^^¦^C*-, /^ nbsp;nbsp;nbsp;* «Êz- /^i.a^SA^Oo'
¦tC-CoJt^^ nbsp;nbsp;nbsp;^Qf Cct^^^L.tA-V^nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;3^
\ nbsp;nbsp;nbsp;- nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;^ iilt;^ eA^tAe^/é^ê^
UÏTW.
O F
GEWAANDE
Vertoond op de Amfteldamfehe Schouwburg. Den laatfien Druk.
TEA M S T E I, D A M.
By de Erfgen: van J. L e s c a i l j e , op den Middeldam , naait de V ifchraarkt, i yop.
-ocr page 6-Lynt j E, de Meid.
Diwertje Gerbrants, 7 Vader en Moeder
_ nbsp;nbsp;nbsp;,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;rnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;vannbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Saartie Jans.
JanJaspersz. nbsp;nbsp;nbsp;3
SaartJe Jans, FryftervanJanKlaafz.
Gunflelingen van ReinierAdriaanfz.
¦j
Tjerk H E N D RI KSZ.
Stoefel ThYsz.
Martyntje, eenBefieedfier.
N K L A A s z., Vryer van Saartje, en gewaande DienfiTmagd.
' Twee Gebuuren.
R einier Adriaans z.. Een Kwaker, Grietje Pieters,
Marretje Jacobs,
Het Blyfpel begint voor de middag, en eindigt s anderen daags s morgens. Het Tooneel is in, en om-. trent het Kattegat.
-ocr page 7-o F
EERSTE TOONEEL.
.LyntJE, hezigmeteenigeKlcercK'VJegteveege»
i Sa! Trompen en Trompctten,
Blaalt op een gouden toon,
Nu Tromp de oorlogswetten Veerlaat om V cnus Zoon,
Hy gord het Staal aan t lyf,
Om zyn Geweer en Wyf,
Maakt weer Trompen,
Staale Rompen,
Stout en Ilyf.
TWEEDE TOONEEL,
L Y N T J E , D I W E R T ] E. Diwertje.
Hoe is t, Lyntje ? zeltereis lukken ? voort de klee-reuindeKas.
En haald de Kleermand of, het goed moet na de was,
t Loopt na de middag toe, en t is alles noch te tellen,
Je weet immers dat men t veur elfuurenan defchuit moet beitel len,
En Itacje hier noch dus, en alles overhoop;
Nou,
-ocr page 8-Nou, maarje weeterof; jy hebt de tyd goed koop,
t Is luchtig op met jou, een hielen dag te zuigen,
Te praaten an de deur van aSre lui er dingen,
En wafer in myn huis en buitenshuis gefchiet;
Hoor, Lyntje, ditiserof, zulk dienen diendmy niet, Dusken handeloozen tet! veur de koft wou ikje nietnbsp;houwen.
Wat hebje doch uitgerecht? hier leid myn onderrok en Saartjes bratte bouwen,
Noch nauwlyks angeraakt, en bei noch even bcklon-dertenbefpat.
Ei!ziet myn huik hieriens leggen, en niet een kous is er of eklad.
Ja wel de meir jes zelle je noch mal maaken deur zulk eerloos bedryven.
Wat, zo myn moer, nou altemael tefFens, je zeltme dat effe ibrat wat veurzigtig vryven,
En dat met zinnen, verfiaeje dat ?
Je gaeter beget me deur of je van dat ratelwachts goed, of van dat py laken veur had.
Daer is zo licht niet an te komen, daerom zelje t me wat veurzigtig handelen.
Ja wel, wat ben ik gelukkig dat de tyd gebooren is datje zelt gaen wandelen.
Zulken ligjes op.
Lyntje.
Wel, wat plaag is dat gezeid?
Jy me ligjes .op? ziet daer byget ben jy een eerlyke vrouw, ik ben een eerlyke meid,
Daer is niemand die van myn oneer achter myn rug zei gaenfnappen.
Ik ben dan die ik ben, ik mag myn ooren fchudden datze klappen,
Albenikeendienltmeid, ikbenzo goed als die, die ik dien,
Dat men tot jouent alle hoekj es eens zou deur zien,
Daer fchuild wat, ik mien dat men een nesjezou vinden.
DI'
-ocr page 9-!¦
1 nbsp;nbsp;nbsp;Diwertje.
Zwyg, iegik, cnhoudme de bek.
Lïntje.
Ik wil fpreeken; en ik ïelder geen doekjes oni winden.
Ziedaerbyget, ikzeltuitkryten al was t over de hiele buurd;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(ehuurd,
Je hebtme om je werk te doen en niet om te iciienden
Ik ben een eerlyk mans kind, ja wel ik ïclmynzinnen noch mifl'en.
DI w E R T J E.
Gien nood moer, krytje wat heen, de traanen dieje huild zelje niet piÜen.
Jy bent een haaltje, zelje mezoverftcurenpfoei fchaam-Lyntje. nbsp;nbsp;nbsp;(jew-at.
Laat zeer fchaamendicerniet verantwoorden kennen, verftaejedat? 'nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(mii,
Daer t myn eer, myn eer geld, dacr zei ik myn ddende-
jy hebterdaerientjeinhuis,jou Saartje, diezouje wat korigeren;
Die de deugd uiterlyk gelyk is, daer men ziet datze gaet,
Eninw'endigisze zo heet, dat de (leenen zwieten daer-zeopftaet.
Ja, die de kuisheid zelf fchynt teweezen, by die, die ze niet kennen.
Dl WE RT JE.
Jou fchenbrok , zelje op t left nog myn huiszoekente fchennen ?
Ik zweer datje dat noch ten duurftezel worden betaald.
E JanJafperfen, e Jan Jafperfen.
DERDE TOONE EL.
Diwertje, Lyntje, Jan Jaspersz-Jan Ja spersz.
at is ér te doen, Moer ? A3nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;D 1-
-ocr page 10-Diwertje.
Zo het medat ftukkevleis daar deur ehaald,
En ïulkc dingen alsze me in myn aanzigt durfd ver-wyten.
Jan Jaspersz.
Maar moer. onftelje toch zo niet,t is immers waar die je daadlyk kend flyten.
Hoor Lyntje, maak ook niet dat het al te bond is,
t Paft niet wel veur iemand diediend, datmenzoftout van mond is.
Jqu tyd is toch verftreeken, daarom weesje maar wel tevreên,
En pakje goetje maar mooitjes by mekaar en ga jy zo in vreedenheen.
Diwertje.
Ze zelder ook zo dryvende uit, voort zeg ik, breng men al het goed na binnen,
k Wilje veur myn oogen niet langer zien, t gact me fchicr an de zinnen,
Alle dagen zulken leeven te hebben met zo een loskop van een meid.
Jan Jaspersz.
Hoor Lyntje, wandel jy maar heen, en doed gelyk ik heb gezeid.
t Zd beft zyn om alle vorderc kyfagie te fchouwen.
VIERDE TOONEEL.
Diwêrtjé, Jan Jaspersz.
Jan Jaspe r sz. iwertje Gerbrands ?
D IWERT JE
Wel, Vaar?
J.\N Ja sper tsz.
k Wou mynmantcl wel hebben. Diwertje.
Die heb ik d.aar tiusjuift opgevouwen.
Jan
-ocr page 11-Jan Jaspersz.
t Hoefd dan niet. t is beft datje ze dan maar met het ander goed weg fluit,
En geeft men myn ouwe ftechts, het weer zieter me toch al wat buiachtig uit;
En laetme Saartje die lakjcs eensbrengen, dieernef-fens t kantoor hangen.
Wat met al dat gcbnabbcl van de meid, ik zie de tyd zouwder niet van langen,
Daerom is t beft dat men er maar zo daadlyk een fchotveur fchict.
V Y F D E T O O N E E L.
Jan Jaspersz , Diwertje, Saartje.
ZS A ART 1 E.
iedaer, Vader, bcnnczedataltemaalniet.^
Jan Jaspersz.
Ja kind, dat hebje al wel , na datje ze by de gis Jiebt gekreegen.
Moer Gerbrands, beliefje me wel wat van achteren of teveegen ?
Je bent toch gewoon datje me alle dagen zo wat havend en kuift.
Diwertje.
Ja wel, men veegt dat fwart Ichier op de dracd, en hoeje t veegt, t ziet altoos noch al even bepluiii.nbsp;Maar zo nuchteren uit Vaardatj e ierft wat in de mondnbsp;flak , wat doej e zo vroeg buiten ?
Jan Jaspersz.
Ik moet cens an de Koorenbeurs weezen, envandacr in de Moorjaanen, om een party- tc fluiten,
Die gifteren niet voort is gegaen, cn dan onderweeg Zo loop ik wel iens an in de Dirk van AiTcnftccg,
In t Lydebock, het fchcol van de vcrdraaeznmcn en vroeden.
A A nbsp;nbsp;nbsp;Daer
-ocr page 12-Daer is al weer een boekje uitgekomen tcgens die war-veugels die de fcheuring voeden,
Waer in verhaald word al de omftandigheid zeer pertinent ,
Wie dat den llryd gewonnen heeft, en wegens de neerlaag van dat groot Kracouws Regiment,
Hoe hem alles in de fury heeft toegedraagen,
En hoe de Kornel met al zyn ruitery in route is gc-flagen.
En dat het alles meerendeels ter neder is gemaakt,
Ja zo dat hy zelfs noch ter nauwer iioodteKracouwis binnen geraakt;
Daer is zulken alteratie onder de Broeders om het weer op te bouwen,
Doch zy meugen doen zo zy t verflaen, ik meendcr myn buiten te houwen,
Ik ben altoos blyd dat ik er niet in en word behaald.
Dl WE R T JE.
Zo is t vaar, laeten zy zo wat woelen, ze zettend mal-kandren al mooi betaald,
Ik houwer niet van dat men malkandrcn op die wys zo zoekt te doeken.
Snartj e Jans, daar word geklopt,t is Stoffel Thy fen met zyn fwager, dats wis om het hylik te verzoeken.
Ga jy zo daadlyk wat an ien kant, en houwjc hier zo watontrend,
t Is niet wel voeglyk van die dingen te fpreeken als je er by bent.
Jan Jaspersz , Diwertje, Stoffel Thïsz., Tjerk Henbriksz.
Stoffel T h y s z.
oeden morgen je beiden , wel dit s recht van pas J koomen.
Jan J A SPERSZ.
Zo doed het, Stoffel Thyfen, wantik had zovourge-noomen
Om na de Koorenmarkt te gaen, en van daereensnat Sardammer Veer.
Diwertje.
Saartjejans, breng hier wat ftoelen kind, ei. Stoffel Thyfen, zetje dog een weinigje neer.
Engy, TjerkHendrikfe, ei wiljewatbyjefwagerneer zetten.
Tjerk Henoriksz
Wat doeje al moeiten, Diwertje, t is ons leed dat weje wat komen beletten.
Je word meê al goed Ouwers moer, en doed men dan wat, het valt dadclyk zuur.
Diwertje.
