Vleijery, tyw Jlaavin^ üch aan hef^ Hóf begeeft , alwaar hy van Kwaadaard , één der
te ontfangen^
lyden over zyne verzwierde ongelukken , met te veinf' Zien j dat hy eene ongelukkige , én éléndige Prinfés^'nbsp;was y die men van haar Ryk beroofd had , dat hf nbsp;van den zJlven beleefdeljk onthaald wordende y mev^.
_____.wil.____I______j. nbsp;nbsp;nbsp;u t a____f
Verftand zjidaanig beweegt tót méde-^
éénen verzwékerd wordt van alle bjfland, en bulge, toi^ wéderwinning van zyne ftaaten. Waarom hyy tot,nbsp;érkéntenis van z,o veele gunflen y Verftatid befihenkLnbsp;met Vldjery, zyne fiaavin , eene Z£er aangenaams^nbsp;Zangeres , én z.ich voorts begeeft na de vertrekkennbsp;die men hem toegelégd had. Gemcenebeft ynbsp;taris van Staat , én de allervertroawdfie desnbsp;nings, ontraadt den z.élveny Rédenvanftaat in zyn ryr^nbsp;teontfangen: met zyn oordeel flemmen overéén Deugdj^nbsp;de Koningin-, Opréchtheid, haareeerfleStaatyH^erynbsp;én Goedaard, de Raadsheermaar deKoningnbsp;zJch onZwéker wat te doen, én wordt van verjcheide'^^nbsp;ne gedachten heen én wéder gedreeven. Arghfti^-heid doorgrondt de meining van Gemeenebeil ,
ronder dat het iemand gewaar wierdt , hérfih^f^ Bedrog in zynen fchyn , zo dat de zélve , onder het^nbsp;kleed én den naam van Gemeenebéft, in de ver'
hoogendcy dat die y zynde de vertrouweling des Ko'^^ nings, den zélven ligtelyk tót alles , dat hy wildenbsp;beweegen kan, légt og zynen dood toe , én hebbendt^^nbsp;dien toelég dés nachts heimelyk in het wérk gejleld^
gpftwlykheid dés Konings geraakt , door wiens raad dat Oprechtheid, én Rechtvaardigheid uitnbsp;Hóf gebannen , én Vleijery , én Argliftigheidnbsp;beure Ampengefléld zyn) Kwaadaard wéder innbsp;Koninklyken Raad toegelaaten wordt j waar uit hynbsp;'gj°or l]gt toedoen van waar Gemeenebéft gehoudennbsp;Ijjlns. Wil, ten uiterfien genoegen tót R.édenvan-, geeft den t.élven moed om z^ich te ontdekkennbsp;o/genbaat te zyn , én haar ten hmwelyk te verzjoe-het wélk ¦Ly^ o^ het aanraaden van Schynhei-^j/êheid , goedvinden in het heimelyk^ te voltrekken.
Erfland, reeds verjlingerd o^ Rédenvanftaat, ver~ tf^ht haar^ door Kwaadaard, tót wederliefdey dóchnbsp;gt;yordt afgeflagen j Goedaard berifft die neiging-,nbsp;gHtr de Koning z.ich over de vryheid van zyn z.eg~nbsp;vergrammende , gebiedt hem te z.wygen , én tenbsp;^frtrekken. Kwaadaard fihryvende het groot gez-agnbsp;rf^ Goedaard toe aan de naauwe vertrouwlykheidnbsp;^^Jfchen hem , én de Koningin was , wér^t hetnbsp;gf-nd uan kwaad vermoeden in het hart van den Ko-, het wélk daar naa bebouwd wordende door denbsp;éjf^erde dienflen van gewaand Gemeenebéft, oog-gfyttelyk^n naarjver , én openbaar misnoegen voort-? He Koningin, in haar verdriet getroofl wor-door de valfche ftreelingen van Schynheilig-, die Z.J Godsvrucht meent te zjyn , betrouwtnbsp;;^f^h gghegilyk 0^ haarmaar van haar bedroogen, énnbsp;,gjf^'uaden zyndoj wordt door haare kunflenaary, énnbsp;.j.f^'^het toedoen van Kwaadaard én Bedróg gedood,
tiit
-ocr page 18-tüende te ontdekken, het wélk niet nyn kon, als mta,
uit laji dés Konings , die^ naauwljks van het eerji^v hmweljk ontflagen, voorneemt tót het twéde met R^tinbsp;denvanftaat te treeden. Eigenbaat idch gedwong^\
om vérre te flooten z^jn geheel inugt^ het geen alleys, gebouwd was og zj^n onbekénd bljven, neemt toevlupinbsp;tót de oude Argliftigbeid, dewélke, om dit voorv^^nbsp;te beletten, én tyd te hebben om og andere beez,igh^]nbsp;den te dénken , toefiélt eenen z.ékeren geeft van dorfi^nbsp;heid, Zijnde z.o krachtig een ftaagdrank, dat zy, aé^^nbsp;Verfland ingegeeven zynde, den z.élven in eenen di^'^nbsp;gen daodftaag begraaft. Eigenbaat , dewélkenbsp;dat het nu zyn wélgeleegene tyd is , met de Koninlf^nbsp;lyke kleederen bekleed zynde. Vermoordt Verfland^-maakt Wil tót ftaavin, én geholgen door de dienftlnbsp;Bedróg, Schynbeiligbeid, én 'V\é\yexy,maa^^'nbsp;Sikh z..élven tót volkomen Tieran in het Eiland vift'nbsp;Vryekeur.
ze verfcheelt veel van de Italiaanfche: want zy
IM
Dit is dé Italiaanfche Inbond; wat de fchikkiri:'^' aangaat, op de wélke dit Spél gevórmd is j deoii'
groote moeite , én ter naauwcr nood in vyf vef^' fchcidenc Bedryven, waarin deTooneelen aanéé'^
by S B A R R A zo vreemd, én wild, dat men die mé'
hangen, heeft konnen bréngen. En dat verfchil? ken is wél de grootfle eer , die ons in dit wéi'I ®nbsp;toekomt:nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;én zy men oordeele dat de zwier va'
overzettinge méde eenig deel aan die eer hebbe. ^ onderfcheid tuflehen de Italiaanfche, én onze febik ¦*
'jkihg beftaat daar in, dathy zeerveele fraaije, gee-^^ige, én leerzaame zédekundighéden heeft, diewy ^iDVergeflagen hebben, omdat zy' niets tót de voor-«^aatne zaak deeden, én den knoop dés handels bra-?iten: hy laat eene voorréde vooraf gaan, die gentiaan wordt door de Liefde, op de mode toegeruft,nbsp;ntien zélven in plaats van geblinddoekt, én met boog,nbsp;6fgt;ylen, én koker voorzien, in tégendeel omblind,nbsp;^et eene volle beurs op zy, én dubbloenen in denbsp;ï/A'üift ^ j-g voorfchyn doende komen; ook laat hy tuf-l/dchen de vyf Bedryven invloeijen vier IntermetJ. ^nbsp;Tuflchenbedryven, te faamcn uitmaakende eennbsp;ïftulTchcnfpél van vier Bedryven, genaamd La Corte^nbsp;idof het Hóf, wiens inhoud is, als vólgt.
Liefde, van z^yne wapens beroofd^ én als eenblin-a^^^nsan geleid van Trouw, eeneverlaatene hédelaar-j jfjgf ijgjfi ifif het Ryk. zsan Schoonheid ge-^^gt;^nenwas^ komt met haar ^ éléndtgi én berooid ^aan wooning van het Hóf, alwaar zy, van Deugd, dienbsp;was ^ WM Verdienfte, die kreupel^ én lamnbsp;' i ontfangen wordende, z.ich szeer verwonderen ,nbsp;méde zjo kwaalykjmthaald te uen j zjo dat zy, innbsp;zl^^tverhaalen van hunnebjzjondere ongelukken^de ver-'ö^^^vane z-édenvande loopende Eeuw beklaagen kun-ik^^fde^ om den fle'chten fiaat, daar Deugd, én Ver-;j-)dlCnfte in waar en ^ geen andere gunfl van hen genie ~nbsp;al^^, als alleen hérbérging ^ z.oekende het onderhoud.nbsp;[C-^s leevens^ dóch vergeefs^ met bédelen te bekomen.
Hóf, naa dat het Verdienftc z.eer kwaalyk quot;1nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;gf'
-ocr page 20-gehandeld y én z,yne Ijidz^aamheid tót onwaardige m fchandeljke dienfien te doen, gedwotigen had , 'ver-neemende , dat men die twee verlaatene Pelgrimsnbsp;aldaar hérbergde , bant Deugd , én Verdienfte,nbsp;tót flraf van dit hérbergen , by haar voor een uit-Jyoorige misdaad opgenomen y voor eeuwig in het openbaar Gajlhmsy én doemt Liefde, én Trouw om een-.,nbsp;wiq^ onkruid te wieden in den tuin der Jléchte Onnozelheid.
Al het wélke by ons achtergelaatenis, doordier» dat uitgelaatene te faamen meerder zoude uitmaa-ken , als de grootte van dit geheele Zinnefpél,nbsp;én gevólgelyk veel te lang zoude zyn voor onzenbsp;Aanfchouwers.
Wy hebben ook, om deTooneelen in ieder Be-dryfaan malkanderen te bréngen, dezélve hier én daar verfchikt, en tot betere inleiding van het Spélnbsp;alleen daar bygevoegd het eerfte Tooneel van hetnbsp;eerfte Bedryf.
Eindelyk voert de Italiaan jirglifligheid in, als ' eene toovenaarfter, die Bedróp in den fchyn vannbsp;Gemeenebéfi hérfchépt, het welk men hier, om denbsp;onwaarfchynlykheid, gemyd heeft} door dien de nbsp;tooveryen hédendaags zo wél uit de Tooneelfpé-len, alsuitdeRomans gebanneazyn. Weliswaar,nbsp;dat Schynheiiigheidy Deugd wysmaakt, hoehaare jnbsp;trouwring betooverd zynde , wéderom door be- .nbsp;zweeren onttooverd, én hérwyd moet worden j Enbsp;maar men ftélt het ook als eenen logen , die ^
Schyn- ,
-ocr page 21-Schynheiligheid ligtelyk aan Deugd verkoopen kan, V^anneer zy van Ferfland verlaaten is.
Voor het overige zullen fommige, die altydeeni-ge byzondere geheimeniflèn in Zinnefpélen meenen Ie ftceken, door die uit te vinden, én toe te pafien,nbsp;niet dit Zinnefpél van gelyken handelen, dat hennbsp;Zeer ligt te doen zul zyn : want het flaat in hetnbsp;algemeen op alle Ménfchen, Maatfehappyen, Stéden , Landen , Republyken, én Koningryken;nbsp;by gevolg méde op u , Leezer ; én dat zo veelnbsp;te flaauwer , óf vinniger, als gy meer, óf min,nbsp;¦Waare Deugd verlaatende , u iaat verleiden doornbsp;de liefde tót Eigenbaat, die zich gewoonlyk aannbsp;ons in denfehyn van Rédenvanflaat ^ óf Staatbelangnbsp;vertoont. Wat dien aangaande dé meining vannbsp;den Italiaan is, zult gy zien kunnen uitnbsp;Voorréde, die ter dier oorzake, gelyk de twein-'nbsp;houden hier boven , méde van woord tót woordnbsp;aldus overgezét is.
Ik fchrjf niets ^ als voor myne zdnljkheid ^ én my-ne idnlykheid is, meerder te fiichten, dan te vermaa-ken -y waarom ik béter acht den wég der heilige Lee-raaren in te Jlaan, die de gebréken verfoeijen, als de Voorbeelden der onheilige dichter en te vólgen, die denbsp;x.élve ^luimflryken.
Ik weet wél^ dat men z.eggen %.al^ dat ik tégen de goede zieden eens Treurfgéls aanga a ^ door dien'ernbsp;de Deugd onderdrukt ^ de z^onde beloondy én deon~nbsp;noz^elheid in g^fltuft wordt; maar men moet z.ich dés
B nbsp;nbsp;nbsp;niet
-ocr page 22-met verwonderen-, de tytel is, Tieranny. Het zj)tt geen tieranny Tjyn , het geen eenen anderen mtflagnbsp;voortbragt , én x^éker, hoe kan het (géi wél gexiéde-vórmd weezeen , naardien het is eentafereei der z.édennbsp;van Eigenbaat, die de allerjho'odjle xyn.
Myn voorneemen is door het tegendeel te leeren, én met den afgrond aan te wyz.en, te onderwyz.ennbsp;hoe men dien fchuuwen z,al,
In het Eerfte Tooneel, (het wélk , gelyk hier voor geméld, by ons het Twéde geworden is)nbsp;daar in de gelukz,aligheid des Eilands van Vrye-keur befchreeven wordt onder het gebied van, Ver-ftand-, én Deugd, worden afgebeeld de meefle Ko-ningryken van Euroga , tLodaanig als die zyn ¦ alnbsp;het overige van het Jluk verbeeldt de z.élve , gelyknbsp;die x.yn ZMuden , wanneer zy (dat ik niet wél ge-looven kan ) toegang zjgt;ud.en geeven aan dat wilde fchrikdier 'Vim Eigenbaat , wiens vervloektenbsp;werkingen. ik. met. geen ander inzdgt héb aan dennbsp;dag gebragt , als om de ménfchelyke neigingen, ófnbsp;hdrtstógten , voor xyn Jgél te doen fchrikken. Ditnbsp;is ook de oorzaak , dat ik , om dezelve met meernbsp;ontwaardiging daar tégen te bewéegen , ïégens hetnbsp;gebruik, éri ïégens de dichtkunflige wétten, die geennbsp;vymoorden ,og het tooneel lyden (het wélk échternbsp;by allen niet ftip gevólgd maar door fommigenbsp;in andere voorvallende gelégenhéden nóch wélnbsp;gedaan wordt) a/j door vertellingen, Deugd, doornbsp;Eigenbaats toedoen, doe fiérven, én Verftand door
zyne
-ocr page 23-x.fne hand doe vermoorden ; want gelyk QuintUI Horatius Flaccus in zyne Dichtk»nfl zegt:
¦ .A|
Segnius irritant animos demissa
PER AURES,
Qu A M QU JE SUNT OCULIS SÜBJECTA FIDELIB ÜS.
Dat is:
Erger u dés niet^ Leezer^ dat hit Verftand flérft, omdat het een deel der rédelyke ziel zynde , by gevolg onjlérfelyk is j doordien ik, met die dood nietsnbsp;anders verjlaa^ als zyn éléndige fiaat ^ wanneer het^nbsp;begraaven in eenen diegen doodjlaag van onweetend-heid^ óf domheid , beroofd van de teikens zyns ge-bieds, én verdrukt van dien wreeden Tier an, gelyhnbsp;als dood, én onbekwaam tót zyne wérkingen is.
Indien u mogt toe fchynen , dat Schynheiligheid zich wat te die^ ftak in zékere rédeneeringen j gedenk , dat de wélftand óf voeglykheid der yerfoo-naadjen een onfchéndbaar voorfchrift van de al-lertoomeloofle yoëetifche vryheid dewélke men omnbsp;geen inzigt ter waereld te hutten fchryden mng } én
i
-ocr page 24-tk z.oude die voeglyklpeid niet wél waargenomen hebben indien ik haar anders af geheeld had.
Aiifjchien zjmdtgy my antwoorden Aden kon haar wat minder doen tieggen , of heel daar uit laaien jnbsp;én antwoord dat het niet buiten réden is., dat,nbsp;om de oogen der éénvoudigste te openen, éénmaal opnbsp;het Jpeeltooneel verfchyne die Schynhciligheid, die,nbsp;om de oogen der allerwyflen te doen fluiten, dagelyksnbsp;Z.0 breed over het Tooneel der waereld zjiviert , énnbsp;zjwaait. Dérhalven moet gy my geen oneerbied toe-fchrjven , omdat'er de verachting der vroomen nietnbsp;Hit ontftaat-, maar, als ik_ haar invoer, bekleed alleen met den hlooten fchyn van vroomheid, én Godsvrucht, grootelyks in aanzden, én van Deugd shelvenbsp;hoog geëerd, behoort men veel eer te hefluiten, wélknbsp;eene achting , én ontz.ag men fchuldig is , én ik meernbsp;als iemand belyde te'flebben, tot dewaare vroomheid,nbsp;én ongeveinsde Gódsdienfl. F'oor het overige, indiennbsp;dit Spél in het leesLen niet overéénflemmen z.al metnbsp;den lóf, die het op het tooneel behaald heeft, zulksnbsp;zal geen wonder zyn j omdat van vier voornaamenbsp;deelen, wéiker Jaamenloop die toejuichching gebaard heeft, als de Bouwkunfl , de Schilderkunfl,nbsp;de Zangkunfl ^ én de Dichtkunfl , het laatfle alhiernbsp;alleenlyk. gezien wordt, dat wél het minfle is vannbsp;allen.
JVat de woorden Noodlot, Geval, .Aanbidden, en diergelyke aangaat, il^ kan niet als hérzeggen hetnbsp;geen ik voorheen in myne andere wérken gezégd heb,
dat
-ocr page 25-dat het maar f^eeltngen der ^énne, én geen gevoelens des harten z.yn. l^aarwél.
-'M
Dit is, Leezcr, alles wat wy noodig achtte-den u wégens dit Zinnefpél te zeggen , alzo wy niet van meining zyn in ecnigen deele daar voor,nbsp;óf tégen te pleiten } maar laaten het oordeel vannbsp;de veele óf weinigen lóf, die wy daar in verdiendnbsp;hebben, geheel aan u over.
Wat belangt het invoegen van het Miizyk der gezangen in dit Spél, daar omtrént gelieve denbsp;Leezer te weeten, dat de réchte druk der Minneliederen én Méngelz.angen, van den Heer énnbsp;Andries Péls, al over lang uitverkóft, én nietnbsp;te bekomen zynde, wy dienvólgens van meeningnbsp;Zyn dczélve naauwkeurig overgezien én verbéterd, névens verfcheidene andere Liederen vannbsp;den zélven Heere , nooit voor deezen gedrukt,nbsp;uit te geevenj gelyk ook eenige andere Dichtwér-ten, als de NaavÓlging van Christus, door Thomas van Kémpen j Gebruiknbsp;én Misbruik dés Tooneels, met kant-tékeningen , én eene Voorréde voorzien j én watnbsp;dés meer van het Kunftgenootlchap in weezen,nbsp;én voorhanden is.
VER.
-ocr page 26-Verstand, Korting, een ^otig fiaatig ma» met groene klee-derea, met een Arend, die na de Zon z,iet, opdeiorjt, een sphinx op de rug, énetn Schildpad met vleugels op het hoofd.
Deugd, Koningin , eenftaatige jonge vrouso, metdeletterY, op het hoofd, wier hovenkleedvan bloedkleur met dijielen, énnbsp;doornen; énveierwit onderkleed met roozen bezaaid zyn.
Wil, Infante, eene jonge Juffer, meteen kleed van alle ko-leuren, wild hair, ten onrufl op het hoofd, enter zy den va» t zélve een vleugel, én vlerk.
G E M E E N E B E s T , Sékrétaris van flaat, een Oud man met een muts, in de vórm van een brandend Altaar, op het hoofd, énnbsp;een gordel om den middel, waarop Salus Publica.
GoedaAr d. Raadsheer, in een Himelshlaauw kleed met zilvere vlammen na omhoog, én een vlammend hart aan eennbsp;goude kéten om den hals.
Kwaadaar I), Raadsheer, in een bruin kleed met onzuivere vlammen na omlaag, én een omgekeerd hart aan een Jlrópnbsp;om den hals.
met
Re'chtvaerdioheid , Gouvernante van Wil eene weegjchaal op de borjl, én een zwaerd op zy.
Oprechtheid, eerjie Staatjuffer, in een zuiver wit kjeed, met een hart buiten op haar boji.
Eigenbaat, een Jongeling, in den fchyn van Rédenvanftaat, als eene Amazone, in een kleed met kroonen, fcepters, ingéldnbsp;verfierd.
Arglistigheid, in fchyn van Staatkunde , een oude vrouw, ftaatig grootfch gekleed, meteen flang om den middel.
Bedrog, een Jongeling, in een kleed, waar op muizevallen, én vifchhoeken geborduurd zyn.
S c H Y N H E I L I G H EI D, in té» Ugtvaerdtg onderkleed, én heilig bovenkleed.
Ondeugd, Slaaf van Eigenbaat, een gehechtheid Dwérgje.
y L E 1,1 ER Y, Slaavin van Eigenbaat, dartel gekleed, met een kuyfeltje , paauwevééren , én hlaauwe bloemen op hetnbsp;hoofd, én een rék met allerlei, dóch meeflblaauwe hioemtn.
De Zinnen, Onderdaanen, op allerleiwyze» gekleed.
Het Tooneel verheelt het Eiland VRYEKEUR, in, én oratrént hetKoninklyke Paleis; ieder Bedryf op zulk eennbsp;Tooneel, als het den Vertooneren goeddunkt.
-ocr page 27- -ocr page 28- -ocr page 29-T I E R A N N Y
In het Eiland van
eerste B e D R Y-F. EERSTE TOONEÊquot;Lgt;quot;-
Kwaadaard,Ondeugd
Kwaadaard.
At zégt gy, Ondeugd ? is Mevrouw in Itad gekomen.
En t heele hdf heeft nóch niets van haat komft vernomen?nbsp;Ondeugd.
Ja, Reénvanftaat onthoudt zich zélve dichte by,
Het hóf, met haar gevólg, in t huis van Veinzery.
Zy meent op t onvoorzienft den Koning te begroeten Om byftand, én zich néér tc wérpen voor zynvoeten,nbsp;Eer dat een gunfteling tyd hebbe, om af, óf aannbsp;Te raaden, hoe Verftand hier in behoort te gaan.nbsp;Kwaadaard.
Zy raamt voorwaar een zeer bekw.iame tyd : want héden Zal zy Verftand den troon met ftaatfte zien bekleeden,nbsp;Om eenige Amptena,irs te fchéppen in dit hóf,
Dat heel veranderd wordt....
B 4 nbsp;nbsp;nbsp;OaN-
-ocr page 30-Ondeugd.
Heer Kwaadaard, met verldf, Indien ik u verfteur. Myn laft is u te fmeeken,
Of gy, als Raadsheer, wondt e'en woord ten beften fpree-ken,
Dat haar vcrleegen zaak omhelsd wérde; df t geviel, Dat iemand in den Raad het wcigren nutter hiel.nbsp;Kwaadaard.
Op myn geneegen hart heeft zy wél ftaat te maaken;
k Bén tot haar dienft; maar ach! t verloop van myne zaaken
Belet, dat ik Mêvrouw daar in niet dienen kan.
Toen Wil hier heerfchte , was ik een aanzienlyk man; Maar féderd zy de kroon heeft aan Verftand gegeeven,nbsp;Zal ik myn vyand in myne eerplaats zien verheven:nbsp;Want hy het oor heeft van Vrouvv Deugd, de Koningin,nbsp;Die my niet lyden mag; dus zal ik nooit wéér innbsp;Myn aanzien komen, nóch het Raadsheersampt beklee-den.
Ondeugd.
Wy dienden t overlég, én andre omftandighéden Van s Konings wil, én wie ons voor, df tégen is,nbsp;Nóchtans te wceten: want aan die geheimenisnbsp;Hangt al het wérk.
Kwaadaard.
Woudtgy uzélvenmaar verfteeken Hier onder s Konings troon ; gy zoudt al t geen zynbsp;fprecken,
Verneemen. Gy zyt klein, indien gyt waagen dorft, tWaar tbéftcmiddel; maarzodaadlyk komtde Vdrft.nbsp;Gy moeft u haaften, df zyiie aankomft zal t beletten.nbsp;Ondeugd.
Wélaan....
Kwaadaard.
Kom, haaftu. k Hoor het fteeken der trompetten. Hy komt.
On-
-ocr page 31-Ondeugd.
Ai, help my wat. t Is wél ïo. Kwaadaard.
Is de fteê
Gemaklyk, én bekwaam ?
Ondeugd.
O ja ; maar nóch een béé. Heer Kwaadaard. Doe Mêvrouw Staatkunde daadlyknbsp;weeten,
Als gy haar fpreeken kunt, dat ik hier ben geieeten; Opdat ze uit my verneem, het geene ik hier verftaa,nbsp;Kwaadaard.
Ik zal. Verfchuil u: want de Koning komt; ik gaa.
Wil, Verstand, Deugd, Gemeenebe'st, De Zinnen, Re'chtvaerdigheid, Oprechtheid, Goedaard, Ondeugd ondernbsp;sKontngs Jloel verfchoolen.
W I L.
MYneonderdaanen, my geduurig trouw gebleeven, Weet, dat ik t ryksgebied héb aan Verlland gegeeven»nbsp;Gehoorzaamt hem, als my voorheenen, vroed én ftil;nbsp;Omdat ik t zo verftaa, ik uwer aller Wil.
Verstand.
kZal dan met uwe gunft, ó zufter Wil, beginnen Dit Eiland Vryekeur, uw Erfryk, én de Zinnennbsp;Uwe onderdaanen te beréchten.
