-ocr page 1-

tóö/V i.££^^ jDA^sre/^MA/T.


-ocr page 2-

-ocr page 3-

ff nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;- nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;-........----- nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;---

ROOD, WIT EN BLAUW

EERSTE VOORLOOPER

VAN

MIJN HOLLANDSCH BOEK

UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT l■H■nl■ll■■

3942 9620

-ocr page 4-

-ocr page 5-

^ ==: ^========= =^^========== =======^^

ROOD, WIT EN BLAUW

EERSTE VOORLOOPER

VAN

MIJN HOLLANDSCH BOEK

NAAR AANLEIDING DER SPREEKOEFENINGEN

VOOR

HOLLANDSCH-INLANDSCHE SCHOLEN DOOK

J. W. CROES

ELFDE DRUK

RIJSWIJK (Z.-H.) — BLANKWAARDT amp;nbsp;SCHOONHOVEN

-ocr page 6-

-ocr page 7-




-ocr page 8-

Pl. Nquot;. 2.

6







-ocr page 9-

Pl. Nquot;. 3.







-ocr page 10-

Nquot;. 1.

Hij- Zlj.

1.

Hij schrijft.

7.

.....

13. .

2.

Hij schiet.

8.

.....

14. .

8.

Hij slaat.

9.

» nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•

15. .

4.

Hij leest.

10.

16. .

S.

Hij schopt.

11.

Zij. ...

17. .

6.

Hij vult.

12.

N». 2.

Ik.

18. .

1.

Ik schrijf.

7.

Ik pluk.

13.

Ik strijk.

2.

Ik . . .

8.

Ik . . .

14.

Ik . .

3.

Ik . . .

9.

Ik . . .

15.

Ik . .

4.

Ik . . .

10.

Ik . . .

16.

Ik . .

5.

Ik . . .

11.

Ik . . .

17.

Ik . .

6.

Ik . . .

12.

Ik . . .

N’. 3.

Jij — U.

18.

Ik . .

1.

Jij schrijft.

7. Jij

13. Jij

2.

Jij schiet.

8. Jij

14. Jij

3.

Jij slaat.

9. Jij

• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;» nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•

15. Jij

4.

Jij leest.

10. Jij

16. Jij

5.

Jij schopt.

11. Jij

• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;gt;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•

17. Jij

6.

Jij vult.

Oo^ .•

IJ schrijft enz.

12. Jij

18. Jij

-ocr page 11-

9

N“. 4.

  • 1. nbsp;nbsp;nbsp;Schrijft hij?

  • 2. nbsp;nbsp;nbsp;Schiet hij?

OoA:

Ja, hij schrijft.

Ja, hij schiet.

3. Slaat hij? enz.

Nquot;. 5.

Jij — je.

  • 1. nbsp;nbsp;nbsp;Schrijf jij?

  • 2. nbsp;nbsp;nbsp;Schiet je?

  • 3. nbsp;nbsp;nbsp;tot 18.

Ja, ik schrijf.

Ja, ik schiet.

N\ 6.

  • 1. nbsp;nbsp;nbsp;Schrijft u?

  • 2. nbsp;nbsp;nbsp;Schiet u?

  • 3. nbsp;nbsp;nbsp;tot 18.

Ja, ik schrijf.

Ja, ......

N“. 7.

1. Schrijf ik? enz. toi 18

-ocr page 12-

Pl. N®. 4.


10







-ocr page 13-

Pl. N’. 6.

Il







-ocr page 14-

Pl. N“. 6.

12






-ocr page 15-

13

N”. 8.

Oversc/mjven (Ze otxZersc/trifZen van äe ßZaai^es oj) 6k. 10, 11 en 12.

N«. 9.

Wat?

Zie de plaatjes op 6tz. 5, 6 en 7.

1.

Wat schrijft hij?

Hij schrijft een brief.

2.

Wat schiet hij?

Hij schiet een vogel.

3.

........?

Hij slaat een hond.

4.

........?

Hij leest een krant.

5.

........?

Hij schopt een hond.

6.

?

Hij vult een flesch.

7.

........?

Hij plukt een bloem.

8.

........?

Hij rookt een sigaar.

9.

?

Hij vangt een visch.

10.

?

Hij trekt een kar.

11.

........?

gij draagt een kind.

12.

........?

gij naait een baadje.

13.

.......?

gij strijkt een jas.

14.

........?

gij plukt een bloem.

15.

?

gij schilt een vrucht.

16.

.......?

gij bakt een visch.

17.

........?

gij slijpt een mes.

18.

........?

gij veegt het erf.

-ocr page 16-

14

NO; 10.

T^an 3 éoé 18.

N“. 11.

Fan 3 ioi 18.

Nquot;. 12.

Fan 3 iof 18.

NO. 13.

Wie?

Zie de jiiaatjes op èiz. ö, 6 en 7.

-ocr page 17-

15

Nquot;. 15.

Fan 3 ioi 18.


De klerk schrijft eeu brief.


N». 16.

Wat doet hij? Wat doet zij ? Wat doe ik?


5. Wat doe ik?



Hij schrijft, maar ik schrijf niet Ik lees, maar zij .....

Zij naait, maar ik ...

Hij slaat, maar jij .

Ik lees, maar jij .....

Jij rookt, maar ik nbsp;...

Zij plukt, maar hij

Hij schiet, maar ik ... .

Je draagt, maar zij

Zij strijkt, maar jij


-ocr page 18-

16

N». 17.

De klerk schrijft een brief.

De jager schiet een vogel.



enz. iof 18.

N®. 18.

Zie de jilaaljes op èlz. 10, 11 en 12.

N“. 19.

Geen.

N». 20.

-ocr page 19-

17

N’. 21.

Zie de piaaijes oj)Hz. 10, 11 en 12.

enz. Éoi 18.

N’. 22.

Zie de slaafjes o^ Hz. 10, 11 en 12.

enz. toi 18.

J. W. Croes, Eood, Wit en Blauw. I.

-ocr page 20-

Pl. N”. 7.

18







-ocr page 21-

Pl. N“. 8.

19







-ocr page 22-

Pl. N“. 9.


20







-ocr page 23-

21

N“. 23.

Overxchrÿven de onderscAriflen van de p/aafjes op èiz. 18, 19 en 20.

-ocr page 24-

Pl. N“. 10.

22







-ocr page 25-

Pl. N®, ll.

23







-ocr page 26-

Pl. N®. 12.


24






-ocr page 27-

Pl. Nquot;. 13.