Nietmedal, Tjerk Heindrikfe; onze meid is daer zo daadly k vertrokken uit er huur,
En tavond heb ik weer een knaphandig diertje te verwachten ;
Maar ik wilje dat wel zeggen, die zyn eigen werk kan bchecren dat hy wel gelukkig is te achten.
St OF FE L Th Y sz.
Nou, jaujafperfen, en Diwertje Gerbrants, ik denk datje onze boodfehap ten naeften by wel weet;
Wy koomen uit de naam van Reinier Adriaanfen, en LysbetFranfen, zyn peet,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(gengt;
Om heur verzoek, deur ons an jou beide veurtedraa-
Als dat t er zin wel zou weezen, en ten hoogflcn ook wel zou behaagen,
Dat de vrienden van wederzyden zo mogten koomen over een,
Pat er neef, en je dochter, mogten zamen in deu echtenflaat treên,
Gelyk je kend het geflacht, en van wat afkomfldatze bennen,
Eu wat de Vader voor een man was.
Af nbsp;nbsp;nbsp;D:-i
-ocr page 14-Diwert JE.
Zouwcn wy dat geflacht niet kennen ?
Dien ouwen Adriaan Pieterfendatwaseeneerlykman,
Die niemand ion verongelyken, jahy hadeengruwel-er van,
Dat er onder de Broederen zo ïwakken wierden gevonden ,
Die er hart an s weerelds goed zo hadden verbonden,
Datze deur onecrlyk gewin zochten te verryken hunnen ftact.
Tjerk Heinoriksz.
Ja wel, t is fchandelyk datet zelve daer onder noch zo infwanggaet.
Stoffel Thysz.
In fwang gaet, ik weet niet by wat voor volk dat menze zei gelyken,
Zynder niet die er zelfs met zo onbchoorlyken woeker verrykken;
En op er luimen leggen, of er ook iemand verlegen is ofinonmagt leid,
En nypender dan zo tien of twalef ten honderd of; op een fcheepekennis, of op andere goede vaftigheid;
En dan noch anderen, die er heimclyk al meê onder-fluipen,
Die er mcedebroederen, deur bedrog van goud te keren maak en , zo weeten uit te zuipen,
Datze heel uit de veeren raaken, en teenemaal tot niet.
En komt het dan aan den dag, wel; zo is t deur een verrukking, of uit mcnfchelyke fwakheid gefchied.
En zo weetenze dan met een fchynheilig gelaet hun goudzucht te bedekken.
Tot ichandaal der ganfche Brocdcrfchap, en die , die zo een linie trekken.
Jan Jaspersz.
poch aengaende zulk bedrog en knevelery, wel dat dat Jooden doen die makender ofer werk,
Maar
-ocr page 15-ge W AAM DE DIENSTMAAGD, n
Maar luiden, die de vroomigheid zelfs fchynen te wee-zen, en den naam draagen van een rechtzinnige Kerk,
Behoorden voor al vry te zyn van er medeleden zo te knellen.
Tjerk Heinderiksz.
O Jan Jalperfen , ik zouderje wel zo veul op een rc-gifter konnen Hellen,
Dien ik om die redens wille zei overflaen, en wel weet,
Die er zelfs geduurig ineeften met er evennaaftens zweet,
En niet dan met licht geld. dat befiioeid is, t geenze dan dacr hebben, ofwceten met profyt op te haaien,
Daerze die arme luitjes , na datze die eerll wel hebben gekneveld, er arbeidsloon mee betaalen;
Doch dit is er of, t word onder de haaren vry wedr onordentelyk verteerd;
En die Jan Klaafen, die tot jonwent zo men zeidt noch dagelyks verkeerd,
En, gelyk men meend, noch volhard met je Dochter Saartjejans te vrij en,
En daer elk de mond vol van heeft datze malkande-ren ook wel mengen lijen;
Die zeg ik is almee van dat zelve ftof opgeleid.
Jan Jaspersz.
Ja wel, Tjerk Hendrikfe, wat zei ik zeggen, ons is zo nu en dan ook al Wat deur de ooi en gewacid,
Maar we hoopen zorg te draagen dat et dacr niet toe zei koomen.
D I W E R T J E.
Hy myn Dochter hebben in der eeuwigheid niet , wy houwent met de vroomen.
En zullen daar wel een fchot veur fchieten, zie dacr ik zeg t zo ik het mien.
Dat ik er liever na t Kerkhof zag draagen, ccr ik toe zouw lacten dat, dit zou gefchiên;
Zulke ondeugenden hoop, die aller goed met bedrog en knev elery hebben gewonnen,
Wat
-ocr page 16-Wat waarenze noch over weinig jaaren? ze hebben immers met niet begonnen,
En nou is men elk te ryk, in koftelykheid en pracht. Hoor Tjerk Henderikfe, al heeft men t zo breed niet,nbsp;zo houw ik noch v eel van een eerelyk gedacht.
Dat men zyn hoofd by elk een vry en veilig mag op-fteeken,
Waar dat men hem keerd of wend, men hoord er niet dan maarfchand van Ipreekcn.
Stoffel Thysz.
Daar hebje gelyk in Moer, ik kender meê zo eenigen onder, die fpinnen al vry grof,
Maar om tot de zaak wéér te komen, Diwertje Ger-brants, ziet dit iser of,
Terwylje Dochter roet Jan Klaafen zo op de naem is, of'je ook iet kont bemerkennbsp;Datze an malkanderen verbonden mogten zyn, en ditnbsp;zo zynde, ziet zo zouden wy te vergeefs werken,nbsp;Want wy zouwden niet gaeren verhinderen t geennbsp;alreede was gedaen.
Jan Jaspersz.
Angaendedie zaak, Stoffel Thyfen, daer is ons wee-tens, tot noch toe, niet aan,
t Is waer, hy is ons voor deuze wel tot twee of driemaal voorgedraagen ,
Maar telkens glad of ezeid, en tenemael ofgeflaagen.
Zo dat wy, zedert dien tyd, hem zelden zeer weinig hebben gezien,
En zo hy al eens mogt komen, zo zou t buiten onze kennis, en ter Huik moeten gefchien,
Altoos t leid zo by ons, dat et nu, noch teeniger tyd niet zei gefchieden,
Daar op hebben wy ook deur de twede en darde hand hem het huis wel fcherpelyk doen verbieden,
En houwen ook wel te deeg een oog in t zeil, waer datze gaet en llaet.
Dl-
-ocr page 17-D 1 W E R T ] E.
Ik vertrouw ook datt,e niet zei doen alsmetonskonzent J enracd.
Zo dat wy, hoop ik die fwraerigheid te boven zyn gekomen.
Tjerk Hendriks-z.
Wy willen dan verhoopen dat het zo mag zyn; tgeen wy ter liefde van de vrienden hadden angenoo-men;
Hebben wy u beide bekend gemaakt; angaendeReynier Adriaenfe , t is een Jongman die de deugdnbsp;gelykis,
Vroom en oprecht, hoewel dat hy niet wel zo ryk is, Als JanKlaalen , maar die echter, byverllervennbsp;Van zyn Peet Lysbet en Kourtoom, meêeenredelyknbsp;kapitaal haet te erven;
Geen Tuifcher of Dobbelaer, of die werk maakt van krakeelen en twiften,
Een vriend van Ipaaren, en een vyand van verquiflen; Geen gierigaart, gelyk er zyn, die er laeten regeerennbsp;vaner goed,
Maar die van zyn overfchot, hoe klein dat het is, een arm menfeh noch goed doet,
Die de Herbergen haat, niet dat hy van geen eerlyke by-eenkomften zou houwen,
Maar om die onnutte vcrquilling, en dat dobbelen en fpeulen, en gulzigheid te fchouwen,
Snyt hy die tcenemaal of, en zo hebben onze Voorouders ook gedaen,
Deur dat middel leidenze kapitaalen op, en konden ech-ter met er familie beftaen, nbsp;nbsp;nbsp;(wn,
Zo dat het een perzoon is van een netenburgerlyklee-En al had ik een dochter met honderd duizend guldens ik Zouw7,ehem, zonder omzien, geeven.
Of men al op t uitterlyke ziet datkanverleijen, daer hebben wy ontallyke exempelen van,
Een Jongman heeft kapitaals genoeg, die een kapitaal regeeren kan. 'nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Maar
-ocr page 18-Maar om nou tot ons bcfluit te komen, zo zouden-we verzoeken of je beliefde te konfenteeren,
Dat deeze Reyuier Adriaanfen, zo nu en dan, zynzel-ven zouw mogen komen prcfentecren,
Op hoop, of er iet mogt uitgewerkt worden tot hun beider zinlykheid.
Jan Jaspersz.
Daar en hebben wy gants niet teegen, en hoe de zaak by ons leid,
Wy zullen hem altoos geen party zyn, maarwenfchen dat dien dag maar was gebooren.
Doch gelykje weet, Tjerk Hendrikfcn, de meisjcns moeten meê er zin wat hebben, of alle moeitennbsp;isverlooren.
Wat onze gelegentheid angaet, wy zyn zo tamelyk gegoed, doch houwend wat deuntjes by mekaar,nbsp;En ik doeder noch zoo wat onder, gelykje weet, iknbsp;ben een gezwoore Makelaar,
En ook zo llaet myn dochter noch mooi goed van er Oom, myn broeder, te erven,
Doch t zyn wereldfche dingen, w'emeugennochalte maal veur hem komen te Itcrven,
Want Haat te maaken op Oomen zyn droomen; zeid het fpreek woord, en t is ook altyd niet mis,
¦Gelyk wy zien aan dien ouwen Piet Floriffen die an zyn meid een vuile morllèbel getrouwd is,
Daer de vrienden zulk en ftaet hadden gemaekt om zyn goed na zyn dood te deelen.
En wat is t nou ? nou zclt er wel ligt de helft of noch meer verfcheelen.
Diwert j E.
Wel dat ouwelui dien weg ook inllaen, heeft immers gants geen val,
Als t een v an beiden weexen zel, zo is t noch beter jong als oud mal, ¦
Wat haalenze anders oper hals; als dat ze iner ouwe daagen heur van Zulke jonge klikfpils laeten over-heeren,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;En
-ocr page 19-En daer komt et van daen, dat er lo veul tyn, die er van de eene knoetiir of de ander laeten regeeren.nbsp;Stoffel Thysz.
Zo is t. Nou wy mogen de uitflag van onze verrigting de vrienden gaen dienen aan,
En wachten af, of de twee gelieven onderwylen mal-kanderen in der liefde mogten v erftaen.
Jan Jafperfen en Diwertje Gerbrants , wy wenfchen j e alle v oorfpoed en heil, en laetj e t belt bezorgen,nbsp;j, JanJaspersz.
Ik wens de vriend Stofiel Thyfen, en de vriend Tjerk Hendrikfen beide goeden morgen.
ZEVENDE TÖONEEL
Jan Jaspersz, Diwertje.
JJan Jaspersz.
A wel, moer, t is nouw hoog tyd om de zaak van Jan KI aafen eens te deegen te onderftaen,
En ook om onze Saartje optalderjfcherpfte met dreigementen te ondergaen,
Offer noch iet mogt fchuilen.