W I L.
Ja, Verftand,
Geliefde broeder, fints gy aan Vrouw Deugd de hand Ten écht gegeeven hébt, is tmy geluk én voordeel,nbsp;My Lélve , als onderdaan , te fchikken naar uw oordeel.
B s nbsp;nbsp;nbsp;Ver-
-ocr page 32-4 nbsp;nbsp;nbsp;TIERANNY
Verstand.
Beminde Deugd, zét u aan myne réchte, én gy,
Infante, nader, én bekleed myn linke zy.
Kom hier, Gemeenebéll; u maak ik, die voordeezen Nooit waart in achtinge, als gy wél behoort te weezen,nbsp;Tc5t myn getrouwften vriend, tdt myn geheimften Raad,nbsp;Tót eerfte, én opperden Bedienaar van den Staat.nbsp;Deugd.
k Verzoek, óVorft, dat gy aan Goedaard wilt verkenen De plaats in t Raadsheersampt, die Kwaadaard had voor-heenen.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;
Hy heeft ons beide altyd met zórg, én trouw gediend. Daar Kwaadaard door zyn fchuld ons nimmer had tenbsp;vriend.
Verstand.
Dat Kwaadaard op myn lalt uit zyn bediening treede. En Goedaard zyne plaats intRaadsheers ampt bekleedc.nbsp;Deugd.
Dénk nu, heer Koning, aan Oprechtheid.
V ERSTAND.
WélMévrouw,
Opréchtheid hebbe t ampt van eerfte Staatjufvrouw. Wil.
Heer Broeder, wilt ge nu met éénen niet gebieden, Wie gy me tocfchikt tót Raadsheeren, Edellieden,
En vórder hótgczin ?
Verstand.
O neen, Infante, ó neen.
Kies naar uw zinlykheid uw hófgezin alleen.
Gy zoudt te veel ontzag door myne keur verliezen: Maar , mogt ik iemand tót uw Gouvernante kiezen,nbsp;Myn keur zou vallen op Mévrouw Réchtvaerdigheid.nbsp;Wil.
Uw keur ftrékk my een wét; t gefchiede, als t is gezeid.
Gemeenebest.
Vertrekt nu. Zinnen, 6 gelukkige onderdaanen
VAN E ï G E N B A A T.
Van Deugd, én vanVerftand, om ieder aan te maanen Tdt alle teikens van bedénkelyke vreugd.
De Zinnen.
Lang lecv dc Koning, lang, lang lecv Verfland,én Deugd. DERDE TOONEEL.
K.WAADAARD, VERSTAND, G E ME E N E B e'S T
Deugd, Wil, Re'chtvaerdigheid,
» Goedaard,Oprechtheid, Ondeugd verfihoolen.
Kwaadaard.
quot;P En vreemde fchoonheid, uit wiens néêrgcllagen ooge, ¦^Vol traanen, évenwcl de luiftcreener hoogenbsp;En édele afkomft blinkt, komt aan uw hóf, énfchreitnbsp;Mécdooglyk om gehoor by uwe Majelicit.
Verstand.
Wats de oorzaak van haar leed?
Kwaadaard.
' nbsp;nbsp;nbsp;Zy heeft my niets doen weeten,
Dan haar bedroefden ftaat.
Verstand.
Hoe is de vrouw geheeten ? Kwaadaard.
Zy zégt haar 'naam niet; maar zo t weezen iets befluit, Haar ziet, gelyk ik zég, iets groots ten oogen uit.nbsp;Verstand.
k Waar is ze ? nbsp;nbsp;nbsp;¦
Kwaadaard. Intnaaftvertrék, én wacht myn wéderkeeren.nbsp;Verstand.
Zy kom.
Gemeenebest.
. nbsp;nbsp;nbsp;DeklaarfleblykvanldfFelykrégeeren
Is, dat men de onderdrukte uit hunne élénden rukk, En de opgcblaazeae, én yerniectele onderdrukk. quot;
VIERDE
-ocr page 34-VIERDE TOONEEL.
Eigenbaat, onder het kleed, én den naam van Réden' vanjiaat, Verstand, Deugd, Vleijery,nbsp;Kwaada ARD, Wil, Gemeen EB e'st,Re'cht-
VAERPIGHEID, GoEDAARD, OpRE'chT-
HEiD, Ondeugd verfchoolen , Arglistigheid, onder den naam van Staatkunde.
I nbsp;nbsp;nbsp;Eigenbaat.
K val voor u te voet.
Verstand.
Rys op.
Eigenbaat.
Myne ongelukken
Verbieden t, als gewoon niy eeuwig te onderdrukken. My voegt geen andren Haat, als daar myt löt in Hélt.nbsp;Verstand.
Het knielen voegt geen fchoonte, uit wier gelaat men fpélt Een hémelfche afkomfl:; rys.
Eigenbaat.
Het T ydboek van myn leeven Zal u myn ftérflykheid genoeg te kennen geeven.nbsp;Verstand.
Nóch ééns, rys op; indien gy fe uwer onfchuld lydt, Beloof ik te uwer hulp myn magt, myn gunft, myn vly t.
Eigenbaat.
In hoe vervaarelyk een afgrond van clénden Ik my gedompeld vind, myn lót zal daadlyk wénden.nbsp;En t opftaan zal my niet heel zwaar zyn, zo ge uw handnbsp;Gelieft te reiken tót myn hulp, én onderftand.nbsp;Verstand.
Wie zyt ge ? fpreek , wat wolk van zwaarighéên ver-duiftert
De glans van uw gelaat, én houdt uw fchoonte ontluiftert?
Ei-
-ocr page 35-VAN EIGENBAAT. 7 Eigenbaat.
^ Bén Rcênvanftaat, ó Vdrft, die magtige Vdrftin, Weleer van élk ontzien, én aller Vdrften min,
Toen ik de fcépter zwaaide in zo veel groote Ryken. Ddch nu van al die pracht, én Keizerlyke blykennbsp;Zo verre ontbloot, dat my van al dien luifter nietnbsp;Ter waereld, dan een droef geheugen, overfchiet.nbsp;Verstand.
Hoe! zyt ge die Prinfés, Mevrouw ? zyt gy die Réden-^nftaat, alomme voor een Gddheid aangebeden} Gdón, waar vervalt men toe! wie durfde u op den troónnbsp;Aanranden ? wie zo flout u ftecken na de kroon ?nbsp;Eigenbaat.
Hiedulle, die, t geen zy durft dénken, durft beginnen, He Onweetendheid.
' nbsp;nbsp;nbsp;Verstand.
Het hoofd van m yne vyandinnen ? Wie gaf haar zo veel magts ?
^ nbsp;nbsp;nbsp;Eigenbaat.
Deménigte, t getal.
In deez verdurvene eeuw bemint het immers al He Onweetendheid; dit maakt Onweetendheid zo magtig.nbsp;Zy heeft de Grootften voor haar voeten néderflagtignbsp;Zien knielen op der aarde, om onder haare vaannbsp;Te dienen, én geftoord op my, te véld te gaan.
Waar door haarStaatzucht, met zich my gelyk te zetten Nóch niet te vreede zyndc, in teind myzélvewettennbsp;Voorfchryven wou, daar ik my tégen héb gekant.
Maar wat vermag eenvrouw, als zy tót tégenfland Niets heeft, dan wapenen van traanen ? De arme Réden,nbsp;EntRécht heeft uit, wanneer géwéld komt.nbsp;Deugd.
Snoode zéden,
En tyden! zal die veel vermag, al t geen hy wil, Doenmoogcn.gt;
Ei-
-ocr page 36-amp;
Eigenbaat.
t Schynt zo: want op deeze wys vervJI Myn kroon, én ryksftaf aan Onweetendheid, die daadlyknbsp;Haar zo verachten naam, nu voor haar ftaat te fmaadlyk, *nbsp;En flécht, veranderde in Goedaardigheid. Die fchyn inbsp;Doet nu Onweetendheid voogdes der waereld zyn.nbsp;Waarom ik arme Rcénvanftaat met myne moedernbsp;nbsp;nbsp;nbsp;|
Staatkunde, als ballingen verdreeven, u.tót hoeder,
En hulp in onzen nood verzoeken, ó Verftand,
En Deugd, gebieders in het onverwinlyk land Van Vryekeur, met hoop van niet vergeefs te keeren.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;¦
Verstand.
Gy hoopt niet zonder grond; énzultgeenhulpontbeeren. . Altgeen mynhand vermag, myndegen, énmynftaf,nbsp;Wordt aangewénd tót uwhérftellinge, én tót ftrafnbsp;Van uwe vyandin, ó aller vrouwen wonder!nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;gt;
De kroon voegt pp uw kruin, die trótfe moeter onder. Gerechtigheid gebiedt, t geen médelyden bidt.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;;
Eigenbaat. nbsp;nbsp;nbsp;[
Helaas! nu kén ik eerft, hoe weinig ik bezit.
Ach ik verftootene, ik éléndige! Hier blyken Eerft récht myn rampen, én t verlies van myneryken,nbsp;Omdat ikze u niet kan aanbieden tót een giftnbsp;Voor uwe wéldadn, uit een zuivre, én édle driftnbsp;Van médedoogen my verlaatene beweezen.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(
Maar, Vórft, hocwélmytlótdemagt,gelykvoordeezen, ! Niet heeft gelaaten, ei, ftaa my genadig toenbsp;nbsp;nbsp;nbsp;j
Dat ik naar magt, fchoon niet naar eifch,myn pligt voldoe. ! Hier ziet gy alles, wat my ovrig is gebleeven.
Ik héb u anders niet, als myn flaavin, te geeven.
Die, tzy haar helle galm zich in de lucht verfpreidt.
Of dat haar radde hand de fchelle fnaaren vleit,
Haar flaaffehen ftaat verheft door t oeffnen van die kunften.
Zy ftrékk de érkéntenis voor zo veel groote gunften. Aanvaardbaar, groote Vórft, van myn verpligt gemoed.
Ver-
-ocr page 37-V A N E I G E N B A A T. 9 Verstand.
kZou te onmcêdoogend zyn, zo ik u t éénig goed, t)at u het ongeluk gelaaten heeft, kwam rooven.nbsp;Eigenbaat.
O neen, dan bén ik eerft myu ongeluk te boven; kHéb een gezégend Idt, wanneer tmy zo veel laatnbsp;Van myn ontroofden fchat, én ingeftorten btaat,
Dat ik daar mcê zo groot ecnKoning kan befchénken. Verstand.
Wanneergy aant verlies van fchat, én ftaat zult dénken, En om die heugenis bedroefde zuchten looft.
Zal u haar ftém, én hand hoognoodig zyn tdt trooft. Eigenbaat.
Neen, groote Vdrft, 6 neen; myn druk zal dan verzwinden,
Als myn gefchénk by u maar die gend mag vinden,
Dat gy het uwer niet onwaerdig acht te zyn.
Verstand.
Zou t u verftrekken tdt vermindring van uw pyn ? Eigenbaat.
O ja, Vdrft; dat is al myn hoopen, én verlangen. Verstand.
kZal haar dan, als te leen, van uwe handontfangen.
V L E IJ E R Y.
Ik bén maar eert verachte, onwaerdige flaavin;
Ddch gy, heer Koning, toont uw groot gemoed niet min DantGddendom, dat zich een Hécht gefchénk verwaer-^nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;digt
Tc ontfangen, als het een verpligt gemoed vervaerdigt. Verstand.
Men ftél haar in t getal der Jufferen van thdf;
Gelei haar, Kwaadaard, gaa.
Kwaadaard.
Mêjufvrouw, met verldf.
VYFDE
-ocr page 38-10
Verstand, Wil, Eigenbaat, Deugd, Gemeen e b e's t , R e'c h t v a e r d i g h e i d, G o e d-AARD, Oprechtheid, Arglistigheid, Ondeugd verfchoolen.
Verstand.
MEvrouw fchynt afgemat van t reizen. Een geruftet Verblyf, dan deeze zaal, was haar hoognoodig: Zufternbsp;Ik bid u, gaa, gelei de aanminnige Vdrffin ^
In t Koninglyk vertrek, daar alle Grooten in Huisvéften, als zy ons deecr vanhunnbykomftgeeven.nbsp;Wil.
kBén u ten dienft, Mevrouw.
Eigenbaat.
Ik word te hoog verheven,
OVdrft...
Verstand.
Niet naar verdienft. Ddch trooft u zclv,fchép moed, En hoop.
Eigenbaat.
Myn zaaken ftaan op al te goed een voet, Om niet te hoopen, als uw goedheid, die naa deezennbsp;Mynhoop alleen is, my wil trooften, én geneezen.
Gemeenebe'.st , Verstand, Goedaard, Deugd, Opre'chtheid, Ondeugdnbsp;'verfchoolen.
G E M E E N E B E S T.
HEer Koning, gun my, als een trouwen onderdaan Betaamt, myn meening vry te zeggen.
Ver-
-ocr page 39-li
VAN EIGENBAAT.
Verstand.
Spreek; wj gaan
In alles gaerne met Gemeenebéft te raade.
G E M E E N E B e' S T.
De waare telkenen van éêlheid zyn genade, .
En médelyden; ik bekent, én t is niet vreemd,
Dat gy t belang van Réênvanftaat ter harte neemt. tBekoorlyk wccnen van die twé aanminnige oogennbsp;Verlókt, én dwingt de ziel tót krachtig médedoogen.nbsp;'Maar zo t onthaalcn van die Vórftelyke vrouw,
O Vórft, uw bloeijend Ryk gevaarlyk weezen zou,
Zo is uw hart verpligt tót nutter médelyden.
¦ Verstand.
Wat noodiger belang gebiedt die zucht te myden
' G E M E E N E B E S T.
tBelang van t Koningryk , dit Eiland Vryekeur,
Dat van uw vólkeren de Zinnen, die ge een deur Tót rampen opent: want uw lótielyk regeerennbsp;Zou haaft door haaren raad in tieranny verkeeren.
'Ze is wél de dóchter van Staatkunde, de édle kunfl: Die groot'e Vórften leert hun vólk door dwang, én gunftnbsp;In toom te houden; maar men heeft haar binnen kortennbsp;Verkeerde leeringen ten boezem in doen ftorten.
En uit een hélfche borft doen^zuigen fnood fenyn Van valfche gronden, én flaatreegcls, goedinfehyn;nbsp;Waar van zy eindelyk doordronken, tót de ftarrennbsp;Haar ongodiftendom te fchaamteloos heeft darrennbsp;Verheffen.
¦ ¦'O P R E C H T H E I D.
Zy fchéldt my Opréchtheid voor een vlék Van alle Hó ven, voor een haatelyk gebrék.
Zy leert de Koningen het veinzen, én bedriegen,
En zégt, dat iémand met Bedróg in flaap te wiegen EenKoningsdcugd is.
Goedaard.
Die verwatene veracht Cnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Récht-
-ocr page 40-Réchtvaerdigheid, én kent geen andre wét, als magt, Gewoon behoorlykheid, én pligten te overtreeden.nbsp;Daarom is Réênvanltaat een Réden zonder réden.nbsp;Deugd.
Men kan niets, als verderf, voorzien uit haaren raad. Verstand.
kHoor échter, dat men uit haar lellen leert zyn ftaat Handhaaven.....
Deugd.
Had zy zélv haar ryken niet verloeren. Zo mogt Verftand na haar handhaayingléflèn hooren.
G E M E E N E B e' S T.
Haar voorbeeld raadt u, dat zy hier den voet niet veil.
Verstand.
Zou ik zo onheufeh zyn
G E M E E N E B E S T.
Zo raadt Gemecncbcft. Verstand.
Zou ik haar uit myn Ryk verjaagen ?
G E M E e N E B e' S T.
Zo ZOUt voegen.
V E R S T N D.
Dat we een rampzalige, een verhaten vrouw vetjoegen? Is ieder, en te mfeer een Koning, niet verpligt,
Dat hy de droefheid van dat zwak gedacht verligt Door byftand,k voel myn ziel met haare ramp bewoqgen.
G E M E E N £ B E S T.
Gy waart eerft Koning, eer gy eenig médedoogen In t hart voelde over die vcrdrccvcne Vdrfün.
Diés Waar t onfedelyk, zo gy, die in t bégin Verpligt geweëft zyt aan uw volkeren, én tlantcn,
U nu een laatcrc verpligtihg meer zoudt; haten Ter harte gaan; Daarom, indien gy t Réciit bemint*nbsp;Betracht den pligt, daar ge u eerft aan verbonden vindt.
' nbsp;nbsp;nbsp;Deugd.
Wat krachtiger bev/ys!
Ver-
-ocr page 41-V A N E I G E N B A A T. 13 Verstand.
Wat wreedere gedachten! Deugd.
O doodlyk fchoon, fenyn der tiele! zyn tiw krachten Zo groot, dat gy Verftand doet ftilftaan, én vervoerd!nbsp;Verstand.
Wat harder ftörm df dus myn harflèncn ontroert!
Myn geeft, verbyfterd, weet te wraaken, ndch te kiezen. ,WiI ik de fchoone in t hóf behouden, óf verliezen?
Ik héb ftraks naaberouw, wat ik van twéên befluit. Wat doe, wat laat ik? ach, t is met myn oordeel uit.nbsp;Deugd.
Verftand, geheel ontftéld, begeeft ons. Hoe zalt enden?
Gemeenebest.
Men moet zyn zinnen in dit onweer zien tc wénden Naar ons goedvinden, én hem vólgen, waar hy gaa;nbsp;Dit is myn raad.
Deugd.
' nbsp;nbsp;nbsp;Kom, gaan we, tisreedcniettefpl.
nbsp;nbsp;nbsp;ZEVENDE TOONEEL.
T nbsp;nbsp;nbsp;Ondeugd alken.
quot;^Ermaledyd gebroed! dat opzét zal ik fluiten,
^ nbsp;nbsp;nbsp;^ Of k heet geen Ondeugd. Dat s een tréflyk raadbe-
fl uiten!
' Wat zo ziet! jaag ze wég, heer Koning, laat ze gaan.
Ja tóch, alreêman. Wél wat hebben wy gedaan,
Wy arme onnoozle bloeds ? dat wou ik wél eens vraagen. Wy komener zo eerft, én ftraks ons wég te jaagen?
k Wil JOU wél zweeren... Maar holla... Neen, t is goed vrind.
14
T I ER ANN Y-achtste TOONEEL,
OnDEUGDjArG tiSTIGHEIX), KwAAÖAARÖ. Ondeugd.
HO f wéllekom Mevrouw Argliftigheid. Gy vindt My récht van pas; het ftaat heel Hécht met ons ge-fchapen.
Arglistigheid.
Ja, Ondeugd, k vreesdeit wél, én wildeer niet op Haapcn. Derhalven ik de Infante alleen Heer Eigenbaatnbsp;Liét onderhouden, om uit uwen mond den ftaatnbsp;Vant wérk te weeten, én bad Kwaadaard my te Icijcnnbsp;Daar ge u verfchoolen had.
, Q N D E U G D.
Zaagt gy den Koningfcheijén? Kwaadaard.
Vry wankelmoedig, zo my döcht. Ik hoorde hem Verzuchten meer als ééns, én met een flaauwe ftémnbsp;Gebieden, dat men hemtefuftbragt/éndoortfpeelen.nbsp;En zingen der flaavin t ontroerd gemoed zou ftreelen.
Arglistighe I 'D.
Wat haaperter ?
Ondeugd. nbsp;nbsp;nbsp;
Van alls. Gemecnebéft verklaart Zich tégens ons, 'én raadt, men zou ons met dervaerö'nbsp;Het hdf doen ruimen , én het llimfte is wél van allen,'nbsp;Dat hem Heer Goedaard, én Oprechtheid méde vallen,nbsp;Ja zélfs de Koningin.
Arglistigheid.
Maar wat was zyn befluit? Ondeugd.
Ndch t één, ndch t ander; maar het zieter zeldzaam uit, Zy vdlgen alle drie den Koning naa, én zullennbsp;Met ftadig teemen hem de herlknen zo vullen,
Dat
-ocr page 43-VAN. EIGEN B AA T.
Dat hy hunnmceniiK imal vdlgcn op het left, ^
En ons yerjaagen. O! k vrees voor Gemeenebéft, Dien loozen Vos!
Arglistigheid-
k Zou hem ndchtans die pas verzetten, Had ik myn kinderen in t hóf.
.....K w A A D A A R D.
Wie kan beletten
Dat zy niet komen?
A R G. t I S T I G H E I D.
k Was in vrees, dat ons miftchien In t hóf te laamen de één, óf de ander kwam te zien,nbsp;Die ons mogt kennen: want wy zy n nóch niet vtm kleêrennbsp;Veranderd.
Kwaadaard.
Zoudt gy hen hier anders wél begeeren? Arglistigheid.
He^l gaeren.
JK W A A D A A R D. nbsp;nbsp;nbsp;.....
Zyn ze in t huis van Veinzery nóch ? Arglistigheid.
Ja,
Daar wachten ze, om ons by te komen. Heer, zo dra Het donker is.
Kwaadaard.
Ligt zult ge uw kindrcn eer behoeven; Entzal niet noodig zyn tót tavond toe te toeven;
tïs hier récht achter; zo gy wilt, dat ik hen haal.
Ik weet hen daatlyk door een bywég in deez zaal Xe lévren, zonder dat hen iemand kaa verlpieden.
Arglistigheid.
Het waarmy lief, naamt gy die moeite, en kon t ge-fchieden. nbsp;nbsp;nbsp;' ¦
. . iC w A A D A A r/d.
Wél, onderhoudterwyl Mêjufvróuw Vleijery,
Die ginder aankomt: k bén u daaddyk weêr. by.
Cs nbsp;nbsp;nbsp;NEGEN-
-ocr page 44-NEGENDE TO O N E E L.
Vleijery, Ondeugd, Argljstigheib.
^ nbsp;nbsp;nbsp;Vleijery.
Spyt! én dat ik nöch op mynen mond moet kloppen! Ondeugd.
Wat haaperter,
Vleijery.
Ik kan, ik kan het niet verkroppen. Intbéfte, int midden van mynYang, die, zo het fcheen,nbsp;ZynMajcfteit verrukte, en alle zwaarigheénnbsp;V ant hart ftreek, zo dat hy my met genadige oogennbsp;Aanfehouwde, komt Vrouw Deugd heel onheufeh in-gevloogen;
En onder fchyn, dat zy Verftand iets van belang Te zeggen had, verfteurt zy niet alleen myn zang,nbsp;Maar heet my zyn vertrek te ruimen, half verbolgen.nbsp;Ondeugd.
Zwygftil, Opréchtheid komt, én fchynt u naa te vdlgen.
TIENDE T O O N E E L.
Oprechtheid, Vleijery, Ondeugd, Arglistigheid.
Oprechtheid.
VAn wie beklaagt gy u met zulk een ongeduld ? Zyt gy niet aangchoord, dat is uwe eigen fchuld.nbsp;V L e IJ E R y.
Waarom tdch ?
Oprechtheid.
Wiens gehoor kan al- uw leugens lyen? V L E IJ E R Y.
Wat noemt gy leugens?:
Op-
-ocr page 45-Opr ECHTHEID.
Ik noem uw Idftuitcryen Met réden leugens. Gy verhandelt aardfche lldf.
Als waardie Hémelfch; én geeft göddclyken lóf Aan ménfchen.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Wat lyt gy onnozel! Dat zyn naamen, En hooge tytels, die den Magtigen betaamen.
O P R e' C H T H E I D.
Maar t gaat te hoog.
Vleijery.
Men kan Verftand qiet naapyaardy
Volpryzen.
Oprechtheid.
Hangter wat opfnyeryen by.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Gy dient dc Koningin.
Oprechtheid.
Wat woudt gy daar mét zéggen? Ja, k dien Vrouw Deugd.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Het luft my nu niet in tc léggen Ndch tégen u, nc^ch haar: gy zyt van ééiicr Mrd.nbsp;Opre'^chtheid.
kBeként, én acht my zélvdRRom te Raeerder wa^d.
V L E IJ E R y.
Gy zyt verdacht. Men Roit r zoet zien, ndch fefjoon praateR.
O P R e' C H T H E I P-
Ik bén réchtvaerdig, kbén réchtuit, én moetuhaaten; Want gy zyt valfch, én liegt altgeen gydoct, én zégt.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ e R Y.
O hoon! een vrouw, als my, te hecten liegen! Opre'chtheid.
Een vroiiWjals u! wat moet men hoorcn,én aanfchouwenl G 4nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;VtEIJE'
-ocr page 46-V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R y.
Zie tQC, Oprechtheid, k zweer, ik zal t u doen berouwen.
O P R E C H T H E I 35.
Gy fpreekt, als waart gy iets bczondcrs.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E I J E R Y.
Meer, als gy.
O P R e' C H T H E I D.
Een voetveeg, een flaavin! wat ftclt zich boven my ?
V nbsp;nbsp;nbsp;L E I J E R Y.
kBen meerder, als ik fchyn, jadangyzoudtgelooven.
Oprechtheid.
Wie zyt gy dan}
V L E IJ E R Y.