25







-ocr page 28-

26








-ocr page 29-

K. N». 15.

27







-ocr page 30-

Pl. N’. 16.

28







-ocr page 31-

29








-ocr page 32-

30








-ocr page 33-

Pl. N®. 19.

31







-ocr page 34-

32






-ocr page 35-

33







12. De fiets staat tegen een boom.

3

-ocr page 36-

Pl. N®. 22.

34







-ocr page 37-




-ocr page 38-

36

Nquot;. 26. in. 0verscàr^'ven de onderschriften van de j)taatJes op 6tz. 22 en 23.

N’. 27.

Op.

Overschrijven de onderschriften van de ptaatjes op htz. 24 en 23

Idem met

Onder

N®. 28.

27.

op ôlz. 26 en

Idem met

Voor

N®. 29.

op 6tz. 28 en

29

Idem met

Achter

N®. 30.

op ôlz 30 en

31

Idem met

Tegen

N®. 31.

op ôtz. 32 en

33

Idem met

Over

N®. 32.

op ôtz. 34 en

36

N®. 33.

Zie de ptaatjes op btz. 22 en 23.

-ocr page 39-

37

N®. 34.

Zie de plaatjes oj)ik. 24 en 26.

1. Waar zit de vogel op? Waarop zit de vogel?

Zoo doorj/aan lof 12.

N». 35.

Zie de jj/aatjes op 6iz. 26 en 27.

1. Waar rolt de bal onder? Waaronder rolt de bal?

N®. 36.

Zie de piaaijes op 6iz. 28 en 29.

1. Waar loopt de karbouw voor?

Waarvoor loopt de karbouw ?

N®. 37.

Zie de plaatjes op 6lz. 30 en 31.

1. Waar staat de stal achter? Waarachter staat de stal?

N®. 38.

Zie de plaatjes op 6lz. 32 en 33.

1. Waar staat de ladder tegen? Waartegen staat de ladder?

N®. 39.

Zie de plaatjes op ólz. 34 en 36.

1. Waar valt hij over? Waarover valt hij?

-ocr page 40-

38

N“. 40.

Zie de plaatjes oj)

  • 1 . Zit de vogel in de kooi?

Il?

12

biz. 22 en 23.

Ja, de vogel zit in de kooi.

Ja, hij zit in de bank.

Ja, hij leest in een boek.

Ja, .........

Ja,

Ja, .........

Ja, .........

Ja, .........

Ja, .........

Ja, .........

Ja, .........

Ja, .........


N®. 41.

Zie de plaaljes oj iblz. 24 en 26.

1. Zit de vogel op de kooi? Ja, de vogel zit op de kooi. Zoo doorgaan als in oefenin g/ 40.

N». 42.

Zie de ßlaaljes op blz. 26 en 27.

1. Rolt de bal onder de kast? Ja, de bal rolt onder de kast.

N“. 43.

Zie de plaatjes op blz. 28 en 29.

1. Loopt de karbouw voor de kar? Ja, enz.

-ocr page 41-

39

N». 44.

Zie (^e J )laatjes oj )6^2. 30 en 31.

Nquot;. 45.

Zie de ^iaaijes op 6^2. 32 en 33.

N“. 46.

Zie de plaatjes op 612. 34 en 36

N”. 47.

Zie de plaatjes op ÔI2. 22 en 23.

Neen, de vogel zit niet op de kooi, maar in de kooi.

Zie de plaatjes op ÔI2. 24 en 2Ô.

-ocr page 42-

40

Zie de plaatjes op èlz. 26 en 27.

N». 48.

Zie de plaatjes op llz. 28 en 29.

Zie de plaatjes op èlz. 30 en 31.

Zie de plaatjes op èlz. 32 en 33.

16. Vaart de boot naast de prauw?

16. Staat de fiets voor de boom?

-ocr page 43-

41

N». 49.

Invullen .•

N». 60.

Wat?

N”. 51.

-ocr page 44-

42

-ocr page 45-

43

1.

Een

aap.

7.

Een

rat.

13.

Een

geit.

19.

Een

visch.

2.

Een

paard.

8.

Een

eend.

14.

Een

schaap.

20.

Een

vlinder.

3.

Een

hond.

9.

Een

gans.

15.

Een

kip.

21.

Een

tor.

4.

Een

koe.

10.

Een

vogel.

16.

Een

mier.

5.

Een

kat.

11.

Een

rups.

17.

Een

slang.

6.

Een

muis.

12.

Een

worm.

18.

Een

karbouw.

-ocr page 46-

Pl. N». 26.


Dingen uit het huis.



Üf/Cd^rulil.





-ocr page 47-

45

N“. 52.

Dieren.

Wat is dit? Dit is een aap.

Zoo vraa^ en aniwoord opscAri^ven.

N*’. 53.

Dit — dat.

N®. 54.

Dingen uit het huis.

1. Wat is dit? Dit is nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;.

N“. 55.

Dit is een stoel en dat is een tafel.

-ocr page 48-

-ocr page 49-

47

N®. 56.

Verschillende dingen.

Schrijf over ;

1.

Ben

mes.

9.

Een

theepot.

17.

Een

beitel.

2.

Een

vork.

10.

Een

kan.

18.

Ben

kapmes.

3.

Een

lepel.

11.

Een

geweer.

19.

Een

bezem.

4.

Een

naald.

12.

Een

sabel.

20.

Een

komfoor.

5.

Een

speld.

13.

Een

pen.

21.

Een

emmer.

6.

Een

kopje.

14.

Een

potlood.

22.

Een

pan.

7.

Ben

schoteltje.

15.

Een

zweep.

8.

Een

bord.

16.

Een

hamer.

N®. 57.

Wat is dit ? Dit is een mes.

N». 58.

l. Dit is een mes en dat is een vork.

-ocr page 50-

48

Waar?


-ocr page 51-

49

N“. 59.

Zz«? de plaatjes oj) de vorige èladztÿde.

Waar?

1.

Waar staat de stoel?

. . voor . .

2.

Waar staat de tafel? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. .

. . in nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. .

3.

Waar ligt de vork?

. naast

4.

Waar ligt de hond? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. . .

. . voor . .

5.

Waar staat het kopje? . . .

. op

6.

Waar hangt de schilderij?. .

. tegen

7.

Waar zwemt de visch?

. in

8.

Waar loopt de hond? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. . .

. achter

9.

Waar staat de fiets? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. .

tegen

10.

Waar zit de kip? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. . .

. . op

11.