Diwertje.
E Saartje Jans.
ACHTSTE TOONEEL. JanJaspersz, Diwertje,Saartje,
Saartje.
L Ier ben ik, moeder.
Jan Jaspersz.
Hoor kind, dit moet ik je veur afvrtagen, Hoe is t met Jan Klaafen? üae je hem noch te woord, nbsp;of heb je hem ofgeflaagen ?
Dl WERTjE.
Zy hem te woord ftaen! te woord ftaeu, wel ik won dat ze dat ereis docht,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Heb
-ocr page 20-Heb ik er daerom dus ver en met eeren gebrogt ?
Veur zulken ligtvink, xulken doiTJinenateur, die niet enweetals vanverteeren ?'
Wilze fomtyts by gezelfchap gaen, zo laetze altyd by eerlyke lui kinderen verkeeren,
Maar niet by zulkenhoop, daerelkeenmaarfchandof fpreekt,
Zy zet ons een mooije kroon op t hoofd.
Jan Jaspersz.
Jazulkenkroon, die vol fcharpe doornen fteekt.
Ik wilje dat wel zeggen, Saartje, zo jy zo voortgaet met jou eerlyk gellagt dus te fchennen,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(nen.
Dat ik jc van deuze uur of veur myn kind niet zei ken-
En al kwamjc te vervallen tot de uiterlle armoede en elend,
Zo zei ik geen meerder barmhertigheid met jehebben als had ik je nooit gekend.
Diwertje.
En al zag ik ze van hongervergaen, ja zo, datzeniet een woord kon uiten,
En ik bonder met een Ituk brood helpen, zo zei ik er myn trezoor veur fluiten.
Laetze met JanKlaafen dan an de windloopen, gelyk dat wel meer beurd en dagelyks gefchied.
Saartje.
Het is immers niet om te harden, hoe kan ik t uitftaen, en wat is tmen een verdriet,
Alledaageitinzulkenrufieen onruft te leeven ?
Ik zeg nog cens, vader, dat ik niet trouwen zei ofje zelt ervolkomenjekonzent toe geeven:
Maar wilje me dwingen iemant te neemen- daer myn zin-ly kheid niet toe en (trekt ?
Diwertje.
Dwingen, ei hoor, hoeaveregts, en hoe verkeerd dat-zedat trekt,
Is dat dwingen! jou het beft veur te houwen?
Daer men zo klaar jou bederf in ziet, jy zelt na onze zin, en niet naj OU zin trouwen:nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Jy
-ocr page 21-Jy iiet maar op het uicerlyke, op die aerdige zwier en wulpze dartelheid.
JanJaspersz.
Hoor, Saartje, al wat hier gefprooken word, dat word tot jouwen belten gezeidj ¦nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(men.
Jy zoud naer ons luiltren en jou lofle zinnen wat too-
t Geen ons daer van de vrinden zodaadlykis veurge-koomen.
Zouden wy wel gacrenzien, Reinier Adriaanfeniseen deugdelyk en welleevend Knecht,
En van een eerlyk geflacht, zuinig, fpaerzaem en opregt.
Die wel geld weet te winnen, cn ook wel geld weet te bewaaren.
DlWERTjE.
Enwatis JariKlafcn? den hielen dag met de iene ligtmis of de ander op ien chcesj e te traraaren ?
En alle kuiten te bezoeken, en vans zaevons tot fmor-gens vroeg,
Wakker den elleboog te roeren, in de een of de andre Kroeg ?
Dat zou mooi huishouwen, ik mient, w^aerje niet regt ien verloore Kind ?
Al is hy ryk, kak ryk, t is de befte rykdom die men zamen wind.
Je zoud daer onder een volkjekoomen, dat ik toch niet wil hoopen:
Zynt niet meelt alle Zieleverkoopers, of die zo transpoorten en maandfcelen opkoopen
Is zyn neef niet, hier dichte by, in de verguldepelle-kaan.
Die zyn eigen vrouw heeft laeten zitten, met ien ander deur egaan ?
En om er gion doekjes om te winden, gelykhetelk een wel mag weeten ]
Heeft zyn oom Jan Stornpvoet nou niet by de twie jaaren by de wittebroods Kinderen in t tuchthuisnbsp;ezeten
En Eevert Platbek, hier buiten in de halve maan,
Heeft die niet noch korteling om twie valfche verklaS-ringen tAmfterveen an de Kaek eftaen ?
En dit zyn al van zyn naefte vrienden, wel men be-hoordeze as de peft te fchouwen.
Ik zei er ook een fchot veur Ichieten, al zoüwdmen al myn keven rouwen,
Laet zien, of jy je hoofd zei t volgen en verwerpen onze goede raed.
SaAR T JE.
Maar moeder! hoe meugjejezelvenzomoeijelykmaa-ken, t is immers onnoodige praat.
Ik zeg noch , gelyk ik daadlykgezeidheb, enjemeugd het ook vry gelooven.
Dat ik niet zei doen als met j e konzent, en daer en boven
Myn tenemaal voegen zo je t zelfs zei t vinden geraên.
Jan Jaspersz.
Goed, Saartje, houd daar in je woord.
En als gydatdoed, zodoejealseen gehoorzaamedochter toebehoord.
Nou, ditovergellagen, t zei myn tyd worden.
DiWERT JE.
Maar hoor, vaSr, dit wou ik ierft wel weeten,
Of gy veur of na de beurstyd belieft te ceten ?
Jan Jaspersz.
Laet zien, uit de Moorjaane moetik weezenoptSar-dammer veer by de haarlemmer fluis.
En dan hèb ik noch eenboodfchap indeHaffclaarfteeg, in het fchippers huis.
En met een loop ik dan wel eensanbyonze Krynbuur om de kourrant te kezen,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(weezen.
'Zo dat ik ftaet maak, moêr, dat het na by de beursty d zei
Diwer tje.
Goed, vaSr, wezellentdaerdanzolaetenopftaen.
Saartje. nbsp;nbsp;nbsp;JmJafferfZ binnen»
Saartje,
Wat belief j e moeder ?
Dj,
-ocr page 23-Dl WEfeTJE.
Je zelt ZO daadly k iens om een bootfchap of twie gaen;
Eer ft na de naifter, en zeggen datze de hemden niet moet fchuinen, maar deurgaens perfektjes zoomen.nbsp;EndannaMartpdebeftecfter, en zeggen datet meis-j e taevond in er huur moet koOmcn,
Gelykze ons beloofd het, en dat we tegenwoordig zitten zonder meid,
En zo ze na de middag uitgaet, dat ze iens aankomt en zeggen me befcheit,
Ik zei het linnen vaft uitfchieten, daer ftaet mooi een baly kleeren van over de elf wecken;
En in t weeromkoomen zo zelje by Miertje vander Gyzen angaen, op de Kolk ombiertebefpreeken.nbsp;Gaet zo dryvenden heen, maar maak datje prefys opnbsp;de middag weer thuis bent.
NEGENDE TOONEEL.
S A A R T J E.
Ditvaltmenwonderlykfchoonindehand, ikbekent. t Is oiitrend twee uur geleen, dat ik met Mar-tyntjeoflpraak heb genomen,
Om ten een uur met Jan Klaafen. achter de nieuwe lui-terfe K erkby mekaar te koomen,
Om alles te overleggen, ja wel, nout er op an komt wenften ik wel dat ik t nooit begonnen had,
Wat zei teen geroep maak en, en wat wilt eenklank geeVen over de heele ftad;
Ik weet geen ftcllen met m,yn moeder, zozelzeangaen koomt zet teweeten.
Ik vrees dateter aner zinnen zei gaen, in der eeuwigheid zei ze t niet vergeeten.
t Is ook als men t zeggen zei al ien wonderlyk ftout beftaan,
En noutevenwel anders niet weezen en ken, zo moet het op die wys wel voort gaen.
Ikmagntynboodfchappen ondertuffehen gaen of doen, en leeven zo lang tufichen hoop en vreezen.
En tegen die tyd maak ik (laat dat het dan ontrent een uur zei weezen.
TWEEDE BEDRYF. EERSTE TOONEEL.nbsp;Saartje.
Hier ben ik nou daar t gezeid is, nou ftae ik noch tuflehen beijen,
Of ik myn woord wil houwen dan of ik er uit wil icheijen,
Doen ik het zo haal ik op mynhalseeneeuwigduurend verwyt,
En doen ik het niet, zo leef ik weer in een gedurige Ifryd,
Ja de liefde vrees ik zei myn ingewand noch tot aflehe toe vertceren,
En dan denk ik weer als tuit liefdegefchied, gefchied het dan ook niet met eeren ?
Alles zou noch wel gaen, maar al dat geduurig teemen is niet als op het gedacht.
TWEEDE TOONEEL.
Saartje, Jan Klaasz., Martyntje.
Jan.Klaasz
Och! Saartje, benje daer ? vergeeft het my, myn engeltje , hebje wat te lang gewacht;
Nou zucht zo niet, myn hartje, ik hoop je zei t je woord üiuïiers houwen.
S A A R T-
-ocr page 25-Saartje.
Ei! Jan Klaafen, alles Zou welgaen, mogtenwemaar eerft trouwen.
Martynt]e.
Praatje van trouwen, moer? myn lieve Saartje Jans, maakjedacrofxoveulwerk ?
Die dingen beuren wel meer en datze daer na trouwen-in de Kerk, nbsp;nbsp;nbsp;(ven.
t Is jou fchuld niet, maar je ouwersdiet weedcrltrec-
Hoorkynd, elkzeljevolftandigheid pryzen, enjeVa-der en Moeder de fchuld geeven.
Heb je niet tot noch toe eerlyk, en met alle reputatie by malkandrcn verkeerd,
En is het hylik niet tot driemaal toe verzocht ? en zyn ze niet altyd onverrigter zaaken weêromgekcerd ?¦
Zo dat er niemand is die iet onhebbelyks uit jou doen zei konnen belluiten,
Maar ter contrarie moeten oordeelen, dat deze vond uit ftandvalte liefde komt te fpruiten;
Daerom, Saartje, weesjemaar wel geruft, allésisvacr-dig het geen tot de toeftel behoord;
k Heb daer noch ien fchoone boezelaar weezen lienen van onze Margriet, by de Leidfche poort.
OmJanKlafenveurte doen; watdunkje, Saartje?hoe zei hem dat harnas pallen ?
J AN Klaasz.
Hagendeveld, dats niemendal, ik zei der ten eerften meê wakker fchrobben enplaflcn.
En voegen geduurig de beuzem en luiwagen op-zy.
Saartjf.
Jawel je lachter alle bei om, t is niet om uit te fpreeken wat iker wel om ly.
Zo als ik alle dagen gehavend word, t is ook niet langer omteverdraagen.
Temeer , jekendLysbet Franfen wel, Martyntje, op den Dyk in de goudc waagen ?
Ten
13
olikke teef)
Die het me daer veur de miditg, (wat dunkje van die
-ocr page 26-Tenhylyk doen verdoeken, veur Reinier Adriaanfen, die Kwaeker, er neef.
En myn ouwers hebben t verzoek ook angenoomen , en er woord al gegeeven.