Ik bén de fchoonfte kunft der hdven. Ik bén, die op het hart der Grooten meer vermag,
Als alle kunften, die de waercld immer ?ag.
In t korte, wie ik bén, zult gy eerlang beproeven.
O P R e' C H T H E I D.
Zo zyt gy Vleijery, myn vyandin. Hier hoeven Geen blyken meer. Hoe komt die dartele in dit hof?nbsp;Hoor toe dan, Vleijery. Gy dient hier op verldf;
De Koningin heeft my alleen u naagezonden,
Om u te zeggen, hoe zytkwaalyk heeft gevonden, Dat gy zyn Majcfteit met vyind van woorden tdtnbsp;Den Hémel voerde, hem, én al zyn hdf ten fpdt:nbsp;Dies zo gy haare gunft niet roekloos wilt verliezen;nbsp;Moet gy éene andre toon op uwe fnaaren kiezen.
Dit was myn boodfehap; gy, begryp daar uit uw pligt; Ik voeg my tdt de mync, én héb mynlaft verricht
é
-ocr page 47-Arglistigheid, Vleijery, Ondeügd.
Arglistigheid.
quot;p\ Aar hébt ge uw vonnis wég.
^ nbsp;nbsp;nbsp;Vleijery.
Ik acht haar niet met allen,
r^öch ïélfs de Koningin; kan ik maar wélgevallen,
Al waartop trdtfer voet, verwekken in Verftand: Want nimmer hoopte ik op iets goeds van de andre kant.nbsp;Ondeugd.
Al met der tyd, mynfchoone; al hebt gy groote réden Tdt moeijlyicheid; gy moet dienkdp, die korzelhédennbsp;Wat lecren breeken: want gy zyt te braaf een meid;
, En ik bemin u; maar ik haat die koppigheid.
Vriendin, men komtcr niet, op die manier. Uwweezen Staat fpits, gelyk cene éls.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E l] E R Y.
t Is waar, mynuitgeleezen;
Ik was vervoerd van fpyt.
Ondeugd.
Paft dat aan Vleijery?
V L E IJ E R Y.
Neen, Ondeugd, ik héb fchuld, k bekén het, én bén bly Dat gy tmy zégt, ik lalh umetdeezkusvergélden.
' nbsp;nbsp;nbsp;Ondeugd.
MynVenus!
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Myn Adoon,myn Mars,myn héld der hélden! Arglistigheid.
Laat af; ik hoor gerucht! Neen, weeft niet al te bang; tZyn bei myn kindren met Heer Kwaadaard.
KwAADAARDjArG LISTIGHEID, OïïlDEUGD,
Bedróg, Schynheiligheid, Vlei-JERY.
H,
Kwaadaard.
[eö ik t lang
Gemaakt ?
Arglistigheid.
O neen, gy he'bt u lóflyk wel gekwccten. kBén u verpligt. Maar Tal nu niemand konnenwceceii,nbsp;Dat Ty in thdf zyn?
Kwaadaard.
Neen, geen ménfch heeft ons ontmoet. Wy komen hier door een bedekten gang.
Ar GLISTIGHEID.
Heel goed!
Heer Kwaadaard, ci gelei myndochter in mynkamer. Gy Jufvrouw Vleijery, opdat ge int hóf bekwaamernbsp;Uwról moogt fpeelen, blyf myndóchter trouwlyk by.nbsp;Want als Schynheiligheld wat leert van Vleijery,
En Vleijery wéér van Schynkeiligheid wil keren,
Zult ge ieder klimmen tót den tóp van uw Uegceren. Schérpt dan malkandercn uw kunfl; met aandacht in;nbsp;k Bén met myn zoon Bedróg ftraks by u.
Ondeugd.
Koningin
My ns harten, reik me uw hand ; wy Tulkn met ons beijen Beft voegen. Kwaadaard zd §chynheiiigheid geleijen.
It
VAN EIGENBAAT.
DERTIENDE TOO NEEL.
Arglistig HEID, Bedrog.
Arglistigheid.
Yn TOon, ik héb met u eenwigtige aanflag voor; ¦¦'^^Maar fchort het u aan moed, zie iker geenlius door.nbsp;Bedróg.
^at hébt ge noodig, lift, óf krachten.^ Arglistigheid.
Geen van beide.
Niets hoeftcr toe, als moed.
Bedróg.
Dat my myn Moeder zeide, Waar zy my noodig had, zo zoude ik op een haarnbsp;Myn hart afmccten naar de grootheid vant gevaar.
Arglistigheid.
VKon lichtlyk zyn, dat de ongewoonte u wat vervaerdc; Maar anders is t gevaar van geen, óf weinig waerdc.nbsp;Hoor toe. Gemeenebéft, dés Konings grootfte vrind,
En hartsvertrouwde is heel tót ons verderf gezind,
En raadt den Koning ons te zenden uit zyn landen.
Die moet van kant, zyn dood verzoek ik van uw handen. Bedróg.
Wél, is het anders niet, dat waarc een kleinigheid; Maar zie, een man ftaat voor een man, récht uitgezeid,nbsp;t Heeft wérk in, t is een vént, die handen heeft, én voeten,nbsp;»Voornaamelyk wanneer het voor de vuift zou moetennbsp;. Gefchieden.
. nbsp;nbsp;nbsp;Arglistigheid.
Zouikzomynkinderswaagen? neen,
t Hoeft voor de vuift niet; hélp hem met vergif maar heen, Of ftróp, öf dégen, zo gy hem béft af kunt maaken.nbsp;Ook is hy oud, én zwak van krachten.
B E D R Ó G.
Grootc zaakenl Kom
-ocr page 50-Zt nbsp;nbsp;nbsp;TlERAN'hTY
Kom Moeder, réken dat gelyk gedaan, Wat meer?
Arglistigheid.
Dan wénfchte ik, dat gyu int kleed ftaakt van dien Heerj Uw weczen trekt op hem zo nét in alle deelen,
Dat gy gemakklyk voor Gemeenebéft zult fpeelen,
Als gy gepruikt zyt, én getabbaard zo, als hy,
En voorts de ftreeken pleegt van uwe kunftnaary. Bedróg.
Maar....
Arglistigheid.
Waar voor vreeft ge? tplag u nimmermeer te ontbreeken
Aan vonden; zoudt ge in zulk eenbeuzlingbly ven ftcc-ken?
Bedróg.
Wift ik ten minften dan wat meer omftandigheid.
Arglistigheid.
Kom, gaan we, ik zalzc u naakt ontvouwen; k word gebeid.
Einde van het Eerjle Bedrjf.
TWEDE
-ocr page 51-VANEIGENBAAT.
EERSTE TO O NEE L. Eigenbaat,Ondeugd.nbsp;Eigenbaat.
'Xyf Aar ïég, wanneer wil my de Infante allcenig Ipree-LVX ken?
Ondeugd.
Alstu belieft. Zy fchynt op u in liefde ontfteeken. Nooit heeft my iemand iulk eeiiheufch onthaal gedaan,nbsp;Dan zy: want naauwlyks had zy myne komft verftaan,nbsp;Of zy beval, my voor alle andere in te laaten;
En ftraks begon Ze met my fmaakelyk te praaten Van uw verdienften, én was bly, dat gy haar de eernbsp;Van uw gezélfchap, én bezoek zoudt geeven, Heer.nbsp;Eigenbaat.
k Héb Wél gerriérkt, toen zy me in myn vertrek geleidde, pat zy me liefhad aan al t geen zy deed, én zeide'; .nbsp;Maar t is me een kranke trooft: want haar geneegenheidnbsp;Heeft zy op cene al te ydle, én loflcn grond geleid.
Zy weet niet, wie ik bén.
Ondeugd.
Ho! komt ze dat te weeten, Haar liefde groeit ligt aan twé léngten, én drie breedten!nbsp;Wat Juffer hédensdaags, hoe hoog, hoe laag van fta^f.nbsp;Die niet ter dood toe is verliefd op Eigenbaat?nbsp;Eigenbaat.
Ik zie Argliftigheid aankomen. Wél, wat tyding?
TWEDE
-ocr page 52-24
TWEDE TO O NEE L.
ARG LISTIGHEIB, EiGEHBAAT, OmDEÜGD,
Arglistigheid. rj Eérwënfchiyke; om u ftof tegeeventötvcrblyding,nbsp;¦^Gemeenebcft, myn Heer, is al van kant; énmynnbsp;Beminde ïoon Bedrog herfchaapen in iyn fchyn,
Die zyri manieren zo heeft weeten aan te wennen, Zynfpraak, én mynen, dat zy niet zyn te onderkennen.nbsp;W,ant met de tabberd van Gemeenebéll verfierd,nbsp;til zittende in zynplaats, berecht hy, én beftiertnbsp;s Lands zaaken, zynde ontzien by Grooten, én by kleenen,nbsp;Die hem Gemeenebéll te weezen vaftlyk meenén.
Eigenbaat.
Hoe kwam hy om ?
Arglistigheid.
Myn zoon heeft hem, terwyl hy Hiep, Opdat hy de aanflag niet verbrddde, indien hy riep,
De keel behendig met een koorde' toegebonden;
£n dus al llaapendc aan Mevrouw de Dood gezonden.
Eigenbaat.
Hy hoeft een ftoutc daad beftaan.
Arglistigheid.
Wat doet men nu
Niet al, b Réênvanftaat, öfEigenbaat, omu.^
De onnozIe zouden t wél niet hebben durven dénken, Om dé édlc wetten der gaftvryheid niet te krénken;nbsp;Maar zyn de wcttcn voor de iVlagtigen gemaakt?
Wis die niet overtreodt, én wégfehopt, én verzaakt. Wordt door devrees voor draf alleenlyk wéderhouden.nbsp;Wég met geoof, én trouw; t zyn deugden van der oudennbsp;Vergeeten vadren tyd, toentvcSL wierd voorgezétnbsp;Een fchotel raapen voor wat lekkers, voor bankét.
El-
-ocr page 53-2S-
VAN eigenbaat. Eigenbaat.
Nu réken ik de kroon, en fépterftaf der landen Van Vryekeur al op myn hoofd, én in mynhanden,nbsp;Nu myn vertroudfte vrind Bedrdg, gehouden voor.nbsp;Gemeenebéft, bezit des Konings hart, én oor.nbsp;Ondeugd.
Maar ginder, dunkt me, zie ik Vleijery, mynvryfter. Al huppelende op ons aankomen; zy moet byfternbsp;Wél in haar fchik zyn, die uitputfter van myn jeugd.
RDE TOONEEL.
Eigenbaat, Vleijery, Arglistigheid, Ondeugd.
W nbsp;nbsp;nbsp;Eigenbaat.
e1 Vleijery, van waar zo dartel, én verheugd?
' nbsp;nbsp;nbsp;Vleijery.
Alleen om u de weet van myn geluk te geeven.
De Koning heeft my in Opréchtheids plaats verheven. kBén eerfte Staatjufvrouw der Koninginne, dóchnbsp;k Héb dés geen kleenc dank te weeten aan Bedrdg.nbsp;Eigenbaat.
Door wéjke dienften zyt ge int kort zo hoog gereezen? Vleijery.
De eer, die ik héb gehad van uw flaavin te wcezen, Verftrékte my verdienfte, én dienden. Dies, óPrins,nbsp;Js deeze gunft aan u beweczen, my geenfius.
Eigenbaat.
Maar wat was de oorzaak van t afzetten van Oprechtheid?
^ nbsp;nbsp;nbsp;Vleijery.
HaaPgroote inbeelding van zich zélve, df lieverflécht-heid,
En botte ftoutheid, én te mywaard zéker llach '^an kwaa bejegening, waar van ik myn beklagnbsp;-gt;eed aan den Koning, wyl Bedrdg zyn zy bekleedde.
26 nbsp;nbsp;nbsp;T I E R A N N Y
Die, tbreed uitmeetende, den Koning óverreedde,
Dat hy haar niet alleen afzetten, én verldf
Zou geeven 5 maar geheel haar bannen van het hdf,
Gclyk t gebeurd is.
Eigenbaat.
Dat gaat wél. 'k Héb nu uwddchter Schynheilighcid van doen. Waar is ze?
Arglistigheid.
Kwaadaard brdgter,
Ddch ongekleed, int hdf, door ecubedékten gang. Eigenbaat.
Ik wénfchte, dat zy wél vermomd was: want eerlang Is zy my ligtclyk hoognoodig.
Arglis tigheid.
k Zal wél maaken
Aan Gddsvruchts kleédren door myn zoon Bedrdg te raaken;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;.
Wees dés geruft, én laat Héchts alles op my ftaan. Eigenbaat.
Wél, ondertufTchen zal ik by de infante gaan.
VIERDE TOONEEL.
O N D E U G D, V L E IJ E R yf
Ondeugd.
'Niet waar ?
V nbsp;nbsp;nbsp;L E ij E R y.nbsp;Ontftélt u dat ?
Ondeugd.
Ja tdch.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E ij E R Y.
ZO zyt ge nu MêvrouW, én hoogin ftaat gefteegen?
r
k
t
ft
Ondeugd.
Van wégen Onze
-ocr page 55-VAN EIGENE AA T. 27 Onze onderlinge liefde; omdat ge, nu te hoognbsp;Gezéten zynde, van die verre fteiltc t oognbsp;Op my niet werpen zult.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Hoe ? kennen wy malkandrcn Dan eerft van héden, öf vangiftren?
Ondeugd.
Maart verandren
Van ftaat verandert het gemoed gemeenlyk ook.
* Eerampten zyn te r 'cht geleeken by den rook;
Dewyl zy de oogen der bezitircn ftraks verblinden. Hoe zoudt gy onder zo veel Jonkers kunnen vindennbsp;Een boontje, een dwérgje?
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Van geftaltc zyt ge een dwérg; Maar van waardy een reus, een man, gelyk een bérg.nbsp;Ondeugd.
k Vertrouw, dat u weleer myngaaven zo behaagden5 Maar, fédert dat gy in t getal der Kamermaagdennbsp;Niet meer gctéld wordt, én zo groot geworden zyt,nbsp;Voegt u een grooter Heer. Nu raakt u Ondeugd kwyt.
V nbsp;nbsp;nbsp;L e IJ E R Y.
Gy hoont myn liefde door dit ongegrond vermoeden. Myne opgang. Ondeugd, zal onze onderlinge gloedennbsp;Töt voedfel ftrekken: want hoe hooger my t gevalnbsp;In aanzien ftélt, hoe meer ik Ondeugd minnen zal.nbsp;Ondeugd.
. Istwaar? zult gy me altydbeminnen
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ e R Y.
Ondeugd.
Steeds om my dénken ?
V nbsp;nbsp;nbsp;L E I j e R Y.
Nooit dat zoet geheugen dérven. Ik zweer het u met eede; ai, ftaak uwjaloezy,nbsp;Aanminnige Ondeugd.
D nbsp;nbsp;nbsp;On-
-ocr page 56-Ondeugd.
Uitverkoorcn VIcijery * Omhélsmc, mynGddin.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E I J E R Y.
Myii luft! Ondeugd.
Mynhoopl
V nbsp;nbsp;nbsp;D e IJ E R Y.
Myn keven!
VYFDE TOONEEL.
Rechtvaerdigheid, Vleijery, Ondeugd.
Rechtvaerdigheid.
WAt 20! zy fchynen aan malkanderen te kleeven.
Zo,, wakker, dat gaat wél, gelieven, boet uw luftj Zo, zo malkanderen onthaald, omhélfd, gekuft ?
Een lompen jongen nóch te ftreelen, gy, die héden Zo hoog verhéven zyt! v oor waart zyn fraaijc zedennbsp;Van de cerlle Staatjufvrouw, dat paft uitneemend wél.nbsp;Maart is geen wónder; want zy fteckt in t zélve vélnbsp;Van Vleijery; men kleede een firn in goude kleêrcn,nbsp;Haar parten échter zal zy nimmermeer verkeren.
Z^SDE TOONEEL.
Ondeugd, Re'chtvaerdigheid.
Ondeugd.
MAar gy Bcdil-al, waar bemoeit ge u niet al méé ? Waarom verfteurtge ons?
Rechtvaerdigheid.
Om het ampt, dat ik bekleê. tHófjulFerfchap, mynzórg, én opzigt aanbevolen,
VAK EIGENE i»A T. 29 Mag ongeftraft to gróf, én fchaamteloos niet dooien.nbsp;Zég dat aan Vleijery ftraks, als geer wéder ziet.
O N D E u G n.
Dan hébt gy t minfte werk alhier ten hove niet.
Een harderin kan wél op honderd fchaapen paflèn. Maar zo één ménfchlyk dier zou honderden verralïèn ,nbsp;Schoon ze op haar pallen met hén allen.
Re'chtvaerdigheid.
, nbsp;nbsp;nbsp;Wél, gyzégt
De waarheid lachchende: wie zyt ge?
Ondeugd.
Ik bén de knecht
Van Réênvanftaat.
Re'chtvaerdigheid.
Maar hoe ?
, nbsp;nbsp;nbsp;Ondeugd.
Als Proever,Schénker.Kamer-Bewaarder, Kamerling, Koetlicr, Lakei; bebwaamer Heeft zycr geen.
Re'chtvaerdigheid.
Uw naam ?
Ondeugd.
Al naar het hem belieft,
By wien ik dien, óf naart hem allerbéft gerieft.
De Heeren, daar ik by gewoond héb, zynverfcheiden Van aardt geweeft, én k héb my altyd laaten leidennbsp;Naar élks goeddunken, om myn meefters niet te onvriendnbsp;Te hebben.
Rechtvaerdigheid.
By wat vólk hébt gy dan al gediend ? Ondeugd.
Myn eerfte meefter was een vrék, die zyns gelyken Nooit had gezien om zich met fchraapen te verryken.nbsp;Maar die zo bézig was met géld te zaamIen, datnbsp;Hy cindelyk t gebruik van t eeten heel vergat,
En fturf van honger in het midden van zyn fchyven.
D a nbsp;nbsp;nbsp;Toen
-ocr page 58-30 nbsp;nbsp;nbsp;VIERANNY
Toen heette ik, Spaarpot.
Rechtvaerdigheib.
Wél, toen koft ge daar niet blyven.^ O N n E u G I).
Wél deeglyk: want hy liet een7,oon naa. Séldrement! Toen gingter tréflyk, dat was heel een andre vént.
Al, wat de Vader inet veel zórg in honderd dagen Vergaard had, will hy ineen uur wél doortc jaagen.nbsp;De uitzuipers vólgden hem, als hondtjes; wyl hygróf,nbsp;En groot verteerde, en voor een ieder open hófnbsp;En tafel hield. Toen wierd ik Noble kwant gcheeten.nbsp;Maar toen hyeindlyk wierd verfcheurd, én opgcgceten,nbsp;Gelyk Aöéon, van zyne eigen honden, bénnbsp;Ik van hem afgegaan, omdat hy niet een hénnbsp;Meer voeden kon, k laat fl:aau,zich zélve,én my te fpyzen,nbsp;GcIyk voorheenen, met faizanten, én patryzen.
RechtvaerbigheiB.
Waar kwaamt ge toen ?
O N B E U G B.
By een befaamden Avekaat, Die met twé wangen at; én die een zaak, hoe kwaadnbsp;Ze ook v/as, t zy die beftond in réchten, óf in feiten.nbsp;Zo geeftig voordoen, én wélfpreekend kon bepleiten,nbsp;Dat hy de weegfchaal van Réchtvaerdigheid zeer vaaknbsp;Deed héllen na t gewigt van zyn gefleepen fpraak.
Zo kon zyn tong het goed verdraaijen, t kwaad verbloemen.
Re'chtvaerbigheib.
My ftaater iets van voor , hoe liet gy u toen noemen? O N B E U G B.
Vernuft.
R e' C H T V A E R B I G H E I B .
Ja, t heugt me, dat gy waart in zynendicnft. Maar hoe verging t hem ?
O N B E u G B.
Slécht,én dat op t onvoorzienft.
Een
-ocr page 59-VAN EIGENE A^A T. 31 'Eénvanzynklanten, -wiens profeshyheelverbrddde,nbsp;Enwienhy, omt genót van deandrc kant, bedddde,nbsp;Zynftyl misbruikende in zyn naadcel, nam eenllylnbsp;V an ftaal, én duuwdc hem die in het hart, terwylnbsp;Ik aan zyn zydc ftond, ént aanzag. Ik aant rekken,nbsp;A! wat ik rekken kon. Naa die tyd hcb ik Vrekken,nbsp;Slampampers, Kaekelaars, én al dat goore goednbsp;, De zak gegeeven. Nu dien ik t GejufFcr. Bloed !
Dat gaat plaizierig, daar kan zich een dienaar kwyten; * Ik wou myn keven met zulk dienen wél verflyten.
Nu kén iktkunsje, tróts de béfte kaï-nenier.
Rechtvaerdigheid.
Hoe wordt ge nu genaamd ?
Ondeugd.
Nu heet ik Hooffche zwier. Rechtvaerdigheid.
'Ja, Geilaard, kZie door datverniflèn; alldienaamen Zyn fraai verzierd, opdat ik niet zou kunnen raamennbsp;Dat ge Ondeugd zyt. En gy durft komen, fiel, daar iknbsp;My vinden laat ?
Ondeugd.
Och, tisRéchtvaerdigheid! ik fchrik! », 'Waar berg ik my?
Re'chtvaerdigheid.
Gy zult uw Itraf nu niet ontvluchten. Ondeugd.
Help, hélp, ik word vermoord! Hélp, help me!
ZEVENDE TOONEEL.
Wil, Eigenbaat, Re'chtvaerdigheid, Ondeugd.
W I L. -fTT
W At geruchten Beroeren dit Paleis? wie fchreeuwde daar zo luid?
D 3 nbsp;nbsp;nbsp;El-
-ocr page 60-I E R A N N Y Eigenbaat.
Zyt gy t myn dienaar ? Hoe ? op hem den degen uit ?
Rechtvaerdigheid.
Met réden.
Ondeugd.
Ik héb daar geen klein gevaar geloopen!
W I L.
Wat misdaad, om het met den halze te bekoopen, Heeft hy begaan ^
Rechtvaerdigheid.
Hy hoont me altyd, én overal. Ondeugd.
Ik kénde u nooit.
Rechtvaerdigheid.
Zélfs hoont gy my in dit geval, Ondeugd.
Pén ik gehouden élk te kennen ?
Eigenbaat.
Schoone dingen
Voorwaar, om nahetlyf van mynen knécht te dingen!
Rechtvaerdigheid.
Uw knecht is me onbekénd,Mêvrouw;maart gaat gewis, Dat hy gellraft moet lyn, omdat hy Ondeugd is.nbsp;Eigenbaat.
Wat! xoudt ge aan Hooffche ïwier den naam yan Ondeugd geeven'
Een fchoon bcfcheid !
W I L.
Gy weet de kunft van wél te leeven, En Haat gewéldig acht opt Koninglyk ontzag.
Re'chtvaerdigheid.
Ik draag my, als t behoort.
Wil.
Hoe! voertge nöch de vlag? Re'chtvaerdigheid.
W I L.
-ocr page 61-Wil.
Stdl liever my de wét, éntheele höf ten léften. Hardnekkige, die voor ontMg. ndch dreigen zwicht,nbsp;Vertrek, én kom my nooit wéér onder het ge^igt.
R E C H T V A E R D I G H E I D.
O eeuw! ó zéden! daar Réchtvaerdigheid verftooten, En Ondeugd (wee, 6 wee !) befchérmd wordt van dcnbsp;Grooten.
ACHTSTE TOONEEL. Eigenbaat,Wil,Ondeugd.nbsp;Eigenbaat.
T^Evrouw, verfchoon me, ik héb myndienaar maar een woord
Te zeggen. Ondeugd, gaa, én zég Bedróg zo voort. Wat u bejégcnd is, opdat hyt, als de grootftenbsp;Staatzonde, affehildere aan den Koning op het fnoodflc;nbsp;En hem Réchtvaerdigheid van t hóf verbannen doe,
Zo t weezen kan, hy legg daar op met zinnen toe; Dóch fpreck Verftand niet aan, als in gewénfchte luimen.nbsp;Vlieg; tisverbród, zo wy een oogenblik verzuimen.nbsp;W I L.
Prinfés, het is my leed, u dus te zien gehoond. Eigenbaat.
En my, Mevrouw, dat gy u dés misnoegd betoont; Maar aangenaam, dat gy de goede zaak verdeedigtnbsp;Van my verlaatene.
Wil.
Ik acht myn pèrfoon beleedigd, Als gy beleedigd word. De liefde, die k tótunbsp;In myne ziel voel, is zo hévig, dat ze nunbsp;Niet eerft gebooren meer moet heeten, maar voldraagcn.
Er-
34
T I E R A N N Y
Eigenbaat.
Waar méde wékte ik ooit in u dat wélbehaagen.
Te mywaarts
W I L.
Door de kracht van uw verdienftcn. Eigenbaat.
Neen.
Uw loutere genade, uw goedheid is t alleen.
W I L.