Waar slaapt de baboe?

. voor

12.

Waar zit het kind? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. . .

. onder

J W. Croes, Hood, Wit en Blauw. I.

-ocr page 52-

Pl. N“. 28.

50

-ocr page 53-

51

N». 60.

ScÂr/ÿf over:

N». 61.

N». 62.

lt;5. Waar hangt de visch aan?

-ocr page 54-

-ocr page 55-

53

N“. 63.

Om — naar — uit — met — van.

Sa^r^f over:

Nquot;. 64.

Vraag en Antwoord.

No. 65.

1. Is het lint om de hoed? Ja, het lint is om de hoek

-ocr page 56-

-ocr page 57-

55

N“. 66.

iScAr2jf over .•

N“. 67.

Vraag en Antwoord,

1. Vangt de kat een muis? Ja, de kat vangt een muis.

-ocr page 58-

-ocr page 59-

Pl. N”. 32.

B7




-ocr page 60-

58

Nquot;. 68.

Zie de piaaijes op èiz. 66 en 67.

Nu alleen vragen.

H. Klimt hij in de boom of over de pagger?

NL 69.

Ook mei je, u en ik.

-ocr page 61-

59

N’. 70.

^ui eens in .■

1. De karbouw — een kar. 2. Het meisje — een bloem. 3. De kat — een muis. 4. De heer — een sigaar. 5. De visscher — een visch. (5. De hond — tegen het kind. 7. De baboe — een kind. 8. De dief — over de pagger. 9. De vogel — in de kooi. 10. De fiets — onder de boom. 11. De bal — onder de kast. 12. De kip — op het nest. 13. Het ei — onder de kip. 14. De prauw — naar de boot. 15. De jongen — met een steen. 16. De eend — in het water.

N®. 71.

En nu .•

1. Ik — een brief. 2. Ik — in de kali. 3. Ik — onder de pantjoeran. 4. Ik — onder het bed. 5. Ik — over een plank. 6. Ik — met een geweer. 7. Ik — met een pen. 8. Ik — in een boom. 9. Ik — uit een boom. 10. Ik — onder een boom. 11. Ik — in een prauw. 12. Ik — naar de school. 13. Ik — op een paard. 14. Ik — van een bord. 15. Ik — uit een glas.

N®. 72.

Dezelfde oefening mei jij en U.

N“. 73.

Oo^ met hij en zij.

-ocr page 62-

60

Nquot;. 74.

Probeer eens in le vullen :

N“. 75.

Doe hetzelfde met jij en U.

N’. 76.

Geen.

jEn nu :

1.

Ik lees geen krant.

7.

Ik rook ......

2.

Ik vang ....

8.

Ik pluk ......

3.

Ik schop ....

9.

Ik vul.......

4.

Ik schrijf

10.

Ik sla .......

6.

Ik strijk ....

11.

Ik schiet ......

6.

Ik slacht. . . .

12.

Ik draag ......

-ocr page 63-

61

N». 77.

Weer vraag en antwoord.

Ik drink uit een glas.

Uit een glas drink ik.



NU -78.

En nu de vraag een beetje veranderd.

79.

-ocr page 64-

62

N®. 80.

Ik heb geld.

Jij hebt geld. (U hebt geld, U heeft geld).

Hij heeft geld. (Zij heeft geld). ffeb ik geld? ffeb je geld? {ffeb ff geld?) Jleeft hij geld? ffeeft zij geld?

1.

Ik

heb

een

mes.

9.

Ik

heb

een

pen.

2.

Ik

heb

een

lepel.

10.

Ik

heb

een

potlood.

3.

Ik

heb

een

vork.

11.

Ik

heb

een

zweep.

4.

Ik

heb

een

kopje.

12.

Ik

heb

een

hamer.

5.

Ik

heb

een

schoteltje.

13.

Ik

heb

een

hoed.

6.

Ik

heb

een

bord.

14.

Ik

heb

een

paard.

7.

Ik

heb

een

glas.

15.

Ik

heb

een

hond.

8.

Ik

heb

een

geweer.

Deze oefening overschrfven.

N®. 81.

Zoo doorgaan tot 16.

N«. 82.

N®. 83.

Nquot;. 84.

-ocr page 65-

-ocr page 66-

64

N». 85.

Heeft.

Overschrijven.

Nquot;. 86.

Ooh eens zoo opschrjven :

N’. 87.

-ocr page 67-

65

N®. 88.

Wie?

Kun je het antwoord zeggen?

1.

Wie heeft een geweer? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;7. Wie heeft geen geweer?

2.

Wie heeft een pen? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;8. Wie heeft geen pen?

3.

Wie heeft een paard? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;9. Wie heeft geen paard?

4.

Wie heeft een huisjongen? 10. Wie heeft geen huisjongen?

5.

Wie heeft een baboe? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;11. Wie heeft geen baboe?

6.

Wie heeft een slendang? 12. Wie heeft geen slendang?

N®. 89.

1.

Heb je een lei, of heb je geen lei? Ja, . . .

2.

Heb je een geweer, of. ... ?

3.

Heb je een hoed, of .... ?

4.

Heb je een potlood, of nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;?

5.

Heb je een hond, of .... ?

6.

Heb je een kat, of ...... ?

7.

Heb je een lepel, of .... ?

8.

Heb je een stoel, of .... ?

9.

Heb je een kooi, of .... ?

10.

Heb je een huis, of .... ?

Nquot;. 90.

Wat?

1.

Wat heeft een punt? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;5. Wat heeft een tuit?

2.

Wat heeft een voet? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;6. Wat heeft een poot?

3.

Wat heeft een steel? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;7. Wat heeft een kop?

4.

Wat heeft een oor? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;8. Wat heeft een rand?

N“. 91.

OoA:

l. Een pen heeft een punt. Aan een pen is een punt.

J. W, Croes, Eood, Wit en Blauw. I.

5

-ocr page 68-

66

N®. 92.

Ik óen groot.

Jij 6eni groot, (u).

Hij is groot.

Zij is groot.

Ben ik groot?

Ben je groot?

Ben/ u groot?1

Is u groot? )

Is hij groot?

Is zij groot?

-ocr page 69-

K. N“. 34.


67




-ocr page 70-

68

NO. 93.

Zie de piaaijes

op

big. 6‘7.

1. Groot

— klein.

6.

Vol — leeg.

2. Dik

— mager.

7.

Schoon -— vuil.

3. Rond

— vierkant.

8.

Hoog — laag.

4. Wit

— zwart.