Pat j e t iens hoorden,' t is zulken knecht! en van zul-ken geflacht, en van zulken leeven,
Pat hy gien weergi het ; maar ik docht hoe weinig weet j e wat er onder de hand word gebrouwd.
Jan Klaasz.
Och! myn lieve Saartje Jans, ik zelderje ook te liever omhebben, datjejezoltandvaftighoud, (ten,nbsp;En wat ftribbelingen die je noch zou mogen ontmoe-Denkt als jeer deur bent, datet de liefde weer dubbeldnbsp;zei verzoeten,
En licht kon t gefchiên, als alles ten beften is beftierd, Dat ik noch op t left een fyne en angenaame Swa--ger wierd,
Gelyk wy zien an de Dochter in de Blaesbalk met de knecht, de Ouwers wouwen t ook niet confen-teeren:
Ze gingen eens acht daagjes zamen van huis, nouw lae-tenze hem niet alleen t kantoor , maer ook de koopmanfchap regeeren,
En zo gaet et gemeenlyk, na een hevige ftorm volgt ordinarie wel een fchoone zonnefchyn.
Martyntje.
Hylikfchezaaken zoenen wel. Hoor, verlaetj ernaar op myn,
h Zei zich alles daer na wel fchikken, en genomen je moeder
Stietj e al buiten de deur was daer zo veul an bedreeven,
Je kend metjebeijenbuiten heurryKelyk genoeg leeven, N iet dat ik j e daer toe zoek te dry ven of te raên,
In t minltcn niet, l-.en t in min en vriendfchap ge-fchien , het waer beft , t zouderje ook niet te ftimmer om gaen,
Jk yvèet zeer wel wat het is, zynouwers huiscngunft te verliezen,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Maar
-ocr page 27-Maar als t anders niet wee2en en ken, moet men dan niet van twee k waên het befte kiezen ?
Nouw, dit flegs overgeflacgen eneens een overleg gemaakt,
Opwatwys, en hoe je taevond op tfatszoenelykft by malkanderen raakt,
En ook om je Moeder gien agterdogt of tekenen tc geeven van misnoegen.
Saart JE.
Hoor, zo als je t met je beijen overlegt, ik zelder me na voegen,
Want dus langer te leeven, Martyntje, zouwme niet dienen, ik ben het huis ook zomoe, zomoe.
Dat ik het fchier verloopcn zouw.
Martyntje.
Je hebt er ook grooterede toe.
Hoor, Saartje, Jan Klaafen zei ik nouw zo aanftonts gaen verkleeden,
In dat gewaad, als doen ik hem an je moeder veur meidbefteeden.
Het kapje wel gezet, met ien gryn manteltje en icn rafle fchort an, en ien kulfentjeenfchaertjeopzy.
Met ien doos onder den arm, en dan noch zo wat an* dre prulletjes erby.
En noch tot meerder fatzoen, zo zei ik hem zelfs tot anjedeurleijen.
En leeveren hem zo je moeder over, en daer meê zei
IS5 ik er affcheijen. nbsp;nbsp;nbsp;(ten end.
En laeten joudan de reftbevoolen, endaermeêisalle«
tZel jou geen kleine geruftheid weezen, Saartje Jans, alsjeer deur bent.
Maar wanneer zellcwekoomen ?
Saartje.
Wanneer? laet zien, komt zo een weinigjena achten.
Dan zitten de ouwe lui over tafel, en ik zelje in onze ftoep an lt;Je deur verwachten.
Ja wel! het hart krimpter me van in tlyf, Martyntje 20 vrees ik er veur.
Martyntje.
Hoe is t, komt het mal weer boven? ftel jy je maer geruft het moeter nou mee deur.
S AART JE.
Nou als t gezeid is, ik gae myn boodfchappen of doen. Jan Klaasz.
Noch 20 niet, Saartje Jans, eerft een half dozy n lekkre kusjes.
Wat20, mynhartjc, datfmaakt.
Martyntje.
Noutgaetjewel, moer, totflusjes. DERDE TOONEEL.nbsp;Martyntje, Jan Klaasz.nbsp;Martyntje.
Maer hoe, JanKIaafen, terwyl alles deur myn beleid nu 20 is befteld,
Zo hoop ik immers dat je me daer veur ook rykelyk beloonen zelt.
En niet met een wisjewasjepaijen, en laete me zo loo-Jan Klaasz. nbsp;nbsp;nbsp;(pen.
Hoor, Martyntje, dat is de mening niet, vyftigduka-tons heb ik je toegeleid, daer meugje w.at moois om koopen,
Maar dit zou ik wel op je verzoeken, als je t mee zo vond geraên,
Dat je myn vrienden de penning gunde in plaats van op een ander te gacn;
Hoe wel dat zc van elk veracht worden en weinig zyn die er pryzen.
Martyntje.
Maar W'acr moeft ik dan weezen ?
J A N K L A A S Z. '
Op de N ieuw'endy k, of in de Warmoeftraet,
vraag*-
O
-ocr page 29-vraagt maar na Jan Klaafens volk, het minlte kind xeltje wyïen,
Daar ïelje grofgryne en fargjc de dames vinden , en al andre ftolien naar advenand ,
Maar ik wilje'raede wel toe te zien , want ze hebben zomtyts (tukken die in de verf of in de pars zynnbsp;verbrand,
Neemd het ook zo ligt niet op er woord, want ze V allen zo wat ruim vangeweeten;
En als je t al gekocht heb, zo paft wel oper handen, ziet, ze zyn zo heel pluis niet in t meeten.
Zo dat ik je dit zeggen wil, koopje wat, paft datje veurje ziet.
Martyntje.
En zyn datje vrienden ! en die rccommandecrje my ? neen ik houw van dat Jan Klaafens volk dan ooknbsp;niet.
Jan Klaasz.
Hoor, Martyntje, wil ik je dat eens met een woord uitleggen:
Ik wilze altemaal wel recommanderen, maar ik wil der ook er gebreeken by zeggen.
Martyntje.
Neen, dan gaen ik liever daer ik ordinarie ben gewent ?
Op de Vygendam, ofbydeHal, of daer ontrent.
Dat zyn eerlyke lui, die in de koopmanfehap zyn bedreeven,
Die men op er woord gelooven mag, en elk het zyn durven geeven;
Engavoordeez tydal die andere foortverby.
Jan Klaasz- nbsp;nbsp;nbsp;(my.
Daer hebje dan jou zin in te doen, watfcheeld het ook
Laetewemaer gaen, Martyntje, t geen ik je.beloofd heb zei je ook eerlyk genieten.
Martyntje.
Als je maer wilt Jan Klaafen, en eer gy verkleed bent zei de tvd haeft an fchieten.
Diwert JE.
Ziet, ïoplaagdmen datmeisjealtyd, daer iflê veur Inbsp;nbsp;nbsp;nbsp;de middag uit egaen en is noch niet thuis:
En dat is alle daagen weer an, ja wel het is me zul-ken kruis.
En ïolken verdriet, dat t me niet meiiglyk en is langer te verdraagen;
En men man komt ook noch niet, de klok is daer al langt wie eöaegen:
Maar zacht, ae ik wel te recht, zo komt hy daergin-do-aan;
Benje daar, Vairi de tafel het wel ruim ien uur gedekt eüaen.
Diwertj e, Jan Jaspersz.
Jan Jaspersz.
IK kom zo van t Hamburger Kantoor, moer, de biriet enzyn gekoomen, die heb ik daer hoorennbsp;leezcn,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(reezen.
En op dat Ichryvenisderogwel tien goud guldens ge-En nou is o: ook zekerheid gekoomen van daer men zo laiig necft veur gevreeft.
Diwertje.
Hoe dat, Vaar.
Jan Jaspersz.
DeFranfche Kaapers, zyn onder de Oofterfche V loot weer wakker doende geweeft;
Daer zynder zo eenige van geknapt: ja wel, t zyn wel te recht bedroefde ty en:
Ik vrees, ik vrees, dit zelderal weer een party de ruchzoinryen.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Dat
-ocr page 31-Dat men ervanhooreniel, een Koopman iser het beft ook niet an; die zyn welvaerd by der Zee avoa-tuuren moet,
Den eene tyd is hyer hiel boven op , en dan leid hy weer eens hiel onder de voet:
Daerom pleeger myn Vader zaliger in t nunfte niet van te houwen,
Van zyn kapitaal zo los an de Fortuin van de zee te vertrouwen;
Hoor, zeidehy, kindren, laet ikje een ftuivertje na, volgd hier in myn raed,
V an gien geld te avontuuren dan daer de plo^ gaet;
Brengt het zo veul niet op, je zelt et weer door geen itorm ofonweer verliezen,
Daerom wilje geruft weezen, zoo wilt altoos het zee-kerfte verkiezen.
En die les heb ik noch onthouwen , daerom volg ik ook die zelfde trant,
Myn middelen beftaen mieft in vafte goederen , en in rentebrieven op^ het land
Altoos wy bezitten zo veel, dat weer mooi en geruft kennen van leeven,
En de maakelaardy , die kan dageliks ook noch wat geeven;
We hebben maar een eenig kind, Zo dat onzelafinia groot is,
En dan kennewe zomtyts noch wel een goed vriend helpen die in nood is,
Nou, we meugen na binnen gaen, langer na Saarqe te wachten zal tog vergeefs weezen.
Diwertje.
Ik mien laet ze t huis koomen, dat ik er zulkcn ca-pitteltje zei leezen, ,
Dat heter heugen zei, dat ftout ftukkevleis,
t Is imniers niet langer te harden, en dit klaardze me zo reis op reis.
ZESDE TOONEEL.
Marritje Jacobs, Saartje, Grietje Pieters.
Marritje,
Dafwouookweezen, Saartje, dat we mekaSr daer zo ontmoeten, maar «lieii je cropdie wysnbsp;mcê voort te vaarcn ?
Saart je.
Och ja, gebuurtjes, ik kon niet laeten of ik moefl; et je openbaaren.
Grietje.
Myn lieve fchaep, t is evenwel als men t zeggen zei, al een overltout bedaen.
Saartje.
Zo doet het. Grietje Pieters, maar wat is t als t anders niet weezen en ken, is t niet beter zo, als met malkander deur egaen?
Hy is een eerlyk Jongman, op zyn perzpon valt in t minfl; niet te zeggen.
Marritje.
Maar hoor, Saartje Jans, datje t noch wat an zag, of men de zaak door tufl'chenipreeken, kon by leggen.nbsp;Saartje.
Onmooglyk, Marritje Jacobs, al wat er in de weereld k an werden bedocht,
Is in t werk geleid, en t hylik wel tot drieofvier reizen toe verzocht,
Maar al vergeefs, van dezen dag is er noch een kink in de kabel gekomen;
Je kend Reinier Adriacnfe die Kwaeker wel, daer ben ik veur ten huwlyk verzocht, en men ouwers hebben tverzoek ook angenoomen,
Nou willenze me met drommels kracht dwingen, hoe dvv ai s dat ik 'er men ook tegen liel,
Dat
-ocr page 33-Dat ik Jan Klaafen de fchop tamp;l geeven, en met dele Kwacker trouwen zei,
En dat iel in der eeuwigheid niet gefchiên, al zout men al niyn leeven berouwen.