Mevrouw, k misdeed my zélve, als ik my niet erbarmde Der onderdrukten, én de éléndige bcfchérmde;
Dit is der édelen, der wélgeboornen pligt,
En die t verzuimt, begaat een misdaad van gewigt; Dus is hier maar gemeen bewys van gunft gebleeken;nbsp;Maar u zoude ik misdoen, indien ik tzo liet fteeken.nbsp;Neen , grooter proeven moet gy van myn liefde zien.nbsp;Ik gaa zo daaalyk na den Koning toe, by wiennbsp;Ik ligt bewérk, dat hy Réchtvaerdigheid verfchaiFcnbsp;Een loon naar haar verdiende, én de onbcfchaamde ftrafFcnbsp;Ten fpiegel vjppr alle andre aanthdf, die ligt uit nydnbsp;Misnoegd zyn ^ dat gy zo by ons in achting zyt.nbsp;Vaarwel dan.
Eigenbaat.
Wilt ge om zulk een beuzling van my fcheiden? Wil.
rMoet zyn. Mevrouw; maar woudt ge een oogenblik Héchts beiden,
Gy zult my wéderzien; t is my de grootfte pyn Der waereld lang van uw gezigt beroofd te zyn.nbsp;Eigenbaat.
My is tgeen minder fmart u lang te moeten mifïèn; Dus is myn vreezen, dat ge uwtydligt mogt vergillen.nbsp;W i L.
Verban die vreeze; ik bén hier aanftonds wéder. Ach! Dat ik niet eeuwig in uw byzyn weezen mag!
Ei-
-ocr page 63-VAN eigenbaat. 35-Eigenbaat.
Kon dat iyn, ach! ik zou myn landen, én myn ftaaten Gewillig omt bezit van dat gendt verlaaten.
W I L.
Meent gy t Vdrftin ?
Eigenbaat.
Mevrouw, k meen t érnftig,én ik zweer, Blyft gy in liefde, als ik, ftandvaftig, nimmermeernbsp;V an hier re fcheiden; maar met u myn leeven te enden.
' nbsp;nbsp;nbsp;Wil.
Wat vreugd verlies, dat wy niet eer malkandrenkéndai! Eigenbaat.
Men haale t voorig tydvcriies met woeker in Naadeezen.
W I L.
Myn vermaak!
Eigenbaat.
Myn welluft!
W I L.-
NuVdrftin,
k Moet fcheiden: want wanneer men toeft met aan te klaagen,
Betoont men weinig na geleeden hoon te vraagen.
k Vertrék dan; maar al gaa ik met myn lichchaam ,k blyf Met myne ziel.
Eigenbaat.
Ik vdig u met mynziel, éntlyf Blyft hier terwylen om-uw wécrkomft af te wachten.nbsp;W I L.
k Gaa met myn voet dan wég; maar niet met myn gedachten.
Vaar wél.
NEGEN-
-ocr page 64-Ondeugd, Eigen ba a t, W i l.
Ondeugd.
A^Evrouwen, ik kom u uits Konings lafl Boodfchappen, dat gy hem verbeidt, terwyl hy vaftnbsp;Op v.'^ég is, om u beide op deeze plaats te fpreeken,
En om den hoon, aan u, in my gefchied, te wreeken, Eigenbaat.
Zo weet zyn Majertcit reeds die bejegening? Ondeugd.
O ja, Mêvrouw, ik héb, lo dra ik van u ging,
Den Vdrft ontmoet, wiens yyGemeenebcft bekleedde; Hy had de tyding door t verward gerucht alrecde;nbsp;Maar wou de omftandigheên uit mynen mond verdaan;nbsp;Zo dat ik kortlyk. .. Maar gins komt de Koning aan.
TIENDE TOONEEL.
Verstand, Eigenbaat, ia fchy» va» Réden-vanjiaatf Bedróg, in fchyn van Gemeenfbéji ^ Wil, Ondeugd.
Verstand.
JI^Evrouw, wat hoor ik, heeft Réchtvaerdigheidhaar
Op uwen dienaar uitgetrokken ?
Eigenbaat.
k Bén verlegen,
O Vdrft, indien hy u de waarheid heeft gezeid. Bedróg.
Hoe! t is een middel van gekwétfte Majeftcit,
Het Koninglyk Paleis te ontheiligen, t Is noodig
VAN EIGENBAAT. 37
Dat ey ons niets verbérp;t.
Wil.
Ik bén dés overboodig.
Heer Broeder, ik héb zélf, intbyzyn van Mevrouw, Betrapt Réchtvaerdigheid, die haaren dienaar wounbsp;Met uitgetoogen zwaerde ombréngen hier ter ftéde;nbsp;Ook heeft zy t nictontkénd.
Verstand.
Is t mooglyk! maar waar méde
*Verfchoont zy zich?
Wil.
Zy houdt hardnékkigftaande, dat Zy wel deed, én daar toe geen kleine réden had,nbsp;Schoon zy nóch réden, nóch fchynrédenenkongeeven.nbsp;Verstand.
Réchtvaerdigheid zo ftout!
Bedróg.
Zy was altyd gedreeven
Van eenverkeerden geeft, geneigd tót alle kwaad.
Verstand.
Zo fchcen zy nooit voorheen.
Bedróg.
In haargcringen ftaat
Wift zy haare aardt miflehien te ontveinzen, én verwennen;
Dit ééne ftuk doet haar, voor t geen zy is, érkénnen.
. nbsp;nbsp;nbsp;Verstand.
«r t Is billik, dat zy voor het misdryf boete doe.
Bedróg.
t Verbeuren van haarlyf, én leeven ftaater toe.
V ERSTAND.
Van lyf, én leeven?
Bedróg.
De algemeene ruft der landen Vereifcht, dat, die int hóf deménfehen aan durft randennbsp;Met wapens, 't boete met den lyve. Daar by zégt
De
-ocr page 66-38 nbsp;nbsp;nbsp;TIERAKNY
Dc zin der wetten van gaftvryheid, én het récht Der vólken, dat een Vdrft den vremdeling moet wrecken,nbsp;Dien zulk een hoon gefchiedt. Maar wat hoef ik te fpree-ken,
O V drft, uw grootsheid fpreckt door my, dat,die t ontzag Des Konings breekt, de ziel verbeurd heeft, én den dagnbsp;Onwaerdig is; opdat hier door de fchclmen leerennbsp;Der Koningen ontzag met dieper ootmoed eeren.
Wén zulk een fchélmftuk niet geftraft wierd naar den eifch,
Loopt s Prinfen Iceven zélf gevaar in zyn paleis. Verstand.
Men veile t oordeel met barmhertigen gemoedc,
En komhaarvoorige verdienden iets te goede.
Dat zy in ballingfchap voor eeuwig werd gedoemd.
Bedróg.
Wie zal haar ainpt bekleen ?
V E R S T A N D.
Al, wie gy daar toe noemt. Wil.
Wat dunkt den Koning van Mevrouw Staatkunde , Moeder
Van onzen waerden gaft.^* Voorzichtiger, ndchvroeder Weet ik niet ééne in t hóf.
Eigenbaat.
Dat waar te groot eene eer
Voor vremdelingen.
Verstand.
Al verdient uw Moeder meer.
Ik hoop, zy zal dit ampt niet weigeren te ontfangen. Eigenbaat.
Speur onze erkentenis op myn befchaamde wangen Veeleer, dan uit eenreeks van woorden, naar dekunftnbsp;Gcfchikt, óKoning, voor uwmild beweezeiigunft.nbsp;Bedróg.
2ot haar behaagde.
Verstand.
Spreek; wy luiftren. Bedróg.
Al verzeilen
Voorzichtigheid, én geeft de Vdrften in t gemeen, pie boven andre zyn geftéld; nóchtans is t reen,
Ja dikwils noodig, dat zy t oordeel van verfcheiden
Sevoelens hooren; niet om zich te laaten leiden , laar om het beft daar uit te kiezen; want doordiennbsp;waarheid zich op t nétfte, én hélderfte laat zien,nbsp;Die in het licht komt door verfchillcndheid vanmeining,nbsp;Zo zyn den Vórften, niet tót naadeel, óf verkleining,nbsp;Maar tót hunne eerc, én hulp, Raadsheeren toegevoegd;nbsp;Daarom waar t oorbaar, fchoon de V órft zich vergenoegtnbsp;Alleen met éénen,dat Heer Kwaadaard wierd verkoorennbsp;Tót twéde Raadsheer: want een Vórft moet ieder hooren.nbsp;V E R s T A N la.
Wierdt hy niet aangehoord, gy zyter oorzaak van.
Bedróg.
tVerandrcn paft fomtyds een wél voorzigtig man. Verstand.
Wat inzigt iscr, dat u port my dus te raaden.^ Bedróg.
Ik bén om de éngte, daar uw geeft in is, belaaden; De-n^l die in t gehoor van cénen Raadsheer veelnbsp;Te weinig fpeelens heeft, om keurig, én geheelnbsp;ï)e waarheid van den fchyn te fchitten. Groote dingennbsp;Vereifchen onderfcheid van rédenkavelingen,
Van voor-én tégenfpraak, dus ftélt éen ftaat zich vaft; Waarom den Koningen élk aan te hooren paft.nbsp;Verstand.
Gy weet, hoe weinig my zynrédenen vermaaken. Bedróg.
Dénk ook, Heer Koning, dat heeldranken zélden fmaaken; Hoewél zy noodig tót behoud van t keven zyn.
Ver-
-ocr page 68-40
Verstak D.
Hy nadert aan dc dood, die nadert aant fenyn.
W I L.
Het is gevaarloos, als t gehandeld wordt met oordeel. Verstand.
Ui kan hem met vermaak aanhooren, ndch met voordeel: Want niets, als kwaaden raad, gafhy my immermeer.nbsp;Eigenbaat.
Wat fchaadt hethooren? neem ftéchts ééne proef, myn Heer.
Raadt hy u kwaalyk, zyt gy zynen raad gedwongen Tc volgen?
Verstand.
Wél, ik zie, het word my opgedrongen Door uwe rédenen, aanminnige Vdrftin,
En de uwe, ó Zufter. Heer Gemeenebéft, kbegin Met u van meining ééns re worden, én ik rékennbsp;Het raadzaam, dat een Vdrft élk één moet hooren fprec-ken.
Hy komten hdve. Gy, vergunt my alle bei, Mevrouwen, dat ik u in uw vertrék gelei.
Einde van het Twéde Bedrjf.
4t
VAN EIGENBAAT.
EERSTE TOON EEL.
ArGLISTIGHEIBjWiL;
Arglistigheid.
TSt Waar, Mêvrouw Infante, én mag ik het gelooven, * Dat gy myn Dóchter dc eer van uw bezoek geeft, bovennbsp;De gunft, die k éven 20 ontfang van s Konings hand,nbsp;Dat ik____
Wil.
Wy achten haar verdiend, én uw verftand Meer eer waard j gaan wc in haar vertrék.
Arglistigheid.
Zy komt ons tégen.
twÉde tooneel.
Eigenbaat, Wil, Ondeugd, Arglistigheid.
Eigenbaat.
¦jr^Eezc al te groot eene eer , Mevrouw , maakt my verlegen,
En fchaamrood.
T nbsp;nbsp;nbsp;Wil.',
Myne lieve aanminnige Vdrftin, Onmooglyk, als ik u moet milfen, dat ik innbsp;Het leeven blyf. Gaaft gy tdch diergelyk een tékennbsp;Van uwe wéêrliefde?
Eigenbaat.
Ach Mêvrouw! k bén zo ontfteeken In uwe liefde, dat uwe oogen uit de myn
Ligt kezen kunnen, hoe myn hart geftéld moe^n.
-ocr page 70-4i.
T I E R A N N Y W I L.
Wat vreemder liefde van twé vrouwen tdt malkander!
Eigenbaat.
En die zo hevig! wat zaltoogwit zyn.^
W I L.
Geen ander,
Dan fteeds te minnen, én wanhoopend te vergaan. Eigenbaat.
Ik wanhoop niet; maark vrees, én myne vrees groeit aan Met myne liefde. Ach, ach! ik voel myn hart van binnefinbsp;Doort vrcezen koel, als ys, én heet, als vuur, doornbsp;t minnen.
W I L.
Gy vreeft?
Eigenbaat.
Gy wanhoopt ?
W I t.
Ja, ik wanhoop, én met reen. Waar wilt met onze liefde, eilaas! waar wil het heen?nbsp;Maar gy, waar voor hébt gy te vreezen ?
Eigenbaat.
Voor uw tooren.
Wil.
k Héb u tdt heerfcherés van myne ziel verkooren;
Wat vreeft ge dan ?
Eigenbaat.
Helaas!
Wil.
Gy zucht wat fchortcr ? zég
Wat haperter?
Ondeugd.
Ho, ho, zy heeft het fpék al wég! Arglistigheid.
» Hy légt zyn vuur byt ftroo; t gaat wél. Ik zie t al branden.
W I L.
-ocr page 71-VAN EIGENBAAT. 43 Wil..
Gyzwygt.
Eigenbaat.
Een doodfche vrees bevrieftmyne ingewanden, Ik durf niet fpreeken.
W I L.
Spreek. Hoe moogt gy myn geduld
Zó tergen ?
Eigenbaat.
Ach! ik vrees, dat gy my haaten zult, En dat myn goed geluk zal met myn naam vcraiidren,nbsp;Zo ik me ontdek , Mevrouw.
Wil.
Wy dienen dan malkandren Wat bét te kennen. Hoor, gyzycdan, wiegezyt,
Ik zweer uheiliglyk, datinzigt, ryd, ndchnyd U wfchoonheid.én verdienft zal uyt mynziel verdry ven;nbsp;Maar dat ik de uwe, én gy de myne alryd zult blyven.
E I G E N B A A T.,. .
Aanfehouw my dan, Infante,aanfehouw tny wél,én kén U w trouwen dienaar, 'k Schyn wat anders, dan ik bén.nbsp;Omonbekénd by u, mynfc ioone, teverkeerennbsp;I^éb ik my zélfverklced in vrouwelyke kleêren ,
En met den valfchen naam bepronkt van Réènvan-llaat;
Maark bén een man. Infante, een man! k heet Eigenbaat.
W I L.
Gy Eigenbaat, myn vreugd ! mynhoop! mynziel! myii leeven!
Wat wondere oorzaak heeft u hérwaards aangedreeven? E I G E .N B A A T.
Myn liefde, ontftecken aan uwfchoonheid, fintsde faam
De waereld over die verfpreidde met uw naam.
Wi L.
-ocr page 72-44 nbsp;nbsp;nbsp;TIERANNY
W I L.
Wat^ie, wat hoor ik! én wat héb ik meer te wénfehen? Nugy, mynzielzon, die ik boven alle ménfehennbsp;Bemin, myn liefde kroont met uwe wédermin.
ARGLISTlGHhlD.
Zie voor u; ginder komt Mevrouw de Koningin.
DERDE TOONEEL.
Deugd, Wii-, Eigenbaat, Arglistigheid, Ondeugd.
1D E u G D.
Nfantc.
W I t.
Wat belieft Mêvrouw ?
Deugd.
Ik héb u zaaken
Te ontdekken van gewigt, én die ons beide raaken. Wil.
Wa nneer ?
Deugd.
Zo daadelyk.
W 1 L.
Mévrouw, ik bén gereed. Tégens 'Eigenbaat ^
Prinfés, verfchoon me, ik moet vertrekken, t is my leed; Maar in uw byzyn zal ik my wéér ftraks vervoegen.nbsp;Eigenbaat.
Gy kunt gebiên. t Moet my,gelyk gy t fchikt,genoegen.
VIERDE
-ocr page 73-45-
VAN EIGENBAAT.
Eigenbaat,Ondeugd. Eige nbaat.
ir Om, Ondeugd, doe nu, t geen ik u gcïeid héb, haal ^ Nu voort myn baggen, énjuweelen altemaal;
Ile diamantering, depaerlen, én pendanten , grootc booten, én de mindere karkanten;
Ik wil diefchénken aan Mêvrouw de Infante. Ondeugd.
Heer,
I^edénku; ^o veelfchatstefpillen! nimmermeer 2yt gy zo mild geweeft; hébt gy uw naam vergeetennbsp;Door uwe liefde? gy zyt Eigenbaat geheeten. ¦nbsp;Eigenbaat.
kweet wél, wie ik bén, cn wat ik aanvang,t geld Wordt niet verfpild, t geen door een lieffelyk gewéldnbsp;De harten inneemt. Neemt de Infante Wil, betoverdnbsp;Alrcê door myn gevlei, t gefchénk aan, ze is veroverd;nbsp;Dan wordt die fchaade met tiendubble winlt vergoed.
2y heeft, bedroogen door haarbroeder, land, én goed,
En (laat, én magt aan hem onnozel wéggegeeven k Zal met haar toeftaan weer die réchten doen hérlee-
In ftérke handen wordt de zwakfte réden ftérk. pit is myn liefde alleen, dit is myn oogemérk.^
k Bemin in haar my zél v, het ryk, haar raagt, én fchat-ten,
Op rykdom doelen is récht wys zyn. t Zyn ontzinden, Die hrrane rékning niet by hunne liefde vinden.
t- 2*
-ocr page 74-46
Nugaa, énmaak, datgyhieraanftondswéderzytj Daar komt heer Kwaadaard aan.
VYFDE TOONEEL.
Eigenbaat, Kwaadaard.
Eigenbaat.
H EerKwaadaard, kbénvcrblyd Dat ik u wéder in uw eerampt lie gezéten.
K W A A D A a R D.
Ik héb bet uwer gunde allecnlyk dank te weeten. Eigenbaat.
My, Kwaadaard?
Kwaadaard.
U alleen, Mevrouw, de Koning heeft, Toenikherftéldwierd , mygebooden, k zou beleefdnbsp;IJ dés bedanken, cn ontvouwen wélke pynennbsp;Hy om uw fchoonheid lydt, waar aan hy moet ver-kwynen,
Zo gy zyn liefde niet met wéderliefdc loont:
En ik héb hem beloofd te maaken
Eigenbaat.
Zwyg, gy hoont
Myne onbevléktheidjén gy kwétft myne eerbaare ooren.
K W A A D A A R D.
Mévrouw, een Koning...
Eigenbaat.
Al uw poogen is verloeren, Durft gy op my iets onbetaamelyks vcrmoên.
Kwaadaard.
Mevrouw, ik dacht u een byzond ren dienft te doen. Gy zyt behoeftig, én eenfchoonc vrouw; hy Koning,nbsp;Verliefd, én mild; gy kunt hem anders geen belooning,nbsp;Als liefde geeven voor zyn gunften, én vindt vreemd
Dat
-ocr page 75-VAN EIGENBAAT. 47 Datmynverpligting deel in die verliefdheid neemt,
Om uw belang daar door te vdrdren ! wie kan t vatten Eigenbaa t.
Die meerder acht haare eer dan kroon, én (laat,én fchatten
KwAA KAARD.
Veins dan ten minften.
Eigenbaat.
Neen ;k wil weezen, dieikfchyn. Om opgehulpen, niet om onderdrukt te zyn,
Bén ik berooide aan dit befaamde hóf gekomen ,
En wierd my, t geen me alleen nóch ovrig is, benomen, Myne eer! Ja zo een fchyn van oneer fléchts...nbsp;Kwaadaard.
Vórftin,
Waarom verfteurt gy, df ontftélt ge u ? Vier zyn min Wat bdts,dfflaa die af;ma r maak hem wél te ontfangen.nbsp;Hy zéndc me aan u vooruit, én zal llraks, vol verlangen,nbsp;Hier zélf zyn, om uit my uw meining te verllaan.
Is uw believen dan.... Maar ginder komt hy aan.
Wat zal ik zeggen ?
Eigenbaat.
k Wil t met wélberaaden zinnen Eerft overleggen; hélp me, Kwaadaard,gaan w e binnen.
ZESDE TOONEEL.
Verstand alleen.
IK, Hémelfche afkomft in een ménfchelykcn ftand, Die, dryvende op de fnelle fchachtennbsp;Van onnafpoorbaare gedachten,
Vlieg bovent hél geftarnte, én met eenflouteh md t Uitfpanfel meet, vind me in eene éngte naauw bevan-
En blyf in de omtrék van een minlyk weezen hangen.
48 nbsp;nbsp;nbsp;TIERANNY^
O fchoóneRéden ! mynbemindeRéénvanftaat!
Zie, hoe Verftand woi Jt opgetoogen!
Wat uwverdienden al vermoogen ! Aanfchouw, myn heil 1 myn hoop! myn heul 1 mynnbsp;toeverlaat!
Aanfchouw ééns, hoe Verftand belydt niet meer te wee^ ten,
Panzyn begrip uw waarde is magtig af te meeten.
ZEVENDE TOONEEL, Goedaard, Verstand.nbsp;Goedaard.
Verstand,
Wat is UW' begecren ? Goedaard.
k Vindmeuitpligt
Gepérft, om u een zaak te ontdekken van gewigt. Verstand.
My raakende}
Goedaard.
Daarligt uw welvaart aan gclégen; Want hier in t höf zyn uw verachtfte flaaven tégennbsp;U opgedaan, óVdrd! uwluden, diegyiiinbsp;Den toom niet houdt; zo dat een wreede dwinglandin,nbsp;Met hén in eedgefpan, zal op uw troon geraaken,nbsp;Tcrizy geer in voorziet, én tot een daaf u maaken,nbsp;Verstand.
Wie is die dwinglandin ?
Goedaard.
Kéntgy haar niet? Verstand.
Oneen,
Ik héb haar nooit gezien, myns weetens.
Goe-
-ocr page 77-'49
'49
Ként gy Réén-
A*N EIGENBAAT. Goedaard.
Vanftaatniet?
Verstand.
Is by u een dwinglandin diefchoone Prinfés? én wilt gy, dat ik, als verraaders, hoonenbsp;Myne onderdaanen, myn getrouwe zinnen, dienbsp;t Behulp zyn, dat ik haar bekoorlykhédenzie,
I En kenn haarwaarde met opmérkingfDurft gy noemen Wéêrfpannig, die my doen den grootften dienft, én doemen ,
E^iemy, én mynefmaak invdlgen?
Goedaard.
s Kranken luft,
Is zy hem fchaadlyk,moet wéêrftaan zyn,niet geblufcht. Verstand.
Bén ik dan krank ?
Goedaard.
O ja, ter dood toe; dés hoe minder Gy uwe ziekte voelt, vrees dés te meerder hinder.
Uw nieuwe liefde is een befmettelyke kwaal,
Die ftil, verraadelings met haar vergifte ftraal In de éêlfte deelcn zal in kruipen van uw Staaten;
En daar verandrcn t bloed van uwer onderzaaten Geneegenhcid. Men hoort alreede int openbaarnbsp;Eiks klagten. Wordt gy 's völks misnoegen niet gewaar?
V ERSTAND.
Hy fchrikke vry, die my vermeetlyk durft beftraffen. Goedaard,
Dit middel,in de plaats van raad voort kwaad te fchaffen, D al te vinnig, én verbittert het veel eer.nbsp;Deonfeilbrewégomdatteheclen, is, myn Heer,nbsp;Alleen Héchts de oorzaak wégtencemen.Al hetfmaalennbsp;Zal eindigen, als gy de driften zult bepaalennbsp;Van uw Verdwaalde liefde. O Koning, het fenynnbsp;Der tong verliell zyn kracht op die onnozsl zyn.
E 4 nbsp;nbsp;nbsp;Ver-
-ocr page 78-Verstand.
Wilt gy me,omdat het völk myn liefde fchyet tc wraakcn, Dan onderdaanig aan myne onderdaanen maaken}nbsp;Goedaard.
Dés vdlks geneegenheid is de allerfterkfte wal,
Dies V örllcn ftaat befchérmt.
Verstand,
Wy achten niet met al
Vant vdik gehaat, df van het vdlk bemind te weezcn,
G anfch niet, wanneer my flécht s mync onderdaanen vreexen.
Kwaad aard, Verstand, Goedaard,
IKwaadaard.
Khébuwlaftverricht, óVdrft.
Verstand.
Wat bréngt gy my ? Kwaadaard.
Niet zékers; maar ndchtans veel hoops.
Verstand.
Wat antwoordt zy ?
Kwaadaard.
Zeisarg, én loos; zy maakt de toornige, defchuuwc, Als alle vrouwen in dat voorval; zy heeft uwenbsp;Geneegenheid, én dienfl: verworpen ; ddch bekleedtnbsp;Haar afflaan met een glimp van eerbaarheid. Zy weet,
O Vdrft, dat vrouwengunit naa weigren, én verlangen, Veel aangenaamer.is, als die wy ftraks ontfangen.
. nbsp;nbsp;nbsp;Goedaard.
Verlaat ge, óKoning, deonvergankbrefchoonheid van Vrouw Deugd voor eengemaakte, én broofche fchoon-heid dan ?
Acht gy, die u veracht gt;
Kwaadaard.
Onnozle! ként gyt veinzen, Ndch
-ocr page 79-VANEIGENBAAT. j-i
Kücht hédendaagfch gebruik der vrouwen niet?2y deinzen Al willen zy vooruit; zy fchynen koel als ys,nbsp;Albrandenzy, als vuur.
Goedaard.