9.

Breed — smal.

5. Dik

— dun.

10.

Mooi — leelijk.

NO. 94.

Hoe ben je?

Ooamp;:

NO. 95.

Hoe?

-ocr page 71-

69

N». 96.

Hoe?

1.

Hoe

is de

bal?

11.

Hoe is

de

pagger?

2.

Hoe

is de

tafel ?

12.

Hoe is

het erf?

3.

Hoe

is de

jas?

13.

Hoe is

de

boot?

4.

Hoe

is de

bloem ?

14.

Hoe is

de

muis?

5.

Hoe

is de

school?

15.

Hoe is

de

prauw?

6.

Hoe

is de

vinger?

16.

Hoe is

de

ring?

7.

Hoe

is het bord?

17.

Hoe is

de

boom?

8.

Hoe

is de koe?

18.

Hoe is

het touw?

9.

Hoe

is de

flesch ?

19.

Hoe is

de

rand?

10.

Hoe

is het

water ?

20.

Hoe is

het bord?

N®. 97.

-ocr page 72-

70

N”. 98.

N». 99.

1.

2.

Ben je dom of knap?

Ben je rijk of arm?

3.

Ben je zwaar of licht?

4.

Ben je vlug of lui?

5.

Ben je sterk of zwak?

6.

Ben je mooi of leelijk?

7.

Ben je breed of smal?

8.

Ben je klein of groot?

9.

Ben je vuil of schoon?

10.

Ben je dik of mager?

OoA met zij.

-ocr page 73-

71

N“. 100.

Deze — die. Dit — dat.

-ocr page 74-

72

N». 102.

(Zie N°. 101).

Nquot;. 103.

iol 12.

N”.

104.

1. Het

nies is scherp.

Een scherp mes.

2. Het

glas is vol.

Een . . . .

3. Het

lint is breed.

Een ....

4. Het

kind is dom.

5. Het

baadje is vuil.

6. Het

erf is groot.

7. Het

huis is klein.

8. Het

ei is vuil.

9. Het

blad is rond.

10. Het

geweer is zwaar.

11. Het

bord is vol.

12. Het

wiel is rond.

13. Het

touw is sterk.

14. Het

slot is zwaar.

IS. Het

schrift is vuil.

16. Het

kopje is leeg.

17. Het

paard is sterk.

18. Het

bed is groot.

19. Het

boek is dik.

20. Het

erf is groot.

-ocr page 75-

73

N«. 105.

(Zie N°. 104).

N». 106.

toi 20.

N». 107.

scherp mes!

vol glas !

tot 20.

N®. 108.

Van.

van de hoed is breed.

van de kar is ... .

van de pen is ... . van het kopje is. . . . van de tafel is ... .

N®. 109.

Ze^ tiet ooA eens zoo:

3............

-ocr page 76-

-ocr page 77-

HERHALING.

-ocr page 78-

-ocr page 79-

77

Nquot;. ]10.

-ocr page 80-

-ocr page 81-

79

N“. 111.

-ocr page 82-

-ocr page 83-

81

N». 112.

6. Wat heeft zij hoven het hoofd?

J W. Croes, Eood, Wit en Blauw. I.

-ocr page 84-

-ocr page 85-

83

N“. 113.

-ocr page 86-

-ocr page 87-

85

N». 114.

-ocr page 88-

-ocr page 89-

87

Nquot;. 115.

6. Hoe is hj?

-ocr page 90-

-ocr page 91-

Nquot;. 116.

-ocr page 92-

-ocr page 93-

91

Nquot;. 117.

-ocr page 94-

-ocr page 95-

93

N®. 118.

-ocr page 96-

-ocr page 97-

N«. 119.

-ocr page 98-

-ocr page 99-

97

N®. 120.

J. W. Groes, Rood, Wit en Blnaw. I.

-ocr page 100-

-ocr page 101-

99

N’. 121.

6. Hoe is de hond ?

6. Wat doet hj de jongen?

-ocr page 102-

Pl. N“. 47.


100



-ocr page 103-

101

N’. 122.

-ocr page 104-

-ocr page 105-

103

N». 123.

-ocr page 106-

-ocr page 107-

105

N“. 124.

-ocr page 108-

-ocr page 109-

107

N’. 125.

-ocr page 110-

108

ALLERLEI VRAGEN.

N®. 126.

NL 127.

-ocr page 111-

109

NO. 128.

NO. 129. •

-ocr page 112-

110

N”. 130.

N’. 131.

-ocr page 113-

111

N“. 132.

1

Nquot;. 133.

-ocr page 114-

112

N». 134.

N»; 135.

-ocr page 115-

113

Proeve van behandeling van de platen 1, II en III.

[Zie voor de behandeling van de overige platen mijn „Spreeklessen” behoorende bij Rood, Wit en Blauw, Eveneens uitgave Blankwaardt en Schoonhoven te Rijswijk (Z.-H.)].

PLAAT I.

1 ste Les.

Voor het begin der les bedekke de onderwijzer elk der 6 plaatjes door ■niddel van punaises met een stuk papier, zoodat geen der kinderen nog iets van de plaat heeft gezien. Ze wordt zoo voor de klasse gehangen. Het is vooral van belang, dat er belangstelling is, en dat de leerlingen zich de werking, op de plaat in beeld gebracht, helder voorstellen. Daarom beginnen we met een vertelling, natuurlijk alles in ’t Maleisch of de landstaal.

De ijverige Parto.

Parto was het zoontje van den mandoer van de soos. Iedereen vond het een aardigen jongen, omdat hij zoo ijverig leerde. Hij zat in de hoogste klas. Was de school uit, dan ging hij dadelijk naar huis en bleef niet onderweg spelen. Eerst vertelde hij aan zijn mama, wat liij op school had geleerd en daarna moest hij wel eens boodschappen doen voor zijn mama of papa. Maar op een Maandag had de onderwijzer op school iets heel moeilijks verteld, en toen de school uit was, zei hij: ,,Nu moeten jullie het zoo gauw mogelijk eens thuis opschrijven; dan zal ik morgen eens kijken, wie het best heeft opgelet.” Parto vloog naar huis, vergat zijn mama goeden dag te zeggen en ging gauw naar een kamertje in de soos, nam papier, pen en inkt en ......maakte een groot verhaal. Zijn mama zocht hem overal, maar hij was nergens te vinden. Zijn zusje zag, dat mama angstig werd. Zij dacht: ,,Ik ga eens in de soos kijken, of hij daar misschien is.” In de groote zaal was hij niet. Ze deed de deur van een klein kamertje open en zag Parto stil aan een tafel zitten schrijven. Luid riep zij: ,,Mama, hier is Parto, in het kleine kamertje: ,,la menoelis!”