Grietje.
Je hebt er al wat gelyk in, Saartje, maar wie is hier de meefter van ? heeft Martyn de Befteefter ditnbsp;dus gebrouwen ?
S A A R T JE.
Zy, ik en Jan Klaafen hebben dit dus met ons drie» overleid.
Mar RIT JE.
Hoe hebjetkonnen bedenken}
Grietje.
Nietwaar, Marritjc Jacobs? t is ook, as ment zeggen zei maar een rechte fteiloorigheid
Vaner Ouwers.
Saartje
Ja, jezoudeerdermetjehoofddeur een muur breek en
Dan datje ze verzetten zoud, wie er van rept, niet een woord wille ze er van tpreeken,
En wie Jan Klaafen maer intminlle beftaet, wordge-duurig by eruitgefcholden en veracht.
Mar ritje.
Maar, als hy een cerlyk Jongman is, wat raakt hem zyn afkomll, ofgeflacht ?
Valter anders niet te zeggen, zo doenzeje groot onge-lyk datzetje zoeken te beletten.
Ga jy der maer zo op an, Saartje, en komteter toe, beroepje Hechts op ons, wy zellenze wel zien ternbsp;neer te zetten.
En ook alle bei met fatzoen, en goede redenen onder* gaen.
Saartje.
Och ?wouje dat doen,. Gebuurtjes,wantik ben verzee-kert dat er gien kleine Itorra zei opltaen.
Ik
-ocr page 34-Ik ben myn zelven fchier niet, ja t verdriet me langer toteleeven.
Maar zacht, daar zien ik myn moeder aan de deur, ik wil myn wellekomft wel om een oortj e geeven,
Zo zei ze me deur haaien, ik vrees er veur als ze me maar ziet.
GRÏEtjE.
Jamoêr, je moet denken al baerdze wat luid, ze vaard daerom veur morgen niet.
ZEVENDE TOONEEL.
Marritje Jacobs, Grietje Pieters, Saartje, Diwertje.
Dl we R t JE.
Wellekom, Saartje Jans, wat zo ? myn kynd, kenjc het huis noch iens vinden ?
Schaamje wat lou laryüer, hoe durfje je zulke ftoutig-heid onderwinden,
Van zouitteblyven.^ jou regte praatje by ,jouloshoofd, jou onbedocht,
Daer hcbjc die koftelyken achtermiddag zo onnuttelyk weer deur ebrogt,
En hier Itaet men totdeoorentoeint werk, het linnen over de vloer, en de bedden noch te maaken,
Jy draagt langer gien zorg altoos, t is jou genoeg, as jemaar t gat weet uit te raaken,
t Is niet langer om te harden, zo asje me alle daagen bejegend en verlteurd.
Saartje.
Maar, moeder, is dat nou zulken zaak, en is daer zo veiü an verbeurd
Macrrje van der Gyfen het me daer wat an de praat gehouwen , en daer heb ik wat gezeeten,
En ze had juift de warme kcete] over, wat ikdeê, ze wou me niet laetengaen, of ik moelter blyven ceten.
Dl-
-ocr page 35-Diwertje.
Jy toud op je tyd thuis komen, zo haeft as jy jeboodgt; fchappen had gedaen,
Je wift wel dat et hier zo ongeredderd 1^, en dat de ben met kleeren was bly ven overöaen;
Maerneen, menweetmynaltydmetdeemeofdeandre blaeuwe boodfchap te doeken;
Ik denk dat je deur de icneofdeanda: laUbekakJanKla^ fen hebt doen opzoeken,
En daer heeft men zyn tyd verkwil^ldcnvcnnalt, en zo wat by de rug opgehaaid;
Maerfpeuhnedie part noch era's, ik belooQe datctje dan gelyk zei worden betaald;
Ik zei jou die zwier wel haefl; deuiien andere middel doen intoomen.
Wat befcheid brengje van Maityn?
S A \ R T 3 E
Dat*et raeisj e taevondiner hanrzd koomen.
Diwertje.
Ga me voort na binnen toe. Ja wd ik weetnietwatik van dat meisje zeggen zei!
ACHTSTE TOONEEL.
Grietje Pieters, Diwertje, Mareitje.
HDiwertje-
et ftaet er me zo wondarlyk van venr.
lit f F.
Hebjeernietnavenionien, Diwatjefaanr? Diwertje.
Neenik, GiieqePieters. Grietje
Watzeiik zeggen, datluktal hiel zelden wd.nbsp;Diwertje.
Ik heb het wel meer gedaen Grietje Pieters, dat iker zo hiel kwaelyk niet ben by gevaren.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Doch
-ocr page 36-Doch t zou men ook wel kennen miflèn.
^Ma r ritje.
Zoist, moer, deervarentheidzeit hem beft openbaren.
Hoe is t,Diwertje,zel thaeft ereis lukken metje dochter en Jan Klaafen ?
Dl WE R T JE.
Ei, Marritje Jacobs en prater doch niet van.
k Heb liever dat je er van zwygt, daer is ook op het duizenlte deel in t minlte niet an.
Grietje.
Nochtans het er elk de mond zo vol vandatzezamen in het kort zeilen trouwen.
Dl web T JE.
Ja, de lui moeten wat praten, Grietje Pieters, maar wy zellcnder wel wacht veur houwen,
Zouwe wy an zulken hoop komen? an zulkenrapja-
¦ nus volk ? daer is er niet een onder of hy heeft ien dat,
Den een is Bankrot gefpeuld , en de ander zit noch in Gyzeling, en de darde is om zyn guitery gebannennbsp;uit de Stadt,
En daer zou myn dochter an koomen ? wel ik zag er daadlyk liever van de wecreldfcheijen.
Marritje.
Alyn lieve moer, hoe licht kon t gebeuren datje t je noch wel mogtbefchreijen,
j e weet niet as dc zinnen gevallen bennen, watze er wel durven onderwinden en beftacn.
Gclykjeweet, daeris Elsje Cabbeljauws, wat koft het er wel meenigen traan;
Heur dochter was ook verloofd aan een knecht: ze fwoer ze zout in der eeuwigheid niet confenteeren,
Maar wat is er opgevolgd ? wieid ze niet puurlteeken mal ? dat menze noch als een klein kind moet re-geeren ?
En daer hebbenwe honderd exemplen van j gelyk noch onlangs is gefchied.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;En
-ocr page 37-En wat haelenïeer anders meê op den hals, alser eigen verdriet,
En ^o ïienwe dat veul onheil uit tulke ftyfzinnighe-den komen te fpruiten.
Diwertje.
Daer kreunewe ons niet an, word ze er dol om, zo wou ik er noch liever opfluiten,
Dan dat ik zou zien, datze an Jan Klaafen trouwen zou.
Grietje.
Maar, Diwertje! fpreekje die woorden ? jawel! jebent wel een onverzettelyke vrouw.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(Iceven ?
Kenje dat by je zelfs zoinfchikken? endannoch geruft
Als de Jongman eerlyk is, en of zyn geflacht niet en deugd, is daer zo veul an bedreeven ?
Zou men nou naer geflacht zien ? naer geflacht zien ? wis niet kind, die hekken zyn al lang herfteld;
Doet de ronde vry overal, t woord datje meka§r in t oor by t, is geld;
Geld, gel d is de leus, t geld gaet voor alle zaaken,
Daer dat is, gaet men voort, daer de andre zittenen kyken en kennen niet an de man raaken.
Praatje nou van geflacht ? ik ftae dat metje toe, kan men t allebei naer zyn zin bekoomen,
Ik zouder meê thuis weezen, ma.ar als t anders niet en kan, behoorde men van gien zwaerigheidtedroo-men.
Jan Klaafen het een fchoon kapitaal, Diwertje: en, zo elk eenzeid, zodraagdhyhemookwel.
Myn lieve moer, mienje dat men t hier altyd zo volmaakt hebben zei?
Je moetje wat laeten gezeggen, t is nictteweetenwat ongemak dat j e er van zou kenne krygen.
Diwertje.
Grietje Pieters, ik bidje toch op alle vriendfehap wilt er maar van z wygen
t Leid zo by ons, dat et in der eeuwigheid met onze zin niet zei gefchiên.
G nbsp;nbsp;nbsp;Mar-
-ocr page 38-Marrit JE.
Dan moetje verwachten wat er van komen zcl, lich zelje noch wel wenfchen om die dag te mogen zien,nbsp;Diwert JE.
Dat moet zyn beloop dan hebben. Nou hier ien fpeltjc by efteeken, we zellent daer by laeten.
Goeden aevond gebuurtjes, ik ziewelwezellenthier toch niet effen praaten.
NEGENDE TOONEEL. Marritjk Jacobs, Grietje Pieters.
Marrit JE.
Wat dunkje, Grietje Pieters, is t niet een rechte ftyfkoppigheid ?
Grietje.
Ik zeg dat de jonge lui wel hebben gedaen, en dat Zeer zaak op die wys hebben aangeleid,
En ik mien als den bommel nou uitbreekt, dat men Di-wertj e vry gemakkelyker zei kennen beleezen. Marritje.
Dat vertrouw ik ook, Grietje Pieters, ik zei de jonge lui altoos gien party weezen.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(al moe.
Nou ik mag nae binnen gaen, t is guurtjes, ik ben et hier Maar zacht, daer ginter komt Keinier Adriaanfe, dienbsp;Kwaekeran.
Grietje.
Dat gaet gewis nae Saartje toe.
Reinier Adriaansz.
JA wel! kan dat de liefde doen, ikzegtzynwonder-lyke dingen!
Hoe krachtig dat iker in den geeft tegen flry, nochtans het vleis fchynt me te dwingen.
¦ En wil ik het van me wegwerpen, alseenwaereldsen tydelyk bedryf,
Zo komt het vleis, en verwekt zulken orkaan, enbar-ning in men lyf,
Dat ik, als een vuur of een oven fchyn te blaak en.
En nou ik er in ben j wat raed om er uit te raakcn ?
Zie ik moet bekennen, dater iets inwendig by men is, dat me wederhoud,
En daerom denk ik dan weer by mezclventis immers gien zonde dat men trouwd.
Hoewel dat de reinigheid veul volmaaktheid word toe-- gefchreeven:
Maar ik denk datze my en dereftflagten, datdemee-Iten die in fchyn, en de minlle in der daad be-leeven. nbsp;nbsp;nbsp;(verrukt j
Zie, ik Ipreek nu in myn fwakheid, als deur den vleefche
En nou ik die prikkeling, en t geen my noch meerder druktnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(men,
Niet wederflaen kan, zo is het zo ver met megekoo-
Dat de geert teenemaal verzwakt is, ent vleis de overhand heeftgenoomen,
Zo dat ik het by mezelven nu zo heb overleid.