Heel wél, blyft gy dan wys; Hetzyzo. Maar Verflandzoudiezyneeeden breeken?nbsp;2yn trouwe gemaaliu van zyne trouw verfteeken ?nbsp;Kwaadaard.
jpy doet my lachchen. Uit wat hoek haalt gy dat woord w an trouw gt; Ik héb het in veel jaaren niet gehoord.
t Is byt gemeene vdlk ligt nóch niet uitgefchooten ;
Alaar t is voorlang al uit de mode by de Grooten. Goedaard.
VVat! durft gy zeggen, dat de trouw geen Koning paft ?
Kwaadaard.
Als in eens Konings hart een ftérke neiging waft Tót Réêuvanftaat, is hy aan eed, nóch trouw verbonden.nbsp;Goedaard.
Zo fteunt die neiging wél op góddelooze gronden, Kwaadaard.
Niets is onrédelyk, indien de Vórft het pryft,
En goed vindt.
Goedaard.
kStaatutoe, wanneer gy mybewyft Dat hy niet dwaalen kan.
Kwaadaard.
Een Vdrft kan alle dingen. Goedaard.
Hy moet al, t geen hy kan, niet willen; maar bedwingen ' 2yntdgtcn,cu....
Verstand.
Gyhébt genoeg gezégd; zwygftü-Goedaard.
Niet half genoeg, dfk bén niet wél verftaan.
Verstand.
Ik wil E s
-ocr page 80-f i nbsp;nbsp;nbsp;T I E R A N N y
I '
[)i nbsp;nbsp;nbsp;- Datgygccnénkelwoordmeerfpreekcnzulf.Myn'zinnen
i nbsp;nbsp;nbsp;Verfchülenal teveelvandeuwe; éniyate winnen,
{ nbsp;nbsp;nbsp;Nöch om te zetten.
Goedaard.
} nbsp;nbsp;nbsp;i\ch, HeerKoning!
nbsp;nbsp;nbsp;Verstand.
¦ nbsp;nbsp;nbsp;'kNeemtvoorhoon,
Zo ge iets mcerzégt.
Goedaard,
Myn Vdra.. . Verstand.
Is t lydlyk! Goedaard.
Groote Gódn!
Verstand.
Wat s ditrontziet ge nniet dus onbefchaamd myntooren Tetérgen.quot; gaa , vertrék, ik wiluzien, ndchhoorcn.
NEGENDE TOONEEL. Verstand,Kwaadaard,
W nbsp;nbsp;nbsp;Verstand.
At trótfer ftoutheid ! watbejégening! Kwaadaard.
Hy neemt
Eengroote vryigheid, al dunkt het my niet vreemd. , Verstand.
Dunkt u niet vreemd, dat my myn knecht de wét wil geeven ?
Kwaadaard.
O neen, hy vindt zich in het Hdf zo hoog verhéven,
En by de Koningin indie vertrouwlykheid,
Dat hy ternaauwernoodden Koning onderfcheidt Van de oiiderdaanen; ja zich meefter waant te weczennbsp;Van t ganfche ryk, zo dat hem de allergrootlle vreezen.nbsp;Verstand.
Wat zégt gy? nbsp;nbsp;nbsp;Kwa.\d-
-ocr page 81-V A N E I G E N B A A T. Kwaadaard.
Ik bén maar een wéêrgalm van de praat, Die nu ten hove , én by een ieder ommegaat.
O Vdrft, indien gy hoorde al tfchémpen, én verachten Vanuwgezag, gykreegt ligt wondere gedachten.
Dés zwyg ik liever. Maar, Heer Koning,t gaat gewis, Dat nu de Koningin alréê verwittigd isnbsp;Hoe gy hem hier zo ftraks gehandeld hebt; om faamennbsp;^ Wéér nieuwe middlen uit te vinden, én beraamen,nbsp;Datgy, bevredigd, hem wéér invdlgt. Gyzytgoed;nbsp;De Koningin vermag zeer veel op uw gemoed,
En hy op t haare; al wat zy ooit door uw vergunnen Bezat, bezit hy méde, én zou zich zélven kunnennbsp;T(5t Koning maaken: want de Grooten al te faamnbsp;Ontzien hem meer, alsu; de naam alleen, denaamnbsp;Ontbreekt hem, anders niet.
Verstand.
Ik zal die magt wél fnuiken; En die verhéven plant zeer haaftig néér doen duiken,nbsp;Dat zy myn grootsheid niet befchaduwe. Die hoon,nbsp;Heer Kwaadaard, zal my niet gebeuren. Eene kroonnbsp;Van faamgehéchte, én afgehouwen flaapkruidknoppeiinbsp;Is t waardigfte fieraad van Koninklyke koppen.
Kwaadaard, Verstand, Deugd.
D nbsp;nbsp;nbsp;Kwaadaard.
Aaris deKoningin.
Verstand.
Zy is alleen, énfchynt
Bedrocfd.Hoeist,Mêvrouw.?mydunkt,datgeuverkvvynt.
Deugd.
Met réden. Ach myn Vórft! myn man! ten zy eencandre O w ziel bezit, én ik van réde beft verandre,
Héb médelyden. ,
Ver-
-ocr page 82-Verstand.
Spreek, waar zucht gy om wat ist, Vörftin?nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Deugd.
Ach! houdt ge u nöch, als öfgy t niet en wift? Verstand.quot;
k Verftaauniet.
Deugd.
Helaas! gy wilt niet. Verstand.
Stél uw zinnen
Geruft; begeert gy iets ?
Deugd.
Dat gy my zult beminnen. Verstand.
Hebt gy geen blyken van myn liefde in overvloed ?
Deugd. nbsp;nbsp;nbsp;/
Weleer gchadt; nu heeft een nieuwe minnegloed U w hart, én harfens al te éléndiglyk veroverd,
En Réênvanftaat u met haar fchynfchoon zo betoverd, Dat gy Oprechtheid hébt gebannen uit het hdf;
Dat gy Réchtvaerdigheid , die met zo groot een lóf Haar ampt bekleedde, dat, töt hartzeer aller vroomen,nbsp;Ter liefde Héchts van Réênvanftaat, hébt afgenomen;
Is dat geneegenheid tdt Deugd, myn Vdrft, dat gy Die booze én liftige Staatkunde, én Vleijcry ,nbsp;Dieonbefchaamde , hébtgeftéldin dier Heldinnennbsp;Eerampten? heet dat liefde .^'ach! is dat Deugd beminnen?nbsp;Dat al de raad van uw getrouwen Goedaard wordtnbsp;Verworpen ?
Kwaadaard.
Zeide ik t niet? nu ziet gy, waart haarfchort. Deugd.
Ja, dat gy eindlyk uit uw byzyn hébt gebannen,
Als was hy afgezét, dien fpiegel aller mannen. Kwaadaard.
Daar hébt gyt uitfldt; aldatkérmen, én geween.
Al dat gewéld gefchiedt om zynent wille alleen.
V E RSTAND.
Is al te waar? kom gaan we, ik kan t geduurig klaagen, liic fchaamtlooze overlaft van Deugd niet meer verdraa-gen.
Deugd.
Gaatgyzoheenen, wreede? ontrouwe, gaatgywég^ Verlaat gy Deugdveracht ge al, wat ik doe, óf zég?
I
D E U G D alleen.
V Erfland , waar is uw trouw gebleeven ?
Wat dartele geneegenheid Heeft u zo vérr van my, én van uw pligt verleid,
Myn hoop! myn trooft! myn zieümyn leeven! t Is uit met Deugd, t is al verloorennbsp;Met tny rampzalige, ach! ach! ach!
Men lacht met myn geween, men fpót met myn geklag. Deugd wil men langer zien, nóch hooren.
SCHYN HEILIGHEID, DeUGD.
DSchynheiligheid.
E Hémel troofte u, ó bedrukte Koningin. Deugd.
Helaas! wiezytge, die nóch eenig deel neemt in Myn rampen , én u toont met myn verdriet bewoogen?nbsp;Schynheiligheid.
, kBénG(5dsvrucht,die my aan de waereld héb onttoogen, En leef in wilderniflè, én éénzaame woeflyn,
Myn fchuilplaats, daar ik nóch wél zou gebleeven zyn, Om zo veel boosheid, als hier omgaat, niet te aanfehou-wen,
Ten Waar my eindelyk myn pligt had voorgebouwen, pat ik noodzaaklyk, tót myns évennaaftens nut,nbsp;Moeft oefFenen myn liefde, als zynde alleen de flut
Van
-ocr page 84-56 nbsp;nbsp;nbsp;T I E R A N N Y
Vant weldoen, én de grond van al'e goede wérken, , Toenik uw ongeluk, Vórftin, begon te mérken.nbsp;Deugd.
Hoe ? heeft men dan alrêe verfpreid door al den Staat Wat hier int hóf, énby onsGrooten ommegaat ?
SCHYNHEILIGHEID.
Neen, niemand weeter af.
Deugd.
Maargy,die, alsvergceteft, Leeft in de waereld, hoe komt gy dit tóch te wceten ?
SCHYNHEILIGHEID.
De Hémel zélf heeft my ditalles naakt ontdekt.
Ik weet, hoezich Verftand, uw Egemaal, bevlekt,
En door een heete drift, vol van uitfpootighéden , Zyntrouw verwaarlooftjénbczwooren huuwlykseedcn. ¦nbsp;Deugd.
Zo veel vermag die Réênvanftaat.
SCHYNHEILIGHEID.
Oneen, Mevrouw.
Eeneydlefchoonheid, én zo ligtverganklyk zou Die uw gemaal Verftand, wiens hémclfche gedachtennbsp;De hoogfte wonderen bevatten, én betrachten,
Zo vér verrukken ? Neen, hy moet door tovcry,
En zwarte kunftenzyn geraakt in raazerny:
Want anders wilt hy haalt de waarde van u beiden,
Haar nietigheid van uw verdienften te onderfcheiden. Deugd.
Van wie? wanneer? én hoe is myne lull, én ruft Door tovcry belaagd ?
SCHYNHEII, IGHEID.
Nóch is t my niet bewuft.
Maar hoort deHémel naar aanhoudende gebéden,
Naar vaftèn, tuchtigen, énandreplégtighéden,
k Vertrouw dan vaft op zyn genade, dat ik al Wat uwe ramp betréft, daar door verncemen zal:
Want nimmermeer verliet de Hémclfche genade
Den
-ocr page 85-VAN EIGENBAAT. y?
ménfchjdie op haar hoopte,én met haar ging te raade. Deugd.
Ik wildanhoopen, dat het eind van mynepyn,
Om uw gebéden, my niet zal geweigerd zyn.
Uwwoorden, die my in de droeve zinnen fpeelen, ^ticndin,beginnen reedsmynwonde in t hart te heelcn,nbsp;En geeven aan myn ziel alreê verligtenisnbsp;Door hunne klank, diemy gelyk eenGddfpraak is.
Ei, blyf hier wat, verlaat my niet in deczetyden, Wébtgy, gelyktbehoort, opréchtlyk médelyden :
^ant, Gddsvrucht, als men u alleenlyk hoort, df ziet, Dan fmélt ons hartzeer, dan vermindert ons verdriet.
Schynheiligheid.
Hoe? wie bén ik, Mévrouw?my zo veel eer te toonen...
, nbsp;nbsp;nbsp;Deugd.
Isbillyk uvv verdiend met meerder eer teloonen,
U w nédrig kleed bedékt een hooge, én grooten geeft.
Schynheiligheid.
Hier onder is, helaas! niet anders ooit geweeft,
¦'^Is de ongeachtfte w urm,die de aard e ooi t heeftgedraagen,
Tt nbsp;nbsp;nbsp;gt;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;^nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Deugd.
Uw zédigheid verheft uw waarde door t vcriaagcn.
, nbsp;nbsp;nbsp;Schynheiligheid.
k Bén zo befchaamd,dat iilt; geen antwoord geeven kan. js.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Deugd.
H, geef tdch antwoord, dat gy ndch zo yling van Het hdf niet fcheiden zult, én doe de dikke néveisnbsp;^an zo veel zielverdriets, én meer gevreesden évclsnbsp;upklaaren; gy alleen zyt magtig zulks te doen.nbsp;j..nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Schynheiligheid.
af te flaan, Mevrouw, zal ik my w. 1 verhoên :
Want myne pligt, én eer is u gehoorzaam w'eezen. jj.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Deug d.
1 antwoord trooft mynziel,als van den dood verreezei}-jor , Schynheiligheid. aar tishoognoodig, dat ik naden Tempel gaa,
Op
-ocr page 86-Opdat de Hémel t oog met meer genade flaa Op uwe zuchten, wén die met gewy de zielennbsp;Van Prieftcrs zyn gellérkt,daar zy voor t outaar knielen,nbsp;En onder het geluid van hémelfch maatgezangnbsp;Hun heilige gebêen opdfFren , in den drangnbsp;Van veelboetvaerdigen, die zich met fchérpe zwcepetinbsp;Het lichchaam tuchtigen door duizend geelïèlftreepen,nbsp;En duizend ftraamen bloeds; want s Hémels gramfchapnbsp;moet
Men Icflchcn met eenftroom van zondig ménfchen bloed-Deugd.
Zien wy u haafl: weerom .f*
SCHYNHEILIGHEID.
Ja, k zal niet lang vertoeven* Deugd.
Op dat vertrouvven zal ik my wat min bedroeven,
En uwe wéderkomlt afwachten met geduld.
SCHYNHEILIGHEID.
Ja, ja, ga heen; gy weetniet hoe gy vaaren zult.
De eenvouwdige, hoe ligt is zy in flaap te wiegen !
Hoe laat zy zich door fchyn van vrbomigheid bedriegen ! Hoe weinig weet zy van den hédendaagfchen zwier'
Zy is nóch vt^onder wél getrooft op haar manier i Wat kan t vooroordeel van ons vroom, én heilig leevcn,nbsp;Gezag, én voordeel by dconnoozle ménfchen geeven!nbsp;O! die zo veinzen kan, krygt alles naar zyn wil!
Het gaat heel tréflyk. Maar wie komt daar ginder ? ftiÜ,
Bedrog, Schynheiligheid. . Bedróg.
Of zy me ként, én óf zy geellig fpeclt voor mom
T^ Aar is Schynheiligheid, myn Zu(Icr;nöoit te voorcii ¦^Heeft zy me dus verkleed gezien.Ik moet ééns hooren,
VAN EtGÊNBAAT.
Wé!, JufvrouwGóds vrucht,wat gaat hier ten h(5ve al om? Hier voegt wat anders, dan ftceds Pateninftcrs leczen.
S C H r X H E I L I G H E I ïgt;.
Aityd is wéldoen wél, gelyk het plag voor deezen.
B E D a d G.
Maar alles heeft zyn tyd. Nu voegt ons toe te zien Met aandacht, hoe men land, én lieden zal gcbiên.
SCHYNHEILIGHEI».
Och Broeder, ja; maar om de tydelykc rykeh Behoort menthémelfch,daar3lleinzigt voor moet wyken.nbsp;Niet iii den wind te liaan. Réchtvaerdigheid, gepaardnbsp;MetGc5dsdicnft,maakt ons hier ccnhémel op dceze aard.
B E D R Ö G.
Gy fpeelt uw ról zeer wél.
S C H y N H E I r, I G H E I D.
Och ! wou de Hémel gèeveri Hat ik myn ról wél fpeelde in dit verganklyk leeven!nbsp;Want onze ról is, dat wy trachten wél te doen.
B E igt; R d G.
kZég, datgy béter veinft, als iemand zou vermoéii. SCHYN heiligheid.
Ik veinzen? ikl
Bedróg.
J** gy-
cgt; C H y K H E I L I G H E I D.
^ nbsp;nbsp;nbsp;Óch, kwam in myngepeinzen
Heil énkel ydcl WQord te fprecken , k zwyg te veinzen j ^t liegen, de aarde zoude opfpalkeu , vrees ik, énnbsp;wly ftraks inzwéigen.
Bedróg.
p. nbsp;nbsp;nbsp;Weet, vriendin , dat ik u kén,
uuwennaam; gyzytSchynheilighcidgeheetcii.
p. nbsp;nbsp;nbsp;S C H y N H E I L I G H E I D.
Ty H' ! hoe pikken kovntdckaereldattc vvecten r Hemel wil het hcmvcrgcevcn, diemv dusnbsp;óurtt Jaftrcn
nbsp;nbsp;nbsp;Fnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Vs-,
-ocr page 88-En gy gaat voor mom.
S C lï Y N H E I L I G H E 1 D.
Zwyg (til! fus, fus
Bezondig u niet; ik voor mom? wat ydelhéden !
t Zyn Godsvruchts klecderen, die u het lyf bekleeden.
Met réden: want ik zelfben Gódsvrucht.
Neen, Bedróg
Uw broeder ., heeft haar die van daag ontftolen.
Och!
Ik kén Bedróg niet, én k héb in de waereld broeder, Nóchzufter, waarlyk, Heer.
Hoe gaat het met uw Moeder?
Zy is lang overléên, de onnozle vrouw.
Zy leeft,
Is hier aan t hóf, én heet Argliftigheid; maar heeft De naam van Staatkunde;én éénvan haar Speelgenootennbsp;Is Jufvrouw Vleij ery, die niet, al s met de Grootennbsp;Meer omgaat, (ints dat zy bekleedt Oprechtheids plaats;nbsp;Dat bochchlig dwérgje is ook één van uw Kameraads.nbsp;Schynheiligheid.
Wie ?
Ondeugd. Saamen zy t gy hier in t hóf gekomen, Met uwen Heer; de Infante is op hem ingenomennbsp;Met liefde;élk één meent hem eenvrouw, én Réênvanftaatnbsp;Te zyn; maart is een man, zynnaam is Eigenbaat.
S H Y N H E I L.I G H E I D.
Och t is met ons gedaan!
B E n R ö G,
Maar wil u niet onttiellcn.
Al,t geene ik zég, gefchiedt maar, orn u wat te kwellen. Schoon dat ik bén Bedrdg uw broeder, k w il u nietnbsp;Bedriegen.
SCHYNHEILIGHEID.
Gy Bedróg ^
Bedróg.
Ja, Ja. Schoon gy my ziet
In deezekleedren, k bén Bedróg, ik bén uwbroeder, Die, dus vervórmd door hulp, én raad van onze moeder,nbsp;De hekken héb in t hóf verhangen; Vleijcry,
En haar in ftaat gebragt.
SCHYNHEILIGHEID.
Ja wél, daar geeft gy my Het keven wéér. Waarom begont gy-.-.
B E 51 R ó G.
Niet te teemen,
Waarom, ófhoe,ófwat. Maar kort befl uit te neemen, Hoe wy de KoniiTgin nu lókjten in den valnbsp;Met Goedaard.
SCHYNHEILIGHEID.
k Weet een vond, die ik u zeggen zaL De Koningin vertrouwt op my, als op een heilig inbsp;En ik héb overlégd... Maar zyn wy hier al veiljg ?nbsp;Bedróg.
Neen. Niemand wacht zich naauw genoeg voortHóf-gezin.
Wy zyn veel veiliger in myn vertrék. Treed in.
Einde van het Dér de Bedryf,
lt;5i nbsp;nbsp;nbsp;TIERANNY
EERSTE TOONEEL.
W I L,Arglistigheid fchyn van Staatkunde^
He
I L.
LOc? is dan Eigenbaat uw zoon niet ? is het mooglyk ? Arglistigheid.
Oneen, hy veinsde't maar te zyn; dewyLhem hooglyk Daar aan gel égen was, dat hy zo wél zy n ftaatnbsp;Daar ddbr verbérgde, als door het vrouwelyk gewaad.
k Bén zyn flaavin', én acht het my groote eer te weezen Te moogen dienen, wien met (idderen , én vreezennbsp;De grootfte vant Heelal bewyzen diep ontzag.
Hy, aller Vdrften Vörft, ziet nédrigdagop dag De hoogfte kroonen, én de koninklykttc zielen' . ¦nbsp;Zich voor hem buigen , énintftdf ter aarde knielen.
Hy overdekt het land met légers, hy de zé Merfchépen , hy alleen maakt oorlóg, hy maakt vré5,
W I L.
t Gerucht zyns eernaams,dat de Faam met honderd tongen
Niet uit kan fpreeken',had myiie ooren naauw doordrongen^ Oft ondergroef myn hart in t heimlyk, als een mynnbsp;Doorgraaven wordtjk bevond me al toen verliefd te zynlnbsp;Arglistigheid.
k Bén bly, dat gy bemint, die zyns gelyk in waarde, Ndch in beminlykheid, ndch fchoonheid heeft op aardenbsp;Zo dat uwliefdé niet fe hoog kan gaan, ndch vér.
Hem eeren zélfs de Gdón. Heeft niet Gdd Jupitér t Gendt van Danac, in fchyn van gulden régennbsp;Alleenlyk door de gunft van Eigenbaat verkreegen ?nbsp;Bemin hem vry zo zeer, als gy beminnen kunt;
Nadien het u zyn waatde,uwjeugd,én fchoonheid guiiL Wil.
Zwyg ftil; houd opj houd op njyn Minnaar zo te pryzen,
Geen mynevlam te fél in de aderen doet ryten.
Stook die niet aan.k Verteer,ik fmélt.Ach ïe is te zwaar! Doe eerder, doe uw béft (hoe maagdefchaamte, waarnbsp;Zyt gy gebleeven, dat geen inzigt kan verhindrcnnbsp;Myn nood te kJaagen?;doe uwbélt mynvlam te rnindrennbsp;Met my te trooften door t bekoorelyk gczigtnbsp;Wyns lieven Afgöds
A r'g L I S T I G H E I ©.
kGaa, Mevrouw, én weet mynpligt.
HW I L allee)!.
Ecftu de Hémel uitverkooren Tót oogwit van myn min, aanminnige Eigenbaat,nbsp;Waarom is niet met één befchoorennbsp;Dat ik, metuveréénd, Iceveingcrufterdaat?
U lieven, hooren, zien,.helaas! én niet genieten!
Wat minnend hart zou t niet verdrieten ? Ach! ach! tzéker, datikftérf,
Zo k haaftige verkwikking derf.
Is myn verliefdheid klaar gebleckcn,
Zo haaft ik uwen naam verdaan héb door t gerucht;
Wasik alfélin liefdeontfteeken,
Al waart gy in zo vér gelecgen land, én lucht.
Wqit wonder is t. zo gy my lichter laai ziet blaaken ,
Nu gy zo na my komt genaaken ;
Wat wonder, zo myn hart, verheerd,
Ofchoonevlam, tótafchverteert?
Eigenbaat, Wil, Arglistigheid.
Eigenbaat.
At zie ik? hoe, Mevrouw?
Wit.
De blyken van myas harten
F 3 nbsp;nbsp;nbsp;Ge-
-ocr page 92-Gcneegenhéid, én van orilybrè minncfmarten.
EiGKKéAAT.
Zég eer van uw gendde.
W ï t.
Ach! ach! gelooft get niet, Nu gy my tiédrig u óm byftand fméekcn zietnbsp;Eigenbaat.
Hoe! gaat gy fny dan voor ?befchuldigt gy myn zinnen Van laauwMd.^leert gy my, hoe ik behoor te minnen?nbsp;Wat nacht houdt mytgezigt, watdroomt verftand be-dékt,
Mynfchoonezon, datgy my ziende maakt, én wékt I W I t.
Gy mint my niet, zo gy de waarheid fpreekt.
ÉlGSNnAAT.
Wat réden?
Wil.
De Zonis licht, éngy bemint de duifterhédèn. Eigenbaat.
Ik bid het licht van uw bekoorlykeoogenaan.
Wil.
Gy vreeft nóchtans uw liefde int openbaar te ftaan. Eigenbaat.
DeLiefdéis blind,Mévrouwjhem lichten,is hem térgen. W I t.
Maar naakt, én ongewoon zich zélven te verbergen. Eigenbaat.
Een naauw beflóotcn vuur heeft dés te meerder kracht. W I L
Indien die naauwheid het niet uitdooft, én verfmacht.
Eigenbaat.
Ik kan iriyn liefde niet uitdooven.
W I L.
Wél (Ontdekken. Eigenbaat.
't Is nóg geen tyd.
Wil.
-ocr page 93-VAN EIGENBAAT. 6$ W I I..
Een vuur kan nooit tc5t fchande ftrekken, Waar door de toons van toegelaatene écht ontvlamt,
t Is vuil,onzuiver vuur,t geen rookrigfmeult,én damptj Maar zuivre vlammen ziet men vliegen onbedwongennbsp;Omhoog, én mélden heur natuur met honderd tongen.nbsp;Eigenbaat.
k Durfmy voor minnaar nietvcrklaaren ineen fchyn, j My zo wanvoeglyk, én vcrfcheidenvanmynzyn.
k Bén hier ten hdve, door uw fchoonheid ingenomen. Op hoop, dat ik uw hart zou winnen, wél gekomennbsp;Dus onbekénd;maart waare ons beideeengroote fchand,nbsp;Als ik u zo verzócht ten huuwlyk. Uit myn land,
Waar heen t my noodig is in aller yl te keeren,
Zal ik op t llaatlykft, door een hoet van groote Heeren, Met pracht van Koninglykgczantfchap, uténécht
Verzoeken.
