tóö/V i.££^^ jDA^sre/^MA/T.
ff nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;- nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;-........----- nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;---
ROOD, WIT EN BLAUW
EERSTE VOORLOOPER
VAN
MIJN HOLLANDSCH BOEK
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT l■H■nl■ll■■
3942 9620
-ocr page 4- -ocr page 5-^ ==: ^========= =^^========== =======^^
ROOD, WIT EN BLAUW
EERSTE VOORLOOPER
VAN
MIJN HOLLANDSCH BOEK
NAAR AANLEIDING DER SPREEKOEFENINGEN
VOOR
HOLLANDSCH-INLANDSCHE SCHOLEN DOOK
J. W. CROES
ELFDE DRUK
RIJSWIJK (Z.-H.) — BLANKWAARDT amp;nbsp;SCHOONHOVEN
-ocr page 6- -ocr page 7-Pl. Nquot;. 2.
6
Pl. Nquot;. 3.
|
Nquot;. 1. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
9 | ||||
| ||||
|
3. Slaat hij? enz. |
|
Nquot;. 5. Jij — je. | |
|
Ja, ik schrijf. Ja, ik schiet. |
|
N\ 6. | |
|
Ja, ik schrijf. Ja, ...... |
| ||
|
1. Schrijf ik? enz. toi 18 |
Pl. N®. 4.
10
Pl. N’. 6.
Il
Pl. N“. 6.
12
13
N”. 8.
Oversc/mjven (Ze otxZersc/trifZen van äe ßZaai^es oj) 6k. 10, 11 en 12.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Hij schrijft en hij schrijft niet.
2. nbsp;nbsp;nbsp;enz.
N«. 9.
Wat?
Zie de plaatjes op 6tz. 5, 6 en 7.
|
1. |
Wat schrijft hij? |
Hij schrijft een brief. |
|
2. |
Wat schiet hij? |
Hij schiet een vogel. |
|
3. |
........? |
Hij slaat een hond. |
|
4. |
........? |
Hij leest een krant. |
|
5. |
........? |
Hij schopt een hond. |
|
6. |
? |
Hij vult een flesch. |
|
7. |
........? |
Hij plukt een bloem. |
|
8. |
........? |
Hij rookt een sigaar. |
|
9. |
? |
Hij vangt een visch. |
|
10. |
? |
Hij trekt een kar. |
|
11. |
........? |
gij draagt een kind. |
|
12. |
........? |
gij naait een baadje. |
|
13. |
.......? |
gij strijkt een jas. |
|
14. |
........? |
gij plukt een bloem. |
|
15. |
? |
gij schilt een vrucht. |
|
16. |
.......? |
gij bakt een visch. |
|
17. |
........? |
gij slijpt een mes. |
|
18. |
........? |
gij veegt het erf. |
14
NO; 10.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat schrijf jij? Ik schrijf een brief.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat schiet jij? enz.
T^an 3 éoé 18.
N“. 11.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat schrijf ik? Ik schrijf een brief.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat .... ? enz.
Fan 3 ioi 18.
Nquot;. 12.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat schrijft u? Ik schrijf een brief.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat . . , . ? enz.
Fan 3 iof 18.
NO. 13.
Wie?
Zie de jiiaatjes op èiz. ö, 6 en 7.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wie schrijft? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Hij schrijft.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wie schiet? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Hij schiet. Fan 3 ioi 18. N®. 14. 1 . nbsp;Wie schrijft een brief? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;De klerk schrijft een brief.
2 . nbsp;Wie schiet een vogel? nbsp;nbsp;nbsp;De jager ......
3.........? nbsp;nbsp;nbsp;De jongen ......
4.........? nbsp;nbsp;nbsp;De heer ......
5.........? nbsp;nbsp;nbsp;De man ......
6.........? nbsp;nbsp;nbsp;De huisjongen nbsp;... nbsp;.
7 . ..... nbsp;nbsp;nbsp;? nbsp;De jongen ......
8 . . , . nbsp;nbsp;nbsp;.. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;? De man .....
15
9.........? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;De visscher .
10.........? nbsp;nbsp;nbsp;De koelie.
11.........P nbsp;nbsp;nbsp;De vrouw
12.........? nbsp;nbsp;nbsp;De baboe.
13 nbsp;nbsp;nbsp;.........? nbsp;nbsp;nbsp;De meid .
14.........? nbsp;nbsp;nbsp;Het meisje
15.........? nbsp;nbsp;nbsp;Het meisje
16 nbsp;nbsp;nbsp;.........? nbsp;nbsp;nbsp;De kokki.
17.........? nbsp;nbsp;nbsp;De baboe.
18.........? nbsp;nbsp;nbsp;De vrouw
Nquot;. 15.
1. nbsp;nbsp;nbsp;M'at schrijft de klerk?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat schiet de jager ?
Fan 3 ioi 18.
De klerk schrijft eeu brief.
N». 16.
Wat doet hij? Wat doet zij ? Wat doe ik?
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hij?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doe jij?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet zij ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hij?
5. Wat doe ik?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doe jij?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet zij?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hij?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doe je?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet zij?
Hij schrijft, maar ik schrijf niet Ik lees, maar zij .....
Zij naait, maar ik ...
Hij slaat, maar jij .
Ik lees, maar jij .....
Hij schiet, maar ik ... .
16
N». 17.
De klerk schrijft een brief.
De jager schiet een vogel.
1. nbsp;Wat doet de klerk?
2. nbsp;Wat doet de jager?
3. nbsp;Wat.....?
enz. iof 18.
N®. 18.
Zie de jilaaljes op èlz. 10, 11 en 12.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de klerk niet? De klerk schrijft niet.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de jager niet?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat ......? enz. tol 18.
N“. 19.
Geen.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de klerk niet? De klerk schrijft ^een brief.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de jager niet?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat ......? enz. lof 18.
N». 20.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De klerk slaat geen nbsp;..... maar hij schrijft . . .
2. nbsp;nbsp;nbsp;De jager schrijft geen . ..., maar .........
3. nbsp;nbsp;nbsp;De jongen leest geen ..... maar nbsp;........
4. nbsp;nbsp;nbsp;De heer schopt geen ..... maar nbsp;.........
5. nbsp;nbsp;nbsp;De visscher naait geen . nbsp;nbsp;.., maar .........
6. nbsp;nbsp;nbsp;De naaister bakt geen . ..., maar .........
7. nbsp;nbsp;nbsp;De kokki draagt geen . . .., maar .........
8, nbsp;nbsp;nbsp;De huisjongen schiet geen . . , maar .........
17
N’. 21.
Zie de piaaijes oj)Hz. 10, 11 en 12.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Schrijft hij een brief? Ja, hij schrijft een brief.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Schiet hij een vogel?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Slaat hij een hond ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Leest hij een krant ?
enz. Éoi 18.
N’. 22.
Zie de slaafjes o^ Hz. 10, 11 en 12.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Schrijft hij geen brief? Neen, hij schrijft geen brief.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Schiet hij geen vogel?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Slaat hij geen hond?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Leest hij geen krant ?
enz. toi 18.
J. W. Croes, Eood, Wit en Blauw. I.
-ocr page 20-Pl. N”. 7.
18
Pl. N“. 8.
19
Pl. N“. 9.
20
21
N“. 23.
Overxchrÿven de onderscAriflen van de p/aafjes op èiz. 18, 19 en 20.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De vogel vliegt.
2. nbsp;nbsp;nbsp;enz.
|
Nquot;. 24. | ||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||
Pl. N“. 10.
22
Pl. N®, ll.
23
Pl. N®. 12.
24
Pl. Nquot;. 13.
25
26
K. N». 15.
27
Pl. N’. 16.
28
29
30
Pl. N®. 19.
31
32
33
12. De fiets staat tegen een boom.
3
-ocr page 36-Pl. N®. 22.
34
36
Nquot;. 26. in. 0verscàr^'ven de onderschriften van de j)taatJes op 6tz. 22 en 23.
N’. 27.
Op.
Overschrijven de onderschriften van de ptaatjes op htz. 24 en 23
|
Idem met |
Onder |
N®. 28. |
27. |
|
op ôlz. 26 en | |||
|
Idem met |
Voor |
N®. 29. op 6tz. 28 en |
29 |
|
Idem met |
Achter |
N®. 30. op ôlz 30 en |
31 |
|
Idem met |
Tegen |
N®. 31. op ôtz. 32 en |
33 |
|
Idem met |
Over |
N®. 32. op ôtz. 34 en |
36 |
N®. 33.
Zie de ptaatjes op btz. 22 en 23.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waar zit de vogel in ? Waarin zit de voge| p
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar zit ik in ? Waarin zit ik?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waar lees ik in ? enz. tot 12.
37
N®. 34.
Zie de plaatjes oj)ik. 24 en 26.
1. Waar zit de vogel op? Waarop zit de vogel?
Zoo doorj/aan lof 12.
N». 35.
Zie de jj/aatjes op 6iz. 26 en 27.
1. Waar rolt de bal onder? Waaronder rolt de bal?
N®. 36.
Zie de piaaijes op 6iz. 28 en 29.
1. Waar loopt de karbouw voor?
Waarvoor loopt de karbouw ?
N®. 37.
Zie de plaatjes op 6lz. 30 en 31.