Bij het uitroepen dezer laatste woorden wordt het papier van het eerste plaatje weggenomen. Nu volgt een oogenblikje van stille beschouwing der plaat. Daarna zet de onderwijzer een tafeltje voor de klas; een jongen mag er voor zitten.

J. W. Croes, Rood, Wit en Blauw. I. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;8

-ocr page 116-

114

„Kinderen, daar zit ónze Parto!”

(Stil tot Parto; Neem een pen en doe, alsof je schrijft).

Zijn zusje zoekt hem; zij ziet hem en wat roept zij?

(Stil tot Parto: Neem een boek en doe, alsof je leest).

Wat zoudt ge nu roepen?

Ia membatja: Hij leest.

(Stil tot Parto: Neem een potlood en doe, alsof je teekent).

Wat nu?

Ia menggambar.

enz. enz.

Kinderen, ik had in Holland ook zoo’n ijverig broertje. Dat ventje was ook stil naar zijn kamer gaan schrijven. Moeder zocht hem overal. Ik dacht: „Ik zal eens naar zijn kamertje gaan.” En jawel hoor, daar zat hij te schrijven. Luid riep ik, natuurlijk niet in ’t Maleisch, maar in ’t Hollandsch:

Hij schrijft.

Nu zet ik nog een tafeltje voor de klas. Daar moet, zoo er tenminste onder het gehoor een Europeesch kereltje is, een Hollandsch jongetje voor gaan zitten. In het andere geval is het voor de kinderen zeer leuk, wanneer een Javaansch kereltje in een klein blandaatje wordt getransformeerd.

Wijs eerst eens naar het Maleische jongetje en zeg, wat hij doet. Dan naar ’t Hollandsche.

Ie jongen: nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Ia menoelis. Hij schrijft.

2e

3e

En nu allemaal tegelijk;

Ia menoelis. Hij sclirijft.

De tafeltjes gaan weg en eenige kinderen mogen achtereenvolgens met een stok het plaatje aanwijzen en dan uitroepen: Hij schrijft.

Ten slotte allen tegelijk: Hij schrijft.

En hiermede is de eerste les afgeloopen.

2 de Les.

Jullie kennen Parto nog wel? Nu dan, zijn mama was blij, dat hij thuis was. Eerst mopperde zij wel wat op hem, maar niet lang, want Parto moest een boodschap doen. Vader zei tegen hem, dat hij een brief moest brengen naar den heer van de onderneming, die een paar paal van hun huis woonde. Dadelijk vertrok Parto, maar vond den heer niet thuis. Een der bedienden zei, dat mijnheer den weg naar de goedang was inge-

-ocr page 117-

116 slagen. Daar zou hij hem wel vinden. Parto vertrok. Eindelijk zag hij den heer dicht bij de schuur midden in de sawah staan. Maar wat deed hij raar! (De onderwijzer bootst de houding van schieten na). Waar keek hij naar? In eens hoorde Parto: boem! „0,” riep hij uit, ,,nu begrijp ik het: Ia membeclil,”en op een draf liep hij naar mijnheer toe, om hem den Ijrief te geven.

Op het luid uitroepen van „Ia membedil (pasang)!” wordt het papier van het tweede plaatje weggenomen. Een oogenblik van stille beschouwing.

Kinderen, als Parto een Ilollandsche jongen was geweest, had hij luid uitgeroepen: Hij schiet.

Verschillende kinderen beurtelings en daarna allen laten meezeggen: hij schiet.

Twee tafeltjes worden voor de klasse geplaatst, een voor een Maleisch, een voor een pseudo Hollandscli jongetje. De onderwijzer houdt nu spreekoefeningen, onmiddellijk naast elkaar Maleisch en Hollandsch. Als volgt:

Stil tot de beide jongens: „Jullie moet net doen, of ge schrijft.” Tot een van de klasse, wijzende op het Maleisclie ventje: Wat doet hij? la menoelis.

Zeg nu in het Hollandsch, wat hij doet, wijzende op het Hollandsche kereltje. Hij schrijft.

Dit 5 tot 10 leerlingen laten herhalen. Dan de geheele klasse: la menoelis, hij schrijft.

Nu stil tot de beide jongens:

Doet net, alsof ge schiet. Zeg, Ketjil, wat doet hij? (Op liet Mal. ventje wijzende:) la membedil (pasang). En op het Holl. wijzende: Hij schiet.

Dit evenzoo laten herhalen door verscliillende 11., ten slotte de geheele klasse:

ia pasang — hij schiet.

De onderwijzer neemt een stok en wijst nu de beide plaatjes aan en geeft vlug achter elkaar verschillende leerlingen een beurt, die nu alleen in het Hollandscli moeten antwoorden: hij schrijft — hij schiet — hij schrijft, enz.

Dan zegt de onderwijzer b.v. hij schrijft, en een der 11. mag het plaatje aanwijzen.

Voldoende is aangetoond, hoe op deze manier steeds de geheele klasse er bij is, zoodat op het einde der les de beide vormen er muurvast inzitten.

J. W. Crocs, Rood, Wit en Blauw. I.

8*

-ocr page 118-

116

3 de Les.

Parte kwam bij mijnheer. Hij zei: „Dag, mijnheer, hier is een brief voor u.” ,,Zoo, jongen, en kom jij dien hier brengen!” ,,Ja, mijnheer, papa zei, dat ik hem naar u toe moest brengen.” ,,Best, Parto, ik zal hem dadelijk lezen. Maar wat hoor ik daar achter het huisje van den mandoer? Ga eens gauw kijken, wat er gebeurt. Dan ga ik naar huis om den brief te lezen.” Parto hoorde luid blaffen en huilen. Hij liep hard naar het huisje toe, terwijl mijnheer naar huis ging. En wat zag Parto? Een jongetje had een dikken stok in de hand. Vóór hem kroop een hond over den grond. 0, wat een wreede jongen! Parto was woedend, want hij hield veel van dieren en kon niet zien, dat een arme hond zóó werd geslagen. ,,Sla mij eens, als je durft,” en hij hield hem de vuist onder den neus. Toen hield de jongen op met slaan. Op dit moment wordt het papier weggenomen. (Nog een oogenblik van stille beschouwing).