Ach myn Prins! kan dat niet zyn vcrrécht, Terwylgybymy blyft? Ach ! moet ge my begeevennbsp;Eigenbaat.
Ja; omaltyd daarnaageruit met u te leeven.
Wil.
Maar zogy my vergat ?
Eigenbaa t.
Onmooglyk is t, Mevrouw, Onmoogelyk, dat ik myn hart vergeeten zou.
Hoe, kan men zonder hart ook leeven ? Gy gaat heenen, En laat my hier; ach! wat begin ik?
Eigenb aat.
Niette weenen,
Mynfchoone; werwaardsik my w'énde, öfkeere, gy Blyft my geftadig, ik blyf u geftadig by;
Doordien, toen gy myt hart veroverde, de liefde
U met zyne eigen' hand in mynen boezem griefde.
F 4 nbsp;nbsp;nbsp;W I E.
-ocr page 94-a nbsp;nbsp;nbsp;T I E R A N N y
W I L.
Gcwoone woorden van de Minnaars, zonder zin-Eigekbaat.
Wat proef begeert ge, wat bewys van inyne min?
Arglistigheid.
Geef haar uw trouw.
Eigenbaat.
Die zweer ik haar met dieren cede. Arglistigheid.
En dat ge uw trouv/beldfte ip t kort, én hier ter (léde Verftérkenzult met eene onflaabren huuwlyks knoop.nbsp;Eigenbaat.
t Is eenigdc, daar ik na wénfch, daar ik op hoop.
W I L.
Wénfchte ook niet anders,als t met toeftaan van myn broeder
DeKoning was.
R G L l 5 T I G H E I D.
Wat zyt ge onnozel! Ei word vroeder: Datraltezynertyd wél komen. Vicrfléchtsnunbsp;De bruilo'ft, én voltrék ze in t heimlyk tufichen u.
W I L.
t Strydt met de réden, ach! t is tégen het behooren. Eigenbaat.
t Behooren heeft maar plaats by lieden, laag gebooren , En van geringen ftaat; voor een verheeven zielnbsp;Was altyd reedlyk , t geen haar zinlykhcid beviel.nbsp;Wil.
Alleen t geen billik is, worde iemand toegelaaten.
Eigenbaat.
Myn bede is billik.
Wil.
Ei, zwyg ftil, ik Zoude u haaten, Deed gy me iets doen, dat ik goed keuren kan, nóch mag.
Eigenbaat.
Gyhunt, iudien gy wilt.
W I L;
-ocr page 95-V A M E I G E N B A A T. 67
W I L.
Ik kant niet willen, ach! Arglistigheid.
Dit rédcnkavlen is maar noodloos tyd verfpillcn.
2ytgy niet Wil, Mevrouw? kuntgy niet alles willen? W I L.
Helaas!
E-i genbaat.
Waar zucht gy om
W I L.
Wat lydt myn ziel een pyn 1 Zy wordt vcrfchcurd. k Begeer, t geen ik verwerp.nbsp;Eigenbaat.
t Moetzyn.
W I L.
Hetmagnietweezen.
A R G L 1 S T I G H E I P.
W I I..
Hoe mogen we ons Zo kwellen?
t Betaamen____
Eigenbaat.
Liefde alleen moet ons de wét hier flellcn.
VIERDE TOONEEL.
SCHYNHEILIGHEID nbsp;nbsp;nbsp;kked van Godsvrucht,
WI L , A R G LI s T IG H E ID /»^chyn van Staatkunde^ Eigenbaat tnfchyn van Ridsnvanflaat.
\T7 nbsp;nbsp;nbsp;SCHVNHEILIGHElD.
k W Énfch u de vréde.
Wil.
Daar is tuflehen ons geen ftryd. SCHYNHEILIGHEID.
Het fchynt nóchtans, dat gy te faamen twillig zyt.
^ nbsp;nbsp;nbsp;, A R G 'L 1 S T I G H E I D.
Dp zeker twyfe], by geval ons vóórgekomen ,
F y nbsp;nbsp;nbsp;Zyn
-ocr page 96-68 nbsp;nbsp;nbsp;T I E R A N N Y
Zyn die V drftinnen zeer verfcheiden ingenomen Metmcining ; deéénezégt, datdeandre misverftand.nbsp;En ieder, dat zy groot gelyk heeft van haar kant.
Sc HYN HEILIGHEID.
In geeftig onderhoud de leegc tyd te flyten',
Is wél gedaan.
Arglistigheid.
De vraag is, óf men mag verwyten Aan een doorluchtige Prinfés, die mint.
SCHYN HEILIGHEID.
Foei, foei,
Rep van geen min,wyl ik meer ganfchlyk niet méé moei.
A R G LISTIGHEID.
Ten cerelyken einde , én om in de écht te treeden.
SCHYNHEILIGHEID. Dekmantels, daar men méé bekleedt zulke ydelhédcn.
Arglistigheid.
Hoor my ten minden, eer gy oordeelt.
ScHYN heiligheid.
Wél; maar lét
Voor alles, dat gymynkuifcheooren niet befmét.
Arglistigheid.
De vraag is,óf een Maagd zich mag in de écht verbinden Met haars gelyk, fchoonzytverlofvanhaare vrindennbsp;Niet heeft?
S C H y N H E I L I G H E I D.
Wat aanbelangt een Huuwelyk; ja tóch; Die liefde is cerlyk, én veroorlóft Dóchters.
Wil. ¦
Dóch
Met toeftaan van de naa(te,als Broeder, Moeder,Vadcr^ Schynheiligheid.
Alle écht is krachtig, fchoon de maagen al te gadcr Daar tégen waaren, met het énkel toeftaan vannbsp;T wé échtgenooten.
Wil.
Hoe ? t ontzag, waar blyft het dan ?
S c H y N-
-ocr page 97-S e H y N H E I L I G H E I D.
Is deEcht niet iiïgefiéld door Góddelyke wetten, til goed, én heilig?
W I L.
SCHYNHEILIGHEID.
Niets kan ons dan beletten, Geen mcnfchlyk iiuigt, dat men niet voltrekken zou,nbsp;Geen uit zich zélven goed, én heilig is, Mevrouw.nbsp;Arglistigheid.
Wat krachtiger bewys'
Eigenbaat.
Men kan t niet tegenfpreekeni Wil.
Ik bén verwonnen door uwrédenen ; tót téken Myns ongelyksftaaik van myne meiningat,
Envólguin. Zo nu de goede Hémel gaf----
«laar k zie de Koningin , die ligtly k zoude ontdekken, tic Hand myns harten uit myn weezenjk zal vertrekken.nbsp;Vólg my Staatkunde.
Eigenbaat.
Hoe zalt met het twyflen gaan,
Daar we over twifteden ?
W i L.
, Al zo gy t zult verftaan, Eieve Eigenbaat; nu Wil zich over heeft gégeevennbsp;Iti alles; kunt gc naar believen met haar leevcn.
Schynheiligheid, Deugd, Eigenba.a.t.
¦9 nbsp;nbsp;nbsp;
^ nbsp;nbsp;nbsp;^ Schynheiligheid.
* Hrandren wy van toon; flaagy dcmaat, myn Heer. Deugd.
?! Hoe, rnynevyandin, én Godsvrucht faamen ? eer gt;;^yinyvernecmen, wilikluillcren, wat rédennbsp;D Zy voeren.
SCHYN-
-ocr page 98-T I E R A N N Y
SCHYNHEILIGHEID.
Wat manier is dat van i\ch tc klecden ? Ei g e n b a a 1'.
Gclyk men nu gebruikt. nbsp;nbsp;nbsp;
SCHYNHEILIGHEID.
Maar vYcinig eerbaar.
Ei GEN BAA T-
Gy
Zyt vatte naauiv geiet.
SCHYNHEILIGHEID.
En gy leeft veel te vry. Eigenbaat.
Waarom?
SCHYNHEILIGHEID.
Gy gaat half naakt.
Eigenbaat.
Wilt ge op de mode fchrollen? Of die hérvdrmen, to is uw vcrftand aan t hollen.
SCHYNHEILIGHEID.
Waar, die men voordoet, istekoop, naar alle fchyn.
Eigenbaat.
Is dat my handelen ?
SCHYNHEILIGHEID.
Is dat wellcevend zyn ?
Foei! t ftrydt met eerbaarheid , t is fchandig. Eigenbaat.
Onbedachte, ,
Gy fpaart de waarheid,
SCHYNHEILIGHEID.
O gy kwaalyk opgebragte! Eigenbaat.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;^
Spreekt gy to flout, én onbeleefd ?
SCHYNHEILIGHEID. nbsp;nbsp;nbsp;1
Zytgyioboos?
Eigenbaat.
gt; SCHYU'-*
-ocr page 99-SCHYNHEILIGHEID.
Gy, gyzofchaamteloos? Eigenbaat.
Aan my dien tytel ? dat verwyt?
Deugd.
Metgroote rédens
SCHYNHEILIGHEID.
^crfchoon me, ik zag u niet Mevrouw.
4 nbsp;nbsp;nbsp;Deugd.
^ nbsp;nbsp;nbsp;Zulke ydelhédc!»
^erdienen, datmendieopthéviglIoverhaal%
tn op uw naaktheid, én blankétzel fchélde, énAnaal.
^ Is uitgevonden om de waarheid te befmetten, Eigenbaat.
:^aar pafte iets anders op zo gróf een onbcfcheid, '^écrhield my niett ontzag voor uwe Majeftcir.
Deugd,Schynheilig HEI Dl
J nbsp;nbsp;nbsp;D E u G D.
^ ¦ gaa vry heen, fenyn vans ménfchen ziel,belétfeï V an alles goeds. Aanfchouw dat aanzigt,Vol blaukétfel,nbsp;valfche haar, daar die baldaadige méêprykt,nbsp;i Gcene in mync oogen naar Méduzaas pruik gelykt.
Wk hiarfchynt my een flang vol doodlyk gift te weezen. jdclaas! Verftand, kanudatfchynfchoonzobeleezcn,
¦ ^at Deugd, die onlangs al uw vreugd nöch is gcweeft, haar verlaaten wordt ?
^ nbsp;nbsp;nbsp;SCHYNHETLIÓHEID.
» nbsp;nbsp;nbsp;Mevrouw, een booze geeft,
lt; P 'i'ycn trouwring korts bezwooren, wi l u beiden, ^elyk gy zyt gepaard, wéér vanmalkandrenfchcidcn.
gt;e heimelyke kracht des rings, door zwarte kunft «raudcf d Van natuur, is my door s hémels gunft
7.0
-ocr page 100-72 nbsp;nbsp;nbsp;T I E R A N N Y
Zo ftraks geopenbaard int yvrigll van myn bidden.
Zo is t ndch maar t begin! wie rédt my uit het midden Myns ongeluks ?
Mevrouw; detégenmiddlenvoor U w kwaal zy n me ook bekéiid;fchép moed,én geef gehoor.
Deugd.
Jkfchép wéér adem, fpreek.
Men moet met plégtig zingen, Metwierook, én gebéén des rings betoveringennbsp;Ontzweeren ^ én die wéér hérwycn.
Deugd.
Aan wiens zdrg
Beveel ik t beft ?
Mevrouw, aanmyne; ikblyfuw borg. Laat my met uwen ring de zaak naar eifch bewerken,nbsp;Dat gy verandering zult aan Verftandbemérken.
Daar is die. Ach! wanneer zie iker de uitdag van?
Veel eerder, als gy dénkt; héb goede moed; ik kan U dés verzekeren, Mevrouw, datuweéléndennbsp;In weinige uuren, door myn toedoen, zullen énden.nbsp;Deugd,
VVatben iku vcrpligt! yagrwél; kfchei danverblyd.
ZEVENDE TOONEEL.
B p D R Ó G.
Y maakt Mcvrou'yy den ring daargaauyvjén geeftig kwyt.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;ScHYH-
-ocr page 101-VAN EIGENBAAT. 73
SCHYXHEILIGHEID.
Bedrog, myn Broeder!
B E D R Ö G.
Wél Schynheiligheid, myn 21uftcr! SCHYNHEILIGHEID.
Och! xytgydaar!
B E D R d G.
Ja k l)éb u lang befpied. Gy fuftcr
Heel Yacht in flaap.
^ nbsp;nbsp;nbsp;Schynheiligheip.
Bcfchouwt juweel, dat my, énu Zo waardig is, .als allde mynenvanPeru.
Bedróg.
Zo t Goedaard had, wie weet, dft heden niet gel ukte, Hat zclfVerfland zynDeugd door argwaan onderdrukte,nbsp;Schynheiligheid.
Hat s al beftéld.hy heeft my flus zynnood geklaagd,
En met Oprechtheid, én Réchtvaerdigheid gevraagd Om trooft, én byftand; én 'k hebhén beloofd te maakennbsp;. Hat zy wéér zullen in dés Konings gunfl geraakennbsp;Hoor uwe, éns hémelshulp: Itraks zullen ze alle drynbsp;Hier wéder weezen.
Bedróg.
Stil, deKoningkomtonsby.
ACHTSTE TOONEEL.
Verstand, Bedróg i»fchynquot;vanGer/ieenebéft, Schynheiligheid, in het kleedvatzGéds'nbsp;vrucht^ Kwaadaard.
r~f ^ nbsp;nbsp;nbsp;, Verstand.
/^ H, óf zich Réenvanflaat onthoud in haare kamer, ^ En zég,dat ik haar kom bezoeken. Geen bekwaamernbsp;^^et ik te vinden, alsmyzélv, énmynemin,
,, ^^^nen ftdrm te doen op t hart van myn Godin, k Moet zélf ééns myn geluk verzoeken.
B E D R d G.
UweRaadén
By
-ocr page 102-^4 nbsp;nbsp;nbsp;TIERANNY
By één vergaderd in de zaal, én overlaadcu Metbézighéden, tryk, én uw'eMajefteitnbsp;Bctréöcnd, wachten na uw tegenwoordigheid.nbsp;Verstand.
My roepen fpoediglyk, én elders heeneh, iaaken Van meerder aanbelang, én die my nader raakeri.
NEGENDE TOO NEEL.
Eigenbaat w fih'yn nan Ridenvavifiaat , Verstand infchynvan Staatkunde, K w A A d A A R D, Bedróg infehyn van Gemeenebejl ^ SchynHei-L I G H E r D in-het kleed van Godsvrucht.
MEi genbaat.
Yn Koning!
Verstand.
Myn Gddin! Eigenbaat.
De eer, die ik u behoor Tètoonen, komt ge, 6 Vorft, met uwe gunüen voor.nbsp;Verstand.
t Voegt ons,Mévrouw,voorute buigen ,én te knielen. Die t bpperlté gebied voert over onze zielennbsp;U w fchoonheid heeft me uw flaaf gemaakt, zo dra gynbsp;kwaamt
Ten hÖve; dés kom ik u dienen.
Eigenbaat.
k Bénbcfchaamd
Van Zo veel eerbewys. k Mag u bezoek niet lyden Inzulkeenftaat, óVdrft.
Verstand.
Wél, k wil met u niet llryden. MynGiel heeft grootcr ftryd,Mêvrouw,métugellrcén;nbsp;Maar ach vergeefs i 'k héb Heeds dcnédcrlaaggcleên.nbsp;Dés zalikmetdennaain, waarméêgy voorgenomen
Hebt my te ontfangcn,als uw flaaf,c5f Koning komen. Gy trouwe Dienaar,neem myn plaats waar in den Raad,nbsp;Ik houd van waarde al tgeen gy goed vindt, énverftaat.
^ E D R c5 G in fchyn van Gemeenebejl , Sciiynhei-L I G H E I D in het kleed van Godsvrucht^
Bedróg.^
t ^ Al zogerchicden. Komt, leert hier, myne Amptgc-^ nooteu,
Gy Vdrftendienaars, zo ge u zél ven wilt vergrootcn, He waarc lecringcn van Staatkunde, én wordt arg.nbsp;Belemmert, én beftélpt den geeft van uw Monarchnbsp;In ledige oeft'ning; maakt, dat zy geduurig fpeelenbsp;Op liefde, én luften, opdat hy u aanbevcelenbsp;He zörg van t Ryk, gelyk myn Koning doet. Hy magnbsp;Hen tytel voeren, ik bén Koning in gezag.
t Gaat wél,mynZuftcr:hoe zult gyt nu voort befteekcn^ Om t haatlyk huuwlyk van V crftandt met Deugd tenbsp;breeken?
SCHYN HEILIGHEID. Gcmaklyk.Deugd met al haare aanhang krygt den fchop-k Zie onze vyanden daar onder, ons daar op.
Gy zult zo ftraks (vertoef, opdat ikt wérk beginne) Aan Goedaards vinger zien den ring der Koningiune.nbsp;Haar komen onze twé gebannene, naar k zie,
Gcvdlgd van Vlcijcry, én Ondeugd.
O N n K li G D ^met een ftók, óf rysje in de hand^ V L Ë i j E R y%
B É C H r V A E R D I G H E I O , O P R É C H T H E I U ,
.S C H Y N H E I L I G H E I D in het kleed van Godsvrucht, G o F. D A A RD.
Ondeugd.
V Oort. Eefpic Gnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Wéér
-ocr page 104-76 nbsp;nbsp;nbsp;TIERANNY
Wéér andrer lieden doen,df maakt het ndch wat grdver;
Als gy in Haat zyt,haalt wéér onderdrukten over.
Voort,voort ten hdve uit,voort,neemt elders uw verblyf.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R V.
Mêvrouwen, deed gy niet veel op met uw gekyf.
En eigen wyshcid ? t was niet hdflyk zo te graauwen. Wanneer gy hebt verleerd de lieden toe te fnaauwen,
En heufcher wordt, dan zal ik u een gunftig woord Ten hdve houden.
Ondeugd.
Voort, gefpuis, kanaaljc, voort, RiCchtvaerdigheid.nbsp;Hoedikwils héb ik u démoedigaanmyn voetennbsp;Zien fmeeken om genade,als ge uwe fchuld moed boeten,nbsp;Gy boef. x\l bén ik van myn wapens nu beroofd,nbsp;Wacht, Ondeugd ,t zal ééns wéér verkeeren. Wachtnbsp;uw hoofd.
Ondeugd.
Ja dan, alsdan.
Oprechtheid.
En gy vcrachtfte der llaavinnen,
Gy oogendienfter, én verleidfter vande zinnen,
Die door een dubbelheid, én valsheid van gemoed Steeds anders dénkt, als zégt, heel anders zégt, als doet;nbsp;Dénk vry,dat gy Verftand niet eeuwigt oog zult blinden;nbsp;Maar dat hy eindlyk ééns uw valsheid zal bevinden ,nbsp;Wanneer eengrooter hoon, ais nu aan ons, gefchiedf.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R y.
Indien u t preeken lufl, ons luft het hooren niet. Ondeugd.
Die praatjes voor de vaak zyn tréfly k, om de boeren , De burgers, ambachtsliên, én zulk een ruigt te loeren.nbsp;Ten hdve is niemand bang voor zulk een bullebak.nbsp;Voort,voort:hoe drommel zal t hier lukken,dénk ikPpaknbsp;Uw biezen, uit het hdf, voort, voort, gy ftinkt hier.
S c H ï .N-
-ocr page 105-77
VAN EIGENBAAT.
, Broeder,
Hoor my ééns fpreeken.
Ondeugd.
Wél, wat woud gy zeggen, Moeder
Hoe mag het u van t hart te fpotten met die treurt ?
Niet lang gelééii was t heure, én nu is t onze beurt. Ondeugd.
O, t is maar leer om leer; zy zullent, zozy kunnen. Ons wéér uitpeperen.
Schynheiligheid.
Ach! wilt me dan vergunnen. Dat ik de clendige wat troolle in heure rouw.
Vergun het haar, zy fchynt eengoede onnozle vrouw. Ondeugd.
k Vergunt; m.aar Moeder, ik beding, niet lang te tee-men.
Een woordtje maar.Gy ziet,dat gy geduld moet neemen; Maar houdt u dicht byt hof; Gemeenebéft heeft hoopnbsp;Heer Goedaard wéér in gunft te bréngen , naa t verloopnbsp;Van wéinig tyds. Gy kunt tyd kavelen, én keerennbsp;Hier wéder, als
Opréchthe id.
Neen, neen, al lang genoeg met Heeren, En Grooten omgegaan My walgt het hdf,Jk vindnbsp;Hier langer lull jiidchruft.
Goed! loop maar aan de wind. ^Réchtvaerdigheid.
Vaart wél ^ verweende, én hoog verhévene Paleizen, Vaart wél, vvy zullen tót aan t eind der waereld reizen,nbsp;Eu hntjens aandoen, tót wy hérbérg vinden, daar
G z nbsp;nbsp;nbsp;Men
-ocr page 106-Men ieder ééns gebrék mooge in het openbaar BéftraiFen.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Die tuit ge op de waereld niet beloopcn, Réchtvaerdigheid.
Dan ty de Hémel ons verblyf, die ftaat ons open.
Oprechtheid.
Vaar wél, bedurvenHóf, vaar wél; al deongeneugt, Die k in t vertrekken ly, is om Verftand, én Deugd.nbsp;Ondeugd.
Dat s uit.
Oprechtheid.
Maar Gddsvrucht, dénkt gy hier ndch lang te blyvcn ? SCHYN heiligheid.nbsp;Mevrouwen
Ondeugd.
Ho! men moet u, als de varkens, dry ven; Kom, kom, geen langer praat. Vertrékt, eer ik t u leer.
Oprechtheid.
Vaarwel dan, Gddsvrucht.
Schynheiligheid.
Gaat in vréde. Ondeugd.
Wél ik zweer,
2o gy niet zwygt, én gaat.
Rechtvaerdigheid.
Wy gaan ; maar fchuimder Guiten.,. Ondeugd.
AiVleijery, gelei Mevrouwen méé nabuiten.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Heel gaeren, Ondeugd: want, eer dat ik beur de poort Voor t hoofd zie fluiten, bén ik niet geruft.
Ondeugd.
Voort, voort.
79
SCHYNHEILIGHEID i» het kleedvan Godsvrucht^ Goedaard,Bedróg infchynvanGemeenebéJl.
«V» nbsp;nbsp;nbsp;SGHYN HEILIGHEID.
W Él Goedaard,k héb u daarccngoede wyi vernomen; Wat haperter, datgy niet by ons durfde komen?nbsp;Goedaard.
Eengraauw, die Vleijery my in t voorby gaan gaf.
k Bad,dat ze Opréchtheid, lt; n Réchtvaerdigheid zo ftraf, Nóch onméêdoogend zou bejegenen in t bannen ;
Maar t antwoord was; Men weet met wie zy faamen fpannen
Tdt ondergang van t Hdf, én Hdfgezin. Hy fart Dés Koningstooren, die heur toont een gunftig hart.nbsp;Zo dat ik om niet aangeklaagd , én valfch bcloogennbsp;Te worden, heur alleen geleidde met mync oogeu,
En u niet naderde.
SCHYNHEILIGHEID.
Ach , éléndig hdveljng! Bedróg voor Gemeeneb^Jl.
Tf Zweeg méde,vrcezende,dft ons ligtlyk dimmer ging. Zo ik heur voorfprak: want de Koning wil niet hoorennbsp;Iets tót heur onfchuld; maar hy leent myndchzyneoo-ren.
Dus moet ik zachtlyk, én met groote omzigtigheid De dingen handelen by zyne Majefteit,
Om u wéêrom in gunft te bréngen
SCHYNHEILIGHEID.
OndertulTchen
Héb ik een middel, om dés Konings toorn te fuflen, Bekomen van een vroom, én zeer Gódsdienftig man.
t Is decze heilring; die hem aan de hand heeft, kan Men zyn geneegenheid niet weigren, nóch hem haaten.
G 3 nbsp;nbsp;nbsp;Be-
-ocr page 108-B E D R d G Tittor Gemeeyiebéfi.
Heer Goedaard, ftcek die aan uw' vinger kant niet baaten,
Het kan niet fchaaden; ik ïal maaken, dat ïo dra Ik ayne Majefteit te fpreeken kom, hy nanbsp;U vraagen^aI.
SCHYNHEILIGHEIP.
Gy moet die niet verbórgen draagen, Zy moet gezien zyn, zal zy iemands wélbehaagennbsp;Tdt ons verwekken.
G o E D A A R D.
Wélk een kdftelyk juweel!
t Is onwaardeerlyk, Zo volllrékt ist, énzoéél; Schoon t die vérbdrgen t kracht ontbeerde. Wat bc-looning,
O Godsvrucht...
Bedróg.
Gaat wat aan een zyde, ik zie den Koning Met Réênvanltaat. Miflchien doet hy u roepen, houwnbsp;U vaerdig.
Verstand, Eigenba.AT, in fihyn van Riden~ vanfiaaty Kwaadaard, BedróG infchynnbsp;van Gemeenebefi, Arglistigheidnbsp;infchyn van Staatkunde.
Ni
Y E R S T A N D.