1. Waar staat de stal achter? Waarachter staat de stal?
N®. 38.
Zie de plaatjes op 6lz. 32 en 33.
1. Waar staat de ladder tegen? Waartegen staat de ladder?
N®. 39.
Zie de plaatjes op ólz. 34 en 36.
1. Waar valt hij over? Waarover valt hij?
-ocr page 40-38
N“. 40.
|
Zie de plaatjes oj)
Il? |
biz. 22 en 23. Ja, de vogel zit in de kooi. Ja, hij zit in de bank. Ja, hij leest in een boek. Ja, ......... Ja, Ja, ......... Ja, ......... Ja, ......... Ja, ......... Ja, ......... Ja, ......... Ja, ......... |
N®. 41.
Zie de plaaljes oj iblz. 24 en 26.
1. Zit de vogel op de kooi? Ja, de vogel zit op de kooi. Zoo doorgaan als in oefenin g/ 40.
N». 42.
Zie de ßlaaljes op blz. 26 en 27.
1. Rolt de bal onder de kast? Ja, de bal rolt onder de kast.
N“. 43.
Zie de plaatjes op blz. 28 en 29.
1. Loopt de karbouw voor de kar? Ja, enz.
-ocr page 41-39
N». 44.
Zie (^e J )laatjes oj )6^2. 30 en 31.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Staat de stal achter het huis? Ja, em.
Nquot;. 45.
Zie de ^iaaijes op 6^2. 32 en 33.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Staat de ladder tegen de boom? Ja, en2.
N“. 46.
Zie de plaatjes op 612. 34 en 36
1. nbsp;nbsp;nbsp;Valt hij over een steen? Ja, en2.
N”. 47.
Zie de plaatjes op ÔI2. 22 en 23.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Zit de vogel op de kooi?
Neen, de vogel zit niet op de kooi, maar in de kooi.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Zit de jongen onder de bank?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Springt de jongen over de kali?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Staat de tafel voor de kamer?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Is de hond voor het hok?
Zie de plaatjes op ÔI2. 24 en 2Ô.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Zit de vogel in de kooi?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Zit de kip onder het nest?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Slaapt hij in een bed?
9. nbsp;nbsp;Zit de jongen onder de stoel ?
10. nbsp;nbsp;Staat het glas onder de tafel?
40
Zie de plaatjes op èlz. 26 en 27.
11. nbsp;nbsp;nbsp;Loopt de muis op de kast?
12. nbsp;nbsp;nbsp;Zit de jongen op de tafel?
13. nbsp;nbsp;nbsp;Kruipt het kind op het bed?
14. nbsp;nbsp;nbsp;Zit de kip achter de mand?
15. nbsp;nbsp;nbsp;Loopt de hond voor de kar?
16. nbsp;nbsp;nbsp;Ligt het boek op de lei?
N». 48.
Zie de plaatjes op llz. 28 en 29.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Loopt de karbouw achter de kar?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Speelt het kind achter het huis?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Ligt de baboe in het bed?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Staat de jongen naast de kast?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Zit de kebon naast mevrouw?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Staat de kar in de toko?
Zie de plaatjes op èlz. 30 en 31.
7. nbsp;nbsp;nbsp;Staat de stal voor het huis?
8. nbsp;Loopt de man naast de kar?
9. nbsp;Loopt de hond voor de man?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Zit de heer naast de koetsier?
11. nbsp;nbsp;nbsp;Kruipt de tjitjak op de spiegel?
Zie de plaatjes op èlz. 32 en 33.
12. nbsp;nbsp;nbsp;Staat de ladder in de boom?
13. nbsp;nbsp;nbsp;Leunt de man op de muur?
14. nbsp;nbsp;nbsp;Hangt de spiegel op de muur?
16. Vaart de boot naast de prauw?
16. Staat de fiets voor de boom?
-ocr page 43-41
N». 49.
Invullen .•
1. nbsp;nbsp;nbsp;De ladder staat — de boom. 2. Het kind zit de slendang. 3. De visch zwemt — het water. 4. Het paard loopt — de kar. 5. De blinde loopt — de boom. 6. Het kind slaapt — het bed. 7. De bal rolt — de kast. 8. Ik schrijf — een schrift. 9. De vlieger hangt — de boom. 10. Het ei ligt — de kip. nbsp;ll. nbsp;Het ei ligt nbsp;nbsp;nbsp;het nest.
12. De baboe ligt — het bed. nbsp;13. De stal staat nbsp;nbsp;nbsp;het huis.
14. Ik baad — nbsp;de pantjoeran. nbsp;15. nbsp;Ik zit nbsp;nbsp;nbsp;de stoel. 16. Jij zit — de bank. 17. Ik slaap — de klamboe. 18. De plank ligt — de kali. nbsp;19. nbsp;De hond blaft nbsp;nbsp;nbsp;het kind.
20. De spiegel hangt — de muur.
N». 60.
Wat?
1. nbsp;nbsp;nbsp;De karbouw trekt —. 2. De klerk schrijft . 3. De jager schiet —. 4. Het meisje plukt —. 5. De jongen slaat —. 6. Hij schopt -. 7. Ik vul —. 8. De heer rookt __. 9. De visscher vangt —. 10. De naaister naait . 11. De kokkin bakt —. 12. De baboe draagt . 13. De meid strijkt —. 14. De grasman snijdt —. 15. De heer leest •
N”. 51.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Een vogel zit in de l:ooi. In de kooi zit een vogel.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Een jongen zit in de 6ank.
3. nbsp;Een vlieger hangt in een èoom.
4. nbsp;nbsp;nbsp;De tafel staat in de kamer.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Ik schrijf in een sc^riff.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Een vogel zit op de kooi.
7. nbsp;nbsp;nbsp;Een kip zit op Ael nesl.
42
8. nbsp;nbsp;nbsp;Tk schrijf 07? ee; zlei.
9. nbsp;nbsp;nbsp;Een man zit (^ een sloel.
10. nbsp;nbsp;nbsp;Een glas staat op de lafel.
11. nbsp;nbsp;nbsp;Een karbouw loopt voor een l:ar.
12. nbsp;nbsp;nbsp;Een hond ligt voor de denr.
13. nbsp;nbsp;nbsp;De stal staat acAler hel huis.
14. nbsp;nbsp;nbsp;Een stoel staat voor de hast. lö. Een ladder staat iepen een hoorn.
16. nbsp;nbsp;nbsp;Een plank ligt over de halé
17. nbsp;nbsp;nbsp;Een dief klimt over de papper.
18. nbsp;nbsp;nbsp;De vogel vliegt over het huis.
19. nbsp;nbsp;nbsp;Een spiegel hangt tepen de muur.
20. nbsp;nbsp;nbsp;Een jongen zit onder de tafel.
43
|
1. |
Een |
aap. |
7. |
Een |
rat. |
13. |
Een |
geit. |
19. |
Een |
visch. |
|
2. |
Een |
paard. |
8. |
Een |
eend. |
14. |
Een |
schaap. |
20. |
Een |
vlinder. |
|
3. |
Een |
hond. |
9. |
Een |
gans. |
15. |
Een |
kip. |
21. |
Een |
tor. |
|
4. |
Een |
koe. |
10. |
Een |
vogel. |
16. |
Een |
mier. | |||
|
5. |
Een |
kat. |
11. |
Een |
rups. |
17. |
Een |
slang. | |||
|
6. |
Een |
muis. |
12. |
Een |
worm. |
18. |
Een |
karbouw. |
Pl. N». 26.
Dingen uit het huis.
Üf/Cd^rulil.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Een stoel.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Een tafel.
3. nbsp;nbsp;nbsp;Een kast.
4. nbsp;nbsp;nbsp;Een spiegel.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Een lamp. 7. Een buffet.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Een schilderij.
45
N“. 52.
Dieren.
Wat is dit? Dit is een aap.
Zoo vraa^ en aniwoord opscAri^ven.
N*’. 53.
Dit — dat.
1. nbsp;nbsp;Dit is een aap en dat is een paard.
2. nbsp;Dit is een hond en dat ....
N®. 54.
Dingen uit het huis.
1. Wat is dit? Dit is nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;.
N“. 55.
Dit is een stoel en dat is een tafel.
-ocr page 48- -ocr page 49-47
N®. 56.
Verschillende dingen.
|
Schrijf over ; | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
N®. 57.
Wat is dit ? Dit is een mes.
N». 58.
l. Dit is een mes en dat is een vork.
-ocr page 50-48
Waar?
49
N“. 59.
|
Zz«? de plaatjes oj) de vorige èladztÿde. Waar? | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
J W. Croes, Hood, Wit en Blauw. I.
-ocr page 52-Pl. N“. 28.
50
-ocr page 53-51
N». 60.
ScÂr/ÿf over:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Het paard loopt aan een touw.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De visch hangt aan een haak.
3. nbsp;nbsp;nbsp;De lamp hangt aan de zolder.
4. nbsp;nbsp;nbsp;De hoed hangt aan de kapstok.
5. nbsp;nbsp;nbsp;De spiegel hangt aan een spijker.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Een bloem hangt aan de lamp.
7. nbsp;nbsp;nbsp;De hond ligt aan een ketting.
8. nbsp;nbsp;nbsp;De kooi hangt aan een touw.
9. nbsp;nbsp;nbsp;De jongen trekt aan een touw.