Om er over heen te flappen , en voegen my an de kant van de vleizelykheid:
Te meer, daer is myn peet Lysbet die me alle dagen an t oor leid te tcemen;
Hoor, Reinier /\driaenfe,zeidze,hyllikkemoetjevaSr, of al myn koltcly ke goedj e zei vervreemen:
Zo jy gien erfgenaam krygt, vervalt het hiel an een an-drekant;
Gelyk an de Kindren vanWalligje Symes, en Lob-gt; berig Krimps in Waterland;
Achter Zufterlings keijeren, die er vaft op leeg gaen enluijeren,
Daerom volgt men raedt, en gact nou zo zachjes iens heen kuij eren,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(keur;
OQ e naer Marten Jacobs dochter wilt gaen, op de Braak in de gouwe Steur,
Of naer t Weeuwtje in derykebuurt, in de drie groene Fuiken,
Of naer Jan afperfes dochter, int Kattegat, indexes fliene kruiken,
Dat is ien eerlyk man, en wel dè minfte in pracht,
En dat wintuitvaêr, watj e doet xiet toch nae ien eerlyk gellacht;
De lellen heb ik je toegeleid, alsjedacrkendanraaken,
En ik heb t deuzen dag de vrinden ook al bekend doen maaken;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(van,
Daer zou ik nou iens heen gaen, inaer evenwel dit iser
t Meisj e is vry wat wulps en gaeren ati de man,
En daer by jonk, endatjonkiswügemeenlykwel wat mallen.
Nou, terwylmen de geeft zo krachtig er niet van en getuigd, wie weet hoe t noch uit zei vallen.
Laet zien, me dunkt dat ik hier al op de hoogte ben.
Dit zei het huis weezen, en naer dat ik het noch van outs ken,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(open.
Ik zie daer licht veur de glazen, endaergaetdedeurjuift
ELFDE TOONEEL. Reinier Ads-iaansz., Saartje.
Reinier Aüriaansz.
Wel, Saartje Jans, t fcheelde niet veul of ik had fchier verby geloopen.
t Isjuiftofhet weezen wil, datje de deur zelf open doet. Saartje.
Wat was jou zeggen , vriend? ik loof niet datje hier weezen moet,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(dcre wegen.
Ik kenje niet, daerom wandel maar voort, en zoekt an-Reinier Adriaansz.
Kend gy me niet, Saartje Jans? wel bezie my ien rys te dcegen.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Sa art-
-ocr page 41-Saartje.
Benjyt Lambert oom? óneen? ik heb abuis.
Re IN IER x\lgt;RlAANSZ.
Ik ben Reinier Adriaenfen. neef van Lysbet Franfcn an de Haerlemmer liuis.
Hoe is t, noch tamely kj es ?
Saartje.
Dat gaet ïo wat heen.
Reinier Adriaansz.
Zo, 20. V ader en Moeder zynze noch wat hartelykjes met er beijen ?nbsp;Saartje.
Ja 20 wat an de knorrige kant, tuffchenlachchenen fchreijen.
Reinier Adriaansz.
Zo, 20. Vader het al een harde floot chad, is hy nou weer wat mooi op 2yn ftel ?
Saartje.
Redelykjes.
Reinier Adriaansz.
Zo, 20. Moeder pleegvrywatdoofagtigte weezen,hoe is t hoordze nu weer redelyk wel ?nbsp;Saartje.
Datkenwelgaen,
Reinier Adriaansz.
Zo, 20. Wat het van dez en dag geflormt! en wat heeft de wind flerk en fel geblaezen!nbsp;Hoeist', hebjetotjou'went ook wat fchade gdeên?nbsp;20 an fchoorflienen, pannen of an glaazen ?nbsp;Saartje-
Zonderling niet.
Reinier Adriaansz.
Zo,20. Ikloofdatmencrvanhoorcnzer, den armen zeeman die beklaag ik, daer komtnbsp;het nou miefl op aen.
Hoe ist buiten in je tuin ? flaetetaltemaelmooi in zyn bloefem ^
C'3 nbsp;nbsp;nbsp;Saart-
-ocr page 42-S A A R T TE.
Dat ken lo hiel wel gaen, Reinier Adriaansz,
2o,2,o,maer SaartjeJans,oinvan mynvoorgaenderedenen nu af te breeken,
Zo iou ik wel verzoeken. of ik hier in vryigheid wel ien woordj e zou mogen metj e fpreeken ?
Saartje.
Als t niet te lang en duurd.
Reinier Adriaansz.
Zo, zo, de reedenenvan myn ankomft , ver-' trouw ikisjeeenigzintsbekend;
Enterwyljouzelfsftandigbeeldinmynhart zo diep (tact geprent,
Heeft my de geeft geperft om herwaarts tekoomen.
Ook zelje wel indachtig weezen, wat offprack de vrinden zamen hebben genoomen.
Als ook t befluit t geenze weederzyds dezen daghetn ben gemaakt.
Saartje.
Ik heb zo wel wat gehoord; maar ik kan niet voelen dat et my raakt.
Reinier Adriaansz.'
Zo, zo, niettemin hoop ik datjet van krachten waer-dezelt houwen.
En om alle ydele woorden, die men int vrijen gewoon is, tefchouwen,
Gelyk afteandre ontugtigheid, die men dan gemeenlyk weldocd.
Geheel en al vei by te gaen, want ziet Saartje Jans, dal; ftryd tenemaal tegens myn gemoed,
Zo kom ik j e verzoeken, en dat in deugd en, in eeren,
Én terwyl myn Geeft getuigd omjouvleistebcgeeren,
Zo kom ik u men zelfs eerbiediglik bieden an,
Op dat gy mogt worden myn echte vrouw, en ik jou wettdykeman,
Om alzo te zamen dit aardfche deel vruchtbaerlyk te be-leeven. nbsp;nbsp;nbsp;S a a r t-
-ocr page 43-Saartje.
ja wel, alxo de geeft by my ïo vaerdig niet en is , en ken ik je daer gien antwoord op geeven;
Maer to veul als me die tot noch toe getuigd, ist maar ver looren arbeid.
Reinier Adriaansz.
Zo, zo, ik bekent Saartje, degeeftmoet innerlyk werken , of daer word geen rechte grond geleid.
Ecnigheid in liefde, eenigheid des geefts, is de ruft-bank van een vrecdxacm leevcn.
Saartje.
Maer hoor, vriend, terwyljezokrachtigdeurdengeeft werd gedreeven,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(ty d gt;
Zo wou'ik je eer ft dit raên, en verz.uimen veur algicn
Dat is, datje zo wat dubbelden annys met lavas gebruikte , en maaktj e die winden eerft altemaal k wy t,
Ze mogte je anders de eene ofde andere tydt hart over-ftelpen,
En kwamenze intgedarmte, je liep groot perykel,wairt de micfters zeggen die lui zyn niet te helpen;
En als gy dan getrouwd waard, wat zatje vrouw dan wel in verdriet,
Ja ze treurdener wel dood, wie weet ofze eindelyk niet meê deur mistrooftigheid op een doolweg mogtnbsp;geraak en.
Reinier Adriaansz.
Maer, Saartje Jans, mienjet ook? ja weljezoudme noch wel fchier ant lachchen maak en.
Hoewel dat ik het veur ydelheid houw, als ook alje ver-geefschereên;
Maer ik denk weer, als men intvrijenis'zogaetcter noch al meê heen.
Maar om dan weer totmyn verzoek te komen, en geen. ydele reeden meer te fpillen,
Veel min malkaudren op te houwen met eenige zotte grillen,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(ftaea.
Zo belieft me je meening eens ongeveinft te doen ver-C 4 nbsp;nbsp;nbsp;Of
-ocr page 44-Of je men verzoek verwerpt, dan of je jou daer noch opwatzelt beraên.
Saartje,
Benje daer zo haeffig meê myn vriend, dat ik dat zo daadlik zou zeggen,
Ik dien t buiten den geeft, by me zelfs ook wel kns te overleggen ?
Reinier Adriaansz.
Zo,zo. Ik mag die veurzigtigheid wel leijen , Saartje Jans, in plaets van zo blind toe te loopen by de gis;
Want ziet, men weet fbmtyds niet of men van een goer de, of van een k waede geeft bezeeten is.
De gaaven des geefts vallen zonderling, den eene tyd werken ze veel krachtiger dan de ander;
En dan makenze den menfeh eens dol, en dan weer hiel fchrander.
Zo dat myns gevoelens daer deur al ons doenenlaeten werd beftierd.
Saartje,
Angaende jou verzoek, t geen je me hebt voorge-fteld, zeer net en welgemanierd,
En myn belluit daer op wilt hebben, zo laet ik je dit dan weeten,
Datje van nu voortaen het wedrora komen wel mengt vergeeten,
Dit getuigd myn geeft zo tegenwoordig.
Reinier Aoriaansz.
Zo, zo. Zeerwel Saartje Jans, jeheb niet kwaelik gezeid,
We meugen t dan wat uitftellen, of je noch kwam tc veranderen van zinlykheid,
Daer toe wens ik dat de liefde jou van dag tot dag toe inwil verfterken.
Ik zei hier op myn affeheid dan neemen, en wachten t of, vv'at de geeft noch eindelik mogtkomen uit tcnbsp;werken,
GEWAANDE DIENSTMAAGD. 41 TWAALFDE TOONEEL.nbsp;Saartje.
Keyeren, datseen poftuur, daergaethy heen, die rechte Jan gat;
Ey ziet hem eens fchrybienen, of hy zen broek van binnen bepih had,
Zyn geelt getuigd wat, en rnyn geeft getuigd dat hy niet zei bedyen.
Wel, eer ik me aen een Kwaek er liet koppellen, ik liet .
me liever van de nagtmerry bery en.
t Zou myn Ouwers ook niet verlchcelen, hy kwam dan ook wie der maar kwam,
Ai was t eenBeedelaer vandeftraet, tzouheuralwel weezen, als ik maar Jan Klaafen niet en nam.
Maer dat leyt er al toe, ze zeilen zo weinig niet ver^ ftomd ftaen eer de klok tweemaal twaelf heeftnbsp;geflagen,_
Laet zien, t is al lang over achten, ze zeilen al haeft moeten op daagen.
Zie daer, had ik er eer van gefprooken; zien ik wel, zo komenze daer ginder au, deur de ftraet,
Ik bender zo van ontftcld, daer is niet een lit anraenlyf datftilftaet,
Ochjalzezynt!
DERTIENDE TOONEEL.
Saartje, Jan Klaasz., Martyntje.
WMartïntje-
at dunkje nou van Jan Klaafen, Saartje Jans ? Saartje.
Wat zou me dunken, t zyn wonderlyke dingen,
t Hart klopt er me van in t lyf, t is eveliens of het men uit de keel wil fpringen,
C y nbsp;nbsp;nbsp;Hy
-ocr page 46-Hy boezelaert al hiel, t paft hem alles ondieft, netjes en glat,
t Staet hem eveliens of hy t al 7,yn leeven gedraagcri had.
Jan Klaasz.
Myn lieve Saartje Jans, nou ziet men wat de liefden al uit kan werken.
Martvntje.