,,Dat zal ik gauw aan mijnheer vertellen,” zei hij. ,,lk liel) Hollandsch geleerd,” zoo dacht hij, „en ik zal het mijnheer in het Hollandsch zeggen ook.”

la poekoel — Hij slaat. En onder het loopen zei hij maar steeds: Hij slaat, hij slaat. Zóó was hij eerder bij het huis van mijnheer dan hij verwacht had en terwijl hij nog maar steeds riep: hij Slaat, hij slaat, liep hij tegen een der bedienden aan.

,,Hola, Parto, wat scheelt jou?”

,,Ik moet dadelijk naar mijnheer toe.”

,,Dat zal niet gaan, kereltje! Kijk maar eens; daar zit mijnheer en ik durf hem niet te storen, want hij leest.”

Parto bleef stil staan, en in plaats van hij Slaat, herhaalde hij nu in het Hollandsch, terwijl hij naar mijnheer wees: Hij leest. (Op dit moment wordt het 4de plaatje ont .... bloot).

Hij leest. Hij leest. Hij leest. (Door den onderwijzer).

Wat riep Parto maar steeds onderweg?

Jij, Simin: Hij slaat. Jij, Koesno: Hij slaat, enz. enz.

Wat riep hij, toen hij mijnheer zag?

Hij leest. Jij: Hij leest.

Dit wordt door minstens 10 kinderen zoo herhaald.Nu allemaal tegelijk:

Hij slaat. Hij leest.

Kom, Ketjil, ga daar eens voor de klas staan.

(Stil tot hem: Doe alsof je slaat, hier is een stok).

Wat doet hij, J.? Hij slaat.

Wat doet hij, P.? Hij slaat, enz. (5 gt;lt;)

(Stil tot hem: Doe alsof je leest; hier is een boek).

Wat doet hij, J.? Hij leest. (5 gt;lt;nbsp;1

-ocr page 119-

117

(Stil tot hem : Doe alsof je schrijft).

Wat doet hij, — ? Hij schrijft (5 gt;lt;).

(Stil tot hem: Doe, alsof je schiet).

Wat doet hij? Hij schiet (5 x)

(Stil tot hem: Doe nu, wat je wilt, door elkaar).

Wat doet hij? Hij Slaat.

Hij schiet.

Hij leest.

Hij schrijft.

Dan wijst de onderwijzer de plaatjes aan en geeft vlug achter elkaar verschillende 11. een beurt: hij schrijft — hij slaat — hij leest — hij schrijft — hij schiet — hij slaat, enz.

Dan een der jongens zeggen: hij slaat — en een ander moet het plaatje aanwijzen, enz.

Dan ten slotte allen samen: hij schrijft — hij schiet — hij slaat — hij leest.

4 de Les.

Parto durfde mijnheer niet storen. Hij zou dus maar naar huis teruggaan. Maar wat zag hij daar op den grooten weg? Hij werd bleek van woede. Een waronghouder gaf een hond, die een sateh van zijn warong had gestolen, omdat hij zoo’n honger had, zoo’n schop, dat het arme dier jankend wegholde.

(Het papier wordt van het 5de plaatje weggenomen). Zie: la ter-adjang, hij schopt. (Nu een oogenblik van beschouwing en laten nazeggen van: hij schopt).

Parto was wel een beetje bang voor zoo’n grooten man. Anders had hij hem wel met een stok willen afranselen. Het arme dier wist immers niet, dat het dit niet doen mocht. En hoe mager was liet beest ook niet! Waarom gaf zijn baas hem ook geen eten? Wat een wreede man toch! Parto keek met bleek gezicht en nijdige oogen den wreeden waronghouder aan. Maar hij durfde niets tegen hem te zeggen. In de verte zag hij den hond in een pagger kruipen. Parto er vlug naar toe. Het arme dier lag daar stil met den kop op den grond, zacht jankende van de pijn. Het keek Parto aan. Met zijn oogen scheen het te willen zeggen: „Doe mij toch geen kwaad; ik heb zoo’n pijn en ook zoo’n dorst. Geef mij wat water.” Parto begreep het. Hij liep gauw het erf van een huis van een Europeaan op en vroeg den kebon een flesch met water. De kebon haalde gauw een flesch en ging er mee naar den put. Zie (en hier wordt het 6de plaatje ontbloot), daar is de kebon bij den put: la isl botol, hij vult. (Weer een oogenblik van stille beschouwing van het plaatje en nazeggen van: hij vult. Even maakt hij het verhaaltje uit). Parto rende naar den

-ocr page 120-

118

hond toe en goot een beetje water op den bek van het beest. Dat deed den hond goed. Hij kroop weer op en volgde Parto naar zijn huis. Altijd is de hond bij Parto gebleven en Parto is altijd een goede baas voor hem geweest.

De onderwijzer wijst plaatje No. 5 aan en hij zegt: hij schopt — hij schopt; dan wijst hij ’t zesde aan en zegt: hij vult — hij vult. Nu de twee plaatjes na elkaar aanwijzen, zeggende hij schopt — hij vult.

Simin, kom hier, en boots plaatje No. 5 na.

Wat doet hij, Ketjil? hij schopt.

Wat doet hij, J.? hij schopt. (5 gt;lt;)

Wirio, hier is een emmer en een flescli — vul de tlescli.

Wat doet hij, K.? hij vult.

Wat doet hij, A.? hij vult. (5 gt;lt;)

Twee jongens moeten hier komen, de eene mag plaatje No. 5 nabootsen, de andere No. 6.

Wat doet hij? (wijzende op: hij schopt).

Hij schopt.

Wat doet hij ? (wijzende op den anderen jongen).

Hij vult.

Dit wordt door verscliillende 11. herliaald. 'l’en slotte roept de geheele klasse, terwijl allen met den vinger eerst naar den eenen jongen wijzen: hij schopt, en daarna wijzende naar den anderen jongen: hij vult. Wanneer dit voldoende beoefend is, wordt in deze les al het geleerde van plaat I herhaald. Dit geschiedt op verschillende wijzen.

6 jongens voor de klas. Ieder stelt een der plaatjes voor. Telkens mag een der andere leerlingen zijn plaats verlaten, naar een der 6 jongens toe gaan en in liet Hollandsch zoggen:

hij schrijft of hij leest, enz.

Of: de onderwijzer of een jongen verricht door elkaar de verschillende werkingen, terwijl een der 11. mag roepen:

hij slaat — hij vult, enz.