10. nbsp;nbsp;nbsp;De poot zit aan de tafel.
11. nbsp;nbsp;nbsp;De schoen is aan de voet.
12. nbsp;nbsp;nbsp;De knoop zit aan de jas.
N». 61.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Loopt het paard aan een touw?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Hangt de visch aan een haak? enz.
N». 62.
1. nbsp;nbsp;nbsp;ß. Waaraan loopt het paard?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar loopt het paard aan?
2. nbsp;nbsp;nbsp;a. Waaraan hangt de visch?
lt;5. Waar hangt de visch aan?
-ocr page 54- -ocr page 55-53
N“. 63.
Om — naar — uit — met — van.
Sa^r^f over:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Het lint is om de hoed.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De band is om het wiel.
3. nbsp;nbsp;nbsp;De ketting is om de hals.
4. nbsp;nbsp;nbsp;Hij drinkt ui/ een glas.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Het water loopt uil de tuit.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Hij gaat naar de school.
7. nbsp;nbsp;nbsp;De huisjongen gaat naar de toko.
8. nbsp;nbsp;nbsp;De man gaat naar de niissigit.
9. nbsp;nbsp;nbsp;Hij eet mei een lepel.
10. nbsp;nbsp;nbsp;Hij snijdt mei een mes.
11. nbsp;nbsp;nbsp;De ring is om de vinger.
12. nbsp;nbsp;nbsp;De hond eet van een bord.
13. nbsp;nbsp;nbsp;Hij valt ui/ de boom.
14 nbsp;nbsp;nbsp;Hij valt van. de kar.
Nquot;. 64.
Vraag en Antwoord.
1. nbsp;nbsp;nbsp;a. Waar is het lint om?
Het lint is
è. Waarom is het lint?
2. nbsp;nbsp;nbsp;a. Waar is de band om?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waarom is de band?
3. nbsp;nbsp;nbsp;a. Waar is de ketting om ? enz.
No. 65.
1. Is het lint om de hoed? Ja, het lint is om de hoek
-ocr page 56- -ocr page 57-55
N“. 66.
iScAr2jf over .•
1. nbsp;nbsp;nbsp;De kat vangt een muis.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De eend zwemt in het water.
3. nbsp;nbsp;nbsp;De gans loopt op het erf.
4. nbsp;nbsp;nbsp;De rups kruipt op' het blad.
5. nbsp;nbsp;nbsp;De worm kruipt over de grond.
6. nbsp;nbsp;nbsp;De vogel vliegt naar de vlinder.
7. nbsp;nbsp;nbsp;De hond speelt met de kat.
8. nbsp;nbsp;nbsp;Het mes ligt naast de vork.
9. nbsp;nbsp;Hij drinkt uit een gendie.
10. nbsp;nbsp;Hij slaat met een hamer.
11. nbsp;nbsp;Hij schrijft met een pen.
12. nbsp;nbsp;Hij hakt met een bijl.
13. nbsp;Hij veegt met een bezem.
14. nbsp;nbsp;Hij zaagt met een zaag.
15. nbsp;nbsp;Hij schiet met een geweer.
N“. 67.
Vraag en Antwoord,
1. Vangt de kat een muis? Ja, de kat vangt een muis.
-ocr page 58- -ocr page 59-Pl. N”. 32.
B7
58
Nquot;. 68.
Zie de piaaijes op èiz. 66 en 67.
Nu alleen vragen.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Eet hij met een lepel of met een vork ?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Drinkt zij uit een glas of uit een gendie?
3, nbsp;nbsp;nbsp;Schrijft hij met een pen of met een potlood ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Speelt hij met de hond of met de kat?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Hakt hij met een bijl of met een hamer ?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Loopt hij op de weg of in de tuin ?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Leest hij in de school of in huis ?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Slaapt hij in een bed of op een mat ?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Snijdt hij met een mes of met een beitel?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Valt hij uit een boom of uit de bank?
H. Klimt hij in de boom of over de pagger?
12. nbsp;nbsp;nbsp;Loopt hij over de plank of in de kali?
13, nbsp;nbsp;nbsp;Leunt hij tegen de muur of tegen de paal?
14. nbsp;nbsp;nbsp;Staat hij op de ladder of op de stoel?
15. nbsp;nbsp;nbsp;Staat hij voor de deur of in de school?
16. nbsp;nbsp;nbsp;Vaart hij in een prauw of op een boot?
17. nbsp;nbsp;nbsp;Zit hij in de bank of op de stoel?
18. nbsp;nbsp;nbsp;Kruipt hij onder het bed of onder de tafel ?
19. nbsp;nbsp;nbsp;Leest zij in een krant of in een boek ?
20. nbsp;nbsp;nbsp;Zit hij op de vloer of op een stoel ?
NL 69.
Ook mei je, u en ik.
-ocr page 61-59
N’. 70.
^ui eens in .■
1. De karbouw — een kar. 2. Het meisje — een bloem. 3. De kat — een muis. 4. De heer — een sigaar. 5. De visscher — een visch. (5. De hond — tegen het kind. 7. De baboe — een kind. 8. De dief — over de pagger. 9. De vogel — in de kooi. 10. De fiets — onder de boom. 11. De bal — onder de kast. 12. De kip — op het nest. 13. Het ei — onder de kip. 14. De prauw — naar de boot. 15. De jongen — met een steen. 16. De eend — in het water.
N®. 71.
En nu .•
1. Ik — een brief. 2. Ik — in de kali. 3. Ik — onder de pantjoeran. 4. Ik — onder het bed. 5. Ik — over een plank. 6. Ik — met een geweer. 7. Ik — met een pen. 8. Ik — in een boom. 9. Ik — uit een boom. 10. Ik — onder een boom. 11. Ik — in een prauw. 12. Ik — naar de school. 13. Ik — op een paard. 14. Ik — van een bord. 15. Ik — uit een glas.
N®. 72.
Dezelfde oefening mei jij en U.
N“. 73.
Oo^ met hij en zij.
-ocr page 62-60
Nquot;. 74.
Probeer eens in le vullen :
1. nbsp;nbsp;nbsp;Hij zit niet op de stoel, maar op de grond
2. nbsp;nbsp;nbsp;Hij leest niet in de krant, maar ... .
3. nbsp;nbsp;nbsp;Hij slaapt niet op een mat, maar ....
4. nbsp;nbsp;nbsp;Hij schiet niet op een vlinder, maar. . .
5. nbsp;nbsp;nbsp;Hij vaart niet in de kali, maar.....
6. nbsp;nbsp;nbsp;Hij drinkt niet uit een gendie, maar
7. nbsp;nbsp;nbsp;Hij eet niet van een schoteltje, maar
8. nbsp;nbsp;nbsp;Hij gooit niet met een hoed, maar .
9. nbsp;nbsp;nbsp;Hij snijdt niet met een beitel, maar . . .
10. nbsp;nbsp;nbsp;Hij klimt niet over de pagger, maar.
N“. 75.
Doe hetzelfde met jij en U.
N’. 76.
Geen.
|
jEn nu : | ||||||||||||||||||||||||
|
61
N». 77.
Weer vraag en antwoord.
Ik drink uit een glas.
Uit een glas drink ik.
l. nbsp;nbsp;nbsp;Waaruit drink ik?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee schiet ik?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee eet ik?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waarvan eet ik?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waarop zit ik?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waaronder kruip ik?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Waarover val ik?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waarachter zit ik?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Waaronder baad ik?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Waarop schrijf ik?
NU -78.
En nu de vraag een beetje veranderd.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waaruit drink ik niet?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee schiet ik niet?
NU
En nu no^ eens:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waarover kruipt de rups?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waaraan ligt de hond?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waarover loopt de jongen?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waaraan hangt de vrucht?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waarvoor loopt het paard?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waarin zit de vogel?
79.
7. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee speelt de hond?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waarin zwemt de eend?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Waaraan hangt de lamp?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Waaruit drinkt het kind?
11. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee naait de naaister?
12. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee veegt de huisjongen?
62
N®. 80.
Ik heb geld.
Jij hebt geld. (U hebt geld, U heeft geld).
Hij heeft geld. (Zij heeft geld). ffeb ik geld? ffeb je geld? {ffeb ff geld?) Jleeft hij geld? ffeeft zij geld?
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Deze oefening overschrfven. |
N®. 81.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je een mes? Hebt u een mes?
Zoo doorgaan tot 16.
N«. 82.
1 nbsp;nbsp;nbsp;Heeft hij een mes? Heeft zij een nus?
N®. 83.
1 nbsp;nbsp;Ik heb geen mes. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;4. nbsp;Ik
2 nbsp;nbsp;Jij hebt geen lepel. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;5. nbsp;Jij nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. g nbsp;nbsp;Hi] heeft geen vork nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;ß, nbsp;Hij
Nquot;. 84.
1 nbsp;nbsp;nbsp;Ileb jij geen mes? Neen, ik heb geen mes
64
N». 85.
Heeft.
Overschrijven.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De hoed heeft een rand.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Het glas heeft een voet.
3. nbsp;nbsp;nbsp;De kan heeft een oor.
4. nbsp;nbsp;nbsp;De hamer heeft een steel.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Het potlood heeft een punt.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Het kopje heeft een oor.