Een, ikwraakuwtégenftand, Mevrouw. Eigens aat.
t Is mync pligt ik hoop tzal in uwgeeft geen tooren V er wekken, omdat ik die waarneem naar behooren.nbsp;Verstand.
k Bén Koning.
Eigenbaat.
Maar gy zyt ook Ridder, én begeert
VAN EIGENBAAT. Zi Niets onréchtvacrdigs.
Verstand.
t Bloed der Koningen onteert,
Ndch fmét.
Eigenbaat.
Wyweetent; maar wy weeten ook, watlefTen De kuisheid geeft aan hoogverheevcne PrinfefTcn;
t Geen minderen verheft , is heur vaak groote fchand. Verstand.
Mevrouw, t is al te vér gekomen met mynbrand;
Gy moetze uitdooven: want, zo zy in haat verkeerde, Ligt, dat die feller, als mynliefde, my verkeerde.
Eigenbaat.
Gun, datikoorldfneemvanuweMajefteit,
O Koning!
Kwaadaard.
Hoe! een Vdrft van zulk ecne achtbaarheid, Als gy zyt, tégenftand by eene vrouw te vinden ?nbsp;tSchynt my een kluwen,dat onmooglyk is te ontwinden.nbsp;Het moet geen vrouw zyn,maar een monfl;crdier,eenpeftnbsp;V ant ménfchelyk geflacht.
VEERTIENDE TOONEEL.
Verstand, BsoRdG/»fihyu -va» Gemeenebéft, Kwaadaard.
WV ERSTAND.
At bréngt Gemeenebcft ? knbsp;nbsp;nbsp;nbsp;B E D R d G.
O Vórft, ik kom om u de meining van uw Staaten Bekend temaaken-
Verstand.
Hebt gy hén by één gelaaten ?
B E D R d G.
Ja, én voort fcheiden wordt uw antwooord afgewacht.
V ERSTAND.
Wat Haat men voor ?
G 4 nbsp;nbsp;nbsp;B E-
-ocr page 110-Bedróg.
Men heeft in t oog de groote magt V'^an Goedaard, fpruitendc nit de gunft der Koninginne,nbsp;En meent,dat ze alle beide(ó VorlEnecjnt op in minne,)nbsp;U w koninglyk gezag misbruiken niet alleen;
Maar dat ontluiliren, én verachten, énvertreên. Kwaadaard.
Ik kén me onfchuldig, dat het zo lang is verzwecgen. Bedróg.
En ik, met langer ftil te zwygen, zondig tégen MynSta.itampt. My raakt al, wat u,myn Koning, raakt,nbsp;Sints dat gy my tót uw vertrouwling hebt gemaakt.
Daar wordt gezégd; dóch t zal ligt maar vermoeden weezen,
En ik gelooft niet; maar een fchaduw is te vrcczcn In zulke zaaken....
Verstand.
Spreek, wat zégt men, zwyg me niets. Bedrog.
Dat die vertrtrouwlykhcid van Deugd met Goedaard iets Oneer] yks in heeft, jadatmeeris; maar zeer zwaarlyknbsp;Kan 't waar zyn, ik gelooft geenfins, ook is t gcvaarlyknbsp;Iets te openbaaren, dat men niet bewyzen kan ;
Maar Goedaard, zégt men, draagt den trouwring, die ge als man.
Hebt op uw trouwdag aan de Koningin gefchonken, Aan zynen vinger , én gaat daar in t hóf méé pronken:nbsp;Het zy t een onderpand verftrék van beider min,
Of ander inzigt hebbe , ik fteek my daar niet in.
t Is te onwaarfchynlyk.
Verstand.
Zou die fchélm my zo beloonen, En in myn eigen höf my zo baldadig hoonen ?
ten, öf
(ia, Kvyaadaard, haal, én bréng hem hier. k Moet wee-,
Be-
VAN EIGENBAAT. 83 Bedróg.
k Héb hem in de gróote zaal van t hóf Hier neffens ftraks gezien.
Kwaadaard.
Ik zal den boef wél vinden. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Verstand.
Wat fchaamteloosheid durft diefchéhnzichonderwinden ?
I ^ nbsp;nbsp;nbsp;Bedróg,
De gunft der Koningin, daar hy zich op vertrouwt, Maakt ligtlyk, dat hy zo vermeetel is, én Hout.
, nbsp;nbsp;nbsp;VYFTIENDE TOONEEL.
Goedaard, Verst a nd. Bedróg vauQemeeneyjl, KwAADAARD.
IG o E D A A R D.
K kom op uw bevél, én u met één, ootmoedig Voor de eer bedanken,Vórft,dat gy my wéér zo goedignbsp;Ei w tégenwoordigheid vergunt.
Verstand.
t Is al te waar !
k Zie t voor myne oogen, kword befchémpt inï openbaar.
1 Gemcenehéft.
Bedróg.
I V nbsp;nbsp;nbsp;MynVórft
Verstand.
Dat in een diepen kerker Werde opgeflootendie ondankbaare bewerkernbsp;Van air myne oneer; maar hy ftelle u eerft het pandnbsp;Van mynverleide Deugds oneerlykheid ter hand.
Go EDAARD.
Dc Koning fcheidt in toorne, ach! wat zal t worden, Góden ?
G y nbsp;nbsp;nbsp;Be-
-ocr page 112-«4 nbsp;nbsp;nbsp;T I E R A N N Y
B E D R d G.
Datgymy overgeeft dien ring, wordt ugcbddcn. Goedaard.
Benydt my iemand ligt dat ik dien fchat bezit ? Bedróg.
Nu geef dien, én blyfmyn gevangen.
Goedaard.
Ach ! wat s dit ?
Ik uw gevangen ?
B E D R Ó G.
Ja , t is niet te wéderftreeven; DeKoning heeft daar toe zo ftraks t bevél gegeeven.
Gy Kwaadaard, vólg den laft van zyneMajefteit.
Kwaadaard.
Ik zal, myn Heer.
Goedaard.
Ik méde, op myne onnozelheid Vertrouwende*, vaarwel.
Bedróg.
Zyt gy niet ftraffens waardig,
Verban vry alle vrees; de Koning is rechtvaardig.
Dat zulke onnozel zyn, blykt klaar; zyweetennóch Niet half de kunftige fchérmflagen van Bedróg-
Einde van het vierde Bedryf.
VAN EIGENBAAT. 85-
EERSTE TOO NEEL.
WW I L allee».
Aakteindlyk op, bedwélmdezinnen,
Proeft éénmaal ookt vermaak der jonkheid; acht niet meer
De wét van al te ftréng eene eer,
*. nbsp;nbsp;nbsp;Die u misgunt de zoetheid van het minnen.
Verzwindt, gedaaantens, die, den geeft Verbyftrende, ons maakt in den droom bevreefd.nbsp;Inbeeldingen, verzwindt, vliegtheenen;
Want my is met myn Zon vcrfchecnen Het hélderft licht, de fchoonftc dag,
Waar in ik volle weelde, én welluft hoopen mag.
Gy hébt my lang genoeg bedroegen,
Verleidend ligtgeloof; wég valfche én ydlefchyn,
k Wil langer niet geblinddoekt zyn,
Ik ruk in t einde uw fluijers van myne oogen.
Het is maar ongegronde fchroom,
Al t koninklyk betaamen, fchaduw, droom. Inbeeldingen, verzwindt, vliegt heenen;
Want my is met myn Zon verfcheenen Het hélderft licht, de fchoonftc dag,
, Waar in ik volle weelde, én welluft hoopen mag.
k' twÉde tooneel.
D E u G D, W I L.
^ nbsp;nbsp;nbsp;Deugd.
'JYweet, Infante, ik héb u menigmaal gebéden Met vriendfchap,datgy die gemeenzaamheid metRédcn-Vanftaat befnoeijen zoudt, én t zélfde bid ik ndch.
Of liever ik gebie t.
W I L.
Om wélke eene oorzaak tdch? nbsp;nbsp;nbsp;^
Deugd.
-ocr page 114-86 nbsp;nbsp;nbsp;TIERANNY
Deugd.
Dat Deugd haar tégcnzin deswegen u doet blyken,
Zy u genoeg.
W I u.
Ik zal niet van dat opzét wyken,
Ten zy gy rédenen van grooter naadruk geeft.
Deugd.
Is t Wil ontfehooten, dat ik Deugd bén ? Gdden! heeft Men haar van haaren pligt ook wceten te verleiden!
Acht zy myn ünaak niet meer ?
W I L.
De fmaaken zyn verfcheiden; En dwaaslyk is t gedaan daar over rédenftry dnbsp;Te voeren.
Deugd.
Waart gy uw verdurven fmaak maar kwyt, En waar uwtong dooreenvergalde drift nietdrooger,
Gy zoudtdie heetedorft.....
W 1 L.
Hou, Koningin, niet hooger. Deugd.
Die tytcl doet u ndch gedénken aan t ontzig,
Dat gy my fchuldigzyt.
W I L,
Ublyveleevendig
En diep geprent in uwe ondankbaare gedachten,
Hoe gy my zyt verpligt; hoe hooggy my moet achten. Gy weet, hoe t Noodldt, troon, én kroon, én fépterüafnbsp;VantEiland Vryekeur geheel, én aallyk gafnbsp;Aan my alleen, aan my, die ben dat groot vermoogennbsp;Der ziele; én hoe ik myn gebied, helaas! bedroogennbsp;Door uw pluimftrykcry, gaf over aan V erfland.nbsp;Deugd.
t Is waar, het Noodldt gaf den ftaf in uwchand;
Maar om dien met denraad vanmyn gemaal,uwbrocdcr, Te zwaaijen, Gy deedt nooit voorzigtiger,ndch vroeder,
VAN EIGENBAAT. 87 Nóch édelmoediErer, dan die beroemde daad.
W : I,.
t Was grootc ééiivoudigheid. Hoe na zou Wil haar ftaat Niet zélve, zó c haar lulhe, én naar haar wélbehaagennbsp;Gebieden, zonder juift Verftand om raad te vraagcn ?nbsp;Deugd.
k Bckén,gy kunt; maar hoe ? w'at zoudtgy weezen,Wil? Eenblinde hartstógt;gyzoudt hóllen , ófftondtftil,nbsp;Naar dat een dolle drift u inblies, óf verleidde,
Zo u Verftand niet van de heeften onderfcheidde.
W I L.
Misbruiktge, metmyzotehandlen, myn geduld Dusverre, ontaarde Deugd ? erkent ge dus uwfchuld?nbsp;Ik véftte u op den troon, waar in gy zyt gezeten;
Gy hebt het my alleen , my hebt gy t dank te w'eeten, Dat ik uw Egemaal Verftand tót Koning, énnbsp;U héb tót Koningin gemaakt.
Deugd.
Zwygftil. Ik bén
Dit wryten moede,én mogt in grootertoorne ontfteeken; Vertrek daarom, tót gy bezaadigder leert fpreeken.nbsp;Wil.
Wél, dwinglandin,kvertrek;maardcnkerop; ikza! U, die ik heb verhoogd, wéér bréngen tót uw val.
DERDE TOON E EL.
D E U G D alleen.
K zie van waar dit komt; dczwakhéên ,én depynen Dés hoofds geriicenlyk doen all de andre léden kwynen.nbsp;Maar k zal gemaklykhaar geneezen, als Verftandnbsp;Door Gódsvruchts hulp zynmin tót Réénvanftaat verbant.
On lydlyk hartzeer, bange zuchten,
Wilt dan, wilt verre van my vluchten;
Keer wéder in myn hart, voorleden blydfchsp, kom, Keer haaftig wéder: want Verftand keert wéderom.
88 nbsp;nbsp;nbsp;TIER A N N Y
De droefheid kan geen plaats meer in myn hart bekomen; k Sluit alle toegang aan de druk,
Zo is myn ziel reeds ingenomen Met zékre hoop van dat gewénfcht geluk.nbsp;Onlydiyk hartzeer, bange zuchten,
Wilt dan, wilt verre van my vluchten;
Keer wéder in myn hart, voorleeden blydfchap, kom. Keer haaftig wéder: want Verftand keert wederom.
Neen, neen,geen tovery heeft zulk een groot vermoogen, Datzy doort vlcijen van eenvrouwnbsp;Bciiévlen zou myns liefftens oogen.
Verlland bewaart my ndchzync oude trouw. Onlydiyk hartzeer, bange zuchten,
Wilt dan, wilt verre van my vluchten;
Keer wéder in myn hart, voorleeden blydfchap, kom. Keer haaÜig wéder: want Verftand keert wederom.
De brandende yveryan uw Gddsdienft, én gebéden,
O bovenménfchelyke ziel!
Zyn de eenige oorzaak, dat ligt héden Ndch omzwaai neemt myns noodldts wankel wiel.nbsp;Onlydelyk hartzeer, bange zuchten ,
Wilt dan, wilt verre van my vluchten;
Keer wéder in myn hart, voorleeden blydfchap, kom, Keer haaftig wéder: want Verfland keert wederom.
VIERDE TOONEEL.
Kw'aadaard, Deugd, Ondeugd. Deeerfle én de dér de, met een toegedékt bekken in de handen.
WKwaadaard.
Ord van den Koning,uw gemaal,aan u gezonden O Koningin.
Deugd.
Gy hebt u zélv dan wéér gevonden. Verftand, gy dénkt dan ndch aan my
On-
-ocr page 117-VAN EIGENBAAT. 89 Ondeugd.
Vooriekcr; meer AARD.
Entöt eenblyk, hoetéêr
Als gy vertrouw en ïoudt.
Kwaad
Hy u altyd beminde____
Deugd.
Een wyl miflehien gekeden.
En hoe hy daar in blyft volllandig tóe op héden.... Deugd.
Aanbidlykc Egemaal, leeft nóch die zuivre vlam TótDeugd in uwe ziel,daarze eerfthaare oorfpronk nam?
Kwaadaard.
Ja, deeze gift, die ik u bréng van zy neut wégen, Verltrék het zéker pand, hoehy u is geneegen.
D li u G D.
Dat my de Hémel heeft verhoord in t einde om u,
En uw verdienden, myn vriendin, bevind ik nu.
Myn ondergang, waar op de hélfche geeften bouwden. Hebt gy bclét,én uw belóften trouw gehouden,
O Godsvrucht, Geef de gaaf, geef hier het onderpand Van liefde,én trouw,op nieuws herbooren in Verhand ,nbsp;Daar Deugd fchier te éénemaal van fcheen te zyn ver-Jaaten.
Ondeugd.
Ja,wifl;zy, wat het was, zy zou wél anders praaten. Deugd.
Maar wat wéêrhoudtmyn hand?zy beeft int opendoen; t Hart klópt me in t lyf,ik fchrik; wég ongegrond v cr-moên,
Bedwing u, ftoute tong; de eerbiede baart dat fchroomen. Watkaner, óVerftand, van uwent wégen komen ,nbsp;Dat ik, alsgy my lieft, eerbiedig niet ontfang ?
Maar wat befchouw ik: ach! wat wordt het hart my bang! Mfat doodelyk eengiftihoefchriklyk eenvertooning!
Kwa.vc-
-ocr page 118-90 nbsp;nbsp;nbsp;TIERANNY
K W A A D A A R D.
Vat aan; t is 't aller waardltgefchénk, dat u de Koning Kan zenden.
Deugd.
Zég, wat dit doortlöken hart beduidt ?
K w A A D A A R D.
Dat hart hebt gy altyd bemind.
Deugd.
Lég t klaarder uit,
*k Verftaa t niet.
Kwaad AARD.
k Héb 't nóchtans zodaanig u bcfchrecvenj En met zyn vérwen zo nét afgcfchilderd, évennbsp;Of t Goedaards hart was.
Deugd.
Hoe, dryft gy met my den fpot ? Kwaadaard.
O neen, k volvoer alleen het koninklyk gebod,
Dief zo te zeggen my wél duidlyk heeft bevolen;
Opdat miflehien dit hart u niet en wérde ontlioolert Van uw méêminnaarés, geeft hy t in uwe magt,
Om u te toonen , dat hy nérgens meer na tracht,
Als dat gy nimmer zoüdt dat zoet genót ontbeeren. Aanvaard het dan. Wat kunt gy meer van hem begeeren ?nbsp;Deugd.
By al myn rampen voegt die wreede nóch den hoon Van eer ,én trouwloosheid ! wat hoor ik, goede Góón !nbsp;Dé ontrouwe wil dan, dat men my zal fchuldig achtennbsp;In zyne plaats, om voor te komen myne klagten;
Hy denkt, óch arm! op Deugd te laaden het gewigt Van zyne zondert. op dat hy zynfchuld verligt!
Wat nood waart,óVerftand,ftond u niet meer te duchten Voor Réênvanftaat, én voor haar wrange onfeilbrenbsp;vruchten.
Niet anders valt h; t uit, daar zy haar voeten zét,
Als dat ze eerft liefkoolt, én alléngskens geeft de wet.
O édel
-ocr page 119-VAN EIGENBAAT. 91 O edelmoedig hart, dit loon was u befchoorennbsp;Voor uwgetrouwen raad; gy gingt alleen vcrloorcn,nbsp;En zyt vermoord om uw ronduitheid, door den haat,nbsp;Daar over hevig opgevat door Reênvanftaat.
O! hart nu ziet men u van binnen door uw wonden, Die deerlyk gaapende onze onnozelheid tdt monden,
En tuigen ftrekken!
Kwaadaard.
Ik geloof niet, dat hy aan U dénkt, c5fééne van uw klagten kan verflaan;
Gy ftortze in de open lucht; want zyne ziel, naark réken, Is vér van hier, daar t haar bét veilig fcheen, geweeken.nbsp;Deugd.
t Is waar; een fchélmfche hand bragt hem moorddaadig om.
Ondeugd.
O klaag niet, eer gy t dénkt, heet hy u wéllekom.
K W A A D A A R D.
DeKoning, weetendeu verlangen, én bewoogeii Geheellyk over u met innig médedoogen,
Zendt u de middlen, dat gy hem bezoeken kunt;
Van deeze twé wordt één te kiezen u vergund.
Bei zyn zy kort, om u daar heenen te geleiden. Deugd.
Om onze éléndigheén te ontworftlen, zyn verfcheiden En korte wégen uit te vinden door de dood.
Wat zoude ik, arme Deugd, nadien myn échtgenoot Die fnoode Récnvanftaat heeft op den troon verhévennbsp;In myne plaats, helaas! wat zoude ik doen int keven?nbsp;Naa dat ge,6 Goedaard,zyt door s Konings laft gedood,nbsp;En beide Oprechtheid, én Réchtvaerdigheid, ontblootnbsp;Van ftaat, zyn uit het hdfin ballingfchap verdreeven,
Wat zoude ik,armcDeugd,wat zoude ik doen int leeven? Wél aan, myneoogen, fluit u dan voor eeuwig toe.
Gy waart al lang t gezigt der gdddeloosheid moê.
Engy, vergift, gy zult het tégengift vcrllrekken
Van meerdre rampen. Geef.
Ondeugd.
De droes! het is geen gékkenr Zy lapt het in. Hou aan. tis lekker; louter, veeg,nbsp;Al is t een taaije teug: wat zo ! t is fchoontjes leeg.nbsp;Deugd.
Daar is t volbragt het geen zyn Majefteit begeerde.
Gaa, zég hem, Kwaadaard, hoe ik zyn bevélen eerde, En naakwam; zég hem, fchoon hy my veracht, én haat,nbsp;Dat ik gewillig ftérf, omdat hyt zo verftaat;
Aizég hem, dat my niets bedroeft in myn verfcheiden, Als dat hy zich door Réênvanftaat zo laat verleiden,
En overftélpt blyft van haar liefde, zég hem tdch. Indien hy nimmermeer aan Deugd wil dénken, ndchnbsp;Aanhaar geneegenheid,dat hy tenminften weete,
Dat hy V erltand is, én zich zélven niet vergeete;
Zég hem daarnévens....
Kwaadaard.
Myn geheugen is zo zwak, Dat al de praatjens, die men my verhaalt, zo ftraknbsp;Wéér fchieten uit het hoofd. Ik zal alleenlyk zeggennbsp;Dat gy t vergif naamt, én hoe hier de zaaken leggen.nbsp;Ikhebgeenandrenlaftvan zyne Majefteit.
Gy Ondeugd, vdlg, zo haaft, als zy t heeft afgeleid.
En boodfetep t ovrige.
Deugd.
Ach ! gy wacht maar na myn ftérven, Verleid Verftand.eergy uw luften kunt verwerven jnbsp;Omdat ik die belét, is ligt myn ondergangnbsp;Beftémd. Barbaarfche ftyl, die nérgens gaat in zwang,nbsp;Dan daarjmen Réênvanftaat het oor leent Maar mynnbsp;krachten
Vermindren;kyoci de dood,daart al na Rhynt te wachten.
t Vergift neemt de overdaad.
VAN EIGENBAAT. V Y F D E T O O N E E L.
y 1. nbsp;nbsp;nbsp;I.' u
SCHYNHEILIGHEID, DeUGD, OnDEUGD.
-j. Schynheiligheid. JuLElaas ! wat droever maarnbsp;Ontfang ik, Koningin
Deugd.
Ach! Gódtsvrucht, zytgydaarf Hier ïiet ge de uitflag van uw fpellingi my nc plaagcnnbsp;Ziet ge eindlyk einden met het eind van myne dagen.
De hélfchc geeft, eer die verjaagd is, fél op iny Gcbeeten, heeft nöch eer haar dulle raazernynbsp;Int wérkgeftéld.
SCHYNHEILIGHEI D.
Heeft dan de tovery genomen Dien uitflag ? door wat wég is ty to vér gekomen ?nbsp;Deugd.
Wie kan het weeten ? maar het koninklyk befluit Stemde in myndood,vrindin,t gift voert het ovrige uit.
SchynHE ILIGIIEID.
O wreedheid!
Deugd.
Zo gebeurt het dikwils» dat opfchuldig Zélfs de alleronbcvlékfteonnozelheid geduldignbsp;Moet bukken o.nder t zwaerd, én töt eene offerhandnbsp;Der vuilftc tógten ftrékt.
Schynheiligheid.
O grouwel,zonde,én fchand!
Waarom, helaas! waarom mag ik voor u niet ftérven ?
Ach Deugd, ach mogt myndood uw leeven maar verwierven !
Deugd.
ktjezwykjt laatfte oogenblik myns leevens nadert hard.
. S C H Y N H E I L 1 G H. E I p.
Deugd uit de \vaereld?Ach wat droefheidlach wat fmart!
Hz nbsp;nbsp;nbsp;Deug Ik
-ocr page 122-94 nbsp;nbsp;nbsp;T I E R A N N Y
Deugd
Vertrooft u,k fté rf,én word vcrlóft uit al myn lydcn.
SCHYNHEILIGHEID.
Zy flérft! ó yzere eeuw ! ó gdddclooze tyden! Deugd.
De dag wordt donker; k geef den geeft, het is gedaan. Ondeugd.
Ze is dood; kom laat ons daar een gangetjen op gaan. Schynheiligheid, kom, kom. Ik zal een deuntje zingen,nbsp;Je plagt met my wéleer ééns in de bogt te fpringen.
Schynheiligheid.
Zie na myn kleed niet, k ben zo ligt nóch, als de wind. Maar kén ik t dansje ?
Ondeugd.
O ja.
Schynheiligheid.
Wat vois is t ? Ondeugd.
Als t begint.,
Hy zingt.
Hei, fa, wakker, zyn we vrolyk;
Deugd is dood , die houte molyk,
Die bedilfter van de jeugd.
Die benydfter van de vreugd;
Hoe doortrapt zy was , én olyk,
Ze is er onder: weeft verheugd.
Hei, morsdood, én koud is Deugd!
ZESDE TOONEEL.
Vle IJ ery,Ondeugd,Schynheiligheid.'
ZV L E IJ E R Y.
O vrolyk niet. t Is nóch geen tyd van kwinkelceren, £u danfen.
On-
-ocr page 123-Ondeugd.
Deugd is dood, wat drommel kan ons deeren?
Schuif eens t gördyn op.
Ondeugd.
Wél, daar is een béd gefpreid.
Dat wacht na Eigenbaat met zyne Majefteit.
De Koning, die nöch vaft hem meent een vrouw te wec-zen,
Wil,zonder tydverzuiin, (dit doet ons t flimfte vreezen) Bevruchten plukken van zyn min op deeze koets.
En onzeVdrftheefczyn verzoek,zotichynt,goedsmoeds, Maar zedig toegeftaan, zo dra hy zich ontflagennbsp;Zal vinden van zyne écht met Deugd én zy haar dagennbsp;Geëindigd heeft. Hy wacht uw komft Hechts,Ondeugd,nbsp;om
Zich zélven weduwnaar te zien, én Bruidegom.
Naar Kwaadaards boodfehap was zy toen ophaarver-fcheiden;
En hy had u belaft niet langer daar te beiden,
Dan tdt de laatfte fnik gegeeven was.
Ondeugd.
De droes.
Hier ziet het laelyk uit! hierkrygen wedebocs,
Bevindt Verftand, dat hem myn Heer niet kan geryven.
Doemaar uw boodfehap , laatmydat bevolen blyven. Ondeugd.