De onderwijzer wijst een der plaatjes aan, terwijl telkens een der 11. wordt opgenoemd, die het Hollandsch moet zeggen: hij schrijft, enz.

hij schrijft — hij schiet, enz.

-ocr page 121-

119

plaatje aan, b.v. onder den uitroep van hij slaat wijst hij het plaatje * No. 5 (hij schopt) aan. De kinderen protesteeren door te roepen: hij schopt.

ƒ. Ten slotte eenige malen door de geheele klasse samen vlug achter elkaar, terwijl de onderwijzer de plaatjes aanwijst: hij schrijft, hij schiet, hij slaat, hij leest, hij schopt, hij vult.

Samenvatting

van

PLAAT I, II en III.

Inleiding.

Plaat I1 en 1II worden op dezelfde wijze behandeld als plaat 1.

Elke les begint en eindigt met een repetitie van al het geleerde, zoodat de geleerde woorden er muurvast in komen.

Na de uitvoerige behandeling van plaat I zal het wel niet noodig zijn op dezelfde wijze do behandeling van plaat II en III aan te geven. Ieder is in staat een eenvoudige vertelling samen te stellen, al is het niet van de geheele plaat, dan toch zeker van een gedeelte, waarin de plaatjes tot een stukje werkelijkheid worden gebraclit.

Alleen wanneer de oefeningen in aard en moeilijklieid veranderen, zal liiervan uitvoerig een voorbeeld worden gegeven. Zoo zal na de behandeling van plaat II aan de orde komen het gebruik van hij en zij. Daarbij sluit zich dan vanzelf aan het gebruik van Nederlandsche voornamen, die de 11. moeten kennen en welke dikwijls worden gehoord. We geven nu een serie lessen, die na de behandeling van plaat I, II en III gegeven kunnen worden.

1 ste Les.

Voor de klasse hangen plaat I, II en III. Begonnen wordt met de repetitie van alle geleerde zinnetjes. De onderwijzer wijst de plaatjes aan en een uit de klasse zegt: hij schrijft, hij schiet — een ander: hij slaat, hij leest, enz.

Twee tafeltjes worden nu voor de klasse geplaatst. Aan het eene wordt een jongen gezet, aan het andere een meisje. Beide kinderen moeten gaan schrijven.

De jongen wordt Piet genoemd, het meisje Anna.

Parto, zeg jij eens in ’t Hollandsch, wat P. doet.

Piet schrijft.

S., wat doet Anna? Anna schrijft.

-ocr page 122-

120

Wijs met den vinger eerst naar den jongen en dan naar het meisje en zeg, wat ze doen.

Hij schrijft. Zij schrijft.

De onderwijzer gaat ook aan het schrijven en zegt: Als ik vraag om te zeggen, wat ik doe, dan moeten jullie zeggen; U schrijft.

Allo, jongens, opgelet! en zegt achter elkaar, wat Piet doet, wat Anna doet, wat ik doe.

Piet schrijft. Anna schrijft. U schrijft.

Twee andere kinderen moeten voor de klasse komen en precies doen, wat de onderwijzer doet. Deze doet, of liij schiet.

Soemo, zeg op, wat Jan doet, wat P. doet, wat ik doe.

Jan schiet. Piet schiet. U schiet.

Wijs aan met den vinger en zeg, wat gedaan wordt.

Hij schiet. Zij schiet. U schiet.

Op deze wijze worden vlug alle plaatjes doorloopen. Daarna komt aan de orde het noemen van verschillende werkingen, die gelijktijdig worden verricht en als antwoord komt er dan;

Piet schrijft. Marie leest. U schiet, enz. en met den vinger aanwijzende:

Hij schrijft. Zij leest. U schiet.

Bij deze oefening kan heel wat variatie worden aangebracht, waardoor de oplettendheid der klasse wordt verhoogd, en dus de oefeningen vlotter gaan, het spreken gemakkelijker wordt en de vaardigheid verbazend toeneemt. Niet genoeg kan er de nadruk op gelegd worden, dat er actie moet zijn voor de klasse, afwisseling in werking, waardoor de phantasie der kinderen geprikkeld wordt, zoo gelieel in overeenstemming met het wezen van het kind; het kind leeft meer in phantasie dan wij veronderstellen. Er ontstaat een wedstrijd tusschen de kinderen, wie het vlugst, het meest achter elkaar kan zeggen. Ik stel mij voor, dat er heel wat animo in de klasse zal zijn, als er b.v. zulk een tooneeltje voor de klasse wordt afgespeeld, dat er gezegd zal moeten worden;

Koesno slaat, Sirnin schopt, .... schiet, .... rookt, U veegt, enz.

Daarna vlug alle plaatjes aanwijzen en opnoemen tot slot van de les.

2de Les.

Voor de klasse hangen plaat I, II en III. Begonnen wordt met een repetitie van alle geleerde zinnetjes (Zie Les I).

De onderwijzer staat voor de klas. Achter zich zet hij een jongen en zegt: Gij moogt doen, wat ge wilt. Boots een der plaatjes na. Kinderen, ik kan niet zien, wat hij doet en daarom zal ik het jullie vragen. Ik zal jullie

-ocr page 123-

121

een voorbeeld geven. Ga achter mij staan, Koesno. Je heet Piet. Doe, alsof je schrijft.

Simin, nu vraag ik: Schiet hij ? Dan zeg je: Neen, (en de onderwijzer schudt van neen). Begrepen? Vooruit, Piet, doe, alsof je schrijft.

Rookt hij ? Neen.

Vult hij? Neen, enz.

Schrijft hij? Dan moet je zeggen: Ja, hij schrijft, (en de onderwijzer knikt van ja).

Vooruit, Piet, je kunt doen, wat je wil.

Piet gaat staan.

Rookt hij ? Neen.

Bakt hij? Neen.

Ten slotte raadt de onderwijzer het en er komt:

Slaat hij? Ja, hij slaat.

Nu neemt de onderwijzer twee kinderen. Een mag doen, wat hij wn; de andere moet vragen.

De jongen gaat rooken en de ander ;^raagt aan de klasse: Schrijft hij ? Neen.

Veegt hij? Neen, enz., tot de jongen het ten slotte raadt.

Er is al weer actie in de klasse.

De onderwijzer zorgt op den achtergrond te blijven en laat de 11. zooveel mogelijk begaan. Vanzelf neemt de geheele klasse aan het beantwoorden deel en luid zal het klinken, als het geraden wordt:

Ja, hij rookt.