7. nbsp;nbsp;nbsp;De gendie heeft een tuit.
8. nbsp;nbsp;nbsp;De bijl heeft een steel.
9. nbsp;nbsp;nbsp;De tafel heeft een poot.
10. nbsp;nbsp;nbsp;De speld heeft een kop.
Nquot;. 86.
Ooh eens zoo opschrjven :
1. nbsp;nbsp;nbsp;Een hoed met een rand.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Een glas met een voet, enz.
N’. 87.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de vlinder een staart? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Neen, de vlinder .
2. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de muis een kop? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Ja, de .....
3. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de koetsier een zweep?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de huisjongen een bezem?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de naaister een naald?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de jager een geweer?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de klerk een geweer?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de jongen een lei?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de heer een sigaar?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de lepel een steel?
|
65 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
N“. 91.
OoA:
l. Een pen heeft een punt. Aan een pen is een punt.
J. W, Croes, Eood, Wit en Blauw. I.
5
-ocr page 68-66
N®. 92.
Ik óen groot.
Jij 6eni groot, (u).
Hij is groot.
Zij is groot.
Ben ik groot?
Ben je groot?
Ben/ u groot?1
Is u groot? )
Is hij groot?
Is zij groot?
-ocr page 69-K. N“. 34.
67
68
|
NO. 93. | ||||||||||||||||||||||||
|
NO. 94.
Hoe ben je?
1. nbsp;nbsp;nbsp;Ben je groot of klein? Ik ben . .
2. nbsp;nbsp;nbsp;Ben je dik of mager?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Ben je vuil of schoon?
Ooamp;:
NO. 95.
Hoe?
I. nbsp;nbsp;nbsp;Is de lei vuil of schoon?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Is de berg hoog of laag?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Is de koe vet of mager ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Is de fiesch vol of leeg?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Is de jas wit of zwart?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Is de jas vuil of schoon?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Is de tafel rond of vierkant?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Is de heer groot of klein?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Is de kooi groot of klein?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Is het kind mooi of leelijk?
69
N». 96.
Hoe?
|
1. |
Hoe |
is de |
bal? |
11. |
Hoe is |
de |
pagger? |
|
2. |
Hoe |
is de |
tafel ? |
12. |
Hoe is |
het erf? | |
|
3. |
Hoe |
is de |
jas? |
13. |
Hoe is |
de |
boot? |
|
4. |
Hoe |
is de |
bloem ? |
14. |
Hoe is |
de |
muis? |
|
5. |
Hoe |
is de |
school? |
15. |
Hoe is |
de |
prauw? |
|
6. |
Hoe |
is de |
vinger? |
16. |
Hoe is |
de |
ring? |
|
7. |
Hoe |
is het bord? |
17. |
Hoe is |
de |
boom? | |
|
8. |
Hoe |
is de koe? |
18. |
Hoe is |
het touw? | ||
|
9. |
Hoe |
is de |
flesch ? |
19. |
Hoe is |
de |
rand? |
|
10. |
Hoe |
is het |
water ? |
20. |
Hoe is |
het bord? | |
N®. 97.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Sterk — zwak. nbsp;nbsp;nbsp;4. Slim — dom.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Zwaar — licht. nbsp;nbsp;nbsp;5. Scherp — bot.
3. nbsp;nbsp;nbsp;Rijk — arm.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Een prauw is niet groot, maar ....
2. nbsp;nbsp;nbsp;Een bord is niet vierkant, maar . . .
3. nbsp;nbsp;nbsp;Een steen is niet licht, maar ....
4. nbsp;nbsp;nbsp;Een wiel is niet vierkant, maar ....
5. nbsp;nbsp;nbsp;Een vinger is niet dik, maar.....
6. nbsp;nbsp;nbsp;Een lint is niet breed, maar .....
7. nbsp;nbsp;nbsp;Een kerk is niet klein, maar ....
8. nbsp;nbsp;nbsp;Een hals is niet dik, maar .....
9. nbsp;nbsp;nbsp;De lei is niet vuil, maar ......
10. nbsp;nbsp;nbsp;De gendie is niet leeg, maar ....
11. nbsp;nbsp;nbsp;De eend is niet groot, maar .....
12. nbsp;nbsp;nbsp;De hamer is niet licht, maar ....
13. nbsp;nbsp;nbsp;Een paard is niet zwak, maar ....
14. nbsp;nbsp;nbsp;Een heer is niet arm, maar .....
15. nbsp;nbsp;nbsp;Een hond is niet dom, maar .....
16. nbsp;nbsp;nbsp;Een mes is niet bot, maar .....
70
N”. 98.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de bal niet? De bal is niet vierkant.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de heer niet?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de hond niet?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de berg niet?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de prauw niet?
6, nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de baboe niet?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de muis niet?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de lei niet?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is het mes niet?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de boom niet?
N». 99.
|
1. 2. |
Ben je dom of knap? Ben je rijk of arm? |
|
3. |
Ben je zwaar of licht? |
|
4. |
Ben je vlug of lui? |
|
5. |
Ben je sterk of zwak? |
|
6. |
Ben je mooi of leelijk? |
|
7. |
Ben je breed of smal? |
|
8. |
Ben je klein of groot? |
|
9. |
Ben je vuil of schoon? |
|
10. |
Ben je dik of mager? |
|
OoA met zij. |
71
N“. 100.
Deze — die. Dit — dat.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Deze tafel is groot, maar die is klein.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Deze lieer is mager, maar ....
3. nbsp;nbsp;nbsp;Dit mes is scherp, maar .....
4. nbsp;nbsp;nbsp;Deze hamer is licht, maar ....
5. nbsp;nbsp;nbsp;Dit water is vuil, maar .....
6. nbsp;nbsp;nbsp;Deze boot is klein, maar .....
7. nbsp;nbsp;nbsp;Deze man is arm, maar .....
8. nbsp;nbsp;nbsp;Dit glas is klein, maar......
9. nbsp;nbsp;nbsp;Dit glas is leeg, maar ......
10. nbsp;nbsp;nbsp;Deze hoed is groot, maar .....
11. nbsp;nbsp;nbsp;Dit lint is smal, maar ......
12. nbsp;nbsp;nbsp;Deze lei is schoon, maar .....
13. nbsp;nbsp;nbsp;Deze steen is zwaar, maar ....
14. nbsp;nbsp;nbsp;Dit kind is dom, maar .....
15. nbsp;nbsp;nbsp;Deze plank is smal, maar.....
|
N®. |
101. | ||
|
1. |
De |
boot is groot. |
Een groote boot |
|
2. |
De |
lei is schoon. |
Een schoone lei. |
|
3. |
De |
flesch is leeg. | |
|
4. |
De |
jas is vuil. | |
|
6. |
De |
karbouw is sterk. | |
|
6. |
De |
man is arm. | |
|
7. |
De |
berg is hoog. | |
|
8. |
De |
koe is mager. | |
|
9. |
De |
tafel is vierkant. | |
|
10. |
De |
aap is leelijk. | |
|
11. |
De |
bijl is scherp. | |
|
12. |
De |
brief is licht. |
72
N». 102.
(Zie N°. 101).
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is die boot groot!
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is! Zoi 12.
Nquot;. 103.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat een groote boot!
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat een schoone lei !
iol 12.
|
N”. |
104. | |
|
1. Het |
nies is scherp. |
Een scherp mes. |
|
2. Het |
glas is vol. |
Een . . . . |
|
3. Het |
lint is breed. |
Een .... |
|
4. Het |
kind is dom. | |
|
5. Het |
baadje is vuil. | |
|
6. Het |
erf is groot. | |
|
7. Het |
huis is klein. | |
|
8. Het |
ei is vuil. | |
|
9. Het |
blad is rond. | |
|
10. Het |
geweer is zwaar. | |
|
11. Het |
bord is vol. | |
|
12. Het |
wiel is rond. | |
|
13. Het |
touw is sterk. | |
|
14. Het |
slot is zwaar. | |
|
IS. Het |
schrift is vuil. | |
|
16. Het |
kopje is leeg. | |
|
17. Het |
paard is sterk. | |
|
18. Het |
bed is groot. | |
|
19. Het |
boek is dik. | |
|
20. Het |
erf is groot. |
73
N«. 105.
(Zie N°. 104).
1. nbsp;nbsp;nbsp;Het scherpe mes. Een scherp mes.
N». 106.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is dit mes scherp!
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is dit glas vol!
Doorgaan
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat een
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat een Üoorffaan
toi 20.
N». 107.
scherp mes!
vol glas !
tot 20.
N®. 108.
Van.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De rand
2. nbsp;nbsp;nbsp;Het wiel
3. nbsp;nbsp;nbsp;De punt
4. nbsp;nbsp;nbsp;Het oor
van de hoed is breed.
van de kar is ... .
van de pen is ... . van het kopje is. . . . van de tafel is ... .
6. nbsp;nbsp;nbsp;De huisjongen van de heer is
7. nbsp;nbsp;nbsp;De tuin van het huis is ... .
8. nbsp;nbsp;nbsp;Het glas van mama is .....
9. nbsp;nbsp;nbsp;Het bord van het kind is . . .
10. nbsp;nbsp;nbsp;De lei van het meisje is ... .
N®. 109.
Ze^ tiet ooA eens zoo:
1. nbsp;nbsp;nbsp;De hoed heeft een breede rand.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De kar heeft .......