Hoor, Saartje, om gienachterdogt te geeven ,of omniet te merken,
Zo moetje mee liiftig poot an fpeulen, en zien macr datj e alle dingen haeft an ien kant maakt,
Om, alshetgcdaenis, dat je maar van de vloer raakt,
En ofje Moeder Jan Klaafen iet wou zeggen ofbelaften,
Zo moet hy t niet befchreumt doen, maer ftout nef-fensjouantaften;
tZoufehoon in de hand vallen gingen de ouwe lui wat vroeg te bed,
Je moet veur al ook niet beteutert weezen, zingt er liev er een deuntj e onder dat het ien aerd het,
In zulken gelegentheid moet me veur al niet leggen fuffenofdroomen.
Saartje.
Had je hier een weinigjeeer geweeft, Reinier Adrigt; aanfen die kwaeker, heeft daer zo dadelyk zyn af-fcheid genomen.
Zo als ik jou zag an komen, zo ging hy heen.
Ja wel, hadje zyn temeryeens gehoord, t was anders niet als zo, zo, en men ja is menja, en mennbsp;neen is men neen,
En al zyn woorden waaren als met eenfatyne biesje deurweeven.
Martyntje.
Hoe kon je t zo lang harden, Saertje, ik had hem in t begin al zyn pafpoort egeeven.
Saartje.
i-ik had er men vermaek in, dan getuigde zyn geeft dit, en dan getuigde zyn geeft weer dat.
Mar-
-ocr page 47-M A R T T N T J h.
Hoor, dit an een xy gefield, ik hebje daer daedlyk geteid, hoe en wat
Jou voort te doen iel flaen, en als je zo doed, zo benje buiten alle fchroomen.
Sa ART JE.
Goed,Martyntje, ikgaenabinnetoe,ikzel mynMoe-der laeten veur komen.
VEERTIENDE TOONEED.
ARTYNTJE, J A N KlAASZ., DiWERTJE.
GDiwertje.
oeden aevond Martyntje, komje daer met et meisje aan.
Martyntje.
Ja Diwertje, t is vry donkeren wat veer, ik docht, ik mag zelver mee gaen.
Diwertje.
Daer doeje wel an moer, wellekom Vryfler,dat je w^at lang meugt bekly ven.
Martyntje.
Daer twyfcl ik niet iens an, kind, ze kan koftelyk floppen naij en en fly ven
Diwertje.
Watje toch zegt, wel moer , dat komt tot onzent al hiel wel te pas.
Martyntje.
Enalerwerk doedze zo knaphandig en zoras,
Jaze vliegt,gebiejeer wat, zo gewilligiflê operbiencn. Diwertje.
Hoor, Martyntje, valt et wel uit, wc kenne mekaaï op ien aêr tyd weer bedienen.
Hochictje, Vryller?
Jan Klaasz.
Jannetje Martens.
D ir.
-ocr page 48-Diwertje.
Goed, maer hoor, Martyntje,ik heb het by my zelven20overleid, verftaejewel, (zei.nbsp;Als dat dit meisje alle nachten by men Dochter flaepennbsp;En dat om die reedenen, gelyk ikj e zei verklaaren,
Daer is ien Jongman die Jan Klaafenheet, die hier geduurig om de deur gaet v/aeren,
Ja we hcbbender zulken onruft van, en hy verzuimd eromgientyd,
En naer dat we t bereekenen kennen zo het hy onze Saartje overdetwie jaarengevryd,
En we doen al wat we kennen om t te fluiten en te wceren;
t Zou noch wel gaen, maar hy is van een ondeugend ge-flagt, endaerom kcnnewenietrefolveeren.
Tot drymael toe het hyt hylik doen verzoeken, ja daer word gien moeiten om gelpaert,
Daerom, Jannetje Martens, zie wel toe dat je men Dochters reinigheid wel bewaerd.
Jan Klaasz.
Laet dat maer op me ftaen, Vrou, ik zei dat hiel wel befteeken.
Diwertje.'
Ziet, Martyntje, we hebben om die reeden de luifel van ons huis laeten of breeken,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(gaft ,
Uit vrees of hy ze beklimmen mogt, t is zulken argen Hy zou tegen ien muur opvliegen, en wat hygryptnbsp;dat houd hyvaft?
Daerom,'Kynd, zelje gedurig ien oog in t zeil moe* ten houwen.
Martyntje.
Zouze niet, hoor moer, wat je er gebied dat meugje ' er zonder omzien vertrouwen.
Nou Jannetje, doed dan alles gelyk een eerlike meid toebehoord,
En dienje volk trouw, tis moeijelyk als men de meisjeswel befleld dat men dan klagten hoord,
Volmaakt kan men t hier niet hebben , tuffchenbei-de word meeft gepreexen,
Enimant die diend, denkt dat hy altyd deminftemoet weezen,
Onthouwje maer deiizeles.
Diwert JE.
Daer fpreekj e recht an, Martyntj e buur. Martyntje.
Nou, Diwertje, veulgeluksmetjemeid, enjy, Jannetje Martens met j e huur.
Diwertje.
Kom, naerbinnen, enbrengjedoosopthangkamertje tuffchen de twie glaaze kaffen,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(lèn.
En zet voort wat water op het vuur om de vaaten te waCgt;
VYFTIENDE TOONEEL. Martyntje.
Dat is ientrek, ofmen wel aardigerbefchryven zou; Ze miend dat ze ien duifje herbergt], en ze fluitnbsp;juifl ien doffer in er kouw:
Dat wil hem fchoon op doen, bygut hoe wil t er op t land waijen,
Men mag ook zeggen wat men wil, maar dat s ierft recht iemand een rad voor de oogen draijen,
Hy moet er alle nachten by flaepen! wel niet fchoonder dat hy zoekt,
Hoe kan men als ment zeggen zei, geblindhokt worden en gedoekt.
En wat zou ik een regifter van diergelyke loopjes kunnen op tellen,
Daer heb ik weêr een krytertje totmynentekregeaóm in Waterland te beflellen!
Dat Waterland, dat Waterland! keyeren dat weet wat. Nou dit is er of, het neemt wedr veul quaede corruptie, zwaere zinkingen weg uit de Stad,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;i
Dasr-
-ocr page 50-Daerom is t ook vaftgeftelt, gclyk ik heb hooren ïcg-gen,
Als datze Buikfloot tót Nieuwendam toe zullen uitleggen,
Zo neemt dat woelen toe, en zo groeid die neering an,
En dat zo bedektelyk , dat de Man niet weet van de Vrouw, nochde Vrouw van de Man,
Daerom, dat ik klappen wou, daer zou wat uk komen , zou ik mienen,
En dats de reden datze my alle rykkelyk van klink klank kloribus moeten geeven, zei ik er trouw dienen,
En al zeg ik et zelfs, wat is er ook al meenig meisje en J ongman dien ik op deuze wy s befte!,
Enzeldenneemikvoor, ofaltytluktetmenwel,
Ik heb et ook zo drok, dat ik er mooi en rykelik kan van Iceven:
En al had ik drie vier lyven, ik zouze altemael werk kennen geeven.
Nou dat geld is verdiend, al weer wat anders, ik mag zonahuistoegaen,
Ik ben verzekerd dater tot mynent al weer een twie drie poften op de v loer ftaen.
DERDEBEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
¦«
Diwert JE.
JA wel, ik weet niet wat ik van dat meisje zei zegge , ze ftaet me ook gants niet acn,
Al watzc tot noch toe gedaenheeft, docdze verkeert, alliens of ze er leeven gien huiswerk had gedaen,nbsp;Zo dat ze t ook al niet weezen en zei, en daer meenbsp;ben ik weer dappper verleegen,
Ik zie wel; k heb pilTebed laeten gaen, en kakkebed weer ekreegen,
GEWAANDE DIENSTMAAGD. 47
Men mag hem op de Befteedfters niet verlaeten , ,t is altyd nou heb ikvat puiks, van twie drie de keur,nbsp;En al ze heur falaris weg hebben, dan is t flegts, goeden dag Ju fFrou, veulgeluksJufFrou, endaarmeênbsp;gaenze deur;
Het zou zuiken overvliegftertjeweezen, en zeker men mag er wel van zwygen;
Daer heb ik er al over een uur geroepen, en men kanze noch niet van t bed krygen,
Jannetje, e Jannetje, hoe ist zelt ereislukken? wat doej e zo lang op t bed ?
TWEEDE TöONEEL Diwertje, Jan Klaasz.
Jan KlaasZ-, vanboven-
IK kom, V rouw, Saartj e het te nacht zo magtig gewoeld , en dat het me wat verlet.
Diwertje.
Ik zeg dat je daadlyk beneén komt, hoor Jannetje, dit zou me veur al niet paffen,
Jou alle daagen -van je ndt te roepen , haalt de gla-zewaffer met een emmer fchoon water , om de glafentewaffen.
Ik ben altyd wel gefakzeert, met de meisjes; wel domme j ut, tall j e maar zo blind toe by de gis ?
Is dat ien glazewaffer? en heb jy gediend? en weetje noch niet wat een glazewalFer of ien raegbol is ?
Ei ziet die flonsmoer daer iens ftaan, zietalditgewaat iens ant lyf hangen,
Wel jy bent ien gauwertje, men zou noch weldoö Rotten metjekennevangen,
Neen, moer, jy zei et niet weezen ,jemeugt zo daedlyk wel weór gaen, zulke jottoos heb ik met van doen,nbsp;Ik weet niet waer men zinnen zy n geweeft ? daer ftaetzenbsp;nou en kykt, ja wel de meisjes zelleje noch geknbsp;broén,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Waer
-ocr page 52-¦J
Waer ïcl ik er meê heen^ nou ben ik weer hiel verlegen, Voort, brcngme de raegbol weer op zyn plaets, ennbsp;haalt de beuïem om de vloer an te veegtn.
Ochi wat breektze daer ? ik durferfchier niet nae zien zobenikontfteld,
len van myn belle Polteleine fchottels , een drieling j ze koft me mooi over de tien guldens an geld.
Jan Klaasz.
Ik kon het niet beteren, vrouw, ik raaktener effen met de raegbol an, ik beloofje van daag weer een amnbsp;dertekoopen.
Dl WE R T JE.
Daer komtze weer met de luiwagen in plaats van de beuzem ; ik ken t niet langer zien, ik moet etnbsp;huis verloopen.
DERDE TOONEED
Jan Klaasz, Saartje.
JS A A R T j E. nbsp;nbsp;nbsp;(aen ?
an Klaafen, hoe gaeje zo onbezuill en zoreukeloos Jan Klaasz.
Waer is je Moeder
Saartje.
Ze is hier naeft de deur by Grietj e Pieters, en by Marritje Jacobs gegaen,
Daer is de beuzem Jan Klaafen, je moetze niet zo, maar zo an vatten.
En veegen den drek die weg nae de deur, jemogtanders het houtwerk befpatten, nbsp;nbsp;nbsp;(nen.
Daer komenze met er drien in huis, ik gae weer nacr bin-Jan Klaasz.
Ja, houjyjemaelflegts aen een kant..
VIERDE T O O N E E L,
Diwertje,Jan Keaasz.jMakritje Jacobs, Grietje Pieters.