Zofpytip! Mag ik niet een beetje weeten? k Vaar inèê in t fchip, k waag ook myn lyf.
^ nbsp;nbsp;nbsp;,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Wél, zytgoed fchik.
zeggen, hoor; Verftand is aangezéten Met Eigenbaat alleen; én ik heb onder t cetennbsp;Alleen hén opgepaft; het zy zyn Majefteit
96 nbsp;nbsp;nbsp;TIERANNY
¦Zyn min verhandIen wilde in volle vryigheid;
Het zy hy ligtlyk wilde ontveinzen voor élks oogen ^ Dathyomtfneuvelenvan Deugd metmédedoogennbsp;Geraakt was, df berouw. Altyd, het was voorziennbsp;-Van Eigenbaat, die me iets liet geeven, éngebiênnbsp;In zynen wyn te doen, als ik hem in zou fchenken jnbsp;Gelyk ik t héb volbragt.
Ondeugd.
Ho, ho, ik kan wél dénken,
Watdatgeweellis.
Gy zoudt dat juift raaden ? Ondeugd.
Wis
Zoude ik het raaden; kwéd, hetgeeft van domheid is, Hébtgyt niet van Mevrouw Argliftigheid ontfangen ?nbsp;En was et niet pimpelpaers ?
Ja, Ondeugd. Ondeugd.
k Laat me hangen,
t Is geeft van domheid; wast niet in een flesje, dik, En fmaakeloos ? ¦
Zo wast, ént kleurde weinig. Ondeugd.
Ik
Héb t hélpcn maaken, naa dat ik t refépt uit boeken, In Mofambiekfche taal befchreeven, héb gaan zoeken;nbsp;Maar k bén nieuwsgierig, dft zync oude wérking doet.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R y.
Voorzeker : want Verftand begon te fluirnren.
On deugd.
Goed!
Wanneer men op-die wys Verftand in flaap kan krygen,
Wat
-ocr page 125-VAN EIGENBAAT. 97 Wat ist daar Eigenbaat niet na zal moogen ftygen ?
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Nu, Ondeugd, gaa. Gy wordt verwacht.
Ondeugd.
Gaat gy niet méè ?
V nbsp;nbsp;nbsp;D E IJ R E Y.
Ik moet zyn Majefteit verbeiden hier ter ftéê,
Om zyne onrnftige, én vérbyfterde gedachten Door t fpeelen op de luit te ftreelen onder t wachten.
SCHY NHEILIGHEID.
Oaa haaftig dan, opdat een onvermoed belet
Onze aanflag niet verbrddde, öf vér ten achtren ïctt.
Ondeugd.
Ik vlieg; daar komt de Infante.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E ly E R Y.
O Gdón! wat zal men zeggen ?
^ nbsp;nbsp;nbsp;^nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Schynheiligheid.
tBéft, dat men heeft geleerd.
ZEVENDE TOONEEL.
Wil,Schynheiligheid,Vleijerygt;
Arglistigheid.
rv Wil.
Ie ik daar Deugd niet leggen?
Ach hémel! is zy dood?
Schynheiligheid.
Ja, door dés Konings lalt.
W I L-
Waarom?
Schynheiligheid.
Ik weet het niet; én minder ndch, dftpaft, AI ben ik naanw aan Deugd door veele gunft verbonden.nbsp;Dat wy dés Koninks wil navdrfchen, én doorgronden.
. nbsp;nbsp;nbsp;V L E IJ E R Y.
Vcrftand, haarniet, dan zeer réchtvaerdig,heeftomhals Doen bréngen.
Wil.
Zy begon zich zo vee] in te beelden, Dathaarmanieren, my, ént ganfche hóf verveelden.nbsp;Verftand vélt nimmermeer uit toorne, óf ongeduldnbsp;Een vonnis: zy zal niet geftraft zyn zonder fchuld.
Men bréng haar wég.
Mêvrouw, ik zal de laatfte pligten Byc lyk gddsdienftelyk afléggen, én verrichten.
Maar mag men opt gerucht,tgeeD zich alom vcrfpreidt,
Staat maaken, Vleijery, datzync Majefteit
Van meiningismetRêenvanflaat inéchttetreeden.
En haar in plaats vanDeugd den troon to doen bekleedcn? V L E IJ E R T.
t Is wé! zyn meining; maar hoe kan Heer Eigenbaat, Die maar alleen den naam gebruikt van Réénvanftaat,nbsp;Vermomd, gelyk gy weet, in vrouwelyke klêcren,nbsp;Den Vórfte zyn te wil ?
Zo t énkelyk t bcgeeren
DésKoningsis, én dat hy daar méé voort wil gaan.^
Hébt gy dat noodbefluit dan niet uit hem verflaan Wil.
O neen, de Koningin verlleurde ons gt; tocnhy me éven Kad iets Vangroot belang te zeggen aangehéven.
Hy heeft beloofd zich zélv te ontdekken.
W I L.
. nbsp;nbsp;nbsp;Wat geluk!
Zo ik daardoor de vrucht van myn verlangen pluk.
Was dat die blydemaar, diegy mezélfwoudt bréngen, Myn aAgddi*nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;'
A R G-
-ocr page 127-99
Arglistigheid.
Zal de Vdrlt uw huuwlyk wél gehéngen ? W I L.
Die, uit de hevigheid van zyne, mynepyn Kan vatten, zou die niet met my mêédoogend zyn ?nbsp;Zynliefde onfchuldigt my .Waarom zoud hy t beletten?nbsp;Waarom zich tégen myn geluk, én blydfchap zetten,
Nu hy zyn oogwit tdch niet treffen kan ?
Arglistigheid.
Mévrouw,
t Geluk fchynt my zo groot te zyn, dat ikt mistrouw. V L E IJ E R Y.
Maar ik héb laft u aan te zéggen, dat ge uwkamer Bewaaren zoudt, opdat Heer Eigenbaat bekwaamernbsp;t Wérkvdrdcrc, dfhy ligt uw byzyn noodighad.
Ook dat gy blindelings invdlgen zoudt al, wat Men u uit zynen naam mogt aandoen, dfgebieden.
W I L.
Al, wat mynZielzon my wil heeten, zalgefchiedeii.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Vertrékdan, tishoogtyd.
W I L.
kGaa, vol verlangen, heen, En wacht met ongeduld na de uitflag
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
^ nbsp;nbsp;nbsp;.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Nu met één
f nbsp;nbsp;nbsp;'ol bragt. Hoe légt gy daar én prévelt,
Als df t u érnftig ginge aan t hart gt;
Schynheiligheid.
, nbsp;nbsp;nbsp;Mc dunkt, gyrévelt,
V y moeten immers zo wat om wélftaans wil doen.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
poen
Om t hart te winnen van de Zinnen, onderzaaten VantEiland Vryekeur , opdat zy, uitgelaatennbsp;V.'in vreugd, den nieuwen Heer begroeten in 'tgebied.
H y nbsp;nbsp;nbsp;Daar
Maar alles heeft zyntyd ; nudiemgy utefpc
-ocr page 128-loo nbsp;nbsp;nbsp;T I E R A N N Y
Daar komt de Koning. Gaa.
SCHYNHEILJGHEin.
Mistrouw u myner niet.
V ERSTANDjV LEIJERÏ.
BV E R S T A H D.
En ik betoverd ? laat Verfland zich dan verrukken Door hcete driften....
V L E IJ E R Y.
Vdrfl, gy zult de vrucht haafl plukken Van uwe liefde; ai klaag niet, als vanminnepyn;
Zo kunt ge haafl getroofl, én ligt geneczen zy n. Verstand.
Hélp my dan, Vleijcry,die dampige gedachten V erbannen, zing én fpeel,terwyl ik af moet wachtennbsp;Het aarzlcnd oogenblik dier duurgekdfte lufl.
Helaas! nu toon uw kunfl, ik lég my wat te ruil.
V I. e IJ E R y , zingt, én Jpeelt.
Verbaazing der Natuur, fchoonfl maakfel op der aarde, Dat s Almagts wonderbaare handnbsp;In t lighaam fchiep, zélfs eer de moeder t baarde.nbsp;Groot, kunftigménfcbelyk Verfland;
Gy ziet hier alles néérgeboogen Voor uw onmeetelyk vermoogen,
Als vooreenGdddelykengeeft;
Gy ziet eerbiedig, én bevreefd,
Als f]aavcn,zichvooru op tminftewénken buigen All de Élémenten,én van uwe magt getuigen.
Verstand.
Wat wordt my t hart verkwikt door de aangenaame klank
Dier woorden,onderfteund van fpél,én maatgezangk.
, nbsp;nbsp;nbsp;Vlei-
-ocr page 129-loï
VAN El GENE A'A T.
V L E IJ E R Y , z^ingt, ènfpeelt.
Gy, die de lucht in holle buizen Van brommend koper,én van hélder tin befluit,
Doet die daar wéder uit Verhuizen Tót in onze ooren met een lieffelyk geluid,
Gy, die het vuur houdt opgellóoten In enge paaien van een ondcraardfche myn,
Of yzer, óf metaal,van binnen hól gegooten, t Naabootfende, ineenfchrikkelykenfchyn,
t Gewéld van bllkfern,én van donder,
Maakt ftéden ganfeh tót puin, werpt bérgen 't bovcilftc onder.
Verstand.
Myn hart wordt overftélpt van well uft door het oor; . Myn Ziel verhuift met al myn zinnen in t gehoor.
Door n, door u alleen zyn de ongemceten ftrecken , Der vlakke zéên, énrompligeaardnbsp;Te fluiten in een kleine kaart .
Die gy door wondre kracht leert tót onze oogen fpreeken Zo duidelyk,zo klaar,én kórt,
Dat zonder zeilen, zonder roeijen,
Of zonder voeten te vermocij en Rivicr,gebérgte,én land,én ftrand bezigtigd wordt.
De Hémlen zélfs heeft uw doorfleepen Vemuft, zeer kunftig.op een kleinen kloot begreepen.
Verstand. .
Ach Réénvanftaat!
Hyllaapt nóch niet. Verstand.
Myn hartzeer, myn
Verdriet, myn welluft,ach!
Hy droomt naar alle fchyn Ver.
-ocr page 130-102 nbsp;nbsp;nbsp;T I E R A N N Y
Verstand.
Betoverfler van myn gezigt, licht van myne oogen,
Zyt gy de myne? is i waar ? én bén ik niet bedroegen ?
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Ja, ja, hyflaapt, éndroomt.
Verstand.
Waar bly ft ge ? ik kan niet meer
Vertoeven.
V nbsp;nbsp;nbsp;L E IJ E R Y.
Zyt geruft, men komt. Myn Heer, myn Heei, Watfammeltge?
I Eigenbaat.
S het tyd ?
V L E n E R Y.
Nooit kon t u béter flaagen; Nu kunt gy met Verftand omfpringen naar behaagen.nbsp;Eigenbaat.
Gaa, 2ég de vrinden dan, dat ieder één zich dien
Van zyiie kunft, gelyk t beftémd is.
V L E IJ E R Y.
K nbsp;nbsp;nbsp;Verstand.
An ik uwe ongenade omzetten, ndch betoomen ? Vergeldt ge dus myn liefde ?
Eigenbaat.
Is t waaken, df is t droomen ?
tls
-ocr page 131-VAN EIGENBAAT. 103 t Is droomen ; ja, hy flaapt. Verliezen wy geen tyd ;nbsp;Hy flaapvoor eeuwig, én zy troon, én Icevenkwyt.nbsp;V ERSTAND.
Hélp, help ! ik word vermoord. ai my ! ikftérf! Eigenbaat.
Wy Iceven?
Verstand.
Ai! ai!
ELFDE TOONEEL. Kwaadaard, Ondeugd, Eigenbaat,
WKwaadaard.
At wordter op dés Konings koets bedreeven ? Wat wil dat naar gcfchrecuw ?
Ondeugd.
DeKoning llaapt, zoet, zoet! Wy moeten ftil zyn; maar gans lichters! wat al bloed!nbsp;Kwaadaard.
De Koning dood! helaas , wat fchriklykcr vertooning ? Eigene aat.
De Koning is niet dood; ziemy aan; ik ben Koning. Kwaadaard.
Hoe! gy de Koning .^ey ?zytgy niet Réênvanftaat,
De Koninklyke Bruid ?
Eigenbaat.
O necPjk heet Eigenbaat, |En dien rne alleenlyk van dien andren naam,by Grootennbsp;In handelingen, daar iets wigtigs wordt beflooten.
Maar ik bén Eigenbaat, myn erfdeel is de kroon.
Kwaadaard, Wil, Ar g li s t i gh e i d*
D nbsp;nbsp;nbsp;Kwaadaard.
Aar komt Mévrouw de Infante.
' nbsp;nbsp;nbsp;Eigenbaat, Ondeugd,
Wil.
-ocr page 132-Ondraagelyke boon!
My dus met kétens, als de fnoodfte der flaavinnen, Teboeijen?
Arglistigheid.
Stél u wat gelaaten, dwing uwzinnen. Gcfehiedt uit laft.
Wil.
Wie heeft dien laft gegeeven ? Eigenbaat.
W i L.
Hoe gy ? is dit dan die beloofde huuwlyksflrik ,
Daar myn verlangende, én verliefde ziel om blaakte ? Helaas!
Eigenbaat.
t Geluk was veel te groot, daar gy na haakte.
t Is eers genoeg voor u te weezen myn flaavin.
Wil.
In wélk een bittren haat verandert uwe min Dus onvoorziens! wat leed héb ik u toegedreeven ?nbsp;Maar wat beEhouwik! Gdónl mynBroeder om het lec-ven
Gebragt! wie is, wie is defchélmfche moordenaar ?
Eigenbaat.
Ik héb dat héldenftük voltrokken.
Wil.
O Verraar!
Eigenbaat^
Beklaagumynerniet; ik héb u niet verraaden. kBcnEigenbaat;wic hoopte iets and^irs van myndaaden?nbsp;Gy hébt verzocht, dat ik t^y ïodde ontdekken; nunbsp;Ontdékik my te récht, dus vergenoeg ik ü,
Om myn beloften, nóch gewoontenstc overtreeden.
k Bén Koning Evgenbaat,die in denfehyn van Réden-V an ftaat, het Eiland met bedrög, én met gewéld
Héb
-ocr page 133-VAN EIGENBAAT. lof Héb ingenomen, én Verftand ter néér gevéld.
W I L.
Met wat Réchtvaérdigheid ?
Eigenbaat.
Het is my onverfchillig. Met récht, öf onrécht; al wat my behaagt, is billig.nbsp;Gy, fnoer uwe bitfe tong, én voeg u tót uw pligt;
Gy weet, boe ik t verftaa. Gehoorzaam, dien,én zwicht,
DERTIÉNDE TOONEEL.
ScHYNheiligheid. Eigenbaat, Wil, Arglistigheid, Ondeugd.
O nbsp;nbsp;nbsp;SCHYN HEILIGHEID.
Vdrft, de Zinnen, uw nieuweonderdaanen,komen Met vreugd van alle kant aanloopen, ingenomen,
En opgemaakt door myn gewoone kunften, om U hunne eerbiedigheid in uw nieuw Koningdomnbsp;Op te ófferen. Bedróg , én Vieijery geleidennbsp;De fchaaren, die zich tót een Oaaffch ontzag bereiden,nbsp;En u, Vórft Eigenbaat, tót Koning over t Landnbsp;Van Vryekeur met vreugd verkiezen voor Verftand.nbsp;Eigenbaat.
Men laat hén in.
VEERTIENDE nbsp;nbsp;nbsp;TOONEEL.
^Bedróg infchynvanGemeenébeft^Y h É ij ery, E i G en-baat, De Zinnen,Wil,Arglistigheid, OndeuDjSchynheiligheid.
^ nbsp;nbsp;nbsp;Bedróg.
V.A Vdrft, wy komen u begroeten. En ons deemoediglyk néérwérpen voor uw voeten,nbsp;t Régeeren van Verftand klinkt, door myn toedoen vooïnbsp;ierannig uitgemaakt, zo haatlyk in het oor
Der
-ocr page 134--y... -
iü6 TIERANNY VAN EIGENBAAT. Der onderdaanen, dat ze in ftéde van befchrcijen,
Met groote vreugd zyndoodhetEiland door verlprcijen. V L E I] E R Y.
En ik, die bén d^ fchélle, en klinkende trompet Van uvz' verdienften , héb uw löf in tdp gezet;
En zo de harten van all s Eilands onderdaanen Gewonnen, dat zy zich op t hoogft gelukkig waanennbsp;Met hunnen nieuwen Heer: én, vol van ongeduld,
De tydafwachtcn , datgy u vertoonen zult.
Eigenbaat.
Getrouwe vrienden,k zal uw dienden ryklykloonen. Men laat de Zinnen in, opdat wy hen vertoonennbsp;Hunnwettelyken Vdrft , hunnlieve toeverlaat.
De Zinnen.
Lang leev de Koning! 1^ leev Koning Eigenbaat!
Verkeerde blydfchap! hoe verheugd gaan zy na binnen; Maar fpiegelt u aan my, 6 ligt verleide Zinnen inbsp;Gy vindt ujammerlyk bedroegen met berouw.
Dénkt gy in Eigenbaat te vinden liefde, óf trouw.
Eif/Je va» het Vyfde in laatjie Bedryf.
-ocr page 135-Van
in het Eiland van
)
ZINNESPEL.
Eigenbaat hier tröts én opgeblaarxn op den zétel van t V e R s t a n d. Df Ferlbo-'nbsp;naadje vertoont zich met een twyfelachtig geiaat,nbsp;iWeemende zo wé! naar ee:ie vrouwe, als naar ecnennbsp;inan, én is a!s eene Amazone gekleed. Met den Ilin -Her arni tracht deeze Vörft de waereld te bevatten,nbsp;nou^nde iii de hand ecnen Evenaar, óf-weegfchaalnbsp;oer Uudcn, om het voor- én nadeel der zaaken innbsp;alle voorvallen te wikken. De réchte hand zwaaitnbsp;cencn Feniciaanlchcn ryksftaf, eigen aan het opkomende gewéld. Het hovende eind des fépteos isnbsp;®en Hocrdomps kóp,gelyk hetonderlleccn klaauwnbsp;an cenNylpaatd, De tabbaard én tók zyn met gou-Q itoonen én fépters gcbdrduurd. Dc koninglykcnbsp;A''mynen,om dat hy in fchyueerlyknbsp;Bnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;met vlakken alseenTygers-
nma , die de dwinglandy verbeeldt , geboord. De mooropook Iteckt op zync zyde. Hy vertreedt zegels,
privi-
-ocr page 136-privilégiën , gcréchtfchaalcn , én den pilaar der Deugd. De troon ('want hy heeft zich in hetnbsp;Eiland van Vryekeur ingedrongen) isnbsp;geiiert met het beeldtcnilFc der V r y h e i d , die eennbsp;hoed, öf muts in de ééne hand, én in de andere eenennbsp;openen zak, öf beurs met zwarte én witte boontjensnbsp;van verkiezingc houdt.
De V L E1J E R V kuft het kleed van Eigenbaat, Idftuitcnde zyne hoedaanighéden, die zy échter niet ként dan by den naam. Op haaren rdknbsp;ziet men Keizersvlicgen geüikt. Zy heeft een bou-delrjc van blaauwe bloemen op het hoofd. Haarnbsp;Hondtje likt én flikflooit den nieuwen Vörft metnbsp;lietkoozend keften én vleijend kwirpelftaarten.
K w A A D A A R D zvn Raad , met den ftrdp van Achitofél om den hals, én zyn verkeerd hart daarnbsp;aan, fluit zyne geheimen op, én voert nimmer ietnbsp;goeds uit ; waarom hy beide de banden in dennbsp;Raadsheerlyken tabbaard gemSfFeld houdt,ook omnbsp;dat men zyne klaauwen niet zou gewaar worden.nbsp;De vuile néêrwaards gekeerde vlammen, zyn opnbsp;zyn kleed geborduurd.
13 E D R d G, met een momaangezicht bedekt, in een kleed, dat met muizevallen én héngelhoekennbsp;bezet is, houd eenen blaasbalg in de hand, beta-kenende hier méde wat eerlykhcid van hem tcnbsp;verwachten is.
ScHYNHEiLiGHEiD , mct een Koorkleed aan,én op het kapfcl gemyterd,houdende een Pa-terndfler in de ééne,én een kerkboek in de anderenbsp;hand, blaart hem de ooren vol.
Arglistig H Et D, gekleed als eene Spaanlche Douëgna , hebbende flangen op haaren rdk , ver-fchafc hem de looze vonden van Staatkunde,die zynbsp;loozelyk verbeeld.
De Ingezeetenen , van allerhande flach én foort , vloeijen van alle kanten toe , om dennbsp;nieuwen Vdrft lang l e e v e toe te roepen.
Wit
-ocr page 137-Wil, te vooren Infante, én deel hebbende aan de heerfchappy , getooit met -een onruft op hetnbsp;hoofd,én vlerken aan de xyden désiélfs,beroofdnbsp;van alle de mérktékenen haarcr voorige grootheid,nbsp;quot;Wordt gekétend als cene flaavinne wéggefleept^nbsp;Koning Verstand légt vermoord op lyncnbsp;koets. Een Arend én Sfinx,de mérktékenen zynernbsp;Majefteit,verbeeldende hoe hy met lyn fchérp gezicht ah een Arend overal doorheen zag, én denbsp;duiilcrlle én zwaarlte zaaken zélfs wilt te ontwar-worden befpeurd boven het Icdekant , daar
ren
*'^DE?GT,zpe gemaalin, légt dood , den kelk, daar ze mede vergeeven is, in de haua,nbsp;én het hart uit Goedaards borll gcichcurd,nbsp;in eenen Ichotel op het lyf. Zy légt op de leeuwenhuid van Herkulés s dekndds van dien enbsp;ziet men onder haarc ruftbank. Zy heelt de rynbsp;thagorifche letter Y, op het hoofd.
ht het én
uitgedreeven , én op oubewoonbaare bannen worden.
verfchict ziet ------ -
HEID én R e'c H T V a E R D1G H E i D , te lande
róefen ge-DICHT-
Dus dood, wordt zy ndch befpdt, én befpoogen van de Ondeugd, eenen gebochchelden canbsp;misfehaapen dwerg, die over haare dood juicht ennbsp;triomfeert. Hy houdt den ring, waar door de argwaan , én het zwaar misnoegen , dat haar doemnbsp;veroorzaakte, in t hart van V ERSTAND,doornbsp;Sc HYN HEIL IGll E 1 D éll Kw A AD AARD gC'nbsp;kweekt was, in zyne hand,trappende baldadig opnbsp;het lyk van den mishandelden én vermoordennbsp;Goedaard, uit wiens opengefcheurde öorltnbsp;men zyn onnoozel bloed ziet vloeijen, hebbendenbsp;van zyne eertékenen niets behouden dan een opennbsp;hart, waar uit zuivere vlammen op waards branoen,nbsp;hangende aan eenen gouden kéten omzynen hais.nbsp;éiinbsp;nbsp;nbsp;nbsp;ixicn hoC OpRECHT
-ocr page 138-R-jppA , Koning van At.ba ; anders DeGewaandeTiberinüs, Trtur-Ipél.
Het Spookend WeeuxvtJe, Blyfpél. Het Huuwelyk van Oronüatës énnbsp;Stat IRA, Trcurfpcl.
Dichtkunstig Onderzoek én Oordeel over het Yélvc TreurCpcl, enz. Antwoord op het Voor- én Naabe-RICHT van Antigone, enz.nbsp;DEMALLEWEDDlNGjÖt'GlERlGEGEER-AARD, Blyfpél.
Voor- én Naspel van Giérige Geeraard.
De Gel yk e Twe'l 1 ngen , Blylpéh A N D R o vt a c H e' , Treurfpél.
De Vryer in de Kist, Kluchtfpél.
De Wanhebbelyke Liefde , Klucht-fpél.
TiERANNYVanElGENBAAT illhctElLAND
van Vryekeür, Zinnefpél.
-ocr page 139-De Bekeerde Alchimist,
FiELEBouT.df de DdKTER téeens Dank, BlyfpéL
Het Gedwongene HuuwELYK,BlylpéI. De Schilder door Liefde, Blyfpél.nbsp;i F1G E N1E, Treurfpél.
Ginna, ör de Goedertierenheid van Augustus, Treurfpél.
De Verwaande Hollandsche
Fransman, Blyfpél.
De Dichtkunst, Voorspel, met Mu-2yk , énx. den 3e , 6c gt; én eenige vólgende dagen in Januari, 1689, vertoond.
De GELUKTELlST,dfBEDROOGEMoF,
Minneliederen én Mengelzangen, niet Muz YK.
Q-Horatius Flaccus Dichtkunst. Gebruik én Misbruik des Tooneels,nbsp;xynde het Vervólg van Q. Horatiusnbsp;fLAccus Dichtkunfl.
LygedichtenopOttoV.eniusZinne-
beelden.
D.J. Juvenalis Tiende Berispdicht.
-ocr page 140- -ocr page 141- -ocr page 142- -ocr page 143- -ocr page 144-