3............
-ocr page 76- -ocr page 77-HERHALING.
-ocr page 78- -ocr page 79-77
Nquot;. ]10.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is dit?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waaraan ligt ^j/P
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is op de paal?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hij zn dat hok?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat eet de aap?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Ben je bang voor een aap?
79
N“. 111.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet (Zie man?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee doet hij dat?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat zit aan die haak?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wie bijt in de worm?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de man met de visch?
81
N». 112.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wie is lt;/a/?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat draagt ^ÿ?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waarin zit het kind?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waar loopt rfe baboe met het kind?
6. Wat heeft zij hoven het hoofd?
J W. Croes, Eood, Wit en Blauw. I.
-ocr page 84- -ocr page 85-83
N“. 113.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wie is ciii?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar staat hijquot;^
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft hj in de hand?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hij mei de zweep?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat trekt het paard?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waar is de kar?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Zit de heer in de kar?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waar is die^
85
N». 114.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waar gaat die jongen heen?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat draagt Atj onder de arm?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat ligt oj)de lei?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat ligt op het schrift?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hij in het schrift?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee schrijft Aïj in het schrift?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee niei?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waar schrijft Zzÿ ook op?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hij in het boek?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Is die jongen knap of dom?
11 nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft hij op het hoofd?
12. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft hij geen hoed op het hoofd?
87
Nquot;. 115.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is dit ?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waarop schiet ^ÿ?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee schiet hj?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de vogel ?
6. Hoe is hj?
-ocr page 90- -ocr page 91-Nquot;. 116.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wie loopt voor de kar?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wie staat in de kar?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft hij in de hand?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet A^ de karbouw?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Is de karbouw moe?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Is de karbouw een sterk dier?
91
Nquot;. 117.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat staat in de kamer?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat staat voor de tafel?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wie zit oß de stoel?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet bÿ?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat schrijft Atj?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Aan wie schrijft htÿ een brief?
93
N®. 118.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Loopt het paard voor de kar?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar loopt het?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waaraan loopt ^eZ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waaraan zit dat touw?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar zit het touw om?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat eet het paard?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Is dit paard groot of klein
8. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is het ooh, vet of mager?
9Ö
N«. 119.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is dir^
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat hangt tegen de muur?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat hangt og) ztg van de spiegel?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat staat onder de spiegel?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wie zit aan de tafel?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet /ÿ?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hij oo^?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wie zit naast de tafel?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Leest ztg ook?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is ztg? (moe;
97
N®. 120.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat kruipt op het erf?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wie ziet dai?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat neemt /i?j van de grond ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hj?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de slang?
J. W. Groes, Rood, Wit en Blnaw. I.
-ocr page 100- -ocr page 101-99
N’. 121.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is dit'^
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar ligt ^ÿP
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waar ligt hij aan ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wie gooit de hond met een steen?
6. Hoe is de hond ?
6. Wat doet hj de jongen?
-ocr page 102-Pl. N“. 47.
100
101
N’. 122.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat staat in de tuin ?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat staat onder die boom?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wie zit oj)de bank?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waarin leest ^rÿ?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet het kleine meisje?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waar zet zij die op ?
103
N». 123.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat zit in de kooi?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wie ziet de vogel ?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waar loopt z^ heen ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waar slaat zij met de poot tegen ?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de vogel ?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wie ziet de kat ?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat neemt ^ÿ? (stok)
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet Âÿ met de stok?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de kat?
105
N“. 124.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waar zit de aap?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat neemt de huisjongen ?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waar zet Ai^ die tegen ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waar klimt hÿ op?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Vangt Ay de aap of niet ?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat neemt A^? (ketting)
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hj met de ketting? (buik)
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waar brengt hij de aap naar toe?
107
N’. 125.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is voor het huis?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat ligt over de kali?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wie loopt over de plank?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de plank?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar valt de jongen in?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Is hij dood?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hj?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waar loopt Zaj heen?
108
ALLERLEI VRAGEN.
N®. 126.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee veegt «Ze huisjongen de vloer?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee vangt de visscher een visch?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waartegen stoot je de voet? (^li: . . . .J
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waarop kruipt de rups?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de jas van de onderwijzer?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee schrijft de klerk een brief?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat plukt de kebon van de boom?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wat draagt de baboe in de slendang?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Is deze school groot of klein?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Wat zit om de hoed?
NL 127.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Is Aei mes bot of scherp?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat ligt over de kali?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waaraan ligt de geit?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft het kleine kindje om de hals?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je een vierkante of een ronde tafel?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat rookt die heer?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Waarachter rolt de bal?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heb ih: aan de vinger?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Waaronder baadt de man?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Waaruit drink je water? Clh.... )
109
NO. 128.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee gooit de kebon naar de slang?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waaruit loopt het water in de gendie?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waar zwemt de eend?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat ligt onder de kip?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar staat de fiets onder?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat eet een geit?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee schiet je een vogel? fik...J
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee schrijf je op de lei?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wat vaart naar de boot?
10, nbsp;nbsp;nbsp;Wie zit op de bank onder de boom?
NO. 129. •
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waar ligt het zieke kind in?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Rijdt hïj op een paard of in een bendy?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat hangt te^en de muur?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Van wie is dit paard?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Is deze jongen dom of knap?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Is de gans een dom dier of een slim dier?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Is de punt van het potlood scherp of niet?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wie snijdt het gras vcor het paard?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Waar blaast de jongen op?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Wat slacht de kokkin?
110
N”. 130.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wie brengt het paard naar de stal?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waarover kruipt de slang?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waar staat het kopje op?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de vlinder een staart of niet?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar hangt de vlieger?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat staat onder de spiegel?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Waar hang je de hoed op? (Ik. . . .}
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wie loopt achter de wedana?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee naait de naaister?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je een bot mes of een scherp mes? (Ik. ..J
N’. 131.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is het lint om de hoed?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waarin ligt het ei?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de koe, vet of mager?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee zaag je een p'ank?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Is een groote steen zwaar of licht?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee slaat de koetsier het paard?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Ben je bang voor een booze hond? (Ik. .. .)
8. nbsp;nbsp;nbsp;Is een groote jongen ook bang voor een booze hond?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Slaap je in een groot bed?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je een groot erf of een klein erf?
111
N“. 132.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Is een mier een groot dier of een klein dier?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft de grasman in de mand ?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waartegen staat de ladder ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat» draagt de heer op het hoofd ?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wie rijdt de heer naar de toko ?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat vangt de jongen in de kooi ?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat wascht de baboe?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wat zie je in de school?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft kef kind in de hand?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Waar vaart de boot op?
1
Nquot;. 133.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee vangt de man een visch ?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waarvoor ligt de hond ?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee naait de naaister de jas?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat neem je uit de kast?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Eet je met een lepel of met een vork ?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Spring je in de kali of over de kali?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat plukt het meisje?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waarop draagt de vrouw de flesch ?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Is een kat bang voor een rat ?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Bijt die hond of niet ?
112
N». 134.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is dii water?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat draagt de heer, een witte jas of een zwarte jas?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Eet je van een vuil bord?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Drink je uit een vuil glas?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de huisjongen een bezem?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waaronder kruipt Ae^ kleine kindje?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Waaraan ruikt dit meisje?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waarachter kruipt de dief?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee schopt het paard?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Waar zet je de stoel?
N»; 135.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Eet je ook een vuil ei?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wie vult de gendie?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waar leunt de blinde tegen?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Voor wie is de baboe bang?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat ligt op de tafel?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waarin ligt het zieke kind?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wie ligt voor het bed?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waar rijdt de kar over?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee gooit de jongen naar de hond?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Ben je moe?
113
Proeve van behandeling van de platen 1, II en III.
[Zie voor de behandeling van de overige platen mijn „Spreeklessen” behoorende bij Rood, Wit en Blauw, Eveneens uitgave Blankwaardt en Schoonhoven te Rijswijk (Z.-H.)].
PLAAT I.
1 ste Les.
Voor het begin der les bedekke de onderwijzer elk der 6 plaatjes door ■niddel van punaises met een stuk papier, zoodat geen der kinderen nog iets van de plaat heeft gezien. Ze wordt zoo voor de klasse gehangen. Het is vooral van belang, dat er belangstelling is, en dat de leerlingen zich de werking, op de plaat in beeld gebracht, helder voorstellen. Daarom beginnen we met een vertelling, natuurlijk alles in ’t Maleisch of de landstaal.
De ijverige Parto.
Parto was het zoontje van den mandoer van de soos. Iedereen vond het een aardigen jongen, omdat hij zoo ijverig leerde. Hij zat in de hoogste klas. Was de school uit, dan ging hij dadelijk naar huis en bleef niet onderweg spelen. Eerst vertelde hij aan zijn mama, wat liij op school had geleerd en daarna moest hij wel eens boodschappen doen voor zijn mama of papa. Maar op een Maandag had de onderwijzer op school iets heel moeilijks verteld, en toen de school uit was, zei hij: ,,Nu moeten jullie het zoo gauw mogelijk eens thuis opschrijven; dan zal ik morgen eens kijken, wie het best heeft opgelet.” Parto vloog naar huis, vergat zijn mama goeden dag te zeggen en ging gauw naar een kamertje in de soos, nam papier, pen en inkt en ......maakte een groot verhaal. Zijn mama zocht hem overal, maar hij was nergens te vinden. Zijn zusje zag, dat mama angstig werd. Zij dacht: ,,Ik ga eens in de soos kijken, of hij daar misschien is.” In de groote zaal was hij niet. Ze deed de deur van een klein kamertje open en zag Parto stil aan een tafel zitten schrijven. Luid riep zij: ,,Mama, hier is Parto, in het kleine kamertje: ,,la menoelis!”