Een meisje wordt voor de klasse geplaatst. Vóór haar komt een ander kind, dat mag vragen en het spelletje begint weer, thans op een andere manier. Het meisje doet, alsof ze leest. Het vóór haar geplaatste kind vraagt: Naait zij ? Neen, (roept de onderwijzer) zij leest.

Doe dat nu na, jij daar, Sidin! (tot een van de klasse).

Het meisje doet, alsof ze veegt. Het vóór haar geplaatste kind vraagt:

Vult zij? Een uit de klasse: Neen, zij veegt.

Het meisje doet weer wat anders (schrijven).

Schrijft zij ? Een uit de klasse: Ja, zij schrijft.

Ten slotte een vlugge repetitie van de 3 platen. De onderwijzer wijst een der plaatjes aan, b.v. in volgorde en vraagt:

Schrijft hij ? De klasse antwoordt: Ja, hij schrijft.

Leest hij ? nbsp;nbsp;„ nbsp;nbsp;nbsp;„ nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;„ Neen, hij schiet.

enz.

-ocr page 124-

12-2

3 de Les.

Voor de klasse hangen plaat I, II en III. Begonnen wordt met een repetitie van alle geleerde zinnetjes.

Een tafeltje wordt voor de klasse geplaatst; een leerling zit er voor te lezen.

Zeg, Moesto, als ik je vraag: ,,Schrijf jij,” wat zeg je dan? ,,Neen, ik lees.”

En als ik je vraag: ,,Lees jij,” wat zal je dan antwoorden? ,,Ja, ik lees.”

Nu willen we Hollandsch spreken. Vooruit, ga schrijven en nu goed luisteren, hoor!

Schrijf jij ? en zeg nu: Ja, ik schrijf.

Wie hoort duidelijk het verschil tusschen:

Schrijft hij ? en Schrijf jij?

Door dikwijls duidelijk voor te zeggen, zal het niet moeilijk vallen, dit in eens de 11. eigen te doen worden — verdere oefening geeft de vaardigheid en daarvoor zorgt het verdere gedeelte der les.

Komaan, Parto, doe, alsof je schrijft.

Schrijf jij ? Ja, ik schrijf.

Goed zoo, nu een ander.

Kom hier, en doe, alsof je schiet.

Schrijf jij? Neen, ik schiet.

Het gaat prachtig; alweer een ander; doe, alsof je slaat.

Sla jij? Ja, ik sla, enz. Het zal dikwijls noodig zijn, dat de onderwijzer voorzegt, verbetert, — dan maar weer eens van het begin af aan, of een keer meer dezelfde woorden. Er zit heel wat oefening in de 3 X 0 plaatjes van plaat I, II en III.

Wil men nog een andere manier, om vlug deze soort van oefeningen te behandelen of te herhalen? Ziehier nog een wijze van doen, die niet nalaten zal de leerlingen er bij te doen zijn, en het kan niet dikwijls genoeg herhaald worden: belangstelling is de eerste factor voor goed leeren.

Een der platen wordt op een stoel gezet. Een der jongens mag er achter staan, een er vóór met een stok in de hand.

Zeg, Ali achter de plaat, jij moet antwoord geven, hoor! Jij bent de man, die op het plaatje staat afgebeeld.

Als Soedarman nu het eerste plaatje aanwijst en roept: Schrijft hij ? dan roep je achter de plaat luid: Ja, ik schrijf.

Vooruit, het spel begint.

Schrijf jij? en luid klinkt het van achter de plaat: Ja, ik schrijf.

Schiet hij? Ja, ik schiet.

Nog anders:

Een jongen wordt geblinddoekt en mag met een stok een der plaatjes

-ocr page 125-

123

aanwijzen en dan, meenende, dat hij het 2e plaatje aanwijst, vragen: Schiet hij? waarop er als antwoord volgt, omdat het 4de plaatje is aangewezen:

Neen, ik lees.

Genoeg is nu aangegeven, dat er tal van manieren zijn, om prettig bezig te zijn, veel te spreken in vraag en antwoord, waardoor de zinnen het eigendom worden der leerlingen.

Spreken en doen tegelijk, dat is de manier om een vreemde taal te leeren: verbinding van woord en zaak in plaats van woord en woord, bevordert het denken in een vreemde taal.

Ten slotte volgt steeds op het einde der les een vlugge herhaling van al het geleerde, eerst één leerling, daarna klassikaal.

De leerlingen merken dan, dat ze werkelijk vorderingen hebben gemaakt: op het eind der les voelen zij, dat het beter gaat dan in het begin en dat is een heele voldoening voor hun inspanning.

4de Les.

[Algemeene herhaling.)

Het lijkt me niet onnoodig een schets te geven van een herhalingsles. Doel liiervan is: bevestiging van het geleerde, oefening in het vlug uitspreken en in het combineeren.

De 3 platen hangen voor de klas.

Hij schrijft — hij schiet.

Hij slaat hij leest.

Hij schopt hij vult.

Draai je om en kijk naar de klas en zeg nog eens, wat er op de 6 plaatjes staat.

S., kom jij hier en doe hetzelfde met plaat II.

Hij plukt — hij rookt, enz.

Draai je om en nu uit het hoofd.

Evenzoo van plaat III.

Piet schrijft — Mijnlieer schiet.

Jan slaat — Mijnheer Jansen leest.

Klaas schopt — Gerrit vult.

Draai je om en zeg het nog eens tegen de klas.

Evenzoo plaat II en III.

-ocr page 126-

124

Wie kan nu alle 3 achter elkaar namen geven? Vooruit maar, achter elkaar, door elkaar.

U schrijft - U schiet.

Noem ze nu jij: jij schrijft — jij schiet, enz.

Noem de groote menschen nu U en de kinderen jij.

Begin maar.

Jij schrijft — U schiet, enz.

Schrijft U? Schiet U?

Slaat U? Leest U?

Schopt U? Vult U?

Nu met jij.

Schrijf jij ? enz.

Evenzoo de andere plaatjes.

Schrijf jij? Ja, ik schrijf.

Schiet U? Ja, ik schiet, enz.

Schrijft hij? Ja, hij schrijft, enz.

Nu zoo, dat er neen gezegd moet worden.

Leest hij? Neen, hij schrijft.

Schrijft hij? Neen, hij schiet, enz.

Nu zoo, dat ja en neen door elkaar komt.

We kunnen nu zeggen;

hij plukt en zij plukt.

Doe zoo met alle plaatjes.

Hij schrijft en zij schrijft.

-ocr page 127-

-ocr page 128-