DI w E R T j e.
at dunkje van dat itaeltje, Grietje Pieters ? lykt ct W'nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nietwelien Aineraaltjevantland?
Wel ik verfoeime, dat ik me zulkenfatzoentjeheblac-tenanpraaten.
Grietje.
Ja, Moer, wilje BefteedÜers gelooven? mis is t, jc nieugt je op dat volkje niet verheten,
Daer worden er zoo veul deur mifleid, daerom kom ikernietaen.
Diwertje.
Daer het ze me alriê ien koftelyke pofteleine fchot-tel gebrooken, de befte die der veur myn fchoor-ftien heeft eflaen.
Ik kon het niet laeten, of ik moeftje men nood ko* menklaagen;
Zeg ik datze een glaazewafTer brengen zei, ze komt met de raagbol, fpreek ik van een beuzem, ze brengtnbsp;een luiwaagen.
Neemt de beuzem in de andere hand, dauwcl, dat s al weer an; al wat ze doed datdoedze verkeerd,
Ziet er dat veegen iens ter hand üaen.
Marrit JE.
Dat loof ik wel, Moer, ze het et er leeven ligt niet geleerd.
En ZC zei er leeven ook niet worden diejemienddatze Diwertje.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(is.
Wel, Marritje Jacobs, wat is dat te zeggen? Marrit je.
Ja, kynd, tzouje al vreemd veur komen als men je dat Wamuitte leggen;
Daer is te nacht totjouwentalvry watontegaen, meer als de meulen in t woud,
Doch, tis gicti wonder daterwatomgaet, daer men ïo zonder fpeulman bruiloft houd.
Diwert JE.
Angaende die zaak, Marritje Jacobs, we hebbender te nacht gien nood van gehad, van dat perfuimen,
t Is pas zes wecken geleên, dat we ons fecreet hebben doen ruimen.
Grietje.
Daer praate we niet van, Diwertjc, verftaetons wel te recht,
Hebje ze wel te deeg bezien ?
Diwert JE.
Wat zou ik cr an zien ?
Grietje.
Watje er an zou zien ? wel, myn lieve Moêr, het is een knecht.
Diwert JE.
Een knecht, een knecht?
M A R R l T J E.
Ja een knecht, kynd. ¦
Diwert JE.
Een knecht! ochlafy! och armen?
Marritje.
Hy het jou dochter deuzen nacht weltedeegengekoeCr terdinzyn armen.
Diwer T JE.
E Jan'Jafperfen! e Jan Jalperfcn! och? wat komt ons over? een knecht, een knecht!
VYFDE TOONEEL.
Diwertje, Marritje Jacobs, Grietje Pieters, Ja.n Klaasz.
Jan Jaspersz.
Jan Jaspersz.
Hoe benje zo ontfteld, Moer? ik verftae met een woord watje zegt.
is het om de meid? lactze weer loopen, zelje je om de meid zo verlteuren ?
Diwertje.
Laetze weer loopen! koften wy er nou zo of komen, wat nood walTer dan van treuren ?
Het is een knecht.
Jan Jaspersz.
Een knecht! kom, kryg men ercis een kaers, dat ik er de waerheid van ondervin.nbsp;Diwertje.
Ziet, watte oogen het hy, als ien Valk! en hykrygtal haeranzenkin!
Jan Jaspersz.
Och! ja Moer, het is een knecht! die tekens enken* ne niet liegen.
Jou, flukkeboefs als je bent, hoe hebje t durven be* ftaen van eerlyke lui zo fchandelyk te bedriegen ?nbsp;Spreek op? wie benje eer ikje de bienen an Hukkennbsp;Jan Klaasz.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(fmyt?
IkbenJanKlaafen, diejoudochterSaartje Jans zo lang heb gevryd.
JAN Jaspersz.
JanKlaafen!
Diwertje.
Wat zegje, Vaêr?
Jan Jaspersz.
Het is JanKlaafen, Moér.
D a nbsp;nbsp;nbsp;Dï*
-ocr page 56-JAN KL A ASZ., OF
Diwert JE.
Jan Klaafen! Grietje Pieters, wat komt ons overnbsp;Grietje,
Ja, Mo^r, dathebikeralvanverwachts
Dl WERT JE.
Jy bent een vrouwefchender, jy heb myn dochter verkracht,
y CTkracht hebj e ze, k zcl wraak roepen.
Marrit JE.
Nou, Moér, jemoetjezonietverfteuren,
Je moetje zelfs noch al trooften, en denken dat die dingen wel meer gebeuren.
DiWE R T JE.
Trooften ? daer is niet een lit an men lyf dat ftil ftact; zo ben ik er van onfteld.
Grietje.
Al t geen dat we hier nou zien, hebben wejedat flus niet al van te vooren gefpeld ?
Wat helpt nou al jou temery op ofkomft en geflacht ? ik zeg datze wel hebben gedaen, en dat elk ditnbsp;vonnis zei wyzen.
JanJaspersz.
En ik zeg , dat et maar een party labbekakken erikop-pelaerfters bennen, die dit pryzen.
Grietje.
Nou, Vaêr, weesje maar wel geruft, r is al gelyke munt, hou jy je flcchts wat hartig in de kouw.
Jan Jaspe.^ sz.
Ik zeg noch ereis i* dat ik het niet om de broederfchap liet, dat ik me wel te deeg au dien fchavuit wree-kenzouw,
Als ook an dje, die dit werkje dus hebben .helpen be-
5 fteeken.
Diwertje.
Marï
-ocr page 57-Marritje.
Och! daerkomtdiefloofan, wat het ïe ien krop! en hoe zelze kennennbsp;fpreeken ?
ZESDE TOONEEL.
Diwertje, Jan JasperszJan Keaasz. Saartje, Marritje Jacobs,nbsp;GrietjePieters.
Saartje
Myn liefde Vader en Moeder, vergeefet inc zo ik j e hier in heb misdaen.
Diwertje.
Misdaen ?
Ma R ritte.
Nou, Diwertje, ontüelje zoniet, men moet tegen ienjonge vrouw zo niet angaen.
Och ! hoe bedrukt ziet ze cr uit, ze zelder gewis noch aent eind fchreijen.
Jan Jaspersz.
Jou laelyke ftukkevleis alsje bint, hoe hebje t durven b'ellaen, van jou ouwers zo fchandelyk te verleijen ?nbsp;Was het noch maar een Schoenlappers gezel, ik zounbsp;t verzetten, maar Jan Klaafen! ja wel ik ben hielnbsp;konfuis.
Jan K la a s z.
VerPchoonme, zoikjehiertn beleedigtheb.
Jan Jaspersz.
Verfchoonen! datje een bordeel maakt van men huis ?nbsp;Grietje.
Nou, Jan jafperfen, denk dat et er diel is, en dat niemand eens anders bruid zei roov«u ?
Jan j aspê'r sz.
Ei, kallemoêrs praat,er diel is, mienje dat wy die dingen gelooveij? D 3 nbsp;nbsp;nbsp;Maar
-ocr page 58-rf'.
rf'.
JAN KLA ASZ., OF
f4
Maer MartyndeBefteedftcr, die al dit onheil heeft gei broud,
Ik zweer dat ze erveur lyenzel, zie daer, ikgae zo dryvende naer de Schout;
Zo wordze noch licht in t heimelyk gegiezeld, of ten minden vfitgebannen,
Want in zulken dadt als dit is, weet men dat onkruid wel ter deeg te wannen.
Marritje.
Nou, vrienden^ zietjekinderenheurvernederen, maekt toch ien eind van er verdriet.
En denkt wat er epadeerd is, dat et uit oprechte liefden isgefchied.
Och! daer zygtze neer, Diwcrtje, ze derft, ik voel niets meet an er beweegen.
Diwert J E.
Mynkynd! mynkynd!
Grietje.
Ze het gewis van ondeltenis een hartvang ekreegen:
Och! ja ze derft, wat azyn, azyn! zo fprenkelze wat, en ontbinter fchorteldoeks band.
Jan Klaasz.
Myn lieve Saartje Jans, zo je noch eenigekennis hebt, zo drukt me noch iens veur t led an men hand.
Marritje.
Ei, dae wat ruim kij eren, ze begint er wat te rekken, ik hoop dat et noch gien derven zei weezen.
Diwertje.
Och!Marritje Jacobs, terwyl t nou zo leid, wou je men man nu wat zoeken te beleezen.
Marritje.
Nou, Jan Jafperfen, geef je woord, je ziet immers wat fwarigheid dat er uit ken ontdaen ?
Jan Jaspersz.
Wat zeilen we doen. Moer?
-ocr page 59-Diwertje.
Ik zie geen middel, Vacr, of we zeilent wel moeten laeten voortgaen.
Jan Jasper sz.
Zo zei ik hem eerft veur of eenige artykelengaenveiir houwen.
Hoor, JanKlaafen, of ikttoeftond, zoujemyn dochter op deuzeVoorwaerde dan wel willen trouwen ? Jan Klaasz.
Och! ja men vriend, hoe krachtig, en hoe nauw datje me die ook infteld.
Jan Jaspersz.
Zo zelje me dan belooven dat je niemand ¥311 je volk , in handel of in wandel nac volgen zelt,
Datje er te encmael van zelt ot zien, en al je gezel-fchap en anhang offnijen *.
Datje de haanematten zelt fchouwen, als ook het kwau-zelen van honden, en van duiven, fteentje, beentje, enfchildcryen;
Datjedekroegenzelthaaten, noch vanpasdicsal wat ik zie, of van int verkeerbord te fpeulen, zelt maa-kenjewerk;
Datje je beroep eerlyk zelt waerncemen, en weezen, altydneeritig, zoopdeBcurs, alsindeKerk.
Beloof) c me dit alles naer te komen, en van nooit weer tot jou voorgaende leeven te keeren ?
Jan Klaasz.
Och ja! en zo jet op men verzoekt, zo wil ik ct jou welzweeren.
Jan Jaspersz.
Wel, houd daer dan in je woord, zo wenfeh ik je veul geluk s met myn kind,
Grietje.
Wat, zo, nou ziet men, dnt die int ftry den volhard, ten lellen noch overwind,
Diwertje.
Veelgeluks, Kijeren, datje zamen lang meugt bc^ klyven.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Ma:lt;-
-ocr page 60-t o P - , 'Q
Mark it je.
Veelgeluks, SaartjeJans,enjy, JanKlaafen, datjea!-toos lieve kinderen mengt blyven.
Jan Jastersz.
Wat wonderlyk toeval is dit, ik ftaeervanverftomd, 20 wonderlyk komr et me vcur.
Wat hebben wy er met kracht tegen gewoeld, en nou komt hyer deur deuze lift 20 gemakkelyk deur,
Ik kan het niet begrypen, tisof ik in een Doolhof ben, daer niet is uit te raaken!
Maar dit wil ikje welzeggen, dat et recht ftof is voor een goed Poëet om een Bly Ipelletj e van te maak en.
Ik ken me onmooglyk niet bedaeren , zo wonderlyk als me dit veurkomt en zo vreemd.
Nou, vrienden, elk fpiegcle zich an my, en zie wie dat hy onder zyu dak neemt.