Bij het uitroepen dezer laatste woorden wordt het papier van het eerste plaatje weggenomen. Nu volgt een oogenblikje van stille beschouwing der plaat. Daarna zet de onderwijzer een tafeltje voor de klas; een jongen mag er voor zitten.
J. W. Croes, Rood, Wit en Blauw. I. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;8
-ocr page 116-114
„Kinderen, daar zit ónze Parto!”
(Stil tot Parto; Neem een pen en doe, alsof je schrijft).
Zijn zusje zoekt hem; zij ziet hem en wat roept zij?
(Stil tot Parto: Neem een boek en doe, alsof je leest).
Wat zoudt ge nu roepen?
Ia membatja: Hij leest.
(Stil tot Parto: Neem een potlood en doe, alsof je teekent).
Wat nu?
Ia menggambar.
enz. enz.
Kinderen, ik had in Holland ook zoo’n ijverig broertje. Dat ventje was ook stil naar zijn kamer gaan schrijven. Moeder zocht hem overal. Ik dacht: „Ik zal eens naar zijn kamertje gaan.” En jawel hoor, daar zat hij te schrijven. Luid riep ik, natuurlijk niet in ’t Maleisch, maar in ’t Hollandsch:
Hij schrijft.
Nu zet ik nog een tafeltje voor de klas. Daar moet, zoo er tenminste onder het gehoor een Europeesch kereltje is, een Hollandsch jongetje voor gaan zitten. In het andere geval is het voor de kinderen zeer leuk, wanneer een Javaansch kereltje in een klein blandaatje wordt getransformeerd.
Wijs eerst eens naar het Maleische jongetje en zeg, wat hij doet. Dan naar ’t Hollandsche.
Ie jongen: nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Ia menoelis. Hij schrijft.
2e
3e
En nu allemaal tegelijk;
Ia menoelis. Hij sclirijft.
De tafeltjes gaan weg en eenige kinderen mogen achtereenvolgens met een stok het plaatje aanwijzen en dan uitroepen: Hij schrijft.
Ten slotte allen tegelijk: Hij schrijft.
En hiermede is de eerste les afgeloopen.
2 de Les.
Jullie kennen Parto nog wel? Nu dan, zijn mama was blij, dat hij thuis was. Eerst mopperde zij wel wat op hem, maar niet lang, want Parto moest een boodschap doen. Vader zei tegen hem, dat hij een brief moest brengen naar den heer van de onderneming, die een paar paal van hun huis woonde. Dadelijk vertrok Parto, maar vond den heer niet thuis. Een der bedienden zei, dat mijnheer den weg naar de goedang was inge-
-ocr page 117-116 slagen. Daar zou hij hem wel vinden. Parto vertrok. Eindelijk zag hij den heer dicht bij de schuur midden in de sawah staan. Maar wat deed hij raar! (De onderwijzer bootst de houding van schieten na). Waar keek hij naar? In eens hoorde Parto: boem! „0,” riep hij uit, ,,nu begrijp ik het: Ia membeclil,”en op een draf liep hij naar mijnheer toe, om hem den Ijrief te geven.
Op het luid uitroepen van „Ia membedil (pasang)!” wordt het papier van het tweede plaatje weggenomen. Een oogenblik van stille beschouwing.
Kinderen, als Parto een Ilollandsche jongen was geweest, had hij luid uitgeroepen: Hij schiet.
Verschillende kinderen beurtelings en daarna allen laten meezeggen: hij schiet.
Twee tafeltjes worden voor de klasse geplaatst, een voor een Maleisch, een voor een pseudo Hollandscli jongetje. De onderwijzer houdt nu spreekoefeningen, onmiddellijk naast elkaar Maleisch en Hollandsch. Als volgt:
Stil tot de beide jongens: „Jullie moet net doen, of ge schrijft.” Tot een van de klasse, wijzende op het Maleisclie ventje: Wat doet hij? la menoelis.
Zeg nu in het Hollandsch, wat hij doet, wijzende op het Hollandsche kereltje. Hij schrijft.
Dit 5 tot 10 leerlingen laten herhalen. Dan de geheele klasse: la menoelis, hij schrijft.
Nu stil tot de beide jongens:
Doet net, alsof ge schiet. Zeg, Ketjil, wat doet hij? (Op liet Mal. ventje wijzende:) la membedil (pasang). En op het Holl. wijzende: Hij schiet.
Dit evenzoo laten herhalen door verscliillende 11., ten slotte de geheele klasse:
ia pasang — hij schiet.
De onderwijzer neemt een stok en wijst nu de beide plaatjes aan en geeft vlug achter elkaar verschillende leerlingen een beurt, die nu alleen in het Hollandscli moeten antwoorden: hij schrijft — hij schiet — hij schrijft, enz.
Dan zegt de onderwijzer b.v. hij schrijft, en een der 11. mag het plaatje aanwijzen.
Voldoende is aangetoond, hoe op deze manier steeds de geheele klasse er bij is, zoodat op het einde der les de beide vormen er muurvast inzitten.
J. W. Crocs, Rood, Wit en Blauw. I.
8*
116
3 de Les.
Parte kwam bij mijnheer. Hij zei: „Dag, mijnheer, hier is een brief voor u.” ,,Zoo, jongen, en kom jij dien hier brengen!” ,,Ja, mijnheer, papa zei, dat ik hem naar u toe moest brengen.” ,,Best, Parto, ik zal hem dadelijk lezen. Maar wat hoor ik daar achter het huisje van den mandoer? Ga eens gauw kijken, wat er gebeurt. Dan ga ik naar huis om den brief te lezen.” Parto hoorde luid blaffen en huilen. Hij liep hard naar het huisje toe, terwijl mijnheer naar huis ging. En wat zag Parto? Een jongetje had een dikken stok in de hand. Vóór hem kroop een hond over den grond. 0, wat een wreede jongen! Parto was woedend, want hij hield veel van dieren en kon niet zien, dat een arme hond zóó werd geslagen. ,,Sla mij eens, als je durft,” en hij hield hem de vuist onder den neus. Toen hield de jongen op met slaan. Op dit moment wordt het papier weggenomen. (Nog een oogenblik van stille beschouwing).
,,Dat zal ik gauw aan mijnheer vertellen,” zei hij. ,,lk liel) Hollandsch geleerd,” zoo dacht hij, „en ik zal het mijnheer in het Hollandsch zeggen ook.”
la poekoel — Hij slaat. En onder het loopen zei hij maar steeds: Hij slaat, hij slaat. Zóó was hij eerder bij het huis van mijnheer dan hij verwacht had en terwijl hij nog maar steeds riep: hij Slaat, hij slaat, liep hij tegen een der bedienden aan.
,,Hola, Parto, wat scheelt jou?”
,,Ik moet dadelijk naar mijnheer toe.”
,,Dat zal niet gaan, kereltje! Kijk maar eens; daar zit mijnheer en ik durf hem niet te storen, want hij leest.”
Parto bleef stil staan, en in plaats van hij Slaat, herhaalde hij nu in het Hollandsch, terwijl hij naar mijnheer wees: Hij leest. (Op dit moment wordt het 4de plaatje ont .... bloot).
Hij leest. Hij leest. Hij leest. (Door den onderwijzer).
Wat riep Parto maar steeds onderweg?
Jij, Simin: Hij slaat. Jij, Koesno: Hij slaat, enz. enz.
Wat riep hij, toen hij mijnheer zag?
Hij leest. Jij: Hij leest.
Dit wordt door minstens 10 kinderen zoo herhaald.Nu allemaal tegelijk:
Hij slaat. Hij leest.
Kom, Ketjil, ga daar eens voor de klas staan.
(Stil tot hem: Doe alsof je slaat, hier is een stok).
Wat doet hij, J.? Hij slaat.
Wat doet hij, P.? Hij slaat, enz. (5 gt;lt;)
(Stil tot hem: Doe alsof je leest; hier is een boek).
Wat doet hij, J.? Hij leest. (5 gt;lt;nbsp;1
-ocr page 119-117
(Stil tot hem : Doe alsof je schrijft).
Wat doet hij, — ? Hij schrijft (5 gt;lt;).
(Stil tot hem: Doe, alsof je schiet).
Wat doet hij? Hij schiet (5 x)
(Stil tot hem: Doe nu, wat je wilt, door elkaar).
Wat doet hij? Hij Slaat.
Hij schiet.
Hij leest.
Hij schrijft.
Dan wijst de onderwijzer de plaatjes aan en geeft vlug achter elkaar verschillende 11. een beurt: hij schrijft — hij slaat — hij leest — hij schrijft — hij schiet — hij slaat, enz.
Dan een der jongens zeggen: hij slaat — en een ander moet het plaatje aanwijzen, enz.
Dan ten slotte allen samen: hij schrijft — hij schiet — hij slaat — hij leest.
4 de Les.
Parto durfde mijnheer niet storen. Hij zou dus maar naar huis teruggaan. Maar wat zag hij daar op den grooten weg? Hij werd bleek van woede. Een waronghouder gaf een hond, die een sateh van zijn warong had gestolen, omdat hij zoo’n honger had, zoo’n schop, dat het arme dier jankend wegholde.
(Het papier wordt van het 5de plaatje weggenomen). Zie: la ter-adjang, hij schopt. (Nu een oogenblik van beschouwing en laten nazeggen van: hij schopt).
Parto was wel een beetje bang voor zoo’n grooten man. Anders had hij hem wel met een stok willen afranselen. Het arme dier wist immers niet, dat het dit niet doen mocht. En hoe mager was liet beest ook niet! Waarom gaf zijn baas hem ook geen eten? Wat een wreede man toch! Parto keek met bleek gezicht en nijdige oogen den wreeden waronghouder aan. Maar hij durfde niets tegen hem te zeggen. In de verte zag hij den hond in een pagger kruipen. Parto er vlug naar toe. Het arme dier lag daar stil met den kop op den grond, zacht jankende van de pijn. Het keek Parto aan. Met zijn oogen scheen het te willen zeggen: „Doe mij toch geen kwaad; ik heb zoo’n pijn en ook zoo’n dorst. Geef mij wat water.” Parto begreep het. Hij liep gauw het erf van een huis van een Europeaan op en vroeg den kebon een flesch met water. De kebon haalde gauw een flesch en ging er mee naar den put. Zie (en hier wordt het 6de plaatje ontbloot), daar is de kebon bij den put: la isl botol, hij vult. (Weer een oogenblik van stille beschouwing van het plaatje en nazeggen van: hij vult. Even maakt hij het verhaaltje uit). Parto rende naar den
-ocr page 120-118
hond toe en goot een beetje water op den bek van het beest. Dat deed den hond goed. Hij kroop weer op en volgde Parto naar zijn huis. Altijd is de hond bij Parto gebleven en Parto is altijd een goede baas voor hem geweest.
De onderwijzer wijst plaatje No. 5 aan en hij zegt: hij schopt — hij schopt; dan wijst hij ’t zesde aan en zegt: hij vult — hij vult. Nu de twee plaatjes na elkaar aanwijzen, zeggende hij schopt — hij vult.
Simin, kom hier, en boots plaatje No. 5 na.
Wat doet hij, Ketjil? hij schopt.
Wat doet hij, J.? hij schopt. (5 gt;lt;)
Wirio, hier is een emmer en een flescli — vul de tlescli.
Wat doet hij, K.? hij vult.
Wat doet hij, A.? hij vult. (5 gt;lt;)
Twee jongens moeten hier komen, de eene mag plaatje No. 5 nabootsen, de andere No. 6.
Wat doet hij? (wijzende op: hij schopt).
Hij schopt.
Wat doet hij ? (wijzende op den anderen jongen).
Hij vult.
Dit wordt door verscliillende 11. herliaald. 'l’en slotte roept de geheele klasse, terwijl allen met den vinger eerst naar den eenen jongen wijzen: hij schopt, en daarna wijzende naar den anderen jongen: hij vult. Wanneer dit voldoende beoefend is, wordt in deze les al het geleerde van plaat I herhaald. Dit geschiedt op verschillende wijzen.
a. nbsp;nbsp;nbsp;De werking wordt werkelijk gedaan.
6 jongens voor de klas. Ieder stelt een der plaatjes voor. Telkens mag een der andere leerlingen zijn plaats verlaten, naar een der 6 jongens toe gaan en in liet Hollandsch zoggen:
hij schrijft of hij leest, enz.
Of: de onderwijzer of een jongen verricht door elkaar de verschillende werkingen, terwijl een der 11. mag roepen:
hij slaat — hij vult, enz.
b. nbsp;nbsp;nbsp;De werking wordt voorgesteld door een plaatje.
De onderwijzer wijst een der plaatjes aan, terwijl telkens een der 11. wordt opgenoemd, die het Hollandsch moet zeggen: hij schrijft, enz.
c. nbsp;nbsp;nbsp;Eender 1'. komt voor de klasse en noemt achter elkaar onder het aanwijzen der betrokken plaatjes, wat gedaan wordt:
hij schrijft — hij schiet, enz.
d. nbsp;nbsp;nbsp;De onderwijzer zegt: hij schopt en een der 11. moet het betrokken plaatje aanwijzen onder den uitroep van: hij schopt.
e. nbsp;nbsp;nbsp;Bij wijze van aardigheid wijst de onderwijzer een verkeerd
119
plaatje aan, b.v. onder den uitroep van hij slaat wijst hij het plaatje * No. 5 (hij schopt) aan. De kinderen protesteeren door te roepen: hij schopt.
ƒ. Ten slotte eenige malen door de geheele klasse samen vlug achter elkaar, terwijl de onderwijzer de plaatjes aanwijst: hij schrijft, hij schiet, hij slaat, hij leest, hij schopt, hij vult.
Samenvatting
van
PLAAT I, II en III.
Inleiding.
Plaat I1 en 1II worden op dezelfde wijze behandeld als plaat 1.
Elke les begint en eindigt met een repetitie van al het geleerde, zoodat de geleerde woorden er muurvast in komen.
Na de uitvoerige behandeling van plaat I zal het wel niet noodig zijn op dezelfde wijze do behandeling van plaat II en III aan te geven. Ieder is in staat een eenvoudige vertelling samen te stellen, al is het niet van de geheele plaat, dan toch zeker van een gedeelte, waarin de plaatjes tot een stukje werkelijkheid worden gebraclit.
Alleen wanneer de oefeningen in aard en moeilijklieid veranderen, zal liiervan uitvoerig een voorbeeld worden gegeven. Zoo zal na de behandeling van plaat II aan de orde komen het gebruik van hij en zij. Daarbij sluit zich dan vanzelf aan het gebruik van Nederlandsche voornamen, die de 11. moeten kennen en welke dikwijls worden gehoord. We geven nu een serie lessen, die na de behandeling van plaat I, II en III gegeven kunnen worden.
1 ste Les.
Voor de klasse hangen plaat I, II en III. Begonnen wordt met de repetitie van alle geleerde zinnetjes. De onderwijzer wijst de plaatjes aan en een uit de klasse zegt: hij schrijft, hij schiet — een ander: hij slaat, hij leest, enz.
Twee tafeltjes worden nu voor de klasse geplaatst. Aan het eene wordt een jongen gezet, aan het andere een meisje. Beide kinderen moeten gaan schrijven.
De jongen wordt Piet genoemd, het meisje Anna.
Parto, zeg jij eens in ’t Hollandsch, wat P. doet.
Piet schrijft.
S., wat doet Anna? Anna schrijft.
-ocr page 122-120
Wijs met den vinger eerst naar den jongen en dan naar het meisje en zeg, wat ze doen.
Hij schrijft. Zij schrijft.
De onderwijzer gaat ook aan het schrijven en zegt: Als ik vraag om te zeggen, wat ik doe, dan moeten jullie zeggen; U schrijft.
Allo, jongens, opgelet! en zegt achter elkaar, wat Piet doet, wat Anna doet, wat ik doe.
Piet schrijft. Anna schrijft. U schrijft.
Twee andere kinderen moeten voor de klasse komen en precies doen, wat de onderwijzer doet. Deze doet, of liij schiet.
Soemo, zeg op, wat Jan doet, wat P. doet, wat ik doe.
Jan schiet. Piet schiet. U schiet.
Wijs aan met den vinger en zeg, wat gedaan wordt.
Hij schiet. Zij schiet. U schiet.
Op deze wijze worden vlug alle plaatjes doorloopen. Daarna komt aan de orde het noemen van verschillende werkingen, die gelijktijdig worden verricht en als antwoord komt er dan;
Piet schrijft. Marie leest. U schiet, enz. en met den vinger aanwijzende:
Hij schrijft. Zij leest. U schiet.
Bij deze oefening kan heel wat variatie worden aangebracht, waardoor de oplettendheid der klasse wordt verhoogd, en dus de oefeningen vlotter gaan, het spreken gemakkelijker wordt en de vaardigheid verbazend toeneemt. Niet genoeg kan er de nadruk op gelegd worden, dat er actie moet zijn voor de klasse, afwisseling in werking, waardoor de phantasie der kinderen geprikkeld wordt, zoo gelieel in overeenstemming met het wezen van het kind; het kind leeft meer in phantasie dan wij veronderstellen. Er ontstaat een wedstrijd tusschen de kinderen, wie het vlugst, het meest achter elkaar kan zeggen. Ik stel mij voor, dat er heel wat animo in de klasse zal zijn, als er b.v. zulk een tooneeltje voor de klasse wordt afgespeeld, dat er gezegd zal moeten worden;
Koesno slaat, Sirnin schopt, .... schiet, .... rookt, U veegt, enz.
Daarna vlug alle plaatjes aanwijzen en opnoemen tot slot van de les.
2de Les.
Voor de klasse hangen plaat I, II en III. Begonnen wordt met een repetitie van alle geleerde zinnetjes (Zie Les I).
De onderwijzer staat voor de klas. Achter zich zet hij een jongen en zegt: Gij moogt doen, wat ge wilt. Boots een der plaatjes na. Kinderen, ik kan niet zien, wat hij doet en daarom zal ik het jullie vragen. Ik zal jullie
-ocr page 123-121
een voorbeeld geven. Ga achter mij staan, Koesno. Je heet Piet. Doe, alsof je schrijft.
Simin, nu vraag ik: Schiet hij ? Dan zeg je: Neen, (en de onderwijzer schudt van neen). Begrepen? Vooruit, Piet, doe, alsof je schrijft.
Rookt hij ? Neen.
Vult hij? Neen, enz.
Schrijft hij? Dan moet je zeggen: Ja, hij schrijft, (en de onderwijzer knikt van ja).
Vooruit, Piet, je kunt doen, wat je wil.
Piet gaat staan.
Rookt hij ? Neen.
Bakt hij? Neen.
Ten slotte raadt de onderwijzer het en er komt:
Slaat hij? Ja, hij slaat.
Nu neemt de onderwijzer twee kinderen. Een mag doen, wat hij wn; de andere moet vragen.
De jongen gaat rooken en de ander ;^raagt aan de klasse: Schrijft hij ? Neen.
Veegt hij? Neen, enz., tot de jongen het ten slotte raadt.
Er is al weer actie in de klasse.
De onderwijzer zorgt op den achtergrond te blijven en laat de 11. zooveel mogelijk begaan. Vanzelf neemt de geheele klasse aan het beantwoorden deel en luid zal het klinken, als het geraden wordt:
Ja, hij rookt.
Een meisje wordt voor de klasse geplaatst. Vóór haar komt een ander kind, dat mag vragen en het spelletje begint weer, thans op een andere manier. Het meisje doet, alsof ze leest. Het vóór haar geplaatste kind vraagt: Naait zij ? Neen, (roept de onderwijzer) zij leest.
Doe dat nu na, jij daar, Sidin! (tot een van de klasse).
Het meisje doet, alsof ze veegt. Het vóór haar geplaatste kind vraagt:
Vult zij? Een uit de klasse: Neen, zij veegt.
Het meisje doet weer wat anders (schrijven).
Schrijft zij ? Een uit de klasse: Ja, zij schrijft.
Ten slotte een vlugge repetitie van de 3 platen. De onderwijzer wijst een der plaatjes aan, b.v. in volgorde en vraagt:
Schrijft hij ? De klasse antwoordt: Ja, hij schrijft.
Leest hij ? nbsp;nbsp;„ nbsp;nbsp;nbsp;„ nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;„ Neen, hij schiet.
enz.
-ocr page 124-12-2
3 de Les.
Voor de klasse hangen plaat I, II en III. Begonnen wordt met een repetitie van alle geleerde zinnetjes.
Een tafeltje wordt voor de klasse geplaatst; een leerling zit er voor te lezen.
Zeg, Moesto, als ik je vraag: ,,Schrijf jij,” wat zeg je dan? ,,Neen, ik lees.”
En als ik je vraag: ,,Lees jij,” wat zal je dan antwoorden? ,,Ja, ik lees.”
Nu willen we Hollandsch spreken. Vooruit, ga schrijven en nu goed luisteren, hoor!
Schrijf jij ? en zeg nu: Ja, ik schrijf.
Wie hoort duidelijk het verschil tusschen:
Schrijft hij ? en Schrijf jij?
Door dikwijls duidelijk voor te zeggen, zal het niet moeilijk vallen, dit in eens de 11. eigen te doen worden — verdere oefening geeft de vaardigheid en daarvoor zorgt het verdere gedeelte der les.
Komaan, Parto, doe, alsof je schrijft.
Schrijf jij ? Ja, ik schrijf.
Goed zoo, nu een ander.
Kom hier, en doe, alsof je schiet.
Schrijf jij? Neen, ik schiet.
Het gaat prachtig; alweer een ander; doe, alsof je slaat.
Sla jij? Ja, ik sla, enz. Het zal dikwijls noodig zijn, dat de onderwijzer voorzegt, verbetert, — dan maar weer eens van het begin af aan, of een keer meer dezelfde woorden. Er zit heel wat oefening in de 3 X 0 plaatjes van plaat I, II en III.
Wil men nog een andere manier, om vlug deze soort van oefeningen te behandelen of te herhalen? Ziehier nog een wijze van doen, die niet nalaten zal de leerlingen er bij te doen zijn, en het kan niet dikwijls genoeg herhaald worden: belangstelling is de eerste factor voor goed leeren.
Een der platen wordt op een stoel gezet. Een der jongens mag er achter staan, een er vóór met een stok in de hand.
Zeg, Ali achter de plaat, jij moet antwoord geven, hoor! Jij bent de man, die op het plaatje staat afgebeeld.
Als Soedarman nu het eerste plaatje aanwijst en roept: Schrijft hij ? dan roep je achter de plaat luid: Ja, ik schrijf.
Vooruit, het spel begint.
Schrijf jij? en luid klinkt het van achter de plaat: Ja, ik schrijf.
Schiet hij? Ja, ik schiet.
Nog anders:
Een jongen wordt geblinddoekt en mag met een stok een der plaatjes
-ocr page 125-123
aanwijzen en dan, meenende, dat hij het 2e plaatje aanwijst, vragen: Schiet hij? waarop er als antwoord volgt, omdat het 4de plaatje is aangewezen:
Neen, ik lees.
Genoeg is nu aangegeven, dat er tal van manieren zijn, om prettig bezig te zijn, veel te spreken in vraag en antwoord, waardoor de zinnen het eigendom worden der leerlingen.
Spreken en doen tegelijk, dat is de manier om een vreemde taal te leeren: verbinding van woord en zaak in plaats van woord en woord, bevordert het denken in een vreemde taal.
Ten slotte volgt steeds op het einde der les een vlugge herhaling van al het geleerde, eerst één leerling, daarna klassikaal.
De leerlingen merken dan, dat ze werkelijk vorderingen hebben gemaakt: op het eind der les voelen zij, dat het beter gaat dan in het begin en dat is een heele voldoening voor hun inspanning.
4de Les.
[Algemeene herhaling.)
Het lijkt me niet onnoodig een schets te geven van een herhalingsles. Doel liiervan is: bevestiging van het geleerde, oefening in het vlug uitspreken en in het combineeren.
De 3 platen hangen voor de klas.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Parto, kom voor de klas en wijs vlug alle plaatjes aan van plaat I.
Hij schrijft — hij schiet.
Hij slaat hij leest.
Hij schopt hij vult.
Draai je om en kijk naar de klas en zeg nog eens, wat er op de 6 plaatjes staat.
S., kom jij hier en doe hetzelfde met plaat II.
Hij plukt — hij rookt, enz.
Draai je om en nu uit het hoofd.
Evenzoo van plaat III.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Goesti, kom jij hier en geef ieder op de plaat een Hollaiidschen naam.
Plaat I.
Piet schrijft — Mijnlieer schiet.
Jan slaat — Mijnheer Jansen leest.
Klaas schopt — Gerrit vult.
Draai je om en zeg het nog eens tegen de klas.
Evenzoo plaat II en III.
-ocr page 126-124
Wie kan nu alle 3 achter elkaar namen geven? Vooruit maar, achter elkaar, door elkaar.
3. nbsp;nbsp;nbsp;Noem iedereen op de plaat U en doe net, alsof je tegen het plaatje spreekt.
U schrijft - U schiet.
Noem ze nu jij: jij schrijft — jij schiet, enz.
Noem de groote menschen nu U en de kinderen jij.
Begin maar.
Jij schrijft — U schiet, enz.
4. nbsp;nbsp;nbsp;Vraag aan het plaatje met U.
Schrijft U? Schiet U?
Slaat U? Leest U?
Schopt U? Vult U?
Nu met jij.
Schrijf jij ? enz.
Evenzoo de andere plaatjes.
S. nbsp;nbsp;nbsp;Nu vraag en antwoord met U voor een groot mensch, jij voor een jongen.
Schrijf jij? Ja, ik schrijf.
Schiet U? Ja, ik schiet, enz.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Nu vraag en antwoord met hij.
Schrijft hij? Ja, hij schrijft, enz.
Nu zoo, dat er neen gezegd moet worden.
Leest hij? Neen, hij schrijft.
Schrijft hij? Neen, hij schiet, enz.
Nu zoo, dat ja en neen door elkaar komt.
7. nbsp;nbsp;nbsp;Hier is op plaat II een jongen, die plukt, en op plaat III een meisje, dat plukt.
We kunnen nu zeggen;
hij plukt en zij plukt.
Doe zoo met alle plaatjes.
Hij schrijft en zij schrijft.
8. nbsp;nbsp;nbsp;Zoek nu zelf eens 2 plaatjes, die bij elkaar zouden kunnen
|
passen, b.v. | ||||
|
Hij |
schrijft |
en |
hij |
leest. |
|
Hij |
schiet |
en |
hij |
vangt. |
|
Hij |
slaat |
en |
hij |
schopt. |
|
Hij |
trekt |
en |
zij |
draagt. |
|
Zij |
strijkt |
en |
zij |
naait. |
|
Zij |
schilt |
en |
zij |
bakt. |
|
Zij |
slijpt |
en |
zij |
veegt. |